â i
quot;:v^.
h 'â 'Wfï i^ÃK- ' '-â :
::^'Vt':':'^ â ./ -1 V- v â
' pl r-gt; ,4 - -;
l/. j .. '»⢠quot;'7
gt; -; -..'.'rz-i â â â .'â â ⢠â¢
â v V / : â¢v^:;, â¢;._ ;::. V:v; -.- - quot; '
Sï â â ' !t:i â â 'â -â â â â quot; ;â i
S^Pwif'WmT'Wm'^ t
;rv''? â ; ?â â¢â¢â¢. ⢠â ⢠.T^.- , *S-^lt;a. .. !
â v «-v^: - :vgt; ^ ' i
\:-J. â quot; : ⢠- â â ] â¢: ⢠,-â ^ i ; . â¢. / ^ Æ
Vak 159
PRESENT EXEMPLAAR VAN DEN UITGEVER
Vak 159
Kgt;
HM W NSMRUi,
H. HEUKELS,
Leeraar aan de Kweekschool voor ünderwyzers en Onder»⢠yzeressen te Amsterdam,
BEWERKT NAAR
Dr. OTTO WÃSSCHE'S Sehulflora vou Deutsehland.
BIBLIOTZCA CONV. WllCHENS
quot;in. F*r MIN
AOHTSXK, verbeterde en vermeerderde druk.
P. NOORDHOPF. â 1899. â GRONINGEN.
VOOBBERICHT BIJ DEN EERSTEN DRUK.
Met een enkel woord wil ik dit werk inleiden bij allen, die het zullen gebruiken. Ik heb de bewerking van Wiinsche's Schuif ora von Deutschland op mij genomen, omdat mjj dat werk toescheen en bij het gebruik bleek, uit te munten door kortheid en goede keuze van in het oog vallende kenmerken, en ook, omdat daarin zoowel het natuurlijke stelsel, als het stelsel van Linuaeus bjj het determineeren gevolgd was.
Bovendien gevoelde ik reeds lang behoefte aan een werk, waardoor althans de meest voorkomende gekweekte planten ook konden gedetermineerd worden en waarin de Hollandsche namen niet ontbraken; deze zjjn dus bjjgevoegd. Ik vertrouw, dat de tabellen ter bepaling van eenige, volgens de deelen der bloem moeilijk te bepalen planten en ter bepaling der houtgewassen naar het blad, de bruikbaarheid van het geheel zullen verhoogen.
Natuurlijk moesten, in verband met het gebruik voor de flora van Nederland, de geslaohtstabellen vooral verandering ondergaan en ook heb ik de vrijheid genomen, waar mjj de familiëntabellen op kenmerken brachten, die mij te moeilijk schenen, andere gemakkelijker waarneembare daarvoor te nemen. Ik hoop, dat ik daarin naar wensoh geslaagd ben.
Voor opmerkingen bij het gebruik van het werk houd ik mjj ten zeerste aanbevolen.
Nijmegen, 1883. H. HBUKELS.
VOOBBERICHT BIJ DEN ACHTSTEN DRUK.
Bij het vergelijken van dezen met den vorigen druk zal weder blijken, dat verscheidene nieuwe planten zjjn opgenomen en dat eenige familiën- en geslachtstabellen gewijzigd en, naar ik vertrouw, verbeterd zjjn. Een andere wijziging, die ik heb gemeend, te moeten aanbrengen, vereischt eenige nadere toelichting.
Ik heb in dézen druk iedere plant een met bijzondere letter gedrukten Nederlandschen naam gegeven en ben daarbij op de
volgende -wjjze te werk gegaan. Ieder geslacht heeft een naam gekregen. Komt er van een geslacht slechts één soort in ons land voor, dan is die naam bij de soort geplaatst, doch zijn er meer soorten bekend , dan staat hij bjj het geslacht en worden de soorten door voorvoegsels van elkaar onderscheiden, tenzij er bij zijn, die reeds een algemeen bekenden naam hebben; in dat geval is deze er voor geplaatst.
Ik ben er toe gekomen, om een Nederlandsche nomenclatuur voor de planten aan te nemen door de overweging, dat dit wen-schelijk is, nu de plantkunde meer algemeen begint beoefend te worden. Tot dusverre gevoelde ieder, die over planten schreef en de vreemde namen niet wenschte te gebruiken, zich vrij een Nederlandschen naam aan te nemen, die hem het beste leek. Het is natuurlijk wenscheljjk, dat er in dit opzicht eenheid komt; alleen dan toch is het mogelijk te begrijpen, welke plant in ieder geval bedoeld wordt. Ik koester dan ook de hoop, dat in het vervolg de door mij opgegeven namen zullen gebruikt worden, al zal niet ieder geheel tevreden zijn over die, welke door mij zijn aangenomen.
De door mij gekozen namen zijn voor het meerendeel niet nieuw. Zij zijn ontleend of aan de Flora Batava van J. Kops, öf aan de Flora Belgii Septentrionalis van Dr. H. C. van Hall öf aan de Flora van Nederland van Dr. C. A. J. A. Oudemans . en ik heb mij steeds beijverd, waar ik tusschen verschillende namen de keuze had, dien de voorkeur te geven , welke het meeat karakteristiek was. Natuurlijk moest daarbjj gewaakt worden, dat geen twee planten denzelfden naam ontvingen. Zoo heb ik, om een voorbeeld te noemen, den in den laatsten tjjd voorgestelden naam âwilgenroosjequot; voor het geslacht Epilobium, niet overgenomen, omdat onder dien naam uitwassen, aan wilgen voorkomende, die door een galmug worden veroorzaakt, reeds algemeen bekend zijn. Ik meen, dat juist een flora als aangewezen is voor een poging om eenheid te brengen in de Nederlandsche plantennamen en koester dan ook de hoop met het aanbrengen dier namen de bruikbaarheid van mijn werk te hebben verhoogd.
Mijn dank weder aan de velen, die hebben medegewerkt om dezen druk te verbeteren.
Voortdurend houd ik mjj voor opmerkingen zeer aanbevolen.
Amsterdam , 1899. H. HEU'KELS.
1 IsT XZ O quot;CT 13.
Bladz.
Overzicht der klassen van het natuurlijke stelsel .... 1.
Tabellen tot het bepalen van de familiën volgens het natuurlijke stelsel.............. 4.
Overzicht der klassen van het stelsel van Linnaeus . . . £5.
Tabellen tot het bepalen van de 'familiën volgens het stelsel
van Linnaeus...............»8.
Overzicht van eenige naar de deelen der bloem moeilijk te
bepalen land- en waterplanten.........S-t.
Tabel tot het bepalen der houtgewassen naar de bladen . S9.
Tabel der familiën van het natuurlijke stelsel met hare
hoofdkenmerken...............01.
Tabellen tot het bepalen der geslachts- en soortnamen . SI.
Korte verklaring der voornaamste botanische kunsttermen 494.
Beteekenis der soortnamen............SOA.
Verklaring der gebruikte verkorte namen der auteurs . . SI 3.
Tabel der Latjjnsche familie- en geslachtsnamen . . . .Sta.
Tabel der Nederlandsche plantennamen.......SUS.
ERRATA.
Vóór het gebruik van dit werk, gelieve men de volgende fouten te verbeteren.
Op pag. 27 regel 15 v. b 40 veranderen in SS. â â 27 regel 18 v. b veranderen in 46. â â 129 regel 3 v. o. achter manneljjk toevoegen : (soms 2-slachtig).
â â 184 regel 14 v. b. achter tuinen toevoegen: ook de bruine varieteit: de zwarte hazelaar. â â 191 regel 20 v. o. 2}- veranderen in â â 236 regel 22 v. b. tot 0,02 veranderen in 0,02-0,04.
Verklaring der gebruikte teekens.
een eenjarige plant.
een tweejarige plant.
een kruidachtige, overblijvende plant.
0 = OG = 2J- = 1) =
1 =
een houtige plant (boom, heester, halve heester), sierplant.
30,00 = 30 meter. 3,00 = 3 meter. 0,30 = 30 centimeter. 0,03 = 8 centimeter. 0,003 = 3 millimeter.
INLEIDING.
Bij het bepalen van den naam eener plant kan men op twee wijzen beginnen , al naar men naar het natuurlijk stelsel of het stelsel van Linnaeus wil determineeren. Wil men volgens het natuurlyk stelsel den naam bepalen, dan begint men in het overzicht der klassen van het natuurlijke stelsel op te zoeken , tot welke klasse de plant behoort. Daarbij wijzen de letters en cjjfers altijd op 2 of 3 kenmerken, zoodat men slechts behoeft na te gaan, welke van deze voor de plant, die men in handen heeft, past. Zoo vindt men de klasse en daarachter de pagina, waar men verder heeft te zoeken. In het geheel worden in dit overzicht 11 klassen genoemd, waarvan echter alleen die, welke bjj het determineeren geen microscopisch onderzoek noodig maken, nader zijn behandeld.
Om uit deze klassen de familiën (en soms dadelijk het geslacht) te vinden, begint men bjj 1 en gaat na, welk der beide kenmerken , daar genoemd, voor de plant past; achter dit kenmerk staat een cijfer, dat men vooraan in dezelfde tabel moet opzoeken , om daar weder na te zien, welk der beide kenmerken past, enz. Zoo vindt men ten slotte den familie- (of geslachts-) naam en daarachter de bladzijde, waarop deze nader behandeld wordt. Ook daar gaat men op dezelfde wijze voort om den geslachtsnaam en, heeft men deze, den soortnaam te vinden, waarbjj men dan tegelijk den Hollandschen naam vermeld vindt.
Men kan ook beginnen, als men wil determineeren, volgens het stelsel van Linnaeus, bij het overzicht der klassen van dat stelsel, waarbjj men op geheel overeenkomstige wijze handelt.
Het spreekt van zelf, dat, mocht men eerst trachten den naam der plantenfamilie te krijgen door de tabellen volgens het natuurlijke stelsel te volgen en daarbjj niet naar wensch slagen, men dan moet trachten de plantenfamilie door de tabellen volgens het stelsel van Linnaeus te bepalen.
In dit werk zijn ook de voornaamste gekweekte planten opgenomen, die echter, evenals ook de slechts een enkele maal gevonden of twijfelachtige planten onzer flora, met kleine letters gedrukt zijn. De gekweekte planten hebben ter onderscheiding het teeken f voor hun naam.
Achter het werk is toegevoegd een tabel van de kunsttermen, waarin men in de meeste gevallen een verklaring zal vinden der gebruikte botanische termen.
Mochten de bloemen zeer klein zijn, of bloeien de planten zelden, zooals sommige waterplanten, of zijn er andere redenen, waardoor het moeilijk is de plant naar de deelen der bloem na te gaan, dan vindt men in de meeste gevallen in een daartoe ingerichte tabel een hulpmiddel.
Achter de geslachtsnamen (en soms ook achter de familienamen) zal men een Romeinsch cijfer vinden , dat de klasse van Linnaeus aanwijst, waartoe de plant behoort.
Bij iedere plant vindt men, vóór den naam, cijfers, bijv. 0,30-0,45, welke te kennen geven, hoe lang de plant gewoonlijk wordt, verder een teeken, b.v. 0; de beteekenis daarvan vindt men in het tabelletje der gebruikte teekens , dan volgt b.v. Jnli-Septr., wat slaat op den bloeitijd , en achter den vreemden naam der plant staan dan nog 1 of meer letters , die een verkorting zijn van den naam van den persoon , welke den plantennaam gegeven heeft. Soms vindt men met kleinere letters ook nog andere vreemde namen aangegeven, dat zijn die, welke ook wel voor dezelfde soort in gebruik zijn.
OVERZICHT
DER
KLASSEN VAN HET NATUURLIJKE STELSEL,
4
HEUKELS, Schoolflora. 8str druk.
OVERZICHT der klassen van het natuurlyke stelsel.
Groep I. Planten zonder ware bloemen. Met sporen.
Sporeplanten. Kryptogamen.
A. Planten alleen uit cellen gevormd, zonder vaatbundels, zonder echte wortels.
1. Stengels en bladen niet of onduidelijk gevormd.
Afdeeling 1. Thallusplanten. Thallophyten.
a. Bladgroenbevattende planten, die in het water of op vochtige plaatsen leven. . Klasse 1. Wieren. Algen.
b. Bladgroenvrije planten, die op rottende stoffen (sapro-phyten) of op of in andere levende wezens (parasiten) leven, meest op het land.
Klasse 2. Zwammen. Fungi.
2. Stengel en bladen goed gevormd.
Afdeeling 2. Bryophyten.
a. Sporevrucht zonder mutsje, meest zich met kleppen openend. Sporen meest met springdraden gemengd. Vruchtsteel gewoonlijk teer van bouw.
Klasse 1. Levermossen. Hepaticae.
b. Sporevrucht met een mutsje, meest zich met een deksel openend. Springdraden ontbrekend. Vruchtsteel gewoonlijk stevig van bouw, zelden ontbrekend.
Klasse 2. Bladmossen. Musci.
B. Planten met vaatbundels. Stengel, wortels, bladen duidelijk gevormd.....Afdeeling 3. Vaatkryptogamen.
1. Bladen (in verhouding tot den stengel) groot, meest min of meer samengesteld, in de jeugd spiraalvormig opgerold. Sporehouders (sporangiën) talrijk, aan den rand of aan de onderzijde der bladen (en dan meestal tot hoopjes vereenigd) of van bijzonder gevormde bladdeelen.
Klasse i. Varens. Filices. blz. 4.
2. Bladen (in verhouding van den stengel) klein.
3
а. Stengel geleed. Bladen kransstandig, tot getande scheeden; vergroeid. Sporehouders (sporangien) vele bijeen aan de-onderzijde van schildvormige, tot een eindelingsche aar-gerangschikte bladen.
Klasse 2. Paardestaarten. Equisetineeën. blz.
б. Stengel niet geleed, dicht met bladen bezet. Bladen meest in spiralen staand. Sporehouders (sporangiën) alleenstaand in de oksels der bladen of in die van tot aren vereenigde schutbladen.
Klasse 3. Wolfsklauwachtigen.
Lycopodineeën. blz. Jt.
Groep II. Planten met ware bloemen. Met zaden.
Zaadplanten. Phanerogamen.
A. Eitjes (zaden) niet in een vruchtbeginsel ingesloten. Bouw van den stam zeer nabij dien der Dicotylen komend door vorming van jaarringen. Kiem met 2 of meer zaadlobben.-
Afdeeling i. Naaktzadigen. Gymnospermen. blz. 5.
Tot deze afdeeling behooren van inlandsche planten alleen de naaldhoomeu
B. Eitjes (zaden) in het zich later tot vrucht ontwikkelend vruchtbeginsel ingesloten.
Afdeeling 2. Bedektzadigen. Angiospermen;
1. Bladen parallelnervig (recht- of kromnervig). Deelen der bloem meest 3-tallig. Stengel met verspreide vaatbundels, nooit houtvormend, meest niet vertakt. De hoofdwortel is meest onontwikkeld. Kiem met 1 zaadlob.
Klasse i. Eenzaadlobbigen. Monocotylen. blz. 5.
2. Bladen hand- of vinnervig (netaderig). Deelen der bloem meest 4- of 5-tallig. Stengel met in een krans gerangschikte vaatbundels, soms houtvormend en dan meestal jaarringen vertoonend en meest vertakt. De hoofdwortel is meest ontwikkeld. Kiem met 2 zaadlobben.
Klasse 2. Tweezaadlobbigen. Dicotylen. blz. 7.
V
TABELLEN
tot het bepalen van de familiën (en van eenig-e geslachten) volgens het natuurlyke stelsel. 1)
Klasse. Eqnisetineeën. Paardestaarten.
4 Land- of moerasplanten met onderaardschen wortelstok. Stengel geleed, hol, niet vertakt of met in kransen staande takken, meest geribd. Bladen kransstandig, tot getande scheeden vergroeid. Sporekapsels 4-7 bijeen aan de onderzijde van schildvormige, tot een eindelingsche aar vereenigde schubben.
Equisetaceeên HS.
Klasse. Filices. Varens.
1 Landplanten. Sporekapsels aan de ondervlakte of aan den rand
van bladen of bladdeelen. Sporen gelijksoortig .... 2 Moeras- of waterplanten. Sporekapsels in doosachtige omhulsels ingesloten, die aan den voet der bladen zitten. Sporen van 2-erlei soort, grootere en kleinere.........4
2 Sporekapsels aan de onderzijde of aan den rand der bladen,
meest tot bruinachtige hoopjes vereenigd, die vaak door een vliezig uitwas der bladvlakte (dekvliesje) bedekt zijn. Bladen in den knop spiraalvormig opgerold. Polypodiaceeën 83. Sporekapsels tot een aar of pluim vereenigd......3
3 Bladen alleen in het bovenste deel vruchtbaar, een tros vormend j
in de jeugd spiraalvormig opgerold. Planten tot quot;1,50 hoog.
Osmundaceeën 8». Bladen in een vruchtbaar en een onvruchtbaar deel gescheiden, in de jeugd niet spiraalvormig opgerold. Planten hoogstens 0,20 hoog..........Ophioglosseeën 8».
4 In het slijk wortelende planten. Bladen in de jeugd spiraal
vormig opgerold. Sporevruchten met groote en kleine sporen in hetzelfde omhulsel......Marsiliaceeën 90.
1
De celkryptogamen blqven buiten behandeling, daar de bepaling der namen van deze een mikroskopisch onderzoek noodig maakt.
Familiëntabellen (natuurlijke stelsel). S
Op het water drijvende planten. Bladen in den knoptoestand overlangs gevouwen. Sporekapsels met groote en kleine sporen in verschillende omhulsels.....Salviniaceeén OO.
Klasse. Ijycopodineeën. Wolfsklauwachtigen.
i Stenge' met tal van kleine bladen. Sporevruchten in de oksels der stengelbladen of in die van schutbladen, tot eindelingsche aren vereenigd, alle gelijksoortige sporen bevattend.
Lycopodiaceeên 91.
Afdeeling. GymilOSpermen. Naaktzadigen.
1 Boomen of heesters, i- of 2-huizig. Bladen naald- of schub-vormig. Vrouwelijke bloemen in aren (kegels), alleenstaand of 2-3 bijeen, uit naakte zaadknoppen bestaand. Vrucht een meest houtige kegel of een schijnbes . . Coniferen 94.
Klasse. MonOCOtylGn. Eenzaadlobbigen.
1 Bloembekleedsels ontbrekend of door schubben of borstels ver
tegenwoordigd .................2
Bloembekleedsels duidelijk zichtbaar, dus niet alleen uit schubben of borstels bestaand, enkelvoudig (kelk- of bloemkroonachtig) of gescheiden in kelk en bloemkroon.....7
2 Planten met drijvende of ondergedoken bladen.....3
Land- en moerasplanten..............4
3 Stengel bladachtig, zonder bladen. Bloemen aan den rand van
den stengel uit een spleet te voorschijn komend, \ -huizig.
Kleine, drijvende plantjes.....Lemnaceeën 119.
Stengel bebladerd. Bloemen 2-slachtig of 1- of 2-huizig. Meeldraden 1-4. Vruchtbeginsels 1 of meer. In het water ondergedoken planten.........Najadeeen 119.
4 Bloemen dicht opeengedrongen, in rolronde of bolvormige aren
of kolven..................5
Bloemen in de oksels van meest bootvormige schutbladen (kafjes), tot aartjes vereenigd en deze meest weer op verschillende wijzen bijeengevoegd. Meeldraden meest 3. Stempels 2 of 3 . . 6
5 Bloeikolf rolrond, door een groote, blijvende scheede omgeven.
Bloemen i- of 2-slachtig. Bladen hart- of pijlvormig.
Aroideeën 117-
O Familiëntabellen (natuurlijke stelsel).
Aren rolrond of bolvormig, de bovenste meest mannelijk, de onderste vrouwelijk. Bloemscheede klein, afvallend. Grasachtige moerasplanten......Typhaceeën 115.
6 Iedere bloem door 2 kafjes ingesloten. Bloemdek door 2 teere
schubbetjes aangeduid. Stengel knoopig, hol. Bladscheeden
meest gespleten........Gramineeén
Iedere bloem met een kafje. Bloemdek borstel- of kruikvormig of ontbrekend. Stengel zonder knoopen, niet hol. Bladscheeden gesloten.......Cyperaceeën 134.
7 Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig .... 8 Vruchtbeginsel onderstandig............14
8 Planten met een bloemdek ............9
Kelk en bloemkroon zijn beide aanwezig en ieder driebladig. 12
9 Bloemkroon kelkachtig, weinig ontwikkeld.......10
Bloemdek bloemkroonachtig. Meeldraden 6, zelden 4 of 8.
Vrucht een driehokkige doosvrucht of bes. Liliaceeën lOO.
10 Bloemdek kruidachtig of dunvliezig, meest groenachtig . .11 Bloemdek droogvliezig. Vruchtbeginsel 1. Stijl 1, met 3 stempels.
Juncaceeën tOU.
11 Bloemen in trossen. Vruchtbeginsels 3-6, min of meer ver
groeid , ieder met een zittenden stempel. Meeldraden 6.
Bladen grasachtig.......Juncagineeên 1S3.
Bloemen in (schijnbaar) zijstandige bloeikolven. Bloemdek 6-bladig, vliezig. Bladen zwaardvormig. Moerasplant.
A'corus 11S.
Bloemen alleenstaand. Vruchtbeginsel 1. Stijlen 4â5. Meeldraden 8. Bladen kranswijs.......Paris 109.
12 Vruchtbeginsels 6 of talrijk, ieder met een stijl of stempel.
Meeldraden 6, 9 of talrijk. Bloemen 2-slachtig of eenhuizig.
Alismaceeën 178. Vruchtbeginsel 1................13
13 Bloemen 2-slachtig. Meeldraden 6, met gelede haren bezet. Stijl 1.
Vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig. Vrucht een doosvrucht. Sierplanten.....Com melinaceeën 113.
Bloemen 1-slachtig. Planten meest 2-huizig. Meeldraden 8-12. Stempels 3 of 6, meest 2-spletig. Vruchtbeginsel onderstandig. Waterplanten.......Hydrocharideeên ISO.
14 Land- of moerasplanten.............15
Drijvende waterplanten. Bloemen 1-slachtig. Meeldraden 3-12,
bovendien in de mannelijke en ook in de vrouwelijke vele onvruchtbare. Stempels 3 of 6, meest 2-spletig. Vrucht besachtig........Hydrocharideeên IdO.
Fa miliëntabellen (natuurlijke stelsel).
â 15 Bloemdek regelmatig of vrij regelmatig. Meeldraden 3 of 6. 16 Bloemdek symmetrisch of onregelmatig. Meeldraden 1 of 2. 17
16 Meeldraden 6. Helmknopjes naar binnen openspringend. Stempel
enkelvoudig of 3-lobbig .... Amaryllideeên Meeldraden 3. Helmknopjes naar buiten openspringend. Stempels 3, verbreed, soms bloembladachtig . Irideeën 1X4.
17 Bloemdek 2-lippig, 6-bladig. Meeldraden 1 of 2, met den stijl
vergroeid. Bladen soms schubvormig. Orchideeën lOO. Bloemdek uit 3 of 4 kransen van ongelijke blaadjes of slippen gevormd. Meeldraad 1......Cannaceeen lOS.
Klasse. DiCOtylen. Tweezaadlobbigen.
1 Planten met een bloemdek (kelk of bloemkroonachtig) of zonder
bloembekleedsels Onderklasse 1. Choripetalen blz. . 7. Planten met kelk en bloemkroon..........2
2 Bloemkroon losbladig (uit 2 of meer afzonderlijke bladen bestaand).
Onderklasse 1. Choripetalen blz. 7. Bloemkroon vergroeidbladig (uit ten minste aan den voet vergroeide bladen bestaand).
Onderklasse 2. Sympetalen blz. 19.
Onderklasse i. Choripetalen. Bloemen met losbladige bloemkroon of zonder bloemkroon.
4 Er zijn geen bloembekleedsels of er is alleen een kelk- of
bloemkroonachtig bloemdek...........2
Er is een kelk en bloemkroon...........50
2 Houtachtige gewassen..............3
Kruidachtige gewassen ...............24
3 Bloemen, althans de mannelijke, in katjes. Planten 1- of 2-
huizig. Bladen verspreid, in den herfst afvallend ... 4 Bloemen niet in katjes..............10
4 Mannelijke en vrouwelijke bloemen in katjes......5
Alleen de mannelijke bloemen in katjes.......9
5 Katjes, althans de vrouwelijke, bolrond. Bladen handnervig,
gelobd...................6
Katjes ei- tot rolrond. Bladen ongedeeld, niet handnervig. Stempels 2 ..... ...............7
f
(natuurlijke stelsel).
Familiëntabellen
«
6 Mannelijke katjes langwerpig, de vrouwelijke bijna bolrond,
later tot een sappige schijnbes uitgroeiend. Bloemdek 4-bladig.
Meeldraden 4. Stempels 2.......Mórus 194-
Mannelijke eh vrouwelijke katjes bolrond, parelsnoervormig, hangend. Bloemdek ontbrekend. Meeldraden talrijk. Stijl priemvormig.⢠Nootjes eenzadig . . . Plataneeen 19«.
7 Planten eenhuizig. Vruchtbeginsels 2-hokkig, achter ieder schut
blad 4-3. Stempels draadvormig. Vrucht een i-hokkig, eenzadig nootje. Zaden zonder kuif . . Betulaceeën lamp;t. Planten 2-huizig. Vruchtbeginsel 1-hokkig, in den oksel van iedere schub 1................8
8 Helmknopjes langer of korter gesteeld. Stempels meest kort,
vaak gespleten. Vrucht een 2(-4)-kleppige doosvrucht. Zaden
met kuif...........Salicineeën 1S7.
Helmknopjes bijna zittend. Stempels draadvormig. Vrucht bijna steenvruchtachtig. Meeldraden meest 4. Zaden zonder kuif.
Bladen zeer klein........Myricaceeën ISO.
' 9 Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2-5 bijeen, door een blijvend, zich later vergrootend, bekervormig omwindsel omsloten. Mannelijke katjes rolrond of kogelvormig en dan langgesteeld. Bladen enkelvoudig, ongedeeld tot gelobd.
Cupuliferen tH-t.
Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2-3 bijeen aan den top der takjes. Mannelijke katjes rolrond, ongesteeld. Bladen
oneven gevind.........Juglandeeën 1SB.
40 Bladen lederachtig. Altijd groene, meest kleine heesters . 44 Bladen kruidachtig. Boomen en heesters, die des zomers groen
zijn....................44
44 Bladen tegenoverstaand. Meeldraden 4........42
Bladen verspreid. Vrucht een bes.........43
42 Een kleine, op boomen woekerende heester. Planten4-2huizig.
Stijl ontbrekend. Stempel ongedeeld. Vrucht een eenzadige bes.
Vfscum 307.
Een niet woekerende heester (of boom.) Planten 4-huizig. Stijlen 3, kort. Vrucht een driehokkige doosvrucht. Buxus »97.
43 Heidekruidachtig, liggend heestertje. Planten 2-huizig. Kelken
bloemkroon 3-bladig. Meeldraden 3 . E'mpetrum S9S. Klimmende heester met 3-5-lobbige bladen. Bloemen 2-slachtig-Kelk 5-tandig, vaak onduidelijk. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden 5-40............Hédera 3t3,
Familiëntabellen (natuurlijke stelsel). »
Rechtopstaande, kleine heester met lancetvormige of lijnvormige bladen. Bloemen 2-slachtig. Bloemdek 4-spletig, bloemkroonachtig. Meeldraden 8......Daphne 3SO.
14 Bloemen voor de bladen verschijnend........ IS
[ Bloemen tegelijk met of na de bladen verschijnend . . . 18
â ? 15 Bloemdek ontbrekend. Meeldraden 2. Bloemen in pluimen.
Vrucht gevleugeld. Bladen oneven gevind. Knoppen zwart.
Fraxinus 430.
Bloemdek aanwezig...............16
16 Kleine heester. Bloemen rood, in meest 3-bloemige, zijstandige j bloeiwijzen. Meeldraden 8......Daphne 3Ht.
Grootere heester of kleine boom. Bloemen geel, in schermen , door een 4-bladig omwindsel omgeven. Meeldraden 4. Kelk
zeer klein...........Cornaceeën 313.
Grootere boomen................17
17 Bloemen in hoofdjes of bundels. Bloemdek klokvormig, 4-8-
spletig. Meeldraden 3-8. Bladen enkelvoudig, ongedeeld.
U1 m u s t9S.
Bloemen in rechtopstaande, schermvormige trossen. Kelk 5-deelig. Bloemkroon soms ontbrekend. Meeldraden 8. Bladen
1 l gelobd...............Acer «87.
18 Bladen tegenoverstaand.............19
Bladen verspreid................21
gt; 19 Meeldraden en stampers talrijk, vrij. Kelk losbladig. Bloem-
i kroon ontbrekend. Klimmende heester . Cl é mat is »31.
Meeldraden 4-10. Stijl 2-spletig. Kelk vergroeidbladig. Bloem-[ kroon soms ontbrekend. Meestal boomen. Acerineeën
1 Meeldraden 4. Bladen enkelvoudig, ongedeeld.....20
j, 20 Stijl enkelvoudig. Vruchtbeginsel onderstandig. Kelk zeer klein,
2 4-tandig. Bloemkroon wit.......Córnus 3*3.
j Stijl 2-4 spletig. Vruchtbeginsel bovenstandig. Bloemkroon geel
of groenachtig..........Rhamnus «»«.
21 Stijl of stempel 1................22
Stijlen of stempels 3. Bloemen in pluimen. Kelk 5-spletig. Bloemkroon 5-bladig of ontbrekend. Terebinthaceeën £80.
1 22 Rechtopstaande heesters.............23
Windende heester met hartvormige bladen. Bloemdek buis-1 vormig, symmetrisch. Meeldraden met den stijl vergroeid.
'⢠Aristolóchia (Sipho) 360.
23 Bladen 3-5-lobbig of -spletig. Bloemen in trossen. Kelk 5-spletig. / Bloemkroon 5-bladig, zeer klein. Meeldraden 5.
i. Ribesiaceeën 31».
â
Familiëntabellen (natuurlijke stelsel).
Bladen ongedeeld, gaafrandig, zilvergrijs, schilferig. Bloemdek 2-deelig of 4-5-spletig. Meeldraden 4(-6).
Elaeagneeën 3aO.
24 Waterplanten................. 25
Landplanten..................29
25 Bladen kranswijs................26
Bladen tegenoverstaand. Bloemen alleenstaand in de bladoksels . . . ................28
Bladen verspreid. Bloemen in rolronde aren. Bloemdek 5-spletig. Meeldraden meest 5 . Polygonum (amphfbium) 198.
26 Bladen ongedeeld, lijnvormig of bijna lancetvormig. Bloemen
tweeslachtig, alleenstaand in de bladoksels.
Hjppurideeën 3alt;f. Bladen gedeeld, met lijn- of draadvormige slippen. Planten
1-huizig..................27
.27 Bladen herhaald gaffelvormig gedeeld. Bloemen alleenstaand
in de bladoksels......Ceratophylleeën *»«.
Bladen vindeelig. Bloemen in afgebroken, meest uit kransen bestaande aren.......Myrioph^llum 3S3.
28 Meeldraden 1-2. Stijlen 2. Vruchtbeginsel bovenstandig, 4-hok-
kig. Bloemdek onduidelijk . . Callitrichineeën ÃOO. Meeldraden 4. Stijl 1. Vruchtbeginsel onderstandig. Kelkzoom 4-deelig.............Isnardia 3S9.
29 Bloemen met 2-meer vruchtbeginsels. Meeldraden 5-veel. Kelk
bloemkroonachtig gekleurd. Bloemkroon ontbrekend.
Eenige geslachten der Ranunculaceeën tm». Bloemen in hoofdjes, door een gemeenschappelijk omwindsel
omgeven..................30
Bloemen niet in hoofdjes, of als ze in hoofdjes staan niet door een gemeenschappelijk omwindsel omgeven. Vruchtbeginsel 1..................32
30 Helmknopjes der 5 meeldraden tot een buis vergroeid. Bloem
kroon buisvormig, 5-tandig tot 5-spletig of lintvormig. Kelk meest uit haren, zeldzamer uit schubbetjes gevormd of ontbrekend ...........Compositen ASt.
Helmknopjes der 5 meeldraden vrij.........31
31 Planten 1-huizig. Vrouwelijke bloemen 2 aan 2 door een stekelig
omhulsel omgeven . .......Xanthium
Bloemen meest 2-slachtig. Kelk onduidelijk. Kroonbladen 5.
Stijlen 2 . . Eenige geslachten der Umbelliferen 298. Helmknopjes vrij. Planten met melksap. Euphórbia S9S.
32 Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig.... 33
io
Familiëntabellen (natuurlijke stelsel).
Vruchtbeginsel onderstandig of half-onderstandig . . . .45
33 Bladen krans- of wortelstandig...........34
Bladen tegenoverstaand..............35
Bladen verspreid, hoogstens de onderste tegenoverstaand . 39
34 Bladen wortelstandig, pijl- of bijna spiesvormig. Bloemen in
een eindelingsche bloeikolf.......A'rum 118.
Bladen kransstandig, bijpa zittend. Bloemen alleenstaand, groenachtig ...............Paris lOS.
35 Planten 1- of 2-huizig. Bloemen klein, weinig in het oog val
lend ....................36
Bloemen 2-slachtig...............37
36 Meeldraden 4 of 5. Bloemen, althans de mannelijke, in pluimen.
Bladen ongedeeld, gedeeld of samengesteld. Stengel rechtopstaand of windend. Planten met of zonder brandbaren.
Urticaceeën 199. Meeldraden 8-meer. Mannelijke bloemen in aren. Bladen ongedeeld. Stengel rechtopstaand. Plant zonder brandbaren.
Mercurialis £96.
37 Kleine, vaak liggende kruiden met kleine bloemen ... 38 Grootere, O^O-1,20 hooge, rechtopstaande plant. Bloemen groot
met bloemkroonachtig gekleurd, trompetvormig bloemdek.
Mirabilis gil,
38 Kelk 4- of 5-spletig tot 4- of 5-bladig. Kroonbladen zeer klein,
meeldraadachtig of ontbrekend. Meeldraden 4-10. Stijlen 1-5.
Caryophylleeën au. Kelk 5-deelig, rose. Meeldraden 5. Stijl met een stompen
stempel ,..............Glaux 333.
Kelk -IS-tandig, klokvormig. Bloemkroon soms ontbrekend. Meeldraden meestal 6. Stijl 1.....Péplis 3gS.
39 Planten met melksap. Planten eenhuizig (1 vrouwelijke en
verscheiden mannelijke bloemen door een klokvormig, kelkachtig omwindsel omgeven, meest groengeel).
Euphorbia a»3.
Planten met melksap. Bloemen 2-slachtig. Kelk 1-2-bladig, afvallend. Bloemkroon 4-bladig. Vrucht een doosvrucht.
Papaveraceeën S-tl. Planten zonder melksap. Bladen met vliezige, stengelomvat-
tende scheeden of met steunbladen........40
Planten zonder melksap. Bladen zonder scheeden of steunbladen ...................42
40 Bladen met vliezige, stengelomvattende scheeden. Meeldraden
5-8. Stijlen of stempels 2 of 3 . . Polygoneeën 197.
19 Familiëntabellen (natuurlijke stelsel).
Bladen met steunbladen.............41
41 Steunbladen met den bladsteel vergroeid. Bladen handlobbig
of gevind......Geslachten der Rosaceeën 327.
Steunbladen vrij, afvallend. Bladen enkelvoudig, ongedeeld, gaafrandig. Stijl 4 met knopvormigen stempel.
Parietaria 19*.
42 Meeldraden 3-5, zelden 2-1. Stijlen of stempels 2-4 . . . 43
Meeldraden 5-10................44
Meeldraden talrijk. Stempels 3, 2-spletig. Bloemdek 5- of 8-
deelig. Bladen handlobbig, schildvormig . Rfcinus iOO.
43 Bloemdek droogvliezig, meest gekleurd, 3-5-deelig. Meeldraden
op den bloembodem ingeplant . Amarantaceeën UlO. Bloemdek kruidachtig, meest groen, 3-5-deelig of 3-5-bladig, zeldzamer (aan de vrouwelijke bloemen) 2-deelig of 2-bladig. Meeldraden op den voet van het bloemdek ingeplant.
Chenopodieeën S03.
44 Meeldraden 5. Stijl 1, met stompen stempel. Bloemdek klok-
vormig, 5-deelig, lichtrose. Bloemen in de bladoksels.
Glaux 3JJ.
Meeldraden 6, tot 2 bundels vergroeid. Kelkbladen 2, vroeg afvallend. Kroonbladen 4, waarvan 1 of 2 gespoord, soms ten deele vergroeid......Fumariaceeën £43.
45 Bladen kransstandig. Kelk 3-4-tandig, vaak onduidelijk. Bloem
kroon 4-spletig. Meeldraden 4. . . Rubiaceeën 44IO.
Bladen tegenoverstaand..............46
Bladen verspreid................47
46 Bloemdek 4-5-spletig, vlak. Meeldraden 8-10. Stijlen 2. Bloemen
in vlakke bijschermen.
Chrysosplénium (oppositifólium) 317. Bloemdek 3-4-spletig, klokvormig. Helmknopjes 12, op den korten stijl vastgegroeid. Bloemen alleenstaand, bruinachtig.
A'sarum 366.
Bloemdek 5-spletig. Meeldraden 5(-10). Stempels 1-2. Vruchtbeginsel bovenstandig. Bloemen in bijschermen. Bladen lijnvormig ...........Scleranthus Slé,.
Bloemkroon 5-spletig. Kelk met onduidelijken of ten laatste een haarkroon vormenden rand. Meeldraden 1-3. Bloemen in bijschermen..........Valerianeeën lt;#4*.
47 Meeldraden 3-5................48
Meeldraden 6-10................49
Meeldraden talrijk..............zie 39
F a mi 1 i ë n t ab e 11 e n (natuurlijke stelsel). 13
48 Kelk 4-slippig. Bloemkroon ontbrekend. Meeldraden 4. Bloemen
in aren of hoofdjes. Bladen gevind. Sanguisórba 33S. Kelk vaak onduidelijk. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden 5. Stijlen 2. Bloemen in schermen of hoofdjes. Bladen meest
samengesteld.........Umbelliferen S98.
Bloemdek 5-slippig. Meeldraden 5. Vruchtbeginsel halfonderstan-⢠dig. Bloemen in kluwens of in lange schijnaren. Bladen enkelvoudig.............Bèta SOS.
49 Bloemdek buisvormig, symmetrisch. Meeldraden 6, op den
korten stijl vastgegroeid.....Aristolóchia 300.
Bloemdek vlak, 4-5-spletig (geel). Meeldraden 8-10. Stijlen 2. Bloemen in vlakke bijschermen.
Chrysosplénium (alternifólium) 3tr.
50 Vruchtbeginsel onderstandig of halfonderstandig.....51
Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig .... 62
51 Kruidachtige planten...............52
Boomen of heesters...............57
52 Waterplanten. Kroonbladen 4............53
Land- of moerasplanten.............54
53 Meeldraden 4. Stempel 1. Stijl aanwezig. Vrucht een 4-doornige
noot. Bladen ongedeeld, de drijvende in een roset. Trapa 3113. Meeldraden 8. Stempels 4, zeergroot. Stijl ontbrekend. Planten 1-huizig. Bladen kamachtig gevind , kransstandig, meest ondergedoken......Halorrhagideeën 3X3.
54 Stijl 1....................55
Stijlen 2...................56
55 Kelk 2- of 4-deelig. Kroonbladen 2 of 4. Meeldraden 2 tot 8.
Onagraceeén 31». Kelk 6-12-tandig. Kroonbladen meest 4-6. Meeldraden 4-12.
Lythrarieeén 3«-#. Kelk 2-spletig. Kroonbladen 5(4-6). Meeldraden 8-15. Stijl
3-6-spletig............Portuldca »^7.
Vergelijk ook Jasióne en Phyteüma blz. 435 en 430.
56 Meeldraden 5. Kroonbladen 5. Kelk 5-tandig of onduidelijk.
Splitvrucht in 2 vruchtjes uiteenvallend. Bloemen in schennen, zeldzamer in hoofdjes. Bladen meest samengesteld.
Umbelliferen i9H. Meeldraden 8-10. Kroonbladen meest 5. Kelkslippen 4-5. Doosvrucht 2-hoornig.......Saxifrageeën 310.
Meeldraden 10-20. Kelkslippen en kroonbladen 5. Bladen afgebroken gevind.........Agrimónia 331.
57 Bladen tegenoverstaand..............58
14 Familiëntabellen (natuurlijke stelsel).
Bladen verspreid................59
58 Kelk 4-tandig, zeer klein. Kroonbladen en meeldraden 4. Stijl
i. Vrucht een steenachtige besvrucht . Cornaceeën 313. Kelkslippen en kroonbladen 4 of 5. Meeldraden 10 of vele. Stijlen 3-5. Vrucht een doosvrucht. Bladen zonder steunbladen.
Philadelpheeën 318.
59 Meeldraden 5-10................60
Meeldraden talrijk. Kelkslippen en kroonbladen 5. Bladen
met steunbladen...............61
60 Kelk 5-spletig, grooter dan de 5-bladige bloemkroon. Meel
draden 5. Bladen kruidachtig. . . Ribesiaceeën 31». Kelk 5-tandig, vaak onduidelijk. Kroonbladen 5. Meeldraden
5-10. Bladen lederachtig. Stengel klimmend. Hédera 313. Kelk 3-5-deelig. Kroonbladen 5 of 3, ongelijk. Meeldraden 5-10.
Vrucht een peul. Bladen gevind. Boomen.
Caesalpinieeën 365.
61 Vruchtbeginsel 1 , 2-5-hokkig, met de vleezig wordende kelkbuis
vergroeid en een schijnvrucht vormend. Boomen en heesters met enkelvoudige , zelden gevinde bladen . Pomaceeën 343. Vruchtbeginsels 2 of vele, in de bekervormige kelkbuis ingesloten. Bladen gevind. Heesters of kruiden.
Geslachten der Rosaceeën 337.
62 Vruchtbeginsels (2)-vele, vrij, ieder met 1 stijl ofl stempel. 63 Vruchtbeginsel 1 , of verscheidene tot 1 vergroeid . . . .67
63 Bladen dik, vleezig. Kelk 5- of 6-20-deelig. Bloemkroon 5- of
6-20-bladig. Meeldraden 10-12, aan den voet van den kelk ingeplant..........Crassulaceeën 314.
Bladen kruid- tot lederachtig...........64
64 Kelk losbladig.................65
Kelk vergroeidbladig, 5- of 8-10-slippig. Bloemkroon 4-5-bla-
dig. Meeldraden 15 of meer, op den kelk ingeplant. Bladen meest met steunbladen. Heesters of kruiden. Rosaceeën 397.
65 Kruiden (zelden heesters.) Kelk 3- of meerbladig. Bloemkroon
3-6- of meerbladig, soms zeer klein en eigenaardig van vorm. Meeldraden 5 tot vele, op den bloembodem ingeplant. Bladen
zonder steunbladen.....Ranunculaceeën 339.
Sierstruiken, zeldzamer boomen. Bladen enkelvoudig, ongedeeld ...................66
66 Bladen verspreid. Kelk 3-5-bladig. Kroonbladen 6 of meer.
Meeldraden talrijk, op den bloembodem ingeplant.
Magnoliaceeën 338. Bladen tegenoverstaand. Kelk en kroonbladen in onbepaald
Familiëntabellen (natuurlijke stelsel). IS
getal aanwezig, langzaam in elkaar en in de meeldraden overgaand........... Calycantheeën aao.
67 Kroonbladen ongelijk van grootte..........68
Kroonbladen gelijk van grootte...........76
68 Bloemen zonder spoor of knobbel..........69
Bloemen met een spoor of knobbel (soms met 2 zakvormige
bloembladen)............⢠... 73
69 Kelkbladen vrij of alleen aan den voet vergroeid .... 70 Kelkbladen duidelijk vergroeid...........71
70 Kelkbladen 4. Kroonbladen 4, de 2 buitenste grooter. Meel
draden 6, 4 langere en 2 kortere . . Cruciferen 245. Kelkbladen 5, de 2 zijdelingsche grooter, gekleurd, vleugelachtig. Kroonbladen onderling en met de 8 tot 2 bundels vereenigde meeldraden vergroeid . . Polygaleeën gSS. Kelkbladen 4 of 6. Kroonbladen ten deele onregelmatig ingesneden. Meeldraden vele (11â30). Vrucht vroegtijdig opengaand............Resedaceeën 207.
71 Meeldraden 10, alle vergroeid of 1 vrij. Bloemkroon vlinder-
vormig. Kelk 5-tandig tot 5-deelig of 2-lippig. Vrucht een peul. Kruiden, heesters of boomen . . Papilionaceeën 34«.
Meeldraden 5-10, vrij. Heesters of boomen......72
Vergelijk ook Portulica blz. 227.
72 Kelk 5-tandig. Kroonbladen 4-5, iets ongelijk. Meeldraden
meest 7 (6-8), vrij. Vrucht een meest 3-hokkige doosvrucht. Bladen 5-7-tallig., handvormig samengesteld. Boomen.
Hippocastaneeën 280. Kelk 3-5-deelig. Kroonbladen 5 of 3, ongelijk. Meeldraden 5-10, vrij. Vrucht een peul. Bladen gevind. Boomen.
Caesalpinieeën 305.
73 Meeldraden 5. Helmknopjes samenhangend of samenneigend. 74 Meeldraden meer dan 5.............75
74 Kelkbladen 3-5, meest 3, gekleurd, het grootere gespoord.
Kroonbladen 5, de zijdelingsche 2 aan 2 vergroeid.
Balsamineeën 284. Kelkbladen 5, groen, aan den voet met aanhangsels. Kroonbladen 5, één gespoord......Violaceeën 206.
75 Meeldraden 6, tot 2 bundels vergroeid. Kelkbladen 2, vroeg
afvallend. Kroonbladen 4 , 1 of 2 er van gespoord.
Fumariaceeën 243. Meeldraden 8. Stijl 1. Kelk 5-deelig, gespoord. Kroonbladen 5, de 3 voorste genageld. Vrucht 3-deelig. Bladen schild-vormig...........Tropaeoleeën 282.
MO Familiëutabellen (natuurlijke stelsel).
Meeldraden talrijk. StijH. Kelk gekleurd, Delphinium 930.
76 Meeldraden 12 tot meer............. 77
Meeldraden 2-10...... . .........84
IT Meeldraden min of meer met elkaar vergroeid.....78
Meeldraden vrij................79
78 Meeldraden tot één buis vergroeid. Vrucht in talrijke, een-
zadige splitvruchtjes uiteenvallend. Bladen verspreid, gelobd
tot gedeeld..........Malvaceeën 970.
' Meeldraden tot 3(-5) bundels vergroeid. Vrucht een 3-hokkige doosvrucht. Bladen ongedeeld, tegenoverstaand, zelden krans-wijs . . . ........HypericineeCn a?1.
79 Waterplanten. Kelk 4-5-bladig. Kroonbladen en meeldraden
talrijk. Stempel stervormig. Bladen groot, drijvend.
N ymphaeaceeën 04O.
Landplanten. Kruiden of zeer kleine heesters.....80
Boomen of grootere heesters................83
80 Kelk vergroeidbladig ..............81
Kelk losbladig, vaak afvallend, zelden 1-bladig') .... 82
81 Kelk 2-spletig, met afvallenden zoom. Kroonbladen 5(4-6),
geel. Meeldraden 8-l'5. Stijl 3-6-deelig. Doosvrucht dwars
openspringend, 1-hokkig......Portulaca
Kelk (8-)l2-tandig. Kroonbladen (4-)6. Meeldraden 12. Stijl 1. Doosvrucht 2-hokkig........I^thrum 3ZS.
82 Kelk- en kroonbladen 4, wit, afvallend. Vrucht een bes.
Bladen samengesteld . ⢠. ......Actaéa JMO.
Kelkbladen 2 of 1. Kroonbladen 4. Vrucht een doosvrucht.
Planten vaak met melksap . . . Papaveraceeën «41. Kelkbladen 3 of 5 en dan 2 kleiner. Kroonbladen 5, geel. Doosvrucht 1-hokkig, meest 3-kleppig. Bladen ongedeeld.
Cistineeën 163 S.
83 Kelk 5-spletig. Kroonbladen 5 (wit of rood). Steenvrucht. Boo
men of heesters........Amygdaleeën 339.
Kelk 5-bladig. Kroonbladen 5 (geelachtig). Dopvrucht. Bloemen in bij schermen, met een half vastgegroeid, lintvormig, bleek schutblad. Bladen hartvormig. Boomen.
Tiliaceeën 97S.
84 Kruidachtige planten ..............85
Boomen of (grootere of kleinere) heesters.......96
1
Is de kelk aan volkomen ontwikkelde bloemen niet meer voorhanden, dan ga men de knoppen na.
Familiëntabellen (natuurlijke stelsel). H
85 Stijl i, meest met enkelvoudigen stempel, soms met 3 of 5
stempels......................86
Stijlen 2 of meer (zoo deze ontbreken, stempels 2 of meer). 91 Stijlen 5, zie.........Plumbagineeën 379.
86 Kelk vergroeidbladig..............87
Kelk losbladig.................89
87 Bladen enkelvoudig, ongedeeld...........88
Bladen gevind. Kelk 4-5-deelig. Kroonbladen 4-5. Meeldraden
8-'10.............Rutaceeën gas.
88 Kelk 8-12-tandig. Kroonbladen 4-6. Meeldraden 4-12, op den
kelk ingeplant.........Lythrarieën 394,.
Kelk 5-deelig. Bloemkroon 5-deelig tot 5-bladig. Meeldraden 10.
Pfrola 373.
Kelk 2-deelig. Bloemkroon 3-5-bladig. Meeldraden 3-4(5).
Calendrfnia 227. Vergelijk ook Primulaceeën, blz. 3trs.
89 Planten met groene bladen............90
Planten zonder groene bladen. Kelk- en kroonbladen 4-5. Meeldraden 8-10..........Monótropa 374.
90 Kelk- en kroonbladen 4. Meeldraden meest 6, 4 lange en 2
korte, zelden 4 of 2.......Cruciferen S-êS.
Kelk- en kroonbladen 5. Meeldraden 5-10. Stijl 1 met 5 stempels. Vruchtjes 5, eenzadig, bij rijpheid met de stijlen van de middelzuil loslatend.....Geraniaceeën 279.
91 Bladen gelobd tot gedeeld, gevind of 3-tallig......92
Bladen enkelvoudig, ongedeeld...........93
92 Meeldraden 5-10. Stijlen 5. Vruchtjes 5, eenzadig, bij rijpheid
met de stijlen van de middelzuil loslatend. Bladen gelobd
tot gedeeld of gevind......Geraniaceeën 279.
Meeldraden 10. Vrucht een 5-kleppige, veelzadige doosvrucht. Bladen 3-tallig, met enkelvoudige, in de lengte gevouwen blaadjes...........Oxalideeën 282.
93 Bladen verspreid, zelden tegenoverstaand (en dan is de bloem
kroon wit met gelen voet). Kelk 4-5-slippig of -bladig. Kroonbladen 4-5, vaak beneden verbonden. Stijlen 4-5, soms
beneden vergroeid.........Lineeën £83.
Vergelijk ook Saxifraga, blz. 3±0.
Bladen tegenoverstaand of kransstandig.......94
Bladen alle of op één na vvortelstandig. Meeldraden 5 . .95
94 Kelk 2-4-deelig. Kroonbladen 3-4. Meeldraden 3, 6 of 8. Stij
len 3-4. Water- of oeverplanten . . . Elatineeën 27 Kelk 4-5-tandig tot 4-5-bladig. Kroonbladen 4-5 of ontbrekend. HEUKELS, Schoolflora. 8e druk. 2
18 Farailiëntabellen (natuurlijke stelsel).
Meeldraden meest 10. Stijlen 2-5. Caryophylleeën Zit. Kelk 4-5-spletig. Bloemkroon 4-5-bladig. Meeldraden 4-6, met blijvende helmdraden. Stijl i. Stempels 3.
Frankeniaceeën 474.
95 Bladen met roode klierachtige franje, wortelstandig. Bloemen
in trossen. Stijlen 3-5........Drósera S71.
Bladen kaal, hartvormig, op één na wortelstandig. Bloemen alleenstaand. Stempels 4 . . ⢠. . Parnassia 3Mamp;.
96 Bladen enkelvoudig, ongedeeld..........97
Bladen gelobd tot handvormig of vinvormig samengesteld. 100
97 Kelk vergroeidbladig. Bloemkroon 4-5-bladig.....98
Kelk losbladig................99
98 Meeldraden 4-5, voor de kroonbladen staand. Stijl enkel
voudig of 2-4-spletig. Vrucht een steenvrucht.
Rhamneeën SOg.
Meeldraden 4-5, met de kroonbladen afwisselend, op een het vruchtbeginsel omgevende schijf ingeplant. Stijl enkelvoudig. Vrucht een 2-5-hokkige doosvrucht. Cel a stri n eeë n 890. Meeldraden 8-10. Bladen lederachtig, altijd groen. Kleine heestertjes. . . . Geslachten der Ericaceeën 370. Vergelijk ook Rhus (Cótinus), blz.
99 Kelk- en kroonbladen 3 (rood). Meeldraden 3. Stempels 6-9.
Plant 2-huizig. Bladen naaldvormig. Vrucht een steenvrucht.
Klein, liggend heestertje.....E'mpetrum aȎt.
Kelk- en kroonbladen 5 (rood tot wit). Meeldraden 4-5 of 10. Stijlen of stempels 3. Vrucht een doosvrucht. Zaden met een kuif.
Bladen klein........Tamariscineeen 275.
Kelk- en kroonbladen 6 (geel). Meeldraden 6. Stijl ofstempell. Vrucht een bes. Bladen breed. . Berberideeën SUS.
100 Stijlen of vruchtbeginsels 3-5. Bladen verspreid. Bloemen in
pluimen..................101
Stijl 2-spletig of gescheiden. Bladen tegenoverstaand . . 102 Stijl 1, enkelvoudig..............103
101 Stijlen 3. Meeldraden 5. Vrucht een droge steenvrucht. Bladen
gevind of 3-tallig (ook ongedeeld) . . . . Rhus 28«. Vruchtbeginsels 3-5. Meeldraden 3 of (in de mannelijke bloemen) 10. Vrucht gevleugeld, langwerpig. Bladen gevind.
Ailanthus lt;585.
102 Meeldraden 5. Vrucht een 2- of3-hokkige vliezige doosvrucht.
Bladen 3-tallig of gevind......Staphyléa «8».
Meeldraden meest 8. Vrucht 2-vleugelig. Bladen min of meer diep gelobd. Meest boomen.......A'cer 287.
Familiëntabellen (natuurlijke stelsel). iff
103 Meeldraden 2. Bloemkroon 2-4-bladig. Vrucht gevleugeld. Bla
den tegenoverstaand, gevind. Boom . . Fraxinus 430. Meeldraden 4-6................104
104 Meeldraden 4 of 5. Bloemkroon 5-bladig. Vrucht gevleugeld,
rond. Bladen verspreid, 3-tallig. Een rechtopstaande heester.
Ptélea SS5.
Meeldraden 5. Bloemkroon 5-bladig. Vrucht een bes. Bladen verspreid, gelobd tot handvormig samengesteld. Klimmende;
heester...........Ampelideeën affï'.
Meeldraden 6. Kelk en bloemkroon 6-bladig. Bladen oneven gevind.............Mahónia aes.
Onderklasse 2. Syrapctalen. Bloemen met vergroeid-bladige bloemkroon.
1 Vele bloemen tot een hoofdje vereenigd en door een gemeen-^
schappelijk omwindsel omgeven..........2
Bloemen niet in hoofdjes of, als zij in hoofdjes staan, niet door een gemeenschappelijk omwindsel omgeven ... 6
2 Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig .... 3 Vruchtbeginsel onderstandig............4
3 Meeldraden 5, voor de kroonslippen staand. Bloemkroon regel
matig, 5-deelig. Bladen wortelstandig. Stijlen 5.
Arméria 378.
Meeldraden 4. Bloemkroon symmetrisch, 4-5-spletig. Stijl 1. Bladen wortel- of stengelstandig . . . Globular ia
4 Meeldraden 4. Helmknopjes vrij. Kelk dubbel, de eene boven-,
de andere onderstandig. Bloemkroon 4-5-spletig.
D ipsaceeën 449.
Meeldraden 5.................5
5 Helmknopjes tot een buis vergroeid, zelden vrij. Bloemkroon
buisvormig, 5-tandig tot 5-spletig of lintvormig. Kelk meest een uit onvertakte of gevinde haren bestaande haarkroon vormend. Vrucht een dopvrucht. . . Compositen -iSM. Helmknopjes vrij of aan den voet iets verbonden. Bloemkroon 5-deelig. Kelk kruidachtig, 5-spletig. Vrucht een eenhokkige doosvrucht. Eenige geslachten der Campanulaceeên JLÃ.Ã.
b Vruchtbeginsel onderstandig of halfonderstandig.....7
Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig.... 14
7 Kruidachtige planten...............8
Kleinere of grootere heesters............13
â¢O Fami! iëntabellen (natuurlijke stelsel).
8 Bladen verspreid (of bijna wortelstandig). Meeldraden 5. .9
Bladen tegenoverstaand..............li
Bladen kranswijs. Bloemkroon (3-)4-spletig. Meeldraden 4.
Vruchten uit 2 knopjes bestaand, niet openspringend.
Rubiaceeën 440.
9 Kruiden zonder ranken..............10
Kruiden met ranken. Planten i- of 2-huizig. Vrucht een bes.
Cucurbitaceeën 439.
10 Bloemkroon symmetrisch, 2-lippig, van boven gespleten. Helm
knopjes vergroeid. Stempel ten laatste 2-lobbig.
Lobeliaceeën 439. Bloemen regelmatig. Meeldraden vrij........12
11 Bloemen in trossen. Meeldraden 1-3. Bloemkroon 5-spletig.
Valerianeeën 447. Bloemen 5-9 bijeen, in een bijna kubusvormig, eindelingsch hoofdje. Meeldraden 8-10. Bloemkroon 4-5-deelig. Adóxa aiï.
12 Stijl aan den top in 2-5 stempels gedeeld. Doosvrucht 2-5-
hokkig. Bloemkroon blauw of violet, zelden wit.
C ampanulaceeën 43S. Stijl enkelvoudig, met knopvormigen stempel. Doosvrucht 1-hokkig. Bloemen in trossen, wit, klein . Samolus 378.
13 Meeldraden 8(-10), op een bovenstandige schijf ingeplant. Bladen
verspreid...........Vaccfnium 371.
Meeldraden 5, op de bloemkroon ingeplant. Bladen tegenoverstaand ..........Caprifoliaceeën 4,4,4.
14 Vruchtbeginsel 4-deelig, in (l)-4 eenzadige vruchtjes uiteenval
lend ....................15
Vruchtbeginsels 2 (soms met 2 klieren afwisselend en dan schijnbaar 4). Meeldraden 5. Bladen meest tegenoverstaand. 16 Vruchtbeginsel 1, niet vierdeelig, meestal enkelvoudig . . 17
15 Bladen tegenoverstaand. Bloemkroon meest symmetrisch, 2-
lippig. Meeldraden 4, 2 langer en 2 korter, zelden slechts 2.
Labiaten 40U.
Bladen verspreid. Bloemkroon 5-spletig, soms symmetrisch. Meeldraden 5........Asperifolieën 383.
16 Bloemkroon stervormig. Helmdraden vergroeid. Stuifmeel tot
wasachtige massa's samengebald. Zaden met haarkuif. Bloemen in schermen. Stengel rechtopstaand.
Asclep iad eeën 434. Bloemkroon trechtervormig. Helmdraden vrij. Stuifmeel poe-dervormig. Zaden zonder haarkuif. Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Stengel liggend. . Apocynaceeën 433.
Familiëntabell en (natuurlijke stelsel).
17 Meeldraden 8-10................18
Meeldraden 5-7................22
Meeldraden 2-4................31
18 Bloemkroon regelmatig..............19
Bloemkroon symmetrisch.............21
19 Meeldraden (6-)9. Stijlen of stempels 2. Vruchtbeginsel 1-2-
hokkig. Bladen tegenoverstaand. Kruiden. Gentiana 431. Meeldraden 8-10................20
20 Helmknopjes vaak 2-hoornig. Stijl 1. met knopvormigen stem
pel. Vruchtbeginsel 4-5-hokkig. Kruiden of kleine heesters.
Ericaceeën 370.
Vruchtbeginsel half onderstandig. Bloemkroon 4-5-deelig. Bloemen 5-9 bijeen in bijna kubusvormige, eindelingsche hoofdjes.
Adóxa
Vergelijk ook Trientalis, blz. 377.
21 Meeldraden 8, tot 2 bundels vergroeid. Kruiden of kleine
heestertjes............Pol^galaS 99.
Meeldraden talrijk, niet vergroeid. Kruid. Delphinium «39. Vergelijk ook Trifólium, blz. 354.
22 Bladen tegenoverstaand, krans- of wortelstandig, soms aan
jonge takken verspreid, maar dan is de plant een rechtopstaande heester................23
Bladen verspreid of ontbrekend...........27
Bladen wortelstandig en onder de bloeiwijze één doorgroeid blad. Kelk 2-lippig. Meeldraden 5 . . Claytónia »97.
23 Kruidachtige planten..............24
Heesters. Bloemkroon trechtervormig........25
24 Stijlen of stempels 1-2..............26
Stijlen 5. Bloemen in naar één zijde gekeerde aren, violet.
Bladen wortelstandig.........Statice 379*
25 Bloemkroon trechtervormig, met onregelmatigen zoom. Bloe
men in eindelingsche tuilen......Azalea 3*3.
Bloemkroon trechtervormig, met 5-lobbigen zoom. Bladen altijd groen, lederachtig.........Nérium 434.
26 Meeldraden voor de kroonslippen staand. Stijl 1. Vruchtbegin
sel 1-hokkig. Centrale zaaddrager . Primulaceeën 3*4. Meeldraden afwisselend met de kroonslippen. Stijlen of stempels 1-2. Vruchtbeginsel 1-2-hokkig. Zaaddragers wandstandig. Bladen meest tegenoverstaand. . . Gentianeeën 43». Vergelijk ook Phlox, blz. 3S».
27 Stijl 1. Stempel 1. Stengel niet, windend.......28
2g Familiëntabellen (natuurlijke stelsel).
Stijlen of stempels 2-3 (of bij enkelvoudigen, knopvormigen stempel de stengel windend)...........80
28 Bladen drietallig of hartvormig cirkelrond en drijvend. Moeras-
en waterplanten . . Geslachten der Gentianeeen -3 30. Bladen enkelvoudig, zelden gevind, nooit drijvend. ... 29 Vergelijk ook Fumariaceeën, blz. 243.
29 Meeldraden met witte of violette wol bezet, ongelijk. Bloem
kroon stervormig, iets onregelmatig, met korte buis. Bladen
enkelvoudig, ongedeeld......Verbascum 394,
Meeldraden zonder wol, hoogstens aan den voet behaard, gelijk, soms iets ongelijk. Bloemkroon trechter- tot stervormig. Bladen enkelvoudig of gevind en dan de bloemen in schermen.
Solaneeën 38S.
30 Stijlen of stempels 2, of de stempel 2-deelig, zelden knop-
vonnig. Bladen hart-, pijl- of spiesvormig of ontbrekend. Stengel meest windend . . . Convolvulaceeën 339. Stempels 3. Doosvrucht 3-hokkig. Bloemkroon bijna stervormig of trompetvormig. Stengel rechtopstaand.
Polemoniaceeën 3St. Stempels 2 of stijl 2-spletig. Doosvrucht 1- of schijnbaar 2-hokkig. Bloemkroon ster-klokvormig. Stengel niet windend.
Hydrophyllaceeën 3SÃ.
31 Heesters of boomen...............32
Kruidachtige planten zonder groene bladen......35
Kruidachtige planten met groene bladen.......37
32 Kroonslippen gelijk...............33
Kroonslippen ongelijk. Bladen zeer groot.......34
33 Meeldraden 2. Bloemkroon buis- of trompetvormig, 4-deelig
(of ontbrekend). Bladen niet stekelig . Oleaceeën 429. Meeldraden 4. Bloemkroon stervormig, 4-5-deelig. Bladen lederachtig, stijf, stekelig getand . . Aquifoliaceeën S90.
34 Meeldraden 2 (met 3 draadvormige deelen). Bloemkroon buikig
klokvormig, wit. Doosvrucht hauwachtig . Catalpa -tltO. Meeldraden 4, 2 langere en 2 kortere. Bloemkroon klok-trech-tervormig, lichtblauw-rose. Doosvrucht eirond.
Paulównia SiG.
35 Stengel rechtopstaand of bijna rechtopstaand. Bloemkroon 2-
lippig...................36
Stengel windend, dun. Bloemen klein, in hoopjes. Bloemkroonslippen gelijk.........Cuscüta 37».
30 Bloeiwijze naar één zijde gekeerd. Schubben tegenoverstaand.
Lathraéa 400.
Familiëntabellen (natuurlijke stelsel).
Bloeiwijze naar alle zijden gekeerd. Schubben verspreid.
Orobanche lt;«4.
37 Kroonslippen gelijk...............38
Kroonslippen ongelijk..............39
38 Bladen wortelstandig, zelden tegenoverstaand. Bloemen in bol
vormige of rolronde aren, klein. Bloemkroon droogvliezig, met ver uitstekende meeldraden . Plantagineeën 42?. Bladen tegenoverstaand. Bloemen alleenstaand of in trossen.
Soorten van Gentian a â MSI. Bladen verspreid. Bloemen alleenstaand, zittend in de bladoksels. Plant 0,02-0,08......Centunculus 37S.
39 Meeldraden 3. Kelk diep 2-spletig. Kroonbuis aan de eene
zijde gespleten. Bladen tegenoverstaand. . Montia id S3.
Meeldraden 2.................40
Meeldraden 4, 2 langere en 2 kortere, soms ook 4 even lange. 41
40 Bloemkroon gespoord, 2-lippig. Vruchtbeginsel 1-hokkig. Bladen
wortelstandig (in het water ondergedoken).
Lentibularieeën amp;8S. Bloemkroon ongespoord, bijna stervormig en ongelijk 4-slippig, of trechtervormig en bijna 2-lippig. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Stengel bebladerd.
Eenige geslachten der Scrophularineeën 30S.
41 Bloemkroon 2-lippig (soms gespoord) of ongelijk 4-slippig.
Vruchtbeginsel 2-hokkig. . . Scrophularineeën 3»a. Bloemkroon ongelijk 5-spletig, trechtervormig. Vruchtbeginsel 4-hokkig, later in 4 eenzadige nootjes uiteenvallend.
Verbenaceeën 420.
«3
â
â
.
-
â
. .
.
-
OVERZICHT
DER
KLASSEN VAN HET STELSEL VAN LINNAEUS.
OVERZICHT der klassen van het stelsel van Linnaeus.
Planten met ware bloemen. Zaadplanten. Phanerogamia. I. Bloemen 2-slachtig (iedere bloem met meeldraden en stampers). A. Meeldraden vrij, noch met elkaar, noch met den stijl vergroeid.
1. Meeldraden even lang of althans niet 2 kortere en 2 of 4 langere.
a. Een meeldraad . . Klasse I. Eenhelmigen.
Monandria, blz. ast.
b. Twee meeldraden . Klasse II. Tweehelmigen.
Diindria, blz. as.
c. Drie meeldraden . . Klasse III. Driehelmigen.
Triandria, blz. 3«.
d. Vier meeldraden. . Klasse IV. Vierhelmigen.
Tetrandria, blz. H.
e. Vijf meeldraden . . Klasse V. Vijfhelmigen.
Pentandria, blz. 33.
f. Zes meeldraden . . Klasse VI. Zeshelmigen.
Hexandria, blz. 38.
g. Zeven meeldraden . Klasse VII. Zevenhelmigen.
Heptandria, blz. 3».
h. Acht meeldraden . Klasse VIII. Achthelmigen.
Octandria, blz. -#».
i. Negen meeldraden . Klasse IX. Negenhelmigen.
Enneandria, blz. 41. k, Tien meeldraden . Klasse X. Tienhelmigen.
Decandria, blz. â¢Â«Â«. /. Elf tot negentien meeldraden. Klasse XI. Twaalf-helmigen. Dodecandria, blz. 43. m. Twintig en meer meeldraden.
aa. Meeldraden op den kelk ingeplant.
Klasse XII. Twintighelmigen. Icosdn-
dria, blz. 43.
B7
bb. Meeldraden op den bloembeden ingeplant.
Klasse xiii. Veelhelmigen. Polydn-dria, blz. 44. 2. Twee of vier lange en twee kortere meeldraden.
a. Twee langere en twee kortere meeldraden.
Klasse xiv. Tweemachtigen. Didynd-
m i a , blz. 45.
b. Vier langere en twee kortere meeldraden.
Klasse xv. Viermachtigen. Tetrady-ndmia, blz. 45.
B. Meeldraden onderling vergroeid.
1. Helmdraden vergroeid.
a. Helmdraden tot één bundel vergroeid.
Klasse xvi. Eenbroederigen. Mona-d é 1 p h i a , blz. 46.
b. Helmdraden tot twee bundels vergroeid.
Klasse xvii. Tweebroederigen. Diadél-
p h i a , blz. 45.
c. Helmdraden tot drie of meer bundels vergroeid.
Klasse xviii. Veelbroederigen. Polya-d é 1 p h i a , blz. 47.
2. Helmknopjes tot een buis vergroeid.
Klasse xix. SaimheImigen. Synge-n ésia , blz. 47.
C. Meeldraden met den stijl vergroeid.
Klasse xx. Helmstijligen. Gyndndria, bl. 47. II. Bloemen (althans ten deele) eenslachtig (eenige bloemen alleen met meeldraden, andere alleen met stampers).
A. Mannelijke (meeïdraad-)bloemen en vrouwelijke (stamper-) bloemen op dezelfde plant.
Klasse xxi. Eenhuizigen. Monoécia, blz. 4S.
B. Mannelijke en vrouwelijke bloemen op verschillende planten.
Klasse XXII. Tweehuizigen. Dioécia, blz. 50.
C. Mannelijke, vrouwelijke en tweeslachtige bloemen op dezelfde plant.
Klasse xxiii. Veelteligen. Polygamia, blz. 53-B. Planten zonder ware bloemen.
Klasse xxiv. Sporeplanten. Cryptogamia, blz. 53.
TABELLEN tot het bepalen van de familiën (en van eenige geslachten) volgens het stelsel van Linnaeus.
Klasse I. Mondlidria. Eenhelmigen.
4 Waterplanten.................2
Landplanten..................4
2 Bladen ontbrekend. Stengel bladachtig, drijvend. Zeer kleine
plantjes...........LemnaceeënKl. xxi.
Bladen aanwezig................3
3 Bladen in kransen, lijnvormig, zittend. Stengel rechtopstaand.
Hippürus 394.
Bladen tegenoverstaand. Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Stengel drijvend........Callftriche »9«.
4 Bladen ontbrekend. Stengel vleezig geleed, vertakt. Zoutplant.
Salicórnia KI. II.
Bladen aanwezig................5
5 Bladen parallelnervig. Bloemdek schijnbaar uit 3 of 4 kransen
van ongelijke blaadjes of slippen gevormd.
Cannaceeën lt;08. Bladen hand- of vinnervig............6
6 Bladen handvormig 3-spletig, verspreid, met steunbladen. Bloem
dek 4(-8)-spletig ........Alchemflla KI. IV.
Bladen bochtig getand. Bloemen in kluwens, in de bladoksels
of in eindelingsche aren........Blftum KI. V.
Bladen ongedeeld, tegenoverstaand. Bloemkroon buisvormig, aan den voet gespoord. Kelk klein. Vruchtbeginsel onder-standig...........Centranthus
Klasse II. Diéndria. Tweehelmigen.
1 Waterplanten.................2
Landplanten.................4
2 Bladen ontbrekend. Stengel bladachtig, drijvend. Zeer kleine
plantjes.............Lémna KI. XXI.
Bladen aanwezig................3
Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus).
»o
3 Zoutwaterplant met drijvenden stengel en draadvormige bladen. Bloemen weinig in het oog vallend . . . Rüppia 191. Zoetwaterplant met veeldeelige bladen en zich boven het water
verheffende, gele bloemen 4 Boomen of heesters . . . Gras- of biesachtige planten Kruidachtige planten . .
Utricularia
5
6 7
5 Bloembekleedsels ontbrekend of in kelk en bloemkroon gescheiden. Bladen tegenoverstaand, ongedeeld of gevind.
Olea ceeën 43®.
Bloemen met kelk en bloemkroon. Bloemkroon 5-lobbig, bijna 2-lippig. Bladen groot, hartvormig . . . Ca talpa *20.
6 Stengel knoopig geleed, hol. Bloeiwijze een aarvormig samen
getrokken pluim.......Anthoxanthum 13X.
Stengel knoopig geleed, niet hol. Bloeiwijze een aar, hoofdje of een pluim......Eenige Cyperaceeën KI. III.
7 Planten met bloemdek of zonder bloembekleedsels.... 8 Bloemen met kelk en bloemkroon..........10
8 Bladlooze zoutplant. Stengel vleezig, geleed, vertakt. Bloemen
in de verdiepingen der aarvormige einden der takken gezeten.
Salicórnia SOS.
Bebladerde planten...............9
9 Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Bladen priemvormig.
Polycnémum KI. III. Bloemen in eindelingsche trossen. Onderste bladen gevind.
Lepfdium KL XV. Bloemen in kluwens. Bladen meest bochtig getand.
Chenopódium KI. V.
10 Bloemkroon 2-bladig, wit. Vruchtbeginsel onderstandig. Bloe
men in trossen. Bladen tegenoverstaand . Circaéa 3113. Bloemkroon vergroeidbladig............11
11 Vruchtbeginsel 4-deelig. Bloemen in schijnkransen. Bladen
tegenoverstaand .... Geslachten der La bi a ten -iOO. Vruchtbeginsel 1, enkelvoudig...........12
12 Bloemkroon gespoord, 2-lippig. Bloemen alleenstaand. Bladen
wortelstandig, kleverig......Pinguicula
Bloemkroon ongespoord, trechtervormig, bijna 2-lippig. Bladen
tegenoverstaand..........Gratfola 399.
Bloemkroon ongespoord, bijna stervormig, iets ongelijk 4-slippig. Bladen tegenoverstaand of verspreid . . Veronica 399.
30 Familiëntabelten (stelsel van Linnaeus).
Klasse lil. Tridndria. D rie h el mi gen.
1 Boomen. Bloemen mannelijk, vrouwelijk of2-slachtig. Manne
lijke bloemen met 10 meeldraden. Kelk 5-spletig. Kroon-
bladen 5. Bladen gevind......Ailanthus 98.%.
Gras- of biesachtige gewassen..............2
Kruidachtige planten..............4
2 Bloemdek 6-bladig, droogvliezig. Bloeiwijze eind- of zijstandig,
vaak hoofdjesachtig.........Jüncus KI. VI.
Bloemdek borstelvormig of ontbrekend. Bloemen in de oksels van schubachtige schutblaadjes (kafjes), tot aartjes vereenigd, die meest weer op verschillende wijze zijn gerangschikt . 3
3 Iedere bloem is slechts van 1 kafje voorzien. Bloemdek kruik-
of borstelvormig of geheel ontbrekend. Stengel zonder knoo-
pen, niet hol.........Cyperaceeën 154.
Iedere bloem door 2 kafjes ingesloten. Bloemdek meest door 2 teere schubbetjes aangeduid. Stengel knoopig geleed, hol.
Gramineeén la-f.
4 Bladen tegenoverstaand of kransstandig........5
Bladen verspreid of wortelstandig..........8
5 Vruchtbeginsel onderstandig............6
Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig .... 7
6 Bladen kransstandig. Bloemkroon 4-spletig. R u bi aceeen KL iv^ Bladen tegenoverstaand. Bloemkroon 5-spletig.
Valerianeeën 449.
7 Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Kelk en bloemkroon
3- of 4-bladig. Stengel liggend . . . . Elatine 2J4. Bloemen 3-5 bijeen in de bladoksels, gesteeld. Bloemkroon trechtervormig, met ongelijk 5-spletigen zoom. Stengel liggend
of in het water drijvend.......Móntia SS7.
Bloemen eind- en bladokselstandig. Kelk (en bloemkroon) 5-bladig. Stengel liggend, opstijgend of rechtopstaand.
Caryophylleeén KL v.
8 Bladen duidelijk parallelnervig...........9
Bladen niet parallelnervig.............10
Kale, vleezige plant met lijnvormige bladen en kleine roode
bloemen...........Calendrinia SUS.
9 Vruchtbeginsel onderstandig. Bloemdek bloemkroonachtig ge
kleurd, 6-deelig..........Irideeën 114,.
Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk en bloemkroon 3-bladig, de laatste blauw.........Commelfna 115.
Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus). 31
40 Bladen priemvormig. Bloemen alleenstaand in de bladoksels,
Polycnémum 911,
Bladen bochtig getand, 3-hoekig of ruitvormig. Bloemen in kluwens. Bloemdek kruidachtig, 3-5-spletig. BH turn KI v. Bladen eirond of langwerpig eirond. Bloemen in kluwens, in schijnaren. Bloemdek droogvlierig, 3-5-bladig.
Amarantus KI. XXI.
. 2 . 4 . 41
Klasse IV. Tetrdndria. Vierhelmigen.
1 Waterplanten . . Boomen of heesters Kruidachtige planten
2 Bloemen in gesteelde aren. Bloemdek schijnbaar 4-deelig. Bladen
verspreid, zeldzamer tegenoverstaand, drijvend of ondergedoken ...........Potamogéton 191..
Bloemen alleenstaand in de bladoksels........3
3 Bladen tegenoverstaand. Bloemkroon ontbrekend. Kelk 4-deelig.
Isnardia 399. Bladen in rosetten opeengehoopt. Bloemkroon 4-bladig.
Trapa 393.
4 Bloemen voor de bladen verschijnend........5
Bloemen tegelijk met of na de bladen verschijnend ... 6
5 Bloemen in bundels of hoofdjes. Vruchtbeginsel onderstandig.
Bloemdek 3-8-spletig.........Ulmus 195.
Bloemen in schermen, door een 4-bladig omhulsel omgeven, geel. Bloemkroon 4-bladig. Kelk zeer klein. Vruchtbeginsel onderstandig............Córnus 313.
6 Bladen verspreid................7
Bladen tegenoverstaand..............9
7 Bloemdek 4-6-spletig, van binnen geel. Bladen zilvergrijs beschubd.
Elaeagnus 390.
Bloemen met kelk en bloemkroon..........8
8 Bloemkroon wit. Bladen kaal, stekelig getand, altijd groen.
Ilex 990.
Bloemkroon geelachtig groen. Bladen 3-tallig, des zomers groen.
Ptélea «85.
9 Vruchtbeginsel onderstandig. Bloemkroon wit. Bloemen in
bijschermen............Córnus 313.
Vruchtbeginsel bovenstandig............10
â¢10 Kelk grooter dan de bloemkroon. Meeldraden voor de kroon-bladen staand......... . Rhamnus 999.
klein
Familiëntabe 11 en (stelsel van Linnaeus).
Kelk kleiner dan de bloemkroon. Meeldraden met de kroon-bladen afwisselend........Evonymus 200
11 Planten zonder groene bladen...........13
Planten met groene bladen............12
12 Bladen tegenoverstaand of kransstandig........15
Bladen verspreid of wortelstandig..........20 *
13 Stengel windend. Bloemen in kluwens. Kelk en bloemkroon
4- of 5-spletig..........Cuscuta KI. v.
Stengel rechtopstaand..............14
14 Schubben tegenoverstaand. Bloeiwijze naar één zijde gekeerd.
Lathraéa KL XIV. Schubben verspreid. Bloeiwijze naar alle zijden gekeerd.
Orobdnche KI. XIV.
15 Bloemkroon losbladig of ontbrekend.........16
Bloemkroon vergroeidbladig............17
16 Kelk 4-spletig, met 2-of 3-spletige slippen. Bloemkroon 4-bladig.
Doosvrucht 8-hokkig met 1-zadige hokjes . Radfola 284. Kelk 3- of 4-deelig. Bloemkroon 3- of 4-bladig. Doosvruchten
3 of 4, 2-zadig...........Tillaéa 314.
Kelk en bloemkroon 4- of 5- (vaak schijnbaar 10-) bladig.
Geslachten der Caryophylleeën HtJL.
17 Vruchtbeginsel bovenstandig............18
Vruchtbeginsel onderstandig............19
18 Bloemen eindelings, alleenstaand of in trossen. Bloemkroon
regelmatig, 4- (of 5-) spletig. Vruchtbeginsel 1, enkelvoudig.
Geslachten der Gentianeeën -êSO. Bloemen in dunne aren. Bloemkroon met ongelijk 5-spletigen zoom. Vruchtbeginsel in 4 eenzadige nootjes uiteenvallend.
Verbéna SSS.
Bloemen meestal in schijnkransen. Bloemkroon 2-lippig, zeldzaam 1-lippig of regelmatig 4-spletig. Vruchtbeginsel 4-deelig, later in 4 eenzadige nootjes uiteenvallend. Labiaten *00.
19 Bladen kransstandig, ongedeeld. Bloemen in bijschermen of
pluimen. Kelk meestal onduidelijk . Rubiaceeën 4*0. Bladen tegenoverstaand. Bloemen in hoofdjes, door een gemeenschappelijk omwindsel omgeven . . Dipsaceeën 449. Bladen tegenoverstaand. Bloemen in bolvormige of langwerpige aren, zonder gemeenschappelijk omwindsel. Vruchtbeginsel schijnbaar onderstandig....... Plantigo 428.
20 Bloemen met een bloemdek............21
Bloemen met kelk en bloemkroon..........23
B»
F ara iliën tabellen (stelsel van Linnaeus).
21 Bladen gevind. Bloemen in eindelingsche hoofdjes of aren. Keljj
groen- of roodachtig, 4-deelig. ⢠. .Sanguisórba 33». Bladen gelobd, niervormig. Bloemen in pluimen. Kelk groen-achtig-geel, 8-spletig, de 4 buitenste slippen kleiner.
Alchemflla 33».
Bladen enkelvoudig, ongedeeld........ .... 22
22 Bloemen in bladokselstandige kluwens, groenachtig. Bladen
eirond of lancetvormig, netaderig . . Parietaria 194. Bloemen in een eindelingschen tros, wit. Bladen meestal 2, hartvormig, parallelnervig . . . Majanthemum iOS.
23 Bloemkroon losbladig . . ..........24
Bloemkroon vergroeidbladig...........26
24 Bladen oneven gevind. Kelk- en kroonbladen 4.
Cardamine KI. xv. Bladen enkelvoudig...............25
25 Kelk 4-5-spletig. Bloemkroon 4-5-bladig. Meeldraden 4 of 6.
Stempels 3........Frankeniaceeên
Kelk 2-deelig. Bloemkroon 3-5-bladig. Meeldraden 3 of 4. Stijl met 3-deeligen top .... Calendrfnia »»?.
26 Bloemen in rolronde of bolvormige aren. Bloemkroon droog-
vliezig. Helmknopjes ver uitstekend. Bladen wortelstandig.
Plantage 4»S.
Bloemen in hoofdjes. Bloemkroon niet droogvliezig, blauw. Bladen
wortelstandig en verspreid.....Globularia 4»0.
Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Bladen verspreid. Klein , 0,03-0,10 hoog plantje......Centünculus 375.
Klasse V. Peiltaildria. Vijfhelmigen.
1 Waterplanten . . ..............2
Boomen of heesters...............5
Kruidachtige planten...............15
2 Bladen ongedeeld................3
Bladen gedeeld of samengesteld..........4
3 Bladen lijnvormig, meest ondergedoken. Bloemkroon 2-lippig.
Helmknopjes vergroeid........Lobelia
Bladen hartvormig-cirkelrond, drijvend. Bloemkroon stervormig, goudgeel.........Limnanthemum 433.
4 Bladen kamvormig-vindeelig, ondergedoken. Bloemkroon met
vlakken zoom..........Hottónia 339.
HEUKELS, School-flora. 8' druk. 3
33
Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus).
Bladen 3-tallig samengesteld, niet ondergedoken, langgesteeld. Bloemkroon trechtervormig, van binnen gebaard.
Menydnthes 433.
5 Bladen tijdens den bloeitijd nog niet ontwikkeld. Bloemen in
hoofdjes of bundels. Bloemdek klokvormig, 3-8-spletig. Bladen
aan den voet ongelijk........Ulmus 19S.
Bladen tegenoverstaand of kranswijs.........6
Bladen verspreid, soms zeer klein..........8
6 Bladen kranswijs, altijd groen blijvend. Bloemkroon trechter
vormig met 5-lobbigen zoom......Nérium 4341.
Bladen tegenoverstaand, alleen 's zomers groen.....7
7 Bloemkroon losbladig. Vruchtbeginsel bovenstandig. Kroon-
bladen wit of groenachtig .... Celastrineeën £90. Bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of onregelmatig en 2-lippig. Vruchtbeginsel onderstandig. Caprifoliaceeën -#44.
8 Klimmende of windende heesters..........9
Rechtopstaande heesters of boomen ..... ... 11
9 Windende heesters. Bloemen in trossen of pluimen. Kelk schotel-
vormig, 5-spletig. Vruchtbeginsel bovenstandig.
Celastrus 29t.
Klimmende heesters...............10
10 Bloemen in schermen. Vruchtbeginsel onderstandig. Bladen
gelobd, lederachtig, altijd groen .... Hédera 313. Bloemen in pluimen of bijschermen. Vruchtbeginsel bovenstandig. Bladen gelobd tot handvormig samengesteld, kruidachtig ...............Ampelideeën li»l.
11 Bladen gedeeld of samengesteld..........12
Bladen enkelvoudig, ongedeeld...........13
12 Bladen 3-5-lobbig. Bloemen alleenstaand of in trossen.
Rfbes 319.
Bladen gevind of ongedeeld. Bloemen in pluimen of trossen,
meest 1- of 2-huizig.........Rhus KI. XXI.
Bladen enkel of dubbel gevind. Bloemen in bladokselstandige trossen, mannelijk, vrouwelijk en 2-slachtig. Gedoomde boom.
Gled ftschia 30Ã.
13 Bloemen groot, in schermen. Bloemkroon goudgeel, 5-spletig.
Meeldraden en stijlen ver uitstekend . . . Azalea 373. Bloemen klein. Bloemkroon niet geel........14
14 Bladen schubvormig, zeer klein. Bloemen in eindelingsche pluim-
vormige aren...........Tamarix 233.
Bladen elliptisch, gaafrandig. Bloemen in bladokselstandige bijschermen......Rhamnus (Frangula)
34
Farailiëntabellen (stelsel van Linnaeus).
Vergelijk ook Rhus KI. XXI.
15 Planten zonder groene bladen. Stengel windend. Bloemen in
hoopjes. Kelk en bloemkroon 5-spletig . . Cuscüta 3 7O.
Bladen gedeeld of samengesteld..........16
Bladen enkelvoudig, ongedeeld...........24
16 Bloemkroon losbladig..............17
Bloemkroon vergroeidbladig............18
17 Stijlen 2. Bloemen in samengestelde schermen, zeldzaam in
enkelvoudige schermen of hoofdjes. Bladen enkel- tot veelvoudig gevind of handvormig samengesteld.
Umbelliferen £98. Stijlen 5. Bloemen in 2-meerbloemige schermen. Bladen gelobd tot gevind.........Geraniaceeën »79.
18 Bladen 3-tallig, langgesteeld. Bloemkroon trechtervormig, van
binnen gebaard, witachtig .... Menyanthes 433. Bladen gevind of vindeelig. Bloemkroon ster- of klokvormig. 19
19 Bladen verspreid, soms de onderste tegenoverstaand. Vrucht
beginsel bovenstandig.............20
Bladen tegenoverstaand. Vruchtbeginsel onderstandig. Bloemen in bijschermen..........Sambücus
20 Stempel 1.............Solanutn 38».
Stempels 3...........Polemónium 3Slt.
Stempels 2 of stijl 2-spletig . . Hydroph yllaceeën 381.
21 Bladen alle of op 1 na wortelstandig........22
Bladen tegenoverstaand of kransstandig........27
Bladen verspreid................34
22 Stijl of stempel 1................23
Stijlen , stempels of vruchtbeginsels 3 tot veel.....25
23 Bloemen wit. Onder de bloeiwijze 1 doorgroeid blad. Kelk 2-
slippig.............Claytónia S27.
Onder de bloeiwijze geen doorgroeid blad.......24
24 Bloemkroon symmetrisch, 5-bladig, een der bloembladen ge
spoord. Kelkbladen met aanhangels . Viola ceeën stf8. Bloemkroon regelmatig, vergroeidbladig, ongespoord.
Primulaceeën 374.
25 Vruchtbeginsels talrijk, een later verlengde, muizenstaartachtige
aar vormend. Bladen lijn-spatelvormig . Myosürus «34. Vruchtbeginsel 1................26
26 Bloemen alleenstaand, wit. Stempels 4. Bladen op 1 na wortel
standig, hartvormig........Farnassia 318.
Bloemen in trossen. Stijlen 3-5. Bladen met roode klierharen.
Drósera 971.
as
30 Eamiliëntabellen (stelsel van Linnaeus).
Bloemen in hoofdjes of naar één zijde gekeerde aren. Stijlen 5. Bladen lijnvormig of langwerpig-omgekeerd-eirond.
Plumbagineeën 37amp;.
27 Bloemen alleenstaand in de bladoksels........28
Bloemen niet alleenstaand in de bladoksels......30
28 Grootere , 0,50-1,00 hooge , rechtopstaande kruiden. Bloemen
groot, in een kelkachtig omwindsel. Bloemdek trompetvormig,
gekleurd............Mirabilis «li.
Kleinere, vaak liggende of kruipende kruiden.....29
29 Bloemkroon trechtervormig, blauw. Stengel kruipend.
Vinca 434.
Bloemkroon stervormig, rood of geel, zeldzamer blauw of ontbrekend, maar dan is de klokvormige kelk rose. Stengel rechtopstaand tot kruipend.
Geslachten der Primulaceeën 3J4.
30 Bloemkroon losbladig of ontbrekend.........31
Bloemkroon vergroeidbladig............32
31 Bloemkroon wit, aan den voet geel. Stijlen 5. Stengel recht
opstaand .............Lfnum £83.
Bloemkroon wit, groenachtig of ontbrekend. Stijlen of stempels meestal 2-5. Stengel vaak liggend.
Geslachten der Caryophylleeên 211.
32 Bloemkroon klein, geelgroen. Vruchtbeginsel onderstandig.
Bloemen in losse bijschermen. Bladen in kransen, lancet-
vormig..............Rübia 441.
Bloemkroon niet geelgroen. Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig.................33
33 Bloemkroon geel, stervormig. Stempel enkelvoudig.
Lysimachia 370. Bloemkroon blauw, lila of rose, zeldzamer geel. Stempels 2.
Geslachten der Gentianeeën 430. Bloemkroon wit of roodachtig, ster- of bijna stervormig. Vruchtbeginsels 2.........Asclepiadeeën 434.
34 Bloemdek enkelvoudig. Stijlen of stempels 2 of 3. Vrucht
beginsel bovenstandig.............35
Bloemen met kelk en bloemkroon. Bloemkroon losbladig . 36 Bloemen met kelk en bloemkroon. Bloemkroon vergroeidbladig ...................39
35 Bladen aan den voet met vliezige scheeden, eirond tot lancet-
vormig. Bloemen in schijnaren. Bloemdek meest wit of roodachtig ............Polygonum 197.
Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus). 37
Bladen zonder vliezige scheeden, priemvormig tot driehoekig-priemvormig. Bloemdek meest groenachtig.
Chenopodieeën S03.
30 Bloemkroon symmetrisch.............37
Bloemkroon regelmatig..............38
37 Kelkbladen 3, gekleurd, het grootste gespoord. Kroonbladen
5, 2 aan 2 vergroeid.....Balsamineeën 284.
Kelkbladen 5, groen , aan den voet met aanhangsels. Kroonbladen 5, één gespoord. . . . . Violaceeën SttS.
38 Stengel rechtopstaand. Bloemen blauw of wit. Stijlen 5. Bladen
lijn- of lancetvormig.........Lfnum lt;583.
Stengel rechtopstaand. Bloemen geel, klein, in schermen. Stijlen 2.
Bladen lijnvormig tot rondachtig-eirond. Bupleürum 306. Stengel liggend, vertakt. Bloemen zeer klein, witachtig. Bladen lijnvormig-langwerpig, van voren breeder. Corrigiola SIS.
39 Vruchtbeginsel 4-deelig, bovenstandig. Bladen meestal behaard
en ruw. Bloemkroon ster- tot trechtervormig.
Asperifolieën 3S*. Vruchtbeginsel halfonderstandig of met den kelk vergroeid. 40 Vruchtbeginsel bovenstandig, enkelvoudig.......41
40 Bloemkroon wit, met gele keel. Bloemen klein, in een einde-
lingschen , ten laatste verlengden tros . . Samolus 33S. Bloemkroon blauw of violet, zeldzamer wit. Bloemen vrij groot of groot, soms in hoofdjes of aren. Stempels 2-5.
C am pan ulacee ën 43S. Bloemkroon hemelsblauw, 2-lippig, met boven opengespleten buis. Bloemen in trossen.......Lobélia -t3S.
41 Stempel enkelvoudig. Stengel niet windend......42
Stempel of stijl niet enkelvoudig of enkelvoudig, knopvormig,
maar dan is de stengel windend.........43
42 Meeldraden althans ten deele met witte of violette wol bezet,
ongelijk. Bloemkroon stervormig, iets onregelmatig.
Verbascum 394.
Meeldraden zonder wol, hoogstens aan den voet behaard, gelijk. Bloemkroon trechter- tot stervormig. Vrucht een doosvrucht of een bes...........Solaneeën 38S.
43 Bloemkroon trechtervormig, met 5 vouwen, groot. Stempel
2-deelig, zelden knopvormig. Doosvrucht 2-4-hokkig. Bladen hart-, pijl- of spiesvormig. Stengel meest windend.
Convolvulaceeën 370. Bloemkroon met lange buis en afstaande of vlakke zoom. Stempels 3. Doosvrucht 3-hokkig. . Polemoniaceeën 381.
38 Farnüiëntabellen (stelsel van Linnaeus).
Klasse VI. Hexdndria. Zeshelmigen.
1 Bloemen met kelk en bloemkroon..........2
Bloemen met een enkelvoudig bloemdek.......41
2 Boomen of heesters...............3
Kruidachtige planten..............4
3 Bladen 5-7-tallig, handvormig samengesteld. Bloemkroon 4- of 5-bladig, iets onregelmatig. Boomen zonder doornen.
Aésculus 290. Bladen enkelvoudig of gevind. Bloemkroon 6-bladig, geel.
Berberideeën
4 Stijlen of stempels 2 tot veel...........5
Stijl 4....................6
5 Bladen kransstandig, ondergedoken. Stengel 0,30-4,00 lang.
Waterplant............Elodéa ISO.
Bladen tegenoverstaand. Stengel 0,02-0,05 lang. Oeverplant.
Elatfne
Bladen wortelstandig of verspreid, lijnvormig tot elliptisch. Vruchtbeginsels talrijk. Water- en oeverplanten.
Alfsma t9S.
0 Bloemkroon losbladig..............7
Bloemkroon vergroeidbladig............40
7 Kelk losbladig.................8
Kelk vergroeidbladig..............9
8 Kelk en bloemkroon 4-bladig. Vrucht een hauw of een hauwtje.
Cruciferen KI. XV. Kelk en bloemkroon 3-bladig. Bladen parallelnervig.
Tradescantia HS.
9 Kelk 5-42-tandig, blijvend. Bloemkroon 6-bladig, rood of wit,
soms ontbrekend........Lythrarieeën 39*.
Kelk 4-5-spletig. Bloemkroon 4-5-bladig. Meeldraden 4 of 6.
Frankeniaceeën 294.
40 Bloemkroon stervormig, diep 6-8-deelig, wit. Bovenste stengel
bladen bijna kransstandig.....TrientalisKl. VII.
Bloemkroon klok-trechtervormig, 4-9-spletig. Bladen tegenoverstaand .............Gentiana KI. v.
Bloemkroon klein, geel. Bloemen in bladokselstandige trossen. Bladen tegenoverstaand. Lysimachia (thyrsiflora) 3?«.
41 Stijlen of stempels 2-6...............42
Stijl 4....................45
Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus). 3®
12 Bladen tijdens den bloeitijd ontbrekend. Bloemen wortelstandig.
Bloetndek met 6-deeligen zoom en lange buis. Stijlen 3.
Colchicum lOa.
Bladen netaderig, verspreid, met vliezige stengelomvattende
scheeden..................13
Bladen parallelnervig, meest wortelstandig, zelden verspreid. 14
13 Bloemdek groen, 6-bladig, de buitenste blaadjes kleiner dan de
binnenste. Stempels penseelvortnig . . . Rumex 190. Bloemdek rood- of witachtig, 4- of 5-spletig tot 4- of 5-deelig. Stempels klein, knopvormig. . . . Polygonum KL III.
14 Bloemdek bloemkroonachtig gekleurd. Stijlen 3, soms kort.
Liliaceeën lOO. Bloemdek groenachtig, kelkachtig. Stempels 3-6, zittend.
Juncagineeën 119.
15 Bladen zeer klein, schubvormig. Stengel vaak vertakt, takjes
borstelvormig, in bundels. Bloemdek 6-deelig. Vrucht een bes.
Asparagus lOl.
Bladen netaderig, aan den voet met stengelomvattende, vliezige scheeden. Stengel knoopig geleed. Bloemdek 4-of 5-spletig, aan de binnenzijde gekleurd . . . Polygonum KL vm. Bladen parallelnervig, meest lijnvormig, steeds gaafrandig . 16
16 Bloemdek ontbrekend. Bloemen in een eindelingsche kolf, door
een groote, van binnen witte scheede omgeven. Calla 118,
Bloemdek kelkachtig, 6-bladig...........17
Bloemdek bloemkroonachtig gekleurd........18
17 Bloemen in pluimvormig gerangschikte hoofdjes of aren. Bloem
dek droogvliezig. Stempels 3. Bladen grasachtig of rolrond.
Juncaceeën 108.
Bloemen in een (schijnbaar) zijstandige bloeikolf. Slechts 1 stempel. Bladen zwaardvormig. Aromatische moerasplant.
A'corus 11S.
18 Vruchtbeginsel bovenstandig. Bloemdek 6-tandig tot 6-bladig.
Meest bolgewassen........Liliaceeën lOO.
Vruchtbeginsel onderstandig. Bloemdek 6-deelig. Bolgewassen.
Am aryllideeën 113,
Klasse VIL Heptandl'ia. Zevenhelmigen. 1 Kruidachtige planten..............2
Boomen. Bladen handvormig samengesteld, 5-7-tallig. Kroon-bladen 4-5. Vrucht een doosvrucht . . Aésculus HSO.
40 F amtïiëntabellen (stelsel van Linnaeus).
2 Bladen in het midden van den stengel bijna in kransen. Stengel meest 1-bloemig. Bloemkroon stervormig, diep 6-8-
deelig, wit...........Trientdlis 377.
Bladen tegenoverstaand. Bloemen in dichte, bladokselstandige trossen. Bloemkroon geel.
L y s i m a c h i a (t h y r s i f 1 ó r a) KI. v. Bladen wortelstandig. Bloemen in een eindelingsche bloeikolf, door een groote, van binnen witte scheede omgeven. Bloem-dek ontbrekend ........... Calla KI. vi.
Klasse VIII. Octdndria. Achtbelmigen.
1 Boom en of heesters...............2
Kruidachtige planten...............7
2 Kleine of zeer kleine heesters. Bladen ongedeeld .... 3 Boomen of grootere heesters............5
3 Bloemen symmetrisch, door 2 grootere, tegen de bloemkroon
aan liggende kelkbladen vlak.....P o 1 y g a I a 289.
Bloemen regelmatig...............4
4 Bloemdek buisvormig, met 4-deeiigen zoom. Bloemen voor de
wig-lancetvormige bladen verschijnend . . Daphne 3««. Bloemen met kelk en bloemkroon. Bloemkroon kroes- of klok-vormig, zeldzamer stervormig, vaak kleiner dan de kelk.
Ericaceeën 370.
5 Bloemen voor de bladen verschijnend, in hoofdjes of bundels.
Stempels 2. Bloemen met een bloemdek . Ulmus 19S. Bloemen tegelijk met of na de bladen verschijnend ... 6
6 Bloemen groen- of geelachtig, in trossen of schermvormige tros
sen. Bladen min of meer gelobd.....A'cer XS7.
Bloemen wit, rood of geel, in trossen of pluimen. Bladen handvormig samengesteld......Aésculus SSif.
7 Plant zonder groene bladen, geheel geelachtig. Bloemkroon
rolrond-klokvormig. Kroonbladen aan den voet met knobbels.
Monótropa 374,.
Bladen samengesteld of min of meer diep gedeeld.... 8
Bladen enkelvoudig, ongedeeld...........iO
8 Bladen in kransen, kamvormig vindeelig. Bloemen in aren.
Waterplant.........Myrioph^llum 3S3.
Bladen tegenoverstaand. Bloemen 5-9 bijeen in een eindelingsch, bijna kubusvormig hoofdje, groenachtig . . Adoxa 317. Bladen verspreid. Bloemkroon geel.........9
Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus).
9 Bloemen in aren. Stijlen 2. Bladen afgebroken gevind.
Agrimónia 331.
Bloemen in bijschermen. Stijl 1. Bladen gevind. Ruta «84.
10 Bladen tegenoverstaand of kransstandig........41
Bladen verspreid................15
11 Vruchtbeginsel onderstandig ............12
Vruchtbeginsel bovenstandig............13
12 Kelk en bloemkroon 4-bladig. Stijl 1. Bladen meest lancet-
vormig of langwerpig......Onagraceeën 319.
Kelk 4- of 5-spletig, geelachtig. Bloemkroon ontbrekend. Stijlen 2. Bladen nier- tot cirkelvormig. Chrysosplénium 317.
13 Stijl 1. Bloemkroon vergroeidbladig, geel, met 8-deeligen zoom.
Chlora 431.
Stijlen 2-4..................14
14 Bladen tegenoverstaand. Bloemkroon losbladig, 4- of 5-bladig
of ontbrekend. Stijlen 2-4 . . Caryophylleeên Sll. Bladen tegenoverstaand of kransstandig. Bloemen klein, blad-okselstandig. Water- en oeverplanten . . Elatineaf-#. Bladen in kransen van 4. Bloemen alleenstaand, eindelings, groenachtig. Stijlen 4..... . . Paris 109.
15 Bloemen symmetrisch . ... . . ... 16 Bloemen regelmatig...............17
16 Bloemen gespoord. Bloemkroon roodgeel. Bladen cirkelrond,
schildvormig..........Tropaéo 1 um
Bloemen ongespoord, door 2 grootere, tegen de bloemkroon aanliggende kelkbladen vlak. Bladen lancetvormig tot elliptisch, klein..........Polygala KI. XVII.
17 Bloemen met 4-bladigen kelk en bloemkroon. Vruchtbeginsel
onderstandig.........Onagraceeën 31».
Bloemen met een bloemdek................18
18 Bloemdek 5-spletig, wit- of roodachtig. Bladen aan den voet
met vliezige, stengelomvattende scheeden.
Polygonum 107.
Kelk 4- of 5-spletig, geelachtig. Bloemkroon ontbrekend. Bladen nier- tot cirkelvormig .... Chrysosplénium 317.
Klasse IX. Ennedlldria. Negenhelmigen.
1 Bladen wortelstandig, breed-lijnvormig. Bloemen in schermen, Bloemdek dubbel, 6-bladig, gekleurd. Vruchtbeginsels 6. Waterplant...........Butomus 170.
44 Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus).
Bladen stengelstandig, groot, rondachtig-eirond tot langwerpig. Bloemdek enkelvoudig, 6-deelig. Stijlen 2, soms 2 of 4, zeer kort.............Rhéum SO3.
Klasse X. Decamp;ndria. Tienhelmigen.
d Kleine heesters.................2
Kruidachtige planten . ............3
2 Stijl 1. Stempel knopvormig. Bloemkroon vergroeid-tot losbladig.
Ericaceeën 370. Stijlen 3-4. Bloemkroon 5-bladig. Kelk 5-tandig.
Deützia 318.
3 Planten zonder groene bladen, geheel geelachtig. Bloemen in
trossen. Bloemkroon rolrond-klokvormig, 4-5-bladig.
Monótropa 374.
Bladen gedeeld of samengesteld..........4
Bladen enkelvoudig, ongedeeld...........7
4 Vruchtbeginsel onderstandig of halfonderstandig.....5
Vruchtbeginsel bovenstandig............6
5 Stijlen 2. Bloemen in trossen of schermvormige trossen, geel
of wit. Bladen ongedeeld of 3-5-spletig. Saxffraga 310. Stijlen 4 of 5. Bloemen in een eindelingsch, bijna kubusvormig hoofdje, groenachtig. Bladen tegenoverstaand. Adoxa Kl.Vll.
6 Bladen 3-tallig. Bloemkroon geel of wit. Vrucht een veelzadige
doosvrucht............O'xalis KI. XVI.
Bladen gelobd tot gedeeld of gevind. Bloemkroon blauw of rood. Vruchtjes 5, 1-zadig . . . Geraniaceeën 27». Bladen gevind, van aromatischen reuk. Stijl i. Stempel enkelvoudig. Bloemkroon rood of geel . . Rutaceeën «85.
7 Bloemkroon ontbrekend.............8
Kelk en bloemkroon aanwezig...........9
8 Bladen verspreid of tegenoverstaand, niervormig of cirkelrond.
Kelk vlak, geelachtig. Stijlen 2. Chrysosplénium 317. Bladen tegenoverstaand, lijnvormig of eirond. Kelk groenachtig. Stijlen 2-5........Caryophylleeën ill.
9 Vruchtbeginsels 5. Kelk en bloemkroon 5-bladig. Bladen dik
en vleezig.........Crassulaceeën iiâ
Vruchtbeginsel 1. Stijlen 2-5...........10
Vruchtbeginsel 1. Stijl i...............H
40 Vruchtbeginsel bovenstandig. Stijlen 2-5. Bladen tegenoverstaand.
Caryophylleeën 1611,
Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus). 43
Vruchtbeginsel onderstandig. Stijlen 2. Bladen verspreid of
wortelstandig..........Saxffraga 3tU.
14 Kelk tot aan den voet 5-deelig. Bloemkroon 5 bladig. Bladen gekarteld of gezaagd, meest groen blijvend . Pfrola 33 3. Kelk 5-spletig. Bloemkroon 5-spletig. Bladen gaafrandig.
Samolus KL v.
Klasse XI. Dodecdndria. Twaalfhelmigen.
Planten met wit melksap. Bloemen meest groenachtig geel, zelden roodachtig. Vruchtbeginsel knikkend, 3-knoppig. Bladen ongedeeld.........Euphorbia 203.
Planten zonder melksap.............2
Bloemdek klokvormig, 3-spletig, bruinachtig. Vruchtbeginsel onderstandig. Bladen niervormig . . . A's arum 3HO.
Bloemen met kelk en bloemkroon..........3
Kroonbladen ten deele onregelmatig ingesneden, 4-6. Vruchtbeginsel vroegtijdig open. Bladen vindeelig tot ongedeeld.
Reseda 007.
Kroonbladen ongedeeld..............4
Vruchtbeginsels 5-20. Bloemkroon 5-20-bladig, geel, wit of roodachtig. Bladen eirond tot lijnvormig, dik en vleezig.
Crassulaceeen 314. Vruchtbeginsels 2. Bloemkroon 5-bladig, geel. Bladen afge
broken gevind.........Agrimónia33^.
Vruchtbeginsel i. Bladen ongedeeld.........5
Bloemkroon rood of roodachtig. Kelk buisvormig, 8-12-tandig.
Stijl 1.............L^thrum 3Z5-
Bloemkroon geel. Kelk 3-spletig. Stijl3-ö-deelig. Portulaca 897.
Klasse XII. Icosdndria. Twintighelmigen.
Bladen tegenoverstaand.............2
Bladen verspreid, ongedeeld of gevind, vaak met steunbladen. Vruchtbeginsels en stijlen 1 tot veel. Bloemkroon 4- of 5-bladig,
zeldzamer ontbrekend.............3
Bloemkroon 4- of 5-bladig, wit. Stijlen 3-5. Vruchtbeginsel
onderstandig.........Philadélphus 318.
Kroonbladen talrijk, geleidelijk in de kelkbladen en in de meeldraden overgaand, bruin.....Calycanthus »3».
Stijl 1....................4
â #4 Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus).
Stijlen 2 5................. . 5
Stijlen 6 of meer. Kelk 5-10-slippig. Kroonbladen 5, zeldzamer 4. Vruchtbeginsels talrijk, vrij. Bladen met steunbladen. Kruiden of heesters..............Rosaceeën 3^7.
4 Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk 5-slippig. Kroonbladen 5,
wit tot rose. Steenvrucht . . . . Amygdaleeën 33». Vruchtbeginsel onderstandig. Bladen gelobd. Kelk 5-spletig. Bloemkroon 5-bladig. Sappige steenvrucht.
Crataégus (monog^na) 343.
5 Bloemkroon aanwezig..............6
Bloemkroon ontbrekend. Kelk 4-deelig. Bloemen in bolvormige
aren. Bladen gevind. Kruid. S angui sórba (tnfnor) KL XXI.
6 Vruchtbeginsel i , 2-5-hokkig, met de vleezig wordende kelk
buis vergroeiend en een schijnvrucht vormend. Boomen of
heesters...........Pomaceeën 34».
Vruchtbeginsels 3-5 of meer, vrij, bij de rijpheidals een doosvrucht naar binnen openspringend. Heesters of kruiden. Spiraéa 337.
Klasse XIII. Poly4ndria. Veelhelmigen.
1 Vruchtbeginsels 2 tot vele............2
Vruchtbeginsel 1................3
2 Kruiden, zelden heesters. Bladen meest gedeeld of samenge
steld. Kroonbladen 3-6 of meer, vaak zeer klein en eigenaardig van vorm of ontbrekend . . . Ranunculaceeén ÃHn. Heesters of boomen. Bladen groot, enkelvoudig. Kroonbladen 6 tot meer. Bloemen zeer groot . Magno 1 iaceeén.
3 Landplanten.................4
Waterplanten. Bladen groot, drijvend. Kelk 4-5-bladig. Kroonbladen talrijk, wit of geel . . Nymphaeaceeën ÃMO.
4 Bloemkroon 5-bladig..............5
Bloemkroon 4-bladig, evenals de kelk afvallend .... 7
5 Stijl quot;1....................6
Stijlen 3. Meeldraden tot 3 bundels vergroeid. Bladen enkelvoudig, ongedeeld, tegenoverstaand. Hypericineeën KL xvm.
6 Kelkbladen 3 (of 5, waarbij 2 kleinere). Stempel enkelvoudig.
Vrucht een doosvrucht. Kleine heesters of kruiden.
Cistineeën a7S.
Kelkbladen 5, gelijk. Stempel 5-tandig. Vrucht nootachtig. Bladen hartvormig. Boomen . . . . Tiliaceeën 973. 7 Kelk (i-)2-bladig. Doosvrucht bolrond, knots- of lijnvormig.
Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus). SS
Stengelbladen meest vindeelig. . Papaveraceeën ÃSI. Kelk 4-bladig. Vrucht besachtig. Bladen 3-tot meervoudig 3-tallig.
Actaéa ÃSO.
|
2 | |
|
3 | |
|
ïe- | |
|
% | |
|
». | |
|
en | |
|
4 | |
|
n- | |
|
0. | |
|
5 | |
|
7 | |
|
6 | |
|
j- | |
|
I. |
ft |
|
r 3* |
1 |
Klasse XIV. Didyndmia. Tweemachtigen.
â 1 Vruchtbeginsel 4-deelig, later in 4 eenzadige nootjes uiteenvallend. Kelk 2-10-tandig. Bloemkroon vergroeidbladig, onregelmatig, meest 2-lippig. Bladen tegenoverstaand. Stengel
vierkantig............Labiaten SOO.
Vruchtbeginsel (van buiten) enkelvoudig.......2
2 Kruidachtige planten...............3
Boomen. Bladen en bloemen groot. Kelk 5-deelig. Bloemkroon
klok-trechtervormig, 5-spletig, 2-lippig met bijna 2-lippigen zoom.............Paulównia SISO.
3 Planten met groene bladen............4
Planten zonder groene bladen...........5
4 Kelk 4- of o tandig. Bloemkroon trechtervormig, met onge
lijk 5-spletigen zoom. Vrucht, als zij rijp is, in nootjes uiteenvallend .........Verbenaceeën SSO.
Kelk 2-5-slippig. Bloemkroon min of meer ongelijkslippig tot 2-lippig. Doosvrucht 2-hokkig. S cr o ph ularineeën 30S.
5 Bloeiwijze naar één zijde gekeerd. Schubben tegenoverstaand.
Lathraéa SOO. Bloeiwijze naar alle zijden gekeerd. Schubben verspreid.
Orobanche S9-M.
Klasse XV. Tetradyndmia. Viermachtigen.
1 Kelk 4-bladig. Kroonbladen 4, soms ontbrekend. Meeldraden op den bloembodem ingeplant. Stamper 1. Vrucht een hauw of een hauwtje.........Cruciferen SSS.
Klasse XVI. Monadélphia. Eenbroederigen.
4 Bloemkroon losbladig..............2
Bloemkroon vergroeidbladig (soms bijna tot aan den voet gedeeld)..................6
2 Bloemkroon regelmatig..............3
Bloemkroon symmetrisch.............5
3 Bladen gelobd tot gedeeld of samengesteld......4
. 5 ier4. liden ra?, n 5, 13». etig.
S3.
. 6
aige
XXI.
elk-
i of ,
ts.
cht
t7.
Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus).
Stijlen 2 5................. . 5
Stijlen 6 of meer. Kelk 5-10-slippig. Kroonbladen 5, zeldzamer 4. Vruchtbeginsels talrijk, vrij. Bladen met steunbladen. Kruiden of heesters .......... Rosaceeën 3g7.
Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk 5-slippig. Kroonbladen 5, wit tot rose. Steenvrucht . . . . Amygdaleeën 339. Vruchtbeginsel onderstandig. Bladen gelobd. Kelk 5-spletig. Bloemkroon 5-bladig. Sappige steenvrucht.
Crataegus (monog^na) 343.
Bloemkroon aanwezig..................6
Bloemkroon ontbrekend. Kelk 4-deelig. Bloemen in bolvormige aren. Bladen gevind. Kruid. S an gui só r ba (minor) KI. XXI. Vruchtbeginsel 1, 2-5-hokkig, met de vleezig wordende kelkbuis vergroeiend en een schijnvrucht vormend. Boomen of
heesters...........Pomaceeen 34«.
Vruchtbeginsels 3-5 of meer, vrij, bij de-rijpheid als een doosvrucht naar binnen openspringend. Heesters of kruiden. Spiraéa 337.
Klasse XIII. Polyündria. Veelhelmigen.
1 Vruchtbeginsels 2 tot vele............2
Vruchtbeginsel 1................3
2 Kruiden, zelden heesters. Bladen meest gedeeld of samenge
steld. Kroonbladen 3-6 of meer, vaak zeer klein en eigenaardig van vorm of ontbrekend . . . Ra nu ncu lac eeên Zamp;O. Heesters of boomen. Bladen groot, enkelvoudig. Kroonbladen 6 tot meer. Bloemen zeer groot . Magno 1 iaceeên. ZSS.
3 Landplanten.................4
Waterplanten. Bladen groot, drijvend. Kelk 4-5-bladig. Kroonbladen talrijk, wit of geel . . Nymphaeaceeën 240.
4 Bloemkroon 5-bladig..............5
Bloemkroon 4-bladig, evenals de kelk afvallend .... 7
5 Stijl 1....................6
Stijlen 3. Meeldraden tot 3 bundels vergroeid. Bladen enkelvoudig, ongedeeld, tegenoverstaand. Hypericineeën KI. xvm. 6 Kelkbladen 3 (of 5, waarbij 2 kleinere). Stempel enkelvoudig. Vrucht een doosvrucht. Kleine heesters of kruiden.
Cistineeën tSi.
Kelkbladen 5, gelijk. Stempel 5-tandig. Vrucht nootachtig. Bladen hartvormig. Boomen . . . . Tiliaceeën 97S. 7 Kelk (l-)2-bladig. Doosvrucht bolrond, knots- of lijnvormig.
44
Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus). 45
Stengelbladen meest vindeelig. . Papaveraceeën 241. Kelk 4-bladig. Vrucht besachtig. Bladen 3-tot meervoudig 3-tallig.
Actaéa S-MO.
Klasse XIV. Didyn^mia. Tweemachtigen.
i Vruchtbeginsel 4-deelig, later in 4 eenzadige nootjes uiteenvallend. Kelk 2-10-tandig. Bloemkroon vergroeidbladig, onregelmatig. meest 2-lippig. Bladen tegenoverstaand. Stengel
vierkantig............Labiaten 400.
Vruchtbeginsel (van buiten) enkelvoudig.......2
2 Kruidachtige planten...............3
Boomen. Bladen en bloemen groot. Kelk 5-deelig. Bloemkroon
klok-trechtervormig, 5-spletig, 2-lippig met bijna 2-lippigen zoom.............Paulównia 420.
3 Planten met groene bladen ............4
Planten zonder groene bladen...........5 â¢
4 Kelk 4- of 5-tandig. Bloemkroon trechtervormig, met onge
lijk 5-spletigen zoom. Vrucht, als zij rijp is, in nootjes uiteenvallend .........Verbenaceeën MSG.
Kelk 2-5-slippig. Bloemkroon min of meer ongelijkslippig tot 2-lippig. Doosvrucht 2-hokkig. S er o ph ularin eeën 3»a.
5 Bloeiwijze naar één zijde gekeerd. Schubben tegenoverstaand.
Lathraéa 40«. Bloeiwijze naar alle zijden gekeerd. Schubben verspreid.
Orobanche 484.
Klasse XV. Tetradyndniia. Viermachtigen.
1 Kelk 4-bladig. Kroonbladen 4, soms ontbrekend. Meeldraden op den bloembodem ingeplant. Stamper 1. Vrucht een hauw of een hauwtje.........Cruciferen SMS.
Klasse XVI. Monadélphia. Eenbroederigen.
1 Bloemkroon losbladig..............2
Bloemkroon vergroeidbladig (soms bijna tot aan den voet
gedeeld)..................6
2 Bloemkroon regelmatig..............3
Bloemkroon symmetrisch.............5
3 Bladen gelobd tot gedeeld of samengesteld......4
F amiliëntabellen (stelsel van Linnaeus).
Bladen ongedeeld, smal. Bladen lijn-lancetvormig of lijnvormig. Bloemkroon blauw of wit. Meeldraden 5. . Lfnum *83.
4 Bladen gelobd tot gedeeld of gevind. Kelk- en kroonbladen 5.
Meeldraden 5-10. Vruchtjes 5, eenzadig, bij rijpheid zich met de stijlen van een middelzuiltje loslatend.
Geraniaceeën gt9. Bladen 3-tallig. Blaadjes overlangs gevouwen. Kelk- en kroonbladen 5. Meeldraden 10. Vrucht een 5-kleppige, veelzadige
doosvrucht.............O'xalis «8«.
Bladen gelobd tot gedeeld. Meeldraden talrijk. Vrucht in vele deelvruchtjes uiteenvallend . . . . Malvaceeën etu.
5 Kelk 5-tandig tot 5-deelig of 2-lippig. Bloemkroon vlinder-
vormig. Meeldraden 10. Bladen meest samengesteld.
Papilionaceeén 346. Bloemen door twee grootere, gekleurde, tegen de bloemkroon liggende kelkbladen vlak. Meeldraden 8. Bladen enkelvoudig.
Polygala KI. XVII.
6 Planten met ranken en gelobde bladen. Bloemkroon 5-spletig
tot 5-deelig. Vruchtbeginsel onderstandig.
Cucurbitaceeën KI. XXI. Planten zonder ranken, met ongedeelde bladen. Bloemkroon 5-deelig..................7
7 Vruchtbeginsel 1. Meeldraden alleen beneden vergroeid. Bloem
kroon geel..........Lysimachia KL v.
Vruchtbeginsels 2, met getneenschappelijken stempel. Meeldraden geheel vergroeid. Bloemkroon wit.
Cynanchum 434L
Klasse XVII. Diadélpllisi Tweebroederigen.
1 Meeldraden 10, alle tot een bundel vergroeid, of 9 vergroeid en 1 vrij. Bloemkroon vlindervormig. Kelk 5-tandig tot 5-deelig of 2-lippig. Bladen meest samengesteld.
Papilionaceeën 346.
Meeldraden 8, tot 2 bundels vergroeid. Bloemen door 2 grootere , gekleurde, tegen de bloemkroon liggende kelkbladen vlak. Bladen enkelvoudig, ongedeeld. . . Polygaleeën »88.
Meeldraden 6, 3 aan 3 vergroeid. Kroonbladen 4, 1 of 2 er van gespoord. Kelkbladen 2, afvallend. Bladen samengesteld.
Fumariaceeën *43.
Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus). 4f
Klasse XVIII. Polyadélphia. Veelbroederigen.
1 Kelk 5-deelig of 5-bladig. Kroonbladen 5, geel. Stijlen (bij de inlandsche soorten) 3. Doosvrucht 3-hokkig. Bladen tegenoverstaand, ongedeeld........Hypericum 919.
Klasse XIX. Syngenésia. Saimhelmigen.
1 Bloemen in hoofdjes door een gemeenschappelijk omwindsel
omgeven..................2
Bloemen niet in hoofdjes.............3
2 Helmknopjes tot een buis vergroeid. Bloemkroon buisvormig,
5-tandig of 5-spletig of lintvormig. Kelkzoom meest uit haren
gevormd ..........Compositen SSl,
Helmknopjes vrij of alleen aan den voet iets verbonden. Bloemkroon 5-deelig. Kelk kruidachtig, 5-spletig.
Campanulaceeën â tas.
3 Bloemen gespoord. Vrucht een doosvrucht......4
Bloemen ongespoord..............5
4 Kelkbladen 3-5, meest 3 , het grootste gespoord, gekleurd.
Kroonbladen 5, de zijdelingsche paarsgewijze vergroeid.
Balsamineeën KI v. Kelkbladen 5, groen, aan den voet met aanhangsels. Kroonbladen 5, één gespoord........Viola KL V,
5 Bloemkroon regelmatig, stervormig, 5-spletig. Vrucht een bes.
Solanum KI. V. Bloemkroon symmetrisch, 2-lippig. Vrucht een doosvrucht.
Lobélia 43«.
Klasse XX. Gynandria. Helmstijligen.
1 Helmknopjes quot;1-2. Vruchtbeginsel onderstandig. Bloemdek sym-
metiisch , 6-deelig of 6-bladig. Bladen parallelnervig, soms
schubvormig..........Orchideeën 160.
Helmknopjes 6. Bloemdek buikig-buisvormig, 1-lippig of 3-lob-big, afvallend. Bladen hartvormig . Aristolóchia 306. Helmknopjes 12 tot veel.............2
2 Waterplanten. Bloemen met kelk en bloemkroon. Kelk 4-5-
bladig. Bloembladen talrijk . Nymphaeaceeën KI. XIII. Landplanten..................3
3 Bloemdek klokvormig, 3-spIetig, bruin. . . A's arum 360
é-S Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus).
Bloemen met kelk en bloemkroon. Bloemkroon vergroeidbladig, wit.............Cynanchum 434.
Klasse XXI. Monoécia. Eenhuizigen.
1 Waterplanten (in water drijvend of voor 't grootste deel onder
gedoken) ..................2
Land- of moerasplanten.............6
2 Bebladerde planten...............3
Kleine, bladlooze, drijvende plantjes met bladachtigen stengel.
Bloemen uit een spleet van den stengel te voorschijn komend-
Lemnaceeën 119.
3 Bladen gedeeld, in kransen. Bloemen klein...... 4
Bladen enkelvoudig, ongedeeld...........5
4 Bladen kamvormig vindeelig. Bloemen in kransen, in zich
boven den waterspiegel bevindende aren.
Myriophfllum 3113. Bladen herhaald gedeeld. Bloemen zittend in de bladoksels. In water ondergedoken planten. Ceratophylleeën IfHi.
5 Bladen wortelstandig, langgesteeld, pijlvormig. Kelk en bloem.
kroon 3-bladig. Meeldraden en stampers talrijk.
Sagittaria 170.
Bladen verspreid, tegenoverstaand of bijna kranswijs, lijn- tot draadvormig. Bloemdek enkelvoudig of ontbrekend.
Geslachten der Najadeeën 119. Bladen kruiswijs of kransstandig. Bloemen alleenstaand in de bladoksels, klein........Callitrfche »00.
6 Grasachtige gewassen. Bladen smal-lijnvormig, parallelnervig. 7
Kruiden......................9
Boomen of heesters...............46
7 In het wild groeiende gewassen...........8
Gekweekt gras. Mannelijke bloemen in een eindelingsche pluim,
de vrouwelijke in zijdelingsche bloeikolven . . Z é a 13 H.
8 Bloemen in rolronde, boven elkaar staande bloeikolven of in
bolvormige hoofdjes, de mannelijke boven de vrouwelijke
staand............Typhaceeën 11S.
Bladen in de oksels van schubachtige schutbladen (kaijes), tot op verschillende wijzen gegroepeerde, zeldzaam alleenstaande aartjes vereenigd. Meeldraden 3. Stempels 2-3. Carex ISO.
9 Bladen wortelstandig..............
Bladen tegenoverstaand of verspreid........11
Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus).
10 Bladen breed, hart- of pijlvormig. Bloemen in bloeikolven,
door een groote scheede omgeven. . . Aroideeën tl7. Bladen smal-lijnvormig. Vrouwelijke bloemen 2-4 bijeen aan den voet van een gesteelde, mannelijke bloem zittend.
Littorélla â¢#«».
11 Planten met wit melksap. Bloemen meest in schermen, geel
achtig groen. Vruchtbeginsel gesteeld, 3-knoppig. Bladen
meest verspreid.........Euphorbia i03.
Planten met brandbaren. Bloemen alleenstaand, in kluwens of in pluimen. Bloemdek enkelvoudig. Bladen tegenoverstaand.
Urti'ca 103.
Planten met ranken. Bloemen met kelk en bloemkroon. Bloemkroon 5-spletig of 5-deelig. Vruchtbeginsel onderstandig. Bladen handnervig, meest gelobd.
Cucurbitaceeën 439. Planten zonder melksap, brandbaren en ranken.....12
12 Bloemen in bolronde aren of hoofdjes........13
Bloemen in kluwens, pluimvormige aren of trossen . . . 14
13 Bladen gevind. Bloemdek 4-deelig, groen tot bruinachtig.
Stempel rood.....Sanguisórba (mfnor) 33S.
Bladen enkelvoudig, gelobd of gespleten. Mannelijke bloemen in rijkbloemige hoofdjes. Vrouwelijke bloemen 2 aan 2 in een stekelig omwindsel......Xanthium 404.
14 Meeldraden 5. Bladen enkelvoudig, ongedeeld.....15
Meeldraden talrijk. Bloemdek 5- of 3-deelig. Bladen handlobbig.
Rfcinus 200,
15 Bloemdek vliezig, 3-5-deel;g, groen of purper. Stempels 3.
Amarantaceeën «fO. Bloemdek kruidachtig, groen. Stempels 2.
Geslachten der Chenopodieeën SOS.
16 Bladen naaldvormig. Mannelijke bloemen uit aarvormig ge
rangschikte meeldraden bestaand. Vrouwelijke bloemen in aren, uit naakte zaadknoppen bestaand. Vrucht een houtige kegel........Geslachten der Coniferen »4.
Bladen niet naaldvormig.............17
17 Bloemen, althans de mannelijke, in katjes. Bladen verspreid,
in den herfst afvallend.............18
Bloemen niet in katjes. Bladen tegenoverstaand .... 22
18 Boomen. Alleen de mannelijke bloemen in katjes. ... 19 Mannelijke en vrouwelijke bloemen in katjes. Boomen en
heesters..................20
HEUKEL3, Schoolflora. 8« druk. 4
4»
SO Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus).
19 Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2-3 bijeen aan den top
der takjes. Mannelijke katjes rolrond, ongesteeld. Bladen
oneven gevind........Juglandeeën ISO.
Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2-5 bijeen, door een blijvend, later zich vergrootend of bekervormig omwindsel omsloten. Mannelijke katjes rolrond of bolvormig en dan langgesteeld. Bladen enkelvoudig, ongedeeld tot bochtig gelobd............Cupuliferen 184.
20 Katjes, althans de vrouwelijke, bolrond. Bladen handnervig,
gelobd...................21
Katjes ei- tot rolrond. Vruchtbeginsels 2-hokkig, in den oksel van ieder schutblad 1-3. Stempels 2, draadvormig. Vrucht een eenhokkige, eenzadige noot. Bladen ongedeeld, niet handnervig..........Betulaceeën 182.
21 Mannelijke katjes langwerpig, de vrouwelijke bijna bolrond,
later tot een sappige schijnbes uitgroeiend. Bloemdek 4-bladig. Meeldraden 4. Stempels 2. Boomen met melksap.
Mórus ÃOt.
Mannelijke er. vrouwelijke katjes bolrond, parelsnoervormig, hangend. Bloemdek ontbrekend. Meeldraden talrijk. Stijlen priemvormig. Nootjes 1-zadig. Boomen niet melksapgevend.
Plataneeën lOO.
22 Op boomen woekerende, kleine heester met gaffelvormig ver
takten stengel. Planten 1- of 2-huizig. Vrucht een eenzadige
bes.............Viscum KI. XXII.
Een niet woekerende heester (of boom), 1-huizig. Vrucht een
3-hokkige doosvrucht....... . . Buxus»®?.
Boomen, 2-slachtig of 1-huizig. Meeldraden meest 8(5-12). Vrucht een gevleugelde, '2-deeIige splitvrucht. Bladen handvormig ingesneden..............Acer 287.
Klasse XXII. Dioécift. Tweehuizigen.
Boomen of heesters...............2
Kruiden...................12
Bladen naaldvormig...............3
Bladen niet naaldvormig.............4
Mannelijke bloemen in aren, vrouwelijke alleenstaand of 3 bijeen. Bloemdek ontbrekend. Eitjes niet in een holte gesloten. Schijnbes. Boomen of heesters.
Geslachten der Coniferen »4.
Familiëntabel 1 en (stelsel van Linnaeus). Jtl
Bloemen niet in katjes, alleenstaand. Bloemen met kelk en bloemkroon. Kroonbladen en â meeldraden 3. Stempels 6-9. Bes 6-9-hokkig. Klein, liggend heestertje.
E'mpetrum S9amp;.
4 Mannelijke en vrouwelijke bloemen in langwerpige of rolronde
katjes......â¢............5
Bloemen niet in katjes ..............6
5 Helmknopjes langer of korter gesteeld. Stempels 2, meest kort,
vaak gespleten. Vrucht een 2(-4)-kleppige doosvrucht. Zaden
met haarkuif..........Salicineeen 1S9.
Helmknopjes bijna zittend. Stempels 2, draadvormig. Vrucht bijna steenvruchtachtig. Zaden zonder haarkuif. Lage heester met een aangename, aromatische reuk . . M Æ rica 187.
6 Op boomen woekerende, kleine heester met gaffelvormig ver
takten stengel. Bladen ongedeeld, tegenoverstaand, lederachtig. Bloemen eindelings. Meeldraden 4. Bes.
Vfscum 307.
Niet woekerende, in den bodem staande heesters .... 7
7 Bladen enkelvoudig, ongedeeld. Meeldraden meest 4 . . 8 Bladen samengesteld. Bloemdek soms ontbrekend. ... 9
8 Bladen zilvergrijs-schilferig, lancetvormig. Bloemdek 2-deelig
of 2-spletig. Stijl kort, enkelvoudig . Hippóphae 3SH. Bladen groen, elliptisch tot elliptisch-lancetvormig. Kelk 4-spletig. Kroonbladen 4, klein. Stijl 2-4-spletig.
Rhamnus KI. IV.
9 Bladen (en takken) tegenoverstaand.........10
Bladen verspreid................11
10 Bloemdek ontbrekend. Meeldraden 2. Bloemen rechtopstaand,
in pluimen. Bladen gevind . . . . . Fraxinus KI. II. Kelk 4-5-tandig. Bloemkroon ontbrekend. Bloemen hangend. Bladen 3-talIig of 5-taUig gevind. . . . Ne gun do SSS.
11 Bladen gevind. Bloemen in schermvormige pluimen. Kelk 5-
spletig. Kroonbladen en meeldraden 5 . . . Rhus ÃSH. Bladen 3-tallig. Bloemen in pluimen. Kelk 4-5-spletig. Kroonbladen en meeldraden 4-5.......Ptélea KI. IV.
12 Waterplanten. Kelk en bloemkroon 3-bladig. Meeldraden 3-12.
Stempels 3 of 6, meest 2-spletig. Vruchtbeginsel onderstandig.
Vrucht besachtig.....Hydrocharideeën ISO.
Ondergedoken waterplanten met stekelig getande, lijnvormige
bladen...........Najas (major) ISO.
Landplanten..................13
13 Bladen tegenoverstaand..............14
31 Farailiëntabellen (stelsel van Linnaeus).
Bladen verspreid................IS
14 Bloemdek enkelvoudig..............io
Bloemen met kelk en bloemkroon. Kelk soms onduidelijk . 17 45 Bladen gelobd of gedeeld. Mannelijke bloemen in pluimen. Meeldraden 5. Stengel rechtopstaand of windend.
Cannabineeën lOS.
Bladen enkelvoudig, ongedeeld...........quot;16
â¢16 Planten zonder brandbaren. Mannelijke bloemen in aren, de vrouwelijke alleenstaand of in hoopjes. Meeldraden 8 of meer.
Mercuridlis g90.
Planten met brandbaren. Meeldraden 4.
Urtica (diofca) 19i.
17 Kelk slechts met een smallen rand. Bloemkroon 5-spletig. Meel
draden 3. Stijl 1. Vruchtbeginsel onderstandig. Stengelbladen vindeelig.....Valeriana (diofca) 447.
Kelk duidelijk, 5-tandig. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden 10. Stijlen 3-5. Vruchtbeginsel bovenstandig. Bladen ongedeeld.
Geslachten der Caryophylleeën lilt.
18 Stengel windend of met ranken zich vasthechtend. Bloemkroon
diep 5-deelig. Meeldraden 5, 2 paar vergroeid, 1 vrij. Bladen
3-7-lobbig.........Bryónia (diofca) 440.
Stengel niet windend of met ranken zich vasthechtend . .19
19 Bladen herhaald gevind. Bloeiwijze pluimvormig, met aarvor-
mige takken...........Spiraéa KI. XII.
Vergelijk ook Sanguisórba (minor) biz. 33S. Bladen enkelvoudig, ongedeeld20
20 Bladen zeer klein, schubvormig. Stengel zeer vertakt. Takken
borstelvormig, in bundels. Bloemdek 6-deelig.
Asparagus KL VI.
Bladen lijnvormig, grasachtig. Stengel niet vertakt. Bloemen in de oksels van schubvormige schutblaadjes (kafjes) tot aartjes vereenigd.......Soorten van Cirex tSO.
Bladen ei-, spies- of pijlvormig...........21
21 Buitenste bloemdek 3-deelig, het binnenste 3-bladig. Meeldra
den 6. Stempels 3, penseelvormig. Vrucht 3-kantig.
Rum ex KL VI.
Bloemdek der mannelijke bloemen 4-5-deelig, dat der vrouwelijke 2-4-tandig. Meeldraden 4. Stempels 4.
Spinacia £08.
Familiëntabellen (stelsel van Linnaeus). S3
Klasse XXIII. Polygamp;misi. Veelteligen.
De hiertoe behoorende geslachten zijn naar den bouw hunner tweeslachtige bloemen in de voorafgaande klassen gerangschikt.
Klasse xxiv. Cryptogam ia.
Deze klasse omvat de eerste 8 klassen van het natuurlijke stelsel.
OVERZICHT
van eenige, naar de deelen der bloem moeiiyk te bepalen land- en waterplanten. 1)
4 Drijvende of ondergedoken waterplanten.......2
Land- of moerasplanten of in het water rechtopgroeiende en zich ver boven den waterspiegel verheffende gewassen. . 21 2 Bladen ontbrekend. Vrij zwemmende of ten deele ondergedoken . plantjes, met bladachtig verbreeden stengel. Lémna HO.
Bladen gedeeld of samengesteld..........il
Bladen enkelvoudig, ongedeeld...........3
3 Bladen getand of fijn gezaagd...........4
Bladen gaafrandig...............7
4 Bladen in rosetten, drijvend of ondergedoken.....5
Bladen in kransen. Ondergedoken planten......6
5 Bladen lijnlancetvormig (zwaardvormig), doornig getand, een
rechtopstaand roset vormend .... Stratiótes ISO. Bladen ruitvormig, getand, een op den waterspiegel drijvend roset vormend............Trdpa 393.
6 Bladen stekelig getand, schijnbaar kransstandig. Meestal stijve,
broze planten............Najas fao.
Bladen fijn gezaagd, in kransen van 3 of 4 . Elodéa ISO.
7 Bladen elliptisch of eirond tot langwerpig-lancetvormig . . 8 Bladen lijn-, priem-, draad- of borstelvormig......41
8 Bladen 2-rijig, elliptisch of langwerpig. Kleine, vrij zwemmende
planten met bolvormige of eironde sporevruchten. Salvfnia»!. Bladen tegenoverstaand of verspreid.........9
9 Bloemen in gesteelde eind- of bladokselstandige aren, groen
achtig. Bladen elliptisch tot lancetvormig, verspreid, zeldzamer tegenoverstaand .....Potamogéton 191.
Bloemen 3-5 bijeen in de bladoksels, gesteeld, wit. Bladen spatelvormig tot lijnvormig-langwerpig, tegenoverstaand.
Móntia 993,
Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Bladen tegenoverstaand. 10 quot;10 Bloemen zonder duidelijk bloemdek. Bladen omgekeerd-eirond tot lijnvormig, de bovenste in rosetten of opeengedrongen.
Callitrfche 900.
Bloemen met 4-deeligen kelk, zonder bloemkroon. Bladen ellip-
1
d. i. van zulke planten, die, zooals vele waterplanten, zelden bloeien of wier bloem deelen te klein of om andere redenen moeiljjk na te gaan zgn.
Planten, naar de bloem moeilijk te determineeren. SSf
tisch, spits, glanzig........Isnardia SH'i.
â 11 Bladen kransstandig...............12
Bladen verspreid, wortelstandig of in bundels.....13
12 Bladkransen 8-12-bladig. Bladen lijnvormig. Stengel meesta'
rechtopstaand, hol, geleed.....Hippuris3»4quot;
Bladkransen 3-bladig. Bladen bijna draadvormig, tot 0,08 lang. Stengel drijvend........Zannichéllia *81.
13 In ondiep zeewater of in zouthoudend water......14
In zoet, stilstaand of stroomend water........15
14 Bladen borstelvormig, 0,02-0,07 lang. Bloemen in 2-bloemige,
gesteelde aren...........Ruppial®!.
Bladen lang-lijnvormig, met afgeronden top, 0,10-0,30 lang. Bloemen kleine, ingesloten bloeikolven vormend.
Zostéra ISO.
15 Bladen in bundels. Bloemen in tot bundels gerangschikte hoofdjes.
Bladen bijna borstelvormig. . Soorten van J uncus lOS. Bladen verspreid................16
16 Bloemen bolvormige tot trossen gerangschikte aren vormend,
waarvan alleen de eindelingsche mannelijk is. Bladen lang-lijnvormig, grasachtig . Sparganium mfnimum 11.3. Bloemen een klein, eindelingsch aartje vormend, zonder bloem-dek. Bladen bijna borstelvormig. Sci'rpus fluïtans IttS. Bloemen in meest langgesteelde, bladokselstandige aren. Bladen lijn- tot borstelvormig......Potamogéton 191.
17 Bladen met rondachtige, vliezige blazen tusschen de bladslippen.
Bloemen geel, 2-lippig......Utriculariaia.l.
Bladen zonder blazen..............18
18 Bladen in kransen...............19
Bladen verspreid, soms bijna in rosetten.......20
19 Bladen herhaald gaffelvormig gedeeld, met borstelvormige,
zachte of lijnvormige en stijve slippen. Bloemen klein, alleenstaand in de bladoksels .... CeratophyHum 190, Bladen diep kamvormig vindeelig. Bloemen in afgebroken, kransvormige aren......Myrioph Æ Hum 3g3.
20 Bladen kamvormig vindeelig, dicht bijeen. Bloemen in een
eindelingschen, afgebroken tros. . . . Hottónia 3 7 3. Bladen niet vindeelig, niet dicht bijeen. Bloemen alleenstaand.
Soorten van Ranunculus 930.
21 Stengel windend................22
Stengel liggend of kruipend. Meest kleine kruiden ... 24 Stengel rechtopstaand of opstijgend.........35
SO Planten, naar de bloem moeilijk te determineeren.
22 Bladen ontbrekend. Bloemen klein, in kluwens. Bloemkroon
4-5-spletig............Cuscuta 379.
Bladen aanwezig, groot, met hartvormigen voet .... 23
23 Bladen stekelpuntig gezaagd-getand, 3-5-lobbig of 3-ó-spletig,
ook ongedeeld, tegenoverstaand. Planten 2-huizig.
Hümulus 1HS.
Bladen gaafrandig, hart-eivormig, verspreid. Bloemen 2-slachtig, pijpekopachtig, alleenstaand (of 2 aan 2) in de bladoksels.
Aristolóchia Sipho 300.
24 Bladen vindeelig, met lijnvormige of wig-lijnvormige slippen.
Bloemen in kleine bladokselstandige trossen. Hauwtjes bijna
niervormig...........Senebiéra 80S.
Bladen enkelvoudig, ongedeeld...........25
25 Bladen niervormig of rondachtig..........26
Bladen elliptisch of eirond tot lijnvormig-langwerpig. Bloemen
zeer klein . . . .............⢠. 30
Bladen lijn- tot priemvormig............27
26 Bladen niervormig, kort behaard, bijna tegenoverstaand. Stengel
zeer kort. Bloemen kortgesteeld, vrij groot, bruinachtig.
A's arum 300.
Bladen cirkelrond, schildvormig. Stengel draadvormig, kruipend. Bloemen in gesteelde 3-5-bloemige hoofdjes, zeer klein, wit of roodachtig........Hydrocotyle SOS.
27 Bloemen ontbrekend. Bladen 0,05-0,-10 lang, aan den voet met
bolronde sporevruchten. Stengel draadvormig, kruipend.
Piluldria »0.
Bloemen aanwezig................28
28 Bloemen zittend of zeer kortgesteeld.........29
Bloemen gesteeld, viertallig. Bladen tegenoverstaand.
Sagfna 91S.
29 Bladen verspreid, met stekelpunt. Bloemdek 5-bladig.
Polycnémum 2X1. Bladen tegenoverstaand, zonder stekelpunt. Bloemen â¢4-tallig.
Tillaéa 314.
30 Bladen bijna kranswijs, lijn-langwerpig, hol, altijd groen.
Bloemen alleenstaand in de bladoksels, roodachtig. Vrucht
besachtig. Kleine heester.....E'mpetrum g98.
Bladen verspreid, niet stekelpuntig.........31
Bladen tegenoverstaand, althans de onderste......32
31 Meest donkergroen. Bladen aan den voet met 2-spletige scheeden,
meest lancetvormig. Bloemen 8-5 bijeen in de bladoksels, groenachtig of purper . . Polygonum aviculire 197.
Planten, naar de bloem moeilijk te determineeren. 5?
Blauwgroen. Bladen met vliezige steunbladen, lijn-langwerpig, van voren breeder. Kelkslippen wit vliezig gerand. Bloemkroon
wit. Reuk eigenaardig......Corrigfola ZX*.
Licht- of geelgroen. Vergelijk Herniaria biz. 2H.
32 Bladen stomp, omgekeerd-eirond, gesteeld. Stengel vaak rood,
kaal....................33
Bladen spits..................34
33 Bloemen in okselstandige kluwens, sneeuwwit.
Illécebrum ai*.
Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Bloemkroon rose, zeer klein, spoedig afvallend, soms ontbrekend . PéplisSÃ.
34 Bladen kortgesteeld, langwerpig of elliptisch, spits. Bloemen in
kluwens, groenachtig, kaal of behaard . Herniaria SI*. Bladen in den langeren of korteren bladsteel versmald, elliptisch, spits, iets vleezig, glanzig. Bloemen alleenstaand in de
bladoksels, groen.........Isnardia 3X8.
Bladen zittend, eirond tot langwerpig, spits. Bloemen gaffel-
standig. Bloemkroon wit.......Radiola 884.
Bladen zittend, eirond. Bloemen 3-tallig, kortgesteeld of zittend.
Tillaéa 31*.
35 Planten zonder groene bladen. Stengel en takken geleed . 86 Grasachtige, 0,30-1,50 hooge planten met lang-lijnvormige,
parallelnervigo bladen. In moerassen en slooten . . . 37 Kruidachtige, kleinere of grootere land- of moerasplanten . 39
36 Takken kransstandig of ontbrekend. Stengel (en takken) inde knoo-
pen met getande scheeden (vergroeide bladen). E q u i s é t u m 8 ü. Takken tegenoverstaand. Stengel en takken zonder getande scheeden. Onbebladerde, vleezige, kruidachtige plant op voch-tigen, zoutbevattenden bodem. . . . Salicórnia HO*.
37 Bloemen in eindelingsche of zijdelingsche, rolronde, vleezige
aren (bloeikolf)................38
Bloemen in bolvormige, gesteelde, trosvormig gerangschikte aren............Sparganium 110.
38 Aren (schijnbaar) zijdelings. Stengel bladachtig samengedrukt.
Aromatisch riekend.........A'corus 118.
Aren eindelings, boven elkaar staand, geelachtig tot bruin.
Typha HO.
30 Bloemen in min of meer rolronde, door een groote, blijvende bloemscheede omgeven bloeikolven. Bladen hart- of pijlvormig.
Aroideeën 119.
Bloemen in bolvormige of langwerpige hoofdjes. Bladen gelobd of samengesteld............ .... 40
sa pi anten, naar de bloem moeilijk te determineeren.
Bloemen noch in bloeikolven, noch in hoofdjes. Bladen enkelvoudig , ongedeeld...............41
40 Planten eenhuizig, de mannelijke bloemen in hoofdjes, de
vrouwelijke 2 bijeen, in een stekelig, tot een schijnvrucht uitgroeiend omwindsel. Bladen meest 3-lobbig.
Xanthium 404.
Bloemen 2-slachtig, alle in hoofdjes, door een veeldeelig, doornig omwindsel omgeven. Min of meer distelachtige planten..............Erfngium 303.
41 Planten met wit melksap. Bladen verspreid, zelden in kransen.
Bloemen in schermen......Euphorbia IS93.
Planten zonder melksap . ............42
42 Bladen in kransen, lijnvormig. Bloemen okselstandig, zittend,
groenachtig. Stengel rechtopstaand, hol . Hippüris 3X4.
Bladen tegenoverstaand , althans de onderste......43
Bladen verspreid................45
43 Bladen lijn-priemvormig, stekelpuntig, de bovenste verspreid.
Bloemen alleenstaand , okselstandig, zittend.
Polycnémum I61Ã. Bladen breeder, niet stekelpuntig..........44
44 Bloemkroon blauwachtig, zeer klein. Bloemen alleenstaand of
in kleine bij schermen. Bladen lancet- of lijnvormig, de onderste spatelvormig. Stengel gaffelvormig vertakt.
Valerianélla Bloemkroon wit of vleeschkleurig. Bloemen vrij groot, in bij-schermen. Bladen elliptisch tot langwerpig-lancetvormig.
Asclepiadeeën 434.
45 Bladen lijn- tot lijn-priemvormig..........46
Bladen breeder.................47
46 Stengel 0,10-0,45 hoog, vertakt, vleezig. Bladen stekend. Bloe
men zittend, okselstandig. Plant grijsgroen. Salsola £04. Stengel 0,02-0,07 hoog, vertakt. Bladen niet stekend, bijna draadvormig. Bloemen eind- of okselstandig, gesteeld.
S agfna 91S.
47 Stengel 0,30-1,00 hoog. Bladen hart-eivormig. Bloemen in bun
dels in de bladoksels, lichtgeel.
Aristolóchia Clematftis 300. Stengel 0,02-0,08 hoog. Bladen eirond, spits. Bloemkroon klein, wit..........Centunculus 37S.
TABEL
tot bepaling- der houtgewassen naar de bladen.
\ Bladen naald- of schubvormig (klein of zeer klein) .... 5 Bladen breeder, grooter..............*2
2 Bladen enkelvoudig, ongedeeld...........3
Bladen ingesneden of samengesteld..........4
3 Bladen tegenoverstaand..............15
Bladen verspreid ................26
4 Bladen gelobd, gespleten of gedeeld.........59
Bladen gevind of handvormig samengesteld.......69
5 Heesters met des zomers groene bladen. Gedoomde heester.
Bladen lijn-priemvormig, stijf, stekend. Stengel behaard.
Ulex 34:0.
Altijd groene, liggende of rechtopstaande kleine heesters. . 6 Altijd groene grootere heesters of boomen.......8
6 Liggende heesters. Bladen verspreid, bijna in kransen, lijnvor-
mig-langwerpig, beneden wit gekield, hol, kaal.
E'mpetrum *»8.
Rechtopstaande of opstijgende heesters........7
7 Bladen in 4 rijen, dakpansgewijze opeengedrongen, lijn-lancet-
vormig, met pijlvormigen voet, zeer klein. Callüna 3!2. Bladen in kransen van 3 of 4, lijnvormig-langwerpig tot lijnvormig, kaal of stijf behaard......E'rica 37B.
8 Bladen schubvormig of elkaar dakpansgewijze bedekkend of kort
afstaand, nauwelijks 0,0-1 lang..........9
Bladen naaldvormig, langer............10
9 Takken plat gedrukt. De aan beide zijden staande bladen aan
de rugzijde met een verhevenheid of een groef in de lengte.
Thüj a 97.
Takken niet plat gedrukt. Bladen aan de rugzijde meest met een ingedrukte klier, van tweeërlei vorm, aan eenige takken smaller, toegespitst, afstaand, aan andere aanliggend,breeder.
Sabfna 97.
HO Tabel voor houtgewassen naar de bladen.
10 Bladen in kransen van 3, ver afstaand, van boven met vlakke
groeven, blauwachtig groen, van onderen stomp gekield.
Junfperus OO.
Bladen niet in kransen..............'11
11 Bladen 2 tot meer bijeen in een vliezige scheede of in bundels. IS Bladen alleenstaand...............13
12 Bladen 2-5 bijeen in een scheede, lang, altijdgroen. Pfnus OS. Bladen in bundels (aan de jonge takken alleenstaand), zacht,
des zomers groen (in den herfst afvallend) . . Larix OA.
13 Bladen samengedrukt vierkant, spits, naar boven en naar de
zijden gericht.............Piceaöö.
Bladen vlak, naar 2 zijden gericht.........14
14 Bladen stomp, uitgerand, van onderen met 2 witachtige strepen.
Abiés 96.
Bladen spits, niet uitgerand, van onderen lichtgroen, dof, zonder strepen............Taxus'WJgt;.
15 Op boomen woekerende, kleine heester. Bladen langwerpig of
lancet-spatelvormig, gaafrandig, lederachtig. Stengel gaffelvormig vertakt...........ViscumSöï.
Liggende of windende heesters...........16
Rechtopstaande, niet woekerende heesters.......17
16 Grootere, windende heesters. Bladen kaal, de bovenste zittend
of vergroeid...........Lonfcera S40.
Kleine, liggende heesters. Bladen min of meer behaard.
Helidnthemum «fü.
17 Bladen gezaagd of getand.............18
Bladen gaafrandig...............22
18 Bladen van onderen viltig, grijsachtig-wit, van boven los
behaard, elliptisch of elliptisch-langwerpig, spits.
Viburnum Lantana -t-tS. Bladen kaal of althans weinig behaard........19
19 Zijnerven boogvormig, naar den bladtop loopend .... 20 Zijnerven naar den rand loopend..........21
20 Bladen fijn- maar dicht gekarteld-gezaagd, eirond-elliptisch of
elliptisch. Doornige heester.....Rhamnus »Ot.
Bladen fijn gezaagd, elliptisch, toegespitst.
Philadélphus 319.
21 Takken vierkantig of wrattig. Bladen langwerpig tot eirond,
toegespitst, stekelpuntig fijn gezaagd. . Evónymus VOO. Takken rond, glad. Bladen lancetvormig, toegespitst, gezaagd, kaal of van onderen fijn behaard. Soorten van Salix IS7.
Tabel voor houtgewassen naar de bladen.
22 Bladen min of meer lederachtig, kaal....... . 23
Bladen kruidachtig...............24
23 Bladen elliptisch, stomp, stijf, hoogstens 0,02 lang.
Buxus 297.
Bladen langwerpig-lancetvormig tot lancetvormig, spits, langer.
Ligüstrum 4110.
Bladen lancetvormig, stijf, glanzend groen . Nérium 434.
24 Bladen aan den voet hartvormig-rondachtig tot eirond, toege
spitst, kaal............Syn'nga 4,8».
Bladen aan den voet niet hartvormig........25
25 De uit de middelnerf ontspringende sterkste zijnerven loopen
in den bladtop boogvormig samen. Bladen eirond tot elliptisch, toegespitst..........Cornus3I3.
Zijnerven naar den bladrand loopend. Bladen elliptisch, langwerpig of langwerpig-elliptisch, spits.
Soorten van Lonicéra 4-f6. Zijnerven naar den bladrand loopend. Bladen rond, breed-eirond of elliptisch, van onderen blauwgroen.
Symphoricarpus 4143.
26 Kleine of zeer kleine heesters...........27
Groote heesters of boomen............33
27 Takken groen, kruidachtig, meestal lang.......28
Takken min of meer houtig............29
28 Stengel gevleugeld, liggend, met rechtopstaande of opstijgende
takken. Bladen langwerpig rond, behaard. Cytisus 3SO. Stengel ongevleugeld, liggend tot rechtopstaand. Bladen behaard of kaal...........Genista BSO.
29 Bladen met steunbladen, lijn-larcetvormigtotomgekeerd-eirond
of elliptisch.............Salix tSS.
Bladen zonder steunbladen............30
30 Bladen stekelpuntig...............31
Bladen spits of stomp, zonder stekelpunt.......32
31 Bladen elliptisch, de bovenste aan weerszijden versmald. Sten
gel opstijgend..........Pol^gala as».
Bladen lijnvormig, fijn stekelpuntig, gewimperd. Stengel liggend.
Helianthemum
32 Bladen 0,03-0,07 lang, lancetvormig tot lijn-wigvormig. Recht
opstaande heester..........Daphne aa«.
Bladen tot 0,03 lang, lijn-lancetvormig tot elliptisch, met om-gerolden rand.........Ericaceeën 370.
33 Bladen even lang als of iets minder lang dan breed, driehoekig,
ruitvormig, rondachtig, omgekeerd-eirond-rondachtig, hart-
69 Tabel voor houtgewassen naar de bladen.
vormig-rondachtig of hartvormig-eirond, nooit gaafrandig. 34 Bladen omstreeks dubbel zoo lang als breed, elliptisch, eirond,
omgekeerd-eirond of langwerpig-eirond.......4d
Bladen meer dan 2-maal zoo lang als breed, langwerpig, lan-cetvormig of lijn-lancetvormig..........51
34 De uit de middelnerf ontspringende zij nerven gaan recht naar
den bladrand................35
De uit de middelnerf ontspringende zijnerven bereiken den bladrand niet, maar splitsen zich voor dien tijd in vele kleine takjes...................37
35 Bladen aan den voet hartvormig, rondachtig-omgekeerd eirond,
toegespitst, dubbel gezaagd, zwak gelobd , kortbehaard.
Co rylus
Bladen aan den voet niet hartvormig........36
36 Bladen 3-hoekig tot ruitvormig, toegespitst, dubbel gezaagd ,
kaal of behaard...........Bétula 189.
Bladen rondachtig of rondachtig-omgekeerd-eirond , meest uit-gerand-gezaagd, kaal .... A'lnus glutinósa tS3.
37 Bladen met hartvormigen voet...........38
Bladen zonder of met onduidelijk hartvormigen voet ... 39
38 Bladen toegespitst, scheef-hartvormig, gezaagd, van onderen
kaal of kort behaard..........Tilia, li7S.
Bladen gekarteld-gezaagd, kaal. . Prunus Maha 1 eb 341.
39 Bladen 3-hoekig of ruitvormig, gekarteld-gezaagd, toegespitst,
aan den voet meest afgeknot of wigvormig.
Soorten van Pópulus Iftl. Bladen rondachtig tot elliptisch of eirond.......40
40 Bladsteel zijdelings samengedrukt. Bladen bijna cirkelrond,
stomp getand, kaal.....Pópulus trémula lOS.
Bladsteel niet samengedrukt. Bladen rondachtig tot elliptisch of eirond, klein gezaagd, kort toegespitst . . Pfrus SSA.
41 De sterke zij nerven loopen recht tot aan den bladrand . . 42 De zijnerven bereiken den bladrand niet, maar splitsen zich
voor dien tijd in vele fijne takken ......... 46
42 Bladen van onderen grijs- of witviltig, dubbel gezaagd of klein
gelobd, elliptisch tot langwerpig . . Sorbus A'ria 34S. Bladen niet grijs- of witviltig...........43
43 Bladen aan den voet scheef of ongelijkzijdig, dubbel gezaagd. 44 Bladen aan den voet niet scheef of ongelijkzijdig .... 45
44 Bladen aan den voet meest duidelijk ongelijkzijdig, van onderen
kort behaard of kaal en alleen in de hoeken der aderen gebaard, vaak ruw..........Ulmus Ã.9S.
Tabel voor houtgewassen naar de bladen.
Bladen aan den voet scheef, alleen op de nerven van onderen
iets behaard...........Carpfnus iS3.
45 Bladen met gegolfden rand, onduidelijk getand, gewimperd, van onderen in de hoeken der aderen met haarbundels. Fagus Bladen meest dubbel gezaagd, meest kortbehaard.
A'lnus incana tS3,
46 Bladen gaafrandig of bijna gaafrandig........47
Bladen gezaagd, getand of gekarteld.........49
47 Bladen van onderen wit- of grijsviltig........48
Bladen kaal of alleen op de nerven behaard, met behaarde
stelen.............Rhamnus SOU,
Vergelijk ook Salix, biz. 1H7.
48 Bladen 0,01-0,03 breed. Steunbladen lancetvormig.
Cotoneaster 344. Bladen 0,04-0,07 breed. Steunbladen eivormig-rondachtig, klierachtig getand.........Cydónia 3-#4.
49 Bladsteel even lang of half zoo lang als de bladvlakte. Blaad
jes meest behaard, klein gezaagd.....Pfrus 344.
Bladsteel korter.................50
50 Bladen eerst van onderen viltig, aan weerszijden afgerond, of
van voren afgeknot, gekarteld-gezaagd. Bladsteel nooit klierachtig ...........Amelanchier 345.
Bladen van onderen kaal of behaard, stomp, spits of toegespitst, gezaagd of dubbel gezaagd. Bladsteel aan den top
soms klierachtig..........Prunus 34«.
Bladen kaal, van boven glanzig, klierachtig gezaagd, eirond-elliptisch. Bladsteel klierachtig . Salix pentandra MfH.
5-1 Bladen gaafrandig of. bijna gaafrandig........52
Bladen gezaagd, getand of gekarteld........55
52 Bladen kaal..................53
Bladen niet kaal................54
53 Takken naar beneden gebogen of hangend. Bladen langwer-
pig-lancetvormig..........Lycium 38».
Takken niet hangend, kort. Bladen lancetvormig, aan den voet wigvormig versmald.......Daphna 3lt;J«.
Takken rechtopstaand. Bladen langwerpig-omgekeerd-eirond tot wig-lancetvormig, aan den top iets gezaagd, van onderen dun-viltig..............M Æ rica 187.
54 Bladen bijna zittend, van onderen wit of grijsschilferig, lijn-lancetvormig. Doornige heester . . . Hippóphae 3Ui.
Bladen gesteeld, langwerpig-lancetvormig, van onderen viltig. Met of zonder doornen.......Méspiius 343.
04 Tabel voor houtgewassen naar de bladen.
Bladen gesteeld, smal-lancetvormig tot elliptisch-Iancetvormig, van onderen zijdeachtig behaard of viltig, met steunbladen. Geen doornen.......Soorten van Salix IS9.
55 Knoppen door een kapvormig omhulsel omsloten. Bladen lang
werpig tot lijn-lancetvormig, kaal, van onderen zijdeachtig behaard of viltig, meest fijn gezaagd, met steunbladen.
Salix lt;8?.
Knopomhulsel uit verscheiden over elkaar liggende schubben bestaand..................56
56 Bladen min of meer lederachtig..........57
Bladen kruidachtig, kaal.............58
57 Bladen langwerpig-lancetvormig, 3-4-maal zoo lang als breed,
lang toegespitst gezaagd.......Castdnea MSS.
Bladen eirond-langwerpig, iets meer dan dubbel zoo lang als breed, gegolfd, stekelig getand......I'lex SOO.
58 Bladen naar den voet gaafrandig, langwerpig-lancetvormig, kaal.
Takken bruin, kantig, gegroefd.
Spiraéa salicifólia 338. Bladen gewimperd gezaagd, langwerpig-omgekeerd-eirond. Steunbladen door stekels vervangen. Berberis vulgaris £28. Bladen stekelpuntig gezaagd, lancetvormig, in den bladsteel versmald.............Pérsica331gt;.
59 Klimmende heesters...............^0
Rechtopstaande heesters of boomen .........G1
60 Bladen lederachtig, altijd groen, 5-hoekig gelobd. Bladlobben
gaafrandig............Hédera3f3.
Bladenkruidachtig,3-5-lobbig. Bladlobben grof getand. V i' t i s HO t.
61 Bladen tegenoverstaand.............62
Bladen verspreid................63
62 Bladsteel naar boven met knobbelvormige klieren. Bladen 3-
lobbig, grof getand . . . . Viburnum Opulus 44 Bladsteel zonder klieren, 3-5-lobbig. met gaafrandige, grof gekarteld-gezaagde of getande lobben . . . A cer SS7.
63 Bladen van denzelfden boom (of heester), deels ongedeeld,
deels door stompe bochten 3-5-lobbig of-spletig, alle ongelijk gezaagd, aan den voet iets ongelijk, de bovenste duidelijk
hartvormig.............Mórus 194.
Bladen alle gelijk van vorm.......... -64
64 Bladen vinlobbig of vinspletig.................65
Bladen handlobbig of handspletig..........66
65 Bladlobben gaafrandig. Bladen bochtig gelobd, in omtrek omge-
keerd-eirond of langwerig-omgekeerd-eirond. Quércus 484.
Tabel voor houtgewassen naar de bladen.
Bladlobben gezaagd of getand. Bladen in omtrek breed-eirond of langwerpig-elliptisch tot langwerpig.
Soorten van Sorb us 343.
66 Bladen zeer groot(0,08-0,15 in middellijn) of van onderen witviltig. 67 Bladen kleiner, van onderen witviltig........ 68
67 Bladen van onderen witviltig, bochtig gelobd.
Pópulus alba 19». Bladen van onderen kaal of kort behaard, groot.
Platanus 190.
68 Bladen aan den voet wigvormig in den bladsteel versmald,
met steunbladen.........Crataégus 34«.
Bladen aan den voet afgeknot of hartvormig, zonder steunbladen...............Rfbes 3JO.
69 Bladen handvormig samengesteld, 3-5(-7)-tallig, althans de
onderste................. . 70
Bladen gevind.................75
70 Bladen 3-tallig, de bovenste enkelvoudig, ongedeeld ... 71 Bladen alle 3-7-tallig,..............72
71 Blaadjes gaafrandig. Takken roedevormig, kantig. Stengel
rechtopstaand........Sarothamnus 34».
Blaadjes gezaagd of van voren getand. Takken kort, meest wollig. Stengel liggend tot rechtopstaand . Ononis 3St.
72 Bladen tegenoverstaand, 5-7-tallig. Blaadjes wigvormig-omge-
keerd-eirond, getand. Boomen .... Aésculus S8G. Bladen verspreid................73
73 Klimmende heester. Bladen 3-5-tallig. Blaadjes kaal, glanzig.
Ampelópsis S9g.
Rechtopstaande tot liggende heesters.........74
74 Bladen 3-tallig, klein of vrij groot. Blaadjes gaafrandig. Hees
ters zonder doornen.........C^tisus 3JO.
Bladen 3-tallig, groot. Blaadjes nauwelijks getand, het middelste grooter. Sierstruik zonder doornen . Ptélea SS5. Bladen 3-5-tallig, groot. Blaadjes gezaagd. Stekelige heesters.
Rübus 330.
75 Bladen tegenoverstaand..............76
Bladen verspreid................80
76 Klimmende heester. Bladen enkelvoudig tot gevind met hart
vormige of eironde, gaafrandige of gekartelde blaadjes.
Clématis V italba «34. Rechtopstaande heesters of boomen.........77
77 Ieder blaadje aan den voet met zeer kleine, lijnvormige steun-
blaadjes. Takken houtig......Staphyléa £89.
heukels , Schoolflora. 8e druk. 5
«S
00 Tabel voor houtgewassen naar de bladen.
Blaadjes zonder steunblaadjes ..........78
78 Blaadjes min of meer duidelijk gesteeld. Takken met merg
gevuld............Sambücus â¢Â«45.
Blaadjes zittend. Takken houtig..........79
79 Bladen meest met 5 blaadjes, soms met 3 of7, hettopblaadje
vaak gelobd...........Negundo #88.
Bladen met 7-15 blaadjes. Knoppen zwart. Fraxinus 4130.
80 Blaadjes duidelijk gezaagd............84
Blaadjes gaafrandig of bijna gaafrandig........84
81 Stekelige heesters................82
Heesters zonder stekels of boomen.........83
82 Steunbladen blijvend, grootendeels met den bladsteel vergroeid.
Rosa aa8.
Steunbladen klein, draadvormig, uit den bladsteel ontspringend.
Rübus Idaeus 339.
83 Bladen zeer groot (0,30-0,40 lang), met 17-23 blaadjes. Takken
bruin behaard........Rhus^phina JS80.
Bladen kleiner, met 11-15 blaadjes, althans in het begin behaard. Knoppen viltig of kaal. Soorten van Sórbus alt;#5.
84 Bladen even gevind. Blaadjes omgekeerd-eirond of wigvormig-
langwerpig, gaafrandig, stekelpuntig . . Caragana 300. Bladen oneven gevind..............85
85 Blaadjes elliptisch tot langwerpig-eirond, stomp of ingesneden. 80 Blaadjes langwerpig-eirond tot langwerpig-lancetvormig, spits
of toegespitst. Boomen.............87
86 Steunbladen in sterke stekels veranderd. Blaadjes tot 0,04 lang.
Robfnia 3GO.
Steunbladen klein, niet groen. Blaadjes nauwelijks 0,02 lang.
Colü tea 3SO.
87 Blaadjes langwerpig of langwerpig-eirond, bijna gaafrandig.
J u glan s 180.
Blaadjes eirond tot langwerpig-lancetvormig, grof getand, van onderen met een klier aan eiken tand . Ailanthus 885.
TABEL
DER FAMILIÃN VAN HET NATUURLIJKE STELSEL MET HARE HOOFDKENMERKEN.
Groep I. Kryptoganieil. Sporeplan ten. Afdeeiing 3. ïaatkryptogaiiien.
KLASSE I. Equisetineeën. Paardestaarten.
Stengel geleed, in de knoopen met gesloten, getande scheeden (vergroeide bladen). Sporangiën aan de onderzijde van schildvor-mige, kransstandige of tot een eindelingsche aar gerangschikte schubben.
Fam. i. Equisetaceeën. Paardestaarten. Kenmerken als boven. 89.
KLASSE II. Ftlices. Varens.
Sporangiën aan de onderzijde van min of meer samengestelde, zelden enkelvoudige bladen of binnen in het bladweefsel.
Fam. 2. Polypodiaceeën. Eig enlijke varens. Landplanten. Bladen in den knop spiraalvormig opgerold. Sporangiën aan de onderzijde der bladen meestal tot bruinachtige hoopjes vereenigd, die vaak door een vliezig uitwas der bladvlakte (dekulieye) bedekt zijn. SS.
Fam. 3. Osmundaceeën. Landplanten. Bladen in den knop spiraalvormig opgerold. Sporangiën alleen aan het bovenste deel der bladen, tot een tros vereenigd.................SO.
Fam. 4. Ophioglosseeën. Addertonggewassen. Landplanten. Bladen in den knop niet spiraalvormig opgerold. Sporangiën in de bladslippen van een sterk veranderd, een gesteelde aar of pluim vormend bladdeel gesloten...............SO.
Fam. 5. Marsiliaceeën. Moerasplanten. Sporangiën in ronde, doosachtige omhulsels ingesloten, die aan den voet der bladen zitten. In hetzelfde omhulsel zitten eenige grootere sporen (macrosporen) en verder talrijke, kleine (microsporen). Bladen in de jeugd spiraalvormig opgerold.................OO.
Fam. 6. Salviniaceeën. op het water drijvende planten. Sporangiën in doosachtige omhulsels aan den voet van draadvormige, vertakte waterbladen. Sporekapsels met macro- en microsporen in afzonderlijke omhulsels gezeten.................OO.
Kenmerken der farailiën.
KLASSE III. Lycopodineeën. Wolfsklauwen.
Sporangiën aan den voet of in de oksels der bladen of van tot aren vereenigde schutbladen. Stengel meest liggend, kruipend of opstijgend, dicht met bladen bezet.
Fam. 7. Lycopodiaceeën. Wolfsklauwen. Kenmerken als boven. Ol.
Groep II. Phanerogamen. Zaadplanten.
, Afdeeling I. Gymnospemen. Naaktzadigen.
Fam. 8. Coniferen. Naaldboomen. Eitjes en zaden niet in een vruchtbeginsel ingesloten. Bouw van den stam zeer nabij dien der Dicotylen komend door vorming van jaarringen. Kiem met 2 of meer zaadlobben. Bladen naald- of schubvormig......
Afdeeling II. Angiogpemen. Bedektzadigen.
KLASSE I. Monocotylen. Eenzaadlobbigen.
Eitjes (zaden) in het zich later tot vrucht ontwikkelend vruchtbeginsel ingesloten. Bladen parallelnervig. Deelen der bloem meest 3-tallig. Stengel met verspreide vaatbundels. De hoofdwortel is meest onontwikkeld. Kiem met één zaadlob.
Fam. 9. Liliaceeën. Lelieachtig en. Meest bolgewassen. Bloemdek gekleurd,6-spletig, 6-bladig, of i-deelig, zeldzaam S(-iOJ-bladig. Meeldraden 6, zeldzaam 4 o/'8(-'lÃ). Vruchtbeginsel 1, 'i-hokkig met 1-3, zeldzaam 4(-5) stijlen, bovenstandig. Vrucht een doosvrucht of een bes. lOO.
Fam.iO. Juncaceeën. Bloem bi es ach tig en. Bloemdek beslaande uit 6 hafachlige blaadjes. Meeldraden 6, soms 3, aan den voet van het bloemdek ingeplant. Stamper \ met \ stijl en 3 draadvormige stempels. Vruchtbeginsel bovenstandig. Vrucht een 1- of veelzadige doosvrucht ......................108.
Fam. H. Amaryllideeën. Narcisachtigen. Bolgewassen. Bloemdek fi-deelig, gekleurd. Meeldraden 6. Helmknoppen zich naar binnen openend. Vruchtbeginsel 1, onderstandig, 3-hokkig. Stempel enkelvoudig of 3-lobbig. Vrucht een doosvrucht.....±13.
Fam. 12. Irideeën. Irisachtig en. Bloemdek (j-deelig, gekleurd. Meeldraden d. Helmknoppen zich naar buiten openend. Vruchtbeginsel , 1, onderstandig , '6-hokktg. Stempels 3. Vrucht èen doosvrucht. 1 H.
Fam. i3. Commelinaceeën. Bloemen ï-slachtig. Kelk en bloemkroon 3-bladig. Meeldraden 3 of 6. Vruchtbeginsel 3-hokkig, bovenstandig, met één stijl....................11S.
Fam. 14. Typhaceeën. Lischdodden. Bloemen in cilindervormige aren of kegelvormige hoofdjes, beneden met vrouwelijke, boven met
68
Kenmerken der familiën.
mannelijke bloemen. Bloemdek uit 3 schubben of borsteltjes bestaand. Meeldraden 3. Stamper met 1 eitje. Moeras- of waterplanten. HS.
