⢠1
I. DA COSTA.
---H88H--
f-i l-Ilf 11TI (1 Jii
EEN LIED IN 1840.
MET OPHELDERINGEN EN AANTEEKENINGEN
DOOR
A. H. M. RÃYTEN.
âlt;m TWEEDE, VERMEERDERDE DRUK.
B J rl i. p â¢
V ** V-w f
O, F. M,
W i J c H E N S
N. ALBERTS, te KERK RADE. Drukker en Uitgever.
Eensdeels de gunstige beoordeeling, die het onderhavige werkje bij zijn verschijnen in 1895 mocht ten deel vallen, anderdeels , naar ik mij vlei, de herleving van den zin voor krachtige, degelijke, ware Poëzie, heeft in twee jaren tijds een nieuwe oplage dezer uitgave van Da Costa's meesterwerk noodzakelijk gemaakt.
Stemt de eerste tot dankbaarheid en voldoening, de tweede geeft stof tot vreugde en hoop.
Na de korte, geruchtmakende periode, waarin de Kunst â niet.het minst de letterkundige â roeping en weg scheen bijster te zijn, kon de terugwerking trouwens niet uitblijven. Moge zij krachtig blijken en duurzaam!
Met eenige bijvoegingen op literarisch en historisch gebied heb ik gemeend, de «Aanteekeningen» vollediger te moeten maken.
R.
VOOEREDE. 1)
gt;Men heeft verlangt de eenigszins samenhangende reeks mijner verzen van lateren leeftijd over onderwerpen van maatschappelijk, vaderlandsch, christelijk belang in een enkelen bundelquot; (Politieke Poëzy. 1854.) «verzameld, opnieuw het licht te doen zien. Volgaarne heb ik daartoe mijne medewerking verleend', ook door het toelichten, bij wijze van aanteekeningen of inleiding, zoowel van de algemeene strekking als van plaatsen of détails in deze Dichtstukken, die om wèl verstaan te voorden, een enkele historische herinnering hier en daar schenen te behoeven. En inderdaad! gelijk deze verzen, onder den indruk achtereenvolgens van den dag geschreven, op allerlei gebeurtenissen van meer of min voorbijgaande!! aard zinspeelden, zoo behoefden zij dergelijke ophelderingen des te meer in eenen tijd als de onze met nieuwe verschijnselen, als ware het, steeds overstelpend en overstelpt.
»Reeds zijn verre achter ons de dagen, waarin de val der Orleansche tusschenregeering, de herleving van een Napoleontisch Keizerrijk onder de toekomstigheden behoorden; â de dagen, waarin Rome's Paus als een Opperhoofd van vrijzinnigen bezongen, of van Lamartine als van eene Mogendheid gesproken werd; â die kritische dagen van 1847 erl I848, in wier weder op hunne beurt zoo snel vervangene tooneelen de horizon van 1830 spoorloos op meer dan één punt verdween. Bij altijd dezelfde overspanning in rustloozen stoflijken en verstandelijken vooruitgang, â bij altijd dezelfde spanning eener verwachting van telkens nabij schijnende en dan wederom achterwaarts wijkende uitkomsten, â bij altijd denzelfden onrustvollcn vrede en onophoudelijk dreigenden volken- en burgerkrijg, â bij altijd denzelfden kamp tusschen Omkeering en Behoud, (waar-
1
Met deze Voorrede gaf Da Costa in 1854 zijn bundel Politieke Foëzy, die met âVijf en twintig Jarenquot; opent, in het licht.
7
tusschenin telkens het Woord van God zijn getuigenis tegen beider verkeerden grondslag inbrengt!) zijn vooral op dit oogen-blik weder nieuwe bewegingen en verwikkelingen aan de orde van den dag: Het brandpunt verplaatst naar de grenzen van Azië en Europa; Frankrijk en Engeland de Dardanellen doorgevaren; het Turksche zwaard (niettegenstaande het bij den Mohammedaan sedert lang als noodlottig gevreesd 1853) tegen Rusland uit de scheede getrokken; alle stoflijke zoowel als geestelijke , kerkelijke zoowel als politieke belangen betrokken in den gang en uitslag van dezen meer dan immer beteekenenden kamp!
»Zoo vermenigvuldigen, zoo versnellen tegelijk, zich de teekenen van onze wonderbare en gansch bijzondere eeuw. De Dichter, na ze met de tonen van zijn snarenspel eenigen tijd bijgehouden en als begeleid te hebben, eindelijk buiten adem geraakt, werpt zich liever, als in zijnen mantel gewikkeld, in een hoek van het vaartuig neder waarin wij allen op de snel en fel bewogen wateren drijven, met den blik naar een kustlicht gericht, dat onbedriegelijk en zeker op een veilige haven wijst.
Dat kustlicht! het werd ons door geen feilbare menschelijke hand ontstoken in het Woord van God, waarvan profetie en historie de groote licht- en levenselementen zijn. Spoedig weggespoeld met de eb der tijden mogen ook de treffendste toestanden , de belangrijkste wereldgebeurtenissen zijn, â het laatste einde van al dit eindige, ook met betrekking tot onze voor hooge heerlijkheid bestemde aarde, is voorzegd. Op dat einde telkens gewezen te hebben zal, ik weet het, wel altijd een der groote aanklachten (zoo niet redenen van ignoreeren) tegen mijne dus geheetene politieke poëzie bij sommigen ook van zeer onderscheiden godsdienstige en staatkundige richting blijven; voor anderen, als voor mijzelven, ligt misschien juist hierin de ziel en eigenaardigheid van het verschijnsel op Christelijk dichterlijk gebied.
Over deze zelfde betiteling mijner gezamenlijke Tijdzangen met den naam van politiek vraag ik intusschen ten besluite dezer Voorrede nog even het woord. Ik zou om meer dan ééne reden de combinatie niet gekozen hebben. Nu zij eenmaal in zwang kwam en daar is, blijf ik niet alleen buiten verzet of protest, maar ben ik zelfs met eenig genoegen inschikkelijk voor eene benaming, die toch niet in allen deele zich aan eene onjuiste opvatting schuldig maakt. Daar is toch inderdaad (daargelaten elke toepassing op den inhoud dezes bundels) tusschen den blik des Staatsmans en dien des Dichters niet altijd een zoo essentiëel verschil. In elk geval heeft ook de politiek hare dichterlijke zijde, en heeft van wederzijde voor den waren Staats-
8
man ook de poëzie in de beschouwing der lijden hare stem en beteekenis. Vooral mogen Staatsman en Dichter elkander ontmoeten in de inachtneming dier door Gods woord geopenbaarde toekomst, waaraan niet minder dan aan de waardeering van het verleden der geschiedenis het juiste inzicht in de behoefte van het tegenwoordige hangt. Bij alle miskenning en verguizing, in onzen tijd en in ons land, van ook d i t element der Hoogste Waarheid. zal toch hier en daar nog wel ook onder onze landgenooten een woord ingang of weerklank vinden, dat dezer dagen in Duitschland door een vermaard Godgeleerde aan een niet min beroemden Staatsman (door Dr. Lücke aan den Ridder Bun sen) gericht werd; »Gerade zu einem wahren Staatsmanne gehort eine gewisse profetische Gabe, ein Hinausschauen in die Zukunft des Staates und der Kirche, ein prophetisches Erkenntniss der guten und bösen Machte und Zeichen der Zukunft in der Gegenwart. 1st der Staatsmann, wie er doch sein soil, zugleich ein christlicher Mann,. so steht er vor allem im Dienste des Reiches Christi und soil nach Gottes Wort Gegenwart und Zukunft verstehen und richten. Dies kann er aber nur wenn er die Gesetze, Ordnungen und Wege Gottes in .der Geschichte aus der Schrift recht erkennt und sich auf die Prophetic des Evangeliums versteht. Gebe Gott, (dus spreekt nog ten slotte, uit zijn individueele opvatting der Apocalypse, de geleerde Duitsche Theoloog) dass alle Fürsten und Staatsmanner in diesem rechten Sinn und Verstand auf die apokalyptische Stimmen, Siegel, Posaunen und Zornschaalen des göttlichen Gerichtes in unserer Zeit horen und darnach sich und die Völker regieren, aufdass Staat und Kirche je langer je mehr sich zu jener Gottesstadt vom Himmel zusammenbauen, in wel-cher alle Völker im demselbigen Lichte wandeln, in welche die Könige der Erde ihre Herrlichkeit bringen, und in deren Thöre nicht eingeht ein Unreines und das da Greuel thut und Lügen.quot;
|NHOUD EN jSxiJL.
Vijf en twtntig Jaren is een bespiegelend geschieddicht met een lyrischen Foor- en Slotzang.
Geschieddicht, omdat Da Costa de hnofdgeheurlenissen van 1815â1840 tot onderwerp neemt.
Bespiegelend, omdat hij die gehevrtenissen beschouwt in hun wezen, him oorzaken en hun gevolgen.
Jn alle erkent hij de leiding der Godheid.
Die gehevrtenissen zijn:
I. De slag tan Waterloo in 1815 V. 65â106.
Het derde Eeuwfeest der Hervorming in 1817. V. 107â166.
III. Het jaar 1820; algemeen streven naar volksregeeringen, tengevolge waarvan de russische staatsraad Kotsehue. een beslist tegenstander, in 1819 vermoord, was door Lodewijk Sand. V. 167â178.
IV. Dood van Napoleon 1 op St. Helena, den 5 Mei 1821. V. 179â204
r'' V. Het vierde Eeuwfeest 'van de uitvinding der boekdrukkunst, in 1823. V. 205, -244.
VI. Juli revolutie in Frankrijk; splitsing der Nederlanden in
Noord en Zuid; in 1830. V. 245--322. Vil. Ontwikkeling van kunsten en wetenschappen; groote uitvindingen; eeuwgeest; maatschappelijke gisting; overwinning. 1830â1840. V. 823â424.
Vlll. De aanvaarding der regeering door Willem II in 1810. Overbrenging der asch van Napoleon naar Parijs in 1840, Wat zal de toekomst brengen. V. 245â450.
10
In den heerlijken Voorzang, die als inleiding dient, spreekt de dichter van zijn langdurig stilzwijgen, van zijn eigen lotgevallen â en die van zijn (israélitischen) stam, en duidt zijn onderwerp aan; hij zal zingen een lied des tijds.
De slotzang is eene scripturistisrhe hymne op het toekomstige Godsrijk.
Men houde in het oog, dat de âVijf en twintig jaren'''bestemd was om te worden voorgedragen; eene omstandigheid, die niet kon nalaten, invloed uit te oefeven op den stijl. Het veelvuldig doorloopm^der-jiieizen (enjambemenLV is daaraan toe te schrijven.
Bij de uitgave zijner ,, Zangen uit verscheiden leeftijd'''' schreef Da Costa zelf daaromtrent in de voorrede:
Ook waar de Dichter uit hoofde van de stof die hem ter harte gaat, uit hoofde van de schare tot welke hij zich richt, uit hoofde van den tijd waarin hij leeft, de meer vrije en populaire vormen van hel prosa verkiest, keert hij als van zelve meer dan eens terug tot dien van rijm- en maatzang, alsof voor hem toch enkel daarin de fijnste en gevoeligste nuances van zijne gedachten zijn weêr te geven! Doch ook aan deze poezy kleeft dan wederom iets van den prosavorrn aan, â eene merging, die {zoo een oordeel, zelfs door vergelijking met eigene verzen, niet reeds eene aanmatiging is!) bij mij althands een meer rustig gevoel verwekt, dan vroegere meer bruischende misschien, maar ook minder bestemde voortbrengselen van mijn vroeger tijd. Tot deze menging in elk geval schijnen mij de meeste latere verzen {sedert 1830) van dezen tegenwoordig en Bundel te behooren, in hel bijzonder de Vijf en twintig Jaren, waarin ik voor het eerst die wijziging, na een vrij lange 'ftrmse in mijn dichterlijke'loopbaan, recht duidelijk onderscheidde bij mij-zeiven.quot;
De lezers van Da Costa's meesterwerken in algemeen, van lt;ii: â Vijf en twintig Jarenquot; in 't bijzonder, zullen zich over die wijziging in den dichttrant geenszins beklagen. De zinsbouw wint er ontegenzeggelijk door in verscheidenheid en kracht.
En welk een kracht! Welk een verheffing! Wat een gloed!
Hoe gedrongen en sober, hoe los en rijk tevens is de taal dier mannelijke poëzie!
Die alexandrijnen galmen als waren ze gegoten uit metaal!
J. P. Hasebroek, de uitgever van âDa Costa's kornpleete Dichtwerkenquot; zegt dienaangaande:
âDe aanhef der onderscheiden af deeling en (van de Vijf en twintig Jaren) doet aan den stijl der kroniek denken. Maar welhaast verandert de toon, de kroniek wordt historie, door een dichterlijke pen in korte, krachtige trekken beschreven, of liever als in een missale der middeleeuwen in beelden met goud en kiemen gemaald. Straks gaat de historie over in poëzie, het kleine epos wordt lierzang, een lierzang, die zich soms tot de ver hevenste vlucht
11
verheft, en dan ook eindigt in een hymne, waarin de pracht en de kracht der Da Costiaansche dictie zich in al hare stoutheid en ver-h fffig vertoont.''''
