HET BOEK VOOR ALLEN.
v..
-6
HET
BOEK VOOR ALLEN
DOOR
Pater J, BERTHIER, M. S,
Qitod vobi's dico, omnibus dico. Wat ik u zeg, zeg ik tot allen.
(Marc. XIII, «V
1 )-n
BOXTEL.
W. VAN E U P E N.
â
GOEDKEURING
van dc nieuwe Fransche uitgaaf,. -oo»
Niet alleen keuren wij de nieuwe uitgaaf van âHet Boek voor ai/cnquot; goed: maar daarenboven bevelen wij den priesters en den geloovigen de aanhoudende lezing daarvan ten zeerste aan. De priesters zullen er vinden, wat zij de hun toevertrouwden leeren moeten, om hen te bewaren voor de onwetendheid in den godsdienst, welke het groote gevaar is van onzen tijd. De geloovigen zullen er, behalve de duidelijke, nauwkeurige en volledige verklaring van de waarheden, die zij nooit vergeten moeten, en de plichten, die zij te vervullen hebben, het antwoord vinden op de tegenwerpingen van de ongeloovigen en de onverschilligen onzer dagen, met goedgekozen feiten uit de geschiedenis, die ze boeien zullen, en al boeiende stichten.
Ook spreken wij den wensch uit, dat in elk huisgezin iederen dag, in de winteravonden en in den zomer ten minste des Zondags, een hoofdstuk van dit boek gelezen worde. Welk nut zou hieruit voortvloeien voor de zielen ! De goede boeken, eertijds zoo algemeen, zijn, helaas I in onze dagen vervangen door feuilletons en dagbladen, die den geest op het dwaalspoor brengen en het hart bederven 1
De Eerwaarde Heeren Pastoors en Directeurs van opvoedingsgestichten, de onderwijzers en onderwijzeressen zouden een werk van zielenijver verrichten door dit boek tot belooning te geven aan hunne koorknapen en kinderen en door hen aan te sporen dit te lezen, als het huisgezin bijeen is. Door dit middel zou de onderrichting in den godsdienst onder het geloovige volk verspreid worden en de zielen zouden niet weerloos zijn, tegenover de aanvallen van de vijanden van God.
Dit heeft men reeds ingezien, want de Fransche uitgave van liet Boek voor allen, eene oplaag van 5o.ooo exemplaren, was spoedig uitverkocht. Alles voorspelt aan dit boek een nog grooter succes voor de toekomst, want het is een van de boeken, die blijven, omdat ze doelmatig zijn.
Grenoble, i Jan. iSqj.
F. MUSSEL, l'zc.-Gcn.
Jezus predikt Zijne leer.
Toewijding aan onzen Heer Jezus Christus.
Mijne leer is niet mijne leer, maar die van Hem, die mij gezonden heeft. Het is uwe leer, o mijn Verlosser en Heer, waarachtig licht, dat eiken mensch verlicht, wanneer hij op de wereld komt. Laat derhalve toe, dat ik U terugschenke, wat U toebehoort, door het U toe te wijden, en gewaardig U overvloedig uwe gratie uit te storten over hen, die deze regels zullen lezen, opdat zij verlicht, getroffen en geheiligd worden. Ik vraag het U door Maria, uwe en onze heilige Moeder.
Verklaring van den schrijver.
Wij onderwerpen zonder voorbehoud dit werkje aan de beslissing van den Apostolischen stoel; en wij verklaren geenszins de meéning te hebben de beslissing van den H. Stoel vooruit te loopen,door somtijds den titel van heilig of zalig te geven aan personen, die achtenswaardig zijn om hunne deugden, of door zekere feiten, die wij verhalen, mirakelen te noemen.
VOORREDE.
iwllff6*1 voor allen is geschikt voor de
priesters: Zij zullen er de leer vinden, ®iL. die zij aan de geloovigen moeten verkla-ren. 't Zal op zijne plaats zijn in de handen van onderwijzers en ouders: daardoor zullen zij hunne plichten leeren kennen, en in staat worden gesteld, om de jeugd in de christelijke leer te onderwijzen. Mochten de ouders er eenige bladzijden van laten voorlezen in het huisgezin, alle Zondagen van het jaar en in de lange winteravonden. In het huisgezin is er niets van grooter gewicht, niets heilzamer. Hoewel men in deze bladzijden heel iets anders moet zoeken dan romans en spookgeschiedenissen, zullen zij niet van aantrekkelijkheid ontbloot zijn om de talrijke geschiedkundige feiten, die men er in zal ontmoeten.
Overigens, de waarheid is het natuurlijk voedsel van het verstand; de rechtschapen zielen boeit zij van zelf.
De jongeling, de jonge dochter het kind zullen in âHet boek voor allenquot; de kennis putten van de waarheden, die hen in de toekomst zullen beschutten tegen de gevaren van de wereld, en de zekerste waarborg zullen wezen van hun geluk.
Den afgedwaalden zondaar toont dit boek den weg tot den terugkeer; den rechtvaardige den weg
naar den hemel. Den rijke leert het een goed gebruik te maken van zijne goederen, den arme zich te heiligen in zijn leed. De geleerde zal er, evenals de ongeleerde, de wetenschap der heiligen vinden, wanneer hij die heeft vergeten.
Het is dus met recht âHet boek voor allenquot;. Moge het gelezen en herlezen worden door allen, en bij allen het goede te weeg brengen, dat wij. ons bij het schrijven er van hebben voorgesteld!
HET BOEK VOOR ALLEN,
INLEIDING.
I
De Noodzakelijkheid van een* godsrgt;iess r.
eheel het menschelijk geslacht heeft geloofd aan de noodzakelijkheid van een godsdienst en die noodzakelijkheid openlijk erkend. âEene stad zal liever de zon willen missen dan den godsdienst.quot; zeide een vermaard heiden. En de beroemdste redenaar van het oude Rome, ook heiden, heeft dezelfde gedachte-op deze wijze teruggegeven: âHet zou gemakkelijker zijn eene stad in de lucht tc bouwen dan een staat te vestigen zonder godsdienst.'' ..Zonder den godsdienst, heeft de beruchtste onder de goddeloo-zen van de laatste eeuw gezegd, zou de maatschappij niet anders zijn dan een hol van wilde dieren, die elkander zouden verscheuren.quot;
Wat moet men nu denken van dat handjevol menschen, die, in tegenspraak met het algemeen gevoelen van de menschheid, geen godsdienst willen? Zij meenen alleen wijs te zijn tegenover allen, en zij houden eene leer staande, waarvan wilden zelfs een afkeer zouden hebben. Ook vertrouwen zij niet
- 12 -
II.
Er is maak één ware godsdienst..
Maar welken godsdienst moet men kiezen uit de verschillende gezindten onder het menschdom verspreid ? Op deze vraag, de gewichtigste van alie, hoort men somtijds dit ongerijmde antwoord geven. Alle godsdiensten zijn goed Wat onzinnige taal! Dat wil zeggen, dat het even goed is plaatsen te aanbidden met de Egyptenaren of de slangen met de bewoners van Dahomey, als den waren God, Schepper van hemel en aarde. Dat wil zeggen, dat de Joden, die den Zoon Gods hebben gekruisigd^ even welgevallig zijn aan God als de christenen, die Jezus Christus als voor hunne zaligheid gekruisigd aanbidden. Dat wil zeggen, dat ja en neen op dezelfde vraag te gelijkertijd een waar antwoord zijn. Want de verschillende gezindten zeggen, de eeneja, de andere neen, over hetzelfde onderwerp. Als de eene gelijk heeft, heeft de andere noodzakelijk ongelijk.
Omdat er maar één God is, is er maar één geloof, dat wil zeggen ééne wijze van Hem te eeren, en al de menschen hebben ten opzichte van Hem; dezelfde verplichtingen, omdat zij allen zijne kinderen zijn ; Hij moet van allen denzelfden eeredienst vorderen.
AVie is dan dwaas genoeg om zoo iets te zeggen: ,.alle godsdiensten zijn goed!quot; Dat zeggen de onverschilligen, die zich de moeite niet willen geveneen godsdienst welken ook in beoetening te brengen. In eene zorgeloosheid, die doet huiveren, zeggen zij : âAlle godsdiensten zijn goed,3' meenende, dat
- 13 -
het nutteloos is er éénen grootmoedig te omhelzen. En is er één ware godsdienst, zooals zeker is, en bren gen zij dien niet in beoefening, waaraan stellen zij zich dan bloot ? Zij stellen niet alleen hunne zaken, hun handel, de toekomst van hunne kinderen, hun leven zelfs, alles wat in de handen van God is en waardoor Hij hen straften kan, in gevaar; maar zij zetten daarenboven hunne ziel, hunne eeuwigheid, tot ergernis van hun huisgezin en tot ondergang van de maatschappij, waarvan de godsdienst de hechtste steun is, op het spel.
Ongeloovig zijn of onverschillig is één en hetzelfde. De rampzalige gevolgen van het ongeloof zijn ook de gevolgen van de onverschilligheid. Waar-houden wij ons mede bezig op deze wereld en wat doen wij daar, als wij ten minste onze ziel niet in veiligheid brengen voor de eeuwigheid? En het is de ware godsdienst, die ons bewaren zal van het ongeluk ze te verliezen. Het is dus hoofdzaak voor den mensch te trachten dien eenigen waren godsdienst te kennen en, na hem te hebben leeren kennen, er zich uit ganscher harte aan vast te klampen.
Ill
Welke is de eenige ware godsdienst?
De eenige ware godsdienst is die, welken God heeft gesticht. God kan de bewerker zijn van het goede, van het ware alleen. En God alleen heeft een godsdienst kunnen stichten. Hij alleen kent zich zeiven en zijn schepsel op volmaakte wijze. Hij alleen kan ons leeren, wat wij te doen hebben om Hem be behagen en ons te heiligen te gelijker tijd. Wijl
Hij onze Vader is, heeft Hij ons niet aan ons lot: overgelaten; Hij is zelfs zoo goed geweest, dat Hij ons heeft willen onderrichten.
Nooit heeft Hij nagelaten den mensch te doen zien, welken godsdienst hij in beoefening moest brengen. Ook is de ware godsdienst zoo oud als de raenschheid. En dat juist bewijst de valschheid van de nieuwe secten, die dagteekenen van gisteren en die bedriegers of vrijdenkers tot grondleggers hebben.
De ware godsdienst dagteekent van de schepping van den mensch. Hij is geopenbaard door God aan onzen eersten vader, gepredikt door de Profeten, die God zich heeft uitgekozen, en eindelijk door den Zoon Gods zelf, den tweeden Persoon van de H. Drievuldigheid, die op aarde gekomen is en een lichaam en eene ziel heeft aangenomen gelijk wij. De mirakelen, die zijne wieg en het kruis, waarop Hij gestorven is, hebben omringd, de wonderwerken, die Hij heeft verricht, hebben zijne godheid bewezen
Zijne mirakelen zijn bevestigd niet alleen door het Evangelie en door alle christenen, schismatieken en ketters, maar zelfs door de heidensche geschiedschrijvers. Zooals de kanselier d'Aguesseau, groot magistraat van de laatste eeuw, aan zijn zoon schreef, zijn deze mirakelen evenzeer bewezen feiten als de veroveringen van Alexander of de dood van Cesar Ook was de goddelooze Rousseau gedwongen te bekennen, dat, als het leven en de dood van Socrates die van een wijze zijn, dan het leven en de dood van Jezus Christus die van een God zijn. Deze was waarlijk de Zoon Gods, zeide de hoofdman, die den Zaligmaker had gekruisigd. Wijzende opdedooven,, de stommen, de lammen, die Hij genezen had, op de dooden, die Hij tot het leven had opgewekt, heeft Jesus kunnen getuigen, dat Hij de Zoon Gods was, zonder vrees van gelogenstraft te worden, zelfs
niet door zijne vijanden. Hij heeft kunnen zeggen: âA/s gij mijn -woord met gelooft, gelooft dan mijne werken.quot;
Zijne werken waren inderdaad goddelijk, want God alleen heeft het beheer over leven en dood Zijne leer was goddelijk, evenzeer als zijne werken ^ zijne zedenleer maakt van den mensch een engel. De belooningen, die Hij toezegt, zijn een God waardig; de bestraffingen, waarmede Hij de schuldigen bedreigt, doen zien, dat zijne rechtvaardigheid oneindig is. Het Evangelie nu bevat de leer van Jezus Christus.
Wanneer God echter een werk tot stand brengt, waarvan het heil der wereld afhangt, dan doet Hij dat niet op halve en onvolledigewijze Welnu, als de leer van den God van waarheid was overgelaten aan het menschelijk verstand, dat zoo lichtelijk afdwaalt, dan was zij spoedig veranderd ; en inderdaad, alle dwalingen hebben zich beroepen op het Evangelie, dat dan op verkeerde wijze werd verstaan. De Zoon Gods heeft dus maatregelen moeten nemen, opdat zijn woord, zoo noodzakelijk voor het heil der wereld, niet vervalscht zoude worden door den geest van bedrog, en in ongeschonden staat alle menschen tot het einde der tijden bereiken zou. Want Hij is de God van alle eeuwen ; Hij wil de menschen van alle tijden zalig maken Daarom heeft Hij zijn Evangelie toevertrouwd aan de Kerk, die Hij heeft gesticht.
Wie staan aan het hoofd van deze Kerk?
De apostelen, die de Zaligmaker zich heeft uitgekozen, en aan hun hoofd staat Petrus, de steenrots, waarop Jezus Christus zijne Kerk gebouwd heeft. Gedurende drie jaren onderrichtte Jesus hen, vertrouwde Hij hun alle geheimen, leerde Hij hun alles, wat de mensch moet gelooven en doen om zalig te worden, en Hij beval hun dat overal te
prediken; Ik ben mei u, zeide Hij, /f/ aan de voleinding der eeuwen.
Ik zal n den Geesl van waarheid zenden, opdat Hij tot aan het einde met u blijve. Even als Ik zult gij sterven, voor het heil der wereld maar gij zult na u opvolgers achterlaten, die uw werk zullen voortzetten tot aan de voleinding der eeuwen, zoolang als er menschen zullen zijn ; en zoolang zal de 0Geest van waarheid met hen zijn. Petrus, gij zult gekruisigd worden evenals Ik, maar gij zult na ii een opperpriester achterlaten, die mijne Kerk besturen zal. Joannes, Jacobus, Andreas, Philippus, gij zult martelaren zijn; maar na u zult gij bisschoppen achterlaten, die mijn Evangelie prediken zullen evenals gij ; zij zullen staan onder de leiding van den Paus, evenals gij staat onder de leiding van Petrus ; en Ik zal eeuwig met hen zijn.
Ziedaar de beloften van God, die zijn woord weet te houden. Het staat in het Evangelie, dat de vijanden der Kerk zelf bewaren. Na den dood van den Zaligmaker en Zijne glorievolle Hemelvaart, is op Pinksterdag de H. Geest over hen nedergedaald. De Apostelen trekken de geheele wereld door; zij hebben noch invloed, noch fortuin; hun Meester staat hun niet eens toe een stok te hebben-Zij prediken, zij doen mirakelen, die verwondering wekken; men gelooft hen, hoewel hunne woorden de bijgeloovigheden en de verregaande bandeloosheid van dien tijd veroordeelen.
De geleerden onder de heidenen, en de machtigen spannen tegen hen samen; men vervolgt hen, men sleept hen naar de gevangenis, naar het worstelperk, men levert hen over aan de wreedste martelingen ; zij sterven maar hun bloed is een zaad van christenen -. en Paulus kon korten tijd na des Zaligmakers dood ot de geloovigen zeggen: inv geloof is overal (er-
- 17 -
kondigd: en in de tweede eeuw van de Kerk kon Tertullianus schrijven: âwij vullen uwe openbare pleinen, uwe legers, wij laten u niets meer over dan uwe tempelsquot;. Na Petrus bekleedt een andere Opperpriester, erfgenaam van zijn geloof, den stoel van Rome, en begint de tot heden toe onafgebroken keten van Pausen, die de Kerk van God bestuurd hebben.
Na de apostelen komen de Pausen en de bisschoppen. Zij prediken op het oogenblik wat Jezus Christus, wat Petrus en de andere apostelen geleerd hebben. Zij leeren a'les wat Jezus Christus heeft bevolen. Zij laten niets weg; zij voegen ook niets bij. Ue Geest van waarheid, die met hen is, duldt niet, dat er dwalingen insluipen in hunne leer.
Ziedaar die Kerk van Jezus Christus, de eenige ware, daar zij opklimt tot de apostelen, zij kan met vertrouwen alle ketterijen afwachten, die in den loop der eeuwen oprijzen, en haar zeggen: wie heeft u zending gegeven om eene nieuwe leer te prediken ? Met welk recht hoopt gij geloof te vinden ? God is de eenige, die gezag heeft over de menschen en Hij heeft er mij mede bekleed. Ik ben het eerste in bezit; en indien gij mij van het bezit wilt be-rooven, toont mij dan de titels, bevestigd door den God zelf, die mij zijn woord gegeven heeft. Maar God werpt niet omver, wat Hij opgebouwd heeft voor de verlossing der menschen. De waarheid verandert niet, zij blijft eeuwig. Hemel en aarde zullen voorbij gaan, maar het woord van God zal niet voorbij gaan. Hij heeft gezegd, dat Hij altijd met zijne Kerk zou wezen; Hij is met haar, en met haar zal Hij zijn tot aan de voleindiging der eeuwen.
Heeft Hij niet de goddelijke zending van zijne kerk bewezen door de wondervolle bescherming
18
haar door alle eeuwen verleend, waarin zij altijd aangevallen altijd heelt gezegevierd zonder andere wapenen dan het woord ('gt;ods ? Heeft Hij niet getoond, dat Hij altijd met haar is door de groote mirakelen, die ten allen tijde de heiligen die immer in de kerk hebben geleefd, verricht hebben, en door de heldhaftige deugden, die zij hebben beoefend? lezub Christus kan toelaten, dat zijne kerk vervolgd wordt, Hij heeft het haar voorzegd:'' Dt leerlm^ts niet beier dan zijn Meester, heeft Hij gezegd: J/.y hebben ze vervolgd, vervolgen zullen zij ook u. Maar Hij zal de haar toevertrouwde waarheid met laten vervalschen; en Hij zal niet dulden dat de haat der goddeloozen zegeviert ; de machten der hel zullen niet triomfeeren over de kerk.
Welk een weldaad dan, ledematen te zijn van die Roomsche kerk, kinderen te zijn van den Paus . Toen een protestant meende O'Connell, den bevrijder van Ierland, eene beleediging aan te doen met hem paap te noemen, keerde deze zich aanstonds om en antwoordde hem onbeschroomd : âEllendige . Oij
meent mij eene beleediging aan te doen en gij eert mii; ia, ik ben een paap en daar ga ik groot op. Dat wil zeggen, dat mijn ge oof door eene onaleebroken reeks van Pausen opklimt tot Jezus Christus, terwijl het uwe niet verder gaat dan Luther of Calvijn. Als ge een greintje gezond verstand hadt, zoudt ge dan niet begrijpen, dat hetm zaken van godsdienst beter is af te hangen van den Paus dan van den koning, van een priesterkleed dan van
een vrouwenkleedquot;? . .
De katholieke kerk derhalve klimt in rechte en onafgebroken lijn door den Paus en de bisschoppen op tot de Apostelen en tot onzen Heer Jezus Christus, den Zoon Gods; zij gelooft en brengt in beoefening, wat Jezus Christus heeft geleerd, wat de bedienaren.
die Hij zich gekozen heeft, ons in zijnen Naam prediken ; de katholieke kerk bezit den waren godsdienst, dien God zelf heeft geopenbaard.
Zij noemt zich Kerk, dat wil zeggen vereeniging van menschen, die hetzelfde geloof hebben, dezelfde gevoelens, dezelfde verwachtingen. Zij noemt zich de katholieke kerk, dat wil zeggen verspreid over de geheele wereld, want alle menschen hebben haar heilzamen invloed noodig; de apostolieke, omdat zij opklimt tot de apostelen; de Roomse he kerk, omdat de H. Petrus, haar opperhoofd, zijn zetel te Rome heeft gevestigd, waar hij aan het kruis, evenals zijn goddelijke Meester, gestorven is, en omdat zijne opvolgers bisschoppen van Rome en opperherders van de geheele wereld zijn. Hij, die deze kerk niet tot Moeder heeft, kan God niet tot vader hebben, zooals de H. Cyprianus zegt.
Allen moeten derhalve weten, wat deze heilige kerk leert, de plichten die zij oplegt, en de middelen gebruiken, die zij aan de hand doet, om hare leer te gelooven en de opgelegde plichten te volbrengen. En dit gaat het âBoek voor allenquot; leeren.
JU
EERSTE DEEL.
De loer van den Katholieken Godsdienst.
De Apostelen scheidden van elkander om het Evangelie aan de geheele wereld te gaan prediken. Doch alvorens te scheiden, stelden zi], bijgestaan door den H. Geest, hunne geloofsbelijdenis op. Daarin vatten zij in het kort te zamen, wat zij allen aan de volken moesten verkondigen. ^ â
Deze geloofbelijdenis noemen wij het Credo, liet symbolum des geloofs. Zij behelst de bewonderenswaardige leer, welke negentien eeuwen lang, stuk voor stuk, door al de ongeloovigen en door al de ketters bestreden werd. Zij is altijd staande .§eble' ven, als een huis, dat op een «ts gebouwd is, dat weerstand biedt aan stormen en orkanen. Het Credo van de Apostelen weerklinkt vandaag onder al de crewelven van onze kerken; de katholieke moeder leert het haar kind; de missionaris brengt het over naar de wilden in de verst afgelegen landen; en meer dan twee honderd millioen katholieken herhalen iederen dag in hun morgen- en avondgebed:
Credo, ik geloof. En door het Credo te bidden, o-even zij getuigenis van hun geloot aan al de waai-heden, die men noodzakelijk moet gelooven, wil men
zalig worden. . ,
Over deze waarheden gaan wij handelen m
volgende hoofdstukken.
EERSTE HOOFDSTUK.
Credo, ik geloof. Noodzakelijkhkid van het Geloof.
Gelooven is, op het woord van een ander, overtuigd zijn van de waarheid van iets, wat men niet heeft gezien. Niemand onzer heeft ooit de hoofdstad gezien van China; wij gelooven, dat zij bestaat, op het woord van reizigers en geschiedschrijvers. Gelooven op het woord van een mensch, dat is een menschelijk geloof ; gelooven op het woord van God, dat is een goddelijk geloof.
Om ons lichaam te besturen, heeft God ons het licht gegeven van onze oogen. Wie beklaagt niet de ongelukkige blinden ! Zij zijn blootgesteld aan vallen en allerlei ongelukken. Om onze ziel te besturen, heeft God ons verstand gegeven. Wat zijn zij ongelukkig, de idioten en krankzinnigen I
Onze bovennatuurlijke bestemming is, God eenmaal in den Hemel te bezitten, Hem vanaanschijn tot aanschijn te zien, zooals Hij is. Onze oogen kunnen dat oord van gelukzaligheid niet zien, ons verstand kan er niet in doordringen. Om ons daartoe te brengen, heeft God ons het geloot geschonken.
Dat geloof, hetwelk ons beperkt verstand te hulp komt, openbaart ons of doet ons duidelijker en zekerder inzien, wat voor ons van het grootste belang is: God, zijne natuur, zijne volmaaktheden, onze ziel, hare bestemming, welke is God te aanschouwen, zooals Hij is. Het geloof toont ons den weg, dien wij moeten volgen, de klippen, die wij moeten vermijden, orn tot het eeuwig
- 2-i â
geluk te komen. Het geloof brengt ons dus de heerlijkste verwachtingen, die wij zonder hetzelve niet eens hadden kunnen uitdenken; het stort ons bovennatuurlijke gedachten en gevoelens in; in één woord het voegt bij ons natuurlijk leven een bovennatuurlijk leven. Niets is noodzakelijker dan het geloot. Het is onmogelijk, een huis in de lucht te bouwen, of vruchten te laten groeien aan een boom, die van zijn wortel is afgerukt. Het is eveneens onmogelijk, het gebouw van onze heiligmaking op te trekken, onze zielen vruchten van zaligheid te laten voortbrengen zonder het geloof, dat de grondslag, de wortel is van het Christelijk leven. Hooren wij, wat God zelf, die niet bedriegt, hiervan zegt. Hij zegt ons bij monde van den H. Paulus :quot; Zonder hei geloof is hei onmogelijk Gode te behagen ; en hij, die tot zijnen schepper komen wil moet eerst gelooven, dat Hij bestaat Hij, die geloofd zal hebben, zal zalig worden, heeft Jezus Christus gezegd . en-hij, die nieigeloofd zal hebben, zal veroordeeld worden. Indien gij in Mij niet gelooft, dan zult gij in imlt;c zonden sterven. Hij, die niet gelooft, is reeds veroordeeld.
Door het geloof verwerven wij den hemel. Hij, die geen geloof heeft, verzaakt van zelf aan den Hemel, door God te beleedigen, wiens woord hij niet aanneemt. Als een kind, dat de letters leert, zich verstouten zou zijn leermeester tegen te spreken en te beweren, dat 'de âaquot; de eerste letter niet is van het alphabet, dan zou de meester het verontwaardigd naar huis zenden ; maar als God, die in den hemel heerscht, zich verwaardigt ons zelf te onderrichten, dan verdient de mensch, die in zijn dwazen hoogmoed zijne onderrichting niet wil aannemen, dat hij uit zijne tegenwoordigheid wordt gebannen.
Diezelfde mensch weet gewoonlijk niets anders,
dan wat andere menschen hem hebben geleerd. Hij laat zich zoo gemakkelijk door anderen onderrichten in al de menschelijke wetenschappen, in alle kunsten ; en ziet, tegen God alleen staat hij op. Wat afschuwelijke hoogmoed ! Hij, die door vit spattingen zijn verstand krenkt, dat God hem gaf,
beleedigt God..... nog meer schuldig is hij, die het
geloof verwerpt, dat God hem schenkt voor zijne zaligheid ; daardoor veroordeelt hij zich zelf tot den eeuwigen ondergang. Laat ons hierdoor inzien, hoe rampzalig de ongeloovigen zijn, en nog meer zij die, na godsdienstig onderricht genoten te hebben, te kwader trouw de waarheden van den godsdienst loochenen of er vrijwillig aan twijfelen.
Zonder het geloof geene hoop, geen bovennatuurlijke liefde tot God, noch tot den evenmensch, geene deugden, die den hemel kunnen verdienen. De grondslag van het werk der zaligheid is verwoest.
Het geloof verliezen is derhalve alles verliezen ; en een mensch, die verstandig wil handelen, moet bijgevolg meer hechten aan het geloof, dan aan eenig ander goed. Weest voorzichtig als de slangen, heeft de Zaligmaker gezegd ; en de H Joannes Chrysostomus zegt, dat de voorzichtigheid van de slang bestaat in het geheele lichaam prijs te geven om den kop te behouden. Het voornaamste, wat wij bezitt; n, voegt de heilige Leeraar er bij, ons hoofd, is ons gelooi. Om dat te behouden moet men derhalve, als het noodig is, al het overige opoiferen. Verliezen wij liever alles dan het geloof. Mogen de ouders hunne kinderen het geloof nalaten als de kostbaarste erfenis! De kinderen zijn inderdaad rijk genoeg, als zij dezen schat bezitten. Daarmede kan men den hemel koopen.
Toen Napoleon met mevrouw de Montesquiou sprak over Bernadotte, een van zijne soldaten, die
â 24 â
koning van Zweden was geworden, zeide hij : «Hij is wel gelukkig geweest.quot; âJa, antwoordde mevrouw de Montesquiou, maar de medaille heelt eene leelijke keerzijde.quot; Bernadotte had namelijk het katholiek gelooi moeten afzweren om den troon te bestijgen. âHet is waar, zeide Napoleon, en al zegt men van mij, dat ik heerschzuchtig ben, ik zou toch voor alle kronen mijn geloof niet verzaken.quot; Toen hij aan mevrouw de Montesquiou de opvoeding toevertrouwde van zijn eenigen zoon, dien hij koning van Rome gemaakt heeft, zeide hij. âMevrouw, maak er een goed christen van.quot; Iemand, die daar bij tegenwoordig was, begon te glimlachen. âIk weet, wat ik zeg,'' hernam Napoleon. âAls mijn zoon geen goed christen wordt, dan zal hij nooit een goed Franschman zijn.'
HOOFDSTUK I!.
Credo; Ik geloof. Df zekerheid van het geloof.
Niets is zoo zeker als ons geloof. Het steunt op het woord van God zelf, die zich gewaardigd heeft ons op verschillende wijzen te onderrichten, en vooral door zijn Zoon, onzen Heer Jezus Christus, die ons met woorden verzekerd en door de grootste mirakelen bewezen heeft, dat Hij zelf, dat onze God het was, die ons onderwees. Het getuigenis van de menschen, iedereen erkent het, geeft ons zekerheid. Hoeveel feiten zijn er, waarvan wij geen getuigen geweest zijn, en waarvan wij toch zoo zeker zijn, dat wij er redelijker wijze niet aan kunnen, twijfelen, en dat op het woord van geschiedschrij-
vers of geloofwaardige getuigen. Heeft het getuigenis-van God geen grooter gezag?
Wij gelooven, dat hetgeen wij zien bestaat, en toch, onze ocgen kunnen ons bedriegen; en inderdaad bedriegen zij ons somtijds. Het komt ons voor, dat de zon draait, en het is zeker, dat het eene dwaling zou wezen dit te gelooven. Het woord van God bedriegt ons nooit. Het is onfeilbaar. Of zegt de rede niet, en heeft God zelf ons niet geleerd, dat Hij de eeuwige waarheid is ?
Wij gelooven, dat tweemaal twee vier is; ons verstand doet ons dit inzien. Maar hoe duister is ons verstand! Niets kunnen wij geheel verklaren. Wij kunnen zelfs niet verklaren, hoe de zon het ijs doet smelten en het slijk verharden. Zij, die alleen het verstand tot leidsman hebben, nemen vandaag eene meening aan en verwerpen ze morgen. Er is geene dwaling zoo monsterachtig, ot zij is geloofd door eenigen van die trotsche mannen, die alleen luisteren naar het verstand. Voor God zijn er geene duisternissen ; ,.Hij is het ware licht, dat elke» ntinsch verlicht, die op deze wereld komt; Hij verandert niet; de hemel en de aarde zullen voorbij gaan, maar zijne â woorden zullen niet voor hij gaan. Alle schepselen zijn vergankelijk als een kleed; maar Gij o Heer, Gij zijt altijd dezelfde, en uwe dagen hebben nooit een einde!quot;
Het gezond verstand zegt ons, evenzeer als het woord van God, dat God alles weet en zich niet kan bedriegen. Niets is derhalve zoo zeker als ons geloof. Als wij alle geheimen niet kunnen doorgronden, die ons de godsdienst leert, wat geeft dat? Is het voor ons niet genoeg, dat God gesproken heeft? Heeft Hij geen recht evenzeer te gebieden over onzen geest als over ons hart? Staat het aan ons Hem naar redenen te vragen van zijne woor-
â 25
den? En ligt juist de laatste reden niet daarin, dat het zijn woord is? Wanneer Hij spreekt, dan moet elk verstand zich buigen en, zonder te redeneeren, aanbidden. Onze voorvaderen, zegt een heilige Kerkleeraar, wisten te sterven, te redeneeren wisten zij niet. Trachten wij zelfs niet vermetel te doorgron-den, wat ondoorgrondelijk is. Wanneer men de zou wil aanstaren, wordt men blind.
Dan, het geloof wordt ons onderwezen door de Kerk, aan welke God zijn bijstand beloofd heeft tot het einde der wereld. Ik zal n, zeide Hij tot haar,. den Geest van waarheid zendenopdat Hij met u blijve ten einde toe. Hij heeft het beloofd. Hij heeft woord gehouden. Hij is met zijne Kerk, wier goddelijke zending blijkt uit de mirakelen en de heldhaftige deugden, die zij te aanschouwen â¢geeft. Hij is met den Paus, het hoofd van die Kerk, om hem voor iedere dwaling te behoeden,. Dat moet men aannemen, of God van leugentaal beschuldigen. En dat alles heeft Hij gedaan uit liefde voor de zielen, die behoefte hebben aan de waarheid, meer dan het lichaam behoefte heeft aan brood; en die waarheid zou niet ongeschonden tot hen komen, als de Kerk, waaraan ze is toevertrouwd, die niet bewaarde.
De armen, de onwetenden vooral, zouden zonder de Kerk geen enkel middel hebben, om met zekerheid te weten, wat God gezegd heeft, daar zij geen tijd en geen voldoende kennis hebben om die te zoeken. God is zoowel voor de kleinen als voor de grooten; zijne macht gebruikt Hij ten dienste van allen; en ten voordeele van allen staat Hij de Kerk bij, en bewaart Hij ze van alle dwaling.
Uit barmhartigheid voor de zondaren heett God, die alleen de macht heeft om de zonden te vergeven, die macht aan den priester toevertrouwd: en.
uit ontferming over de eenvoudige zielen, heeft God, die van wege zijne natuur vrij is van elke dwalingen elke leugen, ook de kerk en den Opperherder in het bijzonder er van gevrijwaard. âIk heb voor n gebeden, heeft Hij tot Petrus, het hoofd van de Kerk, gezegd, opdat uw geloof niet bezwijke. Bevestig gij uwe broeders.quot;
En uit kracht van dat woord heeft iedere geloo-vige, ja zelfs een kind zekerheid omtrent de gewichtige aangelegenheden van de eeuwigheid. Ieder kan op deze wijze redeneeren: Ik heb geene groote kennis, het is waar; maar ik weet, dat het woord van God mij niet bedriegt. Ik weet, dat de Kerk mij niet kan bedriegen, omdat God met haar is, zooals Hij het haar heeft beloofd. Ik geloof, wat de Kerk leert, ik geloof den Catechismus, dien de pastoor mij leert. Het is hetzelfde, als wat men in geheel Nederland onderwijst, als wat al de bisschoppen onderwijzen, als wat de Paus onderwijst, als wat al de geloovigen van de geheele wereld leeren en gelooven. Ik bezit de waarheid. Met mij gelooven. inderdaad, alle heiligen van vandaag, al de groote kerkleeraren en al de martelaren van vroeger.
Ik geloof eindelijk, wat God heeft gezegd, wat God door mirakelen heeft bewezen. De kerk kan mij niets anders leeren. Ik wil liever in gemeenschap zijn met haar, dan met de vrijdenkers en al de goddeloozen van alle tijden.
Het kind met zijn catechismus alleen weet meer van de gewichtigste waarheden, dan de zoo gevierde wijsgeeren van de oudheid er van wisten, meer dan er op den dag van heden nog de zoogenaamde geleerden van weten, die niet kunnen gelooven, en door alle winden worden meegevoerd, evenals eeït schip zonder stuurman.
Hoe zeker ons geloof ook zij, als wij dien schat
bewaren willen, vluchten wij dan het gezelschap van de ongeloovigen, wier gesprekken ons dien zouden kunnen ontrukken. Lezen wij geen enkel geschrift, dat ons geloof schaden kan, en vooral zorgen wij voor een goed geweten. Het slecht geweten maakt ketters en ongeloovigen. Bouguer was een onge-loovige geleerde van de XVII 1de eeuw. Na zijn dood kon d'Alembert zeggen: âWij^verliezen den grootsten geleerde van de Academie.quot;
Voor het einde van zijn loopbaan had hij een onderhoud met Pater La Berthonie. welk onderhoud tot zijne bekeering geleid heeft. ,.Pater, ik ben nooit ongeloovig geweest, zeide hij, dan alleen, omdat ik bedorven was. Gaan wij over tot het meest noodzakelijke ; mijn hart heeft meer behoefte aan genezing dan mijn geest.quot;
HOOFDSTUK III.
Ik gkloof in God.
Het gezond verstand heeft alle beschaafde en onbeschaafde menschen ten allen tijde geleerd, dat er geen huis is, dat niet door ambachtslieden is gebouwd, dat er geen horloge is zonder horlogemaker; geen uitwerksel zonder oorzaak; geene wereld derhalve. geene menschen, geene schepselen zonder Schepper. De naam van God staat te lezen over de geheele aarde, en de hemelen melden zijne glorie. Zijne macht wekt onze bewondering bij iedere schrede; het grashalmpje en het nederige bloempje,, die wij met voeten treden, prediken ze ons.
De goddelijke Voorzienigheid toont zich in de bewonderenswaardige orde, die er in de wereld heerscht. In dat ontzaglijk groot werk is alles volgens-
tie beste orde geregeld : iedere ster heeft hare plaats en doorloopt geregeld hare baan, zonder er ooit van af te wijken; de dag volgt op den nacht, en de nacht op den dag; de jaargetijden volgen elkander op en schenken beurtelings hunne weldaden aan het aardrijk ; de hemel, de aarde, de zeeën, alles betaalt zijne schatting aan den mensch en voorziet in zijne behoelten. De dwaas alleen ziet God en zijne Voorzienigheid niet in zijne werken. Cicero, hoewel een heiden, schreef:
«Wanneer gij een groot huis ziet, al ziet ge er den bouwmeester niet van, komt het u dan ooit in de gedachte, dat het het werk is van muizen of wezels? Hoe kunt gij dan ernstig gelooven, dat zooveel pracht, zooveel verscheidenheid en overeenstemming in de hemellichamen, in de uitgestrektheid der zee en der aarde, enz., alleen het werk is van het toeval?quot; âIndien iemand zoover ging, te gelooven,'' zegt hij verder, ,,dat alles wat wij zien slechts door het toeval is teweeggebracht, dan begrijp ik niet, waarom hij ook niet beweert, dat, als men eene groote hoeveelheid letters onder elkander wierp, deze .zich zoo zouden rangschikken, dat ze de jaarboeken vormden van Ennius.quot;
Wanneer het lichaam van een mensch zich beweegt, wanneer zijne armen en handen zich uitstrekken, dan zegt gij: Die mensch leeft; en gij zoudt iemand voor dwaas houden, die het tegendeel staande hield; dwazer nog is hij, die. op het zien van de wonderwerken der schepping, den levenden God niet weet te erkennen, die ze heeft voortgebracht.
Napoleon was op t rotseiland St. Helena. Generaal Bertrand zeide hem eens op ongepasten toon : âWat is God dan toch ? Hebt gij Hem ooit gezien, dat gij aan Hem gelooftquot;? Napoleon antwoordde: ,,Wanneer gij op het oorlogsveld een vernuftig
â 30 -
plan behoefdet, waarom waart gij dan de eerste om naar mij te vragen en mij te zoeken ? Waarom riep men dan van alle kanten : Waar is de keizer ? Wat beteekende dat geroep anders, dan dat gij geloofdet in mijn vernuft ? Mijne overwinningen hebben u doen gelooven in mij, het heelal doet mij gelooven in God. Wat toch is de schoonste krijgsbeweging bij de beweging van de sterrenquot; ?
God, die aan alle wezens al de volmaaktheden geschonken heeft, die wij in hen bewonderen, heeft derhalve meer volmaaktheden dan zij allen te zamen; want niemand geeft, wat hij niet bezit. Hij is eeuwig, almachtig, onafhankelijk. Hij bestiert alles door zijne voorzienigheid; Hij is onbewegelijk, verandert nooit; Hij is wijs, rechtvaardig, goed, heilig, alwetend, Hij kan niet bedriegen of te kort schieten aan zijne beloften. Zoo heeft Hij zich aan ons geopenbaard, en zoo leert ons de rede Hem kennen.
Er is maar één God, ook die waarheid leert het verstand, zelfs aan de wijsgeeren onder de heidenen. Als er meerdere goden waren, dan zou de een de macht niet hebben van den andere. Noch de eene noch de andere zou almachtig zijn. Zoo ook zou noch de eene noch de andere oneindig zijn. Wat de eene heeft zou de andere missen. Hoe zou God het Opperwezen zijn, als Hij een gelijke had, die niet van Hem afhing?
Maar het is niet voldoende het bestaan van God te kennen, dat de rede ons duidelijk aantoont: daarenboven moet men gelooven, dat God bestaat, omdat Hij zich aan de menschen, zijne kinderen, heeft geopenbaard, en hen zijne natuur, zijne volmaaktheden, zijne heilige rechten heeft doen kennen. Hoor, o Israel, zeide Mozes tot het Joodsche volk, de Heer, onze God, is de eenige Heer; en God
- SI
zegt ons, door den mond van denzelfden profeet: H'ee/, tia/ ik de eenige God ben, en dal er geen andere God is builen Mij.
Die ééne God is een geest, dat wil zeggen, een wezen vrij van alle stof, evenals de Engelen, en oneindig volmaakter dan zij. Zijn goddelijke Zoon, onze Heer Jezus Christus, heeft ons in het Evangelie zijne natuur geopenbaard.
Het is dus eene dwaling, zich God voor te stellen met een hootd, met oogen, met ooren, met voeten en handen, zooals wij zijn. Hij is bij ons, en wij zien Hem niet. Onze handen kunnen Hem niet grijpen, evenmin als onzen engelbewaarder, die ons vergezelt. Als men Hem in de gedaante van een-grijsaard aan ons voorstelt, dan doet men dit, om ons een denkbeeld te geven van zijne eeuwigheid. Als men Hem oogen, ooren. handen geeft, dan doet men dit om ons te toonen, dat Hij ziet, dat Hij hoort, dat Hij alles doet.
Twee eerlooze grijsaards van Babylon, die nochtans het ambt van rechter uitoefenden, wilden Suzanna, dochter van Helcias en echtgenoote van een rijk man, Joakim geheeten, tot zonde verleiden. Zij begeven zich tot haar. terwijl zij alleen in haren tuin is, stellen haar het kwaad voor en dreigen, als zij niet toestemt, haar van overspel te zullen beschuldigen en veroordeelen. Suzanna slaakt een-zucht: âIk ben van alle kanten in het nauw gebracht,, zegt zij. Als ik het kwaad bedrijf, dan wacht mij de dood. Als ik het niet bedrijf, dan kan ik aan uwe handen niet ontvluchten. Maar het is mij beter onschuldig in uwe handen te vallen, dan te zondigen iiv tegenwoordigheid van mijn God.quot;
En na dat gezegd te hebben, slaakt zij een kreet Ook de grijsaards doen het. Menschen snellen toe; de rechters beschuldigen haar; men sleurt haar voor
'nun rechterstoel ; en zij schamen zich niet. haar ter dood te veroordeelen.
Maar op het oogenblik, dat men haar ter doodstraf leidt, wordt de menigte tegengehouden door Daniel, die, volgens de Joodsche wet, het recht had, zich tegen de uitvoering van een doodvonnis te verzetten. Hij verklaart, dat Suzanna onschuldig is. Men brengt haar op nieuw voor den rechterstoel; daar ondervraagt Daniel de twee grijsaards afzonderlijk en betrapt hen op tegenspraak en leugens, overtuigt hen van lastertaal en zij ondergaan de doodstraf. Denken wij, dat God ons ziet en wij zullen nooit zondigen.
In één God zijn er drie Personen, wezenlijk onderscheiden. De zon, die de aarde verlicht, heeft warmte, licht en een ronden vorm ; doch er is maar ééne zon. In God zijn drie onderscheidene Personen, ue Vader, de Zoon en de H. Geest. Wij noemen Hen, als wij het kruisteeken maken. Die drie Personen hebben één en dezelfde natuur; en toch, de Vader is niet de Zoon, de Zoon is niet de H. Geest. De Vader is God, de Zoon is God, de H. Geest is God; toch zijn er geen drie goden, maar in één enkelen God zijn er drie onderscheidene Personen.
In onze ziel vinden wij iets dergelijks ; wij hebben maar ééne ziel en in die ziel drie onderscheidene eigenschappen; 10. het geheugen, hetwelk ons herinnert aan het verleden; 20. het verstand, waardoor wij redeneeren en het goede kennen; 3°. den wil, waardoor wij verlangen en sommige zaken nastreven, terwijl wij andere verwerpen. Zoo zijn wij gemaakt naar het beeld van God. De drie goddelijke Personen zijn gelijk in alles, daar zij slechts eene en dezelfde natuur hebben.
Wij belijden deze waarheid door het teeken des
kruises, hetwelk wij maken, wanneer wij opstaan, wanneer wij gaan slapen en bij den aanvang van onze voornaamste bezigheden. Dat heilig teeken roept ons voor den geest, met de eenheid van God. de Drievuldigheid van Personen, de komst van den Zoon Gods op de aarde en den dood, dien Hij ondergaan heeft op het kruis, om ons te verlossen. Een beroemd schrijver uit de eerste eeuwen, Tertullianus, zegt: ..Bij alle schreden, die wij doen, wanneer wij binnentreden, wanneer wij uitgaan, wanneer wij ons kleeden, wanneer wij opstaan wanneer wij aan tatel gaan, wanneer wij gaan zitten, wanneer men ons licht brengt, wanneer wij gaan slapen, en in het algemeen bij al onze handelingen maken wij het teeken des kruises.quot; Mochten de christenen van onze dagen hunne vaderen in het geloof navolgen !
HOOFDSTUK IV.
Ik geloof in God den Vader almachtig, schepper.
De Vader is waarlijk God, Schepper van alles, vrat bestaat, met zijn Zoon en den H. Geest. Alles is door God gemaakt; en niets is gemaakt zonder Hem : Hij zou duizenden werelden kunnen maken, schooner dan die bestaat. Er is ééne zaak, die Hij niet doen kan, dat is het kwaad ; dat strijdt met zijne heiligheid. Hij roept de sterren, en zij snellen toe. Hij sprak en alles was gemaakt. Op zijn bevel is alles geschapen. De mensch kan groote werken uitvoeren, doch met de stoffen, die God hem heeft verschaft. Een metselaar heeft kalk en steenen noodig, om een huis te bouwen. God heeft
- 34 -
alles van niet gemaakt, door zijne almacht. Dat beteekent het woord Schepper.
Het is eene waarheid van het geloof, dat God alles gemaakt heeft tot zijne glorie, om zijne goddelijke eigenschappen aan de redelijke schepselen te toonen en. om door hen gekend en bemind te worden. Een redelijk wezen, dat God niet tracht te kennen, te beminnen en te dienen, is derhalve nutteloos ; dat plaatst zich beneden de redelooze dieren, die noodzakelijk hunne bestemming nastreven. De gezonde wijsbegeerte leert ons, evenals het geloof, dat, als God niet ieder oogenblik kracht schonk aan onze ledematen, wij niet in staat zouden zijn ze te bewegen. Zij, die meenen van God niet afhankelijk te zijn, die Hem nooit danken, die verzuimen door het gebed zijn bijstand af te smeeken, zijn dwaas en ondankbaar.
Als God niet onderhield, wat Hij heeft geschapen, dan zouden alle schepselen tot het niet terugkeeren. God draagt zorg voor zijne schepping, zonder dat het Hem moeite kost en zonder dat zijne rust wordt verstoord, want zijn verstand is oneindig, evenals zijne macht. Zij hebten wel zeer weinig begrip van Hem, die deze godslastering durven uitspreken r God bekommert zich niet om ons. Welke vader verlaat zijne kinderen ? En niemand is meer vader dan God, zooals Tertullianus zich kernachtig uitdrukt.
Aanbidden wij d' Algoede,
Die 't kleinste wormpje voedt,
Die 't meest verborgen bloempje Zoo weeldrig bloeien doet.
Die 't neergebogen halmpje
Een trisschen dauwdrup schenkt,.
En door zijn milden regen De dorstige aarde drenkt.
Wien aarde en hemel loven,
Wien ieder schepsel prijst,
Doch wien der scheps'len koning Vaak luttel dank bewijst.
Ziet de vogelen des hemels, zij zaaien noch maaien en de hem else he Vader voedt ze: ziet de leliën des velds groeien, zij arbeidett of spinnen niet-, en ik zeg 11, dat zelfs Salomon in al zijne heerlijkheid niet gekleed was gelijk eene van deze.
De H. Felix, priester van Nola in Campanie, werkte met ijver aan de bekeering der heidenen, die echter soldaten uitzonden om hem te achtervolgen. Om hun te ontsnappen, begaf Felix zich in een eng straatje tusschen twee muren, en daar dat geen uitgang had, moest hij noodzakelijk in de handen vallen van zijne beulen: maar nauwelijks was hij er in gegaan, of eene spin begon aan den ingang haar web te maken; en toen de soldaten kwamen en dat spinneweb zagen, dachten zij er niet aan, hem op deze plaats te zoeken. Felix, aldus aan den dood ontsnapt, zegende de Voozienigheid, die zich van een nietig insect had bediend om hem te redden.
God bestiert alles met kracht en goedheid. Als er kwaad in de wereld is, dan komt het van de vrijheid, waarvan men tegen den goddelijken wil misbruik maakt. God haat het kwaad en veroordeelt het; maar Hij heeft het goed gevonden met vrijen wil en niet uit dwang gediend te worden. Hij wil liever kinderen hebben dan slaven. Als Hij in den tijd het kwaad verdraagt, dan zal zijne rechtvaardigheid in het andere leven, door de zonde te straffen en de deugd te beloonen, de orde herstellen, die door de zondaren verstoord is.
Hij heeft de eeuwigheid om hen te straffen; en
de kwalen en ellende van deze wereld dienen overigens om de uitverkorenen te louteren en hen de eeuwige gelukzaligheid te doen verdienen.
Hooren wij wat koning David zegt: âVergram u niet,'' zegt hij, âover den voorspoed eens godde-loozen.... Nog een weinig tijds en de zondaar is niet meer; gij zoekt naar zijne plaats en vindt haar niet... Nauwelijks zijn des Heeren vijanden verheerlijkt en verheven, of zij verdwijnen als rook... De rechtvaardige, wanneer hij valt, wordt niet verbrijzeld, want de Heer schraagt zijne hand. Ik ben een jongeling geweest en ben oud geworden, doch nooit zag ik den rechvaardige verlaten, noch zijne kinderen
bedelen om brood..... Want de Heer bemint het recht,
en verlaat zijne vromen niet; in eeuwigheid worden zij behoed.....
Ik zag een goddelooze zeer verheven en hoog als de ceders van den Libanon; en ik ging voorbij, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, en
zijne plaats werd niet gevonden..... Het heil dei-
rechtvaardigen komt van den Heer; Hij is hun beschermer in den tijd van nood; de Heer zal hen helpen en hen bevrijden; Hij zal hen verlossen van de boozen en hen behouden, omdat zij op Hem hun vertrouwen stelden.quot;
HOOFDSTUK V.
God Schepper van den hemel.
In den hemel plaatste God de engelen, zuivere geesten als Hij, begaafd met verstand en vrijen wil, maar niet bestemd om, als de ziel van den mensch, vereenigd te worden met een lichaam. Het geloof
leert ons, dat hun Schepper, die ze ten aanzijn riep om Hem te bezitten en eenmaal van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen, hen aan eene beproeving onderwierp, alvorens hun dat geluk te schenken
De grootste helft onder hen bleef getrouw aan hun Schepper, en dezen maken het hof van den Allerhoogste uit en zingen zijnen lol; ook bestieren zij in zijnen naam de lagere schepselen en beschermen en verdedigen den mensch. ,.Alle lichamelijke dingen,quot; zegt de H. Thomas, âworden door de engelen bestierd; dat zeggen niet alleen de heilige Kerkleeraren, maar ook allen, die het bestaan der geesten hebben erkend.quot; Vandaar dat de heidenen zelfs gelooven aan goede geesten.
Het is eene waarheid van ons geloof, dat God de menschen aan de engelen ter bewaking heeft toevertrouwd. Ieder geloovige heeft een engelbewaarder, die aan God de gebeden en goede werken van zijn beschermeling opdraagt, die zijn verstand verlicht, hem tot het goede opwekt, hem bijstaat in de bekoring, de gevaren voor lichaam en ziel van hem afwendt, hem berispt en bestraft, wanneer hij schuldig is, zonder hem echter ooit te verlaten, hem vergezelt naar den rechterstoel van God, hem troost en bezoekt in het vagevuur, en hem alleen dan aan zijn lot overlaat, wanneer hij tot den eeuwigen dood veroordeeld is.
De H. Schrift stelt ons in de geschiedenis van den jongen Tobias op eene treffende wijze voor, welke diensten ons de engelenbewaarders bewijzen. Op het oogenblik dat deze jongeling door zijn vader naar een ver afgelegen land werd gezonden, om er eene aanzienlijke som geld te innen, welke hij aan Gabelus ter leen gegeven had, bood zich de engel Raphael in eene menschelijke gedaante aan, om hem te vergezellen en den weg te toonen, en
- 38 -
hij beloofde aan zijn vader, hem gezond en behouden terug te brengen. Op den oever van den Tiger behoedde de engel Tobias niet alleen voor een monsterachtigen visch, maar hij wist nog de gal van dit monster als een geneesmiddel aan te wijzen, om zijn blinden vader te genezen. Hij bracht den jeugdigen Tobias tot een gezegend huwelijk met Sara, dochter van Raguel, en bevrijdde hen beiden van de vervolging van satan. Hij inde zelf het aan Gabelus geleende geld, en geleidde vervolgens Tobias naar zijn vader terug. De oude Tobias verkreeg door het gemelde geneesmiddel het gezicht, en riep uit: ,,Wat zullen wij uwen Gids kunnen aanbieden naar waarde van de diensten, die hij ons heelt bewezen !quot;
Uat is de vraag, die iedere christen zich omtrent zijnen engelbewaarder stellen moet. De H. Bernardus geeft ons het volgend antwoord, dat ons al onze plichten tegenover dien getrouwen vriend aangeeft: âHebben wij eerbied voor zijne tegenwoordigheid. Hoe zoudt gij in zijn bijzijn durven doen, wat gij in mijn bijzijn niet zoudt durven ? Zijn wij erkentelijk voor zijne welwillendheid, en hebben wij vertrouwen in zijnen bijstand.quot; Dus laten wij hem in al onze bekoringen aanroepen in de vaste overtuiging van verhoord te zullen worden
Zulk vertrouwen in haar engelbewaarder had de gelukzalige Joanna van Orviëto, die later lid werd van de orde van den H. Dominicus. Op zeer jeugdigen leeftijd werd zij wees, en toen een godvruchtig persoon haar beklaagde over het verlies van hare ouders, toonde zij de beeltenis van haar engelbewaarder, en zeide: âZiedaar, wie mij voor vader en voor moeder wezen zal; hij zal mij nog meer beminnen dan mijne goede ouders, die de Hemel mij ontnomen heeft.quot;
- 39 -
Terwijl de goede engelen door hunne getrouwheid de eindelooze gelukzaligheid verdienden, werd een gedeelte van de engelen onder aanvoering van Lucifer, aan God ontrouw. Ondanks hun verheven verstand en de gaven, waarmede zij waren verrijkt, zondigden zij; en Gorl verdreef hen uit den hemel. Verloren waren nu de bovennatuurlijke goederen, die de Schepper hun gegeven had ; maar zij behielden toch hun natuurlijk verstand. Hiervan maken zij gebruik om God te bestrijden. Zij haten de rechtvaardigheid, die hen heeft gestraft en beijveren zich om de glorie van God afbreuk te doen in de zielen der menschen, die zij in het verderf trachten te storten. In hunne verfoeilijke afgunst willen zij niet, dat die xielen bezit zullen nemen van de tronen, die zij zelf verbeurd hebben.
De duivelen hebben ten allen tijde een verderfelijken invloed op de menschen uitgeoefend. De ongeloovigen zelfs geven het toe. De wilden vreezen de kwade geesten. Om zich te vrijwaren voor hunne aanvallen, eeren zij de duivelen door handelingen, die even belachelijk als menschonteerend zijn De meeste bekoringen komen van den duivel. Wee hun, die gehoor geven aan de inblazingen van die vijanden van onze zaligheid! Driewerf wee hun, die zich handlangers maken van den duivel, door evenals hij den oorlog te verklaren aan God, aan den godsdienst, aan de kerk, aan de zielen, die zij door ergernis ten verderve voeren !
Het lot, dat hen wacht, is de brandende poel van solter en vuur, waarin God de weerspannige engelen heeft neergeplonsd. Derhalve, weest matig en waakt, want uw vijand de duivel gaat zonder ophouden onder u rond, en zoekt, wien hij kan verslinden. Vlucht de ledigheid; want als er één duivel is om een raensch te bekoren, die arbeidt, dan zijn er hon-
- 40 -
derd, die dengene belagen, die leeft in ledigheid. Naar het voorbeeld van Jezus Christus moet ge dien geest van bedrog en leugen van u afstooten en vervloeken in plaats van te luisteren naar zijn bedrog. Zegt hem : Ga weg, satan, gij zijt mijn vijand ; wat gij mij voorstelt is kwaad!
HOOFDSTUK VI.
God, Scheppür van dk aardk.
God, die den Hemel en de engelen schiep, schiep ook de aarde, met de bewonderenswaardige verscheidenheid van wezens, die zij draagt, in de lucht, op de aarde en in den boezem der zee.
Wanneer men nagaat of wel al die woivderen te zamen, of wel elk in het bijzonder, dan wordt men-getroften door een gevoel van bewondering voor de macht, die uitschittert zoowel in het grashalmpje en, het kleinste insect, als in den ceder en in den olifant. De mineralen, de planten, zoo vermenigvuldigd, de vogelen, de visschen, welke wonderen! Maar ai de andere schepselen waren slechts dienaren, die hunnen koning wachtten. L)e aarde was slechts het paleis, voor hem in gereedheid gebracht.
Die koning der schepping, de mensch, staat tus-schen de engelen en het stoffelijk schepsel. In hem is vereenigd het verstand, wat ook de engelen bezitten, met het lichaam, dat de andere schepselen, die voor hem geschapen waren, ontvangen hadden. Het is alsof de drie goddelijke Personen met elkander raad houden, alvorens over te gaan tot de schepping van den mensch: Laten wij den mensch maken naar
ons beeld, zeggen Zij. H ij ge bic de over de vogelen des hemels en de dieren der aarde.
God vormde het lichaam van den eersten mensch van het slijk der aarde; en vervolgens schiep hij in dat lichaam eene ziel naar het beeld van de H. Drievuldigheid. Adam sliep in, God nam eene van zijne ribben en maakte daarvan de eerste vrouwr Eva, de deelgenoote van zijn geluk.
Voor hen spaarde God noch de gaven der natuur, noch de gaven der genade. Terwijl de dieren naar de aarde gebogen zijn, draagt de mensch het hootd omhoog, om den hemel te kunnen aanschouwen. God heeft hem een verstand gegeven, geschikt om te heerschen over al de schepselen hier beneden en zijn Schepper te kennen. Dat verstand bedient zich van de zintuigen om het wezen der dingen te doorgronden, doch kan zich boven de zinnen verheffen, waaraan het niet onderworpen is. De wil van den mensch is vrij, omdat hij kan kiezen tusschen doen en niet doen, tusschen het eene en het andere.
Bij die gaven der natuur voegt God de gaven der genade: Hij bestemt onze eerste ouders voor den hemel om Hem daar eenmaal van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen en te bezitten; en met dat doel, overstraalt Hij hun verstand met een hemelsch licht: Hij versterkt hun wil door een goddelijken bijstand; Hij verbindt hen aan zich met de banden van eene vriendschap, die hen boven het geschapene verheft en hen voorbereidt tot de aanschouwing van zijne oneindige volmaaktheden Daarenboven had God Adam en Eva gevrijwaard voor onwetendheid, voor lijden, voor ziekte, voor dood, voor alle verkeerde neiging en had hun een zielevrede geschonken, die alle gevoel te boven ging.
Adam en Eva zijn volmaakt onderworpen aaigt;
_ 42 -
God en al de redelooze schepselen zijn aan hen onderworpen. Hun verblijf is het aardsche paradijs, waar eene lachende natuur hun bloemen en vruchten aanbiedt; waar de grond zonder bebouwing den rijksten oogst oplevert; waar al de dieren hun als onderdanige dienaren gehoorzamen. Gelukkige staat van onschuld, zooals wij weten niet alleen uit de boeken, die op Gods ingeving geschreven zijn, maar ook uit de overlevering van alle volken! De heidenen noemden dat tijdsverloop de gouden eeuw Waarom heeft die gelukkige toestand van den mensch niet blijven voortbestaan!
Helaas' de duivel, die zich zelf in het verderf had gestort, wilde ook ons in het verderf storten: hij spoorde Eva aan tot weerspannigheid en beloofde haar, dat zij aan God gelijk zoude zijn als zij Hem niet gehoorzaamde. Eva, zwakker van natuur, liet zich misleiden en sleepte Adam mede in haren val. Dat was de eerste doodzonde op aarde bedreven. Zij bracht een geheelen ommekeer te weeg.
De schuldige mensch wordt aanstonds gestraft. Zijn verstand wordt beneveld, zijn hart bemint God niet meer, dien hij heeft verlaten. De wroeging-van zijne zonden kwelt hem en verdrijft den vrede, dien hij smaakte. Zijn lichaam staat op tegen zijn verstand. Hij is beschaamd over de ongeregeldheid der driften, die hij in zich gevoelt; hij vlucht voor het aanschijn van God en verbergt zich. Maar welk woud is dicht genoeg, om zich te kunnen onttrekken aan het oog van Hem. die alles ziet ? God achtervolgt hem, evenals de rechter een schuldige achtervolgt. God spreekt tot hem, maar het is om hem ter dood te veroordeelen, hem en de medeschuldigen en al de kinderen, die hun zullen geboren worden. Hij verbant hen voor altijd uit het aardsch paradijs en vervloekt de aarde, die zij vruchtbaar
- 43 -
zullen moeten maken met hun zweet en hunne tranen. Al hunne kinderen zullen onderworpen zijn aan dezelide ellende, en zullen geboren worden in de ongenade van hun God, door de zonde van hun vader hun op den hals gehaald. Zij zullen in de boosheid ontvangen worden, zonder de oorspronkelijke rechtvaardigheid, zonder de vrijwaring van ziekte en dood, zonder die onverdiende gaven, die God den mensch geschonken had en met alle recht kan ontnemen.
Dat is het geheim van de erfzonde, waarmede wij allen besmeurd zijn bij ons intreden in deze wereld, en die zonde is de dood der ziel doordat zij haar het leven der genade beneemt. Die zonde maakt Jiet haar moeilijk haar natuurlijk einde te bereiken, hetwelk is God te kennen in zijne werken en Hem boven alles te beminnen. Zij heeft ons geneigd gemaakt tot het kwaad, zij heeft onze vrijheid gekwetst zonder ze nochtans te vernietigen ; zij maakt ons onderhevig aan ziekte en dood ; zij heeft ons het recht benomen God van aanschijn tot aanschijn te zien en Hem te bezitten in den hemel.
De overleveringen der heidensche volken hebben de sporen van dezen eersten val en van de straften, die er op volgden, bewaard. Door de erfzonde verklaart men gemakkelijk dien strijd, dien men inwendig te voeren heeft en die den H. Paulus zeggen deed : Ik ontwaar in viijne ledematen eene wet die m strijd is met de wet der rede. Ongelukkige mensch, wie zal mij verlossen van dit lichaam des doods ? Die zonde verklaart ook de smarten, waartoe de menschheid op deze aarde veroordeeld is.
Maar God, wiens gerechtigheid onverbiddelijk was ten opzichte van de engelen, omdat hun verstand volmaakter was, heeft zich gewaardigd barmhartigheid rte bewijzen aan den schuldigen mensch. Hij kastijdt
44 -
hem en met hem zijn nageslacht, doch Hij belooft hem een Verlosser. Uit kracht van de verdiensten des Verlossers kan de mensch genade verwerven en zijne rechten op den hemel herwinnen, hij en zijne nakomelingen.
HOOFDSTUK VII.
De Wereld vóór Jezus Christus.
âHet geschiedde door de bewonderenswaardige wijsheid van God, zegt de H. Thomas, dat de eeuwige Zoon des Vaders niet aanstonds gezonden werd om den mensch vrij te koopen. De mensch moest door ondervinding zijne zwakheid leeren kennen en den geneesheer, die hem moest genezen, verbeiden en afsmeeken; en het betaamde aan de godheid van het vleesch geworden Woord, dat Het door eene lange reeks van profeten op ingeving van God werd aangekondigd.quot;
Adam werd door zijn 'Schepper zei ven onderricht omtrent de schepping van de wereld, omtrent de straffen en de belooningen, die den mensch wachten, naargelang hij in gerechtigheid of in zonde leeft, omtrent de komst van den beloofden Verlosser, door wien alleen de menschheid barmhartigheid kon verwerven. Hij deelde deze waarheden aan zijne nakomelingen mede. De kinderen van Adam werden talrijk en bevolkten de aarde. Een gedeelte bleef getrouw aan God en aan het geloof in den Verlosser. De anderen lieten zich medesleepen dooide kwade neigingen, die in den mensch zijn sedert de zonde van den eersten vader.
Het oogenblik kwam, dat, zooals de Gewijde Boeken het uitdrukken, alle vleesch zijn weg bedor-
- 45 -
ven had. De ondeugd had allen aangetast, uitgezonderd het huisgezin van den rechtvaardigen Noe, die 1556 jaren na de schepping van de wereld leefde. Toen strafte God het schuldige menschdom door den zondvloed, welken Noe honderd jaren te voren aankondigde. Die aartsvader bouwde een eeuw lang aan de ark, die hem van den algemeenen ondergang moest redden. De geheele aarde met al hare bewoners werd onder het water bedolven; Noe en de zijnen wsren uitgezonderd.
De zondvloed wordt bevestigd door de overleveringen van alle volken en de huidige wetenschap vindt er overal de sporen van op de oppervlakte van de aarde.
Na den zondvloed komt de verkorting van 's men-schen leven. Om zich voor een nieuwen zondvloed te beveiligen, wilden de menschen een toren optrekken, die tot aan den hemel reikte. God strafte hunne hoovaardigheid door de spraakverwarring. Daarna verspreidden zich de drie zonen van Noe, de stamvaders van de verschillende rassen, die de aarde bewonen.
Vier honderd zes en twintig jaren na den zondvloed begonnen de volken Dengene te vergeten, die hen gemaakt had, en de afgoden te aanbidden. Om het voortwoekeren van een zoo groot kwaad te beletten, wilde God te midden van het bederf zich een uitgelezen volk vormen.
Abraham werd uitgekozen om de vader van alle geloovigen te zijn. God riep hem om het land van Chanaan te bewonen, en beloofde hem. dat de Verlosser uit zijn geslacht zou geboren worden. Isaac, de zoon van Abraham, en Jacob, zijn kleinzoon, waren de erfgenamen van zijn geloof. Uit Jacob werden de twaalf patriarchen geboren, de vaders van de twaalf stammen van het Hebreeuw-
sche of Joodsche volk. Een hunner, Joseph, door zijne broeders verkocht en als slaaf naar Egypte weggevoerd, bracht het door de leiding der V oor-zienigheid tot de hoogste waardigheid na den koning. Op zijn aanraden gingen Jacob en zijne zonen zich in Egypte vestigen. Het huis van Jacob werd in korten tijd een groot volk tot groote ergernis van de Egyptenaren, die door onderdrukking de verdere uitbreiding van het Joodsche volk trachtten te beletten.
Mozes werd door God verwekt om de Israëlieten uit de verdrukking te verlossen. Door schitterende mirakelen bracht Mozes het zoover, dat hij met zijn volk de Roode zee kon doortrekken, om dan door de woestijn den weg in te slaan naar Palestina, het land, dat God aan zijne vaderen beloofd had. Op den berg Sinaï gaf God de geschreven wet aan zijn volk. Tot dan toe hadden de menschen slechts de natuurwet gehad en eenige goddelijke geboden met het geloof aan den beloofden Verlosser, dat van hand tot hand overging.
Mozes sterft en lar.t aan de Israëlieten hunne geschiedenis na en die van de geheele wereld, die onvervalscht tot hem gekomen was: want om den langen duur van het menschelijk leven, in de oudste tijden, hadden er sedert Adam nauwelijks vijf geslachten geleefd. Deze geschiedenis werd voortgezet door Josuë en door de rechters, die Mozes zijn opgevolgd. De rechters werden vervangen door Koningen, waarvan Saül de eerste was. Na Saül verschijnt David, de overwinnaar van al de vijanden van het volk Gods, een groot koning, een groot veroveraar, een groot profeet, zooals Bossuet zich uitdrukt. Salomon, zijn zoon, liet, toen het geheele land in vrede was, duizend jaren voor Christus, den tempel van Jerusalem bouwen, den eenige, waar
- 47 -
or de ware God wilde aanbeden worden. Want bij te al de andere volken waren de oorspronkelijke over r- leveringen vervalscht en verduisterd, en hadden de ;n menschen zich overgegeven aan afgoderij. God, die ie slechts één tempel voor zich behield, wilde zijn )b volk beveiligen voor het gevaar van afgoderij. iis Onder Roboam. den zoon en opvolger van Salomon, ie wordt het Joodsche volk verdeeld. Tien stammen ;n scheiden zich af en vormen het rijk van Israël, dat, al behoudt het ook de wet, door God aan zijn ;n volk gegeven, den dienst der valsche goden er mede ie samen wil doen gaan. Twee stammen, die van |n Juda en Benjamin, blijven getrouw aan het huis van ie David en aan hun God, en vormen het rijk van et Juda. Die twee rijken, altijd met elkander in strijd, ip bewaren beide zorgvuldig, als onverwerpelijke gein tuigen, de wet op Sinaï ontvangen en hun beider ts geschiedenis vol schitterende mirakelen, door God in voor zijn volk gewrocht.
it Om Israel tot inkeer te brengen en Juda voor
dwaling en ongeloof te bewaren, verwekt God de
ie profeten, die het geloof aan den Verlosser doen her-
ie leven door immer meer bepaald zijne komst te voor-
n spellen. Eerst Elias en Eliseüs, en vervolgens Osee
:e en Isai'as. Deze twee laatsten begonnen hunne voor-spellingen op schrift te stellen, in afzonderlijke
;t boeken, waarvan zij het oorspronkelijke in den
n tempel neerlegden, opdat het voor het nageslacht
ir bewaard zou blijven. Isaïas voorspelde twee honderd
il jaren te voren de komst van Cyrus. Jeremias gaf
i- op juiste wijze aan, dat de gevangenschap van de
)t Joden in Babyion zeventig jaren duren zou. h Nabuchodonosor, koning van Babylon, was het
e werktuig, waarvan God zich bediende om de zonde
n van Juda te straffen. Hij voerde de Joden gevan-
r kelijk weg en legde hun tempel, een van de zeven.
wonderen der wereld, in asch. Tijdens deze gevangenschap voorspelde Daniël, op welken tijd de Messias, onze Verlosser Jezus Christus, komen zou. Hij zou komen op het einde van de zeventig jaar-weken, te rekenen van af het bevel van de herbouwing van Jerusalem. Cyrus, die Babylon veroverde en â zijn rijk over geheel het Oosten uitbreidde, schonk aan de Joden hunne vrijheid tenu, en Zorobabel ondernam de wederopbouwing van den tempel. Later herstelde Nehemias de muren van Jeruzalem, terwijl Esdras de gewijde boeken verzimelde, die met zorg werden bewaard, en er de geschiedenis â van het Joodsche volk tot op zijne dagen bijvoegde.
âVoor de gevangenschap, zegt Bossuet, waren voorzeggingen een gewoon verschijnsel voor het volk van God ; de profeten vormden als een blijvend lichaam, waaruit God voortdurend heilige mannen opriep, door wier mond Hij zelf luide en openlijk met geheel zijn volk sprak. Sedert den terugkeer uit de gevangenschap tot aan de komst van Jezus Christus, is er geene openlijke en blijvende afgoderij meer geweest. Wel is waar weet men, dat er eene vervolging geweest is onder Antiochus den Doorluchtige ; maar men kent ook den ijver van Matathias en het groote getal getrouw geblevenen, die zich bij zijne verwanten aansloten, en de overwinningen â van Judas den Machabeër en zijne broeders. Onder hun bestuur en dat van hunne opvolgers bleven de loden tot aan de komst van Jezus Christus den waren godsdienst belijden.quot;
De heiligste en doorluchtigste mannen van het Joodsche volk, de profeten, schreven het oude Testament, dat het eerste gedeelte van den Bijbel uitmaakt. Die gewijde boeken overtreffen alle andere, vooreerst door hunne oudheid, want de gewijde schrijvers van het oude Testament voltooiden hun
49 -
meer dan duizend jaren te voren ondernomen werk op den tijd, dat de ongewijde schrijvers hunne geschiedenis eerst hebben begonnen. De echtheid en de waarheid van de gewijde boeken worden door een geheel volk bevestigd. Niet alleen heeft de wetenschap nooit eene tout in de H. Schrift ontdekt, maar heeft daarin zelfs veel licht gevonden betreffende de geschiedenis van de aarde en hare bewoners, de dichtkunst, de wijsbegeerte en den godsdienst. Het geheele Joodsche volk heeft altijd geloofd, dat de H. Schrift op ingeving van God geschreven werd. Jezus Christus, de Zoon Gods, is dit komen bevestigen.
De schrijvers van het Nieuwe Testament, die m het Evangelie en in andere geschriften, met de woorden en de leer van jezus Cnristus, zijne geschiedenis en die van het begin der Kerk hebben verhaald, waren de apostelen zelf van J. C. of de leerlingen der apostelen.
Zij hebben verhaald, wat zij zelf hadden gehoord en gezien, met de oprechtheid van mannen, die uitmuntten in deugd, die schitterende mirakelen deden om de waarheid van hun getuigenis te bevestigen en bereid waren om hun bloed te storten tot bevestiging van de goddelijke leer, die zij predikten. Ook hebben noch de ketters, noch de heidenen zelfs de echtheid van deze boeken betwist; en de goddelooze Rousseau was gedwongen te schrijven: âHoe kan men het getuigenis verwerpen van een boek, dat door ooggetuigen werd geschreven, die het bezegeld hebben met hun bloed, en ter bewaring gegeven aan andere getuigen, die niet opgehouden hebben het over de geheele aarde te verspreiden, voor welk boek meer martelaren gestorven zijn dan er letters zijn op al de bladzijden.quot;
De katholieke Kerk heeft de H. Schrift altijd met eerbiedige zorg bewaard en iedere christen moet,
op straf van uit hare gemeenschap verbannen te worden de H. Schrift beschouwen als het woord van God, onder wiens ingeving deze geschreven is. Voorgelicht door die H. schrift gaan wi] spreken over onzen Heer Jezus Christus, den beloofden Verlosser, naar wien de patriarchen van het begin der wereld ai verzuchtten en wien de profeten hebben aangekondigd.
HOOFDSTUK VIII.
Ik geloof in Jezus Christus, den eenicen Zoon van God.
God de Vader heeft een waarachtigen Zoon, van dezelfde natuur als Hij, aan Hem gelijk, eeuwig als Kii die een en dezelfde God is met den v adei. Door zijn Zoon heeft de Vader de wereld geschapen. De Zoon is derhalve, evenals de Vader, de Schepper van alles, wat er bestaat. Hij plaatste duizenden engelen in den hemel en bevolkte de aarde mei. menschen. Hem beloofde God tot Verlosser aan onzen schuldigen stamvader; en van die stonde at verzuchtte het geheele menschdom naar zijne komst. Hij werd zelfs door de heidenen verwacht.
Eindelijk sloeg het uur, door de eeuwige raadsbesluiten bepaald. De Zoon van God, de tweede Persoon van de H. Drievuldigheid, onze goddelijke Meester, werd gezonden door zijn Vader, die de wereld zoozeer heeft bemind, dat Hij haar zijn eenigen Zoon geschonken heeft. De Eeuwige werd mensch evenals wij: en al bleef Hij God, Hij nam toch een lichaam en eene ziel aan gelijk aan cle onze om zich aan ons te vertoonen, om met ons
eene taal te spreken, die wij konden verstaan en om door zijn lijden de zonde van onzen eersten vader en onze eigene zonden uit te boeten.
Terwijl Hij waarlijk de Zoon van God bleef, werd Hij waarlijk mensch. De goddelijke natuur vereenigde zich in Hem met de mensclielijke natuur, maar zoo, dat er slechts één Persoon in Hem was, de Persoon van den Zoon Gods, die. Zijne Godheid behoudende, toch een lichaam had, bekwaam om te lijden en te sterven, en eene mensclielijke ziel, toegerust met verstand, vrijen wil en gevoel evenals de onze. Doch, door de menschheid aan te nemen, wilde Hij geenszins deelen in de zonden en driften van den mensch, die de vrucht zijn en het zaad van de zonde. Wie zal Zijne wondervolle geboorte verklaren ?
Eene Maagd, Maria geheeten, ontving Hem door een wonder van den H. Geest, zonder hare maagdelijkheid te verliezen ; zij bracht Hem ter wereld den 25sten December. Het feest van Kerstmis herinnert ons deze gebeurtenis. Maria was waarlijk Zijne Moeder; maar Hij had geen anderen vader op aarde dan Zijn hemelschen Vader.
Toen het goddelijk Kind geboren was, gaf de H. Joseph Het een naam, die door den aartsengel Gabriel was geopenbaard, een naam, die zijne zen-ding juist uitdrukte; hij noemde Hem Jezus, dat wil zeggen Verlosser; want Hij kwam de wereld verlossen. In een armen stal wilde Hij geboren worden, Hij, die kwam om ons de verachting van eer en rijkdom te leeren. Maar te gelijker tijd dat de H. Maagd het goddelijk Kind aanbidt in de kribbe, waarin zij Het heeft neergelegd, buigen de Engelen neder om Het te beschouwen, het schoone, teedere Kind, in hetwelk zij hun Schepper en hun Koning
erkennen. De Engelen noodigen hunne aardsche broeders uit, om Het met hen te komen aanbidden. En de herders snellen toe; en zij werpen zich neder voor den God, die zoo juist geboren is.
De Allerhoogste ligt daar neder
In een armen beestenstal,
Als een kindje klein en teeder.
Hij, de Maker van t heelal.
Die het firmament ontvouwde
En der sterren licht ontstak,
Bibbert zelf in felle koude,
Deelt met vee een zelfde dak.
God, de Schepper aller dingen.
Die Hij in Zijn handpalm draagt,
Proeft het lot der stervelingen.
Wordt gevoed door eene Maagd.
O wat liefdewond'ren wrocht Hij,
Grooter dan in 't scheppingswoord i Met wat vvond're liefde zocht Hij 't Menschdom in zijn ballingsoord !
Eene ster van zeldzame klaarheid schittert aan het uitspansel. Drie koningen in Arabië zien haar; Zij herinneren zich die ster, die moest opgaan uit Jacob, naar de voorzegging van hun profeet Balaam. Zij volgen haar; en zij worden door haar geleid naar Bethlehem, naar de kribbe van het goddelijk Kind. Deze drie koningen aanbidden Het en bieden Het geschenken aan: goud, als aan een koning; wierook, als aan een God; myrrhe, het
IC i
1U zinnebeeld van de boetvaardigheid, als aan een
mensch. Herodes vreest voor zijn trcon en wil Het ter dood brengen. Joseph, de bewaker van de maagdelijkheid van Maria, neemt het Kind en zijne Moeder en vlucht met hen naar Egypte en hij blijft er tot den dood van Herodes.
Toen hij niet meer voor de woede van den vorst te vreezen had, keerde hij naar Nazareth terug. En Jezus is tot zijn dertigste jaar onderdanig, Hij, de Koning des hemels. Hij, wien de Engelen gehoorzamen, Hij, die de wereld bestuurt Hij is onderworpen aan Joseph en Maria. Joseph en Maria arbeiden; het zijn nederige werklieden : zij verdienen hun brood in het zweet huns aanschijns. Jezus arbeidt met hen, en leert ons daardoor de quot;twee groote plichten van den mensch; gehoorzamen en arbeiden; de gehoorzaamheid, die zegeviert over onzen hoogmoed en ons behoedt voor de afdwalingen van onzen eigen wil; den arbeid, die het lichaam in bedwang houdt en ons bewaart voor de ledigheid en de zinnelijkheid.
Maar het uur breekt aan om op meer schitterende wijze zijne zending te vervullen. Hij is gekomen om ons niet alleen het voorbeeld te geven van die zedelijke deugden, die den mensch uls mensch doen leven, maar ook om hem het geloof, de hoop en de un liefde te brengen, die hem maken tot Christen,
ien De volkeren waren in de duisternissen en de
op- schaduw des doods; zij kenden den weg des hemels
mn niet. Jezus wil hun dien weg toonen; maar om aan
sor zijn woord een goddelijk gezag te geven, wilde
het de hemelsche Vader de wereld doen zien, welke schat
let haar in zijn Zoon was toevertrouwd. Toen de Zalig
den maker het Doopsel ontving, daalde de H. Geest
het over Hem neder, onder de gedaante van eene duif.
De stem des Vaders weerklonk: Deze is mijn wel-
- 54 -
beminde Zoon, in tuien ik mijn welbehagen gevonden heb. Diezelfde stem werd vernomen op den dag van de gedaanteverandering en zij voegde er bij: Hoort Hem.
Jezus zelf deed goddelijke werken en bewees zijne godheid door mirakelen.
Op de bruiloft van Cana ontbreekt de wijn. Jezus verandert in tegenwoordigheid van al de gasten het water van zes steenen kruiken in heerlijken wijn. Dat is zijn begin. Drie jaren lang strooit Hij te gelijk mirakelen en weldaden uit. Hij verlost de schoonmoeder van den H. Petrus van de brandende koorts. Hij gebiedt winden en zee en de stormen bedaren plotseling. Hij spijst in de woestijn vijf duizend menschen met vijf brooden. Hij raakt de ooren der dooven met zijne vingeren aan, en zij hooren; de oogen der blinden, en zij zien. Hij schenkt aan de lammen de kracht om zich te bewegen, al hadden zij ook sedert aeht en dertig jaren het gebruik van hunne ledematen verloren. Op zijn woord worden de bezetenen bevrijd. De stommen verkondigen de macht van Hem, die hun de spraak heeft teruggegeven: de melaatschen geneest Hij. De dooden keeren tot het leven terug, opgewekt door zijne machtige stem. Zelfs op den dag van zijn lijden werpt Hij met een enkel woord de soldaten neder, die zich van Hem komen meester maken. En op het oogenblik van zijn dood zal de geheele aarde geschokt worden en zich kleeden in rouwgewaad.
De wonderen van Jezus Christus vullen de bladzijden van het H. Evangelie. De ketters, de scheurmakers bewaren er het verhaal van, even goed als de kat holieken, en ook zij gelooven er vast aan. Wat zeg ik ? De heidensche schrijvers hebben er de geschiedenis van bewaard. Jezus Christus, die zulke daden verrichtte, kon zonder vrees voor logenstraffing
- 55 -
den zeggen; Ik ben de Zoon Gods; en Hij heeft het
dag getuigd zelfs den avond voor zijn dood tegenover
bij; zijne wreedste vijanden. Hij kon er bijvoegen ; Als gij mijne woorden niet gelooft, gelooft dan mijne
jne werken. Zijne werken waren de werken van een God; zijne woorden waren dus goddelijk. Zijne
ijn. apostelen hebben er dan ook aan geloofd. Wat zeg
ten ik ? De beulen zelfs zeiden tot elkander, toen zij
ijn. van den Calvarieberg afdaalden en zich op de borst
te sloegen : Hij uuas inderdaad de Zoon Gods. Wijl Hij
de God was en de Zoon Gods, zooals Hij verklaarde
ide en bewees, kon Hij niets anders leeren dan de
len waarheid en de geheele waarheid. Kan God zich
vijf vergissen ? Kan Hij liegen ? Zoo iets te beweren zou
de eene godslastering zijn.
zij Hoevele martelaren hebben in den loop der tijden Hij hun bloed gestort om de godheid van Jezus Chris-en, tus te getuigen I En God heeft hun getuigenis be-het vestigd door schitterende mirakelen. In de vervolgd g'ng van Huneric, koning der Vandalen, beleden 3n- drie honderd katholieken de godheid van Jezus Chris-.eft tus en daarom werd hun de tong geheel uitgesne-[en den. Toch bleven allen na die marteling met eene ine verwonderlijke gemakkelijkheid spreken. Dat schillen terend mirakel had talrijke getuigen, onder anderen er, zelfs keizer Justinianus, die te Constantinopel eenigen op van die edelmoedige belijders gezien had. de Daar Cyrola, het hoofd der Arianen, de valsch-jd. heid van de mirakelen door de katholieken gewrocht [en niet kon bewijzen, vormde hij he: plan een schijn-ers baar mirakel te doen om het vertrouwen, dat hij at bij de zijnen had, te behouden. Hij gaf vijftig goud-,eo- stukken aan een arme op voorwaarde, dat hij den .ie- blinde zou spelen en als hij hem op een openbaar [en l-lein ontmoette, hem in naam van God smeeken ng 20u de handen op zijne oogen te ieïgen en hem
- ÃH -
het gezicht terug te schenken. Toen de zaak aldus smeel
bepaald was, kwam Cyrola, die zich door drie pre- barm laten deed vergezellen, als bij toeval bij dien val- jâAls
schen blinde, die aanstonds uitriep : Aanhoor mij, geloo
gelukzalige Cyrola. verhoor mij, heilige priester Gods, ,,11
heb medelijden met mijne blindheid. Doe mij de alma
macht gevoelen, die God u gegeven heeft, en die Vade
zoovele melaatschen, kreupelen en dooden hebben met
ondervonden. De ketter stond stil op zijne bede dat
en sprak : âOm te bewijzen, dat het geloof, dat wij deze!
belijden, het ware is, worden uwe oogen op het | die
oogenblik geopend.'' God hoorde die godslastering, Eugi
en om er de boosheid van te bewijzen in tegen- krui:
wooidigheid van de menigte, die de ketter met des
opzet had doen verzamelen om getuige te zijn van één
zijn schijnmirakels, maakte Hij dengene, die den en i
blinde speelde, inderdaad blind, en veroorzaakte het
hem zoo groote pijn aan zijne oogen, dat hij ze was
niet verdragen kon. Die strat van de goddelijke op
gerechtigheid ontdekte alle bedrog; want daar de grolt;
ongelukkige de hevigheid van zijne smart gevoelde, schi
en zich beroofd zag van het gezicht, begon hij te hun
roepen, dat Cyrola hem had omgekocht en hem van
geld gegeven had om zich blind te houden, en dat I
hij, eerst niet blind zijnde, het nu geworden was door van
eene rechtvaardige straf van God: âBedrieger, zei de god
hij tot dien goddelooze, gij hebt de menschen wil- irei
len bedriegen, en God heeft u te recht beschaamd. , hee
Gij hebt den schijn willen aannemen van mij het zeg
gezicht terug te geven, en gij zijt er de oorzaak H.
van, dat ik niet meer zie ; hier is het geld, dat gij we:
mij gegeven hebt, geef mij het gezicht weder, dat en
gij mij ontnomen hebt.quot; Maar de macht van God hai
bepaalde zich hier niet bij. Zij voltooide het mirakel da
en maakte de zege volkomen. Want toen de blinde H.
zich tot de katholieke bisschoppen wendde en hen wa
1â
i
aldus smeekte zich over hem te ontfermen, hoewel hij alie
e pre- jbarmhartigheid onwaardig was, zeiden zij tot hem:
i val- âAls gij geloolt; alles is mogelijk voor hem, die
r mij, gelooft.quot;
Gods, âIk geloof,quot; antwoordde hij, âin God den Vader
,ij de almachtig, in Jezus Christus, Zoon Gods, aan zijn
n die Vader gelijk ; in den Heiligen Geest, medezelfstandig
;bben met den Vader en den Zoon ; hij die niet gelooft,
bede dat zij allen een en hetzelfde wezen hebben en
at wij dezelfde godheid, hij moge dezelfde stral ondergaan,
P het die ik lijd.quot; Na deze belijdenis maakte de H,
-ring, Eugenius, bisschop van Carthago, het teeken des
egen- kruises en zeide met luide stem : âIn den naam
met des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes,
i van één waren God in drie Personen, gelijk in macht
; den en in majesteit, dat uwe oogen geopend worden en
aakte het gezicht herkrijgen.'7 Zoodra het laatste woord
lij ze was uitgesproken, hield de smart van den ongelukkige
;lijke op en begon hij duidelijk te zien als te voren. Zoo
ir de groot een wonder overlaadde de Arianen met
)elde, schaamte, en gaf aan de Katholieken gelegenheid om
lij te hun de dwaling van hunne ketterij en de laagheid
hem van hun bedrog te verwijten.
'i dat Is de dood van Huneric zelf, evenals de dood
door van al de kerkvervolgers, niet een bewijs van de
zeide godheid van Jezus Christus ? Die dood was de
wil- treurigste en afgrijselijkste, dien men ooit op aarde
imd. heeft aanschouwd ; want de H. Victor van Utica
het zegt, dat de wormen hem levend verslonden. De
zaak H. Gregorius van Tours voegt er bij, dat hij razend
t gij werd, dat hij zijne eigene ledematen verscheurde
dat en dat de zon bij zijn dood over drie vierden van
God hare oppervlakte verduisterde, als om te toonen.
akel dat zij een afschuw had van zijne gruwelen : en de
inde H. Isidorus van Sevilla schrijft, dat hem de inge-
hen wanden uit het lichaam drongen en dat hij hetze'fde
uiteinde had als de rampzalige Arius, wiens leer hij zoo krachtig had verdedigd.
Jezus Christus dan onderwees drie jaren lang eenige visschers van Galilea, die Hij tot de steunpilaren maakte van de kerk die Hij gesticht had. Hij heeft beloofd met zijne Apostelen, met den l'aiis en de Bisschoppen, hunne opvolgers, te zullen zijn tot aan de voleinding der eeuwen, om hen voor alle dwaling te behoeden. Zijne beloften zijn oprecht, evenals zijn woord waar is, omdat zij goddelijk zijn ; en daarom is het geloof, dat Hij den menschen gaf, onwankelbaar, omdat het steunt op de waarheid en de wijsheid van God en op de kerk, die onfeilbaar is door de belofte en den bijstand van God. Onschatbare weldaad!
Om te kunnen begrijpen, hoe groot die weldaad is, zou men moeten weten, in welke duisternis van onwetendheid vóór Jezus Christus zelfs diegenen gedompeld waren, die voor wijsgeeren doorgingen en men zou een denkbeeld moeten hebben van de
verhevenheid van de leer van Jezus Christus......
O mijn Verlosser, Gij hebt ons uit de duisternissen geroepen tot uw bewonderenswaardig licht; ik hecht mij voor altijd aan uw woord, aan uw Evangelie, ik gelooi alles wat Gij mij hebt gezegd, ik wil leven en sterven in dat geloof !
HOOFDSTUK IX.
Jezus Christus, onze Verlosser
üe goddelijke beloften zijn de grondslag van onze hoop, evenals de goddelijke woorden de grondslag zijn van ons geloof. Jezus Christus heelt vergiffenis beloofd aan den zondaar, die berouw heeft, godde-
»â¢5
- 59 -
er lijken bijstand, gratie aan den zwakke, die bidt, den
hemel aan hen, die zijne wel onderhouden. Zijne ig beloften zijn duidelijk opgeteekend in het Evangelie,
en zij worden geloofd zoowel door ketters en schis-i- matieken als en wel vooral door de onfeilbare Kerk.
is Welnu, God is getrouw. De mensch kan te kort
n schieten aan zijn woord, al is het ook een oneer
r voor hem; God kan aan het zijne niet te kort
t, schieten.
; Inderdaad, wie zou Hem kunnen beletten ons
gratie en vergiffenis te verleenen en ons den hemel i te openen? Is Hij niet almachtig? En Hij, die het
f leven schenkt aan de dooden, kan Hij ook niet het
paradijs geven aan hen, die Hem dienen? Zou de goedheid van Jezus Christus voor ons niet groot genoeg zijn om ons te willen geven wat Hij ons heeft beloofd? O! stellen wij ons gerust.
Wat in het leven van den Zaligmaker vooral uitschittert, is de teedere barmhartigheid, die Hij den mensch toont. Niemand wordt door den goeden Meester afgewezen, noch arme, noch zieke, noch melaatsche, noch bezetene. Hij ontvangt zelfs de kleine kinderen; Hij liefkoost ze, zegent ze, geeft ze terug aan hunne moeders, die groot gaan op de teederheid, welke Hij hun bewezen heeft. Hij bemint de zondaren; Hij eet en drinkt met hen; en als men er Hem een grief van maakt, antwoordt Hij : Niet zij die gezond zijn hebben een geneesheer noodig, maar de zieken.
Kan men de geschiedenis vergeten van Magdalena, die de voeten van Jezus met tranen besproeit en ze met. heur haren afdroogt? de geschiedenis van de overspelige vrouw, tot welke Hij zeide: Heeft niemand u veroordeeld') Niemand, Heer. â Ook Ik zal u niet veroordeelen. Ga, zondig niet meer. Jerusalem heeft al zijne liefdevolle aanzoeken afge-
stooten; en over haar weent Hij, in plaats van het vuur des hemels over haar te doen nederdalen. Welken bedroefde heeft Jezus ontmoet zonder hem te vertroosten? De weduwe van Nairn weende ; Hij wekt haar zoon tot het leven op, en geelt hem terug aan zijne gelukkige moeder. Martha en Maria beweenden haar broeder. Waar hebt gij hem neergelegd} vraagt Jezus. Men brengt Hem bij het graf. Te vergeefs zegt men Hem, dat hij reeds tot ontbinding is overgegaan. Jezus weent en roept met zijne machtige stem: Lazarus, kom uit; en Lazarus komt uit het graf.
Wat Hij toen gedaan heeft, heeft hij herhaald in den loop der eeuwen.
Er waren moeders, die weenden over den geestelijken dood van hare kinderen, zusters, die zuchtten over de afwijkingen van hare broeders. Zij hebben Jezus aangeroepen en die dooden werden opgewekt.
O teederheid des harten van mijn Jezus! Zelfs de beulen konden er zich niet aan onttrekken, zelfs de moordenaar niet, die aan de zijde van Jezus gekruisigd was: Vader, vergeef het hun, sprak Hij van het kruis. Heden zult gij met Mij zijn in het Paradijs. Wanneer een almachtige en algoede God ons den hemel belooft, wie zou dan durven wanhopen ? O Jezus, ik verhef mijn hart ten hemel en ik meen hem reeds te bezitten, daar Gij hem mij beloofd hebt en ik dien van U, die zoo ftoed zijt, verwacht. Hoe zal uw medelijdend hart mij dien weigeren ? Maar Gij zijt niet alleen het geloot komen brengen en de hoop, maar ook de liefde.
De liefde is een band van vriendschap, die den Schepper vereenigt met het schepsel. God bemint zijn schepsel; het schepsel wendt zich tot God, het oneindig volmaakt en beminnelijk Wezen, dat door
- 61 -
het geloof gekend wordt; en het zegt Hem: Ik bemin U als mijn opperste goed. Ziedaar het einde van den mensch : God beminnen en van Hem bemind worden. De mensch was door zijne zonden de vijand van God geworden; en de zonde scheidde hem van zijnen Schepper, die op hem vertoornd was Niet in staat voldoening te geven aan de goddelijke gerechtigheid, kon hij de genade van zijn God niet herwinnen. Jezus kwam en nam al onze zonden op zich ; Hij heeft er zich mede belast den toorn van God te stillen door de zonde uit te boeten. Zijne menschheid was het onschuldige slachtoffer, dat de straf moest ondergaan, welke de schuldigen hadden moeten lijden. Zie, hoe de goddelijke Jezus, met doornen gekroond, geheel met wonden overdekt, het kruis aanneemt, dat in gereedheid is gebracht om Hem er aan te doen sterven. Na driemaal op smartelijke wijze te zijn gevallen, komt Hij aan op Kalvarie : noch kruisiging, noch gal en azijn, niets wordt Hem gespaard. Hij stierf met den kreet; Alles is volbracht; o mijn Vader, Ik heb de taak volbracht, die Gij Mij hebt toevertrouwd, de zaligheid der menschen. Ik heb hun het voorbeeld gegeven van al de deugden, die zij moeten beoefenen ; van de gehoorzaamheid, van den arbeid, van de nederigheid, van de gelatenheid in het lijden. Ik heb hun U leeren kennen. Ik heb hun mijne Moeder gegeven om hun steun te zijn; Ik heb hunne misdaden afgewasschen in het bloed, dat Ik voor hen heb gestort ; om hun het schitterendste bewijs van â liefde tc geven, mijn God, stel Ik mijne ziel in uwe handen ; en Hij boog zijn hoofd en gaf den geest.
Jezus was gestorven, zijne ziel was van zijn lichaam gescheiden, hoewel de godheid met beide vereenigd bleef. \ an toen af waren wij verlost. Als mensch had Hij waarlijk voor ons geleden ; aan de gerechtigheid
des Vaders was voldaan. De godheid, die noch lijden noch sterven kon, gaf aan die uitboeting eene oneindige waarde. De mensch werd kind van God, hij kon voortaan zijn hemelschen Vader beminnen. En inderdaad, waarom dien aanbiddelijken Vader niet bemind, die ons zijn eigen Zoon gegeven heeft ? Waarom zijn hart niet gegeven aan dien Zoon Gods, die ons bemind en zich overgeleverd heeft voor ons ? Wanneer Ik van de aarde zal opgenomen wezen, had Hij gezegd, zal Ik alles tot Mij trekken ; en in waarheid, het schouwspel van zijn dood heeft alle reine zielen tot zijne lieide getrokken.
âNiemand, hoe groot hij ook geweest is, werd langer bemind dan tot zijn dood,quot; zeide Napoleon
de Eerste op de rots van St. Helena..... âWie bemint
thans een Cesar, een Alexander ? Neen; groote mannen worden niet bemind 1 Jezus Christus is de eenige. Maar ik meen onder de menschen. Jezus Christus is geen mensch. Ziedaar waarom men achttien eeuwen later Jezus Christus nog bemint.'' Het is waar, men bemint ook de heiligen; maar het is ter wille van Jezus Christus, die hun zijne deugden heeft medegedeeld. Jezus Christus alleen wordt bemind om zich zeiven, omdat Hij de oneindig volmaakte, goede, beminnelijke en altijd levende God is.
Terwijl zijn lichaam in het graf was nedergelegd, daalde zijne heilige ziel in het voorgeborgte af, waar de rechtvaardigen van de oude wet Hem wachtten. Hij boodschapte hun, dat de hemel, tot dan toe gesloten, hun nu zou geopend worden : Vervolgens is Jezus den derden dag door zijne eigene macht verrezen.
Aan dit geheim herinnert ons het feest van Paschen. Hij vertoonde zich aan de heilige vrouwen, aan meer dan vijf honderd getuigen; vervol-
gens steeg Hij in tegenwoordigheid van zijne Apostelen ten hemel.
De meesten van deze getuigen hebben hun bloed en hun leven veil gehad om de verrijzenis en de glorievolle hemelvaart van Jezus Christus te bevestigen.
Het feest van Hemelvaart doet ons den zegevierenden intocht van Jezus Christus in den hemel herdenken.
Gezeten aan de rechterhand zijns Vaders, dat wil zeggen, aan zijn Vader in majesteit, in glorie, in macht gelijk, heerscht de Zoon Gods over het heelal; maar zijne goedheid maakt het Hem tot plicht zonder ophouden voor ons tusschenbeide te treden; op den laatsten dag zal Hij nederdalen om-de levenden en de dooden te oordeelen.
HOOFDSTUK X.
De Dood.
De dood is het voorspel van het oordcel. Men denkt er niet gaarne aan; men geeft voor, dat, als men de gedachte aan den dood levendig hield, men zich den lust tot werken zou benemen. De heiligen hebben er aan gedacht, en daarom hebben zij meer en beter gewerkt dan anderen.
De heidenen zelfs hadden begrepen, dat de gedachte aan den dood heilzaam is. Philippus, koning van Macedonië, had aan een van zijne slaven last gegeven hem eiken morgen bij het ontwaken te zeggen: âKoning, gij zijt mensch, leef in de gedachte, dat gij moet sterven.quot; De wijsgeer Diogenes had op de markt van Athene een schoon magazijn laten bouwen, waarop men het opschrift las : Hier ver-
- 64 -
â koopt men de wijsheid. Een rijk man in de stad zond hem een van zijre dienaren om hem te vragen ''hoeveel wijsheid hij gaf voor drie geldstukken. Diogenes nam het geld en schreef deze zinspreuk : Bij alle zaken denk aan het einde. Deze zinspreuk kwam den rijken Athener zoo wijs voor, dat hij die met gouden letters op zijne woning liet plaatsen. Zonder dat het onzen lezers iets kost, zouden we deze woorden in hunne harten willen griffen : Denkt aan uwe uitersten en in eeuwigheid zult gij niet zondigen.
Alle menschen zullen sterven, dat vonnis is door God geveld Niemand wordt gespaard Waar zijn de grijsaards, die ons hebben geliefkoosd in onze jeugd? Zij zijn gestorven. Waar zijn degenen, die den weg hebben gebaand, dien wij volgen, die de huizen hebben gebouwd, die wij bewonen, die de akkers hebben ontgonnen, waarop wij oogsten ? Zij zijn gestorven. De legerstede, waarop wij onze rust nemen, heeft misschien tot doodsbed gediend.....
Wij zullen spoedig sterven : wij onderbreken den arbeid, den slaap, onze maaltijden; maar het werk van den dood wordt niet onderbroken. De dood vordert snel en zonder ophouden. Waar zijn de jaren van onze jeugd ? Zij gt;-ijn voorbijgegaan. De H, Joannes zag den dood. Hij was te paard gezeten. Een paard galoppeert niet altijd ; maar wanneer het de sporen voelt, vliegt het vooruit: Dc prikkel van den dood is de zonde. Keizer Anastasius zag gedurende den nacht eene vreeselijke schim, die in de eene hand eene pen hield en in de andere een boek. De schim zeide : âTer wille van uwe hardnekkigheid in de dwaling verkort ik uw leven veertien raren.quot; Weinige dagen later werd de keizer door den bliksem gedood. Hoevele even treurige voorbeelden zou men kunnen aanhalen, die ben, die slecht leven, zouden doen sidderen !
â 65 â
Wij zullen maar ééns sterven. Men zegt; Niemand .keert terug. O ! als men terugkeerde, dan zou het minder vreeselijk zijn. Als men tweemaal stierf, dan zou men zich kunnen blootstellen aan het gevaar van den eersten keer slecht te sterven: maar waar de boom valt, blijft hij liggen; het is voor altijd gedaan.
De dood berooft ons van alles. De stervende laat alles achter. Zijne schoonheid vergaat; hij verliest zijne waardigheden, zijne eeretitels; een voor een ontzeggen zijne zintuigen hem hun dienst; hij neemt niets mede in het grat dan een lijkgewaad. De gedachte aan hem houdt op met het gelui van de doodklok. Hij wordt neergelegd in de aarde, waar dat lichaam, dat hij heelt gevleid, heeft verzorgd, heeft gevierd, het voedsel zal wezen van de wormen. ,.Ga zien op het kerkhof wat men bemint, wanneer men zijn lichaam bemint,quot; zeide de heilige pastoor van Ars.
Toen Alexander de Groote op zekeren dag Diogenes ontmoette, die op en neer ging te midden van de graven, vroeg hij hem, wat hij daar deed. ,,Ik zoek,quot; zeide hij, âhet doodshoofd van uw vader, en ik kan het niet van die van het gewone volk onderscheiden. Als gij het kunt, tocm het mij dan.quot;
Franciscus de Borgia, hertog van Candia, werd er mede belast het lijk van de keizerin Isabella, de â echtgenoote van Karei V, van Toledo naar Grenada te vergezellen. Bij de aankomst opende men de kist om het lijk te schouwen, alvorens het neer te laten in het graf van hare voorzaten.
De vorstin, die door hare schoonheid de bewondering van het hof en van bijna geheel Europa had gaande gemaakt, verkeerde in een afgrijselijken staat. Bij dit schouwspel zeide Franciscus tot zich â zeiven: âZiedaar dan het einde van de schepselen :
S
wat blijft er over van de eer, van den rijkdom, van-de schoonheid ? Vaarwel, wereld, die geen bestendiger goederen bezit, ik verlang niets meer van uquot; y en hij werd religieus en stierf in heiligheid.
Margaretha van Cortona verloor op jeugdigen leeftijd dengene, dien zij beminde en die haar bedorven had. Het kleine hondje, dat hem altijd vergezelde, kwam huilend bij haar aan, zette zijne-tanden in haar kleed en trok haar naar buiten. Margaretha volgde het dier, dat naar een hoop met bladeren liep, die het al blaffende, met de pooten wegkrabde. Margaretha naderde. Wat zag zij? Het lijk van haren beminde, reeds aan de wonnen ten prooi. Hare tranen stroomen nog overvloediger; maar door de genade van God veranderen zij in tranen van berouw. âDwaze,quot; zeide zij tot zich zelf, âziedaar dan, wat gij boven God hebt gesteld.quot; Van dat oogcnblik af kleedt zij zich in boetgewaad^ en in lompen gehuld neemt zij plaats aan de poort van de stad, die zij heeft geërgerd, en vraagt vergiffenis aan al wie voorbijgaat. Wij hebben haar gevolgd in hare zonden; volgen wij haar ook in de boetvaardigheid.
Als de dood, zoo verschrikkelijk voor de zondaren, hen nog maar waarschuwde voor zijne komst.... maar niets is onzekerder dan het uur van den dood. Wij weten niet, aan welke kwaal wij zullen sterven. Men telt tot negen honderd doodelijke ziekten. De dood heeft die alle tot zijn dienst. Het ijzer, het vuur, het water, alles dient hem tot werktuig. Overal richt hij zijn rechterstoel op en spreekt hij zijne vonnissen uit.
Op de plaats zelve, waar zij ongehoorzaam was aan God, werd de vrouw van Loth getroffen. De goddelooze Balthazar zag eene geheimzinnige hand zijn doodvonnis teekenen in de zaal, waar hij met
zijne dischgenooten dronk. Aurelianus, een consul van Rome, stierf in de zaal waar hij danste. De maaier snijdt de rijpe aren af en tegelijk de planten, die pas zijn opgeschoten. De dood houdt rekening noch met leeftijd, noch met gezondheid, hij maait alles weg. Zijne zeis kan u treffen, wanneer gij het minst er aan denkt. Van de vijftig sterfgevallen zijn er dertig plotseling of onvoorzien. Wees/ bereid, zeide de Zaligmaker, want sjij weet noch dag noch uur.
Wie betreurt niet de blindheid van hen, die hun terugkeer tot God uitstellen tot den dood? De ongelukkigen denken niet aan het spreekwoord: Zooals het leven is, is ook de dood. Hoe zou men dan een heiligen dood verdienen met een losbandig leven te leiden? God kan een mirakel doen. Hij deed het voor den goeden moordenaar; maar wat verderfelijke verblindheid er op te rekenen! Een Engelsch edelman, ten volle overtuigd van de waarheid van den katholieken godsdienst, was hem uit den grond van zijn hart toegedaan, maar durfde hem niet belijden, uit vrees, dat de wreede koningin Elisabeth hem zijne goederen ontrooven zou, als hij het protestantisme afzwoer. Hij besloot derhalve tot den dood te wachten; en uit vrees, dat deze hem verrassen zou, hieid hij in de stad en buiten, waar hij een huis had, veel omgang met katholieke priesters, opdat zij, bij het eerste bericht van zijne ziekte, hem met God zouden komen verzoenen.
Men trachtte tevergeefs hem te doen inzien, dat hij zijne zaligheid in gevaar stelde. Op zekeren dag, dat hij zich van een zijner huizen naar een ander begaf, werd hij door eene beroerte getroffen. Zijne bedienden loopen naar den naastbijzijnden priester; maar de dood had zijn slag zoo juist berekend, dat, toen de priester kwam, de rijke
- 68 -
Engelschman reeds gestorven was, zonder een teeken van boetvaardigheid gegeven te hebben.
Draal niet met u tot den Heer ie bekeeren, en stel het niet uit van dag tot dag. Want zijne gramschap zal plotseling komen. (Ecclis V 8, 9.)
HOOFDSTUK XI.
Het oordeel.
Na den dood volgt het oordeel. Dat is een waarheid van onzen godsdienst. De ongeloovige zegt: âWanneer men dood is, is alles dood.quot; Hij zou het wenschen; maar hij vreest zeer, dat het zoo niet is. Hij heeft reden om te vreezen. Niets op aarde wordt vernietigd. Zelfs het lichaam, dat vergaat, keert niet tot het niet terug. Hoe zou dan onze ziel vernietigd worden, het meesterstuk van Gods handen? Zij is niet samengesteld, heeft geene deelen en kan onmogelijk ontbonden worden zooals de lichamen.
Daarbij, wanneer alles een einde nam bij den dood, waar bleef dan de gerechtigheid Gods, daar de deugd hare belooningen de ondeugd harebestraffing niet vindt in deze wereld? Alle menschen, zelfs de wilden,hebben ten allentijdegeloofdaandeonsterfelijk-heid. Overal heeft men de dooden geëerd en voor hen gebeden. De onsterfelijkheid der ziel in twijfel trekken is spotten met het gevoelen van geheel het menschelijk geslacht. En de ongeloovigen toonen, met deze waarheid te loochenen, niet meer gevoel te hebben dan verstand. Zeg tot den grijsaard, die zijn kind beweent, dat bij den dood alles sterft, en gij brengt hem tot vertwijfeling. Zeg hetzelfde aan de jongedochter, die bloemen gaat neerleggen op
- 69 -
het graf van hare moeder, en gij ontrukt haar allen troost in hare droefheid. Het is eigen aan het ongeloof, dat het den mensch alles ontneemt.
Derhalve, na den dood volgt het oordeel. Terwijl men dengene beweent, die zoo juist den laatsten adem heeft uitgeblazen, verschijnt zijne ziel voor den Rechter: om te ontvangen, wat hij door zijne werken heeft verdiend. Welk geluk voor den rechtvaardige door Jezus Christus zelf geprezen te worden voor zijne goede werken; maar welk vreeselijk ontwaken voor den zondaar ! Een leeraar van de universiteit van Parijs, een man, die voor het uiterlijk onberispelijk heeft geleefd, komt te sterven, gesterkt door de genademiddelen van den godsdienst; men brengt hem naar de kerk; en te midden van de plechtige uitvaart, richt het lijk zich op en roept; âIk ben beschuldigd.'
Algemeene ontsteltenis.