Fam. i5. Aroideeën. Aronskelkachtig en. Bloemen aan vleezige kolven, die door een scheede omgeven zijn. Bloemen quot;i-slachtiq en dan het bloemdek i-G-bladig en 6 meeldraden, of i-slachtig en dan zonder bloemdek en met 1 meeldraad. Stamper i-'ó-hokkig .... 117.
Fam. i6. Letnnaceeën. Eendenk roosachtig en. Drijvende waterplantjes met bladachtige stengels, zonder bladen. Zij bloeien zeldzaam. De bloemen hebben een vliezig, l-deelig bloemdek, 1-2 meeldraden en \ stamper..............118.
Fam. i7. Najadeeën. Waternymfachtigen. Waterplanten. Planten i-slachtig of 1- of 'l-huizig. Bloemdek ontbrekend of schub-vormig, i-deelig. Meeldraden 1-4. Stampers 1, 4 o/ meer . 119.
Fam. 18. Gramineeën. Grassen. Stengel knoopig, meest hol. Bladen met lange, meest gespleten scheede en met tongetje. Bloemen meest i-slachtig. Bloemdek uit 2-3 kleine schubbetjes bestaand. Meeldraden 3 (zeldzaam 6, 2 of ij. Helmknopjes vaak, als zij rijp zijn, kruisvormig uiteenwijkend. Stamper 1, i-hokkig met een eitje, 2 stijlen of 1 stijl met 2 (of 'ij stempels. Iedere bloem is omgeven door
2 schutblaadjes (kroonkafjes], waarvan het buitenste lager is ingeplant en vaak een naald (kafnaald) draagt. Bloemen 1 of meer in aartjes vereenigd, die omgeven zijn door 2 (zelden ij schutblaadjes (kelk-ka fjesj. Deze aartjes zijn tot een aar of pluim vereenigd. Vrucht een graanvrucht. Zaden met veel kiemwit.........im.
Fam. 19. Cyperaceeën. Cy p er gr assen. Stengel niet knoopig, gevuld. Bladen met gesloten scheeden, soms zonder schijf. Bloemen 1- of i-slachtig, ieder in den oksel van een kaf je. Bloemdek niet aanwezig of uit borstels of een kruikvormig urntje bestaande. Meeldraden 3, met gewone helmknopjes. Stamper 1 met 1 stijl en2 of 3 stempels. Vrucht een nootje.................1S1.
Fam. 20. Cannaceeën. Cannaachtigen. Bloemdek schijnbaar uit 3 of meer kransen van ongelijke blaadjes of slippen bestaand, de
3 buitenste blaadjes met een kelk, de 3 volgende met een bloemkroon overeenkomend, de overige ook gekleurd (vervormde meeldradenJ. Meeldraad 1 met 1 helmhokje. Vruchtbeginsel onderstandig, 3-(soms i-J hokkig. I'rucht een doosvrucht........108.
Fam. SI. Orchideeën. Standelkruiden. Bloemdek symmetrisch, meest gekleurd, in 2 kransen van 3 blaadjes. De 3 buitensteeni dor binnenste buigen vaak naar elkaar: helm , het overblijvende staat afzonderlijk en is vaak gespoord: lip. Meeldraden i (of ij vruchtbare, met-den stijl vergroeid tot een stempelzuil. Stuifmeel in ieder helmhokje een klompje vormend , meest van een staartje voorzien, dat in een kleverig schijfje, hechtkliertje, uitloopt. Soms is dit ineenzakje, beursje, opgesloten. Stempel boven aan den stempelzuil aan de voorzijde. Vruchtbeginsel onderstandig, eenhokkig. Vrucht een doosvrucht. 109.
69
Kenmerken der familiën.
Fam. 33. Juncagineeën. Niergrasachtigen. Water-of moeras-planten. Bloemen in trossen of aren met een groen, (5-bladig bloem-dek. Meeldraden 6. Vruchtbeginsels bovenstandig, 8-6, min of meer vergroeid, later gescheiden..............13 7.
Fam. 33. Alismaceeën. Waterwneg breeachtig en. Moeras-of waterplanten. Kelk S-bladig, groen of gekleurd. Bloemkroon 3-bladig. Meeldraden 6, 9 of meer. Stampers 3, 6 of meer, bovenstandig. Planten 1-slachtig of i-huizig.........178.
Fam. 34. Hydrocharideeën. Vorschenbeetachtigen. Ondergedoken of drijvende, 2-huizige waterplanten. Kelk 3-bladig, groen. Bloemkroon S-bladig. Meeldraden'i of een veelvoud daarvan. Vruchtbeginsel 1, onderstandig, met 3 of 6 meest l-splelige stijlen. IHO.
KLASSE II. Dicotylen. Tweezaadlobbigen.
Eitjes (zaden) in het zich later tot vrucht ontwikkelend vruchtbeginsel ingesloten. Bladen hand- of vinnervig. Deelen der bloem meest 4- of 5-tallig. Stengel met in een krans gerangschikte vaatbundels. De hoofdwortel is meest ontwikkeld. Kiem met 2 zaadlobben.
ONDERKLASSE I. Choripetalen.
Kelk en bloemkroon zijn beide aanwezig; de kelk meest groen, de bloemkroon meest anders gekleurd en veelbladig bf er is alleen een bloemdek öf er zijn geen bloembekleedsels.
Fam. 25. Betulaceeën. Berkachtig en. Boomen of heesters. Planten eenhuizig. Mannelijke en vrouwelijke bloemen in katjes. Mannelijke bloemen in de oksels van schutbladen, met of zonder bloemdek. Meeldraden 2, 4 o/' meer. Vrouwelijke bloemen met weinig ontwikkeld bovenstandig, of zonder bloemdek, in de oksels van schutbladen, die meestal blijven na den bloeitijd. Vruchtbeginsel 2- of nieerhokkig. Vrucht een noot..................IS li.
Fam. 36. Cupuliferen. N apj es drag enden. Boomen. Planten eenhuizig. Mannelijke bloemen in katjes, met i-6-spletig bloemdek. Meeldraden 5-20. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of meer bijeen met weinig ontwikkeld, bovenstandig bloemdek en een 2- of meer-hokkig vruchtbeginsel, omgeven door een omwindsel, dat later het napje vorml. Vrucht een noot............184-.
Fam 37. Juglandeeën. Okkernootachtigen. Boomen, l-huizig. Mannelijke bloemen in katjes. Bloemen in de oksels van schubben. Meeldraden i-talrjk. Vrouwelijke bloemen eenige bijeen, omwindsel S-meertandig, bloemdek 3-i-slippig, vruchtbeginsel 1, onderstand'g, met 2 stempels. Vrucht een steenvrucht........ISO.
Fam. 28. Myricaceeën. Gagelachtigen. Planten '[-l-huizig. Bloemen in katjes, in de oksels van schutbladen. Mannelijke bloemen,
7 O
Kenmerken der familiën. ?lt;
zonder of met een uit 2-6 schubbetjes bestaand bloemdèk en % of meer meeldraden. Vrouwelijke bloemen met een blocmdek uit 2-6 schubbetjes bestaande en i vruchtbeginsel met 2 stempels . . i Sii
F am. 29. Salicineeën. Wilg achtig en. Doornen of heesters, H-huizig. Bloemen in katjes, in de oksels van schutbladen. Bloemdek napvormig of uit 1 of 2 honig k/ieren bestaand. Mannelijke bloemen met 1 of meer meeldraden. Vrouwelijke bloemen met i eenhokkig vruchtbeginsel met
1 stijl en 2 stempels. Vrucht een doosvrucht. Zaden met kuif. IS7.
Fam. 30. Urticaceeën. Netelachtigen. Planten kruidachtig of houtig, bijna altijd 1- of l-huizig. Bloemdek 4- of IS-deelig of -bladig. Meeldraden 4-5, aan den voet van het bloemdek ingeplant. Vruchtbeginsel vrij, i-l-hokkig, met 1 eitje in ieder hokje, vaak met
2 stempels. Vrucht een dopvrucht of noot. soms eenschijnbes. i!t3
Fam. 31. Ulmaceeën. Ypach tig en. Boomen. Bloemen meest 2-slachtig, in hoofdjes of bundels. Bloemdek klokvormig, i-S-splelig of 5-C)-deelig. Meeldraden 3-12. Vruchtbeginsel i, bovenstandig. Vrucht een vleugel- of doosvrucht...........193.
Fam. 3-2. Plataneeën. Plataanachtig en. Boomen. Schors jaarlijks afschilferend. Planten i-huizig. Bloeiwijzen: kogelronde katjes. Mannelijke bloemen: veel meeldraden met schubben er tusschen. Vrouwelijke bloemen: veel stampers met schubben. Vrucht een noot. IflO
Fam. 33. Ceratophylleeën. Waterplanten, i-huizig. Bladen gaffelvormig gedeeld, in kransen. Bloemdek iO-i'i-slippig. Meeldraden quot;10-25 of 1 stamper met priemvormigen, blijvenden stijl. Vrucht
een noot, \-hokkig, \-zadig..............ma.
Fam. 34. Polygoneeën. Veelknoopigen. Bloemen \- of 2-slachtig. Bloemdek 3-6-spletig of -deelig. Meeldraden 3-9. Vruchtbeginsel bovenstandig met 2-3 stijlen of stempels. Bladen met vliezige, stengelomvattende scheeden. Stengel meest knoopig geleed. . 107.
Fam. 35. Chenopodieeën. Ganzevoetachtigen. Planten \- of'i-huizig of l-slachtig. Bloemdek 'S-b-deelig, -bladig,1-kleppig of ontbrekend. Meeldraden 5 of minder, aan den voet van het bloemdek ingeplant. Vruchtbeginsel met '1 stijl en 2-4 stempels of een 2-i-deeligen stijl. HOS.
Fam. 36. Amarantaceeën. Planten \-huizuj of V-slachlig. Bloemdek 'S-5-deelig, droogvliezig, meest gekleurd. Meeldraden 3-5 op den bloembodem gezeten. Vruchtbeginsel bovenstandig met 1 stijl en 1
of meer stempels of stijl ontbrekend..........SO.'t.
Fam. S7. Nyctagineeën. Bloemen l-slachtig. Bloemdek bloemkroonachtig gekleurd, i-W-splelig. Meeldraden 4-10. Vruchtbeginsel
bovenstandig met knopvormigen stempel........£11.
Fam. 5S. Caryophylleeèn. M uur achtig en. Bladen tegenover
staand. Kelk i-G-tandig tot i-6-bladig. Bloemkroon i-G-bladig, soms zeer klein, priemvormig of ontbrekend. Meeldraden 3-12. Vrucht-
Kenmerken der familiën.
beginsel \ met 1-5 stijlen of 1-3 zittende stempels. Vrucht een meest
1-hokkige doosvrucht met centralen zaaddrager......e tl.
Fam. 39. Portulacaceeën. Porseleinachtigen. Kelk S-spletig of
2-, zelden SS-bladig. Sloenikroon5-fS-amp;Jbladig of -slippig, met ongelijke bladen of slippen, op den kelk gezeten. Meeldraden'6-15, meest op de bloemkroon ingeplant. Stamper \-hokkig, met 3-6-spletigen stijl en bovenstandig of half-onderstandig vruchtbeginsel. Vrucht een doosvrucht ......................Hit O.
Fam. 40. Berberideeën. Berberisachtigen. Kelk i-6-bladig. Bloemkroon i-6-hladig. Meeldraden 4-6. Meeldraden en bloembladen tegenover den kelk zittend. Helmknoppen met klepjes openspringend. Stamper enkelvoudig. Vrucht een hes.....228.
Fam, A-d. Mnynoliaceeën. Kelk 3-h-bladig, Kroonbladen 6 of meer. Meeldraden talrijk, op den bloembodem ingeplint. Vruchtbeginsels vele, enkelvoudig. Heesters of boomen . ........SUS.
Fam. 4%. Calycantheeën. Heesters of hoornen. Kelk- en kroonbladen in onbepaald aantal, langzaam in elkaar en in de meeldraden overgaand. Vele vruchtbeginsels in de verdiepte kelkbuis liggend. 2!dH,
Fam, 43. Ranunculaceeën. Ran onkelachtig en. Kelk O-veel-, meest 5-bladig, soms gekleurd, regelmatig of symmetrisch. Bloemkroon 3- of meerbladig, vaak met honigschubjes aan den voet, soms door honigbakjes vertegenwoordigd of ontbrekend. Meeldraden meest veel, op den bloembodem ingeplant. Helmknoppen met overlangsche spleten openspringend. Stampers vele, enkelvoudig, zelden weinige of i. Vruchten dop- of kokervruchten.........££0.
Fam. 44. Nymphaeaceeën. quot;Waterleliën. Kelk k-h-bladig. Bloembladen veel, langzamerhand naar binnen in meeldraden overgaand. Vruchtbeginsel veelhokkig met veelstraligen stempel .... It-tO,
Fam, 45, Papaveraceeën. Papave rachtigen. Kelk (X-jl-bladig, vroeg afvallend. Bloemkroon A-hladig, Meeldraden veel, op den bloembodem ingeplant. Stamper 1 met 2-20 stempels. Doosvrucht door onvolkomen tusschenschotten soms schijnbaar veelhokkig. Meest met melksap.....................XAl,
Fam. 46. Fumariaceeën. Duivenkervelach tig en. Kelk 'i-bladig, afvallend of ontbrekend. Bloemkroon i-bladig, symmetrisch, soms wat vergroeid. Meeldraden 6, in 2 bundels van 3, wier zij deling sche helmknoppen 1- en de middelste l-hokkig zijn. Stamper i-hokkig met 1 stijl en 2 stempels. Doosvrucht of nootje........11413.
Fam. 47. Cruciferen. Kruis b loemigen. Kelk A-hladig. Bloemkroon i-bladig, in een kruis staand, soms ontbrekend. Meeldraden 6, vier-machtig, zelden 4 of 1, Stamper 1. Vrucht een hauw of hauwtje, dat meest met 2 kleppen van beneden naar hoven openspringt, soms in leden uiteenvalt, of niet openspringt en in 't laatste geval 1-zadig is.....................SAS.
7»
Kenmerken der Tamiliën.
Fam. 48. Resedaceeën. Besedaachtigen. Kelki-l-deeliy. Bloemkroon i-l-bladig met meest onregelmatig ingesneden bloembladen. Meeldraden H-30 op een scheeve schijf zittend. Vruchtbeginsel \-hokkig met veel eitjes. Stijlen 8-6. Doosvrucht ......«07.
Fam. 49. Violaceeën. Fioolachtige n. Kelk 5-bladlg, met aanhangsels aan den voet. Bloemkroon 5-bladig, symmetrisch. Meeldraden 5, boven de helmknoppen met een vliezig aanhangsel , onderling samenhangend, of Hamenneigend. I'rvchtbeginsel i-hokkig, met 3 wandstandige zaadlijsten. Doosvrucht 'A-kleppig.....«08.
Fam. 50. Droseraceeën. Zonnedauwachtigen. Kelk 5-deelig. Bloemkroon 5-bladig , regelmatig. Meeldraden 5. Vruchtbeginsel 1 -hokkig met wandstandige zaadlijsten. Stijlen 3-5. Doosvrucht. '£7±.
Fam. 51. Cistineeën. Zonnekruidachtig en. Kelk 3- of 5-bladig, in het laatste geval de 2 buitenste blaadjes kleiner blijvend. Bloemkroon ö-bladig. Meeldraden veel. Vruchtbeginsel i-meerhokkig. Doosvrucht 3-kleppig, veelzadig............117 g.
Fam. 52. Hypericineeën. Hertshoornachtigen. Kelkö-deelig of h-bladig. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden in 'ó(-5J bundels. Vruchtbeginsel i-3-hokkig met 3-5 stijlen. Donsvrucht. Bladen vaak met doorschijnende stippels..............£7«.
Fam. 53. Frankeniaceeën. Kelk \-5-spletig. Bloemkroon i-5-hladig. Meeldraden 4 of 6. Vruchtbeginsel 1 met I stijl en 2-4 stempels. Doosvrucht i-hokkig.................1174.
Fam. 54. Elatineeën. Elatineachtigen. Kelk 3-5-dee/ig. Bloemkroon 3-5-bladig. Meeldraden 3, 4, 6, of 8. Vruchtbeginsel 1 met 3-5 stijlen en knopvormige stempels. Vrucht een 3-b-hokkige doosvrucht. Bladen tegenoverstaand of in kransen..........1674:.
Fam. 55. Tatnariscineeën. Boomen of heesters. Bladen klein, schub- of naaldvnrmig. Kelk i-b-bladig. Bloemkroon i-5-bladig. Meeldraden 4, 5 of 10. Vruchtbeginsel 1 met 3 (1-5) stijlen en stempels. Vrucht een %5-kleppige doosvrucht........«75.
Fam. 56. Tiliaceeën. L i ndeac h t i gen. Boomen. Bladen af tv is-selend. Kelk i-5-bladig. Bloemkroon i-5-bladig. Meeldraden veel, vrij of veelbroederig. Helmknoppen I-hokkig. Stamper i met 5-hokkig vruchtbeginsel, 1 stijl en 5-lobbigen stempel. Vrucht een i-hokkig nootje met 1 of 2 zaden............«75.
Fam. 57. Malvaceeën. Malveachtigen. Kelk 5-spletig, vaak met bijkelk. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden veel, eenbroederig meteen-hokkige helmknoppen. Stampers 1 of vele met vele stijlen. Vrucht in talrijke, eenzadige splitvruchten uiteenvallend of een doosvrucht. «70.
Fam. 58. 6eraniace«ën. Ooievaarsbekken. Kelk 5-bladig, Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden 10, waarvan 5 soms onvruchtbaar, soms aan den voet iets vergroeid. Stampers 5, onderling en met een
73
Kenmerken der fami 1 iën.
centraal zuiltje tot één vereenigd. Stempels vrij. Vruchtjes 5, bij rijpheid met de stijlen van het middelzuiltje loslatend . . . 93O.
F am. 59. Tropaeoleeën. Kei Wi-lobbig, 5-deelig, gespoord, bloemkroon 5-bladig, symmetrisch. Meeldraden 8. Vruchtbeginsel \ met
1 stijl. Vrucht 3-deelig. Bladen schildvormig......SSX.
Fam. 60. Oxalideeën. Klaverzuring ach tig en. Bladen 3-tallig, zuur. Kelk b-bladig of -deelig. Bloemkroon h-bladig. Meeldraden 10, waarvan de 5 buitenste korter zijn, vaak aan den voet vergroeid. Stamper 1 'met 5 stijlen. Vrucht een b-hokkige doosvrucht . ItSlt.
Fam. 61. Llneeën. Vlasachtigen. Kelk i-5-bladig of-deelig. Bloemkroon i-5-bladig. Meeldraden 4-5, vaak van onderen vergroeid. Stamper 1 met 4 o/quot; 5 stijlen. Doosvrucht 4-5-, schijnbaar' 8-\0-hokkig. £83.
Fam. 6-i. Balsamineeën. Balsemienachtig en. Kelk meest 3-bladig , waarvan één grooter en gespoord, soms b-bladig. Bloemkroon 5-bladig, niet gelijk van grootte, de zijdelingsche 2 aan 2 vergroeid. Meeldraden 5 met samenhangende helmknoppen. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 5-lobbigen, zittenden stempel. Vrucht een elastisch openspringende doosvrucht................ltSâ¬.
Fam. 63. Butaceeën. Buitach tigen. Planten veeltelig of 1-1 luizig' Bladen gevind of 3-tallig. Kelk i-5-deelig. Bloemkroon i-5-bladig. Meeldraden V-iO. Stampers 1-5. Vrucht gevleugeld of een doosvrucht. ItSS-Fam. 64. Terebinthaceeën. Boomen of heesters, meest 1-of'1-huizig. KelkH-l-spletig. klein. Bloemkroon'i-l-bladig of ontbrekend. Meeldraden S-T. Vruchtbeginsel 1 met'A stijlfin. Vrucht een steenvrucht. £80.
Fam. 65. Hippocastaneeën. Kas ta nj eachtige n. Boomen met handvormig samengestelde bladen, ceeltelig. Kelk 5-tandig. Bloemkroon i-5-bladig, symmetrisch. Meeldraden 7-8. Stamper 1 met een 3-hokkig vruchtbeginsel. Vrucht i-hokkig, meest éénzadig. Doosvrucht
met 3 kleppen openspringend.............280
Fam. 66. Acerineeën. Eschdoornachtigen. Boomen met overstaande bladen, 'i-slachtig, 1- of l-huizig. Kelk meest b(i:-9)-tandig of -deelig. Bloemkroon meest 5(i-9)-bladig of ontbrekend. Meeldraden meest 8(5-'12). Stamper '1 met 1 stijf en 2 stempels. Vrucht
een tweedeelige, gevleugelde splitvrucht.........'lt;tH9
Fam. 61. Polygaleeën. Kruisbloemachtig en. Kelk b-bladig) de 2 zijdelingsche blaadjes groot, gekleurd. Bloemkroon S-5-bladig, met elkaar en met de meeldraden vergroeid. Meeldraden 8, een- of tweebroederig, met A-hokkige helmknoppen. Stamper 1, met 2-hokkig vruchtbeginsel. Vrucht meest een doosvrucht. . . . «88.
Fam. 68, Staphyleaceeën. Boomen of heesters. Bladen 3-tallig of gevind. Kelk Ty-deelig, gekleurd. Bloemkroon b-bladig. Meeldraden 5, afwisselend met de kroonbladen op een het-vruchtbeginsel omgevende schijf ingeplant. Stamper 1 met 2-3 stijlen en stempels. Vrucht een 'â 2-3-lwkkige, vliezige doosvrucht. Zaden zonder zaadmantel . HHO.
Kenmerken der familiën.
Fam. 69. Aquifoliaceeën (Itlicineeën). Hulstachtigen. Heesters of boomen met stijve bladen. Kelk i-6-tandig. Bloemkroon i-ti-deelig. Meeldraden 4-6, voor de kelkslippen staand. Stamper i, met zitienden, i-5-lobbigen stempel. Vrucht een bes.......£00
Fam. 70. Celastrineeën. Boomen of heesters. Kelk i-h-slippig. Bloemkroon i-5-hladig. Meeldraden 4-5, afwisselend met de kroonbladen op een het vruchtbeginsel omgevende schijf ingeplant. Stamper met 1 stijl en stempel. Doosvrucht '1-h-hokkig. Zaden met gekleurden zaadmantel ......................ttoo.
Fam.Ti. Ampelideeën. Wijnstokachtig en. Klimplantenmet hecht-ranken. Kelk gaafrandig tot i-h-tandig. Bloemkroon i-5-bladig, vaak van boven verbonden. Meeldraden 4-5, voor de kroonbladen staand. Stamper met \ stijl en stempel. Vrucht een 'i-hokkige bes . HOI.
Fam. 72. Rhatnneeën. Heesters of boomen, l-stachtig of l-huizig. Kelk i-5-spletig. Bloemkroon i-5-bladig, op den kelk ingeplant. Meeldraden 4-5, voor de kroonbladen staand. Stamper 1 , meest met l-i-spletigen stijl. Vrucht een besachtige steenvrucht . . . SOU
Fam. 73. Euphorbiaceeën. Wolf smelkachtig en. Plant kruidachtig, 1- of l-huizig. Bloemdek ontbrekend of aanwezig. Meeldraden 1 of meer. Vruchtbeginsel bovenstandig, l-'i hokkig met 2-3 stijlen en meest gespleten stempels. Vrucht een 'i-kluizige splitvrucht. Meest met melksap.................SOS
Fam. 74. Callitrichineeëtl. Waterplanten, \Qiuizig of l-slachtig. Bloemen omgeven door 2 teere schutblaadjes. Bloemdek onduidelijk. Meeldraden \ (-2). Vruchtbeginsel vierkant, met 2 stijlen. Vrucht een i-deelige splitvrucht...............SOO
Fam. 75. Buxineeën. Heesters, i-huizig. Mannelijke bloemen met ii-5)-slippig bloemdek en 4 (-5) meeldraden. Vrouwelijke bloemen met G-slippig bloemdek en een bovenstandig, 'i-hokkig vruchtbeginsel met 3 stijlen en stempels. Vrucht een 'i-hokkige doosvrucht . S07.
Fam. 76. Empetreeën. Heesters, i-huizig. Kelk en bloemkroon 3-bladig. Meeldraden 3. Stamper 1, met bovenstandig vruchtbeginsel, l stijl en 6-9 stervormig geplaatste stempels.......SOS.
Fam. 77. UmbGiliferön. Schermblo emig en. Bladen meest samengesteld. Bloeiwijze meest een samengesteld scherm. Kelk klein, 5-tandig, soms onduidelijk. Bloemkroon h-bladig. Meeldraden 5. Vruchtbeginsel 1, onderstandig, met 2 stijlen. Vrucht een i-notigesplitvrucht. S»8
Fam. 78. Araliaceeën. Klimopuchtigen. Heesters. Kelk klein, i-5-tandig. Bloemkroon 5-W-bladig. Meeldraden 5-10. Vruchtbeginsel onderstandig , 2-meerhokkig met 2-5, meest sadmgekleefde stijlen. Vrucht een veelhokklge hes............313.
Fam. 79. Cornaceeën. Boomen of heesters. Kelk klein, i-slippig. Bloemkroon i-bladig. Meeldrade.u. i. Vruchtbeginsel onderstandig met \ stijl en \ stempel. Vrucht een i{\-\hohkigè steenvrucht. 313.
3S
Kenmerken der familiën.
Fam. 80. Crassulacfiesn. Vet plan ten. Bladen vleezig. Kelk meest 5(3-2Ã-)-ctee%. Bloemkroon S-VO-bladig, soms -deelig. Meeldraden 3-20, op den kelk ingeplant. Stampers 3-'2ü. Vruchten kokervruchten. 314.
Fam. 81. Saxifrageeën. Steenbr eekachtig en. Kelk A-h-deelig of -spletig. Bloemkroon i-b-bladig op den kelk ingeplant of ontbrekend. Meeldraden 4-10 op den kelk gezeten. Vruchtbeginsel bovenstandig of hal fond erstandig met 2-5 stijlen of 4 zittende stempels . . . 310.
Fam. 8'2. Philadelpheeën. Jasrnijna chtigen. Heesters. Kelk bAO-spletig. Bloemkroon i-W-bladig. Meeldraden 10 of veel, evenals de bloemkroon op den kelk ingeplant. Vruchtbeginsel 1, onderstandig, met 3-5 stijlen. Vrucht een doosvrucht.........318.
Fam. 83. Ribesiaceeën. Aalbesachtigen. Heesters, V-slachtig of l-huizig. Kelk i-5-slippig. Bloemkroon i-ö-bladig. Meeldraden 4-5, op den kelk ingeplant. Vruchtbeginsel onderstandig met 1 stijl. Vrucht een bes...................319.
Fam. 84. Onagraceeën. Wederikachtig en. Kelk V-i-deelig. Bloemkroon 2- of i-bladig. Meeldraden 2, 4 of 9, evenals de bloembladen op den kelk gezeten. Vruchtbeginsel 2- of i-hokkig, onderstandig, met 1 stijl en 2- of i-lobbigen stempel......31Uâ
Fam. 85. Halorrhagideeën. Waterplanten, meest eenhuizig of Z-slach-tig. Kelk i-slippig. Bloemkroon 4 bladig. Meeldraden 8 of 4, met de bloemkroon op den kelk gezeten. Vruchtbeginsel onderstandig, i-hokkig met 4 zittende stempels. Vrucht een b-deelige splitvrucht , . 3S3.
Fam. 86. Hippurideeën. Waterplanten. Bladen in kransen. Bloem-dek weinig ontwikkeld. Meeldraad 1. Vruchtbeginsel i-hokkig, i-zadig, onderstandig................. 32-i.
Fam. 87. Lythrarieeën. Kattestaar tachtigen. Kelk 8-12-tandig. Bloemkroon A-fj-bladig of ontbrekend. Meeldraden 4-12, met de bloembladen op den kelk gezeten. Vruchtbeginsel ^.-i-hokkig met 1 stijl of zittenden stempel. Vrucht een doosvrucht .... 3SS.
Fam. 88. Thymela«aceeën. Heesters of hoornen. Bloemdek onderstandig, gekleurd, i(-§)-spletig. Meeldraden 3(-10). Stamper 1 met korten stijl en stempel........... .......31iS.
Fam. 89. Elaeagtieeën. Heesters of boomen, l-huizig of l-slachtig. Bloemdek onderstandig, van binnen gekleurd, l-h-spletig of -deelig. Meeldraden i-G. Vruchtbeginsel\, eenhokkig met een stijl en stempel.3ttO.
Fam. 90. Rosaceeën. Tioosachtigen. Kelk 'i-b-spletig, soms met hijkelk. Bloemkroon i-5-hladig of ontbrekend. Meeldraden 1-4 of veel, evenals de bloembladen op den kelk gezeten. Stamper 1 tot veel, vrij, elk met een stijl. Vrucht een dop-, steen- of kokervrucht . . SUS.
Fam. 91. Atnygdaieeën. Amandelachtig en. Boomen of heesters. Kelk 5-slippig. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden veel, evenals de bloembladen op den kelk gezeten. Vruchtbeginsel 1, vrij, met 1 stijl en stempel. Vrucht een steenvrucht............339.
se
Kenmerken der familiën.
Fam. 9'2. Pomaceeën. Appelachtig en. Boomen of heesters. Kelk 5-tandig of -spletig. Bloemkroon Tgt;-bladig. Meeldraden veel, evenals de bloembladen op den kelk gezeten. Vruchtbeginsel onderstandig, 1-5-hokkig met\-5 stijlen. Vrucht een bes-, appel- of steenvrucht. 342.
Fam. 93. Papilionaceeën. Vlinderbloemigen. Bladen meest samengesteld. Kelk 5-tandig tot 5-deelig of l-lippig. Bloemkroon 5-bladig, vlinderrormig. Meeldraden 10, eenbroederig of tweebroederig (9 vergroeid, 1 vrij), Stamper 1, met i-hokkig vruchtbeginsel, 1 stijl en stempel. Vrucht een peulvrucht..........
Fam. 94. Caesalpinieeën. Boomen. Bladen gevind. Planten meest veeltelig. Kelk 'i-h-deelig. Bloemkroon 3-5-bladig, symmetrisch, soms ontbrekend. Meeldraden 5-10, vrij. Vruchtbeginsel 1 met een stijl en stempel. Vrucht een peulvrucht............3Ã5.
Fam. 95. Aristolochieeën. Bloemdek gekleurd, bovenstandig, onregelmatig, ongedeeld of 'ó-i-spletig. Meeldraden 6 of 12, vrij, of met den stijl vergroeid, op den top van het vruchtbeginsel gezeten, met korte of zonder helmdraden. Vruchtbeginsel 'ó-6-hokkig. Vrucht een doosvrucht...................360.
Fam. 96. Loranthaceeën. Woekerplanten, l-huizig. Bloemdek 4-slippig of -bladig. Mannelijke bloemen met 4 meeldraden, op de bloemdekslippen zittend. Vrouwelijke bloemen met onderstandig vruchtbeginsel en zittenden stempel. Bes eenzadig....... 30 7.
ONDERKLASSE 2. Synpetalen.
Kelk en bloemkroon zijn beide aanwezig, de bloemkroon is meestal wel ingesneden, maar bestaat niet uit vrije blaadjes.
Fam. 97. Ericaceeën. Heideachtigen. Kelk i-S-tandig, -slippig of -bladig. Bloemkroon i-5-landig of -spletig. Meeldraden 4-10, de helmknoppen vaak met poriën openspringend. Vruchtbeginsel onder-of bovenstandig, i-Tï-hokkig met 1 stijl en stempel. Vrucht een doosvrucht of bes...................3 7 W.
Fam. 98. Primulaceeën. Sleutelbloemigen. Kelk i-iO-tandig of -spletig. Bloemkroon i-iO-tandig of -spletig of ontbrekend. Meeldraden 4-8, voor de kroonslippen staand, soms nog 5 onvruchtbare. Vruchtbeginsel i-hokkig, meest bovenstandig, met '1 stijl en stempel. Vrucht een doosvrucht met centralen zaaddrager.....3 74.
Fam. 99. Plumbagineeën. Kelk vliezig, 5-iO-tandig of -slippig. Bloemkroon 5-bladig of -deelig. Meeldraden 5, voor de kroonslippen. Vruchtbeginsel i-hokkig met 5 stijlen en 1 stijl en 5 stempels. Vrucht meest een blaasvrucht................378.
Fam. iOO. Convolvulaceeën. Winden. Stengel meest windend. Kelk en kroon i-5-lobbig of -spletig. Meeldraden 5. Vruchtbeginsel 2- of i-hokkig, op een schijf zittend, met 1 of 2 stijlen en stempels. Vrucht een doosvrucht met een bepaald aantal zaden. . . . 37O.
77
Kenmerken der familien.
Fam. iOi. Hydrophyllaceeën. Kelk 5-iO-slippig. Bloemkroon ft-lobbig. Meeldraden 5. Vruchtbeginsel of onvolkomen 1-hokkig met '2 stijlen of 2 stempels. Vrucht een donsvrucht.......381.
Fam. i0% Polemoniaceeën. Kelk en bloemkroon 5-lobbrg of -spletig. Meeldraden 5, op de bloemkroon gezeten. Vruchtbeginsel op een schijf, 3-hokkig met 1 s'tijl en 3 stempels. Vrucht een doosvrucht . 381.
Fam. i03. Asperifolieën. Ruwbladigen. Bladen meest ruw behaard. Bloeiwijze een opgerolden bloemtop of schicht. Kelk 5-tandig of -deelig. Bloemkroon b-lobbig of -spletig, soms iets onregelmatig, vaak met schubben aan de keel. Meeldraden 5, op de bloemkroon gezeten. Stamper bestaande uit een meest i-deeliy, soms %-deelig of gaaf, i-hokkig vruchtbeginsel, op een schijf gezeten, \ stijl en \ of 'l stempels. Vrucht meest een i-notige splitvrucht 3811.
Fam. M4. Solaneeën. Nachtschaden. Kelk ü(i-6)-spletig of -deelig. Bloemkroon b-(A-G)-lohbig. Meeldraden 5(4-6) op de bloemkroon gezeten. Vruchtbeginsel 2-, zelden meerhokkig, met i stijl en stempel Vrucht een bes of doosvrucht met veel zaden . . . 388.
Fam. 105. Scrophularineeën. Leeuwebekachtigen. Ae/ft 4-5-tandig of spletig. Bloemkroon onregelmatig i-§-tandig of -spletig of 2-lippig. Meeldraden 5 of 4, tiveemachtig, of 2. Vruchtbeginsel ï-2-hokkig met 1 stijl en \ of 2 stempels. Zaden met kiemwit . 30e.
Fam. i06, Labiaten. Lipbloemig en. Stengel meest vierkant. Bladen tegenoverstaand. Bloemen in schijnkransen. Kelk 5-tandig, vaak 1-lippig. Bloemkroon meest l-lippig, grijnzend. Meeldraden 4, óf gelijk óf 'l-uiacjitig óf 2. Vruchtbeginsel diep i-deelig, op een schijf, met \ stijl en 2 stempels. Vrucht een i-notige splitvrucht. 400.
Fam. 107. Lentibularieeën. Blaaskruidachtigen. Water- of moerasplanten. Kelk 5-spletig of IS-deelxg. Bloemkroon 2-lippig gt; gespoord. Meeldraden 2. Vruchtbeginsel i-hokkig met centralen zaaddrager en stijl. Vrucht een doosvrucht.........422.
Fam. 108. Qrobancheeën. Bremraapachtig en. Woekerplanten met schubben in plaats van bladen. Kelk i-5-splelig of l-bladig, Bloemkroon 'i-lippig, 5-lobbig. Meeldraden 4, tweemachtig. Vruchtbeginsel i-hokkig, met 1 stijl of 2 stempels. Vrucht een doosvrucht. 423.
Fam. 109. Bignoniaceeën. Heesters of boomen. Kelk l-lippig ofa-deelig. Bloemkroon 5-lobbig of -spletig, bijna l-lippig. Meeldraden 2, of 4 tweemachtige. Vruchtbeginsel met 1 stijl en stempel. Doosvrucht I-hokkig. Zaden gevleugeld, zonder kiemwit.......420.
Fam. 110- Globularieeën. Kelk 5-deelig. Bloemkroon ^5-spletig, symmetrisch. Meeldraden 4. Vruchtbeginsel i-hokkig , met i stijl en 1-spletigen stempel. Vrucht niet openspringend...... 420.
Fam. 111. Verbenaceeën. Kelk 5-tandig. Bloemkroon 5-slippig, iets l-lippig. Meeldraden l-machtig of 2. Vruchtbeginsel i-hokkig, met 1 stijl en stempel. Vrucht een i-notige split- of een steenvrucht. 420.
Kenmerken der farniliën.
Fam. HQ. Plantagineeën. Weeg breeachtigen. Planteni-slachtig of \-huizig. Kelk vliezig, i-deelig, of l-'S-hladig. Bloemkroon 'S-tandig ofi-spletig. Meeldraden 4, op de bloemkroon of den bloembodem gezeten. Vruchtbeginsel ï-b-hokkig met 1 stijl. Vrucht een doos- ofdopvrucht. 7.
Fam. il3. Oleaceeën, Olij fachtigen. Heesters of bo omen, met overstaande bladen. Kelk i-tandig of -deelig of ontbrekend. Bloemkroon S-i-bladig of -deelig of ontbrekend. Meeldraden 2. Vruchtbeginsel 1-hokkig, met \ stijl en gespleten stempel......ia ft
Fam. ii4. Gentianeeën. G en t i a a n a c h ti g e n. Bladen meest overstaand. Kelk ^{i-\'i)-slippig of -bladig. Bloemkroon fyi-ity-spletig. Meeldraden 5(4-12), afwisselend met de kroonslippen. Stamper i, 1 -hokkig, met wandstandige zaadlijsten, met 2 geheel of ten deele vergroeide stijlen. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend . i 30.
Fam H5. Apocynaceeën. M aag de pa lm achtig en. Kelk ö-deelig. Bloemkroon 5-slippig. Meeldraden 5. Stuifmeel poedervornlig. Stamper 1, i-hokkig, met 1 stijl en 1-lobbig en stempel of 2, ieder i-hokkig. Vrucht \ of 1 kokervruchten..............433.
Fam. H6. Asclepiadeeën. Kelk b-deelig. Bloemkroon 5-spletig. Meeldraden 5, eenbroederig, aan den stijl zittend, met aanhangsels aan de helmknoppen. Vruchtbeginsel 2, met 2 stijlen en 1 koekvormigen stempel. Stuifmeel in klompjes. Kokervruchten. Zaden met kuif. 434.
Fam Hl. Campanulaceeën. Klokj esachtig en. Kelk en bloemkroon h-slippig. Meeldraden 5, met soms zijdelings verbonden helm-knoppen. Stamper onderstandig met l-b-hokkig vruchtbeginsel, 1 stijl en 2-5 stempels. Vrucht een doosvrucht.......43Jgt;.
Fam. il8. Lobeiiaceeën. Kelk 5-slippig of gaaf. Bloemkroon^t-spletig, onregelmatig, iets l-lippig. Meeldraden 5, met vergroeide helmknopjes. Vruchtbeginsel onderstandig, V-i-hokkig, met \ stijl. Vrucht een doosvrucht.....................438.
Fam. H9. Cucurbitaceeën. Komkommerachtigen. Planten 1-of %huizig met ranken. Kelk 5-tandig. Bloemkroon h-slippig. Meeldraden 3, 2 met l-hokkige helmknoppen, één met \-hokkigen helm-knop. Vruchtbeginsel onderstandig, amp;-\0-hokkig, met of zonder stijl en 3-5 stempels. Vrucht een bes............439.
Fam. iW. Rubiaceeën. Ster bladig en. Bladen meest in kransen. Kelkzoom meest klein, i-6-slippig. Bloemkroon i(3-6)-slippig. Meeldraden 4-6, op de bloemkroon gezeten. Vruchtbeginsel onderstandig, 'i-hokkig. Vrucht een l-notige split- of steenvrucht..... 440.
Fam. i%l. Caprifoliaceeën. Vlierachtigen. Bloemen regelmatig of symmetrisch. Planten met overstaande bladen. Kelk Q-h-tandig. Bloemkroon b-b-slippig. Meeldraden 4-10, op de bloemkroon gezeten, soms ook 'l-iiic. chtig. Vruchtbeginsel onderstandig, 1-5-hokkig. J rucht een besvrucht................... 444.
79
Kenmerken der familiën.
Fam. 122. Valerianeeën. Valeriaanachtig en. Kelkzoom in vedervormige haren overgaand, ook wel getand of weinig ontwikkeld. Bloemkroon 3-h-slippig, min of meer symmetrisch. Meeldraden 4 of minder op de bloemkroon gezeten. Vruchtbeginsel onderstandig, i-3-hokkig. Vrucht een dopvrucht...........44 7.
Fam. 123. Dipsaceeën. Kaardeachtig en. Bloemen in hoofdjes, omgeven door een omwindsel. Elke bloem draagt een bovenstandigen kelk, die vaak borstelvormig is en een bijzonder omwindsel, dat onderstandig is. Bloemkroon i-h-spletig. Meeldraden 4, op de bloemkroon gezeten. Vruchtbeginsel met 1 stijl en stempel. Vrucht een dopvrucht.....................44W.
Fam. 124. Compositen. Samengesteldbloemig en. Bloemen in hoofdjes met omwindsel. Soms iedere bloem nog met 1 schutblad (strooschub). Straal- en schijfbloemen buis-, trechter- en lintvormig of de eerste lint-, de tweede buisvormig. Vaak niet alle bloemen 1-slachtig. Kelk meest uit haren of borstels bestaand, later het vrucht-pluis of de haarkroon vormend of afwezig. Bloemkroon i-5-tandig. Meeldraden 5, sadmhelmig. Vruchtbeginsel onderstandig met 1 stijl en 2 stempels. Vrucht een dopvrucht..........451.
so
GROEP I.
KRYPTOGAMEN.
AFDEELING 3.
VAATKRYPTOGAMEN.
FAMILIE 1-7.
HEUKELS, Schoolflora, 8«' druk.
6
â
Klasse I. Equisetaceeën. Paardestaarten.
I. Fam. Equisetaceeën. Paardestaarten.
Stengel geleed, in de knoopen met gesloten, getande scheeden (vergroeide bladen}. Sporangiën aan de onderzijde van schild-vormige, kransstandige en tot een eindelingsche aar gerangschikte schubben.
Kenmerken dezelfde als voor de familie zijn opgegeven.
Equisétum SU.
1. Equisétum Trn. Paardestaart. xxiv.
Harde kruiden, zonder bladen, met een houtigen, vaak ver voort-kruipenden of diep in den bodem dringenden wortelstok. Stengelleden hol, in de lengte gegroefd. Takken, zoo deze aanwezig zijn, kransstandig, geleed en gegroefd. Scheeden gestreept . ... i
4 De vruchtbare en onvruchtbare stengels verschillen in vorm van elkaar (de vruchtbare zijn, althans in het begin , nooit groen). 2 De vruchtbare en onvruchtbare stengels zijn gelijk van vorm en dadelijk groen ................ 4
2 Vruchtbare stengels gelijktijdig met de onvruchtbare verschij
nend, later evenals de laatste groen wordend en zich vertakkend. Scheeden der vruchtbare stengels buikig, tot 0,025 lang, boven roodbruin, hare tanden tot 3 of 4 lancetvormige, stompe slippen verbonden. Onvruchtbare stengels lichtgroen, met lange, dunne, vertakte, 4-5-ribbige, boogvormig neerhangende takken. 0,30-0,60. 2J.. Mei, Juni. Zeldzaam, in bosschen en op vochtige, beschaduwde plaatsen op het diluvium.........Bosch P. E. sylvéticum L.
Vruchtbare stengels niet vertakt, niet groen, vroeger dan de onvruchtbare verschijnend, en, nadat zij sporen voortgebracht hebben, stervend...............3
3 Vruchtbare stengels lichtbruin of roodachtig, met circa5meest
vrij ver van elkaar staande, tot 0,02 lange scheeden, tot 0,2 hoog, 0,003-0,005 dik. Tanden der scheeden lancetvormig, toegespitst, zwartbruin. Onvruchtbare stengels levendig of lichtgroen , met meest vertakte takken, tot 0,5 hoog en tot 0,003
Equisetaceeen.
dik. Maart, April. 2J.. Zeer algemeen, op zand-, klei-en tuingrond, langs wegen en dijken en op slechte weiden.
Hermoes. Roobol. Unjer. Kattestaart. Veld P. E. arvénse L.
Vruchtbare stengels wit, met cirea 12 dicht opeenstaandef tot 0,04 lange scheeden, 0,15-0,25 lang. Tanden der scheeden l\jn-prieravormig. Onvruchtbare stengels meest ivoorwit, met meest onvertakte takken, tot 1,50 hoog, tot 0,01 dik. April, Mei. Q. Alleen in Limburg en in de omstreken van Ngmegen gevonden op moerassige plaatsen en in bosschen. (E. Telmatéya Ehrh.).
Reuzen P. E. maximum Lmk.
4 Aar stomp. Stengel niet overwinterend, glad of iets ruw . 5
Aar spits. Stengel meest zeer ruw, meest overwinterend . 6
5 Stengel dun (tot 0,003 dik), meest vertakt, diep gegroefd, iets
ruw, tot 0,50 hoog. Scheeden naar boven trechtervormig, met 5-10 driehoekig-lancetvormige tanden met breedvliezigen rand. 0,25-0,50. H-. Mei, Juni. Zeer algemeen, op vochtige en moerassige plaatsen. Houtpijp. Hermoes. Roobol. Lidrusch. Kwadenaard. Oneet. Unjer. Lidruske. Moeras P. E.palustreL.
Stengel tamelijk dik (tot 0,008 dik), alleen boven ofin'tgeheel niet vertakt, glad, alleen gestreept (niet gegroefd), tot 1,50 hoog. Scheeden aanliggend, glanzend, met driehoekig-priem-vormige, zwarte tanden metsmallen, vliezigenrand. 2j-. Mei, Juni. Algemeen, aan en in slooten en op moerassige plaatsen.
Brekebeen. Pijphermoes. Lidrus ke. Rijt. Hotpijp.
S1 ij k P. E. limósum L,
6 Stengel met smalle, tusschen de kanten vlakke of weinig ver
diepte ribben, tot 1,20 hoog, donker of iets grijsgroen. Scheeden aanliggend, de tanden er van vroeg afvallend en een gekartelden rand achterlatend, de buis omstreeks even lang als breed, meest tweekleurig. 2J.. Mei, Juni (de overwinterende exemplaren) of Juli, Augs. (de exemplaren van hetzelfde jaar). Menigvuldig in en aan poelen en in bosschen in zandige streken.
Schrijnwerkers biezen. Schaafstroo. E. hyemale L.
Stengel met breede, tusschen de kanten meest duidelijk verdiepte ribben. Scheeden naar boven afstaand, meest zwart geringd, de tanden uit een breeden voet plotseling in een later afvallende, priemvormige punt versmald. Stengel meest alleen aan den voet vertakt, meest grasgroen, liggend en opstijgend, 0,10-0,30 lang. 2L. AprilâAugs. Zeldzaam, in vochtige duinvalleien en op heide- en zandgrond.
S3
Bonte P. E. variëgAtum Schleich.
B*
Polypodiaceeën.
Klasse II. FfMceS. Varens.
II. Fam. Polypodiaceeën. Eigenlijke varens.
Landplanten. Bladen in den knop spiraalvormig opr/erold. Spo-rangiën aan de achterzijde der bladen meestal tot bruinachtige hoopjes vereenigd, die vaak door een vliezig uitwas der bladvlakte (dekvliesjej bedekt zijn.
Vruchtbare bladen van de onvruchtbare in vorm verschillend. Bladen diep vindeelig, met smalle gaafrandige slippen, de onvruchtbare op den bodem liggend, de vruchtbare rechtopstaand. De vruchthoopjes bedekken ten laatste de geheele
ondervlakte...........Bléchnum 85.
Alle bladen zijn gelijk van vorm..........2
Bladen ongedeeld, verlengd. Vruchthoopjes lijnvormig, 2 aan 2 bij elkaar, later samenvloeiend, hunne dekvliesjes naar de
vrije randen gekeerd.....Scolopéndrium 85.
Bladen min of meer diep vtndeelig. Vruchthoopjes groot, rond,
zonder dekvliesje........Polypódium 85.
Bladen gevind tot 3-voudig gevind.........3
Bladen klein of vrij groot (0,05-0,40 lang).......4
Blade.i groot (0.30-1,50 lang)............7
Vruchthoopjes lijnvormig of langwerpig, met zijdelings aangehecht dekvliesje, slechts aan eene zijde der nerf.
Asplénium 80.
Vruchthoopjes rond, op den rug van de nerf.....5
Vruchthoopjes langs den bladrand staande, ieder afzonderlijk en daar bedekt door den omgebogen bladrand.
Adiantum 89.
Vruchthoopjes van den rand verwijderd of samenvloeiend, over
de geheele bladondervlakte verdeeld........6
Dekvliesje ontbrekend. Bladsteel langer dan de bladvlakte, die aan den voet het breedst is .... Phegópteris SS. Dekvliesje aanwezig. Bladsteel weinig korter of langer dan de bladvlakte. Dekvliesje alleen aan de binnenzijde vastgehecht, naar den bladrand vrij, ten slotte teruggeslagen. Vrij groote
varens........... . Cystópteris 88.
Vruchthoopjes geheel randstandig, een samenhangende lijn onder den omgerolden rand der bladslippen vormend. Bladen alleenstaand, zeer groot, meest 3-voudig gevind . . Pt ér is 85. Vruchthoopjes niet randstandig...........8
8«
Poly podia ceeon.
Vruchthoopjes slechts aap een zijde der nerf, langwerpig, zelden rond, vaker haakvormig, over dc nerf reikend. Dekvliesje zijdelings aangehecht of zeer weinig ontwikkeld.
Ath Æ rium 8«*
Vruchthoopjes op den rug der nerf, rondachtig.....9-
Dekvliesje ontbrekend. Bladsteel lang, met 2 vaatbundels. Wortelstok kruipend. Vrij groote varens . Phegópteris 87.
Dekvliesje aanwezig, doch soms klein en vroeg afvallend, rond of niervormig, in het midden of in de indeuking vastgehecht.
Polystichum 87.
1. Polypódium Trn. xxiv.
Wortelstok kruipend, 2-rijig bebladerd. Bladen diep vindeelig, in omtrek langwerpig-lancetvormig of langwerpig, stijf, kaal, overwinterend. Bladslippen langwerpig, bijna gaafrandig, stomp. 0,10-0,30. 2J.. Augs., Septr. Algemeen, in bosschen, op boomstronken, oude muren en aan zandige wallen.
Boomvaren. Eikvaren. Engelzoet. Naaktvaren. P. vu!gé.reL.
2. Ptéris L. xxiv.
Bladen alleenstaand, dubbel- tot 3-voudig gevind, in omtrek driehoekig, stijf, bijna lederachtig, kaal of van onderen behaard. Blaadjes langwerpig of lijn-lancetvormig, stomp, de onderste vinspletig. Bladsteel bij scheeve doorsnede aan den voet (ten gevolge der rangschikking der vaatbundels) een dubbelen adelaar vertoonende. Meest0,50-2,00. 2J.. Juli, Augs. Algemeen op hooge, beschaduwde zandgronden.
Vanen. Akker kruid. Adelaarsvaren. P. aquilina L.
â¢i. Bléchnum L. xxiv.
Bladen in omtrek langwerpig tot langwerpig-lancetvormig, kam-vormig vindeelig, lederachtig, kaal. Bladslippen gaafrandig, die der vruchtbare smal lijnvormig, die der onvruchtbare lijn-lancetvormig. 0,15-0,50. 2]-. juliâSeptr. Aan slootkanten en hellingen, in vochtige bosschen en op beschaduwde vochtige plaatsen, vrij algemeen.
Dubbelloof. B. Splcant With.
4. Scolopéndrium Sm. xxiv.
Bladen in bundels, langwerpig tot lijn-lancetvormig, aan den
SS
Polypodiaceeën.
voet hartvormig, gaafrandig, vaak aan den rand iets gegolfd, kaal. Bladsteel kort, met bruine, bijna haarachtige kafschub-ben bezet. 0,15-0,50. 21-. Juli, Augs. Vrij zeldzaam, op voch-tigen , steenachtigen bodem.
Tongvaren. Her ta ts-ri-g. -S^ vuigare Sm.
5. Asplénium L. Streepvaren. xxiv.
Bladen klein, in bundels, evenals de stelen kaal......1
1 Bladsteel korter dan de bladschijf. Bladen gevind, in omtrek
lijn- of lijnlancetvormig. Bladsteel en spil aan weerszijden smal gevleugeld, glanzend rood- tot zwartbruin. Blaadjes bijna rond. 0,05-0,30. Ij.. Juli, Augs. Niet zelden, op vochtige muren en op steenachtigen grond, in bosschen.
Wed er dood. Steenbreekvaren. A. Trichómanes L.
Bladsteel even lang als doch meest langer dan het blad. Bladen in omtrek driehoekig of driehoekig eivormig tot lancetvormig, 2-4-voudig gevind...............2
2 Bladsteel alleen aan den voet zwartbruin, niet meer dan 0,001
dik. Bladschijf meest driehoekig-eirond, hard, kruidachtig, dof donkergroen, 2-3-voudig gevind. Blaadjes met wigvormi-gen voet, meest ruitvormig omgekeerd eirond, zelden langwerpig wigvormig, boven meest afgerond, gekarteld of getand. Dekvliesjes met franje. 0,03-0,15. 2f. JuliâSeptr. Algemeen op oude muren.
Muurruit. Miltkruid. Steen ruit. A. Ruta murèria L.
Bladsteel zelden naar boven groen, 0,002 dik. Bladschgf breed driehoekig tot lancetvormig, 2-4-voudig gevind, kort of lang toegespitst, zelden stomp. Blaadjes eirond tot Ijjn-wigvormig, stomp tot stekelpuntig getand. Dekvliesjes gaafrandig. 0,10-0,30. 2|.. Juli, Augs. Alleen op eenige plaatsen in Limburg.
Zwartsteel. A. Adiantum nigrum L.
6. Athyrium Roth. xxiv.
Bladen kortgesteeld, in omtrek langwerpig-lancetvormig, meest dubbel gevind. Blaadjes Ie orde lijnlancetvormig, fijn toegespitst. Blaadjes 2e orde ingesneden-gezaagd tot vindeelig. Slippen langwerpig, 2-3-tandig. Vruchthoopjes langwerpig of haakvormig, met duidelijk gewimperd dekvliesje. 0,30-1,00. 2|-. JuliâSept. Vrij algemeen, in bosschen, aanslootkanten en op beschaduwde, vochtige plaatsen.
Varenwijfke. Wij fj es varen. A. Filix fémina Rth.
80
Polypodiaceeën.
7. Phegópteris Fée. Beukvaren. xxiv.
Bladen gevind tot drievoudig gevind, afzonderlijk aan den kruipenden wortelstok staande, lang gesteeld..........1
Bladen met vinspletige blaartjes, in omtrek driehoekig, lang toegespitst, behaard. Blaadjes lancetvorraig, het onderste paar meest naar beneden gebogen, van de overige verwijderd. 0,15-0,30. Juli, Augs. Enkel inbossclien bq Paterswolde, op het Loo en in Zuid-Limburg gevonden. Smalle B. P. polypodioides Fée.
Bladen dubbel tot 3-voudig gevind, in omtrek breed driehoekig,
kaal of klierachtig behaard . . .........2
Bladen kaal, levendig groen, teer. De bladvlakte staat bijna horizontaal ten opzichte van den steel. Bladsteel 2-3-maal zoolang als de bladvlakte. 0,10-0,40. 2J.. Juli, Augs. Vrij zeldzaam, op vochtige, beschaduwde plaatsen.
Breede B. P. Dryópteris Fée.
Bladen van onderen met korte klierharen bezet, meer geelgroen, dof, wat hard. De bladvlakte staat in het verlengde van den steel. Bladsteel omstreeks l^-maal zoolang als de bladvlakte. 0,10-0,40. Juli, Augs. Alleen in Zuid-Limburg.
M u u r B. P. Robertianum A. Br.
8. Polystichum Roth. Niervaren, xxiv.
Bladen in bundels, in omtrek lancetvormig........1
Dekvliesje min of meer niervormig, in den inham, dus zijdelings bevestigd................2
Dekvliesje schildvormig, in het middelpunt bevestigd. Bladen byna dubbel gevind, donkergroen, meest overwinterend, tot 1,00 lang. Bladsteel met donkerbruine of roodbruine schubben bezet. Blaadjes le orde langwerpig tot Ign-lancetvormig, toegespitst. Blaadjes 2e orde aan weerszoden tot 20 toe, aan den voet vaak geoord. 0,30-1,00. 2^.. Juliâ?eptr. Alleen op beschaduwden kalkgrond in Limburg. (Aspidium aculeatum Döll).....Stekelige N. P. aculeatum Prsl.
Bladsteel met 2 handvormige vaatbundels. Bladen 's zomers groen, gevind met vinspletige of vindeelige blaadjes. Dekvliesje klein, spoedig afvallend, daardoor schijnbaar ontbrekend ..................3
Bladsteel aan den voet met 5-H vaatbundels. Bladslippen gezaagd of getand. Dekvliesje blijvend .......4
Bladen lang gesteeld (de steel omstreeks zoolang als de bladvlakte) , aan den voet nauwelijks versmald, van onderen zonder klieren. Blaadjes spits, de vruchtbare aan den rand sterk omgerold, driehoekig of sikkelvormig. Wortelstok dun, kruipend. 0,30-0,80. 2J.. Juli, Augs. Algemeen, in veenachtige weilanden en op andere vochtige plaatsen.
Addervorn. Moeras N. P. Thelypteris Sw. Bladen kort gesteeld (de steel veel korter dan de blad vlakte), naar boven en beneden versmald, van onderen met ver-
P quot;lypodiaceeë n.
spreide, goudgele klieren bezet. Blaadjes stomp, vlak, later met omgerolden rand. Wortelstok kort, dik. 0,50-0,80. 2 -. Juli, Augs. Zeldzaam, op vochtigen, beschaduwden grond.
Berg N. P. Oreópteris D. C.
4 Bladsteel kort, krachtig, meest dicht met schubben bezet. Blad
vlakte in omtrek lancetvormig-langwerpig (naar den top langzamerhand, naar den voet minder, doch duidelijk versmald), enkel gevind, met diep vindeelige, dicht op elkaar staande blaadjes en langwerpige, stompe, meest gekarteld-gezaagde, zelden bijna vinspletige slippen. Tanden zonder stekelpunten. 0,50-1,00. 2J.. JuliâSept. Algemeen, in boschachtige streken, aan slootkanten.
Varenmannekc. Adderruit. Mannetjesvaren.
P. Filix mas Rth.
Bladsteel lang (minstens half zoo lang als de bladvlakte), meest dun, bros, weinig beschubd. Tanden der bladen met stekel-punt ....................5
5 Bladen enkel gevind met diep vindeelige tot vinspletige blaadjes,
in omtrek smal langwerpig. Blaadjes stomp, de onderste paren driehoekig met hartvormigen voet, aan weerszijden met 5-7 dicht bijeenstaande slippen, de volgende lancetvormig-driehoekig. Hoogere (vruchtbare) blaadjes loodrecht op de bladvlakte staand. 0,30-0,80. 2J-. Juli, Augs. Vrij zeldzaam, op moerassige plaatsen en in bosschen.
Kamdragende N. P. cristatum Rth.
Bladen afnemend 2-3-voudig gevind, in omtrek langwerpig of eirond-langwerpig tot driehoekig. Blaadjes toegespitst, de onderste ongelijkhelftig-eirond tot eirond-lancetvormg met 10â15 iets van elkaar verwijderde blaadjes aan weerszijden, de volgende langwerpig-lancetvormig. 0,30-0,80. 2|-. Juli, Augs. Algemeen in bosschen en aan beschaduwde slootkanten.
Doornige N. P. spinulósum D. C.
9. Cystópteris Bernh. xxiv.
1 Wortelstok kort, dik. Bladen in bundels, in omtreklangwerpig-eivormig of langwerpig, dubbel gevind. Bladsteel meest iets korter dan de bladvlakte. Het onderste paar blaadjes is meest korter dan het volgende. 0,10-0,40. 2j-. JuliâSeptr. Vrij zeldzaam, op vochtige muren en beschaduwde plaatsen.
Blaasvaren. C. fró.gilis Bernh.
88
OsDiund.-iceecn. Ophioglosseeen.
10. Adiantum L. xxiv.
1 Bladstelen lang, driekant, glanzig zwart. Bladen 2- of 3-inaal gevind. Blaadjea ei-wigvormig. Vruchthoopjes aan de onderzijde van den omgeslagen bladrand» zonder dekvliesjes. 2|.. 0,15-0,30. Juli, Augs. Alleen op oude muren bjj Maastricht gevonden..........Venushaar. A. Capülus Veneris L.
III. Fam. Osmnndaceeën.
Landplanten. Bladen in den knop spiraalvormig opgerold. Sporekapsels alleen aan het bovenste deel der bladen, tot een tros ver-eenigd.
Kenmerken dezelfde als voor de familie zijn opgegeven.
Osmünda 80.
1. Osmünda L. xxiv.
t Bladen dubbel gevind, kaal, licht-, vaak geelgroen. Blaadjes Ie orde bijna tegenover elkaar staand. Blaadjes 2e orde langwerpig, stomp, meest zwak gekarteld. Vruchthoopjes aan hunne blaadjes in aren gerangschikt, ten slotte bruin. 0,50-'!,50. 2)-. Juni, Juli. Vrij algemeen, op veenachtige, belommerde plaatsen en in rietlanden. Koningsvaren. O. regélis L.
IV. Fam. Opllioglosseeën. A ddertongge wassen.
Landplanten. Bladen in den knop niet spiraalvormig opgerold-Sporekapsels in de bladslippen van een sterk veranderd, een ge-steelde aar of pluim vormend bladdeel gesloten.
i Onvruchtbaar deel der bladen ongedeeld. Vruchtbaar deel aar-vormig, lijnvormig, in 2 rijen de sporekapsels dragend.
Ophioglóssum 89. Onvruchtbaar deel der bladen vinspletig tot dubbel gevind. Vruchtbaar deel pluim-, zelden bijna aarvormig.
Botrychium OO-
1. Ophioglóssum Trn. xxiv.
\ Onvruchtbaar deel der bladen eivormig of langwerpig-eivormig , stomp, gaafrandig, geelgroen, zich van het meest langer vruchtbaar deel in of over het midden scheidend. 0,05-0,25.
9»
M arsiliaceeën. Sal viniaceeën.
2j-. Juni, Juli. Niet algemeen, in duinvalleien en op vochtige, grazige zandvlakten . . . Addertong. O. vulgitum L.
2. Botrychium Sw. xxiv.
â 1 Het onvruchtbare bladdeel zittend, zich in het midden der plant van het vruchtbare scheidend, in omtrek langwerpig, gevind. Blaadjes halvemaanvormig met breeden wigvormigen voet, ongedeeld, gaafrandig, zelden gekarteld tot gelobd. 0,15-0,25. H-, Juni, Juli. Vrij zeldzaam, aan duinhellingen en op belommerden heigrond.
Maankruid. B. Lunèria Sw.
V. Fam. Marsiliaceeën.
Moerasplanten. Sporekapsels in ronde doosachtige omhulsels ingesloten, die aan den voet der bladen zitten. In hetzelfde omhulsel zitten eenige grootere sporen (macrosporen) en verder talrijke kleine (microsporen). Bladen in de jeugd spiraalvormig opgerold.
A Bladen in 2 rijen, steelachtig, zonder bladvlakte. Vruchtomhulsels kortgesteeld, kogelvormig, schijnbaar 2- of 4-hokkig, met 2 of 4 kleppen openspringend . . . Pilularia 90.
1. Pilularia Vaill. xxiv,
â¢1 Stengel draadvormig, kruipend, tot 0,50 lang. Bladen priem-vormig toegespitst, meest 0,03-0,10 lang. Vruchtomhulsel zoo groot als een erwt, bruinzwart, 4-kleppig. 2J-. JuliâSeptr. Op sommige plaatsen, op moerassigen hei- en veengrond en langs slooten, soms in groote hoeveelheid.
Pil varen. P. globulifera L.
VI. Fam. SaMniaceeën.
Op het water drijvende planten. Sporekapsels in doosachtige omhulsels aan den voet van draadvormig vertakte waterbladen. Sporekapsels met macro- en microsporen in afzonderlijke omhulsels gezeten.
i Behalve de 2 rijen op het water drijvende, 0,005-0,015 lange bladen is er nog een rij in het water neerhangende, sterk
»o
Lycopodiaceeën. 91
verdeelde, op wortels gelijkende, bladen. Geen wortels. De sporekapsels met macrosporen zitten eenige bijeen in een vruchtomhulsel...........Salvfnia 9M.
In het water neerhangende wortels. De sporekapsels met macrosporen zitten alleen in een vruchtomhulsel. Bladen 0,001-0,003 lang, dicht opeengezeten . . . . Azolla »jf.
i. Salvïnia Mich. xxiv.
I Dryvende bladen kortgesteeld, elliptisch, aan den voet meest eenigszins hartvormig, van hoven lichtgroen met rgen van kuohheltjes, van onderen dichthehaard, ten slotte brnin- of roodachtig. 0,02-0,07. ©. Septr., Octr. Een enkele maal hier aangetroffen in het water.........Watervaren, S. natans AU.
2. Azolla Lmk xxiv.
i Stengel onregelmatig vertakt. Bladen 2-rijig, diep 2-deelig' zwak gepunt. In de binnenwateren van Holland en Utrecht vrij algemeen, ontsnapt uit den Leidschen hortus. 0,07-0,15. 2}..
Drijvende varen. A. filiculoides Lmk.
Klasse III. Lycopodiaceeën. Wolfsklauwen. VII. Fam. Lycopodiaceeën. Wolfsklauwen.
Sporekapsels aan den voet of in de oksels der bladen of van tot aren vereenigde schutbladen. Stengel meest liggend, kruipend of opstijgend, dicht met bladen bezet.
\ Sporekapsels min of meer niervormig, overdwars openspringend, 2-kleppig. Sporen bolvormig, tetraedisch, geel, klein. Stengel dicht met ongedeelde, meest smalle bladen bezet, meest kruipend...........Lycopódium 91.
1. Lycopódium L.. Wolfsklauw, xxiv.
Altijd groene planten met dicht opeengedrongen naald-, priem- of
schubvormige bladen................1
1 Sporekapsels in de oksels van onveranderde stengelbladen, geen aren vormend. Stengel opstijgend, meest gaffelvormig vertakt , met even hooge dicht opeenstaande, vaak dikke bundels vormende takken. Bladen lijn-lancetvormig, gaafrandig of iets getand, rechtopstaand of horizontaal afstaand of naar beneden gericht. 0,05-0,20. 2J-. JuliâOctr. Zeldzaam, op heidevelden.......Dennen W. L. Seligo L.
LycDpodiaoeeën.
Sporekapsels in de oksels van bijzonder gevormde bladen, tot eindstandige aren vereenigd...........2
2 Onvruchtbare bladen in spiralen staand, alle gelijk van vorm. 3 Onvruchtbare bladen aan de min of meer samengedrukte onvruchtbare takken kruiswijs tegenoverstaand, 4-rijig, de aan de kanten staande gekield, de op de vlakken staande niet. 4
3 Stengel tot meer dan -1,00 lang, met een groot aantal takken,
weinig beworteld. Vruchtbare bladen korter dan de onvruchtbare. Aren meest 2 of 3 bijeen op een langen, los bebla-derden steel. Onvruchtbare bladen in een lang, wit haar uitloopend, naar boven gebogen, dicht aanliggend, getand of gaafrandig. 2J.. Juli, Augs. Algemeen op heidevelden.
Gewone W. L. clavó-tum L. Stengel tot 0,10 lang, weinig vertakt, met vele wortels, bros. Onvruchtbare bladen lijn-priemvormig, stomp, gaafrandig, afstaand. Aar alleenstaand, eindelings. Vruchtbare bladen even lang als of langer dan de onvruchtbare. 2J-. Augs.âOctr. Niet zeldzaam, op vochtigen hei- en zandgrond.
Moeras W. L. inundAtum L.
â 4 Aren 2-6 op lange los bebladerde stelen. Vruchtbare bladen eirond, plotseling kort toegespitst, slechts il/2-ma.al zoo lang als de sporekapsels. Stengel meest onderaardsch kruipend, tot over 1,00 lang. 2J.. Augs, Septr.
Platte W. L. complanétum L. Rechtopstaande takken waaiervormig vertakt, hunne takken een trechter vormend, de middentak meest onvruchtbaar. De bladen aan de kanten staand, in het bovenste derde deel vrij, afstaand, duidelijk breeder dan de op de platte zijden staande aangedrukte bladen. Plant levendig groen.
Zeldzaam op heidegrond.....a. anceps Wallr.
Rechtopstaande takken met takken, die tot dichte bosjes vereenigd zijn, de middentak aardragend. De bladen aan de kanten staand niet opvallend breeder dan de aan de platte zijden staande, zoowel als deze aangedrukt. Plant grijsgroen. Zeldzaam op heidegrond . i. Chamaecyparissus A. Br.
»»
GROEP II.
PHANEROGAMEN.
AFDEELINGr 1.
GYMNOSPERMEN. NAAKTZADIGEN.
FAMILIE 8-
VUI. Fam. Coniferen. Naaldboomen.
Eitjes (.zaden) niet in een vruchtbeginsel ingesloten. Bouw van den stam zeer nabij dien der Dicotylen komend door vorming van jaarringen. Kiem met 2 of meer zaadlobben. Bladen naald- of schubvormig.
1 Bladen in spiralen, vaak aan korte zijtakken in bundels. . 2 Bladen in 3-tallige kransen of kruiswijs. Vrouwelijke bloemen
uit in kransen of kruiswijs staande vruchtbladen bestaand, die de rechtopstaande eitjes dragen. Vrucht een houtige oi besachtige kegel. (Cupressineeën.).......6
2 Planten 2-huizig. Vrouwelijke bloemen uit een enkel, naakt,
eindstandig rechtopstaand eitje bestaande. (Taxineeën.) Zaad door een bekervormig, vleezig omhulsel omgeven, dus steenvruchtachtig. Mannelijke bloemen bolrond. Taxus OS. Planten l-huizig. Vrouwelijke bloemen uit spiraalvormig staande vruchtbladen (kegelschubben) bestaand, welke ieder 2 naar onderen staande eitjes dragen. Vrucht een houtige kegel. (Abiëtineeën)...............3
3 Bladen aan korte zijtakjes, 2â5 of vele bijeen, aan den voet
door een droogvliezige scheede omgeven. Kegelschubben
houtig. Kegels geheel afvallend........ . 4
Bladen alleenstaand, veeljarig. Kegelschubben aan den leder-achtigen rand verdund. Zaden met blijvenden vleugel . 5
4 Bladen aan korte zijtakjes in bundels, in den herfst afvallend.
Kegels in het eerstp jaar rijp wordend. Kegelschubben aan den top verdund. Zaden met blijvenden vleugel. Larix OC. Bladen aan korte zijtakjes, 2 â5 bijeen , meerjarig. Kegels in het tweede jaar rijp wordend. Kegelschubben aan den top verdikt en met een scherp begrensd, schildvormig eindvlak. Zaden met afvallenden vleugel......P f n u s S4.
5 Kegels rechtopstaand , de schubben afzonderlijk van de as,
die blijft staan, afvallend. Schutbladen tusschen de kegelschubben (vruchtbladen) uitstekend. Bladen vierkantig.
A'biës »«.
Kegels hangend, geheel afvallend. Schutbladen tusschen de kegelschubben (vruchtbladen) verborgen. Bladen vlak.
P f c e a 9a.
6 Planten 2-huizig. Mannelijke bloemen eirond. Vrucht een
Coniferen.
gesloten blijvende, besachtige kegel. Bladen kruiswijs of kranswijs staand , althans ten deele naaldvormig ... 7
Planten i-huizig. Mannelijke bloemen bolvormig. Vrucht een kleine kegel, die, als hij rijp is, eenigszins houtig'is en zich opent. Bladen kruiswijs staand, schubvormig. Takken samengedrukt............ThüjaWï.
7 Bladen naaldvormig, in kransen van 3, afstaand. Schijnbes uit 3 vergroeide, vleezige schubben gevormd. Junfperus 0«.
Bladen afloopend, aan de rugzijde meest met eenharsklier,ten deele naaldvormig, afstaand, ten deele schubvormig, aanliggend. Schijnbes uit 4â6kranswijs staarde schubben gevormd.
Sabi'na 91.
1. Taxus Trn. xxn.
1 Heester of boom. Takken afstaand. Bladen lijnvormig, vlak, van boven donkergroen, glanzend, van onderen lichtgroen, dof, naar 2 tegenoverstaande zgdeu gericht. Zaadmantel scharlakenrood. 3 00-12,00 1^. April, Mei. Gekweekt in parken en tuinen, soms verwilderd. Vergiftig!
Venijnboom. Taxis. T. baccata L.
2. Pinus Trn. Den. Pijn. xxi.
Bladen 2, 3 of 5 bijeenstaand, aan den voet door een gemeenschappelijke scheedè omsloten of (na het verdwijnen der scheede) op een knobbel staand, 2â5 jaren blijvend........1
1 Bladen 2 aan '2 (soms 3 aan 3) bij elkaar. Vruchtschubben
met duidelijk ontwikkeld, meest ruitvormig schild . . . 2
Bladen 5 b\j elkaar, dun en slap.. Vruchtschubben met weinig ontwikkeld schild. Kegels hangend, gesteeld, rolrond, spits. 0,10-0,12 lang. Zaden gevleugeld. Schors grgs, lang glad blijvend. 15,00-20,00. Mei. Als sierboom in parken.
W e y m o u t h P. P. Stróbus L.
2 Bladen 0,04-0,07 lang, blauwgroen. Kegels duidelijk gesteeld,
dadelijk na den bloeitijd haakvormig naar beneden gebogen, in rijpen toestand kegelvormig, dof of bijna dof, grijs. Vruchtschubben met een tamelijk vlak of verheven tot haakvormig schild. Vleugel 3-maal zoo lang als het zaad. Schors eerst geelrood, later grijsbruin en met scheuren. 15,00-30,00. 1). Mei. Algemeen , in bosschen, op zand- en heigrond.
Mastboom. Schotsche spar {grenenhout). Grove D.
P. sylvéstris L.
Bladen 0,12-0,20 lang, glanzend of groen van kleur. Jonge takken rood. -Kegels ongesteeld, in rijpen toestand horizontaal afstaand of schuin naar beneden gericht, glanzend, meest grooter dan van P. sylvéstris. Schors roodgrijs tot bruinrood. 42,00-30,00. K Mei. Op zandgrond, aangeplant.
Zee pijn. P. Pinamp;ster Ait.
9S
90 Coniferen.
3. Larix Trn. xxi.
â¢1 Bladen aan korte zijtakken in bundels, aan de jongere uitgroeiende takken alleenstaand, zacht, lichtgroen. Kegels eirond, rechtopstaand. Schors eerst geelbruin, later grijs. 15,00-25,00. Ij. April, Mei. Als woud- en sierboom vaak aangeplant, ook verwilderd. (Pinus Larix L.) . . . Lorkenboom. L. decldua Mill.
4. Picea Lk. Spar. xxi.
i Bladen alleenstaand, vierkant, kort gestekeld , aan beide zijden groen , naar boven en ter zijde gericht, 6â42 jaren blijvend. Kegels eindstandig, later hangend. Schors grijsbruin. 20,00-50,00. 1gt; Mei. Met dennen gemengd, groote wouden vormend. (Pinus Abies L., Abies excelsa Poir.)
hijne spar {vurenhout). Gewone S. F. excélsa Lmk.
Als sierboomen vindt men aangeplant:
4 Jonge takken fluweelachtig-viltig. Naalden klein (0,012 lang), stomp, donkergroen. Kegels eirond, hoogstens 0,02 lang. 18,00-30,00. I^. Mei. Uit N-Amerika.
Zwarte S. P. nigra Lmk.
Jonge takken kaal. Naalden grooter (0,012-0,025 lang), stomp, aan de kanten wit, welriekend. Kegels langwerpig, tot 0,07 lang. 18,00-30,00. Ij. Mei. Uit N-Amerika.
W i 11 e S. t P- alba Lmk.
5. A'bifis Trn. xxi.
\ Bladen alleenstaand , vlak , aan den top ingesneden, van onderen met 2 witte lengtestrepen, aan de zijtakken naar 2 tegengestelde zijden gericht. Kegels zijstandig, rechtopstaand. Schors witgrijs. 25,00-50,00. 1). Mei. Aangeplant en soms verwilderd. (Pinus Picea L., A. pectinata DC.)
Zilverspar {dennenhout). A. alba Mill.
In parken vindt men soms:
1 Naalden aan den top zwak ingesneden, van onderen met 2 blauwwitte strepen. Knoppen dicht overtrokken met hars. Kegels tot 0,07 lang. Welriekend. 10,00-20,00. 1^. Mei. Uit N-Amerika . Balsem spar. f A. Balsamilera Mich. Naalden aan den top niet ingesneden, fijn gezaagd, van onderen blauwwit gestreept. Kegels tot 0,03 lang. 18,00-20,00. Ij. Mei. Uit N-Amerika. (Tsuga canadensis Carr)
Hemlockspar. tA. canadensis Poir.
6. Juniperus Trn. xxn.
1 Bladen lijn-priemvormig, stekend, recht. Schijnbes hoogstens half zoo lang als de bladen (eerst in het 2e jaar rijp wordend), zwart, blauw gerijpt. Heester met afstaande of rechtopstaande takken of een kleine boom. 1,00-3,00. K April, Mei. Op zand- en heidegrond en in de duinen. Jeneverboom. Lammeren-hout. Vrakelbessen. Jeneverstruik. J. communis L.
Coniferen.
7. Sabina Boerh. Zevenboom, xxii.
1 Stam liggend, takken rechtopstaand. Bladen kraiswgs, de tegen de takken liggende stomp ruitvormig, in 4 rqen, dicht opeen. Sch^nbes bolvormig, op teruggebogen stelen, zwart, blauw berüpt. 1,50-3,00. April, Mei. Soms aangeplant. Uit de Alpen (Juniperus Sabina L.) . . . Gewone Z. f S. officinalis Grcke.
Stam rechtopstaand, takken afstaand. Bladen in 3-tallige kransen of kruiswgs, de tegen de takken liggende stekelpuntig. Schynbeseirond, rechtopstaand. 5,^0-15,00.
April, Mei. Sierstruik uit N.-Amerika. (Juniperus virginiana L.).
V i r g i n i s c h e Z. t S. virginiana Aschrs.
8. Thüja Trn. Levensboom, xxi.
1 Takken loodrecht vertakt. Bladen alle op den rug met een lengtegroef. Kegel vrjj groot, 0,012-0,018 lang, blauwachtig berypt, lang hardvleezig bl\jvend. Kegelschubben zonder aanhangsel. Zaden ongevleugeld. 3,00-5,00. 1^. April, Mei. Vaak aangeplant. Uit China (Bióta orientalis Endl.).
OosterscheL. tT. orientalis L. Takken horizontaal vertakt. Bladen ten deele op den rug met een klierachtige verhevenheid. Kegel klein, 0,008-0,012 lang, lichtbruin, reeds vroeg droog. Kegelschubben onder den top met een gekromd aanhangsel. Zaden rondom gevleugeld. 5,00-15,00. Ij. April, Mei. Aangeplant. Uit N.-Amerika.
WesterscheL. fT. occidentalis L#
7
Heukels, Schoolflora. 8« druk.
AFDEELING II.
ANGIOSPERMEN.
BEDEKTZADIGEN.
KLASSE I.
MONOCOTYLEN.
EENZAADLOBBIGEN. FAMILIE 9-24-
IX. Fani. Liliaceeëu. Lelieachtigen.
Meest bolgewassen. Bloemdek gekleurd, 6-spletig, 6-b/adig of 4-deelig, zeldzaam S{-iO-)bladig. Meeldraden 6, zeldzaam 4 of 8{-10). Vruchtbeginsel 1, bovenstandig, 3-hokkig, met i-3, zeldzaam 4(-5) stijlen. Vrucht een doosvrucht of een bes.
Stijlen 3. Vrucht een doosvrucht..........2
Stijl \ of een zittende stempel...........3
Stijlen A (of 5). Bloemdek 8- (of dO-)bladig. Meeldraden 8 (of 10), met lange naald. Kruipende wortelstok. Paris lOS. Bloemdek vergroeidbladig, klok-trechtervormig, met lange buis. Stijl zeer lang. De bladen komen eerst het volgende voorjaar (met de vrucht) te voorschijn. . . Cólchicum tnamp;. Bloemdek B-bladig. Helmknopjes niervormig. Bloeiwijze pluim-vormig. B'aden elliptisch. . . . . . Veratrum lOS.
Bloemdek 6-bladig...............4
Bloemdek 6-tandig tot 6-deelig of 4-deelig (soms met zeer diepe
insnijdingen)................12
Bloemen groot (bloemdekbladen meer dan 0,03 groot), van
buiten nooit groen...............5
Bloemen vrij groot of klein............7
Helmknopjes rechtopstaand, dicht bij den voet bevestigd.
Bloemdek klokvormig.............6
Helmknopjes dwarsliggend, aan de rugzijde bevestigd. Bloemdekbladen aan den voet met een honigbakje, afstaand of
omgerold.............Lilium 103.
Stijl ontbrekend. Stempel 3-lobbig, zittend. Bloemdekbladen aan den voet zonder honiggroef. Bloemen alleenstaand.
T u 1 i p a iOS.
Stijl aanwezig. Stempels 3. Bloemdekbladen aan den voet met een langwerpige of ronde honiggroef. . Fritillaria M03. Bloemen in trossen, schermvormige trossen of pluimen . . 8
Bloemen alleenstaand of in schermen........H
Bladen zwaardvormig. Bloemen in trossen, van binnen geel, van buiten groen. Helmknoppen rood. Geen bolgewassen.
Narthécium lOG.
Bladen vlak..................9
Bloemstelen geleed. Bloemen in trossen of pluimen, wit. Geen
bolgewas...........Phalangium tOO.
Bloemstelen ongeleed. Bolgewassen.........10
Liiiaceeën.
10 Bloemdekbladen blauw, zelden wit, afvallend. Bloemen in trossen. Meeldraden aan den voet van het bloemdek ingeplant.
Scflla 104.
Bloemdekbladen wit, zelden geel, van buiten groen, blijvend. Bloemen in trossen of schermvormige trossen. Meeldraden op den bloembodem ingeplant . . Ornithógalum 104. H Bloemen van binnen geel, van buiten groen, vrij groot. Bloei-wijze l-lO-bloemig, zonder droogvliezig schutblad. Geen
lookreuk..............Gagea tot.
Bloemen wit, lila of roodachtig, meest klein. Bloeiwijze meest veelbloemig, bolvormig, voor den bloeitijd door een droogvliezig schutblad omgeven, niet zelden met bolletjes. Lookreuk.
A'llium lOS.
12 Bloemdek geel of roodachtig geel. Geen bolgewassen. Bloem
dek iets onregelmatig, trechtervormig, met smalle buis,
groot............Hemerocallis lOO.
Bloemdek blauw, zeldzaam rood of wit. Bolgewassen . . 13 Bloemdek wit, groenachtig geel of groenachtig. Kruipende wortelstok. Vrucht een bes...........15
13 Helmknoppen ruggelings bevestigd. Bloemdek zeer diep inge
sneden, klokvormig........Endfmion t04.
Helmknoppen aan den voet bevestigd. Bloemdek niet zeer diep ingesneden . . . .................14
14 Bloemdek buis-klokvormig. Stijl kort. Stempel ongedeeld of
3-lobbig............Hyacfnthus 103.
Bloemdek kroesvormig. Stijl draadvormig. Stempel 3-lobbig.
Müscari 103.
15 Bladen alle schubvormig. Stengel sterk vertakt, met borstel-
vormige takken. Bloemen soms 2-huizig. Bloemdek klokvormig, diep 6-deelig.......Asparagus tOamp;.
Bladen hol, buisvormig. Stengel hol, geleed. Bloemen in een ijlen tros. Bloemdek 6-deelig met uitgespreide slippen.
Asphódelus lOG.
Bladen gewoon van breedte en groen. Bloemen 2-slachtig. 16
16 Bloemdek uitgespreid 4-deelig. Meeldraden 4. Bloemen in een
eindelingschen tros......Majanthemum lOto.
Bloemdek buis- of klokvormig. Meeldraden G.....1quot;
17 Bloemen alleenstaand of meer bijeen in de bladoksels. Bloem
dek buisvormig, 6-tandig .... Polygónatum 107. Bloemen in een eindelingschen tros. Bloemdek klokvormig, 6-spletig...........Convallaria 109.
Liliaceeën.
De Familie der Liliaceeën wordt vaak in 3 familiën gesplitst, nl. de Colchicaceeên (gesl. Colchicum, Veratrum), de Lilieeën (gesl. Tulipa, Gagea, Fritillaria, Lilium, Hyacin-thus, Muscari, Scilla, Endymion, Omithogalum, Allium, Hemerocallis, Phalangium, Asphodelus, Narthecium) en de Asparagineeën (gesl. Asparagus, Polygonatum, Conval-laria, Majanthemum, Paris).
1. Cólchicum Trn. vi.
i Bloemen wortelstandig, groot, alleenstaand of 2bijeen. Bladen langwerpig-lancetvormig, na den bloeitijd in het volgende voorjaar tegelijk met de doosvrucht verschijnend. Bloemdek lilakleurig, zelden wit. 0,05-0,20, de vruchtdragende plant tot 0,40. 2)-. Septr.. Octr. Op vochtige weilanden meest langs de rivieren, vrij zeldzaam, en ook gekweekt. Vergiftig!
Tij de loos. Herfsttijloos. C. autumndle L.
2. Veratrum Trn. vi.
1 Stengels bebladerd. Bloemen in een pluimvormigen tros. Wortelbladen zeer groot. Bloemdek bladen gaafrandig, even lang als de bloemstelen. Bloemdek donkerpurper. 0,6j-1,20. 2|.. Juli, Augs. Sierplant uit Z.-Europa. Vergiftig! t V. nigrum L.
3. Tülipa Trn. Tulp. vi.
Bolgewassen met gerokte bollen, een weinig bebladerden stengel, stengelomvattende bladen en een eindelingsche bloem ... 1
i Bloemen voor het opengaan knikkend. Bloemdekbladen toegespitst, de binnenste evenals de meeldraden aan den voet behaard. Stempel klein. Bloemdek geel. 0,30-0,45. 2j.. Mei, Juni. Op beschaduwde grasgronden om oude kasteelen.
Bosch T. T. sylvéstris L.
Bloemen rechtopstaand. Bloemdekbladen stomp, evenals de meeldraden kaal. Stempel groot Bloemdek verschillend gekleurd. 0,30-0,45. 2|.. April, Mei. In tuinen vaak gekweekt. Uit Z.-Europa........Tuin T. f T. Gesneriana L.
4. Gagea Salisb. Geelster. vi.
Bolgewassen met lijnvormige, wortelstandige bladen, die steeds langer zijn dan dé naakte schacht. Bloemen stervormig, in een eindelingsch bij scherm, zelden alleenstaand, van binnen geel, van buiten groen..................1
i Bloemstelen en bloemdekbladen van buiten aan den voet dicht behaard. Bollen 2, in een gemeenschappelijk omhulsel. Wortelbladen 2, lijnvormig, gegroefd, stomp gekield. Bloemen meest 5-10, schermvormig. Bloemdekbladen lancetvormig, spits. 0,06-0,15. 2j.. MaartâMei. Vrij zeldzaam, opzandigen bouwgrond......Akker G. G. arvénsis Schuit.
*o»
Liliaceeën. iOS
Bloemstelen kaal of tamelijk kaal. Slechts één wortelblad. 2 2 Slechts één bol. Wortelblad lijn-lancetvormig, vlak, aan den top plotseling samengetrokken. Bloemdekbladen langwerpig, stomp. Bloemen 1-7 bijeen, zelden tot 10. 0,15-0,30. 2J.. April, Mei. Zeldzaam, op grazige plaatsen, aan heggen en tusschen kreupelhout. (G. sylvatica Loud.) Bosch G. G.lütea Schuit.
Gewoonlijk 2 bollen, zonder omhulsel. Wortelblad lijnvormig. Stengelbladen 2, lijn-lancetvormig met meest behaarden rand, dicht onder de bloemen, het bovenste met een kleinen bol in de oksels. Bloemen 1-5 bijeen. Bloemdekbladen langwerpig, stomp. 0,08-0,15. 2j.. Maart-Mei. Zeldzaam, op zandigen bouwgrond. (G. pratensis Schuit.)
Weide G. G. stenopétala Rchb.
5. Fritillaria L. vi.
Bolgewassen met groota, hangende, meest schaakbordachtig gevlekte, klokvormige bloemen.............1
i Stengel weinig bebladerd, 1- of2-bloemig. Bloemen eindelings of in de bladoksels, knikkend. Bloemdek vleeschkleurig of geelachtig, door donkerroode vlekken schaakbordachtig, soms ook wit. 0,15-0,30. 2J.. April, Mei. Op vrij veel plaatsen in drassige weilanden. Ook als sierplant gekweekt.
Kievitsbloem. F. Meleamp;.gris L.
Stengel dicht bebladerd, veelbloemig. Bloemen hangend, in schermen, met er boven uitstekende bladen. Bloemdek geelbruin met scharlakenroode nerven. 0,50-1,00. 2|.. April, Mei. Sierplant uit Perzië. Vergiftig!
Keizerskroon. fF. imperialis L.
6. Lilium L. Lelie. vi.
Bolgewassen met beschubde bollen, sterk bebladerden stengel en hangende of rechtopstaande bloemen......................1
1 Bloemdekbladen oranje, bruinrood gevlekt, van binnen aan den voet knobbelig ruw. Bloemen in schermen, rechtopstaand. Bladen Ign-lancetvormig, de bovenste vaak met bolletjes in de oksels. 0,46-0,80. 2|.. Juni, Juli. In blyvende roggevelden (essen) op enkele plaatsen in Groningen en Drente.
O r a n j e L. L. bulbiferum croceüm L.
Bloemdek van binnen glad, wit. Bloemen trosvormig, ten laatste knikkend. 0,60-1,20. 2|.. Juni, Juli. Veel voorkomende sierplant uit Z.-Europa.
W i 11 e L. f L. candidum L.
7. Hyacinthus L. vi.
1 Bladen breed-lgnvormig, stomp, korter dan de bloemstengel. Bloemen in een veel-bloemigen tros, veel langer dan de steel. Bloemdek aan den voet buikig, blauw, wit, rose, geel. 0,80-0,45. 2|.. April, Mei. Vaak gekweekte sierplant uR Z.-Europa..............H y a c i n t. t H. orientalis L.
8. Müscari Tm. vi.
1 Trossen ineengedrongen (0,03-0,06 lang). Bloemen knikkend, de bovenste rechtopstaand. Bladen wortelstandig, breed-lijn-
Liliaceeën.
vormig, naar, den voet versmald, korter dan de stengel. Bloemdek bolyormig-eirond, hemelsblauw, met witten zoom. ,0,08-0,15. 2J.. April, Mei. Op beschaduwde, grazige plaatsen' vrij zeldzaam. Ook als sierplant.
Druifjes. Druifhyacint. M. botryoldes Mill.
Troa los, ten slotte zeer verlengd (0,10-0,25 lang). Onderste bloemen vry ver uiteen-staand , horizontaal afstaand, gee'groenachtig, de middelste bruinachtig met geelgroene tanden, nauwelijks zoolang als de stelen, de bovenste dicht opeen, blauw, zeer lang gesteeld, onvruchtbaar. 0,40-0,70. 2|.. Mei, Juni. Gekweekt, een enkele maal bg Den Haag verwilderd . . KuifdragendeD. fM. comósum L.
9. Scilla L.. Sterhyacint, vi.
Bolgewassen met wortelbladen en een in een tros eindigende
bloemschacht......................i
i Bol met slechts 2 bladen. Bloemen in een 2-6-bloemigen tros. Schutbladen zeer klein. Bloemstelen rechtopstaand, langer dan de dwarsdoorsnede der bloemen. 0,10-0,20. Zj-. Maart, April. Alleen op Walcheren, bij Den Haag en Haarlem gevonden......Tweebladige S. S. bifólia L.
Bol niet vele bladen. Bloemstelen korter daa de dwarsdoorsnede der bloem. Schutbladen klein, korter dan de bloemstelen..................â â ⢠^
3 Tros 2-6-bloemig. Bloemen afstaand. Bloemdekbladen horizontaal uitgespreid. 0,15-0,25. . April, Mei. Sierplant uit Z.-Kuropa. Fraaie S. S. amóena L.
Tros 1-3-bloemig. Bloemen knikkend. Bloemdekbladen meer klokvormig samennei-gend. 0,15-0,26. OJ.. Maart, April. Vaak gekweekte sierplant uit Rusland en Kaukasië..........Siberische S. t S. sibirica Andrews.
10. Endymion Dumort. vi.
1 Bloemen in een hangenden tros. Bloemdekslippen klokvormig samenneigend, aan den top omgeslagen, blauw, soms rose-rood of wit. Schutbladen 2. Bladen breed-lijnvormig. 0,20-0,40. 2|.. Mei. In boschachtige streken en op buitenplaatsen.
Wilde hyacint, t. nutans Duin,
11. Ornithógalum L. Vogel me Ik. Morgenster. VI.
Polgewassen met wortelstandige, lijn- of lijnlancetvormige bladen en een enkele in een tros of schermvormigen tros eindigende
bloemschacht...................1
1 Bloemen in een schermvormigen tros. Onderste bloemstelen tijdens den vruchttijd horizontaal afstaand. Meeldraden lijn-priemvormig, zonder tanden. Bloemdek wit, met groene streep. Doosvrucht knotsvormig met 6 rechte kanten. 0,10-0,25. 2j-. April, Mei. Tamelijk algemeen, op grazige plaatsen, aan wegen, tusschen kreupelhout, op bouwland en langs slootkanten . . . Schermdragende V. O. umbellAtum L.
Bloemen in een langen tros. Meeldraden naast de helmknopjes
Liliacee en.
met 2 tandjes, bloembladachtig. Vruchtbeginsel korter dan de stijl. Bloemdekbladen van binnen wit, van buiten groenachtig. 0,20-0,40. 2|-. April, Mei. Vrij algemeen aan dijken, slootkanten, tusschen kreupelhout en op bouwland.
Knikkende V. O. nutans L.
12. A'llium Hall. Look. vi.
Bolgewassen met een bladloozen of meestal aan den voet bebladerden stengel en een elndelingsch, bolvormig scherm van bloemen. Bladen wortelstandig, maar den stengel met hunne vaak zeer lange scheeden omgevend..............1
1 Wortelbladen 2, langgesteeld, lancetvormig of elliptisch, vlak.
Stengel onbebladerd, stomp driekant. Bloemscheede 2-3-spletig. Scherm bijna vlak. Bloemdek sneeuwwit. Met sterken look-reuk. 0,15-0,40. 2^.. Mei, Juni. Menigvuldig, in bosschen en ook op beschaduwde, grazige plaatsen en aan slootkanten.
Das L. A. ursfnum L. Bladen volkomen buisvormig, rolrond. Scherm bolvormig. 2 Bladen lijnvormig, vlak of gegroefd, maar niet buisvormig hol. Stengel rond, meest tot het midden bebladerd . . 4
2 Stengel en bladen niet opgeblazen .........3
Stengel en bladen onder het midden buikig opgeblazen. Binnenste meeldraden aan den voet sterk verbreed, aan weerszyden met een korten tand. Bloemstelen omstreeks 8-niaal zoo lang als de bloemen. Bloemdek groenachtig wit. 0,60-1,20. 7^. JuniâAugs. Overal gekweekt. Vaderland onbekend.
4juin. Ci/jel. Ui. A. Cépa L.
3 Meeldraden korter dan het bloemdek. Helmdraden tandeloos,
priemvormig. Scherm zonder bollen. Bloemdek lilarose. 0,15-0,30. H-. Juli, Augs. Niet zeldzaam, op vochtige weilanden en in uiterwaarden.
Snij look. Gras look. Bies L. A. Schoenóprasum L.
Meeldraden even lang als of iets langer dan het bloemdek. De 3 binnenste meeldraden aan den voet sterk verbreed, aan iedere zjjde met een korten tand. Scherm, vaak met bollen. Bloemdek lila. 0,15-0,20. 2|.. Juni, Juli. Gekweekt. Uit Klein-Azië.... St.-Jansuien. As kalotten. Sjalotten. A. ascalónicum L.
4 Meeldraden zonder tanden. Bloemscheede korter dan het
scherm, in een punt uitloopend. Scherm boldragend . . 7 De binnenste meeldraden aan den voet aan iedere zijde met een draadvormigen, vaak gedraaiden tand.......amp;
Meeldraden aan den voet aan iedere zjjde met een korten stompen tand, langer dan het bloemdek. Bloemscherm boldragend met langgesnavelde bloemscheede. Bladen breed-lgnvormig, vlak. Stengel tot aan het midden bebladerd. Talryke, lang-werpig-eironde zybolletjes. BlocmdcK. wit of roodachtig wit, 0,25-0,60. Juli, Augs. Gekweekt. Uit O.-Indië.......Knof L. t A. sativum L.
5 Bladen vlak..................6
Bladen bijna rolrond, van boven smal gegroefd. Bloemdek
ins
Liliaceeën.
korter dan de meeldraden. Scherm klein, armbloemig, vaak alleen bollen dragend. Bloemdek purper. 0,30-0,60. 2J.. Juni, Juli. Menigvuldig, langs dijken, wegen en in weilanden. Kraailook. Wildlook. Hondslook. Boerelook. Wilde knoflook.
Wilde uien. Wijngaard L. A. vine Ale L.
6 Scherm bollen dragend. Meeldraden korter dan het bloemdek.
Bladen breed-lijnvormig, met ruwen rand. Talrijke gesteelde nevenbollen. Bloemdek donkerpurper. 0,60-0.80. 2).. Juni, Juli. Zeldzaam, in weilanden. Slange L. A. Scorodóprasum L.
Scherm zonder bollen. Geen gesteelde nevenbo'ien. Bladen lanarwerpig-lancetvormig. Meeldraden iets langer dan het bloemdek. 0,40-0,80. dj. JuniâAugs. Gekweekt. Misschien uit Z-Kuropa...........Prei. t A Pórrum L,
7 Bladen smal-lijnvormig, duidelijk gegroefd. Meeldraden onge
veer even lang als het bloemdek. Bloemdek groenachtig, iets roodachtig, zelden lichtpurperkleurig. 0,30-0,60. 2 .. Juli, Augs. Vrij menigvuldig, aan dijken, akkers en wegen,ooktusschen
hakhout........Moes L. A. oleramp;ceum L.
Bladen tamelijk breed-lijnvormig, vlak, nauwelijks gegroefd. Meeldraden langer dan het bloemdek. Bloemdek lilakleurig. 0,30-0,60. 2J.. Juni, Juli. Zeldzaam, in bouwland en aan heggen.........Berg L. A. carinétum L.
13. Hemerocallis L. D a g 1 e 11 e. vi.
Planten met wortelstok, worteistandige, lange bladen en een rechtopstaande, hooge
bloemschacht met 0,02-0,08 lange bloemen..............1
t Bloemen zeer groot, roodgeel, reukeloos. Binnenste slippen van het bloemdek met gegolfden rand, stomp. Bmtenste nerven der bioemdekbladen door dwarsaderen verbonden. Stempel bolvormig. 0,60-1,20. Juni, Juli. Sierplant uit de Zuidelijke Alpen, ook een enkele maal verwilderd. Roodgele D. fH. fülva L. Bloemen kleiner, goudgeel, welriekend. Slippen van het bloemdek vlak, spits, met onvertakte nerven. Stempel bijna 2-lobbig. 0,60-0,80. Juni, Juli. Sierplant.
G e 1 e D. t H. ilava L.
14. Phalóngium Trn. vi.
i Stengel niet vertakt. Bloemen in trossen. Stijl boogvormig gekromd, even lang als het bloemdek. Doosvrucht eirond, spits. Bloemdek wit. 0,30-0,60. 2|.. Mei, Juni. Zeldzaam, in heidestreken . . . . Berglelie. P. Liliamp;go Schreb.
15. Asphodelus L.
I Bloemdekslippen uitgespreid, van binnen wit, van buiten groenachtig. Bladen priemvonuig. 2|.. 0,30-0,60. Juni, Juli. Uit Z.-Europa. Een paar malen op bouwland gevonden...........Affodil. A. fistulósus L.
go»
16. Narthécium Moehr. vr.
i Wortelstok kruipend. Stengel opstijgend. Onderste bladen lijn-
Liliaceeën.
zwaardvormig, de bovenste klein, scheedeachtig. Bloemen in een ijlen tros. Bloemdek van binnen geel, van buiten groenachtig. 0,10-0,30. 2^.. Juli, Augs. Menigvuldig, in moerassige hei- en veenstreken. Vergiftig! Wilde gerst. Gele wateraffodillen. Cipelgras. N. ossifragum Huds,
17. Asparagus L. Asperge, vï.
Sterk vertakte planten met naaldfijne bladen, die in bundels staan, gesteelde, hangende, groenachtige bloemen in de oksels der takken en roede bessen .................. \
i Wortelstok met vleezige spruiten. Bloemen klein, ten laatste
hangend. Bloemdek groenachtig-geel. 0,60-1,25. 2J-. Juni,
Juli. Op zandgrond en in de duinen, ook vrij menigvuldig
gekvveekt . . Koraalkruid. Gewone A. A. officinalis L.
Wortelstok met korte, stijve spruiten. Stengel liggend. 2|-.
Juni, Juli. In de duinen.
Liggende A. A. prostrAtus Dumort.
18. Polygónatum Tm. Salomonszegel. VI.
Planten met een horizontalen wortelstok en een bebladerden stengel. Bloemen alleenstaand of in trossen aan hangende stelen in de bladoksels. Bloemdek buisvormig, kort, met groenen zoom.
Bessen blauwzwart.................1
1 Stengel kantig. Bloeiwijzen i- of 2-bloemig. Bloemdek aan den voet versmald, 0,004-0,005 wijd, evenals de meeldraden kaal. 0,15-0,45. 21.. Mei, Juni. Vrij veel, in boschrijke streken. (Convallaria Polygónatum L., P. anceps Mnch.)
Gewoon S. P. officinale Mnch. Stengel rolrond. Bloei wij ze 3-5-bloemig. Bloemdek aan den voet buikig, 0,002-0,003 wijd. Tanden van het bloemdek van binnen, evenals de meeldraden, behaard. 0,30-0,60. 24.. Mei, Juni. Vrij veel, in boschrijke streken. (Convallaria multiflora L.)
VeelbloemigS. P. multiflorum AU.
19. Convallaria L. vï.
â¢1 Stengel onbebladerd Bladen meest 2, elliptisch tot lancet-vormig, spits, langgesteeld. Bloemen in een eenzijdigen tros. Bloemdek wit. Bes rood. 0,15 0,20. 21-. Meiâbegin Juni. Vrij veel, op beschaduwde plaatsen in boschrijke streken. Zegeltjes. Meibloem. Lelietje der dalen. C. majAlis L.
tor
J uncaceeën.
20. Majanthemum Web. iv.
1 Stengel rechtopstaand, meest 2-bladig. Bladen afwisselend, diep hart-eivormig, spits. Bloemen klein, trosvormig. Bloem-dek wit. Bes wit, later rood. 0,07-0,15. 24.. Mei, Juni. Vrij veel, in lommerrijke streken.
Eenblad. Dalkruid. M. bifólium Schmidt.
21. Paris L. vm.
1 Stengel 1-bloemig. Bladen meest 4, kransstandig, elliptisch-omgekeerd-eirond, kort toegespitst, bijna zittend. Bloem eindelings, groenachtig. Bes zwart. 0,15-0,30. 2j.. Mei, Juni. Vrij zeldzaam, in vochtige bosschen en heuvelachtige streken. Vergiftig! . . . . Eenbes. P. quadrifólia L.
X. Fam. Juncaceeën. Bloembiesachtigen. Russchen.
Bloemdek bestaande uit 6 kafachtige blaadjes. Meeldraden 6, soms 3, aan den voet van het bloemdek ingeplant. Stamper 1 met i stijl en 3 draadvormige stempels. Vruchtbeginsel boven-standig. Vrucht een i- of veelzadige doosvrucht.
1 Bladen meest priemvormig , kaal. Doosvrucht 3 of 1-hokkig ,
met veelzadige hokjes........Jüncus tOamp;.
Bladen vlak, met meest lang behaarden rand. Doosvrucht 1-hokkig, 3-zadig..........Luzula 112.
1. Jüncus Trn. Bloembies. Steenbies. Zachte bies. VI.
Grasachtige planten met een bebladerden of onbebladerden stengel, zonder knoopen en eind- of zijstandige hoofdjes of speren van bloemen^ die door één of meer. meest groene schutbladen omgeven zijn....................1
1 Stengel onbebladerd. (Bladen alleen wortelstandig of geheel
ontbrekend).................2
Stengel bebladerd (meestal slechts weinige bladen, vaak slechts één blad dragend)...............11
2 Wortelstandige scheeden rolronde stekende bladen dragend.
Stengel rolrond, stijf, in een stekende punt uitloopend. Zijstandige pluimachtige bijschermen.⢠Bloemdekbladen spits, bleekgroen, wit gerand. 0,15-1,00. 2).. Juli, Augs. Niet zeldzaam aan zeestranden en op zandgronden aan den zeekant.
Z e e B. J. maritimus Lmk.
tos
J üncaceeën.
Wortelstandige scheeden zonder bladen. Wortelstok kruipend. 3 Bloeiwijze schijnbaar zijstandig (met een rechtopstaand schutblad, dat schijnbaar een voortzetting van den stengel vormt
en boven de bloeiwijze uitsteekt).........4
Bloeiwijze eindelings..............8
Bloeiwijze 3-7-bloemig, bijna in het midden van den stengel. Stengel grasgroen, dun, fijn gestreept. Meeldraden 6. Doosvrucht bijna bolvormig, stomp, olijfbruin, met zeer korten stijl. Bloemdek witachtig. 0,15-0,45. i|-. Juni, Juli. Zeer zeldzaam, op veengrond . . . . Draad B. J. fllifórmis L.
Bloeiwijze meerbloemig..............5
Stijl zeer kort. Meeldraden 3. Wortelstandige scheeden lichtbruin , dof. Stengel grasgroen , met merg gevuld ... 6 Stijl duidelijk. Meeldraden 6. Doosvrucht stomp met stekel-
punt ....................7
Stengel dof, grijsgroen, duidelijk verheven gestreept. Bloeiwijze meest ineengedrongen. Doosvrucht korter dan het bloemdek, aan den top ingedrukt, de rest van den stijl zit op een kleinen knobbel. 0,30-0,60. 2J-. Mei, Juni. Algemeen op vochtigen zand- en heidegrond . Kluwen B. J. conglomerétus L. Stengel glanzend, meest levendig groen, zeer teer en gestreept. Bloeiwijze meest los. Doosvrucht langer dan het bloemdek, aan den top ingedrukt, in de indeuking zit de rest van den stijl. 0,30-0,70. H-, Juli, Augs. Algemeen, aan waterkanten en in moerassen . . â . Uitgespreide B. J. effüsus L. Stengel sterk gestreept, met in kamertjes verdeeld merg, grijsgroen, aan den voet met glanzige zwartpurperkleurige scheeden. Bloeiwijze meest los. 0,30-0,60. 2).. Juniâ-Augs. Vrij algemeen aan slooten, in vochtige weilanden.
Zeegroene B. J. glAucus Ehrh.
TuBschen J. glaucus en J. effusus komt een baBtaardvorm J. diffüsus Hoppe voor, die zich van J. glaucus door den grasgroenen, fijn gestreepten stengel, met samenhangend of nauwelijks verdeeld merg, onderscheidt. Deze is een enkele maal op Walcheren, op moerassigen zandgrond gevonden.
Stengel glad (alleen in drogen toestand fijn gestreept) met samenhangend merg, groen, aan den voet met geelbruine, glanzige scheeden. Doosvrucht en zaden dubbel zoo groot als bij J. glaucus. Wortelstok dim, ver voortkruipend. 0,30-0,60. 2|-. Juli, Augs. Op Vlieland en Terschelling in duinvalleien gevonden. ..... Noorsche B. J. bélticus Willd. Bloeiwijze tot een eindelingsch (of tot 2 boven elkaar staande hoofdjes) hoofdje samengedrongen .........9
J Off
Juncaceeën.
Bloeiwijie niet tot een hoofdje samengedrongen, pluimvormig. 10
9 Bloemdekbladen tamelijk gelijk van lengte, toegespitst en spits,
langer dan de eivormige, stekelpuntige, bruine doosvrucht. Bladen smal-lijnvormig, gegroefd, evenals de stengel rechtopstaand. 0,05-0,10. O- JuniâAugs. Vrij algemeen, op vochtigen zand- en heigrond. Kop B. J. capitétus Weig. Bloemdekbladen niet gelijk van lengte, de binnenste korter dan de buitenste lang toegespitste, alle langer dan de doosvrucht. 0,02-0,10. ©. JuniâAugs. Zeldzaam, op vochtigen heidegrond .......Dwerg B. J. pygméeus Thuill.
10 Bladen afstaand, stijf. Takken der bloeiwijze veel langer dan
de schutbladen. Helmdraden korter dan de helmknoppen. Bloemdekbladen langwerpig, stomp, omstreeks zoo lang als de doosvrucht. 0,15-0,30. 2).. JuniâAugs. Algemeen, op vochtigen veen- en heidegrond.
Harde B. J. squarrósus L. Bladen rechtopstaand. Takken der bloeiwijze korter dan de schutbladen. Helmdraden langer dan de helmknoppen. Bloemdekbladen lancetvormig, toegespitst, iets langer dan de doosvrucht. 0,15-0,25. 2j.. Juli, Augs. Vrij algemeen, op harde zandgronden.....Tengere B. J. ténuïs Willd.
11 Bloeiwijze uit afzonderlijke bloemen bestaand. Bladen niet door
schotten in hokjes verdeeld...........12
Bloeiwijze met hoofdjesachtig samengedrongen vertakkingen. Bladen door schotten in hokjes verdeeld......15
12 Bloemdekbladen stomp, langwerpig-eirond, bruin met witten
rand, groen gekield. Wortelstok kruipend.....13
Bloemdekbladen spits. Wortelstok niet kruipend .... 14
13 Stengel samengedrukt. Bloemdekbladen omstreeks half zoo
lang als de bijna kogelvormige doosvrucht. Stijl half zoo lang als het vruchtbeginsel. Stempels vleeschkleurig. 0,15-0,30. 2|-. Juli, Augs. Vrij veel, op lage weilanden, aan slooten, vooral
op kleigrond.....Platte B. J. compréssus Jacq.
Stengel bijna rolrond. Bloemdekbladen bijna zoo lang als de elliptische doosvrucht. Stijl even lang als het vruchtbeginsel. Stempels purperkleurig. 0,15-0,30. 2J.. JuniâAugs. Vrij algemeen , op zilte gronden, ook in veengrond.
Ronde B. J. Geramp;rdi Loisl.
14 Takken der bloeiwijze afstaand. Bloemen alleenstaand, ver van
elkaar. Bloemdekbladen eirond-lancetvormig, spits, donkerbruin, smal vliezig gerand met bleeke rugnerf, even lang als
tio
Juncaceeën.
de donkerbruine bolvormige doosvrucht. 0,03-0,20. ©. Juniâ Augs. Algemeen, op vochtigen zandgrond.
WijdbloeiendeB. J. Tenagéia Ehrh.
Takken der bloeiwijze rechtopstaand. Bloemen alleenstaand of dicht bijeen. Bloemdekbladen eirond-lancetvormig, groen, smal vliezig gerand, even lang of ongelijk van lengte, meest langer dan de meestal strookleurige of groene doosvrucht. 0,03 0,25. O* JuniâOctr. Zeer algemeen , op allerlei vochtigen grond. . . Mothaar. Paddegras B. J. bufónius L, 15 Meeldraden 3. Bloeiwijze met weinig hoofdjes , niet zelden met niet bloeiende takken in het midden der hoofdjes. Stengel aan den voet vaak verdikt, rechtopstaand of (J. uliginosus Roth.) in het slijk wortelend en liggend of (f. fluitans Lmk.) in het water drijvend en vaak zeer verlengd. 0,05-0,25. !(-. Juli, Augs. Algemeen, op moerassige plaatsen in heide- en veenstreken en in veenslooten. Moeras B. J. supfnus Mnch.
Meeldraden 6.................16
â¢16 Bloemdekbladen wit- of geelachtig, stomp, zonder stekelpunt, omstreeks even lang als de geelachtige, spitse doosvrucht. Takken der bloeiwijze uitgespreid. 0,50-1,00. 2).. JuniâAugs, Vrij algemeen, op. moerassigen zand- en heidegrond en op rietschorren.
Padderusch. Stompe B. J. obtusiflorus Ehrh.
Bloemdekbladen bruin of zwart (slechts bij in de schaduw staande planten soms bleek)..........17
17 Bloemdekbladen even lang, de binnenste stomp of met een
korte stekelpunt...............18
Bloemdekbladen alle toegespitst, de binnenste langer, aan den top iets naar buiten gekromd, korter dan de stekelpuntige doosvrucht, donkerbruin. Bladen bijna rolrond. Stengels rechtopstaand. 0,30-0,80. 2).. JuniâAugs. Zeer algemeen, op moerassigen hei- en veengrond.
Bosch B. J. sylvamp;ticus Reichard.
18 Takken der bloeiwijze rechtop-afstaand. Bloemdekbladen alle
stomp, donker roodbruin, de buitenste met een korte stekelpunt. Stengels rechtopstaand. Bladscheeden gekield. 0,20-0,40. 2).. Juli, Augs. Vrij algemeen, vooral in duinpannen.
Alpen B. J. alpinus Vill.
Takken der bloeiwijze afstaand, ten laatste meestal uitgespreid. Bloemdekbladen alle met een korte stekelpunt, de buitenste spits, de binnenste stomp. Stengels meest opstijgend. Blad-
fff
Amaryllideeën.
scheeden niet gekield. 0,20-0,60. 2J-. Juli, Augs. Zeer algemeen, op moerassige plaatsen en aan slooten.
W a t e r B. J. laniprocérpus Ehrh.
2. Lüzula Desv. Veld bi es. vi.
Grasachtige planten met een bebladerden stengel zonder knoopen, vlakke, aan den voet met een buisvormige scheede voorziene bladen en een eindelingsche speer of pluimvorinige aar ... 1
4 Bloemen alleenstaand aan de niet of weinig vertakte takken der bijna schermvormige bloeiwijze. Wortelbladen lancet-vormig (0,005-0,01 breed1. Takken der bloeiwijze meest 3-bloe-mig, de bovenste tijdens den vruchttijd afstaand of teruggeslagen. Bloemdekbladen donkerbruin. Aanhangsels der zaden sikkelvormig, even lang als de zaden. 0,15-0,30. 2).. April, Mei. Vrij algemeen, op beschaduwden boschgrond.
Behaarde V. L. pilósa Willd.
Bloemen 2-5 bijeen aan de takken der samengestelde bloeiwijze. Zaden aan den top met een zeer klein aanhangsel. 2
Bloemen in eivormige of bolronde aren aan de takken der bloeiwijze. Binnenste bloemdekbladen even lang als of iets langer dan de buitenste.............3
2 Bladen lijnvormig, met behaarden rand. Bloeiwijze korter dan
de schutbladen, los, uitgespreid. Helmdraden veel korter dan de helmknopjes , deze bijna zittend. Bloemen meestal in bundels van 4. Bloemdekbladen witachtig, zelden roodachtig of koperkleurig. 0,30-0,60. 2J-. Mei, Juni. Vrij zeldzaam, in heidestreken en bosschen. (L. angustifolia Grke.)
Witte V. L. élbida D. C.
Bladen breed lijn-lancetvormig , 'met behaarden rand (tot 0,015 breed). Bloeiwijze langer dan de schutbladen. Meest 2 of 3 bloemen bijeen. Bloemdekbladen lancetvormig, omstreeks even lang als de doosvrucht, licht- of donkerbruin. 0,30-0,80. 2J.. MeiâJuli. Zeldzaam, in bosschen (L. sylvatica Gaud.)
, Groote V, L. méxitna D. C.
3 Aren 2-5, de zijdelingsche ten laatste knikkend. Helmknopjes
2-6-maal zoo lang als de helmdraden. Wortelstok met korte uitloopers. Bloemdek bruin. 0,05-0,25. 2(-. April, Mei. Op grazigen zandgrond, aan wallen en ini heidevelden algemeen.
Kleinharig gras. GemeeneV. L. campéstris D. C.
, Aren meest 5-10, alle rechtop- of iets afstaand. Helmknopjes omstreeks even lang als de helmdraden. Wortelstok vezelig, zonder uitloopers. Bloemdek meest lichtbruin, soms ook
tg»
Amaryllid eeën.
geel- of groenachtig wit. 0,15-0,45. 2|.. Mei, Juni. Zeer algemeen, in bosschen en aan begroeide waterkanten in zandige streken.
(L. erécta Desv.). Veelbloemige V. L. multiflora Lej.
XI. Fam. Amaryllideeën. Narcisachtigen.
Bolgewassen. Bloemdek 6-deelig , gekleurd. Meeldraden 6. Helmknoppen zich naar binnen openend. Vruchtbeginsel 1, onderstandig, 3-hokkig. Stempel enkelvoudig of 3- lobbig. Vrucht een doosvrucht.
1 Bloemdek met een rolronde buis, een stervormigen, zesdee-
ligen zoom en een verschillend gevormden krans aan de keel. Bloemen rechtopstaand of knikkend . . Narcfssus 113. Bloemdek klokvormig, tot aan den voet 6-deelig. Bloemen knikkend..................2
2 Binnenste slippen van het bloemdek iets korter dan de buiten
ste, aan den gaafrandigen top verdikt . Leucojum tlH. Binnenste slippen van het bloemdek veel korter dan de buitenste, iets ingesneden, rechtopstaand . Galanthus 114.
1. Narcissus L. Narcis, vi.
Bolgewassen met een onbebladerde, samengedrukte bloemschacht en wortelstandige, breed-lijnvormige, vlakke, stompe bladen. 1
1 Bloemdek wit. Krans schotelvormig, geel, met fijn gekarteldcn, meest rooden rand, korter dan de bloemdekslippen. Bladen lijnvormig, vlak, zwak gekield. 0,15-0,45. 2|., April, Mei. Sierplant. Eenige malen gevonden, meest in duinvlakten.
Echte N. N. poéticus L.
Bloemdek geel. Krans aan de keel bekervormig, dooiergeel, aan den rand gegolfd, even lang als de bloemdekslippen. Bladen sterk gekield. 0,15-0,30. 21-. Maart, April. Niet zeldzaam, aan slootkanten, in weilanden en aan heggen, ook vaak als sierplant.
Gele tijloos. Sporkelle. Gemeene N. N. Pseudonarcissus L.
2. Leucojum L. vi.
1 Stengel 3-6-bloemig, samengedrukt. Bloemdek wit, met aan den top groene slippen. 0,30-0,40. 2]-. Mei, Juni. Zeldzaam, echter op sommige plaatsen veel bijeen in moerassige weilanden en bosschen, soms in tuinen.
Zomerklokje. L. aestxvum L. HEUKELS, Schoolflora. 8e druk. 8
*13
I ride een.
3. Galanthus L. vi.
I Stengel l-bloemig. rond. Bloemdek wit, de binnenste slippen aan de buitenzijde met een halvemaanvormige groene vlek. 0,08-0,20. 2J.. Febr., Maart. Vrij veel aan heggen, tusschen kreupelhout, aan beschaduwde slootkanten, op vochtigen grasgrond, ook veel in tuinen gekweekt.
Vastenavondzot je. Naakte mannetjes. Naakte eerstjes.
Sneeuwbloem. Sneeuwklokje. G. nivalis L.
XII. Fara. Irideeëïl. Lischachtigen.
Bloemdek 6-deelig, gekleurd. Meeldraden 3. Helmknoppen zich naar buiten openend. Vruchtbeginsel i, onderstandig, 3-hokkig. Stempels 3. Vrucht een doosvrucht.
1 Bloemdek regelmatig, niet purperkleurig.......2
Bloemdek symmetrisch, bijna 2-lippig, met rechtopstaande
slippen. Stempels van boven verbreed . Gladiolus tlS.
2 Bloemdek klokvormig, met zeer lange buis. Stempels naar
boven verbreed, wigvormig......Crócus 114.
Buitenste slippen van het bloemdek teruggeslagen of afstaand, de binnenste rechtopstaand of naar binnen gebogen. Stijl kort. Stempels bloemkroonachtig, de meeldraden bedekkend ................Iris tl*.
1. Crócus Trn. Crocus, in.
Knollen met een vezelige schil. Bloemen en de smal-lijnvormige
bladen door vliezige scneeden omgeven.........1
1 Bloemscheede 1-bladig. Keel van het bloemdek gebaard. Stempels boven de helmknopjes uitstekend. Bloemdek violet, lila of wit. 0,08-0,15. 2J.. Maart, April Op zonnige, grazige plaatsen niet menigvuldig, ook een vaak gekweekte sierplant.
Voorjaars C. C. vérnus All.
Bloemscheede 2-bladig. Keel van het bloemdek kaal. Stempels korter dan de meeldraden. Bloemdek geel. 0,08-0,15. 2|.. Maart, April. Sierplant nit Azië.
G e 1 e C. f C. lüteus Lmk.
2. Gladiolus Trn. m.
1 Aar 5-10-bloemig. Schutbladen met stekelpunt. Doosvrucht met 3 diepe groeven. Bloemdek purper. 0,30-0,'iO. 2^.. Juni. In tuinen vaak gekweekt.
Zwaardlelie, f G. communis L.
3. I'ris L. Lisch. m.
Planten met horizontalen, dikken, vleezigen wortelstok en bebla-derden, enkeivoudigen stengel. Bladen zwaard- of lijnvormig. 1 1 Buitenste slippen van het bloemdek niet behaard, ongebaard,
IÃ*
Commelinaceeën. Typhaceeën.
eirond. Binnenste slippen lijnvormig, korter en smaller dan de stempels. Bloemdek geel. Bladen breed-zwaardvormig, omstreeks even lang als de veelbloemige stengel. 0,60-1,00. 2J-. Mei, Juni. Algemeen, aan slooten en plassen en op drassige gronden. Eiberbloem. Ooievaarsbloem. Visschenstaari. Tijdlelie. Pinksterbloem. Gele L. I pseudo-A'corus L.
Buitenste slippen van het bloemdek van binnen aan den voet door een rg dichte
haren gebaard........................2
Stengel nieerbloemig.......................3
Stengel l(-2)-bloemig. Buis van het bloemdek uitstekend , zeer lang. Bladen langer dan de stengel. Bloemdek violet, zeldzaraerlichtblauw of wit 0,05-0,10. April, Mei. In tuinen vaak gekweekt. Uit Zuidoost-Europa . . Dwerg L. I. pümila L.
Schutbladen van het midden af droogvliczig..............4
Schutbladen hoogstens aan den rand of aan den top iets droogvliezig. Stengel bebla-derd, langer dan de bladen. Bloemdek wit, de slippen aan den voet bruin geaderd. 0,30-0,60. 2|.. Mei, Juni. Sierplant nit Zuid-Europa.
Florentynsche L. 1. florentina L. Schutbladen van den voet af droogvliezig. Helmdraden langer dan de hrltnknoppen. Bloemdek lichtviolet, de slippen aan den voet bruingeaderd. Bloemen welriekend. 0,30-0,60. 2^,. Juni. Sierplant uit Italië en Istrië . Hleeke L. I, pallida Lmk. Helmdraden even lang als de helmknoppen. Lobben van den stempel uit elkaar gaand. Stempels bleekblauw. Bloemdek violet, aan den voet geelachtig-wit met bruine aderen. 0,30-0,60. 1\.. Mei, Juni. Gekweekt in tuinen, een enkele maal
verwilderd........... ÃuitscheL. 1 germanica L.
Helmdraden langer dan de helmknoppen. Lobben van den stempel met de binnenranden aaneensluitend. Buitenste slippen van het bloemdek vio et, de binnenste blauwachtig-grös. Stempels geelachtig-wit. 0,30-0,60. 2|.. Mei, Juni. Op oude muren in Limburg een paar maal......V1 i e r L. I. sambücina L.
XIII. Fam. Commelinaeeeën.
Bloemen Q-slachtig. Kelk en bloemkroon 3-bladig. Meeldraden 3 of 6. Vruchtbeginsel 3-hokkig, bovenstandig, met één stijl.
Meeldraden 3. Stamper 1. Kelk en bloemkroon 3-bladig. Bloem kroon bladen afvallend ..................Commelina
Meeldraden 6, met gelede haren bezet. Stamper 1. Kelk en bloemkroon 3-bladig. Bloemkroonbladen big vend . . . . ......Tradescantia HS.
1. Commelina L. m.
Stengel rechtopstaand, vertakt, knoopig geleed. -Bladen zittend, langwerpig- of eirond-lancetvormig. spits, kaal. Kelkbladen kaal. Bloemkroon hemelsblauw. 0,30-0,60. 21.. JuliâOctr. Sierplant uit Mexico. Commelina. t C. coeléstis Willd.
2. Tradescantia L. vi.
Stengel rechtopstaand, knoopig geleed. Bladen Ign-lancetvormig, zeer lang en smal, als eenscheede den stengel omvattend. Bloemen schermsgewjjs. Kelkbladen behaard. Bloemkroon blauw, violet of wit. 0,20-0,40. JuniâSeptr. Sierplant uit Virginië.
Tradescantia. t T. virginica L.
XIV. Fam. Typhaceeën. Lischdodden.
Bloemen in cylindervormige aren of kogelvormige hoofdjes, beneden met vrouwelijke, hoven met mannelijke bloemen. Bloemdek uit 3 schubben of borsteltjes bestaand. Meeldraden 3. Stamper i met i eitje. Moeras- of waterplanten.
its
8*
Typhaceeën.
1 Bloemen in rolronde aren, de vrouwelijke onder de mannelijke.
Bloemdek uit haren bestaand......T f P h a tl0-
Bloemen in bolronde hoofdje?, de vrouwelijke onder de mannelijke. Bloemdek uit 3 teere schubben bestaande.
Spargdnium HO.
1. Typha Trn. Lischdodde. Kannewasscher. Dulle.
Duikelaar. Doedel, xxi.
Moeras- en waterplanten met kruipenden wortelstok en rechtop-staanden, 2-rijig bebladerden stengel..........1
l Mannelijke aar dicht boven de vrouwelijke. Vrouwelijke bloemen zonder schutblad. Stempels ruit-lancetvormig, langer dan de haren, zwartbruin. Bladen breed-lijnvormig, (0,01-0,018 breed), vlak', 1,00-2,00. 2J.. Juli, Augs. Algemeen, langs poelen, moerassen en slooten, ook in rietvelden . . Donzen. Bulpezerik. Duivels knop. Raboord. Waterknots. Zwezerik. Douterkous. Pols. Biezebras. Hesbollen. Hanebolt. Doetebolt.
Pommel. Breedbladige L. T. latifólia L.
1 Mannelijke aar van de vrouwelijke meest iets (0,02-0.04) ver
wijderd. Vrouwelijke bloemen met een lijn-spatelvormig schutblad. Stempels lijnvormig, roodbruin. Bladen smal-lijnvormig (0,004-0,009 breed), bleekgroen. 1,00-2,00. ij-. Juli, Augs. Als de vorige.
Kleine hanebolt. Sneeling. Smalbladige L. T. angustifólia L.
2. Sparganium Trn. Egelskop. Duiker, xxi.
In het slijk wortelende moeras- en waterplanten met vezeligen wortelstok en bebladerden, rechtopstaand en, liggenden of drij-venden stengel. Onderste bladen met scheeden. De vrouwelijke hoofdjes steeds, de mannelijke meest van elkaar gescheiden . 1 \ Bladen in het middelste deel aan de rugzijde kantig. Stempels lijnvormig ...............2
Bladen in het middelste deel aan de rugzijde gewelfd. Stengel en bladen drijvend. Hoofdjes in aren of beneden in trossen. 4
2 Hoofdjes tot een pluim vereenigd. Stengel rechtopstaand, van
boven vertakt. Bladen aan de zijden verdiept. Vruchten zittend, kortgesnaveld, omgekeerdpyramidevormig, gegroefd. Bloemdekbladen naar boven weinig verbreed. Bladen stijf rechtopstaand. 0,30-0,60. ij-. Juli, Augs. Algemeen in stilstaande wateren en moerassen.
Vertakte E. S. ramósum Huds.
lift
Aroideeën.
Hoofdjes in aren of beneden in trossen. Vruchten korter of langer gesteeld, in een snavel uitloopend......3
Hoofdjes langs den stengel verspreid. Bladen zonder wijde vliezige scheede. Bladen aan de zijden vlak. Stengel rechtopstaand, zeldzamer (A. fluitans A. Br.) drijvend en dan de bladen rondachtig driekant. 0,80-0,50. 2f. Juli, Augs. Vrij algemeen, in stilstaande wateren en moerassen.
Onvertakte E. S. simplex Huds.
Hoofdjes dichtopeeustaand, meestal slechts een mannelijk. Bladen met een wjjde vliezige scheede, de hoogere puntig uitloopend. Stengel rechtopstaand. Bladen slap. 0,20-0,25. Juli, Augs. Alleen aan de oevers van het Zwarte Meer bij Nieuw-üordrecht gevonden .......DrgvendeE. S. fluitans Fr.
Bladen aan den voet zwak gewelfd. Hoofdjes in aren, met 1 of 2 mannelijke en 2-4 vrouwelijke hoofdjes. Stempels lijn-kegelvormig, aan den top vaak gekromd. Vruchten zeer kortgesteeld, ei-kegelvormig, kortgesnaveld, stekelpuntig. 0,15-0,30. 2|-. Juli, Augs. Moerassige poelen in hei- en veen-streken (S. natans Prod.) . Kleinste E. S. minimum Fr.
Bladen aan den voet halfcylindrisch gewelfd, zeer lang. Hoofdjes in aren of beneden in trossen, vele. Stempels lijnvormig, kort. Vruchten gesteeld, eirond-langwerpig, langgesnaveld.. 0,60-1,20. 2|.. Juli, Augs. Zeldzaam, in veenplassen en moerassen. (S. natans Fr.)
Zwemmende E. S. affine Schnitzl.
XV. Fam. Aroideeëli. Aronskelkachtigen.
Bloemen aan vleezige kolven, die door een scheede omgeven zijn. Bloemen 2~slachtig en dan het bloemdek 4-G-bladig en 6 meeldraden, of l-slachtig en dan zonder bloemdek en met 1 meeldraad. Stamper i-3-hokkig.
Bloeischeede aan den voet samengerold, de bloemen verbergend. Planten 1-huizig. Bloeikolf beneden met vruchtbeginsels , in 't midden met meeldraden bezet, boven in een knotsvormig uitsteeksel verlengd. Vrucht besachtig.
A'rum tJiamp;~
Bloeischeede vlak. Bloeikolf tot aan den top met 2-slachtige
bloemen bezet.................2
Bloeischeede op den stengel gelijkend en de voortzetting van dezen vormend, daardoor de bloeikolf schijnbaar zijstandig. Bloemdek 6-bladig. Vrucht een bes (zonder sap) , bij ons nooit rijp wordend..........A'corus MIS.
*»
Lemnaceeën.
Bloeischeede uitgespreid, van binnen gekleurd. Bloeikolf eind-standig, aan den top met mannelijke bloemen bezet. Bloenidek ontbrekend. Vrucht een bes......Calla 118.
1. A'rum L. Aronskelk, xxi.
1 Bladen spies-pijlvormig, vaak bruingevlekt. Bloeischeede geelgroen, dubbel zoo lang als de boven de bloemen in een violette knots verlengde bloeikolf. Bessen rood. Wortelstok knolvormig. 0,15-0,30. 2^. Mei, Juni. In bosschen, op vochtige, beschaduwde plaatsen. Vergiftig!
Kalfsvoet. Aronsbaard. Gevlekte A. A. maculcLtum L.
Bladen spiesvormig, witgeaderd. Bloeischeede groenachtig wit, 3 maal zoolang als de hoven de bloemen in een gele knots verlengde bloeikolf. Wortelstok knolvormig. 0,30-0,60. 2J.. Mei. Juni. Aan slootkanten, ook in bosschen.
Italiaansche A. A. itélicum L.
2 Calla L. vi.
d Bladen hartvormig. Bloeischeede van buiten groen, van binnen wit, omstreeks even lang als de bloeikolf, die geen knots-vormige verlenging heeft. Bessen rood. Wortelstok kruipend. 0,15-0,30. . Mei, Juni en Septr. In poelen en moerassen in veenachtige streken. Vergiftig!
Slangen wortel. C. palüstris L.
3. A'corus L. vi.
\ Stengel platgedrukt, op de eene zijde scherpkantig, op de andere met een groef, waaruit de kolf te voorschijn komt, terwijl de stengel zich schijnbaar voortzet. Wortelstok kruipend. Aromatische reuk. 0,30-4,00. 2|.. Juni, Juli. Vrij algemeen , aan kanalen en slooten.
Zwaneubrood. Kalmus. A. Calamus L.
XVI. Fam. Lemnaceeën. Eendenkroosachtigen.
Drijvende waterplantjes met bladachtige stengelleden, zonder bladen. Zij bloeien zeldzaam. De bloemen hebben een vliezig, ü-deelig bloemdek, i-Q meeldraden of i stamper.
1 Twee, ieder uit één meeldraad bestaande en zich na elkaar
its
Naj adeeën.
ontwikkelende, mannelijke bloemen en 1, uit één stamper bestaande, vrouwelijke bloem, aan den rand van den stengel te voorschijn tredend..........Lémna liO.
1. Lémna L. Eendenkroos. Eendengroen. Enteblad. Kroos. Waterlinze. XXI.
1 Kleine, bijna bolronde plantjes zonder wortels. 0,0005-0,0015.
Bloeit hier niet. Zeldzaam, in stilstaande wateren.
Wortelloos E. L. arrhiza L. Plantjes met wortels...............2
2 Stengelleden geheel ondergedoken, langwerpig-lancetvormig,
aan 't eene eind stekelachtig versmald, ieder met een wortelvezel, meest verscheiden kruiswijs samenhangend. 0,007-0,01. 2)-. April, Mei. Niet zeldzaam, in stilstaande wateren.
Klein waterveil. Driegroevig E. L. trisülca L. Stengelleden drijvend, rond, alleen of eenige samenhangend. 3
3 Stengelleden aan weerszijden vlak of nauwelijks gewelfd . 4 Stengelleden van boven vlak, beneden bolvormig gewelfd,
ieder met slechts één wortel vezel, meest alleen. 0,003. 2\.. Mei, Juni. In stilstaand water met andere soorten.
Bultig E. L. gibba L.
4 Stengelleden met verschillende wortelvezels en van onderen
meest rood gekleurd. 0,005. 2J.. Mei, Juni. In stilstaande wateren met L. minor veel voorkomend.
Veelwortelig E. L. polyrrhlza L. Stengelleden ieder met slechts één wortelvezel, aan weerszijden groen. 0,003. 2{- Mei, juni. Algemeen, in stilstaande wateren.
Klein E. L. minor L.
XVII. Fam. Najadeeëfl. Waternymfachtigen. Waterplanten. Planten S-slachtig of 1- of 2-huizig. Bloemdek ontbrekend of schubvormig 4-deelig. Meeldraden 1-4. Stampers 1, 4 of meer.
1 Eén vruchtbeginsel. Planten 1- of 2-huizig. Ondergedoken
waterplanten.................2
Meest 4 vruchtbeginsels.............3
119
Naj ad eeën.
2 Bladen stekelig getand, stijf, lijnvormig of lijn-lancetvormig.
Bloemen in de bladoksels staande, zonder scheede.
Naj as 1*0.
Bladen gaafrandig, lang ( â0,30), grasachtig. Bloemen op de binnenzijde van een vlakken, lijnvormigen, door een bladachtige scheede omhulden bloeikolf gezeten. In zeewater.
Zostéra 1*0.
3 Bloemen 2-slachtig, in 2-meerbloemige aren......4
Planten eenhuizig. Bloemen niet in aren. Mannelijke bloemen
uit een met een langen helmdraad voorzienen helmknop bestaande. Bladen aan de vruchtbare takken meest 3 bijeen, bijna draadvormig.......Zannichéllia ISM.
4 Meeldraden 2. Vruchtjes ten laatste langgesteeld. Bloemen
zonder bloemdek, in tweebloemige aren. Bladen bijna draadvormig. Zoutwaterplant........Ruppia IHÃ.
Meeldraden 4, met groote, bladachtig uitgebreide (schijnbaar het bloemdek vormende) helmbindsels. Vruchtjes zittend. Bloemen in rijkbloemige aren. Bladen elliptisch tot lijnvormig ...........Potamogéton tBt.
1. Najas L. Nymfkruid. xxi.
Ondergedoken waterplanten met in den bodem wortelenden, drij-venden, gatfelvormig vertakten stengel. Bladen aan den voet
scheedevormig verbreed...............1
quot;1 Stengel min of meer stekelig. Bladen stekelig getand, stijf. Bladscheeden gaafrandig. Planten 2-huizig, meest alleenstaand. 0,10-0,30. ©. JuniâAugs. In stilstaande en stroo-mende wateren, niet algemeen (N. marina L.).
Groot N. N. méjor Roth. Stengel zonder stekels. Bladen fijn getand, bros, meest naar buiten omgekruld. Bladscheeden getand. Planten meest 1-huizig, vaak vers jheidene bij elkaar. 0,07-0,20. ©. Juniâ Augs. Vindplaatsen als de vorige. (Caulinia fragilis Willd.)
Klein N. N. minor All.
2. Zostéra L. Zeegras, xxi.
In het slijk wortelende en drijvende waterplanten met lange, lijnvormige bladen met scheeden aan den voet.......1
4 Bladen lang-lijnvormig, 3-5-nervig, die der niet bloeiende planten tot 0,4 lang en 0,005-0,009 breed, aan de bloeiende planten korter en smaller. Vrucht overlangs geribd. Bloei-
i»o
Naj adeeën.
scheeden in de lengte gespleten , op korte, vrij dikke stelen. Op wierbanken in de Zuiderzee en de Wadden. 0.30-1,00.Z|-. Mei'âJuni.
Wiert. Zeenestelen. Zeewier. Gewoon Z. Z. marina L. Bladen draadvormig, 1-3-nervig, die der niet-bloeiende planten korter en smaller. Vrucht glad. Bloeischeeden op zeer dunne stelen. 2).. Aug?. Vrij zeldzaam, op nog niet met slib bedekte oevers der kust . . . . . . Klein Z. Z. néna Roth.
3. Zannichéllia Mich. Zannichellia. xxi.
In het slijk wortelende waterplanten met liggenden of drijvenden, draadvormigen stengel en lijnvormige, in kransen van s staande
bladen. Vruchtjes met gekroraden snavel........1
Stengel kruipend en in de knoopen wortelend of drijvend. Bladen bijna draadvormig. Vruchtjes kortgesteeld of bijna zittend, dubbel zoo lang als de snavel of nog langer. 0,10-0,40. 2j-. MeiâOctr. In stilstaande of stroomende wateren, niet algemeen ........Zoetwater Z. Z. palüstris L.
Vruchtjes tamelijk langgesteeld, even lang als of iets langer dan de snavel. Stengel drijvend. 0,10-0,40. 2)-. JuliâSeptr. Vrij algemeen, in brak water. Zoutwater Z. Z. pedicellè.ta Fr.
4. Küppia L. Ru pp ia. n.
In het slijk wortelende waterplanten met lijnvormige bladen.
Vruchtjes gesnaveld..........'......1
Steel der aar tamelijk lang, tijdens den vruchtiijd niet spiraalvormig opgerold. Helmhokjes rond. 0,15-0,40. 2}. JuliâOctr. In zilte slooten en moerassen, algemeen.
Snavel R. R. rostellAta Koch. Stengel draadvormig, kruipend, het bovenste deel drijvend. Steel der aar lang, tijdens den vruchttijd spiraalvormig opgerold. Helmhokjes langwerpig. 0,15-0,40. 2J-. Augs.âOctr. Vindplaatsen als de vorige. Zeldzamer.
Zee R. R. maritima Koch.
5. Potamogéton Trn. Fonteinkruid, vi.
In het slijk wortelende of geheel ondergedoken öf door middel van de bovenste bladen op den waterspiegel drijvende, onbehaarde met slijm bedekte planten, met vliezige, langwerpige steun-blaadjes. Bloemen in aren, Loven den waterspiegel uitstekend. 1
Bladen alle ondergedoken en gelijk van vorm.....2
Bladen öf alle drijvend öf, zoo er ondergedoken zijn, zijn deze anders van vorm dan de drijvende......â¢14
t»1
44« Najadeeen.
2 Bladen alle tegenoverstaand, zonder scheeden. Vruchtstelen
omgebogen met een gering aantal vruchten er aan. 0,30-0,50. lp. JuniâSeptr. Vooral op kleiachtigen grond in stilstaand en stroomend water . . DichtbladigF. P. dénsus L. Bladen afwisselend, hoogstens de bovenste tegenoverstaand. 3
3 Bladen aan den voet met een groene, den stengel omvattende
scheede, met een tongetje op de grens van schijf en scheede.
Aar lang, afgebroken.............4
Bladen zonder scheede..............5
4 Stengel meest sterk vertakt. Bladen smal-lijnvormig met
duidelijke dwarsnerven. Vruchtjes halfcirkelrond, van buiten gekield, kortgesnaveld, geelbruin. 0,50-2,00. 2J.. JuniâAugs. In slooten, kanalen, rivieren , naar den zeekant meest.
Draad F. P. pectinè.tus L. Stengel alleen aan den voet wijd uiteenstaand gaffelvormig vertakt. Bladen haarvormig. Vruchtjes scheef elliptisch, van buiten afgerond, nauwelijks gesnaveld, groen. 0,-15-0,45. 2].. juni. Juli. Vindplaatsen als de vorige. Ha ar F. P. marinus L.
5 Bladen gesteeld of zittend, niet stengelom vattend .... 6 Bladen min of meer stengelomvattend...... .12
6 Bladen gewoonlijk kort, soms langer gesteeld, lancetvormig,
veelnervig, doorschijnend, glanzend. 0,50-1,50. 1\-. Juli,Augs. In stilstaande wateren, op zand- en veengronden.
Glanzig F. P. lücens L. Bladen ongesteeld, lijnvormig of soms smal-lancetvormig . 7
7 Bladen zeer smal-lijnvormig tot borstelvormig (hoogstens 0,002
breed). Stengels bijna rolrond. Bloemen in gering getal.
Vruchtstelen veel korter dan de vruchtaren.....8
Bladen breeder dan 0,002. Stengel min of meer afgeplat . 9 S Bladen meest 3-nervig, toegespitst. Vruchtjes klein, langwerpig-ovaal met afgeronden rug. 0,30-0,60. 2)-. JuniâSeptr. Algemeen in slooten, ook in zilte. . Klein F. P. pusillus L.
Bladen l-nervig, soms met zwakke zjjnerven. Stengel s tg ver dan bg de vorige. Vruchtjes ruitvormig met gekielden rug, die met knobbels bezet is, aan den binnenrand met een spitsen knobbel Vruchtjes veelal slechts 1 in iedere bloem. 0,30-0,60. 2|.. Juni, Juli. Slechts op een paar plaatsen in slooten op rivierklei gevonden.......HaarfgnF. P. trichoides Cham et Schld.
9 Stengel vlak samengedrukt, gevleugeld, onder de bladen bijna
bladachtig. Bladen met vele fijnere nerven tusschen de
hoofdnerf en de beide zijnerven, toegespitst.....10
Stengel samengedrukt met afgeronde kanten. Bladen bijna zonder fijne nerven tusschen de hoofdnerven.....11
10 Bladen met 4 zijnerven, behalve de hoofdnerf. Aarstelen 2-3-
Naj ad eeën.
maal zoo lang als de aar, naar boven iets verdikt. Aren tijdens den vruchttijd los, G quot;!O-bloemig. Vruchten glad, met gewelfden rug. Bladen stomp of spits. 0,30-0,60. 2).. Juli,Augs. Zeer verspreid. Stekelpuntig F. P. mucronétus Schrad. Bladen met 2 amp; 4 flauwe zijnerven, behalve de hoofdnerf. Aarstelen even lang als of nauwelijks langer dan de aar. Aren tijdens den vruchttijd dicht, kort, 6-^-bloemig. Vruchten knobbelig, ook de rug. 0,25-0,75. 2J-. Juli, Augs. Vrij zeldzaam , in allerlei wateren op zand- en heigrond.
Stompbladig F. P. obtusifólius M. et K.
11 Zijnerven dicht bijeenstaand naast de hoofdnerf. Top der bladen
lang en fijn toegespitst. Aarstelen even lang als de aar. Aar 4-6 bloemig, rondachtig. 0,60-1,20. 2|.. JuniâAugs. Zeldzaam, in stilstaande wateren. Spitsbladig F. P. acutifólius Lk. Zijnerven gelijkmatig verspreid. Top der bladen min of meer toegespitst. Aarstelen 2- k 3- maal zoo lang als de aar. Aar 10-15-bloemig, rolrond. 0,30-0,60. 2|.. Juli, Augs. Vrij zeldzaam, in stilstaande wateren. Vlak F. P. compréssus L.
12 Bladen breed eirond, stengelomvattend, met uitstaande lobben.
Vruchtjes met stompen rug. Aar kort. 0,30-0,80. 2J-. Juli, Augs. Zeer algemeen, in slooten en rivieren.
Stengelomvattend F. P. perfoliétus L. Bladen met hartvormigen voet stengelomvattend, veel meer lang dan breed...............13
13 Stengel samengedrukt tot vierkant. Bladen met drie hoofd
nerven en weinig dwarsnerven, lijnvormig tot langwerpig, meer of minder gekroesd, fijn gezaagd. Vrucht met een grooten gekromden snavel. 0,30-0,80. 2j.. JuniâSeptr. Zeer algemeen, in stilstaande wateren op kleigronden.
Gekruld F. P. crispus L. Stengel rond. Bladen veelnervig met vele dwarsnerven, ei-lancetvormig of langwerpig. Vrucht met korten snavel en scherp gekielden rug. 0,80-1,60. 2J-. Juli, Augs. Zeldzaam, in kanalen en grachten.
Langstengelig F. P. praelóngus Wulf.
14 De drijvende bladen gesteeld en lederachtig, de ondergedoken
zittend...................15
Alle bladen langgesteeld (steel minstens half zoo lang als de bladvlakte).................16
15 Bladen groot (0,07-0,15 lang). Plant stevig, weinig vertakt.
Drijvende bladen spatelvormig of omgekeerd eirond, de onder-
t»3
Naj ad eeën.
gedoken lancetvormig, stomp. Aarstelen naar boven niet verdikt. 0,30-0,60. 11-. Juli, Augs. In slooten, vijvers en zacht-stroomend water, ook in veengrond.
Rosbladig F. P. rwféscens Schrad. Bladen hoogstens 0,07 lang, meest korter. Plant teer, sterk vertakt. Drijvende bladen min of meer doorschijnend, eirond, de ondergedoken lijn-lancetvormig, spits. Aarstelen naar boven verdikt. 0,30-1,20. 2j.. JuniâAugs. In heide- en veenstreken in allerlei wateren. (P. heteroph^llus Schrad.)
Grasachtig F. P. graminéus L.
â 16 Drijvende bladen lederachtig. Stengel niet vertakt .... 17 Bladen alle dun en doorschijnend, de bovenste eirond, toegespitst , met zwak hartvormigen voet, de ondergedoken lancetvormig. Aarstelen overal even dik, lang. Vruchten klein, stomp gekield. 0,30-0,60. Juli, Augs. (P. plantaginéus Du Croz.) Zeldzaam, in stilstaand en stroomend water.
Weegbreeachtig F. P. Hornemènni Meijer.
17 Bladstelen van boven gegroefd. Drijvende bladen elliptisch of eirond met afgeronden of zwak hartvormigen voet. Ondergedoken bladen (tijdens den bloeitijd niet meer aanwezig) zeer smal, soms alleen uit een middennerf bestaande. Vruchtjes groot (0,004-0,005) tot een dikke afgebroken aar vereenigd. 0,50-1,50. 2j-. JuniâAugs. Algemeen in slooten en plassen, vooral in kleistreken .... Drijvend F. P. nutans L. Bladstelen van boven vlak. Drijvende bladen elliptisch-lancet-vormig, spits, met afgeronden of iets hartvormigen voet in den verbreeden bladsteel uitloopend. Ondergedoken bladen spatelvormig. Vruchtjes klein, tot een korte, matig gesteelde aar vereenigd. 0,30-0,60. 2j.. Juni, Juli In wateren in heideen veenstreken. (P. oblóngus Viv.).
Duizendknoopbladig F. P. polygonifólius Pourr.
XVIII. Fam. Graniineeën. Grassen, in.
Stengel knnopig, meest hol. Bladen met lange, meest gespleten scheede en met tongetje. Bloemen meest 2-slachtig. Bloemdek uit 3-3 kleine schubbetjes bestaand. Meeldraden 3 (zelden 6, 2 of IJ. Helmknopjes vaak, als zij rijp zijn, kruisvormig uiteenwijkend. Stamper 1, i-hokkig met een eitje, 2 stijlen of 1 stijl met 2 {of 3) stempels. Iedere bloem is omgeven door 2 schutblaadjes (kroon-
*â¢4
Gramineeën.
kafjes), waarvan het buitenste layer is ingeplant en vaak een naald (kafnaald] draagt. Bloemen i of meer tot aartjes vereenigd, die omgeven zijn door 2 (zelden i) schutblaadjes (kelkkafjes). Deze aartjes zijn tot een aar of pluim vereenigd. Vrucht een graanvrucht. Zaad met veel kiemivit.
Aartjes zittend of aan zeer korte, onvertakte stelen, een enkele eindelingsche aar (of tros) of verscheiden hand-, tros- of pluimvormig samengevoegde aren vormend. (Aargrassen). 2 Aartjes kortgesteeld, verscheidene aan gemeenschappelijke, korte, vertakte stelen1), samen een eindelingsche aarvormig samengetrokken pluim of schijnaar vormend.
(Aarpluimgrassen.) 15 Aartjes langgesteeld, of, zoo zij kortgesteeld zijn, staan hunne stelen aan langere takken, zoodat er een min of meerdere uitgespreide pluim ontstaat. (Pluim grassen.). . . . 27 Aartjes in een eindelingsche pluim en in een zijdelingsche bloeikolf op dezelfde plant. Aartjes der pluim 2-bloemig, mannelijk. Aartjes der bloeikolf 1-bloemig, vrouwelijk. Stijl zeer lang. Reusachtig gras. Bladen meer dan 0,04 breed.
Zéa 13^.
Aartjes een enkele eindelingsche aar vormend.....3
Aartjes verscheiden hand- of trosvormig samengevoegde aren
vormend..................42
Aartjes alleenstaand in uithollingen of op tanden van de
bloemspil..................4
Aartjes 2â4 bijeen op iederen tand der bloemspil. . . . i4
Aartjes 1-bloemig................5
Aartjes 2-meerbloemig..............7
Aartjes in uithollingen der bloemspil half weggedoken. Aar zeer dun, bijna cylindrisch. Kelkkafjes meestal 2, zeldzaam i.
Stempels 2...........Lepturus ISA.
Aartjes op tanden der bloemspil geplaatst. Aar naar ééne
zijde gekeerd................6
Aartjes lijn-priemvormig. Kelkkafjes ontbrekend. Stempel 1.
Nardus
tas
Aartjes elliptisch, naar voren afgerond. Kelkkafjes aanwezig. Stempels 2. Klein plantje . . . . Chamagróstis 134:.
1
De korte steeltjes der aartjes z\jn vaak eerst te zien, als men de spil der schijnbare aar ombukt.
t»« G ramin eeën.
7 Aartjes met de smalle zijde (rugzijde) naar de spil gekeerd , het eindelingsche met 2, de andere met 1 kelkkafje.
Lólium tS3.
Aartjes met de breede zijde naar de spil gekeerd, alle met 2
kelkkafjes..................8
8 Aartjes zittend.................9
Aartjes kortgesteeld (een tros vormend), veelbloemig. Kelkkafjes 5-7-nervig. Bovenst kroonkafje aan den rand stijf gewimperd.........Brachypódium ISO.
9 Onderst kroonkalje op den rug met een kafnaald. Aartjes
â¢4-7-bloemig...........Gaudfnia tSl.
Onderst kroonkafje met een naald aan den top of zonder naald ..................10
â¢10 Kelkkafjes ieder met 2 of 3 uitstekende naalden aan den top.
Aégilops 1516.
Kelkkafjes zonder naald of hoogstens in één naald uitloopend. 11
11 Kelkkafjes eirond of lancetvormig, veelnervig. Aartjes meest
3-meerbloemig..........Trfticum ISl.
Kelkkafjes priemvormig, eennervig. Aartjes 2-bloemig, meest met draadvormigen aanleg voor een derde bloem, soms ook 3-5-bloemig...........Secale 1515.
12 Aartjes 2 aan 2, het cene gesteeld, het andere zittend of kort
gesteeld , eenbloemig, kaal of kortbehaard, zonder naald. Kelkkafjes 3, het onderste zeer kort, vaak bijna niet ontwikkeld. As der aar ongeleed . . . . Panicum 13S. Aartjes afzonderlijk gezeten, zijdelings (d. i. de zijden der kelkkafjes zijn tot elkaar genaderd), afgeplat......13
13 Bladen met ruwen rand, 4â5 aren aan den top des stengels.
Aartjes eenbloemig. Kelkkafjes even groot. C Æ n o do n IJ-#. Bladen met gladden rand, 2 of soms 3 aren aan den top des stengels. Kelkkafjes ongelijk.....Spartfna 13*.
14 Aartjes 1-bloemig, hoogstens met een aanleg voor een 2e bloem,
zelden 2-bloemig, 3 bijeen. Onderst kroonkafje meest met een naald. Bladen vlak, zacht .... Hórdeum tS3. Aartjes 2-meerbloemig, meest 3-bloemig, 2â3 bijeen. Onderst kroonkafje zonder naald. Bladen vaak samengerold.
Ãlymus IS».
15 Aartjes eenbloemig, vaak met een aanleg voor een bovenste of
2 onderste bloemen (dus met slechts één tweeslachtige bloem)...................16
Granii ueeën. 197
Aartjes twee- of veelbloemig (dus met 2 of meer tweeslachtige bloemen)..................22
16 Aartjes met lange, aan den voet staande naaldachtige borstels,
ruggelings afgeplat. Kelkkafjes 3, zeer ongelijk. Geen naalden.
Setaria J33.
Aartjes zonder borstels, zijdelings afgeplat.......17
17 Kelkkafjes 4. Stempels uit den top der bloemen te voorschijn
komend..................18
Kelkkafjes 2.................19
18 Onderste kelkkafjes op de rugzijde vleugelvormig gekield, de
beide bovenste klein, één vaak ontbrekend. Meeldraden
3. Schijnaar eirond, dicht......Phalaris t3M.
Kelkkafjes niet vleugelvormig gekield, de 2 onderste zeer ongelijk (het onderste omstreeks half zoo lang als het tweede) T de 2 bovenste aan den rug genaaid, behaard. Meeldraden 2. Schijnaar meest langwerpig . Anthoxanthum 139.
19 Kelkkafjes met lange naalden. Een der kroonkafjes met een
naald even lang als het kafje. Kelkkafjes zijdelings samengedrukt ............Polypógon
Buitenst kroonkalje met korte rugnaald. Kelkkafjes spits, weinig langer dan de kroonkafjes. Bloemen aan den voet omgeven
door haren.........Calamagróstis 1.37.
Kroonkafjes zonder naalden, of er is maar één kroonkafje, dat dan vaak een naald draagt.........20
20 Bloemen aan den voet omgeven door haren , die niet boven
de kelkkafjes uitsteken. Kroonkafjes zonder naald. As der aartjes boven den voet der bloem verlengd en aan den top
penseelachtig behaard......Ammóphila 13%.
Bloemen aan den voet zonder haren.........21
21 Kelkkafjes aan den voet vergroeid. Aartjes naar den top ge
leidelijk versmald. Onderst kroonkafje vliezig, groot, zakvormig met rugnaald, het bovenste meest ontbrekend.
Alopecürus 13S.
Kelkkafjes aan den voet niet vergroeid, met witvliezigen rand en gewimperden of ruwen kiel. Aartjes afgeknot, 2-puntig. Onderst kroonkafje stomp, zonder naald, het bovenste omvattend .............Phléum 13S.
22 Aartjes aan den voet met een kamvormig, slechts uit kafjes
bestaande zijaartje, 2-5-bloemig. Onderst kroonkafje ruggelings afgerond, uit den ingesneden top komt een naald te voorschijn. Schijnaar naar alle zijden gekeerd. Cynosurus 148.
Gramineeën.
Aartjes zonder kamvormig zijaartje........ . 23
23 Kelkkaf jes even lang of bijna zoo lang als het aartje... 24 Kelkkafjes korter dan het aartje, zeer ongelijk.....26
24 Onderst kroonkafje met een naald op den rug, aan den top
2-puntig, kaal. Bladen borstelvormig . . . Avena M39. Onderst kroonkafje zonder naald of met een naald aan den top. Stempels vedervormig, zijdelings uit de bloemen te voorschijn komend..............25
25 Onderst kroonkafje aan den top met een stekelige punt of
naald, met gekielden rug, kort gewimperd. Koeléria IJ3. Onderst kroonkafje spits, zonder naald, kraakbeenig, met gewelfden rug, met dicht gewimperden rand.
Mélica (cilidta) 142.
26 Onderst kroonkafje zonder naald, stomp, met gekielden rug.
Stengel liggend of iets opstijgend. Bladen vlak , smal.
Scleróchloa *43.
Onderst kroonkafje met een naald, langer dan het kalje, met afgeronden rug. Bloemen met slechts één meeldraad. Stengel rechtopstaand. Bladen borstelvormig . Féstuca i*0.
27 Aartjes eenbloemig, vaak met aanleg voor een bovenste of 2
onderste bloemen...............28
Aartjes 2-veelbloemig, tweeslachtig, zeldzaam de onderste geslachtloos of mannelijk, de bovenste vaak weinig ontwikkeld. 35
28 Bloemen met ver uitstekende naald (naald circa 3-maal zoo
lang als het kroonkafje). As der aartjes boven het bovenste kroonkafje steelachtig verlengd. Kroonkafjes kaal of aan den
voet behaard............Apera 137.
Bloemen zonder naald of met een korte (hoogstens 0,006 uit
stekende) naald................29
29 Aartjes ruggelings samengedrukt of rond (kelkkafjes dus vlak
of gewelfd).................30
Aartjes zijdelings samengedrukt (kelkkafjes dus duidelijk gekield) ...................32
30 Kelkkafjes 3, het onderste zeer kort. Pluim samengetrokken, sterk vertakt, overhangend. Bladscheeden ruw behaard.
Gekweekte grassoort........Panicum 132.
Kelkkafjes 2. Bladscheeden kaal. Boschgrassen .... 31 .31 Pluim wijd uitgespreid met bijna horizontaal afstaande takken.
Hoog gras.............Müium 1341.
Pluim of tros slap, naar ééne zijde gekeerd, uit slechts omstreeks 4â8 aartjes bestaand.........Mélica 148.
tas
Gramineeën.
32 Kelkkafjes onontwikkeld of weinig ontwikkeld. Kroonkafjes
zonder naald. Meeldraden 1â6. Pluim ver uitgespreid,
zeldzaam geheel ontwikkeld......Léersia. 1.11.
Kelkkafjes goed ontwikkeld............33
33 Kelkkafjes 4, de 2 buitenste bijna even lang, bootvormig,
langer dan de ongenaaide, lederachtige kroonkafjes, de 2 binnenste veel kleiner, schubvormig . . Phalaris 131. Kelkkafjes 2, ongelijk , het onderste langer......84
34 As der aartjes aan den voet der bloemen met haren bezet, die
langer zijn dan de breedte der kroonkafjes. Kelkkafjes nauwelijks langer dan de kroonkafjes.
Calamagróstis 137. As der aartjes kaal of alleen aan den voet der bloemen met zeer korte haren. Kelkkafjes langer dan de kroonkafjes. Pluim los. Aartjes zeer klein.....Agróstis 13«.
35 Kelkkafjes even lang of bijna zoo lang als het geheele aartje. 36 Kelkkafjes (vooral de onderste) korter dan de het dichtst er
bij staande bloemen..............43
36 Bloemen zonder kafnaalden. Kelkkafjes eirond of elliptisch. 87 Bloemen alle of ten deele met kafnaalden. Kafnaalden vaak
nauwelijks uitstekend.............38
37 Aartjes 3-5-bloemig. Bloemen 2-slachtig. Kelkkafjes kruid-
lederachtig, bijna even lang. Onderst kroonkafje aan den top 2-tandig, tusschen de tanden stekelig of 3-tandig.
Triódia Jlt;ia.
Aartjes (l-)2-bloemig, met een knotsvormigen aanleg voor een bovenste bloem. Kelkkafjes vliezig, ongelijk. Onderst kroonkafje gaafrandig, stomp, gewelfd . . Mélica ll^.
38 Stempels aan den top der bloemen te voorschijn tredend.
Stijl lang. Aartjes 3-bloemig, de 2 onderste bloemen mannelijk , de bovenste 2-slachtig, (met 2 meeldraden). Welriekend gras............Hieróchloa 13a.
Stempels aan den voet der bloemen te voorschijn tredend. Stijl kort..................39
39 Aartjes 2-bloemig, niet boven de bovenste bloemen verlengd ,
klein of zeer klein..............40
Aartjes 2-meerbloemig, met een steelvormige verlenging dei-as boven de bovenste bloem...........41
40 Bovenste bloem mannelijk, onder den top met vaak nauwelijks
uitstekende kafnaald, de onderste tweeslachtig, zonder kafnaald. Onderst kroonkafje gaafrandig . . Hólcus 138. HEUKELS, SchooIJlora. 8quot; druk. 9
1»»
Gramineeën.
Beide bloemen tweeslachtig, onder het midden van den rug met een knievormig gebogen kafnaald. Onderst kroonkafje
2-puntig. Aartjes zeer klein (tot 0,003 lang) . Avéna 130. 44 Onderst kroonkafje aan den top gaafrandig of getand, dicht
bij den voet met een kafnaald. Aartjes klein (minder dan
0,04 lang), 2-bloemig .............42
Onderst kroonkafje aan den top 2-tandig of 2-spletig of met 2 naalden. Aartjes meest groot of vrij groot. Avéna 1B9.
42 Onderst kroonkafje spits, met gaafrandigen top , met een naald,
die naar boven knotsvormig verdikt is en in het midden een krans van haren draagt . . . Corynéphorus HZ. Onderst kroonkafje met afgeknotten of getanden top en met een teere, weinig uitstekende naald . . . . Aira Hl.
43 Spil der aartjes onder de bloemen behaard. Stempels purper
kleurig ...................44
Spil der aartjes onbehaard. Stempels niet gekleurd . . . 45
44 Aartjes 3-7-bloemig, de spil met lange haren (alleen onder
de onderste mannelijke bloem kaal). Onderst kroonkafje tweemaal zoo lang als het bovenste, lang toegespitst. Stijl vrij lang. Reusachtig gras . . . . Phragmites 142. As.rtjes 2â5-, meest 3-bloemig, de spil kort behaard. Onderst kroonkafje nauwelijks langer dan het bovenste, spits. Stijl kort. Kleinere grassoort . . . . ; . . MoHnia Hg.
45 Onderst kroonkafje met gekielden rug........46
Onderst kroonkafje met afgeronden rug.......48
46 Onderst kroonkafje met stekelpuntigen of genaalden top. Aartjes
3- of 4-bloemig, tot kluwens vereenigd, die een naar ééne zijde gekeerde pluim vormen.....Dact Æ lis 143.
Onderst kroonkafje zonder stekelpuntigen of genaalden top. Aartjes tot een uitgespreide pluim vereenigd.....47
47 Aartjes veelbloemig, lijnvormig of langwerpig-lijnvormig. On
derst kroonkafje afvallend, het bovenste met de spil der aartjes blijvend. Takken der pluim in spiralen staand.
Eragróstis JI44.
Aartjes 3-7-bloemig, eirond of elliptisch. Beide kroonkafjes vallen met de leden der spil af. Takken der pluim in 2 rijen................Po a 144.
48 Kroonkafjes zonder kafnaald, stomp of afgeknot .... 49 Kroonkafjes met kafnaald of toegespitst. Bloemen eirond-
lancetvormig tot lancet-priemvormig........54
13 O
Gramineeen.
49 Aartjes rond met bijna hartvormigen voet, knikkend of han
gend, zijdelings samengedrukt......Brfza f43.
Aartjes langwerpig tot lijnvormig. Kelkkafjes zeer ongelijk. 50
50 Aartjes 2-bloemig, klein (circa 0,002 lang), vaak violet gekleurd.
Bladscheeden tot de helft gesloten. Teere watergrassoort.
Catabrósa
Aartjes meerbloemig, bijna rolrond of zijdelings afgeplat. Bladscheeden geheel gesloten of open . . . Glycéria 1 IS.
51 Takken der pluim naar één zijde gekeerd. Stempels op den
top van het vruchtbeginsel zittend. Bovenst kroonkafje op de kiel met er tegen aanliggende fijne wimpers.
F estüca 140.
Takken der pluim naar twee zijden gekeerd. Stempels onder den top van het vruchtbeginsel vastgehecht. Bovenst kroonkafje op de kiel stijf-kamvormig gewimperd. Brom us 148.
1. Léersia Sw.
1 Geelgroen. Bladscheeden en bladen zeer ruw. Losse pluim, meest slechts ten deele uit de bovenste bladscheede te voorschijn tredend. Takken der pluim aan den voet meest bochtig. 0,50-1,00. 2).. Augs., Septr. Zeer zeldzaam, langs wateren. (Orfza clandestina A. Br.)
Rijst gr as. L. oryzoldes Sw.
2. Phalaris L. Kanariegras.
1 Bladscheeden ruw. Schijnaren zeer dicht, sierlijk groen en witgevlekt. Kelkkafjes aan den rand 1-nervig, op den rug met een gaafrandigen vleugel. 0,15-0,50. ©. JuliâSeptr. Gekweekt en vrij zeldzaam verwilderd, langs wegen en ruigten , ook op bouwland.
IVü vogeltjeszaad. Kanariezaad. P. canariénsis L. Stengel en bladscheeden glad. Bladen breed met ruwen rand. Pluim naar ééne zijde gekeerd, tijdens het bloeien uitgespreid. Aartjes stroogeel, vaak rood of bruin aangeloopen. 1,00-2,00. 2|.. Juni, Juli. Menigvuldig, aan waterkanten en op moerassige plaatsen. In tuinen wordt een vorm met witgestreepte bladen (Phalaris picta L.) gekweekt. (Digraphis arundinacea Trin.) Eenhalm. Rietgras.
Rietachtig K. P. arundinécea L.
9'
131
Gramineeën.
3. Anthoxanthum L. Re uk gr as. Ruiker t.
\ Aartjes in een langwerpige, aan den voet versmalde, aarvor-mige pluim, meest bruinachtig geel. Het 3e en 4e kelkkafje weinig langer dan het bovenste kroonkafje, aangedrukt behaard, met naalden, die nauwelijks boven het 2e kelkkafje uitsteken. Dicht zodevormend. Aangenaam riekend. 0,quot;15-0,50. 24-. Mei, Juni. Zeer algemeen, op grasgrond.
Gewoon R. A. odordtum L. Aartjes, in een kortere, losse pluim. De beide bovenste kelk-kafjes bijna dubbel zoo lang als het bovenste kroonkafje, de kafnaald der onderste bijna voor V3 uitstekend boven het tweede kelkkafje. Reuk zwakker. Zelden meer dan 0,20. Q. Juni, Juli. Vrij zeldzaam, tusschen de rogge, op sommige plaatsen echter veel.
Slofhakken. A. Puélii Lecoq en Lamotte.
4. Hieróchloa Gmel. Honiggras.
i Stelen der aartjes glad en kaal. Mannelijke bloemen onder den top met korte, rechte naald of zonder naald. Aartjes bruingeel. Wortelstok kruipend, met uitloopers. Welriekend. 0,30-0,50. i|-. Mei, Juni. Vochtige weilanden, veenachtige plaatsen en aan waterkanten. (H. borealis R. et Sch.) Ruikend zorggras. Veenreukgras. H. odoréta Whlnbg.
5. Zéa L.
1 Stengel met merg gevuld. Bladen breed. Pluim uitgespreid Bloeikolf in de oksels der middelste stengelbladen, omhuld door een groot aantal bladscbeeden. Vruchten geel. 1,00-2,Ã0. ©. JuniâAuga. Gekweekt, üit Amerika.
TvrJcsche weit. Turksche tarwe. Z. Mays L.
6. Panicum L. Vingergras.
1 Aartjes in schermswijs vereenigde schijnaren, zonder naalden.
(Digitaria P. B.)...............2
Aartjes in naar ééne zijde gekeerde, min of meer in trossen geplaatste aren. Kelkkafjes met naald of stekelpunt (Echi-nóchloa P. B.). Stengel rechtopstaand of knievormig gebogen. Bladen vaak iets gegolfd. Aren afwisselend of schijnbaar tegenoverstaand. Aartjes eirond, elliptisch, meest lichtgroen, vaak iets violet gekleurd. 0,30-0,80. 0. JuliâOctr. Zeer algemeen, op zandige akkers. (E. crus galli P. B.) IVildgras. Egelgras. Vogelgras. Wild panikkoren.
Hanepoot. P. Crus Gamp;lii L.
ia»
Gramineeën.
Aartjes in een samengestelde pluim, langgesteeld. Bladscheeden
sterk behaard................3
2 Stengel opstijgend tot rechtopstaand. Bladscheeden en bladen behaard. Meest 5 (4-6) schijnaren. Aartjes langwerpig-lancet-vormig, meest iets violet gekleurd. 0,15-0,50. Q. Juni- Octr. Niet zeer algemeen, op zandigen bouw- en moesgrond. (D. sanguinalis Scop.) . . . . Rood V. P. sanguinale L.
Stengel liggend, zelden opstijgend. Bladscheeden en bladen kaal. Meest 3 (2-4) schijnaren. Aartjes elliptisch-eirond, meest iets violet gekleurd. 0,08-0,30. 0. JuliâOctr. Zeer algemeen, op zandige akkers. (D. filifórmis Koeler., P. glabrum Gaud.)
Glad V. P. lineAre Krock.
8 Aartjes omstreeks 0,002 lang, op zeer dunne stelen, ten slotte zeer ver niteenstaand. Onderst kelkkafje zeer klein, hoogstens i van het bovenste. O. 0,20-0,50. Juliâ Septr. Uit N.-Amerika. Op een paar plaatsen vrg veel gevonden.
Draad V. P. capillare L.
Aartjes omstreeks 0,004 lang, vrjj dicht opeengedrongen. Onderst kelkkafje hoogstens § van het bovenste, met stekelpunt. Takken der pluim ten laatste overhangend. 0,30-0,80. ©. JuniâAugs. Soms gekweekt. Uit Oost-Indië.
133
Heer ze. Gierst, t P- miliaceüm L.
7. Setaria P. B. Naaldaar.
Aarpluimgrassen bladen . . .
met vlakke, lijn-lancelvormige,
scherprandige .....-1
Omhullende borstels met weerhaakjes (dus bij het naar boven strijken ruw), groen. Schijnaar smal, rolrond, aan het ondereinde vaak afgebroken. Kafjes der tweeslachtige bloemen tamelijk glad. Bladen lichtgroen, zeer ruw. 0,30-0,50. ©. Juli, Augs. Vrij zeldzaam in moeshoven , aan ruigten en wegen.
Krans N. S. verticill^ita P. B. Omhullende borstels met tandjes, die naar voren gericht zijn
(dus bij het naar boven strijken glad).......2
Grijsgroen. Borstels geelachtig rood. Schijnaar eirond tot rolrond , dicht. Kroonkafjes der tweeslachtige bloemen overdwars gerimpeld. Stengel onder de schijnaar bijna glad. 0,10-0,50. ©. JuliâSeptr. Algemeen, op zandig bouwland.
Gele N. S. gléuca P. B. Grasgroen. Kroonkafjes der tweeslachtige bloemen tamelijk
glad (alleen onder de loupe iets gerimpeld).....3
Borstels groen of (aan de zonzijde) roodachtig. Schijnaar eirond tot rolrond, dicht, rechtopstaand. Stengel onder de schijnaar ruw. 0,15-0,50. ©. Juli-Septr. Vrij algemeen op zandig bouwland .........Groene N. S. viridis P. B.
234 6 rami neeën.