Cd. Busken Huet erkent ook, âdat nooit iemand onder ons in â zoodanige, mate de kunst verslond, om den metalen historiestijl van Hooft te smelten en vloeibaar te maken in den kroes van Vondels lyriek.'quot;
âIn het Lied van 1840 â zegt Jan ten Brink â is de ge-heele Da Costa â de Da Costa van den Slag hij Nieuwpoort. Hij treedt opnieuw als bestraffer van den geest der eeuw op â hij daagt dien geest voor zijn rechterstoel, en geeselt naar hartelust met zijn Hebreeuwsche tuchtroede , terwijl hij onwillekeurig aan dienzelfden gerst de heerlijkste en dichterlijks te hulde brengt in de regelen aan de toonder en der ^stoomkrachtvaartquot; gewijd.''''
De Voorzang is strofisch ingedeeld, en geschreven in viervoetige anapaesten. -----
.De Slothymnk bestaat uit tienregeVge strofen van viervoetige jamben, behalve de laatste strofe van twaalf versregels, die gegoten schijnt in den vorm der dithyrambe.
Het herleven der Muze van den. âOosterling, Hollander, Christenquot; Da, Costa, in 1840, herdenkt Potgieter nog in i860, als hij den pas overleden Dichter in zijn Rouwzang toezingt:
»0 morgen, waarop ons de wellust qabeurde,
getuige te zijn van 't herrijzen dier zon,
die langzaam den sluier der neevlen niet scheurde,
wat wist zij van icorstUng ? die rees en verwon! O morgen, de roemrijkste stonde zijns levens!
de lof is te lauw voor zoo godlijk een gloed; de roemrijkste zege onzer zanggodin tevens,
wees, heerlijke er inn'ring! wees driewerf gegroet! Hij zingt en niet enhel de bloem van die dagen,
de kunst en de kennis vergaderd in koor1)
voelt nauwlijks zich wéér op die golven gedragen,
of ze is bij 't melodische voorspel reeds oor;
hij zingt in de heilige hal der historie,
omringd van de helden der zeventiende eeuw, en schittrender gloort dier onster/tijken glorie,
te land en te water verrijst iceér de leeuw!
1
Polgieter doelt hier op de leden ran het Koninklijk Nederlandach Instifuu', tiaar Da Costa {in 1839' tot 1851- lid der Vereen:ging geworden) dit Dichtstuk, en later zijn âAan Nederland in 1844quot; en â1648 en 1848quot; voordroeg. Van het Instituuf, waarmede hij hoog ophad, he-kleedde hij tweemaal, in 1842 en 1844, den r oor zit terns! oei.
12
^Het Lied van 't Jaar veertig!quot;âmocht over 't r/ebeente
een adem de dooden bezielende ooit gaan,
dan. luistert die goede, die yroote gemeente,
dan hoort hem de Vader des Vaderlands aan!quot;
Het jaar 1840 mag in de geschiedenis onzer negentiende- eeuw-sche letterkunde als een jaar van uitnemende vruchtbaarheid worden aangeteekend. Daarin verschonen;
De Giaour, fragment eener Turksche vertelling, waarmede J. J. L. ten Kate de lange en hdnte rij zijner meesterlijke vertalingen van vreemde dichters opende.
De tweede druk der Camera Obscura van Hildehrand, (de eerste was in '39 verschenen).
Het Huis Laukrnesse door A L. G. Toimaint, later Mevr. Bosboom- Toussaint.
Waarheid en Droomen van Jonathan.
Lotgevallen van Ferdinand Uvyck door Jacob van Lennep.
En, met volkomen aanspraak op eene eerste plaats, Da Costa's overheerlijk Lied van â Vijf en twintig jaren.quot;
quot;Vijf en twintig Jaren.
jiEN LIED IN 184O.
----------
VOORZANG.
1 Kan het zijn dat de lier, die sinds lang niet meer ruischte, die sinds lang tot geen iiarten in dichtmuziek sprak,
weer op eens van verrukking en hemellust bruiste en in stroomende galmen het stilzwijgen brak ?
5 Kan het zijn dat een ader, verstikt en vergeten,
schoon eens mede van jeugdige zangtonen vol ,
thans opnieuw, door een stout maar gelukkig vermeten , in den zandgrond geraakt, weder uitschoot en zwol ?
10 't. Mochte zijn , dat een winter voorbij waar gevaren en haar ijs bij de stralen der lentezon smolt;
dat â een reeks van onvruchtbaar vervlotene jaren door één oogst voor het minst al die dorheid vergold!
V. 1. Na de terecht hooggeroemde hymne âGod met onsquot;, in 1826, had Da Casta hoofdzakelijk met polemisch-theologische prozaschriften zich verledigd. Niettemin dagteekenen uit die periode van dichterlijke ârustquot;
zijn Paasch-, Pinkster-, Kerst- en Nieuwjaars-intreêzangen, benevens verschillende gelegenheidsdichten.
Hoe keurig doet de dichter het onderscheid uitkomen tusschen citer (v. 58), harp (v. 18) en lier in dit vers!. De eerste dichtklanken ontlokt hij aan de citer; op mannelijken leeftijd bespeelt hij de lier; de harp is het zinnebeeld der Dichtkunst, het edelste snaarinstrument.
V. 5. Ader = de ader eter poëzie, la veine poétique.
V. 10. Haar ijs = het ijs der ader, . v '
Bij de stralen Zzj door de stralen. Zoo ook v. 123: verworpen bij -zichzelf. Dat gebruik van bij is nog over in sommige uitdrukkingen als: bij monde, bij de gratie Gods enz. ,
V. 11, 12. De zin is verwrongen. De bedoeling ig' één oogst vergald de dorhèid der onvruchtbare jaren. Oogst moest onderw. zijn . 'â
cv
14
Neen ! de mensch mag zijn lente geen tweede maal smaken: op zijn winter volgt nooit weer herleving en groei! â 15 dan alleen als dit stof eens zijn dooden zal slaken voor een eeuwige zon, voor een eindloozen bloei!
Evenwel heeft wellicht onze Dichtkunst haar tijden.
O ! De harp van mijn stam heeft de wissling gekend van gejuich en geklag, van verheffing en lijden, 20 van bevrijding en lange â verdorrende ellend.
Heeft ze in glansrijker eeuw niet de hymnen doen rijzen,
waar de Dochter van Sion bij opsprong in lof?
waar nog heden de volken haar Koning in prijzen,
schoon Jeruzalems kroon ligt gedoken in 'tstot?
25 En Jeruzalem viel! en , Euphraat! aan uw boorden
hing het speeltuig ontsnaard in de wilgen verward! â Werd van daar ook nog niet in vermogende akkoorden profetie en vertroosting gebracht aan het hart?
V. 16. Namelijk bij de verrijzenis des vleesches, als de dooden zullen opstaan uit het graf; als het stof (de aarde) zijn dooden zal vrijlaten; als de zon der eeuwigheid zal opgaan.
V. 18. Mijn stam. Men weet, dat Da Costa van israëlitische afkomst was, en zelf eerst door Bilderdijks toedoen Christen werd
V. 20. Ellend. Hier in de oorspronkelijke beteekenis te verstaan. Ellende â ballingschap. Afgeleid van el (waarvan elders) en land.
V. 21 vlgd. De eeuw van koning David is hier bedoeld, wiens harpgezangen (psalmen) de Dochter Sions (â Jerusalem) jubelend zong en die nog ter eere van den Koning der koningen in onze kerken gezongen worden.
Haar is hier bezittel, vnw.
V. 25. Euphraat, Babylon's stroom. Zinspeling op het heerlijke bijbelsche klaaglied: âSuper flumina Babylonisquot;, door Da Costa gepara-frazeerd:
Aan Babels wateren gezeten.
Denk ik aan Sion, en verteer, enz.
Men denke aan de Babylonische gevangenschap der Joden, de lange (70-jarige) verdorrende ellend van V. 20.
V. 26. De harpen waren door den tijd ontsnaard; zij hingen onbe-oefend in de takken der wilgen. ,Quomodo cantabimus cantica nostra in terra aliena?quot;
V. 27, 28. De profeten, die den Israëlieten vertroosting brachten door de voorspelling van het einde der Babylonische ballingschap, waren Jeremias, Abdias en Habacuc.
15
En nog later zong Juda, daar 't, balling, zijn staf voert, 30 of het waar met een zweem van den vroegeren zwier, waar de Taag langs Lisbóa zijn goudkorrels afvoert,
waar zich Cordua baadt in den Guadalquivir!
Ja, ook daar nog deed Isrel zijn liederen stijgen,
op zich huwende Westersche en Oostersche wijs.. . 36 de Inquisitie daagt op, en de harptonrn zwijgen , aan verstrooiende stormen geslingerd ten prijs!
Zoete boorden des Amstels! gij deedt ze herleven.
V. 29 vlgd. Volgens den Dichter zelf bestaat op het Spaausche schiereiland en onder de uitgewekenen van die landen (Spanje en Portugal) de overlevering, dat âeen groot aantal Vorstelijke aan den Vorstenstam ver-wante geslachten uit Juda dadelijk of ten minste korten tijd na de verwoesting van den eersten Tempel in het land van Spanje zich hebben neergezet en voortgeplant en de kiemen dier groote bevolking gebracht, dif onder het over den aardbodem verspreide Volk van Israël wederom als een op zich zelf staand geheel behoort te worden beschouwd.quot;
Deze overlevering, waarop de geheele strofe, voornamelijk V. 30 zinspeelt, maakt in hoofdzaak de stof uit van Da Costa's gedicht âDe Tocht uit Babelquot;, en geeft de verklaring der volgende, daarin voorkomende dichtregelen:
Door woestenij en Oceanen
zal ons Uw zegenende hand een wonderweg ter uitkomst banen,
en tot een tiveede Vaderland!
En verder t. a. p.:
Een hemelsche, onbevlekte glans gloeit aan den Westelijken trans,
en spreidt zijn stralen over de aarde!
Daar waar de zon haar loopbaan stuit,
daar rijst een grond de golven uit,
waar 's hemels gunst geen zegening aan spaarde.
Hier wordt de koninklijke staf,
dien God u tot een erfgoed gaf met d'ouden roem herboren.
Iets zwierigs ligt in den bouw en den klank van dit vers, met het stafrijm zweem en zwier.
V. 31. Goudkorrels (stofgoud) werden in de Taag gevonden.
V. 34. Zich huwende, een germanisme. Wel: zich paren. Zie 't zelfde gebruik van zich voor elkander V. 71: âzich ontmoetenquot;.
V. 35. De Spaansche Inquisitie, onderworpen aan het gezag van den Koning.
V. 37 vlgd. Verzen vol innig gevoel. Treffend is de plotselinge tegen-
16
Op dei) toon van uw Vondel, mvs Bilderdijks stem ving de snaar weder aan van vervoering te beven, 40 en des Jongelings greep had een oogenblik klem.
O! hij zong â uit de zucht, die nog leeft in zijn aadren ,
Schoon met mindere snelheid van dichterlijk bloed, â dan eens Dichtkunst en Min, dan eens 't lot zijner Vaadren, of het land, eens dien Vaadren zoo gul en zoo goed,
45 of, den strijd tegen afgoón, uit d' Eeuwtrots gesproten,
of, den lofzang den God aller heeralen ter eer; â
en (de hand van dien God had mijn zielsoog ontsloten !) den Emmanuel, eindlijk, mijn Heiland en Heer!
Zweeg die lier voor altoos? â En indien zij herleefde, 50 door de deining der Eeuw uit haar sluimring geschokt of omdat weer een Adem de snaar overzweefde,
die henr zilveren tonen ten wederklank lokt,
wat dan nog zou zij zingen ? wat voorwerp zich kiezen uit Verbeelding en â Waarheids onmetelijk veld.
stellimj: de verstrooiende stormen, en het sprekende, teedere: Zoete boorden des Amstels!
V. 3S. Niet ojgt; de stem maar op den toon, den harpeklank, van v on-del, doch aangemoedigd, aangespoord door Bilderdijks stem. Bilder-dijk zette mij aan tot zingen in Vondels taal.
Aan Bilderdijk en Mr. D. J van Lennep droeg hij, op achttienjarigen leeftijd, het door hem vertaalde dramatisch dichtstuk âde Perzenquot; van
Aeschyles op. , . , .j. i
V. 42. Men is geneigd uit te roepen: misplaatste nederigheid! vooral
als men denkt aan verrukking en hemellust V. 3.
V. 43 vlgd. O. a. Lof der Dichtkunst, De Hollandsche Poëzy, De Gaaf der Poëzy. Aan Bilderdijk; Liefde, en verschillende gelegenheidsgedichten; Israël, Jericho, Israël en Nederland; Vrijheid, Geestelijke Wapenkreet; God met ons, Paaschzangen enz.
V. 47. Isaac Da Costa werd gedoopt door Ds. Egeling, den 20sten October 1822. Hij was toen 24 jaar.
V. 48. Emmanuel = God met ons.
V. 50. De deining der eeuw = de golving. Versta: de als golven bij stormweer elkaar snel opvolgende schokkende gebeurtenissen.