De lijkdienst wordt uitgesteld tot den volgenden dag. Den volgenden dag richt het zich weder op en zegt; âIk ben geoordeeld.quot; Nieuwe ontsteltenis; nieuw uitstel. Den derden dag richt het zich weder op en roept allen toe; ,.Ik ben veroordeeld!quot;
Bruno, die den man gekend had, was er bij tegenwoordig; en dit treurig schouwspel deed hem besluiten de wereld te verlaten en zich met vijf van zijne vrienden af te zonderen op een berg in Dau-phiné, waar hij met hen het groot Karthuizer-klooster stichtte, en hij werd een heilige.
Behalve het bijzonder oordeel moet er een algemeen oordeel zijn op het einde der tijden, waarbij wij allen zullen verschijnen voor den rechterstoel van Jezus Christus. Moet die groote God, die zich thans schijnt te verbergen, niet op schitterende wijze zijne miskende rechten wreken, en aan allen toonen, dat, als Hij de goddeloozen verdroeg, het niet was
omdat Hij het kwaad beminde of omdat Hij niet bij machte was om te straffen? En dan, gedurende dit leven worden de ware dienaren van Jezus Christus, dikwijls, naar het voorbeeld van bun goddehj-ken Meester, vernederd, veracht, vervolgd; is het dan niet noodzakelijk, dat Jezus Christus hen eenmaal wreke en ten aanschouwen van de geheele wereld de goddeloozen vernedere, die op aarde zegevieren. ., . â . j
De H. Eulalia van Mesida in Spanje werd op den leeftijd van twaalf jaren tijdens de vervolging van Diocletiaan voor het geloof gemarteld. Calpur-nianus, ambtenaar van den gouverneur Dacianus, liet haar op wreedaardige wijze geeselen; en toen zij creheel met wonden overdekt was, zeide zi] tot haar3 beul Calpurniaan: âZie mij goed aan, beschouw mijn gelaat, om mij goed te herkennen voor den rechterstoel van God; wij zullen er beiden verschijnen, ik om beloond te worden voor mijn lijden, en gij, om gestraft te worden voor uwe
wreedheid.quot;
Eulalia had goed gesproken. ^
De engelen zullen op het einde der tijden met bazuingeschal al de menschen samen roepen in het dal des oordeels. En als allen zijn samengekomen, zullen zij den Zoon des menschen zien verschijnen met groote macht en heerlijkheid. De goddelijke Herder zal zijne kudde rangschikken. _ De engelen zullen de zondaren van de rechtvaardigen scheiden. Het masker van den huichelaar zal vallen. Hij zal zich naar de linkerzijde verwezen zien, die zich vleide fatsoenlijk te zijn in het oog van de wereld, toen hij zich schaamde over den godsdienst en zijne verplichtingen. De boeken zullen worden opengelegd en alle menschen en alle engelen zullen er in lezen, hoe het gesteld is met elke ziel. Zij zullen
-er in zien, welke en hoe zware zonden er bedreven zijn gedurende het gansche leven.
David hield zijn overspel verborgen; Nathan kwam en zeide hem : Gij hebt gehandeld in het geheim ; maar tk zal handelen ten aanschouwen van al het volk, voor het aat!schij?t van de zon.
Dat zal God in het oordeel zeggen tot de verdoemden, van wie alle schepselen een afschuw zullen hebben. Hunne medeplichtigen zullen hen beschuldigen. De nacht zal hen aanklagen, de steenen der huizen, getuigen van hunne misdaden, zullen tegen hen roepen.
De engelen zullen Jezus Christus smeeken zijn vonnis uit te spreken. Hij zal opstaan van zijn zetel. Toen Hij op den dag van zijn lijden tot hen, die Hem kwamen gevangen nemen, zeide: Ik ben het, vielen allen ter aarde, als waren zij door den bliksem getroffen. Wat zal het zijn op den dag der gerechtigheid, wanneer Hij tot de zondaren .zeggen zal: Ik ben het, uw Schepper, dien gij nooit hebt gediend, uw Verlosser, dien gij nooit hebt bemind. Gaat weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwig vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne handlangers.
Waar zullen wij zijn op dien vreeselijken dag, ter rechter of ter linkerzijde ? Welk zal ons vonnis wezen ? De pen is in onze handen, wij moeten het schrijven. Doen wij wat kwaad is, dan zullen wij veroordeeld worden. Wij zullen vrijgesproken en toegelaten worden tot den hemel, als wij het goede doen.
Veroordeelen wij ons zeiven door het berouw en door eene goede biecht; en wij zullen niet veroordeeld worden voor den rechterstoel van God.
HOOFDSTUK XII.
De H. Geest, de Kerk.
v
De H. Geest is de derde Persoon van de aanbiddelijke Drievuldigheid, waarlijk God, evenals de Vader en de Zoon, van wie Hij voortkomt, met wie Hij de eenige ware God is. Hoewel al de werken van God aan de drie Personen gemeen zijn, schrijft men toch aan den Vader de werken van almacht toe, zooals de schepping der wereld; aan den Zoon die van de wijsheid, zooals de verlossing van de menschen God heeft in het werk der verlossing de eischen van zijne rechtvaardigheid weten overeen te brengen met die zijner barmhartigheid ; men schrijft aan den H. Geest de werken van de liefde toe, als de heiligmaking der zielen.
De H. Geest, die door het Sacrament des Vormsels afdaalt in elke ziel, is over de Apostelen en de-jeugdige Kerk neergedaald op den dag van Pinksteren. Volgens het bevel van den Zaligmaker waren de Apostelen na de Hemelvaart vergaderd in de zaal, waarde Heiland het laatste avondmaal had gebruikt, en volhardden daar in het gebed met Maria, de-Moeder van Jezus.
En ziet, op den tienden dag van hunne afzondering 's morgens hoorde men een gedruisch van den hemel komen als van een hevigen wind, dat het geheele huis vervulde, waar zij vergaderd waren. En er verschenen vurige tongen, die bleven rusteii boven ieder hunner; en zij werden vervuld van den H. Geest, van dien Geest van waarheid, die door den Verlosser was beloofd; en zij begonnen verschillende talen te spreken, naar gelang de II,-Geest hun die gaaf verleende.
Er waren nu in Jerusalem Joden uit alle landen der wereld samen gekomen ; en ieder hunner hoorde de apostelen in zijne taal spreken. Allen stonden verbaasd; en vol verwondering zeiden ze : âZijn niet allen, die daar spreken, Galileers ? En hoe hoorden wij dan ieder, onze moedertaal ? Parthen en Meden en Elamieten, en inwoners van Mezopo-tamië, van Judea en Kappadocie, van Pontus en Azie, van Phrygie en Pamphylië, van Egypte en de streken van Lybië bij Cyrene, en vreemdelingen uit Rome, zoo Joden als Proselieten, Kreters er-Arabieren, wij hoorden hen in onze talen de groote werken Gods verkondigen.quot; Petrus nam het woord en predikte hun den verrezen Heiland; en drie duizend vroegen het Doopsel na de eerste toespraak van het hooid der Apostelen.
Bij zijne tweede toespraak bekeerden zich vijt duizend man. En van dan af ziet men die eerste geloovigen in hun ijver hunne bezittingen verkoopen,. alles gemeen goed maken, volharden in het gebed, God loven en door hun heilig leven de achting verwerven van een ieder. En de Heer vermeerdert iederen dag hun getal. Dat is het begin van de Kerk, door Jezus Christus gesticht en geheiligd dooiden H. Geest. Die Kerk is het geloovige volk, over de geheele wereld verspreid. Zij is een volmaakt lichaam, waarvan Jezus Christus het onzichtbare hoofd is, en het zichtbare hoofd de Paus van Rome, de opvolger van den H. Petrus. Zij heeft alle machten, die de menschelijke instellingen hebben en nog grootere ; want zij is de eenige instelling, op bovennatuurlijke wijze door God zelf gevestigd. A//e macht is Mij gegeven, zeide Jezus, toen Hij zijne Kerk stichtte, zooals mijn Vader Mij gezonden heeft, zoo zend Tk u. De macht van de kerk is dus de macht van God zelf, aan de kerk ten dienste
gesteld, opdat zij de menschen kunne geleiden ter -eeuwige zaligheid, welke het doel is van hare instelling, het doel, dat God gewild heeft.
Voor alles, wat tot dit doel strekt, en voor alles, wat er van afleidt, heeft de Kerk derhalve rechten hooger dan de rechten van de menschelijke instellingen, waarvan het doel is het tijdelijk welzijn van den mensch. Zij staat boven haar, evenals de ziel staat boven het lichaam, de hemel boven de aarde. In geval van strijd met de burgelijke macht is het aan haar, als bekleed met hooger gezag, te oordeelen en te beslissen. De christen vorsten zijn aan haar onderworpen evenals het geloovige volk.
Het is haar goddelijke Stichter, die haar het recht gaf alle natiën te onderwijzen. Zonder onrechtvaardigheid kan niemand haar dat recht ontnemen : en zij kan niet alleen de goddelijke wetenschap onderwijzen maar ook de menschelijke wetenschappen, die immer in overeenstemming zijn met de goddelijke wetenschap; want de Heer is de God van alle wetenschappen. En als anderen scholen stichten, dan heeft de kerk het recht over het onderwijs te waken, opdat het overeenstemme met de waarheid, die zij in last heeft ongeschonden te bewaren, en opdat de geloovigen behoed worden voor de dwaling, waarvoor de Kerk beveiligd is door den onfeilbaren bijstand van den H. Geest, in alles, wat geloof en zeden betreft.
Aan den Paus, het Hoofd der Kerk, is die goddelijke bijstand toegezegd, toen de Zaligmaker tot Petrus zeide: â Voor u heb ik gebeden, opdat uw geloof niet bezwijkt; bevestig uwe broeders in het geloof, wanneer zij wankelen. Gij zijl Petrus en op deze steenrots zal ik mijne kerk bouwen, en de poorten der hel zullen tegen haar niets vermogen. Dat zijn waarheden van onzen godsdienst. (Zie bladz. 27.)
-lö-
Om lid te zijn van de H. Kerk moet men zich â onderwerpen aan den Paus van Rome en aan de Bisschoppen in vereeniging met den Paus. Daarenboven moet men alles gelooven, wat God geopenbaard heeft. Om zalig te worden moet men de H. Sacramenten, welke Jezus Christus heeft ingesteld, ontvangen. Zonder deze kan de mensch niet tot het bovennatuurlijk leven geraken. Zij, die weigeren zich te onderwerpen aan de herders der Kerk, zijn schismatieken; zij, die weigeren de waarheden, door God geopenbaard eu door de Kerk geleerd, te gelooven, zijn ketters. Zij, die de H. Sacramenten van de Kerk niet ontvangen, zijn katholieken meer met naam dan in werkelijkheid.
Deze allen zijn buiten den weg der zaligheid; want het is door de Sacramenten, dat Jezus Christus de menschen tot het bovennatuurlijk leven heeft willen verheffen, en hen wil brengen tot de aanschouwing van de glorie zijns Vaders. Zonder de Sacramenten is er geen zaligheid, als men ten minste niet volstrekt in de onmogelijkheid is van ze te ontvangen, al zou men het ook willen. Hij, die te goedertrouw ketter is of zelfs ongeloovig, kan, door eene bijzondere gratie verlicht. God leeren kennen en beminnen en zalig worden. Wanneer hij namelijk gelooft in God, dien hij door de genade heeft leeren kennen, zich opwekt tot eene zuivere liefde voor de volmaaktheden Gods, tot een oprecht berouw over de zonden, waardoor hij een zoo goeden Meester heeft beleedigd, en het verlangen koestert van alles te doen, wat God van hem vordert, dan behoort hij tot de ziel van de Kerk, ook al kende hij haar niet, en hij zal gerechtvaardigd wezen.
Maar er is geene zaligheid voor hem, die weigert toe te treden tot de Kerk, die hij als de ware kent, noch voor hem, die haar niet kent en niet
door de genade tot het geloof, tot eene volmaakte liefde tot God en een volmaakt berouw over zijne zonden wordt gebracht. (Men weet dat God, die aller zaligheid wil, nooit zijne genade weigert aan hem, die er geen beletsel aan stelt.) ïn dezen zin is het volstrekt waar: Buiten de Kerk is er geenezaligheid. Alleen door de Kerk en door de Sacramenten, hetzij men ze werkelijk ontvangt of wel ze verlangt te ontvangen, verkrijgt men vergeving van; de zonden.
De Kerk heeft van God de macht ontvangen alle-zonden zonder onderscheid te vergeven. JZ/es wat gij ontbonden 'Mil hebben op aarde, zal ontbonden zijn in din hemel, heeft de Zaligmaker gezegd. Hun, wier zonden gij vergeven zuil hebben, zijn zij vergeven. De erfzonde wordt door het Doopsel uitgewischt en de andere zonden door het Sacrament van boetvaardigheid, waarvan wij later zullen spreken.
Gelukkig derhalve zij, die leven in den schoot van die alleen ware Kerk; gelukkig de kudde, die slechts één herder heeft, den Paus, den opvolger van Petrus, den plaatsbekleeder van Jezus Christus. De hoofden van de andere christelijke kerkgenootschappen zijn niet door God gezonden. Jezus Christus heeft zending gegeven aan zijne apostelen en door hen aan hunne opvolgers en hunne medehelpers, maar aan anderen niet. Zij, die niet door de katholieke kerk zijn gezonden, zijn niet door de deur binnen gegaan, maar langs een anderen weg. Zij zijn roovers, volgens het woord van den goddelijken Zaligmaker, want zij hebben geene wettige zending ontvangen. De Kerk, wel verre van hen gezonden te hebben, om in haar naam het Evangelie te verkondigen, heeft hen uitgesloten van haar schoot. Hoe durven zij dan prediken zonder zending?
Als zij zich beroepen op eene goddelijke zending.
buiten de' Kerk, dat zij die dan bewijzen. Om dat te bewijzen moeten zij mirakelen doen, die getuigen, dat zij van God gezonden zijn. Welnu, zij hebben' naar het aardig gezegde van Erasmus, met hen allen nog geen kreupel paard kunnen genezen, terwijl de Kerk, gesticht door Jezus Christus en de Apostelen, door al de eeuwen heen hare mirakelen heeft vermenigvuldigd.
Een mirakel is de heldhaftigheid van ontelbare martelaren, waaronder zwakke vrouwen en kinderen die hun geloof beleden hebben te midden van martelingen, die in staat zouden geweest zijn om de grootste helden aan het wankelen te brengen. Een mirakel is die Kerk, altijd vervolgd en alleen vervolgd en altijd zegevierend. Een mirakel zijn de wonderwerken door de heiligen verricht. Niemand wordt heilig verklaard, zonder dat hij ten minste twee mirakelen heeft verricht, die wettig bewezen zijn ; en het onderzoek naar die mirakelen is zoo nauwkeurig, dat protestanten zich bekeerd hebben, toen zij zagen, hoe gestreng de Kerk in dit onderzoek is. Welnu er zijn heiligen van alle eeuwen. Het mirakel ziedaar het zegel, dat God aan de Kerk heeft gehecht. Daarenboven bezit zij de heiligheid, door een groot getal van hare ledematen in beoefening gebracht. In de Kerk alleen heeft het religieuze leven de deugden van de eerste christenen, die leefden in gemeenschap van goederen, bewaard in hare volle reinheid. In de Kerk alleen bloeit de maagdelijkheid, haar schoonste sieraad, welke alle ketters min of meer met voeten getreden hebben. De Protestanten hebben niet ééne liefdezuster kunnen vormen; en hunne aanvoerders hebben het geloot van de Kerk alleen verzaakt om niettegenstaande hunne heiligste geloften eene vrouw te hebben. De goddelijke zending van de Kerk schittert
â 78 -
ook uit in den haat van hare vijanden. Allegodde-loozen vereenigen zich tegen haar, terwijl zij andere, ongerijmde godsdienstbelijdenissen met rust laten. Alle driften spannen samen tot haar ondergang. Zij bezit derhalve de waarheid en het goede, wijl zij de leugen en het kwaad tot vijand heeft. Toen de ongeloovigen aan La Harpe vroegen, welke zijn godsdienst was, zeide hij : âIk ben christen, omdat gij het niet zijt. Een godsdienst, die tot doodvijanden heeft de grootste vijanden van alle zedelijkheid, van alle deugd, van alle menschelijkheid, is noodzakelijk de vriend van de zedelijkheid, van de deugd, van de menschelijkheid, is derhalve goed.quot;
Ondanks allen haat volgt de Kerk al weldoende haren weg door alle eeuwen evenals haar goddelijke Stichter. Gelijk aan eene rivier, die hare oevers vruchtbaar maakt, brengt zij overal op haren doortocht de beschaving, waarop wij fier zijn, en hare bewonderenswaardige liefdewerken tot troost en opbeuring van alle ongelukkigen. Sophocles, die onsterfelijke dichter, werd als krankzinnig aangeklaagd door zijne kinderen, die verlangden zijne goederen te bezitten. Om zich te verdedigen las hij zijne rechters alleen zijn laatste gedicht voor: men bekroonde den roemvollen grijsaard, en zijne onwaardige kinderen stonden beschaamd voor alle menschen. Om zich te verdedigen tegen de beschuldigingen van weerspannige kinderen, behoeft de Kerk slechts haar Evangelie te toonen en te wijzen op hare daden.
De slaven danken haar de vrijheid, die zij genieten, zij herstelde de vrouw in hare waardigheid. Zij doet den rijke den arme beschouwen als een broeder. Zij, die haar haten, zijn er zeker van in haar, op den dag zelf, dat hun de oogen open gaan, eene liefdevolle moeder te vinden, die hen met open armen
zal ontvangen, om hun vergeving te schenken en hen met den hemel te verzoenen.
Aan de katholieke Kerk verzaken is verzaken aan den waren godsdienst, aan de eenige reddingsplank. Het is verzaken aan den hemel. Men moge het goed begrijpen en nooit vergeten.
Toen de vrienden van Hendrik IV, koning van Frankrijk, er op aandrongen, dat hij het protestantisme. waarin hij was opgevoed, zou afzweren, vroeg hij aan de bisschoppen, of hij in de Roomsche Kerk kon zalig worden; zij antwoordden, dat hij in die Kerk niet alleen kon zalig worden maar dat er zelfs buiten haar geene zaligheid mogelijk was. Hij wendde zich vervolgens tot de leeraren van de protestantsche kerk, die hem antwoordden, dat hij inderdaad in de katholieke Kerk kon zalig worden. âAls het zoo is,quot; antwoordde hij, âdan word ik katholiek; want in eene zoo gewichtige zaak moet men de zekerste partij kiezen.quot; De partij, die hij koos, was niet alleen de zekerste, maar zij was de eenige zekere, want er zijn geen twee ware kerken van Jezus Christus.
âIk houd niet van hen, die van godsdienst veranderen,quot; zeide een protestantsche vorst tot den graaf de Stolbert. âIk ook niet,quot; zeide de graaf, âwant als mijne voorzaten niet van godsdienst waren veranderd, dan was ik nooit verplicht geweest tot het katholicisme terug te keeren.quot; Een protestant, die katholiek wordt, verandert niet van godsdienst. Hij keert slechts terug tot den godsdienst, dien zijne voorouders nooit hadden moeten verlaten. Het is een dwaas vooroordeel en ongerijmde taal van de protestanten, dat men den godsdienst van zijne vaderen niet moet verlaten. Bestonden de protestanten voor de XVI eeuw? Voorzeker neen, zij kunnen het niet ontkennen. Hunne eerste voor-
ouders waren derhalve katholiek en volgens hun eigen vooroordeel moeten ze tot het katholicisme terugkeeren. Als zij, onder voorwendsel, dat hunne voorouders drie eeuwen lang protestant waren, meenen protestant te moeten blijven, dan moet men besluiten, dat de heidenen verkeerd gedaan hebben met het â christendom te omhelzen, dat de joden, muzelmannen en heidenen verkeerd doen met christen te worden; en toch, de protestanten zenden zelf hunne predikanten om hen te bekeeren. Dat voorwendsel is derhalve valsch, zooals ze zelf moeten erkennen, en het moet hen geenszins weerhouden, als zij het katholicisme willen omhelzen.
Toen een gezant van Frankrijk in Engeland van eene doodelijke ziekte hersteld was, vroegen hem eenige protestantsche heeren, of het hem niet zwaar zou gevallen zijn te sterven en begraven te worden bij de protestanten. ,,Neen, antwoordde hij, ik zou slechts last gegeven hebben den grafkuil een weinig dieper te maken en ik zou tusschen katholieken gelegen hebben.quot; Een godsdienst, die dagteekent van gisteren, kan die van Christus niet zijn. Men noemt dien hervormd. Schoone hervorming, die den maagdelijken staat, de onthouding, de vasten, de onverbreekbaarheid van het huwelijk over boord werpt, geen Sacrament der Biecht aanneemt en het bestaan van het vagevuur ontkent. Het ware gemakkelijk zulken godsdienst te omhelzen, als hij nog het bestaan van de hel durfde ontkennen.
De pastoor van Ars kreeg op zekeren dag bezoek vaii een rijk protestant, die zich niet bekend maakte. Toen hij hem uitliet, gaf hij hem eene medaille. âGij weet niet,quot; zeide de bezoeker, âdat ik protestant ben; maar ik hoop toch eens met u in den hemel te zijn.quot; âOm vereenigd te zijn in den hemel, moeten we reeds vereenigd zijn op aarde,quot; antwoordde de
_ 81 -
eerbiedwaardige Vianney; âwaar de boom valt, blijft hij liggen.quot; âIk geloof,quot; zeide de protestant, âhet woord van Christus: Die in Mi?' gelooft zal hel eeuwig' leven, hebben.quot; âChristus heeft nog heel wat meer gezegdquot;, hernam de heilige priester ; âAls iemand de kerk niet hoort, hij zij it als een-heiden en publicaan. Er zal maar ééne kudde en één herder wezen. Er zijn geen twee manieren van God te dienen, er is maar ééne goede, mijn vriend; dat is die, waarop Hij wil gediend worden.quot; Daarop groette de heilige pastoor zijn bezoeker, die deze woorden overwoog en spoedig katholiek werd.
HOOFDSTUK XIII.
Onze Plichten ten opzichte van de Kerk.
Er zijn in de Kerk, gelijk in elke vereeniging, hoofden, die ze bestieren, en onderdanen, die gehoorzamen. De hoofden der Kerk zijn de herders, dat wil zeggen de Paus en de bisschoppen. De onderdanen zijn de geloovigen. Nu, de onderdanen zijn aan hunne herders liefde, eerbied en gehoorzaamheid verschuldigd. Hoevele zielen zijn er niet, die door hunne schuld de Kerk niet kennen en die ter oorzake van deze onwetendheid niet naar den hemel zullen gaan i God heeft ons de genade geschonken katholiek te zijn. Welke ondankbaarheid zou het wezen die Kerk niet te beminnen, die ons als bij de hand leidt naar het Paradijs, die ons met weldaden overlaadt!
Bij onze intrede in het leven heeft zij ons kinderen gemaakt van God ; zij is het, die ons onderricht in de christelijke leer, die ons opheft na onzen val.
â 82 ~
die ons troost in onze droefheid, die ons in het stervensuur sterkt tegen de aanvallen van onze vijanden. Waarom dan haar niet beminnen ? Fre-miot, president van het parlement van Bourgonje, nam zijne kindertjes op zijne knieën en vprak hun met zulk geloof over de droefheid en de vreugde van de Kerk, dat zij er tranen over stortten. Op zestienjarigen leeftijd kon zijne dochter, die later huwde met baron de Chantal, en de stichtster werd van de Orde der Visitatie, niet zonder tranen de kerken beschouwen, die door de protestanten waren verwoest. Wanneer toch zullen alle ouders hunne kinderen diezelfde liefde voor de Kerk inprenten ?
Bewonderen wij de verheerlijking van de Kerk. Wanneer het haar geldt, is ieder christen soldaat en verplicht haar te verdedigen. De H. Catharina was de nederige dochter van een verver te Sienne. Zij wijdde haar leven aan de bevordering van den bloei der Kerk. Zij vreesde niet zich, tot dit doelr te wenden tot de koningen van Europa, tot de kardinalen, tot de Pausen zelfs, en zij deed den Paus besluiten Avignon te verlaten en naar Rome terug te keeren. Kunnen wij niet zooveel doen als zij, wij kunnen ten minste bidden ; Ons toekome uw rijk, o mijn God ! Wij kunnen bijdragen tot den luister van de plechtigheden der Kerk en de altaren versieren. Magdalena stortte een kostbaar reukwerk uit over de voeten van Jezus; en daarom werd zij door alle eeuwen heen over de geheele aarde geprezen. Wij kunnen werken voor de voortplanting van het Geloof, voor den St. Pieterspenning, en een heilig leven leiden, want het voorbeeldig leven van hare kinderen strekt tot glorie van de Kerk, evenals het wangedrag van sommigen haar tot. schande is.
Met de liefde zijn wij eerbied verschuldigd aan
de herders der Kerk. Zij zijn de afgezanten van God, de dienaren van Jezus Christus. De Paus vooral, de Plaatsbekleeder van God op aarde, de Vader van het groot christelijk huisgezin, heeft recht op onzen eerbied. Wij moeten eerbied hebben voor de waardigheid van den priester, al is hij ook de eer niet waardig, waartoe hij verheven is. De echt-genoote van keizer Maximus had den H. Martinus, bisschop van Tours, aan hare tafel genoodigd. Tijdens den maaltijd bleef de keizerin uit eerbied staande en diende zelf den bisschop; en later verzamelde zij als reliquiein de kruimels brood, die hij had aangeraakt. Sluiten wij ons nooit aan bij hen, die de bedienaren van de Kerk belasteren. âWanneer een priester viel,quot; zeide de groote keizer Constantijn, âdan zou ik hem met mijn mantel bedekken, om zijn misstap voor alle oogen te verbergen.quot; De bevrijder van Ierland, Daniel O'Connel, kwam nooit aan het hof van Engeland zonder een priester bij zich te hebben, die hem overal vergezelde. Bij de maaltijden liet hij hem de eereplaats innemen, en hij ging niet zitten, voordat de priester de tafel gezegend had, zelfs in het bijzijn van protestanten.
Bij den eerbied moeten wij de gehoorzaamheid aan de Kerk voegen. Er is geefte macht, zegt de H. Paulus, dan van. God; die zich tegen de wacht r er set, die verzet zich tegen Gods verordenirg en hij gaat zijne veroordeeling te gemoet. Doch geene macht is zoo klaarblijkelijk, zoo onmiddelijk door (iod gevestigd, als die van de Kerk. Geljk mijn Vader Mij gezonden heeft, zoo zend Ik n, heeft Jezus Christus gezegd. Die it hoort, hoort Mij, en die u versmaadt, versmaadt Mij. Als iemand de Kerk niel hoort, hij zij n als eeti heiden en public aan. Over wie strekt die macht zich uit ? Over de christen
volken. Het rijk, dai u niet dienen zal, zal vergaan, heeft de Heer gezegd. Afrika heelt de Kerk verlaten en is tot de barbaarschheid teruggekeerd.
Napoleon I wilde de Kerk den oorlog aandoen en werd in den ban geslagen. In zijne woede zeide hij : «Meent de Paus, dat de ban de wapenen zal doen vallen uit de handen van mijne soldaten?quot; Eenigen tijd later onderneemt hij met zes honderd duizend man den veldtocht tegen Moscou. De Russen vluchten weg voor zijn leger; hij kan geen strijd leveren; en zijne soldaten, verkleumd van koude, laten hunne wapenen vallen en storten dood ter aarde; nauwelijks eenige tienduizenden van die mannen zien hun vaderland terug.
Het rijk der Kerk strekt zich uit over allen, die gedoopt zijn, dat wil zeggen over meer dan twee honderd millioen katholieken, en zelfs over de ketters en schismatieken. Wee hem, die het zoete juk van het goddelijk gezag zou afschudden !
Die gehoorzaamheid bestaat in het aannemen van de leer der Kerk, die geene andere is dan de leer van God, van Jezus Christus zelf. De Kerk kan door den bijstand van God niets afnemen of toevoegen aan de waarheid, welke Jezus Christus haar heeft toevertrouwd. Die leer van de Kerk kennen wij uit onzen catechismus, waaruit iederen dag 's avonds iets moest gelezen worden. Het is dezelfde leer, die ons gepredikt wordt door onze priesters, door de priesters van de geheele wereld, door de bisschoppen, die in vereeniging met den Paus zijn. Het is gemakkelijk hiervan zekerheid te hebben. Wij zijn derhalve daardoor zeker van de leer der Kerk. Er blijft niets over dan geest en hart te onderwerpen aan die leer; het is niet geoorloofd er iets af te nemen of er iets bij te voegen.
Die gehoorzaamheid bestaat op de tweede plaats
in de onderwerping aan de wetten van de Kerk. De burgerlijke macht heeft het recht wetten te maken; dat recht aan de Kerk te betwisten zou dwaasheid zijn en opstand tegen God zelf, te meer daar de Kerk, bijgestaan door God, van hare kinderen niets kan vorderen dan hetgeen rechtvaardig en heilzaam is en zij, als een Moeder vol teederheid, ons gewoonlijk niet meer gebiedt dan God zelf en altijd alleen datgene, wat ons helpen kan om in den hemel te komen. Wee hem derhalve, die haar niet gehoorzaamt!
HOOFDSTUK XIV.
De Gemeenschap der Heiligen. Verrijzenis des Vleesches.
Er is eene innige gemeenschap tusschen de kerk op aarde, die de strijdende genoemd wordt, omdat zij nog strijdt tegen de vijanden der zaligheid, de triomfeerende Kerk in den hemel en de lijdende Kerk in het vagevuur, want deze drie Kerken maken de eene ware Kerk van Jezus Christus uit. Zij zijn als drie steenen van hetzelfde gebouw, met elkander vereenigd door het cement van de liefde. En dat maakt onzen troost uit op aarde.
De heiligen zijn onze broeders. Wij kunnen de heiligen vereeren om de glorie, die God hun gaf, ons verheugen over hunne gelukzaligheid en hunne voorbede bij God inroepen. Het is goed en nuttig hen aan te roepen, dat is een artikel van ons geloof. Welken troost verschaft het te denken, dat wij in den hemel bloedverwanten hebben,die ons beschermen en die wij eens zullen wederzien! Er zijn inderdaad heiligen in alle familien, al waren het alleen de
- 86 -
kinderen, die gestorven zijn na het doopsel en voordat zij de genade van God verloren hadden.
Als onze bloedverwanten in het vagevuur zijn, kunnen wij hen door onze gebeden en goede werken troosten; en waarschijnlijk kunnen ook zij door hunne gebeden voor ons genaden verwerven. De katholieke leer is derhalve geheel in overeenstemming met de schoonste en teederste gevoelens van het menschelijk hart.
In de goederen der Kerk deelen al hare kinderen, die allen vereenigd zijn met Jezus Christus door het Doopsel en vooral door het aanzitten aan dezelfde Tafel en derhalve vereenigd zijn met elkander. Ieder geloovige kan deelen in de genaden van de Sacramenten, die Jezus Christus voor de zaligheid van allen heeft ingesteld.
Maar er is nog eene andere soort van gemeenschap der heiligen, die hierin bestaat, dat ieder geloovige deel heeft in de goede werken van al de geloovigen, die in de Kerk zijn. Evenals elk lidmaat van het menschelijk lichaam deelt in de gezondheid en de verrichtingen van al de anderen ledematen, zoo ook heelt elk kind van de Kerk, dat in staat van gratie is, deel in de vruchten der goede werken van alle heiligen, die op aarde leven of reeds in den hemel zijn. De ledematen der Kerk, die niet in staal van gratie zijn, die een of meer doodzonden op hun geweten hebben, deelen niet ten volle in deze vele goederen ; evenwel worden zij door de anderen geholpen om uit den staat van zonde te geraken, en als ledematen van de Kerk ontvangen zij eene menigte van genaden, die de ongeloovigen en zij, die in den ban zijn, niet ontvangen. Zoo ook strekt in een goed geregeld huisgezin de arbeid van den eene tot welzijn van al de anderen.
Welk geluk is het aldus door al de geloovigen op
aarde ondersteund te worden in den strijd! Welk een moed schept de soldaat, als hij ziet, dat hij door een talrijk leger omringd wordt, dat hem zal bijstaan om de overwinning te behalen ! En welke vurigheid zullen wij hebben in 't bidden, als wij ons te binnen brengen, dat ons gebed zijn nut zal hebben voor de geheele Kerk van Jezus Christus !
De H. Fructuosus, bisschop en martelaar van de derde eeuw, werd veroordeeld om voor het geloof levend te worden verbrand. Op het oogenblik dat hij de doodstraf zou ondergaan, naderde hem een christen, drukte hem met aandoening de hand en zeide: âWil mij bij God gedachtig zijn.quot; De martelaar antwoordde hem; âIk moet denken aan de geheele katholieke Kerk, van het Oosten tot het Westen verspreid.quot;
Als wij na onzen dood naar den hemel gaan, dan vinden wij er al aanstonds de zielen van onze bloedverwanten, die onsterfelijk zijnde niet kunnen vernietigd worden; maar in het laatste oordeel zullen wij de verrezen lichamen zien van alle raenschen. De dood is een toestand, die niet blijft voortduren. De menschelijke ziel is geschapen om vereenigd te zijn met haar lichaam, met hetzelfde lichaam, dat zij op aarde heeft bezield. De almacht van God zal dan ook op het einde der tijden al de lichamen tot het leven opwekken en ze op nieuw met hunne zielen vercenigen.
Is het niet gemakkelijker het leven terug te schenken dan het de eerste maal te geven ? En wie kan grenzen stellen aan de goddelijke macht ? Is zij niet oneindig ? Hoe zullen de dooden verrijzen ? Deze vraag stelt zich de H. Paulus en hij antwoordt: Dwaas, de zaadkorrel, die gij uitwerpt, wordt een levende stengel, wanneer zij eerst zelf gestorven is. En wat gij zaait is niet de plant zelf, die later moet
- 88 -
worden voortgebracht, maar slechts het zaad van de plant; doch God geeft aan het zaad de kracht om een gewas te vormen, zooals Hij het verlangt.
Dan, om ons te doen zien, dat de lichamen der zondaren bij de verrijzenis niet gelijk zullen wezen aan die van de rechtvaardigen, voegt de Apostel er bij: Wij zullen allen verrijzen; maar wij zullen niet allen veranderd worden De rechtvaardigen alleen zullen bekleed worden met de hoedanigheden der verheerlijkte lichamen ; hunne lichamen alleen zullen klaar, licht, fijn en onlijdelijk wezen. En zelfs onder de rechtvaardigen zal de verheerlijking verschillend zijn, zooals er verschil is in den glans der sterren, en wel naar evenredigheid van elks verdiensten. Gelukkig derhalve zij, die hun lichaam door de boetvaardigheid versterven.
Toen te Reims te midden van den grootsten luister de zalving plaats had van koning Karei Vil, was ook Jeanne d'Arc daarbij tegenwoordig. Zij droeg zeif hare krijgsbanier, welke, na zoo menigen slag medegemaakt te hebben, niet veel meer was dan met stof overdekte flarden. Men wilde haar de banier ontnemen, maar zij antwoordde: âLaat mij haar behouden, zij is in den strijd geweest, laat haar ook deel hebben in de glorie.quot; Dat lichaam van aarde, dat ook in den strijd geweest is, om den hemel te veroveren, moet deel hebben in de glorie, in de gelukzaligheid van de ziel.
De goddelooze Antiochus wilde de zeven Macha-beesche broeders en hunne heldhaftige moeder dwingen vleesch te eten, dat door de wet verboden was. Zij zeiden allen : »Wij willen liever sterven.quot; Toen rukte men den oudste met de haren het vel van het hoofd; men hieuw hem de handen en voeten af; en toen niets den onverschrokken jongeling tot de
overtreding van de wet dwingen kon, maakte men door het vuur een einde aan zijn leven.
Toen kwam de beurt aan den tweede, die getuige was geweest van dit wreede schouwspel; hij werd aan dezelfde marteling onderworpen en ook hij bood met denzelfden moed den beulen zijne ledematen aan. Op het punt van den geest te geven had hij nog kracht genoeg om tot den tiran te zeggen: ))Booswicht, gij kunt ons dit leven ontnemen, maar de Koning der .vereld zal wel diegenen, die voor zijne wetten gestorven zijn, op den dag dér verrijzenis tot het eeuwig leven kunnen opwekken.quot; Zoodra men den derde de vraag stelt, biedt hij zijne tong aan om ze te laten afsnijden; hij biedt ook zijne handen aan en zegt: âVan den Hemel heb ik deze ledematen ontvangen ; maar om de getrouwheid aan de wet Gods heb ik ze gaarne veil, want ik hoop op Hem, die ze mij terug zal schenken.quot; Antiochus en zij, die hem omringden, waren zelf verwonderd over zulken moed. De vier andere broeders en eindelijk de heldhaftige moeder van deze martelaren ondergingen gelijke martelingen. De hoop op de verrijzenis doe ons, zoo niet onze ledematen en ons leven, dan toch de schuldige vermaken ten offer brengen.
HOOFDSTUK XV.
De Hemel.
De hemel is de plaats, waar God diegenen beloont, die in zijne genade gestorven zijn en niets meer uit te boeten hebben in het vagevuur. Daarboven is geen lijden meer; alle goed is er vereenigd. Opdat
de uitverkorenen uitrusten van hunnen arbeid, zal de zon hen niet meer branden met hare stralen; noch honger, noch dorst, noch ziekte, noch dood zal hen kwellen. Geen scheiden, geen droefheid -meer. De Heer zal al hunne tranen drogen. Geen vijanden, geen driften meer te overwinnen, geen gevaren meer voor de ziel, geen vrees van God te beleedigen of van Hem gescheiden te worden.
Zij, die zoozeer bevreesd zijn voor alle pijnen, zouden derhalve verstandig handelen met den hemel te zoeken, want daar alleen zullen wij van alle smart bevrijd wezen. Laat de bedroefde zielen zich dus verheugen, als zij met geduld hunne beproevingen doorstaan ; want na tranen en zuchten weet God vreugde te verschaften. In den hemel zullen wij slechts aan onze kruisen denken, evenals de schipbreukeling in de veilige haven aangeland denkt aan den storm, en evenals de soldaat na de overwinning denkt aan den strijd.
In den hemel wordt aan de ziel alle goed geschonken, zoodra zij daar binnentreedt en aan het lichaam na de algemeene verrijzenis. Het genot van de ziel is de waarheid te kennen en het goede te beminnen en van het bezit van een en ander verzekerd te zijn. Welnu de voornaamste belooning der uitverkorenen, tot welke God zich gewaardigd heeft ons te roepen, maar die al onze natuurlijke vermogens te boven gaat, zat wezen God van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen, gelijk Hij is. In deze wereld zien wij wondere zaken aan het firmament, op de aarde, in de zee. Dat zijn de werken van God, waardoor wij iets kunnen leeren kennen van de macht, van de grootheid van de wijsheid van dat Opperwezen; maar Hem zelf, zijn wezen, zien â wij niet.
In den hemel zullen wij Hem zeiven zien onmid-
_ 91 -
delijk, onbene veld, door het licht der glorie, dat ons verstand zal versterken. Wij zullen zijne goddelijke eigenschappen, zijne heiligheid, zijne goedheid, zijne schoonheid, zijne gerechtigheid beschouwen ; wij zullen de drie onderscheidene goddelijke Personen zien en de eenheid van de goddelijke natuur ; wij zullen die verhevene geheimen zien, die wij thans niet begrijpen, maar welke het geloof ons openbaart. De leiding van zijne Voorzienigheid, waarover wij in deze wereld somtijds verwonderd staan, zal ons met hare thans ondoorgrondelijke plannen duidelijk worden; dan zullen wij haar de eeuwige bewondering en erkentelijkheid van alle redelijke schepselen waardig achten. Toen de H. Fulgentius de wonderwerken zag, die in het oude Rome voor den triomf der keizers waren opgericht, riep hij niet zonder reden uit: âAls dit reeds zoo grootsch is, wat zal het dan met God wezen. Heer, toon ons uw aanschijn en wij zullen behouden zijn?'
Daar onze kennis van God hier op aarde altijd onvolmaakt is, beminnen wij Hem slechts op onvolmaakte wijze; maar in den hemel zal ons verstand verlicht worden en de waarde inzien van het hoogste goed, en wij zullen gedwongen zijn te beminnen. Wij zullen niet meer gelooven, wij zullen zien, niet meer hopen, wij zullen bezitten. Maar eene vurige en te gelijk rustige liefde, die alle liefde tot ons zeiven zal uitsluiten, zal onze harten louteren en verteren, zonder tusschenpoozen, zonder ooit oververzadigd te worden. De wil zal zich geheel aan God schenken, en God, verre van dien af te stootea, zal zich aan hem mededeelen en hem bezit van zich laten nemen; en welke rust, welke vreugde, welken schat zal de mensch genieten in die vereeni-ging met God ! Als men God bezit, bezit men alles.
Wat ontbreekt hem, die het hoogste goed bezit ?
- 92 -
Door God te zien, te beminnen, te bezitten, zullen wij aan Hem gelijkvorming worden, niet in staat te zondigen, te lijden, te sterven, machtig, gelukkig, onsterfelijk. Laat hem de aarde behouden, die naar de aarde verlangt en die niet verlangt God eeuwig te bezitten; maar wat zijn voor eene groote en edelmoedige ziel de rijkdommen en de vreugde van deze wereld vergeleken bij den hemel!
Ook het lichaam zal na de algemeene opstanding in den hemel zijne belooning vinden. Om niet te spreken van de hoedanigheden der verheerlijkte lichamen, waarvan wij reeds een woord gezegd hebben, elk onzer zintuigen zal in den hemel een onuitsprekelijk genot smaken. Onze oogen zullen met welgevallen rusten op de pracht van het Paradijs. God heeft zoovele schoone dingen voortgebracht in deze wereld, de verblijfplaats zoowel van zondaren als rechtvaardigen. Zou Hij niet eene duizendmaal grootere pracht hebben doen schitteren in de plaats, waar Hij met zijne uitverkorenen alleen woont ? Welke glans omstraalt den God-mensch, wiens verheerlijkt lichaam als eene zon schittert aan dat nieuwe firmament! Welk eene glorie omringt daarboven de onbevlekte Maagd, die door den H. Geest hier beneden reeds geheel schoon genoemd werd ! En dan, aan de zijde van Jezus Christus en zijne Moeder, al de koren der Engelen, de scharen der Apostelen, der Martelaren, der Maagden, allen in eene bewonderenswaardige orde gerangschikt: O verrukkelijk schouwspel!
Een koning, vijandig aan het volk Gods, geleidde den profeet Balaam op een berg, opdat hij van af die hoogte zijn vloek over dat volk zou neerslingeren. Maar toen de profeet het kamp van Israël, in de schoonste orde rondom het tabernakel gerangschikt, beschouwde, vond hij geen woorden meer om het
te vervloeken; in verrukking riep hij uit: âHoe schoon zijn uwe tenten, o Jacob, uwe woningen, o Israel.quot; Welke zal dan onze verrukking zijn, als wij de eeuwige woontenten Gods, de heilige scharen der uitverkorenen mogen aanschouwen!
De ooren zullen gestreeld worden door de gezangen der engelen en heiligen. Men zal de geuren inademen van dat verblijf, waarvan het aardsch paradijs slechts eene voorafbeelding was. De tong zal er haar genot in vinden God te loven, hare gezangen te vereenigen met die der uitverkorenen, zich te onderhouden met de heiligen. De volmaakte liefde, die onder hen heerscht, maakt, dat de zaligheid van den eene de zaligheid van den andere vermeerdert. Is eene moeder niet meer gelukkig om het geluk van hare kinderen dan om haar eigen geluk ? Daarboven zullen wij ons onderhouden met hen, die wij hier beweenen. De ouders zullen hunne kinderen wedervinden, de wees zijn vader en zijne moeder. De hemel is derhalve het volmaakte en eeuwige geluk.
Valerianus, bruidegom van de H. Ceciüa, en zijn broeder Tiburtius waren om hun geloof in de gevangenis geworpen. Het was omtrent het jaar 160 onder de vervolging van Marcus Aurelius. Toen de gevangenbewaarder Maximus, wien de last gegeven was hen naar de strafplaats te brengen, de gevangenis opende, vond hij hen geknield, de oogen ten hemel, met de grootste kalmte op hun gelaat. Hunne jeugd, hunne hooge afkomst, hunne onschuld, hunne gelatenheid trof het hart van den soldaat, die begon te weenen. âWaarom weent gij ?quot; vroegen zij hem. Hij antwoordde: Ik ween, omdat gij, die nog zoo jeudig zijt, zoo rijk, van zoo hooge atkomst, nu reeds gaat stervenquot;. âGij dwaalt, Maximus,quot; hernamen zij, âwij zijn christenen, en de christen,
â 94 -
die de wereld verlaat, gaat tot een beter leven over, waar de dood geen macht meer heeft.quot; â ,,0' zeide Maximus, mochten uwe woorden waarheid bevattenquot;! â âAls gij belooftquot;, was het antwoord, ,,het geloof der christenen te omhelzen, dan zult-gij de waarheid met eigen oogen zien op het oogen-blik dat wij sterven.quot; Maximus beloofde het, en toen de hoofden der martelaren vielen, zag hij, hoe engelen hunne zielen met glorie omstraald ten hemel opvoerden. Toen hij dit zag, verklaarde hij christen te zijn en ontving weldra zelf de kroon der martelaren.
Men moet derhalve naar den hemel verlangen, datgene vermijden, wat ons den hemel kan doen verliezen, dat wil zeggen alle groote zonden, den hemel trachten te verdienen door te bidden, de H. Sacramenten te ontvangen, de geboden van God en de H. Kerk te onderhouden en goede werken te doen. Die den hemel wil zal hem verwerven. Om in den hemel te komen heeit men geene gezondheid, geene wetenschap, geene rijkdommen noodig. De goede wil met de genade is voldoende. Wie zou hem niet beklagen, die voor een onbeduidend genot zijn recht op den hemel wil verliezen ? Een koning van Macedonie, Lysimachus, gaf zich, door den dorst gekweld, met zijn leger en zijn rijk aan zijne vijanden over, om een glas frisch water te bekomen; en, toen hij het geledigd had en het ledig glas beschouwde, slaakte hij een zucht en zeide: âVoor zoo korte voldoening heb ik een koninkrijk verloren. En hij begon te weenen over zijne dwaze handelwijze. O! gij zult eenmaal bittere tranen storten, als gij voor een kortstondig genot den hemel verliest.
Volgen wij de wijsheid na van een martelaar. De kanselier van Engeland, Thomas Morus, was in de gevangenis en op het punt van ter dood veroor-
deeld te worden, omdat hij zijn geloof niet wilde verzaken. Zijne vrouw kwam hem bezoeken. «Waarom, zeide ze, redt gij uw leven niet door enkele woorden uit te spreken ?quot; Hij antwoordde: ..Hoe lang, meent ge, zal ik nog kunnen leven ?quot; â⢠,.U«e krachtige gezondheid,quot; was het antwoord, âbelooft u nog wel twintig jaren levens.quot; â âWat een dwaas voorstel,quot; hernam Thomas Morus, âvoor twintig jaren levens eene eeuwigheid op te offerenquot;! En hij stierf. Verliezen wij alles liever dan den hemel.
HOOFDSTUK XVI Het Vagevuur.
Niets, wat bevlekt is, kan den hemel binnengaan; en alleen de doodzonden verdienen de eeuwige straffen. Er is derhalve eene tusschenplaats, waar degenen gezuiverd worden, die in staat van gratie sterven, maar nog kleine fouten op hun geweten hebben, of door hunne boetvaardigheid niet volkomen aan de goddelijke gerechtigheid hebben voldaan. Die plaats is het vagevuur. God zelf openbaart ons, dat er een vagevuur bestaat. Toen de dappere aanvoerder der Joden, Judas de Machabec'r, een gedeelte van zijne soldaten in den strijd verloren had, verzamelde hij twaalf duizend drachmen zilver en zond deze naar Jerusalem, opdat men een offer voor de zonden der gesneuvelden zou opdragen.
De Zaligmaker zegt zelt in het Evangelie, dat er zonden zijn, die niet vergeven worden, noch in deze wereld noch in de ardere. Hij veronderstelt dus, dat er zonden zijn, die wel vergeven worden in het andere leven. Ãn die vergeving kan noch in den
- 9G -
hemel, noch in de plaats hebben Derhdve
heeft die plaats in het vagevuur. De Kerk leert ons dezelfde waarheid door hare leeraren. gt;gt;Ik weet, zeart de H. Gregorius, dat er bij het verlaten van dit leven zonden overblijven, die door de vlammen van het vagevuur worden uitgeboet.'
Hetzelfde leert Tertullianus in de tweede eeuw, de H. Cyprianas in de derde en later de H. Am-brosius, de H. Augustinus, de H. Joannes ^7^-tomus en aide H. H. Vaders. Al de gebedenboeken, die de Kerk in den loop der eeuwen heeft gebruikt, bevatten gebeden voor de overledenen, en dat is het geval niet alleen bij de katholieken, maar zelts bii de Nestoriaansche ketters, bij de Gneksche schismatieken, enz. Eene Engelsche dame, de gravin van Straffort, was in hare overtuiging geschokt dooi een onderhoud, dat zij had gehad mei Mgr. de la Mothe, bisschop van Amiens, Wat haar nog weerhield van de bekeering, was haar twijfel omtrent de t±. Mis en het vagevuur. Mgr. de la Mothe zeide t haar : gt;;Mevrouw, gij kent den protestantschen bisschop van Londen. Als hij me bewijzen kan dat de H. Augustinus geen H. Mis gelezen heelt voor de overledenen en in het bijzonder voor zijne moeder, zeg hem dan, dat ik protestant word. De quot;ravin schreet aanstonds aan den bisschop van Londen, die weigerde te antwoorden; van toen a zag zij al haren twijfel verdwijnen en zwoer hare
dwaling af. , , -
De rede bevestigt de waarheid, dat er een vagevuur is.
God kan om kleine fouten niet veroordeelen, noch geheel vrijspreken: Ook de heidenen zelf geloofden, zooals hunne dichters getuigen, aan eene plaats van lijden, welke niet diende tot strafplaats der verdoemden, maar tot voorbereiding van het geluk; en verschillende gebruiken, die thans nog onder de
ongeloovigen bestaan, bevestigen dat gevoelen. De â rede en het gevoelen der volkeren vereenigen zich â dus met de leer van de Kerk en het woord van â¢God om ons te zeggen: Er is een vagevuur.
Wij moeten de zielen, die daar lijden, troosten. God bemint die zielen, die Hem eenmaal zullen verheerlijken in den hemel. Hun lijden verkorten is zijne glorie bevorderen. De liefde maakt het ons tot plicht onzen evenmensch te hulp te komen, en die plicht is des te grooter, naarmate het ongeluk van den evenmensch grooter, en het goed, dat wij hem kunnen verschaffen, van grootere waarde is. Welnu, de zielen van het vagevuur zijn onze naasten. Het lijden, dat zij doorstaan, is uiterst groot; zij zijn van God gescheiden en in de wrekende vlammen neergestort. Het goed, dat haar is weggelegd, is het bezit van God. En die zielen zijn misschien â die van onze naaste bloedverwanten. Hoe zullen wij ze durven vergeten ?
Als wij het deden, zouden wij onze eigene vijanden zijn, want het oordeel is onbarmhartig voor hem, die geen barmhartigheid heeft gedaan; terwijl wij, door haar te troosten, ons zooveel voorsprekers bij God verwerven, als wij zielen uit het vagevuur verlossen. Wij hebben overigens allerlei middelen bij de hand om die zielen te troosten.
Vooreerst is hiertoe het gebed zeer krachtig, vooral het gebed, dat met aflaten is verrijkt, bij voorbeeld: zesmaal het Onze Vader, wees gegroet en glorie zij den Vader van het blauwe scapulier ; het schietgebed: Mijn Jezus, barmhartigheid / dikwijls door den dag herhaald ; het gebed : O goede en allerzoetste Jezus, na de H. Communie voor een kruisbeeld gebeden; de kruisweg enz. (Zie wat van de Aflaten gezegd wordt in hoofdstuk VIII. van het derde deel van dit boek).
7
_ 98 -
Wij kunnen eene aalmoes geven_ om de zielen-uit het vagevuur te verlossen. Het is een aalmoes een stuk brood te geven aan hem, die honger heeft, kleederen aan iemand, die er geene bezit ; maar het is nog eene betere aalmoes zieken te bezoeken, bedroefden te troosten, onwetenden de waarheden des geloofs te leeren, de liefdewerken te steunen van de voorplanting des geloofs, de H. Kindsheid, den St. Pieterspenning, de katholieke scholen enz.
Wij kunnen de zielen in het vagevuur te hulp komen door het offer; en hierdoor moet men verstaan met gelatenheid de moeilijkheden des levens verdragen, de vrijwillige boetvaardigheid, als het vasten, de onthouding, de versterving der oogen, der tong, van den smaak, en vooral het aanbiddelijk Offer der H. Mis, dat een wonderbare kracht heeft voor de zielen, voor welke wij het laten opdragen, zooals wij later zullen zeggen, als wij spreken over de H. Mis.
HOOFDSTUK XVII
De straffen der zonden.
In alle landen der wereld, zoowel bij de oude als bij de nieuwere volken, zoowel bi] de beschaafde natiën als bij de wilden, overal gelooft men aan de vreeselijke straffen, die degenen wachten, welke gedurende het leven gezondigd hebben en gestorven zijn zonder hunne zonden door het berouw uit te boeten. God heeft deze waarheid zoo diep in het hart van den mensch gegrift, dat de dwalingen van het heidendom die niet hebben kunnen uitwisschen.
- 99
Men kan die niet in twijfel trekken, zonder me zijn geweten en zijne rede in tegenspraak te komen.
Wanneer wij kwaad doen, dan knaagt ons geweten en het veroordeelt ons. Wij sidderen ondanks ons zeiven. Men kan de stem van het geweten onderdrukken ; maar het ontwaakt, wanneer de dood in onze omgeving iemand treft. Waarom sidderen wij ? De misdaad is toch door niemand gezien, en wordt misschien toch niet door het menschelijk gerecht vervolgd. Waarom anders, dan omdat er eene goddelijke gerechtigheid is, die den schuldige afwacht en hem niet sparen zal.
Dat zegt ons het geweten. Zonder de hel zon de wroeging van het geweten onverklaarbaar zijn.
De rede zegt ons, dat een vader, die geene belooning geeft aan zijne gehoorzame en ijverige kinderen, geene straf aan hen, die losbandig of in ledigheid leven, zijn huisgezin tot den ondergang zou brengen; dat een vorst, die moordenaars en dieven ongestraft laat, het gezag niet waardig is, waarmede hij is bekleed. Er zijn nog rechtvaardige huisvaders, die weten te berispen en te kastijden ; vorsten, die de misdaden bestraffen. Wie geeft hun die rechtvaardigheid ? God. En God zou niet bezitten, wat Hij aan zijne schepselen geeft, en men zou weigeren Hem de rechtvaardigheid toe te kennen, die de menschen in beoefening brengen ! De zondaren vormen zich een denkbeeld van God, zooals hun het best gelegen komt; zij zouden willen, dat Hij goed was zonder rechtvaardig te zijn. Laten zij zich niet bedriegen; God is een volmaakt wezen. Hij bezit alle volmaaktheden in den hoogsten graad. Zijne barmhartigheid is groot; maar even groot is zijne rechtvaardigheid. Welnu, het was gedaan met zijne rechtvaardigheid, als Hij bij den dood op gelijke wijze handelde met dengene, die
- 100 -
Hem vloekt en met dengene, die Hem doet bemind en geprezen worden.
Als God aldus handelde, dan zou Hij geen God meer zijn. De zondaar zou ongestraft met Hem kunnen spotten en Hem zeggen : Gij kunt schoone wetten maken ; maar ik wil ze met voeten treden, en toch zult Gij niets tegen mij kunnen doen. Het was gedaan met alle deugden. Wie zou het kwaad vermijden, als het niet gestraft werd ? Wie zou de deugd beoefenen, als zij niet beloond werd ? Kan men dan afkeuren, dat God het kwade niet in de hand werkt? Het zou zelfs onnatuurlijk zijn, als Hij het kwaad bevorderde. En Hij zou het bevorderen door het ongestraft te laten. De eenvoudigste arbeider weet, dat het niet genoeg is het goede zaad uit te strooien, als men het onkruid niet uitrukt ; en God zou zich tevreden stellen met het kwaad niet te zaaien ? Hij zou niets doen om het te vernietigen ? Het zou gelijk staan met alle goed zaad te laten verslikken.
De rechtvaardigheid van God eischt niet alleen, dat het kwaad wordt gestraft; maar daarenboven, dat de straf geëvenredigd zij aan de grootheid van het kwaad. Als iemand zijn gelijke, die hem geen kwaad gedaan heeft, slaat, dan verdient hij gestraft te worden. Als iemand zijn overste beleedigt, dan moet de straf grooter zijn. Als de beleediging gericht is tegen een koning, dan moet de straf voorbeeldig zijn. Wat moet het dan zijn met de zonde, die God beleedigt, wiens grootheid oneindig is ? De zonde heeft eene boosheid, die in zekeren zin oneindig is; er is derhalve eene straf noodig, die niet eindigt dan met de ziel van den mensch, welke onsterfelijk is. Overigens moet de straf duren, zoolang de zonde niet door berouw is uitgeboet;
- 101 -
en de verdoemde heeft geen berouw meer, hij vervloekt God ieder oogenblik.
Men zegge niet: Hoe kan het genot van een oogenblik eene straf verdienen, waaraan geen einde komt ? Wie heeft er ooit aan gedacht de straf af te meten naar den tijd, die voor de misdaad is gebruikt ? De straf moet afgemeten worden naar de grootheid van het misdrijf, niet naar den tijd, dien men er aan heeft besteed. Als het anders was, zou men eene zwaardere straf moeten geven aan hem, die twee uren noodig gehad heeft om een boom van zijn buurman om te houwen, dan aan hem, die in één seconde een moord heeft gepleegd.
God is goed, zegt de zondaar. O zeker, en bete dan men kan zeggen of zich verbeelden ; en daarom haat Hij het kwade. Men roemde op zekeren dag Carilaüs in het bijzijn van een Spartaan. »Hij is zoo goed, zeide men, dat hij allen boosdoeners genade schenkt.quot; De Spartaan antwoordde: âHoe kan hij goed zijn, als hij geen vijand is van de kwadenquot; ? Daar de goedheid van God oneindig is, heeft Hij een oneindigen haat tegen het kwade. God is geen onvolmaakt wezen. Hij is volmaakt, zoo goed als Hij is, zoo rechtvaardig is Hij ook. God heeft mij niet geschapen om mij te verdoemen, zegt de zondaar. Voorzeker neen, Hij heeft ons geschapen om Hem te dienen en te beminnen; en Hij heeft het vuur der hel ontstoken voor hen, die Hem beleedigen, ondanks al de liefde, die Hij hun getoond heeft door zijn lijden en zijn dood. Het is God niet, die ons verdoemt, onze ondergang komt van ons zeiven, die noch Hem noch zijn hemel willen; want daaraan verzaken wij door kwaad te doen.
En die waarheden, welke het geweten en de rede ons leeren, kennen wij uit de geloofsbelijdenissen van de onfeilbare Kerk, die ons zegt: Zij die het
- 102 -
kwade gedaan hebben, gaan yiaar het eeuwig vuur. En wat de Kerk leert, is niets nieuws, maar de eenvoudige herhaling van de woorden var: Christus, die ons in zijn Evangelie de straffen der hel heeft geopenbaard : Gaat weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwige vuur. dat bereid is voor den duivel en zijne engelen. Wat de hel is, zien wij uit deze woorden. De zondaar wil leven zonder God; het is billijk, dat het geluk van God te bezitten hem ook ontzegd wordt. Hiervan is hij reeds in deze wereld beroofd, want elke zware zonde bant God, de oneindige heiligheid, uit het hart van den schuldige. Maar de zondaar begrijpt in zijne verblindheid die berooving niet. Hij is gelijk aan een arm weesje, dat nog niet tot de jaren van verstand gekomen is en bij den dood van zijn vader lacht en pleizier heeft, als het de gezangen hoort van den lijkdienst. Maar, bij het heldere licht van Gods oordeelen, heett de verdoemde ingezien, dat God alles voor hem was, dat hij, met Hem te verliezen, meer verloren heeft dan de gezondheid, dan het leven ; dat hij het hoogste goed en te gelijk alle goed verloren heeft. Te laat heeft hij het ingezien : na den dood is er geen hoop meer God terug te vinden.
Het is voor ellendige schepselen, dat de zondaar God heeft opgeofferd : daarom moeten de schepselen zelve, die hij te veel bemind heeft, hem kwellen en het genot, dat hij gesmaakt heeft met ze te zoeken, in wreede pijnen veranderen. De ziel van den verworpeling wordt aanstonds na het bij zonder oordeel in het vuur gestort; en zijn lichaam zal er met haar ingestort worden na het algemeen oordeel. Zijne oogen, die zich vestigden op het voorwerp van zijne drift, zullen gekweld worden door den rook, door de duisternis en door het afzichtelijk schouwspel
â 103 â
van de verdoemden, die in de hel liggen opeengehoopt. De ooren, die zich geleend hebben tot het opvangen van schuldige gesprekken, zullen gepijnigd worden door het geknetter der vlammen, door de godslasteringen en het geknars der tanden. De reuk der zinnelijke verworpelingen, die gestreeld werd door aangename geuren, zal niets gewaar worden dan kooldamp en brandende zwavel. De smaak, zoo dikwijls gestreeld, door te veel spijs en drank, zal geen andere spijs, geen anderen drank proeven dan de vlammen. Die handen, die het w erktuig geweest zijn van schandelijke handelingen, die voeten, zoo geschikt tot het dansen en zoo gewoon zich tot gevaarlijke gezelschappen te begeven, zullen op niets anders rusten dan op gloeiende kolen.
Een van de hoofden van het protestantisme, Luther, zat op een winteravond, met de vrouw, die hij verleid had, bij het haardvuur; hij greep voor de aardigheid haar arm en hield dien boven de vlammen; zijne vrouw trok hem aanstonds terug. Luther gat haar een klap en zeide: âGij hebt verkeerd gedaan; want wij mochten ons beiden wel gewennen aan het vuur, dat ons wacht in de hel.quot; Dat de zondaars insgelijks beproeven zich er aan te gewennen ; inderdaad, zijne plaats is er aangewezen, als hij zich niet bekeert. En het vuur, dat hem wacht zal nooit worden uitgedoofd. De rijke vrek, die aan Lazarus de kruimelen geweigerd had, die van zijne tafel vielen, kwam te sterven en werd in de hel begraven; en, zegt het Evangelie, van uit de diepte zag hij Lazarus gelukkig in den schoot van Abraham, en riep hij uit: Vader Abraham! ontferm u mijner, en zend Lazarus, opdat hij den top van zijn vinger in water doope en mijne tong verkoele, want ik word gefolterd in deze vlam ! Lazarus is niet tot hem afgedaald, zijne tong werd niet verkoeld en zal niet verkoeld worden.
O God, die zoo ontzagwekkend zijt in uwe raadsbesluiten over de kinderen der menschen, wat zijn: zij te beklagen, die U miskennen ! Verlicht toch-hun verstand, dat door de driften beneveld wordt Tref hun hart, opdat zij het leven, dat zij van U ontvangen hebben, gebruiken om U te beminnen en, U te dienen, en aldus door een oprecht berouw eni heilig leven de hel ontgaan en den hemel verwerven.
HOOFDSTUK XVIII.
De Zaligheid.
Wanneer men de waarheden begrijpt, die wij hebben verklaard ; de onsterfelijkheid der ziel, de eeuwigheid van de belooning des hemels en de eindelooze straffen der hel, dan beseft men het gewicht der zaligheid. Om de wereld te vluchten trok de H. Franciscus van Assisie zich terug op de steilste toppen van den berg Alverna; daar bouwde hij zich eene kleine hut van boomtakken en stelde zich voor, boven zijn hoofd, den geopenden hemel, aan zijne voeten, de geopende hel, en zijne ziel die tusschenr beide zweefde, en ten hemel kon opstijgen om er eeuwig gelukkig te zijn in het bezit van God, ot wel zich nederstorten in den afgrond om met de duivelen God eeuwig te vervloeken.
Wat die heilige zich voorstelde is de werkelijkheid voor ieder van ons. Want ook wij hebben boven onze hoofden den hemel, aan onze voeten de helr en onze ziel zweeft tusschenbeide, onze ziel, die een geest is, evenals de engelen, het wonder der schepping, die ons door het verstand, dat haar gegeven is, verheft boven al de schepselen der aarde, onze ziel, die vrijgekocht is door het bloed van Jezus Christus,
en bijgevolg meer waard is dan al de schatten der wereld. Want God, de oneindige wijsheid, weet, welken prijs zijne schepselen waard zijn. Die ziel nu kan eeuwig God aanschouwen en bezitten, maar ook eeuwig van Hem gescheiden worden in de eindelooze pijnen der hel. De zaligheid is derhalve de ernstigste, de gewichtigste zaak.
Haar verwaarloozen is alle beleid en oordeel missen. Te recht zou men iemand voor dwaas houden, die om een kaartwinst van eenige centen zijn huis, dat duizenden guldens waard is, liet afbranden, liever dan het spel te verlaten, wanneer men hem komt boodschappen, dat er brand is in zijn huis. Men beklaagt Ezau, die zijn eerstgeboorterecht verkocht voor een onnoozelen schotel linzenmoes ; en hij zelf slaakte hartverscheurende kreten, toen-hij zijne dwaasheid inzag. Doen dat niet alle dagen de onverschilligen, die zich met andere zaken bezighouden en de zaligheid verwaarloozen ? Men ziet hen zich afsloven voor den handel, voor hun huisgezin, voor hunne kinderen, wat zeker op zich zelf niet ongeoorloofd is; maar wanneer het geldt den hemel te winnen, de hel te ontgaan, dan vinden zij er geen tijd meer voor.
En toch, niets is noodzakelijker dan de zaligheid. Men kan al bet overige missen, maar God en den hemel niet. Wat geeft het voor hem, die twintig jaren geleden gestorven is, hier op aarde arm en vernederd te zijn geweest en geleden te hebben, als hij op het oogenblik God maar bezit ? Hij zegent Hem voor het lijden en de ellende van het leven. Wat baat het den rijken verworpeling gelukkig geweest te zijn in zijn huisgezin, in zijne vrienden,-in al zijne ondernemingen, overvloed gehad te hebben in alles, als hij na zijn dood voor altijd verloren is? Wai baat hei den mensch de geheele wereld te winnenT
- 106 -
als hij zijne ziel komt te verliezen ? Toen de jeugdige Franciscus Xaverius te Parijs studeerde en van niets droomde dan van aardsche glorie, ontmoette hij een van zijne landgenooten, evenals hij van eene adellijke familie, maar met een geheel andere eerzucht bezield. Deze herhaalde hem het woord van den Zaligmaker: Wat baat hei den mensch de geheele wereld te 'winnen ? Eerst sloeg er Franciscus geen acht op; maar Ignatius van Loyola kwam hem herhaaldelijk lastig vallen met de woorden / Wat baat het den viensch de geheele wereld te winnen ? Eindelijk ziet de jonge man in, dat hetgeen hij nastreeft slechts rook is; hij verlaat derhalve zijne wereldsche loopbaan, hij verzaakt aan die toekomst, die zich zoo schitterend voordeed. Hij wordt priester, hij wordt missionaris, hij vertrekt naar de Indien en bekeert twee en vijftig koninkrijken. O wat vermag zij veel de aandachtige overweging van dat woord : l^at baai hei den mensch de geheele wereld ie vjinnen, ais hij zijne ziel komt ie verliezen ? Ver-geet het nooit.
O rekenen wij op niemand anders dan op ons zei ven om onze zaligheid, welke van zooveel gewicht en zoo noodzakelijk is, te bewerken. De zonden van anderen zullen ons niet doen verloren gaan, als wij er de oorzaak niet van zijn ; maar de deugden van onze bloedver vvanten en onze vrienden zullen ons â ook niet in den hemel brengen. Noch de heiligen, noch de H. Maagd Maria, noch God zelf zullen ons zalig maken zonder onze medewerking. Teder zal zijn eigen last dragen. Ieder zal inoogsten, wat hij gezaaid heeft.
Het werk van zijne zaligheid tot later uitstellen is even dwaas als het aan anderen overlaten. God wil, dat wij het oogenblik, dat wij beleven, voor onze zaligheid gebruiken. Elke minuut van ons
- 107 -
bestaan wordt ons enkel gegeven om onze zaligheid te bewerken. De wil van God is, dat wij ons heiligen; wij maken misbruik van onze jeugd, van onze jongelingsjaren, van ons leven, als wij ze doorbrengen zonder aan onze zaligheid te arbeiden. Is uitstel geoorloofd in eene zoo gewichtige zaak ? Stelt men uit tot later, wanneer de gelegenheid zich aanbiedt om eene groote winst te maken of eene groote ramp te voorkomen? Wacht men tot den volgenden dag om een brandend hout weg te nemen uit zijne schuur? En zijn wij zeker van den volgenden dag ?
Zal de rechtvaardige God een leven verlengen, dat wij misbruiken? Hij, die vergiffenis belooft aan den zondaar, die berouw heeft, belooft niet, dat Hij later tijd zal geven om een berouw te verwekken. En al wordt hem die tijd gegeven, de moeite, die men in rijperen leeftijd heeft om zich te bekeeren, neemt nog toe met de jaren. De driften, die men niet bestrijdt, worden gaandeweg heviger. Het gezicht verzwakt, naargelang men vordert in jaren ; en het licht van het verstand verduistert, naarmate men verwaarloost het gewicht der zaligheid te begrijpen. De wil, waarop de genade in de jeugd geen invloed heeft gehad, wordt meer en meer verhard ; evenals het gebeente bij een volwassene harder is dan bij een kind. Ook de gratie, die men heeft verworpen, wordt minder krachtig, zoodat de moeilijkheden verdubbelen, naarmate men uitstelt. O ! Wat zijn zij te beklagen, de ongelukkigen, die tot den dag van morgen uitstellen !
Toen Paus Pius IV ging sterven, spoedde zich de H. Carolus Borromeus naar zijn ziekbed, wierp zich op de knieën voor den hoogen lijder en smeekte hem: âHeilige Vader, gij hebt nooit iets geweigerd van hetgeen ik u gevraagd heb; vandaag kom ik Uwe Heiligheid eene genade verzoeken, die veel
- 108 -
gewichtiger is dan al de andere. â Spreek, mijn zoon, zeide de Paus, ik zal u alles verkenen. â Heilige Vader, het oogenblik is gekomen van u voor te bereiden om voor God te verschijnen ; ik bid u, laat alle andere zaken ter zijde, hoe heilig zij ook zijn.quot; Pius IV begreep het, en van toen af dacht hij aan niets meer dan aan de voorbereiding tot een goeden dood. Mogen zij, die deze regels lezen, zich niet door den duivel laten bedriegen. Die vijand van onze zielen bevolkt de hel door de menschen te doen gelooven, dat zij later aan hunne zaligheid zullen arbeiden. Dat allen dus, van stonde af aan, de zonde en de gelegenheden tot zondigen vaarwel zeggen, de geboden onderhouden, bidden en goede werken doen, om hun eeuwig geluk te verzekeren.
HOOFDSTUK XIX.
Besluit van het eerste Deel
Wij hebben in dit eerste deel de voornaamste waarheden verklaard, welke God ons heeft geopenbaard en de Kerk ons leert. Welk een licht verspreiden deze waarheden over datgene, wat voor ons-van het meeste belang is, te weten, over God, over zijne natuur, zijne grootheid, over de wereld en haren oorsprong, over den mensch, over zijn einde in deze wereld en zijne bestemming in de andere ! Er is niets in die leer, dat in strijd is met de rede, integendeel, wat de rede ons leert, doch niet met zekerheid, wat zij inziet, doch niet op duidelijke wijze, dat bevestigt ons het geloof met eene beslistheid, die niet grooter kan zijn, want ^/«volstrekt onmogelijk, dat God ons bedriegt.
- 109 -
Wat ons verstand nooit had kunnen achterhalen, leert ons het geloof; het is zeer natuurlijk, dat God meer weet dan de tnenseh; en Hij heeft het volste recht ons te onderrichten. Het is een weldaad, dat Hij zich gewaardigt ons te onderwijzen. Een godsdienst, die ons niets leerde dan wat wij zelf konden weten, zou niet goddelijk zijn. Zij, die verwonderd staan over de geheimen van ons geloof, weten toch, dat er zelfs op de?;e aarde, die wij met voeten treden, zaken zijn, die wij niet kunnen verklaren. âWijsgeer,quot; zoo heeft een beroemd man gezegd, âverklaar mij een grashalmpje, en ik zal u God verklaren.quot; Als wij in de orde der natuur bij elke schrede dingen ontmoeten, die onze bewondering wekken, wat moet het dan niet zijn in de bovennatuurlijke orde ? Wat moet het dan niet zijn met dien grooten God, die alles gemaakt heeft ? Evenwel, met ons waarheden te leeren, die wij nooit zouden geweten hebben, als Hij zelf niet gekomen was om ons te onderrichten, leert God ons alleen wat ons verstand te boven gaat, maar nooit iets, wat er mede in strijd is. De waarheid is niet in strijd met de waarheid, maar met de dwaling. De waarheid van het geloof valt de waarheid van de rede niet aan. Genieën als de Leeraren der Kerk, Augustinus, Hieronymus, Thomas van Aquine en zoovele anderen, die de wereld hebben verlicht door hun verstand en hunne wetenschap, wel verre van geërgerd te zijn over de waarheden des geloofs, vonden ze voortreffelijk en den God, die ze openbaart, volkomen waardig.
Beminnen wij dan die heilige leer; hechten wij er ons aan met geest en hart; en wij zullen eens in den glans der eeuwige glorie zien, wat wij hier beneden gelooven. Het geloof is het voorspel van de aanschouwing Gods, evenals de gratie het voorspel is van de glorie.
TWEEDE 'DEEL.
De plichten, welke de godsdienst ons oplegt.
zedenleer van den katholieken gods-dienst is niet minder bewonderenswaardig r'an ziine geloofsleer; dezelfde oneindig WiÃi^ heilig6 God heelt ze gemaakt. De wet Gods fMlTis een slagboom, die ons v/eerhoudt op den j®/ rand van den afgrond, waarin de slechte driften ons dreigen mêe te sleepen. Zij is een muur, die opgetrokken is langs den weg, welke ons ten hemel moet leiden, en die ons belet rechts of links af te wijken.
Daar zij ons afhoudt van hetgeen ons beletten kan, dat wij naar den hemel gaan, maakt zij ons geluk in deze wereld uit, welk geluk bestaat in het streven naar ons laatste doel; zij behoedt ons voor het grootste ongeluk, hetwelk is ons alkeeren van onze bestemming, de aanschouwing en het bezit van God. Door ons op den rechten weg te houden, geeft zij ons dien vrede, welke het deel is van hen,, die een geregeld leven leiden.
- Ill -
De wet Gods leert ons, dat wij ons zeiven móeten-eerbiedigen ; en als zij goed wordt onderhouden, maakt zij van den mensch een engel. Zij vereischt van om eerbied en liefde voor onze gelijken en veroordeelt zelfs de begeerte naar alles, wat aan de goederen, de eer, den goeden naam, het leven van anderen schade zou kunnen toebrengen ; en zij gebiedt ons onze broeders in hunnen nood bij te staan en te troosten. Zij leert ouders en oversten hunne kinderen en onderdanen te onderrichten en te vermanen en over hen te waken ; zij leert de grooten geen misbruik te maken van hunne macht, maar. zich er van te bedienen om den zwakke te be schermen; de kinderen en onderdanen leert zij liefde, eerbied en gehoorzaamheid te bewijzen aan hunne ouders en oversten. Eindelijk, volgens het woord van Montesquieu, wiens getuigenis niet verdacht is: âBewonderenswaardige zaak! de christelijke godsdienst, die alleen tot onderwerp schijnt te hebben het geluk van het andere leven, maakt reeds in dit leven ons geluk uit.quot;
Wat heerlijk schouwspel zou een huisgezin, eene maatschappij aanbieden, waarvan de ledematen geene andere wet hadden dan de wet van God! Wanneer zal men er de proei van nemen ! Van dat oogenblik af zijn er geen rechtbanken meer noodig, geene gevangenissen, geene politie. Allen zouden elkander als broeders liefhebben en het tegenwoordige leven zou een voorsmaak zijn van het paradijs.
Dit zal nog beter aan het licht komen bij de verklaring van deze wet. Op den berg Sinal werd zij door God zelf afgekondigd in tegenwoordigheid van het Joodsche volk, te midden van bliksems en donderslagen, waarmede God zich omringde om zijn volk eene heilzame vrees in te boezemen en het een grooten eerbied in te prenten voor zijne geboden.
â 112 -
Dat is eene waarheid van ons geloof. Overigens is â¢die wet gegrift in het hart van den raensch en de rede is voldoende om er de wijsheid van te bewonderen. Zij is derhalve gericht niet tot het Joodsche volk alleen, aan hetwelk zij op zoo plechtige wijze in herinnering werd gebracht, maar tot alle n;enschen en tot alle christenen vooral. IVz// gij het leven ingaan, heeft de Zaligmaker gezegd, onderhoud de geboden. Hij die zeg/, dat hij God kent en zijne geboden niet onderhoudt, spreekt de waarheid niet, is een leugenaar, zegt de H. Joannes. Eene enkele zware overtreding van de wet Gods doet ons het leven der genade verliezen en de straffen der hel verdienen.
Die zonde brengt inderdaad den dood toe aan de ziel, die er zich aan schuldig maakt, scheidt haar van God, die het ware leven der ziel is. Daarom noemt men zulke overtreding eene doodzonde. De dagelijksche zonde doodt de ziel niet, maar brengt haar eene wonde toe. Zij beleedigt God niet zwaar, maar beleedigt Hem toch; zij is niet zoo groot een kwaad als de doodzonde, maar zij is toch een grooter kwaad dan al de andere rampen, die den schepselen kunnen overkomen. Om eene doodzonde te doen zijn er drie dingen noodig: de zaak moet grootelijks strijden tegen de eer van God oi het welzijn van den evenmensch, er zij genoegzame voorbedachtzaamheid, en er zij vrije toestemming. Gij wilt vijf centen stelen, ge weet zeer goed, dat het kwaad is, en ge wilt het toch geheel vrijwillig doen ; dat is geene dooizonde, omdat de zaak klein is; maar wanneer gij, vrijwillig en wetende, wat gij doet, eene groote som of een voorwerp van groote waarde steelt, dan bedrijft gij doodzonde. Gij stemt toe in eene zondige gedachte, terwijl gij half slapende .zijt en gij hebt, wakker zijnde, geene aanleiding
- 113 -
gegeven tot deze gedachte : dan bedrijft gij geene groote zonde, omdat gij geene genoegzame kennis hebt, wijl gij half slapende zijt. Eene zondige gedachte komt bij u op, terwijl gij wakker zijt; gij weet, dat de gedachte ongeoorloofd is, maar gij hebt er geen volkomen behagen in; alleen zijt gij een weinig traag in uw verzet en stemt ten halve toe in het kwaad : dat is eene zonde, maar geene groote, omdat de toestemming niet volkomen is.
Doch bedenken we, dat de heiligen de dagelij ksche zonden, die zij bedreven hebben, met heete tranen hebben beweend. O ! waarom, al is het slechts door kleine zonden, een God beleedigen, die zoo goed voor ons is ?
Wanneer men meent, door iets te doen of te laten, zware zonden te bedrijven, dan zondigt men ook zwaar, al is het, dat de fout, op zich zelf genomen, klein is. Men heeft een kind een grooten afschrik ingeprent van diefstal; het steelt een appel -en meent groote zonde te doen. Zulk kind zondigt zwaar. Het is derhalve van belang te weten, of iets groot kwaad is, en wij zullen zorgen het zooveel mogelijk aan te geven. Het is nog van meer belang nooit iets te doen, wat met het geweten in strijd is.
HOOFDSTUK I.
Het Geloof.
Gij zult den Heer, uwen God, aanbidden en Hem alleen dienen. Dat is het eerste van alle geboden en de voornaamste plicht van den christen. Men spreekt, dikwijls van de rechten van den mensch; welnu, de mensch heeft geen enkel recht ten opzichte van God, aan wien hij alles verschuldigd is.
ë
- 114 -
Maar God heeft wezenlijke, volstrekte en heilige rechten tegenover den mensch. Het is zaak die te kennen en te eerbiedigen. Men eert God door het geloof, de hoop, de liefde en de godsdienstigheid, waarover wij hier in het kort gaan handelen.
Het geloof is eene deugd, welke ons door God wordt ingestort en door welke wij vastelijk gelooven al de waarheden, welke God heeft geopenbaard en de katholieke Kerk ons leert. Wij hebben reeds, in hoofdstuk I. en II. bladz. 20 en volgende, gesproken over de noodzakelijkheid en de zekerheid van het geloof. Ziehier de beweegredenen, waarop ons geloof, als op een onwrikbaren grondslag, steunt. God heeft tot ons gesproken en bewezen, dat Hij-tot ons sprak, door groote mirakelen, die historisch ontwijfelbaar zeker zijn. God zelf heeft ons geleerd, dat Hij de wetenschap en de waarheid zelf is.
De Kerk, het hoogste historische gezag van de wereld, toont ons de gewijde Boeken, welke zij met angstvallige' nauwgezetheid onverminkt en onver-valscht heeft bewaard. Die Boeken bevatten het woord Gods, zooals de vijanden der Kerk, de Joden, de ketters en schismatieken zelf getuigen. Volgens die Boeken, waarvan de echtheid en het gezag eenig is, heeft God aan zijne Kerk beloofd, haar te zullen bijstaan, opdat zij ons nooit iets leere dan de waarheid, die Hij haar zelf heeft geopenbaard. God heeft gezorgd te bewijzen, dat Hij werkelijk zijne Kerk bijstaat, want Hij heeft gewild, dat er ten allen tijde in de katholieke Kerk heiligen waren in groot getal, en groote mirakelen plaats hadden, die duidelijk aantoonen, dat zij door God gesticht is.
Ons geloof is dus zoo redelijk mogelijk, het steunt op het woord van God, die niet bedrogen kan worden, noch bedriegen kan, zooals de rede ons zegt. Zijn woord wordt, volgens de belofte van
â 115 -
God, ongeschonden bewaard door de Kerk. De leer van de Kerk kennen wij uit den catechismus, die, hoewel verschillend van vorm, wat de hoofdzaak betreft, over de geheele wereld dezelfde is. Die catechismus is in handen van alle geloovigen. Al de bisschoppen gelasten dien te leeren en de bisschoppen zijn in gemeenschap met den 11. Stoel, die dat onderwijs goedkeurt. Er is dus geen mogelijkheid zich in dit opzicht te vergissen, (i).
Ook hebben de beroemdste mannen hun verstand aan het geloof onderworpen.
Graaf August de la Ferronnays, lid van de eerste kamer, gezant en minister in Frankrijk, in 1842 gestorven, had vrijwillig, eene halve eeuw lang, zijne oogen gesloten om niet te zien, zijne ooren gestopt om niet te hooren, zooals hij zelf zegt. Doch toen met de jaren ook het nadenken kwam, begon zijn toestand hem vrees in te boezemen en hij verzoende zich met God door eene oprechte biecht. En later schreef hij: âMijne rede vraagt mij geen rekenschap meer van alles wat ik geloof; en ik vind het aangenaam en goed datgene te gelooven, wat mij het goede voorschrijft en mij niets gunt dan geluk.quot;
Een beroemd wiskundige van de XIXde' eeuw, de baron Cauchy zeide : âIk geloof aan de godheid van Jezus Christus met alle sterrekundigen, alle groote natuurkundigen, alle groote aardrijkskundigen van de vorige eeuwen. Ik ben oprecht katholiek, zooals geweest zijn en nog zijn een groot aantal van de uitstekendste mannen van onzen tijd, die de wetenschap, de wijsbegeerte, de letterkunde de meeste eer hebben aangedaan, die onze hoogescholen den meesten luister hebben bijgezet.quot;
;i) !Men beschouwe het niet als nutteloos, dat wij hier en in de volgende hoofdstukken de zaken wat breedvoeriger behandelen. De reden hiervan gaven v.-ij in ons Bre.'e Compendium Theologiae.
- 116 -
Maar hoe hechter de grondslagen zijn van ons geloof, des te grooter is de boosheid van hen, die al is het ook maar één punt van het geloot ontkennen. Het is immers duidelijk, dat zij door deze ontkenning God zwaar in zijn gezag beleedigen. Hetzelfde is het geval met hen, die aan ééne waarheid van het geloof vrijwillig twijfelen. Daardoor trekken zij de wetenschap en de waarachtigheid van God in twijfel; en wie ziet niet in, dat zoo iets eene beleediging van God is? Meer schuldig nog zijn diegenen, welke hun twijfel en hunne ongeloovigheid aan anderen openbaren, die hen aldus ergeren en hun het kostbaarste van alle goederen, het geloof, ontnemen.
Zij die boeken en dagbladen tegen den godsdienst uitgeven, zijn de schuldigste van alle moordenaars; en wee hun, die uit zulke lectuur het vergit gaan zuigen, dat zij inhoudt. Een Engelschman, William Bealde geheeten, kwam, na twintig jaren in Amerika te hebben doorgebracht, naar Europa terug en huwde met een brave vrouw van eene nette familie, die hem vier kinderen schonk, welke hij met zorg opvoedde. Ongelukkig gingen zijne zaken niet naar wensch, en, om zich te verstrooien, begon hij boeken le lezen tegen den godsdienst. Hij verloor alles. Op zekeren dag zond hij zijn knecht naar een van zijne vrienden om hem een brief te brengen, waarin hij hem verzocht 's avonds bij hem te komen om te zien hoe alles veranderd was. De vriend kwam 's avonds en vond niets dan lijken. De ongelukkige William had zijne vrouw en kinderen met bijl en dolk vermoord en zich zelf met een pistool dood geschoten.
De ouders zijn grootelijks schuldig, als zij zulke geschriften in de handen van hunne kinderen laten komen, als zij toelaten, dat in hunne tegenwoordigheid gesprekken gevoerd worden tegen het geloof. Hoe
- 117 -
onvoorzichtig is het met ongeloovigen of ketters om te gaan!
âGaan wij van hier, zeide de H. Joannes, toen hij bemerkte, dat er een ketter was in het huis, dat hij was binnengaan. Ik vrees, dat het huis zal instorten om dien vijand van God te verpletteren.quot; Wij, die minder vast staan in het geloot dan die heilige, zouden wij vermetel genoeg zijn, om te leven in gezelschap van de vijanden van het geloof, van ketters en ongeloovigen ? Zouden wij onvoorzichtig genoeg zijn van naar hunne preeken te luisteren, om de scholen te bezoeken van de vijanden der Kerk, bij hen in dienst te gaan, of er onze kinderen te laten dienen en het geloof aldus in gevaar te brengen ? O ! verliezen wij toch niet het kostbaarste van alle goederen ! Ons ongeluk zou te groot zijn. Frederik 11, koning van Pruissen, was een ongeloovig wijsgeer; en dikwijls weende hij bittere tranen, als hij het lot van zijne onderdanen, die een kinderlijk geloof hadden, met het zijne vergeleek. Wanneer hij de katholieken uit hunne kerken zag komen, zeide hij: âZij zijn gelukkig, die menschen, zij gelooven.quot; En Voltaire schreef hem op zijn hoogen leeftijd: âWees er zeker van, dat men zeer droevige oogenblikken doorleeft op tachtigjarigen leeftijd, als men zich geworpen heeft in de zee van twijfelingen.''
Graaf de la Ferronnays, van wien wij zoo even spraken, schreef: âWat kan men den menschen vragen, wat van hen verwachten in de moeilijke omstandigheden, welke de ziel doorleeft ? De godsdienst alleen, en hij altijd, kan de woorden spreken, waaraan het van droefheid verscheurde hart behoefte heeft; hij alleen heeft het recht en de macht tranen te laten /loeien zonder al te groote bitterheid; hij alleen durft van hoop spreken op den rand van
â 118 â
de wanhoop; ook hij alleen kan eene toekomst beloven aan hen, die geen verleden of tegenwoordig
meer hebben..... O wat beklaag ik hen, die lijden
en daarbij ongelukkig genoeg zijn om te blijven twijfelen aangaande die groote en troostende waarheden ! Wat moet het pijnlijk zijn, telkens wanneer het hart door nieuw lijden getroften wordt, niet te weten, waarheen zijne blikken te richten, en geheel alleen overgeleverd te zijn aan het ongeluk en de wanhoop! De christen ziel daarentegen vindt altijd een zekere toevlucht aan den voet van het kruis ; daar gaat zij hare tranen storten, hare smarten verhalen, kracht en moed pulten, om zich te kunnen onderwerpen, wat onmogelijk is zonder het geloof, dat den mensch hopen doet.quot;
Men zondigt ook zwaar door de onderrichting in de waarheden van den godsdienst te verwaarloozen. Deze verwaadoozing is, helaas ! eene van de grootste kwalen van onze tijd. Het is dikwijls, omdat men zijn godsdienst niet kent, dat men er niet aan gehecht is, dat men geloof slaat aan iedereen, die hem aanvalt, en dat sommigen hun geloof verzaken. Zeer schuldig zijn de ouders, die hunne kinderen, zoodra hun verstand zich begint te ontwikkelen, niet leeren, dat er een God is, Schepper van hemel en aarde, dat die God ons geschapen heeft om Hem in den hemel te aanschouwen zooals Hij is, dat Hij de goeden beloont door zich in het andere leven aan hen te schenken, dat Hij de kwaden straft, dat Hij door zijne voorzienigheid alles bestiert, dat onze zielen onsterfelijk zijn, dat wij, om God te beminnen, zijne hulp en zijne genade noodig hebben, dat het gebed een noodzakelijk en geschikt middel is om de gratie te verwerven, dat er in God drie onderscheidene Personen zijn, in alles aan elkander gelijk : de Vader, de Zoon en de H. Geest,
- 119 -
â¢dat die God een zuivere Geest is evenals de engelen; maar dat de Zoon Gods, zelf God, op aarde gekomen is, een lichaam en eene ziel heeft aangenomen, evenals wij bezitten; dat Hij, die God is van alle eeuwigheid, in den tijd is mensch geworden; dat Hij op het kruis gestorven is, om onze zonden uit te boeten en ons den hemel te openen, welke zonder het lijden en den dood van den Zaligmaker voor altijd ware gesloten geweest.
Dat zijn waarheden, die men noodzakelijk weten moet om zalig te worden ; maar zij zijn niet de eenige waarheden, die ieder christen moet gelooven, en welke de ouders en allen, die belast zijn met het onderricht van de jeugd, den kinderen moeten leeren. Alles, wat wij in het eerste deel van dit boek hebben verklaard, moeten alle geloovigen weten. Men leze het derhalve dikwijls en late het voorlezen in de huisgezinnen of wel uit dit boek, waarin wij getracht hebben de leer der katholieke Kerk, duidelijk en volledig uit te leggen, of wel uit een katechismus. De ouders zijn dit meer dan ooit verplicht in onze dagen. In onzen ongelukkigen tijd, waarin men den mond vol heeft van vooruitgang, zijn de onderwijzers van de jeugd niet vrij meer in het geven van godsdienstig onderwijs. De ouders kunnen er derhalve niet meer op rekenen, dat zij hunne kinderen onderrichten zullen in de noodzakelijkste van alle wetenschappen, welke de mensch het minst ontberen kan. Zij moeten zelf dezen plicht vervullen, het is de heiligste van alle. Zij moeten zich zelf onderrichten, om in staat te zijn degenen te onderrichten, over wie zij voor God rekenschap zullen moeten afle.'gen. Zijn zij niet in staat deze strenge verplichting na te komen, dan moeten zij liefderijke en goed onderrichte personen hunnen kinderen laten leeren wat zij zelf hun niet
leeren kunnen. Zij moeten hunne kinderen geregeldl naar den catechismus zenden, ook na de eerste H. Communie; en des zondags en in de lange winteravonden iets van de christelijke leer in het huigezin voorlezen.
Men meene niet nog te kennen wat men vroeger wel eens geleerd heeft. Verstand en geheugen zijn ontrouw ; zij bewaren slechts korten tijd wat men hun heeft toevertrouwd, vooral in de jeugd; als men ophoudt de christelijke leer te bestudeeren, des zondags te luisteren naar het woord Gods, dan komt men er spoedig toe, onder den invloed van de aardsche beslommeringen, de voornaamste waarheden van den godsdienst te vergeten. En dat is zeer verderfelijk.
De christelijke leer verachten, als ware zij alleen voor de kinderen, is een bewijs leveren van weinig oordeel. Wie beseft niet, dat zij de edelste, de nuttigste, de noodzakelijkste van alle wetenschappen is? Toen de ongeloovige Diderot zijne dochter het evangelie liet lezen, werd hij verrast door een van zijn vrienden, die er zijne verwondering over te kennen gaf. âEn wat zou ik haar beter kunnen leerenquot;? antwoordde hij.
Ondanks zijne afdwalingen wist de bekende wijsgeer Jouffroy den catechismus op prijs te stellen.
âEr is, zeide hij, een heel klein boekje, dat men de kinderen laat leeren en waaruit men hen in de kerk ondervraagt. Lees dat kleine boekje, den catechismus, gij zult er het antwoord vinden op alle vragen, die ik gesteld heb op alle zonder uitzondering. Vraag den christen, van waar het menschelijk geslacht gekomen is, hij weet het; waarheen het gaat, hij weet het; op welke wijze, hij weet het. Vraag aan dat arme kind, dat er van zijn leven niet aan gedacht zou hebben, waarvoor het in de
â 121 -
wereld is en wat het na den dood worden zal, het zal u een onverbeterlijk antwoord geven. Het ontstaan van de wereld, het ontstaan van den mensch. de bestemming van den mensch in dit en in het andere leven, de verhouding van den mensch tot God, de plichten van den mensch jegens zijns gelijken, de rechten van den mensch op de schepping, dat alles kent het; en wanneer het groot geworden is, zal het evenmin stil staan voor het natuurrecht, voor het burgerlijk recht, voor het volkenrecht. Want dat alles vloeit duidelijk en als van zelf voort uit den catechismus. Ziedaar, dat noem ik een verheven godsdienst. Ik herken hem aan dit teeken, dat hij antwoord geeft op elke vraag, die belangrijk is voor het menschdom.quot;
Wanneer Odilo Harrot, oud-minister van Louis Philippe, te Villefort was, waar hij somtijds langen tijd verbleet, verzuimde hij nooit te vragen, op welk uur de kinderen catechismus hadden en hij woonde dien met aandacht en eerbied bij.
Baron Cauchy, lid van de Academie der wetenschappen, gaf te Parijs ééns per week op een vast uur les in den catechismus aan de kleine verlaten gavoyaards.
HOOFDSTUK II.
De Verplichting van te gelooven ek
van zijn geloof te belijden.
Het is niet genoeg de waarheden des geloofs te kennen, men moet ze ook gelooven. Langen tijd verzuimen eene akte van geloof te verwekkeni groote zonde. Men verwekt eene akte van geloof door met aandacht het Ik geloof in God den Vader
- 122
'ie bidden. Het is de plicht van de ouders hunne kinderen van de vroegste jeugd ai akten van geloof te laten doen, hun derhalve de beweegredenen van het geloof te leeren, zooals wij gedaan hebben in het voorgaand hoofdstuk, bladz. 118 en ook in hoofdstuk II van het eerste deel, bladz. 24. Als een kind van vier tot zeven jaren God zwaar beleedigd zou hebben en kwam te sterven zonder biecht of zonder volmaakt berouw, dan zou het voor eeuwig van het geluk des hemels uitgesloten zijn. Welnu, het is onmogelijk eene akte van berouw te verwekken zonder geloof.
Welke misdaad is het zijn geloof af te zweren ! Dat is een laaghartige afval. Het is derhalve streng verboden zich aan te sluiten bij geheime genootschappen, die hunnen ingewijden den haat tegen het catholicisme inblazen, en wier leden door de Kerk in den ban zijn geslagen. Wie zich aansluit bij die genootschappen, omstrikt zich met een net, dat bij zijn dood door den duivel moet worden ingehaald; die maakt het zich bijna onmogelijk in het uur van den dood tot God terug te keeren. Ziet men niet alle dagen, helaas ! in sommige groote steden, ongelukkigen in doodstrijd, die, op het punt van de eeuwigheid in te gaan, uit den grond van hun hart verlangen zich met God te verzoenen, doch, omringd van de valsche vrienden, die zij zich tijdens hun leven gekozen hebben, geen priester meer bij zich durven of kunnen roepen ?
Men late zich dus niet door bedriegelijke beloften verleiden. Die helsche genootschappen weten zich evenals de slang onder bloemen te verbergen. Zij doen zich voor als genootschappen van onderling hulpbetoon, van liefdadigheid; betrekkingen en fortuin spiegelen zij voor; en aldus maken zij zich meester van hen, die al te lichtgeloovig zich hebben
â 123 â
laten verschalken. Behouden wij onze wijsheid, en sluiten wij ons bij geen enkel genootschap aan, dat, hoe weinig dan ook maar, verdacht is.
Niet alleen moeten wij ons geloof niet verzaken, maar er zijn omstandigheden, waarin wij verplicht zijn, zelfs met gevaar van ons leven, het te belijden. Dit geschiedt, als men wettiglijk ondervraagd wordt omtrent zijn geloof. Alsdan niet te antwoorden, dat men katholiek is, zou zonde zijn. Meer dan vijftien millioen martelaren zijn gestorven, omdat zij hun geloof beleden hebben, toen zij ondervraagd werden door de dwingelanden.
In 1622 onderging een kind van vier jaren, Ignatius Fernandez, den marteldood in Japan. De gelukzalige Spinola had dat bewonderenswaardig kind gedoopt. Toen het hoorde, dat zijn vader als martelaar gestorven was, zeide het stamelende:
âOok ik zal als martelaar sterven en gij ook, moeder.quot; Het zien van een degen vervulde het met vreugde, en om het te laten weenen, behoefde men slechts te zeggen, dat het niet zou kunnen sterven voor het geloof. Weldra werd het met zijne moeder en eene menigte christenen gevangen genomen en veroordeeld om onthoofd te worden, op denzelfden â¢dag, dat de gelukzalige Spinola den brandstapel moest bestijgen. Toen Spinola aan den paal gereed stond om verbrand te worden, bemerkte hij Isabella Fernandez, de moeder van Ignatius, maar het kind niet, dat achter een brandstapel verscholen was: âWaar is mijn kleine Ignatiusquot; ? vroeg hij. â Hier is hij, Pater, antwoordde Isabella, terwijl zij haar quot;kind in hare armen ophief. Het kind, in feestgewaad gekleed, geleek een engeltje. Het wierp zich vervolgens op de knieën en vroeg den zegen van den martelaar. Velen werden aanstonds onthoofd voor de voeten van het kind, onder anderen ook zijne
â 124 -
moeder. Ignatius scheen er niet door ontsteld. Hij knielde neder in den plas van bloed, sloeg den kraag van zijn kleed op en bood den beul zijn. hoofdje aan.
Wij zijn de erfgenamen van het geloof der martelaren, laten wij ook de erfgenamen zijn van hun moed. Wanneer echter iemand, die van eene misdaad beschuldigd is, door den rechter toevallig gevraagd wordt naar zijn geloof, dan is hij niet verplicht het te belijden, wanneer het ten minste niet strekt tot verachting van den godsdienst of tot ergernis van anderen. Hetzelfde is het geval met hem, die door een privaat persoon ondervraagd wordt naar zijn geloof.
De katholieke prinses Eleonora de Bergh, eene christin zooals de eerste geloovigen van de Kerk waren, was met Frederik-Maurits de la Tour d'Au-vergne, hertog van Bouillon, een van de voornaamste voorvechters van het protestantisme, gehuwd, maar op voorwaarde, dat hij de ketterij zoude afzweren en terugkeeren tot den schoot der Kerk, weikever-bintenis hij werkelijk hield, ondanks de tegenkantingen van zijne familie en klaarblijkelijk tegen zijne tijdelijke belangen in.
Al te vroeg weduwe geworden, legde de hertogin van Bouillon voor het heil van de vijf zonen en vijf dochters, welke haar echtgenoot haar had nagelaten, eene bezorgdheid aan den dag, waarvan de blijken zoo schitterend en zoo buitengewoon zijn,, dat men ze nauwelijks zou kunnen gelooven, als. ze niet door onloochenbare bewijzen werden gestaafd.
Haar eenige zorg was van toen af, dat hare kinderen volhardden in het ware geloof, dat zij in het huis van Bouillon had teruggebracht. Zij scheen er een voorgevoel van te hebben, dat ook zij vroegtijdig sterven zou, en zeer werd zij gekweld
-door de gedachte, dat zij de jeugdige weezen blootgesteld aan den geduchten invloed van de bloedverwanten des hertogs, die allen vurige calvinisten waren, moest achterlaten. Zij maakte in haar testament zulke beschikkingen, dat men zeggen kan, dat nooit, vooral niet in dergelijken vorm, eene zoo treffende en bewonderenswaardige geloofsbelijdenis is afgelegd. In deze akte van haren laatsten wil denkt Eleonora de Bergh maar aan ééne zaak, het geloof van hare kinderen. Zij benoemt den koning, de afgevaardigden, de bisschoppen, den katholieken adel als hunne eerevoogden. Zij bezweert onder tranen den vorst, de overheidspersonen, de prelaten te waken, niet over hunne tijdelijke goederen, over hunne toekomst in de wereld, maar over de belangen van hunne ziel, â van hunne zaligheid, het eenige punt, dat haar ter harte gaat.
Zij gelast den vijf broeders en vijf zusters dikwijls gedurende geheel hun leven gezamenlijk dat testament te lezen, waarin het vuur van haren ijver voor den katholieken godsdienst gloeit, om zich hierdoor meer en meer te sterken in hun geloof. Zij liet ieder harer kinderen in hare tegenwoordigheid de belofte van als katholiek te sterven schrijven en onderteekenen. Zij gelastte haar aanstonds na haren dood die belofte in de verstijfde hand te geven, om met haar in het graf te worden neergelegd. Dat was nog niet genoeg. Zij eischte van hare kinderen, dat zij, die getrouw bleven, nooit meer dengene zouden erkennen, die zijn geloof en zijne schriftelijke verklaring zoude verzaakt hebben.
âOp den dag, zeide zij, dat wij allen te gelijk zullen verrijzen, zal ik mijn oog op u allen slaan : en als er één is, die zijn woord verbroken heeft, dan zal ik hem zeggen ; Ga, vervloekte en rampzalige ! ga, trouwlooze verrader, ik erken u niet als
- 126 -
mijn kind, gij zijt ontrouw geworden aan God, aan Zijne Kerk, aan uw eigen schriftelijke verklaring; ga!..quot;
Na dit alles, zal men ongetwijfeld denken, zijn al de middelen, welke de moederlijke teederheid kan aanwenden, uitgeput, en vermag de hertogin van Bouillon niets meer om het behoud van het geloof in het hart van hare kinderen te verzekeren. Doch men vergist zich.
Overtuigd als zij is, dat het katholieke geloof een schat is, die eiken prijs te boven gaat, zal deze onvergetelijke moeder nog een laatste middel vinden, namelijk dit, dat zij zichzelf opofferde. In hare onbeschrijflijke bezorgdheid, dat ook maar een enkel van hare kinderen in het geloof aan het wankelen zou kunnen gebracht worden, smeekte zij God, als een buitengewone gunst, tot den laatsten dag des oordeels in het vagevuur te blijven, als God om dien prijs haar zou geven, dat al de haren onwrikbaar standvastig zouden blijven in het katholiek geloof.
De kinderen van die edele en deugdzame prinses waren niet en konden ook niet te vergeefs het voorwerp zijn van zoo bewonderenswaardige bezorgdheid. Een hunner werd kardinaal van de Roomsche Kerk, twee van hare dochters, die schitterden door geboorte, schoonheid en onmetelijke rijkdommen, achtten het geluk en de grootheid der wereld niet, en zochten het paradijs op aarde in het boetvaardig en verborgen leven der Carmelitessen. Volhard in het geloof hebben allen.
- 127 -
HOOFDSTUK III.
Beletselen voor h^t geloof.
Behalve de onwetendheid, de slechte lectuur, het gezelschap van de vijanden der Kerk en der on-geloovigen, de geheime genootschappen, waarvan wij het gevaar in het voorgaande hoofdstuk hebben aangewezen, zijn nog een zondig leven en het men-schelijk opzicht gevaarlijke klippen voor het geloof. Vvie weet niet, dat het geloof zonder de werken ons niet in den hemel kan brengen ? Het is een dood geloof en kan dus niets uitwerken om het eeuwig-leven te doen verdienen.
Doch er is meer; dat geloof, dat zich niet openbaart, dat zijn licht te vergeefs doet schijnen, waarvan men de plichten met voeten treedt, gaat uit als eene lamp, in welke geen olie meer gegoten wordt.
Nog grooter wordt het gevaar voor het geloof, als men bij de onverschilligheid en de verwaarloo-zing van het goede nog slechte daden voegt, als men de slaaf wordt van schandelijke driften. De H. Paulus spreekt ons van menschen, die reeds in zijnen tijd het geloof verloren hadden, na eerst hunne deugd te hebben verloren; en men kan zonder overdrijven zeggen, dat het zedenbederf, van dien tijd af, alle afvalligen, alle ketters en alle on-geloovigen heeft voortgebracht. Dit bevestigt de geschiedenis der Kerk en de ondervinding. Alle ketterij en alle geloofsverzaking hadden den hoogmoed tot vader en de ontucht tot moeder.
Hendrik VIII, koning van Engeland, had eerst een grooten ijver getoond tegsn de ketterij, welke hij in een boek bestreden had. Leo X gat hem bij
128 -
die gelegenheid den titel van verdediger des ge-loofs; maar toen hij Catharina van Aragon verstoeten had, om een misdadig leven te leiden met Anna Boleijn, scheurde hij zich af van de Kerk en in zijne woede vermoordde hij 20 bisschoppen, 500 priesters, 360 edellieden, die geweigerd hadden zijn schandelijk leven goed te keuren.
Ziet men de ketters van onze dagen, de oudkatholieken, niet tot hunne herders verachtelijke lieden kiezen, die zich zelf niet schamen over openbaren heiligschendenden omgang met de vrouwen, die zij hebben misleid, die daardoor toonen, dat zij op dezelfde lijn staan met de hoofden van het protestantisme en alle ketterijen.
De jongeling en de jonge dochter, die gehoor geven aan hunne driften, maar toch hun geloof niet verloren hebben, weten niet tot welken afgrond zij â kunnen geraken op de helling, waarop zij zich wagen. Zij kunnen, evenals zoovele anderen, zelfs hun geloof verliezen, wat in deze wereld de grootste af â dwaling is van den menschelijken geest en de vree-selijke straf, welke God kan toepassen op hen, die zijn barmhartigheid verstooten.
O jongelingen en jonge dochters, weest toch kuisch, als gij u niet in het verderf wilt storten!
âMijne heeren, zeide pater de Ravignan tot een talrijke schare volks in eene van de kathedralen van Frankrijk, mijne heeren, weest kuisch, en gij zult zeer verlicht zijn.quot;
Hij gaf slechts met andere noorden terug, wat de Zaligmaker zeide: Zalig zijn de zuiveren van har te, .want zij zullen God zien, in deze wereld door de helderheid van een levendig geloof, en in de andere door het licht der glorie. Men zou met alle recht de woorden van den Heiland kunnen omkeeren en zeggen : Ongelukkig degenen, die niet zuiver van
karten zijn, zij zullen God niet zien. In deze wereld is hun geloot verduisterd door de zware nevelen der driften ; en in de andere zullen zij in de uiterste duisternissen geworpen worden.
Een andere vijand van het geloof is het mensche-lijk opzicht, of de vrees voor de opmerkingen en bespottingen van anderen, wanneer het geld zijn geloof door daden te toonen. De H. Paulus schaamde zich niet over liet Evangelie; maar de slaven van het menschelijk opzicht schamen er zich over. De heiligen vreesden God alleen ; de lafhartige menschen doen in hun binnenste de vrees van God wijken voor de vrees der menschen. God is niet meer hun Meester, maar de wereld, die hun wetten voorschrijft. Voor den slaaf van het menschelijk opzicht schijnt de lof der zondaren van meer waarde dan de belooning des hemels ; en een bespottende glimlach verschrikkelijker dan de straffen der goddelijke gerechtigheid. Welke minachting en welke ondankbaarheid ten opzichte van God!
Een letterkundige van de XVIIde eeuw dankte zijne opvoeding aan de ofifers, welke zijn arme oude vader voor hem gebracht had. Eens dat hij een van zijne gedichten voor eene uitgelezen vergadering voorgelezen had en van allen werd toegejuicht, trad zijn vader, die tusschen de menigte geslopen was, naar hem toe om hem te omhelzen ; de ondankbare stiet hem af en weigerde hem te erkennen. Toen volgde op de toejuichingen eene algemeene verontwaardiging. O wat monster ! O wat zwarte ondank ! riep men van alle kanten. Dat is het beeld van den slaaf van het menschelijk opzicht, die alles verschuldigd is aan zijnen God ; hij durft Hem niet erkennen in het bijzijn van de menschen. Wat onteerende slavernij!
Wie beklaagt niet de arme negers ! een wreedaardig
- 130 -
meester sleept hen uit hunne woningen, voert hen weg naar een ver afgelegen land, veroordeelt hen tot den zwaarsten arbeid. De mensch, die beheerscht wordt door het menschelijk opzicht, is onder een juk, dat hem nog meer verlaagt. Zijn geweten zegt hem : Ga de H. Mis bijwonen, ga de H. Sacramenten ontvangen. De dwingeland spreekt nog luider. En zijn slaaf sleept zijn zware keten voort, doet het goed niet, dat hij wil, maar doet het kwaad, dat hij niet wil.
Het is dwaas de openbare meening te willen tevredenstellen, De heiligen en Jezus Christus zelf zijn er niet in geslaagd. Om den eene te behagen, moet men noodzakelijk den andere mishagen. De kwaden tevreden stellen is de goeden bedroeven. Is het niet het toppunt van dwaasheid liever door brave lieden gehekeld te worden dan door de goddeloozen, zich te schamen over zijn plicht, zich met anderen in den afgrond te werpen, zooals schapen zouden doen?