Borstels geelachtig (of zwart). Schgnaar groot, vingerdik, tgdens deu vruchttgd knikkend. As der sclijjnaar diclit behaard. 0,80-0,80. 0, JuniâSeptr. Gekweekt als vogelvoedsel. Waarschjjnlgk uit Indië.
Italiaansche vogelgierst. tS. italica P. B.
8. Cynodon Rich.
i Grijsgroen. Kruipende wortelstok met uitloopers. Stengel op-stijgend. Bladen smal, van onderen iets behaard. Tongetje in een rij haartjes uitloopend. 0,30-0,45. 2J.. Juli, Augs. Zeldzaam, op grazige zandgronden, langs dijken en wegen.
Hondstand. C. Déctylon Pers.
9, Spartina Schreb.
i Meest 2 aren, ongeveer 0,015 lang, sterk afgeplat, met een tweeslachtige bloem. Stengel rechtopstaand. Bladen opgerold. 0,15-0,30. 2).. Augs.âOctr. Enkel in Zeeland, aan de zeekust.
Slijk gras. S. striata Roth.
10. Milium L. Gierstgras.
Zodevormende pluimgrassen met meestal breede, vlakke bladen en slanke, naar boven naakte halmen. Pluim groot, uitgespreid, met kleine aartjes.................1
4 Stengel en bladscheeden glad. Bladen breed met ruwen rand. Groote losse pluim met afstaande, later naar beneden gebogen takken. 0,00-1,00. 2)-. Mei, Juni. Vrij menigvuldig, in bosschen.
Hirsgras. Zaadgras. Uitgespreid G. M. effusum L.
Stengel en bladscheeden ruw. Bladen kort en smal. Pluim samengetrokken. 0,30-0,50. ©. April, Mei. Zeldzaam, in de duinen en op beschaduwden zandgrond.
RuwachtigG. M. scabrum Merlet.
11. Nardus L.
1 Grijsgroene, zodevormende plant. Stengels dun, alleen aan den voet bebladerd. Bladen borstelvormig, stijf, de buitenste afstaand. Aartjes eerst tegen den stengel gedrukt, latei-afstaand. 0,10-0,25. 2)-. Mei, Juni. Algemeen, op zand- en heidegrond . . Ziuijnehaar. Borstelgras. N. striata L.
12. Chamagróstis Borkh,
1 Klein, zodevormend plantje. Stengel borstelvormig, rechtopstaand. Aar lynvorraig. Aartjes zeer klein, meest purperkleurig. 0,03-0,08. ©. April, Mei. Op een paar plaatsen , in de duinen en op zandgrond gevonden. (Mibora minima Desv.)
Dwerggras. C minima Borkh.
Gramineeën.
13. Alopecürus L. Vossestaart.
Zodevormende aarpluimgrassen met vlakke bladen en een rolronde of langwerpige, dichte, pluimvorraige aar, wier aartjes gemakkelijk, door met de nagels van den voet naar den top der aar te strijken, van de steeltjes loslaten.............'1
1 Stengel opgericht, opstijgend of knievormig gebogen of in het
water drijvend. Kelkkafjes niet of alleen aan den voet
vergroeid..................2
Stengel rechtopstaand. Kelkkafjes spits, tot het midden of bijna tot het midden vergroeid............4
2 Stengel aan den voet knolvormig gezwollen. Kelkkafjes met
iets gewimperde kiel, puntig. Kafnaald langer dan de kelkkafjes. 0,20-0,40. l).. Mei, Juni. Vrij zeldzaam, op zilten kleigrond.
Knoldragende V. A. bulbósus L. Stengel aan den voet niet knolvormig verdikt, doch aan den voet liggend of knievormig opstijgend of in het water drijvend . 3
3 Aartjes eirond-langwerpig. Kroonkafjes onder het midden met
naald. Naald knievormig gebogen, bijna dubbel zoo lang als het kafje. Helmknopjes geel, ten laatste bruin. Plant grijsgroen. 0,15-0,30. ©. Mei, Juni. Vrij menigvuldig, op vochtige plaatsen, aan waterkanten. Geknikte V. A. geniculdtusL. Aartjes elliptisch. Kroonkafjes in het midden met een naald. Naald nauwelijks l'/j-maal zoo lang als het kafje. Helmknopjes geelrood, later bleeker. De geheele plant met een blauwachtig waas. 0,15-0,30. ©. JuniâAugs. Vrij algemeen, op vochtige plaatsen.....Rosse V. A. fülvus L.
4 Kelkkafjes niet geheel tot het midden vergroeid, met niet ge-
vleugelden, doch slechts gewimperde kiel. Schijnaar rolrond, stomp. Aartjes 4-6 aan een takje, bleekgroen en (als zij rijp zijn) zwart. 0,30-0,80. 2|.. Mei, Juni. Zeer algemeen, in weilanden en langs wegen en dijken.
Botkruid. A. praténsis L. Kelkkafjes tot het midden vergroeid, met smal gevleugelden, zeer kort gewimperde kiel. Schijnaar aan beide einden versmald. Aartjes 1-2 aan een takje. 0,30-0,45. ©. Juni, Juli. Zeer algemeen, op kleiachtig bouwland.
Wintergras. Zwartgras. Wildkoren Zaadgras. Landvluis.
Smeden. Duist. A. agréslis L.
14. Phléum L. Doddegras.
Aarpluimgrassen met slanke halmen, vlakke, lijn-lancetvormige
Gramineeën.
bladen en een zeer dichte, rolronde, zelden langwerpige aar, wier aartjes door sirijken met de vingers niet loslaten ... 1
1 Aartjes met een steelvormige verlenging der as. Kelkkafjes lancetvormig, langzamerhand toegespitst, kortgenaald, met stijf gewimperde kiel. De wortelstok brengt alleen stengels, geen bloemlooze bladrosetten voort. 0,05-0,20. ©. Mei, Juni. Op dorren zand- en heidegrond en in de duinen.
Zand D. P. arenArium L.
Aartjes zonder steelvormige verlenging der as. Kelkkafjes dwars afgeknot, langwerpig, met naald op het midden van (ie afsnijding en stijf gewimperde kiel. Bladscheeden rolrond. Naald '/s-maal Zoo lang als het kelkkafje. 0,30-0,80. 2j-. Juni, Juli. In weilanden, aan dijken en wegen.
Lammersteert. Motraai. Timothy gras. P. praténse L. Stengel aan den voet knolvormig verdikt. Schijnaar meest korter. Droge zandige plaatsen. De variëteit.
a. nodosum L.
15. Polypógon Desf.
\ Aartjes eenbloemig, tot zeer gevulde, 0,03-0,045 lange, aar-pluimen vereenigd, met vrij lange naalden. 0,20-0,40. ©. Juli. Nu en dan op zandgrond naar den zeekant. Uit Zuid-Europa.....Baard gras. P. monspeliénsis Desf.
16. Agróstis Lgt;. Struisgras.
Pluimgrassen met in kransen staande, sterk vertakte en zeer samengestelde, uitgespreide pluimen, die soms na den bloeitijd meer samengetrokken zijn. Aartjes klein, zonder of met korte kafnaalden....................1
1 Bladen vlak, in den knoptoestand opgerold. Bovenst kroon-
kafje aanwezig................2
Bladen, althans de onderste, borstelvormig, in den knoptoestand samengevouwen. Tongetje langwerpig, getand. Pluim na den bloeitijd samengetrokken. Bovenst kroonkafje niet aanwezig. Plant met korte uitloopers. De naald ontspringt even onder het midden van de rugnerf van het onderste kroonkafje. 0,30-0,50. 2J-. Juni, Juli. Vrij algemeen, op vochtigen zanden heidegrond......Kruipend S. A. canina L.
2 Tongetje zeer kort, afgeknot. Pluim in omtrek langwerpig-eirond,
ook na den bloeitijd uitgespreid, met gladde takken, gewoonlijk iets purperkleurig. Kroonkafjes bijna altijd zonder naald. Zodevonnend of met korte uitloopers. 0,30-0,80. 24..
136
Gramineeën.
Juni, Juli. Algemeen, op wei- en hooiland, langs wegen en
dijken........Gewoon S. A. vulgaris With.
Tongetje langwerpig (0,002-0,003 lang). Pluim in omtrek lang-werpig-kegelvormig, na den bloeitijd samengetrokken, met ruwe takken en veranderlijke kleur. Kroonkafjes soms met naald. Met uitloopers. Gras- of grijsgroen. Zeer veranderlijk. 0,30-0,80. 24.. Juni, Juli. Algemeen, op wei- en hooiland, langs wegen en dijken. (A. stolonifera Koch.)
Fioringras. A. alba L. Zeer lange uitloopers, die vaak rood van kleur zijn en grijsgroene , vaak opgerolde en stijve bladen. De in het slib aan den zeekant voorkomende variëteit. Man'tima G. Mey.
17. Apera Adans. Windhalm.
Pluimgrassen met in kransen staande, sterk vertakte en zeer samengestelde pluimen. Aartjes klein met lange kafnaalden. 1 1 Pluim wijd uitgespreid. Naald recht of iets heen en weer gebogen. Stengel rechtopstaand of aan den voet geknikt, glad. Helmknoppen lijn-langwerpig. 0,30-1,00. ©. Juni, Juli. Op korenland. (Agróstis Spica venti L.)
Muggepoot. Muggebeen. Metel. Meele. Gewone W.
A. Spfca vénti P. B. Pluim smal, steeds samengetrokken. Helmknoppenrond-eirond. Overigens als de vorige. 0,20-0,60. 0. Juni, Juli. Alleen in Limburg op bouwland. (Agróstis interrupta L.)
Afgebroken W. A. interrupta P. B.
18. Calamagróstis Adans. Struisriet.
Pluimgrassen of aarpluimgrassen met stijve halmen en lijnvormige, vlakke bladen...................i
1 As van het aartje niet over de bloem verlengd. Haren langer
dan de kroonkafjes. Onderst kroonkafje langer dan het bovenste , aan den top tweespletig, beide doorschijnend, vliezig. 2 As van het aartje over de bloem steelachtig verlengd, boven penseelachtig behaard. Onderst kroonkafje weinig langer dan liet bovenste, met een rechte fijne naald aan de rngzyde, die korter is dnn de kelkkafjes. Haren aan den \oet der bloem slechts weinig korter dan de kroonkafjes. Bladen van onderen grasgroen, glanzend, van boven grysgroen, dof Pluim smal, samengetrokken, stjjf rechtopstaand, zeer dicht, meest violet of roodbruin. 0,60-1,00. 2|.. Juli, Augs. Zeer zeldzaam, alleen in moerassige weilanden by Meppel en Loenen gevonden. (C. stricta Spr.)
S t y f S. C. neglécta Fr.
2 Naald op de rugzijde ingeplant, soms ontbrekend .... 3 Naald op den top ingeplant, uit een insnijding van het kroon-
kafje te voorschijn komend. Pluim slap......4
133
Gramineeën.
3 Pluim dichtbloemig, stijf-rechtopstaand, 0,15-0,30 lang. Naald
ontspringend uit het midden der rugzijde. Aartjes lichtgroen, min of meer violet. 0,60-1,50. 2|.. Juli, Augs. Algemeen, op vochtigen of belommerden zandgrond en langs waterkanten.
Land S. C. Epigéios Roth.
Pluim gelijkmatig uitgespreid, slap, 0,08-0,15 lang. Naald ontspringend onder het midden der rugzijde. Aartjes donker-violet, zelden groenachtig. 0,60-1,00. Juli, Augs. Enkel gevonden aan de oevers van het Zwarte Meer by Nieuw-Dordreeht.
Veen S. C. Halleriana D. C.
4 Naald zeer kort, nauwelijks buiten de insnijding van het kroon-
kafje uitstekend. Kelkkafjes lancetvormig, toegespitst. Bladen smal, grasgroen. Aartjes violet of vuil purperkleurig. 0,60-1,20. 2)-. Juli, Augs. Vrij algemeen, aan waterkanten en op vochtige, belommerde zandgronden.
Pluim S. C. lanceoló.ta Roth.
Naald minstens half zoo lang als het kroonkafje. Kelkkafjes lyn-priemvormig, aan den top zydelings samengedrukt. Bladen breeder, grysgroen. Aartjes bleek-violet. 0,60-1,20. 2^.. Juni, Juli. Zeldzaam, op zandigen bodem aan waterkanten (de omstreken van Haarlem en Katwyk) . . . . Strand S. C littoréa D. C.
19. Ammóphila Host. Helm.
Grassen met stijve bladen , een dichte langwerpige, smalle aar-pluim, die 0,10-0,17 lang is, en opgerolde bladen.....1
1 Wortelstok zeer lang (tot 5,00 en meer), met uitloopers. Lichtgroen. Stengel stijf rechtopstaand. Bladen (bij droog weer) opgerold, met zeer lang (0,03) tot aan den voet gespleten tongetje. Schijnaar dicht, bijna rolrond, stomp, wit. Kelkkafjes lancetvormig, spits. Haren circa I/rmaal 200 lang als de kroon-kafjes. 0,60-1,00. 2J-. Juli, Augs. In duinen en zandvlakten, ook wel gekweekt. (Psamma arenaria R. et Sch.)
Helmriet. Zandhaver. Vrouwenkoren. Ijle rogge.
Gewone H. A. arendria Lk.
Levendiger groen. Tongetje nauwelijks half zoo lang, minder diep gespleten. Schijnaar lancetvormig, spits, min of meer bruinachtig. Kelkkafjes lancetvormig, priemvormig toegespitst. Haren circa half zoo lang als de kroonkafjes. 0,60-1,50. Vruchten zich nooit ontwikkelend. 2^, Juli, Augs. Zeldzaam in de duinen, vooral op de Noordzee-eilanden. (P. baltica R. en Sch.)
Noordsche H. A. bdltica Lk.
20. Hólcus L. Zorggras. Meelraai.
Zodevormende pluimgrassen, met vlakke, zachte bladen en dunne, naar boven naakte halmen en een dichte of losse pluim met kleine aartjes...................1
13S
Gramineeën.
i Naald der mannelijke bloem niet of weinig uitstekend, ten laatste haakvormig gekromd. Pluim witachtig, meest rood of violet aangeloopen. Bladen aan weerskanten zacht behaard. Wortel vezelig. 0,30-0,45. 2}.. JuniâAugs. Algemeen, tusschen het gras in weilanden en langs wegen en dijken.
Witbol. Zacht Z. H. lanétus L.
Naald der mannelijke bloem boven de kelkkafjes uitstekend, knievormig gebogen. Pluim geelachtig wit, vaak violet aangeloopen. Bladen zeer fijn behaard of kaal. Wortelstok kruipend. 0,45-0,60. 2|.. Juli, Augs. Algemeen, op zandgrond, tusschen kreupelhout en in bosschen.
Witboksen. Week Z. H. móllis L.
21. Avéna L. Haver.
Pluim- en aarpluimgrassen, met een knievormig gebogen kafnaald aan het onderste kroonkafje van alle bloemen of van de onderste
bloemen van het aartje...............1
1 Aartjes, ten minste na den bloeitijd, hangend, groot (0,01-
0,03 lang). Stengel 0,50-1,20 ...........2
Aartjes rechtopstaand, vrij groot of klein.......5
2 Bloemen niet door een geleding aan de spil der aartjes verbonden,
eerst laat afvallend. As der aartjes kaal of enkel aan den voet der bloemen behaard. Aartjes meest 2-bloemig. Bloemen lancetvormig, naar den top versmald. Onderst kroonkafje
onbehaard..................3
Bloemen door een geleding aan de spil verbonden en, als zij rijp zijn, dadelijk afvallend. Aartjes meest 3-bloemig. As der aartjes evenals het onderste kroonkafje tot het midden met meest bruingele haren ruw behaard. Pluim meest naar alle zijden gekeerd. 0,60-1,20. ©. JuniâAugs. Op bouw- en korenland. Vloghaver. Oot. Aai. Wilde H. A. fatua L. Een variëteit met onbehaarde onderste kroonkafjes en 2-bloemige aartjes (A. hybrida Peterm ), vrij zeldzaam op bouwland, is...........a. glabrata.
3 Onderst kroonkafje 2-spletig, vaak met een zijtandje, zonder
naald...................4
Onderst kroonkafje met 2 punten, die ieder in een vrij korte rechte naald uitloopen en bovendien in beide bloemen een knievormig gebogen rugnaald. Kelkkafjes omstreeks zoo lang als de bloemen. Pluim veelal naar ééne zijde gekeerd. 0,50-
13»
Gramineeën.
0,80. O- JuniâAugs. Verbouwd en verwilderd op bouwlanden en in korenvelden. Evene. Zand H. A. strigósa Schreb.
4 Pluim naar alle zijden uitgespreid, met afstaande takken. Alleen
de onderste bloem aan den rug met een naald of beide zonder naald. 0,60-1,20. 0. Juni-Augs. Gekweekt en verwilderd op bouwland. . . . Voer H. Pluim H. A. sativa L. Pluim samengetrokken naar één zijde, met aanliggende takken. Overigens geheel als de vorige soort. 0,50-1,00. ©. Juniâ Augs. Gekweekt en verwilderd op bouwland.
Poes H. Tros H. A. orientélis Schreb.
5 Stengel 0,05-0,20 lang. Bladen samengerold, borstelvormig.
Aartjes 2-bloemig, zeer klein (omstreeks 0,003) .... 9 Stengel 0.30-1,20 lang. Bladen vlak of gevouwen. Aartjes grooter...................6
6 Onderste bloem van het 2-bloemige aartje mannelijk, met knie-
vormig gebogen rugnaald, bovenste bloem tweeslachtig, zonder naald of met een naald onder den top (Arrhenatherum P. B.) Stengel, bladscheeden en bladen kaal. Bladen vlak. Pluim rechtopstaand, verlengd, tijdens den bloeitijd uitgespreid. Aartjes lichtgroen, soms iets violet, 0,008-0,01 groot. i|-. 0,60-1,20. Juni, Juli. Zeer algemeen, in weilanden en langs wegen. (A. elatius M. et Koch.)
Langgras. Haver gr as. Fransch raaigras. A. elétior L. Alle bloemen 2-slachtig, meest met knievormig gebogen rugnaald ...................7
7 Vruchtbeginsel van boven behaard. Kelkkafjes 1-3-nervig.
Aartjes zilverwit...............8
Vruchtbeginsel kaal. Aartjes meest 3-bloemig. Kelkkafjes 1-3-nervig. De onderste kroonkafjes met een knievormig gebogen rugnaald, die in of boven het midden ontspringt. As der aartjes behaard. Langere pluimtakken met 5-8 aartjes. Aartjes glanzig geel. 0,30-0,60. 2).. Juni, Juli. Menigvildig op grazige plaatsen langs dijken en wegen, ook in hooilanden.
Goud Havergras. A. flavéscens L.
8 Bladen vlak, glad, de onderste, evenals ook de bladscheeden
kort behaard. Pluim tamelijk uitgespreid, de onderste takken 4-5 bijeen. Aartjes meest 3-(2-4)-bloemig. Stelen der aartjes fijn, onder den top nauwelijks verdikt. Onderst kelkkafje 1-nervig. 0,30-0,80. 2 -. Mei, Juni. Menigvuldig op grazigen zand- en heidegrond.
Zachtharig Havergras. A. pubéscens L.
tto
Gramineeën.
Bladen, alhans de onderste, samengevouwen , van boven evenals de bladscheeden ruw. Pluim samengetrokken , de takken alleenstaand of 2 bijeen. Aartjes 3-5-bloemig. Stelen der aai'tjes aan den top iets verdikt, ruw. Kelkkafjes beide 3-nervig. 0,30-0,80. 2|.. Juni, Juli. Bg Gulpen gevonden.
W e i d e II a v e r g r a s. A. praténsis L.
9 Pluim uitgespreid, rondachtig-eirond. Stelen der aartjes even lang als of langer dan de aartjes. Kelkkafjes veel langer dan de bloemen. Onderst kroonkafje onder het midden met een naald, met 2 punten. Aartjes meestal roodachtig aangeloopen. 0,05-0,20. ©. Juni, Juli. Menigvuldig, in duinen, zandvlakten en dorre heidevelden. (Aira Caryophyllea L.)
Zilverkleurig Havergras. A. Caryophyllea Web.
Pluim aarvormig samengetrokken, langwerpig. Stelen der aartjes korter dan de aartjes. Kelkkafjes weinig langer dan de bloemen. Aartjes eerst lichtgroen, later bruinachtig wit. 0,06-0,20. Q. AprilâJuni. Menigvuldig, op heidegrond, zandgrond, die op een dun laagje veen ligt, en langs zandige wegen.
(Aira praecox L.) Vroeg Havergras. A. praécox P. B.
22. Aira L. Smeele.
Zodevormende pluimgrassen, met meest uitgespreide pluimen, wier takken kranswijs vertakt zijn en vele kleine aartjes dragen. '1
1 Meest grasgroen. Bladen van boven zeer ruw. Pluim pyrami-
daal, met horizontaal afstaande takken. Aartjes bruinachtig-wit, zeldzamer bleekgroen. Kelkkafjes langwerpig. Naald weinig gebogen, omstreeks zoo lang als het kroonkafje, zelden ontbrekend, witachtig. 0,60-1,20. 1|- Juni, Juli. Vrij algemeen op veenachtig grasland en aan beschaduwde waterkanten.
Boender bos. Hondsbossen. Bent gr as. Boendergras.
A. caespitósa L.
Naalden duidelijk knievormig gebogen, met bruinen voet, ver boven het kafje uitstekend............2
2 Bladen zeer smal, bijna borstelvormig. Tongetje kort, afge
knot. Pluim overhangend. Tweede bloem van het aartje zeer kortgesteeld. Aartjes meest violet aangeloopen. 0,30-0,50. 2).. JuniâAugs. Zeer algemeen op drogen zand- en heidegrond......Bochtige S. A. flexuósa L.
Bladen smal, veelal overlangs toegevouwen. Tongetje lang, langpuntig. Pluim rechtopstaand, veelbloemig. Tweede bloem van het aartje vrij langgesteeld. 0,40-0,60. 2{-, JuniâAugs. Vrij zeldzaam, op moerassigen veengrond. (A. uliginosa Whe.)
Moeras S. A. discólor Thtdll.
141
Grami n«eën.
23. Corynéphorus P. B.
1 Zodevormend. Bladen priemvormig opgerold, grijsgroen. Pluim voor en na den bloeitijd samengetrokken, zilvergrijs1). 0,15-0,30. 2j.. JuniâAugs. Vrij algemeen, op zeer schrale hei- en zandgronden. (Aira canéscens L, Weingaertnéria canéscens Bernh.).......Buntgras. C. canéscens P. B.
24. Triódia Bernh.
1 Zodevormend. Stengel liggend of opstijgend. Bladen en blad-scheeden bewimperd. Pluim smal, trosvormig. Aartjes lichtgroen, zelden iets violet. 0,15-0,45. 2|.. Juni, Juli. Algemeen, op open plaatsen in boschrijke zand- en heidestreken. (Sieglfn-gia decumbens Bernh.)
Henjegras. Winkel. Kelkgras. T. decumbens Bernh.
25. Phragmites Trin.
1 Wortelstok ver rondkruipend. Bijna lang toegespitst, lancet-vormig, stijf. Pluim uitgespreid, na den bloeitijd samengetrokken, meest roodbruin. -1,50-2,50. 2|.. Augs, Septr. Zeer algemeen, aan waterkanten, in poelen en moerassen en op vochtige zandgronden. (Arundo Phragmites L.)
Slootriet. Oeverriet. Dekriet. Riet. P. commünis Trin.
26. Molinia Mnch.
1 Stengel rechtopstaand, dicht boven den wortel met 1-3 dicht bijeenliggende knoopen, overigens zonder knoopen, enkel aan den voet bebladerd. Pluim smal samengetrokken. Aartjes meest blauw violet. 0,80-0,80. 2|-. Augs., Septr. Algemeen, op vochtigen zand-, heide- en veengrond.
Buntgras. Pionten. Eenknoop. Smeeltjes. Pijpdoorstekers.
Bentgras. M. coerülea Mnch.
27. Mélica L. Parelgras.
Zodevormende grassen met rechtopstaande of opstijgende halmen en een pluim, die naar ééne zijde gekeerd is of een schijnaar. 1
1 Aartjes tot een dichte schijnaar vereenigd. Onderst kroonkafje lang en dicht ge-wimperd. Bladen ten laatste samengerold. Tongetje langwerpig, spits. 0,30-0,60. 2^. Juni, Juli. Kalkplant. Een paar malen in weilanden nabg de duinen gevonden.
f4«
GewimperdP. M. ciliata L.
') Door den eigenaardigen bouw der kafnaald onderscheidt zich dit gras van alle andere inheemsche.
Gramineeeii.
Aartjes in een tros of een pluim, die naar één zijde gekeerd is. Onderst kroonkafje kaal. Bladen vlak.......2
2 Aartjes knikkend, op kort behaarde stelen, met 2 tweeslachtige bloemen. Kelk-kafjes stomp. Tongetje zeer kort. 0,30-0,60. Mei, Juni. In Limburg in bos-schen een paar malen gevonden......Knikkend P. M. nutans L.
Aartjes rechtopstaand, op korte stelen, met 1 tweeslachtige bloem. Kelkkafjes kort toegespitst. Tongetje zeer kort, buisvormig, tegenover de blad vlakte met een lancetvormig aanhangsel. 0,30-0,45. 2|-. Mei, Juni. Vrij algemeen, in bosschen in Limburg en Gelderland. . Teer P. M. uniflóra Retz.
28. Koeléria Pers.
1 Bladen grasgroen, vlak, met ruwen rand, alle of alleen de onderste met hunne scheeden kort behaard. Pluim langwerpig, beneden afgebroken. Onderst kroonkafje toegespitst. Aartjes geelachtig wit, glanzig. 0,30-0,45. 2).. Juni, Juli. Vrij algemeen , in de duinen en op droge zandgronden.
Scherp gr as. K. cristéta Pers.
29. Briza L.
i Stengel meest rechtopstaand , glad. Bladen smal, ruw. Pluim rechtopstaand, open. Aartjes knikkend, sterk samengedrukt, ten laatste even breed als lang. 0,30 0.45. 2|.. MeiâJuli. Langs wegen, op dijken, op veengrond en grasland.
Bevertjes. Trilgras. B. média L.
30. Scleróchloa P. B. Hardgras.
1 Aartjes 0,005-0,006 lang, stomp, lancetvormig, dik, gevuld. Zijnerven van het onderste kroonkafje sterk uitpuilend. Stengel opstijgend, tot in de nabijheid der pluim van bladen voorzien, die uit een vlak lint, een gespleten scheede en een breed eivormig bindsel bestaan. ©⢠Juni. 0,10-0,50. Vrij menigvuldig, op zilte klei. (Glyceria procumbens Sm.)
Stomparig H. S. procümbens P. B.
Aartjes 0,004 lang, spits. Zoderorraende plant. Stengel knievormig gebogen of op-stagend. Bladen grijsgroen, ruw, met gespleten scheeden. Pluim gevuld, samengetrokken. ©. Mei, Juni. Alleen op Zuid-Beveland en by Zwyndrecht gevonden.
Spitsarig H. S. Borréri Bab.
31. Dactylis L.
1 Stengel rechtopstaand, tamelijk glad. Bladscheeden aan de rugzijde ruw. Tongetje langwerpig, spits. Pluim naar één
U3
Gramineeën.
zijde gekeerd, takken tamelijk dik, stijf en ruw. 0,30-1,20.L. Juni, Juli. Zeer algemeen, aan wegen en dijken, in weilanden , in bosschen en op droge grasgronden.
Kropaar. D. glomerèta L.
32. Eragróstis Host. Liefdegras.
1 Aartjes lancet-lgnvormig, 8-20-bloemig, 0,002 breed, meest zwart-violet. Onderst kroonkafje stomp, zonder stekelpunt. Stelen der aartjes 1-2-maal zoo lang als de kelkkatjes. 0,10-0,45. ©. Uit Zuid-Europa. Juli, Augs. By Deventer gevonden.
K 1 e i n L. E. minor Host. Aartjes langwerpig-lgnvortnig, 15-20-bloemig, 0,001 breed, zeegroen. Onderst kroonkafje aan de stompe, iets ingesneden top kort stekelpuntig. Stelen der aartjes korter. 0,10-0,15. ©. Juli, Augs. Bjj Deventer gevonden.
Groot L. E. major Host.
33. Póa L. Beemdgras.
Pluimgrassen met een uitgespreide of samengetrokken, veelbloemige pluim en korte, ovale of lancetvormige, sterk samengedrukte aartjes. Meestal zodevormend.............1
1 Stengel aan den voet knolvormig verdikt. Tongetje van alle bladen langwerpig,
spits. Aartjes 4-6-blocmig. Onderste takken der pluim meestal 2 of 3 bgeen. Meestal iets grijsgroen. 0,15-0,45. Mei, Juni. Alleen in de duinen bjj Noord-wjjk gevonden.............Knollig B. P. bulbósa L.
Stengel en bladscheeden platgedrukt.........2
Stengel noch aan den voet verdikt, noch platgedrukt . . 3
2 Stengel 0,20-0,40 hoog, met lange uitloopers. Bladen omstreeks
0,001 breed. Aartje 5-9-bloemig. Onderste takken der pluim alleenstaand of 2 bijeen. 2J.. Juni, Juli. Op drogen steen-achtigen grond, aan wegen, dijken en oude muren.
Plat B. P. compréssa L. Stengel 0,60-1,20 hoog, zonder lange uitloopers. Bladen 0,005-0,01 breed, aan den top plotseling kapvormig samengetrokken. Aartjes 4- of 5-bloeniig. Onderste takken der pluim meestal 5 bqeen. Juni, Juli. In een eikenbosch by Gorsel gevonden...........B e r g B. P. sudética Haenke.
3 Onderste takken der pluim alleenstaand of 2 bijeen. Geen
uitloopers. Stengel opstijgend. Tongetje der bovenste bladen langwerpig, spits. Pluim meestal naar ééne zijde gekeerd, los. Takken der pluim horizontaal afstaand, ten laatste zelfs naar beneden gericht. 0,05-0,25. 0. Bloeit bijna het geheele jaar door. Een der meest algemeene grassen. Op bebouwde en onbebouwde gronden en op muren.
Tuingras. Boschjesgras. Pluimgras. Klein B. P. Annua L. Onderste takken der pluim meest 4 of 5 bijeen. Stengel 0,25-0,80 hoog.................4
4 Plant met lange uitloopers. Tongetje kort, afgeknot. Bladen
meestal zeer smal, de onderste ook borstelvormig opgerold. Aartjes 3-5-bloemig. 0,25-0,80. 2J-. Mei, Juni. Zeer algemeen, in weilanden en andere grazige plaatsen.
Hennep pik. Veld B. P. praténsis L.
144
Gra mineeen.
Plant zonder lange uitlonpers...........5
5 Tongetje zeer kort, afgeknot, bijna ontbrekend. Bladscheeden
ruw, de bovenste korter dan het blad. Kroonkafjes onduidelijk generfd. Zeer veranderlijke plant. 0,30-0,80. 2f. Juni, Juli. Bosschen en vochtige, beschaduwde plaatsen in zandige streken.
Bosch B. P. nemordlis L. Tongetje langwerpig, meestal spits.........6
6 Bladscheeden meestal ruw, de bovenste langer dan het blad.
Kroonkafjes duidelijk generfd, zonder vlek. Stengel aan den top ruw. 0,50-0,80. 2J-. Juni, Juli. Zeer algemeen, in weilanden en op vochtige, grazige plaatsen.
Henneppik. Gemeen B. P. trividlis L. Bladscheeden meestal glad, de bovenste even lang als of korter dan het blad. Kroonkafjes onduidelijk generfd met een geelbruine vlek. Stengel aan den top glad. 0,30-0,80. 2J.. Juni, Juli. Vrij algemeen, in drassige weilanden en aan waterkanten. (P. palustris Roth., P. fertilis Host.)
Moeras B. P. serótina Ehrh.
34. Catabrósa P. B,
i Plant grasgroen. Stengel opstijgend, slap, evenals de bladen en bladscheeden glad. Pluim uitgespreid, met dunne, ver afstaande takken. Aartjes zeer klein, meest iets violet. 0,30-0,60. 2J.. Juli, Augs. Aan waterkanten, in slooten, in drassige weilanden, in moerassen en vooral op balken, die lang in het water gelegen hebben. (Glycéria aquatica Presl.)
Brongras. C. aquética P. B.
35 Glycéria R. Br. Vlotgras.
Pluimgrassen met ovale, langwerpige, lijnvormige en veelbloemige aartjes......................1
1 Bladscheeden geheel gesloten. Aartjes meest 5-H-bloemig.
Onderste kroonkafjes 7-nervig. Stijl duidelijk .... 2 Bladscheede open. Aartjes 4-6-bloemig, klein. Onderste kroonkafjes 5-nervig. Stijl ontbrekend.........3
2 Bladscheeden samengedrukt. Aartjes tamelijk groot, voor den
bloeitijd rolrond. Pluim zeer lang en smal, naar één zijde gekeerd, de takken voor en na den bloeitijd aangedrukt, tijdens den bloeitijd afstaand, de onderste meest 2 aan 2. Aartjes lang (0,015-0,025). Onderst kroonkafje spits. 0,30-0,80. Heukels, Schoolflora. 8' druk. 10
t4S
Gramineeën.
2j.. Juli, Augs. Zeer algemeen, in drassige weilanden, in moerassen en aan en in slooten.
Mannagras. Groot V. G. fltiitans R. Br. Bladscheeden rolrond. Onderst kroonkafje stomp. Pluim zeer groot, gelijkmatig uitgespreid, de takken naar alle zijden staand, de onderste met vele takken. Aartjes vrij groot, 5-9-bloemig. Stengel dik, rechtopstaand, evenals de bladen geelgroen. 1,00-2,00. i)-. Juli, Augs. Zeer algemeen, langs vaarten, plassen en slooten en in rietgronden. (G. spectabilis M. et K.)
Kantgras. Luus. Liesgras. Piekgras. G. aquélicaWhlnbg. 3 Zonder uitloopers. Stengel opstijgend of rechtopstaand. Pluim zeer los, met dunne, ruwe takken, tijdens den bloeitijd afstaand, later teruggeslagen, de onderste meest 5 aan 5. Aartjes klein. 0,20-0,50. 2|.. JuniâSeptr. Vrij algemeen, op zilte gronden. (Festüca distans Cth.)
Kwelder gr as. Zilt V. G. distans Whlnbg. Niet-bloeiende stengels (laat in den herfst) tot uitloopers uitgroeiend. Pluim meest smaller, de takken bijna altijd glad, na den bloeitijd niet teruggeslagen, de onderste meest 2 aan 2. Aartjes vrij groot. 0,20-0,80. Z|-. JuliâSeptr. Vrij algemeen, op zilte, kleiachtige gronden. (Festuca thalassica Kth.)
Kwelder gras. Zee V. G. marltima M. et K.
36. Festüca L. Zwenkgras.
Pluim- of aarpluimgrassen met een losse of samengetrokken pluim en 3-12-bloemige aartjes, wier bloemen of geen óf een korte, rechte kafnaald dragen...............1
1 Bloeiwijze een stijve, samengetrokken pluim met kortgesteelde
aartjes. Bloemen zonder kafnaald. Op drogen zandgrond naar den zeekant, zeldzaam. 0,30-0,50. ©⢠Juni» Juli- (Scle-
rochloa rigida.).......Stijf Z. F. rlgida Lk.
Bloeiwijze een losse of een aarvormige pluim......2
2 Bladen alle of ten minste de onderste borstelvormig samenge
vouwen. Tongetje met 2 stengelomvattende oortjes . . 3 Bladen alle vlak. Tongetje zonder oortjes.......7
3 Stelen der aartjes dik of aan den top verdikt. Naald langer
dan haar kafje. Meest 1 meeldraad........4
Stelen der aartjes dun, weinig of niet verdikt. Naald korter dan haar kafje- Meeldraden 3..........5
1*6
Gramineeën.
i Stengel tot aan de pluim in bladscheeden gehuld. Pluim aar-vormig samengetrokken, naar één zijde gekeerd, naar boven overhangend. Bovenst kelkkafje 3-maal zoo lang als het onderste. 045-0,30. q en 0©. JuniâSeptr. Niet zeer algemeen, op hoogen, zonnigen grasgrond en oude muren.
Langbaardig Z. F. Myürus Ehrh. Stengel boven zonder bladscheeden, glanzig. Pluim korter, rechtopstaand, grootendeels trosvormig. Bovenst kelkkafje dubbel zoo lang als het onderste. 0,10-0,30. OO- Juni, Juli. Vrij algemeen, op drogen zand- en heidegrond. (F. bromoi-des Sm.).....Eekhoorn Z. F. sciuroides Rth.
5 Plant zonder uitloopers , zodevormend. Aartjes meest groen. 6 Plant met uitloopers, meest grijsgroen, stijf. Stengelbladen
meest vlak. Aartjes roodachtig, violet of bruin aangeloopen. 0,30-0,60. 2|.. Juni, Juli. Algemeen, aan dijken , wegen, langs akkers, slooten en in de duinen . Rood Z. F. rubra L.
6 Alle bladen borstelvormig samengevouwen. Pluim samenge
trokken. Plant gras- of grijsgroen. 0,-10-0,30. 2J.. Mei, Juni. Vrij algemeen, op open en beschaduwden zand- en heigrond en in de duinen. Amelands gras. Schapen Z. F. ovlna L. Alleen de onderste bladen borstelvormig samengevouwen, de stengelbladen vlak. Pluim tamelijk los. Plant grasgroen. 0,40-0,80. 2J.. Juni, Juli. Vrij zeldzaam, op open en beschaduwden zand- en heigrond en in de duinen. (F. heterophylla Lmk.).........Hard Z. F. duriüscula L.
7 De bloeiwijze bestaat uit een aan weerszijden op ongelijke
hoogte overlangs gegroefde spil, waaraan in 2 rijen afwisselende, veelbloemige, ongesteelde aartjes zitten. 2J.. Juni, Juli. Vrij algemeen , in vruchtbare weilanden en langs waterkanten.
RaaigrasZ. F. loliamp;cea Huds. De bloeiwijze is een min of meer uitgespreide pluim. Tongetje kort, afgeknot.................
8 Naald meest langer dan het kafje, bochtig. Aartjes vrij groot,
meest 5-(3-9)-bloemig. Pluim groot, uitgespreid, hare takken ten laatste overhangend. Stengel glad, de onderste bladscheeden ruw. Bladen met ruwen rand. 0,60-1,50. 2J.. Juni, Juli. Tamelijk algemeen, in bosschen en op beschaduwde
plaatsen.......Reuzen Z. F. gigéintea VUL
Naald zeer kort of ontbrekend...........9
9 Kelkkafjes lijnvormig, het bovenste maar weinig langer dan het
onderste. Stengel boven vaak evenals de onderste blad-
10*
±*7
Gramineeën.
scheeden ruw. Bladen van boven ruw. Pluim uitgespreid, overhangend, de onderste takken 2 aan 2, 5-15 aartjes dragend. Aartjes 4-5-bloemig. 0,60-1,50. 2{-. Juni, Juli. Vrij algemeen, langs wateren en in drassige weilanden.
R i e t Z. F. anmdinamp;cea Schrab.
Kelkkafjes lancetvormig, het bovenste langer. Stengel en blad-scheeden glad. Bladen tamelijk glad. Pluim meest naar één zijde gekeerd, samengetrokken, de onderste takken 2 aan 2, de eene draagt 1 aartje, de andere 3 è. 4 aartjes. Aartjes 6-'12-bloemig. 0,30-0,80. 2J.. Juni, Juli. Op vruchtbaren grasgrond (F. pratensis Huds.)
Rijzig Z. Beemdlangbloem. F. elóiior L.
37. Cynosürus L.
Stengel eerst opstijgend, verder rechtopstaand, evenals de blad-scheeden glad. Bladen smal, vlak. Schijnaar lijnvormig, ineengedrongen. 0,30-0,60. 2j-. Juni, Juli. Zeer menigvuldig, in weilanden en op grazige plaatsen, langs wegen en dijken.
K a m g r a s. C. cristétus L.
38. Bromus L. Dravik.
Pluimgrassen met een rechtopstaande, uitgespreide of naar één zijde overhangende pluim. Aartjes veelbloemig, bijna altijd met kafnaalden....................quot;l
1 Het onderste kelkkafje 3-5-, het bovenste 5-veelnervig. Geen
overblijvende planten..............2
Het onderste kelkkafje 1-nervig, het bovenste 3-nervig . . 7
2 Bladscheeden kaal, zelden met enkele haren, gegroefd. Bloemen
tijdens den vruchttijd iets van elkaar verwijderd. Onderst kroonkafje stomp, met boogvormige zijranden, tijdens den vruchttijd cylindervormig opgerold, niet langer dan het bovenste. Pluim groot, na den bloeitijd overhangend. Aartjes groot. Naald kort. Meest geelgroen. 0,40-0,80. © en ©Q. Juni, Juli. Vrij algemeen, tusschen het koren in 2 variëteiten. De eene a. vulgaris (met 5-i2-bloemige aartjes, die zonder de naalden 15-48 mM lang zijn, terwijl de randen der onderste kroonkafjes elkaar aan de vrucht niet aanraken) is alge-meener dan b. grossus (met grooter, meerbloemige aartjes, zonder de naalden 20 22 mM lang of langer, waarvan de randen der onderste kroonkafjes elkaar in de vrucht bedekken en onbehaard zijn). Dreps. Gewone D. B. secalinus L.
148
Gramineeën.
Bladscheeden, ten minste de onderste behaard. Bloemen tijdens den vruchttijd, ten minste aan den voet elkaar dakpansgewijze bedekkend ............... 3
Onderste kroonkafje duidelijk langer dan het bovenste, iets 2-spletig, de rechte kafnaald ontspringt dicht onder den top. 4 Onderste kroonkafje nauwelijks langer dan het bovenste, ellip-tisch-lancetvormig. Pluim tijdens den vruchttijd iets overhangend, met dunne takken, de onderste meest 5 bijeen. Aartjes lijn-lancetvormig. Bladscheeden en bladen behaard. 0,30-1,00. © en ©Q. Juni, Juli. Vrij zeldzaam, op graanakkers.........A k k e r D. B. arvénsis L.
Pluim na den bloeitijd samengetrokken. Aartjes langwerpig-
eirond...................5
Pluim na den bloeitijd los, ten laatste overhangend, met dunne ruwe takken. Aartjes langwerpig-lancetvormig. Onderst kroonkafje met boven het midden een stompen hoek vormende zijranden. 0,30-0,60. ©O- Mei, Juni. Vrij algemeen, in weilanden, aan wegen en slooten, ook in korenvelden.
Verwisselde D. B. commutétus Schrad. Geelgroen. Stengel boven onbehaard. Pluim smal, rechtopstaand, na den bloei iets knikkend, met korte, ruwe takken. Aartjes kaal. Onderst kroonkafje met boogvormige zijranden. 0,30-0,60. ©. Mei, Juni. Vrij algemeen, op wallen, dijken, aan wegen, in weilanden en aan wateroevers.
T r o s D. B. racemósus L. Grijsgroen. Stengel boven met naar beneden staande haren. Pluim rechtopstaand. Takken en aartjes zacht behaard. Onderst kroonkafje met boven het midden een stompen hoek vormende zijranden...............6
Overeindstaande plant met een eerst uitgespreide pluim. 0,15-0,60. ©©. Mei, Juni. Zeer algemeen, op bebouwde en ruige plaatsen, in wei- en hooilanden en langs wegen.
Z a c h t e D. B. mollis L. Lage, ten deele neerliggende stengels en altijd samengetrokken pluim. 0,10-0,20. ©©. Mei, Juni. Vrij zeldzaam, in de duinen en op open zandgrond . . Gerst D. B. hordeÃceus L. Aartjes (ook na den bloeitijd) naar den top smaller. Kafnaald ontbrekend of althans korter dan het kroonkafje. Overblijvende planten................8
Aartjes na den bloeitijd naar den top breeder wordend. Kafnaald even lang als of langer dan het kroonkafje. Geen overblijvende planten.............10
IS»
Gramineeën.
8 Pluim los, ten slotte overhangend. Zodevormend. Donkergroen.
Stengel en bovenste bladscheeden kort behaard of kaal, onderste bladscheeden ruw behaard. Takken der pluim met 1-5 aartjes, de onderste 3-6 b'jeen. Aartjes lancetvormig, 7-9-bloemig. 0,60-0,80. 2|-. Juni. Juli. Zeldzaam, in bosschen op heuvelachtige terreinen . . Ruwe D. B. Asper Murr. Pluim vrij dicht, rechtopstaand..........9
9 Plant zodevormend. Onderste bladscheeden behaard. Onderste
bladen smal, meest borstelvormig samengevouwen. Naalden half zoo lang als het kaf je. 0,30-0,80. 2i. Mei, Juni. Op droge onbebouwde en grazige plaatsen, vrij zeldzaam.
Berg D. B. eréctus Huds. Plant met uitloopers. Bladen en bladscheeden kaal, alle vlak, iets ruw. Naalden zeer kort of ontbrekend. 0,30-0,80. 2J.. Juni, Juli. Vrij algemeen, in weilanden langs rivieren, aan wegen.
Kweek D. B. inérnüs Leyss.
10 Stengel kaal. Pluim zeer groDt en ijl, rechtopstaand, ten laatste
overhangend, de takken aan de rugzijde zeer ruw. Naalden langer dan het lijn-priemvormige sterk generfde kafje. 0,20-0,60. G- Mei, Juni. Zeer algemeen, langs wegen, heggen en op ruige plaatsen. . . . Schrale D. B. stérilis L. Stengel onder de pluim kort behaard. Pluim vrij dicht, overhangend, de takken glad, kort behaard. Naald omstreeks even lang als het lancetvormige, onduidelijk generfde kafje. 0,30-0,45. O©. Mei, Juni. Op schrale gronden en op daken van boerenwoningen en oude muren.
Muur D. B. tectórum L.
B. u n i o 1 ói d es H u m b. en K n n th is bjj Middelburg en Schiedam gevonden. Onderste bladscheeden behaard. Pluim sameDgetrokken , zeer lang, slap, knikkend. Aartjes lancetvormig, plat samengedrukt Naald kort. 0,60-1,20. Q. Juni, Juli.
39. Brachypódium P. B. Kortsteel.
Grassen met rechtopstaande halmen en 0,08-0,16 lange, 2-rijige aren. Aartjes kortgesteeld, eerst rolrond. Bladen vlak . . 1
1 Naalden der bovenste bloemen langer dan haar kafje . . 2
Naalden der bloemen korter dan hare kafjes, styf. Plant lichtgroen. Stengel en bladen styf. Aren meest dicht, rechtopsfaand. 0,60-1,00. Juni, Juli. Zeer zeldzaam, op open zandige en steenachtige plaatsen, byna alleen in Limburg.
G e v i n d e K. B. pinnatum P. B.
2 Bloemen der aartjes iets uit elkaar staand. Aartjes ongeveer 0,004-0,0''6 breed.
Bladen ongeveer 0,002-0,004 breed. 0,10-0,30. Mei, Juni. ©. Eenmaal in Noord-Brabant gevonden.......A f g e b r o k e n K. B. distacbyon P. B.
Bloemen der aartjes dicht opeenstaand. Aartjes 0,001-0,003 breed. Bladen ongeveer 0,006-0,008 breed. 0,30-1,00. Juli, Augs. 2\., Vrij zeldzaam in bosschen. Bosch K. B. sylvéticumP. B.
ISO
Gramineeën.
40. Gaudinia P. B.
Bladen behaard. Aar los, 2-rjjig. Spil der aar geleed, in de knoopen bros. Aartjes 4-7-bloeniip. Naald 2-maal zoo lang als het kafje. 0,15-0,60. ©. Juni. Uit de Levant en Zuid-Europa. B\j Oudshoorn en Deventer gevonden.
H a v e r g r a s. G. fragilis P. B.
41. Triticum Trn. Tarwe. Weil.
Gekweekte een- of tweejarige planten en in het wild levende, overblijvende planten met een kruipenden wortelstok. Aartjes zittend, 3-meerbloemig. Halm rechtopstaand.......1
Kelkkafjes op den rug met 2 scherpe kanten, niet bundels van witte haren er op en uitloopende in een lange kafnaald. Hladen vlak, zacht behaard. Uit Zuid-Europa. 0,20-0,80. Mei, Juni. © of O©. Alleen bjj Maastricht gevonden.
Donzige T. T villósum P. B.
Kelkkafjes op den rug met een of zonder scherpe kant . . 2
Aartjes min of meer opgeblazen. Kelkkafjes breed-eirond,
zeer ongelijkzijdig. Gekweekte soorten.......3
Aartjes niet opgeblazen. Kelkkafjes lancetvormig, gelijkzijdig.
In het wild groeiende soorten (Agopyrum).....9
Aar btjna gelijkmatig vierkant...................4
Aar zijdelings samengedrukt, dus tweezijdig..............8
Spil der aar taai. Vrucht niet door de kroonkafjes omhuld........5
Spil der aar bros. Vrucht nauw door de kroonkafjes omhuld, zoodat de korrels bg het dorschen er niet uitvallen. Kelkkafjes breed-eirond, afgesneden, tweetandig, de kiel in een korte, rechte punt uitloopend. 0,60-1,20. ©©. Juni, Juli. Gekweekt.
Spelt, t T. spélta L.
Kelkkafjes papierachtig, vliezig, duidelijk veelnervig, langwerpig-lancetvormig. Aar los, onduidelijk vierkant. Aartjes meest driebloemig. 0,60-1,20. © en ©©. Juni, Juli. Gekweekt . . . . . . . PoolscheT. fT. polónicum L.
Kelkkafjes stevig, hard.....................6
Kelkkafjes aan de rugzijde afgerond, zwak of niet gekield, gewelfd, eirond, afgesneden met stekelpunt, onder den top samengedrukt. Onderst kroonkafje zonder naald (T. hibérnum L.) of met naald (T. aestivum L.). 0,60-1,20. © en ©©.
Juni, Juli. Gekweekt........Gewone T. t T. vulgare Vill.
Kelkkafjes op den rug scherp gekield................7
Kelkkafjes eirond, afgesneden met stekelpunt. 0,60-1,20. ©en©©. Juni, Juli. Gekweekt. Een variëteit met beneden vertakte aar is T. compositum L Wonder-
tarwe.............EngelscheT. t T. türgidum L.
Kelkkafjes langwerpig, breed, met stekelpunt. 0,60-1,00. © 3n ©©. Juni, Juli.
Gekweekt.............Harde ï. T. durum Desi.
Aartjes meest 4-bloemig. Kelkkafjes scheef afgesneden , getand, stekelpuntig. Kiel samengedrukt, sterk uitstekend, naar boven met de spits naar binnen gebogen. 0,60-1,20. © en ©©. Juni, .!uli. Gekweekt.
Gortrijst. Emerkoorn. T. dicóccum Schrk. Aartjes meest driebloemig. Kelkkafjes aan het eind tweetandig. Tanden spits evenals de spits der kiel recht. 0,45-0,75. © en ©©. Juni, Juli. Gekweekt, doch zeldzaam............Eenkoorn. fT. monocóccum L.
Wortelstok ver voortkruipend. Bladen van onderen glad . 10 Wortelstok niet kruipend. Bladen vlak, aan beide zijden ruw. Aartjes 3-5-bloemig. Kelkkafjes in een korte naald toegespitst. Bloemen met lange bochtige kafnaald. 0,60-1,50. 2J.. Juni, Juli. Vrij zeldzaam, in bosschen, op beschaduwde plaatsen.
Hondstarwegras. T. caninum L,
rsi
Gramiueeën.
10 Bladen opgerold (ten minste de oudere), stijf, spits, vaak wat
stekend, meest fluweelachtig behaard, blauwgroen . . .11 Bladen vlak, niet of iets stijf, groen, zeldzaam blauwgroen. Kelkkafjes 5-7-nervig. Wortelstok met uitloopers ... 12
11 Aarspil bros. Aar stijf. Aartjes groot, 5-8-bloemig. Kelkkafjes
9-11-nervig, korter dan het aartje. Bloemen zonder naald. Bladschijf ten laatste zeer gemakkelijk van de scheede loslatend. 0,10-0,45. 2j.. Juni, Juli. Niet algemeen, in de duinen. (A. jünceum P. B.) . . Bies Tarwegras. T. jünceum L. Aarspil taai. Aar buigzaam. Aartjes klein, 5-8-bloemig. Kelkkafjes 5-7-nervig, half zoo lang als het aartje. 0,30-0,90. 2J.. Juni, Juli. Zeldzaam, in de duinen. (A. pungens R. Sch.)
Stekend Tarwegras. T. püngens P.
12 Kelkkafjes stomp, korter dan het aartje. Aartjes eï-lancetvormig.
Kelkkafjes 5-7-nervig. 0,10-0,45. Ij.. Juni, Juli. Vrij zeldzaam .....Spits Tarwegras. T. acütum D. C.
Kelkkafjes toegespitst, korter dan het aartje. Aartjes ei-wigvormig. Kelkkafjes 5-nervig. Gras- of grijsgroen. 0,60-1,00. 21. Juni, Juli. Zeer algemeen, op bebouwde en onbebouwde gronden. (A. repens P. B.)
Peengras. Kruipkoren. Hondsgras. Leedgras. Vijter. Puingras. Pijnen. Panen. Duinreep. Trekgras.
Kweekgras. T. répens L.
42. Aégilcps L. Geitenoog.
1 Aar langwerpig met 5-8 aartjes. Kelkkafjes ieder met 3 of 3 lange naalden. Bladen vlak, zacht, met ruwen rand en bovenvlakte. 0,20-0,50. 2].. Juni, Juli. Uit Zuid-Kuropa. Alleen bg Amsterdam gevonden.
DrienaaldigeG. A triuncialis L. Aar rolrond niet 5-6 aartjes Kelkkafjes ieder met een naald en een tand naast elkaar. Kroonkafjes der hoogste bloemen langgenaald, deze aar eindigt dus in 3-4 lange naalden. Uit Zuid Europa en de Levant. 0,*20-0,50. JuniâAugs. Alleen by Deventer gevonden . . EennaaldigeG. A. cylfndrica Host.
43. Secale L.
1 Grijsgroen. Meest verscheiden stengels. Aar overhangend. Kelkkafjes met ruwe kiel, korter dan het aartje. Onderst kroonkafje lancetvormig, met stijf borstelig bewimperde kiel, in een lange kafnaald uitloopend. Spil blijvend, taai. 0,50-1,75. © en ©Q. Mei, Juni. Gekweekt en verwilderd.
Rogge. S. cereamp;le L.
44. Ãlymus L. Zandhaver.
1 Grasgroen, zodevormend. Bladen vaak, kaal. Onderste bladsclieeden door naar beneden gerichte haren dicht behaard de bovenste scherp. Aar dicht, smal.
isa
Gramineeën. 153
rechtopstaand. Aartjes meest Kelkkafjes Ign-priemvormigf evenals
de kroonkafjes, kaal en van een naald voorzien. 0,60-1,20. 2|,. JuniâAngs.
Boschplant, bg Ngiuegen gevonden.....Bosch Z. E. europaéus L.
Blauwgroen, ver rondkruipend. Bladen later ingerold, stijf en stekend. Bladscheeden glad en kaal. Aartjes meest 3-bloemig. Kelkkafjes lancetvormig, toegespitst, kaal, met gewimperde kiel. 0,604,20. 2{.. Juli, Augs. Vrij algemeen, in de zeeduinen en op zandheuvels in heidestreken.
Zeehaver. Gemeene Z. E. arenamp;rius L.
45. Hórdeum L. Gerst.
Grassen met 2-, 4- of 6-rijige aren...........1
Kroonkafjes lancetvormig. Naalden haardun. Zijaartjes mannelijk , kortgesteeld. Alle aartjes met naalden. In het wild
groeiende planten...............2
Kroonkafjes, althans die der middelste aartjes, breed, elliptisch. Naalden vlak. Gekweekte soorten......4
Kelkkafjes der zijdelingsche aartjes borstelvormig, scherp, meest zonder wimpers, die der middelste lijn-lancetvormig, gewimperd. Bovenste bladscheede iets buikig gezwollen. 0,15-0,30. 0 en QO- JuniâSeptr. Zeer algemeen aan wegen en ruigten.
Bastaardgerst. Kruipertje. M u i z e G. H. murinum L. Kelkkafjes van alle aartjes borstelvormig, ruw, zonder wimpers. 3 Aar smal, ver van het bovenste blad verwijderd. 0,30-0,80. 2|.. Juni, Juli. Vrij algemeen, in weilanden, aan wegen en dijken.
Roggegras. H. secalinum Schrab. Aar kort en breed, dicht bij het bovenste blad staand. 0,10-0,40. ©. Juni, Juli. Vrij zeldzaam, aan zeedijken en op zilte grasgronden . .Zee Roggegras. H. rnaritimum With.
Aïle aartjes 2-8laclitig, zittend, met een naald.............5
De zyde'ingsche aartjes iuaiinel\jk, kortgesteeld, zonder naald. Aartjes naar 2 zyden
gekeeid..........................6
Middelste aartjes aanliggend, de zydelingsche afstaand en daardoor de aar byna vierkant. Maalden 0,06-0,08 lang. 0,505),80. 0 en OO- Juni, Juli Gekweekt.
G e w o ii e G. H. vulgare L. Alle aarfjes afstaand, de aar daardoor regelmatig 6-kantig. Naalden korter. 0,50-0,80.
O en OO- Juni, Juli. Gekweekt Zesryige j. t H. hexastichon L. Middelste aartjes rechtopstaand met lange naalden. 0,50-0,80. 0. Juni, Juli.
Gekweekt...........TweeryigeG. H distichum L.
Middelste aartjes afstaand, met naar binnen gebogen, ten laatste waaiersgewgs afstaande naalden. 0,40-0,60. 0. Juni, Juli. Gekweekt.
P a u w e G. t H Zeocnthon L.
46. Lfólium L. Raaigras.
Planten met rechte, lijnvormige aren en veelbloemige, 2-rijige aartjes, die meestal niet dicht opeenstaan........1
Cyperaceeën.
1 Onderst kroonkafje lancetvormig,.kruidachtig, vliezig. Planten
met niet-bloeiende bundels bladen aan den voet, dicht zodevormend, overblijvend .............2
Onderst kroonkafje langwerpig, aan den voet kraakbeenig. Jonge bladen samengerold. Geer. niet-bloeiende bundels bladen aan den voet van den stengel. Eenjarig......3
2 Stengel glad. Jonge bladen enkel samengevouwen. Aartjes
5-/12-bloemig, niet dubbel zoo lang als de kelkkafjes, weinig bros. Bloemen zonder naald, stomp of spits. 0,30-0,60. 2).. JuniâOctr. Zeer algemeen, op grasgrond, aan wegen en dijken. Mnizenkoorn. Smeerraai. Engelsch R. L. perénne L. Stengel van boven ruw. Jonge bladen samengerold. Aartjes 3-20-bloemig, meest 10-20-bloemig, minstens dubbel zoo lang als de kelkkafjes, bij rijpheid zeer bros. Bloemen meest met naald. 0,30-0,80. 2J.. JuniâOctr. Soms in het wild, ook gekweekt als veevoeder. (L. italicum A. Br.)
Italiaansch R. L. multiflórum Lmk.
3 Kelkkafjes even lang als of langer dan het aartje. Bloemen
meest met lange naald. Stengel krachtig. 0,30-0,80. ©. Juni, Juli. Vrij zeldzaam, tusschen het koren. Vergiftig.
Hondsdravik. Dolik. L. temuléntum L. Kelkkafjes korter dan het aartje. Bloemen met zeer groote naald of zonder naald. Stengel zwakker. 0,30-0 60. 0. Juliâ Augs. Niet algemeen. Tusschen het vlas.
Vlas R. L. Hnicola Sond.
47. Leptürus Trin.
1 Stengel dun, onbehaard, glanzig, aan den voet knievormig gebogen. Bladen zeer smal, ten laatste borstelvormig, opgerold. Aar schraal, dun, recht of gebogen. Kelkkafjes even groot, lancetvormig, spits, haid, 5-7-nervig. 0,10-0,30. Q. Mei, Juni. Niet algemeen, op vochtige plaatsen aan de zeekust.......Dunstaart. L. filifórmis Trin.
XIX. Fam. Cyperaceeën. Cypergrassen.
Stengel niet knoopig, gevuld. Bladen met gesloten scheeden, soms zonder schijf. Bloemen een- of tweeslachtig, ieder in den oksel van een kafje. Bloemdek niet aanwezig óf uit horstels óf een
IS*
Cyperaceeën.
kruikvormig urntje bestaande. Meeldraden 3, met gewone helmknopjes. Stamper 1 met i stijl en % of 3 stempels. Vrucht een nootje.
\ Planten 1- of 2-hinzig. Mannelijke bloemen zonder bloemdek. Vrouwelijke bloemen met een urnvormig bloemdek, dat het
vruchtbeginsel nauw omsluit en er mede tot een schijnvrucht
uitgroeit. Stengel vaak driekant.....Carex tSii.
Bloemen tweeslachtig. Bloemdek ontbrekend of uit borstels bestaande..................2
2 Kafblaadjes der aartjes in 2 rijen..........3
Kafblaadjes der aartjes in spiralen staande......4
3 Aartjes veelbloemig. Kafblaadjes meest alle bloemdragend.
Bloemdek niet aanwezig. Bloeiwijze een samengestelde, schermvormige speer........Cyperus 104.
Aartjes met weinig bloemen. De 3-6 onderste kafblaadjes dragen in hunne oksels geen bloemen. Bloemdek borstelvormig of ontbrekend. Bloeiwijzen tot hoofdjes ineengedrongen.
Schoénus tOJ.
4 Aartjes met weinig bloemen, de 3-4 onderste kafblaadjes klei
ner, zonder bloemen in de oksels.........5
Aartjes veelbloemig. De onderste kafblaadjes grooter dan of even groot als de overige, slechts 1 of 2 zonder bloemen. 6
5 Bloemborstels zeer kort. Stijl iets geleed, het onderste deel
blijft op de samengedrukte vrucht staan. Teere planten.
Rhynchóspora 1GS. Bloemborstels ontbrekend. Stijl ongeleed, grootendeels van de niet samengedrukte vrucht afvallend. Groote plant.
Cladium 165.
6 Bloemborstels meest 6, kort, ruw, niet boven de kafblaadjes
uitstekend, dikwijls ontbrekend..........7
Bloemborstels talrijk, lang, na den bloeitijd ver boven de kafblaadjes uitstekend en als lange, glanzige, witte haren de vrucht omgevend.......Erióphorum 108.
7 Stijl aan den voet niet verdikt, draadvormig, grootendeels
afvallend.............Sci'rpus lOS.
Stijl aan den voet verdikt, geleed, blijvend. Vrucht daardoor aan den top van een kegelvormig aanhangsel voorzien. Slechts een aar aan den top des stengels (of diens takken).
HeleócharislOT.
1SS
Cyperaceeën.
1. Carex Mich. Zegge. Rietgras. Se£. Bund. Bent. xxi. 1)
Grassen met ronde of driekantige halmen, zonder knoopen en niet hol. Bladen in 3 rijen staand, aan den voet met een buisvormige bladscheede, zonder tongetje. Vruchtbeginsel met 2 of 3 stempels. Vrucht en vruchtbeginsel door een kruik-vormig urntje omhuld, dat er een sehijnvrucht mede vormt, t
1 Een enkele enkelvoudige aar aan den top des stengels . . 2 De bloemen staan in een samengestelde aar of in een pluim. 4 Aan den top der stengels staan een of meer mannelijke aren
en daaronder een of meer vrouwelijke, scherp van elkander gescheiden.................16
2 Plant tweehuizig, dus de aar bevat alleen mannelijke of alleen
vrouwelijke bloemen..............3
Plant eenhuizig, zodevormend. Het bovenste deel der aar bestaat uit mannelijke, het onderste uit vrouwelijke bloemen. Stengel en bladen glad. (Zie ook C. Davalliana.) 0,03-0,20. H-. Mei. Niet zeldzaam, in modderpoelen en op vochtigen veengrond ..........Vloo Z. C. pulicóris L.
3 Kruipende wortelstok, met uitloopers. Stengel stomp driekant,
gestreept, niet of weinig ruw. Bladen borstelvormig, glad. Rijpe urntjes teruggebogen. 0,05-0,20. 2].. Mei. Niet algemeen, op moerassigen zand- en heidegrond.
Tweehuizige Z. C. dióica L.
Plant zodevormend, zonder uitloopera. Stengel en bladen ruw, 0,05-0,20. 2|.. Mei. (Soms komen vrouwelgke exemplaren voor met mannelijke bloemen aan den top, die dan oppervlakkig beschouwd op C puliearis gelyken ) Misschien bjj ons voorkomend ...............T u r f Z. C. Davalliana Sm.
Kleine zwakke exemplaren van C. panicea, met slechts een mannelijke aar zgn gemakkelijk te onderscheiden van de vorige door de vlakke bladen en het bezit van uitloopers.
4 Ieder aartje bevat zoowel mannelijke als vrouwelijke bloemen. 6 Een deel der aartjes bevat öf alleen mannelijke of alleen vrouwelijke bloemen...............5
5 Het bovenste en het onderste aartje is meest geheel vrou
welijk, de middelste zijn mannelijk. Wortelstok kruipend. Urntjes eivormig, geheel omgeven door een zeer smallen, ge-zaagden vleugel. 0,30-0,80. 2J-. Mei, Juni. Algemeen, aan slootkanten en in drassige weilanden.
ISO
Tweerijige Z. C. disticha Huds.
1
Bg het verzamelen der Carex-soorten moet men er op letten, of de plant zodevormend is, of er een wortelstok is, of er uitloopers zijn. De beste t(jd is tegen het rijp worden der vruchtjes, omdat dan de vorm der urntjes het best is Maar te nemen.
Cyperaceeën.
De bovenste aartjes zijn meestal mannelijk, de onderste vrouwelijk, de middelste zijn onderaan vrouwelijk, bovenaan mannelijk. Urntjes eivormig, het bovenste 2/3 deel door een bree-den, gezaagden vleugel omgeven. Bladen vaak gootvormig-0,15-0,30. 2).. Mei, juni. Niet zeldzaam, in duinen en zandige streken. . . Helmdraad. Zand Z. C. arenéria L.
6 In ieder aartje staan de mannelijke bloemen bovenaan . . 7 In ieder aartje staan de mannelijke bloemen onderaan . .10
7 Stengel aan den voet omgeven door donkerbruine tot zwarte
scheeden..................9
Stengel aan den voet omgeven door witte of lichtgekleurde scheeden..................8
8 Stengel scherp driekant, met bolle zijden. Bladen korter dan
de stengel, 0,005-0,008 breed. Vele aartjes aan den top van den stengel tot een dichte samengestelde aar vereenigd. Zodevormend. 0,30-0,75. 2J-. Mei, Juni. Algemeen, aan beschaduwde slootkanten en op moerassige plaatsen.
Wild watergaligaangras. V o s Z. C. vulpina L. Stengel ongevleugeld, met vlakke zijden. Bladen smaller, tot 0,003 breed. Aar minder gedrongen. Vruchtaar bleeker. Urntjes lang gerekt en grooter. Minder zodevormend. 0,30-0,60. 2|.. Mei, Juni. Vrij algemeen, op drogere plaatsen, in weilanden, langs wegen en dijken.
Stekelige Z. C. muricdta L.
Onderste aartjes ver uit elkaar (0,01-0,015), het onderste vaak gesteeld. Bladen smal, de rand der sclieede door een dikken rand omgeven. Urntjes kleiner, donkerder of glanziger dan by C. muricaia. 0,30-(',60 2|.. Mei, Juni. Op droge plaatsen, in weilanden, eenige malen gevonden-
Afgebroken Z. C. divülsa Good.
9 Stengel driekant, ruw, met gewelfde zijden. Bladen smal, van
boven ruw. Urntjes 0,0025 lang, aan den onderkant vlak, zonder nerven, van boven bolvormig met 6 nerven. Blad-scheede niet rafelend. Kafjes bruin met breeden, witten rand. Plant met wortelstok. 0,15-0,60. 2).. Mei, Juni. Zeldzaam, in lage venen en moerassige gronden.
Ronde Z. C. teretiüscula Good. Stengel driekant, scherp. Bladen tot 0,005 breed, meest iets gootvormig, scherprandig en fijnpuntig toeloopend. Urntjes 0,003 lang, zeer sterk gewelfd, glanzig, bruin, met slechts enkele nerven aan den voet. Kafjes breed-eirond, bruin met breeden, witten rand. Sterk zodevormend. 0,40-1,00. 2f. Mei, Juni. Niet zeldzaam, in moerassige streken en aan beschaduwde waterkanten . . . . Pluim Z. C. paniculamp;ta L.
1S3
Cy peraceeën.
Stengel driekant, scherp. Bladen tot 0,003 breed, scherprandig. ürnljes vrg sterk gewelfd, 0,0025 lang, dof, aan weerszoden generfd, boven met 10-12, onder met 5-7 nerven. Zodevormend. 0,30-0,60. Mei, Juni. Enkele malen gevonden
op moerassigen veengrond ⢠â . . . Zeldzame Z- C. paradóxa Willd-
10 Planten met kruipenden wortelstok. Aartjes 4-15 aan den top
van den stengel. Stengel driekant, scherprandig. Bladen
smal, 0,002 breed...............11
Planten zodevormend ..............12
11 Aartjes bruin- Urntjes generfd, met aan den top gezaagden rand. 0,15-0,25.
April, Mei. Zeer zeldzaam op zand- en heidegrond. (C. praecox Schreb.)
Vroege Z. C. Schréberi Schrk. Aartjes geel. Urntjes glad, met gezaagden rand. 0,30-0,60. Mei, Juni. Misschien
niet inlandsch, althans zeldzaam.....Tril gras Z C. brizoides L.
Kafjes spits met witten rand en groenen middelnerf. Urntjes 0,005 lang, smal eivormig, met een smallen gezaagden vleugel omgeven. Tot dusverre alleen bjj Hillegommerbeek gevonden. 0,15-0,25. ^ Mei, Juni.
L o i r e Z. C. ligérica Gay.
12 Aartjes ver uiteen. Stengels slap, flauw driekant, alleen tus-
schen de aartjes scherp. Onderste aartjes in de oksels van gewone bladen. 0,30-0,60. 1|-. Mei, Juni. Niet zeldzaam, op vochtige beschaduwde plaatsen, vooral aan waterkanten.
Wijdgeaarde 7,. C. remóta L.
De bastaard van C. remóta en C. paniculata, C. Boenninghausiana Whe, is enkele malen aan waterkanten hier aangetroffen en onderscheidt zich van C.remota, doordat de onderste aartjes samengesteld zjjn, de hoogere langer gerekt en ten deele geheel mannelijk, ten deele in het midden vrouwelijk zyn.
Aartjes niet zoover van elkander staand, het onderste niet in
den oksel van gewone bladen..........13
13 Stengels driekant, scherp met ruwen rand.......15
Stengels stomp driekant, niet of slechts bovenaan met ruwen rand....................14
14 Kafjes eivormig, bruin met witten rand. Urntjes plat, aan
weerszijden generfd en boven met getanden rand, bij rijpheid stervormig uitstaand. Aartjes 2â5 aan den top des stengels. Bladen gootvormig, veel korter dan de stengels. 0,15-0,45. 2j.. Mei, Juni. Niet zeldzaam, op eenigszins veenachtige gronden. (C. stellulata Good.) . . . S t e r Z. C. echinéta Murr. Kafjes smal, lichtbruin, met groene middelnerf en kleurloozen rand. Urntjes eivormig, aan weerszijden generfd, omgeven door een breeden, gezaagden vleugel. Bladen smal, korter dan de stengel. Aartjes 4â6, aan den top des stengels. 0,15-0,30. 2j.. Juni, Juli. Niet zeldzaam, langs waterkanten en op vochtige gras- en veengronden.
H a z e n Z. C. leporina L.
15 Aartjes 6â12 aan den top des stengels. Kafjes breed-eivor-
mig, eerst licht-, daarna donkerbruin met lichtere randen.
1S8
Cy peraceeën.
Urntjes 0,004 lang, lancetvormig, langer dan de kafjes. Bladen lichtgroen. Zodevormend. 0,30-0,60. 2).. Mei, Juni. Op veenachtige gronden en aan waterkanten, alleen in Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant meer algemeen.
Uitgerekte Z. C. elongè.ta L. Aartjes 5â6 aan den top des stengels. Kafjes zeer bleekgroen. Urntjes 0,002 lang, eivormig, langer dan de kafjes. 0,10-0,40. 2J.. Mei, Juni. Niet zeldzaam, op moerassige en veenachtige gronden, ook aan waterkanten.
Afgekorte Z. C. canéscens L.
â 16 Vruchtbeginsel met 2 stempels. Zaden plat......17
Vruchtbeginsel met 3 stempels. Zaden driehoekig. ... 20
17 Uitloopers ontbrekend. Bladscheeden duidelijk rafelend. Stengel
driekant, ruw. Bladen meestal stijf, grasgroen, bij het drogen de randen naar beneden omrollend. Mannelijke en vrouwelijke aren 1â3, cylindrisch. Schutbladen gewoonlijk korter dan de halm. Zeldzaam, in venen en op moerassige plaatsen in duinpannen. 0,40-1,00. 24.. April, Mei.
S t ij v e Z. C. striata Good. Uitloopers aanwezig. Bladscheeden niet of niet sterk rafelend. 18
18 Bladscheeden weinig rafelend. Stengel glad. Bladen grijs, bij
het drogen de randen sterk naar boven inrollend. Mannelijke en vrouwelijke aren 2â4, ovaal tot eirond. Urntjes groot, duidelijk generfd, afgeplat. 0,10-0,20. 2J.. April, Mei. Algemeen, in de duinen en op zandheuvels.
D r i e n e r v ig e Z. C. trinérvis Degl. Bladscheeden niet rafelend. Stengel zeer ruw.....19
19 Bladen grasgroen, slap, bij het drogen de randen naar beneden
omrollend. Schutbladen in den regel langer dan de halm. Mannelijke aren 2â5, vrouwelijke 3â5, lang cylindrisch, dikwijls overhangend. Urntjes aan de onderzijde iets afgeplat. Stengel zonder niet-bloeiende bladrosetten aan den voet. 0,30-1,00. 2|-. April, Mei. Algemeen aan waterkanten. (C. personata Fr., C. prolfxa Fr. en C.tricostata Fr., worden als variëteiten van C. acuta beschouwd) . . . S p i t s e Z. C. acüta L. Bladen grijsgroen, meest stijf, bij het drogen de randen naar boven omrollend. Schutbladen in den regel korter dan de halm. Mannelijke aren 1 (soms 2), vrouwelijke 2â4, ovaal of kort cylindrisch. Urntjes sterk gewelfd, klein. Stengel met niet-bloeiende bladrosetten aan den voet. 0,10-0,30. 2J-.
IS»
Cyperaceeën.
April, Mei. Algemeen, in vochtigen veengrond en grasland. (C. Goudenoughii Gay.) . . Weide Z. C. vulgaris Fr. 20 Urntjes zonder of met een korten snavel, die niet gespleten is. 21
Urntjes met een duidelijken 2-3-spIetigen snavel.....32
24 Urntjes onbehaard...............22
Urntjes behaard................27
22 Het onderste schutblad heeft een korte of geen scheede. . 28 Het onderste schutblad heeft een lange scheede.....25
23 Bladen toegevouwen en smal, daardoor eenigszins borstelvormig.
Schutbladen aan den voet bruin. Krnipende wortelstok. Stengels driekant, slap, alleen aan het ondereind bebladerd. Vrouwelijke aartjes 1â3, mannelijke 4â2. Urntjes generfd, zeer kort-gesnaveld. Kafjes donker paarsbruin, meestal wat langer dan de urntjes. 0,20-0,60. 24-. Mei, Juni. Eenige malen in veengrond (bij Epe, in de duinen bij Haarlem, en bij Doetichem) gevonden . . . . Slijk Z. C. limósa L. Bladen niet toegevouwen. Scheede der schutbladen groen . 24
24 Uitloopers aanwezig. Bladen grijsgroen, glad. Schutbladen
ongeveer zoo lang als de halm. Vrouwelijke aren 1â4, mannelijke 1â5, de onderste vrouwelijke soms zeer langgesteeld. Urntjes eirond, donker gekleurd, ongenerfd. 0,30-0,40. 2J.. Mei, Juni. Algemeen, op allerlei gronden. (C. flacca Schreb.)
Zeegroene Z. C. glaüca Scop. Zodevormend, geheel geelgroen. Bladen behaard. Schutbladen behaard, langer dan de halm. Meestal een mannelijke en 2 of 3 dicht opeengezeten vrouwelijke aren, die gesteeld en ten laatste eenigszins knikkend zijn. Urntjes elliptisch, zwak generfd, groen. 0,20-0,70. 2j-. Mei, Juni. Algemeen, op vochtige beschaduwde plaatsen en in boschrijke streken, soms ook op veengrond. . . Bleeke Z. C. palléscens L.
25 Vrouwelijke aren iâ2, ijl, op dunne stelen staand. Plant met
uitloopers, zodevormend. Bladen grijsgroen, gekield. Urntjes bijna bolvormig opgeblazen, zwak generfd. 0,10-0,20. 2).. Mei, Juni. Algemeen, op veenachtige, vochtige gronden.
Blauwe Z. C. panicea L. Vrouwelijke aren meest 4 (3â7), knikkend of overhangend. Schutbladen met lange scheede..........26
S6 Uitloopers aanw ezig. Bladen groen, vlak. Mannelgke aren 1 , vrouwelyke 3â7, zeer dun en jjl- Urntjes onbehaard, ongenerfd, driekant, langwerpig-lancetvormig. (gt;,40-0,80. 2J,. Mei, Juni. Zeer zeldzaam aan waterkanten en in bosschen (alleen bg Nymegen en bjj Rotterdam in grootere hoeveelheid gevonden.
S1 a n k e Z. C. strigósa Huds.
mo
Cyperaceeën.
Dicht zodevorraend. Bladen iets blauwgroen, zeer breed. Vrouwelglte aren meeat vier, zeer lang (â0,1), 'liehtbloenüg, ten laatste evenals het mannelgke aartje overhangend. Urntjes driekant, onbehaard, kort-eirond. Katjes met bruinen rand. 0,60-1,20. 2|.. Mei, Juni. In voohtige bosBchrn, alleen in Limburg gevonden
V â - - Groote Z. C. péndula Huds.
'27 Scheede der schutbladen kort of ontbrekend. Vrouwelijke aartjes kort, eirond, gedrongen..........28
Scheede der schutbladen lang. Vrouwelijke aartjes cylinder-vormig, ijl .................31
28 Alle vrouwelijke aartjes zittend, dicht bijeenstaand. Schut
bladen zonder scheede, klein, groen. Vrouwelijke aartjes 2â3 in getal, eirond, 0,006-0,01 lang. Zodevormende plant, zonder uitloopers. Kafjes eirond, bruin met groene middelnerf. Stengel weinig ruw, langer dan de smalle, lichtgroene bladen. 0,10-0,40. 2|.. April, Mei. Algemeen, op open heideen beschaduwden zandgrond, op droge plaatsen.
Rondzadige Z. C. pilulifera L.
Onderste vrouwelijke aartjes gesteeld. Schutbladen meestal met gekleurde scheede. . . . ...........29
29 Kafjes donlcerbruin , met lichtere randen, aan den top g:ewimperd. Kleine plant
met uitloopers. Stengel stomp driekant, glad. Manneljjke aren 1, vrouwelijke 1âS, in den oksel van schutbladen, die een bruine scheede en een klein groen lintje hebben. 0,10-0,20. Mei. Eenmaal op de heide by Asselt gevonden.
H e i d e Z. C. ericetórum Poll.
Kafjes aan den top niet gewimperd.........30
30 Plant met uitloopers. Bladen gekield. Vrouwelijke aren 2-4,
mannelijke 1, die gedurende den bloei knotsvormig is. De onderste vrouwelijke aar staat in den oksel van een groen schutblaadje met korte, groene scheede. 0,05-0,40. 2|.. April, Mei. Niet zeldzaam, op open plaatsen in bosschen en in weiden. (C. véma Vill.) Voorjaars Z. C. praécox Jacq.
Plant zonder uitloopers Bladen smal, lichtgroen. Het mannelgke aartje is gedurende den bloei niet knotsvormig. Kafjes donkerder. Schutbladen vliezig, bruin, scheedevormig, soms in een groen puntje uitloopend. Tot dusverre waarschgnljjk niet gevonden..............B e r g Z, C. montana L.
81 Vrouwelijke aren 3â4 , waarvan de onderste het langst gesteeld zjju. Kafjes kastanjebruin, met groene middelnerf. Schutbladen scheedevormig, bruinrood, met vliezigen rand. Urntjes zoolang als of iets langer dan de kafjes. Zodevormend, met vruchtbare en onvruchtbare stengels. Tot dusverre alleen in een bosch bjj Geulhem in Liraburg gevonden. 0,15 0,30. 2J.. April , Mei.
V i n g e r Z. C. digitata L.
Vrouwelijke aartjes dichter opeengedrongen, met minder bloemen. Kafjes en scheeden der schutbladen geelbruin. Urntjes aanmerkelijk langer dan het kafje. 0,07-0,15. QJ.. April, Mei. Tot dusverre niet gevonden.
V o g e 1 p o o t Z. C. ornithópoda Willd.
32 Urntjes kaal..................33
Urntjes behaard................42
33 Stengels glad of althans zeer weinig ruw.......34
Stengels zeer ruw, scherp driekant.........39
HEUKELS, Schoolflora. 8' druk. 11
iet
Cy peraceeën.
34 Vrouwelijke aren bolvormig eirond, dikwijls dicht opeenge
drongen. Schutbladen ten laatste uitstaand of teruggeslagen. 35 Vrouwelijke aren meer cylindrisch, niet zoo dicht opeen. Schutbladen niet uitstaand of teruggeslagen.......36
35 Bladen lichtgroen, vlak of gootvonnig. Schutbladen bladachtig,
langer dan de aar, met een korte scheede. Wortelstok zonder uitloopers. Urntjes geel generfd, iets opgeblazen, ver afstaand of zelfs teruggebogen, plotseling in den snavel versmald. 0,20-0,50. 24-. Mei, Juni. Algemeen, op vochtige plaatsen, in zand- en heidestreken, ook in lage weilanden.
Gele Z. C. fló,va L. Kleine plantjes met korte stengels, die niet boven de zeer smalle bladen uitsteken. Bovenste vrouwelijke aartjes bolrond. Urntjes klein, met meestal rechten, niet teruggebogen snavel. Op dezelfde plaatsen als de vorige, de variëteit
a. Oéderi Ehrh.
Bladen en scliutbladen opgerold, daardoor horstel vorm ig, grjjagroen. Overigens als C. ttava. Kustplant. Niet zeker inlandsch, misschien op Texel gevonden.
Gestrekte Z. C. exténsa Good.
30 Bladscheeden rafelend. Urntjes bolvormig, plotseling overgaande in den 0,001-0,002 langen snavel, aan den onder- en bovenkant met 3-4 flauwe nerven. Bladen en schutbladen grijsgroen, gootvormig. Stengels stomp driekant. Aar bolrond. 0,40-0,70. 2J.. Mei, Juni. Algemeen, in vochtige, veenachtige streken. (C. ampullacea Good.)
Krempeldraad. Gesnavelde Z. C. rostréta With. Bladscheeden niet rafelend. Urntjes niet bolrond .... 37
37 Vrouwelijke aren gesteeld, overhangend, ijl, 3â6 in getal.
Plant zodevormend, soms met uitloopers. Stengel glad. Bladen ruw, korter dan de stengel. Urntjes elliptisch met een snavel, ongeveer zoo lang als het urntje zelf. 0,30-0,70. Ij-. Mei, Juni. Vrij algemeen, in bosschen, in het Oosten van ons land.
Bosch Z. C. sylvatica Huds. Vrouwelijke aren, althans de hoogere niet overhangend, gevuld....................38
38 Plant zodevormend, meestal zonder uitloopers. Bladen grijs
groen. Bladen en stengels soms liggend en kort, roms rechtopstaand en tot 0,80 lang. Stengels boven onbebladerd. Vrouwelijke aren 2â5 in getal, de onderste ver verwijderd, soms geheel aan den voet des stengels staand. Urntjes bruinachtig, driehoekig op de doorsnede, meestal purper gespikkeld. Tanden van den snavel aan weerszijden fijn getand. Bijna
MO»
Cy peraceeën.
uitsluitend aan de zeekust in vochtige weilanden voorkomend. 0,30-0,80. 2}.. Mei, Juni. Wijdarige Z. C. distans L. Plant geelgroen, meestal met duidelijke korte uitioopers. Vrouwelijke aartjes meest 2, niet zoover uiteenstaand. Urntjes geelachtig, ongestippeld, niet driehoekig op de doorsnede, maar aan weerszijden gewelfd. Tanden van den snavel alleen van buiten fijn getand. Overigens als de overige. 0,30-0,45. 2\.. Mei, Juni. In heide- en veenstreken op moerassige plaatsen . . . Blonde Z. C. Hornschuchiamp;na Hoppe.
Pe bastaardvorm van C. Hornschuchiana en C. flava n.1- C. fülva Hoppe, is nog niet met zekerheid in ons land gevonden.
39 Kaf blaadjes zeer smal, lijn-lancetvormig tot lijn-priemvormig.
Plant met stevigen wortelstok, zonder uitloopers. Bladscheeden weinig rafelend. Bladen Jtot 0,01 breed, vlak, lichtgroen, zeer ruw. Schutbladen en bladen boven den stengel uitstekend. Mannelijke aren i, vrouwelijke 3â5, overhangend, rolrond. Urntjes langwerpig-lancetvormig, langgesnaveld , meestal wat teruggebogen. 0,40-1,20. If. Mei, Juni. Vrij algemeen, aan waterkanten . . . Basterd Z. C. Pseudo Cyperus L. Kafblaadjes breeder, lancetvormig..........40
40 Urntjes opgeblazen, lichtgroengeel. Kafjes bruinrood, lancet
vormig, na den bloei wit of lichtgeel. Plant met kruipenden wortelstok. Bladen lichtgroen, vlak. Onderste bladen scheede-vormig, bruinrood, rafelend. Urntjes kegelvormig, langzaam in den snavel versmald. Tanden aan den binnenkant gezaagd. 0,40-1,00. 2|-. Mei, Juni. Niet zeldzaam, in veenstreken.
Blaas Z. C. vesicéria L. Urntjes niet of zeer weinig opgeblazen, donkerder gekleurd. Kafjes na den bloei niet of zeer weinig van kleur veranderend ...................41
41 Bladen gootvormig of vlak, tot 0,02 breed, met scheeden, die
een zwakke neiging tot rafelen bezitten. Kafjes roodbruin met groene middelnerf, in een fijn gezaagde punt uitloopend, die bij de kafjes der vrouwelijke bloemen soms zoo lang is als het kafje zelf. Urntjes eirond- of langwerpig kogelvormig, bij rijpheid bruin, 0,006 lang. Forsche plant met scherp driekanten stengel. 0,60-1,50. 2}-. Mei, Juni. Algemeen, aan en in slooten en vaarten. Oever Z. C. riparia Curt. Bladen met sterk rafelende scheeden, tot 0,01 breed. Kafjes der vrouwelijke bloemen zwart met groene middelnerf, lancetvormig, met een lange, gezaagde punt. Urntjes eivormig, 0,004 lang en 0,002 breed, platgedrukt en donkerbruin,
11*
I«3
Cyperaceeën.
kortgesnaveld. Plant met wortelstok, waaruit bloeiende en niet-bloeiende halmen ontspringen. 0,40-1,00. 2J.. Mei, Juni. In het Westen van ons land langs waterkanten en op vochtige plaatsen algemeen, in het Oosten zeldzamer. (C. paludósa Good.)
Moeras Z. C. acutifórmis Ehrh.
42 Bladen oPgerold, stijf, kaal, scherprandig met lange, rafelende bladscheeden. Schutbladen evenals de bladen vrij lang, het onderste zonder of met een zeer korte scheede. Vrouwelijke aartjes iâ3, zittend, alleen het onderste soms kortgesteeld. Mannelijke aartjes iâ3. Urntjes 0,005 lang, platbol, sterk behaard en onduidelijk generfd. Lange wortelstok, waaruit bloeiende en niet-bloeiende halmen ontspringen. 0,30-0,80. 2j.. Mei, Juni. Niet algemeen, in veenslooten.
Draad Z. C. filifórmis L.
Bladen vlak, met lange bladscheeden, meestal sterk behaard. Schutbladen lang, de onderste meestal met een lange scheede. Vrouwelijke aartjes 2â4, in lengte verschillend, de onderste gesteeld, het bovenste zittend. Mannelijke aartjes 1â4. Urntjes 0,006-0,007 lang, platbol, sterk behaard, toegespitst eirond. Plant met wortelstok, grasgroen. 0,15-4,00. 21-. Mei, Juni. Algemeen, op vochtige, zandige plaatsen en aan waterkanten.......Behaarde Z. C. hfrta L.
2. Cyperus Tm. Cypergras. m.
i Stengel stomp-driekant. Bloeiwijze uit een klein aantal aartjes bestaand. Kaf blaadjes geelachtig, met een groene streep op den rug. Meeldraden meest 3. Stempeh 2. Vruchten samengedrukt, rond- omgekeerd eirond. 0,03-0,15. ©. Juli, Augs. Zeldzaam, op vochtigen, nu en dan overstroomden zandgrond.
Geelachtig C. C. flavéscens L.
Stengel scherp-driekant. Bloeiwijze meest veelvoudig samengesteld. Kafblaadjes meest zwartbruin met groenen rug, zeldzamer geheel bruin. Meeldraden 2. Stempels 3. Vrucht scherp driekant. 0,03-0,25. ©⢠JuliâSeptr. Zeldzaam, als de vorige.........Bruin C. C. füscus L.
3. Schoénus L. m.
i Bladen half zoo lang als de bladlooze stengel of langer, priem-vormig. Hoofdje samengesteld uit 5-10 zwartbruine aartjes.
Cyperaceeë n.
0,-15-0,45. 2].. Juni, Juli. Op moerassige plaatsen in heideen zandvlakten en in duinvalleien, vrij algemeen.
Knop bi es. S. nigricans L.
4. Rhynchóspora Vahl. G r a s b i e s. m.
Schijngrassen met driekante, bebladerde halmen, smal-lijnvormige bladen en lancetvormige aartjes, die dicht opeenzitten . . . 1 1 Wortel vezelig. De aartjeskluwens zijn omstreeks even lang als de schutbladen. Aartjes witachtig, later vaak iets roodachtig. Bloemborstels kort. 0,15-0,30. 24.. Juli, Augs. Algemeen , op moerassige plaatsen in heide- en veenstreken.
Witte G. R. ölba Vahl. Wortelstok kruipend. De aartjeskluwens zijn veel korter dan de schutbladen. Aartjes bruin. Bloemborstels ver uitstekend. 0,08-0,'15. 2]., Juni, Juli. Algemeen, als de vorige.
Bruine G. R. füsca R. et Sch.
5. Cladium Patr. Br. 111.
1 Grijsgroen. Stengel rond, bebladerd, hol. Bladen gegroefd, aan de randen en aan de kiel met scherpe zaagtanden. 0,801,25. 2j-. Juni, Juli. Vrij algemeen, op moerassigen zand- en heidegrond en in duinpannen.
Galigaan. C. Marlscus R. Br.
6. Scirpus Tm. Bies. m.
1 Stengel (of diens takken) ieder slechts één eindelingsch aartje
dragend..................2
Stengel verscheiden aartjes dragend.........4
2 Stengel onbebladerd, rond, rechtopstaand. Aartjes3-7-bloemig,
eirond. Stempels 3..............8
Stengel bebladerd, gaffelvormig vertakt, drijvend of (op het droge) liggend. Aartjes eirond, 3-5-bloemig, groenachtig, aan den top der bladokselstandige takken (bloemstengels). Meeldraden 8. Stempels 2. 0,15-0,30. 2j-. JuliâSeptr. Vrij algemeen, in en langs slooten en poelen in heide- en veen-streken . . . . . . . Vlottende B. S. flüitans L.
3 Dicht zodevormend. Bovenste bladscheede met een korte blad
vlakte. Kafblaadjes met stekelpunt. Bloemborstels langer dan de vrucht, glad. 0,10-0,30. 2±. Mei, Juni. Algemeen, op vochtige plaatsen in hei- en veengrond.
Veenige B. S. caespitósus L.
titS
Cyperaeeeën.
Uitloopers aanwezig. Bladscheeden zonder bladvlakte. Kaf-blaadjes zonder stekelpunt. Bloemborstels even lang als de vrucht of korter, aan de rugzijde ruw. 0,05-0,20. 2J.. Juni» Juli. Vrij algemeen, op vochtigen hei- en veengrond en in grazige duinvlakten. (S. Baeóthryon Ehrh.)
Armbloemige B. S. paucifiórus Lightf.
4 Aartjes meestal 2 bijeen (1â4) dicht onder den top des sten
gels. Stengel dun, draadvormig. Aartjes langwCrpig-eirond, zittend, zelden gesteeld. Kafblaadjes stomp, met stekelpunt. Meeldraden 2 of 3. Stempels 3. Bloemborstels meest ontbrekend. Vrucht met ribben in de lengte. 0,02-0,15. ©. juliâSeptr. Algemeen, op vochtigen zand- en heigrond.
Borstel B. S. setAceüs L. Aartjes meer bijeen, een samengestelde, schijnbaar zijstandige (omdat er een groen schutblad boven uitsteekt) pluimvormige
bloeiwijze vormend..............6
Aartjes meer bijeen, een eindelingsche bloeiwijze vormend. 5
5 Bloeiwijze pluimvormig. Stempels 3.........9
Bloeiwijze een 2-rijige eindelingsche aar vormend. Stempels 2. 10
6 Stengel rolrond. Stempels 2 of 3..........7
Stengel scherp driekant. Stempels 2........8
7 Stengel meest grasgroen. Kafblaadjes glad, zonder verheven
heden. Stempels 3. 1,00-3,00. 2|.. Juni, Juli. Algemeen, aan de oevers van rivieren , poelen en andere wateren.
Stoelen bies. Matte B. S. lacüstris L. Stengel blauwgroen. Kafblaadjes door talrijke verhevenheden ruw. Stempels 2. 0,30-0,80. 2|.. Juni, Juli. Aan oevers van rivieren, poelen en andere wateren, vooral aan den zeekant.
Ruwe B. S. TabernaemontAni Gmel.
8 Stengel met 1 of weinige dicht opeengepakte aartjes. Linten
der stengelbladen 0,05 0,20 lang. Schutblad veel langer dan de aartjes. 0,30-0,50. 2J.. Juni, Juli. Zeldzaam, aan oevers van rivieren, slooten en poelen. (S. Rothii Hoppe.)
Stekende B. S. püngens Vahl. Stengel met vele dicht opeengepakte of gesteelde aartjes. Linten der stengelbladen 0,02 lang. Schutblad iets langer dan de aartjes. Aartjes eirond. 0,50-1,00. 2J.. Juni, Juli. Niet algemeen, op dezelfde plaatsen als de vorige.
Driekantige B. S. trlqueter L.
9 Stengel scherp driekant. Bladen smal-lijnvormig. Bloeiwijze
enkelvoudig of enkelvoudig samengesteld, korter dan de
i«a
Cy p e r a c e e ë n.
schutbladen. Aartjes groot (0,008-0,015 lang), roestbruin. Kafblaadjes iets ingesneden, in de insnijding met een stekel-punt. 0,30-0,80. 2J.. Algemeen, aan waterkanten en op moerassige gronden.
Wild galigaangras. Heenwortel. Oever B. S. maritimus L. Stengel stomp driekant. Speer veelvoudig samengesteld. Aartjes klein (0,003-0,006 lang), grijs-of groenachtig. Kafblaadjes stomp, niet ingesneden, met kleine stekelpunt. Aartjes meest
3-6, eirond, zittend, slechts enkele gesteeld. 0,30-0,80. 2J.. Juni, Juli. Algemeen, op'vochtige, moerassige grasgronden in boschrijke streken . . . Bosch B. S. sylvAticus L.
10 Stengel roodachtig, samengedrukt, van boven driekant. Bladen gekield. Aartjes 6-8- bloemig. Bloemborstels aan de rugzijde ruw. 0,15-0,30. 2J-. Juni, Juli. Niet zeer algemeen, in moerassige weilanden en duinpannen. (Blysmus compressus Panz.)
Vlakke B. S. compréssus Pers. Stengel rolrond. Bladen ongekield, gegroefd. Aartjes 2-5-bloemig. Bloemborstels ontbrekend, soms eenige. 0,08-0,30. 2J-. Mei, Juni. Zeldzaam, op lage weilanden aan den zeekant. (BI. rufus Huds.) . . Roode B. S. rüfus Schrad.
7. Heleócharis R. Br. Waterbies. Moerasliefje, m.
Vele onbebladerde, vruchtbare of onvruchtbare halmen, aan den voet door buisvormige scheeden omsloten, ontspringen in bundels uit den vezeligen wortel of den wortelstok en vormen zoden . 1
1 Stempels 3. Aartjes eirond............2
Stempels 2. Wortelstok kruipend. Aartjes spits. Vrucht met
afgeronden rand...............3
2 Stengel 0,15-0,45 lang, rond, liggend. Kafblaadjes afgerond,
stomp. Aartjes omstreeks 20-bloemig. Vruchten scherp driekant, glad. Dicht zodevormend, zonder uitloopers. 2j.. Juni, Juli. Vrij zeldzaam, op moerassigen heide- en veengrond.
Veelstengelige W. H. multiccuiüs Sm. Stengel 0,02-0,10 lang, borstelig, vierkant, gegroefd. Aartjes
4-11-bloemig. Vruchten langwerpig, met fijne ribben in de lengte. Worstelstok kruipend met haarfijne uitloopers. 2J.. JuniâAugs. Vrij algemeen, op vochtigen zandgrond, langs slooten en kolken. , . Naald W. H. aciculéris R. Br.
3 Stengel blauwachtig-groen, dof. Aartjes langwerpig-lijnvormig,
mi
Cyperaceeën. â
Cannaceeën.
JHH
Kaf blaadjes spits, de onderste het aartje half, zeldzamer geheel omvattend. 0,15-0,60. 24.. JuniâAugs. Zeer algemeen, aan waterkanten en in drassige weilanden.
Gemeene W. H. palüstris R. Br. Stengel grasgroen, glanzig. Aartjes eirond-langwerpig, donkerbruin, vaak zwartachtig. Onderst kaf blaadje het aartje geheel omvattend. 0,15-0,30. 2|.. JuniâAugs. Zeer algemeen, op dezelfde plaatsen als de vorige. Slanke W. H. uniglümis Lk.
8. Erióphorum L, Wollegras, ui.
Schijngrassen met bebladerde halmen en lijnvormige bladen met lange scheeden en 1 of meer aren, die na den bloeitijd op witte vlokken wol gelijken. Bloeiwijze meestal door 1-2 groene schutbladen omgeven ..................1
1 Slechts een eindelingsch, rechtopstaand aartje. Stengel bene
den rond, boven driekant, glad. Bladen omstreeks even lang als de stengel, de bovenste alleen uit een opgeblazen scheede bestaand. Aartjes eirond-langwerpig. 0,20-0,50. 2|.. April, Mei. Algemeen, op moerassigen veen- en heidegrond.
Moorke. Lokken. Scheedevoerend W. E. vaginótum L. Verscheiden ten laatste overhangende aartjes .....2
2 Stengel rond. Bladen lijnvormig, gegroefd, naar den top toe
driekant. Aartjes 3-5, met gladde stelen. 0,20-0,45. 2|-. April, Mei. Zeer algemeen, in moerassige weilanden en op veengrond. (E. angustifólium Rth.) Wollevlas. Mattevlas. Dottergras. Veenhameh. Veenpluis. Katoenbloem. Mooren. F lok. Lok. Vlokken . . Smalbladig W. E. poiystachyum L. Stengel stomp driekant. Aartjesstelen iets ruw . . ... 3
3 Zode vormend. Bladen lijn-lancetvormig, toegespitst, vlak, aan
den top driekant. Aartjes 5-12, tijdens den vruchttijd overhangend. 0,30-0,60. 2).. AprilâJuni. Vrij zeldzaam, op lagen
veengrond.....Breedbladig W. E. latifólium L.
Met lange kruipende uitloopers. Bladen van den voet af driekant, nauwelijks gegroefd. Aartjes 3-4, bijna rechtopstaand. 0,20-0,30. 2|.. Mei, Juni. Zeldzaam, in sommige lage veen-streken ........SlankW. E. gré.cile Koch.
XX. Fam. Cannaceeën. Cannaachtigen.
Bloemdek schijnbaar uit 3 of meer kransen van ongelijke blaadjes of slippen bestaand, de 3 buitenste blaadjes met een kelk, de 3
Cannaceeën. â Orchideeën. IVO
volgende niet een bloemkroon overeenkomend, de overige ook gekleurd (vervormde meeldraden]. Meeldraad i met 1 helmhokje. Vruchtbeginsel onderstandig, 3- (soms 1-Jhokkig. Vrucht een doosvrucht.
1 JUoemen 2-slachtig, in een aar of tros gezeten, welke nit de scheede te Toorschijn komt. Bloemdek schjjnbaar uit 3 of 4 kransen van ongelijke blaadjes of slippen gevormd, de 3 buitenste met een kelk overeenkomend, de 3 volgende met een bloemkroon en de overige ook gekleurd. Meeldraad 1. Vruchtbeginsel onderstandig, 3- (soms l-)hokkig. Vrucht een doosvrucht........Canna Ã.öf0.
i. Canna L. Canna. i.
1 Bladen elliptisch-lancetvormig. Bloemkroon lichtgeel, de volgende slippen ro«d of geel met rood. 1,00-1,50. 2|.. JuliâHerfst. Sierplant . . . f C. indica L.
XXI. Fam. Orchideeën. Standelkruiden. xx.
Bloemdek symmetrisch, meest gekleurd, in 2 kransen van 3 blaadjes. De 3 buitenste en 2 der binnenste buigen vaak naar elkaar: helm, het overblijvende staat afzonderlijk en is vaak gespoord: lip. Meeldraden 1 (of 2) vruchtbare, met den stijl vergroeid tot een stempelzuil. Stuifmeel in ieder helmhokje een klompje vormend, meest van een staartje voorzien, dat in een kleverig schijfje, hechtkliertje, uitloopt. Soms is dit in een zakje, beursje, opgesloten. Stempel boven aan den stempelzuil, aan de voorzijde. Vruchtbeginsel onderstandig, eenhokkig. Vrucht een doosvrucht.
1 Planten met groene bladen............2
Planten zonder groene bladen. Lip niet gespoord, naar beneden gericht. Vruchtbeginsel op een gedraaiden steel. Lip 2-spletig, langer dan de overige helmachtig samengebogen bloemdekbladen. Tros veelbloemig. . . . Neóttia I7V
2 Lip met een (soms korte) spoor..........3
Lip ongespoord................9
3 Lip 3-lobbig tot 8-deelig.............4
Lip ongedeeld, gaafrandig, hangend. Spoor draadvormig,
langer dan het vruchtbeginsel. Bloemdek wit.
Platanthéra 174.
Lip aan den top 3-tandig, de middelste tand korter, hangend. Spoor kegelvormig, veel korter dan het vruchtbeginsel. Bloemen groenachtig . . . Platanthéra viridis 174.
4 Bloemdekbladen min of meer helmachtig samenneigend . . 5 De twee zijdelingsche der buitenste bloemdekbladen teruggeslagen ...................
Orchideeën.
5 Lip zeer verlengd (3-4-maal zoo lang als de andere bloemdek-
slippen, de middelslip 0,045-0,06 lang).
Himanthoglossum 193. Lip korter..................6
6 Spoor zakvormig, kort. Bloemen witachtig. Knollen handvor
mig gedeeld......Gymnadénia albida 174.
Spoor rolrond, langer. Bloemen anders gekleurd. Knollen ongedeeld ............Orchis 171.
7 Spoor rolrond, dik. Knollen gedeeld of ongedeeld.
Orchis 171.
Spoor draadvormig, dun (minder dan 0,001 dik) .... 8
8 Knollen ongedeeld. Steeltjes der beide stuifmeelklompjes be
neden verbonden........Anacamptis 173.
Knollen handvormig gedeeld. Steeltjes der beide stuifmeel-klompjes gescheiden.......Gymnadénia 1 »4.
9 Lip ongeleed.................10
Lip bestaande uit 2 duidelijke leden.........17
10 Bloemdekbladen afstaand (uitgespreid). Vruchtbeginsel niet
gedraaid..................11
Bloemdekbladen rechtopstaand of klokvormig samengebogen, hoogstens de 2 zijdelingsche afstaand ........13
11 Lip naar beneden gericht, meest van boven fluweelachtig.
Ieder der 2 hechtkliertjes in een afzonderlijk beursje.
O'phrys 173.
Lip rechtopstaand, ongedeeld. Stengel aan den voet tot een groenen knol verdikt. Kale moerasplanten......12
12 Buitenste bloemdekbladen lijnvormig, even lang als de stompe
lip. Tros 3-8-bloemig. Bladen meest 2 . Stürmia 177. Buitenste bloemdekbladen eirond, langer dan de toegespitste lip. Tros veelbloemig. Bladen meest 3 . Malaxis 177.
13 Lip 2-3-spletig of 3-deelig . . ..........14
Lip ongedeeld, gaaf...............16
14 Lip naar beneden hangend............15
Lip rechtopstaand, spiesvormig, 2-3-spletig, aan den voet iets
zakvormig uitgehold. Helmknopje geheel met de stempelzuil vergroeid...........Hermfnium 17X.
15 Lip 3-deelig, de middelslip '2-spletig. Helmknopje geheel met
de stempelzuil vergroeid........A'ceras 17*.
Lip aan den top 2-spletig. Helmknopje vrij, op den top van de stempelzuil...........Listera 170.
16 Aar niet schroefvormig gedraaid. Lip aan den voet zakvormig
iro
Orchideeën.
verdiept. Helmhokjes gesteeld. Wortelstok kruipend.
Goodyéra lïö.
Aar schroefvormig gedraaid. Lip gegroefd. Helmhokjes zittend. Wortelstok knolvormig verdikt . . . Spiranthes 17 Vruchtbeginsel gedraaid, zittend, rechtopstaand, tijdens den bloeitijd boven en beneden even dik. Bloemdekbladen samen-gebogen, de lip ten deele verbergend.
Cephalanthéra HS. Vruchtbeginsel niet gedraaid, op een gedraaiden steel gezeten, knikkend, reeds tijdens den bloeitijd boven sterk verdikt. Bloemdekbladen klokvormig afstaand. . Epipactis J?Jgt;.
i
1. Orchis L. Orchis.
Kruiden, met 2 eivormige, langwerpige of gedeelde knollen en een eindelingsche, meest veelbloemige aar. Iedere bloem bezit een schutblad.....................1
1 De bovenste bloemdekbladen helmachtig of klokvormig samen-
gebogen. Knollen ongedeeld...........2
De 2 zijdelingsche bovenste bloemdekbladen afstaand of teruggeslagen ..................6
2 Lip 3-deelig, de middelslip 2-spletig of 2-lobbig, meest met
een tandje in de bocht. Stengel naar boven onbebladerd. 4 Lip 3-spletig of3-lobbig, de middelste slip ongedeeld, hoogstens iets ingesneden. Stengel tot boven bebladerd.....3
3 Aar dicht, rolrond, veelbloemig. Spoor half zoo lang als het
vruchtbeginsel. Bloemdekbladen kortgepunt. Helm langwerpig. snavelvormig toegespitst. Lip met bijna vierhoekige of ruitvormige zijslippen. Bloemen vuil-bruinrood, wantsachtig riekend. 0,15-0,30. 2).. Juni, Juli. Alleen in Limburg, in vochtige weilanden. Stinkende O. O. corióphora L. Aar los, arm- (omstreeks 10-)bloemig. Spoor omstreeks even lang als het vruchtbeginsel, soms langer en dan met kleiner bloemen dan bij de soort zelve. (O. picta Lois.) (Deze is bij Valkenburg bij Leiden gevonden.) Bloemdekbladen stomp. Helm zeer stomp, groen gestreept. Lip kort 3-lobbig met afgeronde zijlobben. Kleur der bloemen verschillend, donkerpurper tot rose of wit. 0,10-0,25. Zj-. Mei, Juni. Algemeen, in vochtige weilanden en in duinvalleien.
Kulletjeskruid. Volg mij na. Harlekijns O. O. Mório L.
4 Schutbladen veel korter dan het vruchtbeginsel.....5
Schutbladen minstens half zoo lang als het vruchtbeginsel.
Ill
Orchideeën.
Bloemen klein (0,008-0,01). Helm half bolrond, stomp, van buiten zwartpurper (daarom de aar voor den bloeitijd als verbrand). Lip wit, met roode puntjes, de middelslip naar voren langzamerhand verbreed. Spoor omstreeks '^-maal zoo lang als het vruchtbeginsel. 0,20-0,30 2J.. Mei, Juni. Alleen in Limburg, in weilanden. Aangebrande O. O. ustuléta L.
5 Helm kort-eirond, van buiten groenachtig, donkerpurper ge
vlekt of bruinrood, donkerder dan de lip. Middelslip der lip aan den voet 4-5-maal zoo breed als de zijslippen , naar boven langzamerhand verbreed. Schutbladen l/r1/a-maal zoo lang als het vruchtbeginsel. Lip wit of lichtpurper, donkerder geaderd, met purperkleurige haarbundeltjes. Welriekend. 0,40-0,80. 2j-. Mei, Juni. (O. purpurea Huds.) Alleen in Limburg in bosschen . . . . Bruine O. O. füsca Jacq. Helm eirond-lancetvormig, van buiten roodachtig grijs of lila, lichter dan de lip. Middelslip der lip eerst bijna even smal als de zijslippen, aan den top plotseling verbreed. Schutbladen VrVi-niaal zoo lang als het vruchtbeginsel. Lip lichtpurper, met donkerpurperkleurige haarbundeltjes. Welriekend. 0,25-0,50. 2J.. Mei, Juni. Alleen in Limburg op begroeide grazige plaatsen.....Soldaat O. O. militamp;ris L.
6 Knollen ongedeeld. Schutbladen vliezig, even lang als of iets
korter dan het vruchtbeginsel. Spoor horizontaal of naar
boven gericht.................7
Knollen handvormig gedeeld. Schutbladen meest kruidachtig, langer dan het vruchtbeginsel. Spoor naar beneden gericht. 8
7 Schutbladen, ten minste de bovenste, 1-nervig. Bladen met
smallen voet naar het midden verbreed. Lip diep 3-lobbig. Bloemdekbladen langwerpig, meer spits. Spoor ongeveer zoo lang als het vruchtbeginsel. Aar verlengd. Bloemdek purper. 0,25-0,60. ij-. Mei, Juni. In Limburg en in duinpannen, ook op dijken naar de zee. Mannetjes O. O. mdscula L.
Schutbladen 3-5-nervig. Bladen van den voet af smaller wordend. Lip 3-lohbig, de middel lob even lang als of langer dan de zg lobben. Buitenste bloemdekbladen stomp. Spoor korter dan het vruchtbeginsel. Bladen lijn-lancetvoroiig, gegroefd. Aar verlengd, gl. Bloemdek lila-purper. 0,30-0,50. 2|.- Juni, Juli. In moerassige weilanden om Maastricht......M o e r a s O. O. palüstris Jacq.
8 Stengel hol, 3-6-bladig, het bovenste blad de aar meestal be
reikend. De onderste en middelste schutbladen langer dan
de bloemen.................9
Stengel met merg, B-dO-bladig. Bladen met smallen voet, meest zwartbruin gevlekt, het bovenste meest van de aar verwijderd. Schutbladen even lang als of korter dan de
xia
Orchideeën.
bloemen. Lip breed 3-lobbig. Bloetndek lichtpurper tot wit, de lip met donkerpurperkleurige teekeningen. 0,30-0,60. 2J.. Juni, Juli. Algemeen in vochtige, drassige weilanden, in veenstreken en in kreupelhout.
Koekoeksbloem. Gevlekte O. O. maculóta L.
9 Bladen met stnalleren voet, tot het midden verbreed, aan den top vlak, afstaand, meest zwartbruin gevlekt, de onderste langwerpig-elliptisch. Lip 3-lobbig. Bloemdek lila-purper, zelden food of wit. 0,15 0,40. 2|.. Mei, Juni. Algemeen in vochtige, drassige weilanden en in veenstreken, ook in de duinen.
Hemdekens kruid. Breedbladige O. O. latifólia L.
Bladen met breeden voet, naar boven versmald, aan den top kapvormig samengetrokken, rechtopstaand, meest ongevlekt. Lip ongedeeld of onduidelijk 3-lobbig. Aar dicht, rijkbloemig. Bloemdek lichtpurper, soms vleeschkleurig. 0,15-0,45. 2|.. Juni. Algemeen, in vochtige, drassige weilanden en in veenstreken , ook in de duinen.
Vleeschkleurige O. O. incarndta L.
2. Anacamptis Rich.
1 Bladen langwerpig lot lijn-lancetvormig, de bovenste zeer klein, ver van elkaar. Aar eerst kegelvormig, later elliptisch. Lip 3-spletig, met langwerpige slippen, aan den voet van boven met 2 rechtopstaande plaatjes. Bloemdek levendig purper , zelden vleeschkleurig. 0,30-0,60. 2j.. Juni, Juli. Vrij zelden, in de duinen, ook een enkele maal bij Nijmegen. (Aceras pyramidalis Rchb. fil.)
Hondswortel. A. pyramidalis Rich.
3. Himanthoglossum Spr.
I Bladen langwerpig-lancetvormig. A.ar rolrond. Lip 3-deelig, met langwerpige slippen, de middelste zeer verlengd, iets gedraaid, van voren 2-spletig, de zjjdeling-sclie veel korter en gestreept. Bloemen onaangenaam riekend. 0,30-0,60. quot;2^. Mei, Juni. Misschien in Limburg gevonden, een enkele maal in de duinen bg Katwjjk.
R i e m t o n g. H. hircinum Spr.
4. O'phrys L. Oogenbruin.
Knollen ongedeeld. Stengel aan den top naakt of met scheedevormige bladen. Bladen langwerpig tot lancetvormig. Bloemen eenige in een losse aar ... 1
1 Buitenste bloemdekbladen groenachtig. Lip aan den top zonder aanhangsels, tamelijk vlak, purperbruin , fluweelachtig, S-spletig , de zjjslippen lancetvormig, afstaand , de middelslip 2-lobbig, met spitse lobben, aan den voet met een bgna vierhoekige lichtblauwe vlek. Binnenste bloemdekbladen amal-lijnvormig, fluweelachtig, bruin. 0,15-0,30. Mei, Juni. Alleen op Walcheren en in het zuiden van Limburg gevonden.......V li e g e n O. O. muscffera Huds.
na
Orchideeën.
Buitenste bloenidekbladen wit of roodachtig. Lip aan den top met een groen of geel aanhangsel. Lip rond-omgekeerd-eirond, omgebogen, bruin met gele teeke-ningen, 5-spletig, de 2 achterste slippen eirond, afstaand, de 3 voorste terugge-kromd, van onderen samenneigend, de middelste in een ongedeeld aanhangsel uitloopend. 0,2(M),40. dj,. Juni, Juli. Misschien in Limburg gevonden.
B g e n O. O. apifera Huds.
5. A'ceras R. Br.
1 Aar rolrond , vrg los. De middelslip der 3-deelige lip Ignvormig, 2-spletig, de zg-slippen Ign-draadvormig. Bloemdek groenachtig-geel, niet bruinen rand. De lip roodbruin, ten laatste iets goudgeel. 0,20-0,80. 2|.. Mei, Juni. Zeer zeldzaam in Limburg, misschien niet meer voorkomend.
Spoorloos. A. anthropóphora R. Br.
6. Gymnadénia R. Br. Naaktklierbloem.
Knollen handvormig gedeeld. Schutbladen 3-nervig. Aar rolrond, gedrongen. Spoor naar beneden gericht.........1
i Bloemdek purper, zelden wit. De zijdelingsche bloemdekbladen wijd afstaand. Spoor draadvormig, bijna dubbel zoo lang als het vruchtbeginsel. Lip 3-spletig, met ongeveer even lange eironde, stompe slippen. Aar rolrond, verlengd. Bladen lancet-lijnvormig. Welriekend. 0,30-0.60. 2).. Juni, Juli. Vrij menigvuldig, in vochtige, grazige streken en in duinvalleien ......G r o o t e N. G. conopséa R. Br.
Bloemdek wit, klein. Bloemdekbladen tot een helm samengebogen. Lip diep 3-spletig, de middelslip langwerpig. Spoor ^-maal zoo lang als het vruchtbeginsel. Aar dicht. Bladen langwerpig-omgekeerd-eirond. 0,10-0,30. Juni, Juli. Zeer zelden op grazige plaatsen in heidestreken, in Z.-Limburg.
VV i t a c h t i g e N. G. albida Rich.
7. Platanthéra Rich. Breedknop.
Knollen ongedeeld. Stengel bijna naakt. Bladen elliptisch of langwerpig. Bloemen in een lange rolronde, losse aar . . . 1
1 Lip ongedeeld. Bloemen wit. Spoor draadvormig, langer dan
het vruchtbeginsel...............2
Lip aan den top 3-tandig, de middelste tand korter. Bloemen groenachtig. Spoor kegelvormig, veel korter dan het vruchtbeginsel. (Coeloglóssum Hartra.) Bladen 2-4, in schutbladen overgaande. Schutbladen even lans als of langer dan de bloemen. Stuifmeelhokjes naar beneden uit elkaar gaand. Bloemdek licht- of bruinachtig groen. 0,10-0,20. Mei, Juni. Zeldzaam op vochtige, grazige plaatsen , in Z.-Limburg. (C. viride Hartm.) . H o 11 o n g. P. viridis Lindl.
2 Stuifmeelhokjes evenwijdig loopend, dicht bijeen. Spoor draad
vormig. Bladen meest 2, elliptisch, in den ge vleugelden steel versmald. Bloemdek wit, zeer welriekend. 0,30-0,45. 2j.. Juni, Juli. Vrij menigvuldig, in duinen, bosscben en op vochtige heidevelden.......W e i d e B. P. bifólia Rchb.
Stuifmeelhokjes naar onderen uit elkaar tredend, vrij ver van elkaar. Spoor meest wat knotsvormig en boogvormig gekromd, soms ontbrekend. Bloemdek bijna geelachtig-wit,
*14
Orchideeën. JtJf
top der lip en spoor groen, bijna reukeloos. 0,40-0,60. 2).. Juni,
Juli. Zeer zeldzaam in bosschen. (P. chlorantha Custer.)
Berg B. P. montèna Rchb. fiL
8. Herminium R. Br.
Bladen 2 (â3), langwerpig of langwerpig-lancetvormig. Aar verlengd, tamelijk dicht. Lip spiesvormig, 3-spletig. Bloem-dek klein, lichtgeel, naar honig riekend. 0,10-0,20. 2|.. Mei, Juni. Zeldzaam, meest in de duinvalleien en in Z.-Limburg.
Rechtlip. H. monórchis R. Br.
9. Cephalanthéra Rich, Boschvogeltje.
Plant kaal. Bloemdek wit. Bladen lancetvormig, toegespitst, de bovenste Ign» lancetvorraig. Aar tamelyk veelbloeiuig. Schutbladen veel korter dan het vruchtbeginsel. Buitenste bloerudekbladen spits. Lip van binnen niet een gele vlek, 0,15-0,45. 2|.. Mei, Juui. In bosschen, in Z.-Limburg. (C. ensifólia Rich.)
Z w a a r d B. C. Xiphophyllum Rchb. fil.
Stengel boven evenals het vruchtbeginsel kort behaard. Bloemdek lichtpurper of rose. Onderste bladen langwerpig, de bovenste lancetvormig, spits. Schutbladen even lang als of langer dan het vruchtbeginsel. Bloemdekbladen spits, 0,30-0,45. 2|.. Juni, Juli. Misschien niet inlandsch.
Rood B. C. rubra Rich.
10. Epipactis Rich. Moeraswortel.
Wortelstok kruipend of dikvezelig. Stengel bebladerd. Bloemtros naar één zijde gekeerd, knikkend of overhangend .... 1
Voorste lid der lip toegespitst, bootvormig verdiept, aan den top omgebogen...........⢠.... 2
Voorste lid der lip rond , stomp, vlak, gekarteld, het achterste gegroefd, aan weerszijden met een kort-driehoekige lob. Bladen langer dan de stengelleden . lancetvormig. Buitenste bloemdekbladen bruinachtig groen, de binnenste wit, aan den voet roodachtig, de lip wit, roodgestreept. Met uitloopers. 0,30-0,50. 2J.. Juni, Juii. Vrij algemeen, op vochtigen, gra-zigen zandgrond en in vochtige duinvalleien.
Echte M. E. palustris Crntz.
Bladen klein, weinige (2-5), eirond of eirond-lancetvormig, met ruwen rand, korter dan, zelden even lang als de stengelleden, ook op de nerven byna kaal. Voorste lid der lip aan den voet met twee groote knobbels. Bloemen groenachtig , vaak roodachtig aangeloopen, de rand van de lip wit. 0,15-0,30. 2|.. Juli, A.ugs. Misschien in Z.-Limburg gevonden. Kleinbladige M. E. microphyila Sw.
Bladen op de nerven behaard...........3
Vruchtbeginsel iefs behaard of kaal. Achterste lid der lip voor met een nauwe spleet, het voorste aan den voet met een
Orchideeën.
kleinen knobbel. Middelste stengelbladen langer dan de stengelleden. Bloemdek groen, soms roodbruin- of groengeelachtig. 0,25-0,60. 2)-. Juni-Augs. Vrij menigvuldig, op zandige, vochtige, beschaduwde plaatsen en in de duinvalleien tusschên kreupelhout.
Breedbladige M. E. latifólia AU.
Vruchtbeginsel zacht behaard. Knobbels aan den voet van het voorste lid der lip gekarteld. Achterste lid der lip met wijde spleet. Bladen stijf, eirond, toegespitst, de middelste langer dan de stengelleden. Geheele plant meest donkerrood. Bloemen donker roodbruin, welriekend. 0,30-0,60. 4-, Juli, Augs. Zeer zelden, in duinvalleien en in Z.-Limburg. (E. rubigi-nósa Gaud). . . Bruinroode M. E. atrorübens Hoffm.
11. Neóttia Rich.
i Wortelstok uit vele, dicht aaneenliggende vezels bestaand, vaak vogel nestachtig. Stengel met 4-5 schubachtige bladen bezet. Lip 2-spletig, met tongvormige, uitgespreide slippen. De geheele plant geelbruin. 0,30-0,45. 2}.. Mei, Juni. Alleen in bosschen in Z.-Limburg. Vogelnest. N. Nidus ó.vis L.
12. Listera R. Br.
â¢1 Stengel krachtig. Bladen elliptisch of elliptisch-eirond. Tros veelbloemig. Lip 2-spletig. Bloemdek groen. Lip bijna geel. 0,20-0,50. 2)-. Mei, Juni. Vrij algemeen, in vochtige duinvalleien en op beschaduwden, grazigen zandgrond.
Tweeblad. L. ovéta R. Br.
13. Goodyéra R. Br.
-1. Wortelstok kruipend. Stengel naar boven, evenals de bladen kortbehaard. Bladen gesteeld, ei- tot langwerpig-eivormig, overwinterend. Aar veelbloemig, dicht. Bloemdek van buiten groenachtig, van binnen wit. 0,10-0,25. 2(-. Juli, Augs. Zeldzaam, in dennenbosschen.
Dennenorchis. G. répens R. Br.
14. Spiranthes Rich. Draaiaar.
Twee of meer lange knollen. Stengel in scheeden gehuld. Bladen lancetvorraig. Aar dun, naar één zijde gekeerd, min of meer schroefvormig gedraaid. Bloemen klein, wit.......i
170
Orchideeën. â Juncagineeën. 117
\ Bladen in een wortelroset, eirond-langwerpig, spits. Stengel zijstandig, alleen met eenige scheeden bezet, naar boven kort behaard. Lip van voren gekarteld. Bloemdek van buiten groenachtig, van binnen wit. 0,10-0,20. 2|.. Augs.âOctr. Vrij verspreid, op vochtige plaatsen in hooge heidestreken.
Herfst D. S. autumnélis Rich.
Stengel bebladerd. Bladen lancet-lynvonnig. Lip naar voren afgerond. Bloemdek wit. 0,10-0,20 2|.. Een enkele maal gevonden hg Weert. Vochtige plaatsen in hooge heidestreken..........Z o m e r D. S. aestivalis Rich.
15. Stürmia L.
1 Plant geelgroen. Stengel aan den voet 2-bladig. Bladen langwerpig of langwerpig-lancetvormig. Tros 3-8-bloemig. Lip langwerpig, fijn gekarteld. Bloemdek groenachtig geel. 0,08-0,20. 2(.. Juni, Juli. Tamelijk verspreid, in vochtige duinvalleien en in moerassige veenstreken. (Lfparis Loesélii Rchb.)
Glanswortel. S. Loesélii Rchb.
16. Malaxis Sw.
1 Stengel beneden meest 3-bladig, 5-kantig. Bladen eirond tot langwerpig, stomp. Tros veelbloemig. Bloemen klein. Buitenste bloemdekbladen langwerpig-driehoekig, de binnenste langwerpig. Lip eirond, spits. Bloemdek geelachtig groen. 0,05 0,15. 2J.. Juli, Augs. Vrij zeldzaam, op moerassige plaatsen in hei-en veenstreken. Zachtwortel. M. paludósa Sw
XXII. Fam. Juncagineeën. Zoutgrassen.
Water- of moerasplanten. Bloemen in trossen of aren, met een groen, 6-bladig bloemdek. Meeldraden 6. Vruchtbeginsels hoven-standig, 3-6, min of meer vergroeid, later gescheiden.
\ Vruchtjes alleen aan den voet vergroeid. Bloemen in een arm-bloemigen tros. Stengel bebladerd. Scheuchzéria ±77. Vruchtjes over de geheele lengte vergroeid. Bloemen in een rijkbloemigen tros, kortgesteeld. Bladen wortelstandig.
Triglóchin 17amp;.
1. Scheuchzéria L. vi.
1 Bladen smal-lijnvormig, gesleufd, met scheede. Bloemen 3-6 in een ijlen tros, de otiderste lang-, de bovenste kortgesteeld.
HEUKELS , Schoolflora. Se druk. 12
Alismaceeën.
Bloemdek geelgroen. 0,10-0,20. 2|.. Juni, Juli. Vrij algemeen in moerassige veenstreken. Scheuchzéria. S. palüstris L.
2. Triglóchin L. Zoutgras.
Wortelstok vezelig. Zodevorraend............1
1 Tros dicht. Bloemstelen rechtopstaand. Vruchtjes eirond, onder den top ingesnoerd, uit 6 deelen bestaande. Bloemdek groen, van boven roodachtig. 0,15-0,45. 2|.. JuniâAugs. Zilte gronden,.niet zeldzaam. . . Strand Z. T. maritima L.
Tros ijl. Bloemstelen aangedrukt tegen den stengel. Vruchtjes lijn-knotsvormig, aan den voet versmald, uit 3 deelen bestaande. Bloemdek geelgroen, van boven vaak violet. 0,15-0,45. 2)-. JuniâAugs. Drassige weilanden en veengrond, niet zeldzaam......Moeras Z. T. palüstris L.
XXIII. Fam. Alismaceeën. Waterweegbreeachtigen.
Moeras- of waterplanten. Kelk 3-bladig, groen of gekleurd. Illoemkroon 3-bladig. Meeldraden 6, 9 of meer. Stampers 3, 0 of meer, bovemtandig. Planten 2-slachtig of 1-huizig.
1 Vruchtbeginsels 6, aan den voet vergroeid. Meeldraden 9.
Kelk en bloemkroon 3-bladig. Bladen lang-lijnvormig.
B u t o m u s 179.
Vruchtbeginsels vele...................2
2 Bloemen 2-slachtig. Meeldraden meest 6. Bladen eirond of
elliptisch tot lijnvormig........Alfsma
Planten 1-huizig, de mannelijke bloemen boven de vrouwelijke. Meeldraden talrijk. Bladen diep pijlvormig.
Sagittaria 179.
1. Alisma L. Waterweegbree, vi.
Moeras- of waterplanten met vezeligen wortelstok, gesteelde, gaaf-randige, netaderige bladen, een bebladerden of onbebladerden stengel en gesteelde, in kransen staande bloemen.....l
1 Stengel bebladerd, in het water drijvend. De wortelbladen
lijnvormig, zittend, de bovenste eirond tot langwerpig,lang-
gesteeld, drijvend. Bloemen alleenstaand of 3-5 bij elkaar,
in de knoopen van den stengel. Bloemkroon wit met gelen
17*
A 1 i s m a c e e ë n.
nagel. 0,10-0,45. 2J.. JuniâAugs. In slooten en poelen, in hei- en veenstreken, vrij algemeen.
Drijvende W. A. nutans L.
Stengel onbebladerd, rechtopstaand. Bladen langgesteeld, aan den voet des stengels.............2
2 Bloeiwijze een eindstandig scherm, zelden nog 11-2 kransen er onder. Bladen lancetvormig. Vruchtjes spits, een bolvormig hoofdje vormend. Bloemkroon wit of roodachtig, met gelen nagel. 0,10-0,30. 2j.. JuliâSeptr. Moerassige, overstroomde plaatsen, ook in veenpoelen, vrij algemeen.
Klem Lepelblad. Kleine VV. A. ranunculoides L.
Bloemen in kransen, een pluim vormend. Bladen eirond tot elliptisch, toegespitst, aan den voet afgerond, iets hartvormig of versmald, zelden lancetvormig of lijnvormig en dan drijvend. Vruchtjes stomp, in een kring staand. Bloemkroon wit of roodachtig, met gelen nagel. 0,1amp;-1,20. 2|., Juniâ Augs. Zeer algemeen, in en nan slooten en vaarten.
Groote W. A. Plantégo L.
2. Sagittaria L. xxi.
1 Bladen aan den voet van den stengel staand, langgesteeld, toegespitst, meest diep pijlvormigquot;). Bladstelen, evenals de stengel, driekant. Bloemen in 3-bloemige kransen, trosvormig. Bloemkroon wit, met violetten nagel. 0,30-0,80. 2J.. Juniâ Augs. Vrij algemeen, in stilstaande wateren. Adder kruid.
Serpentstongen.'Snoekeblad. Pijlkruid. S. sagittifólia L.
3. Bütomus Tm ix.
1 Bladen aan den voet van den stengel rechtipstaand. Bloemen schijnbaar in een eindelingsch scherm staande. Kelk en bloemkroon roodachtig wit, donkerder geaderd. 0,15-1,80. 2).. JuniâAugs. Menigvuldig, aan slooten en vaarten.
17»
Waterlisch. Zwanenbloem. B. umbellatus L.
12»
1
In diepe wateren ontstaan geen pylvormige bladen, dan zgn er, evenals bg de Alisma-soorten, zittende Ignrormige, zweiumende bladen.
Hydrocharideeën.
XXIV. Fam. Hydrocharideeën. Waterkaarden.
Ondergedoken of drijvende, 2-huizige waterplanten. Kelk 3-bla-dig, groen. Bloemkroon 3-bladig. Meeldraden 3 of een veelvoud daarvan. Vruchtbeginsel 1, onderstandig, met 3 of 6 meest ü-spletige stijlen.
1 Bladen drijvend, rondachtig niervormig. Meeldraden 12 (meestal
slechts 9 met helmknopjes). Stempels 6. Hydrócharis ISO. Bladen bijna geheel ondergedoken, lijn-tot lijn-lancetvormig. 2
2 Bladen groot, in een dichte roset staand. Meeldraden talrijk,
in de vrouwelijke bloemen onvruchtbaar. Stempels 6.
Stratiótes ISO.
Bladen klein, in kransen van 3 of 4. Meeldraden 3â9. Stempels 3............Elodéa ISO.
1. Stratiótes L. xxn.
i Bladen zwaardvormig, gesleufdj doornig getand, donkergroen. Bloemen wit, boven den waterspiegel uitstekend, de mannelijke gesteeld, de vrouwelijke bijna zittend, ten deele binnen de schutbladen. 0,15-0,45. 2J-. JuliâAugs. In slooten en grachten, ook in veenplassen.
Water Yucca. Kaarde. Moerasaloë. Waterster. Stekelkruid. Aalstekel. Krabbenklauw. Ruiterkruid. Scheeren. S. aloides L.
2. Hydrócharis L. xxn.
1 Bladen rondachtig niervormig, lederachtig, met 2 groote, doorschijnende steunbladen. Bloemen wit, de mannelijke grooter dan de vrouwelijke. 0,15-0,30. Ij-. Juli, Augs. In slooten en kanalen, ook in veenplassen . . Duitblad. Vorschenbeet.
Kikkerkruid. H. Mórsus réinae L.
3. Elodéa Rich in. (xxm.)
1. Stengel vertakt. Bladen langwerpig- tot lijn-lancetvormig, fijn gezaagd. Bloemen roodachtig. Bij ons alleen met vrouwelijke bloemen. 0,30-1,00. 2J.. JuniâAugs. In rivieren, kanalen en slooten, algemeen. Afkomstig uit de rivieren van N.-Amerika en sinds 1860 hier voorkomend en sterk voort-groeiend. (Anacharis Alsinastrum Babingt.)
Waterpest. £. canadénsis Casp.
ISO
KLASSE II.
D I C O T Y L E N.
TWEEZAADLOBBIGEN.
ONDERKLASSE I.
CHORIPETALEN.
BLOEMEN MET LOSBLADIGE BLOEMKROON OF ZONDER BLOEMKROON.
FAMILIE 25-97-
XXV. Fam. Betulaceeën. Berkachtige n.
Bsomen of heesters. Planten eenh'iizig. Mannelijke en vrouwelijke bloemen in katjes. Mannelijke bloemen in de oksels van schutbladen, met of zonder bloemdek. Meeldraden 2, 4 of meer. Vrouwelijke bloemen met weinig ontwikkeld, bovenstandig of zonder bloemdek, in de oksels van schutbladen, die meestal blijven na den bloeitijd. Vruchtbeginsel 2- of meerhokkig. Vrucht een noot.
A Mannelijke en vrouwelijke bloemen in rolronde of langwerpige bloeiwijzen (katjes). Helmknopjes kaal. Vruchten zonder om
windsel ..................2
Mannelijke bloemen in rolronde, vrouwelijke in losse of knop-vormige bloeiwijzen (katjes). Helmknoppen aan den top met een haarbosje................3
2 Vrouwelijke bloemen alleenstaand. Schutbladen der vrouwe
lijke bloemen niet houtig wordend, afvallend. Bé tul a lamp;g Vrouwelijke bloemen in trosjes van 3â5 (aan een gemeenschap-pelijken steel). Schutbladen der vrouwelijke bloemen houtig wordend, blijvend..........Alnus .*83,
3 Vrouwelijke katjes los. Noot door een 3-deelig bladachtig om
hulsel aan de eene zijde bedekt . . . .Carpfnus 183-Vrouwelijke bloemen in op knoppen gelijkende katjes. Noot door een onregelmatig ingesneden, kruidachtig omwindsel omgeven.............Córylus lt;84.
1. Bétula Trn. Berk. xxi.
Eenhuizige boomen of heesters, de eerste met fijn vertakte, losse kroon en gladde schors. Bladen gesteeld. Mannelijke katjes alleenstaand, den geheelen winter reeds aanwezig, de vrouwelijke in 't voorjaar verschijnend. Schubben der mannelijke katjes schildvormig, met 12 meeldraden, die der vrouwelijke vlak,
3-deelig, met 2â3 stampers. Nootjes gevleugeld.....1
1 Bladen en takken kaal. Bladen ruitvormig-diiehoekig, lang toegespitst, dubbel gezaagd. Vrouwelijke katjes hangend. Vleugels dubbel zoo breed als de vrucht. Takken vaak hangend. (B. péndula Roth.) 6,00 18,00. 2|.. April, Mei. In boschrijke streken, heidevelden en duinpannen. (B. alba L.)
Witte B. Blanke B. B. verrucósa Ehrh.
Betulaceeën.
Bladen eerst, evenals de jonge takken, zacht behaard, later kaal of alleen van onderen in de hoeken der aderen gebaard , eirond of ruitvormig-eirond, met afgeronde zijhoeken, kort toegespitst. Vrouwelijke katjes rechtopstaand of hangend. Vleugel even breed als de vrucht. 2,00-20,00. 2J.. April, Mei. Vindplaatsen als de vorige, maar meer op vochtige plaatsen......Zwarte B. B. pubéscens Ehrh.
2 A'lnus Tm. Els. Eller. xxi.
Eenhuizige boomen of heesters met losse kroon en ronde of eivormige bladen. Schubben der mannelijke katjes schildvormig met 12 meeldraden, die der vrouwelijke vlak met 2 stampers . . \
I Bladen volwassen van onderen kaal, alleen in de hoeken der aderen gebaard, rondachtig of omgekeerd-eirond-rond, van voren stomp of iets ingesneden, ongelijk gezaagd of klein getand, als zij jong zijn, zeer kleverig, van onderen bleeker. Schors zwartbruin, gebarsten. 3,00-25,00. 21. Maart, April. Algemeen, tusschen kreupelhout, op vochtige, moerassige plaatsen en aan waterkanten.
Zwarte E. A. glutinósa Gaertn.
Bladen volwassen, van onderen zachtharig of verspreid behaard, van onderen in de hoeken der aderen niet gebaard, eirond tot langwerpig-eirond, spits of kort toegespitst, scherp dubbel gezaagd, van onderen grijsgroen, op de aderen iets vil tig. Vrouwelijke katjes kortgesteeld of bijna zittend. Schors glad, grijs. 3,00-25,00. 2J-. Maart, April. Zeldzamer dan de vorige, in heggen, tusschen kreupelhout.
Witte E. A. inceina D. C.
3. Carpinus Tm. xxi.
Eenhuizige boomen of heesters met gesteelde bladen. Mannelijke katjes rolrond, hangend, zich voor de bladen reeds ontwikkelend. Vrouwelijke katjes te gelijk met de bladen verschijnend en in hangende katjes veranderend.................i
1 Bladen langwerpig-eirond, toegespitst, aan den voet scheef, dubbel gezaagd, bijna kaal. De vruchten vormen dichte, hangende bundels. Schors aschgrauw, glad. 6,00-18,(10. Ij-, April, Mei. Vrij menigvuldig, in bosschen en in heggen, ook als heester aangeplant.
Jukboom. Wielboom. Haagbeuk. C. Bétulus L.
193
Cu p a 1 i f:e r e n.
4. Córylus Trn. xxi.
Eenhuizige heesters of boomen met gesteelde, aan den voet zwak' hartvormige, toegespitste, dubbel gezaagde bladen. De mannelijke katjes zitten reeds den geheelen winter aan de takken, de vrouwelijke hebben den vorm van bladknoppen......1
i Vruchtomwindsel klokvormig. open, even lang als of korter dan de vrucht. Bladen rond-omgekeerd-eirond, met hart-vormigen voet, toegespitst, zwak gelobd, dubbel gezaagd. Helmknopjes geel. Takken grijs. 3,00-6,00. 24.. Febr., Maart. Algemeen, in bosschen en hegge».
Hazelaar. C. Avelléna L.
Vruchtomwindsel buisvormig, naar boven vernauwd , langer, meest dubbel zoo lang als de vrucht. Helmknopjes meest rood. Overigens als de vorige soort. 3,00-5,00. Ij. Uit Zuid-Europa. Febr.âApril. Soms gekweekt in tuinen.
Lammertjesnoot. C. tubulósa Willd.
XXVI. Fam. Cnpuliferen. Napjesdragenden.
Boomen. Planten eenhuizig. Mannelijke bloemen in katjes, zonder of met 4-6-spletig hloemdek. Meeldraden 5-20. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of meer bijeen met weinig ontwikkeld, boven-standig bloemdek en een 2- of meerhokkig vruchtbeginsel, omgeven door een omwindsel, dat later het napje vormt. Vrucht een noot.
i Mannelijke bloeiwijzen bolvormig, hangend, langgesteeld. Vruchten 2â3 bijeen in een borstelvormig omwindsel, dat
zich met 4 kleppen opent.......Fagus 19S.
Mannelijke bloeiwijzen verlengd-rolrond, rechtopstaand. Vruchten 2â3 bijeen in een stekelig, zich met 4 kleppen openend
omwindsel............Castanea 18S,
Mannelijke bloeiwijzen draadvormig, afgebroken, slap neerhangend. Vruchten alleenstaand in een napvormig, met schubben bekleed omwindsel (napje) . . . . Q u é r c u s 194.
1. Quércus Trn. Eik. xxi.
Kenhuizige boomen met kortgesteelde vinlobbige tot vindeelige bladen. Mannelijke katjes en vrouwelijke bloemen komen te gelijk met de bladen. De vrucht steekt in een napje (vergroeide
schutbladen)...................1
1 Napjes met schubben of knobbeltjes bezet.......2
Cupuliferen. 18S
Napjes niet lange, stijve, afstaande borstels bezet. Bladen kortgesteeld, gelobd of vinspletig , met toegespitste lobben , van boven donkergroen , van onderen kortbe-haard of grjjsviltig. Stempels geel. 16,00-20,00. fj Mei Sicrboom uit Zuid-Europa,
TurkscheE. Q. Cérril L.
2 Bladslippen stomp, afgerond. Vrucht in het eerste jaar rijp
wordend. Inheetnsche s 'orten...............3
Bladslippen spits. Vruchten eerst in het tweede jaar rijp wordend. Noord-Amerikaansche soorten........4
3 Bladen zeer kortgesteeld, bijna zittend (de steel niet langer
dan de halve breedte van den blad voet), langwerpig omge-keerd-eirond, aan den voet meest afgeknot of iets hartvormig. Vrouwelijke bloemen en vruchten aan een gemeenschappe-lijken steel, die de bladstelen in lengte overtreft. 20,00-40,00. 2j.. Mei. (Iets vroeger bloeiende dan de volgende.) Algemeen, in bosschen, langs wegen. (Q. pedunculata Ehrh.)
Z o m e r E. Q. Róbur L. Bladen langgesteeld (de steel langer dan de halve breedte van den bladvoet), omgekeerd-eirond, met meest wigvormig toeloopenden voet. Vrouwelijke bloemen en vruchten zittend of aan een gemeenschappelijken, de bladstelen in lengte niet overtrefïenden steel. 20,00-30,00. 2J-. Mei. Vrij zeldzaam, in bosschen, langs wegen. (Q. Robur Rth.)
Winter E. Q. sessiliflóra Sm.
4 Knoppen viltig. Uladen vinspletig, aan weerskanten met 3 slippen, van onderen
bleekgroen, in den herfst bruin van kleur. Vruchten omstreeks voor de helft door het napje omsloten. De schors klenrt speeksel geel. I2,ü0-20,UU Mei. Sierboom.
V e r f E. Q. tinctória Bartl. Knoppen kaal. Vruchten door het vlakke napje alleen aan den voet omgeven. Bladen groot, 0,15-0,20 lang, 0,10-0,15 breed, van boven donkergroen, van onderen bleekgroen, kaal, hoogstens tot het midden ingesneden, met aan weerszijden 4-6 slippen, in den herfst roodbruin van kleur wordend. Vruchten groot, 0,02 lang. 12,00-16,00. 1^. Mei. Sierboom ......Roode E. Q. rubra L.
2. Fagus Tm. Beuk. xxi.
i Bladen eirond of elliptisch, onduidelijk getand, gewimperd,
overigens kaal. Schors grijswit, tamelijk glad. 20,00-30,00.
1|-. Mei. In bosschen, langs wegen, enz. F. sylvatica L.
In parken vindt men niet zelden een in Zuid-Tyrol inheemschen vorm met bruin-roode bladen (F. purpürea Ait, bruine beuk), zeldzamer zjjn de vormen met verlengde vinspletige (F. comptoniifólia) of byna lijnvormige, vinspletige of ook ongedeelde bladen. (F. aspleniifoüa.)
3. Castanea Trn. xxi.
1 Bladen langwerpig-lancetvormig, toegespitst, gezaagd, wat lederaehig, van boven donkergroen, glanzig, van onderen bleekgroen. Schors met scheuren. 15,00-30,00. Ij. Juni. Als sierboom aangeplant, ook verwilderd. Uit Zuid-Europa. (Faeus Castanea L., C. vesca Gaertn.) . . Ta m me Kas tan je. C. sativa Mill.
.luglandeeën.
XXVII. Fam. Juglandeeën. Okkernootachligen. xxi.
Boomen, i-huizig. Mannelijke bloemen in katjes. Bloemen in de oksels van schubben. Meeldraden 4-talrijk. Vrouwelijke bloemen eenige bijeen, bloemdek 3-4-slippig, vruchtbeginsel onderstandig, i met 2 stempels. Vrucht een steenvrucht.
1 Vnmwclyke bloemen alleenstaand of 2-3 bü elkaar in korte, eindstandige katjes. Stempels 2. Vrucht een in een lederachtig vleezige schaal ingesloten, tweekleppige
noot.....................Jüglans JSC*.
Vrouwelijke bloemen in veelbloemige, losse, hangende katjes. Vrucht een met twee vleugels voorziene noot. Merg der takken in vakjes verdeeld
Pterocarya Ã.SO.
Jüglans L. No te boom.
Bladen groot, oneven gevind. Bloemen tegelgk met de bladen komend. Vruchten groote steenvruchten met een lederachtig omkleedsel en een 2-schalige kern, die het eetbare zaad omhult.....................1
1 Blaadjes 7-9, langwerpig of langwerpig-eirond , spits of toegespitst, bjjna gaafrandig, kaal, alleen in de hoeken der aderen aan de onderzijde gebaard, rieken bjj het wr\jven aromatisch. Vrucht rond of langwerpig-rond. Vruchtschaal glad, groen met witte puntjes. Jonge takken bruin. Bloemdek groenachtig. 12,00-24,00. Mei. Vaak aangeplant. Uit het Oosten. Okkernoot. Walnoot. J. régia L. Blaadjes 12 of meer, langwerpig-lancetvormig, toegespitst, fijn gezaagd. Nooit dik-schalig. Blaadjes van boven kaal, van onderen verspreid behaard, heteindblaadje vaak ontbrekend. Vrucht bolvormig, zelden peervormig. Vruchtschaal ruw,zwart. Bloemdek groen. 12,00-20,00. Igt;. Mei. In parken aangeplant. Uit N.-Amerika.
Z w a r t e N. t J- nigra L.
2. Pterocarya Kth.
1 Blaadjes 11â25, langwerpig-Jancetvorraig, spits, klein gezaagd, kaal, in de hoeken der aderen gebaard. Knoppen zonder schubben , roes tbr uil», zeer lang. Vrucht ^rysgeel. 6,00-12,00 (-16,00). Mei. In parken aangeplant. Inheemsch in Kaukasië. (Rhus obscurum M. B., Jüglans pterocarya Mich., J. fraxinifolia Lmk.)
Vleugelnoot. fP- caucasica Kth.
XXVIII. Fam. Myricaceeëll. Gagelachtigen.
Planten i- of 'i-huizig. Bloemen in katjes, in de oksels van schutbladen. Mannelijke bloemen zonder of met een uit S-6 schubbetjes bestaand bloemdek en 2 of meer meeldraden. Vrouwelijke bloemen met een bloemdek uit 2-6 schubbetjes bestaande en 1 vruchtbeginsel met 2 stempels.
i Mannelijke katjes rolrond. Meeldraden meest 4. Vrouwelijke katjes kort. Stijl zeer kort, met lange, draadvormige stempels. Vrucht een door de vaak vleezig geworden schutbladen omsloten noot...........Myrica 1S9.
J 8«
Salicineeën.
1. Myrica L. Gagel. xxn.
1 Struik met gele, glanzige harspuntjes bezet. Bladen langwerpig-omgekeerd-eirond tot lancetvormig, stekelpuntig, naar boven iets gezaagd. Katjes voor de bladen verschijnend. Stempels purper. Aromatisch riekend. 0,50-i,5ü. K April, Mei. Algemeen , in vochtige heidestreken en venen, ook soms in duinvalleien . Post. Possem. Drentsche thee. Brabantsche mirte.
Luis kruid. Gewone G. M. Gale L.
Struik of boompje. Bladen lancet-wigvormig, aan den top iets geïaagd, voor de katjes versehynend. Vrucht wrattig als met witte was overtrokken. 0.60-1,30. Mei, Juni. Uit N.-Amerika. Gekweekt, een enkele maal verwilderd, tus-schen Zutfen en Dieren..........W a s G. M. cenfera L.
XXIX. Fam. Salicineeën. Wilgachtigen.
Bootnen of heesters , S-huizig. Bloemen in katjes , in de oksels van schutbladen. Bloemdek napvormig of uit i of 2 honigklieren bestaand. Mannelijke bloemen met 1 of meer meeldraden. Vrouwelijke bloemen met i eenhokkig vruchtbeginsel met i stijl en 2 stempels. Vrucht een doosvrucht. Zaden met kuif.
i Schutbladen der katjes gaafrandig. Bloemdek door 1-2 klieren vertegenwoordigd. Meeldraden 2-12. Stijl 1. Stempels 2.
Salix 187
Schutbladen gekarteld tot diep-ingesneden. Bloemdek bekervormig, schuin afgeknot. Meeldraden 8-12. Stijlen 2, zeer kort..............Pópulus 191.
1. Salix Tm. Wilg. Waarde. Werf. xxu.
Boomen of heesters met gave bladen. Katjes rechtopstaand of gekromd. Iedere schub draagt, behalve de meeldraden of den stamper, 1 of 2 gele honigklieren...........1
1 Katjesschubben aan den top zwartachtig of bruinachtig. Bloe
men met slechts één klier. Meeldraden 2. Katjes meest
voor de bladen verschijnend...........2
Katjesschubben eenkleurig, geelgroen. Katjes tegelijk met de bladen verschijnend. Takken slank, meest kaal ... 13
2 Bast aan de binnenzijde niet citroengeel. Helmknoppen na
het stuiven geel...............3
Bast aan de binnenzijde citroengeel. Meeldraden tot aan den top vergroeid. Helmknoppen rood, na den bloei zwart.
IS»
Salicineeën.
Bladen lijn-lancetvormig of lancetvormig, naar boven breeder en gezaagd, ten laatste geheel kaal, van onderen blauwgroen. Vruchtbeginsel viltig. Stempels eirond, zittend. 1,00-3,00. ti. Maart, April. Aan oevers van rivieren en andere wateren en in bosschen, ook in duinvalleien, vrij algemeen.
Fijne IV. Bittere W. S. purpürea L. Vruchtbeginsel en doosvrucht zittend of kortgesteeld. Katjes voor de bladen verschijnend. Bladen lijn- of lancetvormig, spits, altijd meer dan 3-maal, vaak vele malen meer lang
dan breed.................4
Vruchtbeginsel en doosvrucht meest vrij langgesteeld. Steel der doosvrucht minstens half zoo lang als de katjesschubben. Bladen meest ovaal-lancetvormig, hoogstens 3-maal zoo lang
als breed..................9
De volwassen bladen lijn- of lijn-lancetvormig, zeer lang en spits (vele malen meer lang dan breed), gaafrandig, vaak
met omgerolden rand.............5
De volwassen bladen lancetvormig of langwerpig-lancetvormig (3-5-maal meet lang dan breed), vlak, van onderen grijs- of
witviltig, dof................7
Steunbladen zeer groot, ei-lancetvormig, met halfhartvormigen voet. Bladen lijn-lancetvormig, van onderen grijsviltig. Katjes sterk behaard. 1,00-3.00. 1). Maart, April. Bastaard van S. viminalis en S. caprea. Zeldzaam, alleen vrouwelijke exemplaren. (S. longifólia Host., S. dasyclados Wimm.)
Langbladige W. S. stipulëris Sm.
Steunbladen klein, vroeg afvallend.........6
Bladen lijn-lancetvormig, toegespitst, van onderen dicht glanzig zijdeachtig behaard. Vruchtbeginsel dicht zijdeachtig behaard, bijna zittend. Katjes groot (omstreeks 0,03 lang). Schutbladen van boven zwart. Meeldraden niet vergroeid. Steunbladen smal-lancetvormig. 1,50-3,00. Ij. Maart, April. Algemeen, langs Waterkanten of aan plassen.
Rijswaard. Bindwilg. Kat W. S. viminalis L.
Bladen Ijjn- of Ign-Iancetvormi)?, getand, met een eerst omgekrulden, later meest vlakken rand, van onderen grijsviltig, met sterke, gele of roode middelnerf. 3,00-6,00. 1^. April. Zeer zeldzaam , waarschgnlyk een enkele maal aangetroffen. (S. Elaeégnos Scop., S. rosmarinifolia Gonan.)
Grgs g rauwe W. S. incana Schrnk.
Bladen gaafrandig, van onderen dun grijsviltig. Katjesschub-ben lang en dicht behaard. Vruchtbeginsel viltig, tamelijk langgesteeld. Bladen breed tot ovaal-lancetvormig. Katjes
tas
Salicineeën.
dik en dicht. 1,50-3,00. 1). April. Zeldzaam, aan waterkanten. Bastaard van S. capréa met S. viminalis.
Spitsbladige W. S. acuminata Sm. Bladen duidelijk getand of gekarteld........8
8 Bladen van onderen dun grijsviltig, langwerpig- of elliptisch-
lancetvormig, kort toegespitst. Steunbladen halfniervormig, toegespitst. Katjes kort ineengedrongen. Vruchtbeginsel viltig. , -1,50-3,00. 1;. Maart, April. Zeer zeldzaam, aan waterkanten. Bastaard van S. aurita en S. viminalis.
Halfviltige W. S. SmithiAna W.
Bladen van onderen dicht witviltig met gele middelner.', lancet- of Iqn-lancetvormig. Takken geel tot purperrood. Katjesschubben langbehaard. Mannelijke katjes dicht, vrouwelgke los. Vruchtbeginsel viltig. 1,50-2,50. April, Mei. Niet zeker inlandsch, waarschgnlgk op Walcheren. . Viltige W. S. Seringeana W.
9 Volwassen bladen van onderen blijvend viltig, blauwachtig
grijs of groen. Vruchtbeginsel viltig. Stempels zittend, kort. Heesters en boomen met katjes, wier schutbladen vooral bij mannelijke exemplaren zeer lang en glanzend wit behaard
zijn....................-10
Kleine heesters met meest liggende stammen en rechtopstaande, slanke takken en kleine aan den top vaak omgebogen bladen. Helmknopjes na den bloei zwart. Bladen van onderen zilvergrijs of wit en zijdeglanzend, spits, gaafrandig of verwijderd getand. Katjesschubben dicht behaard.......15!
10 Takken en knoppen grijsviltig. Bladen langwerpig-omgekeerd-
eirond, van boven kortbehaard, dof. Schutbladen dichtbe-haard. Steel van het vruchtbeginsel 3-5-maal zoo lang als de klier. 0,50-1,50. 1). Maart, April. Niet zeldzaam, op moerassige plaatsen en aan waterkanten.
Grauwe W. S. cinérea L. Takken en knoppen kaal of kort behaard.......11
11 Bladen rond tot elliptisch, vlak, in het laatst van boven groen
en kaal, iets glanzig. Katjes groot. Schutbladen dichtbehaard. Steel van het vruchtbeginsel 4-6-maal zoo lang als de klier. Stempels meest samenbuigend. 3,00-9,00. t). Maart, April. Algemeen, langs waterkanten of aan plassen, ook in bosschen.
Wervelwaard. Ruige W. Water W. S. Cèprea L. Bladen omgekeerd-eirond of langwerpig-omgekeerd-eirond met korten, gekromden top, rimpelig, in het laatst van boven vuilgroen, kortbehaard, dof. Katjes klein. Schutbladen behaard. Steel van het vruchtbeginsel 2-4-maal zoo lang als de klier. Stempels afstaand. 0,50-2,50. 1). April, Mei.
Salicineeën.
Algemeen, langs waterkanten of plassen, ook in duinvalleien.
Geoorde W. S. aurita L.
12 Bladen van onderen dun zydeachtig; behaard, rimpelig, lancetvoriuig, elliptisch- of
omgekeerd-eirond-langwerpig. Steunbladen half eirond. Katjes langwerpig of kort rolrond. Vruchtbeginsel grjjsviltig. 0,20-0,50. b. April, Mei. Alleen bjj Win-terswük op heidegrond gevonden. Bastaard van S. aurita en S. répens.
TwijfelachtigeW. S. ambigua Ehrb.
Bladen van onderen dicht zijdeglanzend, viltig, zilvergrijs of
wit, lijn-lancetvormig tot elliptisch met omgebogen punt.
Steunbladen lancetvormig. Katjes langwerpig of bijna bolrond.
0,15-0,60. K April, Mei. Op zandgrond en in de duinen,
vrij algemeen.
Kruipiverf. Kleine werf. Kruip W. S. répens L.
Bladen Ijjn-lancetvormig, met rechten top. Zeldzaam in moerassige streken.
h. r o s ai ar i n i f o 1 i a Koch. Bladen l\jn-lancetvormig, groot. Zeldzaam . b. a n g u s t i f o 1 i a W u 1 f.
13 Schors der 3-7 M hooge stammen in schubben loslatend en
afvallend. Katjesschubben niet afvallend voor de vruchten rijp zijn. Bladen gezaagd-gekarteld. Meeldraden 3. Vruchtbeginsel kaal of iets behaard...........14
Schors aan de tot 20 M hooge stammen scheurend , maar niet afvallend. Katjesschubben afvallend lang voor de vruchten rijp zijn. Meeldraden 2, 4, 5 tot 10. Vruchtbeginsel kaal of viltig. Bladen gezaagd............15
14 Katjesschubben kaal of alle beneden aan den voet iets behaard.
Bladen langwerpig of lancetvormig, gezaagd, die der katjesstelen gezaagd of gaafrandig. Katjes dun. Steel van het vruchtbeginsel 2-5 maal zoo lang als de klier. Takken rechtopstaand. Heester. 1,50-3,00. April, Mei. Algemeen, langs waterkanten en op vochtige plaatsen in bosschen.
Wervelenhout. Ru-wbas(waarde. Waardenhout.
S. amygdalina L.
Vormen: Bladen van onderen blauwachtig-groen of bijna wit.
dof, met versmalden voet . . a. discolor Koch. Bladen van onderen grasgroen, iets glanzig, met
afgeronden voet......b. triandraL.
Katjesschubben aan den top gebaard. Steel van het vruchtbeginsel dubbel zoo lang als de klief. Bladen lijn-lancet-vormig, lang toegespitst, kaal. 3,00-6,00. t). April, Mei. Vrij zeldzaam. Veel aangeplant. Bastaard van S. alba en S. amygdalina . . Golfbladige W. S. undulamp;ta Ehrh.
15 Meeldraden 2. Bladen lancet- tot lijn-lancetvormig, toege
spitst ...................16
Meeldraden 4-10. Bladen eirond-elliptisch, van boven glanzig
1BO
Salicineeën.
groen. Bladsteel van boven klierachtig. Steunbladen eirond-langwerpig. Steel van het vruchtbeginsel tweemaal zoo lang als de klier. 1,00-2,00. K Mei, Juni. Op enkele plaatsen aan waterkanten en op moerassige plaatsen, vrij veel.
Laurier W. S. pentandra L.
16 Bladen aan weerskanten of aan de onderzijde zijdeachtig be
haard, blauwgroen, van boven weinig glanzend, niet kleverig, langwerpig-lancetvormig, toegespitst, klein gezaagd. Steunbladen lancetvormig. Meeldraden 2. Steel van het vruchtbeginsel korter dan de eenige klier. Takken niet licht afbrekend, groenachtig grijs. 6,00-18,00. 2|.. April, Mei. Algemeen, aan wegen en aan slooten en langs weilanden als knotwilg .... Witte IV. Schiet W. S. èlba L.
Variëteit: Takken dooiergeel tot menierood........a. vitellfna L.
Een bastaard met S. fragilis is S. Russcliaua ^ m., met buig/.ame takken en eerst zgdeachtige, later kale bladen, die van onderen grgs of bleekgroen egn. 5,00-10,00. l). April, Mei Vry zeldzaam, als knotwilg aangeplant, aan waterkanten, in bosschen.
Bladen geheel kaal, hoogstens blauw berijpt......17
17 Bladen langwerpig-lancetvormig, lang toegespitst, gezaagd, die
van de stelen der katjes gaafrandig. Meeldraden 2. Steel van het vruchtbeginsel 2-3-maal zoo lang als de klier. Steunbladen half hart- tot niervormig. Takken licht afbrekend. 6,00-12,00. 2].. April, Mei. Vrij zeldzaam, aan waterkanteny in bosschen......Kattenhout. S. fragilis L.
Steunbladen scheef langwerpig-lancetvormig of sikkelvormig. Bladen gezaagd. Takken boogvormig overhangend. Knoppen en bladstelen fijn behaard. Bladen smal-lancet-vormig, in de eerste jengd behaard, later kaal, van onderen blauw groen. Vrou-welgke katjes aan het eind van korte, met wt-inig ontwikkelde bladen bezette takken, omstreeks 0,05 lang, de mannelijke byna zittend. Vruchtbeginsel aan den voet behaard. 3,00-6,00. Ij. April, Mei. Vaak aangeplant, doch alleen vrouwelijke exemplaren. Uit Indië (^. péndula Mnch.).
T r e u r W. f S. babylónica Lr
2. Pópulus L. Populier. XXII.
Boomen met gave of handvormig gelobde bladen en meest hangende rolronde kaljes. Katjesschubben ingesneden.......1
1 Katjesschubben gewimperd. Meeldraden 8. Schors lang glad
blijvend..................2
Katjesschubben kaal. Meeldraden 12â30. Knoppen kleverig. Schors gegroefd...............S
2 Jongere takken en knoppen witviltig. Bladen hartvormig rond
(vooral de jongere) gelobd, van onderen witviltig. Katjesschubben niet of zwak ingesneden, iets gewimperd. Stempels
191
Urticaceeën.
geel. -15,00-25,00, Maart, April. In de Hollandsche duinen en op eenige andere plaatsen.
With lad. Wit boom. Witte P. P. alba L.
Jongere takken zwak behaard of kaal. Knoppen kaal, kleverig. Bladen bijna cirkelrond, stomp getand, eerst zijdeachtig behaard, in 't laatst geheel kaal. Katjesschubben handvormig ingesneden, lang en dicht bewimperd. Stempels purper. 45,00-25,00. K Maart, April. Algemeen, op zand- en veengrond in boschachtige streken, ook tusschen hakhout.
Klaterpeppel. Espenboom. Vrouwentongen. Ratel P.
P. trémula L.
Ben bastaard van P. alba en P. trémula is P. canéscens Sm., Abeel, metgrgs-viltige jongere takken en knoppen. Bladen rondachtig, grof getand, met meest iets hartvormigen voet, van onderen dun grjjsviltig. 20,00-30,00. J). April. Gekweekt, soms verwilderd.
3 Bladstelen zijdelings iets samengedrukt. Bladen van onderen groen, meest met doorschijnenden rand. Takken slank, lederachtig, glanzend..............4
Bladstelen rondachtig, van boven gegroefd. Knoppen zeer groot, aromatisch riekend. Takken dik.......6
A Jongere takken rond, zonder kurkribben.......5
Jongere takken door kurkribben kantig. Bladen deltavormig toegespitst, geliiknmtig gezaagd , met afgeknotten voet of iets hartvormig met onbeliaarden of zachtharigen rand. Bladsteel dicht by de bladschgf met 2 klieren. 12,00-20,00. April. Veel aangeplant, echter byna alleen mannelyke exemplaren. Uit N-Amerika (P. canadensis Mncli.).....KanadascheP. tP. monilffera Ait.
5 Takken naar alle zijden gelijkmatig uitgespreid, een breede
kroon vormend. Bladen meest meer lang dan breed. 12,00-24,00. K April. In de Hollandsche duinen en in bosschen.
Zwarte P. P. nigra L.
Takken rechtopstaand, een smalle, lange kroon vormend. Bladen meest meer breed dan lang. 20,00-30,00. b. Alleen gekMcekt aan «egen en in tuinen. (P. dila-tata Ait)..........Italiaanse heP. tP. italica Mnch.
6 Bladstelen kaal. Bladen met afgeronden voet, meest eirond, toegespitst, van onde
ren grijsachtig wit met bruingele aderen. Knoppen kleverig. 8,00-15,00. Ij. April. Als sierboom aangeplant (alleen vrouwelijke exemplaren). Uit N -Amerika.
B a 1 s e m P. t P. balsamifera L.
Bladstelen en bladranden kortbehaard. Bladen hartvormig-eirond. Takken kantig, bruin. Een variëteit van P. balsamifera. 10,00-15,00. 1^. April. Sierboom uit N.Amerika. (P. ontariensis Desf.) Balsemperuboom. P. candidans Ait.
XXX. Fam. Urticaceeën. Netelachtigen.
Planten' kruidachtig of houtig, hijna altijd 1- of %-huizig. Bloem-.dek 4-[S-5-)deelig of -bladig. Meeldraden 4-5, aan den voet van
JM
Urticaceeën.
het hloemdek ingeplant. Vruchtbeginsel vrij, i- of 2-hokkig, in ieder hokje 1 eitje, vaak met 2 stempels. Vrucht een dopvrucht of noot, soms een schijnbes.
1 Houtachtige planten...............2
Kruidachtige planten..............3
2 Mannelijke bloeiwijzen aarvormig, de vrouwelijke bolrond, tot
een vleezige schijnvrucht uitgroeiend. Een- of tweehuizige
boomen..............Morus
Bloeiwijzen peervormig, vleezig, hol, de bloemen insluitend. Eenhuizige heester..........Ficus 194-.
3 Bladen handvormig samengesteld of gelobd, tegenoverstaand.
Planten 2-hiiizig...............4
Bladen enkelvoudig, ongedeeld...........5
4 Stengel rechtopstaand. Bladen handvormig samengesteld. Vrou
welijke bloemen in aarvormige kluwens. Cdnnabis IftS. Stengel (rechts) windend. Bladen gelobd of gespleten. Vrouwelijke bloemen in kegelvormige aren . Hümulus tOS.
5 Planten met brandbaren. Bladen tegenoverstaand, gezaagd.
Planten 1- of 2-huizig.........Urtfca 1»3.
Planten zonder brandbaren. Bladen verspreid, gaafrandig. Planten meest 1-huizig.......Parietaria 19*.
A. URTICEEEN. Echte netelachtigen.
1. Urtica Trn. Brandnetel, xxi.
Planten met vierkanten stengel, tegenoverstaande bladen en bloemen in okselstandige hoofdjes, aren of pluimen, groenachtig. Stempels penseelvormig ..............1
\ Planten eenhuizig, eenjarig............2
Bloemtakken bf alleen met mannelijke óf alleen met vrouwelijke bloemen. Meest 2-huizig. Bladen langwerpig, toege-. spitst, grof gezaagd, langer dan de steel. Mannelijke bloemtakken met korte, vrouwelijke met langere zijtakken, ten laatste hangend, alle aar-pluitnvormig, langer dan de bladstelen. 0,60-4,50. 2].. JuliâHerfst. Algemeen, aan wegen, op onbebouwde, beschaduwde plaatsen en in heggen.
Nettel. Netelkruid. Groote B. U. dióica L.
2 Bladen eirond of elliptisch, spits gezaagd, de onderste korter dan hun steel. Bloemtakken meest korter dan de bladstelen, rechtopstaand of horizontaal, pluimvormig. 0,15-0,45. 0., HEUKELS, Schoolflora. 8' druk. 13
i»3
ürticaceeén.
JuliâSeptr. Algemeen, in moeshoven en tuinen, onder heg-g«n, langs wegen enz.....Kleine B. U. ürens L.
Bladen eirond-langwerpig, gaafrandig. De vrouwelijke bloemen staan in gesteelde, kogelronde hoofdjes, de mannelijke aren in kleine trosjes in dezelfde bladoksels. Q. JuniâOctr. 0,50-1,00. Zeer zeldzaam, als de vorige.
Gave B. U. Doddrtii L.
2. Parietória Tm. Glaskruid. iv. xxi.
Kruiden met stompkantigen stengel, verspreide, gesteelde, gaafran-dige bladen. Bloemen in groenachtige kluwens inde bladoksels. 1
1 Stengel rechtopstaand, bijna onvertakt. Bladen eirond tot elliptisch-lancetvormig, glasachtig glanzend, met doorschijnende puntjes bezet. Pluim dicht. Bloemdek der meeldraad-bloemen even lang als de meeldraden. 0,30-0,80. 2).. Juliâ Octr. Niet zeer menigvuldig, op puinhoopen en in heggen. (P. erécta M. et K.) Rechtopstaand G. P. officinalis L.
Stengel uitgespreid, meest vertakt. Bladen klein, rond-eirond tot elliptisch-lancetvormig. Pluim los. Bloemdek der meel-draadbloemen na den bloeitijd verlengd, dubbel zoo lang als de meeldraden. 0,15-0,45. 2).. JuliâOctr. Niet zeldzaam, op oude muren. (P. diffusa M. et K.)
Liggend G. P. ramiflóra Mnch.
B. MOREEÃN. Moerbezieachtige n.
3. Mórus Trn. Moerbezie, xxi.
1 Bladen aan den voet niet of zwak hartvormig, ongedeeld of gelobd, bjjna kaal. Vrouweljjke katjes gegteeld. Rand van bet bloemdek en de stempels kaal. Schgnbes wit. 6,00-12,00. Mei. Voor de zjjdeteelt en ook als sierboom niet zelden aangeplant. Uit China...........WitteM.fM. alba L.
Bladen aan den voet diep hartvormig, ruw. Vrouwelijke katjes bgna zittend. Rand van het bloemdek, evenals de stempels, ruw behaard. Schgnbes zwartrood. 6,00-12,00. Ij. Mei. Soms gekweekt. Uit Middel-Azië. Zwarte M. t M. nigra L.
C. ARTOCARPEEÃN. Broodvruchtachtige n.
4. Ficus L. Vijgenboom, xxi.
1 Bladen hartvormig, handlobbig of ongedeeld, aan de bovenzijde ruw behaard, van onderen zachtharig. 2,00-3,00. Voorjaar en Herfst. Siérstruik. t F. Carica L.
104
Ulmaceeën.
D. CANNABINEEÃN. Hen n e pach tigen.
5. Cannabis Tm. xxn.
Stengel kortbehaard. Bladen gesteeld, 5-7(-9)-tallig, handvormig samengesteld. Blaadjes lancetvormig, gezaagd. Bovenste bladen 3-tallig of ongedeeld. Mannelijke bloemen in pluimen. 0,50-1,50. O- Juli. Augs. Gekweekt en verwilderd. Uitlndië.
Kemfi. Hennep. C. sativa L.
6. Hümulus Tm. xxn.
Stengel knobbelig ruw. Bladen langgesteeld, 3-5-1 obbig of -spletig tot ongedeeld, met hartvormigen voet, getand-ge-zaagd, van onderen ruw. Mannelijke bloemen in pluimen. 2,00-6,00. 2j-. Juli, Augs. Vrij veel, in boschachtige streken tusschen kreupelhout, in heggen, ook gekweekt.
Hop. H. Lüpulus L.
XXXI. Fam. Ulmaceeën. Ypachtigen.
Boomen. Bloemen meest 2-slachtig, in hoofdjes of bundels.
Bloemdek blokvormig, 4-8-spletig of 5-6-deelig. Meeldraden 3-12.
Vruchtbeginsel i, bovcnstandig. Vrucht een vleugel-of doosvrucht.
Bloemen voor de bladen verschijnend, in hoofdjes of bundels, 2-slachtig. Bloemdek 5-(3-8-)spletig. Meeldraden 5 (3-8). Vrucht een vleugelvrucht. Bladen ongelijkhelftig, dubbel gezaagd.
Ulmus 19S.
1. Ulmus Tm. Yp. Olm. v.
Heester met kronkelende takken en kleine bladen (0,02-0,03 lang). Maart, April. Misschien in Zeeland gevonden............U minor Mill.
Boom met rechte takken en groote bladen (0,09-0,10 lang). 2
Vrucht omgekeerd-hartvormig. Dopvrucht juist onder de insnijding van den vleugel zittend. Bladen breed-èirond of elliptisch, spits of iets toegespitst, aan de onderzijde in de hoeken der aderen gebaard, van boven glad. Meeldraden 3 of 4. 10,00-30,00. 1). Maart, April. In bosschen en vaak aangeplant.
Gewone Yp. U. campéstris L. Takken met kurkvleugels. Bladen elliptisch. Meest struikachtig, hier en daar in heggen, aan wegen en wallen, de variëteit.....Kurk Y. a. suberósa Ehrh.
Vrucht ruitvormig-ovaal-Iangwerpig. Dopvrucht onder het midden Tan de lengteas zittend. Bladen langwerpig. In Zeeland aangetroffen, ook gekweekt.
Groote Y. U. major Sm.
M9S
j90 Plataneeën. â Ceratophylleeën.