V. 62. Zou de geest Gods, die zweeft, ook nog, over de deinende wateren, mijn speeltuig hebben aangeraakt en er zilveren tonen uit lokken ?
17
55 daar zich aandacht en geest in den maalstroom verliezen, van wat telkens de dag aan zijn opvolger meldt?
Ziet! het vierde eener eenw heeft zijn stonden doorvlogen,
sinds ik aanving mijn hand aan de citer te slaan ! â Wegjjevlotene jaren ! herrijst voor mijne oogen !
60 o! geeft gij mij de stof voor mijn maatgezang aan !
Ja, een stof voor mijn verzen, een grond voor mijn voeten,
van waar verder mijn oog in het rond moge gaan, om aan d'eindpaal der tijden een toekomst te ontmoeten, die alleen van die tijden den loop leert verstaan !
65 't Zijn vijf en twintig jaar! â quot;t Kanon van Waterloo bromt in mijne ooien nog,1 als toen de vlugge Boo, met losgelaten toom van 't slagvekl afgezonden,
door Hollands steden rende ; en 'duizenden van monden herhaalden wijd en zijd de ontzachelijke maar: '70 »'t Uur, dat der Volken lot beslissen moet! is daar! »De honderdduizenden ontmoetten zich en botsen.
F. .55. Terecht mocht heets van Da Conto getuigen: âzijn geest nam een verterend aandeel in al wat onze tijden haren.quot;
Dit vers is eene dichterlijke uitdrukking voor: men zou bij dat alles het hoofd verliezen. Men zou de aandacht (de oplettendheid) verliezen, omdat de gebeurtenissen elkaar zoo snel opvolgen en dooreen wervelen als in een maalstroom, en den geest, omdat hij niet vermag ze rustig uit elkaar te houden en te beschouwen.
V. 59. Weg ge v l o t ene jaren. De dichter houdt het beeld aan, dat hij met deining der Eeuw heeft begonnen
V. til. Een grond voor mijn voeten. Hier is de geloovige Christen aan het woord. Hij wil, staande op een geloovig standpunt, met de oogen des Geloofs in 't ronde zieu. God is de oorsprong ran alles; naar God uil en moet alles weer heen. Eens zal het Godsrijk komen aan het einde der tijden. Wie dat gelooft, neet ook, dat Gods Voorzienigheid de dingen dezer aarde leidt en den loop der tijden bestiert.
V 69. Ontzachelijke maar â indrukwekkende tijding. Ont-za chelijk, spelling van Da Costa voor ontzaglijk.
V. 71. Zie aant. bij v. 34.
Hoe juist schrijft de dichter ontmoetten in den onvolt. rerl., hotsen in den onvolt. teg. tijd!
2e dr. 2
18
»De Pruisen naadren en de Britten staan als rotsen.
»Maar de Adelaar bezielt zijn benden, dol van moed.
»Oranje leeft, maar op de velden stroomt zijn bloed!quot; 75 En straks: »Triumf! geeft lof den God der legerscharent »Hij heeft des Drijvers arm, den moedwil der Barbaren »ten spot gemaakt, ontwricht. â Tot hiertoe, Aartstiran T ȟw kroon, nw staf, uw ster heeft uitgeschenen. Van »uw ban herademt de aard. Ja, de afgod is gevallen, 80 »o stad der weelde! stad des bloeds! Ontsluit uw wallen »ten tweeden male voor Euroop ! Hergeef den roof,
»o Babel! Voor de stem der wraakvermaning doof,
»ontkwaamt ge een tweede maal die wraak; houd op te wroeten »in 's menschdoms ingewand (daar komt een tijd van boeten!) 85 »en 't zij weer vrede op een te lang geteisterde aard!quot;
Het zij zoo ! ja, de storm hebbe uitgewoed; het zwaard, verpoozingloos gezwaaid, ruste eindlijk in de scheede; en 't heilig Vorstenbond verzeegle 't! â Is het vredfe,
omdat de donder zweeg van 't moordverspreidend kruit ? 90 Is de Oorlog, in zijn vaart, ook in zijn bron gestuit ?
F. 72 vlgd. Het bericht luidt kort en bondig ; de Engelschen houden stand, Blücher nadert, Napoleon bezielt zijne keurbende (La garde meurt etc.), de Prins van Oranje is gewond.
V. 76. Drijver en Aartstiran zijn liefheden aan 't adres van Napoleon. Barbaren heeten de benden, dol van moed.
V. 78. Heeft uitgeschenen. Het hulpww. in 't enkelv., omdat de gedachte is: de glans van uiv kroon, van uw heerschersstaf, van uw gelukster heeft uitgeschenen.
V. 79. Ban = dwingelandij, jurisdictie. Zoo zegt Roemer Visscher: âDeze Landen zijn ghedeelt in Jurisdictiën, die wij een Ban noemen.quot;
V. 80, 82. Stad der weelde, stad des bloeds (het Schrikbewind)r Babel (stad der boosheid) = Parijs, dat reeds eenmaal zijn wallen had moeten ontsluiten voor de mogendheden bij de verbanning van Napoleon-naar Elbaiamp;^ergeef den roof, de schatten, die uw afgod (Napoleon} uit alle deelen der aarde in u heeft samengebracht.
Wraakvermaning. Vglk. Isaïas XIV (vertaling v. Jonckbloet): Nabij is Babels tijd: de dag wordt niet verschoven,
Waarop de vlam zijn trotsche daken roost!
Nabij is 't uur, waarop Jehova Erbarming schenkt aan Jacobs kroost!
Hoe dikwijls wordt Parijs nu nog het moderne Babyion genoemd!
V. 88. Heilig Vorstenbond, tusschen Alexander I van Buslandr Frederik Wilhelm van Pruisen en Frans I van Oostenrijk, den 16en Sept. 1815, Heilig genoemd, omdat de bondgenooten, in den val des
19
En viel de Omwentling in de macht der Dwangbezweerders ? n ^ Zij, met haar bloedig rot van orde- en rechtschoffeerders! Zij, telg en moeder van onzaalge Tiranny,
ontvangen en gekweekt bij 't leugenlied van : V rij !
95 Neen! kroost van Adam! wacht niets anders dan vertooning van vrijheid, orde of rust, totdat de Vredekoning komt heerschen over de aard, in wien de hemel juicht,
en voor wien eenmaal al wat leeft de knieën buigt!
Neen! wacht, Euroop! geen heil van waapnen of verbonden!
100j.Uw moederschoot heeft nog den vuurberg niet verslonden, wiens ingewand van 'tzaad des opstands woelt en blaakt; en, schoon het ook niet steeds de lavavloeden braakt,
zijn gisting toch verraadt in trilling, rook en steenen die 't oprispt! â Zij de krijg der volkeren verdwenen;
105 de kiem werd niet gesmoord, maar kruipt en woelt in 't rond en dreigt als tijdgeest meer, dan ze ooit als krijg bestond.
dmngelands Gods hand erkennend, verklaarden de voorschriften van den christelijken godsdienst tot richtsnoer hunner politiek te nemen. De meeste Staten sloten zich bij hen aan.
V. 91. Dwangbezweerders. Hebben zij, die den dwang bezwoeren = de tirannie (den tiran. Napoleon) breidelden, onschadelijk maakten, ook de (geest der) Omwenteling in hun macht?
V. 92. Zij = de omwenteling. Rot âbende, trawanten, handlangers. Orde- en rechtschoffeerders â verkrachters, schenders van orde en recht.
V. 93, 94. Twee fraaie verzen vol u-aarheid!
Leugenlied. Denk aan Da Costa's lied âVrijheidquot;:
Om vrijheid schreeuwen die verwaten,
om vrijheid, bandloos als de orkaan,
die uit zijn kerkers losgelaten
een halve wereld doet vergaan!
Om vrijheid â van de. hemehvetten!
Om vrijheid â de onschuld te verpletten en wat hun driften wéér durft biên!
Om vrijheid â koningen te moorden,
en smaad te werpen op Gods woorden,
en geen Jehova meer t» ontzien!
V. 100. Vuurberg. âLa Revolution francaise fut un volcan sans doute, mais un volcan de véritésquot;, zegt Lamartine.
Die vulkaan, zegt de dichter, heeft gewerkt, maar niet uitgewerkt; hij dreigt nog steeds. De omwenteling is niet gesmoord; integendeel, haar geest is overgegaan in de volkeren en sticht aldus meer kwaad dan de krijg.
quot;quot;Het zeventiende ja a li der eeuw! â Wat jubeltonen 'doordaavvren oud Germanje, en wakkren in haar zonen herinneringen op, waar Rome tegen wrokt,
110 het Ongeloof voor staat, en Lauwheid-zelf van schokt ?
quot;Wat zingt men ? welke daan ? wat mannen ? â Zijn het vorsten, die tegen 't Vatikaan hun zwaard ontblooten dorsten'? Is 't Keizerlijke trots en Vorstlijk wangedrag,
ten tegenwicht beproefd van 't Pauselijk gezag V 115 Neen! Vierde Hendrik boog! de Ho he n staufen vielen! en zelfs dat Koningswoord : »quot;k Zal Babyion vernielen !»
F. 107. Het He eeuwfeest der Hervorming. Hier is de Protestant aan het woord.
V. 10H. Herinneringfn, a-a n r Hume, tegen wrokt. âDa Costa's prntesldiitisniHs tegen de lioomsche Kerk scheen toegenomen naarmate de liberalen hem minder rolstrekten ireêrzin inboezemden. 't Is de waarheid, dal Bildej-dijks hart bij zijn, te. dier tijd, gansch ongewone kennis ran middeleeuiosche toestanden, schiet' onafgebroken âwarm voor de Moederkerk heeft geslagenquot;; Bilderdijks monarchiswus, ondersteand door zijne geschiedvnrsching. deed hem den rerolationairen overgang bij de meerderheid der Nederlandsche geesten in de tweede helft der XVJe eeuw, veel ongunstiger beoordeelen dan Da Costa, onder voorlichting van Groen (die wel niets voor d,e ruimer bewegingen in Bilderdijks gèschiedheoordeeling gevoelen kon) het Onit vermocht. Da Costa was het beste hart van de wereld â ook de Katholiek, die hem gekend heeft en zijne vriendschap genoot, zonder hem op eenig punt te kunnen toegeven, moet het erkennen â: maar dat neemt niet weg, dat hij gedaan heeft, wat hij vermocht om met eerlijke wapens de Kerk van Rome. te bestrijdenquot; (J. A. Alberdingk Thgm).
V. 110. Het Ongeloof staat (verstomd) voor het feit, dat nog zooveel geloof gevonden wordt, en de onverschilligen schrikken in hun lau wheid. ervan op.
V. 113. Dit vers vindt zijne verklaring in V. 115.
V. 115. Hierbij teekent Da Costa aan: âKwalijk deed waarlijk de Protestant, als hij, soms allerlei bondgenootschappen tegen het Pausdom aangrijpende, zich meende te mogen scharen aan de zijde van het Vorstelijk wangedrag, als b. v. van eenen Keizer Hendrik JV van Duitschland, tegenover wien althans de ontzaehelijke Hildebrand wel van zich-zeiven mocht getuigen, gerechtigheid lief gehad en ongerechtigheid gehaat te hebben. â Edeler en grooter waren ongettvijfeld de fiere Hohenstaufen. Doch wat was de strijd ook door dezen, en bepaaldelijk door Keizer Frederik den JJe tegen de Pausen gevoerd?quot;
Men herinnere zich. hoe Vierde Hendrik boog voor Paus Gregorius VJJ te Canossa in 1077. De laatste Hohenstauf. Konradijn. werd te Napels onthoofd in 1268. Frederik JJ, van wien hoven sprake, stierf in Apulië, 1250.
V. 116. Dat koningswoord enz. Men wil dat Lodewijk XJJ van Frankrijk (1498â1515) tegen den krijgshaftigen J'aus Julianus JJ een
21
verwoei, gelijk de stem van Kerkvergadering en meniir Kerkvoogd in onvruchtbre klacht verging, met raad- op raadslag, nauw gescherpt, of weer bezworen 120 door d'eeuwenouden 8taf. â Wat Almacht had verkoren, was zwakker werktuig! 't Was een boetiing, arm en klein, een Monnik zonder glans van vaadren, als onrein verworpen bij zichzelf, â maar hijgend naar vergeving, naar waarheid, naar de kracht van Boven, naar herleving, 125 naar zielsbevrijding uit der zonde nacht en hei!
't Is Luther! â Worstelend in de engte van zijn cel, of zwervend door de stad der Cesars, vraagt hij beide wat geen van beide heeft te o;even ! . .. En God zeide: »Daar zij licht!quot; en het licht verrees hem uit dat woord, 130 op Erfurts kloosterstof heroverd ! Ja, hij hoort als uit Gods eigen mond den Evangelie-zegen:
»Geloof! â De zaligheid wordt door geen doen verkregen »van menschen. Ze is Gods werk. Gerechtigheid en heil, »voor schat noch wijsheid, voor geeu boete of aflaat veil, 135 »is gave van Zijn liefde aan zondaars, 't Eeuwig leven »(geloof in Christus eu Zijn zoenbloed!) is gegeven.quot;
Dat woord werd leven in zijn ziel, wordt in zijn mond
munt liet slaan met het opschrift: Perdam nomen Babylonis (ik zal den naam van liabylon verdelgen).
