^ .»â ,gt; â gt;â â '⢠â gt; .gt;' .jL
DE DICHTWERKEN
P. A. DE GÃNESTET
*â â -,f â â¢,« â
T
Vak 152
*
â 4, *
* * *
A *
*
A
*
quot;1
A A A.
A,
*,
* *
ELSEVIERâBIBLIOTHKEK Jf.
DE DICHTWERKEN
P. A. DE GrÃNESTEÃ
---------. -
A
VERZAMELD EN UITGEGÃEYEN ONDER' TOEZICHT VAN â¢
C. P. TIELE
:)
NEGENDE DRUK
AMSTERDAM UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ âELSEVIER' 1896
w-^ â *' â *' v» ⢠â *quot;~irr~-x' * ⢠â #' â H' -t' ir^ â¢.»*' â i1
|
JB' |
â¢k |
|
:4i, | |
|
amp; |
â¢V |
|
* | |
|
* | |
|
* |
quot;lt;4, |
|
* | |
|
* | |
|
* | |
|
f' â | |
|
ï |
'⢠|
|
p' |
jV gt;⢠|
.VI. , gt;â¢
'*'⢠â gt;- ⢠* ⢠â¢* â¢* ⢠gt;'⢠⢠gt;'⢠â 'T-
LEVENSSCHETS
P. A. DE GENESTET
I
â it'r^rr ^ ^ r y â *'^quot;4'' â¢*' ir
A
vf
, . lif- . , *'â , â¢'â
.»
â â v
:V *, :V ;V
*, *,
!4
â¢A =â¢
*
k *
-
quot;A *
A -4
Men zegt dikwijls van dichters dat hun werken zelf de geschiedenis van hun leven bevatten. Van niemand kan dat meer gelden dan van den vroeggestorven dichter, wiens poëtische werken thans andermaal, in één verzameling bijeengebracht, worden uitgegeven. De Génestet wordt zonder twijfel het best uit zijn verzen gekend. Deze te bewonderen en hem lief te hebben is één. Doch dat maakt, hoe vreemd het klinke, de behoefte aan eenig levensbericht des te grooter. Hoe meer de persoon zelf zich uitspreekt in zijn werken, te meer zal men verlangen iets omtrent hem te weten. Hoe meer invloed zijn omstandigheden en lotgevallen op de vruchten van zijn dichterlijken geest hebben uitgeoefend, van te meer belang zal het zijn voor hen, die den dichter wenschen te verstaan, om die lotgevallen en omstandigheden te kennen. Met dramatische en epische dichters is dat anders. Het zou ons niet onverschillig zijn zoo wij iets van Homerus en iets meer van Shakespere konden weten. Maar al verdwijnt de dichter der Ilias in een mythische duisternis, zoodat men zelfs twijfelt aan zijn bestaan, al zijn de herinneringen, die de Engelschen, nü zoo trotsch op hun hoofddichter, omtrent den schepper van Hamlet bewaarden, onzeker en schaarsch, in weerwil daarvan kunnen wij hun werken begrijpen en waardeeren. âOnder onsjesquot; daarentegen, zooals De Génestet zelf gewoon was zijn verzen te noemen, verraden te veel van het innerlijk leven, dan dat de lezers niet
if' â * '
-J
Squot;
'irir
hJLiJL â *' ⢠* j â gt;.» j.v.sJt-jJtuJL â » â «' â * â â *''
IV LEVENSSCHETS.
aanstonds verlangen, ja behoefte gevoelen zouden, om zich den dichter zeiven, zij het dan ook slechts mot breede trekken, te zien voorgesteld.
Het was dus noodzakelijk om deze kompleete uitgave door een beeld van den dichter te doen voorafgaan. Een uitvoerige levensbeschrijving zal men niet verwachten of begeeren. Meer dan een schets zal het niet kunnen zijn, een schets van De Génestet's dichterlijke ontwikkeling en van hetgeen daarop invloed heeft uitgeoefend. Ik zal tevreden zijn, zoo 't mij gelukken mag het beeld van den beminnelijken dichter te doen herleven voor den geest van hen die hem kenden, en het zoo weer te geven, dat hij, ook voor hen die hem niet gekend hebben, niet geheel een vreemdeling blijft.
I.
Gelijk alle waarachtige kunstenaars onderscheidde De Génestet zich door een bijzonder hooge ontwikkeling. Toen ik hem leerde kennen, gevoelde ik hoever hij mij vooruit was in levenservaring, in literarische zelfkennis en menschenkennis tevens, in oordeel, in zekerheid omtrent den weg dien hij bewandelen moest, om niet te spreken van die kunstvaardigheid, dat meesterschap over maat en rijm, dat hem als geboren dichter eigen was. Toch was hij mij in leeftijd niet veel meer dan een jaar vooruit. Den 21sten November 1829 te Amsterdam geboren, was hij als achttienjarig jongeling reeds zoo goed als gevormd, en dichtte hij reeds twee jaren vroeger verzen, niet onwaardig om onder de oogen van 't publiek te komen. Wel is het waar, wat een zijner vrienden, de heer Zimmerman, in een opstel aan zijn nagedachtenis gewijd, heeft opgemerkt, dat hij geen wonderkind was, geen merkwaardig natuurverschijnsel, uitstekend door die vroege rijpheid, die meestal door spoedig verval
'â¢1 , , gt;'⢠. gt;'â , gt;'
LEVENSSCHETS. V
wordt gevolgd; maar een buitengewoon kind was hij zeker. Zijn vroege ontwikkeling schaadde echter niet aan zijn karakter, omdat zij niet kunstmatig maar natuurlijk was. Zij was niet gekweekt in een trekkas, zij kwam van zelf, zij was gezond. Daarom bleef hij een jongen, vlug en vroolijk, vol levenslust en ondeugd, âprettig slecht,quot; gelijk hij zelf het noemt.
Ons hoofd, ons hart was vol en dol,
Wy speelden nog geen menschenrol,
Wij waren vrome knapen I
zoo zegt hij-zelf in dat jolige vers: 't Latijnsche school, gedicht in een tijd, toen de âLatijnsche poortquot; zich reeds sedert twee jaren achter hem had gesloten, en hij dus sinds lang uit âdie wereld vol illuziequot;, dat âgezellig en gezegenr1 oordquot; was verdreven. Dat vers bewijst hoe levendig de herinnering aandien heerlijken tijd bij hem was gebleven, en tevens, dat hij daar geen neuswijs pedantje, maar een echte kwak is geweest en, al schreef hij verzen, gevoeld heeft
Dat men altoos een bengel blijft.
En dat de Rector groot is!
In 1843 begon die âzoete bluf, van 't eerst Latijnquot;, en in dat jaar werd hij ook huisgenoot in 't gezin 'van den heer Jan Adam Kruseman, den man, die niet slechts in de nederlandsche schilderschool een eervolle plaats inneemt, maar ook door zijn helder verstand en edel hart, de liefde, die zijn pleegzoon, hem toedroeg, ten volle verdiende. Daar vond hij, wat hij vroeger nooit bezeten had, een ouderhuis. Zijn vader heeft hij nooit gekend. Zijn moeder, een schoone vrouw, wier levensgroote beeltenis steeds op zijn studeervertrek hing, en op wie hij moet geleken hebben, ontviel hem ook reeds vroeg. Hij sprak van haar altijd met groote innige liefde. Maar schoon hij haar gemis bleef gevoelen, liefhebbende verwanten deden wat zij konden, om het hem te vergoeden. Eerst woonde hij eenigen tijd te Breukelen bij zijn grootmoeder, en later werd hij in het gezin
⢠â¢0 ' .» ' -iquot;' Ti-5 1 ' Tï-1 ' .0 ' .jf ' .0 ⢠'ÃTquot;7 uT' -ë Ti-' .f'' -jf'
A!
i
T
1
LEVENSSCHETS.
van zijn oom en voogd, dien ik zoo even noemde, niet in naam slechts maar werkelijk, een zoon en een broeder. Hij bleef er ook nog een paar jaren van zijn studententijd inwonen, en eerst toen de heer Kruseman met de zijnen naar het schoonste gedeelte van het Sticht vertrok, vestigde hij zich met zijn neef en medestudent H. L. Kruseman, later zijn opvolger te Delft, in de drukke Kalverstraat op kamers.
Hoeveel angst en inspanning het onzen dichter gekost had om student te worden, heeft hij in een zijner bekendste verzen duidelijk genoeg uitgesproken. Wij, die hem gekend hebben, kunnen ons voorstellen met welk een schrik hij de instelling moet hebben vernomen van dat âweleer beruchte staatsexamenquot;, dat zich voor hem als een spooksel tusschen de Latijnsche poort en die der Akademie verhief, de afkondiging, van dat deerelum horribile, dat nu ook over hem was uitgesproken. Hij, met zijn afkeer van alle schoolsche geleerdheid! Hij, die niets begrijpen kon, dan datgene waarvan hij de schoonheid gevoelde, en wien de schoonheid der Mathezis niet was geopenbaard! Hij, die niets belachelijker vond, dan zich in ernst bezig te houden met Klodion den langharigen, en al zulke personen die hem niet de minste belangstelling inboezemden! âHij, met zijn lichaamslijtend zenuwstel!quot; Hij heeft de proef doorstaan, en is niet bezweken. Maar hij-zelf schreef zijn redding uit dit schrikkelijk gevaar toe aan de vriendelijkheid en humaniteit van een der Examinatoren, den zwolschen Eektor Thiebuut, den rustigen, krachtigen man, wiens kalme blik. hejn-zelf zijn kalmte hergaf, en wien hij later in een jubellied zijn vurigen dank wijdde. Zoo begon hij zijn studiën aan het amsterdamsche Athenaeum en aan het Seminarium der Eemonstrantsche Broederschap, waartoe hij behoorde.
De studiejaren van De Génestet vielen in den bloeitijd van dat Seminarium. Het getal der studenten was grooter dan het sinds lang was geweest en daaronder waren er met wie hij gaarne verkeerde. Aan het hoofd der kleine inrichting, doch waaraan een roemrijk verleden een zekere achtbaarheid gaf,
VI
W * ' â¢*'' * ' *'
' â¢,rr
a1 *'
LEVENSSCHETS. VII
stond, nog in volle kracht van lichaam en geest, de man, die als redenaar de plaats van Van der Palm had ingenomen en die het beginsel van verdraagzaamheid en verbroedering, de leus der Remonstranten, zoo volhardend en met zulk een indrukwekkende welsprekendheid verdedigde, Abraham des Amorie van der Hoeven. Met warme bewondering voor zijn talent, met levendige sympathie voor zijn karakter sloot onze jonge dichter zich bij hem aan, en gaf zich vol liefde aan zijn leiding over. Wederkeerig stond hij bij dezen in hooge gunst, waarop hij zich echter volstrekt niet voorstaan liet, en die hem dan ook niemand benijdde. Zij waren elkander waard en verstonden elkander. Een dor en afgetrokken geleerde en een man die louter voor de wetenschap leefde, zou voor den dichterlijken student niet dat geweest zijn wat deze geniale redenaar, deze oprechte, hartelijke, vaderlijke vriend voor hem geweest is. Natuur en waarheid! dat was, wat men ook zeggen moge, de grondwet voor beide. De lessen van Van der Hoeven waren de eenige die hem blijvend bloeiden, en hij schreef er zorgvuldig, hij, wiens excerpten en diktaten anders voor het grootste deel uitgapingen bestonden. Zonder eenige gemaaktheid en als een recht dat hem door niemand betwist werd, nam hij in het dinsdagsche theeuur steeds de plaats aan Van der Hoeven's rechterzijde in, en was er de ziel van 't gesprek, was er â ik moet er dit bijvoegen â even ondeugend en vrij als altijd. Geen wonder dan ook dat het Van der Hoeven was, die hem later te Delft als leeraar bevestigde, en dat de dood van den geliefden leermeester, niet veel jaren daarna, hem dat schoone gedicht; In Memoriam ingaf, waarin hij
Zijn leiding en zijn lessen en gesprekken,
Zijn woord, in jonglingsstrijd, vaak weldaad voor zijn hart,
nog dankbaar herdacht; welsprekend getuigenis van zijn smart en zijn liefde.
Theoloog in vollen zin is onze dichter nooit geweest, al studeerde hij in de Theologie. Voor de wetenschap was hij,in die
â¢fjâ *' *â *' quot;*~r *quot; wquot;â /(' a' -0'' â *' â *' â #' ic it' vc1 tv
â P- â ' .gt;
a,.*
LEVENSSCHETS.
dagen althans en nog eeii geruimen tijd later, niet zeer billijk. Hij kende haar slechts in één vorm, dien eener onbezielde en verwaande geleerdheid, en veroordeelde haar onmeedoogend als ;
Onbegrijpelijk dom en droog,
VIII
of stelde haar in een â trouwens niet zeer gelukkigâvers: In de bibliotheek van een liefhebber, zonder barmhartigheid ten toon. Zoolang hij zich nog met letterkundige studie mocht bezighouden, ging het wel. Horatius en Ovidius althans trokken hem aan en het onderwijs van den smaakvollen Bosscha was beter in staat -om hem nog eenige liefde voor de Ouden in te boezemen, dan dat van een streng filoloog zou geweest zijn. Meer sympathie had hij voor de nieuweren, die hij misschien beter verstond, en dus ook hooger waardeerde. Ik herinner mij nog zeer goed, met welk een warmte op zekeren avond een dronk, door een opgewonden studentje, aan schrijver dezes niet geheel onbekend, op de nieuwere letterkunde uitgebracht, door de Génestet werd beantwoord; een ketterij, die onze gastheer â het was een feest door Van der Hoeven ter eere van De Génestet's verloving gegeven â ditmaal met zijn gewonen vriendelijken glimlach aanhoorde en... niet bestrafte. Een groot gegraveerd portret van Byron hing steeds in zijn studeerkamer; hij had een diepe vereering voor zijn genie, evenals voor dat van Heine, hoewel hij zich altijd van de uitspattingen van 't Byronianisme heeft vrijgehouden en noch de dartelheid van den geestigsten der duitsche dichters bij hem navolging noch diens sombere levensbeschouwing bij hem weerklank vond. Van de Franschen las hij liefst Alfred de Musset, Hugo, ook Lamartine en Barbier, en Sainte-Beuve mag wel een zijner letterkundige leermeesters genoemd worden. Met Dingelstedt liep hij hoog, ook en vooral met Rückert, van wien hij nog al iets heeft vertaald. Niet het minst boeide hem Göthe en dat kon niet anders bij een dichter, wiens ideaal was: de schoonste gedachte uit te drukken in den eenvoudigsten, edelsten, reinsten vorm; hij vond dat ideaal bij niemand zóó als bij den hoofddichter van Duitsch-
' lt; 1 * ' * ' ^ ^' â¢jT7' ' 'F 1 ' â fT~ â¢Â£'' 4' it' ^
,gt;â , «â . gt;- , y-
LEVENSSCHETS.
land terug. Ook de hollandsche dichters verwaarloosde hij niet. Van de ouden vond hij meer behagen in Huyghens, den puntigen leekedichter der 17de eeuw, dan in den eenigszins gemaniereerden Hooft; ofschoon de poëzie van den Muiderkring ook hem getroffen had, zooals blijkt uit zijn droomen op een vervelende soiree; in Cats meer dan in Vondel. Wie herinnert zich niet die laatste koepletten van Fantasia, waarin de schalke dichter voor een wijl het fluweelén kalotje van âden lieven grijsaardquot; opzet, van dien
Christen zoo vol ziel en Dichter zoo vol schats,
(den) lust van Prins en Boer, (den) besten vader Cats!
om in den geest van dezen âZanger van het levenquot; een paar zedelessen aan knaap en maagd uit te deelen. Doch ook hier waren het de nieuweren die hem meest bezighielden.
IX
Hoe hij over Van Lennep dacht kan dat warme vers getuigen in den nacht van 24 Maart 1846 geschreven; Morgen is mijn dichter jarig, een vers, dat, ik zou haast zeggen, een ware studie van de werken des jarigen dichters verraadt, en door dezen werd beantwoord, onder anderen met een vriendelijke waarschuwing tegen dat: âin den nachtquot;, daar ook poëeten beter doen 's nachts te slapen. Wel werd de bewondering van den zestienjarigen knaap in latere meer kritische jaren, als er een nieuw werk van den grooten romanschrijver verscheen, nu en dan een weinig getemperd, maar telkens kwam hij weder tot zijn oude liefde terug en toen hij in den laatsten tijd van zijn leven weer nader met Van Lennep in aanraking kwam, zou hij met dezelfde geestdrift als vroeger en met geoefender hand een jubellied op diens verjaardag hebben kunnen schrijven. Maar niemand wellicht had zulk een indruk gemaakt op zijn dichterlijken geest als Da Costa en Beets. Die zoowel deze beide als De Génestet gehoord hebben, zullen het niet loochenen. De Génestet, anders zoo oorspronkelijk, had zich in zijn prozastijl bijna geheel naar Da Costa, in zijn voordracht naar Da Costa en Beets gevormd.
51 *quot; â gt;1H â quot; 4 ' ' igt;' it â
, j- , . t- , y . ï . t- . r- . y
gt;1. »â . ï- . »â . ï- . gt;â , j-
* * *
*
t. *
*
F
!*
I* *
L*
amp; *
..
L *
*
LEVENSSCHETS.
Las hij, of liever zong hij zijn verzen voor, gij dacht onwillekeurig aan den zanger van Vijf en twintig jaren; preekte hij, gij vondt in stijl en aktie diens gloeiende improvizatiën weder, niet zelden afgewisseld met dien plechtigen en in goeden zin zalvenden toon, waarvan Beets het geheim bezit. Ik behoef wel nauwelijks te herinneren, dat hier geen sprake is van kinderachtige nabootsing en dat de overeenkomst slechts een gevolg was van den diepen indruk, door de beide dichterlijke sprekers op De Génestet gemaakt, die in weerwil daarvan zijn oorspronkelijkheid wist te bewaren. Het huis van Da Costa stond, evenals dat van Van Lennep, voor hem open; kon het anders dan dat het vuur van dien genialen dichtergeest hem, den dichter, met geestdrift bezielde en dat, bij alle verschil van godsdienstige richting, het karakter van dien grooten en goeden man hem geheel voor zich innemen moest? Met Beets is hij, meen ik, eerst later in aanraking gekomen. Doch de vorm van De Génestet's verzen levert bewijs genoeg, hoe goed hij dien van Beets' gedichten bestudeerd had en hoe hoog hij die schatte. Voor den schrijver van de onsterfelijke Studententypen koesterde hij groote vriendschap. Eeeds in 1849 bracht hij in zijn gezelschap eenigen tijd te Scheveningen door en meermalen was hij zijn gast op den Hemelschen Berg. 't Was ook zeer natuurlijk dat er sympathie bestond tusschen twee letterkundigen, waarvan de een in zijn proza, de ander in zijn poëzie, al wat stijf en deftig was schuwde, en natuur en waarheid huldigde bovenal. Ik herinner mij, dat hij ook de verzen van Ter Haar zeer waardeerde, vooral diens Ahd-el-kader en Joannes en Theagenes. Het laatste had hem zelfs in een zekeren wedijver ontstoken en hij hoopte dat het hem nog eens gelukken mocht een dergelijk onderwerp in de kerkgeschiedenis te vinden. Zoo vervulden letterkunde en poëzie hem geheel en voor de wetenschap was daarbij in zijn hart geen plaats. De theologische studiën waren hem een noodzakelijk middel, om het doel dat hem aanlachte te bereiken en eens het Evangelie te mogen verkondigen; doch meer zijn zij hem, althans in zijn studententijd, nooit geweest. De herinnering aan de
â¢p] -,fr ' jf â yrr * â * !
4
LEVENSSCHETS.
XI
'
ril
Latijnsche school, boven reeds aangehaald en waarin hij het heerlijke leven betreurt, dat hij daar eens voerde, dagteekent juist uit het jaar, waarin hij van de propaedeutische tot de theologische studiën overging. Ach ! in deze wereld van âmoraal, kritiek en polemiekquot; voelde hij zich gansch niet t'huis. Zij was voor hem niet gemaakt en hij niet voor haar. Hij is er zich in blijven bewegen, schoon eigenlijk als een vreemdeling; in het stille Delft heeft hij zich zelfs met grooten ernst aan het bestudeeren van de voornaamste godgeleerde vraagstukken des tijds gezet; â misschien wel omdat die vraagstukken toen het schoolsche kleed hadden afgelegd en in anderen vorm midden onder de gemeente gebracht waren; â maar het vermoeide hem en als hij zich gedurende eenigen tijd, bijvoorbeeld in de kwestie van den vrijen wil of zoo iets, â had verdiept, was hij niet alleen zelf verbaasd over zijn volharding, maar moest hij aanstonds in letterkundige werkzaamheden verpoozing zoeken.
De Mailbrief uit de Laatste der Eerste is zulk een verademing van theologisch-wijsgeerige inspanning. âIs 't ook,quot; zoo roept hij in het tweede koepiet uit:
1
1
5] vf'
Is 't ook een tijd waarin wij leven I ach wij hooren Geen geestig liedje schier uit Hollands dichterkoren I En 't lieve vadorland, het schijnt me al meer en meer Eén godgeleerd dispuut, waar ik my wende of keer... O Muzen myner jeugd, o schalken, zorgeloozen 1 Laat me aan uw hart een wijl van al dien strijd verpoozen I
Nooit heeft hij â en ik zal de laatste zijn om het hem ten kwade te duiden â veel eerbied gehad voor de Theologie gelijk zij was en hij gevoelde zich niet geroepen om haar een andere richting te geven. âHebt gij,quot; zoo schreef hij mij later, âhebt gij Sepp's bekroonde verhandeling al gelezen ? 't Is een dik boek daar veel belangrijks instaat â doch ik moet zeggen, dat de historie onzer vaderlandsche Theologie mij voor gemelde Theologie weinig respekt inboezemt.quot; â In onze eigenlijke studiën nam hij dan ook weinig deel, ofschoon hij zich niet opzettelijk afzon-
tJfquot; â .y* , , Jf' ,,ir , jr , »'â , j»'- , â¢' , m- , _?⢠ij , »⢠, V j , «'⢠. A'-
XII LEVENSSCHETS.
derde. Ook toen hij predikant was bleef hij in den kring van theologische geestverwanten en woonde hij onder anderen eenige samenkomsten bij, in 1858 en '59 door een aantal hunner op verschillende plaatsen gehouden. Doch karakteristiek is het volgende antwoord op een noodiging tot een dier bijeenkomsten, die ik hem had gezonden: âLieve vriend, ofschoon de Theses van dien aard zijn, dat ze iemand weg zouden jagen â ben ik wel gedetermineerdquot; [de hoofdkwestie was het Determinisme] âDinsdag ten uwent te komen. Ik hoop dat het colloquium wat minder stijf en deftig en langdradig zal wezen dan den vorigen keer..
Dan, al vond hij onze wetenschappelijke diskussies langdradig en vervelend, al kon hij geen theologisch vraagstuk verteren, zoo het niet met een weinig attisch zout was gekruid, al stak hij niet zelden den draak met onze deftigheid en geleerdheid en diepzinnigheid, hij was en bleef bij ons allen gezocht en geliefd. In het eigenlijke studentenleven mengde hij zich weinig. Niet dat hij geen open oog had voor hetgeen er frisch en aantrekkelijk in was; zijn Liedje aan een jong student zou alleen genoeg zijn om het tegendeel te bewijzen. Maar hij studeerde te Amsterdam en bleef dus in den kring zijner betrekkingen en oude vrienden, zoodat hij geen behoefte gevoelde veel nieuwe kennissen in de studentenwereld te maken. Daarbij kwam, dat zijn teeder gestel hem verbood om het Epikurisch feestgezang van zijn eerste studiejaar zelf veel in toepassing te brengen. En eindelijk â waarom zou ik het verzwijgen ? â zijn buitengewoon talent bracht hem meer in aanraking met letterkundigen dan met studenten en plaatste hem in een eigenaardige stelling, die hem verbood zich zoo-geheel aan 't verkeer met zijn gelijken in jaren en studie te geven, als hij had kunnen doen. Evenwel, met verscheidene onzer ging hij veel om, en voor degenen die zijn sympathie hadden, was hij een dienstvaardig en hartelijk vriend.
Nog staat zijn beeld levendig voor mijn geest, zooals ik hem in die dagen eerst leerde kennen. Nog zie ik, dunkt mij, dat edel.
!f] â #' vf' it' â *quot; â *quot; *' vf â â¢irr gt; â if ' -⢠-f ' r â » ' * ' il '
.a- , *
LEVENSSCHETS.
XIII
fijn-besneden gelaat, met een rijkdom van krullende lokken omringd, dien geestigen mond, dat hooge voorhoofd, dat vriendelijk en toch zoo ondeugend oog, waarmee hij u zoo open aanzag. Nog zie ik dat oog van geestdrift vonkelen, als hij ons een zijner nieuwste verzen of een gedicht van een lievelingspoëet voordroeg op zijn zangerigen toon. Nog zie ik zijn schalken, spottenden blik, als we bijwijlen zeer deftig of geleerd wilden wezen. Nog zie ik hem de lippen stijf op elkander klemmen, als iemand het waagde hem een prullig versje voor te lezen, een schaperig minneliedje of zoo iets, ziek van sentimentaliteit, totdat hij zich niet langer bedwingen kon en met koddige verontwaardiging uitriep: âMaar dat is een lor!quot; Zijn oordeel, waar het de kunst gold, was onmeedoogend, zijn ondeugende plagerij spaarde zijn beste vrienden niet. Maar van hem konden wij alles verdragen. Innemend en beminnelijk was zijn omgang in de hoogste mate. Wij meenden wel eens grieven, ernstige grieven tegen hem te hebben en namen voor, hem dat bij gelegenheid eens goed onder de oogen te brengen. Maar zoodra wij hem ontmoetten en hij twee minuten met ons sprak, waren alle grieven vergeten, en had hij ons weer geheel met zich verzoend.
Zoo, onder velerlei afwisselende, doch nooit overspannende studiën en werkzaamheden, door liefhebbende betrekkingen en vrienden omgeven, aan de zijde der verloofde, die hem later, â helaas voor weinige jaren! â tot den gelukkigsten echtgenoot zou maken, om zijn rijke gaven door velen bewonderd en geëerd, bereidde hij zich voor tot de betrekking, die hij uit liefde gekozen had. Meest in Amsterdam, dat den jongen dichter zulke rijke hulpmiddelen tot zijn ontwikkeling aanbood, doch 's zomers in de vakantiën liefst buiten, te Bloemendaal, zoo menigmaal door hem bezongen en aan welks liefelijke natuur zijn poëzie inderdaad verwant was, te Scheveningen, waar de zee zijn teedere zenuwen sterkte, âzwevende,quot; gelijk hij destijds schreef, âvan de zee naar het bosch, van de duinen naar de ontluikende heiden van dien Heereboer,quot; waaraan een zijner schoonste verzen [kemgesund, zooals onze Overrijnsche naburen 't zouden noemen)
if yf*
, J»'- , jf' , ff- , ff- , jr- , , a- , , c- t p- , gt;'⢠. »⢠, .«i- , ,»'⢠. . *'⢠, y- . , .tf- , ë- , )/⢠, V-
XIV LEVENSSCHETS.
gewijd is, âzich amuzeerend nu eens als een kluizenaar in de bosschen, dan weêr als homme du monde bij de lieve menschen, die er een buiten op nahouden voor eens anderen mans pleizierquot;; â verzen schrijvend in zijn gezellig studeervertrek, of, âze zeggend in de lucht, ze gevend aan den wind, die ze verstrooit, 't geen beter en frisscher voor hen is, dan dat ze in een of ander mooi boekje gedrukt wordenquot;, of ook wel ze, onder luide toejuiching, voorlezend in allerlei zalen en zaaltjes van ons Vaderland; van tijd tot tijd, vijf- of zesmaal, naar het toenmalig gebruik bij het Eemonstrantsche Seminarium, predikend met al den smaak en het vuur van een dichterlijken geest en met al den ernst eener innige overtuiging; vroolijk maar sober, ongedwongen maar zichzelf bedwingend, een âmensch van vleesch en bloedquot;, maar die wel zorgde dat vleesch en bloed niet de overhand kregen, jong maar rein, doorleefde hij vijf gelukkige jaren. Wien kan het bevreemden, dat de bundel Eerste Gedichten, dien hij aan het einde van zijn studietijd uitgaf, den stempel van een blijden en dankbaren geest droeg? Bij een karakter als het zijne kon het niet anders. Hij was gelukkig, waarom zou hij zich verbeelden ongelukkig te zijn? Waarom een wanhoop, een menschenhaat, een Weltschmerz veinzen, die de zijne niet waren, die hij niet gevoelde? Van niets had hij zulk een afgrijzen, als van het spelen eener rol. Ook als dichter, als schrijver, hij voelde het instinktmatig van den aanvang af en het werd hem immer meer bewust, moest men zich voordoen zooals men is. Menschen, tot wie hij een strafrede kon richten als deze:
Al uw zeemlen, al uw zuchten,
Al uw doen is laria;
Ieder zuchtjen is een Judas,
Ieder glimlach is een list....
kon hij zien noch luchten. En al was nu die bestraffing zoo erg niet bedoeld, al bleef die âvent die humorist werdquot; â en die later getoond heeft het in gezonden zin te kunnen zijn, âdie diepstgezonken Simiaquot; steeds zijn vriend, er lag waarheid
ïfjlf~vrr vf' â¢*'' â¢*' â¢*'' â¢*quot;' -f' -ff' â¢/' Tlt;r -ff' -if'quot; -ff1 -jf' if' - ' if'
, O- â¢â¢ i' . ⢠-
â gt;
*1,
LEVENSSCHETS.
in die grappige overdrijving en in den grond van de zaak was 't gemeend. Nooit is hij dan ook van dat beginsel afgeweken. Zijn verzen zijn een deel van hemzelf. Hij sprak er in uit wat hij werkelijk gevoelde, niets meer, niets minder.
De Eerste gedichten verschenen in December 1851, doch waren reeds in November van dat jaar verzameld en gedrukt. De bundel bevat verzen van de jaren 1846â1851, dus van het zestiende tot het twee-en-twintigste van onzen dichter; de voorrede is juist op zijn twee-en-twintigsten verjaardag geschreven.
XV
*1
Men moet dit in het oog houden, om aan deze eerste gedichten recht te doen en ze volkomen te waardeeren. Want zij getuigden inderdaad van een merkwaardige ontwikkeling. Ãr zijn zwakke verzen in, wie zou 't loochenen? Ik althans zal 't niet opnemen, hetzij voor: Vliegenvreugd en dichtersmart, hetzij voor: In de Bibliotheek van een liefhebber, om slechts deze te noemen. Ik zal niet beweren dat het Epihiriseh feestgezang iets anders bewijst dan groote kunstvaardigheid. Ik zal niet zeggen dat schetsen als het Zomertochtje, wenschen als Egoïsmus, schertsende uitvallen zooals Boutade af Vogeltjes die zoo vroeg zingen krijgt de poes, iets toebrengen tot oplossing van de groote raadselen des levens; ofschoon ik de meeste niet gaarne zou willen missen. Maar het is toch al iets, dat een knaap zulk een meesterschap over den vorm heeft verworven, als De Gé-nestet reeds in de jaren, waaruit deze verzen afkomstig zijn, toonde te bezitten, dat hij reeds dadelijk aanving, gelijk Van Vloten zoo juist heeft aangemerkt, met dien gezonden, tref-fenden eenvoud, dien anderen, zelfs Beets, eerst na veel tasten en zoeken gevonden hebben. Neem bijvoorbeeld â niet een van die verzen, waarvan ik er straks eenige genoemd heb en die haast alleen om den wil van den vorm schijnen te bestaan â neem zelfs niet dat Aan iedereen, dat, uiï het oogpunt van savoir-faire een kunststuk, nochtans ook goed en gezond is gedacht; maargieem er, waar het onderwerp bepaald hoofdzaak is, zooals de^Mfidzon :
â k' vf't*
-⢠-⢠-⢠-« -⢠jf
jf- . gt;' a .y' . .gt; . y- , *â
*].J* .?⢠.*
.jr-
* â¢gt;
XVI
LEVENSSCHETS.
Ja, in God is myn kracht, â
Sprak hij innig en zacht,
Maar ik voel dat mijn leven zal renten:
met dat sclioone slot:
En ik hoorde hem aan
Met een lach en een traan:
'k Had de zon nooit zoo plechtig zien dalen: En dat bleeke gezicht
Werd zoo sprekend verlicht
*
c.'
*
j,* U
Door de laatste, haar stervende stralen. â
of zooals de bekoorlijke schildering van den Muiderkring, wier heugenis hem voor den geest kwam op eene vervelende soirée, eene schildering die eindigt met muzikale verzen als deze:
Vos hoort den weerklank van Ausoonje's veldschalmeien; Barlaeus meent zich op d' Olympus, by de goón. En vader Vondel, in verrukking van dien toon,
Denkt aan zijn paradijs en dicht zijn englenreien;
i
it
waarin bovendien de personen met een enkelen toets zoojuist worden gekenschetst. Of liever, lees den ganschen Bundel van 't begin tot het einde en gij zult zien, dat de taal dezen jongen dichter gehoorzaamde, omdat hij haar geen geweld deed, al het gezochte en onverstaanbare zorgvuldig vermeed en zichzelf gewillig aan haar wetten onderwierp. En die schoone, gemakkelijke; vorm was de vrucht van aanhoudende en onvermoeide oefening. DeGénestet paarde een fijn dichtersgehoorâte opmerkelijker omdat hij volstrekt geen gevoel voor muziek had â aan een kieschen smaak. Als geboren dichter viel het hem gemakkelijker verzen te schrijven dan proza: dit laatste was misschien zijn zwakke zijde. Toch vergenoegde hij zich niet met improvizatiëh op het papier. Hij zeide wel eens, in navolging van Alfred de Musset: Je fais
if r 'f' * r if ' y â¢? â
j-] ⢠*' â *' . ^1' . ⢠^* ., *'⢠. V; . »'⢠. »⢠. y* . V- jk'- amp; , â¢â¢
LEVENSSCHETS.
difficilement des vers fadles, en toonde soms aan een zijner vrienden een onvoltooid gedicht, waarvan hier een koepiet, daar een paar heele of halve regels met een aantal gapingen er tns-schen waren opgeteekend en dat nog tijd noodig had om te rijpen. Want hij achtte den vorm niet onverschillig. Deze was hem, en terecht, een der twee hoofdzaken voor den kunstenaar, den dichter. Een kunstwerk moest schoon zijn, uiterlijk en innerlijk. Had men niets wezenlijks te zeggen, men deed beter te zwijgen, ook al bezat men de gaaf, een stroom van vloeiende regels zonder inhoud te doen vlieten. Maar was men niet in staat zijn goede, ware, verhevene, diepzinnige gedachten, anders dan in een stootenden, smakeloozen, gedtvongen, met één woord, leelijken vorm uit te spreken, dan mocht men onder de denkers een plaats verdienen, op den rang van dichter moest men geen aanspraak maken ;
Want proza, man, èn poêzy Zyn twee!
Zulke overleggingen waren het, die hem aan den vorm zijner verzen van den aanvang af zulk een groote zorg deden wijden. Hij rijmde niet wanneer hij niets op het hart had; maar als een gedachte, een aandoening hem inspireerde, dan achtte hij het wel de moeite waard, haar in een behaaglijk kleed aan anderen te doen kennen. Zonder te vijlen en te schaven als Feitema, was hij altijd keurig. En terwijl hij alles wat den goeden smaak zou beleedigen zonder mededoogen verwijderde, wist hij toch ook alle stijfheid tc vermijden en zijn gedichten die losheid, dat levendige en natuurlijke, dat pikante te doen. behouden, dat er geen geringe verdienste van uitmaakt.
Of was dat misschien de eenige verdienste van dien eersten Bundel? Toen hij verscheen, waren er die zoo oordeelden. Ik herinner mij dat onze vriend in die dagen, niet zonder zekere teleurstelling, een brief van een onzer gevierdste dichters ontving, waarin deze hem voor de toezending der Eerste Gedichten bedankte, maar er geen anderen lof bijvoegde, dan dat de
XVII
;
i
é
LEVENSSCHETS.
vorm zoo schoon was. En daar waren er velen, ook letterkundige orakels, die met dat oordeel instemden. Ik erken, dat het mij onbillijk voorkomt. Het zijn, men vergete dit niet, de gedichten van een knaap en een jong student, en men wijze mij dan uit de eerste werken van onze beste dichters iets aan wat daarmeê, ook naar de innerlijke waarde gerekend, vergeleken kan worden. Hier waren geen oude, afgezaagde denkbeelden, vruchten van vroegere lectuur, in nieuwen vorm gegoten. Hier was een overtuiging, inderdaad, een overtuiging, waarvan men verschillen, doch wier bestaan en wier oprechtheid men niet loochenen mag. Hier was een frissche, oorspronkelijke levensbeschouwing, werkelijk het eigendom van den dichter, en waarvoor hij, welk onderwerp hij ook behandelde, een gelukkige uitdrukking wist te vinden. Hier klonk de blijde toon eener levenslustige jeugd, doch hier werd ook geen diepte gemist, geen ernst vergeefs gezocht; hier werd bijwijlen met heiligen ernst gesproken, bijwijlen de toon van weemoed aangeslagen, bijwijlen een stem uit het diepst des harten vernomen. Men zal immers geen diepte ontzeggen aan die schoone belijdenissen: Uit mijn Dagboek, Stem des harten, In gelukkige dagen, Dagelijksch brood: men zal den ernst niet willen miskennen van De volksdichter, Kritiek en zoovele andere verzen. En wie wordt niet getroffen door den stillen weemoed, die er ligt uitgespreid over dat reeds genoemde; De Avondzon, en over zijn afscheidslied Aan Mr. E. H. s' Jakob, dat werkelijk een afscheid voorgoed geweest is ? â En dat hij niet alleen voor de zwakheden en kleine gebreken zijner medemenschen een scherpen blik had, dat niet alleen het dichterlijke van zulke jolige figuren als zijn Jong Student hem trof, dat hij ook het verhevene eener waarlijk tragische figuur wisttewaardeeren en weer te geven, dat kan zijn Hertogin van Orleans bewijzen, met dien heerlijken aanhef:
Gij alleen waart koningin,
By het spatten van hun kronen,
Bij 't uiteenslaan van 't gezin.
Bij het kraken van hun tronen:
sfc *
A A
A *
V A A A
A
*,
'A A A
1
:s
xvm
]
!fcl 4
yr â¢/(1 't* amp; M [fc
rl x ' â # ' v» '
â¢jf' â *' *quot; â #'
. y- . y- . gt;'⢠, »â¢- , *' â *' . . gt;'⢠. gt;⢠. * â gt; . gt;⢠. * ,* , gt;- . gt;â¢
LEVENSSCHETS. XIX
met die treffende herinnering aan haar vroeggestorven gemaal:
Was 't uw blik die haar bestraalde
Toen, in haar, uw vorstenzon Koninklijker nederdaalde Dan zij immer rijzen kon ?
en dat verheven slot:
Weduw, wandel over 't puin Van 't paleis in asch verzonken.
En het ingestort arduin;
Want een stemme heeft geklonken
Om uw opgeheven kruin;
Deze koningsweeüw is heilig.
Zuiver van de vorstenblaam.
Deze koningsweezen veilig In de schaduw van haar naam I
Maar wat dezen Bundel zulk een groote en blijvende populariteit verzekerde, dat was de frischheid, die niet alleen den vorm, maar ook de gedachten kenmerkte, de jeugdige kracht, die alles doortintelde. Men voelde zich als het ware een lenteadem uit deze verzen tegenwaaien. Deze dichter was een man van zijn tijd, met een open hart voor natuur en menschheid,
geen vreemdeling in de wereld die hem omringde. Totnogtoe â waarom zouden wij het verbloemen? â behoorden verreweg de meesten en zeker de uitstekendsten onzer dichters met hun sympathie en denkwijs tot een vervlogen tijdperk. Tegen den geest der eeuw streden zij, in plaats van zich aan de spits dei-beweging te stellen. Profeten van het verleden, ijverden zij voor denkbeelden, die de meesten hunner tijdgenooten al hadden prijsgegeven, of verheerlijkten zij een tijd, waarin men, zonder dweperij, zich moeilijk verplaatsen, en die nimmer terugkeeren kon. Wij â ik bedoel het jongere geslacht â wij bewonderden Bilderdijk en Da Costa, ora nu geen levenden te noemen, maar gelijk wij Vondel en Cats waardeerden, als mannen van
' â *' -t' *â ' â y â¢â¢'r â *' â â *r-ie -.f * â irr~*rrir' * â 'K
LEVENSSCHETS.
XX
een vorige eeuw, als welsprekende tolken van gevoelens, die de onze niet meer waren. Bovendien waren onze dichters, klassieken en romantieken, elk in hun soort, veel te geleerd, zelfs voor de beschaafden onder het volk. Maar wat deze jonge dichter ons gaf, was noch geleerd, noch verouderd. Het leefde en was uit het volle leven gegrepen. Het was geen huldigen van den waan van den dag, maar ook geen miskennen van het streven onzes tijds. Gelijk hij dacht, zoo dachten wij ook. Vroom van hart en waarlijk liberaal, waardeerde hij vroomheid in lederen vorm; zelfs al was zij eenigszins mystisch gekleurd, maar de zijne was niet geprangd in 't keurslijf van een versleten stelsel. Met welk een jeugdigen moed werd hier het Schotje van onverdraagzaamheid en sektegeest bestormd! Met welk een ondeugenden humor werd hier Jan Salie aan zijn oor getrokken en om zijn alarmeeren uitgelachen! Hoe werd hier in de Spreekwoordjes en in de St. Nicolaasavond (dat wij toen echter slechts gehoord hadden) met de menschelijke ijdel-heid der ridderlintjes de draak gestoken! Hoe vereenigde zich hier levenslust met wakkeren stervensmoed! Geen wonder, waarlijk! dat wij dit nieuwe lied, voorbode van een nieuwen tijd, met innige blijdschap begroetten. Geen wonder dat De Génestet, van dat oogenblik af, de lievelingsdichter werd voor al wat jong was, jong van jaren en jong van hart, en dat we allen vrijwillig instemden met de stelling, die hier metterdaad en in zulke goede verzen werd verdedigd: Slechts wat waar en gezond en rein en natuurlijk is, slechts dat is schoon!
II.
In 1852 trad De Génestet het openbare leven in. In Juni werd hij proponent bij de Remonstrantsche Broederschap, spoedig daarop te Moordrecht, in Augustus te Delft beroepen en in 't najaar op laatstgenoemde plaats door Van der Hoeven bevestigd. Met lust
LEVENSSCHETS. XXI
en liefde aanvaardde hij deze taak. Men heeft gevraagd of De Génestet wel voor haar berekend was en of hij niet beter gedaan had, zich in een ambteloos leven geheel aan de letteren te wijden. Van de eene zijde heeft men beweerd, dat hij door den last van zulk een beroep op zich te nemen, zijn eigenlijke roeping miskende; dat zijn dichterlijk talent in 't gareel dezer praktische werkzaamheden verstikken of althans groote schade lijden moest, en dat de dag, waarop hij besloot zijn ambt neder te leggen, in waarheid de dag zijner bevrijding mocht worden genoemd. Van de andere zijde heeft men aangevoerd, dat een dichter zooals hij, voor de betrekking van godsdienstleeraar niet geschikt was; dat hij haar niet kon waarnemen zooals 't behoorde; die zóó preekte moest spoedig uitgepreekt zijn; en toen hij zijn ontslag nam, toen had men al lang voorspeld, dat dit het einde moest wezen. Er was wel een greintje waarheid in beiderlei beweren, maar ook niets meer en de gevolgtrekkingen, die men er uit maakte, waren zeker onjuist. Het prediken, geregeld, iedere week voor een uitgelezen gehoor, viel hem zwaar; doch niet omdat hij niets had te zeggen. Hij had veel te zeggen, meer dan die hoofdschuddende wijzen, die er wel eens over klaagden, dat zijn preeken zoo vol waren. Hij had een rijkdom van gedachten, waarop menig ambtgenoot zijn gansche leven zou kunnen teren. Maar hij had een te grooten afkeer van gemeenplaatsen; hij droeg te groote zorg voor den vorm waarin hij zijn gedachten uitdrukte; hij was te veel kunstenaar met één woord, om niet eenigszins gebukt te gaan onder de verplichting van iederen Zondagmorgen op te treden met een stuk, dat naar zijn schatting waardig was om gehoord te worden. Misschien heeft zijn teer gestel daaronder wel wat geleden. Misschien, waarschijnlijk zelfs, zou hij, indien hij uitsluitend letterkundige geweest ware, zijn krachten als dichter beproefd hebben aan stouter onderwerpen dan die, welke hij nu met zooveel gratie en meesterschap heeft behandeld. Hijzelf gevoelde, toen hij zijn laatstverschenen Bundel uitgaf, dat hij, ânog wel iets betersquot; zou kunnen geven dan hij tot nog toe gaf, âdat er nog wel
W.
y. â â . , «â y- . y .gt;â ,gt;â ^ . .*â .*â .*.* .i-,*. *â
XXIÃ LEVENSSCHETS. '
andere snaren op zijn speeltuig konden weerklinken dan die tut op dien tijd met hun teederen toon een vriendelijk oor hadden gestreeldquot;; en wij mogen ons verzekerd houden, dat hij dit metterdaad zou hebben getoond, zoo hem een langer leven ware geschonken; wij mogen onderstellen, dat dit reeds nu gebleken zou zijn, indien de plichten van zijn ambt en, vergeten wij het niet, de groote rampen die hem troffen, hem daarin niet hadden belemmerd. Maar als wij bedenken, dat het niet de minste zijner gedichten uit de Laatste der eerste zijn, die hun oorsprong danken aan zijn pastorale ervaring, vooral dat wij die kostelijke Leekedichtjes niet bezitten zouden, zoo hij door zijn betrekking niet van-zelf gedwongen ware geworden, om zich in te laten met de theologische vraagstukken van den dag, dan hebben wij, ook uit een letterkundig oogpunt, geen reden ons te beklagen, dat hij een tijdlang als voorganger eener gemeente is werkzaam geweest.
Dit is zeker, dat hij zijn beroep uit vrije liefde heeft gekozen en, zooveel zijn zwakke gezondheid toeliet, met ijver heeft vervuld. Voor hetgeen deftig en officiëel was, gevoelde hij zich ongeschikt en hij had er een verklaarden afkeer van. In een drukken werkkring, die al zijn tijd ingenomen en de inspanning van al zijn krachten vereischt zou hebben, zou hij misplaatst zijn geweest. Doch daarom juist was de kleine Remonstrantsche gemeente te Delft voor hem als geschapen. Hij was er geheel t'huis en zij had wederkeerig aan hem alles te danken. De voorwaarden waarop hij zich aan haar verbond â haar middelen waren destijds nog niet toereikend om in het onderhoud van een eigen leeraar te voorzien â maakten 't haar mogelijk, reeds toen een zelfstandige gemeente te worden. Door hem kwam zij tot grooten bloei. Het kerkje, schoon voor de gemeenteleden veel te ruim, was weldra te klein om de schaar van toehoorders te bevatten, die zich door het rijke gehalte en den schoonen vorm, bovenal door den diepen godsdienstzin en den ernst zijner prediking aangetrokken voelden. Ook het hart zijner weinige leerlingen had hij al spoedig gewonnen; want,
' â¢sT' vf' ifquot; *' -é' *quot; *quot; if' *â ' if' *quot; *â ' v'
..» .»â
, gt;â , » .Ir .» .» .»
*1
=kj
V
*J
*
* * *
A =4
wie zijn verzen kent weet het, hij had de kinderen lief en vond er een groot behagen in om, op zijn eigenaardige, onderhoudende wijs, wat goed en rein en edel is bij hen aan te, kweeken. Trouw bezocht hij zijn kranken en deelde met hart en ziel in alles wat de leden zijner gemeente betrof. âIk verlangquot; zoo lees ik in een zijner brieven, âik verlang eens naar Botterdam te komen â maar ik heb hier een lieve zieke, die ik dagelijks bezoek en wier einde ik al sinds eenige dagen heb tegemoet gezien. Hierdoor ben ik gebonden. Anders kwam ik eens praten.quot; En toen hij dat schoone vers schreef: De lendenen omgord:
Op, uit uw armstoel! naar dat stroodak in do verte I Der armen Heiland roept in guren winternacht.
Op, uit uw blij gezin, naar 't eenzaam huis der smarte.
Ween met die weenen, trouw en zacht;
of toen hij in dat andere: Toen ik een knaap luas gewaagde van een ure die voor hem gekomen was:
Ure van roeping, van ernst, van gena.
Dat in mijn boezem die stem werd vernomen:
Hebt gij mij lief? en mijn ziele sprak: ja;
en betuigde toen eerst gevonden te hebben, âtrots banden en zielsstrijd en smartquot;, âwat hij eens vruchteloos zocht in zijn strevenquot;:
Vrijheid en vrede voor 't rusteloos hartl
toen was het niet alleen de dichter die sprak. â Kortom, dichter moge De Génestet in de eerste en voornaamste plaats zijn geweest, ook in zijn predikambt vond en vervulde hij een roeping. En toen hij het eindelijk, na acht jaren arbeids, nederlegde, was het niet uit tegenzin voor die betrekking, die hij vrijwillig gekozen had, maar alleen omdat zijn krachten een zoo inspannend werk niet langer gedoogden en hij zich geheel aan een anderen plicht, de opvoeding zijner kinderen, verlangde te wijden.
y .» . y- . gt; ,»â , *-
J.JiVENHSCIlKTri.
*quot; IC if' â «quot; ' i(r i(' â *' b*
XXIII
i(' if' if' if'
JJEVENSSCHETS.
;⢠. »-:4-i
XXIV
Tevreden met zijn werkkring, was De Génestet niet minder ge-lukkig in zijn gezin, althans in de eerste jaren. Dat waren de jaren van weelde, waarvan hij spreekt; die van weemoed kwamen later. In hetzelfde jaar, dat hij het openbare leven intrad, begon voor hem ook het huiselijke. In September 1852 trad hij in den echt met Mejuffrouw Henriette Bienfait. Te Bloemendaal, waar de familie zijner bruid den zomer doorbracht, werd het huwelijk gesloten. Daar waar hij zijn liefste plek had gevonden, door hem zoo welsprekend bezongen, werd hij vereenigd met haar, die hem volkomen verstond en waardig was. Slechts een zevental jaren ongeveer mocht hij zich in haar bezit verheugen Wat zij voor hem in dien korten tijd geweest is, hoe innig hij haar liefhad, dat waag ik niet te beschrijven; dat verraden slechts eenige zijner verzen, waarvan ik alleen dat onovertrefbare: Liefde behoef te noemen. Welk een tegenstelling en welk een overeenstemming tegelijk, tusschen den levendigen, beweeglijken, opgewonden dichter en de zachte, kalme, doch zoo verstandige en hoogstontwikkelde vrouw, die hem terzijde stond. Hoe gelukkig waren zij, eerst in 't oude huis,
dat daar aan de vest Zoo witjes lacht in 't groen I
met bloemen en boomen omgeven, vriendelijk, vroolijk en dat hij, met al zijn gebreken en ongemakken nimmer vergeten kon; later, in dat statige, deftige huis, dicht bij de Haagpoort, waar bij meer comfort en ruimte vond, doch waar de dichter zich maar half tehuis gevoelde en dat hij Welgelegen doopte, omdat het zoo dicht bij 't Kerkhof lag, weinig vermoedend, helaas ! dat het voor hem nog in anderen zin niet ver van den dooden-akker zou zijn. Het was een genot, hem daar te bezoeken. Ook het nieuwe huis was in den aanvang nog
vol huwelijkszegen,
Kinderliefde en moedermin.
En, daar in 't midden van zijn jong, bloeiend gezin, leerde
.«quot;To
r
IJEVENSSCHETS.
men liem eerst in al zijn beminnelijkheid kennen. Tot die dichters, die, sterker van verbeelding dan van gevoel, aandoenlijke verzen maken op het huiselijk geluk en intussohen tehuis zeer ongezellig en lastig en tiranniek zijn, behoorde hij geenszins. Zooals hij zich in zijn gedichten schetst, â't liefste speelgoed zijner kinderenquot;, met hen stoeiend en spelend, een kind als zij, zoo was hij werkelijk. Ik zie hem nog, bij een groot verdriet van een der kleinen, dat bittere tranen scheen te kosten, vóór haar nederknielen, en met koddigen ernst smeeken, om toch het hart van haar armen vader niet te breken, zoodat de tranen spoedig door lachjes vervangen werden. Alle stroefheid, alle hardheid, alle stijfheid waren uit zijn huis gebannen. Anni's taal mocht vrij en ongedwongen in de huiskamer weêrklinken en er was behalve de moeder nog een, die er met welbehagen naar luisterde. Toch nam hij de taak van de vorming zijner kinderen ernstig ter harte. Die er zich van overtuigen wil, leze dat voortreffelijke Opvoeding:
Ik heb een leelijk trekje
Ontdekt in 't kleine hart Van ons aanvallig bekje â
Dat baart mij groote smart.
Ik heb tot God gebeden Dat Hij mij raden wou,
Hoe 'k best dat hartje kneden,
Dat plantje sturen zou ?
Hun geluk was hem alles. Geen vuriger bede steeg ooit op uit zijn hart, dan voor het behoud der moeder met haar blondje en bruintje nevens haar. Niet dieper troffen hem de smart en ellende in de wereld, de smart en ellende waarvan hij nu menigmaal getuige moest zijn, dan wanneer hij dacht aan zijn huis, âzijn zoet gelukquot;.
De moeder met haar kroost gezegend en bemind,
en zoolang hij de zijnen nog om zich had, mocht hij zijn
XXV
» . * ,gt; ,y- , gt;- .gt;'⢠.» ,.» .» .» .» .» .» .» .» .» .» . y- . y- . i'. . y. . y- t,*'.
LEVENSSCHETS.
Dagboek nog dat van een gelukkige noemen. In den zomer van 1856 deed hij met een vriend een reis naar Zwitserland; hij waardeerde de ontzaglijke grootheid van de natuur die hij daar aanschouwde, ofschoon zij hem, gelijk hij betuigde, nog meer overstelpte dan aantrok; maar âmijn hart is t'huis!quot; riep hij uit. âDe kopjes zijner lieven zweefden voor hem uit,quot; en al hoorde hij en verstond hij den lofpsalm, dien de heilige Natuur tot eer van God aanstemde, toch, zeide hij.
Toch dieper nog weerklinkt, door 't binnenst van inyn harte, In 't vreemde schoone land, altijd een zachte stem. Die ruischt van uit de dierbre verte.
En die nog luider spreekt van Hem!
* *
*1
4,
*, :v :i
A *
*
XXVI
Van Hem.... wiens liefde en licht, uit drie paar vriendiyke oogen. Zoo heerlijk op m\jn paden blinkt:
Wiens lof uit kindermond steeds door mijn woning klinkt,
Myn kluis vol vrede, die 'k al strijdend ben ontvlogen;
Van Hem.... wiens trouwe, wiens bescherming en genaê.
Ik al mijn schat beveel, met duizend teederheden,
Terwijl ik 't vochtig oog naar gindsche bergen sla.
Vol heimwee en gebeden I
Hoe spoedig zou dat geluk, voor hem het hoogste op aarde, gesloopt worden! Nog geen drie jaren nadat hij deze regels te Interlaken schreef, klom zijn geluk ten top. âEr is,quot; zoo jubelde de blijde vader,
Er is een kind geboren,
Een jongetje in de Mei,
De feestmaand, de uitverkoren Van Liefde en Poëzy.
*
p
r r
*
* ' ^ * *
r
t *
Wel had zijn lieve vrouw reetls sinds December van het vorige jaar aan koorts en zenuwzwakte geleden, maar nu liet alles zich geheel anders aanzien. âWeet gij,quot; zoo schreef hij den 28oii Mei 1859, âweet gij dat ik een zoon heb, een krullebol? Wij zijn
' *â ' f ff
â f) Vf' -Jf ' â * ' if' -f' *quot; *quot; â¢* ' Ifquot; v»quot;
,y gt;â¢- , gt;â . gt;-â . y- . *â . «â . »â . y- . s' . y- . *- . » . . *â .*â lquot;
LEVENSSCHETS. XXVII
innig gelukkig en dankbaar. De lieve kraamvrouw en mijn edel knaapje maken het voortreffelijk nu â doch wij hadden barre dagen en uren, voor die kleine P. A. er was.quot; Maar juist twee maanden later was het een geheel andere toon dien hij aansloeg. â't Is lang niet fleurig in mijn huis,quot; heette het toen. Sedert negen weken was alles veranderd. De jonge moeder, kort na de geboorte van haar zoon wel en gelukkig, leed weer aan koorts en hoesten, âwas zwak en bleef zwak.quot; Men zou de buitenlucht gaan beproeven, doch de bezorgde echtgenoot stelde zich ook daarvan niet veel voor. Zoo was het ook. In Augustus was het niet beter. âWij hebbenquot;, zoo schreef hij toen, âwij hebben lijdzaamheid van noode, is en blijft onze Dagtekst.quot; In September ging de zieke hard achteruit. De geneesheeren gaven geen hoop meer. Op de mededeeling van dit vreeselijk vonnis, in een brief van 21 Sept. 1859, laat hij volgen: âVoormij,ach! ik kan vaak niet oproeien tegen al de droefheid en weemoed, die mij overstelpt, nu, hier in dit oord van zooveel zegen en gezegende herinneringen. Mijn liefste Plek werd mijn Olijvenhof. Waarschijnlijk zal ik haar dezer dagen per jacht â rijden kan niet meer â vervoeren naar Amsterdam, bij onze moeder. Daar heeft zij de meeste rust en is omgeven van allen die zij 't meest liefheeft. Ik heb beloofd haar niet te zullen verlaten, natuurlijk. Slechts als 't redelijk is wenschtc ik een enkelen Zondag 's avonds zelf te gaan preêken.quot;
âOnzen treurigen overtocht,quot; zoo heette het in een brief van 28 Sept., âhebben wij Zaterdag 11. nog al betrekkelijk goed volbracht. Maar het had ook niet langer moeten duren! Wie had mij gezegd dat ik ooit op die wijze door Amstels grachten varen zou ! Ach ! het was zoo diep-melankoliek !quot;
Toch, in die sombere dagen, bleef hij werkzaam en dezelfde brieven, waaruit deze treurige berichten ontleend zijn, getuigen van levendige belangstelling in alles wat er omging op letterkundig en godsdienstig gebied. Hij had oogenblikken dat het kruis hem bijna te zwaar viel. Maar meestal was hij moedig en berustend. Gelijk hij zegt in zijn Door zegen geheiligd, de herin-
*â ' *r * ' -y â » â *quot; ⢠â¢Ã¯r^Kr * â j ' te
. gt;'⢠f*'
LEVENSSCHETS.
nering van Gods zegenende liefde bleef hem een troost en kracht in dagen van âraadselvolle smart.quot; In deze dagen was het dat hij de weinige, maar door vorm en gedachte uitstekende regels schreef, die ik mij niet ontzeggen kan in hun geheel aan te halen:
Boven mijn hoofd aan zijden draad
Slingert het zwaard al heen en weder, 't Moét vallen â vallen, vroeg of laat I Het trilt, het velt mij neder I
Doch om mijn hoofd ook ruischt een stem.
Te midden van al mijn vreezen, Die my gebiedt met zachte klem.
Toch niet bezorgd te wezen.
XXVIII
f*
En in die dagen â 15 Oktober 1859 â was het ook dat hij schreef: âDe gure dagen, die wij gehad hebben â waren voor mijn zieke niet gunstig. Schoon zij steeds het bed houdt, de scherpe N. en O. wind dringt overal door. Nu onmerkbaar, dan weer merkbaar wordt dat lief en lieflijk wezen gesloopt van dag tot dag ... voor de oogen onzer liefde. Ik ben ziek, bedroefd en lijd erge pijn ook menigmalen, doch ik doe mijn best mij over te geven. Mijn Christendom lost zich op â ten minste als ik christelijk ben gestemd â in een Fiat voluntas! uitgesproken met een eeuwige hope in het hart... Doch in het leerstuk der H. Triniteit vind ik geenerlei troost noch kracht.quot;
Ik haal deze weinige regels uit verscheiden brieven aan, om eenigszins de stemming te doen kennen, waarin hij verkeerde toen de grootste slag die hem treffen kon, naderde : om eenigszins te doen gevoelen wat hij geleden moet hebben, toen die hem ein delijk trof en weldra door den dood van zijn zoontje gevolgd werd. Deze smart was te groot, dan dat hij haar in zijn verzen had kunnen uitstorten. Zijn overvloeiend geluk kon hij daarin lucht geven, maar niet wat hij leed, toen het zoo geheel werd verwoest. Hij kon slechts zeggen, hoe lief hij haar had, die hem nu was ontnomen.
â V ;fc
LEVENSSCHETS.
:
XXIX
hoeveel liever, toen hij âweenend aan haar sponde zat,quot; dan toen hij haar als jonge bruid in de armen drukte, hoe hij van haar leven en hopend sterven leerde; en hij zeide het, zooals hij alleen het zeggen kon in dat heerlijke: âDie ik het meest heb liefgehad,quot; dat ik niet behoef uit te schrijven, omdat ieder het zich herinnert. Als een man heeft hij zijn kruis gedragen. Zijn krachtige geest, zijn ware, gezonde, ongeveinsde vroomheid hielden hem staande. Maar hij was verbrijzeld; en ik vermoed dat het lichaamslijden van zijn laatste levensjaar voor een groot deel moet worden toegeschreven aan den schok, dien het verlies zijner echtgenoote hem gegeven had.
Weinige maanden daarna nam De Génestet zijn ontslag als predikant der Broederschap. De redenen, die hem daartoe bewogen, heb ik reeds genoemd. Ook, naar Delft terug te keeren zonder kinderen en in die stad, waar hij zulke gelukkige jaren gekend had, een eenzaam, droevig leven te leiden, daartegen zou hij niet bestand en hij zou er niet toe in staat zijn geweest. Daarom vestigde hij zich te Amsterdam, in de onmiddellijke nabijheid van zijn schoonmoeder. Mevrouw de Wed. Bienfait, in wier huis zijn kinderen een liefderijke verzorging vonden en bracht den zomer meest te Bloemendaal door. Doch ook daar leefde hij âals in stad, stil, op zijn kamer. In de gelukkige ontwikkeling zijner lieve kinderen vond hij zijn troost en een zekere afleiding jn drukke werkzaamheid. Zijn twee laatste Bundels bezorgde hij in dit eene jaar. De betrekking van lid der Plaatselijke Schoolkommissie te Amsterdam en die van sekretaris der Kommissie voor de oprichting van een standbeeld ter eere van Vondel nam hij waar met een ijver en nauwgezetheid, die bij zijn aanleg, zijn afkeer van alle routine en zijn wankele gezondheid te verdienstelijker waren. Het sekretariaat der laatstgenoemde kommissie bracht hem in aanraking met oudere en jongere letterkundigen, hem reeds bekend of nog onbekend, vooral met Van Lennep, dien hij ook als uitgever van Vondel's werken bijzonder leerde schatten. Bij Potgieter vond hij groote sympathie en hij betuigde dikwijls voor zijn literarische
s. \
* *
)V *
* *
«c
*
*
Ut *
* *
£ *
*
â iL,.»
XXX
â¢â¢v *
* *
ontwikkeling aan dezen Gids-veteraan niet weinig verplicht te zijn. Ook Zimmerman, eens zijn wellicht al te strenge beoor-deelaar, dóch wiens denkbeelden over De Génestet's poëzie later zeer gewijzigd waren, zag hij veel, gelijk hij te Bloemendaal Cd. Busken Huet dikwijls, bij wijlen ook A. Pierson ontmoette, vrienden met wie hij in menig opzicht eenstemmig dacht. Niet het minst verkwikte hem het verkeer met dien ouden vriend, aan wien zijn: Vrienden op 't kerkhof gewijd is, met wien hij âde paden zijner jeugd, de wegen van zijn lot menigwerf tezamen was gegaan,quot; en aan wien hij zich nimmer zoo gehecht voelde
Als op den zwaren weg naar gindsche kerkhofdreven.
Liefhebbende betrekkingen omgaven hem met allerlei zorgen. En toen eindelijk het uitzicht zich voor hem opende, dat zijn verbroken huwelijksgeluk weer zou worden hersteld, toen de zuster zijner gade ha-ar lot met het zijne wilde verbinden en een moeder voor zijn drie nog overgebleven kinderen zijn wilde, toen scheen het of de diepe wonde niet slechts verzacht, maar geheeld zou worden, en er nog betere dagen voor hem waren weggelegd.
Doch het heeft niet alzoo mogen wezen. Keeds in den zomer van 1860 vertoonden zich de voorboden van de ziekte, waaraan zijn teer gestel op den duur geen weerstand zou kunnen bicden. Den 268quot;n Augustus van dat jaar schreef hij ; âMijn kon-stitutie en het gebruik van staal dwingen mij tot veel fyzieke beweging, en wandelende kan ik wel dichten, maar niet stellen en schrijven. Als ik in de lucht ben weet ik van geen vermoeienis of iets; als ik op mijn kamer zit ben ik meestal moe. Ik heb de rustelooze natuur van een vogel: was ik 't maar!quot; Zoo bleef het tot in 't begin van 1861, toen een ernstige keelongesteldheid hem aantastte. Maar hij kwam ook die te boven. âIk ben herstellendequot;, zoo schreef hij in 't vroege voorjaar, âmaar houd nog steeds mijn kamer. Misschien raag ik van de week even met rijtuig naar mijn moeder. Die historie heeft mij geducht aangepakt en ik ben zwak gewor-
LEVENSSCHETS.
. gt;â , y-
Trains
IT
ir if
*â ' â¢lt;quot; if' if' *' vf' IT' ïT
LEVENSSCHETS. XXXI
den â van al die pijn en al die koorts.quot; Spoedig sterkte hij weder aan. Zelfs was hij weldra in staat om nog eens naar Rotterdam over te vliegen en een paar vrienden te bezoeken. Ik zal dien avond nooit vergeten. Hij was geheel de oude, vol leven en vernuft, hartelijk en beminnelijk. Cremer las dien avond in de Hollandsche Maatschappij en ons plan was geweest daar samen heen te gaan. Maar wij bleven praten en praten en vergaten lezing en alles. quot;Weinig dacht ik, toen ik van hem afscheid nam, dat ik hem voor het laatst de hand had gedrukt. Want het duurde niet lang of wij ontvingen weer ontrustende berichten. De keelziekte, die geweken scheen, greep hem weder aan met nieuwe kracht en ging over in een algemeene ontsteking der slijmvliezen. Het was het einde. Tevergeefs wachtte men beterschap van 't verblijf te Rozendaal mot zijn schoone natuur en gezonde lucht; hij kon er niet meer van genieten. Hij was er slechts heengevoerd om te sterven. âNog den laatsten dag zijns levens,quot; â het zij mij vergund hier de woorden van Zimmerman te gebruiken, die hem, kort na zijn ontslapen, in de Gids zoo welsprekend herdacht â ânog den laatsten dag zijns levens had hij doorgebracht in den kring dergenen, die hem liefhadden, in den dierbaren huiselijken kring, waarin hij zich 't liefst en meest bewoog; vermoeid en zwak, maar zonder smarte ofpijn, had hij zich ter ruste begeven. Trouwe liefde-oogen bewaakten den slaap van den kwijnenden zieke; geen onrust of strijd vertoonde zich op het bleeke gelaat; matheid en uitputting, maar liefelijke vrede tevens blonken van zijn open, hooggewelfd voorhoofd; Peter De Génestet was in den vroegen morgen den tweeden Juli ter eeuwige ruste ingegaan.quot;
Dezelfde auteur heeft met eenvoudige trekken zijn uitvaart geschetst. Slechts betrekkingen en vrienden begeleidden hem naar zijn laatste rustplaats, en een drietal hunner voerde er het woord. Op het kleine kerkhof te Kozendaal, naast die statige laan die naar Beekhuizen voert, in 't midden van die liefelijke natuur waarvoor zijn hart altoos geopend was, rust zijn overschot. Door de zorg van eenige vrienden is een smaakvol ge-
,»⢠, *' . â , â ' , ⢠- . B , â â , » , â - , O , a- , D , *
'il
XXXII LEVENSSCHETS.
denkteeken in zoogenaamd gothischen stijl op zijn graf geplaatst. Het Fiat voluntas, dat in zijn laatste jaren wel zijn levensspreuk mocht lieeten, staat op den lijksteen gegrift.
Men verwondert zicli, als men ziet, hoeveel De Génestet in dat negen- of tiental jaren, in weerwil van vele andere bezigheden en van zooveel overstelpende smart, nog op letterkundig gebied heeft gearbeid en hoeveel voortreffelijks hij heeft geleverd. Als Nederlandsch dichter bracht hij aan de jaarboekjes zijn betamelijke schatting. Het meeste wat hij daartoe soms zuchtend bijdroeg, werd in zijn Laatste der Eerste herdrukt. Al het andere is in deze uitgave opgenomen. Ook in de Gids en Nederland verscheen nu en dan een zijner gedichten. Zijn In Memoriam, een schoone hulde aan de nagedachtenis van zijn geliefden leermeester en vriend Abraham des Amorie van der Hoeven, werd afzonderlijk uitgegeven, ofschoon hij 't aanvankelijk een andere bestemming had toegedacht. Voor een dier verzamelingen van gedichten bij uitheemsche platen, die destijds aan de orde waren en waaraan, wij moeten het erkennen, onze letterkunde sommige harer schoonste sieraden te danken heeft gehad, de Historische vrouwen, dichtte hij zijn Mademoiselle de la Vallière, waarin hij het kiesche onderwerp met bewonderenswaardigen takt behandelde en toonde het dichterlijk-schoone dezer figuur juist te hebben gevat. In het Zondagsblad schreef hij letterkundige brieven, doch slechts enkele; die over den Improvizator Beerman toont dat hij ook over zijn kunst ernstig had gedacht en zich rekenschap van haar hooge eischen wist te geven. In De Teekenen des Tijds was hij mij een trouw en bereidwillig medewerker; de beoordeelingen van dichterlijke werken van godsdienstigen inhoud, die daarin voorkomen, zijn van zijn hand. In 1855 namen wij te zamen de redaktie van den Christelijken Volks-Almanak op ons en tot aan zijn dood toe had ik het voorrecht de uitgave daarvan met hem te bezorgen. Het was een klein
*3, gt;- , )h , #⢠, ji- , , i' . gt;'â , v . ï- , gt;â . , y- , gt;â , »⢠. gt;'â¢â . gt;⢠, gt;⢠, gt;'⢠. . ^ .y-[
LEVENSSCHETS.
* en nederig boekje, maar hij had het lief en stelde zich ook voor die taak geen geringe eischen. Metterdaad het bewijs te leveren,
* dat stichtend en smakeloos niet behoefden samen te gaan, dat
* was daarin zijn streven. Hij hoopte, dat door dien weg gezonde, :i heldere godsdienstige denkbeelden ingang zouden vinden ook
in de harten des volks; en geheel onvruchtbaar is dit streven misschien toch niet geweest. Voor mij was dit samenwerken in menig opzicht genoegelijk. Mochten wij soms over ondergeschikte punten verschillen, wij werkten in één geest. En onze vrienden hielpen ons trouw.
In twee Bundels heeft De Génestet zelf de meesten zijner :i. gedichten uit dit tweede tijdperk zijner dichterlijke loopbaan
XXXIII
* bijeengebracht, in de Leekedichfjes en de Laatste der Eerste. Van *! gene spreek ik straks. Eerst eenige woorden over den laatstverschenen Bundel â de voorrede is gedagteekend eind-Maart
1861, dus ruim drie maanden vóór zijn dood â omdat die met de Eerste Gedichten nauwer samenhangt en daarvan eigenlijk het tweede gedeelte uitmaakt. De Génestet zelf heeft dit ingezien en door de keus van zijn titel een bewijs van literarische zelfkennis gegeven.
Inderdaad, men behoeft, na de Eerste Gedichten met aandacht 'k- te hebben gelezen, dezen tweeden Bundel slechts ter hand te â¢: nemen, om al spoedig te bemerken dat hij met volle recht Laatste der Eerste mag heeten. De dichter is ouder geworden, het zou, ook zonder dat men het jaartal zijner verzen opmerkte, ;i niemand ontgaan. Slechts een enkele maal keert die jeugdige, ondeugende scherts, waarvan de eerste verzameling overvloeide, hier weder; bijvoorbeeld, in het Liedje in den maneschijn, of in het Kijkje in 't leven, van den zwarten koetsier die het zoo warm had in zijn maskeradepak, een versje, dat niet weinig ergernis gegeven en bedenkelijke schuddingen des hoofds heeft teweeggebracht, maar dat als satire op een treurige vertooning wel verdiend en uit het oogpunt van kunst een der beste is, :ij die De Génestet ooit heeft geschreven. In De Mailbrief herkent r gij aanstonds den dichter van Fantasia, maar het gedicht bleef
o
i(â â » T'irr y
5L
rk
*
â â 4
54
'-4 =4, =4 quot;-4 gt;4
=4
ï4j
A *,
A, *,
=4
onvoltooid; de stormen des levens, die weldra over hem losbraken, doofden het vuur der vroolijke inspiratie uit; en toen hij later tot kalmte was teruggekeerd, kon hij geen schertsend tafereel meer ophangen van het leven in dat Delft, waar voor hem de groote tragedie begonnen was. Bovendien, vergelijkt men 't vers met De St. Nikolaasavond, die kostelijke vertelling, zoo rijk, zoo stout, zoo vrij, zoo tintelend van geest, zoo oorspronkelijk, dan speurt men in DeMailbrief, met zijn wat al te sterke reminicensen aan Beets' Maskerade, een zekere vermoeienis en gevoelt men dat voor onzen dichter een andere tijd was aangebroken.
Maar, al is hij ouder geworden, hij is dezelfde gebleven. In De liefste plek, in het Voorjaarsliedje, in dat ondeugende, haast al te cynische Neen nimmermeer, zelfs niet, bezingt hij de natuur de hollandsche, de liefelijke, met dezelfde geestdrift als in zoo menig koepiet van den eersten Bundel. De hartelijke, trouwe, deelnemende vriendschap, waarvan daar meer dan een vers getuigde, spreekt zich ook bier krachtig uit in Vrienden op 't kerkhof en in dat roerende Ver van huis, toegewijd aan de herinnering van dien jonggestorven dichter met zijn
Dwepend hoofd en vroom gemoed,
die, evenals zijn vader, in 't vreemde land was bezweken. Hier nog geheel dezelfde wereld- en levensbeschouwing als vroeger. Hij heeft geleden, hij is in een harde school geweest en goed en wakker en moedig heeft hij zijn kruis gedragen. Maar dat beweegt hem nu niet tot dweepzieke geringschatting van 't geluk. Hij zingt van zijn geluk, zijn groot en vol geluk, in tal van liederen, die ik niet behoef te noemen. Hij dankt ervoor, vurig, innig. Hij verbergt niet, dat hij siddert voor den dag van rouw. Hij bidt dat zijn dierbaren hem gespaard mogen blijven. Hij is er geheel van vervuld en wat hij schrijft vloeit er van over. Ja zelfs als hij âdes drijvers geweldige roedequot; gevoeld heeft, als hij ondervonden heeft hoe de smart oefent en loutert.
LEVENSSCHETS.
,» . y , ^ . y
'~ir~-4' -tr â *â¢
lt;*
ff-*
* * *
£ *
* *
XXXIV
1
il
A
'[*
^ *â â
LEVENSSCHETS.
wil hij niet toegeven dat de zegen zonder vrucht zou zijn. In zijn: Door zegen geheiligd bepleit hij de zaak van hen
Wie niet de Nood â maar Zegen bidden leerde,
Wie iedre bloem ontstak in liefde en lof;
en hij bekent in Menschelijk, dat hij âras naar 't eind van dorre lijdensdrevenquot; hijgde en dat hij, na het: Uw wil geschiede! ook wel gebeden heeft:
Mijn God, geef mij een bloem en zend me een zonnestraal 1
âLevenslust en stervensmoedquot; was vroeger zijn geliefkoosd thema geweest. En dat bleef het. Hoe spreekt de eerste uit zijn Jonge roeping, hoe geestig predikt hij den tweeden in 't Liedje van verlangen, en hoe vereenigt hij ook hier deze beide in zijn Welgelegen, waarin hij aan de âstille vriendenquot;, die men zijn woning voorbijvoert om ze naar het vlak daarbij gelegen kerkhof te brengen, de boodschap medegeeft:
Dat (hii) graag bij (zijn) beminden Nog wat blijven wou in vree;
schoon hij het ook gansch niet aardig vindt om zoo dicht bij de graven te wonen:
Waar ge lang om heen kunt treden.
Maar toch eindlijk rusten moet.
XXXV
:c
i :o
quot;A
ï«,,
'K
ris â¢gt;
'â¢%
Hij heeft ook getwijfeld, want hij heeft meer gezocht en nagedacht dan voorheen. Het geloof zijner kindsheid werd menigmaal geschokt. Ik kan al de verzen niet optellen waarin dit doorstraalt, waarin hij 't met zooveel woorden belijdt. Maar dezelfde gezonde vroomheid, dezelfde godsdienstzin van zijn jongelingsjaren zijn hem bijgebleven. De Terugblik, waarmee
*
si â '
i- è' , . y- , . y
â ^ . »⢠ff
. »⢠. »â¢
LEVENSSCHETS.
de bundel geopend wordt, draagt daarvan den stempel. Wat hij ook wenschc en wille, waarheen hij streven moge, hij voelt dat een hooger geest hem leidt en gebiedt en te midden van de groote raadselen des levens ziet en weet hij op al zijn paden:
Almacht, Liefde, Trouw, Genade,
en dat geeft hem kracht. Hij had eens gezongen:
Daar spreekt een andre lach in 't oog der aangebeden',
Waar gij haar drukt in d'arm als 't zoetst geschenk van God;
De vriendschap heeft, met Hem, verhoogde teederheden.
De luite een reiner klank, en 't leven meer genot;
ook thans betuigt hij in zijn Levensvoorwaarde, dat alles, het beste en dierste wat hij bezit, geen waarde voor hem heeft, dan in 't bewustzijn van een eeuwig leven; dat hij liever sterven zou dan het geloof te derven in de trouw van zijn Schepper, een geloof, in zijn wezen gegrond. Zeker heeft hij niet vermoed, dat een oud vriend hem na zijn dood nog hard vallen zou om zijn âzoo ik u niet voor eeuwig had, ik had u liever nietquot;, een gedachte die ik trouwens niet in bescherming zal nemen, en dat die hypercriticus hem daarom allen blijvenden invloed op het jongere geslacht zou ontzeggen! Ook de frisch-heid, de waarachtigheid, de ongeveinsdheid zijner Godsvrucht heeft hij niet verloren door de theologie, waarin hij nu geen vreemdeling meer is, of door het ambt dat hij bekleedt en dat maar al te vaak het natuurlijke en ongedwongene aan een overigens oprechte vroomheid ontneemt. Dat blijkt onder anderen uit: Niet voor de menschen, een parafraze van Mattheus 6,16 en uit zijn Bekentenis, dat hij maar een mensch van vleesch en bloed is, als iedereen en zich dies op geen hoogen voet zet, om âdeftigheênquot; te zeggen. Dat blijkt vooral uit De schoenlapper van Alexandrië, geestige verdediging van het Ora et labora in tegenstelling met de pijnlijke zelfkwelling van den vader der kluizenaars. Doorlees al deze bladzijden en gij moet erkennen, het is
' ' -é ' ü7-' .ë ⢠.⢠'
XXXVI
1 1
â¢V
*
*gt;
:4
'â ?
â¢K â¢â¢
f
:V
*1.
LEVENSSCHETS.
altijd dezelfde De Génestet van zijn studentenjaren, vroom zonder dweepzucht, opgeruimd zonder lichtzinnigheid, schertsend met uw dwaasheden zonder pijn te doen, leerend zonder verwaandheid, dezelfde vijand van alle komedie en onnatuurlijkheid. De veranderde omstandigheden, waarin hij zich geplaatst ziet, hebben hem niet veranderd, maar gevormd en ontwikkeld. Hij is geen deftige dominé geworden en geen gewichtig huisvader. Hij is niet âin de geleerdheid vervallenquot;, al weet hij meer en beter dan een jaar of wat geleden. Hij preekt niet noch zalft. Hij is onze oude beminnelijke dichter gebleven en vrij zingt hij zijn lied.
Doch bij alle overeenkomst is er ook onderscheid. Er is grootc vooruitgang ten minste, vooral in diepte van gedachte, in levensernst, in echt-poëtische opvatting. De vorm is niet slordiger geworden. Integendeel, hoewel het scheen, dat hij daarin niet veel meer te leeren had, hij is hem nu nog meer meester dan immer te voren. Hoezeer blinkt in dit opzicht het Mooi-weêrs-lied uit:
Een zonnestraal,
Een wonderstraal Is in mijn borst gedrongen:
Mijn matte ziel herleefde weer,
Ik twijfel en ik haat niet meer En heb mijn lied gezongen.
Een blij geruisch
Om 't zonnig huis Verkondde mij den vrede.
Van liefde en lof klinkt heel mijn hof,
't Juicht alles en geeft juiehensstof;
En noodt: O dank toch mede.
XXXVII
J
Niet door zijn losheid en gemakkelijkheid van maat, zooals dit, maar door zijn stijl, door de afwisselende, gansch niet gemakkelijke schildering van liet stoute zwitsersche en bekoorlijke hollandsche natuurschoon, is Op reis merkwaardig, tevens dooide diepte van gevoel, die er uit spreekt. Ook in Liefde, dat onder
â *
'3.^ ..*â
LEVENSSCHETS.
XXXVIII
*
De Génestet's schoonste verzen moet worden gerangschikt vindt gij beide, rein gevoel en uitnemenden vorm, met elkander ver-eenigd. Maar niets komt, wat meesterschap over den vorm betreft, in vergelijking met de Arme visschers. Het is een vertaling, zooals men weet, uit de Légende des Siècles van Victor Hugo. In vertalen lag De Génestet's kracht niet en ik zal de laatste zijn om er over te klagen; want het was bij hem het gebrek eener deugd, hij behoefde bij anderen niet te borgen wat hijzelf bezat. Toch ondernam hij dit moeielijke werk en zette hij zich kort daarna aan 't overbrengen van een duitsch blijspel van Halm (Der Sohn der Wildniss), een overzetting die onvoltooid is gebleven en niet werd uitgegeven. Want, hoe ook zijn vorm werd geroemd, hij liet zich daardoor niet tot gemakzucht verleiden. Hij gevoelde dat hem nog iets ontbrak en schoon hij reeds een meester mocht heeten, hij versmaadde zulk een oefening niet. Ook gelukte de proef volkomen. De Arme visschers is een hollandsch gedicht geworden, waaraan niemand bij 't lezen den vreemden oorsprong bemerkt. Meer nog dan in zijn vrij talrijke vertalingen uit Rückert, dien hij met bijzondere liefde vertolkte, meer zelfs dan in De Heidenapostel, naar Béranger, zijn hier alle en veel grootere moeilijkheden overwonnen. Het is een triomf.
Maar, anders dan bij 't lezen van de Eerste Gedichten, onder het lezen van de verzen uit deze tweede verzameling, moet men met opzet aan den vorm denken, om zijn schoonheden te bewonderen. Men vergeet hem door de schoonheid van inhoud en gedachte. Ik zou bijkans den geheelen Bundel moeten aanhalen, om te bewijzen hoezeer hij in rijkdom en diepte van gedachte heeft gewonnen, vooral in diepte van gevoel. Men leze bijvoorbeeld: Uit het dagboek van een gelukkige. Een gelukkige, hij is het nog. Maar hij heeft nu aanschouwd wat hij voorheen niet vermoedde. Helaas ! roept hij uit,
Helaas I ik zag meer rouwe en raadslen in dit leven,
Dan waar mijn zorgloos hart, mijn ijdle jeugd aan dacht.
Dood, arinoê, krankte, zonde, hij had ze nu in al haar ellende
%
J
ifr -iTir â * â -K â [v
~irir
ifTT' r
Al,gt;â¢,» J* .
.» .Â¥â
LEVENSSCHETS.
gezien. Al worstelde hij, hij bleef gelooven. Maar hij had gezien, dat, al bloeide zijn levenshof nog als een lentegaarde,
In 't midden, voor wie denkt en liefheeft, rijst â een kruis.
Zoo getuigen Biblia en Onverganklijk van een veel dieper opvatting en juister waardeering der bijbelsche Schriften dan die hij vroeger bezat; en of hij ook daarin echte poëzie wist te vinden, al was zijn beschouwing van de geschiedkundige waarde der evangelische verhalen veranderd, dat bewijzen: De engel hij het graf, en dat heerlijke: 't Was toch de hovenier, naar Johannes 20,15; dat bewijzen: De lendenen omgord, waar van de bekende uitspraak van Jezus, en Onvermoeid, waar van het welsprekende slot van Jesaja 40 zulk een gelukkig gebruik wordt gemaakt. Tevens getuigen deze laatste gedichten met hoeveel meer ernst hij nu het leven beschouwde. En dat getuigen mee zooveel andere verzen, zijn lied Aan de Zon, waaruit men zien kan, hoe hij over zijn leven en bestemming had nagedacht, en hoe de slotsom was geweest: Niet overdoen, maar voorwaarts gaan; zijn Komen en gaan:
Daar is een tijd van komen,
Daar is een tijd van gaan,
Dat hebt gij meer vernomen.
Maar hebt gy 't ook verstaan ?
XXXIX
zijn Werken, denken, leer en, waarin hij nu begreep dat eigenlijk het leven bestaat; zijn De beste vriend, dat eigenlijk een loflied is op den plicht, âzijn last en zijn lustquot; ; niet het minst dat mannelijk gedicht: Neen, dat, als afkomstig van een zoo liefderijk en liefelijk karakter als het zijne, nog te grooter waarde bezit. En die weten wil, hoe het lijden niet neerdrukt maar verheft, verheft boven de nietigheden en ijdelheden der wereld en boven den kleingeestigen twist der partijen, hoe het hem daarboven had verheven, die leze en herleze zijn Op de bergen, dat ook als dichterlijke gelijkenis voortreffelijk is.
â t â Vquot; r yT yT v(!quot;^irTï
XL LEVENSSCHETS.
Ook als waarachtig dichter heeft De Génestet zich in dezen Bundel meer nog dan in den vorigen doen kennen. Dat bij niet slechts zijn eigen lijden en de ervaringen van zijn eigen hart wist weer te geven in welsprekende taal, dat hij ook van anderer leed een diep gevoel had, en zich daarin wist te verplaatsen, dat blijkt uit verzen als Kinderloos en Het haantje van den toren. Het laatste is een uitvoerige schildering â al te uitvoerig, hebben sommigen gezegd â het eerste niet meer dan een uitgewerkte schets. Een schets, meer niet, is ook dat kleine juweel: Naar de Natuur. Maar zoowel in de vlugge teekening als in de voltooide schildering herkent gij den meester, 't Zijn wel belangwekkende, maar toch zeer alledaagsche onderwerpen. Een rijk moedertje die haar kind heeft verloren en zich nu arm voelt tegenover de bedelares die het hare in de armen heeft; een troep jongens en meisjes spelend op't kerkhof, bij het geopende graf; een teringlijderes, die zoo gaarne herstellen zou en steeds tuurt op 't haantje van den kerktoren, hopend, immer flauwer, maar hopend niettemin, dat het eindelijk een zoelen zuidenwind zal verkondigen â ziedaar de figuren. Maar hoe heeft De Génestet nu daarover de poëzie met volle handen uitgestrooid! Hoe leven deze beelden! Er wordt in Het haantje van den toren niet gejammerd of gedeklameerd, er is niets ziekelijks in, maar toch â of liever juist daardoor grijpt het aan. Gij hebt die lieve âLevenslustquot; niet gekend, zooals hij, maar zijn kunst weet u met haar te doen lijden. Zij is zoo echt menschelijk en toch zoo wezenlijk vroom. Voordat zij zeggen kan: âUw wil geschiê,quot; heeft zij lang geworsteld, is zij gedurig geslingerd; de onderwerping kost haar veel. En als zij het gezegd heeft, werpt ze 's anderen daags toch nog even een blik naar buiten.
Half zegevierend, kalm, beslist,
half strijdens-, hopens moe,
En toen â niet meer.
Ik weet niet wat schooner is, deze geniale trek, of het treffende slot:
*]*⢠^ 'â i?â tv
â gt;gt;'⢠gt;gt;'⢠.gt;'⢠gt;'⢠.gt;⢠^ ^ ?''
LEVENSSCHETS. XLI
Naar 't Haantje van den toren keek,
met droeven glimlach, één:
't Blonk in de blauwe lucht en wees â
naar 't zoele Zuiden heen.
Het gedicht is een der populairste van onzen dichter geworden, en dat verdient het ten volle.
Naar de Natuur is niet minder voortreffelijk, al is het kleiner. Hier is echte humor. Er wordt geen woord gezegd over het treffend kontrast tusschen dien grafkuil, waar straks het lijk in zal worden nedergelaten en die woelige spelende kinderen, stoeiend, vechtend, vrijend
Al op den grafkuilrand,
en dat alles in verwachting van hetgeen er komen zal;
Er wordt er een begraven Dat is een aardig geval.
Er wordt een bespiegeling geleverd over de onbezorgheid dei-kinderen, die nog aan sterven niet denken en toch eerbied toonen voor den dood, zoodra straks de sombere staatsie nadert. Het wordt slechts afgebeeld, met een paar toetsen, maar gij ziet het. Gij voelt het kontrast. Iets van een huivering gaat u over de leden, bij het laatste koepiet, zoo gelukkig veranderd sedert de eerste uitgave 1
Zij spelen â daar nadert langzaam De staatsie het wachtend graf...
Zij steken de hoofden te zamen.
En nemen de petjes af.
Dat is kunst, en de ware.
1 In den Christelyken Volks-Almanak voor 1859 luidde het:
Zij speelt bij den gapenden grafkuil.
Die onbezorgde jeugd... Ach 1 wereld, wat doet gij anders ?
Maar anders is uw vreugd.
r! *quot;r v-
,y- . m- â --J'- i*'-' â¢' â * ^.ÃLUJ:
XLII LEVENSSCHETS.
Er zou over menig vers van dezen bundel nog vrij wat te zeggen zijn. Over één nog slechts een enkel woord, over het laatste. Een kruis met rozen, wie kent het niet? Het munt door alles uit, door vorm, door dichterlijke opvatting, door schoonheid van gedachte. Beteekenisvol staat het aan het slot van de laatste verzameling door De Génestet in 't licht gezonden. Dat was ook inderdaad de slotsom waartoe het leven hem had gebracht. Het had met zijn ernst en zijn pijnlijke slagen zijn levenslust niet uitgedoofd. Het zware kruis had hem de rozen niet doen vergeten, waarmee het omstrengeld was. En hij had geleerd den kleinsten knop nog dankbaar te kweeken.
De bloeme lacht u O lach haar toe 1 En vloek het kruise Nooit, levensmoe.
Moog elke bloeme
Der aard vergaan,
De vrucht des Levens,
Die rypt er aan.
Leveren de Laatste der Eerste een spiegel van 's dichters innerlijk en huiselijk leven, de Leekedichtjes zijn de vrucht van zijn godsdienstig denken en van zijn deelneming aan dc wetenschappelijke beweging van zijn tijd. Zij zijn, hoewel vroeger uitgegeven, inderdaad jonger dan de eerstgenoemde verzameling. De oudste dagteekenen van 1857, de meeste van 1859 en 60. In dit laatste jaar dichtte hij bijna niet anders. Hijzelf zegt dan ook in de Voorrede van de Laatste der Eerste: âdat dit boekske eigenlijk antérieur is aan de Leekedichtjes en voor een goed deel nog behoort tot een vroegere periode van zijn leven.quot; En hij roemt den naam Tweede Gedichten door, âeen schrander vriendquot; (denzelfden criticus van zoo straks!) aan zijn vroeger verschenen Bundeltje gegeven, als zeer juist gekozen. Hier was dan ook iets nieuws en oorspronkelijks.
*quot; * ' * ⢠~*~râ *quot; *quot;T'5f * quot; *' â *' « â quot;â¢/T'-ö'-*' i*
LEVENSSCHETS.
Dc dichter, die tot hiertoe slechts uit het maatschappelijk, het huiselijk, het innerlijk leven, een enkele maal uit de historie het onderwerp zijner zangen had genomen, begeeft zich hier op een ander gebied. Men kan, het is zoo, Het Schotje, met (X Busken Huet, een Leekedichtje noemen. Men kan in de andere twee bundels nog wel eenige kleine verzen meer vinden, die dezen naam verdienen. Ook is onze dichter aan het godsdienstig leven nooit vreemd gebleven, maar heeft menigmaal zijn religieus gevoel in zijn verzen uitgestort. Maar zich, zooals hij nu deed, te mengen in den strijd der wijsgeeren en dei-godgeleerden, met geen andere wapenen dan de pijlen van zijn vernuft en enkel toegerust met zijn schoon talent; of liever, dien feilen kamp in puntige ârijmen en dichtenquot; af te schetsen en â te beoordeel en, dat was een nieuwe, stoute gedachte, die bij de uitkomst bleek een gelukkige te zijn geweest.
Ik heb reeds gesproken over De Génestet's weinige ingenomenheid met de theologie, zooals hij haar kende en den weerklank daarvan vernemen wij nog in de eerste der Leeke-dichtjes:
Niet in de scholen, neen, heb ik gevonden.
En van geleerden, och, weinig geleerd.
Maar zijn oordeel over haar was geheel anders dan vroeger geworden. Hij kon, zoolang zij zich aan hem vertoonde in haar schoolsch gewaad, hetzij met die deftigheid waardoor de hollandsche, hetzij met die smakeloosheid waardoor de duitsche godgeleerden zich gewoonlijk kenmerkten â hij kon maar niet begrijpen waartoe zij eigenlijk diende. De eenige theoloog, dien hij waardeerde, dien hij liefhad moet ik zeggen, was Hase geweest; Hase, den dichterlijken schrijver van de Gnosis, waarvan men gansche bladzijden onthoudt zonder het te weten, wiens kerkgeschiedenis in miniaturen zelfs den grootsten vijand van alle geleerdheid niet vermoeien kan en een van wiens geestige brochures door onzen dichter tot het thema van zijn
*L *,
*
*
â y
XL1II
4
1 *
1 j
.1
'i
*quot; *quot; vf'f*
â â¢I,.» . *'â ,â »- ,gt;â .gt;â¢- .y- .gt;⢠,gt;â
XLIV LEVENSSCHETS.
eerste of tweede preek was genomen. 1 Op het standpunt van dezen geleerde, wiens rationalisme door zijn groote gemoedelijkheid verzacht en met een zeker poëtisch waas werd overtogen, wiens zachte humor en oorspronkelijkheid hem aantrokken, plaatste De Génestet zich gaarne. En hij is er, zoo ik mij niet bedrieg, ook na zijn studententijd, nog een geruimen tijd op gebleven. Daar kwam het jaar 1867. Busken Huet's Brieven over den Bijbel brachten de moderne godsdienstige beweging uit de school over in de kerk. Een pleidooi zoo welsprekend, zoo goed geschreven, zoo bondig was wel geschikt om ook onzen dichter te winnen. Aanvankelijk, bij 't verschijnen der eerste afleveringen nog tegenstrevend, was hij weldra overtuigd. Nu verruimde zich zijn gezichtskring. Nu zag hij dat de leelijke oude boom der theologie, dien hij den rug had toegekeerd om onder de groene heesters der poëzie schaduw te zoeken en geurige bloemen te plukken, nu zag hij dat die vruchten gaf, rijk en rijp. Nu verstond hij het belang dier vraagstukken, waarmee hij het niet de moeite waard geacht had zich het hoofd te breken; hij begreep dat zij ook voor het godsdienstig leven van het hoogste gewicht zijn, omdat er niét duurzaam een klove kan zijn tusschen ons denken en ons gemoed. En hij werpt er zich midden in. Werken, van wier strenge wetenschappelijkheid hij vroeger zou hebben gegruwd, las hij nu met aandacht en studie, sommige meer dan eens. Niet om zelf een geleerde te worden; het denkbeeld alleen zou hem vroolijk hebben gemaakt. Niet om zich als medestrijder te mengen in den kamp. Maar omdat hij geen vreemdeling zijn wilde in zijn tijd; omdat hij als godsdienstig mensch gevoelde dat deze strijd niet buiten
1
Het was over de zalving te Bethanië een echt anti-puriteinsche preek. Zij was hem ingegeven door dat met geestdrift gestelde stuk van den jenasehen theoloog, waarin deze de beschuldiging van het Evangelie afwerpt, als zou het de vreugd des levens verdoemen. Tijdgenooten zullen zich de warmte waarmee dit voorstel werd uitgesproken nog wel herinneren. Mij dunkt, ik hoor nog dat: «Wijn heeft hij gemaakt,quot; enz. door De Génestet van Hase overgenomen en meesterlijk geparafrazeerd en uitgesproken met die hem eigene intonatie, waarin hij zijn geheele ziel wist te leggen.
¥⢠. p- , y- . . «I'- .»- , gt;⢠. è'- , . «I» ,, gt;'⢠, y- . â¢' , gt;' . â¢â¢ . y- . !«'⢠, tf*' , y* [â¢â LEVENSSCHETS. XLV
hem omging, maar dat hier zijn zaak werd behandeld. Hij is geen theoloog geworden, want hij was meer. Dichter was hij en is hij gebleven. Leek was hij tot-nog-toe geweest tegenover de felle kampioenen van wetenschap en kerk en op dat standpuiit wilde hij zich blijven plaatsen. Vandaar uit sprak hij over alle partijen zijn oordeel, schertsend, geestig, ernstig ook bijwijlen. Maar vooral maakte hij van die voordeelige stelling gebruik om de tolk te worden van de behoeften van 't godsdienstig gemoed en de dierbaarste belangen dier leeken, onder wie hij zich vrijwillig schaarde. Zoo werd hij, dien al wat jong was in Nederland reeds als zijn dichter begroette, de zanger van dien onbloedigen godsdienstoorlog, die met zulk een felheid ontbrandde en, hoewel thans niet zoo hevig mee'-als toen,nog niet is beslist.
't Is waar, die volkomene, gansch kleurlooze, â ik zou haast zeggen bovenmenschelijke onpartijdigheid, waarvan sommigen droomen, moet men ook in de Leekedichtjes niet zoeken. De Génestet had zich zeer beslist bij de zoogenaamde Modernen aangesloten. Zijn geheele aanleg en karakter dreef hem naar die zijde. Hoe vroom zijn hart ook zijn mocht, zijn hoofd was te helder om het oude supranaturalisme aan te nemen, dat hij trouwens metterdaad reeds sinds lang had prijsgegeven en van geven en nemen was hij ook geen vriend. Bovenal hinderde hem het onnatuurlijke en gekunstelde, dat een zeker soort van vromen maar niet scheen te kunnen afleeren en dat hij haatte met een onverholen haat. Hoort slechts hoe hij deftigheid geeselt, die âbastaard van den ernstquot; (CV), en gij zult zijn vreugde begrijpen, toen hij haar
Aan een witten das verhangen,
Ergens plechtig bung'len zag.