XXXII. Fam. Plataneeën. Plataanachtigen.
Boomen. Schors jaarlijks afschilferend. Planten eenhuizig. Bloei-wijzen: kogelronde katjes. Mannelijke bloemen: veel meeldraden met schubben er tusschen. Vrouwelijke bloemen: veel stampers met schubben. Vrucht een noot.
.1 Mannelijke bloemen uit talrijke, korte meeldraden, de vrouwelijke uit talrijke vrucht-beginsels met lange priemvormige stglen bestaand. Vracht lederachtig, eenzijdig. Bladen groot, langgesteeld, handlobbig........Platanus IMti.
1. Platanus Trn. Plataan, xxi.
1 Takken afstaand. Bladen diep handvormig n-lobliig. met wigvormigen, afgeknotten of zwak hartvormigen voet, met laneetvormige, vaak weer gelobde of getande lobben van onderen kaal wordend. 8,00-16,00. Ij. Mei. Juni. Sierhoom uit het Oosten. . ..........Oostenche P. t. P. orientalis L.
⢠Takken tamelijk rechtopstaand. Bladen ondiep handvormig 3-5-lobbig, vaak nog grot getand, met afgeknotten of /.wak hartvormigen, nooit wigvormigen voet, met breed-driehoekige, gaafrandige lobben, van onderen meest blijvend behaard. 8,00-16 00. Igt;. Mei, Juni. Sierboom uit H.-Amerika,
' WesterscheP. tP. occidentalis L.
XXXIII. Fam. Ceratophylleeën.
Waterplanten, i-huizig. Bladen gaffelvormig gedeeld, in kransen.
Bloemdek iO-12-slippig. Meeldraden 10-25 of 1 stamper met
priemvormigen, blijvenden stijl. Vrucht een noot, 1-hokkig, 1-zadig.
i Planten eenhuizig. Bloemdek veeldeelig. Meeldraden talrijk, zittend. Stijl priemvormig, blijvend, op het lederachtige, nootje zittend. Bloemen alleenstaand in de bladoksels.
Ceratophf llum 199.
1. Ceratophyllum L. Hoornblad, xxi.
1 Bladen 3-voudig gaffeldeelig, met 5-8 borstelvormige, zachte,
iets stekelig getande slippen. Vruchten zonder stekels aan den voet. Plant meest lichtgroen. 0,30-0,60. Zj.. Juli-Septr.
Zeer algemeen, in slooten, vaarten en grachten.
Glad H. C. submérsum. L.
Bladen 1-2-voudig gaffeldeelig, met 2-4 lijnvormige, stijve, « lichtstekelig getande slippen. Vruchten aan den voet met 2 gekromde dorens. Plant donkergroen. 0,50-0,80. 2)-. Juli-Septr. Zeldzaam, op dezelfde plaatsen als de vorige.
Ruw H. C. demérsum L.
Polygoneeën.
XXXIV. Fatn. Polygoneeën. Veelknoopigen.
Bloemen i- of 2-slachtig. Bloemdek 3-6-spletig of -deelig. Meeldraden 3-9. Vruchtbeginsel bovenstandig met 3-3 stijlen of stempels. Bladen met vliezige, stengelomvattende scheeden. Stengel meest knoopig geleed.
Bloemdek 4-5-spletig, ten minste van binnen gekleurd. Meeldraden 5-8. Stempels knopvormig . . Polygonum 199. Bloemdek 6-deelig, meest groenachtig. Meeldraden 6 of 9. 2 De binnenste slippen van het bloemdek tijdens den vruchttijd vergroot, later de driekantige vrucht omsluitend. Meeldraden 6.
Stempels penseelvormig........Rümex 199.
Bloemdek met gelijke slippen. Vrucht vrij, tweevleugelig. Meeldraden 9.............Rhéum «03.
1. Polygonum L. Duizendknoop, vin.
Tweeslachtige kruiden met bebladerden stengel, verspreide, gaaf-randige bladen. Nootje driekant............1
Bladen eirond, lancetvormig of lijnvormig.......2
Bladen driehoekig, hart- of pijlvormig. Meeldraden 8 . . H
Bloemen in schijnaren..............3
Bloemen alleenstaand of 2-5 bijeen in de bladoksels, groen of
purperrood en met witten rand. Meeldraden 8. Stijlen 3,
kort. Bladen elliptisch tot lijn-lancetvormig. Scheeden 2-
spletig. Stengel meest liggend, tot aan den top bebladerd.
0,10 0,40. O. JuliâOctr. Zeer algemeen, langs wegen, op
bebouwden en onbebouwden grond.
Bargegras. Motte^ras. Weggras. Kreupelgras.
Varkensgras. P. aviculére L. Stengel niet vertakt, een enkele schijnaar dragend. Bladen langwerpig-eirond tot eirond-lancetvormig, met weinig gegolf-den rand en afgestompten of hartvormigen voet, de onderste in een langen, gevleugelden steel overgaande, de bovenste zittend. Bloemdek roodachtig wit. 0,30-1,00. 2|-. MeiâJuli. Niet algemeen, op belommerde, vochtige plaatsen en in weilanden . Slangen-wortel. Adderwortel. P. Bistórta L. Stengel min of meer vertakt, iedere tak in een schijnaar
eindigend..................4
Schijnaren dicht, ineengedrongen, rolrond.......5
Schijnaren ijl en dun, draadvormig.........9
Meeldraden 5, uit het bloemdek stekend. Aarstelen diep gegroefd. Bladen langwerpig tot lancetvormig. Stengel in het
197
Polygoneeën.
water drijvend (P. natans Mnch.), buiten het water opstijgend of rechtopgaand (P. terrestre Leers.). Bloemdek roodachtig wit tot purper. 0,30-1,50. 2J.. JuniâSeptr. Veel voorkomend , in en langs slooten en grachten, in bouw- en weiland.
Wilde wilg. Papenkwaad. Fonteinkruid. Roowilg. Roode veenwortel. P. ampbibium L. Meeldraden 6 of 7, in het bloemdek ingesloten. Stelen der schijnaren niet gegroefd............6
6 Scheeden meestal aangedrukt. Meeldraden 6.....7
Scheeden trechter- of bijna stervormig, uitstaand. Meeldraden 7- Bloemen purperrood, in dichte, rolronde, knikkende of hangende scbgnaren. 1,00-3,00. 0. Juniâ Augs. Sierplant uit het Oosten, ook verwilderd.
Oostersche I), t P- oriëntale L.
7 Bloemdek en bloemstelen met klieren, Schijnaren kort. Bla
den elliptisch-langwerpig tot lancetvormig, van onderen met klierpuntjes. Bloemdek meest groenachtig. 0,30-0,60. 0. JuliâOctr. Algemeen, op akkers en in moestuinen. (P. pallidum With.).....Bleeke D. P. lapathifólium L.
Bloemdek en meest ook de bloemstelen zonder klieren . . 8
8 Scheeden los, kort en fijngewimperd. Stengel in de knoopen
sterk verdikt. Schijnaren verlengd, vaak naar boven verdund, knikkend. Bloemdek rose of wit. 0,30-1,00. ©. JuliâOctr. Algemeen, op akkers, in moeshoven en op vochtige veenachtige plaatsen.........P. nodósum Pers.
Scheeden aanliggend, langgewimperd. Stengel in de knoopen minder vercikt. Schijnaren korter, stomp. Bloemdek meest rose, zelden wit. 0,30-1,00. ©. Juli âOctr. Algemeen, op akkers, in moestuinen en ook aan slootkanten.
Wilde wilg. Roowilg. Roodbeen. Roode rister. Jezusgras. Platzaad. Krodde. Perzikkruid. P. Persicéria L.
9 Bladen met spitsen voet, langwerpig-lancetvormig of lancet
vormig. Meeldraden 6.............10
Bladen met afgeronden voet, lijn-lancetvormig. Meeldraden 5. Bloemdek zonder klieren, roodachtig of wit, klein. Schijnaren bijna rechtopstaand. Stengel meest liggend. In den herfst is vaak de geheele plant rood. 0,15-0,30. 0. JuliâOctr. Niet ' zelden, op vochtigen zandgrond, langs wegen en slootkanten.
Kleine D. P. minus Huds.
10 Scheeden langgewimperd. Bladen lancetvormig of langwerpig-
lancetvormig , niet scherp smakend. Bloemdek zonder klieren, eerst witachtig, later purperrood. Schijnaren meest overhan-
19S
Poly goneeën.
gend. 0,15-0,45. ©. JuliâOctr. Vrij algemeen, aan sloo-ten en op vochtige plaatsen. (P. laxiflorum Weihe.)
Zachte D. P. mite Schrnk.
Scheeden kortgewimperd. Bladen lancetvormig tot elliptisch, scherp peperachtig smakend. Bloemdek met klierpuntjes, groen, met purperrooden of witachtigen rand of geheel purperrood. 0,30-0,60. ©⢠JuliâSeptr. Zeer algemeen, aan en in slooten, in weilanden.
Waterpeper. Bittertong. P. Hydrópiper L.
H Stengel (rechts) windend. Bloemen in bundels in de bladoksels, tros- of pluimvormig. Vrucht in het bloemdek opgesloten. 12
Stengel rechtopstaand. Vrucht uit het bloemdek stekend. (Fa-gop^rum Trn.)...............13
12 Stengel kantig, meest kortbehaard. Bladen hart-pijlvormig.
Buitenste slippen van het bloemdek op de rugzijde stomp gekield. Vrucht dof. Bloemdek groen, van binnen en aan den rand wit. 0,15-1,00. Q. JuliâOctr. Tusschen kreupelhout, in heggen, op bouwland.
Windorn. Ranken. Zwarte winde. Zwaluwtong.
P. Convólvulus L.
Stengel bijna glad, gestreept, kaal. Bladen hartvormig-drie-hoekig. Buitenste slippen van het bloemdek op de rugzijde vliezig gevleugeld. Vruchten glanzig. Bloemdek groen, van binnen en aan den rand wit. 0,50-2,00. Q. JuliâOctr. Vindplaatsen als de vorige. Hegge D. P. dumetórum L.
13 Bladen even lang als of meer lang dan breed. Bloemtrossen meest scherm-pluimvor-
mig byeen. Vrucht met scherpe, gaafrandige kanten. Bloemdek wit of roodachtig. Stengels ten laatste meest rood. 0,30-0,60. ©. Juli, Augs. Gekweekt, op zandgrond. Uit Middel-Azië. (F. esculentum Mnch.)
Boekweit, t P- Fagopyrum L#
Bladen meest meer breed dan lang. Bloemtrossen vaak alleen-staand. Vrucht met stomp getande kanten. Bloemdek en stengel meest groen. 0.30-0,80. 0. JuliâSeptr. Als onkruid tusschen de gekweekte boekweit, ook in aardappelvelden. Uit Siberië. (P. tataricum Gaertn.)
Reeboekweit. Franschmannen. Wilde Boekweit.
P. tatéricum L.
P. cuspidatum Sleb. en Zucc. (P. Sieboldi Reinw), een 1,5â3,5 hooge plant met groote bladen, slanke aren in de bladoksels en witachtige bloemen, wordt als sierplant gekweekt en is b\j Eembrugge verwilderd gevonden.
2. Rumex L. Zuring. VI.
Kruiden met bebladerden stengel, gesteelde, verspreide, gaafrandige bladen en krans- of pluimvormig gerangschikte bloem-
199
Polygoneeën.
trossen. Vruchtjes door de 3 binnenste bloemdekbladen nauw omgeven, daardoor schijnbaar gevleugeld........1
1 Bladen met versmalden, afgeronden of hartvormigen voet.
Bloemen 2-slachtig, soms eenige vrouwelijke er tusschen. 2 Bladen pijl- of spiesvormig. Planten met zuren smaak . . 13
2 Binnenste slippen van het bloemdek tijdens den vruchttijd
sterk getand......................3
Binnenste slippen van het bloemdek zwak getand of gaafrandig. 6
3 Bladen alle, ook de onderste, in den steel versmald. Bloei-
wijzen tot aan den top bebladerd.........4
Onderste bladen rond, met een afgeronden of hartvormigen voet. 5
4 Bloemtrossen dicht, alleen beneden verder van elkaar staand.
Binnenste slippen van het bloemdek ruitvormig-langwerpig, bijna dubbel zoo lang als breed, even lang als of korter dan de tanden. Plant tijdens de rijpheid der vruchten boven geel. 0,10-0,40. ©. Juli- -Septr. Niet zeldzaam, op vochtige plaatsen.
Zee Z. R. maiitimus L. Bloemtrossen vrij ver van elkaar staand. Binnenste slippen van het bloemdek langwerpig eirond, langer dan de tanden, tneest met groote knobbels. Plant tijdens de rijpheid der vruchten geelachtig groen, meest grooter. 0,30-0,60. © of ©0. JuliâSeptr. Vrij zeldzaam, op vochtige plaatsen.
Moeras Z. R. palüstris Sm.
Een bastaard van R. maritimus met R. obtusifolius is R. Steinii Beek. Deze is overbiu^end, heeft breede, hartvormige wortelbladen, de stengel bladen zijn niet versmald aan den voet en de bloemdckslippen zyn breeder aan den voet. Een enkele maal bg Den Haag gevonden.
5 Onderste bladen langwerpig met hartvormigen voet. Takken der bloeiwgze ver uit
gespreid. Bloemtrossen ver van elkaar, meest alle met een schutblad. Binnenste bloemdekslippen eirond-langwerpig, ten laatste met sterk verheven aderen en daardoor diep gegroefd. 0,60-1,20. Juli, A.ugs. Alleen bg 's-Hage, op
grazige plaatsen tusschen kreupelhout. Wgdgetakte Z. R. divaricatus L.
Onderste bladen hartvormig-eirond, stomp, de middelste hart-vormig-langwerpig, spits, de bovenste lancetvormig. Bloemtrossen van boven bladloos. Binnenste bloemdekslippen lang-werpig-driehoekig, aan den voet aan weerszijden met 3-5 tanden. 0,60-1,20. 2|.. Juli, Augs. Zeer algemeen, op grazige plaatsen, onder kreupelhout.
Ijzerhard. Bitterblad. R. obtusifólius L. Een bastaard met R. crispus is R. praténsis M. et K., waarbij de onderste bladen hartvormig-langwerpig, spits, de bovenste langwerpig-lancetvormig zijn, alle met gegolfden rand. Binnenste bloemdekslippen ei-, bijna hartvormig, stomp, aan den voet met korte, driehoekig-priemvormige
*00
Polygoneeën.
tanden, aan den top gaafrandig, alle of slechts 1 met een knobbel. 0,60-0,80. 2)-. Juli, Augs. Zeer zeldzaam, in weilanden.
Onderste stengelbladen met afgeronden, wortelbladen met hart-vormigen en hoogere stengelbladen met versmalden voet. Bloemtrossen los, alleen de onderste met een schutblad. Binnenste bloemdekslippen lang uitgerekt, stomp, langge-wimperd. Aan slootkanten, zeldzaam. R. lepténthes de Br.
6 Binnenste slippen van het bloemdek lijnvormig-langwerpig,
stomp. Onderste bladen hartvormig of eirond-langwerpig,
meest stomp, de middelste hart-lancetvormig.....7
Binnenste slippen van het bloemdek eirond of bijna 3-hoekig, met meest hartvormigen voet. Trossen van boven bladloos. 8
7 Trossen bijna tot aan den top bebladerd. Binnenste bloem
dekslippen meest alle met knobbels. Met afstaande takken. 0,30-0,80. 2)-. Juli, Augs. Vrij algemeen, langs slooten, vaarten, en op vochtige, zandige gronden.
Kluwenvormende Z. R. conglomeramp;tus Murr. Trossen alleen aan den voet bebladerd. Slechts 1 of 2 der binnenste bloemdekslippen met knobbels. Niet vertakt of met rechtopstaande takken. Stengel, bladstelen en bladnerven bloedrood. 0,30-0,80. 2).. Juli, Augs. Vrij algemeen, op vochtige, belommerde plaatsen.
Bloedkruid. Drakebloed. R. sanguineus L.
8 Lagere bladen aan den voet kort-wigvormig, nooit afgerond
of hartvormig................9
Lagere bladen aan den voet afgerond of hartvormig . . . 10
9 Bladranden sterk gekroesd. Trossen smal. Binnenste bloem
dekslippen rond hartvormig, meest 1, zeldzaam alle met een knobbeltje. 0,30-0,80. 2].. JuniâAugs. Zeer algemeen, op weilanden, aan wegen en dijken, langs akkers en slooten. Koeleek. KwijIkwabben. Gekroesde Z. R. crispus L. Onderste bladen vlak, zeer groot, de overige zwak gekroesd. Trossen dik. Binnenste bloemdekslippen eirond, niet hartvormig, alle of minstens 2 met knobbeltjes. 4,00-1,50. 2J.. Juli, Augs. Algemeen, in en langs slooten en vaarten en in vochtige weilanden.
Water Z. Oever Z. R. Hydrolépathum Huds.
10 Binnenste bloemdekslippen zonder knobbels, rondachtig-eirond
met iets hartvormigen voet. Bladen dun, de onderste zeer groot, met hartvormigen voet en gegroefden steel, de overige
SOI
Polygoneeën.
langwerpig-lancetvormig. 1,00-1,50. 2|.. Juli, Augs. Zeer zeldzaam, aan rivieroevers. (R. aquaticus L.)
Paarde Z. R. Hippolépathum Fr. Binnenste bloemdekslippen met weinig ontwikkelde knobbels, rondachtig-hartvormig. Bladen langwerpig-lancetvormig, spits, met hartvormigen voet en vlakken steel, smal gerand. Op akkers, aan wegen, vrij zeldzaam. 1,00-2,00. 2).. Juli, Augs.
Huis Z. R. domésticus Hartm. Binnenste bloemdekslippen alle of althans 1 van een knobbeltje voorzien................11
11 Binnenste bloemdekslippen breed-hartvormig. Waarschijnlijk
een bastaard van R. crispus en R. obtusifolius. Zeer zeldzaam, aan slootkanten. Bestoven Z. R. conspérsus Hartm. Binnenste bloemdekslippen wel met hartvormigen voet, maar naar voren eirond of driehoekig..........12
12 Onderste bladen smal hartvormig-eirond met scheef ei- of hart
vormigen voet. Binnenste bloemdekslippen bijna driehoekig, aan den voet iets hartvormig. Zeer zeldzaam, aan vaarten. Een bastaard van R. Hydrolapathum en R. Hippolapathum.
Groote Z. R. mdximus Schreb Onderste bladen langwerpig-lancetvormig. Binnenste bloem-dekbladen bijna gaafrandig, alleen met eenige vooruitstekende puntjes langs de randen. Zeer zeldzaam, op bouwland. Waarschijnlijk een bastaard van R. crispus en R. obtusifolius.
Gladde Z. R. laevigatas Fr.
13 Stengel 0,10-0,40 lang. Binnenste slippen van het bloemdek
zonder knobbel, de buitenste tegen den vruchttijd rechtopstaand ...................14
Stengel 0,30-0,90 lang. Binnenste slippen van het bloemdek aan den voet met een kleinen knobbel, de buitenste tijdens den vruchttijd teruggeslagen. Planten 2-huizig. Bladen dik, met onduidelijke nerven, spits. Steunbladen getand. 2(.. Mei, Juni. Zeer algemeen, op grasvelden, langs wegen, in kreupelhout. . . . Gewone Z. Zuur ling. Zurkel. Veld Z.
R. Acetósa L.
14 Bloemen 2-slachtig en mannelijk op dezelfde plant. Bladen
meest rondachtig-spiesvormig, grijsgroen. Stengel liggend of opstijgend. 2|.. Juli, Augs. Zeer zeldzaam, op muren en steenachtige plaatsen . . SpaanscheZ. R. scutamp;tus L. Planten 2-huizig. Bladen spies-, lancet- of lijnvormig. Stengel opstijgend of rechtopstaand. 2J-. MeiâJuli. Zeer algemeen.
note
Chenopodieeën.
op zand- en heidegrond. Zuur zaad. Kleine wilde Zuring, Zurkel. Schaaps Z. R. Acetosélla L.
3. Rhéum L. Rabarber, ix.
1 Onderste bladen rond-eirond, stomp, met hartvormigen voet, gekroesden, gewim-perden rand, van boven kaal, van onderen kortbehaard met aan de onderzode gegroefde stelen, de bovenste langwerpig, kortgesteeld. Bloeiwyze een beneden be-bladerde pluim. Vruchtstelen korter dan de vrucht. Bloemdek groenachtig. 1,00-1,50. 2|.. Mei, Juni. Sierplant uit Zuid-Siberië.
Stompe R. 1 R. Rhaponticum L.
Onderste bladen eirond, steeds meer lang dan breed, met sterk gekroesden rand, van onderen op de nerven behaard of tamelyk kaal, met ongegroefde stelen. Vrucht-steel even lang als de vrucht. Verder als de vorige soort. 1,00-1,50. 2|.. Mei, Juni. Sierplant uit Zuidoost-Siberië.
Gegolfde R. R. undulatum L.
XXXV. Fam. Chenopodieeën. Ganzevoetachtigen.
Planten i- of U-huizig of 2-slachtig. Bloemdek 3-5-deelig,-bladig of S-kleppig, of ontbrekend. Meeldraden 5 of minder, aan den voet van het bloemdek ingeplant. Vruchtbeginsel met i stijl en 2-4 stempels of een Ã-4-deeltgen stijl.
1 Bloemen tweeslachtig..............2
Planten 1- of 2 huizig. Bladen vlak, breed, niet lijnvormig. 9
2 Stengel geleed, zonder bladen. Bloemen in de verdiepingen
van de einden der takken. Bloemdek vleezig, zich alleen met een spleet openend. Meeldraden 1-2. Zoutplant.
Salicórnia Sff4.
Stengel niet geleed, bebladerd...........3
3 Bladen lijn- tot priemvormig............4
Bladen vlak, meest driehoekig of ruitvormig, niet priemvormig.
Bloemdekslippen zonder aanhangsels........7
4 Bladen stekelpuntig...............5
Bladen niet stekelpuntig.............6
5 Bloemdek ontbrekend (of 2-bladig). Meeldraden 1 of 2 in de
bovenste bloemen, in de onderste 5 Corispérmum 90S. Bloemdek ongelijk 5-bladig tot 5-spletig. Bloemdekbladen na den bloeitijd op den rug met een dwars, vleugelachtig aanhangsel. Meeldraden in alle bloemen 5 . Salsola 204.
6 Bloemdek 5-spletig. Bloemdekslippen na den bloeitijd op den
rug onder den top met een aanhangsel . . K óch ia SOS. Bloemdek 5-deelig. Bloemdekslippen zonder aanhangsel, vleezig. Zoutplant...........Suaéda iOS.
903
£04 Chenopodieeën.
7 Bloemdek 3-5-deelig, vrij. Meeldraden op deo voet van het
bloemdek ingeplant. Stempels 2-5.........8
Bloemdek 5-spletig, aan den voet met het vruchtbeginsel vergroeid. Meeldraden op een vleezigen, het vruchtbeginsel omgevenden ring ingeplant. Stempels 2-4 . . Bèta BOS.
8 Bloemdek 3-5-deelig, tijdens den vruchttijd vleezig, sappig,
scharlakenrood. Vrucht een steenvrucht. . Blftum BOS. Bloemdek 5-deelig tot 5-spletig, tijdens den vruchttijd weinig veranderd, groenachtig ......Chenopódium »0«.
9 Planten 2-huizig. Mannelijke bloemen: bloemdek 4- (zelden
5-)deelig. Meeldraden 4. Vrouwelijke bloemen: bloemdek 2-4-tandig. Stempels 4, draadvormig. . . Spindcia *08. Planten 1-huizig. Vrouwelijke bloemen zonder bloemdek, omgeven door 2 na den bloeitijd vergroote schutbladen. Stempels 2...................10
10 Schutbladen der vrouwelijke bloemen omgekeerd-driehoekig.
Stempels tamelijk kort. Zaadhuid dun . Halimus HOS. Schutbladen der vrouwelijke bloemen eirond, ruitvormig of driehoekig. Stempels vrij lang. Zaden met broze zaadhuid.
A'triplex 1609.
1. Salicórnia Tm. n.
1 Stengel meest vertakt, opstijgend, vleezig. Stengelleden naar boven verdikt. Aren kort- en dikgesteeld, 3- bloemig. Middelste bloemen hooger staand dan de zijdelingsche (de 3 bloemen daardoor een driehoek vormend). 0,05-0,30. 0. Augs., Septr. Algemeen, op zeeklei.
Kraalkruid. Krabbekwaad. Zeegrappe. Hanepoot. Krabbestruik. Zeekraal. S. herbécea L.
S. ra die an s Sm., een overblijvende plant met hontigen, kruipenden wortelstok, waaruit de bovenaardsche stengels oprijzen, is ook een enkele maal op zeeklei gevonden, op Z.-Beveland.
2. Salsola L. v.
1 Plant grijsgroen. Stengel vertakt. Bladen zittend, lijn-priem-vormig, met stekelpunt. Bloemen alleenstaand in de bladoksels , zittend. Bloemdek tijdens den vruchttijd van onderen perkamentachtig, van boven dunvliezig. 0,10-0,40. ©. Juliâ Septr. Vrij algemeen in de duinen en aan het zeestrand en de variëteit tenuifólia met lange, draadvormige bladen langs onze rivieren.....Loog kruid. S. Kali L.
Chenopodieeën.
3. Kóchia Rth. K och ia. v.
â 1 Slippen van het bloemdek tijdens den vruchttijd met een kegelvormig, doornig aanhangsel. Bladen lijnvormig, stomp. Plant ruw behaard. 0,15-0,30. ©. Augs., Septr. Hier en daar langs de zeekusten. Ruwharige K. K. hirsüta Nolte.
Slippen van het bloemdek tqdens den vruchttgd op den rug met een dwarsstaanden vleugel. Bladen Ijjn-lancetvormig, gewimperd. Aanhangsels der bloemdekslippen zeer kort, driehoekig, spits. 0,30-1,00. Q. JuliâSeptr. Alleen bg Deventer â gevonden.............Bezem K. K. scoparia Schrad.
4. Suaéda Forsk. Witte Kali. v.
4 Plant kaal, vleezig, blauwgroen, vaak wat roodachtig. Bladen lijnvormig, halfrolrond, de bovenste spits. Bloemen meest drie bij elkander in de bladoksels. Stijl 1. Zaden glanzig, met fijne puntjes. 0,10-0,30. ©gt; JuliâSeptr. Zeer algemeen, op zeeklei. (Chenopódina maritima Moq. Tand., Schoberia marftima C. A. M.) . Kleine W. K. S. maritima Dum.
Houtige plant. Bladen stomp en klein. Stglen 3. Zaden glad, glanzig. 2|.. Een paar malen gevonden (Schobéria fruticósa C. A. M.).
Heesterachtige W. K. S. fruticósa Forsk.
5. Blitum L. Sapkelk. v.
Onbehaarde planten met rechtopstaanden of liggenden, vertakten stengel . . . . â .................1
i Stengel tot den top bebladerd. Bladen langwerpig-ruitvor-mig of 3-hoekig-langwerpig, met wigvormigen voet, toegespitst, getand. Bloeiwijzen alle in de bladoksels. 0,15-0,60. ©. JuniâAugs. Vrij zeldzaam, op bouw- en moesland en aan ruigten.......Roode S. B. virgétum L.
Stengel naar boven niet bebladerd. Bladen 3-hoekig, met afgestompten voet of bijna spiesvormig, meest zwak getand. Bloeiwijzen grooter, de bovenste tot een schijnaar verbonden, bladloos. 0,15-0,60. ©. JuniâAugs. Vindplaatsen als de vorige........Aar S. B. capitéitam L.
6. Corispérmum L. v.
1 Bloemdek ontbrekend. Vruchten cirkelrond, breed gevleugeld. Vleugel aan den top ingesneden en daar met 2 stekelpuntjes. Bovenste schutbladen met eirond-lancetvormigen voet, spits.
MOS
80S Chenopodieeën.
0,15-0,60. ©. Juli, Augs. Zeldzaam, op zandig bouwland naar den zeekant. . . Vlieszaad. C. Marshéllii Stev.
7. Chenopódium Tm. Ganzevoet. v.
Kruiden met een meestal rechtopstaanden, vertakten stengel, verspreide, gesteelde, breede bladen en groenachtige bloemen in kluwens gezeten. Bloemen met 5-bladig bloemdek. ... 1
1 Bladen door korte kliertjes kleverig, langwerpig, stomp, b\jna bochtig vinlobbig, met
meestal stompe lobben, de bovenste Ijjn-spatelvormig, gaafrandig. Plant groen, behaard, welriekend. Bloeiwgzen los, een trosvormige, bqna onbebladerde pluim vormend. 0,15-0,60. Q. Juli, Augs. Op een paar plaatsen, bg Delft en Soest, gevonden...............Kleverige G. C. Bótrys L.
Bladen zonder klieren, kaal, vaak meelachtig bestoven. Zonder reuk of onaangenaam riekend..........2
2 Bladen gaafrandig . . .............3
Bladen getand of dieper ingesneden.........5
3 Stempels kort. Eenjarige planten, meestal met uitgespreide
takken...................4
Stempels lang. Plant overblijvend, bijna rechtopstaand. Bladen driehoekig, met spiesvormigen voet, vaak iets gegolfd, lang-gesteeld. Bloeiwijzen tot een dichte pluim verbonden. Plant met meelachtig stof bedekt of iets kleverig. 0,20-0,60. li-MeiâAugs. Niet zeldzaam, op bouwland en aan ruigten. (Blitum bonus Henricus L. A. M.)
Algoede. Lammertjesooren. Goede Hendrik.
C. bónus Henricus L.
4 Plant zonder stof, donker- of lichtgroen, vaak iets roodachtig.
Onderste bladen eirond tot langwerpig-eirond. Bloeiwijzen ijl. Bloemdek tijdens den vruchttijd open. 0,15-0,60. 0. JuliâSeptr. Vrij algemeen, langs wegen, op bouwland en in moestuinen.
Kruipend modder kwaad. Veelzadige G.
C. polyspérmum L.
Plant met meelachtig stof bedekt, grijsgroen. Bladen breed ruit-eivormig. Bloemen in kluwens, aan het eind van den stengel en der takken tot pluimen opeengehoopte schijnaren vormend. Vruchtomhulsel gesloten. Naar rottende haringen riekend. 0,15-0,30. ©. JuliâSeptr. Vrij algemeen, langs wegen , op ruige plaatsen en op bouwland.
Stinkende G. C. Vulvória L.
5 Bladen met hartvormigen voet, zonder meelachtig stof, groot,
eirond-driehoekig, grof getand. Bloemen in kluwens, ineen eindelingsche, onbebladerde pluim. 0,30-0,80. 0. JuliâSeptr. Vrij zeldzaam, langs wegen en op bouwland.
Bastaard G. C. hybridum L.
Chenopodieeën.
Bladen zonder hartvormigen voet, afgeknot of versmald. . 6
6 Bladen glanzig, niet of alleen in het begin met een meel
achtig stof.................7
Bladen dof, wit of grijs bestoven..........9
7 Bloeiwijzen tamelijk ijl, in afstaande kleine pluimen. Stengel
stetk vertakt. Bladen ruitvormig of bijna driehoekig-eirond, ongelijk gezaagd, met scherpe tanden, donkergroen. Bloem-dek de vrucht geheel bedekkend. Zaden dof. 0,15-0,45. ©. JuliâSeptr. Vrij algemeen, langs wegen, op steenachtige
gronden en muren......Muur G. C. murdle L.
Bloemen in kluwens, in rechtopstaande schijnaren .... 8
8 Bladen ruitvormig-driehoekig, bijna spiesvormig drielobbig,
diep bochtig getand. Zijdelingsche schijnaren met kleine blaadjes. Bloetndek de vrucht bedekkend. Stengel meest rood aangeloopen, rechtopstaand of uitgespreid. 0,20-0,70. ©. Augs., Septr. Op bouwland en aan wegen en ruigten. (Bli-
tum rubrum Rchb.).....Roode G. C. rübrum L.
Bladen driehoekig of driehoekig-ruitvormig, bochtig getand, iets bestoven. Zijdelingsche schijnaren bijna zonder bladen. Bloemdek de vrucht niet geheel bedekkend. Stengel stijf rechtopgaand, meest alleen aan den voet vertakt. 0,25-0,80. ©. Augs., Septr. Zeldzaam, langs wegen en op bouwland.
Langgetroste G. C. ürbicum L.
9 Bladen iets gezaagd of getand.......... 10
Bladen diep ingesneden. Onderste bijna spiesvormig 3-lobbig,
de middellob vele malen langer dan de zijlobben, met bijna evenwijdige zijranden, de bovenste lijn-lancetvormig. Zaden met puntjes. 0,30-0,80. Q- JuliâSeptr. Op onbebouwde, ruige plaatsen, vrij algemeen, ook op bouwland.
Gestippelde G. C. ficifólium Sm.
10 Bladen langwerpig, in den bladsteel versmald, iets getand,
van onderen blauwgroen en met meelachtig stof. Bloeiwijzen in afgebroken, onbebladerde schijnaren. Bloemdek niet meelachtig bestoven, de vrucht niet geheel bedekkend. 0,15-0,45. 0. JuliâOctr. Op bouwland en aan ruigten, zeldzaam. (Bli-tum glaucum Prod.). . . Zeegroene G. C. glaücum L. Bladen ei-ruitvormig of bijna ei-lancetvormig, meer lang dan breed, spits, de bovenste (zeldzaam alle) langwerpig-lancet-vormig, bijna gaafrandig. Bloeiwijzen in dichte, rechtopstaande schijnaren of los pluimvormig of in afgebroken schijnaren. Bloemdek met meelachtig stof, de vrucht geheel
Chenopodieeën.
bedekkend. 0,20-1,00. ©. JuliâOctr. Zeer algemeen, op bouw- en moesland en ook op ruigten en mesthoopen en langs wegen.
Opgaand modderkwaad. Luismelde. Stokmel. Meyen.
Witte mei. C. élbum L.
8. Bèta Tm. Biet. v.
Onbehaarde, gladde, sappige kruiden met tweeslachtige bloemen. 1
1 Stengel rechtopstaand, vertakt. Wortelbladen in een roset, langgesteeld, eirond, stomp, met iets hartvormigen voet. Stengelbladen klein, langwerpig tot lancet-vormig, spits. Bloeiwqzen in lange scbynaren. 0,60-1,20. © of OO- Juliâ
Septr. Vaak gekweekt.........Gewone B. f B. vulgaris L.
Vormen: Wortel rolrond, dik. Snybiet. Braziliaanscbe biet. a. cicla L.
Wortel spilvormig, vleezig, wit, geel of geringd (Mangelwortel) of buiten en binnen bloedrood (Roode biet) . . . b. Rapa Dumort.
Stengels teer, 2 of meer over den grond uitgespreid. Onderste bladen eirond-ruitvormig, kort toegespitst. Wortel houtig. 2)-. Aan het zeestrand . . . . Zee B. B. maritima L.
9. Spinacia Tin. Spinazie, xm.
1 Bladen langgesteeld, de onderste en middelste drieboekig-pülvormig of langwerpig-eirond, de bovenste langwerpig, met wigvormigen voet. Vruchtomhulsel bgna kogelvormig, de landen niet stekelig. 0,30-0,45. OO en O- JuniâAugs. Als groente gekweekt. Uit Klein-Azië. (S. inérmis Mnch.). Zomer S. f S. glabra Mill.
Bovenste bladen meest met spiesvormigen voet. Vruchtomhulsel bjjna driehoekig, de tanden tot stekels vergroot. 0,30-0,45. O en OO- âAugs. Als groente gekweekt. Uit Klein-Azië. (S. spinósa Mnch.)
Winters, t S. oleracea L.
10. Halimus Wallr. Zeeporselein. Zeemelde. xxi.
Eenhuizige planten met vleezige, gaafrandige bladen , die evenals de geheele plant met een grijsachtig stof bedekt zijn. ... 1
i Stengel kruidachtig, slingerend. Bladen langwerpig tot lancet-spatelvormig, stomp. Schutbladen driehoekig-omgekeerd-hartvormig, zonder stekels, het stengellid, dat hen draagt, verlengd. 0,15-0,30. ©. Augs.âOctr. Vrij zeldzaam, op kleigrond langs de zeekust. (Obióne pedunculata Moq. Tand.)
Gesteeld Z. H. pedunculatus Wallr.
Stengel half struikvormig, rechtopstaand of opstijgend. Bladen langwerpig-omgekeerd-eirond. Schutbladen omgekeerd-drie-hoekig, drielobbig, zacbtstekelig, het hen dragende stengellid niet verlengd. 0,50-1,50. 1). Juli, Augs. Vrij algemeen, op kleigrond langs de zeekust. (Obióne portulacoides Moq. Tand.)
Portulak Z. H. portulacoides Wallr.
COS
Chenopodieeën.
11. A'triplex Tm. Melde. Mei. xxi.
Eenhuizige, onbehaarde, deels gladde, deels met een meelachtig stof bedekte planten met een vertakten stengel, meestal gesteelde bladen en kluwens van bloemen............1
\ Alle bladen gesteeld. Stengel groen en wit gestreept . . 2
Stengel wit. Bladen eirond, bgna ruitvormig, de bovenste langwerpig, zittend. Sebijnaren bebladerd. Schutbladen breed-eirond-driehoekig. Plant min of meer witscbilferig. 0,30-1,00. ©. JuliâSeptr. Waarachgulok een enkele maal aan de zeekust gevonden. (A. alba Scop.)......Rozen M. A. rosea L.
2 Vrouwelijke bloemen ten deele zonder schutbladen, met 3-5-
deelig bloemdek, ten deele met schutbladen, zonder bloem-dek. Bladen dof, de onderste hartvormig-driehoekig, spits, de middelste langwerpig met spiesvormigen voet. Schutbladen rond-eirond. Geheele plant vaak bloedrood. 0,50-1,50. ©. JuliâSeptr. In moestuinen gekweekt en in het wild.
Tuin M. A. horténsis L. Vrouwelijke bloemen met ongeaderde schutbladen, zonder bloemdek..................3
3 Bladen verspreid. Schutbladen ruit-eivormig......4
Onderste bladen vaak tegenoverstaand, evenals de middelste
driehoekig-spiesvormig, de bovenste lancetvormig ... 5
4 Bladen alle lijn-lancetvormig tot lijnvormig, scherp getand
of gaafrandig. Schijnaren rechtopstaand. Schutbladen getand. 0,30-0,60. ©. JuliâSeptr. Aan wegen naar den zeekant
en in de duinen.....Strand M. A. littorèlis L.
Onderste bladen eirond-lancetvormig, bijna spiesvormig, vaak getand, de bovenste lancet- tot lijnvormig, gaafrandig. Schijnaren rechtopstaand. Schutbladen met spiesvormige zijhoeken vaak zacht-stekelig. 0,30-1,00. ©. JuliâOctr. Op bouwland, aan wegen, op mesthoopen.
Lage wilde M. Smeelje. Openstaande M. A. patula L.
5 Bladen breed-driehoekig, gelijkmatig getand. Schutbladen drie
hoekig, klein getand of gaafrandig, glad of zacht-stekelig. 0,30-1,00. ©. JuliâSeptr. Op bouwland, aan wegen en in uiterwaarden . . Breedbladige M. A. latifólia Whlb.
Bladen spiesvormig, met een lang uitgerekte, gave of oppervlakkig getande voorslip en twee sterk ontwikkelde ooren. Een paar malen op zeeklei gevonden.
«O»
Deltavormige M. A. deltoidea Bab.
14
Heukels, Schoof flora. druk.
Arriarantaceeën.
XXXVI. Fam. Amarantaceeën.
Planten 1 -huizig of Q-slachtig. Bloemdek 3-5-deelig, droogvliezig, meest gekleurd. Meeldraden 3-5, op den bloembodem gezeten. Vruchtbeginsel bovenstandig met i stijl en i of meer stempels of stijl ontbrekend.
\ Planten eenhuizig, in schijnaren. Bloemdek 3- of 5-deelig. Mannelijke bloemen: Meeldraden 3 of 5. Vrouwelijke bloemen: Stempels 3........Amarantus BtO.
Bloemen tweeslachtig, alleenstaand in de bladoksels. Bloemdek 5-bladig. Meeldraden 3. Stijl zeer kort.
Polycnémum *11.
1. Amarantus Trn. Amarant, xxi.
Eenjarige kruiden met een vertakten stengel, gesteelde, gaafran-dige bladen en kluwens van bloemen, door scnutbladen omgeven, die een meestal lange, pluimvormige aar vormen.....1
1 Bloemen 5-tallig. Vrucht overdwars openspringend. Stengel
rechtopstaand................2
Bloemen 3-tallig. Stengel en takken onbehaard . . . . 3
2 Bloemdek half zoo lang als de schutbladen, groen. Schijnaren
kort, de bovenste tot een dichte eindelingsche pluim ineengedrongen. Bladen eirond, langgesteeld. Stengel kort behaard. Plant lichtgroen. 0,15-0,80. ©. Juliâ-Septr. Zeldzaam, aan wegen, op bouwland.
Omgebogen A. A. retrofléxus L.
Bloemdek bjjna zoo lang als de schutbladen, meest rood. Bladen eirond of langwerpig-eirond, naar weerszijden versmald. Eindelingsche schijnaren zeer lang, hangend, vele malen langer dan de korte zijdelingsche, alle stomp. Bloemdekhladen lang-werpig-eirond, donkerpurper. 0,60-1,20. Q. JuniâSeptr. Sierplant uit Ooat-Indië.
Kattestaart. t A. caudatus L.
3 Schutbladen omstreeks even lang als de bloemen. Bloemdek-
slippen zeer smal, groen. Vrucht overdwars openspringend. 0,20-0,60. ©. Juli, Augs. Vrij zeldzaam in bouwland, aan wegen ...... Witte majer. A. sylvéstris Desf.
Schutbladen korter dan de bloemdekslippen. Bloemdekslippen ovaal, spits, gevlekt of ongevlekt. Vrucht niet openspringend. 0,15-0,45. ©. Juli, Augs. Vrij zeldzaam in moestuinen, bouwland, aan wegen. Uitgespreide A. A. BUtum L.
Hiertoe behoort ook Celosia cristata L., hanekam, een bekende sierplant met monstrueus verbreede as der bloeiwjjze. Uit Oost-Indië.
S40
Nyctagineeën. â Gary o phy 11 eeën. »1±
2. Polycnémum L. ni.
1 Takken dun en slank, neerliggend of opstijgend. Bladen lijn-priemvormig, bijna driekant met stekelpunt. Schutbladen even lang als het bloemdek. 0,05-0,25. 0. JuliâOctr. Zeldzaam, op zandig bouwland.
Akkerveellid. P. arvénse L.
XXXVII. Fam. Nyctagineeën.
Bloemen 2-slachtig. Bloemdek hloemkroonachtig gekleurd, 4-10-spletig. Meeldraden 4-iO. Vruchtbeginsel bovenstandig, met knopvormigen stempel.
1 Omwindsel kruidachtig, uit 5 vergroeide bladen bestaand. Bloemdek trompetvormig. Meeldraden 5, aan den voet tot een korte buis vergroeid. Stempel knopvormig. Bladen tegenoverstaand..............Mirabilis^ü.
1. Mirabilis Riv. Wonderbloem. Nachtschoone. v.
1 Stengel kaal of weinig kort behaard, rechtopstaand, gaffelvormig vertakt. Bladen gesteeld, eirond-toegespitst, met afgeronden of bijna hartvormigen voet, kaal of gewimperd, gaafrandig of iets ingesneden. Bloemen kortgesteeld. Slippen van het omwindsel 3-hoekig-lancetvormig, spits. Bloemdek kaal, purper, wit, geel of gestreept. Bloemdek reukeloos. 0,50-1,00. 2|.. JuliâSeptr. Sierplant uit Mexico.
Bonte W. f M. Jalapa L. Stengel en bladen met zachte klierharen bezet. Stengel zwak. Bladen hartvormig, toegespitst, de onderste gesteeld, de bovenste zittend. Bloemen zittend. Slippen van het omwindsel Ijjuvormig. Buis van het bloemdek zeer lang, met klierharen. Bloemdek meest wit. Bloemen welriekend. 0,60-1,20. 2^. JuliâSeptr. Sierplant uit Mexico.........LangbloemigeW. fM. longiflóra L,
XXXVIII. Fam. Caryophylleeën. Muurachtig en. x.
Bladen tegenoverstaand. Kelk 3-6-tandig tot 4-6-bladig. Bloem-. kroon 3-6-bladig, soms zeer klein, priemvormig of ontbrekend. Meeldraden 3-12. Vruchtbeginsel 1 met i-5 stijlen of 1-3 zittende stempels. Vrucht meest een eenhokkige doosvrucht met centralen zaaddrager.
1 Bladen met vliezige steunbladen..........2
Bladen zonder vliezige steunbladen.........6
2 Kelk vergroeidbladig. Meeldraden 3-5........3
Kelk losbladig...... . ...........5
3 Bladen verspreid. Kroonbladen even groot als de kelk. Stem
pels 3. Vrucht niet openspringend . . Corrigfola £24. Bladen, althans de onderste,; tegenoverstaand. Kroonbladen klein, draadvormig of ontbrekend. Stempels 2 . ... 4
4 Kelkslippen niet verdikt, vlak, hol . . . Hernidria St-t.
14*
Caryophylleeën.
Kelkslippen kraakbeenachtig verdikt, zijdelings samengedrukt.
Illecebrum
5 Stijlen 5. Meeldraden 5-10. Doosvrucht 5-kleppig. Bladen
schijnbaar kransstandig.......Spérgula «1«.
Stijlen 3. Meeldraden 10. Doosvrucht 3-kleppig. Bladen tegenoverstaand .........Sper gularia
6 Kelk vergroeidbladig...............quot;
Kelk losbladig.................®
7 Stijlen 2 (of 1).................8
Stijlen 3...................^
Stijlen 4 of 5.................22
8 Bloemkroon ontbrekend. Kelk 5-spletig, groenachtig. Meel
draden 5(-10). Stijlen 1 of 2. Bladen lijnvormig, tegenoverstaand ..........Scleranthus *t*.
Bloemkroon aanwezig. Stijlen 2..........'IS
9 Stijlen 3 (of 2).................10
Stijlen 4â5..................^
â¢10 Kroonbladen gaaf of iets ingesneden. Meeldraden 8â10 . 11 Kroonbladen getand of 2-spletig tot 2-deelig. Doosvrucht met 6 kleppen openspringend........... â ^
11 Bladen priemvormig. Vrucht met 3 kleppen openspringend.
Zaden niervormig, zonder aanhangsels . . . Alsi'ne Bladen breeder................
12 Bladen dik, vleezig, eirond. Doosvrucht met 3 kleppen open
springend. Zaden omgekeerd-eirond. Strandplant.
Honkénya Ut.
Bladen niet dik en vleezig. Doosvrucht met zes kleppen openspringend ..................^
13 Kelk weinig langer dan de bloemkroon. Zaden met een aan
hangsel, iets ruw. Bladen minstens 0,01 lang.
Moehrfngia «iS.
Kelk l'/j-maal zoo lang als de bloemkroon. Zaden zonder aanhangsel, glad. Bladen nauwelijks 0,005 lang.
Arenaria SIS.
14 Kroonbladen getand. Meeldraden 3-5. Zaden schildvormig.
Holósteum 918.
Kroonbladen 2-spletig tot 2-deelig. Meeldraden meest 10. Zaden niervormig.........Stellaria
15 Kroonbladen gaaf, niet ingesneden . ........16
Kroonbladen ingesneden tot 2-deelig. Stijlen 5 . . . . 17
16 Stengel liggend of opstijgend. Kelk- of kroonbladen 4-5, de
laatste soms ontbrekend. Meeldraden 4, 5, 10. Stijlen 4-5.
»1»
Caryophylleeën. 913
Doosvrucht aan den top 4-5-kleppig . . . Sagfna SIS. Stengel rechtopstaand. Kelk- en kroonbladen 4. Meeldraden 4. Stijlen 4. Doosvrucht aan den top 8-kleppig.
Moénchia 919.
Stengel rechtopstaand of opstijgend. Kelk- en kroonbladen 5.
Spérgula 910.
17 Kroonbladen niet over het midden gespleten. Stijlen staande
voor de kelkslippen. Doosvrucht aan den top 10-kleppig.
Cerastium 990.
Kroonbladen tot aan den voet gedeeld. Stijlen staande voor de kroonbladen. Doosvrucht 5-kleppig. Malachium 991.
18 Kelk aan den voet zonder schubben. Zaden niervormig. . 19 Kelk aan den voet door schubben omhuld. Bloembladen lang-
genageld............Dianthus 999.
19 Kelk met droogvliezige strepen, kort, wijd. Kroonbladen
langzaam in den wigvormigen nagel versmald.
Gypsóphila 991.
Kelk kruidachtig, rolrond............20
20 Kelk buikig, 5-kantig. Kroonbladen zonder tongetje.
Vaccaria 991.
Kelk rolrond, zonder kanten. Kroonbladen met 2 vliezige tandjes tusschen plaat en nagel . . . Saponaria 999.
21 Vrucht besachtig, rond, eenhokkig. Kroonbladen langzaam in
den nagel overgaand. Kelk opgeblazen klokvormig.
Cucubalus 993.
Vrucht een doosvrucht, 3-(zeldzamer 5-)hokkig of 1-hokkig. Kroonbladen langgenageld. Kelk buisvormig of opgeblazen.
Siléne 993.
22 Bloemkroon bladen met een tongetje. Kroonbladen meest ge
spleten. Doosvrucht eenhokkig met 5 of 10 tanden openspringend.............Lychnis 993.
Bloemkroonbladen zonder tongetje. Kroonbladen ongedeeld. Doosvrucht eenhokkig, met korte kleppen openspringend.
Agrostémma 990. De Familie der Caryophylleeën wordt vaak in 4 familiën gesplitst, n.1. de Paronychieeën (gesl. Corrigiola, Herniaria, Illecebrum), de Sclerantheeën (gesl. Scleranthus), de Al-sin eeën (gesl. Sagina, Spergula, Spergularia, Honkenya, Alsine, Moehringia, Arenaria, Holosteum, Stellaria, Moénchia, Cerastium, Malachium) en de Silene eën (gesl. Gypsóphila, Vaccaria, Saponaria, Dianthus, Cucubalus, Silene, Lychnis, Agrostémma).
Caryophylleeën.
A. PARONYCHIEEÃN.
1. Corrigiola L. v.
1 Stengel met vele liggende takken. Bladen lijn-langwerpig, van voren breeder. Bloemen zeer klein, in eind- en zijstan-dige bijschermen. Bloemkroon wit. 0,05-0,20. O, JuliâSeptr. Vrij algemeen, op vochtigen zandgrond en aan rivieroevers.
Riempjes. C. littorélis L.
2. Herniaria Tm. Duizendgraan. v.
4 Bladen langwerpig of elliptisch, kaal. Kelk kaal, korter dan de rijpe vrucht, zonder borstels. Bloemkroon uit 5draadvormige deelen, die op meeldraden gelijken, bestaand. Licht- of geelgroen. 0,05-0,-15. 2}-. JuniâHerfst. Vrij algemeen, op drogen zand- en heigrond, ook aan rivieroevers.
Duizendkoren. Onbehaard D. H. glabra L.
Kelk behaard met slippen, die in 1 of 3 borstels eindigen. Bladen gewimperd. Overigens als de vorige. JuliâOctr. Eenmaal gevonden.
G ewimperd D. H. ciliata Bab.
Bladen styfbeliaard en gewimperd. Kelk stjjfbehaard, langer dan de vrucht. Kelkbladen in een lange borstel uitloopend. Plant bgna grgsgroen. 0,05-0,15. 2|.. JuliâSeptr. Eenmaal b\j Apeldoorn gevonden Behaard D. H. hirsüta L.
3. Illécebrum Trn. v.
1 Stengel liggend, draadvormig, meest roodachtig. Bladen om-gekeerd-eirond. Bloemen 3-4 bijeen in kluwens in de bladoksels, sneeuwwit. 0,05-0,25. 2}.. JuliâOctr. Algemeen, op vochtigen zand- en heigrond.
Hardkelk. I. verticillótum L.
B. SCLERANTHEEÃN.
4. Scleranthus L. Hardbloem. Knawel. v. X.
Kleine, witachtig groene, veelstengelige kruiden met tegenoverstaande, priemvormige bladen en kleine, groenachtige bloemen
in losse bijschermen................1
\ Bijschermen eind- en bladokselstandig. Kelkslippen spits, smal wit gerand, tijdens den vruchttijd afstaand. Meeldraden 3-4-maal zoo kort als de kelkslippen. Bloemen groen. 0,06-0,20.
«1«
Caryophylleeën. 9Ã.5
G en OO- JuniâOctr. Vrij algemeen, op zandgrond, vaak
in korenvelden.....Eenj arige H. S. dnnuus L.
Bijschermen meest alleen eindstandig. Kelkslippen stomp, breed melkwit gerand, tijdens den vruchttijd naar elkaar neigend. Meeldraden bijna even lang als de kelkslippen. Bloemen groen. 0,06-0,20. 2J.. MeiâOctr. Vrij algemeen, op zand- en heigrond. Overblijvende H. S. perénnis L.
C. ALSINEEÃN.
5. Sagina L. Vetmuur. iv. x.
Kleine, teere, veelstengelige, meest onbehaarde kruiden, met tegenoverstaande, smal lijn- of draadvormige bladen en kleine, gesteelde oksel- en eindstandige bloemen, die soms bijschermen vormen.......... ..........â¢. . 1
1 Kelk en bloemkroon 4-bladig. Kroonbladen korter dan de
kelk. Meeldraden 4 . . .............2
Kelk en bloemkroon 5-bladig. Meeldraden 10. (Spergélla Rchb.)...................5
2 Stengel niet wortelend, opstijgend of rechtopstaand ... 3 Stengel aan den voet wortelend, liggend of opstijgend. Bladen
lijnvormig, stekelpuntig, kaal. Bloemstelen na den bloei haakvormig gekromd, ten laatste weer rechtopstaand. Kelkbladen zonder stekelpunt. Bloemkroon wit. 0,02-0,07. Ij-MeiâSeptr. Zeer algemeen, op bebouwden en onbebouwden grond, ook tusschen straatsteenen.
Liggende V. S. procümbens L.
3 Bladen kaal, dik, stomp of met een klein spitsje. Bloemstelen
na den bloeitijd steeds rechtopstaand. Kelkbladen alle stomp. Bloemkroon meest ontbrekend. 0,05-0,10. O- JuniâSeptr. Vrij zeldzaam, in weiden langs de zeekust. (S. marftima Don.)
Stijve V. S. stricta Fr. Bladen aan den voet gewimperd, meest met stekelpunt . . 4
4 Bladen aan den voet gewimperd, stekelpuntig. Bloemstelen
na den bloeitijd rechtopstaand. De beide buitenste kelkbladen stekelpuntig. Bloemkroon wit, zeer klein, spoedig verdwijnend. 0,02-0,07. 0. MeiâJuli. Niet zeldzaam, op open zandgrond en zandige akkers.
Kroonlooze V. S. apétala L. Bladen aan den voet gewimperd, toegespitst. Kelkbladen tijdens den vruchttijd afstaand. Bloemkroon zeer klein. Bloemstelen na den bloeitijd vaak haakvormig omgebogen, later
Caryophylleeën.
weer rechtopstaand. Kelkbladen kaal. 0,03-0,10. ©. Juniâ Septr. Zeldzaam aan de zeekust, soms ook langs bouwland.
Gewimperde V. S. ciliamp;ta Fr.
5 Kelkbladen even lang als de kroonbladen. Bladen aan den rand evenals het bovenste deel van den stengel en de bloemstelen behaard, lijnvormig, toegespitst. Doosvrucht weinig langer dan de kelk. Bloemkroon wit. 0,05-0,40. 2).. Juli, Augs. Vrij zeldzaam, op zand- en heidegrond.
Priem V. S. subulamp;ta Wimtn. et Gray.
Kelkbladen half zoo lang als de kroonbladen. Onderste bladen lijn-draadvormig, kort stekelpuntig, de bovenste kort, in de oksels een bundeltje bladen dragend. Bloemstelen rechtopstaand. Stengel evenals de bloemstelen, kelken en bladranden vrij kaal. Bloemkroon wit. 0,07-0,15. 1|-. Juli, Augs. Vrij algemeen, op vochtigen zand- en heidegrond. (Spergula nodosa L.).....Knoopige V. S. nodósa Meyer.
6. Spérgula L. Spurrie, x. v.
Kruiden met tegenoverstaande, schijnbaar in kransen staande, eenigszins vleezige, priemvormige bladen, breed-eironde, kleine, vliezige steunbladen en kleine, witte bloemen in bijschermen. '1
â¢1 Bladen van onderen in de lengte gegroefd. Zaden sterk gewelfd, lensvormig, met zeer smallen, gladden vleugelrand. Bloemkroon wit. 0,10-0,50. ©. JuniâSeptr. Algemeen gekweekt ook in het wild, op bebouwden en onbebouwden zandgrond.......Gewone S. S. arvénsis L.
Bladen van onderen zonder lengtegroef. Zaden samengedrukt, lensvormig, door een straalvormig gestreepten vleugelrand omgeven. Meeldraden 10, zeldzamer tot 6. Kroonbladen eirond, wit. 0,08-0,20. 0. April, Mei. Vrij zeldzaam, op vochtigen zand- en heigrond. (S. vernalis Willd.)
Voorjaars S. S. Morisónii Boreau.
7. Spergularia Presl. Spurriekruid. x.
Kruiden met tegenoverstaande bladen, witvliezige steunbladen en afzonderlijk of in bijschermen staande bloemen, wier stelen na den bloei horizontaal afstaand of teruggeslagen zijn en zich ten laatste weer oprichten................1
1 Stengel rechtopstaand. Bladen draadvormig, stekelpuntig. Kelkbladen spits, wit-viiezig, met groene rugnerf, dubbel zoo lang als de bloemkroon. Bloemkroon wit. 0,02-0,07. O. Juni, Juli. Een paar malen in Limburg.
Koren S. S. segetalis Fenzl.
»16
Caryophy lleeën.
Stengel liggend of opstijgend. Kelkbladen kruidachtig, groen, alleen de rand droogvliezig, stomp, weinig langer dan de bloemkroon.................2
2 Bladen aan weerskanten vlak, met stekelpunt, althans de bo
venste lijn-draadvormig. Steunbladen zilverglanzig, eirond of eirond-lancetvormig. Doosvrucht driehoekig-eirond, omstreeks even lang als de kelk. Zaden fijn gerimpeld, ongevleugeld met dikkeren rand, grijsbruin. Bloemkroon rose. 0,05-0,15. Oâ2f. MeiâSeptr. Op bouwland en aan wegen op zandgrond. (Lepigonum rubrum Wahlbg., Alsine rubra Wahlbg.)
Rood S. S. nibra Pers. Bladen vleezig, aan weerskanten gewelfd of van boven vlak, stomp. Steunbladen breed-eirond, kort, weinig glanzend. 3
3 Doosvrucht weinig langer dan de kelk. Zaden omgekeerd eirond,
samengedrukt, geelbruin, meest ongevleugeld. Schutbladen
der bloemen vaak zeer klein...........4
Doosvrucht bijna dubbel zoo lang als de kelk. Zaden rond, gevleugeld. Schutbladen der bloemen onontwikkeld. Kelkbladen langwerpig-eirond, spits. Bloemkroon bleekrose, meest weinig korter dan de kelkbladen. Krachtige plant met verdikten wortel. 0,10-0,40. 2\.. JuliâSeptr. Op zilten grond.
Gerand S. S. margindta D. C.
4 Bladen aan weerszijden gewelfd. 0,07-0,25. © en ©Q. Meiâ
Septr. Op zilten grond . . . . . Zee S. S. salina Fr. Bladen van boven vlak. 0,07-0,25. © of ©©. MeiâSeptr. Aan wegen en op ruige plaatsen naar den zeekant, zeldzaam.
Middelst S. S. média Fr.
8. Honkénya Ehrh.
1 Stengel neerliggend, met rechtopstaande takken. Bladen zittend, eirond, spits, kaal, vleezig, meest geelachtig groen. Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Bloemkroon wit. 0,15-0,30. i|-. JuniâAugs. Niet zeldzaam, in de zeeduinen. (Halianthus peplofdes Fr.) Zoutbloem. H. peploides Ehrh.
9. Alsine Whlnbg. x.
1 Kelkbladen langer dan de bloembladen. Bladen priem-borstel-vormig. Stengel kaal, opstijgend, los vertakt. Kelkbladen eirond-lancetvormig met smallen vliezigen rand, korter dan de doosvrucht. Bloemkroon wit. 0,05-0,12. ©. Juni, Juli. Vrij zeldzaam, op bebouwden zand- en kalkgrond.
Heggekruid. A. tenuifólia Whlnbg.
«17
918 Gary ophylleeën.
10. Moehringia L,
1 Kroonbladen korter dan de kelk, wit. Stengel opstijgend of rechtopstaand. Bladen eirond, spits, 3(-5)-nervig, de onderste gesteeld. Kelkbladen spits, drienervig. 0,15-0,30. ©. Mei, Juni. Algemeen, op beschaduwde plaatsen en in bosschen.
Moehringia. M. trinérvia Clairv.
11. Arenaria L. Zandkruid.
i Kroonbladen korter dan de kelk. Stengel zeer vertakt, opstijgend of rechtopstaand, onbehaard of naar boven klierachtig behaard. Bladen eirond, toegespitst, zittend. Kelkbladen lancetvormig, 3-nervig. 0,05-0,12. ©0 en G- JuniâAugs. Vrij algemeen, op open en bebouwden zandgrond.
Fijnbladig Z. A. serpyllifólia L.
Stengels en bloemstelen dunner en stgver dan by de vorige soort. Kelkbladen en doosvrucht smaller. Overigens als de vorige. By Beek in Limburg gevonden.
A. leptoclados Reich.
12. Holósteum L.
1 Blauwachtig groen. Stengel onvertakt, naar boven met 2 of 3 paar bladen, onder de bloemstelen klierachtig behaard. Bladen langwerpig, spits, kaal. Bloemstelen na den bloeitijd teruggeslagen, later weer rechtopstaand. Bloemkroon wit, vaak roodachtig. 0,05-0,20. 0Q en 0. MaartâMei. Algemeen op open en bebouwden zandgrond.
Heelbeen. H. umbellétum L.
13. Stellaria L. Sterremuur.
Kruiden met rechtopstaanden of neerliggenden, meest vertakten stengel, tegenoverstaande, gaafrandige bladen en gesteelde bloemen, die of 1-2 bijeen zitten öf losse bijschermen vormen 1
1 Kelk aan den voet afgerond............2
Kelk aan den voet trechtervormig. Kroonbladen 2-deelig.
Bladen langwerpig-lancetvormig, zittend, aan den voet gewim-perd. Stengel vierkant, kaal, meest liggend. Schutbladen droogvliezig. Bloemkroon korter dan de kelk, wit. 0,05-0,30. 2\.. MeiâSeptr. Niet zeldzaam, op zeer moerassige plaatsen.
Moeras S. S. uliginósa Murr.
2 Stengel rolrond. Onderste bladen gesteeld......3
Stengel vierkant, vooral beneden. Bladen alle zittend . . 4
Caryophylleeën.
'S Stengel klierachtig-zachtharig. Bladen hartvormig-eirond, toegespitst, teer. Kelkbladen veel korter dan de bloemkroon. Meeldraden 10. Bloemkroon wit. 0,30-0,60. 2|.. Mei, Juni. Niet algemeen, in vochtige bosschen.
Wilde rogge. BoschS. S. némorum L. Stengel met een rij haren. Bladen eirond, kort toegespitst. Kelkbladen even lang als of langer dan de bloemkroon. Meeldraden meest 3-5. Bloemkroon wit. 0,07-0,30. ©. Bijna het geheele jaar door bloeiend. Het meest gewone onkruid op akkers en onbebouwde gronden.
Mier. Hoenderbeet. Erf. Vogelkruid. Murik. Muur.
Gewone S. S. média Dill.
4 Kroonbladen tot het midden 2-spletig, dubbel zoo lang als de
kelk. Schutbladen kruidachtig. Bladen stijf, lijn-lancetvor-mig, althans de onderste van den voet af versmald, ruw. Bloemkroon wit. 0,15-0,30. 2J. April, Mei. Algemeen, in bosschen en op andere lommerrijke, vochtige plaatsen.
Grootbloemige S. S. Holóstea L. Kroonbladen tot aan den voet 2-deelig. Schutbladen vliezig. Stengel en bladen glad.............5
5 Stengel rechtopstaand, meest niet vertakt. Bladen meest grijs-
groen, iets vleezig, kaal. Schutbladen met kalen rand. Bloemkroon meest dubbel zoo lang als de kelk, wit. 0,20-0,45. 2f. Mei, Juni. Algemeen, op vochtige, grazige plaatsen en op veengrond . . GrijsgroeneS. S. gléuca With. Stengel slap, opstijgend, meest vertakt. Bladen grasgroen met gewimperden rand. Schutbladen gewimperd. Bloemkroon meest even lang als de kelk, wit. 0,15-0,45. 24.. MeiâJuli. Algemeen, aan wegen, slooten, op bouwland.
Gras S. S. graminea L. Een vorm, die vrij zeldzaam voorkomt, in korenvelden, is S. Dilleniana Moench; deze staat tusschen beide in en heeft grasgroene bladen.en bloemkronen 3-maal grooter dan de kelk.
14. Móenchia Ehrh. iv.
1 Plant blauwgroen, kaal. Stengel 1-2-bloemig, rechtopstaand, meest onvertakt. Bladen lijn-lancetvormig, korter dan de stengelleden. Kelkbladen lancetvormig, met witvliezigen rand,
ato
Caryophylleeën.
langer dan de kroonbladen. Bloemkroon wit. 0,02-0,10. ©. April, Mei. Zeldzaam, op open zandgrond en tusschen het gras........Vierling. M. erécta Fl. Wett.
15. Cerastium L. Hoornbloem. x. v.
Behaarde kruiden met tegenoverstaande, gaafrandige bladen en gesteelde, witte bloemen, die meest in bijschermen staan. Doosvrucht steeds langer dan de kelk...........i
1 Kelk en bloemkroon 4-bladig. Meeldraden en stempels 4.
Doosvrucht 8-tandig. Stengel rechtopstaand. Bladen lancet-vormig, de onderste kortgesteeld. Geheele plant behaard. 00. Maart, April. 0,04-0,10. Zeldzaam, in de duinen.
Vierhelmige H. C. tetréndrum Curt. Kelk en bloemkroon 5-bladig. Meeldraden 5-10. Stempels 5. Doosvrucht 10-tandig..............2
2 Bloemkroon nauwelijks langer dan de kelk......3
Bloemkroon dubbel zoo lang als de kelk. Schutbladen breed-
vliezig gerand. Bladen lijn-lancetvormig, evenals de stengel kortbehaard. Stengel 5-15-bloemig. Bloemkroon wit. 0,07-0,20. 2f. AprilâJuli. Algemeen, op zandgrond, tusschen het gras.
Akker H. C. arvénse L.
3 Schutbladen tot aan den top kruidachtig en behaard (hoog
stens aan de zijranden smal droogvliezig en kaal), de haren boven den top uitstekend. Kroonbladen en meeldraden ge-wimperd. Bloemstelen tijdens den vruchttijd omstreeks even lang als de kelk. Bloemkroon even lang als de kelk, wit. Plant bleek- of geelgroen. 0,07-0,30. 0 en 00. MeiâAugs. Vrij algemeen, op zandgrond, aan wegen, enz.
Bundelbloemige H. C. glomeréitum Thulll. Schutbladen aan den rand en top droogvliezig en kaal, de haren aan de rugzijde niet boven den top uitstekend. Kroonbladen en meeldraden kaal...........4
4 Stengel 0,10-0,40 lang, meest zonder klieren, de zij stengels in
de onderste knoopen wortelend. Bloemen grooter dan bij de vorige en volgende soorten. Bloemkroon wit. 00 en 2J.. AprilâSeptr. Algemeen, op veengrond, in het gras, ook aan wegen. (C. caespitósum Gil.) Ruige H. C. trivióle Lk. Stengel 0,03-0,15 lang, meest klierachtig kleverig, nooit wortelend. Planten 1- of 2-jarig...........5
5 Schutbladen alle breed (voor '/s tot bijna de helft) droogvliezig
gerand. Bloemstelen tijdens den vruchttijd neergebogen.
«»o
Caryophylleeën.
Bloemkroon wit. © en ©Q. MaartâMei. Algemeen op open zandgrond, ook in de duinen.
Zand H. C. semidecindrum L.
Onderste schutbladen kruidachtig, zonder of bijna zonder vlie-zigen rand, de bovenste smal droogvliezig gerand. Bloemstelen tijdens den vruchttijd hellend of horizontaal afstaand. Bloemkroon wit. © en ©©. MaartâMei. Zeldzaam, op plaatsen als de vorige. Kleverige H. C. glutinósum Fr.
In tuinen vindt men niet zelden C. toraentósum L. Stengel en bladen witviltig. Bloemstelen wollig viltig. Overigens op C. arvénse geljjkend.
16. Malachium Fr. x.
i Stengel slap, liggend of klimmend. Bladen teer, hartvormig-eirond of langwerpig, toegespitst, zittend, de onderste ge-steeld. Bloeiwijze een los bijscherm. Schutbladen kruidachtig. Kelkbladen kruidachtig, korter dan de bloemkroon. Stijlen 5. Bloemkroon wit. 0,30-1,20. 2J.. JuniâAugs. Niet zeldzaam, op vochtige plaatsen, aan slootkanten en tusschen kreupelhout.
Watermuur. M. aquó.ticum Fr.
D. SILENEEÃN.
17. Gypsóphila L. Gaffelsteng. x.
i. Stengel rechtopstaand, bijna van den voet af gaffelvormig vertakt, van boven kaal, van onderen kort behaard. Bladen lijnvormig, nauwelijks 0,001 breed, naar beide einden versmald. Takken eenbloemig. Kroonbladen gekarteld, rose, donkerder geaderd. 0,05-0,12. ©. JuliâOctr. Zeldzaam, op zandgrond en oude muren.....G. murAlis L.
Een bekende sierplant is G. paniculata L. Stengel recotopstaand, zeer vertakt, van onderen kort behaard. Bladen laneetvormig, zeer spits. Bloeiwijze los, ver uitgespreid, kaal. Bloemkroon wit. 0,50-0,80. Juli, Augs. Uit Zuid-Europa en Levant. Een paar malen bg Zutphen, Deventer en Hoog-Keppel verwilderd gevonden.
18. Vaccaria Med. x.
1. Stengel naar boven vertakt, kaal. Bladen eirond of lancetvor-vormig, spits, aan den voet vergroeid, blauwgroen. Bloemen alleenstaand. Bloemkroon lichtpurper of vleeschkleurig. 0,30-0,60. ©. Juni, Juli. In bouwland op kalk- en kleigrond, in Limburg. (Sapondria Vaccaria L.)
Koekruid. V. segetélis Grcke.
Gary ophylleeën.
19. Saponaria L. x.
1 Stengel rechtopstaand, iets ruw. Bladen elliptisch of langwerpig, spits, kaal, drienervig. Bloemen in bundels. Bloemkroon wit of roodachtig, iets welriekend. 0,45-0,80. 2|.. Juliâ Septr. Vrij algemeen, op zandgrond in bosschen, ook gekweekt .......Zeepkruid. S. officinalis L.
20. Dianthus L. Anjelier, x.
Meestal onbehaarde kruiden met een knoopigen stengel, tegenoverstaande, aan den voet eenigszins vergroeide, gaafrandige bladen en vrij groote, sterk gekleurde bloemen......1
1 Kelk met droogvliezige strepen, kort, wijd. Kroonbladen
langzaam in den nagel versmald. Stengel rechtopstaand, meest onvertakt. Bladen lijnvormig. Bloemen in hoofdjes, verscheiden bijeen, door schutbladen omsloten, zelden (bij slecht ontwikkelde exemplaren) alleenstaand. Bloemkroon klein, roodachtig-lila. 0,15-0,45. ©. Juli, Augs. Vrij zeldzaam, op zandgrond. (Tunica proh'fera Scop.)
Mantel A. D. prólifer L. Kelk kruidachtig, rolrond. Kroonbladen plotseling in een langen nagel versmald.............2
2 Bloemen zeer kortgesteeld, in hoofdjes of bundels . . . . 3 Bloemen langer gesteeld , alleenstaand ofin losse bij schermen. 5
3 Bladscheeden even lang als de bladen breed zijn of korter.
Kelk- of dekschubben kruidachtig . . . ......4.
Bladscheeden 8-4-maal zoo lang als de bladen breed zjjn. Bladen lijnvormig. Bloemen in hoofdachtige hoopjes. Schutbladen en kelkschubben bruin, vliezig, omgekeerd-eirond, de bovenste priemvormig toegespitst. Bloemkroon purper, zelden wit. 0,15-0,45. JuniâSeptr. Een paar maal bq Deventer gevonden.
KarthuizerA. D. Carthusianórum L.
4 Stengel kaal. Bladen breed-lancetvormig of langwerpig. Schutbladen lijnvormig,
teruggebogen. Dekschubben eirond. Bloemkroon purper of rose. 0,30-0,50. 2^. JuniâAugs. In tuinen, als sierplant, zelden verwilderd.
Duizendschoon, f D. barbatus L.
Stengel en bladen behaard. Schutbladen rechtopstaand, evenals de dekschubben lancet-priemvormig en ruw behaard. Bloemkroon klein, licht karmijnrood. 0,30-0,60. OQ. Juli, Augs. Niet zeldzaam, op grazigen, beschaduwden zandgrond.
Ruwe A. D. Arméria L.
5 Plaat der kroonbladen ongedeeld, alleen getand .... 6 Plaat der kroonbladen tot het midden of nog dieper ingesneden .......... ........7
»»»
Caryophy Ueeën. 993
Dekschubben meest 2, elliptisch, met een lange naald, met de naald half zoo lang als de kelkbuis. Bladen lijn-lancet-vormig, evenals de stengel ruw behaard. Bloemkroon karmijnrood met donkeren ring en lichter gekleurde punten. 0,15-0,50. 2^.. JuniâSeptr. Vrij zeldzaam, op beschaduwden zandgrond, ook in de duinen. Steen A. D. deltoides L.
Dekschubben 4-6, kort gespitst en stomp. Stengel meerbloemig, grasgroen. Bladen spits, met gladden rand, grgsgroen. Dekschubben bqna ruitvormig, spits of met stekelpunt. Bloemkroon zeer verschillend gekleurd, meest gevuld, welriekend. 0,40-0,80. 2^. Juli, Augs. Sierplant uit Zuid-Europa.
Tuin A. D. Caryophyllus L.
Kroonbladen vinvormig ingesneden, met langwerpig middeldeel. Bladen grasgroen ...............8
Kroonbladen handvormig ingesneden, met omgekeerd-eirond middeldeel, rose tót wit. Dekschubben eirond, met korte stekelpunt. Bladen grijsgroen, Ign-priem-vormig. 0,15-0,80. QJ.. Juli, Augs. Sierplant.
Gras A. t D. plumarius L.
Stengels meest eenbloemig. Bladen Ignvormig, spits. Dekschubben eirond, afgeknot, kort gespitst, ^-maal zoo lang als de kelkbuis. Bloemkroon wit, aan den voet der plant met een groenachtige vlek en door witte of roode haren gebaard, welriekend. 0,15-0,30. 21«. JuniâSeptr. Vroeger op een paar plaatsen gevonden.
Zand A. D. arenarius L.
Stengel 2- of meerbloemig. Bladen Ijjn-lancetvormig, de onderste stomp. Dekschubben eirond, gespitst of met een korte naald, £-maal zoo lang als de kelkbuis. Bloemkroon lila, met een groene vlek aan den voet en rood gebaard, zeiden wit, welriekend. 0,80-0,60. 2|.. Juli, Augs. Een paar malen, n.1. by Meppel en Apeldoorn, op moerassige plaatsen gevonden. Ook als sierplant.
Pr a c h t A. D. superbus L.
21. Cucübalus Tm. x.
Stengel zeer vertakt, slap, klimmend, evenals de bladen kort-behaard. Bladen eirond of langwerpig, spits. Bloemen alleenstaand. Bloemkroon groenachtig-wit, Bes rond, zwart. 0,60-1,20. 2^. Juli, Augs. Vrij zeldzaam, op vochtige plaatsen tusschen struiken en heggen.
Besvrucht. C. bacciferus L.
22. Siléne L. Lijmkruid. x.
Kruiden met tegenoverstaande, aan den voet iets vergroeide, gaaf-randige bladen................. . 1
Bloemkroon zonder bij kroon........... . 2
Bloemkroon met eene duidelijke bijkroon (gevormd door spitse aanhangsels of knobbels aan de keel)...... . 3
Bloemkroonbladen 2-spletig, wit. Kelk eirond, opgeblazen, met vele strepen, netvormig geaderd, kaal. Bloei wij ze een los bijscherm. Bloemen meestal 2-huizig. Bladen eirond of lancet-
*84 Caryophylleeën.
vormig, spits, kaal., Stengel meest kaal. 0,30-0,50. 2J.. Juniâ Septr. Niet zeldzaam, op zand- en kleigrond op ruige plaatsen. (S. venosa Aschs.) . . . Opgeblazen L. S. inflóla Sm. Bloemkroonbladen ongedeeld, lijnvormig, groenachtig geel. Planten 2-huizig. Bloeiwijze pluimvormig, met kransstandige, rijkbloemige takken. Kelk klokvormig. Doosvrucht bijna zittend. Wortelbladen spatelvormig. Stengelbladen lijnvormig, alle spits, kort behaard. Stengel niet vertakt. 0,20-0,50. 2J.. JuliâSeptr. Vrij algemeen, in de duinen.
Geoord L. S. Otites Sm.
3 Bloemkroonbladen 2-spletig of 2-deelig........4
Bloemkroonbladen ongedeeld, getand of iets ingesneden . . 6
4 Bloemen rechtopstaand, alleenstaand of in losse bijschermen.
Kelk buikig buisvormig. Stengel naar onderen ruw behaard, naar boven klierachtig behaard. Bladen kort behaard, de onderste langwerpig-omgekeerd eirond, de bovenste lancettot lijn-lancetvormig. Bloemkroon wit of iets roodachtig. 0,15-0,45. ©. JuniâSeptr. Vrij zeldzaam, op kalk- en heidegrond. (Mélandryum noctiflórum Fr.)
Nacht L. S. noctiflóra L. Bloemen tijdens den bloeitijd overhangend of knikkend . . 5
5 Bloemen overhangend naar één zijde. Bloeiwijze trosvormig
met 3-7-bloemige takken. Kelk buisvormig. Stengel dichtbe-haard, van boven klierachtig kleverig. Wortelbladen spatelvormig, langgesteeld, de bovenste lancetvormig, gesteeld, alle spits. Bloemkroon vuilwit. 0,30-0,60. 2|.. Mei, Juni. Niet zeldzaam, op vochtigen zandgrond.
Knikkend L. S. nutans L.
Bloemen knikkend, afwisselend in eindelingsche veelbloemige trossen. Kelk buisvormig, beneden iets opgezwollen. Stengel kortbebaard. Wortelbladen spatelvormig, kortgesteeld, de bovenste langwerpig-lancetvormig, zittend, spits. Bloemkroon vuilwit. 0,40-0,70. OO- Mei, Juni. Uit het Oosten. Alleen b\j Zwol'e, Ruurlo en Vlissingen gevonden . . Tweetakkig L. S. dichótoma Ehrh.
6 Bloemen in bijschermen.............7
Bloemen in armbloemige schijntrossen. Kelk rolrond, later
eirond, meest ruw behaard, met lancet-priemvormige slippen. Onderste bladen omgekeerd-eirond-langwerpig, stekelpuntig, de bovenste lancetvormig, spits. Plant behaard, naar boven klierachtig. Kroonbladen wit- of roodachtig (bij de variëteit S. quinquevulnera L. in het midden met een bloedroode vlek). 0,15-0,45. 0. JuniâAugs. Vrij veel, op bebouwden zandgrond........Fransch L. S. géllica L.
7 Kelk behaard, 30-nervig, kegelvormig, naar boven vernauwd.
CaryophyHeeen.
Stengel evenals de bladen en kelken kortbehaard. Doosvrucht langwerpig-eirond. Bladen lijn-lancetvormig. Bloemkroon lichtpurper. 0,15-0,45. ©. Juni, Juli. Vrij zeldzaam, op zandgrond en in de duinen . . Kegel L. S. cónica L. Kelken, evenals de geheele plant, onbehaard. Kelk buis-knots-vormig. Bloemkroon bleekpurper, zeldzamer wit. Stengel naar boven onder de knoopen kleverig. Bladen eirond, blauwachtig groen. 0,â 15-0,45. 0. Juli, Augs. Gekweekt en niet zeldzaam in het wild, in zandige streken.
Tuin L. S. Arméria L.
23. Lychnis Tm. Koekoeksbloem, x.
Kruiden met een rechtopstaanden stengel, tegenoverstaande, aan den voet samenhangende, gaafrandige, spitse bladen, waarvan de onderste in een steel versmald zijn en groote pluim-, tros-of schermvormig gerangschikte bloemen.........1
1 Planten 2-huizig. Kroonbladen gespleten, rood of wit. Doos
vrucht met 10 tanden openspringend. (Melandryum Roehl.) 2 Bloemen 2-slachtig. Kroonbladen 4-spletig. Wortelbladen lang-werpig-spatelvormig, de bovenste smal-lancetvormig, alle spits, iets ruw. Bloeiwijze een los bijscherm. Algemeen, op vochtig wei- en hooiland. 0,20-0,60. MeiâJuli. 2).. (Coro-naria flos cuculi A. B.)
Pinksterbloem. Kraaiebloem. Haanderikkebloem. Eiloofbloem.
RoodsUerntje. Echte K. L. Flos cüculi L.
2 Stengel van boven, evenals de bloemstelen, klierachtig zacht-
harig. Bladen spits, de onderste langwerpig, de bovenste lancetvormig. Tanden der doosvrucht rechtopstaand. Bloemkroon wit. 0,30-0,80. ©Q. JuniâSeptr.' In bosschen, tus-schen hakhout, ook aan wegen en dijken op grasgrond, vrij algemeen. (M. album Grcke.)
Avond K. L. vespertina Sibth. Stengel dicht zachtharig, zonder klieren. Bladen toegespitst, de onderste eirond, de bovenste langwerpig. Tanden der doosvrucht omgerold. Bloemkroon lichtpurper. 0,30-0,80. 2J.. MeiâSeptr. Op beschaduwde zandgronden tusschen hakhout. (M. rubrum Grcke.) . . . . Dag K. L. diürna Sibth.
Bekende sierplanten zgn:
1 Stengel en bladen min of meer behaard. Bloemkroon scharlakenrood .... 2 Geheele plant dicht zijdeachtig-witviltig. Kelk lederachtig.........3
2 Kroonbladen 2-lobbig tot 2-spletig. Bloemen in een dicht bgscherm. Bladen eirond,
aan den voet hartvormig, spits. 0,30-0,60. JnniâAugs. Uit Rusland.
Konstantinopel. Brandende liefde, f. L. chalcedónica L.
Heukels, Schoolflora. 8« druk. 15
a»s
Portulacaceeën.
Kroonbladen 4-8pletig. Bloemen in een los, armbloemig bysclierm. Bladen lang-werpig-eirond. 0,30-0,50. 24.. JuniâAugs. Uit Siberië.
Vuür K. L. fulgens Fischer.
3 Kroonbladen 2-8pletig, licht purper. Bloeiwgze een dicht bgscherm. Onderste bladen langwerpig-spatelvormig, de bovenste langwerpig. 0,30-0,60. Juni, Juli.
Uit Zuid-Europa. (Coronaria Flos JovisA..Br.) Jupiter K. L. Flos Jovis L.
Kroonbladen ongedeeld, vuilpurper. Stengel en bladen witwollig. Keelschubben sttjf, stekend. Bloemen alleenstaand. Bladen langwerpig. 0,50-0,90. 2^. Juli, Augs. Uit Zuid-Europa. (Coronaria tomentósa A. Br.) Soms verwilderd.
Prikneus. f L. coronaria Desr.
24. Agrostémma L. x.
1 Geheele plant grijsviltig. Bladen lijnvormig, spits. Bloemen langgesteeld, alleenstaand. Kelk lederachtig, ruw behaard. Kroonbladen korter dan de kelksüppen, iets ingesneden, purper, gestreept. 0,50-1,00. Q. Juni, Juli. Algemeen, in korenvelden.
Bol. Nagelbloem. Boldert. Koornroos. Bolderik.
A. Githamp;go L.
XXXIX. Fam. Portulacaceeën. Porseleinachtigen.
Kelk %-spletig, of 2-, zelden 3-5-bladig. Bloemkroon 5-{3-6Jbladig of -slippig, met ongelijke bladen of slippen, op den kelk gezeten. Meeldraden 3-15, meest op de bloemkroon ingeplant. Stamper 1-hokkig, met 3-6-spletigen stijl en bovenstandig of half onder-standig vruchtbeginsel. Vrucht een doosvrucht.
\ Hoogere bladen doorgroeid......Claytónia !t»7.
Hoogere bladen niet doorgroeid..........2
2 Kelk 2-spletig, de zoom afvallend. Kroonbladen 5(4-6), geel.
Meeldraden 8-15, aan den voet vaak vergroeid. Doosvrucht met een dekseltje openspringend, veelzadig.
Portulaca M7.
Kelk diep 2-spletig of 2-deelig, blijvend. Meeldraden 3-5 . 3
3 Kelk diep 2-spletig. Bloemkroon trechtervormig, de zoom on
gelijk 5-deelig, de buis aan één zijde opengespleten, wit. Meeldraden 3(-5). Doosvrucht met 3 kleppen openspringend,
2-3-zadig.............Montia 997.
Kelk 2-deelig. Bloemkroon 3-5-bladig of -deelig, klein, rood. Meeldraden 3-5, aan den voet der bloemkroon ingeplant. Doosvrucht met 3-4 kleppen openspringend.
Calendrfnia 997.
990
Portulacaceeën. 227
1. Portulaca Tm. Porselein, xi.
Onbehaarde, sappige kruiden met ronden, vertakten stengel, vleezige, zittende, gaafrandige bladen en bloemen, die of alleen
of 2 of 3 bijeen staan................1
1 Stengel en takken liggend. Bladen langwerpig-wigvormig. Kelkslippen aan de rugzijde stomp gekield. Bloemkroon geel. 0,10-0,30. ©. JuniâSeptr. Op akkers.
Wilde P. F. oleramp;cea L.,
Stengel rechtopstaand. Takken opstijgend. Bladen omgekeerd-eirond. Kelkslippen gevleugeld-gekield. Bloemkroon geel. 0,30-0,50. ©. JuniâSeptr. In moestuinen gekweekt, soms verwilderd.....T u i n P. t P- sativa Haworth.
In tuinen vindt men als sierplant P. grandiflora Lindl., de grootbloemige portulak, wiens takken en bladen vleezig zgn, met groote, roode bloemen, van binnen met een driehoekige, witte vlek. 0,12-0,20. © JuliâSeptr.
2. Móntia Mich. Montia. m.
Kleine, onbehaarde, sappige kruiden met gestreepten stengel en opstijgende takken, tegenoverstaande, zittende, gaafrandige,, vleezige bladen en gesteelde, kleine, witte bloemen .... 1 1 Stengel rechtopstaand of opstijgend, gaffelvormig vertakt, evenals de bladen geelachtig groen. Onderste bladen spatelvormig met aan den voet verbreeden bladsteel, de bovenste lijn-lancetvormig. Bloemen in eindelingsche en zijstandige 2-5-bloemige bloeiwijzen. Zaden bijna dof, ruw met knobbeltjes. 0,02-0,10. ©. Mei. Niet zelden, op vochtigen zand- en veengrond.......Kleine M. M. minor Gmel.
Stengel drijvend of liggend, evenals de bladen donkergroen. Bloeiwijzen meest zijstandig. Zaden glanzig, met zeer fijne knobbeltjes. 0,40-0,30. 2].. MeiâSeptr. In beekjes, niet zelden.
Water M. M. rivulamp;ris Gmel.
3. Claytónia. v.
1 Vleezige planten met een roset van langgesteelde, ruitvormig-elliptische wortelbladen en vele stengels, die onder de bloei-wijze een doorgroeid blad hebben. Kelk 2-slippig. Meeldraden 5. 0. 0,10-0,20. Zeldzaam, maar op verschillende plaatsen, in groote hoeveelheden. Afkomstig uit Amerika.
Russische Porselein. Winterporselein.
C. perfolió.ta Donn.
4. Calendrinia Kuntb.
1 Vleezige plant. Stengel opgericht. Bladen Ign-lancetvormig, vleezig. Bloemkroon nauwelijks langer dan de kelk, purperkleurig. Meeldraden 3 of 4 (-5). Q. Afkomstig uit Chili. By Ngkerk, Amersfoort en Laag Soeren gevonden.
__C. compréssa Schrad.
15*
Magnoliaceeën.
Berberideeën. â
*9S
XL. Fam. Berberideeën. Berberisachtigen.
Kelk 4-6-bladig. Bloemkroon 4-6-bladig. Meeldraden 4-6. Meeldraden en bloembladen tegenover den kelk zittend. Helmknoppen met klepjes openspringend. Stamper enkelvoudig. Vrucht een bes.
i Bloemkroonbladen aan den voet met 2 klieren. Bes 2-zadig. Bladen enkelvoudig, ongedeeld .... Berberis HISS. Bloemkroonbladen zonder klieren. Bes 3-9-zadig. Bladen gevind ..............Mahónia SSS.
1. Bérberis L. vi.
1 Bladen omgekeerd-eirond, gewimperd, gezaagd, met meest 3-deelige, de steunbladen vervangende stekels aan den voet. Bloemtrossen hangend, langer dan de bladen. Bloemkroonbladen niet ingesneden, geel. Stempel zittend. Bes langwerpig, scharlakenrood, i,50-3,00. 1). Mei, Juni. Niet zeldzaam, in de duinen en langs boschkanten, ook gekweekt als sierplant.....GewoneBerberis. B. vulgaris L.
2. Mahónia Nutt. vi.
1 Bladen oneven gevind. Blaadjes 3-9, stekelig getand, van boven glanzig, in de jeugd roodachtig. Bloemen in korte, tot bundels ineengedrongen truasen. Bloemkroon geel. Bes Wauwaclitig-zwart, berijpt. 0,50-1,50. I). Mei, Juni; Sierstruik uit ïï.-Amerika. . . Groenbljjvende Berberis. quot;M. Aquifólium Nutt.
XLI. Fam. Magnoliaceeën.
Kelk 3-5-bladig. Kroonbladen 6 of meer. Meeldraden talrijk, op den bloembodem ingeplant. Vruchtbeginsels vele, enkelvoudig. Heesters of hoornen,
1 Bloemkroon 6-9-bladig. Stampers om een eironden of langwerpigen drager gerangschikt. Doosvrucht openspringend. Bladen ongedeeld, gaafrandig.
Magnolia 3/99.
Bloemkroon 6-bladig, klokvormig. Stampers om een verlengden drager gerangschikt. Vrucht niet openspringend. Bladen gelobd .... Liriodéndron 229.
i. Magnolia L. xm.
1 Bloemkroonbladen wit, 9 (tot 0,85 lang), langwerpig-elliptisch, met wigvormigen voet. Bladen zeer groot, aan de einden der takken schermachtig uitgespreid. 6,00-9,00. b. Mei, Juni. Sierboom uit N.-Amerika. (M. Umbrella Lmk.)
Magnólia. M. tripétala L.
Calycantheeën. â Ranunculaceeën.
2. Liriodéndron L. xm.
I Bladen lanpgesteeld, afgeknot 4-lobbig, b\jna driehoekig, kaal. Bloemen groot, tulpvormig, groenachtig roodgeel. Kelkbladen teruggeslagen. Meeldraden boven de stempels uitstekend. 8,00-16,00. 1^. Juni, Juli. Sierboom uit Noord-A.merika.
T u 1 p e n b o o m. t L. tulipffera L.
XLII. Fam. Calycantheeën.
Heesters of hoornen. Kelk- en kroonhladen in onbepaald aantal, langzaam in elkaar en in de meeldraden overgaand. Vele vruchtbeginsels in de verdiepte kelkbuis liggend.
1 Kelk- en kroonhladen talryk, langzamerhand in elkaar, zoowel als inde meeldraden overgaand. Meeldraden talrgk, alleen de buitenste (omstreeks 12) met helmknopjes. Vruchtjes talrgk in de verdiepte kelkbuis liggend. Bladen tegenoverstaand, ongedeeld.
Calycanthus S90.
i. Calycanthus L. sn.
1 Bloemen zeer kortgesteeld, donkerbruin, evenals de geheele plant aromatisch riekend. Bladen kortgesteeld, eirond tot langwerpig, gaafrandig, van onderen bleekgroen, meest viltig. 1,00-2,00. Ij. Juni, Juli. Sierstruik uit Noord-Amerika.
Specerijstruik. C- flóridus L.
XLIII. Fam. Ranunculaceeën. Ranonkelachtigen. xm.
Kelk 3-veel-, meest 5-biadig, soms gekleurd, regelmatig of symmetrisch. Bloemkroon 3- of meerbladig, vaak met honig schubjes aan den voet, soms door honigbakjes vertegenwoordigd of ontbrekend. Meeldraden meest veel, op den bloembodem ingeplant. Helmknoppen met overlangsche spleten openspringend. Stampers vele, enkelvoudig, zelden weinige of 1. Vruchten dop- of kokervruchten.
1 Bladen tegenoverstaand. Kelk 4-of S-bladi®, afvallend. Bloemkroon ontbrekend. Bladen enkel of dubbel gevind of ongedeeld.
»99
|
Bladen wortel- of schijnbaar kransstandig Bladen verspreid......... |
Clématis S31. .....2 .....6 |
2 Bloemen blauw, zeldzamer rose. Dicht onder den 6-9-bladigen kelk (kelk blauw, bloemkroon ontbrekend!) een 3-bladig (schijnbaar den kelk voorstellend) omwindsel. Omwindsel
ongedeeld
Hepatica £32.
Ranunculaceeën.
Bloemen violet, wit of geel............3
8 Bloemkroon ontbrekend. Kelk 5- of 6-bladig. Stengel onder de bloem met 3 kransstandige, gedeelde schutbladen.
Anemone HBS.
Kelk pn bloemkroon aanwezig. Bladen wortelstandig. Stengel onbebladerd.................4
4 Bladen ongedeeld, lijnvormig. Meeldraden meest 5. Kelk en
bloemkroon 5-bladig. Bloembodem later cylindrisch verlengd.
Myosurus S3-*.
Bladen gedeeld. Kelk grooter dan de bloemkroon. Bloemkroonbladen honigbakvormig, buisvormig, 2-lippig ... 5
5 Kelk 6(5-8)-bladig, geel. Bloem omgeven door een veeldeelig
omwindsel............Er an this £39.
Kelk 5-bladig, wit. Bloemen zonder omwindsel.
Helléborus S3S.
6 Bloemen gespoord of symmetrisch..........7
Bloemen ongespoord, regelmatig..........9
7 Bloemen regelmatig. Bloemkroonbladen trechtervormig, ge
spoord. Kelkbladen 5, vlak, eirond, gekleurd.
Aquilégia 939.
Bloemen symmetrisch..............8
8 Het bovenste kelkblad gespoord, 1â2 gespoorde kroonbladen
insluitend...........Delphinium «3».
Het bovenste kelkblad helmachtig gewelfd, 2 langgesteelde (langgenagelde), kapvormige, gespoorde kroonbladen (honig-reservoirs) insluitend....... A conft um SéO.
9 Slechts een krans van bloembekleedsels, n.1. een bloemkroon
achtig gekleurden kelk.............lO
Twee kransen van bloembekleedsels. Bloemkroonbladen vaak klein en eigenaardig van vorm..........11
10 Bloemen groot, weinig in getal. Kelk grooter dan de meel
draden. Bladen enkelvoudig, ongedeeld . . Caltha 938. Bloemen klein, talrijk. Kelk korter dan de meeldraden. Bladen veelvoudig gevind........Thalfctrum 931.
11 Kelk kleiner dan de bloemkroon..........12
Kelk grooter dan de bloemkroon, bloemkroonachtig gekleurd.
Bloemkroonbladen honigbakvormig......⢠. 16
12 Kelk en bloemkroon 4-bladig, afvallend. Vruchtbeginsel 1.
Vrucht een bes...........Actaéa 940.
Kelk 3-bladig. Bloemkroon 8-12-bladig. Vele vruchtbeginsels.
Ficaria 938.
»30
Ranunculaceeën.
Kelk 5-bladig. Bloemkroon 5-meerbladig.......13
13 Vele vruchtbeginsels, zelden 7-5..........14
Vruchtbeginsels 2-5. Kelkbladen lederachtig, blijvend. Bloemen zeer groot, rood, zelden wit . . . . Paeónia ti-AO.
14 Bloemkroonbladen zonder honiggroefje, rood of geel.
Adónis lt;833.
Bloemkroonbladen aan den voet met een bedekt of naakt honiggroefje, geel of wit............15
15 Bloemen geel. Meest landplanten . . Ranunculus 1630. Bloemkroon wit, meest met gelen nagel. Honiggroefje onbedekt. Waterplanten.......Batrachium /834.
16 Bloemen geel. Kelk 5-8-bladig, afvallend. Kroonbladen buis
vormig, ongelijk 2-lippig, langgenageld . Eranthis 338. Bloemen wit, groen of blauwachtig. Kelk (4- of) 5-bladig. 17
17 Kelkbladen blijvend, wit of groen. Vruchtbeginsels aan den
voet iets vergroeid. Kroonbladen buisvormig, met een 2-lip-
pigen mond..........Helléborus S'dS.
Kelkbladen blauw of blauwachtig-wit . Vruchtbeginsels 3-10, geheel of tot het midden vergroeid . . . Nigélla Z3».
1. Clématis L. Boschdruif.
1 Stengel klimmend, houtig.............2
Stengel rechtopstaand, kruidachtig. Stijlen der rijpe vruchten
verlengd, gebaard...............3
2 Bloemen in bijschermen, rechtopstaand. Kelkbladen aan weers
zijden viltig, wit. Stijl der rijpe vruchtjes verlengd, gebaard. Bladen enkel gevind. 1,50-5,00. 1). JuniâAugs. In heggen, tusschen kreupelhout, niet algemeen. Ook wel gekweekt. Vergiftig!........Hegge B. Cl. Vitélba L.
Bloemen alleenstaand, langgesteeld, knikkend, groot. Kelkbladen van buiten dun-viltig, van boven kaal, blauw tot purper- Styl der vruchtjes niet verlengd en gebaard. Bladen enkel tot dubbel samengesteld. 2,00-3,00. 1^. Juli, Augs. Als klimplant gekweekt, soms verwilderd. Italiaansche B. C. Viticella L. 8 Bladen gevind. Bloemen in pluimen. Kelkbladen van buiten met zachtbehaarden rand, wit. 0,50-1,25. 1}-. Juni, Juli. Sierplant.
Rechtopstaande B. t- Cl. recta L. Bladen enkelvoudig, ongedeeld, eirond tot eirond-lancetvormig, gaafrandig, van onderen en aan den rand donzig behaard. Bloemen eindelings, langgesteeld, knikkend, groot. Kelkbladen buiten aan den rand witviltig, violetblauw. 0,50-0,80. %. Juni, Juli. Sierplant. . . Blauwe B. f Cl. integrifólia L.
2. Thalictrum Trn. Ruit.
Kruiden met rechtopstaanden, meest vertakten stengel, afwisselende, 2-4-voudig gevinde bladen en pluim- of schermvormige bloeiwijzen. De bloemen zijn door de vele uitstekende meeldraden met hangende, gele helmknoppen vaak geel gekleurd. 1
£31
Ranunculaceeën.
1 Bloemen met de meeldraden hangend, niet dicht bijeenstaand.
Bloeiwijze pyramidaal of eirond. Stengel gestreept... 2 Bloemen met de meeldraden opgericht, dicht bijeen. Bloeiwijze een schermvormige tros met bijna even hooge takken. 3
2 Stengel aan den voet met eenige onbebladerde scheeden, on
geveer in het midden bebladerd, evenals de bladen min of meer berijpt. Bladen naar boven meest plotseling in grootte afnemend. Blaadjes met beneden uitstekende nerven, meest stijf, de stelen meest met uitstekende kanten, zonder steun-blaadjes. Takken der pluim min of meer horizontaal afstaand. Bloemen groenachtig. 0,30-0,60. 2j.. Mei, Juni. Menigvuldig in de duinen en op grasgrond . Kleine R. T. minus L.
stenjïel hooger, 0,60-0,80. Blaadjes grooter, dun, meeat roodachtig, drietandig tot driespletig, hunue stelen samengedrukt rond. Zeldzaam, in bosschen de variëteit.
Bosch R. Sylvaticum Koch.
Stengel van den voet af bebladerd, onberijpt, meest heen en weer gebogen. Bladen geleidelijk in grootte afnemend. Blaadjes met van onderen weinig uitstekende nerven, hunne stelen met uitstekende kanten met of zonder steunblaadjes. Takken der pluim wat afstaand. Bloemen groenachtig. Stengel vaak roodachtig. 0,50 4,20. 2|-. JuniâAugs. Vrij zeldzaam , in de duinen en op drogen grasgrond, ook in bosschen.
Bochtige R. T. flexuósum Bernh,
3 Blaadjes van boven bleekgroen, wigvormig-omgekeerd-eirond
of wigvormig-langwerpig, 3-spletig, van onderen grasgroen. Vruchtjes rond-eirond. Wortelstok met uitloopers. Stengel dof. 0,40 0,80. 2j-. Juni, Juli. Vrij zeldzaam, op veengronden, in bosschen en op moerassige plaatsen.
Heelblad. Valsche rabarber. Poel R. T. flAvum L.
Blaadjes aan de bovenzijde, evenals de scheeden, met zittende kliertjes bezet. Sten-gei glanzend. Oortjes der bladscheeden kort, rondachtig. Wortelstok met uitloopers. 0,60-1,00. 2|.. Juli, Augs. Eenmaal b\j Twello gevonden.
Oever R. T. exaltatum Gaud. Blaadjes omgekeerd-eirond, meest S-spletig, aan de onderzgde zeegroen, soms rood geaderd. Vruchtjes aan weerszyden spits, kleiner dan bjj de vorige. Wortel vezelig. Een enkele maal bjj Heumen gevonden.
Morison'sR. T Morisónii Gm.
3. Hepatica Dill.
1 Bladen langgesteeld, 3-lobbig, met bartvormigen voet. Bloemstelen afstaand behaard. Kelkbladen 6-9, blauw, zeldzaam rose of wit. 0,07-0,15. H.. Maart, April. (Anemone Hepatica L.) Sierplant. Leverbloem. t H. triloba Gil.
4. Anemóne Tm. Anemoon.
Behaarde kruiden, die onder de bloem een krans van bladen dragen. Bladen 3-tallig of hand- of vinvormig ingesneden, de wortelstandige steeds gesteeld...........1
saa
Ranunculaceeën.
Bladen van het omwindsel gesteeld, van denzelfden vorm als de vaak ontbrekende wortelbladen. Kelk meest wit of geel.
Stijlen kort.................2
Bladen van het omwindsel zittend, handvormig veeldeelig, aan den voet scheedevormend, sterk behaard. Wortelbladen dubbel gevind met vindeelige blaadjes en smal-lijnvormige slippen. Kelkbladen, evenals de stengel, dicht behaard, dubbel zoo lang als de meeldraden, lichtviolet. Stijl lang, gebaard. 0,05-0,20, later 0,30. 2|.. MaartâMei. Zeldzaam, op open zonnigen zand- en heidegrond. (Pulsatilla vulgaris Tm.)
Wildemans kruid. Paarsche A. A. Pulsatilla L.
Bloemen wit, blauw of paars...........3
Meest 5 gele kelkbladen, van buiten, evenals de bloemsteel, behaard. Omwindselbladen vele malen langer dan hun steel. Blaadjes kaal. Bloemen dikwijls 2 bijeen. 0,15-0,25. 2^.. April, Mei. In bosschen. Gele A. A. ranunculoides L. Bloemen wit, van buiten vaak roodachtig, zelden purper, meest 6-bladig, kaal. Omwindselbladen dubbel zoo lang als hun steel. Blaadjes en bloemsteel behaard. Bloemen meest alleenstaand. Wortelstok lang, kruipend. 0,40-0,25. 2J.. MaartâMei. In bosschen.
Boschhanevoet. Melkbloem. Windbloem. Bosch A.
A. nemorósa L.
Wortelstok kort knolvormig. Bloemen blauw, 10-12-bladig. Bloeiende plant met wortelbladen. Waarschynljjk vroeger als sierplant, nu nog op een paar plaatsen in groote hoeveelheid verwilderd. Afkomstig uit Z.-Europa. 2|.. April, Mei.
Italiaansche A. A. appemna L.
5. Adónis Dill. Kooltje vuur.
Kruiden met recbtopstaanden stengel, verspreide 3-4-voudig vinspletige of vindeelige bladen, Iqnvormige, gaafrandige slippen en eindelingsche, alleenstaande bloemen. 1
Bloemkroonbladen 5-8. Vruchtjes kaal...............2
Bloemkroonbladen 12-16, langwerpig, uitgespreid, glanzig, lichtgeel, groot. Kelk zacht behaard. Vrucht behaard met haakvormig gekromden snavel. 0,15-0,45. 2|,. AprilâJuni. Alleen in een bosch bij Deventer gevonden.
Voorjaars K. A. vernalis L.
Kelk kaal. Bloemkroonbladen omgekeerd-eirond........⢠, . . 3
Kelk ruw behaard, tegen de bloemkroon aangedrukt. Bloemkroonbladen langwerpig, scharlakenrood, soms aan den voet zwart gevlekt Vruchtjes aan den bovenkant met een ronden knobbel. 0,25-0,50. O. Juni, Juli. Sierplant.
Vlam K. t A. ilammeus Jacq. Kelk van de halfbolvormig samenneigende bloemkroonbladen afstaand. Vruchtjes zonder tanden. Bloemkrooubladen bloedrood, aan den voet met een zwarte vlek. 0,15-0,30. ©. JuniâSeptr. Sierplant uit Z.-Europa.
Herfst K. A. autumnalis L Kelk tegen de uitgespreide kroonbladen aangedrukt. Vruchtjes van boven met een spitsen knobbel. Bloemkroonbladen vermiljoenrood, met of zonder zwarte vlek, zelden lichtgeel, aan den voet donkerbruin gevlekt. 0,25-0,50. ©. Mei, Juni. Alleen hg Weurt, Ngmegen en op Schouwen gevonden tusschen het koren.
Bruinnettekens. Zomer K. A. aestivalis L.
^33
Ranunculaceeën.
6. Myosürus Dill.
1 Bladen wortelstandig, smal-lijnvormig, korter dan de eenbloe-
mige stengel. Bloemkroon klein, geelachtig groen. 0,03-0,10. 0. Mei, Juni. Vrij algemeen, op vochtige akkers, meest tusschen koren, ook op grasland.
Muizestaart. M. minimus L.
7. Batrachium Wimm. Waterranonkel. Witte boterbloem.
Onbehaarde water- of moerasplanten. Bladen met vliezige stengel-omvattende scheeden, de ondergedoken steeds gaffelvormig gedeeld met lijnvormige slippen, gesteeld. Bloemkroon wit . . 1
\ Bladen alle drijvend, met 3-5 stompe lobben, niervormig. Bloembladen smal, weinig langer dan de kelkbladen. Meeldraden 8-12, langer dan de stampers. 0,05-0,20. 21. Meiâ Augs. In helder water, meest op het diluvium, algemeen.
Klimopbladige W. B. hederAceum L. Bladen vaak alle ondergedoken en deze in borstelvormige slippen gedeeld, soms ook drijvende van een anderen vorm. 2
2 Bladen alle borstelvormig gedeeld, bijna uitsluitend telkens in
2en vertakt, ondergedoken, zeer zelden de bovenste drijvend en dan meer in de vlakte uitgespreid. Kroonbladen met
gelen nagel. Donkergroen...........3
Ondergedoken bladen, zeldzamer alle, in lijn- of haarvormige slippen gedeeld, eerst herhaald driedeelig, en ten slotte in 2en gedeeld. Vaak ook drijvende bladen, die meer cirkel-of niervormig zijn...............4
3 Bloembodem half bolvormig, behaard. Bladen alle onderge
doken met naar alle kanten uitstaande stijve slippen, veel korter dan de stengelleden en bloemstelen. Bloemen vrij klein. 0,30-1,00. 2|.. MeiâAugs. Vrij algemeen, in slooten en kanalen . . . . Stijve W, B. divaricétum Schrk. Bloembodem half bolvormig, onbehaard. Bladen meest alle ondergedoken met meer slappe slippen, langer dan de bloemstelen. Bloemen vrij groot. 1,00-6,00. 2J.. JuniâAugs. Algemeen in of bij stroomend water.
Vlottende W. B. flüitans Wimm. â 4 Bloemen geheel wit, ook de nagel of deze flauwgeel. Ondergedoken bladen met haarvormige, buiten het water penseel-vormig samenvallende slippen. Drijvende bladen wigvormig driedeelig..................5
»34
Ranunculaceeën.
Bloemen wit met duidelijk gelen nagel........6
5 Bloembladen 2-3-maal zoo groot als de kelk. Bloemen vrij
groot, 0,015-0,018 in middellijn. Meeldraden omstreeks 10. Vruchtjes met haakvormig omgebogen snavel. 0,15-0,60. ij-MeiâJuli. In helder water, vooral op het diluvium, vrij zeldzaam . . Witbloemige W. B. hololeücum Lloyd. Bloembladen even lang als of iets langer dan de kelk. Bloemen klein, 0,004-0,005 in middellijn. Vruchtjes met een kort knotsje. 0,10-0,50. 2|.. Mei, Juni. Alleen op Texel gevonden.
Driedeelige W. B. tripartitum D. C.
6 Bloembodem kegelvormig, onbehaard. Meeldraden korter dan , de stampers. Drijvende bladen meestal aanwezig en drie-
deelig met uitgespreide, wigvormige slippen. 0,15-0,30. 2|.. MeiâAugs. In brak water, soms in de nabijheid van rivieren.
Zout W. B. Baudótii Godr. Bloembodem kegelvormig of half bolvormig, min of meer behaard. Meeldraden even lang als of langer dan de stampers. 7
7 Bladen meest van 2-erlei vorm aanwezig. Biadscheeden met
den bladsteel tot op 2/3 der lengte vergroeid, meest alleen in
de jeugd behaard...............8
Bladen alle ondergedoken, in haarfijne, buiten het water niet penseelvormig samenvallende slippen gedeeld. Biadscheeden klein, blijvend kort behaard, voor meer dan 2/3 hunner lengte met den bladsteel vergroeid. Bloemen vrij groot tot klein (0,015-0,010). Bloemkroonbladen smal omgekeerd-eirond. Bloembodem meest langwerpig. Vruchtjes borstelig. Donkergroen. 0,30-2,00. Mei-Augs. In zoet water, meest in de alluviale streek, algemeen. (B. aquatile L. t. d.)
Haarbladige W. B. trichoph^llum Chaix.
8 Grasgroen. Onderste bladen in tal van haarvormige, buiten
het water penseelvormig samenvallende slippen gedeeld. Drijvende bladen 3-5-spletig, zelden 3-5-deelig. Biadscheeden groot. Bloemstelen 0,015-0,08 lang. Bloemen groot (tot 0,02 en 0,025), zelden kleiner. Kroonbladen breed omgekeerd-eirond. Meeldraden meest vele. 0,10-3,00. 2).. MeiâAugs. In zoet water vooral op het diluvium algemeen. (B. aquatile L. t. d.)
Ongelijkbladige W. B. heterophfllum Wigg. Geelgroen, in alle deelen kleiner. Ondergedoken bladen met lijnvormige, stijve slippen, drijvende 3-spletig tot 3-deelig. Biadscheeden klein. Bloemstelen 0,15-0,03 lang. Bloemen
»3S
Ranuneulaceeëu.
vrij groot of klein (0,015-0,018). Kroonbladen smal omgekeerd, eirond, spoedig afvallend. Meeldraden 15-8. 0,10-0,30, zelden tot 0,50. 2).. MeiâAugs. In brak water, soms in de nabijheid van rivieren. (B Petéveri Koch.)
Petiver's W. B. confüsutn Godr.
8. Ranunculus L. Boterbloem. Hanevoet. Hanepoot. Ranonkel.
Land- of moerasplanten met verspreide bladen met bladscheede. Bloemen meest langgesteeld, eind- en zijstandig, alleenstaand of in bijschermen.................1
I Bladen alle ongedeeld..............2
Bladen alle of de meeste gespleten of gedeeld.....3
i Stengel opstijgend of met rechte leden liggend en wortelend. ⢠Onderste bladen elliptisch, de bovenste lancetvormig tot lijn-lancetvormig. Toppen der vruchtjes recht. Bloemkroon lichtgeel. 0,15-0,45. 2|.. JuniâOctr. Menigvuldig, op moerassige zand- en weidegronden en aan waterkanten. Vergiftig!
Bitterbloem. Gulle. Kleine egelkolen. Egelgras.
Egel B. R. Flammula L.
Stengel rechtopstaand. Bladen lijn-lancetvormig, toegespitst. Vruchtjes met een breeden, sikkelvormig gekromden snavel. Bloemkroon goudgeel, groot (tot 0,02 in middellijn). 0,60-1,50. 2J-. JuniâAugs. Vrij algemeen, aan waterkanten en in moerassen .... Egelkolen. Groote B. R. Lingua L.
i Vruchtjes 4-8, meest stekelig...........10
Vruchtjes talrijk, klein, een langwerpig, rolrond, boven de meeldraden uitstekend hoofdje vormend. Stengel hol, evenals de bladen kaal of van boven behaard. Kelk teruggeslagen. Bloemkroon klein, bleekgeel. 0,20 0,60. ©. JuniâOctr. Menigvuldig langs en in slooten en moerassen. Vergiftig! Jeukkruid. Water hanepoot. Kankerbloempje. Kikkerbloempje.
Blaartrekkende B. R. sceleritus L. Vruchtjes talrijk, een bijna kogelvormig hoofdje vormend . 4
t Bloemstelen rond................5
Bloemstelen gegroefd..............6
3 Wortelbladen ten deele niervormig, ongedeeld, de bovenste bladen handvormig gedeeld, met lijn lancetvormige of lijnvormige slippen. Vruchtjes zachtharig, met haakvormig gebogen snavel. Bloemkroon goudgeel, vaak ten deele weinig ontwik-
»3«
Ranunculaceeën.
keld. 0,15-0,45. 24-. April, Mei. Vrij zeldzaam, tusschen gras en op vochtigen, zandigen boschgrond.
Gulden B. R. auricomus L. Wortelbladen alle handvormig gedeeld (of géspleten). Vruchtjes kaal. Stengel, bladstelen en bladen aangedrukt behaard. Bovenste bladen 3-deelig, met lijn-lancetvormige slippen. Snavel der vruchtjes kort, haakvormig gebogen. Bloemkroon goudgeel. 0,30-0.80. 2).. MeiâSeptr. Menigvuldig, in weilanden en langs grazige wegen. Vergiftig!
Scherpe B. R. é.cer L.
6 Kelk tegen de bloemkroon aangedrukt of los aanliggend . 7 Kelk teruggeslagen...............9
7 Geen kruipende uitloopers. Stengel rechtopgaand. Onderste
bladen handvormig gedeeld...........8
Kruipende uitloopers. Bladen 3-tallig, de onderste met ge-steelde, 3-deelige, de bovenste met langwerpige, ongedeelde blaadjes. Snavel der vruchtjes kort, recht. Bloemkroon goudgeel. 0,30 0,45. 2]_. Meiâjuli. Menigvuldig, op vochtige gronden. Kraaienpooten. Kruipende B. R. répens L.
8 Bladslippen 3-5-deelig, ingesneden, met lijn- of lijn-lancetvor-
mige slipjes. Snavel der vruchtjes kort, gekromd. Bloemkroon goudgeel, vaak meer dan 5-bladig. 0,30-0,80. li-Mei, Juni. Zeldzaam, op rivierklei en aan slootkanten.
Veelbloemige B. R. polydnthemos L. Bladslippen breed, omgekeerd-eirond, 3-5-spletig, getand. Snavel geel. 0,300,80. 2J.. Mei, Juni. Zeldzaam, in bosschen en op steenachtige plaatsen in Limburg.
Bosch B. R. nemorósus D. C.
9 Stengel aan den voet knolvormig verdikt, van onderen evenals
de bladstelen afstaand-, van boven aanliggend behaard. Vruchtjes met gekromden snavel, glad. Bloemkroon goudgeel. 0,10-0,30. 2].. Mei, Juni. Vrij menigvuldig, op zandgrond. Vergiftig!
Sint-Anthonisraapje. Knoldragende B. R. bulbósus L-Stengel aan den voet niet verdikt, evenals de bladen en bladstelen afstaand behaard. Vruchtjes met rechten snavel, vaak met knobbeltjes aan den rand. Bloemkroon goudgeel. 0,10-0,40. O0 of 2J.. MeiâAugs. Vrij algemeen, op zeeklei en kalkhoudende akkers.
Behaarde B. R. Philonótis Ehrh.
10 Vruchtjes groot, met langen, iets gekromden snavel, met
sterke stekels bezet. Stengel vertakt, meest evenals de
933
939 Ranunculaceeën.
bloemstelen behaard. Onderste bladen meest 3-deelig, de bovenste 3-tallig, met 3-spletige of 3-deelige blaadjes. Bloemkroon bleekgeel, klein. 0,30-0,60. ©. MeiâJuli. Vrij menigvuldig, tusschen het koren op zandgrond.
Kroon. Akker B. R. arvénsis L.
Vruchtjes aan beide z\jden met fijne stekels bezet. Bloemstelen gegroefd. De onderste bladen rond of niervormig, 3-lobbig, de bovenste S-spletig. ©. MeiâJuli. Een enkele maal op akkers bg Utrecht gevonden.
Zachtstekelige B. R. muricatus L.
Als tuinsierplant moet nog R. asiaticus L. genoemd worden. Stengel en bladen dicht behaard. Onderste bladen meest 3-tallig, met wigvormig-rondachtige, van voren ongelgk gezaagde blaadjes, de bovenste 3-tallig. Bloemkroon groot, geel of wit, meest echter rood en gevuld. 0,10-0,30. Qf. Mei, Juni. Uit Z.-Europa afkomstig.
9. Ficaria Dill.
1 Wortelvezels meerendeels knolvormig verdikt. Stengel liggend of opstijgend, in de onderste bladoksels met knolletjes. Bladen glanzig, rond-hartvormig, gekarteld, de bovenste hoekig. Bloemkroonbladen smal-langwerpig, goudgeel. 0,05-0,24. 2).. MaartâMei. Een der meest algemeene planten tusschen het gras, op vochtige beschaduwde plaatsen. (Ranunculus Ficaria L.)
Kleine gouwe. Haneklootjes. Speenkruid.
F. ranunculoides Moench.
10. Caltha L.
1 Stengel opstijgend, naar boven vertakt. Bladen donkergroen, glanzig, hart-eivormig tot niervormig, gekarteld, de onderste gesteeld, de bovenste bijna zittend. Bloemen groot. Kelk dooiergeel. 0,15-0,30. 2j.. April, Mei. Algemeen, in moerassige weilanden, langs slooten.
Water boter bloem. Kleine plomp. Dotterbloem.
C. palüstris L.
it. Eranthis Salisb.
1 Wortelstok knolvormig. Stengel l-bloemig. Bladen langgesteeld, hartvormig-rond-achtig, 6-7-deelig met Ignvormige slippen. Kelkbladen langwerpig, geel. 0,08-0,10. Febr., Maart. In tninen als sierplant, soms verwilderd. 4
Wxnteraconiet. Winterbloem, f E. hyemalis Salisb.
12. Helléborus Adans. Nieskruid.
Onbehaarde kruiden met een rechtopstaanden, weinig bebladerden (soms slechts met schutblaadjes voorzienen) stengel, langgesteelde, /-11-deelige wortelbladen en groote knikkende bloemen... 1
Ranunculaceeën. '£39
1 Stengel niet vertakt, onbebladerd, slechts met 2-3 eironde schutbladen bezet, IC-S)-
bloemig. Wortelbladen met langwerpig-lancetvormige of wigvormige, van voren gezaagde blaadjes. Kelkbladen wit of roodachtig, uitgespreid. 0,15-0,30. 2^-. Jan.âMaart. Sierplant. Vergiftig! Wrangwortel. Wrang kruid. Nieswortel.
Kerstroos, f H. niger L.
Stengel vertakt, bebladerd, 2-meerbloemig......2
2 Stengel alleen aan den voet der takken en bloemstelen bebla
derd. Blaadjes der wortelbladen breed-lancetvormig, met uitspringende nerven. Kelkbladen tamelijk vlak, groenachtig. 0,20-0,40. 2J.. Maart, April. Zeldzaam op kleigrond en in bosschen. Vergiftig!
Wrangwortel. Groen N. H. vlridis L.
Stengel van beneden af bebladerd. Blaadjes der wortelbladen smal-laucetvormig, met niet uitspringende nerven. Kelkbladen gewelfd, klokvormig samenneigend, groenachtig met purperkleurigen rand. 0,20-0,30. 2^. Maart, April. Zeer zeldzaam op kalkgrond. Vergiftig!......Stinkend N. H. foétidus L.
13. Nigella Tm. Nigelle.
Eenjarige planten met rechtopstaanden, bebladerden stengel, 2-meervoudig vinspletige of vindeelige bladen, lynvormige bladslippen, alleenstaande bloemen en langge-snavelde doosvruchten.....................1
1 Bloemen zonder omwindsel. Stengel bgna kaal. Kelkbladen toegespitst, met langen nagel, wit, van binnen blauwachtig, van buiten groen gestreept. Doosvruchten tot het midden vergroeid. 0,10-0,30. ©. JuliâSeptr. Alleen bjj Maastricht tusscken het koren gevonden........Akker N. N. arvénsis L.
Bloemen omgeven door een reeldeelig omwindsel. Kelkbladen toegespitst, met korten nagel, lichtblauw met groenen top en aan de buitenzede groene nerven. Doosvruchten tot den top vergroeid. 0,15-0,30. ©. JuniâAugs. Sierplant uitZ.-Europa.
Juffertje in het groen, f N. damascéna L.
14. Aquilégia Trn.
1 Stengel rechtopstaand. Onderste bladen dubbel 3-tallig, de middelste 3-tallig, de bovenste 3-deelig. Sporen der kroon-bladen aan den top haakvormig gekromd. Meeldraden boven de kroonbladen uitstekend. Kelk en bloemkroon violet, zelden rose. 0,40-0,80. 2|.. Mei, Juni. Vrij zeldzaam, in bosschen, ook op bouwland en grasgrond, vaak in tuinen gekweekt.........Akelei. A. vulgéris L.
15. Delphinium L. Ridderspoor.
Kruiden met een vertakten, bebladerden stengel, hand- of vindeelige bladen en gesteelde, meest blauwe of violette bloemen, die in eindelingsche trossen staan...........i
i Tros armbloemig. Bloemstelen draadvormig, langer dan het schutblad. Vruchtjes kaal, plotseling in den langen stijl toegespitst. Kelk donkerblauw, zelden rose of wit. 0,15-0,30. Q. Niet zeldzaam, tusschen het koren op zandgrond. Ook als sierplant gekweekt.
Kalketrip. Wilde R. Veld R. D. Consólida L.
Nymphaeaceeën.
Tros veelbloemipr. Bloemstelen kort, dik, even lang als of langer dan het schutblad. Vruchtjes behaard, langzaam in den stjjl versmald. Kelk blauw, rose of wit. 0,80-0,80. 0. JuniâAugs. Sierplant uit Z.-Europa, een enkele maal verwilderd.
Tuin R. t D. Ajacis L.
16. Acomtum Tm. Monnikskap. Aconiet. Stormhoed.
Kruiden met rechtopstaanden, rjjk bebladerden stengel, handdeelige bladen en helm-
vormige bloemen in eindelingsche trossen..............1
1 Bloemen blauw of violet. Bovenste kroonbladen op den gekromden nagel horizontaal knikkend, met iets gekromden spoor. Tros dicht. Bloemstelen meest, rechtopstaand. 0,60-1,50. 2|.. JuniâAugs. Meest gekweekt, zelden verwilderd (b\j Dalfsen). Zeer vergiftig!........Blauwe M. A. Napéllus L.
Bloemen geel. Bloemstelen afstaand. Bovenst kelkblad (helm) omstreeks 3-maal zoo lang als breed. Bovenste kroonbladen op een rechten nagel vertikaal staand, met draadvormige ingerolde spoor. 0,50-1,25. !2|.. JuniâAugs. Meest gekweekt, zelden verwilderd (in Limburg). Zeer vergiftig! Gele M. A. Lycóctonum L.
17. Actaéa L.
1 Stengel vertakt. Bladen groot, 3-tallig, met enkel of dubbel gevinde blaadjes. Bloemen klein, in eironde trossen. Kroonbladen even lang als de meeldraden. Kelk en bloemkroon geelachtig-wit. Bes zwart. 0,30-0,60. 2|.. Mei, Juni. Alleen in bosschen in Limburg.........Actea. A. spicata L.
18. Paeónia Tm. Pioenroos.
Kruiden of heesters met verspreide, gesteelde, dubbel 3-tallig ingesneden bladen, eindelingsche alleenstaande bloemen, met groote, veelbladige, half bolvormige
bloemkroon en viltige doosvruchten.........â¢......1
1 Stengel kruidachtig. Wortelvezels tot gesteelde, op sommige plaatsen dunnere knollen aangezwollen. Bladen dubbel 3-tallig met 3-spletige of 3-deeligc middelblaadjes. Vruchtjes 2-3. Bloemen enkel of gevuld. Bloemkroon purper. 0,30-1,00.^ Mei, Juni. Sierplant uit Z.-Europa.....Tuin P. t P- officinalis L.
Stengel hontig. Blaadjes der stengelbladen langwerpig-eirond, van onderen grjjs-groen, het middelste 3-lobbig tot 3-spletig. Vruchtjes 5, op een bekervormig verwijde sch\jf ingevoegd. Bloemen meest gevuld. Bloemkroon rozerood, aan den voet donkerder. 0,80-1,50. I). Mei, Juni. Sierplant uit China (P. Moutan Sims.)
Struik P. t P- arbórea Donn.
XLIV. Fam. Nymphaeaceeën. Waterleliën, xm.
Kelk 4-5-bladig. Bloembladen veel, langzamerhand naar binnen in meeldraden overgaand. Vruchtbeginsel veelhokkig, met veel-straligen stempel.
i Kelk 4-bladig. Bloembladen zonder honiggroefje, wit. Meeldraden aan den voet met het vruchtbeginsel vergroeid.
Nymphaéa «40.
Kelk 5-bladig. Bloembladen aan de rugzijde van een honiggroefje voorzien, geel. Meeldraden vrij. . Nüphar iMl.
1. Nymphaéa L.
i Bladen drijvend, rond, met hartvormigen voet, gaafrandig. Bladstelen rond, evenals de bloemsteel buisvormig (met 4 groote luchtholten). Bloemen groot (circa 0,10in middellijn).
940
Papaveraceeen.
iets welriekend. Stempelstralen -10-24, smal, niet gegroefd, meest geel. Bloemkroon wit. 2J-. Algemeen, in kolken, vijvers, slooten en veenplassen.
Witte pompebloemen. Waterroos. Waterlelie. Meer bladen. Pannekoeken. Witte-waterkruik. Witte plomp. N. éibaL.
2. Nüphar Sm.
Bladen drijvend, eirond, hartvormig ingesneden, gaafrandig. Bladstelen driekantig, evenals de bloemstelen fijn buisvormig. Stempelschijf gaafrandig, 10-20-stralig, met bij den rand verdwijnende stralen. Bloemen 0,03-0,04 in middellijn, onaangenaam riekend. Kroonbladen omstreeks Va-maal zoo lang als de kelkbladen, evenals deze geel. 2J., JuniâAugs. Zeer algemeen, in kolken, vijvers, slooten en veenplassen.
Gele pompebloem. Gele plomp. N. lüteum Sm.
XLV. Fatn. Papayeraceeën. Papaverachtigen.
Kelk (i-)9-bladig, vroeg afvallend. Bloemkroon 4-bladig. Meeldraden veel, op den bloembodem ingeplant. Stamper 1 met 2-20 stempels. Doosvrucht door onvolkomen tusschenschotten soms schijnbaar veelhokkig. Meest niet melksap.
Kelk 2-bladig, vrij...............2
Kelkbladen mutsvormig vergroeid, beneden loslatend. Doosvrucht zeer verlengd, hauwvormig, 2-kleppig. Melksap waterig.
Eschscholzia £43.
Melksap wit..................3
Melksap geel. Doosvrucht verlengd, hauwvormig, 2-kleppig. Kleppen van beneden naar boven loslatend.
Chelidónium £4£. Doosvrucht bol- of knotsvormig, veelhokkig, zich onder den
stempel met poriën openend.....Papaver®
Doosvrucht lang, hauwvormig, 2-kleppig. Kleppen van boven naar beneden loslatend.......Glaücium «â¢#«.
1. Papaver Tm. Klaproos, xm.
Kruiden met meestal bebladerde stengels, vinspletige tot vindeelige bladen en groote, langgesteelde bloemen........1
Stengelbladen atengelomvattend, kaal, ongedeeld. Plant blauwgroen. Bladen lang-werpif?. ongelgk getand. Bloemstelen meest afstaand behaard. Meeldraden naar boven verbreed. Doosvrucht bol- of eirond. Bloemkroon wit, aan den voet lila en HEUKELS, Schoolflora. 8e druk. 16
»411
Papaveraceeën.
de zaden wit, of blauwachtig rood of purper, aan den voet zwart en de zaden blauwzwart. 0,60-1,20. ©. Juli, Augs. Veel gekweekt, ook verwilderd. Uit Klein-Azië .... Zwarte heul. Maankop. Slaapbol, t P. somniferum L.
Stengelbladen niet stengelom vattend, behaard, vindeelig . 2
2 Meeldraden naar boven verbreed. Doosvrucht met borstels bezet. 3
Meeldraden priemvormig. Doosvrucht kaal......4
3 Doosvrucht knotsvormig, met weinige rechtopstaande borstels
bezet. Stempel 4-5-stralig. Bloembladen donker scharlakenrood met zwarten voet. 0,15-0,30. ©. MeiâJuli. Vrij algemeen, op zandig bouwland.
Ruige heul. Ruige K. P. Argemóne L.
Doosvrucht kort tolvormig, met afstaande, gekromde borstels bezet. Stempel 6-8-stralig. Bloembladen scharlakenrood met zwart gevlekten voet. 0,20-0,40. 0. MeiâJuli. Alleen bg Maastricht, op bouwland gevonden.
Bastaard K. P hy'bridum L.
4 Stengel, bladen en bloemstelen met horizontaal afstaande bor
stels bezet. Doosvrucht omgekeerd-eirond met afgeronden voet. Stempelstralen 8-12, zwartviolet, elkaar ten deele bedekkend. Bloembladen scharlakenrood, aan den voet vaak zwart gevlekt. 0,30-0,80. ©. Mei, Juni. Zeer algemeen, op bouwland, langs wegen, op ruigten. In tuinen, met wit-gerande, blauwachtige, lichtroode en gevulde bloemen.
r Koornroos. Wilde heul. Kankerbloem, de Roode. Kollebloem.
Gemeene K. P. Rhoéas L.
Stengel en bladen met afstaande, bloemstelen met aanliggende borstels bezet. Doosvrucht langwerpig knotsvormig, met versmalden voet. Stempelstralen 6-8, bruin, elkaar niet bedekkend. Bloembladen bleek-scharlakenrood. 0,30-0,60. 0. Juni, Juli. Vrij algemeen, langs wegen en op zandig bouwland.
Kleine K. P. dübium L.
2. Glaucium Trn. Hoornpapaver, xm,
I Stengel bijna kaal. Bladen met diep hartvormig ingesneden voet, bgna cirkelrond. Doosvrucht kaal, ruw door knobbels. Bloemkroon groot, citroengeel. Plant witachtig-grgsgroen. 0,S0-0,60. OO- JuniâAugs. Een enkele maal in de duinen gevonden. (G. flavum Crtz.)......Gele H. G. lüteum Scop.
Stengel en bladen behaard. Bladen met afgeknotten voet, in omtrek eirond. Doosvrucht atgf behaard, zonder knobbels. Bloemkroonbladen rood, met of zonder zwarte vlek aan den voet. 0,15-0,50. O. JuniâAugs. Alleen hg Deventer en misschien by Maastricht gevonden. Roode H. G. corniculatum Curt.
3. Chelidónium Trn. xm.
1 Stengel, evenals de bladen, verspreid behaard. Bladen teer, van onderen blauwgroen, de onderste vindeelig, de bovenste vinspletig. Bladslippen eirond of rond, gekarteld. Bloemen in schermen. Bloemkroon geel. 0,30-1,20. 2J-. MeiâOctr.
BS»
Fumariaceeën. 243
Zeer algemeen, tusschen kreupelhout, langs heggen, op ruigten.
Oogenklaar, Schel kruid. Stinkendegouw e. Ch. mójns L.
4. Eschschólzia Cham, et Schld. xm.
1 Stengel opstggend, zeer vertakt, kaal. Bladen blauwgroen, gevind-vindeelig, met meest lijnvormige slippen. Bloemen langgesteeld. Kelk toegespitst. Kroonbiaden geel met donker oranjekleurigen \oet. 0,30 0,50. JuniâHerfst, Sierplant uit Califomië. (E. Douglasii Hook.) Eschschólzia. f E. caliiórnica Lindl.
XLVI. Fam. Fumariaceeën. Duivenkervelachtigen. xvn.
Kelk 2-bladig , afvallend of ontbrekend. Bloemkroon 4-hladig, symmetrisch, soms wat vergroeid. Meeldraden 6, in 2 bundels van 3, wier zijdelingsche helmknopjes i- en het middelste 2-hokkig zijn. Stamper i-hokkig met i stijl en 2 stempels. Doosvrucht of nootje.
1 Slechts één der buitenste kroonbiaden aan den voet gespoord. 2 De beide buitenste kroonbiaden aan den voet met een korte
spoor, de bloemkroon daardoor min of meer hartvormig. Vrucht een tweekleppige doosvrucht . . Dielytra 'HS.
2 Vrucht langwerpig, 2-kleppig, openspringend, veelzadig. Bla
den 3-tallig of dubbel 3-tallig .... Corydalis 843. Vrucht bolrond, nootachtig, niet openspringend, 1-zadig. Bladen dubbel gevind........Fumaria
1. Corydalis Vent. Helmbloem.
Onbehaarde kruiden met een weinig bebladerden stengel (zelden stengelloos), 3-talIige of vinvormig ingesneden bladen en ge-steelde trossen van bloemen.............1
1 Bloemkroon purper, lila of wit. Stengel aan den voet knol
vormig ...................2
Bloemkroon geelachtig-wit of geel. Stengel niet knolvormig. 4
2 Tros veelbloemig, als de vrucht rijp is, rechtopstaand. Stengel
meest niet vertakt...............3
Tros armbloemig, als de vrucht rjjp is, overhangend. Schutbladen gaafrandig, zeiden 2-3-8pletig, hoogstens half zoo lang als de doosvrucht. Doosvrucht langwerpig-lancetvormig. Bloemkroon lichtpurper. 0,05-0,15. 1\.. April, Mei. Misschien in het Haagsche Bosch gevonden......BoonH. C. fabacea Pers.
3 Knollen meest hol. Stengel beneden zonder schub. Schutbla
den gaafrandig. Bloemsteeltjes Va-maal zoo lang als de doosvrucht. Bloemkroon purper of wit. 0,15-0,30. 2J.. April, Mei. Zeldzaam in bosschen en aan beschaduwde slootkanten. (C. bulbósa Pers.). Holwortelige H. C. civa Schw. et K. Knollen niet hol. Stengel beneden met een gootvormige schub.
16*
Fumariaceeën.
Schutbladen handdeelig. Bloemsteeltjes even lang als de doosvrucht. Bloemkroon purper. 0,10-0,20. 2).. April, Mei. Vrij algemeen, op beschaduwde, zandige plaatsen. (C. digitata Pers.)......Vastwortelige H. C. solida Sm.
4 Wortel vezelig vertakt. Stengel rechtopstaand. Bladen 3-tallig met dubbel gevinde blaadjes zonder ranken. Schutbladen met haarvormigen top, korter dan de bloemsteeltjes. Bloemkroon goudgeel. 0,20-0,30. 2J.. MeiâSeptr. Zeldzaam, op steenen wallen en muren......Gele H. C. lütea D. C.
Wortel onvertakt. Stengel draadvormig, kruipend en klimmend. Bladstelen in ranken eindigend. Schutbladen toegespitst, langer dan de bloemsteeltjes. Bloemkroon klein, geelachtig-wit. 0,30-i,00. ©. JuniâSeptr. Vrij algemeen, in beschaduwde, zandige streken.
Windende H. C. claviculéta Pers.
2. Fumaria Trn. Duivenkervel. Aardrook. Roode remke.
Teere, onbehaarde kruiden, met een vertakten, bebladerden stengel , dubbel vindeelige bladen en gesteelde trossen.....\
1 Rijpe vruchten rimpelig of met knobbeltjes. Vrucht afstaand.
Tros dichtbloemig...............2
Rijpe vruchten glad. Bovenste kroonblad in een dik stekelpuntje uitloopend..................4
2 Kelkbladen 1) bijna cirkelrond, veel breeder dan de voet der
bloemkroon. Schutbladen langer dan de bloemstelen. Vruchtjes met afgeronden top. ©. 0,15-0,45, JuniâAugs. Zeer zeldzaam, op bouwland.
Dichtbloemige D. F. densiflóra D. C.
Kelkbladen *) eirond-lancetvormig, smaller dan de voet der bloemkroon. Schutbladen korter dan de bloemstelen. Vruchtjes aan den top ingedrukt............3
3 Bladslippen meest lancetvormig. Stengel rechtopgaand, regel
matig vertakt. Kroonbladen purper, aan den top donkerrood, bijna zwart. 0,15-0,45. 0. MeiâHerfst. Algemeen, op bebouwden zandgrond . Gewone D. F. officinalis L.
Stengel liggend of kronkelend, onregelmatig vertakt. Bloemen 0,005-0,006 lang. ©. Zeldzaam, op bouwland.
»2
Middelste D. F. média Loisl.
1
De kelkbladen moeten bg alle soorten, daar zij gemakkelgk afvallen, aan nog niet
2
â¢volkomen ontwikkelde bloemen gezocht worden.
Cruciferen.
4 Bloemstelen tijdens den vruchttijd gekromd. Kelkbladen omstreeks half zoo lang als de bloemkroon of langer. Vruchten bijna bolrond, aan den top iets afgeplat. Kiel der binnenste bloemkroonbladen met een smallen, gevleugelden rand. Bladslippen langwerpig of eirond. Bladstelen vaak in ranken uitloopend. Stengel liggend,, vaak klimmend. Bloemkroon wit of geelachtig-wit, aa,n den top zwart-purper, grooter dan bij F. officinalis L. 0,30-0,80. ©. JuniâSeptr. Zeer zeldzaam, op bouwland. . Rankende D. -F. capreolamp;ta L.
Bloemstelen afstaand. Kelkbladen nog niet 1/,rrnaa' z00 lang als de kroonbladen. Vrucht eirond, stomp. Kiel der binnenste kroonbladen zonder gevleugelden rand. Bladslippen langwerpig of lancetvormig. Bloemkroon purper, aan den top zwartpurper. 0,30-0,60. ©. JuniâSeptr. Zeer zeldzaam, op muren......Muur D. F. muramp;lis Sonder.
3. Dielytra D. C.
1 Stengel rechtopstaand. Bladen dubbel 3-taUig. Blaadjes omgekeerd-eirond, S-spletig, grijsgroen. Bloemen in eind- en okselstandige trossen, knikkend, groot. Kroonbladen purper, de binnenste wit. 0,50 0,80. 2).. Mei, Jnni. Sierplant uit Siberië. (Dicéntra spëctabilis Borkh.) Mariatranen. Druipende hartjes.
t D. spëctabilis D. C.
XLVII. Fam. Cruciferen. Kruisbloemigen. xv.
K»lk 4~hladig. Bloemkroon 4-bladig, in een kruis staand, soms ontbrekend. Meeldraden 6, viermachtig, zelden 4 of 2. Stamper i. Vrucht een hauw of een hauwtje, dat meest met 2 kleppen van heneden naar hoven openspringt, soms in leden uiteenvalt, of niet openspringt en in 't laatste geval 1-zadig is.
1 Vruchtbeginsel vele malen meer lang dan breed. Vrucht een
hauw...................2
Vruchtbeginsel hoogstens 3-maal zoo lang als breed. Vrucht
een hauwtje.................31
2 Bloemkroon wit, roodachtig, lila of violet.......3
Bloemkroon geel of geelachtig-wit..........15
3 Bovenste bladen enkelvoudig, ongedeeld, gaafrandig of getand 4 Bovenste bladen vinspletig tot gevind of 3-tallig . . . .12
4 Stengelbladen met hart- of pijlvormigen voet zittend, stengel-
omvattend .................5
Stengelbladen gesteeld of met versmalden of afgeronden voet
zittend ...................7
«45
Cruciferen.
5 Bladen en stengel ruw behaard, de wortelstandige bladen in een roset. Hauwen rechtop- of afstaand. Bloemkroon wit.
A'rabis XX3.
Bladen alle kaal, of alleen de wortelbladen ruw behaard.
Bloemkroon geelachtig-wit............6
6 Hauwen tegen de bloemspil aangedrukt. De tijdens den bloeitijd meest ontbrekende wortelbladen ruw behaard, boohtig getand tot vinspletig........Turn'tis
Hauwen afstaand. Bladen alle onbehaard, gaafrandig. Stengelbladen eirond-elliptisch, zeer stomp. Bloemkroon geelachtig-
wit . ........Erysimum (orientale) «5*.
7 Stempel uit 2 tegen elkaar liggende plaatjes gevormd. Stengel-
bladen zittend of kortgesteeld..........8
Stempel enkelvoudig, stomp, iets ingesneden of bij diepere insnijding met naar buiten gekromde slippen. Bloemkroon
wit of lila..................9
8 Plaatjes van den stempel verdikt. Bladen grijs.
Matthfola SSO. Plaatjes van den stempel vlak. Bladen groen.
Hésperis SSS.
9 Bladen met hartvormigen voet, gesteeld. Hauwen rondachtig
vierkant. Plant gewreven naar knoflook riekend.
Sisymbrium £55.
Bladen zonder hartvormigen voet..........10
10 Hauwen niet geleed...............li
Hauwen geleed, overdwars ingesnoerd, langwerpig. Stengelen
bladen met gesteelde klieren bezet . . Chorispóra *««.
11 Stengelbladen zittend. Kleppen der hauwen sterk 3-nervig.
Sisymbrium (Thalidnum) SSJf. Stengelbladen kortgesteeld. Kleppen der hauwen 1-nervig.
A'rabis «53.
1'i Hauwen openspringend. Bladen gevind, soms vindeelig . 13 Hauwen niet openspringend, 2-ledig of niet geleed. Bladen ruw behaard, liervormig. Gekweekt en verwilderd.
Raphanus £60.
13 Bloemen in de bladoksels, wit of iets geel. Hauw bijna zittend,
rolrond. Stengels liggend........Braya £5«.
Bloemen in eindelingsche trossen..........14
14 Hauwen kort. Zaden in ieder hokje 2-rijig(d.i. de 2 rijen zaden
in ieder hokje staan op zich zelf). Heimknoppen geel. Bloemkroon wit . . . Nasturtium (officinale) £5.1.
»4«
Cruciferen. *â #*
Hauwen lang. Zaden in ieder hokje 1-rijig (d.i. de 2 rijen zaden in ieder hokje vormen schijnbaar één rij). Helmknoppen geel of rood. Bloemkroon wit tot lila.
Cardamfne ltS4.
45 Alle bladen ongedeeld, gaafrandig tot bochtig getand . .16
Alleen de bovenste bladen ongedeeld........21
Bladen alle vinspletig tot gevind..........26
16 Bladen met hart- of pijlvormigen voet stengelomvattend.
Bloemkroon geelachtig-wit ..........⢠17
Stengelbladen met versmalden voet.........18
17 Hauwen tegen de bloemspil aangedrukt. Bladen aan den voet
diep pijlvormig, de onderste bochtig getand tot vinspletig,
kort ruw behaard.........Turritis «5».
Hauwen afstaand, vierkant. Bladen met hartvormigen voet, gaafrandig, onbehaard . . Erysimum (orientale) 9S7.
18 Stempel diep 2-lobbig, met naar buiten gekromde slippen.
Hauwen vierkant. Bladen lancetvormig, meest gaafrandig.
Cheiranthus »Sn. Stempel niet 2-lobbig..............19
19 Hauwen vierkant, ongesnaveld. Kleppen 1-nervig. Bladen
langwerpig-lancet- tot lijnvormig . . . Erysimum £50. Hauwen gesnaveld...............20
20 Hauwen rolrond. Kleppen met 3 sterke, rechte nerven. Kelk
horizontaal afstaand of rechtopstaand. Bladen eirond tot langwerpig, de onderste vaak bijna liervormig-vinspletig.
Sinapis ÃSS.
Hauwen samengedrukt vierkant. Kleppen 1-nervig. Bladen bochtig-getand tot vinspletig .... Diplotaxis »59.
21 Stengelbladen zittend, met hart- of pijlvormigen voet stengel-
omvattend ...............⢠. 22
Stengelbladen gesteeld of althans met versmalden voet, niet stengelomvattend...............23
22 Stengelbladen met pijlvormigen voet, grasgroen. Hauwenkort-
gesnaveld............Barbaréa ItSt.
Stengelbladen met hartvormigen voet, blauwgroen. Hauwen langgesnaveld...........Brassica SS7.
23 Onderste bladen liervormig, met groote eindslip .... 24 Onderste bladen niet liervormig, bochtig-getand tot vinspletig.
Hauwen samengedrukt-vierkant. Zaden in ieder hokje 2-rijig.
Diplotaxis »S9.
24 Hauwen niet geleed...............25
Cruciferen.
Hauwen overdwars ingesnoerd, geleed, langwerpig, veelstrepig. Kelk rechtopstaand. Bladen stijf behaard. Raphanus *60. 25 Kleppen der hauw met slechts 1 sterke nerf. Stengel kaal ot
iets behaard...........Brdssica tS7.
Kleppen der hauw met 3 sterke, rechte nerven. Kelk â¢horizontaal afstaand. Stengel kort borstelvormig behaard.
Sinapis *58.
26 Stengel en bladen kaal of bijna kaal.........27
Stengel, ten minste beneden, evenals de bladen behaard of
borstelig..................29
27 Zaden in ieder hokje in twee rijen.........28
Zaden in ieder hokje 1-rijig (d. i. de 2 rijen zaden in ieder hokje vormen schijnbaar slechts één rij.) Hauwen afgerond vierkant, gesnaveld. Kleppen 1-nervig. Bladen gevind.
Barbaréa HSt.
28 Vruchten rolrond, elliptisch tot lijnvormig, ongesnaveld. Klep
pen zonder nerven....... Nasturtium tSl.
Hauwen samengedrukt vierkant, lijnvormig, gesnaveld. Kleppen 1-nervig. Bladen vinspletig tot vindeelig.
Diplotaxis tS».
29 Tros beneden bebladerd. Hauwen samengedrukt vierkant, ge
snaveld. Bladen vindeelig, de onderste vaak gevind.
Erucistrum »5».
Tros niet bebladerd. Hauwen rolrond...... . .30
30 Stengel en bladen kort of ruw behaard. Bladen vindeelig of
2-3-voudig gevind. Hauwen niet of kortgesnaveld.
Sisymbrium tSJf.
Stengel, althans beneden, evenals de bladen borstelig. Bladen vinspletig tot gevind. Hauwen gesnaveld . Sinapis BStl.
31 Bloemkroon wit, roodachtig, lila of violet.......32
Bloemkroon geel, soms tot wit verbleekend . . . . . .45
32 Bloembladen gespleten ............ . . 33
Bloembladen niet gespleten............34
Klein biesachtig plantje met priemvormige bladen. Bloeit onder of boven water.........Subularia
33 Bladen over den geheelen stengel verdeeld. Meeldraden met
tandvormig aanhangsel aan den voet . . Farsétia 9BO, Bladen in een wortelroset. Meeldraden zonder aanhangsel.
Draba (verna)
34 Bloembladen ongelijk, de buitenste grooter......35
Bloembladen alle gelijk, soms iets ingesneden . . . . '. 36
«lt;C8
Cruciferen.
35 Bladen over den geheelen stengel verdeeld. Stengel vertakt.
Meeldraden zonder aanhangsel. Hauwtje eenzadig.
I'beris £04.
Bladen alle of op 1-2 na in een wortelroset. Stengel onver-lakt. De langere meeldraden aan den voet met een vliezig aanhangsel. Hokjes der hauwtjes 2-zadig.
Teesdalia £03.
36 Bovenste bladen hart- of pijlvormig-stengelomvattend... 37 Bovenste bladen niet hart- of pijlvormig-stengelomvattend . 39
37 Plant onbehaard................38
Plant min of meer behaard............43
38 Hauwtjes bijna bolrond, ongevleugeld. Wortelbladen rond,
niervormig of eirond, gesteeld . . Cochlearia ÃSI. Hauwtjes min of meer platgedrukt, vooral aan den top gevleugeld. Wortelbladen omgekeerd-eirond of langwerpig.
Thlaspi £0£.
39 Stengel rechtopstaand..............40
Stengel liggend. Bladen vindeelig. Hauwtjes niet openspringend .............Senebiéra £05.
40 Hauwtjes openspringend.............41
Hauwtjes 2-ledig, het bovenste lid zwaardvormig. Bladen kaal,
vleezig, vindeelig. Zeestrandplant . . . . Cakile £00.
41 Bladen met hartvormigen voet, ongedeeld, gesteeld. Hauw
tjes zeer groot, vlak. Bloemkroon lila of violet.
Lunaria £0O.
Bladen zonder hartvormigen voet en althans de middelste of onderste vinspletig. Bloemkroon wit ........ 42
42 Middelste bladen vinspletig. Hauwtjes bijna bolrond.
Cochlearia £0i.
Middelste en onderste bladen meest vinspletig tot dubbel gevind. Hauwtjes vlak..........Lepfdium £03.
43 Hokjes van het hauwtje eenzadig. Stengelbladen met pijlvor-
migen voet stengelomvattend.....Lepidium £03.
Hokjes van het hauwtje 2-meerzadig .........44
44 Hauwtjes elliptisch, aan den top niet ingesneden. Stengelbla
den met hartvormigen voet stengelomvattend.
Drdba (muralis) £0i. Hauwtjes driehoekig-omgekeerd-hartvormig. Stengelbladen met pijlvormigen voet stengelomvattend . . . Capsélla £03.
45 Bovenste bladen met hart- of pijlvormigen voet stengelom
vattend ...................46
K*9
Cruciferen.
Bovenste bladen niet pijlvormig..........50
46 Bovenste bladen met pijlvormigen voet stengelomvattend 47 Bovenste bladen met diep hartvormigen voet stengelomvattend.
Lepfdium (perfoliatum) üttS.
47 Kauwtjes openspringend, bolrond of peervormig, 2-hokkig.
Hokjes meerzadig. Bloemkroon lichtgeel. Camelina 2S2. Hauwtjes niet openspringend. Bloemkroon geel.....48
48 Planten kaal of verspreid behaard..........49
Planten ruw door vertakte haren. Hauwtjes bolrond, 1-hokkig,
1-zadig..............Néslea «««.
49 Hauwtjes samengedrukt peervormig, 3-hokkig, doch slechts
1-zadig. Onderste bladen bochtig vinspletig. Mfagrum »6«. Hauwtjes langwerpig, iets gevleugeld, hangend, â 1-hokkig, 1-zadig. Onderste bladen ongedeeld. . . . I'satis «65.
50 Bladen kaal, ongedeeld tot vinspletig. Hauwtjes bolvormig tot
elliptisch. Waterplant. Nasturtium (amph(bium) «51. Bladen niet kaal. Landplanten...........51
51 Bladen ongedeeld................S2
De onderste bladen vinspletig of liervormig, borstelig, stijf of
ruw behaard.................53
52 Bladen grijs- of witviltig, langwerpig tot omgekeerd-eirond.
Hauwtjes rondachtig of eirond . . . . A H ss u m 20O. Bladen stijf behaard, langwerpig tot lijnvormig, gaafrandig tot bochtig getand. Hauwtjes brilvormig . Biscutélla 803.
53 Hauwtjes 2-ledig, het onderste lid rolrond, het bovenste bol
vormig, in den stijl spits uitloopend. Bladen vinspletig of
liervormig...........Rapfstrum «««.
Hauwtjes 1-ledig, scheef-eirond. Onderste bladen liervormig, de middelste meest met spiesvormigen voet, langwerpig-lancetvormig, ruw behaard.......Bünias JSÃÃ.
i. Matthiola R. Br.
1 Steigel, evenals de lancetvormige, stompe bladen, grjjsviltig. Hauwen op even dikke stelen reclitop-afataand. Bloemkroon violet, lila, wit, bruinachtig, enz., vaak gevuld, welriekend. 0,30-0,45. ©. JuniâSeptr. Sierplant uit Z.-Europa.
Violier. Leukooi. t M. annua Sweet.
2. Cheiranthus L.
1 Bladen aangedrukt behaard, lancetvormig, spits, de bovenste naar voren breeder. Hauwen vlakgedrukt. Bloemkroon goudtot oranjegeel, bij de gekweekte plant bruingeel tot bijna purper, welriekend, soms gevuld. 0,30-0,70. 2).. Mei, Juni. Vrij zeldzaam, aan oude muren, ook veel als sierplant.
Muurbloem. C. Cheiri L.
BSO
Cr u ciferen.
3. Nastürtium R. Br. Waterkers.
Onbehaarde kruiden met bebladerden, vertakten stengel, meest
gedeelde bladen, veelbloemige trossen en korte hauwen of auwtjes .....................1edeelde bladen, veelbloemige trossen en korte hauwen of auwtjes .....................1
Bloemkroon wit, langer dan de kelk. Stengel kantig, hol, aan den voet kruipend, wortelend. Bladen gevind. Blaadjes eirond of eirond-langwerpig, zittend, het eindelingsche ge-steeld. Hauwen lijnvormig-langwerpig, meest sikkelvormig gekromd , even lang als de steel. Helmknopjes geel. 0,40-1,00. 2}-. MeiâSeptr. Algemeen, aan of in beken en slooten.
Gemeene W. N. officinale R. Br.
Bloemkroon geel................2
Bloemkroon langer dan de kelk, hooggeel......3
Bloemkroon even lang als of iets korter dan de kelk, bleekgeel. Hauwen langwerpig, iets gezwollen, omstreeks zoo lang als de steel. Stijl zeer kort. Bladen vinspletig, de onderste bijna liervormig vindeelig. Bladslippen langwerpig, getand. Stengel vertakt, rechtopstaand, opstijgend of liggend. 0,15-0,50. © en ©Q. JuniâSeptr. Aan of in beken en slooten, ook op vochtige gronden, niet zeer algemeen.
Wilde waterradijs. Moeras W. N. palustre D. C.
Bladen alle of althans de bovenste ongedeeld. Hauwen elliptisch of bolvormig, 2-3-maal zoo lang als de stijl, 3-4-maal zoo kort als de steel. Stengel beneden kruipend, wortelend, meest hol. Bladen langwerpig of lancetvormig, getand of gezaagd , zittend, de onderste gesteeld, vaak kam- of liervormig-vinspletig. 0,30-1,00. JuniâSeptr. Aan of in beken, slooten en vaarten en op moerassige plaatsen, algemeen.
Tweeslachtige W. N. amphibium R. Br.
Stengelbladen vinspletig tot gevind. Hauwen lijnvormig, omstreeks even lang als de steel. Bladen met langwerpig-lancetvormige of lijnvormige, getande tot vinspletige slippen of blaadjes, gesteeld, aan den voet geoord. Stengel zeer vertakt, uitgespreid. 0,15-0,50. 1|.. JuniâAugs. Algemeen, op bouwland, op vochtige muren en ruigten, langs wegen en dijken.......Akker W. N. sylvéstre R. Br.
4. Barbaréa R. Br. Winterkers.
Onbehaarde kruiden met rechtopstaanden, bebladerden stengel, gedeelde bladen, veelbloemige trossen, gele bloemen en kortge-sfceelde, lange, lijnvormige hauwen...........1
Cruciferen.
1 Vruchtstelen dunner; dan de rijpe hauwen. Bovenste bladen
hoekig getand of bijna vinspletig.........2
Vruchtstelen bijna zoo dik als de rijpe hauwen. Kroonbladen 2-tnaal zoo lang als de kelk. Bovenste bladen vindeelig, de onderste gevind...............4
2 Bloemkroon bijna dubbel zoo lang als de kelk (0,007-0,009),
goudgeel. Zijslippen der onderste bladen grooter, het bovenste paar even breed als de eindslip.......3
Bloemkroon '/s langer dan de kelk (0,005-0,006), lichtgeel. Top der kelkbladen penseelachtig behaard. Zijslippen der onderste bladen zeer klein, het bovenste paar korter dan de eindslip. Hauwen rechtopstaand. 0,(j0--l,00. ©Q. Mei, Juni. Vrij zeldzaam, in uiterwaarden, aan slooten, in vochtige bosschen.
Stijve W. B. striata Andrzj.
3 Bloemtrossen tijdens het opengaan ineengedrongen. Helmhokjes
aan den voet evenwijdig. Hauwen rechtopstaand op eenigs-zins afstaande steeltjes. Eindslip der onderste bladen rond-achtig-eirond, vaak aan den voet hartvormig. 0,30-0,60. ©G- Mei, Juni. Algemeen, aan slootkanten, rivieroevers en pp gras- en bouwland. (B. lyrata Aschs.)
Gewone W. B. vulgaris R. Br. Bloemtrossen tijdens het opengaan tamelijk ijl. Helmhokjes aan den voet uiteenwijkend. Hauwen op horizontale stelen boogvormig naar boven gekromd, langer dan bij de vorige soort (0,03). Eindslip der onderste bladen ei-ruitvormig. 0,30-1,00. ©©. Mei, Juni.' Zeldzaam.
Gebogen W. B. arcudta Rchb.
4 Onderste bladen 8--10-parig gevind, met rondachtige zijblaadjes
en een grooter, rond topblaadje, de bovenste met lijnvormige zijslippen en langwerpig-lijnvormige eindslip. Hauwen 0,04-0,07 lang, boogvormig opstijgend. Bloemkroon lichtgeel. OjiO-OydB. ©©. April, Mei. Zeer zeldzaam, op vochtigen gras- en bouwgrond . . Vroege W. B. praécox R. Br.
Onderste bladen S-S-parig gevind, de bovenste met Ignvormige, gaafrandige zij slippen en Itjn-langwerpige eindslip. Hauwen 0,02-0,08 lang, rechtop- of iets afstaand. Bloeoikroon lichtgeel. 0,30-0,60. OO- April, Mei. Misschien voorkomend.
Middelste W. B. intermedia Bor.
5. Turritis Dill.
i Stengel stijf rechtopstaand, meest on vertakt, beneden, evenals de tijdens den bloeitijd vaak ontbrekende wortelbladen, door vertakte haren ruw. Stengelbladen grijsgroen, eirond-lancet-
»SM
Cruciferen.
vormig, gaafrandig, met diep hart-pijlvormigen voet stengel-omvattend. Hauwen rechtopstaand, aangedrukt. Bloemkroon geelachtig-wit. 0,50-1,25. ©Q. Juni, Juli. Vrij zeldzaam, in bosschen en op steenachtige plaatsen.
Torenkruid. T. glabra L.
6. A'rabis L. Scheefkelk.
Behaarde, zelden onbehaarde kruiden met rechtopstaanden, zeldzaam opstijgenden, bebladerden stengel, witte bloemen en lijnvormige , rechte hauwen...............' 1
Stengelbladen met hart- of hart-pijlvormigen voet, stengelom-vattend. Bladen en stengel min of meer behaard. Bloemen wit....................2
Stengelbladen kortgesteeld. Stengel vertakt, uitgespreid, ruw behaard. De wortelbladen en de onderste stengelbladen liervormig-vinspletig, met 4-9 lobbetjes aan weerszijden, de bovenste langwerpig-lancetvormig, getand tot gaafrandig. Hauwen bijna vlak. Bloemkroon wit of lila. 0,15-0,45. ©Q. Juni, Juli. Zeldzaam, langs de rivieren.
Zand S, A. arenósa Scop.
Met niet-bloeiende beblatlerde takken. Stengel en bladen met gaffelvormige haren. Bladen bochtig getand, de wortelatandige langwerpig-omgekeerd-eirond, in den steel versmald. Bloemen 0,008-0,01. Kroonbladen afstaand, langwerpig-omgekeerd-eirond, wit. 0,10-0,25. 2(.. JuniâAugs. Alleen te Leiden op muren van den Hortus gevonden en waarschgnlgk van daar ontvlucht.
Alpen S. A. alpina L.
Zonder niet-bloeiende, bebladerde takken. Bloemen 0,004-0,006 groot. Kroonbladen rechtopstaand, lijn-wigvormig ... 3
Stengel evenals de bladen door aangedrukte, meest gegaffelde haren ruw, stijf rechtopstaand, meest onvertakt, dichtbebla-derd. Stengelbladen met diep hart-pijlvormigen voet zittend, met recht naar beneden gerichte, tegen den stengel liggende oortjes. Zaden netvormig, van puntjes voorzien. 0,40-0,60. 2)- en ©©. Mei, Juni. Zeldzaam, op muren.
Aangedrukte S. A. Gerérdi Bess.
Stengel en bladen met meest enkelvoudige haren, meest dicht afstaand behaard, alleen naar boven bijna kaal, tamelijk dicht bebladerd. Stengelbladen met bijna afgeknotten of hartvormigen voet met afstaande oortjes.......4
Stengel vooral beneden door afstaande haren ruw. Bladen behaard, de stengelbladen verwijderd, langwerpig-eirond, aan den voet met afgeknotte oortjes of hartvormig, zittend, de wortelstandige langwerpig-omgekeerd-eirond, in een blad-
»S3
Cru cif er en.
steel versmald. Bloemkroon wit. 0,30-0,50. 21- en O©. Mei, Juni. Algemeen, op grazigen, beschaduwden zandgrond, in de duinen, op muren, in bosschen.
Turrenkruid. Ruige S. A. hirsüta Scop. Stengel beneden met afstaande en naar beneden ^cnchte haren zwak ruw behaard. Hauwen zeer vlak en breed. Stengelbladen met diep hart-pijlvormigen voet zittend, overigens als de vorige soort. 0,30-0,70. ©O en 2|.. Mei, Juni. Zeldzaam, in de duinen en in Limburg . . Pijl S. A. sagittamp;ta D. C.
7. Cardamine L. Veld kers.
Onbehaarde, zelden iets behaarde kruiden metbebladerdenstengel, lila of witte bloemen en rechtopstaande, rechte, lijnvormige hauwen. 1
1 Kroonbladen klein (0,003-0,005 lang), dubbel zoo lang als de
kelk, rechtopstaand, wigvormig-langwerpig, wit .... 2 Kroonbladen vrij groot (0,007-0,015 lang), 2-3-maal zoo lang als de kelk.................3
2 Meest meer stengels, ieder l^bladig. Wortelbladen in een
roset. Meeldraden meest 4. Hauwen op rechtopstaande stelen, rechtopstaand, ver boven de bloemen uitstekend. Stijl korter dan de breedte der hauw., 0,07-0,20. ©©. AprilâJuni. Zeer algemeen, in de duinen en op bebouwde en open zandgronden . . . . R u i g e V. C. hirsüta L. Meest een stengel, rijk bebladerd. Meeldraden meest 6. Hauwen rechtopstaand op afstaande stelen, weinig of niet boven de bloemen uitstekend. Stijl even lang als de breedte der hauw. 0,10-0,40. ©0. April, Mei, soms Juli, Augs. weer. Vrij algemeen, op vochtige, beschaduwde plaatsen.
Bosch V. C. sylvética Lk.
3 Stengel rond, hol, meest kaal. Blaadjes der stengelbladen
4-6-parig, zittend, lijnvormig of langwerpig, gaafrandig. Helmknopjes geel. Stijl kort, stomp. Bloemkroon lila tot wit. 0,15-0,45. 2\.. AprilâJuni. Zeer algemeen, op grasland, op vochtige plaatsen en langs waterkanten.
Koekoeksbloem. Kievitsbloem. Engeltjes. Waterviool.
Pinksterbloem. C. praténsis L. Stengel kantig, gevuld, beneden evenals de bladen behaard. Blaadjes der stengelbladen 3- of 4-parig, rond-eirond tot langwerpig, hoekig getand. Helmknopjes violet. Stijl lang, spits. Bloemkroon wit. Scherpe smaak. 0,20-0,40. 2|-. Mei, Juni. Zeldzaam, op beschaduwde , moerassige plaatsen.
Bittere V. C. amamp;ra L.
»5«
Cruciferen.
8. Hésperis L. Nacht viool.
Bladen eirond tot lancet vorm ip, toegespitst, getand, de onderste gesteeld, de bovenste bgna zittend. Kroonbladen omgekeerd-eirond, zeer stomp, meest met een spitsje. Hauwen tamelijk rolrond. Bloemkroon purper of lila, zelden wit, welriekend. 0,40-1,00. ©O en Q|.. MeiâJuli. Gekweekt in tuinen, enkele malen in't wild.
Damaslhloem. Gewone N. t H. matrónalis L.
Onderste bladen gesteeld, spatelvormig, gelobd, de bovenste langwerpig-lancetvormig» zittend, iets getand. Kroonbladen spatelvormig. Bloemkroon paars. 0,10-0,80. Van de kustlanden der Middellandsclie Zee. Alleen by Deventer gevonden.
Tweepuntige N. H. bicuspidata Willd.
9. Sisymbrium L. Raket.
Behaarde, zelden iets behaarde, vaak onaangenaam riekende kruiden met meestal rechtopstaanden, bebladerden stengel en witte of gele, meest kleine bloemen..........4
Bloemkroon wit. Bladen niet ingesneden ....... 2
Bloemkroon geel. Bladen ingesneden........3
Bladen eirond tot langwerpig-lancetvormig, gewimperd, de onderste in een roset. Stengel armbladig, beneden ruw behaard. Hauwen opgericht, op draadvormige, wijd uitstaande stelen, zijdelings samengedrukt. 0,07-0,30. 0. April, Mei én Herfst. Vrij algemeen, op open en bebouwden zandgrond.
Zand R. S. Thaliamp;num Gay et Monn.
Bladen hartvormig, bochtig getand, de onderste niervormig grof gekarteld, langgesteeld. Hauwen aan korte, afstaande stelen tamelijk rechtopstaand. Bladen gewreven naar knoflook riekend. 0,30-1,00. ©Q. Mei, Juni. Algemeen, in zandige streken, tusschen hakhout en langs heggen. (Alliaria officinalis Andrzj.) Look zonder look. S. AUiéxia Scop.
Bladen vinspletig of -deelig, hoogstens eenmaal gevind . . 4
Bladen 2-3-voudig gevind, met lijnvormige slippen, evenals de stengel kortbehaard, zelden bijna kaal. Hauwen dun, opstijgend op afstaande stelen. Bloemkroon bleekgeel, zeer klein. 0,30-1,00. ©. MeiâSeptr. Vrij algemeen, in zandige streken , langs akkers en dijken en op ruigten.
Vuurkruid. Sophiekruid. Fiekruid.
Fijnbladige R. S. Sophia L..
Hauwen naar den top versmald (priemvormig), kortgesteeld, tegen den stengel gedrukt. Bladen met langwerpige, getande zijslippen en spiesvormige eindslip, evenals de stengel kort behaard. Bloemkroon bleekgeel, klein. 0,30-0,60. ©⢠Meiâ Octr. Zeer algemeen, op onbebouwde plaatsen, langs wegen en heggen.......Steen R. S. officinale Scop..
Hauwen overal dik, min of meer afstaand......5-
BSS
Cruciferen.
5 Bloemstelen slank, dun (dunner dan de hauwen). Bladslippen
zonder oortjes................7
Bloemstelen kort, dik (bijna zoo dik als de hauwen). Hauwen in de richting der bloemstelen afstaand. Bladslippen getand, aan den onderrand met een opgericht oortje.....6
6 Kelk ver afstaand. Bovenste bladen gevind met smal-lijnvor-
mige blaadjes. Stengel beneden, evenals de onderste bladen ruw behaard, boven kaal, vaak berijpt. Bloemkroon geel-achtig-wit. 0,40-0,60. OO- Mei, Juni. Zeldzaam, opruigen zandgrond . . Hongaarsche R. S. pannónicum Jacq.
Kelk rechtopstaand, gesloten. Bladslippen der bovenste bladen lancetvormig, de eindelingsche verlengd spiesvormig. Stengel, althans aan den voet, evenals de onderste bladen kort behaard. Bloemen bleekgeel. 0,30-1,00. ©Q. Juni, Juli. Zeldzaam , op onbebouwde plaatsen.
Columna's R. S. Colümnae L.
7 Hauwen, als zij rijp zijn, 2-4-maal zoo lang als hun steel,
de jonge niet boven de bloeiwijze uitstekend, boogvormig naar boven gekromd. Stengel en onderste bladen ruw behaard. Bladslippen getand, langwerpig, die der bovenste bladen lancetvormig, de eindslip spiesvormig. Bloemkroon goudgeel. 0,30-0,60. © en ©©. MeiâSeptr. Zeer zeldzaam , op onbebouwde plaatsen, langs de rivieren.
Loesel's R. S. Loesélii L.
Hauwen, als zij rijp zijn, 5-8-maal zoo lang als hun steel, afstaand, de jonge ver boven de bloeiwijze uitstekend. Stengel en bladen onbehaard of bijna onbehaard. Slippen der bladen getand of gaafrandig, langwerpig of eirond-lancetvonnig, de eindslip vaak spiesvormig, drielobbig. Bloemkroon dooiergeel, klein. 0,15-0,60. © en ©©. JuniâAugs. Zeldzaam, doch op sommige plaatsen veel.
Breedbladige R. S. l'rio L.
io. Braya Sternb. et Hoppe.
1 Stengels liggend. Bladen bochtig vinspletig tot vindeelig, kort en stijf behaard, donkergroen. Bloemen okselstandig, wit, zeer klein. 0,05-0,25. 2J.. Juli, Augs. Een paar maal op vochtige plaatsen aan zandige of steenachtige rivieroevers gevonden..............Hauwkers. B. supina Koch.
11. Erysimum L. Steenraket.
Behaarde kruiden met rechtopstaanden, vertakten, sterk bebla-derden stengel, meestal spitse, aan den voet versmalde bladen, meestal groote, gele bloemen en lijnvormige hauwen . . . 1
Mse
Cruciferen.
Stengelbladen diep hartvormig, stengelom vattend. Kroonbladen rechtopstaand. Bladen kaal, blauw berijpt, gaafrandig, de onderste omgekeerd-eirond, kortgesteeld. Hauwen afstaand, vierkant, vele malen langer dan de dikke stelen. Bloemkroon geelachtig wit of wit. 0,15-0,50. 0. WeiâJuli. Op verschillende plaatsen, in bouw- en moesland.
Witachtige S. E. orient^le R. Br.
Stengelbladen aan den voet versmald. Kroonbladen uitgespreid. 2
Bloemsteeltjes 2-3-maal zoo lang als de kelk. Plaat der kroonbladen rond. Bladen langwerpig-lancetvormig, getand of gaafrandig. Hauwen groen, bijna kaal, afstaand, dubbel zoo lang als de steel. Bloemkroon goudgeel. 0,30-0,60. ©. Juniâ Septr. Vrij algemeen, op zandig bouwland, langs wegen en dijken. Groote wilde kers. Kleine knop kiek. Wilde dragon.
Violierachtige S. E. Cheiranthoides L.
Bloemsteeltjes omstreeks even lang als de kelk. Plaat der kroonbladen wigvormig in den nagel versmald, 0,002-0,004 breed. Hauwen vele malen langer dan hun steel ... 3
bloemsteeltjes omstreeks half zoolang al» de kelk. Hauwen samengedrukt, stomp vierkant. Bladen iets ruw door meestal aangedrukte 2-arniige (schynbaar enkelvoudige) haren. Hauwen op horizontaal afstaande stelen recht of naar hoven gekromd. Bladen lijnvormig-laugwerpig, toegespitst. Bloemkroon citroengeel. 0,10-0,30. ©. MeiâJuli. Op een paar plaatsen gevonden.
Uitgespreide S. E. repandum L.
Bladen zonder onvruchtbare takjes in de bladoksels. Hauwen grijsgroen, rechtopstaand............4
Bladen met onvruchtbare takjes in de bladoksels. Hauwen grjjs, met kale groene kanten, afstaand. Bladen Ign-lancetvormig, gaafrandig of iets getand, aan den top meest teruggebogen, door bgna uitsluitend enkelvoudige haren iets ruw. Zaden ongevleugeld. Bloemkroon lichtgeel. 0,30-1,00. OO» MeiâJuli. Alleen b\j Deventer gevonden.......Grijsachtige S. E. canéscens Roth.