V. 117. Kerk vergaderinj/. De hier bedoelde is de onwettige kerh-vergadering van Fisa. in MSf gehouden door vele kardinalen, die aan Paus Gregorius XII ontrouw iraren geworden en zich hadden aangesloten bij de kardinalen der tegenpartij.
V. 118. O nvru chti re klacht, nl. over de heerschende misbruiken en de noodzakelijkheid van hervorming.
V. 120. Sta f van Petrus.
V. 121 vlgd. De âgang naar het klooster is Luther's eerste gang naaiden afgrond.quot; (Schaepmanj. Luther âwilde zich wel vernederen, vermorzelen. in het stof weiyen voor God. maar God moest hem geven de onaantastbare zekerheid der verlossing, die onder de at or m vlucht van hartstocht en zonde onwankelbaar staat.quot; (Idem).
hlen leze de meesterlijke ontleding van Luther door Dr. Schaepman in âRoomsch Recht tegen Protestantsch verweer,quot; bl. 29â36.
V. 127. De stad der Cesars = Rome, waar Luther vertoefde in 1510.
V. 130. In 1505 was Luther in het Augustijnen-klooster te Erfurt getreden. quot;Nicht leicht mochte jeinand weniger zu diesem Stande geeignet sein als eben er.quot; (Döllinger)
V. 132. Geloof! enz. Luther's stelregel: .Het geloof alleen, zonder de goede werken, rechtvaardigt den mensch.quot;
22
een overwinnend zwaard.... Hervorming! 't was uw stond. De Monnik, in de kracht van 't Heil, hem aangebroken, 140 heeft op den dag te Worms 't getuignis uitgesproken !
Daar staat hij! ja, God hielp. Daar knielt hij, keer op keer! Onweders drijven af, en zegens plassen neer;
gevaarten storten in, die de eeuwen reeds trotseerden, en waarheden staan op. die als in 't graf verteerden 145 In 't huis des Heeren is de Kandelaar geplaatst,
en schittert van een licht, dat Rome-zelf weerkaatst.
/
En thans! drie eeuwen, sinds, zijn in de zee der tijden verdwenen, â en gij deelt dien jubel, dat verblijden, o zonen eener eeuw, zoo rijk, zoo hoog verlicht V 150 Neen, Luthers vrijheidszin was de uwe niet. Gij sticht een ander werk, en op een andren grond. De kennis, ontworteld aan 't geloof, werd trots, werd heiligschennis. Een andre geest stuwt thans de stoute raadren voort! 't Is geen doorvorschen meer, maar richten van het Woord 155 des Heeren, â God gedaagd ter vierschaar van de Rede,â
V. 140. Dag te Worms. Dour Keizer Karei V was in 1521 de Rijksdag te Worms samengeroepen, die Luther en zijn aanhangers in den rijksban sloeg.
V, 141. Daar staat hij! ja. God hielp. De bekende ivoorden van Luther â teekent Da Casta aan â waarmede hij zijn verantwoording te Worms besloot: âHier sta ik! ik kan niet anders! God helpe mij, Amen!quot; Hierover zegt Jansen (Gesch. d. Deutschen Volkes, II, hl. 167): het reeds in 1869 door Burckhardt geleverd bewijs, dat Lu the r dat hooggeroemde woord niet gesproken heeft, wordt bevestigd door Kuczinski in zijn authentiek bericht over Luther's optreden. Over nieuwe pogingen om dat woord te redden, zegt Maurenbrecher: «de ijver om dergelijke onbewezen anecdoten vast te houden, is alleen te verklaren door eene roerende gehechtheid aan traditiën. u-elke men heeft lief gekregen.quot; Conrad Peutinger schreef: aan het einde sprak hij (Luther) de woorden: *Gott klim mir zu Hilf.quot;
V. 142 vlgd. doelen op den tegenstand, dien de nieuwe leer ondervond, op de omverstorting van aloude instellingen, op de zegeningen (i) die zij aanbracht. Wat die neerplassende «zegensquot; betreft, hoore men den lutheraanschen prof. van Halle, Dr. Hinrichs, die toegeeft, dat âdie Reformation überall, ivo sie eindrang, Bürgerkrieg hervorgerufen hat quot;
V. 145. De Kandelaar = de nieuwe leer, het nieuwe licht, het zoogenaamd primitief Christendom.
V. 149. Een verwijt aan de moderne Protestanten!
V. 152, 153. De Bijbel-cri tiek, meest afbrekend, neemt thans de plaats in van het geloof.
V. 155. God gedaagd enz. Het rationalisme beheerscht de wereld.
23
Zijn Waarheid, veil gesteld voor ingebeelden vrede of wijsheid uit het stof! 't Is Heldendeugd en kracht,
gepredikt aan de ziel die naar. vergeving smacht!
't Is uit het Christendom den Christus weggenomen. 160 Is 't wonder, zoo een Eeuw, verzonken in haar droomen ên grondslag èn banier van 't grootsche werk vergat, en 'tjonge Duitschland joelt waar eenmaal Luther bad? Maar 't overblijfsel leeft! Trots Wet- en Wonrdverkrachting daar is een toekomst voor t geloof! een heilverwachting 165 voor onze zuchtende aard ! Daar is een Christuskerk,
niet in de gunst des ïijds, maar in haar Heiland sterk.
't Jaar twintig. â Onder de aard zijn schuddingen vernomen ! De vuurberg rookt en ronkt, en dreigt weer uit te stroomen; de volken zijn opnieuw verbolgen; en de toorts 170 des oorlogs walmt van ver. De Constitutiekoorts doorwandelt half Euroop, van Portugal en Spanje tot Napels en Piémont; â ja, 't moederlijk Germanje; â
Wat de menschelijke Rede niet ratten kan, wordt verworpen Wij zijn gedaald tot Heldendeugd en kracht, het moderne heidendom.
V. 162. 't Jonge Duitschland joelt. enz Merk op de tegenstelling met oud-Germanje V. 108. Da Costa teekent hierbij aan: *Op den Warthurg, in 1531 en 1522 het Patmos van Luther, alwaar hij ook het nieuwe Testament in het Hoogduitsch overzette, â in 1817 de plaats, waar de beruchte samenkomst van Duitsehe jongelingen gehouden werd, uit wier midden Karei Sand is opgestaan.quot;
V. 167. Het algemeen streven naar volksregeeringen. Zie hiervoor: Inhoud
V. 168. De vuurberg rookt en ronkt. Vg(k. V. 100. De zin is ; -nde vulkaan (der omwenteling) geeft teeken van werking, rook en onder-â aardsch gedruischquot;. Hij ronkt = slaapt hoorbaar, maar is niet gesmoord en dreigt.
V. 169. Opnieuw verbolgen. Het antwoord op de vraag in v. 91.
V. 171. Constit utie-koorts =. hevige begeerte naar de constituties, grondwetten, waardoor het volk invloed krijgt op de regeering. Aanschou-ivelijk voorgesteld als een ziekte, die om zich heengrijpt en zich voortplant. Het geven, opheffen, weer geven en wijzigen der grondwet u-as in die jaren, vooral in de Zuid-Europeesche Staten, aan de orde van den dag.
V. 172. 't Mo ed er lijk Germanje = het groote Duitschland, de moeder van zoovele kleine staatjes, die uit haar ontstaan zijn. Ja, in dat Germanje, zoo min revolutionair, zoo behoudsgezind, doet de Constitutiekoorts haar intrede, wil de Dichter zeggen. De groothertog van Saksen- Weimar n as de eerste, die een grondwet^afg Pruisen eerst in 1823.
24
en Koningsbloed rookt weer in Frankrijk! â Alles wacht, of 't monster, pas getemd door Noordsche heldenkracht, 175 den band ontspringen zal van legers en verdragen. â
Tien jaren uitstel nog! De zon der Julidagen is aan den hemel nog niet opgegaan! â Maar ziet! een ander Godsgericht vertoont zich in 't verschiet. De Ster, voor veertig jaar uit Corsica verschenen, 180 is in uw rotsen. Sint-Heieen ! voor de aard verdwenen.
Gij waart een Morgenster, Napoleon! Uw blik straalde en do Omwentling en haar vijanden ten schril ! o! Eenmaal stondt Gij groot. Onsterfelijke glansen ontglomraen bliksemend aan Uwer helden lansen ! 185 en Gij, bewelkomd door een gloriodronken Volk,
V. 178. Koningsbloed rookt weêr in Frankrijk! De hertog de Berry, vermoedelijke fransche troonopvolger, werd den 13n Februari 1820 te Parijs door heuvel vermoord.
V. 174, 176. 't Monster (= de iTimutie), pas getemd door Noo rdsche heldenkracht (â door de verbonden Mogendheden van Noord-Europa, vooral door Kngelandj Vglk. v. H8.
V. 176. De zon der Julidaqen. Zie v. 24rgt;.
J-V. 178. Een ander Godsgericht. Is de revolutie een straf Goils over het volk, de ballingschap en de roemlooze dood van Napoleon op de rotsen van het eenzame Sint Helena, was de straf Gods over den n Aartstiran.quot; Nap. stierf den ön Mei 1821. Hij was in 1768 te Ajaccio op Corsica geboren.
^V. 181. Welk een heerlijke schets van den grooten Napoleon! Wat 'een gespierde taal! Welk een zeggingskracht! Wat metalen verzen!
Napoleon een Morgenster! Zeker, hij had een nieuwen dag gebracht en het aanschijn der aarde veranderd.
Doch in dat woord, morgenster, als vertaling van Lucifer, legt Da Costa tevens de beteckenis van opstandeling tegen God. De verklaring volgt in v. 198. â Hij is thuis in de boeken des Ouden Ver bonds; vglk, Isaïas XIV:
Hoe zijt ge, o Flonker star! den hemel uitgevallen?
Gij, zoon van 't morgenrood en van den dageraad!
Hoe zijt gij neergestort, gij, die de volkren allen
Diedt siddren voor den gloed, die straalde op uiv gelaat!
V. 183. Eenmaal stondt Gij groot. Merk de kracht op der uitdrukking. Napoleon rijst voor onze oogen staande onbeweeglijk en onwrikbaar, als het beeld van den machthebber, den heerscher, van wien ndes peuples saus nombre attendaient prosternésquot; (naar de uitdrukking van V. Hugoj het hooge woord
V. 184. Bliksemend als schichten ter vernieling, doch welker glans: den veldheer toeblonk als zegepraal en onsterfelijke glorie.
25
zweeft. Aadiaar, óver hen, â als op een donderwolk van rook. quot;eeif zee van licht, den ^olvenden helmetten en boistkurassen uitgestraald en bajonetten,
ter brijzeling geveld van wat ook weerstand bied',
190 naar 't vast berekend punt. waar Gij de zege ziet!
Ja, eenmaal stondt Gij daar, een beeld van alvermogen ! De koningen der aard omkringden ü, en bogen.
De wil van Frankrijk was Euroop de wet. Uw wil aan Frankrijk! Op Uw wenk vloog alles of stond stil. â 195 Maai- neen! Gij waait de man van God niet. Werelddwinger! Gij werdt het speeltuig van dat Lot, dat aan den vinger der hooge Godheid drijft, toen Ge in üw hoogheid tradt, en een verdwaasd geslacht LI als een God aanbad!
Gij vielt! â Gij sterft! â De rij der Aartsveroveraren,
;lt;Si5 / (
V. 186. Adelaar. Als boven den rook van kanuimen en geweren, boven den r/laun uwer krijgshelden, zweeft gii, Napoleon, als de koninklijke adelaar de zonder zege in 't gezicht. â Herinner tl de merk-waardige woorden, tot de soldaten, na zijn terugkeer van Elba: â¢lt;L'aigle, (ivee ses eouleurs nationales, volera, de cloche'- en clocher, jusqu' anx tours de Notre-Dame! . . quot;
V. 187. Helmetten, dicht, vorm voor helm. Knras â pantser, harnas. (Van cuir, leder).
V. 190. Naar 't vast berekend punt. »De groote Veroveraar, voor wiens adelaars geheel Europa eerlang zou sidderen, had geleerd, dat de kunst des Veldheers gelegen is in de oplossing van dit strategisch vraagstuk: zoovele strijders mogelijk in eenen bepaalden tijd op een beslissend punt bij één te brengenquot;. (Bosscha).
V. 191. Beeld van alver mag en, verklaard in de drie volgende verzen. Vglk v. -IS.f.
V. 196. Gij werd het speettuig enz Versta: gij, fatalist (»le boulet qui me 'tuera n'est pas encore fondnquot;; «y a-t-il un homme assez aveugle pour ne pas voir que le Destin lui niême dirige mes operations?quot;) die aan me Noodlot hinyt, gij dacht er niet aan, dat het noodlot bestuurd wordt door Gods vinger; die vinger liet u los. tooi gij zelf u als een godheid liet aanbidden; en gij vielt, Vglk. hiermede Da Costa's »Napoleonquot; :
God. riep Napoleon om 't Ondier te verdelgen,
dat, zwellende van roof, en rood van Koningsbloed,
met d' opgesperden muil Europa in ging zwelgen
daar 't machtloos nederviel voor 't Franse he he)gebroed.