Hoort hoe hij smeekt om van den preektoon verlost te worden (LX) en betuigt het met die vroomheid niet te kunnen vinden, die zoo deftig en zuur kijkt en waarachter zich dus zeker leelijke gezichten moeten verschuilen (XI). Hoe ergerde hem het kin-
| â¢Â£'' ' ifquot;' if -lt;f' â¢* ' 7» ' :rr iC' if' ' ït'1 if' it ' if' if ' if1 [â¢;
gt;1 ^ » J XLVI
derschooltje van die drijvers der leer, die de kleinen met hun dog-men vergeven en in plaats van als kinderen te worden, hun kinderen aan zich gelijk willen maken (XIV); en hoe ergerde hij zich niet, maar hoe schreide hij over dien vriend, die voorheen zijn hart âop 't gelaat droeg,quot;
Een harte zoo gul en zoo warm en zoo waar,
hoofd van wien men nu moest vragen; âWaar zat toch zijn hart ?quot; â die niet meer sprak, maar alleen preekte, ja zelfs met zekere plechtigheid at en dronk âschoon smakelijk zeer,quot; (III). Hoe roemt hij daartegenover Ds. Humanus, die een mensch is, eenvoudig, mild, gewoon en wiens geest daarom onmerkbaar heerschappij voert (CVI). Maar al koos hij partij, geen partijzucht verblindde hem een oogenblik. Zelden slechts was zijn satire niet zeer billijk. Bijvoorbeeld als Dr. C. P. Hofstede de Groot de min of meer overbodige verzekering geeft, dat zijn proponent Leonard âin 't geheel niet aardigquot; is, bedoelt hij iets anders dan onze dichter in zijn achtste Leekedichtje hem laat zeggen; en toen het Mihi constat van Prof. Doedes, voor elk die Latijn verstaat duidelijk genoeg en zeer goed te verdedigen, door Dr. A. Pierson op de bekende wijze was gebruikt, liet De Génestet zich verleiden om er nog eens mee te lachen. Doch dat zijn uitzonderingen. Meestal troffen zijn peilen zeer juist. Ook spaarde hij zijn eigen vrienden geenszins. Als hij zich vroo-lijk maakt over het theologizeeren van Machteld en Leonard, dan ontvangt de schepper van Eeinout en Machteld van deze kritiek ongevoelig ook zijn deel (XIX). De âgroote geestquot;, die âvan menig boei ons trouw bevrijdde,quot;
Man van hart en hoofd vol glans! (XXVIII).
voor wien onze leekedichter een diepe vereering gevoelde, kan toch voor deze zijn zwakke zijde niet verbergen en wordt er onmeedoogend mee geplaagd (XXV Nimium nocet, XXVI Systematisch, en XXVII Theorie en praktijk). Verklaarde hij dien' Monist, dat hij nog liever Dualist zou wezen, dan zich zooals
'ï 'r 'ïT' %lf -.?quot;7 â¢Ã¯?'' if1 if' v?quot;1 â jfquot;7' 'fi'r ï*'' it ' if' if 'r~ ifquot;'' if
I.EVENSSCHETS.
*
A *,
A *,
A. A
V =K
quot;A
«S
â¢fa. *
1 1
k
*3..^ .y- .» , «â , Ã- gt;- gt;⢠gt;â j*- .*â ^ ^ â *'-â *;[*â
TiEVENSSCHETR. XLVII
een vlieg in 't web van dat systeem te laten vangen, vriend Dualist blijft ook niet ongemoeid (XXIII Dualisme) en als deze zijn tegenstanders tot de bekentenis wil brengen dat een van hen beide gek moet wezen, wordt bem door den leekedicbter glimlachend herinnerd, dat er nog een derde mogelijk is: een van beiden of beiden (XXXIX Twee Koryphacën). Den middenman roept hij toe:
.... Wilt ge een man zijn, â kies partij!
maar de liberalen van heden worden gewaarschuwd, om niet als die van gisteren kettermeesters te worden: en het niet-gelooven op gezag stelt hij al niet veel hooger dan het gelooven op gezag (LI en Lil). Vooral dat gemeene, platte, ongodsdienstige liberalisme, dat hij in Jan Rap zoo onverbeterlijk heeft geschetst, was hem een gruwel en ik weet niet hoe men zijn minachting voor zulke wansmakelijke wezens beter kan uitdrukken dan in LXXI Zeker Materialisme:
Jan Rap verklaart: Ik ben een chemisch praeparaat!
Vriend Spiritualist, deswegens, maakt zich kwaad;
Niet ik, mij gaf dit licht: ik dacht al vaak voordezen:
Wat zou zoo'n smeerpoes toch wel wezen ?
Met één woord, hij was een echt liberaal en elke richting was hem wel, mits zij naar boven streefde.
Niemand zal de Leekedichtjes van eentonigheid beschuldigen. Er is rijkdom en afwisseling in. Nu eens schildert hij eenvoudig, maar met groote kunst, een type die men aanstonds herkent, een type uit bet leven gegrepen. Ik noem nog eens Jan Rap, die nu voor goed onsterfelijk is geworden als Midas, en zoo ik hoop, menigen maat heeft verloren. Ik herinner aan Twee in één huis, het huwelijk van leer en leven, aan De wereld der traditie, van dat Lutheraantje dat zeker een doopsgezinde geest zou geworden zijn,
Zoo meneer zijn oudste broeder '
Maar een Meisje was geweest!
r⢠jf'' '4 ür'-~,o r ~zr' 7» ' ^ â jrr ^ ⢠~r ^: ^ â .â¢% -⢠'
.» . * .* ' *â
lquot;
*
* * *
*
quot;â¢Â«
â â¢v
4, *
* *
â¢â¢v
â â k, *
;V
:K
,gt;
:4,
,*â ⢠jgt;'
LEVENSSCHETS.
aan Leer en leven vooral, een genrestukje zooals hij er meer heeft geleverd, tegenhanger van het Kijkje in 't leven uit de Laatste der Eerste. Gij ziet die jongens door elkander woelen en warren, vechten, stoeien, hun zusje plagen, totdat het uur der katechizatie slaat en zij hun van buiten geleerd geloof voor dominé gaan opzeggen en gij stemt in met den wensch des dichters :
Hoe 'k wou, dat Hij haar tegen kwam,
Die kinderen in zijn armen nam.
En vast wel anders leerde!
Dan weer schertst hij en brengt het ridendo dicere vemm in praktijk. Een enkele maal nadert zijn scherts aan de satire, bijvoorbeeld als hij, in XCI Liefde, de onliefelijkheid der liefdepredikers hekelt, of den Vromen raad geeft (CIII)
Neem alles aan, dat's 't beste deel â
Ook financieel.
Maar het is slechts een enkele maal en het is altijd een satire zonder bitterheid. Hij raakt en altijd zeer juist; zijn scherpe blik heeft overal de zwakke zijde opgemerkt; maar hij kwetst niet; en degeen dien hij treft, althans zoo deze een verstandig man is, vergeeft het hem gaarne, om de bonhommie die zich in al zijn humor verraadt en om de fijne geestigheid waarmee hij zich uitdrukt. Van geest vloeit dit bundeltje over, van den echten, ongezochten, die alleen aan zulke versjes het pikante geven kan, waardoor zijn Leekedichijes zich van de rijmen zijner navolgers onderscheiden.
Toch schertst hij niet altijd. Meer dan eens slaat hij een geheel anderen toon aan. Men leze bijvoorbeeld LVIIIA an een hnlland-sehen knaap en noeme mij dan iets, waaruit een dieper overtuiging spreekt van de noodzakelijkheid dier innerlijke roeping, die den Evangelieprediker alleen kan sterken tot zijn moeilijke taak. Of men hoore dien kreet van het hart: LXV Een kind der eeuw onder een preekstoel
Gij Prediker, daar in de lucht,
â t ]â â «â¢â *
:V
*
A
XI. VUT
Hebt gij dan geen woordje voor mij
t
*
quot;7«-r y y y v' ^ir7
,gt;â ./â ,gt;â «'â ,» . *â . »â . *â , *â
LEVENSSCHETS. XUX
waarin de dringende behoefte van het vroom gemoed, een behoefte door geen leerstukken te voldoen, zoo roerend wordt uitgesproken. Deze âRijmen en Dichtenquot; waren hem geen spel. Zij welden op uit de diepten van zijn hart. Zij handelen over datgene, wat hij met grooten ernst gezocht had en nog altijd bleef zoeken. Het leven gaf hem een raadsel op en het kostte hem strijd, dat hij de oplossing nog niet had gevonden. Als Zijn Hooggeleerde op de studeerkamer het schoone, wèl-geslotene systeem ontvouwde, dan voelde hij zich bevredigd, maar benoden onder de âdroeve kermiskluchtquot; scheen het hem:
Of 't raadselvolle leven Droevig lacht met elk systeem.
(XCIV Van hoven naar beneden.)
Met het licht van Piet, die tevreden was als hij wist dat een komeet een ster is met een staart (VI Wetenschap en oppervlakkigheid), vergenoegde hij zich niet, maar de vraag: âWatis waarheid?quot; op anderen toon dan door Pilatus gesproken, drong hem, kwelde hem, liet hem geen rust (XLVIII Geen Pilatus). Zoeken wil hij, liever dan zichzelven paaien âmet onmanlijk droomen.quot; Mijn vrome, zegt hij:
Slaat het oog,
Voor het Al geopend,
Vorschend rond en staêg omhoog.
Lijdend soms, doch hopend! â¢
Kan de zelfmoord van 't verstand
ü slechts ruste geven,
Hy wil liever aan Gods hand.
Rusteloos zoekend â leven!
CLXXII Moderne wereldbeschouwing.)
en hij dankte er God voor, dat hij âop zijn aardschen tochtquot;
Onder weemoed, scherts of lijden,
Met een hart voor al wie strijden Steeds naar 't hoogste zoeken mocht.
^ ⢠'irr~amp;r vf vf-' vf vrr v?quot; -,f â vf'â â¢*' *quot;
D
*' -t~*' *'_ j, *' ,.. â¢'⢠, *'⢠^ 51 ^, â¢'⢠, V , tlâ
L LEVENSSCHETS.
Doch onder dat zoeken gelooft hij onveranderlijk, dat eenmaal zeker de dag uit de nevelen zal rijzen, ook al mag hij hem niet begroeten. Naast weemoed en smart, verzekert hij (XCVII Weemoed en hope), rijst âin 't geslingerd menschenhartquot; de hope, en waakzaam, werkzaam kunnen wij wachten.
Dat het raadsel zich ontknoope:
Wat ons korte leven zy!
(XLVI Een gelooviye.)
Is hij âpeinzensmoedequot;, in de praktijk, in het volle leven, in het vervullen van een heiligen plicht vindt hij rust en verademing (XCIXâCl). En welk een groot, welk een onwankelbaar geloof, behouden in den strijd, een geloof, dat slechts dogmatische bekrompenheid kan miskennen en als ongeloof brandmerken, spreekt hij uit in dat schoone Peinzensmoede (CXIII), dat wij als de slotsom van heel zijn innerlijken kamp mogen beschouwen:
Daar is geen Priester
Die u verklaart,
Maar u zoekt niemand Vergeefs op aard.
De werking der Leekedichtjes is groot geweest en duurt nog altijd voort. Ons volk heeft door de wijze waarop het deze verzen ontving, een blijk van goeden smaak en wezenlijken godsdienstzin gegeven. Ook zullen zij blijven. Wat ooit van onzen dichter vergeten worde, zij niet. Zij zijn klassiek. Zij bevatten meer wijsheid en vroomheid dan menig geschrift dat er op is aangelegd om te onderwijzen of te stichten; van die gezonde wijsheid, die gezonde vroomheid, die voor alle tijden zijn.
Hot zou nutteloos zijn, ons in bespiegelingen te verdiepen over hetgeen onze dichter nog geworden zou zijn en zou hebben gele-
â / * ' ïT' â¢*quot; â /' v?quot; -.f' vf ' â * ' gt; ' ' if ' /
t;l. . gt;'- . ï- . , y- . . â â . »â . «â . »'â . y . »â . »'â . ^ â gt;'â . gt;'â , 'â . iL-i-ji-fe
LEVENSSCHETS. LI
verd, zoo hij langer voor zijn volk en onze, thans helaas! met dichters schraal bedeelde letterkunde, gespaard ware gebleven. Groote plannen woelden in zijn geest. Gelijk hij het godsdienstig leven in zijn Leekedichtjes had weergegeven, zoo wilde hij eveneens het maatschappelijk leven afschetsen in gelijken vorm. Ook scheen hij het voornemen te hebben om zich op dramatisch gebied te gaan bewegen en daartoe de vertaling van Halm's Sohn der Wildniss begonnen te zijn, die onafgewerkt is achtergebleven. Men mocht nog veel van hem verwachten, van hem, die in zijn jeugd en eersten mannelijken leeftijd reeds zooveel uitstekends had geleverd en volstrekt niet genegen was om op de verworven lauweren te gaan rusten, maar, in de overtuiging dat de kunst lang en het leven kort is, zich onafgebroken oefende en arbeidde en zocht. Doch in plaats van naar deze mogelijkheden te vragen, hebben wij reden om dankbaar te zijn, voor hetgeen bij geweest is en volbracht heeft, voor de kostbare nalatenschap die wij van hem bezitten.
Ik heb getracht een schets te geven van De Génestet's beminnenswaardig karakter en dichterlijke ontwikkeling. De eigenaardigheden van zijn talent zijn daarbij vanzelf ter sprake gekomen. Een kritiek van zijn verzen te leveren, laat ik aan anderen over. Indien het daartoe hier de plaats ware, ik zou er mij niet onpartijdig genoeg toe gevoelen. Maar zal ik ten slotte nog zeggen wat, naar mijn inzien, zijn dichterlijk karakter uitmaakt, wat hem van andere poëten onderscheidt? Ik zou het willen zoeken in die zeldzame vereeniging van fijnen smaak, tintelenden geest, diep, innig, haast vrouwelijk gevoel en helder gezond verstand, waarvan alles wat hij schreef getuigde. Hij heeft bewezen dat geestigheid de poëzie niet schaadt, zooals men wel eens beweerde en dat alles afhangt van de wijze waarop men haar gebruikt; bewezen niet minder, dat een koel hoofd kan samengaan met een warm gemoed en dat een dichter zeer keurig zijn kan op den vorm zijner verzen, zonder daaraan gloed en leven te ontnemen. Men zou hem een humorist kunnen noemen, niet in de beteekenis die men tegenwoordig
r7 -f'' Vm' -⢠'r~-V' quot; r«'7 7m~ Tmquot;r~ë~! TjT' r«'r ' Tip ' ⢠«T' -t ' .«T'
frl.» ,» .y- .» ,y ,.y ,y â gt; .» ,.gt;â
UI LEVENSSCHETS.
daaraan geeft, nu al wat grappig is humoristisch genoemd wordt, maar in den zin dien hijzelf daaraan gaf. âEen rijke taal,quot; zoo beschreef hij den Humor in zijn honderd-elfde Leekedichtje:
Een rijke taal vol geest en â ingehouden tranen,
Vol zin, â ook zeer geschikt tot leeren en vermanen I
Mits maar de vrienden haar verstaan.
Want velen klinkt ze als Grieksch, voor andren weer profaan.
Niets beantwoordt beter aan deze beschrijving dan zijn eigen gedichten. Men zou het er als Motto boven kunnen plaatsen.
Toch zouden hem deze uitstekende gaven misschien niet die populariteit verworven hebben, waarin hij zich mocht verheugen. Wat hem tot den lievelingsdichter van velen maakte, dat was de waarheid, de oprechtheid, die alles kenmerkte wat hij openbaar maakte. Hij bezat in groote mate de eigenschap, die Carlyle als liet kenmerk der geniën beschouwt: seriotisness. De kunst was hem ernst, verzen maken kon hij niet. Zijn verzen werden. Hij was dichter van nature en heeft zich getrouwelijk van al wat rhetorisch, gemaakt, gekunsteld is, vrijgehouden. Uit het volle, rijke menschenleven greep hij en uit zijn eigen binnenste en gaf zijn indrukken en aandoeningen terug in een vorm, dien hij niet behoefte te zoeken. Zij leven, die gedichten, want zij zijn waar. Hij heeft â en daar was hij dichter voor â hij heeft de werkelijkheid geidealizeerd, maar het was ook de werkelijkheid, geen spook van zijn verbeelding, dat hij ideali-zeerde. Dat voelen allen die hem lazen. Een gewaande dichtersmart zouden zij niet verstaan hebben en kunstige dekla-maties zouden bij hen geen weerklank hebben gevonden. Maar deze smarten hadden zij ook op hunne wijze geleden, dezen strijd ook gevoerd, met deze twijfelingen ook geworsteld en wat hij hun van zijn levenservaringen beschreef, dat hadden zij ook gezien, al hadden zij er nooit, zooals hij, de schoonheid, het poëtische van opgemerkt. De beelden, die hij uit de menschen-wereld, waarin hij bestendig verkeerde, overbracht op zijn doek,
rr â * ' rf'quot;*' *' it' *' if' -.f ' ' â¢â¢ ' â *' -.f' * '
» .gt;- .gt;â .gt;- ,.y â gt;- .gt;â ,gt;â .y- ,.»
levensschets.
waren zoo gelijkend, dat ieder ze herkent. Dat bracht zijn werken in aller handen en doet ze nog altijd waardeeren. De eerste toejuiching, waarmee ze begroet werden, is verstomd, maar ze worden niet minder genoten, ze zijn nog altijd frisch en nieuw. Ik geloof dat ze deze frischheid behouden zullen, deze eeuwige jeugd. Zij hebben hem een eereplaats verzekerd onder de nederlandsche dichters en een plaats in menig hart tegelijk. De eerste kan hij niet meer verliezen. Ik heb grond om te vertrouwen dat hij ook de laatste behouden zal.
C, P. Tiele.
*L
â â k *
* * *
=4
Si
lui
lt;r* it' if *' *'
*1 *
*
:W
ti
1
,gt;â ,* ..y- .gt;â * â *'â .«- .gt;â ,» .gt; .y .y-i'
1846-1851.
Arme dichter hij, Die geen beter zangen,
Hooger Poëzij,
Voelt in 't hart gevangen, Dan het needrig lied, Dat zijn borst ontvliedt.
p]V « ' *quot;r if ' IP' if vf 1 if - «quot; ⢠if ⢠-^r â lt;quot; iT-^ ' -x â * ' *⢠I*
AAN DE âHOLLANDSCHE JONGENSquot;
VAN HlLDEBRAND.
Spes Patriae.
U heb ik lief, mijn blauwgekielde Mijn Hollands frisch ontloken jeugd,
Die Hildebrands penseel bezielde. Uw fikschen aard, uw ronde deugd;
Ik min den blos dier rozenwangen. Ten halve door de zon geschroeid, Geschramd en bont en blauw gestoeid;
De dartle vrijheid uwer gangen. Die schoolsche tucht en dwang verfoeit!
Ik heb ze lief, de blonde lokken.
Die roezig fladdren om uw hoofd;
Den hemdsboord schier met inkt doortrokken. Den glans van 't linnen lang verdoofd:
Uw volle knieën doorgesleten.
Die broekspijp van uw rijkdom zwaar;
Uw ronden lach, uw luide kreten,
Uw drok gejoel en wild gebaar;
Uw spotzucht en uw guitenstukken. Den schrandren opslag van uw oog:
Uw jongenstrots, uw woeste nukken.
Voor al wat vreemd is norsch en droog;
, * . Â¥â . ï [*
*1.
Jt ' *
AAN DE âHOLLANDSCHE JONGENS
Ik heb u lief, mijn fiksche knapen,
Met rond gemoed en ronde vuist,
En met een blauwen kiel tot wapen Van d'adel, die in 'tharte huist!
Het is mijn lust, uw wilde spelen,
Uw dartle sprongen gaê te slaan:
Nog kan mjn ziel uw vreugd verstaan, ⢠Uw blij gejoel mijn ooren streelen.
Als vol geruisch van rijpend graan! Nog mag uw vreugd mijn geestdrift wekken, Uw lach weerklinkt in mijn gemoed,
En in mijn oog weerkaatst uw gloed: Tot u voel ik mijn harte trekken.
Want beide zijn we uit Hollandscb bloed! Ziedaar den naam waarin wij roemen! Ook uwer is hij lang niet vreemd.
Die deel soms in uw spelen neemt En trotsch is zich uw vriend te noemen.
Want dierbaar is mij 't rijk tooneel. Wanneer 'k uw blauwe en bonte scharen, Op 't ruime plein van 't dorpskasteel. Weergalmend vaak van dwaas krakeel, In 't lommer van uw lindeblaêren.
En dartiend om mij heen mag zien, Of â vaak een les voor rijper jaren, â
Uw aard en neigingen bespiên.
Dan volgt mijn blik uw vrije gangen Met tintiend oog en warm verlangen,
Dat op een schooner toekomst doelt. Terwijl mijn hart, vol frissche zangen,
Zich jong en sterk als gij gevoelt! En daagt niet van uw heldre wangen, In 't vroolijk blosjen om uw koon. Een morgenstond, wiens middagschoon
V4quot;
r
f *
1 TÃ
ïk
amp; *
[-*
x
VAN UILDEBRAND.
Ons neevlig duister gaat vervangen?
Gij fiksche jeugd, vol moed en kracht Echt-Hollandsch nog van aard en zeden, Gezond van hoofd en forsch van leden,
En eens â het beter nageslacht! Ons lief, als de appel onzer oogen. Een dierbaar en een heilig pand, Een blyde hoop van 't vaderland. Gezegend erfdeel uit den Hoogen,
En hoogst geschenk van hooger hand! Want o, geen bloem van edelknapen,
Voor ons geen ridderlijke jeugd.
Fier op 't onschendbaar ridderwapen,
Ontgloeid door ouderlijke deugd;
En met een naam van oude jaren,
Dien vlekkeloozen naam getrouw.
En met oud-Hollandsch bloed in de aêren, Dat wel voor Holland stroomen wou... Bij hen geen heul of heil te zoeken,
Uws adels diep gezonken kroost,
Wier wufte lippen Holland vloeken,
Wier fletsche wang voor Holland bloost! In 'tvolk alleen is Neêrlands hope, Hun kindren zijn nog niet ontaard,
Bidt dat de Heere hen bewaart. En waakt, dat niets hun krachten slope!
Voor mg â het is een schoon verschiet. Dat mijn verbeelding op mag blauwen. En mijner is een vast vertrouwen.
En Hollands knapen dreunt mijn lied! Het zijn een reeks herinneringen Van heldengrootheid, burgerdeugd. En wat van vroeger tijden heugt. En lang verdoofde zonnekringen.
gt;1.. è'- . y- . i'. . y .gt;â , ^ . i- . » , y- , » , y- . v- , jr- . y- . y- . ^ , y , gt;â â , y. , fjc
AAN DE âIIOLLANDSCHE JONGENS
Wier luister Holland eens bescheen, Die in mijn boezem zich verdringen,
Steeds dwepend met ons schcon voorheen -Maar voor de toekomst niet verlegen,
Waar ik u aanzie blijde jeugd!
Want uit uw oogen straalt de zegen
En méér dan schalksche jongensvreugd; Waar ik u aanzie, wakkre zonen Eens volks, dat Ruyters heeft gebaard. En licht nog menig kiem bewaart,
Wier wasdom Neêrlands God zal kronen Met zegen, voor het oog der aard!
En daarom dat mijn zangen stroomen.
En bruisen als mijn Hollandsch bloed. Voor u mijn eerste dichterdroomen.
Die, waar 'k uw vroolijk spel begroet En in uw kleine kindertrekken Mijn groote mannen wil ontdekken.
Verrijzen in mijn vol gemoed!
Vaak meen ik u, myn dierbre knapen,
Mijn oude roem in 'tjong geslacht, U allen tot iets groots geschapen!
Ik vorm uw geest, ik neig uw kracht. Ik baan uw weg en richt uw gangen... Gij zult een veldheersstaf ontvangen!
De passer zij üw scherp geweer!
Voor ü de zorg der staatsbelangen!
En gij â zult strijden voor den Heer! Voor ü â 't penseel! voor ü â een veder
En â zangrig knaapjen, aan üw voet. Leg ik 't ontroerde speeltuig neder,
Wien ik als Neêrlands dichter groet! Ja, rijs, o lievling mijnes harten,
Wien heel mijn volk zijn lievling noem,
*
ii-*
* w
â -V
A *
* * *
A
â â k *
gt;1
*
4
i*
r
Ã, :k
:1S â k
=4
r
r
ï *
if *
*
â â¢J
-â v
â â¢v gt;«
y y ^
I .1f' I . gt;â¢
.a- .»
HET PENNINGSKE DER WEDUWE.
Een zachte balsem onzer smarten,
Een geur uit Hollands knapenbloem! Volksdichter, uit het volk geboren,
Naar wien ons zangrig Holland smacht, Wiens lied ons heerlijk ruische in de ooren
En onzer wonden pijn verzacht:
Wiens toon oud-Hollands naam bezielde.
Die klink voor vrijheid, volk en deugd, â En ook voor u â mijn blauwgekielde.
Mijn Hollands frisch ontloken jeugd.
3
t
HET PENNINGSKE DER WEDUWE.
Markus XII : 41â41.
Al wanklend kwam zij aangetreden. De zwakke vrouw, wier minnend hart Nog bloedde van de versche smart;
Want ach, het was zoo kort geleden Sinds haar een trouwe gade ontviel, De vreugd eens der gebogen ziel,
Men wien ze, ootmoedig en tevreden.
Het zuur verdiend maar daaglijksch brood, Gekruid door lofzang en gebeden,
In vroomheid, liefde en vreê genoot. En nu? die staf en steun in 't leven,
Haar alles was haar zijde ontroofd.
Haar was alleen de zorg gebleven â
En biddend boog de vrome 't hoofd.
Want zwijgend in Zijn welbehagen. Die kracht geeft om Zijn last te dragen, Bleef haar, te midden van dien rouw.
\
*,
*}f' â¢#' i(l
â f:' â *' 'IT
1
HET PENNINGSKE DER WEDUWE.
Een burg, een tent van schauwryk lover, Een schat, een heilig erfdeel over...
't Was Isrels God, Jehovah's trouw.
O wèl haar, die Uw liefde sterkte.
Gij Man der weduw, vriendlijk God! Die wondren in haar ziele werkte By al den weedom van haar lot.
Tot U rees in Uw tempelhoven,
Haar nooddruft brengende U ter eer. Het loflied van haar ziel naar boven:
Hoe lieflijk is Uw woning, Heer!quot;
Want zü was één dier warmbezielden,
Dier heilgen uit den ouden stam,
Die voor hun God Jehovah knielden In 't heilgeloof van Abraham!
Ook nu had ze in den heilgen tempel Weer troost gezocht, bjj 't koestrend licht Van 'sHeeren lieflik aangezicht;
Slechts bij 't verlaten van zijn drempel Bleef nog een dierbre liefdeplicht: â En zie, met neergeslagen oogen,
Beschaamd, verlegen, 't hoofd gebogen Voor Hem, die al haar nooden wist,
Wierp ze alles, wat haar restte in 't leven, â Verzuchtende of zij meer kon geven!
Haar pennigske in Zijn offerkist.
Geen Farizeeuw of Schriftgeleerde,
Die luid Jehovah's naam vereerde,
Wien onder 't breedgezoomde kleed Een hart sloeg, deelende in haar leed. Te nietig was ze in 't oog dier grooten, Die de armen uit Gods hemel sloten:
HET PENNINGSKE DER WEDUWE.
Geen, die een vnendlijk woord haar schonk, Geen blik, die tot haar nederzonk----
Maar 't penningske was niet verloren! Wat kleen en arm was en veracht In de oogen van een dwaas geslacht, Dat kleene heeft zich God verkoren.... En Die 't getuigde, vrouw, is daar!
Hij rijst in 't midden van de schaar. Uw offer heeft genaê verkregen!
Zijn stem, o zaalge, klinkt u tegen. En 't woord is eeuwig, trouw en waar;
âVoorwaar, Ik zeg u, de enkle penning Van deze weduwvrouw geldt meer, In 't heilig oog van de' Opperheer, Bij wien geen maat is of miskenning.
Dan 't geen heel de offerkist bevat, O rijken, van uw trotschen schat! Den overvloed is veel gebleven,
Maar deze heeft, in God verblijd,
Haar laatste nooddruft Hem gewijd..
En de englen hebben 't opgeschreven In 't heilig Boek van 't eeuwig leven, â Ga, vrouw, u wacht een heerlijk loon: âDien penning hebt ge Mij gegeven,quot; Verklaart Gods eenig groote Zoon.
jjt- , y- . y- J jSI__K*' gt;-*⢠gt; *' â , gt;'⢠. *' , ⢠⢠, gt;- , V- . t- ..y- ,i
10 LOUISE DE C0L1GNY.
LOUISE DE GOLIGNY.
Hier leeft de dochter, weeuw en moeder van de Helden, Die goedt en bloedt voor Godt, voor staet en vrijheid stelden.
GEEBAARDT BRANDT.
Ã, breek den sluimer niet van 't moegedarleld wichtje! De moeder beurt het hoofd van 't blozend aangezicht.je
Haars lievelings op naar God den Heere; 't brekend hart Begeert, aan 't vragend oog zelfs van haar kind ontheven, Begeert zich-zelf alleen voor de Almacht lucht te geven,
Alleen te zijn â met al zijn smart.
Helaas, de droefheid schept somtijds een wreed behagen, Te wroeten in de wond, der teêre ziel geslagen.
Haar rampen voor zich-zelf te ontleden, iedren drop Der bittre kelk op nieuw te smaken; maar ook 't lijden Wordt in die worstling vaak een zegevierend strijden, Een zielsbeê â iedre harteklop.
Het lijden geeft iets groots, zelfs aan bedorven zielen;
Maar zalig, die in 't leed geloovig nederknielen!
De vrouw, die bidt en schreit, is voor den Hemel schoon. Een reine bruidskrans moog der englen oogen boeien.
Maar rozen des geloofs, maar 's hemels rozen bloeien Liefst in der weduw doornenkroon!
Nu laat mij staren in die droeve wezenstrekken;
Laat me op dat bleek gelaat die eedle ziel ontdekken,
Die groote, heilige smart, geheel zich-zelf bewust,
Die al de diepten peilt der opgereten wonden.
Maar, door dat lijden zelf te vaster Hem verbonden,
Te kalmer in Gods wil berust.
ï} ^' â¢* ' -4 ' ~jrT'\m'' -jf'-ff' -/f' â¢*'' ~«'Tquot; ' -jf' -V'
LOUISE DE COLIGNY.
O, al wat in haar ziel aandoenlijks lag verborgen,
De erinring harer jeugd, haar liefde hope en zorgen,
't Welt opwaarts in den traan, voor 't alziend Oog gevloeid, Zoo trekt één droppel dauw èn stofjes saam èn geuren:
Straks mag de moede roos zich weer naar 't zonlicht beuren Door 't koel en lavend vocht besproeid.
Hoe biddend spreekt dat oog, ten hemel opgeslagen!
Die blik, die niets, helaas, van de aard meer heeft te vragen,
Maar voor wiens toovermacht het floers der wolken scheurt; Die blik der ziel, den boei van 't knellend stof ontvlogen. Die door des Heeren hand haar tranen af voelt drogen En aan Zijn vaderboezem treurt.
Zie, tweemaal viel haar kroon â de kroon der huwlijksweelde! Eerst in dien schrikbren storm, die met uw eiken speelde,
Uw bodem trillen deed, op d'aêm der Medicis,
O Frankrijk! in dien nacht der Bruiloft, toen ge uw telgen Met wellust zaagt in 't bloed van kroost en oudren zwelgen â Vloekwaardiger gedachtenis!
Hij viel, de jonge held, die schitterde aan uw zyde!
Hij viel, de hooge stam, wiens lommer u verblijdde!
Uw echtkroon zonk in 't slijk, met 's vaders bloed bespat; En daalde ook in dien nacht een troostende engel neder, En vond ge aan Willems borst, uw gade, uw echtheil weder, Een ziel die met u dankte en bad: â
O, 't was geen blijvend heil, dat God u hier bestemde: Hoe trouw de klimoprank den achtbren eik omklemde,
Weer stak de rukwind op, weer viel de kroon uws hoofds! Een knal â een donderknal â Kastieljes kogel snorde ...
11
Maar weduw, 't rouwgewaad, dat toen uw borst omgordde Werd u een pantser des geloofs!
y *â ' *quot; y â *' *'
. .P' , 0' . a- , ji- , a- . ,»⢠. ,.*â . »⢠, 0- , o-
LOUISE DE COLIGNY.
Zij beurt het hoofd omhoog, begroet door englehscharen! Want haar geloof wies op, door 't bloed dier martelaren
Bevruchtigd, als een palm met hemeldauw gevoed! Zij voelt zich dochter, gade en weeüw dier Christenhelden, Die goed en bloed voor God, voor staat en vrijheid stelden En sterkt zich in dien heldenmoed!
Ginds ziet haar smachtend oog de kroon, die hier op aarde Tot tweemaal haar ontviel, in goddelijker waarde
Van uit het slijk verhoogd, getooid met hemelpracht; Haar ziele hijgt, en bidt en reikhalst van verlangen ; De zucht, die haar ontsnapt, ontmoet reeds de englenzang: âKom, trouwe God, uw dienstmaagd wacht..
Neen, Moeder! eerst uw zoon gevormd, in 't moeilijk leven. Ten held, wien 't heilverbond blijve in de ziel geschreven,
Dat Neêrlands groote vorst met zijnen Bondsgod sloot;
Leer hem, niet door zich-zelf, maar door Gods arm verwinnen En zyner vaadren God, zijn edel volk beminnen Méér dan uw moederleken schoot!
4
*1 *
â¢V *
*
I*
r
Ja, leer hem aan uw borst en zeg hem, vrome moeder. Dat Een, der weeüvven Gaê, der weezen trouwe Hoeder, Der vorsten Koning, èn hun Recht is èn hun Kracht! Hij leve, een schoone bloem, op vaders marmer groeiend. Een lauwer nog te meer om moeders slapen bloeiend,
De glorie van zijn nageslacht...
Zij bidt! Een vreugdeblos doorgloeit die bleeke wangen:
Ik zie haar 't vriendlijk wicht aan 't kloppend harte prangen:
Des Christens zielsgeloof staat als zjjn hope pal!
En van den adem vol, den geest der profetiën.
Roept ze uit: âGezegend hij, die sluimert op mijn knieën. Die eens voor Neerland strijden zal!quot;
12
Februari 1847.
y *quot;
â .f ' * ' iC
. è- . . ,y- . y- .A- * , ft'-
è; ï- . ⢠gt;â¢
. g' â â A
13
AAN EEN LID DER KOMMISSIE.
AAN EEN LID DER KOMMISSIE
TOT AFNEMING VAN HET
WELEER BERUCHTE STAATS-EXAMEN.
Deed weleer aan Kreta's stranden Hellas' kroost u watertanden,
Bastaard van Pasiphaë :
Wreeder monster spert zijn kaken Om een dichter klein te maken
Aan de kust der Zuiderzee!
Deed Peloponneslsch woeden Hellas' ingewanden bloeden,
Van haar roem en rang ontzet : Wat zijn driemaal tien tirannen.
Bij de Zwolsche Zevenmannen,
Wat Lysander bij Cobet ? â
Dacht weleer in Spaansche dagen De Inquisitie duizend plagen
Voor den armen zondaar uit. . Helscher foltring, wreeder schroeven Gaan die Heeren straks beproeven Op mijn sidderende huid I
Vóór mijn Staats-eccamen.
*quot; -.f y
Een zangrig knaapje, thans verlost
Van al zijn zorg en pijn,
Al heeft het zeeën zweets gekost
En ankers eendenwijn; Een vroolijk kind van zestien jaar,
Vol liefde en levensgloed, Ontworsteld aan zijn doodsgevaar, Zendt u zyn jubelgroet.
Lang zweeg myn lier in 't vunze stof,
In zak en asch en rouw,
Maar nu ontwaakt zij tot uw lof.
Gegeven woord getrouw!
Maar nu ontwaakt ze wel te moe.
4, *,
\ \
\ *
=v
*
gt; . y-
AAN EEN LID DER KOMMISSIE.
Mijn jonge, versche luit,
En brengt u fluks haar feestgalm toe, En stort haar danklied uit I
Myn kloppend hartjen in de knel,
Mijn boezem gansch vervaard,
Mijn lichaamslijtend zenuwstel,
't Is alles nu bedaard.
Maar onbedaarlijk bleef mijn drift,
Mijn opgewonden gloed.
Eén zenuw is mijn citerstift,
Eén bruisend lied mijn bloed!
Hoe weeldrig ruischt nu Flaccus' luit
Mijn stille wanden door,
En kweelt van Lydia, de bruid,
Mij zoete liedjes voor.
Ik voel mü dichter, vrij en blij.
Bij 't klinken van dien toon,
En ding, verliefd van poëzij.
Naar 's dichters lauwerkroon!
Neen! neen! uw vriendschap is mijn kroon.
En andre verg ik niet;
Geen frissche lauwer bloeit zoo schoon;
Uw naam vervul mijn lied!
'k Heb, u ter eer, meer kelken wijn
Dan 'k bekers water dronk,
Gevuld â geleegd, op 't blij festijn,
Waar luid uw naam weerklonk!
O wist gij, welk een heldre taal Daar uit uw blikken sprak.
, *â [*: *
*
amp; * * * * * * * *
,Â¥â .* .Â¥â . amp; .Â¥â¢
14
Toen in die groote, holle zaal Mijn hart van weedom brak;
-
* U:
*]*⢠it1 *' â¢*' -!(' vf
a *
*
*
*
* *
:a
y- , y- , ï-
, y , gt; , *â , y-
*
vV 'â¢
A, :i
:S
A *
y
ai
VOOR HET STAATS-EXAMEN. 15
Toen 'k riep: Odéons zaalgewelf Zink op den stomling neer! â
Toen 'k twijfelde aan mijn ikheid zelf,
Als aan de fabelleer.
Uw blik was noordstar voor mijn ziel;
Kompas op d' oceaan;
Een vuurbaak der verdoolde kiel Bij 't bruisend golvenslaan.
'k Was haast in eigen drift gestikt,
Uw band hield my omhoog!
Uw vriendschap heeft mij meer verkwikt, Dan watertoog bij toog.
En holde ik, als een schichtig ros,
Itaalje en Hellas door.
Nooit liet uw hand den teugel los,
Maar hield my steeds in 't spoor.
Gij hebt d' ontembren knaap getemd,
Hoe bandloos, woest en wild,
Den bergstroom, in zijn vlucht, gestremd, â
Neen meer! mijn angst gestild!
En dies, ik zweer bij d' ouden Styx,
Bij d' onderaardschen troon,
Of erger nog bij * en x,
Kwadraat van Polygoon;
Bij 't ondergaan der Westerzon,
Voor 't Gothisch roovrenzwaard.
Bij 't lange haar van Klodion,
En Meroveüs baard!
Ja, 'k zweer u bü den duursten eed:
(Een eed in de elfde macht!)
Dat ik mijn algebra vergeet.
Mathesis diep veracht!
n v?quot;quot;1 ' *'i â¢â¢n v? ' V?'7 «f'1 v»'7quot; * -jf ' .f ' '
,» ,y- ,.y ,» .y .y- ,y- , y- ,.» ,gt; ,gt; ,gt;
â jr. â ^!L^J!'':.±jL ⢠â * â gt; ^.«L â amp; â * â â y
10 AAN EEN LID DER COMMISSIE.
Dat 'k eenmaal druipe als 't grootste lek,
In mijn promotiekleed,
Ja, â breek de zenuw van mijn nek Zoo 'k immer u vergeet!
Vergeten? â hoe, wie uit dien klank.
Dien rauwen dissonant?
Vergeef, o lievling van mijn zang,
Nog eens mijn onverstand!
Gij waart mijn goede geest, mijn vriend, Mij onvergeetlijk waard!
Uw trouwe zorg heeft meer verdiend,
Maar 'k heb niet meer â Aanvaard!
Nu zweef, o lied, o wensch, o beê Eens boezems, meer dan vol,
Vlieg over IJ en Zuiderzee,
Naar 't overdierbaar Zwol!
Daar Muze, vindt ge een huis, een hart. Ga onbeschroomd, mijn lied!
Heeft mijn Latijn dien blik getart....
Mijn verzen vreezen niet.
O zie met de eigen vriendschap neer,
En luister naar mijn toon,
En vraagt en eischt gij altoos meer.
Dat zij mijn heerlijkst loon.
Ja dan wellicht, hij 't knappend vuur In 't hoekje van uw haard,
Wordt menig vers in 't avonduur Kritiek en scherts bewaard!
Maar zoo mijn hart, u trouw verknocht.
Mijn onvermoeide luit
Haar teerste wenschen slaken mocht!
Dan riep ik schaatrend uit:
quot; ' .⢠' TiT5 rsn r. 1 ⢠(' vq' ⢠.#quot;â .' zi'quot; jjr* r#1quot;' .« ⢠rï'* z* '
.»â ,.«⢠,1â .y ,* ,gt; ,y- .» .*-â .» .» ,.* ..»â
MORGEN IS MIJN DICHTER JARIG. 17
Uw vriendschap blijf mijn loon, mjjn kroon!
En â noem dien wensch niet laf! â
Neem gy nog eens mijn oudsten zoon Zijn Staats-examen af!
MORGEN IS MIJN DICHTER JARIG.
Een lied aan Me. J. van Lennep,
in den nacht van 24 maart 1846.
Zoet en zalig is de stilte
van het eenzaam naclitlijk uur, Zij 't ook niet in 't groen prieeltje,
in het midden der natuur,
Bij een beekje, met een zefir,
roraanesken maneschijn:
Ook by lamplicht en sigaren
mag zoo'n uurtje zalig zijn. 't Is een kostlijk dierbaar tijdstip
voor de zoete mijmerij:
Laat, o laat mij dan genieten
eenzaam, ongestoord en blij! U slechts wil 'k toegevend hooren,
mjjn welluidend klokgetik, U slechts, o m^jn smeulend houtje,
vuurtje in uw stervenssnik!
Laat, o laat mij nu genieten,
mijmren eenzaam en alleen:
Alles zwijg nu, niemand stoor mij____
maar wie durft hier binnentreên? Zeg, hoe drommel! kan 't geschieden?
'k sloot de deur zorgvuldig dicht -
2
1
T5'r i*' V! ' ' v? r *quot; â¢/' V!quot; *r' ' *'' '
.gt; .y- . a- .gt;â¢- .gt;â¢- , y , y- . y- . i- . i- .gt;â , y- , y- . y. .
18 MORGEN IS MIJN DICHTER JARIG.
Wie, wie staat mij daar voor oogen?
Is 't een hemelsch droomgezicht?____
Wie, wie zijt ge, die mij nadert,
in uw slepend, vorstlyk kleed?*'
Naam en faam van twee paar eeuwen,
die mijn slil vertrek betreedt!
âMorgen is mijn Dichter jarig,
Morgen viert hij vroolijk feestquot;----
Zoo, zoo juicht Gravin Jacoba â
(k doe 't niet minder!) â of haar geest, âO, voor hem, die in mijn lijden
mij zoo treffend heeft bespied,
âDie zoo teeder mij deed zingen â
zing voor hem uw schoonste lied! âZie, o zie mijn bleeke wangen,
door de droefheid eens verscheurd, âOp het hooren van die blijmaar
met een vreugdeblos gekleurd.
âMorgen is mijn dichter jarig,
o strooi bloemen voor zijn schreên, âZooveel, als ik distien oogstte,
tranen stortte hier beneên,
âBied hem wenschen en gezangen,
bied hem de eêlste dichterkroon; âAls mijn diadeem noodlottig,
zij die lauwer grootsch en schoon.quot;
âMorgen is mvjn Dichter jarig,
Morgen viert hij vroolijk feest, âWil hem dus een liedje zingen
vol van schranderheid en geest; âMorgen is myn Dichter jarigquot; â
juicht een zoete meisjesstem â âFerdinand____die maakt geen verzen.
* * *
gt;â
*
Jr.
gt; ' vf ' ' â¢* r if' if it ' â *quot; f*
â ,« â¢.* * '
, p- , P' . W' . ir , amp;⢠. V- . fi- . amp; . ¥⢠. gt;' . v- [**â¢.
.ï- .ï- â gt;â
MORGEN IS MIJN DICHTER JARIG. 19
'k vroeg het anders vast aan hem____
âEn mijn Helding is ad patres,quot;
(dat 's een woord van d' ouden Huyck), ,Morgen is mijn Dichter jarig,
Maak toch van dit feest gebruik!
âBreng hem Henrietta's wenschen
in uw blijden zegengroet!
âWie zoo schoon de ziel kon schetsen,
voegt de dank van 't rein gemoed;
âBied hem losse, dartle zangen,
Want voorzeker Tante Let âZal hem christelijk bedenken
in een zalvend, mooi gebed!
âMorgen, morgen is hij jarig---
âMorgen rijst zijn vreugd in top!quot; Zoo, zoo vangt een andre stem weer
Die verheugde tonen op;
âDeel ook van de blonde Madzy
hem de trouwe zegenbeê,
âBij het ruischen der akkoorden,
in uw zoetste zangen mee!
âDat hij steeds die vreugd geniete,
die weleer zijn Beinout zag,
âToen hij eindlijk, zwervensmoede,
tot ons kwam, na jaar en dag,
âEn een hemel vond op aarde,
door mijns Dichters hand gemaald, âDeodaat, niet waar, den hemel
tot ons beiden neergedaald?quot; â
âJa den hemel, o mijn Madzy,
Edens vreugde rein en klaar,
âZooveel heil voor onzen Dichter,
meer nog, zoo het mooglijk waar!quot; â
*
A
â i. *. A
A
â â i *
:4.
âMorgen is mijn Dichter jarig,quot;
â¢Vfj ' 'jf' 'jC' â¢*'' -f'' â ~i'T -f ' .0 ' ' -Jf' -é ' ' 1? ' V? -' [gt;â¢
»â , . gt;- . j' .if- . /â . gt; . y- . «â â . y- . » . * . gt; . »
20 MORGEN IS MIJN DICHTER JARIG.
bromt het nu weer, uit den hoek, Mij ontsteld op nieuw in de ooren,
met een Oud-Bataafschen vloek; âZing hem duchtig schoone verzen,
breng hem, als mijn tolk en boó, âDank, oprechten dank en hulde
van zijn ouden Brinio!
âZeg, ja zeg hem dat myn boezem
steeds aan hem blijft toegewijd, âDie mijn naam eens riep in 't leven
en deed leven voor altijd.
'k Zal den âblauwen Beulquot; vertrappen,
met zijn heele santekraam,
âDurft hij nog éen haatlijk vlekje
werpen op zijn dichternaam;
â'k Zal hem met één slag verplettren,
want mijn vuist is aanstonds klaar, âAls weleer eens voor de slaven
van dien lafïen dobbelaar!
âMorgen is mijn Dichter jarig,
nu is 't zingen meer dan plicht, âTrilt, o forschgespannen snaren,
dreun, vermetel lofgedicht,
âZing hem krachtig schoone verzen______quot;
l* *
i. «
*
]â
ar-gt;quot;
*
âNeen, de zoetste harmonie, âNeen, de weelderigste akkoorden
en de rijkste poëzie!
âZing hem, op de wiek der ode,
zing hem een verheven lied, âDat ge, uit naam der Lesbiaansche,
mijn verkoren dichter biedt. âMorgen is mijn Dichter jarig! â
Van het Elyzeesche veld âKom ik, bij die schoone blijmaar,
a *
a l*
r ' -9 ' -o ' .o'' Zf'c .«quot;â -a â .0~r -fT'
i gt;'â . y- . »â . »â
. .y- . y- , i
- »⢠. «â
MORGEN IS MIJN DICHTKK JARIG.
herwaarts juichende aangesneld; âO, ik ben de smart vergeten
van mijn onverhoorde min; âDankbre vreugd nam heel de ruimte
van mijn wreeden hartstocht in, âWant hij heeft ook mij gezongen!...quot;
â j '
3
â «
*
â k, *
*
âEn mjj ook! gelooft gij 't niet? âGroetenis aan Oom van Lennep,
nogmaals dank voor 't geestig lied! âMorgen is mijn Dichter jarig,
neurie ik op eigen wijs,
âWijn en Min zijn lang vergeten,
waar ik zulk een Oome prijs!quot; Zoo juicht hofnar Floor my tegen,
met een dwaas vertrokken mond. Lustig, met zijn zotskap bellend,
huppelt hij mijn cel in 't rond. âMorgen is mijn Dichter jarig,
zing hem toch een blijden zang: â'k Zing Van Lennep! 'k zing Van Lennep,
Lennep al mijn leven lang!
âSteek je duimen in je vestzak,
trek een mond zoo scheef als ooit, âBreng hem dan een geestig liedje,
dat bjj elk een lachje plooit. ,'k Zing Van Lennep, 'k zing Van Lennep,
en 'k vergeet èn Wijn èn Min: âMorgen, morgen is hij jarig,
kweel hem deuntjes, los van zin!quot; âMaak dan ook voor mij een versje?quot;
smeekt op kinderlijken toon, Aan de hand van Gatherijne,
blonde Willem, Gulicks zoon. âMorgen is rnyn Dichter jarig...quot;
21
*1 â ïr~iT ' â gt;» â * â * â â irrgt;â ïtifquot; *'
. y- . y- .if- ,.» , »â . y- ,» . gt;â . »â . » . y- . «- ^
22 MORGEN IS MIJN DICHTER JARIG.
Wat ik hem wel geven zou?
âOcli, mijn heelc muls kapellen,
als hij die maar hebben wou!quot; â
âMorgen is mijn Dichter jarig...quot;
Hoor, zoo galmt nu 't woest geluid,
In een zaal, die voor mijn oogen,
zich (maar 'k weet niet hoe?) ontsluit; Volgepropt als de Arke Noachs,
rijk aan menig dwaas kontrast,
Door elkander heen krioelend,
opgeladen, opgetast,
Saffo staat er vlak naast Floorneef,
Brinio naast tante Let,
Gelder by zijn jeugdig bruidje
half te gapen van de pret.
Henriet, Jacoba, Madzy
staan er enkel juist bijéén.
Als de trits der schoone zusters,
heilige Bevalligheên!
'k Ving daar even onder 't woelen
menig toontje uit haar mond,
Waar ik âBouwkunstquot; en Idylenquot;
en âLegendenquot; uit verstond...
Nu schijnt alles rond te zwieren
en te draaien voor mijn oog:
âMorgen is mijn Dichter jarig!quot;
galmt het schaatrend naar omhoog;
Ieder, dien hij heeft gezongen,
zingt met opgewonden geest:
âMorgen, morgen is hij jarig,
morgen viert hij vroolijk feest!
âBied hem wenschen en gezangen,
breng hem uit ons-aller naam âOdes, Hymnenquot; â Nog iets meer ook? â
si./' ' y y y y y y
y- , . y- . gt;' . r , ^ , gt;' , gt;' . y- , gt;⢠, y- , y- y
*i.»' .y .y-
MORGEN IS MIJN DICHTER JARIG.
O gij dwazen al te zaam!
Ik, ik zou uw Dichter zingen,
die alleen voor 't denkbeeld schrik... Hoe! uw uitverkoren Zanger,
Saffo en Jacoba! ik?
Neen, voor Saffo's eigen luite,
waar 't een rijke zingensstof; In Jacoba's eigen tranen
vond haar Dichter slechts zijn lof! In het hemelzacht ontgloeien
van een reine, schoone ziel,
In den lof van Henriëlte,
die hem straks te beurte viel. Ik, vermeetle, zou het wagen
hem te zingen, in den naam Van vorstin en tiende Muze...
Neen, ik buig voor zulk een faam! Ik, die zelf het luidste jubel:
Morgen viert mijn Dichter feest,
Maar geen waardig lied kan vinden
in mijn armen dichtergeest.
Ik, die... luister, welk een weerklank,
o te ras vervliegend uur! Weggesmolten al mijn olie
uitgeblonken al mijn vuur!
Slaap en Tijd! ik tart uw woede
die met zooveel geestdrift spot, 'k Droom nog voor mijn Dichter droomen,
van het zaligst heilgenot. â Altijd droomen â dwaze droomen â
of hij iets aan droomen had!... Juist! maar 'k.bied hem al mijn wenschen
23
in mijn droomen saamgevat.
-Mquot; -jf' à ' -y -y -yquot; -y -y' â¢*'' â *' -y1 â¢*' ' -K' â *'
- r. y^g:, â gt;' ,gt;' â gt;'⢠,gt;⢠. â gt;' ,gt;'⢠. gt;' ,
24 EGOÃSMUS.
E G O ï S M U S.
Geef een meisje bruine lokken,
Lippen nimmer moe of bang Om te kussen en te jokken Heel het lieve leven lang;
Rozenblosjes, sneeuwen handen,
Hemelsche oogen, elpen tanden,
Ranke leest en vluggen voet:
Armpjes om er in te vliegen,
Of een kindje op te wiegen,
En een blij gestemd gemoed,
Lieve Hemel, hoor mijn beden,
Geef haar zachtheid, stille trouw,
En die duizend kleinigheden.
Die zoo lief staan in een vrouw.
Kleine zonden, teedre nukken.
Die een gloeiend hart verrukken,
Liefdes dartle poëzij;
Geef haar wat zich de engel denken En uw rijkste gunst kan schenken,
En dan â Hemel, geef haar mij!
1S47.
GELOOF.
Geloof, gij vroolijk kind, in stralen, zangen, rozen, In vriendenoogen, maagdenblikken, dichterlied;
Geloof in lachen, schreien, blozen ...
Geloof, geloof â en twijfel niet!
Wel zult ge, al vroeg misschien, uw liefste bloem zien sterven,
Wel drjjft gij-zelf eens met uw eenvoud bitter spot...
Maar och, de droomen, die wij morgen moeten derven.
Zij biên ons heden 't reinst genot.
1847.
vf] ' â *' if' â #' â .*' â *' â *' â *' K' â¢*' iC *quot; if' if' -y *â ' ^
T
IA
â ,ï- . v- .y- . g . y- gt; jL-Jg..-..-*'..uJL^jLjl,*.^JL-JLuJLuJÃ:..
[*
*
:fe
1
K R I T I E K.
I.
Mijn boezem juicht u toe, waar, machtig en welsprekend,
Van voorhoofd rein, van hoofd gezond,
Uw rechten op de Faam en op 't vooroordeel wrekend,
Gij fiks uw oogen slaat in 't rond!
Waar gij den dwerg verplet, die zich een reus verbeeldde,
Den kikvorsch, die zich zwellen doet;
Waar gij den jongling gispt, die zvjn talent verspeelde.
De dwaasheid of den overmoed;
Waar ge uit den laffen roes der onverdiende glorie
De helden van éen avond wekt;
Waar gij het stof blaast van de rollen der historie.
Of ginds een nieuwe star ontdekt!
Waar gij de nevelen van damp en schijn doet zwichten.
Als gy uw helder voorhoofd toont;
Waar gij komt heerschen, of beschermen en verlichten.
Maar rang, nog jaren zelfs, verschoont;
Waar gij de rijen der onsterfelijke genieën
Doet scheuren voor een nieuwen naam, Eu 't versch gelauwerd volk dringt op de trotsche knieën
Voor 't stiefkind eenmaal van de Faam!
Waar gij, met kalmen tred, voor allen eerbiedwaardig,
In 't stuivend kamp der lettren treedt â Met opgehaald vizier, ook in uw wraak grootaardig.
Een enge! Gods in 't witte kleed!
Waar gij, der waarheid trouw, uw zinlooze eeuw komt richten,
En, donkre muze der kritiek,
Van hooger schoonheid blinkt bij 't snorren van de schichten
En 't knallen van de strijdmuziek.
Ja 'k min u nog, waar ge als een adellijke schoone
*
*
=1
*
â â¢4 *
â -4
* %
*J
*]ir
if' if V' â *' ÃT
IT if' â *' H'
â 4' â *' â *' if' -Jf' if'
1
.gt; . gt;- â gt;'- , gt; , ' *â . , gt;⢠. g' . â¢- ,gt;⢠. â¢'⢠. â¢'⢠, a- .i
2Ã KKIÃIEK.
Met vonklend oog en heldren blos,
In 't statig golvend kleed der strijdbare amazone
De toornen viert aan 't steigreud ros;
Als een hooghartig kind van koninklijken bloede.
Dat, licht verbolgen en ontsticht,
De zilvren rijzweep zwiept door 't luchtruim, en in woede Den hoovling striemt door 't aangezicht.
IF.
Maar wee u, waar go, uw plicht, uw eer, uw rang vergelen,
(Een Furie van ons marktplein!) scheldt En raast; en met een heir van woede- en lasterkreten.
Maar zonder oordeel, vonnis velt.
Wee, waar ge â uw handen vol met zinlooze pamfletten.
Waarin Partijzucht blaast en schimpt,
En die ge ons opdischt voor orakelen en wetten, â
De vrije Pers als troon beklimt!
Of waar gij optreedt, met de jaloezie in de oogen,
Maar met een mom voor 't aangezicht, En huichelaarster! als gij laster spuwt en logen,
Zweert dat ge in naam der waarheid richt: O strenge Muze, wee, waar ge als een halfontzinde.
Een heks, in wie geen kind gelooft.
Met schele blikken loert en rondtast in den blinde
En schaamtloos naam en eere rooft!
Of waai gij, kind der eeuw, die 't al tot handelswaren
Verneêrt, en goud als Koning groet,
Partij trekt van 't geloof der lichtverleidbre scharen
En de eerzucht van het laag gemoed â
Waar, geen maitresse zelfs van weinige uitverkoornen
En lievelingen der Fortuin,
Gij hun uw rozen schenkt, en schimpend al uw doornen
vj ⢠.jf' -jf' â *'' * ' .lt;(' -f'' .j*quot;* .f(' ~jir7' .ff' .â¢quot;r -Vquot;' 'lt;f' ' -f'' '/f
gt;â 1 â gt;'â .)â . ?â ,gt;â t*.
LEVENSF1L0Z0FIE. 127
Slovl op eens armen minnaars kruin ...
Neon, waa-r ge uw lof, uw gunst aan ieder gaat verkoopen,
En 't beeld draagt van een slechte vrouw,
Wier ademtocht de ziel des jongen kunstnaars sloopen
En 't rijk der kunst verpesten zou...
Had niet een kunstnaar nog wel zooveel bloed in de aêren
En zooveel eerbied voor zich-zelf.
Dat hij (en zonder drift!) u sleurde bij de haren Van uit uw donker spookgewelf!
1810.
LEVENS FiLOZOFlE.
Bij hel ruischen van uw boomen Leeft gij matig en tevreên;
Roept geen menschen om u heen, Ziet uw gasten gaan of komen Zonder leed en zonder lust â Snoevende op uw wijze rust.
*! *
*
Gij beschimpt die kalverzeden... âEenzaamheid is 't bangst verdriet: Boomen â zegt gij â spreken niet. Smaak uw groene eentonigheden !
Onder menschen, in de stad,
Is het leven, is mijn schat.quot;
,'t Buitenleven â lanterfanten !
IJdelheid â uw stadsgerucht!
'k Geef om mensch, noch boom, noch lucht; Ik leef bij mijn folianten:
â v
:V
J
*â¢,1 'Vl ïfc â¢A
Dat zijn vrienden waar en wijs; In mijn cel is 't Paradijs!quot;
â ,f â -if' -.f'
TTquot; ^ -f r
a.
ONRUST.
ââPaai! die Madchen! boomen. menschen, Boeken ? â och, een aardig kind Is mij boek en bloem en vrind, Summum van mijn aardschs wenschen! Waar het oog der liefde straalt Is mijn hemel neergedaald!quot; quot;
Boomenkweekers, wereldlingen. Gelbewoners, jongeliên,
In uw plaats, zou mij het spleen Uit mjjn jeugdig vel doen springen!
Toch roem elk zijn keuze vrij Als de slimste; maar voor mij.
Om door 't leven heen te komen,
Wjjsheid zoekend met een lach.
Heb ik noodig dag aan dag,
Mensdien, meisjes, boeken, boomen, Vreugden, smarten, dwaasheên, droomen, Zielestrijd en luit-akkoord.
Vriend en vijand, en zoo voort.
Met nog twintig kleinigheden Om mij telkens te vertreden.
1S17.
ONRUST.
Ik ben geen plant; ik wil geen rust
'k Ben jong en â van mijn tijd, Brenge ieder uur mij leed en lust En telkens nieuwen strijd!
28
Hi *
Als 't plan wordt een daad. Zonder raad of beraad.
u â c
i*
*quot; -y vf â ^ â vr â y -
.gt;â ,»â ,./â ,.y- ,y ,.â J?â*⢠^ â -
DOLCE FAR NIENTE. 29
Als ik liefheb en haat,
Als ik schrei, als ik lach Wel honderd malen iedren dag,
Dan ben ik 't leven m\j bewust,
Dan leef ik eerst naar hartelust.
Al wat ik leven mag!
1S47.
DOLCE FAR NIENTE.
Ik lig in Hollands dierbaar duin, Zoo zacht in 't lauwe zand,
En naast mü zit een blozend kind, Een dochter van het strand.
Een zilvren wolkje speelt en drijft Aan 's hemels blauwen boog;
En zoele vrede straalt en daalt Op aarde van omhoog.
Het zilvren wolkje lacht en lokt,
Als riep het: âo ga mee.
Reis met mg naar een beter land. Ver over zee bij zee!
Zeg, knaap, indien ge eens vleuglen hadt. Zeg, vloodt gij de aarde niet?
't Is heerlik in dees vrije lucht, In 't grensloos wolkgebied.quot;
Maar ik â ik lig in Hollands duin, Zoo goed in 't lauwe zand,
â¢* ' * ' *' lt;â ' ' if' if'if'. if' if' W â gt; ' ' -iC â * ' if' if' if' if' ï*quot; t*
,gt; .gt; .gt;'⢠. v ^ . ,y- .y-
J^-JL
DE HANDDRUK.
En naast mij zit een blozend kind, Een aardig kind van 't strand____
Neen, sclioon ik, wolkje, met u mee
.*
ï *
tr
*
*
30
;i, *
Mocht vliên naar 't schoonste land. 'k Ben nu te lui, 'k heb nu te lief, 'k Bleef liggen hier in 't zand.
DE HANDDRUK.
O, tintel' uw hart in den druk van uw hand: Ik dank voor een vinger, twee, drie!
Ik walg van een kneepje, koket en pedant. Een pink van een man van genie....
En, vrindlief, uw bevende, klevende hand Is waarlijk mijn antipathie!
Verstijve de hand, die den hoveling speelt; Beleefde, vernedrende hand!
Verdorre de hand, die verraderlijk streelt;
'k Voel liever een klauw of een tand!
Den handdruk, die louter een âgunstjequot; verbeeldt. Dien wijs ik bepaald van de hand!
Ik weiger uw handje zoo keurig en teêr. Mij angstig en huiverend geböon!
Ik vraag u geen handschoen; ik weiger die eer. Al waart gij Jouvin in persoon!
Uw harige rechte, mijn Bello! zegt meer.
Dan 't pootje, zoo keurig, zoo schoon!
Een hand zonder zenuw of leven of kracht, 't Is onzin, 't is laster, verraad!
:*
â¢V) , ^ , y- , jr- . , V-
DE HERTOGIN VAN ORLEANS.
Een ledige vorm, dien de liefde veracht, De vriendschap, de geestdrift versmaadt!
De hand, die mij treft, die mijn lijden verzacht, Die hand zij een druk, zij een daad!
Neen, 'k vraag u geen woorden, geen ijdel verhaal, Uw hand zij mij tolk van uw hart!
Uw handdruk, mijn vriend, zy welsprekende taal. Bij weerzien en blijdschap en smart!
Ja teeder en trouw, of veerkrachtig als staal â Uw hand zij de tolk van uw hart!
Een hand zij een pand van een hartlijk gemoed, Waarachtige troost in den rouw!
Gastvrijheid, uw welkom, uw zegen, uw groei. Het zegel der liefde, der trouw.
En â 't kusje te-met zij verleidende zoet â Uw handdruk zij heilig, o vrouw!
* * *
DE HERTOGIN VAN ORLEANS.
Gij alleen waart Koningin, Bij hefc spatten van hun kronen, By 'f, uiteenslaan van 't gezin. Bij het kraken van hun tronen;
Gij, vol moed en moedermin, Midden tusschen al de dolken Van de fijnstgeslepen taal, â Bij den oproerkreet der volken. Bij het dreigen van hun staal!
31
SRquot;
' -.f
. i , i- . a-- .ï- . * ..» ,.^ .» , gt; p
52 DE HERTOGIN VAN ORLEANS.
Midden tusschen al 't geschreeuw,
Kalm en zwijgend â maar welsprekend!
Vorstenmoeder, Koningsweeüw,
Door den vinger Gods geteekend In het midden van uw eeuw,
Om de smaadheid, om de vlekken
Der verworpen majesteit Met den mantel te overdekken Van uw koningsheerlijkheid!
Smeekend, zeegnend stondt gij daar,
Als een vredeboó verrezen.
Bij 't dringen van 't gevaar:
Laat mij Frankrijks engel wezen,
En dit kind ... uw martelaar!
Schooner nog dan in die dagen,
Toen, omstraald van Juliglans,
't Land der riddren roem mocht dragen Op de Bruid van Orleans!
Schooner nog dan toen weleer.
Om de wieg van d' eerstgeboren,
't Zegelied van vrede en eer Zich uit Frankrijks hart deed hooren
Voor zijn lievling en zijn Heer!
Thans!... die volksstem brult verwoeder,
Ongewisser dreigt de kans ...
Luider spreekt de stem der moeder En der weeüw van Orleans!
Maar dat moederlijke bloed Moest wel tot den einde vloeien Met een onversaagden moed.
En die vrouweboezem gloeien Van een koninklijken gloed ...
iriririr-^'⢠*⢠â¢Â«rir-'irr iTquot;*'
'⢠, amp;' , if- , }/* , ^T- , tf'- . g- , *'â , 0' , *â¢_, . *⢠, c- , *
DE HERTOGIN VAN ORLEANS.
Anders, telg der Julidagen,
Kost gij wenschen, dat uw zoon Op zijn hoofdje 't wicht zou dragen Van een Februarikroon?
Moeder! zoo gij 't eischen dorst, O, gij wist, dat ge in uw armen Niet het sieraad van uw borst.
Maar het heilige moet beschermen, Maar het weesje van uw Vorst! En, bij 't stormen der gevaren,
Kroost en volk en vorsten saam Eén herinring grootsch bewaren Aan een grooten, dierbren naam!
Koningszoon, van God verhoogd. Eer een kroon u 't hoofd zou drukken
Wier gewicht gij nimmer woogt,
Hebt gij-zelf in ziels verruk ken
Uwer weduw traan gedroogd?
Was 't uw blik die haar bestraalde
Toen, in haar, uw vorstenzon Koninklijker nederdaalde Dan zij immer rijzen kon!
Ja, zijn geest, o bleeke vrouw,
Streed met u dien strijd der smarte;
âWees, mijn gade, wees getrouw!quot; Klonk het in uw biddend harte.
Klonk het in dien nacht van rouw! Hij was 't, die u sterkte en steunde,
Tusschen vloek en lofgeschal,
Toen een halve wereld dreunde Van dien daverenden val!
r . gt;â te
â quot;'1. .*â .ï 1
â¢s %
ik
33
*
'A
i ^1
if' if' i(' if' if' if' 3
ie -,f -,-r
gt;3.» .» .ï .y .y- .» .» .» .»â .gt;â .» .» .» .y .» .gt; ,gt; .gt;
DK HERTOGIN VAN ORLEANS.
Lelie, waar de ceder viel Beur uw stengel naar de wolken!
Dat liet kroost der vorsten kniel' Voor de Goden hunner volken â
Vlekloos blyve uw vorstenziel; En uw naam zal heerlijk suizen
Door de jongste orakelblaên,
Over 't puin der koningshuizen Als een koning zal hij gaan!
Waar de balling zwerven moet, Met een kroon van schimp beladen,
Slechts door ballingen gegroet; Waar hij, op zijn vreemde paden, Geen getrouwen meer ontmoet; Waar zijn broederen hem honen,
Waar zijn voet zich scheuren zal Aan de splinters van hun tronen. Neergesmeten door zijn val;
Waar geen eigen graf hem wacht. Waar de Pyreneën schateren;
Sluwe staatsman, waar uw macht? En alleen 't geruisch der wateren
Klagende antwoordt op zijn klacht; Waar op Frankrijks kluchttooneelen,
't Zedelooze volk ten spot,
't Grijze hoofd een rol zal spelen Wreeder dan op 't moordschavot...
Gjj, vorstin in 't rouwgewaad,
Laat de vrije volken handelen
Naar des hoogsten Konings raad, Door de volken zult gij wandelen Zonder wrok en zonder smaad!
34
r r 1*
DE HERTOGIN VAN ORLEANS.
Heil den bodem, heil den koning,
Waar die koningsdochter huist!
Vrede, dier onschendbre woning,
Vrede, waar dat rouwkleed ruischt!
Paarlen der welsprekendheid Op dien rouw, o Lamartine, In bewondering gespreid!
Dat uw naam geen vloek verdiene
Dier verheven majesteit!
Haar uw lauwren, volksgenieën, Heldenmuze, haar uw klacht, Koningszonen buigt de knieën.
Vrije volken, houdt de wacht:
Voor haar wijkplaats houdt de wacht. Als op nieuw de driften wrokken.
Als in één en wreevlen nacht â
Weer die grijze tronen schokken
Door een onweerstaanbre kracht! Als voor woede- en lasterkreten Voor het spottend handgeklap. Gij geen heul of heil mocht weten. Koningsbloed en koningschap...
Weduw, wandel over 't puin Van 't paleis, in asch verzonken.
En het ingestort arduin;
Want een stemme heeft geklonken
Om uw opgeheven kruin:
Deze koningsweeuw is heilig,
Zuiver van de vorstenblaam;
Deze koningsweezen veilig In de schaduw van haar naam!
. ^ , . «- a . »â . t- Ma~ . y . » . » ,» , gt;» . y . » . » . »⢠.» 30 ALARMFSTEN.
ALARMISTEN.
1848.
c
r
i-
f
i-
*
* f gt;â
r* él
Och bevende alarmisten, Och pruiken, podagristen. Och ouwe-wijven-kliek, Och nare leuterkousen, Och bankroetiers en smousen, Je malen maakt me ziek.
Je duffe konversatie Is ééne lamentatie.
En nergens zie je licht; Je snatert en je snottert. Je steunt en stikt en stottert., 't Is wat een vies gezicht!
Gedaalde metallieken,
Failliete republieken,
D' effektenhoek vol vrees; De kooplui in perikel,
Heel de aard op een karikel. De wereld op de sjees!
jJLtÃ
Het menschdom op zijn endje, Veel kinderen en â geen centje
Verdiensten op 't kantoor : Den heelen boel in 't honderd, En half Euroop geplonderd â Dat 's alles wat ik hoor!
Wie naar je praat wil luisteren. Die ziet de zon verduisteren, Die weet niet, wat hij ziet.
l
r i1*'
r [
T*
quot; y jr' J-' JT'
ALARMISTEN.
En zou zijn mooiste zaken Terstond aan kant gaan maken, Of stuurt ze recht â in 't riet!
Die zou zich dood gaan kniezen, En al zijn geld verliezen Uit zuinigheid alleen ;
Die laat zijn kroost verhongeren, En foetert op de jongeren, Die spotten om hem heen !
Die ziet, owaai! de Franschen Al in ztjn keuken dansen.
De meid tot déjeuné ;
Die 's nergens op zyn aise, Die hoort een Marseillaise In 't lied van Isabé!
Die ziet in al zijn zonen Al tijger-aardjes wonen
En kleine Louis Blanc's:
Die 's bang voor Balinezen, Die durft geen krant meer lezen. Maar kijkt er rillend langs!
Met al die bange wezels, Die kwezels en die ezels,
Wie drommel, weet er raad ? Al trekken zich die Joppen De haren uit hun koppen, Ik weet niet of het baat!
Maar handen uit de mouwen, Couragie en vertrouwen.
En wat gezond verstand!
37
V- . , gt;⢠. V â *'' . V' . .â¢' â *'' . â¢' . *⢠. Ã'- _jjr- , gt;' . â¢'⢠,
38 VRIENDEN-RAAD EN DICHTERS-ANTWOORD.
De mensch leeft om te hopen...
En 't zal zoo'n vaart niet loopen:
't Leit immers op zijn kant? *â
l*
Ook ik beken het garen;
Wat onze tijden baren Is ver van amuzant,
't Is vreeslijk en 't is ijselijk,
't Is schriklijk en afgrijselijk____
En ik heb ook het land!
Maar 't ergst van alle plagen,
Zijn toch in onze dagen
Die kennissen van Job!
Het zijn je die meneeren,
Die steeds jeremiëeren,
Die altijd lamenteeren,
Die 'l weinig goeds negeeren En eeuwig redeneeren
Als kippen zonder kop !
p
r'
*â¢
*â¢
VRIENDEN-RAAD EN DIGHTERS-ANTWOORD.
,Knaap, werp uw luite in 't vuur, ontspan uw teere snaar. Leer aan het proza dezer wereld'u gewennen!
Wie hoog vliegt, al te vroeg, verlamt zijn stoute pennen; Gij brengt u-zelven, uw gezondheid in gevaar.
Verbreek met mannenkracht de zoete tooverketen.
Die aan de borst der Muze uw ziel gekluisterd houdt:
Of wilt ge vóór uw tijd verlept zijn en versleten,
Gij, jong en warm thans, oud en koud ?
vf' vf' *' -jC * ' it' tT7quot; iT ifT Sr'*rlf~r vf' vf* *
, f- . r .?⢠. ï- ^jL.jLjL.,Jt-..^Jh..-J'':. â â¢â â 1'⢠â *' '-'
VRIENDEN-EAAD EN DICHTERSquot;ANTWOORD. 39
Of wilt ge voor één dag, van dichterweelde dronken... De dagen geven van uw leven, mannenbloei En grijsheid, om wier kruin een versche lauwer groei'.
Door welbestede en kalme en wijze jeugd geschonken?
Bedenk u, 't is nog tijd, en spot niet met uw kracht;
Vergeet uw droomen en uw roeklooze idealen;
Beheersch, de taal niet, maar uw geest; ga langzaam, zacht, Leer wachten en leer ademhalen!quot;
Uw raad is welgemeend en hartelijk, braaf en trouw,
Eén klein gebrek alleen bederft hem in mijn oogen: 't Is onzin, onzin ! Ach, onzinnig waar' mijn pogen.
Schoon ik, met hart en ziel, hem leidzaam volgen wou.
O boei mijn veder, boei mijn tong, ontsteel de zangen Der dichtren aan mijn oog, en wees, uit liefde, hard â Vergeefs! daar gloeit een lied in 't tintien van mijn wangen! Het klinkt in 't kloppen van mijn hart!
't Is mooglijk dat de kunst des levens krachten slope, 't Is mooglijk dat de geest het lichaam ondermijn', â
Laat de engel van mijn lied mijn stervens-engel zijn! Ik kreeg, ik heb haar lief, als de engel mijner hope!
Haar ademtocht bezielt mijn leven, als mijn luit;
Zü spreekt van troost en liefde in meer dan aardsche tonen, Als de Evangelieleer komt ze in de harten wonen;
Ik min haar als de knaap zijn bruid!
Och gij, verbiê den knaap, dat hij zijn liefste kusse;
Verbiê de lava dat zij gloei'; de bergrivier Dat zij door 't groene dal, fel kronklend, bruis' en zwier'; Of zeg aan gindsche ster, dat zij haar fakkel blussche!
Neen, ga naar 't strand der zee, bij 't barnen op de kust, En spreek den hoogen vloed dat hij in eb verander';
Of breng, wanneer gij kunt, den storm, de golf tot rust â En keer dan met uw raad----begrijpen wij elkander?
1
n' vf' * ' â *' ^ if IT' â *' â *' *quot; ** ⢠* â ^ ^
, Jt- .Jfquot; . . gt;' â . jr , gt;'⢠â gt;' , y- , gt;'⢠, gt;'⢠, gt;' . ^ , y- . gt;' . , gt; J Jrj , »â . . jr- , £_
40 OP EEN VERVELENDE SOIREE.
De maandroos weet wel, dat zij spoedig ]eeft, en kort;
Maar kan zij dies bedaard, met overleg, gaan bloeien ?
Of wel, haar jonge blos van zachter kleur doen gloeien,
Omdat haar vonnis luidt: wees schoon en â ras verdord!
Gelukkig prijkt ze een uur op frisschen maagdeboezem, Pas juicht zij in die gunst, of reeds bezwijmt haar gloed â
Mijn jeugd, mijn fantazie is ook een lentebloezem,
Die op de trouwe borst der Muze sterven moet.
Het zij! Ze heeft zich mij, ik heb mij haar gegeven;
Zy bleef, waar menig droom en dierbre mij ontvlood, Wie scheurt ons van elkaêr? Geen vrienden-raad, geen dood! Onsterflijk als de ziel zal ze eeuwig met haar leven.
En, schoon zij de Eva waar', wier lelieblanke hand Mijn ziele laven dorst met streng verboden vruchten,
Een ballingschap met haar is mij een vaderland.
En zonder haar zou ik een paradijs ontvluchten !
1849.
OP EEN VERVELENDE SOIREE.
Als ik â een jonge slaaf van de oude Maatschappij En ons charmant verkeer â gehoorzaam aan de wetten En wat men plicht noemt en fatsoen en etiketten,
Mij zelven treiter, en een avondje, een partij Met twintig andren mee moet rekken en bederven,
Waar mij mijn liefste vriend, in feestgewaad, verveelt. Als ik wou heengaan of wou slapen of wou sterven, En eindlijk â om het niet voor eeuwig te verkerven â Mijn blijde trekken plooi of 't in mijn kiezen scheelt; Dan denk ik dikwijls, om mijn geestje te vertreden. Aan de oude feestjes op het dierbaar Muiderslot: Aan d' ouderwetschen zang, de minnelijke zeden.
.gt;⢠.gt;'- , gt;⢠.j^- ,gt;⢠.gt; . .^ [^.
OP EEN VERVELENDE SOIREE. 41
Gezegend en bemind bij onzer vaadren God!
Aan 't geestig lied van Hooft en de Italjaansche wijnen, Die vloeiden langs den disch; aan Tesselade's knie,
Die bij 't verliefde vuur van 's Drossaarts poëzie Barlaeus zachtkens stiet, wiens blijde minnepijnen Ontwaakten, joliger dan ooit, daar 't achtbaar hoofd Van Vondel lustig schudde en hij het geurig ooft â Die pruimpjes, waarvan Hooft aan Tessel heeft geschreven, Dat zij verlangden naar heur frisschen rozenmond En riepen in den hof: ei pluk ons, kom terstond! â
Daar hij de zoete fruit haar lachend aan mocht geven.
Ik zie haar muiltjes onder tafel, naar de maat Van ,'t lustig watertjenquot; al tripplen op en neder,
Daar Huyghens vast bepeinst of Tessels oog zoo teeder
Als geestig schittert in 't verstandige gelaat.
Hoor! Roemer roemt den wijn zoo kostlvjk als de zangen.
En fijn gelijk de scherts, die al de spijzen kruidt;
En ieder heeft de kleur der blijdschap op de wangen, Elk bracht zijn liedje mee, zijn liefjen en zijn luit!
Daar schuift de schalke Drost het hooge venster open, En klaagt, dat hem de herfst, geen nachtegalen zond In 't heerlijk woud, bij zulk een zachten avondstond, En ziet zijn Tesseltje aan, vol scherts en liefde en hopen; 't Is of zijn oog haar smeekt, of zij den nachtegaal Niet wil vervangen in zijn feestelijke zaal.
Zij, die met de engelen verdient partij te zingen!
En zij begrijpt hem. Eerst als 't koeltje van den nacht Vloeit noot op noot haar van de lippen, balsemzacht; Straks maakt zij u beschaamd, o zanger der seringen, Zoo hoog-welluidend stijgt haar vriendlijk lied, zoo zoet En teeder, als uw jongste, uw schoonste lentegroet; Vos hoort den weerklank van Ausoonje's veldschalmeien: Barlaeus meent zich op d' Olympus, bij de goön,
En vader Vondel, in verrukking van dien toon,
Denkt aan zijn Paradijs en dicht zijn engelenreien! â
i»i
1 'â¢
*1
..1
..r'* â ' -tr * â 'n- â * â * â
ziirir «quot;-ir
immrr*
»jJtjJi.. *⢠*â â *â â *⢠â r â »⢠â â¢â¢
4-2 IDEALEN.
En ik... ontwaak uit zulk een droom! Weer zwerft mijn oog De styve rijen langs der vakerige vrinden;
Ik kan geen lief gelaat of levend oog meer vinden,
En sla, in wanhoop schier, mijn blikken naar omhoog.... Wie, Jonkers! zal ons met een lied van Hooft verrassen? Wie, Dames, wie van u zou Tessels muiltje passen?
Augustus 1849.
NASCHRIFT.
'k Weet nu een kleinen, vluggen voet, Wien toch dat muiltje passen moei. Maar uit bescheidenheid alleen,
Roept de eigenares: foei neen, o neen! En wip! zij vlood, toen ik verzocht, Of ik 't haar dan eens passen mocht!
IDEALEN.
AAN
W. S., THEOL. STUD.
Wat gij in uw liefste droomen Ooit uw God hebt afgebeen, 't Kerkje tusschen lindeboomen,
't Vroolijk landschap om u heen; Velden, die van welvaart ruischen, 't Rookwolkje uit de bonte kluizen,
Al de liefde van dat oord:
Op uw avondwandelingen Kleinen, die zich om u dringen. Grijsaards, luistrend naar uw woord.
55 â¢*quot; â #' â *' â * ' * ' * ' -.f' *' *' * ' IT' lt;'r * * ' r if' v»
T
,gt; .V- . ^
43
,r .*â .*â .r
UIT MIJN DAGBOEK.
Laat die toekomst-idealen,
Van Gods zegen overstort,
Steeds uw weg, uw hart bestralen, Waar het somtijds donker wordt; Zoo geen vriendlijke aangezichten Meer 't gezellig pad verlichten.
Eens met bloemen overspreid, â Zoudt gij schromen, zoudt gij vreezen ? â Mag de weg niet eenzaam wezen.
Die u naar uw dorpje leidt?
UIT MIJN DAGBOEK.
Daar zijn in 't leven van die vriendelijke dagen.
Die ons de koude borst verwarmen door hun gloed. Den hemel brengen in het zoekende gemoed.
Die allen twijfel, alle donkerheid verjagen,
Die ons verjongen, ons vervoeren van genot, Den sluimerenden droom des harten doen ontwaken, Ons nader voeren tot geloof en hope en God,
En bijna weer tot kinderen maken;
Wanneer geen wanklank in ons hart dringt of ons huis. Ons oog alleenig rust op troostende aangezichten. Als heldre blikken ons in de eenzaamheid verlichten.
Als 't kind de woning vult met feestelijk gedruisch; Als we in de buitenlucht eens zuiver ademhalen. En wandelen in geur en kleur, in lucht en lied;
Als we in de zoete scheemring dwalen,
En de armen strekken naar een beeld, dat niemand ziet!
O buiten, buiten gaat mijn hart zoo heerlijk open En geurt en bloeit en zingt met bloemenhof en woud;
f *quot; ^' «â ' ' lt; ' [1;
*]irir
;gt;) f- .a- .tf- .jr- ,gt;â .gt;â
44 UIT MIJN DAGBOEK.
Ik ben gelukkig als een kind en dwaas en stout,
Ik durf weer veilig van het leven alles hopen!
Het morgenkoeltje waait mijn opgeruimden geest Zoo vroolijk wakker met de bloemen in de dalen!
Mij kwelt een kwaal, die slechts van rozengeur geneest, Een heimwee naar de lucht en zuivre zonnestralen!
O buiten ken ik van die dagen, die zoo zacht Voorbij mijn dankend oog en koeler voorhoofd zweven, Als stemmen uit dien oord, waar onze dooden leven,
Die om ons fluisteren in het heilig uur der nacht,
Dat ik geen wrevel in mijn hart meer kan bewaren.
Dat ik myn vyand â vriend en broeder noemen zou;
Dat ieder blaadje ruischt, als de Evangelieblaêren Van Gods belofte en liefde trouw!
Daar gaat myn eenzaam pad langs zegenruischend koren,
Muziek stijgt uit het dal, muziek van golvend graan:
De koeltjes keuvlen en de vogelkoren slaan____
't Gegons der wereld is verbannen uit mijn ooren.
Daar rust ik op het mos, het bruidsbed der natuur,
Aan mvjner heuvlen voet zoo zalig en tevreden.
Als in het vleiend avonduur Een jonge bruigom aan den voet der aangebeden'!
Ik zwerf door 't woud, gelijk een sombre kluizenaar,
En â als 't my soms verveelt al zwijgend rond te dwalen â
Dan, of een zoete hoop mijn klanken mocht herhalen,
Noem ik een dierbren naam, op mijn verliefde snaar;
Of wel, ik troost mij met mijn liefelijk verleden.
Die bleeke schoone, die ons altijd volgt en mint,
Die mij herinnert al mijn moeders teederheden.
Een menig dierbre smart en jonggestorven kind!
Ik voel mij veilig in den lommer mijner linden,
Als in een tempel Gods; 't is of mijn rustloos hoofd
quot;Jl _
vf' If'' â *quot; â¢# ' â f* â gt;?quot;r -.f â -g' *â ' if' vT'R
'aj . gt; :»,! j
LEVENSLUST.
Eerbiediger zich buigt, mijn ziele meer gelooft____
'k Zou graag op eenzaam mos een rustig sterfbed vinden!
Ik schep daar levenslust, en kalme stervensmoed Daalt neder in mijn borst; met zonde en smart beladen,
Vlucht ik naar buiten en â voor mijn verdoolden voet Strooit God zijn woord, zijn troost, in bloemen op mijn paden!
Dan rust mijn blik zoo kalm op 't leven, dat ik min.
Als op de kleuren, op het landschap voor mjjn oogen, En â moedig, als 't geloof staart in de hemelbogen,
Staar ik de toekomst van mijn jeugdig leven in.
En aan den avond van die dagen rijst mijn bede
Tot Hem, die iels van 't zoet der heem'len mij vertrouwt: âHeizij ik leef, hetzij ik sterf, â ik ga in vrede,
Ik heb Uw zaligheid aanschouwd!quot;
Juli 1849.
LEVENSLUST.
Levenslust is 't ware leven,
Is het liefelijkste goed,
Dat de lachende aard kan geven Van haar weelde en overvloed, 't Is geen trek der dwaze zinnen 't Jonge leven te beminnen;
Levenslust is levenskracht; Levenslust is vroolijk strijden, Hopend en geduldig hjden â Is een kinderlijk verblijden. Dat den Hemel tegenlacht.
Maar om 't leven wel te smaken, Dient daar nog een hooger gloed In de vrome borst te blaken:
45
1 i
A i
â¢t
quot;A ïfc
j
vT 4' i(' if' if *quot; iT^T^
nnr
ir * â
gt;1. V . .*â .* . *â
.it- .if- .a- .0- .»
AAN EEN HEEREI30ER.
Vaste, kalme stervensmoed!
Wie geen moed heeft om te sterven: Zal den moéd tot leven derven;
Steeds gaapt de afgrond aan zijn voet. Om langs rozen mij te leiden,
Om myn leger zacht te spreiden,
Als dit minnend hart moet scheiden, Geef o God! geef my die beiden: Levenslust en stervensmoed.
i'
*â
'N
Juli 1849.
AAN EEN HEEREBOER.
Beminnenswaard, benijdenswaard
Uw keuze, uw weg, uw deel: Het vrije land, de bloeiende aard,
De velden, golvend geel,
De blauwe lucht, de blonde zee,
Het schaduwrijk prieel.
Het beste werk, de zoetste vreê En â 't wambuis van fluweel!
Vergeet, vergeet onze arme stad
En haar pantoffeldos;
Daar buiten blijve uw hart, uw schat
Rij bloemen, heide en bosch! Vergeten â en vergeten zijn Is 't hechtst geluk op aard; 't Geluk bij ons is last of schijn, Geen zucht, geen afscheid waard.
Wij teren hier in damp en gas.
Verveling en fatsoen:
Gü rolt in koren, mos en gras.
*
i-
*
*
ï
i: *â
ï-*
)k' ï
40
'â V
â y * â
A
*
;gt;
A,
â k =1
y .y .» ^ â gt; â 'â â * â gt;⢠.gt; â â¦' .gt;' â »
»
AAN EEN HEEREBOER. 4-7
En hupt in lucht en groen.
Ik stoot mij hier aan iedre kei
En hijg als levensmoe;
De frissche koelte van uw hei Waait u het leven toe!
Wij sukklen en wij kuchen hier De poel is ongezond:
Dat ginds uw jonkheid bloeie en tier', Word stevig, bruin en rond !
Daar knijpt geen hoest de dorre keel Op Gelders heuvelkling;
De kwalen vliên voor 't woudgekweel En 't geuren der sering.
Hier duurt des levens lente kort. De mensch wordt spoedig oud!
De bloem van liefde en hoop verdort, Het hart wordt stug en koud.
Beklaagbaar de arme, die gelooft In bloemen, straal of lied !
De wijzen schudden koeltjes 't hoofd, Want zij gelooven niet.
Natuur, vertrouwde van haar God, Die wijzer is dan wij,
Aémt leven, liefde, lust, genot,
Haar stem is harmonij;
Zij zuivert, zij verjongt het bloed, Zij troost in elke smart.
Zij strooit ons rozen in 't gemoed En poëzie in 't hart.
Tot u spreekt iedre morgenstond: Werk met vernieuwden lust!
.-y- .gt;⢠.gt; .gt;⢠.gt; â gt;⢠.y- ..^ .-» .gt;â¢
» . gt; . *⢠â
â iS AAN EEN IIEEREBOER.
En de avond fluistert zoet in 't rond: Smaak met de schepping rust.
Met voorjaarsbloesem, wintersneeuw, Of najaarsgeel bestrooid,
Gü, blijde telg der gouden eeuw.
Verveelt u ginder nooit!
Groei, jonker, saam met land en stand, Sla nooit den tongval mis;
De hutspot van uw Gelderland Zij 't sieraad van uw disch !
Geen spijs zoo hartig en gezond,
Die meer quot;t gehemelt streelt.
Dan vrucht gebouwd op eigen grond, Met eigen hand geteeld !
Schaam 't grove brood, het grove kleed En 't grove werk u niet;
De beste dauw is 't eerlijk zweet.
Dat van uw voorhoofd vliet.
Wees de eerste knecht in eigen rijk.
Wees boer met hart en vuist
Wroet in uw goudmijn âheide en slijk-Met onversaagden knuist!
Uw sluimerende heidegrond Ontwake nieuw en blijd;
Sluit' Moeder Aarde een schoon verbond Met moed, vernuft en vlyt!
Gij â trekt partij van 't woeste land! Natuur is mild genoeg.
Als maar de mensch zijn trage hand Wil strekken naar den ploeg.
â V
\
â *.
\
â v ïV
*
3
i
ïfl if' â £' i*' if1 i(' i(' if' if' if' if1 if
AAN EEN 11EEKEB0E11. 49
âWerk!quot; is een goede, groote wet â
Geen bittre zondestraf;
De kracht tot d' arbeid is 't gebed,
De rust van 't werk â het graf.
Waar arbeid en gebed zich paart,
Daar, o Verhoorder! rijz'.
Uit stuivend zand en ledige aard,
Een lachend Paradijs!
Wel hem, die 't goud gedijen laat
In de omgeworpen kluit:
Natuur is de allerbeste Staat,
Die nooit haar schatkist sluit.
Haar schatkist is een moederschoot,
Die vloeit in 't oogstgetij;
Natuur is mild en goed en groot.
En eerlijker dan wij.
Och, knip nu geen koeponnen meer
Met de ouderwetscbe schaar:
Uw sikkel maai1, ze heinde en veer
Van velden, vol en zwaar!
Uw akker schiete welig op.
Schoon Rus en rente daal'! â
Gij dankt voor iedren regendrop.
Voor eiken zonnestraal.
Gij maakt uw schoonen naam bemind.
Dien de arme biddend noemt;
En 'k weet dat menig Geldersch kind
Het snugger heerschap roemt.
Uw hoeve is menig Buiten waard.
Uw hof verrukt mijn oog;
De zegen lacht u toe uit de aard.
Bestraalt u van omhoog.
â .fj -fl ' if ' v? 1 .tf' ~»~r ~ -m '' ' â¢Â£ quot; «T' â¢iT7 -f ' â quot; -m'' ^
*1
â
, jr . gt;' . w'- , V- , gt;' , gt;'⢠. gt;1. , gt;⢠.
AAN EEN IIEEREBOER.
Toch, zie aandachtig in het rond: Is 't parades volmaakt?
Denk aan den winteravondstond, Die telkens weer genaakt;
Denk, niet altoos blijft vader Cats De bijbel van uw stand,
Schoon, als uw grond, vol gouden schats, Uw wintertroost op 't land:
En dies, dat zoete liefdetrouw Zich, onder 't needrig dak.
Een vroolijk, veilig nestje bouw,
Als 't duifje op d' eikentak.
Een nestje van 't bloemfestoen. Den rozenkrans der Mei!
Van de eerste bloesems, 't eerste groen, Op uw herschapen hei!
Ik weet een jong, een blozend kind,
Als 't koren rank en blond.
Vol zoel gesnap als de avondwind,
Blü als de morgenstond ;
Een frissche bloem, een eedle spruit,
Geen vreemde wonderplant:
Ik weet een blyde, blonde bruid.
Die lieft en leeft op 't land!
Waar zij treedt, treedt de winter niet. Daar laat ze een rozenspoor;
Haar stem klinkt als een lentelied Het somber najaar door;
Zij hoort in Edens lustwarand Bij lieve zustren thuis.
Of â bij de bloemen van uw land.
En in uw veilge kluis!
50
*
a
,£ *
â â i
â V *
* * *
\ *
4 *
A *_
ifc
0-*
*
*
'â
*⢠* ⢠â¢*' â *' * ' â¢*' ' if''
ïr~ir
.tl,-*-- ,gt; .* .» .-*â .gt;â .gt;â .» .» ,y- .gt;â â * .
IN DE BIBLIOTHEEK VAN EEN LIEFHEBBER. 51
Bloei', met uw heide, bloeie uw huis
Van zegen, onverpoosd!
Het veld weergalm' van 't oogstgeruisch,
Het huis van lachend kroost!
Hoor, hoor, hoe ginds de tortel kirt,
Hoe slaat de nachtegaal!
De lente strooit oranje en mirt;
Dat is orakeltaal!
Dat veld en woud en bloemenkoor
â¢Mijn kunsteloozen zang Welluidender in 'slandsmans oor
En zoeter dan vervang.
Het fluistert in den rozengaard,
Het ritselt in 't prieel;
Beminnenswaard, benijdenswaard Uw weg, uw werk, uw deel!
IN DE BIBLIOTHEEK VAN EEN LIEFHEBBER.
Geleerdheid grijnst van alle kanten
Hier door een stemmig donker heen: Ach! met eerwaarde folianten
In perkament, als achtbre tanten, Ben ik, zoo jong, niet graag alleen.
Hu! ijzegrimmige kwartijnen,
Gij staart mij zoo verschrik!ijk aan, Als waar' hij erger dan profaan. Die aan uw saaien schuifgordijnen Zijn wuften handschoen durfde slaan.
*]
*' â ,« 1 â¢â¢ ' ⢠' if' if' if' -f' iC' ^ ' â ,? ' IT' i('
-*i ,gt;'â igt;' ,gt;'â
STEM DES HARTEN
'l Is boek van onderen tot boven!
Hier groeien boeken uit den grond: Ai! help! ik voel mij zoo bestoven, Als relden al die filozofen Gelyk uit hun papieren mond!
Hij, die dees achtbre rijen schikte, Bouwde eens aan Babels toren mee; Hier hebt gij de oudheid, stof op snee! En â hoe ik van die titlen schrikte â Verwarring is hier 't groot idee.
Ik zou vergeefs mijn vrienden zoeken. Ik heb geen moed en geen pleizier; Het is of gij uit alle hoeken Mij toebromt, o pedante boeken:
âGij zijt geen boek wat doet gij hier?quot;
Hoor! De oude grenen kasten kraken. De meester komt... het vunze stof Dampt naar de zoldring duf en dof! Ik mag mij uit de voeten maken,
Ik voel een bitsen schouderklop,
Ik zie twee opgesperde kaken... De boekeneter eet mij op!
52
j
* *
1S49.
3
STEM DES HARTEN.
i.
Ach, zou dat zonde zijn, als ik mijn blijde handen Des avonds reik naar God en dankend uitroep: âHeer,
/â¢
F
*
Ik ben gehecht aan de aard, met meer dan aardsche banden Van wereldlust, of goud of eer.
*]
].â¢gt; gt; ^
STEM DES HARTEN. 53
Ja, 'k heb deze aarde lief; ik ben gehecht aan 't leven, Met tooversnoeren, als door engelen geweven;
Mijn boezem jaagt van levenslust.
Nu, luider dan weleer by 't ruischon, vieren, blaken Van onbezonnen scherts en wufte zinvermaken En vreugde zonder rouw of rust.quot;
Mijn wilde jonkheid heeft gespeeld met haar talenten
Als 't onnadenkend kind met nutloos speelgoed speelt; De gave, die 'k ontving, wierp vruchten af noch renten,
Al heeft myn lied te-met een vriendlijk oor gestreeld.
Ik heb mijn jeugd verdroomd, verbeuzeld en verzongen; Het vuur der fantazie, myn adren ingedrongen.
Heeft de onschuld mijner ziel verpest;
Een droom van zinlijkheid ontrustte mijn gedachten,
Voor hersenschim op schim verspilde ik de eêlste krachten â En daar is wroeging, die mij rest.
i
quot;t Was zwerven zonder doel, en zoeken zonder vinden.
Genieten zonder smaak, en sluimren zonder rust;
Daar was geen heiige band, die mij aan de aard mocht binden,
't Was leven zonder last en leven zonder lust!
Een wreede nachtwaak soms vol wreevle fantaziën. Doorworsteld in den arm van twijflaars en genieën.
Stak op myn wang een koortsgloed aan; En 's morgens afgemat, vol onbestemde smarte,
Zocht ik een troost, een God, een leven voor mijn harte â En alles riep: âVergaan, vergaan!quot;
o Heer, ik heb als knaap gestreden en geleden.
Gelijk een grijsaard, die naar 't donker graf zich bukt En vruchteloos een ster, een staf zoekt voor zijn schreden.
Die kroost noch kruis in de armen drukt.