Het menschelijk opzicht is een schande. Lafheid en lage slavernij waren nooit eeretitels. Een goed geweten en deugd doen den mensch eer aan. De slaaf van het menschelijk opzicht kent die eer niet. Het is een mensch zonder beginselen, hij praat anderen na, hij is gelijk aan het stof, waarmede de wind speelt; is het wonder dat hij veracht wordt zelfs door hen, wier afkeuring hij vreest ?
De heidensche keizer Constantius Chlorus had vele christenen in zijn paleis Hij riep hen te zamen en deed hun de vreeselijkste bedreigingen, als zij hun geloof niet verzaakten.
Eenigen lieten zich vrees aanjagen en vielen af. De keizer zond hen verontwaardigd weg en hield de getrouw geblevenen bij zich. De edelmoedigste christenen worden overal het meest geëerd, en de
achting der menschen volgt als een schaduw diegenen, welke ze vluchten.
Het menschelijk opzicht voert den mensch in deze wereld ten verderve. Het verwijdert hem van het woord Gods, van de H.H. Sacramenten, van het gebed en sluit aldus voor hem de bronnen van genaden af. Als God en het geweten den slaaf van het menschelijk opzicht niet met rust laten, dan versmoort de vrees voor de menschen al die inwendige stemmen. Vandaar de verhardheid en de onboetvaardigheid. Hoevelen hebben bij den dood zelfs toegegeven aan de schandelijke lafheid, die hen geheel hun leven heeft beheerscht! In het andere leven zal de Zoon Gods voor Zijnen Vader zich schamen over hen, die zich over Hem geschaamd hebben voor de menschen. Ik ken u niet, zal Hij hun zeggen.
Het menschelijk opzicht is niet minder verderfelijk voor de maatschappij en het huisgezin. Zoodra die wreede dwingeland in de voorname families heerscht, verspreidt zich onder het volk de onverschilligheid op godsdienstig gebied. Bijgevolg is het gedaan met het christelijk leven, met de christelijke zeden. De ondeugd heft den kop omhoog en de deugd wordt bespot. Wanneer een vader des huisgezins de slaaf is van het menschelijk opzicht, dan geeft men den kinderen te vergeefs eene chris-lijke opvoeding. Het voorbeeld van den vader, die geen christelijk leven leidt, verwoest alles. De beroemde missionaris. Pater Guyon, verhaalt hier een voorbeeld van. Een man, die in eene groote stad van Frankrijk eene aanzienlijke betrekking had, was, al leidde hij overigens een onberispelijk leven, de slaaf van het menschelijk opzicht. Hij had een zoon, wien hij eene echt christelijke opvoeding liet geven. Tot zijn veertiende jaar was dit kind de
- 132 â
vreugde van zijne godsdienstige moeder. Maar op dien leeftijd begon hij zijne godsvrucht te verminderen, en weldra wilde hij niet meer tot de H.H. Sacramenten naderen. Zijne moeder riep hem bij zich, en bezwoer hem te zeggen, waarom hij de oefeningen van godsvrucht naliet, die eertijds zijne vreugde uitmaakten. Het kind, door haar aandringen overwonnen, zeide, dat het had ingezien, dat zooveel godsvrucht niet noodzakelijk was om in de wereld vooruit te komen. Want vader ontving nooit de H H. Sacramenten en werd toch door een ieder geacht. De bedroefde moeder gaat aanstonds naar haar echtgenoot en vertelt hem met tranen in de oogen, wat zij zooeven vernomen heeft. De vader opent zijne oogen, en begrijpt zijn plicht, hij vraagt zijn zoon vergiffenis voor de lafheid, waarvan hij hem het voorbeeld gegeven heeft en laat zich door hem naar een biechtvader brengen. Van toen af maakten vader en zoon het geluk uit van de deugdzame moeder. De zoon zou een ongodsdienstig, misschien goddeloos leven hebben gaan leiden, als de vader zich van zijne schandelijke ketenen niet had losgerukt.
Het menschelijk opzicht verdient onzen haat, omdat het beleedigend is voor God en verderfelijk voor den mensch Men wachte er zich voor, zoo niet om die reden, dan toch uit liefde voor zijne kinderen, die men beminnen moet, uit liefde voor de maatschappij, waarvan men lid is. Bemin God en doe uw plicht, dat is het devies van een edel hart. Dat was het devies van den H. Paulus. Ik hecht er zeer weinig' aan, zeide hij, van de menschen beoordeeld ie worden. Mogen deze gevoelens ook de onze zijn.
Louis Veuillot, de beroemdste schrijver van onze eeuw, die vele jaren lang met zijne talenten het
christelijk geloof heeft verdedigd, wilde, dat men op zijn grafsteen deze regelen griffen zou :
'k Vertrouw op Jezus, onzen Heer.
Nooit schaamde ik mij zijn heilige leer. En op den jongsten dag zal Hij Zich ook niet schamen over mij.
HOOFDSTUK IV.
De Hoop.
De hoop is eene bovennatuurlijke deugd, door de genade in ons voortgebracht, door welke wij met zekerheid van God verwachten, wat Hij ons beloofd heeft. Dezelfde God, die tot ons gesproken heeft, heeft ons beloften gedaan ; en zijne beloften zijn even zeker als zijne woorden: zij zijn verzekerd door de mirakelen, die ons geloof bevestigen; zij zijn tot ons gekomen door het Evangelie en door de onfeilbare Kerk. De belofte van God is dus ontwijfelbaar.
Is dit eenmaal aangenomen, dan zeggen ons de rede en het woord van God: i0. Dat God alles ka7i doen, wat Hij beloofd heeft. Wie zou het Hem beletten ? Hij is almachtig. 2°. Dat Hij doen wtl, wat Hij beloofd heeft. Hij is oneindig goed voor al zijne schepselen en Hij is in staat hunne gelukzaligheid uit te maken, want Hij is de volmaaktheid zelf. 3° Dat Hij verplicht is te doen, wat Hij beloofd heeft, want Hij, die de eeuwige waarheid is, kan zijn woord niet breken. Wij kunnen er derhalve vast op gaan, dat wij God zullen zien, zooals Hij in den hemel is, als wij de zonde vermijden; dat Hij ons, als wij er in het gebed om vragen, de genade geven zal uit de zonde
- 134 -
op te staan en Hem te dienen ; dat Hij ons onze zonden vergeven zal, als wij er boetvaardigheid over doen, want zelf heeft Hij ons gezegd, dat Hij ons dat alles beloofde, zooals duidelijk is uit het Evangelie en uit de leer der Kerk.
Het is eene zware verplichting akten van hoop te verwekken. Hij die geruimen tijd zoude verzuimen eene akte van hoop te verwekken, zou groote zonde doen. Maar het bidden van het Onze Vader is voldoende om dat gebod te volbrengen. Nog grooter kwaad is het te wanhopen. Men wantrouwt de almacht van God, of zijne goedheid, of zijne getrouwheid in zijne beloften, als men met Kaïn zegt: Mijne zonde is te groot om vergiffenis te verdienen. Het is derhalve groot kwaad.
De zaligheid is zelfs volstrekt onmogelijk zonder hoop. Inderdaad, hoe zullen wij tot het einddoel van ons leven, de aanschouwing Gods, geraken, als wij Hem volstrekt niet kennen ? En hoe zullen wij ons op weg begeven naar dat einddoel, dat wij door het geloot hebben leeren kennen, als wij 't onmogelijk achten het te bereiken, en als de hoop niet daar is om er ons naar te doen streven ? Voegen wij erbij, dat de wanhoop den moed geheel beneemt en den mensch aan handen en voeten gebonden den duivel overlevert. Eenvoudige moedeloosheid is slechts eene kleine fout, het is waar, maar is zeer geschikt den mensch de kracht te benemen, die hij noodig heeft.
Heeft ooit een soldaat, die den moed verloor, de overwinning behaald ? Wij moeten ons dus het woord van den H. Paulus herinneren : God is getrouw, Hij zal niet toelaten, dat wij boven onze krachten bekoord worden, en Hij zal ons zijnen bijstand verkenen in de bekoring.
De H. Philippus Nerius ging op zekeren dag eene
- 135 -
zuster bezoeken, welke meende verdoemd te zijn. âHet paradijs is voor u,quot; zeide hij haar. âO onmogelijk, mijn vader, antwoordde zij.
âDat is juist uwe dwaasheid,quot; hernam Philippus. âZeg mij, voor wie is Jezus Christus gestorvenquot; ? âVoor de zondaren,quot; was het antwoord. «Welnu,quot; zeide Philippus, âgij zijt eene groote zondares, derhalve is Jezus Christus gestorven om u zalig te maken en de hemel is voor u,quot;
Die woorden gaven die goede ziel den vrede terug.
Morren tegen de Voorzienigheid in de rampen van dit leven is ook te kort schieten in het vertrouwen in die vaderlijke Voorzienigheid, die zonder hare toestemming geen haar van ons hoofd laat vallen en die alles doet strekken tot welzijn van de uitverkorenen. Wij weten toch, dat de goederen van dit leven niet altijd ware goederen zijn, dienstig ter zaligheid, en dat God de verplichting niet heelt aangegaan ze ons altijd te schenken. De rampen van deze wereld kunnen zijn en zijn metterdaad dikwijls middelen ter zaligheid. Al vragen wij den Hemel ons tijdelijke goederen te schenken en tijdelijke rampen af te weren, als het voor onze ziel nuttig is, toch moeten wij altijd tevreden zijn. Als onze gebeden niet verhoord worden, dan is het een bewijs, dat het voor ons beter is hier beneden de goederen te ontberen en met rampspoed te worden bezocht.
En wanneer de tegenspoed aanhoudt, zeggen wij dan met den heiligen man Job : Als de Heer mij ook doodde, dan zon ik nog op Hem hopen. De slagen, welke toegebracht worden door eene vaderlijke hand, kunnen niet anders dan voordeelig zijn voor hem. die ze ontvangt.
Toen de heilige man, wiens woorden wij zoo juist hebben aangehaald, vernam, dat hij al zijne
- 136 -
kinderen en al zijne kudden verloren had, stond hij op, scheurde zijne kleederen en sneed zich de haren af om zijne groote droefheid aan den dag te leggen. Dan wierp hij zich ter aarde, aanbad den Heer en zeide; De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de Naam des Heer en zij gezegend En te midderi van zijne zware beproevingen kwam er geen woord van ontevredenheid over zijne lippen. En zelfs toen zijne vrouw hem een grief maakte van zijne gelatenheid en hem verweet, dat hij zich niet beklaagde, al was hij met zweren overdekt, zeide hij: âGij spreekt als eene onverstandige vrouw. Als wij het goede uit de hand van God aannemen, waarom zouden wij dan het kwade niet eveneens aannemen ?quot;
Het lijden brengt ons nader tot God. Wanneer de matrozen bij helderen hemel aan boord gaan, dan is hun vertrek een feest. Zij lachen met alles, zelfs met God, zelfs met de tranen van eene moeder, van eene troostclooze echtgenoote; misschien vloeken zij zelfs. Doch zoodra de storm losbreekt, vallen zij op de knieën en bidden zij. Toen Fouquet, een intendant van Lodewijk XIV, in ballingschap gezonden werd, en zijne moeder vernam, dat hij in ongenade was gevallen, zeide zij; ,,Ik begin in te zien, dat God mijn zoon bemint, wijl Hij hem beproevingen overzendt.'' De echtgenoote van Karei I van Engeland, die onthoofd werd, koningin Hen-riette van Frankrijk, dankte God alle dagen, omdat Hij haar tot christinne en later tot eene ongelukkige vorstin gemaakt had.
Eene hertogin van Parma ried men in hare hevige smarten Jezus Christus te vragen, hare pijnen te verzachten; doch zij antwoordde: âO neen. Hij ontneme mij niet de eenige zaak, waardoor ik Hem een weinig gelijk.quot;
Saul vervolgde David met woede; op zekeren dag ging hij zich verbergen in eene grot, waarin David buiten zijn weten zijne toevlucht gezocht had. David had hem zonder moeite kunnen dooden; maar in zijne grootmoedigheid stelde hij zich tevreden, met, zonder dat Saul het merkte, een stuk van zijn koninklijken mantel te snijden, hetwelk hij hem later toonde met de woorden: âIk had u even goed het leven kunnen benemen.quot; Zoo handelt God met ons, wanneer Hij ons kastijdt: Hij kon ons laten sterven ; wij hebben Hem dikwijls de gelegenheid gegeven om ons in de hel te storten; Hij stelt zich tevreden met ons eene beproeving over te zenden; en wij beklagen ons! Het lijden verwijdert ons van de wereld en zijne gevaren. De vogel, die gevangen is, vliegt op tegen zijne kooi; en toch, die kooi beschermt hem voor de netten van den vogelaar, voor het lood van de jagers, voor de woede van den sperwer, voor den honger, voor den dorst, want zijn meester bemint hem en geeft hem alles, wat hij verlangt. En dan, die korte tijd van lichte beproevingen bereidt ons eene eeuwige glorie. De boomen, die in den winter kaal en met ijzel bedekt zijn, tooien zich in de lente met bladeren en bloemen
De vermetelheid is even groot kwaad als de wanhoop. Dat was de zonde van den H. Petrus, die, steunende op zijne krachten en niet op den bijstand van God, tot den Zaligmaker zeide: Al worden allen in U geërgerd, ik zal in U niet geërgerd worden.quot; Helaas! hij viel en verloochende tot driemaal toe zijn goddelijken Meester. Het is eene zonde van vermetelheid; iquot; naar den hemel te willen gaan zonder den bijstand van God; 20 op de zaligheid te hopen zonder de geboden te onderhouden; 30 bijstand van God te verwachten om kwaad te
- 138 -
doen; 40 God des te vrijmoediger te beleedigen omdat Hij barmhartig is.
Wee hun, die zich vermetel blootstellen aan het gevaar van te zondigen in het vertrouwen, dat de genade hen ondersteunen zal! Zij storten zich in het verderf. Maar driewerf wee hun, die slecht leven en er op rekenen zich bij den dood te zullen bekeereu! Er is geen betere voorbereiding voor een slechten dood dan een leven in onverschilligheid en ondeugd doorgebracht. Zooals men leeft, zoo sterit men.
HOOFDSTUK V.
Van de Liefde.
Dat wij God moeten beminnen om zijne weldaden, om het leven, om de tijdelijke goeaeren en om de geestelijke goederen, die Hij ons zoo mild geschonken heeft, dat begrijpt ieder mensch, die gevoel heeft. De heidenen, die altaren oprichtten voor al de ondeugden, durfden toch geen altaar op te richten voor de ondankbaarheid. Zoo is die bij allen gehaat. Tot hen, die God niet beminnen om zijne weldaden, zou men met Job kunnen zeggen : Vraag- het aa7i de dieren en zij zullen u onderrichten ! Want zelfs de dieren weten zich erkentelijk te toonen. De H. Abt Gerasimus wandelde op zekeren dag aan de oevers van den Jordaan en zag een leeuw naar hem toe komen. Het dier scheen vreeselijk te lijden en stak hem zijn poot toe. Gerasimus zet zich neder, neemt den poot van het dier en ziet een gezwel, veroorzaakt door den splinter van een riet; hij opent het gezwel, verbindt het en de leeuw, die zijne smart gelenigd voelt, hecht zich aan den heiligen abt, vergezelt hem overal, en houdt niet op hem blijken
- 139 -
van zijne erkentelijkheid te geven. Toen de heilige man gestorven was, bleef de leeuw van smart brullen, totdat hij stierf op het graf van zijnen weldoener. O mensch, de dieren vergeten spoedig en toch herinnert zich de hond een stuk hard en beschimmeld brood, dat men hem toegeworpen heeft, en gij, die zoovele zaken onthoudt, gij vergeet niet alleen het vleesch, dat om het been zat, dat gij den honden toewerpt; maar gij vergeet zelfs de kostbaarste weldaden van God I
Louise, de dochter van Lodewijk XV, zeide op vierjarigen leeftijd tot hare gouvernante. Mevrouw de Soutlanges: âGij weet, dat ik den goeden God zeer bemin en dat ik hem iederen dag mijn hart schenk, maar wat zal Hij mij geven op zijne beurt ?quot; Mevrouw de Soutlanges toonde haar, dat alle goed van God komt. Toen vroeg het kind bij elk nieuw genot, of het de goede God was, die het haar verschafte, en het kinderlijk harte vloeide over van dankbaarheid. Hij, die God bemint, alleen om datgene, wat hij van Hem ontvangen heeft of van hem verwacht, verricht wel eene goede daad, maar hij heeft niet de volmaakte liefde tot God. Hij bemint meer zich zeiven dan God ; zijne liefde is niet belangeloos. Hij moet niet alleen dankbaar zijn ten opzichte van God en verlangen eens zijne zaligheid in Hem te vinden, maar zich tot een hoogeren trap verheffen en God beminnen, omdat Hij het hoogste goed, de oneindige volmaaktheid is en Hem beminnen juist ter wille van zijne volmaaktheden.
De rede en het Woord Gods zeggen ons, dat God, die aan alle schepselen al het goede en het schoone geeft, dat zij bezitten, zelf alle goedheid, alle volmaaktheid, alle beminnelijkheid in zich bevat. Hij is de oneindige grootheid, heiligheid, schoonheid, wetenschap en rechvaardigheid zelf. Daar wij aldus
â 140 -
zijn geschapen, dat wij van natuur beminnen wat schoon, goed, volmaakt, beminnelijk is, moeten wij dan, als wij een hart hebben, ons niet getrokken gevoelen, om God meer te beminnen dan al het overige? Het kan ons toch niet moeilijk zijn, als wij God eenigszins kennen, Hem te zeggen: Mijn God, die oneindig beminnelijk zijt, ik bemin U meer dan alle schepselen.
Moet men zich veel geweld aan doen om God meer te beminnen dan hooi en stroo ? Welnu, elk wezen buiten God heeft bij Hem vergeleken niet meer waarde dan een grashalm ; en hij, die God niet boven alles stelt, die iets bemint meer dan Hem, of zooveel als Hem, of tegen zijnen wil, doet Hem eene grove beleediging aan, want hij maakt eene vergelijking tusschen God en het nietswaardige schepsel, en hij bemint dat nietige schepsel evenzeer als God of nop: meer dan Hem.
Toen een phariseer aan den Zaligmaker vroeg, welk het eerste en voornaamste gebod is, antwoordde Hij : Gij zult den Heer uwen God liefhebben met geheel uw hart, met geheel uwe ziel, met al uwe krachten. Dat is het eerste en voornaamste gebod; het tweede, hieraan gelijk, is: Gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven. De naaste, dat is iedereen, die God bezitten kan, is het beeld van God ; en het beeld van God. dat wij zien in het redelijke schepsel, verdient onze liefde. God is het derhalve, dien wij in den naaste moeten beminnen. Er is maar ééne liefde, die God altijd tot voorwerp heeft, en tot beweegreden de volmaaktheden, die God in zich zeiven bezit of die wij zien in zijn beeld, de ziel van den mensch.
Zonder de liefde, die in de ziel altijd vereenigd is met den staat van gratie, is er geene zaligheid. Er is ook geene zaligheid voor hem, die in staat
/'
- 141 -
van doodzonde de Sacramenten niet kan ontvangen en geene akte van volmaakte liefde of volmaakt berouw verwekt. Allen moeten de beweegredenen van deze deugd kennen en eene akte van liefde verwekken ; de ouders moeten dit hunnen kinderen leeren, evenzeer als de beweegredenen en de akten van geloof en hoop; en wel, zoodra de kinderen in staat zijn deze te leeren en derhalve, zoodra zij eenig teeken van begrip geven. Dezelfde verplichting rust op alle herders der zielen. Aan het einde van dit boekje vindt men de akten van geloof, hoop, liefde en berouw. Iedere christen is verplicht, op zware zonde, akten van geloof, huop, liefde en berouw te verwekken, en wel van tijd tot tijd gedurende het leven, en zelfs volgens een groot getal godgeleerden minstens elke maand.
Maar deze verplichting kan op verschillende wijze vervuld worden. Het is eene akte van liefde, zich te verheugen over de volmaaktheden Gods, te verlangen, dat God gekend en bemind worde, te arbeiden aan de glorie van God, in zich zeiven door de getrouwheid aan zijne geboden, of in anderen door hen te brengen tot den trouwen dienst van God. Ook is het eene akte van liefde tot God, bedroefd te zijn over de beleediging, Hem aangedaan, berouw te hebben over zijne zonden uit liefde tot Hem.
Elke groote zonde venvoest de liefde in de ziel. Al wie derhalve God oprecht bemint, onderhoudt al de geboden; en de zielen, die aan God een grooter bewijs van hare liefde willen geven, stellen zich niet tevreden met zijne geboden te volbrengen. Zij beijveren zich nog om zijne evangelische raden na te leven, vooral van armoede, van volmaakte zuiverheid en van gehoorzaamheid. Hierover zullen wij later spreken.
- 142 -
Men zondigt nog tegen de liefde door een schepsel meer dan God te beminen, door liever God te willen beleedigen dan aan dat schepsel vaarwel te zeggen. De afschuwelijkste van alle zonden is God, het opperste goed, te haten. De duivel alleen moest in staat zijn tot zulken gruwel. Het is ook eene zonde, het bezwaarlijk te vinden God lief te hebben, om de moeite, die het kost om zijne vriendschap te bewaren.
..Ik heb vele menschen in mijn leven gezienquot;, zeide de pastoor van Ars. âIk heb er een groot getal aangetroffen, die er berouw over hadden. God niet bemind en niet gediend te hebben; maar nooit heb ik iemand ontmoet, die er spijt van had God bemind te hebben.quot; De H. Augustinus zeide: âGij hebt ons voor U gemaakt, o Heer ; en ons hart heeft geen rust, zoolang het geen rust vindt in U.quot; En als hij dacht aan de dagen van zijne jeugd, waarin hij God beleedigd had, riep de heilige Kerkleeraar uit: âO schoonheid, altijd oud en altijd nieuw, waarom heb ik U zoo laat gekend, zoo laat bemind?quot;
Sluiten wij dit hoofdstuk met op te merken, dat de deugden van geloof, hoop en liefde ons deelachtig maken aan het goddelijk leven en dat de dikwijls herhaalde beoefening van deze deugden de ziel verheft en haar bovennatuurlijk maakt. Niets is beter dan de akten van deze deugden dikwijls te herhalen, vooral die van de liefde Gods, zooals de heiligen gedaan hebben. De H. Franciscus van Assisie herhaalde zonder ophouden: âMijn God en mijn Al,quot; en dan straalde zijn gelaat van liefdevuur. Het is de herhaling van die akten, welke de heiligen vormt; en die herhaling maakt de heiligheid zelfs gemakkelijk. Een leerjongen, die voor den eersten keer zijn werktuig in de hand neemt, weet ter-
nauwernood het vast te houden; maar door het dikwijls te gebruiken krijgt hij er slag van het te hanteeren en hij doet het zonder moeite. Zoo is het ook met de deugden. Eerst doet men die oefeningen met moeite; maar door ze dikwijls en uit ganscher harte te herhalen, wordt men er vertrouwd meê en gaat het gemakkelijk.
HOOFDSTUK VI.
De Veeeering der Heiligen.
De vereering is de eer, welke men iemand biedt ter wille van zijne uitmuntende hoedanigheden. Er is een natuurlijke eerbied; zoo heeft men eerbied voor zijn vader, voor den koning Er is een godsdienstige eerbied, welken men aan den dag legt voor iemand, die uitmunt door zijne bovennatuurlijke hoedanigheden. Hier is alleen spraak van de godsdienstige vereering. Daar God alleen verheven is boven de gehcele schepping, verdient Hij alleen de eer der aanbidding, door welke het redelijk schepsel zijne opperheerschappij erkent en Hem zijne volstrekte afhankelijkheid betuigt.
Er is geen redelijk schepsel, ook de H. Maagd niet uitgezonderd, dat deze eer aan God niet verschuldigd is ; en de eer der aanbidding bewijzen aan eenig schepsel, welk ook, zou eene gruwelijke afgoderij zijn, waarvan de katholieke Kerk een afschuw heeft. En toch durven hare vijanden haar lasterlijk te beschuldigen, dat zij de H, Maagd en de heiligen aanbidt. Wij aanbidden, het is waar, de heilige menschheid van Jezus Christus, want, zooals de H. Thomas zegt, de vereering wordt niet
- 144 -
bewezen aan een gedeelte van den persoon, maar aan den geheelen persoon. Als men iemands voet kust, wat bij den Paus gebeurt, eert men niet den voet, maar den mensch zelf. Met de menschheid van Jezus Christus te aanbidden, aanbidt men den goddelijken Persoon, met wien zij vereenigd is.
Er zijn ook schepselen, die deelen in het goddelijk leven, door de genade, die hun overvloedig werd geschonken, en die om hunne uitmuntende hoedanigheden vereering waardig zijn, geene aanbidding, maar eene bovennatuurlijke vereering. Die bevoorrechte schepselen zijn de engelen, de heiligen en vooral de heilige Moeder Gods, die door hare waardigheid en hare verdiensten boven al de andere gelukzaligen verheven is. Wij eeren de heiligen als de vrienden van God, de tempels van den H. Geest, in glorie verheven boven alles, wat groot is hier beneden, en wij eeren hen niet, alsof zij hunne verdiensten van zich zeiven hadden, maar in zooverre zij die verworven hebben door de verdiensten van Jezus Christus. Het is eene groote eer voor Jezus Christus, zich niet tevreden te hebben gesteld met zelf te verdienen, maar ook aan de heiligen door zijne verdiensten de genade van te verdienen verleend te hebben. De eer, aan de heiligen bewezen, verhoogt de eer, aan Jezus Christus verschuldigd, wel verre van die te verminderen. Hij moet wel groot zijn, de koning des hemels, wiens dienaren zelf onze vereering waardig zijn.
Ook hebben de geloovigen ten allen tijde de heiligen vereerd.
De vereering der heiligen bestaat in hen te eeren, hen aan te roepen en hen na te volgen.
Men eert de heiligen door hunne feesten te vieren, vooral het feest van de Patronen, die ons bij het doopsel gegeven zijn, of die het land, dat wij be-
â 145 -
wonen, beschermen. De beste wijze van deze feesten te vieren is, op die dagen tot de H. Sacramenten te naderen, en het is een betreurenswaardig misbruik, in het christendom, de patroonsfeesten in wereldsche feesten te veranderen. De christenen moeten, wel verre van deel te nemen aan die duivelsche vermaken, ze betreuren en hunne huisgenooten er van verwijderd houden. Het getal der heiligen is ontelbaar en de dagen van het jaar zijn niet voldoende om het feest van elk hunner te vieren. Daar de Kerk echter met gewild heeft, dat een hunner verstoken zou blijven van de eer, die hij bij zijne broeders op aarde verdient, heeft zij het feest van Allerheiligen ingesteld, om allen te gelijk te vereeren. Dat feest moet derhalve dierbaar zijn aan de godsvrucht der geloovigen.
Men eert de heiligen door de vereering van hunne beelden en reliquieên, de overblijfsels van hun geheiligd lichaam, kleederen en voorwerpen, die zij gebruikt hebben. Niets is beter dan beelden van heiligen in zijne nabijheid te hebben. Dat is eene opwekking tot de godsvrucht en de deugd. Ziet men niet, dat een rechtgeaard kind zich de gedachte aan een vader, aan eene moeder voor den geest roept door hun portret te beschouwen ? Toen Cesar een standbeeld van Alexander zag, riep hij uit : Op mijn leeftijd hadt gij, groote Alexander, de wereld veroverd, op welken leeftijd zal ik u kunnen evenaren ? Herinneren wij ons bij het zien van beelden van heiligen, dat zij den hemel veroverd hebben en trachten wij op onze beurt hem te veroveren.
âWat de geschriften zijn voor hen, die lezen kunnen, zijn de afbeeldingen voor de onwetenden, die ze beschouwen,quot; schreef de H. Gregorius de Groote. âWij plaatsen tafereelen in de kerken, opdat
10
â 146 -
zij, die niet lezen kunnen, op de muren zouden leeren, wat zij niet leeren kunnen in de boeken.
Eene afbeelding in een gebedenboek boeit de aandacht en verwijdert de verstrooiingen; in de werkplaats maakt zij de taak minder hard en heilig-die door de hoop op de hemelsche belooning. Men moest in elk vertrek van een christelijk huisgezin eene godsdienstige afbeelding ontmoeten. Eene afbeelding van den gekruisigden Jezus werd door de heiligen het boek der uitverkorenen genoemd. De H. Paulus van het Kruis schreef: âAVanneer gij in uwe kamer zijt, neem dan uw kruisbeeld in de hand. Kus de wonden met groote liefde. Vraag dan eene kleine onderrichting. Luister, wat de doornen, de nagelen, het goddelijk Bloed zeggen. O welke onderrichting''! Wanneer de H. Felix van Cantalicië zijne kudden weidde, sneed hij een kruis op de schors van een boom, en bad uren lang daarvoor. De H. Leonardus van Porto Mauritio droeg altijd een kruis met ijzeren punten voorzien. Toen de admiraal de Durville, die den 24ste,1 September 1879 te Toulon gestprven is, in zijne laatste ziekte groote smarten leed, toonde hij aan een van zijne familieleden het kruisbeeld, dat hij altijd bij zich droeg en zeide : âIk wenschte, dat zij, die het ongeluk hebben niet te gelooven, hier waren ; ik zou hun leeren, dat er in dit geneesmiddel eene kracht is, welke geen ander geneesmiddel verschaft.quot;
De medailles van de H. Maagd hebben ook wonderen van bekeering of volharding uitgewerkt. De soldaten zelfs dragen ze bij zich op het oorlogsveld en men moet wel een zwak geloof hebben, om de goede diensten af te slaan, welke die heilige afbeeldingen ons aanbieden. De christenen wapenen er zich mede dag en nacht. Niets is krachtiger in de bekoringen, vooral gedurende de slapelooze nachten-.
dan met beide handen een kruisbeeld of eene medaille vast te houden, ze met liefde te kussen en te bidden, totdat de bekoring heeft opgehouden.
Constantinus Copronymus vervolgde de geloovigen op wreedaardige wijze, omdat zij de beelden der heiligen vereerden. Hij liet een kluizenaar, Stephanus genaamd, uit zijne eenzaamheid komen, en vroeg hem, of hij nog altijd in zijne afgoderij volhardde; zoo noemde hij de vereering der beelden. Stephanus antwoordde: âWie is onwetend genoeg om goud, zilver of steen te vereeren? Onze vereering geldt degenen, welke deze voorwerpen voorstellen.quot; Toen haalde hij een geldstuk met de beeltenis van den keizer te voorschijn en vroeg aan de omstaanders, of men die straffeloos met voeten kon treden; en toen allen volstrekt ontkennend antwoordden, riep hij uit: âO blinde menschen, gij hebt eerbied voor de beeltenis van een sterfelijk vorst en gij wilt niet, dat wij de beeltenis van Jezus Christus en zijne heiligen eeren!quot;
Hij had gelijk, de redelooze schepselen kunnen geene vereering ontvangen, want zij kunnen die toch niet op prijs stellen. De eer, aan de beelden en reliquieën bewezen, betreft derhalve rechtstreeks den Zaligmaker en de heiligen, die zij voorstellen. Alleen het redelijk schepsel is in staat eene vereering te ontvangen.
Men vereert de heiligen door hen aan te roepen. Het is eene waarheid des geloofs, dat het nuttig is zijne toevlucht te nemen tot hunnen bijstand.
Inderdaad, als het goed is, zich aan te bevelen in de gebeden van de rechtvaardigen, die op aarde zijn, dan is het nog beter den bijstand in te roepen van de gelukzaligen, wier hemelsche glorie hun invloed bij God heeft verdubbeld. De aanroeping van de H. Maagd is, volgens de grootste Godgeleerden,
- 148 -
vooral nuttig ter zaligheid, en zij, die tot Maria niet bidden, zijn vijanden van zich zeiven. Na haar is er geen heilige, dien wij met meer vertrouwen moeten aanroepen dan den H. Joseph, den maagdelijken bruidegom van de zuiverste der maagden, den voedstervader van Jezus, onzen God. De H. Theresia verklaart, hem nooit iets gevraagd te hebben, zonder verhoord te zijn geworden. De H. Alphonsus leert ons, dat wij ons tot hem moeten wenden om te verkrijgen de vergiffenis van onze zonden, de liefde tot lezus Christus, wien hij zelf zoozeer heeft bemind en eindelijk de gratie van een heiligen dood.
Hoe zouden wij ooit vergeten, ons alle dagen te stellen onder de bescherming van onzen heiligen Patroon en den Engelbewaarder, die altijd aan onze zijde waakt, om ons voor ongevallen en alle zonden te bewaren, om ons te ondersteunen in onze zwakheden, om ons te troosten in ons lijden en den duivel van ons af te weren?
De' H. Kerk schrijft bij sommige gelegenheden het openbare gebed van de Litanie van alle Heiligen voor, en doet ons aldus al de heiligen des hemels aanroepen. En de H. Alphonsus zegt, dat de zielen, die zich gaarne tot de heiligen wenden en hen dikwijls aanroepen, geroepen zijn om eeuwig met hen vereenigd te zijn in den hemel.
Eindelijk, het voornaamste in de vereering der heiligen is hen na te volgen. De H. Antonius bezocht dikwijls met eerbied de kluizenaars in de woestijnen. Hij sloeg aandachtig de deugden gade, die in elk hunner uitschitterden en trachtte ze dan zelf in beoefening te brengen. Van den eene leerde hij de nederigheid, van den andere de versterving, van dezen den geest des gebeds, van genen de liefde of de zachtmoedigheid. Wij moesten evenals de H. Antonius doen, als wij de levens der heiligen
- 149 â
lezen, en ons de deugden eigen maken, die in ieder hunner uitschitteren. Gelukkig zij, die in al hunne gedachten, woorden en werken tot zich zeiven zeggen: Hoe zouden de heiligen gedacht, gesproken, gehandeld hebben, als zij zich in denzelfden toestand bevonden hadden als ik ? Ik wil denken, spreken en handelen als zij.
HOOFDSTUK VII.
Van de deugd van Godsdienstigheid.
De godsdienstigheid is eene deugd, die er ons toe brengt aan God de eer der aanbidding te bewijzen, die wij Hem verschuldigd zijn en waarop Hij alleen recht heeft. Is niet Hij alleen onze Schepper en bij gevolg onze Opperheer, ten opzichte van wien wij onze volstrekte afhankelijkheid en onderwerping moeten erkennen en bewijzen.
Wij hebben reeds in hoofdstuk I. van dit boek gezegd, dat de godsdienstigheid noodzakelijk is voor den mensch, voor het huisgezin, voor de maatschappij; er blijft nog over aan te geven, welke; de voornaamste oefeningen zijn van deze deugd, en welke zonden er mede in strijd zijn.
Een van de voornaamste oefeningen van godsdienstigheid is het gebed, waarover wij in het derde deel van dit boek, in hoofdstuk XVII, zullen handelen.
_ Dan komt de godsvrucht, waardoor de mensch zich aan den dienst van God toewijdt, met den bereidvaardigen wil van alles gaarne te doen, wat aan dien goeden Meester aangenaam is.
Toen Mozes op het punt was van het volk Gods het beloofde land binnen te leiden, deden allerlei
- 150 â
geruchten de ronde in het kamp van Israel. Sommigen zeiden, dat het verschrikkelijk land zijne inwoners verslond; anderen, dat de menschen, die het bewoonden, reuzen waren, die andere menschen als sprinkhanen verslonden. Josuë en Caleb echter trachtten deze geruchten te onderdrukken en het volk moed in te spreken. De wereldlingen verspreiden allerlei laster tegen de godsvrucht. Zij kennen ze niet; maar de heiligen, die, evenals Josuë en Caleb, uit eigen ondervinding spreken, zeggen ons, dat het een land is, dat overvloeit van melk en honing.
Het woord godsvrucht beteekent vrees voor God. Een kind, dat zijne ouders lief heeft, zoekt hun in alles te behagen, vreest in iets niet naar hun zin te handelen.
De godvruchtige ziel leelt alleen voor God, vermijdt alles, wat Hij verbiedt, volbrengt grootmoedig alles, wat zij weet, dat God behaagc. De godsvrucht is niets anders dan de vurige liefde tot God.
Zij veronderstelt ten minste den staat van gratie, en als men in doodzonde leeft, kan men zich niet vleien de godsvrucht te beoefenen. Toen de H. Catharina van Sienne zich naar den Paus te Avignon begaf, waren er eenige voorname vrouwen, op wier leven nog al aan te merken viel, die door den schijn van godsvrucht aan te nemen aan de heilige zochten te behagen. Zij overlaadden haar met eerbewijzingen, doch Catharina wendde het hoofd af. De gelukzalige Raymundus van Capua berispte er haar over; âAls gij, antwoordde zij, zooals ik den stank gewaar werdt, die er uit die schoone monden komt, dan zoudt ge alles, wat ge gegeten hebt, uitbraken.quot;
Al leeft men in staat van zonde, dan kan men nog wel oefeningen van godsvrucht onderhouden; dat is zelfs zeer heilzaam; maar men heeft de ware Godsvrucht niet. De struisvogels vliegen nooit, de
kippen zelden en met moeite; de zwaluwen veel en gemakkelijk. De struisvogels zijn het beeld van de zondaren, die zich niet uit het kwaad opheffen. De kippen zijn het beeld van de christenen, die in Gods genade leven, maar zich niet op de godsvrucht toeleggen. De ware godvruchtigen verheffen zich tot God, evenals de zwaluwen, dikwijls en zonder moeite. Zij stellen zich niet tevreden met uit gan-scher harte zijne geboden te onderhouden en te verwijderen wat Hem mishaagt, zij maken zich daarenboven gewoon goede werken te doen, die niet zijn voorgeschreven. Zij zijn niet als de kranken, die, nauwelijks herstellende van eene ziekte met moeite beginnen te gaan, maar als zij, die eene krachtige gezondheid genieten en zwaren arbeid verrichten. Wordt de liefde Gods vergeleken met het vuur, dan is de godsvrucht de vlam; is de liefde de melk, dan is de godsvrucht de room; is zij een kostbare steen, dan is de devotie de glans. Zoo spreekt de H. Franciscus de Sales. Godsvrucht is de volmaking van Gods liefde, de heiligheid des levens, waarvan al de uitverkorenen ons het voorbeeld gegeven hebben en welke op hrt oogenblik door al de ware vrienden van God wordt beoefend.
De godsvrucht, zegt de H. Thomas, kweekt van zelf op de eerste plaats de vreugde des harten, welke het grootste geluk van den mensch hier beneden is, en daardoor alleen maakt zij ons al de plichten van het christelijk leven gemakkelijk. Want wanneer men bemint, ondervindt men geene moeite en heeft men ergens moeite mede, dan heeft men die moeite gaarne. In plaats van op onbillijke wijze af te keuren, wat zoo grootsch en zoo nuttig is, moeten dus allen de godsvrucht trachten te beoefenen. Heeft God dan niet genoeg voor ons gedaan ? Aan wien zouden wij ons leven toewijden, zoo niet aan Hem?
â 152 -
De godsvrucht wordt gevoed door een veelvuldig gebed en het dikwijls ontvangen van de H. H. Sacramenten.
De eerbied voor onze kerken is ook eene daad van godsdienstigheid. Wij moeten vooral doordrongen zijn van een gevoel van eerbied en aanbidding, welke de grootheid van God verdient, wanneer wij ons voor het tabernakel bevinden, waar Ons Heer rust, voor het altaar, waar Hij zich opdraagt, in die heilige plaats, waar de geloovigen bidden, waar zij ontvangen èn hun onderricht, èn de kostbaarste en overvloedigste genaden.
De Turken gedragen zich in hunne tempels, met een eerbied, die sommige christenen van onze dagen beschaamd moet doen staan. Zij treden nooit binnen dan met bloote voeten en gevouwen handen. Zij werpen zich neder met het voorhoofd ter aarde. Zij zouden het zich als eene misdaad aanrekenen te antwoorden, als iemand hen durfde toespreken; maar niemand hunner durft dit te doen.
Men kan ze daar mishandelen, en zij zullen er niet naar kijken, wie hen geslagen heeft.
Hebben wij voor onzen God, die tegenwoordig is in onze kerken, ten minste iets van dien eerbied, welken die ongeloovigen hebben voor het huis, waar zij bidden De generaal de Scnis, die den Augustus 1887 stierf, communiceerde sedert 1852, dat is gedurende 35 jaren, ten minste alle acht dagen,, en niet alleen in Frankrijk, maar ook in Afrika, waar hij vele jaren doorbracht en zelfs in de beroemde veldtochten van zijn militair leven. Tijdens den oorlog van Italië was hij kapitein en schreef hij : âIn onze verkenningstochten doorloopen wij dorpen en gehuchten, en als wij eensklaps eene Kerk zien, dan klinkt het: Daar is de Meester; stijg af! Wij stijgen beiden van het paard, â hij had
toen een vriend bij zich, kapitein Robert, â wij gaan de Kerk binnen en vragen een priester ons de H. Communie te willen geven. Zoodra dit gebeurd is, vertrekken wij weder aanstonds, wij kunnen niet over den tijd beschikken. Wij doen onze
dankzegging te paard en in galopquot;..... Dat belette
hem niet te Solferino het kruis van het Legioen van eer te verdienen, en later op te klimmen tot den rang van generaal.
HOOFDSTUK VIII.
De ondeugden in strijd met de Godsdienstigheid.
De eerste van deze ondeugden is de bijgeloovigheid, welke hierin bestaat, dat men God een valschen eeredienst bewijst of aan het schepsel de eer geeft, welke God alleen toekomt. Hij die onder voorwendsel van godsdienstigheid valsche mirakelen zou uitdenken, valsche reliquieên zou laten vereeren, zou zwaar zondigen. Afgoden aanbidden, zooals de heidenen gedaan hebben, of beelden van steen, zooals sommige wilden doen, is eene afschuwelijke afgoderij, een gruwelijk misdrijf, als iemand, die den waren God kent, er zich aan plichtig maakt. Den schijn aannemen, alsof men valsche godheden aanbidt, is ook streng verboden. Zich in gemeenschap stellen met den duivel, den vijand van God en menschen, is eene groote zonde. Men zondigt door bijgeloovigheid, als men ijdele middelen of teekenen, welke de tusschenkomst van den duivel veronderstellen,gebruikt om verborgen zaken te kennen, om wonderbare thandelingen te verrichten, om den evenmensch schade toe te brengen, om zich te genezen of om te weten
- 154 -
te komen, wat men doen moet. Derhalve mag een christen nooit zijne toevlucht nemen tot toovenaars, kaartleggers, draaiende tafels, het oproepen van geesten, hypnotisme, noch geloof slaan aan nietswaardige droomen, noch genezing zoeken door belachelijke middelen, als door teekenen en woorden, die geen zin hebben, noch boeken van droomuitleggingen of tooverkunsten in zijn huis bewaren.
Hoe kan men, in plaats van zich te wenden tot -de geneeskundigen, die God gegeven heeft om de kwalen der menschen te genezen, zijne toevlucht nemen tot de slaapwandelaars ? Is dat niet minstens genomen afwijken van de orde der Voorzienigheid?
Een vreemd verschijnsel is het, dat, naarmate het geloof en de vreeze Gods afnemen, de bijgeloovig-heid toeneemt, en die het ware geloof hooghartig verwerpen, zijn de eerste slaven van eene kinderachtige vrees en een belachelijk bijgeloof. Het is de vervulling van het woord des Apostels: Zij zullen hunne oor en afwenden van de waarheid en zich keeren tot fabels. Mogen de christenen nooit vergeten, dat, als de omgang met de heiligen een teeken van zaligheid is, de omgang met de duivelen, door bijgeloovige handelingen, een teeken van verwerping is.
Ochosias, koning van Israel, was van een hoog balkon gevallen; hij zond zijne lieden om Beelzebub te raadplegen, ten einde te weten te komen, of hij van zijne kwaal nog zou kunnen opstaan. De profeet Elias ging de gezanten des konings te gemoet en zeide hun: âKeert terug naar uw koning, die u gezonden heeft, en zegt hem: Is er dan geen God meer in Israel, dat gij Beelzebub laat raadplegen? Van het ziekbed, waarop men u gelegd heeft, zult gij niet meer opstaan, maar gij zult sterven.quot;
Ochosias stierf inderdaad tot straf van zijne bijge-loovigheid.
Simon de toovenaar deed wonderbare werken door de tusschenkomst der duivelen. Hij verstoutte zich zelfs den apostelen geld aan te bieden om de macht te verkrijgen om evenals zij den H. Geest mede te deelen; en daarom noemt men het koopen en ver-koopen van heilige zaken Simonie. Maar de H. Petrus zeide hem: âUw ge'd verga met u, daar gij gemeend hebt, dat de gave Gods voor geld verkregen kan worden. Doe boetvaardigheid.quot; Doch Simon, in plaats van boetvaardigheid te doen, ging voort met zijne tooverkunst, verspreidde monsterachtige dwalingen in Samarië en kwam vervolgens te Rome, waar hij onder bescherming van Nero voor een god wilde doorgaan Met dat doel beloofde hij ten aanschouwen van eenieder ten hemel op te stijgen. Op den bepaalden dag, in tegenwoordigheid van eene groote menigte, steeg hij inderdaad op, of liever werd hij door den duivel opgeheven; maar op het gebed van den H. Petrus, die er bij tegenwoordig was, viel Simon naar beneden en werd verpletterd in zijn val.
De ongodsdienstigheid is evenzeer eene ondeugd als de bijgeloovigheid, en heeft, evenals zij, verschillende vertakkingen: vooreerst de beproeving van God. God beproeven is zekerheid willen erlangen, of God eene zekere volmaaktheid bezit, of wel vermetel handelen en op zijne goedheid en almacht rekenen. Twijfelen aan de goddelijke volmaaktheden is eene zonde tegen het geloof, evenals tegen de godsdienstigheid; maar het is ook eene zware zonde zijn leven bloot te stellen aan een gevaar, waaraan men slechts door een wonder ontsnappen kan, of in eene zware ziekte de gewone geneesmiddelen te verwaarloozen. Met meer reden nog is
â 156 -
het eene groote zonde zich roekeloos in de naaste gelegenheden van zonde te begeven en te rekenen op de gratie van God. Het is niet geoorloofd enkel uit nieuwsgierigheid mirakelen te vragen, maar men kan ze vragen om reden van noodzakelijkheid of nuttigheid.
Heiligschennis is het onteeren van eene zaak of een persoon, die aan God is toegewijd. Men onderscheidt drie soorten van heiligschennissen, die in de biecht moeten worden uitgedrukt.
Er is eene heiligschennis van personen, welke bedreven wordt door de hand te slaan aan personen, die aan God zijn toegewijd door de H. Orden of door de religieuze professie, of door hen te berooven van de rechten en vrijheden aan hunnen staat verleend, of eindelijk door te zondigen tegen de kuisch-heid met hen, die plechtige belofte van zuiverheid gedaan hebben. Het is echter geen heiligschennis kwaad te spreken van personen, die aan God zijn toegewijd. Daarom is het niet noodzakelijk, dat men in de biecht, als men zich van dat kwaadspreken beschuldigt, erbij zegt. dat men over godgewijde personen kwaad gesproken heeft. Het is echter noodzakelijk te zeggen, of men groot kwaad heeft verteld. Er is niemand, die zijn goeden naam zoozeer noodig heeft als de priester, en de aanmerkingen, die men zich in de huisgezinnen veroorlooft over hun gedrag, somtijds in het bijzijn van de kinderen, hebben zeer treurige gevolgen.
Het is eene heiligschennis van plaats de kerkdeuren openbreken, in de Kerk een moord plegen, sommige uitwendige en zware zonden tegen de H. Deugd bedrijven, voorwerpen stelen, die aan de Kerk toebehooren of onder hare hoede gesteld zijn.
Het is eene heiligschennis van zaken, wanneer men gewijde zaken als gewijde vaten, gewaden, beelden, reliquieen onteert. Die heiligschennis is vooral
zwaar in de onteering van de H. Sacramenten. Het is eene groote zonde, als men de H. H. Sacramenten des Vormsels, der Biecht, het H. Oliesel, het Huwelijk en vooral het H. Sacrament des Altaars zonder de vereischte gesteltenissen ontvangt. God straft die zonde op strenge wijze en somtijds reeds in deze wereld. Het was na eene heiligschen-dende Communie, dat Judas, die zijn goddelijken Meester verraden had, zich verhing.
Een koning van Lotharingen, Lotharius, verstiet zijne vrouw Theud-Berga om VValdrada te huwen. De H. Aartsbisschop van Vienne onderrichtte den H. Stoel omtrent het gedrag van dien vorst. De wettige koningin diende eveneens haar beklag te Rome in ; en Paus Nicolaas I onderzocht de zaak nauwkeurig en sloeg den koning van Lotharingen in den ban. Alle listen en bedreigingen van den vorst mislukten bij den Paus, een onverschrokken verdediger van de leer der Kerk en de heiligheid des huwelijks. Toen begon Lotharius te veinzen en begaf zich naar Italië om van den ban ontslagen te worden. Hij vond te Rome den opvolger van Nicolaas I, Paus Adrianus. âVorst,quot; zoo sprak de paus, alvorens hem de H. Communie uit te reiken, welke het zegel moest drukken op zijne bekeering, âals gij vast besloten zijt, geen omgang meer te hebben met VValdrada, nader dan en ontvang met vertrouwen het Sacrament des eeuwigen levens; zoo niet, wees dan niet zoo vermetel het Lichaam en het Bloed van Jezus Christus te ontvangen en door ze te onteeren uw eigen doemvonnis te eten.quot; Hetzelfde zeide de Paus tot de edelen, die medeplichtig waren aan het overspel.
Door deze plechtige woorden werden sommigen hunner door vrees bevangen en trokken zich terug, maar de meesten communiceerden met den koning. Na deze heiligschennis vleide zich de vorst met
- 158 -
de gedachte, dat hij met zijn gevolg naar het voorwerp van zijn drift kon terugkeeren ; doch hij werd te Lucca door eene kwaadaardige koorts aangetast, waarvan de gevolgen verschrikkelijk waren. Hij verloor zijne haren, zijne nagels; zijne huid zelfs viel af; en hij stierf een ellendigen dood negen en dertig dagen na zijne heiligschennis, en met hem de meeste edelen, die evenals hij de H. Communie ontvangen hadden.
Eindelijk, gewijde voorwerpen duurder verkoopen, omdat zij gewijd zijn, is eene zonde van simonie, waarover wij reeds een woord gezegd hebben.
HOOFDSTUK IX.
Over de Godslastering.
Het tweede gebod eischt onzen eerbied voor den Naam des Heeren, welken iedere mond prijzen moest, voor den aanbiddelijken Naam van God, welken de geleerde Newton niet kon hooren uitspreken zonder zijn hoofd te ontblooten, voor den H. Naam van Jezus, die alle knieën in den hemel, op de aarde en onder de aarde buigen doet. Het past niet dien driewerf heiligen Naam ijdel te gebruiken, in alle gesprekken, vooral niet in gramschap. Maar niets is verschrikkelijker dan de godslastering, dat is alle onteerend spreken van God en zijne heiligen.
Het is eene godslastering welke te gelijker tijd het geloof afbreuk doet, te zeggen, dat God niet rechtvaardig is, dat Hij ons verlaat enz. Het is eveneens eene godslastering iets te zeggen ten nadeele van de H. Maagd en de heiligen. De schepselen vervloeken, die niet in nauwe betrekking staan tot God, zonder de meening van God te beleedigen.
- 159 -
is geene godslastering. Vervloekt men zijn even-mensch, dan zondigt men tegen de lietde. Heilige zaken of heilige dagen te vervloeken is eene godslastering. Ruwe woorden zijn geene zonden, maar verraden eene slechte opvoeding.
Niets trekt zoozeer den vloek des hemels af over den mensch als de godslastering. De H. Maagd heeft het ons zelf komen verzekeren op den berg van Salette. En hoe kan het anders ? Den driewerf heiligen God. dien de zondaar moest zegenen, omdat hij alles van Hem ontving, beleedigt hij in het aangezicht. En dien gruwel pleegt hij, zonder dat hij er toe gedreven wordt door tijdelijk voordeel of door genotzucht, uit loutere boosheid derhalve.
De godslasteraar verontschuldigt zich somtijds roet te zeggen, dat hij de meening niet heeft God te beleedigen ; maar welke waarde heeft die verontschuldiging, wanneer hij voortleeft in de gewoonte van woorden uit te spreken, die de duivelen waardig zijn, die de ooren der brave christenen kwetsen, die de zielen ergeren, zonder dat hij eenige moeite doet om er zich van te beteren ? Hij verdient derhalve eene straf, die overeenstemt met de boosheid van zijne zonde. Twee Israëlieten kregen twist met elkander en een hunner vloekte. Het volk, dat het hoorde, gruwde er van, en Mozes raadpleegde God. âBreng den godslasteraar buiten het kampquot;, antwoordde de Heer, âen dat al het volk hem steenige.quot; Het vonnis werd uitgevoerd. Sennacherib belegert Jeruzalem en schrijft aan koning Ezechias een brief vol lasteringen tegen den waren God. En de Heer zendt zijn engel, die 185,000 mannen van het leger der Assyriers doodt. Sennacherib neemt de vlucht; en in den tempel van zijne valsche goden vindt hij zijne zonen met dolken gewapend, die zij hunnen vader in het hart stooten
â 160 -
De H. Gregorius van Tours verhaalt, dat een zekere Joannes uil de stad Poitiers ten gevolge van eene godslastering doolstom werd, zijn verstand verloor en ellendig omkwam. Hei is de godslastering, die den ann va?i mijn Zoon verzwaart, heeft Onze Lieve Vrouw van Salette gezegd. En de profeet Isaias schrijft al de rampen van de Joden toe aan hunne godslasteringen. Dikwijls hebben koningen de godslasteraars streng gestraft, om hun volk te behoeden voor de rampen, welke hunne zonden over het menschdom aftrekken.
De H. Lodewijk liet hun de tong doorsteken. Zijne opvolgers volgden deze billijke gestrengheid na. En men klage niet over die gestrengheid. In onzen tijd heeft men wetten om de dieren te beschermen, die maar slachtvee zijn. Waarom zou men er dan geen moeten maken om de eer van God te verdedigen? Ongetwijfeld, de heidenen zelfs spaarden degenen niet, die hunne valsche goden lasterden. Socrates werd van deze misdaad beschuldigd, en het kostte hem het leven. De ongeloovige koning Nabuchodonosor vaardigde een decreet uit, waarin hij beval den godslasteraar te doodenenzijn huis te verwoesten. Als niemand de eer van God verdedigt, dan zal Hij zich zelf weten te wreken; en als Hij het niet doet in deze wereld, dan zal Hij het doen in de andere. Die God lasteren zullen eens dit vonnis hooren: Gaat iveg van mij, vervloek/en naar het eeuwige vuur. Gaat Mij vervloeken met de duivelen, omdat gij Mij niet gezegend hebt met de heiligen.
Ahvie derhalve deze schuldige gewoonte niet vaarwel zegt, is zeer te beklagen; maar wanneer men door een waar berouw en een oprecht en vast voornemen zich van zijne gewoonte wil verbeteren en men z ich eene godslastering laat ontvallen, zonder
- 161 -
â¢dat men er ten volle op bedacht is, dan bedrijft men geene groote zonde; doch zoodra men dat ongeluk bemerkt, moet men het betreuren en de middelen gebruiken om het in de toekomst te voorkomen ; als men niets doen zou om üich te verbeteren, dan zou men klaarblijkelijk schuldig zijn.
Maar welke zijn die middelen ? i0 Voor sommigen, â die het niet kunnen zonder hardklinkende woorden, is het goed, dat zij zich gewoon maken in oogen-blikken van gramschap een wooid te gebruiken, dat niemand beleedigt en dat hen behoedt voor de vreeselijke godslastering; 20 zich tot boete eene kleine aalmoes aan den arme opleggen, telkens wanneer men zich vergeet; 3quot; eene akte van berouw bidden, aanstonds nadat men gevloekt heelt, ot des avonds, als men alleen is, den grond kussen, zoo dikwijls als men dit ongeluk gehad heeft en beloven, dat men zich beteren zal.
Merken wij ten slotte op, dat het een plicht is voor de ouders, de oversten, de hoofden eener werkplaats het vloeken in hunne huizen te verbieden. Door behagen te nemen in het hooren van godslasteringen maakt men zich even schuldig als de godslasteraar zelf. En de brave christenen, die deze ontzettende beleediging van den Naam des Heeren hooren, zeggen bij zich zeiven tot eerherstel: De Naam des Heeren zij gezegend! of: Glorie zij â den Vader en den Zoon en den H. Geest. Zoo deed na zijne bekeering de beroemde scheepskapitein Marceau.
U
- 162 -
HOOFDSTUK X.
Van den eed en het breken van beloften.
Eed doen is God tot getuige nemen van hetgeen men bevestigt of belooft. Er zijn er, die bij allerlei gesprekken zonder eenig nut den eed gebruiken.. Het is eene slechte gewoonte, die hen blootstelt aan het gevaar van valsche eeden te doen. Ten laatste gelooft men hem niet meer, die altijd God tot getuige neemt van hetgeen hij bevestigt. Het spreekwoord zegt: Die geen eerbied heeft voor den eed, heeft geen eerbied voor de waarheid. Men mag geen eed doen dan wanneer men er toe verplicht is door eene gegronde reden, bij voorbeeld, wanneer de eed gevraagd wordt voor de rechtbank.
Men zondigt zwaar door eene onwaarheid of eene twijfelachtige zaak onder eed als zekere waarheid te bevestigen, of wel iets onder eede te beloven, wat men niet voornemens is te doen. Als men door een valschen eed een onschuldige laat ver-oordeelen, dan is men verplictit de veroorzaakte schade te herstellen. Godwin, graaf van Kent, had prins Alfred van Engeland ter dood laten brengen en de Engelschen overgehaald om de kroon te geven aan Alfred's broeder, Eduard III, die gehuwd was met de dochter van Godwin. Op zekeren dag, dat zij samen den maaltijd gebruikten, deed de edel-knaap, die den vorst een drank aanbood, een verkeerden stap, zonder nochtans iets te storten; en om uit te drukken, dat de eene voet den andere ondersteund had, haalde hij dezen tekst uit H. Schrift aan: De broeder, die door zijn broeder ondersteund wordt, zal niet wankelen. jjHet is waar,.
hernam de koning, dat, als ik mijn broeder nog had, hij mij een groote steun zou wezen.quot; En terwijl hij deze woorden sprak, wierp hij een strengen blik op Godwin, Godwin, die den koning door een valschen eed meende te kunnen bedriegen, bracht een stuk brood aan den mond, en zeide: âAls ik eenig deel gehad heb aan den dood van Alfred, dan moge dit stuk brood het laatste zijn, dat ik zal eten.quot; En het brood bleef in zijn keel steken en deed hem stikken. Het was eene rechtvaardige straf voor den valschen eed. Men zondigt ook zwaar, wanneer men groot kwaad spreekt en dit onder eed bevestigt, eveneens wanneer men onder eed belooft groot kwaad te zullen doen. In dit laatste geval is men niet alleen niet verplicht te doen, wat men heeft beloofd, maar men zou zelfs zondigen door het te doen. Wie veroordeelt niet de wreede handelwijze van Herodes, die door zijn eed meende verplicht te zijn aan de dochter van de schandelijke Herodias het hoofd van den H. Joannes den Dooper op een schotel te laten aanbieden?
Doch wanneer men eene geoorloofde zaak van eenig gewicht onder eed heeft toegezegd, dan is men verplicht zijne belofte te houden, wanneer men kan, of zich door zijnen biechtvader van den eed te laten ontheffen.
Het verbreken van beloften wordt door het tweede gebod verboden, evenals de valsche en onrechtvaardige eeden. Eene belofte is niet een eenvoudig voornemen, maar eene stellige toezegging, aan God gedaan, van iets te volbrengen wat mogelijk en goed is. En zelfs niet al wat goed is kan door belofte verplichtend worden ; zoo heeft de belofte van een goeden maaltijd te houden geen kracht, omdat vasten aangenamer is aan God dan eten. Hetzelfde is het geval met het huwelijk, want de maagdelijke staat is volmaakter.
- 164 -
Het is derhalve noodzakelijk, dat hetgeen beloofd is beter zij dan het tegenovergestelde, om door God aanvaard te worden.
De beloften, welke aan God het meest aangenaam zijn, zijn die, welke in de kloosters gedaan worden, omdat zij den mensch geheel aan God toewijden. De belofte van in de wereld de volmaakte zuiverheid te beoefenen heeft ook eene groote verdienste, en als zij voor altijd gedaan wordt, dan kan de Paus alleen er van ontslaan.
Hoe het zij, men moet elke ongetrouwheid in be-lotten vreezen en voorkomen. Daarom is het zaak nooit eene belofte te doen dan na rijp beraad en met toestemming van zijn biechtvader. Dit is nog meer het geval met beloften, die verplichten voor langen tijd of voor heel het leven, dan met beloften, die slechts voor korten tijd verplichten.
Eene belofte eenmaal gedaan, zij het ook op onvoorzichtige wijze, moet gehouden worden en wel op de plaats, op den tijd en op de wijze, die men bedoeld heeft. Inderdaad, hoe zou men straffeloos zijn woord kunnen breken, dat men aan God gegeven heeft ? Is de beloofde zaak groot, dan wordt het breken van de belofte eene groote zonde, of het moet zijn, dat men bij het doen van de belofte de meening gehad heeft zich slechts onder dagelijksche zonde te verplichten Men kan zelfs zondigen door langen tijd het volbrengen van zijne beloften uit te stellen. Men kan zich niet zonder reden laten ontheffen van de beloften, die men gedaan heeft; maar om wettige reden kan men ze door zijn biechtvader laten veranderen.
Wanneer men, om eene gunst van God te verwerven, de belofte gedaan heeft van een goed werk te doen, dan is men niet tot het goed werk gehouden, wanneer de gunst niet verleend is.
- 165 â
Men is ook niet verplicht beloften van gebeden en bedevaarten te volbrengen, welke overleden ouders vóór hunnen dood gedaan hebben. Iets anders is het, wanneer de ouders vóór hunnen dood eene som geld voor een goed werk aan God beloofd hebben ; met de erfenis te aanvaarden nemen hunne erfgenamen de verplichting op zich al hunne schulden te voldoen, zoowel die zij hebben aangegaan voor God, als die zij hebben aangegaan voor de menschen. Gelukkig zij die, na op voorzichtige wijze heilzame beloften gedaan te hebben, met David zeggen : Ik zal den Heere mijne beloften beialen in iegen-woordigheid van al zijn volk. Bij de verdienste van het goed werk, dat zij verrichten, komt nog eene tweede verdienste, van eene uitstekende oefening van godsvrucht, welke God niet zonder belooning zal laten, want Hij laat zich niet in edelmoedigheid overtreffen.
De H. Lodewijk, koning van Frankrijk, lag op het uiterste, doch, toen hij het gebruik van zijne zintuigen herkreeg, vroeg hij het kruis en legde het op zijne borst, tot teeken van de belofte, die hij inwendig deed, van ter kruistocht uit te trekken, als hij genas. Hij genas inderdaad en hij droeg altijd het kruis bij zich, in afwachting van de gelegenheid om zich in te schepen naar Palestina. Blanca, zijne moeder, en al de grooten des rijks stelden hem yoor, dat Frankrijk het grootste gevaar liep van den kant der Engelschen, als hij zich verwijderde ; dat zijne belofte, in eene hevige ziekte gedaan, geen kracht had; dat hij er zich van kon laten ontheffen. Op al die redeneeringen antwoordde de koning; âMen kan niet veronderstellen, dat mijne hersens op het oogenblik door de ziekte gestoord zijn; welnu ! ik neem op nieuw het kruis en ik hernieuw mijne belofte.quot; Allen zwegen en bewon-
derden zijne getrouwheid in het volbrengen van de belofte aan God gedaan.
HOOFDSTUK XL Over den Zondag.
Het derde gebod gelast ons den dag des Heeren te heiligen. God is Heer en Meester van al onze dagen ; altijd dus moeten wij Hem dienen ; maar het is eene verplichting van de wet der natuur eenige dagen van ons leven meer bijzonder aan zijn dienst te wijden. In de oude wet had God zijn volk bevolen den Sabbatdag of den Zaterdag van elke week te heiligen. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk verrichten, had Hij gezegd, maar op den zevende?! dag is het de sabbat van den Heer, uwen God ; op dien dag zult gij geen arbeid verrichten, noch gij, noch uw zoon, noch uwe dochter, noch uw dienstknecht, noch mve dienstmaagd, noch uw lastdier, noch de vreemdeling, die in 7iw huis is.
In weerwil van dit verbod, verstoutte zich een Israëliet hout te sprokkelen op den dag des Heeren. Mozes raadpleegde God, om te weten, welke straf op hem moest worden toegepast. En de Heer zeide tot hem : Die man zal den dood sterven, de ganse he me?iigte zal hem steenigen. En de schuldige werd gesteenigd. Niet alleen de Joden hebben den zevenden dag geheiligd: zelfs de Mahomedanen, sommige andere ongeloovigen en al de ketters hebben hem geëerbiedigd en eerbiedigen hem nog. In de nieuwe wet is de Zaterdag vervangen door den Zondag, tot gedachtenis der Verrijzenis van onzen goddelijken Zaligmaker en de Nederdaling van den H. Geest over de Anostelen. En het is voor iederen christen
eene zware verplichting dien te heiligen. De zondagschennis is eene ramp voor den mensch, voor het huisgezin en voor de geheele maatschappij.
Onze gezondheid vordert rust. De mensch verliest zijne krachten spoediger op die plaatsen, waar de zondag niet wordt geëerbiedigd. De ossen zelfs loeiden van weerzin, wanneer zij in de bloedige dagen van de Fransche Revolutie gedwongen werden op zondag te werken. De tijdelijke belangen worden dikwijls geschaad door een arbeid, welken het geweten veroordeelt. Evenmin als het onrechtvaardig verwofven goed zal een zondige arbeid den mensch rijk maken. Ah men aldus zijne schatten opeenstapelt, zal dat gebouw, tegen den wil van God opgetrokken, niet hecht zijn, het zal spoedig instorten. Tenzij de Heer hei huis bouwt, hebben zij, die het opbouwen, te vergeefs gearbeid, zegt de H. Geest.
Men verhaalt in het leven van den H. Joannes den Aalmoezenier, dat er in zijn tijd te Alexandrië twee schoenmakers waren, waarvan de een, belast met de zorg voor een groot huisgezin, wonderbaar goede zaken deed; terwijl de andere altijd in armoede verkeerde, hoewel hij even bekwaam was, minder kinderen had en alle zondagen werkte; deze, wiens zaken zoo slecht gingen, bezocht op zekeren dag den andere, om hem de geheime oorzaak van zijn voorspoed te vragen. âO, zeide hij, ik heb behalve mijn arbeid nog een geheimen schat, dien ik u zondag zal toonen.quot; Des zondags bracht hij zijn vriend naar de kerk en zeide hem: âDaar is mijn schat, dat is de zegen van God. Vraag hem met mij iederen zondag door het gebed, en staak uw arbeid; en gij zult voorspoed hebben in uw huis.quot; De arme man volgde dien raad op en van toen af gelukte hem alles.
Dan, de mensch. die zonder tusschenpoozen arbeidt,
- 168 â
wordt stoffelijk evenals de aarde, die hij bewerkt,, evenals het werktuig, dat hij gebruikt. Zonder zondag geen onderrichting in den godsdienst, geen deugd. Waar vindt men de oproermakers, de bandieten, de goddeloozen? Onder de schenders vart den zondag. Welke verdierlijking treft men aaa bij hen, die de Kerk niet meer kennen willen à Hoort hunne gesprekken!.... Zulke menschen verliezen: met de deugd allen waren troost. Eindelijk, nooit zullen zij de eeuwige rust der uitverkorenen genieten, als zij geene boetvaardigheid doen, zij, die den rustdag des Heeren hebben geschonden.
Het huisgezin heeft geen anderen band dan den zondag; als men hem wegneemt om er den maandag voor in de plaats te stellen, dan wordt het eene hel. Welken vrede kan een man, die verdierlijkt is door aanhoudenden arbeid of door de uitspattingen van den maandag, aan den huiselijken haard brengen?
Zonder zondag is ook de maatschappij ten verderve gedoemd. De H. Maagd is het ons te Salette komen zeggen, dat de schending van den Zondag vooral den arm van haar Zoon over zijn weerspannig volk verzwaarde. Zonder zondag geen onderrichting, geen godsdienst. Welnu daar de. godsdienst de hechtste steun is van de maatschappij, moet deze ten gronde gaan, wanneer de godsdienst zal bezweken zijn onder de slagen van hen, die den zondag ontheiligen.
Integendeel, de heiliging van den zondag bewaart de gezondheid van den mensch; zij doet den zegen des hemels over zijn arbeid afdalen en maakt dien vruchtbaar; zij verheft zijne ziel, voedt zijn verstand met het brood des levens; zij doet de liefde herleven aan den voet des Altaars; zij vereenigt het huisgezin, dat gedurende de week dikwijls verspreid is, zij maakt de welvaart der volken uit
- 169 -
In 1857 leidde de Bisschop van Chdlons, een eerbiedwaardige grijsaard, een bezoeker rond in zijne kathedraal, hij bracht hem in eene kapel, toonde hem een grafsteen en zeide: âZiedaar het graf, dat ik mij heb laten gereed maken. De woorden, die ik er op heb laten graveeren, zijn het eenige grafschrift, dat ik verlang.quot; De vreemdeling boog neder om het te lezen; het bevatte slechts deze woorden: Wees gedachtig, dat gij den dag des Heer en heiligt.
Die heilige Bisschop wilde zelfs na zijn dood de groote zondagswet prediken.
Er is genoeg gezegd om ieder verstandig mensch te doen besluiten den zondag te heiligen. Maar zeggen wij nog, wat hiertoe behoort gedaan te worden.
De Joden hadden het besluit gemaakt zich tegen eiken prijs van Jesus te ontdoen en Hem ter dood te brengen. Zij durfden het echter niet doen op een feestdag. Helaas! er zijn er, die hiervoor zelfs niet terugschrikken. Zij verwoesten door de zonde het leven van Jezus in hun hart. Men wachte zich vooral op zondag voor ergerlijke feesten, voor gezelschappen, lectuur, gelegenheden, die gevaarlijk zijn.
Het is een strenge plicht zich op zondag te wachten voor slafelijken arbeid, als spitten, maaien, naaien, eenig ambacht uitoefenen. Processen,markten, publieke verkoopingen, niet door het gebruik gewettigd, zijn eveneens verboden. Hoe zeer ware het te wenschen, dat alle winkels op zondag gesloten waren! Dat onderhouden de protestanten zelfs. Men mag echter koopen en verkoopen wat noodzakelijk is voor het dagelijksch gebruik.
Langer dan twee en een half uur op zondag werken is eene groote zonde, als men ten minste geen gewichtige reden heeft, bijvoorbeeld uit vrees, dat een onweder den oogst zal bederven. Ter.
- 170 -
einde zich zelf niet te misleiden in dergelijke gevallen, is het goed den pastoor raad te vragen. Het is eene ergerlijke handelwijze, wanneer ouders, oversten, werkgevers zonder noodzakelijkheid hunne kinderen, hunne dienstboden, hunne werklieden op zondag geruimen tijd laten arbeiden. De onderdanen zijn niet verplicht te gehoorzamen aan hen, die hun bevelen, op zulke wijze de wet te overtreden; evenwel om mishandelingen, groot nadeel of grooter kwaad te voorkomen, mogen vrouw, kinderen en dienstboden op zondag arbeiden, als zij er toe worden gedwongen.
Men moet zich op verplichte feestdagen van verboden arbeid onthouden evenals op zondag; en op die feestdagen is men evenals op zondag streng verplicht de H. Mis bij te wonen, en te zorgen, dat dienstboden en kinderen, als zij hun zevende jaar voleindigd hebben, de H. Mis bijwonen.
Om van dezen plicht ontheven te worden is eene lichte reden niet voldoende; daar is eene zware reden voor noodig. Als men op zondag op reis moet, zorge men Mis te hooren vóór het vertrek of bij tijds aanwezig te zijn in de Mis van de parochie, waarheen men gaat. Komt men door zijne schuld na de Offerande van de'Mis, of verwijdert men zich zonder wettige reden vóór de Communie van den priester, dan zondigt men grootelijks. Al pratende en lachende met anderen de H. Mis bijwonen is geene handeling van godsdienstigheid, maar een soort van onteering van den godsdienst.
Er zijn er, die, zooals de H. Maagd te Salette zeide, alleen naar de Kerk gaan om met den godsdienst te spotten.
Terwijl Fhilips II, koning van Spanje, op een zondag de H. Mis bijwoonde, bemerkte hij twee hovelinsren. die niets deden dan praten en lachen.
- 171 -
Bij het uitgaan van de kapel liet de koning hen in zijn cabinet roepen, wierp op hen een verpletterenden blik en zeide hun : âMijne heeren, woont gij aldus de H. Mis bij ? Vertrekt van hier ! en laat ik u nooit meer zien in dit paleisquot; !
Dit woord klonk hun beiden als een donderslag in de ooren. De een stierf uit verdriet drie dagen daarna en de andere werd er krankzinnig van. Wat zal het dan zijn uit den mond van den onsterfelijken koning der eeuwen te moeten hooren : âVervloekten, gaat weg van Mij naar het eeuwige vuurquot; !!!
Allen, maar vooral jongelieden en kinderen, moeten derhalve in de kerk eene plaats uitkiezen ver van die hen kunnen verstrooien. De ouders moeten er op letten ; zij moeten hunne kinderen een boek of een rozenkrans in de hand geven en zelf het voorbeeld geven, opdat allen zich godvruchtig bezig houden. En bij het gaan naar de Kerk vermijde men in gezelschap te komen van die soort personen, van wie nun weet, dat ze anderen over zouden halen om uit de H. Mis te blijven.
De H. Alphonsus verhaalt, dat drie kooplieden gereed waren om samen te vertrekken uit de stad Gubbio ; een hunner wilde eerst de H. Mis bijwonen, de twee anderen niet. Toen zij gekomen waren op de brug over eene rivier, welke Boriuone genoemd wordt, bezweek deze door den drang van het water der rivier, welke door de regens sterk gezwollen was, en beiden kwamen om. De derde kwam een half uur later uit de Mis en vond hunne lijken op den oever.
Behalve het hooren van de H. Mis is het zeer aan te bevelen ook de andere godsdienstige oefeningen bij te wonen. Al is men hiertoe niet streng verplicht, het is toch een zeer geschikt middel om den dag des Heeren te heiligen. Heeft men --oede reden
- 172 -
om de H. Mis niet bij te wonen, dan kan men niet beter doen dan thuis de gebeden van de H. Mis te lezen. Daarenboven kan men met veel vrucht aan den voet van een kruisbeeld de geestelijke Communie doen, omdat men het geluk niet heeft Ons Heer te ontvangen in de Kerk. Een uitmuntend middel om den zondag te heiligen is het bijwonen van het Lof. Hoe kan men den namiddag van den dag des Heeren beter gebruiken ? En als men het Lof niet bijwoont, wat doet men dan in dien tijd voor God, wat verdient men er mee ?
Als het Lof geëindigd is, moeten de ouders en hoofden der huisgezinnen zoodra mogelijk met dienstboden en kinderen in den huiselijken kring terug-keeren. De moeder des huisgezins zal goed doen met door hare zachtzinnigheid en kleine oplettendheden, als het noodig is, door wat meer werk te maken van het avondmaal, echtgenoot, kinderen en dienstboden bij zich te houden. Wat is het genoeglijk en aangenaam des zondags gezamenlijk buiten eene wandeling te maken verre van de gevaarlijke tooneel-voorstellingen! Wat vreugde verschaft men aan een zieke, aan een arm of bedroefd huisgezin, met het te gaan bezoeken!
Wat is het zalig zich aan de:.i huiselijken haard te bevinden, als niemand afwezig is. Men leest eenige bladzijden uit de christelijke leering, niets is nuttiger; men onderhoudt elkander over zijn lijden, zijn troost, zijne verwachtingen; men bidt gezamenlijk en de zondag, zoo doorgebracht, wordt een bron van zaligheid voor de zielen. Zij doen een schat van genaden op, die zij noodig zullen hebben om de andere dagen, ja, het geheele leven heilig door te brengen.
Door eene andere Mis te hooren dan die van de parochie voldoet men aan zijne verplichting. De
- 173
Mis met preek of onderrichting verdient de voorkeur. Men zou zelfs verplicht zijn die Mis bij te wonen, als het noodig is om onderricht te worden in de waarheden van den godsdienst of om uit den staat van zonde te geraken. En vooral tegenwoordig hebben allen zoo groot noodig het woord Gods te hoorenl Dat woord met weerzin hooren is een kwaad teeken, en het gaarne hooren in preek en catechismus is «en teeken van voorbeschikking.
HOOFDSTUK XII.
De Plichten van kinderen en onderdanen.
Mozes ontving uit de hand van Godit,,twee steenen tafelen, waarop de wet des Heeren was gegrift. Op de eerste las men de rechten van God, die wij zoo juist hebben verklaard, en welke men tegenwoordig zoo licht vergeet, om de rechten van den mensch te verkondigen. Op de tweede las men de eenige ware rechten van den mensch, welke God zelf niet heeft vergeten.
Aan het hoofd van die rechten komen die van de ouders en de oversten, die in het vaderschap en het gezag van God deelen, en die bijgevolg het meest onzen eerbied waardig zijn.
Eer uwen vader en uwe moeder, zegt het goddelijk wetboek, opdat gij lang moogt leven op aarde. Eer â uwen vader en vergeet de zuchten uwer moeder riiet: gedenk, dat gij zonder hen niet zoudt geboren zijn ; â¢vergeld hun de zorgen, die zij voor u gehad hebben.
De eer, die men aan de ouders verschuldigd is, behelst de liefde, den eerbied en de gehoorzaamheid. De liefde, aan de ouders verschuldigd, in zooverre
- 174 -
wij hun het leven danken, en zelfs aan het vaderland, is onderscheiden van de liefde, die men aan den evenmensch verschuldigd is; en de kinderen, die hunne ouders zouden haten en groot kwaad toewenschen, zij het ook alleen inwendig, zondigen niet alleen tegen de liefde in het algemeen maar ook nog tegen de liefde aan de ouders verschuldigd. Hunne zonde zou nog grooter zijn, als zij hun haat aan den dag legden door woorden of uitwendige teekenen, als zij hen, aan wie zij het leven danken, tot schreiens toe zouden bedroeven, als zij hen slecht behandelden, als zij zoover gingen, dat zij de hand tegen hen zouden opheffen of hen slaan, als zij groot kwaad van hen zeiden, als zij hen voor de rechtbank zouden beschuldigen, als zij weigerden hen te bezoeken in ziekte of ouderdom, en hen gebrek lieten lijden aan het noodzakelijke, als zij hen op onrechtvaardige wijze beletten hun testament te maken, vooral als zij niet zorgden hun de troostmiddelen van den godsdienst in hunne laatste oogenblikken te verschaften, als zij hun bij den dood geene christelijke begrafenis volgens hun staat lieten geven, als zij na hunnen dood niet voor hen baden en hun laatsten wil niet volbrachten.
Met het oog op de ondankbaarheid en hardheid van sommige kinderen in onze dagen, halen wij een paar voorbeelden aan uit de H. Schrift. Niets is bewonderenswaardiger dan het gedrag van Joseph ten opzichte van Jacob, zijn vader, viens bevoorrecht kind hij was geweest in zijne jeugd. Onderkoning van Egypte geworden, vergat hij zijn vader niet, al was deze slechts een eenvoudige herder. Hij vroeg met aandrang inlichtingen omtrent hem, zond hem rijke geschenken, liet hem met koninklijke rijtuigen afhalen, omhelsde hem hartelijk onder het storten
â 175 â
van tranen, stelde hem aan den koning voor, wees hem de beste streek van het land aan, bezocht hem dikwijls, zat neder aan zijn sterfbed en sloot hem de oogen, terwijl hij overvloedige tranen stortte. Vervolgens wierp hij zich op het lijk van zijn vader, overdekte zijn aangezicht met kussen, liet het balsemen en ging het zelf nederleggen in het graf van zijne voorouders in het land van Chanaan.
Ten tijde van een hongersnood had Noëmi het land van Juda verlaten om zich met haar echtgenoot en twee zonen naar het land van Moab te begeven. Toen zij in dat vreemd land weduwe geworden was, liet zij hare zonen huwen met twee vrouwen van Moab, waarvan de eene Orpha en de andere Ruth genoemd werd. Negen of tien jaren later, toen de arme weduwe hare twee zonen verloren had, wilde zij naar haar vaderland terugkeeren. Hare twee schoondochters vergezelden haar. Noëmi smeekte haar niet met haar te gaan en omhelsde ze tot afscheid. Beiden begonnen te weenen: âKeert terug, mijne dochters, zeide Noëmi; ik heb geene zonen meer, die ik u zou kunnen geven, dringt niet langer aan, mijne kinderen, uwe smart vergroot nog de mijne. De hand des Heeren drukt zwaar op mij.quot; En hare twee schoondochters schreiden nog luider.
Orpha dan omhelst nogmaals Noëmi en verlaat haar; maar Ruth blijft bij hare schoonmoeder, die haar te vergeefs tracht te bewegen om ürpha te volgen. âWaarom dwingt gij mij u te verlatenquot; ? zegt Ruth. âOveral, waar gij gaan zult, zal ik u volgen; ik zal daar zijn, waar gij u zult ophouden. Uw volk zal mijn volk zijn, uw God zal mijn God wezen. Ik zal sterven in het land, dat uw overschot zal bevatten; en daar zal ik mijn graf vinden.quot; Noêmi, overtuigd van de liefde van Ruth, nam haar met zich; Ruth ging aren lezen om haar voedsel
- 176 -
'te verschaffen: zij bracht haar iederen avond met het graan, dat zij verzameld had, een gedeelte van het voedsel, dat zij als aalmoes bad ontvangen. Zooveel liefde verdiende beloond te worden. De belooning was groot: zij verdiende een van de voorzaten te worden van den heiligen koning David, en quot;bijgevolg ook van den Zaligmaker.
Als de schoonzonen en schoondochters altijd de gevoelens hadden van deze Moabietische vrouw, welke vrede zou er dan heerschen in de huisgezinnen, waar nu de tweedracht heerscht!
De misdaad van hem, die zijn vaderland verraadt, zou niet minder groot zijn dan de haat ten opzichte van een vader.
De eerbied, aan de ouders verschuldigd, vordert nog, dat men hen inwendig acht en hun uitwendig die achting toont. Het is derhalve eene zonde zijne ouders te verachten, en het is eene groote zonde, als het kind hun de gewone teekenen van eerbied weigert, als het hen niet wil kennen, als het hen ernstig bedroeft door verwenschingen, of beleedigingen of blikken van minachting.
Benedictus XI, een zoon van arme ouders, werd in 1303 op den pauselijken troon verheven. Zijne moeder, eene arme vrouw uit het volk, wilde hem spreken. Hij vroeg, hoe zij gekleed was. Men antwoordde, dat zij geheel in zijde was gekleed. âDan is het mijne moeder niet,quot; zeide hij. Dat antwoord werd aan de moeder overgebracht. Zij hernam hare eenvoudige kleeding en meldde zich op nieuw aan. Nu ontving haar de Paus en hij omhelsde haar met teederheid.
De oversten, de onderwijzers van de jeugd, de voogden, de grootvaders hebben eveneens recht op den eerbied van hen, die aan hunne zorgen zijn '.toevertrouwd. Alexander de Groote was gewoon te
- 177 -
â zeggen, dat hij meer verschuldigd was aan zijn leermeester dan aan zijn vader Philippus, want had deze hem het leven geschonken, gene had hem geleerd zijn leven goed te gebruiken. De H. Geest wil, dat jonge lieden opstaan om hunnen eerbied te bewijzen aan de grijze haren van een bejaard man. Men kent de straf van de kinderen, die, vergaderd aan de poorten der stad, den profeet Eliseus spottend toeriepen: âGa op, kale kop, ga op.quot; Twee leren kwamen uit het bosch en verscheurden er twee en veertig.
God, die alles goed gedaan heeft, wist, dat het kind moest afdwalen, als het niet in toom gehouden werd door het gezag van vader en moeder. Daarom heeft Hij den wil van het kind aan dat heilig gezag â onderworpen. Wie beklaagt niet het lot van het weeskind, dat aan zijn lot is overgelaten ? Het loopt zooveel gevaar verloren te gaan. Het kind, de jongeling, die niet gehoorzaam zijn, zijn nog ongelukkiger. Men kan hen niet beter vergelijken dan met een onstuimig paard, dat voor een wagen gespannen toomeloos voortholt en zich met alles, wat het achter zich heeft, in eene diepte stort.
De kinderen zondigen zwaar, ten minste zoolang zij nog onder de ouderlijke zorg zijn, als zij een arbeid van aanbelang, die hun is toevertrouwd, ver-waarloozen, of wanneer zij zich niet toeleggen op de studiën, die hunne ouders hun opleggen, of als zij tegen den wil van hunne ouders het ouderlijk huis verlaten. Zij zijn nog meer schuldig, als zij niet gehoorzamen, wanneer hunne ouders hun verbieden slechte boeken te lezen, zich te begeven naar slechte gezelschappen, wereldsche feesten, gevaarlijke huizen of bijeenkomsten, of wel wanneer de ouders hun gebieden hunne christelijke plichten te vervullen,
12
â 178 -
als de H. Sacramenten te ontvangen, Mis te hooren, de vasten te onderhouden.
Er zijn maar twee gevallen, waarin de kinderen niet behoeven en niet mogen gehoorzamen, namelijk 1° wanneer dezen zoover zouden gaan, dat zij hunne kinderen iets kwaads gebieden, en 2à wanneer zij hun op onrechtvaardige wijze de vrijheid willen benemen, welke God aan eiken mensch geeit, van een levensstaat te kiezen Wanneer er evenwel spraak is van het huwelijk, dan moeten de kinderen raad vragen aan hunne ouders, die in deze zaak meer ondervinding hebben dan zij. Ja, zij zondigen zelfs, zwaar met, tegen den wil van de ouders, iemand te huwen, die de familie schande zou aandoen, (i)
A/s mijn volk zich niet wil onderwerpen, ben ik verplicht den arm van mijn Zoon los ie laten, zeide de H. Maagd op den berg van Salette. De jeugd» die zich niet wil onderwerpen en zich verzet tegen het gezag van vader of moeder, kan alle slag van rampen verwachten. Men merke wel op, dat moeder hetzelfde gezag heeft als vader over al de kinderen ; hoe treurig is het, wanneer dezen misbruik maken van de natuurlijke zwakheid van eene moeder om haar wakend oog te ontvluchten, haar te misleiden of haar ongehoorzaam te zijn
De oude Tobias zeide tot zijn zoon: Eer uwe moeder al de dagen van uw leven, want gij moet gedenken, welke smarten en gevaren zij voor u heeft doorgestaan.
De dienstboden, leerlingen, werklieden, weeskinderen zijn ook gehoorzaamheid verschuldigd, vooral in datgene, wat de goede zeden betreft, aan hunne patroons, aan hunne voogden of aan hunne groot-
(i) Ons werkje» getiteld Jongedochter en de christelijke Maagd in de leerschool der Heiligen,quot; zullen de jonge dochters met vrucht lezen en overwegen.
ouders. De diensboden en werklieden zondigen, als zij de geheimen van het huisgezin bekend maken] als zij hun tijd verkwisten, of hem tot eigen voordeel gebruiken, als zij zonder groote reden vóór den bepaalden tijd den dienst verlaten, als zij het goed van hunne oversten, waarover zij moeten waken, verkwisten of stelen of het anderen laten verkwisten.
De wet Gods wil, dat men alle wettig gezag en al de rechtvaardige wetten van zijn land eerbiedige ; met meer reden nog zijn de geloovigen eerbied en gehoorzaamheid verschuldigd aan hunne herders.
HOOFDSTUK XIII.
De zorgen voor het tijdelijke aan de onderdanen verschuldigd.
De ouders en oversten, die deelen in de rechten van God, deelen ook in de zorgen van de goddelijke Voorzienigheid.
God bemint al zijne schepselen en de eerste plicht van de ouders is hunne kinderen lief te hebben. Die verplichting is zoo natuurlijk, dat zij, die hunne kinderen beminnen, daardoor geen lof verdienen, maar zij, die hen niet beminnen, verdienen alle blaam. Zoo spreekt de H. Augustinus. De ouders zondigen zwaar, als zij hunne kinderen haten, als zij hun groot kwaad toewenschen, als zij sommigen hunner kinderen op onrechtvaardige wijze voortrekken ten nadeele van de anderen. Wat tranen heeft het den patriarch Jacob niet gekost, dat hij eene voorliefde had voor Joseph, een van zijne jongste kinderen, en tot welke buitensporigheden lieten zich om die voorkeur zijne andere kinderen niet vervoeren !... . Even-
- 180 -
wel is het geoorloofd een deugdzaam kind meer dan een ander te begunstigen ; en het is zeer goed, dat een ondeugend kind wete, dat zijn vader het recht heeft het te bestraffen.
De liefde Gods is niet werkeloos De goddelijke Voorzienigheid voorziet in al de behoeften van hare schepselen. De liefde der ouders moet niet enkel in gevoelens bestaan, zij moet hen ook zorg doen hebben voor het lichaam en de ziel van hunne kinderen.
De vrouwen kunnen zwaar zondigen door het leven en de gezondheid van hun kind te benadeelen reeds voor diens geboorte; dit gebeurt, wanneer zij zware lasten dragen, al te zwaren arbeid verrichten, wanneer zij zich ernstig schuldig maken aan overdaad, hevige gramschap of groote droefgeestigheid. Nog meer schuldig zijn de mannen, die hunne vrouwen, wanneer zij moeder zijn geworden, slecht behandelen. Het is eene groote nalatigheid een klein kind naast zich te leggen in hetzelfde bed met gevaar voor z in leven, het in onzindelijkheid te laten wegkwijnen, het toe te vertrouwen aan andere kinderen die het niet voor vuur en andere gevaren kunnen behoeden. De moeder behoort zelf haar kind te voeden. Kan zij niet geschikt dien plicht vervullen, welken de koningin Blanca van Castilië, de moeder van den H. Lodewijk, aan niemand anders wilde toevertrouwen, dan is het ten minste een strenge plicht eene voedster te kiezen van goede gezondheid en vooral van goede zeden. Het kind neemt met het voedsel de ziekten en ondeugden aan van zijne voedster. De ouders zijn verplicht aan hunne kinderen, zelfs aan onwettige kinderen, behoorlijk voedsel en kleeding te geven, ook al hadden deze kinderen hun aandeel verkwist; maar zij zijn niet verplicht de schulden te betalen,
welke hunne kinderen zonder noodzakelijkheid hebben aangegaan. Als zij hunne kinderen verlaten, voordat zij in staat zijn voor zich zeiven te zorgen, dan zijn zij zeer schuldig. Maar zij zijn zeer onvoorzichtig met tijdens hun leven ten bate van hunne kinderen afstand te doen van al hunne goederen ; zij zouden gevaar loopen hun ouden dag in ellende en tranen te moeten doorbrengen
De oversten zondigen ook door hunne dienstboden arbeid op te leggen, die hunne krachten te boven gaat, door hun het voedsel te weigeren, dat zij noodig hebben tot hun onderhoud, en door hun het loon te onthouden, waarvoor zij overeen zijn gekomen.
De vogel leert zijne jongen de schil te breken van de zaadkorrel, waarmede zij zich voeden ; de ouders moeten hunne kinderen een middel van bestaan verschafifen. Zij moeten hen derhalve volgens hunnen staat opvoeden en behoorlijk tot stand brengen. Op onbillijke wijze een uitzet weigeren aan een kind, dat een staat wil omhelzen, vooral als deze de priesterlijke of kloosterlijke staat zou zijn, is eene groote zonde. Zeer schuldig zijn de ouders, die door dwaze geldverspillingen voor tafel of kleeding, door luiheid, door zorgeloosheid in hunne zaken, door gewaagde ondernemingen, zich ten gronde richten en zich onbekwaam maken om hunne kinderen tot stand te brengen.
Meer schuldig nog zijn diegenen, welke door bedreiging ot op andere wijze een kind dwingen een levensstaat te kiezen, waartoe het niet geroepen is, of het op onrechtvaardige wijze weerhouden van het huwelijk ot vooral van den ongehuwden of kloosterlijken staat.
Eenigen tijd voor de Fransche Revolutie van 1789 kwam een jongeling zich aanmelden bij een Guar-
diaan van een klooster der Capucijnen, en hem smeeken een onderzoek in te stellen naar zijne roeping. De kloosterling, die in hem de vereischte gesteltenissen aantrof, gat hem een brief mede voor een ander klooster, waar hij kon aangenomen worden. Maar de familie en de ouders van den jongeling doen zooveel pogingen om hem daarvan te weerhouden, dat zij er in slagen ; en de jongeling vertrekt naar Parijs, bestudeert daar de rechten en wordt advocaat. Die jongeling is Maximilaan Robespierre, die tijdens de Revolutie zooveel bloed deed stroomen. Was hij maar Capucijn geworden !
Te Tudela in Spanje was een rijk man, die slechts één zoon had, welke zich geroepen gevoelde tot den kloosterlijken staat. Tweemaal gmg de zoon in het klooster, tweemaal dwong de vader hem het klooster te verlaten. Hij haalde hem zelfs over tot het huwelijk De zoon wilde zich eene echtgenoote kiezen en de vader drong hem eene andere op, wat verdeeldheid tusschen hen veroorzaakte Ten gevolge van een twist doodde de zoon zijn vaderen eindigde zijn leven aan de galg. Hoe is het te verklaren, dat sommige christelijke families, die vroeger zoo menig lid telden onder de bedienaren van de H. Kerk, thans geen enkel kind meer schenken aan het heiligdom! Mgr. Mermillod zeide hun terecht; âGij buigt u onder de hand van de zonen uwer pachters, die u zegenen en u de absolutie geven; en uwe eigene zonen gebruiken hunne handen slechts om een paard te besturen en eene tooneelspeelster toe te juichen.quot;
Het is onze vaste overtuiging : wanneer het geloof verloren gaat in de families, dan is het dikwijls, omdat zij geen enkel lid hebben, dat zich aan God toewijdt door het priesterschap of den kloosterlijken staat of ten minste door den maagdelijken staat
in de wereld, üan is er niemand meer om een goeden raad te geven, een woord van opwekking, dat zooveel invloed ontleent aan de liefde en de toewijding aan den dienst van God. Als er zoovele â ouders zijn, die over hunne verlatenheid zuchten op hun ouden dag, dan is het dikwijls, omdat zij er niet toe hebben kunnen besluiten een van hunne dochters den maagdelijken staat te laten omhelzen. Zij hebben geen engel aan den huiselijken haard â¢om hunne tranen te drogen en hen bij te staan op hun ouden dag.
Niet alleen moet men een kind niet weerhouden, wanneer het een volmaakteren staat wil omhelzen, maar men moet het er toe aansporen, en het de voordeden er van doen begrijpen. Er zijn, God dank ! nog ouders, die zoo weten te handelen.
Eene kloosterzuster van de Visitatie te Tarascon sur Rhóne schreef ons den 6 September 1873 : âIk ben de dochter van eene heilige moeder, die mij bij haar dood de liefde tot onze Lieve Vrouw van Salette heeft nagelaten. In uw heiligdom staat haar naam geschreven op marmer, het zinnebeeld van haar onwrikbaar geloof, dat haar er toe bewogen had aan God te vragen, al hare kinderen voor zijnen dienst te willen aanvaarden. Zij werd verhoord : wij hebben alle vier de uitstekende gunst ontvangen van geroepen te worden tot het kloosterleven.quot; Wanneer men deze regels leest, denkt men onwillekeurig aan Alix, de moeder van den H. Bernardus, â die hare dochter en hare zeven zonen, welke God haar geschonken had, niet voor de wereld maar voor het klooster opvoedde. Zij quot;slaagde volkomen; al hare kinderen traden in het klooster.
- 184 -
HOOFDSTUK XIV.
De Zorgen voor het geestelijke aan
de onderdanen verschuldigd.
Om te voorzien in de stoffelijke en tijdelijke behoeften der schepselen, heeft de Voorzienigheid slechts een enkel vruchtbaar woord gesproken, dat aan allen te gelegener tijd het voedsel verschaft. Maar om de zielen te redden heeft God mirakelen moeten doen, waarover wij verbaasd staan. Daartoe is het noodig geweest, dat God de Zoon zich zoo diep vernederde, dat Hij mensch werd, dat Hij voor-ons stierf op het kruis en voor ons verbleef in het H. Sacrament. De ouders, oversten, voogden, peters, en meters, die zich alleen bezig houden met de zorgen voor het tijdelijke aan hunne onderhoorigen verschuldigd, vervullen slechts het geringste deel van hunne taak. Hun grootste plicht, hun voornaamste taak is te zorgen voor de zielen Zonder dat, zullen zij zelt verloren gaan en met hen degenen, die aan hunne zorg zijn toevertrouwd. De zorg voorde zielen behelst het doopsel, de onderrichting, de bewaking, de tucht, het goed voorbeeld en het gebed.
Het is eene zware verplichting voor de ouders hunne kinderen te laten doopen, ook dan wanneer zij dooreen ongeval ter wereld komen korten tijd nadat zij ontvangen zijn, en zelfs wanneer men er aan twijfelt of zij levend of dood zijn geboren. Te lang wachten met een kind te laten doopen, vooral als men het blootstelt aan het gevaar van zonder doopsel te sterven, is eene groote zonde. (Men zie, wai later
â .185 -
gezegd zal worden over het doopsel, derde deel,, hoofdstuk III).
De noodzakelijkste onderrichting is de onderrichting in den godsdienst: de ouders zijn verplicht-hunne kinderen de gebeden te leeren en de waarheden van den godsdienst, die wij in het eerste deel van dit boek hebben verklaard ; hen de akten van geloof, hoop, liefde en berouw te laten verrichten, zooals wij gezegd hebben in hoofdstuk I, II en lil van het tweede deel; hen de wet Gods en die der Kerk te doen onderhouden ; de christelijke deugden te doen beoefenen van gehoorzaamheiri, van nederigheid van versterving en voorai hen op te wekken tot het gebed en het dikwijls ontvangen van de H. H. Sacramenten De ouders zijn zwaar verplicht hunne kinderen het H. Sacrament der Biecht te laten ontvangen, zoodra zij God kunnen beleedigen, en zeker wanneer zij zeven jaren oud zijn, en hun, als zij in gevaar zijn van sterven, de H. Teerspijze oi althans het H. Oliesel te laten toedienen. Zij moeten hen 's Zondags naar de H. Mis zenden en er op letten, of zij die goed bijwonen De ouders, die hunne kinderen bederven door weerspannigheid, ijdelheid, hoogmoed, zinnelijkheid, onverschilligheid voor de plichten van den godsdienst zich bij hen te laten ontwikkelen, denken er niet aan, dat zij hun eigen tranen kweeken. Vki uw zoon, zegt de H. Geest, en ,qij zult eenmaal voor hem siddere7i.
De ouders zijn verplicht hunne kinderen naaiden catechismus te zenden, ook na de eerste H. Communie. In sommige cantons van de republiek van Zwitserland zijn de kinderen verplicht den catechismus bij te wonen tot hun negentiende jaar ; en de burgerlijke overheid steunt de kerkelijke overheid, om dit voorschrift te doen eerbiedigen.
In 1877 zeide Legouvé, lid van de Fransche
â 1SÃ -
Academie, op eene prijsuitdeeling van eene school te Parijs : âAls ik volstrekt verplicht was voor een kind een van beide te kiezen, of het zou kunnen lezen of bidden, dan zou ik zeggen: ik verkies, dat het bidden kan 1 Want bidden is lezen in het schoonste van alle boeken, in de tegenwoordigheid van Hem. van wien alle licht, alle gerechtigheid en alle goedheid voortkomt.
Met meer reden nog moet men voor zijne kinderen eene school uitkiezen, waar zij katholiek onderwijs ontvangen. Hen toevertrouwen aan onderwijzers of aan eene school, waar zij gevaar zouden loopen het geloof en de zeden te verliezen, dat zou van den kant van de ouders eene onverantwoordelijke fout zijn.
Dionysius de Oude, alleenheerscher van Syracuse, had tegen zijn schoonzoon Dio een vreeselijken haat opgevat; en om dien te voldoen, liet hij den zoon van Dio aan zijn hof komen. Deze beschouwde het als een teeken van welwillendheid en liet zijn zoon vertrekken. Dionysius gaf last aan al de grillen van het kind toe te geven en het geheel te laten begaan. Men deed het en weldra was het diep bedorven. Daarenboven prees men het om zijne misslagen en alzoo bracht men het tot alle soorten van buitensporigheden. Toen Dionysius zag, dat hij was, zooals hij hem verlangde, zond hij hem naar zijn vader terug, die al aanstonds zag, wat er van zijn zoon was geworden Hij werd er wanhopig van. Tevergeefs stelde hij hem onder de leiding van bekwame leermeesters. Liever dan zich te beteren, wierp de ongelukkige zich van boven van het huis naar beneden en viel zich het hootd te pletter. De grootste vijanden van de ouders en de kinderen zijn diegenen, welke de kinderen opvoeden zonder hen de deugd en de vreeze Gods te leeren.
De Mairan, lid van de Academie van wetenschap-
- 187 -
pen, verhaalt, dat hij te Beziers een vrijdenker heeft gekend, die zijne drie kinderen, twee jongens en een meisje, een opvoeding had gegeven zonder God. Die opvoeding droeg weldra vruchten; en alle drie onderscheidden zij zich door weerspannigheid, â door het spel en door losbandigheid. De arme moeder stierf weldra verzadigd van bitterheid. De kinderen vroegen hun erfdeel en gaven hun vader aan de armoede prijs. Een van zijne zonen stierf weldra om zijne misdaden op het schavot. De dochter eindigde haar leven te Bicêtre, in een bedelaarsgesticht ; de ande e zoon werd van zijne ontrouwe echtgenoote verlaten en verviel eveneens tot schande en gebrek. De arme vader werd krankzinnig en in zijne razernij sloeg hij zich op de borst en tegen t hQofd en riep hij uit: âWaar zijn mijne kinderen? Zij zijn in den afgrond. Ik heb hun dien afgrond gedolven.quot; Wat een ramp is eene opvoeding zonder God!
Ook de oversten zijn verplicht hunne onderdanen, vooral als zij nog jong zijn, onderrichting in den godsdienst te geven of te laten geven door anderen. Wat was het te wenschen, dat men in de huisgezinnen dikwijls iets las uit den catechismus of uit een godsdienstig boek!
Het goede zaad uitstrooien in de ziel van het kind, zonder den vijand te beletten er het zaad des onkruids in te werpen, is maar half werk. De ouders, de oversten, de voogden, de werkgevers, de onderwijzers moeten derhalve niet vergeten, dat zij aan God rekenschap zullen moeten geven van het gedrag hunner kinderen en onderdanen. Dat zij derhalve voortdurend waken over hun gedrag en reeds van hunne vroegste jeugd af. De moeders en voedsters moeten al de regels der zedigheid in acht nemen, bij het opstaan, bij het kleeden, bij het drsgen en
- 188 -
het voeden der kinderen, en zorgen, dat de huisge-nooten niets kunnen zien, wat aanstoot zou geven.
De ouders en oversten zondigen dikwijls zwaar, als zij hunne onderdanen niet afhouden van slechte of gevaarlijke gezelschappen, van ontijdig verkeer met personen van het ander geslacht, van theaters, en gevaarlijke plaatsen, van de vermaken van de wereld, en van slechte boeken. Ongelukkig de huisgezinnen, waar men slechte boeken en zedelooze platen bewaart, of waar men slechte nieuwsbladen krijgt! Men late de kinderen zoo weinig mogelijk aan hun lot over 't zij in huis, 't zij in schuur of werkplaats, 't zij op straat..
De kinderen nemen, als zij met hunne makkers langs de straat loopen, leelijke gewoonten aan, die even nadeelig zijn voor hunne gezondheid als voor hunne onschuld. Daarom doen de ouders goed met hunne kinderen thuis en onder hunne oogen te houden, en hen van hunne jeugd af ao.n lichten arbeid te gewennen ; met hen mêe te nemen naar hun werk, liever dan hen alleen te laten, en hen bij zich te houden wanneer zij naar de kerk of naar de school gaan, of uit de kerk of uit de^ school terugkeeren Kunnen zij hen onder weg niet vergezellen, dan zullen zij hen aan de waakzaamheid van anderen toevertrouwen; en moeten zij uit het ouderlijk huis afwezig zijn, dan zullen zij waakzame en deugdzame geburen voor hen laten zorgen.
Een zoon of dochter ver van 'huis laten gaan werken in een werkplaats of fabriek, waar zij niet worden bewaakt, is voor hen zeer verderfelijk. Het ware veel beter met hen droog brood te eten dan hen aldus aan het gevaar bloot te stellen. Men zorge ten minste hen te stellen onder de hoede van een bloedverwant of een deugdzamen vriend, die over hen waken zal en vader en moeder van alles op de
â 189 â
hoogte zullen houden. Men vergete hel niet, dat het verhuizen uit eene streek, waar het geloof bewaard is gebleven, naar de steden of naar onbekende streken zeer verderfelijk is.
Zeer schuldig zijn de ouders, de oversten, de werkgevers, de onderwijzers, die alles toelaten aan hunne kinderen, aan hunne dienstboden, hunne werklieden, hunne leerlingen; die hen nooit berispen, wanneer zij vloeken of de geboden van Ciod en de H. Kerk overtreden. Men herinnere zich het woord van den H. Geest: thvaas luid is aan het hart des kinds geboeid, maar de tuchtroede zal haar doeii vluchten. Boëtius verhaalt, dat een Romeinsch jongeling, op het oogenblik dat hij de doodstraf zou ondergaan, waartoe hij veroordeeld was, vroeg zijn vader te mogen spreken. Deze kwam en naderde zijn zoon om hem een laatst vaarwel te zeggen ; maar de zoon, in plaats van hem te omhelzen, bracht hem eene gapende wonde toe in het aangezicht en riep hem toe : âOngelukkige vader, omdat gij verwaarloosd hebt mij in mijne jeugd te bestraffen, zijt gij de oorzaak van mijne schande en den dood, dien ik moet ondergaanquot;. ... De oversten moeten een dienstbode, die onverbeterlijk is wegzenden, wanneer hij de kinderen en andere dienstboden bederft.
De ouders zondigen, als zij hunne kinderen slecht behandelen, en ze daardoor verbitteren en hun dat kinderlijk vertrouwen benemen, dat zij altijd moeten hebben in hen, die hun het leven geschonken hebben. Mevrouw Acarie, die, na hare kinderen te hebben opgevoed, Carmelites werd, en in de Kerk vereerd wordt onder den naam van de gelukzalige Maria van de Menschwording, bestrafte hare kinderen op deze wijze. Zij liet hen eerst vergiftenis vragen aan God, en hunne moeder verzoeken hun eene
- 19a â
boetedoening op te leggen. Wat bewonderenswaardige wijze van bestraften !
A! de andere plichten, hoe nauwkeurig ook vervuld, zullen weinig vruchten dragen, als ouders en oversten door hun voorbeeld in tegenspraak ko nen met de lessen, die zij geven. Kinderen en onderdanen zijn meer geneigd te doen, wat zij zien, dan wat zij hooren. Zeer schuldig zijn derhalve ouders en oversten, die hunne kinderen en onderdanen het voorbeeld geven van godslastering, zondagschennis, minachting van den godsdienst en van de wetten der Kerk, die in hun bijzijn gesprekken toelaten, die verderfelijk zijn voor geloof en zeden ; maar wat zou het dan zijn, als zij zoover gingen van door hunne raadgevingen degenen tot het kwaad aan te sporen, die zij gehouden zijn tJt deugd op te leiden?
Het gebed der ouders en oversten doet de gratie verwerven, welke hun ijver vruchtbaar maakt. Daartoe moeten zij dus altijd hunne toevlucht nemen, maar vooral wanneer de andere middelen machteloos blijven. Welke vruchten kan eene opvoeding dragen, als het gebed «en zegen des hemels niet heeft doen nederdalen?
Men vergete het niet, de maatschappij gaat haar ondergang te gemoet, omdat zij, die gezag hebben over anderen hun plicht niet doen. Zij zal gelukkig zijn, wanneer allen, die met de zorg over anderen zijn belast, in plaats van zich met hen in het verderf te storten, trachten hen zalig te maken door de vervulling van al hunne plichten. Het meest schuldig is de openbare macht als zij onrechtvaardige wetten maakt, de misdaad niet straft, als zij zich vijandig toont aan de Kerk en hare rechten, en als zij onwaardige ministers en vertegenwoordigers uitkiest. Zij zijn derhalve verre van onschuldig, de kiezers,
die door hunne stem er toe bijdragen, om ongeloovigen en vijanden van de Kerk aan het bestuur te brengen, of die, door zich van stemmen te onthouden, de oorzaak zijn, dat katholieke candidaten de nederlaag lijden.
HOOFDSTUK XV.
Van Broeders, Zusters en Echtgenooïen.
Hoe goed en hoe aangenaam is het, als broeders le zamen wonen, zegt de H. Geest. Ps. 132 V. 1. Die vereeniging maakt de vreugde van het huisgezin uit. Broeders en Zusters zondigen, als zij elkander haat toedragen, als zij weigeren elkander in tijd van rood bij te staan, als zij elkander den goeden naam benemen, als zij elkander trachten te benadeelen, als zij elkander beleedigen of merkelijk hinderen.
Eigenbelang en gebrek aan verdraagzaamheid brengen dikwijls verdeeldheid te weeg en daardoor storten zij de huisgezinnen in het ongeluk. Welke dwaasheid is het, het huiselijk geluk, dat zooveel waarde heeft, op te offeren voor een weinig goud, dat dieven ons kunnen ontstelen !