V. 199 vlgd. De rij der Aartsverovera ren. Da Costa citeert hierbij als aanteekening Isaïas XIV: 3â2, waarvoor vglk. onze aanhaling bij v. 181. Zou de dichter misschien, bij 't schrijven dezer verzen, gedacht hebben aan Napoleon's gesprekken met zijn getrouwen op S. Helena? âAllez, mes amis, retournez en Europe, allez rer.oir vós families;
26
â 200 die eenmaal, als Gij-zelf, des werelds geesels waren,
ontmoet ü met dees taal in 't vale doodenrijk :
«o Zoon des dageraads! hoe werdt Gij ons gelijk!
«Gij vielt! â Rust eindlijk, rust in 't verre grafgesteente! «zoo rusten mooglijk is zelfs aan uw koud gebeente.» ,4,, ï â¢â¢ Av'â / x-, [ 'v^'-
-205 't Jaak dkie e\ ïwintio rees. 't Is feest in Haarlems wal. De menigte vlood saam op 't schel trompetgeschal.
't Is wel haar tijd niet meer van blinkende tournooien,
waar duizend Edelen de heirbanier ontplooien voor Holland^Liebaart en den Henegouwschen Leeuw! â 210 't Geldt echter hier een dag der bonte Middeleeuw.
Een man ('t was in den tijd, toen Beieren reeds taande en 't stout Bourgondië den weg der grootheid baande) een man, in Haarlems hout, sneed op den beukenstam
moi, je reverrai mes braves dans les Champs-Elysées. O ui, Kléber, De-saix, Bessières, Duroc, Ney, Murat, Masséna, Berlhier, tons viendront d, ma rencontre: en me voyant, ils deviendront tons fous d'enthousiasme et de gloire. Nous caitserons de nos guerres avee les Scipion, les Anni-tal, les César, les Frédéric, a mains que la bas on nail peur de voir tant de guerriers ensemble.quot; (Timon, Livre des orateurs, bl. SS2).
V. 200. Des loerelds geesels. Atlila, de Hunnen-honing, werd ngeesel Godsquot; genoemd. Napoléon zeide in antwoord op dé nederige smeekbede van een qc.zantschap uit den venetiaanschen Senaat o. a. : â *je serai, un A Uil a pour Vénisequot;.
V. 200. 't Is feest in Haarlems wal, het te Haarlem in 183S gevierde feest ter herdenking van de uitvinding der boekdrukkunst door Laurens Koster (1S70â1U0). Nog altijd is de strijd om de eer dier uitvinding niet ten einde tusschen Haarlem en Mains. De Duitschers eischen haar voor hunnen Gutenberg en vo'r Fust en Schóffer, die de kunst volmaakten. Men wil, dat L. Koster wel de beweegbare letters, niet echter de drukkunst hebbe uitgevonden. Vglk. ook v. 244.
V. 207. Blinkende tournooien. Zooals bekend is, werden te Haarlem de schitterendste tournooispelen gehouden. Men denke aan het tournooi van onsen Graaf Willem VI.
V. 209. Liebaart, dichterlijk voor Leeuw; beeld in het wapenschild der graven van Holland en Henegouwen. Liebaart is niets anders dan liewert of l i eu w aart, van lieuwen (brullen), waarvan de oude uitspraak ook lioew (Hoen, leeuw) was, en dus in letterlijken zin b ruil er in bepaalde toepassing op den leeuw.
V.2IS 't Stout Bourgondië den weg der grootheid baande. Het streven der Bourgondiërs was een absoluut vorstengezag te vestigen op de puinen der gewestelijke en stedelijke vrijheden. Karei de Stoute (1467â77) ging met het plan om, geheel Europa aan zich te onderwerpen.
27
een vorm, die in den grond als letter nederkwain !
â¢215 Maar op die letter zeeg een stemgalm uit de blaren: »Vermenigvuldig u!» en 'twas zoo. Vijttig jaren had de Eeuw nog niet geteld, als 't Aartsbisschopplijk Stift den troon der Drukkunst op zijn bodem zag! De Schrift, het eerste, ging van toen veertienmaalduizendvuldigd 220 naar 's aardrijks hoeken uit! â O wonderen verschuldigd aan 't toeval van één dag! Hier is de vinger Gods.
Wat ook ontheiligd werd door menschelijken trots of wrevel: hier was God! 't Was, wat ge ooit sedert werkte, o Drukkunst! 't was, het bleef, met nooit gekende sterkte, 225 vermenigvuldiging! â van licht, van wetenschap,
van woord, van wil, van macht. Het was een reuzenstap ten hemel â en ter hel. Ja, menschdom ! ook ter helle. O, wie in arren moed' dat woord in twijfel stelle,
zie om zich ! zie die Pers, die in haar jonge kracht 230 den dag des Bijbels aan 't verduisterd menschdom bracht, sinds, tegen God in kamp, verharde zondekweekster,
verboden lust- en haat- en oproerviam-ontsteekster! Zie spottend Ongeloof aan waarheid, hemel, deugd, als opgedrongen door haar dienst aan 't hart der jeugd, 235 aan 't oog der kindien ! zie haar legioen romannen
gezondheid beide en schaamt' van maagdenwangen bannen. Hij zie die Drukpers, als verwaten Koningin gezeten op haar Koets, de Meening nis slavin
V. 227. 7gt; n hcyncl â en ter )i cl, door't goede woord (de Sehrift), dat v e e rti en maal dui z endvul d i g d iccrd, cn de slechte schriften, die sinds alom verspreid teerden. Zie V. 231, 233, S33 Hoe schoon is dat verharde zondekweekster! Verhard, omdat het geschreven woord, niet als het gesprokene vervliegt, maar blijft; scripta manent. De Dichter denkt aan alles: boekwerken, vlugschriften, dagbladen, platen.
V. 236. Hoe diep gedacht cn fraai gezegd!
V. 23S. De Meening als slavin. Versta: de Pers licht niet slechts de onicetenden voor; neen, zij beheerscht en vormt do openbare meening. Zij strooit ongeloof en zedenbederf rond in een zwerm van vlugge bladen, ruit op tegen God en Gezag, m verraadt aldus het menschdom aan de macht des Afgronds. Vglh. hiermede Sehaep-man, de katholieke Da Costa, in -de Persquot;:
Hoort, zij, de persgodin, vraagt vrijheid van de banden.
Die, al te lang voorwaar, haar vleugelen omspanden,
Zij vraagt een vrijheid, die haar, evenknie van God,
Het recht geeft om haar woord, 't zij lastering of spot,
'28
in teugels klemmen, en aan 's Afgrouds macht verraden, 240 ja. ongeduldig, met een zwerm van vlugge bladen, vermenigvuldigd dag bij dag, en uur voor uur,
onze aard bezwangeren van ondermijnend vuur,
de Majesteit weerstaan, Gods ordeningen hoonen,
de tempels pionderen, en koningen onttroonen.
245 't Jaar DKima ! â Juli 'k zag uw kroon in 't slijk gesleurd. Bourbon! â September ?.... 't Rijk der Nederlanden scheurt! Nu was 't een worstelen van langgerekten vrede en wrevel; 't zwaard, of 't waar, bezworen in de sclieede; in schijn van middlaarschap, geweld en hoogheid heer;
250 aan 't Recht zijn recht, en aan de Zegepraal haar eer
ontkend! â En Talleyrand inde onderhandlingswijsheid der eeuwen â en der Eeuw â volleerd, plaatst in zijn grijsheid met afgerichte hand den Vrede in evenwicht op Staatsomkeering, en het Wanrecht dat zij sticht. â 255 Europa! Nederland! verbonden triurafeeren.
Te slinyren naar hel 'hoofd van Christus, om haar keuze Te doen op «Barabhas!quot; om singoiot, haar leuze.
Te pn diken aan de aard, om tronen eeuwenoud Verachtlijh neer te slaa /. als lang vermolmend hout;
Om. naar des niet-sijns poel de menschheid heen te stieren. Te zinhen met haar prooi en dan â te zegevieren!
V. 245. Juli? Kort en krachtig, in plaats van: wat brengt Juli aan t Zoo ooh 't volgende v.: September? â Het eerste doelt op de Juli-i evolutie te Parijs, den 37n, 28n en 29ii dier maand, tengevolge waarvan Karei X en zijn zoon, de Hertog van Angoutème, afstand deden van de regeering en genoodzaakt werden, Frankrijk te verlaten; het tweede op den opstand te Brussel, den Söen Augustus 1830, die de splitsing der Nederlanden ten gevolge had.
V. 249, SSO. In schijn van middlaarschap enz. Koning Willem I wendde zich tot de vijf mogendheden, die de beide rijken ver-eenigd hadden. Tevergeefs, zij traden niet op als middelaars, maar hét bij de scheiding belanghebbende Frankrijk en het baatzuchtige Engeland erkenden in 1831 de splitsing der twee landen.
V. i.ï 1. Talleyrand, de oud-bisschop van Autun, een geslepen fransch diplomaat (wien elk middel om tot zijn doel te geraken, geoorloofd scheen), die door Nap. J tot vorst van Beneventum was verheven, leefde van 17Ã4â1838, en nam een levendig aandeel aan de Conferentie te Londen, waarbij de scheiding van Noord- en Zuid-Nederland werd vastgesteld.
V. 2ö3, 2!i'i. Willem I erkende den I9n April 1859 België als koninkrijk, en legde zich dus om wille van den vrede bij het wanrecht neer, dat door de Staatsom keering gesticht was.
29
gesponnen onder de aard. Maar zie ook God regeeren! God, met Zijn cholera de volken schuddend; God,
hoe hel en wereld woel', bestemmer van ons lot;
God, nog uw God, o van uw Vaadren afgeweken,
260 o in de omklemmingen der Vreemde schier bezweken, o om dien afval diep vernederd Nederland!
Ja! 'tis der Vaadren God, die d'onbestaanbren band in 't eind verscheurde; die èn roem èn verscheu zegoti deed rijpen voor dit volk, uit alles wat ons tegen,
265 ja, ter vernieling scheen bestemd te zijn. Gij eert,
als alles samenspant en ons vertrapt. Gij weert d'omwentlingsstortvloed van ons af, o Neêrlands- Herder! Antwerpens citadel sprak dondrend Uw: «Niet verder!» tot Gallier en Belg. En om d'Oranjestam 270 (uw heilgeschenk opnieuw!) schaart Neerland zich. Hij kwam, hij zag, hij overwon. Tien afgeperkte dagen door üwe almachte hand! â de legers zijn verslagen.
I'. 256'. Zie nok God regeeren; en r. 263: tier Vaadren God, Da ('osta ziet in de scheidiiiy der twee. landen den vint/er Gods en een se en voor ons tand; uit het hir-md wordt het tfoed f/choren. Zoo heeft 't Neerhends God bestemd.
V. SS9. Van uic Vaadren afgeweken. Versta: uw Vaadren roerden hardnehki(/en krijg tegen de Spaansehe Nederlanden (het Zuiden), gij hebt u met hen rereenigd; maar die Vreemde ( het katholieke België) dreigde u in hare omklemmingen te smoren. Die vernedering was uw straf. Doch de. God der Vaadren leeft nog, en hij schexird e hij tijds den onh es t aanharen hand, om u te redden. Zoo verwierft gij u roem in den tiendaagschen veldtocht en werd uw afscheiding van België u tot verse hen zegen.
V. S67. D'omwentlingsstortvloed. Niet alleen, dat de Belgen zich onafhankelijk vochten, zij bedreigden ook Noord-Nederland. Daarom besloot Chassé Antwerpen te bombardeeren (27 October IS30j.
V. 269. Gallier en Belg. De nieuwe belgische koning Leopold I, die door de nederlaag zijner legers hij Hasselt en bij Leuven ontmoedigd was, had de hulp der Franschen ingeroepen. Die hulp werd gaarne verleend; het fransche leger stond onder bevel van maarschalk Gérard.â De tegenspoed deed Nederland weer heil zoeken bij Oranje (uw heilgeschenk opnieuw'.); de. kroonprins Willem II viel met een leger van Si,000 man in België.
V. 270, 271. Hij kwam, hij zag, hij overwon, nl. de prins van Oranje Het rcoord van Caesar toegepast: vent, vidi, vici.â Tien afgeperkte dagen: de tiendaagsche veldtocht (2â12 Aug 1831). Het Zuid-Nederlandsche leger werd te Beringen, Hasselt, Bautersem (v. SOS) en L'mcn op de vlucht gejaagd.
30
en 't onze keert gestuit, maar overwinnaar, weer! â
O roem der Ridders! geef als Christen Gode de eer!