Maar vluchtig was mijn ernst en duurzaam was mijn zonde, Vergifte scherts vloeide als een balsem in de wonde
â Vi
\
«j
i :N
J'
*3..» .» , jr ,gt; ,gt; ,gt; ,,y , » ,» .gt; , y ,» , y , » [
STEM DES HARTEN.
Van 't brekend en ontwaakt gemoed!...
Waartoe mij langer met Gods raadslen te vermoeien?
Laat mij de purpren druif in 't tintiend schenkglas gloeien... Gelukkig hij, wien de aard voldoet!...
Helaas, ik meende 't nooit! 't was nutloos zelfmisleiden;
Neen, 't was somtijds een zucht, een diepe wanhoopsklacht, O wereld, waar uw stem, uw vreugde, uw eer mij vleiden,
'k Heb nooit van u myn heil verwacht;
'k Heb nooit mijn slingrend hart geheel aan u verloren, 'k Heb menig uur gevloekt, dat ik u toe moest hooren:
Gij, dwaze, waart mijn afgod nooit!
Maar ook, my bleef geen God, geen hemel mij daarboven: Mijn hoop was met mijn ernst als ijdele asch verstoven, Die op den storm wordt uitgestrooid!
'k Begreep het raadsel niet van 's menschen lotbestemming: Het leven was me een droom, en de aarde een droomgezicht, Ik wandelde in een wolk van angst en zielsbeklemming, 't Was duister in mijn ziel, bij 's levens morgenlicht.
Ik vlood mij-zelf; ik vlood de wroeging der gedachten.... Maar toch, in de onrust soms der halfdoorwaakte nachten,
Is 't voor mijn brandend oog geweest,
54
*
* *
A *
*,
*,
*
â¢\ :V
=v
-4 *
Als stond een engel daar, wier teedre stem ik kende, Die sprak, als zij haar oog, vol tranen, tot mij wendde: ,Welzalig de armen naar den geest____quot;
rquot;»
:K
II.
En thans? mijn uchtendlied stijgt als mijn avondbede: âHeer, laat mij arm van geest, en rijker zijn van hart!quot; En thans? een koelte Gods, een adem van zijn vrede Ruischt om mijn twijflend hoofd en heelt mijn zondesmart.
r r
* ' i(' â *' R
* ' * ' -.f'
*]â *'' â *' *quot; *1
*].,» .Â¥â .* .a- .a- .gt;â ,gt;â¢- â gt; â gt;â .gt;â â «- â gt; â gt; â gt; â gt;'â¢
STEM DES HARTEN. 55
Ik voel my iedren dag een wankle schrede nader Tot u, o bloedig kruis, tot U, o reddend Vader,
Al ben 'k bij die van verre staan;
Ook die van verre zijn, zij mogen zonder schromen Tot U, die nimmer ver, die steeds naby zijt, komen : De vreemden neemt Ge als zonen aan.
Nu is my de aarde lief, en dierbaar werd mij 't leven, En hopend staart myn blik op 't bloeiend levenspad:
Mijn arme ziel kreeg rust, een rust van God gegeven.
Ofschoon mijn jonkheid Hem vergat.
o Overvloedige! hoe voedzaam is uw zegen!
Het leven is woestijn â daar daalt uw mannaregen.
Het water stroomt uit elke rots!
Hoe heerlijk is nu de aard! hoe warm gij, zonnestralen.
Waar Hij die aard bezielt, â waar gij in 't hart komt dalen. Als 't koestrend vuur der liefde Gods!
Daar spreekt een andre lach in 't oog der aangebeden',
Waar gij haar drukt in d'arm als 't zoetst geschenk van God; De vriendschap heeft, met Hem, verhoogde teederheden.
De luite.een reiner klank, en 't leven meer genot;
Daar is geloof en hoop bij iedre star te vinden,
Daar spreekt een geestenstem in 't lied der najaarswinden,
In lentezang en wiekgeklep____
Maar ook, o menschengeest, die op uw aadiaarsreizen Den gouden sleutel vondt der wonderen-paleizen.
Ik weet geen rust dan bij een kreb!
En uit die krebbe klinkt één lied, één last u tegen:
Welzalig de armen Gods en de armen naar den geest; Wie zich het diepst verneêrt, ontvangt het hoogst den zegen.
Wie 't minst bezit, ontvangt het meest.
o Laat me, bij dat woord, het hoofd ter ruste vlijen,
Zacht, als een zalige in den schoot der englenreien,
*].» .» .» ,.y- .y- .#
LENTE.
Wier vleugel hem een tente spreidt!
Laat me op de zee der eeuw myn zeilsteen niet verliezen,
Laat my geloof met rust, voor trots en kennis kiezen: â Uw kennis. God! is zaligheid!
Zoek eerst, o zondaar, zoek het Koninkrijk des Heeren,
En al het andre wordt geworpen in uw schoot:
Wie aan zyn poorte klopt, hij zal niet ledig keeren:
God geeft geen aalmoes, geeft geen brood!
Hij schenkt de volheid van zyn beste zegeningen;
En somtijds geeft Hij aan zijn arme stervelingen
Ook levenslust bü hemelrust.
En hecht hun hart aan de aard met meer dan aardsche banden, Die Hij eens zelf ontknoopt met de eigen vaderhanden. Die ginds de heilige engel kust.
1
LENTE.
Laat het strooien hoedje zwieren
Op 't kastanjebruin!
Pluk een knopjen in uw tuin: Dierbre, wij gaan lente vieren Op het hooge duin.
Wij gaan juichen, wij gaan danken
Onzen rijken God,
Die uit bloemen weeft ons lot. Die ons harte vult met klanken Van het blijdst genot;
Die zijn bloemen in uw gaarde,
In uw ziele strooit.
Hart en hemelen ontplooit;
^ ,.y . y
56
0-. * * * * *
'N
*
LENTE.
Die zijn schoone, bloeiende aarde, En uw voorhoofd tooit!
Die de leliën en rozen
Kleedt met majesteit, Zonneglans en heerlijkheid;
Die ons, kinderen, zorgeloozen. Onzen wensch bereidt.
Boven eike- en lindekruinen Aêmt de borst zoo vry,
Laat ons danken vroom en blij; Op de hooge, blonde duinen. Eenzaam knielen wij!
Lachen wij den hemel tegen,
Die ons tegenlacht Met zijn vrede, met zyn pracht, Met nog ruimer, rijker zegen Dan ons hart zich dacht!
Ja! ik wil mijn vroolijke oogen Naar mijn Schepper slaan! 'k Weet, Hij, die zoo menig traan In zijn goedheid af wou drogen. Zal m\jn lach verstaan!
Op, ter hooge tempelzalen!
Door geen mensch bespied. Wil ik juichen : ik geniet!
En aan Hem den dank betalen. Die mijn hart doorziet!
Laat het strooien hoedje zwieren Op 't kastanjebruin!
,» .P- .*â ,y- .*â -_
58 ZOMERTOCHTJE.
Pluk een knopjen in uw tuin: Lieve, wij gaan lente vieren Op het hooge duin!
1849.
ALS IK DES ZOMEKS.
Als ik des zomers, duffe stadswal, u ontweken,
Mijn jonge jeugd geniet in zachte hemelstreken,
En baad in morgenkoelte en dweep in maneschijn Aan 't blauwe Sparen of den dichterlijken Rijn,
Waar lieve menschen langs de groene heuvlen wonen,
Waar 't hooge woud weerklinkt van blijde hemeltonen,
Waar ik de bloempjes ken! waar ik den tyd vergeet, En van geen zorg â ei neen! van dag noch datum weet; Waar ik geen last heb van my-zelf noch van mijn vrinden, En my in 't dichte bosch geen taaie brief kan vinden.
Daar 'k ook geen nieuws verneem, dan' 't eeuwig jonge lied. Dat uit den hemel klinkt en in mijn ziele vliet:
Dan is 't mij soms als liep ik pas in 't lieve leven.
Als hadde ik niets gezien dan deze kalme dreven.
Als hadde ik niets gesmaakt dan deze zuivre lucht, Als hadde ik niets gehoord dan 't fluistrend windgezucht, Als hadde ik niets beschreid, gevoeld, gedacht, geleden â Anch'io de eerste mensch in 't nieuwgeschapen Eden!
1848.
ZOMERTOCHTJE.
Mooi weer! was de kreet, en de blozende morgen Beloofde ons een pralenden, stralenden dag;
Het tochtje ving aan met een dankbaren lach;
it ' lt;quot; â X'r :f'r Hquot; ' *r -X' vfquot; â¢!(' â *'
â VI,gt;â .gt;⢠.*â .y- ,gt; y- .» .» .*â
ZOMERTOCHTJE.
De vogelen zongen: verbant uwe zorgen!
De bloemen verkondden: geniet uwe jeugd!
Gods vriendlijke hemel: ik gun u de vreugd! En 't opene hart hield geen smartje verborgen: Een jonkheid van weelde, van liefde, van licht. Stroomde allen van 't prettig en vroolijk gezicht. De sierlijke paarden, gelukkige slaven,
Zij schenen alleen voor genoegen te draven;
De weg was zoo schoon of de milde natuur Een bruidje verwachtte in dit feestelijk uur; De kindren, met gretige, gulzige blikken,
Vertelden elkaêr van den heerlijken room â Luilekkerlands geurigen, zuiveren stroom â
Die straks op de hoeve hun hart zou verkwikken;
Van 't lekkere hooiland, dat noodde tot rust Na spelen en stoeien en dertelen lust;
De meisjes â zij kleurden; de knapen â zij lachten En kweekten verwonderlijk zoete gedachten....
Daar hief, na een poos, voor het vonkelend oog, De toren van 't dorp uit het groen zich omhoog.
Daar lachte de hoeve den juichenden tegen.
Daar stroomde het welkom, de room en de zegen,
Daar geurde de feestdisch â een gaard in den gaard! Daar namen en harten en magen hun vaart! Wij vierden den zomer â wij stoeiden en gloeiden, Tot we eindelijk, vermoeiden, als beekjes vervloeiden.â Maar één had geen lust en geen rust en geen duur, Geen smaak in den room en geen oog voor natuur. Geen lach voor den lach van het glunder boerinnetje. Geen arm voor den arm van een geestig vriendinnetje... Och help, hij was dwars door zijn hartje gegriefd, Betooverd, besluitloos, jaloersch en verliefd ;
De guit dacht zich gek op een liefdesverklaring____
59
Zijn liefje intusschen____had ik in bewaring.
1849.
sl-y *quot; *â ' *â *â ' *quot; if *quot; lt;quot; *quot; â *quot; y â *' rr^r'S
VLIEGENVREUGD EN DICHTERSMART.
VLIEGENVREUGD EN DICHTERSMART.
Och, myn plannen, och, mgn droomen! 't Rijk der muggen is gekomen.
En de vliegen zonder tal.
Geven in mijn zonnig huisje,
In mijn warm en stoffig kluisje.
Wesp en bij haar zomerbal.
'fc Ben van nacht schier opgevreten, Uitgezogen, stukgebeten.
Door een kannibaalsche mug ; En, sinds de eerste morgenglansen. Hoorde ik niets dan vliegen dansen. Die ontwaakten versch en vlug!
Voor dat razen en dat snorren,
Voor dat blazen en dat knorren
Is mijn meisjen al gevlucht:
Voor haar steken half bezweken Zijn de zangstertjes geweken En verdwenen in de lucht!
Monstervliegen, helsche koren Springen om en in mijn ooren; â
In mijn haren, in mijn hals Danst een hommel, woest van minne, Met de vliegenkoninginne. Een afgrijselijke wals.
Hoor ze tieren.... kijk ze zwieren In mijn boeken en papieren,
In mijn melk en op mijn brood,
. .»â ,gt;â .jJL ,gt;'
REIZEN.
In mijn inkt en in mijn suiker, In mijn vruchten... op den ruiker, Dien een trouwe hand mij bood...
'k Ben de monsters nagevlogen,
Dorst naar 't witte bloed in de oogen, 'k Heb ze op stoelen nagewipt; Eén doorboorde ik, twee versloeg ik, Drie vermoordde ik, vijf verjoeg ik, Een zelfs heb ik... doorgeknipt!
=4
-]
* *, *
Ondertusschen nieuwe drommen Rukten aan met turksche trommen. En een Simson ben ik niet: â Op het werken is geen kijk meer; 'k Ben geen kwart ideetje rijk meer En prozaïsch van verdriet.
O, genade voor den zanger!
'k Zing en zie en denk niet langer. Afgemarteld, afgesloofd... Legioenen vliegen gonzen,
Item Almanakken bonzen Op mijn leeg en bonzend hood!
61
*1 *1
*]
REIZEN.
O droomen van mijn jeugd en van mijn langen nacht! O zielsverlangen, dat mij langzaam doet verteren! Ik reikhals naar den lt;top der bergen, en ik smacht.
Ik hunker naar de blauwe meren!
Ik heb al lang genoeg mijn effen pad betreên,
1
* *
'ir â¢* â
â *.1,. v- . . y-
62 REIZEN.
'k Wil rijzen, dalen, 'k wil genieten, leeren, zwerven;
Ik wil voor lange jaren heen;
Voor ik Gods wondren heb gezien, kan ik niet sterven!
Ben ik niet moe en krank en leeg? â o laat mij gaan! Alleen vermoeinis en genot doet mij herleven.
Ik ben gevangen: ik smacht mijn vleuglen uit te slaan
In wolken en oranjedreven.
Ach laat mij gaan! 'k Heb uit een ander Paradijs De vleistem van een geest â mijn goeden geest â vernomen... Voel hoe mijn voorhoofd gloeit, laat bij der bergen ijs Mijn dorstig, brandend hart bekomen!
'k Wil leven scheppen uit uw dichterlijken schoot,
Beroemde meren, langs wier oever schimmen waren
Van Vrijheid, Schoonheid, en Genie, als 't avondrood Der zon van Zwitserland vast wegkwijnt in uw baren...
O God! een vloed van poëzie zal in mijn hart,
Mijn jong, mijn open hart, als balsem nederstroomen. Van groote liefde en groote smart En goddelijke dichterdroomen!
Naar Spanje, Spanje! 'k wil in 't lauwe schemeruur.
Bij 't sfcargeflonker van twee Andaluzische oogen,
D' oranjelusthof zien der toovrende natuur,
Den boog van 't Moorsch paleis, de azuren hemelbogen!
Ik wil Aranjuez, Sevielje, Burgos â neen.
Op afgelegen kerkhofhoeken.
Waar nooit de zon der glorie scheen,
Wil ik, o, Spanje! 't graf van uw Cervantes zoeken!
En ik zal drijven in den gondel, als de nacht Op Napels' waatren daalt, als de avondwinden hijgen
Van weelde en 't golfje spreekt van Tasso's liefdeklacht. En Harolds zangen uit den schoot der baren stijgen!
'-*'r iC iC -K' *â -t' if' iC rf' 1»quot; if '
. v .gt;â . y- , »â . lt;/â . ^ . »'â .gt;'⢠^ K
SPEELGOED VAN MIJN KINDERJAREN. 63
Wees gij alleen mijn gids, o wilde Fantazij,
Mijn reisplan is een lied vol grillen en verlangen:
Maar al die oorden roepen mij,
Waar rots of waterval dweept van verliefde zangen.
*
'k Zal reizen over zee en dolen over de aard:
'k Wil vreemde menschen zien en zeden, verre kusten â
Dat is een kostlijk deel des korten levens waard â
En ik moet zwerven eer myn zwervend hart kan rusten;
Ik moet mij sterken met natuur en bergenlucht,
By kunst en puin, in avonturen en gevaren!
Op dan, dit goede land ontvlucht,
Om schatten des gevoels, des geestes op te gaêren!
Mijn trouwe makker is gereed. Wij gaan, wij gaan.
Als vrije vooglen aan het duffe nest ontvlogen;
Laat de eerste lentestraal maar dalen uit den hoogen.
En 't lentekoor voor ons het uur van scheiden slaan! De toekomst lacht ons aan van blauwe hemelbogen,
Het voorjaar komt! wij gaan, vaarwel, wij gaan aanstondsâ Tenzij een dierbaar kind, tenzij twee sprekende oogen Mij schreiend smeeken; Blijf bij ons!
r *
* *
SPEELGOED VAN MIJN KINDERJAREN.
Speelgoed van mijn kinderjaren,
'k Vraag u niet wanhopig weer:
'k Hield nog enkle wilde haren
Van mijn zorgeloos weleer,
En, bij 't rijpen van mijn leven.
Heeft des Hemels trouwe gunst Hooger rijkdom mij gegeven:
Droomen, zangen, liefde en kunst!
ïfj*1 -.f -A' â .*' vfi»:
-j-*^»1 -i -â¢
SPREEKWOORDJES.
Ik heb meisjes om te stoeien,
Voor de vlinders van 't terras!
Andre kijkers die mij boeien,
Dan 't geslepen tooverglas!
'k Heb voor vliegers â luchtkasteelen.
Drijvende in den zomerglans;
Voor mijn drukke kinderspelen, Tonenspel en notendans!
Ik weet zoeter, dwazer zangen,
Dan der sprookjes poëzij;
Vroeger kon ik musschen vangen, En nu â duifjes, blank en bly; 'k Heb een handvol mirteblaêren.
Voor amandel en rozijn.
En op mijn vervlogen jaren Drink ik met den ouden wijn!
'k Wandel met een lied door 't leven, Blij als 't kind aan moeders hand â Kennis, door uw rijke dreven,
Kunst, door uw gelukkig land!
'k Heb een wereld voor mijn spelen.
En vermoeid van spel en lust.
Of van menschen die krakeelen. Ook een Hemel voor mijn rust.
1S49.
r
r
L
SPREEKWOORDJES.
Dorst maakt van de frissche stroomen. Die den wandlaar doen bekomen Van de hitte van zijn pad.
Meer dan kostlijk druivennat;
64
I 'f
â â¢I -.f â * â 'â *'r ir
quot;ü*
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
â â¢] â¢â¢ 4 â¢â¢ ' ' -⢠1 ' .⢠' -⢠⢠.atquot;' .⢠' .⢠r .« ' ⢠.⢠⢠.m'' .» ' ' [â¢,- |
[
â
5
.=*!.gt; â gt;- ,y- â gt; .» ,.» ,gt;â â gt; ,gt;â .M- .*â ,gt; â gt; â gt;â ,gt;'i*
T LATIJNSCHE SCHOOL.
Edukatie maakt de honden, De aapjes in de kermistent, Bjjna menschen van talent; Onze tyd maakt diplomaten, Filizofen, demokraten,
Van myn kruier en myn ,Janquot;; Maar geen kist vol ridderstarren Maakt van vijf-en-twintig narren Ooit één knap, verstandig man.
66
1849.
'T LATIJNSCHE SCHOOL.
Latijnsche school, Latijnsche poort! Gezegend en gezellig oord,
O wereld vol illuzie!
Vol lust en Grieksch en lief en leed, O wereld, die ik nooit vergeet. Vol vriendschap en vol ruzie!
O zoete bluf van -t eerst Latijn, O heerlijkheid de tolk te zijn
Cornelii Nepotis 1 Te voelen, als men verzen schrijft, Dat men altoos een bengel blijft. En dat de Rektor groot is!
O lieve standjes voor de poort! Mooi-meisjes in haar vreê gestoord,
Die langs den Singel kuierden ; Waar onvermoeid, om klokke twee, Nos patriae deliciae Nog een kwartiertje luierden !
-if ' ' it ' if ' ' â £ ' â¢Â£''
â â¢3 iT' â *' rfquot;'
â¢X ' * ' *quot; * v? it' l*
.y .*
't latijnsche school.
We waren toen zoo prettig slecht;
(Zij 't met een diepen zucht gezegd!)
Wy gaven om geen pensa! Wij plaagden, wat zich plagen liet, En waren banjaarts op 't gebied Van tvtttu en van mensa!
Ons hoofd, ons hart was vol en dol, Wü speelden nog geen menschenrol.
Wij waren vrome knapen! Vol levenslust en levensmoed.
Met Paris' grillen, Ajax' bloed. En â niet voor 't Grieksch geschapen.
We zochten van Gorinna's Guit De ondeugendste elegietjes uit;
Zijn lied was onze harem! Wij schreven dikwijls u ter eer, Een duizend verzen min of meer.
Amice puellarum!
Trots al de classicissimos En Bake en Reitz en hos en quos.
Epitome's et talia!
Wat was ik jolig, wijs en jong.
Eer ik naar hooger wijsheid dong En promoveerde â ad alia!
Nu kruipt of wandelt elk zijn gang. En kent zijn wereld â zijn belang;
Nu leven we âin disputis.quot;
De goede dagen zijn geweest, En uitgespeeld het korte feest Amoenae juventutis!
G7
*
â f] gt;' if' â¢/' ' -.i' -.i â ' y' 4' v«quot; y -.f' -.i ' â *' â *'
68 EPIKURISCH FEESTGEZANG.
Sinds werd het leven politiek,
Moraal, kritiek en polemiek!
Maar, â spijt de fraaie vormen â
't Is alles leugen, kunst of kool--
Ik wou weer naar 't lalijnsche school Katheders gaan bestormen!
1849.
UIT HET STUDENTENLEVEN.
I.
EPIKURISCH FEESTGEZANG.
Ruischende wanden, en schittrende zalen. Bruisende bekers en ramlende schalen. Blinkende toortsen in flonkrend kristal. Klinkende kelken en jubelgeschal!
Schaatrende buien van lachen en zingen, Klaatrende stroomen en kurken aan 't springen; Spreien van dons voor het uitgerekt lyf.
Reien van vrinden in 't zalig verbljjf!
Blazende wangen en smakkende lippen,
Azende blikken op aadlijke snippen.
Gouden fazanten en druipenden kluif,
Oude, gemerkte, gezegende druif!
Heilige schotels van bruine pasteien.
Veilige feestdisch en gladde geleien.
Geuren en fleuren van 't blinkend festijn, Keuren van spijzen en kleuren van wyn!
EPIKURISCH FEESTGEZANG.
Dappren, valt aan op uw puik-koteletten! Wappren, als vaandels, de blanke servetten, Spoedig met bloed van de druiven bemorst. Moedig vergoten uit weeldrige dorst!
Helden, valt aan op uw walmenden feestdisch! Melden de resten hoe goed hier de geest is! Harten en magen, orgaren en geest.
Tarten tot morgen de drukte van 't feest!
Vloeie nu 't feestlied uit kokende longen! Gloeie de Pudding in vurige tongen !
Krake de Noga en zinke tot puin,
Smake dat gruizel van eetbaar arduin 1.... Ruikers en kransen van versche festoenen, Suikers, vaniljes, oranjen, citroenen,
Adem van frischheid, verkwik ons gemoed, Wadem een koeltjen in 't ziedende bloed!
Rompen van taarten en marmeren klippen ; Klompen van ijzen versmelt op de lippen! Gloeiende dronken aan vriendschap en min, Vloeiende verzen vol boeienden zin! Vonklende kelken en ruischende snaren, Kronklende wolken van fijne sigaren!
Volop van weelde, van lust en genot.... Dolkop, bedenk u een zaliger lot!
Dampende kruien van 't weelderig Oosten, Stampende voeten by hartelijke toasten!
Buien van geestdrift doorgieren de zaal.
Uien doorkruisen het prachtige maal!
Eere dan, wie bij de feestbokaal rusten,
Eere wie 't langste den bekerrand kusten,
Eere, wie 't keurigst en fijnst heeft gesmuld; Eere, wie 't kundigst zijn maag heeft gevuld.
1847.
69
. »'â . *â . gt;'â . gt;'â . gt;â . â - , gt;â , gt;â , â¢â¢ , gt;- , gt;â , gt;*â . , y-1*.
EEN LIEDJE AAN EEN JONG STUDENT.
II.
EEN LIEDJE AAN EEN JONG STUDENT.
Gegroet, o lievling van mijn zang, O jong en jolig wezen !
Al duurt uw zoete droom niet lang,
Gegroet en luid geprezen!
0 lust en eere van uw stand,
Lang blijve uw jeugd floreeren:
Gij zijt zoo gloeiend amuzant,
Lang moogt ge u amuzeeren!
My is geen naam, geen rang bekend
Zoo edel, zoo verheven,
Zoo schoon als de uwe, o jong student,
Die fladdert in het leven!
'k Heb eerbied voor den blijden soes.
Wat anderen ook preeken,
'k Heb eerbied voor den vrijen roes Van deze â uw beste weken!
Do jeugd zij als een korenveld,
Verruklijk schoon voor de oogen, Dat joelt en woelt en bruist en zwelt
Door d' uchtendwind bewogen !
Staan eens die wilde velden kalm,
Bij schoven saamgebonden,
Dan wordt aan iedren gouden halm Een rijke vrucht gevonden !
Die nimmer dwaas was in zijn jeugd,
70
Wordt nimmer recht verstandig, Een fiksche jeugd â baart mannendeugd,
â **1 * ' it' '/f' i(' 4' â #' â £ ' -f'' ' -f ' â amp;' * * * l*
, è'- . èr . in , jèr- ,_gt;'-⢠, m-
EEN LIEDJE AAN EEN JONG STUDENT.
Maakt handelbaar en handig.
'k Vertrouw die wyze jongens niet Van achttien, twintig jaren â
Uw wijsheid is een gloeiend lied,
Een pet op zeven haren!
Laat vrij de blonde, zijden snor Om rozenlippen bloeien;
Schreeuw nog uw keel aan lö's schor En laat champagne vloeien!
Tier â zoo 't uw borst verruimen kan; â Maar schuldloos en â met gratie!
Scheld aan 't biljart den stommen Jan, Maar schelt met variatie!
Speel bomber als een oude rot,
Stop delicieuze ballen,
Moog tusschenbeide een mooie pot Uw kunst ten deele vallen!
Maar zoek het liefst uw zoetste feest Bij zoute konversatie,
Toon daar uw opgewonden geest En tintelende facie!
Leer ons hoe gü uw blauwe pet (Een pet van achttien jaren!)
Zoo onnavolgbaar, zoo koket,
Gooit om uw bruine haren!
Als vond ook ztj de vreugde zoet. Als kreeg zij geest en leven;
Ik zal een nieuwen zijden hoed Voor dat geheim u geven!
Nog niet, vooreerst, dien schalken kop In boekenstof verborgen;
. * . gt;⢠l*.
*LJL, :4-j
*
*
*
*
*
*
*
y
:4,
A «
*
Ã;
ïi *
Hij *
*â
%
:V
H *
*
*
*
*
*
*
*
*
71
yj if' iff if' if' if' if' if' i(' -ff' if' if' if' i(' if' if' ^ CV
. amp; , è' . . »⢠. . ir . . ï- â . . gt;'⢠, V' , A'- , , è- . »'⢠, , Jr t «
72 DE HUMORIST.
Blijf frisscher dan de rozeknop
En jonger dan de Morgen!
Laat steeds de Graties in haar gunst
Uw pad met goud bestrooien, En met een onnavolgbre kunst Uw almaviva plooien!
Blijf jong en wild en woest en rond;
O, dat die lustige oogen Altijd zoo helder, zoo gezond,
Zoo edel gloeien mogen!
Vlieg, jonge vlinder, naar uw zin.
Laat niets uw vlucht beperken, En â vlieg toch eens het leven in, Nog stofgoud op de vlerken!
Die wensch zvj ijdel als de droom
Van 't jong studentenleven,
Op! toch genoten zonder schroom,
In deze tooverdreven!
Een wensch tot slot, een warme beê: Al schreeuwt ge niet, â blijf zingen, Klink altyd mee â word nooit blazé En doe geen domme dingen.
Nov. 1849.
III.
DE HUMORIST.
Horrible, horrible, most horrible.
Eenmaal had ik zeven vrinden. Bloemen, in mijn levensgaard. Die ik tot een krans mocht binden
, 4'- IV
DE HUMORIST.
Om mijn hoofd en om myn haard. Luister, en, van één tot zeven,
Zeg ik in een bondig lied.
Waar zij allen zijn gebleven.
Want ik had â maar heb ze niet.
De eerste, een knaap met blonde lokken
En een vriendelijk gemoed,
Is naar 't verre land vertrokken,
Hij is heen en heen voor goed. Op zijn beeltnis blijf ik staren
En ik weef een lang gedicht:
Door mijn droomen komt hij waren, Met een vreemd en bruin gezicht.
Nommer Twee liet zijn getrouwen
Loopen voor een kleine meid. Die hem strengen op leert houên,
Smelten doet van zaligheid.
't Was een fiere, forsche jongen.
Die altijd myn poken brak; Onbedwingbaar, nu bedwongen.
Door een zachte vrouweplak!
Nommer Drie, wien ik het leven
Zoo vol gratie en talent Door zag fladderen, zingen, zweven.
Half een vlinder, half student.
73
Zijn Eerwaarde zakte op klompen In een kleigrond, zes voet diep, Een tracht d'Urmensch in te pompen, Wie dan toch de wereld schiep!____
J
Nommer Vier werd ongenietbaar; 't Is een pure filoloog!
.1⢠.* .* .» ,» ,» .» .» ,gt;- .» .i-- . y- .*â - .y- .v-
74 het schotje.
't Is een Graecus, 't is een Piet â maar
Ongelooflijk dom en droog.
'k Moest den Vijfde laten glijden,
Daar 'k met hem mijn rust verloor.
Want op ongelegen tijden Las hij me altijd verzen voor.
En de Zesde, jong bedorven â
Zwakke ziel en groote geest â
Is, mijn ziele schreit â gestorven!
Maar een ander zegt, gesjeesd.
Mocht hij voor een vriend herleven,
'k Zou hem in een dankbaar hart 't Liefste plekje wedergeven.
Heilig door een lange smart.
Maar u kan ik zien noch luchten.
Diepst gezonken Simia!
Al uw zeemlen, al uw zuchten.
Al uw doen is laria,
Ieder zuchtje is een Judas,
Ieder glimlach is een list____
O mijn help! ik merk het nu pas,
Ach^ de vent werd humorist!
IV.
het schotje.
Et nos! we hebben hier zoo iets,
Een burg, een Athenaeum,
Als 't binnen kort in duigen stort. Zing ik een klein Te Deum!
1
5^' vT' V V * ' vf' ÃT ^ â ,» *' *' 4'
. gt;quot;â . gt;'⢠K
*\
HET SCHOTJE.
Het is een wit gepleisterd graf, Behangen met portretten,
Die soms bij 't Amsterdamsch latijn Verschriklijke oogen zetten!
't Is opgelapt en opgeknapt,
Ãén wrak, één reparatie!
't Is opgeflikt en opgeschikt.
En staat nog â by de gratie.
Het is een afgeleefde best.
Vol pleisters en op krukken,
En toch â een mannentreitrend nest. Vol onuitstaanbre nukken!
Ik heb een hekel aan die kast. Dat huichelend gebouwtje.
Het is me een levende ergernis. Een âgansch venijnig ouwlje!quot;
En toch, mijn ziel miskent u niet, Eerwaarden en Geleerden!
Wier zorgen met meer smaak dan geld Ons kastje restaureerden.
3
Voor wie het opneemt (met zijn neus)
Is 't zaaltje vrij behaaglijk ;
Voor mij â ik heb het al gezegd â Voor mij is 't onverdraaglijk!
Ad rem! een lang weerhouden lied
Moog trillen door dit krotje,
Het is een ronde dichtervloek. Geslingerd tegen 't Schotje!
75
â * gt;-
* *
3 i 3
*â ' *â ' â¢*'
13 '
-ff'
'*i. gt;- . gt;'â¢
HET SCHOTJE
Dat Schofjen in de breede bank,
De bank der Hooggeleerden, Die eenmaal allen (een voor een) In diesem Halle oreerden!
Die nu met toga's of met roem
De breede bank bezetten, Wanneer hun evenmensch oreert Naar oude saaie wetten !
J
Dat Schotjen in de breede bank, De bank der Hooggeleerden,
Die in dit hol zich â juist als ik, â Soms gruwlyk embêteerden!
Dat Schotje, dat de bank verdeelt Potsierlijk in twee hokken____
Zou 't eene voor de schapen z;jn, Enquot;'t ander voor de bokken?
Dat weet ik niet, maar wat ik weet, Bij elk oratie-jooltje
Dan heb ik rust in voet noch vuist, Ik zit â als op een kooltje!
Maar wat ik weet, dat zeg ik luid, Dat zeg ik zonder schromen;
Kastanjes moeten eenmaal uit Het smeulend vuur genomen!
p'-
't Is Feest: k\jk op, daar naakt de rei
Der breede Professoren,
Zij nemen plaats in 't groote hok En spitsen klassische ooren!
76
|
[â¢1 . it- , o- d- . , t' , «'⢠, »'⢠, , »'⢠, ir . V- . *'â . V- . a-__, o- , ,ó'- . a- . bâ , ó- , c'- , If | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
â¢â¢J -⢠' ' â¢â¢ ' ' .m ' .m ' .⢠' .⢠' .⢠' -M ⢠.⢠' .⢠â quot; â¢â¢ r -jf ' -⢠' â¢â¢ ' -f ' |_e; | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
-
.* .» .M- ,» â gt; â gt; ,gt; .» . ^ ^ ...*â
78 HET SCHOTJE.
Als halve ketters bij elkaêr,
Apart in 't kleine hokje!
Een Lutheraan, een Remonstrant,
Twee eerlijke Mennisten,
Die worden achter 't schot gezet, Als waren 't antichristen!
Den Lutheraan, den Remonstrant, Bij zulk een feestgenotje.
Die schuift en dringt men op elkaêr, Als uitschot â achter 't Schotje!
De Lutheraan et caeteri,
Dat zijn toch brave kerels:
En, Athenaeum! aan uw kroon Zeer schitterende perels! â
De Remonstrant et caeteri,
Die moeten u geneeren!
En hier alleen, hier durft, hier mag Zoo'n Schotje hen geneeren!
Toch heeft onze eeuw zoo menig muur Als Jericho zien vallen.
Zoo menig breeden dam geslecht En ontoegangbre wallen!
Zoo menig hooge toren viel Als Babylon in gruizelen.
Ik zag de wyzen overbluft.
En starre hoofden duizelen!
Maar, trots de schokken onzes tijds, Dat triomfante Schotje
*quot; *quot; â *quot; *quot; -y vf'
Ti*
V?quot; *quot;
tl.» .» .* .» ,» â gt; . » .» â » .» .» . » â gt;!
HET SCHOTJE. 79
Maakt met partygeest en behoud Een gruwelijk komplotje!
Al is 't een gruwel in ons oog,
Wat namen wij nog dragen,
Al kan dat onverwrikbaar ding Geen Christenziel behagen:
Al werd het zesmaal ridikuul.
Sinds ééntjen â o die stoutert! â ')
Met vluggen, vrijen, fleren moed,
Er over is geklauterd; â
Het staat, het scheidt en scheurt, ten schand Van waarheid en verlichting!
Dat Schotjen is â een formulier.
Dat Schotjen is â een richting!
Het heeft een kop, het heeft een ziel,
Staat, vrinden, niet verwonderd!
Ja, in dat Schotje huist een ziel,
De geest van zestienhonderd!
Een schalke Dordtsche grootpiepa Zit in dat schot verstoken.
Die bij zijn leven tien uur ver De ketters heeft geroken!
Hij klemt de rotte planken vast Van 't waggelende muurtje,
Dat haast bü 's mans papieren dam Moog knettren op mijn vuurtje!
1) Historisch; een der professoren âvan 't kleine hokjequot; is over het schotje gesprongen op den 9den van October, anno 1849.
-jf' if' vf * v® â -⢠â â quot; M «⢠â « * ' if
»⢠. m- . $'⢠. amp; . 'ei- .jt'__, c- , p- , amp; l 0- . c- , a- , #'⢠. »⢠, ê' , , gt;'⢠. ¥⢠, amp;⢠, y* .
80 HET SCHOTJE.
âTot hieitoe en niet verder!quot; grijnst Het zieltjen in die planken.
Gij Heeren hebt één geest misschien,
Maar ik heb hier â twee banken!
Bezoek te grauwen middernacht Dat spokende gebouwtje,
Dan hoort ge een bitsen hamerslag:
Dat is mijn timmrend ouwtje!
Hij timmert losse spijkers vast Met wee- en preektoon-galmen;
Hij bromt en blaast: verdragen!! wat! En knarsetandt in psalmen!
O timmer, onverzoenbre geest,
Ras brengt een vroolijk standje
U 's nachts een heuchelijk bezoek,
En helpt â temet â een handje!
Wij komen, ja! wij komen, hoor!
Met fakkels en flambouwen,
Met feestwijn en triumfmuziek En handen uit de mouwen!
Wij stroomen allen samen tot Een monsterkonvokatie,
En trappen 't Schotje â krak! â ineen Met vreeselijke staatsie!
lö vivat, lö vivat,
Zal door 't gewelfje schallen,
En krakend bij den laatslen toon Zal 't laatste Schotje vallen!
'â ] . ir
HET SCHOTJE.
Dan wordt, die «ketter onzer eeuwquot;
In vuur en vlam begraven, En 't âAthenaeum floreat!quot;
Stroomt uit de borst der braven!
Zoo nu wie 't aangaat, grijnzend lacht
En laakt die kromme sprongen.... Wel, dat men 't Schotjen overgeev' Aan d'eersten krullenjongen!
! 3
Ja, 'k raad u, laat, met stille trom.
Dat haatlijk Scholje sloopen, En zet die laatste, lafste sluis Voor liefde en eenheid open!
81
Maar is 't ook weer een uitgaaf, die Met moeite wordt bedropen____
Ik zal de âschoftquot; betalen, ja,
En ik wil 't Schotje koopen.
Ik wil het als een rariteit Mijn leven lang bewaren;
Een staaltje van humanen geest. Na zooveel honderd jaren!
En 't zieltjen? Och dat zieltje zal Bij mg geen kwaad meer brouwen,
Met primo Mei verhuist hij weer____
Bij mij is 't niet te houên.
gt;4. quot;
--*
1850.
m
â gt; .gt;â .gt; â gt;'- .gt;'⢠. gt; gt;' â gt;'⢠gt;gt;' . gt;'⢠.gt; , â y- . , ?â¢
82 AAN MIJN VRIEND MR. E. H. s'JACOB.
V.
AAN MIJN VRIEND MR. E. H. S'JACOB.
Naar Batavia vertrekkeude.
TEK HERINNERING.
'k Zal niet schreien en niet klagen,
Stille smart is â diepe smart;
'k Wil den last des afscheids dragen,
Moedig als uw manlijk hart.
Maar een korte, vrome bede.
Maar een handdruk zij mijn groet:
Lieve zwerver, ga in vrede,
Met uw God en met uw moed!
Lievling van uw trouwe vrinden,
Wees de lievling der Fortuin;
Vriendschap â liefde moogt ge vinden
Maar gedenk aan Hollands duin.
Blijf de kracht der jonge jaren,
Blijf dien onbedorven geest.
En dat edel hart bewaren.
Dat ons dierbaar is geweest!
Wy, wij zullen menigmalen
Spreken van den verren vrind.
Van zijn droomen en verhalen,
Van zijn lach, die harten wint;
En in droevige oogenblikken
Zal een trouwe groet misschien Uw geliefden wel verkwikken Met een droom van wederzien.
â *' *quot; ir^'ir~ïr~ir~ïr~:ir'ïr~ir'irj'w:
.* .gt; .y- .gt; .y- .-^ .gt; .y- .y- .y .gt; .gt;
DE VOLKSDICHTER.
Want â wij blijven u verbeiden, Ach, het is nog veel te vroeg, Dierbaarste, om voor goed te scheiden,
En â wjj zijn nog jong genoeg----
Maar zoovelen zijn gebleven.
Velen hebben niet gewacht: â
Goede reis dan voor dit leven En voor 't andere; Goeden nacht!
I860.
HET LAND.
Zvjn fijnst sigaartje smaakt hem niet, Zijn knappend vuurtje blaakt hem niet, Zijn zoetlief meisje raakt hem niet.
Zijn vrienden, ó genaakt hem niet!
83
â¢4; *
*
* *
Zijn baardje zelfs vermaakt hem niet, De stumpert heeft zoo'n groot verdriet.. En wat? â Nu juist, dat weet hij niet!
-.4,
DE VOLKSDICHTER.
Wie is de wakkre held, dien 't luistrend volk zal eeren.
Wie heeft de graaf, den geest, den moed?
Wie zal hun Hollands taal, hun recht, hun roeping leeren,
Wien klopt de vrije borst van 't edel dichtrenbloed. Wie zal hun leven, hun Historie, hun verleden.
Wie zal hun lief en leed, in de echte vormen kleeden,
Hen kluisteren aan zijn dichtertoon?
Wie zal het volk, in ernst, zijn groote liefde schenken. En met hen lijden, met hen voelen, met hen denken. Hun vriend en broeder zijn en zoon?
' -if' if'
quot;*â ' *quot; *quot;
it quot; -J» '
if' vC' â *quot; *' if'
.gt;â .gt;'-l
DE VOLKSDICHTER.
Dat is een leven waard van studie, strijd en smarle,
Van zelfverloochning en geduld:
Een menschenleven waard! en 't edelst menschenharte
Ooit van een heilig doel vervuld!....
Dat is een jonkheid waard in mijmering gesleten,
Die 't brood der tranen met Gods armen heeft gegeten,
Die 't donker leven kent, waar straks haar licht op straal! Die troosten kan â omdat ze als de armste heeft geleden, Die zeegnen kan â daar zij gewerkt heeft en gebeden, Die spreekt en lacht in zieletaal!
Gezegend, als gij komt, gij lang verbeide Dichter,
Uw woord zij ;t volk een troost, een staf, een lust, een wet; Uw vrije zang maak hun den zwaren arbeid lichter.
Uw blijde toon verheug, versterk als 't vroom gebed!
Geef hun een lied, als brood, verkwikkend voor hun harten. Een teuge frisschen wijns, een heulsap voor hun smarten, Een lied, hun afkomst waard, dat op de toekomst wijst! En laat het maatgekweél van vaderlandsche zangen Voor vrijheid, liefde en vreugd, den schorren toon vervangen, Die langs de straten krast en krijscht.
O jongling, wien de God der vaadren heeft verkoren.
Die 't onbekende lied voelt worden in uw borst.
Rijs op, en laat mijn volk uw blijde boodschap hooren,
En wees hun Man, hun Held, hun Vorst!
Reeds is de melodie de zielen ingevloten.....
Geef stemmen aan de stof, en woorden aan de noten.
Wees de echo van 't weleer en aller deugden tolk!
Geef â wat geen brood alleen, geen goud vermag te geven,
Geef krachten aan de hand, en kracht aan 't zieleleven; Een schoone toekomst aan uw volk!
84
1*
I* *'
VfJ ' -⢠' 'jf' rïquot;' ^T1 v?'' .«'T' .tf ' .i-1- jt ⢠v» ' .â¢'* .f â -«r' .f'' .» ' .0''
, b , fi- , , 'fh , jr , ü' , H- , '4- , jr . 0- , it- . , »' , ir , , V'
AAN IEDEREEN.
AAN IEDEREEN.
85
Als u het hart tot spreken dringt, Zoo spreek!
Maar wat gij spreekt of preekt of zingt, Hou' steek!
Nooit rake uw bol, wat zeng of zied, Van streek!
Kort, krachtig zij uw toast, uw lied, Uw preek!
Geef nimmer, zonder zin of slot.
Geluid 1
En snoer, beleefd maar vrij, den zot Den snuit!
Zeg, wat gij meent, waar plicht gebiedt. Recht uit!
De dwaas alleen verschiet om niet Zijn kruit.
Eii zoo uw proza rolt en staat,
Hoezee!
Maar zoo gij straks in 't Rijm vergaaf, O wee!
Wees met uw stijl, zoo flink, zoo vrij, Tevreê!
Want Proza, man, en Poëzij Zijn twéé!
Gij, zanger, wien de boezem brandt. Hef aan!
Uw lied zij ons een vriendenhand Of traan!
*, üj
ÃB^
4 1
4
J
ïV
A
:i:'
*],.» .M- .» .» .*â .ï .* .*â .*â â gt; .*â¢â .» .M-l*.
86 DAGELIJKSCH BROOD.
Maar weg met ijdle dichtersmart En waan!
Gezond zij hoofd en harp en hart â Verstaan?
Geef, Meester in de kunst, kritiek.
Maar wik!
En scherm niet voor uw eigen kliek Of ik!
Ei, gun den dommen dwaas geen rust. Pik, prik!
Maar schreeuwt ge uit nijd of luim of lust, Zoo â stik!
Weet, wat gü zegt; denk, eer gij schrijft Of dicht;
Maar zoo gij eeuwig wischt en wrijft, Zoo zwicht!
Een warkop, wat hij broedt of doet. Ontsticht;
Een helder hoofd, een rein gemoed Brengt licht!
DAGELIJKSCH BROOD.
Mijn brood is 't brood der bloeiende aarde.
Mijn brood is weelde en overvloed, De bloesems van mijn lentegaarde,
De frissche lucht, die sterkt en voedt; Een uitgelezen schat van zegen.
Die, als van-zelf, vloeit in mijn schobt____
Mijn hart, verwonderd en verlegen. Och, stamel van uw daaglijksch brood!
-.f â ⢠â '
].» .v .*â .i- .*⢠.*⢠.Â¥â .gt;â ,/â .*â ,gt;â â gt; .»
DAGELIJKSCH BROOD. 87
Mijn brood... het regent in de dalen !
't Is morgendauw en ochtendgoud,
Het zyn Gods heldre zonnestralen,
Het is de lommer van het woud,
't Is de avondwind der blonde duinen,
De geur van 't landschap aan mijn voet. Het koorgezang uit de eikekruinen,
Het golfgeruisch bij d' avondgloed!
't Is, 's morgens, van het woord des Heeren
Een dierbaar en een heilig blad,
't Zijn liedren, die mij spelend leeren,
Die mij verzeilen op mijn pad,
En zachte tonen en verhalen,
Die uit de takken, uit de lucht,
In de open ziele nederdalen.
Des avonds op der winden zucht.
't Zijn, die mij wekken, blijde brieven.
De vriendelijke morgengroet,
De wenschen mijner verre lieven,
Die vragen: smaakt u 't leven zoet? 't Is vriendschap, zeegnend uit de verte,
't Is liefde, zeegnend en nabij,
Het is een droom van 't dichterharte Of reeds het leven hemel zij ?
't Is dolen langs de heuvelklingen,
En droomen op het krakend mos.
En dwepen met de erinneringen.
Die fluistren in het donker bosch;
Het zijn de geuren dezer dreven.
De stemmen van den dierbren oord.
Waar al de trouwe zuchten zweven Van 't lieve harf, dat mij behoort.
lt;quot; *quot; *' *quot; *quot; â *' â *' irrir~ïr-ie -y
88 IN GELUKKIGE DAGEN.
Het is de glans van lieldre blikken,
Die als de hemel, blauw en zacht,
Mijn mijmrend hoofd, mijn hart verkwikken.
Een zoete mond, die geeft en lacht;
't Zijn frissche rozen, frissche wangen, 't Is dwaas gesnap, en druk gedruis Van kinderspelen en gezangen.
De weelde van het vroolijk huis!
't Zyn vruchten van beladen boomen, Die, als wy schudden, ryp en rond, Ons, dwaze kindren, overstroomen En smelten in den open mond;
Het is de room der moederaarde,
Die door de dalen ruischt en vloeit, 't Is de uitgelezen vrucht der gaarde,
Die op des levens feestdisch bloeit____
O, 'k weet wel dat het brood der smarte
Ook mij, als ieder stervling, wacht;
Maar nu â vergeef my, zoo myn harte
Niet aan het oude vonnis dacht: â Ik mag van 't brood der weelde zingen.
Van zegen, dien mij God bereidt, In 't zweet... van verre wandelingen. Met tranen, ja... van dankbaarheid!
ï-
IN GELUKKIGE DAGEN.
Zachte, frissche lentestralen,
Liefdegeur en liefdegloed Stroomen door dees rijke dalen.
ïfcj
J
%!
i ïi
A
* * * j*
r
-|
s- , it' i' . , A'- , ^ , V , #⢠. è- , V' , V' , fr' , GEDULD.
Stroomen in mijn blij gemoed.
Zegen heb ik mild ontvangen____
Nochtans â in mijn eenzaamheid Heb ik by mijn blijdste zangen Menig stillen traan geschreid.
Ir -*
i *
a *
89
Neen, in 'tgroote rijk der smarte
Ben ik lang geen vreemdling meer; In mijn pas ontloken harte
Klinkt een stem reeds van weleer: Waar ik van Gods gunst verhaalde,
Dacht ik: Hoe 't mij wezen zor Als uw blik mijn lot bestraalde, Moederliefde, moedertrouw!
Maar niet luide zal ik klagen.
Voor de menschen â zeker niet. Vriendlijk, als dees blijde dagen.
Klinkt voor elk mijn dankbaar lied. Gij slechts â geesten van 't verleden
Voert mijn diepe, stille klacht Voor den Hoorder der gebeden, In dees stillen lentenacht!
GEDULD.
Een stille, groote deugd, die de englen u benijden.
De vrucht van 't rijk geloof, een sieraad van den geest; Een reine lelie in de doornenkroon van 't lijden; 't Geheimnisvolle kruid, dat iedre wond geneest!
J
Een stille psalm der ziel, beproefd____en trouw bevonden;
't Welluidendste gebed in 't zalig Vaderhuis;
.* ,» .* .* .» ,» ,» .» .* .*â .gt;â¢â
DE SINT-NIKOLAASAVOND.
Als Magdalena's liefde, een losprijs veler zonden;
Een glans om 't Chris tl ijk hoofd, als blonk om Jezus kruis.
1850.
DE SINT-NIKOLAASAVOND.
EEN AMSTERDAMSCHE VERTELLING.
*â *
Wie heeft daar ooren voor een dwaas, ondeugend lied? Wien belgt een losse scherts en ronde waarheid niet? Wie laat mij vrijheid om te zeggen en te zingen Al wat ik hoorde en zag, al zijn het vreemde dingen! â Dat zal wel mettertijd veranderen, menschen! maar Ik wil niet veinzen voor mijn drie-en-twintigst jaar. â Wie kijkt de wereld in met onbenevelde oogen En wordt niet graag door schijn, hoe deftig ook, bedrogen!
ii.
Gij zijt mijn man en ik omhels u in den geest.
Voor u te zingen is myn blijde jeugd een feest!
Voor u mijn frissche lach, mijn opgeruimde zangen: Den ronden lach terug wil ik tot loon ontvangen, Uw tranen wil ik niet. Die kostelijke schat Komt beter u te pas op eigen levenspad,
En, zoo ik u verveel â de hachlijkste aller kansen â Dan moogt gij bij mijn vers gaan slapen, fluiten, dansen.
in.
Ik zong mijn huidig lied alleen uit levenslust.
Soms in een dwaze bui, soms in den arm der rust. Natuurlijk, dat ik dus mijn zinnen niet vermoeide
* *
* * * * *â * #â *â
t-*
*
90
V» ' â » ' * ' J 1 '
ïfj â /' -if' * '
â *' -4' â *' â *'
.gt;?â .ï ,gt;â .it- .gt;'â ..g- ,gt; .gt;â .gt;
*J.»
H
â gt; .-* â gt;â
91
DE SINT-NIKOLAASAVOND.
Met hopelooze Min of moord, en gruwlen broeide.
'k Ben zorgloos en tevreên, mijn lied moet vroolijk zijn: Brengt peper aan en zout, o Muzen! geen venijn.
Dees glimlach doet geen zeer, tenzij ge u boos zoudt maken, Als ik met zeekren dwaas een nootje heb te kraken.
IV.
Beziel me, o plaaggeest der beminde Poëzij,
Beziel me, o schalke nimf der fijne plagerij!
Ik weet een klein verhaal vol vaderlandsche grappen,
Dat ik met hart en ziel mijn vrienden wil verklappen. En zoo het waar mag zijn dat een verstandig man Uit wat hij hoort of ziet een lesje trekken kan,
Dan durf ik veilig en vrijmoedig hier beweren,
Dat ge uit mtfn kleen verhaal â al lacht gij â ook kunt leeren!
Ik put mijn stof uit geen bestoven foliant,
Maar 'k nam gedurig toch een aardig werk ter hand, Een boek vol poëzie en proza, diepte en klaarheid,
Vol onzin en vol geest, vol laster en vol waarheid;
Voor wie maar lezen wil is 't altijd bij de hand En in gezelschap soms bijzonder amuzant;
Een werk voor idereen door iedereen geschreven,
Vol studie, vol natuur; 't is, hoorders, 't is? Uw leven.
VI.
Mijn kunstloos drama, want dien naam verdient het wel Al breng ik niemand aan de poorten van de Hel,
Myn vroolijk drama speelt in achttien honderd zeven En veertig; dag en uur is lang niet om het even.
Baadt zelv': 't speelt op een dag, die, wat hij brengo of baar, Toch altijd is en blijft de zoetste van het jaar.
De bitterste misschien, gelukkigen en rijken,
Voor d'armen snoeper, die bij alles toe mag kijken!
*quot; *â '
* *
=4 :4
* * *
â¢k
4, *
*
* % '«
*. *
92 DE SINT-NIKOL AAS AVOND,
Een vriendelijke dag, een trouwe kindervrind,
Een dag, die elk van ons heeft liefgehad als kind,
En die nog pas uw beurs, uw kroost, uw maag, uw woning, Bepaald in opstand bracht; een bisschop en een koning. Vol zoetheid voor den mond, vol zielezaligheid,
Wiens naam gij langer niet kunt zwijgen, lieve meid. Wie hij, jaar in jaar uit, een stroom brengt van cadeautjes, Altijd incognito van twintig beaux en beautjes!
Sint-Nikolaas, niet waar? O wèl hem, wie dat feest Nog altijd meeviert met een kinderlijken geest!
Wiens hoofd niet al te zeer vervuld is van die schatten Der wijsheid, die helaas, mijn brein niet kan bevatten, 'k Meen beursnieuws, politiek en soortgelijke meer. Om met zijn kinderen meê, te leven in 't weleer. Om dagen lang vooruit de winkels rond te dwalen, Of aan een «vrijsterquot; nog zijn hart eens op te halen!
IX.
Ik min dien winterdag vol bloemen, lied en geur, Ik min dat zoete feest van suiker en likeur, Het zielverkwikkend ijs, de schuim der limonade!
'k Zie, liever dan in druk, miin naam in chocolade! En, Epikurus, zeg, is niet de lekkre tand De trouwste paranimf der kies van 't waar verstand? Vindt me' in de Republiek der stille lekkerbekken Niet meestal wijze liên of â schadelooze gekken ?
't Was, hoorders, Sint-Niklaas. De trouwe Bisschop had Zijn aankomst reeds gemeld aan IJ- en Amstelstad, En keur van industrie en kunst vooruitgezonden.
* .y- . gt;â¢
DE SINT-NIKOLAASAVOND.
[quot;
93
Reeds zweeft en leeft zijn naam op duizend, duizend monden, Reeds had hij overal om gulheid en âbeletquot;
Geschreven en gevraagd met brieven van banket;
En â hoe me' ook elders nu een Bisschop zou ontvangen, Sint-Niklaas wacht men op met zoete kinderzangen.
XI.
O Bisschop! schoon 'k niet licht een Heilige vertrouw. Gij zyt een Heilige, dien 'k haast aanbidden zou;
Eén daad van minzaamheid, van weldoen was uw leven. Uw liefde heeft uw naam de onsterflijkheid gegeven; Och, dwazen, die een naam, een grooten naam begeert. Kent gij er een, zoo rein, zoo schoon, zoo stil vereerd. Die dus, eeuw in eeuw uit, met hartlijkheid bejegend, In 't hart der kindren leeft, door kindren wordt gezegend?
*j
* '4
Ja, Kinderheilige, nog neemt mijn hart u aan!
En had de wereld slechts wat beter u verstaan,
Uw geest van weldoen en van liefde meer begrepen,
'k Zou met uw naamdag nog geruster kunnen dwepen.
Want, lieve hoorders, is 't niet kannibaalsch en wreed,
Dat men op zulk een feest het hongrig volk vergeet. Dat met een zieklijk oog komt op uw lekkers azen.
En met zijn bleek en neus kleeft aan de winkelglazen?
XIII.
Het was dan Sint-Niklaas. 't Is feest in stad en huis.
De straten zün vervuld van 't woelig koopgedruis. En menig woning vol verwachting en gezangen.
De kindren vol respekt, de meisjes vol verlangen.
Geen jonge bruigom, die zoozeer naar de' avond smacht,
Als menig schalke knaap dees grooten avond wacht, âPlein de mystères,quot; zoo niet de eerste twijfelingen,
Reeds schuldig en waanwijs, zich in zijn hartje dringen.
,y- . y- ,/â .gt;â ,gt;- ,/â
9i DE SINT NIKOLAASAVOND.
XIV.
En nu, mijn vrienden, nu gij dag en datum weet, â Zoo duidlijk dat gij 't wis van avond niet vergeet, â Geeft mij na al die soep, nog weinige oogenblikken, Om mijn tooneel en personages wel te schikken.
De klucht speelt binnenshuis; ik zou, wanneer ik wou, Een wijk-, een gracht en zelfs een nommer, zeer getrouw U kunnen noemen, maar om 't niet te ver te drijven, Zal ik dat maar blauw-blauw of blanco laten blijven.
xv.
Ik leid u binnen in een lieve, ruime zaal,
Vol vroolijkheid en licht, vol kinderpret en praal; En 'k liet u graag de rest er zelf maar bij verzinnen. Om daadlijk met de kern van 't sprookje te beginnen, Maar dat verbiedt de kunst! Eer toch, o hoorders, groeit De kokosnoot bevrijd van d'ijzren schil, eer vloeit Haar melk den wandlaar toe, eer, om de minste zaken. Een schrijver niet een schil beschrijvingen zal maken!
Het zij dan zoo: mijn zaal is als een andre zaal,
Iets grooter dan bij u; 't kleed wordt een beetje kaal, Juist als bij u, niet waar? ik weet uw dochters droomen Van danspartijtjes als dat kleed wordt opgenomen, 't Plafond is hoog en rijk als 't uwe; zie, is dit Niet uw behangsel, blauw met donkergrijs en wit? Schoon ik erkennen moet, Mevrouw, dat uw gordijnen, Die stiller zijn van kleur, mij veel gepaster schijnen.
XVII.
De marmren schoorsteen is met luxe en licht bevracht. Ginds prijkt een kastje vol van Japanneesche pracht; Als mijn financies mij die grappen permitteeren,
Laat ik mijn zaal eenmaal precies zóó meubileeren:
*.1.» ,lt;gt;- .y .» .*⢠..»â .gt;â . â »-
DE SINT-N1K0LAASAV0ND. 95
Twee sofa's, één voor mij, één voor de lieve duif, Die neerstrijkt in mijn hof! zacht als haar zachte kuif,
Haar nekje van fluweel; tenzij ik mocht bedenken,
Dat één voor twee wellicht nog meer genot kon schenken!
Et caelera: de rest precies in de' eigen trant.
Zeer comfortable, zeer chicard, zeer elegant.
Ik geef u vrijheid, als gij duidlijk kunt bemerken.
Mijn schets naar eigen smaak behoorlijk uit te werken. Slechts dit nog dient vermeld: daar, boven het buffet. Praalt in een gouden lijst een blinkend mansportret, Waarop ik niettemin voor geld noch goud wou lijken, En dat ik toch met u wat nader wil bekijken!
XIX.
Maar daar 't origineel vast even dichtebij En even leelijk is, als gindsche prachtkopij,
En daar ik bovendien mijn hals niet heb te rekken. Om 's mans fyzionomie en minnelijke trekken Voor u te schetsen naar de levende natuur â Zoo, hoorders, heb ik de eer den schalk, die ginds aan 't vuur Zijn zielsgeheimen zeer intiem schijnt te vertellen,
U als den Heer van 't huis en.... leelijk voor te stellen.
xx.
Ja lang niet mooi____en toch vol fraaie deftigheid;
Hij vult zijn leuningstoel met breede majesteit;
Zijn boezem, wit als sneeuw â ik breng zijn stijfster hulde -Zet hij zoo hoog alsof zijn naam zijn eeuw vervulde! Hij knijpt zijn oogen soms, zoo zalig, zoo vermoeid,
Als op een warme stoof het poesje dat zich broeit;
Toch ziet de man er uit of hij van drift zou stikken.
Als gij hem met een speld dorst in zijn beenen prikken.
Ifjvfy V' if' *â¢' ' ii' V*quot; if' *quot; if' â¢*' â #' â *' /'t*
DE SINT-MKOL A AS A VOND.
XXI.
O vaak is mij de lust bekropen dees of geen i Te prikken met een speld in 't molligst van zijn been! i Den reednaar in zijn vuur, den opgeblazen dichter, Den stijtgeplooiden fat, den grooten volksverlichter. Den schoolvos, die den grond doet kraken van zijn poids, Den hooggeleerden heer, wiens voetstap zegt: G'est moi! En al die godjes, die zich zeiven adoreeren.
Zou 'k, met één speldeprik, hun menschheid willen leeren!
Voorts is mjjn vijftiger zoo min of meer gebuikt,
Zoo min of meer gedast en min of meer gepruikt; Een man, die even stijf geschroefd zit in zijn boorden, Als in z^jn préjugés: die aan zyn minste woorden Een klank geeft en een klem, een nadruk, een gewicht, Als bracht bq, waar hij sprak, een misdaad aan het licht; Nog bromt hij door een neus, beroofd van alle gratie. Die paars wordt aan zijn punt, in 't vuur der konverzatie.
u
F
i. . I
XXIII.
Toch had Meneer een club, die aan zijn lippen hing â 't Bewijst niet machtig veel voor dezen vriendenkring â 't Was heusch! een knappe vent â zoo zei men â en in zaken Van Politiek was 't best niet met hem slaags te raken! Nu was de Staatskrant ook zijn âcours de politiquequot;. En dat 's een deeglijk werk en duchtig satiriek.
Welks vroolijk mengelwerk en geestige kolommen Alle oppositiegeest, zijns inziens, deên verstommen!
xxiv.
Hij viel niet machtig slim: zelfs had hij in zijn jeugd. Gerechte Hemel! voor de studie niet gedeugd;
96
in*
3 *'
â¢Vi. ^ . *⢠. gt;'â . *⢠_J»1 , y- , g- , j»'- . gt;' , y- L*!
DE SINT-NIKOLAASAVOND. 97
Maar hij 's nu ouderling en jonkheer; kommissaris Van zyn beminde club, waar alles even ânaarquot; is;
Een groot vereerder van het edel paardenras,
En â soms niet wel bij 't hoofd, schoon altijd wel by kas. Ook kocht hij alle-jaar den Almanach de Gotha En wist de titels van de vorstjes op een iota.
«J
*J
De man is op den duur zoo taamlijk in zijn schik Met zijn positie in de wereld en zijn Ik;
Een luie rentenier, geschapen voor een kussen,
Met truffels opgevuld, met zotheên en â met Russen. Hij oordeelt â allen over alles â overal,
Heeft veel congesties, veel onaangnaams en veel gal; Is vóór het hangen, vóór het geeslen, vóór het branden. En vindt zijn weerga niet in 't rijk der Nederlanden.
XXVI.
Bekrompen als een best, die eeuwig kousen stopt. En â bij een onweer â om haar oude zonden tobt; Hij knort, als hij verliest, een flauw partijtje spelend,
Is bar konservatief en radikaal vervelend;
Kortom een dwaas figuur in deze triestige eeuw,
En ook nog____ Ridder van den Nederlandschen Leeuw!
En dat 's nu juist zijn fort! want mijn gelukkig vrindje Sprak van zijn geeltjes graag, maar liever van zijn lintje.
Hij achtte 't lief kleinood, gelijk zich-zelven, hoog: Een onversierde rok in 's mans diepvorschend oog Was geen gekleede rok; een mooie dekoratie Kon altijd reeknen op zijn eerbied en zijn gratie.
Hij keek zijn menschen nooit naar hart of hoofd, maar 't was Zijn lust te kijken naar het knoopsgat van hun jas;
Zelfs zijn koetsier had, uit zijn diensttijd, een medalje.
En dus een streepje voor bij 't overig âkanalje.quot;
â #' * â â ir~ir â *' i *
-â¢I ⢠^ â¢
98
XXVIII.
Hij vroeg nooit: Is die mensch knap, eerlijk, braaf, geleerd? Maar, heeft hij iets? of wel: Is hij gedekoreerd?
Hij-zelf, hij droeg een star, zelfs als hij ziek en thuis was, Ook op zijn chambre cloak, zijn over- en zijn huisjas.
De man was op dat punt waarachtig monomaan,
Alleen met ridders kon hij goed uit wan dien gaan. 't Is vreemd â maar als gij 't heer wilt in zijn glorie kennen. Moet gij van lieverlee aan duizend dwaasheên wennen.
XXIX.
En al die dwaasheên zal ik zeggen in mijn lied,
Hoe laf, hoe min, hoe dom. De waarheid schaamt zich niet. Mij zweeft een eerlijk doel voor onbenevelde oogen,
Maar die niet liegen kan, wordt ook niet graag bedrogen. Ik moet vertellen wat ik hoorde, wat ik zag;
Ik dien de waarheid trouw, nü met een ronden lach.
Straks met een ernstig woord. â Dies, wat ik mag verlangen, Is dit: och oordeel niet voor 't amen van mijn zangen!
xxx.
:t Was, hoorders, Sint-Niklaas. Ziet verder in het rond. De kindren hangen op de stoelen, langs den grond:
't Zijn één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven kinderkopjes. Nu, bij het minst gedruis, schier onder pijpendopjes Te vangen â dan weer, fluks bemoedigd door de taal Der lieve moeder, aan het woelen door de zaal:
Zoodat een heer aan 't vuur al eens zijn âbrquot; liet hooren. Maar nog te goed schijnt om de kindervreugd te storen.
xxxi.
Vier lieve diertjes zijn van 't ridderlijke nest:
DE SINT-N1K0LA AS AVOND.
*
A,
'*.
A *
â â v
*
V
A,
â¢â »
â k
*
r
r
f
r
f r
r
r
r
h'
r
r
F
u
1
*i *
* A
A 4,
Eén manlijk oir, drie blonde dochtertjes; de rest Familie, neef en nicht, gewoon sinds velen jaren
V? â
â¢a .⢠' .»
*.1.» . y- .Â¥â . y .» .» .» .» .» . #
*
DE SINT-NIKOLAASAVOND.
Dees dag hun vreugd aan die der riddertjes te paren,
Straks wordt er braaf gestrooid, gegrabbeld en verrast; Wij grabblen meê! niet waar ? Elk uwer is hier gast. En schoon gij mooglijk voor die kinderpret zult passen. Ik hoop u toch met een surprise te verrassen.
XXXII.
Een vriendlijk oogenpaar, vol reine moedervreugd,
Bespiedt de spanning van de feestelijke jeugd;
't Is de eedle vrouw van 't huis, in alles onderscheiden Van onzen Ridder, want â zij heeft verstand voor beiden. Zij ziet de dwaasheên van haar echtvriend met geduld. Zij is in 't vrouwlijk hart van nedrigheid vervult,
In huis een trouwe zorg, knap, ordlijk, lief en handig. En voor de wereld schoon en geestig en verstandig.
XXXIII.
De Ridder voert in huis. een despotieken toon;
Haar schepter is 't verstand, en zachtheid â haar geboón. Zóó geniaal weet zij met Manlief om te springen.
Dat zij nooit kibblen, nooit! en toch â de meeste dingen Ten slotte naar heur wil geschieden. Bij veel liefs Heeft zij iets deftigs en van avond iets pensiefs; Zoo tusschenbeide laat zij stil haar handwerk varen En blijft glimlachend op haar oudste dochter staren.
XXXIV.
Wat peinst de brave vrouw? Dat zult gij later zien: 't Wordt tijd dat we onzen groet, der lieve dochter biên. Die voor het theeservies juist, enz.! 'k hoor schellen En ben genoodzaakt mijn verrukking uit te stellen Tot nader! 'k geef vooreerst het mooie meisjen op En vlieg, niet langzaam, naar den blinkend koopren knop
Der deur----denk niet dat iets bijzonders zal verschijnen,
.» .gt; ,» .»
99
=4 *
*
A
â â 4,
*! *
*
a;
=4
*
*
1
4,
â i
â i :i
:4,
Want, lieve vriend, die hoop zou ras in rook verdwijnen.
â jf' *quot; if'
5] -.f ifquot;
,jf- . i'- . jt . m- . y- . j1- ^ , jr- . o- . v , y- , *'â ⢠, y- , y- . ^ , «r . gt;'⢠. y* . y-
100 DE SINT-NIKOLAASAVOND.
XXXV.
Twee ooms, twee lantes treden in, gedekoreerd,
De tantes niet, maar de ooms. Men rijst, men informeert Naar weer en welvaart; een van de ooms had pas het pootje. Den anderen nemen fluks twee nevèn in het ootje.
Die, te oud voor Sint-Niklaas, zich op een kanapé Vrij bar verveelden, spes patris et patriae!
Kwajongens, die de taal der godlyke oudheid leeren.
Sigaren rooken en den âpiepaquot; niet vereeren!
xxxvi.
Een ioglijk neemt zijn plaats, de dames aan den disch. De heeren aan den haard; de konverzatie is Het weer en 't pootje steeds. Straks zullen onze heeren Zich moog'ijk om den staat der fondsen alarmeeren.... Wij luisteren liever niet, tenzij des Ridders neus Tot paarsheid overslaat, dan wordt de zaak kuriens.
Voorts weten we allen dat Jan Helmers' groote Natie Niet machtig groot is in de kleine konverzatie!
xxxvii.
Voor mij althans (hoe egoïst) ik luister wel Zoo graag en grager nog naar 't klinglen van de bel,
Die nu gedurig roept en 't lied der kindren zwijgen En op hun schuw gelaat een aardige angst doet stijgen. De schel op Sint-Niklaas is als een tooverfluit En zoet in 't oor der maagd als 't lied van 's minnaars luit; Pas klinkt haar stem en streelt de hooggespannen zinnen Of dierbre geesten met kadeautjes stroomen binnen.
XXXVIII.
't Was circa zeven uur toen voor de tiende maal Een opgeprikte knecht trad in de groote zaal En de oudste dochter een klein pakjen overhandde,
DE SINT-NIKOLAASAVOND. 101
:i; Waaraan het lieve kind haar fijne vingers brandde;
v Want nauwlyks haalt zij uit het mysterieus pakket â i Het elegant kadeau, een gouden bracelet,
i Te voorschijn, met een blos en hemelvreugd in de oogen, Ofâde oude heer kijkt scheel en fronst de wenkbrauwbogen.
xxxix.
:â¢!
Hij loert, hij gromt, hij draait en treedt op 't meisje toe. Bekijkt met grammen blik â Wat is dat? âGod and you?quot; â Het was de inscriptie van de bracelet van binnen â Wat, âGod and you?quot; â wat, zou die schelm jou nog beminnen? Hij-jou-die-mij-wien-ik! ('smans neus wordt purperrood),
Wien ik (hij blaast) mijn huis, (hij vloekt) mijn ooren sloot!
* Die adder, die mijn eer, de mijne heeft geschonden!
* Beken maar, 't is van hem! en â 't moet teruggezonden.
* XL.
Het ranke meisje bloost en siddert als een riet,
Haar moeder knikt haar toe en fluistert: wanhoop niet!
* Geen woord meer van dat prul! zegt de oude heer nog bevend. Maar daar ik meen, dat, trots die toespraak zoo wellevend
En minzaam, vrienden, gij, de scène die gij hoort,
:i Toch niet verstaan kunt, zal ik daadlijk met een woord â¢i U brengen op 't terrein van die familiezaken:
* Dan moogt ge tevens met de dochter kennis maken.
XLI.
Het is een meisje zoo charmant en zoo pikant.
Zoo allerliefst lief en zoo gloeiend amusant,
Dat ik ('t is nu misschien een jaar twee, drie geleden,
* En sinds dien tijd aanbad ik andre lieflijkheden!)
* Dat ik soms dagen lang en menig langen nacht,
i Dat vraagstuk der natuur, dat raadsel overdacht
En peinsde, als Bogaers in zijn onvergeetlijk âTruitjequot;;
^ ..ar- .y .i'. .»-â ./â .gt;â ,y- .y- .gt;â .gt; ..ar- ,gt;⢠.gt;- .gt;- .gt;â ,» .y-
102 DE SINT-NIKOL AAS AVOND.
Hoe drommel! kwam zoo'n aap aan zulk een geestig spruitje?
XLII.
Gij kent, mijn hoorders, niet? gij kent Luilekkerland?
Gij weet hoe de arme dwaas, die aan dat zalig strand Des levens zorg en smart wil vlieden en vergeten.
Eerst door een Rijslberg heen moet worstelen en eten?
Die berg is de oude heer, het meisjen is die kust;
Wie haar aanbidden dorst, moest voor zijn zoeten lust Heen bijten door Papa! dat werk was niet vermaaklijk.
Een berg van rijstebrij was haast nog wel zoo smaaklijk!
XLIII.
Ja, schoon hier alles veinst, het had niet weinig in.
Zich te verdraaien tot een schoonzoon naar zijn zin;
Die berg van domme idéés en nonsens gansch te slikken En niet bij ieder brok van walging haast te stikken;
Te kijken naar zijn lint, dat breed door 't knoopsgat stak.
Gelijk te geven of â te zwijgen waar hij sprak,
Al sloeg hij door op iets hoe dom ook en hoe grievend.
Al prees hij niet âde Tijdquot;, maar erger---- .,'t Letterlievend.quot;
XLIV.
Maar, 'k zweer u, 't lieve kind was wel de moeite waard.
Ook hadt gij haar niet lang en strafloos aangestaard:
Was de oude gek â een Draak, zij wekte in 't minnend harte Een ridderlijke drift, die alle draken tartte!
Maar zoo de Hugo's en Tancredo's van weleer
Een draak, een burg, een land bevochten voor hun eer En voor een blauwe sjerp... gij mocht een kaartje spelen En met een monster van verveling u vervelen!
XLV.
De jonge schenker van de gouden bracelet
*L. :il
A
â¢â V *
A
A *
*
*
*
*
*
*
=4,
*
A
A *
A
â â 4 *
*
â 4 *
â \
*,
*
=4,
''J
r
f
r ' *
* * *
* *
*
»â¢
* * * * * *
Had zich om de eedle maagd gewaagd aan al die pret.
r^- vr *quot; v?quot; vf* rf'hc'
, .«â f':.
. »
» .» ,» , y- ,. gt;â¢-
*3.:* .y .y .»
DE SINT-NIKOLAASAVOND. 103
Reeds op haar eerste bals was hij haar liefste aanbidder, En schoon de Ridder had bepaald dat slechts een Ridder Van de' echten stempel, eens zijn schoonzoon worden zou, Toch had een knaap die liefst geen ridder wezen wou, Na duizend moeilijkheên, in 't eind acces gekregen.
Vooral omdat Mevrouw hem hartlijk was genegen.
Hij had met nooblen zwier te Leiden gestudeerd.
En was op theses en vernuft gepromoveerd.
Het corpus juris had zijn geest hem niet ontnomen;
Hij leefde van zijn geld en van zijn zoete droomen,
Hield veel van verzen, ale en oesters en muziek,
Was niet vervelend en toch ver in politiek, En twee-en-twintig jaar, 't geen schoonpapa deed zeggen, âDat hü den ouden mensch nu spoedig af moest leggen.quot;
XL VII.
Een week lang hield mgn vriend zijn leven reedlijk uit. Kwam zevenmaal en had het zevenmaal verbruid.
Mevrouw maakte alles goed, het lieve kind souffreerde.
En hij, schoon de oude Draak hem âgloeiendquot; embêteerde, Hield zich weer veertien daag vol zelfverloochning goed En plooide zijn verstand, zijn trekken, zijn gemoed;
Toch ging de ridder voort hem steeds te chicaneeren, En bromde: â'k Zal dat heertje in 't eind wel mores leeren!
XLYIII.
Een schriklijke avond kwam. De ridder knort en kniest. Omdat hü gruwl\jk heeft verloren bij zijn whist.
En zoekt een' ander om zijn noodlot op te wreken;
Hij vindt dien in mijn held: ,0 jongen, 'k moet je spreken. Ik hoor je gaat je soms te buiten... wel verslaan? Te buiten aan het Rijm? üat's dom, dat kan niet gaan. Zoo kryg je nooit een... maar dit uurtje is toch verloren, Kom, snijd eens op! ik wil die prullen ook reis hooren.quot;
-i' â *' ie -r' â *'
r
4
-irirnr'n'
inr
-jT' y â *-'
, jfi . ¥⢠, ^ . . â¢â¢ . »*' â gt;;. â j .*i .ju*L_J-*'''quot;- â -*quot;
104 DE SINT-NIKOLAASAVOND.
XLIX.
Toen voer de duivel in des jonglings ziel: âMeneerquot; â Zoo spreekt hij, bijtend in zijn lippen. â âTe veel eer!quot; De slang sist in zyn hart: Hier kan geen engel zwijgen,
Ik zal dien dommen dwaas het bloed naar 't hoofd doen stijgen! Hij denkt volstrekt niet aan de suites van zijn daad,
Hij heeft zijn wraak in 't hoofd â hij aarzelt niet â hjj gaat Brutaal juist vis-a-vis den Ridder zich posteeren...
En, lieve hoorders, hij vangt aan te deklameeren:
UIT HET LAND VAN KOKANJE.
1.
Daar leefde â het sprookje schijnt waar op mijn eer â Een moedige, goedige koning weleer;
In zijn zalige jeugd Had de roem hem verheugd.
Nu woonde hü stil in het land van Kokanje,
Hield veel van zijn volk en nog meer van â champanje.
2.
Aan tafel, by 't schuimen van d' edelen wijn, S Met makke ministers aan 't geurig festijn,
Sloeg hij dikwijls een ui,
In een lustige bui,
En schreeuwde, verrukt door de flesch die hem lief was! Dat de eerste minister een ooüjke dief was!
3.
Hij scheen met die heeren bepaald familjaar,
Vaak zaten ze laat in den nacht bij elkaêr.
Met een eerlijken roes,
In een heerlijken soes.
DE SINT-NIKOI.AASAVOND.
En brachten het verder in snuggere zetten,
Dan 't slimste, dan 't leepste der staats-kabinetten.
i.
Het hof van mijn prins was aardig als geen,
Zijn Rijkskanselier was zijn Hofnar meteen:
't Was een schrandere borst, Hy kwam goed bij zün vorst.
Want wie was zoo bemind als de Heer van Kokanje Of geestig als hij, by een beker champanje?
Eens, 't was op een duchtig en kluchtig soupé; Riep de vorst aan 't dessert: ,Eh, v'la une idéé! O mijn zotskap, mijn Floor,
Leen mij aanstonds het oor;
Ik zeg u, o puik aller grootkanselieren!
Ik wil al mijn vrindjes met lintjes versieren.
6.
âIk wacht u op morgen bij tijds aan 't paleis, Dan trekken wij fluks met ons tweetjes op reis. Naar den Graaf Gantenac En den prins van Pauillac,
Et caetera, 'k zal eerst maar de heeren beschenken En dan wel mijn stomme Kokanjers bedenken.
7.
âDat niemand het doel van ons toertje verklap' Want dan heb ik eer nog pleizier van de grap! Floor, we rukken er heen Met ons beidjes alleen:
En moge, als de vrienden niet wonder verrast zijn. Mijn hoogheid geen prins en jou zotheid geen kwast
.1â .*⢠,» ,gt; ,* .*â .*â .* .*â ,.» â gt;- .» .» .» .y
106 DE SINT-NIKOLAASAVOND.
8.
En d'anderen morgen voor dag en voor dauw,
â De stad was nog stil en de katjes nog grauw,
Daar kwam jolig en vlug.
Met een zak op den rug,
Ons rijkskanseliertje, de bloem aller gekken.
Met aardige deuntjes zijn Majesteit wekken!
9.
Een vloek en een zucht, en de Prins stond gekleed. Gepoetst en gespoord tot den aftocht gereed:
Hü gaf Floor een sigaar â Allergruwelijkst zwaar â
En 't geestigste paar uit het land van Kokanje Trok heen â na een stevig ontbijt met champanje.
10.
Maar nauwlijks zit Floorneef nog stevig en vast.
Of Sire roept uit: âWat is dat voor een last?
Wat behelst, groote mug.
Toch die zak op je rug?quot;
âIk ben kanselier,quot; â zegt de Nar â âdat zijn lintjes En kroontjes en kruisjes voor jou en je vrindjes!quot;
11.
De koning werd nurksch, maar hij vond toch per slot 't Idéé niet zoo gek en zijn Hofnar vrij zot,
En het tochtje ging voort,
Amuzant, ongestoord,
Het zonnetje scheen, en zij zongen en kusten De lieve Kokanjesche meisjes met lusten!
12.
Zij naadren de grens al in wilden galop.
Daar krijscht het op eens: âStop, je Majesteit, stop!
1
5 â *' * ' *quot; *â ' 5? ' â¢* ' vf *quot; *quot; â¢*' *â ' ' â *quot; *quot; *' â *' [V
*1, y- . *⢠. , r- , y . *â . * . /â . r «â¢- . gt;â , , gt;â . «'â , gt;â ..«â . »'â , 'â , gt;â . gt;'â .
DE SINT-NIKOLAASAVOND. 107
En ontdaan en vervaard Tuimelt Floor van zijn paard,
En rolt op zyn zak: âIk heb alles verloren!
Genade, genade voor mij en mijn ooren!quot;
13
De koning verschrikte, werd rood en werd bleek:
â âWat, leelüke zotskap, wat? Spreek of ik steek Dezen dolk, domme dwerg,
Door je been en je merg!----quot;
â âOch,quot; snikt hij, âSint Jozef! hoe kon het gebeuren. Heeft Sire te-met niet mijn zak hooren scheuren?quot;
14.
âOm duidlik te spreken, genadige vorst,
Die zak, vol met ridders! zoo dapper getorst,
Hij is leeg â als mjjn hand!
Als de schatkist van 't land!
We hebben zoo holderdebolder gereden----
Kijk, alles is hier door dit gaatje gegleden.quot; â
15.
De goedige koning keek donker en zuur,
Maar hield zich niet goed op den duur bij 't figuur Van den rollenden Nar,
En hoe bitter en bar In 't eerst ook zijn vorstlijke stem had geklonken.
Hij had in zijn hart al vergeving geschonken.
16.
â âMijn Rijkskanselier, zyn uw tranen oprecht?quot;----
âZe zijn,quot; snikt de Hofnar, âals paarlen zoo echt.quot;
â âNu rijs op dan, en vlug Naar de stad maar terug!
Den zak weer gevuld in het land van Kokanje____
Betaal onderweg voor je straf mijn champanje!quot;
'vi-t' if' â *' if' â f' â *' * ' if' 4'
,gt;â . ^ .V li' fi'
DE SINT-NIKOLVASAVOND.
17.
De reis ondertusschen van 't hoofd van den staat Was lang in Kokanje bekend en bepraat; Och, geheimen meestal Zijn publiek overal;
Maar meer nog! op markten en straten en wegen,
Alom kwam men linten en ordetjes tegen.
18.
Dié had het bekoorlijk, verlokkend sieraad Gekocht van een Jood of een beedlaar op straat, En dié vond het op weg In een goot of een heg;
Dié liep er met drie, dié met zes, dié met negen; Een vierde weêr had het door vrouwlief gekregen.
19.
Die kreeg het uit achting kadeau van een vrind,
En dié zocht zich blind om een leeuw en een lint; 't Werd besteld en gezocht
En geruild en verkocht____
De knappen, die 't vonden, zij lachten en dachten: Het beste is den afloop van 't grapje te wachten.
20.
âDe koning keert weêr!quot; roept de faam door het land, De Riddertjes raken geducht in den brand.
Maar een oud-advokaat Gaf hun eindlek den raad,
Naar 's rijks kanselier met de vondst zich te wenden. Of â franko â 't kleinood naar de hofstad te zenden.
21.
De koning keert weêr, nu bekend en begroet: Men joelt op zijn weg en men wuift met den hoed:
108
*
i
'â K
si ir
DE SINT-NIKOLA ASA VOND.
Daar op eens door 't gemeen Dringt een manneke heen,
En legt aan den voet van den vorst van Kokanje Twee starretjes neêr en â een rolletje franje.
109
%
En Sire, geroerd door zoo'n eerleken borst:
âMoor u!quot; â roept hij uit â âeen geschenk van uw vorst! Hoü het vrij, goede vrind,
En blyf steeds wélgezind----
Maar pas is die uitslag, zoo gunstig, vernomen.
Daar krielt het van eerlijke luidjes by stroomen.
23.
De goedige koning bleef goed en royaal,
Trakteerde de zaak op een vorstlijke schaal.
En de rijkskanselier Had een gloeiend pleizier.
Men dronk hem ter eer alle dagen champagne En 't feest nam geen end in het land van Kokanje.
24.
De wijzen alleen bleven stilletjes thuis En hielden zich af van het vroolijk gedruis.
En zij kermden; âHelaas,
Zijn de menschen tóch dwaas!
Kan de eer, door het toeval ook zotten geschonken, Het hart van den eerlijken wijsgeer ontvonken!quot;
25.
Daar leefde â het sprookje schijnt waar op mijn eer â Een moedige, goedige koning weleer.
En op aarde geen rijk Eens het zijne gelijk !
Nu ligt alles stil in het land van Kokanje,
Al prijkten er velen met lintjes en franje!
:k
J
J
Hü
A i.
-iquot; [â¢
gt; .jf- ,» ,» .j-. .jf- ,y- .,» .jt .y .y. .if. .» .»
DE SINT-NIKOLAASAVOND.
'k Weet niet hoe mijn poëet dit lied ten einde zong,
Ik weet nog minder hoe de Ridder zich bedwong,
(Tenzij de schrik, 'smans tong en voet en vuist bleef kluisteren!) En naar 't ondeugend rijm ten einde toe kon luisteren, (Ook, onder ons gezegd, des jonkers schalke zang â
Ik heb aan 't versje part noch deel â is. veel te lang;
Heet dat een liedje.' doch zijn geest was pas aan 't bloeien En vreemd nog in de kunst van schikken, sparen, snoeien!)
LI.
Maar 'k weet, dat zoo op slag het ridderlijke vat Nu, als een zwermpot, uit elkander was gespat;
Als hij subiet het een en 't ander had gekregen En stikkend in zijn toorn voor eeuwig had gezwegen.
Of â als due d' Alva â in zijn woede 't ridderkruis â Bedenk wat razernij! â vertrappeld had tot gruis.
Als hij den zanger van Kokanje half verscheurd had,
Waarom der Muzen koor zich zeker dood getreurd had:
110
* * * *â * * * »â #
* *
A *
*
* *
Het had mij niemendal verwonderd, â maar 'k geloof De man was niet recht op de hoogte en ietwat doof. 't Liep zonder manslag af ten minste, en minder kluchtig; Hij keek bij elk koepiet steeds meer en meer wraakzuchtig. En werd eenvoudig dol op 't einde. Raadloos stond Hij eerst een heele poos genageld aan den grond; Verbeet zich, nam een air, een pose, en dekreteerde: (Terwijl zijn knoopsgat hem gedurig inspireerde)
r k
* *.
Ti y y
âGij zijt te nietig voor mijn gramschap, kleine kwast. Gij waart mij al sinds lang een gruwel en een last! Nu is de mate vol, gij zult mij zeer verplichten
quot; -V' v y y-^r~
*â .*â â gt; ,» .* â gt;- ,.» â »
DE SINT-NIKOLAASAVOND. 111
Met nooit uw wandling meer hier naar mijn huis te richten.quot; Ziedaar een zeer beknopt, fatsoenlek résumé Van 's mans welsprekendheid. De knaap kreeg zijn congé, De Ridder kreeg â de koorts, en ijlend zag hij Narren Die sprongen om zijn hoofd met zulke Ridderstarren!
Bezint eer gij begint: de grieve volgt de grap.
Mijn held kreeg ras berouw van zijn vermeetlen stap.
Ach! had hij nog een poos gestreden en geleden,
Die strijd was thans bekroond met duizend zaligheden!
Hij schreef dien dag daarna een mooien brief; â Mevrouw Beloofde voorspraak en zijn meisje bleef hem trouw...
Maar de oude heer kreeg bij zijn naam alleen kongestie.
En wou â als Oostenrijk â niet hooren van amnestie!
LV.
De zachte politiek van de allerliefste vrouw.
De zuchten van de min, de tranen van 't berouw Vermochten niets: hij moest zjjn ridderlintje wreken En wou mijn armen vriend niet hooren, zien of spreken.
't Was nu een jaar geleên; dees kwijnde van verdriet En zag in al dien tijd zijn sweetheart bijna niet.
Alleen 't vertrouwen op haar moeder deed hem leven,
Die als zij d' arme zag nog altijd hoop bleef geven.
LVI.
Begrijpt gij nu waarom die gouden bracelet Den vader zoo in vuur en vlammen had gezet?
't Kadeau was op zich zelf zoo taamlijk onverstandig.
Maar minnaars, vrienden, zijn ook meestal vrü onhandig En zoo lichtvaardig, dwaas, vermetel, onbedacht,
Als ik of mijn verhaal, dat iedren vorm veracht,
En dat mij mettertijd ook wel eens op kon breken Als 't, op den keper, door de heeren wordt bekeken...
if' quot;i?'* '.quot;f' -.f ' ' Ta'' ' .a'' TtT1 TiT7 Tiquot;' leT' ' .tf' **'' .jf' .tf' \jf'
a- ^ a- . «â . «â .« .^
112 DE SINT-NIKOLAASAVOND.
LVII.
Maar dat 's van later zorg! Nu____is het van Sint-Niklaas,
En â 'k hoor reeds in den gang, dunkt mij, een vreemd geraas, Iets, als 't rinkinken van een keten. âHij zal 't wezen,quot;
Staat in het schichtig oog van 't jonge volk te lezen.
Toch houdt zich ieder taai en zucht: âIk ben niet bang.quot; âCourage!quot; roept een oom, en 't Sint-Niklaas gezang Wordt aangeheven met veel trillers in de toontjes.
Veel blikken naar de deur, veel lelies op de koontjes.
LVIII.
De drift intusschen van den Ridder is bedaard.
Schoon hij nog woedend soms naar zeker doosje staart,
Daar ginds apart gezet. De drukke kinderen krijgen Allengs weer de overhand, na pijnlijk spannend zwijgen.
Gevolgd op vaders speech. Ons meisje houdt zich goed En schept in moeders blik haar hoop, haar kracht, haar moed. En 'k zie de laatste wolk van 't dierbaar feest verdwijnen, Nu 't uur genaakt waarop de bisschop zal verschijnen.
LIX.
De keten rammelt nog en vreeslijk luidt de bel.
Een stem bromt in den gang: âIs alles hier nog wel?quot;
Of zoo iets. Dan op eens hoort m' aan de zaaldeur kloppen. En eensklaps is de grond met krieken, manglen, moppen. Bonbons en uiiveis bezaaid. De kleine schaar Vliegt henen van de deur en dringt zich bij elkaêr;
En staat verlegen op de vingertjes te knabbelen,
En durft in d' eersten schrik niet opzien en niet grabbelen.
LX.
De deur slaat open en Sint-Nikolaas treedt in.
Al grommlend in den baard, die afstroomt van zyn kin:
' 3«r' .m ' .lt;tr -mquot;' ; -m'r 75 ' Ziquot;1 ^
J I . è'-__. è'- . 9- _ ____t--1'quot; â -1*' ..f g'- ; è'-^jl.
DE SINT-NIKOLAASAVOKD. 113
Een masker voor 't gelaat â afschuwelijk van kleuren,
En wel geschikt den moed der kleinen____op te beuren;
Een mijter op het hoofd, spits als een suikerbrood.
Een mantel om, de voering buiten, purperrood.
En ruim voor zes, een groenen reiszak in de handen,
't Land van belofte en zoeten koek en____slechte tanden.
LXI.
âSchuift, jongens,quot; â zegt Mevrouw â âbij 't vuur den zorgstoel aan,
Want de oude man heeft veel vermoeinis uitgestaan.quot; Dan, hoorders, volgen al die sprookjes, praatjes, vragen.
Die ge u herinren zult nog uit uw kinderdagen:
Of daar gezorgd is voor het oude, grauwe paard.
Waarmee de brave Sint zijn toer maakt over de aard', En; u komt zóó uit Spanje? u zal de kou wel hinderen?
En: heeft u ook een gard? en: houdt u veel van kinderen?
LXII.
Hebt gij op Sint-Niklaas, gij, hooggestropte vriend En hoorder, ooit een gard gekregen of verdiend?
'k Vraag dit alleen om u een kompliment te maken;
Men zag de knapste liên toch meest als dwaze snaken In 't lieve leven debuteeren; ja 't verstand Is vaak de rijpe vrucht van de allerwildste plant.
En ,o zoo'n achtbaar man, zoo'n knap, lief mensch, zoo'n engel,quot; Is meestal opgebloeid uit---- ,o zoo'n barren bengel!quot;
LXIII.
Gij glimlacht niet, hoe nu? Gij schudt den kreeglen kop! Gij mompelt: dat is flauw! wie haalt die dingen op?
't Komt niet te pas!quot; â aha. Meneer is 't al vergeten?
Meneer wil liever van zijn lieve jeugd niet weten;
Meneer verdiende nooit een gard en steeds een prijs,
1
1 * ' 'iT' IT' '*rr V? ' -⢠' ' -.f ' ' â¢Â«quot; if 'f( -!(' i(' iP
8
, jy1 , jr- , ,ir- , , p-
114
Ja, was als kind en knaap reeds deftig, groot en wijs; Meneer is nimmer jong en dwaas geweest te voren,
Maar met een rok, een bril en parapluie â geboren!
LXIV.
Zoo zijn er, ja! â enfin, vergeef mijn lossen toon.
Of geef mij, zoo gij wilt, mijn welverdiende loon:
Zeg eens bijvoorbeeld â om u schrikkelijk te wreken, â Dal uit mijn keuvlen u zeer duidlijk is gebleken,
Dat ik de eerwaarde School der Ouden snood verliet
En ver en verder dwaal van 't klassisch rijksgebied____
Zeg dat er geen geluk is voor dien dwaas te vinden,
Die voor 't ontbijt zich niet met de Oudheid op kan winden!
LXV.
Bah! zie eens aan, hoe ik van woede nu verbleek:
Niet dat ik bang ben voor wat laster of een steek:
Maar, voelt ge? een wanbegrip kan mü tot wanhoop jagen, En 't is een wanbegrip uit overgrootvaêrs dagen.
Dat niets klassiek noemt, dan wat oud is, overoud, En oudheid en klassiek voor âSiams tweelingquot; houdt. O, lieve eenzijdigheid! â ik zweer u, dat klassiek is Al wat gezond en waar, bevallig, geestig, chiek is.
LXVI.
Die kindren zijn klassiek: zie op! zij scheppen moed, En brengen een voor een aan Sint-Niklaas hun groet: Die zegt een versje op, een ander kent de namen Der maanden uit zijn hoofd, een derde doet examen Een vierde spreekt wat Fransch, een vijfde reciteert, Met gestes van papa, een fabel versch geleerd:
En elk, als zijn talent en deugden zijn gebleken.
Mag bei zijn handjes in den groenen reiszak steken.
LXVII.
u
En dat is ook klassiek, hoe diep zoo'n kleine man
DE SINT-NIKOLAASAVOND.
F-
1
1
' * ' *' V*' vf -.f ' -⢠* if 'X'
i'- , gt;'⢠, V , V' K__um' , i'' . â¢' â , â ' . *'⢠â ,*'
DE SINT-NIKOLAASAVOND. 1 15
Zijn grijpers in een zak met lekkers domplen kan,
Nadat hij juist zoo pas het ouderhart mocht zalven Met vrome verskens van Hieronymus van Alphen.
Hieronymus is hier 't volmaaktste epitheton;
Zoo juist en schoon als geen Homerus ooit verzon;
Voorts wil ik verder van Van Alphen liever zwijgen____
Om 't vrouwl^k Nederland niet aan den hals te krijgen.
LXVIII.
En nog klassieker is die knaap, die, hooggekleurd,
Ginds â bij den schoorsteen â staat te wachten op zyn beurt, En met een lachje, meer dan Cicero welsprekend.
Zijn mouwtjes stilletjes wat opstroopt, en berekent Of niet zyn kleine hand, die hij zoo schalk bekijkt.
Meer dan zijn broêr, die nu zich uit den zak verrijkt, gt;
Zou kunnen halen____schoon hg het tevens aan wil leggen
Dat niet te veel valt op zijn gulzigheid te zeggen.
LXIX,
'k Voorspel dat uit dien knaap een braaf fatsoenlijk man Zal groeien, een die juist zyn voordeel vatten kan.
Maar nooit zijn goeden naam te grabbelen zal gooien____
Die, met verstand, gelaat en houding weet te plooien. En eenmaal in den zak der groote maatschappij Zal tasten, met beleid, heel netjes en.... heel vrij!
Die____maar wat druk gejoel en opgewonden zangen,
Die daar op eens 't verhoor der lieve jeugd vervangen ?
LXX.
De bisschop strooit in 't rond, en 't jonge volk vergeet Zijn laatsten schroom, en schreeuwt en grabbelt zich in 't zweet. Kijk, hoe ze rollen, hoe ze grijpen, gluipen, sluipen En allen te gelijk naar 't beste hoekje kruipen.
Met welk een woede, welk een ijver, welk een vuur____
Ziedaar de maatschappij in mooi miniatuur.
116 DE SINT-NIKOLAASAVOND.
Waar ze ook â gij weet het wel â niet minder grabbelen
kunnen,
En, juist als hier, elkaêr geen mop, geen kriek soms gunnen.
LXXI.
Die ziet een ulivel â een ander eet 'em op.
Die gooit zijn broêrtje met een half vertrapten mop En grist wat beters voor zijn neus weg, daar weer tuimelen
Zy allen over één, één kraakling!____en verkruimelen
't Begeerde stuk tot niets! Daar houdt er waarlijk een Zijn jonger zusje vast bij 't vruchtloos worstlend been; Al verder ziet ge een heer, die op een vruchtbaar plekje Onopgemerkt en stil geniet met hand en bekje.
LXXII.
t
Dat zit elkander in den weg en in het haar.
Dat kribt, dat joelt en woelt, dat kwanselt met elkaêr, Als menschen van het vak! 't Is hebzucht, woeker, handel, Drift, ijver, jaloezie om kraakling of amandel,
Als in de maatschappij om aanzien, geld of eer.... De kleintjes krijgen iets â de sterken halen meer, De slimmen pakken 't in, en â 't gaat hier zoo beneden! â Die eindelijk 't meest bezit, is nog het minst tevreden.
LXXIII.
Zelfs de oude heer heeft pret. âWie speelt er dan toch
voor?quot; â
Zoo fluistert hij, half luid, zijn wederhelft in 't oor â â âKijk, kijk, ik heb pleizier, zoo is 't de moeite waardig. Hij doet het naar mijn zin, 't is waarlijk zóó heel aardig.quot; Glimlachend zegt Mevrouw: âIk weet het zelf niet, maar Ik denk wel juist, zooals, ge weet, verleden jaar.,..quot; Zij blijven verder nog een oogenblikje fluisteren.