Joseph werd door zijne broeders voor slaaf verkocht, die er zelfs aan gedacht hadden hem te dooden, doch hij ondervond, dat zijne wederwaardigheden het middel waren om het toppunt van grootheid te bereiken. Hij was de onderkoning van Egypte geworden en had het beheer over de koninklijke voorraadschuren, toen zijne broeders, die hem niet meer kenden, gedwongen door den hongersnood, tot hem kwamen, om een voorraad graan van hem te verkrijgen. Voor een lage ziel was het eene schoone gelegenheid geweest om zich te wreken 1
- 192 -
maar de grootmoedige Joseph laat, zonder zich evenwel bekend te maken, hunne zakken vullen en in een zak het geld weder mede teruggeven, dat zij hadden medegebracht. Toen zij ten tweede male kwamen, liet hij bij hunne komst een groot feestmaal aanrichten, en daar hij zijne aandoening niet meer bedwingen kon, zond hij al de aanwezigen weg, en toen hij zich alleen met hen bevend, barstte hij in tranen los en riep hij uit: Ik ben Joseph. Leeft mijn vader nog f Zijne broeders werden hevig ontsteld en durfden hem niet antwoorden ; maar hij voegde er met zachtheid bij ; âKornt dichter bij mij, weest niet beangst en bekommert u niet te zeer, omdat gij mij verkocht hebt, want het is voor uw welzijn geschied, dat God mij naar Egypte gezonden heeft. ' Hij viel Ben amin, zijn jongsten broeder, om den hals en kuste hem weenende. Ook Benjamin weende en Joseph omhelsde gelijkerwijze al zijne broeders en besproeide hen met zijne tranen. Men weet, dat hij hen naar Egypte liet komen met zijn vader Jacob, en hen liet dealen in al zijne rijkdommen.
In de dagen van het schrikbewind in Frankrijk, waren de gebroeders de la Rocheloucault bisschop, de een van Heauvais, de andere van Saintes. Beiden werden te gelijk gegrepen. Men had het vooral gemunt op den Bisschop van Beauvais en was geneigd den Bisschop van Saintes de vrijheid te schenken. Maar deze laatste zeide : âMijn broeder is alleen schuldig door zijne gehechtheid aan den godsdienst; ik ben schuldig aan dezelfde misdaad. Ik moet dus met hem gestraft worden ; daarbij, ik zou niet kunnen verdragen, dat hij in de gevangenis was zonder mij.quot; Men bracht hen dan beiden naar de gevangenis, waar zij eenigen tijd later werden gewurgd.
De Broeders en Zusters kunnen niet in eendracht
leven en elkander beminnen, als hunne ouders met elkander in tweedracht leven. Het is derhalve zaak, lt;lat de echtgenooten de plichten van hun staat waarnemen en zoo den vrede doen heerschen aan den huiselijken haard. De echtgenooten moeten â elkander beminnen, de wet van God verlangt het, zoowel als de wet der natuur. Zij zondigen dus, als zij elkander kwaad toewenschen, als zij elkander beleedigen of slaan, als zij door twisten elkander den naam van God doen lasteren, als zij elkander tot het kwaad brengen. Waartoe zijn zij met elkander verbonden, zoo niet om elkander te helpen om in den hemel te komen ? Welk ongeluk is het derhalve, als zij elkander medesleepen in de zonden tegen de kuischheid, welke met hun staat overeenkomt!
De H. Henricus, keizer van Duitschland, liet de ouders van de H. Cunegondis, zijne echtgenoote, en eenige hovelingen aan zijn sterfbed roepen en terwijl hij de hand van de heilige keizerin nam, zeide hij : .âHaar, die gij mij tot echtgenoote gegeven hebt, beveel ik u aan; ziet hier, ik heb haar als maagd ontvangen, ik geef u haar als maagd terug.quot; Als trouwe navolgers van Maria, de Moeder van God, en den H. Joseph, haar kuischen Bruidegom, hadden ze gedurende meer dan twintig jaren in zuiverheid en heiligheid geleefd.
De echtgenooten zijn niet tot zoo heldhaftige deugd gehouden : maar zij moeten ten minste de heilige wetten des huwelijks eerbiedigen en volgens het gezond verstand en de wet der natuur leven ; het is echter voor allen door de gratie van God mogelijk met beider toestemming in volmaakte zuiverheid te leven. Wee hun, die in het huwelijk de wet der natuur ernstig overtreden, daar zij te weinig veitrouwen stellen in de Voorzienigheid! Dikwijls, helaas! -straft God hen reeds in deze wereld op ontzettende
13
194 -
wijze, dooiquot; hun in hun ouden dag de weinige kinderen te ontnemen, waarop zij rekenden. Dat zij dan met tranen de gerechtigheid erkennen van de hand, die hen treft, want door hun misdadig leven zijn zij ontrouw geworden aan de zending, waarmede God hen had belast, het aantal van zijne kinderen op aarde te vergrooten.
De patriarchen beschouwden het als een zegen, een talrijk nageslacht achter te laten. Zelfs de heidenen gingen er groot op vele kinderen te hebben, in wie zij konden voortleven, en die hunne ouders tot eer en het vaderland tot verdediging strekten.
Wanneer de huisgezinnen talrijk zijn, dan heelt het land geen gebrek aan soldaten ; de Kerk heeft overvloed van bedienaren; de kloosters worden steeds talrijker; de ouders zijn niet zonder erfgenamen of zonder steun op hun ouden dag. Een talrijk goed opgevoed kroost veroorzaakt minder last dan een eenig kind, dat bedorven wordt, zooals men al te dikwijls ziet. Dat eenig kind, dat zich over alles meester gevoelt, reeds voor den dood van hen, aan wie het zijn leven dankt, verzadigt hen dikwijls met bitterheid in hun ouderdom. Overigens, te recht mocht David zeggen : fk ben een longelitig geweest ,n ben ook oud geworden. Doch nooit zag ik den rechtvcuirdige verlaten noch zijne kinderen bedelen om hun brood. (Ps. 37 v. 25). De ondervinding leert, dat men. als men geregeld leeft en met beleid te werk gaat, niet alleen een talrijk gezin kan voeden maar zelfs rijk kan worden. Vreest men ondanks dat alles voor de lasten van een talrijk gezin, dan is het toch nooit geoorloofd te zondigen.
De echtgenooten zondigen door zonder gewichtige redenen van elkander te scheiden ; nog meer schuldig zijn zij, als zij de beloften aan den voet des altaars g;«daan ontrouw worden. Om daar nooit toe te
195 -
komen, moeten ze een veclvuldigen of vertrouwelijken omgang met personen van hetandergeslacht vermijden. Zij moeten zorg hebben voor hun eigen goeden naam en die van hunne kinderen, want aan hen strekken de ondeugden der ouders tot oneer. Welke schande is het voor de ouders, wanneer hunne zonen oi dochters zich over hen moeten schamen!
De vrouw is verplicht aan haar man te gehoorzamen in het bestuur van het huisgezin en in alles, wat met de wet Gods overeenstemt. Evenwel vergete zij niet, dat zij hare waardigheid van christen vrouw moet doen eerbiedigen, ook door haar man, als zij zich niet in zijne oogen wil verlagen. De vrouw, die geen schaamtegevoel heeft, wordt door haar echtgenoot meer veracht dan bemind.
De vrouw zondigt, als zij geen goed gebruik maakt van de goederen des huisgezins. Zij moet niet altijd het laatste woord willen hebben in geschillen met haren man; vooral moet zij hem geen verwijten doen, als hij in gramschap of in dronkenschap is.
De man zondigt, als hij zich zonder wettige reden van zijne vrouw verwijdert, als hij haar het noodzakelijke weigert, als hij haar slecht behandelt. Een van de leerlingen van Socrates zeide hem op zekeren dag, toen hij het kijven hoorde van Xantippe, de echtgenoote van dien wijsgeer : âDie vrouw is onverdragelijk.quot; â âIk ben er aan gewoon,quot; antwoordde Socrates, âevenals men gewoon wordt aan het geraas van een katrol. quot; Bij eene andere gelegenheid wierp zij hem na een vloed van scheldwoorden een hoeveelheid vuil water naar het hoofd : âIk wist wel,quot; zeide hij, âdat er na een onweer regen moest komen.quot; Op zekeren dag, dat zij hem publiek zijn mantel kwam afnemen, waren er, die hem een verwijt dedeaa, omdat hij haar geen klap gegeven had.
- 196 -
âA.ls ik dat gedaan had,quot; antwoordde hij, âdan zou ik u allen de gelegenheid gegeven hebben om te roepen, den eene: Houd u goed, Socrates, den andere: Houd u goed, Xantippe.quot;
Als een heidensche wijsgeer zich zoo heeft kunnen bedwingen, welke schande moet het dan niet zijn voor een christen echtgenoot, dat hij zijne vrouw slaat! Het zou nog erger zijn haar te beletten de plichten van den godsdienst te vervullen. Eene vrouw kan het vertrouwen van haar man niet verdienen noch hare kinderen goed opvoeden, dan op voorwaarde, dat zij godsdienstig en godvreezend is. Wel verre van haar af te houden van het volbrengen van hare christelijke plichten, moet de man er op letten, of zij die behoorlijk volbrengt.
HOOFDSTUK XVI.
De Liefde tot den evenmensch,
voor zoover zij gebiedt.
Deze deugd is niet eene andere als de liefde tot God. Hij, die God bovenal bemint, bemint Hem niet alleen in zich zeiven, maar ook in zijn beeld, hetwelk is de ziel van den evenmensch, welke geschapen is om God in den hemel te bezitten. Kinderlijke liefde zijn wij alleen verschuldigd aan onze ouders en aan ons vaderland, maar aan alle menschen zijn wij liefde verschuldigd, de verdoemden alleen uitgezonderd. Wij gaan zeggen, wat deze deugd ons gebiedt en wat zij ons verbiedt.
Vooreerst gebiedt zij ons den evenmensch, zelfs onzen vijand inwendig lief te hebben. Niets is zoo gemakkelijk ; want, zooals de H. Hieronymus zegt, men kan zeggen, dat men niet vasten kan ; maar
wie zou durven zeggen: Ik kan niet beminnen ? Om te beminnen is het genoeg een hart te hebben. Maar, zal men zeggen, die persoon is zoo lastig, hij heeft me zooveel kwaadquot; gedaan. Gij behoeft zijne gebreken niet te beminnen, noch het kwaad, dat hij ii heeft aangedaan, gij kunt zelfs zonder te zondigen een afkeer van dat alles hebben, wanneer gij slechts zijne ziel, het beeld van God, lief hebt. En als gij haar niet bemint, dan zoudt gij een bewijs hebben, dat gij God niet bemint, want het is God, dien gij in haar moet beminnen, en niet haar hoedanigheden. Slechts de hoedanigheden van iemand beminnen en het goed, dat hij ons bewijst is geene christelijke liefde, evenmin als de haat, dien men iemand om zijne gebreken zou toedragen. Indicii gij lief hebt die u liefhebben, zegt de Zaligmaker, wat loon zult gij hebben ? Doen ook tollenaars dal ?iiet? (Mt v 46).
Men zondigt derhalve door in zijn hart anderen haat toe te dragen, door hun kwaad toe te wenschen, door zich te verheugen over ongelukken, die hun overkomen, of het moet zijn, dat het geschiedt in de hoop, dat het ongeluk den eyenmensch tot God zal doen terugkeeren. Zich zelf den dood toewenschen uit ongeduldigheid is eene kleine zonde; maar als men uit wanhoop zich zelf wil dooden of zich van een lidmaat berooven, dan bedrijft men eene groote zonde.
Het is niet genoeg zijn evenmensen inwendig te beminnen, men moet hem ook uitwendige blijken van liefde geven. Men moet nooit iemand, ook niet zijne vijanden, uitsluiten van de gewone blijken van welwillendheid, welke in de streek, waar men zich bevindt, in gebruik zijn. Niemand moet men in tijd van nood zijn dienst weigeren. Ongetwijfeld is men gewoonlijk niet gehouden aan zijne vijanden
- 198
die bijzondere teekenen van vriendschap te geven, die men geeft aan zijne vrienden ; maar zou het te veel zijn voor hen te doen, wat men doet voor een onbekende of voor een vreemdeling ?
Wanneer men iemand beleedigd heeft, is men gehouden hem die beleediging te doen vergeten door verschooning te vragen of door een eersten stap te zetten ter verzoening ; en hij, die beleedigd is, zou zondigen, als hij hierin niet te gemoet kwam.
Men zegt: Ik kan niet vergeven, er is mij te veel ongelijk aangedaan. Wat wil men daarmede zeggen ? Mogelijk wil men den evenmensch geen kwijtschelding geven van de schade, die hij heelt berokkend of het goede, dat hij heeft ontroofd; maar daartoe wordt men door niemand verplicht; men kan zelfs gebruik maken van het gerecht om zijne rechten te laten gelden; daartoe kan men zijn toevlucht nemen, als het niet mogelijk is de zaak in der minne te schrikken. Men vertrouwe echter niet te veel op den goeden uitslag van processen ; daardoor verliest men dikwijls zijn tijd, zijn geld en zijne ziel; en in geval van oneenigheid is het best zich te wenden tot het scheidsgerecht van eenige deugdzame vrienden, die men uitspraak laat doen en wier beslissing men aanneemt. Doch de onrechtvaardige processen alleen zijn ongeoorloofd, niet de rechtvaardige, Vergeven is niet geven. Vergeven is niet het kwade willen ; en men kan het zoo gemakkelijk doen, gij zult er geen haar van uw hoofd mee krenken; meer nog, als men niet vergeeft, maakt men zich ongelukkig; hij, die zijn evenmensch inwendig haat, schaadt alleen zich zeiven, en de wraak is een pijnbank voor de zielen.
Adelheid, dochter van den koning van Burgonje, was gehuwd met Lotharius, den koning van Italië, die door Berengarius werd ter dood gebracht; toen
- 199 -
deze laatste Adelheid in zijne macht gekregen had, wilde hij haar doen huwen met zijn zoon. Daalde koningin dit voorstel met afschuw verwierp, werd zij in de gevangenis geworpen en toevertrouwd aan de hoede van' Villa, echtgenoote van Berengarius. Adelheid vernam, dat Villa voornemens was hare eerbaarheid te doen aanranden en het gelukte haaide vlucht te nemen. Zij ging eene schuilplaats zoeken bij haar oom Otto, die haar liet huwen met zijn zoon Otto den Groote. Deze overwon Berengarius, nam zijne echtgenoote, de laaghartige Villa, gevangen en bracht haar bij Adelheid, die te beslissen had over het lot van de gevangene. In hare wanhoop zeide Villa tot Adelheid: âIk heb in mijn leven maar ééne fout begaan en dat is u niet ter dood gebracht te hebben, toen ik u in mijne macht had.quot; âEn ik, antwoordde Adelheid zachtmoedig, wil in mijn leven ten minste ééne goede daad verlichten, dat is u de vrijheid schenken. Keer terug naar uw echtgenoot en leer hem op te houden ondankbaar te zijn, opdat hij ophoude ongelukkig te wezen.quot;
Generaal Damesne, in 1848 door een kogel van een opstandeling gedood, zeide, alvorens te sterven, tot de liefdezuster, die aan hem hare zorgen wijdde ; âZuster, gij moes', mij een dienst bewijzen. Ziehier vijf francs, laat, bid ik u, twee Missen lezen, eene voor die mij heeft gedood en eene voor mij.quot;
De aalmoes is een van de liefdewerken, die in onze gewijde Boeken het meest worden aanbevolen. De aalmoes, zeide de oude Tobias tot zijn zoon, zuivert den mensch van alle zonden. Hebt gij veel, geeft veel; hebt gij weinig, tracht ook van het weinige gaarne te geven (Tobias II 9, 11). Wat zou men goed doen met altijd iets te geven aan een arme, die een aalmoes vraagt! Kan men het volstrekt niet, â¢dat men hem dan ten minste, in plaats van hem
- 200 â
ruw af te wijzen, eenige vriendelijke woorden toe-spreke en zijn oprecht leedwezen betuige van hem niet te kunnen helpen.
Zou er eene aalmoes zijn aangenamer aan God dan die men geeft aan het genootschap tot voortplanting van het geloof, van de kindsheid en aan de Missiehuizen ? Het genootschap tot voortplanting van het geloof heeft in minder dan een eeuw duizenden missionarissen over de geheele wereld uitgezonden en millioenen ongeloovigen bekeerd. Het genootschap van de kindsheid redt de kinderen, die door hunne barbaarsche ouders verlaten worden, van een wissen ondergang. De missiehuizen leiden jongelingen en jongedochters op, die hun leven willen wijden aan de bekeering der heidenen. Wie is er, die voor zoo schoone liefdewerken niet iets kan bijdragen, door iets op zijne ijdelheid en zijne genotzucht te sparen ?
Men vreeze niet zeil arm te zullen worden. Die zich ontfermt over den arme, zegt de H. Geest, geeft te leen aan den Heer, en Hij zal hem zijne weldaad vergelden. (Spr. XIX 17). En de Zaligmaker zeide : Geeft en u zal gegeven worden (Z. VI 38). De vader van den H. Carolus Borrorneus gaf zoovele aalmoezen, dat zijne vrienden hem de opmerking maakten, dat hij zijne kinderen benadeelde. âVolstrekt niet, zeide hij, als ik voor de armen zorg, dan zullen mijne kinderen overal een barmhartigen vader vinden, die op al hunne behoeften zal letten quot; En inderdaad, al zijne kinderen bekleedden de hoogste waardigheden. Cosmas, een prins van het geslacht der Medici gaf buitengewoon vele aalmoezen. Zijn rentmeester maakte er zich bezorgd over en ried hem aan ze te verminderen. âIk heb, zeide hij, een groot boek, waarin ik alles opschrijf, wat ik van God ontvang en alles, wat ik Hem terugschenk. Ik ben altijd achter; wanneer ik mijne rekening met Hem veref-
- 201 -
fend heb, dan zal ik mijne aalmoezen verminderen.quot;quot; Behalve de stoffelijke aalmoes is er nog eene geestelijke aalmoes, welke nog aangenamer is aan God. De bedroefden troosten; de zieken bezoeken; hen voorbereiden tot het ontvangen van de H. H. Sacramenten ; degenen van hen verwijderd houden, die er hen af zouden brengen; den priester tijdig aangaande hun toestand onderrichten, opdat zij niet door den dood worden verrast; goeden raad geven aan de kinderen, aan de jeugd, die van den goeden weg afdwaalt, hen verwijderen van gevaarlijke gelegenheden ; degenen met zachtheid vermanen, die God beleedigen, wanneer men een goeden uitslag verhoopt; degenen, die eenigen invloed bij hen hebben, de ouders, de oversten, de vrienden, dien invloed doen gebruiken; de onwetenden onderrichten ; den catechismus leeren aan een kind, dat dien niet leert in de school, aan een onwetende, die hem heeft vergeten ; hem voorlezen aan een grijsaard, die hem zelf niet lezen kan ; de gebreken van hen, met wie men leeft, geduldig verdragen; bidden voor de zondaren, voor de zielen in het vagevuur; dat zijn. alle werken van liefde, die van de aarde een ander paradijs zouden maken.
Waarom zijn er zoovelen, die onverschillig zijn voor het heil van hunne broeders? Laat ieder doen, zooals hij goedvindt, zegt men. Het heeft veel van het woord van Kaïn, dat hij sprak tot God, die hem vroeg, wat er van zijn broeder geworden was ; âBen ik zijn bewakerquot; ? zeide hij. En God antwoordde : âDe stem van het bloed uws broeders roept tot Mij.quot; De zielen van hen, die verloren gaan, roepen eveneens en nog luider dan het bloed van Abel om wraak tegen hen, die hen niet van het kwaad weerhouden, als zij het verplicht zijn en het gemakkelijk kunnen. Wanneer een kind sterft zonder
â 202 -
doopsel door de nalatigheid van de ouders, wanneer men een zieke laat sterven zonder Sacramenten, zullen zij dan niet voor den rechterstoel van God opstaan tegen hen, wier nalatigheid hen voor eeuwig uit den hemel hield ? Bemint men zijn evenmensch, als men meent genoeg gedaan te hebben met hem een -stuk brood te geven, en hem dan door zijne schuld iaat voortleven in de ongenade Gods en in â¢de zonde ?
Als Mardocheus, die wist, dat men had samengezworen tegen den koning Assuerus, gezwegen had, dan was hij schuldig geweest aan zijn dood. De goede moordenaar, aan het kruis gehecht, bewaarde het stilzwijgen niet, toen hij zijn lotgenoot God hoorde lasteren. â Toen de H. Zitha bemerkte, dat een knecht in het huis, waar zij diende, de anderen tot zonde tegen de eerbaarheid trachtte te verleiden, waarschuwde zij hare meesteres en zeide haar, dat, als zij hem niet wegzond, zij verplicht was haar te verlaten De meesteres zond liever een losbandige weg dan dat brave meisje te verliezen; en van toen af werden de andere dienstboden ijverige christenen.
O de liefde is niet werkeloos: of wel zij bestaat niet, of wel zij doet groote dingen. Heeft men niet gezien, dat nederigejongedochters de apostelen werden van een geheel land ? Getuige die christen slavin, die den koning en de koningin van Spanje bekeerde en er hem toe bracht missionarissen te laten komen, die het geloof en de liefde tot Jezus Christus in geheel het rijk vestigden. Getuige nog de H. Paulus van het Kruis, die, toen hij nog jong was en in de wereld leefde, onder de jeugd van zijn geboorteland de gevaarlijke bijeenkomsten, de onzedige gesprekken en gezangen deed ophouden.
En ziet men niet in onze dagen dat vurige
â 208
christenen in de nederigste betrekkingen in hunne omgeving een heilzamen invloed uitoefenen, die zich niet alleen uitstrekt tot eene familie maar tot eene geheele gemeente ? Zij zijn ijveraars van godsdienstige instellingen, zij verspreiden goede boeken, waken aan het ziekbed der kranken, in één woord, wijden hun leven aan de uitroeiing van het kwaad en de bevordering van het goede. Mochten die zielen talrijker worden I
Merken wij echter op, dat de ijver voorzichtig en bescheiden moet wezen. Men moet weten te spreken, alleen wanneer het dienstig is, geen raad te geven, vooral niet te berispen, wanneer men voorziet, dat -het niet in goede aarde zal vallen.
HOOFDSTUK XVII.
De Liefde tot den evenmensch,
voor zoover zij verbiedt.
Men zondigt tegen de liefde door haat te dragen tegen zijn evenmensch, door met hem zonder billijke reden te twisten, door den band te verbreken, die de ledematen der Kerk onderling vereenigt; zooals plaats heelt met hen, die weigeren zich te onderwerpen aan den Paus en te leven in vereeniging met hen, die zich aan hem onderwerpen; en dit laatste is volgens den H. Thomas eene zeer groote zonde. De liefde verbiedt zich een van de ledematen te benemen, welke God ons gegeven heeft enkel om ze te gebruiken. Wij zijn er derhalve geen meester van. Met meer reden nog is het eene misdaad zich den dood te veroorzaken. Dat is eene onrechtvaar-dighe d tegenover God, die alleen recht heeft op ons leven ; tegenover de maatschappij, tot het geluk
- 20i -
van welke wij het onze moeten bijdragen, zoolang; als het God behaagt ons op aarde te laten ; tegenover zich zelf, want de zelfmoord, die de gelegenheid beneemt tot berouw, stort daardoor dengene, die er zich aan schuldig maakt, onherroepelijk in het eeuwig verderf. Het is daarenboven eene lafheid de lasten des levens niet te willen verdragen, en het is eene dwaasheid de ellende van een oogenblik te verwisselen met de pijnen der verdoemden.
De zelfmoord is de vrucht van het lezen van slechte boeken, van de losbandigheid en de wanhoop, die het gevolg is van de losbandigheid. Den 8stcn Januari 1861 maakte een jeugdige Pool, Rouski geheeten, in een hotel te Leuven op een treurige wijze een einde aan zijn leven. Hij was achttien jaren oud ; hij was de erfgenaam van een fortuin van verscheidene millioenen, maar de slechte boeken hadden hem met de deugd ook de vreeze Gods ontnomen. Zijn losbandig leven moede trok hij zich terug in zijne kamer. Weldra hoorden zijne vrienden een schot, zij gingen zien en vonden hem in een leunstoel gezeten; een kogel had zijn hart doorboord; hij was dood. Het pistool, dat hij ge -bruikt had, lag in een hoek van de kamer geworpen.. Arme ouders! en arme rampzalige ziel, die zich moedwillig in de hel stortte !
Lodewijk XVI was gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Hij had een uitstel van drie dagen gevraagd en het werd hem geweigerd. Zijne vijanden kenden zoo goed de overmaat van zijne ellende, dat zij verboden hadden hem in het bezit te laten, van een mes, ongetwijfeld in de meening, dat hij den moed niet hebben zou het leven te dragen. âDe rampzaligen,quot; riep Lodewijk XVI uit, toen hij het vernam, âwat denken zij van mij? Al was ik ook laf genoeg om mij van het leven te berooven,.
weten zij dan niet, dat de godsdienst het mij verbiedt ?quot;
Het is zelfs eene zonde zijne gezondheid te bena-deelen en zijn leven zonder groote reden aan gevaar bloot te stellen. Zij zijn derhalve schuldig, die hunne dagen verkorten door gierigheid, die weigeren de gewone geneesmiddelen te gebruiken in geval van zware ziekte, die hun leven wagen door gevaarlijke en nuttelooze tochten, door waaghalzerij, bij voorbeeld, door koordedansen op eene zekere hoogte. Maar men kan degenen niet veroordeelen, die tot onderhoud van hunne gezinnen zwaren arbeid verrichten en nog minder hen, die om den hemel te winnen hun leven in boetvaardigheid doorbrengen.
Als het niet geoorloofd is het leven van het lichaam aan gevaar bloot te stellen, hoe zou het dan geoorloofd zijn het leven der ziel, zijne zaligheid, aan gevaar bloot te stellen ? Zij zijn derhalve zeer schuldig, die zich vermetel blootstellen aan het gevaar van zwaar te zondigen, of zich in de naaste gelegenheden begeven van God zwaar te beleedigen, waarover wij verder zullen spreken in hoofdstuk XXV van dit tweede deel. Deze onvoorzichtigheid alleen, al zou men zich ook bij toeval aan geene andere fout schuldig maken, zou reeds eene doodzonde zijn.
Eindelijk is niets meer strijdig met de liefde dan de ergernis en de vreemde zonde.
De ergernis is een woord of eene daad, die zondig is of althans schijnbaar zondig is en den naaste aanleiding geelt om te zondigen. Aanraden kwaad te doen, anderen het kwaad leeren, dat zij niet kennen, hen toejuichen, wanneer zij zondigen, door te prijzen hen aanmoedigen om voort te gaan met het kwaad, anderen afhouden van de vervulling hunner christelijke plichten, van het Mis hooren, van de H. Communie, door hen te bespotten, door hen belachelijk te maken, slechte boeken of couranten
- 20(3
verspreiden, leenen en verkoopen aan anderen, slechte gesprekken voeren, slechte liederen zingen in het bijzijn van personen, die er door tot het kwaad gebracht worden, onzedige voordrachten houden, onbetamelijke beelden ten toon stellen, gevaarlijke dansen of onbetamelijke modes invoeren in de streek, die men bewoont; dat zijn alle zonden van -ergernis. Die afschuwelijke zonde ontneemt den mensch meer dan zijne bezittingen, meer dan het leven, want zij doet hem zijnen God verliezen.
Toen Titus Jerusalem belegerde, wierp een ellendig soldaat van boven uit een toren een brandende fakkel naar den tempel, een van de wonderen dei-wereld. De brand breekt uit; Joden en Romeinen beproeven hem te blusschen, maar te vergeefs. Dat grootsche gebouw wordt geheel vernield. Dat is het beeld van de ergernis. Wie weet, waar die schuldige gewoonte een einde zal nemen, waarvan de ergernis-.gever de eerste oorzaak heeft gesteld ? Wie kan voorzien, hoeveel er zullen geërgerd worden door 'hen, die hij tot het kwaad heeft gebracht? Ook heeft de Zaligmaker gezegd: tfee hem door unen. de ergernis komt: het ware hem beier met een molens leen aan den hals geworpen te worden in de diepte der zee.
De ergernisgever wordt dikwijls in de wereld gestraft. Toen de H. Paulus van het Kruis met zooveel vrucht een heilzamen invloed uitoefende op de jeugd van zijn tijd, was er een jongeling, Antonio geheeten, die zich tegen zijn vermaningen verzette. Paulus zeide hem op zekeren dag, dat hij zich door ,zijn gedrag de straffen des Hemels op den hals haalde. Inderdaad op zekeren avond, dat hij terugkeerde van eene verdachte persoon, waarmede hi) den avond had doorgebracht, werd hij gewurgd en -men vond 's anderendaags zijn lijk aan den oever van de rivier Bormida.
- 207 -
Men is verplicht de ergernis te herstellen, hetzij-«loor goede wenken, die men zelt geeft of anderen laat geven, hetzij door goede voorbeelden, hetzij door geschriften, die goed knnnen stichten, hetzij-door het ontvangen van de H. H. Sacramenten.
Het is deelnemen in het kwaad, wanneer men medewerkt tot de slechte handeling, die een ander stelt. Het is nooit geoorloold den wil van iemand, die besloten is kwaad te doen. in het kwaad te stijven. Ook is het niet geoorloofd eene onverschillige handeling te stellen, die een ander helpt ©m kwaad te doen, bij voorbeeld drank te geven aan iemand, die zich dronken wil maken, of het moet zijn, dat men gvootc reden beeft. Het is eene zonde brieven over te brengen of plaatsen aan te wijzen tot schuldige of gevaarlijke bijeenkomsten. Het is niet geoorloofd een abonnement te nemen ©p een courant, die het geloof of de zeden aanrandt^,, want daardoor ondersteunt men hen, die ze verspreiden; eeu herbergier mag geen slechte couranten geven aan Ken, die zijne herberg bezoeken, noch-vleesch aanbieden op vastendag, als zij geoorloofde spijzen vragen. De kooplieden zondigen met waren te verkoopen, waarvan men gewoonlijk misbruik maakt, als vergif, of zij moeten ei zeker van zijn, dat men er een goed gebruik van wil maken.
De mensch is niet in deze wereld om zijne gelijken in het verderf te storten, maar wel om hen te helpen om in den hemel te komen. Ook heeft de Zaligmaker gezegd.- Uw licht schjne voor de mettscheu-dat zij mve goede werken zien en uw vader verheerlijken, dit in den hemel is.
- 208 â
HOOFDSTUK XVIII.
Gij zult niet doodslaan.
De liefde is niet de eenige deugd, die men ten â opzichte van den evenmensch moet beoefenen. De rechtvaardigheid legt eene zware verplichting óp tegenover anderen. Deze verplichting is zelfs nog strenger dan die van rle liefde, en als zij geschonden is, verplicht zij nog te herstellen, wat men aan den evenmensch ontnomen heeft. Welnu, het kostbaarste goed, dat de mensch heeft, is het leven. Het vijfde gebod van God verbiedt het te benadeelen door doodslag en door alles wat er toe brengen kan. De doodslag is eene misdaad welke door alle goddelijke en menschelijke wetten verboden is. Zij draagt nog een bijzonder kenmerk van boosaardigheid, als zij bedreven wordt tegenover een bloedverwant, een priester of een vorst. Kaïn zal vervloekt worden tot aan het einde der eeuwen, omdat hij zijne handen gedoopt heeft in het bloed van zijn broeder Abel. Theoderik, koning der Gothen, liet den senator Symmachus op onrechtvaardige wijze dooden. De wroeging van zijne misdaad volgde hem overal; en toen men op zekeren dag den kop van een grooten visch op zijne tafel bracht, zag hij in zijne ontstelde verbeelding op den schotel het versch afgehouwen hoofd van Symmachus, die zich op de lippen beet en hem met een verwoeden blik aanzag. Hij was er zoo door ontsteld, dat hij door eene siddering aangegrepen en weenend over zijne misdaad zich op zijne legerstede wierp en drie uren daarna in hevige smarten overleed.
Een boosdoener kan alleen door de openbare
- 209 -
macht worden ter dood gebracht; zelfs de politie heeft geen recht hem te dooden, tenzij door 's lands rechters een prijs voor 't aanbrengen van zijn hoofd gesteld is. Men heeft het recht zich te verdedigen tegen een onrechtvaardigen aanval, maar men mag den aanvaller niet dooden, als het niet noodzakelijk is om zijn leven, of zijne eerbaarheid, of een goed van groote waarde te verdedigen. Personen, die men door onrechtvaardig geweld, tot onzedige handelingen wil dwingen, mogen zich met wapenen verdedigen en zelfs den aanrander dooden, als zij niet op andere wijze weerstand kunnen bieden. Als zij altijd zoo deden, dan zou de ondeugd zoo stout niet zijn. Het zou echter eene misdaad zijn een dief te willen dooden, die slechts voorwerpen van geringe waarde ontvreemdt.
Amolon, een hertog van Champagne, liet een jongedochter van adellijke familie met geweld aan hare ouders ontvoeren. Die onschuldige duif trachtte eerst door tranen en gebeden weerstand te bieden aan de verleiding ; maar toen zij zag, dat zij daardoor niets vermocht, wierp zij zich op den hertog, ontrukte hem zijn degen en doorboorde hem daarmede; de hertog lag badend in zijn bloed, en alvorens te sterven beval hij zijn dood niet te wreken, want hij erkende zelf alleen de schuldige te zijn. De jongedochter vluchtte, legde zeventig kilometers te voet af en kwam te Chalon-sur Saöne bij koning Guntram, wien zij hare geschiedenis verhaalde. De koning ontving haar met goedheid, bewonderde hare deugd en nam haar onder zijne bescherming.
Het is niet geoorloofd een onschuldige te dooden. De openbare macht zelf zou eene misdaad plegen door hem te veroordeelen, ook al zou zijn dood noodzakelijk zijn voor het behoud van een geheel volk. Wee hun derhalve, die, onder welk voorwendsel
11
- 210 -
ook, den dood van een zieke verhaasten, of een kind in den schoot zijner moeder doen sterven, ot anderen aansporen tot doodslag.
Buiten het geval van eene wettige verdediging is het nooit geoorloofd iemand van een lidmaat te berooven, of het moet zijn, dat het noodzakelijk is om zijn leven te redden. De oversten alleen hebben het recht hunne onderdanen te kastijden om hen te verbeteren. Een oudere broeder heeft dat recht niet, als hem ten minste de ouders hiermede niet belast hebben. Zijn evenmensch zwaar mishandelen is eene groote zonde.
Buiten het geval, dat twee legers slagvaardig zijn en de openbare macht beslist, dat van elk leger een soldaat strijden zal, is het tweegevecht nooit geoorloofd, zelfs niet al moet het bij het eerste bloedverlies gestaakt worden. Het tweegevecht is eene misdaad, waardoor men zijn eigen leven en dat van zijn tegenstander in gevaar brengt, en dat tegen de wet Gods, en wel om eene dwaze, menschelijke eer te verdedigen; alsof het tweegevecht eene beleediging uitwischte, wanneer de beleedigde kan gedood worden door den beleediger, en alsof er geen rechtbank meer was om, als het noodig is, een wettig eerherstel te schenken.
âWanneer de meest verlichte, de dapperste, de deugdzaamste volken der aarde het tweegevecht niet gekend hebben,quot; schreef zelfs de ongeloovige Rousseau, âdan zeg ik, dat het geene instelling is van de beschaafde wereld, maar een afschuwelijk en barbaarsch misbruik, waardig door de wilden te zijn uitgevonden.quot; Ook wordt het door de Kerk onder de zwaarste straffen verboden, het tweegevecht aan te nemen, er toe uit te dagen, als getuige aanwezig te zijn.
Ken katholiek moet derhalve het tweegevecht
- 211 -
weigeren, al heeft hij ook de onaangenaamte gevolgen ter wille van deze weigering te vreezen. Totdengene, die hem uitdaagt, kan hij in elk geval zeggen : âIk wil het tweegevecht niet, maar ik kan mij tegen een onrechtvaardigen aanvaller verdedigen.quot; De graaf de Salles werd aangerand door iemand, dien hij om zijne godslasteringen berispt had, doch hij zeide: âNa de zaak van God te hebben durven verdedigen, moet ik ze niet verraden voor de valsche grondstellingen van eene slecht begrepen eer.quot;
Gustaat Adolf, koning van Zweden, zag evenal alle groote koningen in het tweegevecht niets ander dan eene barbaarschheid, een onbeschaafd volk waardig. Derhalve had hij het verboden. Niettegenstaande dat vroegen twee officieren verlof om een tweegevecht aan te gaan. De koning gaf hun toestemming, op voorwaarde dat hij getuige mocht zijn. Hij bepaalde dag en uur. Toen het oogen-blik daar was, begaf hij zich naar de aangewezen plaats en nam een troepje voetvolk met zich, hetwelk hij in een kring plaatste romdom de twee strijders ; âWelaan, zeide hij, vecht zoolang tot dat een van beiden bezwijkt.quot; Vervolgens wendde hij zich tot den beul van het leger, welken hij ontboden had en zeide: âZoodra er een dood is, dan zult gij den andere voor mijne oogen het hoofd afhouwen.quot; Toen de twee officieren dit hoorden, stonden zij verstomd. Zij vroegen den koning vergiffenis en omhelsden elkander. De les werd begrepen, en langen tijd hoorde men in het Zweedsch leger van geen tweegevecht meer spreken.
Men weet genoeg, welke rampen de oorlogen, al zijn zij o'ok rechtvaardigt na zich sleepen, om te weten, hoe groot eene misdaad het is, op onrechtvaardige wijze een volk den oorlog te verklaren, om te voldoen aan de eerzucht van enkelen. Die zijn
evenmensch vrijwillig en onrechtvaardig heeft gedood of gekwetst, is gehouden hem al de schade te herstellen, die hij veroorzaakt heeft, ook aan zijn huisgezin.
HOOFDSTUK. XIX.
De Kuischheid.
Na door het vijfde gebod het leven van den mensch verdedigd te hebben tegen het geweld, verdedigt de wet Gods het christelijk huwelijk, de bron van dit leven, in het zesde gebod tegen overspel en onkuischheid. En om den wortel van het kwaad uit te roeien, verbiedt het negende gebod zelfs de gedachten en verlangens tegen de kuischheid. Als deze heilige wet goed werd onderhouden, dan maakte zij van den mensch een engel. De beoefening van de deugd van kuischheid verheft den mensch boven het aardsche. Zij maakt hem bekwaam om God reeds in deze wereld te kennen en Hem in de andere wereld te aanschouwen. Zij schenkt hem de zoetste vertroosting op aarde, en behoedt hem voor de pijnlijkste wroeging en omstraalt hem in het oog van de menschen met den heerlijksten glans.
De II. Gregorius van Nazianze werd op jeugdigen leeftijd begunstigd met eene hemelsche verschijning, waarvan hij ons in grieksche verzen het sierlijk verhaal heeft nagelaten. Twee jonge maagden, oogenschijnlijk van denzelfden leeftijd, vertoonden zich aan hem tijdens den slaap. Beiden waren van uitmuntende schoonheid; de zedigheid verhoogde de edele en treffende eenvoud van hare kleeding. Zij hielden de oogen ter aarde gericht. De sluier, die haar gelaat bedekte, gaf een weinig te zien van
het schaamrood dat hare maagdelijke wangen over-toog. Op dit gezicht werd de heilige jongeling van vreugde vervuld, en, bemoedigd door de liefderijke goedheid, welke deze twee maagden hem betuigden, verstoutte hij zich haar naam te vragen. Een der twee antwoordde: ,,Ik ben de maagdelijkheid.quot; De andere zeide op hare beurt : âIk ben de kuischheid.quot; Vervolgens zeiden beiden te gelijk: âWij zijn de gezellinnen van Jezus Christus en de trouwe vriendinnen van hen, die aan het zingenot verzaken om een hemelsch leven te leiden.quot; Na deze woorden zweefden beiden ten hemel op. De jongeling volgde haar met zijnen blik, totdat zij voor zijne oogen verdwenen.
Dit gezicht liet in zijne ziel eene groote liefde tot de zuiverheid achter. Die liefde was als een vonk, die, om zich heen grijpend, zich van geheel zijne ziel meester maakte. Niets kon meer dat hemelsch vuur uitdooven. Het zedenbederf van Athene, waar hij in gezelschap van den grooten H. Basilius zijne studiën deed, vond hem tegen de verleiding gewapend. Als de H. Gregorius van zich zelf en zijn uitmuntenden vriend sprak, kon hij zeggen: âWij hadden het geluk in die bedorven stad iets dergelijks te ondervinden, als de dichters zeggen van eene rivier, die het zoete van hare wateren behoudt te midden van de bitterheid van de wateren van den oceaan. Wij hadden te Athene geen omgang met de bedorven lieden ; wij kenden er maar twee wegen, naar de kerk en naar de school.quot;
O hoe schoon is een kuiseh geslacht in zijne heerlijkheid! roept de H. Geest uit, hei is in aanzien bij God en bij de menschep. (Sap. IV i). Het is bijna 4000 jaren, dat men de deugd van den patriarch Joseph verheerlijkt en men zal ze verheerlijken tot het einde der eeuwen. De vrouw van Putiphar wilde
- 214 â
hem verleiden, doch Joseph antwoordde : âHoe zal ik kunnen zondigen in de tegenwoordigheid van mijn God?quot; Joseph vluchtte en liet zijn mantel, dien zij gegrepen had, in hare handen. De rampzalige vrouw, even wraakzuchtig als onkuisch, beleedigd door zijne weigering, belasterde Joseph en liet hem gevangen zetten; maar die onrechtvaardige straf was in de raadsbesluiten van God het begin van de glorie des patriarchs, die, uit de gevangenis werd verlost en de gunsteling des konings werd.
Maar de kuischheid, die heerlijke deugd, is tevens noodzakelijk, want niets, dat besmet is, kan den hemel binnengaan. Ongetwijfeld is de kuischheid van de gehuwden, wier plichten wij in hoofdstuk XI reeds hebben aangegeven, niet dezelfde als de kuischheid van de ongehuwden; maar er is geen enkele staat, waarin het den mensch geoorloofd is tegen de rede en tegen het geloof te leven. Het is derhalve van het grootste gewicht, dat de gehuwden zich door hunnen biechtvader aangaande hunne verplichtingen laten onderrichten en die nauwkeurig nakomen.
Men zondigt tegen de deugd van zuiverheid door gedachten. De gedachte is niet eene onteerende handeling in het geheim verricht, zooals sommige weinig onderrichte menschen meenen. De gedachte bestaat alleen in den geest. Het is de voorstelling van eene onteerende en schuldige zaak. Wanneer men echter die voorstelling niet bemerkt, ook al houdt men er zich een oogenblik mede bezig, dan heeft men geene schuld.
Het is derhalve ten onrechte, dat sommige al te angstvallige zielen zich moede maken ter oorzake van onvrijwillige verbeeldingen. Niet alleen beleedigen zij daardoor den goeden God niet, maar de moeite.
die zij daarbij ondervinden, kan zelfs een middel worden van groote verdiensten.
Evenwel, op te merken, dat er kwaad schuilt in de gedachte en daarna vrijwillig behagen er in te hebben, dat is eene zonde, welke groot kan zijn, ook al duurt het behagen niet lang, wanneer het slechts volkomen vrijwillig is. Het kan niet geoorloofd zijn het kwaad lief te hebben.
Het verlangen voegt bij de gedachte den wil van het kwaad te doen, waaraan men denkt. Het verlangen is derhalve grooter kwaad dan de gedachte ; en als het voldoende is in de biecht te zeggen, dat men aan onzedige dingen heeft gedacht, zonder de omstandigheden van die gedachte er bij te voegen, dan is het nog niet voldoende in het algemeen te zeggen, dat men slechte verlangens] gehad heeft; men moet zeggen, welk soort van kwaad men heeft verlangd. De zonde, die men bedrijft door te willen stelen, is niet dezelfde, als waaraan men zich schuldig maakt door iemand te willen dooden. Het verlangen naar een onkuischen blik verschilt derhalve van het verlangen naar eene onkuische handeling. Wanneer men zich verheugt over het kwaad, dat men gedaan heeft, dan moet men zeggen, over welk kwaad men verheugd geweest is.
Iets onzedigs zien zonder aandacht, zonder behagen er in te hebben, is geene zonde; er uit nieuwsgierigheid naar kijken zonder gevaar van er behagen in te hebben, is een kleine fout; maar het blijven beschouwen met een onkuisch behagen, is eene groote zonde. Men is echter niet verplicht te zeggen, wat men gezien heeft. Het is voldoende te zeggen, hoe dikwijls men zich aan dien onzedigen oogslag heeft schuldig gemaakt. Het lezen van slechte boeken is ook eene zonde tegen de heilige deugd.
Woorden, die zeer onzedig zijn en vergezeld gaan
- 216 -
van vrijwillige slechte gedachten of woorden, uitgesproken in het bijzijn van personen, die er door geërgerd zullen worden, zijn ook groote zonden. Hetzelfde is het geval met slechte liederen en brieven,, die tot het kwaad opwekken.
Een onkuisch behagen nemen in liet aanhooren-van die woorden, of die gezangen, of het lezen van die brieven is eene groote zonde. Geschenken geven aan of ontvangen van verdachte personen is minstens genomen eene onvoorzichtigheid. Ouders en oversten, die in hunne huizen samenkomsten laten houden,, die al haar genoegen ontleenen aan onzedige gesprekken of gezangen, zullen eene verschrikkelijke verantwoording aan God hebben af te leggen. Hetzelfde is het geval met hen, die ontstichtende danspartijen begunstigen, die hunne kinderen of hunne dienstboden toelaten naar den schouwburg te gaan, verdachte gezelschappen te bezoeken, of vertrouwelijk om te gaan met personen van verschillend geslacht.
Men zondigt tegen de heilige deugd door onzedige handelingen. Bij deze zonde vooral moeten sommige omstandigheden worden uitgedrukt : bv. of men alleen gezondigd heeft of me', een ander persoon, en in dit geval met hoedanig een.
Vooral wanneer het zonden tegen de kuischheid geldt, moet men op zijne hoede zijn voor den duivel. Deze vijand van onze zielen tracht vóór den val de zonde als onbeduidend voor te stellen ; en wanneer het hem gelukt is ze te doen bedrijven, dan tracht hij ze te vergrooten om het zwijgen op te leggen, wanneer men er zich van moet beschuldigen in de biecht. De biecht is toch het eenige middel tegen die ondeugd, en het is vooral in deze zaak, dat men geen enkelen twijfel in zijn hart bewaren moet.. Men begrijpt, dat wij hier niet in bijzonderheden.
kunnen treden, ook al moeten ze noodzakelijk in de biecht worden uitgedrukt; maar niemand hemde iets achter, wat hem beangstigt. Er is geene zonde, die zoovele heiligschendende biechten ten gevolge heeft als de zonde tegen de kuischheid. Als men niet weet, hoe sommige zonden uit te drukken, dan vrage men den biechtvader hierin te helpen.
Waarom moeten die schoone zielen, die de dochters zijn van den driewerf heiligen God, de zusters der engelen, geschapen om te beminnen wat rein en heilig is, bestemd om God eenmaal te bezitten, zich slaven maken van de onzuiverheid ? Die ondeugd verlaagt den geheelen mensch ; zij haalt het beeld van God door het slijk ; zij onteert een lichaam, dat de tempel is van den K. Geest; zij vergiftigt de ziel door de wroeging, die aanstonds volgt op de zonde. Dat genot, dat zich voordeed met de zoetheid van den honing, wordt bitter als het vergitt, zoodra men er zich aan overlevert. De verloren zoon stierf bijna van honger in het gezelschap van onreine dieren, met welke hij het voedsel wilde deelen. Ziedaar het beeld van eene ziel, die geen ander voedsel heeft dan het zingenot. Hoe kan zij zich verzadigen door de lusten van het redelooze dier ?
Het verstand wordt verduisterd door den nevel der kwade driften. Geen verheven en edele gedachten, geen schaamte meer in de ziel van den wellustige. Hij heeft geen smaak meer in de waarheden van het geloof, hij heeft geen oog meer voor het verschrikkelijke van zijnen toestand, voor den afgrond, waarin hij nederstort. Weldra zal hij zijn geloof verliezen. Het is deze ondeugd, die al de ongeloovigen heeft voortgebracht. Het hart, dat zich heeft overgeleverd aan deze drift, heeft geen edele gevoelens meer; het heeft de lietde tot God en tot al wat goed is verbannen ; het wordt hardvochtig tegenover zijne huis-
- 218 -
genooten; het heett een walg van al wat heilig is, van het gebed en de H. Sacramenten. O ! als het niet terugkeert van dit glibberig pad, dan kan het niet anders dan eindigen in onboetvaardigheid door zich dieper en dieper in het ongeluk te storten.
Deze ondeugd verwoest alles in deze wereld; gezondheid, eer, fortuin. Men behoeft slechts de oogen te openen, om er van overtuigd te zijn. Daarbij haalt deze ondeugd den mensch de zwaarste straffen op den hals. Om de aarde er van te reinigen, heelt God haar onder de wateren van den zondvloed bedolven. Daarom verwoestte Hij Sodoma door een regen van zwavel en vuur; en dat vuur is niets anders dan het beeld van het vuur, dat de verdoemden zal doen boeten voor hunne zondige genoegens. Als deze regels onder de oogen kwamen van een der ongelukkige slaven van die ondeugd, dan zouden wij hem uit liefde voor zijne ziel bezweren, dien treurigen staat te verlaten, de gevaarlijke gelegenheden te vluchten, waarover wij spreken zullen in hoofdstuk XXV, en in het gebed en vooral in het dikwijls ontvangen van de H. Sacramenten de kracht te putten om kuisch te leven. De kuischheid is met de gratie van God voor allen mogelijk; zij is zelfs gemakkelijk; want al de aardschevertroostingen zijn voor haar.
HOOFDSTUK XX Van den Diefstal.
Het zevende gebod van God verdedigt het goed van den evenmensch tegen onrechtvaardigheid, en het tiende gebod verbiedt zelfs het verlangen van op onrechtvaardige wijze het goed van een ander te
- 219 -
nemen of te behouden, of zijn evenmensch schade te berokkenen. Alwie iets bezit in deze wereld, ziet gemakkelijk in, dat hij op hetgeen hij bezit een recht heeft, dat allen moeten eerbiedigen. Alleen zij, wier armoede luider spreekt dan hun geweten, durven het beginsel te huldigen: de eigendom is diefstal. Zij alleen verlangen eene gelijkmatige verdeeling, waarbij zij alles te winnen hebben.
En toch, als die gewenschte verdeeling eens kwam, zou zij 's anderendaags herhaald moeten worden, want de groote voorstanders van die verdeeling zouden hun aandeel al verteerd hebben. En ook de rede veroordeelt ueze leer.
Ue mensch heeft hier beneden een doel te bereiken, hem door God zeiven aangewezen, hij heeft derhalve het recht en den plicht de middelen te gebruiken, die daartoe noodig zijn. Het leven is het middel, dat noodig is om dat einddoel te bereiken, en de goederen van deze wereld zijn noodzakelijk om het leven te behouden. De mensch heeft derhalve het recht de goederen van deze wereld te bezitten, te zorgen voor de toekomst, en van de vruchten van zijn arbeid en zijne werkzaamheid te genieten. Overigens, als het zoo niet was, wie zou dan den moed hebben om iets te ondernemen ? Maar om een kort antwoord te geven op al de dwaze redeneeringen van de vijanden des eigendoms, of liever van hen, die afgunstig zijn op de bezittingen van anderen, heeft God dit één woord gezegd; Gij zult niet stelen.
Men zondigt tegen dit gebod door den evenmensch te ontnemen, wat hem toekomt, door hem schade te veroorzaken en door mede te werken tot den diefstal of de schade anderen toegebracht De diefstal van een voorwerp van waarde, al is hij ook gepleegd ten nadeele van een rijke, is eene groote zonde. Meerdere kleine diefstallen, die te samen
â 220 â
eene groote som maken, worden eene groote zonde, als zij met korte tusschenpoozen zijn gepleegd, of als de dief de meening heeft op die wijze tot eene groote waarde te komen. Maar kleine diefstallen, als in het voorbijgaan eenige vruchten afplukken om zich te verkwikken, zijn kleine zonden. Bij de zonde van diefstal komt nog die van roof, wanneer men het goed van een ander ontsteelt in tegenwoordigheid van den eigenaar, die zich te vergeefs verzet, en de zonde van bedrog, als men den evenmensch door leugentaal of list in den handel misleidt, of als men valsch gewicht of valsche maat gebruikt, of koopwaren van slecht gehalte voor goede waar verkoopt, voor denzelfden prijs als goede waar.
Een diefstal ten nadeele van eene kerk gepleegd is heiligschennis. Keizer Leo IX had aan de kathedraal van Constantinopel een gouden kroon ontroofd met diamanten versierd. Het was de kroon, welke Heraclius aan die kerk gegeven had. Maar nauwelijks had hij haar op het hoofd gezet, of het werd met puisten en afschuwelijke wonden overdekt; drie dagen later stierf hij in de hevigste smarten en ontving aldus de rechtvaardige straf van zijn heiligschen-digen diefstal.
Men moet de verplichting nakomen van eene rechtvaardige overeenkomst, die men heeft aangegaan. Zonder eene wettige reden geld leenen tegen hoogere interest dan billijk is, als 5 percent buiten den handel, en 6 percent in den handel, is eene onrechtvaardigheid. De woekeraar maakt eene misdaad van iets, wat eene liefdedaad moest zijn. De onrechtvaardige processen strijden nog meer met de rechtvaardigheid dan de woeker.
Als men een voorwerp vindt, dat verloren is en waarde heeft, dan is men verplicht te onderzoeken, wie de eigenaar is. Als men hem, na behoorlijk
â 221 â
zijn best gedaan te hebben, niet vindt en de tijd van wettige verjaring verstreken is, dan is men tot niets verplicht; men kan zelfs het voorwerp behouden, maar het best is het tot goede doeleinden te besteden.
Kent men den eigenaar van het gevonden voorwerp, dan moet men het hem teruggeven, zoolang eene wettige verjaring te goeder trouw voleindigd, geen recht geeft om het te behouden.
Zich eene zaak toeëigenen, die men in bewaring heeft ontvangen, is eene onrechtvaardigheid. Het loon van dienstboden en werklieden inhouden, verzuimen zijne schulden te betalen, legaten uit te keeren, gefondeerde Missen te laten doen, is zich schuldig maken aan onrechtvaardigheid.
De voorname lieden te Rome hadden de gewoonte het betalen aan hunne kooplieden altijd uit te stellen en hen met verachting af te wijzen, als zij hiertegen opkwamen. Een van deze kooplieden diende zijn beklag in bij Paus Sixtus V en zeide hem, dat een van zijne voorname schuldenaars hem altijd afwees, als hij er van sprak de schuld te betalen. De Paus liet dien voorname bij zich komen, deed hem de bekentenis afleggen, dat hij werkelijk schuldig was, en hield hem gevangen, totdat hij betaald had. Vervolgens liet hij al de kooplieden bij zich komen en betaalde hun, wat de voornamen hun schuldig waren en voegde er bij, dat zij nu schuldig waren aan hem. Allen haastten zich de schulden aan den Paus te voldoen.
Men kan niet zonder zonde een voorwerp koopen, waarvan men weet, dat het gestolen is: en als men het koopt, dan is men gehouden het aan den eigenaar terug te geven, en de schade te vergoeden, doch men kan zich schadeloos laten stellen dooiden dief.
Al wie schade toebrengt aan het goed van den
â 220 â
eene groote som maken, worden eene groote zonde, als zij met korte tusschenpoozen zijn gepleegd, of als de dief de meening heeft op die wijze tot eene groote waarde te komen. Maar kleine diefstallen, als in het voorbijgaan eenige vruchten afplukken om zich te verkwikken, zijn kleine zonden. Bij de zonde van diefstal komt nog die van roof, wanneer men het goed van een ander ontsteelt in tegenwoordigheid van den eigenaar, die zich te vergeefs verzet, en de zonde van bedrog, als men den evenmensch door leugentaal of list in den handel misleidt, of als men valsch gewicht of valsche maat gebruikt, of koopwaren van slecht gehalte voor goede waar verkoopt, voor denzelfden prijs als goede waar.
Een diefstal ten nadeele van eene kerk gepleegd is heiligschennis. Keizer Leo IX had aan de kathedraal van Constantinopel een gouden kroon ontroofd met diamanten versierd. Het was de kroon, welke Heraclius aan die kerk gegeven had. Maar nauwelijks had hij haar op het hoofd gezet, of het werd met puisten en afschuwelijke wonden overdekt; drie dagen later stierf hij in de hevigste smarten en ontving aldus de rechtvaardige straf van zijn heiligschen-digen diefstal.
Men moet de verplichting nakomen van eene rechtvaardige overeenkomst, die men heeft aangegaan. Zonder eene wettige reden geld leenen tegen hoogere interest dan billijk is, als 5 percent buiten den handel, en 6 percent in den handel, is eene onrechtvaardigheid. De woekeraar maakt eene misdaad van iets, wat eene liefdedaad moest zijn. De onrechtvaardige processen strijden nog meer met de rechtvaardigheid dan de woeker.
Als men een voorwerp vindt, dat verloren is en waarde heeft, dan is men verplicht te onderzoeken, wie de eigenaar is. Als men hem, na behoorlijk
â 221 â
zijn best gedaan te hebben, niet vindt en de tijd van wettige verjaring verstreken is, dan is men tot niets verplicht; men kan zelfs het voorwerp behouden, maar het best is het tot goede doeleinden te besteden.
Kent men den eigenaar van het gevonden voorwerp, dan moet men het hem teruggeven, zoolang eene wettige verjaring te goeder trouw voleindigd, geen recht geeft om het te behouden.
Zich eene zaak toeëigenen, die men in bewaring heeft ontvangen, is eene onrechtvaardigheid. Het loon van dienstboden en werklieden inhouden, verzuimen zijne schulden te betalen, legaten uit te keeren, gefondeerde Missen te laten doen, is zich schuldig maken aan onrechtvaardigheid.
De voorname lieden te Rome hadden de gewoonte het betalen aan hunne kooplieden altijd uit te stellen en hen met verachting af te wijzen, als zij hiertegen opkwamen. Een van deze kooplieden diende zijn beklag in bij Paus Sixtus V en zeide hem, dat een van zijne voorname schuldenaars hem altijd afwees, als hij er van sprak de schuld te betalen. De Paus liet dien voorname bij zich komen, deed hem de bekentenis afleggen, dat hij werkelijk schuldig was, en hield hem gevangen, totdat hij betaald had. Vervolgens liet hij al de kooplieden bij zich komen en betaalde hun, wat de voornamen hun schuldig waren en voegde er bij, dat zij nu schuldig waren aan hem. Allen haastten zich de schulden aan den Paus te voldoen.
Men kan niet zonder zonde een voorwerp koopen, waarvan men weet, dat het gestolen is: en als men het koopt, dan is men gehouden het aan den eigenaar terug te geven, en de schade te vergoeden, doch men kan zich schadeloos laten stellen dooiden dief.
Al wie schade toebrengt aan het goed van den
â 224 -
heeft, aan den eigenaar teruggegeven worden ; bestaat het niet meer, dan moet men de waarde er van herstellen. Het moet teruggegeven worden aan hen, wien het ontstolen is; is deze overleden, dan aan zijne erfgenamen; heeft hij geene erfgenamen, dan aan de armen of aan godsdienstige instellingen.
Toen de heilige man Tobias blind was geworden en het geblaat hoorde van een geitje, vreesde hij, dat het hem niet toebehoorde. âZie wel toe, of het niet gestolen is, zeide hij; en als het zoo is, geef het dan terug aan den eigenaar, want wij mogen iets, wat gestolen is, niet aanraken.quot;
De stichtende brieven van de missionarissen verhalen ons, dat een Chineesche barbier, die in de straten van Peking eene beurs met 20 goudstukken gevonden had, aanstonds rondzag, en, toen hij een ruiter bemerkte, hem naliep om hem te vragen, of hij niets verloren had. De ruiter hield stil, betastte zich en antwoordde, dat hij eene beurs met 20 goudstukken verloren had. âHier is ze, sprak de barbier, er ontbreekt niets aan.quot; De ruiter bewonderde dien man en vroeg, wie hij was. âIk ben Christen, zeide hij, en ik belijd een geloot, dat niet alleen den diefstal verbiedt, maar ook beveelt gevonden voorwerpen aan den eigenaar terug te geven.quot; De ruiter, getroffen door de schoonheid van die leer, ging aanstonds naar de kerk der christenen om zich in de waarheden van den godsdienst te laten onderrichten.
HOOFDSTUK XXI.
Gij zult geen valsche getuigenis geven.
Na in het vijfde, zesde en zevende gebod de werken tegen de rechtvaardigheid veroordeeld te hebben,
- 225 -
verbiedt de wet Gods door het achtste gebod het â¢onrecht, dat den evenmensch door woorden wordt aangedaan. Wij zijn aan den evenmensch de waarheid verschuldigd en eerbied voor zijn goeden naam.
De waarheid wordt gekwetst door de leugen. Liegen, al geschiedt het ook om de vroolijkheid op te wekken, of zich zelf ot een ander een dienst- te bewijzen, is eene kleine fout, want de spraak is ons gegeven ora onze gedachte te kennen te geven, niet om te bedriegen. Wanneer men den evenmensch in zijnen goedeu naam krenkt of hem eene betrekking-doet verliezen door van hem iets kwaads te vertellen, dat niet waar is, dan is men gehouden terug te trekken, wat men gezegd heelt, en al de veroorzaakte schade te herstellen. Voor het gerecht moet men de voile waarheid zeggen : zonder dat zouden de schuldigen nooit worden gestraft. En indien men voor het gerecht valsche getuigenis aflegt en daardoor oorzaak is, dat een onschuldige wordt veroordeeld, dan is men verplicht zijne fout te herstellen. Keizer Maxi-mianus zond soldaten uit om den H. Anthimus, bisschop van Nicomedië, gevangen te nemen. De soldaten kwamen toevallig in het huis van den bisschop zonder hem te kennen en vroegen hem te eten. Hij behandelde hen zoo goed hij kon. Eindelijk vroegen de soldaten, waar zij den bisschop Anthimus zouden kunnen vinden. âDat ben ik,quot; antwoordde de heilige. âWij willen u niet gevangen nemen,'quot; zeiden zij ontsteld, âwij zullen zeggen, dat wij ii niet gevonden hebben.quot; âNeen, mijne vrienden,quot; , zeide de heilige, âik zal niet toelaten, dat gij liegr, ik wil liever sterven.quot; En hij ging met hen naaiden keizer.
De vleierij is een soort van leugen, waardoor meu de goede hoedanigheden van een ander vergroot, om zich zijne gunst te verzekeren. Zij is eigen aan
-15
â 224 -
heeft, aan den eigenaar teruggegeven worden ; bestaat het niet meer, dan moet men de waarde er van herstellen. Het moet teruggegeven worden aan hen, wien het ontstolen is; is deze overleden, dan aan zijne erfgenamen; heeft hij geene erfgenamen, dan aan de armen of aan godsdienstige instellingen.
Toen de heilige man Tobias blind was geworden en het geblaat hoorde van een geitje, vreesde hij, dat het hem niet toebehoorde. âZie wel toe, of het niet gestolen is, zeide hij; en als het zoo is, geef het dan terug aan den eigenaar, want wij mogen iets, wat gestolen is, niet aanraken.quot;
De stichtende brieven van de missionarissen verhalen ons, dat een Chineesche barbier, die in de straten van Peking eene beurs met 20 goudstukken gevonden had, aanstonds rondzag, en, toen hij een ruiter bemerkte, hem naliep om hem te vragen, of hij niets verloren had. De ruiter hield stil, betastte zich en antwoordde, dat hij eene beurs met 20 goudstukken verloren had. âHier is ze, sprak de barbier, er ontbreekt niets aan.quot; De ruiter bewonderde dien man en vroeg, wie hij was. âIk ben Christen, zeide hij, en ik belijd een geloot, dat niet alleen den diefstal verbiedt, maar ook beveelt gevonden voorwerpen aan den eigenaar terug te geven.quot; De ruiter, getroffen door de schoonheid van die leer, ging aanstonds naar de kerk der christenen om zich in de waarheden van den godsdienst te laten onderrichten.
HOOFDSTUK XXI.
Gij zult geen valsche getuigenis geven.
Na in het vijfde, zesde en zevende gebod de werken tegen de rechtvaardigheid veroordeeld te hebben,
- 225 -
verbiedt de wet Gods door het achtste gebod het â¢onrecht, dat den evenmensch door woorden wordt aangedaan. Wij zijn aan den evenmensch de waarheid verschuldigd en eerbied voor zijn goeden naam.
De waarheid wordt gekwetst door de leugen. Liegen, al geschiedt het ook om de vroolijkheid op te wekken, of zich zelf ot een ander een dienst- te bewijzen, is eene kleine fout, want de spraak is ons gegeven ora onze gedachte te kennen te geven, niet om te bedriegen. Wanneer men den evenmensch in zijnen goedeu naam krenkt of hem eene betrekking-doet verliezen door van hem iets kwaads te vertellen, dat niet waar is, dan is men gehouden terug te trekken, wat men gezegd heelt, en al de veroorzaakte schade te herstellen. Voor het gerecht moet men de voile waarheid zeggen : zonder dat zouden de schuldigen nooit worden gestraft. En indien men voor het gerecht valsche getuigenis aflegt en daardoor oorzaak is, dat een onschuldige wordt veroordeeld, dan is men verplicht zijne fout te herstellen. Keizer Maxi-mianus zond soldaten uit om den H. Anthimus, bisschop van Nicomedië, gevangen te nemen. De soldaten kwamen toevallig in het huis van den bisschop zonder hem te kennen en vroegen hem te eten. Hij behandelde hen zoo goed hij kon. Eindelijk vroegen de soldaten, waar zij den bisschop Anthimus zouden kunnen vinden. âDat ben ik,quot; antwoordde de heilige. âWij willen u niet gevangen nemen,'quot; zeiden zij ontsteld, âwij zullen zeggen, dat wij ii niet gevonden hebben.quot; âNeen, mijne vrienden,quot; , zeide de heilige, âik zal niet toelaten, dat gij liegr, ik wil liever sterven.quot; En hij ging met hen naaiden keizer.
De vleierij is een soort van leugen, waardoor meu de goede hoedanigheden van een ander vergroot, om zich zijne gunst te verzekeren. Zij is eigen aan
-15
- 228 -
Oordeel niet, heeft de Zaligmaker gezegd, en gij zult niet geoordeeld worden.
Men kwetst den goeden naam van den evenmensch door kwaadspreken, hetwelk niet bestaat in hem valsch te beschuldigen, want dit is lasteren, maar hierin, dat men zijne verborgen gebreken en fouten in zijne afwezigheid zonder wettige reden bekend maakt. Openbare misdaden verhalen is niet het eigenlijk gezegde kwaadspreken; de fouten van een ander openbaren, niet met de meening van hem te benadeelen, maar opdat zijne oversten of zijne ouders hem verbeteren, is niet alleen geen kwaad maar zelfs een liefdewerk. Men kan ook zonder zonde zich zelf opbeuren, door zijne moeilijkheden en de onaangename handelingen van anderen te vertellen aan een vriend of bloedverwant. Maar zonder reden geheime fouten bekend maken en daardoor den goeden naam van den evenmensch grootelijks benadeelen of hem eene betrekking doen verliezen is eene groote zonde. Ja zelis, wanneer men dikwijls kwaad vertelt, dat op zich zelf van minder beteekenis is, van iemand, die zijn goeden naam grootelijks noodig heeft om goed te kunnen doen, en zijn goeden naam aldus ernstig afbreuk doet, dan maakt men zich erg schuldig ; en in dit geval is men gehouden den goeden naam en de veroorzaakte schade te herstellen.
Zij, die, wanneer zij kwaad hooren spreken, zich verheugen over het nadeel, dat den goeden naam van den evenmensch wordt berokkend, zijn eveneens zeer schuldig. Zij, die door vragen of op andere wijzen tot het kwaadspreken aansporen, zondigen evenals de kwaadspreker zelf en zijn, als deze in gebreke blijft, verplicht den goeden naam en de veroorzaakte schade te herstellen.
Wanneer men echter kwaad gesproken heeft, dan
kan men het niet herroepen, zooals de lasteraar moet doen.- Zeggen dat hetgeen men van den evenmensch verteld heeft niet waar is, terwijl het in werkelijkheid wel waar is, zou eene leugen zijn ; maar men kan den persoon, van wien men kwaad gesproken heeft, prijzen en eeien, om zijn goeden naam te herstellen.
Toen Louise van Frankrijk, dochter van Lode wijk XV, die later Carmelites werd, nog in de wereld was, kon zij niet dulden, dat men sprak ten nadeele van den evenmensch. Als zij iets van dien aard hoorde, dan stelde zij bij zich vast het niet verder te vertellen en leidde het gesprek af. Dat is het juist, wat men in dergelijk geval moet doen.
Wanneer Thomas Morus kwaad hoorde spreken, dan ging hij aanstonds over tot een ander gesprek en zeide bij voorbeeld : ,,Ieder kan zeggen wat hij wil, maar dat is een schoon huis, en die het gebouwd heeft is een uitmuntende architect.quot;
De H. Augustinus had in zijne eetzaal in latijnsche verzen dit opschrift laten plaatsen;
Die aan de faam van anderen knaagt Wordt aan dies tafel niet gevraagd.
Wanneer sommigen zich vergaten en kwaad vertelden van den evenmensch, dan zei de heilige : âWis-schen wij die woorden uit, ot staan wij van tafel op.quot;
Den io'lequot; April 1857 stierf in Frankrijk de weduwe Moutiers op den leeftijd van 110 jaren. Zij werd betreurd door allen, die haar kenden, omdat zij nooit kwaad van iemand had gesproken ot anderen had laten spreken. Zij had tot op dien leeftijd al hare tanden behouden. Dat is eene belooning, zeide men. Zij heeft al hare tanden behouden, omdat zij nooit iemand gebeten heeft.
- 230 -
Hoewel de mensch heer en meester is van zijn goeden «aam, is het toch nooit geoorloofd kwaad van zich zeiven te vertellen, en een vader, een overste zou zondigen door een goeden naam op te offeren, die zij noodig hebben voor hunne kinderen of om de achting van hunne onderdanen te behouden. Zij, die door waarheid of leugentaal te vertellen tweedracht zaaien tusschen vrienden, zijn nog^ meer schuldig dan de kwaadsprekers ; want de vriendschap is nog een grooter goed dan de goede naam.
De eer is het bewijs van achting, die men aan den evenmensch in zijne tegenwoordigheid verschuldigd is. Wanneer men iemand in zijn aangezicht beleedigt, door woorden, door hem zijne fouten, zijne gebreken te verwijten, door hem te verwenschen, door hem op vernederende wijze te bespotten, oi door teekenen van verachting, door blijken van eerbied aan een overste verschuldigd achter te laten, en de beleediging is van dien aard, dat zij den evenmensch merkelijk hindert, dan doet men groote zonde. Die er zich aan schuldig maakt, is gehouden de gekwetste eer te herstellen. Deze herstelling geschiedt door teekenen van eerbevvijzing te geven aan hen, die men beleedigd heeft, door verontschuldiging te vragen of het door anderen te laten doen.
Wij moeten echter de beleedigingen op christelijke wijze weten te verdragen. Pater Fernandez, metgezel van den H. Franciscus Xaverius, predikte te Aman-guchi in Japan. Te midden van zijn preek kwam een man uit de laagste volksklas bij hem, als om hem iets te zeggen en spuwde hem in het aangezicht. De Pater reinigde kalm zijn aangezicht en ging met zijn preek voort, alsof er niets had plaats gehad. Dat geduld maakte zooveel indruk op de ongeloovigen, dat,quot; ondanks al de pogingen van de hel, de bekeeringen zeer talrijk waren.
- 231 â
Er is genoeg gezegd van de wet Gods, genoeg tot onderrichting van onze lezers, genoeg om hen te doen inzien, hoe bewonderenswaardig deze wet is, Hoe gelukkig zouden de menschen zijn, als zij ze allen onderhielden! Wat schoone orde zou er zijn in de maatschappij, als dit goddelijk wetboek door allen werd geëerbiedigd! Zij, die deze geboden onderhouden, beoefenen alle deugden; en de bovennatuurlijke deugd is de eenige, die ons vergezellen zal tot voor den rechterstoel van God; onze rijkdommen volgen ons niet eens tot in het graf, men zal zich wel wachten ze met ons te begraven; onze bloedverwanten en vrienden vergezellen ons, het is waar, tot het graf; maar daar verlaten zij ons om zich te gaan vermaken met onze rijkdommen, die zij onder elkander verdeelen. De bovennatuurlijke deugd alleen volgt ons tot aan de voeten van den rechtvaardigen Rechter om ons den hemel te doen ontsluiten.
De wijsgeer Bias zond zijn zoon naar Egypte; deze vroeg hem, wat hij mede kon brengen om hem plezier te doen. Zijn vader antwoordde: âTracht dien schat te verwerven, welke de stervende grijsaard met zich kan nemen, dat wil zeggen de deugd.quot;
HOOFDSTUK XXII.
De Geboden van de H. Kerk.
Wij hebben in hoofdstuk XIII van het eerste deel gezegd, dat de Kerk als eene goed geordende maatschappij de macht heeft wetten te maken, die ;al de geloovigen in geweten verplichten, en dat, volgens het woord van den Zaligmaker, alwie de Kerk niet
932 â
hoort moet beschouwd worden als een heiden ert publicaan.
De twee eerste geboden van de H. Kerk luiden : De geboden Heiligdagen zult gij vieren ; dan ook Mis hooren met goede manieren.
De H. Kerk wil, dat de geloovigen op verplichte feestdagen zich van slafehjken arbeid onthouden en de H. Mis bijwonen en wel met goede manieren, met eerbied en aandacht.
Het derde gebod luidt: Geen geboden vastendagen zult gij breken, d. i. overtreden.
Velen zijn er, die niet behoeven te vasten, of omdat zij zwaren arbeid moeten verrichten, of omdat zij door het vasten hunne gezondheid ernstig zouden benadeelen, of te arm zijn om ééns daags een vollen maaltijd te nemen.
Al behoeft men niet te vasten, men denke echter nooit, dat men geen boetvaardigheid behoeft te doen. Men trachte derhalve, vooral op vastendagen, zijne oogen te versterven door te waken op zijn oogslagen, zijne tong door zich te wachten voor lichtzinnige taal en gesprekken, die kwetsend zijn voor de liefde, al zijne zintuigen door hun elke voldoening te weigeren, die voor de deugd gevaar kan opleveren Men kan zich ook op de vastendagen eenige oefeningen van godsvrucht opleggen, als b. v. het bidden van het rozenhoedje en den kruisweg.
Elisabeth van Hongarije bega! zich naar haar echtgenoot, die zich op den rijksdag bevond. Zij-vond op haren tocht geen ander voedsel voor den vastendag dan een stuk zwart brood, zoo hard, dat zij verplicht was het in warm water te weeken; maar wijl het vastendag was, stelde zij er zich mede tevreden, en legde op dienzelfden dag met een enkelen maaltijd zestien mijlen te paard ai.
Men bedrijft eene groote zonde telkens wanneer
men vleesch eet op een vastendag. Als men dus driemaal op een vrijdag vleesch eet, dan doet men driemaal eene groote zonde.
Op sommige dagen van de veertigdaagsche vasten wordt door onze bisschoppen toegestaan vleesch te gebruiken. Zij, die gebruik maken van dit verlof, mogen nochtans geen vleesch en visch gebruiken bij denzelfden maaltijd. Dit geldt ook voor de zondagen van de veertigdaagsche vasten, doch niet voor hen, die gedispenseerd zijn voor de vrijdagen en zaterdagen buiten de vasten, welke alleen onthou-dingsdagen, geen vastendagen zijn.
De wet van onthouding geldt niet alleen te huis maar ook op reis. Op onthoudingsdagen vrage men dus op reis geoorloofde spijzen. Men heeft toch het recht voor zijn geld die spijzen te vragen, die men verlangt; met een goeden wil vermag men veel. Hoe laf is het toe te geven aan het menschelijk opzicht !
Men bracht op een vrijdag koning Lodewijk XVI in zijne gevangenis vleeschspijzen. De koning nam een glas water, doopte er een stuk brood in en zeide: âZiedaar mijn middagmaal.quot; Koning Louis-Philippe gaf op een vrijdag een maaltijd aan de hoogste waardigheidbekleeders van staat en leger. Generaal Brun de Villeret werd om zijne dapperheid geplaatst aan de rechterhand van de koningin, en de maarschalk Soult, zijn vriend, zat aan de rechterhand des konings. Eerst diende men enkel vleeschspijzen op. De generaal nam er niets van. Toen de koningin het opmerkte, zeide zij ; âMaar, generaal, gij eet niet.quot;' âHet is vrijdag, antwoordde hij, ik wacht andere spijzen.quot; Maarschalk Soult spotte er mede, doch de generaal antwoordde; âAls ge me-goed kent, dan moet ge weten, dat ik nooit van mijn leven op vrijdag vleeschspijzen gebruikt heb,.
- 234 -
dan aüeen op het eiland Lobau, waar ik niets te eten had dan den kop van mijn paard.quot; Allen bewonderden hem, en er werden spoedigquot; andere spijzen opgediend.
Het vierde gebod der H. Kerk luidt: Gij zult ten minste ééns 's jaars aan den Priester uwe Biecht spieken.
Het jaar wordt hier gerekend van Paschen tot Paschen. In een geheel jaar niet biechten, wanneer men zich aan groot kwaad heeft schuldig gemaakt, is eene groote zonde. Men zondigt ook grootelijks tegen dit gebod, wanneer men een heel jaar zonder de vereischte gesteltenis biecht. Wanneer men zich echter beschuldigt in tien jaren slecht gebiecht te hebben, dan weet de biechtvader van zelf, dat men tien maal te kort is gebleven aan de verplichting van ééns 's jaars te biechten.
Men stelle zich niet tevreden met ééns in het jaar te biechten; dat is de uiterste grens, welke men niet overschrijden kan zonder diep te vallen. Het groote middel om heilig te leven is dikwijls biechten.
Het vijfde gebod der H. Kerk luidt: En nutten omtrent Paschen het Lichaam des Heeren.
Het is eene zware verplichting in den Paaschtijd de H. Communie te ontvangen. Door eene heilig-schendende Communie voldoet men niet aan deze verplichting, doch maakt men zich dubbel schuldig.'
De Paaschcommunie moet ontvangen worden in de parochiekerk. Om het elders te doen moet men verlof hebben van zijn pastoor of zijn bisschop. Maar flit verlof is niet noodig om buiten zijne parochie te biechten. De Biecht is volkomen vrij ; men kan den biechtvader kiezen, dien men wil; de groote zaak is den biechtvader te kiezen, aan wien men zijne zonden en twijfelingen het best durft â openbaren.
Men ziet uit hetgeen in dit hoofdstuk gezegd is, dat de H. Kerk als eene goede Moeder gebruik maakt van de rechten haar door haar goddelijkeu Stichter geschonken.
Hare wetten zijn niet talrijk en bepalen zich tot datgene, wat de wet Gods zelve voorschrijft, om ons voor de verwaarloozing daarvan te behoeden. De wet der natuur en de wet Gods verlangen toch, dat de mensch eenige dagen wijde aan den dienst van God, dat hij van tijd tot tijd het H. Sacrificie bijwone, dat hij de H. Sacramenten ontvange, welke God voor zijne zaligheid heeft ingesteld, dat hij boetvaardigheid doe voor zijne zonden
Het is duidelijk, dat de Kerk ons geen zwaren last op de schouders wil leggen, welke onze krachten te boven gaat; zij wil niet, dat hare wetten verplichten, wanneer wij in de onmogelijkheid zijn ze te onderhouden, zelfs niet wanneer de vervulling van ons al te zware offers vragen zou. Daarom moeten zij ons des te dierbaarder zijn.
De Kerk heeft het recht, evenals de burgerlijke maatschappij, hare weerspannige kinderen te kastijden. En als zij van dat recht op eene strenge wijze gebruik maakte, dan zou niemand haar daarvan een grief kunnen maken ; zij stelt zich doorgaans tevreden, vooral in onze dagen, straffen op te leggen, die meer tot doel hebben de schuldigen te verbeteren dan hen te kastijden.
De groote straf van de Kerk is de ban, welken de Paus kan uitspreken over eiken christen en de bisschop over zijn onderhoorigen. Hij, die openlijk en met naam geëxcommuniceerd is, is van de gemeenschap der Kerk uitgesloten. Hij is derhalve uitgeworpen van die ark van Nee, buiten welke er geen behoud is.
Elke geëxcommuniceerde, ook die niet met naam
- 234 -
dan aüeen op het eiland Lobau, waar ik niets te eten had dan den kop van mijn paard.quot; Allen bewonderden hem, en er werden spoedigquot; andere spijzen opgediend.
Het vierde gebod der H. Kerk luidt: Gij zult ten minste ééns 's jaars aan den Priester uwe Biecht spieken.
Het jaar wordt hier gerekend van Paschen tot Paschen. In een geheel jaar niet biechten, wanneer men zich aan groot kwaad heeft schuldig gemaakt, is eene groote zonde. Men zondigt ook grootelijks tegen dit gebod, wanneer men een heel jaar zonder de vereischte gesteltenis biecht. Wanneer men zich echter beschuldigt in tien jaren slecht gebiecht te hebben, dan weet de biechtvader van zelf, dat men tien maal te kort is gebleven aan de verplichting van ééns 's jaars te biechten.
Men stelle zich niet tevreden met ééns in het jaar te biechten; dat is de uiterste grens, welke men niet overschrijden kan zonder diep te vallen. Het groote middel om heilig te leven is dikwijls biechten.
Het vijfde gebod der H. Kerk luidt: En nutten omtrent Paschen het Lichaam des Heeren.
Het is eene zware verplichting in den Paaschtijd de H. Communie te ontvangen. Door eene heilig-schendende Communie voldoet men niet aan deze verplichting, doch maakt men zich dubbel schuldig.'
De Paaschcommunie moet ontvangen worden in de parochiekerk. Om het elders te doen moet men verlof hebben van zijn pastoor of zijn bisschop. Maar flit verlof is niet noodig om buiten zijne parochie te biechten. De Biecht is volkomen vrij ; men kan den biechtvader kiezen, dien men wil; de groote zaak is den biechtvader te kiezen, aan wien men zijne zonden en twijfelingen het best durft â openbaren.
Men ziet uit hetgeen in dit hoofdstuk gezegd is, dat de H. Kerk als eene goede Moeder gebruik maakt van de rechten haar door haar goddelijkeu Stichter geschonken.
Hare wetten zijn niet talrijk en bepalen zich tot datgene, wat de wet Gods zelve voorschrijft, om ons voor de verwaarloozing daarvan te behoeden. De wet der natuur en de wet Gods verlangen toch, dat de mensch eenige dagen wijde aan den dienst van God, dat hij van tijd tot tijd het H. Sacrificie bijwone, dat hij de H. Sacramenten ontvange, welke God voor zijne zaligheid heeft ingesteld, dat hij boetvaardigheid doe voor zijne zonden
Het is duidelijk, dat de Kerk ons geen zwaren last op de schouders wil leggen, welke onze krachten te boven gaat; zij wil niet, dat hare wetten verplichten, wanneer wij in de onmogelijkheid zijn ze te onderhouden, zelfs niet wanneer de vervulling van ons al te zware offers vragen zou. Daarom moeten zij ons des te dierbaarder zijn.
De Kerk heeft het recht, evenals de burgerlijke maatschappij, hare weerspannige kinderen te kastijden. En als zij van dat recht op eene strenge wijze gebruik maakte, dan zou niemand haar daarvan een grief kunnen maken ; zij stelt zich doorgaans tevreden, vooral in onze dagen, straffen op te leggen, die meer tot doel hebben de schuldigen te verbeteren dan hen te kastijden.
De groote straf van de Kerk is de ban, welken de Paus kan uitspreken over eiken christen en de bisschop over zijn onderhoorigen. Hij, die openlijk en met naam geëxcommuniceerd is, is van de gemeenschap der Kerk uitgesloten. Hij is derhalve uitgeworpen van die ark van Nee, buiten welke er geen behoud is.
Elke geëxcommuniceerde, ook die niet met naam
hemel gehoorzaamt, de aarde en al hare redelooze schepselen volgen de wet, die God hun gesteld heeft. De mensch alleen, naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, de zondaar, die nietige aardworm, durft met satan tot zijn Schepper zeggen : Ik zat U niet dienen ! En diezelfde zondaar wordt de slaaf der schepselen en zijner lage hartstochten, die hij den teugel viert, en hij weigert de opperheerschappij aan zijn Schepper. Gods oneindige volmaaktheden gaan hem niet aan. Hij neemt als het ware eene weegschaal in zijne hand, en aan den eenen kant stelt hij God met zijne eindelooze beminnelijkheid en aan den anderen kant een nietswaardig genoegen; en in zijne dwaasheid bevindt hij, dat een schandelijk vermaak meer waard is dan God. Hij volgt dat vermaak, dat kortstondig genoegen in en de vriendschap van zijn Schepper treedt hij schandelijk met voeten.
En toch, hoeveel is hij Hem schuldig ! De lucht, die hij in ademt, het brood, dat hij eet, de kleederen, waarmede hij zich bedekt, het leven, dat hij geniet, kortom alles komt van God. De ondankbare, aan dat al denkt hij nog niet eens ! Hij slaat geen acht op het lijden van Jezus Christus, die gestorven is om hem zalig te maken en die door zijnen dood hem den hemel geopend heeft; neen ! niet tevreden met hieraan niet te denken, beleedigt hij Hem nog ; hij bedient zich slechts van Gods gaven om Hem te hoonen en te bespotten ; hij gebruikt zijne oogen tot zondige blikken, zijne handen tot schandelijke werken zijn verstand tot slechte gedachten, zijn hart tot schuldige genegenheden. Hoe afschuwelijk!
Philippus, koning van Macedonië, was eens op zijn rechterstoel gezeten, toen iemand hem recht eischte tegen één zijner leger-oflicieren, die zijne hut in brand had gestoken, en zich van zijn karig erfdeel had meester gemaakt. Vroeger, zoo verhaalde hij
verder, had diezelfde officier schipbreuk geleden, en was door hem van een wissen dood gered, en in diezelfde hut liefderijk opgenomen en verpleegd.
De getuigen stonden voor de waarheid van dat feit in. Dan richtte zich de koning vertoornd van zijn zetel op, verklaarde dien schuldigen olhcier voor een snoodaard, en liet het woord ondankbare opzijn voorhoofd branden. Wat dunkt u, verdient de zondaar nog niet zwaardere straf?
Doch ook God laat niet met zich spotten. Waarom toch troffen zoovele rampen van allerlei soort het joodsche volk gedurende zijn langdurig bestaan ? Tobias antwoordt; omdat, zoo zegt hij, omdat wij niet gehoorzaamd hebben. Waarom komen oorlogen, pestziekten, hongersnood, aardbevingen, overslroomin-gen, besmettelijke ziekten het menschdorn teisteren ?
De H. Maagd heeft het gezegd op den berg van Salette: omdat wij ons niet willen onderwerpen aan de wet van haren goddelijken Zoon.
Maar ontdekt men ook niet dikwijls in het huisgezin de verwoesting der zonde ? Ziet men daar niet menigmaal de zaken achteruit gaan. de gezondheid verwoest worden door verregaande uitspattingen ? Wordt niet dikwerf de vreugde van den huiselijken haard verbannen door het wangedrag van een vader, van eene zorgelooze moeder of van bedorven kinderen? Eindelijk, wordt een eervolle, ja roemrijke naam somtijds niet door het slijk gesleurd door een oinvaar-digen zoon, en komt niet dikwijls een verschrikkelijke dood een einde maken aan een zondig leven ?
De groote Missionaris van Italië, deH. Leonardus, verhaalt ons van een jeugdig losbol, die destijds te Florence leefde, dat hij zich op zekeren dag naar een huis begaf om daar zijn beminde aan te treffen. Hij klopt op de deur. opent en vraagt om haar te spreken. »Even geduld,'' is het antwoord, ..zij is zoo
â 240 â
juist uitgegaan, maar zal aanstonds terugkeeren.quot; âO, dan zal ik wat wachten,quot; zegt hij. Maar ach ! God wacht niet, en de dood evenmin. De jongeling zakte plotseling ineen en gaf den geest; en zijn beminde, die spoedig daarop binnen trad, vond een lijk. En zou God zelfs dengene, die Hem beleedigt, alle tijdelijke straf besparen, toch wordt er de zondaar-niet beter van; want het ongeluk leidt tot God, en kwaad doen en gelukkig zijn volgens de wereld, is de gevaarlijkste toestand op deze aarde.
Elke doodzonde, zelfs eene vrijwillige, grootelijks schuldige gedachte scheidt de ziel van God. Dat staat vast; het licht kan zich niet vereenigen met de duisternis. Zoodra de nacht over de aarde nederdaalt, verdwijnt de zon. Zoo ook als de nacht der zonde over eene schuldige ziel is nedergedaald, neemt God de vlucht. De oneindige heiligheid kan zich niet met iets onreins vereenigen. Eéne doodzonde doet God verliezen.
Nero had door het spel eene aanzienlijke som geld verloren. Om hem dat verlies te doen gevoelen, had Agrippina, zijne moeder, eene gelijke som op eene groote tafel laten neertellen; en als de keizer dat bemerkte vroeg hij verbaasd: Waar komt al dat geld vandaan ? Mijn zoon, antwoordde de moeder, dat is de som, die gij zooeven verloren hebt. Ach ! mocht ook de zondaar inzien, welk verlies de zonde hem toebrengt.
Redeneeren wij, zij het dan niet door kracht van -het geloof, dan toch ten minste met ons bloot gezond verstand .⢠ligt het niet voor de hand, is het niet overduidelijk, dat de God, die alles geschapen heeft, die ons alles heeft geschonken, dat die God meetwaard is dan al zijne schepselen ?
Hem te verliezen is dus erger dan het verlies vau alle goed, erger dan het verlies van 't leven en van
- 24] -
alles wat er bestaat. Als men zich bij een zoo zwaar verlies troost, omdat men zijne graanzolders goed voorzien heeft, omdat men geld in overvloed bezit, omdat men toch de achting geniet van zijn mede-menschen, dan is men gelijk aan dat arme kleine meisje, dat zijn vader verloren heeft. Wijl het nog niet gekomen is tot het gebruik der rede, is het niet bedroefd om diens dood, omdat men het een nieuw kleedje gekocht heeft om den rouw te dragen. Glimlachend van vreugde toont het haar kleedje en zegt: Kijk, vader is gestorven, en nu heb ik dit rouwkleedje gekregen; en zij, die dit hooren, weenen. Arm kind! Dit is de geschiedenis van hem, die God verliest en die trotsch is op zijne rijkdommen en genoegens, en die groot gaat op de achting, die hij onder de menschen geniet, 't Is de geschiedenis van een meisje, van eene vrouw, die uiterlijk rijk zijn opgeschikt, maar in wie de doodzonde de genade Gods heeft vernietigd. Ach. haar ongeluk vraagt tranen, want het is een waarachtige dood. Wanneer de ziel van het lichaam is gescheiden, is dit laatste niet vernietigd, slechts is het een lijk ; zoo ook is de ziel, waarvan God, die haar leven is, zich heeft teruggetrokken, een geestelijk lijk.
Zij heeft al hare vroegere verdiensten verloren. Zij is niet meer machtig werken te verrichten, verdienstelijk voor den hemel. Kortom zij gelijkt op een vermolmden boomstam, die geene vruchten meer kan voortbrengen. Kwaad is de dood dergoddeloozen, zegt de Psalmist. Blijft iemand in dien zondigen staat voortleven, dan loopt hij gevaar door God verlaten te worden ; niet dat God hem de hoogst noodige genaden zal weigeren, maar de genaden, die hem tot bekeering zullen brengen, verleent Hij gewoonlijk niet aan hem, die Hem hardnekkig blijft beleedigen. Vandaar die verblindheid des geestes, die versteend-
16
heid des harten, die den mensch gevoelloos maakt; vandaar de onboetvaardigheid en de eeuwige verwer-
Ping- . ...
De Eerw. Pater Joseph Anchieta, missionaris van Brazilië in de XVIJe eeuw, zag op zekeren dag een man uit de stad gaan, die diep in zijn mantel was gewikkeld en met versneldet; pas voortliep.
Hij ging zijn vijand ter dood brengen. âO dwaze,quot; zoo sprak hem de missionaris toe, ,,waar snelt gij toch zoo haastig heenquot; ? »Pater,quot; antwoordde hij, âik ga eene wandeling maken.quot; âNeen, mijn vriend,quot; hernam de eerste, âgij gaat u in de hel werpen, ik merk het aan den dolk, dien gij zoo zorgvuldig onder uwen mantel schuil houdt.quot; Ach, aan hoevele menschen zou men kunnen zeggen, als men wist, welke begeerte en verlangens hen voortdrijven : Gij gaat u in de hel storten. Hij had wel gelijk, de H. Benedictus Joseph Labre, die beroer,de pelgrim, dien de Kerk op den dag van heden zoozeer vereert! Als hij eens eene stad doortrok, in lompen gehuld en met den bedelzak op den rug, ontmoette hij twee mannen, die gelukkig naar de wereld schenen te zijn. Zij wierpen half uit medelijden, half uit verachting een zijde-lingschen blik op den pelgvim en zeiden tot hem ; ,,Arme ongelukkige'' I ben dictus keerde zich om en sprak tot hen met een gansch opgeruimd gelaat; âMijne vrienden, gij vergist u: er zijn geen ongeink-kigen dan zij, die God bekedijen.quot;
Een landman uit een dorpje nabij Munster, bezocht eens zijnen akker, die door een zwaren hagelslag was vernield. âIk heb innig medelijden met uw ongeluk,quot; sprak zijn buurman. âOchquot; ! hernam de landman terwijl hij zijne grijze lokken heen en weer schudde, âdat is geen ongeluk, er is maar één ongeluk en dat is de zonde.''
Heerlijk woord! Dat de ouders het herhalen voor
â 243 â
hunne kinderen, de oversten voor hunne onderdanen. Dat allen het diep in hun hart prenten en dat allen, die in staat van zonde verkeeren, zich daar haastig-uit verwijderen door oprecht berouw en boetvaardigheid.
De dagelijksche zonde, kleine leugentaal en kwetsingen der naastenliefde, zijn ook beleedigingen van God, verflauwen ons in de liefde Gods, doch doen haar niet verliezen; nochtans moeten wij ze met de grootste zorg mijden en ze nooit vrijwillig bedrijven, want zij verzwakken de ziel en maken den mensch gereed tot dieperen val. Een klein lek, dat niet bijtijds gestopt wordt, kan aanleiding zijn tot den ondergang van een gansch schip.
Maria-Theresia, koningin van Frankrijk, was ontroostbaar na eene lichte fout: âO, dat is maar eene kleine fout,quot; verzekerde men haar om haar gerust te stellen. En zij antwoordde: âHoe gering ook, zoodra zij God beleedigt, is ze doodelijk voor mijn hart.quot;
HOOFDSTUK XXIV.
De Hoofdzo.xmn.
Met dien naam bestempelt men de zeven ondeugden, waaraan de menschelijke natuur is onderworpen en die de oorsprong, de bron zijn van al onze andere zonden. Wij moeten dus die bron stuiten, willen wij God niet meer beleedigen. Elk dezer slechte neigingen heeft duizenden zielen in de hel gestort, die haar niet bijtijds hebben onderdrukt. En ook ons zullen ze ten verderve voeren, als wij ze niet uitroeien. Een akker, die slechts oppervlakkig wordt bewerkt, bewaart in zich de kiem van het onkruid, die het
â 244 â
goede zaad verstikt. Zoo ook gaat het met den akker van ons hart, als wij hem niet diep omwerken om den wortel van het kwaad uit te roeien.
De eerste der zeven hoofdzonden is de hoovaardig-heid of de ongeregelde liefde tot zelfverheffing. Zij is eene zware zonde, als zij ons voert tot groote ongehoorzaamheid jegens onze oversten, tot grove minachting van den evenmensch, of als zij ons doet roemen op fouten, die wij bedreven hebben. Wat dwaasheid is de hoovaardij! Waf hebben wij, dat wij niet ontvangen hebben; en als wij alles ontvangen hebben, waarom roemen wij er dan op ? Aan God alleen komt eer en glorie toe. Schrijven wij zijne gaven aan ons eigen beleid toe, dan onttrekt Hij ze ons. God weerstaat de ho 'Vaardigen, doch aan de nede-rigen geeft Hij zijne genade. En trekt zich God terug van den hoovaardige, dan stort deze in afgronden, die hem d;ep vernederen en hem zelfs hatelijk maken voor zijne medemenschen. Laat nooit de hoovaardij in nw hart heers hen, sprak de oude Tobias tot zijn zoon, want in haar heeft alle kwaad zijn oorsprong. Ja, inderdaad, de hoovaardigheid is de moeder der verwaandheid, der huichelarij, dei-eigenzinnigheid, der ondankbaarheid, van het men-schelijk opzicht, der hardnekkigheid, der ijdelheid. Dit laaste gebrek is bijzonder eigen aan de vrouw en het meisje. Zij is als het ware dit geslacht aangeboren, zegt de H. Franciscus van Sales. Zij is dat ellendig gebrek, dat de uren verslindt, waarvan men een zoo heilig gebruik kon maken, als men die besteedde aan het gebed, dat de middelen uitput, welke men zoo nuttig kon besteden voor de glorie van God en tot welzijn van den evenmensch. Kortom zij is een kwaad, dat alle verhevene gevoelens uitdooft. Een hart, dat vol is van ijdele plannen, heeft niets edels meer.
De zorg om aan de menschen te behagen, is oorzaak, dat men niet behaagt aan God, die alleen zijn genoegen stelt in de bescheidenheid en de eenvoudigheid. Zoekt men den menschen te behagen, dan behaagt men slechts aan aardschgezinden : en bijgevolg schept men zich de meest te duchten gevaren voor de deugd. Wijze lieden verachten de ijdelheid; en inderdaad, er is niets zoo alledaagsch, zoo algemeen als dat kwaad: men vindt het in de hoofdstraten der steden en op de voetpaden van het platteland. Bescheidenheid en eenvoud zijn zeldzaam en vandaar kostbaar en door allen hooggeschat.
Sprekende over de jeugdige Demetriades, die hij de voornaamste noemt in de Romeinsche wereld, zegt de H. Hieronymus, dat zij een afschuw had van den opschik, dien zij verplicht was te dragen en wel in die mate, dat zij met de koningin Esther in haar gebed tot God kon zeggen : Heer. gij weet, dat ik de kroon veracht, die mijn voorhoofd siert, en dat ik haar verafschuw als bevuilde lompen. Men zeide tot lofprijzing der jeugdige barones van Chantal, toen zij den huwelijken staat aanvaardde, dat zij niets jeugdigs bezat dan haar gelaat.
De gulzigheid is eene ongeregelde zucht naar spijs en drank. Men moet eten om te leven en niet leven om te eten, zegt het spreekwoord. Ongelukkig dus zij, die van hun buik een afgod maken, zooals de H. Paulus het uitdrukt.
Vooral is men omtrent dit punt grootelijks schuldig, als de buitensporigheden in de maaltijden bijzonder schadelijk zijn voor de gezondheid, als zij ons onbekwaam maken onze plichten van staat te vervullen of onze schulden te betalen.
Helaas ! Hoevele huisgezinnen zijn ten gronde gegaan door het overmatig gebruik van sterken drank,
- 246 -
ja zelfs door noodelooze, dure en verkwistende maaltijden !
De dronkenschap is grootelijks beleedigend voor God, als zij zoover gaat, dat men zijn verstand verliest, als zij den mensch blootstelt aan hevige opvliegendheid en gramschap, aan vloeken en godslasteringen of aan zonden tegen de heilige deugd van kuischheid. De fouten en misslagen, die men voorzag in zijne vrijwillige dronkenschap te zullen bedrijven, zijn in zooverre schuldig in hunne oorzaak. Het is in geenen deele geoorloofd, iemand aan te zetten tot het overmatig gebruik van sterken drank, en geenszins prijzenswaardig de leden van zijn gezelschap onophoudelijk tot drinken aan te sporen. De dronkenschap is een afschuwelijk kwaad, zij is een soort van razernij en zij verlaagt den mensch, naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, tot het peil van het redelooze dier. De dronkenschap is de ondergang van fortuin en gezondheid, zij is de wanhoop van het huisgezin, de smaad der maatschappij, de dood der ziel.
Ten tijde van den H. Augustinus, leefde er te Hippone een jongeling, met name Cyrillus, die aan den wijn verslaafd was. Niets kon hem uit de herbergen terughouden, niets hem losrukken van zijne lichtzinnige vrienden. Eens keerde hij in beschonken toestand naar huis terug, en in zijne woede doodde hij zijn vader en ééne zijner zusters en bracht eene doodelijke wonde toe aan een derde. Als nu de H. Augustinus het bericht van al die schanddaden vernam, riep hij het volk naar de kerk. Luid snikkend en onder een vloed van tranen sprak hij over het pas gebeurde, en al het volk barstte met hem in tranen uit, bij de overweging van de vreeselijke gevolgen, die de dronkenschap na zich kan sleepen.
In het jaar 1650 keerde een wijngaardenier, in
- 247 -
den Elzas, Adam Steckmann genaamd, dronken uit de herberg huiswaarts. Zijne vrouw was bij zijne tehuiskomst afwezig Zijn kleine jongen vroeg hem een boterham en zijn jeugdige Anna bood hem een mes aan, waarvan de snoodaard zich bediende, om zijne twee kinderen van kant te maken. Een derde eindelijk, dat nog in de wieg lag en bij het gebeurde jammerlijk begon te schreien, rukte hij woedend uit zijn bedje en sloeg het tegen den muur dood. Meteen trad zijne vrouw binnen en bij het zien van de drie kinderlijkjes viel zij door eene beroerte getroflen dood voor zijne voeten neer. En de ongelukkige zelf? Hij stierf door beulshanden. Ziedaar, waarheen de dronkenschap leidt! Wel reden dus, om de naaste gelegenheden tot die zonde te vluchten, om te breken met slechte gezelschappen en makkers, om de huizen vaarwel te zeggen, waarin de sterke dra: k a's de duivel i'er verleiding heerscht.
Zich vleien met de hoop, dal men zich zal betert n zonder die gezelschappen en die huizen te vermijden, dat is eene bevestiging te meer van het spreekwoord: Die gedronken heeft zal drinken. Cambronne, een officier van het Fr nsche leger, ('eed wijzer Op het punt ter dood veroordeeld te worden ten gevolge van zijn onmatig drinken, zwoer hij, ten einde gratie te bekom n, zich voor altoos van allen sterken drank te onthouden. Hij hield woord, en Cambronne werd een held. Doen ook wij zoo. Als de jenever ons den dood toebracht, zouden wij er dan gebruik van maken ? Welaan dan, zij veroorzaakt den dood der ziel.
De onkuischheid is de zucht naar de schuldige genoegens van het vleesch. (Zie verder Hoofdst- XIX van het tweede deel)
De gierigheid is de ongeregelde gehechtheid aan de goederen der aarde. Deze ondeugd wordt dan
- 248 -
grootelijks schuldig voor God, als zij den mensch tot grove onrechtvaardigheid brengt, en ook als zij zoover gaat, dat zij hem alle armen zonder onderscheid doet afwijzen, alhoewel hij die gemakkelijk eene aalmoes kon en moest geven. Waarom toch zich zoo vast gehecht aan goederen, die de dieven ons kunnen ontstelen, die de mot verteert, die men met zooveel moeite verzamelt, die men met zooveel onrust bezit, die men zoo spoedig zal moeten verlaten ? Duuazc, zegt Christus,. dezen nacht nog zal men uwe ziel van u opeischen : en voor wien zullen uwe opgestapelde schatten zijn ?
Een landlooper had de graanschuren van den H. Stephanus in brand gestoken. Spoedig daarop kwam men den heilige die tijding meededen met de woorden : Helaas 1 er is u een ongeluk gebeurd, al uw graan is verbrand.
De heilige ontstelde niet, en kalm antwoordde hij: Helaas neen, niet mij maar den brandstichter heeft eene groote ramp getroffen.
De traagheid is eene vrijwillige onverschilligheid, die men toont om de vriendschap Gods te bewaren en wel om wille der pogingen, die men moet aanwenden om die vriendschap te bestendigen. Door traagheid verstaat men ook de nalatigheid in het vervullen zijner plichten van staat. Verzuimt men bijgevolg krachtens deze ondeugd de meest ernstige plichten, dan is zij grootelijks schuldig. Zij, die heiligen waren in den arbeid, zijn in de rust tot val gekomen. De mensch is geboren om te werken, gelijk de vogel otn te vliegen, zegt de H. Geest.
Elkeen moet zich dus vlijtig bezighouden, tot welken staat of stand hij ook geroepen zij ; behoeft men niet te werken voor zijne eigene noodzakelijkheid,, dan kan men zijn tijd besteden aan het welzijn van armen of ter bevordering van goede werken.
De ouders zijn dus wel verplicht hunne kinderen
- 249 -
reeds van jongs af aan den arbeid te gewennen, willen ze hen niet vroegtijdig in het verderf zien gestort. Ach, hoe beklagenswaardig zijn die mannen^ die den tijd, zoo vluchtig en kostbaar, aan nuttelooze bezigheden besteden, ja niet zelden aan verboden spelen verkwisten, en alzoo hun eigen geluk en de toekomst hunner kinderen verwoesten. De zoogenaamde hasardspelen, die van het louter toeval afhangen, heeft men ten allen tijde beschouwd als een geesel der beschaafde maatschappij. Altijd heeft men hen veracht, die er als het ware eene levenstaak van maakten. De heidenen zelfs begrepen de gevaren der ledigheid en Pisistrates, koning van Athene, vaardigde het bevel uit, al de ledigloopers op het plein der stad samen te roepen en hen allen te voorzien van lastdieren en graan ten einde daarmede het land te bouwen, 't Is het beste middel, zeide hij, om hen van diefstal en rooverij terug te houden.
De nijd is eene droefheid over het welzijn van den evenmensch. Uit nijd zich bedroeven over een groot geluk van zijn naaste, of zich verblijden over diens zware rampen, is doodzonde. Wij moeten onze broeders beminnen als ons zeiven en hun het goed gunnen, dat wij ons zeiven wenschen. Wat gij niet wilt, dat u geschiedt, doe dat ook aan een ander niet, zegt het spreekwoord.
De gramschap is het ongeregeld verlangen om zich te wreken. Wenschen, dat de schuldige gestraft wordt, maar uit liefde tot de gerechtigheid of tot zijn welzijn en verbetering, is natuurlijk geoorloofd, maar zich te wreken op een onschuldige of een schuldige zwaarder te straffen dan hij verdient, in vloeken en godslasteringen tegen hem uit te vallen of hem grove beleedigingen naar het hoofd te slingeren, zijn fouten, die de naastenliefde kwetsen.
Keizer Valentinianus ontving eens de gezanten van
- 250 -
een naburig hof ter audiëntie. Deze gezanten zagen er uiterst slordig en slecht gekleed uit en de keizer, meenende, dat men hen zoo gezonden had om hem te bespotten, sprak in zulke heftige bewoordingen tot hen, dat er een ader sprong en hij eenige uren daarna overleed.
Maar, waarom al die ondeugden aargehaald, zonder te wijzen op hare geneesmiddelen ! Welaan dan, ziehier de voornaamste en de krachtigste: het menigvuldig ontvangen van de H. H. Sacramenten, het gebed en de overweging der vier uitersten, de gedachte aan het voorbeeld van Christus en zijne heiligen, de beoefening der tegenovergestelde deugden, het gewetensonderzoek, en vóór alles bij elke overtreding zich aanstonds beteren, eene akte van berouw verwekken en zich eene kleine boete opleggen.
Die middelen zullen onze fouten uitroeien en ons leven gelukkig, ja heilig maken. Neen, bedriegen wij ons niet, onze, driften niet bijtijds onderdrukt, zijn eene bron van veel kwaad; zij verscheuren het hart en geene slavernij is schandelijker dan die der drilten. Hoe meer men er aan toegeeft, hoe meer zij eischen. Nooit zijn zij verzadigd, en dan eerst zullen zij ons met rust laten, als wij ze volkomen hebben ten onder gebracht
HOOFDSTUK XXV.
Over de gelegenheden der zonden.
Als de afgrond diep is, moet men zelfs den rand vermijilen. Er is geen afgrond zoo schrikwekkend als de doodzonde; 't is dus onze plicht, er zelfs het gevaar van te schuwen. Zich roekeloos blootstellen
- 251 -
ê
aan het naaste gevaar van zware zonde, is op zich zelve reeds doodzonde, ook al zou men verder geen kwaad verrichten. Is het eene misdaad, zijn leven voor eene nietigheid in de waagschaal te stellen, wat dan te zeggen, als men zijne ziel, de vriendschap van God, de eeuwigheid op het spel zet?
Wat den mensch tot zonde brengt is de gelegenheid. Zoo noemt men een persoon of eene uitwendige zaak, die ons tot het kwaad aanzet. Er zijn gelegenheden, die slechts weinig invloed op den mensch uitoefenen, en krachtens welke hij dan ook zelden in zonde valt. Men noemt die verwijderde gelegenheden en men is niet op zware zonde verplicht die te schuwen, wijl dit onmogelijk is. Maar ook zijn er gelegenheden, waarin de mensch dikwijls valt, b. v. zou iemand een jaar lang, elke maand, op een zondag met een persoon van het ander geslacht spreken en daardoor zesmaal de H. Mis verzuimen; of zou hij bij die twaalf samenkomsten met dien persoon zesmaal vrijwillig hebben toegestemd in gedachten of begeerten tegen de heilige deugd van zuiverheid, dan zou zulk een persoon voor hem eene naaste gelegenheid tot zonde zijn. Om te weten wat voor ons eene naaste gelegenheid tot zondigen is, moet men zich onderzoeken, in welk gezelschap, op welke plaats, met welk vermaak men het ongeluk gehad heeft God dikwijls grootelijks te beleedigen, door vloeken, slechte gedachten, dronkenschap enz. En uw geweten zal u zeggen : Dat is in dit huis, met dien vriend, met dien persoon, tijdens die uitspanning, om dat boek enz., en gij hebt zoo de naaste gelegenheid tot zonde ontdekt. Dan behoeft men nog maar te weten, wat men in geweten te doen heeft met betrekking tot die gelegenheid. Om zulks te bepalen, moet men onderscheid maken tusschen noodzakelijke en vrijwillige gelegenheden.