Bladen gaafrandig, grasgroen, l\jn-lancetvormig, de wortelstandige lancetvormig, lang in den bladsteel versmald. Bloemkroon zwavelgeel. Hauwen rechtopstaand, tegen den stengel gedrukt. 0,30-1,00. ©©. Juni', Juli. Vroeger een enkele maal bjj Kuilenburg gevonden Roedevormende S. E. virgatum Roth.
Bladen getand, grasgroen, lancetvormig, de wortelstandige lancetvormig-langwerpig, bijna spatelvormig, in den korten bladsteel versmald. Zaden gevleugeld. Bloemkroon goudgeel. 0,30-1,20. ©O en 2|.. Juni, Juli. Zeldzaam, op bouwland en ruige plaatsen. (E. strictum Fl. Wett.)
S t ij v e S. E. hieracifólium L.
12. Brassica L. Kool.
Kruiden met rechtopstaanden stengel, meestal liervormig vindee-deelige wortelbladen, vrij groote, gele bloemen en langgesnavelde
hauwen, in lange, losse trossen . ...........1
heukels, Schoolflora. 8quot; druk. 17
»S9
Cruciferen.
1 Bladen alle gesteeld. Hauwen tegen den stengel aangedrukt.
Bladen grasgroen, de bovenste lancetvormig, gaafrandig. Kelkbladen ten laatste horizontaal afstaand. Bloemkroon goudgeel. 0,60-1,20. ©. JuniâAugs. Algemeen, langs dijken en wegen, in bouwland, op ruigten, ook gekweekt.
Zwarte mosterd. B. nigra Koch. Bovenste bladen zittend. Hauwen min of meer afstaand, 0,06 0,10 lang................2
2 Kelkbladen rechtopstaand (aanliggend tegen de kroonbladen). Alle meeldraden recht
opstaand. Tros gl, reeds voor het opengaan verlengd. (Knoppen boven de open bloemen uitstekend.) Bloemkroon lichtgeel. Zaden glad. 0,60-1,20. ©Q. Mei, Jnni. O- JuliâSeptr. In vele vormen gekweekt, zelden verwilderd.
f B. oleracea L.
Vormen:
1. Stengel aan den voet knolvormig verdikt: Koolraap boven den gron^*
2. Stengel verkort. Bladen gewelfd en tot een dichten kop vereenigd, w^
(Witte kool) of rood (RoodekooK
3. Stengel iets verlengd. Bladen opgeblazen en gekroesd tot een lossen kop
vereenigd: Savoyekool.
4. Stengel verlengd met opgeblazen bladen en half gesloten eind- en vele
zvjknopjes: Spruitjes Spruitkool.
5. Stengel verlengd. Bladen niet tot een kop gesloten, vinspletig of vindeelig,
bochtig, vlak of gekroesd: Boerenkool.
6. Bovenste bladen en bloemstelen tot een witte, vleezige massa verdikt:
Bloemkool.
Kelkbladen afstaand. Kortere meeldraden afstaand. Zaden met groefjes en puntjes.............3
'i Bloemtrossen tgdens het opengaan der bloemen vlak (de geopende bloemen boven de nog niet geopende knoppen uitstekend). Kelk ten laatste horizontaal uitstaand. Hauwen rechtopstaand Onderste bladen grasgroen, aan weerszijden iets behaard, de bovenste blauwgroen, eirond, diep hartvormig stengelom vattend. Bloemkroon
goudgeel. 0,80-0,80. Gekweekt en verwilderd....... t B. Rapa L.
Vormen:
1. Wortel dun. (â¢). Juli, Augs.: Zomerraapzaad.
2. Wortel dun. OO- April, Mei: Winterraapzaad.
3. Wortel verdikt, vleezig. ©O- April, Mei: Raap, Knol.
Bloemtrossen yl, reeds tjjdens het opengaan der bloemen verlengd (knoppen boven
de geopende bloemen staand). Kelk ten laatste schuin afstaand. Hauwen afstaand. Bladen alle blauwgroen, kaal of de onderste iets behaard, de bovenste langwerpig, met een verbreeden hartvormigen voet stengelomvattend. Bloemkroon goudgeel.
0,60-1,20. Gekweekt en verwilderd...............f B. Napus L.
Vormen:
1. Wortel dun. (j). Juli, Augs.: Zomerkoolzaad.
2. Wortel dun. ©© April, Mei: Winterkoolzaad.
3. Wortel en stengelvoet knolvormig verdikt, vleezig. OO- Mei: Koolraap
onder den grond.
Bg Deventer is gevonden Brassica armoracioides Czern: Bladen bochtig vindeelig met langwerpige slippen, de bovenste langwerpig-lynvormig, gaafrandig. Tros verlengd, beneden niet bebladerd. Kelk wat afstaand. Bloemkroon geel. © of Qj.. 0,60-0,90. JuniâSeptr.
13. Sindpis Trn. Mosterd.
Stijf behaarde of naar boven kale kruiden met rechtopstaanden, vertakten, bebladerden stengel en gele bloemen. Kelk meest horizontaal afstaand. Hauwen rolrond.........1
Cruciferen. £59
Kelk horizontaal afstaand. Hauwen rolrond, knobbelig . . 2
Kelk rechtopstaand. Plant onbehaard. Wortelbladen ei-lancetvorruig, grofgezaagd, de bovenste lancetvormig, gaafrandig. Hauwen rechtopstaand met priemvormigen snavel. 0. In Egypte en Arabië als oliezaad gekweekt. Alleen by Deventer gevonden.............Biesachtige M. S jüncea L.
Bladen eirond, ongelijk bochtig getand, de onderste soms bijna liervormig, aan den voet meest geoord. Hauwen aan weerszijden 3-nervig, kaal of soms stijf behaard. Snavel 2-4-kantig, recht, meest korter dan de hauw. Zaden glad, zwart. Bloemkroon goudgeel. 0,30-0,80. ©. Juni, Juli. Menigvuldig, op bouwland, langs wegen en dijken.
Gele kiek. Gele merk. Robert. Herik.
Krodde. S. arvénsis L.
Bladen vindeelig, met ongelgk getande slippen. Hauwen aan weerszqden 5-nervig, st\jf behaard. Snavel samengedrukt, gebogen, minstens even iang als de hauw. Zaden geel of bruin, gegroefd. Bloemkroon geel. 0,;ï0-0,50. O Jun?, Juli. Gekweekt en verwilderd...........Witte M. S alba L.
14. Erucastrum Presl.
Bloemen bleekgeel, de onderste in de oksels van schutbladen. Kelk bijna opstaand. Hauwen schuin-afstaand. Stengel en bladen kort behaard. 0,30-0,60. © en GQ- MeiâOctr. Vrij menigvuldig, langs rivieren, op zandgrond.
Schijnraket. E. PolHchü Sch. et Sp.
15. Diplotéxis D. C. Mosterdzaad.
Kruiden met meestal alleen beneden bebladerden stengel, arm-bloemige trossen, gele bloemen en langgesteelde, breed-lijn-vormige, gesnavelde hauwen in lange trossen.......1
Stengel aan den voet half struikvormig, bebladerd. Bladen vinspletig, met lijnvormige slippen. Bloemstelen 2-a 3-maal zoolang als de bloem. Kroonbladen rond-omgekeerd-eirond, in een korten nagel versmald. Hauwen boven de invoeging van den kelk kortgesteeld. Bloemkroon citroengeel, bij het verwelken bruinachtig, welriekend. 0,30-0,60. 2)-. Juniâ Herfst. Op onbebouwden zandgrond, b.v. langs vele spoorwegen, op oude muren en op sommige grazige plaatsen, vrij algemeen.
Wilde raket. Wild M. D. tenuïfólia D. C.
Stengel alleen aan den voet bebladerd, kruidachtig. Hauw boven de invoeging van den kelk niet gesteeld. Bladen
bochtig getand tot vinspletig...........2
17»
Crucifer en.
2 Kroonbladen rond-omgekeerd eirond, in een korten nagel versmald. Bloemstelen even lang als of langer dan de bloemen. Bloemkroon citroengeel, welriekend, na den bloeitijd bruinachtig. 0,15-0,60. ©â2J.. JuniâHerfst. Niet algemeen, op muren en steenachtige gronden, ook in uiterwaarden.
Muur M. D. murélis D. C.
Kroonbladen langwerpig-omgekeerd-eirond, wigvormig, geleidelijk in den nagel versmald. Bloemstelen korter dan de pas geopende bloemen. Bloemkroon als bij de vorige soort. 0,15-0,25. ©. Juni, Juli. Zeldzaam, op bebouwde plaatsen.
Roedevormige M. D. viminea D. C.
16. Alyssum L. Scbildzaad.
Behaarde, grijsviltige kruiden met bebladerden stengel, gaafrandige bladen en kleine, gele, zelden witte bloemen in dichte trossen. 1
1 Bloemkroon lichtgeel, tot wit verbleekend.......2
Bloemkroon geel. Hanwtjes behaard. Langere meeldraden gevleugeld, de kortere aan den voet met een vleugelvormig aanhangsel. Bloembladen tweemaal zoo lang als de kelk, circa 0,005 lang. Tros eindelings, verlengd. Kauwtjes evenals de bladen grys door sterharen, met 2-zadige hokjes. 0,10-0,25. Q. MaartâMei, in den herfst vaak weer. Een paar malen gevonden.
Berg S. A. montanum L.
2 Kelk blijvend. Meeldraden ongevleugeld, de kortere aan weers
zijden aan den voet met een tand. Bladen omgekeerd-eirond tot lancetvormig, evenals de takken en hauwtjes door stervormige haren grijs. 0,05-0,25. ©. MeiâAugs. Op hoogen, weinig begroeiden zandgrond en daar soms veel.
Kelk S. A. calycinum L.
Kelk tgdens den vruchttgd afvallend. Kortere meeldraden, aan den voet met een vleugelvormig aanhangsel, langere meeldraden smal gevleugeld. Hauwtjes kort-behaard. 0,08-0,25. Mei, Juni. ©. Bg Deventer, Utrecht en Arnhem gevonden.
Veld S. A. campéstre L.
17. Farsétia R. Br.
1 Stengel evenals de bladen en hauwtjes door stervormige haren grijs behaard. Bladen lancetvormig, spits. Kroonbladen 2-spletig, wit. Langere meeldraden aan den voet gevleugeld, de kortere getand. Hauwtjes elliptisch. 0,25-0,45. ©Q. JuniâSeptr. Vrij algemeen, op akkers, langs dijken en wegen......Knoflookkruid. F. incèna R. Br.
*«»
18. Lunari» Trn.
1 Hauwtjes rond tot elliptisch. Zaden hartvormig, even breed als lang. Kroon violet, reukeloos. 0,30-1,00. OO. Mei, Juni. Sierplant uit West-Europa, ook een enkele maal verwilderd......Judaspenning. fL. biénnis Mnch.
.Cruciferen.
19. Dréba L#. Vroege ling.
Kleine kruiden met rechtopstaanden stengel, terwijl de wortelbladen een roset vormen . ..............1
1 Kroonbladen wit, klein, gaaf of iets ingesneden. Stengel bebladerd. Wortelbladen spatelvormig, kortgesteeld. Stengelbladen zittend, rondachtig-eirond, stengelom-vattend, getand. Bloemstelen dubbel zoo lang als de hauwtjes. Hauwtjes kaal. Vruchtstelen ten slotte horizontaal afstaand. 0,15-0,30. O©. April, Mei. Slechts een paar malen gevonden..........Muur V. D. muralis L.
Kroonbladen wit, '2-spletig. Stengel bladloos, kaal. Bladen in een wortelroset, lancetvormig, spits, gaafrandig of getand, met versmalden voet. Vruchtstelen meest schuin afstaand. 0,01-0,10. 0 en ©Q. MaartâMei. Menigvuldig, op zandige gronden......Voorjaars V. D. vérna L.
20. Cochlearia Tm. Lepelblad.
Onbehaarde kruiden met gesteelde wortel- en zittende of kort-gesteelde stengelbladen en witte bloemen ........i
1 Hauwtjes zonder middelnerf. Plant 0,50-1,25 hoog. Onbehaard.
Wortelbladen zeer groot, langwerpig, gekarteld, onderste stengelbladen vinspletig, de bovenste eirond-lancetvonnig tot lijnvormig, stomp, met versmalden voet zittend. Bloemkroon wit. 2).. Juni, Juli. Niet zeldzaam, aan het zeestrand en dijken, ook gekweekt. (Armoricia rusticana Fl. Wett.)
Meer radijs. Peperwortel. Mierik. C. ArmorAcia L. Hauwtjes met een middelnerf op de kleppen. Planten 0,10-0,40 hoog....................2
2 Bovenste bladen met diep hartvormigen voet stengelomvattend. 3 Bladen bijna alle duidelijk gesteeld, de onderste hartvormig,
hoekig, de middelste 3- of 5-lobbig, de bovenste eirond-lancetvormig, kortgesteeld. Bloemkroon wit. 0,10-0,20. O©. Mei, Juni. Niet zeldzaam, langs het strand.
Deensch L. C. dè.nica L.
3 Onderste bladen gesteeld, breed-eirond, de middelste eirond,
stomp getand. Hauwtjes bijna bolrond. Bloemkroon wit. 0,15-0,40. ©© en 2J.. Mei, Juni. Niet zeldzaam, langs het strand, ook soms binnenslands.
G e w o o n L. C. officinalis L. Onderste bladen eirond of eirond-langwerpig, met afgeronden voet of in den bladsteel overgaand, de middelste langwerpig, getand of gaafrandig. Hauwtjes zijdelings samengedrukt, grooter. Bloemkroon wit. 0,10-0,20. ©©. Mei, Juni. Vindplaatsen als de vorige, vrij zeldzaam.
Engelsch L. C. anglica L.
itei
Crsciferen.
21. Camelina Crntz. Huttentut. Vlas dodder. Karmil.
Deder. Gekkenzaad.
Kruiden met langwerpige of lancetvormige, aan den voet pijlvormige bladen en kleine, lichtgele bloemen. Oe onderste bladen ge-steeld, soms vinspletig, de andere met pijlvormigen voet zittend. 1
1 Stengelbladen langwerpig-lancetvormig of lancetvormig, gaaf-
randig of getand. Hauwtjes boven afgerond, reeds vroeg
hard van schil................2
Stengelbladen lijnvormig-langwerpig, naar den pijlvormigen voet versmald, ctaar boven weer verbreed, meest bochtig getand tot bijna vinspletig. Vruchttros kort. Hauwtjes boven afgeknot of iets ingesneden, bol- of peervormig, 4-5-maal zoo lang als de stijl, lang dunschalig blijvend. Bloemkroon lichtgeel. 0,30-0,80. ©. Juni, Juli. Tusschen het vlas.
Getande H. C. dentamp;ta Pers.
2 Plant tamelijk kaal. Vruchttrossen vele, tamelijk verlengd.
Hauwtjes omgekeerd-eirond, 3- i 4-maal zoo lang als de stijl. Kleppen sterk gewelfd. Bloemkroon geel. 0,30-0,60- ©â MeiâJuli. Tusschen het vlas en ook gekweekt als zomer-oliezaad.........Gewone H. C. sativa Fr.
Plant ruw behaard. Vruchttrossen een of weinige, meestal zeer verlengd. Hauwtjes kleiner, omgekeerd eirond-peervormig, 2- a 3-maal zoo lang als de styl. Kleppen minder gewelfd met een dikkere schil. Bloemkroon lichtgeel. 0,30-0,60. O- MeiâJuli. Op verschilleode ruige plaatsen gevonden.
K leinvruchtige H. C. microcarpa Andrzj.
22. Subularia L.
1 Bladen alleen wortelstandig, priemvormig. Bloemen in arm-bloemige, losse trossen. 0,02-0,08. ©. Juni, Juli. In vijvers en meren met zandigen bodem.
Priemkruid. S. aquamp;tica L.
28. Thlaspi L. Boerenkers.
Meestal kale kruiden met bebladerden stengel, meest gaafrandige bladen en gevleugelde hauwtjes. Stengelbladen met hart- of pijlvormigen voet zittend...............1
1 Stijl even ang als of langer dan de insnijding van het hauwtje.
Helmknoppen eerst geel, later rood of violet.....2
Stijl zeer kort, veel korter dan de insnijding van het hauwtje. 3
2 Helmknoppen boven de bloem uitstekend. Stengelbladen met hart-pglvormigen roet.
Kroonbladen meest weinig langer dan de kelk, wit, ten laatste roodachtig. Hauwtjes wigvormig-omgekeerd-hartvorraig, met 4-(8-)zadige hokjes. 0,07-0,30. 2|.. April, Mei. In Limburg en bg Werkendam gevonden.
Alpen B. T. alpéslre L.
»«»
Oruciferen. S03
it:
Helmknoppen niet boven de bloem uitstekend Kroonbladen veel langer dan de kelk. Verder als de vorige. In Z.-Liniburg vrg vaak gevonden.
Zink U. T. calaminare LeJ.
Kauwtjes groot (0,015-0,018 breed), bijna cirkelrond, breed gevleugeld, met omstreeks 6-zadige hokjes. Zaden rimpelig. Bovenste bladen kort pijlvormig, langwerpig, meest bochtig getand. Plant geelgroen. Bloemkroon wit. 0,10-0,40. © en ©Q. MeiâOctr. Algemeen, op bebouwden zandgrond, ook aan dijken en wegen.
Witte kiek. Witte krodde. Witte mosterd. Witte merk.
Taschjeskruid. Visselkruid. Gemeene B. T. arvénse L.
Kauwtjes kleiner, wigvorraig-omgekeerd-hartvorraig, alleen naar boven gevleugeld, met omstreeks 4-zadige hokjes. Zaden glad. Bovenste bladen diep pglvormig-eirond, gaafrandig of iets getand. Plant blauwgroen. Bloemkroon wit. 0,07-0,3°-OOen ©. April, Mei. Een enkele maal in Z.-Limburg gevonden.
Doorgewassen B. T. perioliatum L.
24. Teesdalia R. Br.
Bladen in een wortelroset, liervormig-vinspletig, met stompe eindslip, zeldzaam ongedeeld. Stijl zeer kort. Bloemkroon wit, klein. 0,05-0,15. O©, zelden ©. AprilâJuli. Vrij menigvuldig, op zandgrond, die weinig begroeid is.
Klein taschjeskruid. T. nudicaülis R. Br.
25. I'beris L. Scheefbloem
Meestal onbehaarde kruiden met bebladerden stengel en stralende bloemen.....................1
Kauwtjes bijna cirkelrond, iets ingesneden. Bladen wigvormig-langwerpig, stomp, aan weerszijden met 2-3 stompe tanden. Bloeiwijze los, trosvormig. Bloemkroon wit, zelden bleek-violet. 0,07-0,20. ©. JuniâAugs. Vrij zeldzaam, sp zandig bouwland. Ook als sierplant . . Witte S. I. amamp;ra L.
Kauwtjes 2-spletig. Bladen lancetvormig, spits, gaafrandig, de onderste zwak getand. Bloeiwjjze scherm-trosvormig. Bloemkroon lichtpurper. 0,15-0,30. o. JuniâAugs. Ala sierplant gekweekt en soms verwilderd. Uit Z.-Europa.
Schermbloemige S. I. umbellata L.
26. Biscutélla L
Stengel beneden, evenals de bladen stgfbehaard. Wortelbladen wigvormig-lang-werpig, in den bladsteel versmald, de bovenste langwerpig-lancet-tot lijnvormig, zittend. Bloemkroon lichtgeel. 0,10â0,30. 0. Mei, Juni. Uit Z.-Europa. Alleen bq Deventer gevonden.........Brilkruid. B. apula L.
27. Lepidium L. Kmidkers.
Meestal kruiden met rechtopstaanden, bebladerden stengel en kleine bloemen..................1
Cru cif eren.
1 Plant blauwgroen, onbehaard, met vruchten van meer dan 0,005 breedte en recht
opstaande stelen, die tegen de as van den tros aangedrukt zgn. Vruchten ingesneden en gevleugeld. Onderste bladen vindeelig, de middelste 3-deelig, de bovenste ongedeeld, lynvormig. Bloemkroon wit. 0,30-0,60. ©⢠Gekweekt en vrg zelden verwilderd......Bitter kers. SterJcJcers. Tu inkers, f L. tativum'L.
Plant niet blauwgroen en onbehaard. Hauwtjes niet tegen de as van den tros aangedrukt...........2
2 Stengelbladen met 2 lobben den stengel omvattend. Hauwtjes
op horizontaal afstaande stelen..........3
Stengelbladen niet met 2 lobben den stengel omvattend. . 5
3 Stengelbladen met pijlvormigen voet stengelomvattend. Bloe
men wit .....................4
Stengelbladen met diep hartvormigen voet stengelomvattend. Bloemen bleekgeel. Onderste bladen gesteeld, vindeelig of dubbel vindeelig, de bovenste zittend, ongedeeld. Hauwtjes smal gevleugeld, bolvormig-eirond, iets ingesneden. 0,30-0,40. ©. Mei, Juni. Uit Oostenrgk. Alleen bg Deventer, Ruurlo en Kampen gevonden..........Doorgewassen K. L. perfoliatum L.
4 Hauwtjes hartvormig-eirond, ongevleugeld. Stijl bijna even
lang als het tusschenschot. Bladen langwerpig, getand, de onderste in den steel versmald. Bloemkroon wit. 0,30-0,60. 2)-. Mei, Juni. Zeldzaam, vooral naar de zeekust.
Pijl K. L. Drd.ba L. Hauwtjes eirond-elliptisch, naar boven breed gevleugeld. Stijl zeer kort. Wortelbladen gesteeld, langwerpig-lancetvormig, soms liervormig ingesneden, de bovenste langwerpig, getand. Bloemkroon wit. 0,15-0,30. O©. Juni, Juli. Vrij algemeen, langs dijken, op grasgrond.
Boerekers. Veld K. L. campéstre R. Br.
5 Bladen van het midden van den stengel meestal 0,03-0,07 breed.
Hauwtjes rond, fijn behaard, iets ingesneden. Wortelbladen eirond, gekarteld, de bovenste lancetvormig, alle wat lederachtig, grijsgroen. Bloemkroon wit. 0,40-1,00. Juli, Augs. Zeldzaam, in de duinen.
Peper kruid. Peper K. L. latifólium L. Bladen minder dan 0,02 breed...........6
6 Hauwtjes met spitsen top, eirond, niet ingesneden. Bovenste bladen lijnvormig,
meest gaafrandig, spits, wortelbladen langwerpig-spatelvormig, gezaagd of aan den voet vinspletig. Bloemkroon wit. 0,30-0,60. O©. JuliâSeptr. Slechts een enkele maal gevonden.........Gras K. L. graminifólium L.
Hauwtjes met afgeronden top en ingesneden. Meeldraden meest 2..................7
7 Hauwtjes meer lang dan breed. Bovenste bladen lijnvormig,
gaafrandig, stomp. Onderste bladen vindeelig tot dubbel vindeelig. Bloemkroon geelachtig wit, meest ontbrekend. Reuk onaangenaam. 0,12-0,30. © en ©©. MeiâOctr.
Cruciferen.
Vrij algemeen, aan wegen en dijken, soms tusschen straat-steenen, vooral naar den zeekant.
Klein bezemkruid. Steen K. L. ruderamp;le Lr
Ilauwtjes even lang als breed. Bovenste bladen lyn-laneetvorraig met eenige scherpe zaagtanden. Onderste bladen omgekeerd-eirond, getand tot vinspletig. Bloemkroon wit. 0,10-0,50. ©. MeiâA.ngs. Uit Amerika. Een enkele maal aan den ringdgk van het Horstermeer gevonden. Virginische K. L. virgfnicura Lr
28. Capsélla Med.
1 Kauwtjes driehoekig, omgekeerd-hartvormig, met korte stijl, op horizontaal afstaande stelen. Stengel rechtopstaand, vertakt of niet vertakt. Wortelbladen in een roset, gesteeld, meest bochtig getand of vinspletig, de bovenste kleiner, zittend. Bloemkroon wit. 0,08-0,50. © en O©. MaartâOctr. Zeer algemeen, op bebouwde en onbebouwde gronden.
Beursjes kruid. Lepelblad. Tuinlepeltje. Lepeldiefje.
Ganzetong. Lepels en vorken. Herderstaschje.
C. Bürsa pastóris Mnch.
29. Senebiéra Pers. Varkenskers.
Kruiden met neerliggenden, vertakten stengel, vindeelige bladen en kleine, witte bloemen..............1
1 Bloemstelen korter dan de bloemen. Hauwtjes niervormig, kamvormig getand. Stijl kort. Bladen vindeelig. Stengel liggend, vertakt. Bloemkroon wit. 0,05-0,20. ©. JuniâAugs. Vrij menigvuldig, op kleigrond, aan wegen, ruigten, langs bouwland. (Corónopus Ruellii All.)
Zwijnekers. Hertshoornkers. Gewone V.
S. Corónopus Potr.
Bloemstelen langer dan de bloemen. Hauwtjes aan den voet en aan den top ingesneden, 2-knoopig. Stijl ontbrekend. Verder als de vorige. 0,08-0,30. ©. Juli, Augs. Zeldzaam, hier en daar . . Tweeknoopige V. S. didyma Pers.
30. I'satis L.
1 Bladen blauwachtig groen, de onderste langwerpig-lancetvormig, gesteeld, de bovenste diep pijlvormig-stengelomvattend. Hauwtjes hangend, langwerpig. Bloemkroon geel. 0,60-1,20. ©©. Mei, Juni. Zeldzaam, op ruige plaatsen en in de duinen, vroeger veel als verfstofplant gekweekt.
Pastel. We ede. I. tinctória L.
»ms
Cruciferen.
31. Néslea Desv.
1 Stengel evenals de bladen ruw behaard. Bladen langwerpig ⢠tot lancetvormig, met pijlvormigen voet zittend. Kauwtjes op afstaande stelen. Stijl lang. Bloemkroon goudgeel. 0,30-0,60. ©. MeiâJuli. Zeldzaam, in bouwland.
Vinkenzaad. N. paniculamp;ta Desv.
32. Bünias L.
1 Kauwtjes 2-hokkig, scheef-eirond. Stengel ruw door klierachtige knobbels. Bladen ruwharig, de onderste liervormig met rugwaarts gerichte zijslippen en een zeer groote langwerpig-lancetvormige eindslip, de middelste langwerpig-lancetvormig, soms met spiesvormigen voet. Bloemkroon goudgeel. 0,40-1,00. 0©. Mei, Juni. Zeldzaam, op ruige plaatsen.
Kardvrucht. B. orientamp;lis L.
38. Cakile Trn.
1 Stengel vertakt, dik en sappig. Bladen vleezig, vindeelig, soms ongedeeld. Hauwen kurkachtig hard, op korte, dikke stelen. Bloemkroon groot, lila of lichtviolet. 0,15-0,30. ©. JuliâOctr. Menigvuldig, in de duinen.
Zeeraket. C. maritima Scop.
34. Myagrum Tourn.
1 Onderste bladen bochtig vinspletig, stomp, de bovenste langwerpig, spits, met pgl-vormigen voet stengelomvattend flauwtjes kort gesteeld, samengedrukt peervormig Bloemkroon geel. 0,30-0,60. OO- Mei, Juni. Bij Deventer gevonden.
M. perfoliatum L.
35. Chorispóra D. C.
1 Onderste bladen vinspletig, de bovenste lancetvormig, getand. Stengel en bladen met verspreide, gesteelde klieren bezet. Bloemkroon paars. Uit Z.-O.-Europa. 0,05-0,25. ©. MeiâAugs. Alleen bg Amsterdam en Haarlem gevonden.
Chorispora. C. tenella Pali.
36. Rapistrum Boerh.
1 Onderste bladen vinspletig, met ongelgk getande slippen. Stgl kegelvormig, korter dan liet bovenste lid van het hauwtje. Hauwtjes kaal. Bloemkroon goudgeel. 0,60-1,00. 2|.. Juni, Juli. Eenige malen gevonden.
Rapistrum. R. perénne All.
37. Rdphanus Trn. Radijs.
Kruiden met rechtópstaanden, vertakten stengel, gesteelde, lier-vormige wortelbladen, langwerpige, getande stengelbladen en vrij groote bloemen.................1
1 Hauwen langwerpig, opgeblazen, sponzig, iets overlangs gestreept, niet ingesnoerd, niet in stukken uiteenvallend, met langen stgl. Kelk rechtopstaand. Bloemkroon wit of lila, violet geaderd. 0,50-1,00. OO en O- Mei, Juni. Gekweekt en soms
verwilderd. Afkomstig uit Azië........... R. sativus L,
Vormen:
1. Wortel zeer groot, meest dik, van buiten zwart of grgs. Scherpe smaak.
a. niger D. C. Ramenas#
Resedaceeën.
i. Wortel klein, rond of langwerpig van buiten rood, violet of wit. Minder scherpe smaak...........b. radicula Pers. Badgs.
Hauwen overdwars ingesnoerd, geleed, langwerpig, veel-
strepig...................2
2 Stengel rechtopstaand, van onderen, evenals de bladen, stijf behaard. Kelk rechtopstaand. Stijl 3-4-maal zoo lang als de bovenste aanzwelling der afstaande hauwen. Bloemkroon lichtgeel, geaderd, zeldzamer wit. 0,30-0,60. 0. Juniâ Augs. Zeer menigvuldig, op zandige akkers. (Rapham'strum sylvéstre Aschs.)
Herik. Krodde. Gele kiek. Knopherik. Wilde R.
R. Raphanistrum L,
Wortel vieezig. Stjjl nauwelgks zoo lang als de bovenste aanzwelling van de rechtopstaande hauwen. Bloemkroon geel, weinig geaderd. Een paar malen gevonden aan de zeekust.............Zee R. R. mantimus Sm.
XLVIII. Fam. Resedaceeën. Resedaachtigen.
Kelk 4-T-deelig. Bloemkroon 4-T-bladig met meest onregelmatig ingesneden bloembladen. Meeldraden H-'JO op een scheeve schijf zittend. Vruchtbeginsel i-hokkig met veel eitjes. Stijlen 3-6. Doosvrucht.
1 Kelk 4-7-deelig. Kroonbladen 4-6, gaafrandig of meest onregelmatig ingesneden. Stijlen 3-6. Doosvrucht 2-6-kantig, I-hokkig, veelzadig.........Réséda HOI.
1. Réséda L. Reseda, xi.
Onbehaarde kruiden met rechtopstaanden, bebladerdeu stengel, gaafrandige bladen en eindelingsche bloemtrossen.....1
1 Kelk 6-7-deelig. Kroonbladen 6..........2
Kelk 4-deelig. Bloemkroonbladen 4, lichtgeel. Bloemstelen
korter dan de kelk. Vruchttrossen zeer verlengd. Bladen smal-lancetvormig, aan den voet aan weerszijden met een tand. Stengel rechtopstaand. 0,60-1,00. ©©. JuliâSeptr. Vrij algemeen, op zand- en kleigrond, langs wegen en ruigten, soms ook op muren . Wouw. Verf R. R. lutéola L.
2 Bladen 3-spletig of bijna dubbel 3-spletig. Bloemstelen even
lang als de kelk. Kelkslippen lijn-lancetvormig. Bloemkroon lichtgeel, reukeloos. 0,20-0,40. 0©. Juli, Augs. Vrij algemeen, op plaatsen als de vorige . . Gele R. R. liitea L.
Bladen ongedeeld, de bovenste vaak 3-spletig. Bloemstelen dubbel zoo lang als de kelk. Kelkslippen spatelvormig. Bloemkroon witgeel, welriekend. 0,15-0,30. ©, JuliâOctr. Sierplant.......Welriekende R. tR. odorata L.
Violaceeën.
XLIX. Fam. Yiolaceeën. Vioolachtigen.
Kelk 5-bladig, met aanhangsels aan den voet. Bloemkroon 5-bladig, symmetrisch. Meeldraden 5, boven de helmknoppen met een vliezig aanhangsel, onderling samenhangend of samenneigend. Vruchtbeginsel 1-hokkig, met 3 wandstandige zaadlijsten. Doosvrucht 3-kleppig.
i Kelkbladen 5, met aanhangsels aan den voet. Kroonbladen 5, ongelijk, het eene gespoord. Helmknopjes 5, samenneigend , 2 met spoorachtige aanhangsels. Doosvrucht 3-kleppig.
Vfola 1«8.
1. Viola L. Viooltje, v.
Kruiden met gesteelde bladen met steunblaadjes en alleenstaande, langgesteelde bloemen................i
1 Planten zonder ontwikkelde stengels. Bloemen in de oksels
der wortelstandige bladen. De beide middelste kroonbladen
zijdelings staand. Kelkbladen stomp*).......2
Planten met ontwikkelden stengel. Bloemen in de oksels der stengelbladen. Kelkbladen spits of toegespitst . . . . 4
2 Stempel tot een scheef schijfje uitgespreid. Vruchtstelen recht
opstaand, aan den top haakvormig gekromd. Steunblaadjes vrij, eirond, kort fianjeachtig getand of gaafrandig. Bloemstelen iets onder het midden met 2 schutbladen. Bloemen klein, bleeklila, donkerder gestreept. Spoor nauwelijks langer dan de kelkaanhangsels. Bladen rondachtig-niervormig, stomp, kaal, dofgroen. 0,05-0,15. 2J.. Mei, Juni. Niet zeldzaam, op moerassigen hei- en veengrond, ook aan beschaduwde slootkanten . . Moeras V. V. palüstris L. Stempel in een haakvormig snaveltje uitloopend. Vruchtstelen neerliggend, aan den top recht.........3
3 Wortelstok zonder uitloopers. Bladen kort behaard. Bloem
tem
stelen ruw behaard. Bladen hartvormig-eirond, vaak driehoekig, kort-eirond, gekarteld-gezaagd, grasgroen. Zomer-bladen langwerpig-eirond met diepe bocht, zeer langgesteeld en groot (tot 0,09 lang). Steunbladen eirond tot lancetvormig, meest spits. Bloemkroon reukeloos, blauw-lila, zelden wit. 0,05-0,10. 2 .. April, Mei. Niet zeldzaam, op beschaduwden zandgrond..........Ruig V. V. hirta L.
1
Vergeljjk ook V. mirabilis L, die eerst onontwikkelde stengels, doch toegespitste kelkbladen heeft.
V iolaceeën.
Wortelstok met kruipende uitloopers. Bloemstelen omstreeks ia het midden met 2 schutbladen. Vruchtbeginsel en vrucht behaard. Bladen rond-hartvormig of rond-niervormig, stomp, kort behaard. Steunblaadjes eirond-lancetvormig, spits. Bloemen welriekend, donkerviolet met witten voet, zeldzaam rose of wit. 0,05-0,10. 2j.. Maart, April. Niet zeldzaam, aan heggen, slootkanten, onder boomen.
Blauwe V. Nacht V. Welriekend V. V. odordta L. De beide middelste kroonbladen zijdelings afstaand. Stempel in een naar beneden gebogen snaveltje uitloopend. Kelkbladen spits of toegespitst.............5
De beide middelste kroonbladen naar de 2 bovenste gericht en deze met hunne randen bedekkend. Stempel bijna bolrond,
groot...................9
Stengel eerst onontwikkeld, met meest onvruchtbare bloemen in de oksels van wortelstandige bladen, later met een ontwikkelden stengel met vruchtbare, doch bloemkroonlooze bloemen in de oksels der stengelbladen. Stengel rechtopstaand, evenals de bladstelen 'l-rijig behaard. Bladen breed hart-vormig-eirond, kort toegespitst, iets gekarteld, de onderste bijna niervormig. Steunbladen gaafrandig, gewimperd, lang-werpig-lancetvormig. Bloemen bleeklila, welriekend. Wortelstok dik, met bruine schubben bezet. 0,10-0,25. 2|.. Aprilâ Juni. Zeer zeldzaam, in bosschen.
Grootbladig V. V. miramp;bilis L. Stengel ontwikkeld, soms echter kort, zonder uitloopers , 6 Er is een roset van wortelbladen, uit wier oksels bebladerde stengels voorkomen. Steunbladen gewoonlijk veel korter dan de niet gevleugelde bladsteel. Bloemen reukeloos. Stengel en bladen kaal of bijna kaal. Doosvrucht kaal, spits. Bladen
hartvormig-eirond, kort toegespitst........7
Er is geen roset van wortelbladen. Bladen langs den stengel
staand...................8
Steunbladen lijn-lancetvormig, met lange franje. Kelkbladen met zeer korte aanhangsels. Bloemkroonbladen langwerpig, 0,004-0,005 breed, violet. Spoor dun, nauwelijks gegroefd, violet. Bladen van onderen vaak violet aangeloopen Stengel liggend of opstijgend. 0,08-0,15. 2).. April, Mei. Vrij zeldzaam, op beschaduwde plaatsen. . . Bosch V. V. sylvamp;tica Fr. Steunbladen lancetvormig, iets getand of gaafrandig. Zijde-lingsche kelkbladen met driehoekig-langwerpige aanhangsels. Bloemkroonbladen omgekeerd-eirond, 0,008-0,01 breed,
««â¢
Violaceeën.
lichtviolet of lichtblauw.. Spoor dik, beneden gegroefd, ingesneden, geelwit. Stengel opstijgend, meest krachtiger. 0,12-0,25. 2J-. April, .Mei. Zeldzaam, op beschaduwde plaatsen.......Haag V. V. Riviniamp;na Rchb.
8 Bladstelen niet gevleugeld. Steunbladen der middelste stengel
bladen korter dan de halve bladsteel. Doosvrucht stomp, met een kort puntje. Bladen kaal, met iets hartvormigen of bijna afgeknotten voet, eirond oflangwerpig-eirond, stomp. Bloemkroon blauw, met geelachtig witten voet, zelden geheel wit. Spoor bijna dubbel zoo lang als de kelkaanhangsels, rolrond, wit of geel. Stengel meest liggend of opstijgend. 0,03-0,30. 2j.. MeiâJuli. Vrij algemeen op zand- en heigrond.
Honds V. V. canina L. Stengel bijna rechtopstaand , 0,15-0,30 hoog. Bladen en bloemen grooter, langer gesteeld. Bladen dieper hartvormig. Spoor meest wit. In bosschen. De variëteit.
lucórum Rchb.
Stengel liggend, 0,05-0,15 lang. Bladen kleiner, glanzend, evenals de bloemen korter gesteeld, zoodat de steunbladen betrekkelijk langer schijnen. Spoor wit.
Duinen. De variëteit.....ericetórum Schrad.
Bladen eirond, langwerpig of bijna lancetvormig, de onderste , hartvormig. Vrij zeldzaam in heipoelen. (V. lactéa Sm.) De variëteit .... lancifólia Thore. Bladstelen naar boven met duidelijken vleugelrand. Bladen toegespitst, versmald. Stengel rechtopstaand , onbehaard. Doosvrucht spits of toegespitst. Steunbladen der middelste stengelbladen omstreeks half, die der bovenste even of dubbel zoo lang als de smal gevleugelde bladsteel. Spoor 2-3-maal zoo lang ais de kelkaanhangsels, dun, toegespitst, aan den top naar boven gekromd en in 2 punten uitloopend. Kroonbladen bijna alle even breed. Bloemkroon melkwit, zeldzamer lichtblauw, tamelijk klein. Bladen hartvormig-eirond, naar voren toegespitst, versmald, dun, kaal, vaalgroen. Steunbladen diep getand. 0,08-0,20. 2J.. April, Mei. Zeer zeldzaam op moerassigen hei- en veengrond.
Melk V. V. stagnina Kit.
9 Steunbladen handvormig gedeeld of vinspletig.....10
Steunbladen langwerpiggt;lancetTormig, ingesneden, met spitse tanden. Stengel alleen beneden bebladerd, 1-bloemig, evenals de eironde of elliptische bladen kaal. Bloemen zeer groot. Bloemkroon donkerviolet en geel, met zeer verschillende teckeningen. 0,07-0,15. 2|.. Mei, Juni. Sierplant uit de Krim en Siberië.
Groot V. f V. altaica Pallas.
»fO
Droseraceeën.
10 Steunbladen liervormig-vinspletig, met meest zeer groote lan-cetvormige eindslip. Bladen evenals de stengel kaal of kortbehaard, gekarteld, de onderste hart-eivormig, de bovenste langwerpig-elliptisch tot lancetvormig. Kelkbladen lancet-vormig, geleidelijk toegespitst. Spoor omstreeks dubbel zoo lang als de kelkaanhangsels. Bloemkroon in grootte en kleur zeer veranderlijk, geel of driekleurig. 0,07-0,30. © en Q© en MeiâHerfst. Algemeen, op zand- en heigrond.
Violet. Wilde pensee. Drievuldigheidsbloempje. Grilkieker.
Driekleurig V. V. tricolor L.
Hoofdvormen:
1 Bloemkroon meest langer dan de kelk, de beide bovenste
kroonbladen violet, de middelste lichtviolet, het onderste geel met violette strepen en violetten top of ook de middelste geel of de 4 bovenste geel en het onderste geelwit. Meest 2)-. In de duinen en in korenland op hooge zandgronden, ook in tuinen als sierplant met grootere bloemen. Gewoon V. a. vulgaris Koch.
2 Bloemkroon korter dan de kelk, geelachtig-wit, het onderste
bloemkroonblad donkerder, zeldzaam de beide bovenste ten deele blauw of violet. ©. Zeer algemeen in bouwen korenland . . . Akker V. b. arvénsis Murr.
Steunbladen handvormig gedeeld, met lijnvormige, meest gaafrandige, byna even groote zgslippen. Bladen iets gekarteld, de onderste rond tot hart-eivurmig, de bovenste lancetvormig. Kelkbladen langwerpig-laneetvormig, stomp of kort toegespitst. Kroonbladen geel, zelden de bovenste of alle blauw-violet. Stengel on vertakt, vierkant, evenals de bladen min of meer kortbehaard. 0,10-0,25. 2J..
MeiâJuli. Sierplant...........G eel V. | V. lütea Sm.
Stengels en takken talrjjK, liggend. Bloemen kleiner (nauwelijks grooter dan van V. tricolor vulgaris), geel. In Zuid-Limburg b.v. langs de Geul op zinkhoudendcn bodem, de variëteit. . . . Zink V. calaminare Lej-
L. Fam. Droseraceeën. Zonnedauwachtigen.
Kelk S-deelig. Bloemkroon 5-bladig, regelmatig. Meeldraden 5.. Vruchtbeginsel 1-hokkig met wandstandige zaadlijsten. Stijlen 3-5. Doosvrucht.
Kelk 5-deelig. Bloembladen 5. Stijlen 3-5. Doosvrucht 1-hokkig. Bladen wortelstandig, met roode klierharen, in de jeugd slakkenhuisvormig opgerold. . . . Drósera *t*.
1. Drósera L. Zonnedauw. Vliegenvangertje. V.
Kleine, teere moeraskruiden, met langgesteelde wortelbladen en een langen bloemstengel met in een aar staande, kleine, witte bloemen.....................1
Hypericineeën.
Cistineeën. â
â¢r*
Bloemstengel rechtopstaand, 2-4-maal zoo lang als de bladen.
Doosvrucht niet gegroefd............2
Bloemstengel opstijgend, weinig langer dan de bladen. Doosvrucht gegroefd. Bladen wigvormig-omgekeerd-eirond, rechtopstaand. Bloemkroon wit. 0,03-0,08. 2J.. Juli, Augs. Vrij algemeen, op moerassigen heide- en veengrond.
Middelste Z. D. intermédia Hayne. Bladen bijna cirkelrond, uitgespreid, langgesteeld. Bloemkroon wit. 0,07-0,20. 2^. Juli, Augs. Vrij algemeen, op de vindplaatsen der vorige. Rondbladige Z. D. rotundifólia L. Bladen lijn-langwerpig tot lijn-wigvormig, meest afstaand, 3-4-maal zoolang als breed, langzaam in den bladsteel versmald. Bloemkroon wit. 0,07-0,20. 21-. Juli, Augs. Zeldzaam, op de vindplaatsen der vorige. (D. anglica Huds.)
Langbladige Z. D. longifólia Rchb.
LI. Fam. Cistineeën. Zonnekruidachtigen.
Kelk 3- of 5-bladig, in hel laatste geval de 2 buitenste blaadjes kleiner blijvend. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden veel. Vruchtbeginsel i-meerhokkig. Doosvrucht 3-kleppig, veelzadig.
Kelkbladen S of 5 en in het laatste geval de 3 buitenste kleiner. Bloemkroon 5-bladig. Doosvrucht 3-kieppig, 1-hokkig of onvolkomen 3-hokkig. Bloemen in ⢠achgntrossen, zelden alleenstaand.......He lianthe mu m /6716.
i. Helianthemum Trn. Zonnekruid. xm.
Stengel kruidachtig, rechtopstaand. Onderste bladen tegenoverstaand, omgekeerd-eirond, zonder steunblaadjes, de bovenste verspreid, soms met steunblaadjes. Stjjl bgna ontbrekend. Bloemkroon citroengeel, aan den voet meest zwartbruin gevlekt. 0,08-0,25. ©. JuniâSeptr. Alleen op Vlieland en Terschelling, in duinvalleien en aan duinhellingen . . . . G e v 1 e k t Z. H. guttatum Mill. Stengel ten deele houtig, liggend of opstijgend. Bladen tegenoverstaand met steunblaadjes, eirond tot Ijjn-langwerpig, vlak of met omgekrulden rand. Bloemkroon licht- of donkergeel. 0,10-0,30. 1^. JuniâSeptr. Alleen op den St.-Pietersberg en in Staats-Vlaanderen gevonden , . Gestippeld Z. H. vulgare Gaertn.
Lil. Fam. Hypericineeën. Hertshooiachtigen.
Kelk 5-deelig of 5-bladig. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden in 3(-5) bundels. Vruchtbeginsel 1-3-hokkig met 3-5 stijlen. Doosvrucht. Bladen vaak met doorschijnende stippels.
1 Kelk 5-bladig of 5-deelig. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden talrijk, tot 3(-5) bundels verbonden. Stijlen 3. Doosvrucht 3-hokkig. Bladen meest met doorschijnende puntjes.
Hypericum
Hypericineeën.
1. Hypericum L. Hertshooi. xvin.
Kruiden met zittende, gaafrandige bladen, eindelingsche en soms
ook okselstandige bijschermen en gele bloemen......1
Kelkbladen gaafrandig, niet of weinig klierachtig gewimperd.
Stengel kantig. Doosvrucht 3-hokkig ........2
Kelkbladen met klierachtig gezaagden of gewimperden rand.
Stengel rónd.................5
Stengel rechtopstaand . ............ . 3
Stengel liggend, draadvormig, bijna tweekantig. Bladen langwerpig, alleen de bovenste met doorschijnende puntjes. Kelkbladen langwerpig, stomp, met stekelpunt, dubbel zoo lang als het vruchtbeginsel. Bloemkroon lichtgeel. 0,03-0,15. 2f. JuliâOctr. Niet zeldzaam, op zandgrond.
Liggend H. H. humifusum L. Stengel tweekantig. Bladen eirond-langwerpig, met doorschijnende puntjes. Kelkbladen lancetvormig, zeer spits, dubbel zoo lang als het vruchtbeginsel. Bloemkroon goudgeel. 0,30-0,60. 2i.. JuliâSeptr. Vrij algemeen, op drogen grasgrond en aan wegen.
Jang den duivel. St.-Janskruid. H. perforatum L. Stengel vierkant, hol. Kelkbladen qmstreeks zoo lang als het
vruchtbeginsel................4
Stengel zwak vierkant, vertakt of niet vertakt. Bladen breed-eirond, met geene of slechts weinig doorschijnende puntjes. Kelkbladen elliptisch of eirond, stomp. Bloemkroon licht-goudgeel. 0,20 0,50. 24-. JuliâSeptr. Vrij zeldzaam, aan slootkanten en op beschaduwde, vochtige plaatsen.
Kantig H. H. quadréngulum L. Stengel gevleugeld-vierkant, vertakt. Bladen eirond, dicht met doorschijnende puntjes bezet. Kelkbladen lancetvormig, toegespitst, bijna even lang als de bloemkroon. Bloemkroon lichtgeel. 0,30-0,60. 2J.. Juli, Augs. Vrij algemeen, aan waterkanten en op vochtige gronden.
Gevleugeld H. H. tetrópterum Fr. Stengel en bladen kaal. Bladen zittend, met hartvormigen
voet....................6
Stengel en bladen behaard............7
Kelkbladen omgekeerd-eirond, zeer stomp. Bloeiwijze langgerekt. Bladen hart-eivormig, stomp, met doorschijnende puntjes, zonder zwarte punten aan den rand. Bloemkroon goudgeel. 0,30-0,60. 2|-. JuliâSeptr. Vrij zeldzaam, op drogen bosch- en heidegrond . Fraai H. H. pülchrum L.
HEUKELS , Schoolflora. 8« druk. -18
^33
Frankeniaceeën. â Elatineeën.
Kelkbladen laneetvormig, spits. Bloeiwgze bgna een hoofdje. Bladen eirond tot langwerpig, spits, met zwarte puntjes aan den rand, alleen de bovenste niet door-schonende puntjes. Bloemkroon bleekgeel. 0,30-0,60. 2J.. JuniâA.ugs. Alleen in Gelderland en in Zuid-Limburg op eenige plaatsen gevonden.
Berg U. H. montanum L.
7 Stengel rechtopstaand, evenals de bladen behaard. Bladen kortgesteeld, eirond of langwerpig. Blpeiwijze langgestrekt. Kelkbladen laneetvormig, spits. Bloemkroon licht-goudgeel. 0,60-1,00. 2\.. Juli, Augs. Zeldzaam, op hoogen, drogen boschgrond........Ruw H. H. hirsütum L.
Stengel liggend of opstijgend, aan den voet wortelend. Bladen zittend, rond-eirond. Bloeiwijzearmbloemig. Kelkbladen eirond. Bloemkroon lichtgeel. 0,08-0,30. 2J.. Augs., Septr. Vrij zeldzaam, in moerassige veenstreken en heipoelen.
Moeras H. H. Elódes L.
LUI. Fam. Frankeniaceeën. iv. vi.
Kelk 4-5-spletig. Bloemkroon 4-5-bladig. Meeldraden 4 of 6. Vruchtbeginsel 1 met 1 stijl en 2-4 stempels. Doosvrucht i-hokkig. 1 Kelk 4-5-8pletig. Bloemkroon 4-5-hladig. Meeldraden 4 of 6 . met blgvende, breede helmdraden. Stijl 1 met 3 stempels.........Frankénia £74.
i. Frankénia L.
1 Bladen omgekeerd-eirond-afgeknot, aan de achterzijde gepoederd. Stengel vertakt. ©. Een paar malen, n.1. btf Leiden en Zwijndreeht, gevonden.
Frankénia. F. pulverulenta L.
LTV. Fam. Elatineeën. Elatineachtigen. vm.
Kelk 3-5-deelig. Bloemkroon 3-5-bladig. Meeldraden 3, 4, 6 of 8. Vruchtbeginsel 1 met 3-5 stijlen en knopvormige stempels. Vrucht een 3-5-hokkige doosvrucht. Bladen tegenoverstaand of in kransen.
1 Kelk 3-4-deelig. Kroonbladen 3-4. Meeldraden 3, 4, 6 of 8. Stijlen 3-4. Doosvrucht 3-4-hokkig, veelzadig.
. Elatfne 274.
1. Elatine L. Waterpeper.
Onbehaarde, kleine moeras- en waterplanten, met sterk bebla-derden, kruipenden stengel, gaafrandigé bladen en alleenstaande witte of lichtroode bloemen .............. 1
1 Bladsteel langer dan de bladvlakte. Bladen langwerpig-ellip-tisch. Bloemen zittend. Bloemkroon 4-bladig. Meeldraden 8.
294
Tamariscineeën.
â Tiliaceeën.
»9S
Zaden hoefijzervormig gekromd. 0,02-0,12. ©. JuniâSeptr. Vrij algemeen, op moerassige plaatsen, aan sloot- en rivierkanten........Kleine W. E. Hydrópiper L.
Bladsteel korter dan de bladvlakte. Zaden zwak gekromd . 2 Bloemen zittend. Kelk 2-deelig. Bloemkroon 3-bladig. Meeldraden 3. Bladen langwerpig tot lijnvormig. 0,02-0,08. Q. JuniâSeptr. Zeldzaam. Vindplaatsen als de vorige.
Kruis W. E. triéndra Schk. Bloemen gesteeld. Kelk 3-deelig. Bloemkroon 3-bladig. Meeldraden 6. Bladen langwerpig. 0,02-0,12. 0. JuniâAugs. Zeldzaam. Vindplaatsen als de vorige.
Steel W. E. hexamp;ndra D. C.
LV. Fam. Tamariscineeën.
Boomen of heesters. Bladen klein, schub- of naaldvormig. Kelk
4-5-bladig. Bloemkroon 4-5-hladig. Meeldraden 4, 5 of 10.
Vruchtbeginsel i met 4 /2-57 stijlen en stempels. Vrucht een
2-5-kleppige doosvrucht.
Meeldraden 5, aan den voet vergroeid. Stglen 3......Tamarix /67S,
i. Tamarix L. T a m a r i s k e. v.
Takken rechtopstaand, slank, dicht bebladerd. Bladen zeer klein, lancetvormig, meest van het midden af afstaand, groen Bloemen in eindelingsche, pluiruvormig gerangschikte aren. Kelkbladen eirond, vaak spits, zonder groene middelnerf. Bloemkroon lichtrood of rose, zelden wit. 2,00-3,00. Juni, Juli. Sierstruik van de oevers der Middellandsche Zee. (T. pentandra Pali.)
F r a n s c h e T. t T. gallica L.
LVI. Fam. Tiliaceeën. Lindeachtigen.
Boomen. Bladen afwisselend. Kelk 4-5-bladig. Bloemkroon 4-5-bladig. Meeldraden veel, vrij of veelbroederig. Helmknoppen 2-hokkig. Stamper 1 met 5-hokkig vruchtbeginsel, i stijl en 5-lobbigen stempel. Vrucht een eenhokkig nootje met i of % zaden. Kelk 5-bladig, afvallend. Kroonbladen 5. Vrucht nootachtig, eenhokkig, 1-2-zadig. Bloemen in bijschermen, met een meest half vastgegroeid, tongvormig, bleek schutblad. Bladen scheef-hartvormig, toegespitst.........Tflia 1675.
1. Tilia L. Linde. xm.
Bijkroonbladen ontbrekend. Meeldraden langer dan de kroonbladen, met verbonden helften der helmknoppen ... 2
18*
Z70 Malvaceeën.
Bijkroonbladen voorhanden of door bladachtig verbreede meeldraden aangeduid. Meeldraden met gescheiden helften der helmknoppen. Stijl na den bloeitijd verlengd. Bijschermen hangend..................3
2 Bladen van onderen zacht behaard, in de hoeken der nerven
wit gebaard, lichtgroen. Bijschermen 2-5-bloemig, hangend. Stijl behaard, met samenhangende stempels. Noten kantig met houtige schaal. Bloemkroon lichtgeel. -18,00-30,00. K Juni. In bosschen. Vaak aangeplant. (T. platyphfllos Scop.)
Grootbladige L. T. grandifolia Ehrh. Bladen aan weerszijden kaal, van onderen blauwgroen, in de hoeken der nerven roestkleurig gebaard. Bijschermen 5-9-bloemig. Stijl onbehaard, met ten laattte afstaande stempels. Noten onduidelijk kantig, dunschalig. Bloemkroon geelachtig-wit. 18,00-24,00. K Juni, Juli. In bosschen. Vaak aangeplant. (T. ulmifólia Scop., T. cordata Mill.)
Kleinbladige L. T. parvifólia Ehrh. Bladen van onderen groen, in de hoeken der nerven grijsgroen, geelachtig of wit gebaard. Bijschermen 5-7-bloemig. Stijl alleen aan den voet behaard, met ten laatste horizontaal afstaande stempels. Noten onduidelijk kantig, met lederachtige schaal. Bloemkroon grooter dan bij T. parvifólia, donkerder. K Juni. Niet zelden aangeplant. (T. vulgaris Hayne.) Een bastaard van T. grandifolia en T. parvifólia.
Middelste L. T. intermédia D. C.
3 Bladen aan Meerskanten kaal, groen, zeldzaam van onderen iets behaard. Stijlen
aan den voet behaard. Bladen weinig meer lang dan breed, dun vliezig, met weinig scbeeven en hartvormigen voet, van onderen met enkele haren bezet, eerst niet bruinachtig. Byschermen veelbloemig. Stylen afvallend. Noten rond. Bloemkroon lichtgeel, f^. Juli. Sierboom uit Canada (T. glabra Vent., (ï. nigra Borkh.)
Amerikaanse he L. t T. americana L. Bladen van onderen evenals de bladstelen witviltig. Byschermen meerbloemig. Stylen afvallend..................4
4 Bladen gezaagd, van onderen evenals de bladstelen blyvend viltig. Stglen aan den
voet viltig. Vrucht eirond, spits, zwak 5-ribbig. Bloemkroon lichtgeel. Einde van Juli. Verbreide sierboom uit Hongarye. (T. alba W. etK., T. argéntea Drsf.)
Zilver L. f T. tomentósa Mnch. Bladen scherp getand, dun, van onderen dunviltig, de bladstelen ten laatste onbehaard Stylen geheel onbehaard. Vrucht van boven samengedrukt, diep 5-groevig. Bloemkroon groot, lichtgeel. Takken meest iets overhangend (T. americana pendula hort.) b. Augs. Uit Noord-Amerika, (T. americana Dur., T. heterophylla Vent.)
Witte L. T. alba Ait.
LVII. Fam. Malvaceeën. Malveachtigen. xvi. Kelk 5-spletig, vaak met hijkelk. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden veel, eenbroederig, met eenhokkige helmknoppen. Stampers 1 of vele, met vele stijlen. Vrucht in talrijke, eenzadige splitvruchten uiteenvallend of een doosvrucht.
Malvaceeën.
Kruidachtige planten. Stampers vele. Vruchtjes talrijk, l-zadig, zich ten laatste van elkander scheidend, niet openspringend. 2 Heesters of kleine boomen. Stamper 1, met 5 aan den voet vergroeide stijlen. Vrucht een 5-hokkige, 5-kleppige, meer-zadige doosvrucht. Bijkelk veeldeelig . . Hibfscus lt;S79.
Vruchtjes in een cirkel..... ........3
Vruchtjes een hoofdje vormend. Bijkelk 3-bladig, de kelk omhullend, met hartvormige bladen . . . Malope «78.
Bijkelk 3 spletig of 3-bladig............4
Bijkelk 6-9-spletig, vrij........Althaéa «78.
Bijkelk 8-bladig, aan den voet met den kelk vergroeid.
Malva «77.
Bijkelk 3-spletig, niet met den kelk vergroeid. La va te ra «78.
1. Malva L. Ka asjes kruid. Maloive. Mahtwe.
Kaasjesbloem. Keesjesbloem.
Kiuiden met vertakten stengel, gesteelde, handnervige bladen met steunblaadjes en okselstandige bloemen.......1
Bloemen alleenstaand in de bladoksels, of alleen van boven in bundels. Bladen handvormig gedeeld of gespleten met getande tot dubbel vinspletige slippen.......2
Bloemen in de bladoksels in hoopjes bijeen. Bladen handvormig gelobd.................3
Bijkelkbladen eirond of eirond-langwerpig. Vruchtjes kaal, overdwars gerimpeld. Stengel door aanliggende haren grijsgroen. Stengelbladen 5-deelig of 5-spletig, de bovenste 3-spletig. Kroonbladen ingesneden. Bloemkroon rose, reukeloos. 0,50-0,80. 2J-. JuniâSeptr. Vrij zeldz:\am, op ruige plaatsen en langs dijken . Vijfdeelig K. M. A'lcea L.
Schutbladen langwerpig-lijnvormig. Vrucht ruw behaard, niet gerimpeld. Stengel door afstaande haren ruw. Stengelbladen 5-deelig met vinspletige tot dubbel vinspletige slippen. Bloemkroon lichtrose tot wit, zwak naar muskus riekend. 0,20-0,50. 2J-. JuliâSeptr. Niet algemeen, op beschaduwde plaatsen, op heuvels, aan ruigten . Muskus K. M. moschéta L.
Bloemstelen ten minste tijdens den vruchttijd veel malen langer dan de kelk...............4
Bloemstelen zeer kort, tydcus den vruchttgd hoogstens dubbel zoo lang als de kelk. Bloemkroon even lang als de kelk, witachtig. Vruchtjes dwars gerimpeld. Bladen met gekroesden rand. Stengel rechtopstaand. 0,80-1,50. ©. JuliâSeptr. Sierplant en verwilderd. Uit Syrië . . . . Dessertbladen. M. cnspa L.
«77
Malvaceeën.
4 Vruchtstelen afstaand of rechtopstaand. Bloemkroon 3-4-inaal
zoo lang als de kelk. Bloemen vrij groot. Stengel ruw behaard, liggend tot rechtopstaand. Bladen meest met 5 spitse lobben. Bijkelkbladen langwerpig. Bloemkroonbladen diep ingesneden, lichtpurper, met donkere strepen. 0,30-1,00. 21-. Zeer algemeen, aan dijken, langs wegen en op bouwland.
Groot K. M. sylvéstris L. Vruchtstelen naar beneden gebogen. Bijkelkbladen lijn-lancet-vormig. Bloemen vrij klein...........5
5 Kelkslippen vlak. Bloemkroonbladen diep ingesneden, 2-maal
zoo lang als de kelk, rose tot wit. Vruchtjes glad, met afgeronden rand. 0,15-0,45. ©âIj.. JuniâOctr. (M. neglécta Wallr.) Zeer algemeen, op open en bebouwden zandgrond.
Klein K. M. vulgó-ris Fr. Kelkslippen gekroesd. Kroonbladen iets ingesneden , even lang als of korter dan de kelk, witachtig. Vruchtjes rimpelig, scherp gerand. 0,15-0,30. JuniâOctr. Zeldzaam,
aan wegen. (M. boréalis Wallmann.)
Rondbladig K. (M. rotundifólia L.
2. Althaéa L. Heemst.
Behaarde kruiden met gesteelde, handvormige bladen met steun-blaadjes en groote oksel- of eindstandige bloemen.....1
1 Bloemen in rijkbloemige, bladokselstandige hoopjes. Bladen
eirond, zwak 5-lobbig. Stengel rechtopstaand. Geheele plant fluweelachtig viltig. Bloemkroon roodachtig wit. 0,60-1,20. 2|-. Juli, Augs. Vrij algemeen, op vochtige plaatsen naar
den zeekant......Gewone H. A. officinalis L.
Bloemen alleenstaand in de bladoksels........2
2 Stengel uitgespreid, evenals de geheele plant ruw behaard. Bladen rond-niervor-
mig, iets 5-lobbig, de bovenste diep 5- of S-spletig, waarboven de afstaande bloemstelen uitsteken. Bloemkroon bleekrose of lila. 0,30-0,60. ©. JuliâSeptr.
Bjj Kymegen en Hillegersberg gevonden.....Ruwe H. A. hirsüta L.
Stengel rechtopstaand, iets ruw behaard. Bladen rondachtig, meest met hartvormi-gen voet, 5- of 7-hoekig of gekarteld, stjjfharig-viltig. Bloemkroon zeer groot, purper of bjjna zwart, wit of geel. 1,50-2,50. OO. JuliâOelr. Sierplant uit Klein-Azië.
Stokroos, f A. rosea Cav.
3. Lavatera L.
1 Plant bjjna kaal. Bladen rond-hartvormig, de bovenste vaak hoekig of gelobd, vooral van onderen dunvillig. Bloemstelen afstaand. Kroonbladen afgeknot of ingesneden. Bloemkroon rose of wit. 0,60-1,20. O. JuliâSeptr. Sierplant uit Z.-Europa.
t L. triméstris L.
4. Malope L.
1 Bladen langgesteeld, rond, kaal, getand, 3-spletig of gelobd of ongedeeld. Bloemen langgesteeld, alleenstaand in de bladoksels, groot. Schutbladen borstelig gewiiii-perd. Bloemkroon purper, donkerder gestreept. 0,60-1,00. Q- âOctr. Sierplant uit Spanje. (M. grandiflóra Hort.).........f M. tnfida L.
»7S
Geraniaceeën.
5. Hibiscus L.
Heester. Bladen ei-ruitvormig, 3-, zeldzamer 5-lobbig, met grof ingesneden lobben. Bykelk 6-8-deelig. Kelk korter dan de bgkelk. Bloemkroon purper, met donkerder voet. 1,50-2,00. JuliâOctr. Prachtige sierstruik uit Klein-Azië.
Althaeaboompj e. f H. synacus L.
Kruidachtige plant. Bladen geland, de onderste hartvormig-rondachtig, iets 3-5-lobbig, de bovenste 3-5-deelig. met langwerpige gelobde slippen. Bykelk 11-13-bladig Kelk opgeblazen, vliezig, langer dan- de bgkelk. Bloemkroon zwavelgeel, aan den voet donker-purper. 0,30-0,80. ©. Juli, Augs. Eenmaal bjj Deventer gevonden................*. H. Trionum L.
LVIII. Fam. Geraniaceeën. Ooievaarsbekken, x en xvi.
Kelk 5-hladig. Bloemkroon 5-hladig. Meeldraden iO, waarvan 5 soms onvruchtbaar, soms aan den voet iets vergroeid. Stampers 5, onderling en met een centraal zuiltje tot één vereenigd. Stempels vrij. Vruchtjes 5, bij rijpheid met de stijlen van het middelzuiltje loslatend.
i Meeldraden 10, alle met helmknopjes. Stijlen van binnen kaal, bij de rijpheid boogvormig naar boven loslatend.
Geranium «JO.
Meeldraden 10, slechts 5 met helmknopjes. Stijlen van binnen behaard, bij de rijpheid aan den voet schroefvormig samen-draaiend ............Erodium «8-1.
1. Geranium L. Ooievaarsbek.
Meestal behaarde kruiden met vertakte stengels, blijvende steun-blaadjes, handvormig gedeelde bladen, waarvan de bovenste meest verspreid en vaak zittend, de overige tegenoverstaand en gesteeld zijn en meestal 2-bloemige bloemstelen .... 1
1 Overblijvende soorten. Bloemen meest groot. Bloeiwijzen 1-
of 2-bloemig.........................2
Eenjarige soorten. Bloemen meest klein. Bloeiwijzen 2-bloemig..................5
2 Bloeiwijzen 2-bloemig. Kroonbladen kortgenageld. Kelk tij
dens den bloeitijd uitgespreid..........3
Bloeiwyzen l-bloemig. Bladen 7-deelig, met 3-5-spletige slippen en lynvormige slipjes, Kroonbladen groot (0,02 lang), bloedrood, dubbel zoolang als de kelk, ingesneden. Meeldraden kaal. Stengel en bloeiwyzen afstaand behaard. 0,15-0,45. Q. JuniâAugs. Een paar malen gevonden, ook sierplant.
Bloedroode O. t G. sanguineum L.
3 Kroonbladen ongedeeld..............4
Kroonbladen 2-spletig, boven den nagel aan weerszijden gebaard, violetrooflj zeldzamer \vit, dubbel zoo lang als de kelk
at»
naai be-)itse iiep 2J-. i.
i L.
icet-5
laai met ïcta â¢nd. Fr. ang
Ug,
im, L.
un- 1
1 i len
int
20.
lar
L.
2
ror-ode ptr.
L.
mi- ! per
zië. |i 1V* 'l
â¢ral
en. |
L. :
'en J ni- !| er-L.
is 9 Geraniaceeën.
(0,008-0,01 lang). Vruchtjes glad. Bloemstelen na den bloeitijd naar beneden gebogen, klierachtig zacht behaard. Stengel rechtopstaand, behaard. 0,30-0,50. 2|,. MeiâHerfst. Zeldzaam, aan wegen en spoordijken. Pyreneesche O. G. pyrenóïcutn L
4 Kroonbladen kort toegespitst, rond-omgekeerd-eirond, rood
bruin. Meeldraden tot aan het midden lang afstaand behaard. Vruchtjes behaard. Bladen 5-7-spletig. Stengel evenals de bladen kort behaard, naar boven met langere haren bezet. 0,30-0,60. 2).. Mei, Juni. Vrij zeldzaam, in boschachtige
streken....... . Donkere O. G. phaéum L.
Kroonbladen afgerond. Meeldraden kaal of zeer fijn behaard. Vruchtjes glad. Stengel naar boven evenals de bloemstelen klierachtig behaard. Bloemkroon blauw. Bladen 7-deelig met bijna vinspletige slippen. Bloemstelen na den bloeitijd naar beneden gebogen, later weer rechtopstaand. 0,20-0,80. 24.. JuniâAugs. Vrij algemeen, op beschaduwde, grazige plaatsen........Beemd O. G. praténse L.
5 Kelkbladen tijdens den bloeitijd uitgespreid......6
Kelkbladen tijdens den bloeitijd rechtopstaand, tijdens den
vruchttijd samenneigend............10
6 Bladen niet of nauwelijks tot over de helft gespleten ... 7 Bladen tot aan den voet of bijna tot aan den voet gedeeld.
Kroonbladen ingesneden, omgekeerd-hartvormig ... 9
7 Kroonbladen niet ingesneden, langwerpig-wigvormig, rozerood. Kelkbladen kort ge
naaid. Vruchtjes afstaand kort behaard. Zaden gegroefd. Stengel uitgespreid, vertakt, kort en zacht behaard, naar boven klierachtig behaard. 0,10-0,30. ©. JuniâHerfst. Een paar malen gevonden, aan wegen en op ruige plaatsen in Zuid-Limburg.........RondbladigeO. G. rotundifólium L.
Kroonbladen ingesneden, omgekeerd-hartvormig. Bladen in omtrek rond, 5-9-spletig. Kelkbladen kort toegespitst. Zaden glad....................8
8 Stengel kort behaard, uitgespreid vertakt, vaak liggend. Blad
slippen wigvormig-langwerpig, van voren meest gekarteld. Vruchtjes glad, aangedrukt behaard. Bloemkroon zwak ingesneden, lila, klein. 0,15-0,45. ©. MeiâOctr. Algemeen, op vochtigen zandgrond, langs wegen en heggen.
Kleine O. G. pusillum L. Stengel zacht behaard en met langere haren, meest rechtopstaand. Slippen der onderste bladen langwerpig, van voren ingesneden, die der bovenste lancetvormig. Vruchtjes kaal, dwars gerimpeld. Bloemkroon diep ingesneden, grooter, rose. O/iO-O.SO. ©. MeiâOctr. Zeer algemeen, langs wegen, op akkers..........Zachte O. G. mólle L.
Geraniaceeën.
9 Stengel met afstaande haren. Bloeiwijzen kort, even lang als
of korter dan het schutblad. Vruchtjes met afstaande klier-haren. Bloemkroon even lang als de kelk, karmijnrood. 0,15-0,30. ©. MeiâOctr. Vrij algemeen, op kleigrond.
Slipbladige O. G. disséctuni 1-. Stengel aangedrukt behaard. Bloeiwijzen zeer lang, boven de schutbladen uitstekend. Vruchtjes kaal of zacht behaard. Bloemkroon iets langer dan de kelk, lichtpurperrood. 0,30-0,60. ©. JuniâSeptr. Vrij zeldzaam, op zand- en steen-achtigen grond . . Fijnbladige O. G. columbinum L.
10 Stengel en bladen bijna geheel kaal en glanzig. Bladen hand-
deelig met gekartelde slippen. Kelkbladen dwars gerimpeld met stekelpunt. Plaat der kroonbladen korter dan de nagel. Bloemkroon rose. 0,15-0,30. ©. MeiâAugs. Zeldzaam, op drogen, beschaduwden grond. Glanzige O. G. lücidum L. Stengel met afstaande klierharen Bladen 3-5-tallig, met ge-steelde dubbel vinspletige blaadjes. Kelkbladen glad, met naald. Plaat der kroonbladen even lang als de nagel. Bloemkroon rose, zelden wit. Stinkende reuk. 0,20-0,40. ©. Meiâ Herfst. Vrij algemeen, in boschachtige streken, op zandigen bodem. Robbertskruid. Stinkende O. G. Robertiénum L.
De gewoonlgk âGeraniumquot; genoemde sierplanten beliooren tot het geslacht Pelargonium L* Herit, dat zich hoofdzakclgk daardoor van Geranium onderscheidt, dat liet bovenste blad van den om egel matigen kelk in een met den bloemsteel vergroeiJe spoor verlengd is.
2. Eródium L'Hérit. Reigersbek.
Behaarde kruiden met vertakte stengels. Bloemstelen oksel-standig, langer dan de bladen, een 4-9-bloemig scherm dragend ..................... 1
1 Bladen langwerpig met hartvorraigen voet, gekarteld. Bloemsteel met 5 a 9 bloe
men. Vruchtstelen min of meer omgebogen. 0,10-0,50. Juni, Juli. 0. Een enkele maal gevonden.....M al veachtige R. E. malacoides Willd.
Bladen samengesteld.....................2
2 Vruchtbare meeldraden aan den voet verbreed, zonder tandjes.
Bloeiwijzen meest meerbloemig. Bladen gevind. Blaadjes zittend, vindeelig, met gezaagde slippen. Stengel rechtopstaand of uitgespreid, ruw behaard. Bloemkroon purper, enkel wit. 0,08-0,45. © en ©©. AprilâOctr. Niet zeldzaam, op zandige akkers en in moeshoven.
Gemeene R. E. cicutamp;rium L'Herit. Blaadjes enkel gezaagd. De 2 bovenste grootere bloemkroonbladen met een geelachtige vlek. Zeldzaam. De variëteit: . . . . a. pimpinellifólium Willd.
281
gSB Tropaeoleeën. â Oxalideeën.
Vruchtbare meeldraden aan hun voet aan weerszijden met een tandje. Blaadjes kortgesteeld, dubbel gezaagd. Stengel opstijgend. Bloemkroon purperrood. 0,10-0,30. ©. MeiâJuli. Zeldzaam, op ruige plaatsen.
Welriekende R. E. moschétum L'Herit.
LIX. Fam. Tropaeoleeën.
Kelk 2-lippig, 5-deelig, gespoord. Bloemkroon 5-hladig, symmetrisch. Meeldraden 8. Vruchtbeginsel i met i stijl. Vrucht 3-deelig. Bladen schildvormig.
1 Kelk 2-lippig, gespoord. Bloemkroonbladen 5, de 3 voorste genageld, vaak kleiuer dan dc 2 achtersle. Meeldraden 8. Stamper 1. Vrucht met 3 knobbels, niet openspringend. Bladen schildvormijr. Stengel klimmend.
Tropaéolum £8£.
i. Tropaéolum L. Oostindische kers. vin.
1 Bladen cirkelrond, van onderen grasgroen, langgesteeld. Bloemkroonbladen stomp, de 3 voorste met franje aan den voet, oranje met vuurroode strepen tot rood. 1,50-3,00. O, in haar vaderland 2|.. JuniâOctr Sierplant uit Peru.
G e w o n e O. I. K. T. majus L. Bladen htfna hartvormig, 5-7-spletig, met gelobde of gaafrandige slippen, met stekelige punten. De 2 bovenste bloemkroonbladen gespleten, de 3 onderste met franje. Spoor gebogen. Bloemkroon geel. 1,50-3,00. Q. JuniâOctr. Sierplant uit Peru. (T. canariénse Hort., T. peregrinum Jacq.)
H aki ge O. I. K. f T. adüncum Sm.
LX. Fam. Oxillideeën. Klaverzuringachtigen.
Bladen 3-tallig, zuur. Kelk 5-hladig of -deelig. Bloemkroon 5-hladig. Meeldraden 10, waarvan de 5 buitenste korter zijn, vaak aan den voet vergroeid. Stamper i met 5 stijlen. Vrucht een 5-hokkige doosvrucht.
1 Kelk 5-bladig of 5-deelig. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden 10, aan den voet iets vergroeid. Vruchtbeginsel 1. Stijlen 5. Doosvrucht 5-hokkig. Bladen 3-tallig, langgesteeld. Blaadjes omgekeerd-hartvormig........O'xalis HSS.
1, O'xalis L. Klaverzuring.
1 Stengel niet bebladerd, slechts met,2 schutbladen, 1-bloemig, langer dan de bladen. Bloemkroon wit of roodachtig-wit,
L i n e e ë n.
rood geaderd met gele vlekken aan den voet. 0,05-0,42. Ij-. April, Mei. Vrij algemeen, in bosschen.
Koekoeksbrood. Hazenklaver. Koekoeksklaver.
Bosch K. O. Acetosélla L.
Stengel bebladerd. Bloeiwijzen 2-5-bloemig. Bloemkroon lichtgeel .......................2
2 Stengel rechtopstaand of opstijgend. Bladstelen aan den voet zonder steunblaadjes. Bloembladen afgerond. Vruchtstelen afstaand. 0,10-0,30. 2J.. JuniâOctr. Op bouwland en in moestuinen , ook onder heggen, algemeen.
Koekoeksbrood. Hartjesklaver. Schapenklaver. Kroontjesmier.
Stijve K. O. stricta L.
Stengel liggend, aan den voet wortelend. Bladstelen aan den voet met 2 kleine, vastgegroeide steunblaadjes. Bloembladen vaak iets ingesneden. Vruchtstelen naar beneden gebogen. 0,10-0 30. 0. MeiâOctr. Vrij algemeen, tusschen groenten in moestuinen.
Namen als de vorige. Gehoornde K. O. corniculéta L.
LXI. Fatn. Lineeën. Vlasachtigen.
Kelk 4-5-hladig of -deelig. Bloemkroon 4-5-bladig. Meeldraden
4-5, vaak van onderen gegroefd. Stamper i met 4 of 5 stijlen.
Doosvrucht 4-5-, schijnbaar 8-i0-hokkig.
1 Kelk 5-bladig, met ongedeelde bladen. Bloembladen 5. Meeldraden 5. Doosvrucht onvolkomen 10-hokkig. Lfnum 883.
Kelk â 4-deelig, de slippen 2-3-spletig. Bloembladen 4 Meeldraden 4. Doosvrucht 8-hokkig .... Radi'ola SS-t.
1. Linutn L. Vlas. v.
Meestal onbehaarde kruiden met sterk bebladerden stengel, zittende, meest smalle bladen en bloemen in trossen of bijscher-men.......................1
1 Bladen (boven) verspreid, lyn-lancetvormig. Kelkbladen eirond, fijn gewimperd, bjjna zoo lang als de doosvrncht. Kroonbladen hemelsblauw, zeldzamer wil, 0,30-0,60. O* Juni, Juli. Gekweekt, zelden in het wild.
Lijnzaad. Gewoon V. -i* L. usitatissimum L. Stengel hooger. Bloemen en doosvruchten kleiner. Doosvruchten niet openspringend. Zaden donkerder. De variëteit: a. vulgare Schübl. et Mart.
Bladen tegenoverstaand, spits, de onderste omgekeerd-eirond, de bovenste lancetvormig. Stengel draadvormig, naar boven
gsa
Balsamineeën.
gaffelvormig vertakt. Kelkbladen langwerpig, klierachtig ge-wimperd. Bloemkroonbladen klein, toegespitst, wit, met gelen voet. 0,07-0,20. Q. JuniâAugs. Niet zeldzaam, in de duinen en op vochtigen zand- en heigrond.
Purgeer V. I^. cathamp;rticum L.
2. Radiola Gm. v.
1 Stengel draadvormig, gaffelvormig vertakt. Bladen tegenoverstaand , eirond tot langwerpig. Bloemen tegenoverstaand, zeer klein. Bloemkroon even lang als de kelk, wit. 0,02-0,05. O- Juli, Augs. Niet zeldzaam, op vochtigen zand-en heigrond.
Haar kruid. R. linoides Gm.
LXII. Fam. Balsamineeën. Balse m ienach tigen.
Kelk meest 3-bladig, waarvan één grooter en gespoord, soms 5-bladig. Bloemkroon 5-bladig, niet gelijk van grootte, de zijdeling sche 2 aan 2 vergroeid. Meeldraden 5 met samenhangende helmknoppen. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 5-lobbigen, zitlenden stempel. Vrucht een elastisch openspringende doosvrucht.
\ Bloemen in gesteelde trossen. Doosvrucht langwerpig, kaal. Kleppen der doosvrucht zich van den voet naar den top
naar binnen inrollend.......Impatiens 28#.
Bloemen in de bladoksels, alleenstaand of in schermvormige trossen. Doosvrucht eirond, behaard. Kleppen der doosvrucht zich naar beide zijden inrollend. Balsamina 28.».
1. Impatiëns L. Springzaad, v.
i Trossen korter dan de bladen, 3-4-bloemig. Bloemen hangend, groot, met gekromde spoor. Bloemkroon geel, van binnen met roode puntjes. De vruchten, die bijna rijp zijn, slingeren bij de geringste aanraking de zaden met groote kracht weg. 0,30-1,00. O- Julii Augs. Op schaduwrijken, vochti en grond en aan oevers van beken.
Kruidje-roer-mij-niet. Gewoon S. I. Nóli tdngere L.
Trossen even lang als of langer dan de bladen, 4-10-bloemig. Bloemen rechtopstaand, klein, met rechte spoor. Blbemkroon lichtgeel. 0,30-0,60. ©. JuniâSeptr. Onder struiken bjj Kuilenburg gevonden . . Kleinbloeraig S. I. parviflóra D. C.
uss
Rutaceeën.
2. Balsamina Riv. Balsemien, v.
1 Bladen langwerpig tot lancetvormig, spits, gezaagd, de onderste tegenoverstaand. Bloemen in scherm vorm i ge trossen. Spoor gekromd. Bloemkroon wit, rose of purper, ook bont, vaak gevuld. 0,30-0,60. ©. Juli, Augs. Sierplant uit O.-lndië.
(Impatiens Balsamina L.).......Gewone B. B. fémina Gaertn.
Bladen eirond-laucetvormig, spits , gezaagd, de bovenste in kransen van 3 meest. Bloemen in scliermvoruiige trossen of pluimen. Stengel knoopig geleed, in de knoopen evenals de bladstelen met klierharen. Spoor kort Bloemen purper. 0,60-2,00. O. JuliâOctr. Sierplant uit O.-lndië, vaak sterk verwilderd.
Reuzen B. f B. glandulffera Ryl.
LXIII. Fam. Rutaceeën. Ruitachtigen.
Planten veeltelig of 2-huizig. Bladen gevind of 3-tallig. Kelk 4-5-deelig. Bloemkroon 4-5-bladig. Meeldraden 2-10. Stampers 1-5. Vrucht gevleugeld of een doosvrucht.
1 Kruidachtige planten......................3
Heesters of hoornen.......................3
2 Kelk 4-deelig, blgvend. Kroonbladen 4, gelyk aan elkaar. Meeldraden 6-10, recht
opstaand. Doosvrucht 4-lobbig.............But a 45^.7
Kelk 5-deelig, big vend. Kroonbladen 5, iets ongelyk. Meeldraden 10, naar benedon hellend. Doosvrucht 5-lobbig...........Dictamnus
S Bloemen onvolledig 2-huizig. Kelk 4-5-deelig. Kroonbladen 4-5. Meeldraden 4-5. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Vrucht een 2-hokkige, 2-zadige vleugel vrucht.
Ptclea
Bloemen manrelyk, vrouwelijk en 2-slachtig Kelk 5-deelig. Kroonbladen 5. Meeldraden 2-3, in de mannelyke bloemen 10. Vruchtbeginsels 3-5, 1-hokkig, l-zadig. Vrucht uit 3-5 langwerpige, samengedrukte vleugelvruchten bestaand.
Ail an thus 28S.
i. Ruta Trn. vin.
1 Plant kaal, grysgroen. Stengels rechtopstaand. Bladen gesteeld, dubbel of3-voudig gevind. Blaadjes langwerpig, de eindelingsclie omgekeerd-eirond. Bloemen in beschermen, 4- (de topbloemen 5-)tallig. Bloemkroon geel. Slerkereuk. 0,30-0,80. 2j.. JuniâAugs. In tuinen gekweekt. Uit Zuid-Europa.
Wynruit. R. gravéolens L.
2. Dictamnus L. x.
1 Stengel vooral boven kort en klierachtig behaard. Beiden oneven gevind. Blaadjes eirond tot lancetvormig, klein gezaagd, met doorschijnende puntjes. Bloemen in trossen. Bloemkroon groot, rose, met. donkere aderen. Sterke reuk. 0,60-1,20.
MeiâJuni. Sierplant. (D. Fraxinélla Pers.)
Witte diptam. Esschenkruid. D. albus L.
3. Ptélea L. iv.
1 Bladen 3-tallig. Blaadjes zittend, eirond tot langwerpig, spits, iets getand, van onderen bleekgroen, iets behaard, het middelste grooter. Bloemen in scherm-vormige pluimen, geelachlig-groen, welriekend. 2,00-3,00. I). Juni. Sierstruik uit Noord-Amerika................quot; P. trifoliata L.
4. Ailanthus Desf. m.
1 Bladen oneven-gevind, zeer groot. Blaadjes eirond tot langwerp;g-lancetvormig, toegespitst, aan den voet grof getand, met een klier aan iederen tand. Bloemen in pluimen, geelarhtig-wit, naar vlier riekend. Van Rhus Typhina L. gemakke-lyk te onderscheiden door de bgna kale bladstelen en bloeiwyzen. 8,00-12,00. I). Juni, Juli. Sierboom uit China. . . Hem el boom A. glandulósa Desf.
Terebinthaceeën. â
Hippocastaneeën.
ase
LXIV. Fam. Terebinthaceeën.
Boomen en heesters, meest 1- of 2-huizig. Kelk 3-7-spletig, klein. Bloemkroon 3-7-bladig of ontbrekend. Meeldraden 3-7. Vruchtbeginsel i met 3 stijlen. Vrucht een steenvrucht.
I Bloemen S-slachtig, veeltelig of 2-lmizigr. Kelk S-spletig. Kroonbladen 5. Meeldraden 5. Stglen 3. Vrucht l-(3-)-zadig, droog]........Rhus £80.
i. Rhus Trn. Pruikenboom. v.
1 Bladen enkelvoudig, ongedeeld, langgesteeld, omgekeerd-eirond of elliptisch, gaaf-
randig, van onderen blauwgroen. Bloemen op afstaand behaarde stelen in losse, tijdens den vruchttqd dicht wollige pluimen, tweeslachtig, groenachtig-geel. 3,00-4,50. Juni, Juli. Sieratruik uit Z.-Europa.
Gewone P. f R. Cótinus L. Bladen samengesteld......................2
2 Stengel liggend en wortelend of klimmend, onbehaard, met knobbelige puntjes.
Bladen 3-tallig, langgesteeld. Blaadjes breed-eirond, toegespitst. Bloemen in kleine losse pluimen, groenachtig, vaak purper geaderd. 1,00-2,00. Juni, Juli.
Uit Noord-Amerika. Vergiftig! Hier en daar als sieratruik, een enkele maal
verwilderd...........Giftige P. t R. Toxicodéndron L.
Stengel rechtopstaand, vertakt. Bladen oneven gevind. Blaadjes talrjjk (11-25), langwerpig-lancetvormig, toegespitst, gezaagd. Bloemen in een dichte pluim. 3
3 Blaadjes kaal, van onderen blauwgroen. Bladstelen en takken kaal of (zooals bij de
manuelgke planten) behaard. Bloemen vaak 2-huizig, groenachtig. Vruchten rood gekleurd. 3,00-6,00. I^. Juli, Augs. Sieratruik uit Noord-Amerika.
Gladde P. t R. glabra L. Blaadjes van onderen tijn behaard, vaakgrysachtig-wit, meest lichtgroen. Bladstelen en takken dicht behaard. Bloemen meest 2-huizig, geelachtig wit. Vrucht rood. 3,00-6,00. 1^. Juni, Juli. Sierstruik uit Noord-Amerika.
Azqn P. R. typhina L.
LXV. Fam. Hipoocastaneeën. Kastanjeachtigen.
Boomen met handvormig samengestelde bladen, veeltelig. Kelk 5-tandig. Bloemkroon 4-5-bladig, symmetrisch. Meeldraden 7-8. Stamper 1 met een 3-hokkig vruchtbeginsel. Vrucht 1-hokkig, meest éémadig. Doosvrucht met 3 kleppen openspringend. 1 Kelk 5-tandig. Kroonbladen 4-5, ongelyk. Meeldraden 5-9. Doosvrucht 5-hokkig. Bladen handvormig, 5-7-tallig, tegenoverstaand.....Aésculus 280.
1. Aésculus L. Wilde kastanje, vu.
1 Knoppen meer of minder kleverig. Kroonbladen meest 5. Meeldraden meest 7,
neergebogen. Doosvrucht stekelig................2
Knoppen niet kleverig. Kroonbladen 4. Meeldraden 5-8, recht. Doosvrucht niet stekelig. (Pavia Boerh)....................3
2 Bladen 5- of 7-tallig. Blaadjes wigvormig-omgekeerd-eirond, kort toegespitst, getand,
iets geplooid, de buitenste kleiner. Meeldraden meest 7. Kroonbladen met ge-golfden rand, wit, geel of lichtpurper gevlekt. 15,00-20,00. Mei, Juni, soms in den Herfst weer. Vaak als sierboom aangeplant. Uit Indië.
Paarde K. Wilde Kastanje. A. Hippocastanum L. Bladen meest 5-tallig. Blaadjes bgna geheel vlak of meer of minder geplooid, de buitenste niet veel kleiner. Kroonbladen 4 of 5, niet gegolfd, rood. Doosvruchten met weinige of korte stekels, of zonder stekels, groot. 12,00-16,00. 1^. Mei, Juni. Sierboom. Een bastaard van A. Hippocastanum en A. Pavia. (A. rubicünda Lodd.)
Roode K. t A. carnea Willd.
Acerineeën.
S Bladen 5-tallig. Blaadjes langwerpig, toegespitst, gezaagd, met wigvormigen voet, van onderen evenals de stelen bjjna kaal, alleen in de hoeken der aderen gebaard. Kroonbladen lang genageld, langer dan de helmknopjes, vnil-purper. 3,00-8,00. Mei, Juni. Sierboom uit Noord-Amerika. (P. rubra Lmk.)
⢠Gladde K. A. Pavia L.
Bladen 5-7-tallig. Blaadjes ongeluk gezaagd, van onderen evenals de stelen zacht behaard. Bloemkroon lichtgeel. Overigens als de vorige. 3,00-8,00. Mei, Juni. (P. flava D. C.)............Gele K. A. flava Ait.
LXVI. Fam. Acerineeën. Eschdoornachtigen.
Boonien met overstaande bladen, 2-slachtig , 1- of %-huizig. Kelk meest 5 [4-9-J-tandig of-deelig. Bloemkroon meest 5 (4-9-]-bladig of ontbrekend. Meeldraden meest 8 (S-iÃ]. Stamper i met 1 stijl en 2 stempels. Vrucht een tweedeelige, gevleugelde split-vrucht.
\ Planten 2-slachtig of 1-huizig. Kelk 2-, zelden 4-deelig. Kroonbladen 5, even groot. Meeldraden meest 8 (5-40). Vleugelvrucht 2-deelig. Bladen min of meer gelobd . Acer £87. Planten 2 huizig. Kelk 4-5-tandig. Bloemkroon ontbrekend. Meeldraden 4 5, met zittende helmknopjes. Bladen 5- of 3-tallig gevind...........Negündo 2Samp;*
1. A'cer L. Eschdoorn. Ahorn. VII.
Boomen of heesters met tegenoverstaaode, langgesteelde, meest handlobbige bladen, eindelingsche, samengestelde, schermvormige trossen of schermen, groenachtig gele bloemen en 2-vleugelige splitvruchten............... .... 1
1 Bloemen in rechtopstaande, schermvormige trossen. Vleugels
der vruchten bijna horizontaal afstaand.......2
Bloemen in hangende trossen. Vleugels der vrucht iets afstaand. Bladen 5-lobbig, van onderen blauwgroen. Lobben toegespitst, ongelijk gezaagd-gekarteld. Bloemkroon groenachtig. 20,00-25,00. K Mei, Juni. Gekweekt en in het wild.
Schotsche lindeboom. Luitenboom. Violenhout-Gewone E. A. Pseudo-plamp;tanus L.
3 Bladen liochiig, 5-7-Iobbig, van onderen kaal. Lobben met bijna evenwijdige zijran-den, lang toegespitst, aan weerszyden met 1-3 spitse tanden. Bochten stomp.. Bloemen tegelijk met de bladen verschonend. Bloemstelen b^na kaal. Bloemkroon geelgroen. 20,00-25,00. Ij. April, Mei. Vaak aangeplant.
Zweedsche E. A. platanoides L»
Bladen 3-5-lobbig, van onderen zacht behaard. Lobben stomp gaafrandig of gekarteld. Bochten spits. Bloemen kort na de bladen verschijnend. Bloemstelen zachtharig. Bloemkrooni
987
Acerineeën.
geelachtig-groen of groen. 3,00-6,00, maar ook tot 48,00. K Mei, Juni. In bosschen en heggen, vaak gekweekt.
Booghout. Spannsche aak. Kleine E. A. campéstre L.
Bovendien vindt men als sierfioonien in luinen en parken nog:
1 Bloemen in trossen of pluimen, na het opengaan der bladen verscliynend ... 2 Bloemen in schermvormige trossen, tegelijk met de 6-, zeldzaam 3-lob hi ge bladen
of kort daarna verscliynend. Bladen dun, met lang toegespitste lobben, van onderen meest blauwgroen, de middelste lob ver boven de zydelingscbe uitstekend. Bloemen geelachtig, aan het einde der korte takken tweeslachtig, uit zyknoppen mannelyk. Vruchtjes bjjna horizontaal afstaand, met rechtopstaande vleugels. Boom. 10,00-20,00 April, Mei. Uit Noord-Amerika. (A. nigrum Mchx.)
Suikerahorn, f A. sacchannum Wangenh. Bloemen in zittende kluwens, kortgesteeld, lang voor de bladen verschijnend. Bladen van onderen blauwgroen, 5-iobbig, met toegespitste lobben. Boomen . . 3
2 Bladen ongedeeld, eirond, meest met hartvormigen voet, toegespitst, dubbel- eu
scherp gezaagd, van voren iets gelobd. Bloemen klein, een rechtopstaande, trosvormige pluim vormend. Vruchtjes met by na evenwydige vleugels, ten laatste rood. Bloemkroonbladen witachtig. Jonge takken ongestreept 3,00-5,00. 1^. Mei, Juni. Sierstruik uit Zuid-Europa. Tartaarsche E. f A. tataricum L. Bladen gelobd. Vruchtjes met afstaande vleugels. Bladen groot, hartvormig, 3-lobbig, tijn en dubbel gezaagd Bloemen tamelyk groot, in meest overhangende trossen, groenachtig-geel. Kelk onbehaard. Vruchtjes langwerpig, glad Struik of kleine boom. 3,00-5,00. Mei, Juni Uit Koord-Amerika (A. pensylvanicum L.)
fiestreepte E. t A. striatum Dur. 8 Bloemen byna zittend. Kelk in beiderlei bloemen 5-dcelig. Bloemkroon ontbrekend. Vruchtbeginsel behaard. Vrucht later onbehaard, kortgesteeld. Bladen 5-7-lobbig, met getande lobben. Bloemen groen en rood gevlekt. 10,00-16,00. Ij Maart, April. Uit Noord-Amerika. (A saccharinum L.t
Witte E. A. dasgt; carpum Ehrh. Bloemen gesteeld. Kelk en bloemkroon der mannelyke blosmen 5-bladig, der vrou-welyke bloemen meest 4-bladig. Vruchtbeginsel en vrucht kaal. Vrucht eindelyk langgesteeld, overhangend. Bladen meest 3-lobbig, ongelyk gezaagd. Bloemen scharlakenrood, zeldzamer lichter. 5,00-8,00. April. Uit N.-Amerika.
110ode E. t A. rübrum L.
2. Negündo Mnch. xxu.
1 Bladen 3- of 5-tallig gevind. Blaadjes eirond, grof gezaagd, het middelste vaak gelobd. Bloemen klein, in veelbloemige bundels, aan lange, draadvormige stelen, groenachtig of roodachtig. Vruchten met weinig afstaande vleugels, kaal. 10,00-16,00, Maart, April. Sierboom uit Noord-Amerika. (Acer Negundo L.)
N. aceroides Mnch.
V
LXVII. Fam. Polygaleeën. Kruisbloem ach tigen.
Kelk 5-bladig, de 2 zijdelingsche blaadjes groot, gekleurd. Bloemkroon 3-5-hladig, met elkaar en met de meeldraden vergroeid. Meeldraden 8, een- of tweebroederig, met i-hokkige helmknoppen. Stamper 1, met 2-hokkig vruchtbeginsel. Vrucht meest een doosvrucht.
A Kelkbladen 5, de zijdelingsche grooter, vleugelachtig, gekleurd. Kroonbladen 3(-5), onderling en met de 8 helmdraden vergroeid, het voorste gegroefd, met een aanhangsel. Vrucht doosvruchtachtig . . . ......Polygala «S».
»s%
Staphyleaceeën. iSO
1. Polygala L. Kruisbloem, xvii.
Kale, meest veelstengelige kruiden met bebladerden stengel, gaafrandige, meest ongesteelde bladen en eindelingsche trossen (soms alleenstaande bloemen).............1
Onderste bladen elliptisch, korter dan de bovenste, geen roset vormend..................2
Onderste bladen in een roset, omgekeerd-eirond, grooter dan de bovenste, meest bitter smakend. Bloemen klein, lichtblauw-wit. Schutbladen voor den bloei niet boven de bloemen uitstekend. Zynerven der vleugelachtige kelkbladen aan den top niet met de middelste verbonden. 0,05-0,12. 2J.. Mei, Juni. Misschien een enkele maal gevonden...........Bittere K. P. amara L.
Trossen 10- en meerbloemig, eindelings. Bladen alle verspreid ...................3
Trossen 3-8-bloemig, de eindelingsche korter dan de bloemdragende zijtakken (daardoor schijnbaar zijdelings). Onderste bladen bijna tegenoverstaand, de bovenste verspreid. Stengel liggend, draadvormig. Bloemen klein , lila tot wit. 0,05-0,20. H-, MeiâSeptr. Vrij algemeen, op vochtigen heide- en veengrond. Veranderlijke K. P. depréssa Wenderoth.
Schutbladen voor den bloei niet boven de bloemen uitstekend, half zoo lang als de bloemsteeltjes. Tros vrij los. Bloemen blauw, zelden rood of wit. 0,07-0.20. 2)-. MeiâJuli. Vrij algemeen, op vochtigen zand- en heigrond en in de duinen.
Gewone K. P. vulgaris L.
Schutbladen voor den bloei boven de bloemen uitstekend, later even lang als de bloemsteeltjes. Bloemen meest bleekrood, zelden wit of blauw. 0,12-0,20. MeiâJuli. Slechts een paar maal gevonden.
Kuifdragende K. P. comósa Schk.
LXV1I1. Fam. Staphyleaceeën.
Boomen of heesters. Bladen 3-tallig of gevind. Kelk 5-deelig, gekleurd. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden 5, afwisselend met de kroonbladen op een het vruchtbeginsel omgevende schijf ingeplant. Stamper i met 2-3 stijlen en stempels. Vrucht een 2-3-hokkige, vliezige doosvrucht. Zaden zonder zaadmantel.
Kelk 5-deelig, gekleurd, afvallend. Kroonbladen en meeldraden 5. Stglen 2-3. Vrucht vliezig, opgezwollen, 2-$-hokkig. Zaden beenig. Bladen samengesteld. Bloemen in hangende trossen...............Staph yléa^Sl^.
i. Staphyléa L. Pimpernoot, v.
Bladen 5-7-tallig, gevind. Blaadjes langwerpig-lancetvormig of langwerpig, - toegespitst, gezaagd, bjjna kaal, de zydelingsche bjjna zittend, het eindelingsche ge-steeld. Doosvrucht meest 2-lobbig. Kroonbladen wit, van buiten vaak roodachtig. 2,00-5,00. b. Mei, Juni. Sierstruik uit Zuid-Duitschland.
Gevederde P. S. pinnata L.
Heukels, School flora. 8-' druk. 19
Aquifoliaceeën. â Celastrineeën.
Bladen 8-tallig. Blaadjes langwerpig-eirond tot eirond, toegespitst, klein gezaagd, iets behaard, de zgdeliugsche kort, het middelste langer gesteeld. Doosvrucht meest 3-lobbig. Bloemkroon wit. 1,50-3,00. 1^. Mei, Juni. Sierstruik uit Noord-Amerika........ . . . . D riet al li ge P. t S. tri folia L.
LXIX. Fam. Aquifoliaceeën (Iliciiieeën). Hulstachtigen.
Heesters of boomen met stijve bladen. Kelk 4-6-tandig. Bloemkroon 4-6-deelig. Meeldraden 4-6, voor de kelkslippen staand. Stamper 1, met zittenden, 4-5-lobbigen stempel. Vrucht een bes.
1 Kelk 4-5-tandig, blijvend. Bloemkroon stervormig, 4-5-deelig. Meeldraden 4-5. Stempels 4-5, zittend. Bes 4-5-zadig.
Ilex ««O.
1. Ilex L. iv.
1 Bladen eirond, met stekelpunt, stekelig getand en gegolfd, glanzig, lederachtig. Bloemen in l-S-bloemige bijschermen, in de bladoksels. Bloemkroon wit. Vruchten rood. 3,00-6,00. ti. Mei, Juni. Vrij algemeen, in hooggelegen bos-schen, ook als sierstruik . . . Hulst. I. Aquifólium L.
LXX. Fam. Celastrineeën.
Boomen of heesters. Kelk 4-5-slippig. Bloemkroon 4-5-bladig, Meeldraden 4-5, afwisselend met de kroönbladen op een het vruchtbeginsel omgevende schijf ingeplant. Stamper met 1 stijl en 1 stempel. Doosvrucht 2-5-hokkig. Zaden met gckleurden zaadmantel.
i Kelk 4-5-spletig. Kroonbladen en meeldraden 4-5, de eerste op den rand, de laatste op een vleezige schijf ingevoegd. Stijl 1. Doosvrucht 4-5-lobbig en -hokkig. Hokjes 1-zadig. Zaden met een gekleurden, sappigen zaadmantel. Bladen
tegenoverstaand.........Evónymus S90.
Kelk 5 spletig, schotelvormig. Kroonbladen en meeldraden 5, op den rand van een vleezige schijf ingevoegd. Vruchtbeginsel meest 3-hokkig. Bladen verspreid. Cel astrus XOl.
1. Evónymus Trn, v.
Heesters met tegenoverstaande, enkelvoudige, fijn gezaagde bladen, okselstandige, gesteelde bijschermen en een roode 4-5-lob-bige doosvrucht .................. l
1 Bloemen meest 4-tallig. Doosvrucht stompkantig, zonder vleugels ....................2
MO
Ampelldeeën.
Bloemen meest S-tallig. Takken rolrond, iets samengedrukt, meest glad. Kroonbla-den rond, groenachtig. Doosvrucht gevleugeld, purper. Zaadmantel oranje, het zaad geheel omgevend. 1,50-4,00. 1^. Mei, Juni. Sierstruik uit Zuid-Duitschland.
f E. latifólia Scop^
2 Takken vierkant, glad of met enkele wratjes. Kroonbladen langwerpig, lichtgroen. Doosvrucht rose. Zaadmanteloranjer het geheele zaad omgevend. Zaden wit. 1,20-3,00. 1). Meir. Juni. Vrij algemeen, in boschrijke streken en heggen.
Luizenboom. Papenhoed. Papenmuts. Kardinaalsmuts.
E. europaéa L.
Takken rolrond, dik met zwarte wratjes bezet. Kroonbladen rond, groenachtig met bloedroode punten. Doosvrucht geelachtig. Zaadmantel bloedrood, slechts de helft van het zaad omgevend. Zaden zwart. 1,20-1,80. ï^. Mei, Juni. Sierstruik uit Oost-Duitschland.............t E. verrucosa Scop.
2. Celastrus L. v.
1 Stengel windend, evenals de bladen kaal. Takken rolrond. Bladen elliptischgt; toegespitst, gezaagd-gekarteld. Bloemkroon groenachtig-wit. Doosvrucht oranje. Zaadmantel rood, Mei, Juni. Sierstruik uit Noord-A.merika. t C, scandens
LXXI. Fam. Ampelldeeën. Wijnstokachtigen.
Klimplanten met hechtranken. Kelk gaafrandig tot A-5-tandig. Bloemkroon 4-5-bladig, vaak van boven verbonden. Meeldraden 4-5, voor de kroonbladen staand. Stamper met 1 stijl en stempel. Vrucht een tweehokkige bes.
1 Kelk 5-tandig. Kroonbladen van boven verbonden, mutsachtig van den voet loslatend. Bladen meest gelobd..............Vïtis /69Ã.,
Kelk bgna gaaf. Kroonbladen uitgespreid, van den top naar den voet loslatend. Bladen handvormig samengesteld.........Ampelópsis 991.,
1. Vitis L. Wijnstok, v.
1 Bladen hartvormig, 3-5-lobbig, grof getand, kaal, zeldzamer behaard of viltig, zich
in den herfst niet rood kleurend Bloemen in pluimen, meest tweeslachtig. Bloemkroon geelachtig groen. Bessen rond of langwerpig, donkerblauw of groenachtig. 1,00-8,00. Ij. Juni, Juli. Gekweekt, zelden verwilderd. Afkomstig uit West-Azië.
Gewone W. t V. vinifera L. Bladen niet of onduidelijk gelobd . â¢................2
2 Bladen onduidelqk 3-lobbig of -hoekig, getand, van onderen, evenals de blad- en
bloemstelen eu ranken, viltig, zeldzamer kaal. Pluim klein. Bloemen onvolledig 2-huizig. Bloemkroon geelachtig-groen. Bessen donkerpurper of groenachtig. 1,00-8,00. Ij, Juni, Juli. Sierstruik uit Noord-Amerika.
A m e r i k a a n s c h e W. f V. Labrüsca L. Bladen getand, hartvormig, zeldzamer 3-5-lobbig, meest van onderen iets behaard. Pluim los, rgkbloemig. Bessen klein. Bloemen welriekend. 1^. Juni. Sierstruik uit Canada............Hart W. V. cordifólia Mchx.
2. Ampelópsis Michx. v.
1 Bladen 3-5-tallig, kaal. Blaadjes eirond-lancetvormig of langwerpig, gezaagd, glanzig, zich in den herfst rood kleurend. Bloemen in beschermen. Bloemkroon groen. Bessen donkerblauw tot zwartachtig. 6,00-12,00. 1^. Juli, Augs. Veel als klimplant gekweekt* Uit Noord-Amerika. (A. hederacea Mchs.)
Wilde wingerd. fA. quinquefólia R. et Sch.
«0X
19*
â Eu phorbiaceeë n.
Rhamneeën.
*9»
LXXII. Fam. Rhamneeën.
Heesters of hoornen, 2-slachtig of 2-huitig. Kelk 4-5-spletig. Bloemkroon 4-5-bladig, op den kelk ingeplant. Meeldraden 4-5, voor de kroonbladen staand. Stamper i, meest met 2-4-spletigen stijl. Vrucht een besachtige steenvrucht.
1 Planten onvolledig 2-huizig of 2-slachtig. Kroonbladen 4-5, ongenageld. Meeldraden 4-5. Stijl ongedeeld of 2-4-spletig.
Rhamnus SOi.
1. Rhamnus Trn. Wegedoorn. v.
Struiken of kleine boomen met gesteelde, enkelvoudige bladen, kleine, groenachtig gele of witte bloemen en sappige, besaeh-
tige steenvruchten.....â ............I
i Planten onvolledig 2-huizig. Kroonbladen 4, ongenageld. Meeldraden 4. Stijl 2-4-spletig. Takken, evenals de bladen, tegenoverstaand, in doornen overgaande. Bladsteel 2 of 3-maal zoolang als de steunbladen. Bladen eirond-elliptisch of elliptisch. Slippen van den kelk even lang als de buis. Bloemen in de bladoksels, ten deele eenslachtig, groenachtig. Vrucht zwart. 1,00-3,00. K Mei, Juni. Niet algemeen, in bosschen en in struikgewas, vrij veel in de duinen. Duinbes. Schijtbezie. Sapgroenboom. Hertshoorn. Duindoorn.
Wier zenhout. Nertpruim. Rijnbezie. Gemeene W.
R. cathamp;rtica L.
Bloemen 2-slachtig. Kroonbladen 5, genageld. Meeldraden 5. Stijl ongedeeld. Takken en bladen verspreid. Zonder doornen. Bladen elliptisch, gaafrandig. Bloemen in bladoksel-standige bij schermen. Bloemkroon groenachtig-wit. Vruchten eerst rood, dan zwart. 2,00-4,00. K Mei, Juni. Algemeen, tusschen kreupelhout en in bosschen. (Frangula Alnus Mill.) Stinkhout. Sporkenhout. Pijlhout. Sprokken. Hondsknoppe-ren. Kraaibessen. Bloedt oom. Bloedhout. Sprakel. Buskruit-hout. Wakelenhout. Hondebeien. Hondsboom. Hondjeshout.
Vuilboom. R. FrAngula L.
LXXIII. Fam. Euphorbiaceeën. - Wolfsmelkachtigen.
Planten kruidachtig, i- of 2-huizig. Bloenidek ontbrekend of aanwezig. Meeldraden i of meer. Vruchtbeginsel bovenstandig, 2-3-hokkig met 9-3 stijlen en meest gespleten stempels. Vrucht een 3-kluizige splitvrucht. Meest met melksap.
Euphorbiaceeën.
Bladen enkelvoudig, ongedeeld...........2
Bladen handvormig gelobd. Planten eenhuizig. Meeldraden talrijk, vergroeid, in een 5-deelig bloemdek. Vrouwelijke bloemen met 3 tweespletige stempels, in een driedeelig bloemdek. Vrucht driehokkig.....Ricinus SOO.
Planten met melksap, eenhuizig. Verscheiden uit een meeldraad bestaande mannelijke bloemen en een gesteelde vrouwelijke bloem door een klokvormig omwindsel, dat aan den rand 4-5 naar buiten gerichte klieren draagt, omgeven.
Euphorbia S93.
Planten zonder melksap, (1- of) 2-huizig. Bloemdek 3-4-deelig. Meeldraden 9-12. Vruchtbeginsel met een korten stijl en 2 stempels...........Mercurialis «9«.
1. Euphorbia L. Wolfsmelk, xxi.
Kruiden met wit melksap, bebladerden stengel en meestal gaal-randige bladen...................1
Bladen kruiswijs staand, zittend, langwerpig-lijnvormig, stomp, stekelpuntig, de bovenste met hartvormigen voet. Scherm 2-4-stralig, zeer groot. Randklieren van het omwindsel kort tweehoornig, lichtgeel. Doosvrucht zwak gerimpeld. Zaden netvormig gerimpeld. 0,30-1,00. OQ- JuniâAugs. Vrij zeldzaam, in Zeeland en Noord-Brabant, soms aangeplant. Uit Zuid-Europa . . . Koffieboon W. E. Lathyris L.
Bladen verspreid, soms tegenoverstaand, doch dan gesteeld. 2
Randklieren van het omwindsel rond of dwars elliptisch, afgerond ...................3
Randklieren van het omwindsel halvemaanvormig of tweehoornig ...................9
Bladen tegenoverstaand, kortgesteeld, eirond, byna rondaebtig met scheeven voet. Stengels teer, op den bodem in een kring liggend. Bloemen klein, alleenstaand in de bladoksels. 0,01-0,35. Juni, Juli. ©. In een moestuin bg Endegeest gevonden. Uit Z.-Eurojm.....Rondbladige W. E. Chamaesy'ce L.
Bladen verspreid................4
Scherm 3-5-stralig. Stengel 0,15 0,30 hoog......5
Scherm 5-veelstralig. Overblijvende planten......8
Eenjarige planten. Wortel spilvormig. Schermstralen eerst 3-, daarna 2-deelig................6
Overblgvende planten Wortelstok kruipend, dik, geleid. Zaden glad. Schermen meest 5-stralig. Randklieren donkerpurper tot bruinrood. Doosvrucht met ongelijke stompe wratten. Schermstra'en meest slechts eenmaal 2-deelig. Bladen levendig groen, zeer kortgesteeld, stomp, /an ouderen verspreid behaard, lancetvormig-langwerpig, de onderste omgekeerd-eirond-langwerpig, kleiner Stengel rond, verspreid behaard. 0,30-0,50. ij.. Mei, Juni. Een enkele maal by Leiden gevonden.
Zoete W. E. dülcis Jacq.
«»3
Kuphorbiaceeen.
6 Doosvrucht glad. Zaden gegroefd. Scherm meest 5-stralig.
Bladen omgekeerd-eirond of spatelvormig, wigvormig in den steel versmald, naar voren fijn gezaagd. 0,10-0,30. O-JuniâSeptr. Zeer algemeen op bouw- en moesland.
Wrattekruid. Kroontjeskruid. E. helioscópia L. Doosvrucht wrattig. Zaden glad. Bóvenste bladen met eenigs-zins hartvormigen voet zittend, langwerpig-lancetvormig, naar voren iets breeder, van het midden af ongelijk fijn gezaagd..................7
7 Vrucht met rolronde wratten bezet, 0,002 breed. Schermen
meest 3-stralig. Bladen donkergroen, aan weerszijden kaal. Stengel slank. 0,15â0,4-5. 0. JuniâSeptr. Zeldzaam, op bouwland en aan heggen, en ook aan slootkanten.
Stijve W. E. strfcta L. Vrucht met halfbolvormige wratten bezet, 0,003-0,004 breed. Schermen meest 5-stralig. Bladen licht of geelachtig groen, kaal of van onderen behaard, de onderste langwerpig-omge-keerd-eirond, stomp, in den korten bladsteel versmald. 0,25-0,50. 0. Juli, Augs. Zeldzaam, op bouwland, aan wegen en slooten . . . Breedbladige W. E. platyph^llos L.
8 Stengel 1,00-1,25 hoog. De schermstralen eerst 3-deelig. Bla
den zittend. Stengel meest met niet-bloeiende takken. Bladen kaal, lancetvormig, bijna gaafrandig, alleen van voren fijn getand. Stengel kaal. Randklieren bruin. Doosvrucht met korte rolronde wratten, kaal. H-. Mei, Juni. Vrij algemeen, op moerassige plaatsen, langs slooten en kolken. Groote Spurge. Duivélsmelk. Moeras W. E. palüstris L. Stengel 0,15-0,30 hoog, evenals de bladen kaal, rechtopstaand of liggend, meest niet vertakt. Bladen lijn-lancetvormig, stekelpuntig, blauwgroen, met versmalden voet zittend. Schermstralen eerst 2-deelig. Schutbladen driehoekig-eirond, overdwars breeder, stekelpuntig. Randklieren geel. Vrucht kaal, glad of met fijne puntjes. 0,15-0,30. 2J-. Juni, Juli. Menigvuldig, langs wegen en rivierdijken.
Spitsbladige W. E. Gerardiéma Jacq.
9 Bladen dik en vleezig of lederachtig, langwerpig, zeer dicht
opeengezeten. Klieren sikkelvormig of fijn getand. Stengel wat houtig, rechtopstaand. Scherm soms 3-5-, soms meer-stralig. 0,30-0,60. 2|.. MeiâJuli. Menigvuldig in de zee-
duinen ..........Zee W. E. Parölias L.
Bladen dun of iets stijf . ............10
»9*
Euphorbiaceeën.
40 Schennen 3-5-stralig. Planten eenjarig. Zaden rimpelig of
gegroefd .............13
Schermen veelstralig. Vrucht ruw. Planten overblijvend. Zaden glad .... i ......... ......11
11 Bladen onder het midden het breedst, naar voren min of meer versmald, iets hard,
stjjf. Bladen lancet- of Ign-lancetvormig, plotseling in den korten steel versmald, met zeer scherphoekig van de middelnerf uitgaande zgnerven, van boven dof en dofgroen, van onderen bleeker. Schutbladen overdwars breeder, stekelpuntig. Stengel roedevormig, armbladig. 0,30-0,60. MeiâJuli- Bg Deventer gevonden.
Roedevormige W. E. virgata W. et K.
Bladen boven het midden het breedst of overal even breed, naar den voet versmald, vrij dun, dof, zeer kortgesteeld, lichter groen.................12
12 Onderste stengelbladen tijdens den bloeitijd nog aanwezig.
Bladen lijnvormig tot lijn-wigvormig, meest zonder stekelpunt, die aan de onvruchtbare takken zeer smal, bijna draadvormig. Schutbladen ruitvormig, geel, ten slotte roodachtig. 0,15-0,30. 2f. April, Mei. Menigvuldig, op open en bebouwden zandgrond, ook aan wegen. Cypres W. E. Cyparissias Scop. Onderste stengelbladen tijdens den bloeitijd afgevallen. Bladen lijn-lancetvormig of lijnvormig-langwerpig, naar den voet wigvormig versmald, meest stekelpuntig, die aan de onvruchtbare zijtakken iets smaller. Schutbladen ei-ruitvormig, meest stekelpuntig, groen of geel. 0,30-0,60. 2j.. MeiâJuli. Menigvuldig, langs dijken, in weilanden, uiterwaarden, duinen en heggen. Kleine spurge. Stompbladige W. E. Esula L.
13 Bladen omgekeerd-eirond of rondachtig, stomp, gesteeld, gaaf-
randig. Schutbladen eirond, zittend of kortgesteeld. Hokjes der vrucht op den rug met 2 zwak gevleugelde lijsten. Scherm 3-stralig. Schermstralen eerst 3-, later 2-deelig. Lichtgroen. 0,10-0,30. 0. JuliâOctr. Menigvuldig, op moes-en bouwland en aan heggen.
Zilverblad. Duivelsmelk. Kleine spurge. Kroontjeskruid.
Tuin W. E. Péplus L. Bladen lancetvormig of lijnvormig, zittend . . , .... 14
14 Bladen lijnvormig, meest met verbreeden voet zittend, spits
of stomp, met stekelpunt. Schutbladen lijnvormig, metbree-den, bijna hartvormigen voet. Zaden iets knobbelig. 0,07-0,18. ©. JuniâOctr. Menigvuldig, op bebouwden kleigrond ..........Kleine W. E. exlgua L.
Bladen blauwgroen, lijnvormig, toegespitst, stekelpuntig. Schutbladen niervormig. Scherm 5-stralig. Schermstralen herhaald 2-deelig. Doosvrucht fijn en ruw gepunt. 0,20-0,30. O- Juni, Juli. Een paar malen gevonden op akkers.
Koren W. B. se^etalis L.
«95
Callitrichineeën.
2. Mercurialis L. Bingelkruid, xxn.
Kale, vergiftige, i- of 2-huizige planten met tegenoverstaande, gekartelde of gezaagde bladen, groenachtige bloemen en borstelige vruchten.................. i
A Stengel onvertakt, rond, met uitloopers. Bladen gesteeld, eirond-langwerpig tot elliptisch-lancetvormig. Vrouwelijke bloemen langgesteeld. Vrucht ruw behaard. 0,15 0,30. 2).. April, Mei. Alleen in Limburg in bosschen gevonden.
Overblijvend B. M. perénnis L.
Stengel vertakt, vierkant. Bladen langwerpig-eirond tot lang-werpig-lancetvormig. Vrouwelijke bloemen bijna zittend. Vrucht met spitse, een haar dragende knobbels. 0,20-0,50. ©. JuniâOctr. Algemeen, op bouw- en moesland en op onbebouwde gronden. . . . Eenjarig B. M. éinnua L.
3. Ricinus L. xxr.
1 Stengel rechtopstaand, bergpt. Bladen groot, handvormig, 7-9-lobbig, met lancet-vormige, gezaagde lobhen, glanzig. Bloemen in trossen, de manneiyke onder de vrouwelijke. Vrucht stekelig. Bloenidek geelachtig. Stempels rood. 1,00-2,50. ©. Juli, Augs. Sierplant uit Oost-lndië. Wonderplant, t R- communis L.
LXXIV. Fam. Callitrichineeën.
Waterplanten, i-huizig of 2-slachtig. Bloemen omgeven door 2 teere schutblaadjes. Bloemdek onduidelijk. Meeldraden Vruchtbeginsel vierkant met twee stijlen. Vrucht een 4-deelige splitvrucht.
1 Planten 1-huizig of 2-slachtig. Bloemen alleenstaand in de bladoksels j meest door 2 schutblaadjes gesteund. Bloemdek onduidelijk. Meeldraad 1. Stempels 2. Vrucht 4-hokkig, eindelijk in 4 nootachtige splitvruchtjes uiteenvallend. CalHtriche SOO.
1. Callilriche L. Haarsteng. 1.
Stengel draadvormig. Bladen tegenoverstaand, gaafrandig, de bovenste vaak in rosetten en drijvend.........1
1 Bladen naar den voet versmald of lijnvormig, drienervig, de bovenste meest een roset vormend. Bloemen met sikkelvormige
schutbladen.................2
Bladen lijnvormig, met breeden voet en ingesneden top, 1-nervig, de bovenste nooit rosetvormend. Bloemen zonder schutbladen. Vrucht cirkelrond. Vruchtjes breed, breed-vleugel-
200
Empetreeën.
Buxineeën. â
«97
vormig gekield. Stijlen gekromd, afvallend. Plant geheel onder water. 0,08-0,25. i).. JuliâOctr. Vrij menigvuldig, in slooten en andere stilstaande en stroomende wateren.
Herfst H. C autumndlis L.
2 Vruchtjes smal gekield. Onderste bladen meest lijnvormig, de
bovenste omgekeerd-eirond, zeldzamer alle lijnvormig . . 3 Vruchtjes breed-vleugelvormig gekield, bijna cirkelrond, tamelijk groot. Stempels rechtopstaand, blijvend. Bladen rond-omgekeerd-eirond tot spatelvormig, aan de vormen in diepe wateren de onderste lijnvormig. (C. platycarpa Kütz.) 0,05-0,25. 2J.. JuniâOctr. Zeldzaam. Vindplaatsen als de vorige, ook op vochtigen grond.
Moeras H. C. stagnélis Scop.
3 Vrucht meer lang dan breed, bijna omgekeerd-hartvormig.
Stempels rechtopstaand, omstreeks 2-maal zoo lang als het vruchtbeginsel, zelden geheel afvallend. 0,03-0,25. 0 en 2(.. MeiâOctr. Vrij menigvuldig Vindplaatsen als de vorige.
Voorjaars H. C. vernamp;lis L. Vrucht cirkelrond of iets meer lang dan breed. Stempels uitgespreid, later teruggebogen, 6-8-maal zoo lang als het vruchtbeginsel, afvallend. 0,05-0,25. 2].. JuniâOctr. Zeldzaam. Vindplaatsen als de vorige. Haak H. C. hamulata Kütz.
LXXV. Fam. Buxineeën.
Heesters, 1-huizig. Mannelijke bloemen met 4(-5J-slippig bloem-dek en 4f-5J meeldraden. Vrouwelijke bloemen met 6-sUppig bloemdek en een bovenstandig, 3-hokkig vruchtbeginsel met 3 stijlen en stempels. Vrucht een 3-hokkige doosvrucht.
1 Planten eenhuizig. Bloemdek ongelijk 4-6-slippig. Meeldraden 4. Stylen 3, kort, big vend. Stempels groot. Vrucht een driehokkige, lederachtige doosvrucht.
Buxus ^07.
i. Büxus Trn. xxi.
1 Bladen tegenoverstaand, elliptisch, gaafrandig, lederachtig, van boven donkergroen, van onderen witachtig. Bloemeo in kluwens, in de b'adoksels, geelachtig wit. 0,15-3,00. 1^. Maart, April. Een paar maal in de duinen gevonden. Vaak gekweekt.
Buks. Palmboompje. B. sempervirens L.
LXXVI. Fam. Empetreeën.
Heesters, 2-huiiig. Kelk en bloemkroon 3-bladig. Meeldraden 3. Stamper i, met bovenstandig vruchtbeginsel, 1 stijl en 6-9 stervormig geplaatste stempels.
U m b e 11 i f e r e n.
i Planten 2-huizig, zelden 2-slachtig. Kelk 3-bladig. Bloemkroonbladen en meeldraden 3. Stijl zeer kort. Stempels 6-9.
,Bes6-9zadig..........Ãmpetrum 998.
1. Ãmpetrum Trn. xxii.
4 Stengel liggend, met opstijgende, dichtbebladerde takken. Bla-1 den bijnakransstandig, lijnvormig met omgerolden rand. Bloemen zittend in de bladoksels, klein, rose of purperkleurig. Bes zwart. 0,15-0,45. 1). April, Mei. Tamelijk veel, op veen-achtigen heigrond, ook in de duinen. ' Besheide. Kraaiheide. E. nigrum L.
LXXVII. Fam. Umbelliferen. Schermbloemigen. v.
Bladen meest samengesteld. Bloeiwijze meest een samengesteld scherm. Kelk klein, 5-tandig, soms onduidelijk. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden 3. Vruchtbeginsel 1, onderstandig , met 2 stijlen. Vrucht een 2-notige splitvrucht.
1 Bloemen niet in duidelijk samengestelde schermen ... 2 Bloemen in samengestelde schermen.........4
2 Bladen ongedeeld, schildvormig. Schermen klein, hoofdjes-
achtig, armbloemig. Kelkzoom onduidelijk. Omwindsel 3-
5-bladig...........Hydrocótyle SOS.
Bladen gedeeld of samengesteld. Kelkzoom 5-tandig ... 3
3 Plant distelachtig. Bloemen in hoofdjes. Vrucht met schub
betjes en knobbeltjes bezet. Omwindsel veeldeelig, doornig.
Er^ngium 303,
Plant niet distelachtig. Bladen handdeelig. Bloemkroon wit of rood. Schermen samengesteld, maar de schermpjes hoofd-jesachtig met mannelijke randbloemen. Vrucht met haakvormige stekels bezet........Sanfcula 302.
Zie ook Scandix blz. 311 en Tórilis blz. 310.
4 Bloemkroon geel, groengeel of groenachtig......5
Bloemkroon wit of roodachtig...........quot;12
5 Bladen enkelvoudig, ongedeeld, gaafrandig. Omwindsel 1-meer-
bladig of ontbrekend. Omwindseltjes meerbladig. Kroon-
bladen ingerold, geel.......Bupleürum 30«.
Bladen samengesteld..............6
6 Omwindsel en omwindseltjes ontbrekend of uit 1â2 blaadjes
bestaand..................7
Omwindsel ontbrekend. Omwindseltjes veelbladig . ... 10
«CS
U mbellife ren.
- Omwindsel en omwindseltjes veelbladig. Vrucht gevleugeld. Bladen dubbel gevind. Kelkzoom onduidelijk. Kroonbladen rondachtig, ingerold. Alle ribben gevleugeld.
Levfsticum 30S.
I Stengel glad. Bladslippen priemvormig. Kelk onduidelijk. 8 Stengel gegroefd. Deelvruchtjes met gevleugelden rand. . 9
8 Bladscheeden aan den top met mutsvormige oortjes. Vrucht
in doorsnede rond, niet gevleugeld . Foenfculum 307. Bladscheeden zonder oortjes. Vrucht lensvormig, breed-gevleu-geld......................Anéthum
9 Bladslippen lijnvormig. Kelkzoom 5-tandig. Kroonbladen om-
gekeerd-eirond, met naar binnen gebogen topjes, geelachtig wit bf groenachtig . . Peucédanum (Chabraéi) 30S. Bladslippen eirond tot lancetvormig. Kelkzoom onduidelijk. Kroonbladen rond, afgeknot, ingerold, geel.
Pastinaca 30».
40 Kelkzoom onduidelijk. Vrucht niet gevleugeld.....11
Kelkzoom 5-tandig. Vrucht met gevleugelden rand. Blaadjes lijnvormig. Kroonbladen omgekeerd-eirond, met naar binnen gebogen topjes, geel. Randen der deelvruchten tegen elkaar liggend......Peucédanum (officinale) 308.
II Kroonbladen rond, in een naar binnen gebogen lobbetje ver
smald , groenachtig geel. Vrucht zijdelings samengedrukt,
2-kantig..................Petroselfnum 303.
Kroonbladen langwerpig-pmgekeerd-eirond, in een naar binnen gebogen topje versmald, bleekgeel. Vrucht in doorsnede
rond...............Silaus SOS.
Vergelijk ook Angéiica blz. 308.
12 Vruchtbeginsel (vrucht) lijnvormig of gesnaveld 1). Kelkzoom
onduidelijk.................13
Vruchtbeginsel (vrucht) borstelig of stekelig, cmgesnaveld. Kelkzoom 5-tandig................16
Vruchtbeginsel (vrucht) langwerpig tot eirond of rondachtig, ongesnaveld, kaal, zeldzamer behaard.......21
13 Vrucht minstens 0,02 lang, onbehaard, geribd.....14
Vrucht nauwelijks 0,01 lang. Schermen veelstralig . . .15
14 Vrucht langgesnaveld (de snavel veel langer dan de vrucht).
29»
Scherm 1-3-stralig.........Scdndix Bil.
1
By An til rise us vormt de snavel vaak slechts eea donkergroenen, geribden hals opMiet vruchtbeginsel.
Umbelliferen.
Vrucht ongesnaveld, zwartbruin, sterk glanzend. Scherm veel-stralig..............M^rrhis 31«.
15 Vrucht kort gesnaveld 1) (snavel hoogstens half zoo lang als
de vrucht, geribd), zonder ribben, onbehaard, borstelig.
Anthrfscus 311..
Vrucht ongesnaveld, stomp, geribd, kaal.
Chaeroph5Tllum 31«.
16 Bladen 3-deelig, de zijslippen in 'ien, de eindslip in Ben ge
deeld. Bladslippen lijnvormig. Omwindsel en omwindseltjes 2-4-bladig. Bloemen stralend . . . . Cüminum SOU. Bladen enkel gevind. Omwindsel en omwindseltjes 3-meerbla-dig. Scherm 2-4-stralig. Blaadjes van het omwindsel langwerpig, stomp, vliezig. Vrucht zijdelings samengedrukt, met
stekelige ribben.........Turgénia 310.
Bladen, ten minste de onderste, 2-3-voudig gevind . . .17
â 17 Omwindsel ontbrekend of 1-bladig.........18
Omwindsel en omwindseltjes veelbladig. Scherm veelstralig. 19
18 Omwindseltjes armbladig. Scherm 2- of 3-stralig. Vrucht
langwerpig, met stekelige ribben . . . Caücalis 310. Omwindseltjes veelbladig. Schermen veelstralig. Vrucht met hakige stekels bezet.........Tórilis 310.
19 Omwindselbladen 3-deelig tot vindeelig, met lijnvormige slippen.
Hoofdribben der vrucht borstelig, nevenribben stekelig.
Daucus 310.
Omwindselbladen ongedeeld . ...........20
20 Randbloemkronen groot, wit. Vrucht lensvormig. Hoofdribben
borstelig. Nevenribben ieder met 2 of 3 rijen van stekels.
Orlaya 310.
Bloemkronen klein, wit of roodachtig. Vrucht langwerpig-eirond, dicht met hakige stekels bezet . . Tórilis 310.
21 Bladen 3-tallig of dubbel tot 3-voudig 3-tallig.....22
Bladen enkel gevind, zeldzaam slechts vindeelig .... 23 Bladen dubbel tot 3-voudig gevind......... 27
22 Omwindsel en omwindseltjes ontbrekend of slechts uit 1 of 2
blaadjes bestaand. Blaadjes eirond of eirond-langwerpig, gezaagd. Vrucht langwerpig, ongevleugeld . . Aegopódium 301. Omwindsel en omwindseltjes 3-meerbladig. Bladen 3-tallig met 2- of3-spletige blaadjes en lijn-lancetvormige, gezaagde slippen. Kroonbladen langwerpig-elliptisch, stomp. Vrucht ongevleugeld ..............Falcaria 304.
300
1
Bij Anthriscus vormt de snavel vaak slechts een donkergroenen, geribden hals op het vruchtbeginsel.
U mbellif'eren.
23 Omwindsel ontbrekend of slechts uit 1-2 blaadjes bestaand.
Omwindseltjes 3-meerbladig. Stengel ruw behaard. Blaadjes gelobd tot vinspletig. Vrucht lensvormig met gevleugelden
rand.............Heracléum 30».
Vergelijk ook Helosciddum blz. 303.
Omwindsel en omwindseltjes ontbrekend of uit 1-2 blaadjes
bestaand. Kelkzoom onduidelijk.........24
Omwindsel en omwindseltjes 3-meerbladig. Moeras- of oeverplanten ..................25
24 Kroonbladen rond, gaafrandig, stervormig uitgespreid, groen-
achtig-wit. Vrucht rond, 2-knoppig . . . Apium 303. Kroonbladen omgekeerd-hartvormig, met naar binnen gebogen lobbetjes, wit. Vrucht eirond of langwerpig-eirond.
Pimpinélla 305.
25 Stengel drijvend of in het slijk kruipend. Schermen (schijnbaar)
tegenover de bladen staand. Vrucht rond, 2-knoppig. Kroonbladen eirond, spits......Helosciadium 303.
Stengel rechtopstaand..............2ü
26 Stengel rond, gestreept. Schermen tegenover de bladen staand.
Vrucht eirond, bijna 2-knoppig.....Berula 305.
Stengel kantig, gegroefd. Schermen eindelings. Vrucht langwerpig-eirond ............Sium 30I».
27 Omwindsel en omwindseltjes ontbrekend. Kroonbladen omge
keerd-hartvormig met naar binnen gebogen lobbetjes. Schermen veelstralig...........Carum SOS.
Omwindsel ontbrekend of veelbladig. Omwindseltjes naar één
zijde gekeerd, 2-4-bladig............^8
Omwindsel ontbrekend. Omwindseltjes naar alle zijden gekeerd,
3-meerbladig................30
Omwindsel en omwindseltjes 3-meerbladig......33
28 Scherm 3-5-stralig. Omwindsel ontbrekend. Kelkzoom 5-tandig.
Vrucht bolvormig........Coriandrum 31*.
Scherm 10-20-stralig. Kelkzoom onduidelijk......29
29 Omwindsel ontbrekend. Omwindseltjes meest langer dan de
schermpjes. Vrucht bol-eirond.....Aethusa 30f.
Omwindsel 3-5-bladig. Omwindseltjes korter dan de schermpjes. .vVrucht eirond . . .........Conium
30 Kelkzoom onduidelijk..............31
Kelkzoom 5-tandig...............32
31 Kroonbladen elliptisch of lancetvormig, spits. Blaadjes eirond
of breed-lancetvormig, groot. Vrucht met 2-vleugeligen rand.
Angélica 30S.
301
U mbellit'eren.
Kroonbladen omgekeerd-eirond of omgekeerd-hartvormig met een naar binnen gebogen lobbetje. Stengel kantig gegroefd. Scherm 15-20-stralig. Vrucht met 2-vleugeligen rand.
Selïnum 30S.
32 Blaadjes groot, lancetvormig tot lijn-lancetvormig, scherp ge
zaagd. Vrucht rond, 2-knoppig, geribd. Moerasplant.
Cicüta 303.
Blaadjes of bladslippen klein, lijnvormig. Kelk tanden lang, spits, dun. Stijlen lang, rechtopstaand. Moerasplant.
Oenanthe 30Ã.
33 Kelkzoom onduidelijk. Vrucht ongevleugeld ... . . 34 Kelkzoom 5-tandig...............35
34 Omwindsel bladen 3- tot vindeelig. Vrucht eirond-langwerpig.
Kroonbladen ongelijk. Blaadjes gezaagd, langwerpig-lancet-
vormig..............Amtni 304,
Omwindselbladen ongedeeld. Vrucht langwerpig. Blaadjes of bladslippen gaafrandig, lijn- tot draadvormig. Carum 304.
35 Vrucht gevleugeld aan den rand, lensvormig, met draadvormige
hoofdribben en ontbrekende zijribben. ThysseHnum 3O0. Vrucht ongevleugeld.......... .... 36
36 Vrucht langwerpig, geribd, kaal. Stijlen opgericht. Scherm
5-12-stralig. Stengel 0,40-0,60 lang, beneden fijngestreept,
boven kantig.....Oenanthe (Lachenilii) 307.
Vrucht elliptisch of eirond, gestreept, kort behaard. : Stijlen ten slotte teruggeslagen. Scherm meest 20-30-stralig. Stengel 0,60-1,20 hoog, kantig gegroefd . . . Libanótis 308.
1. Hydrocótyle Tm.
1 Stengel kruipend. Bladen langgesteeld, schildvormig, cirkelrond, gekarteld. Schermen hoofdjesachtig, 3-5-bloemig. Bloemkroon wit of roodachtig. 0,06-0,20. Juli, Augs.
Vrij algemeen, op vochtige plaatsen.
Navelkruid. Waternavel. H. vulgaris L.
2. Sanicula Tm.
1 Stengel met 1-2 zittende bladen. Wortelbladen handvormig gedeeld, met 3-spletige slippen, van onderen glanzend. Tweeslachtige bloemen zittend, de mannelijke kortgesteeld. Bloemkroon wit of roodachtig. 0,30-0,45. Ij-. Mei, Juni. Zeer zeldzaam, in vochtige bosschen.
Breukkruid. S. europaéa L.
SO»
U m b e 11 i f'e r e n.
3. Eryngium Tm. Kruisdistel.
Doornige, distelachtige, onbehaarde kruiden met rechtopstaan-den stengel. Wortelbladen gesteeld, stengelbladen zittend, alle lederachtig.......;.......... . . 1
â¢1 Omwindselbladen lijn-lancetvormig, doornig getand. Bladen 3-tallig, met dubbel vinspletige, stekelig getande blaadjes. Hoofdjes bijna bolvormig. Stengel zeer vertakt. Bloemkroon wit of grijsgroen. 0,15-0,50. H-. Juli, Augs. Aan zandige wegen en dijken algemeen, ook in de duinen.
Tuimeldistel. Wallendistel, Veld K. E. campéstre L.
Omwindselbladen eirond, doornig-getand. Onderste bladen ongedeeld , niervormig, gesteeld, de andere handvormig gelobd, stengelomvattend. Bloemkroon wit of blauwachtig. Gèheele plant wit- of blauwachtig-zeegroen. 0,30-0,60. ©©. Juniâ Augs. In de duinen algemeen.
Eindeloos. Meerdistel. Zee K. E. maritimum L.
4. Cicüta L.
1 Wortelstok dik, vleezig, hol, door dwarswanden in vakjes verdeeld. Bladen 3-voudig gevind met scherp gezaagde, lancet-vormige tot lijnvormige blaadjes. Bloemkroon wit. 0,30-1,20. 2]-. Juli, Augs. Vrij algemeen, in moerassige veenstreken en aan slootkanten. Zeer vergiftig!
Dolworiel. Dolle kervel. Tweede watereppe. Waterscheerling.
C. virósa L.
5. A'pium L.
1 Bladen glanzig, de onderste gevind, de bovenste 3-tallig met wigvormige blaadjes. Schermen zeer kortgesteeld. Bloemkroon witachtig. 0,30-0,90. ©Q. Augs., Septr. Zeldzaam, in zilte streken langs slooten en moerassen, vaak gekweekt.
Selderie. A. gravéolens L.
6. Petroselinum Hoffm.
1 Onderste bladen 3-voudig gevind, met eirond-wigvormige, kraakbeenachtig getande tot S-spletige, van boven glanzige blaadjes, bovenste bladen 3-tallig, met lancet-vonnige, gaafrandige blaadjes. Bloemkroon geelachtig. 0,60-1,00. OO- Junigt; Juli. Gekweekt, zelden verwilderd. . . Peterselie. fP. sativum Hoffm.
303
7. Helosciédium Koch. Moerasscherm.
Onbehaarde moerasplanten met tegenover de bladen staande' arm-stralige schermen en zeer kleine, witte bloemen.....1
SOS Umbelliferen.
â¢1 Ondergedoken bladen dubbel vindeelig, met priemvormige slippen, de bovenste gevind, met wigvormige, vaak 3-lobbige blaadjes. Schermen 2-stralig. Stengel drijvend of in het slijk kruipend. Bloemkroon wit. 0,15-0,50. 2(.. Juni, Juli. Niet zeldzaam, in slooten en op moerassige plaatsen in veenstreken.
Dr.-ijvend M. H. inundó-tum Koch.
Alle bladen gevind.............. . 2
2 Blaadjes rond-eirond, gezaagd of gelobd. Schermen 3-6-stralig, korter dan de steel. Omwindsel 3-6-bladig. Stengel draadvormig, kruipend. Bloemkroon wit. 0,15-0,30. ij.. JuliâSeptr. Zeldzaam, op overstroomde gronden en aan slootkanten op het diluvium . . . . Kruipend M. H. répens Koch.
Blaadjes eirond-lancetvormig, gekarteld-gezaagd. Schermen meerstralig, kortgesteeld of zittend. Omwindsel veelal 1-2-bladig. Stengel liggend en wortelend. Bloemkroon groen-achtig-wit. 0,30-0,60.1|-. JuliâSeptr. Algemeen, aan slootkanten.
Knoopig M. H. nodiflórum Koch.
8. Falcaria Riv.
1 Stengel vertakt, uitgespreid. Bladen meest 3-tallig, het middelste blaadje diep 3-spletig, de zgdelingsclie 3- of 3-spletig, alle met Ignvormige, seherp-atekelig gezaagde blaadjes. Bloemkroon wit. 0,40-0,80. Juli, Augs. In Zuid-Lim
burg op kalkgrond gevonden. (F. Rivini Host.)
S ikkelscherm. F. sioides Aschs.
9. Ammi L.
1 Stengel kaal, stompkantig. Onderste bladen enkel of dubbel gevind. Blaadjeslang-werpig-lancetvormig, gezaagd. Schermen veelstralig. Omwindsel veelbladig met 3- tot viudeelige blaadjes. Omwindseltjes veelbladig. Bloemkroon wit. 0,30-1,00. 0. Juli, Augs. Op Walcheren gevonden . . Akkerscherm. A. majus L.
10. Aegopódium L.
â 1 Onderste bladen dubbel 3-tallig, met eirond-langwerpige, ongelijk gekarteld-gezaagde blaadjes en buikige scheeden, bovenste bladen 3-tallig. Bloemkroon wit. 0,50-1,00. 2f. Juni, Juli. Zeer algemeen, op belommerde plaatsen, langs wegen, heggen, slooten, enz.
Hanepoot. Geitepoot. Drieblad. Wilde vlier. Wilde geer.
Gerardskruid. F lier fin kruid. Hirs. Heers. Zevenblad.
A. Podragr^ria L.
11. Carum L. Karwij.
â Onbehaarde kruiden met rechtopstaanden, weinig bebladerden stengel en veelstralige, regelmatige schermen......1
U mbelliferen.
Omwindsel ontbrekend. Omwindseltjes ontbrekend of weinig-bladig. Bladen dubbel gevind. Blaadjes vindeelig, de beide onderste paren kruiswijs. Bloemkroon wit of roodachtig. 0,30-0,60. ©0. Mei, Juni. Algemeen, in vruchtbare weilanden en op dijken . . Hof komijn. Wilde komijn. Gewone K.
C. C^rvi L.
Omwindsel en omwindseltjes veelbladig. Bloemkroon wit . 2
Wortelstok bijna bolrond, vleezig. Bladen bijna 3-voudig gevind met lijnvormige blaadjes, in omtrek driehoekig. Schermen 12-24-stralig. Omwindsel en omwindseltjes 4-7-bladig. 0,40-0,60. 2J.. Juni, Juli. Niet algemeen, op kalkhoudende wei- en bouwlanden. (Bunium Bulbocastanum L.)
Aardkastanje. C. Bulbocóstanum Koch.
Wortelstok met verlengde, knotavormige vieezige vezels. Bladen gevind met veel-deelige blaadjes en draadvormige kranswgs staande slippen, in omtrek langwerpig-lancetvormig Schermen ö-S-stralig, jl. Omwindsel en omwindseltjes veelbladig. 0,30-1,00. 2|-. Juli, Angs. Een enkele maal in N -Brabant gevonden.
GekransdeK. C. verticillatum Kcch.
12. Pimpinélla Trn. Bevervel.
Meestal onbehaarde kruiden met rechtopstaanden, vertakten, weinig bebladerden stengel en kleine, veelstralige, naakte schermen .......................1
Overblijvende planten. Vruchten kaal........2
Eenjarige plant. Vmcbten zacbtbehaard. Onderste bladen ongedeeld, rondachtig-niervormig, de middelste gevind, met wigvormige, meest S-spletige blaadjes, de bovenste 8-deelig. Bloemkroon wit. 0,15-0,45. ©. Juli, Augs. Gekweekt, zelden verwilderd...........Anijszaad. fP. Amsum L.
Stengel kantig gegroefd, bebladerd. Blaadjes der onderste bladen gesteeld, eirond of langwerpig, gezaagd, die der bovenste lijnvormig. Stijl tijdens den bloeitijd langer dan het vruchtbeginsel. Bloemkroon wit. 0,50-4,00. JuniâSeptr. In weilanden en op beschaduwde plaatsen, o.a. onder heggen.
Groote B. P. mégna L.
Stengel rond, gestreept, van boven zonder bladen. Blaadjes der wortelbladen zittend, rondachtig, die der stengelbladen vindeelig, met lancet- of lijnvormige slippen. Stijl tijdens den bloeitijd korter dan het vruchtbeginsel. Bloemkroon wit. 0,30-0,60. 2J.. JuliâSeptr. In weilanden en op open zandgronden ......Steenbreek B. P. saxifraga L.
Plant krachtiger, van boven kort gr\js bebaard. De wortelstok op de doorsnede meest spoedig blauw wordend. Misschien inlandsch, de variëteit:
a. nigra Willd.
305
13. Bérula Koch.
Bladen gevind, de onderste met eironde, de bovenste met heukels, Schoolflora. 8quot; druk. 20
308 U mbelli teren.
Bloemkroon geel. 0,80-1,50. O©. Juli, Augs. Soms verwilderd, vaak gekweekt.
Venkel. F. officinale AU.
19. Libanótis Crntz.
1 Stengel kantig, meest zacht behaard. Onderste bladen meest dubbel gevind. Blaadjes vinspletig, met lancetvormige slippen, van onderen blauwgroen, de onderste paren meest aan den bladsteel gekruist. Bloemkroon wit. 0,60-1,20. O©. Juli, Augs. Een enkele maal by Nijmegen. (Séseli Libanótis Koch.)
Herts wortel- L. montana Crtz
20. Silaüs Bernh.
1 Wortelbladen 3-4-voudig gevind, met lancet-lijnvormige, fijnge-zaagde slippen. Omwindseltjesbladen lijn-lancetvormig, vliezig gerand. Bloemkroon bleekgeel. 0,50-1,00. 2}.. JuniâAugs. Vrij zeldzaam, op vruchtbaren grasgrond en aan dijken.
Weidekervel. S. praténsis Bess.
21. Levisticum Koch.
1 Onderste bladen dubbel-, de bovenste enkel gevind. Blaadjes breed-omgekeerd-eirond, met wigvormigen voet, meest ingesneden. Bloemkroon bleekgeel. 1,00-2,00. 2^.. Juli, Augs. Gekweekt op boerenerven, soms verwilderd.
Lubbes tok. Manskracht. Lavas, f L. officinale Koch.
22. Selinum L.
1 Stengel kantig, gegroefd. Onderste bladen 3-voudig-, de bovenste dubbel gevind. Blaadjes diep vinspletig, de slippen met witten top. Bloemkroon wit. 0,40-0,80. 2|.. Juli, Augs. Een paar malen gevonden.
Karwgbladige Se lie. S. Carvifólia L.
23. Angélica L.
\ Stengel rond, gestreept, vertakt, wit berijpt, buisvormig. Bladen meest 3-voudig gevind. Blaadjes eirond of elliptisch tot eirond-lancetvormig, niet of nauwelijks afloopend, gezaagd, de zijdelingsche bijna zittend, het eindelingsche meest ongedeeld. Bladsteel kantig. Bladscheeden buikig opgeblazen. Bloemkroon wit. 0,80-1,50. ©0 en 2)-. JuliâSeptr. Zeer algemeen, op beschaduwde, vochtige en moerassige plaatsen.
Wild engelkruid. Engelwortel. A. sylvéstris L.
24. Peucédanum L. Varkenskervel.
1 Stengel rond, gestreept. Bladen meermalen 3-tallig. Blaadjes lijnvormig, aan weerszoden versmald. Scherm stralen kaal. Bloemkroon geel. 1,00-1,50. 2|.. Juli, Augs. Vroeger een paar malen gevonden . . Gemeene V. P. officinale L.
Stengel gegroefd. Bladen gevind, aan weerszijden glanzig. Blaadjes veelspletig, met lijnvormige, aan den voet gekruiste slippen. Schermstralen aan de binnenzijde kort behaard. Bloemkroon geelachtig-wit of groenachtig. 0,50-1,00. 2J.. Juli, Augs. Zeldzaam, in vochtige weilanden. P. Chabraéi Rchb.
Umbelliferen.
25. Thysselmum Tm.
Stengel kantig gegroefd, hol. Onderste bladen 3-voudig gevind. Blaadjes eirond, meest diep vinspletig, met lancetvor-mige slippen met witten top. Omwindsel en omwindseltjes teruggeslagen met vliezig gerande blaadjes. Bloemkroon wit. 0,80-1,20. O© en 2J-. Juli, Augs. Vrij algemeen, langs vijvers en slooten, op moerassige plaatsen. (Peucédanum palustre Mnch.).......Melkeppe. T. palüstre HofFm.
26. Anethum Trn.
Stengel rond, gestreept. Bladen 2-3-vou(lig gevind, met veeldeelige blaadjes en draadvormige slippen- Bladsclieeden kort, wit gerand, met ingesneden top. Bloemkroon geel. 0,40-1,20. Q- âSeptr. Gekweekt en soms verwilderd.
Dille. A. graveolens L.
27. Pastinaca Trn.
Schermstralen 8-12, ongelijk van lengte. Bloemkroon geel. Omwindsel en omwindseltjes ontbrekend of 1-2-bladig, afvallend. Bladen van boven meest glanzend, van onderen zacht behaard, enkel gevind. Blaadjes eirond-langwerpig of langwerpig , stomp, vaak gelobd, ongelijk gekarteld-gezaagd. Stengel kantig gegroefd, kortbehaard, van boven vertakt. 0,30-1,00. O©. JuliâSeptr. Gekweekt en algemeen, op open en bebouwde gronden, ook langs dijken.
Pinksternakel. Witte wortel. Witte peen. Pastinaak.
P. sativa L.
28. Heracléum L.
Geheele plant ruw behaard. Stengel kantig gegroefd. Bladen gevind, zeldzamer vinspletig. Blaadjes breed-eirond tot lan-cetvormig, vaak gelobd of handvormig gedeeld. Bladschee-den buikig. Schermen stralend. Bloemkroon wit, zeldzamer rood of geelachtig. 0,60-1,50. 2J-. Juli âOctr. Zeer algemeen , in grasland, langs dijken en wegen, in bosschen en op beschaduwden zandgrond.
Varkenskool. Bereklauw. H. Sphondylium L.
H. pérsicum Desf. vindt men niet zelden als sierplant in tuinen. Bladen van boven kaal, van ouderen zacht behaard. Blaadjes vinspletig, met langwerpig-lancetvormige, lang toegespitste, ongelyk getande slippen. Omwindsel en omwindseltjes veelbladig. Vruchtbeginsel dicht behaard. Bloemkroon wit. 1,50-2,00. ©O.' Juli, Augs. Uit Perzië.
29. Cüminum T.
Bloemen rood, stralend. Plant onbehaard, vertakt met dubbel vindeelige bladen. Bladslippen lynvormig, spits. Omwindsel iets behaard. Scherm 3-5-stralig. Om-
300
310 Umbellif eren.
windseltjes langer dan de bloemen. Juni, Juli. O. Een enkele maal tusschen Zutphen en Dieren............Komjjn. C. Cy'minum L.
30. Daücus Trn.
4 Stengel stijf behaard. Bladen dubbel- tot 3-voudig gevind. Blaadjes vinspletig, met langwerpig-lancetvormige slippen. Omwindselbladen 3- of vindeelig. Het middelste schermpje (bij de wildgroeiende plant) vaak weinig ontwikkeld en roodbruin. Bloemkroon wit. 0,30-1,00. ©O- .TuniâSeptr. Gekweekt en op grazige plaatsen, ook langs wegen.
Gele wortel. Roode wortel. Vogelnest. Kroontjes kruid. Peeën.
Peen. D. Caróta L.
D. littorftlis Sibth. (zeeduinen bö Katwjjk) wgkt af, doordat de blaadjes van bet omwindsel slechts ^ van de breedte der schermen beslaan en doordat de stekels op de vrucht haakvormig omgebogen zgn.
31. Orlaya Hoffm.
1 Stengel kaal. Bladen dubbel tot 3-voudig gevind. Blaadjes vindeelig, met lijnvormige slippen, van onderen op de nerven sttff behaard. Bloemkroon groot, stralend, wit. 0,10-0,30. O. JuniâAugs. Op korenlanden, in Limburg, bg Over-vepn, Scheveningen en Deventer . . Straalscherm. O. grandiflóra Hoffm.
32. Caücalis L.
1 Stengel behaard. Bladen dubbel tot 3-voudig gevind-vindeelig met lancet- of lyn-vormige slippen. Schermen 3-5-stralig. Blaadjes der om windseltjes lancet vormig, vliezig gerand. Bloemkroon wit, eerst roodachtig. 0,10-0,30. Q Juni, Juli. Eenige malen gevonden.......Wildewortel. C. daucofdes L.
33 Turgénia Hoffm.
1 Stengel kantig gegroefd, kort borstelig. Bladen gevind, met lün-langwerpige, ge-* zaagde blaadjes. Schermen 2-4-stralig. Omwindseltjesbladen vliezig gerand. Bloemkroon roodachtig of wit. 0,20-0,50. Q Juli, Augs. Een paar exemplaren by .Njjiuegen, Overveen en Deventer gevonden.
Borste Ischer m. T. latifólia Hoffm.
34. Tórilis Adans. Doornzaad.
Stijf behaarde kruiden met ronden, vertakten stengel, enkel of dubbel vindeelige bladen, schermen met meestal weinig stralen en lijn-priemvormige schutblaadjes..........1
1 Bloemschermen langgesteeld............2
Bloemscbermen bijna zittend, in kluwens, zeer klein, armbloe-
mig, tegenover de bladen staand. Omwindsel ontbrekend. Buitenste vruchten met weerhaken, de binnenste korrelig ruw. Bloemen wit. Bladen 3-voudig gevind. 0,15-0,30. ©. Juni, Juli. Zeldzaam, aan dijken naar den zeekant en op muren.
Knoopig D. T. nodosa Gaertn.
2 Omwindsel en omwindseltjes 5- tot meerbladig. Stekels der
vruchten zwak naar binnen gekromd, niet als weerhaken.
Umbelliferen.
Bladen dubbel gevind, met vinspletige en gezaagde slippen. Stengel door aangedrukte haren ruw. Bloemkroon wit of roodachtig. 0,60-1,20. OQ. JuniâAugs. Algemeen, aan heggen, op ruwe plaatsen en tusschen kreupelhout.
Hegge D. T. Anthriscus Gmel.
T. microcarpa Beas. var. aculeata Boiss, een plant van kalkheuvels van de Levant en bg ons by Deventer gevonden, onderscheidt zich door sterk stralende bloemen en doordat zjj eenjarig is.
Omwindsel ontbrekend of eenbladig. Stekels der vruchten als weerhaken. Blaadjes met langen, gezaagden top. Bloemkroon wit. 0,60-0,80. ©© en ©. Juli, Augs. Zeer zeldzaam, op kalk- en kleigrond in Limburg en Zeeland gevonden. (T. in-fésta Koch.)..........Zwitsersch D. T. helvetica Gmel.
35. Scandix L.
1 Stengel weinig behaard, vertakt. Bladen 3-voudig gevind, met veeldeelige blaadjes en lancetvormige slippen. Schermen 2-3-stralig. Snavel der vrucht 0,04-0,06 lang, 2-rijig stijf behaard. Bloemkroon wit. 0,12-0,30. ©⢠MeiâJuli. Tamelijk algemeen, meest op bouwland, op kleigrond.
Eierbek. Kranebek. Ooievaarsbek. Naaldenkervel.
S. Pécten Véneris L.
36. Anthriscus Hoffm. Kervel.
Kruiden met rechtopstaand en, vertakten stengel, 2-3-voudig vln-deelige bladen, zonder omwindsel, met veelbladige omwindseltjes
en witte bloemen..................1
\ Schermen 3-7-stralig, ten deele gesteeld, ten deele zittend . 2
Schermen 8-15-stralig, alle gesteeld. Bladen afnemend 2-3-voudig gevind, de 2 onderste hoofddeelen veel kleiner dan het overige van het blad. Bloemen bijna even groot, meest vruchtbaar. Stijlen bijna dubbel zoo lang als het stijlkussen. Bloemkroon wit. 0,60-1,50. 2J.. Mei, Juni. Vrij algemeen, op vochtige, grazige, beschaduwde plaatsen.
Toeters. Nachtegaalskruid. Pijpkruid. Wilde K.
A. sylvestn's Hoffm.
2 Schermstralen kaal. Vrucht eirond, dicht met gekromde borstels bezet, omstreeks 3-maal zoo lang als de snavel. Stijlen bijna ontbrekend. Scherm 5-7-stralig. Stengel kaal. Bloemkroon wit. 0,15-0,50. 0. Mei, Juni. Vrij algemeen, op open zandgrond , langs wegen en stadswallen, vooral veel om Amsterdam.
Stekelzaad. Gewone K. A. vulgaris Pers.
Schermstralen fijn behaard. Vrucht lijnvormig, kaal, glad, dubbel zoo lang als de snavel. Scherm 3-5-stralig. Stengel
3±i
Umbelliteren.
boven de knoopen kort behaard. Bloemkroon wit. 0,30-0,60. ©. Mei, Juni. Gekweekt en op akkers en bij moestuinen.
Tuin K. A. Cerefólium Hoffim.
37. Chaerophyllum L. Ribzaad.
i Stengel weinig ruw behaard, onder de knoopen iets verdikt, meest overal rood gevlekt. Bladen dubbel gevind, dofgroen, met vinspletige blaadjes en stompe slippen. Bladen der omwindseltjes gewimperd. Bloemkroon wit. 0,60-1,20. ©©. MeiâJuli. Algemeen, aan heggen, onder kreupelhout, op ruigten.
Wilde kervel. Dronkenmakende kervel. C. témulum L.
Stengel beneden stgf behaard en daar alleen rood gevlekt, boven kaal, onder de knoopen verdikt. Bladen 3-4-voudig gevind, met spitse, lancetvormigetot Ignvor-raige slippen. Omwindseltjes bgna altyd kaal. Bloemkroon wit. 0,80-1,50. OO-Juni, Juli. Eenmaal bg Nymegen gevonden.
Knoldragend R. C. bulbósum L.
38. My'rrhis Scop.
1 Bladen 3-voudig gevind, zacht behaard. Blaadjes vinspletig, met langwerpig-eironde, vaak getande slippen. Bladen der omwindseltjes gewimperd, later teruggeslagen. Bloemkroon wit. Vruchten glanzig bruin. 0,601,20. 1|.. Mei, Juni. Niet zeldzaam in de omstreken van Dieren, Brummen, Keppel, enz., ook gekweekt.
Plantkervel. Roomsche kervel. M. odordta Scop.
39. Cónium L.
1 Stengel kaal, aan den voet vaak bruinrood gevlekt. Onderste bladen 3-voudig gevind, glanzig, met ronde, holle bladstelen, diep vinspletige blaadjes en gezaagde slippen. Omwindseltjes 3-5-bladig, teruggeslagen, naar één zijde gekeerd. Bloemkroon wit. 0,80-1,80. ©Q. Juli, Augs. Vrij algemeen, aan dijken, wegen, langs weilanden, onder heggen en op kerkhoven. Zeer vergiftig!
Gevlekte scheerling. Dolle kervel. C. maculdtum L
40. Coriandrum L.
1 Onderste bladen gevind, met vinspletige blaadjes en eironde slippen, de bovenste dubbel gevind, met ongedeelde of vinspletige blaadjes en Ignvormige slippen. Bloemkroon stralend, wit. Naar wantsen riekend. 0,30-0,60. 0. JuniâAugs. Gekweekt en eenmaal bq Haarlem gevonden . Koriander, f C. sativum L.
31»
Araliaceeën. â
Cornaceeën.
313
LXXVIII. Fam. Araliaceeën. Klimopachtigen.
Heesters. Kelk klein, 4-5-tandig. Bloemkroon 5-10-bladig. Meeldraden 5-10. Vruchtbeginsel onderstandig, 2-meerhokkig met 2-5, meest samengekleefde stijlen. Vrucht een veelhokkige bes.
1 Stijlen of stempels 5, samenneigend of vergroeid. Hédera 313. Stijlen 5(-10), gescheiden of alleen van onderen vergroeid, afstaand tot teruggeslagen. Bloemsteeltjes onder de bloemen geleed..............Aralia 313.
1. Hédera L. v.
i Stengel klimmend met hecht wortels. Bladen kaal, glanzig, lederachtig, 3-5-lobbig, die der bloeiende takken eirond, ongedeeld. Bloemen in schermen. Bloemkroon groenachtig-geel. Bessen zwart. 5,00. 1). Augs.âOctr. In bosch
achtige streken, langs boomen of muren. Ook vaak aangeplant . . Boomveil. Ei loof. If te. Klimop. H. Hélix L.
2. Aralia L.
1 Takken gedoomd. Bladen 2-3-voudig gevind. Blaadjes eirond, toegespitst, gezaagd. Tros sterk vertakt, tluweelachtig behaard. Bloemen groenachtig wit. 2,00-3,00. 1^. Augs, Septr. Sierheester uit N.-A.merika . . . Aralia. A. spinósa L.
LXXIX. Fam. Cornaceeën.
Boomen of heesters. Kelk klein, 4-slippig. Bloemkroon 4-bladig.
Meeldraden 4. Vruchtbeginsel onderstandig met 1 stijl en 1
stempel. Vrucht een !2-(1-]hokkige steenvrucht.
1 Kelk 4-tandig. Bloemkroon 4-bladig. Meeldraden 4. Stijl 1. Vrucht een 2-hokkige steenvrucht. Bladen tegenoverstaand, gaafrandig.............Corn us a f3.
1. Cornus Trn. Kornoelje. Kornel. IV.
Boomen, heesters of kruiden met kromnervige bladen, hoofdjes-achtige schermen of schermachtige, samengestelde bijschermen en een sappige steenvrucht..............1
1 Bloemen wit, in vlakke bijschermen, niet door een bijzonder omwindsel omgeven..............2
Bloemen in enkelvoudige, door een vierbladig omwindsel omgeven, schermen, voor de hinden verschijnend. Bladen eirond tot elliptisch, toegespitst, aan weerszijden groen. Takken kaal, de jongere aangedrukt behaard. Schermeu omstreeks even lang als het omwindsel. Vrucht langwerpig, hangend, kersrood en glanzig. Bloemkroon citroengeel. 3,00-6,00. Ij. Maart, April. In het wild, in bosschen en hagen, alleen in Limburg, ook wel gekweekt . Eetbare K. tC. mas L.
Crassulaceeën.
Bladen aan weerszijden groen, kort behaard, eirond, toegespitst, gaafrandig. Takken in herfst en winter bloedrood, rechtopstaand. Vrucht bolrond, zwart. 2,00-5,00. quot;K Juni. In bosschen en heggen en ook in parken aangeplant.
Roode K. C. sangulnea L.
Blaiien van onderen grüsgroen, eirond tot elliptisch, toegespitst. Takken afstaand, in herfst en winter bloedrood. Vrucht wit, bolvormig. Bloemkroon wit. 1,50-8,00. f). Juni, Juli. In parken, niet zeldzaam. Uit Noord-Amerika. (C. alba Wangenh.)............Witte K. C. stolonifera Mchx.
LXXX. Fam. Crassulaceeën. Vet plan ten.
Bladen vleezig. Kelk meest 5-(3-W-Jdeelig. Bloemkroon 3-20-bladig, soms -deelig. Meeldraden 3-20, op den kelk ingeplant. Stampers 3-20. Vruchten koker vruchten.
Meeldraden en kroonbladen 3-4. Kelk 3-4-deelig. Vruchtbeginsels 3-4. Bladen tegenoverstaand . . . Tillaéa 314.
Meeldraden 5-20................2
Kelk 5(-6)-deelig. Kroonbladen 5(-6), vrij. Meeldraden 5, lO, zeldzaam 12. Vruchtbeginsels 5. Bladen meest verspreid.
Sédum
Kelk 6-20-deelig. Kroonbladen 6 20, aan den voet met elkaar en met de -12-40 meeldraden vergroeid. Vruchtbeginsels 6-20. Bladen meest in rosetten . . . . Sempervfvum 31«.
i. Tillaéa Mich. vi. (m.)
Stengel dun, liggend, met opstygende takken. Bladen eirond, spits, dicht opeen. Bloemen zittend, drietallig. Doosvrucht 3-zadig. Bloemkroon wit of roodachtig. 0,03-0,05. O» Mei» Juni. Op enkele plaatsen, op vochtigen, beschaduwden zandgrond gevonden.........Mosbloempje. T. muscósa L.
2. Sédum L. Vetkruid. v.
Sappige, onbehaarde kruiden met sterk bebladerden stengel, vlee-zige bladen en stervormige bloemen in samengestelde bijscher-men of pluimen..................i
Bladen breed, vlak. Stengel rechtopstaand of opstijgend . 2
Bladen rolrond of bijna rolrond..........3
Onderste bladen omgekeerd-ei-wigvormig, breeder dan de bovenste, die langwerpig zgn. Bloemkroonbladen smal, bleekrood met donkerroode streep. Wortel draadvormig. Q. 0,15-0,25. Juni, Juli. Alleen op den St.-Pietersberg.
Omgebogen V. S. Cepaéa L.
Bladen langwerpig tot lancetvormig, de onderste langgesteeld, de bovenste met een afgeronden voet zittend. Kroonbladen
3t*
Crassulaceeën.
van het midden af teruggekromd, bleekpurper. 0,25-0,50. 2J-. Juli, Augs. Vrij menigvuldig, in zandige streken tus-schen kreupelhout, op akkers, in bosschen. (S. purpuras-cens Koch). . . Smeerwortel. Sint-Janskruid. Purper V.
S. purpüreum Lk.
3 Bloemkroon wit of roodachtig. Kruipende, niet-bloeiende bij
stengels aanwezig...............4
Bloemkroon geel................5
4 Bladen lijn-langwerpig, bijna rolrond, verspreid. Bijscherm
kaal of verspreid klierachtig behaard. Bloembladen lancet-vormig, wit of rose 0,10 0,20. 24.. Juni, Juli. Vrij algemeen, op drogen zandgrond, muren en daken.
Klein Huislook. Schotkruid. Wit V. S. album L.
Bladen elliptisch-eirond, meestal tegenoverstaand. Bgscherm klierachtig zacht behaard. Bloembladen eirond, wit, aan de rugziide purpcrachtig. 0,10-0,15. 2|.. Juni, Juli. Alleen bg Maastricht, op muren. 5 ik blad V. S. dasypby'llum L.
5 Geen bladloten, die het volgend jaar bloemstengels vormen, aan den voet van den
bloemstengel Bladen rolrond. Takken der bloeiwgzen verlengd met bgna zittende bloemen. Stengel van den voet af vertakt, kaal. 0,08-0,15. JuniâAugs. O©. Een enkele maal, op muren cn zandgrond . . Eenjarig V. S. annuüm L.
Aan den voet van den bloemstengel bladloten, die het volgend
jaar bloemstengels vormen...........6
6 Bladen zonder stekelpuntje............7
Bladen met een kort stekeltje aan den top......9
7 Bladen eivormig......................8
Bladen lijnvormig, stomp, aan den voet met een spoorvormig aanhangsel. 0,05-0,15. 2J.. Juni, Juli. Vrij algemeen, op zandgrond. (S. mite Gil.)
Smakeloos V. S. Boloniénse Loisl.
8 Bladen aan de bloeiende stengels verspreid. Rijkbloemig. Ge
woonlijk met scherpen, peperachtigen smaak. 0,05-0,15. 2}.. Juni, Juli. Zeer algemeen, op zandgrond, oude muren, in de duinen .... Berg knop. Muurpeper. S. Acre L.
Bladen aan de bloeiende stengels dicht op elkaar. Bloemen weinig talrgk, kleiner. 0,05-0,15. dj.. JuniâAugs. Op een paar plaatsen gevonden.
Zeshoekig V S. sexangulare L.
9 Kelkslippen spits, eirond-lancetvormig. Bloemkroon goudgeel,
afstaand. Bijschermen later teruggebogen. Bladen lijn-priem-vormig, aan den voet onder de plaats van aanhechting met een kort, stomp uitsteeksel. 0,15-0,30. 2J.. Juli, Augs. Vrij zeldzaam, op hoogen, dorren zandgrond, muren en wallen.
Tripmadam. S. refléxum L.
Kelkslippen stomp. Bloemkroon goudgeel. Bladen grasgroen, Ign-lancetvormig, aan weerszyden iets afgeplat, aan den top vaak met een rood puntje. 0,15-0,30. Juli, Augs. Alleen b\j Maastricht gevonden.
Sierljjk V. S. élegans Lej.
3tS
Saxifrageeën.
3. Sempervfvum L. xi.
1 Kroonbladen en kelkslippen 10-20, stervormig uitgespreid. Bladen der rosetten lang-werpig-ooigekeerd-eirond, stekelpnntig. Bloemkroon rose, donkerder gestreept. 0,15-0,45. Juli, Augs. Gekweekt op muren en daken, en verwilderd.
Hui sloof. Donderbaard. Hu is look. S. tectórum L.
LXXXI. Fam. Saxifrageeën. Steenbreekachtigen. Kelk 4-5-deelig of -spletig. Bloemkroon 4-5-bladig, op den kelk ingeplant of ontbrekend. Meeldraden 4-iO op den kelk gezeten. Vruchtbeginsel bovenstandig of halfonderstandig met 2-5 stijlen of 4 zittende stempels.
1 Vruchtbeginsel halfonderstandig..........2
Vruchtbeginsel bovenstandig. Stempels 4. Meeldraden 5, met
5 klierachtig gewimperde deelen (onvruchtbare meeldraden) afwisselend. Doosvrucht 1-hokkig. . . Parnassia 3M8.
2 Stijlen 2. Kelk 4- of 5-deelig...........3
Stijlen 4 of 5. Meeldraden 4 of 5, tot aan den voet 2-deelig
(daardoor schijnbaar 8 of 10). Bloemkroon 4- of 5-bladig. Kelk 2- of 3-spletig..........Adoxa 317.
3 Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden 10. Doosvrucht 2-hokkig.
Saxffraga 3tO.
Bloemkroon ontbrekend. Meeldraden 8. Doosvrucht 1-hokkig.
Chrysosplénium 317.
1. Saxifraga L. Steenbreek. x.
Meestal kleine kruiden met enkelvoudige bladen, wier onderste zeer vaak dichte rosetten vormen en meestal witte bloemen . 1
1 Behalve de bloemstengel zijn er bebladerde nevenstengels aan
wezig ...................2
Geen bebladerde nevenstengels. Bloemkroon wit .... 3
2 Kelk met het vruchtbeginsel vergroeid, zyne slippen rechtop- of afstaand. Bloem
bladen wit, 2-3-niaal zoo lang als de kelk. Bladen der rosetten handvormig 3-5-spletig, met lancetvormig toegespitste, stekelpuntige slippen, hoogere bladen meest ongedeeld, Ijjnvormig. Bladsteel van onderen gewelfd. Gesteelde bladknoppen in de bladoksels. Tros 2-9-bloeniig. 0,05-0,12. 2J.. Mei, Juni. In tuinen gekweekt, een paar malen verwilderd . . Mos S. t S. hypnoides L. Kelk bqna tot aan den voet vrg , de kelkslippen teruggeslagen. Bloembladen aan den voet met 2 knobbels, goudgeel, aan den voet met roode puntjes, 3-maal zoo lang als de kelkslippen. Met onderaardsche bebladerde uitloopers Bladen lancetvormig, gaafrandig. 0,10-0,25. Juli, Augs. Alleen in een veen bg Emmen gevonden............Moeras S. S. Hirculus L.
3 Wortel zonder knolletjes. Stengel veelbladig. Onderste bladen
spatelvormig, ongedeeld of 3-lobbig, de bovenste wigvormig, handvormig-3-spletig of ongedeeld. Bloemen klein. Kroonbladen 2-maal zoo lang als de eironde kelkslippen. 0,05-0,15.
3ie
Saxifrageeën. 317
OQ. April, Mei. Vrij algemeen, op drogen zandgrond, soms tusschen straatsteenen, op muren.
Drievingerige S. S. tridactylites L.