Maar 'k zal er enkel uit diskretie niet'naar luisteren.
p. *
ï amp;â¢
ï *
* *
â¢ff' â¢,*quot; â¢Ã¯' -ff'
* -'t-
y .f
gt;].y .» .* ,Â¥â .*â .*â ,gt; ,» ,.» .» .» .» â gt;â¢â .yf^.
DE SINT-NIKOLAASAVOND. 117
LXXIV.
De reden, waarom onze ridder Sint-Niklaas Zoo vreeslijk aardig vond, is ook al vreeslijk dwaas:
't Was, primo, wijl de rnan, zijn gansche rol door, gromde.
Voorts,- bij veel lievigheên, veel zedelessen bromde In dezen trant: Zorg dat je groot wordt, kleine vrind!
Dat jij je vader eens tot eer verstrekt, lief kind;
Wees dankbaar dat je zulk een vader hebt gekregen:
Wees steeds gehoorzaam en â wanneer hij spreekt â
gezwegen!
LXXV.
Die taal deed niet alleen het jonge volkje goed,
Maar ook het vaderlijk en ridderlijk gemoed.
Intusschen_, hoorders, daar de liefelijkste zaken â
Helaas, mijn jonkheid ook! â eens aan haar einde raken. Het grabblen is gedaan en de onuitputbre bron.
De groene reiszak vol van zoetheên en bonbon,
Is eindlijk leeggestroomd. Toch zie 'k de kindren smachten En kijken â of ze nog een kleinigheid verwachten.
LXXVI.
Ik zou haast zweren dat gij ook nog iets verwacht,
En wou wel weten wat ge er eigenlijk van dacht:
Zegt, waart gij zoo attent bij 't vlechten van de draden.
Dat gy de ontknooping van 't verhaaltjen al kunt raden?
Neen, schalke vrienden, neen, het klinke vrij pedant,
Maar de afloop, waarlijk, gaat ver boven uw verstand,
En boven 't mijne! ja, de Hofnar van Kokanje Verzon zoo'n zotheid nooit, bij 't bruisen der champanje.
LXXVII.
De grijze Bisschop richt zijn oude stramme leen Nu uit den leunstoel op: âGij zijt vast heel tevreên.
Mijn kindertjes, niet waar? Ik zal 't nog beter maken,
'k Heb nog een kleinigheid die wel zoo goed zal smaken,
gt;J *â ' -.fquot; V 't'lf' â¢# ' â #' -K' â #' -K' â #quot; *â ' ïf' â *' â *quot; â ,»quot;[*
-tl.jf- . y- , y- .» . gt;â .* . y- . y- .» . y- .y- .gt;â¢â .y .y . gt;â . y- .gt;â .y .y . y-1»'
DE SINT-NIKOLAASAVOND
Ja! 'k bracht voor elk van u ook een kadeautje mee, Dat 'k op mijn reizen kocht, ver over land en zee;
Maar dan is 't ook gedaan! want 'k moet aan al de hoeken Van deze groote stad nog lieverfjes bezoeken.quot;
LXXVIII.
Terwijl hij, grommend steeds, die zoete woorden sprak. Verscheen voor 't oog der jeugd een tweede'groote zak Van onder 't breed gewaad: de vuurge kleintjes stonden Te happen naar 't kadeau met open rozenmonden.
118
Toen, van den jongste af aan, kreeg ieder een voor een Een keurig pakjen uit dien zak der heimlijkheén. Waarop âvan Sint-Niklaas,quot; of zoo iets, stond geschreven. En waarvoor elk een hand, een kus moest durven geven.
P-
*
* *
!
â¢â¢
1 r
Het waren allemaal surprises, wel bedacht Door 't zusterlijk vernuft, licht in een hangen nacht, Als, peinzende aan den vriend dien 't lot haar had ontnomen. Zij heul en balsem zocht voor al te bittre droomen.
Rijk werd haar moeite door der kindren vreugd beloond. Door vruchteloos gezoek en dwaze drift bekroond: Zij zochten soms zoolang terwijl zij â't mooisquot; niet vonden, Als ik, toen 'k tt en x moest zoeken voor mijn zonden!
mim
LXXX.
De zak is nog niet leeg, de klucht niet afgespeeld. De grooten worden na de kleintjes nu bedeeld; Elk krijgt een pakje en wordt verrast, een Oom en Tante, Een dito â dito; toen.... de Fransche gouvernante. Van wie 'k tot nu toe zweeg, alleenig voor mijn rust. Want, ik verzeker u, ik had haar graag gekust.... Ach! kende zij 't Hebreeuwsch, ik zou dat schalje vragen Mjj les te geven in de taal van Abrams magen!
. y- , gt;⢠, k' , gt;⢠, . _0- , M- , amp; . y* f-*'.
gt;⢠. gt;*⢠, gt;'⢠. gt;⢠. y- . gt;'â¢
DE SINT-NIKOLAASAVOND.
LXXXI.
De beide jongelui van straks, Minerva's kruis,
De lieve dochter en de brave vrouw van 't huis.
Elk had zijn deel in 't feest. Toen, hoorders, bleef ten leste, â Let op, want ik bewaar voor 't laatst het allerbeste â
Toen bleef er in dien zak des heils, die op een stoel Geheel was uitgepakt te midden van 't gejoel,
Nog over â één surprise, een klein, wit, aardig pakje!
Zeer netjes toegemaakt, mijn hoorders met een lakje!
LXXXII.
âEn dat 'snu voor Papa!quot; zegt Sint-Niklaas, ,'k heb de eer Op uwer kindren feest, gestreng en edel Heer,
Dit klein bewijs van dank voor 't lief onthaal, genoten Van u en de uwen, van de kleinen en de grooten,
U aan te biên! bewaar 't in voorspoed en in vree.
Versmaad dat kleintje niet, en geef me uw vriendschap mee.quot; De stem des Bisschops scheen te trillen onder 't spreken, Als schroomde hij in ernst de kennis af te breken!
LXXX1II.
Des Ridders voorhoofd werd beneveld door een wolk.
Dat hy behandeld werd precies als 't jonge volk;
Hij vond het eigenlijk heel naar en kinderachtig.
En zulk een wijs van iets te geven vrij omslachtig;
Hij dacht het ding was een surprise van zyn vrouw.
En hield zich eerst of hij het straks wel oopnen zou...
Maar kom, hij wil de vreugd van avond niet verstoren.
Het lakje vliegt er af, en â opent thans uw ooren!
LXXXIV.
119
*
li
*
ï4
«i. 1
'â¢n «L
Ja, opent de ooren! neen, mijn vrienden, stopt ze dicht! Vlucht, hoorders, vlucht van hier, verbergen we ons gezicht Ik heb een ridikuul zóó gruwlijk te openbaren,
!f J 'X '
gt; .y- .#⢠.* .v- . v- . ^ , ¥⢠. .gt; .f.*.,* ^ , * . y- , y- . ^
120 DE SINT-NIKOLAASAVOND.
Dat ik nog hier mijn vers, mijn plan, mijn man liet varen, Zoo keeren mooglijk was, zoo mijn geheim niet sprong.
Niet brandde en gloeide en beet op 't puntje van mijn tong! Zoo 'k niet mijn groot paskwil ten voeten uit wou teekenen En met de waarheid en de domheid af moest rekenen!
LXXXV.
En zoo ik nu al zweeg en wierp dit prul in 't vuur,
Toch kwam 't geheimpjen uit en â ter onzaalger uur!
Het baat vorst Midas niet of hij met duizend zorgen Zijn akelige kwaal geheim houdt en verborgen...
Wat fluistert daar in 't veld? Zoo zouden vroeg of laat,
Waar onze Held passeert, de keien van de straat,
De winden over 't plein dien schrikbren kreet doen hooren Die man is ridikuul, die man heeft ezelsooren!
LXXXVI.
Dies, 't vonnis is geveld, daar niets den dwaas behoedt; Hij worde ridikuul van top tot teen! Grijpt moed En luistert! Als ik zei, de Ridder brak het lakje,
Verscheurde de' omslag toen en vond â een ander pakje Maar op dat pakje een brief, een brief aan zijn adres,
Met al zijn namen (drie) en al zijn titels (zes).
En op dien brief een lak met een hoogaadlijk wapen.
Dat hij een heele poos verbluft stond aan te gapen.
LXXXVII.
âDie brief, die hand, dat schrift, dat lak, dat wapen, 'tis... Het schijnt me, neen, ja toch! ik heb het zeker mis...quot;
Hij kan â is 't hoop of angst of drift? â met moeite spreken. Hü durft het aadlijk lak zoo maar niet openbreken En vraagt een schaartje â en knipt met sidderende hand Het heilig zegel los van d' een en d' andren kant!
Hij rolt zijn blik in 't rond en leest op ieders wezen,
Maar vindt geen antwoord en besluit den brief te lezen.
_ [*
igt;'' â *' â¢*' it' â #' â¢,»' vf ' ' gt;' â¢#quot; rf' â gt;' if' W' gt;' v»quot; R
gt;1,» . gt;â . y .» . y- . y . y .» , gt;â . ^ .» . .^ . gt;â .,» . «â . r- . *⢠.*â¢â¢ .y- .»â *.
DE SINT-NIKOLAASAVOND. 121
LXXXVIII.
Een groote stilte daalt en heerscht op ons tooneel;
Een ieglijk houdt zijn vraag, z^jn uitroep in de keel;
De Ridder, door een kring van elastieke nekken Omgeven, plooit vergeefs zijn geagiteerde trekken.
Hij schuift ter zijde, alleen, ontvouwt zijn brief, verteert.
Verslindt dien met zijn oog en â wat den stumper deert: Stokstijf, bewegingloos, krankzinnig blijft hij staren.
Pal â als de huisvrouw Loth's, het puik der zoutpilaren!
LXXXIX.
Zijn oog is opgesperd, zyn mond gaapt wijder dan Een kostschooljongen voor een biefstuk gapen kan!
Zijn adem stokt, zijn pols houdt halt, zijn edel wezen Is gansch verbouwereerd: die brief heeft hem belezen.
Zeg is die man verstomd, verplet door vreugd of rouw? Dat weten wij nog niet! of liever gij! maar 't zou Te wreed zijn, zoo 'k nog lang thans niet uw aandacht spelend. Bleef draaien om hem heen... 't Werd ook bepaald vervelend!
xc.
Daar komt beweging in den zoutklomp. Met zijn hand Zich krabbend in zijn pruik: ,.'t Gaat boven mijn verstand:
Maar 't is zoo,'t moet zoo zijn!quot; â En van zijn vreugd bekomen,â 't Was vreugd die dus hem trof â terwijl de levensstroomen,â Want o hij was verjongd, hij leefde meer dan ooit.
Meer dan een Bruigom voor zijn jonge Bruid getooid! â
Terwijl dan 't bloed weer bruist door de' aardschen tabernakel, Geeft hij ons, andermaal, een ongezien spektakel.
XCI.
Een straal van vreugde en trots bezielt zijn rond gelaat.
Hij blinkt en schittert als de jonge Dageraad,
Hij glimt van vreugd. Hij gaat met lachjes van genoegen
â ' if *quot; if -wnr^ir 'ÃTinr-ïrinr-s' *quot; *quot; V' *quot;
:*hy .y . y- . * .#⢠. . y . »â , . gt;'â . y- .«â .y- .y- .y , y- .*â
122 DE SINT-NIKOLAASAVOND.
Zich weder in den kring van zijn familie voegen.
Nu roept van alle zij' het ongeduld; Wat is 't?
Wat was 't? Wat zou 't? âJa ja, wie dat eens wist! â
Maar kom, gij zult het zien.quot; Hij glimlacht zeer hoovaardig En vreemd: âHm! hm! die brief, die was zijn port wel waardig.quot;
xcu.
â âKomt allen om mij heen!quot; Terwijl de Ridder sprak, Ontknipte hij met drift het derde en laatste lak
Aan zijn surprise en vindt â een smaakvol vierkant doosje. âWie durft dat open doen?quot; Zoo vraagt hij, met een bloosje Van stomme lievigheid. âIk smeek u om die eer,
Ik die u 't pakje bracht, ik, hooggestrenge Heer!quot;
En Sint-N iklaas, dien wij schier uit het oog verloren Door 't Sint-Niklaasgeschenk, treedt eensklaps weer naar voren.
XCIII.
âWel ja, dat's aardig!quot; â zegt de Ridder â âgoed bedacht! (Straks hoor ik wel hoe gij het toch hebt meegebracht!quot;) Hij keek gedurig naar Mevrouw, als wou hij zeggen:
âIk weet van u dat gij my alles uit zult leggen
â Op 't oogenblik.quot; Nu had de man het veel te druk.
Hij kon niet denken in den roes van zijn geluk,
Ook heerscht er zulk een drift en spanning by de scharen, Dat verdre praatjes hier bepaald onmooglijk waren.
xciv.
De Held staart in het rond met kalme majesteit,
En ieder is als gy, op alles voorbereid.
Eén oogenblik, nog éen en â 't doosje is ontsloten----
âHè!quot; roept uit éenen mond de kring der huisgenooten, âHè!quot; roept de Bisschop en blijft stomverwonderd staan;
âHè!quot; valt de Ridder in en valt op 't doosjen aan----
En o, voor my, die weet wat ieder âhèquot; beteekent,
Zyn hoorders, al die âhè'squot; hartbrekend en welsprekend.
gt;'⢠. *⢠. gt;'⢠â gt;'⢠. gt;⢠. »⢠. . gt;'⢠.
y- . gt;'⢠l*4.
DE SINT-NIKOLAASAVOND. XGV.
In 't oog des Ridders welt een groote vreugdetraan;
Hy ziet zijn vrouw, zijn kroost, zijn koopsgat teeder aan, Dan strekt hij de armen uit in theatrale ontroering En â als een slecht akteur in tragische vervoering â
âDees dag â zoo barst hij los â blijft onvergeetlijk schoon! âHoor, ik ben kommandeur! kijk van den Eikekroon!quot;
En hij drukt alles aan zijn rok, zyn vrouw, zyn zoontje,
Zijn dochter, broêr, neef, nicht en 't meest zijn____Eikekroontje!
xcvi.
De groote kommandeur zijgt in een armstoel neer,
Hij was kapot van zoo\eel vreugde, zooveel eer,
En met zijn dier kleinood nog beter in zijn nopjes Dan met hun suikergoed mijn blonde kinderkopjes â
Ik kan met dezen Leeuw nu doen al-wat ik wil.
Zijn rijkdom maakt hem zacht, zoetsappig, lief en stil,
Hij laat zich eindloos, als een lam, feliciteeren....
Ik wil oprechter zijn â ik zal hem kondoleeren.
xcvii.
Toen eindüjk iedereen in 't breed of in het kort,
Een oom, bijzonder vol, het hart had uitgestort,
Toen de eerste roes der vreugde een weinig was geweken.
Toen 't snuisterijtje nog wel twintigmaal bekeken,
En daar bepaald was dat onmiddellijk de faam,
Bij monde van vier knechts, den versch gekroonden naam Des nieuwen kommandeurs aan al zijn riddervrinden Zou gaan verkonden naar de hoeken der vier winden;
XCVIII.
Toen een der kindren op zijn vingers was getikt. Die â heilige onnoozelheid! â aan 't kruisje had gelikt: Toen Sint-Niklaas op nieuw zijn recht had laten gelden,
123
* *
,* .y .M- .» ,» ,*â .» ,»â .» .y- ,.» ,.» ,.^ .gt; ,gt;â¢- .» .y- .» ..y ,»â
124 DE SINT-NIKOLAASAVOND.
Om 't kommandeurskruis vast bij 't ridderlint te spelden Op 's mans doorluchte borst; toen hij een groot kwartier Zich zelf bewonderd had met kinderlijk pleizier;
Toen sprak hij nog eens tot zijn vrouw: â'k Word ongeduldigâ Mijn schat! Gij zijt mij nu een explikatie schuldig.quot;
xcix.
't Is treffend dat de man, als bij instinkt, zoo wist Dat bij te doen had hier met vrouwelijke list,
En zoo gedwee zich onderwierp: mijn eedle Heeren,
Laat ons dit groot geheim bescheiden respekteeren!
Een vrouw die zulk een dwaas door fijn verstand regeert, Is waardig dat haar wil en wijsheid triumfeert:
Zij liet den man volstrekt niet dansen naar haar pijpen.
Maar wist hem enkel in zijn zwakste'zwak te grijpen.
Let op; zij knikt en blikt haar egaê vriendlijk aan En zegt; âIk heb misschien uit hartelijkheid misdaan En â uit â nieuwsgierigheid â maar zoudt gij 't niet vergeven. Althans op zulk een dag, den blijdsten van ons leven?quot; â âWelzeker, spreek, mijn schat!quot; Och, hoorders, na dien brief En 't pakje annex werd toch de kommandeur zoo lief, Dat schoon 'k mijn losse tong met honing had bewreven,
Ik al die poezigheid hier moeilijk weêr kon geven!
ci.
âNu dan â herneemt Mevrouw â zeg ik u alles graag!
Van middag bracht men al dat pakjen----uit den Haag----
Gij waart niet thuis. Het kwam natuurlijk in mijn handen. De port was hoog ; ik keek â ik dacht â 'k voelde 't branden, Hier in mijn vingers â och, ik weet niet wat ik dacht, Een pakjen uit den Haag! ? en dan zoo'n hooge vracht.... Ik wist dat gij al lang, niet waar ? zoo iets verwachtte,
En had het lakjen al gebroken in gedachte.
)*â¢*â¢Â«â *⢠*⢠*quot; â *' -.f' 1C â *' vfquot; â *'
=*3.» .Ã- .*⢠.p- .*â .gt;â ,gt;â .gt;- .y ,gt;â .gt;
DE SINT-NIKOLAASAVOND. 125
CU.
«Enfin, gij vat, de rest hoeft waarlijk niet verklaard. Nieuwsgierigheid, helaas, was steeds der vrouwen aard. Ik heb, gij zijt niet boos, dus eventjes gekeken...
Den brief â dat spreekt van-zelf â mocht ik niet openbreken... Maar o! ik wist genoeg en maakte een heerlijk plan:
Nu weet ik, riep ik uit, hoe 'k hem verrassen kan
Van avond! welk een vreugd!____quot; âJa vrouwlief, ja 'tis aardig!
O ik vergeef het u, 't idéé was uwer waardig!quot;
cm.
âIk was in 't eerst nog bang dat ge op de societeit Gehoord hadt...quot; â âNeen, ik wist van niets, mijn lieve
meid.
Uw plan is wel geslaagd!quot; âNog niet geheel, mijn beste,quot; (Let meisjes, let wel op, het mooiste komt ten leste.
Het neusje van de zalm.) âNeen waarlijk niet geheel.
Maar geef dat op dit feest elk in uw vreugde deel,
Dan is mijn plan gelukt! ik heb niets meer te vragen,
En zal u 't eerekruis met meer pleizier zien dragen.quot;
Zoo sprekend richt zij 't oog op onzen Sint-Niklaas,
En neemt hem bij de hand; âVergeef deez' armen dwaas Indien ge mij vergeeft!quot; â âWat zal ik hem vergeven? Hij heeft charmant gespeeld, 'k zag 't nooit zoo in mijn
leven!quot; â
Nogtans de Bisschop, ziet eens aan! zinkt op zijn knie. En, hoorders, met een stem, wier zilvren harmonie Ons meisje van daar straks doet blozen en verbleeken.
Vangt hij bewogen aan te spreken en te smeeken:
cv.
âHerken den boetling dan,-die neerzinkt aan uw voet,
si *quot; â¢#' ' â *' -x' â *' gt;' â¢*' *' -K' if' -x â y *1 â *'' ' -.f â â y
__.gt;⢠. *'⢠â gt;'- .y- â gt;'- ,gt;â¢
126 DE SINT-NIKOLAASAVOND.
En vraag, neen vraag hem niet, wat gij vergeven moet.
Vergeet een booze grap, die hij in ernst nooit meende.
Die hij met diep berouw in eenzaamheid beweende.
En schenk hem, op deez' dag van zegen, roem en eer.
Uw goede vriendschap en â uw lieve dochter weer...quot;
Hy slaat zijn mantel op, zyn hoed is afgevallen En â 'k zeg niet wie hij is, want gy herkent hem allen!
cvi.
O zie dat rijk tooneel! het teerverliefde kind Vliegt aan haar vaders,voet in de armen van haar vrind; De blonde kinderschaar staat lachende verlegen.
Om 't jonge paardje heen als Engeltjes van zegen;
De moeder juicht, nu zij een lang verboden waar In huis gesmokkeld heeft en zonder 't minst gevaar;
De minnaar, in 't gewaad van Sint-Niklaas verscholen,
Had immers door 't kadeau des vaders hart gestolen ?
cvn.
Wat deed de kommandeur? â Wat zou de stumper doen? Kon hij zijn hoog pardon nog weigren met fatsoen ?
Twee tantes stonden met haar zakdoek aan haar oogen,
En ieder smeekte en bad in stilte of luid bewogen,
Hij-zelf, hij was bijna getroffen, in de war,
't Scheen of hij raad vroeg zoo aan de eene of andre star, En de eerste wrokte nog om 't liedje van Kokanje,
Maar 't kommandeurskruis riep: vergifnis en... champagne!
cvin.
Die tweestrijd duurde een poos. De spanning rees ten top. Men hoorde hier een zucht en daar een harteklop,
Maar eindlijk, door 't geluk en â door de omstandigheden Verwonnen, roept hij uit: âNu ja, ik wil 't verleden Vergeten, dezen dag van roem en vreugd ter eer.
Ziedaar mijn hand, ziedaar... maak geen âKokanjesquot; meer!quot; -
if' i(' â *' â *' â #' -K' -K' -K'quot;-*' â *' ' -.f -,f' â *' ü ' * ' â *' â !gt;.' â¢*' if ' â #' â *quot; K
â¢1 jgt;'- igt;- ,gt;'⢠[»:
127
*1
DE SINT-NIKOLAASAVOND.
,Nu is myn plan gelukt!quot; â juicht hem zijn gade tegen, En dankte luid haar man en stil des Hemels zegen!
cix.
Ik zing de weelde niet van 't weer verbonden paar,
Ik zeg niet alles wat zij fluisteren met elkaêr:
Terwijl haar dankbaar oog bleef op beur moeder staren,
Moest hij het lieve kind nog eens de zaak verklaren:
Wanneer Mevrouw hem toch haar plan had voorgesteld! En wat hij had gedacht? En wat zij had verteld?
En wie hem had geleerd voor Sint-Niklaas te spelen? Hij moest van a tot z haar alles mededeelen.
cx.
De gouden bracelet werd uit den donkren hoek,
Waar ze eerst verbannen was door barschen vadervloek, In eer hersteld. Hij zelf haakt nu het huwelijksbandje Vast om haar arm, en kust het hem geschonken handje. En stamelt: âGod and you!quot; aan 't harte van zijn bruid... âEn onze moeder!quot; â roept het lieve meisjen uit â
âWier trouw en wier vernuft deze uitkomst ons bereidde, En die een Engel was, een Engel voor ons beide!quot;
CXI.
O vrouwelijk vernuft, zoo onuitputlijk rijk.
Zoo geestig en gevat, geen wijsheid u gelijk!
Ook ik geloof, men had zoo'u zotheid niet bedreven.
Had men des Ridders kruis aan 's Ridders vrouw gegeven! 't âVirtus nobilitatquot; zou dan geen parodie,
Geen laster zijn geweest van wijsheid eu genie...
En schoon al menigeen die stelling mij betwist heeft.
Ik hou nog altijd vol dat men zich hier vergist heeft!
cxn.
J
;vl
J
Wanneer toch, vraagt ge in 't end, had onze domme vriend
â¢fr*quot;quot; ? â
è- , »⢠, y- , , »⢠, â¢â¢ ,gt;â ,,®'- . .y- gt;'⢠, . o- , , v- . . gt;â¢
128 DE SINT NIKOLAASAVOND.
De kroon der burgerdeugd verworven of verdiend? â
Helaas, de schijn bedriegt de kleinen en de grooten,
En, schoon de waarheid hier den schijn heeft uitgesloten. De man had aanzien, geld en po ids; een domme faam Of een gedienstig vriend verkondde ver zijn naam,
Men had misschien gehoord dat hij eene heele baas was____
'k Wil toch niet denken dat het voor zijn Sint-Niklaas was!
CXIII.
De kommandeur, vermoeid, kapot van al die pret.
Sliep wel dien nacht niet veel, maar ging toch vroeg naar bed. Ik laat den stumper zich hier vreedzaam retireeren En wil hem liefst niet in zijn.... droomen poursuiveeren. Schoon hij den aftocht blies, ging 't feest beneden voort, Men kuste, lachte en sprak en schaterde ongestoord.
Mevrouw gaf aan 't soupé een fijne flesch... champagne. En â niemand dacht meer aan het liedje van Kokanje!
Heb ik nu lang genoeg met dezen dwaas gespot,
De zoute scherts bekroon, zoo 't mag, een gulden slot!
Want, schoon ik nimmermeer met 's werelds schijn zal dwepen, Toch, vrienden, word ik liefst ook niet verkeerd begrepen: Dus luistert, eer gij licht den armen dichter vloekt,
Die voor zijn ergernis bij u verluchting zoekt.
Die graag aan zotten geeft wat zotten is verschuldigd.
Maar naast de waarheid liefst de ware grootheid huldigt.
cxv.
En dies, o sprekend beeld van Neerlands glorie-eeuw,
Eerwaardig ridderkruis van onzer vaadren Leeuw,
Gegroet op 't ridderhart vol eedlen gloed, vol zaden Van licht en vrijheid en van mannelijke daden!
Gegroet op de eedle borst waardoor Gods adem ruischt.
Die van welsprekendheid of reine zangen bruist;
jV- y if^rir-ïr-r-r^irirnrririfr-ir^'r *quot; *quot; -.rf.;
aj.» .» . y . y- .» .» .» . ^ » . »â . » . gt;â .* .*⢠. .'â , gt;â , gt;â . *â . ^ . gt; â .» . gt;*â t*
DE SINT-NIKOLAASAVOND. 129
Gegroet op de uwe, o trouwe kunstnaar, die de renten Uw tijd, uw volk betaalt met godlike talenten!
cxvi.
'k Heb lief dat eermetaal op 't onverschrokken hart Des jongen helds, die 't kocht met moed, met bloed, met smart! En op de brave borst der burgers, die hun leven,
Hun rust of hun fortuin, hun land ten beste geven.
En op het wambuis van den zoon der Industrie____
Waar maar een harte klopt, een vonk gloeit van genie! 0, Vorsten! wat noch goud noch zilver kan betalen,
Doe uw verlichte gunst uw volk in de oogen stralen!
CXVII.
Maar als in de eeuw des lichts Cotin en Trissotin,
Vadius, Prullius, Quibus, George Dandin,
Harpagon, Pourceaugnac, le marquis Mascarille,
Le bourgeois Gentilhomme et les sots en familie,
Tartuffe en Don Juan en weet ik wie of wat,
Trots de eêlsten, meê verkondt: Virtus nobilitat!
Dan----o dan trilt in 't graf Molière's âkil gebeentequot;
En draait zich rammlend om in 't verre lijkgesteente!
cxvm.
Dan zou men schreien, neen, maar lachen, lachen dat Het als een donder klonk door deze dwaze stad.
Dan, dan vergeet een knaap z;jn achttien jonge jaren Zijn onbezorgd geluk, zijn vriendelijke snaren,
Dan grijp ik, (want helaas, geen wijzer kwam mij voor) Een groot karikatuur bij 'tellang ezelsoor,
En zeg hem in 't gezicht dat Neêrlands echte zonen Niet buigen, nu noch ooit, voor zulke lauwerkronen!
cxix.
Helaas, ik zeg misschien de waarheid â als een kind!
Maar 'k ben Goddank zoo dom, zoo ijdel niet, zoo blind.
' â¢Â£' â¢f' * ' 'ÃT' ' .â¢T' ' U»'' ' W' .V' â¢jf' -⢠' -jf ' [â¦;'
9
â gt; .a- .y
. . i1- . ^
â gt;- .gt;â
ZACHTHEID.
Dat 'k ooit een eenig mensch zal om zijn knoopsgat eeren: Doch lust het u, als mij, de kwestie om te keeren, En vraagt gü : of ik, om een groot en eerlek man, 't Bewijs van adel, zij 't een lintjen, eeren k£.n? Dan scheiden wij in vrede, en, hoorders, wat verander'. Ziedaar mijn rechte hand, want wij verstaan elkander.
1849.
r
l *
*
ZACHTHEID.
Schoonste deugd van schoone zielen.
Liefste trek in 'tlief gelaat! Mannentrots en hartstocht knielen
Waar ge uw vriendlijke oogen slaat. Zachtheid is de kracht der zwakken, Is haar schepter en haar zwaard, 't Bloempje, dat een zucht zou knakken. Beeft en buigt â en blijft gespaard!
r
Ut
r
Zachtheid zal den dwingland leiden:
In het heiligdom der trouw Heerscht onmerkbaar en bescheiden
De almacht van de stille vrouw. Haar gebod ruischt als een bede.
En haar wenken is gebod;
Voor haar voeten dauwt het vrede, En haar zonen zegent God!
130
.^j.» .» .y .» .» .» .* .*â .)f- .» .gt; .y .» .» .» .» .» .y .» .» ;
DE AVONDZON.
DE AVONDZON.
*1
t
Ja, in God is mijn kracht,
Sprak hvj innig en zacht, â
Maar ik voel dat mijn leven zal renten;
Meer dan zilver en goud
Hebt ge uw dienstknecht vertrouwd,
O genadige Heer der talenten!
'k Heb naar kennis gedorst,
Zij verscheurde mijn borst;
Trouwe liefde genas mijne wonden ;
'kHeb den prijs en â de ellend Onzer kennis gekend.
Maar den weg en de waarheid gevonden.
Zijn mijn kaken verbloeid,
Is mijn voorhoofd vermoeid â
Ik geloof, ik ben jong, ik mag werken;
Zoete lucht die mij wacht,
Schenk mijn lichaam weer kracht!
Ik genees, als ik zwakken mag sterken!
Schenk mij, Heere, geduld!
Want mijn geest is vervuld
Van mijn plannen, die bloeien en rijpen.
O het leven is schoon
Voor wie dingt naar de kroon.
Die de hand van den Christen mag grijpen.
En zijn vriendelijk oog
Staarde biddend omhoog,
En hij schudde het hoofd in gedachten:
'kHeb geen kleinen geleerd,
V' W' ~ -V' -0 ⢠â¢m'r réquot;7 'Ti'quot; j*'' â jrT
131
:ll
V gt;
*:
:â¢
%
:4,
132 ALBUM.
'kHeb geen zondaar bekeerd,
Nog geen lijder getroost; laat mij wachten.
Ik heb lust in m\jn lot,
Ik heb rust in mijn God,
En mijn strijdleus is: vrede des Heeren!
Hoor! de westewind suist.
En het korenveld ruischt____
Dat is Hij, die de oogst zal vermeêren.
Leid m\j zachtkens naar huis,
In den dienst van uw kruis,
Dien mijn ziel zich zoo lieflijk gedacht heeft!
Dat ik werkend bezwijk'
Als een knecht van uw rijk,
Die zyn dagwerk geloovig volbracht heeft----
En ik hoorde hem aan,
Met een lach en een traan:
'k Had de zon nooit zoo plechtig zien dalen:
En dat bleeke gezicht
Werd zoo sprekend verlicht.
Door de laatste, haar stervende stralen.
1850.
ALBUM.
Weggedorde en weggeteerde blaren
Bloemekens van geur en kleur beroofd. Blonde, bruine, zwarte, zijden haren,
Lokken van zoo menig dierbaar hoofd, Verzen van verliefde dichtersnaren.
Zoete nonsens onzer kinderjaren! Rozenstrikken door den tijd verdoofd:
.y .y »â .gt;'â .â * .-y' '*
DEMON.
Woordjes.... ach zoo geurig eens â nog teeder,
Die mij aarde en hemel hebt beloofd____
Plechtige eeden van een kraaieveder!
Ach, hoe mocht ik eertijds uren lang,
Paradijs van bloemen en gezang,
Bij den schat van uw satijnen bladen,
't Peinzend hoofd in liefde en weelde baden!
U bescheen der Hope stralenglans,
't Dwepend hart mocht aan uw geur zich laven: Ach! een aaklig kerkhof zijt gij thans;
By elk dorrend bloempje van uw krans Ligt een liefde, een vreugd, een droom begraven.
DEMON.
Een duiveltje springt rond-end'-otn in mijn hart. Een duiveltje, ach, dat my fopt en mij sart, Een hatelijk knaapje.
Een kittelig aapje.
Dal spot met het liefste, dat grijnst en grimast____
De bron van mijn gruwlen, mijn demon, mijn last.
Als deernis of liefde tot schreien mij dwingt. Als bijkans een traan bij uw lied mij ontspringt. Dan zet hij daar binnen Zijn leelijke zinnen Op 't speuren van dwaasheên in 't roerende lied... Mijn eigene verzen.... hij spaart ze mij niet!
Als somtijds een zaak van belang, van gewicht. Een droevig bezoek of een neetlige plicht, Van cijfren en rekenen,
Bedistlen en teekenen,
133
»'- â gt;'- , a- . »'â ,gt;'â â V-f»'.
BLADVULLING.
Mij voert tot een ernstig of deeglijk gesprek â
Dan plooit hij een lach... van mijn deftigsten trek.
En als ik te-met, in een bui van berouw,
Geleerdheid â als krone des levens beschouw,
En 't licht mij gaat schijnen Uit grauwe kwartijnen Vol pluizende noten, dan schudt hij het hoofd,
En zegt dat hij niets van die grappen gelooft.
Hij spot met uw goedheid, gezegende vriend!
Hij vraagt of... wien denkt ge?... mijn achting verdient; En als er een steekje Mocht los zijn aan 't preekje Des Zondags, dan neemt hij mijn stichting, mijn vreê. Die leelijke Duivel, vaak lachende meê.
En soms â als ik spreek van een duivelsche smart â Dan knijpt hij, dan bijt hij mij diep in het hart,
Dan knort hij, dan blaast hij,
Dan grinnikt en raast hij.
En maakt dat ik nurksch en, wreeder dan wreed.
Al plaag wat ik liefheb en lach met hun leed!
1850.
BLADVULLING.
Een bladvulling wilt gij gaan schrijven. Hier voor dit slecht gevulde blad?... Och, â 'k zou het maar wit laten blijven! Daar wordt genoeg papier beklad.
134
gt;= J*
y
quot; â sf* if' vT7
~ïrquot;irr~ïrTquot;ï(
GEZOND VERSTAND.
BIJ HET BEEKJE.
Terwijl ik staar in 't spiegelglad
Van 't zilvren nat,
Schud ik mijn hoofd ; wie ben ik ? Ja, hooge Hemel: Hoe, wie, wat?
Wat wil, wat weet, wat ken ik? Zie hoe hij lacht â die dwaas, die guit,
Die leelijkert in 't water:
Mijn help! mij-zelven lach ik uit Met wonderlijk geschater.
O menschenhart, o menschenhart.
Verschrikt, verward.
Vol zonden, dwaasheên, wonden;
Ik gaf mijn zoetste en liefste smart,
Mocht ik mij-zelf doorgronden. Een lach klinkt uit het golvenbed;
Dat wil zich-zelf begrijpen!
Zoudt ge ook uw beeltnis hier te-met In de ooren willen knijpen?
GEZOND VEBSTAND.
Gij zijt het zout der schoone dichterzangen En zonder u is dichtkunst â ijdelheid ; Gij zijt de zon, die licht en leven spreidt In 't jong gemoed vol onbestemd verlangen.
Vol droomen, vol gevoel, vol dweperij; Gij vormt ons hart tot ware poëzij!
gt;- . y .gt;â â gt;â .»'â â A-
GEZOND VERSTAND.
Gü wijst den Man den rechten weg door 't leven, Want gü verzoent den jongeling met de aard,
Die hij zijn werk, zijn kracht, zijn liefde onwaard
Gekeurd had; en gij heiligt al zijn streven Tot menschenheil uit reine menschenmin.
En prent hem 't doel des aardschen levens in!
Gü rukt van uit der menschen scheemrende oogen De balken van vooroordeel, zelfzucht, spot;
Gü wüst ons van het leven 't waar genot.
Uw heldre blik verfoeit de schoonste logen.
Maar vergt voor iedre waarheid ons ontzag,
Ook die 't vernuft ons niet ontraadslen mag.
Gü leidt ons tot erkennen en gelooven Der waarheid, die het zondig hart geneest,
Gü zult den mensch beschermen, goede geest!
Waar 't onverstand hem alles wou ontrooven. 't Gevoelloos hart en 't dwaze hoofd allleen
Spot met geloof en zün verborgenheên!
O, 't krank gevoel wek soms uw mededoogen.
Toch rooft gü 't hart zün eerste rechten niet, Of lacht en spot, waar luid zün stem gebiedt.
Gü züt een gave, een lichtstraal uit den Hoogen, Gü brengt den vrede in 't rustloos zoekend brein. En leert het hart gevoelen diep en rein.
O, 't koele hoofd, bü 't warm gevoelend harte,
Dwingt eerbied af en liefde I dat spreidt licht En leven, waar zün moedig oog zich richt.
Dat peilt de wonde en deelt en heelt de smarte; En dat is mij uw beeld, gezond verstand: Een schrandre geest, wien 't hart van liefde brandt.
Wel mag de man u tot zyn schutsgeest bidden.
136
*
i-
*â
* f *
r i*
r *
* amp; amp; * * *
f
*
f *
â¢X if' it'' ü' *' *quot; * ' â¢*' if' itquot; quot;X ' â¢aT'I*
. » .y-1*
BIJ EEN ,FANTAZIEquot;. 137
Die Kerk of Kunst, of Wetenschap en Staal Zal dienen met zijn licht, zijn kracht, zijn raad;
Opdat hü mensch en Christen zij te midden Der kranke, der geschokte maatschappij.
Vol onverschilligheid, alarm en dweperij.
BOUTADE.
O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen, Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp,
Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,
Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp!
O saaie brij moeras, o erf van overschoenen.
Van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoön.
Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen.
Ontvang het najaarswee van uw verkouden zoon!
Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen Tot modder; 'k heb geen lied. geen honger, vreugd noch vree.
Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen, Gij â niet op mijn verzoek â ontwoekerd aan de zee.
Nov. 1851.
BIJ EEN âF A NT A ZIE'
VAN DEN KUNSTSCHILDER J. A. KRUSEMAN.
Daar waait een geur van liefde en zegen Van hemelzin en levensvreugd,
*' â *quot; â¢*' -f' *' '4' if' ï» ' V' â rf1' â #'
138 LEVENSLIED.
Van jong geloof en blijde jeugd Van 's kunstenaars edel doek u tegen : *
En als ge uw blik, nog on verlaad,
Verliefd, verteederd en bewogen.
Van dit zachtmoedige gelaat En deze vrome, vroolijke oogen
Weer in de koude wereld slaat â
Dan voelt ge zooveel zoete smarten,
Alsof gü 't beste deel des harten
Bij 't lieve beeld uit 't droomgebied Der kunst â voor eeuwig achterliet.
Op de Tentoonstelling 1850.
LIBERAAL.
Die wahrc Liberaliteit ist Anerkennung. Wij zijn ontzaglijk liberaal â
Wij laten ieder vrij In doen en denken, kunst en faal;
Wij zeggen: vrij en blij!____
Dom volkje, dat niet denkt als wij En wroet voor zijn partij,
Dat hen de duivel haal____
Wat zijn we liberaal!
LEVENSLIED.
i-r
Hoe min ik dat fier en dat vroolijk gelaat Met helderen blos op de wangen.
Dat oog, dat de reinheid der ziele verraadt.
Dat harte vol bloemen en zangen:
Hoe min ik u, heerlijk en hartelijk kind, [»-
Die knielt voor uw God, en de lente bemint.
tf] ' if' if' â £' if' ïrr ^f' ' â ,* * ' if' if' if
0=
:4
gt;â .gt;â t':
LEVENSLIED.
Maar 'k gun u dat bleek en dat ziekelijk schoon,
Die fletse, die mijmerende oogen,
Dat blosje zoo kwijnend, poëtisch van toon!
Dat hart door illuzie bedrogen:
Ik gun u 't bedorven en dwepende kind.
Dat kwijnt in het voorjaar, en â 't maantje bemint.
Hoe boeit mij de rijke, de manlijke luit,
Hoe wensch ik den zanger te kronen,
Die gloeit voor zijn God, voor zijn land, voor zijn bruid.
Die 't leven in zinrijke tonen Weerspieglend, al bloemen, vol kleurigen gloed. Vol geuren des levens, ons strooit in 'tgemoed!
* *
1 'â¢*1
A
Maar weg met dat ijslijk en kermend gezang.
Van zieklijke hersens en harten;
Ons maakt geen wanhopende Demon meer bang,
Ons walgt al de tooi van uw smarten, O wereld-verachters, gij laat mij zoo koel; O pronkende lijders____waar is uw gevoel?
Hoe min ik die reine, die godlike leer.
Die moedig leert leven en strijden,
De blijdschap ons heiligt als gaaf van den Heer,
En waarlijk kan troosten in 'tlijden! Die spreekt; Dien uw God met een helder gezicht. Heb zout in u-zelven, en wandel in 'tlicht!
Maar, zieklijke dweper, ontplooi uw gelaat:
'k Heb schaduw genoeg in het leven ! Ach, spreek mij van God en zijn zegen geen kwaad. En leer mij niet zuchten en beven!
Die pruilende lippen, dat hangende hoofd____
Hem voegen ze 'tminst, die vertrouwt, die gelooft!
139
TTT*
rt] y ,»â .» .)/â .è- .» .y .y .gt;â .V .V .gt;â .*â .r .gt;â .gt;- .gt; .f- .ï- y 14-0 ERBATA.
O Heer! Jaat nog lang een vertroostend gezicht
Myn weg en mijn leven bestralen;
O leer mij dat lied, dat bezielt en verlicht,
Of troost in den boezem doet dalen____
Schenk mij dat geloof en die kracht en dien moed,
Die strijdend â maar zingend, uw Hemel begroet!
1861.
GEMIS.
Toen ik hem daaglijks sprak en zag â Dat vriendlijk oog, dien milden lach â
Beminden w;j elkander;
Toch hield ik, zoo verbeeldde ik mij,
Iets meer van menig ander; Van jonger vrienden, dwaas en vrij, Vol opgewonden jong gevoel,
Want hij was kalm en scheen wel koel.
Maar nu de vriend mij is ontvallen. Nu voel ik 'taan mijn lange smart, Nu klaagt, nu weet mijn eenzaam hart: Hem had ik 'tliefst van allen!
ERRATA.
O blonde Folly! o mijn engelachtig kind!
Die 't kopje tooiend, voor een vriend, niet al te blind,
Juist op dit oogenblik een sproetje, puistje, wondje Ontdekte in 'tblank gelaat, vlak bij uw rozenmondje!
O stipte gastvrouw! die een hinderlijk gemis Van ruimte en entre-mets bespeurdet aan uw disch.
Een flesch te min, en ginds een schikking van twee gasten,
â¢fin' if *quot; itquot; y -xr 'â¢irquot;ïr~ir kâ *â *' *â¢'*â¢(*
» . y- .» , lt;-â e
.«â . â - ,gt;â â gt; .-*â
. r . ȉ
ERRATA.
Wier neuzen aan die plaats elkandren niet verrasten Op aangename wijs! O handlaar, die een fout Bemerkt hebt in uw kas, al weken, maanden oud. En nachten doorstrijdt in gezelschap van uw boeken. En â cijfergeesten, om een kwart procent te zoeken, In eeuwge sommen diep bedolven, met elkaêr Vermenigvuldigd tot de veelheid van uw haar. En eveneens verward, â bij geest- en zielsverrekking. Die eindlooze op- en af- kwadraat- en zenuwtrekking... Vergeeft mij, zoo ik thans met u niet lijden kan: Ik weet, rampzaligen! een meer bedorven man.
Ik weet, een sort, waarbij ik 't uwe voor geluk houd... Het noodlot eens auteurs, vernietigd â door een drukfout.
Een drukfout â maar het is een dolksteek in uw oog.
Beklagenswaarde vriend, hoe kalm, hoe hoog of droog!
Het is een vent, die onbeschaamd springt door uw glazen;
Het is een dief â ach, soms met onbetaalbre frazen.
Van verzen, kronen, ja, en âkoninkrijken waard,quot;
Van geestigheden schier te geestig voor deze aard!
Errata! maar het zijn de gruwlijkste pamfletten.
Die in uw werk de vuilste handen zetten.
Schoon gij met gierenblik gewaakt hebt voor kopij,
Proef en revisie van uw eerste poëzij,
Uw deftig proza! â Neen 't zijn duiveltjes, die dansen
Voor de oogen des auteurs, of dreigend zich verschansen
In zinnen zonder zin en verzen zonder maat;
Of, als beschonken lui die wagglen over straat,
Als omgekeerde p's, of n's met haar pooten
Hoog in de lucht, of als een woord omvergestooten
Door vrinden, op hun neus getuimeld- N , of als
o
O
Een ander zonder kop, een alias, een hals Zich voordoen; want gij weel, naar ouderlijke zeden
Kan zich een duiveltje vrij wonderlijk verkleeden:
'â quot;yrquot;y- y
s
141
=*. *
*
=*â
It, *
*(
A *
*J *
*
11,
*
*,
A
*
â y
i *1 *! w-
. 'â .gt;â .y- , »'â . *â , »'â . «'â . â gt;' â ^ â¢gt;''
142 ERRATA.
Nu eens in groot kostuum en straks in negligé,
Soms in uw besten vriend, waarom niet in een P? *
Ja, duivels zijn het, die met helsch-onnoozle blikken Zich aan de wanhoop van een arm auteur verkwikken:
âWat is dat prachtig!quot; trilt hun plaagstem in zijn oor, âEen nieuwe taalvorm!quot; grijnst het wriemelende koor: âDat versje is delicieus! vast âzoo in eensquot; geschreven?
Inktkoker, pompstok ') godlijk rijm I Men zou wat geven Voor zoo'n genie! en kijk, dat geestig quiproquo,
't Lijkt wel moraal en toch, is 't niet een fijn bonmot?quot;
Zoo bijt het; tot de man, verlegen en verloren,
Zijn werk in 't vuur smijt, om van de'eersten vriend te hooren. Als hij zich buiten waagt en snikt en snakt naar lucht: Hoe jammer van je boek! maar 't is toch wel een klucht...
Een klucht... ! maar 't is een moord, een diepe zielewonde! * 't Zij voor een knoeier loon naar werk, en straf voor zonde: â â Ik zeg u, op mijn woord, dat geen fatsoenlijk man Die wondere kritiek lam-lijdzaam lijden kan.
Ach! ware ik souverein, despoot of potentaatje,
Al was 't ook van een klein bespotlijk moffenstaatje!
Geprezen eenheid van âdas Deutsche Vaterland,quot;
U liet ik zoeken als ver boven mijn verstand; i*
'k Heb van finanties geen begrip, maar 't zou zich vinden;
Want vorsten hebben steeds zeer ijverige vrinden;
Doch wat ik doen zou ? O, 'k heb wetten in mijn hoofd, Van wier effekt ik mij vast wondren heb beloofd Voor lezers en auteurs: mein Gnade zou besluiten Dat elk vervelend boek van oude en jonge guiten,
Dat zondigde op het stuk van smaak, gezond verstand.
Taal, rijm of maat,..,, misschien onmidlijk werd verbrand?
Neen, neen, gedrukt, gedrukt! maar schwarmende Ongelukken,
_ *
1) Bilderdijk zegt: ij en ei rijmen op elkaêr als inktkoker op pompstok, gt;
r7 T#quot;quot;7 i#quot;7 Vr -⢠T#-V'r ^T' ' -jf' -iïquot;'
.» . , gt;â .» . . «â . y- .«' . gt;- . »â . y- . . y- . gt;- . gt;â . y- , y- . y . y .» .
ERRATA. 143
Begrijpt mij wel, ik zou 't met fouten laten drukken:
Geen enkele proef â laat staan revisie â zoudt gij zien,
En straks wel, als de pest, uw eigen werk ontvliên!
Want, volgens deze wet, zou 't schooner onzin wezen,
Dan ooit Frans Baltus aan het menschdom gaf te lezen; â En binnen 't jaar verscheen geen boek meer in myn rijk. Het prullenlegioen van iedren dag gelijk.
En eindlijk, daar ik graag rechtvaardig wilde blijven,
Zou nooit mein Gnade meer een enklen regel schrijven.
Secundo, ieder werk, de vrucht van rijp verstand,
Smaak, kennis, geest, vernuft, een glorie voor mijn land.
Eerst door een kalligraaf in keurig net geschreven.
Werd, door den Staat beschermd, met zorg in 't licht gegeven, In vriendelijken vorm, de letter groot als vier En niet, mijn vrienden! op dat gruwelijk grauw papier.
Dat mij van 't beste werk doet walgen, daar de heeren,
Geleerden van beroep, ons eeuwig op trakteeren.
Versta 't papier!____En dan beproefd, gerevideerd
Met arendsoogen, hondenneuzen hooggeleerd.
Door heel het snugger korps van wakkre schoolmonarchen,
En door den hoogen raad van kundige aristarchen.
En door een ezel â want een ezel vindt een fout.
Waar 't niemand denken zou! â
'k Liet eindelijk met goud Het gansche zettersgild zeer vorstelijk betalen,
Maar wee hun, zoo 'k op hen één komma kon verhalen, Eén drukfeil, die het werk onteerde door hun schuld.
Na zooveel zorgen, zooveel tobben en geduld:
Wee! op mijn woord, ik liet de domme zetters zetten,
En gaf hun Speek noch Bier noch Butterbrot â doch Ketten!
Neen, ik liet ze â tot hun straf â den misdruk, door de wet. Artikel één, vergaêrd â eens door hun hand gezet In dagen van fortuin! â mij prompt van buiten leeren,
Straks â al de auteurs precent â dien rommel deklameeren.,...
-f'' '' Tfquot;quot; â¢Â» ' ' .m~r ⢠' -Vquot; ' .Vquot; ' -⢠quot; é â¢*' ' V [â¢
S. ^ ^ . y- .» .» . . y- ,. y- .» .» . *â .» . gt;- . » .» .» . ^ »t*.
144 VOGELTJES, DIE ZOO VROEG ZINGEN, KRIJGT DE POES.
Als Rederijkers van de kroon in gala, met blauw lint.
Wit vest, gelakten voet, vol ernst, vol puf, vol wind.
En... maar hola, ik vrees dit grapje zal mij rouwen!
'k Mocht zetters en auteurs nu wel te vrind gaan houën.
1851.
VOGELTJES, DIE ZOO VROEG ZINGEN, KRIJGT DE POES.
Een vogeltje vroeg in den morgen.
Zong vroolijk en zonder veel zorgen.
Als vogelkens zijn, een lied.
O vogeltje, hou toch uw snater!
O denk aan den loerenden kater â
Gü zingt... ge ontsnapt hem niet.
Een dichtertje, vroeg in den morgen Des levens, zong zonder veel zorgen.
Als dichteren zijn, een lied,
O zangertje, hoü toch uw snater!
O zie toch dien loerenden kater.
Dien kritischen, spottenden sater â
Gij zingt____ge ontsnapt hem niet.
Het vinkje bezweek onder wonden En klauwen, en werd verslonden.
En 't was met het vinkje gedaan,
En de ander? â hij scheurde zijn kleêrtjes
En liet er een bundeltje veêrljes----
Maar vloog toch weer op in de sfeertjes, En spoedig ook groeiden zijn veertjes.
Veel mooier, Meneertjes,
Weêr aan.
1851.
,«â â y1 y y *â ' if'' y
LAATSTE DER EERSTE.
TERUGBLIK.
Wat wij wenschen, willen, streven,
Hooger geest gebiedt.
Vrije mensch, uw weg, uw leven
Maakt gij u-zelven niet.
'sAadlaars vlucht heeft vaste perken.
Waar hij henen schiet. De Almacht neigt den wil des sterken Als de wind het riet.
Leg den grond voor â luchtpaleizen!
Op der plannen kaart Merk den weg, dien gij zult reizen;
Wijd en schoon is de aard!
Kies uw lot en zoek uw wegen.
Bij uw eigen licht!....
Maar verwacht een God van zegen. Die uw gangen richt!
Om ons, in ons werkt en fluistert
Hooger geest en macht,
Die ons stuwt en buigt en kluistert
Met geheime kracht.
't Leven is vol wonderwoorden, Ruischende uit de vert',
gt;1. gt; . y . gt;â , «â .?â .ï- . *â . *â . *â ,gt;quot;â , y- , . »⢠. y- . gt;'â .. gt;â¢â ,
148 TERUGBLIK.
En onzichtbare liefdekoorden Trekken 't menschenhart.
Laat de knaap, in 't leven stormen
Met zijn vrijheidsleus,
Wanen zich tot man te vormen
Naar zijn fiere keus â
Straks komt daar een uur in 't leven,
Dat de mensch zich vraagt:
Wie zijn weg stiert en zijn streven ?
Wie hem leidt en draagt?
Over 't land van zijn verleden Slaat de zwerver 't oog;
In gepeinzen en gebeden
Vaart zijn geest omhoog:
Wie toch heeft zijn slingerpaden
Naar zijn haard geleid?
Uit zijn droomen en zijn daden Wie dees vrucht bereid?
In zijn vaart, wie hield hem tegen,
Met een stroohalm? Wie,
In een uur van smart of zegen.
Boog zijn hart, zijn knie?
Wie heeft bergen weggeschoven
Voor zijn matten voet?
Wie tot hopen en gelooven Kneedde zijn gemoed?
Speelden onbekende machten
Met zijn hart, zijn lot ?
Of wel leidden hem gedachten
Van een zeegnend God?
O, wie schept de omstandigheden?
ST* *' â *quot; *' vf' â *' *' 1 â *quot; -,f1 â¢*quot; *' â *' â *' -ff' *'â *quot;â [*
*3.» .» .*â ,*â .ï ,*â .gt; ,.y
DE LIEFSTE PLEK. 149
Wie het toeval? Wie Uit verwarring â orde, vrede,
Licht en harmonie ?
Levensraadslen, die ons jagen.
Zalig, die het woord,
't Antwoord op uw groote vragen
In zijn leven hoort!
Almacht, Liefde, Trouw, Genade,
Zalig, die uw hand Ziet of weet op al zijn paden In het vreemde land.
D., 1854.
DE LIEFSTE PLEK.
Elk heeft een plekje op aarde Hem dierbaar bovenal, Een landstreek of een gaarde,
Een dorpje of een dal, Een plekje, waar hij blijven
En vrede zoeken wou. Waarheen zijn droomen drijven Met stille liefde en trouw.
Voor mij, schoon mijn verlangen Soms dwaalde heinde en veer: Al hoorde ik tooverzangen Aan 't dichterlijke meer; Al staarde ik op de reize
Vol plannen wel in 't rond, En sprak na lang gepeize:
Zoo hier ons kluisje stond? â
â â¢.fquot; * ⢠.,f1 iC â ie -ie -g â .rr â¢*'~ir~^r'~irr -*â â¢*' ^
,y .gt;-â ,y .y- . y- Ty .y .y- .gt;â¢- ,gt; .gt;-â ,.y- ,gt; . y .» ,/â ,»[â :
150 DE LIEFSTE PLEK.
Toch, Hollands rozentuinen,
U bleef m;jn hart verpand ; Op Hollands blonde duinen Prijs ik mijn eigen land!
U heb ik uitgelezen
Mijn bosch en duin en dal.
Daar half mijn thuis mocht wezen, U eer ik, bovenal!
Neen, frissche bloemengaarde. Zoo needrig, maar zoo rijk In vriendelijkheid, op aarde.
Geen plekjen u gelijk!
Laat schooner oorden spreken
Van kracht, van majesteit.
Mijn uitverkoren streken, Gü ademt: lieflijkheid!
Waar rijzen zoeter geuren ?
Waar mengelt de avondstond Zoo vriendelijke kleuren,
Zoo lieflijk bruin en blond? Ik weet geen lentedreven
Zoo rijk aan melodij;
Waar had ook 't jonge leven Een blijder glans voor mij!
Wij plachten hier te dwalen
Zoo menig, menig uur,
Ik ken hier al uw talen
En stemmen, mijn natuur! 'k Versta de teedre woorden
Van weemoed, liefde en lof, Die ruischen in de akkoorden Van deez' uw milden hof!
* 0' * *
è-
ï *
*
f
t gt;â¢
JL
*1
V'l. .»'â .»'⢠.a- . gt;'â . *'⢠^,v_ _.*quot;l .gt;'â â â¢' â * .-ijLL*:
DE LIEFSTE PLEK. 151
'k Weet wat de koeltjes kozen
Des morgens in onz' tuin,
Des avonds met de rozen,
De rozen van het duin;
Wat, als de najaarsvlagen
Hier dwarlen door het hout De sombre dennen klagen,
Die dichtren van het woud.
Mijn zielsgeheimen welen
Drie plekjes in het bosch.
Daar wij zoete uurtjes sleten Op 't geurig, krakend mos.
Waar 't lelietje der dalen
Ginds welig opwaarts schiet,
Daar zongen nachtegalen Ons 't eerste liefdelied!
O lusthof mijner ziele,
Goed plekje my zoo waard,
Hoe wèl mjjn snoeren vielen
Ginds bij mjjn hof en haard.
Ik mag toch ook belijden
Dat ik u stil betreur.
En dat mijn hart bij tijden Hijgt naar uw rozengeur!
Ik zoek u telkens weder;
Dan, met een traan, een lach,
Gedenke ik lang en teeder Den schoonen levensdag,
Dien 'k leefde in deze gaarde,
Beminnend en bemind.
Bij al mijn liefste' op aarde En, â God, uw dankbaar kind!
*
-.f ' 'Jf ' '-t ' â » ' ' â¢â¢ ' â¢â¢ '
.so. ^ . y .* .. y , j- .» .» .r- .Â¥â .* .* . »⢠.» . r , y- ^ » . y
gt;.K
KINDERZIN.
Dan fluistren de avondwinden
Mij zangen van weleer,
'k Hoor namen van mijn vrinden â
'k Zie al mijn jonkheid weer; Dan klaag ik aan mijn duinen
Mijn opgegaarde smart, En 't lied uit de eikekruinen Stort balsem in mijn hart.
En ware ik Heer in 't leven.
Neen, neen, ik scheidde niet; 'k Bleef nestien in dees dreven
En zong u lied op lied.
Ik leefde van mijn droomen
En nederig fortuin,
In schaüw van de eikeboomen, Ginds aan den voet van 't duin.
152
f *
f * * amp; f
r *â¢
*â
*
*â¢
En niemand zou daar vragen:
Hoe welkte uw poëzij____
Een bloem van korte dagen â
Nog vóór het zomertij ?
Neen, 't hart is vol verhalen,
Vol zangen mijn gemoed â Maar 'k dierf de lucht der dalen, Die 't lied ontluiken doet!
Bloemendaal, 1854.
KINDERZIN.
't Klein volk dat buiten zich zoo vrij
In 't leventje verheugde,
't Is nu 't weer oprukt even blij: In stad wacht nieuwe vreugde!
vf' â *' -K' * ' *quot; â¢*' â !('
â f' iT'l
.* . * .y- ,gt; .gt;- ..» .» . *â¢- . »â¢- . *'â .» â »â . . y- . .^ . » . y-
TOEN IK EEN KNAAP WAS.
Grootmoeder is niet wel gemutst,
Daar geen der dartle kleenen,
Die zij bedroefd ten afscheid kust,
Zelfs met één oog kan weenen.
Wie als een kind zijn dag geniet.
Zal nooit zijn dag beklagen En schept, wat kome, in 't nieuw verschiet Weer altijd nieuw behagen.
(rückert.)
*
DE PROEFSTEEN,
Wat ge op aard begint, begeert, Eerst het hart tot God gekeerd! Want een proefsteen is 't gebed, Of het strookt met 's hemels wet.
TOEN IK EEN KNAAP WAS.
Toen ik een knaap was in 't zorglooze leven. Gordde ik mij-zelven en liep naar mijn lust; Vrij in mijn wandlen en zoeken en streven, Vrü in mijn reizen, mijn droomen, mijn rust.
Straks ook voor mij is een ure gekomen.
Ure van roeping, van ernst, van gena,
7
â gt; â -»:* k
153
*
* *
a *
* * * * *
:V
*
* * quot;J
â¢1
Ã*. 'â *
â '*
Dat in mijn boezem die stem werd vernomen: Hebt gij mij lief? â en mijn ziele sprak: Ja.
é
y *quot; y
i
,y ,» .y- ,» .» .» .y- .gt;â .y .» .y. .y-
154 MOOI-WEÃRSLIED.
Sinds mij dat uur uit mijn droomen kwam wekken,
Leidt mij een ander, ook waar ik niet wil.
Leert mij de handen steeds williger strekken,
Volgen en dragen, ach, vroolijk of stil.
Toch, nu die Meerdre gebiedt in mijn leven,
Vinde ik, trots banden en zielsstrijd en smart, Wat ik eens vruchteloos zocht in mijn streven: Vrijheid en vrede voor 't rusteloos hart.
â t' â /'
UITKOMST.
'k Heb aan tafel nooit gezeten. Zonder naar genoegen te eten. Nimmer greep ik in mijn tasch, Dat ik ganschlijk âplatzakquot; was. Riep mij 't zonnetje naar buiten, 'k Had mij nimmer op te sluiten. En 'k heb nooit gewandeld, of Voor een dichtje vond ik stof.... Liedjes, vrijheid, geld en spijzen â Zou ik daarvoor God niet prijzen?
(rückert.)
MOOI-WEÃRSLIED.
Een zonnestraal.
Een wonderstraal Is in mijn borst gedrongen:
â¢4
MOOI-WEERSLIED.
Mijn matte ziel herleefde weer, Ik twijfel en ik haat niet meer En heb mijn lied gezongen.
Een blij geruisch
Om 't zonnig huis Verkondde mij den vrede.
Van liefde en lof klinkt heel mijn hof, 't Juicht alles en geeft juichensstof: En noodt: o dank toch mede!
155
*
'kWas huivrig kil
En somber stil,
Wel zeven lange dagen.
Het was ook triestig in mijn hart;
Daar hing een lucht vol zorg en smart; Er huilden gure vlagen.
Ik had geen lust
En vond geen rust:
'k Was treurig, of daarbinnen Een booze geest had uitgestrooid,
Dat 's Hemels blijde zonne nooit Weer de aarde zou beminnen.
Nu wekt haar gloed,
In mijn gemoed,
Een vreugd niet uit te spreken! 'tis of er bloemen open gaan, En lentenachtegalen slaan,
En strakke windslen breken.
'tis of mijn hart
Betooverd werd!
Waar vloden al mijn zorgen?
â *' *quot; ' â *' T*1 -.f' if
*J *
*
*
4 ï4 V
⢠vf ⢠* ' ' [S
156
.* .â » ,y- ,gt;â¢â .» ,y ,y .»
.崉 .f- .*
KLEINE STOKSKEKS.
Weer heb ik iets van 't vroolijk kind, Die 't leven zag, in rozentint, Een korten, blijden morgen.
Mijn harpe beeft,
Mijn harte leeft Een zalig liefdeleven!
Daar, wie mij griefde, daar, mijn hand! En neem mijn liefste bloem ten pand. Dat ik u heb vergeven.
Hoor gij mijn dank,
In 'tblij gezank,
O God der bloeiende aarde!
Die licht en geur en vroolijkheid Mild in mijn ziele hebt verspreid. Als in Uw lentegaarde.
*
* * * * * * * *
ï ï ï
*1
1854.
KLEINE STUKSKENS.
Liever dan één groot stuk brood
Heeft een kind twee kleine brokjes; Liever dan één fiksche teug â
Twee kleine slokjes.
Dat is geen spel nu zonder zin.
Een lieve leerling schuilt er in;
Zoo geve ook mij fortuin niet veel,
Maar altijd liefst een needrig deel.
En in de plooien van haar schoot Bewaar ze een ander â even groot.
(ruckert.)
* *
è:
â «quot; y â *quot; V' â .â¢r
gt;] â *'
* ' iT
. *'â .. gt;'â . gt;â , *' . »â â »'â â »⢠â »'â .» â ^ ^
JONGE ROEPING.
JONGE ROEPING.
AAN____
Niet te droomen, niet te zuchten,
Niet te klagen, naar ik meen Niet te schuwen noch te vluchten 's Levens reine lieflykheên;
Maar te midden van den zegen,
Die u toestroomt van uw God, Bloemen strooiende op uw wegen. Liefde wevende in uw lot:
Maar met vrome, vroolijke oogen,
Frisch en jeugdig en gezond. Dankende op te zien ten hoogen En vertrouwende in het rond:
Maar ootmoedig en bescheiden
En beminlijk en bemind.
Vrede en vreugde te verspreiden, Als eens rjjken vaders kind!
Dat is leven God ter eere.
Naar de roeping uwer jeugd. Naar de trouwe liefdeleere, Die verzoent, vertroost, verheugt:
Want de kindren Gods zijn blijde. Blijde ook onder strijd en plicht; 't Leven heeft zijn donkere zijde. Maar hun ziele heeft het licht.
157
* * * * * * *
Xgt; *
* *
A
=4 *
* *
â¢-t,
'K =«
* =â¢
* y *
â t' * â -.f â
â¢4], y.
158 HET LIEDJE VAN VERLANGEN.
't Sterft wat bloeit in de aardsche dreven,
Maar voor 't hart in God gerust, Uit den grond van 't hooger leven Bloeit steeds frissche levenslust.
1856.
HET LIEDJE VAN VERLANGEN.
Een knaapje leunt aan moeders schoot
Vol slaaps de knippende oogen. En houdt zich wakker, taai en groot.
Met knikkebollend pogen Hij 's bang in 't donker, bang alleen: Hy wil niet heen.
Blijft talmen, treuz'len, hangen. Het dwaze jongske dwingt.
En zingt Een liedje van verlangen.
Reeds half het offer van den dood,
In dorre levensgaarde,
Bukt zich een grijsaard naar den schoot
Der trouwe moederaarde.
Maar zeg hem niet: 't Is tijd van rust! Schoon afgeleefd in iedren lust.
Hij hunkert nog te blijven:
Hij zucht en hijgt, maar juicht en lacht. Hij leeft slechts om, met kunst en kracht. Den doodslaap te verdrijven.
Hij 's bang in 't donker â bang alleen;
Hij wil niet heen.
Blijft meedoen, beuz'len, hangen.
â â «I gt;â¢- . gt;⢠. gt;'â
KRACHT.
De dwaze grijsaard dwingt,
En zingt Een liedje van verlangen.
1853.
WAAR-MAAR.
'tls waar; een recht berouw kan nooit te spade komen,
Maar â laat berouw wordt óók niet licht voor echt genomen.
KRACHT.
Ik wenschte mij een koopren kop.
Koel, vaardig te aller uur;
Geen mijmrend hoofd, nu licht, dan zwaar. Straks brekend, berstend uit elkaêr. Vol storm of zand of vuur.
Een hart, dat, als oen friesche klok.
Sloeg met gelijken klop !
Geen ding, bij ieder vreugd en smart.
Bij ieder tocht jen uit de vert',
In driftigen galop.
Ik wenschte mij een effen blik. Een onbeweeglijk oog.
Dat nooit verried, wat liefde of haat.
Wat lust of luim, of goed of kwaad Van binnen mij bewoog.
159
En voorts â een forschen lichaamsbouw. Een grof gespierde knuist;
*â â â â /'
r
160 KINDERLOOS.
Wie met de kracht des vleesches lach',
Iets olifantisch' baart ontzag En 't geestje vreest de vuist.
Ik wenschte, ik ware een dikke reus,
Geboren Stoïcijn!
Zoo wandelde ik door 't leven rond,
Flegmatisch, kalm, bedaard, gezond,
En kende stryd noch pijn...
O lach niet: 'k zweer u dat ge mij
Niet om dit liedje lacht!
Deez' prozawensch, deez' prozakreet Is vol verborgen zieleleed â
Eens teedren dichters klacht.
KINDERLOOS.
I.
Arm moedertjen is zoo alleenig.
Arm moedertjen is zoo bedroefd,
De Vader, Dien zij dankte,
Heeft haar zoo zwaar beproefd.
Zij staart in 't verlatene wiegje.
Op 't speelgoed nog zwervend in 't rond;
Daar ligt zijn popje; zij kust het Met bleek bestorven mond.
* Haar armen zijn ledig, zoo ledig!
* Weg, al haar levenslust!
*1___^___âr
.» â » .» .gt; â gt; â »â¢â â » i
KINDERLOOS.
Haar huis is uitgestorven;
Zij heeft noch zorg, noch rust.
,0 vrouwe, hadde uw ziele
Nooit moedervreugd gekend, â Zoo waart ge vreemd gebleven Aan deze lange ellend!quot;
Zij wringt de witte handen,
Ziet op, en peinst en schreit En stamelt: âNeen, ik dank nog: Mijn rouw is heerlijkheid!quot;
n.
1
J
't Lief vrouwtje, slank en schoon,
Gedoscht in zijden plooien.
Staat, leunende in den vensterboog. Haar zieltje te verstrooien.
161
1
* =4
Ze is rijk, ze is jong, zy wordt bemind;
Toch welt er in heur oogen Een traan, dien vruchtloos 't fijn batist Gedurig af wil drogen.
Een arme vrouw in 't lompenkleed,
Met ingevallen koonen____
Een kindjen aan de dorre borst.
Vraagt aalmoes van de schoone.
En 't ziek lijk wichtje blikt haar aan, Met zachte, vriendelijke oogen.... Zij neemt haar goud, â maar toeft, maar staart. Verwijtende ten Hoogen â
* *
v7 [*'
y
â jf' -ff' li
i
W' vf'l--'
162 DE LENDENEN OMGORD.
En lacht:... âEen aalmoes vraagt die vrouw!
Ben ik dan rijk? Erbarmen,
Mijn God! ik, ik heb immer niets. Zij â schatten, in haar armen!quot;
1854.
ZANG.
Jeugd en vreugd en liefde, kind, Z^jn drie korte lentedagen;
Ach, ze vlieden, hoe we klagen... Daarom wees wijs en geniet ze gezwind! Hartje, wees wijs en geniet ze gezwind! Staak uw klagen, schep behagen In de schoone lentedagen.
Wees jong, heb lief, wees vroolijk, kind!
(rückert.)
W IJ S H E I D.
Plant uw hof naar 't u belieft. Bouw uw huis naar 't u gerieft. En â door 't venster â wijze guit. Lach deez' zotte wereld uit.
(Gevolgd.)
DE LENDENEN OMGORD.
De lendenen omgord en brandende de lampen!
Neemt saam de plooien van het sleepende gewaad. Dat gij moogt vaardig zijn tot werken, dienen, kampen, Tot scheiden â als Gods ure slaat.
^ , y , y- , y .» .» , y- . gt;- , y , gt;-
DE LENDENEN OMGORD. 163
De lendenen omgord: schikt weg wat u zou hinderen,
Gehoorzaam te aller uur op de ongewisse paên,
Als knechten in Gods dienst, neen als geliefde kinderen,
Den weg, dien Hij u wenkt, te gaan.
Ons leven is een sfaag verreizen en vertrekken; â
Wie roemt op stad of huis of rustplaats hier beneên ? â
Ons komt gedurig weer de stem des Geestes wekken:
Op, maak u vaardig en reis heen!
Op, uit uw armstoel, naar het stroodak in de verte!
Der armen Heiland roept in guren winternacht.
Op, uit uw blvi gezin, naar 't eenzaam huis der smarte:
Ween met die weenen, trouw en zacht.
Voort, van de plek der ruste in 't kampperk van het leven; Die steile bergen op ; daal van de plaats der eer;
Verlaat u rozenhof voor donkere olijvendreven.
Op â naar uw kruis, uw graf, uw Heer!
Ga, waar uw werk u roept, en volgzaam laat u leiden.
Wacht op Gods wenk, omknel uw reisstaf, neem uw kruis;
Groet die gij liefhebt, want uw wegen zullen scheiden,
Bereid uw hart, bereid uw huis____
,Bereid zijn,quot; klinkt de last, zoo neemt dan saam de vouwen Van 't hangende gewaad, voor 't struiklen van uw voet,
Omgordt u met de kracht van 't vol geloofsvertrouwen. Met christenliefde en christenmoed;
En steekt de lampen aan â ook waar een zon van zegen Dees schoonen morgen, in uw woning, licht en lacht!
Omgordt u; gij moet voort, op de onbekende wegen!
Ontsteekt de lampen â het wordt nacht.
Nieuwjaarsdag 1855.
f nr7 T#quot;7 -⢠' 7m~r -é'7 ~.lt;i 'r -jf' -.f' V't*-
.gt;].gt; . y- . k- ,y- ,*⢠. *
. * ,» .» .» . * .» . » .» â * â » â » 164 JONG-HOLLANDSGH BINNENHUISJE.
JONG-HOLLANDSCH BINNENHUISJE.
's Wintersavonds houd ik mij
In mijn bezig leven Graag, als 't mag, een uurtje vrij,
Zoo van zes tot zeven;
Dan is 't vroolijk woonvertrek
Vol gezelligheden;
Nieuwspapier en boekenrek Laat ik meest met vrede;
En genietend staar ik om.
Met mijn dank verlegen,
In het dierbaar heiligdom Van myns Heeren zegen.
Alles stemt er vroom en bly.
Kleuren, tonen, beelden,
Al uw zoete poëzy
Kleine levensweelden 'â¢
Praalziek was ik nimmermeer,
't Rijmt niet met mijn zeden;
Ik benijd geen mensch zyn eer,
Geld noch heerlijkheden ; «
Maar ik ben 't gezelligst dier.
En zie! mijn vriendinnen Stichtten mij een kluisje hier.
Stemmend ziel en zinnen.
't Leven is mij lief en waard
In dat hartlijk uurtje,
Levenslustig in den haard Knapt het knettrend vuurtje;
VJ y y y y y y K' y'
. * ,y- .y- .» .gt;â ,.y .i- . â gt;â ..» â gt;[*
JONG-HOLLANDSCH BINNENHUISJE. 165
Bij der vlammen heldren gloed,
Schept men fantazietjes,
Neuriet, stillekens en zoet.
Ras vergeten liedjes;
Allervriendlijkst begeleid Door het lief geluidje,
't Liedje der gezelligheid,
Uit het stoomend tuitje.
Poëzie schuilt overal.
Overal, mijn vrinden!
'tls de vraag maar wie haar al.
Wie ze niet kan vinden.
Menig schilder heeft geen oog
Voor een binnenhuisje,
'kWeet poëten duf en droog,
In hun smaakloos kluisje,
Menig boezem blaakt alleen
Voor het hoogverheven' â
Mij trekt alles, groot en kleen In dit lieve leven!
Doch, mijn kleintjes! gij het meest.
Springende gedichtjes,
Tintelend van leest en geest.
Aangebeden wichtjes!
U ook moet dees avondstond
Allermeest behooren,
U, mijn oudste, zacht en blond,
Lieflijke eerstgeboren!
U, mijn jongste, dwaas en blijd.
Pittig donkerbruintje.
Die voorwaar geen schaduw zijt In ons levenstuintje!
' â *' *' * ' â¢*' ⢠â # ' * â â * ' â¢*' nf' ü' â¢*' â £' if' K' -K' if' it' nf'tl!
166 JONG-HOLLANDSCH BINNENHUISJE.
Haalt uw schatten voor den dag!
Zal ik u een toren Bouwen, dien we met één slag
Schaatrend weer verstoren?
Moet ik ook, al wederom, 't Beestenspel verklaren? Leeuwgebrul en beergebrom
Pogen te evenaren?
Wilt ge met de komenij
Of de zuurkraam spelen?
Wat zal 't wezen ânu ereisquot;? Mij kan 't, heusch, niet schelen.
Niets van alles! â half tevreê
Komt men vleiend nader.
't Liefste speelgoed van mijn twee,
Dat's haar jonge vader! Als zoodanig meer geliefd
('k Zeg het zonder jokken.
Schoon 't mijn eigenliefde grieft) Dan â de doos met blokken! Meer dan 't wilde beestenspel Zelfs, trots aap en beeren! Van uw kinderen kunt gij wel Eenige' ootmoed leeren!
't Speelgoed dan wordt nu met list,
Vleien, plagen, lokken, (Kinderliefde is egoïst)
Naar den vloer getrokken, En daar vangt je 't leven aan!
Lustige oogjes gloeien,
Mondjes, handjes, voetjes gaan,
Bij het rustloos stoeien!
'k Geef mij aan uw armpjes prijs.
gt;â .gt;â
*L
JONG-HOLT,ANDSCH BINNENHUISJE.
O mijn krullebollen!
'k Laat, naar koninklijke wijs, 't Volkje met mij sollen.
Moeders oog staart vroom en zacht,
Op het dwaas tooneeltje;
Ik geloof wel, daar ze lacht.
Dankt ze voor haar deeltje. Ik geloof wel, zij geniet
(Schoon haar de ooren tuiten!) Meer dan eens, bü 't smachtend lied.
Dat ons streelde, buiten,
Als wij samen hand in hand.
Aan zijn toon gekluisterd.
Dwaalden door het droomenland, Daar men dweept en fluistert.
167
* *
-4 *
*,
3
Hi
*
*
*
â¢fi * r
â X -X â *
* *
Half gebluscht is 't eerste vier,
Purpren koontjes blozen!
Op het wild gegier, getier Volgt een zoet verpozen. Dan bekomend van 't gejoel,
Onder duizend grappen,
Zitten we in den grooten stoel,
Alle drie te snappen.
'k Word beloond soms met een keur
Geestige gedichtjes,
Al te maal van Gouverneur,
Lievling onzer wichtjes.
Zeven uren slaat de klok;
Weelde moet niet duren;
En mijn kippen gaan op stok
Klokke zeven ure!
Liefde wenkt en niemand dwingt
ïrrvT' vf â 'yr â¢gt;â
|
gt;â â . gt;⢠, gt;- , gt;⢠. gt;'â . y- . .* , gt;- , gt;â , p- . gt;â , gt;- .»- . gt;â â , .* . gt;â . * . gt;⢠. * â *â .?â . .*⢠| ||
|
* * * Si, * * !V % * Ã, * * * * * * * =» quot;K * «t * * *, *5 * |
168 JONG-HOLLANDSCH BINNENHUISJE. Om te blijven liangen; De oudste noch de jongste zingt 't Liedje van verlangen. Slechts m^jn hart vol zaligheid, Stemt het voor de' Algoede, Die mij al dit heil bereidt, Die ons huis behoede! Om dees vroolijke avondrust In Zyn gunst te smaken, Wil ik, al mijn dag, met lust Werken, zorgen, waken; â (Is 't niet voor het daaglijksch brood, 't Is om 't brood des levens, Dat slechts de arbeid klein en groot Schenkt, met vreugde tevens!) Wil ik, onvermoeid en trouw. Kleine kruisjes dragen, Die mü God óók schenken wou In Zijn welbehagen. Wat mij toch daar buiten grief In 't aandoenlijk harte. Immers by ons huislijk lief Bloeit weer troost voor smarte. Wat me ook treurig tegenviel In deze aardsche dreven, Niet.de reinste droom der ziel, 't Zoet van 't huislijk leven! Niet de weelde en 't ryk genot Dat uit kinderoogen Straalt â ten trooste in 't menschenlot. Vrede, zegen, licht van God, Glimlach uit den Hoogen! D. 1857. |
à à à * * à Ã' it à * * à * ? er- .gt;â gt;⢠ï-* ï ï |
|
V |
* ' â /gt;' â¢*' *' ^ â¢#' -t' n' â -je -4' -K' a ' -M ' a ' â #' â *' â¢Â«quot; â .? ' I* | |
ANNIS TAAL. 169
DE FEESTDAG.
Dat u een feestdag sticht' en sterk', Vriend, tot uw daaglijksch werk!
Zijn heil, zijn licht, zijn rust en zoet
Schenke u een frisschen moed. Verspil in uitgelaten vreugd
Uw sterkte nog uw jeugd.
Nieuw rijze uw kracht ter eer van God, Uit matig feestgenot!
(Gevolgd.)
ANNI'S TAAL.
Geen dichter schiep ooit zoeter taal.
Geen schrijver maakt zulke zinnetjes.
Als gij, bruin wicht, klein ideaal Van al uw moeders vriendinnetjes!
Wie, drommel, leerde u toch zoo lief
En geestig uw woordjes te schikken,
Te snappen zoo onnavolgbaar naïef.
Met mondje en handjes en blikken?
Ik heb beproefd te schrijven als gij,,
O schalkje! gewoon zijt te spreken.
Beproefd in proza en poëzü â
Mijn povere kunst is gebleken!
Uw stemmetje klinkt zoo blij, 200 zoet;
De woordekens buitien en trippen.
Vol geur en kleur en toon en gloed,
U van de rozenlippen.
53*⢠*''5rquot;yr *⢠*'â if'ïr'ITquot;#*' y â /'quot;V'R;
lJt' , ifquot; , y- , jr , , èr , y* , jir , jr , , 0'
ANNI S TAAL.
Dus koosden wis in 't parades
De reine kinderzielen,
Op vrome, kunstelooze wijs â
Eer ze in de geleerdheid vervielen ?
G^j kunt me zoo zonder grammalika,
Verbuigen en vervoegen,
Dat ik betooverd te luisteren sta,
Schier met jaloersch genoegen.
Wie leerde u dat ? Dat leerde u voorwaar
Geen kitt'lig taalgeleerde,
Geen preeker of geen redenaar,
Wien Siegenbeek bekeerde!
Dat leerde u de goede moeder Natuur,
Die ook de vogels leert zingen!
Haar lessen zyn, voorwaar, niet duur â
Doch schraal heur volgelingen.
Dat leerde u de goede moeder Natuur,
Zij gaf u die tooverklanken____
Beleedig haar nooit, met kunst of kuur,
Blyf steeds haar eeren en danken!
O, 'k bid voor u, dat ge immermeer
Moogt praten zoo natuurlijk.
Een kind van onzen lieven Heer Nooit deftig of figuurlijk.
Dat ge immer op uw schalke tong,
Als thans, uw hartje moogt dragen.
Een hartje, zoo rein, zoo frisch, zoo jong.
Schoon â met wat minder vragen'! %________________________
vfquot; vf' ' IT' ifquot; if' -K â¢# â ^ â irr ' if' if' if' â * ' 5 ' â * ' -t' * ' * ' if' if'fc
170
,^1, gt;'â¢
OPVOEDING.
Dat uit uw kinderlijk gemoed,
Zoo geestig en lieftallig, Uw taaltje vloeie steeds zoo zoet. Eenvoudig, oprecht en bevallig!
* * *
Dat God u beware voor ons valsch.
Ons afgesproken taaltje.
Ook voor den Delftschen tongval â als Voor 't Rotterdamsche haaltje!
D. 1857.
y
OPVOEDING.
Ik heb een leelijk trekje.
Ontdekt in 't kleine hart Van ons aanvallig bekje â Dat baart my groote smart.
Ik heb tot God gebeden
Dat Hij my raden wou, Hoe 'k best dat hartje kneden. Dat plantje sturen zou?
Met bidden of bevelen.
Met rede of krachtbetoon ? Met strijden of met streelen. Met vrees, of hoop op loon ?
Met plooien, pleistren, schikken ?
Met onweerstaanbren dwang ? Met groote, booze blikken. Of teedren liefdedrang?
171
â * â -jt â [â¢,
*'rirr
â *]
*1..* . *- .*â .If- ,gt;â¢- ,A- . *â ,gt;'â â gt;â¢â ,gt;â ,gt;'â ,gt;'â
1^2 OPVOEDING.
Met ééne les voor 't leven,
Een harde les, misschien?
Met op de vingers geven.
Of door de vingren zien?
Met vaderlijke tranen
Aandoenelyk en week ?
Met kort en zacht vermanen?
Of mooglijk â met een preek?
Met leeren en betoogen?
Met zeekre dogmatiek?
Ik vreesde, o kinderoogen,
Uw oolijke repliek!
Zoo stond ik te overleggen
Hoe ik mijn trouwloos wicht.
Het juiste woord moest zeggen En brengen tot haar plicht.
Zoo stond ik half verlegen,
Met teedre zielepijn,
Te wikken en te wegen,
Wat hier de weg zou zijn ?
Ik heb wel alle dagen,
Gelijk myn plicht mij riep,
Dat hartje gaê geslagen, â
Maar 't kinderhart is diep!
Vast zou ik minder schromen
Had ik, als andren doen.
Een stelsel aangenomen Om kindren op te voên.
5] v» ' * ' 1 * ' * ' * ' ' â¢* ' * ' * ' * ' * * ' I»'' if nf H *
.#â .».».».».».».».* ,/â .Æâ .»â¢- .».».gt;.».». ^ j*
OPVOEDING.
Doch mooglijk zou 't niet passen,
Schoon anders overal,
(Een ding kan ons verrassen!)
Juist hier in dit geval.
Dus vraagde ik God een lesje â
Daar kwam zij aangetreên, 't Hooghartig zondaresje,
Gebogen, week en kleen;
Van-zelf met wankle schreden,
Met schaamte in blos en blik, Gants droevig ontevreden Op eigen leelijk Ik.
Daar kwam zij aangetreden
En kuste my zoo teer.
En heeft haar schuld beleden â Raad wat ik hieruit leer?
't Geval was mij een teeken. Een teeken trouw en goed; âWachtâbidt! God zelf wil spreken Temet in 't jong gemoed:
âEn weet, wat rede of roede
Ooit vaardig breng terecht â Méést werkt de kracht ten Goede Door Hem in 't hart gelegd.
âWat zwakheid moog bederven,
Uw wisheid doet veel meer Vaak 't wonderbloempje sterven, Daar kiemend tol zijn eer!quot;
V V' V' s- 'V ^ V ..â rT,~
173
* * * y,
\ *.
t. *
* * * * * * gt;â¢
A
:â¢
*
* * â¢Â«
:V
*. «j
y y
174 RÃCKERTS EGOÃSME.
WAAR HET MEESTE WORDT GELEDEN.
Het knaapje sluimert! maar de moeder aan zijn sponde Bespiedt de onvaste rust van 't krank'en lijdend kind;
Ach, hoe dat hoofdje gloeit! 't is alles stil in 't ronde,
Doch in haar zièle niet, die vreest zooveel zij mint.
O God, waar hier op aard wel 't innigst wordt gestreden ?.., Aan 't kinderziekbed, Heer! Daar buigt ook 't twijflend hoofd
Des fleren mans zich neer met staarnlende gebeden; â
Geen moeder die niet bidt en in haar God gelooft!
Aan 't kinderziekbed. Heer! daar worstlen in de harten Gedachten, waar het hart voor week wordt of voor breekt.
Daar lijdt een liefde, die bij 't foltren van haar smarten, Uw liefde zoeken moet en vurigst tot Haar smeekt.
Ook nergens, stil geloof, is deze Liefde u nader.
Dan waar uw lijden klimt, bij 't klimmen der gebeên----
Van 't krankbed van ons kroost trekt gij ons hart, o Vader, Ten Hemel uwer kindren heen.
1857.
RÃCKERTS EGOÃSME.
Kweek maar ieder, vroom en blij.
Zijn geluk op aarde!
Tooit de roos zich-zelve â zij Siert meteen de gaarde.
-
. * .y- .y- .»â¢- .y- .y- . â â . ,gt;â . .* .*'â .
.* .» .» .» .y-
VOORJAARSLIEDJE.
VOORJAARSLIEDJE.
Lente lacht in onze dalen!
'k Durf niet treden in mijn hof,
Vol van geuren, kleuren, stralen, Zonder liedeke van lof.
Met de takken, met de knoppen, Loopen al de meisjes uit.
En de jonge boezems kloppen Voor de milde Lentebruid.
Vreugde, liefde, trooste, zegen Rrengt zij in haar bloemkorf mee,
Al haar vrienden aêmt zij tegen Levenslust en hemelvreê!
Nu, de kranke mag weer hopen, â Kan men sterven in de Mei?
Zij gevangenis gaat open.
En hij ruikt de groene wei!
't Geemlijk oude-vrijersharte. Vol gemaakten vrouwenhaat,
Voelt een wonderzoete smarte: Peinst: het is toch nooit te laat.
't Stijve bestje komt zich warmen, Lachend in den zonnegloed;
En in 't kluisje van Gods armen Daalt weer levensvreugd en moed.
Lente, voor uw zegeningen,
Looft, wie zestigmaal u zag;
175
* *
3
i
1 â¢i
i
i
k
V' -/gt;quot;
gt;1 » ,» .r ,» ,y ,» ,» .» .» ,» ,» ,» .» ,»
17G OP REIS.
En â mijn kind, voor haar seringen, Dankt u met haar liefsten lach.
Ik â o, troost en vreugd der aarde,
'k Min, ik groet u duizendmaal, Zend mij nu ook, in mijn gaarde, Toch een enkele nachtegaal.
OP REIS.
Interlaken, 6 Augustus 1856.
Ach, 't valt mij niet meer licht alleenig rond te dwalen En de oude reislust werd me een bron van strijd en smart! Mijn geest geniet wel â maar mijn hart,
Mijn hart is ginder in mijn Hollands dierbre dalen:
Neen, land vol majesteit, neen, bij uw wondren niet,
Schoon we in deez' vrije lucht ook ruimer adem halen,
Schoon dag aan dag ons oog uw bergen blinken ziet In reinen morgenglans, in prachtige avondstralen!
Mijn hart is thuis... is ginds, waar zich een needrig duin Van uit den lommer beurt der duistre denneboomen â
Getuigen veler liefde en stille dichterdroomen â
Aan 't einde van een rozentuin;
Daar op dees oogwenk vast mijn lieve kindren spelen,
De bloote voetjes in het witte, warme zand,
En met beur zoet gesnap de trouwe ziele streelen Van haar, wier peinzend oog ons zoekt in 't verre land.
Mijn hart is thuis! en wat al godlijke tooneelen.
Voorbijgaan, lieflijk, stout, afwiss'Iend voor ons oog,
;j y j'v' y y y y .v1 ~^rr v ⢠v' y V â x'lT'
â t]. »â . »â ,» . y . » . y- .» ,, »⢠,» , ^ . j- . ._!gt;â _ . 'â . y . *'â â * â gt;â .Xlg
OP reis. 177
En, o myn ziele, uw blik verheffen naar omhoog.
Naar hooger, daar waar ginds die purpren wolkjes spelen Met grimmige Alpenspits: â wat wondren uwer macht, O Eeuwge, van wiens lof hier duizend psalmen klinken. Gij, voor wiens aêm de bergen zinken En Die ze vastzet door uw kracht____
Thuis is mijn hart!
En of daar groote schimmen zweven Langs 't wijdberoemde meir, van Vrijheid, van Genie; Of 't panorama der. besneeuwde toppen, â die Als reuzenfeeën, vast bedeeld met macht en leven,
Ons aanzien, â zich verheft in tooverglans en gloed;
Of op der bergen kruin, daar wij den Heer verwachten. Een nieuwe wereld van gezichten en gedachten Zich opent voor den geest en dringt in ons gemoed;
Of 't dal der Alpen met zijn diepen, stillen vrede,
Door de avondzon met licht en schaduw overspreid. Op 't stijgend, slingrend pad, omtrent bij elke schrede,
Ons wandlaars zich ontvouwt in nieuwe heerlijkheid;
Of naar der heemlen trans, of we in den afgrond staren, Vol donkre majesteit, verborgenheên en schrik,
Of over 't vergezicht, met onverzaadbren blik.
Als in den droom, onze oogen waren....
Mijn harte blijft verdeeld, ook daar 'taanbiddend gloeit!
'k Zie van der bergen kruin of op de blauwe meren Altijd iets anders nog dan wat mij schokt en boeit.
Dan slechts____de wonderen des Heeren.
Steeds is mijn halve ziel verzonken in gepeins,
Steeds zweven voor mij uit de kopjes mijner lieven En, och, tooneeltjes mij geschilderd in de brieven,
Die mij den langen weg verlichten op de reis!
â o -f'' v?quot; -.f-' â¢/?'' vP7 â¢*'' r»quot;7 .rfquot;' .oquot; ' -a ' .aT' â¢Vquot;' â¢Â» ' â¢f'' â¢*' '
12
gt;â . â » ^^aJLaJL^Jf:. â * â * â '*⢠â '»â â gt;'⢠â *â â gt; â *''
178 LIGHT EN BRUIN.
Nochthans, uw groote stem spreekt machtig tot mijn ziele,
0 wonderschoone Schepping Gods!
Mij bouwt hier de Almacht zelf den tempel, daar ik kniele.
En 't levend water stroomt mij toe uil rots aan rots.
't Geloove wint aan kracht door 't zaligend aanschouwen. En hoog, in de eenzaamheid, waar de alpenroze bloeit,
Is licht en waarheid in mijn smachtend hart gevloeid Met al den vrede van 't vertrouwen!
Maar, heilige Natuur, hoe diep en luid en lang,
Als de echo's dour 't gebergte, uw stemmen en uw psalmen Ook in m^jn dankbre borst weergalmen,
En tuigen van uw God, die al mijn lof ontvang'!
Toch dieper nog weerklinkt, door 't binnenst van mijn harte, In 't vreemde, schoone land altijd een zachte stem.
Die ruischt van uit de dierbre verte.
En die nog luider spreekt van Hem!
Van Hem____Wiens liefde en licht, uit drie paar vriendlijke oogen.
Zoo heerlijk op mijn paden blinkt;
Wiens lof, uit kindermond, steeds door mijn woning klinkt. Mijn kluis vol vrede, die 'kal strijdend ben ontvlogen!
Van Hem____Wiens trouwe, Wiens bescherming en genaé,
Ik al mijn schat beveel, met duizend teederheden.
Terwijl ik 't vochtig oog naar gindsche bergen sla. Vol heimwee en gebeden!
LICHT EN BRUIN.
Ik groet met liedren en met kussen Uw blijd, uw moederlijk gezicht, Zoo lief, zoo heerlijk prijkend tusschen
.â «1.» . » , y .» . » . » , » . y ,» . y . » .» . ^ . y- . *- ,» , »â . gt;-â . » . y .» . gt;â NEEN NIMMERMEER, ZELFS NIET. 179
Ons blonde meisje en 't bruine wicht.
Voorwaar, wel menglen in ons leven
Zich zacht en schoon het licht en 't bruin, *
Zoo schoon als in de groene dreven Hier aan den voet van 't blonde duin.
't Zal niet altijd zoo zacht zich mengelen
Als in dit rijk en zalig uur,
Nu gij met onze vriend lijke engelen
Den vrede smaakt van Gods natuur.
'k Zou ook van God niet durven vragen Steeds zulk een schoonen levensgaard â
Zoo Hij maar in Zijn welbehagen
U met ons blondje en bruintje spaart!
Bloemendaal 1859. amp;
- «-
NEEN NIMMERMEER, ZELFS NIET. ^
__I*1
Neen nimmermeer, zelfs niet bjj Helmers' bardenkoren.
Of 't ongesmukte lied, vol vaderlandschen gloed.
Waarin een braaf poëet nog eenmaal duchtig de ooren Wascht aan het âSpaansche rotquot; en tuigt van Hollands moed;
Neen nimmermeer, zelfs niet als ik âde vlag der dappren,quot;
Uw âdriekleurquot; zoo geliefd, uw âoude leeuwenvaan,quot;
O Neêrland, in triumf zie door uw steden wappren,
Bij de aankomst van uw vloot____met haring rijk belaên;
Neen nimmermeer, zelfs niet als ik uw staatspartijen.
Met heilig liefdevuur en onverdenkbre trouw,
Hoor over 't recht belang Van Vorst en Natie strijên â
Terwijl volstrekt noch Ik, noch Aap kijkt uit de mouw;
ïj -ft ' ⢠â¢' -jf1 -f quot; ~^rr~ â¢jC* '1^ -lï' ' vT5quot;
.. y .» .» . » .» .a- .» .»
*â . » . » . » .yK
. #â .» .» .» .y
AAN DE ZON.
Neen nimmermeer, zelfs niet____ toen ik, mei gloênde wangen.
Uw diep besef, mijn volk, vol geestdrift en vol geest!
Van 't geen uit Hollands hand een wereld mocht ontvangen. Verstond in 't âLeve Louwtje,quot; op Haarlems edel feest;
Neen nimmermeer, zelfs niet nu 'k, bij uw achtste wonder, Een negende, o mijn stad, in zege rijzen zie,
âVan zooveel steens omhoog en zooveel blufs van onder,quot; Begroet van alle kant, met zuivre sympathie;
Neen nimmermeer, zelfs niet als ik de lieflijkheden Bedenk van ons klimaat en langen lentetijd,
En dankbaar â met het oog op Lap en Samojeden â
Mij in den goeden smaak des Bataviers verblijd;
Nooit vloeide of vloeit zoo rein mij Neêrlands bloed door de adren, Nooit voel ik mg zoo waar, met teedren liefdeband.
Aan u gehecht, verknocht, o grond, niet mijner vadren.
Toch, o myn zoet geboorteland !
Dan, waar ik op uw Duin mijn kroost in 't zand zie baden. En straks mvjn oudste wicht al schaatrend vliegt en holt.
Met opgewonden blos, van de eigen mulle paden,
Die ik zoo menigwerf als knaap ben afgerold !
ISO
*
0
*
* * * * -*
Bloemendaal, Sept. 1856.
AAN DE ZON.
Sonne, ich bin dich müde.
Herder.
'k Ben u niet moe, o Lieve Zon!
â Och schijn maar alle dagen ! â 'k Schep in uw glans, o milde bron Des levens, rein behagen!
â¢- «quot; y y y
*quot; y *quot; iC'-iT if' if if
. gt;â¢- . gt;- , gt;â - .gt; .gt;â .y-t^.
AAN DE ZON.
* 4
181
'k Ben u niet moe, o lieve Zon!
'k Wou zelfs dat ik mijn leven, Van voren aan beginnen kon Nog eens in deze dreven.
Maar zaagt ge mij wel duizend keer
Nii struiklen, vallen, dwalen â
'k Zou wijzer wezen dan weleer,
Mocht ik de proef herhalen !
'k Zou beter kijken waar ik liep,
Steeds voor mijn hart goed zorgen. En lieve Zon, neen, ik versliep Geen enklen lentemorgen.
Ik joeg geen droom, geen vlinders na.
Geen kleurrijke ijdelheden :
Werd ik niet wijs, met schande en schaê, Door 't liefelijk verleden?
Ik zaaide, dat ik oogsten mocht
In rijper levensdagen,
'k Zou willen weten, wat ik zocht;
Méér wegen, minder wagen.
Ik zou verstandig, kalm, geleerd.
Altijd met oordeel kiezen,
En nimmer onberedeneerd Mijn hoofd, rnijn hart verliezen !
Ik werd â ja wa!'? men wordt toch iels?
Maar ach, 't is zóó gelegen;
'k Zou alles willen zijn en â niets.
Want alles heeft zijn tegen!