275 Als Christenridder! neen, van nu aan Christenkoning ! o Zoon der Will ems en der Friso's, op wiens kroning het Nederlandsche Volk in deze wallen wacht! vertegenwoordiger van 't dierbaarst Voorgeslacht!
heil zij dien dag! heil ü, in 't hart reeds ingehuldigd 280 der duizenden, met liefde en eeden, U verschuldigd en aan dier Vaadren stam ! Maar o ! vergun de vraag,
aan wie haar in den naam des hoogsten Konings waag':
hebt Ge aan dien Heer aireede Uw kroon en troon verbonden, die, in Zijn eigen bloed Verzoener onzer zonden,
285 hot hart der Vorsten'als der Volken proeft; den weg van Volk en Koning in 't aanbiddlijk overleg zijns nimmer feilbren Raads omvat; die met uw Vaadren (wierbloed, voor Christus veil, van Hem spreekt in uwe aadren!) oud-Neêrland samensmeedde in snoeren, sterker dan 290 partijschap breken kon, of dolle-omwentlingsban ?
Die God (Hij zij ook de Uwe in rijkdom van genade!
als op uw stamhuis lag!) sloeg steeds uw paden gade!
Zijn oog was op ü, 't zij Ge, als pas gegeven Kind,
V. 273. Gestuit op zijn zegetocht door dc komst van het fransche leger, maar overwinnaar over de belgische opstandelingen.
V. 274. O roem der Ridders! prins 'Willem, de ridderlijke, in Noord en Zuid populaire en beminde held van Waterloo.
V. 275. Van nu aan Christenkoning. Da Costa droeg zijn «Vijf en twintig Jarenquot; voor in 1840. Den 7n October van dat jaar had quot;Willem I ten behoeve van zijn zoon afstand gedaan van den troon. Toen de dichter zijn lied schreef, had de kroning nog niet plaats gehad. â Het nu volgende tot v. 322 is een schets der lotgevallen van den nieuwen Vorst, om hem tot dankbaarheid jegens Ood op te wekken.
V. 290. Partij schap of dolle-omwentlingsban. Wordt door partijschap gezinspeeld op de verschillende burger- en godsdiensttwisten, waaraan Oud-Holland ten prooi was geweest, met omwent-lingsban wordt hier de revolutie (fransche en belgische) bedoeld. Ban beteekent uitsluiting, vloek, dwingelandij (v. 79), doch ook gewapende bende; en in dezen zin kan het hier ook worden opgevat.
V. 293. Zijn oog was op V Hierbij teekent Da Costa aan-, quot;De Klemtoon, niet alleen in poëzy maar ook in de gewone taal, behoort op het voorzetsel, niet op hit voornaamwoord gelegd te worden; Zijn oog was óp V; gelijk men ook zeggen moet: mét u, mét hem. waarvoor men oudtijds schreef, en het volk nog zegt: me item. â 't Zij Ge enz.
31
ten teeken waart van heil, toen 't Fransche moordbewind 295 voor Neêrlands vestingen de hoop vast gaf verloren,
en deinsde; â of toen de Spruit des Czaars U werd geboren, terwijl Gij dobberde op de waatren der Noordzee ('t gebed van Nederland ging op de golven mee!)
verdreven Prinsentelg! â het zij Ge in 't grootsch Brittanje 300 den degen gordde voor het heldentelend Spanje, â
of straks bij Quatrebras en Waterloo! â of toen,
in sombrer tiidsgewricht bij 't Godvergeten woên van 't Brusselsche verraad, betaalde kannibalen U tegengrimden ! â of, tot nieuwe zegepralen,
305 bij 't hachlijk Bautersera! â of eindlijk, als die maar
het land met doodschrik sloeg: krank! z o rglij k! in gevaar!â
o Koning! welk een schat van zielsherinneringen,
die wat U lief heeft naar des Heilands voetbank dringen! â
V. 294. De Prins was geboren den 6n December 179%. In Februari en Maart 1793 hadden de krijgsgebeurtenissen van 't Fransche moordbewind plaats. Dumouriez poogde vruchtloos over den Moerdijk-in Holland te dringen. »Het bleef den Dichter vrijstaan â zegt Da Costa â aan de verdediging van de Willemstad door den braven Baron van Boetzelaar, hier bepaaldelijk te denken.quot;
V. 297. Toen de Spruit des Czaars U werd g eb or en, nl. grootvorstin Anna Paulowna, met wie de Prins in 1816 in den echt trad. Den ISn Februari 179S dobberde de stadhouderlijke familie, die de wijk nam naar Engeland, op de waatren der Noordzee.
V. 299, 300. Het Engelsche leger onder Wellesley opereerde van 1809 â1813-in Spanje.
V. 301. Zie v. 74.
V. 302. In sombrer tijdsgewricht enz., nl. de opstand dei-Belgen en tiendaagsche veldtocht. Zie v. 245.
V, 303. Betaalde kannibalen. Voordat het Fransche leger onder Gérard tegen de onzen optrok, had reeds eene Fransche vlégion répu-blicainequot; en 300 Fransche officieren als waalsche boeren verkleed aan den slag bij Leuven deelgenomen. Kannibalen = menscheneters hier voor: moordenaars, wreedaards, onverlaten.
V. 305. Vglk. aant. v. 271.
V. 306. In het vroege voorjaar van 1835 deed Z. K. H. Willem (II), de veldmaarschalk, eene reis van Tilburg naar den Haag en werd daar zoo ernstig ongesteld, dat men voor zijn leven vreesde. De ziekte nam echter eene gunstige wending; in de tweede helft van den veertigdaag-schen Vasten was Z. K. H. in zooverre hersteld, dat de terugreis naar zijn geliefkoosd Tilburg onder de hoede van den lijfarts mocht worden ondernomen.
V. 308â318. De korte inhoud is: Neêrlands volk dankt God den Heiland en Hoeder voor uw bezit en uw behoud: Christenkoning, doe gif
82
27
Geef cor dien Heiland! HVm, den God gezien op aard.
310 beliomt Gij. niet Uw ziel en lichaam, â met Uw zwaard
en schepter; â Tot dien God moet Vorst en Volk zich wenden, 33
met al de zouden, al de nooden, al de ellenden !
Geen kracht, geen wijsheid, hoe door menschen ook betrouwd,
geen Grondwet, hoe oprecht bezworen, geeft behoud,
815 tenzij der Vaadren God liet raenschlijk woord verzegel',
de zondeschuld verzoen', den Staat geneze en regel', 3S
Zijn Woord in eer zij. van Zijn vrees de daad getuig',
en voor Zijn zaalgen Naam heel 't Land aanbiddend buig'! â
Kniel, Koning! met Uw volk! â En nu, de Koning leve!
320 Oranje voor altoos! â D.it elke'vijand bjve
voor d'opslag van Zijn oog, de liefde van Zijn volk
en 't hed des Hueukn. Dat hem toestraalt uit de wolk! 34
2i .
En ondertusschen bleef een tijdperk van tien jaren,
steeds oorlogszwanger, steeds onmachtig dien te baren,
325 zijn loop vervolgen, 't Is rumoer van krijgsgerucht,
2i en tevens vrede, rijk in onafzienbre vrucht.
Beschaving breidt zich uit, met nooit beproefde spanning.
desgelijks! Dan eerst is volk en vorst gelukkig, als Gods Woord door beiden geëerd en daadzakelijk geprezen wordt.
V. 319, 320. De Koning leve.' Oranje voor altoos.' Een geestdriftige overgang, die in dat oogenhlik wel weérklanh moest vinden bij des Dichters gehoor. Een soort van trouwbelofte aan den nieuwen, nog niet gekroonden. Koning, die van de liefde van zijn volk (v. 331) verzekerd was
V. 322. 'f Heil des H eer en enz. Da Costa teekent aan: »Inwoners der Residentie konden hierbij gedenken aan het doorbreken der zon tusschm donkere wolken in den morgen van den fis ten October 1840quot;, dus daags na den troonsafstand van Willem I. Nog hoort men soms de uitdrukking: een oranjezonnetje.
V. 524. Steeds oorlogszwanger, steeds onmachtig dien te baren. De omwentelingsgeest bleeft voortwerken, maar hit «Euro-peesch evenwichtquot; voorkicam den oorlog. Wél was het een gewapende vrede, maar 't was toch vrede. En de werken des vredes toonden zich in onafzienbre vrucht.
V. 327 vlgd Met nooit beproefde span ning enz. Versta: Alsof de beschaving bevreesd ware, alweder door eeno i evolutie (woestaardij) plotseling in hare ontwikkeling te worden tegengehouden, breidt ze zich uit met nooit gekende stielheid, met koortsige gejaagdheid.
33
gescherpt als door de vrees voor plotslinge verbanning door 't losgerukt geweld der dolle woestaardij.
330 Een nieuwe levenskracht doorstroomt de Maatschappij der volken; kunst aan kunst, door ijvervuur geprikkeld en mededinging die geen grens kent, wordt ontwikkeld in duizend richtingen met steeds versnelden spoed!
Natuur, tot in het diepst haars heiligdoms doorwroet,
335 legt voor het vorschend oog geheimenissen open,
verbanden, spelingen, die telkens samenloopen tot nieuwe bronnen voor 't Vernuft. De wetenschap verstout zich niet-alleen een steeds verwijden stap,
maar paart en huwt zich de eene aan de andre, en geeft zich
[spruiten,
340 vertalrijkt dag aan dag. Dan treedt zij, fier, naar buiten, in 't leven, en verlaat het stoffig boekvertrek voor ruimer dampkring en voor schittrender bestek;
en streeft al verder van ontdekking tot ontdekking,
tot telkens dieper kracht- en levensiust-verwekking, 345 en richt verbonden met den Wereldhandel op,
en voert de wonderen der Nijverheid ten top.
Het menschdom spiegelt zich, betooverd, in de weelde,
V. 331. Door ijvervuur geprikkeld en mededinging. De naijver der volkeren en de vrije concurrentie. Daarbij de studie der na-tuunvetenschappen me' hare uitvindingen van verschillenden aard. Het vorschend (= doorzoekend, vragend, eischend) oog der gel eerden dringt door in al de geheimnissen der natuur, en vindt verbanden en spelingen (licht, warmte, electriciteit), onderscheiden en toch één.
V. 337. Vernuft; niet het duitsche Vernunft = rede, maar inz, het vermogen om iets uit te denken.
V. 339. Paart en huwt zich enz. Zie aant. v. 34. Nieuwe takken van wetenschap ontstaan, welker werkkring zich alweder op verbazende wijze uitbreidt. Men denke slechts aan de wonderbare hoogte, waarop natuur- en scheikundige wetenschappen staan, en aan hare af deelingen die ieder een afzonderlijk gebied van onderzoek en studie uitmaken.
y. 340. Dan treedt zij, fier, naar buiten. De loetenschap is niet meer het geheim, het uitsluitend eigendom van den geleerde, die haar beoefent in boekv er trek of laboratorium; neen, zij heeft haar intrede gedaan in het praktische leven, wordt dienstbaar gemaakt aan Nijverheid (machines) en Wereldhandel (stoom, electriciteit), en aangewend tot 'smenschen voordeel en genot (kracht- en levensiust-verwekking).
V. 347 vlgd. De menschen kunnen zich meer vieelde veroorloven, omdat de productie van 'weelde-artikelen zoo vereen voudigd is. Woningen worden doelmatiger (modern, volgens nde eischen des tijdsquot;) ingericht (verjeugdigd); zoo ook de vaker veranderende kleedij (mode), en de door het verbeterd
2® dr. 3
34
die vereenvoudiging der werktuigschepping teelde, in woning, in kleedij, in levenswijs en staat 850 veijeugdigd, ja kan 't zijn, in houding en gelaat. â
Een nieuwe loopkring is voor heel deze aard begonnen! Uit kool- en ijzermijn ontsprongen haar de bronnen van snelheid, macht en licht. Het helle koolvuurgas vervangt de tinteling van 't maagdelijke was.
855 Het zeegevaarte voelt zijn ingewanden leven
en roept geen drijfkracht meer van buiten, om te zweven. Ja meer! de vrije zee, waarin de stoomboot zwemt, en 's aardrijks vaste korst in ijzren band geklemd,
waarop de spoortrein gonst, wedijvren met elkander. 860 Zie langs zijn tweelingslijn dien feilen Salamander!
en toenemend verkeer geboren nieuwe levenswijs en verheffing van staat. Hoe guitig zinspeelt de dichter in vs. 350 op het gebruik der he-dendaagsche toilet-artikelen, die der menschen houding en gelaat verjeugdigen. Men denkt aan F. W. Weber's versje :
Falsche Böthe, falsche Bldsse,
Falsche Zcihne, falsches Haar!
Schliesslich hat der Todtengrüber Nur im Beinhaus echte Waar.
V. 351. Een nieuwe loopkring. Zeker, met de uitvinding van den stoom begon voor de maatschappij een nieuw tijdperk. Wij zien thans, wat Da Costa in 1840 slechts vermoeden kon, welk een ontzaglijken invloed het gebruik der stoomwerktuigen gehad heeft op de schepping der tegenwoordig heerschende maatschappelijke toestanden.
V, 352. Uit kool- en ij z er mij n. Uitvinding van gaslicht en stoommachines.
V. 35S, 354. Merk de tegenstelling op: het helle koolvuurgas en de zachte tinteling van 't maagdelijke (witblanke) was.
V. 855. Geen drijfkracht meer van buiten. Het zeeschip heeft geen roeispanen, geen zeilen (geen wind) meer noodig, het draagt in zich de drijfkracht (machine), die het niet slechts voortbeweegt, maar doet zweven.