Wortel sterk met kleine knobbeltjes bezet. Stengel armbladig. Onderste bladen rond-niervormig, gekarteld-gelobd, de bovenste wigvormig, 3-5-spletig. Bloemen tamelijk groot. Kroon-bladen 3-maal zoolang als de langwerpig-lancetvormige kelkslippen. 0,15-0,30. 2J-. Mei, Juni. Op open grasvelden en akkers soms zeer algemeen.
Haarlems klokkenspel. Knollige S. S. granuléta L.
Bekende sierplanten z\jn:
1 Zonder hebladerde nevenstengels..................2
Met bebladerde nevenstengels. Stengel bladloos. Bloemen wit met roode puntjes. S
2 Stengel bebladerd, vertakt. Bladen niervormig, getand of gekarteld, de bovenste
stengelbladen vaak 3-lobbig. Bloemkroon wit , geel en met roode puntjes. 0,20-0,30.
Juni, Juli. Uit de Alpen . . . RondbladigeS. fS. rotundifólia L.
Stengel bladloos, bruinrood. Bladen elliptisch of omgekeerd-eirond, stomp, getand, lederachtig, zeer groot, langgesteeld. Bloemkroon rose. 0,30-0,80. 2|,. April, Mei. Uit Siberië............DikbladigeS. S crassifólia L.
8 Bladen omgekeerd-eirond-wigvormig, bjjna kraakbeenachtig, gekarteld-gezaagd. 0,15-0,30. 2|.. Juni, Juli. Uit de Pyreneeën.
Porceleinbloempj e. S. umbrósa L.
Bladen rondachtig of elliptisch, met hartvormigen voet, gekarteld, aan weerszoden behaard (of kaal, S. punctata L.), langgesteeld. 0,20-0,40. Meiâ Juli. Uit de Pyreneeën.......Jehovabloem pj e. S. birsüta L.
2. Chrysosplénium Trn. Goud veil. vu.
Sappige, teere kruiden met gesteelde, ronde, gekartelde bladen en een eindelingsch vlak bijseherm van bloemen.....1
i Bladen verspreid, langgesteeld, rondachtig-niervormig, diepge-karteld. Stengel driekantig. Bloemen en schutbladen goudgeel. 0,07-0,15. 2J.. MaartâMei. Vrij zeldzaam, op vochtigen, beschaduwden grond, vooral aan oevers van beekjes.
Wisselbladig G. C. alternifólium L.
Bladen tegenoverstaand, kortgesteeld, halfcirkelvormig, gekarteld, met afgeknotten voet. Stengel vierkant. Bloemen en schutbladen groenachtig geel. 0,05-0,12. 2J.. April, Mei. Op dezelfde plaatsen als de vorige, zeldzaam.
Paarbladig G. C. oppositifólium L.
3. Adóxa L. v.
i Wortelstandige bladen langgesteeld, dubbel 3-tallig, het paar bladen aan den stengel 3-tallig. Bloemen 5-7 bijeen in een eindelingsch, bijna dobbelsteenvormig hoofdje. Bloemkroon groenachtig wit. Plant zwak naar muskus riekend. 0,07-0,20. 2J.. Maart, April. Op lossen, zandigen, vochtigen boschgrond, soms veel bijeen . Muskuskruid. A. Moschatellina L.
Philadelpheeën.
4. Parnassia Tra. v.
i Stengel rechtopstaand, kantig. Wortelbladen langgesteeld, het stengelblad zittend, hartvormig-eirond, stengelomvattend. Bloemkroon groot, wit, de nevendeelen geelgroen. 0,10-0,20. H-. Juli, Augs. Vrij menigvuldig, op vochtigen hei-en veengrond en in duinpannen . Parnaskruid. P. palüstris L.
Hiertoe behoort ook het geslacht Hydrangéa L. hortensia. De meest bekende soorten zjjn:
1 Bladen van onderen donzig, de onderste eirond, niet bgna hartvormigen voet, de bovenste lancetvormig. Beschermen vlak. Slechts enkele randbloemen geslachtloos. Bloemkroon wit. 0,80-1,20. I^. Juni, Juli. Sierstruik uit Noord-Amerika.
t H. arboréscens L.
Bladen kaal of byna kaal, eirond of breed-elliptisch. Bgscherinen bolrond. Bloemen byna alle geslachtloos. Bloemkroon rose, blauw of wit. 0,40-0,60. Juli, Augs. Vooral in potten gekweekt. Uit China en Japan. (Horténsia speciósa Pers.)
f H. opuloides Lam.
LXXX1I. Fam. Philadelpheeën. Jasmijnachtigen.
Heesters. Kelk 4-iO-spletig. Bloemkroon 4-iO-hladig. Meeldraden 10 of veel, evenals de bloemkroon op den kelk ingeplant. Vruchtbeginsel 1, onderstandig, met 3-3 stijlen. Vrucht een doosvrucht.
1 Kelkslippen 4-5. Kroonbladen 4-5. Meeldraden talrijk (16 en meer). Stjjlen 4-5,
meest vergroeid..............Philadélphus 3Ã.amp;,
Kelkslippen 5. Kroonbladen 5. Meeldraden 10, met gevleugelde helmdraden. Stijlen 3-4.
Deützia 3Ã.8,
1. Philadélphus L. Jasmgn. xn.
1 Bloemen in trossen.......................9
Bloemen alleenstaand of 3 bijeen. Kelkslippen kaal. Bladen langwerpig of lang-
werpig-lancetvormig, gaafrandig of met eenige tanden, bijna alleen aan den voet en van onderen op de nerven behaard. Bloemen reukeloos. Bloemkroon wit. 0,60-1,20. Ij. Juni, Juli. Sierstruik uit Noord-Amerika. (P. grandiflórus Wild.)
Reukelooze J. f P. inodórus L.
2 Kelkslippen kort toegespitst, behalve de rand kaal. Stijlen bijna tot aan den voet
gescheiden. Bladen elliptisch, toegespitst, kaal of van onderen op de nerven behaard. Bloemen sterk riekend. Bloemkroon geelachtig wit of wit. 2,00-3,00. Mei, Juni. Sierstruik uit Z.-Europa .... Boeren J. t P- coronarius L. Kelkslippen lang toegespitst, behaard. Stijlen alleen aan den top gescheiden. Bladen eirond, toegespitst, van onderen grijs, kort behaard. Bloemen zwak riekend. Bloemkroon wit. 3,(j0-5,00. 1^. Juli. Sierstruik uit Noord-Amerika. (P. floribündus Schrad.)
Zachtharige J. P pubéscens Loisl.
2. Deützia Thunb. Deutzia. x.
1 Bladen eirond, lang toegespitst aan weerszijden, vooral van boven grijsgroen. Kelkslippen eirond. Kroonbladen rechtopstaand, wit. 1,20-1,80. Ij. Juli. Sierstruik
uit Japan..........Gekartelde I), f D. crénata S. et Z.
Bladen eirond-lancetvormig, aan den voet wigvormig, iets behaard, groen. Kelkslippen lancetvormig, kaal. Kroonbladen later afstaand, wit. 0,30-0,80. b. Mei, Juni. Sierstruik uit Japan . . . . Slanke D. D. gracilis S. et Z.
318
Ribesiaceeën â Onagraceeën.
LXXXI1I. Fam. Ribesiaceeën. Aalbesachtigen.
Heesters, 2-slachtig of 2-huizig. Kelk 4-5-slippig. Bloemkroon 4-5-bladig. Meeldraden 4-5, op den kelk ingeplant. Vruchtbeginsel onderstandig met 1 stijl. Vrucht een hes.
1 Kelk veelal gekleurd, 4-5-8pletig. Kroonbladeo 4-5, genageld. Meeldraden meest
5. Bes eenhokkig, veelzadig. Bladen 3-5-lübbig......Ribes 319.
i. Ribes L. Aalbes, v.
Heesters met verspreide, gesteelde, handlobbige bladen enzijstan-dige bloemen...................1
1 Stengel stekelig. Trossen 1-3-bloeniig. Bladen rondachtig, 3-5-lobbig, van onderen
evenals de stelen zacbtharig. Vrucht langwerpig, kaal of met klierachtige borstels, groen, vuilpurper of geel. Bloemen groenachtig. 1,00-1,50. 1^. Mei, Juni. Gekweekt of verwilderd.
Doornbes. Klapbes. Stekelbes. Kruisdoorn. Krissen. Kruisbes, f R. GrossulariaL. Stengel zonder stekels. Trossen meerbloemig.............2
2 Kelkbuis vlak bekkenvormig tot klokvormig. Bloemen groenachtig-geel, roodachtig
of purper. Bladen 3-5-lobbig..................3
Kelkbuis lang, rolrond. Bloemen goudgeel, welriekend. Bladen 3-spletig met gekartelde lobben Trossen afstaand. Schutbladen langer dan de bloemstelen. Kroon-bladen van voren roodachtig. Kelk goudgeel. Vrucht eerst geel, later bruin of zwart. 1,50-2,50. I^. April, Mei. Sierstruik uit Noord-Amerika.
Goudgele A. t R- aüreum Pursh.
3 Trossen rechtopstaand, klierachtig behaard. Schutbladen lancetvormig, langer dan
de bloemsteeltjes. Bloemen vaak 2-huizig. Bloemkroon groenachtig-geel. Bessen rood. Kelkbuis vlak bekkenvormig 0,50-1,50. Ij. Mei, Juni. Sierplant, ook verwilderd.
Krentenboonipje. R. alpmum L. Trossen hangend of knikkend...................4
4 Bloemstelen \ ele malen langer dan de schutb aden...........5
Bloemen even lang als de schutbladen. Schutbladen spatelvormig, gekleurd. KelkT
buis buis-klokvorniig. Kelkslippen afstaand. Bladen van ouderen grjjsviltig. Jonge takken en bladstelen klierachtig zacht behaard. Bloemen purper. Bessen blauwzwart. 1,00-2,00. 1^. April, Mei. Sierstruik van Zuidwestelijk Noord-Amerika.
Bloedroode A. R. sanguineum Pursh.
5 Bladen van onderèn met klierachtige puntjes. Schutbladen priemvormig. Kelkbuis
klokvormig. Kelkslippen teruggerold. Bloemen roodachtig. Bessen zwart. 1,00-2,00. Ij. April, Mei. Gekweekt en ook verwilderd.
Zwarte A. f R. nigrum L. Bladen zonder klierachtige puntjes. Schutbladen eirond. Kelkbuis vlak bekkenvormig, kaal. Kelkslippen afstaand. Bloemkroon geelachtig-groen. Bessen rood of wit. 1,00-1,50. fj. April, Mei. Gekweekt en verwilderd.
Roode en witte A. R. rübrum L.
LXXXIV. Fam. Onagraceeën. Wederikachtigen.
Kelk S-4-deelig. Bloemkroon 2- of 4-bladig. Meeldraden 2, 4 of 8, evenals de bloembladen op den kelk gezeten. Vruchtbeginsel '2-of 4-hokkig, onderstandig, met 1 stijl en 2- of 4-lobbigenstempel.
\ Land- of moerasplanten.............2
Waterplanten. Meeldraden 4...........5
319
31iO Onagraceeën.
2 Meeldraden 8 of 4. Bloemkroon 4-bladig. Vrucht een 4-hok-
kige doosvrucht...............3
Meeldraden 2. Bloemkroon 2-bladig. Vrucht een 1- of 2-hok-kige vrucht. Bladen tegenoverstaand . . Circaéa 3X3.
3 Bloemkroon rood of witachtig. Doosvrucht lijnvormig . . 4 Bloemkroon geel. Meeldraden 8. Doosvrucht langwerpig of
knotsvormig. Zaden zonder kuif. . . . Oenothéra .988.
4 Kelk 4-deelig. Meeldraden 8, alle vruchtbaar. Zaden gekuifd.
Epilóbium 380.
Kelk buisvormig, 4-spletig. Kroonbladen 3-spletig of bijna ruitvormig, langgenageld. Meeldraden 8 of 4 en 4draadvormige deelen. Zaden niet gekuifd .... Clarkia 392.
5 Bloemen groen. Bloemkroon ontbrekend. Vrucht een vierhok-
kige doosvrucht..........Isnardia 322.
Bloemen wit. Bloemkroon 4-bladig. Vrucht een eenzadige (door de ten deele blijvende kelkslippen) vierdoornige noot.
Trapa 323.
1. Epilóbium Dill. Basterdwederik. VIII.
Kruiden met enkelvoudige, niet ingesneden bladen en einde-lingsche, meest bebladerde aren. bloemen meest rose of purperrood, zelden wit.................1
1 Bladen verspreid. Bloemkroon uitgespreid. Bladen verlengd
lancetvormig, gaafrandig of zwak getand, van onderen iets grijs- of blauwgroen, met uitstekende zijnerven. Bloemtros verlengd. Kroonbladen langgenageld, omgekeerd-eirond, vaak lichtpurper, zelden wit. Meeldraden en stijlen naar beneden gebogen. 0,60-1,25. 2|-. JuliâSeptr. Op vochtigen, beschaduwden zandgrond en langs slooten.
Kattestaart. Slangebloem. Wilde selve of salie. Smalbladige B. E. angustifólium L. Onderste bladen tegenoverstaand (zelden 3 aan 3 in een krans), de bovenste verspreid. Bloemkroon trechtervormig. Meeldraden en stijlen rechtopstaand.............2
2 Stempel 4-spletig (ten minste bij zijne volle ontwikkeling).
Stengel bijna steeds rolrond...........3
Stempel knotsvormig, zwak gegroefd.........5
3 Bladen zittend of bijna zittend, vaak iets afloopend. Stengel
meest behaard. Jonge bloemen rechtopstaand .... 4 Bladen kortgesteeld, eirond-lancetvormig, bijna kaal, grasgroen, omstreeks tot het midden tegenoverstaand, zelden krans-
Onagraceeën. 391
standig. Bloemen 0,008-0,010 lang, voor het bloeien iets knikkend. Stengel aanliggend behaard, zonder verheven lijnen. Bloemkroon rose, zelden wit. Doosvrucht 0,06-0,09 lang, zachtbehaard. 0,30-0,80. 2)-. JuniâSeptr. Op vochtigen zandgrond , onder hakhout, in boschjes, aan heggen.
Berg B. E. montamp;num L.
4 Bladen stengelom vattend, iets afloopend, met stekelpunt, klein
gezaagd. Stengel met langere afstaande haren en korte klier-haren bezet. Bloemkroon groot, donkerrood. 0,80-1,20. 2j.. Juli, Augs. In vochtige bosschen, aan slootkanten.
Wilde selve of salie. R u i g e B. E. hirsütum L. Bladen met afgeronden of versmalden voet zittend, spits, getand. Stengel zacht behaard. Bloemkroon klein, lila. 0,20-0,60. 2J.. JuniâSeptr. Vrij algemeen, in vochtige bosschen, aan slootkanten. KleinbloemigeB. E. parviflórum Schrab.
5 Stengel met 2-4 verheven lijnen..........6
Stengel zonder verheven lijnen, rolrond, glad, kort behaard.
Bladen lancetvormig tot lijn-lancetvormig, gaafrandig of iets getand, met wigvormigen voet zittend. Bloemen voor het bloeien knikkend. Bloemkroon roodachtig-wit, zelden wit. 0,15-0,45. 2L. Juli, Augs. Op veengrond, aan slootkanten.
Moeras B. E. palustre L.
6 Bladen alle duidelijk of tamelijk langgesteeld. Bloemen voor
het bloeien knikkend, klein, bleekrose of wit. Bloemknoppen aan den top met afstaande kelkbladspitsen. Stengel meest sterk vertakt. Bladen langwerpig, aan beide einden spits, dicht ongelijk gezaagd. 0,30-0,80. 2|.. Juli, Augs. Vrij algemeen , op vochtige , beschaduwde plaatsen.
RozeroodeB. E. róseüm Schreb, Bladen zittend of zeer kortgesteeld.........7
7 Uitloopers kort, met een bladroset eindigend. Stengel met 4
verheven lijnen, 2 aan 2 van ieder blad tot het volgend paar bladen afloopend, vertakt, bijna kaal. Bladen lancetvormig, scherp en dicht getand, zittend, glanzig groen. Bloemkroon roserood. 0,30-1,20. 2|.. JuniâAugs. Vrij algemeen, op vochtigen grond, ook langs slooten.
Vierzijdige B. E. tetragónum L. Uitloopers verlengd, draadvormig. Bladen kortgesteeld of zittend. Stengel sterk vertakt, naar boven zachtharig, met 2 of 3 verheven lijnen, de van de randen van een blad naar beneden loopende zich steeds vereenigend. Bladen lijn-lan-cetvormig tot lancetvormig, iets getand, gewimperd, vuil-HEUKKLS, Schoolfiora. 8e druk. 21
BBamp; Onagraceeën.
groen, weinig glanzig. Bloemkroon vuil roserood. 0,30-0,60. 2J.. Juni, Juli. Vrij zeldzaam, op veengrond, aan slootkanten. (E. chordorrhizum Fr.)
Roedevormige B. E. virgdtum Fr.
2. Clarkia Pursh. Cl ark ia. yni.
1 Kroonbladen S-spletig tot 3-deelig, lichtpurper tot wit, groot, wigvormig in den nagel versmald, aan weerszoden in het midden van den nagel met een smallen omgebogen tand. Meeldraden afwisselend onvruchtbaar. Bladen lancet- tot lijnvormig. 0,80-0,60. ©. JnliâSeptr. Sierplant nit Californië.
Fraaie C. C. pulchélla Pursh. Kroonbladen ruitvormig of S-hoekig eirond, ongedeeld, lila of vleeschkleurig, met zeer slanken, ongetanden nagel. Meeldraden alle vruchtbaar. Bladen eirond of eirond-lancetvormig. 0,40-0,80. O- MeiâAugs. Sierplant uit Californië.
Sierljjke C. C. élegans Dougl.
3. Oenothéra L. Nachtkaars, vin.
Grootbloemige planten met rechtopstaanden stengel, verspreide, niet gedeelde bladen, waarvan de onderste gesteeld zijn en in een roset zitten en gele, bebladerde aren van bloemen . . . 1
1 Stengel kruidachtig. Bloemkroon bleekgeel......2
Stengel houtig, vertakt, roodgeel. Bladen eirond-lancetvormig tot lancetvormig, spits, iets getand. Kelk min of meer roodachtig. Kroonbladen omgekeerd-eirond, ingesneden, goudgeel. Doosvrucht knotsvormig-langwerpig, 8-ribbig. 0,30-0,60. JuliâAugs. Sierplant uit Noord-Amerika.
Struikachtige N. t O. fruticósa L.
2 Bloemen zeer groot. Bloembladen veel langer dan de meeldraden. Bloemknoppen
zeer spits. Stengel met roode in een haar uitloopende klieren. 1,50-2,00. OO-JuniâAugs. Sierplant uit N.-Amerika, ook verwilderd.
Grootbloemige N. O. Lamarckiana Ser.
Bloemen kleiner. Bloembladen even lang als of iets langer
dan de meeldraden. Bloemknoppen stomp.....3
3 Kroonbladen langer dan de meeldraden, groot, 0,02-0,026 lang,
zelden slechts half zoo groot. Bladen der rosetten langwerpig-omgekeerd-eirond. stomp, met stekelpunt. Kelkslippen buiten glad behaard. 0,50-1,00. QQ. JuniâAugs. Vrij menigvuldig, op vochtigen zandgrond en in de duinen.
St.-Teunisbloem. O. biénnis L. Kroonbladen even lang als de meeldraden, meest kleiner dan bij de vorige soort. Bladen der rosetten verlengd-lancetvormig, toegespitst. Kelkslippen van buiten met afstaande ruwe haren. Haren op purperkleurige knoopjes zittend. 0.40-0,80. OQ. JurtiâAugs. Niet zoo menigvuldig als de vorige, op dezelfde plaatsen .... Zachtstekelige N. O. muricAta L.
4. Isnardia L. iv.
4 Bladen tegenoverstaand, eirond, spits, gaafrandig, iets vleezig,
glanzig. Bloemen zittend, alleenstaand in de bladoksels, groen. 0,45-0,30. 2|-. Juli, Augs. Vrij zeldzaam, in beken en slooten in veen- en heidestreken. (Dantia palustris Karsch.)
Wat er lepeltje. I. palüstris L.
Halorrhagideeën.
5. Circaéa Trn. Heksenkruid. Stevenskruid, li.
Teere kruiden met rechtopstaanden stengel, tegenoverstaande, ge-steelde, gave bladen en kleine, witte of roode bloemen in trossen. Vruchten met haakjes bezet...........1
1 Bloemtrossen met zeer kleine, borstelvormige schutblaadjes (aan den voet der bloemstelen). Stengel kaal. Spil der bloeiwgze klierachtig behaard. Bladen langwerpig-eirond, met hartvormigen voet, toegespitst, met van boven gegroefden, ongevleu-gelden steel. Kroonbladen even lang als de kelk. Vrucht peervormig, 2-hokkig. Bloemkroon wit, vaak iets rood. 0,15-0,30. 2|-. JuniâAugs. In vochtige bos-schen, alleen hg Maastricht.....Middelst H. C. intermedia Ehrh.
Bloemtrossen zonder schutbladen. Bladen eirond tot langwerpig, met afgeronden voet, toegespitst, getand, dof, met van boven gegroefden, ongevleugelden steel. Kroonbladen even lang als de kelkslippen. Vrucht peervormig, meest dicht met gekromde borstels bezet, 2-hokkig. Stengel meestal behaard. Bloemkroon wit, vaak iets rood. 0,20-0,50. Ij.. JuniâAugs. In vochtige bosschen en onder struikgewas, niet zeldzaam.......Groot H. O. lutetièna L.
6. Trapa L. iv.
1 Ondergedoken bladen paarsgewys, Ignvormig, spoedig afvallend, aan den voet met vinvormig vertakte wortels, de drgvende in rosetten, langgesteeld, ruitvormig, getand, lederachtig. Bladstelen in het midden vaak buikig opgeblazen. Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Bloemkroon klein, wit. 0,60-1,20. Q-Augs. Vroeger inlandsch, in vjjvers, nu niet meer. Waternoot. T. natans L.
Tot de Onagraceeën behoort ook het besdragende geslacht Fuchsia L., wiens soorten in talrjjke variëteiten in potten gekweekt worden.
LXXXV. Fam. Halorrhagideeën.
Waterplanten, meest eenhuizig of quot;2-slachtirj. Kelk 4-slippig. Bloemkroon 4-bladig. Meeldraden 8 of 4, met de bloemkroon op den kelk gezeten. Vruchtbeginsel onderstandig, 4-hokkig met 4 zittende stempels. Vrucht een 4-deelige split vrucht.
1 Planten 4-hinzig. Mannelijke bloemen: Kelk 4-deelig. Kroonbladen 4, spoedig afvallend. Meeldraden 8. Vrouwelijke bloemen: Kelk kleiner. Kroonbladen zeer klein. Stempels 4. Splitvrucht 4-deelig. Bladen kransstandig, vindeelig.
Myriophyllum 3/83.
1. Myriophyllum L. Vederkruid. Duizendblad, xxi.
Kale ondergedoken, alleen tijdens den bloeitijd met de bloeiende takken zich boven den waterspiegel verheffende kruiden met draadvormigen stengel, krimsstatidige, sterk gedeelde bladen en kleine witte of roode bloemen, die aren vormen.....{
'21'
393
Hippurideeën. â Lythrarieeën.
1 Schutbladen alle vinspletig of gevind, even lang als of langer
dan de bloemen. Bladkransen 5-6-tallig. Aren steeds rechtopstaand. Bloemen alle in kransen, rose. 0,07-0,30. 2J.. JuniâAugs. In vijvers en in slooten in heide- en veenstre-ken, vrij algemeen. . Gekranst V. M. verticilló.tum L. Bovenste schutbladen ongedeeld, korter dan de bloemen. Blad-kransen meest 4-tallig.............2
2 Aren rechtopstaand. Bloemen in kransen. Bladslippen meest
tegenoverstaand. Bloemkroon rose. 0,30-1,50. 2J.. Juli, Augs. Als de vorige .... Aardragend V. M. spicamp;tum L. Mannelijke bloemen alleenstaand, in een eerst overhangende aar, aan wier voet de vrouwelijke in een krans staan. Bladslippen meest afwisselend. Bloemkroon rose. 0,15-0,30. 2J.. Juli, Augs. Zeldzaam, als de vorige.
Teer V. M. alterniflórum D. C.
LXXXVI. Fam. Hippurideeën.
Waterplanten. Bladen in kransen. Bloemdek weinig ontwikkeld. Meeldraad i. Vruchtbeginsel 1-hokkig, i-zadig, onderstandig.
1 Bloemen 2-slachtig. Bloemdek onduidelijk, een iets vooruitstekenden, ongedeelden rand vormend. Meeldraad 1. Stijl 1. Vrucht eenhokkig, eenzadig.....Hippüris 324.
1. Hippüris L. i.
1 Stengel rechtopstaand, boven het water uitstekend, zelden drijvend, buisvormig, dicht bebladerd. Bladen 8-12 bijeen in een krans, lijnvormig, gaafrandig, de ondergedoken teruggeslagen. Bloemen zittend in de bladoksels, groen. 0,20-0,60. 2|-. Juli, Augs. In en langs poelen, moerassen en slooten.
Lidsteng. H. vulgaris L.
LXXXVII. Fam. Lythrarieeën. Katteslaartachtigen.
Kelk 8-12-tandig. Bloemkroon 4-6-hladig of ontbrekend. Meeldraden 4-1%, met de bloembladen op den kelk gezeten. Vrucht- \ beginsel 2-4-hokkig met 1 stijl of zittenden stempel. Vrucht een doosvrucht.
J«4
Thymelaeaceeën.
Kelkbuis rolrond, 8-12-tandig. Kroonbladen 4-6. Meeldraden 6-12. Doosvrucht onregelmatig openspringend.
L^thrum 323.
Kelkbuis klokvormig, iets samengedrukt, 12-tandig. Kroonbladen 6, klein of ontbrekend. Meeldraden 6. Doosvrucht onregelmatig openspringend.........Péplis 3SS.
1. Lythrum L. Partijke. Kaltest aart. xi. vi.
Kruiden met enkelvoudige , gaafrandige bladen en in kransen gerangschikte, een eindehngsche aar vormende, purperkleurige of roode bloemen........... ......1
Bladen meest tegenoverstaand of 3 bijeen, lancetvormig met hartvormigen voet. Bloemen in een lange eindelingsche aar, waaraan zij in kransen staan. Binnenste kelktanden half zoo lang als de buitenste. Bloemkroon purper, groot. Meeldraden 8-12. 0,60-1,20. 2j-. JuliâSeptr. Veel aan waterkanten, in vochtige weilanden en in rietgronden.
Gewone P. L. Salicaria L.
Bladen verspreid, de onderste vaak tegenoverstaand, lancet- of Ignvormig met smalleren voet. Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Kelktanden even lang. Bloemkroon klein, roodachtig-lila. Meeldraden meest 6. 0,07-0,20. ©. Juliâ Septr. Alleen bg Lochem gevonden . . . . Hyssop P. L. Hyssopifólia L.
2. Péplis L. vi.
Stengel liggend, roodachtig vertakt. Bladen tegenoverstaand, langwerpig-omgekeerd-eirond, stomp. Bloemen bijna zittend in de bladoksels. Bloemkroon zeer klein, roodachtig wit. 0,05-0,20. ©. JuliâSeptr. Op moerassige plaatsen in zanden heidestreken . . . Waterporselein. F. Pórtula L.
LXXXVIII. Fam. Thymelaeaceeën.
Heesters of hoornen. Kelk onderstandig, gekleurd, 4-(5-lspletig. Meeldraden 3-f 10j. Stamper 1 met korten stijl en stempel.
Kelk bloemkroonachtig gekleurd, afvallend. Vrucht een steenvrucht. Heester..........Daphne3««.
3»S
Elaeagneeën.
1. Daphne L. vin.
1 Bloemen in bundels, meest van 3, zittend, in de oksels van afgevallen bladen, voor de bladen verschijnend, donkerrose. Vruchten rood, sappig. 0,50-1,00. 1). Maart. Vrij zeldzaam, in bosschen, ook als sierplant. Vergiftig!
Garoubvompje. Peperboompje. D. Mezeréüm L.
LXXXIX. Fam. Elaeagneeën.
Heesters of boonien, Ã-huizig of 2-slachtig. Kelk onderstandig, van binnen gekleurd, 2-5-splelig of -deelig. Meeldraden 4-6. Vruchtbeginsel 1, eenhokkig, met 1 stijl en stempel.
1 Planten 2-huizig. Mannelijke bloemen: kelk diep 2-deelig. Meeldraden 4. Vrouwelijke bloemen: kelk buisvormig, 2-spletig. Stempel 1. Schijnbes eenzadig.
Hippophaë 3169.
Bloemen tweeslachtig, soms door het ontbreken van den stamper mannelijk. Kelk klokvormig, 4-5-spletig. Meeldraden 4-6. Stijl!..........Elaeagnus 3»«.
1. Hippóphafi L. xxn.
4 Doornige struik. Bladen lijn-lancetvormig, kortgesteeld, van boven kaal, van onderen wit of grijsschilferig. Bloemen klein. Kelk bruinachtig. Schijnbes oranje. 1,50-4,50. 1). Mei, Juni. In de duinen algemeen, ook als sierstruik. Schijtbezie. Kattendoorn. Duindoorn. H. rhamnoides L.
2. Elaeagnus Trn Olijf wilg.
1 Zonder doorneu. Jonge takken roestkleurig schilferig. Bladen elliptisch, aan weers zijden zil verwit-schilferig. Bloemen ten laatste naar beneden gebogen, welriekend Bloemdek van binnen geel. 1,50-3,50. Mfei, Juni. Sierstruik uit N -Amerika Zilverkleurige O. t E. argéntea Pursh Meest doornig, boomachtig. Jonge takken zilverwit-schilferig. Bladen langwerpig lancetvormig tot lancetvorraig, van onderen dicht-, van boven los zilverwit-schil ferig Bloemen rechtopstaand, welriekend. Bloemdek van binnen geel. 3,50-6,00 1^, Mei, Juni. Sierstruik uit Z.-Europa. Smalbladige O. f E. angustifólia L
3««
Rosaceeën.
XC. Fam. Rosaceeën. Roosachtigen.
Kelk 3-5-spletig, soms met bijkelk. Bloemkroon 4-6-bladig of ontbrekend. Meeldraden i-4 of veel, evenals de bloembladen op den kelk gezeten. Stampers i tot veel, vrij, elk met een stijl. Vrucht een dop-, steen- of kokervrucht.
Kruidachtige planten...............2
Heesters.....................9
Bloemen zonder bloemkroon, klein.........3
Bloemen met'kelk en bloemkroon.........4
Kelkslippen 4. Bloemen 2-slachtig (meeldraden 4) of planten eenhuizig (mannelijke bloemen met vele meeldraden). Vruchtbeginsels 1-3. Bladen gevind . . . Sanguisórba 339. Kelkslippen 8, afwisselend kleiner. Bloemen 2-slachtig, met 4 of 1 meeldraad. Vruchtbeginsel 1. Bladen gelobd of gespleten ............Alchemflla 33».
Kelkslippen in een rij, evenveel als kroonbladen .... 5 Kelkslippen in 2 rijen, dubbel zooveel als kroonbladen, de
buitenste kleiner...............7
Bloemkroon geel. Vruchtbeginsels en stijlen 2. Kelk met hakige, later uitgroeiende stekels bezet. Bloemen in aarvor-mige trossen. Bladen afgebroken gevind. Agrimónia 33%.
Bloemkroon witachtig..............6
Bladen gevind of dubbel gevind. Vruchtjes meer dan 5.
Spiraéa 337.
Bladen 3-tallig of handvormig samengesteld. Vruchtjes steenvruchtachtig, sappig, tot een schijnbes vergroeid.
Rubus 330.
Vruchtjes langgenaald door de blijvende, behaarde stijlen. Vruchtbodem droog, rolrond. Bladen afgebroken-liervormig-
gevind..............Géum 332.
Vruchtjes ongenaald, met afvallende stijlen......8
Vruchtbodem droog, zich niet vergrootend. Bladen handvor-mig-samengesteld, zelden gevind. Bloemkroon geel, zelden wk.
Potentflla 333.
Vruchtbodem vleezig, zwamachtig, zich vergrootend. Bladen gevind. Bloemkroon kleiner dan de kelk, donkerpurper.
Cómarum 335.
Vruchtbodem sappig wordend en tot een schijnbes uitgroeiend.
Bladen 3-tallig. Bloemkroon wit . . . Fragaria 33S. Stijlen talrijk. Vruchtbeginsels bovenstandig of schijnbaar on-derstandig. Stekelige heesters..........10
3M9
Rosaceeën.
Stijlen 2-5. Vruchtbeginsels bovenstandig. Vrucht doosvruchtachtig, openspringend, meerzadig.........H
10 Vruchtbeginsels in den hollen kroesvormigen, ten laatste vlee-zigen bloembodem ingesloten. Vruchtjes nootachtig. Bladen gevind...............Rósa 3CM.
Vruchtbeginsels niet ingesloten. Vruchtjes sappig, steenvruchtachtig, samen tot een schijnbes vergroeid. Bladen handvormig samengesteld, zelden gevind . . . . Ru bus 330.
Vergelijk ook Potentflla fruticósa bladz. 333. H Vruchtjes meerzadig, vrij of vergroeid. Kroonbladen wit tot rood, op een schijfvormig uitgebreiden bloembodem. Planten 2-slachtig of 2-huizig. Kruiden of heesters. Spiraéa 337.
Vruchtjes eenzadig, bolrond, vrij. Kroonbladen geel. Bloemen 2-slachtig. Heesters.........Kérria 339.
1. Rósa L, Rlt;^os.
Stekelige heesters met oneven gevinde bladen, met den bladsteel vergroeide steunbladen, groote, meest welriekende bloemen en vleezige schijnvruchten. Bloemen alleenstaand of in bij schermen....................1
1 Stekels van 2-erlei soort: stijve, priemvormige tegelijk met
naald- of borstelvormige optredend, aan de bloemtakken ook
ontbrekend.................2
Stekels gelijk.................6
2 Steunbladen der niet-bloeiende takken met bgna buisvormig samensluitende randen.
Stekels der bladloten opeengedrongen, onder de steunbladen 3 aan 2 tegenoverstaand. Blaadjes eirond tot langwerpig, gezaagd, van onderen grijs behaard, zonder klieren. Bloemstelen kaal. Kelkslippen ongedeeld, aan de schgnvrucht samen neigend, blyvend. Takken kaneelbruin. Bloemkroon rose, welriekend. Schgnvrucht scharlakenrood. 1,20-1,80. 1^. Juni. Gekweekt en verwilderd.
Kaneel R. R. cinnamómea L.
Steunbladen der niet-bloeiende takken tamelijk vlak ... 3
3 Stekels alle recht. Blaadjes 7-'H bijeen, klein of gemiddeld
van grootte. Bloemkroon rood of wit. Kelkslippen ongedeeld ...................4
Grootere stekels min of meer gekromd........5
4 Blaadjes kort en enkel of bijna enkel gezaagd, kaal of bijna
kaal. Steunbladen smal. Bloemstelen altijd recht. Blaadjes rondachtig of elliptisch, klein, stijf. Kelkslippen veel korter dan de bloemkroon, zonder klierborstels. Schijnvrucht plat-bolrond, zwartpurper, kraakbeenachtig, gekroond door de blijvende, rechtopstaande, samensluitende kelkslippen. Bloemkroon wit. 0,50-1,00. 1). Mei, Juni. In de duinen zeer veel, ook als sierplant. . . . D u i n R. R. pimpinellifólia L.
3»S
Rosaceeën. 3B9
Blaadjes dubbel tot 3-voudig gezaagd, meest langwerpig, kaal of verstrooid behaard. Steunbladen naar boven verbreed. Bloemstelen na den bloei teruggekromd, kaal of met klierborstels (var. pyrenaica Gouan.). Kelkslippen even lang als of langer dan de bloemkroon. Sch\jnvrucht meest ellipsoidisch, van boven halsachtig vernauwd, gekroond door de blgvende, rechtopstaande kelkslippen, bloedrood. Bloemkroon donkerrose. 0,60-1,20. 1^. Juni, Juli. Sierstruik uit Middel- en Zuid-Duitschland.............Alpen R. t R- alpïna L.
Blaadjes van onderen zonder klieren, kaal of behaard, 3-5 bijeen. Blaadjes klierachtig dubbel gezaagd, kaal of weinig behaard, lederachtig, van onderen blauwgroen, groot. Steunbladen smal. Bloemstelen zeer lang, evenals de kelkslippen met klierborstels bezet. Kelkslippen gedeeld, meest teruggeslagen, spoedig afvallend. Schijnvrucht eirond-bolvormig, kraakbeenachtig. Bloemkroon groot, meest donkerpurper, vaak gevuld. 0,15-1,50. Juni, Juli. In tuinen of op akkers gekweekt, ook verwilderd.
Provinsche roos. Provence R. R. géllica L.
Blaadjes van onderen met klieren, sterk naar ooft riekend. Stekels kromhakig, iets ongelijk, zie R. rubiginósa bl. 330.
Blaadjes van onderen zonder of met weinig klieren. Bloemstelen meest kaal, zeldzamer met verstrooide klierborstels. 7
Blaadjes van onderen met (vaak in de beharing verborgen) klieren bezet. Bloemstelen kaal of met klierborstels . . 9
Blaadjes kaal.................8
Blaadjes aan weerszijden of van onderen behaard, gezaagd. Bloemstelen lang (omstreeks 2-maal zoo lang als de schijnvrucht). Kelkslippen teruggeslagen, spoedig afvallend. Stijlen behaard tot kaal. Blaadjes rondachtig-elliptisch of elliptisch, van boven kaal of zwak behaard, van onderen, vooral op de nerven, aanliggend behaard. Bladsteel dicht grijs behaard, met enkele klieren, weinig gestekeld. Bloemkroon wit of bleekrose. 1,00-2,50. t). Juni. Aan heggen, aan wegen, vrij algemeen. . . . Hegge R. R. dumetórum Thuill.
Hiertoe behoort ook K. a 1 b a L. Bloemkroen zuiver wit of rood aangeloopen, meest gevuld, zeer welriekend. Kelkslippen korter dan de bloemkroon, evenals de bloemstelen borstelig, soms ongedeeld, ten laatste teruggeslagen. Blaadjes rond-achtig ef elliptisch, van onderen iets behaard. Vrucht eirond, rood, vroeg rijp wordend. 1,00-2,50. Ij. Mei, Juni. Gekweekt als sierplant.
Blaadjes iets wigvormig toeloopend, elliptisch, evenals de geheele struik blauwachtig berypt en meest iets purper. Kelkslippen ongedeeld ol bijna ongedeeld, langer dan de kleine kroonbladen. Schguvrucht langgesteeld, bolrond, vroeg rjjpend, klein. Stekels iets gebogen. Bloemkroon levendig roserood. 1,50-3,00. 1^. Juni. Sierplant.
R oodbladige R. t R- rubrifólia Vill.
Blaadjes niet wigvormig. Kelkslippen vindeelig, teruggeslagen en spoedig afvallend. Stekels haakvormig gebogen. Bloemstelen lang. Schijnvrucht langwerpig-ellipsoïdisch tot bolrond, kraakbeenachtig, laat rijpend. Bloemkroon licht-rose of wit.
Rosaceeën.
Zeer veranderlijk. 1,00-3.00. Juni. Vrij algemeen, in heggen en aan wegen.
Witte bottelroos. Wiepedoorn. Wilde Roos.
Honds R. R. canina L.
9 Bloemstelen kaal. Blaadjes van onderen rijkelijk met klieren
bezet, langwerpig-wigvormig, diep en scherp dubbel gezaagd. Stijlen verlengd, kaal. Kelkslippen lang, smal met klierachtig gewimperden rand, teruggeslagen en spoedig afvallend. Klieren der bladoppervlakte niet gesteeld. Bladstelen klierachtig, kaal of behaard. Bloemstelen tot 2-maal zoo lang als de schijnvrucht. Bloemkroon klein, witachtig ol bleekrose. Reuk iets harsachtig. 1,00-2,00. ti. Juni. Enkele malen in heggen gevonden.
H a a g R. R. sépium Thuill. Bloemstelen met gesteelde klieren ..........10
10 Stekels krom. Blaadjes klein of gemiddeld van grootte, rond-
achtig-elliptisch, van onderen met vele sterk riekende klieren. Stijlen een wollig hoofdje vormend. Bloemkroon donker-rose. Kelkslippen aan de rugzijde dicht klierachtig, aan de schijn-vrucht afstaand of opgericht, minstens tot deze zich kleurt, blijvend. Schijnvrucht oranjekleurig. Stekels iets ongelijk. Heester met korte takken. 0,60-1,50. tv Juni. Vrij veel in heggen, bosschen, langs wegen.
Egelantier R. R. rubiginósa L. Stekels recht of gebogen. Blaadjes van onderen viltig, van boven fijn behaard, grijsgroen..........11
11 Stijlen kaal of behaard. Bloemkroon bleekrose tot witachtig.
Kroonbladen ongewimperd. Kelkslippen afstaand, afvallend. Schijnvrucht langgesteeld, rechtopstaand, eirond, langwerpig of bolrond, zacht gestekeld, vroeg geelrood wordend. Blaadjes grof dubbel gezaagd, van onderen iets klierachtig, eirond tot langwerpig-elliptisch. Stekels iets gebogen. 1,00-1,20. 1). Juni. Vrij zeldzaam, in heggen, aan wegen.
Viltige R. R. tomentósa L. Stijlen een wit wolachtig hoofdje vormend. Bloemkroon levendig rose, tamelijk klein. Kroonbladen met gewimperden rand. Kelkslippen rechtopstaand, blijvend. Schijnvrucht kortgesteeld, groot, meest bolrond, bijna scharlakenrood. Blaadjes groot, gezaagd, van onderen met klieren, langwerpig of elliptisch. Stekels lang, recht. 1,00-1,50. K Juni, Juli. Vrij zeldzaam in het wild in bosschen en in heggen, gekweekt. (R. villósa L.). Bottel R. R. pomifera Herm,
j«o
Rosaceeën.
Bovendien worden menigvuldig gekweekt:
Stengel kruipend of klimoiend. Bladen (in het vaderland) blgvead, niet afvallend. Blaadjes perkamentacbtig, aan weerszijden glanzend, eirond-lancetvormig, zwak gezaagd. Stylen tot een zuiltje van de lengte der Dieeldraden vergroeid. Bloemkroon wit. 3,00-4,00. Ij». Juni, Juli. Sierstruik uit Zuid-Europa.
Altijdgroene R. f R. sémpervirens L.
Stengel rechtopstaand.......................3
Steunbladen groot, vlak. Bloemstelen klierachtig burstelig........8
Steunbladen zeer smal, priemvormig, grootendeels met den bladsteel vergroeid. Stekels gekromd. Bladen big vend, niet afvallend Blaadjes eirond of eirond-langwerpig, toegespitst, kaal, zwak-, soms ook onregelmatig gezaagd. Kelkslippen na het. bloeien teruggeslagen. 0,30-1,00. Juni, Juli. Afkomstig uit China.
Chineesche R. f R. chinénsis Jacq.
Variëteiten:
Stengel rechtopstaand. Takken tamelgk stjjf, met gekromde, roode stekels bezet. Blaadjes van onderen vaak blauwgroen. Bloemen groot, rose of rood.
Indische R. f R. indica Lindl. Takken tamelgk stgf, met minder gekromde roode stekels. Blaadjes van onderen lichter. Bloemen zeer groot, vuil of rosekleurig-geel, zeer welriekend.
Thee R. t R. fragans Red. Stengel laag blijvend, met zwakke takken. Stekels weinig, soms geheel ontbrekend. Blaadjes vliezig. Bloemen rose of rood, vaak donker. Het geheele jaar bloeiend. (R. bengalénsis Pers., R. diversifólia Vent.)
Maand R. t R. semperflórens Curt. Bladloten alleen met gekromde, vaak roode stekels bezet. Blaadjes enkel gezaagd, van boven kaal, glad, van onderen min of meer behaard. Bloemen in scherm-vormige trossen. Kelkslippen na den bloeitgd teruggeslagen, soms afvallend. Schgnvrucht langwerpig-omgekeerd-eirond. Bloemkroon rose. 0,30-1,00. Mei, Juni, vaak Augs., Septr. weer . . Damascener R. tR. damascéna Mill.
Bladloten met stekels en klierborstels bezet. Bloemen alleenstaand.....4
Stekels ongelgk, de grootere gekromd, nooit rood. Blaadjes gewimperd, van ouderen bleek, zacht, enkel gezaagd. Bloemen knikkend, groot, alleenstaand op lange stelen. Kelkslippen aan de vrucht big vend, meest gedeeld. Bloemkroon rose, bgna steeds gevuld. 1,00-3,00. f^. Juni, Juli. Als sierstruik in vele tuinen gekweekt.
Honderdbladige R. R. centiiólia L. Eene variëteit, is de mosroos, R. muscósa Mill, waarbg een groot aantal kleine stekels voorkomen en de bloemstelen en kelkbuis bgna mosachtig met bladachtige klierborstels zgn bezet.
Stekels tamelgk gelgk. Bloemen rechtopstaand. Kelkslippen aan de vrucht teruggeslagen, spoedig afvallend.........Zie R. gallica blz. 329.
2. Agrimónia Trn. Agremone.
Dicht behaarde kruiden met meestal niet- vertakten stengel, afgebroken gevinde bladen, halfhartvormige, stengelomvattende, gezaagde steunbladen en kleine goudgele bloemen in lange ein-delingsche aren..................1
Bladen van onderen bijna klierloos. Kelk dicht ruw behaard, bij de rijpheid met diepe, bijna tot den voet reikende groeven en afstaande stekels bezet. Kroonbladen eirond, goudgeel. Welriekend. 0,30-1,20. 2J.. JuniâAugs. Vrij algemeen, op kleigrond . . . Leverkruid. A. Eupatórium L.
Bladen van onderen niet tal van kleine geelachtige klieren bezet. Kelk los behaard, bg de rgpheid, met tot het midden reikende groeven en teruggeslagen stekels. Kroonbladen omgekeerd-hartvormig, goudgeel. 1,00-1,50. 2^. JuniâAugs. Op een paar plaatsen gevonden, in weilanden en aan wegen. Welriekend.
Welriekende A. A. odorata Mill.
331
339 Rosaceeën.
3. Sanguisórba L. Sorbenkruid.
Kruiden met naar boven onbebladerden stengel, oneven gevinde bladen en bolvormige hoofdjes van bloemen.......1
1 Stengel rechtopstaand, kantig. Blaadjes langwerpig, met vaak hartvormigen voet, gezaagd, van onderen blauwgroen. Kelk tijdens den vruchttijd met smalle kanten. Bloemen in langwerpige of rondachtige bruinroode aren, tweeslachtig. Meeldraden 4, even lang als de kelk. Stempel knopvormig. 0,50-1,50. 2)-. JuliâSeptr. Vrij algemeen, in vochtige weilanden, ook als sierplant . . . . Gewoon S. S. officinalis L.
Stengel opstijgend. Blaadjes rondachtig of langwerpig-eirond, van onderen meest niet blauwgroen. Kelk tijdens den vrucht-tijd vierkant, rimpelig. Bloemen in bolvormige, groenachtige aren, de onderste mannelijk, met 20-30 lange neerhangende meeldraden, de bovenste vrouwelijk, met penseelvormige stempels, de middelste vaak tweeslachtig. 0,30-0,45. 24-. AprilâAugs. Algemeen, op zandigen grasgrond en in begroeide duinen, ook gekweekt. (Potérium Sanguisórba L.)
Pimpernel. S. minor Scop.
4. Alchemilla Trn. Leeuweklauw.
Meest veelstengelige kruiden met gaffelvormig vertakten stengel en kleine, groene hoopjes ran bloemen, die een bloemkroon missen......................'1
1 Onderste bladen rondachtig niervormig, (niet tot het midden) 7-9-lobbig, langgesteeld. Lobben bijna half-cirkelvormig,-gezaagd. Bloemen in eindelingsche bijschermen. Meeldraden 4. Kelk groen. 0,10-0,30. 2|.. MeiâAugs. Vrij algemeen, op grazige, beschaduwde plaatsen.
Onze vrouwenmantel. Gelobde L. A. vulgè-ris L.
Bladen handvormig, 3-5(-)spletig, met wigvormigen voet. Slippen van voren ingesneden, 3-5-tandig. Bloemen in bladok-selstandige kluwens. Meeldraad 1. Kelk groen. 0,03-0,12. ©. MeiâSeptr. Vrij algemeen, in korenland.
Akker L. A. arvénsis Scop.
5. Géum L. Nagelkruid.
Behaarde kruiden met een meestal vertakten stengel, afgebroken of liervormig-vinspletige of vindeelige bladen en eindelingsche bloemen.....................1
Rosaceeën.
i Steunbladen groot. Bloemen rechtopstaand. Kelk aan de vrucht teruggeslagen. Kroonbladen uitgespreid, omgekeerd-eirond, ongenageld. Vruchthoopjes zittend. Bloemkroon tamelijk klein, goudgeel. 0,30-0,60. IJ.. JuniâAugs. Zeer algemeen, op belommerde plaatsen, in kreupelhout.
Gemeen N. G. urbènum L.
Steunbladen klein, eirond. Bloemen knikkend. Kelk van buiten roodbruin, aan de vrucht rechtopstaand. Kroonbladen rechtopstaand, rond-omgekeerd-eirond, genageld. Vruchthoopjes langgesteeld. Bloemkroon tamelijk groot, roodachtig. 0,30-1,00. 2J-. Mei, Juni. Vrij zeldzaam, op vochtige, belommerde plaatsen . . . . Knikkend N. G. rivamp;le L.
B\j Middachten is ook gevonden G. intermedium Ehrh , een bastaardvorm van G. urbanum en G. rivale met rechtopstaande bloemen, horizontaal afstaande vruchtkelken en by na zittende vruchthoopjes.
6. Potentüla L. Ganzerik.
Kruiden, zelden heesters met meestal handvormig samengestelde bladen, met den bladsteel vergroeide steunbladen en gele, zelden witte of roode bloemen...............1
1 Heester. Bladen 5-7-talli}; gevind. Blaadjes langwerpig, spits, gaafrandig, van
onderen zydeachtig behaard. Bloemen in armbloemige, schermvormige trossen aan het eind der takken. Bloembodem en vruchtjes ruw behaard. Bloemkroon geel, groot. 0,50-1,00. Ij. Mei, Juni. Sierstruik uit de Pyreneeën, soms verwilderd.
Heesterachtige G. t P- iruticósa L.
Stengel kruidachtig...............2
2 Bloemkroon wit. Bladen handvormig samengesteld, 3-5-tallig. 3
Bloemkroon geel................4
3 Onderste bladen 3-5-tallig. Blaadjes omgekeerd-eirond-langwerpig of omgekeerd-
eirond, grof en afstaand gezaagd, de eindelings staande zaagtand veel kleiner dan die er dicht bq staan. Stengel 2-4-bloemig. In het vroegere Beekbergerwoud gevonden. (P. hybrida Wallr.).....Witte G. P. alba-stérilis Grcke.
Bladen 3-tallig. Stengels 1-2-bloemig. Kelkbladen aan den voet van binnen groenachtig, de buitenste slippen nauwelijks half zoolang als de binnenste. Kroonbladen even lang als of langer dan de kelk. Helmdraden priemvormig. Blaadjes aan weerszijden 4-6-tandig. 0,05-0,10. 2^. MaartâMei. Alleen in bosschen in Z.-Limburg gevonden . . A.ardbezieachtigeG. P. Fragariastrum Ehrh.
4 Bloemkroon korter dan de kelk, klein, lichtgeel .... 5
Bloemkroon even lang als of langer dan de kelk .... 6
5 Stengel liggend of opstijgend, evenals de bladen afstaand be
haard. Bladen gevind, de bovenste 3-tallig. Bloemstelen na den bloei naar beneden gebogen. 0,15-0,30. © en ©Q. JuniâSeptr. Zeldzaam, aan rivieroevers, op des winters overstroomde zandgronden . . . Liggende G. P. supina L.
Stengel rechtopstaand of opstijgend, evenals de bladen ruw behaard. Bladen 3-tallig. Bloemstelen na den bloei rechtop- of afstaand. 0,15-0,30. © en OO- Juniâ Septr. Gevonden aan het Pothoofd bij Deventer.
Noorweegsche G. P, norvégica L.
333
Rosaceeën.
6 Bloemen alleenstaand of 2 aan 2..........7
Bloemen in bij schennen.............10
7 Bladen handvormig samengesteld, 3-5-tallig......8
Bladen afgebroken gevind. Blaadjes vinspletig, gezaagd, van
onderen wit zijdeachtig behaard. Stengel uitlooperachtig, in de knoopen wortelend. Bloemen meest 5-tallig. 0,10-0,50. 2\.. MeiâJuli. Vrij algemeen, aan slooten en dijken en op grasgrond.
Zilverkruid. Blik. Berkhouterklaver. Reinevaar.
Zilverschoon. P. Anserina L.
8 Stengel uitlooperachtig, liggend, vaak wortelend .... 9 Stengel opstijgend, niet wortelend. Stengelbladen alle 3-tallig,
zittend, met groote, diep 3 5-spletige steunblaadjes. Blaadjes langwerpig-wigvormig. Bloemkroon omstreeks zoo lang als de kelk. Wortelstok dik, van binnen rood. 0,15-0,30. 2J.. JuniâAugs. Algemeen, op open zand- en heigrond. (Tor-mentilla erécta L., P. sylvéstris Neck.)
Weewortel. Schijtwortel. Meerwortel. Zevenblad.
Tormentil. P. Tormenti'Ila Schrk.
9 Bloemen 5-tallig, groot. Bladen 5-tallig, gesteeld. Blaadjes
langwerpig-omgekeerd-eirond, gezaagd-gekarteld. Stengel niet of weinig vertakt, kruipend. 0,30-0,60. 2|-. JuniâAugs. Vrij algemeen langs wegen, slooten en dijken, ook onder kreupelhout ......Vijfvingerkruid. P. réptans L.
Bloemen meest 4-tallig. Bladen 3-tallig, de onderste meest 5-tallig, de bovenste zeer kortgesteeld. Blaadjes wigvormig-omgekeerd-eirond, van voren gezaagd. Stengel naar boven meest vertakt. 0,15-0,45. 2)-. JuniâAugs. Vrij zeldzaam, op beschaduwden zandgrond. (Tormentilla reptans L.)
Gestrekte G. P. procümbens Sibth.
Bloemen 4- of 5-tallig. Vruclitjes meest onontwikkeld. Bladen 6-tallig, soms 4-tallige^er bij. Blaadjes oragekeerd-ei-wigvoi-mig. Stengel naar boven vertakt. O.lö-0,45. . MeiâAugs. Misschien niet gevonden. (P. procnmhenti-reptans G. Mey.)
Gemengde G. P. mixta Nolte.
10 De bloemdragende stengels staan eindelings ...... 11
De bloemdragende stengel staat zijdelings en is opstijgend.
Onderste bladen 5-(7)-tallig. Stengel en bladstelen ruw behaard. Blaadjes kaal of aan den rand, beneden of aan weerszijden behaard, zelden van onderen met sterharen. Vruchtstelen opstijgend, aan den top gekromd. 0,05-0,15. MaartâMei. Vrij algemeen, op droge gronden en dijken, in de duinen......Voorjaars G. P. vérna L.
sas
Kosaceeën. 33S
H Stengel rechtopstaand, lang behaard, nooit donzig of viltig.
Bladen aan weerszijden groen..........12
Stengel min of meer opstijgend of liggend of rechtopstaand, doch dan donzig-viltig. Bladen van onderen meest viltig . 13
12 Stengel ruw door langere en kortere haren. Bladen 5-tal!ig. Blaadjes lancetvorraig-
langwerpig, aan weerszijden lang behaard, van de onderste bladen omgekeerd-eirond-langwerpig. Vrachtjes met zeer smallen, scherpen kiel. 0,30-0,60. 2|.. Juni, Juli. Bg Deventer gevonden . . . . Behaarde G. P. pilosa Willd. Stengel rechtopstaand, evenals de bladen door langere afstaande, aan den voet verdikte haren en korte klierharen ruw. Bladen 5-7-tallig, prof gezaagd, aan weerszijden groen. Vruchtjes met een bleekeren, gevleugelden kiel. Bloemkroon tamelgk groot, bleek- of goudgeel. 0,30-0,60. 2|.- ^111quot;âJnli. Een enkele maal in Z-Limburg . . . . ........Rechte G. P. recta L.
13 Stengel rechtopstaand of opstijgend met langere wolharen, geleidelijk overgaand in
een kortere, viltige haarbekleeding Bladen 5-, zeldzamer 7-tallig. Blaadjes van onderen dun grysviltig, op de nerven wollig, aan weerskanten met 5-7 tanden, zonder omgerolden rand. Bloemstelen na den bloeitijd rechtopstaand. 0,10-0,80. 2j.. MeiâJuli. Een paar malen, bij Rnurlo en Klarer.beek gevonden.
Grijze G. P. canéscens Bess. Stengel met zachte, lange haren en scherp daarvan afgescheiden tegelijk een viltige of zeer kroeze bekleeding ... 14
14 Vruchtjes fijn gekield. Stengel uitgespreid. Bladen van boven groen, van onderen
grijs of ook groen (by de variëteit virescens Boiss.). 0,10-0,40. Juniâ A-Ugs. Alleen op een paar plaatsen gevonden.
Gebogen G. P. inclinata Vill. Vruchtjes niet gekield. Stengel rechtopstaand of uitgespreid. Bladen 5-tallig. Blaadjes wigvormig, aan weerszijden meest met 3 tanden, met omgerolden rand, van onderen wit of grijsviltig. Bloemstelen na den bloeitijd rechtop- of afstaand. 0,20-0,60. JuniâAugs. Vrij algemeen, op open en be
bouwden zandgrond .. . Zilverwitte G. P. argéntea L.
7. Cómarum L.
1 Bladen 5-7-tallig gevind, de bovenste 3-tallig. Blaadjes langwerpig of lancetvormig, scherp gezaagd, van onderen blauw-achtig-groen, aangedrukt behaard. Stengel opstijgend, vertakt. Kroonbladen donkerpurperrood, korter dan de van binnen donkerroodbruine kelkbladen. 0,30-0,80. 2).. Juni, Juli. Vrij algemeen in moerassige venen en waterplassen.
Moerasvijfblad. Watervijf vinger kruid. Water hanepoot.
Roode Waterbezie. C. palustre L.
8. Fragaria Tm. Aardbei.
Kruiden met uitlooper?. Stengel rechtopstaand. Bladen lang-gesteeld, wortelstandig, 3-tallig. Bloemen gesteeld, in bij-schermen.....................1
1 Bloemstelen horizontaal afstaand behaard. Bloemen groot,
wit....................2
Rosaceeën.
Bloemstelen alle of althans de zijdelingsche rechtopstaand of aangedrukt behaard..............3
2 Stengel duidelijk langer dan de bladen. Bladen van onderen
dun zijdeachtig behaard. Bloemen onvolledig 2-huizig. Meeldraden der meer vrouwelijke plant even hoog, die der meer mannelijke plant dubbel zoo hoog als de stampers. Vruchtkelk afstaand of teruggeslagen. 0,15-0,30. 2J-. Mei, Juni. Zeldzaam in het wild tusschen kreupelhout, ook aangekweekt. (F. moschata Dchsn.) Tuin A. F. elétior Ehrh.
Stengel even lang als of nauweljjks langer dan de bladen. Bladen aan weerszoden dicht hehaard. Vruchtkelk aanliggend. Vrucht laat rgpend, groot, rood, hane-kamvorraig. 0,15-0,20. 2|.. Mei, Juni. Gekweekt. Uit Zuid-Amerika.
Chili A. f F. chiloénsis L.
3 Bladen dun, iets gerimpeld, aan weerszijden, maar vooral van
onderen zijdeachtig behaard. Stengel iets langer dan de bladen. Vruchtkelk horizontaal afstaand of teruggeslagen. Bloemen 2-slachtig. Meeldraden nauwelijks zoo hoog als de stampers. Bloemkroon wit. OjOB-O^S. 2|.. Mei, Juni. Zeer algemeen, tusschen hakhout, aan heggen, tusschen het gras.
Ook gekweekt.....Maandbloeier. F. vésca L.
Bladen dik, bijna lederachtig, niet rimpelig, van boven bijna kaal. Stengel meest korter dan de bladen. Gekweekte soorten uit Noord-Amerika............4
4 Haren der bloemstelen rechtop-afstaand. Vruchtkelk rechtopstaand. Bloemkroon
wit. Vrucht roodachtig wit, groot. 0,15-0,20. Mei, Juni.
Ananas A. F. grandiilóra Ehrh. Haren der bloemstelen aangedrukt. Vruchtkelk afstaand. Vrucht groot, donkerrood, de afzonderlijke vruchtjes in diepe groeven van den bloembodem gezeten. Bloemkroon wit. 0,15-0,20. 2|.. Mei, Juni. Scharlaken A. F. virginiana Mill.
9. Rubus L. Braambes.
Heesters met stekelige takken, hand- of vinvormig samengestelde, zelden enkelvoudige bladen en witte, soms roodachtige
bloemen in bijschermen...............1
1 Bladen enkelvoudig, handvormig 5-lobbig met spitse, dubbel gezaagde lobben. Stengel klierachtig behaard, zonder stekels. Vrucht rood, zelden bjj ons rjjp wordend. Bloemkroon rozerood, zeer groot (tot 0,05 breed), welriekend. Bloemen talrgk. 1,00-1,60. Ij). MeiâAugs. Sierstruik uit Canada, ook verwilderd.
Welriekende B. t R- odoratus L.
Bladen, althans de meeste, samengesteld.......2
5 Bladen 3-5-, zeldzamer 7-tallig gevind. Vruchten rood of wit,
samen verbonden van den kegelvormigen bloembodem afvallend. Bladloten , d. z. de niet-bloeiende stengels, opgericht,
hoogstens aan den top gebogen..........3
Bladen 3-5-, zeldzamer 7-tallig, handvormig samengesteld. Vruchten zwart, zwartrood, zeldzamer blauw, met elkaar en met een kegelvormig deel van den bloembodem afvallend . . 4
330
Rosaceeën.
3 Bladen 3-7-tallig, gevind, van onderen witviltig. Blaadjes
eirond, toegespitst. Bladloten vooral beneden met zeer dunne
en zwakke stekels bezet, berijpt. Bloeiwijzelos, armbloemig.
Kroonbladen eerst rechtop- later afstaand, wit, korter dan
de kelk. Vruchten rood (soms in tuinen geel of wit), zoet.
0,60-1,20. tgt; MeiâJuli. In bosschen, vooral op open plaatsen
tusschen kreupelhout en veel gekweekt.
Hunnebessen. Heiningbessen. Framboos. R. idamp;eus L.
Bladen 3-tallig. Blaadjes gezaagd tot vinsplcti?. Stekels in gering aantal, klein, niet breeden voet. Bloemen alleenstaand of 2 bg elkaar, groot, rood. Vruchten tweemaal zoo groot als van de framboos, reukeloos. Sierstruik uit N.-Amerika, ook enkel verwilderd............ R. spectabilis Pursh.
4 Bladloten dun, rolrond, met teere stekels, berijpt, neerliggend,
niet of weinig behaard. Bladen 3-tallig. Blaadjes groen, van onderen zacht behaard. Kelk met klierborstels, tegen de rijpe vrucht aangedrukt. Vrucht sterk blauwachtig berijpt. Bloeiwijze armbloemig. Bloembladen kaal. Zeer algemeen, op allerlei gronden.
Braambes. Brombes. Brummel. Doorn. Dauw B.
R. caésius L.
Bladloten, althans naar den top min of meer kantig, vaak sterk met stekels bezet, evenals ook de bladstelen, bladnerven enz. Bladloten gebogen, liggend of opgericht, Bladen meest 3-5-tallig. Vrucht zwart of blauwzwart. Kelk uitgespreid. Bloemen wit of rood. Zeer algemeen, op allerlei gronden 1).
Groote braam of brummel. Gewone B. R. fruticósus L.
10. Spiraéa L. Spirea.
Kruiden of heesters met kleine, in bijschennen, pluimen of schermvormige trossen zittende bloemen.........1
339
1 Kruiden met groote steunbladen en 2-slachtige bloemen. . 2 Heesters...................4
22
1
De soorten hier genoemd als R. c a e s i u s L. en R. fruticósus L. omvatten volgens de onderzoekingen van den nieuweren tgd een zeer groot aantal verschillende soorten. BoveDgenoemde namen moeten dus als collectiefnamen beschouwd worden.
Aangezien het zeer moeilyk valt de verschillen tusschen die onderscheiden soorten alleen door beschrgvingen duidelyk te maken en alleen zy, die zich lang achtereen met dit geslacht hebben bezig gehouden, in staat zjjn iedere soort scherp te onderscheiden, heb ik gemeend beter te doen, alleen de collectiefnamen te vermelden en verwgs ik hen, diefdit geslacht nader wenschen te bestudeeren, naar de grootere werken over het geslacht R u b u s van F o c k e, G r e m 1 i e. a.
HEUKELS , Schoolflora. 8« druk.
Rosaceeen.
2 Bloemkroon wit. Bladen afgebroken gevind , , . . . , â . 3
Bloemkroon roserood. Onderste hladeu bandlobbig, de bovenste: handdeelig. Bladslippen langwerpig-lancetvormig, gezaagd, van onderen op dei nerven zacbtharig. Steunbladen half hartvormig , gezaagd. Vruchtjes kaal, recht met gekroiiulen, aan den top verdikten stijl. 0,60-1,20.Juni, Juli. Sierplant uit Noord-Araerika.
Fraaie S. S. veoüsta Otto et Dietr.
3 Stengel bebladerd. Blaadjes groot, eirond, aan weerszijden
groen of van onderen witviltig, ongedeeld, het eindelingsche ' grooter, handvormig 3-5-spletig, alle ongelijk gezaagd. Vruchtjes kaal, gewonden. Bloemkroon wit of geelachtig wit. 0,50-1,20. if. JuniâAugs. Vrij algemeen, op moerassigen veengrond en aan slootkanten. (Ulmaria palustris Moench.) Ook als sierplant . . . . . Moeras S. S. Ulméxia L.
Stengel van boven bijna bladloos. Blaadjes klein, langwerpig, vinspletig. Vruchtjes behaard, recht. Bloemkroon wit, vaak roodachtig. Wortelvezels in het midden knolvormig Verdikt 0,30-0,60. 2j-. Jünii Juli. Vroeger een paar raaien gevonden. (Ulmaria Filipéndula Hill.) ......Knollige S. S. Filipéndula L.
4 Steunbladen voorhanden. Bladen gevind of gelobd, kaal . ........5
Steunbladen ontbrekend, weinig ontwikkeld. Vruchtjes vry........6
5 Bladen oneven gevind, met langwerpige, toegespitste, scherp en dubbel gezaagde
blaadjes, met duidelgke steunbladen. Bloemen in pyramidale pluimen, weinig boven de bladen uitstekend. Doosvrucht niet opgeblazen. Bloemkroon wit. 1,50-2,00. l£. Juni, Juli. Sierstruik uit Siberië. Lqsterbes S. f S. sorbifólia L. Bladen rondachtig S-lobbig, met wigvorraigen voet, ongelgk dubbel gezaagd, met vroeg afvallende steunbladen. Bloemen in schermvorraige trossen. Vruchtjes opgeblazen, meest fraai rood gekleurd. 1^00-2,00. 1^. Juni, Juli. Sierstruik nit Noord-Amerika..............Sn eeuwbes S. S. opulitólia L.
6 Bloemen in eindelingsche pluimen........................7
Bloemen in schermvormige trossen of schermen . . . .........10
7 Bloemkroon lichtgeel. Bloemen een groote, samengestelde pluim vormend. Takken
zwak, vaak overhangend. Bladen breed, eirond, min of meer gelobd, minstens dubbel gezaagd, van onderen behaard, zeldzamer viltig. 1,50-3,00. Ij. Ju)i, Augs.
Sierstruik uit Noord west-Amerika.........f S. anaefólia Sm.
Bloemkroon wit, rose of vleeschkleurig. Bladen kaal .... ...... 8
Bloemkroon rood. Bladen van onderen viltig................9
8 Bladen gaafrandig, b\jna omgekeerd-eirond, langwerpig, glad, vaak in bundels,
aan den top kort priemvoruiig. Kelkslippen rechtopstaand. Pluim langwerpig, dicht of losser en meer samengesteld. Bloemkroon wit. 0,60-1,20. 1^. Mei, Juni. Sierstruik uit Siberië. (S. altaica Pali.) ........ f S. laevigata L,
Pluim gedrongen. Bladen langwerpig-lancetvormig, scherp en meest ongelgk gezaagd. Kelkslippen afstaand. Takken meest licht en leemkleurig. Bloemkroon wit of rood. 1,00-2,00. Juni, Juli. Sierstruik uit' Zuidoost-Europa en op sommige plaatsen verwilderd.....Theeboompje. fS. salicifólia L.
9 Bladen eirond-langwerpig, gezaagd, van onderen, evenals de takken, roestkleurig-viltig.
Pluimen lamelyk dicht, aan het benedendeel bebladerd. Meeldraden nauweljjkslan- ⢠ger dan de bloemkroon. 1,00-1,50. \). Juli, Augs. Sierstruik uit Noord-Amerika.
S. tomentósa L.
Bladen langwerpig, van voren iets gezaagd, van onderen, evenals de takken, grjjs-viltig. Pluim zeer dicht, lang, aan den voet weinig bebladerd. Meeldraden veel langer dan de bloemkroon. 1,00-1,50. I^. Juli, Augs. Sierstruik uit' Noord west-Amerika.
f S. Douglasii Hook.
10 Bloemkroon rood, zelden wit, klein. Bladen eirond-lancetvormig, van voren dubbel
gezaagd. Stengel meest alleen van boven vertakt, rond. Bladen van onderen blauwgroen en iets viltig, als zjj jong zyn, evenals de takken roodbruin. Scherm-vormige trossen eindelings, bqna vlak. 1,00-3,25. 1^. Juni, Juli. Sierstruik uit
China en Japan..... .........f S. callösa Thunbg.
Bloemkroon wit. Bladen elliptisch of rondachtig, vaak gelobd. Bloemen bgna in
schermen.........................12
Bloemkroon wit. Bladen eirond, langwerpig- of omgekeerd-eirond......11
338
Amygdaleeën. 339
11 Kelkslippen teruggeslagen. Takken kantig, gestreept, kaal. Knoppen verlengd. Bla
den eirond-langwerpig, grof en vaak dubbel gezaagd, kaal. Stijlen rechtopstaand. 1,00-1,25. I,). Mei, Juni. Uit Z.-O.-Europa . . . t S. chamaedrifólia L. Kelkslippen tegen de kroonbladen aangedrukt. Sehermvoruiige trossen aan z\jdeling-sche, bebladerde takjes. Styien rechtopstaand. Bladen langwerpig of eirond-elliptisch, scherp gezaagd, met afgeronden voet, styf, van onderen bleek, van boven glanzig. Kelkslippen ook later rechtopstaand. Bloemen meest gevuld. 1,00-2,00. Ij. April, Mei. Uit Japan. . . S. prunifólia Sieb. et Zucc.
12 Bladen elliptisch, grof gezaagd en vaak 3- of 5-lobbig, van onderen blauwgroen.
Bloemen tamelijk groot, vaak gevuld. Kelkslippen lancetvormig, spits. Stijlen recht. Takken vaak overgebogen. 1,00-1,50. Ij. Juni, Juli. Sierstruik uit China en Japan.
S. Cantoniénsis Lour.
Bladen rondachtig, zwak 3-lobbig, met getande lobben, aan den voet meest iets hartvormig, van onderen bleekgroen. Stijlen later iets afstaand. 0,80-1,00. Mei, Juni. Sierstruik uit Noord-China en Siberië . . . . S. trilobata L.
n. Kérria D. C. Kerria.
1 Heester. Bladen eirond-langwerpig, toegespitst, ongelijk dubbel gezaagd, evenals de geheele plant kaal. Bloemen alleenstaand, groot, dooiergeel, meest gevuld. 1,00-1,50. 1^. Mei. Sierstruik uit Japan. (Córchorus japónicus Thunbg )
Japansche K. K. japónica L,.
XCI. Fam. Amygdaleeën*). Amandelachtigen. xn.
Boomen of heesters. Kelk 5-slippig. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden veel, evenals de bloembladen op den kelk gezeten. Vruchtbeginsel 1, vrij, met 1 stijl en stempel. Vrucht een steenvrucht.
i Bloemkroon rose. Vleesch der steenvrucht niet sappig, bij rijpheid onregelmatig openspringend. Bloemen 2 aan 2,
zelden alleenstaand.......Am^gdalus341.
Bloemkroon licht-rose. Vleesch der steenvrucht sappig. Steen
onregelmatig gegroefd........Pérsica 339.
Bloemkroon wit. Vleesch der steenvrucht sappig. Steen gegroefd of glad...........Prunus 3*0.
i. Pérsica Tm.
1 Bladen laDcetvormig, scherp gezaagd. Bladsteel korter dan de halve breedte van het blad. Bloemen meest alleenstaand. Vrucht bolvormig, aan de eene zijdemeteen groef, fluweelachtig viltig, geelachtig, iets purper. Bloemkroon iets rose fperzik-bloesemrood). 3,00-6,00. ï^. April, Mei. Gekweekt, zelden verwilderd. Uit Klein-Azië. (Amygdalus Pérsica L.)......Perzik, f P- vulgaris L.
quot;) In het wild komt bjj ons alleen het geslacht Prunus voor.
22*
Amygdaleeën.
2. Prunus L. Pruim.
Boomen of heesters met gesteelde, gezaagde bladen en witte bloemen.....................1
1 Bloemen alleenstaand of 2 aan 2..........2
Bloemen in schermen, trossen of schermvormige trossen . 6
2 Vrucht fluweelachtig viltig.......Abrikoos. 3
Vrucht kaal, blauwachtig berijpt. Bloemen gesteeld. Pruim. 4
â¢8 Bladen eirond, met byna hartvormigen voet, toegespitst, dubbel gezaagd. Bladsteel met 2 kleine klieren. Bloemen zittend, vóór de bladen verschonend. Vracht bolrond. Bloemkroon wit. 3,00-5,00. Maart, April. Gekweekt. Uit Klein-Azië. (Armeniaca vulgaris Lmk.) Groote Abrikoos, t P- Armemaca L. Bladen eirond of elliptisch, toegespitst, dubbel gezaagd, van voren som» 3-lobbig, van boven iets behaard, van onderen grjjs behaard. Bloemen alleenstaand, kort-gesteeld, meest gevuld. Bladsteel meest met 3 groote klieren. Bloemkroon rose. 0,60-1,20. b. Maart, April. Sierheester uit China.
Amandel Abrikoos. P. triloba Lindl.
4 Jongere takjes behaard. Min of meer doornig.....5
Jongere takjes kaal. Vrucht hangend. Meest zonder dorens. Bloemstelen zachtharig. Bloemen meest 2 in iederen knop. Bladen elliptisch, gekarteld-gezaagd, van onderen zachtharig. Vrucht langwerpig., meest blauwzwart, zeldzamer purperrood of goudgeel (eierpruim), korter of langer, grooter of kleiner. Bloemkroon groenachtig-wit. 3,00-7,00. I^. April. Gekweekt in vele variëteiten en soms verwilderd.
Kwets. Gewone F. t P- doméstica L.
5 Takken sterk gedoomd. Takjes zachtharig. Bladen elliptisch
of langwerpig-elliptisch, gezaagd, ten laatste kaal. Bloemen meest 1 in iederen knop, maar de knoppen vaak 1-3 bijeenstaand. Bloemstelen kaal. Vrucht bolrond, rechtopstaand, donkerblauw. Bloemkroon wit. 1,00-3,00. % April, Mei. In heggen en op hooge, droge grasgronden, ook in de duinen.
Sleepruim. Sleien. Trekkebek. Sleedoorn. P. spinósa L.
Takken minder gedoomd. Takjes fluweelachtig viltig. Bladen van onderen iets behaard. Bloemen meest 2 in iederen knop. Bloemstelen fijn zachtharig. Vrucht bolrond , hangend, zwart-violet (kriekpruim), geel, klein (mirabelle) en groen, groot (Reine Claude). Bloemkroon wit. 3,00-5,00. I). April, Mei. Gekweekt en verwilderd.
Kriek P. t P- insitftia L. Vrucht rechtopstaand, klein. Bloemstelen weinig behaard. Overigens als de vorige. Een enkele maal aangetroffen. . Heesterachtige P. P. früticans Weihe.
6 Bloemen in 2- of meerbloemige schermen. Vrucht niet berijpt,
bolrond. Kers................7
Bloemen in trossen of schermvormige trossen, aan den top van bebladerde takken. Vrucht bolrond, klein .... 8
7 Bloemsteel aan den top met 1 of 2 klieren. Bladen iets rimpelig, van onderen zacht
behaard. Bloemknoppen zonder bladen. Boom met afstaande takken. Bloemkroon wit. Vrucht der wildgroeiende plant rood of zwart, klein. 5,00-12,00. ^ April,
Mei. Gekweekt en verwilderd â¢......Zoete kers. P. avium L.
Een gekweekte variëteit met groote, hartvormige vrucht en hardvleesch, rood of geelachtig is de......Knapkers. a. duracina D. C.
340
Amygdaleeën.
Bladen vlak, kaal, glanzend, iets stjjf. Klieren aan den bladsteel ontbrekend of aan de onderste tanden van het blad. Bloemknoppen niet eenige bladen. Bladen elliptisch, alle toegespitst. Heester of lage boom niet slanke, afstaande of hangende takken. Bloemkroon wit. 2,50-6,00. April, Mei. Gekweekt, ook verwilderd. Uit Klein-Azië...... ......Zure kers. P. Cérasus L.
Hoofdvormen:
Bloemsteel korter. Sap van het vruchtvleesch kleurloos.
Meikers, a acida Ehrh.
Bloemsteel langer. Sap van het vruchtvleesch roodachtig.
Morel. b. austéra Ehrh.
8 Bloemen in trossen . .............9
Bloemen in schermvormige trossen. Bladen eirond of rondachtig-eirond, aan den voet vaak hartvormig, stomp of spits, gekarteld-gezaagd, kaal, van onderen blauwgroen. Kroonbladen langwerpig, wit. Vrucht zwart. 1,00-3,00. 1^. Mei. Sier-struik, een enkele maal by ons verwilderd.
Sint'Luciakers. Weichselboom. t Mahaleb L.
9 Bladen meest dubbel gezaagd, dunvliezig .... . . 10
Bladen meest enkel gezaagd, byna lederachtig, elliptisch tot langwerpig-lancetvor-mig, toegespitst, kaal of van onderen op de middelnerf behaard, van boven glanzig. Trossen yl, afstaand, ten laatste knikkend. Kroonbladen omgekeerd-eirond, wit. Vrucht zwartpurper. 2,00-5,00. Juni. Sierstruik uit Noord-Amerika, ook verwilderd . . . . Virginischekers. fP. serótina Ehrh.
10 Bladen langwerpig-omgekeerd-eirond of elliptisch, toegespitst,
bijna kaal, met afstaande zaagtanden. Bladsteel met 2 klieren. Trossen hangend. Kroonbladen omgekeerd-eirond, wit. Vrucht zwart. 3,00-10,00. K Mei. In bosschen.
Hondkers. Wilde sering. Turksche krenten. Vogelkers.
P. PAdus L.
Trossen kleiner, schuin opstaand. Bladen fijn en scherp getand, in de oksels der nerven meestal met een bosje haren, kleiner, harder. Overigens als de vorige. Gekweekt en verwilderd.......Steenkers. P. petraéa Tausch.
Bladen elliptisch of omgekeerd-eirond, toegespitst, met vaak aangedrukte zaagtanden. Trossen rechtop- of afslaand. Kroonbladen rondachtig wit. Vrucht rood. 2,00-5,00. Mei, Juni. Sierstruik uit Noord-Amerika.
Virginische kers. P. virginiana L.
P. Lauro-Cérasus L., laurierkers, een der schoonste, altyd groene sierheesters, wordt ook wel gekweekt. Bladen donkergroen, lederachtig, elliptisch of langwerpig, met omgebogen rand, fijn gezaagd of gaafrandig. Bloemen in rechtopstaande , okselstandige trossen. Bloemkroon klein, wit. Vrucht zwartachtig. 1,00-3,00. I^. April, Mei. Uit Zuid-Europa
3. Amy'gdalus Trn. Amandel.
1 Bladen aan den voet klierachtig gezaagd, lancetvormig. Bladsteel even lang als of langer dan de breedte van het blad, klierachtig. Kelkbuis klokvormig. Vrucht langwerpig-eirond, viltig. Sleenschaal met diepe groeven. Bloemkroon lichtrose. 2,00-3,00. 1^. April, Mei. Sierplant uit Zuid-Europa.
Gewone A. t A. communis L.
Bladen gezaagd, zonder klieren. Bladsteel korter dan de breedte van het blad. Kelkbuis rolrond. Vrucht rondachtig. Stecnschaal bijna glad, zonder groeven. Bloemkroon rose. 0,30-1,00. I^. Maart, April. Sierplant uit Zuid-Europa.
Dwerg A. t- A. nana L.
34*
348 Pomaceeën,
XCII. Fam. Pomaceeën. Appelachtigen.
Boom en of heesters. Kelk 5-tandig of -splelig. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden veel, evenals de bloembladen op den kelk gezeten. Vruchtbeginsel onderstandig , i-5-hokkig met i-5 stijlen. Vrucht een bes-, appel- of steenvrucht.
1 Kelk 5-tandig, met korte tanden. ⢠Bladen ongedeeld, gaaf-
randig. Vrucht met 3-5 steenharde hokjes.
Cotonéaster 3^4. Kelk 5-spletig of 5-deelig.............2
2 Bloemen alleenstaand (zelden 2 of 3 bijeen aan den top van
korte zijtakken en dan is de bloemkroon rood). Bladen
enkelvoudig, ongedeeld.............3
Bloemen in schennen, trossen of schermachtige trossen . . 4
3 Kelkslippen lijn-lancetvormig, gaafrandig, langer dan de kroon-
bladen. Vruchten met 5 beenige hokjes (steenen). Bloemkroon wit............Méspilus 3*3.
Kelkslippen eirond-langwerpig of rondachtig, klierachtig gezaagd of gaafrandig. Vrucht met 5 perkamentachtige hokken.
Cydónia 3*4.
4 Bladen gelobd tot gevind of dubbel gezaagd. Bloemen in
schermvormige trossen.............5
Bladen ongedeeld, gaafrandig tot gezaagd.......6
5 Kroonbladen gewelfd. Vrucht met 1-5 beenige hokken (steenen).
Bladen meestal gelobd tot gedeeld. Takken doornig.
Crataégus 34%.
Kroonbladen vlak. Vrucht met 3-5 dunvliezige hokken. Bladen gevind, gelobd of dubbel gezaagd . . . . Sórbus 3-MS.
6 Kroonbladen rondachtig of eirond. Vrucht met 5 perkament
achtige hokken. Bloemen in armbloemige schermen.
Pfrus 344.
Kroonbladen smal, wig-lancetvormig. Vrucht met 5 dunvliezige hokken. Bloemen in trossen . . . Amelanchier 345.
1. Crataégus L. Meidoorn. Haagdoorn. Steendoorn.
Boomen of heesters met gedoomde takken, verspreide, gestaalde, aan den voet meest wigvormige bladen, half hartvormige steunbladen en eindelingsche schermvormige trossen of bijschermen van bloamen...................1
4 Bladen 3-, zeldzamer 5-lobbig, met naar voren gerichte, ongelijk getande lobben, aan weerszijden bijna gelijk van kleur,
Pomaceeën.
glanzig, evenals de bloemstelen kaal. Kelkslippen eirond. Stijlen meest 2(-3). Vrucht met 2 of 3 steenen, bolvormig, rood. Bloemkroon wit. 1,50-4,00. 1). Mei, Juni. In heggen en bosschen, vooral in Groningen en Friesland, ook in parken met gevulde bloemen. (Méspilus Oxyacantha Gaertn.)
Tweestijlige M. C. Oxyacamp;ntha L. Bladen vinspletig tot bijna vindeelig, met meer afstaande, weinig getande slippen, van onderen iets witachtig-groen. Bloemstelen meest behaard of kaal. Kelkslippen lancetvor-mig. Stijl meest i. Vrucht met slechts i steen, langwerpig, rood. Bloemkroon wit. 1,50-4,50. 1). Mei, Juni, 14 dagen later dan de vorige. Algemeen, in heggen en bosschen. In tuinen en parken in vele vormen (met rose, vleeschkleurige, donkerroode, enkele en gevulde bloemen) gekweekt. (Méspilus monogyna Willd.). Eenstij lige M. C. monógyna Jacq.
In tuinen en parken vindt men nog vele soorten als sierplanten; de voornaamste zgn: 1 Bladen ongedeeld, gezaagd of ingesneden, zeldzaam gelobd. jNoord-Amerikaansche
soorten..........................2
Bladen min of meer gelobd, gespleten of gedeeld, dun. Meeldraden 20-meer.
Soorten der Oude Wereld....................3
3 Bladen lederachtig, van boven glanzig, omgekeerd-eirond, met wigvormigen voet, van voren dubbel gezaagd, geheel kaal. Schermvormige trossen kaal, enkelvoudig of pluimvonnig. K*elk rechtop- of afstaand. Meeldraden 10. Stolen 2 of 1. Vruchten rood, hard. Doornen 0,03-0,06 lang, boogvormig naar beneden gekromd. Bloemkroon wit. 3,00-4,50. b. Mei, Juni. Uit Noord-Amerika.
Hanespoor M. t C. Crus galli L. Bladen niet lederachtig. Stolen 5. Meeldraden meest 10-15. Bladen eirond of hartvormig, gezaagd, dun, min of meer behaard, zeer groot. Vrucht melig, met groote, gezaagde kelksiijipen, behaard, scharlakenrood. Bloemkroon wit. 3,00-6,00. Ij). Mei. Uit Noord-Amerika . . ScharlakenroodeM. fC. coccinea L.
3 Bloeiwjjze kaal. Stylen 3. Bladen oppervlakkig 7-lobbig, bovendien scherp gezaagd,
aan den voet meest versmald, kaal met langgewimperden rand. Vrucht bloedrood, zelden oranjerood, week, met 3 in de lengte gegroefde steenen. Bloemkroon wit. 3,00-4,00. jj. April, Mei. Uit Siberië.
BloedroodeM. tC. sanguinea Pali. Bloeiwjjze, evenals de bladen, min of meer dicht bebaard.........4
4 Takken meest onbehaard. Bladen wigvormig, 3-5-lobbig, met even breede aan den
top getande lobben, op de ondervlakte ten minste in het begin behaard. Stjjlen 2 of 3. Vrucht bolrond. Bloemkroon wit. 5,00-8,00. 1^. Mei. Uit Italië, Zuid-
Frankrgk, enz.............AzarolM.fC. Azarólus L.
Takken bebaard, roodachtig. Bladen omgekeerd-eirond, of breed wigvormig, 3- of 5-lobbig, grgs behaard. Stjjlen 4 of 5. Bloemkroon wit. 4,00-6,00. Mei. Uit West-Azië..........Oostersche M. f C. orientalis Poir.
2. Méspilus L.
1 Bladen langwerpig-lancetvormig, van onderen groen, iets viltig. Bloemen alleenstaand. Vrucht met breede opening, bekken-vormig, bruin, zoo groot als een walnoot. Bloemkroon wit. 1,50-5,00. 1). Mei, Juni. Gekweekt, soms wild, dan gedoomd.
Mispel. M. germénica L.
3*3
Pomaceeën.
3 Cotoneaster Med. Dwergmispel.
1 Kelk kaal met ronde, naar voren iets behaarde slippen. Vrucht bolrond, kaal, bloedrood, glanzig. Bloeiwgzen 1-3-bloeiuig, klein, overhangend. Bloemstelen behaard. Bladen rond-eirond of elliptisch, gaafrandig, van boven kaal, van onderen witviltig. Bloemkroon rose. 0,60-1,50. April, Mei. Sierstruik. (C. vulgdris Lindl.).......BloedroodeD. tC. integérrima Med.
Kelk grgsviltig. Bloemen in 8-5-bloemige rossen, meest rechtopstaand. Bladen ook van boven behaard, van onderen zeer dicht witviltig. Overigens ala de vorige soort. 1,00-1,50. ï^. Mei, Juni. Sierstruik uit Zuid-Europa.
Viltige D. C. tomentósa Ait.
4. Cydónia Tm.
1 Zonder doornen. Bladen eirond, van onderen, evenals de takken en kelkbuis, grgsviltig. Bloemen alleenstaand, groot. Kelkslippeneirond-langwerpig, gezaagd. Schijn vrucht appel- of peervormig, geel, welriekend. Bloemkroon roodachtig wit. 3,00-6,00. Ij. Mei, Juni. Uit West-Azië. . . Kwee. f C. vulgaris Willd. Doornig. Bladen eirond of omgekeerd-eirond, evenals de takken ten laatste kaal. Bloemen 1-3 bgeen aan den top van zeer korte, bebladerde zgtakjes. Kelkslippen kort, rond, gaafrandig, gewimperd. Bloemkroon scharlakenrood, zelden rose. 0,80-2,00. !^. April, Mei. Sierstruik uit Japan. (Pirns japónica Thunbg.)
Japan scli e Pi rus C. japónica Pers.
5. Pirus L. Appel.
Boomen of heesters met gesteelde bladen «n witte of roseroode bloemen in schermvorraige trossen...........1
1 Stijlen vrij. Helmknoppen rood. Bladen rond of eirond, kort toegespitst, klein gezaagd, omstreeks even lang als de steel. Vrucht aan den voet versmald of afgerond. Bloemkroon wit. 6,00-18,00. h, April, Mei. In bosschen wild, dan doornig. In vele variëteiten gekweekt. . . Peer. P. communis L. Stijlen aan den voet vergroeid. Helmknopjes geel. Bladen in de jeugd van onderen viltig, elliptisch. Bloemstelen 2-3-maal zoo lang als de kelkslippen, evenals de kelk dunviltig. Vrucht boven en aan den voet verdiept. Bloemkroon rose, zelden geheel wit. 5,00-8,00. K Mei. In bosschen wild, dan doornig. In vele variëteiten gekweekt.
Gewone A. P. MAlus L.
Als sierplanten vindt men:
1 Stijlen vrg. Schgnvruchten aan den voet versmald. Bloemstelen met schutblaadjes
bezet. Bladen lancetvormig tot Ign-lancetvormig, gaafrandig, vooral in de jeugd grgsviltig. Takken verlengd, s'ank, overhangend, evenals de knoppen behaard. Bloemen in een enkelvoudigen, schermvormigen tros, klein, kortgesteeld. Kroon-bladen langwerpig, in een steel versmald, wit. 3,00-5,00. 1^. Mei, Juni. Afkomstig uit West-Azië........ W i 1 g A. t P. salicifólia L. fil.
Stglen aan den voet vergroeid. Vrucht aan den voet verdiept. Bloemen reukeloos of zwak riekend, in zittende schermen of hoopjes..........2
2 Kelkslippen afvallend. Stglen aan den voet onbehaard. Stelen der witte bloemkroon
bladen korter dan de kelkslippen. Bladen eirond tot rondachtig, gespitst, gezaagd, meest kaal. Vrucht zoo groot als een kers, zuur, rood of geel, langge-steeld. 2,50-3,00. Ijgt;. Mei, Juni. Uit Siberië. . . Bes A. f- P. baccata L.
Pomaceeën.
Kelkslippen btgvend. Stjjl aan den voet behaard. Bloemen kortgesteeld. Vrucht
grooter. Bladen in de jeugd behaard, gekarteld-gezaagd........3
Bloemen roserood, groot. Steel der kroonbladen langer dan de kelkalippen. Bladen eirond-langwerpig. Vrucht aan den voet niet of slechts weinig verdiept, meest (8)10-hokkig. Meest heesterachtig. In tuinen vaak gevuld, met roode en witte bloemen. 2,50-3,5('. ï^. Mei Uit China . Pracht A. t P. spectabilis Ait. Bloemkroon wit, kleiner. Steel der kroonbladen korter dan de kelkslippen. Bladen eirond tot elliptisch. Vrucht aan den voet verdiept, 5-hokkig. Boomachtig. 3,00-6,00. Mei. Uit Noord-China en Zuid-Siberië.
Pruim A. t P. prunifólia Willd.
6. Sórbus Trn. Lysterbes.
Boomen met enkelvoudige, oneven gevinde of vindeelige bladen, veelbloemige, scbermvormige bloeiwijzen en witte bloemen . 1
Bladen oneven gevind, in de jeugd dicht behaard, later kaal of van onderen iets behaard...........2
Bladen enkelvoudig, niet (of hoogstens aan den voet iets) gevind. Stijlen 2 of 3. Boomen of groote struiken. Kroonbladen afstaand, wit..............3
Knoppen viltig, droog. Blaadjes langwerpig-lancetvormig, ongelijk gezaagd. Bloeiwijzen veelbloemig. Stijlen meest 2-4. Vrucht bolrond, zoo groot als een erwt, rood. Bloemkroon wit. 3,00-10,00. K Mei, Juni. In zandige, boschrijkestreken , ook vaak aangeplant. (Pirus aücuparia Gaertn.)
Kraalboom. Vogelbessenboom. Spreeuwbezieboom. Kwets en-beienboom. Kwalster. Sap hout. Siepenhout.
Gewone L. S. aucupória L.
Knoppen bjjua kaal, kleverig. Blaadjes langwerpig, spits, scherp gezaagd. Bloei-wjjzen 6-12-bloemig. Stjjlen meest 5. Vrucht peervormig, zoo groot als een kers, rood. Bloemkroon wit. 8,00-15,00. Mei. Sierboom. (Pirus. domestica Sm.)
Peer L. f S. domestica L.
Bladen ten laatste aan weerszijden kaal, gelobd, aan weerazyden met 3-5 zynerven; lobben ongelqk gezaagd, spits, de onderste veel grooter, afstaand. Vrucht elliptisch, bruin, lang hard blgvend. 3,00-12,00. f^. Mei, Juni. Sierplant uit Zuld-Duitschland.................t S. torrainalis Crtz.
Bladen ten laatste alleen van boven kaal, van onderen grys of witviltig, rond-eirond, ongeluk dubbel gezaagd of zwak gelobd, stevig, aan weerszijden met 7-10zynerven. Lobben gezaagd, naar voren gericht, evenals de zaagtanden van het midden naar den voet kleiner wordend. Vrucht bijna bolrond, bruinrood of geelbruin, melig. 3,00-6,00. 1^. Mei. Sierboom, (Pirus Aria Ehrh) . . . . S. A'ria Crtz.
Een bastaard S. Aria en S. aucuparia is S. hybrida L, een bastaard van S. Aria en S. torminalis is S. latifolia Pers.
7. Amelanchier Med. Rotsmispel.
Bladen elliptisch, aan weerskanten afgerond of van voren afgeknot, gekarteld-gezaagd, eerst van onderen viltig, ten laatste kaal. Kroonbladen wig-Iancetvormig, wit. Vrucht blauwzwart. 1,00-2,00. 1^. April, Mei. Als sierstruik aangeplant, ook verwilderd. (Arónia rotundifólia Pers.)
Gewone R. t A. vulgaris Mnch.
34S
Papilionaceeën.
Bladen met afgeronden voet, spits of fijn toegespitst, scherp gezaagd, eerst van onderen zachtharig, later kaal. Kroonbladen wigvorraig-omgekeerd-eirond tot Ign-lancetvormig, wit. Vrucht blauwzwart. 3,00-3,00. 1^. Mei. Sierstruik uit Noord-Amerika, ook wel verwilderd.
CanadeescheR. t A. canadensis Torr. et Gray.
XCIII. Fam. Papilionaceeën. Vlin derbloeraigen. xvn. xvi.
Bladen meest samengesteld. Kelk 5-tandig tot 5-deelig of 2-lip-pig. Bloemkroon 5-bladig, vlindervormig. Meeldraden iO, een-broederig of tweebroederig (9 vergroeid, 1 vrij]. Stamper 1, met 1-hokkig vruchtbeginsel, i stijl en stempel. Vrucht een peulvrucht.
1 Bladen enkelvoudig, ongedeeld...........2
Bladen 3-tallig of 5-tallig, handvormig samengesteld ... 5 Bladen gevind.................13
2 Bladen priemvormig, stekend. Kelk tot aan den voet 2-deelig.
Peul weinig langer dan de kelk......UI ex 349.
Bladen niet stekend. Kelk omstreeks tot het midden 2-lippig of 2-slippig.................3
3 Stijl cirkelvormig opgerold , zeer lang. Stempel verbreed. On
derste bladen 3-tallig......Sarothamnus 3-tO.
Stijl niet opgerold , gekromd. Stempel scheef.....4
4 Stempel naar binnen scheef afgesneden. Meeldraden niet ge
heel in de kiel gesloten. Bladen langwerpig-lancetvormig
tot elliptisch...........Genfsta 3SO.
Stempel .naar buiten scheef afgesneden. Meeldraden geheel in de kiel ingesloten. Bladen langwerpig. Stengel gevleugeld.
Cftisus 3SO.
5 Bladen 5-meertallig, handvormig samengesteld. Kiel gesna-
veld. Stempel knopvormig. Peul met zwamachtige dwars-
wanden.............Lupi'nus 351.
Bladen 3-tallig (of door groote steunbladen schijnbaar 5-tallig), ten minste de onderste.............6
6 Heesters...................7
Kruiden...................9
7 Bloemkroon rose, zeldzamer wit. Kelk 5-spletig. Stijl niet
opgerold. Kiel gesnaveld (lang toegespitst.) Onónis 3S1. Bloemkroon geel. Kelk 2-lippig..........8
8 Stijlen cirkelvormig opgerold, zeer lang. Stempel verbreed.
Bovenste bladen ongedeeld. . . . Sarothamnus 349.
34e
Papilionaceeën. 347
Stijl niet opgerold, gekromd. Kiel stomp. Bladen alle 3-tallig.
C^tisus 3SO.
9 Bloemen alleenstaand of 2 aan 2..........10
Bloemen in 3-meerbloemige bloeiwijzen........11
10 Bladen met groote steunbladen (en daardoor schijnbaar 5-tallig).
Kiel gesnaveld (toegespitst). Bloemkroon geel (of rood).
Tetragonólobus 330» Bladen zonder steunbladen. Kiel ongesnaveld, stomp. Bloemkroon geelachtig-wit.......Trigonélla 3S:i.
11 Kiel met de meeldraden en den stijl spiraalvormig opgerold.
Blaadjes met steunblaadjes, groot. Bloemkroon niet geel.
Gekweekt...........Phaséolus 3H5.
Kiel gesnaveld (toegespitst). Bladen met groote steunbladen (en daardoor schijnbaar 5-tallig). Bloemen in schermvormige
hoofdjes, geel............Lótus 3S8.
Kiel noch spiraalvormig opgerold, noch gesnaveld. . . .12
12 Bloemen in lange, losse trossen en geel of wit of in hoofdjes-
achtige trossen en blauw. Vruchtbeginsel en vrucht recht,
kort, l-S-zadig..........Melilótus 3S3.
Bloemen in aar- of schermvormige hoofdjes. Bloembladen rood, wit of geel, onderling en met de meeldraden vergroeid. Vrucht kort, in de blijvende, verwelkte bloemkroon of den
(opgeblazen) kelk ingesloten.....Trifólium 3S4.
Bloemen in dichte, vaak hoofdjesachtige trossen. Bloembladen geel, violet of blauwachtig, niet vergroeid, vroeg afvallend. Vruchtbeginsel naar boven gekromd. Peul sikkel- of slak-vormig opgerold.........Medicago 3S9.
13 Bladen even gevind (zonder eindblaadje) ....... 14
Bladen oneven gevind (met eindblaadje).......19
14 Heesters. Bloemen alleenstaand of in schermen of trossen. 15 Kruiden...................16
15 Peul (vruchtbeginsel) gesteeld, buikig. Bloemkroon violet.
Bloemen in trossen.....Halimodéndron 300.
Peul zittend, min of meer rolrond. Bloemkroon geel. Bloemen alleenstaand of in schermen.....Caragana 30O.
16 Buis der meeldraden scheef naar beneden afgesneden, zoodat
het vrije deel der bovenste meeldraden veel langer is dan
dat der onderste...............17
Buis der meeldraden recht afgesneden, zoodat het vrije deel van alle meeldraden even lang is.........18
Papilionaceeën.
17 Kelk 5-tandig of 5-spletig. Stijl draadvormig, naar boven rondom gelijkmatig of aan de kielzijde sterk behaard. Peul
3-meerzadig.............Vfcia 361.
Kelk 5-deelig. Stijl vlak, aan de vlagzijde behaard, aan de
kielzijde kaal. Peul 1-2-zadig.....E'rvum 303.
quot;18 Stijl in de lengte gootvormig samengebogen, naar boven aan de binnenzijde gebaard. Bladen met gedeelde rank. Steunbladen zeer groot..........Pfsum 3113.
Stijl vlak, aan de binnenzijde met een rij haren, aan de buitenzijde kaal. Bladen met of zonder rank. Lathyrus 363.
19 Boomen of heesters...............20
Kruiden...................25
20 Bloemkroon geel................21
Bloemkroon niet geel..............22
21 Bloemen in trossen. Vlag aan den voet met twee knobbels.
Peul opgeblazen, vliezig, gesteeld. Bloemkroon geel of roodachtig geel............Colütea 359.
Bloemen in 2- of 3-bloemige schermen. Peul rolrond. Bloemkroon geel of rose .... Coronflla (Ãmerus) 300.
22 Bloemkroonbladen alle aanwezig. Kelk bijna 2-lippig . . 23 Alleen de vlag aanwezig, kiel en zwaarden ontbrekend. Kelk
5-spletig of 5-tandig. Bloemen in dichte trossen, purperviolet.
Amórpha 350.
23 Meeldraden geheel vrij. Bloemen in pluimen, witachtig. Peul
parelsnoervortnig, niet openspringend . , Sóphora 34». Meeldraden op één na vergroeid. Bloemen in trossen . . 24
24 Bloemkroon wit of rose. Vlag aan den voet zonder knobbels.
Kiel met korten snavel. Peul vlak, lederachtig.
Robfnia 3S9.
Bloemkroon blauw. Vlag van binnen aan den voet met 2 knobbels. Kiel stomp. Klimmende heester.
Wistaria 35».
25 Bloemen in 3-meerbloemige schermen of hoofdjes .... 26
Bloemen in trossen...............28
Bloemen alleenstaand, vrij klein. Vrucht opgeblazen.
Cicer 3ttt.
20 Kiel gesnaveld. Peul geleed, rolrond of bijna vierkant, in de geledingen ingesnoerd. Bloemkroon geel of wit, niet rose.
Coronflla 360.
Kiel stomp of iets spits..............27
348
Papilionaceeën.
27 Bloemkroon roodachtig wit of rose, klein. Kelk buisvormig.
Peul geleed, veelzadig, meest sikkelvormig.
Ornithopus 300.
Bloemkroon geel, vaak rood aangeloopen. Kelk buikig, viltig, over de l-zadige vrucht gesloten. Peul eirond of langwerpig, 1- of 2-zadig...........Anth^llis 3SII.
28 Kiel spits................quot; ... 29
Kiel stomp..................30
Kiel met de meeldraden en den stijl schroefvormig gedraaid.
Kelk 2-lippig. Peul bijna met dwarsschotten. Bladen 3-tallig gevind, groot..........Phaséolus 3es.
29 Bovenste meeldraden tot aan het midden met de andere ver
groeid. Bloemkroon lila. Peul lijnvormig, rond, veelzadig
Galéga 350.
Bovenste meeldraden geheel vrij. Kiel 2-bladig, vrij spits. Bloemkroon lila. Peul eirond of langwerpig, samengedrukt, 1-hokkig, 1-4-zadig.......Glycirrhfza 3SV.
30 Peul door een naar binnen gebogen naad volledig of onvol
ledig 2-hokkig, veelzadig. Bloemkroon niet rose.
Astragalus 30V.
Peul 1-hokkig, beenig, niet openspringend, vaak stekelig getand, 1-zadig. Bloemkroon rose . . On o bry ch i s 30/.
i. Sophóra L.
1 Blaadjes 9-15, langwerpig, spits, van onderen grasgroen bebaard. Pluimen eindc-lings. Bloemkroon witachtig. Bjj eene variëteit (S. pendula der tuiniers) zjjn de takken hangend. 10,00-20,00. Ij. JuniâSeptr. Sierboom uit Japan en China.
t S. japónica L.
2. Ulex L.
i Stengel, evenals de bloemstelen, kelken en peulen, afstaand behaard. Bladen priemvormig, stijf, met stekelpunt, die, in wier oksels de bloemen staan, even lang als de bloemsteel. Bloemkroon geel. 0,60-1,20. 1). AprilâJuni. Vrij menigvuldig, op dorren zandgrond.
Doornstruik. Gaspeldoorn. U. europaéus L.
3. Sarothamnus Koch.
1 Stengel, evenals de roedevormige takken, kantig. Onderste bladen 3-tallig, met langwerpig-omgekeerd-eironde blaadjes, de bovenste enkelvoudig, ongedeeld. Bloemen okselstandig.
34»
Papilionaceeën.
alleenstaand of 2 bijeen. Bloemkroon geel. 0,50-1,50. 1). Mei, Juni. Zeer algemeen, op zandgrond en in heidevelden. (Spartium scoparium L.)
Brem. Bezemkruid. S. scopamp;rius Koch.
4. Genista L. Brem.
Lage, rechtopstaande of' liggende heestertjes met ongedeelde bladen en gele bloemen................ . 1
1 Bloemen alleenstaand of 2 bijeen in de bladoksels, zijstandig.
Bladen langwerpig-lancetvormig, van onderen, evenals de bloemstelen, kelk, vlag, kiel en peul, aangedrukt behaard. Stengel aan den voet liggend, sterk vertakt, zonder doornen. Bloemkroon goudgeel. 0,15-0,30. t). AprilâJuni. Algemeen, in heide- en veenstreken . . . . Kruip B. G. pilósa L. Bloemen in eindelingsche trossen..........2
2 Bladen zonder steunbladen. Stengel meest gedoomd ... 3 Bladen met korte, lijn-priemvormige steunbladen, lancetvormig
of lijn-lancetvormig, verspreid behaard of kaal, aan den rand gewimperd. Kelk, bloemkroon en peulen kaal. Stengel opstijgend of rechtopstaand, zonder doornen. Bloemkroon goudgeel. 0,30-0,60. Ij. JuniâAugs. Vrij algemeen, in bosschen en heidevelden.......V e r f B. G. tinctória L.
3 Bladen blauwgroen, evenals de takken , bloemstelen, kelken
en peulen kaal. Schutbladen eirond, langer dan de bloemsteel. Bloemkroon goudgeel. 0,30-0,80. tgt;. Mei, Juni. Vrij algemeen, in heide- en veengronden.
Kleine stekende brem. Heukeldoorn. Stekelheide.
Kattendoorn. G. é,nglica L. Bladen grasgroen, aan den rand, evenals de takken, bloemstelen, kelken en peulen, ruw behaard. Schutbladen priem-vormig, half zoo lang als de bloemsteel. Bloemkroon goudgeel. 0,20-0,60. 1). Mei, Juni. Zeer zeldzaam, in bosschen.
Gaspeldoorn. Duitsche B. G. germénica L.
5- Cy'tisus L. Gouden Regen.
Heesters of boomen met 8-tallige bladen en meest gele bloemen, die meestal in hoofdjes of trossen staan....................1
1 Bloemen in trossen. Kelk klokvormig................3
Bloemen in hoofdjes of schermen, of alleenstaand of 3 aan 3 in de bladoksels.
Kelk buisvormig.......................3
2 Bladen langgesteeld. Trossen veelbloemig, hangend, okselstandig. Blaadjes van
onderen, evenals de as van den tros en de bloemstelen, aangedrukt behaard, elliptisch. Peulen zijdeachtig behaard. Bloemkroon goudgeel. 3,00-5,00. b. Mei, Juni. Sierstruik. Vergiftig!.....Gewone G. R. f C. Laburnum L.
3SO
Papilionaceeën.
Bladen zeer kortgesteeld, de bovenste zittend. Trossen 4-8-bloeiuig. Blaadjes kaal, het middelste rondachtig-eirond, de zgdelingschebjjnaruitvormig. Takken, bloemstelen en peulen kaal. Bloemkroon goudgeel. 0,30-1,00. Mei, Juni. Sier-struik uit Midden-Europa . Ongesteeldbladige 6. R. t C. sessilifólius L.
8 Bloemkroon wit of geel.....................4
Bloemkroon purper tot roserood, zeldzamer wit. Bloemen zjjstandig, meestal in paren. Peul kaal. Blaadjes breed-elliptiscb, evenals de takken kaal of iets behaard. 0,30-0,50. Ij. Mei, Juni. Sierstruik uit Oostenryk en Noord-Italië.
Roode G. R. t C. purpureas Scop. 4 Bloemen in eindelingsche, hoofjesachtige schermen, soms ook tegelgk zjjdelingsche. Bladen langwerpig-omgekeerd-eirond, aan weerszyden los behaard. Takken afstaand, evenals de bladstelen ruw behaard. Bloemkroon vuilgeel, van binnen later roodgeel. 0,50-1,00. Ij. Mei, Juni en Augs. Sierstruik.
Kopvormende Gr. R. t C. capitatus Jacq. Bloemen zystaudig, meest 4-6 in trossen bjjeen. Blaadjes, takjes en kelken aangedrukt behaard. Stam rechtopstaand, met meest teruggebogen, lange takken. Bloemkroon lichtgeel. 1,00-1,50. 1gt;. Mei, Juni. Sierstruik uit Hongarge.
Langtakkige G. R. C. elongatus W. et K.
6. Lupfnus L. Lupine.
Kruiden met rechtopstaanden stengel, handvormig samengestelde bladen, gaafran-dige blaadjes en eindelingsche bloemtrossen............. 1
1 Onderlip van den kelk 3-tandig. Bovenlip 2-deelig. Bloemen bgna zittend, in tros
vormig gerangschikte kransen. Blaadjes langwerpig. Bloemkroon hooggeel. 0,30-0,60. Q. JuniâSeptr. Gekweekt, ook verwilderd. Uit Zuid-Europa.
Gele L. L. lüteüs L.
Onderlip van den kelk ongedeeld. Bloemen afwisselend in trossen ..... 2
2 Blaadjes omgekeerd-eirond-langwerpig. Bloemen gesteeld. Bovenlip van den kelk
ongedeeld. Bloemkroon wit. 0,30-0,60. 0. JuniâSeptr. Zeldzamer gekweekt.
üit Zuid-Europa..............Witte L. t L. albus L.
Blaadjes lijnvormig. Bloemen kortgesteeld. Bovenlip van den kelk 2-spletig. Bloemkroon hemelsblauw. 0,30-0,60. 0. JuniâSeptr. Soms gekweekt. Uit Zuid-Europa.
Blauwe L. f L. angustifólius L.
7. Ononis L. Stalkruid.
Behaarde kruiden met meestal S-tallige bladen en okselstandige soms tot trossen of aren vereenigde bloemen.......1
1 Peul even lang als of langer dan de kelk. Stengel opstijgend of rechtopstaand, Ir of 2-rijig behaard, met talrijke, vaak vertakte, gedoomde takken. Blaadjes tamelijk kaal, eirond-langwerpig, getand. Bloemen meest alleenstaand in de bladoksels. Vlag stomp. Bloemkroon rose, zelden wit. Reuk onaangenaam. 0,30-0,60. 2).. JuniâSeptr. Algemeen, aan wegen en dijken en in de duinen.
Heetegaal. Kattendoorn. Prangivortel. Woerthaak.
Heidoorn. Gedoomd S. O. spinosa L.
Peul korter dan de kelk. Blaadjes klierachtig behaard. Stengel liggend, of opstijgend, met weinige of zonder doornen, met klierharen. Bloemen meest alleenstaand, soms 2 aan 2 in de bladoksels. Vlag toegespitst. Bloemkroon rose, zelden wit. 0,30-0,60. 2)-. JuniâSeptr. Vrij algemeen, op zandgrond.
Kruipend S. O. répens L.
351
Papil ionaceeën.
8. Anthyllis L.
i Stengels meest opstijgend. Bladen oneven gevind met grooter topblaadje, de onderste enkelvoudig, langwerpig, langgesteeld. Bloemen in bolvormige hoofdjes met een vingervormig gedeeld schutblad. Kelk buikig, viltig. Bloemkroon goudgeel. 0,15-0,30. 2|.. MeiâAugs. Algemeen, op droge, zandige gronden en in de duinen.
Wondkruid. A. Vulnerdria L.
9. Medicago L. Rupsklaver.
Kruiden met drietallige, gesteelde bladen, getande of fijngezaagde blaadjes en okselstandige, langgesteelde bloemhoofdjes of 1-3 bloemen bijeen op een langen steel...........1
1 Trossen veelbloemig. Vruchten ongestekeld......2
Trossen armbloemig (1-8-bloemig.) Vruchten gestekeld . . 4
2 Bloemen tamelijk groot (0,01 lang.) Windingen der peul in het
midden een open ruimte latend..........3
Bloemen klein, (omstreeks 0,003 lang.1 Trossen tijdens den bloeitijd bijna bolrond. Bloemkroon geel. Peul niervormig, aan den top met slechts één winding, in het midden gesloten, in de lengte generfd, gewelfd. Vorm der blaadjes, steunblaadjes, kleur der bloem en beharing der geheele plant zeer veranderlijk. 0,15-0,60. © ook 2J.. MeiâOctr. Zeer algemeen op gras- en bouwland.
Gele keien. Hopklaver. M. lupulina L.
3 Stengel rechtopstaand, tamelijk kaal. Bloemtrossen langwerpig. Blaadjes langwerpig-
omgtkeerd-eirond of Ign-wigvormig. Penl met 2 of 3 windingen. Bloemkroon violet of blauwachtig. 0,30-0,80. 2|.. JuniâSeptr. Gekweekt en verwilderd. Uit Zuid-Europa.
Eeuwige klaver. Faarsche klaver. Fr attache klaver. Luzerne. tM. sativa L.
Stengel opstijgend of rechtopstaand. Trossen eirond. Peul met '/2-2 windingen. Bloemkroon meest eerst geelachtig, dan groen, ten laatste blauwachtig of violet. 0,25-0,60. 2).. Juniâ Septr. Een bastaardvorm van M. sativa en M. falcata. Zeldzaam, op akkers en dijken.
Gele Luzerne. M. média Pers.
Stengel liggend of opstijgend, aangedrukt behaard. Trossen kort, vaak bijna bolrond. Peul sikkelvormig of met een winding. Bloemkroon lichtgeel. 0,30-0,60. 2).. Juni âSeptr. Vrij algemeen, op drogen zand- en grasgrond.
Sikkel R. M. falcata L.
4 Vrucht zonder de stekels tot 0,008 breed.......5
35a
Papilionaceeën.
Vrucht zonder de stekels 0,01 breed of nog breeder, met 5-10 windingen, ovaal bolvormig, de zijvlakken netvormig geaderd, niet behaard. Steunblaadjes diep ingesneden. Bloemen geel. 0,20-0,40. Mei, Juni. ©. Een enkele maal bg Haarlem gevonden. Uit Z.-Europa.........Egel R. M. echinus D. C.
5 Rugzijde der peulen 4-nervig, waarvan 2 op het midden dicht
bijeen staan, aan weerskanten eener smalle groeve. Steunblaadjes eirond, getand, toegespitst. Bloem- en vruchtstelen met lange, witte haren. Bloemen geel. Bloemstelen 1-2-bloemig, kortgesteeld. 0,30-0,50. 0. Mei, Juni. Vrij zeldzaam, aan wegen, dijken en ruigten.
Gevlekte R. M. maculAta W.
Rugzijde der peulen 3-nervig, dus de twee nerven in het midden tot één vereenigd, zonder groeve........6
6 Windingen der peulen 0,003-0,004 in middellijn. Zaden niet
door schotten van elkaar gescheiden. Trossen 1-8-bloemig. Kelktanden even lang als de kelkbuis. Blaadjes omgekeerd-eirond-wigvormig: tot (bij de onderste bladen) bijna cirkelvormig, aan weerszijden behaard. Steunbladen gaafrandig of aan den voet getand. Peul met 4 è, 5 fijngeaderde windingen. Bloemkroon geel. 0,10-0,30. 0. MeiâJuli. Vrij zeldzaam, op zandigen grasgrond.
Kleine R. M. minima L.
Windingen der peulen 0,007 in middellijn. Zaden door tus-schenschotten gescheiden. Blaadjes van boven kaal. Geheele plant kaal of bijna kaal. Steunbladen vinspletig. Tros 1-8-bloemig. Peul met 11,,2-3,/2 windingen......7
7 Stekels even lang als of langer dan de halve doorsnede der
vrucht, aan den top meest hakig. 0,15-0,80. ©. Meiâ Augs. Zeldzaam . . Getande R. M. denticuldta Willd.
Stekels korter dan de halve doorsnede der vrucht, bjjna recht. 0,10-0,50. ©. Mei, Juni. Een paar malen gevonden . . . Gespitste R. M. apiculata Willd.
10. Trigonélla L.
i Bloemen lichtrood. Bladen omgekeerd-eirond-wigvormig, afgeknot of ingesneden, gezaagd. Stengel liggend. ©. In de duinen, zeldzaam.
Hoornklaver. T. ornithopodioides D. C.
11. Melilótus L. Honigklaver.
Onbehaarde kruiden met gesteelde, 3-talIige bladen, stompe blaadjes en langgésteelde, oksélstandige trossen of hoofdjes.....1
i Bloemen in lange trossen, hangend, geel of wit .... 2 HEUKELS, School/lora. 8' druk. 23
3S3
Papilionaceeën.
Bloemen in lioofdjesachtige trossen, rechtopstaand. Zwaarden langer dan de kielt korter dan de vlag. Peul toegespitst. Stengel rechtopstaand. Bloemkroon blanw. 0,30-0,60. O* Jnni, Juli. Sterk riekend. Bij Deventer gevonden.
Blauwe H. M. cjerülea Lam.
2 Steunbladen priemvormig met getanden, verbreeden voet.
Bloemkroon geel...............3
Steunbladen priem-borstelvormig tot borstelvormig. Bloemen en peulen hangend..............4
3 Blaadjes der onderste bladen breed omgekeerd-eirond, iets ingesneden en alleen in
het voorste deel getand, die der bovenste langwerpig-wigvormig. Zwaarden even lang als de kiel. Penlen byna bolrond, zeer stomp, met een zeer kort stekelpnntje. Stengel rechtopstaand. 0,15-0,60. ©. Juni, Juli. Bij 's-Gravenhage en Middelburg gevonden.........EleinbloemigeH. M. parviflora Desf.
Blaadjes van alle bladen langwerpig of breed-lancetvormig,
dicht stekelpuntig gezaagd. Zwaarden langer dan de kiel.
Peul eirond, spits, kaal. Bloemen bleekgeel. Stengel meest
opstijgend. 0,25-0,80. ©Q. JuliâSeptr. Naar den zeekant,
zeldzaam......Getande H. M. dentéita Pers.
4 Bloemkroon goudgeel..............5
Bloemkroon wit. Bloemsteeltjes half zoo lang als de kelk.
Zwaarden even lang als de kiel, korter dan de vlag. Peul stomp, stekelpuntig, kaal, meest eenzadig, nauwelijks half zoo groot als van M. officinalis. 0,30-1,00. ©Q. Juniâ Septr. Vrij algemeen, langs wegen en dijken.
Witte H. M. alba Desr.
5 Stengel rechtopstaand. Zwaarden en kiel even lang als de vlag.
Peul toegespitst, aangedrukt behaard, meest 2-zadig. Welriekend. 0,60-1,20. O©. JuliâSeptr. Vrij algemeen, langs rivieroevers en in vochtige weilanden. (M. altissimus Thuill., M. macrorhfzus Pers.)
Melote. Welriekende klaver. Gele H. M. officinalis Willd. Stengel opstijgend of liggend. Zwaarden langer dan de kiel, even lang als de vlag. Peul stomp, stekelpuntig, kaal, meest eenzadig. Welriekend. 0,30-1,00. 0©. JuniâSeptr. Zeldzaam, op bouwland, langs wegen. (M. officinalis Desr.)
Echte H. M. arvénsis Wallr.
12. Trifólium L. Klaver.
Kruiden met gesteelde 3-tallige bladen, met den bladsteel vergroeide steunblaadjes, eindelingsche hoofdjes of aren en ver-groeidbladige, na het bloeien blijvende, de eenzadige peulen omhullende bloemkronen...............1
1 Bloemen wit, rood of geelachtig wit.........2
as*
Papilionaceeën.
Bloemen helder geel, korter of langer gesteeld, aan den voet der bloemsteeltjes met kleine schutblaadjes, later meest
bruin. {Steen-, Tocht-, Schapenklaver)........14
Bloemen langer of korter, maar altijd duidelijk gesteeld, met kleine schutblaadjes. Keel van den kelk van binnen naakt, zonder verheven lijn of haarkrans. Bloemkroon na den bloeitijd verdroogd, droogvliezig. Vlag samengevouwen. Stijl
zonder haakje................3
Bloemen van het hoofdje zittend of onduidelijk gesteeld. Schutbladen ontbrekend of, als zij aanwezig zijn, de kelk na den
bloeitijd opgeblazen of 24-nervig.........5
De 2 bovenste tanden van den kelk door een spitse bocht gescheiden, zoodat deze elkaar aan den voet aanraken. Deze bocht gaat niet zoo diep, als die tusschen de andere tanden. Binnenste bloemsteeltjes even lang als de kelkbuis, Steun-blaadjes breed-lancetvormig, plotseling in een naald versmald, droogvliezig. Peul langer dan de kelk. Stengel liggend en wortelend. Blaadjes wigvormig-omgekeerd-hartvormig. Bloemen wit of roodachtig. 0,07-0,20. 2J.. MeiâSeptr. Algemeen tusschen het gras, ook gekweekt.
Schapenbloem. Steenklaver. Kemp. Witte K. T. répens L. De 2 bovenste tanden van den kelk door een ronde bocht gescheiden en aan den voet van elkaar afstaand. Deze bocht gaat even diep als, of nog dieper dan die tusschen de overige tanden. Binnenste bloemsteeltjes 2-8-maal zoo lang
als de kelkbuis. Steunblaadjes kruidachtig.....4
Stengel opstijgend of liggend, doch niet wortelend, hol, onbehaard. Steunblaadjes langwerpig-lancetvormig, langzaam in een naald uitloopend. Blaadjes omgekeerd-eirond of elliptisch , aan weerszijden met omstreeks 20 tandjes. Bloemkroon wit, later rose. 0,80-0,60. 2J-. JuniâAugs. Vrij zeldzaam, op vochtigen grasgrond . Bastaard K. T. hybridum L.
Stengel liggend, niet hol, naar boven iets behaard. Steunblaadjes eirond-lancet-vormig. Blaadjes aan weerszoden niet omstreeks 40 tandjes. Bloemkroon liehtroae. Slanker, overigens als de vorige. 0,30-0,45. 2J.. JuniâAug3. Zeldzamer dan de vorige.
Sierlijke K. T. élegans Savi.
De afzonderlijke bloemen van het hoofdje met schutbladen, waarvan de buitenste tot een kort omwindsel vergroeid zijn. Bloemen niet omgekeerd (vlag boven). Stijl aan den top zonder haakje. Keel van den kelk zonder verheven lijn of haarkrans, open , tijdens den vruchttijd min of meer opgeblazen, behaard. Stengel kruipend. Bladen elliptisch of rond-omge-keerd-eirond. Bloemkroon vleeschkleurig. 0,07-0,20. 2f,.
23'
3SS
Papil ionaceeën.
JuniâSeptr. Algemeen, in weilanden en aan dijken, vooral op klei . . . Ringelbolt. Aardbei K. T. fragiferum L. Schutbladen ontbrekend. Stijl aan den top met een haakje. Keel van den kelk meestal van binnen met een verheven lijn of haarkrans, na den bloeitijd meest gesloten, niet of weinig opgeblazen...............6
6 Kelk zonder verheven Ijjn of haarkrans, open. Bloemhoofdjes met 2-5 witte, vrucht
bare randbloemen en vele onvruchtbare centrale bloemen, die zich als vorken om de rjjpe vruchtjes heenslaan. Vruchthoofdjes in den grond dringend. Stengel liggend. Zeldzaam, op zandgrond op Walcheren.
Onderaardsch e K- T. subterraneum L.
Kelk met een verheven lijn of haarkrans, na den bloeitijd
meestal gesloten. Peul in den kelk ingesloten. Kelk met
10 nerven of strepen..............7
7 Kelkbuis althans tijdens den vruchttijd kaal, de tanden be
haard of gewimperd..............8
Kelkbuis behaard................9
8 Hoofdjes lichtpurper, bolrond, alleenstaand of 2 bijeen, meest
zonder omwindsel. Kelk lO-nervig. Stengel opstijgend. Blaadjes ovaal. Steunbladen lancetvormig, spits, gewimperd. 0,15-0,45. 2(.. JuniâAags. Gekweekt en verwilderd.
Bochtige K. T. médium L.
Tan T. medium onderscheidt zich door sterkere, zachte uitstaande beharing, steun-blaadjes, die in een fijne punt uitloopcn en door alleenstaande hoofdjes met omwindsel, de alleen bg Deventer gevonden ©.
Wjjdgetakte K. T. diffüsum Ehrh. Hoofdjes wit of bleekrood, bolvormig, ten laatste ovaal, meest alleenstaand. Kelkbuis eerst wat behaard, later kaal. Vruchtkelk door 3 horizontale kraakbeenige platen bgna gesloten. Stengel rechtopstaand, min of meer behaard. Blaadjes langwerpig of lancet-wigvormig, bjjna gaafrandig. Steunbladen lancet-priemvor-mig. O. Alleen b\j Katwyk gevonden.....Zee K. T. mantimum Huds.
9 De hoofdjes aan den voet met 1 of 2 bladen, wier steunbladen
deze aan den voet zoo omgeven, dat ze ongesteeld schijnen. 10 De hoofdjes op eenigen afstand van het bovenste of de 2 bovenste bladen staand, dus zonder omhulsel .... 13
10 Kelk met de tanden er bij even lang, langer of iets korter
dan de bloemkroon. Plant afstaand behaard.....11
Kelk met de tanden er bij korter dan de halve bloemkroon. Het vrije deel der steunbladen eirond, plotseling in een draadvormige punt versmald. Bladen van boven meest kaal, van onderen behaard, vaak met een halvemaanvormige, witte vlek. Blaadjes ovaal, bijna gaafrandig. Hoofdjes bolrond, later eirond, meest 2 bijeen. Stengel liggend of opstijgend, aangedrukt behaard. Bloemkroon purperrood, zelden wit. 0,15-0,30. 2|.. MeiâSeptr. Gekweekt en algemeen, in graslanden en aan wegen. Brabantsche K. Spaansche K. Bar ge-bloem. Roode K. T. praténse L.
3S0
Papilionaceeën.
11 Tanden van den vruchtkelk rechtopstaand, de keel door haren gesloten. Het vrge
deel der steunbladen lancet-priemvormig, langzaam versmald. Hoofdjes eindelings en zjjdelings, eirond, rose, ten laatste langwerpig rolrond. Kelk behaard met lancet-priemvormige tanden. Stengel rechtopstaand, vaak met liggende of opstijgende zjjstengels. ©. 0,08-0,25. Juni, Juli. Een enkele maal in Zeeland gevonden.
Bocconi's K. T. Bocconii Savi.
Tanden van den vruchtkelk afstaand, de keel door een ver-
heven lijn vernauwd. Het vrije deel der steunbladen eirond,
plotseling in een punt uitloopend. Bloemen rose ... 12
12 Kelk tijdens den vruchttijd buikig opgezwollen. Kelktanden
recht, even lang als de kelkbuis. Blaadjes omgekeerd-eirond of wigvormig, van voren getand of gaafrandig. 0,07-0,30. 0. Juni, Juli. Niet zeldzaam, op drogen, grazigen
zandgrond......Gestreepte K. T. striatum L.
Kelk tijdens den vruchttijd rolrond, met boogvormig afstaande tanden, langer dan de kelkbuis. Blaadjes omgekeerd-eirond of langwerpig-wigvormig, fijn gezaagd. 0,07-0,30. ©. Juni, Juli. Zeldzaam, op droge gronden.
Ruwe K. T. scé.brum L.
13 Steunbladen eirond. Blaadjes omgekeerd-eirond. Kelktanden lancet-priemvormig,
korter dan de bloemkroon. Bloemkroon bloedrood, zeldzaam lichtrood. 0,15-0,30. O- JuniâAugs. Soms gekweekt en verwilderd. Uit Zuid-Europa.
Incarnaat K. T. incarnatum L.
Steunbladen priemvormig. Blaadjes lijn-langwerpig. Kelktanden borstelvormig, langer dan de bloemkroon. Bloemkroon wit, later roodachtig. 0,15-0,30. 0. JuniâOctr. Algemeen, op open en bebouwden zandgrond.
Hazepootje. T. arvénse L.
14 Hoofdjes 5-15-bloemig, klein, losbloemig. Bloemkroon licht
geel. Vlag nauwelijks merkbaar gegroefd, samengevouwen. Blaadjes wigvormig, het middelste langer gesteeld. Steunbladen eirond. Stengel liggend of iets opstijgend. 0,10-0,30. 0. MeiâSeptr. Niet algemeen, op schrale gronden, aan
wegen........Kleine K. T. minus Relhan.
Een verarmde vorm van deze plant heeft 2-7-bloemige hoofdjes, terwijl het middelste blaadje zittend is en de stengel ligt. Het is de, ook niet algemeen voorkomende
Draad K. T. filifórme L. Hoofdjes 20-40-bloemig. Vlag gegroefd, naar voren lepelvor-mig verwijd, de zwaarden ver uit elkaar tredend . . .15
15 Blaadjes lancetvormig of Ijjn-lancetvormig, alle kortgesteeld. Steunbladen Ijjn-Iancet-
vormig, aan den voet niet breeder. Stengel opstygend of rechtopstaand. Bloemkroon goudgeel. 0,20-0,40. ©O en Juni, Juli. Een paar malen op steenachtige grasgronden gevonden. (ï. aurcum Poll.) . . . . Steen K. T. agrarium L.
Blaadjes omgekeerd-eirond, het middelste langer gesteeld dan
de zijdelingsche. Steunbladen half-eirond met breederen voet.
3S7
Papilionaceeën.
Stengel liggend, opstijgend of rechtopstaand. Bloemkroon goudgeel. 0,15-0,30. 0 en ©0. JuniâSeptr. Algemeen, in weiden en akkers. (T. agrarium Poll.)
Liggende K. T. procümbens L. Stengel rechtopstaand. Takken opstijgend. Hoofdjes groot, hunne stelen omstreeks even lang als het blad. Bloemen grooter, goudgeel, bij het verwelken bruinachtig. (T.campestreSchreb.) Algemeen. a.majusKoch. Stengel en takken liggend. Hoofdjes kleiner, hunne stelen tot dubbel zoo lang als het blad. Bloemen klein, lichtgeel, bij het verwelken donkerder. Niet algemeen. (T. procümbens Schreb.) . b. minus Koch.
13. Lotus L. Rolklaver. Kleine gehoornde klaver. Juffersschoenen. Schoentjes en laarsjes. Schaapsklaver. Steenklaver.
Kruiden met kortgesteelde 3-tallige bladen (door de even groote steunblaadjes schijnbaar 5-tallig), gaafrandige blaadjes en oksel-standige, langgesteelde schermen van gele bloemen .... 1
1 Eeniarige plant met dunneu wortel. Bloemen l-i, op den draadvormigen steel, die
langer is dan de Waden. Vrneht veel langer dan de kelk. Bloomen geel, vlag vaak iets rood 0,10-0,40. Mei, Juni. Een enkele maal bij Deventer gevonden. Uit Z.-Kuropa...........Smalle K. L. angustissimus L.
Overblijvende plant met onderaardschen stengel. Bloemhoofdjes
3-16-bloemig. Bloemen geel, vlag vaak wat bruinrood . 2
2 Kelktanden voor het opengaan der bloem samenneigend. Hoofd
jes meest 5-bloemig..............3
Kelktanden voor het opengaan der bloem teruggekromd. Hoofdjes meest 10(6-'15)-bloemig. Kiel boogvormig, geleidelijk in den snavel toegespitst. Vrucht geleidelijk toegespitst. Stengel rond, meest wijd buisvormig, rechtopstaand of opstijgend. Bloemkroon geel. 0,20-0,40. 2t-. JuniâSeptr. Algemeen, in bosschen, aan slootkanten, op moerassigen zandgrond.
Moeras R. L. uliginosus Schk.
3 Blaadjes breed-lancetvormig tot scheef- of omgekeerd-eirond.
Stengel kantig, met merg gevuld of nauw buisvormig, opstijgend of liggend. Bloemkroon geel, vaak in de jeugd rood aangeloopen. O,!0-0,30. 2j.. MeiâSeptr. Algemeen, op grazigen zandgrond. Gemeene R. L. corniculéitus L. Blaadjes lijn-lancetvormig of lijnvormig, iets dik, blauwgroen. Stengel slanker, nauw buisvormig. Overigens als de vorige soort. 0,40-0,30. 2].. MeiâSeptr. Op grasvelden naar den zeekant, zeldzaam. (L. tenuifólius Rchb.)
Smalbladige R. L. ténuis Kit.
358
Papilionaceeën.
14. Tetragonólobus Riv.
1 Stengel liggend of opstjjgend. Blaadjes wigvormig-omgekeerd-eirond. Bloemen groot, alleenstaand of 2 aan 2 in de bladoksels. Bloemstelen 2-3-maal zoo lang als het blad. Bloemkroon lichtgeel, zwaarden donkerder. 0,08-0,30. MeiâJuli. Alleen bg Den Haag gevonden.......Hauwklaver. T. siliquósus Rth.
Als sierplant wordt soms T. purpüreus Bth. aangetroffen. Bloemkroon donker scharlakenrood. Bloemen alleenstaand of bjj paren. Vleugels der peulen gegolfd. 0,15-0,30. O. JuniâAugs. Uit Zuid-Europa.
15. Glycirrhiza L.
1 Stengel rechtopstaand, evenals de bladen kaal. Blaadjes eirond, stomp, van onderen kleverig. Steunbladen ontbrekend. Bloemtrossen gesteeld, korter dan de bladen. Bloemkroon lila, vlag wit. Peul kaal. Wortelstok houtig. 0,60-1,00. 2|.. Juniâ Augs. Gekweekt en verwilderd.......Zoethout. fG. glabra L.
16. Galéga L.
1 Stengel rechtopstaand. Blaadjes 9-17, langwerpig-iancetvormig, stekelpuntig, kaal. Steunbladen half pglvormig. Bloemtrossen langer dan het blad. Bloemkroon lila of wit. 0,60-1,20. 2|.. JuniâAugs. Alleen by Zwolle en Zeist gevonden op moerassige plaatsen.........Geiteklaver. G. officinalis L.
17. Amorpha L.
1 Min of meer behaard tot byna kaal. Takken rechtopstaand. Blaadjes 9-13, elliptisch of langwerpig, met doorschijnende puntjes. Bloemen in vaak pluimvormig opeengehoopte dichte trossen, tamelgk klein. Vlag purperviolet. 1,00-3,00. 1^. Juni, Juli. Sierstruik uit Noord-Amerika.......t A. iruticósa L.
18. Colütea L. Blaasstruik.
1 Blaadjes meest 11, omgekeerd-eirond tot elliptisch, matgroen, duidelgk geaderd. Tros 3-6-bloemig, okselstandig. Peul aan den top gesloten. Bloemkroon hooggeel, vlag met een bruine vlek. 2,50-4,00. Ij). JuniâAugs. Alleen in Limburg in het wild, ook als sierstruik......DuitscheB. C. arboréscens L.
Blaadjes 7 of 9, blauwgroen, zwak of niet geaderd. Tros meest 3-bloemig. Peul aan den top open. Bloemkroon rood of bruingeel, vlag met 2 gele vlekken. Overigens als de vorige soort. 1,20-1,80. I^. JuniâAugs. Sierstruik uit Zuid-Europa. (C. cruénta Ait.).....Oostersche B. t C. orientalis Mill.
19. Robinia L. Robinia.
Boomen met oneven gevinde bladen, talrgke gaafrandige blaadjes en eindelingsche , veelbloemige trossen......................1
1 Steunbladen tot sterke stekels vervormd. Takken en peulen kaal. Blaadjes 9-17,
eirond tot langwerpig-eirond. Bloemtrossen hangend, los, kortgesteeld. Bloemen wit, welriekend. 15,00-25,00. Mei, Juni. Sierboom uit Noord-Amerika, ook verwilderd...........Acacia, t R« Pseudo-Acacia L.
Steunbladen niet stekelig, afvallend......................2
2 Takken en peulen kleverig. Blaadjes 15-21, elliptisch of eirond. Bloemtrossen half
rechtopstaand, dicht, langwerpig. Bloemen roodachtig-wit, reukeloos. 8,00-12.00.
Juni, Juli. Sierboom uit Noord-Amerika.
Kleverige R. t R. viscósa Vent.
Takken dicht met bruine borstels bezet. Peulen afstaand behaard. Blaadjes 11-13, rondachtig-eirond. Bloemtrossen hangend, bijna bolrond, los. Bloemen roserood, groot. 1,50-3,00. Ij). Juni, Juli. Sierstruik uit Noord-Amerika.
Borstelige R. f R» hispida L.
20. Wistaria Nutt.
1 Klimmende heester. Blaadjes 7-13, tegenoverstaand, gesteeld, gaafrandig, langwer-pig-lancetvormig, lang toegespitst. Trossen hangend, rükbloemig. Bloemkroon blauw. 5,00-7,00.quot; VooraarâZoroer- Sierstruik uit China.
Blauwe regen, f W- chinénsis D. C,
3S9
Papilionaceeën.
21. Halimodéndron Fiseh.
1 Takken uitgespreid. Blaadjes (l-)2-parig, langwerpig-spatelvormig, grgs door aanliggende haren. Steunbladen priemvormig, meest stekend. Bloemen in 2-5-bloe-mige trossen. Bloemkroon violet. 1,00-1,50. b. Juni, Juli. Sierstruik uit Siberië en Tartarjje........Zoutstruik. t H. argénteum Lmk.
22. Caragana Lmk. Erwtenstruik.
1 Blaadjes 4-8-parig, elliptisch of elliptisch-langwerpig, eerst aanliggend behaard. Steunbladen stekelig. Bloemen in schenuen. Bloemkroon citroengeel. 3,50-4,00.
Mei. Sierstruik uit Siberië .... Gr co te E. f C. aboréscens Lmk.
Blaadjes 2-parig. Bloemen alleenstaand. Steunbladen vliezig of stekelig. Blaadjes wigvormig-langwerpig of langwerpig-spatelvormig, kaal of behaard. Bloemkroon hooggeel. 1,20-2,00. Mei, Juni. Sierstruik uit Zuid-Rusland.
Kleine E. f C. frutéscens D. C.
23. Astragalus L.
1 Stengel liggend, bjjna kaal. Blaadjes 11-13, elliptisch of eirond. Onderste steunbladen vergroeid. Peulen lijnvormig, iets gebogen, kaal. Bloemkroon groenachtig geel. 0,60-1,20. JuniâAugs. In heggen en tusschen kreupelhout in de om
streken van Nijmegen en bij Valkenburg. Hokjes peul. A. glycyphy'llos L.
24-. Coronilla L. Kroonkruid.
Kruiden of heesters met oneven gevinde, zelden 3-taUige bladen , gaafrandige blaadjes en okselstandige, gesteelde schermen . l
1 Rechtopstaande heester- Blaadjes 5-13. Schermen (2-)3-bloemig. Bloemstelen korter
dan de kelkbuis. Nagel der kroonbladen 2-3-maal zoolang als de kelk. Peulen rolrond. Bloemkroon geel. 1,00 1,50. 1^ Mei, Juli. Sierplant uit de Alpen.
Struik K. f C. E'merus L.
Kruidachtige plant...............2
2 Steunbladen vrij. Schermen 10-20-bloemig. Bloemkroon wit,
vlag rose, kiel met donkerpurperkleurigen snavel. Stengel liggend of opstijgend. Blaadjes -13-21. Bloemstelen 3-maal zoo lang als de kelkbuis. 0,30-0,80. 2J.. JuniâSeptr. Niet zeldzaam, op droge, grazige plaatsen. Bont K. C. vèria L. Steunbladen, althans de onderste vergroeid. Bloemen geel. Bladen 3-talIig. Schermen 2-4-bloemig. 0,10-0,40. Mei, Juni. ©. Uit Z.-Europa. Een enkele maal op mocsgrond......Schorpioenachtig K. C. scorpkndes Koch.
25. Ormthopus L, Vogelpootje.
Veelstengelige, behaarde kruiden met oneven gevinde, uit vele blaadjes bestaande bladen en okselstandige, lang gesteelde
schermen....................1
Bloemen rose, gewoonljjk meer dan 0,006 breed Vrucht recht of byna recht. Schermen dubbel zoo lang als het blad. Blaadjes puntig en behaard, die der bovenste bladen tot elkaar genaderd. Stengel meest opstjjgend. 0,30-0,60. ©. JuniâAugs. Soms gekweekt en verwilderd. . Seradella. t O. sativus Brot.
Bloemen geel of witachtig, rose geaderd, meestal minder dan 0,006 breed.................2
300
Papilionaceeën. 3Bt
Bloemen geel of witachtig, rose geaderd. Kiel geel. Blaadjes met afgeronden top. Stengels meest liggend. Blaadjes 15-25, elliptisch tot langwerpig. Schennen even lang als of langer dan het blad. Kelkbuis 3-maal zoo lang als de eironde kelktanden. Peulen meest iets gebogen. 0,05-0,30. © en 2{.. MeiâJuli. Algemeen, op open en bebouwden zandgrond.
Zand V. O. perpuslllus L.
Bloemen geel. Blaadjes met gepunten top. Kelkbnis even lang als de tanden. Peulen aan den top sterk boogvormig gekromd. 0,10-0,40. April, Mei. O. Uit Z.-Enropa. Een enkele maal bjj Breda gevonden. Samengedrukt V. O. compréssus L.
26. Onobry'chis Tm.
Stengel opstijgend. Blaadjes 13-25, Ignvormig-langwerpig. Kelktanden dubbel zoo lang als de kelkbuis. Zwaarden korter dan de kelkbuis. Bloemkroon rose. 0,30-0,60. MeiâJuni. Soms gekweekt en verwilderd.
HaneJcammetjes. Esparcette. f O. sativa Lmk.
27. Cicer L.
Geheele plant klierachtig behaard. Bladen oneven gevind, ovaal of langwerpig, aan den top gezaagd. Vruchtsteel naar beneden gebogen. Bloemen bleeklila of violetrood tot wit. 0,30-0,40. O. JuniâAugs. Bjj Amersfoort gevonden.
C. ariétinum L.
28. Vicia L. Wikke.
Kruiden met even gevinde bladen, waarvan de bladsteel meestal in een rank uitloopt en okselstandige, op verschillende wijzen vereenigde bloemen.................1
Bloemen in langgesteelde, soms arm- of eenbloemige trossen. (Ervum Tm.)................2
Bloemen in zeer kortgesteelde trossen of alleenstaand of in paren op korte stelen in de bladoksels.......5
Trossen 1-6-bloemig. Bloemen klein, bleek of witachtig . 3
Trossen veelbloemig. Bloemen tamelijk groot. Blaadjes 6-12-parig, lijn- of lijn-lancetvormig. Steunbladen halfspiesvormig, gaafrandig. Tros langer dan het blad.......4
Blaadjes 4-8-parig, meest 6-parig. Tros 3-6-bloemig. Kelktanden even lang als de kelkbuis. Peul 2-2adig, behaard. Bloemkroon blauwachtig-wit. 0,30-1,00. ©. JuniâAugs. Op zandig bouwland, aan ruigten, tusschen kreupelhout algemeen. (E. hirsutum L.)
Kleine krok. Wiker.wten. Nachtwikke. Duivelsnaaigaren.
Ruige W. V. hirsüta Koch.
Blaadjes 3-4-parig, stomp of wat spits. Tros 1-3-bloemig. Kelktanden korter dan de kelkbuis. Peul meest 4-zadig, kaal. Bloemkroon bleekviolet. 0,30-0,60. 0. Juni, Juli.
Papilionaceeën.
Algemeen in bouwland, ook op kleigrond. (E. tetrasper-mum L.) . . . Vierzadige W. V. tetraspérma Mnch. Blaadjes 2-meerparig, vrij spits. Tros 1-4-bloemig. Bloemen grooter dan bij de vorige soort. Peul meest 6-zadig, kaal. Bloemkroon bleekviolet met donkere aderen. 0,45-0,30. Q. Juni, Juli. Zeer zeldzaam, in korenvelden. (E. gracile D. C.)
Slanke W. V. gracilis Loisl.
4 Plaat der vlag omstreeks zoo lang als de nagel. Blaadjes meest
10-parig. Steel der peul korter dan de kelkbuis. Stengel zachtharig. Bloemkroon blauwviolet. 0,30-1,20. 2\-. Juniâ Augs. Algemeen, in heggen, tusschen kreupelhout, op bouwland, aan waterkanten.
Winsel. Ringelwikke. Veelbloemige vitsen. Krok. Drachtwikke. Vogel W. V. Cramp;cca L. Plaat der vlag half zoo lang als de nagel. Steel der peul langer dan de kelkbuis. Blaadjes meest 8-parig. Plant dichtbehaard. Bloemkroon blauwviolet. 0,30-1,20. ©O en ©. JuniâAugs. Vrij algemeen, op zandig bouwland.
Zachtharige W. V. villósa Rth.
5 Blaadjes met 1 h 2(-3) paar stompe blaadjes, die meer dan 0,015 lang zyn. Onderste
bladen zonder ranken en met 2 blaadjes, bovenste met 4 (of 6) blaadjes. Blaadjes gaaf of getand. Bloemen in groepen van 1 a 5. Kelktanden ongelijk en getand. Stennblaadjes veel breeder dan de stengel, spiesvormig. Vrucht stekelharig op de naden. Bloemen rose of paars. 0,20-0,60. Mei, Jnni. O. Een enkele maal big Ngmegen gevonden.......FranscheW. V. narbonénsis L,
Bladen met meer dan 2 paar blaadjes of zoo het met 2 of 3 paar is, zonder rank. Blaadjes anders dan boven is opgegeven ...................6
6 Bloemen in 2-8-bloemige trossen..........7
Bloemen 1 of 2 in de bladoksels staand.......9
7 Blaadjes 4-8-parig, meest in een gedeelde rank eindigend . 8
Blaadjes, althans die der bovenste bladen, 2-3-parig. Stengel rechtopstaand, kantig. Blaadjes groot, elliptisch, eirond of langwerpig. Bloemen in 2-4-bloemige trossen. Peul langwerpig, kort behaard. Bloemkroon wit, de zwaarden met zwarte vlek. 0,50-1,00. ©. MeiâJuli. Gekweekt als paarden-, duiven-, groote boonen, enz. Uit Azië. (Faba vulgaris Mnch.) Roomsche hoon. Tuinboon, f V. Faba L.
8 Vlag onbehaard. Vrucht onbehaard. Bloemen opgericht of
uitgespreid. Plant met een onderaardschen stengel. Kelk-tanden ongelijk. Rijpe peul kaal. Blaadjes eirond tot langwerpig, gewimperd. Bloemkroon vuil-lila, zeldzamer bijna wit. 0,60-0,80. 2J-. MeiâAugs. Algemeen, in heggen, langs wegen, aan slootkanten en op bouwland.
Vitsen. Kleine wilde wikke. Hegge W. V. sépium L.
Vlag behaard. Vrucht behaard. Bloemen gebogen. Plant zonder onderaardschen stengel. Bloemen paars of geel. 0,30-0,60. MeiâJuli. ©. Op een paar plaatsen , bjj Amsterdam en Nymegen gevonden.
Hongaarsche W. V. pannónica Jacq.
3«g
Papilionaceeën. 364
9 Bloemkroon geel of geel met paars. Vrucht sterk behaard. 10 Bloemkroon blauwachtig of paars, soms wit......11
10 Vlag kaal. Haren der peul op sterke knobbeltjes zittend. Blaadjes lynvormig of
langwerpig, stomp. 0,30-0,6 gt;. ©. Juni, Juli. Op een paar plaatsen gevonden.
Gele W. V. lutea L.
Vlag behaard. Haren der peul zonder knobbeltjes. 0,20-0,60. © Juni, Juli. Uit Z.-Europa. Op eenige plaatsen gevonden . . . Basterd W. V. hy'brida L.
11 Bloemen meer dan 0,009 lang. Blaadjes 4-8-parig ... 12 Bloemen minder dan 0,008 lang. Blaadjes 2-4-parig. Stengels
liggend of opstijgend. Onderste blaadjes omgekeerd-hart-vormig, de bovenste langwerpig-wigvormig. Bloemen alleenstaand. Peul lijnvormig, kaal. Bloemkroon lichtviolet. 0,07-0,20. ©. AprilâJuni. Algemeen, op open zandgrond en in de duinen. Latherusvormige W. V. lathyrofdes L.
12 Vlag blauwachtig, zwaarden purper. Peul rechtopstaand, kort-
behaard, geelachtig bruin of bruin. Blaadjes omgekeerd-eirond-langwerpig, stekelpuntig. 0,30-0,80. ©. MeiâJuli. In het wild op bouwland, aan wegen en dijken, ook gekweekt. Tamme viisen. Wiek. Mengzaaderwten. Voeder W.
V. saUva L.
Vlag en zwaarden purper. Peul afstaand, als zij rijp is, kaal en zwart. Onderste blaadjes omgekeerd-eirond, de bovenste lijn-lancetvormig of lijnvormig, afgeknot of stomp, soms ook spits. 0,15-0,60. O© en ©. MeiâJuli. Algemeen, op zandgrond .....Nachtwikke. Krok. Smalbladige W.
V. angustifólia Roth.
29. E'rvum L.
1 Stengel rechtopstaand, vertakt, evenals de bladen behaard. Bladen met onverdeelde of verdeelde rank. Blaadjts meest 6-parig, langwerpig. Steunbladen lancetvormig. Tros 1-3-bloemig. Peul kaal, 2-zadig. Bloemkroon blauwachtig-wit. 0,15-0,30. ©. Juni, Juli. Gekweekt, zelden wild. Uit Zuid-Europa. (Lens esculenta Mneh.)
Linze, f £. Lens L
30. Pisum Tr. Erwt.
Kruiden met klimmenden of liggenden stengel, bladen met ranken, gaafrandige blaadjes en 1-2 groote bloemen aan het eind van een okselstandige steel ... 1 1 Blaadjes gaafrandig met gegolfden rand. Bloemtrossen meest 2-bloemig. Zaden rond, eenkleurig. Bloemkroon meest M-it, zelden de vlag roserood. 0,30-1,00. ©. Meiâ Juli. Gekweekt als doperwten en peulen en verwilderd. Vaderland onbekend.
Zaai E. P. sativum L.
Blaadjes fijn gekarteld. Tros vaak 1-bloemig. Zaden ingedrukt kantig, bruin en grjjsgroen gevlekt. Vlag blauwachtig, vleugels purper, kiel wit. 0,30-1,00. ©. MeiâJuli. Gekweekt als capuqjners, enz., en verwilderd. Vaderland onbekend.
Akker E. t P. arvénse L.
31. Lathyrus L. Lather us.
Kruiden met kantigen of gevleugelden stengel, even gevinde bladen of bladstelen zonder bladen, in een rank uitloopend en okselstandige 1-2-bloemige bloemstelen of gesteelde bloemtrossen . 1
Papilionaceeën.
Blaadjes geheel of ten deele ontbrekend.......2
Blaadjes aanwezig ...............3
Bovenste en middelste bladen in ranken veranderd. Steunbladen zeer groot, eirond, met spiesvormigen voet. Tros eenbloemig. Bloemkroon geel. 0,15-0,30. ©. Juni, Juli. Alleen in Zuid-Limburg gevonden . . . . Naakte L. L. A'phaca L.
Bladen tot stelen vervormd. Steunbladen zeer klein, priem-vormig, aan den voet half spiesvormig. Tros 4-of 2-bloeniig. Bloemkroon purper. 0,30-0,45. 0. MeiâJuli. Zeldzaam, op vochtigen grasgrond. Onbebladerde L. L. Nissólia L.
Bladen met ranken. Stengel klimmend.......4
Bladen zonder ranken. Stengel rechtopstaand. (Orobus L.) 10 Stengel ongevleugeld, kantig. Tros veelbloetnig. Blaadjes
1-parig...................5
Stengel duidelijk gevleugeld............6
Bloemen donkerroserood, welriekend. Blaadjes langwerpig, stomp. Steunbladen lijnvormig. Stengel kaal. Wortelstok draadvormig, in de knoopen met knollen zoo groot als hazelnoten. 0,30-1,00. 2|.. JuliâAugs. Gekweekt in Zeeland en op kleiachtige bouwlanden, soms zeer veel in het wild.
Aardeikel. Aardnoot. Muizen met staarten. Aardaker.
L. tuberósus L.
Bloemen geel, reukeloos. Blaadjes langwerpig-lancetvormig, spits. Steunblaadjes breed-lancetvormig. Stengel zachtharig of bijna onbehaard. Wortelstok zonder knollen. 0,30-0,80. 2)-. JuniâAugs. Algemeen, aan wegen en dijken, op bouw- of weiland . . Gele wikke of linze. Veld L. L. praténsis L.
Trossen 1-3-bloemig. Blaadjes 1-parig........7
Trossen meerbloemig..............8
Blaadjes Ijjn-lancetvormig. Plant kaal. Tros l-(ielden 2-)bloemig. Peul aan den bovenrand naar buiten gekromd, 2-vleugelig. Zaden kantig, glad. Bloemkroon wit, zelden rood of blauwachtig. 0,15-0,45. 0. Mei, Juni. Alleen b\) Lobit gevonden.
Zaai L. L. sativus L.
Blaadjes elliptisch of eirond. Tros 2-3-bloeraig. Peul samengedrukt. Zaden bqna bolrond, glad. Bloemkroon groot. Vlag violet of rose. Vleusels en kiel blauwachtig of wit. 0,80-1,50. ©. JuniâAugs. Sierplant uit Sicilië.
Pronkerwt. f L. odoratus L.
Blaadjes 1-parig................9
Blaadjes 2-3-parig. Tros 4-5-bloemig. Bloemkroon vuilblauw. 0,30-1,00. 2j.. Juli, Augs. Algemeen, in moerassen en venen.
Moeras L. L. palüstris L. Blaadjes lancetvormig tot lijn-lancetvormig, versmald, toegespitst. Vleugels van den stengel dubbel zoo breed als die der bladstelen. Tros iets langer dan het blad. Vlag rose, van buiten groenachtig, zwaarden purper, kiel groenachtig. 0,80-2,00. 2).. Juli, Augs. Zeldzaam, in de duinen en tus-schen kreupelhout.....Bosch L. L. sylvéstris L.
38*
Caesal pinieeën.
Blaadjes elliptisch tot langwerpig-lancetvormig, stomp, toegespitst. Vleugels van den stengel even breed als of weinig breeder dan die der bladstelen. Tros veel langer dan het blad. Bloemkroon fraai karmijnrood. 1,00-3,00. 2).. Juli, Augs. Zeer zeldzaam, in bosschen.
Breedbladige L. L. latifólius L.
10 Stengel ongevleugeld of alleen van boven zeer smal gevleu
geld ...................11
Stengel duidelijk gevleugeld. Blaadjes 2-3-parig, langwerpig-lancetvormig tot lijnvormig, van onderen blauwgroen, dof. Tros 4-6-bloemig. Wortelstok in de knoopen knollig. Bloemkroon lichtpurper, later blauw. 0,15-0,30. 2).. AprilâJuni, soms tot Augs. In Limburg en om Nijmegen, in bosschen. (O. tuberósus L.) . . Knollige L. L. montamp;nus Berah.
11 Blaadjes 2-4-parig , eirond, lang toegespitst, van onderen
glanzig. Trossen omstreeks even lang als hun blad, 4-6-bloemig. Stengel samengedrukt, vierkant en met 2 scherpe kanten. Bloemkroon purper, later blauw, ten laatste blauwgroen. 0,30-0,45. 2J.. April, Mei. In heuvelachtige streken en bosschen, in Limburg. (O. vernus L.)
Voorjaars L. L. vérnus Bernh. Blaadjes meest 6-parig, eirond-langwerpig, stomp, van onderen blauwgroen, dof. Bloemkroon purper, ten slotte blauw, zeer zelden wit. Geheele plant gedroogd, zwart wordend. 0,30-0,80. 2J.. Juni, Juli. In Limburg en om Nijmegen, in bosschen. (O. niger L.) . Zwarte L. L. niger Bernh.
32. Phaséolus L. Boon.
Kruiden met meeatal -windenden stengel, gaafrandige, toegespitste blaadjes en lang-gesteelde trossen van bloemen..................1
1 Stengel steeds windend. Blaadjes eirond, kort toegespitst. Tros veelbloemig, langer dan het blad. Peulen iets sikkelvormig, ruw. Bloemkroon scharlakenrood, zeldzamer wit. 2,00-3,00. 0. JuniâSeptr. Gekweekt. Uit Zuid-Amerika.
Turkscke boonen. Pronkers. P. multiflorus Lmk. Stengel meest windend. Blaadjes eirond, lang toegespitst. Tros armbloemig, korter dan het blad. Peul tamelijk recht, glad. Bloemkroon meest wit. 0,30-3,00. 0. Juniâ^eptr. Gekweekt. Uit Oost-lndië . . Gewone B. t P- vulgaris L.
Stengel laag, 0.30-0,60, niet of weinig windend, de variëteit a. nanus L.
Hiertoe behooren snljhoonen, slaboonen, bruine, witte loonen, enz.
XCIV. Fam. Caesalpinieeën.
Boomen. Bladen gevind. Planten meest veeltelig. Kelk 3-5-dee-lig. Bloemkroon S-S-bladig, symmetrisch, soms ontbrekend. Meeldraden 5-10, vrij. Vruchtbeginsel 1 met i stijl en stempel. Vrucht een peul.
303
Aristolochieeën.
1 Planten meest veeltelig. Kelk 3-5-deelig. Kroonbladen 3-5. Meeldraden meest 6. Styl kort, met behaarden stempel. Peul gesteeld, samengedrukt. Bladen enkel tot dubbel gevind...............Gleditschia 30G.
i. Gleditschia L.
3 Doornen groot, vaak 3-deelig. Bladen enkel, naar den top der takken toe lang» zamerhand dubbel gevind. Blaadjes iangwerpig of langwerpig-iancetvorraig, iets gekarteld-gezaagd. Bloemen in okselstandige trossen, groenachtig, klein. Peulen hangend, Ign-langwerpig (tot 0,30 ?ang). 5,00-12,00. Ij. Juni, Juli. Sierboom uit Noord-Amerika ........Gleditschia. fG. triacanthos L.
XCV. Fam. Aristolochieeën.
Bloemdek gekleurd, hovemtandig, onregelmatig, ongedeeld of 3-4-spletig. Meeldraden 6 of 12, vrij of met den stijl vergroeid, op den top van het vruchtbeginsel gezeten, met korte of zonder helmdraden. Vruchtbeginsel 3-6-hokkig. Vrucht een doosvrucht.
\ Bloemdek buisvormig, aan den voet verwijd, 1-lippig of 3-lobbig. Helmknoppen 6, aan den stijl onder den stempel
vastgegroeid.........Aristolóchia 300.
Bloemdek klokvormig, 3-spletig. Meeldraden 12, op het vruchtbeginsel staand, vrij.........A' sarum 300.
1. Aristolóchia Tm. Pijpbloem. xx.
i Stengel rechtopstaand. Bladen hart-eivormig, stomp, kaal. Bloemen in bundels, in de bladoksels. Bloemdek recht met scheef afgeknotten, 4-lippigen zoom, lichtgeel. 0,30-1,00. 2)-. MeiâJuli. Niet zeer algemeen, aan heggen en op beschaduwde, grazige plaatsen op zandgrond.
Sarratijnskruid. Holwortel. GemeeneP. A. Clematitis L.
Stengel windend. Bladen zeer groot, hart-eivormig, kort toegespitst, weinig behaard. Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Bloemdek gekromd, met 3-lobbigen, vlakken zoom, bruinachtig tot purperkleurig. 3,00-6,00. 1^. Juni, Augs. Veel als klimplant aangeplant. Uit Noord-Amerika. Pypekop. f A. Sipho L'Herft.
2. A'sarum Trn. xi.
1 Wortelstok dun, kruipend. Stengel zeer kort, aan den top 2 bladen dragend. Bladen bqna tegenoverstaand, niervormig, kort behaard. Bloemen kortgesteeld, knikkend. Bloemdek van buiten bruinachtig, van binnen donkerpurper. 0,02-0,06. 2|-. April, Mei. Misschien bg Maastricht voorkomend.
Mansoor. A. europaeum L.
300
Loranthaceeën.
XCVI. Fam. Loranthaceeën.
Woekerplanten, l-huizig. Bloemdek 4-slippig of -bladig. Mannelijke bloemen met 4 meeldraden, op de bloemdekslippen zittend. Vrouwelijke bloemen met onderstandig vruchtbeginsel en zitten-den stempel. Besvrucht eenzadig.
\ Planten 2-huizig. Bloemen in hoofdjes. Helmknopjes 4, met de slippen van het 4-deelige bloemdek vergroeid. Stempel zittend..............Vfscum 307.
1. Viscum L. xxii.
1 Stengel gaffelvormig vertakt. Bladen langwerpig of lancet-spatelvormig, lederachtig, altijd groen. Bloemen eindelings , zittend, in hoofdjes. Bloemdek geelachtig-groen. Bes wit, glanzig, met slijmachtig, taai vleesch. 0,30-0,80. i)-. Maart, April. In Limburg, ook enkel in Groningen, op appel- en pereboomen, populieren en eiken woekerend.
Vogellijm. Maretakken. V. ólbum L.
367
ONDERKLASSE 2.
SYNPETALEN.
BLOEMEN MET VERGROEIDBLADIGE BLOEMKROON.
FAMILIE 97-124-
HEUKELS, Sckoolflora. 8 druk.
24
XCVII. Fam. Ericaceeëu. Heideachtigen.
Kelk 4-8-tandig, -slippig of -bladig. Bloemkroon 4-5-tandig of -spletig. Meeldraden 4-10, de helmknoppen vaak met poriën openspringend. Vruchtbeginsel onder- of bovenstandig, 4-5-hok-kig met 1 stijl en stempel. Vrucht een doosvrucht of bes.
Kleine of grootere heesters............2
Kruidachtige planten. Vruchtbeginsel bovenstandig. Doosvrucht
4-5-hokkig.................8
Vruchtbeginsel onderstandig. Bloemkroon kroes- of klokvormig,
4-5-tandig of stervormig, 4-5-deelig, met teruggeslagen slippen. Meeldraden meest 8(-10). Vrucht een bes.
Vaccfnium 331.
Vruchtbeginsel bovenstandig............3
Helmknopjes met 2 spitse aanhangsels. Meeldraden 8 of 10. 4 Helmknopjes zonder aanhangsels. Meeldraden 10 of 5. Bladen
niet naaldachtig. Sierplanten..........6
Bladen smal, min of meer naald vormig. Bloemkroon vergroeid-
bladig. Meeldraden 8.............5
Bladen vlak, lederachtig. Meeldraden 10. Kelk 5-spletig. Bloemkroon klokvormig tot bolrond, ,5-spletig. Doosvrucht
5-kleppi g...........Andrómeda 319.
Kelk (niet te verwisselen met de 4 bovenste bladen) gekleurd,
4-spletig, dubbel zoo lang als de klokvormige, 4-spletige
bloemkroon............Callüna 37a.
Kelk groen, 4-bladig of 4-spletig, korter dan de 4-tandige of
4-spletige bloemkroon.........E'rica 373.
Bloemen wit. Bladen elliptisch tot spits ei-wigvormig, aan den voet gaaf, verder scherp gezaagd. Bloemen in rechtopstaande
trossen..............Cléthra 313.
Bloemen niet wit, groot. Heesters met langwerpig-lancetvormige,
gaafrandige bladen ..............7
Meeldraden 5 (of 10). Helmknopjes aan den top met 2 poriën openspringend. Doosvrucht vijfhokkig. Bladen hard, afvallend .............. Azalea 373.
Meeldraden 10. Bladen lederachtig en blijvend. Verder als
Azalea...........Rhododéndron 373.
Plant met groene bladen. Bloemen 5-tallig. Kelk 5-deelig. Bloemkroon 5-deelig tot 5-bladig. Bloemkroonbladen zonder
Ericaceeën.
knobbels. Stempel op een verlengden stijl, boven de meeldraden uitstekend........ . . Pfrola 333.
Plant zonder groene bladen. Eindbloem 5-, zijbloemen 4-tallig. Kelk en bloemkroon 4-5-bladig. Bloemkroonbladen aan den
voet met knobbels........Monótropa 374.
De familie der Ericaceeën wordt vaak in 5 familiën gesplitst, n.1. de Vaccinieeën (gesl. Vaccinium), de Ericeeën (gesl. Andromeda, Calluna, Erica), de Rhodoraceeën (gesl. Azalea, Rhododendron), de Pirolaceeën (gesl. Pirola) en de Monotropeeën (gesl. Monotropa).
1. Vaccinium L. Boschbes. vin.
Heestertjes met verspreide, gave, kortgesteelde bladen, alleen in de bladoksels staande of een korten eindelingschen tros vormende bloemen en bolronde bessen..........1
Bloemkroon kroes- of klokvormig. Stengel rechtopstaand of
opstijgend..................2
Bloemkroon stervormig, diep 4-5-deelig, met teruggeslagen slippen. Bladen altijd groen. Stengel draadvormig, kruipend ...................4
Bladen vlak, dun, des zomers groen. Bloemkroon kroesvor-mig. Bloemen meest in de oksels der bladen, hangend, meest 5-tallig. Helmknoppen op den rug met 2 naalden. 3 Bladen altijd groen, lederachtig, g'anzend, met omgerolden rand, van onderen lichtgroen, met donkerder puntjes, om-gekeerd-eirond of elliptisch, stomp. Bloemen in dichte, knikkende trossen. Bloemkroon klokvormig, wit, meest iets rose. Bes rood, zelden wit. 0,05-0,15. K Mei, Juni en Juli, Augs. Zeer veel in hooggelegen bosschen, ook op heidegrond.
Krakelbes. Hondbes. Beerenbes. Vossenbes. Roode bleeken.
Roode B. V. vitis idaéa L. Takken scherpkantig. Bladen eirond of langwerpig-eirond, spits, iets gekarteld-gezaagd, aan weerszijden lichtgroen. Bloemkroon roodachtig-groen. Bes zwartblauw, van binnen purper, zelden wit. 0,15-0,50. 1). Mei, Juni. Zeer veel, in hooggelegen bosschen.
Waldbes. Krakelbes. Portelbes. Blauwbes. Bikbeeren. Wald-beeren. Keutelbeeren. Bleeken. Klokkebeien.
Blauwe B. V. Myrtillus L.
24*
371
Ericaceeën.
Takken rond. Bladen elliptisch of omgekeerd-eirond, stomp, gaafrandig, van boven donker-, van onderen blauw-groen. Bloemkroon groenachtig of roodachtig-wit. Bes zwartblauw, van binnen groenachtig, met kleurloos sap. 0,30-0,80. % Mei, Juni. Zeldzaam, in lage venen.
Water bes. Veenboschbes. Stronkbes. Rijsbes.
V. uliginósum L.
4 Bladen klein, 0,005-0,008 lang, eirond tot langwerpig, spits, met omgerolden rand, van onderen grijsachtig. Bloemen langgesteeld, knikkend, 1-4 bijeen. Bloemkroon lichtpurper. Bes bruinrood, zeer zelden wit, tot 0,01 in middellijn. 0,15-0,45. t}. Mei, Juni. Vrij algemeen, op lagen veengrond.
Kroozen. Kreuzen. Veen B. V. Oxycóccus L.
Bladen iets grooter (0,008-0,01 lang), langwerpig, stomp, met weinig omgerolden rand, van onderen witachtig. Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Bes rood tot 0,02 in doorsnede. 0,50-1,00. K Juni. In veenachtige, moerassige duinvalleien, op Terschelling en Vlieland. Uit Amerika afkomstig.
Beien. Blaadjeheide. Lepeltjeheide. V. macrocamp;rpon Ait.
2. Andrómeda L. x.
1 Bladen lijn-lancetvórmig, met omgerolden rand, van onderen wit. Bloemen in eindelingsche armbloemige schermen, knikkend. Bloemstelen 3-maal zoolang als de bloemen, evenals de kelken rose. Bloemkroon rose tot wit. 0,15-0,30. quot;K Mei, Juni. Vrij algemeen, in lage venen en heipoelen.
Rotsbes. A. polifólia L.
3. Callüna Salisb. vm.
1 Bladen lijn-lancetvormig, 4-rijig, elkaar dakpansgewijze bedekkend. Bloemen in trossen. Kelk en bloemkroon bleekrood, zelden wit. 0,30-1,00. 1). AugsâOctr. Op heidegrond, zeer algemeen. (Erica vulgaris L.)
Gewone heide. Riegheide. Hiet. Struikheide.
C. vulgéris Salisb.
37»
Ericaceeën.
4. E'rica L. Dopheide, vm.
Altijd groene heestertjes met kleine lijn- of naaldvormige, in kransen staande bladen en knikkende tot schermen of trossen vereenigde bloemen.................1
1 Bladen met stijfharig gewimperden, omgerolden rand, meest in 4-tallige kransen. Bloemen 5-12 bijeen in een eindelingsch scherm, knikkend. Kelkslippen evenals de bloemstelen wollig, viltig, stijfharig gewimperd. Bloemkroon rose, zelden wit. 0,15-0,45. h. Juli, Augs. Op heidegrond zeer algemeen, ook in duinvalleien.
Honig heide. Fijne heide. G e w o n e D. E. tétralix L.
Bladen met nauwelijks gewimperden rand, scherp, in 3-tallige kransen. Bloemen in trossen. Kelkslippen kaal, ongewimperd. Bloemstelen kort behaard. Bloemkroon blauwachtig-rood. 0,30-0,60. I^. Juni, Juli. Waarschguljjk op heidegrond ge-vónden ................Grauwe D. E. cinérea L.
5. Azalea L.
1 Takken behaard. Bladen kruidachtig, langwerpig-lancetvormig, behaard, met gewimperden rand. Bloemen groot, in schermen. Bloemkroon geel. 0,60-1,30. 1^. Mei, Juni. Uit den Kaukasus........Azalea, f A. póntica L.
6. Rhododendron L.
1 Bladen lederachtig, elliptisch, kaal, met vlakken rand, big vend. Bloemen in dichte schermvormige trossen. Bloemkroon rood-violet. 1,00-1,50 1^. Mei, Juni. Sier-struik uit West-Azie........Rhododendron. R. pónticum L.
Bekende Alpenplanten zyn R. hirsütum 1/, met stqfgewimperde en R. ferrugi-
néum L., met van onderen roestkleurige bladen, beide zoogenaamde alpenrozen.
7. Cléthra L.
1 Bladen kaal. Bloemen kortgesteeld. Sierstruik uit oosteljjk Amerika. 1,00-2,00. I^. Augs., Septr. Een paar malen n.1. bjj Amersfoort en Ruurlo verwilderd aangetroffen.
Clethra. C. alnifólia L.
8. Pirola Trn. Wintergroen, x.
Onbehaarde kruiden met gesteelde, altijdgroene, glanzende bladen en een onvertakten, naar boven altijd bladloozen stengel, die meestal een tros van bloemen draagt..........i
1 Bloemen alleenstaand, eindelings, groot. Bloemkroon vlak uitgespreid, wit. Kelk
slippen eirond, stomp. Bladen rond of rond-spatelvormi^:, gekarteld-gezaagd, even lang als de steel. 0,05-0,10. Mei, Juni. Op twee plaatsen gevonden.
Een bloemig W. P. uniflóra L.
Bloemen in trossen...............2
2 Tros los, de bloemen naar alle zijden staand.....3
Tros dicht, veelbloemig, de bloemen naar één zyde gekeerd. Bloemkroon klokvor-mig, groenachtig-wit. Stql langer dan de bloemkroon. Bladen eirond, spits, fijn gekarteld, langer dan de steel. 0,07-0,15. 2^. Juni, Juli Alleen bij Hummelo in bosschen gevonden (Ramischia secunda Grke). Knikkend W. P. secünda L.
3 Bloemkroon open, klokvormig. Meeldraden naar boven, stijl
naar beneden gekromd. Bladen korter dan de steel. Bloemstengel stompkantig. Kelkslippen eirond-lancetvormig, toegespitst. Stijl langer dan de bloemkroon. Bloemkroon wit.
393
33* Pri mulaceeën.
zelden roodachtig. 0,15-0,30. 2J.. Juni, Juli. In duinvalleien en op vermolmden, plantaardigen afval, in bosschen , vrij menigvuldig. . Rondbladig W. P. rotundifólia L.