*
\ *
* * * * * * *
V *
y
t
*, y *, * *
*i
4
3 *quot;⢠* ' yf ⢠* ' if if if ' -ff' n ' ' * - if' ifquot; * r â *'r * ' Wr * ' â *
ik
ÃLJ ;4
,gt;â ,gt;'â [r
â ^ â »
â ,gt;â
iJL lt;gt;''.
AAN DE ZON.
Geneeskunst is een aardig vak,
Dat kunt ge aan 't kerkhof vragen! En Godgeleerdheid is.... een zak Vol raadslen en vol plagen!
182
i'
*=
*
Wat werd ik dan? de Hemel weet!
Misschien een Treurspeldichter? Maar zoo mijn treurspel lachen deed, Waar dan mijn strijd veel lichter?
En bleek het dan eens dat ik meer
Voor 't Blijspel was geboren â Zoo ware ik 't oude knechtje weer En had mijn tijd verloren!
'k Voorzie, mijn tweede leven zou
Dus ook weer hasplen wezen.
Weer lust en strijd en naberouw! Niet wijzer dan voor dezen!
Weer de onverzoenbre zielenood.
Weer zoeken zonder vinden.
Weer tobben in het klein en 't groot, En tasten in den blinden!
* * * * amp;
Gij zaagt me ook dan, o lieve Zon,
Weer struiklen, vallen, dwalen, Zoo goed als of ik pas begon In dees geliefde dalen!
En daarom neen! schoon ik uw glans
Bemin, o Licht der aarde! â
Vooral wanneer gij, zooals thans, Verliefd schijnt in mijn gaarde;
* O
r 'â
* *
r
â f'
:â¢
5J *quot; *quot;
* if
â jf' 'ff'
â #' ' â *' [â¢;
.*].»- . .» ,jf- ,gt;-â .y- . r , *â .*â . » . »⢠, «â ,»â , »⢠. »â . «â . «â .»â ..«â .gt;'â ,.«â ly-L* VRIENDEN OP 'l KERKHOF. 183
En daarom neen! Ik wou niet weer
Teruggaan op mijn schreden:
Wij doolden licht een tweede keer Nog erger dan wij deden!
Neen, op des levens kronkelpaên,
Veel wijzer is mijn keuze:
Niet óverdoen â maar voorwaarts gaan,
Schoon struiklend, zij de leuze!
Ook, met die leuze in 't hart, geniet
Ik, lieve Zon, uw zegen,
En tevens vaak lacht in 't verschiet De blijde hoop mij tegen:
Als beter licht ons op zal gaan,
In reiner kring te streven.
Met de ondervinding, opgedaan In dit zeer leerzaam leven.
VRIENDEN OP T KERKHOF.
AAN GIDEON.
Wij gingen menigwerf te zamen in dit leven,
De paden onzer jeugd, de wegen van ons lot.
Langs 't zonnig Y â door 't duin â in jonkheids tooverdreven, In strijd, ten feest, op réis, in weemoed en genot;
Nü gingen wij voor 't eerst met velerlei gedachten,
Met zielen nauw vereend en broederlijke schreên,
Waar ons nog nimmer saam des levens stormen brachten,
Voor 't eerst naar 't vredig kerkhof heen.
â¢f] * â * â â -it' -ze -.f â *1 iC â â #' â * ' ie *'â -f- â â * â lt; â
,gt;⢠,gt;â â gt;â .gt;â
.*.1 y-
VRIENDEN OP T KERKHOF.
De doodsklok luidde in 't rond, daar wij een lijkje beidden, Het lp je van een kind, gekomen om te gaan, â
Wij, arm in arm gekneld, wij spraken niet of schreiden,
Maar hoorden met ons hart die sombre tonen aan.
Wij volgden 't kistje straks en zagen 't langzaam dalen In 't grafjen, uitgezocht met teedre vadertrouw____
De lage najaarszon toen met haar bleeke stralen Verlichtte een stil tooneel van diepen zielerouw.
Daar was niet vaak een uur zoo treurig in ons leven, â
Toch donker was het niet: Gods licht blonk in de ziel;
Gij wist aan wien ge uw kind â uw een'gen weer moest geven, Gij wist dat al uw schat niet in de aarde viel;
En 't was mij toen ik u met vroomgebogen hoofde Dat dierbaar kinder-lijk zag volgen naar het graf.
Al volgdet gij dien Heer, in wien gij jong geloofde.
En droegt het kruis hem na, die u zijn sterkte gaf.
Ja, smartlijk was dat uur als wij naar 't kerkhof brachten Die asch van zooveel vreugde en hope in 't zoel verschiet,
En ook ik hield mijn schat wel vaster in gedachten.
Maar donker â donker was het niet.
Neen, schoon uw herfstglans ons, o Zonne dezer dalen! Wel diep weemoedig sprak van bloeien en vergaan.
Ons oog zag beter licht dat kleene graf bestralen.
Omringd van liefde en rouw en afgevallen blaên.
Neen, schoon de groote smart de zielen boog ter neder. De smart ook heiligde ons en hief ons hemelwaart.
En Hij die troosten kan, zoo machtig en zoo teeder.
184
* * amp; *
ï ff-
ï amp;
*
P' *
*
!*
*, *
* *
*,
* * *
â â 4 *
* * *
ï
à k*
ât
ïT'R
Was met âde twee of driequot; daar by dat graf vergaêrd.
*'
â¢Â£ ' a' a'
LEVENSVOORWAARDE. 185
O vriend, wij gingen vaak te zamen in dit leven,
Maar nimmer heeft mijn hart zoo diep gevoeld, herdacht. Als op den zwaren weg naar gindsche kerkhofdreven,
Hoe God mij saam met u den weg des Levens bracht!
D., 1854.
EERSTE EN LAATSTE REIS.
'k Verliet het lieve vaderland
Slechts éénmaal in mijn leven.
Maar vond geen heil aan 't Zuiderstrand Noch in de schoonste dreven â
Want zij was thuis gebleven.
Nu zal ik nooit naar strand noch land
Mij weer op reis begeven;
Ja, trek alleen aan Liefdes hand Op reis naar 'tandre leven!
(kückeht.)
LEVENSVOORWAARDE.
Het leven heeft zijn lieflükheên;
Den God des levens ryst myn lied!
Maar leefde ik niet voor eeuwig, neen â
Zoo leefde ik liever niet.
Gij kindren, zijt mijn grootste schat.
De reinste vreugd, die de aard my biedt;
Maar, zoo 'k u niet voor eeuwig had....
Ik had u liever niet.
*] vTquot;if' w 'iT'vf â yâ y ysf' ï»quot; -J' if
y .»â .gt;â
LEVENSVOORWAARDE.
Te kennen, rustloos, is mijn wensch;
Schoon is des geestes wijd gebied!
Maar zag ik hier zijn enge grens,
Ik dacht maar liever niet.
't Geluk der liefde is 't leven waard,
Is hemeltroost in de aardsche smart,
Doch waar' heur band een band van de aard. O, sterf dan, minnend hart.
Ja sterf, in dien onzaalgen stond.
Als 't ryk geloof me ontzinken zou.
Dat in mijn wezen is gegrond.
Mijn Schepper, in Uw trouw!
In Uwe trouw en waarheid. Heer!
Die levenstrek en kennisdorst, En zielenooden, diep en teer.
Legde in mijn dankbre borst:
Die, over mijn gebogen hoofd,
Laat rijzen 't hemelsch heir der nacht. Dat de aarde toewenkt; O gelooft En twijfelt niet, maar wacht!
Dat, als bij plechtig harpgeruisch.
Herhaalt, verklaart het goede woord. Uit heilgen monde op aard gehoord,
Van 't groote Vaderhuis.
â H.y- ,» ,» .» .» ,» ,y- ,* ,gt;
. » . y-
ȉ
t *â
*â * *
18G
F'
ï-
1856.
*' vr[v
-X' ÃT'*1 *quot;-vr
gt;â¢- , , V- . y- , gt;â . *â¢- . «â¢â ⢠⢠⢠. ⢠. ⢠..â¢â¢
UIT HET DAGBOEK VAN EEN GELUKKIGE.
UIT HET DAGBOEK VAN EEN GELUKKIGE.
Als ik inÃQ huis alléén, mijn zoet geluk aanschouwe,
De moeder met haar kroost gezegend en bemind, Dan rijst, diep uit mijn hart, de lofzang Uwer trouwe. Dan looft U, stille, o Heer, Uw rijkgezegend kind.
'k Weet, voor mij-zelf, alleen te staamlen van Uw zegen.
Daar was méér licht dan bruin in mijn gelukkig lot, En ziet mijn oog terug op de afgelegde wegen,
Ik zie Uw weg, Uw leiding, o mijn God!
187
'k *
*
Nochtans wel menigwerf is 't donker in mijn ziele,
De frischheid van mijn vreugd werd lang des Levens roof, En daar zijn uren dat ik neerval, maar niet kniele.
En roep tot U, maar niet geloof!
Helaas! ik zag meer rouwe en raadslen in dit leven,
Dan waar mijn zorgloos hart, mijn ijdle jeugd aan dacht; Een nachtegalenkoor sloeg in mijn lentedreven En 'k hoorde, o armen, niet uw bittre lijdensklacht.
Sinds, daar is veel verkeerd; en menig stille wonde.
Waaraan mij 't harte bloedt, tuigt van des levens strijd; Ik ken uw jammren thans. Dood, Armoe, Krankte, Zonde, 'k Weet hoe de weemoed lacht en hoe de weelde lijdt!
't Moog licht zijn in mijn huis, 't is nacht vaak om mij henen,
De ellende, die 'k ontdek, ontrooft mij vreugd en vree. Ik kan niet blij zÃni 'k zie te velen die daar weenen. En morgen â morgen schrei ik mee:
V *quot; i('r it' * ' * '
.gt;⢠,?⢠jj- -J*- .gt;quot;â .gt;â .gt;â ,gt;â quot;.gt;â ,gt;⢠igt;'- ,gt;'â ,gt;â ,gt;â ./â
188 UIT HET DAGBOEK VAN, EEN GELUKKIGE.
Vergeef ine, o God, ik weet wij hebben 't kruis van noode.
En lijden dringt tot U de ziel die U verlaat,
Doch, menig lijden schijnt me een raadselvolle bode.
Wiens taal Uw schepsel niet verstaal.
Doch, daar is ramp aan ramp voor onze vragende oogen,
O Almacht, met uw liefde in onoplosbren strijd.
Waarbij ook 't hard gemoed wel krimpt van mededoogen.
En die toch komt van U, die louter goedheid zijl!
Ach, waart Gij nog op aard en. Heiland! in ons midden,
Was daar nog hulp bij U voor al te foltrend leed.
Ik zou wel met den drang der Kananeesche bidden.
Tot Ge ook â in gindsche kluis â uw liefdewondren deedt.
Maar Gij z^jt heengegaan! Nog spreekt in heiige stonden,
Uw woord, Uw god lijk woord, wel zacht tot onze smart. En vloeit, als hemeltroost! in onzer ziele wonden â
Maar is 't u steeds genoeg, o twijflend menschenhart ?
Vergeef me, o God en Heer! mijn ziele buigt zich neder.
Het angstige waarom! drukt zwaar op mijn gemoed,
En mijn geloof drijft, als een stroohalm, zwak en teeder,
Drijft henen op des twijfels vloed!
Vergeef me, o God en Heer, verlicht mij, leer mij hopen.
Versterk mij in 't Geloof aan Uw onzichtbre trouw.
Ontdek U, sluit mijn oog Uw heilgen Hemel open.
Dat ik in beter licht ons menschenlot aanschouw!
O geef mij vrede! Leer mij troosten, leer mij strijden.
Tot eens, uit nacht en rouw, Uw liefde zich verklaar____
Gij tegenover al de raadselen van ons lijden,
Gij hebt ook 't schoon geheim der Toekomst, Gij, niet waar?
5] *â ' if' if' if' It' il ' 1» ' ' it ' it' IT it ' â *. ' * ' * ' *quot;r * *quot; *
gt;1,.» .» . *â .* .*â .*â .* ,y- .*â ,gt;â .gt;â .»â . «â .a- .*â .*â
1
IIET OUDE HUIS. IS!)
O leer mij volgen; niet steeds vragen: wat zal deze ?
Maar zoeken staêg Uw hand op al myn levenspaên:
*: Blvjv' mijn bekommerd hart, vol meelij' vaak en vreeze, * Toch steeds in eigen lot Uw liefdestem verstaan! â
Doch spreek mij, dwaze, van geen hemel hier op aarde,
Dien slechts de zelfzucht bouwt, in enge liefdekluis----
O mensch, uw levenshof bloeie als een lentegaarde, In 't midden, voor wie denkt en liefheeft, rijst â een kruis.
HET OUDE HUIS.
Daar zijn we in 't nieuwe huis!
't Is deftig, dubbel, breed.
Hier door m^n wand dringt geen gedruis,
Geen tocht, door raam of reet.
'k Heb tien vertrekken, vol gemak,
Een badvertrekje inkluis;
We zijn, heusch! aardig onder dak.
En 'k prys dit nieuwe huis----
Doch ik verlang naar 't oude weer
Daar 't lekte door het dak,
En daar, o zegen! steeds al meer Geen lucht, maar ruimte ontbrak.
Het oude, dat daar aan de vest
Zoo witjes lacht in 't groen!
Zoet nestje, voor den zomer best,
Doch niet in elk saizoen.
Het oude, daar voor 't eerst mijn hart Gesmaakt heeft, wat niet al!
j ' -,«r ' -r â *' -,v quot;T?-7 r 1 ⢠o '
^ â '- ,gt; . , y- *â¢.
190 HET OUDE HUIS.
Een liefde, een zaligheid, een smart.
Die 'k nooit meer smaken zal!
Daar in een bange, heiige nacht
Uw eerste levenskreet,
O eerste wicht, zoo blij verwacht.
Mijn ziele siddren deed;
Het oude, daar het leven, nog
Zoo nieuw voor mijn gemoed. Vol frisschen glans en schoon bedrog, Mg toeblonk rijk en zoet!
Het oude, met zijn woonvertrek
Zoo vol gezelligheên.
Zijn hof, met menig dierbre plek. En 't spoor der dierbre schreên!
Het oude, dat van menigeen
De erinring had bewaard.
Die nimmer hier zal binnentreên,
Vreemd aan des vreemden haard...
Ja, keeren wou ik, zoo het mocht.
Naar de eerste, lieve kluis. Met halfsteens muur, vol tocht en vocht En knabbelend gespuis!
'k Voel me in dit mooie huis â niet thuis;
Dees wanden spreken niet,
'k Sleep langs de breede trap mijn kruis. En stootrig klinkt mijn lied!
.ï ,» .y- ,»
En toch misschien â 't is wel, 't is wijs. Schoon nu my 't harte bloedt.
â .lt;' y -y â¢y vf'tw
» .y .y .» .* .y .» .» .* .*â .* .* .* ,gt;'â .* .*⢠.* .* .» .» .»
MORGEN BIJ DE DUINEN.
Dat ik mijn needrig paradijs Maar moedig heb gegroet!
Het is niet goed, dat we op deze aard Ons hechten al te zeer
Aan huis en hof, aan haard en gaard En dingen van 't Weleer.
Verstandig is 't van tijd tot tijd, Een teedren, sterken band.
Die 't arme harte bindt en vleit, Te schudden van de hand:
Te scheiden van een dierbre plek. Vol weemoed en genot.
Te wennen maar aan elk vertrek â Verhuizen is ons lot.
D., 1857.
MORGEN BIJ DE DUINEN.
Alles lacht, alles zingt.
Alles bloeit, alles blinkt
Hier zoo lieflijk als immer te voren: In de dalen is rust,
Op de heuvlen is lust
Toch heeft alles zyn lichtglans verloren.
Naar mijn Duinen niet meer.
Met het hart van weleer,
191
't Levenslustige hart zal ik staren: Aan hun voet, onder de aard,
WilT'
â * â â [â¢;
*1.» .y .»â .» .» .y ,» .» .gt;â ,y ,» ,gt;- .y
192 MORGEN BIJ DE DUINEN.
Rust een stof, ons zoo waard,
Rust____ de vreugd van vervlogene jaren.
Aan den voet van ons Duin,
Op wier blinkende kruin,
Vaak mijn lied van Gods zegen verhaalde.
Daar rust lieflijke, gij,
Die ons leven zoo blij
Als een lachende zonne bestraalde!
Waart ge schoon, waart ge goed,
Blonk een minnend gemoed.
Uit die trouwe, die zusterlijke oogen,
Was uw lach vol genot
Ook geen danktoon voor God,
Die daar kinderlik oprees ten hoogen ?
Heeft ons hart u bemind,
O gij hartelijk kind.
Zachte lievling van zuster en broeder;
Frissche jeugd, zonder smart,
Blijde reine van hart.
Liefste vrouw en verruklijke moeder!
Als uw stemme, zoo schoon.
Klonk geen nachtegaalstoon
Immermeer langs de vredige heuvelen;
Wat gezang, wat gekout,
Als ge 's middags in 't woud.
Bij uw eerstling op 't mos zat te keuvelen!
Waar gij traadt, kwam de vreê En gezelligheid mee,
't Was geluk, uw geluk maar te aanschouwen.
Want van 't helder gezicht
y' V' .iquot;-V' V' V' ^ *quot; ' sT tic
jJh . *' â gt;' â¢?â
193
gt;4, *
* *
*
*,
*
â i
*1 *
* *
-4.
!K *
*
ü. *
*
* *
?
nr'ir' *â¢
â j» â *'
Straalde leven en licht,
Vroolijke onschuld en dankbaar vertrouwen.
Op uw zerk straalt de glans,
Van de lentezon thans,
Om uw graf ruischt de vroolijke morgen, Alles fluistert een lied,
Alles leeft en geniet,
Alles lacht als een jeugd zonder zorgen....
Maar de glans uwer jeugd.
Die mijn ziel heeft verheugd.
Schijnt niet meer in de bloeiende gaarde. En voor 't kluisje uwer trouw.
Speelt een knaapje, in rouw â
Gij zijt treurig, o heerlijke aarde!
Blocmendaal 1857.
Daar is een tijd van komen. Daar is een tijd van gaan: Dat hebt gij meer vernomen, Maar hebt gij 'took verstaan?
O wie het mag doorgronden,
Dat spreekwoord zoo vol zin. Die kent der Liefde wonden, De weelden van de min.
Dien mochten oogenblikken Soms uren wreeder pijn.
â ï' â *quot; y â¢gt;' â s'TT' ia
KOMEN EN GAAN.
KOMEN EN GAAN.
^ â gt;
KOMEN EN GAAN.
En uren van verkwikken Soms als sekonden zijn.
Die heeft met bevend schromen Vaak in zijn luistrend hart
Een lieven tred vernomen, Vernomen uit de vert';
Maar liet ook vele reizen Zün ziele by zyn schat,
En ging die spreuk bepeizen Stil op zijn eenzaam pad.
Die heeft in 't zoete leven, Vol leed en lieflijkheid,
In jonkheids rijke dreven Genoten en â geschreid;
En in zijn stiller harte Zich reeds een schat vergaêrd
Van weemoed, liefde, smarte. Dien hij getrouw bewaart.
Die weet, wij armen boeten, Wij boeten wreed en snel.
Vast menig lief ontmoeten Met menig lang vaarwel.
Die ziet ook, in zijn droomen. Langs schemerende paên.
Soms vrienden wederkomen Die ver zijn weggegaan.
Die treurt om Lenteweelden Maar jaagt niet meer vooruit.
194
* *
P'
5W iC *â¢'
⢠â n'
. jr , jr- , jquot;' , , »'⢠. »'⢠, è'- , i' , __, è'-_, è⢠, , ö' , ó- . A'-_, fe'- , *'â¢
KOMEN EN GAAN. 195
Als toen zijn vingren speelden In 't haar der blonde bruid.
Die denkt, sinds enkle jaren,
By 't komen van het groen.
Aan 't vallen van de blaêren In 'l stemmende saizoen.
En in de najaarsvlagen,
In 't dwarlen van de blaên,
Hoort hij een stemme klagen Van komen en van gaan.
Die blikt soms lange, lange
Terug in zijn weleer.
En 't wordt hem bange, bange.
En 't leven buigt hem neer.
Hy peinst: nog pas gekomen,
Pas gistren, en zoo veer Reeds op de snelle stroomen Van 't wondre, diepe meer?
Hij voelt zijn moeders kussen
Nog gloeien op zijn wang,
En hoort al ondertusschen Een dierbren wiegezang.
Hij ziet zich zeiven stoeien Met knapen op het duin,
En reeds â zijn kindren groeien En bloeien in zijn tuin____
En midden in den zegen,
De trooste van zijn God,
â y- ^.yl,gt;'⢠. gt;- . gt;1 ,gt;'â¢
196 KOMEN EN GAAN.
Stroomt hem de weemoed tegen,
Van 't wisslend menschenlot_____
Daar is een tijd van komen,
Daar is een tijd van gaan____
Dat hebt gij meer vernomen.
Maar hebt gij 't al verstaan?
O, wie het mag verklaren
Dat spreekwoord, zoo vol smart.
Die leefde luttel jaren,
Maar leefde met zijn hart.
Die voelt van al dat komen,
Dat komen en dat gaan Van menschen, dingen, droomen,
Zich moe en onvoldaan;
En zoekt met sterk verlangen
Naar Een, die komt en â blijft,
Wien hij aan 't hart kan hangen,
Waar alles henen drijft.
Die weet een klok van scheiden
Luidt rustloos door het dal.
En leerde zich bereiden,
Bereiden voor 't geval;
â¢a
En haakt met alle vromen
* Naar 't oord, waar vroeg of laat
* Weer allen samenkomen
* En niemand henengaat.
5? *quot; * ⢠*quot; ÃT7- y ^ â¢â¢ â â -m ' â * â * â â *' â *'
*0.» .» .*â .*â .» .Â¥â .* .Â¥â ,* .*â .?â â * .* .r .)/â .?â .à .*â
WELGELEGEN.
ONDER DE LINDE.
Ik min u, o myn Lindeboom,
Zoo rijk, zoo lommerdicht;
Nochtans, o Herfstwind, koom ja koom! Ontloover mü mijn groenen boom â En door de ontblaêrde takken stroom' En straal' mij 's Hemels licht!
WELGELEGEN.
'k Noem mijn huis, vol huwlijkszegen.
Kinderliefde en moedermin,
Somtijds lachend: Welgelegen ;
Maar die scherts heeft droeven zin.
âWelgelegen? woont gij buiten?
Of is 't uitzicht dan zoo schoon Op uw stadje, door de ruiten?'' â Neen: doch weet ge wüar ik woon ?
197
A *
*, *
n, *
* * y
â¢â v *
=v
*
Vlak bij 't kerkhof! Al de dooden Moeten steeds mijn huis voorbij En verkonden, stille boden:
,Heden ik en morgen gij.quot;
't Is wel vroolijk! zelfs by tijden
Al te vroolijk! veel te druk Kunnen de ekipages rijden Langs mijn woning vol geluk.
^ 4' â¢Â£ ' â¢amp;' if' â¢K' -K ' if' â¢#' â¢Â£' ' y if' -If' â¢amp;'
* * * *
,* .y- ,.y .y ,» .y- , y- ..y .y- .y- .y .»- .gt;â .gt;â ,gt; ,.» .»t'-
198 OP EEN KIND IN MEI GEBOREN.
'k Zucht dan vaak ook; Stille vrinden, Neemt, zoo 't kan, de boodschap mee,
Dat ik graag bij mijn beminden Nog wat bleven wou in vreê! â
Vlak bij 't kerkhof, maar twee schreden En ge zijt er, gauw en goed,
Waar ge lang om heen kunt treden. Maar toch eindlijk rusten moet.
Vlak by 't kerkhof, maar één stapje En ik sta er aanstonds voor;
Komt myn tijd voor 'l laatste stapje â 'k Heb geen rijtuig noodig, hoor!
Aaklig, hé, om zoo te wonen Vlak bij 't kerkhof, bij je graf?----
Maar, mijn lieven, sterken, schoonen ! Woont ge er dan veel verder af?
D. 1858.
%
OP EEN KIND IN MEI GEBOREN.
I.
Er is een kind geboren.
Een jongentje in den Mei, De feestmaand, de uitverkoren Der Liefde en Poëzij.
Zijn wieg staat tusschen rozen
En gouden regens in. En bleeke wangen blozen Er bij â van moedermin !
â¢k'' â * ' ' iC
OP EEN KIND IN MEI GEBOREN.
De blonde zusjes staren Verbaasd het broertje aan;
Moet dat in later jaren Met haar uit wandlen gaan ?
Zyn vaders hart vloeit over Van weelde, liefde en dank;
De nachtegaal in 't loover Zingt hem een wiegezank;
Zingt: âWelkom in dit leven, Zoo treurig en zoo blij!
Pluk bloemen in zyn dreven, G^j knaapje van den Mei!
âZie, aardig lentewichtje!
Lief kopje, fijn en blond.
Steeds met een schalk gezichtje Blijmoedig hier in 't rond!
,Groei, onder 's Heeren zegen. Als 't bloempje van 't getij,
Voorspoedig in den regen. En 't zonnetje van Mei!
âBlik onder vreugd of smarlo, O frissche lenteknop,
Steeds met een open harte Ten hoogen hemel op !
âDoet ge ooit een liedje hooren. Zoo klink' het, vroom en vrij.
Als 't lied der lentekoren Vol zoete rnelodij!
:»1.» .if- .?⢠, «â¢â .,y . » . »â , y , ii , i- , «â¢; , »â .
NOOIT VAN PAS.
âDe God der lente spreide U rozen voor den voet,
De God der Liefde leide U zachtkens, trouw en goed!
«Bloei in uw vaders gaarde,
Bloei aan uw moeders zij. Hun schoonste bloem op aarde Gij knaapje van den Mei!quot;
H.
Een logen bleek u 't lied van Mei, Een droom â de beê der Poëzij. De wind der duinen, klagend over Uw moeders graf, door 't dorre loover. Zong, kind der Lente, droef en bang U ras een andren wiegezang....
Toen vloodt gij-zelf naar beter dreven En zijt geen tweeden Mei gebleven â Wel mocht ge na dit wreed begin! Ach toch, wat bloemen de aard kan geven. Hij heeft geen Meimaand in het leven, Die vroeg u derft, o moedermin !
NOOIT VAN PAS.
Bij 't zorgen Voor morgen
Vond niemand ooit baat: Eerst, als ge er vóór staat. Dan voelt gij het kwaad ;
HE
200
-f â *'
y f *quot; *quot;
*' vTl*
5] *quot; *' *quot; vf'
.^i,^ .y .» .* .* .*â .*â .» .»â ,y- ,» .» â » .»â¢â â *â¢â
LIEFDE.
En als gy 't voelt, dan helpt geen raad, â Dus: Wijsheid komt steeds te vroeg of te laat.
LIEFDE.
Die ik het meest heb liefgehad, â
't Was niet de slanke bruid, met wie ik in 't zoeter leven Mocht dwalen op het duin en droomen in de dreven, Wier hand mij leidde op 't rozenpad;
't Was niet de jonge en teedre vrouw. Die, goede genius, mijn hart, mijn huis bewaakte,
Die mij het leven, ach, zoo licht en lieflijk maakte,
Met al den rijkdom harer trouw!
âZoo was 't de moeder van uw kroost,
Die u, gelukkige, voor 't offer 'veler smarte,
Deed smaken, onvermengd, het reinst geluk van 't harte, Des levens liefelijksten troost?quot;
Neen! â die ik 'tmeest heb liefgehad.
Dat was mijn kranke; 't was de moede, de uitgeteerde, Van wie ik leven beide en hopend sterven leerde,
201
Toen 'k weenend aan haar sponde zat,
v» ' * '
NIET VOOR DE MENSCHEN.
VERLOREN SLEUTEL.
Veel wat ik eenmaal recht verstond,
Versta ik thans niet meer.
Waarom ?... Het blind Geloof verzwond, De Twijfel drukt mij neer.
lt;i)
NIET VOOR DE MENSCHEN.
Matth. VI
I.
Voor de menschen klaag uw leed Niet te luide, niet te lange.
Niet te bange:
Meest vertooning scheurt haar kleed. Pronk niet met geleden smarte;
Stilte is tolk van 't diep gemoed,
Meer dan wanhoops tranenvloed. De eedle ziel, by 't heilig lijden.
Heeft haar fierheid; vreest der schaar Oppervlakkig treurgebaar.
Als den troost der ongewijden;
Wat voor allen niet voor haar!
Moge een traan het oog ontglijden,
Echte droefheid bleek maar schoon. Draagt heur wonden niet ten toon.
Doch de nachtwaak ziet haar strijden.
Doch hair Trooster kent haar rouw. En die zij beweent haar trouw!
NIET VOOR DE MENSCHEN.
ii.
Kunt gij 't overvloeiend hart Niet beheerschen? 't Juk der smart, 't Heilig kruis niet stille dragen ?
Móet ge luide uw jammer klagen, Handenwringen, Waarom vragen ? Uitkomst zoeken in geween ? Ga, beproefde,
Zielsbedroefde,
Gij ook â in den hof, alléén!
Niet voor allen slaak uw klachte;
Voor den Kenner der gedachte,
Voor den Hoorder der gebeên,
Stort uw ziele uit, klaag en ween! Ween en â bid! en 's Heeren vrede, â Engel, die vertroostend lacht â Licht en kracht.
Op uw tranen, op uw bede,
Zullen dalen in uw nacht.
Straks, o gij van God verkwikte!
âZalf uw hoofdquot; en beur 't omhoog, Wisch de tranen uit het oog. Dat den Hemel tegenblikte!
Toon ons geen mismaakt gelaat; Laat óns in uw kalme trekken.
Van den rouw die niet vergaat, Dieper 't echte spoor ontdekken ! Eenvoud, waarheid in de smart! Tuige ons de adel van uw hart!
203
* * *
â â i *
Ãgt;
A *,
y iC *1 * â
â *' â¢*' if'
^ . » . » . » .» .*â . ^ ,» . » . y , y- . y . » . y . y . gt;â¢- . y . » . » .» . ^ 204 't was toch de hovenier.
'T WAS TOCH DE HOVENIER.
*
Zij, meenende dat het de hovenier was.... Joh. XX : 15.
't Was toch de Hovenier, Hij, die in Jozefs gaarde
Uw schreiend oog verscheen, o droeve, teedre vrouw.
Toen niets meer dan een lijk uw schat was op deze aarde. En alles wat gij zocht in groeten zielerouw!
^ 't Was toch de Hovenier, Hij, die begon te vragen:
Wien zoekt gvj ? â die u straks Maria! tegenriep,
En met zijn woord het licht deed in uw ziele dagen En in een paradijs uw woestenij herschiep!
't Was toch de Hovenier! De knoppen gingen open,
Gereed te sterven op den akker van 't gemoed.
De knoppen van geloof en liefde en vreugde en hope, Bü 't ruischen van zijn uchtendgroet.
Zij wachtten op zijn dauw, zij smachtten naar zijn zegen,
De kiemen aller deugd, de bloemen van het hart:
Zijn woord was voor haar groei de wondre lenteregen,
Zijn blik de milde zon, na winterkoude en smart!
Ze ontloken om niet meer te sterven, maar te bloeien,
O, langer dan een lente-, een schoonen zomerdag.
Om, door zijn zorg gekweekt, in 't diepst der ziel te groeien, Hoe menig bloem der aard het oog verwelken zag!
't Was toch de Hovenier! En, wie in 's levens gaarde
Dien man niet heeft ontmoet, Maria, zoo als gij.
Zijn ziele schreit en smacht, al bloeit de zonnige aarde. En zoekend waart hij om in 't lentefeestgetij.
1859.
*1 * ' *' â yr'.f~rir~ï(⢠â *' *' y ir â *' K⢠r*
. «'- . V- ,gt;'â ,gt;â .gt;â ^Ji- ^ji- . »'â . *'- . â 'â .' ,¥⢠,.gt;'⢠â 'â¢,, »'â . .*' . *' , gt;'â , gt;'â i y [*:
ONVERMOEID.
ONVERMOEID.
Des drijvers geweldige roede
Jaagt rustloos ons voort op ons pad; Wij loopen en worden wel moede, Wij wandlen en worden wel mat.
De hitte des daags drukt ons neder
En donker daalt menige nacht; Wij gaan â en wij komen niet weder, Waar 't luchtje zoo mild was en zacht;
Waar lieflijk de levensstroom ruischte.
En vroolijk uit bloemhof en dal De wildzang der vogelen bruiste En 't hart sloeg met jubelgeschal!
Hoe kwijnden en bloemen en zonnen!
Veel trouwe gezichten zijn heen: De reis, zoo gezellig begonnen,
Werd somber en eenzaam meteen.
Wat vloodt ge ons, gij lieve, gij goede ?
Keert weder ten steun op ons pad! Wij loopen en worden zoo moede. Wij wandlen en worden zoo mat!
Zij keeren niet weder, de dooden, En 't omzien wekt ijdele smart; Wat slaat gij? â de rust is verboden? Geen ruste, al bezweek ook uw hart.
205
A *,
*
*.
â â v
A *
*
A *
* * * * * *
*.
S *
*
s, *
'4 *
1 *,
A
if''**
Lâ p% â â¢I,, â¢' â â¢' â gt;'⢠.y- ,«
206 ONVERMOEID.
Noch omzien, noch schreien, noch klagen Vertroost, vernieuwt ons de kracht... .
Mijn ziel, laat een psalmtoon u dragen, En klink', o mijn harpe, te nacht:
Wij slaan naar de bergen onze oogen, De hulpe zal komen van God;
't Is Hij, die uw tranen zal drogen,
U leidt op den weg van uw lot!
Vaartwel dan, gij lachende dreven! En vredige dalen, gegroet!
Berg-op gaat den weg van ons leven. Wij stijgen met manlijken moed.
Al buigen, in treurig gepeize,
Wel vaak onze zielen zich neer.
De korte verdrukking der reize Vindt ook haar vergoedinge-weer.
Wij kennen en â kussen de roede. Die rustloos ons drijft op ons pad,
Wü loopen en â worden wij moede â Wij zoeken ook de eeuwige Stad!
Geen rusteloos zwerven en smachten Is 't leven: een Doel licht ons voor ;
En worstlende winnen wij krachten. En dwalende vinden wij 't spoor!
Een Machtige steunt ons en schraagt ons, Wij struiklen: Hij richt onzen voet;
Wij vreezen, wü vallen____Hij draagt ons
Getrouw over bergen en vloed!
m
HET HAANTJE VAN DEN TOREN.
Zoo vreest niet! laat rijzen uw psalmen,
Laat viool ijk langs afgrond en rots Het moedige reislied weergalmen, Het reislied der kinderen Gods.
Wij wachten met dankenden hoofde Uw heil en uw waarheid, o Heer! En wat het verleden ons roofde,
Geeft schooner de toekomst ons weer.
Steek' de zon, daal' de nacht. Gij Algoede!
»L ..r 1*1 207
Zijt schaduw en licht op ons pad; â Wij loopen en worden niet moede, Wij wandlen en worden niet mat.
J
ROUWBEKLAG.
God heeft u zwaar beproefd! â Ik weet Eén troostgrond maar: dat Hij hel deed.
185».
HET HAANTJE VAN DEN TOREN.
Fiat voluntas.
ipfember 't laatst, maar even toch,
door storm en sneeuwjacht heen, Was ze uitgewipt naar Moeders huis
met overhaaste schreen.
â¢*] -ff ' V? ' -⢠' â¢* ' â¢* ' ⢠⢠' ft ' -fquot;' -ft ' .y ' -f ' jP' -ff' -0 '
:*-].gt; , â¢' â gt;' ,â gt;L,gt;⢠â igt;'' .gt;'⢠â gt;'â¢
208
HET HAANTJE VAN DEN TOKEN.
Meu knorde op 'tonvoorzichtig kind;
zy â kuchte, met een lacli____
Doch 's avonds van dat wit gelaat
ontroerde wie haar zag.
En sedert ving haar lijden aan;
de kiem der wreede kwaal, âDie langzaam moordt, als sluipend gif,
en wis, als 't grievend staal,quot;
School wortlen in heur jonge borst____
Een blijde lentegaard....
En de arme kunst zocht weer naar 't kruid,
dat nergens wast op aard.
Het einde was beslist; doch zij
verdroeg haar kruis, als meest Haar kruisgenooten, 'thart vol hoop,
met plannenrijken geest. Zü leed, met lieve lijdzaamheid,
ook waar van week tot week. Trots korte vleugjes van herstel,
haar teedre kracht bezweek.
Toch, dat eentonig leventje,
met zorg bewaakt, verdeeld, â Was ze ook niet moe als nichtje een uur
had aan haar zij gespeeld ? â Dat dobbren tusschen hope en vrees,
die voorgeschreven rust,
't Was wel een kruis, een bitter kruis,
voor lieve «Levenslustquot;!
Ach Levenlust!____in beter tijd.
Zoo schertsend, noemden haar De vrienden van haar schoone jeugd.
â *' *quot; if' *quot; * ' ^ ^ r *' * ' '''
â¢W , y . fl- . *- jgt;'- . tf- , y- . jr- . ë- , é'- . g- . ji- . S- . p- , ^ . jf- . g- , y , yJA
HET HAANTJE VAN DEN TOREN. 200
een teedre vriendenschaar,
Die zü, een zonnetje in haar huis
en feest van 't huislijk feest,
Bezielde door haar lieflijkheid
en rijken, dartlen geest.
Want levenslustig was heur aard,
zü lachte nimmer moe.
De jonge vrouw, vol kinderzin,
het lieve leven toe.
Geen zorg boog licht dat hoofdje neer;
en niets, een rozeknop. Een zonnestraal, een lief gelaat
wond haar jong hartjen op.
Daar geurden rozen in haar ziel,
een nachtegalenkoor Sloeg in haar reine borst, en sloeg â
temet eens vroolijk door!
Zij kon vertellen als een fee,
vol dartle fantazij,
En op haar lippen zweefde graag
de schalke plagerij.
Toch was ze ook ernstig ja en vroom â
doch somber was zij nooit!
Haar ernst was in geen rimpel, neen,
maar in een lach geplooid. Dat vroolijk hartje was ook diep,
doch in zijn diepte scheen en licht van Liefde en Hoop! dus wierp
het stralen om zich heen.
Zü bloeide in de eerste huwlijksjeugd,
als 't bloempjen in mooi-weer;
if* 'jf' £' 'â r#'' .oquot;' v«r'
HET HAANTJE VAN DEN TOREN.
ZJj tooide met haar blijden zin
haar leven en verkeer; Zij schiep een wereldje om zich heen,
vol geest en vol geluk,
Waarin haar geestje zich bewoog,
gezellig, vroolijk, druk.
Hoe deelde ze aller lief en leed!
Haar handdruk was een troost. Haar zilvren stem een feestgezang!
haar vriendschap, onverpoosd, Was hier en daar en overal,
waar voor die gulle ziel Een jarig kind te omhelzen, of â
een traan te drogen viel.
Want zij liep uit vast iedren dag:
zij stak, door weer en wind. Het zorgloos neusjen in de lucht,
dat onvoorzichtig kind. En plaagden haar de vrienden soms
om haar uithuizige' aard. Dan zuchtte zij: het blijft ook nog
zoo eenzaam aan mijn haard!
Doch waar ze kwam, zij deed u goed,
zij sleepte u, kozend, mee; Zij spreidde lichtjes om zich heen
van vroolijkheid en vree; Zij tierde en bloeide: een schoone bloem
in 's levens lentehof....
Totdat op eens de Noordewind
haar ranken stengel trof!
y- (gt; .y-
HET HAANTJE VAN DEN TOREN.
Nu denk u dartle Levenslust
gevangen in haar kluis, Van week tot week, van maand tot maand,
en weeg haar bitter kruis! Men hield haar stil, men hield haar klein,
lang praten leek haar niet, En menigeen klopte aan haar deur,
dien men niet binnenliet.
Weleer, hoe vlood die winter om,
dien ons haar frissche lach, De Lente der gezelligheid,
zoo vaak te prijzen plag ; Nu, 't was haar drukste feest wanneer
haar kleene naamgenoot, Van tijd tot tijd, een mooien dag,
mocht spelen aan haar schoot.
Haar woning was niet vroolijk ook:
door kleine vensterruit Zag 't ruim, maar somber ziekvertrek
op 't stille kerkplein uit.
Slechts was daar Zondags wat te zien,
en dikwijls vraagde zij: âOch wandel soms een stapjen óm
en ga dan hier voorbij!quot;
En wie het deed, die werd beloond
met d'allerliefsten knik; Zij stond een schreê van 't venster af
en volgde u met haar blik oover zij kon! maar somtijds ook
dan zocht men, dagen lang. Vergeefs de lieve schim voor 't raam...
211
ïfe :i
en menig hart sloeg bang.
JL
quot; .«r ⢠â¢
y .».gt;'â .y- .» .» .» .» .» ..» ..» _. , y
£L
'H
gt;'- .,» #. . » . » . y- . «⢠[.«â
212 HET HAANTJE VAN DEN TOREN.
Doch straks weer zat ze op de oude plaats
en gluurde door de ruit. Het ging met haar al op en neer
en langzaam achteruit. November was 't de laatste maal
dat zij haar kluis verliet; Het werd al Maart, het werd April,
en beter werd zjj niet.
Zü voelde 't wel, zij vreesde 't wel,
doch vleide zich nog meer â De Hoop voor de arme kranken voedt
een liefde wreed en teer â En was maar eens de Mei in 't land
en gure April voorbij, Dan werd ze ook beter, sprak haar wenscb,
en dat geloofde z\j.
âIk sterf hier in mijn duf vertrek;
maar lucht en lentegloed,quot; Dus dacht zü, stil of luid, âziedaar
wat my genezen moet! Ze welen 't niet, ze weten 't niet,
met al hun medicijn, God heeft de beste: bloemengeur
en warmen zonneschijn!quot;
âNaar Buiten wil ik, de eerste week,
de tweede week van Mei, Liefst naar mijn duinen, zoo het mag;
daar ademde ik zoo vrij,
Daar was ik iedren zomer toch
altijd zoo heel gezond ; O, 'k zal genezen in die lucht
en op dien dierbren grond.quot;
ïi *
*1
1
A *
*.
:S 'k
1
:«1 *j
:iJ
.y .y- .y y y iC~ir
uf' ~jrr ' -â¢T ⢠' .oT'
HET HAANTJE VAN DEN TOREN. 213
âBen ik maar eenmaal daar, gewis
dan sterk ik langzaam aan,
'k Zal met een steuntje dag aan dag
een eindje verder gaan;
En ben ik moe, dan ruste ik uit
aan onzer heuvlen voet____
't Is ook versterkend, 't lekkre zand,
gestoofd door zonnegloed____quot;
En al baar dierbren, om de beurt,
herhaalden trouw en teer:
âGij moet naar Buiten! zeker, daar
vindt ge al uw krachten weer. En was het nu maar warm en zacht,
licht deed een toertje u goed, In maklijk open rijtuig, kind!
geduld maar! en houd moed!quot;
Een open rijtuig! en het oog
der zwakke glom van vreugd By deez' gedachte, die altijd
haar zinnen had verheugd.
âEen open rijtuig!quot; riep zij uit----
âEn lucht en lentegeur____
Hoor, 'k ben genezen, Moederlief,
als 't stilhoudt voor mijn deur.quot;
En Meimaand kwam! en met haar, zie,
een vleugje van herstel;
Valsch zonnetje in een droeve lucht;
doch zij: âik wist het wel,
Gods lente brengt me al redding aan;
zoo nu de zon maar scheen, 'k Geloof â ik liep mvjn kerker uit
zoo luchtig als voorheen!quot;
HET HAANTJE VAN DEN TOREN.
Doch onze Noordsche Mei, helaas,
is arm aan zonneschijn,
Hij kan zoo koud, zoo droef, zoo guur,
lià kan November zijn.
En zoo was 't nu: de Noordewind
blies langs de kale gracht, En dicht bg Pinkster werd nog steeds
âde lieve Lentquot; verwacht.
Dat griefde haar: dat deed haar pijn ;
die borst, van hoop vervuld. Nu dat haar zoetste hope loog,
verging van ongeduld.
Mistroostig werd zij voor het eerst,
en, meer dan vroeger ooit. Verveelde het somber uitzicht haar,
met boom noch mensch getooid.
Toch iedren morgen, dag aan dag,
was 't nu haar eerste werk. Te staren over 't plein en dan â
naar 't Haantje van de kerk, Met vragend, mijrarend, nieuwsgier' oog,
een spiegel van dal hart. Vol scherts en weemoed tegelijk,
cn spelend met zijn smart.
Want op het hunkren naar de lucht
was 't antwoord keer aan keer: âDe wind is Noord, de wind blijft Noord,
't is guur, 't is nog geen weer: Kijk, lieve, als 't Haantje van de kerk
zich zóó â naar óns toe â draait. Dan ruischt het koeltje dat u zacht
als balsem tegenwaait.quot;
⢠⢠, *' . *- ⢠, c , quot;â¢
HET HAANTJE VAN DEN TOREN. 215
Zoo werd gezegd, gevleid, getroost____
en iedren morgen stond Zij nu voor 't raam en tuurde en keek,
een lachjen om den mond.
Een traan in 't oog; zij schudde straks
haar kopje, reis op reis,
En dacht en sprak dan bij zich-zelf
in vreemd en droef gepeis:
âAch, 't is weer de oude boodschap, ja,
en 't Haantje zegt: blijf thuis. En weer een kouden, langen dag
verkwijne ik, in mijn kluis. Hoe anders was 't een vorig jaar,
hoe zorgloos liep ik uit____
Ik was toch recht gelukkig tóen;
ik wist van Noord noch Zuid.quot;
âNeen 'k schonk U vroeger nooit een blik,
ik liep door weer en wind! Zeg, hoofdig Haantje, wreekt ge u thans
op quot;t onvoorzichtig kind?
En houdt ge u dan maar doof, steeds doof,
voor al mijn geestighecn____
Als âquot; volgde er bitter, na een poos â
âals â God voor mijn gebeên!quot;
En weemoed overstelpte haar,
zij wrong in diepe smart De bleeke, lange handen saam,
met angstig jagend hart.
Tot ze eindlijk schreien kon en riep:
âTe leven is toch zoet!
Neen, vrienden, arme Levenslust
heeft nog geen stervensmoed____quot;
4' if' if'. if' *quot;â if' ifquot;' *' *quot; if' if' it T~if' if' if' * ' â * ' B
, ï .gt;â¢- ,gt;â¢- .v- ,gt;â â ,gt;â ,V .y ,gt;â¢- ,gt;â¢- ,gt;- ,.»â . «â ,
21G HET HAANTJE VAN DEN TOREN.
Doch straks verhief zij 't hoofdje weer
en 't leliewit gelaat:
âIk meen dat zulk een droeve bui
mij gansch niet vriendlyk staat.quot; Zoo dacht ze en sloeg het kalmer oog
weer naar den torentop,
En dreigend met den vinger was 't:
, Pas morgen beter op!quot;
Maar morgen, ach, 't was de eigen strijd
in 't somber ziekvertrek;
Zij voerde met haar torenspits
een dagelijksch gesprek;
Zü schonk haar nu wel menig blik
en menig vleiend woord.
Maar 't baatte niet: heur onheilsboó
wees onverbidlijk : Noord!
Maar morgen stond ze weer en dacht:
«De dagen gaan voorbij En lijken op elkaêr â het wordt
geen zomer meer voor mij____
Genezing wachtte ik van de lucht,
de buitenlucht alleen â
Maar 't Haantje wyst naar Buiten niet,
het wijst naar Boven heen!
,'k Wou toch alleen zoo graag dat God,
eer Hü my tot zich nam,
Nog eens een zoeler luchtje gaf
voor zijn geschoren lam ;
'k Wou nog zoo graag het groen eens zien,
den bladen zonneschijn â
En dan, zoo 't warmer was, wellicht
zou ik ook beter zijn____
\'fi if'' if' if' if' if' if' it' if' if' if' *}(r~ïrr it' V? ' ' v® ' â ;f'r
_p'' tf{- t jr , }r , , p- , jh ,9' , , fr , amp; , p' . , .»⢠, »'⢠, A'- , , è- , »'⢠, «'⢠, 9' ^
HET HAANTJE VAN DEN TOREN. 217
â0 Gfl, die Liefde en Almacht zijt,
Gij, als mijn Bijbel leert,
Die met een wenken van Uw hand
en wolk en wind regeert!
Zoo toch Uw hand, o Heer, voor mij,
dat Haantje eens keeren wou Naar 'tZuiden heen. Gij kunt het toch!
hoe ik U danken zou____quot;
Wat omging in haar ziel?____ Zjj stond
en staarde, als wachtte ze af.
Of ook haar bede werd verhoord
en God een teeken gaf! Ze ontwaakte op eens: ze ontroerde zelf
van 't spel der fantazie;
Keek naar de lucht, keek naar de kerk,
en zei: âUw wil geschiê.quot;
Des andren daags maar even wierp
ze een blik naar buiten toe.
Half zegevierend, kalm, beslist,
half strijdens-, hopens-moe.
En toen â niet meer! Zelfs dagen lang
ging nu 't gordyn niet op â Intusschen wachtte op zonneschijn
nog steeds de rozeknop.
Maar eindlek op een Junidag,
vol zomerglans en geur.
Daar rolde een open rijtuig aan,
dat stilhield voor haar deur.... En zij? Ze was genezen ook,
de lieve Levenslust!
Zij ging..,, haar bracht een zwarte koets
*
*â¢
i-
*
*
r
naar Buiten, in de rust,
I
-/T' ' 1«
- -» 1 -e ' -9 '
. * .y- , i- ,gt; . gt;⢠, » ,» . ^ . y. . . y. , » , gt;â â , , y.
218 SCHITTERENDE STARRE.
Een jonge man, geknakt van rouw,
een kleene vriendenschaar,
Volgde â en hun ziele volgde mee! â
de aandoenelijke baar;
Naar 't Haantje van den toren keek,
met droeven glimlach, één:
't Blonk in de blauwe lucht en wees â
naar 't zoele Zuiden heen.
December 1857.
SCHITTERENDE STARRE.
Ik zag een starre schittren.
Maar 't was niet aan den trans; 't Was in twee dierbare oogen. Een starretje vol glans.
't Betooverde en bezielde
Mijn hart, mijn geest, mijn jeugd, 't Spreidde in mijn blijde woning Gods licht en vrede en vreugd.
Het blonk op al mijn wegen
Zoo vriendelijk en zoo zacht. Een zonnetje van zegen,
Te morgen en te nacht.
Het blonk van heiige liefde Voor zooveel goeds en groots;
f â¢x'r ifquot;- sfquot; *'⢠r if 'r â¢' 1 Tf' iT -x' -k' o;
a- , p⢠, o- , ,è'- , g- , f o'.
TWEE LEVENSBEELDEN.
Hel scheen een licht des levens,
Maar 't bleek â een boo des doods!
Dat was het Teiingslarretje â
Beware u Gods genae,
Dat gij het ooit ziet schittren In 't oog van kind of gac!
219
c
r
-
F
TWEE LEVENSBEELDEN.
Verzen, geschreven naar aanleiding der bekende plaat:
f I-
THE PAST AND THE FUTURE.
i.
't Lachend oog, vol liefde en lichl, 't Open harte, rein van zorgen, In den zoeten lentemorgen
Staart een blij en blond gezicht. Uit de wonderschoone dreven Van het onbekend verschiet Klinkt een vleiend tooverlied, 't Lied van 't jonge leven....
Op zijn zachte melody Wat al beelden en tooneelen Reizen de peinzende ziele voorbij!
Rozengaarden, luchtkasteelen. Kluisjes staêg vol poëzij;
4
______
jfj -jf' ^ .f'1 vf' jf' -⢠⢠-J* ' 'ff' if-ff' â¢*' ^ TT^
r
jJ' igt;' gt;)*' gt;* gt;? ;gt;' «gt;'⢠if-
TWEE LEVENSBEELDEN.
Rijke ekipages of ruischende zalen;
Zilveren meren en lachende dalen;
Spelende groepjes van schoonheid en jeugd, Groene terrassen, vol leven en vreugd;
Fiere onbekenden, die 't maagdelijk harte
Groet, uit de verte,
Groet met een blos, met een droom, met een zucht!
Op de wolkjes, in de lucht.
Zoo ze geen heerlijken bruidstooi ziet zweven.
Toch, als in bruidstooi verschijnt haar het leven, Lacht haar de toekomst, zoo rijk en zoo zoet....
O, Schoone Wereld, wees gegroet!
II.
't Stil gemoed vervuld van rouw. Als de balling naar zijn Eden,
Op de velden van 't verleden
Staart de jongbeproefde vrouw. Stemmen van vervlogen jaren Klagen, somber in het rond,
Als 't geruisch der gele blaêren
Over dorren kerkhofgrond: En, haar jonkheid en haar droomen,
Wat haar 't wondre leven gaf. Wat haar 't leven heeft ontnomen,
Stijgt weer opwaarts uit zijn graf: Liefde, die haar kindsheid streelde, Oude vriendschap, eerste min,
220
*®,
ï4, '%
\
i
a :i,
â -«_ * *
â â¢ÃJ
-t' â *' *'
ir
w:*r
TWEE LEVENSBEELDEN.
Hoogtijdagen, bruilotfsweelde,
Vreugden van het jong gezin;
Al wat ze eenmaal heeft genoten.
Of, in overzaalgen gloed,
Aan het kloppend hart gesloten, â Wat haar hart nog kloppen doet!
Toch, niet in dees vredige oogen Dringt een traan van rouw en â spijl, Om uw vreugden. Lentetijd!
Die te wreed de ziel bedrogen
Toen het uur sloeg van den strijd! Hier, geen hopelooze smarte,
Die de schimmen van weleer
Wil omarmen, eenmaal weer____
Offer van een lijdend harte.
Dankend nog voor 'tgeen vervloog. Rijst haar weemoed, stille, omhoog. Neen, schoon door den storm verslagen. De eedle ziele zal niet klagen
Om de hardheid van haar God! Had haar leven niet zijn dagen
Van geluk en van genot.
En â wie zal aan de aarde vragen
Anders dan het aardsche lot ? Zoo haar bloemen zijn gevallen.
Als een lijkkrans, op de baar, Wat verganklijk is voor allen,
Moest het eeuwig zijn voor haar? Is de wet niet hier beneden,
Dat de Toekomst wordt Verleden?
Dat de ziele derven moet?
Dat uw beste tranen vloeien Om 'tgeen meest het hart mag boeien,
TWEE LEVENSBEELDEN.
Om wat schoon is, edel, goed? â Dat de bruidstooi, broos-geweven. Smetloos langer prijkt en leeft, Dan het reinst geluk van 't leven, Dat de hoogste Liefde weeft?... Maar ook â dit ons aardsche strijden. Al ons lieven, bron van lyden,
Al ons bloeien en vergaan.
Waard een glimlach of een traan, Is 'tniet dus van God gegeven Tot een doel van hooger leven?
Brengt des Levens diepste smart Niet des Hemels troost aan 'thart? Uit uw wondre kerkhofdreven,
Schoon Weleer! o ruischt er niet Ook een zucht, een stem, een lied, Lied des levens, lied der hope?
Wijst het graf niet naar omhoog. Meer dan eenige tempelboog? Scheurt zich niet de Hemel open
Voor het minnend, weenend oog? Blinkt niet over 't puin van Eden,
Over 't stof van ons Verleden Nieuwe lentemorgengloed____?
O, Land der Toekomst, wees gegroet!
OP DE BERCiEN.
VARIATIE.
1 Korinthe XIV ; 20.
Een kind in de boosheid, een kind in 't verstand â Zoo'n stumper, die staat niet alleen in liet land.
Een man in de boosheid, een man in 't verstand â Die heerscht in de wereld met krachtige hand.
Een man in de boosheid, een kind in 't verstand â De schelm is een Ezel en valt in de schand.
Een kind in de boosheid, een man in 't verstand â
Dien zetten al de andren hier liefst aan een kant.
OP DE BERGEN.
I.
Hoog van de Alpen, by de stralen
Van den morgen, zag ik neer Op het lustoord in de dalen, Tusschen Thuns en Brienz' meer;
't Lustoord met zijn rij paleizen. Waar der bergen hoogen gast.
223
_ijèquot; , amp;⢠, jf* , )(⢠,jr , èr , y , ^
quot;lU
OP DE BERGEN.
Moe van onvermoeide reizen,
Pracht en weelde zoet verrast;
Waar het goud van 't rijke Noorden, Dat een armen Zwitser boeit,
Meer dan Lémans heiige boorden.
Als een snelle bergstroom vloeit;
Waar ge in schaüw der geurige blaêren Van het noteboomenwoud,
Britsche schoonen na kunt staren.
Als de Jungfrau, blank en â koud.
Ook baronnen en vorstinnen,
Als de Grimsel, bar en hoog;
Ook zeer g n a d i g e gravinnen.
Met een Sehnsuchts-meer in 't oog.
Doch, hoe lag 'tnu daar beneden Kleen en nietig aan myn voet,
't Nest vol schittrende ijdelheden !
In den morgenzonnegloed.
Nietig â of ze louter dwergen.
Lilliputters hield bevat;
Ja, het scheen wel van de bergen Zóó als waar die kleene stad,
Die de grootheid aller landen Zich ten zomerlustoord koos â
22-1
â¢*;
7®, â 4, *s
1
]
:V :V â¢V
'â k -k
â¢9 i
J
;«ü :4,
Opgezet door kinderhanden Uit een Neurenburger doos.
V' .oquot;quot; V V .oquot;
. Jr , ir . X- o- . 4'- , è'- , i'- , è'- , o- , »'⢠, i' , -, «'â , gt;'â ^ è- , #'â ^ è'-
OF DE BEUGEN.
II.
Op de bergen van het Lijden,
â Steile weg naar 't heilig Land â Op de bergen van het Lijden Voerde my der Liefde hand.
Van hun toppen â 't scheen wel nader
Bij der starren heiige sfeer En de woning van den Vader â
Op de wereld zag ik neer;
Op al de eerzucht, op de dingen.
Op de menschen van den dag â Grootheên, die elkaêr verdringen â Wie er wat beduiden mag!
Ruiterij van filozofen
Met een theologenheir Streden samen: van daarboven Scheen 't een stofwolk en niets meer.
Al hun glorie, al hun weelde Werd zoo nietig en zoo kleen, â a. Wat mij griefde wat mij streelde
IJdelheid der ijdelheen!
En ik dacht weer aan dien morgen.
Aan dien morgen van weleer.
Toen ik lachend, zonder zorgen.
Blikte hoog van de Alpen neer.
225
15
UE ENGEL BIJ HET GRAF.
PIÃTEIT EN AESTHETIEK.
Ik kan 't met die Vroomheid niet vinden, Die 't Schoone miskent en versmaadt â Is vroomheid iets anders, gij blinden! Dan liefde voor 't schoonst dat bestaat?
ANDERS.
Echte zin voor 't Schoone Sluit ook vroomheid in; Vroomheid derft haar krone Zonder schoonheidszin.
DE ENGEL BIJ HET GRAF.
Wat zoekt gij den levende bij de dooden? Hij is hier niet.
Luk. XXIV.
Gij zijt niet heengegaan, gij heiige hemelbode. Wiens nieuwe vredegroet, bij Jozefs grafspelonk,
Der droefheid, weenend om haar Doode, Weleer, in 't morgenuur verrassend tegenklonk!
227
DE ENGEL BIJ HET GRAF.
Ik heb, op 't grooto Feest, in meer dan aardsche droomen,
(Al heeft mijn zinlijk oog geen engel ooit aanschouwd!) Ik óók, uw geestenstem, in gindschen hof, vernomen,
Daar eens een dierbaar stof aan de aarde werd betrouwd.
'k Stond, peinzend, bij een zerk; de Paaschzon wierp haar stralen Op 't plechtig duin; de zee ruischte, als een psalm, van veer; Maar ik dacht hoe we saam eens dweepten in de dalen. En vroeg aan 't graf myn doode weer....
Toen, zachtkens, ook voor my, klonk door de stille dreven
Die toon, waarbij het oog verwachtend opwaart ziet, Die englen-zegegroet, dat woord van eeuwig leven:
âVriend, die gij zoekt, die is hier niet!
li-
âNiet hier! â die ging u voor naar goddelijker Eden
Dan 't lieflijk lustoord uwer jeugd;
En waar de boezem klopt van reiner zaligheden.
Dan de eerste liefde op aard bij 'slevens lentevreugd!quot;
Ja, 'k ken u. Engel Gods, gedaald in Jozefs gaarde,
Gü boö der schoonste Hoop, die ons de borst doet slaan. De God van Christus zond u zeegnend hier op aarde, En Christus geest leerde ons uw heiige stem verstaan.
* ⢠* â¢
Wir
UIBLIA.
B I B L I A.
Niet uit den Hemel, neen, is ze gevallen,
Feillooze Letter door de Almacht gegrift,
Doch naar des Vaders Huis dringt zij ons allen, De eenige, heerlijke, heilige Schrift!
Niet uit de wolken, neen, ruischten of ruischen Godlyke stemmen ooit menschen in 't oor,
Doch hoort mijne ziele Gods stem in uw bruisen Heilige harpen van 't Godgewijd koor!
Doch heeft ons harte Zijn waarheid vernomen. Zuiver en trouw, onbedrieglijk van toon,
Diep uit de borst der verkorene vromen,
Klaar uit de ziel van den heiligen Zoon.
God in de menschheid de menschheid verlichtend. Leidend, besturend met woorden en daên.
Troostend, verzoenend en reddend en richtend. God spreekt ons toe uit de heilige blaên!
God in de menschheid â o peinzende luistert! Menschlijken vorm draagt het eeuwige Woord.
't Menschlijke vaak door het Godlijke fluistert, 't Godlijke bruist door het menschlijk akkoord.
God in de menschheid â o kent Zijn gedachte. Klaarder en klaarder verneemt Zyne stem!
Zoekende kindren van 's Vaders geslachte.
Hoort in uw hart, in de Schriften, hoort Hem!
. » ,» .» . y . y- .» . y- . gt;â¢- . y- .» . lt;gt;â . » .» .» . ^ .» . y- .
BIBLIA.
Hier wordt in de' akker de Parel gevonden,
Die ons de borst van verrukking doet slaan â Hier ligt uw Heiland... âin doeken gewonden,quot; Doch bidt gij Hém, niet de windselen, aan.
Neen, voor de Letter niet buigen we als knechten
't Vreezende, domme, 't afgodische hoofd,
Moedig, ootmoedig, naar heilige rechten.
Zoek hier het leven de ziel, die gelooft!
't Hart, in de geestdrift der Waarheid ontstoken.
Kwijnde, zijn geestlooze aanbiddinge moe,
Eerst waar de albasteren flesch was gebroken. Stroomden de geuren des Levens ons toe.
Eerst waar mijn ziel uit de vaten van aarde 't Hemelsche goud had erkend en gezift.
Daar voor myn ziel kreeg ze leven en waarde, De eenige, heerlijke, heilige Schrift.
't Boek der Voorzienigheid zal ik u eeren,
Schat in de menschheid door de Almacht gelegd! Gij blijft hen raden en troosten en leeren,
Die uw doorvorschen getrouw en oprecht.
Op uw Beloften, daar God in ons harte
Amen toe fluistert, genadig en goed,
Steune mijn ziel in haar rouw en haar smarte, Ruste mijn hoofd eens met vredigen moed.
Ruischt om mij heen in de sombre valleien,
Woorden des levens! en licht op mijn spoor â 't Noodende Lied van Gods engelenreien Klonk me uit de wolke niet beter in 't oor.
1857.
aj â gt;
quot;â¢Â« =â¢
A *
229
'4b
*
â â¢4
â »
.
NEEN.
NEEN.
Gelukkig hij en vrij en vroed,
Die neen durft zeggen, neen,
Dat bondig woord, vol mannenmoed, Tot iedereen.
Neen tot zijn kind, zijn vriend, zijn vorst
En tot de schare â neen!
Uit hooge niet, maar vrome borst,
Neen â schoon alléén.
Neen, voor den naam, den roem, de macht,
Den top der blinkende eer.
En waar Fortuin hem lokt en lacht: Ik biede u meer!
Neen, in 't beslissend uur van 't lot,
Als 't machtig geestenkoor Des wijzen kloekheid vaak bespot En brengt van 't spoor.
Neen, tot den Booze, in lichtgewaad!
Die 't edel hart verleidt;
Den Booze â met het zacht gelaat,
Dat bidt of schreit.
. '⢠1- , gt;'â . » . gt;'â â gt;'- . »'â . gt;'â . gt;'â , gt;'â . gt;'â . gt;'â , gt;'â . gt;'' . gt;' â gt;'- . ^ . â »' . gt;'⢠[*
NEEN.
Neen, tot zich-zelf, zijn slingrend hart, Vol gloed of teederheên.
Neen â met een traan van spijt, van smart, Maar nochtans neen.
Gelukkig, op de gladde paên Des levens, die 't vermag;
Die man zal recht en veilig gaan,
En eischt ontzag.
Ons Ja volgt menig lang berouw,
Te lang, te wreed, te spaê....
Voor 't onbedachte woord der trouw Is geen genaê.
Ons laf, ons roekloos Ja baart pijn, Bezwaart, verstrikt, voert mee____
Ons Neen wekt haat, kost moeite en strijd Doch baart ons vree.
Verkiest gij rust, voor schande en schaê. Bij 't wisslend levenslot,
Zeg meestal neen, maar zelden ja.
Tenzij â tot God.
Volg Hem, die tranen en gebeên Weerstond op harden toon.
En neen sprak tot zijn vriend â en neen Voor 'swerelds troon!
231
1
*
4
!fl ^ ' vC' -K' -jf '
BIJ MEER-EN-BERG.
BIJ MEER-EN-BERG.
De morgen lacht, de koeltjes zweven, De hemel straalt van liefde en licht;
Stil, statig uit de schoone dreven Rijst Meer-en-Berg, 't gewijd gesticht.
Ach, droeve plek! Hier breekt u 't harte Van weedom, die de weelde stoort:
Bedrogen hope, en zonde, en smarte Vereent haar offers in deze' oord.
Nochtans, vanwaar die glans van vrede, Die op dit huis der jammren daalt.
Daar 't landschap stil, als in gebede, Gods goedertierenheên verhaalt?
't Is omdat Hij, die eens Zijn armen Tot al wat leed heeft uitgebreid.
De Zoon, vol goddelijk erbarmen.
Daar binnen licht en troost verspreidt.
't Is wyl een heilige gedachte Van liefde en hoop hier werkt en leeft
't Is wijl de mensch, van Gods geslachte Hier in zijns redders voetspoor streeft!
O zoet, weemoedig-zoet aanschouwen, Dat vredig huis, die kerk, die hof....
Ik groet u, heiige Godsgebouwen,
Geen schooner Tempel rftst in 't stof!
.M, y , y. . if. , , y- . f. , y. ,y , » , y. ,y , »'â . *'â . gt;'â . lt;â . *'â . V
NAAR DE NATUUR.
Mijn oog ziet op! mvjn ziele luistert!
Uw steenen spreken, God ter eer! En 't koeltje door de dreven fluistert;
Aanbid en hoop; hier is de Heer
B., 1868.
NAAR DE NATUUR.
Ik zie een graf gedolven
Op 't kerkhof te Bloemendaal;
De lijkbaar staat te wachten Vlak bjj het kerkportaal.
De schooljeugd â het is vakantie,
Iets zeldzaams in de week,
Maar Mèesler is uilgetogen In 't zwart, met een g rooten steek â
De schooljeugd â zij vindt haar genoegens
Op 't kerkhof als overal â
Loopt saam: er wordt begraven.
Dat is een aardig geval!
Zij komen nieuwsgierig, en kijken
En keuvelen met elkaêr;
Zij klimmen op 't hek van het kerkhof En duikelen over de baar.
Zij peilen den gapenden grafkuil Met onbezorgden zin.
ad*- -#⢠â¢.?' *⢠' *v *'rquot;y T*quot;' iT' if' if*' V
233
51!. .Â¥â . y- .» , »â .y- . v . »⢠.y . y- . y- . gt;â . y .y- . y-
234 NAAR DE NATUUR.
De een zegt â¢â¢ Het is een diepert:
En de ander: Durf jü er in?
Een derde neemt een vuistvol Van 't opgedolven zand, *
En laat het als een fonteintje *
Weer vloeien uit zijn hand.
Nu gaan ze krijgertje spelen Rondom het open graf;
Ook ranslen twee vechtersbazen Elkander eens eventjes af.
Maar Teunis zit met Klaartje Al op den grafkuilrand,
Naar 't schijnt, een deuntje te vrijen Op kinderlijken trant.
Zij spelen â in verwachting Van 't geen er komen zal;
Daar wordt er een begraven.
'â
f
Dat is een aardig geval!
p-
ï
Zij spelen â daar nadert langzaam
De statie het wachtend graf.... Zij steken de hoofden te zamen. En nemen de petjes af.
â * â -f â
â .Â¥quot; vf ^' -.quot;f' â¢Â£' [ f â¢
,gt;- ,gt; ,. gt;⢠,,y- . gt;â ,gt;- .gt;â .gt;â , y- ,gt;' ,gt;'⢠. gt;' gt;1' gt;gt;'Lf:
ARS LONGA, VITA BREVIS.
OPWEKKING.
Bij de' aanblik van al 't kwaad, al 't leed op aard' Buigt zich uw hoofd vaak bang en twijflens-moede â
Hef toch den blik weer hopend hemelwaart,
Ziet gy hier 't kwaad verwonnen soms door 't Goede!
ARS LONGA, VITA BREVIS.
De kunst is lang, het leven kort â
En 't werk van vluchtige uren. Dat zónder strijd verkregen wordt, Zal slecht den Tijd verduren.
Do kunst is lang, maar kort de lijd
U, voor uw taak, gegeven,
Zoo spil uw kracht in lust noch nijd; Niet velerlei uw hart gewijd!
235
3
Maar 't éénig kunstwerk al uw vlijt â Of 't u mocht overleven!
*' â *quot;
1
r â¢Â»rr~*-T' *' *r'1t â¢*quot; -i ~ *â *'r it''
» ,» . «â .quot;â â * â gt;â â «â â gt;â . /â .»â¢â , y .y . »
DK SCHOENLAPPER VAN ALEXANDRIE
KUNST EN EVANGELIE.
(Bijschrift bij de bekende Plaat, waarop de arme Weduwe, die haren ganschen leeftocht in de schatkist wierp, (Mark. XII : 41â44) wordt voorgesteld â met een wichtje op den arm en kinderen aan haar zijde!)
Neen, kunstnaar, neen, gij hebt het niet verstaan. Gij hebt het ons verbasterd weergegeven.
Dat rein verhaal uit de Evangelieblaên,
Zoo stil, zoo vroom, eenvoudig en verheven!
Haar nooddruft gaf de weduw, die de Heer Verhief voor 't oog van hen, die haar verachtten.
Maar deze werpt in de offerkist veeleer De bete broods____waarop haar weezen wachten.
Dit offerwerk laat onze harten koel:
Zou 't in den geest des Evangelies wezen?
Neen, vroom en vrij zegt hier een rein gevoel: Dat Christus zulk een daad niet had geprezen!
:*1.» .» *1
236
* *
*
ie-
DE SCHOENLAPPER VAN ALEXANDRIE.
Ora et labora.
Antonius, die vrome man,
verkocht zijn have en goed En gaf den armen al zijn deel;
en bij had overvloed.
â¢rtvr- ' y ' -.lt;â â ,?' y â ,« â *â¢' if' *⢠v? â *â ' *quot;â
, gt;'â , «'â . . ï-
DE SCHOENLAPPER VAN ALEXANDRIÃ. 237
Straks, in de Egyptische woestijn,
ontvlood hij, voor altijd. Een wereld die in 't booze ligt,
met al haar zonde en strijd.
Zijn woning was er â geen paleis;
al 't huisraad van zijn kluis: Een drinknapje en een perkament,
een geesel en een kruis.
Eu eenzaam sleet hij jaar en dag
steeds in den eigen kring Van psalmgezang en vroom gebed
en foltrende oefening.
Nu zonk hij weg, nu smolt hij weg
in zaalge mijmerij.
Dan weer vervolgde hij zich-zelf
in sombre fantazij.
Hij vaste, waakte, leed, bedwong
al de eischen der natuur: Hij maakte zich, lot Godes eer,
het leven meer dan zuur.
Maar tweemaal 'sjaars (zijn woestenij
verschafte vrucht noch blad) Bracht vriend en maag hem brood en zout
uit de afgelegen stad.
Geen levende anders, dien hij zag
in 't onherbergzaam oord,
Geen menschenstem werd mijlen ver
ooit in het rond gehoord,
jf' â¢jfquot;' -fquot;' ^ TiT7 ⢠.⢠' r#quot;7 Za'- r®*7 ⢠-f ' â¢*'' v?'
, i' . â » . gt;'â . gt;'
* â « * * * *
*
*
* * * 'â lt;* * y
-â v
â¢â¢i ï«
Squot;
238 DE SCHOENLAPPER VAN ALEXAXDRIÃ.
Geen schepsel anders, dien hij zag â
tenzij vaak, in gezicht,
Den Booze, naar hij dacht vermomd
als Engel van het licht.
Den Booze, die daar fluisterde,
(vol snoode veinzerij,)
Van 't nuttig, werkzaam leven in
den strijd der maatschappij!
Den Booze, die hem 't lieve beeld
vertoonde in stillen rouw,
Der zuster, die hij overliet
aan vreemde zorg en trouw.
Ook menigwerf, ontroerd, geschokt,
betooverd en verward,
Weerstond hij maar ternauwernood
dien aanval op zijn hart.
Doch hij bestond; de Booze week____
en, in den geest verheugd,
Dacht hij zich telkens meer volmaakt
in heiligheid en deugd.
En eenmaal, na volstreden kamp,
steeg moedig zijn gebed
Tot Hem die uit des vyands klauw
zijn dienaar had gered :
'k Heb al mijn leven in Uw dienst
geheiligd, o mijn God!
Ik stierf de wereld af; ik vlood,
ik schuwde al 't aardsch genot....
â¢ij , p' t p- , V' , p- , è' , , ïl' , j»'- , è' ., j»* ^ â¢' , â¢â¢ , â¢' , â *gt;' . â¢' i â Pquot; . *' . *' [.**,
DE SCHOENLAPPEll VAN ALEXANDR1Ã. 239
âIk hoorde 't harlontblootend woord,
dat Christus onze Heer Eens tot den rijken jongeling sprak,
en â willig deed ik meer!
âIk stond mijn vele goederen af
voor 't hoogste en éónig goed:
Ik haatte zuster, maag en vriend,
ik kruiste vleesch en bloed !
âIk leefde een leven van gemis
in 't diepste der woestijn,
Alleen met U, alleen voor U,
die steeds mijn deel mocht zijn!
âNu geef me een teeken Uwer gunst,
Ontfermer! toon het mij Hoe zeer het offer, dat ik bracht,
U welgevallig zij!____
âOf, Heer, zoo mij nog iets ontbreekt,
verklaar 't mij, door uw woord____quot;
Zoo bad hij in vervoering en â
zijn bede werd verhoord.
Hij strekte 't rustloos hoofd ter rust
en, in de nachtwaak, stond Een bode van den hemeltroon
aan 's kluiznaars harde spend.
âAntonius! ga, maak u op!quot;
dus luidde zijn bevel â
âReis heen naar Alexanders stad
en, merk dit woord u wèl:
] -jC r ~m~' â *' .«t ' ' quot;v? ' [â¢;
, 9' , y- , â¢'___, Ã-__, a'- . , »⢠, , iâ . i*'- , y- . , a- , c'- . . »⢠#'⢠, g' p- , ^p-
240 DE SCHOENLAPPER VAN ALEXANDRIÃ.
.Vraag naar een zeekren Simon daar,
wiens huis is in de straat Genaamd de Rechte; en, op uw beê,
ken Gods gedachte en raad.
âDeez Simon is een Christenman,
wiens vroomheid juist zoo hoog Als de uwe staat geschat, spreekt God,
in Zijn genadig oog...quot;
Antonius rees dankend op
en fluks, in vroom gepeis. Van d'onbekenden vrome vol,
aanvaardde hij de reis,
Heet was de zonne der woestijn â
hij werd niet moe; de nacht,
Schoon bang, weerhield zyn schreden niet,
maar schonk hem nieuwe kracht.
In 't eind, na menig dagreis, blonk
de Stad hem in 't gezicht,
Toen 't brandpunt, tusschen Oost en West,
van Handel, Wijsheid, Licht.
Maar déze pelgrim had geen oog
voor al haar bont gejoel.
Voor obelisk, noch zuilenrij,
noch kunstenschat â gevoel.
Hij vroeg naar 't prachtig renperk niet;
hü zag 't â maar zag niet om. Hij joeg met strakken blik voorbij
gedenknaald en kolom.
51 *⢠*' *â *⢠If ITquot; 'n ~ ïTquot;*^ -if â¢Â»r *⢠*â
*⢠â¢gt;' '-Jl. ⢠* gt; gt;'⢠â gt;' â â¢gt;' â â gt;'⢠â gt;'⢠â *'⢠'f' gt; *'â¢
DE SCHOENLAPPER VAN ALEXANDP.IÃ. 241
Hij joeg en vroeg, gedurig weer,
naar Simon, Simon slechts!
Ras vond hij straat en huis.... doch stond
en keek toen, links en rechts____
Hij trad op 't laatst (wat kalmer toch)
een zeekre werkplaats in,
Daar Simon zat, te midden van
zijn ijverig gezin.
,0 Simon, wees gegroet!quot; riep hij;
ook Simon zei: âGegroet!quot;
En sloeg terwijl een schuinen blik
naar 's pelgrims barren voet.
â ,Gü zijt een Christen ?quot; â âDank zij God!quot;
â âWat doet ge, o heilig man?quot; â'k .Lap schoenen,quot; sprak de heiige weer,
âOch, geeft die leest reis an !quot;
â âJa----doch, wat meer?quot; â âWat meer? ei Heer!
Ik werk van 's morgens vroeg Tot 'savonds laat! m\jn trouwe God
geeft me altijd werk genoeg.quot;
â âZoo geeft ge van uw ruim gewin
wel veel in aalmoes weg?quot;
â âDat weet ik niet! ons groot gezin
eischt zuinig overleg.quot;
â âDoch by uw werk vast peinst ge veel?quot;
â âIk----zing den ganschen dag.
Mij dunkt dat hy die bidt en werkt,
ook zingen kan en mag!
V] -é ' -jf' -⢠' 1 ZT1 jfquot;' af' a('r af' af' * Jtquot;' af' -ff'[
16
Vl . gt; ,» . ^ . y . » .» . ^ . jf- .. y . » . » . y- . Â¥â ,» . » . y ,» . »
242 WERKEN, DENKEN, LEEREN.
â âGij bidt dus veel____hoe menigmaal!quot;
En de ander sprak: ,Gezet Des avonds rijst myn dank tot God,
des morgens mijn gebed.quot;
*
-
*1
â âEn hoeveel uren brengt gij dooi-,
gewoonlijk, in gebeên?
Hoe lang wel rekt gij uw nachtwaak soms?quot;
â âIk, Heer? â ik slaap meteen...
âEn 'k bid nooit lang! de Meester zegt:
Gebruik geen woordenvloed.
Geen breed verhaal! Ik kan 't ook niet;
en 'k bid maar, kort en goed:
âDat God mijn dierbre stad en mij
steeds in Zijn gunst gedenk,
En elk, die werken wil voor 't brood,
Zijn besten zegen schenk!quot;-
Antonius, na dit bescheid,
vlood henen, gansch ontsteld....
Maar heeft van 't wondervreemd geval
nooit iemand iets verteld.
1857.
WERKEN, DENKEN, LEEREN.
Werken en denken en leeren is leven:
Wie hier niet werkt, is zijn plekjen op aard'. Wie daar niet denkt, is het leven niet waard,
iT *'r it'' â¢/' if' if
WERKEN, DENKEN, LEEREN.
En om te leeren is 't leven gegeven!
Leeren en leeren is de eeuwige taak,
Die noch de knaap, noch de grijzaard verzaak'.
Ernst is het leven____ o zalig, die 't weten!
Arbeid en roeping en edele strijd.
De eeuwigheid vraagt naar de vrucht van den tijd: Dwazen, die 't werkloos, gedachtloos vergeten,
En pas te laat, aan het einde der baan,
D' ernst van het ijdele leven verstaan.
O, dat de Heer der talenten u wachte,
Gaven verdubblend, o naarstig en vroeg,
Mensch, zoek het leven en grijp naar den ploeg; Blik in uw boezem en kweek de gedachte!
Ken, op uw weg, in uw werk, ken uw God,
Dat Hij u leere in de school van uw lol!
Werk om te leven en leef om te werken,
Niet voor het brood dal weer hongeren doet,
Maar voor de spijze die eeuwiglijk voedt,
't Harte verkwikt en de ziele zal sterken.
Ook als uw taak, op den donkeren rand.
Eenmaal ontvalt aan uw stervende hand.
Werken en denken en leeren is leven.
Zalig de minste, de kleenste, die 't vat!
Hem werd het leven een heilige schat,
Needrige kiem van een zaliger streven :
'tWerk van den geest, van de hand looft den Heer, Als de gedachte het wydl tot Zijn eer!
244 KIJKJE IN HET LEVEN.
KIJKJE IN HET LEVEN.
Vlak over mijn deur komt de lijkkoets thuis, Daar stalt hg, de sombere wagen:
Hij bracht er weer een naar zijn laatste kluis â Dat doet hij zoo alle dagen !
'k Hang uit mijn raam; 't is heet in de stad, Een snikheet Julidagje;
De zwarte koetsier heeft het warm gehad.
Veel warmer dan âzyn vrach'jequot;!
Ook reed hij van 'tgraf naar stal op een draf â Het was op die koets âom te braden!quot;â
En legt nu, al blazend zyn huilebalk af En de andere plechtgewaden.
Hij schudt zich fluks den rouw van 't lijf, En frischt zich op reis even;
Die guit! hy zat daar nog pas zoo stijf. Zoo somber, zoo treurig verheven!
Hij steekt zjjn pijpjen aan: hij telt Het fooitje van âzyn vrach'jequot;;
Terwijl hü een kleine vertroosting bestelt Met een tevreden lachje.
Dan bergt hij zijn spullen en neemt zijn gemak Al op zijn ellebogen â
Zou elders het maskeradepak Ook reeds zijn uitgetogen ?
BENJAMIN â AF.
BENJAMIN-AF.
Haast ben je nu niet meer Benjamin, Dan neemt een ander je plaatsje in,
Mijn lieve, kleine jongen!
Dan zet je moeder je neer op den grond, Dan zegt je vader; loop heen, loop rond â Je wordt door een aapje verdrongen.
Haast ben je niet meer Benjamin Dan kryg je niet altoos meer je zin,
En moogt je fortuin gaan zoeken.
Dan eet er een ander de kaas van je brood. Dan heerscht er een ander op moeders schoot Een koninkje in linnen doeken.
Dan sta je gelijk, jjj, met de andere broers, En maak je spektakel, men noemt u jaloersch, Men lacht om uw gramschap, klein wichlj( Dan, wie er je soms nog beschermen moog â Een ander heeft ieders hart en oog,
In spijt van je lieve gezichtje?
Ja, haast ben je niet meer Benjamin,
Je rijk heeft uit en een nieuw neemt begin.
Zoo gaat het met de aardsche rijken! 't Is goed dat je dit nu maar vroeg ondervindt Het loopt in de wereld niet anders, lief kind! Dat zal je licht later blijken.
, _amp;⢠, , gt;' . V . , gt;'⢠, «⢠. «'⢠,9- tjiquot; amp; ,)ï- , amp; , amp; . èf' ^ 1â . jr . V' , y- *
246 DRIE PAREN EN EEN.
Eorst wordt ge vertroeteld, eerst ben ,je de man!
Maar denk je, dat het lang duren kan?
Wel neen, slechts een poosje, mijn baasje!
Dan komt er een wolkjen in 't verschiet____
Dan komt er een aapje, dat je eerst niet ziet.... Hij schreeuwt en zit op je plaatsje!
DRIE PAREN EN EEN.
Gij hebt twee ooren â maar één mond.
Dat vriend! zij u een teeken.
Om veel te hooren en niet veel Te spreken.
Gij hebt twee oogen â maar één mond.
Bedenk dat, u ten zegen:
Veel moet gij zien en zeer veel dient Gezwegen!
Gij hebt twee handen â maar één mond,
Den zin hoort gij te weten;
Twee zijn er voor het werk, maar één Om te eten!
(lUICKERT.)
1
if' * ' 'M quot; if' *' * ' * ' * ' * ' vT' y â â¢* r
LIEDJE IN DEN MANESCHIJN. 247
LIEDJE IN DEN MANESCHIJN.
Hoe 't komt toch, dat zoo garen De meisjes â vraagt ge mij â
In 't lieve maantje staren Met stille mijmerij ?
Wel, hebt gij nooit vernomen Van 't mannetje in de Maan?
Zy zien het in heur droomen, Zij lokken 't met een traan.
Schynt later â als de morgen Haar naast een wiegje wekt,
En de avond uit de zorgen Haar in de veeren trekt â
Schijnt later van den hoogen Het maantj en op de ruit â
Men kijkt met andere oogen: Het mannelje is er uit!
Zelfs ziet men menig spannetje Zoo kwalijk samen gaan,
Dat vaak de vrouw het mannetje Terugwenscht naar de maan !
»5 if' ie *quot; 7rir' 'ït if -r y *â ' y *quot; *quot; *quot;
DE MAILBRIEF.
DATS DE KUNST.
Naam te maken â dal zegt niets, Naam te houden â dat is iets;
Op uw t^jd,
Kunstnaar, Preeker, wie ge zijt, Naam en eere te verzaken;
Zonder wrevel, zonder spyt,
Voor den jongre plaats te maken. Die u volgt in Glories gunst â Dat is vaak de grooter kunst.
DE MAILBRIEF.
(Fragment van een Delftsche Vertelling; â medegedeeld als een kleine bijdrage tot de kennis van het Hollandsch familieleven in de XIXde eeuw, 2de helft)
. . Daarom zal een mensuh zijn vader en zijn moeder verlaten ....
EERSTE ZANG. i.
Mijn oude luim keert weer en 't jonge hart komt boven! Te midden van den strijd van 't denken en gelooven, Van 's levens ernst en zorg en moeiten en verdriet.
5]if' *quot;ïTif *quot; if -/nr^nr^r'if'ir*quot; *quot; *quot; *â '
,gt;' gt;gt;⢠â gt;- .v â¢gt;quot;⢠â gt;' .gt; ^
v . y- .y- .^r »
249
DE MAILBRIEF.
Verlucht' zich hart en hoofd in 't geestontspannend lied. 'k Heb dikwijls pijn in 't brein en weemoed in het harte â Doch, weet ge, 't vroolijk Rijm is balsem voor mijn smarte!
ii.
Is 't ook een lijd waarin wij leven 1 ach wij hooren Geen geestig liedje schier uit Hollands dichterkoren! En 't lieve Vaderland, het schijnt me al meer en meer
Eén godgeleerd dispuut, waar ik mij wende of keer'____
0 Muzen mijner Jeugd, o schalken, zorgeloozen!
Laat me aan uw hart een wijl van al dien strijd verpoozen!
Nog bloeit mijn lentehof! Moge uit de groene twijgen Nog eens dan als weleer de dartle wildzang stijgen!
Als in het leven-zelf, zoo meng zich in mijn dicht De weemoed met de scherts, de schaduw met het licht; Hij die geen ernst verstaat dan ernst in groote woorden, Hij luister liever niet naar deze maatakkoorden.
*1
j
Wil niemand luistren? Goed. Geen mensch kon mij beletten Voor mijn genot een klein verhaaltje op touw te zetten: Een ijdelheid misschien, een dichterdroom, een gril.
Waaraan ik denken kan, als ik niet denken wil;
Een vorm, waarin mijn hart gansch kunstloos eens mag luchten Wat me in dit lieve dal soms lachen doet of zuchten!
v.
'k Was nooit een dichter om in lucht en wolk te zweven, 'k Zoek mijn fortuin liefst in de waarheid van het leven.
SJTTquot; :ii' ~Wr a ' a '
. i- , y- ,
DE MAILBRIEF.
Ik zit graag en vertel in 't hoekje van den haard, Of, 's zomers, in de tent, in onzen rozengaard, Aan een intiem Publiek, wat al mijn oogen zagen. Mijn hart hier heeft gevoeld, nü of in vroeger dagen.
Te Delft... Gij kent toch Delft? Dit stadje is schoon gelegen. Vlak aan den spoorweg, tot mijn groote vreugde en zegen. Een stadjen oud van Faam! en thans beroemd nog door Haar Akademie en haar Boter. Naar ik hoor,
Is de eerste nog maar lang zoo goed niet als de tweede,
Maar die is ook volmaakt! 'k Laat de andere liefst met vrede.
VII.
Gelijk als Pisa heeft ook Delft haar scheeven toren,
Die, al voor eeuwen her, de ruste placht te storen In 't klooster aan zijn voet, te sombren winternacht.
Maar sinds door geen orkaan nog werd ten val gebracht En pal staat, scheef maar pal, en, naar wü vast vertrouwen In Delft het langer dan wij allen uit zal houën.
VIII.
O grijze sleenen Reus! wat zaagt ge al, dat ik garen Gezien had, met u mee, in langvervlogen jaren,
Toen, rijk en machtig nog, uw oude prinsenstad Den kleenen hofstoet van dien Willem hield bevat,
Die pal stond óók als gij te midden van de orkanen, En Neerlands schittrende Eeuw het purpren spoor moest banen!
IX.
,gt;â 3 * * * * *
a
f *
* * * *
i* â¢'
amp; *
250
*
k*
r
1*
ui« r
Ut *
£
Delft praalt thans met zijn graf... en booze tongen fluisteren : Heel Delft is zelf een graf. Gij moet er niet naar luisteren.
-ft' W**'
xiiT' *' *quot; â *' *' if r iT * ' *'
DE MAILBRIEF.
*r
251
't Is laster, 'k Weet veeleer in 't lieve vaderland Geen stedeken alzoo aandoenlijk-intressant.
Zoo gij maar 't oogpunt weet, waaruit gij 't moet bekijken â En dat ik waarheid spreek, moog uit mijn dicht u blijken!
x.
Ge ontmoet te Delft alom een heir van donkre tronies,
Die u herinren steeds aan Nederlands kolonies, (en bruin
Zijn schatkist____ ook zijn kroon? â Gy vindt er 't licht
Zoo rijk genuanceerd als in den schoonsten tuin.
En â doet gij de oogen toe â dan kunt gij u haast verbeelden Dat de oostersche Natuur u toelacht met haar weelden!
XI.
Ja, 't beeld is niet te stout, ons Delfia-Batava Is, in den grond beschouwd, een voorstad slechts van â Java. Men leeft te Delft in de' Oost en, bijna voor de helft.
Leeft Indien ook weer in 't zoet en achtbaar Delft.
lk-zelf ben naar den geest vast daaglijks nu te Padang En dan in de Kadoé en dan weer te Samarang.
XII.
Ook wijd ik dit mijn lied u, vrienden in de verte!
Nabij steeds voor mijn oog, niet verre voor mijn harte. Die eens mijn vroolijk huis zag komen en zag gaan â
Maar komen met een lach en scheiden met een traan. Zóó is het leven: in de vreugd ligt reeds de rouwe â
Doch gij vergeet hem niet, den handdruk onzer trouwe!
Wat spreekt men van den Dood, den dood die teedre banden Verscheurt, de trouwe hand ontrukt aan trouwe handen?
*1ir
y- . * . i- . â â , y- , gt;-â . ï- .
DE MAILBRIEF.
Ach, 't Leven snijdt veel meer de levensdraden af Der vriendschap, daar ons hart zich blijde aan overgaf! Hebt lief, o rijke jeugd! Het leven zal u scheiden,
Straks ligt de Zee, of ook de Wereld, tusschen beiden.
XIV.
Doch wat vervolgen mij gedachten die mij kwellen! Wou ik niet vroolijk zijn en u van Delft vertellen, 't Pikante stadje daar 'k mijn vijfde lustrum sleet. En véél gezien heb, veel van 's levens lief en leed, Genoeg om meer dan één komedie te brodeeren. Of â als ik doe â een lang gedicht te improvizeeren ?
Ik zei, Delft is geen graf. 'k Zeg nü, voor kenners oogen Is daar geen oord veeleer zóó woelig en bewogen!
Toch zoek geen leven langs de grachten onzer stad,
Want ja, die zijn meestal zoo kaal en eenzaam, dat Onlangs, naar men vertelt â de jacht was juist pas open â Een haas, zijn drukten moe, kwam door ons Delft geloopen.
XVI.
Hij is er tnooglijk nog. Maar dit nu daargelaten, Het Delflsche leven bruist niet op de Delftsche straten. Des winters is 't er stil, des zomers is 't er stom ;
Doch daar gaat des te meer in Delftsche zielen om. Hoe kalm daar buiten â 't is onrustig steeds daar binnen, In onze hoofden, onze huizen en gezinnen.
Spot niet, o vreemdeling! er is volstrekt geen reden Tot lachen; nergens wordt gestreden en geleden,
ïf] v? ' if' if' if' if' if' if' if' if ' ~i* ' if' -s? quot; if' -.'T' if ' if ' [
252
DE MAILBRIEF.
Als in die kleine stad. Of â lach maar, hoorderes! 't Kan wezen dat gij straks een schoone liefdeles Put uit mijn Delftsch verhaal en dat mijn losse zangen Een traan van sympathie doen glijden langs uw wangen.
XVIII.
Gij vat, het middelpunt van al die teedre zorgen,
Hier â achter horretjes â in huis aan huis verborgen,
Is steeds â het verre land aan de overzij' der zee.
Ach 't brengt u goud misschien, maar 't rooft ons vreugd en
vree!
Trots haar trapbruggetjes en vaderlandsche grachten,
Is steeds ons stadje vol van oostersche gedachten.
XIX.
â¢
De een toch, op Java, heeft zijn vader en zijn moeder.
En de ander weer een zoon, een dochter, zuster, broeder; En deze een bruidegom; die zelfs haar trouwe gaê, â Het huislijk leven, op dien voet, lijdt groote schaê; â En elk voor 't minst een neef â maar dat is niets! wij geven Althans voor éénen Vriend graag vijf-en-veertig neven.
xx.
Zoo is dan onze lucht vol droomen en vol zuchten, Die waaien uit den Oost, die naar het Oosten vluchten.
Alleen wat jammer is â ook voor myn huidig lied â Wat Delft heeft van de Oost, het oostersch dichtvuur niet. De kunstnaars zyn er meest wiskunstnaars, geen poëten,
253
Tenzij â doch. Vrienden, gij hoeft alles niet te weten.
3
XXI.
Toch, als de toovervonk langs wonderdraad gevlogen, â Snel als de Laster vliedt en 't praatje van den Logen
r
if'W.
â
» .it- .*â ,gt;â .y ..»â .amp; .?⢠,g- .#â .£_,?â ,*â .*⢠..
254 DE MAILBRIEF.
De tiding brengt in 't land: de Mail, de Mail is aan ! Dan hoort men harten vaak als dichterboezems slaan,
Want elk vol vreugd, vol vrees, wacht van zijn verre lieven De levensteekenen, de lange, dierbre Brieven!
XXII.
Een spanning volgt op 't sein! voor velen worden de uren Nu dagen; dag en nacht schijnt eindeloos te duren, (Een Delftsche veteraan is aan dien strijd gewend!)
En dan â Pandora's doos wordt uitgestrooid in 't end. De Mail, de groote bron van droefheid of verblijding.
Brengt dees een Jobsbericht en dien een bruiloftstijding.
XXIII.
Neen, wie geen Maildag.zag, die kent geen Delftsche zeden! De kloeke BrievenboO, met vlugge, vaste schreden.
Als 't Noodlot kalm en koel, gaat rond van huis tot huis, En brengt er vreugde of rouw, in 't mailpapier inkluis.
Dal aan 's mans vingren soms ontgrist wordt door tien handen. Die sidderen van angst of van verlangen branden.
3
Wat nieuws ? A. leest, dat hem een kleinkind werd geboren; B. â dat hij mettertijd iets dergelijks zal hooien;
G., dat zijn zoon in de' Oost een vrouw vond naar zijn hart â De man ziet van nu aan de Toekomst minder zwart!
D., die te Delft studeert in onbekende vakken,
Vangt, uit Pandora's doos, goud in zijn leege zakken.
xxv.
Een meisje, lang verloofd, doch van haar lief gescheiden â Die eerst op Java zich een Budget moest bereiden â
r vf 4 vf1 * -jï' jf' -«r' 1 t»'1 j'' ' 'jt-' tiquot; .f'' â .tf1' -/f if' it'
b
.» .» .» .» .^
. if- . ar- , t
DE MAILBRIEF.
Ontvangt het zoet bericht dat die zyn hart haar bood,
Haar nu zijn hand kan biên, zijn hand.... plus 't daaglijksch
brood!
Zij zal dus binnen kort gaan trouwen met de handschoen; 'k Zou 't liever zónder toch en saam in 't zelfde Land doen!
XXVI.
Doch hier verwoest de Mail de vreugde van een leven! De weduw heeft een brief, met potlood nog geschreven Door de overdierbre hand van 't aangebeden kind. Op 't ziekbed â maar voltooid door d' onbekenden vrind, Die â aan zijn moeders plaats â trouw tot de laatste stonde, In 't verre, vreemde land gewaakt heeft aan zijn sponde.
XXVII.
't Zwaard ging hier dóór het hart. Daar dreigend blijft het hangen Aan zijden draad! de brief, met smachtend zielsverlangen Vol angst en zorg verbeid, bleef uit! En menig oog Staart nokkende ter aard en vragend weer omhoog Tot Hem, die 't waarom weet en, na den nacht van 't lijden. De schrikbre onzekerheid ?iog eenmaal laat doorstrijden.
:«
XXVIII.
Gelukkig dat de Hoop, die troost der stervelingen, De schat, die aangroeit bij het wisslen aller dingen.
Bleef liggen in uw Doos, Pandora ! op den boom____
255
r
r
Zij geeft den lijder vaak de kracht weer in den droom. Doch wèl hem, die haar kent als Zuster van 't Gelooven, Die met een vroolijk oog, glimlachend, wijst naar boven.
Ã4
XXIX.
Maar andoren brengt de Mail weer lieflijke geschenken :
* â â
â * ⢠jï- f ⢠. gt;⢠. ^ . v . y- â y- â ⢠»⢠* â * â¢* p
DE MAILBRIEF.
De vriend beschrijft den vriend zijn droomen, doen en denken ; Dees door zijn oostersche famielje wordt belast Met tal kommissieën; een ander weer verrast Door 't zoet bericht dat, binnen kort, van Java's stranden Acht wilde neefjes in zyn armen zullen landen.