- 252 -
De noodzakelijke gelegenheden zijn die, welke men volstrekt niet kan verlaten, of welke men niet kan vaarwel zeggen, zonder eene werkelijk groote zwarigheid. Stelt u een man voor, die aan handen en voeten geboeid in de gevangenis zucht. Aan zijne zijde bevinden zich makkers, die zich met slechte taal bezighouden. Die man nu kan de gevangenis niet ontvluchten om zich aan die makkers te onttrekken, want de sterke arm der gerechtigheid houdt hem vastgekluisterd. Ziedaar de noodzakelijke gelegenheid.
Een kind kan zonder groote zwarigheid het ouderlijk huis niet verlaten, en als het daar in het grootste gevaar is, omdat het ongelukkig behoort aan ouders, die gebroken hebben met de goede zeden en het geloof, dan is dat wederom eene noodzakelijke gelegenheid.
Welke regels nu heeft men in zulke noodzakelijkheid te volgen ? Deze: iemand, die zich in zulke gelegenheid bevindt, moet vast besloten zijn in dat gevaar op zijne hoede te zijn, elk bewijs van gehechtheid met den persoon, die hem tot kwaad aanzet, vermijden, zelfs zijne blikken niet op hem laten rusten, en altijd geregeld tot de H.H. Sacramenten naderen. Hoe verkeerd is dus de gedachte van hen, die zeggen: Ik ben in een gevaarlijken toestand; altijd ben ik aan vallen blootgesteld en ik kan niet biechten. Dit denken zij, en juist het tegenovergestelde moeten zij doen. Want nooit is het ontvangen der H. H. Sacramenten noodzakelijker. Zij, die in zulke gelegenheid verkeeren, moeten ook dagelijks en vooral 's morgens voor een kruisbeeld het besluit vernieuwen God niet meer te beleedigen, in elke omstandigheid, wat er ook geschiede. Hem getrouw te blijven en liever te willen sterven dan te zondigen. Gebruiken zij deze middelen of andere, die de biechtvader hun zal voorschrijven, met de grootste edelmoedigheid,
- 253 -
dan verkeeren zij in de beste gesteltenis en God zal hun vergeving schenken.
En is die vergiffenis bekomen, zijn alle mogelijke middelen aangewend, alle voorzorgen genomen om de zonde vaarwel te zeggen en zou die ziel in die gelegenheid nog hervallen, nog dikwijls hervallen, wat dan ? De staat, waarin zij leeft, het ambt, dat zij bekleedt, is voor haar de oorzaak van vele hervallingen ; hare grootste belangen zijn juist in dat huis, waar hare deugd strikken gespannen worden.
Het zij zoo, zegt de H. Alphonsus, maar het is juist dan, dat het woord van den goddelijken Meester in toepassing treedt; Als uw rechteroog u ergert, ruk het uit en werp het van u weg. Beter is het één lidmaat te verliezen dan gansch het lichaam, beter zijne tijdelijke belangen te laten varen, dan zijne ziel te verliezen !
Maar men moet toch leven, zal men zeggen. â Ja men moet leven ; maar indien men niet kan leven zonder God te verliezen, dan liever sterven. Ook de Heiligen hebben dat gedaan. En niets is billijker; want zooverre de hemel de aarde overtreft, zoover ook overtreft de ziel het lichaam. Hoe dwaas is een kind, dat den diamant, waarmede zijne moeder zijne borst versierd heeft, zou inruilen tegen een stuk glas! hoe dwaas de mensch, die voor een tijdelijk belang God en zijn geweten zou ten offer brengen. En hetzelfde besluiten wij ten opzichte van hen, die het huis niet willen verlaten, waarin hunne deugd in gevaar is, die niets doen om zich te bekeeren, die niet breken willen met de naaste gelegenheid tot zondigen. Maar hoe schuldig voor God zijn ook de ouders, de hoofden van gezinnen, die rondom zich naaste gelegenheden tot zonde dulden, die niet waken op de boeken hunner bibliotheek, op de dagbladen, die zij ontvangen, op het gezelschap en den omgang
- 254 -
hunner kinderen, dienstboden en verdere ondergeschikten ! Hoe schuldig Voor God zijn die vaders en huismoeders, die, slechts bedacht op tijdelijk voordeel, lichtzinnig, zonder eenig onderzoek, hunne kinderen verhuren in onbekende, dikwijls gevaarlijke huizen ; die hen zenden naar werkplaatsen, waarin de deugd der jongelingschap vooral zoo lichtvaardig en zoo spoedig schipbreuk lijdt. Neen, zij luisteren niet eens naar de taal van het gezond verstand. Of is het niet helder als de zon, dat zij aldus de deugd hunner kinderen, hunne onschuld, hunne eer op het spel zetten; dat zij lachen met hunne toekomst, spotten zelfs met hunne eeuwigheid ? Welaan dan, waakt over het heil uwer dierbaren en op het eerste alarm moet gij strijdvaardig zijn.
Dit over de noodzakelijke gelegenheden, nu nog iets over die, welke de godgeleerden vrijwillig noemen. En waarin bestaan die ? Dat zijn die, welke ons dikwijls tot zonde brengen, doch die wij kunnen vermijden, als wij zulks willen. Onder dit getal komen dus al die gelegenheden, welke onze verbeelding ons als noodzakelijk voorstelt, doch het in werkelijkheid niet zijn. Eene bevalligheid, die wij er in vinden, een laag belang, een nietswaardig vermaak, een voorwendsel zelfs is genoeg, om ons te overreden altijd in die gelegenheid te blijven. Ik kan zooveel voordeel behalen op die plaats, in die bediening, bij dat werk, in dien handel ; het leven zou mij lusteloos zijn, als ik mijn omgang met dien persoon moest breken, en dan, wat zou men zeggen, men zou verwonderd, geërgerd zijn over mijne verwijdering. Kijk, zoo iets brengt men in, maar men bedriegt God niet en ook geen oprecht geweten. Ach! Indien men telkens, als men dit af dat huis binnentrad, in dit of dat gezelschap verkeerde, eene eenigszins belangrijke som geld verloor, men zou zich wel weten te be-
â 255 â
dwingen ; maar de oneindige waarde eener onsterfelijke ziel wordt niet geacht! â Wij vreezen aanstoot te geven en voor de minste vlek, die onzen goeden naam aankleeft, zijn wij beducht. Doch de H. Alphonsus antwoordt hierop : âVeel grooter ergernis zult gij geven, als men u in de gelegenheid van zonde ziet volharden Daar, waar men niet weet, dat gij kwaad doet, zoo voegt hij er bij, zal uwe verwijdering niets slechts doen vermoeden ; en zegt gij de plaats vaarwel, waar uwe afwijkingen bekend zijn, dan zal uw goede naam geen afbreuk lijden maar veeleer toenemen.quot; Men begrijpe het goed, de vrijwillige naaste gelegenheid tot zondigen is die. welke men zonder belangrijke zwarigheid kan verlaten. Dus ijdele voorwendsels om in die gelegenheid te blijven volharden, zijn niet voldoende. Men zou daartoe overwegende redenen moeten bezitten.
quot;Welaan dan! welken regel moet ge volgen ten opzichte van dat boek, dat uwe verbeelding overspant, van dat feest, van dat gezelschap, van dien persoon van verschillend geslacht, die ge kunt vermijden ?
Vluchten moet gij. Die de gelegenheid zoekt, bemint haar, en die haar bemint, zal er in vergaan. De H. Geest zelf heeft dat getuigenis afgelegd. En Christus zegt: Vreest niet hen, die hei lichaam kunnen dooden : 7?iaar vreest veeleer hen, die en lichaam ev ziel in het verderf kunnen stor!e?i. Dit is geene raadgeving maar een streng gebod; en dit gebod overtreden is eene misdaad, eene zware schending van het vijfde gebod van God; ja, het is een geestelijke zelfmoord. Dat anderen in dezelfde gelegenheden verkeeren en daarin geen kwaad doen, is voor ons geene reden om er ons in te begeven, als er werkelijk gevaar in bestaat. Iemand met krachtig gestel neemt zonder eenige noodzakelijkheid des morgens een koud bad. Hel doet hem goed; hij krijgt daardoor goeden
â 256 -
eetlust en verzamelt nieuwe krachten voor de toekomst. Nu neem een ander met geschokte gezondheid en met de tering onder de leden : Ook hij neemt zonder reden een koud morgenbad, alhoewel hij voorziet, dat eene zware borstziekte daaruit zal volgen; is zoo iemand geen zelfmoordenaar ? Zoo ook is het gelegen met het geestelijk gestel, dat bij sommigen sterk, bij anderen zwak is.
Is men op meer gevorderden leeftijd gekomen, dan is men daarom toch niet minder verplicht het gevaar te vluchten. Integendeel, er bestaat dan zelfs eene reden te meer om de gelegenheid te schuwen, wijl men zich moet voorbereiden om voor Gods rechterstoel te verschijnen. De ouderdom is niet tegen zonden gevrijwaard. Salomon, die wijs was in zijne jeugd, is op zijn ouden dag gevallen.
Ziehier de dwaze redeneering, die een groot getal zielen in de hel heeft gestort; Nog zal ik die gelegenheden bezoeken, zegt men, maar nu zal ik voorzichtiger zijn en ik zal niet vallen. Ja, ook een H. Petrus sprak eens zoo, en kort daarop verloochende hij zijn goddelijken Meester tot driemaal toe, en dat wel op de eenvoudige vraag eener argelooze dienstmaagd.
De Heiligen waren sterker dan wij, die bij ondervinding weten, hoe zwak wij zijn, en met vrees en angst hebben zij hunne zaligheid bewerkt. De H. Hieronymus vluchtte en trok zich terug tot in het diepste der wildernis, de H. Benedictus doofde het vuur der bekoring in zich uit, door zich in doornen te wentelen, en de H. Petrus Damianus en de H. Bernardus dompelden zich in een bevrozen vijver om den gloed der hartstochten in zich te temperen. Zoo hebben zij de gelegenheden gevlucht, zoo gestreden, zoo overwonnen.
Maar zelfs de heiligen, die het gevaar niet vreesden.
- 257 -
aijn ellendig gevallen. De H. Gregorius verhaalt ons van een man in Afrika, die een buitengewonen moed en een sterk geloof bezat. Deze nu werd overvallen door de â woeste Vandalen, die hem dreigden de tong uit te rukken, als hij niet ophield de godheid van Jezus Christus te verkondigen. Doch de man ging voort met Jezus Christus te loven en de bedreigde straf werd uitgevoerd. Maar God beloonde de standvastigheid van zijn dienaar en nog met meer welsprekendheid dan eerst sprak hij over de geheimen van den godsdienst. Doch ziet: Die bewonderenswaardige man, die martelaar voor het geloof, waagde zich in eene naaste gelegenheid van zondigen, hij viel en God strafte hem met doofstomheid. En diezelfde man, die eens een voorwerp was van bewondering voor allen, werd nu een voorwerp van verachting. Waar zijn de wonderen, die wij verricht hebben ? En wij zouden niet breken met die slechte gezelschappen; wij zouden onlt; vleien met de hoop in die gezelschappen staande te blijven !
De H. Hernardus zegt, dat het gemakkelijker is een doode tot het leven terug te roepen, dan niet te vallen in de naaste gelegenheden van zonde.
Maar God al mij wel met njne genade steunen en dan zal ik wel staande blijven in de gelegenheid, zoo denkt men. Maar hoe kan hij rekenen op Gods bijzondere genade, die er zoo weinig aan hecht, die ze voor eene nietigheid verspilt, voor een kortstondig vermaak, voor een genot van een oogenblik, dat hij smaakt in een aardsch en lichtzinnig gezelschap? Hij, die zich in een brandenden oven zou werpen in de stellige verwachting, dat de goddelijke bijstand hem tegen de vlammen zou vrijwaren, zoo iemand zou God tergen, en God zou hem laten roosteren. Zoo ook zal Hij zijne hand terugtrekken van hem, die zich moedwillig aan het gevaar blootstelt. Wat
17
- 258 -
dan te doen ? Vluchten, nog eens, vluchten, vluchten al de gelegenheden, die ons tot zonde kunnen verleiden. 't Is het geheim der zaligheid.
Indien de menschen, zegt de H. Alphonsus, zorg droegen de naaste gelegenheden tot zondigen te schuwen, dan zou er ontzettend veel kwaad in de wereld vermeden worden.
HOOFDSTUK XXVI Over de gevaarlijke gezelschappen.
De vriend der dwazen wordt aan hen gelijk, zegt de H. Geest; en de ondervinding bewijst het dagelijks. Joseph Arger, een jongeling van drie en twintig jaren, werd in het jaar 1844 door het hooge Gerechtshof te Parijs ter dood veroordeeld.
Genaderd tot aan den voet van het schavot, smeekte de jongeling als laatste gunst, nog even het woord te mogen richten tot de aanwezige schare : ,,Ik ga sterven,quot; zoo sprak hij, âomdat ik slechte gezelschappen bezocht heb. Slechts zes weken hield ik mij daarmeê op. Decaut had mij daartoe verleid, maar ik vergeef het hem. Vaarwel, mijn arme vader!quot; En zijn hoofd viel onder de neergelaten valbijl. Decaut zelf, de verleider, werd tot levenslangen dwangarbeid veroordeeld. Ziedaar, waarheen slechte gezelschappen leiden. Het treurig uiteinde van Joseph Arger heeft u diep getroften. En gelukkig nog deed zijn misdrijf hem innig leed; met de beste gevoelens is hij gestorven. Doch dikwijls voeren slechte gezelschappen nog verder dan het schavot: zij leiden n. 1. tot goddeloosheid, tot ongeloof, tot een onboetvaardigen dood.
Onder gevaarlijke, slechte gezelschappen, verstaat
- 259 -
â¢men die, waarin men staat blootgesteld deel te nemen aan slechte gesprekken, aan godslasteringen ; gezelschappen, die aanleiding geven tot ongeoorloofde verkwisting en dronkenschap.
Slechte gezelschappen zijn die, waarin men gevaar lijdt zijne godsdienstplichten te verwaarloozen, de H. Mis te verzuimen, waarin de deugd van den jongeling vooral zoo gemakkelijk schipbreuk lijdt.
Kortom slechte gezelschappen zijn al die, waarin men zoo licht gevaar loopt God grootelij ks te be-leedigen. Het is eene volstrekte noodzakelijkheid zulke gezelschappen te vluchten op eiken leeftijd, doch vooral in de jeugd. Een jongeling zoeke eene gezellige bijeenkomst onder de leden eener bestaande Congregatie, in katholieke kringen, waarin de godsvrucht in eere, waarvan de zedigheid het sieraad is. De jonge dochter in de wereld kieze zich vriendinnen uit de Congreganisten der H. Maagd, of andere ernstige, zedige en waarlijk godvruchtige personen; want eene heilige vriendschap is tevens van onberekenbaar voordeel voor ware deugdzaamheid. Doch indien een man, vooral indien een jongeling zich aansluit bij makkers, die hun tehuis zoeken in koffiehuizen en herbergen, die noodzakelijk elk tooneelspel moeten bijwonen, die de godsvrucht beschimpen of gesprekken voeren tegen geloof en zeden, dan zal men de deugd van zoo iemand van lieverlede zien verzwakken, zijne zeden langzamerhand zien bederven.
Indien de vrouw, indien het meisje haren omgang zoekt met ijdele, wereldsche, lichtzinnige Vriendinnen, dan zal hare zedigheid spoedig een einde nemen.
Zijn dan de gevaarlijke gezelschappen zoo vreeswekkend in hunne gevolgen, wat dan te zeggen van de bijeenkomsten van personen van verschillend geslacht ? Dat zijn ongetwijfeld de gevaarlijkste klippen
- 260 -
voor de deugd. Welaan dan, men hebbe nooit zoodanige geheime samenkomsten, waarvan, volgens het woord van Fenelon, de duivel de derde persoon uitmaakt.
âReeds in mijne jeugdige jaren,quot; zoo lezen wij in de geschriften der gelukzalige Margaretha Maria, âgevoelde ik in mijn hart een zoo grooten afschrik van die geheime bijeenkomsten, dat ik liever mijn lichaam in duizend stukken had laten kappen, dan mij met de gedachte alleen daaraan op te houden.quot;
Om zulke bijeenkomsten te vermijden, belette de H. Hieronymus, dat de uitstekende maagd Demetriades alleen uitging. Dikwijls, zeide hij, tracht de sperwer de duif van hare gezellinnen te verwijderen, om haar onverwachts te overvallen en te verslinden.
De profeet Job had een verbond gesloten met zijne oogen, opdat hij zelfs zijne gedachten niet zou richten naar personen van verschillend geslacht. En de Heiligen wijzen er ons op door hun woord en hun voorbeeld, te waken op onze zintuigen, te waken vooral op onze oogen en ze zelfs niet met nieuwsgierigheid te vestigen op personen van het andere geslacht.
Deze voorzorgsmaatregelen zijn vooral verplichtend voor diegenen, wier herhaaldelijk hervallen in de zonde het bewijs heeft geleverd van hunne mensche-lijke zwakheid. Wanneer eenig persoon voor ons eene gelegenheid tot zondigen is geweest, dan moeten wij dien persoon niet zoeken, maar zooveel mogelijk schuwen, wij moeten voor hem de deur sluiten, gelijk men dat doet voor een dief, want hij kan onze ziel ontstelen, die kostbaarder is dan alle schatten der wereld. Ja, wij moeten zelfs trachten hem niet te ontmoeten op weg.
Indien de Heiligen gevaar zagen in stoeierijen, in al te gevoelige liefdeblijken tusschen personen
- 2G1 -
van hetzelfde geslacht, hoeveel gevaarlijker dan zijn de blijken van gehechtheid, gegeven aan personen van verschillend geslacht ? Houdt u dan hiermede niet op, maar ontzegt u die geheel en al, want daarin zult ge eerder slagen, dan u op tijd staande te houden op eene zoo glibberige helling. Ook moet men op dit punt niet alleen waken over al zijne zintuigen, maar zelfs over zijn hart: Want dat hart behoort aan God, voor Hem moeten wij het vlekkeloos en kuisch bewaren.
De H. Leonardus zegt, dat een dief, wanneer hij een huis wil binnendringen, eerst eene kleine opening aanbrengt in de deur, waardoor hij een kind doet binnengaan, dat vervolgens de deur geheel opent.
De duivel der ontucht, die door eene brave, godminnende ziel op de vlucht zou gedreven worden, draagt vooral zorg, als hij de deur van dat hart wil binnendringen, eerst een kleineren, minder afschuwelijken duivel binnen te voeren, den duivel eener natuurlijke gehechtheid. Deze laatste opent vervolgens de deur voor den andere; dit is, helaas ! een alledaagsch verschijnsel. Welaan dan, hechten wij ons hart niet aan het schepsel, maar richten wij het op tot God, en wel met des te meer kracht naargelang wij merken, dat het meer naar het aardsche, naar het zinnelijke overhelt.
Wat nu nog te zeggen, na deze opmerkingen, over de losheid en ongebondenheid, die op verschillende plaatsen vooral onder de jeugd heerschen ? Ziet men gedurende de winteravonden geen jongelingen hier en daar werkeloos rondslenteren, die naar gelegenheden uitzien om te schertsen met jonge meisjes, die verblinde ouders aan hare eigene zwakheid overlaten ? Onze kinderen zijn engelen, zegt men soms om eene schuldige nalatigheid te rechtvaardigen. Weten ze dan niet, dat de Engelen in den hemel
- 262 -
ook gevallen zijn ? Weten ze niet, dat er geene deugd bestand is tegen het zoogenaamd gemeenzaam verkeer, dat een heilig Kerkleeraar noemt den doodstrijd der kuischheid ?
Die jongelieden, zoo kan men inbrengen, hebben uitzicht op een huwelijk, dat zij moeten aangaan. Geschiedt het verkeer een korten tijd voor het huwelijk en wel in tegenwoordigheid der ouders, dan kan men er niets van zeggen, mits de ouders zorgen, dat die bezoeken niet te lang noch te menigvuldig zijn, want zelfs onder de beste voorwaarden zijn en blijven ze gevaarlijk. Maar, ik vraag het u, waartoe moet die betrekking begonnen en aangehouden worden maanden, soms jaren lang voor het huwelijk ? Is het niet in strijd zoowel met de regels der welvoege-lijkheid, als met de regels der christelijke voorzichtigheid, eene jonge dochter gansch alleen in gesprek te laten met een jongeling, die hare hand vraagt? Kunnen die jonge lieden door hunne onsterfelijke ziel op het spel te zetten zich voorbereiden tot dat groote Sacrament, dat zij weldra zullen ontvangen en tot die zware verplichtingen, die hun zullen worden opgelegd ? Zich blootstellen aan het naaste gevaar van zondigen, is dat voor hen niet het middel om den vloek van God voor de toekomst op zich te laden? Ja, het is voor ons eene innige overtuiging; zijn er zoovele personen, voor welke de huwelijke staat als eene hel op aarde is, dan is het daaraan te wijten, dat zij vóór het aangaan van dien staat een losbandig en zondig leven leidden.
Hoe zullen wij eindelijk sterk genoeg uitvaren, gelijk dat moest, tegen de samenkomsten van personen van verschillend geslacht, die in sommige streken in gebruik zijn bij gelegenheid b. v. van kermissen of andere openbare vermakelijkheden en meestal plaats vinden in herbergen en publieke danshuizen?
- 263 -
Welk een misbruik in het hartje van het christendom ! Het is eene droevige waarheid, dat juist de gevaarlijkste dansen, die de zedigheid het meest in gevaar-brengen, zijn doorgedrongen tot op het platteland; de jongelingschap ziet men er als het ware op verslingerd en zelfs kinderen nog te klein en te onschuldig om er het gevaar van in te zien, zijn er reeds getuigen van en koesteren alreeds in hun hart het verlangen en de hoop, om bij meer gevorderden leeftijd er aan deel te nemen.
Ja men heeft zelfs de zoogenaamde kinderbals uitgevonden, die men ten onzent hier en daar in grootere steden aantreft.... Ik vraag het u in ernst, wanneer zal men dan eens het besluit nemen, eerbied te hebben voor die onsterfelijke zieltjes, en al die vermakelijkheden vaarwel zeggen, waardoor voor de deugd dier jeugdige onschuldigen strikken worden gespannen, die eenigszins nadenkende ouders bij den eersten oogopslag moesten zien ? Den geest der â¢wereld ziet men in onze dagen doorgedrongen tot in de christelijke huisgezinnen, en ook daar richten dikwijls wereldsche vermaken groote verwoestingen aan in de zielen van jonge lieden. En toch hebben de H. Vaders en andere mannen Gods, ervaren in het geestelijk leven, ten allen tijde hunne hooge afkeuring te kennen gegeven over die wereldsche feesten. Nooit hebben ze begrepen, hoe de danspartijen, die als giftige kruiden langs het doornige pad der wereld opschieten, ooit konden overgeplant worden in christelijke huisgezinnen, waar alleen het zaad van het woord Gods moest worden uitgestrooid en tot rijpheid gebracht.
Een voornaam hoveling schreef eens aan een Bisschop : Grijsaards, die een bal bij zouden kunnen â wonen zonder er eenig gevaar in te vinden, zouden .al zeer dwaas doen, door er zich naar toe te begeven ;
- 264 -
en jonge lieden, wien het, volgens de wereld, betaamt, kunnen die niet bijwonen zonder zich aan al te groote gevaren bloot te stellen. Vandaar besluit ik, dat men er weg moet blijven, als men goed christen is, en ik geloof, dat ouders en oversten hun plicht zouden doen, indien zij hunne onderhoorigen verboden er zich ooit naartoe te begeven.
De H. Hieronymus, die te Rome om zijn wetenschap en heiligen levenswandel grooten opgang maakte, en eene zekere geestdrift voor het geestelijk leven opwekte, zag zich door vele vrouwen en jonge dochters van hoogen stand omringd, die door hem in de regels der christelijke volmaaktheid werden voorgelicht. Eens schreef hij aan Laeta, een dier aanzienlijke vrouwen : Uwe dochter moet geene bruiloften of huwelijkspartijen bijwonen van hare huisgenooten, en zich niet mengen in de spelen, die bij gelegenheid dier feesten plaats vinden. Mevrouw Acarie hield hare kinderen verwijderd van alle wereldsche bijeenkomsten, en voornamelijk van die, welke bij gelegenheid van huwelijksfeesten gehouden worden. Zij bezat vooral eene groote behendigheid, om de voorzorgen, die zij omtrent dit punt nam, onder een of ander voorwendsel te verbergen.
Lang van te voren voorzag zij de gelegenheden ter uitnoodiging tot eenig feest, en behendig wist zij die te verijdelen, door eene reis voor te wenden of door te wijzen op eene zaak, die hare komst noodzakelijk moest beletten ; en had zij de gelegenheden ter uitnoodiging niet kunnen voorzien, dan sprak zij openlijk tegenover de personen, die haar aanzochten, zelfs tot hare naaste bloedverwanten, over de gevaren, die zij vreesde, en over het besluit, dat zij omtrent dit punt genomen had.
Gelukkige kinderen, die aan de waakzaamheid van zulk eene moeder zijn toevertrouwd! Is men in
eenig geval, om gewichtige reden genoodzaakt, deel te nemen aan eene danspartij of zekere vermakelijkheden bij te wonen, dat men er dan ten minste in stilte over zuchte, en, volgens den raad van den H. Franciscus van Sales, denke aan den dood, die ons allen eens op dezelfde maat zal doen dansen. Zonder deze voorzorgsmaatregelen, loopt men gevaar zijne deugd te verliezen. Aan hen, die voorgeven volstrekt geen gevaar te zien in schouwburgen, tooneelopvoeringen en andere dergelijke vermaken, antwoordt de H. Chrysostomus : Hebt gij dan meer wijsheid dan die groote mannen, welke een enkele onvoorzichtige oogopslag in het verderf heeft gestort ? De wolf, de leeuw en andere wilde dieren nemen de vlucht, als zij achtervolgd worden door de pijlen van den jager; en is de mensch, begaafd met verstand, eenmaal gewond, dan achtervolgt hij hetgeen hem gewond heeft, en wel zoo, dat hem nog veel zwaardere slagen te wachten staan ; ja, hij vindt behagen in de wonde, wat haar ongeneeslijk maakt, want hij, die de wonden niet vreest en ze niet genezen wil, wat behoeft hij zijn toevlucht te nemen tot den geneesheer ? O, mij kwelt eene bittere smart, wanneer ik u zie terugkeeren van die plaatsen, van die huizen, waar gij zulk verlies geleden hebt, en waar gij u voor een kortstondig vermaak eene voortdurende kwelling hebt berokkend. Want reeds voor dit leven hebt gij u een droevig bestaan veroorzaakt. Want is er wel erger straf denkbaar, dan het denkbeeld met zich te voeren, de oneindige liefde van God te hebben miskend, en onophoudelijk de stem te hooren van een geweten, dat u uw zondig gedrag verwijt ? Hoe zult gij in zulken toestand verschijnen in het huis Gods en naderen tot de heilige Tafel des Heeren ? Hoe zult gij in zulke gesteltenis het woord Gods aanhoorenover de heilige deugd van zuiverheid?...
- 20G -
HOOFDSTUK XXVII.
Over tooneelopvoeringen, koffiehuizen
en slechte boeken.
Mannen van het grootste gezag, zooals Bossuet, Fenelon, Racine, Gresset, hebben zich verzet tegen de schouwspelen en allerlei tooneelopvoeringen, en ons gewezen op de gevaren, die er vooral voor de jongelingschap in gelegen zijn. Jean Jacques Rousseau, een van Frankrijks grootste zedenbedervers, beschimpt ze zelfs in zijn brief aan d'Alembert.
Het was het verlangen van Fenelon, dat men afzag van openbare schouwspelen en alle andere hartstochtelijke vermakelijkheden, die slechts dienen, om den kinderen een smaak te geven van gevaarlijke zaken en hun een afkeer in te prenten van onschuldige uitspanning. Wat zouden die mannen gezegd hebben, als ten hunnen tijde de ondeugd op het tooneel het hoofd had opgestoken, zoo stout, zoo onbeschaamd, als op onze dagen ?
Er is een tijd geweest, waarop het tooneel ten minste dienstig kon zijn om den smaak te vormen ; doch heden zijn de meeste stukken, die worden opgevoerd, slechts in staat om den goeden smaak te bederven en de zeden te kwetsen; en de schrijver van het boekje de driften en de gezondheid voegt er bij, dat de hevige gemoedsaandoeningen, die vrouwen en kinderen op het tooneel gaan zoeken, meer dan men zou denken, bijbrengen tot verzwakking van het lichaamsgestel.
Ozanam, een der beroemdste letterkundigen onzer eeuw, kwam voor de eerste maal in Parijs. Hij
- 267 -
had een aanbevelingsbrief bij zich, om dien aan den geleerden Chateaubriand te overhandigen.
Met vrees naderde hij dengene. dien Koning Karei X gewoon was eene macht der wereld te noemen. Doch hij overwon zijne vrees, en meldde zich bij hem aan.
Chateaubriand kwam juist te huis uit de kerk. Hij ontving den jongeling met voorkomendheid, gaf hem eenige wijze raadgevingen en vroeg hem, of hij van plan was het tooneelspel bij te wonen. Ozanam antwoordde, dat hij sinds lang en dikwijls zijne moeder beloofd had het tooneel te schuwen. Ik smeek u, hernam Chateaubriand, terwijl hij den jongeling omhelsde, dat gij de raadgevingen uwer brave moeder toch trouw involgt. Sinds dien tijd herinnerde hij zich dikwijls de woorden van Chateaubriand, en immer waren ze hem een krachtig middel, om de pogingen zijner makkers te verijdelen, die hem naar het tooneel trachtten te voeren.
Het koffiehuis, gelijk men het noemt in de stad, en de herberg op het platteland bieden ook hunne eigenaardige gevaren. Onnoodig op te merken, dat een meisje zijn tehuis niet moet zoeken op zulke plaatsen, ja er zelfs zoo min mogelijk mag verschijnen ; maar ook voor den jongeling is een menigvuldig verkeer in koffiehuizen en herbergen dikwijls aanleiding tot diepen val. Men beschouwe die plaatsen als rustoorden, waar de reiziger, buiten den kring zijner familie, een tweede tehuis kan aantreffen, waaide menschen onderling hunne belangen kunnen bespreken, waar de jongeling een uurtje van gezellige uitspanning kan vinden. Maar nooit bezige men die plaatsen om zich over te geven aan dronkenschap, kwaadsprekerij, vechtpartijen enz. Men verblijve daar niet, met verwaarloozing van kerkelijke diensten of tot teleurstelling van wachtende huisgenooten.
- 268 -
Wee dus den ouders, die omtrent dit punt niet waken over hunne kinderen, of door hun eigen slecht voorbeeld hunnen kinderen een steen des aanstoots zijn!
Slechte boeken eindelijk zijn een der krachtigste wapenen van den duivel om de jeugd te bederven. Een vloed van onzedige of goddelooze geschriften overstroomt dagelijks de steden, ja hij dringt niet zelden door in onze dagen tot in de woningen van-het volk op het platteland. Onder den naam van romans, feuilletons, liedjes, dagbladen, verschuilen zich dikwijls de gevaarlijkste strikken, die voor geloot en zeden gespannen worden. Wij moeten het hier ronduit verklaren: Niet alleen de boeken, die openlijk een aanval wagen op geloof en zeden, moet men zich ontzeggen, en uit de handen houden van de jeugd, en vooral van de jongelingschap, maar Fenelon ging nog verder, en zei: âAlles wat naar liefde zweeft,de liefde opwekt, hoe meer verfijnd het is, hoe meer ingewikkeld, des te gevaarlijker schijnt liet mij toe.quot;
De werken, die men goede romans noemt, kunnen slechts de verbeelding bederven, door die op te vullen met allerlei wereldsche vooroordeelen. Zij bederven het hart, door de zinnelijkheid te streelen,, en de slechte neigingen der natuur te ontwikkelen.
Sommige dagbladen, zonder bepaald slecht te zijn, zijn ver van onberispelijk wegens hunne feuilletons en moesten daarom niet doordringen in den schoot van christelijke huisgezinnen. Andere bladen, wier strekking over het algemeen minder goed is, worden door sommigen gelezen, omdat dit, volgens hun zeggen, noodzakelijk is in het belang hunner zaken. En is dit misschien al niet geheel bezijden de waarheid, dat men ze dan ten minste uit de handen houde van kinderen en huisgenooten, die zich niet met handelszaken hebben in te laten.
Het is waar, men heeft van tijd tot tijd eenige
- 269 -
verstrooiing noodig, eenige afleiding, maar zich afleiding verschaffen, met uren, ja dagen door te brengen in het lezen van geschriften en boeken, die de hartstochten opwekken, dat is zich vermaken met eene slang, dat is eene adder liefkoozen. En daarenboven, hoevele werken bestaan er niet, waarvan de lezing onzen geest op het aangenaamst verkwikt? Wat belang kan men toch stellen in leugens, die de ziel dooden? Het zijn slechts, zegt de oordeelkundige Rollin, zeer lichtzinnige en oppervlakkige menschen die hunne zinnen zetten op werken, die slechts ijdele droomen zijn van een schrijver. Alleen de waarheid is het natuurlijk voedsel van den geest, en deze moet wel opmerkelijk bedorven zijn, om verdichtsels en fabels boven haar te verkiezen, of zelfs met haar in vergelijking te brengen.
Wij moeten dikwijls met leede oogen aanzien, dat voortreffelijke personen, die eene schitterende opvoeding hebben genoten, gansche dagen doorbrengen met dwaze en ijdele lectuur, en toch, ze konden die dagen met zooveel nut besteden aan ernstige studie, aan het lezen van de levens der Heiligen, aan werken of bezigheden die nuttig zijn voor het huisgezin of de maatschappij. Maar, zal men misschien zeggen, die werken bekoren me om hun sierlijken stijl. Zij moeten mijn letterkundigen smaak vormen. Zijn ze daarom minder verwerpelijk? Is de slang minder giftig, omdat zij verborgen ligt onder de bloemen? Maakt het zwaard met gouden lemmer minder diepe wonden? Moet men om goed te leeren schrijven, om goed te leeren spreken, eerst leeren slecht te leven? Uit slechte boeken zal men minder het goede leeren dan het kwade.
De ouders moeten dus zorgen, dat in hunne huizen nooit boeken, dagbladen of schimpschriften ingang
vinden, die eenigszins tegen den godsdienst ot de goede zeden gericht zijn.
Zij moeten ook zorgen, dat zij niets van dat soort geschrijf in hunne boekenkasten bewaren, maar in plaats daarvan hunne kinderen degelijke en nuttige boeken in de hand geven.
De godvruchtige prinses Maria Leczinska, echtge-noote van Lodewijk XV, zou nooit een boek geopend hebben, dat in strijd was met godsdienst of zeden. Eens bevond zij zich in tegenwoordigheid van verschillende harer hofdames. Het gesprek liep over een boek vol schandelijke dwalingen, dat een man, die aan het hof goed bekend was, onlangs had uitgegeven. De dames spraken waarlijk met oordeel over de zaken, die in dat boek behandeld werden, zoodat de koningin hieromtrent hare verwondering te kennen gaf. Zij bekenden toen allen het gelezen te hebben, en ieder voor zich meende talenten genoeg te bezitten om over den aard van het werk te kunnen oordeelen. âTk voor mij, hervatte de koningin, ik zou rnij nooit veroorloven, een boek van zulken inhoud te lezen.quot;'
HOOFDSTUK XXVIII.
Over de bekoring.
De gevaarlijke gelegenheden zijn een der voornaamste oorzaken van zonde; doch zij, die deze nauwgezet schuwen, zijn daarom nog niet gansch tegen elk gevaar beschut. Een strijd is des menschen leven op aarde, zegt de H Man Job. Zoolang wij hier op deze wereld rondzwerven, gelijkt onze ziel op een vaartuig, dobberend op de woeste baren der zee. Storm op storm komt haar teisteren, en de
- 271 -
kalmte, die den storm vervangt, is slechts de voorbode van een nieuwen aanval, totdat eindelijk de rustige haven der eeuwigheid zich voor ons ontsluit. Nu eens zet de duivel in eene uiting zijner woede de stormen der bekoringen tegen ons op; dan weder tracht de trouwelooze wereld ons te verleiden, om ons in den afgrond te doen storten, waarnaar het gewicht onzer bedorvene natuur voortdurend overhelt. Daarbij zijn de driften, welke eene edel moedige ziel tracht te onderdrukken, gelijk aan wilde dieren, die woedend opspringen tegen het traliewerk van het hok, waarin ze zijn opgesloten. Zijn onze vijanden al eens een oogenblik vermoeid, oi ingesluimerd, ze zijn daarom niet overwonnen. Weldra zullen zij met meer vermetelheid het hoofd opsteken, en met verdubbelde woede een vernieuwden aanval beproeven, gelijk een leeuw, die in zijne verwonding slechts eene nieuwe uittarting ziet. Verwonderen wij ons geenszins over de aanvechtingen des duivels, die wij te doorstaan hebben. L)e Heer vermeerdert slechts onze strijden, om onze verdiensten te ver-grooten. In zijne rechtvaardige wijsheid bereidt Hij geene kroon dan voor hen, die wettig gestreden hebben. Geen triomf zonder overwinning, zegt de H. Augus-tinus, geene overwinning zonder strijd, geen strijd zonder vijanden. De bekoring is hel vuur, dat de zielen zuivert, 't Is op het slagveld, dat de soldaat krijgsman wordt. In het gezicht zijner vijanden is hij altijd op zijne hoede. De bekoringen versterken en stalen den mensch. Zij verplichten hem onophoudelijk op zich zelven te waken, en door een voortdurend gebed de hulp van God af te smeeken. Als het uur van strijden daar is, zal eene heldhaftige ziel, verre van bevreesd te zijn, zich verheugen over de zegepraal, die haar te wachten staat. Want zij is er zeker van, dat God haar zal helpen en bijstaan, wijl
â 272 â
Hij het zelf beloofd heeft; en indien God r.iet ons is, wie zal dan tegen ons zijn?
God staat ons bij zelfs op het oogenblik, dat Hij ons schijnt te verlaten. Maar die goedheid Gods moet ons niet overmoedig maken, noch onze waakzaamheid doen insluimeren. Nogeens dan: God laat ons aan onze eigene zwakheid over, als wij zonder noodzakelijkheid in de naaste gevaren van zonden blijven voortleven. Kan men een stuk brandend hout aangrijpen zonder zijn k le er en ie schroeien? vraagt de H. Geest; en kan men over gloeiende kolen gaan zonder haar brandenden gloed ie gevoelen?
Welaan dan, willen we de overwinning behalen in den strijd, dan moeten wij vóór alles het gevaar vermijden, door de gevaarlijke gelegenheden te schuwen, waarover wij vroeger spraken in Hoofdstuk XXV.
Maar nog andere wapenen hebben ons de Heiligen in de hand gegeven in den strijd tegen de vijanden onzer zaligheid. De groote kampvechter, de H. Hieronymus, had zich losgerukt uit de verleidingen van Rome, en was gevlucht ver van de wereld en hare zondige vermaken. Begraven in de woestijn, zag hij zich nog geplaagd door den duivel en zijne eigene weerspannige natuur, die de verwoedste aanvallen op zijne edele ziel waagden. Hieronymus echter verloor den moed niet, en trachtte door vasten, versterving en andere lichamelijke boetplegingen den duivel te beschamen, en de overwinning op hem te bevechten. En inderdaad, volgens de opmerking van den H. Franciscus van Sales, als de duivel ziet, dat het vleesch, zijn bondgenoot, gekastijd wordt, neemt hij vol vrees de vlucht. Maar bij die boetvaardigheid voegde Hieronymus ook een aanhoudend gebed. Zoo dikwijls hij zich op de borst klopte, verbeeldde hij zich het geluid te hooren van het .laatste bazuingeschal, dat over de gansche wereld dit
- 273 -
vreeselijk woord zal doen weerklinken; Dooden, staat op, en komt (en oordcel! Met reden voorwaar staat er geschreven: Gedenkt uwe uitersten en nooit zult gij zondigen; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal worden open gedaan.
Een krulsteeken is dikwijls voldoende, om den duivel op de vlucht te drijven; dit is het middel, dat de H. Antonius zijnen leerlingen aan de hand deed. De H. Hieronymus gewaagde er van in zijn brief aan de maagd Demetriades. Eene beleediging den duivel in het aangezicht geslingerd, doet hem van schaamte afdruipen, wijl hij om zijne hoovaar-digheid niets meer vreest dan de vernedering. Zeg tot hem: Pak u weg, Satan, kom mij niet tot 1;waad verleiden! Wat gij mij biedt is zondig, drink zelf van dat gif naar hartelust, ik voor mij heb er een [afschuw van.
i )e H. Leonardus raadt ons een menigvuldig gebruik aan van het schietgebed : Mijn Jezus, barmhartigheid'. Anderen geven de voorkeur aan de namen van /ezus. Maria en [ozef. Anderen wederom zeggen, dat men in de bekoring gebruik moet maken van het schietgebed : O Maria, zonder zonde ontvangen, bid voor ons, die onze toevlucht tot u nemen. Het is inderdaad onmogelijk, dat terzelfder tijd, dat de naam van Maria op onze lippen zweeft en in onze harten woont, de zonde daar ingang vinde. Maria van Egypte was na hare bekeering zoo lang ten prooi aan de hevigste aanvallen van den Satan, als haar zondig leven geduurd had, nl. zeventien jaren lang. AVanneer zij zich machteloos gevoelde, dan wierp zij zich neer voor het beeld der H. Maagd, en smeektevurigharen bijstand af, en nooit stond zij op, of zij gevoelde zich getroost en gesterkt door hare moederlijke bescherming.
Ook is het van groot belang, zich niet alleen op te houden op plaatsen, waar men bekoord wordt, en maar
IH
- 274 -
lijdelijk toe te zien, als men in gevaar is. Een nuttig werk, met ijver aangepakt, een aangenaam gesprek, eene afleiding van de zaken, waarmede men bezig is^. zijn in sommige omstandigheden een krachtig middel, om de overwinning over den duivel te bevechten.
Ook is het niet van alle belang ontbloot, niet te zeer bevreesd te zijn voor sommige kwellende, onvrijwillige gedachten; een vreesachtig soldaat zal geene overwinning behalen. Het best is dus ze eenvoudig te verachten, er zich boven te verheffen door op God te vertrouwen, en haar nooit den tijd te gunnen, om in onze verbeelding te wortelen,
Z'oodra wij ze bemerken, moeten wij ze verdrijven, ten minste door afkeering en verachting, anders zullen zij den zetel van ons hart trachten te veroveren, en dan wordt de strijd nog hardnekkiger en wisselvalliger. Ook is het nuttig zich te teekenen met gewijd water, en alvorens ter ruste te gaan zijne legerstede daarmede te besproeien. Een christen moet altijd eenig gewijd voorwerp bij zich dragen, zooals een scapulier, eene medaille, een rozenkrans en vooral een kruisbeeldje. Kan men gedurende den nacht niet slapen, en wordt men tot zonde bekoord, dan kan men die voorwerpen vereeren, en zachtkens de namen van Jezus en Maria uitspreken. Zalig zij, die overwinnen; zij zullen gekroond worden. Is het leven een strijd, de palm der zege wacht ons in den hemel. Wantrouwen wij den duivel, die ons in het oor blaast, slechts eenmaal het kwaad te bedrijven.
De geschiedenis verhaalt ons, dat eene koningin van Assyrie, Semiramis genaamd, van haar echtgenoot verkreeg slechts éénen dag voor hem te regeeren. En waartoe gebruikte zij dien dag harer regeering? Zij ontnam den welwillenden monarch zijn diadeem en al de teekenen zijner koninklijke waardigheid; en verre van zich te verzetten, in de meening, dat
â 275 â
het gedrag zijner vrouw slechts een spel was, gaf hij haar zelfs zijnen degen over. De koningin liet hem toen het hoofd afhouwen en ontnam hem te gelijk met de kroon ook het leven. Ziedaar de geschiedenis eener slechte drift, eener zondige gewoonte, waaraan men zich slechts ééns overgeeft, met de hoop er zich later van te bevrijden.
't Is waar, dagelijks staat de mensch aan vallen bloot: doch zijn wij gevallen, den moed niet verloren. De maarschalk Uesaix zei tot Marengo: De slag is verloren; maar er is nog tijd om vóór het vallen van den avond een andere te winnen. De ziel, die zich door den duivel heeft laten overwinnen, kan hetzelfde zeggen. Staan wij aanstonds op na den val, en hervatten wij den strijd met verdubbelde kracht en moed.
DERDE DEEL.
Middelen ter zaligheid, die de katholieke godsdienst ons aanbiedt.
EERSTE HOOFDSTUK. Over de genade.
2^jod had den mensch kunnen scheppen met een bloot natuurlijk doel, dat b. v. bestond in de kennis en de liefde van zijn Schepper hier op aarde, om na den dood nog tot eene hoogere en volmaaktere kennis en liefde op te klimmen, zonder nochtans het goddelijk wezen van aanschijn tot aanschijn onbene-veld te aanschouwen. Ware de mensch in dezen toestand geschapen, dan zou hij altijd de hulp van God hebben noodig gehad om te bestaan, om te handelen en te komen tot zijn doel; doch een natuurlijke bijstand slechts gelijk die, welke den planten groeikracht verleent, en den dieren leven en beweging schenkt, zou voldoende zijn geweest. Doch God heeft meer gedaan; in zijne eindelooze barmhartigheid,
heeft Hij zich gewaardigd den mensch gelijk de Engelen, te bestemmen, om Hem te kennen en te beminnen, zooals Hij zich zeiven kent en bemint, om Gods aanschijn te aanschouwen en in God alle goed te genieten.
Dit doel overtreft de natuurlijke krachten en rechten van elk bestaand, ja zelfs van elk mogelijk schepsel.
Het is eene waarheid van ons geloof, dat wij tot dit verheven einde geroepen zijn. Nochtans, om dit te bereiken, hebben wij de hulp van God noodig, wijl het buiten onze natuurlijke krachten gelegen is, en wel eene hulp geheel verschillend van die, welke Hij ons natuurlijkerwijze verleent om te leven en te handelen; en deze hulp, welke God ons niet verschuldigd is, omdat Hij ons ook het bovennatuurlijk doel niet schuldig is, waartoe Hij ons geschapen heeft, deze bijzondere hulp noemt men genade. Het is eene zuiver onverdiende gave, die God in zijne goedheid ons schenkt, ter wille van onzen Heer Jezus-Christus, die ze door zijn lijden en dood voor ons verdiend heeft.
Maar, er zijn twee soorten van genaden; de eene is voor de ziel, wat het leven voor het lichaam is; zij is eene onverdiende en duurzame gave Gods, die onze ziel het bovennatuurlijk leven schenkt, en zonder welke wij, met betrekking tot onze zaligheid, dood zijn. Hoe gelukkig dus zij, die deze goddelijke gave bezitten! In deze wereld kan men hen echter niet van anderen onderscheiden, 't Is er mede als met de levende boomen, die men 's winters moeielijk uit doode kan erkennen; maar in de lente komt het des te duidelijker uit. In het andere leven zal het gemakkelijk zijn hen te onderscheiden, die de genade bezeten hebben: aan hunne vruchten zal men hen kennen.
Deze heiligmakende genade zuivert onze ziel van
DERDE DEEL.
Middelen ter zaligheid, die de katholieke godsdienst ons aanbiedt.
EERSTE HOOFDSTUK. Over de genade.
2^jod had den mensch kunnen scheppen met een bloot natuurlijk doel, dat b. v. bestond in de kennis en de liefde van zijn Schepper hier op aarde, om na den dood nog tot eene hoogere en volmaaktere kennis en liefde op te klimmen, zonder nochtans het goddelijk wezen van aanschijn tot aanschijn onbene-veld te aanschouwen. Ware de mensch in dezen toestand geschapen, dan zou hij altijd de hulp van God hebben noodig gehad om te bestaan, om te handelen en te komen tot zijn doel; doch een natuurlijke bijstand slechts gelijk die, welke den planten groeikracht verleent, en den dieren leven en beweging schenkt, zou voldoende zijn geweest. Doch God heeft meer gedaan; in zijne eindelooze barmhartigheid,
heeft Hij zich gewaardigd den mensch gelijk de Engelen, te bestemmen, om Hem te kennen en te beminnen, zooals Hij zich zeiven kent en bemint, om Gods aanschijn te aanschouwen en in God alle goed te genieten.
Dit doel overtreft de natuurlijke krachten en rechten van elk bestaand, ja zelfs van elk mogelijk schepsel.
Het is eene waarheid van ons geloof, dat wij tot dit verheven einde geroepen zijn. Nochtans, om dit te bereiken, hebben wij de hulp van God noodig, wijl het buiten onze natuurlijke krachten gelegen is, en wel eene hulp geheel verschillend van die, welke Hij ons natuurlijkerwijze verleent om te leven en te handelen; en deze hulp, welke God ons niet verschuldigd is, omdat Hij ons ook het bovennatuurlijk doel niet schuldig is, waartoe Hij ons geschapen heeft, deze bijzondere hulp noemt men genade. Het is eene zuiver onverdiende gave, die God in zijne goedheid ons schenkt, ter wille van onzen Heer Jezus-Christus, die ze door zijn lijden en dood voor ons verdiend heeft.
Maar, er zijn twee soorten van genaden; de eene is voor de ziel, wat het leven voor het lichaam is; zij is eene onverdiende en duurzame gave Gods, die onze ziel het bovennatuurlijk leven schenkt, en zonder welke wij, met betrekking tot onze zaligheid, dood zijn. Hoe gelukkig dus zij, die deze goddelijke gave bezitten! In deze wereld kan men hen echter niet van anderen onderscheiden, 't Is er mede als met de levende boomen, die men 's winters moeielijk uit doode kan erkennen; maar in de lente komt het des te duidelijker uit. In het andere leven zal het gemakkelijk zijn hen te onderscheiden, die de genade bezeten hebben: aan hunne vruchten zal men hen kennen.
Deze heiligmakende genade zuivert onze ziel van
DERDE DEEL.
Middelen ter zaligheid, die de katholieke godsdienst ons aanbiedt.
EERSTE HOOFDSTUK. Over de genade.
2^jod had den mensch kunnen scheppen met een bloot natuurlijk doel, dat b. v. bestond in de kennis en de liefde van zijn Schepper hier op aarde, om na den dood nog tot eene hoogere en volmaaktere kennis en liefde op te klimmen, zonder nochtans het goddelijk wezen van aanschijn tot aanschijn onbene-veld te aanschouwen. Ware de mensch in dezen toestand geschapen, dan zou hij altijd de hulp van God hebben noodig gehad om te bestaan, om te handelen en te komen tot zijn doel; doch een natuurlijke bijstand slechts gelijk die, welke den planten groeikracht verleent, en den dieren leven en beweging schenkt, zou voldoende zijn geweest. Doch God heeft meer gedaan; in zijne eindelooze barmhartigheid,
heeft Hij zich gewaardigd den mensch gelijk de Engelen, te bestemmen, om Hem te kennen en te beminnen, zooals Hij zich zeiven kent en bemint, om Gods aanschijn te aanschouwen en in God alle goed te genieten.
Dit doel overtreft de natuurlijke krachten en rechten van elk bestaand, ja zelfs van elk mogelijk schepsel.
Het is eene waarheid van ons geloof, dat wij tot dit verheven einde geroepen zijn. Nochtans, om dit te bereiken, hebben wij de hulp van God noodig, wijl het buiten onze natuurlijke krachten gelegen is, en wel eene hulp geheel verschillend van die, welke Hij ons natuurlijkerwijze verleent om te leven en te handelen; en deze hulp, welke God ons niet verschuldigd is, omdat Hij ons ook het bovennatuurlijk doel niet schuldig is, waartoe Hij ons geschapen heeft, deze bijzondere hulp noemt men genade. Het is eene zuiver onverdiende gave, die God in zijne goedheid ons schenkt, ter wille van onzen Heer Jezus-Christus, die ze door zijn lijden en dood voor ons verdiend heeft.
Maar, er zijn twee soorten van genaden; de eene is voor de ziel, wat het leven voor het lichaam is; zij is eene onverdiende en duurzame gave Gods, die onze ziel het bovennatuurlijk leven schenkt, en zonder welke wij, met betrekking tot onze zaligheid, dood zijn. Hoe gelukkig dus zij, die deze goddelijke gave bezitten! In deze wereld kan men hen echter niet van anderen onderscheiden, 't Is er mede als met de levende boomen, die men 's winters moeielijk uit doode kan erkennen; maar in de lente komt het des te duidelijker uit. In het andere leven zal het gemakkelijk zijn hen te onderscheiden, die de genade bezeten hebben: aan hunne vruchten zal men hen kennen.
Deze heiligmakende genade zuivert onze ziel van
â 282 -
â waaromtrent de menschen onderling met elkander overeengekomen zijn. Zoo b. v. bestaat er in het leger eene eigenaardige wijze van trompet steken, welke den soldaten een teeken is van het opvatten of neerleggen der wapenen. De Sacramenten zijn teekenen, door God ingesteld, om eene bij uitnemendheid heilige zaak aan te duiden nl. de genade van God, de bron van alle heiligheid. Zoo b. v. beteekent in het Doopsel het water, dat over het hoofd des doopelings vloeit, de genade, die de ziel reinigt. Het water is dus een eerste teeken. Nochtans, gelijk het water tot verschillende doeleinden kan gebezigd worden, zooals ter reiniging en ter verfrissching, zoo is er een tweede teeken noodig, om er de beteekenis van te beperken, en dit tweede teeken, dat zijn de woorden van den priester, die zegt: Ik doop u enz. d. w. z. ik wasch, ik reinig u. De zichtbare zaak, in een Sacrament gebezigd, zooals het water in het H. Doopsel en het brood en de wijn in het H. Sacrament des Altaars, noemt men de stof van het Sacrament. De woorden, door den bedienaar van het Sacrament uitgesproken noemt men den vorm. De stof en de vorm zijn wezenlijke, tot het wezen behoorende ver-reischten tot een Sacrament, zoodat, indien één van beide ontbrak, het Sacrament volstrekt ongeldig zou zijn, en geene genade zou uitwerken. Hetzelfde zou het geval zijn, als men de woorden niet uitsprak, terzelfder iijd als men de stof toepast. Als men dan het water op het hoofd des doopelings uitstortte en eenige minuten later zeide: Ik doop u enz,, zou het kind 7iiet gedoopt zijn. Nochtans kan men, als men gaat biechten, eenigen tijd laten ver-loopen tusschen het berouw en de belijdenis en de absolutie van den priester.
Hij, die het Sacrament toedient, moet noodzakelijk -tijdens de toediening de meening hebben, te doen,
l v\
- 283 -
â wat de Kerk van Jezus Christus doet; zonder dat is geen Sacrament mogelijk.
Dus goed onthouden, de vorm, de stof en de raeening, om te doen wat de Kerk doet, zijn drie noodzakelijke vereischten tot een Sacrament. Ontbreekt dus één dezer drie voorwaarden, dan is er geen geldig Sacrament, en bijgevolg ook geene voortgebrachte genade.
De Sacramenten derhalve beteekenen niet alleen de genade, maar zij werken die ook in waarheid uit, door de kracht, die de goddelijke Almacht hun heeft medegedeeld. Indien het geluid der krijgstrompet de kracht bezit, om een gansch leger in beweging te zetten krachtens het gezag van den generaal, die het door het kamp heeft doen weerklinken, wekt het dan nog verwondering, dat de goddelijke Almacht aan sommige zaken, aan sommige woorden kracht schenkt, om de zielen te reinigen ? Maar God alleen kan dit wonderwerk verrichten.
Het is zeker, en het blijkt ons uit de H. Boeken der Schriftuur en uit de voortdurende leering der H. Kerk, dat Christus zeven Sacramenten heeft ingesteld, niet meer en niet minder, te weten: Het Doopsel, Het Vormsel, het H. Sacrament des Altaars, de Biecht, het H. Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk.
Het natuurlijk leven is het beeld van het bovennatuurlijk leven; en gelijk het om te leven, en een volslagen man te worden noodig is, dat wij geboren worden, ons versterken, ons voeden, dat wij van onze krankheden genezen en onze genezing meer en meer voltooien; zoo ook is het om een volslagen Christen te worden noodzakelijk, dat wij het H. Doopsel ontvangen, dat ons tot het geestelijk leven doet geboren worden, het Vormsel, dat er ons in er sterkt, het H. Sacrament des Altaars, dat het
geestelijk leven in ons onderhoudt, de Biecht, die ons van onze kwalen geneest, en het H. Oliesel dat onze geestelijke genezing voltooit, door de overblijfsels der zonden weg te nemen.
En gelijk er in de maatschappij hoofden noodig zijn, die haar besturen, en echtelieden, die haar van ledematen voorzien, zoo ook is li; de geestelijke maatschappij het Sacrament des Priesterschaps noodig, dat den geloovigen hunne herders schenkt, en het Sacrament des Huwelijks, dat de Kerk van kinderen voorziet.
Al deze Sacramenten brengen hunne genaden in welvoorbereide harten voort. Zij gelijken stroomen, waardoor de heilzame wateren der genade op ons afvloeien, vruchtbare bronnen, waaruit wij ze ten allen tijde kunnen putten. Men moet dan de Sacramenten niet naar den schijn beoordeelen. Geel een kind een bankbiljet in de hand; het ziet daarin slechts een stukje papier, waarmede het zich argeloos vermaken zal. Geef datzelfde bankbiljet aan een verstandig persoon, aan een handelsman ; hij zal daarin eene kostbare waarde zien vertegenwoordigd, en het met zorg bewaren.
Iemand, die slechts naar de zintuigen oordeelt, ziet in het Doopsel slechts wat water, uitgestort over het hoofd des doopelings. Een christen daarentegen, voorgelicht door het geloof, ziet daarin de genade van Jezus Christus, die de ziel reinigt, terwijl het water over het hoofd vloeit. Onder de Sacramenten zijn er sommige, die zijn ingesteld, om het leven der genade terug te geven aan hen, die geestelijk dood zijn door de zcnde ; men noemt ze Sa ramenien der do oden. Deze zijn het Doopsel en de Biecht. De andere vermeerderen de genade in hen, die het geestelijk leven reeds bezitten : deze zijn de Sacramenten der levenden: het Vormsel, het H. Sacrament des Altaars,
het H. Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk. Maar behalve de genade, die zij alle geven, geeft elk Sacrament nog eene bijzondere gratie, met be trekking tot het einde, tot hetwelk het is ingesteld. Het Doopsel zuivert de ziel, het Vormsel bevestigt ze in het geloof, het H. Sacrament des Altaars onderhoudt en voedt ze, de Biecht heeft eene bijzondere kracht, om de zonde te vernietigen en ons voor hervallen te behoeden, en zoo vervolgens de andere Sacramenten. De Sacramenten brengen verders de genade des te overvloediger voort, naargelang de gesteltenissen dergenen, die ze ontvangen, meer volmaakt zijn.
Toen Holofernes, de vijand van Gods volk, de stad Bethulië belegerde, liet hij al de kanalen ai-snijden, die het water in de stad voerden, ten einde hare inwoners tot de overgave te dwingen.
Zoo ook handelen de vijanden der zielen, als zij haar aan den duivel willen overleveren; zij ontnemen haar dan diegenen, die de wateren der genade over haar kunnen uitstorten door middel der Sacramenten nl.de priesters. Wij hebben dit zien gebeuren tijdens de gehate dagen der Fransche ' 'mwenteling. Doch ook zij handelen als de vijanden van den godsdienst en scharen zich aan hunne zijde, die de Sacramenten weigeren of uitstellen te ontvangen. In sommige streken vindt men badplaatsen, opgepropt met zieken, die tijdens het srhoone jaargetijde daar hunne geschokte gezondheid komen herstellen. Ach, dat men dezelfde vaardigheid toonde om zijne ziel te komen genezen van hare krankheid, in de heilzame wateren der genade !
Drie Sacramenten zijn er, die, behalve de heilig-makende gratie, een eewigdurend merkteeken in de ziel prenten. Deze zijn : het Doopsel, dat ons kinderen Gods maakt, het Vormsel, dat ons soldaten maakt
- 286 -
van Jezus Christus, en het Priesterschap, dat de pries'ers wijdt. Zij, die deze Sacramenten onwaardig ontvangen, zijn toch van dit eeuwigdurend merk-teeken voorzien, ofschoon zij van de genade verstoken zijn, zoodat het niet noodzakelijk, noch geoorloofd is, deze drie Sacramenten meermalen te ontvangen. Het is eene waarheid van ons geloof, dat niet alle geloovigen alle Sacramenten zonder onderscheid mogen toedienen. Deze heilige bediening vordert hooge deugd, degelijke wetenschap, en eene goddelijke zending, die niet aan allen gegeven zijn.
Nochtans, wijl het H. Sacrament des Doopsels volstrekt ter zaligheid noodzakelijk is, heeft God gewild, dat in tijd van nood iedereen het mag toedienen. Hij, die de Sacramenten toedient, is slechts de afgevaardigde van Jezus Christus. Christus zelf is en blijft immer de voornaamste bedienaar. Hij is het, die aan de Sacramenten hunne heiligmakende kracht schepkt. Vandaar, dat een onwaardig bedienaar, ja zelfs een ketter ze geldig toedient. Het Sacrament der Biecht kan nochtans slechts in gevaar van sterven geldig worden toegediend door kettersche of afvallige priesters, die door de Kerk van alle rechtsmacht (jurisdictie) zijn beroofd; en buiten gevaar van sterven zondigen de geloovigen zwaar, door uit hunne hand de Sacramenten te ontvangen.
De bedienaars der Sacramenten zijn op zware zonde verplicht, de onwaardigen er van uit te sluiten en ze bijgevolg te weigeren aan openbare zondaars, zelfs al zou die weigering hen aan de doodstraf blootstellen, quot;t Is dus onrechtmatig en wreed de priesters te beschimpen, die, door de Sacramenten aan onwaardigen te weigeren, slechts gehoorzamen aan hun geweten, en aan de wet van God. De bedienaren der Sacramenten zijn verders verplicht, in de toediening daarvan de ceremonie?! of plechtig-
â 287
heden te onderhouden, die de Kerk heeft voorgeschreven. Deze ceremoniën, eerbiedwaardig om hare oudheid, ofschoon niet behoorende tot het karakter., tot het wezen der Sacramenten, bezitten nochtans eene bewonderenswaardige kracht, om onze hoogverheven geheimen met eerbied te omringen, om de geloovigen de uitwerksels der Sacramenten te doen kennen, om hun geloof te verlevendigen. Zij, die er den zin, de beteekenis niet van begrijpen, zijn de eenigen die ze niet waardeeren. De H. Theresia was gewoon te zeggen, dat zij haar leven veil had ter^ verdediging van de kleinste ceremonie der Kerk. Hij, die de Sacramenten ontvangt, moet ook de meening, de intentie hebben van ze te ontvangen. Zou men ze iemand tegen wil en dank toedienen, dan zouden de Sacramenten van nul en geener waarde zijn. Nochtans, wordt geene meening vereischt in kinderen of krankzinnigen, die niet in staat zijn die intentie te vormen en wier Doopsel zonder twijfel geldig is.
Wanneer een stervende het gebruik zijner zintuigen heeft verloren, veronderstelt men met reden, dat hij de meening heeft zijn geweten in orde te brengen en men moet hem de Sacramenten toedienen. De staat van gratie is eene noodzakelijke ypreischte tot het ontvangen der Sacramenten der levenden, nl. het Vormsel, het H. Sacrament des Altaars, het H. Oliesel., het Priesterschap en het Huwelijk. Het zou eene heiligschennis zijn, ze in staat van doodzonde te ontvangen.
Vandaar, dat men de geloovigen niet genoeg kan aanraden, zich tot het ontvangen dier Sacramenten door eene heilige Biecht voor te bereiden, ook al zouden ze meenen een volmaakt berouw over hunne zonden te bezitten. Dit volmaakt berouw over eene zware zonde, sedert de laatste Biecht bedreven, zou-
- 28S
volstrekt onvoldoende zijn, om te mogen Communi-ceeren. In dit geval zou men eerst zijne zonde moeten biechten, alvorens de H. Communie te ontvangen.
Ten slotte, dat men de Sacramenten, door God zeiven ingesteld, niet verwarre met de zoogenaamde Sacramentaliën. Deze zijn plechtigheden, of uitwendige godsdienstige handelingen, door de Kerk ingesteld ter eere Gods. en tot heiliging der zielen.
De Sacramentaliën wekken dan ook in de zielen goede gevoelens op, die de vergiffenis van dagelijksche zonden verkrijgen, en zelts ook tijdelijke goederen,zooals gezondheid, bevrijding van bekoringen enz. Nochtans brengen zij die uitwerksels niet voort uit eigen kracht, maar krachtens de goede gevoelens, die zij in onze zielen teweeg brengen.
Onder Sacramentaliën verstaat men o. a: gewijd water, waarvan wij, naar liet voorbeeld der eerste christenen, een veelvuldig gebruik moeten maken, vervolgens de gebeden en aalmoezen, door de Kerk voorgeschreven ; gewijd brood; den zegen van een bisschop of priester. Na deze algemeene opmerkingen over de Sacramenten, gaan wij spreken over elk in 't bijzonder.
HOOFDSTUK III.
Het Doopsel.
Het Doopsel is een sacrament, door Christus ingesteld om de erfzonde uit te wisschen en ons, met het bovennatuurlijk leven der genade, den titel te geven van kinderen Gods en der H Kerk.
Het Doopsel is de deur en de ingang tot al de andere sacramenten, die men niet geldig kan ontvangen. als men niet gedoopt is. Het is van al de
- 289 -
sacramenten het noodzakelijkste ter zaligheid. Zonder Doopsel is het onmogelijk naar den hemel te gaan, als men ten minste niet door den marteldood gedoopt is in zijn bloed, of, in de volstrekte onmogelijkheid van gedoopt te worden, het Doopsel verlangt te ontvangen en eene akte van volmaakte liefde en volmaakt berouw verricht.
Het is derhalve een der zwaarste plichten der ouders, dat zij hunne kinderen laten doopen, ook dan, wanneer hunne kinderen, door eenig ongeval, zouden geboren worden korten tijd, nadat zij ontvangen worden, en zelfs al twijfelt men er aan, of zij leven. Het Doopsel langen tijd uitstellen, als er gevaar is van sterven, zou eene groote zonde zijn.
Buiten het gevaar van sterven is het niet geoorloofd de kinderen te doopen van ongeloovigen, van ketters, van afvallige christenen, zonder toestemming van hun vader ot ten minste van hunne moeder, of het moet zijn, dat zij geheel aan de ouderlijke macht zijn onttrokken; maar in gevaar van sterven zou men die kinderen moeten doopen. Men moet ook hen doopen, die nooit het gebruik van hun verstand gehad hebben.
Omdat het Doopsel zoo noodzakelijk is, heeft God gewild, dat iedereen, ook de ketter en de ongeloovi-ge, in geval van noodzakelijkheid, dit sacrament kan toedienen, wanneer men slechts de meening hebbe te doen, wat de Kerk van Christus doet.
Ziehier, hoe het Doopsel moet worden toegediend. Men neme zuiver water, gewijd of niet gewijd. Dat water storte men uit over het hoofd van het kind. Te gelijkertijd zegge men; Ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Kan men het hoofd niet bereiken, dan doope men op een ander lidmaat.
Peter en meter behoeven zelf niet bij het Doopsel
19
- 290 -
aanwezig te zijn, maar zij moeten te voren hunne toestemming gegeven hebben, om als zoodanig te worden aangewezen. Ketters, ongeloovigen, openbare zondaren en zij, die de hoofdwaarheden van het geloof niet kennen, mogen niet als peter en meter optreden. Ook de ouders mogen geen peter en meter zijn van hun eigen kinderen. De peter en meter moeten, als de ouders in gebreke blijven, hun petekind godsdienstig opvoeden. Zij mogen niet met hun petekind of met de ouders van het petekind in het huwelijk treden.
Het Doopsel vergeeft niet alleen de erfzonde maar ook alle dadelijke zonden, die vóór het Doopsel bedreven zijn, en zelfs alle straffen van de zonden. Het Doopsel drukt in de ziel het merkteeken van de kinderen Gods, welk merkteeken eeuwig zal blijven bestaan. De H. Koning Lodewijk had meer liefde voor het dorpje Poissy, waar hij gedoopt werd, dan voor de stad Reims, waar hij tot koning werd gezalfd. Na het Doopsel te hebben bijgewoond van een jood, waarbij hij ook de gezanten van een ongeloovigen vorst had uitgenoodigd, zeide hij hun na de plechtigheid: âZeg aan uw meester, dat ik gaarne mijn leven in den akeligsten kerker zou willen doorbrengen, als ik tegen dien prijs vooi hem en voor geheel zijn volk de genade des Doopsels kon verkrijgen.quot;
Hoe treurig is het, dat velen de genade, die zij van God ontvingen, niet achten, de beloften van het Doopsel ontrouw worden en zich opnieuw slaven maken van den duivel.
Op zekeren dag bracht men bij Alexander den Groote een beruchten zeeroover. Alexander vroeg hem zijn naam. âIk heet Alexander,quot; antwoordde de roover. âDan moet gij óf uw naam óf uw leven veranderen,quot; hernam Alexander. Zoo ook moet de
f
christen of wel zijn naam veranderen, of de verplichtingen, bij het Doopsel aangegaan, volbrengen.
Elpidophorus, die eerst het Doopsel ontvangen had, verzaakte vervolgens aan het geloof in Jezus Christus en werd een vervolger van de katholieken. Hij daagde den heiligen diaken Murita, die zijn peter geweest was, voor zijn rechterstoel. Deze bracht het witte kleed met zich, dat Elpidophorus bij het Doopsel gedragen had. âZiehier,quot; zeide hij, âden getuige van uwe afvalligheid. Het zal u voor den rechterstoel van God beschuldigen. Dit witte kleed zal in een kleed van vuur en vlammen veranderen, welke u in alle eeuwigheid zullen verslinden.quot; Bij deze woorden ging Elpidophorus beschaamd weg.
Het merkteeken des Doopsels zal den verdoemde tot schande strekken.
Het is zeer prijzenswaardig op den verjaardag van zijne geboorte na het ontvangen van de H.H. Sacramenten de beloften van zijn Doopsel te vernieuwen.
HOOFDSTUK IV.
Het Vormsel.
Door het Doopsel worden wij kinderen Gods; door het Vormsel worden wij soldaten van Jezus Christus. Het Vormsel is door Christus ingesteld om aan de geloovigen den H. Geest mede te deelen met den overvloed van zijne gaven, om hun geloof te bevestigen en te versterken tegen de aanvallen van hunne vijanden.
De H. Geest daalde op wonderbare wijze neder op de eerste geloovigen, wanneer de apostelen hun
de handen oplegden. Deze mirakelen, die de Kerk in hare wieg omringden, waren noodzakelijk voor de verspreiding van het ware geloof. Toen dat geloof genoegzaam was gevestigd, heeft God, die niets zonder reden doet, die mirakels niet meer gebezigd of ten minste zelden gebezigd. Zoo ook besproeit de tuinman den boom, dien hij pas heeft geplant; maar heeft de boom wortel geschoten, dan houdt hij op dien te besproeien, want het is niet meer noodzakelijk.
Maar al zien wij de mirakelen, die eertijds de toediening van het sacrament vergezelden, niet meer voor onze oogen schitteren, de uitwerkselen zijn nog altijd dezelfde; de genade van den H. Geest wordt nog altijd voortgebracht; het nierkteeken wordt nog in de ziel geprent, de gaven van den H. Geest worden nog altijd over haar uitgestort.
Hoewel het Vormsel niet volstrekt noodzakelijk is ter zaligheid, berooft men zich van eene groote weldaad door het niet te ontvangen.
Een zekere Novatus, die tot het geloof bekeerd was, werd tijdens de vervolgingen afvallig; en de geloovigen meenden, dat die lafheid het gevolg was van zijne verwaarloozing van het Vormsel.
Hij die het Vormsel wil ontvangen, moet in staat van gratie zijn. Het zou eene heiligschennis zijn het Vormsel met eene doodzonde op het geweten te ontvangen. Het is derhalve zaak zich door eene goede Biecht voor te bereiden. Het is echter niet noodzakelijk, dat men nuchter zij.
De geschiedenis meldt, dat Juliaan de Afvallige na het geloof verzaakt te hebben, met grooten luister een offer aan de afgoden wilde opdragen. Toen alles gereed was voor de afschuwelijke plechtigheid, werden de afgodspriesters als met lamheid geslagen; hunne messen treffen de offerdieren niet;
- 293 â
liet vuur, dat zij ontsteken, dooft aanstonds uit. Zij zeggen tot elkaar, dat ongetwijfeld iemand onder de aanwezigen is, die pas het Doopsel of het Vormsel heeft ontvangen, en een beletsel is voor hunne godsdienstplechtigheid. De keizer gelast met luider stem te onderzoeken, of er een Galileër onder de menigte is: met dezen naam duidde hij de christenen aan. Aanstonds treedteen jongeling tevoorschijn en zegt: âIk heb Jezus Christus aangeroepen, en de duivelen konden niet als goden vereerd worden.quot; De keizer sidderde van vrees en met schaamte overdekt verliet hij den tempel. De jongeling ging zijne broeders verhalen, welke wondervolle kracht de H. Geest hem geschonken had, om zijn geloof te belijden en de heiligschendende eeredienst der afgoden te verhinderen. Mochten allen, die evenals hij het Vormsel ontvangen hebben, denzelfden moed bezitten !
HOOFDSTUK V.
Het H Sacrament des Altaars.
Dit is het aanbiddelijkste en verhevenste van al onze geheimen, waarin Jezus Christus de schatten van zijne macht en liefde heeft uitgeput, ten einde onze metgezel te zijn in de ballingschap en het voedsel onzer zielen. De goddelijke Verlosser had langen tijd te voren voorspeld, welke liefdevolle plannen Hij voor den mensch koesterde.
A h gij mijn vleesch niet eet en mijn bloed niet drinkt dan zult gij het leven in u niet hebben, had Hij gezegd. Die dit brood eet, zal eeuwig leven. Het brood, dat ik geven zal, is mijn vleesch. Mijn
- 294 -
vleesch is waarlijk spijs e?i mijn bloed is waarlijk drank. Ziedaar, wat de Zaligmaker beloofde, welnu, God is getrouw in zijne belotten. Hij heeft ze volbracht.
In het laatste avondmaal, den avond voor zijn dood, nam Jezus brood, zegende het, brak het, gaf het aan zijne apostelen, en zeide: Dit is mijn lichaam. Vervolgens nam Hij den kelk met wijn, zegende dien eveneens, gaf hem aan zijne leerlingen en zeide: Drinkt allen uit dezen kelk ; want dit is de kelk va7i mijn bloed. Welnu, als God spreekt, dan doet Hij ook wat Hij zegt. Bij de schepping der wereld sprak Hij een enkel woord en de schepselen traden te voorschijn. Wanneer God over het brood deze woorden heeft uitgesproken : Dit is mijn lichaam, dan is er geen brood meer, dan is daar het Lichaam van Jezus Christus. Wanneer Hij over den kelk gezegd heeft: Dit is de kelk van mijn bloed, dan is er geen wijn meer maar het Bloed van Jezus Christus. De apostelen hebben zich in het laatste avondmaal gevoed met het goddelijk Vleesch en gelaafd met het goddelijk Bloed.
Maar deze gunst werd niet aan hen alleen geschonken ; ook wij hebben voedsel noodig voor onze zielen. Ook aan ons heeft Jezus gedacht. Hij geeft aan de apostelen de macht dat wonder van zijne liefde te hernieuwen: Doet dit tot mijner gedachtenis. De Apostelen en hunne opvolgers, de bisschoppen en de priesters, hebben reeds negentien eeuwen lang van die macht gebruik gemaakt en de geloovigen met dat goddelijk voedsel gespijzigd.
Zoowel onder de gedaante van brood als onder de gedaante van wijn, en onder elk gedeelte daarvan is Jezus Christus geheel, met vleesch en bloed, tegenwoordig. Ook zijne ziel is daar, want na de verrijzenis sterft Jezus niet meer; ook zijne godheid
- 295 -
is er, want zij is onafscheidelijk met zijne mensch-heid vereenigd. Ziedaar eene waarheid van het geloof, die God zelf en zijne Kerk ons leeren.
Widukind was een legerhoofd van de Saksers. een vijand van het geloof en een vervolger van de christenen. Karei de Groote bekeerde hem en wilde bij het Doopsel zijn peter zijn. Widukind wilde onopgemerkt van de kerkelijke plechtigheden getuige zijn. Het was in de goede week. Hij kleedde zich met de lompen van een bedelaar en verborg zich onder de menigte, die de plechtigheden van de goede week bijwoonde. Toen de priester de H. Communie uitdeelde, zag hij een schoon kindje, dat tegen den eene lachte en den andere afstiet. Hij verhaalde dit vizioen aan Karei den Groote, die hem onderrichte in het geheim van het H. Sacrament des Altaars, en hem een priester gaf, die alle dagen voor hem de H. Mis kon lezen, wanneer hij in Saksen was teruggekeerd.
Jezus Christus is niet alleen in het H. Sacrament tegenwoordig, opdat wij Hem daar bezoeken en aanbidden, maar ook om ons geestelijk voedsel te zijn ; en daarom verbergt Hij zich onder de gedaante van brood en wijn. De ongeloovige Voltaire zelfs bewonderde dit geheim en zijne uitwerksels : âZiedaar menschen,quot; zeide hij, âdie hun God in zich ontvangen te midden van eene treffende plechtigheid, bij het licht van honderd kaarsen, aan den voet van een altaar, dat schittert van goud. De verbeelding wordt overtroffen, de ziel geroerd en verteederd; nauwelijks ademt men, men is los van alle aardsche banden. Men is vereenigd met God.... Wie zal het bestaan na dat alles nog eene enkele fout te bedrijven, zelfs de mogelijkheid er van zich verbeelden ! Geen geheim is denkbaar, dat meer kracht heeft om den uiensch in de deugd te bevestigen.quot;
- 296 -
Evenals het aardsche brood het lichaam voedt, zoo ook voedt het hemelsch Brood van het H. Sacrament de ziel. Het behoudt in ons het geestelijk leven. Het strekt ons tot geneesmiddel, en bewaart ons voor de zonde. Het legt in ons de kiem der verrijzenis en der glorie.
Hooren wij Chateaubriand zeggen, welke uitwerksels zijne eerste H. Communie in hem te weeg bracht : âDien dag was alles voor God. De wezenlijke tegenwoordigheid van het Offerlam in het H. Sacrament des Altaars was mij even tastbaar als de tegenwoordigheid van mijne moeder naast mij. Toen de H. Hostie op mijne tong werd gelegd, gevoelde ik mij inwendig geheel verlicht. Ik sidderde van ontzag. Ik ontwaarde in mij den moed der martelaren. Op dat oogenblik had ik Christus kunnen belijden op de pijnbank of te midden van de leeuwen.quot;
Dit aanbiddelijk geheim vordert eene heilige gesteltenis. Vooreerst, wat het lichaam betreft, zij men nuchter, dat wil zeggen, men hebbe van af middernacht niets meer gegeten of gedronken; ontvangt men de H. Communie zender nuchter te zijn, dan bedrijft men eene heiligschennis. Het betaamt, dat men zindelijk, maar ook zedig gekleed zij. Eene armoedige maar zindelijke kleeding wordt door God, die de armen bemint, gaarne gezien; eene rijke maar onbetamelijke kleeding zou Hem beleedigen. Wat de gesteltenis van de ziel betreft, zorge men in stiat van gratie te zijn, dat is zuiver van doodzonde. Heeft men het ongeluk gehad eene doodzonde te bedrijven, dan is men zwaar verplicht te biechten alvorens de H. Communie te ontvangen. Het zou in dat geval niet voldoende zijn zich door een volmaakt berouw voor de Communie voor te quot;bereiden. Heeft men eene doodzonde
- 297 â
vergeten te biechten, dan kan men toch de H. Communie ontvangen. Die vergeten zonde belijde men in de eerstkomende Biecht.
In gevaar van sterven is men zwaar verplicht de H. Communie te ontvangen. De huisgenooten van een zieke moeten den priester tijdig waarschuwen en niet vreezen den zieke te zullen ontstellen of hem een slapeloozen nacht te bezorgen. Er is voor hem geen beter geneesmiddel dan de H. Communie. De Fransche generaal Drouot was ernstig ziek geweest. Toen hij zijn geneesheer komen zag, zeide hij : âDoctor, ik ben beter.quot; De doctor zag, dat hij werkelijk veel beter was. ,,Vanwaar die beterschap?quot; vroeg hij. âIk heb van morgen de H. Communie ontvangen,quot; antwoordde de generaal. De verplichting van in stervensgevaar te communiceeren is ook van kracht voor de kinderen, die tot de jaren van verstand zijn gekomen en wel onderscheid weten te maken tusschen het gewone brood en het Brood van het H. Sacrament des Altaars.
De eerste christenen communiceerden alle dagen. De H. Theresia communiceerde drie en twintig jaren lang eiken dag. Zonder de toestemming van zijn biechtvader is het niet raadzaam zoo dikwijls de H. Communie te ontvangen. Maar om alle acht dagen te communiceeren is het voldoende geen enkele doodzonde op het geweten te hebben en het oprechte voornemen te hebben alle doodzonden te vermijden.
Sommige christenen zeggen : Ik ben niet waardig zoo dikwijls te communiceeren. Geen wonder. Zelfs de engelen zouden het niet waardig zijn. Het is niet noodig, dat men waardig zij. Het is voldoende niet onwaardig te zijn. En men is niet onwaardig, wanneer men geene doodzonde op het geweten heeft
en het voornemen heeft van geene doodzonde te bedrijven.
De duivel tracht de geloovigen er van af te schrikken alle acht dagen de H. Communie te ontvangen. Hij voorziet, dat zij met vasten tred zouden voortschrijden op den weg der volmaaktheid. Daarom tracht hij hen van de veelvuldige Communie te weerhouden.
Geven wij liever gehoor aan de uitnoodiging van Jezus Christus, die brandt van verlangen om zich aan ons te geven, en aan de verklaring van de Kerk, die in het concilie van Trente het verlangen uitsprak, dat al hare kinderen de H. Communie zouden ontvangen, telkens wanneer zij de H. Mis bijwoonden, derhalve minstens alle Zondagen.
Wat zouden wij gelukkig zijn, als onze lezers dit begrepen en er naar handelden! Hoevele zielen bezwijken van uitputting, die verzuimd hebben het Brood der engelen te eten, en nieuwe krachten zouden erlangen, als zij zich meermalen met die heilige spijs voedden.
Kan men niet werkelijk communiceeren, dan zal men goed doen met eene geestelijke communie te verrichten, waarover wij zullen spreken in het aanhangsel van dit werkje.
HOOFDSTUK VI.
De H. Mis.
Altijd en overal, zelfs bij de heidenen, heeft de inensch de behoefte gevoeld. God als den Heer van leven en dood te erkennen, door een levend wezen te nemen en het te zijner eere te dooden, als om Hem daardoor luid te verklaren, dat alles, wat leven heeft, aan Hem het bestaan dankt. Zij, die aan
â 299 â
God geen enkel offer opdragen, zijn slechter dan de ongeloovigen. Offers, zooals de heidenen en zelfs de Joden opdroegen, waren niet in staat om aan God de eer te geven, die Hij verdient.
De Zoon Gods is op aarde gekomen ; Hij heeft een lichaam en eene ziel aangenomen evenals wij, Hij heeft zich opgeofferd aan het kruis, en door dat offer alleen heeft Hij aan zijn Vader alle eer gegeven, die Hij verdient. Hij heeft voldoening gegeven aan Gods rechtvaardigheid en voor ons alle genaden verworven. Maar het was niet voldoende voor de liefde, die de goddelijke Verlosser zijn hemelschen Vader en de zielen toedroeg, dat Hij zich slechts éénmaal en op ééne plaats der wereld opofferde. Hij heeft zich op alle plaatsen en ten allen tijde willen opofferen en daarom heeft Hij het H. Sacrificie der Mis ingesteld. Zeggen wij een enkel woord over de verhevenheid en de uitwerksels van het H. Misoffer.
i0. De verhevenheid van het H. Misoffer. Jezus offerde in het laatste Avondmaal zijn Lichaam en Bloed, welke door zijne apostelen genuttigd werden, en Hij gelastte hun dit offer te herhalen. En van toen af, droegen de priesters, op bevel van Jezus, de H. Mis op en vernieuwden zij het offer, dat eens op Kalvarie en in het laatste Avondmaal werd opgedragen.
Het Misoffer wordt aan God opgedragen. Het is eene daad van aanbidding, en God alleen mag aanbeden worden. Men mag het Misoffer opdragen ter eere van de heiligen, om God te bedanken voor de genaden hun geschonken en om zich hunne voorbede te verzekeren; maar aan de heiligen, ook aan de H. Maagd een Misoffer opdragen, zou afgoderij zijn.
Het was een God, die zich op Kalvarie opdroeg.
- 300 -
Het is een God, die zich op het altaar opoffert door de handen van den priester. De priester spreekt in naam van Jezus Christus. Dit is mijn lichaam, zegt hij. Jezus zelf is offeraar en offerande. Had Jezus slechts een lam geofferd, evenals Abel, zijn offer was aangenaam geweest aan God. Maar hier wordt een God zelf opgeofferd.
Het offer, waardoor wij verzoend zijn met onzen hemelschen Vader, wordt dagelijks op onze altaren opgedragen, zooals de Kerkvergadering van Trente zegt. En dit Offer is Jezus Christus, die zijn goddelijk Lichaam en Bloed aan God opdraagt, die zich zeiven geheel en al aan ons wegschenkt, en dit wel zoo dikwijls, als ergens ter wereld het H. Sacrificie der Mis wordt opgedragen. Wanneer wij de geboorte van Jesus Christus vieren, wordt Hij niet werkelijk geboren, wij gedenken slechts den dag zijner geboorte; maar het H. Sacrificie der Mis is niet slechts eene bloote gedachtenis, niet eene eenvoudige voorstelling van het Offer van Kalvarie, neen, het is hetzelfde Offer, alleen de wijze van offeren is verschillend, ginds op Kalvarie eene bloedige, hier op het altaar eene onbloedige wijze. Het is hetzelfde Offer, door denzelfden Offeraar aan God opgedragen. Wij moeten dus de H. Mis bijwonen met dezeltde gevoelens, welke den H. Joannes en de H. Maria Magdalena bezielden, als zij op den berg van Kalvarie onder het kruis van den stervenden God-mensch stonden.
2°. Ook de uitwerksels van het H. Sacrificie op onze altaren zijn dezelfde als die van het offer des kruises. Men vindt in de H. Mis al de vruchten, «elke Jezus op het kruis heeft verworven, zegt de H. Thomas. De Mis is dus eene onuitputbare bron. waaruit wij rijkelijk alles kunnen putten, wat wij Hem verschuldigd zijn. Welnu, wij zijn God aan-
- 301 -
bidding schuldig voor zijne oneindige majesteit, dank voor zijne rijke genadegaven, boete voor onze bedrevene zonden; wij moeten Kern zijne hulp af-smeeken om staande te blijven in de deugd; en dat alles schenkt ons zoo ruimschoots het H. Sacrificie der Mis.
Het eerste, wat wij in dit hoog verheven Offer op het oog moeten hebben, is de eer van God. Ieder onderdaan is zijn overste eerbied verschuldigd, en hoe meer de overste in waardigheid is verheven, des te inniger, des te dieper zij de eerbied, die wij hem bewijzen. Aan een God dus, oneindig groot, oneindig verheven, zijn wij oneindige eer verschuldigd.
Maar hoe Hem zulke schatting betaald, als alle engelen en menschen te zamen daartoe niet in staat zijn ? Daartoe moest de Zoon Gods van den hemel nederdalen, zich als het ware een der onzen maken en zich in onze plaats stellen. En Hij heeft dat gedaan, en op het altaar zoowel als op den berg van Kalvarië, vernietigt Hij zich voor zijn hemel-schen Vader, 't Is een God, die een God vereert, en die Hem aanbidt op eene Hem waardige wijze. En voor al die eerbewijzen en verootmoedigingen van Jezus Christus, die van oneindige waarde zijn, verdwijnen die der engelen en menschen als de sterren voor den glans der zon. Eene heilige ziel, doordrongen van liefde voor God, was gewoon te zeggen: âIk wenschte zoovele tongen te bezitten om u te zegenen, te danken en te verheerlijken, als er bladeren aan de boomen, zandkorrels aan het strand der zee zijn, ja zoovele, als er sterren fonkelen aan het firmament.'' Welaan dan, dooreen enkel sacrificie der Mis schenkt men aan God al de eer en glorie, die slechts denkbaar is, ja zelfs oneindig meer.
Onze tweede verplichting jegens God is die der
â 302 -
erkentelijkheid. De kleinste weldaad van God, ons door een oneindig Wezen uit oneindige liefde geschonken, is eene oneindige dankbaarheid waardig. En hoevele weldaden, zoowel in de orde der natuur als in de orde der genade, hebben wij ontvangen. En zouden wij allen dan geen dank genoeg kunnen brengen en veroordeeld zijn tot ondankbaarheid, een kwaad, dat de heidenen zelfs vertoeiden, en dat de dieren zelfs niet kennen? Stellen wij ons gerust.... Uat zal ik den Heer wedergeven, sprak David, voor alles wat Hij mij geschonken heeft ? Ik zal den kelk des heils opnemen. In de H. Mis draagt Jezus Christus zelf zijne dankzeggingen aan zijn hemelschen Vader op. Het woord Eucharistie toch beteekent dankzegging. Door de H. Mis schenken wij aan God terug Jezus Christus, dien Hij ons gegeven heeft; nog meer, wij offeren Hem op in elke H. Mis, terwijl Hij Hem slechts eenmaal bij zijne menschwording geschonken heeft.
Onze derde verplichting is die der boeting onzer zonden. De boetplegingen van alle martelaren en alle heiligen zouden onvoldoende zijn tot boeting zelfs van ééne enkele doodzonde. Jezus op het altaar offert zijn kostbaar Bloed voor ons vergoten, zijn H. Lichaam voor ons verscheurd. Hij past de oneindige verdienste, de oneindige waarde zijner boete op Kalvarië toe op hen, die de H. Mis opdragen, ot doen opdragen, en op hen, die er bij tegenwoordig zijn.... De H. Mis vervolgens vergeeft de dagelijksche zonden aan hen, die ze met berouwvolle gevoelens bijwonen. Zij behoedt hen verder voor de doodzonde; voldoet aan God voorde tijdelijke straffen, die, nadat de zonde vergeven is, nog overblijven; verkrijgt voor degenen, die in staat van doodzonde verkeeren, de genade der bekeering; eindelijk zij stilt de goddelijke gramschap,
- 303 -
opgewekt door de zonden der menschen. Hoe komt het, dat God, die in de Oude Wet lichte overtredingen, zooals die van Oza en der Bethsamieter. met zooveel gestrengheid straite, zoovele godslasteringen, zooveel zedenbederf verdraagt ? Alphons d'Albuquerque, die groote veroveraar der Indien, zag zich op zekeren dag met gansch zijn leger in gevaar schipbreuk te lijden. Dan nam hij op eens een klein kind in zijne handen, dat daar schuldeloos in het schip zich vermaakte, hief het ten hemel en riep uit ; âHeer, wij allen zijn zondaars en wij verdienen den dood, doch dit kind is onschuldig ; ik smeek het u ter liefde van dit kind, spaar ons schuldigen.quot;
En ziet, de zee bedaarde op hetzelfde oogenblik. En zou Gods toorn dan niet bedaren, als de priester de H. Hostie opheft tusschen hemel en aarde? Welaan dan, zondaars, komt de H. Mis bijwonen, als ge u wilt behoeden voor de vernielende schichten van Gods gramschap.
De vierde verplichting is die van het gebed. Wij hebben niets, wij verwachten alles van God voor ons zeiven en voor anderen Jezus smeekt voor ons. Hij heeft voor ons gebeden, en Hij heeft alles voor ons verkregen op den berg van Kalvarie, waar H ij met een machtigen kreet voor ons bad en verhoord werd, zooals de apostel Paulus zegt. Op het altaar draagt Hij zich zeiven tot hetzelfde doel op. Welk een troost! Bidt eene heilige ziel hier op aarde voor ons. dan herleeft ons vertrouwen. Waren wij er zeker van, dat groote heiligen in den hemel op bijzondere wijze voor ons ten beste spraken, wat zou ons vertrouwen daardoor gesterkt worden! O. H. Jezus Christus zelf bidt voor ons, en Hij zeh is de gever! Alles verkrijgt Hij dus voor ons r geestelijke en tijdelijke genaden. Kan God ons dan
â §04 â
iets weigeren, als wij Hem zijn eeniggeboren Zoon opdragen ? Wordt Hij niet onze schuldenaar ? Schenken wij Hem niet meer, dan wij Hem vragen ? En, geeft Hij ons ook niet meer, krachtens Zijn H. Sacrificie, dan wij Hem vragen ? Geen krachtiger middel is er denkbaar om de eind-volharding te verkrijgen, dan het H. Sacrificie der Mis, zegt de H. Leonardus.
Niets is er krachtiger voor de zaligheid van den evenmensch, dan het opdragen van het H Sacrificie. Eene enkele H. Mis zou, krachtens hare innerlijke waarde, voldoende zijn, om de bekeering uit te werken van alle ketters, ongeloovigen en slechte christenen, om de poorten der hel te sluiten. Door het bijwonen of opdragen van ééne enkele Mis kan men, de handeling op zich zelve beschouwd, meer verdienen, zegt de H. Leonardus, dan door al zijne schatten aan de armen uit te deelen, dan door een pelgrimstocht tot aan de uiterste grenspalen der aarde. Waarom dan de engelen niet nagevolgd, die onder het opdragen eener H. Mis, met gansche scharen uit hunne hemelsche woontente afdalen, om met meer kracht voor ons geluk ten beste te spreken ?
Ook wordt de H. Mis met veel vrucht aangewend tot troost en lafenis der geloovige zielen. De H, Gregorius verhaalt van eene vrouw, die haar man verloren had en hem dood waande, dat zij dikwijls voor hem de H. Mis liet opdragen. Haar man echter was krijgsgevangene, en met zware ketenen geboeid zuchtte hij in den kerker. Uit de gevangenis verlost verklaarde hij later aan zijne vrouw, dat, telkens als zij voor hem de Mis liet opdragen, zijne ketenen wonderbaar verlicht werden. De zielen van het vagevuur, zeggen de H. Leonardus en de H. Hieronymus, gevoelen hare pijniging niet, terwijl men de H. Mis voor haar opdraagt ; en bij elk Sacrificie, dat opge-
- 305 -
dragen wordt, worden de boeien van vele handen verbroken. Toen men den eerbiedwaardigen Joannes d'Avila op zijn sterfbed vroeg, wat hij na zijn dood het meest verlangde, antwoordde hij ; âBezorg mij toch Missen, vele Missen.quot; Ongelukkig dus zij, die door testament of anderszins verplicht waren te zorgen voor Missen ten bate van overledenen, en aan dien plicht zijn te kort gekomen ! Zij zijn nog slechter dan de duivels, want zij pijnigen de uitverkorenen 'Gods, terwijl de duivelen de verdoemden kwellen. Hetzelfde kan men zeggen van hen, die in het bezit geraken van de nalatenschap hunner ouders of bloedverwanten en er zelfs niet meer aan denken ooit â eene H. Mis voor hen te laten lezen. Als de H. Petrus Damianus, nog kind zijnde, de kudde zijns vaders hoedde, vond hij op zekeren dag een klein â goudstukje ; en niettegenstaande zijne uiterste armoede gaf hij het aan een priester, met het verzoek, daarvoor eene Mis te lezen voor zijne overledene moeder. Ook raadt ons de zalige Leonardus van Porto Mauritio aan, om bij ons leven reeds van tijd lot tijd de H. Mis voor ons te laten opdragen, te meer als er vrees is voor weinig erkentelijkheid van kinderen of erfgenamen. Hebben wij de verhevenheid van dit heilig Offer wel begrepen, en gezien, â welke krachtige uitwerksels het heeft, dan zal het niet in onze gedachten opkomen, het op dagen van verplichting ooit te verzuimen. Neen, wij zullen zelfs het besluit maken, dagelijks een half uur af te zonderen om dat hoogverheven Offer bij te wonen. Keizer Valens liet alle katholieke kerken sluiten, en beval al de geloovigen ter dood te brengen, die het wagen zouden des Zondags de kerkelijke diensten bij te wonen. Zijn landvoogd Modestus waarschuwde de christenen om ze aldus voor een algemeenen dood te behoeden. Doch ziet; talrijker dan ooit kwamen
20
- 306 -
zij ter kerke. Eens begaf zich de landvoogd naaide plaats hunner samenkomst, en ontmoette onderweg eene vrouw, die niet haar kind op den arm zich kerkwaarts spoedde. âWat nu.quot; riep Modesus, âweet ge niet, dat ik order heb al^ degenen te^doen sterven, die daar vereenigd zijn ?quot; âO, jawel,quot; antwoordde de vrouw, ,.en vandaar, dat ik mij zoo-spoed, opdat ook dit mijn kind aan dat geluk deelachtig zij.quot; De landvoogd stond verslagen, en durfde het bevel des Keizers niet volvoeren. Hendrik III, Koning van Engeland, woonde dagelijks drie Missen bij en hij werd daarvoor beloond met eene gelukkige regeering van zes en vijftig jaren. De H. Elzear, graaf van Sabran in Provence, beval zijne bedienden dagelijks de H. Mis bij te wonen. (Zie-de manier van Mishooren in het aanhangsel.)
HOOFDSTUK VII.
Over de Biecht.
Door het woord boetvaardigheid geeft men te gelijk èn eene christelijke deugd èn een Sacrament te kennen. In de eerste beteekenis genomen is de boetvaardigheid eene deugd, die ons genegen maakt de beleediging te herstellen, God door de zonde aangedaan. Zij brengt er ons bijgevolg toe, een oprecht berouw te toonen over onze fouten, die voor de toekomst vaarwel te zeggen en ze door eene aanhoudende versterving meer en meer uit te boeten. De zinnelijke wereld schuwt die versterving tot boeting der zonde, en somtijds ontziet zij zich zeifs niet die te beschimpen in de heiligen. En toch s er niets natuurlijker, niets billijker dan die vrijwillige boete.
De burgerlijke wet straft de boosdoeners; waarom dan zou de zondaar zich zeiven niet moeten kastijden om wederom in Gods genade hersteld te worden ? Den speler, die verloren spel heeft gemaakt ziet men somtijds wrevelig worden op de kaarten, doch de zondaar heeft dikwijls meer redenen om wrevelig, ja toornig te worden op zijn lichaam, dat hem den hemel heeft doen verliezen. Wat moeite getroost zich dikwijls de wereldling om zich eer, om zich geld en goed te verschaffen ! En zich eenige ontbering, eenige versterving op te leggen om zich het geluk des hemels te verzekeren, dat zou men als iets buitengewoons beschouwen ! Welaan dan, verre van de werken der christelijke boetvaardigheid te schuwen, tracht die naar best vermogen krachtig te beoefenen en weigert ten allen tijde aan uwe zinnen die gevaarlijke voldoeningen, die het leven uwer zielont-rooven. Die Christus ioebeJworen^z^^.As.k^oi,^,hebben hun vkesch gekruisigd met deszelfs begeerlijkheden.
Maar hier is het de plaats om op bijzondere wijze uit te weiden over het Sacrament van Boetvaardigheid, dat onze lieer Jezus Christus heeft ingesteld, om de zonden te vergeven, die na het Doopsel gedaan zijn, en welk Sacrament men gewoon is aan te duiden onder den naam van âBiecht.quot; Het is eene waarheid van ons geloof, dat de Biecht eene goddelijke instelling is. Ziehier de woorden harer instelling, de woorden van Christus : Gelijk de Vader mij gezo7iden heeft, zoo zend ik ook u. AlsHij dit gezegd had, blies Hij op hen en zeide tot hen : Ontvangt den H. Geest; wier zondengij vergeveti zult, dien worden zij vergeven ; en wier zonden gij zult honden, dien zijn zij gehouden. (Joes XX, 21-23). Wat geeft onze goddelijke Zaligmaker door deze woorden te kennen ? Hij stelt hierdoor zijne bedienaren aan als geneesheeren, als rechters der zielen. Is Hij dan ook zelf niet gekomen
â 808 -
om de zielen te genezen? Had Hij niet gezegd aan hen die er Hem een verwijt van maakten, dat riij de 'zondaars liefhad : Zij, die gezond zijn hebben geen geneesheer noodig, maar wel de zieken . En nu heeft Hij gewild, dat zijne bedienaren, gelijk Hij zelf ten opzichte der zondaren het ambt van geneesheer waarnemen. Doch de geneesheer geneest geen kwalen, die hij met kent. Is men ernstig ziek geworden en gaat men een man van het vak raadplegen, dan zal men hem duidelijk den zetel, de oorzaak, de natuur der ziekte openbaren, en weet men daaromtrent niets te verklaren, dan behoeft men al weinig vertrouwen te stellen m de voorgeschrevene geneesmiddelen. Hetzelfde kan men getuigen van de kwalen der ziel; de priester, de geestelijke geneesheer, kan ons niet van onze geestelijke kwalen genezen, als we ze hem niet in eene oprechte biecht openbaren. , , ,
Tezus Christus stelde zijn Apostelen aan als rechters en schonk hun eene bewonderenswaardige macht. De rechters dezer wereld kunnen de deuren der gevangenis openen en sluiten, doch de priesters bezitten de sleutelen van de hel en van den hemel. Een koning, die zijnen rechters de macht zou toekennen, naar eigen willekeur recht te spreken, zou al zeer onbillijk handelen, want het is eene hooge
noodzakelijkheid, dat de wereldsche rechters, alvorens uitspraak te doen, de zaak nauwkeurig onderzoeken, de getuigen ondervragen, kortom het vóór en tegen der zaak grondig overwegen. En zou men dan durven onderstellen dat God, die zijne bedienaren heeft aangesteld als rechters over de harten der menschen, hun heeft toegestaan deze macht naar willekeur uit te oefenen? Neen, Hij heeit zulks niet mogen, niet kunnen doen ; het is dus een vereischte, dat zijne bedienaren de zonden met hare
â 309 â
omstandigheden kennen, de gesteltenis van den schuldige doorzien om eene rechtvaardige uitspraak daaromtrent te geven. Doch hoe bestaat er mogelijkheid, te komen tot de kennis dier fouten, die dikwijls op de meest heimelijke wijze zijn bedreven ? Hoe anders, dan door het eenige noodzakelijke middel; de biecht ? De biecht is dus noodzakelijk, wijl Christus zelf het zoo gewild heeft. Dit wordt tevens bevestigd door de voortdurende leer der Kerk en door hel algemeen gebruik door alle christelijke eeuwen heen. Wij kunnen daarvoor aanhalen het getuigenis van Tertullianus, van Origenes, van den H. Basilius, van den H. Gregorius van Nyssa, kortom van alle heilige Vaders, die eenparig de noodzakelijkheid der biecht bevestigen. Het zij voldoende hier de woorden aan te halen van de kerkvergadering-van Trente, die een kort begrip zijn van de gansche overlevering omtrent dit punt .⢠âDe Katholieke Kerk, zoo zegt die Kerkvergadering in hare XlVe zitting Hoofdst. 5, heeft altijd geloofd, dat de algeheele belijdenis der zonden eene goddelijke instelling is en noodzakelijk, krachtens het gebod van God, voor al diegenen, die na het Doopsel in zonden gevallen zijn.quot; Ook is de biecht altijd in gebruik geweett. Zegt de H. Ireneus niet, dat de vrouwen, die door den ketter Marcus verleid waren, hunne zonden beleden en hunne dwaling afzwoeren. Leert ons de geschiedenis van den H. Ambrosius niet, dat deze H. Kerkleeraar. als hij biecht hoorde zijne tranen met die der boetelingen mengde? Ja, vindt men nog niet tot op den dag van heden, biechtstoelen in de ka-tacomben, in die onderaardsche plaatsen, waar de eerste Christenen samenscholen, om zich aan de vervolging van bloeddorstige keizers te onttrekken ?
De biecht klimt dus op tot aan de tijden der Apostelen, ja tot Christus toe. En de Kerk spreekt
- 310 -
met recht den banvloek uit over hem, die zou durven ontkennen, dat zij van goddelijke instelling en door God voorgeschreven is. De Kerk daarenboven, vreezende, dat hare kinderen zouden ontrouw zijn aan het gebod van God, heeit, met goddelijke macht omkleed, diezelfde verplichting ons opgelegd. En die wet luidt.- alle geloovigen van beider geslacht, die tot de jaren van onderscheiding gekomen zijn, zijn verplicht ten minste ééns 'a jaars aan den priester de biecht te spreken, op straffe van gedurende zijn leven uit de Kerk verwijderd te woiden en bij zijnen dood, de christelijke begrafenis te missen. Wordt op den dag van heden die wet met meer in alle hare gestrengheid gehandhaafd, de verplichting van te biechten blijft toch bestaan, en hij. die gedurende een geheel jaar aan die verplichting te kort schiet, maakt zich plichtig aan doodzonde. Ongelukkig dus zij, die uit lafheid, valsche schaamte of menschelijk opzicht zich niet durven onderwerpen aan eene verplichting, die God en de Kerk
hun opleggen.
Het is dus niet voldoende, zooals sommige onverschilligen meenen, dat men voor God zijne zonden belijdt; wijl God, die den zondaar vergiffenis toezegt, ook als noodzakelijk vereischte gesteld heelt, dat men zijne zonden belijde voor zijne bedienaren, de priesters.
Ook worden er gevonden, die, om zich aan dat gebod te onttrekken, durven beweren, dat de biecht een uitvinding is der priesters. Is dat geene goddeloosheid en dwaze leugentaal ? Laat hen dan dien uitvinder eens noemen! Die zulk gebruik heeft uitgevonden is zeker geen onbekend persoon in de geschiedenis der Kerk. 't Is waar, als zij eenigszins met de geschiedenis 00 de hoogte zijn, zullen zij ons de uitvinders noemen van verschil-
- 311 â
lende schoone kunsten, de uitvinders der boekdrukkunst, van het buskruid, van het kaartspel; maar geen ander uitvinder of insteller van het H. Sacrament der Biecht zullen zij weten aan te halen dan Jezus Christus zelf.
Is het dan de God van barmhartigheid zelf, die dit Sacrament heeft ingesteld, dan volgt daaruit, dat de biecht niet, zooals sommige lauwe christenen meenen, een hard, een zwaarwegend juk is. Neen, integendeel, het is eene weldaad, een troost voor het schuldige hart. Voltaire zelfs bekent het. âDe meeste menschen,quot; zoo zegt hij, âals zij aan een misdrijf van eenige beteekenis schuldig zijn, gevoelen van natuursvvege daaromtrent wroeging: en het eenige, dat hun hier op aarde troost schenkt, is de gedachte, dat zij met God en zich zeiven verzoend kunnen worden. Wie is er, die niet weet, als hij ten minste eenigszins christelijk leeft, dat er meer genot gelegen is in de bekentenis zijner zonden, dan in die te bedrijven ?
Het ettergezwel blijft kwellen, totdat het opengesneden is. Overigens, indien het hoofd van een grooten staat bevel gaf, aan al de gevangenen de vrijheid weer te geven, op voorwaarde, dat zij aan één hunner het misdrijf zouden openbaren, dat de oorzaak was geweest hunner gevangenschap, wie zou dan deze voorwaarde te hard vinden ? En als bet gaat over het ontkomen aan Gods straffende hand, over het verdienen van den hemel, dan zou men het te moeielijk vinden zijne zonden te belijden aan een priester, dien men vader noemt, en die onze fouten, hoe zwaar ook, slechts aanhoort om ons van den kant van God vergeving te schenken en ons zegenend weg te zenden. De priester, omkleed met de barmhartigheid en teederheid van den goddelijken Verlosser, heeft des te meer medelijden met de zie-
- 312 -
len naargelans; ze meer schuldig zijn en vaster gekluisterd zitten in de boeien van den satan. Alleen lafaards, die terugdeinzen voor den schamperen spotlach van een ongeloovige en die God minder vreezen dan de menschen, vinden de biecht lastig, ja-ondragelijk. Brave, godsdienstige menschen denken er anders over. Toen generaal Bedeau in het jaar
1846 van een zijner roemrijkste veldtochten uit Afrika
terugkeerde, ontmoette hij op weg een priester. Onmid-deilijk beval hij zijne troepenmacht halt te houden, en in tegenwoordigheid zijner soldaten wierp hij zich-aan den voet van eenen boom op zijne knieën, om aan de zijde van den priester zijne biecht te-spreken. Na afloop sprak hij tot zijne manschappen: âVrienden, indien gij moet biechten, verlaat dan de gelederen en doet gelijk ik.quot;
Wijl God, die niets nutteloos doet, de biecht heeft ingesteld tot zaligmaking der zielen, kan men met grond daaruit besluiten, dat de biecht eveneens van-klaarblijkelijk nut is voor de maatschappij, voor het huisgezin, voor den mensch in het bijzonder. De biecht beschermt de wetten, de rechten van allen, de openbare zedelijkheid. âZij. die de biecht hebben willen uitroeien, zei de goddelooze Voltaire, hebben den menschen den krachtigsten ter gel ontnomen, om zich van hunne geheime misdrijven te onthouden.quot; Dit is tevens eene geschiedkundige waarheid. Toen de-Protestanten in Duitschland de biecht hadden afgeschaft, nam de losbandigheid van het volk in die mate toe, dat de Luthersche overheidspersonen van Neurenberg en Straatsburg gezanten naar den keizer zonden met het verzoek de biecht wederom zoo-spoedig mogelijk te herstellen, 't Is de biecht, die de trouw bewaart van echtgenoot jegens echtge-noote, die den eerbied en de gehoorzaamheid der kinderen jegens hunne ouders handhaaft, in éên
- 313 -
woord, die het geluk en de eendracht in het christelijk huisgezin bevordert en bestendigt.
't Is de biecht eindelijk, die den christen, naast de vergiffenis zijner zonden, de leiding verschaft, waaraan elke mensch behoefte gevoelt.