Bloemkroon bolrond, gesloten. Meeldraden samenneigend. Stijl recht of weinig gekromd. Kelkslippen driehoekig-eirond. Stijl korter dan de bloemkroon, recht. Bloemkroon lichtrose of wit. 0,07-0,20. 2)-. Juni, Juli. Niet zelden, in bosschen en duinvalleien ..........Klein W. P. minor L.
9. Monótropa L, x.
1 Geheele plant bleekgeel, later zwart wordend. Stengel onvertakt, bros, met schubben bezet. Bloemen in een dichten, knikkenden, later rechtopstaanden tros. 0,10-0,25. 2^.. Juni, Juli. Niet zeldzaam, in bosschen. Van Orobanche door de regelmatige bloem gemakkelijk te onderscheiden.
Zonderblad. Stofzaad. M. Hypopitys L.
XCVIII. Fam. Primnlaceeën. SIeutelbloemigen.
Kelk 4-iO-tandig of -spletig. Bloemkroon 4-10-tandig of -spletig of ontbrekend. Meeldraden 4-8, voor de kroonslippen staand, soms nog 5 onvruchtbare. Vruchtbeginsel 1-hokkig , meest boven-standig, met 1 stijl en stempel. Vrucht een doosvrucht met centralen zaaddrager.
1 Bladen kamvormig-vindeelig, in het water ondergedoken. Bloem
kroon met korte buis en vlakken, 5-lobbigen zoom.
Hottónia 333.
Bladen ongedeeld. Landplanten..........2
2 Bladen aan den stengel verdeeld..........3
Bladen in een wortelroset. Bloemkroon met een rolronde,
naar boven verwijde buis en vijflobbigen zoom. Bloemen geel of rood............Primula 333.
3 Bloemkroon ontbrekend. Kelk lichtrose, klokvormig, 5-spletig.
Bloemen in de bladoksels. Bladen meest tegenoverstaand.
Glaux 33S.
Bloemen met kelk en bloemkroon..........4
4 Bloemkroon kroesvormig, 4-spletig. Meeldraden 4. Doosvrucht
met een dekseltje openspringend. Bladen verspreid.
Centünculus 33S.
Bloemkroon 5-spletig tot 5-deelig of 7-deelig......5
5 Bloemkroon wit................6
Primulaceeën.
Bloemkroon rood, geel of blauw, meest stervormig. Meeldraden 5 . . . ...............7
Bloemkroon klokvormig, met 5-deeligen zoom. Meeldraden 10, waarvan 5 zonder helmknopjes. Bladen verspreid.
Samolus 378.
Bloemkroon stervormig, 7-deelig. Meeldraden 7 (6-8). Bladen aan het midden van den stengel bijna kransstandig.
Trientalis 397-
Doosvrucht met een dekseltje openspringend. Bloemen in de bladoksels, rood of blauw......Anagallis 375.
Doosvrucht met 5 of 10 kleppen openspringend. Bloemen eind-of okselstandig, geel.......Lysimachia 370.
1. Glaux Tm. v.
Stengel dicht bebladerd. Bladen klein, langwerpig-lancetvor-mig of eirond-langwerpig, iets vleezig, meest tegenoverstaand. Bloemen alleenstaand, zittend in de bladoksels, lichtrose. 0,05-0,15. 2|.. Mei, Juni. Veelvuldig, op zilten kleigrond.
Zeemelkkruid. G. maritima L.
2. Centünculus Dill. iv.
Stengel rechtopstaand. Bladen eirond, zeer kortgesteeld, spits, Bloemen alleenstaand in de bladoksels, zeer kortgesteeld. Bloemkroon wit of roodachtig, alleen des middags open. 0,02-0,08. O-JuniâSeptr. Vrij zeldzaam, op vochtigenzandgrond en in heidevelden . . . Dwergbloem. C. miminus L.
3. Anagallis L. Basterdmuur. v.
Onbehaarde, eenjarige kruiden met tegenoverstaande, gaafrandige bladen en langgesteelde bloemen in de bladoksels.....1
Bladen zittend, eirond tot eirond-langwerpig. Bloemkroon even lang als of iets langer dan de kelk, rood, of (A. coerülea Schreb.) hemelsblauw. 0,08-0,15. ©. JuniâOctr. Algemeen, op bouwland, op zand- en kleigrond, in moeshoven en in de duinen.
Roode B. Roode mier, Spaansch groen. Guichelheil.
A. arvénsis L.
Bladen gesteeld, rond-eirond, kort toegespitst. Bloemkroon roserood, bijna 3-maal zoo lang als de kelk. Stengel teer, draadvormig. 0,03-0,10. 2)-. Juli, Augs. Zeldzaam, in duinvlakten en moerassige heiden. Tengere B. A. tenélla L.
37S
Primulaceeën.
4. Lysim4chia L. Wederik, v.
Kruiden met gaafrandige, tegenoverstaande of kransstandige bladen en gele bloemen, die of in de bladoksels staan of tot trossen of pluimen vereenigd zijn...............1
Bloemen klein (omstreeks 0,004 breed), in bladokselstandige, langgesteelde, dichte trossen, meest 6-taIIig. (Naumbürgia Mnch.) Stengel rechtopstaand, van boven dicht behaard, met zwarte puntjes. Bladen meest tegenoverstaand, lancetvormig tot lijn-lancetvormig, spits, zittend met stengelomvattenden voet, met zwarte puntjes. Kelkslippen lijnvormig, spits. Bloemkroon met lijnvormige slippen, goudgeel. 0,30-0,60. 2|.. MeiâJuli. Algemeen, aan waterkanten, in moerassen en veenplassen. (N. thyrsiflóra Rchb.)
Trosdragende W. L. thyrsiflóra L,
Bloemen grooter (0,007-0,02 breed). Kroonslippen breeder, zonder tanden...................2
Stengel rechtopstaand. Bloemen in trossen of pluimen. Meeldraden bijna tot het midden vergroeid.......3
Stengel kruipend. Bloemen alleenstaand, zelden 2 bijeen, in de bladoksels. Meeldraden vrij of alleen aan den voet vergroeid ...................4
Stengel vierkant, de kanten smal tweevleugelig, naar boven klierachtig zacht behaard. Bladen in kransen van 3 of 4, zeldzamer tegenoverstaand. Kelkslippen niet gerand. Kroonslippen klierachtig gewimperd. Bloemkroon goudgeel, met bruinen voet. 0,60-1,20. Juni, Juli. By Venlo en Apeldoorn verwilderde sierplant.
Punt W. L. punctata L.
Stengel rondachtig, kantig, dicht behaard. Bladen tegenoverstaand , zelden in kransen. Kelkslippen met roodachtigen rand. Bloemkroon goudgeel. 0,50-1,00. 1)-. Juni, Juli. Algemeen, op vochtige, beschaduwde plaatsen en aan waterkanten.
Gele veen-wortel. Wilde wilg. Gewone W. L. vulgdris L.
Bladen rond, stomp. Bloemstelen meest korter dan het blad. Kelkslippen bijna hartvormig. Meeldraden aan den voet vergroeid. Bloemkroon groot, goudgeel. 0,10-0,45. 2|-. Juni, Juli. Algemeen, aan slootkanten, in vochtige weilanden en in de venen . . , Penningkruid. L. Numnmléria L.
Bladen eirond, spits. Bloemstelen meest veel langer dan het blad. Kelkslippen smal lancet- of lijnvormig. Meeldraden vrij. Bloemkroon klein, dooiergeel. 0,10-0,30. 2)-. Mei, Juni. Zeldzaam, in bosschen, op lage vochtige plaatsen en langs beekjes.........Bosch W. L. némorum L.
37e
Primulaceeën.
5. Triëntalis Rupp. vu.
1 Stengel rechtopstaand. Bladen zittend, de onderste stomp, alleenstaand, klein, de bovenste grooter, spits, in kransen. Bloemen langgesteeld, wit. 0,04-0,20. 2|.. Mei, Juni. Op eenige plaatsen in bosschen gevonden.
Zevenster. T. europaéa L.
6. Primula L, Sleutelbloem. St.-Pieterskruid. v.
Krulden met een wortelroset van bladen en een onvertakten stengel, die een scherm van bloemen draagt........1
1 Bladen rimpelig, van onderen behaard, eirond tot langwerpig, plotseling in een gevleugelden steel versmald. Kelk bijna even lang als de kroonbuis...........3
Bladen niet rimpelig..............2
3 Kelk veel korter dan de kroonbuis. Bloemkroon met vlakken zoom, geel, purper of bont. Bladen vlak, klierachtig gewimperd, aan den rand meelachtig bestoven. 0,15-0,30. 2|.. MaartâMei. Sierplant uit de Alpen.
Berden oor. A.urikel. P. Auricula L.
Bloemen, evenals de bladen, wortelstandig. Kelk even lang als de kroonbuis. Bloemkroon zwavelgeel. 2]-. Maart, April. In bosschen, tusschen hakhout. Ook als sierplant. (P. veris c. acaulis L.) . . . . Stengellooze S. F. acaulis Jacq.
3 Kelk rolrond, van boven weinig verwijd, witachtig met groene ribben. Kelktanden lang toegespitst. Bloemkroon met vlakken zoom, lichtgeel, met een dooiergelen ring van vlekken aan de keel, reukeloos. 0,10-0,30. 2f. MaartâMei. In vochtige bosschen, drassige weilanden en uiterwaarden, op sommige plaatsen zeer veel. (P. veris b. elatior L.) Ook als sierplant.
Hoogstengelige S. P. elétior Jacq.
Kelk klokvormig verwijd, wit. Kelktanden kort toegespitst. Bloemkroon met een verdiepten zoom, dooiergeel, met 5 oranjegele vlekken aan de keel, welriekend. 0,10-0,25. 2J-. April, Mei. Op hoogen zandgrond, ook in vochtige weilanden en bosschen. (P. veris a. officinalis L.) Ook als sierplant.
GemeeneS. P. officinalis Jacq.
7. Hottónia Boerh. v.
1 Bladen ondergedoken, in rosetten. Bloemen in een eindstan-digen, ijlen tros. Steel van den tros en de bloemstelen en kelken klierachtig behaard. Bloemkroon wit of bleekrose,
377
378 Plumbagineeën.
keel geel. 0,15-0,45. 2J.. Mei, Juni. Tamelijk veel, in slooten, poelen en op moerassige gronden.
Water duizendblad. Waterviolier. H. palüstris L.
8. Samolus Tm. v.
â 1 Bladen omgekeerd-eirond tot langwerpig, verspreid, ietsvleezig, de onderste in een roset. Bloemen klein, in een eindeling-schen, ten laatste verlengden tros. Bloemkroon wit, keel geel. 0,07-0,30. 2|.. JuniâSeptr. In venen en op moerassige hooilanden, vrij algemeen.
Waterpunge. S. ValerAndi L.
IC. Fam. Plumbagineeën.
Kelk vliezig, 5-10-tandig of -slippig. Bloemkroon 5-bladig of -deelig. Meeldraden 5, voor de kroonslippen. Vruchtbeginsel i-hokkig met 5 stijlen of'i stijl en 5 stempels. Vrucht meest een blaasvrucht.
i Stengel niet vertakt. Bloeiwijze hoofdjesachtig, aan den voet met een naar beneden gerichte cylindrische scheede. Stijl
behaard.............Arméria 37S.
Stengel vertakt. Bloeiwijze scherm-pluimvormig, uit naar één zijde gerichte aren samengesteld. Stijl kaal. Statice 379.
1. Arméria Willd. StranAkruiA. Sflaansch gras. Bloeiend zeegras. Engelsch gras.
Kruiden met een wortelroset van bladen, een onbebladerden stengel en een eindelingsch hoofdje van rose of lila-kleurige bloemen.....................1
\ Stengel kaal. Bladen lijnvormig, stomp. Schutbladen met droogvliezigen rand. Bloemkroon rose, zelden bijna purper. 0,15-0,40. 2J-. Juni, Juli. Op zilte gronden tusschen het gras, aan zeedijken, ook bij Nijmegen en in Z.-Limburg op grasgrond . . . Engelsch gras. A. elongéta Hoffm. Stengel fijn behaard. Bladen spits, stomp of stekelpuntig, gewimperd of kaal. Buitenste omwindselbladen met een haar-achtige punt of (evenals de binnenste) met een dikke, korte punt. Kelk met 10 rijen haren. Bloemen rose tot bijna wit. 0,05-0,15, zelden tot 0,30. 21-. Juni, Juli, soms weerAugs.,
Convolvulaceeën.
Septr. Op weiden aan het zeestrand en in de duinen. Ook wel in tuinen aangeplant . . Zee S. A. man'tima Willd.
2. Statice L. v,
i Stengel rond. Bladen omgekeerd-eirond, in den steel versmald, aan weerszijden met duidelijke zijnerven, stekelpuntig, gaaf-randig, kaal, lederachtig. Takken der bloeiwijze afstaand, ten slotte teruggebogen. Schutbladen spits, alleen de bovenste met bloemen. Bloemen dicht opeenstaand» Bloemkroon violet. 0,20-0,50. 2J.. Augs., Septr. Op zilte klei.
Schapenoor. Limoenkruid. S. Limónium L.
C. Fam. Convolvulaceeën. Winden, v.
Stengel meest windend. Kelk en kroon 4-5-lobbig of -spletig. Meeldraden 5. Vruchtbeginsel of 4-hokkig, op een schijf zittend, met i of % stijlen en stempels. Vrucht een doosvrucht met een bepaald aantal zaden.
1 Stengel bebladerd. Bloemen groot of vrij groot. Kelk 5-deelig.
Bloemkroon klok-trechtervormig.........2
Stengel bladloos. Bloemen zeer klein, in kluwens. Kelk 4-5-spletig. Bloemkroon klok- of kroesvormig, 4-5-spletig. Stijlen 2. Doosvrucht 2-hokkig, meest 4-zadig . . Cuscüta 37».
2 Stempel 2-lobbig of 2-deelig. Doosvrucht volledig of onvolledig
2-hokkig met 4- of 2-zadige hokjes . Convolvulus 380. Stempel knopvormig. Doosvrucht 3- of 4-hokkig. Schutbladen klein, van de bloem verwijderd. . . . Pharbïtis 3SJ.
1. Cuscüta Trn. Warkruid. Duivelsnaaigaren.
Woekerplanten met bleeke of roode draadvormige stengels en zijstandige hoopjes van kleine, witte of geelachtige bloemen, in wier bloemkroonbuis zich vleézige, getande schubben onder de meeldraden bevinden................1
1 Kroonbuis omstreeks zoo lang als de 4-5-spletige zoom. Stengel
vertakt...................2
Kroonbuis dubbel zoo lang als de zoom. Schubben tegen de kroonbuis aangedrukt. Stengel meest niet vertakt, groengeel. Bloemkroon geelachtig wit. 0,30-0,60. ©. Juli, Augs. Op vlasakkers (op vlas woekerend).
Wijnsel. Wilde klimmer. Vlas W. C. Epilinum Weihe.
379
Convolvulaceeën.
2 Kroonbuis door samenkomende schubben gesloten. Stijl langer dan het vruchtbeginsel. Bloemkroon wit of roodachtig. 0,30-0,60. ©. Juli, Augs. Op heidegrond (op klaver, wilde thym, brem, heide en boschbes woekerend).
Klein W. C. Epithymum L.
Kroonbuis niet gesloten. Schubben tegen de kroonbuis aangedrukt. Stijl even lang als of korter dan het vruchtbeginsel. Bloemkroon roodachtig. 0,30-1,50. ©. Juli, Augs. In boschachtige streken en tusschen kreupelhout (op brandnetels, walstroo, hop, wormkruid, enz. woekerend).
Groot W. C europaéa L.
2. Convolvulus L. Winde.
Kruiden met veelal klimmenden stengel, verspreide bladen en eind- of oksetstandige bloemen............1
1 Schutbladen groot, de kelk bedekkend........2
Schutbladen klein, van de bloemen verwijderd. Stempel2-dee-
Hg. Doosvrucht volledig 2-hokkig.........3
2 Stengel windend. Bloemstelen niet kantig, niet gevleugeld.
Bladen spits, met pijlvormigen voet, met afgeknotte oortjes. Plant kaal. Schutbladen hart-eivormig, spits, weinig langer dan de kelkslippen. Bloemkroon sneeuwwit. 4,00-3,00. 2j.. JuniâHerfst. In kreupelhout en heggen
Draaiwinde. Groote winde. Slingerroos. Windsel. Klimop.
Valbloem. Haag W. C. sepium L.
Aan een duinhelling bg Noordwgk is de var. aylvéstris met wydere, stompe schutbladen en grootere rozenroode, wit gestreepte bloemen gevonden.
Stengel liggend, kort, nauwelijks windend. Bloemstelen gevleugeld, vierkant. Bladen niervormig, stomp, met korte stekelpunt. Schutbladen rond-eirond, zeer stomp. Bloemkroon roserood met 5 witte strepen. 0,10-1,00. 2|.. Juli, Augs. In de zeeduinen......Duin W. C. Soldanélla L.
3 Stengel liggend of windend. Bladen gesteeld, langwerpig-eirond
tot lancetvormig, met pijl- of spiesvormigen voet. Schutbladen lijnvormig. Kelkslippen rond, stomp of uitgerand. Doosvrucht kaal. Bloemkroon wit of roodachtig, van buiten met 5 roode strepen. 0,30-0,60. 2|.. JuniâHerfst. Op bouwland en grasvlakten, langs wegen.
Klokjeswinde. Kleine winde. Liend. Lijn. Windom. Windsel.
Slingerroos. Binde. Akker W. C. arvénsis L.
3 SO
Hydrophyllaceeën. â
Polemoniaceeën.
3St
Stengel rechtopstaand of opstijgend. Bladen zittend, langwerpig-spatelvormig tot langwerpig-lancetvornüg, van voren breeder, aan den voet gewimperd. Schutbladen Ign-borstelvormig. Kelkslippen langwerpig-eirond, stekelpuntig. Doosvrucht ruw behaard. Bloemkroon donkerblauw, de buis wit, aan den voet lichtgeel. 0,80-1,00. ©. JuniâSeptr. Sierplant uit Zuid-Europa.
Driekleurige W. fC. tricolor L.
3. Pharbitis Choisy.
Stengel windend, aangedrukt behaard. Bladen hartvormig-eirond, behaard. Bloei-wjjzen meest 2-6-bloemig. Bloemstelen behaard. Kelkslippen breed lancetvormig, spits. Bloemkroon meest violet-purper, zelden purper of wit. 3,00-4,50. 0. Juliâ Herfst. Sierplant uit Tropisch A.merika. (Convolvulus purpüreus L., Ipomaea purpürea Lmk.)
Jantje Korvendraayster. Ipomea. Purper winde, t Ph- purpürea Aschs.
Cl. Fam. Hydrophyllaceeën. v.
Kelk 5-iO-slippig. Bloemkroon 5-lobbig. Meeldraden 5. Vruchtbeginsel i- of onvolkomen 2-hokkig met 2 stijlen of 2 stempels.
Vrucht een doosvrucht.
Kelk lO-slippig, de slippen afwisselend teruggeslagen . . N e m ó p h i 1 a 381.
Kelk 5-slippig. Kroonbuis van binnen met 10 vouwen. Bloemkroon klok-schotel-vormig. Doosvrucht 4-zadig...........Phacélia 3SÃ..
1. Nemóphila Nutt.
Bloemkroon buis- tot ster-klokvormig. Buitenste kelkslippen 8-maal zoo kort als de binnenste. Bloemkroon blauw, aan den voet wit, raak met zwarte puntjes of violet met witten rand. ©. 0,20-0,60. Juni, Juli. Sierplant uit Californië.
f N. insignis Benth.
2. Phacélia Juss.
Bladen gevind. Blaadjes vinapletig, met gezaagde slippen. Bloemen in dichte, naar één zjjde gekeerde slakkenhuisvormig opgerolde, aarachtige trossen. Bloemkroon trechtervormig, met 10 halvemaanvormige schubben, blauw of rose. 0,30-0,60. © Juli, Augs. Sierplant uit Californië. Een enkele maal verwilderd bjj Arnhem gevonden.
t P. tanacétifolia Benth.
CII. Fam. Polemoniaceeën. v.
Kelk en bloemkroon 5-lobbig of -spletig. Meeldraden 5, op de bloemkroon gezeten. Vruchtbeginsel op een schijf, 3-hokkig met i stijl en 3 stempels. Vrucht een doosvrucht.
Bloemkroon niet een zeer korte bnia, klok- of stervormig. Meeldraden op dezelfde hoogte vastgehecht, aan den voet behaard. Bladen gevind, verspreid.
Pole mónlum
Bloemkroon met lange buis. Meeldraden op ongelyke hoogte vastgehecht. Bladen ongedeeld. Bloemen zonder schutbladen. Bloemkroon trompetvormig, met vlakken zoom.
Phlox
Asperifolieën.
i. Polemónium Trn.
1 Stengel kaal. Bladen gevind. Blaadjes eirond of elliptisch-lancetvoriuig, spits. Bloemen in een pluim. Bloemkroon hemelsblauw of wit. 0,80-0,80. Juni, Juli. Sierplant en soms verwilderd . . . Speerkruid. fP. coerüleum L.
2. Phlox. L. Herfstseringen.
1 Stengel kaal, glad of naar boven iets scherp, gevlekt. Bladen hartvormig-eirond, kaal. Bloemen in pluimen. Kelktanden borstelig toegespitst, recht. Kroonslippen omgekeerd-eirond. Bloemkroon purper, rose, lila of wit. 0,80-1,50. .\ugs., Septr. Sierplant uit Noord-Amerika. . . . Gewone H. t P- paniculata L.
Stengel ruw klierachtig behaard. Bladen langwerpig tot lancelvormig, de bovenste met hartvormigen voet stengelomvattend. Kelkslippen omgerold. Kroonslippen omgekeerd-eirond. Bloemkroon purper, roserood of lila. 0,30-0,60. 0. Juliâ Septr. Sierplant uit Texas . . . EenjarigeH. fP. Druramóndii Hook.
CIII. Fam. Asperifolieën. Ruwbladigen. v.
Bladen meest ruw behaard. Bloeiwijze een opgerolde hloeitop of schicht. Kelk 5-tandig of -deelig. Bloemkroon 5-lobbig of-spletig, soms iets onregelmatig, vaak met schubben aan de keel. Meeldraden 5, op de bloemkroon gezeten. Stamper bestaande uit een meest 4-deelig, soms 2-deelig of gaaf, 4-hokkig vruchtbeginsel, op een schijf gezeten, 1 stijl en i of 2 stempels. Vrucht meest een 4-notige splitvrucht.
\ Bloemkroon stervormig of bijna stervormig, blauw of wit . 2 Bloemkroon trechter-, klok- of trompetvormig.....3
2 Kroonslippen spits. Keel van de bloemkroon met 5 korte inge
sneden schubben. Meeldraden onder den top met een hoom-
vormig aanhangsel.........Borago 3SS.
Kroonslippen stomp. Keel van de bloemkroon door 5 knobbels gesloten. Meeldraden zonder aanhangsels.
Omphalódes 384.
3 Bloemkroon zonder schubben aan de keel.......4
Bloemkroon altijd met schubben aan de keel.....9
4 Vruchtbeginsel tijdens den bloeitijd ongedeeld. Bloemkroon
trompetvormig, witachtig, met geplooiden zoom.
Heliotrópium 3Samp;. Vruchtbeginsel reeds tijdens den bloeitijd in vieren gedeeld. 5
5 Bloemkroon met scheeven, ongelijk 5-lobbigen zoom, violet of
blauw. Meeldraden ongelijk, uitstekend . Echium 3SO. Bloemkroon met regelmatigen zoom. Meeldraden ingesloten. 6
39»
Asperifolieën.
6 Deelen van het vruchtbeginsel tot aan het midden met den
stijl vergroeid, min of meer driekant. Bloemkroon geel.
Bloemen kortgesteeld.......Amsfnckia 38*.
Deelen van het vruchtbeginsel geheel vrij van den stijl. . 7
7 Kelk niet tot het midden ingesneden. Bloemkroon trechter
vormig, violet of blauw, aan de keel met 5 haarbosjes.
Pulmoniria 38Ã.
Kelk bijna tot aan den voet ingesneden.......8
8 Bloemkroon trechter- of trompetvormig, witachtig, geelachtig,
blauw of rood. Helmknopjes langwerpig.
Lithospérmum 380.
Bloemkroon rolrond-klokvormig, vrij groot, geel. Vruchtjes 2. Planten kaal, blauwgroen, berijpt . . Cen'nthe 38«.
9 Kelk na den bloeitijd vergroot, samengedrukt, 2 bochtig ge
tande lobben vormend. Bloemkroon trechtervormig, klein, blauw. Nootjes knobbelig ruw . . . . Asperügo 384. Kelk na den bloeitijd niet samengedrukt.......10
10 Nootjes met weerhaken bezet...........11
Nootjes zonder stekels..............12
11 Bloemkroon trompetvormig, lichtblauw. Nootjes met vooruit
stekenden, met stekels bezetten rand.
Echinospérmum 38S. Bloemkroon trechtervormig, bruinrood of purperviolet. Nootjes op de geheele buitenvlakte stekelig, plat gedrukt.
Cynoglóssum 38-#.
12 Bloemkroon donkerblauw, rose-purper of geelachtig, vrij groot,
rolrond-klokvormig, met lancet-priemvormige, kegelvormig samenneigende, klierachtig getande schubben.
Symphytum 38*.
Bloemkroon blauw of violet of alleen in het begin geel, later
blauw, meest klein..............13
Bloemkroon groenachtig-geel of geelachtig-wit, klein, buis-trechtervormig . . . Lithospérmum officinale 38«.
13 Keelschubben kaal, geel. Bloemkroon trompetvormig.
Myosótis 387.
Keelschubben behaard, wit............14
14 Buis der bloemkroon recht. Bloemen vrij groot.
Anchüsa 384. Buis der bloemkroon knievormig gebogen. Bloemen klein.
Lycópsis 38J..
383
Asperitolieën.
1. Heliotrópium L.
1 Stengel vertakt, dicht behaard. Bladen gesteeld, eirond-ellip-tisch, ruw, gaafrandig. Kelkslippen dicht behaard, bij de rijpheid der vrucht stervormig uitgespreid. Bloemkroon wit. 0,15-0,30. 0. JuniâAugs. Zeer zeldzaam, aan de oevers van rivieren.....Heliotroop. H. europaéum L.
2. Asperügo Trn.
i Stengel neerliggend, door gekromde stekels ruw. Bladen ellip-tisch-lancetvormig of langwerpig, borstelig gewimperd. Bloemkroon klein, blauw, met witte buis, eerstpurperviolet. Bloemen alleenstaand of 2 bijeen. 0,15-0,60. ©. Mei, Juni. Op duin- en zandgrond . Scherpkruid. A. procümbens L.
3. Echinospérmum Sw. Stekelzaad.
1 Bladen aangedrukt behaard. Bloemstelen ten slotte rechtopstaand. Nootjes aan den rand met 2 rijen dikke weerhaken. Bloemkroon lichtblauw. 0,20-0,40. ©Q. MeiâSeptr. Vrij zeldzaam, op droge, zonnige, ruige plaatsen, aan wallen en heggen. (Ldppula Myosótis Mnch.)
Gewoon S. E. Ldppula Lehtn.
Bladen afstaand behaard. Bloemstelen ten slotte neergebogen. Nootjes aan weerszoden van den rand met 1 rg weerhaken. Bloemkroon lichtblauw. 0,15-0,25. 0. JuniâAugs. Eenige malen gevonden. (Lappula defléxa Wahlnbg.)
Kromstekelig S. E. deflexum Lehm.
4. Cynoglóssum Trn.
i Plant kort behaard, grijs. Bladen langwerpig-lancetvormig,aan weerszijden kort behaard, de middelste en bovenste half sten-gelomvattend. Nootjes met uitstekenden rand. Bloemkroon bruinrood, zelden wit. 0,30-0,60. QQ. MeiâJuli. Vrij algemeen, op zandige gronden^ langs dijken, ook in de duinen.
Hondstong. C. officinale L.
5. Ompbalódes Trn.
1 Bloeiwgzen armbloemig, alleen aan den voet bebladerd of onbebladerd. Bloemstelen ten slotte naar beneden gebogen. Bladen stekelpuntig, de onderste langgesteeld, eirond of hartvormig-eirond. Stengelbladen eirond-Iancetvormig. Bloemkroon hemelsblauw. 0,05-0,15. April, Mei. Sierplant uit Oostenrgk, soms verwilderd in bosschen.........Gedenk mg. t O. vérna Mnch.
384
Asperifolieën.
6. Amsmckia Lehm,
1 Bladen lijnvormig, de hoogere eirond, zittend. Stengel niet vertakt, met 4 of 5 aarvormige trossen aan den top. Trossen onbehladerd of beneden bebladerd. Bloemkroon geel. 0,05-0,15. ©. JuniâAugs. Uit Californië. By Koudekerke, Soeterwonde en Deventer gevonden.......A. lycopsoides Lehm.
7. Borago Tm.
i Stengel vertakt, stijf behaard. Onderste bladen elliptisch, in den bladsteel versmald, de bovenste eirond-langwerpig tot langwerpig-lancetvormig, stengelomvattend. Kelkslippen, als de vruchten rijp zijn, samenneigend. Bloemkroon blauw, zelden wit of roodachtig. Augurkachtig smakend. 0,30-0,60. 0. JuniâAugs. Op bouwland, ruigten, puinhoopen, langs wegen, niet zeldzaam . . . Bernagie. B. officinalis L.
8. Anchüsa L.
i Keelschubben eirond, fluweelachtig behaard. Bloemstelen na den bloeitijd naar buiten gekromd. Bladen langwerpig tot lijn-lancetvormig. Bloemkroon purperviolet, zelden blauw of wit. 0.30-0,80. QO ook 2|_. MeiâOctr. In de duinen, ook aan wegen en op andere onbebouwde plaatsen.
Ossetong. A. officinalis L.
9. Lycópsis L.
1 Plant borstelig behaard. Stengel rechtopstaand of opstijgend. Bloemstelen na den bloeitijd rechtopstaand. Bladen langwerpig tot lijn-lancetvormig, getand. Bloemkroon lichtblauw, met witte buis. 0,15-0,30. © en ©Q. JuniâOctr. Algemeen , op zandgrond, aan wegen en in bouwland. (Anchusa arvénsis M. B.).....Kromhals. L. arvénsis L.
10. Symphytum L.
1 Stengel vertakt. Bladen lang afloopend, de onderste eirond tot langwerpig-lancetvormig, de bovenste lancetvormig. Kelkslippen toegespitst. Kroonslippen omgeslagen. Bloemkroon vuilpurper of violet, roserood of wit. Vruchtjes glad, glanzend. 0,30-0,80. 2J- Mei, Juni. Algemeen op vochtigen grasgrond en aan waterkanten.
Keelwortel. Waalwortel. Scheurwortel. Felje. Schuur-wortel. Vetwortel. Spekwortel. Smeerwortel.
S. officinale L.
HEUKELS, Schoolflora. 8' druk. 25
39S
Asperifolieën.
11. Ãchium Tm.
1 Stengel kort behaard en met verspreide, langere, op witte of bruine knoopjes staande baren bezet. Kroonbuis korter dan de kelk. Bladen 1-nervig, lancetvormig, zittend, niet stengel-omvattend. Bloemkroon eerst roodachtig, later blauw, zeldzamer wit of vleeschkleurig. 0,30-1,00. ©G- JuniâSeptr. Algemeen, in de duinen en op hoogen zandgrond.
Slangenkop. Slangenkruid. E. vulgére L.
12. Pultnondria Tm.
1 Wortelbladen hartvormig-eirond, spits, l1/ï-maal zoo lang als breed, wit gevlekt. Bladsteel even lang als of iets korter dan de schijf. Bloemkroon eerst rood, later blauwviolet. 0,-15-0,30. 2J.. MaartâMei. Zeldzaam, in boschachtige streken.
Longkruid. P. officinalis L.
Ook is zeldzaam gevonden P. longifólia Bor., die zich onderscheidt, doordat de wortelbladen niet of weinig gevlekt en langwerpig-lancetvormig zijn.
13. Lithospérmum Tm. Parelkruid. Wild Steenzaad.
Scherpbehaarde kruiden met rechtopstaanden, vertakten stengel, gaafrandige bladen en okselstandige bloemen, die ten laatste een naar één zijde gekeerdeu tros vormen........1
1 Stengel dicht bebladerd. Bladen met duidelijke zijnerven. Bloemkroon met korte buis en kleine keelschubben, groenachtig geel of witachtig. Nootjes glad, glanzig, wit- of blauwgrijs. 0,30 0,60. 2j.. Mei. Juni. Niet zeldzaam, in duinen en op zandig bouwland en op boschgrond.
Gladzadig P. L. offlcindle L.
Stengel niet dicht bebladerd. Bladen met onduidelijke zijnerven. Bloemkroon met lange buis, zonder keelschubben, witachtig, zelden blauwachtig, meest met een violetten ring. Nootjes rimpelig, bijna dof, bruin. 0,15-0,35. ©0 en ©. Mei, Juni. Niet zeldzaam, als de vorige.
Ruwzadig P. L. arvénse L.
14. Cerinthe Trn. Wasblocm.
1 Blocaikroou (tot over het derde deel) S-spletig, met samensluitende slippen, geel. Onderste bladen omgekeerd-eirond. de bovenste hartvormig-Iangwerpig, stengel-omvattend, 0,15-0,46. 2(.. MeiâJuli. Alleen bg Deventer gevonden.
Kleine W. C. minor L.
39e
Asperifolieën.
15. Myosótis Dill. Vergeet-mij-niet.
Behaarde kruiden met vertakten, sterk bebladerden stengel, gaafrandige bladen en meestal een dubbele schroef van bloemen.
Bloemen hemelsblauw met gele keel..........ï
Kelk aangedrukt behaard.............2
Kelk met afstaande, meest teruggekromde haren bezet . . 4 Stengel kantig. Stijl even lang als of langer dan de kelkbuis. Kelk 5-tandig................3
Stengel rolrond. Bladen langwerpig. van voren breeder, stomp. Kelk 5-spletig. Stijl zeer kort, nauwelijks half zoo lang als de kelk. Bloemkroon hemelsblauw. 0,-15-0,45. ©Q. JuniâAugs. Algemeen, aan waterkanten en op moerassigen grond.
Zode V. M. caespitósa Schultz. Stengel onbehaard of met wijd uitstaande, zachte haren bezet. Bloemen groot, hemelsblauw, zeldzamer wit. Bladen lang-werpig-Iancetvormig, spits. 0,15-0,45. 2).. MeiâAugs. Algemeen , aan waterkanten en op moerassige plaatsen.
Moeras V. M. palüstris L. Stengel met liggende, ruwe haren. Bloemen klein, bleekblauw. 2j.. Niet zeer algemeen, als de vorige.
Ruwharige V. M. strigulósa Rchb. Zoom der bloemkroon vlak, 0,006-0,01 in middellijn. Vruchtstelen l1/2-2-maal zoo lang als de kelk. Kelk rijkelijk met gekromde haren bezet. Kelktanden korter dan of juist even lang als de kroonbuis (bij M. intermedia duidelijk langer). Bloemkroon hemelsblauw, omstreeks zoo groot als bij M. palüstris. 0,15-0,45. 2J., ook ©O. Mei, Juni. Zeldzaam, in bosschen en op hooge gronden . . B o s c h V. M. sylvötica Hoffm. Zoom der bloemkroon meestal verdiept, 0,003-0,005 in middellijn ...................5
Trossen onbebladerd. Vruchtstelen meest bijna horizontaal
afstaand..................6
Trossen beneden bebladerd, veelbloemig. laag aan den stengel beginnend. Vruchtstelen bijna rechtopstaand, korter dan de gesloten vruchtkelk. Bloemkroon klein, lichtblauw. 0,05-0,20. ©. AprilâJuni. Algemeen op bouwland, langs wegen en dijken. (M. arenaria Schrad.) Voorjaars V. M. striata Lk. Bloemkroon geel, later violet, eindelijk blauw. Kroonbuis ten laatste bijna dubbel zoo lang als de kelk. Vruchtstelen korter dan de kelk. 0,10-0,25. 0. Mei, Juni. Algemeen, als de vorige.......Bonte V. M. versicolor Sm.
25*
399
Solaneeen.
Bloemkroon blauw. Kroonbuis in den kelk ingesloten . . 7 7 Vruchtstelen tot dubbel zoo lang als de kelk. Kelk tijdens den vrucbttijd gesloten. De geheel ontwikkelde trossen meestal korter dan de stengel onder het begin van den tros. 0,-15-0,50. © , zelden 2)-. MeiâHerfst. Algemeen, als de vorige......Middelste V. M. intermédia Lk.
Vruchtstelen even lang als of iets korter dan de kelk. Kelk tijdens den vruchttijd open. De geheel ontwikkelde trossen zijn even lang als of langer dan de dunne stengel onder het begin van den tros. 0,07-0,25. ©. Mei, Juni. Vrij algemeen, als de vorige . . . Ruwe V. M. hispida Schldl.
C1V. Fam. Solaneeën. Nachtschaden, v.
Kelk 5(4-6j-spletig of -deelig. Bloemkroon 5(4-6]-lobbig. Meeldraden 5(4-6], op de bloemkroon gezeten. Vruchtbeginsel 2-, zelden meerhokkig, met i stijl en stempel. Vrucht een bes of doosvrucht met veel zaden.
\ Heesterachtige planten. Vrucht een bes.......2
Kruidachtige planten..............3
2 Bloemkroon trechtervormig. Kelk 5-tandig of 2-lippig. Helm-
knoppen niet samenneigend......I^cium 3SV.
Bloemkroon stervormig of bijna stervormig, violet, de kroon-slippen aan den voet ieder met 2 groenachtig wit gerande vlekken. Helmknoppen samenneigend . Solanum 380.
3 Bloemkroon stervormig of bijna stervormig. Vrucht een bes. 4 Bloemkroon klok-, trechter- of trompetvormig.....5
4 Bloemen in schermvormige trossen. Kelk na den bloeitijd
niet vergroot. Bladen enkelvoudig tot gevind.
S olanum 389.
Bloemen alleenstaand, knikkend. Kelk na den bloeitijd sterk vergoot, de bes insluitend. Bladen enkelvoudig, ongedeeld, gaafrandig............Ph^salis 391.
5 Bloemkroon lichtblauw, violetbruin of van buiten bruin, van
binnen olijfgroen, klokvormig of buis-klokvormig. In het laatste geval de vrucht een doosvrucht, anders een bes . 6 Bloemkroon geelachtig, wit, rose of rood. Vrucht een doosvrucht ...................8
6 Bloemkroon lichtblauw met witten voet. Helmknoppen samen
neigend. Kelk na den bloeitijd opgeblazen. Nicandra 39M.
3SS
Solaneeën.
Bloemkroon violetbruin of bruin, althans van buiten ... 7
7 Bloemkroon violetbruin met geelbruinen voet. Helmknoppen
niet samenneigend. Kelk na den bloeitijd vergroot, uitgespreid. Vrucht een zwarte bes.....A'tropa 391.
Bloemkroon buis klokvormig, van buiten bruin, van binnen olijfgroen, met gelen voet. Kelk opgericht. Vrucht meteen dekseltje openspringend.......Scopólia 30t.
8 Bloemkroon niet geplooid, met een ongelijken 5-lobbigen zoom.
Kelk kroesvormig, blijvend. Doosvrucht met een deksel
openspringend.........Hyosc^amus 391.
Bloemkroon min of meer geplooid, met een 5-lobbigen zoom. Doosvrucht 2-hokkig..............9
9 Kelk bijna geheel afvallend. Bloemkroon trechtervormig, wit,
zeldzamer violet. Doosvrucht stekelig, 4-kleppig.
Datüra 39^.
Kelk blijvend. Doosvrucht glad, 2-kleppig......quot;10
10 Kelk 5-spletig. Bloemkroon trechter- of trompetvormig. Bloemen
in pluimen of trossen. Doosvrucht met 2-tandige of 2-spletige
kleppen............Nicotiana 392.
Kelk 5-deelig. Bloemkroon trechtervormig met verlengde buis. . Kleppen der doosvrucht ongedeeld. Bloemen alleenstaand.
Petunia 398.
1. Lycium L.
i Takken slank, ten deele rechtopstaand, ten deele overhangend, vaak gedoomd. Bladen langwerpig-lancetvormig, langzaam in den steel versmald. Bloemen alleenstaand of in arm-bloemige bijschermen in de bladoksels. Kroonslippen bijna even lang als de buis. Bloemkroon violetrood. Bes langwerpig, menierood. 1,00-3,00. h. JuniâSeptr. Soms gekweekt en verwilderd in de zeeduinen en in heggen bij Nijmegen en in Limburg. Vergiftig! . Boksdoorn L. bérbarum L.
2. Solatium L. Nachtschade.
Kruiden, zelden houtachtige planten met vertakten, bebladerden stengel, gesteelde bijscherrnen en sappige, veelzadige, vergiftige bessen......................1
1 Bladen afgebroken gevind............2
Bladen niet gevind...............3
389
Solaneeën.
2 Bloemkroon dubbel zoo lang als de kelk, 5-hoekig, blauwachtig, lila of wit. Helm-
knopjes vry, aan den top met 2 poriën openspringend. Bloemen tamelyk groot. Blaadjes eirond, toegespitst, aan den voet scheef, vaak hartvormig, gaafraudig. Met knollen (aan den top der uitloopers). Bes bolrond, glad, groenachtig. 0,60-1,00. 2|.. Juli, Augs. Overal gekweekt. Afkomstig uit Zuid-Amerika.
Aardappel, f S. tuberosum L.
Bloemkroon even lang als de kelk, geel. Helmknopjes vergroeid, van binnen met overlangsche spleten openspringerd. Bloemen meer dan 5-tallig. Blaadjes langwerpig, vinspletig. Geen knollen. Bes afgeplat bolrond, gegroefd, glanzig, scharlakenrood, zelden geel of wit. 0,60-1,20. O- JuliâOctr. Sierplant uit tropisch Amerika . . Appeltje der Liefde. Tomaat, t S. Lycopérsicum Trn.
3 Planten kruidachtig. Bladen eirond of bijna driehoekig, bochtig
getand. Bes bolrond. Bloemkroon wit ......4
Plant heesterachtig. Stengel vaak klimmend, kaal. Bladen langwerpig-eirond, vaak met hartvormigen voet, de bovenste vaak spiesvormig of geoord 3-tallig. Bloemkroon ten laatste teruggeslagen, violet, aan den voet van iedere slip met 2 groene, witgerande vlekken, zelden wit. Bes eirond of elliptisch, scharlakenrood. 0,3(M,50. 1). JuniâAugs. Aan heggen, tusschen kreupelhout op vochtige plaatsen. Vergiftig!
Rekop. Hoe langer hoe liever. Walschot. Wahhout. Elgjeshout. Dolbessenhout. Weerhout. Kwalster. Slug ter. Hondebeishout.
Oerhout. Elfrank. Bitterzoet. S. Dulcaméra L.
4 Stengel en takken min of meer scherpkantig, evenals de bla
den met verspreide, naar binnen gekromde of aangedrukte haren bezet of bijna kaal. Bladen donkergroen, wigvormig in den steel versmald, meest iets bochtig getand tot gaaf-randig. Bloemkroon meest klein, wit. Bes zwart, glanzend. 0,10-0,80. ©. JuniâOctr. Algemeen, op bouwland en ruige plaatsen, langs wegen en in moeshoven. Vergiftig!
Hondebes. Dolkruid. Dolle beien. Walschot. Zwarte N.
S. nigrum L.
Bes groengeel tot wasgeel. Stengel en bladen b\jna kaal. Zeer zeldzaam,
de variëteit...............a. hümile Bernh.
Stengel en takken stompkantig, bjjna viltig en vooral naar boven, evenals de bloemstelen en kelken, door talrgke, afstaande, gelede klierharen dicht behaard. Bladen bijna viltig, eirond, met versmalden of afgeronden voet. Bes meest geel. 0,10-0,40. ©. JuniâOctr. Waarschynlgk alleen in Limburg. Vergiftig!
Vlokkige N. S. villosum Lmk.
By Bennekom is eenmaal gevonden.........S. rostratum Duval.
Deze eenjarige plant bezit een beneden vaak houtigen stengel, die dicht behaard is. De bladen zyn dubbel of enkel vinspletig. De bloemen zyn geel (0,02 in middel-lyn) niet teruggebogen meeldraden en styl en de vrucht is een bes, ingesloten in den sterk gedoornden kelk, 0,30-0,60. Oorspronkelyk uit Amerika.
Om de vrucht en ook als sierplant wordt Capsicum dnnuum L., spaansche peper, in tuinen gekweekt. Bladen elliptisch of eirond, toegespitst. Bloemen klein. Helmknoppen kleiner dan de helmdraden. Bes weinig sappig, meest langwerpig, scharlakenrood, oranje, geel, ook bont, door den vergrooten kelk omgeven. Bloemkroon wit. 0,30-0,60. JuniâSeptr. Uit Mexico. Vergiftig!
300
Solanceën.
3. Nicandra Adans.
Bladen eirond-langwerpig of langwerpig, meest bochtig getand. Bloemen gaffel- en eindstandig, tamelijk groot. Vruchtkelk knikkend. Vrucht bijna bolrond. Bloemkroon lichtblauw, aan den voet wit. 0,30-1,00. ©. JuliâOctr. Zeldzaam, in weilanden en moestuinen.
Gifbes. N. physaloides Gaertn.
4. Phy'salis L.
Bladen eirond, spits, tamelijk langgesteeld, de bovenste 2 byeen. Bloemen knikkend. Vruchtstelen neergebogen. Bes bolvormig, oranje. Kelk later zeer groot, scharlakenrood. Bloemkroon witachtig. 0,30-0,60. JuniâAugs. Op sommige plaatsen verwilderd gevonden......Jodenkers. P. Alkekéngi L.
5. Scopólia Jacq.
Bladen elliptisch of eirond, gesteeld. Bloemen alleenstaand in de bladoksels, hangend. Bloemkroon buis-klokvormig, van buiten glanzend, leverbruin, aan den voet groenachtig, geaderd, van binnen olyfgroen, dof. Uit Oostenryk. 0,30-0,40.
April, Mei. Op een paar plaatsen verwilderd.
Klokbilzenkruid. S. carniolaca Jacq.
6. A'tropa L.
Bladen eirond, kortgesteeld, in den steel afloopend, de bovenste 2 aan 2, één daarvan kleiner. Bloemen knikkend. Bes bolrond, glanzig zwart, met violet sap. Bloemkroon violet-bruin. O^O-djBO. 2J.. JuniâAugs. In boschachtige streken, tusschen hakhout, zeer zeldzaam, vooral in Limburg. Zeer vergiftig!
Belladonna. Doodkruid. Wolfskers. A. Belladonna L.
7. Hyoscyamus Trn.
Stengel, bladen en kelken kleverig, wollig behaard. Bladen langwerpig-eirond, grof bochtig getand, de onderste gesteeld, de bovenste stengelomvattend. Bloemen bijna zittend. Bloemkroon vuilgeel, sierlijk violet geaderd. 0,30-0,60. OQi zelden ©. JuniâOctr. Niet zelden bij steden en dorpen op mesthoopen, kerkhoven, langs wegen en dijken. Zeer vergiftig!
MaIwillempjeskruid. Dolkruid. PiIzenkruid. H. nfger L.
»91
Scrophularineeën.
8. Datura L.
1 Bladen gesteeld, eirond, ongelijk bochtig getand, kaal. Bloemen alleenstaand, gaffel- en eindstandig. Bloemkroon groot, wit. Doosvrucht eirond. Zaden niervormig, zwart. 0,10-4,00. ©. Juli, Augs. Niet zeldzaam, op mesthoopen, in tuinen, op bouwland. Zeer giftig!
Dolappel. Doornappel. D. Stramónium L.
9. Nicotiana Tm. Tabak.
1 Bloemkroon rose, trechtervormig, met spitse zoomlobhen. Bladen langwerpig-lancet-vormig, toegespitst, de onderste afloopend. Pluim uitgespreid. Doosvrucht spits. 1,00-1,25. 0. JuliâSeptr. Gekweekt. Uit Zuid-Amerika. Vergiftig!
V e 1 d T. f N. Tabacum L. Bloemkroon groenachtig-geel, trompetvormig, met afgeroude, stompe zoomlobben. Bladen gesteeld, eirond, vaak aan den voet iets hartvormig, stomp. 0,60-1,25. O. JuliâSeptr. Soms gekweekt. Uit Mexico. Vergiftig!
Boeren T. fN. rüstica L. Misschien worden nog andere soorten in Gelderland en Utrecht gekweekt.
10. Petunia Juss. Petunia.
1 Bloemstelen langer dan de bladen. Kroonbuis slank, 3-4-maal zoo lang als de kelk. Zoomlobben afgerond. Bloemkroon wit, violet gestreept. 0,30-1,20. Q. Juniâ Herfst. Sierplant uit Zuid-Amerika. (Nicotiana nyctaginiflóra Lelini.)
Gestreepte P. fP. nyctaginiflóra Juss. Bloemstelen omstreeks even lang als de bladen. Kroonbuis omstreeks dubbel zoo lang als de kelk. Zoomlobben spits. Bloemkroon violet-rood, met donkerder keel. 0,15-0,30. O. 00k JuniâHerfst. Sierplant uit Zuid-Amerika. Vormt met de vorige soort talrijke bastaarden.
Violette P. P. violacea Lindl.
CV. Fatn. Scrophularineeën. Leeuwebekach tigen.
Kelk 4-5-tandig of -spletig. Bloemkroon onregelmatig 4-5-tandig of -spletig of 2-lippig. Meeldraden 5, of 4, tweemachtig of 2. Vruchtbeginsel i-2-hokkig met 1 stijl en i of 2 stempels. Zaden met kiemwit.
1 Planten met groene bladen............2
Planten zonder groene bladen. Kelk 4-spletig. Bloemkroon
2-lippig. Aan den voet van het vruchtbeginsel een vleezige honigklier. Schubvormige bladen tegenoverstaand.
Lathraéa 4O0.
2 Meeldraden 5, ongelijk, gedeeltelijk of alle met violette of
witte wol bezet. Bloemkroon stervormig, 5-spletig. Kelk 5-
spletig............Verbascum 394.
Meeldraden 2.................3
3»^
Scrophularineeën.
Meeldraden 4, 2 langere en quot;2 kortere, soms ook 4 even lange. 5
3 Bloemkroon 2-lippig. Onderlip groot, sterk opgeblazen.
Calceolaria 309.
Bloemkroon ster- of klokvormig, niet 2-lippig . . . . 4
4 Kelk 5-deelig, dicht er onder 2 schutblaadjes. Bloemkroon
2-lippig, met verlengde buis. Behalve de vruchtbare, 2
onvruchtbare meeldraden......Gratiola 399.
Kelk 4-, zeldzamer 5-deelig, zonder schutblaadjes, vlak daarbij. Bloemkroon meest stervormig, 4-deelig, met eenigszinsongelijke slippen. Geen onvruchtbare meeldraden. Veronica 399.
5 Bloemkroon aan den voet met een spoor of bult, 2-lippig,
gemaskerd..................6
Bloemkroon zonder spoor of knobbel........7
6 Bloemkroon met een bult. Doosvrucht aan den top met 4
gaten openspringend......Antirrhinum 397.
Bloemkroon met een lange spoor. Doosvrucht met kleppen openspringend...........Linaria 39i.
7 Kelk 2-spletig of 5-tandig of 5-spletig. Bloemkroon 2-lippig,
de bovenlip helmachtig, zijdelings samengedrukt. Bladen vindeelig tot gevind, verspreid . . . Pedicularis tOS. Kelk 5-tandig tot 5-deelig. Bladen ongedeeld, zeldzamer gevind, doch dan tegenoverstaand.........8
Kelk 4-tandig of 4-spletig. Bladen ongedeeld, tegenoverstaand. 11
8 Doosvrucht althans van boven 1-hokkig. Kleine, eenjarige
oeverplanten. Bladen in een wortelroset, langgesteeld. Kelk 5-tandig. Bloemkroon bijna regelmatig 5-spletig. 0,02-0,05
hoog plantje..........Limosélla 399.
Doosvrucht 2-hokkig. Grootere, meer dan 0,80 hooge planten 9
9 Bladen tegenoverstaand..............10
Bladen verspreid. Bloemkroon buikig buisvormig, met korten
4-lobbigen zoom. groot, naar beneden gericht.
Digitalis 399.
10 Bloemkroon buis-trechtervormig, 2-lippig, met 2-lobbige boven-
en 3-lobbige onderlip, geel.....Mfmulus 399.
Bloemkroon bijna bolrond, 2-lippig met smallen, 5-lobbigen zoom. Middellob der onderlip teruggeslagen. Als begin van een 5⢠meeldraad is meest een klierachtige schub aanwezig.
Scrophularia 390.
11 Kelk buikig opgeblazen, min of meer zijdelings samengedrukt.
Bovenlip der bloemkroon samengedrukt, onder den top aan weerszijden met een tand. Bladen smal.
Rhinanthus 404.
393
Scrophularineeën.
Kelk niet opgeblazen, buis- of klokvormig......42
12 Hokjes der vrucht veelzadig. Zaden gegroefd. Bladen alle of althans de onderste min of meer duidelijk gezaagd.
Euphrasia
Hokjes der vrucht 1-2-zadig. Zaden glad. Bladen (niet te verwarren met de soms gekleurde schutbladen!) gaafrandig.
Melamp^rum iOS. De familie der Scrophularineeën wordt vaak in 3 familiën gesplitst, n.1. deVerbasceeën (gesl. Verbascum, Scrophularia), de Antirrhineeën (gesl. Antirrhinum, Linaria, Limosélla, Calceolaria, Digitalis en Veronica) en de Rhinantheeën (gesl. Euphrasia, Rhinanthus, Pedicularis, Melampyrum en Lathraea).
1. Verbascum L. Toorts.
Viltig wollig behaarde planten met rechtopstaanden stengel, zittende of afloopende bladen en een eindelingschen tros of pluim van bloemen.................1
4 Bloemen in een enkelvoudigen, verlengden tros. Bloemkroon vlak. Meeldraden violet-wollig. Bladen niet afloopend . 2 Bloemen in aarvormig gerangschikte kluwens (bijschermen). 3
2 Bladen van onderen kortbehaard, de wortelslandige in een roset, eirond of lang
werpig, grof gekarteld, gesteeld, de stengelstandige klein, zittend. Bloemstelen vele malen langer dan de schutbladen. Helmknopjes even groot. Bloemkroon violet. 0,30-0,60. 2|-. MeiâJuli. In de duinen bjj Sandpoort en bg Hoog-Keppel gevonden.............Violette T. V. phoemceum L.
Bladen kaal, de onderste langwerpig-omgekeerd-eirond, bochtig, kortgesteeld, de bovenste met eenigszins hartvormigen voet, zittend. Bloemstelen bij het opengaan der bloemen 41;'2-2-maal zoo lang als de schutbladen. Helmknopjes ongelijk. Bloemkroon lichtgeel, van buiten voor het opengaan roodachtig. 0,60-4,20. O©. JuniâAugs. In zandige streken op vochtige plaatsen, aan waterkanten.
Motwerende T. V. BlattAria L.
3 Bloemstelen tijdens den bloeitijd zeer kort. Helmknopjes der
2 langste meeldraden min of meer afloopend. Bladen aan
weerszijden wollig viltig.............4
Bloemstelen tijdens den bloeitijd dubbel zoo lang als de kelk. Alle meeldraden wollig. Helmknopjes tamelijk gelijk, nier-vormig. Bloemkroon vrij groot. Bladen niet of kort langs den stengel afloopend.............6
4 Zoom der bloemkroon verdiept. De 2 langere meeldraden
(minstens) 3-4-maal zoo lang als hunne kort afloopende helm-
:t'n
Scrophularineeën.
knopjes, kaal of bijna kaal. Stempel knopvormig. Bladen van blad tot blad afloopend. Bloemkroon tamelijk klein (0,02-0,022 breed), lichtgeel. 0,50-1,50. O©. JuliâSeptr. Zeer veel, oponbebouwden zandgrond, tusschenkreupelhout. (V. Thapsus L.) Walkruid. Nachtkaars. Koningskaars.
V. SchrAderi G. May. Zoom der bloemkroon vlak of bijna vlak. De 2 langere meeldraden l'/j-S-maal zoo lang als hunne afloopende helmknoppen. Stempel langs den stijl afloopend, knotsvormig. 5
5 Bladen geheel of bijna geheel tot het volgende blad afloopend,
duidelijk gekarteld, langwerpig-elliptisch. Bloemkroon groot (0,03-0,035 breed), geel. 0,50-1,50. OQ. JuliâSeptr. Alleen in Gelderland, Overijsel en Noord-Brabant gevonden op bebouwde zandgronden en in bosschen.
Grootbloemige T. V. thapsifórme Schrad.
â Bladen kort of half afloopend, eirond, de middelste langwerpig-eirond, zelden alle langwerpig-lancetvormig. Vilt geelachtiger. Overigens als de vorige soort. 0,50-1,50. QQ. Juli, Augs. Op dezelfde plaatsen als de vorige.
Windbloem T. V. phlomoides L.
6 Meeldraden witwollig. Stengel naar boven, evenals de takken,
scherpkantig. Bladen van boven bijna kaal, van onderen, evenals de stengel, viltig, de onderste in den vaak langen bladsteel versmald, de bovenste zittend. Bloeiwijze pluim-vormig vertakt. Bloemkroon lichtgeel, soms wit. 0,60-1,20. ©Q. JuniâAugs. Zeldzaam, op zonnige heuvels en langs
wegen.........Melige T. V. Lychnitis L.
Meeldraden violet-wollig.............7
7 Wortelbladen en onderste stengelbladen golfsgewys ingesneden of vinspletig, de
hoogere gedarteld, met hartvosniigen voet, zittend. Alle bladen viltig. Trossen pluimvormig. Bloemkroon vrg klein, geel. Stengel roml. Uit Z -Europa. 0,80-1,50. H.. Juli, Augs. üp klaverland bg Apeldoorn gevonden.
Gegolfde T. V. sinuatum L.
Onderste stengelbladen hartvormig-eirond, langgesteeld, de hoogere eirond-langwerpig, bijna zittend, alle van boven bijna kaal, van onderen, evenals de stengel, dunviltig. Trossen slank. Stengel naar boven scherpkantig. Bloemkroon lichtgeel, aan den voet bloedrood gevlekt, zelden wit. 0,60-1,20. H-. JuniâSeptr. Vrij algemeen, in hooge, heuvelachtige streken, op zandgrond, langs wegen, dijken enz.
Walkruid. Nachtkaars. Koningskaars. Zwarte T.
V. nigrum L.
39S
Scrophularineeën.
In ons vaderland komen nog: voor bastaarden van V. Lychnitis en V. nigrum, de V. Lychnitidi-nigrum en van V. thapsiforme en V. nigrum de V. thapsi-forme-nigrum.
2. Scrophularia Trn. Helmkruid, xiv.
Kruiden met meestal vierkanten, soms ronden stengel, krulswijs geplaatste, gesteelde bladen en kleine bloemen......1
1 Bloemen in een eindelingsche pluim. Bladen ongedeeld . 2 Bloemen in bij schermen in de bladoksels. Kelkslippen niet
vliezig gerand. Beginsel van een 5en meeldraad ontbrekend. Bladen rondachtig, gezaagd-getand. Stengel vierkant. Ge-heele plant klierachtig dicht behaard. Bloemkroon groenachtig-geel. Oji 5-0,45. GO- AprilâJuni. Zeldzaam, tusschen kreupelhout, bij buitenplaatsen.
Voorjaars H. S. vernéilis L,
2 Stengel scherp vierkant, evenals de bladstelen ongevleugeld.
Bladen aan weerszijden kaal, dubbel gezaagd. Kelkslippen eirond, iets vliezig gerand. Bloemkroon roodbruin of groen-achtig-geel. 0,50-1,00. 2j-. JuniâSeptr. Zeer algemeen, op vochtige, beschaduwde plaatsen, langs slooten en vaarten.
Grooi speenkruid. Aambeiwortel. Knoopig H.
S. nodosa L.
Stengel en bladstelen breed gevleugeld. Kelkslippen breed-vliezig gerand................3
3 Bladen langwerpig-eirond of eirond, aan den voet niet of
nauwelijks hartvormig, spits of stomp.......4
Bladen hartvormig-langwerpig, afgerond, stomp, stomp gekarteld , aan den voet vaak geoord. Beginsel van den 5⢠meeldraad rondachtig niervormig, 'iets uitgerand. Bloemkroon grooter dan bij de vorige soort, purperbruin, alleen aan den voet groen. 0,60-1,50. 2J-. JuniâSeptr. Vrij zeldzaam. Als de vorige. (S. Balbfsii Hornem )
St.-Anthonies kruid. Beekschuim. Water speenkruid.
Moeras H. S. aquatica L.
4 Bladen alle scherp gezaagd, spits. Beginsel van een 5en meel
draad omgekeerd-hartvormig, 2-lobbig. Stengel met rechtopstaande takken. Bloemkroon vuilachtig groen, op den rug bruin. 0,50-1,00. 2J-. JuliâSeptr. Zeldzaam, aan de oevers van rivieren en kanalen. (S. alata Gil.)
Water H. S. Ehrharti Stev.
aoe
Scrophularineeën.
Onderste bladen gekarteld, stomp, de middelste en bovenste scherp gezaagd. Beginsel van den 5el1 meeldraad bijna 3-maal zoo breed als lang, van achteren afgeknot, van voren iets uitgerand. Stengel afstaand vertakt. Bloemkroon levendig lichtrood, alleen aan den voet groenachtig. 0,50-1,00. 2).. JuliâSeptr. Vrij zeldzaam, aan begroeide slootkanten.
Takkig H. S. Néésii Wirtg.
3. Antirrhinum Tm. Leeuwebek. xiv.
Kruiden met vertakten, naar boven klierachtig behaarden stengel, verspreide, gaafrandige bladen en gesteekie bloemen. . . . 1
4 Stengel ruw behaard. Bloemen vrij groot, in losse aren. Kelkslippen lijnvormig, even lang als of langer dan de bloemkroon en de doosvrucht. Bloemkroon bleekrood, zeer zelden wit. 0,08-0,30. ©. JuliâOctr. Vrij algemeen, op bebouwde en onbebouwde zandgronden.
Roode Kal/ssnuit. Veld L. A. Oróntium L.
Stengel beneden kaal. Bloemen groot, in ijle trossen. Kelkslippen rondachtig-omgekeerd-eirond, korter dan de bloemkroon. Bloemkroon purper, zelden wit. 0,30-0,60. 2|.. Juniâ Septr. Sierplant uit Zuid-Europa, ook zeldzaam in het wild, op oude muren.......Groote L. A. majus L,
4. Linaria Tm. Vlasbek. Leeuwebek. Vlaskrmd. 1) xiv.
Verschillend gevormde kruiden met meestal verspreide, gaafrandige bladen en gesteelde, okselstandige of in eindelingsche trossen gerangschikte bloemen.............1
1 Stengel liggend of kruipend. Bladen gesteeld. Bloemen alleen
staand in de bladoksels.............2
Stengel rechtopstaand of opstijgend. Bladen zittend ... 4
2 Plant kaal. Bladen korter dan de steel, hartvormig-rondachtig,
5-lobbig, handnervig, van onderen meest purper. Bloemkroon lichtviolet, met 2 gele vlekken. 0,30-0,60. 2J.. Juniâ Augs. Algemeen, op oude muren.
Muur V. L. Cymbalèria L.
303
Plant klierachtig zacht behaard. Bladen langer dan de steel, vinnervig..................3
1
Hg dit geslacht komen radiaal symmetrische bloemen (Peloriën) voor, en wel in 2 vormen, zonder spoor of met 5 sporen.
Scrophularineeën.
3 Middelste bladen spies-, de bovenste pijlvormig. Bloemstelen
meest kaal. Kelkslippen lancetvormig. Spoor recht. Bloemkroon geelachtig-wit, bovenlip van binnen violet, onderlip hooggeel. 0,08-0,45. ©. JuliâOctr. Vrij algemeen, op
bouwland.....SpiesbladigeV. L. Elatine Mill.
Alle bladen met afgeronde:.! voet. Bloemstelen meest ruw behaard. Kelkslippen eirond-lancetvormig. Spoor gebogen. Bloemkroon als bij de vorige soort. 0,08-0,30. O- Juliâ Septr. Als de vorige, zeldzaam.
Eirondbladige V. L. spuria Mill.
4 Bloemen in ijle trossen in de bladoksels. Bloemkroon iets open.
Bloemstelen 3-4-maal zoo lang als de kelk. Kelkslippen lijnvortnig-langwerpig, stomp. Bladen lancetvormig, stomp. Plant klierachtig behaard. Bloemkroon licht-violet, met bleekgeel gehemelte. 0,08-0,20. ©. JuniâOctr. Vrij algemeen, op zandgrond en in moestuinen op teelaarde.
Kleine V. L. minor L. Bloemen in eindelingsche, soms aarvormige trossen. Planten kaal, alleen de bloeiwijze klierachtig behaard ..... 5
5 Onderste bladen tegenoverstaand of kransstandig. Bloemstelen
even lang als of korter dan de kelk........6
Alle bladen verspreid, lancet-lijnvormig met iets omgebogen rand, dicht opeen. Tros dicht. Zaden vlak, gevleugeld. Spil van den tros en bloemstelen meest klierachtig zacht behaard. Bloemkroon lichtgeel, zelden bijna wit. Gehemelte oranje. 0,20-0,50. 2|-. JuniâOctr. Algemeen, op zandgrond , ook op kleigrond in weiden, langs dijken, ook in de duinen.
Gele leeuwebek. Wild vlas. Gewone V.
L. vulgéris Mill.
6 Kelk en bloemstelen klierachtig behaard. Tros hoofdjesachtig.
Bladen lijnvormig, de onderste 4 bijeen. Bovenlip der bloemkroon rechtopstaand met langwerpige, stompe slippen. Zaden rondom gevleugeld, glad. Bloem klein, lichtblauw met donkerder strepen. 0,15-0,30. ©. Juli, Augs. Zeldzaam, op zandig bouwland......Akker V. L. arvénsis L.
Kelk en bloemstelen onbehaard. Tros \jl, tydena den vruchttgd verlengd. Zaden driekantig-eirood, ongevleugeld. Bloemen meest blauwachtig, violet gestreept. 0,30-0,80. 2|,. JuliâAugs. Alleen in de omstreken van Maastricht, op muren, ook een enkele maal in de duinen b\j Bloemendaal.
Gestreepte V. L. striata D. C#
3»8
Scrophularineeën.
5. Gratiola L. n.
i Lichtgroen. Stengel naar boven vierkant. Bladen tegenoverstaand , lancetvormig, half stengelomvattend, naar boven zwak gezaagd, meest 3-nervig. Bloemen gesteeld, alleenstaand in de bladoksels. Bloemkroon geelachtig-wit of bleekrood. 0,15-0,30. 2).. JuniâAugs. In de heide- en veen-streken, op vochtige weilanden of langs waterkanten, niet zeldzaam. Vergiftig! . Genade kruid. G. officinalis L.
6. Calceolaria L. Mutsje. Pantoffelplant.
1 Onderste bladen gevind, de hoogere vinspletig, drielobbig tot ongedeeld. Blaadjes dubbel gezaagd. Bladstelen verbreed, vergroeid. Bloemen in trossen. Bloemkroon zwavelgeel. 0,30-0,60. O JuliâSeptr. Uit Zuid-Amerika. B\j het slot te Loe-nersloot verwilderd.......Geel mutsje. C. scabiosifólia Sims.
7. Limosélla Lindl. xiv.
1 Bladen in een wortelroset, langgesteeld, lijn-spatelvormig of langwerpig, langer dan de bloemstelen. Bloemkroon witachtig of roodachtig-wit. 0,03-0,05. ©⢠JuniâOctr. Vrij algemeen aan kanten van slooten, poelen, vijvers, rivieren.
SI ijk gr o en. L. aquamp;tica L.
8. Miniulus L. xiv.
1 Bladen rondaebtig tot langwerpig-eirond, meest getand, de onderste gesteeld, de bovenste zittend of half stengelomvattend. Bloemkroon groot, licht- of dooiergeel, soms met groote roode vlekken. 0,30-0,60. JuniâOctr. By Dordrecht gevonden. Uit Amerika................M. lutéus L.
9. Digitalis Trn. xvi.
i Stengel en bloemstelen grijsviltig. Bladen eirond tot eirond-lancetvormig, gekarteld, van onderen grijsviltig. Bloemkroon van buiten geheel kaal, van binnen gebaard, lichtpurper, met wit gerande vlekken, zelden wit. 0,40-1,20. ©Q. Juniâ Augs. Op enkele plaatsen zeer veel, vooral in hooge streken in bosschen en op ruige plaatsen. Ook als sierplant gekweekt. Vergiftig! Vingerhoedskruid. D. purpurea L.
10. Veronica L. Eereprijs. II.
Verschillend gevormde kruiden met okselstandige of in trossen staande bloemen, die een ster- of trechtervormige bloemkroorii hebben, welke meest blauw van kleur is........1
399
Scrophularineeën.
Bloeiwijzen scherp afgescheiden van de bebladerde plant, meestal gesteelde trossen of aren vormend. Schutbladen der bloemen klein, door de bloemen geheel bedekt, de tros
daardoor schijnbaar naakt............2
Bloeiwijzen niet scherp afgescheiden. Stengelbladen naar boven toe langzamerhand in groene schutbladen overgaand, die door de bloemen nooit geheel bedekt worden. De bloeiwijzen vormen daardoor aan het eind van den stengel of der takken bebladerde trossen, of als de stengelbladen alle gelijk van vorm zijn, zijn de bloemen alleenstaand in de bladoksels.
Kroonbuis zeer kort..............10
Trossen in de bladoksels. Kroonbuis zeer kort.....3
Trossen (aan den stengel en ook aan de takken) eindelings (soms ook bladokselstandig), dichtbloemig. Kroonbuis meer lang dan breed. Bladen spits, tot aan den top scherp, aan den voet bijna dubbel gezaagd, in kransen van 3-4 of tegenoverstaand, langwerpig- of lijn-lancetvormig met hartvormigen of afgeronden voet. Doosvrucht ingesneden. Bloemkroon hemelsblauw. 0,60-1,20. 2J-. Juli, Augs. Vrij algemeen, op zeer vochtige plaatsen, ook als sierplant gekweekt.
Langbladige E. V. longifólia L.
Kelk 4-deelig.................4
Kelk 5-deelig, de vijfde (bovenste) slip kleiner.....9
Bladen en meestal ook de stengel kaal. Plant in 't water of
op vochtige plaatsen groeiend..........5
Stengel en bladen behaard. Plant op droge plaatsen groeiend. 7 Trossen niet tegenoverstaand, zeer ijl. Stengel slap. Bladen lijn-tot lancetvormig, spits, zittend, iets gezaagd. Doosvrucht vlak, diep ingesneden. Bloemkrbon witachtig, rood of blauwachtig geaderd. 0,15-0,45. 2|.. JuniâAugs. Vrij algemeen, op vochtige, moerassige plaatsen, ook in duinpannen.
Schildzadige E. V. scutelld.ta L. Trossen tegenoverstaand. Doosvrucht opgezwollen ... 6 Stengel bijna vierkant. Bladen eirond tot lancetvormig, spits, fijn gezaagd tot bijna gaafrandig, zittend, half stengelomvat-tend. Trossen verspreid behaard. Doosvrucht eirond tot rond, spits ingesneden. Bloemkroon lichtblauw, donkerder gestreept. 0,15-0,45. 2|.. MeiâAugs. Zeer algemeen, vooral in slooten, langs waterkanten en op vochtige zandgronden.
Water E. V. Anag^llis L. â¢Stengel bijna rond. Bladen elliptisch of langwerpig, stomp, alle kortgesteeld, gekarteld-gezaagd of bijna gaafrandig.
400
Scrophularlneeën.
Trossen kaal. Doosvrucht rondachtig, stomp ingesneden, even lang als de stompe kelkslippen. Bloemkroon hemelsblauw. 0,20 0,60. 2j.. MeiâSeptr. Als de vorige, zeer algemeen .......Beekpunge. V. Beccabünga JL.
7 Stengel met 2 rijen haren, rechtopstaand. Bladen eirond of
hartvormig-eirond, zittend of kortgesteeld, gekarteld-gezaagd. Trossen ijl. Doosvrucht driekantig, aan den voet versmald. Bloemkroon hemelsblauw, donkerder geaderd. 0,15-0,25. 2|-. Mei, Juni. Zeer algemeen, in grasgrond, aan wegen en boschkanten . . . . Gamander E. V. Chamaédrys L. Stengel gelijkmatig behaard............8
8 Bladen langgesteeld, rondachtig-eirond, gerimpeld, teer, even
als de slappe stengel en de armbloemige trossen verspreid behaard. Doosvrucht groot, overdwars breeder, beneden en boven ingesneden. Bloemkroon blauwachtig-wit met donkerder aderen. 0,15-0,45. ij-. MeiâJuli. Zeldzaam, in vochtige bos-
schen..........Berg E. V. montana L.
Stengel kruipend, ruw behaard. Bladen kortgesteeld, omgekeerd eirond, elliptisch of langwerpig, gekarteld. Bloemstelen kort, rechtopstaand. Doosvrucht 3-hoekig met versmalden voet. Bloemkroon lichtblauw of lila, zelden wit. 0,10-0,30. 2)-. JuniâAugs. Zeer algemeen, op open en beschaduwden zand- en heigrond, ook in de duinen.
E. Manneke. V. officinalis L.
9 Stengels liggend of opstijgend. Bladen lijn-lancetvorniig, kort
gesteeld, grof getand of gaafrandig, met omgerolden rand. Tros tamelijk kort. Bloemkroon lichtblauw, zelden rose of wit. 0,08-0,20. 2|.. Mei, Juni. Vrij algemeen, op zonnige, hooggelegen gronden . . Liggende E. V. prostréta L. Stengels rechtopstaand of opstijgend. Bladen eirond tot lan-cetvormig, aan den voet iets hartvormig, ongelijk gezaagd, de onderste kortgesteeld. Trossen verlengd. Bloemkroon hemelsblauw. 0,15-0,45. 21-. Juni, Juli. Vrij zeldzaam, als de vorige.....Breedbladige E. V. latifólia L.
10 De bladen, in wier oksels de bloemen staan, althans de bovenste,
anders van vorm dan de overige, meest eenvoudiger van bouw. Bloemen volledig ontwikkeld, in trossen staand.
Kroonbuis meer kort dan breed..........M
Alle bladen gelijk van vorm (de bovenste soms kleiner), ge-steeld. Bloemen in de oksels der bladen. Stengel met
verlengde, liggende takken...........16
Heukels, Schooljiora. 8e druk. 26
tO I
409 Scrophularineeen.
11 Planten overblijvend. Stengel meest niet vertakt. Bladen on
gedeeld , kaal, eirond of langwerpig, de onderste vaak rond-achtig. Tros veelbloemig, verlengd, wit, blauw gestreept. Stijl lang. Bloemstelen iets langer dan de kelk, rechtopstaand. Stengel opstijgend, aan den voet kruipend. 0,05-0,20. 2|.. MeiâSeptr. Zeer algemeen, langs slooten en moerassen, op bouw- en weiland.
Thymbladige E. V. serpyllifólia L. Planten eenjarig. Stengel (althans die der grootere planten) vertakt. Bladen gekarteld tot gedeeld.......12
12 Bloemstelen even lang als of weinig langer dan de kelk. Plan
ten min of meer klierachtig behaard. Zaden bekkenvormig. 13 Bloemstelen korter dan de kelk. Zaden vlak......M
13 Bladen alle kortgesteeld, gekarteld, rond-eirond, de onderste
met hartvormigen voet. Schutbladen 1- of 2-tandig of gaaf-randig. Doosvrucht meer lang dan breed. Bloemkroon donkerblauw, tamelijk klein. 0,03-0,20. ©. April, Mei, zelden later. Zeldzaam, op bouw-, moes- en braakland.
Vroege E. V. préecox All. Middelste en bovenste bladen zittend, handvormig 3- tot 5-deelig, de onderste gesteeld, eirond, gekarteld. Schutbladen 3-deelig. Doosvrucht rond. Bloemkroon blauw, tamelijk groot. 0,05-0,15. ©. Maart, April, zelden later. Op zandig bouw-, moes- en braakland, vrij algemeen.
Driebladige E. V. triphyllos L.
14 Bladen ongedeeld. Bloemkroon lichtblauw of wit .... 15 Middelste bladen vindeelig, steelachtig versmald. Bloemkroon
blauw. Plant naar boven kort behaard , niet of weinig klierachtig. Bladen dun, grasgroen. Stijl nauwelijks 1/3-maal zoo lang als het tusschenschot der doosvrucht. Hokjes der doosvrucht 6- tot 8-zadig. Bloemen klein. 0,03-0,30. ©. April, Mei. Zeldzaam , op bouw-, moes- en braakland.
Voorjaars E. V. vérna L.
15 Plant verspreid behaard. Bladen hartvormig-eirond, gezaagd-
gekarteld. Doosvrucht vrij diep ingesneden. 0,03-0,30. ©. AprilâOctr. Zeer algemeen, op bouw-, moes- en braakland.
Tweede valsche muur. Blauwe murik. Ganzenmuur.
Veld E. V. arvénsis L. Plant kaal of naar boven met kleine, zittende klieren. Bladen langwerpig-omgekeerd-eirond, gaafrandig of scherp getand, naar den voet wigvormig versmald. Doosvrucht niet inge-
Scrophularineeën.
sneden. 0,07-0,30. 0. AprilâJuni. Zeldzaam, op enkele onbebouwde plaatsen veel . Vreemde E. V. peregrina L.
46 Kelkslippen niet hartvormig. Bladen gekarteld-gezaagd. Doosvrucht ingesneden , 2-lobbig...........\1
Kelkslippen breed hartvormig-eirond, tijdens den vruchttijd met de zijranden naar buiten gebogen. Bladen rond-eirond, met zwak-hartvormigen voet, 3-5(-7)lobbig. Doosvrucht bijna bolvormig-4-lobbig. Bloemkroon klein, lichtblauw of lila, 0,08-0,30. ©. Maart -Mei. Zeer algemeen, op bouwland, in moestuinen, langs wegen, tusschen het gras.
Klimopbladige E. V. hedersefólia L.
17 Bloemstelen vele malen langer dan de bladen. Bladen eirond,
diep gekarteld-gezaagd, met afgeknotten of hartvormigen voet. Kelkslippen langwerpig, spits. Doosvrucht netvormig geaderd. Bloemkroon hemelsblauw, groot. O,!5-0,30. ©. April, Mei en JuliâHerfst. Vrij zeldzaam, in moestuinen, op braakland. (V. persica Poir.) . Groote E. V. Buxbaümii Ten. Bloemstelen even lang als of weinig langer dan de bladen . 18
18 Meeldraden dicht boven den onderrand der bloemkroon inge
plant. Bladen eenigszins dik...........19
Meeldraden in het midden der kroonbuis ingeplant. Bloemkroon donkerblauw. Kelkslippen stomp, aan den rand dicht afstaand grijsbehaard. Bladen rond-eirond, tamelijk zacht, vuilgroen, grijs en kort behaard. Hokjes der doosvrucht weinig meer hoog dan breed, duidelijk gekield. 0,15-0,30. ©. April, Mei en JuliâHerfst. Vrij zeldzaam, op bouw-en moesland.........Doffe E. V. opéca Fr.
19 Bloemkroon blauw of roodachtig-wit, donkerder geaderd. Kelk
slippen eirond-langwerpig, stomp, weinig behaard en gewim-perd. Hokjes der doosvrucht dubbel zoo hoog als breed, zwak gekield. Bladen licht olijfgroen of geelgroen, weinig behaard, langwerpig-eirond, gekarteld-gezaagd. 0,08-0,30. ©. April, Mei en JuliâHerfst. Zeer algemeen, in moestuinen
en op bouwland.....Akker E. V. agréstis L.
Bloemkroon donkerblauw (zeer zelden eenkleurig wit). Kelkslippen breed-eirond, spits, aan den voet weinig aangedrukt behaard, stijf gewimperd. Hokjes der doosvrucht nauwelijks meer hoog dan breed, aan den rug niet gekield. Bladen wat donkergroen, glad, verspreid behaard, rond of rond-eirond, diep gekarteld-gezaagd. 0,08-0,30. ©. MaartâMei en Augs.âHerfst. Vrij zeldzaam, op bouw- en moesland.
Gladde E. V. polita Fr.
26*
403
Scrophularineeën.
11. Euphrasia L. Oogetroost. xiv.
Eenjarige kruiden met zittende bladen, de onderste meestal tegenoverstaand, de bovenste verspreid en bloemen in einde-lingsche aren...................1
â 1 Randen der bovenlip niet teruggeslagen. Slippen der onderlip stomp. Helmknopjes aan den top door vlokjes verbonden. Bloemkroon rood, zelden wit. Bladen met breeden voet, lancetvormig tot lijn-lancetvormig. Aren dichtbloemig. Schutbladen langer dan de bloemen. 0,10-0,30. ©. JuniâOctr. Op bouwland, langs wegen en dijken.
Roode O. E. Odontites L.
Randen der bovenlip teruggeslagen. Slippen der onderlip diep ingesneden. Helmknopjes aan den voet gebaard. Bladen eirond, meest aan weerszijden 5-tandig. Bloemkroon wit of blauwachtig met violette strepen. Onderlip met een citroengele vlek. 0,05-0,15. 0. JuliâSeptr. Op hei-, duin- en grasgrond......Gewone O. E. officinalis L.
12. Rhinanthus L. Ratelaar. Ratelen. Reutel. Rinkelbellen.
Schar telen. Horde. Gele horde. Raat. Hanekam. XIV.
Eenjarige kruiden met vierkanten, rechtopstaanden stengel, te- 1
genoverstaande, zittende bladen en, in de oksels van schutbladen zittende, eindelingsche aren met gele bloemen......1
1 Bovenlip der bloemkroon met 2 zeer korte, witte of blauw
achtige tanden (de tanden meer breed dan lang). Kroonbuis recht, korter dan de onbehaarde kelk, tijdens den bloeitijd bijna even lang. Schutbladen groen, vaak bruinachtig, even lang als de kelk. Bladen langwerpig-lancetvormig tot lijn-lancetvormig. Tusschen de bovenste vertakkingen van den stengel en de bloeiwijze geen paar bladen. Stengel meest groen. Bloemkroon klein, geel. O- 0,15-0,40. Mei, Juni.
Soms veel, tusschen het gras. (Alectoróphus minor W. et Grab.)........Kleine R. R. minor Ehrh.
Bovenlip der bloemkroon met 2 langere, meest blauwviolette tanden (de tanden dubbel zoo lang als breed). Kroonbuis min of meer naar boven gekromd, zich tijdens den bloeitijd verlengend.................2
2 Stengel zacht behaard, naar boven, evenals de schutbladen,
bloemstelen en kelken dichtbehaard, al of niet vertakt.
Bladen langwerpig-lancetvormig, op de middelnerf zwak be- ^
haard. Tusschen de bovenste vertakkingen der bloeiwijze
404
Scrophularineeën.
hoogstens een paar bladen. Bovenste schutbladen bleek, breed driehoekig-ruitvormig, niet in een spits uitloopend, met tot aan den top bijna even groote, kort driehoekige tanden. Bloemkroon lichtgroen. 0,30-0,50. ©. Juni, Juli. Tusschen het koren, ook in weilanden. (A. hirsutus All.)
Ruwharige R. R. Alectórolophus Poll.
Stengel bijna kaal, met zwarte streepjes. Schutbladen kaal, in een spits uitloopend. Kelk aan den voet zwak en ruw behaard. Bloemen groot, 0,02 lang. Schutbladen bleek, driehoekig-ruitvormig, aan den voet met driehoekig-lancet-vormige, fijn toegespitste tanden, even lang als de kelk. Bladen langwerpig tot langwerpig-lancetvormig, de bovenste tamelijk spits. Stengel niet of weinig vertakt. Tusschen de bovenste vertakkingen der bloeiwijze hoogstens i paar bladen. 0,20-0,50. ©. Mei, Juni. Op wei- en bouwland vrij veel, ook aan wegen en dijken. (A. major Ehrh.)
Groote R. R. mójor Koch.
18. Pedicularis Trn. Kartelblad. xtv.
Kruiden met sappigen stengel, enkel- of dubbel vindeelige bladen en meestal aarvormig gerangschikte bloemen.......1
1 Verscheidene stengels, de middelste bijna van den grond af bloemen dragend, de buitenste liggend. Bloemkroon rose-rood, zelden wit. Kelk ongelijk 5-tandig, met bladachtige tanden. Bovenlip der bloemkroon van voren met 2 spitse tanden. Bladen gevind. 0,02 0,-10. GO, ook 2|.. Mei, Juni. Op vochtige plaatsen, in de duinen, heiden en weiden, ook in bosschen.......Bosch K. P. sylvAtica L.
Slechts een stengel, rechtopstaand, vertakt. Kelk 2-spletig, met bladachtige, getande, aan den rand kale slippen. Bovenlip der bloemkroon in het midden der lengte aan weerszijden met een tand. Bloemkroon lichtpurper. 0,20-0,50. ©0. Mei, Juni. In venen, moerassige heiden en vochtige duinpannen, ook langs slooten.
Roode horde. Roode Schartelen. Honger. Fislelkruid.
Luiskruid. Ijzerharde. Moeras K. P. palüstris L.
14. Melampyrum Trn. Zwartkoren. xiv.
Eenjarige kruiden met rechtopstaanden stengel, tegenoverstaande bladen en trossen of aren van bloemen.........1
1 Bloemen in naar alle zijden uitgespreide, losse aren. Schutbladen eirond-lancetvormig, borstelvormig getand, de bovenste
IO.Ã
Labialen.
rood, van onderen met zwarte puntjes. Bloemkroon purper met witten ring. 0,15 0,30. 0. JuniâSeptr. Soms zeer algemeen, op klierachtig bouwland en in korenvelden.
Zwartkoren. Paarsbloent. Wild. Dolik.
Wilde weit. M. arvénse L.
Bloemen in naar één zijde gekeerde aren. Schutbladen lancet-vormig, aan den voet met eenige priemvormige tanden, groen. Bloemen bijna horizontaal afstaand. Kelktanden lijn-priemvormig, korter dan de halve kroonbuis. Bloemkroon buis-knotsvormig. met rechte buis, geelachtig-wit, van voren donkerder geel, 0,015-0,018 lang. 0,10-0,30. ©. Juni -Augs. Soms zeer algemeen in bouwland, op beschaduwde plaatsen in kreupelhout, op veenachtigen heidegrond.
Gele paardsbloem. Hengel. M. praténse L.
15. Lathraea L. xiv.
1 Geheele plant bleekroserood, de bloemen donkerder. Bloemen in een dichten knik-kenden, voor het opengaan opgerolden tros. Helmknopjes behaard. 0,10-0,20. 2^. MaartâMei. Een paar malen in Limburg in bosschen gevonden.
Sc hub wortel. L. squamaria L.
CVI. Fam. Labialen. Lipbloemigen, xiv. (n.)
Stengel meest vierkant. Bladen tegenoverstaand. Bloemen in schijnkransen. Kelk 5-tandig, vaak 2-lippig. Bloemkroon meest 2-lippig, grijnzend. Meeldraden 4, of gelijk, of 2-machtig of 2. Vruchtbeginsel diep 4-deelig, op een schijf, mei i stijl en 2 stempels. Vrucht een 4-notige splitvrucht.
1 Bloemkroon niet duidelijk 2-lippig..........2
Bloemkroon duidelijk 2-lippig...........6
2 Bloemkroon bijna regelmatig 4-spletig........3
Bloemkroon schijnbaar 1-lippig...........5
3 Meeldraden 2, met nog 2 draadvormige, onvruchtbare meel
draden. Kelk klokvormig, 5-spIetig . . LÆcopus SU. Meeldraden 4, bijna even lang. Helmknophelften evenwijdig aan elkaar loopend. Kelk 5-tandig, zeldzaam 2-lippig . 4
4 Kelk 5-tandig. Keel open.......Méntha *10.
Kelk bijna 2-lippig. Keel na den bloeitijd door een krans van
haren gesloten...............Pulégium *09.
5 Bovenlip zeer kort, 2-lobbig. Onderlip 3-spletig. Kroonbuis van
binnen met een haarring. Bloemkroon blijvend.
Ajüga
4««
Labiaten.
Bovenlip diep gespleten, hare slippen tegen de onderlip liggend, waardoor deze schijnbaar 5-spletig is. Kroonbuis zonder haarring. Bloemkroon afvallend . . . Teucrium
6 Meeldraden 2.................7
Meeldraden 4, zeer kort, soms onvruchtbaar, geheel in de buis
der bloemkroon verscholen...........8
Meeldraden 4, 2 langere en 2 kortere, althans de langere uit de buis der bloemkroon stekend.........H
' Kelk ei-klokvormig, 2-lippig. Bovenlip der bloemkroon gaaf-randig of iets ingesneden. Meeldraden onder de bovenlip verscholen met lang, boogvormig gekromd helmbindsel.
Silvia S13.
Kelk buisvormig, bijna gelijkmatig 5-tandig. Lippen der roode bloemkroon lijnvormig, de bovenlip recht naar voren gestrekt, de onderlip aan den top kort S-lobbig . Mondrda 4,14.
8 Alle 4 meeldraden onvruchtbaar. Stijl buiten de bloemkroon
buis uitstekend.................9
Meeldraden althans 2 vruchtbaar. Stijl ook in de bloemkroonbuis verscholen. Stengel rechtopstaand.......10
9 Kelk duidelijk 2-lippig. Bloemkroon rood of wit. Stengel
liggend.............Thymus 41».
Kelk 5-tandig. Bloemkroon blauw. Stengel kruipend.
Glechóma AIS.
10 Kelk 5-tandig. Bloemkroon geel. Vruchtjes boven afgerond,
stomp, kaal. Soms 2 meeldraden onvruchtbaar. Schutbladen anders van vorm dan de stengelbladen.
Siderftis HO.
Kelk 5-'10-tandig. Vruchtjes boven afgeknot en zacht behaard. Vruchtbare meeldraden 4. Schutbladen gelijk van vorm met de stengelbladen. Bloemen klein, wit. Stengel en bladen viltig.............Marrubium 4USO.
H Bovenlip der bloemkroon vlak of slechts zeer weinig gewelfd. 12 Bovenlip der bloemkroon uitgehold of gewelfd. Meeldraden dicht naast elkander liggend en althans in het begin evenwijdig loopend, onder de bovenlip der bloemkroon verborgen (soms buigen de meeldraden na het bestuiven naar buiten) . . 20
12 Meeldraden naar beneden gebogen, tegen de onderlip liggend, met niervormige helmknopjes, die na het openen een vlak, rond schijfje vormen. Bloemkroon wit of blauw. Kelk 2-lippig, met 4-spletige onderlip en ongedeelde bovenlip. Bovenlip der bloemkroon 4-spletig, de onderlip ongedeeld.
O'cimum 4,09.
SOS Labiaten.
Meeldraden, althans de 2 langere naar boven uiteen wijkend,
onder de bovenlip uitstekend...........13
Meeldraden niet tegen de onderlip liggend en ook niet onder de bovenlip uitstekend.............15
13 Helften der helmknoppen gescheiden, naar beneden uit elkaar
gaand. Bloemen vrij klein. Slippen der onderlip tamelijk
gelijk aan elkaar...............14
Helften der helmknoppen boven versmolten. Middelslip der onderlip grooter dan de zijslippen. Kelk 5-tandig. Bloemen vrij groot, blauw of rood......Hyssópus -ttü.
14 Kelk 5-tandig of scheef gespleten. Bloemen met vaak gekleurde
schutbladen . . ⢠. . .....Origanum
Kelk duidelijk 2-lippig. Bloemen in tot hoofdjes opeengehoopte schijnkransen...........Thymus 41 a.
15 Meeldraden tijdens den bloeitijd evenwijdig aan elkaar onder
de bovenlip liggend. Kelk gelijkmatig 5-tandig, niet opgeblazen ...................16
Meeldraden onder de bovenlip uit elkaar tredend of samen-neigend ..................17
16 Bloemkroon wit, roodachtig-wit of violet. Helmknopjes na het
bloeien naar buiten gebogen. Stengel rechtopstaand.
Népeta 4,14.
Bloemkroon blauw. Helmknopjes paarsgewijs na het bloeien een kruis vormend. Stengel kruipend . Glechóma 4Uf.
17 Kelk tamelijk gelijkmatig 5-tandig, klokvormig. Bovenlip der
bloemkroon ongedeeld, iets ingesneden. Meeldraden er onder samenneigend. Bloemkroon klein. Bladen lijn-lancetvormig,
gaafrandig............Saturéja -M 12.
Kelk 'i-lippig (bovenlip 3-, onderlip 2-spletig of 2-tandig) . 18
18 Kelk klokvormig. Bovenlip der bloemkroon iets gewelfd.
Middelslip der onderlip grooter. Helften der helmknopjes
boven versmolten.........MeHssa 413.
Kelk rolrond. Bovenlip der bloemkroon vlak. Slippen der onderlip even groot. Helften der helmknopjes boven gescheiden ..................19
19 Schijnkransen zonder priemvormige schutbladen.
Calamfntha 413.
Schijnkransen aan den voet door lijn-priemvormige, lang en dik behaarde schutblaadjes omgeven. Clinopódium 413.
20 Kelk 5-tandig, niet opgeblazen...........21
Kelk 2-lippig.................26
21 Bloemen klein, rose. Meeldraden min of meer uit de kroon-
â r
Labiaten.
buis uitstekend. Nootjes driekant, van boven afgeknot. Slippen van de onderlip der bloemkroon stomp (door omrollen
der randen spits schijnend).....Leonürus *19.
Bloemen groot of vrij groot............22
22 Onderlip der bloemkroon niet zeer kleine, hoogstens tandvor-
mige zijslippen en een grootere ingesneden middelslip. Bloemkroon rood of wit.........Lamium
Onderlip der bloemkroon met 3 tamelijk gelijke, spitse slippen.
Bloemkroon geel........Galeóbdolon 41S.
Onderlip der bloemkroon met 3 stompe of ingesneden slippen, waarvan de middelste de grootste is........23
23 Onderlip der bloemkroon aan den voet aan weerszijden met een
hollen, rechten tand of knobbel . . . Galeópsis *10. Onderlip der bloemkroon zonder holle tanden.....24
24 Kelk buis-klokvormig, 5- of lO-nervig. Langere meeldraden
meest na het stuiven gewonden en naar buiten gebogen. 25 Kelk trechtervormig, met 10 uitstekende nerven. Meeldraden ook na het stuiven recht, onder de bovenlip evenwijdig loopend.............Ballóta 41».
25 Kroonbuis van binnen met een haarring . . Stachys Kroonbuis van binnen zonder haarring . . Betónica -#18.
26 Kelk tijdens den vruchttijd gesloten. Onderste meeldraden
langer...................27
Kelk tijdens den vruchttijd niet gesloten, met 3-spletigebovenlip en 2-deelige onderlip. Bovenlip der bloemkroon ingesneden. Bovenste meeldraden langer.
Dracocéphalum 115.
27 Beide lippen van den kelk ongedeeld, gaaf, de bovenste aan
de rugzijde met een rechtopstaande, holle schub. Bovenlip der bloemkroon 3-spletig, onderlip ongedeeld.
Scutellaria 190.
Bovenlip van den kelk kort 3-tandig, onderlip 2-spletig. Bovenlip der bloemkroon ongedeeld, onderlip 3-spletig. Langere meeldraden onder de helmknopjes getand. Prunélla ISO. l. O'cimum Riv.
1 Stengel naar boven fijn behaard, liladen eirond of langwerpig, meest spits. Scbijn-krausen meest 6-bloemig. Bloemkroon wit of roodachtig-wit. 0,20-0,40. ©. JuniâHerfst. Sierplant uit Oost-Indië. . iiazielkruid. t O. Basilicum L.
2. Pulégium Riv.
Bladen gesteeld, eirond of elliptisch, weinig getand. Schijn-kransen alle afzonderlijk in de bladoksels, bolvormig. Kelk
«O»
4 f O Labialen.
rolrond-trechtervormig, gegroefd. Bloemkroon lichtpurper of lila. 0,15-0,30. 2J-. JuliâSeptr. Vrij algemeen, langs waterkanten, in vochtige weilanden. (M. Pulégium L.)
Polei. P. vulgare Mill.
3. Méntha L. Munt. Ment.
Sterk riekende kruiden met gave bladen en kleine bloemen, die veelal tot aren of hoofdjes gerangschikt zijn. Zeer veranderlijke planten met sterke neiging tot vorming van bastaarden... 1
1 Schijnkransen, althans de onderste , in de oksels van gewone
bladen. Kroonbuis van binnen meest behaard. Bladen ge-
steeld...................2
Schijnkransen in de oksels van verkleinde schutbladen, min of meer tot elkaar genaderd, aarvormige bloeiwijzen vormend. 6
2 Schijnkransen aan den top van den stengel tot een hoofdje
of aar samengedrongen, daaronder vaak nog 1 of 2 blad-
okselstandige................3
Schijnkransen alle van elkaar verwijderd, in de oksels van bijna even groote gewone bladen , de stengel met een bundeltje bladen eindigend.............4
3 Vaak nog 1 of 2 schijnkransen onder het eindelingsche bol
ronde of langwerpige hoofdje. Kelktanden driehoekig-priem-vormig, veel meer lang dan breed. Bladen gesteeld, eirond of eirond-Iangwerpig. Bloemkroon roodachtig-lila. 0,25-0,80. 2J.. JuniâOctr. Algemeen in en langs slooten en vaarten en in duinpannen.
Bruinheilig. Rossement. Hondekruid. Paardenblei.
Water M. M. aquética L.
Steeds 2 sekgnkranseu onder de eindelingsche rolronde aar. Kelktanden driehoekig-prlemvormig. Bladen eirond of liart-eivormig. Bloemkroon roodachtig-lila. Een enkele maal aan de Vecht gevonden. Piramidale M. M. pyramidalis Lloyd.
4 Kelk behaard. Kroonbuis van binnen behaard. Bladen ge
steeld , eirond of elliptisch............5
Kelk aan den voet kaal, hooger op stijf behaard. Kroonbuis van binnen kaal. Kelktanden driehoekig-lancetvormig, toegespitst. Bladen kortgesteeld, de bovenste zittend, elliptisch tot lancetvormig, spits gezaagd, met toegespitste naar voren gerichte tanden. Plant meest tamelijk kaal, vaak roodachtig aangeloopen, met vele klierharen. Bloemkroon lila. 0,30-1,00. 2).. Juli, Augs. Zeldzaam, aan waterkanten en op andere vochtige plaatsen......Weide M. M. gentilis L.
Labialen.
Kelk vooral tijdens den vruchttijd kort, klokvormig, niet of slechts weinig gegroefd. Kelktanden driehoekig-eirond, omstreeks even lang als breed. Bladen meest eirond, gezaagd of gaafrandig. Stengel vertakt of niet vertakt, opstijgend of liggend. Bloemkroon lila. 0,05-0,25. 2j.. JuliâOctr. Op akkers, in vochtigen zandgrond en aan waterkanten.
Miinte. Knipluis. Akker M. M. arvénsis L.
Kelk buis-klokvormig, gegroefd. Kelktanden driehoekig-lancet-vormig, toegespitst, meer lang dan breed. Bladen eirond-elliptisch, gezaagd met afstaande zaagtanden. Stengel rechtopstaand of opstijgend. Bloemkroon lichter of donkerder lila. 0,25-0,80. 2)-. Juli, Augs. Vrij zeldzaam, aan waterkanten en op andere vochtige plaatsen.
Gekweekte M. M. saliva L.
Bladen dnidcl^k gesteeld. Aren dik, langwerpig-rolrond, aan den voet meest afgebroken. Kelktanden lancet-priemvonuig. Bladen vrjj langgesteeld, langwerpig of langwerpig-lancetvormig, iets behaard of bjjna kaal, zelden gekroesd (M.crispa L. Kruizemunt). Zeer aroniatiscb. Bloemkroon lila. 0,50-0,80. JuniâAugs. Gekweekt. Uit W.-Europa.........Peper M. f M. piperita L.
Bladen zittend of de onderste kortgesteeld. Aren rolrond, dun, meest afgebroken.............7
Bladen zittend, rondachtig-eirond, nooit tweemaal zoolang als breed, aan den voet hartvormig, gezaagd-gekarteld, van onderen grijsviltig, rimpelig. Kelktanden lancet-priemvormig. Bloemkroon licht-lila, bijna wit. 0,30-0,60. 2|.. JuliâOctr. Algemeen, langs slooten en vaarten en op vochtige plaatsen.
Rondbladige M. M. rotundifólia L.
Bladen langwerpig-lancetvormig, met afgeronden voet, tamelijk vlak, aan weerszijden of althans van onderen dicht witviltig. Bloemstelen behaard. Kelk aan den voet niet kaal. Kelktanden lijn-priemvormig. Bloemkroon roodachtig-lila. 0,50-â¢1,00. 2)-. JuliâSeptr. Algemeen, langs slooten, vaartenen rivieren........Bosch M. M. sylvéstris L.
4. Lycopus Trn. n.
Stengel vertakt. Bladen langwerpig-eirond tot eirond-lancet-vormig, grof bochtig getand, aan den voet vinspletig. Kelktanden langer dan de kroonbuis. Bloemkroon wit, van binnen met purperkleurige puntjes. 0,30-0,80. 2f. Juli, Augs. Vrij algemeen, langs slooten, aan wallen en op vochtige plaatsen.......Wolfspoot. L. europaéus L.
414
Labi aten.
5. Origanum Trn.
Sterk riekende kruiden met rechtopstaanden, vertakten stengel, gesteelde, gaafrandige bladen en schijnkransen, die tot aren of hoofdjes opeengehoopt zijn. Bloemen klein........1
1 Bladen langwerpig-eirond, onduidelijk getand, bijna kaal, met doorschijnende puntjes. Schutbladen elliptisch, spits, meest donkerpurper. Kelk 5-tandig. Bloemkroon lichtpurper, zelden wit. 0,30-0,60. 0. JuliâOctr. Niet zelden op onbebouwde zonnige plaatsen, aan dijken.
Wilde marjolein. O re go. O. vulgére L.
Bladen eirond tot elliptisch, gaafrandig:, aan weerszgden grgsviltig. Schutbladen overdwars breeder, afgerond. Kelk ongetand, van voren bgna tot aan den voet gespleten. Bloemkroon wit of lichtrood. 0,20-0,40. Q. JuliâSeptr. Sierplant uit Noord-Amerika......Major aan. Marjolein, t O. Majorana L.
6. Thymus Trn. Thijm.
Kleine, sterk riekende heestertjes met gaafrandige bladen en schijnkransen van kleine bloemen, die meestal tot hoofdjes aan het einde der takken samengedrongen zijn........1
1 Stengel rechtopstaand of opstygend, sterk vertakt. Bladen zittend, langwerpig tot lynvormig, met sterk omgerolden rand, in hunne oksels bundels van bladen (korte takjes} dragend. Bloemkroon lichtrood. 0,15-0,20. 1^. Mei, Juni. Sierplant uit Zuid-Kuropa.............Gewone T. f T. vulgaris L.
Stengel liggend of opstijgend. Bladen in een korten steel versmald , vlak of iets omgerold, aan den voet meest gewimperd, overigens kaal. Bloemkroon lichtpurper, soms wit, tweeslachtig (de grootste), vrouwelijk (de kleinste) en mannelijk (zeldzaam). 0,05-0,30. K JuniâSeptr. Zeer algemeen, op zand-, duin- en heidegrond.
Quendel. Wilde T. T. Serpyllum L.
7. Hyssopus Riv.
i Heester. Bladen lijn-lancetvormig of lijnvormig, gaafrandig. Schijnkransen dichte, eindelingsche, naar één zijde gekeerde aren vormend. Bloemkroon donkerblauw, zelden rose of wit. 0,30-0,60. 1). JuliâSeptr. Zeer zeldzaam, op oude muren.
Hyssop. H. officinalis L.
8. Saturéja Riv.
1 Stengel rechtopstaand, zeer vertakt. Bladen Ign-lancetvormig, gaafrandig, spits, gewimperd, dof. Bloemen klein, meest 5 bijeen in de bladoksels, in schyn-kransen. Bloemkroon lila of witachtig, aan de keel met roode puntjes. 0,20-0,45. O- JuliâOctr. In tuinen gekweekt, enkel verwilderd. Uit Zuid-Europa.
Boonenkraid. f S. horténsis L.
41«
Labiaten. lt;tl3
9. Clinopódium L.
Stengel afstaand en dicht behaard. Bladen eirond, van onderen meer bleekgroen. Schijnkransen rijkbloemig. Keel van den kelk niet door haren gesloten. Bloemkroon purper. 0,30-0,60. 2}-. JuliâSeptr. Zeldzaam, in de duinen en in heuvelachtige streken. (Calamintha Clinopódium Spenner.)
Borstelkrans. C. vulgdre L.
10. Calamintha Riv. Steenthijm.
Behaarde kruiden met gesteelde, levendig groene bladen en okselstandige, uit gesteelde bloemen bestaande schijnkransen, wier kelk aan de keel ingesnoerd is, terwijl de bloemkroon zich trechtervormig verwijdt, voor zij in de lippen overgaat . . . 1
Schijnkransen 6-bloemig, uit kortgesteelde bloemen bestaand. Keel van den kelk tijdens den vruchttijd door een krans van haren gesloten. Bloemstelen kort (0,01 lang). Bladen elliptisch tot langwerpig-ruitvormig. Bloemkroon lila of bleek-violet, zeldzaam wit. 0,10-0,30. Ij.. JuliâSeptr. Vrij zeldzaam, op zand- en heidegrond . Gewone S. C. A'cinos Claiiv.
Schynkransen uit 3-6-b!oemig:e bgschenneu samengesteld. Keel van den kelk met nauwelijks uitstekende haren. Bladen eirond, grof jretand, groot. Bloemkroon purper (0,015-0,018 lang). 0,30-0,60. 21. Juliâ^eptr. By Nijmegen en op den St.-Pietersberg gevonden........Bosch S. C. officinalis Mnch.
li. Melissa Riv.
Bladen gesteeld, eirond, gekarteld of gekarteld-gezaagd, nan den voet hyna hartvormig. Schijnkransen armhloemig, naar één zyde gekeerd. Bloemkroon wit. Naar c.troen riekend. 0,30-0,80. Juli, Augs. Aangeplant in tuinen. In Z.-Europa inheenisch..............' . t M. officinalis L.
12. Salvia L. Salie. Selve. II.
Sterk riekende kruiden met rechtopstaanden stengel, gave, maar nooit gaafrandige bladen, waarvan de onderste steeds lang-gesteeld zijn en eindelingsohe aren of trossen, uit schijnkransen gevormd........................1
Stengel aan den voet houti». Bladen langwerpig of langwerpig-lancetvormig, met versmalden voet, fijn gekarteld, rimpelig, in de jeugd evenals de takken witachtig grgsviltig. Bloemen vrj] groot. Seliynkranseu 4-12-bloemig. Kelktandon in een doornige naald eindigend. Kroonbnis van binnen met een haarring. Bloemkroon violetblauw. 0,30-0,80. I?. Juni, Juli. Sierplant uit Zuid-Europa, soms verwilderd...............Tuin S. t S. officinalis L.
Stengel kruidachtig. Bladen met afgeronden of meest hartvor-migen voet.................2
Schijnkransen hoogstens 10-bloemig, ijl. Bovenlip der bloemkroon gekromd. Kroonbuis van binnen zonder haarring. 3
414 Labiaten.
Schjjnkransen lö-SO-bloemig, taiueiyk dicht, bgna holrond. Bloemen klein. Bloem-kroon lichtblauw-üla. Stgl op de onderlip liggend. Bladen bjjna driehoekig-hartvormig, ongeluk gekarteld-gezaagd, meest met 2 gescheiden oortjes aan den bladsteel, kort zacht behaard. 0,30-0,60. 2^.. Juli, Augs. Bjj Deventer, Den Bosch, Ruurlo en Keppel gevonden . Kransdragende S. S. verticillata L.
3 Bloemkroon l-21/2-maal zoo groot als de kelk. Bloemen tot
0,01 groot.................4
Bloemkroon 2-4-maal zoo groot als de kelk. Bloemen 0,015-0,02 groot..................5
4 Schutbladen violet, rose of rood gekleurd. Kelktanden bijna
gelijk. Middelste bladen ongesteeld, puntig, 5-6-maal zoo lang als breed. Bloemen blauw of paars. 0,50-1,00. 2j.. Juni, Juli. Zeldzaam, op onbebouwde plaatsen.
Bosch S. S. sylvéstris L.
Schutbladen groen. Bovenlip van den kelk met 3 tanden. Bloemkroon minder dan 2-maal zoo lang als de kelk. Onderste bladen min of meer diep ingesneden, de andere kort- of ongesteeld, alleen getand of gekarteld. Bloemen blauw of lichtpaars. 0,50-0,70. MeiâSeptr. 2J.. Zeldzaam, op drogen grasgrond.
Kleinbloemige S. S. verbené.ca L.
5 Kelktanden zeer ongelijk, stekelpuntig, niet langgenaald.
Schutbladen groen, korter dan de kelk. Stengel met een gering aantal paren bladen. Wortelbladen in een roset, langwerpig of langwerpig-eirond, met hartvormigen voet, gekarteld-gezaagd, ongedeeld of 3-lobbig. 0,30-0,60. i|-. Meiâ Juli. Algemeen op drogen grasgrond, aan dijken en wegen, ook in uiterwaarden . . . . Veld S. S. praténsis L.
Kelktanden weinig ongelgk, langgenaald. Schutbladen groot, vliezig, rozerood of paars, langer dan de kelk. Stengel dicht, naar boven klierachtig bebaard. Bloemkroon lichtblauw. 0,30-1,00. OQ. Juni, Juli. Bjj Vlissingen en Zutfen gevonden.
Muskaat S. S. Sclarea L.
13. Monarda L. M on arde. 11.
1 Bloemkroon kaal, scharlakenrood. Keel van den kelk bgna kaal. Bladen langwerpig-eirond, toegespitst, aan den voet afgerond of iets hartvormig, gezaagd, meest verspreid kortharig. Aromatische reuk. 0,50-1,00. dj.. JuliâSeptr. Sierplant uit IS'oord-Amerika........Scharlakenroode M. f M. didyma L.
Bloemkroon behaard, lichtrose of purper, meest kleiner. Keel van den kelk ruw behaard. Bladen langwerpig-lancetvormig, vaak van onderen zachtharig. Overigens als de vorige soort. 0,60-1,20. 2^. JuliâSeptr. Sierplant uit Noord-Amerika.
Buisvormige M. t M. fistulosa L.
14. Népeta L. Kattekruid.
Sterk riekende kruiden met rechtopstaanden; vertakten stengel en paars-witachtige bloemen in gesteelde schijnkransen .... 1
Labiate n.
1 Bovenste bladen ongesteeld. Kelktanden gelyk of bjjna gelgk. Stengelbladen bqna
onbehaard. Bloemen in hoopjes van 10 a 20 in de oksels vau de bladen, hoopjes gesteeld. Bloemen paars of wit. 0,60-1,20. Augs., Septr. Uit Zuid-Rusland. Alleen bg 's-Hertogenbosch gevonden . . . . Russisch K. N. ucranica L.
Bladen alle min of meer gesteeld. Kelktanden ongelijk . . 2
2 Bovenste bladen met hartvormigen voet, de middelste omstreeks
2-maal zoo lang als breed. Buis der bloemkroon weinig langer dan de kelk, wit met roode vlekken. 0,40-0,80. 2f. Juli, Augs. Vrij zeldzaam op ruige plaatsen, aan dijken en muren.
Gewoon K. N. Cat Aria L.
In Limburg en ook by Nijmegen wordt soms vr\j algemeen een naar citroen riekende variëteit gevonden...............a. citriodóra Dum.
Bovenste bladen zonder hartvormigen voet, de middelste 3- a 6-maal zoo lang nis breed. Bloemhoopjes ver uiteenslaand. Bloemen roodachtig. 0,30-0,50. Juli, Augs. By Brummen en Weurt gevonden . . . . Kaal K, N. Nepetella L.
15. Glechóma L.
1 Stengel kruipend, de bloemdragende takken opstijgend. Bladen nier- of rondachtig-hartvormig, alle gekarteld. Schijn-kransen meest 6-bloemig. Bloemkroon licht violet, zelden vleeschkleurig. 0,15-0,60. 2J-. AprilâJuli. Zeer algemeen, tusschen het gras, langs wegen, op vochtige plaatsen, onder hakhout. (Népeta Glechóma Beuth.)
Onder have. Kruip door den tuin. Aardveil.
Hondsdraf. G. heder^cea L.
16. Dracocéphalum L.
1 Bladen gesteeld, lancet vorm ig, gekarteld, van onderen met klierpuntjes, langzaam in de sma'lere, gezaagde schutbladen overgaand. Schgnkransen tot een verlengde bloei wqze vereenigd. Bloemkroon blauw violet of wit. 0,30-0,50, ©. Juli, Augs. â In tuinen. Uit Azië . . . . TurkscheDrakenkop. fD. Moldavica L.
17. Galeóbdolon Huds.
1 Onderste bladen langgesteeld, dubbel gekarteld, stomp, vaak witachtig gevlekt, de bovenste korter gesteeld, spits. Kroon-buis gekromd, van binnen met een schuinen haarring. O,^-0,45. 2J-. Mei, luni. Vrij zeldzaam, in bosschen, op vochtige plaatsen, tusschen hakhout. (Lamium Galeóbdolon Crntz.)
Gele Doovenetel. Hondsnetel. G. lüteüm Huds.
18. Lamium Tm. Doovenetel.
Ruw behaarde kruiden met gesteelde bladen en arm- (meest 6-) bloemige, in de oksels der bovenste bladen staande schijn-kransen.....................1
415
Labiate n.
Kroonbuis van binnen zonder haamng........2
Bladen gesteeld. Kroonbuis van binnen met een haarring. 3 Bovenste bladen niet stengelom vattend, klein gezaagd. Bloemkroon purper. .Q. MaartâOctr. B\j Amsterdam, Heino en op St.-Philipsland gevonden.
Ingesneden D. L. incisum W.
Bovenste bladen zittend, stengelomvattend, niervormig, de onderste gesteeld, hartvormig-eirond of rondachtig, alle gekarteld. Bloemkroon opvallend ver uit den kelk stekend, met lange, dunne, rechte buis, purper. Kelk klein, grijs met kort gewimperde tanden. 0,15-0,30. © en QQ. Maartâ Octr. Vrij menigvuldig, op bouw- en moesland. Hoenderbeet. Stengelomvattende D. L. amplexicamp;ule L. Kroonbuis bijna recht, geleidelijk in de keel verwijd. Onderste bladen rondachtig, langgesteeld, stomp, de bovenste eirond of eirond-driehoekig, meest met hartvormigen voet, tamelijk spits, alle gekarteld en kort behaard. Bloemen tamelijk klein. Bloemkroon lichtpurper, zelden wit. 0,07-0,30. GO- Maartâ Octr. Algemeen, in moestuinen, langs wegen, op bouwland en onder hakhout. . . . Makke brandekkel. Paarsche D.
Purperen D. L. purpüreütn L. Kroonbuis gekromd. Bloemen groot (0,02-0,03 lang). Bladen eirond, de grootere met hartvormigen voet, toegespitst, ge-
karteld-gezaagd of gezaagd...........4
Bloemkroon lichtpurper. Onderlip donkerder gevlekt. Keel aan den rand aan weerszijden met slechts \ tand. Haarring der kroonbuis overdwars loopend. Bladen hartvormig-eirond, gekarteld of gekarteld-gezaagd. Korte uitloopers vormend. 0,30-0,60. 2|-. AprilâJuni. Vrij algemeen, onder hakhout, in heggen en op ruige plaatsen.
Gevlekte D. L. macul^tum L. Bloemkroon wit. Keel aan den rand aan weerszijden behalve met i grooteren, soms met 1 of meer kleinere tanden. Haarring der kroonbuis scheef opstijgend. Bladen toegespitst, scherper gezaagd. Uitloopers vormend. 0,30-0,50. 2|.. Aprilâ Octr. Zeer algemeen, als de vorige.
Hondsnetel. Suikernetel. Melkbloem. Engeltjeseten. Bloeiende brandekkel. Goudhaansvoe?'. Zuigjes. Zuiglammetjes.
Witte D. L. ilbum L.
19. Galeópsis L. Hennepnetel.
Behaarde kruiden met meestal vertakten stengel, gesteelde, ongedeelde bladen en bladokselstandige of eindelingsche, 6-bloemige schijnkransen of ook l-i bijeenstaande bloemen......1
416
Lab ia ten.
1 Stengel onder de knoopen niet of weinig verdikt, met zachte,
eerst aangedrukte haren bezet.......... . 2
Stengel onder de knoopen duidelijk verdikt. Bladen eirond tot langwerpig-eirond, toegespitst...............3
2 Bloemkroon vrij groot tot klein, lichtpurper, zeldzaam wit.
Bladen langwerpig tot Hjn-lancetvormig, donzig. 0,07-0,30. 0. JuliâOctr. Op bouwland, in bosschen, op zandige plaatsen . . . Raai. Smalbladige H. G. Ladamp;num L. Bladen eirond tot langwerpig-lancetvormig, aan weerskanten met 4-8 tanden. Stengel meest vertakt. Kelk met klierharen, de tanden bijna gelijk, tijdens den vruchttijd
rechtopstaand.......a. latifólia Hoffm.
Bladen lancetvormig tot lijn-lancetvormig, aan weerskanten met 1-4 tanden. Stengel meest weinig vertakt. Kelk behaard, de tanden ongelijk, tijdens den vrucht-
tijd afstaand.......a. angustifólia Ehrh.
Bloemkroon groot (0,025-0,030 lang), geelachtig-wit. Bladen eirond tot eirond-lancetvormig, aan weerszijden dicht zijdeachtig behaard. Schijnkransen 10-30 bloemig. Bovenlip getand. 0,15 0,45. ©. JuliâOctr. Veel, op bebouwde en onbebouwde gronden. Bleekgele H. G. ochroleüca Lmk.
3 Bloemkroon groot (0,03-0,04 lang), zwavelgeel, de middelslip
van de onderlip violet, rondachtig-vierhoekig, vlak, gekarteld. Kroonbuis dubbel zoo lang als (zelden weinig langer dan) de kelk. Bladen langwerpig-eirond, toegespitst. 0,50-1,00. O- JuniâOctr. Niet zeldzaam, op bouwland, tusschen hakhout, langs wegen , op ruige plaatsen. (G. speciósa Mill.) Vette kous. Dauwnettel. Dinettel. G. versicolor Curt. Bloemkroon vrij groot of klein, rood of wit, vaak geelachtig gevlekt...................4
4 Bladen eirond, aan den voet afgeknot of zvrak hartvormig, donkergroen. Bloemkroon
tameiyk groot, purper, aan den voet der ouderlip lichter. Buis naar boven bruiDachtig geel, langer dan de kelk. 0,30-0,70. ©. JuniâOctr. Bjj Emmen, Valte en Deventer gevonden......Zachte H. G. pubéscens Beis.
Bladen langwerpig-eirond, aan den voet meest versmald. Kroonbuis even lang als of korter dan de kelk......5
'5 Middelslip der onderlip bijna vierkant, vlak, Idein, gekarteld of onduidelijk ingesneden. Kroonbuis aan rugzijde iets ingedrukt. Bloemkroon rood of wit, onderlip din voet meest geel en rood gevlekt. 0,30-0,60. ©. JuliâOctr. Niet zeldzaam, op dezelfde plaatsen als de vorige.
Gewone H. G. Tétrahit L. Middelslip der onderlip langwerpig-vierhoekig (meer lang dan HEUK.ELS, Schoolflora. 8quot; druk. 27
*lt
Labiaten.
breed), duidelijk ingesneden of 2-spletig, later met omge-rolden rand. Kroonbuis aan de rugzijde niet ingedrukt. Bloemkroon kleiner, bleekrood. 0,30-0,70. ©. JuliâOctr. Vrij zeldzaam, op bouwland, aan wegen en dijken.
Tweespletige H. G. bifida Boenngb.
20. Betónica L.
4 Stengel niet vertakt, kort behaard. Bladen langwerpig-eirond, aan den voet hartvormig, de onderste zeer langgesteeld, de bovenste kortgesteeld, kleiner. Bloei wij ze eindelings, dicht. Kelktanden driehoekig, langgewimperd. Bloemkroon purper, zelden wit. 0,30-1,00. Juli, Augs. Op heide, in bos-schen, in zandige streken, alleen in Gelderland, Utrecht en Limburg. (Stachys Betónica Peuth.)
Betonie. B. officinalis L.
21. Stachys Riv. Andoorn.
Behaarde kruiden met sterk bebladerden stengel, meestal gekartelde of gezaagde bladen, waarvan de onderste altijd ge-steeld zijn en 2-veeIbloemige schijnkransen........1
1 Bloemkroon rood. Onderste en middelste bladen aan den voet
hartvormig of afgeknot.............2
Bloemkroon lichtgeel. Bladen aan den voet afgerond of versmald. Bladen meest kaal, gesteeld, de onderste langwerpig, stomp, de bovenste lancetvormig, spits. Sch\jnkransen 4-6-bloemig. Kelktanden lancetvormig, met behaarde stekelpimt. 0,15-0,30. O- JuliâOctr. Bjj Maastricht, Deventer, Amsterdam en Apeldoorn gevonden.................Zomer A. S. annua L.
2 Schijnkransen 6-10-bloemig............3
Schjjnkransen 10-meerbloemig. Kelktanden toegespitst, stekelpuntig. Bloemkroon licht-pnrper. Stengel dicht wollig behaard, meest onvertakt. Bladen eirond-lang-werpig of langwerpig, spits, gekarteld, witviltig, de onderste gesteeld, de bovenste zittend. 0,50-1,00. O0. Juli, Augs. Alleen bjj Sittard.
Wollige A. S. germanica L.
3 Bloemkroon dubbel zoo lang als de kelk. Kelktanden priem-
vormig...................4
Bloemkroon nauwelijks langer dan de kelk. Kelktanden lancetvormig. Schijnkransen meest 6-bloemig. Bladen gesteeld, rondachtig-eirond, aan den voet iets hartvormig, de bovenste langwerpig, zittend. Stengel liggend of opstijgend. Bloemkroon bleekrose. 0,07-0,30. ©. JuliâOctr. Vrij algemeen, op bouwland, in moestuinen . Akker A. S. arvénsis L.
4 Bladen breed, diep hartvormig-eirond, behalve de bovenste
langgesteeld, toegespitst, grof gekarteld-gezaagd, zacht. Schijnkransen meest 6-bloemig. Bloemkroon vuil donker-
«4«
Labiaten.
purper. 0,60-1,20. 24., JuniâAugs. Vrij algemeen, op lossen boschgrond en aan slootkanten. Bosch A. S. sylvamp;tica L.
Bladen smal, aan den voet zwak hartvormig, langwerpig-lan-cetvormig tot lancetvormig, spits, iets gekarteld, de onderste kortgesteeld, de bovenste zittend, half stengelomvattend. Schijnkransen 6-10-bloemig. Bloemkroon vuilrose. 0,30-0,60. 2J-. Juli, Augs. Vrij algemeen, aan waterkanten, op bouwland en in bosschen.
Hanepooten. Holsteel. Moeras A. S. palüstris L.
Bladen alle gesteeld, met hartvormigen voet, eirond-lancetvor-mig tot langwerpig-lancetvormig, gekarteld-gezaagd. Stengel stijf behaard. Kroonbuis van af den haarring iets verwijd. 0,30-1,00. 21. Juli, Augs. Vrij zeldzaam, op beschaduwde en vochtige plaatsen, aan slootkanten. De bastaardvorm van S. palüstris en S. sylvatica.
Twijfelachtige A. S. ambigua Sm.
22. Sideritis Trn.
Stengel meest aan den voet vertakt, evenals de bladen dichthehaaid. Bladen langwerpig-lancetvormig, kortgeateeld, naar voren gezaagd. Kelk langer dan de bloemkroon, bjjna 3-Iippig met 3-8pletige bovenlip. Bloemkroon geel, bg het verwelken een bruinen zoom krijgend. 0,15-0,40. O. Juli, Augs. Uit Zuid-Enropa. Bij Deventer, Amsterdam, Apeldoorn en Maastricht gevonden.
Ijzerkruid. S. montana L.
23. Ballóta Trn.
Bladen kortgesteeld, eirond, spits of de onderste stomp, grof gekarteld-gezaagd met afgeronden of afgeknotten voet. Kelk-tanden driehoekig-eirond , plotseling in een vrij lange of korte stekelpunt toegespitst. Bloemkroon blauwachtig rood, zelden wit. Onaangenaam riekend. 0,60-1,00. 2J.. JuniâOctr. Aan wegen, in heggen, tiisschen hakhout en op ruige plaatsen.
Stinkende Ballote. B. foétida Lmk.
24. Leonürus L.
Bladen van boven donker-, van onderen lichtgroen, de onderste met hartvormigen voet, handvormig 5-spletig, de bovenste aan den voet wigvormig, 3-spletig of 3-lobbig. Bloemkroon klein, rose, uit den kelk stekend. Buis der bloemkroon met scheeven haarring. 0,30-1,00. 2].. Juni, Augs. Vrij algemeen, op ruige plaatsen en langs wegen.
Hertsgespan. L. Cardiaca L.
27-
4*«
Labialen.
25. Marrübium Riv. Malrove.
4 Stengel aan den voet vertakt, witviltig. Bladen sterk gerimpeld, viltig, rondachtig-eirond, ongelijk gekarteld. Kelktan-den met kale, lange, aar het einde haakvormig omgebogen stekelpunt. Bloemkroon wit. 0,20-0,60. 2j.. JuliâSeptr. Niet zeldzaam, in de duinen, op zandvlakten, ruigten en muren..........Witte M. M. vulgamp;re L.
Stengel sterk vertakt. Bladen ei- of lancetvormi^, grüsviltig, de onderste kortge-steeld, de bovenste wigvormig versmald. Kelktanden fijn gedoomd met rechten top. 0,30-0,40. Juli, Augs. Alleen bg Amsterdam gevonden.
Hongaarsche M. M. pannónicum Rchb.
26. Scutellaria Riv. Glidkruid.
Onbehaarde kruiden met meest vertakten stengel, kortgesteelde bladen en meest alleen in de bladoksels staande, violette of blauwe bloemen..................1
1 Bloemen alleenstaand in de oksels der bladen, even groot als
of kleiner dan deze. Kelk niet klierachtig behaard. Bladen verspreid getand...............2
Bloemen in een eindelingschen tros, grooter dan de schutbladen. Bladen grof gekarteld. Kelk met klierharen. Bladen langgesteeld, eirond, langwerpig of driehoekig. Bg Bloemendaal gevonden.
Columna's G. t S. Colümnae Willd, var. Gussoni Ten.
2 Bloemen vrij groot. Kroonbuis gebogen. Bladen stomp-gekar-
teld, met hartvormigen voet, langwerpig-lancetvormig. Bloemen tegenoverstaand, naar één zijde gekeerd. Kelk meest kaal. Bloemen blauwviolet, zelden roodachtig of wit. 0,30-0,60. 2).. JuniâAugs. Niet zeldzaam, op vochtige plaatsen, aan waterkanten, enz.
Blauwe godsgenade. Gemeen G. S. galericulamp;ta L. Bloemen klein. Kroonbuis recht. Kelk zachtharig. Onderste bladen eirond, de bovenste lancetvormig, aan den voet aan weerszijden met 1-2 stompe tanden of geheel gaafrandig. Bloemkroon roodachtig. 0,07-0,20. 2j.. JuniâOctr. Vrij zeldzaam, op veenachtigen, vochtigen heigrond.
Klein G. S. minor L.
27. Prunélla Riv.
i Bloemkroon blauwviolet of roodachtig, zeer zelden wit. Tair-den der bovenlip van den kelk zeer kort. Bloemkroon hoog-
4««
Labiaten.
stens dubbel zoo lang als de kelk. Kroonbuis recht. Bladen eirond tot lancetvormig, getand of gaafrandig. 0,10-0,30. 2J-. JuniâOctr. Op wei- en bouwland, aan wegen en dijken.
Brunei. P. vulgéris L.
28. Ajüga L. Zenegroen.
Kruiden met onvertakten stengel............1
Bloemen in aarvormig samengedrongen schijnkransen. Bloemkroon blauw, zelden rose of wit..........2
Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Bladen 3-deelig, met lijnvormige slippen, de onderste ongedeeld, lijnvormig. Stengel dicht behaard, meest aan den voet met verscheiden opstijgende takken. Bloemkroon geel. 0,05-0,15. 00. Juniâ Augs. Op kalkhoudenden bouwgrond in Limburg en bij Deventer .... Akker Z. A. Chamaepitys Schreb. Met bebladerde uitloopers. Stengel kaal of weinig behaard. Wortelbladen groot, langgesteeld, spatelvormig. Stengelbladen klein. Schutbladen iets gekarteld of gaafrandig, de bovenste korter dan de bloemen. 0,15-0,30. 2|.. Mei, Juni. Vrij algemeen, op vochtige, grazige plaatsen, op boschgrond,
in duinpannen.....Kruipend Z. A. réptans L.
Geen uitloopers. Stengel dichtbehaard. Wortelbladen meest rechtopstaand, langgesteeld, tijdens den bloeitijd meest niet meer voorhanden. Schijnaar vrij ijl. Onderste schutbladen 3-lobbig, de bovenste korter of nauwelijks zoo lang als de bloemen. 0,08-0,20. 2J-. Mei, Juni, vaak in Augs., Septr. weder. Zeer zeldzaam, in Limburg, op zand- en heigrond, aan wegen.......Heide Z. A genevénsis L.
29. Teücrium L. Gamander.
Kruiden met vertakten, rechtopstaanden of opstijgenden stengel. 1 Kelk 2-lippig (bovenlip ongedeeld, onderlip 4-tandig). Bloemkroon licht-groengeel. Bloemen alleenstaand of in eindelingsche of bladokselstandige trossen. Bladen eirond of langwerpig met zwak hartvormigen voet, rimpelig, gesteeld. 0,30-0,50. 2J.. JuliâSeptr. Algemeen op duin- en zandgrond en op bergachtige, boschrijke plaatsen.
Wilde salie. T. Scorodónia L. Kelk bijna gelijkmatig 5-tandig. Bloemkroon purper of rose, zeldzaam wit. Bloemen in 2-6-bloemige schijnkransen . . 2
««4
Lentibularieeen.
2 Bladen ongedeeld...............3
Bladen tresteeld, dubbel-vinspletig. Bloemkroon roodachtig, middelslip der onderlip geelachtig, zelden wit. Kelk voor aan den voet met een knobbel. Plant kort klierachtig behaard en met langere dichtopeenstaande haren. 0,08-0,30. OO-JuliâOctr. Alleen bjj Gulpen gevonden......Tros G. T. Bótrya L.
3 Bladen zittend, langwerpig tot langwerpig-lancetvormig, grof
gekarteld, de onderste met afgeronden voet, de bovenste wigvormig versmald. Schijnkransen meest 4-bloemig. Bloemkroon lichtpurper. Reuk knoflookachtig en smaak bitter. 0,15-0,45. 21-. Juli, Augs. Zeldzaam, in moerassige weilanden en duinvalleien. . . Water G. T. Scórdium L. Bladen gesteeld, langwerpig, wigvormig in den steel versmald, gekarteld. Schijnkransen meest 6-bloemig, tot een einde-lingschen tros vereenigd. Bloemkroon purper, zelden wit. 0,07-0,20. 2J.. JuliâSeptr. Zeldzaam, op heuvelachtige gronden en op ruige plaatsen.
Liggende G. T. Chamaédrys L.
CVII. Fam. Lentibnlarieeën. Blaaskruidachtigen.
Water- of moerasplanten. Kelk 5-spletig of S-3-deelig. Bloemkroon 3-lippig, gespoord. Meeldraden 2. Vruchtbeginsel 1-hok-kig met centralen zaaddrager en 1 stijl. Vrucht een doosvrucht.
1 Bloemen alleenstaand. Kelk ongelijk 5-deelig. Bloemkroon open. Bladen in een wortelroset, eirond tot elliptisch, klierachtig kleverig, vetglanzend, geelgroen. Landplanten.
Pingufcula £â¢Â£.
Bloemen in trossen. Kelk 2-deelig. Bloemkroon gemaskerd, geel. Bladen in het water ondergedompeld, veeldeelig met lijnvormige slippen en rondachtige luchtblaasjes. Waterplanten ...........Utricularia *»3.
1. Pinguicula Tm. n.
1 Bloemen blauwviolet, van binnen vaak met 2 witte vlekken of lijnen. Spoor priemvormig, tamelijk recht, half zoo lang als dé bloemkroon. Doosvrucht stomp. 0,05-0,15. 2j-. Mei, Juni. Op moerassigen veengrond en in de duinen.
Kievitsvet. Vet blad. P. vulgaris L-
«««
Orabancheeën.
2. Utriculéria L, Waterblaaskruid. n.
Onbehaarde, ondergedoken waterplanten met draadvormigen, vertakten stengel, die alleen tijdens den bloeitijd hunne op lange, naakte stelen staande trossen boven den' waterspiegel
verheffen.....................1
Bladslippen borstelig gewimperd. Spoor veel rtialen meer lang
dan dik..................2
Bladslippen ongewimperd. Trossen 2-4-bIoemig.....4
Bladen naar alle zijden staand, 2-3-voudig vindeelig, alle gelijk van vorm en meest alle met luchtblaasjes. Bloemen in 4-10-bloemige trossen, de stelen tijdens den vruchttijd teruggeslagen .................3
Bladen 2-rijig, handvormig herhaald gaffeldeelig, zonder luchtblaasjes. Aan de takken weinige groote luchtblazen. Bloemen in 2-5-bloemige trossen, de stelen tijdens den vruchttijd rechtop- of afstaand. Bovenlip der bloemkroon dubbel zoo lang als het gehemelte. Onderlip vlak. Bloemkroon bleekgeel, gehemelte en bovenlip purper gestreept. 0,15-0,20. 2).. Juniâ Augs. In slooten en heipiassen, zeldzaam.
Middelst W. U. intermédia Hayne. Bovenlip der bloemkroon rondachtig-eirond, omstreeks zoo lang als het 2-lobbige gehemelte. Onderlip met omgeslagen randen. Bloemstelen 3-maal zoo lang als het schutblad. Bloemkroon dooiergeel met oranje gestreept gehemelte. 0,15-0,30. 2f. JuniâAugs. In slooten en heipiassen.
Gewoon W. U. vulgaris L.
Bovenlip der bloemkroon eirond-langwerpig, 2-3-iuaal zoo lang als het afgerond gehemelte. Onderlip vlak of byna vlak. Bloemstelen bgna 4-5-maal zoo lang als het schutblad. Bloemkroon citroengeel, met oranje gestreept gehemelte. 0,15-0,30. 2|.. JuniâAugs. Bjj Nijmegen gevonden.
Voorbijgezien W. U. neglecta Lehm.
Onderlip eirond, met omgekrulde randen. Bloemkroon bleekgeel met roodbruin gestreept gehemelte. 0,10-0,15. 2|.. Juniâ Augs. In slooten en heipiassen, zeldzaam.
Klein W. U. minor L. Onderlip cirkelrond, vlak. Bloemkroon geheel zwavelgeel. 0,10-0,15. 2|.. JuniâAugs. In veenslooten en heipoelen, zeldzaam.
««a
Geel W. U. Brémii Heer.
CVIII. Fam. Orobanclieeën. Bremraapachtigen. Woekerplanten met schubben in plaats van bladen. Kelk 4-5-spletig of 2-bladig. Bloemkroon 2-lippig, 5-lobbig. Meeldraden 4, tweemachtig. Vruchtbeginsel i-hokkig, met i stijl en 1 of 2 stempels. Vrucht een doosvrucht.
Orobancheeën.
â 1 Kelk.'4-5-tandig of 2-bladig. Bloemkroon 2-lippig, ten laatste tot op den blijvenden voet na afvallend. Schubben verspreid.
Orobanche
1. Orobénche. Bremraap, xiv.
Niet groen gekleurde, op de wortels van andere planten woekerende planten met gewoonlijk onvertakten, rechtopstaanden , aan den voet gezwollen, beschubden stengel, met een aar van bloemen ......................1
1 Kelk 2-bladig, de helften beneden vaak verbonden en zelf
weder 2-spletig, slechts door een enkel schutblad gesteund. 2 Kelk vergroeidbladig, 4-5-tandig, aan den voet door 3 schutbladen, n.1. d onderst en 2 zijdelingsche, omgeven ... 9
2 Meeldraden dicht boven het onderste derde of vierde deel der
kroonbuis ingeplant ...............3
Meeldraden aan den voet of dicht bij den voet der bloemkroonbuis ingeplant................7
3 Bloemkroon rolrond, met nauwe buis. Meeldraden aan den
voet verspreid behaard.............4
Bloemkroon rolrond-klokvormig of klokvormig.....6
4 Bloemkroon aan den voet plotseling knievormig gebogen en
naar voren gericht. Lip spits getand. Bovenlip ingesneden of bijna 4-lobbig. Bloemen wit tot lila, purper gestreept. Stempel bruin of roodbruin. 0,30-0,50. 2J.. Juni, Juli. Op Eryngium campestre woekerend, zeldzaam.
Violette B. O. amethystea Thuill. Bloemkroon gelijkmatig gekromd..........5
6 Stempel geel. Bloemkroon 0,015-0,018 lang, boven het midden iets samengetrokken, geel, violet aangeloopen, gestreept. Lippen ongeluk stomp getand. Bovenlip ingesneden , met naar boven geslagen lobben. Slippen der onderlip afstaand, spits, de middelste langer. Aar meest verlengd, ql. 0,30-0,lt;.0. JuliâSeptr. Alleen op den St.-Pietersberg gevonden......Klimop B. O. Héderae Dub.
Stempel purperrood of lila. Bloemkroon 0,012-0.015 lang, wit, violet gestreept of violet aangeloopen. Lippen stomp getand, gegolfd. Bovenlip 2-lobbig met naar voren gerichte lobben. Onderlip met 3 afgeronde, bijna even groote slippen. 0,40-0,30. 2|.. Juni. Op Trifolium pratense en medium.
Kleine B. O. minor Sutt. 6 Kelkbladen half zoo lang als de kroonbuis. Meeldraden minstens tot het midden behaard. Lobben der bovenlip afstaand. Bloemkroon 0,02-0,03 lang. Kelkbladen ongelijk 2-spletig, breed-eirond. Bloemkroon aan den voet gekromd, op den rug recht, onder de zoom naar beneden gekromd. Meeldraden
ÃBS
Orobancheeën. *as
bijiia even lang, naar boven evenals de stijl kaal. Bloemkroon geel, roodbruin aangeloopen. Stempel wasgeel. 0,30-0,50. 2J.. Mei, Juni. Op Medicago sativa en falcata woekerend.
Roodachtige B. O. rübens Wallr. Kelkbladen omstreeks even lang als de kroonbuis. Meeldraden, althans van den voet tot over het midden, dicht behaard. Stempel vuilviolet. Bloemkroon geelwit, op den rug recht, aan den top naar voren gekromd. Lippen stomp getand. Bovenlip ongedeeld. Kelkbladen ongedeeld of van voren met een tand. 0,15-0,40. 2J.. Juni. Op Picris hieracioides woekerend .....Bitterkruid B. O. Plcridis Schultz.
7 Meeldraden minstens tot het midden dicht behaard. Kelkbladen
meernervig, half zoo lang als de kroonbuis. Kroon op den rug gekromd, meest bruingeel, rood aangeloopen, 0,022-0,028 lang. Bovenlip met naar voren gerichte (niet afstaande) randen. Meeldraden bijna aan den voet der kroonbuis ingeplant. Aar meest verlengd en veelbloemig. Kleur van bloemkroon en stempel van zeer licht zwavelgeel tot donker roodbruin. 0,20-0,50. 2).. Juni, Juli. Op Galium Mollugo, verum, elatum en Gnaphalium dioicum. (O. caryophyllea
Gmel.)......Welriekende B. O. GdJii Duby.
Meeldraden beneden verstrooid behaard of kaal .... 8
8 Slippen der onderlip bgna even lang. Meeldraden boven kaal of met weinige klierquot;
haartjes. Bloemkroon geel, violet of rood aangeloopen. Kelkbladen scheef-eirondi min of meer plotseling in een lange lancet-priemvormige punt uitloopend, zelden tweespletig, lialf zoo lang als de kroonbuis. Bloemkroon op den rug zwak gekromd, iets gekield, van voren aan den voet buikig, van buiten, de bovenlip ook van binnen, met korte klierharen op geel- of roodachtige knobbeltjes staand, lichtbruin-geel, roodgestreept. Stempel licht-roodbruin, ook geel. 0,30â0,80. 2|.. Juni, Juli. Op Cirsiumsoorten en Geranium pusillum in Limburg.
Bleekbloemige B. O. pallidiflóra W. et Gr.
Middelslip der onderlip dubbel zoo lang als de zijslippen. Meeldraden aan den top evenals de stijl klierachtig behaard. Kelkbladen meest tamelijk gelijkmatig 2-spletig, omstreeks even lang als de kroonbuis. Bloemkroon voor aan den rand buikig, op den rug gekromd, licht-roodbruin of vleeschkleurig. Lippen gegolfd, zwak getand. Meeldraden beneden geheel kaal. Stempel geel, purperbruin gerand. Helmknopjes na het bloeien wit. 0,30-0,80. 2J-. Mei, Juni. Op Sarothamnus scoparius woekerend . . . GrooteB. O. Ró.pum Thuill.
9 Stengel meest niet vertakt. Bloemen tamelyk groot, 0,02-0,035 lang. Kelk meeat
6-tandig, de bovenste tand zeer klein. Kelktanden lancetvormig. Bloemkroon van de insnoering boven het vruchtbeginsel af naar voren gekromd. Helm knoppen kaal of aan den voet iets behaard. Bloemkroon meest lila, donkerder geaderd. Stempel geelachtig-wit. 0,15-0,30. Juni, Juli. Op Achillea millefolium woekerend. Alleen bg Katwgk en 'a-Gravenhage gevonden. Blauwe B. O. coerülea Vill.
Stengel meest vertakt, dun. Bloemen klein, 0,01-0,012 lang.
496 Bignoniaceeën. â Globularieeën. â Verbenaceeën.
Kelk 4-tandig. Kelktanden priemvormig met eironden voet. Bloemkroon boven het vruchtbeginsel sterk samengesnoerd en iets naar voren gekromd. Helmknoppen kaal. Bloemkroon geelachtig, van voren iets blauwviolet. Stempel lichtgeel. 0,15-0,25. ©. Juli, Augs. Op tabak en hennep woekerend ........Vertakte B. O. ramósa L.
CIX. Fam. Bignoniaceeën.
Heesters of hoornen. Kelk 2-lippig of 5-deelig. Bloemkroon 5-lobbig of -spletig, bijna 2-lippig. Meeldraden 2, of 4 twee-machtige. Vruchtbeginsel met 1 stijl en stempel. Doosvrucht 2-hokkig. Zaden gevleugeld, zonder kiemwit.
1 Kelk 2-lippig. Bloemkroon buikig klokvorniig, 5-lobbig, bgna 2-lippig. Meeldraden 2 (met 3 draadvormige, bgkomende deelen). Doosvrucht hartvormig.
Catalpa 490.
Kelk 5-deelig. Bloemkroon klok-trechtervormig, 5-8pletig, 2-lippig. Meeldraden 4, 2 langere en 2 kortere. Doosvrucht eirond.....Paulównia 4LMS,
i. Catalpa Scop. it.
1 Bladen hartvormig-eirond, toegespitst, van onderen behaard, meest 3 bjjeen, groot. Bloemen in een rechtopstaande pluim. Kelkslippen gaaf. Bloemkroon wit, van binnen met roodbruine puntjes, met 2 gele vlekken. 3,00-7,00. Mei, Juni. Sierboom uit Noord-Amerika (Bignónia Catalpa L., B. syringaefólia Sims).
Trompetboom. t C. bignoniofdes Walt.
a.. Paulównia C. et Z. xiv.
1 Bladen breed hartvormig-eirond, soms 3-lobbig, overigens gaafrandig, groot. Bloei-wijze trosvormig. Bloemen groot, welriekend. Bloemkroon lichtblauw-rose, van binnen met bruine punten, met 2 gele strepen. 3,00-5,00. De bloemen ontwikkelen zich vrjj laat in den zomer, maar ontplooien zich eerst het volgende jaar. Sierboom uit Japan. (P. imperialis S. et Z.) f P. tomentósa Thunbg.
CX. Fam. Globularieeën.
Kelk 5-deelig. Bloemkroon 4-5-spletig, symmetrisch. Meeldraden
4. Vruchtbeginsel i-hokkig, met 1 stijl en 2-spletigen stempel.
Vrucht niet openspringend.
1 Kelk 5-deelig. Bloemkroon onregelmatig 4-o-8pletig. Meeldraden 4. Vrucht droog, eenzadig, niet openspringend. Bloemen in bolvormige hoofdjes.
Globuléria ££0.
i. Globularia L. iv.
Stengel rechtopstaand, kruidachtig, geheel bebladerd. Wortelbladen langgesteeld, elliptisch-spatelvormig, ingesneden met een tandje in de insnjjding. Stengelbladen zittend, lancetvormig. Bloemkroon blauw, zeer zelden wit. 0,05-0,15. 2|.. Mei, Juni. Vroeger een enkele maal gevonden . . Kogel bloem. G. vulgaris L.
CXI. Fam. Verbenaceeën.
Kelk 5-tandig. Bloemkroon 5-slippig, iets 2-lippig. Meeldraden 2-machtig of 2. Vruchtbeginsel 4-hokkig, met 1 stijl en 1 stempel. Vrucht een 4-notige split- of een steenvrucht.
Plantagineeën.
Kelk 5-tandïg. Bloemkroon trechter- of trompetvormig, met ongelijk 5-spletigen zoom. Meeldraden (2-)4. Vrucht in 4 eenzadige nootjes uiteenvallend . . . . Verbéna
1. Verbéna Trn. Ijzerhard. Verbena, xiv.
Stengel rechtopstaand, vierkant, vertakt. Bladen tegenoverstaand, de onderste langwerpig, de middelste 3-spletig, de bovenste langwerpig, gekarteld, de bovenste gaafrandig. Bloemen klein, zittend, in pluimvonnig gerangschikte, dunne aren. Bloemkroon bleek-lila. 0,30-1,00. 2J-. JuliâOctr. Niet algemeen, langs wegen, op dijken, op muren, enz.
Echte IJ. V. officinalis L.
In vele variëteiten vindt men in tuinen gekweekt:
Bladen eirond-langwerpig, S-spletig, diep gezaagd, aan den voet plotseling in den steel versmald, bgna glad. Stengel opstggend. Bloemen in slappe aren, groot. Keel van de bloemkroon bebaard, lichtpurper of bleek-lila. 0,50-0,80. © en 0©. JuliâOctr. Sierplant uit Virginië . . Verbena. V. Aublétia L.
CXII. Fam. Plantagineeën. Weegbreeachtigen.
Planten 2-slachtig of i-huizig. Kelk vliezig, 4-deelig of 2-3-hladig. Bloemkroon 3-tandig of 4-spletig. Meeldraden 4, op de bloemkroon of den bloembodem gezeten. Vruchtbeginsel 1-4-hokkig met 1 stijl. Vrucht een doos- of dopvrucht.
Planten eenhuizig. Kelk der mannelijke bloemen 4-deelig. Bloemkroon buisvormig, met 4-deeligen zoom. Kelk der vrouwelijke bloemen 2-3-bladig. Bloemkroon kroesvormig, 3-tandig. Vrucht een eenzadig nootje . Littorélla Bloemen 2-slachtig, in aren. Kelk diep 4-deelig. Bloemkroon buisvormig, met 4-deeligen, teruggeslagen zoom. Vrucht een 2-4-hokkige, rondom openspringende doosvrucht.
Plantago 4498.
1. Littorélla L. xxi.
Bladen in een wortelroset, lijn-priemvormig, aan den voet gootvormig, de onderste met breede scheede. Bloeiwijze meest 3-bloemig, uit een langgesteelde, mannelijke en 2 zittende, vrouwelijke bloemen bestaand. Bloemkroon wit-
«â¢ff
Plantagineeën.
achtig. 0,05-0,10. 2J.. JuniâAugs. Vrij algemeen, op voch-tigen heide-, duin- en veengrondj ook in vijvers en plassen. , - Strandbloem. L, lacüstris L.
2. Plantógo Li. Weegbree, iv.
Kruiden met meestal onvertakten, onbebladerden, een aar of hoofdje dragenden stengel en een wortelroset van bladen. Kelk 4-deelig. Bloemkroon geel- of bruinachtig....... . 1
1 Bladen wortelstandig..................2
Bladen lijnvormig, tegenoverstaand. Stengel vertakt, rechtopstaand of uitgespreid, kort stjjfharig. \ren b\jna in schermen, bolrond tot langwerpig. 0,15-0,80. ©. JuliâSeptr. Bjj Den Haag, Arnhem, Deventer en Maastricht gevonden
Zaad W. P. arenaria W. et K.
2 Kroonbuis kaal................3
Kroonbuis behaard. Aarstelen rolrond, niet gestreept. Aren
lijnvomiig-rolrond ...............5
3 Bladen eirond of elliptisch. Aarstelen rondachtig, zwak ge
streept .......................4
Bladen lancetvormig tot lijn-lancetvormig. Schutbladen droog-vliezig, eirond, toegespitst, kaal. Aarstelen gegroefd. Aren eirond tot eirond-langwerpig. Bloemkroon doorschijnend. Meeldraden geelachtig-wit. 0,15-0,50. 2J.. MeiâSeptr. Algemeen, langs wegen, dijken, op weilanden, ook op onbebouwde gronden.
Hondsribbe. Hondetong. Tonge. Hondsbloem. Mannetjes-plantein. Kleine W. P. lanceolamp;ta L.
4 Bladen eirond of elliptisch. 3-5-nervig, kaal, met tamelijk lan
gen steel. Aarstelen weinig langer dan de bladen. Aren lijnvormig-rolrond. Bloemkroon bruinachtig. Meeldraden witachtig. 0,15-0,30. 2|-. JuniâOctr. Algemeen, langs wegen, dijken, weilanden, enz.
Wegebladen. Treewegen. Platvoet. Weegwortel. Wijkerblad. Konijnenblad. Vrouwtjesplantein. Groote W. P. méjor L. Bladen elliptisch, 7-9-nervig, kort behaard, met korten steel. Aarstelen vele malen langer dan de bladen. Aren langwerpig-rolrond. Bloemkroon doorschijnend. Meeldraden lila. 0,15-0,45. i|.. Mei, Juni. Minder algemeen, op zandgrond, aan wegen enz........ . . Ruige W. P. média L.
5 Bladen blauwgroen, lijnvormig, kaal, meest gaafrandig, goot-
vormig, drienervig. Achterste kelkslippen met een scherpe kiel. Doosvrucht spits. Bloemkroon witachtig. 0,15-0,30. 2J.. JuniâOctr. Op zeeklei.
Zeehartshoorn. Krokkeling. Zee W. P. maritima L.
Oleaceeën. SBB
Bladen lichtgroen, getand, vinspletig of dubbel-vinspletig. Achterste kelkslippen met een vliezig gevleugelden, gewimperden kiel. Doosvrucht stomp. Bloemkroon witachtig. 0,03-0,30. O©. JuniâSeptr. Op zilte klei en zandige plaatsen in heidevelden en in de duinen.
Hertshoorn W. P. Corónopus L.
CXIII. Fam. Oleaceeën. Olijfachtigen. n.
Heesters of hoornen, met overstaande bladen. Kelk 4-tandig of -deelig of ontbrekend. Bloemkroon 3-4-bladig of -deelig of ontbrekend. Meeldraden 2. Vruchtbeginsel 2-hokkig, met i stijl en gespleten stempel.
Bloemkroon vergroeidbladig, 4-spletig. Bladen enkelvoudig,
ongedeeld. Heesters..............2
Bloemkroon 2- of 4-bladig of ontbrekend. Kelk 4-deelig of ontbrekend. Vrucht een â¢i-2-hokkige vleugelvrucht. Bladen (meest) gevind. Boomen ...... Fraxinus 430.
Vrucht een 2-hokkige bes. Kelk 4-tandig, afvallend. Bloemkroon trechtervormig, wit.....Ligüstrum 429.
Vrucht een 2-hokkige , 2-kleppige doosvrucht......3
Kelk 4-tandig, blijvend. Bloemkroon blauw, violet, lila of
wit...............Syrfnga 489.
Kelk 4-deelig, afvallend. Bloemkroon geel. Forsythia 430.
1. Ligüstrum Tm.
Bladen langwerpig-lancetvormig tot lancetvormig , gaafrandig, kaal, iets lederachtig. Bloemen in een eindelingsche , dichte pluim. Bloemkroon wit. Bes zwart, zeldzamer wit, geel , groen. 4,50-3,00. 1). Juni, Juli. In kreupelhout, vooral naar den duinkant en aangeplant als heggen in parken.
Mondhout. Keelkruid. Liguster. L. vulgóre L.
2. Syringa L. Sering.
Bloemen duidelgk gesteeld. Bloemsteel langer dan de kelk.......*.2
Bloemen zeer kort- of ongesteeld, meest opeengedrongen. Bladen van onderen lichter. 4 Bladen met hartvormigen voet, breed-eirond, toegespitst, gaafrandig, kaal. Zoom der bloemkroon iets verdiept. Bloemkroon blauwachtig, lila of wit. 8,00-6,00. b. Mei, Juni. Sierstruik uit Hongar\je . . . . Gewone S. S. vulgaris £. Bladen aan den voet versmald...................3
Gentianeeën.
8 Bladen eirond-lancetvormig, toegespitst. Zoom der bloemkroon, vlak. Bloemkroon roodachtig of lila. 3,00-4,60. Jj. Mei, Juni. Sierstraik nit China. (S. Rothoma-génsis Renault.)........ChineescheS. S. chinénsis Willd.
Bladen lancetvormig, met breederen voet, soms vinspletig ingesneden (S. laciniata) Zoom der bloemkroon iets verdiept. Bloemkroon blauw-lila of wit. 1,50-3,00. I). Mei, Juni. Sierstruik uit Perzië. . . . . . Perzische S. f S. pérsica ll 4 Bladen langwerpig, spits, iets vleezig, van boven donkergroen, met van onderen niet vooruitspringende nerven. Zoom der bloemkroon iets verdiept. Bloemkroon violetblauw. 2,00-3,50. Juni. Sierstruik uit Hougarge.
Hongaarse he S. t S. Josfkaa Jacq.
Bladen langwerpig of langwerpig-lancetvormig, van onderen met vooruitspringende nerven. Zoom der bloemkroon vlak. Bloemkroon wit, iets roodachtig. 2,00-3,50.
Juni. Sierstruik uit het Himalayagebergte Emodi's S. S. f Emodi Wallr.
3. Forsy'thia Vahl.
1 Bladen langwerpig, in den steel versmald, behalve het onderste derde deel gezaagd, donkergroen, na de bloemen te voorschgn komend. Bloemen meest in paren, aan rechtopstaande takken. Kelkslippen eirond, spits. Bloemen geel. 1,20-1,80. Maart, April. Sierstruik uit China.
Chineesche klokjes, f F. viridissima Lindl.
4. Frdxinus Tm. Esch.
1 Bloembekleedsels dubbel. Knoppen grgsviltig. Blaadjes 7-9, gesteeld, eirond tot langwerpig-lancetvormig, toegespitst, gekarteld-gezaagd, van onderen langs de middelnerven behaard. Bloemen in pluimen, tegelgk met de bladen verschgnend. Vrucht Ignvormig-langwerpig, rechtopstaand. Bloemkroon witachtig. 5,00-8,00. Mei. Uit Zuid-Europa.....Pluim E. Manna E. f F. Ornus L.
Bloemdek ontbrekend. Knoppen zwart, fluweelachtig. Blaadjes 9â13, bijna zittend, langwerpig-lancetvormig, toegespitst, klein gezaagd, van onderen aan den voet behaard. Bloemen voor de bladen verschijnend, pluimvormig. Vruchten overhangend, langwerpig. Helmknopjes donkerrood. Takken aschgrauw, zeldzamer geel (F. aurea) of roodachtig. De vorm met hangende takken isF. pendula Vahl., treur-esch. 15,00-30,00. 1). April, Mei. In bosschen, langs wegen. Vaak aangeplant . Gewone E. F. excélsior L.
Bladen meest enkelvoudig, eirond, onregelmatig gezaagd, of aan den voet gevind. Als sierboooi gekweekt, de variëteit . t P. heterophylla Vahl.
CXIV. Fam. Gentianeeën. Gentiaanachtigen.
Bladen meest overstaand. Kelk 5(4-12)-slippig of bladig. Bloemkroon 5f4-12)-spletig. Meeldraden 5(4-i2), afwisselend met de kroonslippen. Stamper i , 1-hokkig met wandstandige zaadlijsten, met 3 geheel of ten deele vergroeide stijlen. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend.
1 Bladen enkelvoudig, tegenoverstaand. Landplanten ... 2 Bladen drijvend of 3-tallig, verspreid. Moeras- en waterplanten. 5
S30
Gentianeeën. 4J-I
Meeldraden 8. Bloemkroon trompetvonnig met 8-deeligen zoom.
Stijl kort. Stempels 2........Chlóra 431.
Meeldraden 4-5 ................3
Stijl zeer kort of ontbrekend. Stempels 2. Bloemkroon klok-, trechter- of trompetvormig, met 4-9-spletigen zoom.
Gentidna 431,
Stijl draadvormig met knopvormigen stempel. Bloemkroon
trechtervormig................4
Meeldraden 4. Helmknopjes na den bloeitijd niet gedraaid. Bloemkroon met 4-spletigen zoom. Bloemen alleenstaand.
Cicéndia S3K.
Meeldraden 5. Helmknopjes na den bloeitijd schroefvormig ineengedraaid. Bloemkroon met 5-deeligen zoom. Bloemen
in bijschermen. . ........Erythraéa 439,
Bloemkroon trechtervormig, met gebaarden zoom. Vruchtbeginsel aan den voet door een gewimperden klierring omgeven.
Moerasplanten.........Menyanthes 433,
Bloemkroon stervormig, met gebaarde keel. Vruchtbeginsel aan den voet met 5 klieren, die met de meeldraden afwisselen. Waterplanten.....Limnanthemum 433.
1. Chlóra L. Bitterplant. vin.
Onbebaarde, blauwgroen berjjpte kruiden met reebtopstaanden stengel, gaafrandige bladen en bloemen in gesteelde bgschermen. Wortelbladen in een roset, de
overige tegenoverstaand. Bloemkroon geel............ . 1
Stengelbladen driehoekig-eirond, over hun geheele breedte vergroeid. Kelkslippen Ign-prieravormig, korter dan de bloemkroon. Kroonslippen langwerpig, «tomp. Bloemkroon geel. 0,15-0,30. ©. Juli, Augs. Misschien niet inlandsch.
Zomer B. C. perfoliata L. Stengelbladen eirond of eirond-lancetvormig, alleen aan den afgeronden voet vergroeid. Kelkslippen lancet-priemvormig, omstreeks even lang als de bloemkroon, Kroonslippen tamelijk spits. Bloemkroon geel. 0,15-0,30. O. Augs.âOctr. Zeer veel, in de omstreken van Brielle . . . Herfst B. C. serótina Koch,
2. Gentidna Trn. Gentiaan, v.
Onbehaarde kruiden met tegenoverstaande, gaafrandige bladen (de wortelstandige vaak een roset vormend) en gekleurde, meest groote, rechtopstaande bloemen............1
Keel der bloemkroon van binnen kaal........2
Keel der bloemkroon van binnen met franje......3
Bloemen in schynkransen. Bladen langwerpig-laneetvormig, 3-nervig, de onderste aan den voet met een lange, de bovenste met een korte scheede. Bloemen vrg groot, 4-tallig. Bloemkroon met 4-spletigen zoom en knotsvormige buis, van buiten blauwgrqs, van binnen azuurblauw. Helmknopjes vrg. 0,15-0,45.
Juli, Augs. Zeer zeldzaam in duinvalleien. Maldegeer. Kruis G. G. Cruciata L.
Gentianeeën.
Bloemen alleenstaand, eind- of okselstandig. Bloemkroon groot, klok-trechtervormig. Bladen met korte scheede, 1-nervig met omgerolden rand, lijnlancet- tot lijnvormig, de onderste soms langwerpig. Bloemen groot, 5-tallig. Bloemkroon met 5-spletigen zoom en klok-trechtervormige buis, donker azuurblauw , van buiten met 5 groene strepen. Helmknopjes samengekleefd. 0,20-0,60. 2)-. JuliâSeptr. Niet zeldzaam, op vochtige plaatsen in heide- en veenstreken.
Blauwe lelietjes. Spade klokskens. Kleine G. Klokjes G.
G. Pneumonamp;nthe L.
3 Kelk diep 4-spletig. Kelkslippen ongelijk, de 2 buitenste
elliptisch, breeder dan de 4-spletige bloemkroon. Doosvrucht bijna zittend. Bladen eirond tot langwerpig-lancetvormig, de onderste gesteeld, de bovenste zittend. Bloemkroon violetblauw, zelden geelachtig-wit. 0,05-0,20. ©. Augs.âOctr. Op droge, zonnige, grazige plaatsen in de hoogere streken en in de duinen......V e 1 d G. G. campéstris L.
Kelk en bloemkroon 5-spletig. Kelkslippen tamelijk gelijk. Bladen spits of toegespitst, eirond tot lijn-lancetvormig . 4
4 Bladen eirond. Kelkslippen lancetvormig, toegespitst, veel smaller dan de bloem
kroon , aan den rand meest omgerold. Doosvrucht meest langgesteeld. Bloemkroon lila-blauw. 0,03-0,30. © Augs-Octr. Zeldzaam, in Limburg.
Duitse he 6. G. germanica Willd.
Bladen met breeden voet, lancetvormig tot lijn-lancetvormig. Bloemen kleiner. Kelkslippen meest vlak. Doosvrucht zittend. Bloemkroon roodachtig-lila, zelden geelachtig-wit. 0,03-0,20. 0. Septr., Octr. Vrij algemeen, in duinvalleien.
Slanke G. G. amarélla L.
3. Cicéndia Adans. iv.
\ Stengel zeer dun. Bladen lancetvormig. Bloemen alleenstaand, eindelings, langgesteeld, zeer klein. Kelk 4-tandig, met drie-hoekig-lancetvormige tanden. Bloemkroon geel. 0,03-0,12. ©. JuliâOctr. Vrij zeldzaam, op lagen hei- en veengrond en vochtigen zandgrond.
Draadgentiaan. C. filifórmis Del.
4. Erythraéa Rich.
Duizendguldenkruid. Centaur is. Santory. V.
Tweejarige, bittere kruiden met rechtopstaanden, vierkanten, vertakten stengel, tegenoverstaande, gaafrandige bladen en bij-schermen van kleine, roode of witte bloemen. Wortelbladên vaak in een roset, de stengelstandige altijd zittend . ... i
4S«
Apocy naceeë n.
1 Onderste bladen een roset vormend. Zoom der bloemkroon
tamelijk vlak................2
Onderste bladen geen roset vormend. Stengel gaffelvormig vertakt. Bladen eirond. Kelk bij het opengaan even lang als de kroonbuis. Bloemkroon donkerrose. 0,02-0,25. Q. JuliâSeptr. Vrij algemeen in duinvalleien en op vochtigen, grazigen zandgrond.....Fraai D. E. pulchélla Fr.
2 Stengelbladen langwerpig-eirond tot lijn-lancetvormig, meest
5-nervig, met gladden rand. Bloemen der bijschermen bijna alle even hoog. Kelk bij het opengaan half zoo lang als ⢠de kroonbuis. Bloemkroon rose. 0,15-0,45. Q© en ©. JuliâSeptr. Vrij algemeen, als de vorige.
Gewoon D. E, Centaürium Pers. Stengelbladen lijnvormig, meest3-nervig, met getanden, ruwen rand. Bloemen der bijschermen op verschillende hoogte staand. Kelk bij het opengaan even lang als de kroonbuis. Bloemkroon rose. 0,08â0,25. © en ©©. JuliâSeptr. Vrij algemeen, in duinvalleien. Strand D. E. linariifólia Pers.
5. Menyénthes Trn. v.
1 Bladen 3-tallig, langgesteeld, wortelstandig. Blaadjes omge-keerd-eirond, bijna zittend. Bloemen in een langgesteelden tros. Bloemkroon roodachtig-wit of wit. 0,15-0,30. 2j.. Mei, Juni. Soms zeer algemeen, in veenstreken.
Water drieblad. Waterklaver. M. tnfoUé.ta L.
6. Limnanthemutn Gmel. x.
1 Bladen drijvend , langgesteeld, hartvormig-cirkelrond. Bloemen schermachtig in de bladoksels. Bloemkroon goudgeel, slippen met een donkerder middenstreep. 0,80-1,50. 2|.. Juli, Augs. Niet zeldzaam, in slooten, grachten, vaarten.
Watergentiaan. L. nymphaeoides Lk.
CXV. Fam. Apocynaceeën. Maagdepalmachtigen.
Kelk 5-deelig. Bloemkroon 5-slippig. Meeldraden 5. Stuifmeel poedervormig. Stamper i, 2-hokkig, met i stijl en 2-lobbigen stempel of 2, ieder 1-hokkig. Vrucht 1 of 2 kokervruchten. HEUKKLS, Schoolflora. 8e druk. 28
433
Asclepiadeeën.
\ Bloemkroon trechtervormig, aan de keel verwijd, met 5-dee-ligen zoom, blauw, zelden wit. Vruchtbeginsels 2, met ge-meenschappelijken stijl '........Vinca 43*.
Bloemkroon trechtervormig, met 5-lobbigen zoom, rozerood, zelden wit. Vruchtbeginsel 1.....Nérium 434.
J. Vinca L. v.
1 Stengel kruipend. Bladen kortgesteeld, elliptisch of eirond-lancetvormig, kaal. Bloemen alleenstaand. Kelk kaal. Bloemkroon lichtblauw, zelden wit. 0,15-0,60. 2^.. April, Mei. Niet zeldzaam, op belommerde plaatsen, aan heggen en slootkanten, ook gekweekt in tuinen.
Maagdepalm. V. minor L.
3. Nérium L, r.
1 Altijdgroene heester. Stengel reclitopstaand. Bladen lederachtig stijf, glanzend groen, gaafrandig, lanci'tvormig. Bloeoien in eindelingsche tnilen, welriekend , roaerood, zelden wit. 2,00-3,00. b. Juli, .Vugs. Sierplant.
Oleander. N. Oleander L.
CXVI. Fatn. Asclepiadeeën.
Kelk 5-deeUg. Bloemkroon S-spletig. Meeldraden 5, eenbroederig, aan den stijl zittend, met aanhangsels aan de helmknoppen. Vruchtbeginsels 2, met 2 stijlen en 1 koekvormigen stempel. Stuifmeel in knopjes. Kokervruchten. Zaden met kuif.
1 Bloemkroon stervormig. Helmknopjes van buiten met aanhangsels, die tot een vjjfspletigen krans vergroeid zgn. Stempel met korte puntjes.
Cynanchum £34.
Bloemkroon met teruggeslagen slippen. Aanhangsels der helmknopjes gescheiden, mutsvormigt van binnen met een hoorntje. Stempel zonder puntjes.
Asclépias
i, Cynanchum R. Br. v.
1 Bladen kortgesteeld, toegespitst, gaafrandig, hartvorm ig-eirond-lang werp ig, de bovenste langwerpig-lancetvormig. Bloemen in beschermen. Bloemkroon kaal, wit. Krans der helmknopjes geelachtig. 0,80-1,00. 2^.. JuniâAugs. Alleen in Gaas-terland en bjj Maastricht gevonden. (Vincetóxicum officinale Much.)
Eng bloem. C. Vincetóxicum R. Br.
sa*
Gampanulaceeën.
2 Asclépias L. v.
1 Stengel, naar boven, evenals de steel van het bescherm, kort grjjs behaard. Bladen kortgesteeld, elliptisch, stomp, van onderen gr^jsviltig. Bloemkroon vleeschrood, sterk riekend. 1,00-1,50. d|.. JuniâA-ugs. Sierplant uit Noord-Amerika en misschien een enkele maal by Haarlem verwilderd. Vergiftig!
Zijdeplant, t A. Cornüti L.
CXVII. Fam. Campannlaceeëti. Klokjesachtigen.
Kelk en bloemkroon 5-slippig. Meeldraden 5, met soms zijdelings verbonden helmknoppen. Stamper onderstandig met een 2-5-hok-kig vruchtbeginsel, i stijl en 2-5 stempels. Vrucht een doosvrucht.
\ Slippen der bloemkroon lijnvormig, eerst verbonden, later van beneden af loslatend. Bloemen klein, in hoofdjes of aren, door een gemeenschappelijk omwindsel omgeven ... 2 Slippen der bloemkroon vrij, breed. Bloemen in trossen of pluimen , zonder gemeenschappelijk omwindsel .... 3
2 Meeldraden priemvormig. Helmknopjes aan den voet iets sa
menhangend. Stempels 2, kort.....Jasióne *33.
Meeldraden aan den voet verbreed. Helmknopjes vrij. Stempels 2 of 3, draadvormig......Phyteüma 43«.
3 Bloemkroon klok- tot trechtervormig. Meeldraden aan den voet
verbreed. Doosvrucht tolvormig, met gaten ter zijde openspringend ...........Campanula -*3«.
Bloemkroon stervormig. Meeldraden nauwelijks verbreed. Doosvrucht langwerpig, boven het midden met 3 lengtespleten openspringend.........Specularia -138.
1. Jasióne L. Zandklokje. v.
Kruiden met beneden sterk bebladerden stengel, verspreide, ongedeelde bladen en kleine, kortgesteelde blauwe bloemen in hoofdjes. Bloemkroon diep 5-deelig. Meeldraden 5, met vergroeide helmknopjes. Stempel knotsvormig.......1
1 Zonder uitloopers. Meest verscheiden stengels, naar boven onbebladerd en kaal. Bladen tamelijk gaafrandig, met ge-golfden rand, de onderste omgekeerd-eirond, stomp, de bovenste lancet- tot lijnvormig, spits. Bloemkroon hemelsblauw, zelden wit of roodachtig. 0,30-0,50. OQ. JuniâSeptr. Zeer algemeen, op drogen zand- en heigrond en in de duinen.
Berg Z. J. montcina L, 28*
S3S
Campanulaceeën.
Met «itlooper». Een of weinige stenpela. Bladen vlak, lijnvormig:. Bloemhoofdjes grooter. Overigens als de vorige. 0,30-0,60. JnniâAugs. Eenmaal gevonden bg de Bilt.........OverblqvendZ. J. perénnis Lmk.
2. Phytéuma L. Rapunzel. v.
Kruiden met onvertakten stengel, verspreide, ongedeelde bladen en meest blauwe of violette bloemen in hoofdjes of aren. Stijl draadvormig met 2-3 stempels............1
1 Bloemkroon geelachtig-wit, aan den top groenachtig. Schut
bladen lijn-lancet- tot borstelvormig. Bladen bijna dubbel gezaagd-gekarteld, de onderste steeds hartvormig, rondachtig tot langwerpig-eirond. 0,30-0,80. 2J.. Mei, Juni. Zeer zeldzaam, in bosschen. . Aardragende R. P. spicamp;tum L. Bloemkroon donkerviolet. Bloemen ongelijk gekarteld. Bloei-wijze meer eirond. Overigens als de vorige. 0,20-0,80. 2J.. Mei, Juni. Zeer zeldzaam, in bosschen en op hoogegronden.
Zwarte R. P. nigrum Schmidt.
3. Campanula L. Klokje, v.
Kruiden met bebladerden, meestal vertakten stengel, verspreide, ongedeelde bladen en eind- en okselstandige bloemen, wier kelk 5-deelig is, de bloemkroon klokvormig, met 5-lobbigen zoom. Vruchtbeginsel met 3, soms 5 stempels.........1
d Bochten tusschen de kelkslippen zonder aanhangsels ... 2
Bochten tusschen de kelkslippen met teruggeslagen, eironde, stompe aanhangsels. Stempels 5. Doosvrucht 5-hokkig. Bloemkroon met kalen, omgebogen rand, lichtblauw of wit. Bloemen zeer groot, kortgesteeld, in eindelingsche trossen. Plant stjjf behaard. 0,60-0,80. O©. JuniâSeptr. Sierplant uit Zuid-Europa
Tuin K. f C. Médium L.