Een ander juicht weer in zijn rijke vadervreugde:
Zijn zoon, een knaapje, dat in Holland niet veel deugde. En weinig ophad met de studie van 't Javaansch â Althans Professor zei, hij maakte 't meer dan Spaansch Gedraagt zich braaf in d'Oost, als 't puik der ambtenaren, En won reeds lauweren om zijn wilde jongensharen.
r f r
r
r
u
r.
't Wordt meer gezien, 't is om de wijzen te beschamen! â Praktijk en Theorie gaan zeldzaam wel te zamen.
'k Val geen van beiden af, 'k heb eerbied voor de Twee, Doch â zoo ik kiezen moet â ga 'k liefst met de eerste mee. (Misschien, omdat wij steeds dié gave 't meest begeeren â
Wilt gij niet dichter zijn ? â die wij het meest ontberen!)
256
Van 't Delftsche mailnieuws, wie nu meer nog wenscht te hooren. Ga naar de societeit en spits' zijn gulzige ooren!
Daar krijgt gij al het nieuws om niet, en nog daarbij Een handvol politiek en praatjes toe. Voor mij,
Ik luister liever niet, en dat om wijze reden;
Doofstom te zijn is 't beste deel, in kleine steden!
XXXIII.
t f
r
Ook tobde ik lang genoeg om mijn tooneel te stellen.
A
' â¢Â» ' -fT' ü»quot;quot;1 S1*7 ' -m''' -⢠' -»'7 -⢠' ' -m' ' -jf1 '
amp; , jh p' j , â¢â¢ , V , . V , , gt;⢠. m- ,
DE MAILBIIIEF. 257
't Wordt lyd dat ik iets ga vertoonen of vertellen.
Wy leerden 't al op school: doet aan een ander niet,
Wat gij, o egoïst, niet wilt dat u geschiedt.
'k Gruw van verveling! dus, ik wil niet graag vervelen,
Schoon andren op dit punt in mijn idees niet deelen!
xxxiv.
Te Delft dan was het, op een Maildag in November----
Gij weet, ons brengt die Mail de blieven van September, Historisch nieuws, voorwaar! gij kunt er niet op aan: Wat voor twee maanden was is mooglijk lang vergaan, 't Is heden niet meer waar, wat gisteren werd geschreven, Wat is dan Oostersch nieuws in dit kortstondig leven?
xxxv.
Doch, om nu eindelijk eens geregeld te beginnen,
Wijkt, spoken, uit mijn lied en droeve tusschenzinnen!
't Was Maildag dan te Delft, in Slachtmaand van het
jaar----
Dat u belieft; dat moet gij vinden met elkaêr;
En als gewoonlijk deed, omtrent de middagstonde,
Langs zeekre Delftsche buurt, de Brievenboó zijn ronde.
XXXVI.
En, voor het raam van zeker huis stond in gedachten Een zeekre Delftsche Vriend, â gij meent, zijn brief te
wachten?____
Geenszins. Hij volgde alleen des Briefbestellers gang Met peinzend oog â en zuchtte op eenmaal dreigend lang: âAls toch die vent me ooit hier een brief uit de'Oost bestelde.
Danquot;____ Juist stond daar de vent op stoep en â Goön! â hij
belde.
' fT' â * ' ⢠' rquot;* 7 gt;' ' quot; â¢gt; S' if' if'
17
f*] 'Jr . â *'- . .gt;'â a- , , «'⢠j i- | jr ^ ir , jfc- , u'- , ^ ' ^ , â¢'⢠, ^ , jr , Jf-
DE MAILBRIEF.
XXXVII.
âEén gulden-twintig,quot; sprak de dienstbare, trad binnen. Een mailbrief in den tip liaars boezlaars. Als van zinnen Keek onze vriend haar aan â en zei: âüat's niet te recht.quot; n't Is toch aan uw adres.quot; â âWel zeker! licht gezegd!
Zijn daar op aarde dan geen andren die zoo heeten? Ik â 'k heb geen brief van doen! ik wil er niets van weten!quot;
258
*
XXXVIII,
âMaar, vader...quot; â â'k Heb in d'Oost geen vrienden en geen
zaken;
'k Begeer met niemand ooit in kennis te geraken Daar in dat Apenland! Ik sluit mijn hart, mijn deur Voor al wat oostersch is, al was 't de Goeverneur!
Daar zijn er hier genoeg om zulk een brief verlegen,
r
r
'k Sta hun den mijnen af â hij breng' hun vreugde en zegen!quot;
r
L
Het meisje, dat wij juist âmaar. Vader...quot; hoorden zeggen. Gaf nit een wenk om stil den brief maar neer te leggen Op tafel: onze Vriend, niet gansch op zijn gemak.
Toog weer naar 't raam en stond, de handen in den zak, En zweeg en zuchtte en blies. Straks eensklaps opgestoven, Vloog hij de deur uit en de trappen langs naar boven.
XL.
Toen stond ons meisjen op; bekeek dien brief wat nader,
Eerst zóó, dan zóó, en dacht â aan wien? Wel aan heur Vader! Denkt ooit een meisje aan iemand anders? en toen keek Zij in den spiegel en werd beurtlings rood en bleek;
*quot; *â ' *quot; -tT
â y- .â gt; â » jL[
DE MAILBRIEF.
Bedacht zich; lei den brief weer neer, en zuchtte en wachtte, En eindiijk liep zij ook 't vertrek uit in gedachte.
XLI.
Nu is er niemand in die kamer meer, myn hoorder En hoorderes, als Gij: en dan die Rustverstoorder,
Die brief, â en ik alleen: Wat zoudt Gij zeggen nu.
Als ik dat mailpapier eens open deed voor U ?
*L. *
259
Maar neen! 'k wil dat geheim voorloopig niet verklappen â 'k Word oud en wijs, en doe geen roekelooze slappen!
TWEEDE ZANG.
Wat is daar zoet op aarde en lieflijk in dit leven, â De erinring doet nog vast het hart des grijsaards beven Van zachte ontroering: en, o jong en zalig paar. Uw boezem trilt gewis, bij 't trillen dezer snaar â Wat is daar zoet en lieflijk hier op aarde.
Als â 't eerste huwelijksreisje in 's Levens rozengaardc ?
't Is wel de liefste dag op 't reisje hier beneden, Een kijkje nog eens weer in 't lang verloren Eden ! Zoo eigen, stille haard u dieper weelde biedt, Een zorgeloozer dag geeft ons de Hemel niet! En menig paartje wie 't zal spijten, al hun dagen. Dat zü toen niet metéén Genève en Rome zagen!
Straks komt de heiige Zorg! men ziet met andre oogen:
*quot; it
TTiT -r
^ â -if
L
gt;'â , è- , »⢠. gt;'â . . *'⢠. â¢â¢ , V ,gt;⢠, gt;quot;⢠, gt;'⢠,gt;'⢠,gt;'â , , gt;'â , jf- ,J/- tJf'
260 DE MAILBRIEF.
Uw ambt, uw zaak, uw beurs wil 't zwerven niet gedoogen, Ons boeit het piepend kroost aan 't nestje van de trouw. En â vogels zyn we niet!.... maar wat ik zeggen wou, Nochtans zoo treurig niets, als juist de huwlijksreisjes.
Die vaak het voorland zijn der liefste Delftsche meisjes.
iv. â¢
Gij, voor dien feesttijd, zoekt en kiest de lieflijkste oorden. Gij doolt te zaam langs Rijn- o'f Maas- of Neckarboordcn. Gij juicht: Excelsior! en trekt naar de Alpen heen.
Of de Alpen over, naar de koningin der steen,
Of naar Venetiën, de stad der Gondelieren,
Of naar Luilekkerland, of waar ge ook heen wilt zwieren.
Gij gaat en â komt terug, gelukkig, opgetogen!
Verrassend staat ge op eens uw dierbren weer voor de oogen! En 't uur van thuiskomst is niet zelden vaak, bij slot Van reekning, 't zoetste nog van al uw reisgenot.
Men prijst uw uiterlijk; gij bloost; gij hebt apartjes.
Gij geeft prezentjes en u kloppen alle hartjes.
VI.
Doch anders is het voor mijn Delftsche bruid besloten. De Bruiloftsnoga is, in tranen, pas genoten.
Of 't heet: Zeilree, aan Boord! en 't jonge paartje aanvaardt Een reisje op d' oceaan, naar de andre helft der aard.
Naar Java, verder niet! het hart vol zoete droomen.
Om over twintig jaar â of nimmer â weer te komen.
Men viert zijn honeymoon op zee! 't is wel verheven,
r ' if' â¢.?'' r ⢠y' â¢f'' -' ri-1 r»quot; .⢠rT»' ri~r .â¢
.*â .Â¥â .*â .y .y- .» .» --fr-jM
»1.» . «^ . » .*â
DE MAILBRIEF.
Althans bij storm ! doch ik verkoos de lieve dreven Der aarde in zoo'n geval, 't Verheevne wordt ook vrij Eentoonig ras, op zee, als in de poëzü.
En â werdt ge eens zeeziek in de honeymoon.... 't zou wezen Om 't meest romantisch paar voor altijd te genezen!
Maar wee mijn valsche jok! zoo 'k glimlach, 't is van smarte. Als een die tandpijn heeft, ja, â tandpijn in zijn harte. Die reislust toch naar de' Oost is 't groote Delftsche leed! Een bron van wanhoop soms, van lijden lang en wreed.
Niet voor die heengaan juist, maar voor die achterblijven,
Wier leven is geknakt, wier troost â is brieven schrijven!
Verliefden zijn te vree, te land of op de baren,
âUw hart en â een kajuit!quot; is 't woord der jonge paren. Philippe en Philippine, in éénen notedop.
Zijn zeer gelukkig saam, ook op het ruime sop.
Het afscheid viel wel zwaar â doch Jonkheid, Moed en Liefde, Zij kwamen 't hart te hulp, eer 't schip de golven kliefde.
x.
Maar wee die bleven! Hoor, het stormt! Do scheeve Toren Van Delft houdt zich weer flink en taai, als ooit te voren;
Maar 't stormt in menig borst, vol angst en onrust, mee. De moeder strijdt en bidt; de kindren zijn op zee!
En de arme vader gaat zijn weerglas bestudeeren.
261
Dat zegt âveranderlijkquot; â als Breêroo: â't kan verkeeren.quot;
1 gt;
,
XI.
En ach, deze angst is een beginsel maar der smarte,
DE MAILBRIEF.
Steeds dreigend nu voortaan uit de onbekende verte,
Waar 't aangebeden kind, naar 't oude Bijbelwoord, Den man gevolgd is, wien haar teeder hart behoort; Den man â den Roover, dien de moeder in haar droomen Reeds bij haar dochters wieg, uit Java, aan zag komen!
XII.
Want zoo is 't noodlot van een teedren Delftschen vader En moeder: steeds vervolgt hen de oostersche verrader. Die op hun kindren loert, hun dochtren lief en schoon. Steun van hun ouderdom of hunner liefde kroon! â Verraders noemt men hier Studiosi die naar d' Oost gaan. En hun verliefden blik op 't zoete Delftsche kroost slaan.
262
* *â¢
t-*
* A
f p
XIII.
Trekvogels zijn ze, die vaak de eêlste Delftsche duifjes Meevoeren als hun schat, hun kroon, hun prooi, hun kluifjes; Wreed â als een lammergier, die, hoe de moeder treurt. Het eenig ooilam aan haar droeve borst ontscheurt. De waarheid evenwel dringt mij er bij te voegen:
Het lammetje neemt, in dat scheuren, ook genoegen!
XIV.
âToch, wie daar immer van die jeugdige ongelukken Mijn troost, mijn kroost, mijn schat wou aan mijn hart ontrukken Dat knaapje sta vroeg op en â wachte zich voor schand! Mijn englen blijven hier, bij mij, in 't vaderland.
Is dat de mode thans zoover maar heen te zwerven ? 't Is levend sterven voor elkander â levend sterven!
IT1-* ' * ' (S
xv.
Zoo sprak of dacht wel vaak, het hart vol liefdezorgen.
' ' â¢/' *quot; iT' *quot;
*0 . ^ . -fr , jr , H' .9' . ?⢠. ï- , gt; amp; . *⢠â *' . gt;'⢠â gt;'quot;⢠gt; gt; ^
DE MAILBRIEF.
Vol angst en ernst, temet in dwazen luim verborgen, Zoo sprak of dacht, het oog op 't liefste dochtrenpaar, â De een was goed zestien pas en de ander achtien jaar Dat immer 't jonge Delft langs 't oude Delft zag zweven, Myn Delftsche vriend, gij vat, diezelfde van daareven.
xvi.
De man is â weet ge 't nog? â de trappen opgevlogen,
Gansch wonderlijk verward, en----tranen in zijn oogen----
Zou wel goed rijmen, doch niet waar zijn, en ik haat Onwaarheid als de pest, in proza of op maat.
En schoon mijn broeders, op dit punt, niet willen deugen,
Ik zal mij nooit om 't rijm bezoedlen met een leugen.
xvn.
Geen tranen dan, in 't oog â maar luimig, opgewonden. Ontsteld is onze vriend straks plotseling verzwonden,
Bij de aankomst van den brief. Hij scheen u vast, niet waar? Een zonderling, in taal en houding vrij bizaar? Uw menschenkennis eer; doch vatten wij elkander: Een Zonderling is een; een Quibus is een ander.
XVIII.
Och, menschen zijn er zat! men vraagt origineelen!
Mijn vriend nu was er een, voor schrijvers â om te stelen. Althans op één punt bleek de man een Humorist,
En wel van de echte soort, daar hij er niets van wist:
Zij die het weten, ach, zijn meestal ons tot schade,
Gevoelig en naïef met voorbedachten rade!
XIX.
Hij was het van natuur. Zijn hart leek als een luite,
irjvrquot; *quot;⢠*â quot; i*'' *quot; * quot; *' *' *' *' â¢gt;' *' i»-
263
«⢠.gt;â .gt;â . a à . y .gt;â ,. . .. .gt;â .y- . » .»â .*â
DE MAILBRIEF.
Die staag het diepst gevoel in vreemde trillers uitte,
Vol liefde, toorn of scherts of weemoed, of dit al Te zaam. Goed was hij meest en zacht, doch bij geval Kon hij zeer vreemd, zeer bar, zeer grillig zich vertoonen â Maar wie hem kende moest zijn dwaasheên wel verschoonen.
xx.
Hij was ruim veertig jaar, maar grijsde reeds ter degen; Gul, prettig, open blonk zijn vriendlijk oog u tegen,
Een beelje ironisch wel somtijds. Op 't uitzicht af Was hij een man, dien 'k graag een fikschen handdruk gaf, Een weduwnaar, die nog het oog trok veler vrouwen;
Maar 't scheen zijn kroost alleen moest heel zijn hart behouën.
XXI.
Die hü had liefgehad â de lieflijke, de zachte, Met wie hij steeds nog leefde, in heilige gedachte â Ontviel hem, ach! te vroeg, en jaren reeds geleên; Hy was nog jong toen en de kindren waren kleen. Twee wichtjes liet zij na, twee meisjes, rozeknopjes Op leliestengels, twee aanvallige englenkopjes.
TP
L:
r
a *
* *
264
r
l
Ik wenschte om alles wat ik immer heb geschreven, Dat ik thans in mijn dicht u duidlik weer kon geven, Hoe lief die brave man die kindren had! O, 't zou De apotheose z|jn der vaderlijke trouw:
Het scheen of in zijn hart het denkbeeld was gerezen, Dat hij haar vader beide en moeder nu moest wezen.
XXIII.
Die liefde was, ja, soms vrij angstig, vrij omslachtig,
f
i'
r «â¢
*
r *
f f
a
⢠â¢â¢ gt;â t*
DE MAILBRIEF.
(Een kinderlooze mocht wel zeggen â kinderachtig!) Wat overdreven en onrustig, maar nog meer Aandoenlijk toch voor wie haar vatt'en, diep en leer.
Reeds van haar kindsheid af, was dit zijn lust en streven Niet enkel voor zijn kroost, â doch met haar mee te leven!
XXIV.
Zij groeiden heerlijk op, als in de zonnestralen Dier koesterende zorg! Wat sprookjes en verhalen Kon hy met Jobsgeduld vertellen voor en na;
Hoe teeder sloeg hij staag heur jonge ontwikkling gaê; En toen ze als meisjes straks heur zorge ook hem besteedden, Hoe werd hij rijker steeds in al haar lieflijkheden!
Ook, welk een teeder vuur ooit 'sjonglings hart doorgriefde, 'k Geloof â daar is op aard niets teeders dan de liefde. Waarmee de fiere man het aangebeden kind,
Zijn blozend dochtertje, de slanke jonkvrouw mint! Uw zonen zijn uw trols, o moeder! â Vrede en zegen Straalt uit het oog van haar, die u gelijkt, hém tegen!
xxvi.
Ja! welk een weelde mag do borst des mans doorstroomen, Die, in het schoone kind, het bruidje zijner droomen, De gade zijner jeugd herleven ziet! voor mij Is deze liefde-soort de schoonste poëzy,
Daar reinheid, teederheid en kracht in samenvloeien; Een gloed, die niet verteert, doch immer dóór blijft gloeien!
XXVII.
Wat toch van teedre min de Dichlren ons verhalen.
2G5
â¢1 ⢠⢠,⢠â .⢠â â
~:é gt;.*â¢. â ' ^ ^ ^ ..» ,gt;â j- ^uJi_ .» *
266 GROOT ; OOK GOED ?
Meest is een steekje los aan al die idealen;
Hoe schittrend ook omstraald van dichterlijken gloor----
Daar loopt in werklijkheid meestal wat____proza door.
Zoo Dante Beatrys bemind heeft â kon 't verhinderen,
Dat Dante nochtans ook een vrouw had â met acht kinderen?
XXVIII.
Maar Vaderliefde is trouw en innig, altoos heilig,
Verheven boven 't lót, voor aardsche wissling veilig!
Zij heeft iets hemelsch, zü! â Nu weet ik waarlijk niet Of ook mijn Delftsche vriend kon schildren in een lied Wat h'ó gevoelde voor zijn lieve rozenwangen â
Doch hij gevoelde wat ik schilderde in mijn zangen.
Delft, Nov. 1858.
4
(Wordt nooit vervolgd, â maar de schrandere Lezer zal wel geraden hebben, dat de Anti-Oosterling, in wien men een Type van Jalousie paternellc had willen schilderen â gy kent Scribes aandoenlijke Comedie ? â bestemd was, om door een zijner dochters, wier hart alreeds van Java droomde, â zich-zelven verloochenende, tot een vurig Liefhebber onzer kolonie bekeerd en met sympathie âvoor al wat oostersch isquot; bezield te worden. De andere dochter â type van kinderlijke liefde â zou, in mijn verhaal natuurlijk, eene diepe genegenheid hebben opgeofferd om haar vader niet alleen te laten. â Wat dien bewusten brief betreft â doch mijn P. S., dat u niet interesseert, is reeds veel te lang.)
GROOT; OOK GOED?
Gy houdt u groot in 't moeilijkst lot â De vraag is: houdt ge u goed voor God?
| y * ' *quot; ' ï» ' * ' lt;quot; ' vf ⢠-g' If fquot;
ZELFVERLOOCHENING. 207
ZELFVERLOOCHENING.
U-zelf wilt gij verloochnen ? goed!
Dat is een edel streven.
't Is de eerzucht van een vroom gemoed, Voor andren slechts te leven.
Doch wie zich-zelf verloochnen wil, In woorden en in werken.
Hij doe het vroolijk, needrig, stil.
En laat zijn strijd niet merken.
Want weet, als in uw sombren blik, In uw mistroostig wezen.
De leus: âMy-zelf verloochen ik!quot;
Voor ieder staat te lezen____
Dan rooft ge uw liefdewerk zijn kroon, Zijn lieflijkheid, zijn waarde;
Dan rooft ge uw eigen ziel haar loon, Omdat gij 't vraagt van de aarde.
Dan is uw offer goed noch groot.
En zal geen hart verrukken:
Wat meer dan goud kon zijn â als lood Zal 'top uw naaste drukken.
Dan wekt ge liefde noch ontzag.
Maar weerzin, medelijden:
De kunst is: met een milden lach. Als streedt ge niet â te strijden.
â »' â¢*' *' -k ' ⢠~-ir' â p'r~?'r ^ ^ -y â â
NIET BEZORGD.
DOOR ZEGEN GEHEILIGD.
O, zegt toch niet: âLichtzinnig maakt de zegen! 't Geluk de ziel afvallig van haar God!
De mensch verdoolt op voorspoeds effen wegen, En hoogmoed kweekt de lange gunst van 't lol!quot; â
Daar is toch ook, wie 't zoet geluk van 't leven Juist needrig stemde, afhanklijk, ernstig, zachl;
Wier ziel tot God door zegen werd gedreven. Als andren â door den lijdensnacht.
Daar is toch ook wie niet het kruis bekeerde,
Maar wie 't geluk, als 't licht des Heeren, trof!
Wie niet de Nood â maar Zegen bidden leerde. Wie iedre bloem ontstak in liefde en lof!
En wie ook straks, toen 's Vaders hand hen griefde Met bitter leed en raadselvolle smart â
De erinring van Gods zegenende liefde Een steun, een troost bleef voor 't verslagen hart!
NIET BEZORGD.
Boven mijn hoofd aan zijden draad
Slingert het zwaard al heen en weder, 't Móet vallen â vallen, vroeg of laat! Het trilt, het velt mij neder!
ONVERGANKELIJK.
Doch om mijn hoofd ook ruischt con stem,
Te midden van al mijn vreezen,
Die mij gebiedt met zachten klem,
.«â ,y- ,?[*. 269
ïL
4
Tóch niet bezorgd te wezen.
ONVERGANKELIJK.
Hij koude de heilige Schriften van kinds af.
2 I1MOIHEUS III: 15.
Zalig, wie in 'stevens morgen
't Levend woord der groote Schrift â Voor de kleenen niet verborgen â
In den boezem werd gegrift!
VVien het vragend oog mocht stralen
Vaak van wonderbaren gloed,
Bij haar heilige verhalen,
Manna voor het jong gemoed.
Zalig, die in de eerste jaren,
't Hart gericht naar Gods geboón, Leerde op 't heilig beeld te staren Van den eengen Menschenzoon,
Die de wereld heeft bejegend Met zijn Vaders vredegroet.
Die de kiudren heeft gezegend,
De aard verloste met zijn bloed!
Want die indruk kan niet sterven,
En de weerklank van dat woord Ruischt, waar ooit de voet moog zwerven,
* *_ * *
r
U
irnr' â /'
quot;4'
â * â
. y .y .gt;â ,v- .ï- .ï- .x- . -' â *⢠â »
270 ONVERGANKELIJK.
Door het menschenleven voort;
Echo uit het vroom verleden,
Vol geloof en rein genot;
Wekstem uit der kindsheid Eden,
Moederwoord en woord van God!
Laat de stille jonkheid wijken
Voor den storm van wilder jeugd,
En des jonglings hart bezwijken In den doolhof ijdler vreugd;
Moog hij 't zachte snoer verbreken
Van de vaderlijke wet,
Reizen naar de vreemde streken Trots het moederlijk gebed____
Niet verloren, niet verloren,
In wiens reine kinderziel.
Als het Godszaad in zijn voren.
Eens dat woord des levens viel!
't Leeft, 't schiet op, 't zal vruchten dragen.
Schoon 't verstikt scheen en vermoord,
't Brengt in late najaarsdagen Nog zijn oogst en zegen voort!
OnvcTgeetlijk â schoon vergeten.
Onweerstaanbaar â schoon weerstaan.
Dringt vaak plotsling door 't geweten
Weer het woord der oude blaên;
In de nachtwaak, om de sponde
Van den zwerver daalt een klacht â
En de zondaar voelt zyn wonde.
En 't verloren kind versmacht!
't Zijn de aandoenlijke verhalen En de lessen van weleer,
â K' vf ⢠-tf' â *' vf' r -fquot; :ïquot; itquot;' fT â *'r -xquot; ' -M 1 '/T
, è'- , ê- , , c'- «'⢠. 6- . s'- . e- , è- . i- . «'⢠. »'⢠. ê' , 9' . y- , »⢠, , jr- , Jf-
ONVERGANKELIJK.
Ach, vernomen duizendmalen En geschonden duizendkeer. 't Is een psalmtoon van 't verleden, 't Is een klachte van het kruis.... En zijn ziel keert in gebeden.
En de boetling reist naar huis!
V?quot; iT
Anders ook leer 't kind gelooven,
Anders zij de strijd des mans:
Woont de Vader wel daarboven?
Viel ooit sterre van den trans ?
Speelt niet wondere Legende
Door dat onbedrieglijk woord.
Die den grooten Onbekende Met haar nevelglans omgloort?
Wat is waarheid? Is daar waarheid?
Heeft wol de Almacht ooit op aard, In orakelen vol klaarheid.
Haar geheim ons geopenbaard ? Wat daar 't woord scheen van den Heere,
Voor zijn kindsheid, bleek het niet Monschenwoord of menschenleore.
Heiige vorm of beeld of lied?
O het zij! Der onschuld vrede
Vluchte voor der kennis strijd!
Voer' de stroom des levens mede
Wat vergaan moet met den tijd!
Laat der kindsheid wondergaarde
Welken als een lentehof;
Smachte naar wat licht op aarde Soms de balling in haaf slof!
271
272 VEll VAN HUIS.
Toch, hel Woord gaat niet verloren Voor het hart, des Twijfels roof, Uit den kampstrijd als herboren,
Rijst het kinderlijk geloof!
Ander licht valle op de blaêren Van de Schriften, die weleer Hem zijn moeder mocht verklaren â Ook dat licht is van den Heer!
Met apostlen en profeten.
Leert hij straks het hopend oog. Smachtend, moedig, roodgekreten â
Vroolijk richten naar omhoog! En voor 't diep gevoel van 't harte,
Is daar wonder groot noch schoon. Als de stille Man der smarte Met zijn eenge doornenkroon.
VER VAN HUIS.
(Ter gedachtenis van C. d. A. v. d. II. | te Cannes, Februari 1SG0).
L
Ver van huis, in gindsche dreven. Waar de lyder lichter zucht En aan liefelijker lucht Balsem vraagt voor 't kwijnend leven;
Waar de kunst genezing spelt,
Doch alleen de schoot der aarde. Der cypressen stille gaarde Van âgenezen krankenquot; meldt!
â¢fj if * ' ' -M ' * ' â *
*1, *â . »'â . » . . gt;'â . » . » . * . «â¢- . y- . » . ,«â . » . »â . . «â . «_ , â¢â¢ . * â y- , .»â i«quot;:
VER VAN HUIS. 273
:4J i i
Ver van huis, o jonge strijder,
Die bemind hebt en geloofd,
Legde ook gü nu 't moede hoofd Neder â een genezen lijder!
Neder â op uws Heeren woord,
Zyn genade en heil verwachtend,
Naar een schooner Land versmachtend.
Dan der wereld lieflijkst oordl
Ver van huis... Toch in die verte Zijn uw vrienden in den geest U wel vaak nabij geweest.
Met de liefde van hun harte.
Met den troost van hunne trouw.
Met de erinring van 't verleden.
Met hun vurigste gebeden.
Met hun hoop, hun vrees, hun rouw!
Thans ook aan uw stervenssponde Drukken we U nog eens de hand;
Bij uw graf in 't verre land Scharen wij ons mede in 't ronde:
En weemoedig, bij de baar,
Trilt de luit, die eens u boeide,
Toen ons beider jeugd nog bloeide.
Trilt der liefde teedre snaar.
Want slechts liefde was uw leven En beminlijk waart ge en goed.
Dwepend hoofd en vroom gemoed.
Van de wereld rein gebleven;
Trouwe broeder, hartlijk vrind,
Eedle ziel vol idealen.
Bloemen, zangen, tonen, stralen,
In de boosheid steeds een kind 1
5] 'i'1' y y y y y y quot;â *' â /'
ÃJL^JL^JLjJt.^JLj f- -.gt;.-.-*1 -j J- jJ- ^gt;1 - â -*'â â »- . * .UL-JLaJLjJt â -*'' . ^ â gt;'---
274 UIT DE KINDSHEID.
Dies âbedroefd, maar nogtans blijdequot;,
Heffen we ook het weenend oog Van uw groeve naar omhoog,
Gü, wiens hart zich 't Hoogste wijdde!
0, mijn dierbre, ryze vrij.
Ver van huis, in vreemde streken,
Van uw graf het needrig teeken â
Gij zijt thuis ! â dit weten wij.
UIT DE KINDSHEID.
âIk ben een kind Van God bemind!quot;
Was 't eersle lied dat mij mijn moeder leerde,
Die ik op aard maar kort heb liefgehad:
God nam mij vroeg des levens grootsten schat.
'k Vond sinds een deel van 't geen mijn hart begeerde.
Doch ook mijn deel van 's levens diepste smart!
Ik leed en streed en struikelde en ontbeerde^
In raadslen werd mijn ziel verward;
'k Vroeg of een God van liefde 't Lot regeerde?
't Geloof bezweek, de Twijfel triumfeerde
Mijns ondanks vaak in 't vruchtloos smachtend hart Toch, wat daar in of om mij ook verkeerde,
Nog menigmaal te stillen middernacht,
Ruischt op mijn spond, vertroostend, lieflijk, zacht,
Dat eerste lied, dat mij mijn moeder leerde.
En bij dien toon â eens Engels vredegroet â
Daalt Vrede soms in 't rusteloos gemoed.
1859
if' -f' if' if' K' if' if 1 if' -f' if' i( ' 4' â¢sf' if i(' rf ' '
, jt- , amp; t ,_y- ^y- ^ , y- _._«⢠, «'⢠. gt;'â , y , amp; , gt;' . gt;⢠. . y- . y-
DE HEIDEN-APOSTEL. 275
DE HEIDEN-APOSTEL.
Paulus, waarheen? â 'k Ga de wereld bekeeren;
Liefde voortaan is het groote gebod!
â 't Zweet dekt uw voorhoofd, Apostel des Heeren! Rust hier een wijle, big 't feestlijk genot....
Neen, ik moet heen, 'k ga de wereld bekeeren;
Liefde voortaan is het groote gebod!
Paulus, waarheen? â 'k Ga den volkren verkonden Broederschap, waarheid, gerechtigheid, vree!
â Toef! hier bij ons wordt de vrede gevonden; Schoonheid en kunst deelt haar zegen u mee...
Neen, ik - moet heen, 'k ga den volkren verkonden Broederschap, waarheid, gerechtigheid, vreê!
Paulus, waarheen? â 'k Ga den stervling bereiden 't Spoor naar den hemel, het zalige land!
â Hemelwaarts kan slechts de roem ons geleiden O, grijp de luit en zy reikt u de hand____
Neen, ik moet heen, 'k ga den stervling bereiden 't Spoor naar den hemel, het zalige land!
Paulus, waarheen? â 'k Breng het landvolk den zegen, Zegen van Hem die geen kleenen veracht!
â Beef! in 't gebergt grimt de roover u tegen;
't Woudgediert brult in den donkeren nacht____
Neen, ik moet heen, 'k breng het landvolk den zegen. Zegen van Hem, die geen kleenen veracht!
'-Jt â â¢jf' ⢠.y- f«-
DE HEIDEN-APOSTEL.
Paulus, waarheen? â In de pestlucht der steden
Prediken: Reinigt de harten in God! â O, vrees den moedwil ontuchtiger zeden,
O, vrees den lach vol luidruchtigen spot____
Neen, ik moet heen, in de pestlucht der steden Prediken: Reinigt de harten in God!
u-i*
f l*
Paulus, waarheen? â Waar ik tranen zie vlieten! 't Zuchten der armen heeft de Almacht gehoord.
â O, vrees den rijkaard gestoord in 't genieten! Vrees ook den arme, gewekt door uw woord____
Neen, ik moet heen, waar ik tranen zie vlieten! 't Zuchten der armen heeft de Almacht gehoord.
Paulus, waarheen? â Naar verwijderde kusten. Sterken der vrienden bezwijkenden moed!
â Mag na den strijd dan de strijder niet rusten? Doofden noch rampen, noch jaren uw gloed?...
Neen, ik moet heen naar verwijderde kusten, Sterken der vrienden bezwijkenden moed!
Paulus, waarheen? â 'k Ga tirannen braveeren, Geesels der volkren in boeien gekneld!
â Priesteren zullen u ondergang zweren!
Sidder, het Bijgeloof heult met Geweld!____
Neen, ik moet heen, 'k ga tirannen braveeren, Geesels der volkren in boeien gekneld!
Paulus, waarheen? â Van mijn meester getuigen. Waarheid verkonden voor richtstoel en troon!
â Zacht, voor de Wet leer u plooien en buigen; Redenaarswijsheid bedekk' haar den hoon!...
Neen, ik moet heen, van mijn Meester getuigen, Waarheid verkonden voor richtstoel en troon!
276
i
:iü
VERSCHIL.
Paulus, waarheen? â Daar gij 't zwaard ziet geheven! 't Zwaard mijner beulen! daar wacht my de Heer.
â O, spreek één woord, en gered is uw leven!
O, zeg één woord, en vraag rijkdom en eer!____
Neen, 'k breng mijn hoofd, waar gij 't zwaard ziet geheven, 't Zwaard mijner beulen! daar wacht mij de Heer.
Paulus, waarheen? â 'k Ga den Hemel beërven:
Ginds wacht de kroon na den strijd van mijn lot!
â Vrucht draagt uw voorbeeld, uw leven, uw sterven; Wij op uw graf knielen neer voor uw God____
Ja, ik vaar op, 'k ga den Hemel beërven:
Ginds wacht de kroon na den strijd van mijn lot!
(behanger.)
LEUZE VOOR WAARHEIDZOEKENDEN.
Waarheid zij het doel slechts van uw streven! â
Zoekt gij ze ook langs andren weg, als wij____
Goed! â Te beter vruchten draagt ons leven, Want; wat wij niet vinden, dat vindt gij.
VERSCHIL.
De droefheid komt van God den Heer, En buigt ze u neer,
Zjj heft ook hemelwaart!
277
278 arme visschers.
Veel erger â erger is 't verdriet, Dat u de domme wereld baart,
Dat u de mensch niet spaart â
't Verheft u niet,
Het buigt alleen ter aard!
ARME VISSCHERS.
I.
't Is nacht. De hut is klein, niet rijk, maar warm en dicht, 't Vertrek vol schaduwen; â toch voelt gvj 't, als een licht Der liefde speelt er door met koesterende stralen; De schoorsteen draagt de schat van bontgekleurde schalen, En 't vischnet â 't wapen der familie â tooit den wand. Ginds in de verte r;jst het oude ledikant,
Een erfstuk vast; en op de stroomatras daarneven.
Op banken uitgespreid, rust zacht het jonge leven,
Vijf kleine kindren. Spijt het ver verloopen uur,
Waakt in den haard nog steeds de rosse vlam van 't vuur. Nog ééne waakt! een vrouw alleen â met duizend zorgen, De moeder van die vijf! Ook waakt ze als een die morgen Een weduw wezen kan, en bij de legerstee Der kindren knielt ze en bidt.
Daar buiten huilt de zee.
II.
En daar zwalkt hij, haar schat! Sinds de eerste jongensjaren Bekampt hij, 't visscherskind, het noodlot op de baren.
snrirquot; *â ' y *â ' -y Tnf^ir^ir T~inrir-TT
,y , r , gt;*â . y- .y-
ARME VISSGHERS.
HÃ, weer of geen weer, steekt in zee, in d' avondstond, Wanneer op't zwarte hoofd de vloed stijgt; mond bij mond Wacht immers brood van hem! Hij, 't ruw bedrijf gewassen. Bestuurt zijn bark alleen op de ongemeten plassen. De visschersvrouw is thuis, waar zij het aas bereidt, 't Gescheurde zeilwerk lapt, de netten maast en breidt.
Doch als de v;jf straks in de rust zijn, zoekt zij vrede In 't Bijbelboek en bidt en volgt hem, in gebede,
Die daar op de' afgrond drijft, in hollen winternacht. â Ja, ruw bedrijf! de lucht is zwart, geen starre lacht: Het wisslend plekjen, als in duisternis bedolven.
Waar, onder 't barnend schuim der opgeruide golven.
De visch te samenschoolt, bij rots en blinde klip,
Is, op den Oceaan, vast niet meer dan een stip,
Groot, als de kamer! En om u die stip van zegen Juist uit te vinden, in den mist, den killen regen. Te winternacht en op die bolle woestenij â
Dat is geen kinderwerk! Hoe naarstig moet getij En wind berekend! Luk en zeemanskunst zich paren! â Als slangen schuiflen, langs het boord de groene baren.
De kolk bruist op, 't getouw slaakt als een kreet van wee.... Hij denkt aan vrouw en kroost bij 't woeden van de zee, Zij thuis aan hèm; en hun gevleugelde gedachten Ontmoeten vaak elkaêr in donkre najaarsnachten.
1
*1 .1
III.
Zij bidt, zij buigt de knie in haar verlaten kluis:
Maar 't schorre meeuwgekrijsch, het doffe golfgebruis
Stoort telkens haar gebeên____en duizend beelden spelen
279
A *s
â¢*S *
â¢i
'4
Ji. ïV
'-Vi â j
*s
Of spoken haar door 't hoofd; de zee en haar tooneelen, De thuiskomst op de ree, de storm die 't huikje slaat. â Intusschen, in zijn kast, als 't bloed in de ader, gaat De slinger heen en weer, die met zijn kalme slagen Den tijd, èn lente èn herfst èn blijde èn droeve dagen,
-T ' X ' -.9 ' 1 [*lt;
WiT if ' * quot; 4 ' iT ïC lT v» â ' *
,gt; .gt;â â gt;'⢠â gt;'- ,gt;' .gt;' â gt;'â .»â .-»'â â gt;â â gt;' 280 ARME VISSCHERS.
Als weg doet zinken, stuk voor stuk, in 's afgronds schoot,
Daar ieder klokgetik, van vreugde beide en dood Het sein is in 't heelal, en wichtjes roept in 't leven En graven opent.
Zy, door zorg en angst gedreven.
Zij peinst: â't Is toch wel hard zoo arm te wezen! ach, De meisjes gaan barvoets, ook met den winterdag; En wittebrood is lekkernij, die alle dagen Niet voorkomt.... Groote God! hoor, hoor, wat schrikbre
vlagen____quot;
Gelijk de blaasbalg van een smidse loeit de orkaan ; Of reuzenvuisten in hun toorn het aanbeeld slaan,
Zoo raast het op de kust. Als ijle haardvuurvonken Verschieten in de lucht de starren, die er blonken,
In donkren wervelwind, 't Is 't uur, waarin de nacht. Van onder 't zijden maske, een luchtig danser, lacht.
En 't uur, waarin de nacht, omfloerst met storm en regen, â Een kaperkapitein, uit de afgrond opgestegen â
Een armen zeeman grijpt en neersmakt op de rots____
Zijn jongste noodgehuil sterft wêg in 't golfgeklots____
Zijn huikje splijt â hij zinkt â beveelt zich Gods genade. En denkt â aan de' ijzren ring en 't zonnetje op de kade.
De zee bruist rustloos voort, de nacht is droevig zwart,
Als, van deez' beelden vol, haar arm geslingerd hart,
Dat zich in tranen lucht____
IV.
Ach! 't lot dier arme vrouwen. Die meer dan goed en goud staag wind en zee betrouwen!
Niet waar ? 't Is hard, 't is wreed, ook voor 't gestaald gemoed. Te denken; al het mijn... mijn ziel, mijn vleesch, mijn bloed, 't Is in dien bajert daar, te midden der gevaren,
Ten prooi aan 't wild gediert der losgebroken baren;
â *quot; y ' if â *' -x' *quot;r
ARME VISSCHERS.
En dat de valsche golf met al die hoofden speelt, Het jongske, dat voor 't eerst in 's vaders zorgen deelt, Als zijn verzorger-zelf bedreigd; en dat de Winden Daar boven hen in 't ruim de holle tres ontbinden. Opspelende in de pijp; en dat ze op dezen stond Misschien in nood zijn of verzinken in den grond,
En dat men nooit recht weet, helaas, noch waar zij zwerven, Noch wat zij doen: niet of ze zingen, dan wel sterven: En dat om 't hoofd te biên aan heel dien Oceaan, Een wrak, een fladdrend zeil dien mannen moet volstaan... O angst! Ook ziet, zij gaan en roepen langs de stranden Den vloed toe: geèf ze ons weer! en wringen droeve handen... Maar golf aan golf bruist voort... geen antwoord op haar beê. Dan de onbestemde klacht der rustelooze zee.
En Geerte hééft een zorg te meer nog. Op de golven Als in het rouwfloers van den donkren nacht bedolven â Is hü gansch zonder hulp. De jongens zijn nog kleen; Ach, waren ze maar groot â zoo denkt zê â hij 's alleen... Stil, moeder! als ze straks met vader mee gaan varen.
Roept gij den tijd weerom toen zij nog kindren waren.
V.
Zij slaat haar mantel om en neemt haar licht, 't Is 't uur Om uit te kijken in de verte, en of het vuur Brandt op de kust. â Zij gaat. Geen streep nog in het duister. Geen morgenkoeltje nog. Geen zweem van uchtendluister. Geen venster flikkert. Niets, 't Is alles zwart in 't rond. 't Stortregent. Niets zoo droef als in den morgenstond De donkre regen: 't is of daar geen dag zal gloren.
Of de uchtend, als het kind, in tranen wordt geboren.
Terwijl zij 't pad zoekt door die halve woestenij Rijst daar voor Geerte's blik, vol somber medelij.
281
*â 1' - ï-â * â *'⢠â . gt;' .'' . ^ . gt;' . »- ,
282 ARME VISSCHERS.
Op eens een schaamle hut, een bouwval. Ach, daar binnen Noch licht, noch vuur. De deur kraakt op vermolmde pinnen; Op rotte muren hangt een wagglend dak, maar noö Gedekt met stopplen van versleten, morsig stroo.
Door de' oostenwind gescheurd en uit elkaêr geslagen.
âOchquot; â spreekt ze bij zich-zelf â â'k vergat al sedert dagen Naar buurvrouw om te zien! Huib vond haar afgetobd Laatst door de koorts ; ik moet eens kijken....quot;
Geerte klopt
En luistert, â klopt eens weer____ Geen antwoord â Is 't de
morgen
Die haar zóó huivren doet? âZiekquot; â zegt ze â âen met
haar zorgen!
Het lijkt ons armen niet, om ziek te zijn. 't Is waar,
Zij heeft er juist slechts twee, één meisje, één jongske____maar
Ze is weduw, ze is alleen. â Op, buurvrouw!quot; â Taal noch teeken Van binnen. Maar die doodsche stilte schijnt te spreken Geheimnisvol... âMijn God, wat slaapt zij vast! â Op, op!quot; En ditmaal, onverwacht, bij Geerte's angstgeklop, â Als werd ook 't zielloos stof door meelij soms bekropen, â Viel de oude deur van-zelf, droefgeestig, langzaam open.
VI.
Zij treedt het stulpjen in, 't lantarentje in de hand;
De regen druipt door 't dak en zijpelt langs den wand Der kille kluis. Zij zoekt met angstig mededoogen In 't rond... daar in den hoek ligt voor haar starende oogen.
Een schrikiijk voorwerp, stijf, bewegingloos, half naakt____
Een lichaam, door den dood verwrongen en mismaakt____
Het lijk van haar die ze eens als wakkre moeder kende, 't Afzichtelijke spook der uitgeteerde ellende,
|
* |
* |
|
* |
-k |
|
f |
rk |
|
'k | |
|
£ | |
|
* |
* |
|
* - |
gt;⢠|
|
* â |
* |
|
* |
* |
|
t* f |
* |
|
â r |
â¢4 |
|
r | |
|
'f Ij; | |
|
1* | |
|
* | |
|
f | |
|
a | |
|
f | |
|
P* | |
|
r | |
|
r | |
|
r | |
|
* | |
|
f | |
|
* | |
|
,*⢠| |
|
f | |
|
rr^ |
Wat daar van de armoe rest, na de aardsche worsteling!
1
' -tr
a , r- . . gt;â , y- , «'â , gt;â , i»- . »â . gt;â . »â , . gt;'â â *⢠â *'⢠i^-i^
ARME VISSCHEBS. 283
Haar hand, haar magere arm, reeds blauw, loodkleurig, hing Ten bedde uit. Angst en schrik scheen om diemnond te zweven,
Half opgesperd, waarmee, bij 't scheiden van dit leven.
De geest dien stervenskreet geslaakt had, die omhoog In de eeuwigheid weerklinkt.
By 't bed â nog onder 't oog Van 't moeder-lijk â lag daar beur tweetal, zusje en broeder,
In de eigen wieg, in rust, glimlachend.
De arme moeder.
By 't naadren van den dood, had â jongste teederheid! â
Haar mantel en haar dek op 't wiegjen uitgespreid,
Opdat, als doodskou haar de leden deed verstijven,
Haar kroost, zoo goed het kon, verzorgd mocht achterblijven.
VII.
In 't trillend wiegje, o zie, wat sluimeren ze zacht!
Hoe vredig aêmt hun borst, en 't vrindlijk mondje lacht. Het schijnt of niets uw rust kan storen, arme weezen!
Zelfs niet de jongste Dag. Wat zou ook de onschuld vreezen? â Steeds als een zondvloed plast de regen neer, en vlak Op 't hutje blaast de wind. Staag druipt door 't lekke dak Op 't voorhoofd van de doode een druppel, die blijft hangen In 't oog, en, kille traan, straks neervloeit langs beur wangen.
Steeds als de alarmklok slaat de golfslag, 't Stomme lijk Droomt in de stilte van het somber schimmenrijk:
't Is toch, of 't lichaam, waar de geest van is gescheiden,
De ziel terugzoekt en den Engel blijft verbeiden;
't Is of de veege mond aan 't oog vraagt: Waar uw glans?... En weer 't gebroken oog: Waar is uw adem thans!
O weest dan jong en plukt de bloemen, die er bloeien!
Vult, vult de bekers, lacht, en laat uw boezem gloeien,
Gaêrt mirt en lauwer saam ! Weest schoon, weest goed, weest
groot____
â # â vquot; ' 'ïrquot;-f *â ⢠quot;^quot;yv' â *' vet*
. . 1â . *' â r
ARME VISSCHERS.
Gelijk als iedere beek toch uitloopt in den schoot Van d' eeuwgen Oceaan, dus loopt al 't menschenleven Met al zijn heerlijkheid â zijn lachjes, die er zweven Op rozenmond; zijn jeugd, die, zorgloos lacht en stoeit; Zijn moedervreugd, zijn kus, die ziel en zin ontgloeit; Zijn hoogtijdagen en zijn geuren en zijn gaven â
Uit in de kou des doods, den killen nacht der graven.
Vlll.
Maar wat of Geerte dan toch in dat sterfhuis deed? â En wat verbergt zij in de plooien van haar kleed. Het warme schouderkleed ? Wat steelt, wat pakt ze mede ? Hoe bonst haar 't hart toch zoo! en met gejaagde schrede, Hoe loopt ze dus, als een die niet durft omzien, voort Den wind in 't aangezicht, door 't stil en eenzaam oord ? En, met bezorgd gelaat, wat bergt zij, thuis gekomen, In 't groote ledikant ? â Wat heeft ze weggenomen ?
IX.
't Werd, toen zij thuis was al wat lichter op de kust; Zij nam een stoel bij 't bed en zette zich ter rust â Gansch rustloos, 't Matte hoofd zonk op de peluw neder; Gedachten trokken door haar ziele heen en weder; Het scheen als werd haar hart gefolterd door verwijt: En peinzend, bij zich-zelf, sprak zij van tijd tot tijd: âGod! wat zal 't wezen, als hij t'huiskomt ? Is zijn leven Dan nog niet zwaar genoeg ? Vijf kindren brood te geven â Dat is een post! Als hij mij slaat, mijn beste vriend. Dan zal ik zeggen; Ga uw gang. 't Is wel verdiend! Het was verkeerd. â Neen toch, 't was goed. Maar zonder
vragen?..
|
, | |
|
V, | |
|
ó- |
lt;⢠|
|
Jij | |
|
*'⢠|
* |
|
i*' | |
|
*; | |
|
r | |
|
I** h»- | |
|
1 j-ï. | |
|
gt;' |
â¢V |
|
* | |
|
ï-P- | |
|
* i* |
*! TS |
|
* | |
|
f U- | |
|
[⢠| |
|
ï | |
|
ï |
-k |
|
:V | |
|
,* | |
|
* | |
|
gt;⢠| |
|
⢠| |
|
rL* |
.M- ,gt;â .gt;â .y- . *â ,y- .
284
Is hij daar? Neen nog niet. 't Eind zal de lasten dragen â 't Is onverstandig.... O daar is hij!____Wat is 't dan?
1
â -,f * 1 « 11.
. * * â gt; . gt; gt;â¢
ARME VISSCHERS. 285
Het is de wind vast. Des te beter! â â Lieve man,
Ik placht toch altijd naar uw thuiskomst te verlangen!----quot;
Hier steeg een droeve blos op Geertes bleeke wangen En zwijgend zonk zij weg in doffe mijmerij,
En hoorde niets meer, noch het stijgen van 't getij,
Noch 't akelig gekras der raven langs de stranden.
Maar staarde voor zich heen met saamgevouwen handen.
Fluks opent zich de deur met luid en blij gedruis,
En hartlijk, vroolijk, op den drempel van het huis Staat Huib, door 't druipend net gevolgd.
Met wierp de morgen Zijn licht door de open deur, in 't kluisje zoo vol zorgen.
X.
âGij daar!quot; â en Geerte vliegt haar echtvriend om den hals. En kust de borst en 't buis des kloeken visschers, als Een vuurge minnares. Hij: âwijfje, ik heb u weder!quot;
En op zijn voorhoofd blonk zyn hart zoo sterk als teeder. Vol liefde en dies vol licht. Zij: âEn hoe was 't op zee? Het weer!quot; â âSlecht.quot; â âEn de vangst!quot; â âValt zeker
ja niet mee!
De zee is als het woud. Hoor kind, ik ben bestolen!
'k Geloof, de duivel zelf zat in den storm verscholen.
Ik ving geen katvisch, niets. Ook is het net onklaar.
Doch zie je, ik heb je weer, en dat's het eerste maar! Wat nacht! Het scheen te-met, bij 'tschriklijk golvenspoken. Of 't naar den kelder ging! Ook is mijn touw gebroken.
Maar man en schuit zijn thuis. Nu wat hebt gij gedaan?quot; â En Geerte ontstelde: â âIk! niets!quot; een huivring greep
haar aan â
*
ï-
âDat net gelapt... en dan geluisterd ... naar de vlagen ... Aan u gedacht... 't zijn donkre nachten, donkere dagen!quot; â Zij zweeg een poos en toen, daar vast bij ieder woord
r i*
if
gt;]. .«â , .lt;r- , y- . ^ . a- . . ï . / . «â . . «â - , gt; . . gt;- y . «^ . . » , *â , ^ . y: ^
28G ARME VISSCHERS.
Haar stemme beefde, als van wie schuld heeft, ging zij voort: ,Onz' buurvrouw, weet ge, die al lange heeft gelegen Staêg met de koorts, die is gestorven. Gistren tegen Den avond is 't gebeurd, of wel van nacht. Zij laat Twee kleine kindren na, twee stumpertjes. Dat praat Of loopt nog noo. Het is een meisken en een knaapje,
En 't meiske heet Margrietâ en 't jonkske dat heet Jaapje;
Zü had het arm, hoor....quot;
Huib keek ernstig voor zich heen En wriemelde in zijn vuist zijn ruige muts ineen.
âHa, duivelsch!quot; â peinsde hij â âVijf en nog twee, dat 's zeven! Hoe moet, hoe zal dat gaan ? Wij hadden 't toch aleven Niet breed, en in den slechten tijd was 't nu en dan
Al met een leege maag naar kooi____'tGa zooals 't kan!
Dat is mijn zaak niet. Dat moet Hij daarboven weten.
Die heeft gezegd, dat Hij geen weezen zal vergeten!
Waarom â de vader ligt nog pas in 't groote graf â
Neemt Hij die wurmpjes dan nu ook hun moeder af?
Dat 's hard! dat 's duister____Stil, de Heere zij geprezen.
Maar wie 't begrijpt____ nu, hoor, daar moet je een bol voor
wezen!
Te zeggen: â Voort en werkt, dat gaat hier niet... zoo kleen!
Vrouw, ga, en breng ze hier! Ze zetten 't, als ze alleen Ontwaakten by dat lijk, van schrik nog op een loopen !
Die moeder klopt bij ons! Doen wij haar kindren open!
En laat ze als zusje en broer met de andren zijn... Geen nood!
Dat kan hier wriemelen, dat klautert op je schoot Des avonds: wat een pret! Ook merkt Hij 't, dat je er zeven Op eens, in plaats van vijf, hier daags de kost moet geven,
Al reken je er niet op____licht geeft de lieve Heer
Dan ook wat ruimer vangst voor die twee mondjes meer.
Voorts drink ik water en ik werk met dubble krachten!
'j«j â¢/(' -if' ' -iC1 v?quot;' -ff' iC' ' S'r uT' 'ürr Zjr-ir iC' ' if'
, y-_, a- jjt- 1 *â . «â j è'- , ¥⢠, gt;- , , y- . ^ ^
BEKENTENIS. 287
Kom, haal de kindren! loop!... Wat is 't? Dus in gedachten! Te duivel, vrouw, ben jij er tegen bij geval....
Maar Geerte vliegt naar 't bed en juicht: âZe zyn er al!quot;
(VICTOR HUGO.)
Dec. 59.
BEKENTENIS.
(Naar het. Proza van Anonymus,)
And you, sir?
'k Ben maar een mensch van vleesch en bloed
Als iedereen Dies zet ik me op geen hoogen voet En zeg geen deftigheen.
Mijn naaste min ik, zooals my____
Zooveel ik kan!
Opdat ik u bemin, wees gij Beminlijk, lieve man.
'k Rust, onder al mijn pijn of leed,
In hooger wil.
Maar 'k dacht soms: baatte klacht of kreet.
Ik hield mij wis niet stil!
Myn hart, het is een wonderding,
't Is wit en zwart!
Zoo goed, zoo slecht, zoo zonderling.
Precies â een menschenhart!
T«rr .jf ⢠uf' -* ⢠-fquot;1-TiT* üp-quot;15quot;r .4' ir~ïfir~ïr~ïr1 -/â¢r a ' a '
â i'.y â *- â *â â *- .y- .gt;â ..» .gt; â gt;⢠, .y- . » â gt;â
BEKENTENIS.
'k Had willen sterven, menig keer,
In bang verdriet!
Doch zie! nu kies ik 't leven weer En glimlach en geniet.
Ik min wat rein is, goed en waar.
Toch, gul gezegd,
'k Ben voor asceet of martelaar Niet in de wieg gelegd.
Natuur! uw teedre slem klinkt zacht
In mijn gemoed ;
'k Buig, lieve schoonheid, voor uw macht, Die 't beetre kweekt en voedt.
Ik ben niet koel voor 't aardsch genot,
En zeg het vrij!
(Tartuffe, tot excuus voor God,
Voegt daar een fraze bij!)
Graag spreide ik zegen in het rond, â
't Geen niets beduidt.
Want ach, toch blijf ik in den grond Een egoïste guit!
'k Wou beter wel en vromer zijn !
Doch, als ge ziet,
Ontdaan van quot;allen pronk en schijn,
Ben 'k zóó en anders niet!
Ik heb mijn kwaad, ik heb mijn goed,
Als iedereen,
'k Ben maar een mensch van vleesch en bloed... Gij zijt vast geest en been!
December 18G0.
* * amp; f-f. * f *
ê:
288
r
t r
f
r u
r
f *
l f
â ..i .*â ⢠â .jf .y ⢠.«â quot;' r ' .⢠1 1 tï
w â *
. »'⢠â gt;- . jr- ^.y- , c'- , . gt;'⢠, gt;'â¢
l.y- .y- ..y- .gt;-â
*' ' gt; â¢' t P' ⢠â *'
TUKKSCHK BEELDSPliAAK.
TURKSGHE BEELDSPRAAK.
U volgen op uw levenspaên Twee Englen, die u gadeslaan,
Ter rechte en linke; beide schoon En goed, twee milde hemelboön.
En als ge een eedle daad verricht,
Den zwakke steunt, den arme geeft,
Den lijder troost â dan aanstonds zweeft Omhoog naar 't rijk van Vrede en Licht, Die wachter aan uw rechte, en grift,
In heilig schrift,
Het werk uwer Liefde, met dankend genot,
In 't Boek des Gerichts voor den troon van zijn God.
Doch als gij haatlijk onrecht pleegt,
Als booze drift uw hart beweegt.
Dan weent van rouw en medelij.
Die Engel aan uw linkerzij.
En teekent op de booze daad,
Het bitter woord ; doch hy verlaat Uw zij' nog niet en vaart daarheen â
Maar blijft! Hij teekent op alléén Wat gij misdeedt... en toeft... en wacht Tot middernacht,
Met stille gebeden, met Engelentrouw,
Of ge ook uw schuld nog erkent met berouw.
En â zoo uw hart nog eindlvjk breekt,
En gij voor 't kwaad vergeving smeekt.
289
â¢,1
i'
V â *
y «
â *quot; iT 19
|
.gt; . i' . y- , ^ , V' , * . * . è1 , gt; , *quot;⢠. ^ .* ,* .* ,* ,* ,* .* .* . .* .* .* |
r* | |
|
â * - A 'i \ * gt;4 ïfc â -4 * - quot;i n, =4 ïfc, =K gt; ':i, |
290 DE KUNSTENAAR EN ZIJN PUBLIEK. Dan wischt hij de aanklacht uit, terstond, En hy blijft waken aan uw spond! Maar sluit gij onboetvaardig 't oog, Dan buigt hij 't blonde hoofd en staart U somber aan een poos â en vaart Op matte vleug'len naar omhoog, Als die een harden, harden plicht Maar noo verricht. En dan eerst, de ziele van weemoed vervuld, In 't boek van de toekomst vermeldt hij â uw schuld! DE KUNSTENAAR EN ZIJN PUBLIEK. De stomme vroeg den blinde: Zaagt ge ook den harpenaar? Zoo ge ergens hem ontmoette. Verplicht me en zeg me waar? Ik-zelf geef juist zoo veel niet Om harp- of citertoon, Maar de oude moest eens spelen, Kijk, voor mijn dooven zoon. De blinde sprak: ik zag hem Een oogenblik geleên; Mijn lamme knecht zal aanstonds Hem zoeken; knaap, loop heen! Nu slaat, op 's meesters wenken, De kreupele in den draf; En holt, den harp'naar roepend. De straten op en af. |
t * i. V .lt; * a' â * * r U: r 'V- r r ,* amp; r f * amp; ï * r »⢠* * ï- |
|
.y y .f - .f v' y y y y â ^1 -V' -y y y |
u | |
*1,.» .Â¥â ..y- .» .)/â .» . ¥⢠.ü- .Â¥â .¥⢠.Â¥â .f- .ff- .y- . 1â .#â t
MENSCHELIJK.
De kunst'naar is gevonden.
Hij komt en buigt en groet; Geen armen had de stumper,
Hij speelde met zijn voet. Hij speelt: elk schijnt betooverd,
De doove is enkel oor, De blinde zet groote oogen.
De stomme zingt een koor.
aJ
De lamme springt van geestdrift
Omhoog met alle macht; 't Kunstlievende gezelschap
Blijft saam, laat in den nacht. En bij het afscheid nemen
Is, met des harp'naars kunst, 't Publiek tot in de wolken.
Hij dronken van hun gunst!
291
(RÃCKERT.)
1
MENSCHELIJK.
Helaas; de zwakke mensch in dit weemoedig leven,
Hij heeft een weinig vreugd zoo noodig voor zijn hart: Wü hijgen ras naar 't eind van dorre lijdensdreven, En spoedig al te lang valt ons de nacht der smart.
Ook, Heer, wü trachten wel te bidden dat Uw wille Geschiede! â doch vergeef onze arme kindertaal, 't Bedroefde hart, bij 't vroom gebed, vraagt nogtans stille; Mijn God, geef mij een bloem en zend me een zonnestraal!
I860.
r
'y -t' -t' â *'~ïrr y â fir' y-**' y
t
L
-0' K' â *' *1 â irr
1
.gt;'â ,.»â .gt;' Jgt;'- ;gt;1. .gt;â ,gt;â
zucht op num.
SAUCE PIQUANTE.
De dwaas bemint den lof alleen,
De zoetste zoetigheden;
En strooit ge er wat kritiek doorheen Hy 's boos en ontevreden.
Wel, 'k min den lof zoo goed als hij. Doch meng me vrij Wat kritisch kruid er onder: Uw lof wordt door die specerij Slechts eedier en gezonder!
r] ' vf '!f' 'ff'
ZUCHT OP RIJM.
Met uw ,littérairequot; vrienden
Raakt ge meestal âgebrouilleerd:quot; Vriendschap toch is slecht te vinden Waar steeds ijdelheid regeert.
292
â » â ^ â » â y- â gt; â gt; â â¢*' â gt;quot; â *'⢠-r ' ^ â -y' p
DE BESTE VRIEND.
DE BESTE VRIEND.
Ik heb een vriend met ijzren hand
En koel gebiedend oog; Met recht gevoel en kloek verstand, Doch vaak wel norsch en droog.
Zijn woord voor my, zyn wil is wet,
Zyn wenken is gebod;
Wee! zoo mijn ziele zich verzet â Hü rooft mij elk genot.
stoort my soms in 't zaligst uur. Bij lust en feest en lied;
Als in de weelde der natuur Myn droomend hart geniet.
___ ___a
Hij jaagt mij van de liefste plek,
Hoe zoet de morgen lacht.
En sluit my op in 't eng vertrek,
Daar lastige arbeid wacht.
Hij dwingt my kalm te zijn en sterk,
Terwyl my 't harte bloedt;
En als ik ween, dan zegt hy: werk! Als ik niet kan. gy moet!
Hij. baart mij stryd, hy geeft my rust
In zorg of zweet verdiend;
Hü is myn Last, hy is mijn Lust,
Mijn Plaag en toch â myn Vriend.
Tr 1 iCIT'ïr' *â '
3
293
a ^ ,» ^ ^ ,*â .» â gt; .» ,ji- .à .* .?. .v- .* M
294 EEN KRUIS MET ROZEN.
Want volg ik hem, dan rondom my,
Schept hij mij vrede en licht, En stemt mjj 't hart zoo ruim, zoo vrij. Hoe is zijn naam? â De Plicht.
EEN KRUIS MET ROZEN.
Een kruis met rozen Is 't menschenlot, Is 't rijke leven,
Uw gave, o God!
Niet enkel rozen!
Geen kruis alleen; De Liefde voegt-ze Getrouw bijeen.
Een kruis met rozen!
Och, vroom en goed, Och, leer het dragen Met blijden moed.
Ik weet de rozen,
Zij vallen af!
Het kruis nu, legt ge Pas neerâaan't graf.
Toch â welke uw gaarde
En treure uw huis â Merk op de bloeme Die blvjft aan 't kruis.
ir^r-imriTif y -g* y -y y â /' y y y y y j'w
*],gt;- . gt; . gt;â . »â . gt;â . gt; , , a- . gt;'â .»- .
, amp; . gt;⢠, y- , gt;⢠. gt;⢠. gt;⢠, ^ i^.
EEN KRUIS MET ROZEN.
En kweek nog dankbaar Den kleensten knop,
En neem met liefde Uw last weer op.
De bloeme lacht u, O lach haar toe!
En vloek het kruise Nooit, levensmoe.
Moog~elke bloeme Der aard vergaan,
De vrucht des levens, Die rijpt er aan.
295
*
'4.
:k :4
Okt. 1859.
' -jf' v? â â¢,? â
1 *j
NALEZING.
Bij de keus der Gedichten, in deze Nalezing opgenomen, heeft de Verzamelaar zich moeten bepalen tot die, welke de Dichter zelf aan de pers heeft overgegeven. Dit werd plicht geacht, omdat De öénestet steeds ,en loffelijke en meer dan gewone nauwgezetheid aan den dag legde ten opzichte van alles, wat door hem bestemd werd om door den druk openbaar gemaakt te worden.
. ï â . ¥⢠â »
r
FANTASIO.
Een gedicht der Jeugd.
1 1
(Voorgedragen in der tijd, in de Maatschappij van Fraaie Kunsten en Wetenschappen te Rotterdam en te Amsterdam en elders.)
eerste zang.
Houdt gij van boston, whist, van hombre of quadrilleeren? Kunt gij een halven dag verdoen met domineeren?
Houdt gij van kegelen, van kolfspel of biljart.
Roulette, rouge ou noir? Hing ooit uw pooplend hart Aan rood of zwart, aan steen of kaart, aan pointe of ballen? Zoo ja, â dan zoudt gij mij verschrikkelijk tegenvallen.
Ik weet niet hoe u één dier spelen kan vermaken; Mij trekt het groene veld meer dan het groene laken, De roode rozen meer dan ruite- of harte-troef;
K' if' Ã' â¢*quot;' X
, gt;' , , gt;'- , o- . gt;⢠, , gt;⢠, gt;'⢠, . V' , gt;' . .y-
300 FANTASIO.
Mijn hart is voor verlies en winst als waterproef;
Daar is maar één spel, dat my hartstocht is en weelde,
Daar 'k alles voor laat staan en dat mij nooit verveelde.
ui.
t Is kinderachtig, haast belachlijk, maar onschuldig!
Hebbe eerbied voor mijn zwak, wie jeugd en gratie huldig'! Raketten is mijn lust! 'k zie graag in de open lucht Die witte veders in haar sierelijke vlucht;
'k Mag graag den lichten bal, met opgewonden slagen, In 't dichtgelokte blond der lieve Partner jagen!
'k Maak mij niet knorrig als ze, in al te wilden ijver. Den bal terug slaat in de sparren, in den vijver;
Maar niets zoo prettig, dan wanneer, zoo knap als vlug, Uw opgekaatste bal de lucht klieft en, terug Geslagen door een hand zoo vast als blank en teeder, Wel honderd malen vliegt geregeld heen en weder.
En daarom lust het mij â gij ziet, mijn lieve Heeren, Dat ik mij meestal door mijn lusten laat regeeren, â En daarom lust het mij met opgetogen oog Die wilde ballen die, als pijlen van een boog.
Ginds over 't groen terras vóór 't prachtig Buiten vlieden, En licht nog meer 't gelaat der spelers, te bespieden.
VI.
En waarom zou ik niet een oogenblik verpoozen.
Hier voor het sierlijk hek, omwingerd al met rozen
31?
FANTASIO.
En kamperfoelie? Wel, 't is warm en zomer, 'l is Een derde Junidag, â wanneer 'k mij niet vergis Ik ben nieuwsgierig en geen tochtje kan my deren, Dus laat my naar mijn lust bespiên en fantazeeren.
VII.
Ginds ligt het witte Huis in donker groen verborgen:
'k Zou van den zomer graag een week vier, vijf, mijn zorgen Daar gaan vergeten! 't ligt zoo vreedzaam en zoo blij, âHier is men jong, tevreên, gelukkig, buiten, vrij,quot; Zoo ruischt mij 't windje door de slanke populieren En breede linden, die rondom het plein versieren.
vin.
En 't windje weet het wel! het mengt zich in de kreten, Die stijgen van 't terras, die van geen zorgen weten! 't Is alles lach en scherts, muziek in 't luistrend oor, 't Is leven, vrijheid, jeugd, één kunstloos vreugdekoor! Daar bij den vijver drinkt men thee in 't rieten tentje â En, zoo ik teeknen kon, ik maakte u hier een prentje!
IX.
Doch waar' mij 't keurpenseel van d' Italjaan gegeven. Vast zou 't Madonnahoofd, op brandend doek, herleven Der Schoone, die zich ginds by 't opslaan overbuigt, Nog schooner dan de blik des schalken knaaps getuigt. Die juist op 't oogenblik verward heeft mis geslagen. Als of zijn oogen iets bijzonder lieflijks zagen____
x.
301
Rein is de blauwe lucht, maar reiner zijn haar oogen. En blauw als 't blauwe gaas, door iedren tocht bewogen.
â¢K' ifquot;
if' it' â !(' if ' iT'a if'
302 FANTASIO.
Dat om haar leden golft, zoo schoon by 'l lokkig haar,
Blond als in d' ochtendgloed de gouden korenaar; â Zoo niet haar schalke lach u moed gaf en vertrouwen,
Zoudt ge op een afstand slechts het wagen haar te aanschouwen!
XI.
Ze is jong als de engel Gods, schoon als een bloeiend Eden; Rank â als een droombeeld uit een dichterlijk verleden. Bekoorlijk â als een vrouw, die gij te laat ontmoet In 't leven, die wellicht uw lijden had verzoet.
En, zoo ik 't wel versta, by zooveel andre kreten,
Moet zij Maria, of Marie, of Mary heeten!
XII.
Marie! geen reiner naam trilde ooit op dichtersnaren! Een naam, dien 'k liefheb, sinds myn eerste kinderjaren, De schoonste, die daar ooit van 's hemels bergen viel, Als honing voor den mond en balsem voor de ziel; Een naam, geschapen uit den lach der engelkoren.
Om eens der schoonste vrouw, der reinste toe te hooren.
XIII.
Ave Maria! ruischt door de aardsche doodsvalleien.
Ave Maria! klinkt door 's hemels psalmenreien.
Ave Maria, lispt de dwepende natuur,
In 't uur der Liefde en der Gebeden â 't schemeruur! Als langs het koele strand en door de frissche dreven.
Verliefde schimmen van Weleer en Toekomst zweven----
xiv.
Myn trouwe Hoorders, ik beging hier plagiaten,
Eén van Barbier, één van Lord Byron â wie kan 't laten?
*' -K' -n ' â * *quot; ' if' .» r~ir~ â iT' if' it' V ' vf' K
â J- â gt;' .y- . *⢠. y- . y-
*.] ,.» , y- , m-
. , y ,y- ,gt;â¢
303
FANTASIO.
De ideën waren mooi, ze dwaalden in mijn hoofd, En dwaas hij, die nog aan oorspronklijkheid gelooft! De mooiste verzen zijn van anderen gestolen !
Vertrouwt de knaapjes niet, die graag in 't donker dolen!
xv.
'k Belgd u graag mijn schuld, al ware 't op mijn knie, â Maar 'k heb een passie voor dien eernaam van Marie!
Niet wijl die naam om 't hoofd der uitverkoorne' glanst. Of als een leliekroon, een eerste liefde omkranst, â Och neen, die reden waar' te maanziek en te eenzijdig, Ik min dien naam en ben op dat punt onpartijdig.
XVI.
Welluidend is zijn klank! wat dichterlijke stralen Doet hij op 't blonde hoofd van 't lieve schepsel dalen! Wel was zü schoon â maar ook 't bedorven kind van 't Huis, Een ieders lief en leed, haar Moeders kroon â en kruis! En sinds die jonker van daareven haar het hof maakt,
Geloof ik dat haar niets dan enkel zoete lof smaakt.
En wie was Hij, die 't hart der fiere maagd bekoorde?
Zij, die zich nooit voorheen aan bleeke wangen stoorde ? Zoo rijk aan minnaars als aan walzers op een bal,
Die al de jonkers in den omtrek hield voor mal.
En al de vrijers die haar huldigden, voor dezen.
De gunst slechts____van hen uit te lachen, had bewezen.
xvm.
Hij â 't spreekt van zelf â was jong en schoon en zeer bijzonder, In 't oog van 't lieve kind, zoo half en half, een wonder.
a- IV
301 FANTASIO.
Een lastige logé, maar die altijd zijn zin In alles daadlijk kreeg. Hij pakte harten in,
Zoo vlug als iemand, die zijn linnen, vesten, frakken, Op reis met voeten in zijn koffers pleegt le pakken!
XIX.
Daar voor het tegendeel niet de allerminste grond is. Beweer ik dat hij even bruin als de andre blond is. En als haar kopje zich naaf 't zijne buigt, o zie! Dan lijken ze op die plaat, van Night and Morning, die Gy mogelijk wel eens gezien hebt in uw leven.
En die gij, zoo ge wilt, aan mij cadeau moogt geven.
Hij was bizaar, vol wilde en romaneske vlagen,
En geestig als â de Gids in lang vervlogen dagen,
Eer in zijn hart, verflauwd voor Letteren en Kunst, Hebreeuwsch en politiek, ach, stegen in de gunst.
Eer hij professor werd, vervelend en geleerde.
Geen lieve meid meer groette en eeuwig door studeerde!
XXI.
Ja, jolig als de Gids, toen hij een jong student was. Een schrikbre Groenenplaag, een duchtig malle vent was, Een fatje in 't aadlijk blauw gedost, en fijn van huid. Een âblauwe Beulquot;, temet; een geniale guit! Een rijzweep in de hand en sporen aan de laarzen. Verklaarde vijand van veel proza en veel verzen!
XXII.
S
O Gids! â dit en passant â van waar zoo duf en deftig ? Waar bleef uw jonge jeugd, zoo bruisend en zoo heftig.
3V' â *'' *' * â ï» quot; -x' â *' * ' ^ â -y' if t*
FANTASIO. 305
Vol spes, vol vuur en vol genie! Zeg, kreeg je een kwaal, Of is 't nu zooals 't hoort, beleefd, professoraal?
Ampart je deftigheid! één sprongetje, uitje toga!
Trakteer je vrienden weer op zoeten wijn en Noga!
XXIII.
Hij was een gril met vleesch en been, vol geest en gratie. En onweerstaanbaar in steeds versche konversatie:
Een ziel vol liefde en haat, en schimp en fantazie. Vol dissonanten en vol zuivere harmonie;
En daar 'k zijn waren naam u liever wil verbloemen.
Zoo lust het mij den knaap Fantasio te noemen.
XXIV.
Hij had de wereld vroeg gekend, haar weelde en zorgen ;
Veel ernst en diepte en smart lag in zyn ziel- verborgen ; Hij was ontwikkeld en bedorven door lektuur.
Een Ridder in zijn vorm, een Dichter van natuur.
Kortom een intressant, een schoon en schittrend wezen. Die reeds op moeders knie Lord Byron had gelezen!
xxv.
Lord Bsron!... o wat knaap, die zijn gekrulde haren.
Wild als de wildheid van zijn zestien, achttien jaren.
Ooit sierlijk golven liet op d' avondwind in 't woud.
Wiens oogblik heerschen kon, wiens harte, vrij en stout.
Zich blindlings overgaf aan de Eerzucht, kind der Weelde, Wien ooit het algemeene en 't Daaglijksch Brood verveelde;
XXVI.
Wie, dien uw starre blik niet diep in 't harte schokte, *j Uw jonge wanhoop niet verteederde en verlokte,
*,
y' .y .y ,,lt;â .y y y .y y y ..â gt; y- .y y V'
20
rVl.y- , y- . y- .» . *â - .» . r- ..»â ,gt; .» .gt;â , » . y
306
FANTASIO.
Uw Grieksche lauwer niet misleid heeft en verrukt,
Schoon met den doorn der Pjjn, in 't bleek gelaat gedrukt? Wie had de Tering niet, die u de ziel doorgriefde?
Wie had de Mary niet, op wie zijn jeugd verliefde?
XXVII.
Maar Childe Harold, zoo ik eens in u geloofde,
Als Eva in de slang, die 't Eden haar ontroofde;
Zoo 'k eens op uw gezag, het leven heb geteld Geringer dan het stof, mijn verzen of mijn geld;
Zoo 'k immer dweepte, met een ingebeelde smarte. De menschen haten dorst, de halve wereld tartte____
xxvm.
O sinds ik eenmaal, toen 'k van kiespijn half creveerde.
Mijn eigen ideaal, uit wrevel, dissekeerde.
Held van mijn zwarten Tijd! wat bleef, wat werd er van ? Hoe leek mijn Lucifer een spleenzieke Engelschman!... Het martlaarskroontje gleê geleidlijk van mijn lokken. En 'k was aan de' invloed van mijn boozen geest onttrokken.
*
â k.
XXIX.
Den trotschen Meestertoon verbaasd gelijk te geven,
U half te aanbidden, 't is een faze in 't jonglingsleven; De knaap, bij buigt niet graag voor 't koel gezond verstand, 't Zijn maar drie woorden, om te zeggen: 'k Heb het Land! Goed staat het, als een snor, op 't Leven wat te vloeken, In alles Bitterheid en Ridikuul te zoeken____
xxx.
Maar met een kalm gelaat, vergevende en tevreden,
De wereld, als de school des Levens, in te treden ;
*
u
â 'â 1
v». . __;_
jJL.t.*. . '⢠»⢠j.'- ._«i.,^i|t * . » .» .«i'- .» _üjL-uÃ..lt;j!t-.AK
FANTASIO. 307
Den Mensch te eerbiedigen als 't godlijkst werk van God; Des Wevers hand te zien in iedren draad van 't lot;
De hand te kussen, die kan wonden en genezen ;
Te weten, wat het zegt, waarachtig raeusch te wezen----
XXXI.
That is the question! â maar, ik keer, met frissche krachten. Tot myn verhaal: gij hebt geen trek hier te overnachten En ik nog minder; dus ik droom of divageer,
In de eerste vijf a tien minuten, vast niet weer.
Ik gryp den draad, ik leg den knoop nu en wil hopen,
Dat ik dien straks, bij tijds en netjes, moge ontknoopen.
XXXII.
Ik smeek myn Hoorders nu eens dubbel op te letten,
Gij raadt volstrekt niet wat er komt van dat raketten!
't Spel is nog altoos en met geestdrift aan den gang,
En duurt de lieve maagd voorzeker nooit te lang,
Want liij weet telkens iets aan zijn volant te zeggen.
Om aan de voeten der geliefde neer te leggen.
XXXIII.
Maar zie! daar slaat ze mis! dat is een zeker teeken.
Dat zjj vermoeid wordt â of naar 't rijpaard heeft gekeken. Dat juist daareven door den jockey voorgebracht,
Zijn ruiter â ach, haar vrind! â met ongeduld verwacht.
Half knorrig, half voldaan werpt zij 't raket ter zijde,
En ik geloof dat zij den jockey haast benijdde.
XXXIV.
Het was een hartstocht van mijn ridderlijken jonker.
Te zwerven door het woud, bij 't scheemrend zomerdonker.
y . y .» .» , » . gt;â .» . » . y , gt;â - . y , y- , y- . y. , y- . ^ . » . » . y ,»
308 FANTASIO.
En nauwelijks ziet hij 't ros, of brengt een vluggen groet Aan heel 'l gezelschap, plukt een roos en grijpt zijn hoed. En met een wipje springt en glijdt hij in de beugels,
In de ééne nog 't raket, in de andre hand de teugels. ^
xxxv.
Ei, zaagt ge dat? het ging zoo vlug als waar 't getooverd! Zoo vlug als Don Juan ooit hartjes heeft veroverd!
Juist op het oogenblik dat ieder in 't priëel 't Hoofd wendde naar 't gezang der zoete filomeel,
Die me' iedren avond in 't bosschage placht te hooren,
Waarom me' ook juist die plek had voor de thee verkoren â
xxxvi.
Juist in dat omzien, grijpt â uit een sigarenzakje.
Voor 't kreuklen met veel zorg verborgen in zijn frakje â Myn jonker een volant en slaat dien 't venster in,
Dat open venster, daar! een bode zyner Min,
Want in de veertjes lag een rolletje, beschreven Met 't allerliefste Fransch, dat Venus in kon geven,
xxxvii.
't Was, als ik zei, 't werk van een omzien : 'k vind het aardig En heel bizar, en dus mijn held ten volle waardig.
Hij legt zijn jockey met den vinger 't zwijgen op,
En vliegt van daar als een verwinnaar, in galop!
Maar ach! hoe menigmaal de zoetste droomen liegen, En, Hoorders, waar een bal toch niet al heen kan vliegen!
XXXVIII.
Gij denkt, die bal ligt goed in 't slaapsalet van 't meisje. En proponeert haar straks een rendez-vous, een reisje.
. â - , *⢠. â ' . v *- .»' . ^ . .y-
â gt;
. »'â .r . ^ . »
PANTASIO.
Een schaakpartü, wie weet! Gij, Hoorders â weet het niet, De jonker evenmin, en zoo 'k u raden liet.
Ik vrees, dat ge uw geduld al heel gauw zoudt verliezen En my liet staan, met mijn verhaaltjen â in mijn kiezen.
*xxix.
De zaak is, dat er vier, vijf vensters open stonden,
De zaak is, dat de knaap, te driftig, te opgewonden,
Of door een toeval, zich in 't rechte had vergist.
Of door een kleinen tocht zijn doel juist had gemist â Hoe 't zij (ik heb 't verhaal als deugdelijk waar vernomen) De bal, mijn Hoorders, was in 't eind te land gekomen--
XL.
Niét op of bij 't toilet van een bezorgde moeder.
Niét naast de sofa van een plagerigen broeder.
Niét voor de voeten van een oude, dienstbre geest, Die mooglijk boven juist aan 't wrijven was geweest, Niét in het slaapsalet der rimpelige tante.
309
* *
â â¢i *
* * *
A *
* * * * =*
quot;-V *
* % * * * * * * %
Maar â vlak voor 't ledikant der Fransche gouvernante.
TWEEDE ZANG.
Mijn Hoorders, 'k wil geen kwaad van gouvernantes spreken, Zelfs niet, al zou het zijn om mij van kwaad te wreken! Daar zijn er, die ik eer met liefde en stil ontzag;
Daar zijn er anderen, die ik wel lijden mag;
W â¢#quot; *quot; if' -fquot;' â ,lt;'
1fr â¢Kx'~Wr^Cr â â¢'quot;J.'
. r- . â¢â¢ . »⢠, â¢- ⢠. â¢â¢ /jgt;' . ó'- ,
310 FANTASIO.
En met de meesten heb ik innig medeleden,
Al zijn ze ook taai en saai, beschouwd van alle zijden!
Ja zelfs met die het meest, vooral op theevisiten,
Als 'k een geheimen traan in 't lauwe vocht zie vlieten, In 't hoekje van de zaal. De poes alleen maar kijkt De juffer smachtend aan â om melk. Geen jonker wijkt Een handbreed van zyn plaats, om haar een stoel te geven, Geen vlinder, die rondom de dorre rank wil zweven.
ii
i! in.
Een hekel heb 'k alleen aan die vergifte spinnen. Indringsters in de rust der teederste gezinnen,
Wier hand, als uit instinkt, verdeeldheid, tweedracht zaait. Wie alles wel is, mits haar haantje koning kraait.
Die van haar noodlot zich op kleine kindren wreken. En â druk sludeeren -ki traktaatjes en in preeken.
â
IV.
Maar ik heb eerbied voor die arme vreemdelingen. Die eenmaal zusterliefde en weelde placht te omringen; Nu met een martlaarspalm, dor als een bedelstaf. God smeekende iedren nacht om een vroegtijdig graf. Die vreemde luchten en bedorven freules tergen. Van heimwee smachtend om haar vrinden en haar bergen!
Het nieuw persoontje, dat ik nu op louw ga zetten, Lijkt niet 't allerminst op een van dees portretten: Zü is geen spin, geen feeks, geen jonge martlares.
â - * I*:
iLiL
FANTASIO.
Noch mooi, noch leelijk, ook geen afgetrokken bes, Zij is haast veertig, doch kan nog voor dertig doorgaan; Zü laat zich nog al iets op haar figuurtje voorstaan.
VI.
Ze is over 't algemeen zoo taamlijk onbeduidend;
Haar neusje is fijn, haar stem is grof en onwelluidend; Haar blik is smachtend, en aandoenlijk haar gemoed; Ze is heel gevoelig voor een blik, een lach, een groet; Zij droomt een heelen nacht van een galanteri«lje.
En in de loterij des huwlijks trok ze â een Nietje.
*
gt;i, *
V
VII.
Haar gouden eeuw vlood heen, sinds Mary niet meer kind was. Schoon ze om haar goede ziel in huis nog al bemind was; Zü had een tikje weg van stille jaloezij,
Ook hield ze nog al van een lieve plagerij.
En als het mijn verhaal niet al te zeer deed zwellen. Dan waagde ik 't wel van haar een grapje te vertellen.
Maar nooit, schoon 'k anders wel eens met de lui mag gekken. Nooit zou ik 't wagen dat gezicht haar na te trekken,
Dat, toen haar voetjen, op haar kamer voor 't soupé,
Juist over 't lief cadeau van onzen jonker gleê.
Zij, bij die vondst en na die lezing, heeft getrokken;
311
Zij leegde haar karaf, â ze was fameus geschrokken.
*
IX.
Voorts nam ze spiritus, ik meen wel ânitri dulcisquot;. En meer nog daar mijn maag niet gaarne mee gevuld is.
*â â irrirr -it '
yr
vr * *
. i'- ,gt;â ,gt;â ,gt;â .y .gt;â ,gt;â ,gt;- ,gt;â ,gt;â ^ ,gt;â ,gt;
312 FANTAS10.
Toen sloeg zij de oogen op, ten hemel â kippevel Had ze al een poosje â toen trok ze eensklaps aan de schel En liet maar weten, dat zij schriklijk pijn in 't hoofd had, â Had ze âin haar hartquot; gezegd, ik zweer dat ik 't geloofd had.
* *
*
*
â¢â K *
*
V *
* * *
*]
sr
Nu zat ze bij den glans der maan een uur te smachten, En ging de zaak eens na, verzonken in gedachten. Nu eerst, nü zag zij 't in, hoe Hij haar lang en veel En vaak had aangestaard â och, arme! zij zag scheel En dubbel; ik weet niet hoe 't anders kon geschieden. Dat zij des spotters blik hield voor verliefd bespieden!
XI.
Hoe hij aan 't rijtuig eens haar beentjes had geprezen,
Haar voetjes vergeleek bij die der Pekinezen;
Hoe hij haar Dinsdag had gewaarschuwd voor den tocht, Hoe hij haar Woensdag een biscuitje had verzocht. En â hoe hij Donderdag haar heel intiem verteld had. Dat hem, twee nachten lang, dezelfde mug gekweld had.
XII.
Nu wist ze, dat hij 't klein Marietje slechts fêteerde Uit vrees dat iemand zou bemerken wat hem deerde. Zij rolt het briefjen in haar handje heen en weer.
Snikt, bloost, lacht, fniest en schreit, verlievend meer en meer. De brief nu, als ik zei, was in zoet Fransch geschreven,
Maar 'k zal hem hier, vertaald in 't Hollandsch, wedergeven.
xm.
Het is onloochenbaar, dat iedre deklaratie Om de eigen spille draait bij ieder volk en natie.
if' -If f if if
if -ff' if *' if if *' K
FANTASIO.
Hoe kunstloos of gesierd, hoe ernstig, wild of dwaas, Eén woordje machtiger dan alle, speelt de baas.
Na iedre voorrede, iedren omweg volgt â quand mêrne â Ge mot, le mot des Dieux et des hommes: Je t'aime!
XIV.
Dit laatste Fransche vers is zeer direkt gestolen Van âglimworm Victor Huig, het puik der kapriolenquot;, 1't Geen weer gestolen is uit Jonckbloet's geestig boek, Belaên met Fuhri's dank en 's Gravenhage's vloek, Die weer gestolen heeft, waarschijnlijk van een ander. Waaruit gij leeren kunt: mfin broeders helpt elkander!
xv.
Maar 'k heb u straks beloofd niet telkens af te dwalen, En zou u, naar ik meen, dien keur'gen brief vertalen, 'k Moet eerst nog zeggen, dat daarin Mariës naam Niet stond vermeld, en hij voor alle meisjes saam Die zich verbeelden mooi en blond te zijn, geschikt was. Schoon hij in eer en deugd op ééne maar gemikt was.
XVI.
Toch waant niet, dat ik aan de letter nu wil hangen, Ik ben geen letterknecht, met afgevaste wangen.
-i
*
ïV *
ïV
ïfc
*
â¢k
-4
i
A
â
=t
:i
*
* %
V
â¢â V 14
* *
:â¢
313
Geen lange, dorre staak, geen taaie knutslaar, die Zijn zaligheid verwacht van 't puntje op een i! Ook zweer ik u, dat nooit myn vroolijke oogen knipten Van 't turen op in 't Grieksch gekrabde manuscripten.
Vf] Vf ' * ' M â /'
1
Niet waar: het is van Lamartine, lieve Vrinden, -Maar toch bij Hugo en bij andren ook te vinden.
JLii 1*
:*i. gt;'⢠. . i' , i 314
t ï' . *'⢠, y* . ¥⢠. J
FANTASIO.
XVII.
De geest, de geest alleen maakt vry! de doode letter Doemt u tot slaven! Ziet den suffen letterzetter,
Of, wat mij ''t zelfde dunkt, den ouden kamerrot. Die perkamenten kauwt, en in wiens geest de mot, (Het vliegje des verderfs,) als in zqn boeken huishoudt,
Wiens vunze lettertaal geen reedijk rnensch voor pluis houdt.
i* if
r
XVIII.
De geest dan van den brief mijns jonkers was poëtisch. En meer dan 't lied, dat ik u debiteer, pathetisch.
't Was aaklig, schreef hij, voor een jong en minnend paar. Altijd omringd te zijn van heel een Argus-schaar,
En immer, waar men school in 't liefst en donkerst laantje. Een blik te duchten â 's nachts had men alleen het maantje.
t* *
XIX.
âEen reine liefde minde een zalig tête-a-tête,
Rien d'aussi tendre et pur, qu'une flamme secrète,
Niets zoo welsprekend als de stilte; niets zoo kuisch Als de adem van den nacht en 't westewindgesuis. 't Stond goed, den starren slechts, den heiligen flambouwen, Het eerst en zoetst geheim der liefde te vertrouwen...quot;
*
i* *
* *
Et csetra! 't kwam er op, dat hij een rendez-vous vroeg:
(Zü zou wel zien straks, hoeveel kusjes hij nog toevroeg!) 'sNachts â 't was toch niet te koud? 'snachts om een
uur of twee.
Voor op 't balkon, â prudence â amour â fidélité!
:kJ
4
'4
â * â ir
yr * â
* â
â f. â * *
, gt;'⢠, â¢- , V' , gt;'⢠, jgt;i- , ji' , jy* , *' , P' , , V' , .y* |^.
FANTASIO. 315
Hij had gezegd, dat hij niet thuis was voor 't soupeeren, En de avond, licht den nacht, maar buiten bleef passeeren.
Men was sinds lang gewend aan 's jonkers vreemde kuren. Ook, als zijn avondrit soms in den nacht mocht duren. Werd niemand ongerust. Hij was al vaak verdwaald; Eens had hij in het bosch twee stroopers achterhaald. Hij onderzocht of 't wel in ernst op 't kerkhof spookte En de oude heks van 't dorp daar kinderbeendren kookte.
XXII.
Hü wist zoo dweepend van zijn tochten te vertellen. Dat Mary hem wel graag in stilte eens wou verzeilen. Ook zei hij, de avond is gezond en koelt mijn hoofd; â Hij had nog nimmer aan verkoudheid recht geloofd â Soms sprak hij ernstig van die heilige gedachten.
Die rijzen in de ziel, in stille zomernachten.
Nu was hij weder her- en derwaarts heengezworven;
Eerst naar den jager waar de moeder was gestorven;
Daar sprak zijn teedre ziel een woord van moed en troost. Hij kuste, met een traan in 't oog, 't verweesde kroost; De woesle knaap scheen als een Engel in hun midden.
Die God voor 't arm gezin om kracht en hulp kwam bidden.
xxiv.
Toen was hü pijlsnel naar de boerderij gevlogen En zwolg een groot glas bier met toegeknepen oogen.
Stak zijn sigaar op, en zoo onverwacht, als koen,
f' â¢,» ' 'â ff' -.fquot; quot;r â¢â¢ ' Siquot;1 Tf'' ÃT'' aT' â¢ff' -jf'
.»â .gt;â .Â¥â .gt;â .gt;â ,gt;â .y- .gt;â¢â .gt;â ,v .y ,gt;â ,gt;- .gt;â ,/â .gt;â [â¢â¢
316
FANTAS 10.
Gaf hy de boerendeern een hartlijke' afscheidszoen, Die geurig klapte en klonk, en zei: âziedaar, me lammetje, 'k Heb achting voor je bier en dankje voor je vlammetje!quot;
xxv.
Hij vroeg het uur. Helaas, pas tien! Hij rijdt nog even Het watermolentje om, langs 't park, de vijverdreven;
't Was elf in 't dorp; ai, 't was nog altijd veel te vroeg, Schoon 's minnaars bruisend hart zwaar als de dorpsklok sloeg. En vlugger dan de hoef van 't paard begon te kloppen: â
Mijn jonker was verliefd tot in zijn vingertoppen!
xxvi.
Zeg hebt gij ooit een uur doorworsteld, dat u scheidde Van 't oogenblik, waarop uw meisjen u verbeidde?
Kent gij die foltring, waar ook 't ijzren mannenhart Voor wegsmelt? langste, wreedste en zoetste en teerste smart! Als iedre zenuw slaat aan 't prikkelen en kittelen â ........................!)
XXVII.
Kent gij die pijn ? 'k hoop ja voor u en mij, Meneeren.
Want 'k heb geen lust om haar thans meer te detailleeren. Ik wou mijn veder liefst niet doopen in het bloed Van 't ongeduldig hart en teerverliefd gemoed.
En zou mij-zelven niet aan die descriptie wagen.
Al kwam mij 't liefste kind het op haar knietjes vragen.
XXVIII.
Veel liever geef ik een medaille, in goud gesneden.
Hem, die mij zeggen zal, wie 't meeste heeft geleden:
1) Het laatste vers van dit koepiet bestaat uit tittelen.
if' if'~ii' if' if' *
~inr
if' if' i('
|
£ | |
|
â i | |
|
? |
* |
|
? |
* |
|
P |
* |
|
F' |
* |
|
ï |
* |
|
ï |
* |
|
V | |
|
* | |
|
* | |
|
* |
â *. |
|
* |
â â v |
|
* | |
|
jf. |
* |
|
* |
.gt;â .gt;â - ,gt;- â gt;â ,^- .»
^
317
De jonker, die daar vloekt; van passie, op zijn paard,
Of zij, die telkens uit het open venster staart,
En dan weer neerzijgt en uit wanhoop en misère Verscheiden pluisjes plukt uit 't dons van haar voltaire?
xxix.
Maar 't uur der liefde naakt en 't eind der liefdeweeën! De toren zingt het lied der minne: kwart voor tweeën! Hij spoort zijn ros, hij vliegt: o toef mij, zoete Bruid ! Mee galoppeert zyn hart en bonst en jaagt zoo luid. Als â 't hart der jongelui, die na hun staatsexamen. Den uitslag wachten van dat kanibaalsch tentamen!
xxx.
O, zeg toch nooit, dat wij zoo schriklijk flegmatiek zijn,
Als of we altoos verstopt, verkouen, suf en ziek zijn!
Dat nooit een Hollandsch hart in brand kan vliegen, maar Steeds als 'slands turven smeult, vervelend, langzaam, naar; Ik ken er nog wel meer, met vuur en kwik in de aderen, Geheel verbasterd van de stemmigheid der vaderen!
FANTASIO.
't Is waar, de landaard is hier ver van aardig, vroolijk. Enthousiast, vol vuur of amusant en oolyk;
Maar, lieve Hoorders, 't is de schuld van ons klimaat En van ons weerglas, dat altgd op najaar staat; Wjj gaan met parapluis steeds langs beslijkte wegen, En worden taai als leer, doorzieperd van den regen!
xxxn.
Maar ducht ik voor mijzelf dat natste der klimaten,
'k Heb toch mijn Holland lief, gelijk een visch zijn graten.
-y' y^rr^ir'T,'^rr â â¢'rirr y yt*
*ry' ^
y .s' j' .f
. th , . .ir . r- . amp;⢠, U' , jf- . , jf- , amp; , jé* , jf- , V- [
;* 1 . . Jfquot; , jt- , M* , M- , jis
318
FANTASIO.
Ik ben er om-, er aan-, er in- en doorgegroeid.
Ik zwem al door het nat, daar 't land van overvloeit, En schoon heel koulijk, 'k heb nog altijd slof tot danken Dat 'k niet by d' ijsbeer aan de Noordpool zit te janken!
XXXIII.
Ook is 't me een wellust mij nog somtijds op te winden. Te dwepen bü het stof der lang ontslapen vrinden. Der beste Bestevaers, avunkels onzer roem;
Mij op te frisschen bij den heldren glans der bloem Van Hollands glorie, die haar geur spreidt door de blaren Van 't oud geschiedboek en de jonge dichtersnaren!
xxxiv.
O, groene martlaarspalm door de englen zelf gevlochten! Toen Neerland tachtig jaar voor Waarheid had gevochten! O, Maurits, Vondel, held en zanger, gij, van God! O, Frederik-Hendriks eeuw! O, faam van 't Muierslot! Wat zangen, die men zong, wat strijden, die ze streden.... Maar jammer, dat het al zoo'n poosjen is geleden!
quot;1
â i
XXXV.
Dit 's van mijn zwerversgeest weer een vervelend staaltje Maar 'k heb intusschen, in mijn kunsteloos verhaaltje, 't Kwartier van spanning en verwachting aangevuld; â Och, beste Hoorders, gij hebt tienmaal meer geduld, Dan onze held, die lang zijn laatste had verloren.
ii, *,
!k,
A
En toont het door mij zoo geduldig aan te hooren!
t*
XXXVI.
Hoort gü de schelpen niet al kraken voor het Buiten? Hoort gij daar ginder nog geen venster opensluiten?
1
â -* 'JLl*
amp;L *]
FANTASIO.
En merkt gij hoe de maan zich met haar vollen lach Juist eventjes verschuilt? niet uit een kuisch ontzag, Of uit diskretie, neen! om strakjes, zonder schroomen, Om bij de ontknooping schalk en spottend weer te komen.
XXXVII.
De knaap had al van ver het licht in 't oog gekregen; Hoe zalig klopt zijn hart, zijn blonde Mary tegen!
Zü had zijn beê verhoord en in zijn trouw geloofd!
Nooit schudde 't lokkig haar hem trotscher om het hoofd! Hij komt â zij wenkt â hij ziet een witten zakdoek wuiven.. Hij gaat met paard en al het venster binnen stuiven____
XXXVIII.
Goddank, hij weet by tijds zyn klepper in te toornen, De hoefslag lost zich op in 't ruischen van de boomen. Hij stapt van 't paard, hg treedt voorzichtig, zachtjes, slim. Tot aan 't balkon â de held berekent al den klim â 't Is nog zoo hoog niet â stil â hij lispelt: âo Charmante!quot; â Nog is het katje grauw____daar brult de Gouvernante!
* y *
xxxix.
Stort in, o marmer, stort op mijn bedorven jonker!
Verschuil u, zilvren maan, kwijn weg, o stargeflonker!
Verberg voor eeuwig in uw boezem, donkre nacht.
319
3
Zijn jammerlijk figuur, dat hij zoo schittrend dacht!... 't Is mis, de lucht blijft klaar, de maan komt weer en grinnikt Vol helschen spot, de wachthond blaft, de klepper hinnikt...
A *
* *
Eerst was Fantasio versteend ter zij geweken, Hij dacht de Nemesis der romaneske streken
li!
gt;,gt;,», * â » .» â ^ ^ ^ â » .j»quot;- . * .» «â .» . »
FANTASIO.