V. 357 vlgd. De vrije Zee en 's Aardrijks vaste korst wedijvren. De stoomboot, die zwemt, en de spoortrein, die gonst, wedijveren met elkander in snelheid. De zee is in zekeren zin haar vrijheid kwijt; de stoomboot spot met haar golven en doorkruist haar naar alle richtingen; en de vaste aardkorst is in letterlijken zin in ijzeren banden geklemd (spoorstaven).
V. 360. Wie kent de hier volgende beschrijving van den spoortrein niet! De verzen wedijveren met elkander in kracht van klank en uitdrukking. _ De Salamander is een kruipend dier, welks lichaam met
een kleverig vocht is bedekt, waardoor het 't vuur kan weerstaan; daarvandaan vuurgeest, in welke beteekenis het hier is gebezigd.
35
Vuur sist het uit zijn buik, die rammelt over de aard.
Hij voert bevolkingen en legers in zijn staart,
metalen tenten, die met bliksemende wielen
wat stand houdt, waar hij schreeuwt, verplettren en vernielen.
365 Hij rent, hij vliegt, hij rukt, verwaten en verwoed,
afgronden in 't gezicht, en bergen te gemoet,
die wijken, of, doorboord, een open heirbaan laten.
De steden naadren tot elkander; Volken, Staten doorkruisen, mengen zich. Ãénzelfde stoomkrachtvaart
370 sleept heel ons menschdom ^oort, en effent heel onze aard, bij 't ruischen van een zee muziek- en zangakkoorden,
waar 'tlied van Strauss meê stemt, en invalt met dees woorden: »Zie hier uw goden: Kunst en Kracht en Industrie! »en voorts, geen eerdienst meer dan de eerdienst van 't Genie!»
375 Erken uw wegen, kroost van J a p h e t h ! Neen, het teeken
F. 363. Bliksemende wielen. Het bliksemen drukt hier metapho-risch zoowel de snelheid van beiveging als de verpletterende kracht uit. â Verpletteren â plat drukken; vernielen = te niet doen, vergruizelen.
V. 365. Een fraai vers met zijn twee stafrijmen: rent en rukt, verwaten en vertvoed. Verwaten â geen gevaar achtend, overmoedig, vermetel. â De spoortrein wordt hier verwoed geheeten wegens de razende onstuimigheid, waarmede hij voortrent.
V. 366. Rotsbergen deed men wijken (springen) of zij werden doorboord, en lieten aldus een open heirbaan (tunnels). De langste tunnels zijn die van den S. Gothard, den Mt. Fr ejus en van de Vorarl-bergbahn.
V. 369. 370. De zin is: Wij leven snel in onze eeuw'van vooruitgang, bij 't toenemen van 't wereldverkeer, waarvoor geen hinderpalen meer bestaan.
V. 371, Een zee muziek- en zang akkoo rden = het eindeloos gejubel der volkeren , zich badend in het genot van een tot dusver ongekende weelde.
V. 372. Het lied van Strauss, den Duitschen Ren an, godloochenaar en rationalist, wiens theorie de dichter samenvat in de twee volgende versregels. â Bij het zeggen dezer verzen moet de stem van den diepge-loovigen Da Casta, zooeven nog klinkend vol verheffing, bezieling en gloed wel in een harden scherpen en bijtenden toon zijn overgegaan.
V. 375, Erken uw wegen, kroost van Japhethl De zin is: Vergeet niet, o mensch, vanwaar uw oorsprong is, en wat het doel moet zijn van uw bestaan! â Japheth, zoon van Noah, wiens afstammelingen zich over Europa verspreidden, zooals die van Sem over Azië en die van Cham {den gevloekte) over Afrika.
V. 377. Van Goddelijk geslacht. âUt filii Dei nominemur et â simusquot; (S. loan.). »Nunc filii Dei sumusquot; (ld.).
36
der afkomst van uw geest is nooit van u geweken!
gij zijt van Goddelijk geslacht ! de heerschappij der schepping hoorde aan u, â maar aan haar Schepper, gij! Nog heeft natuur in last haar Ondergod naar de oogen 380 te zien; of, biedt zij 't hoofd en spot zij met uw pogen, nog zijt gij met een gaaf gewapend van verstand.
van moed en geestkracht, die weldra u de overhand verzekert, 't zij ge dringt naar 't hoogst der sterrekringen, of kennisschatten aan de diepte wilt ontwringen!
385 Nog zijt ge koning, ja! â maar ach! wat baat een kroon, gedragen niet meer God tot heerlijkheid, maar hoon? In opstand tegen 't licht uit Hem, wat baat verlichting V Wat baat, o praalzieke Eeuw! uw grootsche Babelstichting, uw opgetaste schat van wetenschap en kunst, 390 en roemverheffing in Beschavings hoogste gunst ?
Wat baat hetj als uw schoot met de eigen sapverkwisting
V. 378. Hoorde. Onv. verl. tijd: nl. hoorde van den beginne af aan u. Die heerschappij hebt ge steeds uitgeoefend; nu meer nog dan vroeger beheerseht gij de natuur en haar krachten.
F» 379 Ondergod. Zinrijk gezegd van den mensch! Al is' hij van »Goddelijk geslachtquot;, al waant hij zich zelf een god, hij blijft toch onderdaan van den Schepper.
V. 384. Witt ontwringen^ Fraai en juist uitgedrukt. De schatten van kennis moeten als met geweld aan de diepte (der zee en der aarde) worden ontwrongen. Waarom drukt Da Costa op wilt? Omdat hij van den mensch, den âondergodquot; met zijn verstand, moed en geestkracht, wil zeggen, dat hij slechts behoeft te willen om te kunnen.
V. 385. Nog zijt ge koning. Vglk. v. 378. De schepping hoorde en hoort nog aan u. â Mier volgt de tegenstelling van al het in de vorige alinea hooggeroetnde. Wat baat u, mensch. uw koningschap, uw verlichting, uw wetenschap en kunst, uw beschaving, als uw schoot enz ?
Fquot;. 388. Babelstichting. Zinspeling op 'den bouw des torens van Babel, door de nakomelingen van Noach. Was de bouw een werk van menschelijken hoogmoed tegen God, wat de mensch tegenwoordig tot stand brengt, strekt niet God ter eere maar tot zijn eigen roemverheffing. En tvat baat het dan?
V. 391 vlgd. Eigen sapverkwisting = Verkwisting van lerenssappen Eigen kan hier worden opgevat in de beteekenis van dezelfde; en dan is de zin: gij spant u in, gij beult u af, om veel groots en grootsch tot stand te brengen, maar dezelfde levenskracht, die gij daartoe aanwendt, gebruikt ge tevens (en verkwist ze derhalve) om de zaden van al het kwaad onzer eeuw te onderhouden en te doen ontkiemen. Dat kwaad, die ondeugden worden vervolgens opgesomd, met den onverzadig-baren gelddorst aan het slot. De koning der schepping is slaaf van het Geldf
37
de zaden onderhoudt van woeling, wrevel, gisting,
van ontucht, gif en moord, en zelfmoord, en geweld, en slaafsche aanhanklijkheid aan de oppermacht van 't Geld ? 395 als heel de Maatschappij te midden der verrukking,
die uw ontwikkling wekt door de ongelijke drukking van 't machtig raderwerk, zeeplassen van ellend'
ter zijde ontwaart van 't spoor, waarlangs uw wagen rent: hier weelde ontwassen aan zich-zelf, van buiten bloeiend 400 en schitterend van jeugd, maar innerlijk verschroeiend en sapverdervend als een kanker, en, of 't waar,
der standen evenwicht met moedwil brekend, â daar gemor bij d'arbeid die geen brood geeft, jokdierbanden geworpen om den hals van vrijen, waar de wanden 405 van hitte blaakren dag en nacht, en eeuwge rook de steden zwart verft, en de ziel verstikt in smook ?
Of, wilt ge in hooger kring? Verantwoord die tooneelen (de tempel onzes tijds !) herschapen in bordeelen,
waar Dichtkunst zich verlaagt tot vuige boeventaal;
410 terwijl voor 't wuft geslacht zelfs de achtbre Rechtspraakzaal een schouwplaats werd, waar 't oog met wellust leert te staren op eiken gruwel, dien uw vorderingen baren! â
F. 395â406. Een stuk sociale kwestie: weeldeâellende, kapitaalâ arbeid. In den tijd der machines stelt de dichter de gansche maatschappij voor als een machine, een machtig raderwerk, doch welks onderdee-len door ongelijke drukking niet zooals 't hoort in elkander grijpen; daarmede doelende op de wrijving en scheiding der maatschappelijke standen. Zoo fraai als de beschrijving der buitensporige weelde, dit tot zinnelijkheid (sapverdervend) en moedwil (evenwicht verbrekend) voert, is de teekening van den taorrenden tot slaaf vernederden vrijen fabrieksarbeider aan zijn geestdoodend werk (dat de ziel verstik t,)
V. 408. De tempel onzes tijds. Inderdaad, de kerken ontvolkt,â de schouwburgzalen overvuld. En welke schouwburgzalen / JVaar ontucht én liederlijkheid het hooge woord voert in vorm van dichtkunst. Men denke aan de moderne café-chantant en café-concert.
V. 410. De Rechtspraakzaal een schouwplaats. Sensatie-wekkende processen, »des procis de scandalesquot; vinden immer gevulde tribunes. Het oog gewent zich aan het zien der gruwelen; men verliest den afschuw voor. en raakt vertrouwd met de misdaad.
V. 412. Dien uw vorderingen haren. Scherp verwijt! Met het toenemen der beschaving (van den vooruitgang) neemt ook de misdaad in geraffineerde gruwelijkheid toe.
38
o Machtige Eeuwgeest! in uw hoogheid moogt gij staan !
maar spreek! wat hebt gij met uw heerlijkheid gedaan !
415 Ach! in die raengling, in dat misbruik, voelt ge u leven ! en zelfvolmaking, zelfvergoding blijft het streven,
ten koste van wat deugd of heiligheid het zij !
Doch op den bodem der ontwijde maatschappij ligt tevens de éénheidszucht! Tot éénheid drijft de klemming
420 der opgespannen veer, â tot éénheid, de bestemming,
maar, buiten God, ten vloek der menschheid. Ja, de Man, die in het middelpunt zich eenmaal wringen kan van 't weefsel zonder ga, dat onze leeflijd baarde,
is meester van Euroop, is meester van-heel de aarde!
425 Asch van Napoleon! Wat brengt Ge aan Frankrijk? wat aan 't ondermijnd Euroop? â Verbeidt de Wereldstad in ü de vonk in 't eind, die de opgeladen stoffen
V. 413, 414. Klankrijke verzen. Zij galmen als de taal van een boetprediker.
V. 416. Aan z elf volmaking (d. i. in stoffelijken zin) en zelfvergoding wordt alle deugd en heiligheid ten offer gebracht.
V. 419. De eenheidxzucht â het verlangen naar eenheid ligt op den bodem der uit haar verband gerukte, ontwijde (ontheiligde, van haar middelpunt, God, afgeweken) maatschappij. â De klemming der opgespannen veer (overspannen wegens de ongelijke drukking van 't raderwerk, v. 396); versta: juist de gespannen verhouding tusschen de maatschappelijke standen bewijst dat eenheid noodzakelijk is.
V. 420. De bestemming nl van den mensch. Eén God is het doel van allen. Gaat de menschheid niet af op dat doel, dan is haar streven zich zelf ten vloek.
V. 421, vlgd. De Man enz. Dr. Schaepman (De Wachter 1875) heeft van een staatsman onzer dagen gezegd: âZij (de staatkunde van dien man) rust alleen op de kennis van onzen tijd en van ons geslacht. De slotsom van deze kennis is: verachting. Diepe verachting met spot gemengd is het eenige gevoel, dat dezen man tegenover zijn tijdgenooten, zijn medestanders, zijn aanbidders, zijn dienaren, zijn hovelingen bezielt. En de onderen telt hij niet.quot; Die staatsman was jaren lang meester van Euro op.
V. 425. Asch van Napoleon. Op bevel van Lodewijk-Filips werd het stoffelijk overschot van Napoleon I naar Parijs overgebracht in 1840, op 't oogenblik dat Napoleon III, de kroonpretendent werd gevangen genomen te Ham en de Februari-revolutie in wording was.
V. 427. In 't eind. De omwenteling immers, niet gevallen âin de macht der Dwangbezweerdersquot; (v. 91), was als ^tijdgeestquot; (v. 106) steeds blijven dreigen.
39
in 't lang gedreigde vuur weldra moet doen ontploffen ?
En is de voorboo reeds gezien, het sein gehoord 430 voor Beyruth ? â te Parijs ? â Werd reeds de droom gestoord des Vredes? Is de Krijg, van al zijn Razernijen omstuwd, of die nog veel vernielender Harpijen van oproer, burgertwist, onttroning, clubsgeweld,
reeds ingespannen ? â Werd het vonnis reeds geveld 435 dier niet meer vreemde straf, eerst van Regeeringloosheid en straks van Tirannie, elkaar gelijk in boosheid,
waarmee de horizon bewolkt is ? Of blijft rust,
blijft: «Vrede! vrede! en geen gevaar!quot; de leus, de lust der Eeuw ? en is een reeks van Staats ver wikkelingen, 440 waaruit de kracht ontbreekt zich weder los te wringen, opnieuw voor luttel tijds ophanden ? â o ! Wie gist wat van des menschdoms lot Daarboven is beslist?