Het is eene waarheid helder en klaar voor het oog van ieder, die niet ziende blind is, dat niet iedereen, die een ander goeden raad weet te schaften, daarom voor zich zeiven een bekwaam leidsman is. Wie begaat tijdens zijn leven geen misstappen, die hij niemand, zelfs zijnen vijand niet aanraden zou ? Wij allen dus hebben op onzen weg door het leven een goed verlichten, onbaatzuchtigen gids noodig. En Christus heeft ons dien geschonken in den Priester. Naar zijn raad hebben wij dus te luisteren.. Dwaas is dan het woord van hen, die zeggen: Ik heb geen doodslag bedreven, niet gestolen, geen meineed gedaan, waarvoor zou ik gaan biechten ? Die zoo spreekt, heeft niet het minste begrip van zedenleer. De verblinde heiden zelfs weet, dat doodslag, diefstal en meineed niet de eenige misslagen zijn, welke een mensch bedrijven kan. Eu is het al niet even dwaas te verkondigen, dat de biecht slechts goed is voor vrouwen en kinderen ? Slechts de zoogenaamde idioten of onnoozelen en krankzinnigen, die het gebruik der rede geheel missen, zijn van de verplichting van biechten ontslagen. Doch al degenen, die begrip genoeg bezitten om het kwaad van het goed te onderscheiden, kunnen zondigen ; zij allen hebben te strijden met den drievoudigen vijand hunner zaligheid, duivel, wereld en vleesch ; zij allen hebben bedorvene hartstochten, verkeerde neigingen te bekampen; zij moeten middelen bezitten om staande te blijven op den weg door het leven, en dat alles schenkt
- 314 -
hun de biecht, waaraan zij dus eene wezenlijke behoefte hebben.
Een beroemd Spaansch staatsman, de hertog van Ossone, die als onderkoning van Napels in het jaar 1624- overleed, bezocht op zekeren dag eene gevangenis en vroeg ieder veroordeelde in het bijzonder, wat hij toch gedaan had, dat zulke straf verdiende. De een wist al betere bewijzen zijner onschuld aan te halen dan de andere; slechts éen enkele maakte een uitzondering, beleed den hertog ronduit het groote misdrijf, waaraan hij plichtig was, en bekende openhartig, dat hij eene nog veel zwaardere straf verdiend had. âWel, antwoordde de hertog, als dat waar is, dan zijt ge hier niet op uwe plaats in het midden van zoovele brave lieden, verwijder u spoedig, ik schenk u de vrijheid weer.quot; Zoo ook handelt God, hij vergeeft slechts aan hen, die zich beschuldigen. Om eene schuldige nalatigheid te rechtvaardigen, halen sommigen aan, dat zij, die te biechten gaan, niets beter zijn dan zij, die nooit biechten. Dat is eene dwaling, door de geschiedenis van alle eeuwen duidelijk bewezen. Men vrage het aan de veroordeelden van geheel het land, aan de gevangenen, die ergens ter wereld in den kerker zuchten, of zij gewoon waren dikwijls te biechten in dien tijd, dat zij in de handen vielen van gerechtsdienaren. De ondervinding is daar om te bewijzen, dat, wanneer een jongeling van het goede pad afraakt en den teugel van alle gezag afwerpt, hij eerst begonnen is met de biecht te verzaken; en dat hij, wanneer hij van zijne dwalingen wil terugkomen, in de biecht zijn eerste middel en troost gaat zoeken voor zijne zedelijke ellenden. Ziet men het al eens ooit gebeuren, dat sommige menschen, die op tijd tot de biecht naderen, niet oprecht christelijk leven, men besluite daar niet uit, dat de biecht tot niets nuttig
- 315 -
is. Zouden ze misschien niet veel losbandiger leven, als ze nooit gingen biechten ? Dat zij de Sacramenten misbruiken, is dat reden voor anderen om er zich van te verwijderen ? Ziet men de menschen in de wereld zich ooit onthouden van voedsel, omdat hier of daar iemand gestorven is bij gebrek aan spijsvertering ? Mocht er al eens ooit iemand gevonden worden, die zich beklaagt na de biecht altijd dezelfde te blijven, dan zouden wij hem antwoorden : âBiecht dan met betere gesteltenissen, doch vooral biecht dikwijls.quot; Is het niet waar, dat gij vóór en na uwe biecht pogingen hebt aangewend en voornemens gemaakt om u omtrent dit of dat punt te beteren, om braver, volmaakter, heiliger te leven ? Als gij oprecht zijt, zult gij het moeten bekennen. Doch langzamerhand zijt ge wederom verslapt, omdat gij niet op tijd tot dat Sacrament zijt teruggekeerd : welaan, betert u omtrent dit punt.
Het is waar, volgens algemeenen regel, is de biecht slechts van nauwgezette verplichting in het uur van sterven en verder ééns in het jaar. Maar hoevele zielen zouden nooit in de genade Gods staande blijven, indien zij niet een menigvuldig gebruik maakten van de biecht. Wij willen hier in het kort de regels aanstippen, die ieder waar christen omtrent dit punt te volgen heeft:
1°. Blijf nooit langen tijd in staat van doodzonde. In dien staat blijven volharden, dat is zijn eeuwig geluk in de waagschaal stellen, dat is gevaar loopen door een plotselingen dood uit het leven te worden weggerukt en in ongenade te verschijnen voor den rechterstoel van God. Hebt ge dus het ongeluk gehad in zware zonden te vallen, sta spoedig op, en is er geen tijd of gelegenheid om aanstonds uwe biecht te spreken, verwek dan terstond een akte van volmaakt berouw met den wil
- 316 -
om te biechten. Of zal hij, die door een zwarers val een of ander lidmaat heeft gebroken, van dag tot dag uitstellen, om het den geneesheer te laten verbinden ? Welaan dan, ook de ziel is door de zonde als het ware gebroken, ja verpletterd en de-priester is haar geneesheer.
20. Beter, gemakkelijker is het een zwaren val in de zonde te voorkomen dan dien te herstellen. Wanneer men eenige dagen na zijne biecnt gevoelt, dat de bekoringen vermenigvuldigen, dat de hartstochten wederom ontwaken, dat de wil zwakker wordt tot het goede, meer geneigd tot het kwaad en reeds eenigszins wankelt, dan is het tijd zich naar den priester te begeven, hem den toestand bloot te leggen, hem wijze raadgevingen te vragen en wederom nieuwen moed en kracht en sterkte te putten in de H. Absolutie. Ook is het buiten den paasch-tijd geene verplichting, dat men na de biecht ook communiceert, alhoewel het sterk aan te raden is. De groote zaak is, dat men in staat van gratie zij. Mogen dan deze twee regels door iedereen gekend, door iedereen begrepen en beoefend worden.
Maar ook dan zelfs, wanneer men niet in zware zonde zou gevallen zijn, riet blootgesteld zelfs aan. waarschijnlijken val, dan nog is het van groot belang alle weken of om de veertien dagen te biechten.
Of is het niet toe te schrijven aan de menigvuldige biecht, dat jongelingen en mannen, die toch ook blootgesteld zijn aan de duizenden gevaren der wereld, in onze dagen een engelenleven leiden ? Dat vooral zij, die zich eene zondige gewoonte tegen de H. Deugd van kuischheid hebben eigen gemaakt het woord indachtig zijn van den grooten Alphonsus r Zonder wonder zullen zij zich van die gewoonte niet beteren, indien ze niet dikwijls met zorg naderen tot het H. Sacrament der Biecht. Doch het
- 817 -
â¢dikwijls ontvangen van de H.H. Sacramenten gepaard met een goeden wil, zal hun kracht en sterkte verkenen om eene deugd te beoetenen, die engelen maakt, en hun eens de oogen openen, om God van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen.
HOOFDSTUK VIII.
Over de gesteltenissen voor het H. Sacrament der Biecht vereischt.
Het is een punt van ons geloof, dat de biecht al de zonden vergeelt, die na het doopsel gedaan zijn, hoe zwaar die ook zijn. Tot dat einde echter worden er van den kant des biechtelings verschillende voorwaarden vereischt.
Om dan de vergiffenis der zonden te bekomen, moet men het geloof bezitten: zonder dat is het onmogelijk God te behagen, en vervolgens ook de hoop en het vertrouwen op Gods barmhartigheid. God zelt heeft den berouwvollen zondaar vergeving beloofd en God is toch getrouw in zijne beloften. Daarenboven moeten wij aan God door het gebed de genade vragen dit Sacrament met vrucht te ontvangen, want zonder de hulp van God vermogen wij niets, en boven alles moeten wij de voorwaarden vervullen, door God zeiven gesteld. Die voorwaarden laten wij hier volgen :
i». Het onderzoek van geweten. Dezelfde wet, die gebiedt te biechten, gebiedt ook tevens zich vóór de biecht te onderzoeken, ten minste omtrent zwaardere fouten. Heeft men slechts een paar misstappen begaan, die duidelijk voor den geest staan, dan behoeft men zich natuurlijk omtrent het gewetensonderzoek niet te verontrusten.
- 318 -
Maar hoe zou men zich kunnen beschuldigen van zonden, die men niet kent, en hoe kan men ze kennen zonder ze te onderzoeken ? De verplichting om zich voor de biecht omtrent groote zonden te onderzoeken is van dien aard, dat, indier» men bij gebreke daaraan doodzonden zou vergeten of gevaar zou loopen die te vergeten, de biecht niet goed zoude zijn. Het onderzoek van geweten omtrent dagelijksche fouten, ofschoon niet noodzakelijk, is zeer nuttig en voordeelig. Omtrent groote zonden is het eene noodzakelijkheid en moet het onderzoek ernstig en oprecht zijn, zonder dat men echter den geest nutteloos afmat. Men kan zich bij dat onderzoek met goed gevolg bedienen van een boek. Op-het einde van dit werkje treft men zulk onderzoek aan. Terwijl men dit leest, trachte men zich te herinneren, op welke plaatsen men geweest, met welke personen men verkeerd heeft. Vervolgens onder-zoeke men zijne gedachten, begeerten, woorden en werken tegen de geboden Gods, tegen de geboden der H. Kerk, omtrent de hoofdzonden, tegen de plichten van zijnen staat ; doch voor alles trachte men zijn hoofdgebreken te kennen.
Kan men niet lezen, dan doorloope men in den geest de gebeden van God en der H. Kerk en overwege bij zich zeiven, aan welke zonden men zich heeft plichtig gemaakt, jegens God, jegens zijne ouders, jegens zijnen evennaaste of zich zeiven, hetzij door gedachten, woorden of werken. Hebt gij van uwen kant gedaan, wat redelijkerwijs gevorderd wordt, wees dan kalm en bedaard; leg kort en bondig uwe fouten voor den biechtvader open, en mochten er punten zijn, waaromtrent gij u zeiven in verlegenheid zoudt vinden, zeg het, dan zal uw biechtvader u met liefde te gemoet komen.
20. Het is niet voldoende, dat de jager het wild
â 319 â
opspoort, hij moet het ook dooden. Zoo ook moet het berouw de zonden dooden, die het gewetenf-onderzoek heeft ontdekt. Het berouw is eene droefheid des harten en eene verfoeiing van de bedrevene zonden met het vaste voornemen die niet meer te bedrijven. Het berouw kan door niets vervangen worden. Zonder het berouw is de biecht van nul en geener waarde voor God. Indien gij geene boetvaardigheid zult gedaan hebben, zegt Christus, zult' gij allen gelijkelijk verloren gaan. âMen kan wel zeggen, dat men niet gezondigd heeft,quot; zegt de H. Augustinus, âmaar men moet nog meer onwetend zijn dan een heiden om te beweren, dat men vergiffenis kan krijgen van de zonde, zonder berouw.quot;' En terecht, want gelijk de zondaar zich van God heeft afgekeerd, door de zonde te beminnen, zoo kan hij zich niet wederom met God verzoenen dan door het kwaad te verafschuwen. Dus geene geldige, goede biecht is denkbaar zonder berouw, ook al had men zich slechts van lichtere fouten te beschuldigen ; en feitelijk moet steeds het berouw de absolutie voorafgaan. Men zorge dus eene goede akte van berouw te verwekken, alvorens men den biechtstoel ingaat, doch, deze akte behoeft onmiddellijk voor de absolutie niet hernieuwd te worden, indien men die voor het ingaan van den biechtstoel verwekt, heeft met de meening het Sacrament te ontvangen. Het is verder een noodzakelijk ver-eischte, dat het berouw, wil het de vergeving dei-zonden uitwerken, voortkomt uit het hart. Als de joden hunne droefheid te kennen gaven, dan scheurden zij hunne kleederen en de profeet Joel sprak tot hen : Verscheurt uwe harten, doch niet uwe kleederen, als gij oprechte droefheid wilt toonen over uwe zonden. Het hart toch is de ware schuldige; dat is het, wat boete moet doen. Zonder
- 320 -
'droefheid des harten zijn de teekenen van berouw slechts huichelarij. Maar komen ze voort uit het hart, dan zijn de zuchten en het geween zeer heilzaam. De H, Petrus weende na zijne drievoudige verloochening van Christus, al de dagen zijns levens, en zijne tranen hadden twee voren in zijne wangen gegroeid.
Ook moet het berouw noodzakelijk bovennatuurlijk zijn, d. w. z. in ons zijn voortgebracht door de genade, zonder welke wij niets vermogen. Vragen wij dan de genade van een goed berouw aan God, die ze alleen schenken kan. Vervolgens moet het berouw voortkomen uit bovennatuurlijke beweegredenen. d. w. z. uit beweegredenen, die het geloof ons schenkt. Berouw gevoelen iemand geslagen te hebben, omdat men bij dien slag zijn eigen arm gebroken heeft, dat is eene natuurlijke beweegreden, die God niet aanneemt. Men moet spijt gevoelen God beleedigd te hebben en wel uit hoogere inzichten, dan die dezer aarde. Mgr. Mothe, bisschop van Amiens, bereidde zich voor tot de biecht, door zich drie voorstellingen te maken, eene van de hel, eene van den hemel, en eene van den Calvarieberg. Doen ook wij zoo. Overwegen wij in den geest, alvorens te gaan biechten, dien afgrond van pijnen en ellenden waar de verdoemden door een eeuwig vuur gefolterd worden. Helaas! ook onze, zonden hebben die kerkerstraf verdiend.
Vervolgens, verplaatsen wij ons naar den hemel, dat lustoord, waar de zaligen en heiligen in ongestoorde vreugde vereenigd zijn. Daar bezit de ziel haren goddelijken Bruidegom, daar aanschouwt zij Hem van aanschijn tot aanschijn; in Hem vindt zij een schat van ongestoord geluk. Ach, elke zware zonde sluit voor ons die plaats van vreugde, van licht en vrede. Eindelijk, stellen wij ons voor Christus,
â 821 -
onzen Heer stervende aan het kruis, de handen en voeten doorboord, het hoofd met wreede doornen gekroond ; vragen wij ons zeiven af, wie Hem tot dien staat gebracht heeft, en het antwoord luidt ; onze zonden, onze talrijke, afschuwelijke zonden. Ach, bevveenen wij ze bitter. Denken wij aan Petrus.
Het berouw, voortspruitend uit de beschouwing van de hel door de zonden verdiend, van den hemel, door de zonden verloren, voortspruitend verder uit de overweging van Jezus' dierbaar lijden, is een bovennatuurlijk, een heilig berouw; en vereenigd met een begin van Gods liefde is dit voldoende om te zamen met de biecht en de absolutie de vergiffenis onzer zonden uit te werken. Nochtans is dit geen volmaakt, doch een onvolmaakt berouw, want de ziel gevoelt spijt God beleedigd te hebben meer uit belang voor zich zelve, uit liefde tot zich zelve, dan uit liefde tot God. Doch bij het ontvangen van de biecht is zulk berouw voldoende, wijl daartoe geen volmaakt berouw vereischt wordt.
Doch wil men vergeving bekomen van zijne zonden zonder biecht, dan is daartoe een volmaakt berouw volstrekt noodzakelijk. Dat is dan als het ware de eenige reddingsplank voor diegenen, die in gevaar ran sterven en in staat van doodzonde zijn, en niet kunnen biechten. En wijl allen eens in dien toestand kunnen geraken, moeten allen weten, wat een volmaakt berouw is. Het volmaakt berouw komt voort uit eene volmaakte liefde tot God. De ziel beschouwt de oneindige volmaaktheid van haren Schepper, zooals het geloof haar ingeeft, en die beschouwing doet haar uitroepen : O mijn God, wijl Gij oneindig volmaakt zijt, bemin ik U boven alles. Ach, ik ben zoo ongelukkig geweest U te beleedigen, U, die zoo oneindig beminnelijk zijt, het is mij uit den grond van mijn hart leed, dat ik U mishaagd heb, ik maak het vaste
21
â 822 -
voornemen U in de toekomst met meer te vergrammen. Zulk eene akte van volmaakt berouw en heide tevens vergeelt de zonden zonder de biecht, wanneer ze ten minste den wil van te biechten, als men kan, insluit, en vergezeld gaat van het voornemen God m de toekomst nooit meer te beleedigen.
Mo-e ook deze akte van liefde en berouw, die wij gevoegd hebben bij het morgengebed (zie aan-hanesel), door eiken christen gekend en beoefend worden. Dat men ze verwekke uit den grond zijns harten, zoodra men het ongeluk gehad heeft God te beleedigen, ja eiken morgen, eiken avond na het onderzoek van geweten, en vooral als men in ge-vaar zou verkeeren van te sterven. .
Hoe ongelukkig is het somtijds voor iemand die in gevaar ligt van te sterven als hij in zijne laatste stonde niemand aan zijne zijde heelt, 16 ^ een akte van volmaakt berouw kan helpen verwekken .
Waartoe dienen hem de tranen, het snikken van huisgenooten, die hem omringen, als hij sterft m ongenade met God ? Dit ongeluk, helaas, is met zeldzaam meer op plaatsen, waar de geest van geloof meer en meer wegkwijnt in christelijke huisgezinnen. Daarom smeeken wij godvruchtige personen, in groote steden vooral, in hunne buurt de zieken op te zoeken, hen voor te bereiden tot de komst van den priester, dien zij bij tijds zullen waarschuwen, dien zieke op te wekken tot liefde tot God, tot be rouw over zijne zonden; kortom dien stervende voor te bereiden er. uit te rusten voor zijne reis naar de eeuwigheid. (Zie de wijze om de stervenden bij
sta n in het aanhangsel )
Vervolgens moet het leedwezen over de zonden grooter zijn dan over alle kwaad der wereld Dat wil niet zegden, dat men eene meer gevoel ge smart moet hebben over de zonde dan over eemg ander
kwaad, omdat het verlies van God, dien wij met onze lichamelijke oogen niet waarnemen, ons dikwijls minder treft, dan het verlies van tijdelijke goederen ; maar, wij moeten het verhes van God hooger, zwaarder achten, dan het verlies van eenig ander goed; wij moeten dat verlies beweenen en vast bepalen liever alles te willen verliezen, dan God nog ooit doodelijk te vergrammen. Wie toch wil zijne ziel, den hemel, ja God ten offer brengen, om zich een nietswaardig goed te verschaffen, om de ijdele en dwaze genoegens dezer wereld te smaken ?
Eindelijk., het berouw moet algemeen zijn, d w. z het moet zich uitstrekken over alle doodzonden, niet, dat het noodzakelijk is eene akte van berouw te verwekken voor ieder dier zonden in het bijzonder, maar men moet ze alle in 't algemeen verfoeien, zonder er nog.eene aan te kleven. Hij, die nog aan ééne doodzonde gehecht blijft, al zou hij ook alle andere verafschuwen, kan van geene enkele vergiffenis bekomen. Hij bemint, wat God haat. hij bemint het kwaad, hij kan dus niet de vriend zijn van God, die een afschuw heeft van alle zonden. De vogel, ai wordt hij slechts aan één poot verstrikt, is daarom niet minder gevangen Heeft men doodzonden en dagelijksche zonden te biechten, dan is het niet volstrekt noodzakelijk zijn berouw uit te strekken over de dagelijksche zonden om eene goede biecht te' doen ; het is voldoende da) men berouw heeft over al zijne bedrevene doodzonden Nochtans verkr gt men geene vergiffenis van die dagelijksche zonde , wa.T-over men geen berouw gevoelt. Heeft men niets dan dagelijksche zonden te biechten, dan moet men. wil men eene goede biecht spreken, ten minste berouw hebben over één dier dagelijksche fouten.
De H. Theresia, die nooit eene doodzonde heeft
- 324 -
bedreven, schreef nochtans: âNooit zou^ ik mijn treurig leven genoeg kunnen beweenen. Indien men geen berouw heeft over ééne enkele dagelijksche zonde, en zich slechts van dagelijksche fouten heeft te beschuldigen, dan zou, zooals we reeds zagen, de biecht ongeldig zijn. Vandaar is het van groot aanbelang,dat zij die slechts lichtere zonden bedrijven, vóór elke biecht zich tot berouw opwekken over eene grootere, ernstigere fout van hun vroeger leven, die zij alreeds gebiecht hebben, en deze nogmaals in de biecht insluiten. Sommige menschen trachten zich door de gedachte aan deze grootere zonde van hun vroeger leven tot berouw op te wekken,^ ma.ar beschuldigen zich er niet meer van; dat is niet voldoende. Nochtans is het geen vereischte zulke zonde wijd en breed in de biecht te bespreken , neen, het is voldoende, dat men b. v. de deugd te kennen geeft, of het gebod noemt, waartegen men ernstig gezondigd heeft ^ b. v. tegen de H. Deugd van zuiverheid, tegen het 4de of 6de gebod.
Zou het berouw een van de voorwaarden missen, die wij hebben opgenoemd, dan zou het niet geldig zijn, en bijgevolg zouden onze zonden niet vergeven worden. Er is nog ééne hoedanigheid, die het berouw wel niet noodzakelijk vereischt, maar die toch zeer heilzaam is. Het is nl. te wenschen, dat het berouw duurzaam en blijvend zij. De profeet David gaf dit aldus te kennen : Altijd staat mijne zonde mij voor den geest; dag en nacht zijn mijne tranen mijn voedsel. Dertig jaren lang beweende Magda-lena haar zondig even. Hervallen wij dan zoo gemakkelijk in onze oude fouten en gebreken terug, dan komt dit gewoonlijk daar vandaan, dat wij de smart over onze bedrevene zonden niet blijvend, niet duurzaam genoeg in onze harten levendig houden.
30. Het berouw besluit in zich het vaste voor-
~ 325 -
nemen. Het vaste voornemen is het krachtdadig besluit van niet meer te zondigen. Zonder vast voornemen is geen berouw bestaanbaar, en bijgevolg ook geene vergeving der zonden mogelijk. Of zou men het eene oprechte droefheid kunnen noemen, die een kind aan den dag legt, als het bij de vergeving eener ongehoorzaamheid, die het zijnen vader vraagt, aanstonds bekent: Bij de eerste de beste gelegenheid zal ik u wederom ongehoorzaam zijn ? Zou de vader, in plaats van het kind vergiffenis te schenken, niet billijk verbolgen zijn over dat uittartend voornemen ?
Zorgen wij dus alvorens den biechtstoel in te gaan, als wij ons tot berouw opwekken, dat wij de toekomst voor oogen stellen, dat wij geen half maar een vast besluit maken, God nooit wederom doodelijk te beleedigen. En hebben we ons alleen van dagelijk-sche fouten te beschuldigen, nemen wij ons dan voor, ons ten minste van één dier gebreken te beteren.
Welke hoedanigheden moet nu het vaste voornemen hebben ?
Het moet inwendig zijn, krachtdadig, bovennatuurlijk en algemeen, gelijk dat van het berouw vereischt wordt en wel in dezelfde beteekenis. Wee aan hen, die aanstonds na de biecht, zonder eenigen wederstand, wederom in hunne oude zonde hervallen ! Zij leveren daardoor het bewijs, dat hun besluit de vereischte hoedanigheden niet had, dat het niet vast, niet krachtdadig was. Is de wil van den mensch werkelijk gevestigd in den haat tegen de zonde, dan verloochent hij zich niet zoo spoedig ; maar verandert hij zoo aanstonds, dan is het dikwijls een bewijs, dat hij niet vast besloten was het kwaad te schuwen.
Nochtans zoo lang de mensch hier op deze wereld rondzwerft, staat hij blootgesteld aan vallen en
â 326 -
hervallen; het heet, zooals men dat zegt, vallen en opstaan. Doch het hervallen in de zonde, als dat een aanmerkelijken tijd na de biecht geschiedt, is daarom nog geen bewijs, dat het voornemen niet genoegzaam krachtdadig was, te meer nog, als die val door een oprechten weerstand tegen de bekoringen was voorafgegaan. De krachtdadigheid van het vaste voornemen bestaat dus hierin, dat men op het oogenblik, dat men gaat biechten, werkelijk vast besloten is, zich ten minste voor zware zonden te wachten. Het is niet voldoende te zeggen : Ik zou niet meer willen zondigen ; neen men moet zeggen: Ik wil, ik heb vast besloten, met de genade van God, nooit wederom te zondigen. Vandaar, dat men geen gehoor geve aan den duivel, die ons zal trachten te overtuigen, dat men niet kan leven zonder zijne toestemming te geven aan zekere soort van zonden. Het is toch de zonde, de zonde alleen, die den mensch ongelukkig maakt voor dit en het andere leven.
Het vrijwillig nalaten eener zware penitentie of voldoening, opgelegd ter boeting van doodzonden, is eene groote zonde; nochtans maakt zij de biecht niet ongeldig, als de biechteling de meening had die te volbrengen.
De krachtdadigheid van het vaste voornemen veronderstelt eveneens, dat men vast besloten is, ook de naaste en vrijwillige gelegenheden der zonden te schuwen (Zie Hoofdstuk XXV) en de middelen ter verbetering in acht te nemen, bijgevolg op tijd te naderen tot de H. H. Sacramenten en vooral zijn toevlucht te nemen tot het gebed. K.an men zeggen, dat de zieke ernstig zijne gezondheid terugverlangt, als hij weigert het geneesmiddel in te nemen ?
4°. Behalve het berouw en het vaste voornemen
- 327 -
van de zonde te vluchten en de penitentie te volbrengen, wordt nog vereischt om vergeving van zijne zonden te krijgen, riai men ze Hechte, ten minste de doodzonden. De biecht moet oprecht zijn â en openhartig. Men moet zijne fouten asn den biechtvader belijden zonder overdrijving en zonder veinzerij. De beschuldiging van geringere fouten, van dagelijksche zonden, ofschoon niet noodzakelijk, is toch zeer voordeelig. De openhartigheid omtrent ernstige zonden is zoo noodzakelijk, dat zonder haaide biecht eene heiligschennis zoude zijn, ook al zou men slechts ééne zonde achterwege laten. De Kerkvergadering van Trente spreekt den banvloek uit over hem, die zou durven voorwenden, dat het krachtens goddelijk gebod niet noodzakelijk is al zijne doodzonden te biechten, en dat men de geheime zonden, alsook de omstandigheden, die de zonde merkelijk veranderen, mag verzwijgen. Wij moeten dus belijdenis doen : 1° van de soort van zonde. Men kan dus niet volstaan met te zeggen : Ik heb gezondigd, of: Ik heb vele groote zonden bedreven ; zelfs niet met de verklaring : Ik heb vele zonden begaan tegen deze of die deugd. Neen, men moet zeggen, welke zonde men bedreven heeft, of het b. v. is eene godslastering of een meineed, diefs al of leugentaal : of het eene zonde is van gedachten, woorden of werken. Ten 2e moeten wij belijdenis doen van het aantal zonden. Vrijwillig het aantal doodzonden met ééne te verminderen zou heiligschennis zijn. Kan men het juiste getal niet bepalen, dan geve men dit bij benadering en voege er bij meer of minder b. v : Ik heb tienmaal eene godslastering gezegd min of meer. Kan men het getal ook niet bij benadering geven, dan zegge anen : Ik heb zooveel jaren in die zondige ge-
- 328 -
woonte geleefd en ik bedreef die zonde zoo dikwijls per dag, per week, Der maand of per jaar.
Ten 3de eindelijkquot; moeten wij de omstandigheden biechten, die de zonden werkelijk veranderen b. v. indien men zijnen vader heeft mishandeld, kan men niet volstaan met te zeggen : Ik heb een mensch mishandeld; want, de omstandigheid, dat de mishandelde persoon uw vader is, verandert de zonde merkelijk, en moet derhalve in de biecht worden uitgedrukt. Indien men uit valsche schanmte den moed niet zou bezitten zijne zonden openhartig te belijden, dan zou men ze kunnen opschrijven en het lijstje daarvan den biechtvader ter hand stellen met de woorden ; Ik beschuldig mij van de zonden, die op dit papier staan aangeteekend. De H. Alphon-sus de Liguori geeft deze wijze van biechten aan. Kan men niet schrijven, dan zegge men gerust met vertrouwen tot den priester: Eerwaarde vader, ik heb eene zonde op het geweten, maar ach, ik durf ze niet zeggen. De biechtvader zal u dan welwillend helpen. Het berouw, de belijdenis en de voldoening zijn als de naaste stof van het H. Sacrament der Biecht en drie handelingen die van den kant des biechtelings noodzakelijk gevorderd worden om vergiffenis zijner zonden te bekomen.
De verwijderde stof van dit Sacrament zijn de zonden na het doopsel bedreven.
De woorden van den priester: Ik ontsla u van uwe zonden, zijn de vorm van het H. Sacrament der Biecht.
De generale biecht is eene herhaling van al de biechten, die men gedurende geheel zijn leven of gedurende een zeker tijdperk gedaan heeft. Zij is nood-zakelijkvoor hen,die heiligschendendebiechten moeten herstellen, Zij is zeer nuttig in sommige omstandigheden, als bij de eerste H. Communie, bij het
- 329 -
aangaan van een levensstaat, enz. (Zie oefeningen der Biecht in het aanhangsel).
De bedienaar van het H. Sacrament der Biecht is de priester, en tot uitoeiening van die bediening moet hij van zijnen bisschop rechtsmacht of jurisdictie ontvangen. Een rechter mag slechts recht spreken in het gebied, dat hem tot dat doel is aangewezen. De geloovigen echter mogen, zelfs in den paaschtijd, hunne biecht spreken aan eiken priester, die met rechtsmacht is bekleed. Om de machten, welke God zijnen bedienaren geschonken heeft om de zonden te vergeven, wordt de uitspraak des priesters in den hemel bekrachtigd; en zelfs de grootste zondaar, als hij, na eene in goede gesteltenissen ontvangen absolutie, kwam te sterven, zou niet veroordeeld worden voor den rechterstoel Gods. Wel kon hij een tijd lang moeten boeten in het vagevuur voor de tijdelijke straffen door de zonde verdiend, welke de biecht niet vergeeft en welke hij door het toepassen van aflaten niet geheel en volkomen heeft uitgeboet.
HOOFDSTUK IX.
Over de Aflaten.
Het H. Sacrament der Biecht wischt de smetten uit, waarmede de zonde de ziel besmeurt; het vergeeft de eeuwige straf der hel, door de doodzonde verdiend; maar over het algemeen laat het eene tijdelijke straf na, hier of hiernamaals uit te boeten. Vandaar de voldoening of penitentie, die de biechtvader steeds oplegt. Deze penitentie is gewoonlijk veel te licht om de schulden te dekken, die wij aan Gods rechtvaardigheid moeten voldoen. Een groot
getal biechtelingen kon zich dus bereid houden hiernamaals de folteringen van het vagevuur te ondergaan, als zij geene andere boete deden dan die, welke de biechtvader hun oplegde; en helaas, dikwijls ontbreekt het hun aan moed om zich zeiven boetplegingen voor te schrijven Doch God heeft in zijne goedheid aan zijne Kerk een middel geschonken, om hun het vagevuur te besparen of ten minste te bekorten En dit middel zijn de aflaten. De aflaat vergeeft de zonde niet, zelfs de dagelijk-sche zonde niet. Neen, het is zells een vereischte, dat de doodzonde of dagelijksche zonde vergeven zij, alvorens men vergeving kan bekomen van de tijdelijke straf, door die zonde verdiend. Zoolang de zonde duurt, is geene vergeving der straf denkbaar; maar zoodra de zonde door biecht ot volmaakt berouw is uitgewischt, treedt de aflaat in werking; ; met, om den biechteling van de opgelegde penitentie te ontslaan, niet om hem van de verplichte restitutie te ontheffen; â maar om de tijdelijke straffen kwijt te schelden, die wij voor onze reeds vergevene zonden nog zouden moeten ondergaan.
De macht om te binden en te ontbinden, door Christus aan Zijne Kerk geschonken, is geene halve, geene verminkte, maar eene volle macht. De K-erk ontbindt de ziel van de banden der zonde en der eeuwige veroordeeling door het H. Sacrament der Biecht, en zij ontslaat haar door de aflaten van de tijdelijke straf hier of hiernamaals uit te boeten.
Het is eene zekere waarheid, dat Onze Heer Tezus Christus meer dan voldoende voor onze zonden heeft voldaan; één enkel druppel slechts van zijn goddelijk Bloed ware voldoende geweest, om al onze zouden en al de straffen onzer zonden uitte delgen. De H. Maagd Maria, die nooit eenige zonde bedreef, heeft groote boetplegingen verricht. Eene
â 331 â
menigte heiligen heeft een leven geleid van lijden en ontberingen en opofferingen ; velen hunner hebben zich verstervingen en boetplegingen opgelegd, die van hen niet werden gevorderd om aan Gods rechtvaardigheid te voldoen.
Die oneindige verdiensten en voldoeningen nu van Christus en die overvloedige voldoeningen dei-heiligen vormen den zoogenaamden schat der Kerk, waaruit de Kerk, krachtens den wil van God, vrij putten mag om die overvloedige voldoeningen toe te passen op hare kinderen, die veel gezondigd hebben en den moed niet bezitten, zich de zware boete op te leggen, die zij door de zonde verdiend hadden. God, die wil, dat alle christenen broeders zijn, ontvangt als vergoeding voor hetgeen aan zijne goddelijke rechtvaardigheid is verschuldigd, wat de rijksten hunner (de Heiligen) voor hunne arme broeders (de zondaars) in de schatkist der Kerk hebben nagelaten. En door middel van aflaten deelt de Kerk die schatten der Heiligen aan hare arme kinderen uit, opdat zij zoo aan Gods rechtvaardigheid voldoen. Verder is het eene waarheid van ons geloof, dat de Kerk de uitdeeling dier schatten, het verleenen van aflaten kan doen zoowel door den Paus als door de Bisschoppen. Doch de Paus alleen kan volle, de Bisschoppen alleen gedeeltelijke aflaten verleenen.
Er zijn dus twee soorten van aflaten: volle en gedeeltelijke aflaten. De volle aflaten, vergeven alle straffen door de zonde verdiend, de andere slechts een gedeelte. Zou iemand komen te sterven, als hij een vollen aflaat verdiend heeft, dan zou hij recht naar den hemel gaan, zonder in het vagevuur te lijden. Vandaar dat pnen terzelfder tijd geen twee volle aflaten voor zich zeiven kan verdienen, wijl één voldoende is om al onze tijdelijke straften kwijt
â 332 -
te schelden. Maar wel kan men er twee of meer tegelijk verdienen voor de zielen van het vagevuur.
Om een aflaat te winnen moet men de vereischte voorwaarden vervullen, want de Kerk verleent die slechts op zekere voorwaarden; en de Kerk heeft toch de macht om te binden en te ontbinden, om de hemelsche schatten te openen en te sluiten.
Vooreerst dan moet men zijn in staat van gratie ; zonder deze voorwaarde kan men, ten minste voor zich zeiven, geen enkelen aflaat verdienen : de straf voor de zonde verdiend, kan in geenen deele worden kwijt gescholden, als de zonde niet is vergeven: om dezelfde reden kan men geen vollen aflaat verdienen, indien men nog een dagelijksche zonde op het geweten heelt; maar wel kan men in dit geval een gedeeltelijken aflaat winnen. Wil men dus een vollen aflaat op zich zei ven toepassen, dan wekke men zich op de eerste plaats op tot een oprecht berouw over al zijne zonden, zelfs over al zijne bedrevene dagelijksche fouten.
De tweede voorwaarde om een aflaat te verdienen is, dat men daartoe de meening hebbe. Het is een loffelijk gebruik, dat men des morgens al de werken van den dag aan God opdraagt, en tevens de meening maakt al de aflaten te verdienen, verbonden aan de werken, die men dien dag zal verrichten. Men zegge dan b. v. : Ik maak de meening al de aflaten, die ik vandaag verdienen kan, toe te passen op de geloovige zielen van het vagevuur; ik voeg die toe aan de zielen van N. N.. of aan de zielen van hen, die het meest verlaten zijn. Deze meening en toepassing der aflaten, in den morgen gemaakt, is voldoende voor al de aflaten gedurende den dag.
Op de derde plaats eindelijk moeten wij de werken volbrengen, door den Paus voorgeschreven om de aflaten te verdienen. Deze werken zijn gewoonlijk
- 333 -
voor volle aflaten : biechten, communiceeren en bidden tot intentie van zijne Heiligheid. De Biecht is een vereischte voor de meeste volle aflaten ; nochtans krachtens eene bijzondere gunst van den H. Stoel, kunnen zij, die gewoon zijn alle weken te biechten, met die ééne wekelijksche biecht volstaan, om al de volle aflaten te verdienen, die in die zeven dagen voorkomen. Evenwel wordt de biecht niet vereischt voor alle volle aflaten. Zoo b. v. wordt noch biecht noch communie gevorderd om de volle aflaten te verdienen, die aan de oefening van den Kruisweg zijn toegevoegd.
Wat de H. Communie betreft, met de H. Communie des morgens ontvangen kan men al de aflaten van den dag verdienen, zelfs al zou voor eiken aflaat in het bijzonder de communie gevorderd worden
Aan het gebed tot intentie van Zijne Heiligheid voldoet men door vijfmaal het Onze Vader en JFees gegroet te bidden, zoo dikwijls te herhalen, als men een vollen aflaat wil verdienen. Men zou daarvoor ook een ander gebed mogen nemen b. v. eene litanie. Deze gebeden worden ook niet gevorderd voor de aflaten van den Kruisweg.
AVelke zijn nu de vereischten om eenen aflaat toepasselijk te maken op de geloovige zielen van het vagevuur ? Deze twee: ten eerste, dat de Paus bij het verleenen van den aflaat dien uitdrukkelijk toepasselijk hebbe gesteld op de geloovige zielen ; en ten tweede, dat hij, die den aflaat verdient, dien ook uitdrukkelijk op de geloovige zielen toepasse, gelijk wij hierboven zagen. De aflaten zijn een troostend en krachtig middel om de geloovige zielen te verlossen. O, wat verlichting verschaft haar zelfs een aflaat van éénen dag ! Daarom bid en smeek ik de godvruchtige zielen eene zoo krachtige hulp aan die lijdende zielen niet te wei-
- 334 -
geren, maar alle pogingen in het werk te stellen, om dikwijls en volle aflaten toe te voegen aan hunne smeekende vrienden. Mei dezeljde maat, waarmede gij anderen hebt to gemeten, zal ook u toegemeten worden, zegt Christus.
Welke oefeningen zijn vooral met aflaten verrijkt? Op de eerste plaats de broederschappen, waaraan de Pausen zoovele aflaten gehecht hebben, en die, behalve den troost, dien wij daardoor kunnen schenken aan de geloovige zielen, zoo geschikt zijn, om het christelijk leven in ons te onderhouden en meer en n eer aan te kweeken. De H. Alphonsus de Liguorio was van gevoelen, dat de broederschappen voor de geloovigen een der krachtigste middelen waren ter zaligheid. Vandaar liet hij zich in alle broederschappen inschrijven, al ware het slechts, zoo zeide hij, om daaraan mijne goedkeuring te geven.
Vervolgens make men een godvruchtig gebruik van schietgebeden die men in alle gebedenboeken aantreft. Het eenvoudig uitspreken van het schietgebedje Mijn Jezus, barmhartigheid! verschaft ons telkens eenen aflaat van 100 dagen.
Iedereen kent ook het godvruchtig bidden van den Rozenkrans, waaraan ontelbare aflaten verbonden zijn. Doch vóór alles, zegt de H. Leonardus van Porto Mauritio, verrichte men den Kruisweg, waaraan een schat van aflaten, van volle en gedeeltelijke aflaten, is toegevoegd. Wie dan zou zich zeiven, wie de zielen van het vagevuur van eene zoo groote genade berooven ? De H. Theresia verhaalt van eene harer kloosterzusters, die overigens een zeer braaf leven had geleid, dat deze aanstonds na haren dood rechtstreeks haren hemelschen Bruidengom te ge-moet snelde, om het groot vertrouwen, dat zij stelde in de aflaten, en haren ijver om die te verdienen.
Volgt ook gij die brave kloosterzuster na, en
- 335 -
weest als zij ijverig in het toepassen van aflaten,, waardoor gij u zeiven en anderen het hoogste goed,, den hemel, kunt bezorgen.
HOOFDSTUK X.
Over het H. Oliesel.
De genezing onzer zielen, door de zonde gewond, geschiedt niet geheel en al in het H. Sacrament der Biecht. Vandaar heeft onze goddelijke Zaligmaker om die genezing te voltooien het H. Sacrament des Oliesels ingesteld, waardoor de zieke, in gevaar van sterven door de zalving des priesters, de genade ontvangt, om de bekoringen van den duivel moedig te weerstaan, om de smarten van het ziekbed met geduld te dragen, ja zelfs om de gezondheid terug te bekomen, als het hem zalig is
Dit Sacrament heeft de kracht om de dagelijk-sche zonden te vergeven en de doodzonden weg te nemen, die men alsdan niet in staat is te bieehten. Ook neemt het de overblijfsels der zonden weg, d. w. z. volgens de leer van den H. Alphonsus, het verlost de ziel van de tijdelijke straffen, die wij God verschuldigd zijn, het verlicht het verstand, beweegt het hart, en onthecht het aan de aarde en de schepselen, waaraan het na de zonde zoo licht gekluisterd blijft.
Zij berooven zich dus van een groot voorrecht, die dit Sacrament weigeren, of het tot het uiterste uitstellen. Vandaar dat de huisgenooten, vooral ouders, echtgenooten en kinderen ten zeerste verplicht zijn te zorgen, dat de priester bij tijds gewaarschuwd worde om den zieke dien laatsien troost te brengen. Daarenboven, door dit Sacrament, als het ware tot het laatste oogenblik uit te stellen,
- 336 -
maakt men de genezing van den zieke, die toch ook één der uitwerksels is van het H. Oliesel, bijna onmogelijk. O, hoevele zieken zouden genezen zijn, zouden nog leven, indien zij gesterkt waren door dit Sacrament, zegt de Eervv. pater Ech, een Duitse priester van het Gezelschap van Jezus. En ten bewijze verhaalde hij, dat één zijner vrienden. Arend eeheeten, die tot het katholiek geloof bekeerd was, ernstig ziek werd en weldra in een hopeloozen toestand verkeerde. Hij sprak er hem dan over, dat het tijd was hem te voorzien van de laatste H H Sacramenten. âIk weet quot; zeide de zieke, âdat gi] mijn vriend zijt en mij steeds ten goede raadt, ga uw
o-ang en dien mij de Sacramenten toe.quot; En ziet, nauwelijks had hij die ontvangen, of hij gevoelde zich verlicht, hij aevoeldezich beter. Des andere i daags hervatte hij wederom zijne bezigheden en als naar gewoonte reed hij van stonde af aan te paard. Hij was volkomen genezen.
Een beroemd protestantsch geneesheer, met name Tissot, haalt verschillende gevallen __aan, waarvan hij zelf getuige was, en die het bewijs leveren, dat het H. Oliesel somtijds ziekten geneest, waarvoor de middelen der wetenschap machteloos zijn. Doch wacht men tot dat de toestand van den zieke als het ware hopeloos is, dan zou men een wonder eischen om dien te herstellen. Vandaar, dat ook op de geneesheeren de verplichting rust de huisge nooten te waarschuwen, als de toestand van den
zieke werkelijk ernstig is.
De vader van Lodewijk XVI, had zijn geneesheer verzocht hem bijtijds te verwittigen, als hij m gevaar van sterven zou verkeeren; en als dat oogenblik oekomen was. waarschuwde hij hem ook inderdaad, f,Dokter,quot; zei de zieke, ânu zie ik, dat ge eequot; braaf man zijt; ik heb u altijd hooggeschat, doch
thans heb ik geleerd, dat gij het dubbel waardig zijt quot; En aanstonds liet hij zijnen biechtvader ontbieden. En toen de zieke op zijn uiterste lag, bevond zich zijne echtgenoote aan zijn sterfbed, en, in plaats van te weenen en te jammeren, nam zij een kruisbeeld, drukte het op zijne lippen en spoorde hem aan zijne ziel in Gods handen te stellen âO wat eene waardige, wat eene heilige vrouw,quot; riep hij uit, âna het geluk van mijn leven te zijn geweest, staat zij mij nog bij om goed te sterven.quot;
Zoo verkeerd, zoo verderfelijk als het is in tegenwoordigheid van een stervende smartkreten te uiten, die hem tot wanhoop zouden kunnen vervoeren, zoo nuttig, zoo verdienstelijk is het ook, hem bij zijn sterven eene akte van liefde, eene akte van volmaakt berouw voor te bidden. Er bestaat geen grooter liefdewerk, geen grooter werk van barmhartigheid. dan arme, verlatene zieken op te zoeken, die men in steden vooral aantreft.
Als de vader van Lodewijk XV vernam, dat een zijner oude lijfknechten op sterven lag, zonder zelfs te denken aan 't ontvangen van de H.H. Sacramenten, wilde hij hem zijn eigen biechtvader zenden. Doch er viel hem iets anders in: hij begaf zichzelf naar hem toe, deed hem het ernstige van zijn toestand inzien en spoorde hem aan zijne plichten als christen te volbrengen. De arme stervende werd zoozeer getroffen door die vernedering van zijn goeden meester, dat hij zich aanstonds voorbereidde tot het ontvangen van de laatste H.H. Sacramenten en een christelijken dood stierf.
De beroemde Fransche dichter De Lamartine schreef van zijne moeder : âDikwijls heb ik haar gezien, haar bewonderd die brave vrouw, op hare knieën neergezegen voor het bed van een zieke in
22
eene schamele hut of zelfs m een stal, waar een stervende bedelaar nederlag, en dan droogde zij met eieren hand het kille zweet van het aangezicht van dien armen stervende, haalde zijn deksel wat nauwer aan, bad hem de gebeden der stervenden voor ]a kon uren lang waken bij de stervenssponde van dien on-
gelukkige, totdat hij eindelijk wel ^ voorbereid zijne ziel aan zijnen Schepper wedergaf.'quot;
Neen, inderdaad, er bestaat geen grooter liefdewerk geen belangrijker ijver is denkbaar, dan die om de stervenden bij te staan en tot den dood voor te bereiden. (Zü de wijze om de stervenden bij te staan in het aanhangsel). Het is de P^htder ouders te zorgen, dat hunne kinderen, die tot de jaren van verstand gekomen zijn, of die, alhoewel krankzinnig, nochtans tijdens hun leven he dere ooo-enblikken gehad hebben, dit Sacrament te gelege-nertijd ontvangen; en ofschoon het H. Oliesel met mao- toegediend worden aan krankzinnigen, d nooit het gebruik der rede gehad hebben, wijl zi) nis dusdanio- niet hebben kunnen zondigen, moet Ãen nochtans niet te licht meenen dat sommee personen, die weinig begrip hebben, daarom altijd hunne onschuld hebben bewaard; - men zorge
dus dat tijdens hunne ziekte op tijd een Pne®tel gewaarschuwd worde. De priester alleen is de bedienaar van het H. Oliesel en de olie, de stof van dit Sacrament, waarmede de zalving geschiedt, olijfolie, tot dat doel met groote plechtigheid op Witten-Donderdag door den Bisschop gewij . i dien olie zalft de priester de zintuigen van den zieke en zegt bij elke zalving : Dat door deze heilige zal-Tinsr en door zijne goeder tier ens te barmnartigheid de Heer u al de zonden vergeve, bedreven door het rezicht. of door het gehoor, of door den reuk enz-Wijl het H. Oliesel een Sacrament der levenden
- 339 -
is, moet men het, wil men er de vruchten van bekomen, ontvangen in staat van gratie. Vandaar dat men eerst biecht, alvorens het wordt toegediend. Het H. Oliesel ontvangen in staat van doodzonde is heiligschennis. Nochtans kunnen, ja moeten het de zieken ontvangen, die het gebruik der spraak verloren hebben, want, zooals men reeds zag, het vergeeft de dagelij ksche zonden, alsmede de dood zonden, die men niet in staat is te biechten.
Men mag du Sacrament slechts éénmaal in dezelfde ziekte ontvangen, ook al zou de zieke zich gedurende een paar dagen beter bevinden; maar indien na het ontvangen van het H. Oliesel de zieke gedurende eene maand buiten stervensgevaar zoude verkeeren, zoodat men hem zedelijkerwijs als genezen kan beschouwen, dan zoude men hem voor de tweede maal het H. Oliesel mogen toedienen.
Als Napoleon op het eiland St. Helena zijn einde zag naderen, zond hij al de geneesheeren weg en liet den priester Vignoli, zijn aalmoezenier, ontbieden; âIk ben geboren in den katholieken godsdienst,quot; zeide hij tot hem, âik wil de plichten volbrengen, die hij mij oplegt, de hulp aanvaarden, die hij mij schenkt.'' Er waren er, die dit besluit van Napoleon eene zwakheid noemden en vreesden, dat het in Parijs een slechten indruk zou maken! Napoleon sprong toornig op en zeide : âWat zijn dan toch alle menschen, en wat zal ik, gelijk zij, binnen kort wezen ? Slechts stof en asch , de prooi der wormen. Alles gaat voorbij, Jezus Christus alleen blijft quot; De keizer sprak daarop zijne biecht en zijn aalmoezenier Vignoli diende hem de laatste H H. Sacramenten toe. Na afloop zei Napoleon tot zijn generaal Montholon : âIk gevoel mij zoo gelukkig, generaal, na de volbrenging . mijner plichten ; als ook uw stervensuur eens geslagen zal zijn, wensch
- 340 -
ik u eenzelfde geluk... Ik heb altijd het geloot bewaard, het gelui der klokken schalt mij genoegen en het zien quot;van een priester ontroert me. Het is waar, dat alles meende ik onder den sluier van een diep geheim te dekken, maar dat is eene zwakheid.quot; Hij had gelijk. Op zijn minst genomen is het eene zwakheid met zijne eeuwigheid te spelen om laf menschelijk opzicht en ze in de waagschaal te stellen. Of zou men dat niet met meer reden dwaasheid noemen ?
HOOFDSTUK XI.
Over het Priesterschap.
Het Priesterschap is het Sacrament, dat den priestei wijdt. Alle volken, over de gansche aarde verspreid, hebben altijd de behoefte gevoeld mannen te bezitten afgescheiden van het gewone volk en bestem om ten opzichte der godheid de bedieningen van den godsdienst waar te nemen. Geen priester geen godsdienst. Ook hebben alle godsdiensten zelfs de valsche, zelfs die der meest verblinde heidenen, immer hunne priesters gehad. De alleen ware godsdienst kon ot mocht dus op dat punt met achterwege blijven. Vandaar heelt Onze Heer Jezus Christus, de eeuwige Opperpriester, zijne zending toevertrouwd aan zijne apostelen, en Hij heeft hun het recht en de macht geschonken van die zending te bestendigen door alle eeuwen heen, door het aanstellen van bisschoppen, die de priesters zouden wijden en hunne machten tot het einde der wereld toe aan hunne opvolgers zouden overdragen.
De zending der priesters bestaat voornamelijK in het opdragen van het allerheiligste Sacrificie der
- 341 -
Mis, in het bidden voor de geloovigen, in hen te onderwijzen, in het toedienen van de H.H. Sacramenten. De Priester moet zijne menschen kennen, gelijk de herder zijne schapen: hij moet werken onder de menschen en met het oog op hun eeuwig heil, ook, voor zoover het gaat, hun tijdelijk welzijn bevorderen. De priesters van den waren God zijn dus even noodzakelijk voor de wereld, als de ware godsdienst, zonder welke er zelfs geen ware beschaving bestaanbaar is. Geen priester, geen geloof, geen christelijk leven meer in de maatschappij. Dat weten ook zij, die het gemunt hebben op den ondergang dier maatschappij, en om met meer zekerheid hare grondslagen te ondermijnen, zien wij hunnen aanval gericht op katholieke priesters en kloosterlingen. Ze weten het ook, die snoodaards, dat, door het verwijderen van de priesters, die het zout der aarde zijn, ook de zeden van lieverlede zullen gaan kwijnen en bederven. En als godminnende zielen treuren, als zij de priesters zien vervolgd, de kloosterlingen verbannen, dan kunnen ook dezen hun toeroepen, wat onze goddelijke Zaligmaker zeide tot de wee-nende vrouwen van Jeruzalem : â Ween/ niet over mij, maar weent over u zeiven en over uwe kinderen.quot;
Ook is het eene groote ramp, als de roepingen tot den geestelijken staat zeldzamer worden, zooals men dat heden ten dage in sommige streken ziet geschieden. Ach, hoevele stervenden zijn er, die in hun laatste uur den troost der Kerk moeten missen bij gebrek aan een priester! Hoeveel onwetendheid heerscht er onder de volken, die beroofd zijn van een herder, die in hun midden kon zetelen. De ouders zijn vijanden van hun land, vijanden van ?ich zeiven, als zij hunne kinderen beletten den geestelijken stand te volgen, waartoe God hen roept.
God zal hun daarvoor eene strenge rekenschap
Vr Maar het moet bedacht, dat het Priesterschap een hoogverheven, ja zelfs een heilige staat is, die van hen, die er naar dingen, eene goddelijke roeping eischt. Z'i, die zich zonder roeping in dien staat zouden indringen, zouden roekeloozen zijn, die het grootste gevaar zouden loopen in dien staat voor eeuwig verloren te gaan, en eens tot schan e e strekken voor de gansche Kerk. Zij zijn die dieven en roovers, waarover de H. Joannes spreekt in zijn Evangelie, die niet door de deur in de schaapskooi ingaan, maar van elders er inklimmen. Zi) zijn de huurlingen en geen herders, wien de schapen met toebehooren en die bij het zien van den wolf de schapen verlaten en vluchten, omdat zi] huui-
lingen zijn. . . ,
Ouders, die met menschehjk inzicht, om eene dwaze ij delheid of om eenig vooruitzicht van mets-waardig eigenbelang, een kind den priesterlijken staat zouden opdringen, waartoe het geen enke teeken van roeping bezit, zouden al met minder zondig handelen dan zij, die de verlangens van hun kind, waarlijk door God tot dien verheven staat geroepen, uit menschelijke beweegredenen op allerlei wijzen zouden dwarsboomen. De teekenen van roeping tot het H. Priesterschap zijn menigvuldig. Ais eerste teeken, duidt men gewoonlijk aan, eenstan vastig, zuiver leven, vervolgens de oprechte meening voor God om te werken ter zijner eer en glorie en tot heil der zielen, met uitsluiting van alle tijdelij winstbejag of laag eigenbelang, en eindelijk de geschiktheid om de noodige kennis en andere bekwaamheden zich eigen te maken, welke deze heilige staat vordert. Gelukkig de moeder, die reeds vroegtijdig de harten hunner jeugdige kinderen in de
- 343 -
â¢deugd vormen, vooral in de zedigheid en zuiverheid. Gelukkig zij, die het verstand hunner kinderen reeds in hunne prilste jeugd door eene christelijke opvoeding trachten te ontwikkelen, en in hen hetverlangen opwekken om te werken tot heil der zielen en tot dat einde den goeden God bidden, dat Hij dat heilig verlangen in hunne kinderen ontsteke en meer en meer sterke. Die ouders zullen eens het geluk smaken, een priester in hun familiekring te tellen, een priester, die den zegen Gods over zijne ouders zal aftrekken, die de troost /al zijn van hunnen ouderdom ; zij zullen een priester bezitten, die dagelijks zijn geheel leven lang op het altaar de gedachtenis zal houden van eenen vader, van eene moeder, die hij misschien aanstonds na hun dood vergeten had, indien hij in de wereld was gebleven.
De eenvoudigste families kunnen in onze dagen zich de eer verschaffen, een harer leden te zien verheven tot het Priesterschap.
Hoe troostend is het in een tijd, waarin zooveel koud eigenbelang heerscht, dat er nog edelmoedige zielen gevonden worden, die offers, dikwijls groote geldelijke offers veil hebben tot opleiding van arme kinderen, die zich tot den geestelijken staat geroepen gevoelen. Tot dat doel zien wij in de verschillende bisdommen scholen opgericht, waar de minder bemiddelde jongeling kosteloos onderwijs ontvangt en opgeleid wordt tot priester en wel tot priester-missionaris, als hij zich geroepen voelt in verre landen den God van liefde te gaan verkondigen. Wat edel, wat hartverheffend doel! Moge de goede God nog vele edelmoedige zielen opwekken om rijkelijk mede te deelen van hun overvloed aan kinderen, arm wel is waar aan tijdelijke goederen, maar rijk door den kostbaren schat der
â 344 â
roeping, om hun alzoo dat toevluchtsoord te openen, waar zij zich kunnen voorbereiden tot dat echt priesterlijk, apostolisch leven.
Die voorbereiding is een werk van langen duur, want slechts langs verschillende trappen genaakt men de hoogte van het verheven Priesterschap. Vooreerst toch teekent de Kerk hen, die zich aan haren dienst toewijden met de tonsuur of kruinschering, en dit is haren dienaren een teeken van onthechting aan de wereld en hare dwaze ijdelheden en tevens eene koninklijke kroon ; â want God dienen is hecrschen. Te gelijkertijd bestemt de Kcrk voor hare levieten het lange zwarte kleed, het kleed van den priester, den toog, die hun den dood aan de wereld beteekent, en zij kleedt hen tevens met het superplie of koorhemd, waarvan de witte kleur het symbool is der zuiverheid, die zij te beoefenen hebben. Vervolgens dient hun de K.erk de verschillende Mindere-Orden toe, krachtens welke zij de lagere bedieningen en machten in het Heiligdom mogen uitoefenen.
Deze Mindere-Orden zijn vier in getal: Het Deur-bewaarderschap, het Lezerschap, het Bezweerderschap en het Lichtdragerschap.
Het Deurbewaarderschap brengt de bediening mede van de Kerk te openen en te sluiten en de onwaardigen daaruit te verdrijven. Het Lezerschap geeft hun het recht om in het officie of de kerkelijke Getijden de H. Schriftuur te lezen. Het Bezweerderschap deelt hun de macht mede om de duivelen te verdrijven uit de lichamen der bezetenen ; en krachtens het Lichtdragerschap mogen zij kaarsen dragen in plechtige processies, den kandelaar houden in plechtige Missen en den priester het water en den wijn overreiken tijdens het H. Sacrificie der Mis. En is de jeugdige geestelijke in deze wel is.
waar nederige, maar toch edele bedieningen geoefend, dan gaat hij trapsgewijze langs de Grootere-Orden op tot het Priesterschap.
De eerste van die Grootere Orden is het Subdiaconaat, dat de macht verleent de gewijde vaten en doeken aan te raken en te zuiveren, den Epistel te zingen in plechtige Missen en alsdan den Diaken te dienen. Deze H. Orde legt daarenboven den nieuw gewijden Subdiaken de verplichting op van volmaakte zuiverheid en het dage-lijksch Breviergebed. Deze verplichting van volmaakte zuiverheid is van dien aard, dat een huwelijk door zoo iemand gesloten ongeldig zou zijn voor God en de Kerk. En terecht, want de bedieningen, welke de Kerk haren bedienaren oplegt, vorderen van hen een engelenleven. De heidenen zelfs waren er van doordrongen. En daarenboven, hoe zou hij de zorgen en belangen van een huisgezin met die zijner H. Bediening kunnen vereenigen ? Als vader van een huisgezin zou hij niet meer dezelfde onbaatzuchtigheid kunnen toonen, hij zou niet meer diezelfde toewijding aan den dag kunnen leggen voor armen, bedroefden, 'zieken en onwetenden. Niet allen zouden tot hem met hetzelfde vertrouwen hunne toevlucht kunnen nemen.
Daarop volgt de H. Orde van het Diaconaat, dat hem, die deze Orde ontvangt, de macht schenkt den priester behulpzaam te zijn aan het altaar, bij plechtige Missen het Evangelie te zingen, en met verlof zijner geestelijke overheid het woord Gods te verkondigen, plechtig te doopen en 3e H. Communie aan de geloovigen uit te reiken.
Eindelijk, het priesterschap kroont het werk. De bisschop alleen is de bedienaar van het priesterschap. Wanneer dan de jonge diaken, die het H. Priesterschap wenscht te ontvangen, voor de voeten
- 346 â
van den bisschop ligt neergeknield, dan legt de bisschop hem de handen op, en reikt hem den kelk met het brood en den wijn over, terwijl hij gewijde woorden spreekt, die de genade van hierboven over den wijdeling aftrekken.
Deze genade schenkt den nieuwgewijden priester de macht om te zegenen, te prediken, het H. Sacrificie der Mis op te dragen en de zonden te vergeven, zoodra hij jurisdictie of rechtsmacht zal ontvangen hebben; verder schenkt zij hem eene vermeerdering van inwendige heiligheid en kracht en sterkte om de heilige bedieningen van zijn hoog verheven ambt behoorlijk te vervullen. En hij is priester, priester in eeuwigheid, en het woord dat hij spreken zal: âDit is mijn lichaamquot; is niet zijn woord, maar het woord van een God en onder de gedaante van brood en wijn komt Christus zelf waarachtig, zelfstandig tegenwoordig. En de priester .zal de H. Hostie in zijne handen nemen, hij zal Ze naar de zieken dragen, Haar als een geestelijk voedsel der ziel den geloovigen toereiken. Hij zal de bedroefden troosten, de zondaars terechtwijzen, den armtn het Evangelie verkondigen, kortom hij zdX de bediening van Christus zelven hier op aarde waarnemen, de plaatsvervanger zijn van Christus, Allen zijn hem dus liefde en eerbied verschuldigd, gelijk aan God zelf, die gezegd heeft; Raakt 7nijne heiligen niet aan, en hebt geen afkeer van hen, die mijne profeten zijn. En elders, als Hij zijne apostelen uitzond over de gansche wereld om het Evangelie te verkonden, sprak Hij tot hen: âDie li hoort, hoort mij, en die u versmaadt, versmaadt mijy
De jeugdige priester, het is waar, draagt gelijk ieder sterveling hier beneden, den schat, dien hij ontvangen heeft, in broze vaten. Hij is onderhevig aan zwakheden, omdat hij mensch is, ja, hij kan
- 347 -
zelfs verrader worden gelijk Judas. Wie zou zich daarin kunnen ergeren ? De menschelijke zwakheid zou ons tranen kunnen doen storten en ons medelijden kunnen opwekken, maar van het oogenblik af dat het merkteeken van het eeuwigdurend priesterschap in de ziel van den priester is aigedrukt blijft hij, al ware hij ook schuldig, eerbied inboezemen in al degenen, die nog eenigszins het geloot bezitten.
Het priesterschap zwart maken en belasteren, omdat sommigen harer leden ontrouw waren in hunne H. Bediening, is dat gene grove onrechtvaardigheid? Wie zou den werkmanr-rtand durven verachten en beschimpen, omdat er werklieden gevonden worden zonder deugd en zonder zeden ? Welke godsdienstbelijdenis, welke staat, hoe verheven ook, welk genootschap telt geene onwaardige leden in haar midden ? De gebreken van sommigen eene gansche vereeniging van personen aan te wrijven, is eene laagheid. En volgens de bekentenis van alle weldenkende mannen, is er geene klas van personen zoo onberispelijk als die der priesters. Zelfs de goddeloozen, die ze vervolgen en haten, zijn genoodzaakt het te bekennen. Hadden zij in een vreemd land eene groote som gelds in vertrouwde bewaring te stellen, ze zouden zich met meer vertrouwen naar een katholiek priester richten dan naar elk ander.
In zijn boek De deugd in Frankrijk heeft Maxime Ducamp, leeraar aan de Fransche Academie en oud Garibaldist, de volgende beschrijving geleverd van de pastoors en priesters in Frankrijk:
âHet is het gebruik, ja zelfs het betaamt bij zeker soort van menschen in de wereld, om den priester uit te jouwen en hem allerlei misdaden aan te wrijven. Dat is eene voldoening, die de armen van geest zich dikwijls gunnen, want het is zoo gemakkelijk iemand aan te vallen, die zich niet verdedigt.
- 348 -
âMen zegt: De priester leeft van het altaar ; het zij zoo, maar als men gadeslaat, wat in onze streken op het platteland voorvalt, zou men dikwijls kunnen getuigen, dat hij er van sterft, zonder ooit aan de vervulling van zijn plicht te kort te schieten.
âNiet op ééne, maar op verschillende plaatsen is de priester niet alleen de herder der zielen, maar ook de geneesheer, de trooster, de steun der zwakken; de vallenden richt hij op, de hongerigen voorziet hij van voedsel ; ik heb er gekend, zoo gaat Ducamp voort, die geheel gekleed hun nachtrust namen op een zak haver, omdat zij hunne lakens en kussens aan aalmoezen hadden weggegeven.
âMen moet den priester beoordeelen naar zijn werk en niet naar de bedoelingen, welke de kwaadwilligheid hem toeschrijft; heeft hij zorg gedragen voor de ongelukkigen, moed gesproken in het hart van zwakken en wankelenden, heeft hij den arme medegedeeld van zijn overvloed, ja dikwijls van zijne noodzakelijke behoefte en den zondaar tot een oprecht berouw opgewekt, o ' hij zij gezegend die priester ; want hij heeft goed gedaan, hij heeft God vertegenwoordigd in het verhevenste, wat zijne godheid is ; matelooze goedheid. Zijne staatkundige meeningen, die hij er misschien op nahoudt, boezemen ons al weinig belang in ; een stuk brood om den hongerige te spijzigen is meer waard dan een stembriefje. Prijs stellen op het welzijn der maatschappij is goed ; â den noodlijdenden evenmensch te hulp komen, is beter.
Onder de nederige dorpspastoors, die men gemakkelijker kan beschimpen dan navolgen, vindt men er velen, die wonderbare voorbeelden van deugd en opofferende naastenliefde nalaten. Er zijn geen werklieden, wier loon kariger is dan dat der bedienaren van sommige landelijke parochies. Welk inkomen
â 349 -
om zich daarvan naar behooren te kleeden, te spijzigen en dan nog de hand te openen voor den behoeftigen evenmensch ! En die armen, die om onderstand smeeken, zijn talrijk; want bij elk ongeluk neemt men zijn toevlucht tot den priester.
âVandaar herinnert de deur van den priester aan het woord der H. Schriftuur : Klopt e?i u sal worde?! opengedacm. Nooit blijft zij gesloten.quot;
De volmaaktheid, de volheid van het priesterschap ziet men vertegenwoordigd in de waardigheid van bisschop. De bisschop is de leeraar, de rechter van het geloof. Hij is de eerste herder van het bisdom. Hem is het recht geschonken daar wetten te stellen, die zijne geloovigen moeten eerbiedigen. Alleen de bisschoppen kunnen andere bisschoppen wijden.
De bisschop der bisschoppen is de Paus van Rome, die wel is waar, geen Sacrament ontvangen heeft, onderscheiden van dat der andere bisschoppen, maar die, als plaatsbekleeder van Jezus Christus hier op aarde, rechtsmacht .mag uitoefenen over geheel de wereld, over al de pastoors en priesters, kortom over geheel de geloovige kudde.
HOOFDSTUK XII,
Over het Huwelijk.
Het huwelijk is de onverbreekbare band tusschen man en vrouw met het inzicht, om de aarde met kinderen Gods te bevolken en den hemel met uitverkorenen. God zelf heeft het huwelijk ingesteld, toen Hij in het aardsch paradijs Eva tot gezellin maakte van Adam, den eersten mensch Het is de natuurwet, zoowel als het gebod van God, die beveelt, dat de mensch slechts ééne vrouw te gelijk
- 350 -
hebbe. â En de heidenen zelfs verafschuwden de-vrouw. die verschillende mannen bezat.
Dewijl de huwelijke staalden mensch vele plichten oplegt en hem als het ware vastkluistert aan de genoegens der wereld, die een beletsel zijn voor de volmaaktheid, heeft onze goddelijke Zaligmaker, om meer overvloedige genaden te schenken, het huwelijk tusschen christenen verheven tot de waardigheid van een Sacrament Dit Sacrament heiligt den band der echtelieden. Het schenkt hun genade en kracht om de moeilijke verplichtingen van het huwelijk te vervullen.
Door de onderlinge toestemming, die de echtge-nooten elkander geven en van elkander aannemen, in tegenwoordigheid van den pastoor en twee getuigen, stellen zij de vereischte voorwaarden tot het huwelijk en tot het Sacrament tevens. Want het is eene stellige waarheid, dat tusschen christenen geen huwelijk bestaanbaar is zonder Sacrament. Immers het huwelijk zelf heeft Christus tot een Sacrament verheven. Bestaat dus het Sacrament, dan bestaat er ook een huwelijk, doch is het Sacrament ongeldig, dan bestaat er ook geen wettig huwelijk, noch voor God, noch voor het geweten.
Het burgerlijk huwelijk, gesloten tusschen katholieken in een katholiek land, in tegenwoordigheid van den burgemeester of eenige andere plaatselijke overheid, kan, wel is waar, de tijdelijke belangen der echtgenooten voor de wet regelen; â maar het is geen huwelijk. En zij, die het bij zulk een huwelijk zouden laten, zouden zijn in eene schandelijke, onwettige samenleving en niet in eene wettige, door God gezegende vereeniging. Want alleen voor een pastoor of diens afgevaardigde moet het huwelijk noodzakelijk voltrokken worden en wel in tegenwoordigheid van minstens twee getuigen.
Een beroemd romanschrijver van onze dagen legt een jongeling, die tot zijne aanstaande vrouw spreekt, deze woorden in den mond:
âIndien wij beiden komen te sterven en als wij onze kinderen als weezen achterlaten, zal hij ze dan (de burgerlijke ambtenaar) in zijn huisgezin opnemen, ze geestelijk en lichamelijk opvoeden ? Sterven onze kinderen het eerst, zal ik mij dan werpen in de armen van dien man, zal ik hem dan mijn vader noemen en in mijne schrikwekkende wanhoop hem smeeken met mij te weenen, mij te behoeden voor zelfmoord, mij moed in te spreken, mij terug-te brengen tot mijne dagelijksche bezigheden, tot mijne plichten als mensch, ja zelfs mij dien slag te doen vergeten en mij op te wekken tot hoop en vertrouwen? Neen, niets van dat alles; â die man zal ons overlijden opteekenen in zijne registers, gelijk hij dat deed van onze geboorte en van ons huwelijk â en daar blijft het bij ... .
âSpoeden wij ons naar de Kerk. Daar vindt mijnedier-bare echtgenoote, bij mijn overlijden, den goddelijken Bruidegom, die alleen mij kan vervangen, daar vinden mijne kinderen, bij het overlijden hunner moeder, eene andere Moeder, altijd goed, altijd zorgzaam, die alleen de plaats hunner eerste moeder kan innemen. Eindelijk, heb ik geheel mijn levensbaan afgelegd, en is voor mij mijn stervensuur geslagen, dan zal een van de bedienaren dier Kerk, die ik misschien vergeten heb, niettegenstaande het vele goed, dat zij voor mij gedaan heeft, zacht mijne deur openen en mij zeggen: âIk ben het, die u wachtte bij uwe wieg en die u nu ga geleiden op uwen weg naar het graf. Wat hebt gij gedaan sedert den dag, waarop wij elkander voor den eersten keer ontmoetten ? Hoe hebt gij uwe beloften gehouden, die gij mij aldus gedaan hadt ? Ik voor mij heb de beloften niet geschonden.
- 352 -
die ik u deed. Gij nochtans, gij zijt ontrouw geworden niettegenstaande den steun, dien ik u bood, âij hebt een slecht voorbeeld gegeven en de genaden, die God met kwistige hand u schonk, hebt âij met voeten getreden ; maar telkens als gij tot mij wederkeerde^ toonde ik u een hart vol goedheid vol liefde en barmhartigheid. Vergat gij mij, ja verriedt. gij mij, altijd bad ik voor u.
, Gij hebt den strijd des levens gestreden, gij gaat sterven, gij weent, gij hebt berouw over uwe bcdre-vene misstappen, en toch, gij zijt nog ongerust. Ach, ik vergeef u alles. Ga u in den hemel yereenigen met hen, die gij op aarde zoo oprecht hefhadt en die u hierboven wachten. Vertrouw aan mijne zorg degenen, die gij lief hebt in deze wereld, tot zi] in den hemel zich weer met u komen vereenigen Vergeet de aarde en al het aardsche : na den dood zult ge vinden, wat gij hier op aarde te vergeefs zocht. Herhaal dan nogmaals uit geheel uw hart de gebeden, die gij eens als kind leerdet, die ik u nu ga voorbidden, en die nog immer dezelfde zijn... Uw voorhoofd, dat ik eens bij het H. Doopsel teekende met het teeken des kruises, om u in deze wereld te beschermen, zal ik nogmaals teekenen. opdat u toegang verleend worde in het andere leven. Zondaar, tweemaal vrijgekocht rust in de vrede des Heeren, en wanneer gij uw goddelijken Meester, dien God van liefde en barmhartigheid, dank aan ons, zult aanschouwen, ach denk dan nog eens aan ons, die zwakke stervelingen, zondaars zijn gelijk gij.
Wij zagen, dat het huwelijk tusschen christenen aangegaan, een Sacrament is geworden. Hieruit, volgt vanzelf, dat de Kerk en de Kerk alleen de voorwaarden van het huwelijk kan bepalen 0' de onwettigheid daarvan kan uitspreken. Want alles wat betrekking heeft op de toediening der Sacra-
- 353 -
inenten is door God toevertrouwd, niet aan eene wereldlijke macht, die in handen kan zijn van ketters, goddeloozen en ongeloovigenj maar aan zijne apostelen en hunne opvolgers.
De Kerk nu heeft in hare wijze regeling beletselen gesteld voor het huwelijk. Onder die huwelijksbeletselen komen er voor, die het huwelijk niet ongeldig, maar ongeoorloofd maken, en andere die het terzelfdertijd en ongeoorloofd en ongeldig doen zijn.
Zonder bijzondere dispensatie van Rome is het aan een katholiek verboden, een huwelijk te sluiten met een ketter. Zou men, niettegenstaande dit verbod, toch een huwelijk aangaan, dan zou men zwaar zondigen. De Kerk heeft daarmede op het oog hare kinderen te vrijwaren tegen het gevaar, dat alsdan bestaat om zijn geloof te verliezen. Alleen dan zou de Kerk van dit punt afwijken, als zij de verzekering had, dat de katholieke echtgenoot onwankelbaar vast staat in zijne godsdienstige overtuiging, zich tevens bereid verklaart van zijn kant zijn best te doen om de ongeloovige wederhelft tot inkeer te brengen, en met ernst belooft al zijne kinderen in den katholieken godsdienst op te voeden. Zelfs met toestemming van den Paus om zulk huwelijk te sluiten is het den katholieken echtgenoot verboden zich bij een bedienaar van den protestant-schen godsdienst aan te melden om voor hem de plechtigheden van het huwelijk te voltrekken.
Een protestantsche edelman, onderscheiden zoowel om zijne adellijke afkomst als om zijne persoonlijke hoedanigheden, dong naar de hand van Joanna Francisca Fremiot, die later de Orde der Visitatie heeft gesticht. De ouders van het jonge meisje trachtten haar te overreden, dat de geloovige, godsdienstige vrouw den ongeloovigen man kon be-
23
keeren. Doch te vergeefs. Men kon haar niet tot dat huwelijk overhalen. En als op zekeren dag hare ouders sterker dan ooit op hare toestemming aandrongen, zeide zij: âLiever zou ik eene levenslange o-evangenschap verkiezen, dan mijn leven lang te verblijven bij een protestant, ja ik zou liever dui -zendmaal sterven dan een huwelijk aangaan met een vijand der Kerk.quot; Dit woord baarde eerst verwondering, want de jongeling verborg zijne ware o-evoelens en hield zich als K.atholiek , doch nauwelijks had hij bemerkt, dat zijne _ hoop op het huwelijk met de adellijke jonkvrouw ij del was, of hij wierp het masker der huichelarij af.
De Kerk verbiedt het sluiten van een huwelijk, alvorens de drie gebruikelijke roepen op den predikstoel zijn gedaan. Ken ongeldig huwelijk is eene o-roote ramp, zoowel voor de echtelieden zeiven als voor hunne kinderen, en om dat groot ongeluk te voorkomen heett de Kerk die wijze wet gesteld ; en al degenen, die eenig beletsel kennen, dat een voorgenomen huwelijk ongeldig zoude maken, zijn streng verplicht dit te openbaren. Ook de echtelieden zeiven moeten deze beletselen kenbaar maken of het huwelijk vaarwel zeggen, en dit alles onder zware verplichting. Uit eerbied voor den heiligen boetetijd der Kerk is het niet geoorloofd den plechtigen huwelijkszegen te ontvangen vanaf den eersten Zondag van den Advent tot Drie Koningen en vanaf Assche-Woensdag tot de octaaf van Paschen. Ook is het niet geoorloofd, om zwaarwichtige redenen een huwelijk aan te gaan met zeker iemand, als men met een ander persoon geldige huwelijks-beloften heeft o-esloten. Zij, die belofte hebben gedaan van de H. Orden te ontvangen, het kloosterleven te omhelzen, de zuiverheid te bewaren of de eenvoudige belofte van niet te huwen, zondigen zwaar, als zij
zonder dispensatie in hunne gelofte den huwelijken staat aanvaarden.
De voornaamste beletselen, die het huwelijk volstrekt ongeldig maken voor het geweten, zijn de volgende : vooreerst als men een persoon zou huwen, in de meening en met den wil een andere te huwen. Vervolgens als men iemand, zou huwen, die men vrij man waande, en die inderdaad slaaf zou zijn. Zoo iemand toch zou lietde en eerbied verschuldigd zijn, zou onderworpen zijn aan zijn meester en niet toebehooren aan zijne echtgenoote en kinderen. Dwaling echter omtrent de hoedanigheden en de fortuin van iemand zouden een huwelijk niet ongeldig maken. Hetzelfde geldt voor dwaling omtrent gebreken, ten minste als het geen groot gebrek beireft, dat het huwelijksleven onmogelijk zou maken. Plechtige belofte van zuiverheid, die wordt afgelegd bij het ontvangen van het Subdiako-naat, of bij het intreden in een der groote kloosterorden maakt het huwelijk ook volstrekt ongeldig.
Bloedverwantschap is een huwelijksbeletsel, dat zijne duidelijke reden heeft. Huwelijken toch, gesloten tusschen bloedverwanten, schenken dikwijls ziekelijke ol gebrekkelijke kinderen. De geneeskunde ontkent het niet, en de ondervinding bewijst het dagelijks Dit verbod der Kerk omtrent bloedverwantschap strekt zich uit ' tot den vierden graad. Zoo b. v. kan zonder dispensatie geen geldig huwelijk gesloten worden tusschen kinderen, wier grootouders volle neven of nichten waren.
Ook bestaat er eene geestelijke verwantschap, die het huwelijk verbiedt tusschen peter of meter met hun petekind en met dc ouders van dat kind.
De wettelijke verwantschap belet het huwelijk tusschen den' persoon, die een kind heeft aangenomen en dat kind zelve of dezes kinderen; en
eveneens verbiedt zij den aangenomen persoon een huwelijk te sluiten met de vrouw van zijn pleegvader of dezes kinderen. Aanverwantschap. â Hij, die wettig gehuwd is geweest, mag na den dood zijner vrouw geen huwelijk sluiten met de bloedverwanten zijner vrouw tot in den vierden graad. Deze wijze wet der Kerk heeft ten doel den weder-zijdschen eerbied en de wetten der eerbaarheid in de families te handhaven. Wat den man betreft ten opzichte der bloedverwanten zijner vrouw, is ook. van toepassing op de vrouw in betrekking tot de bloedverwanten van haren man. Hij, die wettig verloofd is geweest, mag niet huwen met eene andere, die in den isten graad verwant is met zijne bruid. Zou het iemand wagen, eene vrouw op gewelddadige wijze, tegen wil en dank, uit haar huis of van hare ouders te ontvoeren, dan zou hij haar niet kunnen huwen, alvorens haar in vrijheid te hebben gesteld.
Zij, die onder belofte van te huwen, overspel bedreven hebben, of die samengezworen hebben tot den dood van één der echtelieden, met het oog op het huwelijk na den moordaanslag, kunnen niet samen een geldig huwelijk sluiten. Zou iemand huwen onder den invloed van eene groote vrees, dan zou zulk huwelijk niet geldig zijn. Ook kan een christen geen geldig huwelijk aangaan met een ongeloovige. Eindelijk wordt tot een geldig huwelijk een bepaalde leeftijd gevorderd d. w. z. volgens de wet der Kerk moet het meisje haar twaalfde, de jongeling 's minstens zijn veertiende jaar voleind hebben. De burgerlijke wet vordert in dit punt voor het meisje den leeftijd van zestien, voor den jongeling den ouderdom van achttien jaren.
Krachtens goddelijk recht mag de vrouw slechts één echtgenoot hebben, en de man slechts ééne vrouw. Hieruit volgt noodzakelijk, dat elk huwelijk.
door één der echtgenooten tijdens het leven van den andere gesloten, ongeldig is, en dit wel krachtens goddelijk recht, zoodat de Kerk omtrent dit punt geen dispensatie kan verleenen. De echtscheiding, door de wet uitgesproken, kan geen huwelijk, in deze omstandigheden gesloten, geldig maken. De menschelijke wet is niet boven die van God. En de huwelijksband is onverbreekbaar, dat leert ons geloof. Zou men dus na een wettig huwelijk eene tweede vereeniging sluiten, zelfs al zoude de bur-â gerlijke overheid echtscheiding hebben uitgesproken, dan bedrijft men, naar het woord van Christus, overspel.
Zij, die zouden morren over de verplichting, waarin zij verkeeren om eene dispensatie te vragen voor een huwelijk, hebben nooit de ware verstandige beweegredenen begrepen, die de Kerk had bij het
I vaststellen van hare huwelijks beletselen. Verleent zij dispensatie, dan doet zij dit uit toegeeflijkheid voor de zwakheden harer kinderen ; en ook, omdat deze in sommige gevallen wettige redenen kunnen hebben om op deze dispensatie aan te dringen. De gevorderde schatting, bij het verleenen der dispensatie te betalen, heeft ten doel het aantal dispen-satie's te beperken en tevens om te voorzien in het onderhoud der kerkelijke gerechtshoven. Niets is voorzeker meer billijk. vaststellen van hare huwelijks beletselen. Verleent zij dispensatie, dan doet zij dit uit toegeeflijkheid voor de zwakheden harer kinderen ; en ook, omdat deze in sommige gevallen wettige redenen kunnen hebben om op deze dispensatie aan te dringen. De gevorderde schatting, bij het verleenen der dispensatie te betalen, heeft ten doel het aantal dispen-satie's te beperken en tevens om te voorzien in het onderhoud der kerkelijke gerechtshoven. Niets is voorzeker meer billijk.
HOOFDSTUK XIII.
Over de vereischte gesteltenissen tot dit Sacrament.
Wijl het huwelijk een Sacrament der levenden is, vordert het op de eerste plaats in hen, die het ontvangen, den staat van gratie. Het is dus voor hen
- 358 â
van belang, dat zij door eene goede biecht zich daartoe voorbereiden. Ongelukkig zij, die alvorens den onverbreekbaren huwelijks-band aan den voet van het altaar te sluiten slechts biechten voor den vorm, zonder openhartigheid, zonder berouw. _ Hoe kan de zegen Gods rusten op zulke echtelieden, op huisgezinnen, die gegrondvest zijn op eene heiligschennis ?
Dat dan de jongelingen en jonge dochters, die zelfs hier op aarde hun geluk betrachten, zorg dragen, tijdens de voorbereiding en bij het aangaan van dien gewichtigen staat een zuiver, vlekkeloos leven te leiden. Men maait op rijperen leeftijd, in zijn ouderdom, wat men in zijne jeugd gezaaid heeft. Zaait men dus gevaarlijke en zondige bijeenkomsten, dan bereidt men zich een oogst van teleurstellingen en ongelukken. De jongelingschap zij dus zedig en kuisch, wil zij zich eene gelukkige toekomst verzekeren ; zij sluite geene gevaarlijke vriendschappen met personen van verschillend geslacht; nooit veroorlove zij zich geheime bijeenkomsten, zelfs niet met den persoon, waarmede zij een huwelijk op hel oog heeft; â doch immer zij het toezicht der ouders de bewaker der deugd. Ja, zelfs in de tegenwoordigheid der ouders moeten die bijeenkomsten niet te langdurig, noch te menigvuldig zijn. Immer houde men in zich levendig de tegenwoordigheid van God en van zijn H. Engelbewaarder en men wachte zich zorgvuldig voor elke ongepastheid in zintuigen en manieren. Ook is het verkeerd, in zijne jeugd den geest te zeer bezig te houden met gedachten aan het huwelijk of met gesprekken daaromtrent. Zich te goed doen aan een maaltijd is geene fout; maar dikwijls aan de spijzen denken, die men genuttigd heeft ot die men ons zal opdienen; bij elke gelegenheid, die zich voordoet, daar-
over te spreken, verraadt toch op zijn minst genomen een zinnelijk hart. Zoo ook is het met het huwelijk.
Het huwelijk van Lodewijk XV, koning van Frankrijk, met Maria Leckzinska was voor goed bepaald, toen de grootmoeder der jeugdige prinses, die ook hare vertrouwelinge was, haar op zekeren dag vroeg, hoe zij dacht over haar voorrecht. Helaas ! dierbare moeder, antwoordde de prinses, ik heb daaromtrent slechts ééne gedachte, waarmede ik sedert acht dagen onophoudelijk bezig ben, en die is, dat ik zeer ongelukkig zoude zijn, indien de kroon, die de koning van Frankrijk mij biedt, mij de kroon deed verliezen, die mijn goddelijke Bruidegom, de Koning des hemels, voor mij bestemt.
Indien hij, die den huwelijken staat aanvaardt, de moeielijke plichten niet zou willen vervullen, welke deze meebrengt, zou hij zwaar zondigen. Zelfs als de echtelieden bij hunne overeenkomst stellig zouden weigeren wederkeerig jegens elkander den huwelijksplicht te aanvaarden of eene onverbreek-bare vereeniging aan te gaan, dan zouden zij niet alleen zwaar zondigen, maar hun huwelijk zou tevens ongeldig zijn. Geheel anders echter is het gelegen met een huwelijk, waarin de echtelingen, met wederkeerig goedvinden, aan God belofte van zuiverheid zouden doen. Zulk huwelijk is niet alleen geldig, maar ook geoorloofd. Nochtans mag deze voorwaarde, om tijdens het huwelijk de zuiverheid te bewaren, niet bij de overeenkomst bedongen worden. Alleen mag dit staande het huwelijk uit wederkeerig goedvinden geschieden.
De Katechismus van de Kerkvergadering vanTrente raadt den jonge lieden voor alles aan, om voor het sluiten van een huwelijk de wijze raadgevingen hunner ouders in te winnen. Ook geeft die kate-
- 360 -
chismus de beweegredenen aan, die zij alsdan op het cog moeten hebben. De eerste dier beweegredenen is de band eener samenleving, overeenkomstig de neigingen der natuur, die den echtelieden de wederkeerige hoop schenkt elkander behulpzaam te zijn om de lasten en moeielijkheden des levens met geduld en liefde te dragen. De tweede beweegreden is het verlangen kinderen te bezitten, niet zoozeer om die als erfgenamen hunner tijdelijke goederen na te laten, dan wel om die op te voeden in de beginselen van het katholiek geloof en den waren godsdienst. De derde beweegreden, die men zich bij het aangaan van een huwelijk kan voorstellen, is er bij gekomen na den val onzer eerste ouders. Hij, die uit ondervinding van zijne zwakheid bewust is, en die op den duur aan zich niet kan staande houden in den strijd tegen de bekoringen, kan zijn toevlucht nemen tot het huwelijk om aldus de zonde te vluchten.
Ziedaar de eerzame doeleinden van het huwelijk,, waarvan men er ten minste één op het oog moet hebben om godsdienstig en godvruchtig, zooals dat den kinderen der heiligen betaamt, den huwelijken staat te aanvaarden. Voegen er zich bij deze beweegredenen nog andere, die de menschen tot een huwelijk doen besluiten, of die de eene echtgenoote boven de andere verkieselijk maakt, zooals b. v. het verlangen om na zijn overlijden een erfgenaam na te laten, of de rijkdom der bruid, hare schoonheid, hare geboorte, afkomst of karakter, dan kan men daarom zulke menschen niet vcroordeelen, omdat die doeleinden niet in strijd zijn met de heiligheid van het huwelijk. De H Schriftuur maakt er Jacob geen verwijt van, dat bij Rachel boven Lia verkoos om wille harer schoonheid. Nochtans zou het niet zijn, zooals het betaamt, vol-
- 361 -
gens de bemerking van den H. Alphonsus, indien iemand een huwelijk zoude sluiten, voornamelijk uit bijkomende, toevallige, uiterlijke beweegredenen, die niet goed, niet heilig zouden zijn in zich zelve. Het zou dus af te keuren zijn een huwelijk aan te gaan hoofdzakelijk uit ijdele glorie, uit hebzucht of uit eenige andere beweegreden van dien aard. In onze dagen, helaas ! worden de huwelijken maar al te vaak door zoodanige uiterlijke beweegredenen ingegeven ; de deugd is niet in tel, en alleen wordt rekening gehouden met tijdelijke belangen en wel met eene sluwheid, die de rede zoowel als het geloof ten zeerste moet at keuren. Philippus, landvoogd van Egypte, dwong zijne dochter, de H. Eugenia, hare hand te geven aan den zoon van een consul, met name Aquilius, op wiens adellijke geboorte hij snoefde, âIn een echtgenoot,quot; hernam Eugenia, die alsdan nog slechts vijftien jaren oud was. âmoet men de zeden, het karakter beschouwen en niet de afkomst; want men moet hem huwen, niet zijne ouders.quot; Men verhaalt van een vader, dat hij op zekeren dag aan Themistocles vroeg, of het beter was zijne dochter uit te huwelijken aan een armen, deugdzamen man, dan aan een rijke zonder deugd. Indien ik in uwe plaats was, hernam Themistocles dan had ik liever een man zonder geld, dan geld zonder man. Helaas! de christenen van onzen tijd weten zich niet altoos te verheffen tot de hoogte der heidensche wijsheid !
Tot hoelang, kinderen der vienschen, zuil gij de ij delheid beminnen en de leugen zoeken ? En met welke verblindheid jaagt gij na, wat u vleit, uwe dwaze eigenliefde en hebzucht, meer dan de zaken, riie u gelukkig konden maken ? Weet ge dan niet, dat de deugd, de godsvrucht alleen de beloften heeft van het tegenwoordige en het toekomende
quot;leven ? Zij is het, die het geluk uitmaakt der ech ⢠telieden, zij, die men reeds van zijne jeugd af moet betrachten. Eene deugdzane vrouw, zegt de H. Schriftuur, is zeldzaam en kostbaar als de parel, â welke wordt aangevoerd van de uiterste grenzen der aarde; zij is een heerlijk erfdeel, dat den braven, edelmoedigen man zal te beurt vallen als eene belooning voor zijne goede werken. En wi] kunnen er bijvoegen, dat een jong meisje niet op eene gelukkige toekomst kan rekenen, indien zij niet een oprecht, christelijk man uitkiest, die gehecht is aan het geloof der Kerk en zijne plichten als christen
stipt en heilig volbrengt.
Tertullianus schildert ons de smarten der christen vrouwen, die in zijn tijd een ongeloovige tot echtgenoot namen. Zijne woorden zijn als het ware letterlijk van toepassing op een groot aantal vrouwen in onze dagen, die roekeloos een huwelijk aangaan met lauwe, onverschillige christenen, _ die in onze eeuw zoo talrijk zijn. âWie kan het in twijfel trekken?quot; zoo schreef Tertullianus. âEiken dag ziet men het geloof meer en meer verzwakken in zulk huwelijk met een ongeloovige. Hoe zal zij de wet des Heeren volbrengen,, die vrouw, die immer een claaf des duivels aan hare zijde heeft staan ? Moet
zij zich naar de vergadering der geloovigen begeven,
dan verwijst haar man haar naar wereldsche bijeenkomsten. Moet zij vasten, dan legt hij een feest aan op dien dag.... Zal die man dulden, dat zijne vrouw de schamele hut van den lijdenden arme binnentreedt, om daar den nijpenden nood eemgs-zins te lenigen ? Kunt gij, o vrouw, voor uwen man het kruisteeken verbergen, dat gij maakt over uwe legerstede en over u zeiven, alvorens te ruste te eraan ? Zal het u ooit mogelijk zijn des nachts op Ie staan om te bidden, zonder dat het zijn opmerk-
zaam oog treft ? Zullen uwe godvruchtige oefeningen hem geen bijgeloovigheid toeschijnen ? Welke gezangen zal uw man in uw bijzijn aanheffen, en wat zult gij hem kunnen zeggen ? Ongetwijfeld zal hij u de gezangen in de ooren laten klinken, die hij opgevangen heeft in de theaters en in dekollie-huizen.... Maar zal hij u ooit van God spreken 3 Zal hij Jezus Christus aanroepen? En zult gij, om uw geloof te sterken, hem de H. Schrift kunnen voorlezen ? Waar zult gij dan troost vinden voor uwe ziel ? Hoe zult gij dan met hem den God van liefde kunnen loven en danken ? Helaas! tusschen u en hem bestaat geene gemeenschap.quot;
Het is waar, men vleit zich ooit met de bedrie-gelijke hoop, na het huwelijk den persoon te be-keeren, die te voren in onverschilligheid, ja misschien in ongeloof leefde. Helaas! die hoop is dikwijls een droom, die bittere teleurstelling baart. Als men met een zieke leeft, die door eene besmettelijke ziekte is aangetast, dan is het gemakkelijker besmet te worden dan den zieke te genezen. Zoo ook verliezen personen, die kuisch en godvruchtig zijn vóór het huwelijk, in een slecht huwelijk dikwijls spoedig alle eerbaarheid en de beoefening der christelijke deugden. Men zie slechts rond en overtuige zich. Het is niet gemakkelijk, zal men inbrengen, een huwelijk te sluiten met iemand, die waarlijk christelijk, oprecht godvreezend is. Dat is waar, wij bekennen het graag : maar indien men zoo iemand niet vinden kan, welke noodzakelijkheid bestaat er dan om zich tevreden te stellen met een andere, die geen geloof bezit en die in de meeste gevallen de oorzaak zal zijn van den ondergang van het huisgezin ? Wie ziet niet in, hoezeer de opvoeding, in onze dagen reeds zoo moeielijk in het christelijk huisgezin, gevaarlijk zal worden, indien de echte-
- 36-1 -
Heden elkander niet verstaan in die christelijke opvoeding hunner kinderen.
Vóór alles moet men opmerken, dat het huwelijk geene verplichting is: is het niet beter voor zijne eigene zaligheid alleen zorg te dragen, dan gevaar te loopen met twee of meer verloren te gaan ? Op den dag van heden, zegt de Katechismus van de Kerkvergadering van Trente, bestaat er niét alleen geene wet meer, die het huwelijk verplichtend stelt, maar veeleer wordt de maagdelijkheid door de Heilige Schriftuur aan iedereen ten hoogste aanbevolen en aangeraden. De godgeleerden geven slechts drie gevallen aan, waarin het huwelijk verplichtend is: nl. ten eerste kan men verplicht zijn te huwen, als dat strekken zou tot welzijn van een gansch volk b. v. om een einde te maken aan een oorlog, of om een geheel volk te bekeeren. Vervolgens is een jongeling, die onder belofte van het huwelijk, een meisje hare eer heeft ontroofd, gehouden haar te huwen. Eindelijk moet hij, die in zonde leeft en die geene andere middelen ter verbetering wil aanwenden, in eene wettige vereeniging een geneesmiddel, zoeken voor zijne kwalen; maar altijd kan men met de hulp der genade, die nooit aan een aanhoudend gebed geweigerd wordt, zich onthouden van de zonde en het huwelijk en doen wat het beste is van alles nl. de volmaakte zuiverheid beoefenen. Alhoewel de ouders hunne kinderen om eene gegronde reden tot het huwelijk kunnen aanzoeken, b. v. om hunne familie in stand te houden, kunnen zij hen daartoe niet dwingen, vooral wanneer die kinderen een meer volmaakten staat zouden willen kiezen; en indien de ouders misbruik maakten van hun gezag, zouden de kinderen hun geene gehoorzaamheid schuldig zijn.
Possidonius verhaalt ons in het leven van den
- 305 -
H. Augustinus, dat die H. Leeraar aan niemand ooit het huwelijk aanraadde. En buiten die eenige zeldzame gevallen, die wij zooeven aanhaalden, waarin het huwelijk verplichtend kan zijn, is het niet aangeraden, in den nauwgezetten zin van het woord; het is eenvoudig toegestaan, want de ongehuwde staat is beter, zooals wij aanstonds zullen bewijzen.
Onteeren wij den dag des huwelijks niet door schandelijke en wereldsche feesten, zegt ^fle H. Jo annes Chrysostomus; indien gij van die feesten verwijdert alle verwijfde gezangen, danspartijen, onbetamelijke woorden, uitgelaten vreugde, dronkenschap ; kortom alles, wat den christen niet past, dan zal Christus aan het hoofd van die feesten zetelen en het huwelijk rijkelijk zegenen ; â zoo niet, dan zal de duivel, ten spijt van allen, den boventoon voeren en reeds van stonde at aan zijne verwoestingen in het huisgezin aanrichten.
HOOFDSTUK XIV.
Over den ongehuwden staat.
Wij hebben in de vorige hoofdstukken uiteengezet, wat ons het meest doelmatig toescheen betret--fende de zeven H. Sacramenten door Christus ingesteld. Maar onze taak zoude niet volbracht zijn, indien wij na onze behandeling over het Priesterschap en het Huwelijk, geene melding maakten van twee eerbiedwaardige levensstaten : nl. van den ongehuwden staat en het kloosterleven.
Ofschoon de christelijke echtgenooten door het Sacrament de genade krijgen om de plichten van hunnen staat heilig te vervullen, om de kinderen, â die God hun schenkt, christelijk op te voeden, is
366 -
het nochtans eene waarheid van ons geloof, ^ ongehuwde staat en de maagdelijkheid volmaakter en gelukkiger zijn dan het huwelijk Men meikc hier op, dat wij de staten met elkander vergelijken, niet °e personen. Als wij zeggen, dat het huwelijk heilig is, dan zeggen wij mets van hen, die he huwelijk ontheiligen, ook spreken wij met ovei hen, die den christelijken ongehuwcen staat oneer
zouden aandoen. jor
Dat de ongehuwde staat zelfs te midden der
wereld eene mogelijkheid is, kan slechts ontkend
worden door ongeloovigen en bedorven lieden, die
zelf geen deugd bezitten en daarom ook die van
anderen in twijfel trekken. Doch zij, die de men-
schen van nabij kennen, weten dat er â¢ivere v e -
kelooze zielen gevonden worden m al.e staten e
standen des levens; en wordt er door den mensch
geene misdaad bedreven, die ook een andei had
kunnen begaan, ook wordt er geene enkele deuga
beoefend door anderen, die wij zeiven met zouden
kunnen beoefenen, ik zeg niet uit eigen krachten
maar met de genade van God, die ze met weigei
aan hen, die er om bidden.
Dat het aan ieder, die zulks verlangt geoorloofd is den ongehuwden staat en de maagdelijkheid voor altijd te bewaren, valt ook nietin twijfel te trekken ; want het is zeker, dat er geene enkele wet bestaat, die het huwelijk voor iemand in het bijzonder verplichtend stelt ; en als God toestaat in volmaakte zuiverheid te leven, is er geen menschehjk gezag
denkbaar, dat zonder onrechtvaardigheid aan de
zielen de vrijheid kan ontnemen, die God haar laat.
Onze goddelijke Zaligmaker heelt den ongehuwden staat en de maagdelijkheid niei alleen geoorloofd gesteld, maar zelfs allen aangeraden; Ik wensc^ dat allen zijn zooals ik, zegt de apostel Paulus op
ingeving van God zelve. Het is dus geen gebod ; want volgens de bemerking van den H. Hieronymus, legt God de menschen het leven der engelen niet op ; â neen, Hij stelt zich tevreden met het hun aan te raden.
Vandaar dat zij, die een huwelijk aangaan, niet zondigen ; maar de ongehuwde staat en, met meer reden nog de maagdelijke staat, die bestaat in de ongeschondenheid van het lichaam, vrij van alle vrijwillige besmetting, zijn twee levensstaten, meer verheven boven het zinnelijke, boven aardsche beslommeringen, zuiverder, aangenamer aan God, en bijgevolg heilzamer voor de ziel, omdat die levensstaten haar meer behoeden voor de gevaren der zaligheid, haar meer losrukken van deze wereld, die eene belemmering zijn voor de volmaaktheid.
Ook heelt onze goddelijke Zaligmaker, wel verre van de maagdelijkheid af te keuren, haar een bijzondere belooning belooft in den hemd. Het is dus een goed werk anderen aan te sporen den onge-huwden st .at te omhelzen. Want zoo maakt men heiligen, door de navolging van den Heilige der heiligen. Al de Heilige Vaders hebben eenparig de volmaakte zuiverheid geprezen, en hare voordeden met lof vermeld. De H. Matthaeus is als martelaar gestorven, omdat hij Iphigenia, dochter van den koning van Ethiopië, had aangeraden de maagdelijkheid te bewaren. De H. Paulus werd op bevel van keizer Nero ter dood gebracht, omdat hij aan de schandelijke driften van dien dwingeland jonge christen maagden ontrukte en ze den Heer toewijdde. Alleen ketters en ongeloovigen zijn beschim-pers van het christelijk celibaat.
De ouders deden dus een aangenaam werk voor God, indien zij reeds vroegtijdig hunne kinderen de hooge waarde der volmaakte zuiverheid deden be-
â 368 â
-o-rijpen. De jonge maagd Demetriades, dochter van den consul Olibrius, bewonderenswaardig om hare schoonheid en eenige erfgename van onmetelijke bezittingen, was, volgens het getuigenis van den H. Hieronymus, de voornaamste in de Romeinsche wereld. Alhoewel haar de hand geboden werd van een der adellijkste jongelingen, hetgeen haar de -schitterendste vooruitzichten in deze wereld opende, wilde zij nochtans van geen anderen bruidegom weten dan van den Koning des hemels Demetriades hield niet op God onder tranen te smeeken, dat Hij toch hare ouders zou doen berusten in haar vurig verlangen. En als de tijd gekomen was om haar edelmoedig besluit te openbaren, begaf het jonge meisje zich naar Juliana, hare moeder, en Proba, hare grootmoeder, wierp zich voor haar op lt;ie kniesn neder en bad en smeekte ze, om zich toch niet te verzetten tegen haar besluit om voortaan geheel en al aan God toe te behooren.
Proba en Juliana hadden geen ander verlangen dan te zien dat haar dierbaar kind zich toewijdde aan Jezus Christus, haren goddelijken Bruidegom. Deze bewonderenswaardige vrouwen richtten spoedig het jonge meisje op, dat nog beefde, uit vrees, da.t het haar eene diepe smart veroorzaakt had; zij omhelsden het teeder, drukten het aan haar hart en riepen uit: âWees gezegend, geliefd kind, nog adellijker gaat gij uwe familie maken door den glans uwer maagdelijkheid !quot; En deze dag was voor de gelukkige huisgenooten de genoegelijkste en meest vreugdevolle feestdag. . ,
De ouders, die de edelmoedigheid dezer heilige vrouwen navolgen, verdienen niet alleen eene rijke belooning in den hemel, maar zelfs in deze wereld â zullen zij een zoeten troost smaken in de kinderen, die zij God hebben toegewijd door de beoefening
- S69 â
der volmaakte zuiverheid. Wien is het onbekend, dat kinderen, die gehuwd zijn, zich dikwijls weinig om hunne ouders bekommeren, terwijl de maagd, die engel van vrede voor den huiselijken kring, hare liefde toont en hare beste zorgen besteedt aan hen. die haar het leven schonken ?
Het is een verdienstelijk werk aan te sporen tot het meer volmaakte en meer gelukkige, doch men maakt zich schuldig voor God, als men het goede verkleint en veracht en anderen er van afhoudt. Is het aan de ouders niet geoorloofd, zich op onrechtvaardige wijze te verzetten tegen het huwelijk hunner kinderen, dan is het voorzeker nog schandelijker en dwazer van hen, hunne kinderen als het ware, tot een huwelijk te dwingen, als zij de volmaakte zuiverheid in beoefening willen brengen. En wie kan het kwaad beschrijven, dat voortspruit uit die val-sclie meening der ouders, dat hunne kinderen, wat het ook kosten moge, een huwelijk moeten aangaan? Hoe is het mogelijk, zoo vraagt zich de H. Chrysostomus af, dat zij, die de ondervinding hebben opgedaan van de nietswaardige vermaken dezer wereld, van de lasten en moeielijkheden des levens, ook hen. die hun dierbaar zijn, hoe betook ga, ertoe kunnen aanzetten ?
Men werpe niet op, dat de ongehuwde staat een leven onvruchtbaar maakt. Neen, rijk en vruchtbaar was het leven van Epaminondas, den held van Thebes, die het celibaat bewaarde om beter het vaderland te dienen : en als men hem aanried te huwen, antwoordde hij : âIk laat twee onsterfelijke dochters na, de zegepraal bij Leuctra en die van Mantinea.quot; Hoeveel nederige meisjes, die slechts onbekende vrouwen zouden geweest zijn, zijn door het volgen van den maagdelijken staat het voorwerp geworden van bewondering en achting niet alleen voor een
2i
o-eheel dorp of voor eene gansche stad maar zelfs voor een geheel land ! Zal Jeanne d Are, de maagd van Orleans, die Frankrijk redde, ooit in vergetelheid raken? Arme slaven der wereld, het meisje, waarmede gij lacht, en wier leven voorbijsnelt, verwijderd van uwe feesten en genoegens, leidt een leven rijker en vruchtbaarder dan het uwe; en als het licht der waarheid eenmaal voor uwe stervende oogen zal schijnen, dan zult gij het te danken hebben aan haar gebed, aan hare zuiverheid. Indien men met den goddeloozen Rousseau de opwer-pino- maakte, dat het menschelijk geslacht zou uitsterven, indien allen den ongehuwden staat volgden, dan zouden wij antwoorden, dat de maatschappij seen gevaar van ondergang dreigt door de volmaakte zuiverheid. De deugd is zeldzaam, zegt de H Hieronymus. Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. De ondergang der maatschappij dreigt van elders. De zonde, de ondeugd verwoest en ontvolkt de families ; vermenigvuldigt de maagden, en de huwelijken zullen gezegend zijn. Het voorbeeld der maagden zal de echtgenooten leeren de plichten van hun staat gaarne te vervullen.
De ongehuwde staat vereischt geen bruidschat, en de ouders behoeven geenszins te vreezen voor de lasten van een talrijk gezin, indien verschillende hunner kinderen, door het volgen van den ongehuwden staat, hun erfdeel ongeschonden aan hunne
broeders nalaten.
Het celibaat te bewaren zonder er aan CjOu belofte van te doen is reeds eene volmaaktheid, maar er zich toe verbinden door belofte is nog aangenamer aan God en verdienstelijker voor ons zeiven. Nochtans zou het onvoorzichtig zijn, die belofte af te leggen zonder zijn biechtvader te raadplegen en zonder zich geoefend te hebben in het vluchten
der wereld en in de beoefening der christelijke godsvrucht. Wat wij hebben gezegd omtrent den ongehuwden staat en zijne voordeden is, in gelijke verhouding, ook van toepassing op den weduwstaat, die aangenamer is aan God dan een tweede huwelijk. Ten tijde van Theodorik, koning der West-Gothen, zoo verhaalt ons Gregorius de Groote, werd eene dochter van den consul en patriciër Symmachus, de jonge en adellijke Galla, uitgehuwelijkt aan een echtgenoot van gelijken rang. Na verloop van een jaar stierf haar man en Galla werd weduwe. Haar hooge afkomst, haar rijkdom, hare jeugdige jaren, kortom alles noodigde haar uit tot een tweede huwelijk, en het ontbrak niet aan adellijke jongelingen, die hare hand vroegen. Zelfs de genees-heeren rieden het aan uit wetenschappelijk oogpunt ; doch niets kon het vaste besluit van Galla aan het wankelen brengen. Het tweede huwelijk, waaraan zij de voorkeur gaf, was de onafscheidelijke veree-niging met haren goddelijken Bruidegom, eene ver-eeniging, die wel is waar dikwijls in droefheid wordt gesloten, maar die eindigt met de eeuwige vreugde ; terwijl de echtvereenigingen der wereld meestal worden aangegaan in uitbundige vreugde, doch helaas ! dikwijls uitloopen op bitter geween.
HOOFDSTUK XV.
Over den kloosterlijken staat.
Verheft de beoefening der volmaakte zuiverheid de zielen, die haar omhelzen, boven de echtelieden, nog meer verdiensten hebben zij, die, niet tevreden met de maagdelijkheid te bewaren, ook nog de andere evangelische raden volgen. Onze goddelijke
- 372 -
Zaligmaker toch heeft zijne leerlingen, behalve den raad van zuiverheid, ook nog dien van armoede en ffehoorzaamheid gegeven. Hij heeft zijne raadge-vingen, zoowel als zijne geboden, aan alle menschen voorgesteld. Zij zijn dus voor allen mogelijk, want God ^ebiedt of raadt niets onmogelijks. En aan allen is het geoorloofd die in te volgen, ten minste, indien ze niet reeds een anderen staat omhelsd hebben. Ook heeft niemand het recht hen, die deze evangelische raden willen volgen, op onrechtvaardige wijze daar van af te houden. . , .