Te aanschouwen, â maar, by 't licht der opgekomen maan. Ziet hy met open arm de Jufferquot; voor zich staan! â Nu denkt hij niets meer, maar hij gilt en snikt en schatert Van zenuwachtigheid, dat 't in den omtrek klatert!
XLI.
De blonde Mary sliep den slaap van zestien jaren.
Zij droomt, dat zij haar vrind een bosje bruine haren, Al stoeiend, voor haar ring, ontroofd â hg gilt â ze ontwaakt. Zij richt zich overeind â zij luistert â schrikt â zvj maakt Zich bang; 't zijn dieven! hoor! zij wil aan't schelkoord trekken... Maar neen, voorzichtig, zacht, zij gaat haar moeder wekken.
XLII.
Nu raken eerst in ernst de poppen aan het dansen.
Als heksen op de hei by zomeravondglansen!
Mijn Saffo en peignoir kijkt alleraakligst zuur,
Mijn jonkers oog schiet spot en laster, vloek en vuur! 't Is klaar, dat hij nog aan geen mal figuur gewend was. En van een trotsch en woest en vreemd temperament was.
XLIII.
En ondertusschen ging daar stil een venster open Op Mary's slaapsalet, en op haar teenen slopen Twee schimmen langs 't kozijn en zien â en zien â ja wat ? Gij weet het, Hoorders! doch ik zeg alleen maar: dat! Een scène, daar ik haast geen naam voor weet te vinden. Een ridikuul dat ik niet toewensch â aan mijn vrinden.
â A -â¢V
:*,
A *
En op 't geschreeuw kwam ook de tuinman toegeschoten,
Met twee gespierde knechts, tot 't uiterste besloten,
f' .tT' Jf' af' .r' jf' .ff' -â¢* .f' D*
*1 *
â *,
A *
A
:S :K :V :V
A *,
320
FANTASIO. 321
Gewapend met een hark, een zcissen en een schop; Eén oogenblik nog en â Fantasie krijgt klop!
Gelukkig hij, dat daar geen snaphaan bij de hand was; 'k Geloof waarachtig dat hij anders al van kant was!
XLV.
Nu zinkt hij op de knie: â âo God ik ben bedrogen!
Mijn Mary, is de bal niet in uw raam gevlogen?quot; â âGedébaucheerde knaap!quot; bijt hem de moeder toe ;
âMademoiselle! et toi, folie d'un petit fou!quot;----
'k Meen, zoo dit laatste woord den jonker niet ontsnapt was, Dat hij dan schriklijk in zijn point d'honneur getrapt was.
XLVI.
Hij kon niet meer, hij was kapot; de juffer, blazend Van spijt en angst; de vrouw des huizes, dol en razend; 't Was alles in de war, hier 't hart en daar het hoofd, Het was een drama, maar met dwaasheên als doorstoofd. Ach, niemand van de akteurs begreep er recht de klucht van: Alleen Marietje had er eventjes de lucht van.
XLVII.
Toch was zij boos en sloeg op d'armen knaap twee oogen, Die hem doorboorden, als twee bliksems uit den Hoogen.
Daar was geen houden aan 't rampzalige figuur!
Hij, vroeger steeds fripon, was dupe sinds een uur!
Hij vliegt te paard: âVaarwel, 'k zie nooit mijn Mary wederquot;.. En 't somber treurgordijn valt zwaar en statig neder.
L*
' * ' vT7quot; v? ' vquot; ' ' ' -⢠' â .«'' vf' ^ â¢Â«quot; -é
21
â¢*'.» . i.*:.. *â â * â *'â y- â .*L . gt;'â .»,».».».»â â »
FANTAS10.
LAATSTE ZANG.
,En kregen zy elkaêr nog eindlek en ten leste?quot;
Mij dunkt van ja, want die ontknooping is de beste,
En ieder Meisje, dat romans â in proza of maat â Met ijver leest, kijkt eerst, met de onrust op 't gelaat. Naar 't laatste pagina; âof zij elkander krijgenquot; â
Zoo niet, dan had de Auteur voor haar part mogen zwijgen.
*
t *
*
*|
3
ii.
En dus, al zou 'k er ook maar onbeschaamd om liegen, 'k Zou, lieve Hoorders, eer u twintigmaal bedriegen. Dan u te martlen, dan een droeven maagdevloek Te laden op mijn hoofd, bij 't einde van mijn boek: 'k Zag liever, u ter eer, een honderd paren trouwen, Op 't eind, dan dat ik om een enkel u liet rouwen.
ui.
Maar daar is eerst toch heel wat leven voorgevallen. Mademoiselle kreeg, om één bal, al de ballen Of liever pijlen, die de teêrste moederzorg En 't maagdelijkst vernuft ooit in hun koker borg,
Naar 't hoofd! 't was te indecent om heel veel van te praten. En â met Augustus â zou zij toch 't gezin verlaten.
'W
gt;4,
4, *
gt;4 *
â¢i
i
* lt;⢠*
it-*
f
IV.
j 3
* * *
i:
Hebt ge ooit er iemand zoo vervaarlijk in zien loopen ? Of duurder een genot â neen, een verkoudheid koopen ?
it' â /(' -if' if if' y y y â¢*' y
*jl
'nririr
K
FANTASIO. 323
Geen wonder, de arme had gehuiverd en gezweet,
En â trots den warmen nacht â zich toch te dun gekleed. Zij dacht volstrekt niet aan een shawl, in haar confuzie.
En zij verloor haar eer â gezondheid â en illuzie!
Des andren daags â maar, om mijn hoorderes te plagen, (Ik houd van plagen!) 'k wil de ontknooping wat vertragen; Ik heb volstrekt geen lust mijn lieven, laatsten zang Zoo af te raff'len, en ga weer myn ouden gang.
Stil, kalm en deftig en geregeld aan 't vertellen ;
'k Zal eerst mijn jonker op zijn dwaze vlucht verzeilen.
Hij vlood â hij wendde 't hoofd niet meer â hij was gevloden! Pijl-, vleugel-, bliksemsnel, snel als de rit der dooden,
Bij 't aaklig hop-hop-hop in Burger's meesterlied,
Snel als de Pegasus, dien niemand loopen ziet,
Snel als gelieven, die gestoord zijn, door het lover;
Hij maakt de heuv'len glad, hij stuift de vijvers over.
vu.
Maar schoon 't zijn wanhoop wel een beetje door kon luchten Ach, hoe hij rende of vlood, kon hij zich-zelf ontvluchten? 't Is maar een leenspreuk, die van: springen uit je vel! Hij was, als Manfred, hij zijn eigen Duivel, Hel;
Hij was wanhopend en verliefder dan te voren.
En in zijn eigen oog bedorven en verloren.
âf ITT*
VIII.
'k Heb ook wel eens beproefd mij-zelven, mijn gedachten Te ontvlieden; menigmaal in slapelooze nachten.
*],.*â , y . ^ ,.r.,, â¢; . »â . » . gt;â . »â¢â
324 FANTASIO,
Of by een donkren dag van 't najaar; ik ben meest Een paar uur in de week mij-zelven tot een geest Van kwelling, en hoe meer 'k mij-zelf dan wil vergeten, Hoe vaster ik mij-zelf als aan mij-zelven keten!
IX.
Ik zoek vergeefs mijn ziel en zinnen af te leiden,
Den geest (den Booze!) van het lichaam af te scheiden;
Ik zwem, ik wandel, 'k scherm, 'k rij paard en jaag naar vreê, Mijn Demon zwemt en schermt en rijdt en wandelt mee; 'k Schreef ter verstrooiing ook dit vers, in bange dagen Van zielsneerslachtigheid en donkre weemoedsvlagen.
x.
Denkt, bij den hemel, niet, dat ik die stemming aardig Of intressant vind, neen! ze is jong en oud onwaardig.
Gelijkheid van natuur, blijmoedigheid van geest Is 't zalig deel van hem, die God â geen menschen vreest. Dwaas, die zich door zijn vrouw laat diabolizeeren.
Maar dwazer nog, die door zich-zelf zich laat regeeren!
Dit ondertusschen is een proefje van mijn preeken,
Een snuifje, dat wie 't lust, of niet lust, op mag steken.
En niest ge er van, zooveel te beter, arme vrind!
Dan komt de kou uit 't hoofd, de wrevel en de wind.
'k Gaf ook mijn jonker tijd om even uit te blazen En op zijn noodlot en zich zeiven uit te razen.
XII.
't Ging hem als mij, zijn land groeide aan, met de oogenblikken, 't Was alles tandgekners en afgebroken snikken.
â if * ''' â .«quot; -ie â *' â !(' â *' â lt;quot; *' â .*quot; â¢:(' -y' y -.f' â /'[?
*â ,» .» ,»â ,» ,gt; â » ,.» ,gt;
FANTASIO. 325
Hij zag in't donker, in de diepte van het woud, Al Gouvernantes, mooi en leelyk, jong en oud.
En 't had mij niemendal verwonderd, als zijn haren Des andren daags vergrijsd of uitgevallen waren.
xm.
Hij ziet in 't hakhout niets dan monsters, kleine dwergen. Met Amorsboogjes, die hem onophoudelijk tergen;
Ha! daar 's nog een uitkomst in den vijver, die hem noodt, Met lisplend golfgeruisch, te rusten in haar schoot.
Maar hij bedacht zich, wijl het denkbeeld oud en plat was En mooglijk ook wel â wijl het water koud en nat was.
XIV.
Och keer, Fantasio! en ga vergifnis smeeken!____
Hij buigen! neen, veeleer van woede bersten, breken !
Maar ei, hij is verliefd tot over de ooren toe.
Zijn rit wordt minder snel, zijn ros is doodlijk moe. Hij stapvoet â hij bedaart â zal hij de teugels wenden? Hij stijgt van 't paard en zinkt in diepte van ellenden!
xv.
Hij zinkt op 't mos ter neer, dat met zijn zweet bedauwd werd. Daar 't in en om zijn hart al meer en meer benauwd werd: De kies breekt pijnlijk door â ten leste â van 't verstand. Hij strijkt zijn voorhoofd koel, met de effen, kleine hand, De traan der Boete ontwelt zijn oog en, van zijn lippen,
Laat hij â als een Gebed â zijn Mary's naam ontglippen.
En âMaryquot; zucht de wind en ruischt het geurig lover.
En âblonde Maryquot; klinkt de blonde heuvlen over,
if' -Jf' -4' if' â¢#' â¢#' *' -Jf' 4' i(' '4' '
SI
326 FANTASIO.
En âblonde Maryquot; lispt het bruine beukenblad.
En de Echo roept dien naam, dien hij heeft liefgehad Sinds lange jaren! â o, Fantasio, keer weder En zoek vergifnis aan dien boezem, jong en teeder!
XVII.
âKeer weer,quot; vermaant hem 't lied der jonge boschkoralen; ,Vergifnis,quot; spreekt de glans der koesterende stralen,
Opdagende uit het oost, en 't lelietje van 't dal Mengt ook een zacht akkoord in 't lieflijk toongeschal. En leert hem hoe hij stil en needrig en bescheiden,
Op boete en diep berouw zijn Trots moest voorbereiden.
XVIII.
Hij worstelt wel een poos nog met zijn beetren Engel,
Als met den frisschen wind een reeds geknakte stengel;
Maar eindlek buigt hij 't hoofd en neemt een kloek besluit, En zweert voor eeuwig, aan de voeten van zijn bruid.
Zijn wilde dwaasheid af, zijn grillen en zijn snorren.
En gaat voor haar zich als een schoolknaap doen beknorren.
XIX.
Ik voel m^j hier verplicht mijn Hoorders mee te deelen. Dat mijn verhaaltje mij onzaglijk gaat vervelen.
Hoe 't komt op eens ? helaas, misschien uit sympathie Of â wijl ik van het staan zoo'n pijn kreeg in mijn knie; Ik weet het niet, maar 'k wou wat versche lucht gaan scheppen. En zal mij dus voor uw en mijn pleizier wat reppen.
XX.
En 's middags in het vuur der zomerzonnesteken,
Vroeg daar een boetling voor het hek, mevrouw te spreken;
FANTASIO.
Men weigerde in het eerst den armen knaap gehoor,
Maar hij hield aan, hij riep en smeekte, hij drong door. Ach, zoo één losbol ooit, was hij vergifnis waardig,
Zoo bleek, ontdaan, vermoeid, bekeerd, verliefd, boetvaardig.
â¢
XXI.
Hy deed een voetval en begon met zacht te stamelen â Om langzaam-aan zyn flux de bouche te verzamelen â Hij helderde alles op, beloofde, vleide en drong.
Gebroken was zyn hart, maar wondren deed zijn tong; Enfin, hy kreeg een jaar van boete, deed een reisje,
Studeerde een poos nog, promoveerde, en kreeg toen 't meisje
XXII.
Maar 't lesje had gewerkt. Hij bleef hetzelfde wezen Van vroeger niet; hij was veranderd en â genezen.
Niet meer zoo wuft en dwaas, hooghartig en bizaar; Hij werd eenvoudig en verstandig, kalm en waar.
Hij zag zijn Mary aan, met zachter, wijzer oogen â
Mijn Hoorders, was die bal wel zoo verkeerd gevlogen ?
xxm.
o Dat van uw vernuft, gij Zanger van het leven,
Mij op dit oogenblik een greintje waar' gegeven,
Gij, Christen zoo vol ziel en Dichter zoo vol schats,
o Lust van Prins en Boer, o beste vader Cats!
Wat zou 'k uit mijn verhaal een fijn moraaltje spinnen.
Voor dwaze pronkertjes en zoete, ronde kinnen!
XIV.
O, mocht ik in den geest des lieven grijsaards spreken,
Tot u, o lieve jeugd, en van uw domme streken.
327
*3. * . jf- . y . y . y- . . » .» . y- . y . ^ ^ . gt;' . »â¢â¢ , . t' . « , y- .» . y . *-â
328 FANTASIO,
Op mijn besneeuwde kruin 't kalotje van fluweel,
'k Gaf elk van ernst en boert een evenmatig deel â ('k Ben ondertusschen bly, dat 'k voege by de jongen, En had u anders vast dit lied niet voorgezongen).
xxv.
'k Trok tegen u te velde, o rare muizennesten En grillen, die liet brein verwarren en verpesten!
'k Trok tegen u te velde, o dwaze, droeve zucht Van knaap en maagd voor al wat vreemd is in de lucht! 'k Gaf iedereen een neus en lessen in vrijage.
Ik rijmde dier op zwier en page op bosschage!
XXVI.
Ik sprak tot iedre maagd van om de veertig jaren:
Laat, zoo ge wijs wilt zijn, de jonge minne varen!
Verbeeld u niet dat ge een magneet zijt, en pas op Dat gij u-zelven kent, dat u geen toeval fop'!
En kijkt een heer u aan, kijk gij dan naar 't gezichtje Van uw logeetjen, of uw dienstmaagd, of uw nichtje.
Ik sprak tot iedre maagd, die 't hoofd vult met romannetjes En verzen; schaapjelief, pas op de Don Juannetjes!
Houd oog en oor en hart en mond en venster toe! Doe nooit met schaken mee of kwalijk rendez-vous,
En stel die heeren, die zich onweerstaanbaar droomen,
Eerst maanden op de proef: 't kon je anders slecht bekomen.
Gij, jonker, schud vooral de krullen uit uw zinnen.
Wees naarstig zoo ge wilt, maar deeglijk in 't beminnen,
*quot; -.r' â /' -xquot; â /' â *' y -y ^Tr^r'^IPiv
]. ^ .*â .* , y , ^ .» .*â . »â , » . *'⢠. y , ^ , gt; ,» , »â ,.» -JL
AAN ADDA.
En wordt gij ooit verliefd, maak een huishoudlijk plan, Blijf ernstig en bedaard, gedraag u als een man: Ik raad u eerst alleen een singeltje om te wandelen. En nimmer en volant die dingen te behandelen.
1847-48.
329
r
AAN ADDA.
Eéne is er, die mij nooit verveelt,
Wier scherts mij immer kan behagen. Die mij mag vleien en mag plagen.
Die met mij dweept en stoeit en speelt; Wier blikken al mijn zorg verdrijven. En die, te lief, te zacht voor'de aard'. Mij, wien zij 't Hemelsche verklaart. Doet met deze aard' tevreden blijven.
Eéne is er, die ik liefkreeg, één, En sinds dien tijd heb ik geen oogen Voor blank gelaat of zoet vermogen
Van andren, maar voor haar alleen. En heb ik vreemden al geprezen, En speelde ik soms gedachteloos Met korter vlecht, of doffer roos.
Dan 'k voor haar lok had uitgelezen, â 'k Wist, dat zij niet jaloersch kon wezen.
Eéne is er, die ik nimmer hard Of onverschillig toe durf spreken.
i
* *
â¢4 *
â ij
â k â '
â /T â / IT'
if' i('
_
.» ..^ â » â *'â ,-ir-f 330 AAN ADDA.
Want dan zou 't zacht gemoedje breken,
O Liefde! van uw felste smart.
Dan zou haar oog zoo bitter krijten,
Dat ik, nog in mijn jongsten snik,
Mij dat lichtvaardig oogenblik Van woeste wreedheid zou verwijten.
Eéne is er, die ik nooit vergeet.
Ofschoon ons zee of land, óf beiden.
En weken, maanden, jaren scheiden.
Ik deel met haar mijn lief, mijn leed.
Zeg, wilt ook gij mij dat herhalen?
Maar doet mijn vragen u verdriet.
Och dan, melieve! zeg het niet.
Want 'k zie het uit uwe oogen stralen En hoor het zoo wel duizendmalen.
Daar zijn meer verzen, lieve! als dit.
Maar één slechts die zoo vriendlijke oogen Houdt naar dit blaadje toegebogen;
Die nimmer op mijn verzen vit.
Maar niemand, die in later dagen Nog om dit liedje denken zal Dan zij, die niet voor niemendal Haar Dichter om een vers mocht plagen.
1847.
.*i.y .a- .* .gt;â .gt;â Lj. » . » .» .^ gt; .igt; ,¥⢠. lt;L_Jh_}JL
BIDDEN.
BIDDEN.
* * * TOEGEZONDEN.
â *\ -n
Kent ge een taal die zoeter ruischt Dan het lied der avondwinden, Dat door de ouderlijke linden
Langs uw liefste paden suist?
Kent ge een taal, die, vol vertrouwen, Uit het stof ten hemel dringt;
Hooger dan de leeuwrik zingt,
Waar de zaalge kusten blauwen ?
Kent ge een liefelijker geur Dan die uitgaat van de bloemen. Die uw bruigom pleegt te roemen.
Als uw wang gloeit van haar kleur? Bloemen die om 't luidste vragen. Wie ge de eer hebt weggelegd, Otn te prijken in uw vlecht Op de schoonste aller dagen ?
Gij armoedigen van geest, Gij eenvoudigen van harte!
Spreekt die taal tot iedre smarte,
Op uw lippen past zy het meest, 't Menschelijk oor verstaat uw fluistren En het hoort uw zuchten niet;
Maar God-zeif verhoort uw lied En de Hoogste Heemlen luisteren!
. .t .
331
.¥⢠,» .* .y- ,»â .* .» ,» .y- .y .y .» ..» ,gt;â
332 BIDDEN.
Als 't welriekendst offer rijst ledre klacht der droeve zielen Naar dat oord, waar de Englen knielen,
Psalmgeruisch den Schepper prijst;
En de zoetste geur van Eden,
Die door Edens palmen waart,
't Is de zucht die stijgt van de aard,
Op den adem der gebeden!
Of die geur haar oorsprong nam Uit de laag gelegen dalen.
Waar de jonge lelies pralen,
Alpen-roos of grijze stam,
Welkom is zij God den Heere,
Hem die stam noch jonge loot,
Heidebloem noch riet verstoot,
Maar laat bloeien Hem ter eere!
U ook is die taal bekend En haar geur rijst van uw lippen,'
Als de zuchten u ontglippen,
Die g;j schreiende opwaarts zendt.
Tranen, niet om eigen rouwe;
Zuchten, niet om eigen smart;
Want vervuld is heel uw hart Van Gods Vreeze, Liefde en Trouwe.
U past enkel dank voor God!
Louter zuchtjes van genoegen Doen uw zachten boezem zwoegen,
In uw eigen heilrijk lot-Maar â zoo rijk in teederheden,
Rijk in schoonheid, jeugd en geest,
Wydt gij andren liefst en meest Uw welluidende gebeden!
â¢â¢ij__
5! -K' *' V' *quot; if1quot;*quot;' if'r ie if' *â ' vT' V' sf ⢠-d'' 'â¢gv *â¢
*3.» .r ,)/⢠,r ,M- ,gt; ,gt; ,» . .y- i »'â tM- [-S
BIDDEN. 333
De Armoe, morrende in haar nood,
Leert gy stil de handen vouwen.
Bidden met een vol vertrouwen:
âGeef ons. God, ons daaglijksch brood!quot;
Gij zijt Vrouw en Engel tevens!
Aan uw kranken brengt gij spijs,
Laafnis weduw', weeze en grijs.
En aan allen 't Brood des Levens!
't Woord, die Boom van Edens hof,
Bloeit nu in de schaamle kluizen.
En op 't heidewindje suizen
Psalmen van Gods liefde en lof!
De eenvoud volgt uw vrome zeden,
En vervuld is de avondlucht Vaak van menig stille zucht.
En de geuren der gebeden.
Zalig de armen naar den geest.
Zalig de Engel in hun midden.
Die hen dag op dag leert bidden,
Leert hoe men den Heere vreest.
Spade dekke u 't lijkgesteente;
Gij moogt leven na den dood,
En zacht sluimren in den schoot Van uw biddende Gemeente!
1847.
#⢠*â sf- vf' vf' « â if *⢠' X ' * ' IT' ' iC *' if lgt;.:
, amp; , amp;⢠,amp;⢠, gt;- , ,gt;⢠, »⢠, gt;⢠, y- ,gt;⢠, gt;-334 VREEMDELINGEN.
HOE ZICH EEN DICHTER TROOST.
Probatum est.
Geen goud heeft ooit mijn oog getrokken Dan 't zijden goud van maagdenlokken,
Dan 't purpren goud van d' avondstond; Dan, ryke muze dezer dalen,
Aurora met den krans van stralen!
De gouden rozen in uw mond;
Dan 't bruine goud der beukeblaêren, Het blonde goud der ruischende aren, Het maatgeluid van gouden snaren;
Dan 't heilig goud, dat Liefde en Echt Door 's Bruigoms witbesneeuwde haren
In groene mirtekransen vlecht,
Of â op des voorjaars milde wegen De stroomen van den gouden regen.
VREEMDELINGEN.
DE PROTÃGÃ.
Men heeft met eer en gunst my overladen, Beloofde hulp en voorspraak, gaf mij raden, En riep: âgeduld, geduld maar, wees tevree. Want gij zjjt onze protégé!quot;
jjt ⢠*' â ^ â *quot;' â * ⢠*' â y' -è' â â *'quot; 'â f' â 'â¢
AAN ZEE. 335
Intusschen, ik mocht goed geprotégeerd zijn,
Toch zou ik haast van honger gekrepeerd zijn,
Zoo niet een brave, brave man in 't end Mij had verlost uit mijne ellend.
Een brave, ja! want hij, hij gaf mij â te eten!
Daar zal mijn hart hem eeuwig dank voor weten; Hoe jammer dat 'k hem niet eens kussen kan â
Want ik ben zelf die brave man.
ii.
AAN ZEE.
Mooi visschersmeisje, roei Uw bootje naar het land,
En zet u naast mij neer. Uw handjen in mijn hand.
Vlij, aan mijn boezem, vlij Uw kopje, rust in vreê,
Wees toch niet bang voor mij, Gy zorgloos kind der zee!
Mijn hart is als uw zee !
't Heeft storm en ebbe en vloed; Ook paarlen vindt gij, diep.
Maar diep in mijn gemoed.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
a | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
GETROUWD.
IV.
VERLIEFD,
Mijn lieve vriend, gij zijt verliefd^
Gü voelt een nieuwe smarle; 't Wordt in uw hersens duistre nacht, De dag rijst in uw harte!
Mijn lieve vriend, gij zijt verliefd.
Wat jok-, wat wrok-, wat mok-je ? Reeds slaan de vlammen van uw hart Door uw nieuwmodisch rokje!
337
â¢â k
A â *
GETROUWD.
Zijt gij maar eindlijk eens mijn vrouw,
Dan zal u de aard benijden !
Wij leven pleizierig en teeder en trouw, In 't feestelijkst verblijden.
Ik zal, mijn lief, mijn lam, mijn ooi,
Uw nukken als wetten vereeren; â
Maar, kindlief! vind je mijn verzen niet mooi. Dan â ga ik separeeren.
1861.
(Vrij gevolgd.)
22
_, «â - .» â » â » â * â *â â '*â -t-'J--
338 SLAGVELD BIJ HASTINGS.
SLAGVELD BIJ HASTINGS.
âDeux moines saxons, Asgod et Ailrik, deputes par l'abbé de Waltham, demaridèrent et obtinrent de transporter dans leur e'glise les restes de leur bienfaiteur. Ils allèrent a l'amas des corps dëpouillés d'armes et de vêtements, les examinèrent avec soin 1'un après l'autre et ne reconnurent point celui qu'ils cherchaient, tant ses blessures l'avaient défiguré. Tristes et désespérant de réussir seuls dans cette recherche, ils s'adressèrent a une femme que Harold avant d'être roi avait entretenue comme maitresse et la prièrent de se joindre a eux. Elle s'appe-lait Edithe et on la surnommait la Belle au cou de cygne. Elle consentit a suivre les deux moines et fut plus habile qu'eux a découvrir le cadavre de celui qu'elle avait aimé.quot;
Aug. Thierry, Histoire de la conquête de l'Angleterre par les Normands. pag. 348.
Diep zuchtte de abt van Waltham, diep,
Op de ijselvjke mare:
Uw koning Harold viel in 't veld Met heel zijn heldenschare!
Twee kloosterbroeders zendt hij straks
Naar 't slagveld uit, als boden:
âZoek mij mijns dierbren konings lijk Te Hastings bij de dooden.quot;
De broedren togen zwijgend heen.
En keerden gansch verslagen :
,Hoogwaarde ! 't Lot is tegen ons!quot;
Zoo jammren zij en klagen.
âAch, Bankert heerscht en Harold viel.
De Held, de bloem der braven;
Een rooverbent verdeelt het land En maakt ons volk lot slaven!
*â y â :gt;' y ' -y â .?quot;
.^1.» .» .*⢠.*â .» .*â .» . » .» .* .* .* .Â¥â .* . » .gt; .y .» .» â gt;
SLAGVELD BIJ HASTINGS.
âLord op ons Britteneiland wordt De plompste van die Noren;
'k Zag al een snijder uit Bayeux Te paard, met gouden sporen!
âWee, iedren telg uit Saksisch bloed! â Wiens arm kan ons beveiligen?
Gy-zelf loopt nu den smaad niet vrij Daarboven, lieve Heiligen!
âDat heeft die schrikkomeet voorspeld, â Profeet van booze tijen â
Dien 'k op een bezemstok vol vuur. Bloedrood, door 't zwerk zag rijen!
âHet onheilsteeken ging vervuld In Hastings schrikbre velden ;
Wij zagen daar in slijk en bloed De lijken onzer helden!
âWij draaiden ze om, wü speurden ze op, Wü wroetten in de voren.
Maar vonden 't lijk van Harold niet____
Ach, alles is verloren!quot;
En de abt verzonk in diep gepeins En prevelde gebeden;
Toen sprak hij eindlijk, als ontwaakt Uit droomen van 't verleden:
âTe Grendelfield in 't diepst van 't woud Woont, eenzaam en vergeten,
Een vrouw, die Edith Zwanenhals, De Schoone, werd geheeten;
339
1 *
--ik
'V *
* * *
â¢\
V
A
4 4
'
:i
4, *
*J
:«,
*]â *' ' * ' * '' â '' ~.''r
y y
340 SLAGVELD BIJ HASTINGS.
âWant Ediths hals was blank en slank, Gelijk de hals der zwanen;
Uw koning Harold had haar lief, Met kussen, eeden, tranen.
âHij had de jonge schoone lief, Hü zwoer haar steun en trouwe;
Toen â zestien jaren is 't geleên â Verliet hy de arme vrouwe____
âOp broeders! maakt u ijlings op,
Naar Ediths schaamle woning.
De blik dier vrouw herkent in 't veld Het lijk van Englands koning.
âDe abdü van Waltham zal dien schat Met dankbre liefde ontvangen.
Hier wacht den held een Ghristlyk graf Een zielmis en gezangen.quot;
En 's middernachts voor de arme kluis Klonk reeds de stem der boden:
âOntwaak, o Edith Zwanenhals !
En volg ons naar de dooden.
âDer Noren Hertog zegeviert.
En, met zijn honderdtallen
Van helden is, in Hastings' slag. Ook Englands vorst gevallen.
âVolg ons naar Hastings, volg om 't lijk Van Harold op te sporen.
Dat wij 't in Walthams heilige aard Begraven naar behooren.quot;
SLAGVELD BIJ HASTINGS. 3il
Geen woord sprak Edith Zwanenhals En volgde zwijgend. Over
Haar slanken hals golft grijzend haar: De nachtwind fluit door 't lover.
Zij volgde barvoets, de arme vrouw, Door poel en woud en hagen;
Het krijtgebergt van Hastings ryst Van ver by 't uchtenddagen.
De damp â een witte lykwaë â die Het veld had overtogen,
Trekt op. De kille najaarszon Stjjgt somber aan den hoogen.
Naakt, uitgeplunderd, half ontvleescht, By stapels en by dijken,
Ligt daar op aard een duizendtal Misvormde menschenlijken.
De grond was als met bloed doorweekt; De riffen van de paarden
Bedekken 't gruwlyk moordtooneel, De splinters van de zwaarden.
En 't raafgebroed vloog fladdrend op, Dat zich aan 't aas vergastte,
Als barvoets Edith Zwanenhals Door 't zijplend bloedbad plaste.
Zij klauterde over lijken heen; Als gloênde pijlen vlogen
De blikken vorschend, vreeslijk ver. Van uit heur puilende oogen.
*3. gt; . gt; ,?⢠â gt;- ^ ,gt;' .gt;' ^ .gt;-[^
342 SLAGVELD BIJ HASTINGS.
Zij staart, zij speurt, zij kruipt in 't rond,
Zü doet het roofdier vluchten ; De kloosterbroeders volgden noó,
Maar struikelden en kuchten.
Zij zocht den ganschen, langen dag;
Reeds kwijnden de avondstralen. De boden schudden 't hangend hoofd En poogden aêm tc halen.
Maar plotsling over 't slagveld heen Barst uit dat vrouwenharte
Een gil--wild schieten raven op!
Een kreet van liefde en smarte.
*
*
*
*
*
n i
?T*-- ⢠J1 *quot;
Daar â in een stapel lijken mocht Zij 't dierbaar lijk ontdekken!
Een gil--zij zwijgt, zü schreit niet â rr
Zij kust die bleeke trekken.
Naast Harold zijgt zij neer op 't veld â
â Een schrikbre liefdesponde:
Eu kust op 'skonings breede borst De half gestremde wonde.
Intusschen haastten zich de boön
Met takken saam te voegen Ten baar, waarop zü 't vorstenlijk Naar 't klooster henendroegen.
%
* *
ü *
*
1
.*gt; . è^ â y- .y- â gt;â¢
SNEEUWKLOKJES.
En Edith, als zij 't overschot
Voor 't laatst ten afscheid kuste,
Volgde onvermoeid heur Harolds baai-Naar Walthams heiige ruste.
Zij zong, al gaande, een kind zoo vroom. De litany der dooden ;
Dat klonk afgrijslijk door den nacht--
Zacht prevelden de boden.
343
Ã, *
*
1851. (Naar Heine.)
SNEEUWKLOKJES.
(Voorrede van een bundel Poëzie, onder dezen titel verschenen.)
De Lente komt, do Lente komt.
Al sluimren nog de velden.
Ons kwam een bloempjen uit dc sneeuw Die zoete maar vermelden.
Sneeuwklokjes, blinkt.
Sneeuwklokjes, klinkt.
Sneeuwklokjes, luidt op den winterschen akker Lente met duizende bloemekens wakker!
Dees ruiker poëzie ontlook
Met d' eerst'ling onzer velden:
Dat, lieven, ook haar bloemen u Een schoonen dag voorspelden!
*â lt;â «quot; *â ^gt;' â *' â *'K
lt;5 *,
*1
3 *,
*
* *
«J
sj
gt;K
*
S* ».
5» *
*
gt;Sgt; 5
»'⢠. ,gt;'⢠. »'⢠, 9' , . gt;'⢠, èr__. 0- . , a- , gt;'â , gt;'⢠, gt;' , gt;'⢠, , y- . . gt;'⢠[*'
344 LIEFDEKLACHT.
Sneeuwklokjes, blinkt!
Sneeuwklokjes, zingt!
Zingf, op der harten nog sluimrenden akker,
Rozen der liefde in de lentezon wakker!
De Lente komt, de Liefde volgt,
Gy lieven en gij blijden!
Ziet daar de profetie van 't lied.
Dat wjj u hartlijk wijden.
De Lente koomt,
Het meisje droomt...,
O spel toch iets zoets aan haar blozende wangen. Gij bloesems der liefde, gij dichtergezangen.
,4 1853.
it
LIEFDEKLACHT.
Als de vogeltjes zich paren,
Aanstonds deelen zij hun nest. Zonder zorgen of bezwaren.
Zonder kommer voor de rest.
Ach, of in der linden kronen.
Als de vogeltjes zoo vrij.
Ook twee menschjes mochten wonen. Arme menschjes, lieve, als wij!
(RÃCKERT.)
vf ' vf ' -jf' ' â¢* ' ⢠' ' -.f' v? ' * ' vf -.f' irr if' i(' it' i(' it' it' it' ' t*;
, y- __^ï- . Jj»'- __, ,è'- , 6r , â '- , â¢'⢠, â¢â¢ , o- ^ , *'⢠*â¢.
DE IIEEU IS HAAR HERDER. 3i5
DE HEER IS HAAR HERDER.
Dc Heer is mijn Herder: mij zal niets ontbreken.
Hij doet mij nederllggen in grazige weiden.
Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren.
Hij verkwikt mijne ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid.
Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vreezen.
Der vrome Herder was de Heer!
Hij liet haar niets ontbreken,
Hij had haar tachtig jaar geleid In 't spoor van zijn gerechtigheid,
Aan stille beken.
Hij had haar ziele staag verkwikt
In klaverrijke weiden:
Maar of Hij gaf dan of Hij nam,
Zij bleef haars goeden Herders lam En â liet zich leiden!
Als weduw was ze niet alleen,
In nooddruft niet verlegen;
En ging haar pad langs menig graf,
Haar troostte 's Heeren stok en staf,
Op deze wegen.
Haar leven was een lang akkoord Van stil geloofsvertrouwen;
? ' -f ' ' ^jip Tin .a'1 â¢Â«quot; ⢠o .⢠~ o .* ~ c â Jt' .i-7quot;
.,y ,» .a- ,gt; ,y- .,» .y^ .» .a- .*
DE HEER IS HAAR HERDER.
Een liefelijke wedergalm
Van's Herders zachten vredepsalm, ' In vreugde en rouwe.
Die psalm â het was haar pelgrimslied Op 's levens lange reize;
Ook nu, ten dierbren tempelgang
Misschien â haar stille zwanenzang,
Haar zielsgepeize.
âMijn Herder was der Heeren Heer; Ik ben zijn deel gebleven.quot;
In iedren trek van 't vroom gelaat,
Kalm van geloof en hope, staat Dat woord geschreven.
Stille ootmoed, die daar schromend wacht Op Gods gewijden drempel,
De Heer, in Wien gij hebt vertrouwd,
Heeft in uw hart zyn huis gebouwd.
Zijn eeuwgen tempel.
O, gryze vroomheid, lang beproefd, O, heiige, eerbiedwaarde!
Gij wordt gekroond reeds in den tijd;
En de avond van uw dag vol strijd Straalt vrede op aarde!
Met eerbied, naar uw buigend hoofd Ziet om het oog der reinen;
Uw kalmte leert, uw hope sticht.
En spreidt een glans van hooger licht In 't hart der kleinen.
1863.
34G
A
Si *
*
«l A
3
' 1 â ⢠' y y ifr
5]
i.
. â »- . »â . y- . . r- . ^ . y- ,,*1, gt;â . »
*â , r . y . *â¢
TER HERINNERING.
BEDE.
Dat mij Uw licht voor 't duister oord bewaar', God, waar één dag gelijkt als duizend jaar! Geef, dat ik eens die woning tegenlach',
Waar duizend jaar gelijk is aan één dag.
1866.
TER HERINNERING.
(Aan D.s. H. van der Leeuw, te Delft, na de Gedachtenisviering van zijnen vijfentwintigjarigen Evangeliedienst.)
âMijn broedren, laat ons saam den ééngen naam verhoogen ;
Mijn vrienden â maakt met mij den God mijns levens groot!quot; Hoe lieflijk heeft uw hart, in 's Heeren tempelbogen.
Ter Hoogtij uwer ziele, ons met dien psalm genood !
O, 't was ons goed met u te denken en te danken.
Ons harte kreeg u lief bij 't welgesproken woord!
Dat was geen vroom geruisch van jubelende klanken.
Het was een rijk geloofs-akkoord.
Een taal der ziel, van God gehoord!
Ons harte kreeg u lief, toen Ge over tal van jaren.
Niet vreemd aan strijd en kruis en onverslijtbren rouw.
347
ir^^r~ir~Tr~ir'ïr~7rl^;[r
vf' â *' iT' iC
.-*â .gt;'⢠â gt;'â ,gt;'â ,gt;â ,^1
M
,gt;- ,gt;'â ,gt;â , gt;â ,gt;'â
IN MEMORIAM.
A *
348
Den blik van uw geloof liet waren,
En met ontroerde borst ons krachtig kwaamt verklaren, âIk moet, ik wil, ik kan slechts roemen in Gods Irouw!quot;
Zijn zegen ruste op u: Zijn zegen, in den zegen.
Dien ge andren brengt, het meest! want die is groot en goed. Wees lang nog menigeen op 's levens duistre wegen Een welbeproefde boo van Hem, die troost en hoedt, Zoo â als ge in 't feestlijk uur ook waart voor ons gemoed!
23 April 1855.
STRIJDLEUZE.
Strijd mee in onzer dagen strijd!
Maar met uw leven, wandel, werk.
O zeg____ niet wat uw mond belijdt;
O zeg____ niet van wat naam of kerk.
Maar toon van welken geest gij zijt!
185(5.
IN MEMORIAM.
(Een Gedicht ter Nagedachtenis van Abraham des Amorie van der Hoeven.)
Ik stond op 't kerkhof niet in 't plechtig uur der rouwe. En kwam niet schreien met de schaar.
Zich dringende rondom die vaderlijke baar____
Toch ik begroef Hem ook met eere, liefde en trouwe! Ik ben dien morgen in den geest.
1
*1* ' vf
v? â ' * * ' it'
V
â¢yl , ir- , è'- #- , #'⢠. , èquot;- . . »⢠. â¢â¢ , . .»'⢠, 0- , a' . l*' quot; - ^ ââ---|i.
IN MEMORIAM. 340
Wel waarlijk bij dat graf geweest,
En strooide ik op zijn asch met sidderende spade
Geen handvol kerkhofzand... mijn diep verslagen hart Bracht eenzaam Hem dat uur het offer zijner smart,
Want Hij was ook mijn liefde en kroon door Gods genade.
Ach, pas zocht ik de rust aan onzer duinen voet.
En schoon wel menigwerf, als de avondzonnestralen Weemoedig lichtten door de dalen,
Ik aan die kranke dacht, een huivring in 't gemoed,
Nog bleef een star der hope blinken,
En ver waande ik den slag, die ons in rouw deed zinken.
Nog vurig steeg de beê ten hemel, of de lucht Dier bergen, naar wier top Hij de oogen hield geheven
Met stillen, vromen psalmenzucht,
't Gesloopte lichaam bloei en veerkracht mocht hergeven...
Toen plotseling, vreeslijk, onverwacht.
Van mond tot mond, de maar met beving werd vernomen,
O oude Rh\jn, dat ge op uw stroomen Zvjn lijk aan Holland wederbracht!
Zijn lijk? ... een lijk, die Man vol geest en kracht en leven! Verstomd die gulden mond, wiens stemme, schoon en groot. De stichting en den ernst gebood,
De ziele ontwaken deed en 't stugst geweten beven!
Verdord die hand, wier stil gebaar Een luistrend oor gaf aan de opeengedrongen schaar!
Versteend die borst, die bruiste en gloeide Van rein en krachtig pinkstervuur.
Of uit wier diepe bron de schoone tale vloeide
Van waarheid, eenvoud en natuur!
Gezonken 't wijze hoofd, dat wij onmisbaar achtten,
In schaduw van wiens breede kroon,
De school der vrijheid bloeide en praalde rijk en schoon;
De liefde en roem van twee geslachten!
â¢â¢] -jf' -ff' TiT- ' -f ' jf' .4 ' ' â¢* ' yquot;1 ' '.ff*
.» .Â¥â .gt; .gt; .* â â » .»'â â * â » 350 IN MEMORIAM.
Ja! zondaar was zijn naam als de onze. Hij was stof! Hij had zijn deugden en gebreken ...
Maar Christus zal zijn oordeel spreken,
En ons voegt bij zijn graf slechts dankbre liefde en lof. Hij heeft een vollen dag gewerkt, geleefd, geleden,
Gelouterd door zgn God, den goeden stryd gestreden; In rijken geestesbloei, in groote reednaarskracht,
Bewaard door bijna zestig lenten,
Gewoekerd met zyn tien talenten,!
En wèl ten einde toe zijn eedle taak volbracht.
Hij was voor velen veel. En zoo een volk in rouwe
Den achtbren doode viert, als om zijn asch vereend,
't Weet ook, waar stil voor God, een traan van eeuwge trouwe Den zalige, wordt nageweend ...
O, Vaderlandsche Kerk, gij hebt uw kroon verloren;
Hij, onze glorie in den Heer,
Was ook uw sieraad, liefde en eer,
En 't zaad door Hem gestrooid viel weligst in uw voren. Gij hadt Hem lief, den Man, die gaven, kracht en vlijt Eén werk, zijn leven lang, Verbroedring, heeft gewijd;
Wiens aêm verzoenend blies op 't vuur der oude veeten. Die midden in den strijd, een held des vredes, stond,
En rein Gods liefderaad voor allen heeft verkond,
Naar 't goede recht van 't goed geweten!
De hand op 't eeuwig Woord, zijn wijsheid, troost en licht.
Ons wijzende op zijn schoone leuze:
âEén is de Meester,quot; steeds het strijdwoord zijner keuze; Den blik op 't eenig kruis gericht.
Gij hadt Hem lief, gelijk uw eêlste, uw beste zonen,
Den Christen, die armijnsche faam Wiesch van haar smet, en, rein, met nieuwen glans mocht kronen
Tot eer van de' eeniggrooten Naam.
Wiens woord, dat wijzen trof en kinderkens ontroerde,
â jf' ' vf ' - ⢠' V®'' â #' T*'' â ïr^trr â¢*' 'jf' â gt;?quot; if' if' 'ff' if'
.*],» .» .» .*â .*⢠.*â .* .» .» ,» â gt; .» .» .»â
IN MEM0R1AM. 351
De ziele aan stof en aard en school en strijd ontvoerde,
Omhoog in ruimer lucht, omhoog naar reiner sfeer____
Zoodat partijgeest vlood, neen, luisterde aan den drempel.
Daar in de stilte van den tempel De Geest getuigde: hoort, âHü zegt van aller Heerlquot;
Want machtig, minlijk en verheven,
Profeet der Toekomst en Apostel van zijn tyd.
Zoo stond Hij trouw in kerk en leven Man van geloof en liefde en hope in eiken strijd.
Ook heeft zijn groote naam der menschen roem genoten____
Te veel, te veel misschien, o dienaar van den Heer!____
Maar hij had lof van God bij 's werelds ijdele eer.
Zijn woord... het was de zalve, aanbiddend uitgegoten! De narduszalf der schoonste taal.
Vervullende de tempelzaal Met geuren van geloof en liefde en vrede en zegen, Als ruischende over 's Heilands voet;
Of hulde van een rijk gemoed.
En heerlijke offerand, ten hemel opgestegen!
't Was zijner schoone ziel ontroerend liefdeblijk,
Het was des hemels schat in dequot; eelsten vorm der aarde____
De Kunst heeft ook haar recht en Schoonheid heeft haar waarde In onzes Heeren koninkrijk!
Maar zij is meer dan kunst, die streelt, verrast, betoovert. Die hemelgaaf van 't woord, dat heilig, ja! en schoon Ook van Uw lippen viel, volmaakte Menschenzoon! Het woord, dat in Uw naam het menschenhart verovert. Welsprekendheid is deugd. Haar blijvende eerekrans Bloeit slechts om 't hoofd des braven mans.
Want diep in 't hart alleen wordt taal en toon geboren Dier Christenprofetie, die stille wondren doet,
En als de waarheid dringt in de ooren,
Als Evangelie in 't gemoed.
Vf] â *' *' *' if' â ' ' 'â¢*'' â¢â¢â¢ ' â¢.? ⢠* ' ' -.fquot;'-.* ' ' â ,» quot; â jTquot;*' iC -X' *
.'â¢], Mquot; . .»⢠. .jf' , p- , amp; , amp;⢠, ^ . *⢠. .y . ^ ^ ^ t ^ i ^ . y- . y' fquot; . -^ . ^
IN MEMORIAM.
Die man, hij heeft geloofd; dies heeft Hij wèl gesproken!
Geloofsdaad was zijn woord; geen kunst maar liefdewerk;
Ik eer die lauwerkroon; zy is bij 't kruis ontloken En zij droeg vrucht voor Jezus1 kerk!
O Kerk, o Land, uw roem zaagt gij ten grave zinken, â¢â¢
Wij dierven meer dan roem en kroon, *
Meer dan een hoofd vol schats, een stem vol ziel, wier toon * Nog om ons buigend hoofd vermanend schijnt te klinken. [*
Ja meer! ginds volgde een groote schaar,
Beroofd, bedroefd eens vaders baar.
Hij was de liefdeband, die allen hield verbonden,
Hij was een goede geest voor heel dien dankbren kring.
Die aan zijn gulden mond, neen aan zijn harte hing.
Daar elk een plaatsje had gevonden.
Want Hij droeg ons op 't hart, ons heil, ons werk, onze eer Wij waren al zijn zorg, zijn liefde en welgevallen.
En, schoon Hij veel mocht zjjn voor allen,
Toch was Hy de onze, trouw en teer!
Zijn plaatse is ledig: zacht heeft God hem weggenomen : Ontzettend klonk de mare in 't rond.
Elk voelt, een plaatse is leeg op vaderlandschen grond. Een eerplaats in de rij der wijzen en der vromen ! Een koning stierf, die 't hart beheerschte met de taal, Verheven, zonder tooi of praal.
Welsprekendheid, gij Godgewijde,
Een plaats, een troon in rouw staat ledig in uw koor, Omringd van jongren wien dat voorbeeld riep ten strijde. En 't âonherstelbaarquot; ruischt de stille rijen door. âWie, Hem gelijk, wie zal ons leeren en vermanen?quot;
Klaagt zijn gemeente, een schaar van duizenden, alom. Zijn plaats is leeg in 't heiligdom!
En âleegquot; weergalmt ons hart, vol hulde, liefde, tranen....
_________________________r
y y y y y1 y y' â «quot; â¢*''
1 352
IN MEMORIAM. 353
Dus peinzend, dwale ik om, nu door mijn eenzaam dal, En voor mijn geest met stiller glans, in reine trekken.
Verrijst zijn dierbaar beeld en volgt mij overal.
'k Herdenk zijn leiding en zijn lessen en gesprekken.
Zijn woord, in jonglingsstrijd, vaak weldaad voor mijn hart. En voel mijn liefde en peil mijn smart.
Straks, waar mijn hoofd zich buigt, verzonken in 't verleden,
Herinnert zich mijn ziel haar beste levensuur.
Als Hij tot 'sHeeren dienst mij wijdde met gebeden.
Hij nog vol leven, kracht en vuur ...
En zachtkens om mij heen hoor ik een stemme fluisteren:
,0 pleng dien doode, gij, uw besten tranenschat,
Hij, trots uw dwaze jeugd, die niet, altijd wou luisteren. Hij heeft ook u wel liefgehad ...quot;
En 'k stond op 't kerkhof niet in 't plechtig uur der rouwe. En kwam niet weenen met de schaar,
Zich dringende rondom die vaderlijke baar.
En bracht hem niet voor 't laatst het offer mijner trouwe! O stil, mijn hart ... verhoogde geest,
Gij weet, gij weet nogtans, mijn liefde is trouw geweest. Ik volgde uw lijkbaar niet: ik zal uw voorbeeld eeren; Uw woord, uw beeld, uw geest, leeft diep in ons gemoed,
o Gij beweende Man, in 't koninkrijk des Heeren,
Zoo groot, zoo liefdrijk en zoo goed!
Bloemendaal,
2-7 Augustus 1855.
7] -jf ' -jf' â¢Â£'' ' .m ' .0 ' -o ' -⢠' â £ ' ' vj» ' -j» ' â¢* ' 'ja ' vf ' ^0 ~ïfn if
23
gt;-]. gt; . gt;⢠.y- . gt;gt;⢠â gt;' . gt;- . gt;'-
VASTHI EN ESTHER.
ONDERVINDING.
Ziot hoe het te allen dage Geweest is hier beneen, Het wordt, schoon 't u mishage, Nooit anders, naar ik meen.
Ja, 't was, zoo overlegt gij,
Nooit anders â maar het moet Toch anders worden, zegt gij ... En ... 't Blijft op de' ouden voet.
ïè, *,
A ïfc
ïó. *,
5^
354
(llUCKEUT.)
VASTHI EN ESTHER.
De trotsche schoonheid meent te slaan.
Te heerschen door haar macht.
Doch zal haar troon en kroon vergaan, Zij staat en â valt veracht.
De teere schoonheid buigt en heelt,
En spreekt ootmoedig, zacht.
Doch 't woord dat van haar lippen zweeft. Voert koninklijke macht.
Kort bloeit de kroon der hoovaardij.
En valt in éénen nacht. Der teedren is de Maatschappij, Der zwakken is de kracht.
1856.
' -iC â *' â¢* ' it' â¢*'
.y- ,.* , .gt; â gt;'
-i MOEDERS GllAF.
355
MOEDERS GRAF.
Wel hem, wien God in 't vluchtig leven Een vrome moeder heeft gegeven,
Want wie kan twijflen op haar graf?
v. d. Hoeven Jr. naar Lamahtine.
1 gt;4
â â :
A
Waar rijst, uit twijfel, zonde en smart, Altijd, met diep gelooven.
Een ongeloovig menschenhart Weer stille en rein, naar boven?
't Is bij het graf der vrome vrouw, Die 't eerst ons hart bewaarde!
Begraaft gij uwer moeder trouw Toch met geen handvol aarde.
Daar kan geen twijfel, die verleidt, Des harten drang verhinderen;
Het kinderoog ziet de eeuwigheid En mannen worden kinderen.
1
.â quot;I
i 1
1857.
*
v *
*
*
*,
51 -jf' lt; ' it' 'Wrir' â -.C' â *' â *'
â lt;' y' vfquot;
JL-Jt^JL.
356
HET WONDERKLOKJE.
AAN MIJN ZOON,
OP DEN DAG ZIJNER BEVESTIGING.
Gij hebt aan 'sHeeren disch gedronken heilgen wijn. Drink ongewijden Ihans! Ook die moet heilig zyn. Ontwijd de gave nooit; wees matig te allen tijde!
Gij ook zijt frissche wijn; och, dat u niets ontwijde! Laat in uw edel bloed geen onrein dropje vlieten, Dat we in uw aanblik steeds, als heden, rein genieten.
(rückert.)
ïfc
ïi, â
* *
DE WARE GODGELEERDE.
Geen Godgeleerde is hij die God leert, hoe Hij wezen En wat Hij werken moet, of doen mag al dan niet,
Zoo zijn er! Neen, maar hij, wien God leert Hem te vreezen In liefde, en blij te doen al wat Zyn wet gebiedt.
1858.
31 *,
â â¢i
a, *
3
3
HET WONDERKLOKJE.
^ (Kijmpje, ten gebruike in 't gezellig verkeer aan mijn vrienden afgestaan.)
y -
Ik wou, ik wist een kunstenaar, * Die mij een klok verzon.
Een klok----een klok van zessen klaar!
*, , Die ik gebruiken kon.
*,
*j*quot; *quot; v«quot; y *quot; *â ' y -y â¢.?quot; v«quot; y:
.,» .gt;â â .y .» .» ,» .» .*â .y ,» gt; ,gt;â .? ,» ,gt; HET WONDERKLOKJE. 357
Een klok met list en wijs beleid,
Een uurwerk van genie,
Gevoelig voor gezelligheid,
Vol stille sympathie.
Een klok, myn vriend, die nooit te laat
Het dierbaar uurtje sloeg.
Dat van uw bijzijn mij ontslaat.
Want gij plakt lang genoeg.
Een klok, o man van hart en geest,
O liefelijke vrouw,
Die nooit te vroeg op 't huislijk feest Me uw bijzijn rooven zou.
Die nimmer met heur schelle taal,
Zoo onbeschaamd, zoo ras Ons rijk gesprek, uw zoet verhaal Kwam storen zeer te onpas.
ai..» .y-
*
A *
A *, A
â â k A
Maar ach, ze vinden, vinden uit
Vast wonderstuk bij stuk;
Doch waar ik dees mijn wensch beduid, Wordt elk genie een kruk.
Men glimlacht om den dwazen wensch.
Men wijst mij spottend na,
Men zegt: Zoo'n klok! dat kan geen mensch, Al heet hij Josua.
Intusschen gaat het leven voort.
Vol strijd en vol gemis,
Gedurig wordt de rust verstoord.
Het blijft â zooals het is.
*â â -y * â y ie â R
*],gt; ,» .» ,» ,» .)/. ,y- ,» ,gt; ,y ,» ,gt;â¢- .y ,,»
358 koosje.
*
à y
\
*
De klokke slaat: de plakker plakt En rooft m\jn tyd, och Heer!
De klokke slaat; de vreugde pakt Haar biezen, keer op keer!
Mijn vrienden rooven mij den tijd, Dien rykdom, ras verteerd;
De tijd maakt mg mijn vrienden kwijt, Wier omgang troost en leert.
Daarom, tot zich mijn wensch vervult, ('t Is mooglijk mettertijd I)
Zoo berst mijn hart van ongeduld En klaagt van leed en spijt...
Ach, waar' mijn lied vol dwazen jok. Toch duidelijk genoeg,
Dan nu voorloopig maar de klok, Die, plakkers, u verjoeg.
Mocht ook mijn lied het klokje zijn Dat wonderlijk genoeg,
f' *
amp; * * * * * f * *
* * *
* *
A *
y * * *
â¢â v
â â¢s gt;
=v *
ü, *
=4.
*. A =V
O vriend, u boeide aan 't klein festijn Als waar !t nog bijster vroeg.
KOOSJE.
Op 't kleine dorp en ver in 't rond
«i
ïi,
if'
Kent ieder Juffrouw Koosje, En jong en oud om 't liefst verkondt Den lof van 't Geldersch roosje.
* * * *
ïf7!*
y y â *quot; ir
1,^ , gt;â¢- ,gt; .» , gt;â¢â , .»
^ â gt; â 1 â¢*⢠â â * â » t*'-
KOOSJE.
De mooie Juffer is zoo goed;
Een ieder ziet haar geerne,
Haar doopnaam klinkt den grijsaard zoet, En zoet der kleinste deerne.
De vriendlijkheid lacht uit haar oog!
Schoon rijk en hooggeboren,
Zij draagt het lieve hart niet hoog. Do eenvoudige uitverkoren.
Haar milde hand, uit de' overvloed,
Weet wèl en wijs te geven;
Maar rijker is haar frisch gemoed Vol liefde, geest en leven.
Zij heeft voor elk een woord, een blik;
Haar lacht het schuchtre koontje; De stumper, by haar gullen knik,
Denkt in zijn hart: God loon 't je!
't Boerinnetje blikt gansch bekoord
Haar dikwérf na, een poosje;
Als Brecht van englen leest in 't Woord, Dan denkt ze aan Juffrouw Koosje.
't Is vreemd, daar kan geen ruwe knaap
Haar zachtblauw oog verdragen;
Maar Trientje toch, dat schichtig schaap! Geeft antwoord op haar vragen.
Ook heeft ze een toon, ook heeft ze een slag
Om ieder toe te spreken.
Dat vaak haar woord iets meer vermag, Dan Hellenbroek zijn preeken !
359
4
*
H *
*
a, *
*
a
*
* * *
4. *
A, *
A, A
*
1 *
1
*^r
. â V 360
. y- , ^ . «â _gt; . t- . gt;â¢-
i y , *â
quot;ne
KOOSJE.
Haar stemme vindt een open oor,
Zelfs by verharde zinnen â
Waar Dominé zijn tijd verloor Mocht Koosje nog verwinnen !
Want niemand is zoo lief als zij, Zoo nedrig en welmeenend;
Rijk hartje, met de blijden blij.
Met al die weenen, weenend!
Waar zorge drukt, waar armoe schreit, Daar komt zij aangevlogen.
Een zuster van Barmhartigheid, Met vrome, vriendlijke oogen!
Een Heer oom wist niet hoe hij 't had Toen Koosje in 't arme huisje
Laatst knielend met hem medebad Al maakte ze ook geen kruisje!
*
*
*-â
Maar wie is 't Koosjen, in dit lied
Zoo teederlijk geprezen ?
Zij moog voor u ('k verklap haar niet) Een beeld der liefde wezen!
.*â *
a
*
*
P' P'
m'
1858.
it ' -ff ' â¢Â£' 'H 'quot; m' .0 â
. y- . y- .» . y .» .» ,y . y- .» . y- .» . *â¢â . »â .^ â¦' â ^
Mme DE LA VALUERE.
MME DE LA VALLIERE.
Cette petite violette, qui se cachait sous l'herbe, et qui était quot;honteuse d'etre maitresse, d'etre mere, d'etre duchesse â jamais il u'y en aura sur ce moule.
Madame de Skvignk.
O, Gij verdiende een beter deel Dan, in het drama van dit leven,
U op haar schitterendst tooneel Een schoone wereld heeft gegeven ! Een beter deel, een reiner lot;
Al beidden glorie en genot U in haar rijkste tooverdreven;
Al schalde een tijdlang van uw lof Europe's glansrijkst koningshof;
Het hof van riddren en genieën, Die â wijzer nageslacht ten spot â Uw jongen Minnaar, als hun God, Aanbaden met gebogen knieën;
Al tuigden van uw zedig schoon Der kunstnaars kunst, der dichtren loon, En 't valsch benijdend hofgefluister! O zachte maagd en â eedle vrouw,
Uw hart vol ootmoed, liefde en trouw, (Te goed, te rein voor zulk een luister) Uw needrig hart verdiende méér Dan al dien glans van macht en eer, Die nooit uw zachtblauw oog bekoorde En slechts uw zielevreê verstoorde;
Meer dan dien rang, die kroon, die zwaar
,-r jj-r y- if if! *â¢
3G1
.^,.y .a- .» .» , » .» ,»â ,y- .y . » .gt;- . y- .».»â . y . ^ jg
362 mme de la valliere.
U drukte op 't zilverblonde haar;
Meer â dan eens wuften Konings minne,
Die â zegt een teer historieblad U, zijn zachtmoedige vriendinne,
Alleen oprecht heeft liefgehad Van al zijn schittrende boelinnen...
Doch straks in nieuwen roes der zinnen.
Voor een wier fierheid wou verwinnen,
U op het brekend harte trad!
Helaas! dat ooit uw zachte naam Zich mengde met diens Konings faam!
Ach, Gij â 't viooltje, liefst verscholen.
Verscholen op den rand van 't bosch,
Het blonde kopje in 't zedig mos â
Wat deed u, lieflijke, verdolen Op 't hoog en vorstelijk terras.
Daar 't zonlicht u te schittrend was?
Wat Noodlot deed uw boezem beven.
En 't hoofdje u zinken op de borst.
Door smart en weelde voortgedreven.
Toen daar, een jonge, schoone Vorst â
Een zon, met koninklijke stralen.
Die prachtig oprees aan den trans.
Doch spoedig tanen zou van glans.
Om straks in nevelen te dalen!
Toen Frankrijks afgod, lust en roem Uw oogen trof, o stille bloem?
Wat noodlot roofde uw jeugd haar vrede,
Uw reine ziel haar eêlsten schat.
Verwon, vervoerde u, sleepte u mede.
Gelijk de bergstroom 't rozenblad?.,.
't Was Liefde, heiige Vrouweliefde,
Geboren ter onzaalger uur.
Doch als nooit edeler natuur Of nederiger boezem griefde
.f- .*â ..V- .*â .* .*⢠.y ,gt;â .gt;-â ,gt;â â gt;- .» ,«â¢â ,.*â¢â ,gt;â â gt; .»
Mme DE LA VALL1ERE.
En straks verteerde door haar vuur!
't Was Liefde in al haar teederheden,
Met al haar onweerstaanbre macht, Als nimmer in dat wuft verleden
Een reiner' heeft ten val gebracht!
't Was Liefde, die voor rang noch weelde, Der onschuld frisschen krans verspeelde. Die slechts den Minnaar in den Vorst Beminde uit fel getroffen borst;
Die voor het ruischen en het gloren
Van rang en aanzien, macht en faam Met wien heur ziele mocht behooren Een woestenije had verkoren.
Een reinen â schoon vergeten â naam! 't Was Liefde, teeder en verheven, Van zelfzucht, eerzucht, hoogmoed vrij.
Vol ideaal en poëzij â
Toch schuldig! Liefde, die uw leven Verwoest heeft; die uw rein gemoed Deed blaken in verboden gloed,
Door strijd en weerstand slechts gevoed U zalig en rampzalig maakte â
Tot ge uit uw schrik'bren droom ontwaakte, Een Magdalena aan Jezus' voet!
O Liefde en Hartstocht, Liefde en Zonde! Waarom noodlottig op deze aard Zoo menigwerven gij â gepaard,
Het reine hart, de heiige sponde
Onteerend, Edens lentegaard Vernielend in een wreevle stonde?
O teedre Minne, bron van goed.
Van gaven, deugden, heldenmoed.
Waar, waarom is de onheelbre wonde. Die gij vaak de eêlsle zielen slaat.
363
üi *
* *
=â¢, *
*
4,
V *
*
*. *
:i *
)i
*
* *
*
â «
A
*quot; -4' *quot; â *quot; *quot; if' *quot; if*'' *â ' 4' *quot; *â '
è
_⢠^ â *' » â *' , amp; , Mquot;
Mme de la vallière..
Ook als de slangenbeet van 't kwaad; De slangenbeet, die 't bloed in de aêren
Vergiftigt en de teedre borst â (Wat stervling kan zijn hart bewaren!)
Ontsteekt in doodelijken dorst?
O liefde, ons tot een troost gegeven,
Een licht in 't duistre menschenlot, Een vriendlijke Engel, gij, van God, Die onze woning, onze dreven Met paradijsgebloemte siert,
Die onze schreden steunt en stiert. Ons veilig draagt door 't moeilijk leven â Zijt ge ook een satansengel, die 't Hoofd met een krans van poëzie Getooid, betoovrend vuur in de oogen, Met onweerstaanbaar alvermogen.
Trots deugd en strijd, de zwakke vrouw Verrast, vervoerd, zich-zelf onttogen!
Stort in den poel van zonde en rouw? En â moest ook de edelste van allen. Die ooit in fleren minnaarsgloed Een heerscher zag aan haren voet.
Als 't offer dezer wreedheid vallen.
Bezwijken, met nog strijdend hart. Verscheurd door liefde en schaamte en smart ? .. O Lelie, wie het noodlot smette.
En bloeme, wie de dwarlwind sloeg.
Wier liefde en rouwe ons 't hart ontzette
En tranen slechts van deernis vroeg: Welaan, zoo mogen kloeker vingeren
U teeknen met het merk der schand. En steenen u naar 't voorhoofd slingeren
In farizeeschen gloed ontbrand â
/ ,y .» .y .y
' 3G4
* â¢=
f * *
Doch, om geschonden deugd Ie wreken. Wie, over dit gebogen hoofd.
y *'
MME DE LA VALL1ÃRE.
Schoon van der onschuld krans beroofd, Wie durft, wie zal het ,schuldigquot; spreken
Niet wij â doch zij 1
De minnaresse.
Wier zwakheid de ondeugd slechts bespot. Die óns wel offer scheen van 't lot, Der Liefde groote martlaresse â
Zij vraagt, voor menschen en voor God,
Geen naam dan die van â zondaresse!____
0 stille deernis, pleit haar vrij !
Eisch voor dit beeld van liefde en smarte De schatting van het peinzend harte!
Laat, zachte Kunst, laat, Poëzij, Uw vriendlijk licht, uw milde stralen Op deze blonde lokken dalen!
Kroon, kroon het offer met uw krans. Bedek haar smetten met uw glans, Zeg ons haar lijden en haar wonden.
Haar eedle ziel, haar rein gemoed. Verheerlijk ons haar teedre zonden En haar verboden liefdegloed....
Doch zij, de vrouw aan Christus' voet. Heeft beetre dingen te verkonden!
Zij â 't oog noö opslaande in Zijn licht Heeft zelf haar vonnis uitgesproken,
En uw onschendbren eisch gewroken, 0 heiige deugd en heiige plicht! In 't onomkoopbaar zelfgericht.
Met al de rechtheid van 't geweten,
Dat vleitaal noch verzachting duldt. Dat kan verschoonen nog vergeten
En rust vindt in 't besef van schuld! Zij â toen haar star had uitgeblonken, En straks, aan gloên^er minnelonken.
:*1. Æâ . y . f- . y » . » . »â
Mme de la valliere.
Haars Konings hart zich overgaf â â Oneerbre liefde volgt de straf! -Zij heeft den kelk van smaad gedronken, In stillen ootmoed neergezonken,
Als waar 't een laafnis voor den gloed Der wroeging in 't ontwaakt gemoed; Zij heeft gedragen en gebeden;
Zij, ver van 's werelds ijdelheden,
Een leven lang haar wuft verleden
Beschreid met heeten tranenvloed â
Doch achtte 't nooit genoeg gestreden!
Doch achtte 't nooit genoeg geboet!
Neen, bleeke schimmen der historie,
Neen, schoon een wyl voor 't starend oog, Omstraald van liefde en lijdensglorie.
Uw beeld verleidend schittren moog', Gij-zelf hebt 's werelds martlaarskransen, Bij 't kruis uws Redders, stuk getreen: Gij zelf verbreekt die logenglansen
En zegt uw rouw, uw schuld alleen: De groote schuld van 't menschenharte.
Dat staêg den afgod kiest voor God, En heendoolt in de duistre verte.
Straks prooi der zonde en spel van 't lot! Gij-zelf, wat tonen om u fluistren Van 's werelds Liefde en Poëzij, Die zachtkens ziel en zinnen kluistren. En ons het oordeel Gods verduistren,
Eén waarheid slechts verkondigt gü : Een waarheid, trouw als Christus' leere;
3GG
âHet menschenhart behoort den Heere! En daar is vrede, vreugd noch licht Dan op den engen weg â van Plicht.quot;
185».
*quot; â *' â *' â /' â :(' ^
~irr^rr^r y â /'
gt;- .y- â gt;- â gt; â gt;- â gt;-
*L *
,jr , , y- , ir , . gt;â¢' , gt;â¢
NAAK T BELOOFDE LAND.
307
' :
NAAR ;T BELOOFDE LAND.
(Bij de bekende Kunstplaat: P r e paring for the P r o in i s e d L a n d.)
Haar pad in 't leven Loopt eenzaam af;
Reeds buigt zich de oude Naar 't wachtend graf. Maar 't vredig harte,
Maar 't hopend oog, Het rijst naar Boven, Het blikt omhoog.
Heur ziel bereidt zich,
In vroom gepeis,
Ter leste, korte.
Doch groote reis. Het donker poortje
Verschrikt haar niet;
Daar achter schemert Een licht verschiet.
De zon, door 't venster.
Bestraalt het blad Van 't boek des Levens,
Haar troost, haar schat; Uit de eeuwge blaadren
In 't stil gemoed Straalt licht, meer koestrend Dan lentegloed!
J
ïV %
4
â¢*' *quot; if' K' * 1 â #' â * ' * â *â ' iC *' â¢*' â *' â¢iC *quot; â gt;rr nf' *â ' *â ' â !«â â [?
â *' . ^ j. ®â¢__.. »⢠O- Ã'- . ⢠⢠. «j â . , »'⢠, c'- . â '⢠, è' . â gt;'â â¢:
308 AAN UE WATERSNOOD-POÃTEN.
Gods licht en vrede
Doorstroomt de kluis Vol profetieën
Van 't hemelsch Huis!
Daar fluistren stemmen
Uit ver weleer.
Haar hart zegt: âAmen,
Kom liaastig, Heer!quot;
itm
BIDDEN.
Hij redeneert niet, hij die bidt! Die redeneert. Hij bidt niet, of hij doet zoo 't een als 't acr verkeerd.
1SC0.
AAN DE WATERSNOOD-POÃTEN.
(Uitgegeven ten voordeele der Overstroomden en in het belang der Kunst.)
* *
Op, Watersnood-poëten!
(Ko heeft zijn vers al klaar.
En âWater____soepquot; zal 't heeten!)
Op, eedle, vrome schaar!
Fluks aan het verzen lijmen
Vol geestdrift en gevoel,
Want nu zijn alle rijmen Geheiligd door het Doel!
Op, 't is nu tijd van zingen,
Heel akelig â dat spreekt!
?]*â *â *' *⢠*â *' ' â /' *' -x 'quot;â¢*1 gt; â ' -⢠v»'r â f â ïc if' *' ' â * ' K
lt;1.» .» .» . r ,» , » . y . » . ^ ,» .*⢠.* .»f- . » . » . » . y . » .» , »
AAN DE WATERSNOOD POÃTEN. 309
Laat allen handenwringen,
Terwijl u 't harte breekt.
En wil 't niet spoedig lukken,
Dan laat ge, hier en daar,
Maar zoo wat streepjes drukken
Dat staat verschriklijk naar!
Met Watersnood-gedichten, Bewaard uit vroeger tijd.
Kunt ge ook u 't werk verlichten,
(Kunstliefde spaart geen vlijt!) En om 't verwyt te ontloopen
Van imitatie â hoor:
Waar schapen eens verzopen, Schryf daar nu koeien voor!
Voorts doe in uw Tafreelen,
('k Noteer 't voor uw gemak!) Vooral een Drama spelen, Een Drama op een dak,
Laat daar een grijsaard zweven Een wichtjen in den arm â Al zaagt ge 't nooit â om 't even, Dat maakt ons koud en warm !
Après â om nieuw te blijven â
Laat ook nog op den vloed Een schamel wiegje drijven,
Door de Almacht slechts behoed.
ad/1 if' y *quot; â ,«quot; y y; â¢/' if y â /' y â .»quot; y
24
^ . *⢠. . y- . y* gt; -»⢠. V- , *' , gt;'⢠. *'⢠, â¢- . â¢â¢ . â '⢠. v- . c- . gt;- , , «'⢠.. r- . gt;⢠, j»'-
370 AAN DE WATERSNOOD POÃTEN.
Laat braaf de golven klotsen
Bij 't schriklijk noodgeschal,
En tusschen schots, aan schotsen.
Stuur 't veilig naar den wal!
Of wilt ge een Nooddicht smeden,
Weldadigheid ter eer?
Zoo roem onz' vrome zeden
Nog eens â voor de eerste keer!
Zing hoe voor 's naasten jammeren Steeds Neêrlands harte slaat â .
(Een pluimpje aan de Amsterdammeren Vooral, kan hier geen kwaad!)
Gij ziet, we zijn bij voorbaat
Verteederd en verrukt! Dus op, wie nu maar doorslaat!
Op braven, dicht en drukt. Het lacht met alle sluizen Uw dichterlek gevoel â
Daar is in Hollands huizen Een plaats voor al dien boel!
Ja, zonder schroom of vreezen.
Den Rijmlust thans geboet! Aan 't slot u-zelv' geprezen
Als Dichtren groot en goed. Als Dichtren, die de renten,
De renten van uw vlijt En godlijke talenten.
Tot heil des naasten wijdt...
â rt'' -» * -» ⢠. a â â * ' ⢠' .# â .« â ⢠⢠' â * ' '
|
-fr |
a |
, â¢' . i' . «'â . «' . «â , gt;'⢠, ö- , ê'- , i- . «' , w- , â¢'â , «'â . â¢'â , V , é- . . i'- ö'- , gt;'â , «⢠, ft'- [»' | |
|
r | |||
|
!â¢- |
* 1 |
AAN DE WATERSNOOD POÃTEN. 371 | |
|
cr |
1 |
Doch onder ons, Meneeren, |
- |
|
* |
Wijt de opbrengst van uw lied, |
! | |
|
* |
:⢠|
Hoe hoog we uw mildheid eeren, | |
|
ïK |
Toch straks üw verzen niet. |
! | |
|
* |
:il |
Wat schat gij saam moogt gaêren. |
P' |
|
* |
0 meen niet al te boud: | ||
|
i' |
âVoor 't toovren van mijn snaren | ||
|
Stroomde al dit geld en goud...quot; | |||
|
amp; |
Neen, wat ook moog gebeuren |
* | |
|
â V |
Door al die Rijmlarij, | ||
|
*â |
ïii |
Dat zeuren uit den treuren, |
»- |
|
/»'⢠|
â¢i, |
Wie wondren werkt â niet Gij â |
*' |
|
ï |
quot;i |
Maar Neerland! dat aan 't blaken |
* |
|
m' |
â¢Â« |
Van kunstloos medelij. | |
|
m' |
ïfc |
Zelfs voedend brood kan maken |
* \ |
|
ȉ |
â¢4 |
Van Waterpoëzy! |
0- |
|
i: |
15 Januari 1861. | ||
|
â -4 |
amp; | ||
|
i' i' |
14. |
f* | |
|
»' |
* | ||
|
?⢠|
m' | ||
|
F' | |||
|
* | |||
|
ï», | |||
|
P' | |||
|
/i- | |||
|
â¢i, |
* | ||
|
* |
ï \ | ||
|
ïó | |||
|
ïó, | |||
|
* | |||
|
*â 1 | |||
|
L_ |
â¢f ' â¢â¢ ' ' ⢠' -s -e .« ' .⢠.f * -⢠' .if ' .0 ' .0 ' -0 ' ' af' .o ' .fquot;' -f |
bi j | |
|
. » * . * , * . * . * . r- , *â . * . * . * . * . * . .* . * . * .y- . * .gt; . *â ..* .*t«- | ||
|
*; |
r | |
|
â¢4 |
ï | |
|
* | ||
|
if- | ||
|
54, |
ï | |
|
M | ||
|
'i | ||
|
'J* |
f | |
|
â * |
a | |
|
* |
* | |
|
* | ||
|
* | ||
|
* | ||
|
* |
* | |
|
* | ||
|
A |
LEEKEDICHTJES. |
* |
|
* | ||
|
5V |
* | |
|
* |
.* | |
|
----gt;_=53gt;_c- | ||
|
* | ||
|
* | ||
|
*, |
*. | |
|
ïfc, |
f. | |
|
\ |
* | |
|
â Ik |
-gt; | |
|
* |
* | |
|
gt;a |
* | |
|
* |
f | |
|
7k |
* | |
|
* |
* | |
|
f. | ||
|
*. |
* | |
|
* |
â !quot;*' -e ' â #' -tf' 4' -e' s ' 4'â #' -a ' -a'*' -t' -s ' s' * s ' -i * * lt; E5 | |
. ȉ . ȉ . ȉ
â¢I 1
Will einer merken lassen
Das er mitt Gott es hiilt, So muss er keck erfassen Die arge, böse Welt.
ÃHLAND.
'A
* * *
â¢A *
i(' *' -K' *' if''*' i(' *'
ifj â ,«' ' â £' â irr~wr~-f.
DEN L E Z E B.
Brooder, die dit boekske leest, 'k Heb gerekend op uw geest. Zoeke of legge uw oordeel, in 't Vluchtig rijm, den rechten zin! Zegt ook rijm voor rijm niet veel. Kleintjes maken hier 't geheel, Tal van dichten 't ééne Dicht, Dat uw tijd u stelt in 't licht. Schildert wat men hoort en ziet Op des geestes wijd gebied,
En hoe 't staat met menig man In ons Hollandsch Kanaan;
Welk een geest in onze lucht Streeft en woelt en zint en zucht; En de feilen van den dag Die men niet bedekken mag. 't Boekske heeft zijn plicht gedaan, Spoort het u tot denken aan â Zoo 't u leeren kan noch stichten. Denk; 't zijn ook maar leekedichten!
â
-----------
. y- , »â , gt;â , .»⢠. gt;- , gt;â , gt;'⢠i gt;'⢠i jl
.*J,gt; .x-
A
â â i A
*.
*
*
*
gt;4 *
*
«|
â gt; â gt;
1 *j
*
*
*
A
*S
A *
*
ü
â¢Â»1 â¢*' * ' *quot; a
WAAR EN HOE.
Niet in de scholen, neen, heb ik gevonden. En van geleerden, och, weinig geleerd;
Wat ons de wijzen als waarheid verkonden. Straks komt een wijzer, die 't wegredeneert.
't Leven alleen is de school van het leven, Levens-ervaring het heilige boek,
God! door Uw wijzenden vinger geschreven.
Daar ik niet vruchtloos de waarheid in zoek.
Zelf moet gij 't zoeken en zelf moet gij 't vinden, Mensch, in uw hart, in het Woord, in uw lot.
Anders zoo spelen de wervlende winden,
Mensch, met uw hart, uw geloof en uw God.
1857.
LEEKEDICHTJES.
r â¢Â® ' 'M -fi ' -Jl i! '
â /â . y- JtSi.
M,»' .gt;â â gt;â .gt;â ,.gt;â ,gt;â â gt;- .gt;â .gt;â ,.»â ,gt;â .v .gt;â .y- .gt;â .gt;â .gt;' L°:
378 LEEKEDICHTJES.
11.
INDIVIDUALITEIT.
âWees u-zelf!quot; zei ik lot iemand; Maar liij kou niel: hij was niemand.
ui.
VERANDERING.
Elke verandering is geen verbetering.
Ja reinig en heilig, o mensch, uw natuur,
En, strijdend in hoogere kracht.
Vernieuw u, verwin u, beheersch en bestuur
U-zelven, met wijsheid, met macht.
Maar wee over hem, die te onzaliger uur.
Zijn aard en zijn wezen verkracht!
Daar kwam hij, daar stond hij, de vriend van weleer
In jaren niet wedergezien;
Hij kwam uit zijn Veluwsche dorpje, van veer
Een groet in 't voorbijgaan ons biên;
Daar stond hij, daar sprak hij, â hij was het niet meer.
Zijn mummie, die was het misschien!
Hy-----vuur was zijn oogblik en wild woei zijn haar,
Maar op zijn gelaat lag zijn hart,
Een harte zoo gul en zoo warm en zoo waar,
Schoon nog â als zijn lokken â verward!
'''I _. ____ ______________
5] vf' j â V» ' f. ' Vquot; ' i(' * ^ â â¢*' -K' gt;'â quot; -f. ' *'r if' lt;â '
â gt;â¢â E*
LEEKEDICHTJES.
Nu glad en rechtvaardig en sluik zat zijn haar,
Maar, hemel, waar zat toch zijn hart ?
't Gelaat nu geplooid in den deftigsten trek,
Den doodstrek der reine Natuur,
Een hagelwit stropje om een zeer stijven nek,
Steil, als een gepleisterde muur.
Een wandlende, punt voor elk open gesprek.
Geen mensch, maar een vreemde figuur____
Zoo stond hij mg daar, uw beminlijke zoon,
Natuur, gij oprechte! weleer.
Ik schrikte â als hij sprak â van dien statigen toon,
Eilaci, hij sprak ook niet meer!
Zelfs at hij en dronk hij me gansch niet gewoon.
Maar plechtig, â schoon smakelijk zeer.
Hij heeft ons geërgerd en uren verveeld.
Toch dunke u mijn dichtje geen spot!
Neen, 'k schreide om den man, die een rolletje speelt.
Door geestlijken hoogmoed.... een zot;
En 'k dacht: zoo me dat nu een nieuw m e n s c h verbeeldt. Dan... de oude was beter voor God!
371)
:i
aI
J
Ja, reinig en heilig, o mensch, uw natuur,
En strijdend in hoogere kracht,
Vernieuw u, verwin u, beheersch en bestuur U-zelven met wijsheid, met macht.
Maar wee over hem, die, te onzaliger uur. Zijn aard en zijn wezen verkracht!
1867.
*
*
*
4
..
I
znrir
ir*' *quot;[gt;;
.tj. ^ ^ / , â » ,» .» .» .» .» .» . ^ ^ ,.» .»- .» . » . y .» .» , gt;â¢-11 380 LEEKEDICHTJES.
IV.
KEER IN U.
âO mensch, keer tot u-zelven in!quot;
Hoor, droomer, dat beduidt; Daal in uw hart en zoek en zin, . Maar â haal er ook wat uit!
v.
SOORTEN.
Sprekers, hoorders, denkers, daders
Vindt ge in soorten, rijp en groen. Zeldzaam vindt ge wèl vereenigd Spreken, hooren, denken, doen.
VI.
WETENSCHAP EN OPPERVLAKKIGHEID.
Wat een komeet is heeft geen wijze ons nog verklaard,
Men zoekt en vorscht, lot heden.
Maar Piet zegt: âDat weet ik, een star is 't met een staart!quot; En met dat licht is Piet tevreden.
1
5*quot; vC' *' â *' *â sr iT^T' W *â ' *quot; 'â «' if' â *'
*].» .» .* .» . » .» .y . ^ .#â .» . » .» .» ,» â gt;â . » .» .» .ï ,»
LEEKEDIflHTJES.
VII.
VERSCHIL EN VREDE.
Uw Richting is mij wel â mits zij naar boven streeft, En schoon de mijne niet, my wat te denken geeft.
VIII.
NIET AARDIG.
Leonard is in 't geheel niet geestig. Dr. Hofstede de Groot.
Brieven over den Bijbel.
In de vaderlandsche kerk
Is daar plaats te vinden.
Eer en loon (schoon niet naar werk!)
Wat ge ook zijn moogt, vrinden,
Wees mystiek, (dit blijft gezocht!)
Wees zelfs miserabel;
Kronkel u in iedre bocht,
't Is gansch respektabel.
Wees vervelend, taai en droog.
Heb een schat gebreken,
Houd een zeker rechter oog.
Des noods â steel uw preeken!
Maar één ding is streng verboón,
Doodlijkste aller zonden:
Wee u, zoo ge in taal of toon Aardig wordt bevonden!
â *' .?' -0' â¢*' y â lt;quot; -i' y v»' y â ?.' -K' ' f*
nsi
:*] . 0' , p' , c' , »' , èr , »⢠, è' , . â¢' , »'⢠. è' . , y- , ^ , pr- . è- , è' , #'â , ^
382 LEEKEDICIIÃJES.
Geestigheid heet spotternij, Ongodisme, ketterij;
âDeftig, vormlijk, waardigquot; Blijft de leus, en, heil den man. Die het vroom verklaren kan: ,'k Ben volstrekt niet aardig!quot;
IX.
STIGHTELIJ K.
Wat zich als stichtlijk aan komt melden,
Sticht ons maar zelden.
Wilt gij mij stichten, och, voortaan. Och waarschuw niet, maar grijp mij aan! Laat, bij uw zinrijke verhalen,
Gedachten in mijn ziele dalen.
Een glimlach om mijn lippen dwalen.
En in mijn oogen lok een traan!
x.
JAN RAP.
Ware er, in het gemeen, geen andere kens als tusschen rechtzinnig en lichtzinnig, ik zou liever om mijne orthodoxie voor onderwetsch doorgaan, dan om mijn liberalisme ingehaald worden door lieden van verdachten ernst.
Ir
Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!
Hij houdt niet van die vromen: Hij geeft âgeen weergaquot; om de leer. En smaalt van âbreede zoomen.quot;
LEEKEDICHTJES.
Hij vindt geen waren christengeest Bij al die fijne kwezels ;
Hij zegt âde Liefde is 't hoogst, is 't meest,quot; En scheldt hen uit voor Ezels.
Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!
Een vijand van de vromen,
En, ik geloof, ook niet veel meer Met vroomheid ingenomen.
Jan Rap beweert, na wijs beraad, ,'t Bestaat'em niet in 't bidden,quot;
Maar waarin of 't 'em dan beslaat.
Dat laat hij liefst in 't midden!
Jan is geen knecht der wet; hij staat, Dus zegt hij, in de vrijheid!
Ook, als hij t'huis komt, 's avonds laat, Psalmzingt hij; Vrijheid, Blijheid!
Jan volgt in denken en in doen De slem van zijn geweten,
Maar 't is er een van ruim fatsoen En, min of meer, versleten.
Jan oordeelt â alles, zonder vrees,
Wat hij zegt slaat op poolen ;
Hij weel vooral van Dominees Ontelbare anekdoten.
Ook voelt Jan Rap, die menschen kent, Nogal zijn eigen waarde:
Waar vindt ge zoo'n palenten vent, Zóó liberaal, op aarde ?
Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!
Een standje vol verlichting;
Afbreken is zijn vreugd, zijn eer.
.gt; ,gt; ,.» .y- .» .gt; .if .» .*
;S 384 LEEKEDICHTJES.
In spotten vindt hij stichting.
Wat knappe kop! wat diepe blik!
Hij hangt niet aan de letter;
Hij hangt veel meer aan eigen Ik En nommer Eén â die ketter!
De waarheid heet het doel alleen
Van dees geliefden broeder:
Hij sierde onlangs met aardigheên
Den Bybel zijner moeder,
Hij grijnst zijn kleine zusjes an,
Die wonderen gelooven;
Want zijn geloof, 't geloof van Jan,
Staat vast en ver daarboven!
Jan is niet kerksch; dat spreekt van-zelf.
Hij denkt zoo heel verheven:
âZijn tempel is het blauw gewelf,
âZijn godsdienst is â zijn leven !quot;
Zoek hem in 't Zondagsmorgenuur
Niet bij de vrome scharen!
Hij, wel zoo goed, in Gods natuur.
Houdt kerk en â rookt sigaren!
Nog tegen 't Zendingswerk vooral
Richt Jan zijn geestigheden ;
Hij kan zijn geld â Jan is niet mal â
Wel nuttiger besteden.
Het krielt â verklaart hij â om ons heen
Van Heidnen en Heidinnen;
Bekeer die eerst! Heel fraai; alleen Jan moest met Jan beginnen!
Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!
Lichtzinnig, wel te weten;
â¢quot; â¢*' -ff' â¢*quot; -if' -f' â sf* £' -ff' vf' i('
,.y ,y- â gt; ^ ^ â gt;
LEEKEDIGHTJES.
Zoo zyn er â ja! zoo zija er meer,
Die liberaal zich heeten!
Moog Jan dès leven in mijn lied
En heden en nadezen,
Opdat wie 't leze of hoore â niet Begeer zijn maat te wezen!
XI.
VROOMHEID.
Ik kan het met üw vroomheid
Niet vinden op den duur: Zü kijkt me veel te deftig,
Zij k^jkt m^j veel te zuur! Gij, die in alle dingen Slechts zonde vindt en schuld... Van leelijke gedachten Is vast uw ziel vervuld.
4 *
* *
V
V
*
GELOOF EN KRITIEK.
Vrees God, maar, vriend, wees niet vreesachtig. Wees kinderlijk, niet kinderachtig.
â * â ȣ* l*
385
*.
â A,
â â i *
* *
A A
*1
if' 1 â¢amp;' â¢f7' -k*
~ïr
4' [*
-ff'
if' it' if' if' 25
..
i 'Jfquot; â gt; â¢quot; . . y- â â¢' â¢quot; â¢' .. . ⢠⢠. â¢â¢ . ^ , 0' . â¢' , »'⢠, gt;⢠, j»- , jr
38G L EEKEDICHTJES.
XIII.
ERNST EN VRIJHEID.
Geen Vrijheid zonder ernst: geen Ernst ook zonder haar, Want zij alleen maakt de' Ernst oprecht, gezond en waar.
OP 'T KINDERSCHOOLTJE.
Op 't kinderschooltjen â aan den wand â
Trof tekst by tekst mijn oog,
Nul voor het hart, â voor 't jong verstand
Te duister en te hoog.
,Wordt als de kinderen!quot; sprak de Heer,
âDerzulken is mijn Ryk____quot;
Gij maakt, o .drijvers van de Leer, Uw kinderen ü gelijk.
xv.
*
J TWEE IN ÃEN HUIS.
'-4
Hij was een zeer rechtzinnig man;
Zij was een vrome vrouw; Hjj in elk puntje van de Leer, In 't kleene zij, getrouw.
Hij stond, voorwaar, in goeden reuk
Rij lieden van zijn kleur; Zij spreidde in huis en kring, alom. Der liefde nardusgeur.
if'
aL» , .»â ,jgt;' jJr
LEEKEDIGHTJES.
Hij was ervaren in de Schrift, Zij kende 't groot gebod.
Hij was een Gódgeleerde..... omtrent.
Zij was een kind van God.
Hij keurde preeken; zijn gelaat Bracht iedren indruk voort,
Geen ketterijtje ontsnapte hemâ Zij, stille, deed het Woord.
* =â¢
* * * * *
A
Hij staarde somber voor zich heen. Zij wandelde in het licht:
Hij had een zeekre plooi, maar zij Geen plooi in 't kalm gezicht.
Hij sloot den Hemel óp en toe. Met kort en hard betoog;
Zij droeg den Hemel in haar borst En in haar zeegnend oog.
Hij jammerde over ,'t zondig hart,quot; Heel waar soms en heel goed:
Doch elk die haar ooit kende en sprak, Dacht: welk een rein gemoed!
Hij hield vergaadring, dag aan dag, Voor schooljeugd en Chinees,
Intusschen bouwde zij haar huis, In 's Heeren rechte vrees.
Zij had het leven des geloofs.
Hij had de leer alléén----
Och of hier 't spreekwoord baten kon. Dat man en vrouw zjjn één.
387
\ *
*
'*]h * â â .lt;' * â
.gt; ,y .» .»â .v ,.y â » â » -11 â »
388 LEEKEDICHTJES.
XVI.
REGEL, MET UITZONDERING.
De slechtste Cliristnen hier op aard,
't Zijn Theologen â zonder baard.
XVII.
DE WAARHEID.
AAN MEVROUW
Gij hebt de Waarheid, eedle vrouw?..
Vergeef, dat ik meteen Het nog maar half gelooven wou â Ik dacht. God had ze alleen.
XV11I.
DOGMATISCH ROOSJE.
God heeft u lief en schoon gemaakt.
Als een van Zijn verkoornen; Slechts als men zeekre puntjes raakt, Dan voelt men, roosje, uw doornen.
1
* ' quot;if â * f * ⢠* ⢠* ' * ' -f *quot;⢠* ⢠* If gt; ⢠*'r ïf * ' iT' if -n' *'tv
.Â¥â ,» .» ..y .» .» ,y- ,gt;â ,«â¢- .» .gt; .gt; ,/â .y
LEEKEDICUTJES. 389
XIX.
MACHTELD EN LEONARD.
(theologische romance, xixe eeuw 2e helft.)
Zoo te theologiseeren Met een lieve vrome deeren,
Waarlijk neen, dat schikt zich niet, En natuur en kunst, meneeren!
Protesteeren.
Met een glimlach in dit lied.
Humanus.
Keuvlend doolt, bij 't vallend duister,
't Jonge paar door 't jonge groen;
Bloemen, knoppen, nachtegalen Droomen in de lentedalen â
Zouden niet de hartjes gloên?
Machteld is 't, de blonde schoone.
Met haar vriend, haar Leonard;
Eigenlijk haar neef, doch neven Bieden somtijds in dit leven Mooie nichtjes hand en hart.
Leonard is wel wat hou trig
En hoovaardig op zijn stand,
Toch â ofschoon hij Proponent is â
Toch gevoelt hij dat het Lent' is.
Daar zijn borst van liefde brandt.
Moegedrenteld vlijt ons paartje
Zich ter neder in 't prieel.
En, vast, naar verliefde wijzen,
'y yâ â *' â *' *quot; â ,»' *quot;T*
390 LEEKEDICIITJES.
Bouwt men nestjes â paradijzen Onder fluistrend mingekweel.
Hoe ze keuvlen, hoe ze kozen!
Had de zon weer stilgestaan,
Licht wel, als twee purpren rozen, Zaagt ge Machteld's koontjes blozen â Doch juist even kwam de maan.
Maar o luister! luid en luider Klinkt hun zoete liefdetaal:
Wat de harten mag ontroeren?
Brengt hen de avond in vervoeren. Maneschijn en nachtegaal ?
Dwepen zij met dichtrenzangen,
't Hart vol jeugd en poëzij?
Of is Jaloezie aan 't spoken?
Wordt de huwelijksreis besproken? Is de Proponent wat vrij?
Neen, o Goön! â maar zij bespreken,
Onder 't filomelenlied.
Bij het geuren der seringen... De echtheid van de Handelingen Der Apostlen! â minder niet.
âAch!quot; zegt Leonard, âdie echtheid
Staat, gelijk mijn liefde, pal!
Al uw kritische bezwaren Kan een Proponent verklaren; Maaklaars weten niemendal.quot;
âTwijfelde ik aan uwe liefdequot; â i Zegt nu 't meisjeââDierbaarste, ooit
:iS.
vr] â¢* ' -/t' ifquot; 1 -,f' if' ' -.f' - .r' vf ⢠.0 '
^ , gt;' . gt;' , y-
,gt;⢠.gt;â
*LJL :K
, gt;â . y- . ^ .gt;' . »' . »â .gt;⢠â gt;'-
LEEKEDICHTJES.
391
Doch hoe teeder gij moogt praten,
'kRijni den Brief aan de Galaten Met die Handelingen nooit!quot;
âMachteld! alles laat zich rijmen
Voor wie vi-oom is, vroom en knap â Doch uw zinnen zijn betooverd,
Reinout heeft u gansch veroverd.
Met zijn halve wetenschap...quot;
Reinout... maar hier trapt de Eerwaarde
Juist den Duivel op zijn staart: Eensklaps toch schiet uit de boomen, Storend dees verliefde droomen,
Reinout, met een Tubingsch zwaard.
âSta! verleider gij van de onschuld!quot; â Roept h^j uit â âGij veinzaard, beef! De echtheid van de Handelingen Aan mijn Machteld op te dringen!
Ken uw misdaad, ken ze â of sneef!quot;
Zwaardgekruis. â Ons Proponentje
Tuimelt in zyn bloed ter aard,
Reinout juicht als overwinnaar ;
Machteld is een beter minnaar,
Is een Leidsch professor waard!
'â k â¢K
â¢A A A
ri
1859.
QUESTION BRULANTE.
De Wil, de vrije Wil! dat was, mijn Theologen! Uw spoorwegkwestie, ja, in onzer dagen strijd:
y â /'
-if ⢠â x'r â¢*' â /(''
SI*'-
â 1] ,.» ,» .» ,» .» .» .» ,gt; , .y ,» â gt; ,gt; ,gt; ,.
392 LEEKEDICHTJES.
Elk had zyn richting, had zijn lijn, die hij met vlijt.
En nijd.
Verdedigde voor 't volk, â slachtoffer van een tijd.
Zoo veel-, zoo aaklig veel- en nog eens ve el-bewogen.
Doch ai! zoo hier als ginds voor kerk als staat en stee. Wat jammer was van al die lijnen en systemen â
Geen schepsel kwam er verder mee,
En menig burger waar' tevreê,
Zoo 't hasplen, hoe dan ook, nu maar een eind mocht nemen.
1858.
XXI.
DETERMINISME.
Had ik een vrijen wil ('t kontrarie is gebleken!),
'k Zou met dees kwestie nooit mijn sterflijk hoofd meer breken. Doch, wat ik wil of niet, zij laat mij nimmer rust...
Is geen Pelagiaan, wien 't lust!
XXII.
UITGESTELD.
Wie voor 't Millennium wil strijden, nu, die kom
Maar over duizend jaar weerom!
Voorloopig is er nog iets anders te bepraten: Die kwestie kunnen we overlaten!
1
* ' * ' * ' * ' * ' « ' sf' * r * * 1 * ' ifT * ' â gt;' * T * ' vf'
LEEKEDICIHÃJES. 393
DUALISME.
Mijn Wetenschap en mijn Geloof,
Die leven saam in onmin,
Want de eene houdt, wat de ander doet
En denkt en meent voor onzin. Intusschen, beide heb ik lief.
Juist even trouw en innig,
En toch vind ik mvj-zelven niet Onreedlijk noch krankzinnig.
XXIV.
MONISME.
Driemaal heb ik 't Boek verslonden.
Veertien dagen lang geloofd: 't Groote Raadsel is gevonden,
Schoon 't mij duizelde in het hoofd. Toen â liet ik mijn vleuglen hangen,
Als een vliegje voelde ik me in 't Onontkoombaar web gevangen
Van een ijslijk groote spin;
'k Voelde levend mij verslinden
Door dien machtigen Monist .... En zoo 'k hier mijn heil moest vinden Waar 'k nog liever Dualist!
y *quot; *quot; *â ' *quot; -4' gt;
,» ,y .* .Ã- .* .i'. .Ã- .ï. .Ã- .a- .* ,» â gt;⢠,gt;â .* .gt;â .y ,gt;â
394 LEEKED1CHTJES.
Het Boek, waarvan in dit gedichtje (geen verdichtsel!) sprake is, kan natuurlijk geen ander zijn dan het zeer merkwaardig geschrift des Leidschen Meesters: âDe vrije wil.quot;
Deze jianteekening is dus voor de meesten mijner lezers overbodig.
Broeder Leek, evenwel, voor wien ze niet te veel, maar te weinig zegt tot recht verstand van ons rijmpje, verg. Dr. Pierson's opstel in de Gids, Mei 1859: âHet monisme van Prof. Scholten.quot;
XXV.
NIMIUM NOGET.
't Is prachtig, konsekwent! Ge ontwikkelt ons uw leer, 0 meester in de kunst, met klemmende bewijzen; En eischt geloof! Gij-zelf hebt geen bezwaren meer. Ja 't schijnt wel of gij 't weet, net als onz' lieve Heer, Maar d i t juist doet m ij n twijfel rijzen!
XXVI.
SYSTEMATISGH.
Ja, dat 's wel waar, doch in 't s y s t e e m
Daar zou 't volstrekt niet deugen; En dies â dat ik de vrijheid neem Te zeggen: 't is een leugen.
XXVII.
THEORIE EN PRAGTIJK.