Wie heeft Gods raad gekend ? â Doch neen! de orakels spreken : die Schriften, van wier woord geea titel mag ontbreken, 445 zoolang de zon haar glans, de maan haar wederschijn
V. 430. Vóór Beyruth. Versta: is de belegering van Beyruth misschien het sein voor een Europeeschen oorlog? De stad Beyruth speelde een groote rol in 1840; zij was bezet door Soliman Pacha van Egypte, en werd van den lOn tot den 14n September gebombardeerd door een turlcsch-engelsch-oostenrijksche vloot. Frankrijk stond aan de zijde van Egypte tegen den sultan. Met de ontruiming van Beyruth werd de oos-tersche kwestie ten gunste van de Ports opgelost. â Te Parijs} zie aant. v. 425. â De droom des Vredes. Vglk. v. 95: vertooning van orde of rust.
V. 431. 432. Razernijen, Harpij en. In de grieksche mythologie zijn Razernijen de wraakgodinnen, ook genoemd Erinnijen en Eume-niden, die in de onderwereld huishouden; Harpijen zijn afzichtelijke wezens, half gier half slang, met vreeselijke klauwen, welker aanraking alles ontreinigt. Treffende toepassing op den oorlog.
V. 435. Niet meer vreemde straf enz. De wereldhistorie getuigt: op regeeringloosheid volgt tiran nie, en omgekeerd. Vglk. v. 93: telg en moeder.
V. 441. Wie gist enz. De mensch wikt en God beschikt; of, met Victor Hugo:
Aujourd'hui l'homme sème la cause,
Demain Dieu fait murir l'effet.
V. 443. De orakels spreken. Orakel = godsspraak. In 't verleden ligt het heden, in het is wat komen zal. Al wat wij beteven, is voorzegd in de H. Schrift. En: Hemel en'aarde zullen vergaan, maar Mijne woorden zullen niet vergaan.
40
zal geven! â Ja, voorzegd is de ingeschonken wijn der gramschap, de onrast van de volken, de geruchten van oorlog, de ijzren arm eens Heerschers, en de zuchten van 't schepsel dat, vermast, het oog ten hemel richt, â 450 voorzegd, de donkre nacht; voorzegd, het Morgenlicht.
Op 's hemels wolken zal Hij komen,
die aan dien nacht een einde maakt! die, in Zijn heemlen opgenomen,
het troostwoord uitsprak:» Wacht Mij! waakt!quot; 455 Hij komt, naar wien Gods scheps'len smachten,
wiens 's werelds eeuwen tweemaal wachtten.
wien de aard reeds eenmaal heeft gebaard! Het Lam, wiens bloed hier heeft gevloten, de Leeuw, uit Isaï gesproten, 460 de Man der smart, de God der aard !
V. 44C. Voor zeg d is de ingeschonken wijn der gramschap. In Isaïas, V, yworden op zeer aandoenlijke wijze de weldaden Gods en de ondankbaarheid van Israels volk. bij name de bewoners tan Judti en Jeruzalem, voorgesteld. Dit geschiedt onder het beeld van een wijngdard, die trots allen arbeid door de zorgen zijixs meesters dan hem bésteed, slechts wrange bessen oplevert. Voorts wordt een zesvoudig quot; Weenaar het hoofd geslingerd der Voorgangers van het volk op den uDeg der boosheid.quot; CG. Jonchbloet).
V. 447. De onrust der volken enz. Da Costd haalt hierbij verschillende teksten Uit het boek der Openharing, het Evangelie van Mat-theus en de brieven van Paulus aan, waarin die voorzeggingen voorkomen.
V. 449. Vermast = overladen, overstelpt, te inbaar gedrukt.
V. 450 De donkré nacht. De Dichter ziét dus bij at den vooruitgang en al de rerlir.hting onzer eeuw niets dan donhren nacht (zie zijn lied des tijds van 1S4f: »Wachter! tóat is er vdn den nac/itf''), maar voorziet ook hel morgenlicht bij de komst van het Godsrijk op adrde. Dié gedachte tv tmt den overgang tot damp;n srhriftuuriijken slotzang.
V. 451. Ev. b. Matth. IV; * Viilebutit Filium hominïs vententem in nubibus coeli.quot;
V. 436. Wien 's werelds eeuwen twéémaal wachtten De eerste maal, vóór nu bijna negentien eeuwen, zag de gehéèle wereld uit naar den » Verwachte der Volkerenquot; en ttas het Oosten quot;Ie póle de Ves-pérance de Unites les nations'; de Heiland â Vöerd geboren te Bethlehem. Nu wéder stndchten de eeuwen naar des * EmrhanUëli glorierijke wederkomst als Koningquot;, zegt Dd Costa.
V. 488. De Leeuw, uit Isaï gesproten 'Christus heet de Leeuw uit Juda's stam naar Gen. XLIX: 9, als de beloofde Messias uit den.
41
De aloude profetieën zweven
met deze galmen de eeuwen door des aardrljks vloek wordt opgeheven â maar de offeilijdenskelk gaat vooj ! 465 Is God een measch, dat Hij zou liegen ?
of konden de eerstlingen bedriegen
die Golgotha gedragen hoeft ? Voorzeggingen der Zoen verwerving! voorzeggingen der Rijksbeërving! 470 ondeelbaar zijt ge, als God die leeft!
Ja. 't woord is uit den mond des Heeren
naar 's werelds einden uitgegaan.
't Zal nimmer tot Hem wederkeeren, tenzij voldragen en voldaan: 475 »Mijn Koning, ziet t Hij zal regeerèn !
»Hem zullen alle volken eeren,
gt;Hem alle vorsten hulde biên,
»Heni, allen die zijn smaadheid droegen, »die om behoudnis naar Hem vroegen, 480 »in Zijne aanbidbre schoonheid ziert.quot;
slam van Judaquot; (J. Th. Bcelen). Vylh. A poe. V: S. Isaï was de vader van David, honing van Juda.
V. 465, 464 Versta: wel is de vloek der aarde reeds opgeheven door de homst van den Verlosser, dnrh voordat de vruchten van die opheffing geöogst worden, moet eerst de off 'erhelk des lijdens worden geledigd, m. a. w. moet de Heiland zijn hitter lijden hebben volbracht: Evenals de Christus leed op Golgotha, moet ooh de Christen lijden alvorens hvj kan ingaan in hel glorieuze Godsrijk.
V. 468 vlgd. Voorzeggingen der Zoenverwerving enz. = met de profetie van Christus' zoendood was die der wederontsluiting van het Hemelrijk één. De mensch werd wedei kind Gods en erfgenaam des Hemels Da Costa teeke^t hierbij aan: «Niet daarin dwaalden de Joden, dat zij eenen Messias ten heerlijkheid wachtten, maar daarin, dat zij. naar de Schriften, Bem niet erkenden, als Hij eerst in zijne vernedering en tot het werk der verzoening kwam.quot;
V. 471. quot;In omnem terra») exivit sonus eorum et in fines orbis terrarum verba eorumquot;
V. 474. Voldragen en voldaan = de profetie zal verwezenlijkt, vervuld worden.
V. 475 vlgd. Vglk. I sax as, XI: «ipsum gentes deprecabuntur.quot;
42
In zijne da^en dauwt het vrede;
in Zijne schaduw lofzingt de aard ! 't Gedierte-zelve jubelt mede.
weer onder Edens wet geschaard. -485 Een jongske zal den leeuw beheefen!
de wolf zal met het larii verkeeren â
en de Englen Gods weer met den nïenscli! Het zijn de lang verwachte dagen van 't fütngekondigd Welbehagen, 490 en aller hemelingen Wensch !
Is 't wonder, zoo de heuvlen rocken ?
de bergen wagglen als van schrik? des Afgronds ingewanden koken,
verbeidende hot oogenblik,
495 als, van Zijn heiligen omgeven.
din Zijn bazuin herroept in 't leven,
do grooto Koning komen zal,
om voor der eeuwen eeuwigheden den kop dor Heislang plat te treden, 500 bij 't hemelsche triumfgeschal ?
Uit Patmos hoordet gij zo schaatren
de Hallelujas voor Gods troon,
gelijk oen stomme veler waatron lof ruischend den gezalfden Zoon ! 505 «Do Koninkrijken en do Machten
V. 481. «Rorate coeli desuperquot; enz.
V. 483 vlgd Vglh. Isaïas XI (vert. v. Jonckhloet):
De wolf zal met het lam te zamen wonen;
De pardel vlijt zich naast het bohjen néér.
De leeuw zal xaarze en schaap zijn deernis toonen.
Een knaapje hoedt ze en is hun aller heer.
De beer zal-mei het makke rundvee grazen.
Hun jongen rusten op dezelfde zoo;
De leeuw vergeet op bloed en schonken te azen,
En leeft, gelijk het rund, van enkel stroo.
V. 494 vlgd. Beschrijving van den ondergang der wereld vóór de komst van Christus dis Koning en Rechter.
V. 501. Uit Patmos, nl. waar de evangelist Joannes zijn boek der Openbaring schreef, waaruit hier aanhalingen. Elders (v. 163) noemde Da Costa den Wartburg het Patmos van Luther.
43
»zijn voor altoos aai) den Geslachten,
»wien heel het schepslendom aanbidt! »De laatste hoogten zijn gevallen !
»en met Zijn duizend- duizendtallen 510 »neemt Hij de wereld in bezit !quot;
Looft Hem, gij Natiën te zamen,
op een van God gelouterde aard!
Looft Hem, gij Volken aller namen, tot Jesse's heilbanier vergaard! 615 En gij! sinds twintig eeuwen zwervers,
eens weer bcloftenisb.eërvers !
naar Davids troon! naar Davids Heer! â Van uit dat hart, door ons verbroken, van uit die zij', door ons doorstoken, 520 stroomt Zijn vergeving op ons neer!
Brengt aan dien Koning op uw knieën,
o Koningen ! uw heerlijkheid !
Zij voor Zijn voetbank, o Genieën! uw schatting needrig neergeleid! 525 Gij wetenschappen en gij Kunsten !
F. 508. De laatste hoogten zijn g.evall.en â alles is geëffend voor de komst des Reeren; wat Rem in den weg stond is weggeruimd; de trots der wereld is gebrokenj Mij,alleen is jde meester. (nParale viam Domini; rectas facite semilas ejusquot;),
V. Si4, Jesse'? heilbanier. Vglh. Jsaïas XI:
Voor het aangesicht der Heidnen Plant de Heere een legervaan:
Israels verstrooide kindren
Snellen op dat teehen aan;
En het Westen en het Oosten,
En het Noorden en het Zuid,
Leem en, op den wenk Jehova's Juda's vluchtelingen uit.
Jesse van den stam Juda. âJesse, qui stat in signum populorum.quot; V. Si5, 516 doelen op de Joden Elders zegt Da Costa: » Waar en wanneer treft ge die zwervers niet aan ? in de tent van Alexander, in het kamp van Napoleon, alom en altijd, maar ook alom en altijd afgezonderd, altijd en alom Jood.quot; â Wéér b elo ftenisbeërv er s doelt op de bekeering der Joden. Apoc. I: 7; *Zie! Hij komt met de wolken, en alle oog zal Hem zien, ook zij. die Hem doorstoken hebbenquot;
44
gij krachten, machten, gaven, gunsten,
door d'Adem Gods in ons verwekt! weg met den dienst der heiligschennis! gij hoort den Goël toe, wiens kennis 530 eerlang het aardrijk overdekt!
Gij, o vooral! gij Harpenaren,
die de aandrift voelt tot hooger lof!
voor uwe aan God gewijde scharen wat ongelijkbre zingonsstof! 535 Laat â wat de wentelende jaren
van worstelingen of gevaren,
van dreiging of verleiding baren, â
trots Eeuwgeest en Algodendom, â
laat met de galmen van uw snaren 540 het wachtwoord van Gods Geest zich paren
en lovende ten hemel varen:
«Kom, Koning Jezus! kom, ja kom!
V, S38. Den dienst der heilig schennis â den eeredienst, aan het schepsel gewijd, en dus aan God onttrokken. Zie v. 373, 374.
V. 529. De Goël is de bloedwreker bij de Joden, de naaste bloed-verwant eens vermoorden, die roeleer het recht had den moordenaar op te toeken om hem te dooden. Bij de Christenen de Heiland.
V. Ã31. Harpenaren = dichters in den edelsten, verhevensten zin. â In deze strofe geeft de dichter, als een laatste gloedvolle uitstorting van zijn geestdriftig gemoed, eene opwekking aan de dichters, die hun hooge roeping begrijpen en volgen. Laat U â roept hij hun toe â niet afhouden van de verheerlijking tan den eenig waren God, den Christus-Koning.' Stoort u niet aan wat de moderne wereld zegt en wil en doel! Trotseert haar Ongeloof en Pantheïsme! De ^krachten, machten, gaven, gunsten, door d' Adem Gods in ons gewektquot; moeten ook aan God worden gewijd.