Het is waar, om in den hemel te komen is het voldoende Gods geboden te onderhouden; men is volstrekt niet verplicht die evangelische raden te volden, ten minste als men daaromtrent geene belofte heeft gedaan, of als men zich daartoe door geene klaarblijkelijke neiging geroepen voelt. Maar vol°-t men die raden in, dan verkrijgt men daardoor de heerlijkste voordeden. De raadgevingen van een wijzen vriend zijn van groot nut; en Christus is de Wijze en de Vriend bij uitnemendheid. Zijne raaa-aevingen moeten dus noodzakelijk allerheilzaamst zijn. 0 De0enCTelachtige leeraar, de H. Thomas van Aquine, somt die voordeelen op. De beoefening der evangelische raden, zegt die Heilige, verwijdert van den mensch alles, wat hem beletten kan zich geheel en al aan God weg te schenken ; d. w. z. het verlangen naar tijdelijke goederen wijkt voor de armoede; de gehechtheid aan de zinnelijke lusten van het vleesch voor de volmaakte zuiverheid; de afwijkingen van den eigen wil houden op door de gehoorzaamheid;
en hij, die de belofte aflegt deze drie raden te volgen, wijdt zich geheel en al toe aan de verheerlijking van zijn Schepper. Want door de belofte van armoede schenkt hij aan God zijne goederen, door de belofte van zuiverheid zijn lichaam, door de belofte van
- 873 -
gehoorzaamheid zijne ziel. Is dat niet het offer van zich zeiven ?
In den kloosterlijken staat beoefent men deze drie evangelische raden en legt men de gelofte af, die voor altijd na te leven : en deze drie raden zijn het wezen van het kloosterleven. Onze goddelijke Zaligmaker heeft dus Zelf den kloosterlijken staat ingesteld, om daardoor den menschen een middel te verschaften om gemakkelijker de volmaaktheid te bereiken en met meer zekerheid hunne zaligheid te bewerken. Ook heeft de religieuse staat den hemel als het ware met heiligen bevolkt, en tot op den dag van heden bloeien in dien staat nog de heerlijkste deugden En als de vijanden der Kerk hunne woede uitbraken en het werk van den Satan verrichten, door alles wat goed en edel is te vernietigen, dan zien wij hunne eerste aanvallen gericht op de kloosterlingen.
In dezen staat heeft men minder gelegenheden tot zondigen, meer middelen ter heiliging. De meest gewone oorzaak van het verderf der zielen, zijn ongetwijfeld de gevaarlijke gelegenheden, slechte of lichtzinnige boeken, gevaarlijke gezelschappen, wereld-sche bijeenkomsten. De ziel van den kloosterling is daartegen gevrijwaard, voor zooverre men dit ten minste in de wereld zijn kan. Daarenboven, hoe-vele geestelijke hulpmiddelen vindt men niet in het religieuse leven? De waakzaamheid, de raadgevingen, de voorbeelden van oversten en medebroeders ot medezusters; het menigvuldig ontvangen van de H.H. Sacramenten ; de geestelijke afzonderingen, het aanhoudend gebed, dat alles te zamen verzekert den kloosterling een schat van genaden, die hem zijne zaligheid vergemakkelijken. En wat verder nog te zeggen van zijne bevrijding uit zoovele ellenden der wereld, van het geluk, dat een hart bezit, brandend
- 374 -
van ijver om te werken, niet voor tijdelijke, vergankelijke goederen, maar voor den hemel, voor de eer en de glorie van God, voor het heil van zijn even-mensch ?
Indien de menschen in de wereld de vreugdeen den vrede kenden van het kloosterleven, zegt de H, Scholastica, dan zouden zij_ over de muren dei-kloosters heenklimmen, om zich daar voor altoos op te sluiten.quot;
Er is dus geen krachtiger middel ter zaligheid dan de religieuse staat; niets trekt den zegen des hemels rijkelijker af over de huisgezinnen, dan één of meer leden te hebben, toegewijd aan den dienst van God. En voor de maatschappij zijn de kloosters als het ware bliksemafleiders, die den bliksem van Gods rechtvaardigheid en wrake, gewapend dooide misdaden van het volk, afleiden. Aan hen, die de kloosterlingen beschuldigden, dat zij een nutteloos leven leidden, antwoordde de H. Bernardus : âEr is niemand onder ons, die niet, indien hij in de wereld de helft verrichtte van hetgeen hij thans in het klooster doet, als een heilige zou vereerd worden.quot; Ja, met de geschiedenis in de hand is het gemakkelijk aan te toonen aan eenieder, die niet ziende blind is, dat de kloosterlijke staat, door alle eeuwen heen, zijne weldaden over de volken heeft uitgespreid. Hij toch is het, die ten allen tijde de onwetenden leeraarde, de letteren, schoone kunsten en wetenschappen beoefende, en den armen en behoeftigen steeds een toevluchtsoord aanbood. Eindelijk, den kloosterlingen is het te danken, dat dorre, onvruchtbare woestenijen in heerlijke, vruchtbare landschappen zijn herschapen en dat alles ten koste van offers, die de wereldling niet genoeg kan bewonderen.
Na deze verschillende opmerkingen moeten wij
met den H. Thomas besluiten, dat zij, die anderen aansporen het kloosterleven te omhelzen, niet alleen niet zondigen, maar zelfs eene groote belooning verdienen in den hemel. Ook vloeit daaruit als van zelf voort, dat zij, die anderen van dien verheven staat terughouden, zich grootelijks schuldig maken voor God, te meer nog, als zij met hunne opvoeding belast zijn. Daarenboven bedenke men, dat zij, die zich tot dien religieusen staat geroepen gevoelende dien niet volgen, zich van de grootste genade berooven, die God hun schenken kan. Ook bezitten zij van God het recht, hunne gehoorzaamheid te weigeren aan hen, die hen onbillijk daarvan zouden terughouden en, meerderjarig geworden, kunnen zij zonder vreeze hunne heilige verlangens en voornemens ten uitvoer brengen. Dit laatste zien wij bevestigd door de leer en de voorbeelden van heiligen, die de wereld verlaten hebben buiten weten en tegen den wil hunner ouders en God heeft die heldhaftige besluiten goedgekeurd en begunstigd door schitterende mirakelen. Zoo handelde eens de H. Thomas van Aquine, de H. Franciscus Xaverius, de H. Phi-lippus Nerius, de H. Ludovicus Bertrandus, de H. Stanislaus Kostka en zoovele anderen. En in een tijd, waarin men zijn beroep durft doen op de vrijheid van geweten ten voordeele van het kwaad, schenke men ze ten minste aan hen, die er het heiligste gebruik van willen maken.
Gelukkig de priesters en ourlers, die de roepingen tot den geestelijken staat in hunne parochiën en in hunne huisgezinnen bevorderen ! Gelukkig de godvruchtige zielen, die door hunne wijze raadgevingen of hunne offervaardige edelmoedigheid anderen in de gelegenheid stellen zich voor altoos aan den dienst van God toe te wijden!
- 376 -
HOOFDSTUK XVI.
Over de keuze van een levensstaat.
Het is niet genoeg de verschillende levensstaten te kennen; nog een enkel woord moet gezegd over de keuze, die men kan of moet maken. Niets is van meer aanbelang dan de keuze van een levensstaat; want daarvan kan het tijdelijk en eeuwig lt;reluk of ongeluk eener ziel afhangen. Om zich niette vergissen in een zaak van zooveel gewicht, moet
men bidden. . , . ,
God schenkt het licht, en dit licht schittert vooral in de oogen van zuivere zielen. Vandaar dat vooral jongelieden en jonge dochters te beklagen zijn en gevaar loopen zich in de keuze van een levensstaat te bedriegen, als zij in zonde leven.
Ook is het zeer aan te raden, dat men om eene gelukkige keuze te doen eenige dagen van geestelijke afzondering houde. Biedt zich daartoe geene ge-leo-enheid aan, dat men dan ten minste in de eenzaamheid zijns harten voor God overwege, wat men in zijn stervensuur of op den laatsten oordeelsdag zou wenschen gedaan te hebben, of wat men in zulk aeval een vriend zou raden, die in dezelfde omstandigheden verkeerde als wij Men overwege verder, in welken staat men het gemakkelijkst zijn zaligheid zou kunnen bewerken en God het meest verheerlijken; want dat is toch het eenige doel van ons leven. Ook moet men tot dat einde laad in-winnen, niet van een groot getal personen ; want, zooals de H. Thomas terecht opmerkt het groote getal zal u eerder van de volmaaktheid afbrengen dan er toe te geleiden; maar men vervoege zich.
als men denkt aan een huwelijk, tot zijne ouders, die omtrent dit punt meer ondervinding hebben dan de kinderen, ofwel men raadplege zijn biechtvader.
De H. Alphonsus de Liguori zegt, dat, als het de roeping geldt tot het religieuze leven, het niet noodzakelijk, ja gewoonlijk niet geraden is, hieromtrent zijne ouders te raadplegen, die in deze zaak volstrekt geene ondervinding hebben opgedaan en gewoonlijk teveel hun eigenbelang op het oog hebben om een rechtzinnigen raad te geven.
Dat raadplegen moet ook niet al te lang duren; en men behoeft niet te wachten, totdat een engel uit den hemel ons komt bekend maken, wat ons te doen staat.
Hij, die zich in één dier zeldzame gevallen bevindt, waarin het huwelijk eene noodzakelijkheid is geworden (zie Hoofdstuk XII), heeft daaromtrent geene beslissing meer af te wachten ; zijne roeping is genoegzaam bekend. Hetzelfde kan men getuigen van hem, die belofte gedaan heeft den on-gehuwden staat te volgen. Zoo iemand is daartoe van zelf verplicht. Hij, die de gelofte heeft afgelegd het kloosterleven te omhelzen, behoeft ook daaromtrent niet langen tijd te beraadslagen; hij is gehouden zijne belofte zoo spoedig mogelijk gestand te doen. Het is ook zoo gelegen met hem, die zich geroepen voelt tot het religieuze leven, ofwel door eene inwendige stem, ofwel door de overtuiging, dat hij in dien staat het zekerst zijne zaligheid zal bewerken: hij moet zich haasten er de proef van te nemen, die hem overigens tot niets verplicht; want het noviciaat dient om zijne roeping te beproeven .
Deze proefjaren in de wereld doorbrengen is eene dwaasheid; men zou er bij varen als de schilder, die bij een smid in de leer zou gaan; en daaren-
- 37S -
boven zou men daardoor dikwijls zijne roeping in gevaar stellen. Het is volstrekt dwaas te beweren, dat eene roeping niet gemist kan worden, als zij -van God komt. Gelijk iedere genade, zoo kan men ook zijne roeping verliezen, ja zelfs kleine ongetrouwheden en een vrijwillig uitstel kunnen haar doen missen.
De vrees van misschien het klooster te zullen verlaten, dat men intreedt, mag eene edelmoedige ziel niet terughouden. Het is toch geen schande te beproeven goed te doen, zelfs al zou men daarin niet slagen. Ja, is het geen voorrecht een levensstaat te kiezen, dien men kan vaarwel zeggen, als men er geene roeping toe gevoelt ?
Levensstaten, die men aangaat zonder proefjaren, moeten meer wantrouwen inboezemen.
Men mag gerust besluiten geroepen te zijn tot den geestelijken staat, zegt de H. Alphonsus, als men daartoe eene oprechte meening heeft, d. w. z. de meening om zich te onttrekken aan de gevaren eener diepbedorven wereld, om beter in staat te zijn God te dienen, om te arbeiden voor zijne zaligheid en het heil van anderen. quot;Verder is het een teeken van roeping, zegt diezelfde heilige, als daartoe geene beletselen in den weg staan, zooals het gemis eener degelijke gezondheid en onbekwaamheid. Ook moet men geene noodlijdende ouders behoeven na te laten, in wier behoeften men moet voorzien, en eindelijk als laatste bewijs kan gelden, dat men door de oversten van dat klooster is aangenomen.
Zware fouten bedreven te hebben is geen beletsel om de geestelijke roeping te volgen, ten minste als er geen sprake is van groote misdaden. Met een goeden wil betert men zich van zijne gebreken en zondige gewoonten gemakkelijker in een klooster dan elders. Ook kan men aangenomen worden voor
- 379 -
'net religieuze leven, al is men niet wetenschappelijk ontwikkeld; men kan nl. worden bestemd om een nederig handwerk te verrichten.
Het is eene grove, gevaarlijke dwaling, zijne intrede in het kloosterleven uit te stellen, als men daartoe stellige roeping gevoelt, totdat men op meer gevorderden leeftijd gekomen is; ten minste, als men daartoe eerder kan overgaan. De Kerk heeft den ouderdom van 16 jaren vastgesteld, waarop men de kloostergelofte mag afleggen, en wijzer zijn dan de Kerk, is eene misleiding.
Euphrasia, eene bloedverwante van keizer Theo-dosius, eenige jaren na haar huwelijk weduwe geworden, had slechts ééne dochter, die haar naam droeg. Om zich te onttrekken aan een schitterend feest, dat de keizer te harer eer had laten aanrichten, ondernam zij met haar kind eene reis naar Egypte, en bezocht alsdan de talrijke mannen- en vrouwenkloosters, die in dien tijd in dat land bloeiden. Een dier kloosters was bevolkt met meer dan honderd kloosterzusters, die in eene strenge boetvaardigheid hun leven aan God ten offer brachten. Euphrasia stelde er een voorwerp van troost in het dikwijls te zien en altijd voerde zij het jonge meisje met zich, ofschoon het nog nauwelijks zeven jaren oud was. De overste van het klooster schepte er dikwijls vermaak in, zich met de jeugdige Euphrasia te onderhouden en zij ondervond in haar een vroegtijdigen aanleg tot oprechte godsvrucht. En als zij eens, bij wijze van scherts, de gevoelens van dat jeugdige hart wilde peilen, vroeg zij haar, of zij geene kloosterzuster wilde worden. ,,1agaarne.quot; antwoordde het kind ronduit. âWel,quot; hernam de overste, âblijf dan hier bij ons wonen quot;
âMet genoegen,quot; hervatte het kind, âmet genoegen ; maar ik zou moeder daardoor groot verdriet aandoen.quot;
- 880 -
Deze samenspraak ging vergezeld van eene heilige vreugde, en Euphrasia, hare moeder, toonde hare vreugde door een vloed van tranen.
Maar als zij op het punt stonden het klooster te verlaten, kreeg de zaak eene meer ernstige zijde : want het jeugdige meisje verklaarde hare moeder, dat zij er verlangde te blijven, en bleef onverzettelijk in haar besluit. Dat verlangen, dat men voor een kindergril aanzag, werd ingewilligd, met de gedachte, dat, als zij den nacht in het klooster had doorgebracht, wel niet meer van zin zoude zijn er één dag te blijven. Maar des anderendaags was zij nog niet van gevoelen veranderd. De overste zag in die standvastigheid iets bovennatuurlijks, en zeide tot hare moeder: âMevrouw laat uw kind bij ons blijven, want het is de genade van God, die in haar werkt.quot;
Euphrasia, wier deugd grooter was dan de gehechtheid aan haar kind, nam alsdan haar dochtertje bij de hand, geleidde het voor een kruisbeeld en riep weenend uit: âHeer Jezus Christus, neem dit kind aan, want het verlangt niets buiten U.quot; Vervolgens wendde zij zich tot haar kind, gaf het hare beste wenschen en stelde het onder het gezag der overste. Eenige jaren later stiert die edelmoedige moeder, na een heilig leven, in datzelfde klooster in de armen harer geliefde dochter. En de jeugdige Euphrasia maakte snelle vorderingen in de deugd en het geestelijk leven en zij heeft wonderen verricht, die haar zoo beroemd hebben gemaakt onder de Grieken, en die haar door de Kerk als een heilige hebben doen vereeren.
Eene zekere onstandvastigheid in zijn verlangen om religieus te worden, is niet altijd een bewijs, dat men daartoe niet geroepen is. Zou zelfs dit verlangen in ons levendig zijn, als men lauw en
traag is, dan is dat een bewijs, dat het van den Geest Gods komt.
Buiten de gevallen, waarin men verplicht is den eenen levensstaat boven den andere te verkiezen, blijft men vrij in zijne keuze, als men geene bijzondere genegenheid gevoelt voor een der volmaaktere levensstaten, en geene beletselen heeft voor welken ook. Gaat men een huwelijk aan, men doet goed; volgt men den ongehuwden staat men doet beter, omhelst men het kloosterleven, dan heeft men de meeste verdiensten. Maar, wat bij alles hoofdzaak blijft, is, dat men zijne keuze doet voor God en dat men dien stoat uitkiest, waarin men zijne zaligheid het zekerst meent te kunnen bewerken. Zou men zelts met die christelijke meening alleen, zonder andere teekenen van roeping, den kloosterlijken staat omhelzen, dan zou men niet alleen iets doen wat geoorloofd, maar dikwijls zelfs noodzakelijk is, volgens de bemerking van den grooten godgeleerde Suarez; wijl men dikwijls in zaken van het grootste aanbelang niet meer licht kan bekomen.
Men vermijde zorgvuldig voor teeken van roeping aan te zien, de natuurlijke neiging van 's menschen hart, om personen van verschillend geslacht te beminnen. Deze neiging bewijst evenmin eene goddelijke roeping, als eene goede eetlust bewijst, dat men door God niet geroepen is om te vasten. Ook begrijpe men het goed : men moet meer reden hebben om te gelooven, dat men geroepen is tot een staat, waarin het voldoende is de geboden te onderhouden, dan om zich geroepen te achten tot een staat, waarin men de Evangelische raden moet naleven ; â- want onze goddelijke Zaligmaker heeft ons uitdrukkelijk tot de beoefening dier raden aan â gespoord. Dit is eene opmerking van den grooten H. Ignatius.
- 382 -
Maar hel is tijd om terug te keeien tot de middelen ter zaligheid, waarvan wij de verklaring ondernomen hebben.
HOOFDSTUK XVII.
Over het gebed.
üe H.H. Sacramenten zijn een der krachtigste middelen ter zaligheid, te meer nog wijl zij, die er geen of slechts een zeldzaam gebruik van maken, ook dikwijls het gebed verwaarloozen.
Zij dus, die niet naderen tot de Sacramenten, snijden zich twee bronnen van genade te gelijk af. Nochtans zijn de Sacramenten zonder het gebed ook niet voldoende ter zaligheid, wijl de Sacramenten het gebed veronderstellen en het bevorderen. Een vogel, die een gebroken vleugel heeft, wordt de prooi van den gier. Om te vliegen heeft hij twee vleugelen noodig; ook de christen heeft twee vleugelen noodig om zich hemelwaarts te verheffen en om de klauwen van den satan te ontsnappen, namelijk de Sacramenten, waarover wij gesproken hebben, en het gebed, waarover wij in dit hoofdstuk zullen handelen.
Zonder het gebed is er geene zaligheid mogelijk voor iemand, die tot het gebruik der rede gekomen is. Dat is eene zekere waarheid. Elk wezen heeft zijn element, waarin het leeft en zich beweegt, buiten hetwelk het noodzakelijk moet sterven. Zoo heeft de visch het water, de vogel de lucht, de engel God. De mensch, die het midden houdt tusschen het dieren den engel, heeft lucht en voedsel noodig gelijk de vogel; hij heeft behoefte aan God gelijk de engel. Hij, die volstrekt elk ichamelijk voedsel zou
- 383 -
weigeren, zou eene misdaad begaan, en hij, die het gebed geheel en al zou vervvaarloozen, zou al weinig minder schuldig zijn; hij zou het bovennatuurlijk leven der ziel, dat door het gebed onderhouden wordt, in zich uitdooven. Want zonder de genade kunnen wij niets, noch gelooven, noch hopen, kunnen wij God niet beminnen, kunnen wij zelfs geene goede gedachte vormen, den naam van Jezus niet op eene voor den hemel verdienstelijke wijze uitspreken. Wij zijn als een kind, dat zich niet kan staande houden, dat geene schrede kan doen zonder den bijstand zijnet moeder; ja, wij gelijken den zieke, die zich niet kan oprichten zonder den steun eener liefdadige hand. En om de genade te bekomen, moeten wij bidden. Zonder Mij kunt gij nieis, zegt Christus ; vraagt en gij zult verkrijgen.
De verdoemden in de hel hebben niet genoeg ge-Deden ; zij zijn voor altijd verloren, ter oorzake van hun verwaarloosd gebed.
De heiligen in den hemel daarentegen hebben hun eeuwig geluk te danken aan het gebed. Ook met ons zal het eens zoo gaan ; wij zullen deelgenooten worden van de straffen der verdoemden of van het geluk der zaligen, naargelang wij het gebed zullen verwaarloosd of beoefend hebben. Het gebed, ziedaar onzen eersten, onzen voornaamsten plicht. God heeft het ons uitdrukkelijk bevolen en de uitverkorenen des hemels hebben daarin hier op aarde hunne kracht, hunnen troost gezocht.
Als de H. Felix van Cantalicië de kudde zijns vaders weidde, dan had hij de gewoonte een kruis te snijden op de schors van een boom, en uren lang kon men hem voor dat beeld neergeknield zien om zijn gebed voor God uit te storten De H. Lodewijk, koning van Frankrijk, had de gewoonte den nacht voor een hoogen feestdag in het gebed dooi
â 384 â
te brengen. De godvruchtige koningin Maria Lec-zinska stelde er haar vermaak in de getijden van de Carmelitessen te Compiegne bij te wonen ; en was het Officie geëindigd, dan zag men de brave vrouw nog dikwijls in het gebed verzonken, al waren de kloosterlingen reeds lang vertrokken. De kroonprins, haar zoon, had haar op zekeren dag gadegeslagen en zeide schertsend tot haar : âO, mijne lieve moeder, gij zult het oneens worden met de H. Theresia, want gij bidt veel langer dan hare kindèren.quot; âAch, mijn zoon,quot; antwoordde de moeder, âdat komt, omdat mijne behoeften veel grooter zijn dan die dezer heilige zielen.quot; .
De verplichting van te bidden is vooral dringend in gevaar van sterven, wijl men alsdan eene groote behoefte heeft aan Gods hulp. Ook doet die verplichting zich gelden ten tijde der bekoring. Een reiziger stapt des nachts door een bosch, alleen en ongewapend. Plotseling ziet hij zich overvallen door een krachtig struikroover. Welk redmiddel blijft hem over ? Niets, dan eenvoudig te schreeuwen en om hulp te roepen. De -duivel, die vijand onzer zielen, krachtiger en sluwer dan wij, valt ons aan. Wat nu te doen? Uit eigen krachten vermogen wij niets tegen hem ;. maar wij zullen om hulp roepen, niet van den kant der menschen, die ons niet tegen hem kunnen beschermen, maar van den kant van God; wij zullen ons vertrouwen stellen op Christus, op de H. Maagd, op onzen H. Engelbewaarder; wij zullen Hen aanroepen, zoo niet met den mond, dan toch ten minste met het hart.
Het groote gebed der Kerk is de H. Mis, die wij verplicht zijn op Zon- en Feestdagen bij te wonen. Vervolgens is het een godvruchtig gebruik, dat onder de geloovigen bestaat, 's morgens en 's avonds te bidden. Des morgens zullen wij nooit vergeten,
al onze gedachten, woorden en werken van den ,jag aan God op te dragen, ze voor Hem te heiligen en alzoo verdienstelijk te maken voor ons zeiven ; â en des avonds zullen wij God vergeving vragen over de bedrevene fouten van den dag en zijn zegen afsmeeken over den nacht. Hoevele gelegenheden doen zich voor, God te verliezen door de zonde, gedurende één dag, ja gedurende één nacht, waarop het gebed de genade van God niet heeft doen nederdalen.
Dit morgen- en avondgebed wordt met veel vrucht gezamenlijk in de christelijke huisgezinnen verricht. Bidt het een ieder afzonderlijk, dan stelt men zich lichtvaardiger bloot het na te laten. Daarenboven heeft God zijn bijzonderen zegen gehecht aan het gezamenlijk gebed : Waar twee of meer in mijnen naam vergaderd zijn, zegt Christus, daar hen Ik in hun midden. Wat is het zoet voor broeders samen te zijn aan de voeten van den Vader van allen, die in den hemel is! Hoe leeren de kinderen hunne ouders eerbiedigen en de dienaren hunne n-eesters, als zij hen eerst God zien eeren ! Moet het huisgezin God niet om genaden smeeken, waarbij aller belang betrokken is ? Moet het hem geen dank zeggen voor verkregene weldaden ? Ook de heilige man Job vereenigde zijne kinderen om met hen gezamenlijk offeranden aan God op te dragen. Zelfs de heidenen schuilen te zamen in hunne hutten, om hunne beelden van hout of steen aanbidding te brengen. Welaan dan, christelijke ouders, overweegt de heilzame vruchten, welke het vereenigd gebed â¢in uwe huisgezinnen kan aanbrengen, en voert dit heilig gebruik in uwe huizen in.
Christus heeft gezegd : âWij moeten altijd bidden.quot; Nochtans is dit geene strenge verplichting, wanneer men niet in bekoring is ; maar het is eene heilzame
- 3S6 -
raadgeving. Wij ademen zonder ophouden; het gebed is de ademhaling der ziel.
Een reiziger verhaalt, dat er onder de Japansche afgodendienaars sommigen zijn, die de belofte doen hunne valsche goden duizenden malen daags aan te roepen en dat wel ter aarde neergebogen en met hun voorhoofd op den grond. âWanneer ik geheel alleen op het veld was met mijne schop en hakquot;, placht de pastoor van Ars te zeggen, dan bad ik altijd hardop ; maar was ik in gezelschap, dan bad ik zacht. Had ik nu, terwijl ik mijn arbeid wijd aan de zielen, evenveel tijd om te bidden, als toen ik nog het veld bebouwde, wat zou ik gelukkig zijn! Na het middagmaal legde men zich ter ruste om nieuwe krachten te garen voor den arbeid; ook ik strekte mij uit als de anderen. Ik deed, alsof ik sliep, en ik bad God uit geheel mijn hart. O, wat was dat een heerlijke tijd ! En als ik mijne hak in den grond sloeg, zeide ik stil tot mij zeiven: âWij moeten den akker onzer ziel bebouwen en het onkruid uitroeien.quot;
Hoe nu moeten wij bidden ? Gij vraagt en gij verkrijgt niet, omdat gij niet vraagt, zooals hel behoort, zegt de H. Geest. Wij bidden dikwijls niet in goede «esteltenissen. De arme zondaar heeft eene meer dringende behoefte aan het gebed dan iemand anders. Vraagt hij aan God oprecht zijne bekeering, dan zal hij die bekomen. Maar de zonde is een gewicht, dat hem ver van God verwijderd houdt, eene wolk, die het goddelijk licht voor de oogen zijner ziel verbergt. Hij haaste zich dan, indien hij groote gunsten wil bekomen, zijn treurigen toestand 'te verlaten. Indien ik de ongerechtigheid in mijn ha'-/ ontdek, zeide de profeet David, zal God mij niet verhoeren. Hoe zuiverder wij zijn voor de
â 38' â
oogen van God, des te gemakkelijker zal Hij ons verhoeren.
Veronderstelt, wij vragen zonder eenige oplettendheid. Hoe zal God ons dan hooren, als wij ons zeiven niet verstaan? De H. Catharina van Sienna was ontroostbaar, omdat zij gedurende het gebed hare aandacht gevestigd had op haar broeder, die langs haar kwam; en wij helaas ! doen dikwijls geene enkele poging, om onze verstrooidheden te verwijderen.
Dikwijls ook bidden wij zonder ootmoed : en God weerstaat toch den koovaardige. terwijl het gebed van den ootmoedige door de wolken dringt; en hij zal niet ophouden, al zoude de Allerhoogste zich niet gewaardige?i zijne oog én op hem te vestigen. Op deze wijze vond de publikaan verhooring.
Bidden wij ook wel met vertrouwen ? God toch heeft slechts verhooring beloofd aan hem, die met vertrouwen bidt. En als de eeuwige Waarheid zelve belooft, wie zou dan vreezen bedrogen te worden ? Het is waar, om onze zonden en ellenden verdienen wij geene verhooring, doch de H. Thomas verzekert ons, dat ons gebed om genaden niet steunt op onze ellenden, maar op de goddelijke barmhartigheid. Vraagt en gij zult verkrijgen.
Eindelijk moeten wij bidden met volharding. God stelt ons somtijds op de proef, om ons zijne gaven en gunsten inniger te doen waardeeren en verlangen. 't Is het volhardend gebed, dat Hem beweegt.
Onze goddelijke Zaligmaker geeft ons dit door eene vergelijking te kennen. Zeker iemand, zegt Christus, staat des nachts op om van zijnen vriend brood te leenen. Eerst weigert hij het hem te geven, doch om zijn lastig aanhouden en voort-
â 388 -
durend kloppen op de deur, besluit hij eindelijk het gevraagde toe te staan.
Ook is het eene vereischte om verhoord te worden,
dat wii faken vragen, die ons nuttig of dienstig zün ter zaligheid. God kan ons niets toestaan, wat tot ons eeuwig verderf zou strekken. Hij ziet verder dan wij. De geneesheer weet beter dan de zieke zelf wat tot zijne genezing strekt. En zoo iemand uwer zijnen vader om brood vraagt, zal hij^ hem dan een steen geven ? of om een visch, zal hij voor een visch eene slang aanbieden 1 of als hij om een ei vraagt zal hij hem een schor poen toereiken ? Indien gij dan, die toch boos sijt, gr ede gif ten weet te geven aan kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader
in den hemel goede zaken geven aan hen, dte er
om vragen. , . ,
Eene voorzichtige moeder ontneemt haar kind het mes, dat het kan wonden. Zoo ook geeft God ons nooit iets, al meenen wij, dat het nog zoo goed is als Hij in zijne oneindige wijsheid voorziet, üat hét ons schadelijk is. Ongetwijfeld mogen wi] Hem tijdelijke goederen vragen, in zooverre die namelijK tot ons eeuwig welzijn strekken. _
Ontvangen wij ze niet, bedanken wij dan den goeden God, dat Hij ze ons geweigerd heeft, omdat Hij liet misbruik voorzag, dat wij er van maken zouden. Zonder eenig voorbehoud echter mogen wij (jod geestelijke zaken vragen, die noodzakelijk zijn voor ons eisen welzijn en voor het geluk van anderen. Ongetwijfeld zullen wij die verkrijgen; maar vragen wiiquot; voor anderen, dan is het niet volstrekt zeker, dat zij gebruik zullen maken van de genaden, die wij voor hen verkregen hebben, want de genade neemt
de vrijheid niet weg.
Bekeeren zij zich niet, als wij voor hen zullen gebeden hebben, zooa.s het betaamt, dan is dit uit
- 389 -
eigen schuld, en niet bij gebrek aan genade. Welaan dan, vraagt en gij zult verkrijgen, zoekt en gij zult vinden, klopt op de deur van Gods barmhaitigheid en u zal geopend worden.
HOOFDSTUK XVIII.
Het onze Vader,
Wij lezen in de H. Schriftuur, dat Jezus'leerlingen op zekeren dag tot Hem kwamen en Hem zeiden: Heer, leer ons bidden. En Jezus, de goede Meester, zeide tot hen : Zoo zult gij bidden ; Onze Vader, die in de hemelen zijt....
God zelfheeft ons dus het ''Onze Frtvamp;r,, geleerd. Welke liefde en welken eerbied zijn wij dan aan dit gebed verschuldigd 1 Als de H. Hugo, bisschop van Grenoble, op zijn ziekbed lag uitgestrekt, herhaalde hij dat verheven gebed driehonderd maal, gedurende den nacht; en als zijn kamerbedienaar hem verzocht zich daarin te matigen, uit vrees dat zijn aanhoudend gebed hem te zeer zou afmatten, dan antwoordde hij ; Hoe dikwijler ik dit gebed herhaal, hoe meer ik mij verlicht gevoel.
Laat ons nu overgaan tot de verklaring van de beteekenis der verheven woorden van het âOnze Vader,quot; opdat allen er zich diep van mogen doordringen, als zij het bidden. Godvruchtige personen zullen daaruit leeren, hoe in elke vraag van het Onze Vader eene overweging ligt opgesloten voor al de dagen van hun leven.
Onze Vader; de ziel richt zich tot God en noemt Hem Vader. O, niemand is Vader gelijk Hij, en Hij heeft zelf gewild, dat wij Hem met dien naam noemen! Welke liefde, welke teederheid van zijn kant, en welk een geluk, welk eene eer voor ons !
- 390 â
Weest er fier op, koningszonen, op den adel uwer geboorte! De nederige werkman en de vergeten landbouwer bezitten ook titels van waren adel. Zij zijn kinderen van den Koning des hemels.
Onze Vader, en niet mijn Vader : want wij zijn niet zijne eenige zonen; alle menschen zijn onze broeders ; wij moeten ze dus beminnen, wijl wij allen van hetzelfde huisgezin zijn. Die in de hemelen zijt. De hemel is het verblijf zijner glorie ; daar wacht Hij ons af; daar waakt Hij over ons, en spreidt Hij zijne weldaden over ons uit. Daar bereidt en bewaart Hij zijn erfdeel voor ons. Want behooren de goederen van den Vader niet aan de kinderen ?
Geheiligd zij uw naam! d. w. z. dat Gij zelf mijn God, Gij, de grootheid, de majesteit, de heiligheid en de oneindige volmaaktheid zelf, dat Gij gekend, bemind, gezegend, vereerd, verheerlijkt en aanbeden wordt door alle menschen, over geheel de uitgestrektheid der wereld.
Dat alle zielen zich heiligen, door U te verheerlijken ! Dat alle talen, alle volkeren, alle natiën, dat alle christenen en ongeloovigen U prijzen; dat niemand ooit uw driewerf heiligen naam onteere !
Ons ioekome uw rijk ! Door uwe almacht regeert Gij reeds, o God, over al uwe schepselen, maar-regeer ook in onze harten door uwe genade ! Laat ons eenmaal met U heerschen in uw rijk in den hemel. Moge dit Rijk spoedig voor ons geopend worden, dit eeuwig Rijk, dat het uwe zal zijn in alle eeuwen der eeuwen, als satan van zijne macht berooid zal zijn en Gij door uwe barmhartigheid zult heerschen over uwe uitverkorenen, en door uwe rechtvaardigheid over uwe eeuwig machtelooze vijanden !
Uw wil geschiede op aarde als tn den hemel. De heiligen, die met U in het paradijs zijn. zijn volkomen
onderdanig, uw verlangen geldt voor hen als wet. Dat de menschen, die op de wereld zijn, geene andere tucht kennen dan uwe geboden; ja, dat zij zelfs, niet tevreden met het volbrengen van uwe bevelen en van die uwer Kerk, nog hunne beste pogingen aanwenden, om ook uwe Evangelische raden in te volgen. Dat zij zich toeleggen op de beoefening van de onthechting en verzaking der tijdelijke goederen, op de beoefening der volmaakte zuiverheid en gehoorzaamheid. Eindelijk, dat zij met gelatenheid, ja zelfs met liefde de kruisen en wederwaardigheden van dit leven uit uwe hand aannemen. De H. Gertrudis herhaalde 365 maal daags dit gebed : Uw wil geschiede. 0 Heer. En als God haar eens de keuze stelde tusschen gezondheid en ziekte, antwoordde zij Hem : Ik wensch vurig, o mijn God, dat niet mijn maar uw wil geschiede. Herhalen wij ook dikwijls diezelfde woorden in de verschillende omstandigheden des levens. Men vroeg eens aan den Commandant Marceau, of een kapitein wel gerust kon slapen op zijn schip. âNooit heb ik beter geslapen,quot; hernam de Commandant, ,,dan in den nacht, waarin ik tijdens een woedenden storm het roer van mijn schip verloor. 't Was een vreeselijke toestand. Ik nam alle mogelijke maatregelen, zooais dat gaat in zulk geval, en op en neer wandelende herhaalde ik., even dikwijls als dat de H. Gertrudis placht te doen, de verheven woorden ; Uw wil geschiede, 0 Heer. Vervolgens legde ik mij ter ruste en nooit sliep ik beter.''
In de drie eerste vragen van het Onze Vader vergeten wij ons zeiven, om alleen aan God te denken.
En terecht, want de belangen van God gaan boven de onze. Onze eerste zorg moet zijn, dat God gekend zij, dat zijn Rijk ons toekome, dat zijn heilige wil geschiede; en gaan ons werkelijk de eer en de belangen van God ter harte, en zeggen wij uit gehee[
- 392 -
onze ziel : Geheiligd zij uw naam, dan doen wij; eene akte van volmaakte liefde voor God, eene akte, die al onze zonden uitwischt, en die, telken male als wij ze herhalen, ons eene eeuwige glorie verdient. Nochtans wil God niet, dat wij onze eigene behoeften vergeten, en Hij leert ons daarom, wat wij voor ons zeiven moeten vragen. Wij kunnen wel den wil van God doen, gelijk de engelen in den hemel, maar wij kunnen niet gelijk zij het brood missen, en vandaar bidden wij tot onzen hemelschen Vader; Geef ons heden ons dagelijksch brood.
Ons brood: geef ons, o Heer, niet alleen het lichamelijk brood om in onze dagelijksche behoeften te voorzien, maar schenk ons ook het bovennatuurlijk, het geestelijk brood onzer zielen. Dit brood is het woord Gods; het is de genade; het is het H. Sacrament des Altaars. O! begrepen wij den zin dier woorden wel, hoe innig zouden wij ons opwekken tot een vurig verlangen tot dat he-melsch brood, tot de H. Eucharistie. In zooverre de ziel het lichaam overtreft, zoover moeten wij de H. Communie, de H. Eucharistie, het Brood der Engelen, schatten boven alle lichamelijk voedsel. Geef ons heden dat brood, zoo bidden wij, want dagelijks hebben wij uwe gunsten noodig, o God, zoowel naar het lichaam als naar de ziel, en het woord âbroodquot; beteekent alles wat wij voor beide noodig hebben.
Tot hier toe vroegen wij aan God alle goed voor Hem en voor ons; nu leert onze goddelijke Meester ons vragen om van alle kwaad bevrijd te blijven. En het grootste van alle kwaad is de zonde, is de beleediging van den beste der vaderen. Heer, vergeef ons onze schulden, door eigen nalatigheid jegens U begaan, schulden, die uwe eeuwige vervloeking over ons afgetrokken hebben : Vergeef ons die
- 39S -
schulden, o Heer, gelijk wij vergeven onze schuldenaren. Gij hebt gezegd, o God, dat, indien wij elkander vergeven, ook onze hemelsche Vader ons vergeving zal schenken. Het vergeven van ongelijk is dus de noodzakelijke voorwaarde om uwe barmhartigheid jegens ons af te trekken; welaan dan, o Heer, wij vergeven van harte en gaan daarom met vtrtrouwen tot U. Gelukkig zij, die dit met openhartigheid aan God kunnen bekennen â doch wee aan hen, die deze woorden slechts met den mond uitsprekende nog wraak koesteren in hun hart!
De H. Joannes, bijgenaamd de Aalmoezenier, las op zekeren dag de Mis in tegenwoordigheid van een prins, die in zijn hart een gezworen haat droeg tegen zijn vijand. Als hij aan het âPater Nosterquot; gekomen was, hield hij plotseling op Toen de prins dit bemerkte, vervolgde deze zelf. Alsdan keerde de Patriarch zich om en zeide: Overweeg eens in uw hart wat gij op dit oogenblik tot God zegt: Vergeef ons, gelijk wij vergeven. De prins stond als verstomd, âAlles wat gij mij zult bevelen, sprak hij, zal ik op staanden voet ten uitvoer brengen.quot; En meteen verzoende hij zich met zijn vijand. Bannen ook wij naar dit voorbeeld allen haat uit ons hart, en bezitten wij geen moed genoeg om aanstonds alles te vergeven, herhalen wij toch dagelijks die vraag van het Onze Vaaer. Door ze dikwijls en met geloof te herhalen zullen wij eindelijk de edelmoedigheid krijgen, die ons ontbreekt.
En leid ons niet in bekoring God bekoort niemand ; maar Hij laat toe, dat wij bekoord worden, door den duivel, door de wereld en onze slechte iseigingen. Hoe ongelukkig voor ons, als wij onder die verleiding bezwijken. Vandaar vragen wij aan God, dat Hij ons voor eiken val behoede, want zonder den bijstand van God vermogen wij niets. Vragen wij Hem ook met vertrouwen, dat Hij:
- 394 -
de bekoringen van ons verwijdere. Sommige heiligen, het is waar, vroegen in hun groot vertrouwen op God, dat Hij bekoringen op hen zoude afzenden, om daarin] een middel te vinden om hunne verdiensten te vermeerderen; nochtans is het voor ons, zwakke stervelingen, meer geraden de bekoringen te vluchten of die door een vurig gebed te verwijderen. Blijven ze toch, niettegenstaande onze beste pogingen, voortduren, dan behoeven we toch nooit bevreesd te worden en ons daardoor nimmer te laten ontmoedigen; maar wij moeten met verdubbelden moed den strijd hervatten en ons vertrouwen stellen op God. Maar verlos ons van aen kwade. Het kwaad, waarvan wij verlossing vragen, is de zonde, die op de bekoring kan volgen, dat kwaad is van den duivel, die ons tot zonde verleidt; kortom, door dat kwaad verstaat men alles, wat ons aftrekt van den dienst van God en van het pad der deugd. Hebben wij ook deze behoefte nog uit geheel ons hart aan God blootgelegd^ dan hebben wij Hem niets meer te vragen. Hij, die door dit gebed Gods bescherming over zich heeft afgetrokken, kan gerust zijn.
Wat behoeft hij de wereld te vreezen, hij, dien God in de wereld beschermt ? De H. Augustinus is nochtans van meening, dat wij door deze woorden verlossing vragen van alle kwaad door de eeuwige gelukzaligheid.
Daar toch bestait geen kwaad meer, geene bekoring, geen driften, die ons van God kunnen al-brengen. Wekken wij ons dan dikwijls op tot een vurig verlangen naar den hemel, waar wij God onafscheidelijk zullen bezitten. Amen. Door dit woord: Zoo zij het, herhalen wij de bede tot God, dat Hij zich gewaardige ze te aanvaarden en te verhooren.
OV-J
HOOFDSTUK XIX.
Het Wees-Gegroet.
In het âOnze Vader,quot; richten wij ons tot God, onzen Schepper. Zoo goed is God, dat Hij al zijne kinderen aanhoort, en dat wij immer zonder vrees tot Hem kunnen gaan.
Nochtans hebben wij eene middelares noodig bij onzen goddelijken Middelaar, Jezus Christus. Hij toch is zoo groot, wij zoo klein; Hij zoo machtig, wij zoo zwak. Hij is zoo heilig, onze zielen daarentegen zijn zoo zondig. Daarom naderen wij eerst vertrouwvol tot Maria, onze middelares, die zooveel vermag bij haren goddelijken Zoon.
Dikwijls dan hare voorspiaak ingeroepen ; want Maria is de waarborg onzer zaligheid, zij redt ons uit de gevaren van dit leven. Ook bestaat er geene godsvrucht ouder dan deze, geene godsvrucht meer door God in de Kerk bevestigd, meer verspreid onder het christenvolk, meer beoefend door de heiligen, meer geschikt om de zielen zalig te maken, dan de devotie tot de H. Maagd, Moeder Gods, Maria. Zonder de aanroeping van Maria, zegt de H. Al-phonsus, wordt onze zaligheid moeielijk. Want Maria is inderdaad de bewaarster en uitdeelster der goddelijke genaden. Zij deelt die mede, volgens het woord van een heilige, aan wie en zooals zij wil. En er is geen gebed krachtiger en aangenamer aan Maria, dan het weesgegroet of de groetenis des Engels, die wij gewoonlijk bij het Onze Vader voegen.
Gelijk 'thet gebed des Heeren, bestaat ook dit gebed uit twee deelen. In het eerste gedeelte loven en verheerlijken wij de Moeder Gods ; in het tweede roepen wij haar aan en smeeken wij hare moederlijke bescherming af.
- 396 -
Wees gegroet-, een Aartsengel brengt dien groet van den hemel aan de nederige Maagd van Nazareth. Als wij dien groet herhalen, moesten wij de zuiverheid en de liefde van een Serafijn bezitten, want Jezus zelf heeft dien ook dikwijls voor zijne Moeder herhaald.
Herhalen ook wij hem dikwijls en wel met denzelfden eerbied en dezelfde liefde; te meer nog wijl bij elke groetenis Maria ons terug groet. Als de H. Bernardus een klooster binnentrad, had hij de gewoonte eene diepe buiging te maken voor een Mariabeeld en uit te roepen: Wees gegroet, Maria.
Eens boog zich ook het beeld voorover en antwoordde; Wees gegroet, Bernardus. Het is waar, zulk wonder zal zich niet ten onzen gunste herhalen, wij verdienen zulks geenszins ; maar gedenken wij het steeds, wat een heilige hieromtrent zegt, namelijk dat Maria het beleefdste en het dankbaarste schepsel is. Nooit zullen wij haar groeten of Maria brengt ons haren tegengroet; en de groet der H. Maagd is eene zegening, eene genade, die zij voor ons atbidt.
Maria. De naam der Maagd, die de Engel en Jezus gegroet hebben, die geheel het aardrijk verheerlijkt, is Maria. De uitverkorenen des hemels loven dien naam. De aarde zegent hem; de moeder leert haar kind dien stamelen, het meisje lispelt dien in haar gebed, de zondaar roept hem aan, de grijsaard eindelijk put daaruit zijne hoop op den hemel De hel beeft voor dien naam en de duivel neemt daarvoor schaamteloos de vlucht. Maria, die naam drukt sterkte uit en zachtheid : sterkte, w?nt hij beteekent Meesteres, Vorstin ; Maria is Koningin van hemel en aarde ; zachtheid, want hij beteekent ook licht, ster der zee. Maria is het licht, dat onzen geest helder maakt te midden der duisternissen en
- 397 -
stormen der groote wereldzee. Wie heeft dien naam dikwijls herhaald, zonder dat een straal van troost zijne beklemde ziel binnendrong ? Hoevele bekoringen zijn overwonnen alleen door de aanroeping van den naam Maria ! Die naam zweve dan op onze lippen, hij zij geprent in ons hart. Onze verstijfde lippen zullen hem, te gelijk met dien van Jezus, herhalen in onzen doodstrijd, en kunnen we hem niet duidelijk meer uitspreken, dan zal onze ziel, zich van het lichaam scheidende, hem nog herhalen.
Vol van gratie. De H. Joannes getuigde van den Zoon Gods, mensch geworden, dat Hij was vol van genade en waarheid. Hij is de bron van alle genaden. Uit die bron nu ontspringt een heerlijke stroom, en die stroom is Maria; en uit dien stroom komen ontelbare beekjes, die de heiligen verbeelden. Al de genaden stroomen in de harten der heiligen uit Jezus, die er de bron van is, en door Maria, die er het kanaal van verbeeldt. Aan anderen wordt de genade slechts bij mate toegedeeld, zegt de H. Bernardus; maar in Maria is de volheid van genade uitgestort. Uit haar moeten wij putten door het gebed. Dus gelukkig zij, die Maria dikwijls aanroepen !
De Heer is met u. God is overal door zijne tegenwoordigheid en almacht; in de zielen der rechtvaardigen is Hij door zijne genade, en zijne vereeniging met Maria is geëvenredigd aan de genade, die Hij haar heeft medegedeeld en waaraan zij in de hoogste mate heeft beantwoord. De Vader is met u, o Maria, en zijn eeuwige Zoon is de uwe. De zoon is met u, wijl Hij zijn intrek heeft ge-nonnen in uwen maagdelijken schoot. De H. Geest is met u, omdat gij door zijne bijzondere werking den Zoon Gods ontvangen hebt. En gij zult in nauw verband staan met dien Zoon van den Aller-
â 398 -
hoogste, in nauwer verband dan de engelen de hemels, want wien hunner heeft Hij gezegd : Gij zijt mijne Moeder ? U zal Hij het zeggen en gij zult Hem uw zoon noemen. Gij zult Hem aan uwe borst drukken. Hem in uwe armen nemen, Hem voeden met uwe moedermelk. Gij zult zijn onafscheidelijke gezellin zijn op zijne apostolische tochten, gij zult Hem volgen tot op den berg van Calvarie; in den hemel zult gij aan zijne rechterhand zetelen !
Gezegend zijl gij boven alle vrouwen. Debora, Judith en Esther, die beroemde vrouwen, waren het heil van hun volk; nochtans waren zij slechts eene flauwe voorafbeelding van Maria, die der gansche wereld een Redder geschonken heeft. Eva, onze eerste moeder, schonk ons met het leven den dood ; Maria gaf ons haren goddelij ken Zoon en vernietigde het rijk van den dood en der zonde en schonk ons het bovennatuurlijk leven. Geene enkele vrouw vereenigt zoovele zegeningen in zich als Maria; zij bezit de glorie der maagdelijkheid en die van haar goddelijk moederschap. Eva had door hare ongehoorzaamheid smaad en schande geworpen op al hare dochters : Maria daarentegen heeft door hare getrouwheid aan God het zwakke geslacht opgericht en maakt daarvan zelf de schitterendste roem uit. Als Maagd trekt zij eene onafzienbare rij maagden ter navolging, die het sieraad der Kerk uitmaken; als Moeder en wel als Moeder Gods heeft zij op de vrouw, eerst veracht en mishandeld als eene slavin, den eerbied en liefde van echtgenoot en kinderen afgetrokken. En wijl dus de vrouw aan Maria de eer verschuldigd is, die haar in de christelijke maatschappij te beurt valt, moet zij vóór anderen Maria eeren en zegenen. Verheerlijken wij Maria, dan kunnen wij ook Jezus niet vergeten, op wien de ver-
eering van Maria terugslaat. Niets is er toch in-Maria, wat niet van Jezus komt, en niets doen wij voor Maria, of het strekt ook tot verheerlijking van Jezus. Vandaar dat aan de woorden van den Aartsengel : Wees gegroet, Maria enz. de woorden worden toegevoegd, welke Elizabeth, de nicht van Maria, bij het bezoek uitsprak : En gezegend is de vrucht uisjs lichaams. Gezegend door de engelen, gezegend door de menschen, want die vrucht is de bron van alle zegeningen op Maria zelf uitgestort. Die vrucht wordt Jezus genoemd, dat is Verlosser, want geheel het menschelijk geslacht heeft Hij van de zonde en van de hel verlost en daarom hebben wij den naam van Jezus steeds in onze harten en op onze lippen.
H. Maria, Moeder Gods. Deze en de volgende -woorden heeft de Kerk aan de Groetenis des Engels toegevoegd in het jaar 431, toen de Kerkvergadering van Ephese den goddeloozen Nestorius veroordeelde. Deze ketter verdedigde, dat men Maria niet moest noemen Moeder Gods, en sinds dien tijd protesteeren alle geloovigen, over de gansche wereld verspreid, dagelijks tegen deze godslastering, als zij tot de H. Maagd zeggen; Heilige Maria, Moeder Gods. Vele heilige mannen en vrouwen heeit de Kerk gekweekt: doch Maria is heilig bij uitnemendheid. Iemand hield eene lofrede op Philippus, Koning van Macedonië, en sloot die met de bekende woorden : âKortom, om alles in één woord samen te vatten, deze koning is de vader van den groeten Alexander.quot;
Alles wat men van Maria kan zeggen, kan niet opwegen tegen deze enkele lofrede ; Maria is de Moeder van God. Dat is hare onvergelijkelijke waardigheid. Om die verheven waardigheid heeft God haar gevrijwaard van alle smet der zonde en heeft Hij Haar de volheid der genade geschonken.
â 400 -
-Omdat zij is Moeder Gods regeert, zij in den hemel en op de aarde, en is zij alvermogend op het hart van haren Zoon. Omdat zij is Moeder Gods, is zij ook tevens onze Moeder, want God is slechts Zoon van Maria geworden, ora onze Broeder te zijn, om ons met Hem kinderen Gods te maken.
Door verlossing dus broeder geworden van Christus, hebben wij Maria, zijne Moeder, ontvangen als aangenomen moeder. Bid dan voor ons, Maria, gij zijt volgens het woord van den H. Bernardus; de smee-kende almacht; bid voor ons, zondaars, wantarn.e, ellendige zondaars zijn wij ; niets bezitten wij dan hetgeen God ons geschonken heeft, en bij het nietige onzer natuur hebben wij nog de zonde gevoegd, die ons in ongenade met God gebracht heeft.
O gij, toevlucht der zondaren, hoop der wan nópenden, wend van onze hoofden de gramschap van uwen Zoon, die wij op ons afgetrokken hebben ; verkrijg ons vergiffenis onzer zonden ! Alexander de Groote placht te zeggen: Eene enkele traan mijner moeder heeft vele doodvonnissen vernietigd. Wat dan te zeggen van de gebeden en tranen van Maria? Nu, Maria, het verleden behoort ons niet meer toe, misschien hebben wij er schandelijk misbruik van gemaakt; ook op de toekomst kunnen wij niet rekenen, morgen reeds kunnen wij van het tooneel der wereld verdwenen zijn. Bid das nu voor ons, Maria, nu, in onze dringende behoeften, in de bekoringen, die ons voortdurend achte; volgen, in de rampen, die ons dreigen, in de smarten, die ons overal wachten ; bid voor ons nu en in het uur van onzen dood. Is het leven reeds zoo vol smart en bitterheid, ach, de dood is niet minder viees-wekkend. Sta ons dan bij, o Maria, in dien overgang van den tijd tot de eeuwigheid, verdedig ons, lanvaard onze ziel en voer haar in den schoot van
k
Cod. Amen. Het zij zoo, ja, gezegende Maagd, zoo zij het.
De H. Gertrudis, op haar sterfbed liggende, bezat nog slechts even de kracht om eenige woorden van het Wees gegroet met het hart uit te spreken en zij verdiende daardoor de hooge onderscheiding de Moeder Gods te aanschouwen. Wij zijn geen heiligen. het is waar ; maar al vertoont Maria zich niet zichtbaar aan ons in ons laatste uur, wij kunnen toch in dat oogenblik op hare machtige voorbede rekenen, als wij haar gedurende ons leven ver-trouwvol hebben aangeroepen. Zalig zij, die door het veelvuldig gebruik van het Wees-gegroet een heilig leven en den dood der uitverkorenen verwerven 1 Eeuwig zullen zij met de engelen in den hemel het Ave Maria herhalen.
HOOFDSTUK XX.
De Overweging.
Het gebed, waarin het hart volstrekt geen deel heeft, is geen gebed, maar slechts een ijdel formulier. Het hart moet dus altijd deel hebben in het gebed; doch is het hart in gebed, terwijl de lippen onbewegelijk blijven dan doet men, zooals men dat noemt, het overwegend gebed of de meditatie. Een mensch, die niet denkt, die op niets acht slaat, is geen mensch ; een mensch daarentegen, die weliswaar denkt en op alles acht slaat, doch nooit zijne gedachten vestigt op de zaken zijner zaligheid ot op de waarheden des geloofs, kan men geen christen noemen. Hoe zal zoo iemand het geloof, de hoop, de liefde Gods in beoefening brengen ? Hoe zal hij de deugden diep in zijn hart
'26
- 402 â
prenten ? Hoe eindelijk zal hij zijne zaligheid bewerken? Het is waar, men kan overwegen bij het aanhooren van een preek en als men eene geestelijke lezing doet; maar als men niets van dat al in beoefening brengt, is de zaligheid zeer moeielijk. De H. Theresia zegt, dat men in zulk een toestand niet door een duivel tot het kwaad behoeft worden aano-ezet; men stort zich zeiven in de hel; en de H. 0Geest verklaart, dat de aarde verwoest wordt door den gruwel der zonae, omdai er niema7id is, die overweegt.
Merkwaardige woorden, die wellicht nooit meer letterlijk bewaarheid zijn dan juist in onze dagen, In onzen tijd toch zien wij de menschen meer dan ooit als het ware geheel en al opgaan in hunne tijdelijke belangen ; meer dan ooit zien wij ze meegesleurd door den maalstroom der wereld, door aardsche, jinnelijke zaken, en het kwaad ziet men van lieverlede voortwoekeren, omdat ze niet nadenken, niet overwegen. Beschouwt men de verschillende klassen van zondaars en vraagt men zich af, waarom sommigen God lastenen, anderen den zondag ontheiligen en de slaven zijn hunner schandelijke driften, dan moet men bekennen, dat allen in dien staat geraakt zijn, omdat zij de overweging verwaarloozen. De zielen worden lauw en onverschillig, omdat het haar ontbreekt aan godsdienstige overtuiging en bijgevolg aan degelijke overweging.
De heiligen daarentegen hebben de meditatie steeds hooggeschat en in beoefening gebracht en hunne heiligheid stond in verhouding met hunnen geest van overwegend gebed.
Gedenkt uwe uitersten en nooit zult gij zondigen,
zegt de H. Geest. j j
Wel geheel ten onrechte dus meent men. dat de meditatie alleen den priesters en kloosterlingen is.
- 4:03 -
voorbehouden ; neen, zij is nuttig, van het hoogste belang zelfs voor een ieder, die zijn waar geluk betracht, die de zonden wil schuwen. Mevrouw de Chantal arbeidde steeds met de meeste toewijding aan de godsdienstige opvoeding barer kinderen. Vandaar dat haar oudste dochtertje op een leeftijd, waarop andere kinderen zich slechts bezig houden met onschuldige vermaken en kinderlijke gedachten, reeds vatbaar was voor de hoogste godsdienstige indrukken.
De overweging begon daarom hare geliefkoosde oefening te worden; en wonderlijk was het, het meisje gade te slaan in het bidvertrek harer moeder eerbiedig neergeknield; als een engel bewoog zij enkel de lippen om haar mondgebed te verrichten, en was dit geëindigd, dan zag men haar nog een kwartier uurs verslonden in het overwegend gebed of de meditatie. Was dat misschien te veel vooreen kind, dat geroepen was tot het leven der wereld ? Hoort, wat hieromtrent de H. Franciscus van Sales zeide tot hare moeder, Mevrouw de Chantal, en deze heilige is toch zeker niet'van overdrijving of stiengheid te beschuldigen: âWat uwe dochter Maria betreft, wil zij in de verleiding der wereld blijven, dan moet gij ongetwijfeld nog honderdmaal meer zorg dragen haar in ware deugd en godsvrucht op te voeden.quot;
Maar, zal men misschien zeggen, de tijd ontbreekt mij om te mediteeren. Wij hebben tijd om te slapen, om maaltijd te houden, om bezoeken af te leggen, om kwaad te spreken. En wij zouden geen tijd hebben voor God ? Het middel om geen tijd te verliezen of te verkwisten bestaat in de oefening van het overwegend gebed. Daardoor blijft men in de liefde Gods en wordt alles verdienstelijk voor den hemel. Daardoor legt men zich ook met meer zorg toe op zijne plichten van staat. Indien een arme
â 404 -
bedelaar ons goudstukken in het water zag werpen, zou het in het geheel niet onbescheiden van hem zijn, indien hij het één van ons vroeg; welnu dan, dagelijks verkwisten wij zooveel uren in nuttelooze gesprekken. Waarom zouden wij niet een halfuur of een kwartier voor God kunnen doorbrengen ?
Ik ben niet genoegzaam onderwezen voor de overweging, brengt men misschien in.
Een eenvoudig kloosterbroeder, die in het klooster het nederig keukenwerk verrichtte, weende onophoudelijk, als hij de spijzen bereidde ; en als men hem op zekeren dag de reden hiervan vroeg, antwoordde hij, dat hij bij het zien van het vuur altijd dacht aan het vuur der hel en aan het ongeluk der verdoemden. Een ander kloosterbroeder, even godvruchtig en eenvoudig als voormelde, benijdde den H. Bonaventura om zijne groote geleerdheid. Hij meende, de goede man, dat Bonaventura, geleerd als hij was, den goeden God meer kon beminnen dan hij. De H. Bonaventura bracht hem hieromtrent uit den waan ; en de goede broeder gevoelde zich zoo gelukkig, dat hij eene vrouw, die juist voorbi] gino-, toeriep : âBrave moeder, verheug u, gij kunt denquot; goeden God even vurig liefhebben als broeder Bonaventura, die uitmunt door geleerdheid.quot; O, hoevele nederige, door de wereld ongekende zielen, leven in eene vereeniging met God, die wij benijden 1 ' Altijd ben ik in de meditatie verstrooid. Welaan, zijn dat vrijwillige verstrooidheden, verzet ze dan ; komen zij ons tegen wil en dank overvallen, dan zijn zij, volgens de leer van den H. Thomas en den H. Alphonsus, geene beletsels voor eene heilige en vruchtbare overweging. Bekommeren wij ons daarom niet en trachten wij onze gedachten wederom tot God terug te voeren.
Ik blijf te dor, te koud bij de meditatie. â Die
afkeer, die tegenzin komt dikwijls daar vandaan, dat wij den goeden God niet genoegzaam beminnen. Hoe? Men vindt zijn genoegen in jagen, visschen, in de bezichtinging van heerlijke bergen en schoone paleizen; en men zou slechts walg vinden in de overweging van de groote geheimen van onzen heiligen godsdienst, in een gemeenzaam onderhoud met God? Is die alkeer slechts eene beproeving voor ons, zijn wij dan des te getrouwer in de overweging. Jezus, in het tabernakel verborgen, heeft kandelaars en beelden noodig, die zijn altaar versieren; en de H. Franciscus van Sales leert ons, dat droge, ingemaakte vruchten de beste zijn, en dat hard brood voedzamer is dan zoete melk.
Eindelijk zou men kunnen inbrengen: ik weet niet, hoe ik het moet aanleggen om te mediteeren. Wij allen weten onze tijdelijke zaken te regelen, daarover na te denken, die te overwegen, waarom zouden wij dan niet kunnen mediteeren over de zaken onzer zaligheid ? (Zie wijze van overweging in het aanhangsel.)
HOOFDSTUK XXI.
OVER DE GEESTELIJKE LEZING.
âGeheel onze vooruitgang in het geestelijk leven, zegt de H Isidorus, heeft zijn oorsprong in de lezing en de overweging. Door de geestelijke lezing leeren wij wat wij niet weten, en door de meditatie onderhouden wij wat we geleerd hebben.quot; Ook zegt de H. Leonardus van Porto-Mauritio, dat de geestelijke lezing de zuster is van de meditatie. De gelukzalige Lodewijk van Granada vergelijkt de overweging bij tarwebrood en de geestelijke lezing bij roggebrood; maar hij voegt er bij : âIndien gij geen gebruik maakt van tarwebrood, zoo moet gij u ten
- 406 -
minste bsdienen van roggebrood, wilt ge niet van honger sterven quot; De H Bernardus voelde zich meer getroost in de geestelijke lezing dan in de meditatie. Daarenboven moet men aanmerken, dat de overweging zonder geestelijke lezing eene onmogelijkheid wordt. âDe molenaar,quot; zegt omtrent dit punt de H. Alphonsus, âgeeft slechts terug, wat men hem brengt-; brengt men hem bijgevolg slecht koren, dan kan hij geen goed meel terugbezorgen.quot; Zoo ook is het gesteld met de overweging in betrekking tot de geestelijke lezing.
Heeft men zijn geest niet verzadigd met heilige gedachten, geput uit de geestelijke lezing, dan zal ook de meditatie geen heil aanbrengen. Want inderdaad, de goede gedachten zijn als heilzame planten, die zonder zaad niet opschieten ; alleen onkruid schiet van zelfquot;uit.
De geestelijke lezing verlicht onzen geest. Het woord Gods, dat gepredikt wordt, opent de oogen der ziel. Een goed boek is een prediker, dien men altoos kan aanhooren, en het kan zelfs belangwekkender zijn dan zij, die men gewoon is te aanhooren. Het kan een leeraar zijn, een heilige, een onvergelijkelijke leidsman. Het spaart onze gebreken niet, het legt de waarheid zuiver voor ons bloot, en wij wagen het niet ons daaromtrent te beklagen.
Het is een getrouwe spiegel, waarop wij de minste vlekken onzer ziel bemerken, eene fakkel, die ons den weg naar den hemel wijst, Het is een oprechte vriend, en de H. Geest zegt, dat hij, die zoo iemand vindt, een schat ontdekt. Ja. het is God zelf, die tot de ziel spreekt, volgens het woord van den H. Hieronymus : âIn het gebed, zegt deze H. Vader, spreken wij met God; doch in de geestelijke lezing spreekt God tot ons.quot;
Hoevelen zijn dan ook van een zondig en we-
- 407 -
Teldsch leven tot een heiligen levenswandel overgegaan. En dat wel door middel der geestelijke lezing! 't Is de geestelijke lezing, die een H. An-tonius, een H. Augustinus, een H. Ignatius van Loyola tot inkeer brachten. De gelukzalige Joannes de Colombino werd eens ongeduldig, omdat het middagmaal niet op tijd klaar was. Zijne vrouw ried hem toen aan in dien tusschentijd een boek ter hand te nemen. En in zijn kwaden luim nam hij een geestelijk boek, dat juist op tatel lag, las het en kwam tot inkeer. Ook de heiligen hebben in de geestelijke lezing immer een krachtigen steun geput voor hun voortgang in de deugd. De H. Do-minicus had de gewoonte zijne godvruchtige boeken te kussen, die aan zijn hart te drukken en uit te roepen: âDeze boeken schenken mij de melk, die mij voedt.quot; Ook de H. Philippus Nerius besteedde al zijne vrije oogenblikken aan de geestelijke lezing. En de heiligen, verlangend als zij waren naar het zielenheil van anderen, hebben dan ook de geestelijke lezing ten alle tijde ten zeerste aanbevolen. âLeg n toe op de geestelijke lezing,quot; zei de Apostel Paulus tot zijn beminden Timotheus. En na hem hebben alle heilige Leeraren die aanbeveling herhaald.
Alle stichters van kloosterorden zien wij de geestelijke lezing als een punt van stipte beoefening onder hunne onderdanen handhaven, en de zielen in de wereld, die het ernstig meenen met hare geestelijke volmaaktheid, met hare heiliging, zullen ook de geestelijke lezing niet ver waar loozen.
De H. Gregorius verhaalt ons van een armen bedelaar, Servulus genaamd, die, niet in staat om te werken, van de aalmoezen der geloovigen leefde. Van het weinige, dat hij kreeg, deelde hij nog anderen mede, en nog een klein deel wist hij zich bovendien te besparen om godvruchtige boeken
te koopen. Wijl hij niet lezen kon, vroeg hij als het grootste liefdewerk, dat men hem eenige bladzijden uit zijn boek zou voorlezen. Deze geestelijke lezing verschafte hem een groot geduld en eene bewonderenswaardige kennis van goddelijke zaken. En als hij eindelijk op sterven lag, vroeg hij zijne vrienden als laatste gunst zijne geliefkoosde lectuur voort te zetten; maar alvorens hij den laatsten adem uitblies, viel hij hen in de rede en riep hij uit: âMijne vrienden, hoort gij het hemelsch paradijs niet van welluidende gezangen weergalmen!quot; En na deze woorden gaf hij lachend den geest. Blind zouden wij dus zijn, indien wij ons niet toelegden op eene zoo^ uitmuntende, zoo voordeelige oefening.
Maar, zult gij zeggen, wanneer moet ik lezen ? De geloovigen kunnen eiken avond lezen, vooral in den langen winteravond, en des Zondag na kerktijd. Het zijn zeldzame gevallen, dat de bezigheden van dien aard zijn, dat zij het le en van eenige regels uit een goed boek zouden beletten.
Wat moet gij lezen ? Nooit boeken, die in punten van geloof verdacht zijn, of die op het gebied der zeden iets te wenschen overlaten, al zouden ze overigens nog zoo goed zijn. âWat behoeft men goud te gaan zoeken te midden van het slijk, zegt de H. Hieronymus, wijl men het zoo gemakkelijk kan vinden van alle smet gezuiverd?quot; quot;Voor alles raad ik u aan, zegt de H. Alphonsus, boeken te lezen, waarin uwe ziel de meeste godsvrucht vindt, en die u het krachtigst voeren tot de vereeniging met God. Zoodanig zijn o. a. de werken van den H. Franciscus van Sales, van de H. Theresia, van Lode-dewijk van Granada, van Rodriguez en meer anderen.
Hebt ook eene hooge achting voor de lezing van de levens der Heiligen. In werken, die handelen, over deusden, ziet men wat men te doen heeft:
- 409 -
maar in de levens der Heiligen ziet men wat zoovele heilige mannen en vrouwen gedaan hebben, en die waren toch, gelijk wij, zwakke stervelingen, nietige menschen.
En brengt hun voorbeeld ons misschien al tot geen ander goed, in ieder geval dwingt het ons tot diepen ootmoed. Hij, die dichter wil worden, leest dichters,quot; die wijsgeer wilt worden, bestudeert wijsgeeren ; dat dus hij, die heilig wil worden, de levens der Heiligen leze.
Hoe meet men lezen ? Alvorens te beginnen, zullen wij onzen geest tot God verheffen, om Hem licht en genade te vragen. Lezen we bedaard en zonder gejaagdheid. De bij verlaat de bloem niet, alvorens den honing te hebben uitgezogen. Het is niet voldoende veel te eten, men moet ook de spijsvertering in acht nemen ; zien we er dus ook niet tegen op, om bladzijden, die ons treffen, nogmaals te herlezen. De geestelijke lezing onderbreken, om ons over te geven aan het gebed, is een zeer geschikt middel om aan de overweging te gewennen. Op het einde der lezing zullen wij nog eene gedachte bewaren, die onze ziel den ganschen dag zal voeden, en die wij als een geestelijken ruiker met ons zullen dragen.
HOOFDSTUK XXII.
DE HEILIGING ZIJNER WERKEN.
Het middel om de raadgeving van onzen godde-lijken Zaligmaker in beoefening te brengen om altijd te bidden, bestaat hierin, dat men van al zijne handelingen een gebed maakt door ze alle te heiligen. Waarom toch zijn wij in deze wereld geplaatst, dan om er heilige werken te verrichten? Het rijk der
â 410 -
hemelen is niet voor de lediggangers, maar eene belooning, die men op het einde van den dag schenkt aan hem, die er voor gearbeid heeft. Het is een verborgen schat; men moet zich de moeite getroosten de aarde om de woelen om dien te ontdekken. Het is eene kroon, die slechts is weggelegd voor hen, die wettig gestreden hebben.
Hier op deze wereld kan men op twee manieren rijk worden, fortuin maken. Sommigen wagen zich aan groote ondernemingen, waarin ze alles op het spel zetten om veel te winnen ; slagen zij niet, dan slaan ze eenvoudig bankroet. Anderen leggen het meer bedaard aan en geraken daarom zekerder tot hun doel. Zij stellen niets in de waagschaal, en trekken van alles met zorg partij. Zoo zijn er ook twee manieren om fortuin te maken, rijk te worden voor den hemel. Sommige heiligen hebben eene buitengewone levenswijze gevolgd ; zij hebben strengheden beoefend, waarover wij verwonderd staan, reuzenwerken ondernomen voor de eer en glorie van God. Zij zijn geslaagd, dat is waar; maar deze wijze van handelen ligt voorzeker niet in ieders bereik. Anderen hebben niets buitengewoons verricht; nochtans hebben ze geen tijd of moeite ontzien om van alles partij te trekken, wat hun verdiensten kon aanbrengen ; zij trachtten al hunne dagelijksche bezigheden te heiligen. Maar dit laatste middel, zoo krachtig om zijne zaligheid te bewerken, is noodzakelijk, als men het eerste niet kan aanwenden. De hemel is niet bestemd voor leegloopers. Met zorg dus er gebruik van gemaakt!
Maar op welke voorwaarden worden onze dage-lijksche bezigheden en plichten verdienstelijk voor den hemel ? Vooreerst moeten wij zijn in staat van gratie. Buiten dien staat kunnen wij niets voor den hemel verdienen. (Zie Deel III Hoofdst. I).
â 411 â
Vervolgens moeten wij onze handelingen aan God opdragen uit eene beweegreden door het geloof ingegeven: Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij iets anders doet, doet alles ter eere Gods. Om een brief op de plaats zijner bestemming te krijgen, plaatst men er een adres op. Dragen wij onze handelingen aan God op, als wij willen, dat Hij zt genadig aanvaarde. Zullen wij een arbeider zijn loon uitkeeren, als hij voor onzen buurman gewerkt heeft ? Zoo ook is God ons niets verschuldigd, als wij niet voor Hem arbeiden. Welaan dan, dragen wij onze werken aan Hem op, en wel uit eene beweegreden van liefde, van volmaakte liefde, jegens dien oneindig beminnenswaardigen God, opdat ze alle verdienstelijk worden voor den hemel.
Aanstonds bij het ontwaken zal immer ons eerste werk zijn, onzen geest en ons hart tot God te verheffen en Hem te zeggen : Mijn God, ik draag U op, tot uwe meerdere eer en glorie, alles wat ik dezen dag zal verrichten. Deze opdracht vernieuwe men bij het begin zijner voornaamste handelingen. Zoo ook deed een heilige woestijnbewoner; alvorens zijn werk aan te vangen, stond hij even stil en richtte zijn blik ten hemel, en als men hem hiervan de reden vroeg, antwoordde hij: âIk richt mijn slag om niet te missen.quot; De jagers handelen ook zoo. Richten wij onze werken op dezelfde wijze, opdat zij immer rechtstreeks tot God opgaan. Nochtans, de opdracht onzer werken, in den morgen verricht, is strikt genomen voldoende voor den ganschen dag, ten minste als die opdracht niet door eene zware fout is vernietigd. Als men in den vroegen morgen naar een naburige stad vertrekt, is het niet noodig, dat men bij elke schrede herhaalt: Ik ga naar de stad. Men komt er toch.
Zoo ook, als wij ons in d;n morgen op weg
- 412 -
hebben begeven naar ons hemelsch paradijs, door de opdracht onzer werken aan God, dan is alles wat wij dien dag verrichten verdienstelijk voor den hemel, ook al zouden onze handelingen op zich zelf onverschillig zijn, zooals werken, eten, drinken of slapen. Natuurlijk wordt verondersteld, dat men in staat van gratie is, want zouden wij dien_ dag het ongeluk hebben eene zware zonde te bedrijven, dan waren wij genoodzaakt, ons aanstonds wederom in Gods vriendschap te herstellen, door eene goede biecht of een volmaakt berouw met den wil om te biechten, en vervolgens zouden wij onze opdracht moeten hernieuwen.
Doch willen wij eene schitterende plaats in Gods Rijk veroveren, dan moeten wij ons niet met die opdracht in den morgen tevreden stellen. Neen, dan zullen wij ze bij elk onzer handelingen hernieuwen en werken, lijden, spreken en denken gelijk onze goddelijke Zaligmaker en de heiligen.
Eene moeder en eene jonge dochter, die zich in alles Maria ten voorbeeld stellen ; een landman, een dienstknecht, kortom de gansche werkmansstand, die in alles den H. Joseph als hun toonbeeld voor oogen hebben, zullen zich eene verhevene plaats in den hemel waardig maken.
Welaan dan, koppen wij den verloren üjd icrug door den arbeid, want onze dagen zijn slecht geweest. Maken wij een heilig gebruik van die ons nog overblijven en vergaderen wij ons scJial/en in dm hemel, waar noch roest, noch mot ze verderf t en naar geen dieven ze 11 /graven, noch s/elen.
- 413 -
BESLUIT.
Ziehier met de hulp Gods uiteengezet, de leer van den eenen waren godsdienst, de plichten, die hij ons oplegt, en de middelen, die hij ons aan de hand geeft om in den hemel te komen. Hoeveel licht, hoeveel troost verschaft ons die leer ! Wie roept niet met David uit: ,,0 mijn God, uw woord is in waarheid eene fakkel, die mijne voetpaden verlicht! Wanneer de jongeling het onderhoudt, dan richt hij zijne schreden met zekerheid ; het is zoeter voor mij dan honing. Mijn erfdeel, o mijn God, is de onderhouding uwer wet; zij is mij meer waard dan de verzinsels der boosdoeners, want zij is gansch waarheid. Was zij niet het voorwerp mijner overwegingen, dan zou ik misschien in mijne ellende omkomen; maar dagelijks, o mijn God, overweeg ik uw woord; het maakt mij behoedzaam ten opzichte mijner vijanden; het maakt mij geleerder dan zij, die mij onderwijzen, voorzichtiger dan de grijsaards. Ik verbind mij door eed, om er voor altoos getrouw aan te blijven. En wat mijn hart tot die getrouwheid neigt, is de hoop op belooning, die zij mij schenkt. En dan, o mijn God Gij zijt mijne hulp, in eeuwigheid zal ik niet in mijn betrouwen beschaamd worden.quot;
Inderdaad, het geloof, de onderhouding der geboden wordt vergemakkelijkt door de Sacramenten en het gebed; en het schenkt tevens eene zoete vreugde, reeds in dit leven de belooning van deugd en christelijk leven in den hemel te gemoet te zien. Welaan dan, wie gij ook zijt, die dit boek ter hand
- 414 -
neemt, wij bidden en smeeken het u om wille uwer onsterfelijke ziel, om uw geluk in dit leven en uw eeuwig welzijn hiernamaals, leest dikwijls deze bladzijden, welke voor allen geschreven zijn; bewaart er de onderrichtingen van in uw hart, volgt er de raadgevingen van op; tracht ze in uw kring te verspreiden, en vergeet bij God den gene niet, die bij het schrijven een zoo vurig veriangen koesterde» u den weg naar den hemel te wijzen.
AANHANGSEL.
Wij moeten in dit aanhangsel verschillende punten aanstippen, die wij meenden, dat in het hoofdwerk niet thuis behoorden en die nochtans van groot aanbelang zijn om de zielen te helpen, niet alleen om te komen tot de kennis van het geloof, maar daarenboven om te leven overeenkomstig dat geloof. Het leven naar het geloof hier op aarde, bereidt den weg naar een ander, beter leven hiernamaals. Iedere ziel moet daarnaar trachten, en haar best doen Laar leven bovennatuurlijk te maken.
Om eenige orde in dit aanhangsel te brengen, zullen wij eerst een vasten levensregel aangeven en vervolgens zullen wij de voornaamste punten van dien regel wat uitvoeriger omschrijven,
I. LEVENSREGEL.
Elken dag.
10. Opstaan. â Op gestelden tijd. Ons eerste werk zal zijn, het heilig kruisteeken maken; onze eerste woorden: Jezus, Maria, Joseph; vervolgens zal men den dag aan God opdragen en zich zedig kleeden.
20. Gebed. â Men moet zijn morgen- en avondgebed met zorg verrichten ; daartoe spoort ons Onze Lieve-Vrouw van Salette aan. Hebt gij geen tijd, bidt dan minstens één Onze Vader en één Weesgegroet.
Eene bijzondere zegening is verbonden aan het gezamenlijk morgen en avondgebed.
3°. H. Mis. â Men blijve niet uit eigen schuld achterwege, om zoo niet te'ken dage, dan toch
- 416 -
minstens eenige malen in de week de H. Mis bij te wonen.
4°. Bekoringen. â Ze krachtig verzetten, zoodra men ze gewaar wordt; de namen vm Jezus, Maria en Joseph aanroepen ; of wel het schietgebedje zeggen : O Maria zonder zonde ontvangen, bidt voor ons, die onze toevlucht tot u nemen.
5°. Maaltijd. â Voor en na het eten bidden; of minstens het H. Kruisteeken maken.
6°. Engel des Heeren. â Dit gebed driemaal daags godvruchtig bij het kleppen der klok bidden.
7». Rozenhoedje. â- Is men volstrekt belet dit te bidden, dan bidde men minstens één tientje.
80. Geestelijke lezing. â Leest dagelijks eenige regels uit een goed boek; kiest bij voorkeur de levens der heiligen, den katechismus, het boek voor allen, inleiding iot het godvruchtig leven van Fran-ciscus van Sales, navolging van Christus van Thomas a Kempis.
90. Gewetensonderzoek. â 's Avonds zult gij met zorg uwe fouten nagaan. God vergeving vragen en het vaste besluit maken er niet meer in te hervallen.
10». Slapen gaan. â Begeeft u tijdig, zooveel mogelijk op gestelden tijd te rusten, kleedt u zedig uit, maakt met gewijd water een kruisteeken op uwe legerstede en op 11 zeiven en slaapt met eene godvruchtige gedachte in.
Elke Week.
lo. Onthouding en vasten. â De wet van onthouding en vasten, door de Kerk voorgeschreven, stipt onderhouden, tenzij men gedispenseerd of wettig verhinderd is.
20. Zondagsplichten. â Gedenkt, dat gij den zondag heiligt, door nalating van allen slaafschen
- 417 -
arbeid, door het bijwonen van de H. Mis, den Vespers of het Lof, de Congregatie en de H. Familie.
3°. Gelegenheden. Vlucht slechte gesprekken en gezangen, gevaarlijke gezelschappen, kroegen en wereldsche samenkomsten; juist daar, zegt een H. Kerkvader, doet de dtcivcl zijne hevigste aanvallen en maakt hij zijne grootste veroveringen.
4°. Boeken. â Verafschuwt romans en schimpschriften: zij verderven den geest en den goeden smaak, bevlekken het hart, dooden het geloof en vernietigen het huisgezin. Werpt ze in het vuur en schaft u goede boeken aan; schenkt ook geen steun aan verdachte dagbladen.
5°. Broederschappen. Treedt in eene broederschap en weest een godvruchtig en trouw lid.
6°. Werken van barmhartigheid. Wilt gij de genade van een goeden dood verdienen, bezoekt de zieken, bereidt ze voor tot het ontvangen der H.H. Sacramenten, ontbiedt bij tijds een priester.
Elke maand.
i0. H.H. Sacramenten. â Gaat geregeld minstens elke maand biechten. Blijft vooral niet voortleven in staat van doodzonde.
Doet elke biecht, alsof het de laatste ware, en wekt u voor de biecht op tot een oprecht berouw en een vast voornemen.
2U. Godsvrucht tot het H. Hart van Jezus. â Heiligt eiken eersten Vrijdag of Zondag der maand door de H. Communie, en doet op die dagen eene akte van toewijding aan het H. Hart.
3°. Kruisweg. â Minstens ééns per maand zult gij den Kruisweg verrichten en de aflaten trachten te verdienen, die er zoovele aan verbonden zijn, toepasselijk op de geloovige zielen.
- 41S -
Elk jaar.
i0. Feestdagen. â Viert den verjaardag van uw doopsel, uwer eerste H. Communie, alsook de feesten der H. Maagd en van den H. Joseph ; nadert op die dagen tot de H. Tafel.
2°. Maand van Maria. â Volgt in de Kerk of verricht in uw huisgezin de oefeningen van de maand van Maria.
30. Jaarlijksche retraite. â Kan men niet deelnemen aan eene algemeene retraite, dan zal men toch jaarlijks eenige dagen van geestelijke afzondering houden, om den toestand zijner ziel nauwkeurig te onderzoeken en nogmaals zijn ijver vernieuwen.
4°. Voortplanting des Geloofs. â Zondert van tijd tot tijd een offertje af voor de Missiën tot voortplanting des geloofs; daardoor werkt men mede aan het heil der zielen. Leest en verspreidt de Annalen.
Eenige bijzondere wenken.
10. Aan de gehuwden. â Gehechtheid, getrouwheid, wederkeerige eerbied en verdraagzaamheid.
Ten opzichte hunner kindereri: De heilige gewoonte hen te zegenen, het goed voorbeeld, eene voortdurende waakzaamheid, liefdevolle doch krachtige berisping hunner gebreken ; zorg om ze geregeld naar school en katechismus te zenden ; voorzichtigheid in de keuze der leermeesters.
Teri opzichte der dienstboden-. Eene vaderlijke bezorgdheid, matige bevelen, wijze waakzaamheid.
Ten opzichte van het huishouden: Vermijding
- 419 â
van alle dwaze uitgaven, nauwgezet zijne schulden betalen, orde op alle zaken.
2°. Aan de jeugd. â Eerbied, gehoorzaamheid en voorkomendheid jegens zijne ouders, vrede en eensgezindheid onder broeders en zusters ; afgekeerd-heid van slechte woorden en liedjes, van dansen, kroegen en slechte gezelschappen en vóór alles een zorgzame afschuw van âgeheime samenkomstenquot; tusschen personen van verschillend geslacht.
Doet dit alles en gij zult het eeuwig leven bezitten.
II. LEVENSREGEL VOOR GODVRUCHTIGE PERSONEN.
Bovenvermelde oefeningen passen iederen christen ; maar er zijn zielen, die de verhevenheid en de voordeden der oprechte godsvrucht inzien en behoefte gevoelen, eenige andere godsdienstige oefeningen te voegen bij diegene, welke wij reeds in voorafgaanden levensregel opsomden.
Elke7i dag ; Eenige oogenblikken en, zoo mogelijk, een half uur besteden aan de meditatie, de H. Mis bijwonen, eene geestelijke lezing doen van ten minste een kwartier, het rozenhoedje bidden.
Elke weck, of minstens elke veertien dagen biechten en communiceeren, in overleg met zijn biechtvader.
Elke maand: Eene kleine geestelijke afzondering en onderzoek naar de atgeloopen maand.
Na de verschillende oefeningen van den dag te hebben aangeduid, zullen wij overgaan tot de behandeling van de manier, waarop die geschieden moeten.
- 420 -
III. MORGENGEBED.
In den naam des Vaders enz.
Onze Vader. Wees gegroet. Ik geloof in God, den Vader almachtig enz.
Acte van Geloof.
Ik geloof in eenen God, drievuldig in personen, een in wezen looner van het goed en straffer van het kwaad. Ik geloof, dat God de Zoon voor ons allen is mensch geworden en gestorven. Deze mysteriën en al hetgeen de H Kerk mij voorhoudt te gelooven, geloof ik vastelijk. omdat Gij, mijn God, de eeuwige waarheid zijt, die het zelf geopenbaard hebt.
In en voor dit geloof wil ik leven en sterven.
Acte van Hoop,
O barmhartige God! ik hoop met een vast betrouwen door de verdiensten van onzen Zaligmaker Jezus Christus, te bekomen het eeuwige leven en al de middelen, die daartoe noodig zijn, omdat Gij zijt oneindig goed tot ons, almachtig en getrouw in uwe beloften.
In deze hoop wil ik leven en sterven.
Acte van Liefde.
O mijn God, ik bemin U bovenal uit geheel mijn hart, omdat Gij zijt het opperste goed in U zeiven. Ik bemin mijnen evennaaste gelijk mij zeiven om U, en wensch, dat alle menschen U beminnen.
In deze Liefde wil ik leven en sterven.
- 421 -
Acte van Berouw.
Mijn Heer en mijn God! het is mij uit den grond van mijn hart leed, dat ik. uwe goddelijke Majesteit en goedheid, die ik bovenal bemin, vergramd heb door mijne zonden ; ik haat en verzaak die uit liefde tot U, en ik maak een vast voornemen van voortaan niet meer te zondigen, de gelegenheden te schuwen en liever te sterven dan U te vergrammen. Amen.
Opdracht zijner werken.
O mijn God ! uit liefde tot U offer ik alle werken, woorden en gedachten van dezen dag aan U op. Ik wil al de aflaten verdienen, die er aan verbonden zijn en ik voeg die toe aan de zielen van het vagevuur, bijzonder aan N.N.
Ik maak een vast voornemen van dezen dag christelijk door te brengen; ik wil liever duizendmaal sterven dan U te vergrammen. â Barmhartige God, geef mij uwe genade om dit voornemen wel te volbrengen.
H. Maria, Moeder Gods. bid voor ons.
H. Joseph, bid voor ons.
H. Engelbewaarder, bid voor ons.
H.... mijn Patroon (ot Patrones), bid voor ons.
Alle Engelen en Gods lieve Heiligen, bidt voor ons.
Dat de Heer ons gelieve te zegenen en tegen alle kwaad te beschermen, en tot het eeuwig leven te geleiden ; en dat de zielen der geloovigeu door Gods barmhartigheid in vrede rusten. Amen.
In den naam des Vaders enz.
- 422 â
IV. Het voorzorgs-onderzoek.
Des morgens na het gebed of de overweging zult gij een oogenblik in u zei ven keeren. âVoorzie, zegt de H. Franciscus van Sales, de zaken, welke dien dag aan uw beleid zullen worden toevertrouwd, de gelegenheden, die ge zult hebben om God te verheerlijken, en de bekoringen, welke de gramschap, de ijdelheid of eenige andere drift u dien dag zal veroorzaken. Bereid u na deze overweging door een heilig besluit voor om een goed gebruik te maken van de middelen, die u ten dienste staan om God te verheerlijken en uwe volmaaktheid te bewerken ; en van den anderen kant, wapen u tevens met al de krachten uwer ziel, om alle hinderpalen, die dit tweevoudig doel in den weg staan, te verwijderen of uit den weg te ruimen. Uit eenvoudig besluit echter is niet voldoende; ge moet dit ook staven door de voorbereiding der middelen, die u kunnen helpen om dit besluit met kracht ten uitvoer te leggen ; b. v. voorzie ik, dat ik in den loop van den dag zal te doen hebben met iemand, die licht opvliegend is, dan zal ik niet alleen mijne voorzorgen nemen om hem niet te be-leedigen; maar ik zal zelfs zijne opvliegendheid trachten te voorkomen doar hem op de zachtste en beleefdste wijze toe te spreken; of wel, ik zal eenige personen trachten over te halen om er zich met mij naar toe te begeven. Voorzie ik, dat ik eenige zieken moet bezoeken, dan zal ik het uur van mijn bezoek reeds vaststellen, en de omstandigheden en nuttigste wijze van troost en opbeuring reeds bij mij zeiven overwegen.quot;
Gedenk verder, dat ge zonder genade niets vermoogt en vraag God sterkte, om uwe goede verlangens te volvoeren.
âDeze oefening, die gij in den morgen zult ver-
â 423 â
richten alvorens uwe kamer te verlaten, indien dit mogelijk is, moet levendig en vurig zijn, opdat de zegen Gods, dien gij daardoor zult bekomen hebben, zich over den ganschen dag uitstrekke ; doch ik bid u, Philothea, laat die oe'ening nooit na.quot;
V. AVONDGEBED.
Tn den naam des Vaders enz.
Onze Vader, Wees gegroet, Ik geloof in God, den Vader Almachtig.
Acie van Geloof, Hoop en Liefde.
Gewetensonderzoek.
io. Om treilt het kwaad jegens God bedreven-,
Verwaarloozing of onachtzaamheid omtrent onze plichten van godsvrucht; â vloeken, morren,gebrek aan vertrouwen en onderwerping.
20. Jegens onze overheden : Gedachten, woorden of werken tegen den eerbied gehoorzaamheid, liefde of behulpzaamheid aan ouders, meesters en oversten verschuldigd.
30. Jegens den evennaaste: Lichtvaardig oordeel, haat, afgunst, verlangen om zich te wreken, twistwoorden, ergernis, verachting, beleedigingen, kwaadspreken, lastertaal, valsche getuigenis, onrechtvaardig in bezit nemen of houden van eens anders goed.
4°. Jegens ons zei ven: IJdelheid, raenschelijk opzicht, leugentaal, gedachten, begeerten, gesprekken, blikken en handelingen in strijd met de H, Deugd van kuischheid ; onmatigheid, toorn, ongeduld, lui â en zinnelijk leven, lauwheid en traagheid in het vervullen van zijn plichten van staat.
Hierna: Acte van berouw.
Verder-, H. Maria, Moeder Gods, bid voor ons.
H. Joseph, bid voor ons,
H. Engelbewaarder, bid voor ons.
- 424 -
H..... mijn Patroon (of Patrones), bid voor ons.
Alle Engelen en Gods lieve Heiligen, bidt voor ons.
Dat de Heer ons gelieve te zegenen, tegen alle kwaad te beschermen en tot het eeuwig leven te geleiden, en dat de zielen der geloovigen door Gods barmhartigheid in vrede rusten. Amen.
In den naam des Vaders enz.
Na dit gebed doet men nog met veel vrucht ge-zame7ilijk eene korte geestelijke lezing.
VI. WIJZE VAN OVERWEGEN.
Voorbereiding: In eene voortdurende ingetogenheid leven. Brengt stilstaand water in beweging, het zal uw beeld niet meer weerspiegelen. Zoo ook zal eene ziel, door allerlei wereldsche beslommeringen heen en weer geslingerd, het beeld van haren Schepper niet weêrgeven.
's Avonds te voren het voorwerp uwer overweging in het kort u voor den geest stellen en zien, welke vrucht erin ligt opgesloten. Vervolgens u in Gods tegenwoordigheid stellen, Hem licht afsmeeken; de H. Maagd Maria, den H. Joseph en uw H. Engelbewaarder aanroepen.
De overweging zelve. Eerste manier: Als de H. Theresia in de overweging zich niet van een boek bediende, dan beschouwde zij zich als een soldaat zonder wapenen. Gedurende zeventien jaar deed zij de meditatie met behulp van een boek. Al lezende zult gij de duil navolgen, die een dronk water in haar bek neemt en vervolgens naar den hemel blikt om dien door te halen; doet ook zoo met uwe gedachten. Ook de H. Eligius gebruikte een boek bij de meditatie; maar dikwijls brak hij zijne lezing af en besproeide zijn boek met tranen ; en mocht de koning hem somtijds tijdens die god-
- 425 â
vruchtige oefening ontbieden, nooit verklaarde hij zich bereid, alvorens zijn gewoon uur van eindigen daar was.
Tweede manier: Kunt gij niet lezen, doet dan als de bedelaar, die al zijne ellenden en behoeften openbaart; legt uwe behoeften naar ziel en lichaam aan God bloot en vraagt Hem om ervan verlost te worden. De pakdrager van den H. Ignatius en zijne gezellen bleef, tijdens hunne meditatie, even als zij, geknield, en als de heilige hem dan vroeg, wat hij gedurende al dien tijd gedaan had, antwoordde hij: âIk heb tot God gezegd; Mijn God, ik weet à niets te zeggen, maar ik stem in met de gebeden en smeekingen uwer dienaren.quot; Handelt ook gij aldus.
Derde manier: Vereert de wonden van den ge-kruisten Verlosser en vraagt vergiffenis uwer zonden, bedreven door uwe handen, voeten, enz. ; ofwel doorloopt de statiën van den kruisweg. De overweging van Jezus' lijden is bijzonder aangenaam aan God en allervoordeeligst voor onze zielen.
Vierde manier: Doorloopt de geboden Gods en der H. Kerk; onderzoekt u, hoe gij ze hebt onderhouden en vraagt God vergiffenis van uwe overtredingen.
Vijfde manier : Vestigt uwe aandacht op de verschillende vragen van het Onze Vader.
Zesde manier; Neemt des avonds, bij het ter ruste gaan, de houding aan van een uitgestrekt lijk en denkt, dat eens de dag zal aanbreken, waarop ge in dien staat zult verkeeren en wekt alsdan in u oprechte gevoelens op van haat en afkeer van de zonde en van een volmaakt berouw.
Zevende manier: Beschouwt den hemel, de boo-men en planten, en richt dan uwe gedachten tot God.
De H. Theresia deed somtijds hare meditatie.
- 426 -
voor het raam; en de H. Paulus van het Kruis had de gewoonte, de bloemen, die hij op zijn weg aantrof, een lichten stokslag te geven met de woorden : Zwijgt, gij verwijt mij, dat ik God niet genoeg bemin, die u voor mij geschapen heeft.
Besluit. Welke manier van mediteeren men ook quot;kieze, de hoofdzaak is, in den loop, doch vooral bij het einde der overweging:
i0. Ons op te wekken tot eene vurige liefde tot Jezus en ons naar best vermogen genegen te maken tot die deugd, welke wij in de meditatie op het oog hadden.
2°. âOok is het hoogst nuttig in de overweging,quot; zegt de H. Alphonsus, âen wellicht boven alles verkieselijk, dat men veel bidt. God in allen ootmoed en vertrouwen zijne genade vragend en Hem smeekend, dat Hij ons verstand verlichte en ons gelatenheid, volharding, doch vooral de gave zijner heilige liefde schenke.quot; Tot dat einde kan men ook eenige mondgebeden storten, en die dikwijls herhalen, vooral als men zich zeer dor gevoelt in de meditatie.
3°. âBij het einde der meditatie moet men een bepaald besluit nemen, als b. v. om eene of andere fout te beteren, waarin men dikwijls hervalt, of om deze of gene deugd met meer zorg te beoefenen.quot;
Slot. Men bedankt God voor zijn bekomen licht; en men vraagt Hem tevens de genade, ter liefde van Jezus en Maria, om Hem ten einde toe getrouw te blijven. De H. Franciscus van Sales raadt ons aan, de overweging niet te verlaten, alvorens er een bloemruiker in verzameld te hebben,'waarvan de goede geur ons den ganschen dag bijblijve, d. w. z. zonder een of twee gedachten te bewaren, die in onze ziel de levendigste gevoelens van godsvrucht hebben â opgewekt, en die geschikt zijn, ons gedurende den
â 427 -
dag in die gevoelens te houden. Na de overweging moet men zijne besluiten bij de eerste gelegenheid de beste in beoefening brengen. Gelukkig de zielen, die zich op het overwegend gebed toeleggen ; zij zullen God vinden, God smaken.
VII. GODS TEGENWOORDIGHEID.
Ziehier het krachtigste middel om de zonde te vluchten en een heilige te worden; en dit middel is gemakkelijk. Indien gij u met een vriend in een duister vertrek bevondt, en indien gij hem niet zien kondt, zou het u dan moeite kosten met hem te spreken ? Geenszins, gemakkelijk zoudt gij u met hem onderhouden over ieder onderwerp. Niets moeielijker en veel aangenamer is zulk onderhoud met God. Hoe vereeren wij Gods tegenwoordigheid ï Hiertoe is nopdig, dat men geest en hart tot God richt. Vooreerst den geest. Men kan zich voorstellen : i0. Dat Jezus zich aan onze zijde bevindt, alsof men Hetn met zijne lichamelijke oogen aanschouwde, zonder nochtans den geest te zeer in te spannen, 2°. Men kan zich voorstellen, wat meer naar waarheid is, hoe God alles met zijne tegenwoordigheid vervult, 30. Men kan God beschouwen in de schepselen, aan wie Hij hunne schoonheid geschonken heeft en die luide den lof van hun Schepper verkondigen, 4». Eindelijk kan men God in zich zeiven beschouwen, want onze ziel is de tempel Gods. In dien zin I ouwde de H. Catharina van Sienna in haar binnenste een verborgen heiligdom, waarin zij God aanschouwde Een kruisbeeld, dat men vóór zich plaatst, of heiligenbeelden, die men dikwijls aanschouwt, vergemakkelijken de gedachte aan Gods tegenwoordigheid. Men richt het hart tot God: i0. Door het menigvuldig gebruik
~ 428 -
van schietgebeden, 20. Door dikwijls zijne goede meening voor God te vernieuwen, vooral in bezigheden, die den geest afleiden, 30. Door tijdens zijn werk eenige oogenblikken te gebruiken om zich met God te vereenigen. Zalig zij, die met David kunnen uitroepen : Mijne oogen zijri immer tot u gericht, a Heef; mijne ziel is altoos i7i uwe kanden ! Indien men een jaar lang in deze oefening volhardde, zegt de H. Leonardus de PortoMauritio, zou men op het einde des jaars eene volmaaktheid bereikt hebben^ die bewonderenswaardig is.
VUL HET ONDERZOEK.
Men onderscheidt het bijzonder en het algemeea onderzoek. Het bijzonder onderzoek, dat men gewoonlijk op het midden van den dag verricht, loopt b. v. over de wijze, waarop men zich van dezen of genen plicht heeft gekweten, hóe deze of gene deugd in beoefening gebracht, hoe zich gedragen in betrekking tot zijn hoofdgebrek.
Het algemeen onderzoek doet men 's avonds alvorens zich te ruste te leggen. De H. Franciscus van Sales zegt, dat men naar bed moet gaan als naar den biechtstoel, na het onderzoek van zijn geweten. De kooplieden maken eiken avond de balans op van hun verlies of winst; moet ook de ziel, die den hemel wil verdienen, niet hetzelfde doen en eiken avond de fouten tellen, die zij bedreven heeft, met het doel om die te herstellen ?
Wijze van onderzoek. Deze manier is zoowel van toepassing op het bijzonder onderzoek, omtrent een of andere deugd of gebrek, als op het algemeen onderzoek, dat men 's avonds verricht
Men stelt zich in Gods tegenwoordigheid en men vraagt Hem de genade zijne fouten te kennen, die
- 429 -
te verfoeien en naar best vermogen te schuwen. Vervolgens onderzoeke men zich zorgvuldig. In het bijzonder onderzoek doet men dit slechts omtrent één punt; men teekene die fouten aan b. v. door evenveel knoopen te leggen in een touw, ofwel door middel van de koralen van een rozenkrans, en is het getal fouten grooter of even groot als daags te voren, dan legt men zich eene kleine boete op, b. v. vijfmaal het Onze- Vader of Wees-gegroet.
De gelukzalige Lodewijk van Grenada verhaalt ons van een kloosterling, die zich op die wijze van een ingeworteld gebrek beterde.
Vervolgens wekt men zich op tot berouw, het voornaamste deel van het onderzoek. Ongelukkig toch de ziel, die volstrekt geen spijt gevoelt God beleedigd te hebben !
En die niet het minste berouw heeft over lichtere fouten, vervalt zoo gemakkelijk tot grooter kwaad. Ook make men het vaste voornemen zich in de toekomst te beteren. Deze oefening is even als het berouw van het grootste be'ang.
Eindelijk stelle men zich voor, volgens den raad van den H. Leonardus, dat men zijne zonden belijdt voor Jezus Christus zeiven, dat men van Hem de absolutie ontvangt en voorts legge men zich zelve de penitentie of voldoening op.
IX. BEZOEK BIJ HET H. SACRAMENT.
Jezus wacht ons in het tabernakel dag en nacht. Hij, onze God, onze Koning, onze Vader, onze beste Vriend. Bezoeken wij Hem daar dagelijks en kunnen wij ons niet ter kerke begeven, wenden wij ons dan naar den toren onzer parochie, en brengen wij in den geest ons bezoek aan Jezus. In dat bezoek zullen wij Jezus in zijn Geheim van Liefde aanbidden, Hei»
- 430 -
bedanken, Hem vergiffenis vragen, Hem zijn rijke genaden en zegeningen afsmeeken voor ons zeiven en allen, die ons dierbaar zijn, en eindigen met de geestelijke Communie.
X. DE GEESTELIJKE COMMUNIE.
Kan men niet dagelijks Jezus werkelijk in zijn hart ontvangen door de H. Communie ; nochtans kan men dagelijks, ja zelfs meermalen daags, eene geestelijke Communie doen, die hierin bestaat, dat men een vurig verlangen in zich opwekt met Jezus ver-eenigd te worden en zijn geest en genaden te ontvangen.
De geestelijke Communie is eene zoo heilzame oefening, dat de H. Alphonsus durft beweren, dat men er even zooveel, ja meer vrucht uit kan trekken, als zij met vurigheid geschiedt, dan uit eene werkelijke Communie, welke men met lauwheid ontvangt.
Voorbeeld eener geestelijke Communie, volgens den H. Alphonsus.- Lieve Jezus, ik geloof, dat Gij in het H.H. Sacrament des Altaars waarachtig tegenwoordig zijt Ik bemin U bovenal, en wenschte U in mijn binnenste te ontvangen. Doch wijl ik dit thans niet werkelijk doen kan, zoo smeek ik U, kom ten minste op eene geestelijke wijze in mijn hart. Zie, ik omhels U, als hadde ik U reeds werkelijk ontvangen. Laat niet toe, lieve Jezus, dat ik nog ooit van U gescheiden worde. Of wel-. O Jezus, ik geloof dat Gij in het H. Sacrament tegenwoordig zijt. Ik bemin U, ik verlang naar U. Kom in mijn hart. Ik vereenig mij met LT; verwijder U nooit van mij.
Alen vereenigt zich op hei innigs/ met Jezus en men doet zijne dankzegging, alsof men werkelijk gecommuniceerd hadde.
- 431 -
XI DE H. MIS.
De H. Mis is de offerande van het Lichaam en Bloed van Jezus Christus, aan God opgedragen onder de gedaante van brood en wijn, door de bediening der priesters en wel ter vervanging en voortzetting van het bloedig offer des Kruises, waarvan de vruchten, door het opdragen van het onbloedig Sacrificie der Nieuwe Wet, op ons :worden toegepast.,
Manier van Mis-hooren,
De eersie manier is mediteeren. Een goed kloosterling had de gewoonte te zeggen, dat hij gedurende de Mis slechts drie letters las ; de eerste, eene zwarte, herinnerde hem aan zijne zonden, waarover hij God vergiftenis vroeg; de tweede, eene roode, bracht hem tot de overweging van Jezus' lijden; de derde, eene witte, gelijk de H. Hostie, herinnerde hem aan de geestelijke Communie.
Tweede manier: Naar de plichten, die wij ten opzichte van God hebben, de Mis in vier deelen te onderscheiden: Vanaf het begin tot het Evangelie, God loven en verheerlijken. Vanaf het Evangelie tot de Consecratie, God bedanken voor zijne weldaden. Vanaf de Consecratie tot de H. Communie, vergeving vragen van zijne fouten. quot;Vanaf de Communie tot het einde, de geestelijke communie verrichten en God alles vragen, wat wij naar ziel en lichaam behoeven.
Derde manier \ In een kerkboek de gebeden der Mis lezen, waarvan wij hier een voorbeeld laten volgen.
- 432 -
GEBEDEN ONDER DE H. MIS.
Het begin der H. Mis.
Geef mij de genade, o mijn God, dat ik mij die gesteltenissen eigen make, die van mij gevorderd worden om waardig, door de handen des priesters, het vlekkelooze Offer op te dragen, dat ik ga bijwonen.
Ik draag het U op, o mijn God, in vereeniging met Jezus Christus en zijne Kerk; ten is,c om uwe goddelijke Majesteit die eer te bewijzen, welke wij 'haar schuldig zijn; ten 2lle om U te bedanken voor al uwe weldaden ; ten 3'le om U met een vermorzeld hart vergiffenis te vragen van mijne zonden ; en eindelijk ten 4'le om al den bijstand te verkrijgen, die wij behoeven tot heil van ziel en lichaam. Ik verwacht van U al deze genaden door de verdiensten van Jezus Christus, die zich gewaardigt zelf de Bedienaar en het Offer te zijn van dit hoog verheven, aanbiddelijk Sacrificie.
De Confiteor.
Ofschoon Gij, o mijn God ! om mijne zonden te kennen, mijne belijdenis niet behoeft, en Gij in mijn hart al mijne ongerechtigheden leest, belijd ik die echter voor het aanschijn van hemel en aarde; ik beken, dat ik U door mijne gedachten, door mijne woorden en werken beleedigd heb. Ik beschuldig mij daarvan, en bid U ootmoedig om vergeving. H. Maagd, Engelen des hemels, Heiligen van het paradijs, bidt voor ons, vraagt voor ons genade, terwijl wij in dit dal van tranep zuchten, en verwerft ons vergeving onzer zonden.
- 433 -
De Introïtus.
Gij zijt het, Heer, die den Heiligen van het oude Verbond zoo vurige verlangens ingeboezemd hebt van uwen eenigen Zoon op aarde te zien nederdalen ; deel mij iets van die heilige vurigheid mede, en maak, dat ik, ondanks de ellende en moeielijk-heden van dit leven, in mij een heilig verlangen ontware van mij met U door eene vurige liefde te vereenigen.
Kyrie eleïson.
Heer, wij zouden uithoofde van de menigte onzer zonden, nimmer genoeg tot U kunnen zeggen: ontferm U onzer. Wij smeeken U om die genade met het geroep van den blinde van Jericho, met de volharding der Kananeesche vrouw, met de vurigheid van al degenen, welke gij U gewaardigd hebt te verhooren, wanneer zij tot U riepen : Heer, ontferm U onzer.
Gloria in exelsis.
Glorie zij aan God in den hooge, en op aarde vrede aan de menschen, die vau goeden wil zijn. Wij loven U, wij prijzen U, wij aanbidden U, wij verheerlijken U, wij danken U, om uwe overgroote heerlijkheid. Heer, God, hemelsche Koning, almogende Vader. Jezus Christus, onze Heer, eenige Zoon van God den Vader, Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm U onzer, dat de zonden der wereld wegneemt, ontvang ons gebed; die zit aan de rechterhand des Vaders, ontferm U onzer; want Gij zijt alleen heilig, alleen Heer. alleen de Allerhoogste, Jezus Christus, met den heiligen Geest in de heerlijkheid des Vaders Amen.
28
â 434 â
De Epistel.
Ik beschouw dezen Epistel, O mijn God! als een brief, die mij van den Hemel gezonden is, om mij uwen aanbiddelijken wil te doen kennen. Vergun mij, bid ik U, de noodige kracht, om datgene te volbrengen, wat Gij mij beveelt. Gij zijt het, Heer, die den Profeten en Apostelen ingegeven hebt hetgeen zij geschreven hebben; verleen mij eenig deel in hunne verlichtingen, en laat tevens in mijn hart een vonkje dalen van dat heilige vuur, waardoor zij ontstoken waren, om U, gelijk zij, te beminnen en te dienen op aarde.
Het Evangelie.
Ik sta op. o opperste Wetgever, om te betuigen, dat ik bereid ben de eeuwige waarheden, die in het H. Evangelie besloten zijn, ten koste van mijn leven zelfs te verdedigen. Verleen mij dan de genade, zooveel getrouwheid te hebben in het volbrengen van uw goddelijk woord, als Gij mij standvastigheid inboezemt in het te gelooven.
Ckedo.
Ik geloof in eenen God, den Vader almachtig, hepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en nzichtbare dingen. En in eenen Heer, Jezus Christus, en eeniggeboren zoon van God, die van alle eeuwigheid uit den Vader geboren is; God van God, licht van het licht, waarachtig God van den waar-achtigen God : geboren, niet gemaakt, medezelfstandig met den Vader, door wien alles gemaakt is.
Die om ons menschen en om onze zaligheid, van
- 435 -
den hemel is afgedaald, het vleesch heeft aangenomen door den H. Geest uit de Maagd Maria, en mensch geworden is. Die gekruisigd is voor ons onder Pontius Pilatus, is gestorven, begraven, en ten derden dage wederom opgestaan volgens de schriftuur. Hij is opgeklommen ten hemel, zit aan de rechterhand des Vaders, en zal wederkomen met heerlijkheid om te oordeelen de levenden en de dooden, wiens rijk geen einde zal hebben. En in den H. Geest, den Heer, cke levend maakt, die van den Vader en den Zoon voortkomt, die met den Vader en den zoon te gelijk aangebeden en verheerlijkt wordt, die door de profeten gesproken heeft. En eene heilige, katholieke en apostolieke Kerk. Ik belijd een doopsel tot vergiffenis der zonden en ik verwacht de verrijzenis der dooden en het leven der toekomende eeuwen. Amen.