Geloof niet op gezag, Meneer!
Onthou dit wel ter degen.
' t? â â »' ~-yr ^ ' y â -tCquot;â¢* ' â ,« â
, y- , gt;'â , y- , y , gt;â - . » . y- . , y- . «- , , »â , ï- . , «â , . «'â . «â . *â ,
I.EEKEDICHTJES. 395
Geloof alleen wat ik u leer En spreek m ij nimmer tegen.
XXVIII.
THEOLOGUS TRIUMPHANS.
Groote geest! van menig boei Hebt ge ons trouw bevrijd. Man van hart en hoofd vol glans! Nu, daar ge in zoo menig strijd Koning en verwinnaar zijt, Smeed geen nieuwe boeien thans Voor uw volk, uw tijd!
XXIX.
MII11 CONSTAT.
Daar wordt eensklaps de strijder opgenomen in de rij der Theologiae professores. Mi/li Constat (bij mij staat het vast) klinkt het uit de wolk, en de stem der profetie roept ons vertroostend toe:
âVindt mijne methode Ingang, dan honden alle twisten weldra op, enz.quot;
Dr. Pierson. âEen programma van theologisch onderwijs.quot; Gids, Oktober 1859.
Bravo! dat 's orakeltaal!
Dat klinkt recht professoraal!
Dat zijn weer de goede zeden Van een vijftig jaar geleden!
Groote Goon! zoo je ook niet meer
â x~r~^r~x ' iC *quot; -iC i(' if'*
.H]. ^ .» ,» . » ,» , gt; . gt; . /â ,, gt;â ...» . » . y- . » , » . » . y . y .Â¥â . *â [^.
39C LEEKEDICHTJES.
Wist, besliste en profeteerde
Dan een zeer geleerde heer â
Waarvoor was je een hooggeleerde?
xxx.
GEVEN EN NEMEN.
oeatio 1nauc4ural1s.
Kritiek mag alles onderzoeken,
Want grensloos is haar rechtsgebied,
Zelfs de' inhoud der gewijde Boeken â
Alleenig maar 't kritiekste niet.
Men heeft getracht in deze vier regels den inhoud weer te geven â verkort, doch juist â van Dr. J. J. Doedes. Oratio de critica stiidiose a Theologis excer-cenda Traj. ad. Rhen 1859.
XXXI.
NABETRACHTING VAN GEMELDE ORATIE.
Van mij zult gij nooit do onwetenschappelijke bewering hooren: dit of dat is onmogelijk.
Dr. Doedes.
Men vraagt: hoe een scherpzinnig man Zoo iets onnoozels zeggen kan? ââ
Hij wil ons, in zich-zelf, bewijzen, naar ik gis. Dat waarlijk niets onmooglijk is.
«ie'' * ' * ' ïT' lt; ' â¢Â«quot; lt; ' vf' i(' if' vf' -X ' â *' â¢*' 4' â *' if' vfff
. »'⢠.v- .v- .. jA , jy- . V . V- , »'â . â¢- . .y- . V . gt;'â .y- .V â gt;'⢠.V' ..1ii
LEEKED1CUÃJES.
XXXII.
METHODEN.
Men heeft de empirische en bespieglende methode Ook die van Bosco is bijzonder in de mode.
xxxm.
DE RECHTE MAAT.
âHaast al te pikantquot; is â juist van pas. Want zoo het niet op 't kantje was, Dan waar 't ook gauw Weer wel wat flauw!
*gt;
V
LEEKEDICHTJES.
âZoo'n dichtje, nu, wat wil dat zeggen,
Op wetenschappelijk gebied ?quot;
Niets, â doch het leere u overleggen,
Wat waar en heilig is, wat niet.
*
397
a
Hi. *
1
!*
* _ _ _
?] â lt; ' * ' if' â *' â *' * ' â *' â¢*'' -i if' â¢*' * ' ^rr * ''if' if' if' â¢*' â #'
0' , gt;'⢠, , ⢠⢠, . »'â , »' . , è; , jt' , )»⢠, y- , B⢠. jt- , #'⢠^jr
LEEKED1GHTJES.
XXXV.
VERMITTLUNGSTHEOLOGIE.
Mijn Wetenschap en mijn Geloof,
Die leven saam en____stoeien! â
Het is je een lust om aan te zien,
Zoo'n recht geloovig knoeicti.
xxxvr.
SANGTA THEOLOGIA.
Scherts ik met ü, 't is in 't gelooven
Dat gij de ware schat niet zjjt, En dat gij geven kunt noch rooven Wat eeuwig mij het hart verblijdt.
*
xxxvn.
BEURT OM BEURT.
VADEELANDSCHE KEEKGESCHIEDENIH.
398
In Utrecht heeft voor jaren her Van Heusde's licht geschenen,
Met 's mans disciplen toog zijn leer
En licht naar elders henen.
In 't Noorden heeft toen jaar op jaar
Een starretje geflonkerd;
Uw star, doorluchtig Leidenaar,
Y-
j -Jf' ' â¢*'' ' -⢠' Jt ' -jf' -jé ' jf r .m 'r vf'' -â¢' ^T7 -jC' â m'1 ' [«7
LEEKEDICHTJES. 399
Heeft nu zijn glans verdonkerd,
Doch â dit is duidlijk â ook uw licht
Moet op zijn tijd weer kwijnen____
En dan ? â o Goon! dan is het Sticht Weer aan de beurt, om met nieuw licht Ons Neerland te overschijnen.
1839.
XXXVIll.
VAN HEUSDE'S SFREUKE.
Veel wordt bewezen dat toch in den grond niet waar is, En veel is eeuwig waar, ofschoon 't bewijs niet daar is.
xxxix.
TWEE KORYPHAEÃN.
âGek zyn wij een van beiden, wjj,quot;
Zei de eene Theoloog tot de' ander.
âWat wij gelooven toch strijdt lijnrecht met elkander: Dit 's evident voor ü, dat 's evident voor m y â Dus, een van tweeën is maar mooglyk: ik of gy....quot;
Of beide, dacht er een en â ging voorbij.
VJ ' -jf' -6 ' ' .0 ' '* ' .⢠' quot; -0 ' ' .0 ' 1 .é~' .m~!
J*. Jt- -â gt; â ï â -» â gt;⢠^ .gt;' .» â gt;â â » ..f
â iOü LEEKED1CHTJKS.
XL.
DE STAND DER ZAKEN.
EEN SCEPTICUS.
Hoe 't niet is, zeggen ons de heeren;
Maar hoe het is, mijn goede liên,
De Tijd of de Eeuwigheid zal 't loeren â Misschien.
XLI.
EEN ONTEVREDENE.
âWij zyn thans bezig al den rommel om te halen; De waarheid, voor-als-nog, blijkt moeilijk te bepalen,
Maar 't komt terecht; 't is slechts een tijd van overgang.,
'k Wou dat hij overging; dat zeggen ze al zoo lang!
XLII.
EEN REDELIJK KONSERVAT1EF.
Zij zetten 't al op losse schroeven!
't Is om de vromen te bedroeven,
't Is meer dan akelig â maar zacht,
't Is zoo toch beter, wèl bedacht.
Dan dat ze ü op de pijnbank schroeven
â *' 4' â *' * ' *â ' *â ' ^ ' 1? â if' if' *' y if' if' if' if' if' [
r* .* ,» .a- .a- .*â .* .*â .n- .*â .y- .Â¥â ,*â 1
*1. *.
* *
*
A *
A *
401
LEF.KEDICIIÃJES.
En u verbranden.... lieve Heer!. Omdat gij afwijkt van hun leer.
DE LUTHERAAN.
âIk hou 't met Luther maar, lot nu.quot;
Dat 's goed, maar Luther hield het zeker niet met li.
*
*
:4J
â «
* *
EEN VOORSTANDER.
n'k Ben voor de waarheid!quot; Goede man 'k geloof het graag; Maar zijt ge er achter? dat 's de vraag!
1
â¢â¢kj *
*
DE MAN VAN 'T WARE MIDDEN.
Mijn vader heeft mij eens geleerd.
Dat elk, die ware wijsheid eert.
Moest zijn een man van 't ware midden. âKind â sprak hij â wat ik u mag bidden. Houd steeds, met christlijk overleg. Als Van der Palm, den middelweg.quot;
Toch, schoon 'k niet twijfel of voordezen Genoemde weg puik-puik mocht wezen.
20
LKEKEDICIITJES.
'k Heb mijn bekomst van 't midden, want Men krijgt er, als een kwade jongen,
Thans klop van de' een en de' andren kant. En wordt geduwd en plat gedrongen.
Zoo'n middelman,
Wat heb je er an?
Zoo'n sukkelaar,
Zoo'n modderaar!
Inkonsekwent! zóó luidt het heden.
De knappe lui van wederzij'
Zien op u neer met medelij',
Alleen de stumperds staan u bij...
't Zijn andre tijden, andre zeden!
Dus, wilt ge een man zijn, â kies partij.
XLVI.
EEN GELOOVIGE.
Uil de neevlen zal de Dag
Eenmaal zeker rijzen.
Schoon niet ik hein groeien mag â 'k Zal er eeuwig God voor prijzen: Dat ik op mijn aardschen tocht, Onder weemoed, scherts of lijden, Met een hart voor al wie strijden, Steeds naar 't hoogste zoeken mocht.
m
185»
â¢fc.] , fr- , , ji- , 0' , gt;'⢠. )gt;â ⢠, amp;⢠, , y* , gt;⢠. , j»- . .gt;â¢â .,»,gt;â¢â .gt;, *â .gt;â â ^
LEEKEDICIIIT.IES. 403
XLVII
HET ABSOLUTE.
Den Heer J. A. Thâm.
â Wort, soo doende, niet de theologie tot scepticismo
ten voeten wte,
Dat in de â âleeckedichiesquot; gheheel den draeck steeckt mettet absolute? Claegh ende Vraeghliedt, enz.
Hoe nu ? i k zou den draak met 't Absolute steken ?
Verkondigt ge, o mijn Vriend, in schalke rijmlarij; â Neen, 't Absolute juist, veeleer, steekt, welbekeken. Op onderscheiden wijs, den draak niet u en mij!
GEEN PILATUS.
Wat is waarheid! â riep Pilatus,
En voorwaar, wel meer dan een, Die, na Christus ijdlen Richter,
't Woord herhaalde hier beneên. Des nog scheld hem geen Pilatus! â
Wat dit woord tot zonde maakt, 't Is alléén de toon en de uitdruk,
't Is de wufte mond die 't slaakt. Soms van uit de ziel des strijders
Berst het als een vuurge beê. Als een traan vol diepen weemoed
En â het vroom geloof schreit mee.
gt;â .gt; .*â . y- .*â .* .»â .»â .gt;â , .*â , .y .-y- . »â¢- , . .«⢠.»
404
LEEKEDICHTJES.
TOUT CHEM1N MÃNE A ROME.
Men zegt: de strijd Van onzen Tjjd Voert, zoetjes an, naar â Romen. Straks moe van de' onbeslisten slag, De' onvruchtbren kamp, den heeten dag, Gaan wij, in de armen van 't Gezag, Weer rusten, biechten, droomen! Ai, welk een gril!
Profeet, zwijg stil!
't Kroost van April Rlyft eeuwig Rome vloeken.
Eer wordt Sint-Peters stoel verbrand. Eer ooit een volk... zóó protestant!
Daar rust en heil gaat zoeken!
Zoo boud niet, man !
Al rilt ge van De heiige Pantoffel,
Pas jij maar op voor de oude kous Van de een of andren kleinen Paus,
Daar zyn er velen â stoffel!
L.
WELGEMEEND.
Vrijheid ! vrijheid ! geen gezag, Is de leuze in onze vlag.
â »'' Taquot;7 ' Vquot;7 ' .b ' w«'7 ir â¢Ã«T' r â¢ff'
*],* .*â .gt;⢠.gt;â¢- .â » .» .y- .gt;- .gt;â .y- .r .«â ,gt;â ,gt;â ,gt;â .» ,gt;â
LEEKEDICHTJES. 405
Zoo is 't wel! dat nu geen leek Verder mee of tegenspreek'!
LI.
WAARSCHUWEND VOORBEELD.
De Liberalen van gistren â ach 't Zijn kettermeesters van den dag. Gvj, Liberalen van heden,
Zult ge in hun voetspoor treden ?
18«0.
LH.
AUTORITEITS-ONGELOOF.
Gelooven op gezag â Dat mag Niet meer in onze dagen!
Maar ach,
't Schijnt, niet-geloo ven op gezas Komt nu aan de orde van den dag. Bij zeker slag;
Is 't beter? â wou ik vragen.
*⢠*quot; *quot; vr' iT ⢠vc *quot; *â -t' â *' â *' â *' â *'
4ÃC LEEKEDICHÃJES.
LIU.
K E T T E R IJ.
De kettery, die, zegt men, stânkt â Een woord dat niet welluidend klinkt! â Doch ik voor mij Houd ketterij Juist voor het zout der maatschappij, Die, zonder haar, lang waar' ten roof Van Heerschzucht, Domheid, Bijgeloof. Slechts, waar ze onzeedlijk wordt, daar is Ze mij een stânkende Ergernis!
LIV.
DE WERELD DER TRADITIE.
(mikrokosmos.)
Vóór het huwlijk werd besloten.
Door dit echtpaar, lief, maar dom: âOnze kindren ('t meisje bloosde!)
Zullen worden om en om.
Schenkt ons God het eerst een jongen,
Luthersch wordt ons eerste kind.
En de tweede, knaap of meisje,
Volgt u en wordt Doopsgezind.
Doch mocht de eerste een meisje wezen,
In dat liefelijk verschiet,
Dan wordt ook de rij geopend Met een kleine Mennoniet.quot;
'ifl-jf' â¢*' if' *' t' it' -iC' t?' li' *quot; *quot; â ?' ~'irr~amp;7'~*'r â *'
LEEKEDICHTJES. 407
Thans, hun huis telt twalef kindren,
Die, tot eer van 't Christendom, Luther eeren, Menno volgen.
Vroom en deftig, o m en o nv Toch waar' 't koppigst Lutheraantje
Daar een Doopsgezinde geest. Zoo meneer zyn oudste broeder Maar een meisje was geweest!
LV.
FORMULIER VAN EENIGHE1D.
't Geloof van de Eeuw, in 't kort gezegd, Is dit: Och, alles komt terecht.
LVI.
LEER EN LEVEN.
(mikrokosmos.)
't Is katechizatie: de dartele jeugd
Met oolijke christenzielen. Met guitige oogen en roezig haar. Grauwe buisjes of blauwe kielen.
De jeugd joelt aan de kerk bijeen
En wacht op het klokje van negen. Dat Dominé treedt uit de pastorie. Vlak bij de kerk gelegen.
. .y- ,gt;â .» .» .» .gt;â .gt;â . gt;â .y- .gt;- . .» .gt;â ,gt; .gt;â .gt;â â gt;
408
* * * 'â¢
if-*
* * * * *
u *
gt;â¢
*
A *
*
*
*
r
u i
L
_____[*
-/c *â *â k' -*â ir~^r*â *â -*⢠ie *â K'
* *
quot;A *
* * * * * * * *
'4,
:lJ
LEEKEDICUTJES.
Zij worden gevoed met de zuivere leer, Dees jeugdige Protestantjes;
Hun levensbeschouwing is melankoliek, Al lijken het vroolijke klantjes!
Zij houden voor waar wat Dominó zegt, Geen twijfel rijst van binnen:
Toch werkt de kracht der zuivere leer Maar langzaam op hun zinnen!
Zij weten dat heel 't menschdom diep In Adam is gevallen.
En dat verdoemd zijn, reeds voorlang, De meesten, zoo niet allen!
Intusschen schijnt het hun vroolijkheid Voorloopig niet te storen.
Of daar, op één die zalig wordt. Tienduizend gaan verloren!
Zij weten ook van 't wezen Gods Verwonderlijke zaken!
Drie trouwens hun lichtzinnig hart. Al mee niet wijzer maken.
Niet wijzer: slechter evenmin.
Geen kwestie baart hun zorgen.
Een vogel zingt in 't jong gemoed, En vroolijk lacht de morgen.
Och, Pastor! preek die jeugd maar voor Dat ze in dit stofgewemel
Moet leven, wars van 't aardsch genot, Alleenig voor den hemel.
gt;4.
nm
M, gt;- . y- . * . ï â gt;- â gt;- â gt;- â gt;' , gt;- â gt;'⢠⢠gt;'
LEEKEDICHïJES.
Zelfs Tennis, die op krukjes gaat,
De beste van die snuiters,
Leeft nog op 't oogenblik alleen Voor knikkers en voor stuiters!
Klaas, met een hoepel in de hand.
Leert zijn geloof van buiten.
Doch loopt hij vast vraag Vier wel vrij En â zal dus 't boek maar sluiten!
Piet, die zich strakjes in de les Een zondaar zal verklaren â
Trekt nu, zoo'n zondaar als hij is, Zyn zusje bij de haren !
De blonde Ko, de zwarte Jaap Vertoonen ons Kaïn en Abel;
En de andre schaar joelt wild dooreen. Precies de Toren van Babel!
Slechts Keesje met zijn âkort begripquot; Zit in een hoek te brommen â
Zijn godsdienst kostte 't stumpertje Helaas! al vrij wat grommen____
Daar slaat de klok! daar stroomt de jeugd
Den tempel in der christendeugd^ Eenvoudige, onbekeerde!
Hoe 'k wou dat Hij haar tegenkwam.
Die kindren in zijn armen nam.
, Jr , Q' . jr- [ *'.
400
:i
*
rt-*
* *
-é â¢*
gt;4, â i
TfcJ
3 *
*,
s *
4
*
En vast wel anders leerde!
I860.
4' â #' *'[*
â¢fi ^ * if' a' * '
.^1, gt;' . y- . gt;â : .gt;'â â gt;⢠â gt;'â .gt;'â .V â gt;'â â gt;'â .gt;â .gt;â â gt;'⢠â gt;'â â gt;' â gt;' .gt;'[â¢
LKEKEUIUUTJES.
LVII.
IN DE HUISKAMER.
Zjj 't oi'ticiëel gewaad ook nog zoo eêl van snee Den Christen kent men eerst in 't huislijk négligé.
410
*
A 4
lviii.
AAN EEN HOLLANDSGHEN KNAAP.
Jongen, reeds met tintiend oog Ziet gij smachtend op,
Naar dien preekstoel, steil en hoog, Uwer wenschen top?
Lacht u 't zalig denkbeeld aan. Ook eens deftig daar
Hoog en gansch alleen te staan Neerziende op de schaar?
Op de schare saamgestroomd. Zeker, aan uw voet;
Want van leege kerken droomt Nooit een vroom gemoed!
Kleuter van een Redenaar,
Oefent ge u misschien
Reeds in 't plechtig handgebaar.
* 4
=â¢
A
A
sr*1
Ginder afgezien?
â f' a ' * ' *â ''
LEEKEDICHTJES. 411
Doet go al soms tot eigen scbac
Jeugdige alias,
Uw geliefden Preeker na Voor het spiegelglas?
Kweekt gij reeds dien preektoon, die,
Eenig in zijn soort,
Vaderlandsche oratorio
Kenmerkt en â vermoordt?
En verkondt je moeder al Met een lach, vol vreê.
Wat er van u worden zal.
Zegge: een Dominé____â
Hoor dan, kind, en overleg Eens dit hartig woord:
Op een gansch verkeerden weg Dwaalt ge: ga niet voort!
Weet het: Eerzucht, IJdelheid
Lokte al meer dan een,
â Dikwijls werd de fout beschreid! â
Naar dien preekstoel heen.
IJdelheid, door ouderzwak
Roekloos aangespoord;
(Schoon de zoon in vaders vak Meer had thuis gehoord!)
Eerzucht, die het moeilijkst ambt, â
Bron van strijd en leed Voor wie de echte kroon bekampt! â
Licht hem tellen deed!
^ r -ff' -jt' T#'' .» ' ~~9~r' .e~r .c - Vquot; .equot;r ⢠' â¢â¢ ' â¢Â»quot;' -® ' â¢Â« ' -/f' jl»?
.*],gt; .* .P- ,* .* .*â .* .* .0- .y- ,.y .à , y .» .» , » .* . y-
412 LEEKEDICHTJES.
IJdelheid, die schittren wou,
Met---- âeen mooie preek,quot;
Zwaaien met een priestermouw,
Heerschen met â een steek!
Nu, keer tot u-zelf eens in,
Kleine Samuel;
Vrome zin of ijdle zin.
Dat drijft u toch wel?
Zeg mij, jongen, gul en goed.
Wat is 't dat uw oog'
Van verlangen schittren doet.
Opziend naar zoo hoog;
En â mistrouw mij dat gevaart'.
Die verhevenheid!
Die 't eenvoudig hart bezwaart,
De' ootmoed strikken spreidt!
Weet het, nergens dreigt gevaar.
De' armen sterveling,
Als juist op die hoogte daar!
In dien tooverkring!
Ach, zoo licht, wat vrome zin
Ook zijn hart behoed'.
Sluipt er mee de Satan in.
Die hem âRabbiquot; groet!
Die, terwijl hij de' ootmoed preekt,
â IJdel Adamskind!
In zijn ziel den hoogmoed kweekt En â zijn oog verblindt!
spjvf' K' â *' *' K' â *' â *' if'ir â *' *quot; â *' â *'
*]..» .» .y .» .» .» .» ,» .» ,gt;â ,» .» .gt; ,gt;â
LEEKED1C1ITJES. 413
Die, mijn jongen, ligt ook nu Reeds uw hart behaagt,
Waar hij, in uw droomen, u Op die hoogte draagt...
Ken u-zelf dan, ken uw waan,
En wat groot u schijn'.
Weet, dat wie zoo hoog zal staan Meer dan kleen moet zijn!
1SG0.
LIX.
PARADOX.
âHij is geen dominéquot; â
De hemel zij geprezen!
Voor velen is men 't best, door 't ganschlijk niet te wezen.
LEEKEGEBEDJE.
Verlos ons van den preektoon, Heer! Geef ons natuur en waarheid weer!
uT' -V' -f ' -Vquot;7 ' .fquot; .if' -⢠' TiT1 ' T^7 Tbquot;-' .ïT7
, p' .y- . h' , V' . v. . -â¢' . ,*⢠. y- , **' , .â¢â¢ . y- , I»- , ^- , i»'- , y- ,
*1. ^ 1
iU
LEEKEDICHTJES.
LXI.
WETENSCHAPPELIJKE ONTWIKKELING.
Zij hebben saam gekonjugeerd,
Gedeklineerd,
Hun namen in de bank staan door elkander;
Zij kwamen school steeds even laat,
Zij deden samen kwaad En de een schreef p e n s a voor den ander.
Ze zijn van de eigen slanke leest,
Op menig feest.
Met éénen geest Verliefd geweest.
Zij deelden saam hun lief en leed, zelfs hun sigaren In hun Latijnsche jaren!
Nu zonder schroom, zonder schaamte of ontzag Deklineeren Deze heeren Elkanders talenten, moreel en gedrag ;
Benijden,
Bestrijden,
Verkoopen, verraden Elkander in 't duister met woorden en daden !
Want beiden maken naam in de eigen wetenschap.
Maar de een heeft in het spoor des anderen gereden.
Daar kwam verschil, niet zonder reden;
't Ving aan met vriendelijk gekrab.
Maar steeg allengs van trap tot trap...
Dat grijpt elkander nu in 't hart en in de haren... Och, of ze nog maar weer (in 't klein) kwajongens waren.
* * amp;
è' P' P'
ï â¢;
f F
*.]. gt;⢠. y- . ^ . gt;â¢- ^ . è-
LEEKEDICIITJF.S.
LXII.
HIST01RE CONTEMPORAINE.
Wat een leven, wat een leven,
Toen Deel I verscheen in 't licht! Op de Beurs zelfs werd gekeven En een noodkreet aangeheven;
Ja door al dat nieuwe Licht Was de Effectenhoek ontslicht.
* %
A *
*
* *
=4
A
â¢j
*1
Maar nog wacht je een deel of zeven; En, in 't versche strijdgewoel, Is voorlang de heele boel Reeds vergeten en vergeven!
In 1853 begon Dr. Meijboom met de uitgave van een Leven van Jezus dat, geregeld voortgezet, nog niet voltooid is.
Groot gerucht in den lande bij de verschijning van dit werk! Herinnert ge u niet? Wat al opspraak en ergernis verwekte, o. a., des Schrijvers beschouwing van het verhaal der verheerlijking op den Berg! Maar sedert is er vrij wat meer, ook vrij wat anders, voorgevallen op godgeleerd gebied, en het (betrekkelijk) nieuwe van 1853 is in 1860 reeds tamelijk verouderd. â Het âsnel verloop der dingenquot; en den rasschen ontwikkelingsgang der nieuwe ideën in de laatste vijf, zes jaren met een sprekend voorbeeld aan te toonen, is ook voornamelijk het doel van bovenstaand versje. Men kan er tevens uit leeren dat het geen tijd is om dikke boeken te schrijven, want meer dan ooit geldt het Tempora mutantur, etc.
STICHTELIJKE UREN.
âIk sticht liet volk Van uit mijn wolk.quot; Dat zij 't verlicht' Is zonneplicht.
,» .» .y .» .*â .» .v- .*â .-»⢠.JLiJL^j* â » â » |»
410 LREKRÃICHTJES.
LXIV.
OP HEEL EN HALF LICHT.
(Een Amsterdarasohe winteravond-herinnering)
âOp heel 1 i ch tquot; staat een enkle maar,
âOp half lichtquot; ver de meesten :
Dat gaat naar de opkomst van de schaar,
Want die beproeft de geesten.
Toch, somtijds waar het kerklicht kwijnt,
Daar schijnt het Woord met luister.
En vaak, waar 't volle gaslicht schijnt,
Daar zit je in 't pikkeduister!
In sommige gemeenten van ons vaderland heeft men de hebbelijkheid, of, wilt ge, de onhebbelijkheid, bij den avonddienst meer of minder licht te ontsteken, naarmate de verschillende leeraars meer of minder menschen trekken. Vandaar de uitdrukking: âOp heel en half licht staan.quot; âIk ben nu ook op half licht gezet,quot; zei mij onlangs een zeer geacht vriend. In de Amsterdamsche gemeente is deze âzonde in den vormquot; â naar ons verzekerd werd ten minste â kort geleden afgeschaft.
XLV.
EEN KIND DER EEUW ONDER EEN PREEKSTOEL.
Gij Prediker, daar in de lucht,
Hebt gij dan geen woordje voor mij?
LEEKEDICHTJES. 117
Uw rede, als een galmend gerucht,
Rolt ledig mijn ziele voorbij.
Verborgenheen, vreemd aan 't gemoed,
Van hooger mysteries vervuld.
Door kennis en twijfel gevoed.
Verkondt ge mijn zoekend geduld!
Gij scheldt, wie het woord niet gelool'l.
Bezegeld, door wondren, met kracht.
En vroom buigen allen 't hoofd â
Wee d'arme, die bidt en versmacht!
Het ongeloof velt gjj ter neer:
âGeloof of verga!quot; is 't betoog.
âDe Twijfel is Hoogmoed, niets meer!quot;
Klinkt troostend mij toe van omhoog.
Ach hoogmoed! Maar is dan de gaard,
Is de akker, versmachtend van dorst.
Hoogmoedig? â mij, strijder op aard,
Aldus ook versmacht my de borst.
Gij, Prediker, daar in de lucht,
Hebt gij dan geen woord voor mijn hart ?
En weet ge dan niet wat ik zucht ?
En voelt gij dan niets van mijn smart?
1859,
55 ir-*' ' *quot;' * ' * ' *â ' 'Tr'*rr IT' iTquot;* ' -.f'' if' * ' *quot; -j» ^ â¢iC vf' if'
. gt;' . â¢â¢ , gt;'
LEEKEDICHTJES.
LXVI.
IN HUYGEN'S VORM,
,'t Houdt geen stéék :
Maar een Steek Houdt het toch; âquot;
Zei een Leek.
'S. *
â¢i
A *
* *
418
LXVII.
GOTIN'S OPINIE.
't Is geen goed Christen, op mijn woord Die m y niet gaarne preeken hoort.
-â¢v *
*
'â¢k *gt;
* * * *
a *
IN NOMINE DEI.
Een liaan, heel hoog en mooL gekapt (Braaf spits en nijdig stond zijn kuif!) Kwam zeer tevreden aangestapt, Hy had een kipje doodgetrapt! In naam â natuurlijk! â van een Duif, Die, naar het zeggen van den haan, Die arme kip niet uit kon staan____
Wat deed zoo'n Duif ook zonder haan
t
De Haan: het Klericalisme.
De Duif: Symbool van den Geest des Vredes.
Een kipje; Een klein Kettertje.
ITquot; * ' if' *quot; V?quot;
=4
*
LEEKEDICHTJES. 419
LXIX.
VOOR SCHRIFTVERKLAARDERS.
Ach Heeroom, wat smart,
Die noot is zoo hard!
Ik kan er den lof niet van zingen.
Ik bijt al, maar vind dat het heel weinig geelt.
Wat of men dan toch aan die noten wel heeft ?
't Zijn nare en onpraktische dingen.
,Ach, lummel! gij eet ze ook zooals ik ze u gaf;
Wie noten eet, haalt er den bolster eerst af.quot;
Die noot werd door Heerom gekraakt en gepeld.
Naar regels, in boeken uitvoerig vermeld.
't Blank nootje kwam kijken, maar 't hield zich niet blank.
Want 't bleef in de handen van Oom â veel te lank!
Toen lustte de ondeugende jongen 't niet meer....
Pel 't nootje, maar maak het niet morsig, Meneer!
t
PROTEST DER LIBERALEN.
Dat wij hoogmoedig zijn en wanen 't al te weten Wordt, telkens, óns door ü naar 't arme hoofd gesmeten. O valsche onnoozelheid! â Wat immers is 't geval ? Gij weet wat niemand weet, en wij â schier niemendal.
1
â * 1 * â
â¢â¢ * 1 '
* *
a^.gt;L^L MO
y- . j- , ï- .ï- ,.»â ,gt;'â , ,y- ,gt; . gt;'- , y- . y- .* .gt;â
LEKKEDIUHTJES.
ZEKER MATERIALISME.
Jan Rap verklaart: Ik ben een chemisch praeparaat. Vriend Spiritualist, deswegen, maakt zich kwaad;
Niet ik, mij geeft dit licht; ik dacht al vaak voordezen; Wat zou zoo'n smeerpoes toch wel wezen?
LX XII.
MODERNE WERELDBESCHOUWING.
Halzen, die uw tijd vervloekt!
God verklaart zyn wetten Aan den geest, die 't al doorzoekt.
Wie zich ook verzetten.
Geen traditie staat meer pal.
Oude muren zwichten;
Nieuwe kijkjes overal.
Stoute vergezichten!
Sinds geen Paus verhindreu kon.
Schoon 't ook zorgen baarde, Dat onze Aard draait om de Zon,
Niet de Zon om de Aarde;
Sinds ach, ging er meer op aard.
Mee ten onderst boven!
Thans vooral, dat neemt een vaart!
Om uw rust te rooven!
Sancta Theologia,
Hoe ze zich mocht weren.
*
*
gt;=
*quot; if â W â *' if'
inr
* â IT
.â » .gt; .gt; ^ .gt; .gt; â gt;
LEEKEDIGHTJES.
Vlood voor jonge Physica, Met gescheurde kleeren;
De oudé Wereldkoningin
Zag haar huis bestormen,
Steenen vlogen 't venster in,
Zij ook moest â hervormen! Wat al leven! wat al strijd!
Wat al omraekeeren!
Veel te leeren geeft de Tijd,
Meer nog â af te leeren!
Want of 't u mishaag of niet,
Klaar is 't, dat men heden Alle dingen anders ziet,
Dan in 't schoon verleden! 't niet anders! â of ge al zucht
Vromer steeds en banger, â't Nieuwe lichtquot; zit in de lucht
Van gedachten zwanger!
't Is niet anders! â of wij 't al
Anders graag geloofden,
âDe aarde draaitquot; â dat is 't geval.
Trots de stijve hoofden!
Blijf dan, naar 't u üjkt en lust,
Alles maar beschouwen, Al 't o n h o u d b r e voor uw rust
(En gemak), b e h o ü e n!
Vouw de handen saam en vloek
In uw zelfverblinding.
Tegen al dat onderzoek.
Tegen de ondervinding!
Knijp, ai knijp uw oogjes dicht
Achter de gordijnen,
En verklaar! Ik zie geen licht.
Ergo kan 't niet schijnen.
Doch, zoo 't wezen kan, bewaar
421
ïfc, *
Ti, *gt;
*
V ^j
ÃJ *
5l«quot; *' *'r
if' iT
â¢â¢ , y- . . â¢â¢ , y- , m- , y- , r- , y- , . y v y-___
LEEKED1CHTJES.
Nog één greintje oordeel En gebruik dat, Femelaar!
Tot uw eigen voordeel;
En begrijp dan, hoe ge u draait
Om u t^jd te ontkomen,
Dat ge alleen u-zelven paait,
Met onmanlijk droomen!
Op! â dat kan nooit Godsdienst zijn.
Die den dag moet vreezen.
Altijd met den schemerschijn
Dwepend van voordezen;
Neen, die daar op élk gebied,
't Licht zal welkom heeten,
Slechts in zeker hoekje niet Van zyn glans wil weten! Op! â mijn vrome slaat het oog.
Voor het Al geopend,
Vorschend rond en staêg omhoog.
Lijdend soms, doch hopend! Kan de zelfmoord van 't verstand
U slechts ruste geven.
Hij wil liever, aan Gods hand. Rustloos zoekend â leven.
422
r
*
*
1860.
LXXIII.
GELOOVIG EN RELIGIEUS.
Daar is die 't al gelooft uit scepticisme alléén, â
Die luttel houdt voor waar is vromer licht, naar 'k meen.
*
r:
â¢f* â¢*' .jf1
»â , , y . a- . a- . gt;- . *â . »â . y- . «'â . gt;â . «â , gt;'â .» , gt;'â â ^ â gt;⢠. ^
LEEKEDICHTJES. 423
LXXIV.
DE TEGENSTANDERS VAN HET MODERNE HOUDEN EN HEBBEN.
âIk houd maar wat ik heb; dat nieuwe! 'k gruw er van!quot; Goed, gruw; maar zeg, wat hebt ge dan?
LXXV.
OVERWEGENDE ARGUMENTEN.
'k Heb met dat nieuwe niets van doen. Vooreerst, het strijdt met ons fatsoen; En dan, ik heb een vrouw getrouwd. Die 't met den Catechismus houdt.
LXXVI.
KONTRABANDE.
âDie nieuwe idéés! â bij mij aan huis is 't kontrabande____'
a.
Zoo sluit uw deur, het krielt van smoklaars in den lande.
*j
-⢠' *quot; â * ' â jT' it'r â¢iC if*-*'' â *' â '' â¢' ' I*
gt; .» .0- â gt; ,gt; ,gt; ,gt; .jf .gt; ,gt; .,» ,» ,.*â¢â ,»
424 LEEKEDICHTJES.
LXXVII.
EEN OUD GEDIENDE.
Veel in dat nieuwe is waar, ik kan het niet weerspreken; Maar 'k neem het toch niet aan, 't strijdt met â myn oude
preeken!
LXXVIII.
EEN STUMPERD.
âEen r e e d Hj k Christen zijn, als 't heet, in onze dagen, 't Is niet gemaklijk, 't is een taak, een strijd, een vak.
Zelf moet ge denken, zelf!____quot;
Al wel, doch laat my vragen:
âWoudt ge ook een Christen z\jn misschien voor uw gemak?quot;
LXXIX.
ILLUSIE.
âIk moei mij niet met al die zaken. Dat nieuwe licht, die nieuwe leer! 't Gaat veel te véer!
'k Ben bang om in de war te raken...quot;
lli-
Erin? Och kom, dat hoeft niet meer!
' lt; â -M' *' â #' ' â¢*' -ie * ' y vf' *' â *' vf' R
.a- .» .y ,y .*â ,y- . gt; ,gt;â .gt;- ,gt;- ..gt; , *â ,? ,/L^.
leekedichïjes. 425
EEN ARISTOKRATISGH TEGENSTANDER.
(Gefluisterd, doch afgeluisterd.)
âAl die vrijzinnigheid! ik had er immer tegen!...
't Is zoo bourgeois; ook mag ik zéggen, door Gods zegen.
Vóór 'k op mijn ijdlen weg genadig werd gestuit,
Was toch reeds heel mijn hart de Richting toegenegen â Die zag er zoo fatsoenlijk uit!quot;
lxxxi.
GEMOEDELIJKE OUDERDOM.
Dal nieuwe is----voor wie 't dragen kan!
Gun mij den vrede, jonge man.
Ik laat maar liefst die dingen rusten: Ik kwam op 't moeilijk pad van plicht Door 't leven heen, bij 't oude Licht â Al nader blauwen gindscho kusten!
Een kort geduld____en beter dan
Gij hiér weet ik er 't fijne van!
â¢j' if' f ' if' if' if' f â¢Â£' i(' vf' H'' r if' if' 4' if' if' â¢*' 4'
gt;1 â » y . y- . y- , » , . *â . y . *â , gt;â , gt;- . »â¢â . gt;â¢â . y y . â¢- . * *
42G LEEKEDICHTJES.
LXXX1I.
VASTHOUDERS.
âIk houd maar alles vast.quot;
Dat strekt u niet tot eer;
Wie toch den Rotssteen heeft, hangt aan geen stroohalm meer.
LXXXIII.
UITZETTEN.
(aan onze ketterjagers.)
âZet zo uit de kerk!quot; dus roept ge luid. Zet liever gij uw kerk wat uit!
LXXX1V.
ENFANT TERRIBLE.
Met dien kinder-ketternaam Kroon u! hij meldt lof voor blaam;
Meldt oprechtheid, rein van vonden, Die, glimlachend in 't gevaar.
Onder de officiëele schaar 't Een en ander komt verkonden,
Dat aan de Oomes wel mishaagt.
Tante schrik om 't harte jaagt,
Doch â een merk van waarheid draagt!
V' W' â .lt;quot;
â I..»- . a- . gt;'â , y- . y- .» . , y- ^.gt;1 . »'â »quot; , v- â » r*
LEEKEDICHTJES. 427
LXXXV.
VOORZICHTIG.
Verkond wat gij gelooft en denkt,
Mits gü 't maar zóó bewerkt, Dat uw opinie niemand krenkt. En dat geen schepsel 't merkt!
LXXXVI.
TE VER GAAN.
Te ver! wat meent ge er mee? spreek juister, zeg het mij, Te ver â is dat het doel, of wel uw neus voorbij ?
LX XXVII.
BEGINSEL EN KONSEKWENTIE.
Het onderzoek is vrij: doch, wat gij vinden moet â En anders hebt gij 't zwaar in dit en 't andre leven! â
Is bijgaand Rezultaat; want dit alleen is goed.
En al de rest wordt door den Duivel ingegeven.
Vj ' -⢠quot; ' â¢/» ' ' â¢â¢ ' quot; â¢â¢ ' -i' â¢Â«'ï ug'T' .mrr'-mquot;' quot;Tfquot;r ^' jf'
.t]. ^ » .» .» . y- .» .» .» , «â¢- .» .» . *â .» . ^ . gt;â . ^ ^ .» .» .» . y
428 LEEK EDIf HITJES.
LXXXVIII.
MARTELAARS.
,Ik heb geen meelij met zoon would-be-martelaar.quot; Ik wel: het ijdle kruis der Eerzucht weegt zoo zwaar!
LXXXIX.
MET SCHADE EN SCHANDE.
1 1
Met schade en schande wordt men wijs,
Jawel! met dien verstande,
Dat men de schade stelle op prys. En God dank' voor de schande!
Maar wie de schaê zich-zelf verheelt.
Van schande niet wil hooren,
*
*, *
* * *
*
i
1 I
*
»'â * * * * * *
t
ï-
Wordt door de les, hem toebedeeld. Nog dommer dan te voren.
quot;1
xc.
AFGEBROKEN DISKUSS1E.
Met ü strijd ik niet meer, fatsoen gebiedt mij 't zwijgen, Een snuifje bood men u, gy... gooit met pârdevâgen.
'â¢
vfj ^ * â * â * ⢠ir-* â ir ir' * ' JT
~!({ y y y* yr
LEEKEDICHTJES.
m
â¢â¢
'rk â k
XCI.
HOE SOMS DE LIEFDE HEERSGHT.
Do liefde is lankmoedig, zij is goedertieren, de liefde is niet afgunstig, de liefde handelt niet lichtvaardig, zij is niet opgeblazen.
Zij handelt niet ongeschikt, zij zoekt zich-zelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad.
Zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid.
Zij bedekt alle dingen â zij verdraagt alle dingen.
De liefde is de meeste.
p a u l u s.
't Is nu der Liefde gouden lijd,
De tijd waarin wij leven!
Vraag toch maar rond! Men bijt en strijdt,
Door Liefde alleen gedreven.
Neen, staar mij niet zoo spottend aan,
Wien broeders hardheid griefde;
Het komt op 't recht begrip maar aan.
Het recht begrip der liefde!
Du Liefde doet den naaste leed,
Dat 's tot zijn best, beweert y,e;
De Liefde is hard, is scherp, is wreed.
Dat is juist liefde, leert ze.
De Liefde zegt ook geestigheên.
Die de arme zielen plagen,
Maar 't is tot nut van 't algemeen,
En niet uit zelfbehagen!
Daar ze in de waarheid zich verblijdt.
Zoo is ze, allicht eens, aardig!
Doch scheldt u noó een foulje kwijt:
A
*
_ïi v;. '-i.
__f
1L
wnr*' if' *quot;
i(' â¢*quot; if' â *quot; *quot; â *rr iP
2LJL.
430 LEEKED1CHTJES.
De liefde is niet lichtvaardig!
Zij ringeloort, zij kritizeert
De stumperds naar den geeste,
En staaft hun wat de Apostel leert En toont: Ik ben de meeste!
Haar mantel â gaf zij u present,
Lichtzinnige Legende!
Zij maakt de Waarheid thans bekend,
Zy vilt de naakte ellende!
En mocht ze â uit zwakheid â in een vrind
Nog soms een feil verhelen,
Straks toont ze weer hoe trouw zü mint Hun, die haar 't snoodst vervelen!
De Liefde dient: zij dient, als 't moet____
Ook klappen toe en vegen!
Desnoods vermoordt ze een zwakken bloed.
Der maatschappij tot zegen!
Dat kost haar strijd en zielsverdriet,
Verborgen tranenbeken; â
Maar Liefde zoekt zich-zelve niet.
Zij zoekt slechts â uw gebreken!
Zoo spreidt de Liefde, (de Echte, hoor!
De Ware, streng van zeden!)
Thans in het rond (pas op uw oor!)
Haar goedertierenheden.
Zij werkt en â bidt, wat smaad ze droeg
Van flauwe tegenstanders,
Die spotten: âLiefderijk genoeg â
Maar 1 i e f 1 ij k is toch anders !quot;
*
*.1.»
LEEKEUILIUTJES.
xcii.
VERDRAAGZAAMHEID.
Wat meei- verdraagzaamheid! Voorwaar,
De strijd wordt onbehaaglijk !
Ook wij zijn wel verdraagzaam â maar De rest is onverdraaglijk!
DILEMMA.
Verdraagzaam was ik â zeer! Toen heeft dat volkje mij
Voor onverschillig uitgekreten;
'k Werd boos, dat spreekt! en nu â nu vragen ze, even vry: Of dat verdraagzaamheid moet heeten?
xciv.
VAN BOVEN NAAR BENEDEN.
_f-
TTT?
Toen ik met dien Hooggeleerde Op zijn kamer redeneerde;
In dien heilgen, veilgen kring Wisheid van zijn lippen ving;
Toen hij, zwevend boven de aarde, 't Universum, my verklaarde, Op zyn onweerspreekbren toon, â Och, wat klonk dat waar en schoon!
431
.gt; , »â . * ,*â â '⢠â *⢠. » .Â¥â ,.y-K
â 132 LEEKEDICHTJES.
Even logisch als verheven!
Menschenvrijheid, Godsbestuur,
üe orde en wijsheid der natuur,
Goed en kwaad, het doel van 't leven____
Hij zette alles wonderbaar Uit elkaêr en in elkaêr;
Zoo iets had ik nooit vernomen ;
'k Was âbevredigdquot; en ik vond Niets dan orde en licht in 't rond....
Maar op straat teruggekomen,
Op de Markt, daar ving mijn strijd Alweer aan gelijk altijd;
'k Raakte fluks de kluts weer kwijt;
Al mijn idealen vloden Plotseling â voor 't verward gerucht Van de droeve kermisklucht:
Voor een troep verkleede Joden,
Die, de beenen in de lucht.
Onder duizend apensprongen,
Vast naar 't doel des levens dongen !
Voor hel bleek en scheel gezicht Van een zieklijk, jankend wicht.
Op een orgel vastgebonden,
Lijdend voor zijn moeders zonden.
Reeds tot beedlen afgericht! â
God! wal last van zwarigheden.
Die op eens mijn ziel bestreden !
En ik dacht, wie 't kwalijk neem':
Wijsheid moog ten hemel streven, â
't Schijnt me, of 'l raadselvolle leven Droevig lacht met elk systeem!
isco.
^ 1 -d' -4 ' if ' -je ' iC if ' v? â .a ' ^ â¢#'' ? ' amp; if'
jy,if- .?â ,» .¥⢠.a- .* .,» .*â ,*â , gt;â tv
i ^ â p
LEEKEDIflHTJES. 4P.3
* II*
r *
xcv.
IDEALISME.
Doe ik mij oogen toe, Dan wil ik 't wel gelooven;
Doch als ik ze open doe Komt weer de Twijfel boven.
xcvi.
VOOR DE OPTIMISTEN.
Gij weet het groote nieuws, en, hoe door 't nieuwe licht Van Theologen, Filozofen, Oekonomen En andre Oomen,
Nu eerlang hier op aard de Hemel wordt gesticht? â Geduld maar, hongrig hart en hongerige magen!
't Duurt nog een groote veertien dagen.
i.
'â¢'I_
Vj -jf ' â £ ' quot;
XCVII.
WEEMOED EN HOPE.
Op den bodem van het leven,
In de diepte van het hart Piust de Weemoed
En de Smart; Maar de Hope rijst er neven, In 't geslingerd menschenhart.
28
gt;1. y- .» .
LEEKEDICHTJES.
Tusschen weemoed, strijd en hope
Vliedt het leven snel voorbij: Waakzaam, werkzaam
Wachten wij Dat het Raadsel zich ontknoope. Wat ons korte leven zij.
xcvm. LUIM.
La tristesse est dans le coeur, La gaité est dans l'esprit.
Wat meent ge dat in weemoedsdroomen,
In rouwmisbaar, dat harten breekt, In treurgezangen, tranenstroomen.
Het meest der ziele droefheid spreekt?...
Daar is een glimlach, gul en goedig. Een lachje, geestig, schalk en fijn.
En toch zoo grensloos diep weemoedig. Dat zuchten daarbij vroolijk zijn!
?! y y -ir
xcix.
DE PRACTICI.
Durf te leven! kwel u niet
Met le veel gedachten,
Werk uw werk en zing uw lied Onder blij verwachten !
LEEKEDICHTJES.
Vroom en vroolijk, frisch en vroeg Met de zonne wakker,
Strek uw handen naar den ploeg Op den grooten akker!
Blik in 't rond, doch wijd uw vlijt Niet aan 't spekuleeren ;
Vriendje, hebt ge zooveel lijd Tot filozofeeren ?
Mooi! zoo komt ge juist van pas Voor een tal van zaken;
Menig stal van Augias Is nog schoon te maken!
Denken doodt en doen verplicht! Op! de mensch moet handlen;
Niet staêg met bedrukt gezicht Als in droomen wandlen!
Kracht, gezondheid, raad en baat Voor uw zielenooden,
Is in de' arbeid, in de daad U van God geboden!
Werk en min, ziedaar de troost! Bouw een huis op aarde!
Leef en streef voor gade en kroost! Kweek de schoone gaarde!
Menig nokkend filozoof Wien zijn huis bekeerde
Tot echt-menschelijk geloof â Dat zijn kind hem leerde 1
Wie, uit liefde, een heilgen Plicht Hart en hoofd wil geven,
Zal zijn God en vrede en licht
435
frLy- .i*- . ^ ;-â¢: ^ ⢠*' â¢* '-*'-tJL..' * gt; *' gt;,* gt;.*'' Iamp;-amp;
430 LEEKEDIfHITJES.
Vinden in het leven ;
Meer dan hy die, suf en sip,
Dag en nacht blijft zoeken Naar een reedlijk Godsbegrip In de nieuwste boeken!
I860.
c.
PRAGT1SGH.
Ik zeg maar wees geleerd, dal's mooi! maar wees verstandig, Dat's mooier nog! en mensch, vooral wees niet onhandig!
ci.
DENKEN.
Wie 't met zijn denken hier beneden
Nog wel het verste brengen kan?____
Mü dunkt somtijds, en dat om reden! Een needrig en weldenkend man.
en.
TER GRIFFIE GEDEPONEERD.
(Zie xx.)
Verveling stemde voor de wet En, naar uw zin of niet, ge krijgt een spoorwegnet;
-.â¢T' ' -.f' â *quot; -xquot; â $ ' [ï
*]. y- . »â . y- . «- . y- .» . f- , . gt;'â ,»- ,» . gt;'â . . »â ,, y- . gt;- ,jt â * . gt;' f
LEEKEDICHTJES. 4-37
Dat is nu uitgemaakt, en in een jaar of zeven Is Groningen niet ver____
âMaar hoe is 't met den W i 1 ?quot;
Dat is niét uitgemaakt, doch â hou' er liefst van stil! De kwestie sluimert: laat haar rusten ! ze is al-even,
Nu toch zes duizend jaar in statu quo gebleven!
't Schijnt, vrije wil of geen, dus mooglijk hiér te leven!
't Schijnt ook dat onderzoek ons niet veel verder leidt! â En ik voor mij wou (met de stukken van de heeren!) Die gansche zaak nu maar ter Griffie deponeeren.
Ter Griffie, meen 'k, van de Eeuwigheid,
Die over alles vast een nader licht verspreid! â
Juli '60.
cm.
VROME RAAD.
Neem liües aan; dat's 't beste deel â Ook financieel.
civ.
VRIJGEVIGHEID.
De Dogmatiek â zegt Jan â die geef ik je present. Doch wat hij meer geeft, bleef, tot heden, onbekend.
[quot; *'' ' â gt;gt;.' -t' *â ' if' -Jf' *â ' *â '
^.gt;1
.
LEEKKDIGHTJES.
438
[â¢' r
cv.
DEFTIGHEID.
Dozo sgort van deftigheid mist alle waarheid en waardigheid.
S. S. V.
Bastaard van den Ernst, die ,(razen'
Tot een schijn van reden plooit, En temet een schaar van dwazen Heilig zand in de oogen strooit! Die onzinnige vertoogen
Uitbrengt met een hoog gewicht, Als gewerd ü, uit den hoogen, (Ach !) een officieel bericht! Farizeesche, die uw naaktheid.
Die uw ijdel zielsbestaan Hult in plooien vol gemaaktheid, In den mantel van den Waan ! Gij, die nooit een hart bekoorde. Brandend van wat heilig vuur; Schrik van Waarheid en Natuur, Die de Gratiën vermoordde!
Ja, die ter onzaalger uur Om het heiige te verkonden. Ons een toon hebt uitgevonden, Die 't gebed van 't vroom gemoed In een lach verkeeren doet.... Hoor! wie u bewondren mogen â God vergeef mij zoo ik me ooit In uw plooien heb geplooid! Ik veracht u als de Logen;
En ik zegende den dag.
壉
r
ff-
*J
â¢u
vf â *' â *' iT vf â¢*' *' ^ â ïr â *' *'E*
â¢t' iP
leekedichtjes.
Dat ik u, door schrik bevangen
Voor der Waarheid ronden lach, Aan een Witte Das verhangen Ergens plechtig bunglen zag !
cai.
AAN Ds. HUMANUS, theol. dout.
Gy zijt een mensch, eenvoudig, mild, gewoon â Doch zoo gewoon, als ik mij-zelf mocht wenschen! â Gy gaat, gij doet, gy lacht als andre menschen, Gy voelt als wij en spreekt op de' eigen toon.
Gij redeneert, dat elk u volgen kan;
Gy hebt geen stel van stemmen of gezichten.
Geen heilig soort van maten en gewichten;
Gij vreest uw God en zijt oprecht: een man!
Gij zegt al vaak: Ik weet niet! gul en goed;
Geen vreemde balk verblindt uw heldre oogen.
Ruim klopt uw hart vol liefde en mededoogen; Wat menschlijk is, heeft recht op uw gemoed.
Hoe voert uw geest onmerkbaar heerschappij! Vertrouwen eischt uw open, ronde trouwe;
'k Ben eenzaam liefst in krankheid en in rouwe.
Maar ben ik droef of krank â wees welkom Gij!
Gij zijt een mensch â gewoon; doch niet gewoon Sinds hier natuur in zeldzaamheid verkeerde! â
439
.y- .y- .gt;â ..y-
J£ p' *
\a *
440
LEEKEDICHTJES.
Hoe dank ik u voor 't geen uw geest mij leerde! Hoe eer ik ü â gü eert den Menschenzoon.
CVII.
VERSTAND EN GEWETEN.
*;
*1
aJ
v *,
-Tgt;
*
*
=4 A
quot;A A
A *
*.
A
A
Ji,
wi
Waar die twee één zijn, daar is 't recht, 't Gewetenloos verstand is slecht, En 't onverstandige geweten Maakt menigeen bezeten.
* * * â¢-
*
a
t f*
*
a *
*
r..
]éy *
* * *
,*
cvin. MORAAL.
Schoon het Haantje van 't Vernuft
Soms moet koning kraaien Moogt gij 't Haantjen in de borst Nooit den nek omdraaien !
cix.
TWEEDERLEI OORDEEL.
Dat wie niet werken wil, niet ete! staat geschreven.
Hij die niet denkt, hij mag wel eten â maar niet leven.
if *⢠*â ' y y â /' if' if lt;â ' y y ÃTâ *' *'
n , ,è'- . ï- , gt;'- , ö- , »'- [*'
y- , â ' , ,»'⢠, c- . ^y-
*
LEEKEDICHTJES.
XG.
VERHEVEN TROOST.
(BIJ DEN ONDERGANG VAN HET SUPBANATUBALISME.)
Ocli, wat miraaklen ons begeven,
Voor 't ernstig zoekend hart â geen nood! Steeds blij ven wondren meer verheven,
Ontroerend, zinrijk, godlijk, groot, Ons prikklend naar omhoog te streven:
Ziet, welk een wonder is het Leven En wat mysterie is de Dood!
H U M O R.
Een rijke taal vol geest en â ingehouden tranen,
Vol zin, â ook zéér geschikt tot leeren en vermanen.
Mits maar de vrienden haar verstaan.
Want velen klinkt ze als Grieksch; voor andren weer
profaan.
CXII.
DOGMATISME.
De Geest, die 't brood dat zielen voedt, In steen of gif verandren doet.
441
-V
ÃC *
ïfc
*,
*, *
*, *
quot;-N
ïT â¢x'T â *quot; * ' («i
LEEKEDICHTJES.
CXIII.
PEINZENSMOEDE.
Daar is geen Priester Die Hem verklaart!
In raadslen wandelt De mensch op aard.
Wie't Licht van Heden Ook juublend eer',
Dit licht doet smachten Vooral â naar meer!
Want ach, wat nevel Van Dwaling vlied' â
De Zon der Kennis, Zij schijnt hier niet.
Mysterie â 't leven ! Mysterie â 't lot!
Die schepping predikt Geen liefdrijk God.
*
f
k
Natuur â wat deert haar Uw vreugde, uw leed? Ze is zielloos lieflyk En reedloos wreed !
En Hij die allen Is voorgegaan?
Liet zonder antwoord Ons Waarom staan!
442
si â¢.» â *' -* â * â
â x'
LEEKKDICHTJES.
Het eind der wijsheid Blijkt altoos meer; Wij weten weinig â Te weinig, Heer!
Maar toch, al gloeit soms Mijn hoofd van smart -In U, mijn Schepper, Vertrouwt mijn hart.
Niet ómdat alles
Uw Liefde ontdekt, Maar óndanks alles Dat twijfel wekt!
Trots 't onverklaarbre
Dat huivren doet, En 't onbewijsbre Der hoop, die 'k voed!
â¢v *â¢
Trots ieder raadsel,
Het Kwaad zóó groot, De Smart zóó schriklijk, Trots rouw en dood.
Ja tóch, ik meene Dat ik Uw hand Wel speurde in 't leven Uw Vaderhand;
En dat mijn ziele, Ter stille nacht, Uw stem wel hoorde, Zoo teer, zoo zacht.
443
inr
m
*â
* * * * * * *
V amp;
*
*â
:«
*
A *
A :k
'â V
=4, *
A, *
=4
*
â¢4
â -4 â¢Â»
* *
=4, *,
* *
A
r
ff.
it *â
1860.
* * »
* *
LEEKEDIGHTJES.
Na vuur en stormwind
Zweefde ook soms mij Schoon geen El ia â De Heer voorbij â ⢠â¢
Uw starrenhemel,
Hij trekt mijn oog, â Als 't woord des Heilgen Mijn hart omhoog!
Ik smacht, vermoeide
Van 's levens loop â Mijn hope is weemoed. Mijn weemoed hoop!
En 'k geef mij over,
Met blind geloof,
Aan U den Vader,
Wien niets me ontroof!
Daar is geen Priester Die U verklaart, â Doch U zoekt niemand Vergeefs op aard.
GIJ EN WIJ.
Naar uw eng, fantastisch Hemelpoortje Strumpelt gij op 't afgebakend pad.
cxiv.
4' i(' ir~ *' if' â *quot; â #' *â ' if' â /' â #'
â Tlr â¢
ÃT *â iC
.Â¥â .» â gt;â .»
â ^ â » .y
. y- . y- . v- . y- . a-
LEEKEDICHTJES.
En uw reisweg schijnt u woord voor woordje Uitgeschreven op een heilig blad.
Op des Geestes breede, diepe stroomen Drijven, zwerven, zoeken, lijden wü ;
Nachten dalen, hooge waatren komen____
En â we zijn zoo rustig niet als gy !
Toch vooruit steeds streven wij en staren.
Als Columbus, 't hoofd omhoog gericht. Reizen we op de wentelende baren, In 't geloof dat ginds een wereld ligt!
y * *
* *â¢
y
gt;â¢,
A
445
I860.
â lt;f 1 ⢠-â¢1
*jL_
â¢y 1quot;
â -.f â
1
*
t.l.» , gt;â .. y .» . y- . . *â .' . â «â . . «â . i' . gt;â . y- . ^ . *'
INHOUD.
Blz.
Levensschets van P. A. de Génksïet, dook C. P. Tiele . iâmi
EERSTE GEDICHTEN.
Aan de âHollandsclie Jougensquot; van Hildebrand .... 3
Het Penningske der Weduwe............7
Dit versje is niets anders dan een Bijschrift, letterlijk fjemuakt voor eene gravure in den Muzen-Almanak, naar do bekende schilderij van den Heer J. A. Kruseman. Zoo gij er uwen Bijbel niet by opslaat,
zult gy misschien zeggen, dat het de verdienste heeft van tenminste zeer eenvoudig te zijn.
Louise de Coligny................10
Geschreven bij de schilderij van den reeds genoemden Kunstschilder, voorstellende: De weduwe van Willem I met haar kindx Frederik Hendrik, op de knieën.
Aan een Lid der Kommissie tot afneming van het weleer beruchte Staats-Examen.............13
Gy vindt het immers niet kinderachtig, dat ik deze herinnering van een zoo interessante periode uit het... jongensleven heb laten drukken 1
*3 ⢠it' -fTquot; -A ' IT' * r *quot; Vlt;' vf'
29
|
jr- . â¢' , â¢* , ⢠â , gt;'⢠, ir , â¢'- , â¢' , i' . â¢â . â¢â â . V . â¢'- . â¢'- , c- , â¢- , i- , i'- . »⢠i è'. |
â¢' | ||||
|
:V â¢V |
45ü INHOUD. |
i' |
1 | ||
|
:V |
Blz. |
rm' |
*1 | ||
|
Jongelui van tegenwoordigquot; â hoe gek! â mogen hieruit leereu, |
amp; |
-4 | |||
|
hoeveel angsten wy hebben doorgestaan, maar ook hoeveel pleizier |
fi' |
* | |||
|
4, |
gehad.... eer de poorte der Akademie ook voor zuigelingen ontsloten |
i' | |||
|
werd. Het versje is geïnspireerd door de innemende wyze, waarop het | |||||
|
négerend examen werd afgenomen. De zinspelingen zijn alle historisch. | |||||
|
Het heugt my nog levendig hoe grappig en akelig ik reed op mathesis |
quot; | ||||
|
cum, suis, en hoe serieus ik onder de eerste Frankische Koningen |
P' | ||||
|
ook âKlodion den Langharigequot; (zie pag. 15) noemde, alsof de man |
!»'â | ||||
|
* |
mij bijzonder interesseerde. |
ft'- |
ïi | ||
|
ü, |
Morgen is mijn dichter jarig. Een lied aan Mr. J. van | ||||
|
Lennep, in den nacht van 24 Maart 1846 ...... |
17 | ||||
|
Egoïsmus............ |
24 |
m' |
»1 | ||
|
Geloof.........; . . . . |
24 |
?' |
â -i | ||
|
* |
Kritiek............. |
25 |
p- | ||
|
â¢V |
Gij hebt Barbier's Jambes gelezen ?... Ik ook. |
»'⢠| |||
|
A |
Levensfilozofie......... |
27 |
p' | ||
|
Onrust............. |
28 |
pr- | |||
|
*, |
Dolce far niente.......... |
29 |
i- | ||
|
Uk - |
De handdruk............... |
80 |
7 | ||
|
ïK |
81 |
»⢠| |||
|
Alarmisten............. |
86 | ||||
|
Ã4 |
Vrienden-raad en dichters-antwoord......... | ||||
|
⢠|
88 | ||||
|
* |
Op- een vervelende soirée............. . |
40 | |||
|
Naschrift.............. |
42 | ||||
|
Idealen............... |
42 | ||||
|
Uit mijn dagboek............. |
43 | ||||
|
* |
Levenslust............... |
45 |
ï | ||
|
* |
Aan een Heereboer................ |
40 |
amp; | ||
|
In de bibliotheek van een liefhebber......... |
51 |
m' | |||
|
* * |
Stem des harten................. |
52 |
/If' i' | ||
|
' |
a |
â¢iC *quot; ' -f â vf' iC vf â ' â ,? ' * 1 V» â ' â gt; ' ' -.f |
*â â /' |
â â¢' . . â¢'
INHOUD. 451
Biz.
Lente.....................56
Als ik des zomers................58
Zomertochtje..................58
Vliegenvreugd en dichtersmart...........60
Eeizen....................61
Speelgoed van mijn kinderjaren...........63
Spreekwoordjes.................64
't Latijnsche school...............66
Uit het studentenleven.
I. Epikurisch feestgezang............68
II. Een liedje aan een jong student.........70
III. De humorist................72
IV. Het schotje . . ...............74
Voor do oningewijden in de beruchte geschiedenis van het schotje in 't Amsterdamsche Athenaeum wil ik de zaak hier in proza met een paar woorden uiteenzetten. Ik begin met u te vertellen, dat wij er een Athenaeum op nahouden. Gij zult â hope ik â de vriendelijkheid hebben mij niet tegen te spreken. Dat gebouwtje is zeer wrak, zeer oud, zeer vuns, maar voor eenigen tijd met onloochenbaren smaak en savoir-faire opgeknapt. In dat Athenaeum is een bank, waar zich de professoren bij Feestelijke gelegenheden in nederlaten. In die bank was een muurtje. Ja, het was er, het is er niet meer. Eere aan de Kuratoren!
eere den Sekretaris, die het bevel tot slooping heeft geteekend. Dat was ten minste een liefelijk verschijnsel in deze dagen van twist en scheuring. Maar toen dit versje geschreven werd, was het er nog, dat muurtje. Anders ware dit versje niet geschreven. 1)
Welnu: aan de ééne zjjde van dat schotje prijkte in gloria het gereformeerde Athenaeum, in de personen van zijn professoren natuurlijk;
aan de andere zijde werden de Seminaria, door vijf professoren vertegen-
.1
-
3
=1 *
â â i *
â gt;
=4 «
1) Zooals bekend is, werd ook het gebouwtje, waarvan onze dichter hier spreekt, sedert voor ander onderwys ingericht, en de zetel van het Athenaeum naar den Ouden Doelen op den Singel overgebracht. Noot van den Uitgever.
'X~r * '
gt;⢠â gt; . ^L-ugL-gt;' gt; *' â . *'⢠â gt;- -â gt;'⢠.gt;'- gt;gt;'- . â gt; .Â¥â¢
452 INHOUD.
BIz.
woordigd, op elkander gedrongen, in het zevende of vierde gedeelte (ik heb geen mathematisehen blik) van de geheele bank. Het verwondert mij, dat het nog zoo lang goed is gegaan. De bespottelijkheid en onbillijkheid dezer afscheiding viel te meer in het oog, wanneer men bedacht dat de gereformeerde theologen ook gedeeltelik werden gevoed en gekweekt, in geestelijken zin, door luthersche, remon-strantsche, menniste Professoren. Zie pag. 78.
V. Aan mijn vriend Mr. E. H. s'Jacob, naar Batavia
vertrekkende...............82
Het land (Bladvulling)..............83
De volksdichter.................83
Aan iedereen..................85
Dagelijksoh brood................86
In gelukkige dagen...............88
Geduld....................8!)
De Sint-Nikolaasavond..............90
pag. 115. Hieronymus is hier 't volmaaktste epitheton.
Zoo juist en schoon als geen Homerus ooit verzon.
Hebt gij wel eens opgemerkt, welwillende, hoe innig sommige voornamen met den geslachtsnaam niet slechts, maar ook met het induvidu dat ze draagt, verbonden schijnen? Hoe die voornamen de menschen,als het ware, teekenen en kleuren! Kunt gij u voorstellen dat Mr. Willem Bilderdyk bijv. Hieronymus Bilderdijk, of Rhijnvis Bilderdijk, zou hebben geheeien? Met geen mogelijkheid! Kunt gij u een George, een Michel Feith denken, of iets anders dan een Joost van den Vondel? een Huig de Groot? ook een Henri van den Vondel? een Dirk of Joost de Groot? Neen, Bilderdijk moest Willem, Vondel Joost, de Groot Huig genoemd worden, en Van AlphenDaar ligt voor mij in dien naam iets gemoedelijks, iets zwaars op de hand, iets, hoe zal ik het noemen? iets âde-naarstigheid-die-kinderdeugd-achtigs,quot; dat bijzonder overeenstemt met het individu, beschouwd als vervaardiger van ouwe-mannetjesgedichtjes en van allerlei onaangename, onnatuurlijke Jantjes en Pietjes, kleine Hieronymusjes. Het voorgeslacht vergeve
iC * ' * â¢' -JT
^
ifquot; if' *quot;
*]..* .y- .» .gt;â .» .«â¢â .-» ..*â¢â .» â gt;â¢â â gt; .» .-*â¢â¢
INHOUD. 453
Blz.
mij... ik ben terstond bereid toe te geven, dat er wel vier aardige versjes in het beroemde bundeltje te vinden zijn, en één enkel dat subliem is van gevoel. Toch is dat laatste eigenlijk geen kinderversje.
Maar veel kinderen van mijn kennis en ik vinden die gedichtjes in 't algemeen te wijs en te pedaut voor ons en de zedelijke heldjes van die gedichtjes min of meer onuitstaarbaar. Wij hebben méér sympathie voor Goeverneur en voor een âHollandsche jongenquot; van Hildebrand. Van zoo een kan iets groeien! Maar wat moet er worden van zoo'n zoet wijsgeertje a la Van Alphen ? Ann kind, arme jongen, gij hebt uwen eisch niet gehad! Uw spelen was leeren.
Dit alles neemt niet weg, dat ik Van Alphen bewonder en liefheb op een ander terrein. Laat de kinderen liever zijn Cantate van buiten leeren dan die kindergedichtjes!
pag. 129. O Vorsten, wat noch goud noch zilver kan betalen.
Doe uw verlichte gunst uw volk in de oogen stralen.
Hier zweefde den auteur zeker het puntig dichtje â op zijn Roemer Visschers â van den edelen Staring voor den geest, dat ik niet laten kan even uit te schrijven:
De ster, op de borst van den braven man Moest door de wolk van zijn nederigheid stralen.
En wat geen zilver, geen goud mogt betalen.
Daar spreekt de gunst des konings van.
Zoo strekt de brave ten baat voor ons allen Maar de ster op den rok van een gek of een guit.
Lokt het regterlijk oog van de menigte uit:
Dat schande en spot verpletterend op hem vallen!
Waarlijk, geheel de âSint-Nikolaasavondquot; schijnt wel niet anders dan een uitvoerige kommentaar van deze geestige regelen.
Zachtheid...................130
De avondzon..................131
Mocht iemand nieuwsgierig zijn naar, of belang stellen in den oorsprong van dit versje, die leze in âProza en Poêzyquot; van Abraham des
if' if' *quot; â¢*quot; ' vfquot; ^ * ' * ' * * * ' * '
. .»⢠. in , p- . a'-__. a- . . »'⢠, if- , if- , )r ,)h , amp; , i' . ^ , r- , , â¢'â , *â¢__, »'⢠, i- , i
454 INHOUD.
Biz.
Amorie van der Hoeven Jr., de âHerinnering,quot; door Dr. J. J. van Oosterzee, pag. 7. âNog heugt my eene stille namiddagure,quot; enz.
Album....................132
Demon....................133
Bladvulling.................. . 134
Bij het beekje..................135
Gezond verstand................135
Boutade.......................
Bij een âfantaziequot; van den kunstschilder J. A. Kruseman. 137
Liberaal....................138
Levenslied...................138
Gemis.....................140
Errata........................
Vogeltjes, die zoo vroeg zingen, krijgt de poes.....144
LAATSTK DER EERSTE.
Terugblik...................147
De liefste plek.................149
Kinderzin...................152
De proefsteen..................153
Toen ik een knaap was..............153
Uitkomst...................154
Mooi-weerslied.................154
Kleine stukskens................150
|
â i.1, » . y- . » . » . » . gt;' . ^ . f- . *â .»â . .» . *⢠. «â . *â , gt;â¢â . -gt;â . gt;â . ^ . »â . | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
gt;3,gt;r. .y. .y: ,y ,y ,» ,y ,gt; ,* ,jt~ .p- .? ,» ,y ,gt;
456 INHOUD.
BIz.
Liefde.....................201
Verloren sleutel.................202
Niet voor de mensohen..............202
't Was tocli de Hovenier.............204
Onvermoeid...................205
Rouwbeklag..................207
Het haantje van den toren.............207
Schitterende starre................218
Twee levensbeelden...............219
Variatie....................223
Op de bergen..................223
Piëteit en aesthetiek....................220
De engel bij het graf...............22G
Biblia.....................228
Neen.....................230
Bij Meer-en-Berg.................232
Naar de natuur.................233
Opwekking...................235
Ars longa, vita brevis...............235
Kunst en evangelie................230
De schoenlapper van Alexandrië..........23G
De kundige lezer â geen vreemdeling in de Kerkgeschiedenis â zal oordeelen misschien, dat in dit gedicht de sombere, doch edele figuur van Antonius, âden vader der Monniken,quot; (A. 300), ten onrechte in een meer of min belachlijk licht wurdt gesteld. Maar wij doen opmerken, dat de bekende kluisenaar hier niet als historisch persoon wordt geschilderd,
*
*
A *
*. \ A.
â¢â 4,
â k, V
*,
maar meer als type is genomen. Wie over den Antonius der historie een schoone bladzijde wil lezen en een billijk oordeel vernemen, zie de .Geschiedenis van het kerkelijke leven der Christenen gedurende de zes eerste eeuwenquot;, door W. Moll, Deel I, pag. 6G volg. Voorts meenen wij dat de toon, waarin het gedicht is geschreven, van-zelf werd bepaald
*
â rt ^
.lt;f' V
|
gt;* â¢gt; .gt;; ,gt;' â¢* â¢gt; â¢gt; â¢gt; â¢gt; â¢*' .gt; |
1* | ||
|
* V |
INHOUD. |
457 | |
|
Blz. |
F | ||
|
* |
door het karakter der geestige legende, die door Melanchton, tot leeriug, |
ar. p | |
|
* |
wordt vermeld en naar ons oordeel vol is van den gezonden, Christelijken |
r | |
|
A |
humor, in zijn natuurlijke frischheid vaak ernstiger en diepzinniger, dan |
r | |
|
* |
zooveel dat bij uitnemendheid voor ernst wordt gesleten en gehouden. | ||
|
* |
Werken, denken, leeren.............. |
242 |
L |
|
* |
Kijkje in het leven................ |
244 |
Lfc |
|
* |
Benjamin-af.................. |
245 |
L* |
|
Drie paren en één................ |
24G |
r' | |
|
Liedje in den maneschijn...... ...... |
247 | ||
|
* |
Dat 's de kunst................. |
248 | |
|
De mailbrief . . . . ;............. | |||
|
* |
Groot; ook goed ?................ |
2GG | |
|
* |
Zelfverloochening................. |
207 |
r |
|
Door zegen geheiligd............... |
268 |
r | |
|
Niet bezorgd.................. |
268 |
r | |
|
* |
Onvergankelijk................. |
269 |
r |
|
* |
Ver van huis.................. |
272 |
r |
|
* |
Uit de kindsheid................ |
274 |
r |
|
* |
De Heiden-Apostel................ |
275 |
r |
|
Leuze voor waarheidzoekenden........... |
277 | ||
|
* |
Verschil.................... |
277 |
y |
|
Arme visschers................ |
278 |
r | |
|
:⢠|
Bekentenis................... |
00 CM |
r |
|
â¢â K |
r | ||
|
=4 |
De kunstenaar en zijn publiek........... |
290 |
F |
|
ï», |
Menschelijk.................. |
1^ | |
|
* |
Sauce piquante................. |
L | |
|
* |
Zflcht op rijm.................. |
292 |
r' |
|
* |
De beste vriend................. |
u | |
|
'â¢k * |
Een kruis met rozen............... |
Ié. r â r | |
|
*i |
c ie *quot; * ⢠â -te â¢*' y ' * | ||
|
a |
. ^quot; . y* , f* lt; amp; , â¢'â . â¢â¢ , â¢' gt; â¢'â . â¢- . .â¢' , y- , #'- , y . ,â¢â , â¢'⢠|
i- , y- . * . y- , y- . i- , gt;⢠| |
|
* |
458 INHOUD. |
* | |
|
r» |
Blz. | ||
|
0' | |||
|
* |
NALEZING. |
ï | |
|
* |
⢠| ||
|
* | |||
|
Fiintasio.............. |
......299 |
⢠| |
|
* | |||
|
â i |
Bidden.............. |
* | |
|
ri |
Vreemdelingen. | ||
|
I. De Protégé.......... |
......334 | ||
|
-⢠|
IV. Verliefd........... |
......387 | |
|
V. Getrouwd.......... |
......337 |
â¢gt; | |
|
⢠|
Slagveld bij Hastings......... | ||
|
Sneeuwklokjes........... |
......343 |
#â | |
|
Liefdeklacht ............ | |||
|
De Heer is haar herder........ |
â¢â¢ - | ||
|
Bede............... | |||
|
Ter herinnering........... | |||
|
1 |
Strijdleuze............. |
* | |
|
In Memoriam............ | |||
|
Ondervinding............ | |||
|
Vasthi en Esther.......... | |||
|
* |
Moeders graf............ |
......355 | |
|
Aan mijn zoon........... | |||
|
De ware godgeleerde......... | |||
|
⢠B |
Het wonderklokje.......... |
â¢' | |
|
F-a- | |||
|
V] |
' -m ' -jf' .0 ' ' - ⢠' . ⢠* ' .m ' -⢠' -jk ' yf ' ' |
' *â ' â /' y y y |
IV |
.:*1. y- . y- . *â . «' *'â â ^ â *''
INHOUD. 459
Blz.
Mme de la Vallière...............361
Naar 't Beloofde Land..............367
Bidden....................368
Aan de Watersnood-poëten............368
LEEKEDTCHTJES.
Den lezer...................375
Waar en hoe..................377
Individualiteit.................378
Verandering..................378
Keer in u...................380
Soorten....................380
Wetenschap en oppervlakkigheid..........380
Verschil en vrede................381
Niet aardig..................381
Stichtelijk...................382
Jan Rap....................382
Vroomheid..................385
Geloof en kritiek................385
Ernst en vrijheid................386
Op 't Kinderschooltje...............380
Twee in één huis................386
Regel, met uitzondering..............388
De waarheid..................388
|
,,* .* ,r ,? ,,* .)f- .a- .* .a- .v- .* .*⢠,* .*â â .a- .* .*â |
â * . *⢠.*â . *â |
w | |
|
A * |
460 INHOUD. |
* | |
|
Blz. | |||
|
* |
Dogmatisch roosje........... |
* | |
|
A |
Machteld en Leonard........... |
* | |
|
4 |
Question brülante........... | ||
|
* |
Determinisme........... | ||
|
Uitgesteld.............. |
* | ||
|
* |
Dualisme............... |
* | |
|
Monisme............... |
* | ||
|
* |
Nimium nocet............. |
* | |
|
'A |
Systematisch.............. |
* | |
|
Theorie en praktijk........... |
f»- | ||
|
A, |
Theologus triuiuplians.......... |
P' | |
|
A |
Mihi constat............. |
V | |
|
1 |
Geven en nemen.......... | ||
|
1 |
Nabetrachting van gemelde oratie...... | ||
|
1 J |
Methoden.............. |
* | |
|
De rechte maat............ | |||
|
3 |
Leekedichtjes............ | ||
|
V ermittlungstheologie........... | |||
|
J |
Sancta theologia............. | ||
|
.1 |
Beurt om beurt........... | ||
|
i J |
Van Heusde's spreuke.......... | ||
|
â¢i |
Twee Koryphaën............ | ||
|
J |
De stand der zaken. |
- m' | |
|
:j |
Een scepticus............. |
ï- | |
|
1 |
Een ontevredene............ |
i' | |
|
â1 O |
ï' | ||
|
â \ 'â m |
De Lutheraan............. |
amp; | |
|
Een voorstander............ | |||
|
:V |
De man van 't ware midden ........ |
* | |
|
Een geloovige............ | |||
|
â f â *' ' -a' *quot; *' ' *â f ' -*â -*r â *' |
y y y y r |
|
i*l.gt; .* .* .gt; â gt;â .* â¢* ⢠igt;- 1/ |
. ö'- . V- , V' , , P' , jr |
t4- | |
|
'à :⢠|
INHOUD. |
461 Blz. |
* * |
|
ïk |
Het absolute............. |
»⢠| |
|
* |
Geen Pilatus............. | ||
|
* |
Tont chemin mène a Kome....... | ||
|
â¢â¢ |
Welgemeend............. | ||
|
Waarschuwend voorbeeld........ | |||
|
Autoriteits-ongeloof........... |
* | ||
|
Ketterij............... | |||
|
'A i |
De wereld der traditie......... | ||
|
â¢Â® 1 J |
Formulier van eenigheid........ | ||
|
Leer en leven............ | |||
|
In de huiskamer.......... | |||
|
ü] |
Paradox............ | ||
|
ïi! |
Leekegebedje............. | ||
|
Wetenschappelijke ontwikkeling...... |
.....414 | ||
|
Histoire contemporaine......... | |||
|
Stichtelijke uren........... |
t | ||
|
â¢gt; |
Op heel en half licht.......... | ||
|
Een kind der eeuw onder oen preekstoel . . | |||
|
In Huygens' vorm........... | |||
|
!* s -A |
Cotin's opinie............. | ||
|
In Nomine Dei............ | |||
|
Voor schriftverklaarders......... | |||
|
Protest der liberalen.......... Zeker materialisme........... Moderne wereldbeschouwing....... | |||
|
Geloovig en religieus.......... | |||
|
, -4 |
De tegenstanders van het moderne. | ||
|
Houden en hebben.......... | |||
|
J| |
Overwegende argumenten....... |
â¢â¢ | |
|
S. |
' â /' vf ' â¢*quot; ' if' -.f ' ' â *quot; |
if' * ' iC a ' * ' -X | |
|
* |
, (4^ . ji'- , i- , »' , p- , »'⢠, â¢'- , â¢'â , â¢'⢠, â¢'- , â¢' . â¢'â , â¢'- . j è- |
, ⢠⢠, ⢠⢠. , ir . â¢, J' | |||
|
* |
â¢â¢ |
-1 | |||
|
462 INHOUD. |
Blz. |
è' i' |
ïfc. | ||
|
Kontrabaude........... |
......423 |
'.k 1 | |||
|
Een oud gediende......... | |||||
|
Een stumperd........... |
⢠| ||||
|
Illusie.............. Een aristokratisch tegenstander .... |
......425 |
0- |
ïK | ||
|
â¢] |
Gemoedelijke ouderdom....... Vasthouders........... |
......425 ......426 |
i' : |
â¢VI | |
|
Uitzetten.............. |
- | ||||
|
ïfcj i |
Enfant terrible........... |
......426 |
ï- r |
ïfcj | |
|
ïi |
Voorzichtig!............ |
/»⢠|
ÃV ïV | ||
|
1 |
Te ver gaan............ |
......427 | |||
|
Beginsel en konzekwentie....... | |||||
|
1 |
Martelaars............. | ||||
|
Met schade en schande........ | |||||
|
Afgebroken discussie......... |
......428 | ||||
|
Hoe soms de liefde heerscht...... Verdraagzaamheid.......... |
......429 |
ï i: | |||
|
Dilemma.............. | |||||
|
Van boven naar benedon ....... |
......431 | ||||
|
Idealisme............. | |||||
|
gt;v |
Voor de optimisten.......... |
......433 | |||
|
ïfc, |
Weemoed en hope.......... |
1 oo |
jf. | ||
|
Luim............... | |||||
|
Ue practici............. | |||||
|
7*i |
Praktisch............. |
......436 |
ï' | ||
|
ïfci *, |
Denken .............. Ter griffie gedeponeerd........ |
* ï | |||
|
Vrome raad............ |
ï | ||||
|
'⢠|
Vrijgevigheid............ |
ï | |||
|
Deftigheid............. |
amp; amp; | ||||
|
V) -,⢠' -.? ' *' * ' * ' * ' %⢠' vf ' '-⢠' ' * ' -⢠%lt; ' -⢠' â ⢠quot; |
â â /' vt1 *' ft; | ||||
|
L | |||||
ilK
INHOUD. 463
Biz.
Aan Ds. Humanus, Theol. Doet...........439
Verstand en geweten...............440
Moraal....................440
Tweederlei oordeel................440
Verbeven troost.................441
Humor....................441
Dogmatisme..................441
Pcinzensmoede.................442
Gij en wij...................444
5) *' rfquot;
'ir
â¢Jt' -ff' ⢠'
, y- .gt;â ,gt; . â gt;' â gt;⢠â gt; â * â *' â ^ {v- â *'
-v
A
1 ÃW
i
ü'
3
ALPHABETISCH REGISTER
OP DE VERZEN IN
DE GENESTET'S DICHTWERKEN.
BIz.
Aan Adda...................329
Aan Ds. Humanus, ïhcol. Uoct...........439
Aan een heereboer................4(i
Aan een Hollandscheu knaap...........410
Aan een Lid der Kommissie tot afneming van hot weleer
beruchte Staats-Examen.............13
Aan de âHollandsche Jongensquot; van Hiidebrand .... 3
Aan de Watersnood-poëten.............1(38
Aan de zon..................180
Aan iedereen..................85
Aan mijn vriend Mr. E. H. s'Jacob, naar Batavia vertrekkende. 82
Aan mijn zoon.................356
Aan zee....................335
Afgebroken discussie...............428
Alarmisten...................36
:
2
V A,
^1 â .? 1 : 'j. '
V i(' â *' '
y i(J *' 4' S'
|
. gt;â â ..* ,gt; .gt;â .gt;- .gt;- .*⢠.gt;⢠.gt;â . â¢â .gt;â i |
. gt;â |
,gt;'â ,/⢠, «;â , y- , Ã- , ï |
. * |
?â |
vquot; | |
|
V |
ALPHABETISCH |
KEGISÃEK. |
465 |
f- | ||
|
* |
Blz. | |||||
|
* |
Album.......... |
132 | ||||
|
* |
Als ik des zomers...... |
58 |
£ | |||
|
Anni's taal......... |
169 |
amp; | ||||
|
Arme visschers....... |
278 |
\* | ||||
|
Ars longa, vita brevis..... |
235 |
r | ||||
|
* |
Autoriteits-ongeloof...... |
405 | ||||
|
-â i |
Bede........... |
347 | ||||
|
* |
Beginsel en konzekwcntie . . . |
427 |
r | |||
|
S |
Bekentenis......... |
280 | ||||
|
Benjamin-af........ |
245 | |||||
|
1 |
Beurt om beurt....... |
398 |
r | |||
|
Biblia........... |
228 |
iKh | ||||
|
Bidden.......... |
331 |
r | ||||
|
4 |
Bidden .......... |
368 |
F | |||
|
Bij een âfantaziequot; van den kunstschilder |
J. A. Kruseman. |
137 |
r | |||
|
Bij het beekje........ |
135 | |||||
|
quot;4 1 |
Bij Meer-en-Berg....... |
232 |
r | |||
|
Bladvulling......... |
134 | |||||
|
137 |
h | |||||
|
H |
418 |
h | ||||
|
â¢â¢I |
86 |
r | ||||
|
i |
248 |
r | ||||
|
De avondzon........ |
131 |
r | ||||
|
293 | ||||||
|
226 |
' - | |||||
|
De feestdag......... |
169 | |||||
|
De handdruk........ |
30 |
r | ||||
|
* |
De Heer is haar herder .... |
345 |
£ | |||
|
De Heiden-Apostel...... |
275 | |||||
|
* |
Dc Hertogin van Orleans . . . |
31 | ||||
|
* |
I- | |||||
|
*quot; *' â aquot; â¢,»' y *quot; -j»' if' - |
â¢' a' * |
*quot; v?' aquot; * ' â¢#' |
' a' | |||
30
. gt;' . j' , V . »⢠. V- , . â¢- . V , gt;- . o'- ,«gt;'⢠. gt;'â ., g- . gt;'⢠, *â .V- , V- . . â ' â »' . gt;'⢠[*'
ALPHABETISCH REGISTER.
Blz.
De humorist..................72
De kunstenaar en zijn publiek...........290
De lendenen omgord...............162
De liefste plek.....................149
De Lutheraan..................401
De mailbrief..................248
De man van 't ware midden . . â¢.........401
De practici...................434
De proefsteen . . . . â¢.............153
De protégé...................334
De rechte maat.................397
De schoenlapper van Alexandrië....... . . 236
De Sint-Nikolaasavond..............90
De stand der zaken...............400
De tegenstander van het moderne..........423
De volksdichter.................83
De waarheid..................888
De ware godgeleerde...............356
De wereld der traditie..............406
Deftigheid...................438
Demon....................133
Den lezer...................375
Denken ....................436
Determinisme..................392
Dilemma....................431
Dogmatisch roosje................388
Dogmatisme..................441
Dolce far niente.................29
Door zegen geheiligd...............268
466
â¢â¢ij *
:4J
Drie paren en één.................246
if -f a â ïT
, gt;'â t*-
ALPHABETISCH REGISTER.
Dualisme..............
Een aristokratisch tegenstander......
Een geloovige.............
Een kind der eeuw onder een preekstoel . ,
Een kruis met rozen..........
Een liedje aan een jong student . . . . ,
Een ontevredene...........
Een oud gediende...........
Een redelijk conservatief........
Een scepticus............
Een stumperd.............
Een voorstander...........
Eerste en laatste reis.........
Egoïsmus.............
Enfant terrible...........
Epikurisch feestgezang........
Ernst en vrijheid..........
Errata...............
Fantasio..............
Formulier van eenigheid.......
Geduld..............
Geen Pilatus............
Geloof..............
Geloof en kritiek..........
Geloovig en religieus.........
Gemis...............
Gemoedelijke ouderdom........
Getrouwd.............
Geven en nemen..........
Gezond verstand...........
4G7
Blz.
393 425 402 416 294 70 400 424 400
400 424
401 185
24 420 08 380 140 299 , 407 . 89 , 403 . 24 . 385 . 422 . 140 . 425 . 337 . 390 . 135
. »â â gt;â ^ â â » â gt;'â . gt;â * . *' B' , gt;' . *' *'â â gt;'-
4CS ALPHABETISCH REGISTER.
Blz.
Gij en wij...................444
Groot; ook goed ?................26G
Het absolute..................403
Het haantje van den toren.............207
Het land....................83
Het liedje van verlangen.............158
Het oude huis.................189
Het Penningske der Weduwe............7
Het schotje...................74
Het wonderklokje................35(5
Histoire contemporaine..............415
Hoe soms de liefde heerscht............429
Hoe zich een dichter troost............334
Houden en hebben................423
Humor....................441
Idealen....................42
Idealisme...................433
Illusie.....................424
In de bibliotheek van een liefhebber.........51
In de huiskamer................410
In gelukkige dagen...............88
In 't bosch...................336
In Huygens' vorm................418
In Memoriam..................348
In Nomine Dei.................418
Individualiteit......................378
Jan Kap....................382
Jong-Hollandsch binnenhuisje...........1G4
Jonge roeping..................157
Keer in u...................380
Squot;5 V?quot;* ,fquot;f v?quot;1 v?quot;' ' 'jf â *'' â *'' * â¢Â«'' 'lt;f'
|
*],* .i/- . ï- . , »⢠, ï- . * . .a- . »'⢠. *⢠|
r ⢠,gt;'â |
, P' , in , p- | ||
|
A |
ALPHABETISCH REGISTER. |
469 | ||
|
A |
Blz. | |||
|
* |
Ketterij........... | |||
|
Kijkje in het leven........... |
* | |||
|
* |
Kinderloos........ | |||
|
A |
Kinderzin............ |
amp; | ||
|
â â¢v |
Kleine stukskens......... |
. 156 |
* | |
|
Komeu en gaan......... | ||||
|
* |
Kontrabande.......... |
* | ||
|
Koosje.......... |
i- | |||
|
4, |
Kracht......... |
ï | ||
|
Kritiek......... |
? | |||
|
* |
Kunst en evangelie........ |
f* | ||
|
* |
't Latijnsche school........ |
if | ||
|
* |
Leekedichtjes........ |
F | ||
|
Leekegebedje............. |
i* r | |||
|
*\ |
Leer en leven............ | |||
|
il |
Lente............... |
f | ||
|
*\ |
Levensfilozofie ............ | |||
|
1 |
Levenslied.............. |
[ | ||
|
Levenslust.............. |
F | |||
|
Levensschets van P. A. de Gcnestet, door 0. P. |
ïiele. |
IâLUI |
F | |
|
ï» |
Levensvoorwaarde........... |
K | ||
|
Leuze voor waarheidzoekenden...... |
. 277 |
1 | ||
|
Liberaal........... |
l*^ r | |||
|
Licht en bruin............ | ||||
|
â¢Â« |
Liedje in den maneschijn........ |
. 247 | ||
|
Liefde.............. |
1 | |||
|
Liefdeklacht............ |
F | |||
|
Louise de Coligny........... |
. 10 |
F | ||
|
Luim................ |
r | |||
|
* *_ |
Machteld en Leonard.......... |
r é' ï r | ||
|
'jf' â * ' â ® ' t ' ' â¢.? if' ifr â¢' ' r |
â¢K' -P.' -f. |
â jT^ * ' â lt;' t* | ||
|
*1 |
, , â¢â¢ , Vquot; . P' . . ⢠â . , â¢' , . p' , , â¢â¢ , |
gt;⢠| |
|
â¢Ã© 1 J - |
470 ALPHABEÃISCH REGISTER. | ||
|
Blz. |
i' | ||
|
1 *â¢] |
Mme de la Vallière................ |
361 |
p'- |
|
Martelaars................... |
428 |
O' | |
|
j |
Menschelijk.................. |
291 |
f |
|
lt;â¢1 |
Met schade en schande.............. |
428 | |
|
â¢â¢,1 |
Methoden................... |
397 | |
|
Mihi constat.................. |
395 |
è' | |
|
Moderne wereldbeschouwing............ |
420 |
⢠⢠| |
|
:ó 4 |
Moeders graf.................. |
355 | |
|
:*J | |||
|
=⢠J i |
Mooi-weerslied................. |
154 |
Ni- |
|
Moraal.................... |
440 |
\è' | |
|
â¢\ |
P' | ||
|
Morgen is mijn dichter jarig. Een lied aan Mr. J. van Lennep, |
ï- | ||
|
v' i |
in den nacht van 24 Maart 184G.......... |
17 | |
|
â n -1 â » i |
Naar de natuur................. |
233 |
â¢' |
|
Naar 't Beloofde Land.............. |
367 | ||
|
1 |
Nabetrachting van gemelde oratie.......... |
396 |
â¢: r |
|
i |
Naschrift.................... |
42 |
r' |
|
Neen..................... |
232 |
l*' V | |
|
'*â¢] |
Ngen nimmermeer, zelfs niet............ |
179 |
Y |
|
Niet aardig................... |
381 |
r | |
|
1 |
Niet bezorgd.................. |
268 | |
|
1 |
Niet voor de menschen.............. |
202 | |
|
»â¢! |
Nimium nocet................. |
394 | |
|
Nooit van pas................. |
200 | ||
|
Onder de linde................. |
197 |
r | |
|
Ondervinding.................. |
354 |
r | |
|
* |
28 | ||
|
269 | |||
|
â¢Jl |
Onvermoeid .................. |
205 |
y |
|
Vf. |
.⢠' 'jf ' â¢Â»'' -⢠' ' -â r' -m ' .« ' ^m'' -⢠' ' ja ' ut ' .m ' ' gt;â ' gt;⢠' -t |
rR |
.gt;' ,gt;*- ,y* .,gt;⢠, p- ,9- .y- . ,gt;'â . c- . . w- . gt;⢠. â¢â¢
ALPHABETISCU REGISTER. 471
Blz.
Op de bergen.................223
'V Op een kind in Mei geboren............198
:⢠Op een vervelende soiree.............40
;⢠Op heel en half licht...............416
Op 't kinderschooltje...............386
Op reis....................176
Opvoeding...................171
Opwekking...................235
Overwegende argumenten.............423
Paradox....................413
Peinzensmoede.................442
Piëteit en aesthetiek...............226
Praktisch...................436
Protest der liberalen...............419
Question brülante................391
Regel, met uitzondering..............388
Eeizen.....................61
Rouwbeklag..................207
Rückert's egoïsme................174
Sancta Theologia................398
Sauce piquante.................292
Schitterende starre................218
Slagveld bij Hastings...............338
Sneeuwklokjes.................343
Soorten....................380
Speelgoed van mijn kinderjaren...........63
Spreekwoordjes.................64
Stem des harten.................52
Stichtelijk...................382
Stichtelijke uren.................415
. *â , »â . ^ ^ . *â .» ,» . ^ ^ . » ,» , » .» . »â . » . *â . i- . » . »â . »â
472 ALPHABETISCH REGISTER.
Blz.
Strijdleuze...................348
Systematisch..................394
Ter griffie gedeponeerd..............436
Ter herinnering.................347
Terugblik...................147
Te ver gaan..................427
Theologus triumphans..............396
Theorie en praktijk................394
Toen ik een knaap was..............153
Tout chemin mène èi Rome............404
Twee in één huis................386
Twee Koryphpaeën................399
Twee levensbeelden...............219
Tweederlei oordeel................440
Turksche beeldspraak...............289
Uit de kindsheid................274
Uit het dagboek van een gelukkige.........187
Uit het studentenleven..............68
Uit mijn dagboek................43
Uitgesteld...................392
Uitkomst...................154
Uitzetten.................. ⢠⢠426
Van boven naar beneden.............431
Van Heusde's spreuke..............399
Variatie....................223
Vasthi en Esther................354
Vasthouders..................426
Verandering..................378
Verdraagzaamheid................431
Verheven troost . ................441
|
* |
. * .*â¢.*â .*â . * . * . It- â *- .*â .* .* . * .* .gt;â .* .*â |
â ^ .*â â * .*â |
«gt; |
|
A |
AI.PHABETISCH REGISTER. |
478 |
m- |
|
* |
Blz. | ||
|
* |
Verliefd................ |
... 837 | |
|
Verloren sleutel............. |
. . .202 |
* | |
|
* |
V ermittlungstheologie........... |
. . .398 |
P' |
|
Verschil................ |
. . .277 |
* | |
|
y |
Verschil en vrede..... ...... |
. . .381 |
ï |
|
* |
Verstand en geweten........... |
. . .440 |
1* |
|
Ver van huis.............. |
. . .272 |
* | |
|
ï | |||
|
Vogeltjes, die zoo vroeg zingen, krijgt de poes . |
... 144 |
)èi-' | |
|
* |
Voor de optimisten........... |
. ... 433 | |
|
Voor schriftverklaarders.......... |
. ... 419 |
t | |
|
* |
V oorjaarsliedje............. |
. ... 175 |
* 'â |
|
Voorzichtig!............ |
. ... 427 | ||
|
Vreemdelingen............. |
. ... 834 | ||
|
Vrienden op 't kerkhof.......... |
. ... 183 | ||
|
y |
Vrienden-raad en dichters-antwoord..... |
. ... 38 |
A |
|
* â |
Vrijgevigheid.............. |
. ... 437 | |
|
Vrome raad.............. |
. ... 437 | ||
|
* |
Vroomheid............... |
. ... 385 | |
|
Waar en hoe.............. |
. ... 377 |
r | |
|
Waar het meeste wordt geleden....... |
. ... 174 | ||
|
Waar â maar............. |
. . .159 | ||
|
Waarschuwend voorbeeld......... |
. ... 405 | ||
|
* |
't Was toch de Hovenier..... ... | ||
|
. ... 433 | |||
|
; |
. ... 197 | ||
|
* % |
*⢠| ||
|
Werken, denken, leeren.......... |
. ... 242 | ||
|
Wetenschap en oppervlakkigheid ...... |
. . . . 380 |
«'⢠| |
|
* A, |
Wetenschappelijke ontwikkeling....... |
. ... 414 |
m' ï- |
|
gt;1 |
.« ' ' -⢠' -O ' -O. ' .⢠' O .0 â .0 .0 .0 ' .0 ' .0 â .0 ,« ~0 ⢠|
* ' vC' -K ' * ' |
l».- |
â
, , if- , p- , p*
:») i-
_p' . .*â¢
ALPHABETISCH REGISTER.
Blz.
Wijsheid....................162
Zachtheid...................130
Zang.....................162
Zeker materialisme................420
Zelfverloochening................267
Zomertochtje..................58
474
Zucht op rijm.................292
/*
f *
*
* *
ir -/⢠y y n
!