Het Offertoeium.
Ontvang, o heilige Vader, eeuwige en almogende God, dit vlekkeloos Offer, hetwelk wij, hoe onwaardig ook, ,U opdragen. Ik draag het U op, als aan mijn levenden en waren God, voor mijne tallooze zonden, beleedigingen en nalatigheden : ik draag het U ook op voor alle geloovige christenen, levenden en overledenen, opdat het hun en mij ter eeuwige zaligheid verstrekke. Amen.
Lavabo.
Mijn God, gewaardig U mijne zie] van alle vlekken der zonden te wasschen en te reinigen : vernietig in mij tot de minste onvolmaaktheden, en maak mijne ziel, door uwe genade, zoo zuiver, als zij onmiddelijk na het Doopsel was.
â 438 â
De Prefatie.
Ziehier het gelukkig oogenblik, waarop de koning der Engelen en der menschen gaat verschijnen.
Niets is billijker, niets nuttiger dan ons met Jezus Christus te vereenigen om God gestadig te aanbidden. Het is door Hem, dat de hemelingen aan de Majesteit Gods hunne hulde aanbieden ; het is door Heradat al de machten des hemels, door eene eerbiedige siddering bevangen, zich 'vereenigen om God te verheerlijken.
Duld, Heer, dat wij onze zwakke lofzangen voegen bij die van die heilige geesten, en dat wij eenstemmig met hen, in eene verrukking van vreugde en bewondering, uitroepen ;
Sanctus.
Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God der heerscharen ! Hemel en aarde zijn met zijne heerlijkheid vervuld. Dat de gelukzaligen Hem loven in den hemel. Gezegend Hij, die komt in den naam des Heeren.
Memento.
Heer, wij bevelen U in het bijzonder degenen aan, voor welke wij uit rechtvaardigheid, erkentenis en liefde verplicht zijn te bidden; allen, die in dit aanbiddelijk Misoffer tegenwoordig zijn, en bijzonder,.
En opdat onze hulde U des te aangenamer zij, groote God, vereenigen wij ons met de verheerlijkte Maagd Maria, Moeder van onzen God en Heer, Jezus Christus, met al de gelukzalige Martelaren en met al de Heiligen, die met ons ééne Kerk uitmaken.
De Opheffing dee H. Hostie.
Vleesch geworden Woord, goddelijke Jezus, waarlijk God en waarlijk mensch, ik geloof, dat Gij hier tegenwoordig zijt, ik aanbid U hier met ootmoedigheid ; ik bemin U, uit geheel mijn hart; dewijl Gij hier komt uit liefde tot mij, wijd ik mij geheel aan . U toe.
De Opheffing van den Kelk.
Ik aanbid het dierbaar Bloed, dat Gij voor alle menschen gestort hebt, en ik hoop, o mijn God, dat Gij het niet vruchteloos voor mij zult vergoten hebben. Gewaardig u mij deszells verdiensten toe te voegen. Ik bied u het mijne aan, beminnelijke Jezus, tot dankbaarheid voor die eindelooze liefde, die U bewogen heeft om het uwe, uit lietde voor mij, te geven.
Memento.
Gedenk ook, o Heer, de zielen der geloovige afgestorvenen, die in den vrede met de kerk uit het leven zijn gescheiden en bijzonder de zielen van.....
Verleen hun. Heer, uit kracht van dit H. Offer, de volle kwijtschelding hunner pijnen.
Pater Noster.
Onze Vader enz.
Agnus Dei.
Lam Gods, voor mij geslachtofferd, ontferm U
â 438 â
onzer. Aanbiddelijk ofter mijner zaligheid, maak mij zalig. Goddelijke Middelaar, verwerf mij genade bij uwen Vader en schenk mij uwen vrede,
DoiItNE non sum dignus.
Heer, ik ben niét waardig, dat Gij komt onder mijn dak, doch spreek slechts één woord en mijne ziel zal gezond worden. (Driemaal).
Geestelijke Communie. Welk voorrecht voor mij, zoo ik U op dit oogenblik in mijn hart kon bezitten, U daar mijne hulde aanbieden, U mijne behoefte blootleggen en deelachtig worden aan de genaden, welke Gij aan diegenen verleent, welke U wezenlijk ontvangen. Maar dewijl ik daartoe onwaardig ben, wil o mijn God, aan de onwaardigheid mijner ziel te gemoet komen. Vergeef mij al mijne zonden, ik verfoei die uit geheel mijn hart, omdat zij U mishagen. Aanvaard het oprecht en vurig verlangen, hetwelk ik koester, van mij met U te vereenigen. Reinig mij door een uwer blikken, en stel mij in staat, om U spoedig naar behooren te ontvangen.
Laatste gebeden.
Gij hebt U geslachtofferd, o mijn God, voor mijne zaligheid, ik wil mij tot uwe verheerlijking opofferen. Ik ben uw slachtoffer, spaar mij niet. Ik neem bereidwillig alle kruisen aan, welke het U believen zal mij over te zenden, ik zegen die, ik ontvang die van uwe hand en vereenig ze met het uwe.
â 439 â
BENEDICTriT.
Zegen, o mijn God, deze heilige voornemens, zegen ons allen door de hand van uwen bedienaar, en dat de uitwerkselen uwer zegeningen steeds met â ons blijven.
In den naam des Vaders enz.
Het laatste Evangelie.
Goddelijk Woord, eenige Zoon des Vaders, licht der wereld, die van den hemel gedaald zijt, om ons den weg daarheen te toonen, laat niet toe, dat ik gelijk worde aan dat ongeloovige volk, hetwelk geweigerd heeft U voor den Messias te erkennen. Duld niet, dat ik in dezelfde verblinding vervalle als die ongelukkigen, die liever slaven van satan hebben willen zijn dan kinderen Gods.
Vleesch geworden Woord, ik aanbid U met den â diepsten eerbied; in U alleen stel ik al mijn vertrouwen en hoop vastelijk, dewijl Gij mijn God zijt, en een God, die mensch geworden zijt om demen-schen zalig te maken, dat Gij mij de noodige genade zult verleenen om mij te heiligen en U eeuwig in den hemel te bezitten. Amen.
XII. VESPERS VAN DEN ZONDAG.
Pater, Ave.
Deus in adjutorium meum intende.
Domine ad adjuvandum me festina.
Gloria Patri, etc.
Alleluia, vel Laus tibi Domine,] rexxternre glorire.
â 440 â
PSALMUS 109.
Dixit Dominus Domino meo; * Sede a dextris meis.
Donee ponam iiiimicos tuos * scabelhim pedum tuorum.
Virgam virtutis tuse emittet Dominus ex Sion; * dominare in medio inimicorum tuorum.
Tecum principium in die virtutis tuje, in splendo-ribus sanctorum ; ex utero ante iuciferum genui te.
Juravit Dominus et non pcenitebit eum: * tu es sacerdos in reternum secundum ordinem Melchi-sedech.
Dominus a dextris tuis; * confregit in die irce sure reges.
Judicabit in nationibus, implebit ruinas; * con-quassabit capita in terra multorum.
De torrente in viA bibet; * proptereaexaltabit caput.
Gloria Patri, etc.
â /4«/. Dixit Dominus Domino meo : Sede a dextris meis.
PSALMUS 110.
Confitebor tibi, Domine, in toto corde meo; *in concilio justorum et congregatione.
Magna opera Domini; * exquisita in omnes vo-luntates ejus.
Confessio et magnificentia opus ejus; quot;:s etjustitia ejus manet in sseculum sseculi.
Memoriam fécit mirabilium suorum misencors et miserator Dominus; * escam dedit timentibus se.
Memor erit in saeculum testamenti sui; * virtutem operum suorum annuntiabit populo suo.
Ut det iliis htereditatem gentium ; * opera manuum ejus Veritas et judicium.
â 441 â
Fidelia omnia mandata ejus, confirmata in scecu-lum sseculi; * facta in veritate et sequitate.
Redemptionem misit populo sue; * mandavit in-seternum testamentum suum.
Sanctum et lerribile nomen ejus ; * initium sapien-tire timor Domini.
Intellectus bonus omnibus facientibus eum ; * laudatio ejus manet in SKCulum sa;culi.
Gloria Patri, etc.
A/U. Fidelia omnia mandata ejus, confirmata in Sfeculum sseculi.
PSALMUS ] 11.
Beatus vir qui timet Dominum;iS in mandatisejus volet nimis.
Potens in terrd erit semen ejus; s generatio rec-torum benedicetur.
Gloria et divitise in domo ejus; * et justitia ejus manet in sseculum sasculi.
Exortum est in tenebris lumen rectis; * miseri-cors, et miserator et justus.
Jucundus homo qui miseretur et commodat, dis-ponet sermones suos in judicio: * quia in Kternum non commovebitur.
In niemoriA Eeternd erit justus; 0 ab auditione malA non timebit.
Paratum cor ejus sperare in Domino, confirmatum est cor ejus; * non commovebitur, donee despiciat inimicos suos.
Dispersit; dedit pauperibus, justitia ejus manet in sreculum steculi; * cornu ejus exaltabitur in gloria.
Peccator videbit et irascetur, dentibus suis fremet et tabescet; * desiderium peccatorum peribit.
Gloria Patri, etc.
An/. In mandatis ejus volet nimis.
â 442 â
PSALMUS 112.
Laudate, pueri, Dominum ; â¢laudate nomen Domini.
Sit nomen Domini benedictum; * ex hoc nunc et usque in sseculum.
A solis ortu usque ad occasum ; * laudabile nomen Domini.
Excelsus super omnes gentes Dominus; * et super ccelos gloria ejus.
Quis sicut Dominus, Deus noster, qui in altis habitat; quot;* et humilia respicit in ccelo et in terri.
Suscitans a terrd inopem ; * et de stercore erigens pauperem.
Ut collocet eum cum principibus ; * cum principi-bus populi sui.
Qui habitare facit sterilem in domo, * matrem flüorum laetantem.
Gloria Patri, etc.
^///. Sit nomen Domini benedictum in soacula.
Psalmus 113.
In exitu Israel de .-Egypto: * domus Jacob de populo barbaro.
Facta est Judjea sanctificatio ejus; * Israel potes-tas ejus.
Mare vidit et fugit; * Jordanis conversus est retrorsum.
Montes exultaverunt ut arietes; * et colles sicut agni ovium.
_ Quid est tibi, mare, quod fugisti; * et tu Jordanis, quia conversus es retrorsum ?
Montes exultastis ut arietes; * et colles sicut agni ovium ?
A facie Domini mota est terra; * a facie Dei Jacob.
Qui convertit petram in stagna aquarum; * et rupem in fontes aquarum.
Non nobis, Domine, non nobis; ⢠sed nomini tuo da gloriam.
Super misericordia tud et veritate tud ; * nequando dicant gentes : Ubi est Deus eorum ?
Deus autem noster in coe'o ; * omnia qusecumque voluit fecit.
Simulacra gentium argentum et aurum; * opera tnanuum hominum.
Os habent, et non loquentur ; * oculos habent, et non videbunt.
Aures habent, et non audient; * nares habent, et non odorabunt.
Manus habent, et non palpabunt; pedes habent, et non ambulabunt; * non clamabunt in gutture suo,
Similes illis fiant qui faciunt ea; * et omnes qui confidunt in eis.
Domus Israel speravit in Domino ; * adjutor eorum et protector eorum est.
Qui timent Dominum speraverunt in Domino ; * adjutor eorum et protector eorum est.
Dominus memor fuit nostri; * et benedixit nobis.
Benedixit domui Israel; * benedixit domui Aaron.
Benedixit omnibus qui timent Dominum; * pusillis cum majoribus.
Adjiciat Dominus super vos ; * super vos et super Alios vestros.
Benedicti vos a Domino;* qui fecit coelum et terrain.
Ccelum cceli Domino; * terram autem dedit filiis hominum.
Non mortui laudabunt te. Domino ; * neque omnes qui descendunt in infernum.
Sed nos qui vivimus, benedicimus Domino ; * ex hoc nunc et usque in SEeculum.
Gloria Patri, etc.
- 444 â
Am. Nos qui vivimus, benedicimus Domino.
Capiiulmn. ^ Benedict us Deus et Pater Domini nostn Jesu Christi, Pater misericordiarum, et Deus totius consolationis, qui consolatur nos in omni tri-bulatione nostrA. â Deo gratias.
Hyjinus.
Lucis Creator optime,
Lucem dierum proferens,
Primordiis lucis novas Mundi parans originem.
Qui man ; junctum vesperi Diem vocari prsscipis,
Illabitur tetrum chaos ;
Audi preces cum fletibus
Ne mens gravata crimine,
Vitse sit exsul munere,
Duin nil perenne cogitat,
Seseque culpis illigat.
Cceleste pulset ostium,
Vitale tollat premium,
Vitemus orane noxium Purgemus omne pessimum.
Prnesta, Pater piissime,
Patrique compar Unice,
Cum Spiritu Paraclito,
Regnans per omne sseculum. Amen.
Dirigatur, Domine, oratio mea.
1^. Sicut incensum in conspectu tuo.
- 445 -
Canticum.
Magnificat * anima mea Dominum.
Et exultavit spiritus meus * in Deo salutari meo.
Quia respexit humilitatem ancilte sure; * ecce enim ex hoc beatara me dicent omnes generationes.
Quia fecit mihi magna qui potens est; * et sanctum nomen ejus.
Et misericordia ejus a progenie in progenies: * timentibus eum.
Fecit potentiam in brachio suo: * dispersit super-bos mer.te cordis sui.
Deposuit potentes de sede, * et exaltavit humiles.
Esurientes implevit bonis, * et divites dimisit inanes.
Suscepit Israel puerum suum, * recordatus mise-ridife suae.
Sicut locutus est ad patres nostros, * Abraham et semini ejus in sjecula.
Gloria Patri, etc.
XIII. BIECHT-OEFENING. VOLLEDIG ONDERZOEK.
Onnoodig nogmaals te herhalen, dat de veelvuldige biecht, de wekelijksche of veertiendaagsche biecht een der krachtigste middelen is om in de liefde en genade Gods te volharden. (ZieDeel III, Hoofdst. VII).
Ziehier eene manier om de biecht met vrucht te verrichten.
i0. Gebed. Voor alles moet men aan God de noodige genade vragen om zijne zonden te kennen, te verfoeien en er zich van te beschuldigen. Men bidde tot dat doel een vurig Onze Vader en Wees gegroet.
- 446 â
2°. Onderzoek. Eene slordige nalatigheid in zijn onderzoek naar doodzonden is dikwijls aanleiding tot eene slechte biecht. Men moet zich onderzoeken omtrent de verschillende soorten van doodzonden, omtrent haar getal en de omstandigheden, die ze merkelijk veranderen.
Voor de menigvuldige biecht kan men zich bedienen van het gewetens-onderzoek onder V bij het Avondgebed; maar bij andere biechten moet men een meer uitgebreid onderzoek instellen.
De algemeene of generale biecht is noodzakelijk voor hen, die vroeger heiligschendende of onwaardige biechten hebben gedaan, hetzij uithoofde eener zware onachtzaamheid in hun onderzoek, hetzij bij gebreke aan oprechtheid, hetzij verder bij gebreke aan een goed berouw of vast voornemen.
Maar al zoude eene generale biecht niet noodzakelijk zijn, dikwijls toch is zij van het hoogste nut en wel vooral voor zielen, die nog nooit eene algemeene biecht gesproken hebben; zij geeft in 't algemeen eene betere zelfkennis, een meer oprecht berouw en meer gerustheid in het stervensuur. Heeft men reeds eene goede generale biecht gesproken, dan is het zelfs niet raadzaam die te herhalen, dan doet men beter de biecht te laten loopen over den tijd, sedert welke men zijne laatste algemeene biecht gedaan heeft. Men moet niet meenen, dat de generale biecht eene zoo moeielijke zaal: is: neen, zij vordert weinig meer tijd dan eene gewone biecht. Het is niet noodzakelijk, nochtans nuttig en aan te raden, dat men de zonden, sedert de laatste biecht bedreven afzonderlijk biechte; ook is het niet noodzakelijk zich van lichtere fouten te beschuldigen, niet noodzakelijk eerst afzonderlijk de zonden zijner jeugd te biechten, dan die zijner jongelingschap enz. Neen, het is voldoende, dat men de geboden Gods
â 447 â
en de geboden der H. Kerk doorloopt en zegt, hoe dikwijls men, sedert het gebruik der rede, tegen die geboden gezondigd heeft, per dag, per week of per maand; nochtans bij de zonden tegen de heilige deugd van kuischheid onderscheide men, welke vóór, welke na het huwelijk, of de belofte van zuiverheid bedreven zijn.
In eene generale biecht moet men ook duidelijk zijn leeftijd te kennen geven.
HET GEWETENSONDERZOEK.
Hierïn worden in 't kort de plichten van den
christen aangestipt.
N. B. â Men moet niet alleen een onderzoek instellen naar de verschillende soorten van zonden, maar ook naar haar getal en de omstandigheden, die de zonden merkelijk veranderen.
Sedert wanneer hebt gij uwe laatste biecht gesproken ? Hebt gij alsdan de absolutie ontvangen ? Zijt gij voor uwe laatste biecht onachtzaam geweest in uw onderzoek van geweten naar groote fouten ? Hebt ge alsdan eene zonde vergeten of vrij willig verzwegen ? Hebt gij verwaarloosd God vergeving te vragen of het vaste besluit te nemen Hem in de toekomst niet meer te beleedigen r Hebt gij de penitentie volbracht ?
Eerste gebod. Zijt gij onderricht in de waarheden, die elk christen weten moet ? Hebt gij eenige waarheid van het geloof verworpen of daaraan vrijwillig getwijfeld ? Hebt gij met verachting over den godsdienst gesproken, of hen toegejuicht, die er kwaad
- 448 -
van spraken ? Hebt gij geschriften gelezen, die tegen den godsdienst zijn ?
Hebt gij aan uwe zaligheid gewanhoopt, olwel aan de mogelijkheid om u van uwe slechte gewoonten te beteren ? Hebt gij uwe kruisen en moeilijkheden met geduld verdragen of daaromtrent gemord tegen de goddelijke Voorzienigheid? Hebt ge u te veel blootgesteld aan de gelegenheden om God te be-leedigen, door te zeer op eigen krachten te steunen? Hebt gij u aan het kwaad overgegeven onder voorwendsel, dat God u later barmhartigheid zal bewijzen ? Hebt gij gemeend zonder goede werken uwe zaligheid te kunnen bekomen ? Zijt gij verontwaardigd geweest tegen God ? Hebt gij walging gevoeld in zijn H. Dienst? Hebt gij het schepsel meer bemind dan zijn Schepper, liever God beleedigd dan afstand te doen van die dwaze liefde ? Hebt gij geloof geslagen aan droomen, waarzegsters geraadpleegd ? Hadt gij daarmede het nadeel van anderen op het oog ? Hebt gij personen mishandeld, toegewijd aan God? Zijt gij oneerbiedig geweest in de kerk, het hiiis van God ? Hebt gij er misdaden bedreven of begeerd te bedrijven, die deze plaats ontheiligen? Zijt gij na iets gegeten of gedronken te hebben tot de H. Tafel genaderd ? Hebt gij heilige zaken on-teerd, met name de H.H. Sacramenten, door die onwaardig te ontvangen ? Hebt gij gewijde voorwerpen duurder verkocht juist omdat ze gewijd waren ?
Hebt gij God getergd, door u vrijwillig aan het gevaar van zondigen bloot te stellen rekenende op zijne hulp ?
Hebt gij uw gebed verwaarloosd?
Tweede gebod. â Hebt gij den naam van God ijdel gebruikt, dien zonder eerbied uitgesproken of geduld, dat uwe onderdanen dien lasterden? Hebt
- 449 -
gij beleedigende woorden gesproken tegen God of .zijne heiligen ? Hebt gij eene onwaarheid of eene belofte, die ge niet voornemens waart te volbrengen met eed bevestigd ? Hebt ge met eed beloofd kwaad te doen ? Hebtjgij de gewoonte lichtvaardig te zweren? Zijl gij uwe belofte ot uw eed nagekomen ?
Derde gebod. â Hebt gij de H. Mis verzuimd op zon- of feestdagen, of die niet naar behooren bijgewoond ? Hebt gij uwe onderdanen belet eene verplichtende Mis te hooien ? Hebt gij de onderrichting in de kerk verwaarloosd, uwe huisgenooten of kinderen daarvan afgehouden, alhoewel ze toch zoo noodzakelijk waren ?
Hebt gij gewerkt, of laten werken op zon-en feestdagen en wel gedurende een aanmerkelijken tijd?
Vierde gebod. â Hebt gij haat opgevat tegen uwe ouders, echtgenoot, kinderen, broeders of zusters ?
Hebt gij hun kwaad toegewenscht ? Was dat groot kwaad ?
Hebt gij uwe kinderen, broeders of zusters mishandeld ? Hebt gij uwe ouders bedreigd? Hebt gij zonder reden één uwer kinderen vóór de anderen gesteld ?
Hebt gij verwaarloosd uwe ouders, broeders of â zusters in grooten nood bij te staan, voor hen te bidden of te laten bidden na hunnen dood ? Hebt gij hun laatsten wil niet ten uitvoer gelegd ? Heeft het u ontbroken aan eerbied jegens uwe ouders of echtgenoot, door woorden, verachting, zware be-leedigingen of door u over hen te schamen?
Zijt gij ongehoorzaam geweest aan uwe ouders, aan uwen echtgenoot en zoo oorzaak geweest van twistwoorden, toorn of vloeken? Zijt gij slordig en nalatig geweest in huiselijke zaken ongehoorzaam aan uwe ouders, als zij u bevalen slechte gezelschapen
pen te vermijden, wereldsche feesten of andere gelegenheden tot zondigen te schuwen ? Hebt gij uquot; e-kinderen gestraft, niet met het oog op hun welzijn, en uit liefde, maar uit gramschap; hebt gij hen,, tegen hunnen wil, tot den huwelijken staat of het kloosterleven gedwongen ?
Hebt gij hun slechte voorbeelden gegeven, hun iets bevolen, dat strijdig is met de wet van God, of hen belet hunne godsdienstplichten te volbrengen ? Hebt gij hen tijdig naar school en katechismus gezonden en-vooral gezorgd voor degelijk, godsdienstig, katholiek onderricht ? Hebt gij gewaakt op hunne woorden en handelingen in betrekking ook tot uwe dienstknechten ? Hebt ge ze gewaarschuwd en blijven waarschuwen voor de slechte gezelschappen, voor een ontijdig verkeer met personen van het andere geslacht ? Zijt gij met wijze voorzichtigheid te werk gegaan in de keuze uwer dienstboden ? Hebt ge ze misschien medeplichtig gemaakt aan uwe zonden ? Hebt ge hun ergenis gegeven door woorden of werken, ze ontsticht door een wereldsch gedrag? Zijt gij uwe meesters en oversten in alles onderdanig geweest en hebt gij hen met eerbied behandeld ? Hebt gij hunne zaken en hunne belangen als de uwe behartigd ? Hebt gij uwen tijd nutteloos verkwist ? Hebt ge de geheimen van het huisgezin op ongeoorloofde wijze aan het licht gebracht ? Voogden, hebt gij de belangen der aan u toevertrouwde pleegkindere als een vader behartigd, en in al uwe plichten u doen gelden als vader ?
Vijfde gebod. Hebt gij haat of afkeer gevoed tegen uwen evennaaste? Hebt gij iemand kwaad gewenscht ? Was dat groot kwaad ? Hebt gij uit haat jegens sommige personen met hen niet willen spreken? Hebt gij iemand mishandeld, zijn leven
â 451 -
of zijn gezondheid nadeel toegebracht ? Hebt gij tweedracht gezaaid door ware of valsche berichten? Hebt gij uwen evenmensch tot zonde gebracht, en tot welke zonde, door uwen raad of slecht voorbeeld ? Hebt gij anderen bijgestaan om zonden te bedrijven en welke zonden ? Hebt ge iemand van zijne plichten afgehouden ? Hebt gij slechte boeken of dagbladen geleend of verkocht en alzoo anderen gelegenheid tot zondigen gegeven ? Hebt gij verwaarloosd het kwaad te beletten, als gij zulks kondten moest doen ? Hebt gij uit wrevel u zeiven den dood toege-wenscht ? Hebt gij u zeiven in gevaar van den dood of van te zondigen gesteld, zonder noodzakelijkheid, zooals met een tweegevecht aan te gaan. Hebt gij uwe gezondheid benadeeld door bovenmatige droefheid, door overmaat in eten of drinken, of u, uit gierigheid, het noodige laten ontbreken ? Hebt gij verzuimd aalmoezen te geven ? Hebt gij hen, die onder u staan en waarover gij moet waken, belet God te beleedigen, in zooverre dit in uwe macht ligt ? Hebt gij gezorgd, dat uwe zieken op tijd voorzien werden van de hulpmiddelen der Kerk ?
Zesde en negende gebod. Hebt gij vrijwillig toegestemd in gedachten, begeerten of handelingen tegen de heilige deugd van zuiverheid, in welke begeerten en welke handelingen. Hebt gij behagen genomen in het kwaad, vroeger reeds bedreven ? Hebt gij taal gesproken, welke in strijd is met die H. Deugd, slechte liedjes gezongen, slechte, onzedige geschriften gelezen, onzedige platen aanschouwd? Hebt gij den spot gedreven met de heiligheid van het huwelijk en daarin niet geleefd overeenkomstig de heilige wet van God ? Hebt gij ujvrijwillig blootgesteld aan het naaste gevaar van quot;zondigen, door lichte lectuur, door een lichtzinnigen omgang
- 452 -
met personen van het andere geslacht ? Hebt gij bals, danspartijen, schouwtooneelen bijgewoond, slechte gezelschappen bezocht, zondige of minstens gevaarlijke gesprekken gevoerd ? Ik zal over deze stof in geen verdere bijzonderheden treden, om geen kuische ziel te kwetsen. Die tegen deze twee geboden zondigen, zijn hiervan genoegzaam bewust; die er niet tegen zondigen, behoeven het niet te leeren.
Zevende en tiende gebod. Hebt gij bedrog gepleegd tegen uwen evenmensch in koopmanszaken, of op welke wijze ook ? Hebt gij uit eigen schuld anderen nadeel toegebracht? Hebt gij verwaarloosd uwe schulden te betalen, uwe dienstboden het verschuldigde loon onthouden? Hebt gij behouden, wat ge gevonden hadt, alhoewel gij den eigenaar kendet ot gemakkelijk kondt kennen? Hebt gij de begeerte gehad het goed van een ander op onrechtvaardige wijze te nemen of te behouden?
Achtste gebod. Hebt gij zonder genoegzame redenen, in zaken van aanbelang, slecht over den evennaaste geoordeeld of hem verdacht? Hebt gij kwaad gesproken over uwen evenmensch, waar of valsch, en wel om hem nadeel toe te brengen in zijne goederen of zijn goeden naam en faam ? Was dat groot kwaad ? Hebt gij anderen aangezet om hem te belasteren of kwaad van hem te spreken ? Hebt gij leugentaal gesproken, vooral met het oog op eens anders nadeel? Hebt gij eene valsche getuigenis afgelegd voor het gerecht? Zijt gij onbescheiden geweest in zaken, waarover u het stilzwijgen was opgelegd? Hebt gij die aan het licht gebracht? Hebt gij brieven geopend ot gelezen, die aan anderen gericht waren ? Men is verplicht
â 453 â
de schade te herstellen, door deze zonden aan anderen toegebracht.
Geboden der H. Kerk. Hebt gij altijd op Zonen feestdagen de H. Mis bijgewoond en u onthouden van slafelijken arbeid ? Hebt gij uwe paasch-plichten (biechten en communiceeren) naar be-hooren vervuld ? Hebt gij de geboden vasten- en onthoudingsdagen zonder wettige dispensatie verbroken ? Hebt gij hieromtrent een waakzaam oog gehouden op uwe dienstboden ?
Hoofdzmden. Hebt gij uit dwaze ijdelheden buitensporige uitgaven gedaan? Men kan zich omtrent dit punt grootelijks schuldig maken voor God. Hebt gij uit hoovaardigheid anderen diep veracht ? Hebt gij den arme verstooten en hem zonder aalmoes weggezonden ? Hebt gij behagen geschept in het ongeluk van anderen, zijt gij afgunstig geweest op eens anders geluk en voorspoed ? Hebt gij te veel geld besteed aan uwe maaltijden5 Hebt gij buitensporigheden begaan in eten en drinken ? Hebt gij omtrent dit punt gewaakt op uwe kinderen en cTenstboden? Zijt gij toornig geweest? Hebt gij uwe plichten van staat naar behooren vervuld ? Hebt gij uwen tijd verkwist met ijdele en nietswaardige beuzelingen ?
Vragen, die men, volgens den H. Aiphonsus. kan stelltn aan personen van verschillenden slaat en stand, die niet nauwgezet van geweten zijn.
Gij hebt de zonden beleden van Karei, zei een priester tot een keizer, maar gij hebt niet de zonden gebiecht van den keizer. Ach, hoevele zielen gaan verloren, alleen omdat zij niet hunne plich-
â 454 â
ten van vader, moeder, echtgenoot of kind enz. vervuld hebben !
Aau rechters. Hebt gij onderscheid gemaakt tusschen personen? Hebt gij de zaak genoegzaam onderzocht, alvorens uitspraak te doen ? Hebt gij de zaak op de lange baan geschoven ?
Aan notarissen. Hebt gij genoegzame inlichtingen genomen ? Hebt gij onrechtvaardige akten opgemaakt, ofwel rechtvaardige, maar zonder de vereischte formaliteiten ?
Aan geneesheereti. Zijt gij genoegzaam onderwezen in de wetenschappen? Hebt gij zonder reden verlof gegeven vleeschspijzen te gebruiken ? Hebt gij een gevaarlijk geneesmiddel voorgeschreven, alvorens de toestand van den zieke hopeloos was ? Hebt gij uwe beste zorgen besteed aan de armen, als zij in hoogen nood verkeerden en ook buiten dit geval, als u tot dat doel eene jaarwedde werd toegekend ? Zijt gij nalatig geweest, den zieke te wijzen op zijn gevaarlijken toestand, met het oog op de H H. Sacramenten ?
Aan kooplieden. â Hebt gij bedrog gepleegd in maten of gewichten? Hebt gij verkocht boven den -⢠hoogsten prijs ?
Aan makelaars. â Hebt gij een gedeelte gehouden van de opbrengst van koopwaren, op eens anders naam verkocht? Of hebt gij duurder laten betalen dan gij op eens anders naam hadt ingekocht?
Aan herbergiers. â Hebt gij, zonder zware reden, sterken drank geschonken aan personen, die bijna
â 455 â
lt;of geheel in staat van dronkenschap verkeerden ? Hebt gij vloeken en godslasteringen naar vermogen bnlet ? Hebt gij wanordelijkheden in uw huis geduld, in de hand gewerkt misschien ?
Aan kiezers. â Hebt gij uwe stem gegeven aan mannen, vijandig gazind jegens den godsdienst, of .zijt gij, door niet te stemmen, mede oorzaak geweest â¢dat dusdanige gekozen werden .J
Na dit onderzoek volgt het voornaamste deel der biecht: het berouw.
3quot;. Berouw â Zonder berouw, zonder het vaste voornemen van niet meer te zondigen, en de naaste gelegenheden tot zware zonden te schuwen, is geene vergeving mogelijk. Men zorge dus, dat het berouw de absolutie voorafga, en dat men zich tot berouw en het 'vaste voornemen opwekke, alvorens den biechtstoel in te gaan. Om zich tot een oprecht berouw op te wekken, denke men aan de hel, door de zonde verdiend, aan den hemel, door de zonde verloren. Verder denke men aan het lijden en den dood van Christus, om de zonde ondergaan ; aan Gods oneindige volmaaktheden, door de zonde be-leedigd, en krachtens deze gedachten trede men in de gevoelens van een oprecht berouw en make men het vaste besluit om voortaan de zonde te schuwen en de middelen te gebruiken, die tot dat doel geleiden. Vervolgens verwekke men eene akte van berouw. Heeft men niets dan dagelijksche zonden te biechten, waarover men al weinig berouw gevoelt, dan sluite men in de biecht nogmaals eene zwaardere fout uit zijn vroegere leven in, waarover men zijn berouw andermaal hernieuwt. Nochtans is het niet noodig in dit laatste geval die zonde uit zijn vroeger leven, die men alreeds gebiecht heeft, breed-
â 456 â
voerig uiteen te zetten ; neen, het is voldoende, dat men de deugd aanhale, waartegen men gezondigd heeft b.v. : Eerwaarde vader, ik beschuldig mij in 't algemeen van al de zonden van mijn voorgaand leven bedreven tegen de H. Deugd van zuiverheid. Dit gebruik, dat immer nuttig is te noemen, zou zelfs noodzakelijk zijn, indien men alleen lichtere fouten te biechten had, waarover het berouw twijfelachtig is.
4°. De belijdenis â Het is van het hoogste belang zijne zonden te biechten. Welke troost, zijne ziel met al hare lasten, bezwaren, twijfels enz. uit te storten in het hart van den bedienaar van Christus ? Kunt gij of durft gij u niet verklaren, vraag dan uw biechtvader, dat hij u helpe. Met alle liefde zult gij hem daartoe bereid vinden.
Na de biecht. â Zoo spoedig mogelijk volbrenge men de penitentie. Men bedanke God voor de bekomen genade, en vrage Hem zijn heiligen zegen, om de voornemens met moed en kracht ten uitvoer te leggen.
XIV. COMMUNIE-OEFENING.
Na de zuiverheid van geweten, die voor het H. Sacrament des Altaars gevorderd wordt, is niets nuttiger om met vrucht te communiceeren, daneene hartelijke en vurige voorbereiding.
De H. Franciscus de Sales zegt: âReeds langen tijd voor den dag uwer Communie zult gij met geestdrift uitzien naar het gelukkige oogenblik, waarop gij u met den Bruidegom uwer ziel zult vereenigen. Op den vooravond der Communie zult gij reeds uwe voorbereiding beginnen, door verschillende verlangens en liefdeverzuchtingen. Leg u ook reeds tijdig te
- 4Ã7 -
ruste om 's morgens vroeger dan naar gewoonte op-te staan ; en mocht ge gedurende den nacht ontwaken, vervul dan aanstonds hart en mond met eenige heilige woorden, waardoor uwe ziel meer en meer wordt aangezet tot een vurig verlangen om zich met haren hemelschen Bruidegom te vereenigen. Die Bruidegom toch waakt, terwijl gij slaapt, en bereidt u, op zijne beurt, duizenden gunsten en genaden, indien gij van uwen kant welgesteld zijt om die te ontvangen. Sta 's morgens met vreugde op in de gedachte van het groote geluk, dat u wacht, en gedraag u verder na de bekomene gunsten zoo, dat men aan al uwe handelingen kan merken, dat een God met u is.quot;
De H. Mis, waarin gij moet communiceeren, zult gij met de grootste ingekeerdheid en de vurigste godsvrucht bijwonen. Doch alvorens tot de H. Tafel te naderen herhaal eerst nog, meer met het hart dan met den mond, de volgende akten :
Akie van geloof. â Heer Jezus, ik geloof vaste-lijk, dat Gij wezenlijk in het H. Sacrament des Altaars tegenwoordig zijt.
Ik sta op het punt uw lichaam, uw bloed, uwe ziel, ja gansch uwe Godheid te ontvangen. Ik gelooi het, omdat Gij, die de eeuwige waarheid'zijt, het zelf geopenbaard hebt en de H. Kerk het mij voorhoudt te gelooven.
Akie van hoop. ââ Mijn God, ik hoop, dat Gij, door U aan mij weg te schenken, mij deelachtig zult maken aan de zegeningen uwer tegenwoordigheid, en dat ik, na mij met U hier op aarde vereenigd te hebben, het geluk zal hebben U eeuwig in den hemel te bezitten.
Akte van liefde. â O mijn goddelijke Jezus
- 458 -
Gij gewaardigt U mij uwe liefde te toonen door het voedsel mijner ziel te worden. Ik bemin U uit geheel mijn hart; maak, dat ik met de hulp uwer genade het geluk hebbe, in uwe liefde toe te nemen, daarin te leven en te sterven.
Akte van ooimoedigheid. â Mijn Heer en mijn God, Gij zijt de heiligheid zelve en ik ben slechts een zwak en ellendig schepsel, ik erken mij ten zeerste onwaardig U te ontvangen, doch spreek slechts één woord en mijne ziel zal gezond zijn.
Akte van verlangen. â Kom, goddelijke Jezus, kom mijne verlangens vervullen ; kom mijn dorst lesschen, mijn honger stillen. Gelijk een dorstig hert naar de waterbron verlangt, zoo verlangt mijne ziel naar U, o Heer, die de bron zijt van levend water, springend tot in het eeuwig leven.
IVa de H. Communie. Na een oogenblik in u zelve te zijn gekeerd om u met Jezus te onderhouden en te denken aan hel groote geluk, dat n te beurt viel, kunt gij, naar believeti, nog gebruik maken van de volgende akten, of van eenig ander gebed, naar goedvinden.
Akte van aanbidding. â Goddelijke Jezus, ik aanbid U, waarlijk in mijn hart tegenwoordig. Ik vereenig mijne aanbiddingen met die der Engelen en Heiligen in den hemel.
Akte van dankzegging. â Wat zal ik U wedergeven, o mijn God, voor al de genaden, die ik van U ontvangen heb en voornamelijk voor die, welke Gij mij zooeven bewezen hebt, door U geheel en al aan mij weg te schenken ! Ik vereenig mijne dank-
- 459 -
.zeggingen met die der gelukzalige hemelgeesten ert van alle godminnende zielen op aarde.
Akte van opdracht. â Goddelijke verlosser, wijl Gij U zeiven geheel aan mij geschonken hebt, is het mijn rechtmatige plicht, dat ook ik mij zeiven geheel en al aan U wegschenk. Ik draag U dan â¢op mijne ziel, mijn lichaam, al wat ik bezit, al wat ik ben, beschik er over naar uw goedvinden.
Akte van smeeking. â O mijn Jezus, die de behoeften mijner ziel kent, doe mij meer en meer toenemen en volharden in uwe heilige liefde. Bescherm uwe Kerk, heilig hen, die in haren schoot zijn opgenomen, en doe degenen wederkeeren, die daarvan zijn afgedwaald. Help in 't bijzonder mijne ouders, mijne vrienden, mijne vijanden, mijne oversten, mijne weldoeners, en de zielen in het vagevuur.
Akte van voornemen. â Mijn Heer en mijn God, ik wil met uwe hulp en genade de vruchten bewaren, die uwe vereeniging met mij heeft voortgebracht. Voor altijd verzaak ik aan den duivel, de wereld en hare ijdelheden. Ik maak het vaste besluit mij aan U vast te hechten, volgens uw heilig Evangelie te leven en U gedurende mijn leven te volgen om U â eeuwig in den hemel te bezitten.
GEBED TOT DEN GEKRUISIGDEN JEZUS.
Zie, o goede en allerzoetste Jezus, ik werp mij voor uw aanschijn op mijne knieën neder, en met de grootste vurigheid des gemoeds bid en smeek ik U, m mijn hart te willen prenten levendige gevoelens van geloof, hoop en liefde, een waar leedwezen over
- 460 -
mijne zonden en het vaste voornemen van die te verbeteren, terwijl ik met groote liefde en droefheid uw vijf wonden bij mij zei ven overdenk en in den geest aanschouw, datgene voor oogen hebbende,, wat reeds de profeet David U wegens U, o goede Jezus, in den mond legde: Zij hebben mijne handen en mijne voeten doorboord; zij hebben al mijne beenderen gesteld.
Vijfmaal het Onze vader en het Weesgegroet tot inteniie van zijne Ueilijluid.
Aan dit gebed is een volle aflaat verleend, mits men het, na gebiecht en gecommuniceerd te hebben, geknield en met een berouwvol hart hidde voor eene afbeelding van den gekruisigden Jezus.
XV. DE GEESTELIJKE LEIDSMAN.
âHet schip zonder stuurman ziet zijn mast neerstorten,quot; zegt de H. Athanasius. âDe golven slaan het heen en weer, totdat het op verborgen klippen te pletter wordt geslagen.quot; Dit is het beeld eener ziel zonder leidsman. ,,De ziel, die een veiliger, gids heeft, zegt diezelfde H, Vader, gelijkt op een vruchtbaren wijngaard, welken de tuinman besproeit en met zorg rein houdt, en die aldus op zijn tijd de heerlijkste vruchten voortbrengt.quot; O ! hoevele verborgen klippen worden vermeden, als men voorzichtig geleid wordt: hoeveel verdriet wordt verzacht, hoevele bekoringen worden overwonnen, hoevele deugden beoefend, vooral de deugd van gehoorzaamheid! En wie gehoorzaamt, doet zeker den wil Gods.
Keuze van een leidsman. â âKies dien uit duizend, zegt de H. Franciscus van Sales, ja zelfs uit tien duizend.quot; Kunt gij dit niet, ga dan met vertrouwen
- 461 -
tot hem, welken de Voorzienigheid voor U bestemd heeft, ten minste, indien men geene bijzondere reden heeft om anders te handelen.
Men bediene zich slechts van één zielsbestierder en niet zonder reden zal men naar een andere over-loopen. Men moet zijn geestelijken leidsman, dien men gekozen heeft, grooten eerbied en vertrouwen toedragen, doch eene al te menschelijke gehechtheid aan hem zij verre van u. Aan zijn biechtvader behoeft men alleen zijne zonden te belijden ; doch aan zijn geestelijken leidsman openbare men ook, op gansch kinderlijke wijze, zijne gebreken, zijne bekoringen, gevaren, moeilijkheden, zijne verlangens om voortgang te maken in de godsvrucht, de vruchten, die men uit zijne godsdienstige oefeningen trekt, den smaak, dien men er in heeft; kortom alles, wat het geestelijk belang der ziel betreft. Die leiding kan geschieden per brief; doch het beste en gewone middel daartoe is de biechtstoel.
XVI. OVERZICHT DER MAAND EN VOORBEREIDING TOT DEN DOOD.
Hoort wat hieromtrent de H. Leonardus zegt; ,,Kiest u iedere maand een dag uit, waarop gij het minst door bezigheden zijt overladen, en besteed dien geheel en al aan het belangrijke werk uwer ziel, aan de voorbereiding tot den dood. Trekt u alsdan geheel alleen op uwe kamer terug en brengt dan dian dag door als een kluizenaar, in eenzaamheid en in het volmaakste stilzwijgen.quot;
Eerst zult gij u voorbereiden tot eene goede biecht. Denk dat het â e laatste uws levens is. Wek u op tot een volmaakt berouw over al uwe monden, u voorstellende, dat gij zoo aanstonds voor Gods rech-
â 4C2 â
terstoel moet verschijnen ; maak vervolgens het onveranderlijk besluit voor de toekomst, om niet meer te zondigen en van stonde af aan beter te waken over uwe hoofddrift.
Ook zult gij dan bijzonder werk maken van de voorbereiding tot de H. Communie, u voorstellende dat gij 's anderendaags voor den laatsten keer de H. Communie zult ontvangen. Gij zult Onzen Heer Jezus Christus aanbidden, Hem uw leven ten offer brengen en Hem de verzekering geven, dat gij bereid zijt te sterven, wanneer het Hem behaagt, als Hij zich slechts gewaardigt, op die groote reis naar de eeuwigheid u bij te staan.
In uwe morgen-meditatie zult gij u ook op het levendigst voor den geest trachten te brengen, den staat, waarin gij bij uw sterven zult verkeeren, reeds verlaten en opgegeven door de geneesheeren en op het punt van te sterven.
Die meditatie zult gij duidelijk in drie punten onderscheiden, Ge zult dan overwegen, wat gij in uwe laatste stonde zoudt wenschen gedaan te hebben; ten iste jegens God; ten a'10 jegens den naaste; ten 3de jegens u zeiven. Vervolgens, na verschillende akten van levendig berouw en vast voornemen, zult gij eindigen, met God de genade af te smee-ken, van in de toekomst eiken dag met zooveel ijver door te brengen, alsof het de laatste uws levens ware.
In uwe avond-meditatie zult gij de vijf beweegredenen overwegen, die het meest geschikt zijn om de straf des doods gelaten uit de hand van God te aanvaarden: i0. het is eene algemeene wet, waaraan de Zoon Gods niemand onttrokken heeft; 20. het is billijk en rechtvaardig, dat hij die zoo dikwijls tegen God is opgestaan, ter dood veroordeeld wordt; 30. hij, die een zoo slecht gebruikt gemaakt heeft van het leven, is niet meer waardig langer te
- 463 -
leven ; 4». de liefde Gods moet in ons het verlangen, opwekken, ons voor altijd niet Hem te vereenigen ; 5°. onze onderdanigheid aan God moet ons den dood uit zijne hand met liefde doen aannemen, zoodra dit aan Hem behaagt.
Het overige van den tijd zult gij besteden met nogmaals een bezoek te brengen bij het H.H. Sacrament, eene geestelijke lezing te doen, uw geweten te onderzoeken en de genomen besluiten omtrent de volmaaktheid te hernieuwen, 's Avonds, alvorens u ter ruste te leggen, zult ge een zoo heiligen dag besluiten met den dood gelaten uit Gods hand te aanvaarden. Zeg dan : o mijn God, mijn hart is bereid, in uwe handen beveel ik mijnen geest; o Maria, bid voor mij, nu en in het uur van mijnen dood ; H. Joseph, heilige Engelbewaarder, H. Patroon, alle Gods lieve Heiligen, verlaat mij niet.
Zulk eene maandelijksche oefening, zegt de H. Leonardus, is van onberekenbaar voordeel.
XVII. WIJZE VAN DE STERVENDEN BIJ ÃE STAAN.
Leo de Villcle, commandeur van de ridders van den H. Jacobus van Arragon, gaf bij zijn sterven den wensch te kennen, dat men eene wijze van de stervenden bij te staan in druk zou doen verschijnen en dat men die aan al de inwoners van Biscaye, zijn geboorteland zou uitdeelen.
In den ongelukkigen tijd, dien wij beleven, schijnt ons eene wijze van de stervenden voor te bereiden om voor Gods rechterstoel te verschijnen, meer dan ooit noodzakelijk. Wij geven die dan in het licht, en wij smeeken onze medebroeders, die met de zielenzorg belast zijn, en alle godvruchtige personen,
â -
quot;wien het heil hunner broeders ter harte gaat, die in de huisgezinnen te verspreiden.
Wat ware het te wenschen, dat er ten minste in alle straten der groote steden eenige personen gevonden werden, bezield met den geest Gods, die de zieken opzochten en ze bijstonden, op de wijze, die wij hier aangeven.
Dat de ijver der priesters ze daartoe opwekke !
Van het oogenblik van sterven hangt de eeuwigheid af. Hoe diep rampzalig is het dus, als arme stervenden door niemand worden bijgestaan, ik zeg niet voor hunne lichamelijke zorgen, welke hun toestand eischt, maar voor hunne geestelijke belangen, duizendmaal noodzakelijker.
Zij, die de stervenden bijstaan, moeten vóór alles zorgen, die voor te bereiden tot de komst van den priester, welken zij tijdig zullen ontbieden. Het is noodzakelijk den priester bij tijds te wijzen op den toestand van een zieke, zelfs dan al zou deze niet op diens bezoek gesteld zijn. En wat wij zeggen van eene ziekte, die met doodsgevaar vergezeld gaat, geldt ook voor die zieken, waarbij het gebruik der rede gevaar loopt. De omstanders zullen wel doen met den zieke de akten van geloof, hoop, liefde en van berouw voor te bidden en die meermalen te herhalen; juist door die akten vereenigt zich de ziel met God.
Als men het dienstig oordeelt, zal men den zieke nog eens in het kort herinneren aan de noodzakelijkste waarheden der zaligheid, namelijk, dat er maar één God is, dat er drie goddelijke Personen zijn. de Vader, de Zoon en de H. Geest, dat God de Zoon voor ons is mensch geworden en gestorven, dat God de goeden zal loonen en de kwaden bestraffen.
De rede bewijst ons op afdoende wijze, dat God,
â 465 â
â die alle schepselen hunne volmaaktheden geschonken heeft, boven alle schepselen volmaakt is en alle volmaaktheden in den hoogsten graad bezit. Hij is dus de wijsheid, die alles weet, de waarheid, die niet kan liegen, noch bedriegen, noch bedrogen worden. Hij is oneindig goed voor zijne sche])selen en kan ze volmaakt gelukkig maken. Hij is almachtig en getrouw in zijne beloften.
God is een zuivere Geest, gelijk de Engelen, d. w. z., dat Hij geen lichaam heeft.
God zelf is ons komen leeren, dat er in zijn éénige natuur drie Personen zijn, de Vader, de Zoon en de H. Geest, alle drie even oud, even wijs en â machtig. Eenige gelijkenis hiervan vindt men in de menschelijke ziel, waarin drie onderscheiden eigenschappen, verstand, geheugen en vrije wil, hoewel de mensch slechts ééne ziel heeft.
De Zoon Gods, die gelijk de Vader en de H. Geest God is van alle eeuwigheid, de Zoon Gods is op aarde gekomen en heeft de menschelijke natuur aangenomen. Hoewel Hij God bleef, is Hij mensch geworden en werd Jezus Christus genoemd. Hij heeft zijne godheid bewezen door schitterende mirakelen, die de wereld bekeerd hebben. Mirakelen zijn buitengewone teekens, welke God alleen kan doen en die duidelijk bewijzen, dat hij, die ze verricht, door God gezonden is. De mirakelen van Jezus Christus en zijne leer worden verhaald door de geloofwaardigste geschiedschrijvers. Om onze zonden uit te boelen en ons te verlossen is Jezus gestorven op een kruis. Hij is den derden dag verrezen ; en opgeklommen ten hemel heerscht Hij aan de rechterhand zijns Vaders, van waar Hij komen zal om de menschen te oordeelen. Terwijl Hij op aarde was, heeft Hij ons gezegd, dat Hij God was, dat Hij zelf ons leerde, wat wij moeten gelooven en doen,
30
â 466 â
dat Hij zelf niet bedriegen kan noch ons bedriegen, cn de rede zegt ons duidelijk, dat God niet onwetend is en niet liegt. Wij moeten dus gelooven, wat Hij gezegd heeft.
Zijne Apostelen en vervolgens den Paus en de Pgt;isschoppen heeft Hij last gegeven zijne leer te prediken, en Hij heeft beloofd altijd met hen te zullen zijn tot het einde der wereld, opdat zij altijd de waarheid zouden leeren, en ten bewijze, dat Hij altijd met zijne Kerk is, heeft Hij vele wonderen verricht, die alleen in de R. K Kerk geschieden, en door de kracht zijner genaden velen tot hooge volmaaktheid opgevoerd.
Al deze waarheden kennen wij uit de leering der H. Kerk, die ze ons voorhoudt te gelooven.
Hierna bidde men langzaam en duidelijk de akten van geloof, hoop, liefde en berouw.
Deze akten zijn als zoovele sporten eener ladder, waarlangs de ziel zich door het geloot en de hoop, tot de liefde Gods verheft en het volmaakt berouw bereikt, dat op de liefde gegrond is.
Men merke op, dat de volmaakte liefde en het volmaakt berouw al de zonden uitdelgen, zelfs alvorens het Sacrament der Biecht ontvangen wordt. Zou men dus op zijn sterfbed deze akten oprecht verwekken en niet meer in staat zijn het H. Sacrament der biecht te ontvangen, dan zou men toch van zijne zaligheid verzekerd zijn, al ware men tot dan toe heiden of ketter geweest. Daarom verzuime men niet in hel bijzijn van stervenden, waarbij geen priester bijtijds kan tegenwoordig zijn, deze akten voor te bidden. Maar men merke wel op ; het volmaakt berouw en de liefde Gods veronderstellen noodzakelijk het geloof en de kennis der beweegredenen van het geloof en der waarheden, die men moet weten om zalig te kunnen worden.
Het is bijgevolg van groot belang, deze hoofdquot; waarheden den zieken en stervenden, ja zelfs den kinquot; deren, die het gebruik der rede eenigszins hebbeni voor te houden. Dit is tevens eene voortreffelijke voorbereiding tot de biecht.
Men^ voege er. bij, dat Jezus Christus de biecht heelt ingesteld, om den schuldigen mensch zijne zonden te vergeven, dat men om met vrucht te biechten zijn geweten moet onderzoeken, vervolgens dat men zijne zonden moet biechten met getal en omstandigheden, en het vaste voornemen maken die in de toekomst te schuwen.
Dan zelfs, als de zieke de absolutie heeft ontvangen, zal men die akten nog met vrucht herhalen, maar op eene verkorte wijze b. v. Mijn God, ik geloof in U; ik hoop op U; ik bemin U, doe mij uit liefde tot U de zonden halen en verfoeien.
Men moet den zieke niet afmatten ; zou daarvoor gevaar bestaan, dan kan men die akten heel kort bij tusschenpoozen herhalen en zeggen; Mijn God, ik gelooj in U; wat later: Mijn God, ik hoop op Ã/enz.
Is eindelijk het stervensuur genaderd, dan zal men nog zijn best doen om den priester te ontbieden, die den stervende nogmaals de H. Absolutie geven zal, ook al zou hij die nog kort geleden ontvangen hebben. Want mogelijk is het, dat die ongelukkige, juist in zijne laatste oogenblikken, nog bezweken is onder de bekoring van wanhoop of andere.
Kan de priester niet bij dat beslissend oogenblik tegenwoordig zijn, dan verwijdere men van de legerstede en uit het vertrek van den zieke de naaste bloedverwanten of anderen, die- door hun luid schreien ot snikken den stervende bepaald hinderlijk zijn. Dit is de wijze raad van den H. Alphonsus. Het ligt immers voor de hand, dat deze uitingen van droefheid, een stervende kunnen ontstellen, ja zelfs
â 468 -
hem eene gelegenheid tot wanhoop kunnen zijn. Nog mat meer reden das verwijdere men van hem die personen, die hem tijdens zijn leven gevaar voor zijne deugd opleverden. Komt de stervende zijne zintuigen te verliezen, dan moet men daarom niet ophouden hem gebeden voor te zeggen.
De geneesheeren immers, zoowel als de godgeleerden zijn van gevoelen, dat de zieke het gebruik van het gehoor het langst behoudt. Een zieke dus, die zijne kennis schijnt verloren te hebben, hoort dikwijls nog. Men spreke dus met verheven stem, herhale nogmaals voormelde akten van geloof, hoop, liefde en berouw, roepe dikwijls de zoete namen van Jezus, Maria en Joseph aan en bidde gezameüjk de gebeden der stervenden, die men in de meeste kerkboeken aantreft.
Zalig zij, die alzoo dat verheven werk, de stervenden bijstaan, zullen behartigd hebben. Zij zullen velen den hemel openen, en zich zeiven tot een heiligen dood voorbereiden.
XVIII. DE VOORNAAMSTE DEVOTIES. I. Ten opzichte van Jezus-Christus.
i0. De godsvrucht tot het H. Hart. Onze goddelijke Zaligmaker heeft zich gewaardigd, deze bij uitstek uitmuntende godsvrucht te bewaren tot op onze dagen, waarin zooveel koud ongeloof, zooveel laag eigenbelang heerscht. Hij heeft deze godsvrucht het eerst geopenbaard aan de gelukzalige Maria-Margaretha, eene brave, eenvoudige kloosterlinge.
Deze devotie, die het geluk uitmaakt van godvruchtige zielen, is door de Kerk goedgekeurd, en door verschillende Pausen aanbevolen. Het doel dezer godsvrucht is, de grenzenlooze liefde te eeren, welke ' de Zoon Gods, mensch geworden, voor het
zondige menschdom heeft getoond, getoond tijdens zijn leven en sterven, en nog steeds toont in zijn aanbiddelijk Sacrament van Liefde. Vervolgens heeft zij ten doel, door eene oprechte wederliefde de ondankbaarheid te herstellen, die dat goddelijk Hart van zoovele lauwe, trage christenen ondervindt.
Om deze godsvrucht meer en meer aan te moedigen, heeft Jezus zelf aan Maria-Margaretha de heerlijkste beloften gedaan.
Ziehier eenige der voornaamste:
i0. De genade van bij zijn sterven de H.H. Sacramenten te ontvangen, als men gedurende negen achtereenvolgende eerste Vrijdagen der maand zal gecommuniceerd hebben.
20. Vrede en zegen in de huisgezinnen, waarin de beeltenis van het H. Hart zal zijn uitgesteld.
3°. De bekeering beloofde Hij aan de zondaren.
4°. De vurigheid aan lauwe zielen.
5°. Den hoogsten trap van volmaaktheid aan ijverige zielen, die dit aanbiddelijk Hart zullen eeren.
De broederschap van het H. Hart is met kostbare aflaten verrijkt, zoo ook de aartsbroederschap der Eerewacht van het H. Hart en het apostolaat des gebeds. Ach, moge toch de beeltenis van dat beminnelijk Hart in elk huisgezin worden aangetroffen, en moge de brave christen toch meer en meer de waarde beseffen van de H. Communie op den isten Vrijdag der maand.
2°. De Kruisweg. De godsvrucht tot het Lijden van O. H. J. Chr. hebben de heiligen ten allen tijde op bijzondere wijze beoefend. Niets is dan ook heilzamer dan de overweging van dat H. Lijden. Vandaar dat men het kruisbeeld met reden het boek der uitverkorenen noemt.
Daarin toch leert men de beoefening der verhe-venste deugden, daarin leert men ootmoedigheid,
- 470 -
nederigheid, gehoorzaamheid, zachtmoedigheid, versterving, armoede enz. ; daarin leert men de wetenschap der Heiligen, zijne ziel zalig maken, de noodzakelijkste van alle wetenschappen der wereld. En onder de verschillende oefeningen, die de godsvrucht tot het H. Lijden in ons opwekken en de overweging daarvan gemakkelijk maken, is er wel geene, beter daartoe geschikt, geene ouder, meer verspreid, voordeeliger, dan de beoefening van den H. Kruisweg.
Den Kruisweg doen, dat is den smartelijken weg volgen, welken onze goddelijke Zaligmaker bewandelde, als Hij met den zwaren kruisbalk beladen, van uit het rechthuis van Pilatus naar den berg van Calvarie toog. Hij wordt verdeeld in veertien statiën, die ons ieder een geheim van het lijden herinneren. Geene oefening is er bekend, die zoo rijk met aflaten bedeeld is, als de oefening van den H. Kruisweg. De godgeleerden spreken van verschillende volle en gedeeltelijke aflaten, alle toepasselijk op de zielen van het vagevuur. Om die aflaten te verdienen behoeft men niet te biechten, noch te communiceeren, men kan volstaan met den staat van gratie. Daarom is het raadzaam, alvorens die oefening te beginnen, een akte van berouw te verwekken. Ook is het niet noodzakelijk eenige bijzondere gebeden te storten gedurende of na den H. Kruisweg, neen, de volstrekte vereischten om de aflaten te verdienen zijn :
Ten i!te. Eene korte overweging van het lijden bij iedere statie.
Ten 2de. Van de eene statie voortgaan naar de andere.
Ten 3'ie. Den Kruisweg niet langen tijd onderbreken, b v. door vandaag de eene, morgen de andere helft te verrichten.
Welk voorrecht dagelijks of ten minste eens in de week b. v. Vrijdags of des Zondags na het Lof, den Kruisweg te kunnen doen ! Kan men dit niet, dan doe men het op den eersten Vrijdag of Zondag der maand, waarop men die heilige oefening nooit zal nalaten; zij is zoo verdienstelijk voor u zeiven, zoo voordeelig voor anderen. Ook herinnere men zich het oud christelijk gebruik, al de vertrekken van zijn huis te voorzien van een kruisbeeld, en altijd, ter gedachtenis aan het H. Lijden, een klein crucifix bij zich te dragen.
II. Ten opzichte der H. Maagd.
Wij mogen het vrijmoedig zeggen, de godsvrucht tot de H. Maagd is een teeken van voorbeschikking. Een ivaar dienaar van Maria, zegt de H, Bernardus, kan niet verloren gaan. De beoefening dezer devotie is wijd uiteenloopend. Sommige godvruchtige personen werpen zich bij het opstaan en slapen gaan op de knieën voor het beeld der Moedermaagd om haar den zegen te vragen. Anderen bidden driemaal daags het Engel des Heer en. Weer anderen roepen Maria dikwijls aan gedurende hunne bezigheden, vooral in bekoringen en zeggen tot haar: O Maria, zonder zonde 07iivangcn., bid voor ons, die onze toevlucht tot U nemen, of; Hart van Maria, wees wijn heil. En wie zou geen scapulier of medaille dragen ter eere van Maria ? Er zij geen, huis, waar geen beeltenis der Moeder Gods prijkt! De H. Alphonsus de Liguorio bad altijd een Weesgegroet, als de klok sloeg. De Karthuizers onderhouden nog dit vroom gebruik. Het driemaal bidden van het Wees-Gegroet 's morgens en 's avonds ter eere van Maria's onbevlekte zuiverheid is ook van algemeene bekendheid in het christelijk huisgezin.
- 472 -
Doch vooral is de Zaterdag aan Maria's vereering gewijd. Het was de gewoonte der H. Rosa op dien dag te vasten, een gebruik, vroeger algemeen onderhouden, doch helaas ! in onze dagen veelal verwaarloosd. Ach, mochten zij, die zich vereerders van Maria noemen, dat gebruik wederom in zijn volle kracht doen herleven, voor zich zeiven en hunne onder-hoorigen, en is hun het vasten niet mogelijk, dat zij dan toch geen Zaterdag laten voorbijgaan, zonder zich eenige versterving op te leggen.
Ook is het zeer aan te raden, zich door een noveen tot de voornaamste feesten van Maria voor te bereiden; op die dagen tot de H.H. Sacramenten te naderen, en zich nogmaals op nieuw aan de H. Maagd toe te wijden. De bedevaarten tot Maria's heiligdommen, zijn eveneens bronnen van genade voor hen, die ze met godsvrucht verrichten. Niemand eindelijk is er onder de dienaren van Maria die niet deelgenoot is van eene broederschap of congregatie der H. Maagd, die benevens de aflaten, welke zij schenken, een krachtig middel zijn om in de deugd te volharden.
Een enkel woordje willen wij hier zeggen omtrent die broederschappen.
io. De Rozenkrans. De broederschap van den Rozenkrans is ingesteld door den H. Dominicus alsook de wijze, waarop de Rozenkrans gebeden wordt. Bij den Rozenkrans overwege men de volgende geheimen : Blijde geheimen : de boodschap des Engels aan Maria; het bezoek van Maria aan hare nicht Elizabeth ; de Geboorte van Christus; de opdracht van Christus in den tempel; de vinding van het Kindje Jezus in den tempel.
Droevige Geheimen : de benauwdheid van Christus in den hof van Olijven ; de geeseling van Christus, de doornenkroning van Christus; de kruisdraging;
â 473 -
van Christus; de kruisiging en dood van Christua
Glorierijke geheimen : de verrijzenis van Christus z de hemelvaart van Christus; de nederdaling van den H. Geest over de apostelen; de opneming van Maris, ten hemel; de kroning van Maria in den hemel.
Om lid dezer broederschap te worden, is het: noodig, dat men zich door een Pater Dominikaan, of een priester, daartoe door de Uominikaner-orde gemachtigd, in de registers der Broederschap laat inschrijven.
Ieder lid is verder verplicht elke week een ge-heelen Rozenkrans van vijftien tientjes te bidden in eens of in verschillende gedeelten, en daarbij naar vermogen, zooals reeds gezegd is, de geheimen van den Rozenkrans te overwegen. Men kan dus op verschillende dagen den Rozenkrans bij gedeelten bidden, als men slechts zorgt vijftien tientjes in den loop der week te voleinden. (De verplichtingen dezer Broederschap verbinden niet op zonde).
Vele Pausen hebben deze broederschap met een schat van volle en gedeeltelijke aflaten verrijkt. Eenige der voornaamste voor de leden zijn, mits zij gebiecht en gecommuniceerd hebben en bidden tot intentie van Z. H. den Paus, etn volle aflaat\
10. Op den dag hunner inschrijving.
2°. Op den eersten Zondag der maand, indien zij de kapel van den Rozenkrans bezoeken.
3°. In het uur des doods. â Verder op de voornaamste Feestdagen Onzes Heeren en der H. Maagd.
Gedeeltelijke aflaten :
io. Vijf jaren en vijf quadragenen voor het godvruchtig uitspreken van den Z. N. Jezus, op het einde van het Wees-gegroet.
2°. ico dagen voor ieder Onze Vader en ieder Wees-gegroet, wanneer zij minstens een Rozenhoedje bidden. (Hiervoor is noodig, dat de Rozenkrans
â 474 -
-door een pater Dorainikaan of een Priester, door de Dominikaner-Orde gemachtigdj gewijd zij).
3°. Eenmaal daags 100 jaren en ico quadra-genen voor hen, die ter eere van de H. Maagd den Rozenkrans bij zich dragen.
4°. Voor alle geloovigen eenmaal daags tien jaren en tien quadragenen voor het gezamelijk bidden van het Rozenhoedje.
Moge deze Broederschap van den H. Rozenkrans onder de geloovigeji meer gekend, verspreid en onderhouden worden I
II». Het Rozenhoedje bestaat uit vijf tientjes, voorafgegaan telkens door het 07ize Vader en besloten met het Glorie zij den Vader. Aan het Rozenhoedje van de H. Hirgitta kan men een aflaat van ico dagen verdienen voor elk Onze Vader, Wees gegroet en Ik geloof in God den Vader. De overweging der H. Geheimen is hierbij geene noodzakelijke vereischte, evenmin als die gevorderd wordt voor de talrijke aflaten, verbonden aan een Rozenkrans, door een kruisheer gewijd.
III0. Het Scapulier. De broederschap van het scapulier van den berg Carmel. Om hiervan deelgenoot te zijn, moet men zich doen inschrijven in de registers van die Broederschap, het scapulier aannemen van een priester daartoe gemachtigd, en dit scapulier altijd dragen. De H. Maagd zelve bood dit scapulier aan den H. Simon Stock, een Carmeliet, er bijvoegende, dat hij, die bij zijn sterven hiermede zou gekleed zijn, het verslindend vuur der hel zou ontkomen; dat dit scapulier verder voor hem zou zijn een teeken van zaligheid, eene bescherming tegen gevaren, een onderpand van vrede. De groote Paus Ãenedictus XIV was van gevoelen, dat men aan de waarheid van deze verschijning aan den H. ijimon niet mag twijfelen. Hij merkt echter
â 475 â
op, dat sommige zaken eene bijzondere kracht ter Zaligheid hebben, doch alleen, wanneer andere genademiddelen niet verwaarloosd worden.
In een ander visioen aan Paus Joannes XXII beloofde de H. Maagd de zielen dergenen, die dit scapulier gedurende hun leven godvruchtig zouden gedragen hebben, te verlichten en zoo spoedig mogelijk uit het vagevuur te verlossen, en wel op den eersten Zaterdag na hun overlijden. Vandaar dat men dien aflaat den Zaterdagschen aflaat noemt. Om dien te verdienen moet men verder de H. Deugd van Zuiverheid bewaren, overeenkomstig zijn staat, de kleine getijden der H. Maagd lezen of het groot kerkelijk officie bidden.
Zij, die niet kunnen lezen, moeten, in plaats van dat gebed, al de kerkelijke vastendagen onderhouden en 's Woensdags, 's Vrijdags en 's Zaterdags van elke week zich onthouden van vleeschspijzen.
Hel blauwt scapulier. Dit scapulier is het rijkste aan aflaten, toepasselijk op de overledenen. Het is door de H. Maagd zelve geopenbaard aan de eerbiedwaardige Ursula van Benincasa, stichteres der Theatijnen te Napels. Zij, die dit scapulier ontvangen hebben uit de hand van een priester, daartoe gemachtigd, en het godvruchtig dragen, kunnen daardoor een schat van volle aflaten verdienen (toepasselijk op de geloovige zielen), zoo dikwijls zij zesmaal het Onze l ader, 11 ces gegroet tn Glorie zij den Vader zullen gebeden hebben, ter eere van de H. Drievuldigheid en de Onbevlekte Ontvangenis, en tot intentie van Z. H. den Paus, zonder dat verder biecht, communie of eenig ander gebed gevorderd wordt.
IV0. De aartsbroederschap van O. L. V. Middelares van Salette. Het doel dezer broederschap is :
i0. Door de voorspraak der H. Maagd de gramschap Gods te stillen, zoo terecht opgewekt door de
â 476 â
godslasteringen, ontheiliging van den Zondag, heiligschennissen en de overtreding van Gods geboden en van die zijner H. Kerk.
2°. Te bidden voor de bekeering der zondaren.
3°. Naar best vermogen te zorgen voor de heiliging van de leden dezer broederschap onderling, door hen te vrijwaren voor bovenvermelde ondeugdenen hen aan te moedigen die in hunne omgeving uit te roeien.
Om lid te worden van deze broederschap en de aflaten te verdienen, waarmede Pius IX deze zoo ruimschoots heeft bedeeld, moet men zich laten inschrijven in de registers van het heiligdom van Salette en dagelijks één Onze- Vader en één Weesgegroet bidden, waaraan men volgens godvruchtig gebruik kan toevoegen :
Onze L. V. van Sale/le, die de zondare7i mei God verzoent, bid \oor ons, die onze (oevlucht tot n nemen.
III. GODSVRUCHT TOT DEN H, JOSEPH.
Over deze godsvrucht zeggen wij genoeg, als wij de woorden herhalen, welke de H. Theresia hieromtrent heeft opgeteekend ; âIk herinner mij nietquot;, zoo zegt die heilige, âooit den H. Joseph iets te hebben gevraagd, wat hij mij niet verleend heeft. Het zou mij als het ware onmogelijk zijn, de genaden op te sommen door zijne voorspraak verkregen, de gevaren aan te halen, waarvan God mij door tusschenkomst van dien roemrijken Heilige verlost heeft. Aan de andere heiligen heeft God, naar het schijnt, macht geschonken om ons in eenige bijzondere omstandigheid te helpen, doch de ondervinding leert ons, dat de H. Joseph ons in al onze behoeften te hulp komt, en dat onze goddelijke Zaligmaker daardoor het bewijs wil leveren, dat, gelijk Hij op aarde onderworpen is geweest aan het gezag van
dien grooten Heilige, Hij eveneens in den hemel alles doet, wat de H. Joseph Hem vraagt. Ook â anderen, wien ik den raad gaf zich aan hem aan te bevelen, kunnen hetzelfde getuigen.... En krachtens eene jarenlange ondervinding tot de kennis gekomen van zijn onbegrensd vermogen bij God, raad ik iedereen aan den H. Joseph op bijzondere wijze te vereeren. Altijd heb ik hen, die eene ware godsvrucht koesterden tot dien Heilige, vooruitgang zien maken in de deugd.... Sedert verschillende jaren vraag ik hem eene of andere gunst op zijn Feestdag (19 Maart), en nog nooit heb ik mijn vertrouwen beschaamd gezien ... Ik smeek allen ter liefde Gods, die dit in twijfel trekken, er de proef van te nemen.... Ik begrijp niet, hoe men aan de Koningin dei-Engelen kan denken en aan hare zorgen tijdens Jezus' kindsheid, zonder den H. Joseph dank te zeggen voor zijne verleende hulp aan Maria en haren goddelijken Zoon.quot;
Aanroeping van de TI. Familie: Jezus, Maria an Joseph, dikwijls gedurende den dag te herhalen :
Jezus, Maria, Joseph, ik geef U mijn hart, mijn geest en mijn leven.
Jezus, Maria, Joseph, staat mij bij in mijnen doodstrijd.
Jezus, Maria, Joseph, laat mijne ziel in uw heilig gezelschap in vrede sterven.
XIX. GEBEDEN MET AFLATEN VERRIJKT.
Schietgebeden,
die men gedurende den dag dikwijls kan herhalen, vooral in bekoringen.
Mijn Jezus, barmhartigheid!
roo dagen telkens (Pius IX, 23 Sept. 1856).
Zoet Hart van Maria, wees mijn heil.
300 dagen telkens, volle aflaat ééns per maand (Pius IX, 30 Sept. 1852).
O mijne Meesteres ! o mijne Moeder ! ik offer mij geheel aan u op; en ten bewijze, dat ik u gansch toebehoor, wijd ik u vandaag toe mijne oogen. mijne ooren, mijn mond, mijn hart, geheel mij zeiven. Wijl ik derhalve de uwe ben, o mijne Moeder! bewaar mij, bescherm mij als uw goed en eigendom.
100 dagen af laai ééns daags.
O mijne Meesteres, o mijne Moeder ! gedenk, dat ik u geheel en al toebehoor. Bewaar mij, verdedig mij als uw goed en uw eigendom.
Een aflaat van 40 dagen is aa7i dit gebed verbonden ten tijde van bekoring. (Pius XI 5 Augustus 185 1),
XX.
VERSCHIJNING VAN O. L. V. VAN SALETTE.
Den September van het jaar 1846, op Quater
temper-Zaterdag, den vooravond van den dag, waarop de Kerk het feest van Onze Lieve Vrouw der Zeven Weeën of Smarten viert, lieten twee kinderen uit Corps afzonderlijk hunne koeien grazen achter den berg, de Planeau genaamd. Die kinderen kenden elkander ternauwernood, want zij waren niet bij eenzelfden meester in dienst. Melanie Calvat, zoo heette het meisje,awoonde sinds zes maanden in het gehucht Ablandens, in de nabijheid van den berg Salette. Maximinus Giraud, zoo is de naam van den knaap,
bevond zich eerst vijf dagen in dit gehucht. Tegen den middag dreef Melanie hare koeien, onder een wolkeloozen hemel naar eene bron, die gebruikt wordt om de kudden te drenken, en die zich in eene diepe rotskloof verliest. Maximinus volgde het voorbeeld van het meisje. Nadat zij de bron van het vee verlaten hadden, gingen zij opwaarts langs de Sezia tot aan de bron, die in tegenstelling de âfontein der menschenquot; genoemd wordt.
Die, welke men beneden zich ziet, de wonderdadige bron, was opgedroogd ; zij zochten derhalve hooger op in de bergkloof eenige heldere waterstralen om na hun sober middagmaal hunnen dorst te lesschen ; daarna sluimerden zij op het mostapijt in.
Hun slaap was niet van langen duur. Bij het ontwaken ontstelden zij, omdat zij hunne koeien niet meer zagen, en ze snelden het bergvlak op om te zien, waar ze waren. Ze ontdekten hunne kudde op liet hoogste punt van den dichtbij gelegen groenenden heuvel, en Melanie daalde in de bergkloof af om er zich heen te begeven.
Op het punt gekomen, waar zich thans het beeld van O. L. V. van Salette verheft, werd het meisje eensklaps door een schitterend licht verblind : zij slaakte een kreet van verrassing en schrik; haar herdersstok ontgleed haar handje.
Maximinus, die met de zorgeloosheid, aan zijn leeftijd eigen, op het bergvlak gebleven was, en zich daar aan kinderlijke spelen overgaf, snelde bij dien kreet naar zijne gezellin, en toen opende zich de-schitterende lichtbol en eene vrouw vertoonde zich aan de blikken der twee kleine herders.
De schilder- en beeldhouwkunst hebben die verschijning voor het nageslacht vereeuwigd. âDeSchoone Vrouwquot; was omstraald door een lichtkrans, schitterender dan de zon en sch en zich in een h.melsch.
â 480 â
licht te baden. Zij droeg een halsdoek, zooals de eenvoudige dorpsmeisjes dat gewoon zijn; baarkleed was omzoomd door een bloemenkrans, en op hare borst hing een kruisbeeld, versierd met de lijdenswerktuigen. Op een rotspunt gezeten, met het hoofd op de handen rustend, scheen zij in eene diepe droefheid gedompeld.
De herderskinderen dachten zoo weinig aan eene hemelsche verschijning, dat Maximinus zich deze woorden liet ontvallen : Raap uw stok op, Melanie, i!c heb den mijne; als men ons kwaad wil doen, zullen we ons verdedigen.
Maar de Schoone Vrouw rees overeind en sprak met moederlijke stemme : âNadert, mijne kinderen, en weest niet bevreesd; ik ben herwaarts gekomen om u eene gewichtige tijding mede te deelen.quot;
Daarna kruiste zij de handen op hare borst, en met gebogen hoofd en de droefheid op haar gelaat sprak de Vrouw deze woorden, welke door de herderskinderen herhaald, als die van den Engel door de herders van Bethlehem, weerklonken hebben tot de uiterste grenzen der aarde :
âAls mijn volk zich niet wil onderwerpen, zal ik genoodzaakt zijn den arm mijns Zoons los te laten : hij is zoo zwaar, dat ik hem niet meer kan tegenhouden.quot;
Vervolgens de oorzaak der gramschap van haren zoon verklarend, verwijt zij aan haar ondankbaar volk, dat het âden zondag ontheiligt, dat de mannen de H. Mis verzuimen, den H. Naam van God lasteren, en schier geheel en al de heilige wetten der â christelijke versterving overtreden.quot;
Zij kondigt daarna de geesels aan, die weldra â de wereld zullen kastijden, indien ze niet door eene oprechte bekeering worden afgewend : Geheimzinnige .ziekten zullen de verschillende voortbrengsels van
â 481 -
'den oogst aantasten, de aardappelen en de granen zullen beurtelings bederven, de druiven zullen verrotten en de kinderen beneden de zeven jaren door stuiptrekkingen overvallen en aan de omhelzing hunner moaders ontrukt worden.quot;
Het meerendeel dezer prophetische bedreigingen zijn in vervulling getreden, want juist sedert het jaar 1846 troffen Frankrijk de gevoeligste slagen.
Voorts met ieder der herderskinderen afzonderlijk sprekend, vertrouwt zij hun een geheim, dat elk ontvangt, zonder dat de ander het kan hooren.
âMijne kinderen,quot; aldus eindigde de Verschijning, âmaakt aan geheel mijn volk bekend, wat ik u zooeven gezegd heb.quot;
Na deze woorden verwijderde zich de Schoone Vrouw, zij trok de Sezia over, zweefde over het gras, zonder het met hare voeten te raken en steeg wederom ten hemel op, met de oogen naar Rome gewend, als om te weenen over de aanstaande rampen der Eeuwige Stad en haar met hare liefde te beschutten; en zoo verdween zij uit het gezicht der kinderen, een langen j straal van licht achter zich latende.
Ziedaar in allen eenvoud het verhaal der wonderbare verschijning van O. L. V. van Salette aan de herderskinderen, Melanie en Maximinus.
De kinderen, gehoorzamende aan de bede der Schoone Vrouw, zooals zij de verschijning noemden, verhaalden wat zij gezien en gehoord hadden.
De bewoners der omstreken van Salette werden door het verhaal der herderskinderen diep getroffen en in de omringende parochiën had eene wonderbare verandering plaats. Ingevolge de vermaning der Moeder Gods hielden de godslasteringen en 't vloeken op, werd de zondagsrust getrouw onderhouden â en de dag des Heeren christelijk gevierd. Duizen-
31
- 482
den bedevaartgangers bezochten den berg der verschijning en tal van genaden en wonderbare genezingen werden door de voorspraak van O. L. V. van Salette verkregen.
Den 9'len September 1851 eindelijk, den vijfden verjaardag der verschijning, vaardigde Z. D. H. Mgr. de Bruillard, bisschop van Grenoble, een rondgaanden brief uit, waarin hij verklaarde, dat die verschijning al de kenmerken der waarheid in zich draagt, en dat de geloovigen gegronde redenen hebben om er ontwijfelbaar zeker en vast aan te gelooven; en om aan God en de roemrijke Maagd Maria zijne warme erkentelijkheid te bewijzen, geeft hij volledige vergunning tot den eeredienst van O. L. V. van Salette.
Eene prachtige kerk, waarvan den 25sten Mei 1852, in tegenwoordigheid van een ontzaglijke menigte pelgrims uit alle standen en oorden der wereld, de eerste steen gelegd werd, is daar sinds verrezen, en daarnaast hebben zich ter linkerzijde kloosterzusters en ter rechterzijde missionarissen gevestigd.
Die kerk van O. L. V. van Salette doet niet onder voor die van Lourdes ; men vindt er denzelfden toeloop van bedevaartgangers en eene niet minder innige godsvrucht in een diepe eenzaamheid. En toch, welk een breed verschil tusschen die beide bedevaartsoorden !
Salette â zoo zegt graaf Lafond â Salette, een dorre, koude, met ijs bedekte berg, dien men niet zonder moeite genaken kan, bezit eene kerk met donkere en droevige tinten. Lourdes, een vruchtbare en lachende vallei, voor ieder genaakbaar,, heeft een schitterenden, wit marmeren tempel.
Salette is eene woestenij. Lourdes een Eden: het eene is Maria's Calvarie, het andere haar Tha-bor. Welk een nauw verband tusschen de geheimen.
â 483 â
waarvan deze plaatsen het tooneel zijn geweest Te Salette ziet men de droevige geheimen van den Rozenkrans, te Lourdes de blijde en glorievolle! De Koningin van den Rozenkrans heeft ze door hare kleeding zelve willen aanduiden. Te Salette verschijnt zij schitterend van rozen; rozen omslingeren haren diadeem, omzoomen haar eenvoudigen halsdoek, omringen haar nederigen voorschoot; rozen versieren al hare kleedingstukken, en zelfs haar schoeisel om de voeten. Ook te Lourdes ontplooien zich twee rozen onder hare bloote voeten. De rozen zijn het zinnebeeld van den Rozenkrans, welken de H. Maagd der Grot aan haren arm draagt.
De zinnebeeldige toepassing heeft van elke koraal van den Rozenkrans eene roos gemaakt, en van den Rozenkrans zeiven een keten van liefde, die het hart van den mensch, welke den Rozenkrans bidt, vasthecht aan het onbevlekte Hart van Maria.
Maar, zoo dringt zich de vraag op, hoe is het verder met de jeugdige herders Maximinus en Me-lanie afgeloopen ?
Minder wispelturig dan Maximinus â die beurtelings leerling van het seminarie van Aire, pauselijk zouaaf te Rome en student in de geneeskunde te Parijs was, en thans den zomer doorbrengt in een houten huisje, waar hij godsdienstige voorwerpen verkoopt, â en een weinig ouder dan hij, heelt Melanie Calvat, het kloosterleven omhelsd.
_ Zij verbleef eenigen tijd in Engeland, doch bevindt zich thans in een klooster te Castellamaro, niet ver Napels, onder den naam van Maria van het Kruis.
Zooals we reeds vroeger zagen, heeft de H. Maagd aan Melanie een geheim toevertrouwd, dat deze, volgens hare verklaring, niet mocht openbaren voor het jaar 1850.
Het vitti-Melanie'. '
zooals zfrr verhaak door W! cvcnn'gr hèttrt* s
maakt
â Eèn quot;bekiilipt en het
het
geheim
van Z. D. H. Mgr. '
dagteekening van 24 Mei Frankrijk. Dit schrijven var door zijne betrekkingefi - tot â¢â he'1.
dersmeisje, volkomen öp de-iv beurtenis en het gehe-'n1--- '
Melanie toevertrouwde.
zag, zoowel ais-de btocblv ---advocaat te Marseille,
samengesteld, over het gc/ieele lt;
hHeh'Kvt goed legrijpe. '?' -gt;
â ''-lil echter deze brocftU?!-vachten en nognietindftt^:171' ⢠- r 'edige tekst van het geheim nog niet g»;
{Zie Maria's Heiligdommen O. L. #-V»;
Dit nochtans is onloochenbaar'-®gt;ï:
den berg Salette den christefife-p^öquot;'
dat wegens hunne zonden God geesels van zijn toorn op df-^werJ-'fquot;
ren, en dat Maria niet b*quot;
schap van Harf' Zoon af t® '.i»,
christen voll? f Si niet tot Ood4
Als wij den toestand dér maatschaiotïi'' quot; onbevangen blik gadeslaan, dan moeten wij iffiquot; bekennen, dat de tegenwoordige tijden bang es onheilspellend zijn.
^ , ij. t K.» i AlN
. Vr. van Salette, waarlijk Moeder van tranen, die gij voor mij gestort hebt op - ^ 'quot;arie en in uwe glorievolle ver-- 'ïefdevolle Moeder, de zorg,
;ii aan de slagen van '«n zie, of gij, na bben, het nu ' jze troostvolle en neerwerpen .heden en gebed niet wend u tot mij, ven lieven Zoon, jok u troost te ver-â 'ifc leven, om, na u ' ^ben, eens ia uwen. Amen.
en volV*ï!i^quot;'Sfe-van ^aiet,f' â¢quot;quot;quot;
,ne net ten '^den ern-â â¢eeds met .vloeder, â -.et God, ; inc ver-
i iiue-'n van SaleU bidt elij';)e' ^â¢o*- .idri-.1' en zonder ophouden. â tS ze de volgende woorden, ^ van O. L. Vr. van Salette
ons. kten wij bidden en smeeken, ⢠Hoen. Plaatsen wij de H. Maagd -in ons leger en trekken we met haar op. Laten we ..itht-iligen Vermanen we â Vu darf des Heeren zien arbeiden
de^euen, die den n.^
Wonen we de K
en.
des
. bij. Verkondigen wij .dig ui ontijdig- Als Maria, de Maagd ' .A met ons is, zullen wi] sterker zija , . van Jezus Christus, omdat de â - bestand is tegen d'. tranen zijner
deler wij en verliezen we den moed 1-wellingen en vernederingen met voldoend. 1at de goddelijke ⢠rheerlijkt en ' 1 , ?^Jza .
... en met het volk de hoofden, onze le^f^nâ
â¢lS van Rome, de Kardinalen,de Aartsbistnop
de Bisschoppen en de Priesters.
*
(D
J3ALETT}
Gedenk, O.'^
smarten, de_
den berg v
schijning ; gedenk ook7(. ___
die gij steeds voor mij hadt,
Gods rechtvaardigheid te onttrelïkel zooveel voor uw kind gedaan K-kunt verlaten. Aangemoedigd door.: gedachte, kom ik mij aan uwe voe en dat wel ondanks al mijne op ondankbaarheden. Ach, versm- a o Maagd en Verzoenster; maar^ verkrijg mij de genade Jezus, boven alles te beminnen en schaffen door een braaf en ht..
hier op aarde getrouw vereerd , den hemel voor altijd u te aansclj
r
8
Ã
1.
- 487 -
AANMERKING.
Het Liefdewerk van verwaarloosde Apostolische roepingen, opgericht door den ZEenv. Paler Berthier te Grave.
De vreemde missiën roepen naar alle kanten om Evangelische werklieden. Z. H. Leo XIII heeft herhaaldelijk een beroep gedaan op alle edelmoedige harten, hen aansporende, om met het geloof ook de weldaden der christelijke beschaving te brengen aan het zes achtste gedeelte van de bevolking der wereld, dat aan het einde der negentiende eeuw haren Schepper, Jezus Christus, nog niet kent. De Seminariën voor vreemde Missiën zijn zeldzaam; en om in die behoefte te voorzien, moeten ze minstens zevenmaal talrijker zijn dan de Bisschoppelijke Seminariën; omdat het getal ongeloovigen, met inbegrip van ketters en schismatieken, ook minstens zevenmaal grooter is dan het getal Katholieken. De Apostolische scholen, die in onze eeuw zijn opgericht, zijn .dus ondernemingen van het hoogste belang.
De Apostolische roepingen nu, die zich eerst op rijperen leeftijd openbaren, kunnen zich moeielijk verder ontwikkelen, en slechts hoogst zeldzaam vindt men eene school, waarin men jongelingen kan opnemen van 16 tot 30 jaar, die geen geregeld onderwijs hebben genoten en nochtans roeping gevoelen tot het missionaris-leven.
En toch â de ondervinding leert het â vindt men tot in de kazerne toe, van die waarlijk begaafde jonge mannen, die daartoe genegen zijn â en voor-
- 488 -
zeker zulke late, als verwaarloosde roepingen, moet men niet onderschatten. Want was zoo de roeping ook niet der Apostelen, van een Augustinus, van een H. Ignatius van Loyola, van den H. Camillus de Leilis en zooveel anderen ?
En daarenboven, jongelieden, die den strijd des levens gestreden hebben en weten, hoe zij zich in dien strijd moeten staande houden, leveren die minstens niet zooveel zekerheid ter volharding als jeugdige kinderen?
Daarom heeft de ZEerw. Pater Berthier, missionaris van Salette, met de hooge goedkeuring zijner Oversten en de aanmoediging van Mgr. Fava, Bisschop van Grenoble, eene onderneming beproetd, genaamd âHet Liefdewerk van verwaarloosde Apostolische roepingen.quot; Deze onderneming is verder ter goedkeuring onderworpen aan het gezag van Z. H, den Paus, die er volgaarne zijn Vaderlijken Zegen aan schonk en het Liefdewerk stelde onder de hooge bescherming van Zijne Eminentie den Kardinaal Langénieux, Aartsbisschop van Reims en gezant van den H. Stoel in het Oosten.
Het doel van dit werk is meer en meer huizen te stichten, waarin jongelingen van alle natiën, die elders geene gelegenheid hebben, kunnen opgenomen worden om hunne letterkundige, philosophische en theologische studiën te maken, en die, na behoorlijke voorbereiding, als dappere strijders te velde kunnen trekken.
Inderdaad, het ligt voor de hand, dat er in een Bisdom geen belangrijkere inrichting kan bestaan^, dan een Seminarie, dat zijne priesters kweekt om de parochiën te bedienen.
Er is dus ook geene onderneming van meer belang voor de missiën, dan huizen te stichten, waarin, de Missionarissen worden opgekweekt.
Een jeugdig priester, nog vol gloed krachtens zijn onlang'! ontvangen priesterschap, vertrekt als Missionaris naar ongeloovige landen; â dat is heldenmoed; â maar hij verleent daar ginds slechts de hulp van een eenige en zoo uitgestrekt is zijn arbeidsveld, dat hij daarvan slechts een klein gedeelte kan bewerken. Indien hij eerst zijne hulp verleende om een zeker getal Apostolische werklieden te vormen, zou hij een oogst voorbereiden des te rijker naarmate het getal zijner gevormde arbeiders grooter was.
Wanneer men één uitgelezen korenaar, heeft laat men die niet aanstonds malen â het zou de moeite niet loonen ; neen, maar korrel voor korrel vertrouwt men die toe aan de aarde, en ieder voor zich brengt een aar voort, zoodat men zich ten tijde van den oogst over een groot aantal schoven kan verheugen.
Zoo ook is het gelegen met een Missionaris, die vóór zijn vertrek naar de missiën, zich bezig houdt met de opleiding en vorming van anderen tot hetzelfde doel om later gezamenlijk ter verovering van zielen uit te trekken.
Zonder afbreuk te doen aan de Seminariön en andere Apostolische scholen, waar kinderen worden aangenomen, zal dit Liefdewerk van verwaarloosde roepingen voor jongelieden, ook aan arme, de gelegenheid openstellen om priester te worden en zich aan de missiën te wijden. Het heeft dus een overwegend belang, een grootsch doel en een groot geestelijk nut.
Ook beveelt men dit werk dringend aan in de gebeden van priesters, kloosterlingen en van alle geloovigen, die de glorie van God en het heil dei-zielen op het oog hebben. Bidden wij dagelijks hartelijk tot God: âGeheiligd zij uw Naam.quot; âOns toekome uw Rijkquot; enz.
- 490 -
Verders zijn tot dit werk noodig middelen ter instandhouding, vooral zijn de aanbeveling en de steun van geestelijken en leeken, die het in zijne wording en ontwikkeling een krachtigen stoot kunnen geven.
Vandaar dat het met zooveel reden beroep doet op den ijver van Heeren Bestuurders van Semina-rien, van Pastoors, Kapelaans enz.
Alleen die personen van verschillende nationaliteit zullen worden aangenomen, die aan de militiewet hebben voldaan of die eene wettige vrijstelling kunnen toonen, doch niet die, welke verleend is op grond eener zwakke gezondheid. Ook weigert men de aan-nemhiquot;- van die personen, die andere seminariön hebben bezocht en daar hunne studiën niet hebben doorgezet, tenzij de behoeftige toestand der ouders de eenige oorzaak is geweest van het verlaten van het Seminarie. Eindelijk rekent dit Liefdewerk op den steun van edelmoedige zielen, wien de verbreiding van het Evangelie ter harte gaat.
Elke aalmoes in geld of in kleeding, hoe bescheiden ook, aalmoezen voor Missen enz. zullen in dank worden aangenomen. Het onderhoud van een jongeling bedraagt f 200.â 's jaars. Hoeveel families, echtgenooten of weduwen zonder kinderen, hoeveel christen-maagden konden, gedurende 8 of 9 jaren dit geld stortende, zich de vreugde verschaffen een Missionaris te hebben opgevoed! Weldoeners en weldoensters, die jaarlijks eene som storten van
f ygo._) bezitten het recht opgenomen te worden
in een huis in de nabijheid van den zetel van het Liefdewerk, en daar alle geestelijke en lichamelijke zorgen te ontvangen tot hun dood toe. He Hirecteur varT het liefdewerk zal maatregelen nemen om aan hunne verlangens zoo spoedig mogelijk te voldoen. Zij die niets kunnen bijbrengen, kunnen toch ten minste het werk rondom zich doen kennen en ver-
â 491 -
spreiden, vooral onder meer gegoede en liefdadige personen.
De zetel van het Liefdewerk is gevestigd te Grave in Noordbrabant, waar men, om inlichtingen in te winnen, zich kan wenden tot den ZEerw. Pater Berth Ier M. S.
GOEDKEURING.
van
Zijne Eminentie den Kardinaal Langénieux, Aartsbisschop van Reims.
Krachtens machtiging van Z. H. Loo XIII, welke hij zich heeft gewaardigd ons te verleencn, geven wij onze goedkeuring aan het Liefdewerk van verwaarloosde roepingen voor vreemde Missiën, hetwelk, met de toestemming zijner Oversten, de ZEerw, Pater Bekthiek, heeft ondernomen.
Wij bevelen dit werk, waarvan Zijne Heiligheid ons iot beschermheer heeft aangesteld, aan in de welwillendheid der Bisschoppen, in den ijver van Oversten vau Seminariën en in de milddadigheid der geloovigen,
Beims, 20 Januari 1S95.
f B. M. Kardinaal Langénieux, Aartsbisschop van Reims.
IMPRIMATUR.
J. H. SELTEN, llaaren, 10 Aprilis 1899. Libr. Ceus.
INHOUDSTAFÃL
BLADZ.
GOEDKEURING..............4,
TOEWIJDING..............' ' ' ' 5
VERKLARING VAN DEN SCHRIJVER' ' ; - ⢠5 VOORREDE....................quot; ' 7
INLEIDING.
I- Noodzakelijkheid van een godsdienst .... 9
is maar één ware godsdienst.....-12
III. Welke is de céne ware godsdienst .... 13
Hoofdst.
II.
Hoofdst. III.
Hoofdst. IV.
Hoofdst. V.
Hoofdst. VI.
Hoofdst. VII.
Hoofdst. VIII.
Hoofdst. IX.
Hoofdst. X.
EERSTE GEDEELTE.
DE LEER VAN DEN KATHOLIEKEN GODSDIENST.
Hoofdst. I. â Credo. Ik geloof. Noodzakelijkheid van het geloof.......
- Credo. Ik geloof. Zekerheid van het geloof......
Ik geloof in God.....
â Ik geloof in God den Vader almachtig, Schepper . . .
- God, Schepper van den hemel
- God, Schepper van de aarde .
- De wereld vóór Jezus Christus . .
â Ik geloof in Jezus Christus, den eenigen Zoon Gods . . .
Jezus Christus, onze Zaligmaker De dood........
- 494 â
BLADZ,
Hoofilst. XI. â Het oordeel.........Ii8
Hoofdst, XU. â Ãe H, Geost, de Kei'k.....
Hoofilst. XIH. â lt;'nze plichten jegens dc iverk . . SI Hool'dst. XIV. â Gemeenschap der Heiligen. Verrijzenis des Vleesches . . . . 8ö
Hoofdst. XV. â De hemel.........89
Hoofdst. XVI. â Het Vagevuur........05
Hoofdst. XVII. â De straffen der zonden .... 08
Hoofdst. XVIII. â De zaligheid........quot;lOi
Hoofdst. XIX. â liesluit van het oerste deel . . . quot;108
TWEEDE GEDEELTE.
PLICHTEN, WELKE DE GODSDIENST ONS OPLEGT.
Hoofdst. I. â Het Geloof.........113
Hoofdst. II. â Over de verplichting van te geloo-
ven en zijn geloof te belijden . 'lïl Hoofdst. III. â Hinderpalen voor het geloof. . . 'lij
Hool'dst. IV. â Over de Hoop........'133
Hoofdst. V. â Over de Liefde.......quot;138
Hoofdst. VI. â Over de vereering der Heiligen . '143 Hoofdst. VII. â Over de deugd van godsdienstigheid ..........HO
Hoofdst. VHI. â Over de zonden in strijd met de
godsdienstigheid......1 '
Hoofdst. IX. â Over de godslastering.....'1;|?
Hoofdst X. â Over den eed en het breken van
beloften.........l'1-
Hoofdst. XI. â Over den Zondag.......106
Hoofdst. XII. â Over de plichten van kinderen en
onderdanen........â 1'3
Hoofdst. XIH. â Tijdelijke zorgen aan onderdanen
verschuldigd........'1quot;0
Hoofdst. XIV. â Geestelijke zorgen aan onderdanen verschuldigd......184
Hoofdst. XV. â Over broeders, zusters en echtge-
nooten. . . â¢......101
Hoofdst. XVI. â De liefde jegens den evenmensch;
wat die gebiedt......101)
I ^
â 495 â
ni.ADZ.
llooldst. XVII. â De liefde jegens den evenmensch ;
w;it die verbiedt . ⢠. . . ''Ol! Uoofdst. XVfll. â Gij zult niet doodslaan .... quot;208
IToofdst. XIX. â De zuiverheid.......
Hoofdst. XX. â Over don diefstal......'ilS
Iloofdst. XXi. â Gij zult geen valsche getuigenis
geven.........'2'24
Hoofdst. XX11. â Geboden dor Kerk......'2;U
lloofdst. XXUl. â Over de doodzonde.....'237
Hoofdst. XXIV. â Hoofdzonden........'24S
lloofdst XXY. â Over de gelegenheden van zonde. '250 lloofdst. XXVI. â Over gevaarlijke gezelschappen . '258 lloofd-t. XXVII. â Tooneelspelen, koffiehuizen en
boeken.........'2R0
Hoofdst. XXVIII. â Over de bekoring......270
DERDE GEDEELTE.
MIDDELEN' TER ZALIGHEID, WELKE DE GODSDIENST ONS BIEDT.
Hoofdst. I. â Over de genade......270
Hoofdst. II. â Over de Sacramenten in 't algemeen ........2RI
lloofdst. 111. â Over het Hoopsel......288
Hoofdst. IV. â Over het Vormsel......291
Hoofdst. V. â Over hel H. Sacrament des
Altaars.........20Pgt;
Hoofdst. VI. â Do H. Mis........'298
Hoofdst. VII. â Over de Biecht.......300
Ilootdst. VIII. â Over de gesteltenissen tot het H. Sacrament der Biecht ver-
eischt . .......317
Heofdst. IX. â Over de aflaten.......329
Hoofdst. X. â Over het H. Oliesel.....335
Hoofdst. XI. â Over het Priesterschap. . . . 340
Hoofdst. XII. â Over het Huwelijk.....349
Hoofdst. XIII. â Over de gesteltenissen tot dit
Sacrament vereischt .... 357 Hoofdst. XIV. â Over den ongehuwden staat . . 305 lloofdst. XV. â Over den kloosterlijken staat . 371
- 496 â
BL ADZ.
Hoofdst. XVI. âOver de keuze van een levensstaat. 377
Hoofdst. XVU. â Over het gebed.......382
Hoofdst. XVIII. â Het Onze Vader......389
Hoofdst. XIX. â Het Wees-gegroet......395
Hoofdst. XX. â Over de Meditatie.....401
Hoofdst. XXI. â Over de geestelijke lezing . . 405
Hoofdst. XXII, â Heiliging zijner handelingen. . 409
Besluit..................413
AANHANGSEL.
I. Levensregel.............415
H. levensregel voor godvruchtige personen . . 419
III. Morgengebed............420
IV. Voorzorgs-onderzoek.........422
V. Avondgebed.............423
VI. Wijze van overwegen.........424
VII. Gods tegenwoordigheid.........427
VIH. Onderzoek.............428
IX. Bezoek aan het H. Sacrament......429
X. Geestelijke Communie.........430
XI. De H. Mis.............431
XII. Vespers van den Zondag........439
XIII. Biechtoeleningen. â Volledig onderzoek . . 445
XIV. Communie-oefening..........456
XV. Leiding..............4CJ
XVI. Overzicht der maand en voorbereiding tot
den dood.............461
XVH. Wijze van de stervenden bij te staan . . . 403 XVHI. Voornaamste devotie's.........4b8
I. Tot Jezus. â 1°. Godsvrucht tot hot H.
Hart.......408
2°. Kruisweg.....469
II. Tot Maria. â 1°. Rozenkrans.....472
2°. Rozenhoedje .... 474 3°. Scapulieren .... 474 4°. Aartsbroederschap van
O. L. V. van Salette. 475 III. Tot den TI. Joseph........476
XIX. Gebeden met aflaten verrijkt......477
XX. Verschijning van O. L. Vrouw van Salette . 478 Aanmerking................487
Bij denzelfden Schnjver, den Zeereenv. Pater Bekthiek. gevestigd te Grave (Noord-Brabant), zijn eveneens tt bekomen:
1°. Notre-Dame de la Saletfe, sou Apiiarition, som C'nlfe. â 8°. Broché, avec couverture imprimée en deux couleurs, fr. 1.25.
2°. Un Bouquet des plus belles Fleurs, reaieil de paroles et de traits Mstoriques remarquables,
3°. Une Corbeille «les plus belles Flenrs, autre re-cueil de paroles et de traits historiques remarquables.
â¢tu. Une Gaii'lanile des plus belles Flenrs, autre reenet l de paroles et de traits historiques remarquailes.
Chacun do ces trois derniers volumes 8°, brochés avec une couverture imprimée a deux couleurs, coiite fr. 1,25 relié fr. 1.55.
5°. Paroles et Traits Historiques RemarquableK...
Ce eohiuie renjerme tout le contemi des trois tolumes precedents. 8o. Broché fr. 2.50.
öquot;. La Jeune Fille et la Vierde Chrétienne a I'E-cole des Saints, 8° édition. Un beau volume en-8o, plus fort que tons les précédents, orné de 15 gravures, enca-drement rouge a chaque page.
II a etc traduit en allemand, en espagnol et, en anglais. Nous prions les directrices des maisons d'éducation d'en; remarquer rapprobation suivante:
»Nous approuvons de tout coeur la neuvième édition du livre intitule : La jeune fille ei la vier ge chrétienne a Vtcole des Saints.
«La première partie de eet ouvrage traite des vertus que la. jeune personne et la vierge chrétienne doivent pratiquer envers. Dieu, envers les supérieurs et le prochain, et envers elles-mêmes. La deuxiènie les prémunit contre les écueils qu'elles doivent re-douter et fuir et la troisième indique les moyens de pratiquer la vertu, et de surmonter les obstacles qui s'opposent a leur sanctifi-cation.
'Ce plan embrasse les sujets les plus pratiques ; et, sur chacun:'.
II
de ces sujcts, l auteur, le plus souvent, laisse parler les Pères et les Docteurs de l'Eglise ; il ofïre a ses lectrices les plus beaux passages des lettres et des livres, adressés aux vierges chrétiennes par saint Athanase, saint Basile, saint Chrysostome, saint Ambroise, saint Augustin, saint Jerome, saint Bernard et par d'autres saints Docteurs. A coté des paroles de ces saints personnages, se trouvent des exemples empruntés a l'histoire de l'Eglise ou a la vie des saintes les plus illustres. Choisis avec soin, ces exemples soint lus avec inférct; et, en même temps, ils confirment et élucident le conseil qu'ils accompagnent. Un petit traité de la vocation^âsujet qui intéresse si vivement toute personne qui réfléchit â a été ajouté, comme appendice, a la fin du volume. L'ouvrage se termine par un reglement de vie, les offices du dimanche et des exercices de piété entremêlés de réflexions pieuses et irstructives, en sorte que ce livre peut devenir utilement le manuel des jeunes personnes et des vierges chrétiennes vivant au milieu du monde.
»Cette nouvelle édition est plus complete encore que les précé-dentes. Les institutrices des jeunes filles ne peuvent pas, a notre avis, leur offrir de prix plus utile pour elles.
«Grenoble, ce i5 aoüt, 1894.
«MUSSEL,
»Vicaire generalquot;
Prix.: Edition en 8° broché, couverture inprimce a deux: -couleurs, par unité fr. 1.50, par nombre fr. 1.20; car-ionné papier de luxe, par unité fr. 1.60, par nombre Fr. 1.30; reliure avec belle toile ornée, par unité fr. 1.80, par nombre fr. 1.40; tranche dorée fr. 0.25 en sus.
7°. Le Livre des Petits Enfants. â 8°. Broché, fr. 1.25.
8°. La Jeune Fille etlaVlergeChrétieniieil'Ecole lies Saints. Comme ce livre est apjielé a ètre le Manuel des Jeunes Pilles, nous en avons fait une édition portative en 16o. formant un joli volume de pres de 400 pages, que nous ccdons pour la propaganda a un bon marché rare. Broche; par unité fr. 1.25; relié en belle toile ornée: par unité fr. 1.30, par nombre fr. 1.15; tranche dorée: fr. 0.-5 en plus.
9°. Le Livre de Tons. â Grand en-lSquot;, 430 pages, orné, de 24 gravures. Broché fr. 1.25, relié en belle toile fr. 1.50. , ,,
Plus de 50000 exemplaires s'en sont-ils écoulés rapi-.dement. Un bon nombre de prétres nous ont demandé 100 exemplaires de ce livre, afin de le faire arriver dans ioutes les families de leur paroisse.
nr
10°. Le Livre de Tons. â 4°. avec 85 gravures, pour livre de prix. Relie en percaline fr. 1,50.
Ho. La Mère selon Ie CiBar de Dien, on diaoir* d la mure de familie a Végard de nes e.ifaits. â 15'. BroVi fr. 1.25, relic toile fr. 1.50.
12°. Des Ãtats de Tie Chrétienne et de la Vocation,
d'aprh les Dodeurs de l'Eglise ei les Théologiens. â 10°. Broché fr. 1.25, relic fr. 1.50.
13°. La Vierge Marie, son cnlte, la devotion envers
Elle. â 16o. Broché fr. 0.60, relic toile fr. 1.00.
14°. La Tierge Marie, son cnlte, la devotion envers Elle. â 8°., encadrement rouge et gravures. Broché fr. 0.75, relié fr. 1.50.
15°. Notre-Seigneur Jésns-Christ, ce que nous Lui devons. â Ce livre a aussi deux éditions, 16°. et 8°., avec gravures. Pour les deux relices et broehóes, les prix sont les mCmes qu'au numéro précédent.
16°. Quelle est ma Vocation et que dois-je conseiller aux aulres sur le Choix d'un Etal ? â IS». Broché fr. 0.60 relié fr. 0,80.
17°. Nenvaine en l'honnenr de Notre-Danie de la Salette. â 32°. Broché fr. 0.50, relié fr. 0.75.
18°. La Notice sur PApparition de Notre-Dame de Ia Salette. â S2o. Broché fr. 0.25.
Ouvrages destines aux frêtres seuls.
19°. fBreye Compendium Theologia? Dogmatici et Moralis. â 8°., 600 pages. Broché fr. 6.00.
20°. Sententias et Exempla Biblica e Veteri et Novo Testamento excerpta et ordinata ad usum concionatorum mo-
IV
deratoriimque aniuiurim et pnesertim juniorum clencorum seminariortiMque alumnorum. â 32°. Broché tr. 1.25, relié Ir. 1.50.
21°. Abrégé de Théologie Dogmatique et Morale,
Meu les notions les plus import antes de droit canon, de liturgie, de pastorale, de théologie mystique el de philosophxe chrétieme. 8°. 840 pages, Broché fr. 6.00.
22°. L'Ãtat Religieux, son Excellence, ses Obligations, ses Privileges. A l'usage des commiinautcs religieuscs des deux sexes et. des prètres qui les dirigent. â 10°. Broché fr. 1-25, relié fr. 1.50.
23°. fLe Sacerdoee, son Exellence, ses Obligations, sets Privileges. Livre de méditation et de lecture pour les-prètres et les séminaristes. â l0o-, 800 pages. Broché fr. 2.50.
24°. fLe Prêtre dans Ie Ministère de la Predication,
ou directoire du prédicateur en chaire et au saint tribunal et recueil de sermons pour les missions, les retraites et tousles dimanchss et fétes de l'amée, de panégyriques et de sermons de circonstance. â 5e édition, grand 8°., plus de 970 pages. Broché fr. 6.00.
25°. Examen de Conscience et Méthode d'Oraison, a l'usage des prêtres dans leurs retraites raensuelles et annuelles. â 18°. fr. 0.15.
26°. Les merveilles de la Salette 1899. 32°. fr. 1.50.
BEMERKINGEN: Bovenstaande prijzen zijn in francs uitgedrukt, dat is ongeveer 47 Va cent.
Van voormelde werken zijn in het llollandsch verschenen, welke tevens verkrijgbaar zijn bij WILHELM VAN EU PEN te Boxtel:
l)e H. Maagd Maria.......fl- O quot;0-
De Jonge Dochter en de Christelijke
Maagd in de leerschool der Heiligen . - 0.50.
Het Boek voor Allen.......- 0.50.
Do in vorenstaande lijst met een f geteekcndc werken zijn mede verkrijgbaar bij den Uitgever WILHELM van EUPEX te Boxtel, bij wien men desverkiezend ook al de overige werken kan aanvragen. 'â i. u
PW De uitgave van al de in dezen catalogus vermelde boeken geschiedt ten voordeele der Missiehuizen; met name ten bate van het Missiehuis van den ZEerw. Pater BERTHIER te Grave. (Zie âAanmerking.quot;)
1