2 Bloemen gesteeld, in trossen of pluimen.......3
Bloemen zittend, in hoofdjes of kluwens. Plant meest kort
behaard. Onderste bladen eirond of langwerpig-lancetvormig, met afgeronden of hartvormigen voet, de bovenste eirond-lancetvormig. Kelkslippen smal-lancetvormig, spits. Bloemkroon violet-blauw. 0,30-0,80. 2]-. JuliâSeptr. Zeldzaam, op vochtige, grazige en beschaduwde plaatsen.
Kluwenvormend K. C. glomerata L.
3 Bladen hartvormig-eirond of eirond tot eirond-lancetvormig.
Doosvrucht overhangend, aan den voet openspringend . 4 Bladen (behalve de onderste) lancet-of lijnvormig, meest kaal. 6
4 Bloemen overhangend. Kelkslippen lancetvormig. Stengel even
als de bladen kort behaard, stompkantig. Onderste bladen langwerpig, langgesteeld, de bovenste langwerpig-lancet-
*3«
Campanulaceeën.
vormig, zittend. Bloemen in een naar één zijde gekeerden tros. Bloemkroon met gewimperden rand, meest lichtviolet. 0,30-0,80. 2J-. JuliâSeptr. Vrij algemeen, op droge gronden, aan heggen, op bouwland en in moestuinen.
Duivelsnaaigaren. Akker K. C. rapunculoides L. Bloemen afstaand of rechtopstaand. Kelkslippen eirond-lancet-
vormig. Bloemkroon gewimperd, vrij groot.....5
Stengel scherpkantig, evenals de bladen eenigszins stijf behaard. Onderste bladen hartvormig-eirond, langgesteeld of zittend. Bloemstelen aan den voet met 2 blaadjes. Bloemkroon blauw-lila, zelden wit. 0,60-1,00. 2).. Juli, Augs. Vrij algemeen, in bosschen, tusschen kreupelhout, in Limburg en de hooge diluviale streken . . RuwbehaardK. C. Trachélium L.
Stengel stompkantig, kaal. Bladen aan weerszijden eenigszins zacht behaard, de onderste met gevlengelden steel, nauwelijks hartvormig, de bovenste zittend. Bloemstelen onder het midden met 3 blaadjes- Bloemkroon lichtviolet. 0,60-0,80. 1|-. Juni, Juli. Op vochtige, beschaduwde plaatsen, alleen bij Maastricht.
Breedbladig K. C. latifólia L.
Bloemen vrij groot of klein. Kelkslippen priemvormig . . 7 Bloemen groot, wijd klokvormig, in armbloemige trossen. Kelkslippen lancetvormig. Zijdelingsche bloemstelen aan den voet met 2 blaadjes. Bladen kaal, stijf, de onderste lang-werpig-wigvormig, in den steel versmald. Doosvrucht rechtopstaand. Bloemkroon hemelsblauw, zelden wit. 0,30-0,80. 2J.. JuniâAugs. Vrij algemeen, in bosschen, tusschen kreupelhout, in heidegrond.
Perzikbladig K. C. persicifólia L. Bloemkroon klokvormig, 5-lobbig, donkerblauw. Bloemen. 0,015-0,02 lang, meest in een pluim. Doosvrucht overhangend, aan den voet openspringend. Onderste stengelbladen lancetvormig tot lijn-lancetvormig. Stengelbladen vrij ver uiteen, gaafrandig. Bloemknoppen bijna rechtopstaand. Plant los zodevormend, met weinige niet-bloeiende takken. 0,15-0,40. 21-. JuniâOctr. Zeer algemeen, in bosschen, langs wegen, in grasvelden, in kreupelhout.
Zand K. Kleine 'wilde raponce. Kleine wilde klokskens.
Gras K. C. rotundifólia L. Bloemkroon trechtervormig, 5-spletig, in veelbloemige, ijle pluimen. Doosvrucht rechtopstaand, zich boven het midden of aan den top openend. Onderste stengelbladen langwer-
pig-spatelvormig of langwerpig-wigvormig......8
Wortel dun. Bladen vlak. Pluimen met afstaande takken. Zijdelingsche bloemstelen boven het midden met 2 blaadjes.
437
Lobeliaceeën.
Kelkslippen lancet-priemvormig. Bloemkroon blauw-lila. 0,30-0,60. ©0. MeiâJuli. Zeldzaam, op vochrige, grazige, beschaduwde plaatsen.....Weide K. C. pamp;tula L.
Wortel dik, vleezig. Bladen met gegolfden rand. Pluim smal, met korte, rechtopstaande takken. Zijdelingsche bloemstelen dicht bij den voet met 2 blaadjes. Kelkslippen lijn-priem-vormig. Bloemkroon roodachtig-blauw of blauw. 0,50-0,80. OQ. JuniâAugs. Vrij algemeen, op droge beschaduwde gronden. . . Raponce. Rapunzel K. C. Rapünculus L.
4. Specularia Heist. Kant vrucht, v.
Kruiden met vertakten stengel en kortgesteelde bloemen in einden zij stand ige bij schermen.............\
i Kelkslippen afstaand, lijnvormig, even lang als de kelkbuis en de bloemkroon. Bloemen een ijle pluim vormend. Bladen zwak gekarteld, langwerpig, de onderste omgekeerd-eirond. Bloemkroon violet, zelden wit. 0,10-0,30. ©Q. JuniâAugs. Zeer algemeen, tusschen het koren, op zandgrond.
Vrouwenspiegel. Spiegelvormende K.
S. Spéculum D. C. fil.
Kelkslippen rechtopstaand, lancetvormig, half zoo lang als de kelkbuis, dubbel zoo lang als de bloemkroon. Bloemen dichter bijeen, kleiner. Bloemkroon purper. Overigens als de vorige soort. 0,10-0,25. ©0. Juni, Juli. Zeldzaam, tusschen het koren . . Onechte K. S. hybrida D, C. fil.
CXVIII. Fam. Lobeliaceeën.
Kelk 5-slippig of gaa f. Bloemkroon 5-spletig, onregelmatig, iets 2-lippig. Meeldraden 5, met vergroeide helmknopjes. Vruchtbeginsel onderstandig, 2-4-hokkig met een stijl. Vrucht een doosvrucht.
i Kelk 5-spletig. Bloemkroon 2-lippig, met boven opengespleten buis. Helmknoppen vergroeid. Doosvrucht 2-3-hokkig, aan den top 2-3-kleppig. Bloemen in eindelingscbe trossen.
Lobélia lt;38.
1. Lobélia L. Lobelia, xvi.
1 Stengel bijna zonder bladen, hol. Bladen in een dicht wortel-roset, lijnvormig, stomp, hol, ondergedoken. Bloemen in
4 SS
Gucurbitaceeën. S3Q
een armbloemigen tros, knikkend. Bloemkroon wit, met blauwachtige buis. 0,30-0,60. 2J.. Juli, Augs. Vrij zeldzaam, in heipoelen. . . . Water L. L. Dortménna L.
Stengel bebladerd , zwak, uitgespreid vertakt. Bladen langwerpig-otugekeerd-eirond , steel ach tig versmald, storap getand, de bovenste lancet-tot ignvorniig, bqnagaaf-randig. Bloemen in jjle trossen. Schutbladen bladachtig. Bloemkroon hemelsblauw. 0,15-0,30. ©. JuniâHerfst. Sierplant uit Zuid-Araerika.
Gekweekte L. L. Ennus L.
CXIX. Fam. Cncurbitaceeën. Komkommerachtigen.
XXI. (XXII.)
Planten i- of 2-huizig, met ranken. Kelk 5-tandig. Bloemkroon 5-slippig, Meeldraden 3, 2 met 2-hokkige helmknoppen, een met i-hokkigen helmknop. Vruchtbeginsel onderstandig, 6-iO-hokkig , met of zonder stijl en 3-5 stempels. Vrucht een bes.
1 Helmknoppen vergroeid. Bloemkroon 5-spletig.....2
Helmknoppen vrij. Bloemkroon 5-deelig, trechtervormig. Bes
3-hokkig..................3
2 Bloemkroon groot, geel. Stempels 2-spletig. Bes veelzadig,
driehokkig, zonder stekels. Zaden met verheven rand.
Cucürbita 439.
Bloemen klein, groenachtig-wit. Stempels ongedeeld. Bes 1-hokkig, eenzadig, stekelig.....Sfcyos 440.
3 Bloemkroon groot, geel. Hokjes der bes veelzadig. Zaden
samengedrukt, met scherpen rand . . . Cucumis S39. Bloemkroon klein, geelachtig-wit. Hokjes der bes 2-zadig. Zaden nauwelijks samengedrukt . . . . Bryonia 4t£0,
1. Cucürbita L.
1 Stengel klimmend, evenals de bladen stjjf behaard. Bladen zeer groot, hartvormig, 5-lobbig. Ranken vertakt. Vrucht rondachtig of langwerpig, oranje, groen of witachtig, zeldzaam gestreept. Bloemkroon dooiergeel. 3,00-8,00. ©. Juniâ Augs. Gekweekt. Uit Middel-Azië . . . Kalebas. Pompoen, f C. Pepo L.
2. Cücumis L.
1 Bladen spits-vjjfhoekig gelobd, ongeluk getand, aan den voet met een diepe, smalle insngding. Vrucht langwerpig, recht of gekromd, groen, wit of geel. Vrucht-vleesch groen of witachtig. Bloemkroon dooiergeel. 0,50-3,00. ©. JuniâSeptr.
Gekweekt. Uit Indië.....Komkommer. Augurk. C. sativus L.
Bladen 5-lobbig, met afgeronde lobben, aan den voet breed-hartvormig ingesneden. Vrucht bolrond ef elliptisch , knobbelig ruw of met een netachtig oppervlak, welriekend. Vruchtvleesch oranje of roodachtig, zelden groen. Bloemkroon bleekgeel, kleiner. 1,50-3,00. ©. JuniâSeptr. Gekweekt. Uit Indië.
Meloen, f C. Melo L.
Rubiaceeën.
3. Bryónia L.
1 Planten 2-huizig. Kelk der vrouwelijke bloemen half zoo lang als de bloemkroon. Stempels ruwharig. Bloemkroon geel-achtig-wit. Bes kersrood. 2,00-3,00. 2).. Juni, Juli. Vrij algemeen, in heggen, tusschen kreupelhout. Vergiftig!
Wilde wingerd. Heggerank. B. dióica Jacq.
4. Sicyos L.
1 Stengel stijfharig. Bladen hartvornrig-5-hookig . gelobd, met getande spitse lobben. Ranken vertakt. Mannelgke bloemen in armbloemige trossen, de vrouwelgke bijna tot schermen opeengehoopt. Bloemkroon groenachtig-wit, klein. 2,00-6,00. ©. JuliâSeptr. Sierplant uit Noord-Amerika
Steekaugnrk. t S. angulatus L.
CXX. Fam. Rubiaceeën. Sterbladigen.
Bladen meest in kransen. Kelkzoom meest klein, 4-6-slippig. Bloemkroon meest 4(3-6-)slippig. Meeldraden 4-6, op de bloemkroon gezeten. Vruchtbeginsel onderstandig, 2-hokkig. Vrucht een %-notige split- of een steenvrucht.
1 Bloemkroon trechter- of klokvormig, wit, blauw of lila . . 2 Bloemkroon stervormig, vlak...........3
2 Kelkzoom duidelijk 4(-6)-tandig. Bloemkroon lila, trechter
vormig ............Sherardia 440.
Kelkzoom onduidelijk. Bloemkroon wit, rood of blauw (en dan de schutbladen der bloeiwijze borstelig gewimperd).
Aspérula 4*1.
3 Vrucht sappig, steenvruchtachtig. Bloemkroon geelgroen. Bla
den 1-nervig. Stengel met weerhaakjes . . Rübia 441. Vrucht droog. Bloemkroon wit of geel (en dan de bladen 3-nervig of de stengel niet stekelig ruw) . . Galium 441.
1. Sherardia Dill. iv.
i Stengel meest liggend, vertakt, evenals de bladen aan den rand stekelig, ruw. Bladen met stekelpunt, de onderste 4 aan 4, spatelvormig, de bovenste 6 aan 6, lancetvormig. Bloemen in hoofdjes. 0,05-0,20. Q. JuniâOctr. Tamelijk algemeen, op bouwland.
Akker Sherardia. S. arvénsis L.
d*«
Rubiaceeen.
2. Apérula L. Ruwkruid. iv.
Kruiden met vertakten, meest 4-kanten stengel, kransstandige, gaafrandige bladen en bloemen in bijscbermen. Bloemkroon trechter- of klokvormig, wit of blauw.........1
1 Bloemkroon wit of roodachtig. Planten overblijvend ... 2
Bloemkroon blauw. Planten eenjarig. Schutbladen borstelig gewimperd. Bladen van onderen en aan den rand ruw, de onderste omgekeerd-eirond, 4 aan 4, de bovenste lyn-lancetvoruiig, 6-8 bjjeen. Bloemen in hoofdjes, korter dan de buitenste schutbladen. Bloemkroon 4-spletig, blauw. Vrucht groot, glad. 0,15-0,30. 0. Mei, Juni Alleen op bouwland b\j Maastricht en bg Wolvega.
Akker R. A. arvënsis L.
2 Vruchten met haakvormige borstels bezet. Stengel 4-kantig.
Bladen met ruwen rand, stekelpuntig, de onderste 6 aan 6, spatelvormig, de bovenste 8 aan 8, lancetvormig, Bloemen in bijschermen, langgesteeld. Bloemkroon trechtervormig, 4-spletig, wit. 0,15-0,80. 2j-. Mei, Juni. Niet zeldzaam, in dicht beschaduwde bosschen.
Wegstroo. Lieve-vrouwe-bedstroo. A. odordta L.
Vruchten korrelig ruw. Schutbladen lancetvormig of langwerpig, stekelpuntig. Bladen lijnvormig, stekelpuntig, meest 4 bijeen. Stengels talrijk, uitgespreid. Bloemkroon trechtervormig, meest 4-spletig, wit, van buiten ruw en vaak roodachtig. 0,05-0,30. H-. Juni--Augs. Zeer zeldzaam, op zonnige plaatsen op zand- en heigrond.
Wit R. A. cynamp;nchica L.
3. Rübia Trn. iv.
1 Stengel vierkant, aan de kanten stekelig, ruw. Bladen lancetvormig, met aan de onderzijde sterk vooruitspringende nerven, de onderste in kransen van 4, de bovenste van 6 bladen. Bloemen in ijle bijschermen. Bloemkroon geelgroen. Vrucht zwart. 0,60-1,00. 2f. Juni, Juli. Gekweekt en verwilderd in heggen . . . . Meekrap. R. tinctórum L.
4. Galium L. Walstroo. iv.
Kruiden met kransstandige bladen. Bloemen in bijscbermen. Bloemkroon ster- of klokvormig, gewoonlijk wit, soms geel . 1
1 Bladen 3-nervig, in kransen van 4.........2
Bladen 1-nervig of bijna zonder nerven, in kransen van 4â12. 3
2 Bloemkroon geel. Bijschermen in de bladoksels. Stengels ruw
behaard. Bladen langwerpig-elliptisch, stomp, ruw, gewimperd. Bijschermen en pluimen met lancetvormige schutblaad-
441
Rubiaceeën.
jes, veel korter dan de bladen. 0,15-0,50. 2J.. AprilâJuni. Vrij algemeen langs wegen en in heggen, op grazige plaatsen.
Kruisbladig W. G. Cruciamp;ta Scop.
Bloemkroon wit. B^scherraen in dichte, eindelingsche pluimen. Stengel rechtopstaand , stgf. Bladen lancetvormig: tot Ign-lancetvormig , stomp. 0,80-0,50. !(.. Juli, Augs. Op heigrond hg Malden .... Noorsch W. G. boreale L.
3 Stengel bijna steeds door weerhaakjes ruw. Bladen in kransen
van 4â8..................4
Stengel zonder weerhaakjes, kaal of behaard.....9
4 Middellijn der bloemkroon kleiner dan die der rijpe vrucht.
Na de vruchtrijpheid afstervende planten , op droge plaatsen groeiend. Bladen lijn-lancetvormig, stekelpuntig ... 5 Middellijn der bloemkroon grooter dan die der rijpe vrucht. Bloemstelen na den bloeitijd rechtopstaand. Overblijvende planten, op vochtige plaatsen groeiend.......7
6 Bladen aan den rand met naar voren gerichte stekeltjes, in kransen van 6 meestal. Bgschermen veelbloemig, eind- en zgstandig. Vruchtstelen recht. Vrucht kaal, dicht korrelig ruw, klein (0,001-0,0015 breed). Bloemkroon groenachtig-geel. 0,10-0,20. ©. JuniâAugs. Bg Zandvoort in de duinen gevonden.
Enge Is ch W. G. anglicum Huds.
Bladen aan den rand, door naar achteren gerichte stekeltjes,
ruw, in kransen van 6â8............6
6 Bloemstelen na den bloeitijd teruggebogen. Vrucht groot,
wrattig. Bijschermen meest 3-bloemig , korter dan het blad. Stengel liggend. Bloemkroon wit of geelachtig-wit. 0,15-0,45. 0. JuliâOctr. Niet algemeen, op bouwland in Zeelanden op de Zuidholl. eilanden.
Driehoornig W. G. tricórne With. Bloemstelen na den bloeitijd recht. Vrucht meest met hakige borstels. Bijschermen samengesteld, langer dan het blad. Stengel liggend of klimmend. Bloemkroon wit of groenachtig. 0,60â1,20. ©. JuniâOctr. Zeer algemeen, langs heggen, wegen, dijken, in kreupelhout. Kleef. Klei. Klissen. Katteklauiuen. Klift. Tongel. Rijpeltocht. Wilde Klimmer.
Kleefkruid. G. Aparine L.
7 Bladen in 6-8-tallige kransen, lijn-lancetvormig, spits, stekel-
puntig. Vrucht korrelig ruw. Bloemkroon wit. 0,15-0,30. 2J.. JuniâSeptr. Algemeen , in moerassige heistreken en in
duinpannen.....Kleverig W. G. uliginósum L.
Bladen in 4-5-tallige kransen. Bloemen in okselstandige bijschermen, wit. Bladen langwerpig of lijnvormig, stomp, met versmalden voet . .............8
8 Takken der pluim wijd afstaand. Vrucht glad. Stengel teer,
Rubiaceeën.
vaak sterk vertakt. 0,15-0,60. 2^.. MeiâJuli. Zeer algemeen, in en langs slooten, vaarten en poelen.
Moeras W. G. pahistre L.
Takken der pluim minder afstaand. Vrucht gerimpeld. Stengel vrij stevig. 2|.. JuniâAugs. Zeer zeldzaam, aan en in slooten en vaarten . Verlengd W. G. elongétum Presl.
9 Bloemkroon citroengeel. Bladen in kransen van 6-12, lijnvormig, omgerold, zacht behaard. Stengel rond, met 4 fijne ribben, rechtopstaand of opstijgend. Bloemen in bijscher-men, die een dichte pluim vormen. 0,30-0,60. IJ.. Juliâ Septr. Veel op drogen zandgrond en in de duinen.
Echt W. G. vérum L.
Bloemkroon wit of witachtig, zeldzamer lichtgeel of witgeel. Bladen in kransen van 4-8...........10
â¢10 Slippen der bloemkroon stomp, genaaid of stekelpuntig. . 11
Slippen der bloemkroon spits, zonder stekelpunt. Bladen met duidelijke middelnerf en stekelpunt........13
11 Pluim scherm-trosvormig, met verlengde zijtakken, die beneden
geen bloemen dragen. Wortelstok meestal enkele of weinig stengels voortbrengend. Bladen meest in kransen van 8. Bloemkroon bekkenvormig verdiept, met kort toegespitste slippen, melkwit. Stengel stijf rechtopstaand, rond, met 4 fijne ribben. Bladen langwerpig-lancetvormig, meest stomp met stekelpunt, vooral van onderen blauwgroen. Wortelstok kort, bijna knolvormig verdikt. 0,30-1,00. 2|.. Juli, Augs. Vrij zeldzaam, in bosschen op hooge gronden.
Bosch W. G. sylvéticum L.
Pluim trosvormig, met korte zijtakken, die vrij wel van beneden af bloemen dragen. Kroonslippen genaaid. Bladen naar voren min of meer verbreed, stekelpuntig, aan den rand meest naar boven stekelig ruw, aan weerszijden groen. Stengels meest vele, vierkant. Bloemkroon wit of geelachtig-wit. Vruchten kaal, iets rimpelig. (G. Mollugo L.) . . . .12
12 Stengel opstijgend of liggend, ook klimmend, slap. Bladen
langwerpig-lancetvormig, stomp, dof. Pluim los, met horizontaal afstaande takken. Bloemkroon wit of iets geelachtig-wit. Vrucht klein. 0,80-1,20. 2)-. MeiâSeptr. Aan heggen en in kreupelhout, aan wegen, dijken en grazige plaatsen.
Hoog W. G. elamp;tum L.
Stengel rechtopstaand, kleiner. Bladen lijn-Iancetvormig tot lijnvormig, spits, met 2 glanzende strepen naast de rugnerf. Pluim dichter met schuin afstaande takken. Bloemkroon
443
444 Caprifoliaceeên.
zuiver wit, grooter. Vrucht groot. 0,60-0,80. 2).. Meiâ Septr. Vrij algemeen, langs wegen, dijken en heggen, op bouwland. . . . Rechtopstaand W. G. eréctum Th. 13 Stengels liggend, de bloeiende opstijgend. Bladen meest in kransen van 6, de onderste omgekeerd-eirond, dicht bijeen, de bovenste langwerpig-lancetvormig, vrij ver van elkaar. Vruchten dicht korrelig ruw. 0,07-0,25. 2]-. JuniâAugs. Algemeen op dorren hei-, zand- en veengrond.
Neerliggend W. G. saxétile L.
Stengels liggend of opstjjgend, alle geljjk van vorm, meest alle bloeiend. Bladen meest in kransen van 8, naar voren breeder, de onderste langwerpig, de bovenste lijnvormig, alle ver uiteen. Vrucht bgna glad. 0,15-0,80. 2^.. JuniâAugs. Eenige malen in Limburg gevonden . . . . Heide W. G. sylvéstre Poll.
CXXI. Fam. Caprifoliaceeên. Vlierachtigen.
Bloemen regelmatig of symmetrisch, met overstaande bladen. Kelk 2-5-tandig. Bloemkroon 4-5-slippig. Meeldraden 4-10, op de bloemkroon gezeten, soms ook ï-machtig. Vruchtbeginsel onderstandig, 2-5-hokkig. Vrucht een besvrucht.
1 Bloemkroon ster- of klokvormig, met korte buis. Stijl kort of
ontbrekend. Stempels 3. Bloemen in bij schermen. . . 2 Bloemkroon buis-, trechter- of klokvormig. Bladen enkelvoudig, ongedeeld, gaafrandig...........3
2 Bladen oneven gevind. Bloemkroon stervormig, 5-deelig.
Vruchtbeginsel 3-hokkig......Sambücus 444.
Bladen gelobd of ongedeeld. Bloemkroon klok- of stervormig, 5-spletig. Vruchtbeginsel 1-hokkig . . Viburnum 444.
3 Vruchtbeginsel rolrond, steelvormig. Vrucht een 2-hokkige
doosvrucht. Bloemkroon trechter-klokvormig, bijna regelmatig 5-spletig. Meeldraden 5 . . . Diervfllea 44«. Vruchtbeginsel bolrond tot langwerpig. Vrucht een veelzadige bes....................4
4 Bloemkroon buis- tot klokvormig, onregelmatig tot 2-lippig
(zeldzaam regelmatig en dan geel). Vruchtbeginsel 2-3-hokkig.
Lonfcera 44«.
Bloemkroon klokvormig, bijna regelmatig 4-5-lobbig. Vruchtbeginsel 4-5-hokkig.....Symphoricarpus 447.
Caprifoliaceeën.
1. Sambücus Trn. Vlier. Vledder. v.
Heesters of kruiden met tegenoverstaande, oneven gevinde bladen en eindelingsche, langgesteelde tuilen van witte bloemen en zwarte of roode bessen...............1
1 Kruidachtige plant. Helmknopjes rood, ten laatste zwartachtig.
Steunbladen bladachtig, lancetvormig, gezaagd. (Ebulum Pont.) Stengel gegroefd. Bloemen in vlakke bijschermen. Bloemkroon roodachtig-wit. Vruchten zwart. 0,60-1,50.
Juni, Juli. Vrij algemeen, aan vaarten en rivieren, ook in bosschen. (E. hümile Grcke.). . . Lage V. S. E'bulus L. Heesters. Helmknopjes geel. Steunbladen klein of ontbrekend ...................2
2 Bloemen in vlakke bijschermen. Bloemkroon wit. Vrucht
zwart. Merg der takken wit. 3,00-6,00. 1). Juni, Juli. Zeer algemeen, in heggen, bosschen en aan wallen. Ook wel aangeplant........Gewone V. S. nigra L.
In tuinen en parken vindt, men wel de variëteit a. laciniata Mill, met dubbel gevinde bladen en ingesneden blaadjes.
Bloemen in eironde pluimen. Bloemkroon groenacbtig-geel. Vruchten scharlakenrood, zelden goudgeel. Merg der takken geelachtig-bruin. 1,50-3,00. April, Mei. Alleen bij Maastricht en Wageningen in het wild. Ook als sierplant in parken................Tros V. t S. racemósa L.
2. Viburnum L. Sneeuwbal. V.
Heesters met tegenoverstaande , enkelvoudige bladen en scherm-vormige bijschermen van witte bloemen en zwarte of roode bessen......................1
1 Bladen ongedeeld. Bloemen alle vruchtbaar, gelijk, witachtig
of wit...................2
Bladen 3-5-lobbig, grof getand, aan weerszijden groen, van onderen zachtharig. Bloemkroon der middelste bloemen van de losse bijschermen klokvormig, vruchtbaar, geelachtig, die der buitenste veel grooter, stervormig, stralend, onvruchtbaar, wit. Vruchten scharlakenrood. 1,50-3,00. 1). Mei, Juni. In boschrijke streken, vooral naar den duinkant.
Geldersche roos. Gewone S. V. O'pulus L.
2 Bladen elliptisch of elliptisch-langwerpig, gezaagd-getand , van boven eenigszins be
haard, van onderen grysviltig. Vruchten hoogrood, ten laatste zwart. 1,50-3,00. Ij. Mei, Juni. Een enkele maal in Limburg, ook als sierstruik.
Wollige S. V. Lantana L. Bladen breed-eirond, van onderen, evenals de bladsteel en het bescherm, met kleine, roestkleurige schubben bezet, bjjna kaal. Vruchten blauwzwart. 3,00-4,50. Ijj. Juni. Sierstruik uit Noord-Amerika......Peer S. f V. Lentago L.
444
Caprifoliaceeën.
3. Diervfllea Trn. Dierrillia. Vi 1 Bloemkroon geel. Doosvrucht vliezig. Zaden zonder aanhangsels. Bladen langwerpig-lancetvorniig, toegespitst, kaal. Bloemen 2-8 bijeen in de oksels der bladen, bleekgeel. JuniâAugs. 0,60-1,80. Sierstruik uit N. Amerika, bg Hoogkeppel en op eenige andere plaatsen verwilderd, (D. canadénsis Willd.)
Kamperfoelie D. D. Lonicëra MUI.
Bloemkroon wit, rood of geel. Do«j8vrucht iets lederachtig. Zaden met vliezige
aanhangsels (Weigélia Thunbg)..................2
3 Bladen min of meer grjjs behaard. Kelk tot aan den voet in Ignvormige slippen gedeeld. Bloemkroon ten laatste karmgnrood, langzaam zich verwgdeiid, sterk behaard. 1,00-2,00. Mei, in den Herfst bgna geregeld nog eens. Sierstruik uit Japan. (W. Japónica Thunb.) . . Japansche D. f D. japónica Thunb.
Bladen alleen van onderen iets behaard...............8
8 Toppen der takken onbehaard. Bladen van onderen op de nerven behaard, kort-gesteeld. Kelk aan den voet in bgna Ignvormige, aan den rand stgf behaarde slippen gedeeld. Bloemkroon rood of wit, zich plotseling verwgdend. 0,60-1,00.
Mei, Juni. Sierstruik uit Japan.- (1). amabilis Carr., W. coraéensis Thunb.)
CoreaanscheD, tD. coraeénsis Thunb.
Toppen der takken behaard. Bladen alleen op de middelnerf zachtharig, nauwelgks gesteeld. Kelk slechts tot onder het midden in lancetvormige t kale slippen gedeeld. Bloemkroon rose of wit. 0,S0-1,00. I^. Einde MeiâJuli. Sierstruik uit China, (W. roséa Lindl.)......RozeroodeD. fD. rosea IJndl.
4. Lonicëra L. Kamperfoelie. Geiteblad. Mannetjes kruid.
Weeuwtjes. Bosch-winde. Tuin ling. Zivitselbloem. v.
Heesters, vaak met windenden stam; tegenoverstaande, ongedeelde en gaafrandige bladen en paarsgewijze op gerneenschappelijken steel in de bladoksels staande of in een eindelingschen krans staande bloemen..................1
1 Stengel windend. Bloemen in kransen tot hoofdjes bijeen . 2
Stengel niet windend, rechtopstaand. Bloemen 2 bijeen . 3
2 Bladen alle gescheiden, de bovenste zittend. Bloemen in
gesteelde hoofdjes, van buiten behaard, welriekend. Bloemkroon geelachtig-wit, zelden purper. 2,00-3,00. JuniâAugs. In kreupelhout, heggen, ook aan slootwallen. Ook vaak aangeplant......Wilde K. L. Periclfmenum L.
Bladen der bloeiende takken aan den voet vergroeid. Bloemen in een zittend hoofdje, zeer welriekend. Bloemkroon lichtpurper, geelachtig-wit of wit, van kleur veranderend. 8,00-4,50. Ij. Mei, Juni. Zeer vaak aangeplant.
Echte K. t L. Caprifólium L.
8 Vruchtbeginsels (.en vruchten) geheel vergroeid. Bloemkroon roodachtig, duidelgk 2-lippig, Stelen der bloeiw^zen langer dan de bloemen. Bladen groot, eirond-lancetvormig, toegespitst, kaal, alleen aan den rand fijn gewimperd. Vruchten rood. 0,50-1,50. fj. Mei. Sierstruik uit de Alpen. Alpen K. f L. alpigena L.
Vruchtbeginsel en vruchten gescheiden of alleen aan den voet vergroeid . . . -i
4 Schutbladen klein, Ign-lancet- tot priemvormig.............5
Schutbladen groot, breed-eirond. Bladen groot, eirond-langwerpig, spits. Bloemkroon geelrood, tamelgk gelgkmatig klierachtig behaard. Vruchten rood. 1,00-2,00. Juni. Sierstruik uit Californië.
Kalifornische K. f L. Ledeboürii Eschsch.
5 Bladen eirond of elliptisch, spits, aan weerszgden zacht behaard. Stelen der bloei-
wgzen behaard. Bloemkroon geelachtig-wit, aan den voet vaak roodachtig. Vruchten scharlakenrood. 1,20-2,00. 1^. Mei, Juni. Op den St.-Pietersberg gevonden..............R o o d e K. L. Xylósteum L.
Bladen hartvormig-eirond, stomp, evenals de stelen der bloeiwgzen kaal. Bloemkroon rood., rose of wit. Vruchten geelachtig of rood. 1,00-8,00. b.^ Mei, Juni. Sierstruik uit Zuid-Oost-Europa. . Tartaarsche K. f L. tatarica L.
44*
Valer ia neeën.
5. Symphoricarpus Dill.
1 Bladen rondachtig, eirond of elliptisch, ^aafrandig, van onderen blauwgroen. Bloemen in eindeliugsche, afgebroken aren. Bloemkroon van binnen dicht behaard, roodachtig. Vruchten wit. 1,00-1,50. 1^. Juli, Augs. Sieratruik uit Noord-Amerika.
Radijsboompje. Sn eeuw bes. f S. racemósus Mich.
CXXII. Fatn. Yalerianeeën. Valeriaanachtigen.
Kelkzoom in vedervormige haren overgaand, ook wel getand of weinig ontwikkeld. Bloemkroon 3-5-slippig, tuin of meer symmetrisch. Meeldraden 4 of minder, op de bloemkroon gezeten. Vruchtbeginsel onderstandig, 1-3-hokkig. Vrucht een dopvrucht,
1 Meeldraden 3. Bloemkroon trechtervormig, ongespoord. . 2 Meeldraden 1-2. Bloemkroon trompetvormig, met lange, aan
den voet gespoorde buis. Kelkzoom opgerold, later tot een haarkroontje uitgroeiend. Sierplant . Centranthus 44«.
2 Kelkzoom opgerold, later tot een haarkroontje uitgroeiend.
Bloemkroon aan den voet bultig, wit of roodachtig. Stengel
niet vertakt...........Valeriana 4,4:7.
Kelkzoom niet opgerold, scheef quot;l-S-tandig, tijdens den bloeitijd nauwelijks merkbaar. Bloemkroon niet bultig, blauwachtig. Bladen enkelvoudig, ongedeeld. Stengel gaffelvormig vertakt Valerianélla 446.
1. Valeriana Tm. Valeriaan. Duivelsklauw. St.-Joriskruid. Faldriaan. Koortswortel, v.
Overblijvende, onaangenaam riekende kruiden met onvertakten stengel, tegenoverstaande bladen en bijschermen van bloemen, op verschillende wijzen vereenigd...........1
1 Bladen alle oneven gevind. Bloemen 2-slachtig .... 2 Wortelbladen eirond tot elliptisch, onderste stengelbladen lier-
vormig ingesneden, de bovenste meest 7-tallig vindeelig. Bloemen wit of roodachtig, de mannelijke het grootst. 0,10-0,30. 2J.. Mei, Juni. Niet zeldzaam, in duinpannen en op moerassigen veen- en zandgrond. Kleine V. V. dióica L.
2 Blaadjes 15-21, eirond tot lancetvormig, getand, aan de bo
venste bladen lijnvormig, gaafrandig. Bijscherm min of meer ineengedrongen. Bloemkroon lichtrood. Wortelstok met korte
Valerianeeën.
onderaardsche uitloopers of zonder uitloopers. 0,50-1,00. 2).. JuliâSeptr. Vrij algemeen, langs slooten, plassen en vaarten en op vochtige plaatsen. Gewone V. V. officinalis L. Blaadjes 9-11, langwerpig-eirond tot lancetvormig, getand-gezaagd. Bloemkroon grooter, roodachtig-wit. Wortelstok met lange bovenaardsche uitloopers. Overigens als de vorige soort. 0,30-1,00. 2|.. Juni, Juli. Zeldzaam, op plaatsen als de vorige, waarschijnlijk slechts een variëteit van deze.
Vlier V. V. sambucifólia Mik,
3. Centranthus D. C. i.
1 Stengel vertakt, kaal. Bladen eirond of lancetvormig. Bloemen in plaimvormig
gegroepeerde beschermen. Spoor dubbel zoo lang als het vruchtbeginsel. Bloemkroon purper, wit of rose. 0,30-0,80. -j.. JuniâSeptr. Sierplant uit Zuid-Europa.
Spoorbloem. t C. ruber D. C.
3. Valerianélla Trn. Veldsla, ui.
Kleine kruiden met herhaald gaffelvormig gedeelden stengel, tegenoverstaande spatel- of lancetvormige bladen en kleine, witte of blauwachtige bloemen in dicht opeengehoopte bijschermen . 1
\ Kelkzoom aan de vrucht onduidelijk, nauwelijks getand. Bij-
schermen dicht ineengedrongen..........2
Kelkzoom aan de vrucht duidelijk, getand, de achterste tand grooter...................3
2 Bovenste bladen lancetvormig, iets spits, gaafrandig, de onder
ste spatelvormig, stomp. Vrucht zijdelings samengedrukt, dwars elliptisch. 0,08-0,25. 0. April , Mei eri Juli, Augs. Algemeen, op bouwland, langs wegen, tusschen het gras. Langoor de V. Veldkrop. Witmoes. Kleeroogen. Sprink-haankruid. Korensla. Vet. Vettik. Vette koes. Wals la.
Gemeene V. V. olitória Mnch. Bovenste bladen stomp. Vrucht lijnvormig-langwerpig, bijna vierkant, op de achtervlakte gootvormig verdiept. 0,08-0,15. ©. April, Mei. Als de vorige.
Gekielde V. V. carindta Loisl.
3 Vrucht ei-kegelvormig met verdiept, langwerpig middenveld.
Kelkzoom half zoo breed als de vrucht. 0,15-0,30. Q. Juli, Augs. Zeldzaam, in bouwland. (V. Morisonii D. C.)
Getande V. V. dentata Poll. Vrucht bijna bolvormig-eirond, opgezwollen. Kelkzoom Ysquot; maal zoo breed als de vrucht. 0,15-0,30. ©. Juni, Juli. Vrij zeldzaam op bouwland, ook gekweekt.
Geoorde V. V. Auricula D. C.
«48
Dipsaceeën.
CXXIII. Fam. Dipsaceeën. Kaardeachtigen.
Bloemen in hoofdjes, omgeven door een omwindsel. Elke bloem draagt een bovenstandigen kelk, die vaak borstelvormig is en een bijzonder omwindsel, dat onderstandig is. Bloemkroon 4-5-spletig. Meeldraden 4, op de bloemkroon gezeten. Vruchtbeginsel met 1 stijl en stempel. Vrucht een dop vrucht.
Planten stekelig. Bloembodem met stekende strooschubben bezet. Kelk bekkenvormig, zonder borstels. Bijzonder omwindsel met 8 groeven.......Dfpsacus 44».
Planten niet stekelig. Kelkzoom meest in borstels eindigend. 2 Bloembodem zonder strooschubben, met haren bezet. Bijzonder omwindsel ongegroefd. Kelk met 8-16 borstels. Bloemkroon 4-spletig, de randbloemen meest stralend.
Knaütia 450.
Bloembodem met strooschubben. Bijzonder omwindsel gegroefd.
Kelk meest met 5 borstels...........3
Bloemkroon 4-spletig. Randbloemen niet stralend. Bijzonder omwindsel met kruidachtigen, 4-tandigen zoom.
Succi'sa
Bloemkroon 5-spletig. Randbloemen stralend. Bijzonder omwindsel met vliezigen, klok- of stervormigen zoom.
Scabiósa 4JO.
1. Dipsacus Tm. Kaardebol.
Groote kruiden, met krachtigen, rechtopgaanden, stekeligen stengel, tegenoverstaande bladen en hoofdjes van bloemen, door schutbladen omgeven................1
Bladen zittend, de aan den stengel staande aan den voet breed vergroeid. Hoofdjes langwerpig, 0,05â0,08 lang. Omwindselbladen stekend, veel langer dan de strooschubben ... 2 Bladen gesteeld, niet vergroeid, elliptisch, de bovenste3-deelig met zeer groote eindslip. Hoofdjes klein, bijna rolrond. Omwindselbladen niet stekend, korter dan of even lang als de strooschubben. Strooschubben even lang als de bloemen. Bloemen wit of geelwit. Helmknopjes zwart. 0,60-1,20. ©Q. Juli, Augs. Zeldzaam, op vochtige, beschaduwde plaatsen.
Behaarde K. D. püósus L. Omwindselbladen lijn-priemvormig, boogvormig naar boven gekromd. Strooschubben langer dan de bloemen, buigzaam, recht. Wortelbladen gekarteld-gezaagd, evenals de langwer-pig-lancetvormige stengelbladen met kalen of stekeligen rand.
HEUKELS, Schoolflora. 8' druk. 29
**9
Dipsaceeën.
Bloemkroon lila, zelden wit. 0,80-1,50. O©. Juli, Augs. Algemeen, op drogen kleigrond, aan dijken en langs sloo-ten, enz. . . . Kaardenkruid. Kannewasscher. Wilde K.
D. sylvéstris Mill.
Omwindselbladen lancet-prienivormig, horizontaal afstaand, nauweljjks langer dan de bloemen. Bladen ongedeeld, langwerpig-lancetvormig , bijna of geheel zonder stekels. Strooschnbben even lang als de bloemen, stgf, met gekromden top. Bloemkroon lila. 1,00-1,50. ©Q. Juli, Augs. Gekweekt.
Weverskaarde. f D. Fullónum Mill.
2. Knautia L.
1 Bladen grijsgroen, dof, de bovenste meest vinspletig, de onderste meest ongedeeld, zelden alle ongedeeld of vinspletig. Stengel door zeer korte haren grijs, door langere haren stijf behaard. Randbloemen meest stralend. Bloemkroon blauwachtig of lila, zeldzaam wit. 0,30-0,80. 2J.. Juli, Augs. Vrij algemeen, op zandigen grond. (Scabiósa arvénsis L.)
Honigbloem. K. arvénsis L.
3. Succisa Vaill.
1 Bijzonder omwindsel ruw behaard, met eironde, spitse en ste-kelpuntige tanden. Kelk met 5 borstels. Bladen langwerpig of langwerpig-lancetvormig, gaafrandig, zelden getand, de bovenste lancetvormig. Bloemhoofdjes half bolrond, later bolrond. Bloemkroon blauw, zelden wit. 0,15-0,80, 2{-. Juliâ Septr. Vrij algemeen, in vochtige weilanden en aan wegen. (Scabiósa Succisa L.) Blauwe knoop. S. praténsis Mnch.
4, Scabiósa L. Schurftkruid.
Kruiden met tegenoverstaande bladen, stralende bloemhoofdjes en 5-spletige bloemkronen..............1
4 Zoom van het bijzonder omwindsel vliezig. Bladen der niet-bloeiende takken gekarteld tot liervormig, stomp. Bladen fijn behaard, dof, de bovenste vindeelig met vinspletige slippen en bijna lijnvormige slipjes. Kelkborstels priemvormig, zonder nerven, zwartbruin. Bloemkroon lila, zelden wit. 0,25-0,50. 2|-. JuliâHerfst. Vrij algemeen, op droge, zonnige grasgronden . . . . Duiven S. S. columbaria L.
Zoom van het bjjzonder omwindsel kraakbeenig. Kelk schijnbaar gesteeld, met lange borstels, donkerpurper. Bloemen zeer groot, zwartpurper, zelden rose of wit. 0,60-1,30. ©. JuliâHerfst. Sierplant uit Zuid-Europa.
Scabiósa. f S. atropurpürea L
4SO
Composite n.
CXXIV. Fam. Corapositen. Samengesteldbloemigen. xix.
Bloemen in hoofdjes met omwindsel. Soms iedere bloem nog met i schutblad (strooschubJ. Straal- en schijfbloemen buis-, trechter- of lintvormig of de eerste lint-, de tweede buisvormig. Vaak niet alle bloemen H-slachtig. Kelk uit haren of borstels bestaand, later het vruchtpluis of de haarkroon vormend of afwezig. Bloemkroon 4-5-tandig. Meeldraden 5, sadmhelmig. Vruchtbeginsel onderstandig met een stijl en 2 stempels. Vrucht een dopvrucht.
1 Bloemkroon der randbloemen lintvormig, meestal een duide
lijk lint vormend, die der schijfbloemen buisvormig- . . 2 Bloemkroon van alle bloemen buis- of trechtervormig, die der
randbloemen soms draadvormig.........30
Bloemkroon van alle bloemen lintvormig.......60
2 Kelkzoom, althans die der middelste bloemen, een haarkroon
vormend. Bloembodem zonder strooschubben .... 3 Kelkzoom niet uit haren bestaand.........IS
3 Stengel met schubben bezet. Bloemen voor de bladen verschij
nend. Omwindselbladen in 2 rijen........4
Stengel niet met schubben bezet. Bloemen na de bladen verschijnend ..................5
4 Stengel met 1 bloemhoofdje. Randbloemen vrouwelijk, de
middelste 2-slachtig. Bloemkroon geel . Tussilago 45». Stengel met veel bloemhoofdjes, in trossen. Bloemkroon purper of wit............Petasftes «».
5 Straalbloemen wit, rood of blauw (of ontbrekend), nooit geel. 6 Straalbloemen geel of oranje...........9
6 Omwindselbladen elkaar dakpansgewijze bedekkend ... 8 Omwindselbladen in 2 of meer rijen.........7
7 Hoofdjes alleenstaand. groot. Straalbloemen in 1 rij, verschil
lend van kleur. Kelkzoom van alle vruchten dubbel, die der buitenste strooschubachtig . . . CalHstephus -tiil. Hoofdjes in schermvormige trossen, gem'ddeld van grootte. Straalbloemen in 2 rijen, witachtig. Kelkzoom der binnenste vruchten dubbel, die der buitenste enkel, korter.
Stenactis 4,01.
8 Straalbloemen in een rij, lintvormig, wit, rood, blauw of lila.
A's ter 4:00.
Straalbloemen in meer rijen, zeer smal-lijnvormig, bijna draadvormig, lila of witachtig......Erfgeron J6/.
9 Omwindselbladen elkaar dakpansgewijze bedekkend ... 10
4.%!
Compositen.
Omwindselbladen in 1-3 rijen...........12
10 Straalbloemen meest 5-8. Helmknopjes aan den voet zonder
aanhangsels...........Solidago
Straalbloemen talrijk. Helmknopjes naar onderen in 2 borstels uitloopend ..................11
11 Kelkzoom enkelvoudig, uit een rij ruwe haren bestaand.
Inula -#6.1.
Kelkzoom dubbel, de buitenste kort, tot een borstelvormig ingesneden kroontje vergroeid .... P u 1 ic aria 403.
12 Omwindselbladen in 2-3 rijen. Hoofdjes groot, alleenstaand. 13 Omwindselbladen in 1 rij, soms met een tweede rij van korte blaadjes aan den voet, aan den top vaak zwartachtig. Straalbloemen soms omgerold (of geheel ontbrekend). Hoofdjes klein of vrij groot, in pluimen of schermvormige trossen. 14 â 13 Bladen verspreid. Omwindsel half bolvormig of tamelijk vlak. Buitenste vruchten zonder haarkroon . Dorónicum 474. Bladen tegenoverstaand. Omwindsel rolrond. Alle vruchten met haarkroon...........A'rnica
14 Omwindselbladen aan den top niet of nauwelijks gekleurd,
zonder een tweede rij korte blaadjes aan den voet.
Cineraria 417*.
Omwindselbladen aan den top zwartachtig, met een tweede rij korte blaadjes aan den voet......Senécio 475.
15 Bladen in een wortelroset. Stengel met 1 hoofdje. Omwind
selbladen in 2 rijen, even lang. Bloembodem zonder stroo-
schubben. Straalbloemen wit.....Bellis Jöü.
Bladen tegenoverstaand. Omwindselbladen in 1 of meer rijen.
Bloembodem met strooschubben.........16
Bladen verspreid, althans de bovenste........19
16 Hoofdjes zeer groot. Straalbloemen verschillend van kleur.
Kelkzoom ontbrekend. Buitenst omwindsel uit 5, het eigenlijk omwindsel uit 12-16 blaadjes bestaand . Dahlia 404. Hoofdjes vrij groot of klein............17
17 Straalbloemen wit, meest 5. Hoofdjes klein. Omwindselbla
den in 1 rij. Kelkzoom strooschubachtig. Galinsóga 400. Straalbloemen geel...............18
18 Omwindselblaadjes alle even lang of ongelijk. Kelkzoom uit
2-4 naalden met weerhaken bestaand. Straalbloemen vaak
ontbrekend.............Bidens 40S.
Buitenste omwindselblaadjes bladachtig, afstaand, kleiner dan de binnenste gekleurde. Kelkzoom ontbrekend of onduidelijk 2-tandig............Calliópsis 40S.
Compositen.
quot;19 Straalbloemen wit of rose. Omwindselbladen elkaar dakpans
gewijze bedekkend..............20
Straalbloemen geel, zelden tot bruinachtig......23
20 Bloembodem zonder strooschubben. Omwindselbladen met dui
delijk vliezigen rand..............21
Bloembodem met strooschubben bezet........22
21 Bloembodem in rijpen staat kegelvormig, hol.
Matricaria 4:73.
Bloembodem in rijpen staat langwerpig, vlak of gewelfd, gevuld...........Chrysanthemum 4,7amp;â¢
22 Lint der straalbloemen rondachtig, wit. Schijfbloemen wit
achtig. Vruchten niet of zeer smal gevleugeld. Hoofdjes klein of vrij groot, schermachtig . . . . Achilléa 470. Lint der straalbloemen langwerpig, wit of geel. Schijfbloemen geel. Hoofdjes grooter, alleenstaand. Vruchten niet of zeer smal gevleugeld. Omwindsel half bolrond of vlak.
A'nthemis 474.
23 Hoofdjes zeer groot. Stengel 1,00-2,00 hoog......24
Hoofdjes groot tot klein. Stengel lager.......25
24 Bloembodem vlak of gewelfd. Omwindselbladen elkaar onre
gelmatig dakpansgewijze bedekkend. Kelkzoom uit 2-4 stroo-schubachtige, afvallende blaadjes bestaand.
Helianthus 40S.
Bloembodem kegelvormig tot rolrond. Omwindselbladen in 2 rijen. Kelkzoom een korten, getanden rand vormend.
Rudbéckia 40S.
25 Bloembodem zonder strooschubben.........26
Bloembodem met lancetvormige of borstelige strooschubben
bezet...................27
26 Omwindselbladen elkaar dakpansgewijs bedekkend, met dui
delijk vliezigen rand. Alle bloemen vruchtbaar.
Chrysanthemum (ségetum) 473. Omwindselbladen in 2 rijen, zonder vliezigen rand. Alleen de randbloemen vruchtbaar, vrouwelijk. Vruchten gekromd.
Caléndula 477.
27 Omwindselbladen in een rij............28
Omwindselbladen elkaar dakpansgewijze bedekkend ... 29
28 Omwindselbladen tot een getanden beker vergroeid. Kelkzoom
uit strooschubachtige blaadjes bestaand. Straalbloemen vaak
2-lippig, geel tot bruinachtig.....Tagétes 4Ue.
Omwindselbladen vrij. Kelkzoom ontbrekend. Straalbloemen geel. Pekachtig riekend........Madia 400.
Asa
Composite n.
29 Bladen ongedeeld. Kelkzoom uit getande schubben bestaand, een kroontje vormend. Hoofdjes groot. . Telékia 40-1.
Bladen meest dubbel vindeelig. Kelkzoom ontbrekend. Plant groen........A'nthemis (tinctória) 471.
Bladen zeer sterk ingesneden. Plant viltig. Bloemhoofdjes klein........Achilléa (tomentósa) 470.
30 Kelkzoom niet uit haren gevormd..........31
Kelkzoom een duidelijke haarkroon vormend......43
31 Bloemen groenachtig. Helmknopjes vrij of bijna vrij . . 32 Bloemen niet groenachtig. Helmknopjes tot een buis vergroeid .......â ............34
32 Helmknopjes geheel vrij. Planten eenbuizig. Bloemen groen
achtig. Vrouwelijke bloemen 1 of 2 bijeen in een gemeenschappelijk, stekelig, tot een schijnvrucht uitgroeiend omwindsel besloten. Mannelijke bloemen talrijk, in hoofdjes. 33 Helmknopjes iets vergroeid. Buitenste bloemen vrouwelijk zonder bloemkroon. Bloemkroon der schijfbloemen zwart-achtig-groen.............l'va 474.
33 Omwindsel der mannelijke bloemen veelbladig, dat der vrou
welijke gesloten, 2-bloemig. Bladen gaaf of gelobd.
Xanthium 464.
Omwindsel der mannelijke bloemen veeldeelig, dat der vrouwelijke komvormig, i-bloemig. Bladen dubbel vindeelig.
Ambrosia 40S.
34 Hoofdjes in schermvormige trossen, in pluimen of trossen. 35 Hoofdjes alleenstaand aan den top des stengels of der takken ....................36
35 Hoofdjes pluimvormig of trosvormig, zeer klein (nauwelijks tot
0,005 breed), bolvormig of eirond. Bloembodem kaal of dicht behaard. Vruchten omgekeerd-eirond. Bloemen geel,
rood- of bruinachtig.......Artemisia 409.
Hoofdjes in vlakke schermvormige trossen, half bolrond (meer dan 0,005 breed). Bloembodem naakt. Bloemen goudgeel.
Tanacétum 478.
36 Omwindselbladen in 1 of 2 rijen. Bladen tegenoverstaand. 37 Omwindselbladen elkaar dakpansgewijze bedekkend ... 38
37 Omwindselbladen in twee rijen , de buitenste afstaand. Kelk
zoom uit 2-4 naalden met weerhaken bestaand. Bloembodem
vlak...............Bfdens 403.
Omwindselbladen in 1 rij, meest 5. Kelkzoom strooschubach-tig. Bloembodem kegelvormig. Hoofdjes klein.
Galinsóga 460.
4X4
Compositen.
38 Bladen verspreid................39
Bladen tegenoverstaand, hartvormig-eirond, stengelomvattend.
Straalbloemen meestal purper of scharlakenrood.
Zinnia -iós.
39 Bloemen rood of blauw. Randbloemen vrouwelijk of geslacht
loos ....................40
Bloemen geel of oranje......... ... 41
40 Randbloemen meest grooter, trechtervormig, geslachtloos.
Kelkzoom uit korte haren bestaand of geheel ontbrekend.
Soorten van Centauréa 477. Randbloemen nauwelijks grooter, 2-lippig tot 5-tandig, vrouwelijk, meest onvruchtbaar. Kelkzoom uit 5-10 strooschub-achtige blaadjes gevormd of (bij de randbloemen) bijna ontbrekend. Omwindselbladen droogvliezig, de binnenste langer, stralend...........Xeranthemum JJJ.
41 Omwindselbladen stralend, wit. Hoofdjes vrij groot. Stengel
breed gevleugeld........Ammóbium
Omwindselbladen groen. Hoofdjes klein.......42
42 Randbloemen vrouwelijk, zonder bloemkroon, met bladachtig,
vlak vruchtbeginsel. Bloembodem kaal. Stengel liggend.
Cótula 470.
Bloemen alle 2-slachtig, buisvormig. Bloembodem met stroo-schubben. Stengel rechtopstaand, vertakt. Santolfna 470.
43 Stengelbladen niet stekelig, hoogstens scherp gezaagd . . 44 Stengelbladen stekelig getand. Omwindselbladen meest met
stijve, stekende punten, elkaar dakpansgewijze bedekkend. 55
44 Bloembodem zonder strooschubben.........45
Bloembodem met strooschubben of borstels bezet. Omwindselbladen elkaar dakpansgewijze bedekkend. Bloemkroon purper of blauw, zeldzamer geel............53
45 Bladen gedeeld. Omwindselbladen elkaar dakpansgewijze be
dekkend of in een rij.............46
Bladen ongedeeld, wortelstandig, na de bloemen verschijnend.
Bloemhoofdjes in trossen......Petasftes 430.
Bladen ongedeeld, verspreid. Omwindselbladen elkaar dakpansgewijze bedekkend, de buitenste langzamerhand korter. 47
46 Bladen tegenoverstaand, althans de onderste. Omwindselbladen
elkaar dakpansgewijze bedekkend. Hoofdjes 5- of 6-bloemig.
Bloemkroon rood '........Eupatórium 43».
Bladen verspreid. Otnwindselbladen in 1 rij, aan den top meest zwart, aan den voet met eenige andere een buitenkelk vormend. Bloemkroon geel......Senécio 473.
Composite n.
47 Omwindselbladen min of meer droogvliezig of wollig. Wit- of
grijsviltige planten..............48
Omwindselbladen kruidachtig, groen of groenachtig, niet wollig...................51
48 Hoofdjes in doorsnede vijfkantig. Buitenste omwindselbladen
althans aan den voet kruidachtig, wollig, de binnenste droogvliezig. Bloemkroon geelachtig-wit . . . . F i la go Hoofdjes in doorsnede rond. Omwindselbladen droogvliezig, soms ten deele wollig, meest gekleurd en kaal .... 49
49 Planten tweehuizig. Hoofdjes der mannelijke plant met buis
vormige , 5-tandige bloempjes, wier kelkzoomharen knotsvor-mig verdikt zijn. Hoofdjes der vrouwelijke plant met draadvormige bloemen. Omwindsolbladen wit of rose.
Gnaphalium â #«?.
Planten niet tweehuizig. Tweeslachtige en vrouwelijke bloemen in hetzelfde hoofdje..............50
50 Randstandige vrouwelijke bloemen in verscheiden rijen. Om
windselbladen bruinachtig of geelachtig-wit. Bloemkroon
geelachtig-wit.........Gnaphalium 403.
Randstandige vrouwelijke bloemen in een rij of geheel ontbrekend. Omwindselbladen en bloemkronen geel tot oranjekleurig ...........Helich^sum MUN.
51 Bloemkronen geel................52
Bloemkronen witachtig of lila. Randbloemen vrouwelijk. Bladen langwerpig- tot lijn-lancetvormig . . Erfgeron 401.
52 Bloemen alle 2-slachtig, 5-tandig. Stengelbladen lijnvormig.
A'ster (Linósyris) 40O. Randbloemen vrouwelijk, 3-tandig. Schijf bloemen 2-slachtig, 5-tandig. Bladen lancetvormig tot eirond . . I'nula 403.
53 Randbloemen meest grooter, trechtervormig, geslachtloos. Om
windselbladen met een vliezig aanhangsel of met een stekel. Kelkzoom kort of ontbrekend . . . . Centauréa 497. Randbloemen niet grooter. Bloemkroon purper.....54
54 Omwindselbladen aan den top niet haakvormig gekromd. Haren
van de haarkroon afzonderlijk afvallend, niet vergroeid.
Vruchten samengedrukt.......Serratula 479.
Omwindselbladen aan den top (soms behalve de binnenste) haakvormig gekromd. Vrucht samengedrukt 4-kantig. Bladen ongedeeld.............Lappa 470.
55 Bloemkroon blauwviolet. Omwindselbladen ingesneden, in de
insnijding met een stekelpunt, lederachtig, aan den voet
4se
Composite n. 457
vleezig. Bloembodem vleezig. Haren van de haarkroon
gevind..............Cy'nara 483.
Bloemkroon geel- tot witachtig, niet purper......56
Bloemkroon purper...............57
56 Binnenste omwindselbladen stralend, geelachtig of wit, vlie
zig, de buitenste bladachtig. Haren der haarkroon gevind, aan den voet tot strooschubachtige blaadjes vergroeid. Vruchten behaard............Carlina *33.
Binnenste en buitenste omwindselbladen bladachtig, bleek. Kelkzoom uit gevinde haren bestaand. Bloemkroon bleekgeel.
Cirsium (oleraceum) 48«.
57 Bloembodem diep gegroefd, vleezig, de randen der groeven
franjeachtig getand. Haren der haarkroon gewimperd, roodachtig. Vruchten bijna vierkant. . . Onopórdon 48». Bloembodem niet diep gegroefd, borstelig.......58
58 Bladen wit gevlekt, groot. Buitenste omwindselbladen met
bladachtige aanhangsels. Haren der haarkroon getand. Helmdraden vergroeid. Bloemkroon purper.
Sflybum 483.
Bladen niet wit gevlekt. Helmdraden vrij.......59
59 Haren der haarkroon enkelvoudig, getand . Carduus 480. Haren der haarkroon gevind......Cfrsium 484.
60 Kelkzoom niet uit haren bestaand, als een korte, vliezige of
schubvormige rand aanwezig of onduidelijk.....61
Kelkzoom, althans die der middelste bloemen, een haarkroon vormend..................63
61 Omwindselbladen in 1 rij. Bloemkroon geel......62
Omwindselbladen in 2 rijen, de buitenste afstaand, de binnenste rechtopstaand. Kelkzoom uit afzonderlijke schubbetjes bestaand. Bloemkroon meest blauw . Cichórium 484.
62 Stengel niet bebladerd. Omwindselbladen 16-20, na den bloei
tijd samenneigend. Kelkzoom duidelijk. Vrucht 10-ribbig.
Arnóseris 483.
Stengel geheel bebladerd. Omwindselbladen 8-10, na den bloeitijd rechtopstaand. Kelkzoom onduidelijk. Vrucht 20-ribbig.............Lampsana 483.
63 Haren der haarkroon (ten minste ten deele) vedervormig (d. i.
met zijhaartjes voorzien).............64
Haren der haarkroon niet vedervormig........70
64 Bladen in een wortelroset.............65
Bladen aan den stengel verdeeld..........68
65 Kelkzoom der randbloemen een korte veelspletige zoom vor-
Compositen.
mend. Omwindselbladen zwart gerand. Bloemkroon der buitenste bloemen van onderen grijsblauw gestreept.
Thrfncia 484,
Kelkzoom van alle bloemen uit haren bestaand.....66
66 Bloembodem met kleine smalle schutblaadjes (strooschubben) bezet. Vruchten gesnaveld of de randstandige ongesnaveld. Omwindselbladen elkaar dakpansgewijze bedekkend.
Hypochoéris iSO.
Bloembodem zonder strooschubben.........67
67 Vruchten kortgesnaveld. Bloemstelen vaak met verspreide schubben bezet . . . .'.....Leóntodon -tSA.
Vruchten langgesnaveld (kelkzoom daardoor gesteeld). Buitenste omwindselblaadjes groot, meest in een krans van 5.
Helmfnthia ttamp;S.
68 Omwindselbladen in 1 of 2 rijen, aan den voet vergroeid, even
lang. Vrucht met gekartelde ribben, meest langgesnaveld, aan den voet zonder knobbel . . . Tragopógon -iSS. Omwindselbladen elkaar dakpansgewijze bedekkend, vrij. Vrucht niet of kortgesnaveld..............69
69 Vruchten naar boven wat versmald, aan den voet met een
korten knobbel. Bladen ongedeeld . . Scorzonéra 480. Vruchten zeer kortgesnaveld. Bladen ongedeeld, getand.
Picris 48J.
70 Bloemen helderblauw.......Mulgédium 4HU.
Bloemen geel of oranje..............71
71 Vruchten in een langen snavel versmald (kelkzoom daardoor
gesteeld)..................72
Vruchten afgeknot of iets versmald. Bloemen geel of oranje. 75
72 Hoofdjes arm-(5-15-)bloemig. Stengel bebladerd .... 73 Hoofdjes veelbloemig...................74
73 Snavel der vruchten aan den voet door 5 kraakbeenige schub
ben omgeven. Omwindselbladen 8, met kleinen buitenkelk.
Chondrflla 488.
Snavel der vruchten aan den voet zonder schubben. Omwindselbladen talrijk, elkaar dakpansgewijze bedekkend.
Lactüca J87.
74 Stengel glanzend, hol, met 1 hoofdje. Vruchten langgesnaveld.
Snavel aan den voet door spitse knobbels omgeven.
Taraxacum 480.
Stengel niet glanzend. Vruchten gesnaveld. Buitenste omwindselblaadjes korter, meest een afzonderlijk omwindsel vormend.
Barkhaüsia 480.
Compositen.
75 Vruchten sterk samengedrukt. Omwindsel eirond of bijna ke
gelvormig. Bladen met stekelig gelanden rand.
Sonchus JSS.
Vruchten niet of weinig samengedrukt. Bladen niet stekelig getand...................76
76 Buitenste omwindselbladen korter, meest een afzonderlijk om
windsel vormend. Vruchten rolrond, naar boven versmald of iets gesnaveld..........Crépis iSO.
Buitenste omwindselbladen meestal geen afzonderlijk omwindsel vormend. Vruchten bijna rolrond, van boven afgeknot, van onderen versmald........Hieracium
1. Eupatórium Trn.
1 Bladen tegenoverstaand, kortgesteeld, meest 3-deelig, grof gezaagd, met lancetvormige slippen. Hoofdjes klein, in dichte, schermvormige trossen. Bloemkroon rose, zelden wit. 0,75-4,50. 2j.. JuliâSeptr. Vrij algemeen, langs waterkanten, op moerassige plaatsen en in veengrond.
Boeltjeskruid. Leverkruid.
Koninginnekruid. E. cannabinum L.
2. Tussilago Trn.
i Stengel met eirond-lancetvormige, meest roodachtige schubben bezet. Bladen hartvormig-rondachtig, hoekig, ongelijk getand, van onderen witviltig. Bloemkroon goudgeel. 0,07-0,20. 2).. Maart, April. Veel, op vochtige klei, op bouwland, aan dijken.
Hoeven. Paardeklauw. Stinkblad. Hoosblad. Hmdsblad.
Tabak. Klein Hoefblad. T. Famp;rfara L.
3. Petasites Trn.
1 Bloemstengel en schubben purperkleurig aangeloopen. Bladen hartvormig-rondachtig, van onderen dun grijs wollig of dun-viltig, vaak meer dan 0,30 breed. Bloemkroon roodachtig. 0,15-0,45. 2j-. Maart, April. Aan slootkanten, op moerassige plaatsen.
Pestwortel. Steenbreker. Dokkebladen. Paddebladen.
Groot Hoefblad. P. officinalis Mnch.
f J»
Composite n.
4. A'ster L. Aster.
Kruiden met rechtopstaanden, meest vertakten stengel en on-
fedeelde bladen. Bloemhoofdjes met lange, verscnillend geleurde (meest blauw- of lilakleurige) straal- en gele schijf-edeelde bladen. Bloemhoofdjes met lange, verscnillend geleurde (meest blauw- of lilakleurige) straal- en gele schijf-
bloemen .....................1
Straalbloemen ontbrekend of aanwezig, doch dan geslachtloos. Sehgfbloemen goudgeel. Omwindsel breed-tolvormig.| Plant kaal. Stengel niet vertakt, dicht bebladerd Bladen Ignvormig, zittend, meest 1-nervig, kaal. Hoofdjes in een dichten pluim. Omwindselbladen lijnvormig, spits, los. Bloemkroon geel. 0,15-0,45. Augs., Septr. Een enkele maal gevonden.
Goudhaar A. A. Linósyris Bernh.
Straalbloemen aanwezig, vrouwelijk, blauwlila, blauw, roodachtig of wit (slechts een enkele maal ontbrekend) ... 2 Bladen vleezig, kaal. Plant, nadat de vrucht rijp is, afstervend, kaal. Haren der haarkroon zacht. (Tripólium.) Stengel meest rechtopstaand, naar boven vertakt. Bladen lijn-lancetvormig, drienervig, gaafrandig, de wortelstandige langgesteeld, elliptisch tot lancetvormig, van voren breeder, iets gezaagd. Omwindselbladen aangedrukt, lancetvormig, stomp, de binnenste langer. Straalbloemen blauwlila (soms zonder straalbloemen en dan 0,10-0,30 hoog). 0,50-1,00. O©. JuliâSeptr. Zeer menigvuldig, op zilte gronden. (T. vulgare N. ab E.)
Zoutwatersterrekruid. Zulte. Zee A. A. Tripólium L.
Bladen niet vleezig.......................3
Alle bladen, behalve de bovenste, langgesteeld met hartvormigen voet, gezaagd, van onderen langs de nerven borstelig. Omwindselbladen stomp. Straalbloemen 6â8, witachtig of bleekblauw. 0,60-1,00. JuliâSeptr. Uit Noord-Amerika. Sierplant, ook by Doetinchem verwilderd in bosschen.
Tuildragende A. A. corymbósus Ait. Stengelbladen zittend of den stengel omvattend, lancetvormig. Vruchten samengedrukt ..........................4
Omwindselbladen afstaand, gewimperd, de buitenste kruidachtig, de binnenste althans aan den vliezig geranden top gekleurd. Stengel sterk vertakt, evenals de bovenvlakte der bladen, kort en ruw behaard, naar boven, evenals de schutbladen en omwindselbladen , klierachtig behaard, vaak rood. Bladen lancetvormig , de bovenste stengelomvattend, spits, meest gaafrandig. Hoofdjes groot. Omwindselbladen Ijjn-lancetvormig, de binnenste niet boven de buitenste uitstekend. Straalbloemen blauw violet of rose. 0,60-1,20. Septr.âNovr. Sierplant uit Noord-Amerika . . . . Nieuw EngelscheA. A. novae Angliae L. Omwindselbladen los, vaak aan den top omgebogen of dicht aangedrukt, alle vliezig
gerand, met groene, naar boven breeder wordende rugstreep......5
Bladen ongesteeld, de onderste met versmalden, de bovenste met breeden voet zittend, lancet- tot Ijjnlancetvormig, gezaagd. Omwindselbladen los.....6
Bladen lancetvormig tot langwerpig-lancetvormig, de onderste met versmalden, de bovenste met breeden voet zittend. Omwindselbladen afstaand of teruggebogen.
Straalbloemen bleekblauw of wit.................7
Bladen langwerpig-lancetvormig of Ijjnvormig. Omwindselbladen los, lyn- tot lyn-lancetvormig, spits, iets ongelyk, de binnenste langer en smaller. Hoofdjes klein
en vry groot. Straalbloemen wit of bleek.............8
Stengel roodachtig tot purper. Bladen langwerpig-lancetvormig, stengelomvattend, toegespitst, in het midden aangedrukt gezaagd. Omwindselbladen lyn-priem-vormig, gelyk. Straalbloemen violet. 1,30-2,00. 2|,. Augs.âOctr. Sierplant uit Noord-Amerika, ook verwilderd . . Purperachtige A.f A. pumceus L.
460
Compositen.
Stengel glad, stqf. Bladen lancetvormisr, stengelomvattend, toegespitst, in het midden dicht aangedrukt gezaagd. Omwindselbladen bgna evenlang. Straalbloemen blauw. 0,60-1,30. 2|.. Octr., Novr. Sierplant uit Noord-Amerika, ook verwilderd.
Herfst A. A. brumalis N. ab E.
Takjes behaard. Bladen lancetvormig, stengelomvattend, spits, met ruwen rand, de onderste in het midden gezaagd. Omwindselbladen los, de binnenste toegespitst. Straalbloemen roodviolet. 1,00-1,60. Septr., Octr. Uit Noord-Amerika. Sierplant, ook verwilderd . . . Nieuw Belgische A. t A. novi Bélgii L.
Stengel kaal. Bladen lancetvormig, met ruiven rand, in het midden gezaagd, de bovenste bjjna stengelomvattend, die der takjes lijnvormig. Omwindselbladen los dakpansgewijze liggend, alle bgna even groot. Straalbloemen wit, later lila. 0,75-2,00. 24,. Augs.âOctr. Alleen bg Sliedrecht, Leiden, Deventer en Ruurlo gevonden. (A. Salignus Wilid.).....Wilg A. A. salicifólius Scholier.
Bladen stgf, met ruwen rand, verlengd Ign-lancetvormig, toegespitst, klein gezaagd, die der takken veel kleiner, lyuvormig. Hoofdjes vrg groot, aan de takken 1â3 bgeen. Omwindselbladen aan den top vaak afstaand, lijnvormig, toegespitst. Straalbloemen wit, later blauwachtig. 0,60-1,00. 2|.. Augs., Septr. Sierplant uit Noord-Amerika........Witte A. t A. leucanthemus Desf.
Bladen zacht, aan den rand naar boven ruw, lancetvormig, toegespitst, klein gezaagd, aan de takken in grootte naar boven afnemend, de bovenste, evenals die der takjes, langwerpig. Hoofdjes zeer klein. Omwindselbladen lijnvormig, spits, aangedrukt, aan den top vaak afstaand, de buitenste nauwelijks half zoo lang als de binnenste. Straalbloemen even lang als het omwindsel, witachtig, later roodachtig. 0,60-1,00. ^ Augs.-Octr. Sierplant uit Noord-Amerika. Ook by Wageningen en in Limburg gevonden.
Kleinbloemige A. f A parviflórus N. ab E.
5. Callistephus Cass.
Onderste bladen gesteeld, spatelvormig, grof getand of gezaagd, de middelste zittend, langwerpig-ruitvormig, iels getand, de bovenste gaafrandig. Hoofdjes groot, alleenstaand. Straalbloemen blauw , lila, wit, enz. 0,20-0,50. ©. Augs. âOctr. Sierplant uit China. (Aster chinénsis L.)
Zaadaster, f C. chinénsis Nees.
6. Stenactis Cass.
Onderste bladen langgesteeld, omgekeerd-eirond-langwerpig, gezaagd, de bovenste langwerpig tot lancetvormig, vaak gaafrandig. Hoofdjes in schermvormigetrossen. Stengel niet vertakt, evenals de bladen verspreid behaard. Straalbloemen wit, vaak blauwachtig. 0,50-1,00. 0 en 2|.. JuniâSeptr. Sierplant uit Noord-Amerika. Niet zelden verwilderd.....Z 0 mer fy n st raai. St. annua Nees.
7. Erigeron L#. Fijn straal.
Kruiden met rechtopstaanden stengel en niet ingesneden, gaaf-randige bladen, waarvan de onderste meestal een wortelroset vormen en die, welke aan den stengel gezeten zijn, verspreid staan. Hoofdjes met halfbolvormig omwindsel, buisvormige schijf bloempjes en smalle, lintvormige, in vele rijen geplaatste straalbloemen . ..................1
Bladen lijn-lancetvormig, gewimperd. Hoofdjes zeer klein, 0,004-0,005 lang, zeer talrijk in een lange pluim. Takken en takjes in trossen. Omwindselbladen los, breed vliezig gerand, bijna kaal. Straalbloemen wit, nauwelijks langer dan het omwindsel. 0,30â1,00. 0. JuniâOctr. Afkomstig uit Noord-Amerika. Algemeen in de duinen, soms op bouwland, langs wegen en dijken.
Kanadeesche F. E. canadénsis L.
set
Composite n.
Bladen langwerpig tot lijn-langwerpig, gaafrandig. Straalbloe-men rood- of blauwachtig, bijna dubbel zoo lang als het omwindsel. Hoofdjes vrij groot, in trossen of schermvormige pluimen. Takken meest met 1 hoofdje. Omwindselbladen aangedrukt, de buitenste kruidachtig, behaard. Haarkroon wit of (E. serotinus Weihe) roodachtig. 0,10-0,30. QO en 2J.. JuniâSeptr. Op dezelfde plaatsen als de vorige.
Blauw bijtend donderzaad. Scherpe F. E. amp;cer L.
Bovenste bladen snial-lgnvormig, onderste langwerpig-lancetvortnig, spits. Rand-bloemen draadvormig. Overigens als de vorige. Uit Zuid-Europa. Een enkele maal gevonden........V1 as b 1 a d i ge E. E. linifólium Willd.
8. Béllis L.
1 Bladen in een roset, spatelvormigofomgekeerd-eirond, stomp, 1-nervig. Omwindselbladen lancetvormig van voren gewim-perd, stomp. Straalbloemen wit, van onderen vaak rood. 0,02-0,15. 2J-. Bloeit bijna het geheele jaar door. Overal tusschen het gras, in tuinen met gevulde bloemen.
Grasbloem. Meizoentje. Margeriet. Kransje. Fennebloem.
Koeienbloem. Meliefke. Landjebloem. Madeliefje.
B. perénnis L.
9. Solidago Lr. Gulden roede. Heidensch wormkruid.
1 Hoofdjes in rechtopstaande, naar alle kanten gekeerde trossen.
Omwindsel omstreeks 0,006 lang. Straalbloemen langer dan het omwindsel, lijnvormig-langwerpig, goudgeel, zelden geelwit. Onderste bladen elliptisch of langwerpig, met gevleugel-den steel, gezaagd, de bovenste lancetvormig of langwerpig, bijna zittend en gaafrandig. Meest 0,60-1,00. 2|.. Juliâ Septr. Vrij algemeen, in boschachtige streken.
Wilde G. S. Virga aürea L.
Hoofdjes in pluimvormige of schermvormige trossen, klein. Omwindsel 0,002-0,001 lang............................2
2 Stengel kort behaard. Bladen langwerpig-lancetvormig tot lyn-lancetvormig, toege
spitst , scherp gezaagd, behaard of kaal, de bovenste gaafrandig. Straalbloemen 9â16, nauwelijks langer dan het omwindsel. Lint der straalbloemen zeer kort, omstreeks zoo lang als de schijfbloemen. 0,50-1,50. Augs.âOctr. Sierplant uit Noord-Amerika. (^. arcuata Tausch.)
Kanadeesehe 6. f S. canadensis L.
Stengel beneden kaal, naar boven, evenals de bloemstelen, kort behaard, iets glanzend. Bladen lancetvormig, toegespitst, scherp gezaagd, kaal of met behaarden rand. Straalbloemen 7â14, boven het omwindsel uitstekend. 0,50-1,50. 2|.. Augs.â Octr. Sierplant uit Noord-Amerika......Late G. f S. serótina L.
40«
Compositen.
10. I'nula L. Alant.
Overblijvende planten met verspreide, niet ingesneden bladen en half bolvormige omwindsels, gele straal- en schijf bloemen. Straalbloemen zeer talrijk, smal, zelden onduidelijk . . . . 1
Straalbloemen lintvormig, hooggeel.........2
Straalbloemen bijna buisvormig, driespletig, even lang als het omwindsel, roodachtig. Omwindselbladen aan den top afstaand. (Conyza L.) Stengel dunviltig. Bladen eirond tot lancetvonnig, van onderen viltig, de bovenste met versmalden voet zittend. Hoofdjes klein, in schermvormige trossen. Schijfbloemen lichtbruin. 0,50-0,80. 2J.. JuliâOctr. Vrij zeldzaam, op droge, zonnige plaatsen. (C. squarrósa L.)
Donderkruid. I. Conyza D. C.
Binnenste omwindselbladen aan den top breeder, lyn-spatelvormig, de buitenste eirond, bladachtig. Hoofdjes in schermvoriuige pluimen, groot (0,06-0,07 breed). Bladen groot, ongeluk getand, van onderen viltig, de stengelstandige hartvormig-eirond, toegespitst, stengelom vattend. Wortelstok knolvormig. Bloemkroon hooggeel. 1,00-1,50. 2{.. Juli, Augs. In den laatsten tyd niet in het wild gevonden, wel gekweekt.........Echte A. t I. Helénium L.
Buitenste omwindselbladen lijn-priemvormig, de binnenste, toegespitst lancet- of lijnvormig. Stengel wollig. Hoofdjes tamelijk groot. Bladen lancetvormig, gaafrandig of vooral naar den voet gezaagd, zijdeachtig behaard, soms kaal, de onderste in den bladsteel versmald, de bovenste met hartvormigen voet stengelomvattend, behaard. Bloemkroon hooggeel. 0,15-0,50. 1|-. JuliâSeptr. Vrij zeldzaam, aan de oevers van beken en rivieren en op vochtigen grasgrond.
Weide A. I. britdnnica L.
11. Pulicaria Gaertn. Vlookruid.
Kruiden met rechtopstaanden, vertakten stengel, verspreide, spitse, gaafrandige, langwerpig-lancetvormige, wollige bladen, lijnvormige omwindselblaadjes en gele bloemen......'1
Hoofdjes klein. Straalbloemen rechtopstaand, nauwelijks langer dan het omwindsel. Onderste bladen kortgesteeld, de bovenste zittend met afgeronden voet. Stengel naar boven dicht behaard. Bloemkroon dooiergeel. 0,10-0,30. Q. JuliâSeptr. Vrij algemeen, in zandige streken, op vochtige, grazige plaatsen. (Inula pulicaria L.)
Klein V. P. vulgaris Gaertn.
Hoofdjes vrij groot. Straalbloemen uitgespreid, veel langer dan het omwindsel. Bladen met hartvormigen voet stengel-omvattend, van onderen grijsviltig. Stengel naar boven
403
Composite n.
wollig viltig. Bloemkroon dooiergeel. 0,30-0,60. 2J.. Augs., Septr. Langs slooten en wegen en in de duinen, op vochtige plaatsen. (Inula dysentérica L.)
Heelblaadjes. Groot V. P. dysentérica Gaertn.
12. Telékia Baumg,
1 Bladen dubbel gezaagd, hartvormig, gesteeld, de bovenste eirond, zittend, met bartvormigen of afgeronden voet. Hoofdjes groot (0,06 breed). Omwindselbladen eirond, toegespitst. Bloemkroon goudgeel. 0,60-1,25. %. Augs. Sierplant uit Oost-Europa, een enkele maal verwilderd. (T. cordifolia D. C.)
Runderoog. T. speciosa Baumg.
13. Dahlia Cav. Dahlia.
1 Stengel onberypt. Bladen meest 5-tallig gevind, met eironde, toegespitste, gezaagde blaadjes. Randbloemen met stampers. Wortel met langwerpige knollen. Straal-bloemen wit, rose, purper, rood, violet, zeldzaam lichtgeel, in de gevulde bloemen meest onvruchtbaar. 1,00-1,80. d|.. Augs.âOctr. Sierplant uit Mexico. (Georglna variabillis Willd.)
Verschillendgekleurde D. D. variabilis Desf.
Stengel berjjpt, hol. Bladen iets blauwgroen. Hoofdjes kleiner. Randbloemen zonder stampers. Overigens als de vorige soort. Straalbloemen scharlakenrood , oranje of geel. 1,00-1,50. Augs.âOctr. Sierplant uit Mexico. (Georglna eoccinea Willd.)
Scharlaken roode D. f D. coccinea Cav.
14. Xanthium Tm. Stekelnoot. Klitze. xxi.
Eenhuizige kruiden met rechtopstaanden, vertakten stengel, verspreide, gesteelde bladen en groenachtige bloemtrossen. De mannelijke bloemen staan in hoofdjes, de vrouwelijke zijn alleenstaand , door een vergroeid omwindsel omgeven, dat na den bloeitijd hard wordt................1
1 Stengel zonder stekels. Bladen niet viltig.......2
Stengel aan den voet der bladstelen met 1 of 2 sterke, driedeelige, gele stekels. Bladen aan den voet wigvormig, meest 3-lobbig, met verlengde middellob, van onderen witviltig. Vruchten tusschen de dunne stekels kortbehaard , met korte, rechte rechtopstaande snavels. Bloemkroon groenachtig. 0,30-1,00. ©. Augs., Septr. In Limburg , ook bjj Amsterdam een enkele maal gevonden.
Gedoomde S. X. spinósum L.
2 Bladen met bartvormigen voet, 3-lobbig met spitse, getande
lobben, van onderen bleekgroen. Vruchtomwindsel eirond met rechte, aan den top haakvormig gekromde gele stekels bezet, daartusschen kort en klierachtig behaard. Bloemkroon groenachtig. Plant grijsgroen. 0,30-1,00. 0. Juliâ Octr. Zeldzaam, aan ruigten, op mesthoopen enz.
Ongedoornde S. X. strumórium L.
Bladen met afgeronden of wigvormigen voet, 3-5-lobbig met getande lobben. Vruchtomhulsels langwerpig, tamelgk dicht met gebogen aan den top bgna cirkelvormig ingerolde stekels bezet, daartusschen klierachtig en sttff behaard. 0,30-0,60. ©. Augs., Septr. In Limburg een enkele maal aan ruigten gevonden.
Grootvruchtige S. X. macrocarpon D. C.
Composite n.
15. Ambrosia Trn.
1 Stengel rond, zacht behaard. Bladen kortbehaard, groen, dubbel vindeelig, de bovenste enkel vindeelig. Bladslippen meest lancetvormig, spits. Mannelijke trossen 3 bijeen, eindstandig. Vrouwelijke hoofdjes 1â3 byeen, okselstandig. 0,30-1,50. O* JuliâSeptr. Bg Deventer, Apeldoorn, Kuilenburgen Rotterdam gevonden. Uit Noord-Amerika.........A. artemisiaefólia L.
16. Rudbeckia L.
1 Onderste bladen vindeelig met eironde, drielobbige of grof ingesneden blaadjes, de bovenste 3-5-deelig, eirond, gaafrandig. Hoofdjes langgesteeld, groot, 0,07-0,15 in middellijn. Straalbloemen dooiergeel, afhangend. Schyfbloemen zwart-bruin. 1,00-2,00. Juli, Augs. Sierplant uit Foord-Amerika, ook verwilderd.
Rudbeckia. f R. laciniata L.
17. Calliopsis Rchb.
1 Bladen tegenoverstaand, de onderste gevind tot dubbel gevind, de bovenste onregelmatig dubbel 3-tallig, alle met lijnvormige, stompe slippen. Hoofdjes alleenstaand, eindelings, langgesteeld. Straalbloemen langwerpig-omgekeerd-eirond, 3-spletig, goudgeel met een grootere of kleinere donkerbruine vlek aan den voet. 0,30-0,80. 0. Juliâ^eptr. Sierplant uit Noord-Amerika. (C. bicolor Rchb.)
f C. tinctória Lk.
18. Zinnia L.
1 Bladen gaafrandig, kromnervig. Bloemhoofdjes groot, eindelings, alleenstaand. Vrucht d(K)r 3 ongelyke borstels gekroond. 0,30-0,60. ©. JuliâSeptr. Sierplant uit Mexico...............Zinnia, t Z. élegans Jq.
19. Helianthus L.
1 Onderste bladen tegenoverstaand, hartvormig-eirond, de bovenste afwisselend, eirond. Hoofdjes vry groot, 0,03-0,07 breed, rechtopstaand. Omwindsel bladen lancetvormig, spits, dicht borstelig gewimperd. Bloemkroon dooiergeel. Met langwerpige knollen. 1,20-2,00. 2|.. Augs.âOctr. Gekweekt. Uit Noord-Amerika.
Jeruzalemsche artisjok. Topinamhoer. Aardpeer. H. tuberósus L. Bladen verspreid, hartvormig-eirond. Hoofdjes zeer groot, 0,10-0,40 breed, knikkend. Omwindselbladen eirond, toegespitst, gewimperd. Straalbloemen geel, schijfbloe-men bruin. 1,00-2,00. ©. JuliâOctr. Sierplant uit Amerika.
Zonneblo em. H. annuüs L.
20. Bidens Tm. Tandzaad.
Eenjarige kruiden met vertakten stengel, tegenoverstaande bladen, eind- en oksel stand ige, gesteelde bloemhoofdjes van gele bloemen.....................1
4 Hoofdjes rechtopstaand. Bladen in een korten steel versmald, meest 3(-7)-deelig, zelden ongedeeld. Bladslippen met grove, meest rechte zaagtanden. Hoofdjes even hoog als, of hooger dan breed, soms armbloemig. Straalbloemen bijna steeds ontbrekend. Vruchten met 2-3 naalden. Buitenste omwindselbladen 5-8. Strooschubben langwerpig, evenlang als de vruchten zonder de naalden. Bloemkroon geelbruin. Plant donkergroen. 0,15-4,00. 0. JuliâOctr. Algemeen, aan waterkanten en op moerassige plaatsen.
Boelmansvorken. Klissen. Wild wormkruid. Waterboelkens-kruid. Vorken, Driedeelig T. B. tripartitus L. heukels, Schoolflora, 8e druk. 30
MS
460 Composite n.
Hoofdjes knikkend, tamelijk vlak, meest met straalbloemen, tot 0,035 breed. Omwindselbladen met vliezigen rand, bruinachtig. Strooschubben omstreeks even lang als of langer dan de vruchten met de 4 naalden. Bladen zittend, aan den voet iets vergroeid, ongedeeld, lancetvormig, gezaagd. Bloemkroon dooiergeel. 0,15-1,00. ©. Augs.âOctr. Algemeen, als de vorige........Knikkend T. B. cérnuüs L.
21. Tagétes Tm. Afrikanen. Fluweeltjes.
1 Stengel met afstaande takken. Bladen verspreid, zittend, oneven gevind. Blaadjes Ign-lancetvomig, naar den blad voet kleiner. Bloemstelen onder het hoofdje weinig verdikt. Omwindsel rondachtig. Bloemkroon oranje tot bruinachtig. Onaangenaam riekend. 0,30-0,80. ©. Augs.âHerfst. Sierplant uit Mexico.
Uitgespreide A. T. patula L.
Stengel rechtopstaand, vertakt. Blaadjes lancetvormig. Bloemstelen onder het hoofdje knotsvormig verdikt. Hoofdjes grooter. Omwindsel iets kantig. Bloemkroon dooiergeel. Overigens als de vorige soort. 0,60-1,00. Augs.âHerfst. Sierplant uit Mexico........Rechtopstaande A. fT. erécta L.
32. Galinsoga R. et Pav.
1 Stengel sterk vertakt. Bladen tegenoverstaand, eirond, getand, de bovenste lang-werpig-lancetvormig. Hoofdjes klein. Straalbloemen meest 5,quot; kort, soms ontbrekend , wit. Schtjfbloemen geel. 0,30-0,45. ©. JuniâSeptr. Alleen bjj Harderwgk en Vollenhove vooral op aardappel akkers gevonden.
Knopkruid. G. parviflóra Cav.
23. Madia Mol.
1 Plant dicht en kleverig behaard. Stengel rechtopstaand, dicht bebladerd. Bladen lancetvormig, gaafrandig, half stengelom vattend Hoofdjes vrjj klein, in trossen. Bloemkroon lichtgeel. 0,30-0,45. ©. Juli, Augs. Afkomstig uit Chili- Soms gekweekt.
Madia. M. sativa Mol.
24. Filégo Tm. Viltkruid.
Kleine, eenjarige viltige kruiden met vertakten stengel, zittende, dicht opeengehoopte, spitse bladen en kleine meestal opeengehoopte bloemhoofdjes met gele bloemen (straalbloemen nauwelijks waarneembaar, zeer smal)............1
1 Omwindselblaadjes met lange haarachtige punt, tijdens den
vruchttijd rechtopstaand. Hoofdjes in kluwens van 10-30. (F. germanica L.)...............2
Omwindselbladen stomp, tijdens den vruchttijd stervormig uitgespreid. Hoofdjes in hoopjes van 2-7 bijeen .... 4
2 Takken rechtopstaand. Bladen aan den voet niet versmald.
Hoofdjes in kluwens van 15-80..........3
Takken afstaand. Stengel aan den voet vertakt, liggend. Bladen iets afstaand, aan den voet versmald, langwerpig-spatel-vormig. Hoofdjes in kluwens van 10-15, waarboven de bladen, in wier oksels zij staan, uitsteken. Toppen der
Com p ositen.
omwindselbladen geel. 0,10-0,30. 0. JuniâAugs. Aan akkers, dijken, wegen. Zeer zeldzaam.
Spatel V. F. spathulamp;ta Presl.
Plant geelachtig-viltig, zelden witgrijs. Omwindselbladen iets viltig met rooden top. Bladen langwerpig-lancetvormig, spits, afstaand. Stengel meest van den voet af vertakt. 0,10-0,30. ©. JuniâSeptr. Op open en bebouwden zandgrond en langs wegen .... Geelachtig V. F. apiculAta G. E. Sm.
Plant grijs- of witviltig. Omwindselbladen kaal, met geelach-tigen top. Bladen lijn-lancetvormig, gegolfd, tegen den stengel liggend of rechtopstaand. Stengel naar boven gaffelvormig vertakt. Aan akkers, dijken en wegen. 0,10-0,30. 0. JuniâSeptr. (F. canéscens Jordan.) Gr ij s V. F. germénica L.
Stengel meest tros- of pluimvormig vertakt. Bladen lancetvormig. Kluwens zij- en eindstandig. Hoofdjes rolrond, meest 0,005 lang. Omwindselbladen niet gekield, tot aan den top dicht-wollig. Bloemkroon geelachtig-wit. 0,15-0,30, ©. JuliâSeptr. Niet algemeen, op open en bebouwden heide- en zandgrond, vooral langs de rivieren.
Akker V. F. arvénsis L.
Stengel met gaffelvormige takken. Bladen lijn-lancetvormig. Hoofdjes kegelvormig, 0,002-0,003 lang. Kluwens gaffel-, zij-en eindstandig. Omwindselbladen gekield, de binnenste met droogvliezigen, geelachtigen, glanzigen top. Bloemkroon geelachtig-wit. 0,08-0,20. Q. JuliâSeptr. Vrij algemeen, op open en bebouwden zandgrond, ook in de duinen.
Dwerg V. F. minima Fr.
25. Gnaphalium Tm. Roerkruid. Zevenjaarsbloem.
Viltige kruiden met verspreide, gaafrandige, kleine bladen en kleine gele, witte of roodachtige bloemhoofdjes, waarvan het omwindsel uit droogvliezige, gekleurde blaadjes bestaat . . 1
Hoofdjes eenhuizig. Randbloemen vrouwelijk, schijfbloemen
2-slachtig..................2
Hoofdjes tweehuizig. Bladen van onderen, evenals de stengel,
witviltig..................4
Hoofdjes meest talrijk, aan het bovendeel van den stengel aarvormig gerangschikt. Bladen alle even lang of de bovenste langzamerhand kleiner wordend, meest 1-nervig, van boven kaal wordend. Omwindselbladen elkaar dakpansgewijze be-
30*
4t«T
Composite n.
dekkend, de buitenste slechts'/s-maal zoo lang als het hoofdje, groenachtig. Bloemkroon meest geelachtig-wit. 0,20-0,40. 24.. Juli, Augs. Vrij algemeen, op beschaduwden zand- of
heigrond.......Bosch R. G. sylveiticum L.
Hoofdjes tot kluwens opeengehoopt.........3
3 Stengel van den voet af uitgespreid vertakt. Bladen lijn-lang-
werpig, met versmalden voet. Kluwens van hoofdjes bebla-derd. Omwindselbladen geel- of bruinachtig. Bloemkroon geelachtig-wit. 0,05-0,20. 0. JuliâOctr. Vrij algemeen, op vochtige gronden, langs slootkanten.
Moeras R. G. uliginósum L.
Stengel meest onvertakt, zeldzamer met opstijgende takken. Bladen half stengelom vattend, de onderste langwerpig, de hoogere lijnvormig-langwerpig. Kluwens van hoofdjes zonder bladen. Omwindselbladen geelachtig-wit. Bloemkroon geelwit. 0,15-0,30. Q0. Juli, Augs. Vrij algemeen, op vochtige zandgronden, langs slootkanten.
Bleekgeel R. G. lütéo-album L.
4 Met uitloopérs. Stengel niet vertakt. Wortelbladen spatelvor-
mig, hoogere lijn-lancetvormig. Omwindselbladen der mannelijke bloemen meest wit, die der vrouwelijke meest rose. Bloemen wit of roodachtig. 0,07-0,20. 2J.. Mei, Juni. Vrij algemeen, op drogen zand- of heigrond, ook in de duinen.
Droogbloem. Kattevoet. Kattepootje. Rozenkransje.
TweehuizigR. G. dióicum L. Zonder uitloopérs. Stengel vertakt. Bladen lijnvormig, lang toegespitst. Omwindselbladen sneeuwwit. Bloemkroon wit. 0,40-0,60. 0. Juli, Augs. Soms gekweekt in tuinen en ook in het wild.....Parel R. G. margaritéiceüm L.
26. Helichry'sum D. C. Stroobloem.
1 Stengel niet vertakt, evenals de bladen wollig viltig. Onderste bladen langwerpig-omgekeerd-eirond, stompaebtig, de bovenste lijn-lancetvormig. spits. Hoofdjes, in diebte, sehermvorniige trossen. Omwindselbladen citroengeel, zeldzamer oranje. Bloemkroon oranje. 0,10-0,30. Juli, Augs. Een paar malen gevonden. (Gnaphalium arenarium L.).......Zand S. H. arenarium D. C.
Stengel naar boven vertakt, evenals de bladen wat ruw. Bladen laneetvormig toe Ijn-lancetvormig, spits. Hoofdjes groot, alleenstaand aan het eind van den stengel en der takken. Buitenste omwindselbladen kort, stomp, aan den topbruinacfatig, de middelste het langst, spits, meest goudgeel, zeiden witachtig. Bloemkroon geelbruin. 0,60-1,20. Q©. JuliâHerfst. Sierplant uit Sienw-Holland.
G oud S. t H bracteatum Willd.
4«8
Compositen.
27. Artemisia L. Alsem.
Kruiden met meestal slanken stengel, meestal gedeelde bladen en kleine bloemhoofdjes van meestal gele bloemen, zonder dui-delijken straal..................1
Bloembodem kaal...............2
Bloembodem behaard. Hoofdjes bijna bolrond , knikkend, klein. Bloemkronen lichtgeel. Buitenste omwindselblaadjes viltig-Bladen zijdeachtig grijsviltig, 2-3-voudig vindeelig met lijn-lancetvormige, stompe slippen. Bladslippen aan den voet zonder oortjes. Stengel rechtopstaand, zeer vertakt. Pluim groot, bebladerd, met afstaande takken. 0,60-1,20. 2{-. Juliâ Septr. Vrij algemeen, op hoogen zandgrond, in duinen, langs dijken . . . Aalst. Bittere A. A. Absinthium L.
Bladen ongedeeld (alleen de eerst verscliünende onderste meest 3-spietig), lancettot Ign-lancetvorraig, stekelpuntig, evenals de stengel kaal. Hoofdjes zeer klein, byna bolrond, rechtopstaand. Omwindselbladen kaal. Bloemkronen wit. 0,60-1,20. 2|.. Augs., Septr. Gekweekt. Uit Z.-Europa. Dragon. A. Dracünculus L.
Bladen, althans de onderste en middelste gedeeld. ... 3
Bloemen alle 2-slachtig. Bloemkronen geel. Hoofdjes langwerpig, viltig. Bladen sneeuwwit-viltig of ten slotte kaal, 2-3-voudig vindeelig met korte, stompe, lijn-draadvormige slippen. 0,15-0,60. 2j-. Septr., Octr. Zeer veel, op zeeklei.
Zee A. A. maritima L.
Randbloemen vrouwelijk.............4
Bladen aan den voet van den bladsteel zonder oortjes (aan den voet van den bladsteel aan weerszoden zonder lobbetje). Hoofdjes byna bolrond, knikkend. Bloemkronen geel. Plant 0,30-1,00 hoog, struikachtig. Stengel rechtopstaand. Hoofdjes behaard, klein. Buitenste omwindselbladen langwerpig-lancetvonuig, spits, de binnenste stomp. Bladen van onderen grys behaard, de onderste dubbel gevind met zeer smal lijnvormige, byna draadvormige slippen , die in wier oksels de hoofdjes staan driespletig of ongedeeld, verlengd lijnvormig. I). Augs.âNovr. By Deventer gevonden..............A. quot;Abrótanum L.
Bladen aan den voet van den bladsteel met een oortje . . 5
Hoofdjes eirond, rechtopstaand of knikkend Omwindselbladen kaal, vliezig gerand, glanzig. Bladen later tamelijk kaal. Stengels talrijk, de niet-bloeiende liggend, de bloeiende opstijgend, met trosvormige pluimtakken, meest donkerrood. Bladen 2-3-voudig vindeelig, zijdeachtig grijs, later bijna kaal, met lijnvormige, stekelpuntige slippen. Bloemkronen roodachtig. 0,30-0,60. 2|.â1). Augs.âOctr. Algemeen, op drogen zandgrond, ook in de duinen.
Wilde averuit. Liggende A. A. campéstris L.
Hoofdjes langwerpig-eirond , klein, rechtopstaand. Omwindselbladen van buiten viltig. Bladen van boven kaal, van onderen witviltig, vindeelig, met lancetvormige slippen (bij de variëteit
40»
4:70 Composite n.
coarctdta Fors. dubbel vinspletig met lijnvormige slippen en dicht opeen staande hoofdjes, zoo bij Deventer gevonden). Bloemkronen geel of roodbruin. Stengel rechtopstaand, vertakt, meest donkerrood. 0,75-1,50. 2|.. Augs, Septr. Zeer algemeen, langs wegen, heggen, in hakhout, vooral op zandgrond.
Krabbeklootjes. Bijvoet. Gemeene A. A. vulgaris L.
A. Tournefortiana Rchb. is bij Hennckom gevonden. Plant kaal. Stengel rechtopstaand. Onderste bladen vindeelig met sclierpgezaagde slippen, de onderste 3-deelig, de bovenste ongedeeld. Hoofdjes bolrond, rechtopstaand in tot pluimen gerangschikte aren. 0,50-1,00. Augs., Septr. Uit Zuid-
Rusland.
28. Ammóbium R. Br.
1 Stengel en takken door afloopende bladen gevleugeld, dicht behaard. Bladen Ign-lancetvormij;, de wortelstandi^e langwerpig-lancetvormig tot byna spatelvormig, alle van onderen witviltig. Hoofdjes bolvormig, alleenstaand, eindelings, lang-gesteeld. Om windselbladen stralend, wit. Bloemkroon geel. 0,50-0,80. JuliâHerfst. Sierplant uit Nieuw-Holland . Zandbloem. t A. alatum R.Br.
29. Cótula L.
1 Stengel liggend, met takken ieder met 1 hoofdje. Bladen l\jn-lancetvormig, vinspletig, getand, zeldzamer gaafiandig, kaal, stengelom vattend. Bloemkroon }:eel. 0,07*0,lö. ©. Juli, Augs. Vroeger een paar malen gevonden.
Goudknopje. C. coronopifólia L.
30. Santolina L.
1 Plant grjjsviltig. Stengel met vele rechtopstaande takken. Bladen Ignvormig, in 4 rijen, getand, dik. Hoofdjes langgesteeld. Bloemkroon geel. 0,30-0,60.
Juli, Augs. Sierplant uit Zuid-Europa.
Dvvergduizendblad. S. Chamaecyparissus L. Ook S. pinnata L. (bladen groen, bloemen wit), wordt wel gekweekt.
31. Achilléa L. Duizendblad.
Kruiden met rechtopstaanden, aan den top vertakten stengel, verspreide bladen en talrijke kleine, een dichten, schermvor-migen tros vormende, bloemhoofdjes met witte straal- en gele of bruinachtige schijfbloemen.............1
1 Bloemen geel. Plant viltig behaard. Bladen sterk ingesneden. 0,10-0,50.
MeiâJuli. Uit Zuid-Europa. Alleen by Zutphen gevonden.
V i 1 ti g D. A. tomentósa L. Bloemen wit, rose of paarsachtig..........2
2 Bladen ongedeeld, lijn-lancetvormig, tot het midden klein en
dicht, van daar tot den top diep en verwijderd gezaagd, evenals de stengel kaal. Straalbloemen omstreeks 10, even lang als het omwindsel, wit. Schijfbloemen geelachtig-wit. Hoofdjes 0,013-0,017 breed. 0,30-0,80. 2).. Juli, Augs. Niet zeldzaam, aan waterkanten en op vochtige plaatsen.
Moeras D. A. Ptérmica L. Bladen 2-3-voudig vindeelig. Straalbloemen 4-5, korter dan het eironde omwindsel.............3
Composite n.
Stralen horizontaal afstaand, omstreeks half zoo lang als het omwindsel. Bladen in omtrek lancet- of lijnvormig met kort lancet- of lijnvormige slippen, evenals de stengel min of meer behaard. Bladspil zonder tanden of alleen aan den top iets getand. Straal bloemen wit, zeldzamer rose. Wortelstok met uitloopers. 0,15 0,50. 2j.. JuniâHerfst. Zeer algemeen langs wegen, dijken en op grasgrond.
Duizendtak. Hazengerwe. Hazengras. Hazenkervel.
Hondeklaar. Gemeen D. A. Millefólium L.
Stralen ternggeslagen, of J-niaal zoo lang als het omwindsel. Bladen in omtrek langwerpig-eirond of langwerpig, dubbel vindeelig met lynvormige bjjna kam-achtige slippen, zacht behaard of bjjna kaal. Bladspil van het midden tot aan den top van het blad getand. Bloemkroon wit of geelachtig wit. Wortelstok zonder uitloopers. 0,15-0,30. 2^.. Juli, Augs. Bjj Deventer gevonden.
Edel T). A. nóbilis L.
32. A'nthemis L. Kamille.
Kruiden met 1-3-voudig vinspletige of vindeelige bladen en witte, zeldzaam gele straal- en gele, zelden witte schijfbloemen. Bloembodem met strooschubben...............1
Bloembodem bijna halfbolrond. Vruchten samengedrukt vierkant, bijna aan weerszijden scherp. Strooschubben spits. 2
Bloembodem kegelvormig of rolrond, van binnen met merg gevuld. Vruchten stomp vier- of driekantig. Straalbloemen wit....................4
Straalbloemen geel of wit. Strooschubben smal-ruitvormig, langzamerhand in een stekelpunt uitloopend.....3
Straalbloemen wit. Strooschubben langwerpig, plotseling in een lange stekelpunt uitloopend. Bladen dubbel vindeelig met gaafrandige slippen. 0,30-0,50. Juliâ Septr. Bü Overveen op braakland gevonden. Uit Oostenryk.
Ocstenryksche K. A. austnaca Jacq.
Straalbloemen nauwelijks half zoo lang als de middellijn der schijf, meest geel. Bladen meest dubbel vindeelig, met gezaagde slippen. 0,30-0,60. 24-. JuniâSeptr. Vrij zeldzaam, op drogen zandgrond, aan dijken en muren.
Gele K. A. tinctória L.
Straalbloemen even lang als de middellijn der schyf, wit. Bladen dubbel vinspletig met stekelpuntige, getaude slippen. 0,!0-0,80. 2|.. JuliâSeptr. Alleen by Deventer gevonden.........Triumfetti's K. A. Triumfétti All.
Strooschubben langwerpig of lancetvormig met stijve stekelpunt ....................5
Strooschubben lijn-priemvormig, spits, tusschen de buitenste bloemen ontbrekend. quot;Straalbloemen geslachtloos. Bloembodem verlengd kegelvormig. Vruchten bijna rolrond. Omwindselbladen rechtopstaand, Bladen dubbel vindeelig met
491
Composite n.
lijnvormige, ongedeelde of 2-3-spletige slippen. Stengel evenals de bladen vrij kaal. 0,15-0,50. ©. JuniâOctr. Algemeen langs wegen, dijken en ruigten, ook op bebouwde gronden. Stinkbloem. Paddebloem. Koedille. Stinkende K.
A. Cótula L.
5 Strooschubben lijn-lancetvormig, spits of stekelpuntig, gaafran-dig. Bloembodem verlengd kegelvormig. Bladen dubbel vindeelig, met lijn-lancetvormige, gaafrandige of 2-3-tandige slippen. Plant zacht behaard of kaal. 0,15-0,50. ©. Meiâ Octr. Algemeen, op zandig bouwland.
Akker K. A. arvénsis L.
Strooschubben langwerpig-wigvormig, stomp en stekelpnntig, iets getand. Bloembodem verlengd cylindrisch. Buitenste vruchten vaak met scheef afgeknotten kelkzoom. Plant grys of wit behaard. Aromatisch bitter riekend. 0,25-0,50. 0. MeiâAugs. Eenmaal by Apeldoorn gevonden.
RutheenscheK. A. Ruthénica M. B.
33. Tanacétum L. Wormkruid.
1 Bladen ongedeeld, elliptisch of langwerpig, gekarteld-ger.aagd, de bovenste meest geoord. Hoofdjes in een lossen, schermvormigen tros. Bloemkroon geel. 0,60-1,20. 2|-. Augs.âOctr. In dorpstuinen wel gekweekt. Uit Zuid-Europa.
Balsem W. f T. Balsamita L.
Bladen vindeelig met lancetvormige, aan de onderste bladen vindeelige, aan de bovenste gezaagde slippen. Hoofdjes in een dichten , schermvormigen tros. Bloemkroon geel. 0,60-1,20. 2).. JuliâSeptr. Algemeen, langs wegen en dijken, vooral op hoogen zandgrond. (Chrysanthemum vulgare Bernh.) Wild wormkruid. Reinvaren. Reinevaar. Steenvaren.
Boeren W. T. vulgéire L.
34. Chrysanthemum L. Ganzebloem.
Onbehaarde kruiden rnet gewoonlijk onvertakten stengel met 1 hoofdje en groote bloetnhoofdjes met gele schijf- en witte of gele straalbloemen en omwindselbladen, die aan den top droog-vliezig zijn (vooral de binnenste)............1
1 Hoofdjes tot schermvormige trossen vereenigd. Straalbloemen aanwezig, wit. Bladen vindeelig tot gevind-vindeelig. Bladen teer, in omtrek eirond, alle gesteeld, vindeelig, met langwerpige of langwerpig-eironde, stompe, vinspletige slippen en langwerpige, vaak gezaagde slipjes. Straalbloemen kort, omgekeerd-eirond. 0,30-0,60. 2|.. JuniâAugs. Bij wonin-
Composite n.
gen en tuinen, niet zelden ook gekweekt, soms ook met gevulde bloemen. (Pyréthrum Parthénium Sm.)
Mater. Moederkruid. Vuurwortel. Breedbladige G.
C. Parthénium Berah.
Hoofdjes alleenstaand aan den stengel en aan de takken . 2
Straalbloemen wit of zeldzaam ontbrekend. Alle vruchtjes gelijk van vorm..................3
Straalbloemen geel, hare vruchtjes anders van vorm dan die der schijfbloemen. Bladen langwerpig-omgekeerd-eirond tot lancetvormig, de onderste bijna vinspletig, de bovenste grof-gezaagd, vaak 3-spletig, met hartvormigen voet stengelom-vattend. 0,20-0,60. ©. JuniâOctr. Algemeen, op zandig bouwland.
Vokelaar. Pandbloem. Wilde goudsbloem. Stroobloem.
Gele G. C ségetum L.
Stengel met meer hoofdjes, vertakt. Bloembodem kort kegelvormig, met merg gevuld. Bladen dubbel vindeelig, met bijna draadvormige, van onderen gegroefde slippen. Lint der straalbloemen langer dan het omwindsel. Kelkzoom een kroontje vormend. 0,15-0,45. ©, 0© en 2J-. JuniâHerfst. Zeer algemeen, aan wegen en slooten, tusschen het gras, op bouwland, enz. (Matricaria inodóra L.)
Reukelooze G. C. inodórum L.
Op zilte kleigronden vindt men de variëteit a. sa lignum (C. maritimum Prod.), die zich onderscheidt, doordat de stengels liggen, de bladslippen kort en vleezig zijn, de bloembodem eirond is en de bloemhoofdjes kleiner zijn.
Stengel meest met een hoofdje en niet vertakt. Bladen niet gedeeld. Bladen langwerpig of lancetvormig, aan den voet vaak ingesneden, zittend, de wortelstandige spatelvormig tot wig-lancetvormig, meest gekarteld, langgesteeld. 0,30-0,60. 2|.. JuniâHerfst. Zeer algemeen, langs wegen, dijken, in weilanden en in grasland.
Groote madelief. Wambi'isknoopeu. Witte G.
C. leucknthemum L.
35. Matricaria L.
Bloembodem lang kegelvormig, hol. Bladen dubbel vindeelig, met smal-lijnvormige, vlakke slippen. Hoofdjes tamelijk langgesteeld. Lint der straalbloemen langer dan het om-
413
Composite n.
windsel. Schijfbloemen 5-tandig. 0,20-0,40. ©. Mei Augs. Zeer algemeen, op bouwland, aan wegen, ruigten, enz. (Chrysanthemum Chamomilla Bernh.)
Wilde K. Kamille moederkruid. Echte Kamille.
M. Chamomilla L.
36. I'va L.
1 Hoofdjes klein, in hoopjes in de MadokseEs, tot aren vereemgd. Omwindsel 5-bladig. Schqfbloemen groen. Bladen dik, ruw behaard, gezaagd, byna ruitvormig. Bloemen vnilwit tot groen. Uit Noord-Amerika. Eenmaal bü Vlissingen gevonden..................I. xanthiifólia Nutt.
37. Dorónicum L.
1 Wortelstok met onderaardsche, verlengde uitloopers. Wortel-standige bladen langgesteeld, diep hartvormig-eirond, de middelste met geoorden voet zittend, de bovenste hartvormig stengelomvattend. Bloembodem behaard. Bloemkroon goudgeel. 0,50-i,20. li-. Mei, Juni. In bosschen, niet zeldzaam.
Duizelkruid. D. Pardaliénches L.
38. A'rnica Rupp.
1 Stengel niet vertakt, met l(-3) hoofdjes. Bladen tegenoverstaand, zittend, de wortelstandige omgekeerd-eirond, de stengel-standige langwerpig tot lancetvormig. Hoofdjes groot. Bloemen oranje. 0,20-0,50. 24.. Juni, Juli. Vrij algemeen, op hooge , veenachtige heidevelden.
Valkruid. Woudkruid. Heilige vrouwenkruid.
Wolverlei. A. monténa L,
39. Cineraria L. Aschkruid.
1 Omwindselbladen aan den lop niet of nauwelijks gevlekt. Stengel meest vertakt, vooral boven behaard, dik, hol. Wortelbladen tijdens den bloeitijd afgestorven. Stengelbladen talrijk, lancetvormig, half stengelomvattend, de onderste bochtig getand. Hoofdjes opeengedrongen. Omwindselbladen spits. Vruchten kaal. Bloemkroon geel. 0,30-0,60. © en 00. Juni, Juli. Zeer algemeen, in moerassen en lage veenstre-ken. (Senécio paluster D. C.)
Wilde andijvie. Moeras A. C. palüstris L.
M7i
Composite n.
40. Senécio L. Kruiskruid.
Kruiden met verspreide bladen, rolrond of klokvormig 1-rijig omwindsel met kleine schubvormige schutblaadjes er onder en gele straal- en schijfbloemen, soms alleen schijfbloemen . . 1
1 Bladen bochtig vinspletig tot vindeelig........2
Bladen ongedeeld, eirond-langwerpig tot langwerpig ... 9
2 Omwindsel rolrond. Omwindselbladen lijnvormig. Straalbloe-
men ontbrekend of zeer kort, meest omgekruld .... 3 Omwindsel klokvormig. Omwindselbladen eirond tot lancet-vormig. Straalbloemen langer, afstaand......5
3 Straalbloemen ontbrekend. Buitenste omwindselblaadjes zeer
kort, omstreeks voor de helft zwart. Bladen meest kaal, bochtig vinspletig met (naar den voet) langzamerhand afnemende slippen. 0,10-0,30. ©. Bloeit bijna het geheele jaar. Op moesland algemeen, ook op bebouwde en onbebouwde gronden. Kruiswortel. Klein grintkruid. Schaapssteentjes. Pluiskruid.
Kanariekruid. Gemeen K. S. vulgaris L. Vergelijk ook S. Jacobaea L. pag. 470. Straalbloemen meest omgerold, kort, lichtgeel.....4
4 Plant klierachtig kleverig behaard. Buitenste omwindselblaad
jes los, half zoo lang als de andere, aan den top zwartachtig. Vruchten ten laatste kaal. 0,15-0,50. ©. JuniâOctr. Vrij algemeen, op beschaduwden en bebouwden zandgrond, ook op ruige plaatsen , langs heggen en wallen en in de duinen.
Kleverig K. S. viscósus L. Plant zachtharig, zonder klieren. Buitenste omwindselbladen omstreeks 'Ig-maaX zoo lang als de andere, meest niet zwartachtig. Vruchten aangedrukt kort behaard. 0,15-0,80. ©. JuniâAugs. Aan beschaduwde wallen, heggen, in bosschen en kreupelhout......Bosch K. S. sylvéticus L.
5 Buitenste omwindselbladen 4-6, half zoo lang als de andere.
Vruchten kort behaard. Bladen vindeelig, de onderste ge-steeld, de overige zittend. Bladslippen lijnvormig, getand tot vinspletig, de onderste kleiner, oorvormig. Schermvor-mige tros met vele hoofdjes, dicht. Bloemkroon bleekgeel. 0,60-1,20. 2].. JuliâSeptr. Niet zelden, in kreupelbosschen, aan beplante dijken en wegen, in grazige duinvlakten.
Smalbladig K. S. erucifólius L. Buitenste omwindselbladen 1-4, vele malen korter dan het omwindsel. Randstandige vruchten kaal......6
470 Composite n.
6 Vruchten der schijf bloemen dicht behaard. Onderste bladen tij
dens den bloeitijd meest afgestorven, liervormig-vindeelig. 7 Vruchten der schijfbloemen weinig behaard of kaal. Onderste bladen tijdens den bloeitijd nog frisch, ongedeeld, de middelste liervormig-vinspletig..............8
7 Middelnerf der bladen tusschen de slippen getand. Meest 1 omwindselachub. Pen-
wortel. O. Alleen in Limburg een enkele maal gevonden. . S. squalidus L.
Middelnerf der bladen tusschen de slippen gaaf. Vele omwindselschubben. Wortelstok afgeknot. Bloemstelen rechtopstaand, een grooten, tamelijk dichten, schermvormigen tros vormend. Onderste bladen liervormig-vindeelig met eironde, gekartelde eindslip, de bovenste vindeelig, met langwerpige, vaak 2-3-spletige slippen. 0,30-1,00. ©Q of 2J.. JuliâOctr. Vrij algemeen, op grasgronden en aan wegen.
Grondheel. Jakob's K. S. Jacobaéa L.
8 Stengel omstreeks van het midden af in een uitgespreid ver
takten, schermvormigen tros uitloopend. Bladen donkergroen met rechthoekig afstaande of weinig naar voren gerichte zijslippen en wigvormige eindslip. 0,30-4,20. 0G- Juli» Augs. Zeer zeldzaam, op moerassige plaatsen en aan waterkanten.
Dwalend K. S. errdticus Bertol. Stengel aan den top met een schermvormigen tros, met rechtopstaande takken. Bladen lichtgroen met sterk naar voren gerichte zijslippen en langwerpige eindslip. Hoofdjes grooter. 0,30-0,60. OG- Juligt; Augs. Vrij algemeen, op moerassige plaatsen en in vochtige graslanden.
Water minnend K. S. aquÃiticus Huds.
9 Straalbloemen 5-8. Buitenste omwindselbladen 3-5 . . . 10 Straalbloemen 42-20. Buitenste omwindselbladen 40 of meer,
half zoo lang als het omwindsel. Bladen verlengd-lancet-vormig, scherp gezaagd, van onderen viltig, zittend, de onderste gesteeld. Straalbloemen goudgeel. 1,00-4,80. 2j.. Juli, Augs. Langs slooten, plassen en rivieren.
Moeras K. S. paludósus L. 40 Omwindsel rolrond, meest 8-bladig, kaal. Wortelstok kort, vertakt. Bladen met recht afstaande tanden. Straalbloemen meest 5, lichtgeel. Bladen kaal, de bovenste in een smal gevleugelden, aan den voet nauwelijks verbreeden bladsteel versmald. Stengel vaak rood. 0,80-4,50. ' 1(-. JuliâSeptr. In bosschen, op vochtige plaatsen, ook langs wegen.
Wilg K. S. Füchsii GmeL
Composite n.
Omwindsel klokvormig-rolrond, KMS-bladig. Straalbloemen 6-8, goudgeel. Wortelstok kruipend. Bladen langwerpig-lancet-vormig met naar voren gerichte tanden, de onderste gesteeld, de bovenste met breeden voet zittend. 0,80-1,50. 2).. Augs., Septr. Langs de groote rivieren, ook langs beschaduwde slootkanten .....LancetbladigK. S. saracénicus L.
41. Calendula L. Goudsbloem.
1 Bladen alle langwerpig-laneetvorniig. Buitenste vruchten lynvormig, recht, gesnaveld, de middelste bootvormig, de binnenste cirkelvormig opgerold. Bloemkroon lichtgeel. 0,10-0,20. O. JuniâOctr. Alleen bjj Maastricht gevonden op bouwland.
Akker 6. C. arvénsis L.
Onderste bladen steelachtig versmald, bjjna spatelvormig, de bovenste langwerpig tot lancetvormig. Vruchten bgna alle gekromd, bootvormig, alleen eenige der binnenste recht. Bloemkroon oranje. 0,30-0,45. 0. JuniâOctr. Sierplant uit Zuid-Europa..............TuinG. tC officinalis L.
42. Xeranthemum Trn.
1 Stengel, evenals de bladen grgs wollig-viltig. Bladen iyn-lancetvormig, stekelpuntig, gaafrandig. Omwindselbladen stekelpuntig, kaal, de buitenste bruinachtig-wit, eirond, de binnenste lichtpurper, dubbel zoo lang als de bloemen. Bloemkroon purper. 0,30-0,50, ©. Juni, Juli. Sierplant uit Zuid-Europa.
Papierbloetu. f X. annuüm L.
43. Carlina L.
1 Stengel lang, met 2 tot meer hoofdjes. Bladen langwerpig-lancetvörmig, bochtig getand, van onderen meest iets viltig. Hoofdjes vrij groot. Binnenste omwindselbladen stroogeel. Haarkroon even lang als de vrucht. 0,10-0,15. ©Q. Juliâ Septr. Algemeen, op onbebouwden zandgrond en in de duinen.
Driedistel. C. vulgaris L.
44. Centauréa L. Centaurie.
Kruiden met meestal vertakten stengel, verspreide bladen en bloem-hoofdjes, wier omwindselbladen aan den top meest droogvliezig zijn. Bloemen purper, zeldzamer geel, wit, blauw of violet, de randstandige geslachtloos, gewoonlijk stralend......1
1 Omwindselbladen doornig, stekend.........2
Omwindselbladen niet stekend...........5
3 Bloemen citroengeel. Hoofdjes minder dan 0,012 breed, zonder de stekels. Bladen langs den gevleugelden stengel afloopend. Langste stekels van het omwindsel meer dan 0,015 lang. Bladen grtfsviltig. 0,30-0,50. OO. JuliâSeptr. Bg Deventer en op Zuid-Beveland, Schouwen en in Zuid-Limburg gevonden.
Zomer C. C. solstitialis L.
Bloemen rose of purper, zelden wit.........3
3 Langste stekels van het omwindsel niet meer dan 0,007 lang. 4
477
lt;#78 Composite n.
Langste stekels van het omwindsel langer dan 0,007. Bladen niet afloopend, de onderste afgebroken vindeelig met stekelig getande slippen, gesteeld, de bovenste lijnvormig, stekel-puntig, zittend. 0,15-0,60. QO. Juli, Augs. Eenige malen dicht aan zee gevonden.
Kalketrip. Sterredistel C. C. Calcltrapa L.
4 Stekels van het omwindsel hoogstens 0,004 lang. Stengel van den voet af vertakt.
0,10-0,50. ©O» Juli, Augs. Alleen bjj Deventer gevonden.
Wjjdgetakte C. C. diffusa Lam.
Stekels van het omwindsel fijn, de grootste niet langer dan
0,002 .............Zie C. paniculó.ta.
5 Bloemen blauw of donkerviolet...........6
Bloemen niet blauw...............7
6 Bovenste en middelste bladen breed langs den stengel afloopend. Bladen enkelvou
dig, de bovenste gaafrandig. Vruehtpluis kort. Bloemen blauw of violet. 0,20-0,50. 2j-. JuniâAugs. Bg Diepenveen gevonden . Berg C. C. montana L.
Bovenste en middelste bladen niet of weinig langs den stengel afloopend. Middelste omwindselbladen met haren, die korter zijn dan de breedte der schub. Vruehtpluis even lang als of korter dan de rest der vrucht. Bloemen blauw, soms wit of roodachtig. 0,20--1,00. G en OQ. Juni, Juli. Zeer menigvuldig tusschen het koren in zandige streken.
Roggebloem. Blauwbloem. Bol. Tremske.
Korenbloem. C. C^anus L.
7 Omwindsel meer dan 0,02 breed. Omwindselbladen niet om
gebogen, met franje. Bladen diep ingesneden, met lancet-vormige'slippen. Geen bladen vlak onder de hoofdjes. Bloemen rood of rose. 0,20-1,00. 2j-. JuniâAugs. Zeldzaam, op droge, grazige gronden . . GrootbloemigeC. C. Scabiosa L. Omwindsel minder dan 0,02 breed.........8
8 Aanhangsels der middelste omwindselbladen niet behaard, doch
van franje voorzien of gaaf, breeder dan het schutblad . 9 Aanhangsel der middelste omwindselbladen behaard, zonder franje, kort driehoekig, minder dan 0,003 lang. Haren korter dan de breedte van het omwindselblad beneden .... 10
9 Aanhangsels der omwindselbladen rond, gewelfd, ongedeeld,
gescheurd of de onderste kamvormig gedeeld. Bladen lang-werpig-lancet- of lijnvormig, ongedeeld of de onderste bochtig getand tot vinspletig. Haarkroon ontbrekend. Bloemkroon lichtpurper. 0,10-0,80. 2)-. JuniâOctr. Vrij algemeen, aan wegen, dijken en in droge grasgronden.
Wambuisknoopen. Weide Knoopkruid. C. Jacéa L. Aanhangsels der omwindselbladen lancetvormig, met borstelige
Composite n. 4ï»
franje, rechtopstaand. Randbloemen meest 2-slachtig, even groot. Bladen lancetvormig. Haarkroon '/^-maal zoo lang als de vrucht. Bloemkroon lichtpurper. 0,30-0,60. H-. Juli, Augs. Algemeen, aan wegen, dijken en op ruige plaatsen. Wambuisknoopen. Zwart Knoopkruid. C. nigra L.
10 Bladen plat, zonder omgerolden rand. Omwindselbladen getand.
Zie C. C^anus.
Bladen met omgerolden rand, althans de bovenste . . . ii
11 Middelste omwindselbladen in een punt uitloopend, korter dan de haren. Slippen
der grootste bladen minder dan 0,003 breed. Bladen groen of witachtig groen. Rjjpe vrucht grjjs of zwart. Bloemen rood, soms wit. 0,20-1,00. 0 of OO-JuliâSeptr. By Deventer gevonden . . . Gevlekte C. C maculosa Lam. Middelste omwindselbladen in een punt uitloopend, die langer is dan de haren. Bladen sterk ingesneden. Hoofdje naar boven versmald. Vruchten met wit vruchtpluis. Bloemen rose, soms wit. 0,30-0,60. ©Q JuliâSeptr. By Deventer gevonden............P1 u i m C. C. paniculata Lehm.
45. Serratula L.
1 Bladen eirond, scherp gezaagd, ongedeeld of min of meer vinspletig, de onderste langgesteeld, de bovenste zittend. Hoofdjes bijna in schermvormige trossen, 2-huizig. Bloemkroon purper-lila. 0,30-1,00. 2\.. JuliâSeptr. Zeldzaam, in boschrijke, zandige streken op droge plaatsen.
Zaagblad. S. tinctória L.
46. Lappa Tm. Klis. Klit. Kladdewortel. Klarrebos. Kladdebos. Bergklit. Star taffen.
Kruiden met rechtopstaanden, vertakten stengel, groote eironde of hartvormige bladen en bloemhoofdjes, wier omwindselblaadjes haakvormig omgebogen zijn. Bloemkroon rood of wit ... 1
1 Omwindselbladen alle met haakvormige punt of alleen de
binnenste in een rechte punt versmald. Hoofdjes kaal of iets
behaard..................2
Binnenste omwindselbladen stomp of vrij stomp, met korte spits, rood, bijna stralend. Hoofdjes vrij klein, in een dichten, schermvormigen tros, wollig behaard. Bloemkroon purper. 0,60-1,20. ©Q. JuliâSeptr. Vrij algemeen, op dijken, langs wegen, op onbebouwde plaatsen.
Donzige K. L. tomentósa Lmk.
2 Hoofdjes in losse schermvormige trossen, tamelijk groot, bijna
kaal. Omwindselbladen alle groen. Stelen der onderste bladen gevuld met merg. Bloemkroon purper. 0,80-1,50.
Composite n.
O©- Juli, Augs. Vrij zeldzaam, op dezelfde plaatsen als de vorige. (L. major Gaertn.) Groote K. L. officinalis AU. Hoofdjes trosvormig of tros-pluimvormig. Binnenste omwindselbladen of alle aan den top rood. Stelen der onderste
bladen hol.................3
3 Hoofdjes vrij klein, zoo groot als hazelnoten, iets wollig. Omwindselbladen kleiner dan de bloemen. Vruchten 0,005-0,007 lang. Stengel met rechtopstaande takken. Bloemen purper. 0,50-1,00. O©. JuliâSeptr. Algemeen. Vindplaatsen als de vorige.........Kleine K. L. minor D. C.
Hoofdjes groot, byna kaal. Omwindselbladen omstreeks even lang als de bloemen. Vruchten 0,008-0,011 lang. Stengel met lange afstaande, ten slotte bijna overhangende takken. Bloemen purper. 1,00-2,50. OO- Juli, Augs. Eenmaal bjj Amsterdam gevonden........Middelste K. L. intermedia Lge.
47. Onopórdon Vaill.
i Stengel wat wollig, door de afloopende bladen breed gevleugeld, stekelig. Hoofdjes alleenstaand, rondachtig, tamelijk groot. Omwindselbladen lijn-priemvormig, de onderste verafstaand. Haarkroon roodachtig. Bloemkroon lichtpurper. 0,30-1,50. ©©. Juli, Augs. Aan wegen, dijken en ruige plaatsen, vooral menigvuldig bij zeedorpen.
Wegdistel. O. AcAnthium L.
48. Carduüs Tm. Distel.
Doornige kruiden met meestal gevleugelden stengel en purperkleurige, zeldzaam witte bloemen, wier haarkroon uit enkelvoudige, niet gevinde haren bestaat..........1
1 Hoofdjes langwerpig, bijna rolrond, talrijk, dicht opeen, de
zijdelingsche zittend. Bladen afloopend, van onderen witwol-lig, bochtig of vinspletig met eirond-driehoekige, getande, doornige slippen. Bloemkroon lichtpurper, zelden wit. 0,15-0,30. ©©. JuniâAugs. Een paar malen op ruige plaatsen
gevonden......Tengere D. C. tenuiflórus Curt.
Hoofdjes eirond of bolvormig...........2
2 Omwindselbladen boven den breeden voet iets ingesnoerd en
daar teruggebogen. Bloemhoofdjes zeer groot, tot 0,04 en meer breed, alleenstaand, knikkend, neergedrukt bolrond, aan tamelijk lange, ongevleugelde stelen. Bladen vindeelig.
480
Compo si ten.
met bijna tandvormige 3-5-spletige slippen,, aan weerszijden groen, lang en stijf gestekeld. Bloemkroon purper. 0,3CM,00. 00. Juli, Augs. Vrij algemeen, op zandgrond, langs wegen en aan dijken, ook in de duinen.
Knikkende D. C. nutans L.
Omwindselbladpn. rechtop- of boogvormig afstaand. Takken en bloemstelen meest tot aan den top stekelig gevleugeld. Bladen vinspletig tot vindeelig...........3
Stengel eu takken slechts tot het midden bebladerd, zoodat er reu iaujre bloemsteel is, wollig behaard. Kladen van onderen of aan weerszijden grijs- tot witviltig, de onderste vindeelig met doornig gewimperde en in een doorn uitloopende slippen. Stengel vertakt. Om windselbladen aanliggend of afstaand, de buitenste ook vel teruggeslagen, meest purper. 0,60-1,30. O0. Juli, Augs. Alleen bü Deventer gevonden.........Heuvel D. C. collünus W. et K.
Stengel en takken tot aan de hoofdjes bebladerd en gevleugeld, onder de meest kleine hoofdjes witviltig. Bladen en vleugels gedoomd. Omwindsel kaal of spinnewebachtig behaard. Bloemen purper...............4
Bladen aan weerszoden groen, van boven bijna kaal of van onderen kort behaard, diep vinspletig met bgna handvormige, 4-5-lobbige slippen, lang en tamelyk stijf-stekelig. Hoofdjes alleenstaand, rechtopstaand, vrij groot. Bloemkroon licht-purper, zelden wit of geel. 0,30-1,00. OO- JuniâSeptr. Vroeger by Doesburg gevonden...........VeeldoornigeD. C. acanthoides L.
Bladen van onderen min of meer viltig. Hoofdjes dicht opeen. Omwindselschubben korter dan de bloemen. Hoofdjes 2â5 bijeen of alleenstaand aan het eind der takken. Takken breed gevleugeld. Bladen bochtig vinspletig met 2- of 3-lobbige slippen en grootere eindslip, de bovenste soms slechts wat gelobd. Bloemkroon purper, zelden wit. 0,60-1,30. 00. Juli, Augs. Algemeen langs wegen, dijken, op muren enz.
4S1
Doornstekel. Gekrulde D. C. crispus L.
49. Cirsium Tm. Vederdistel.
Kruiden met meestal rechtopstaanden stengel, meest vindeelige of vinspletige, doornig getande, zelden ongetande bladen en bloemhoofdjes van purperkleurige, zelden witte of gele bloemen met trechtervormige bloemkroon. Haren der haarkroon veder-vormig......................1
1 Planten 2-huizig. Bloemkroon tot aan den voet 5-deelig. Helmdraden bijna kaal. Hoofdjes klein, in schermvormige pluimen op spinnewebachtig viltige stelen. Bladen weinig afloopend, lancetvormig, ongedeeld of bochtig vinspletig, meest gekroesd, doornig gewimperd. Wortelstok kruipend. Bloemkroon licht-Heukels, Schoolflora. 8e druk. 31
Compositen.
purper, zelden wit. 0,60--! ,20. 2|.. JuliâSeptr. Zeer algemeen, langs wegen en dijken, ook in bouwland.
Akker V. C. arvénse Scop. Planten , met tweeslachtige bloemen. Bloemkroon 5-spletig. Helmdraden behaard..............2
2 Bladen van boven ruw door kleine stekels. Hoofdjes alleen
staand ...................3
Bladen van boven kaal of behaard, maar niet stekelig . . 4-
3 Bladen afloopend, van onderen kort behaard, dus grijsviltig,
met iets omgerolden rand. Hoofdjes tamelijk groot. Omwindsel eirond, iets spinnewebachtig behaard. Bloemkroon lichtpurper. 0,60-1,20. QQ. JuniâOctr. Vrij algemeen, langs wegen, dijken en op ruige plaatsen.
Dikkop. Doorn. Putter distel. Stekel. Speer V. C. lanceolatum Scop. Bladen niet afloopend, van onderen witviltig, met sterk omgerolden rand. Hoofdjes zeer groot. Omwindsel bolrond, meest dik spinnewebachtig behaard. Bloemkroon violetpurper. 0,80-â¢1,50. ©G- JuliâSeptr. Langs wegen en dijken, op Z.-Beveland vrij algemeen.
Wollige V, C. erióphorum Scop.
4 Hoofdjes door groote, bleeke schutbladen, die langzamerhand
in de omwindselbladen overgaan, omhuld, eindeiings, dicht opeengehoopt. Bloemkroon geelachtig wit. Bladen kaal of weinig behaard, doornig gewimperd, stengelom vattend, niet afloopend, de onderste vinspletig met getande slippen. Plant bleek- of geelgroen. 0,50-1,20. i).. JuliâSeptr. Zeer zeldzaam, in vochtige weilanden en langs slooten.
Moes V. C. olerAceüm Scop. Hoofdjes niet door gewone schutbladen omgeven. Bloemkroon purper, zelden wit, nooit geel..........5
5 Stengel zeer kort (schijnbaar ontbrekend) en meest met 1 hoofdje,
zeldzamer (de var. cauléscens, alleen bij Gulpen gevonden) tot 0,25 lang en met 2â4 hoofdjes. Bladen in een wortel-roset (is de stengel verlengd, dan worden zij naar boven kleiner), op den bodem liggend, vinspletig, met eironde, meest 3-lobbige gedoomde slippen, van onderen kort behaard. 2J-. JuliâSeptr. In Limburg, op drogen, steen-
achtigen grond.......Aard V. C. acAule All.
Stengel verlengd, 0,30-1,50 lang..........6
6 Stengel van boven bladloos met 1 hoofdje. Stengelbladen wei
nige (3-5), boven den verbreeden stengelomvattenden voet
48«
Composite». 4H3
samengetrokken, ongedeeld of iets bochtig. 0,30--l,00. 1).. Juni, Juli. Vrij zeldzaam, op drassigen veengrond.
Engelsche V. C. anglicum D. C,
Stengel tot bovenaan bebladerd, evenals de bladen spinneweb-achtig behaard. Bladen afloopend, lijn-Iancetvormig, bochtig vinspletig, met 2-3-spletige slippen. Hoofdjes klein, vele bijeen, op korte wit-spinnewebachtig behaarde stelen. 0,50-1,50. QO- JuliâSeptr. Vrij algemeen, op vochtige, moerassige plaatsen, langs slooten.
Boerenrotting. Kale jonker. C. palustre Scop.
30. Cy'nara Vaill. Artisjok.
Bladen stekelig, vindeelig, van onderen grjjsviltig. Hoofdjes met eenigszins vleezigen bloembodem. Omwindselbladen eirond-lancetvormig, stekelig. Uloemkroon violetblauw. 0,70-1,50. 2|,. Juli, Augs. Gekweekt als groente.
Kaarde A.. C. Cardünculus L.
Bladen weinig stekelig. Hoofdjes veel grooter met vleezigen bloembodeiu. Orawind-selbladen eirond, aan den voet vleezig, niet of weinig stekelig. Overigens als de vorige soort. 0,70-1,50. 2^. Juli, Augs. Ook wel gekweekt.
Groente A. t C. Scólymus L.
51. Süybum Vaill.
Stengel en bladen kaal. Bladen aan den rand met gele stekels, wit gevlekt, de onderste bochtig vinspletig, de bovenste lancetvormig, stengelom vattend. Omwindsel bolrond. Bloemkroon purper. 0,70-1,50. 0. Juli, Augs. Sierplant uit Zuid-Europa. Niet zelden in het wild langs wegen, op mesthoopen en bij moestuinen . Mariadistel. S. Mariamp;num Gaertn.
52. Lampsana Tm.
Bladen hoekig getand, de onderste meestal liervormig, met zeer groote eindslip, de bovenste lancetvormig. Hoofdjes klein, armbloemig, los pluimvormig. Bloemkroon bleekgeel. 0,30-1,00. O- JuniâAugs. Zeer algemeen, langs wegen, dijken, heggen, tusschen kreupelhout en op bebouwde en onbebouwde gronden . . Basterdhazenlatww. Zwijnensla. Akkerkool.
L. communis L.
53. Arnóseris Gaertn. /
Bladen in een roset, langwerpig-spatelvormig, getand. Stengel met 1 hoofdje of met eenige 1-hoofdige takken, beneden
31'
Compositen.
bruinrood. Bloemstelen naar boven knotsvormig, hol. Bloemkroon goudgeel. 0,10-0,25. ©. Juli, Augs. Vrij algemeen, op zandig bouwland. (A. minima L.k.)
Lamkruid. A. pusllla Gaertn.
54. Cichórium Tm. Cichorei. Suikerij. Lof. Witloof.
Kruiden met rechtopstaanden, vertakten stengel en eind- en okselstandige bloemhoofdjes van gewoonlijk lichtblauwe bloemen ......................I
â 1 Onderste bladen bochtig vinspletig, de hoogere langwerpig, ongedeeld, de bovenste lancetvormig met breeden, bijna stengelomvattenden voet. Bloemkroon lichtblauw, zelden rose of wit. 0,30-1,00. 2).. Juli, Augs. Langs wegen, ophooge gronden en op dijken langs de groote rivieren. Ook gekweekt.........Gewone C. C. I'ntybus L.
Onderste bladen langwerpig, de bovenste brced-eirortd met hartvorniigen voet stengelom vattend. Bloemkroon lichtblauw. 0,50-1,50. O en O©. Juli, Augs. Gekweekt als groente............Andijvie. tC. Endivia L.
55. Thrincia Rth.
^ Bladen in een wortelroset, lijn-langwerpig, getand tot bochtig vinspletig, meest ruw behaard. Hoofdjes voor het opengaan overhangend. Bloemkroon goudgeel, de randstandige bloemkronen aan de onderzijde met een blauwgrijze streep. 0,10-0,25. 2j.. Juli, Augs. Aan wegen, op iets vochtigen zandgrond en in de duinen . . Leeuwetand. T. hirta Rth.
56. Leóntodon L. Hondsbloem.
Overblijvende kruiden met een wortelroset van bladen en gewoonlijk ónbebladerden stengel en gele bloemen........1
1 Stengel meest vertakt en 2- of meerhoofdig, bladloos. Hoofdjes altijd rechtopstaand. Stelen der hoofdjes onder de hoofdjes langzaam verdikt en beschubd. Wortelbladen bochtig getand of vinspletig, kaal of weinig behaard. Randbloemen aan de onderzijde met een rood- of bruinachtige streep. 0,15-0,45. 2J-. JuliâOctr. Zeer algemeen, langs wegen, dijken, op grazige plaatsen en in weilanden gt; Paardebloem. Late H. L. autumnalis L.
Stengel on vertakt en l-hoofdig, met 1-3 priem vormige blaadjes bezet of zonder
blaadjes. Wortelbladen langwerpig- of wig-lancetvorniig, getand tot vinspletig,
kaal of met korte haren. 0,15-0,30, 2|.. JuniâOctr. Zeer zeldzaam, alleen bij
Njjmegen en in Limburg gevonden . . . Stekelharige H. L. bispidus L.
484
Composite n.
57. Picris L.
Stijf behaard. Stengel vertakt, bebladerd. Bladen langwerpig-lancetvormig, zittend, getand, zelden gaafrandig, de middelste iets stengelomvattend. Hoofdjes in schermvormige trossen. Bloemkroon goudgeel. 0,3(M,00. 2|-. Juli, Augs. Niet zeldzaam, op zandgrond en in de duinen.
Bitterkruid. P. hieracioides L.
58. Helminthia Juss.
Plant stekelig. Bladen langwerpig of lancetvormig, gaafrandig of gegolfd-getand, de bovenste stengelomvattend. Omwindsel uit 2 kransen bestaand. Bloemkronen geel. 0,30-0,60. 0. JuniâAugs. Langs dijken en wegen aan den zeekant in Zeeland......Dubbelkelk. H. echioides Juss.
59. Tragopogon L. Boksbaard-
Tweejarige, onbehaarde kruiden met melksap, rechtopstaanden stengel, lijn- of lijn-lancetvormige, gaafrandige, halfstengelom-vattende bladen eh eenige elndelingsche bloemnoofdjes van gewoonlijk gele, soms violette bloemen..........1
Bloemstelen naar boven langzamerhand knotsvormig verdikt. Omwindselbladen 8, even lang als of langer dan de bloemen. Oppervlakte der bloeiende hoofdjes vlak. Bloemkroon violet. 0,50-1,00. 0©. Juni, Juli. Algemeen, langs wegen, dijken en op bouw- en grasland . . Salzafy. Witte Schorseneer.
Preibladige B. T. porrifólius L.
Bloemstelen even dik blijvend, alleen onder het hoofdje iets verdikt...................2
Randstandige vruchten kort zachtstekelig, bijna dubbel zoo lang als hun snavel. Om-windselblaadjes korter dan de bloemen. Hoofdjes groot, 0,05-0,07 in middellijn, zich eerst des namiddags te 2 uur sluitend. Buisjes der helrnknopjes met bruine strepen. Bloemkroon donker goudgeel. 0,30-0,60. O©. MeiâJuli. Bjj Scheve-ningen en Utrecht gevonden......OosterscheB. T. orientalis L.
Alle vruchten korrelig, de randstandige omstreeks even lang als hun snavel. Omwindsel omstreeks even lang als de bloemen. Hoofdjes kleiner, omstreeks 0,03 in middellijn, zich reeds des voormiddags te ii uur sluitend. Buis der
485
Compositen.
helmknopjes van boven donkerbruin. Bloemkroon lichtgeel. 0,50-0,80. QQ. MeiâJuli. Algemeen, langs wegen, dijken,
op bouwland.........Salzafy. Morgenster.
Beemd B. T. praténsis L.
Omwindsel bijna dubbel zoo lang als de bloemen. Hoofdjes klein. Buis der helmknopjes zwartbruin. Bladen slap, overhangend. Randstandige vruchten korrelig. Bloemkroon lichtgeel. 0,50-0,80. 0©. MeiâJuli. Vindplaatsen als de vorige.
Kleine B. T. minor Fr.
6o. Scorzonéra L.
1 Stengel naar boven vertakt, iedere tak met 1 hoofdje. Omwindsel kaal, half zoo lang als de bloemen. Omwindselbladen spits. Lint der bloemkroon iets langer dan de buis. Bloemkroon citroengeel. 0.50-1,00. JuniâSeptr. Gekweekt en verwilderd...........Schorseneer. fS. hispanica L.
61. Hypochoéris L. Biggenkruid.
Kruiden met een wortelroset van ongesteelde bladen en eindeling-sche bloemhoofdjes van gele bloemen. Stelen onder de bloem-hoofdjes verdikt, hol................1
4 Bladen kaal. Hoofdjes klein, op iets verdikte stelen. Binnenste omwindselbladen even lang als de bloemen. Randstandige vruchten zonder snavel. Bloemkroon licht goudgeel. 0,15-0,30. ©. Juli, Augs. Op zandig bouwland, tusschen het koren...........Glad B. H. glabra L.
Bladen borstelig. Hoofdjes grooter, op nauwelijks verdikte stelen. Alle omwindselbladen korter dan de bloemen. Vruchten alle gesnaveld. Bloemkroon donker goudgeel, de buitenste van onderen blauwgrijs. 0,15-0,60. 2|-. JuliâSeptr. Op open zandgrond, in grasland en aan wegen en dijken.
Langwortelig B. H. radicamp;ta L.
62. Taraxacum L.
1 Stengel met \ hoofdje, hol. Bladen in een wortelroset, bochtig-vinspletig, met schaafsgewijs ingesneden slippen, zelden getand of bijna gaafrandig. Omwindselbladen lijn-lancetvormig, de buitenste neergebogen. Vruchten lichtbruin. Snavel 2-3-maal zoo lang als de vrucht. Bloemkroon licht- of goudgeel. 0,07-0,30. 2J-. April, Mei, soms ook later weer. Zeer al-
Compositen.
gemeen, langs wegen, in weilanden en graslanden. (Leóntondon Taraxacum L.).
Hondsbloem. Honnebloem. Hondetong. Kettingbloem. Papen-stoelen. Pissebloem. Wilde cichorij. Erdschelle. Kaarsjes.
Molsla. Paardenbloem. T. officinale Wigg.
63. Chondrilla Tm.
Stengel vertakt, bebladerd. Wortelstandige bladen bochtig-vinspletig, in een roset, de bovenste lijn-lancet-tot lijnvormig. Hoofdjes klein, alleenstaand of 2 i 3 bijeen, in aren of trossen. Vruchten met 5 lancetvormige tanden. Bloemkroon geel. 0,30-1,00. 2j.. Juli, Augs. Zeldzaam, op droog, zandig bouwland en langs wegen . . Knikbloem. C. jüncea L.
64. Lactüca L. Sla. Latuw.
Sappige kruiden met melksap, rechtopstaanden, bebladerden stengel en tal van bloemhoofdjes. Wortelbladen gewoonlijk in een roset. Bloemen meest geel.................1
Stengel meest geelachtig-wit, niet hol. Bladen stijf. Bloemkroon bleek-geel. Vruchten even lang als of korter dan hun snavel...................2
Stengel groen, hol. Bladen teer. Bloemkroon licht dooiergeel. Bladen liervormig-vindeelig, met ronde, hoekig getande slippen en groote eindlob, in een gevleugelden, pijlvormig omvat-tenden steel versmald. Pluim met afstaande takken, los. Bloemen 5. Vrucht zwartbruin, 2- k 3-maal zoo lang als de snavel. 0,60-0,80. 2J-. Juli, Augs. Vrij algemeen, op muren en belommerde plaatsen, op hooge zandgronden. (Phoenfxopus muralis Koch.)......Muur S. L. murAlis Bess.
Bladen langwerpig tot omgekeerd-eirond, meest vinspletig . 3
Bladen lijnvormig, gaafrandig, vertikaal staand, diep pijlvormig stengelom vattend, de onderste vinspletig. Pluim smal, vaak trosvormig. Vruchten bruin, half zoo lang als hun snavel, aan den top kort borstelig. 0,30-0,60. O©. Juli, Augs. Zeldzaam, aan dijken. . Wilgbladige S. L. saligna L.
Bladen meest horizontaal afstaand, getand, hart-pglvormig stengelom vattend. Pluim met rechtopstaande takken. Vruchten bruin, even lang als of korter dan de snavel. 0,60-1,00. ©. JuniâAugs. Overal gekweekt, soms verwilderd.
Tuin S. t L. sativa L#
Bladen bijna vertikaal staand (een zijrand naar boven, de andere naar beneden gericht), pijlvormig stengelomvattend,
tSJ
Co ra po si ten.
de onderste meest bochtig vinspletig, de bovenste lancet-vormig. Pluim pyramidaal, met eerst knikkende takjes. Vruchten bruingrijs, smal gerand, aan den top kort borstelig' 0,60-1,20. O0. JuliâOctr. Zeer zeldzaam, aan wegen en ruigten op droge, zonnige plaatsen.
Wilde Latuw. Wilde S. L. Scariola L.
65. Sónchus L. Melkdistel.
Kruiden met melksap, rechtopstaanden, meest vertakten stengel, van onderen blauwachtig groene bladen en gele bloemhoofdjes. l
-1 Omwindsel meestal kaal, vaak met witte vlokken , zelden met eenige klieren. Stengel meest vertakt. Takken scherm-pluimvormig. Planten eenjarig ..........2
Omwindsel dicht klierachtig behaard, zelden kaal. Stengel meest niet vertakt, aan den top met 1 hoofdje of scherm-pluimvormig. Planten overblijvend........3
3 Bladen groot, zacht, stekelig getand, vaak bochtig of vinspletig, met pijlvormigen voet. Vruchten fijn dwars gerimpeld. Bloemkroon lichtgeel. 0,30-1,00. ©.JuniâOctr. Algemeen, op bouwland, in moestuinen en langs wegen.
Hazelatuw. Hazedistel. Ganzedistel. Roggedistel. Doorndistel.
Zeugdistel. Zeufdissel. Motdissel. Mellewijt. Witte dissel.
Motijzel. Moes M. S. olerAceüs L.
Ãladen iets blauwgroen, stijver, met stekeliger tanden, met hartvormigen voet. Vruchten glad. Bloemkroon geel. 0,30-0,60. O- JuniâOctr. Algemeen, op bouwland, langs wegen en dijken. Volksnamen als de vorige.
Ruige M. S. ^sper AU.
3 Bladen met hartvormigen voet en afgeronde, aangedrukte oortjes. Schermvormige tros los, met weinig hoofdjes, evenals de omwindsels geelachtig klierachtig behaard, zelden kaal. Hoofdjes omstreeks 0,05 in middellijn. Vruchten boven versmald, bruin. Bloemkroon goudgeel. 0,50-1,50. 2J.. Juliâ Octr. Algemeen, op bouw- en weiland.
Zeugdistel. Zeugijzel. Zoogdistel. Akker M. S. arvénsis L.
Bladen met pijlvormigen voet en toegespitste, afstaande oortjes. Schermvormige trossen dicht, veelhoofdig, evenals de omwindsels met zwarte klierharen. Hoofdjes omstreeks 0,03 in middellijn. Vruchten geel. Bloemkroon licht-goudgeel. 1,00-1,75. JuliâSeptr. Algemeen, in moerassen, tusschen het riet........Moeras M. S. palüstris L.
Composite n. 4S9
66. Mulgédium Cass.
1 Wortelstok kruipend. Stengel rechtopstaand, boven stljfhehaard. Wortel- en onderste stengelbladen tlervormig vindeelig met meest 1 paar driehoekige zyslippen en een zeer groote bartvormig-eironde eindslip. Bloemhoofdjes blauw in een glè tuil, op die van Cichorium Intybus gelykcnd. 0,60-1,80. SJ.. Juli, Augs. Uit Caucasië en Armenië. Sierplant en hy Bloemendaal verwilderd gevonden.
Alpensla. M. macrophy'Uum D. C.
67. Barkhaüsia Mnch. Barkhausia.
1 Hoofdjes vóór het opengaan knikkend. Bloemkroon citroen
geel , de randstandige van buiten purper gestreept. Stengel' behaard. Bladen zacht behaard, vinspletig, de bovenste lan-cetvormig met diep ingesneden voet. Buitenste omwindselbladen van buiten grijs, kortharig. Binnenste vruchten met hun snavel iets langer dan de omwindselbladen. 0,15-0,30. ©. JuniâAugs. Zeldzaam, op onbebouwde, droge plaatsen. (Crepis foetida L.) . . . Stinkende B. B. foétida D. C. Hoofdjes voor het opengaan rechtopstaand.......2
2 Bloemstelen eu omwindsel met stjjve borstels bezet, proen. Ilaarkroon weinig boven
het omwindsel uitstekend. Bloembodem kaal. Bloemen citroengeel. 0,20-0,50. ©. .JuniâAugs. Alleen bg Apeldoorn gevonden.
Borstelige B. B. setósa Hall.
Bloemstelen en omwindsel bijna kaal of kort behaard. Haar-
kroon ver boven het omwindsel uitstekend. Bloembodem
behaard. Bloemen citroengeel, de buitenste van onderen
purper aangeloopen. 0,30 0,80. ©Q. Mei, Juni. Zeldzaam
op gras- en bouwgrond en aan dijken.
Paardebloem B. B. taraxicifólia D. C.
68. Crépis L. Streepzaad.
Kruiden met meestal vertakten stengel, waaraan de wortelbladen in een roset staan. Bloemen geel, zelden rood.....1
â 1 Planten 1- of 2-jarig. Kelkzoom sneeuwwit, buigzaam . . 2 Planten overblijvend. Vruchten iO-ribbig. Wortelstok bruin of zwartachtig. Bladen kaal, de bovenste eirond-lancetvormig met hartvormigen voet stengelomvattend, getand, aan den top gaafrandig, lang toegespitst, de onderste langwerpig, vinspletig, aan den voet versmald. Haarkroon geelwit, van onderen bruinachtig, bros. Omwindselbladen met zwarte klierharen, zelden kaal. Bloemkroon geel. 0,40-0,80. 2|.. JuniâAugs. Vrij zeldzaam, op vochtige plaatsen, aan waterkanten .......Moeras S. C paludósa Mnch.
Composite n.
2 Buitenste omwindselblaadjes min of meer afstaand, de binnen
ste van binnen grijsviltig...............3
Buitenste omwindselbladen aanliggend. Vrucht lO-ribbig. Stengelbladen met pijlvormigen voet stengelomvattend, vlak, meest tamelijk kaal, getand tot vinspletig, met naar beneden gerichte oortjes. Omwindselbladen van buiten iets grijsviltig» van binnen kaal. Bloemkroon lichtgeel. Stengel beneden vaak rood. 0,30-1,00. 0. JuniâOctr. Algemeen aan dijken, langs wegen, in heggen . . . Groen S. C. virens Vill.
3 Stengelbladen met kort geoord-getanden (pijlvormigen) voet
iets stengelomvattend, bijna kaal, vlak, meest aan den voet vinspletig, de bovenste lancet- of lijnvormig, ongedeeld. Vrucht 13-ribbig. Bloemkroon goudgeel. Stengel beneden vaak rood. 0,60-1,20. GO- JuniâAugs. Algemeen, op bouw- en weiland en langs wegen tusschen het gras.
Tweejarig S. C. biénnts L. Stengelbladen met pijlvormigen voet stengelomvattend, kort behaard, meest ongedeeld, lijnvormig, met omgerolden rand en meest naar boven gerichte oortjes Vrucht 10-ribbig. Bloemkroon lichtgeel. 0,15-0,60. 0. MeiâOctr. Vrij algemeen, op zandig bouwland en muren.
Daken S. C. tectórum L.
69. Hieracium Trn. Havikskruid.quot;).
Kruiden, die veel gelijken op die van het geslacht Crepis, maar er zich o. a. van onderscheiden, doordat het vruchtplu is uit brosse, vuilwitte haren bestaat............1
4 Vruchtjes klein (0,0015-0,0025 lang), aan den bovenrand iets
getand, met 10 ribben en een rij van even lange vrucht-pluisharen, soms met enkele kortere er bij. Stengel en bladen borstelig behaard. Bladen ongedeeld, langzaam in den steel versmald, nooit met hartvormigen of afgeronden voet, gaafrandig of iets getand, nooit scherp getand. Wortelstok meestal met bebladerde uitloopers......2
4»«
Vruchtjes 0,0025-0,0045 lang, niet getand, met 10-13 ribben en vruchtpluisharen, die niet gelijk in lengte zijn. Bladen vaak getand of gedeeld, niet zelden aan den voet afgerond of hartvormig. Wortelstok zonder uitloopers.....5
*) Bg het determineeren der Hieracinoi-goorten is het noodig, ook den wortelstok uit te trekken, daar meo moet weten of de plant uitloopers heeft, en om tevens rjjpe vruchtjes te verzamelen.
Com positen.
2 Stengel met een hoofdje. Bloemen van onderen meest rood
gestreept. Bladen lancetvormig of wigvormig, gaafrandig, van boven grasgroen, van onderen witviltig, evenals de stengel en de omwindselbladen. Omwindselbladen 0,001-0,002 breed, spits. Omwindsel klierachtig, nooit zijdeachtig behaard. Bloemkroon lichtgeel. 0,05-0,30. 2).. Mei, Juni (âOctr.). Algemeen, op open en grazigen zandgrond.
Muizenoor. Langharig H. H. Pilosélta L. Stengel gaffelvormig gedeeld of naar boven vertakt, met weinig of veel hoofdjes (soms slechts 1 , maar dan zitten er in de oksels van 1 of meer schutbladen eenige onontwikkelde). 3
3 Bloemen donkeroranje tot schartakenrood. Stgl bruin. Hoofdjes 3-10, vry groot,
in een losse, scheriuvonuige pluim. Stelen der lioofdjes en top van den stengel met zware klierharen bezet. Omwindsel zwartgroen, ruw heliaard. Bladen eirond-iangwerpig of langwerpig-lancetvormig, gaafrandig, evenals de stengel ruw behaard. 0,3(M),45. ^ Juni, Juli. In tuinen gekweekt en een enkele maal verwilderd..........Oranj erood H. t H. aurantfacum L.
Bloemen en stijl geel..............4
4 Stengel meest niet gedeeld, zelden gaffelvormig gedeeld, met
2-7 (meest 2-5) hoofdjes. Hoofdjes meest langgesteeld. Wortelstok met uitloopers. Bladen blauwachtig groen, lancetwig- of spatelvormig, meest gaafrandig. Stengel wat borstelig, naakt of 1- bladig, slank en dun. Omwindsel klierachtig behaard. Bloemkroon citroengeel. 0,10-0,30. 2J.. JuniâSeptr. Vrij zeldzaam, op drogen zand- en heidegrond.
Spits H. H. Auricula L. Stengel met veel (10-100) hoofdjes. Hoofdjes kort- en langgesteeld, meest schermachtig bijeengevoegd. Wortelstok met of zonder uitloopers. Bladen langwerpig-lancetvormig, meest gaafrandig, aan weerskanten borstelig. Stengel beneden meest 3-bladig, boven, evenals de stelen der hoofdjes en de omwindsels, met zwarte klier- en borstelharen bezet.0,30-1,00. 2).. Mei, Juni. Zeldzaam, op drogen grasgrond.
Weide H. H. praténse Tausch.
5 Wortelbladen tijdens den bloeitijd niet meer voorhanden, daar
entegen draagt de stengel vele bladen, die soms aan het onderste deel dicht opeen staan en niet met wortelbladen verward moeten worden..............6
Wortelbladen tijdens den bloeitijd bijna altijd voorhanden en groen. Stengelbladen ontbrekend of aanwezig .... 11
6 Tanden der lintbloenten van buiten met kortgelede haren bezet. Stengelbladen sten
gelom vattend, langwerpig of lancetvormig, spits, van boven grasgroen, van onderen vaak purperachtig, behaard of ruw. Stengel stgf, dicht bebladerd, boven, evenals de stelen der hoofdjes en de omwindsels, dicht met zwarte klierharen bezet. Vruchtjes donkerrood-bruin. 0,80-0,50. 2|.. Juli, Augs. Een enkele maal gevonden bg Utrecht op grazigen grond . . Recht H. H strictum Fr.
Compositen.
Tanden der lintbloemen kaal. De bovenste bladen zittend, zelden stengelomvattend. Meest laatbloeiende soorten . . 7
7 Buitenste omwindselbladen aan den top omgeslagen. Omwind
sel zwartachtig, kaal. Bladen lancet- tot lijnvormig, getand, de onderste kortgesteeld, de andere zittend. Bloemkroon goudgeel. 0,30-1,00. 2J.. Juli, Augs. Algemeen, op open en grazigen zandgrond, in de duinen en in de heide.
Schermd ragend H. H. umbellamp;tum L.
Omwindselbladen aangedrukt of de buitenste los rechtopstaand of aan den top afstaand............8
8 Bovenste stengelbladen min of meer stengelomvattend of met
breeden voet zittend, de onderste gesteeld of in den bladsteel versmald, soms ook zittend. Omwindsel donker- of zwartachtig groen. Stelen der hoofdjes grijsviltig met lijnvormige schutblaadjes. Stengel met veel bladen. Bladen van boven donkergroen, van onderen bleek- of blauwgroen. 0,30-1,60. 2J.. Augs.âOctr. Zeldzaam, op muren en tusschen houtgewas. (H. sylvéstre Tausch.)
Noorsch H. H. boreêile Fr.
Bovenste stengelbladen met min of meer versmalden voet zittend ....................9
9 Omwindselbladen smal-lijnvormig, spits.......10
Omwindsel bladen (althans de buitenste) met breeden voet, zwartachtig groen, bij het drogen zwart wordend. Bladen zittend, toegespitst. Omwindselbladen breed, stomp. Stengel hard, houtig. 0,30-1,00. 2J.. Juli, Augs. Vrij algemeen, op droge gronden, tusschen hakhout. Stijf H. H. rigidum Hartm.
10 De binnenste omwindselbladen groen met bleeken rand, ge
droogd niet zwart wordend. Stengel slank, hol. Onderste bladen gesteeld, langwerpig, de andere zittend, lancetvormig, aan weerszijden met groote tanden. 0,60-1,20. 2j.. Juniâ Augs. Vrij algemeen, in boschachtige streken, op beschaduwde plaatsen, aan wallen.
Drietandig H. H. tridentdtum Fr.
Stengel niet vertakt, sterk bebiaderd Bladen lancetvormig, getand, de onderste in een korten steel versmald, de bovenste zittend. Overigens als de vorige. Een enkele maal gevonden bg 's-Hertugenboscb, in bosschen.
Groenachtig H. H. viréscens Sond.
11 Groefjes van den bloembodem en de lintvormige bloemen,
althans aan den top gewimperd. Stelen der hoofdjes en de omwindseltjes min of meer klierachtig behaard . . . . 12
Groefjes van den bloembodem ongewimperd, soms getand . 13
12 Haren der bladen niet klierdragend. Geheele plant blauwgroen.
â #»»
Com posi ten.
Stijl geel. Wortelbladen spatel-lancetvormig, meest gaaf-randig. Stengelbladen halfstengelomvattend, lancetvormig. Stengel met 1-5 hoofdjes. 0,30 0,60. 2^. Zeldzaam, op muren. Uit de Alpen. Cerintheachtig H. H. cerintholdes Fr. Haren der bladen, althans ten deele , klierdragend. Plant groen. Stijl bruinachtig. Wortelbladen langwerpig, grof getand. 0,30-0,45. Juli. 2J.. Zeer zeldzaam, op muren. Uit de Alpen.
St en gel om vat tend H. H. amplexitóule L.
13 Stengel onbebladerd of met quot;1-2 kleine blaadjes. Omwindselbladen
toegespitst, soms borstelig, spits .........14
Stengel 8-meerbladig. Omwindsel spits, lancetvormig, evenals de stelen der hoofdjes met zwarte borstels en bijna altijd met klierharen bezet. Wortelbladen meest langgesteeld, 1-3, tijdens den bloeitijd vaak reeds droog. Stengelbladen ge-steeld, de bovenste bijna zittend, alle lancetvormig of ei-langwerpig met naar voren gerichte tanden. 0,30-1,00. 2|-. Juni, Juli. Vrij algemeen, in boschachtige streken. (H. syl-vaticum Lmk.)......Bosch H. H. vulgatüm Fr.
14jOmwindsel en stelen der hoofdjes min of meer klierachtig behaard. Omwindselbladen dofgroen, lancetvormig. Stijl bruin. Bladen bleekgroen. Wortelbladen meest ei-hartvormig. 0,30-0,80. 2J-. JuniâAugs. Zeldzaam, op muren en droge
gronden.........M u u r H. H. murdrum L.
Omwindsel zonder klierharen. Bladen blauwgroen. Stengel met weinig bladen. Wortelbladen eirond of lancetvormig. Stijl geel-bruinachtig. 0,30-0,45. 2f. Juni, Juli. Vrij algemeen, in boschachtige streken.
Blauwgroen H. H. caésium Fr.
403
KORTE VERKLARING der Toornaamste botanische kunsttermen.
Aar, een bloeiwijze met verlengde spil en zittende of zeer kort-gesteelde bloemen.
Aartjes, een of meer bloemen bij de grassen, die aan een ge-meenschappelijken steel zitten en door gemeenschappelijke kafjes omsloten worden.
Aderen, de fijnere vertakkingen der bladnerven (het best te zien door de bladeren tegen het licht te houden).
Afgebroken gevind, zie gevind.
Afgeknot, aan den top dwars afgesneden.
Afgestompt, aan den top afgerond.
Afloopend, bladen, wier bladmoes zich langs den stengel (soms tot het volgende blad) voortzet.
Afstaand, met de as een hoek van 40° S. 50° vormend.
As, de stengel en diens takken (nevenassen) met betrekking tot de daaraan bevestigde bladen en bloemen.
Berijpt, met een fijn, meest blauwachtig waas bedekt, zooals b.v. de pruimen.
Bes, een geheel vleezige of sappige vrucht.
Beursje, een zakje, waarin de hechtkliertjes der stuifmeelklompjes der Orchideeën besloten zitten.
Blaadjes, de afzonderlijke bladen van een samengesteld blad.
Bladhoek, zie bladoksel.
Bladoksel, de hoek, dien het blad met de as maakt, waaraan het bevestigd is.
Bladokselstandig, zie okselstandig.
Bladscheede, de den stengel scheedevormig omsluitende, niet zelden blaasachtig of buikig opgezwollen bladsteel of bladvoet.
Bladschijf = bladvlakte.
Blad vlakte, het meest in de vlakte uitgespreide deel van het blad.
Bloeiwijze, de stand der bloemen aan een gemeenschappelijke as, die slechts bloemen en geen of slechts kleine schutbladen draagt.
Bloembekleedsels, de bladachtige deelen der bloem, welke de meeldraden en stampers omgeven. Zij vormen of een dubbel omkleedsel, als er 2 in vorm en kleur verschillende blad-
Verklaring van botanische kunsttermen.
kransen te onderscheiden zijn, waarvan de buitenste, meest kleinere en groen gekleurde, de kelk, de binnenste, meest grootere en niet groene, de bloemkroon heet, óf een enkel, dat dan meestal bloemdek heet.
Bloembodem, het verbreede, de verschillende deelen der bloem dragende eind van den bloemsteel.
Bloemdek, zie bloembekleedsels.
Blo ei kolf en bloemkol f, een aarvormige bloeiwijze met verdikte, vleezige spil.
Bloemkroon, zie bloembekleedsels.
Bochtig, aan den rand met stompe, afgeronde insnijdingen en even zulke uitsteeksels, b.v. het blad van den eik.
Bovenstandig, de bloembekleedsels, als zij aan den top van het vruchtbeginsel staan, b.v. sneeuwklokje, fuchsia; het vruchtbeginsel , als het boven de bloembekleedsels staat (met den kelk is vergroeid).
Bijscherm, een bloeiwijze, wier hoofdas en zijassen ieder met een bloem eindigen en zich in 2 of meer zijassen verdeelen. Door de sterkere ontwikkeling der buitenste takken komen de bloemen vaak op gelijke hoogte te staan en lijkt het bijscherm veel op een scherm.
Centraal, in het middelpunt staand.
Cylindrisch, op de doorsnede cirkelrond.
Dakpansgewijze, als dakpannen over elkaar liggend, zoodat de rand der binnenste door de toppen der buitenste bladen bedekt wordt.
Dekvliesje, het teere, meest witte vliesje, dat bij vele varens de vruchthoopjes, althans in de jeugd, bedekt.
Doorgroeid, een blad, waardoor de stengel heengaat.
Doosvrucht, iedere droge, openspringende vrucht.
Drietallig, drie bijeenstaand, b.v. de bladen der klaver.
Dubbel gevind, zie gevind.
Eenhuizig, mannelijke en vrouwelijke bloemen gescheiden, maar op dezelfde plant voorkomend.
Eenslachtig, bloemen, die alleen meeldraden of alleen stampers bevatten.
Eivormig, eirond, in het bovenste deel smaller dan in het onderste en hoogstens dubbel zoo lang als breed.
Elliptisch, in het midden het breedst, omstreeks dubbel zoo lang als breed en naar boven en beneden gelijkmatig afgerond.
Even gevind, zie gevind.
49S
'S90 /Verklaring van botanische kunsttermen.
Franjeachtig, een blad, dat aan den rand in veel smalle
â slippen uitloopt.
.Gaafrandig, zonder insnijdingen in den rand.
Gebaard, met een bosje haren voorzien.
^Gedeeld (in engeren zin), door insnijdingen, die bijna tot den voet reiken, in afdeelingen verdeeld.
Gegroefd, van evenwijdig loopende groeven voorzien.
Gekarteld, aan den rand met kleine, spitse insnijdingen en afgeronde uitsteeksels.
Gekield, van een kiel (zie aldaar) voorzien.
G eik leur d, wat niet groen is.
Geleed, door insnoeringen of knoopen in leden verdeeld.
Gelobd, door diepe insnijdingen, die echter niet tot het midden gaan (vergelijk «gespletenquot;), in afdeelingen (lobben) verdeeld.
Gemaskerd, een tweelippige bloemkroon, waarvan de keel door een verwijding der onderlip (het gehemelte) gesloten is.
Genageld, een bloemblad, als plotseling het vlakke deel van het bloemblad (de plaat) in een steelachtigen voet (de nagel) overgaat.
Geoord, aan weerszijden met korte, afgeronde, horizontaal afstaande lobbetjes of aanhangels voorzien.
Gesnaveld, met een snavel (zie aldaar) voorzien.
Gespleten, door insnijdingen, die omstreeks tot het midden gaan, in afdeelingen verdeeld.
Gespoord, met een spoor (zie aldaar) voorzien.
Getand, met stompe insnijdingen en spitse uitsteeksels.
Gevind, een blad, dat aan iedere zijde van den bladsteel 2 of meer blaadjes draagt (blaadjes Ie orde) b.v. het blad der roos; dubbel gevind, als de blaadjes weer gevind zijn, de zoo ontstane blaadjes heeten blaadjes 2e orde, oneven gevind, als zich aan den top van den gemeenschappelijken bladsteel een eindblandje bevindt, b.v. roos, even gevind, als zich aan den top van den gemeenschappelijken bladsteel geen eind-blaadje bevindt, b. v. erwt; afgebroken gevind, als de blaadjes afwisselend kleiner zijn, b.v. aardappel.
Gevleugeld, met een vliezige of bladachtige uitstekende lijst (vleugel) voorzien, zooals die aan den stengel of aan den rand van vruchten gevonden wordt.
Gewimperd, aan den rand met afstaande haren bezet.
Gezaagd, aan den rand met kleine, spitse insnijdingen en spitse uitsteeksels.
Glad, zonder oneffenheden, groeven, enz.
Verklaring van botanische kunsttermen.
Grijnzend, diep tweelippig, met open keel.
Halfonderstandig, een vruchtbeginsel, als het ten deele met den kelk vergroeid is, ten deele er boven uitsteekt.
Handnervig, een blad, waarbij de hoofdnerven van het eind van den bladsteel straalvormig uitgaan en de daarvan uitgaande aderen tot een onregelmatig netwerk verbonden zijn.
Handvormig samengesteld, een blad, dat aan den top van den bladsteel 3 of meer straalvormig gerangschikte blaadjes draagt, b.v. wilde kastanje.
Hartvormig, aan den voet meteen diepe insnijding en afgeronde lobben (op harten-aas gelijkend).
Hauw, hauwtje, een door een scheiwand 2-hokkige, van den voet naar den top met 2 kleppen openspringende vrucht, waarbij de zaden aan de randen van den scheiwand bevestigd zijn. De hauw is meer dan 2-maal zoo lang als breed, het hauwtje hoogstens 2-maal zoo lang als breed.
Hechtkliertjes, de onderste deelen der stuifmeelklompjes der Orchideeën, die kleverig zijn.
Helmbindsel, het deel van den meeldraad, dat de beide stuif-meelhokjes verbindt.
Helmdraad, zie meeldraden.
Helmknopje, zie meeldraden.
Hoofdje, een bloeiwijze met verkorte spil en zittende of kortge-steelde bloemen.
Ingesneden, met diepe, smalle insnijdingen.
Kaal, onbehaard.
Kafjes, schubachtige, meest kielvormige blaadjes, die bij de Gramineeën en Cyperaceeën de bloemen omgeven. Men onderscheidt a) kroonkafjes, die de afzonderlijke bloemen omgeven en b) kelkkafjes, die aan den voet van een aartje staan.
Kafnaald, een borstelvormige verlenging van de middelnerf.
Kafschubben, teere, vliezige, lancetvormige tot haarfijne, meest bruinachtig gekleurde deelen der opperhuid van de bladen (vooral aan de bladstelen) der varens.
Kamvormig, met zeer smalle, dicht opeenstaande slippen.
Katje, een aarachtige, met onvolledige, eenslachtige bloemen dicht bezette bloeiwijze.
Keel, de plaats van overgang van den zoom in de buis bij een vergroeidbladige bloemkroon.
Kegelvormig, met breed cirkelvormig grondvlak, langzamerhand spits toeloopend.
Kelk, zie bloembekleedsels.
heukels, Schoolflora. 8e druk. 32
j»r
Verklaring van botanischë kunsttermen.
Kelkbuis, het onderste deel van den kelk, tot zoover de bladen vergroeid zijn.
iCelkkafjes, zie kafjes.
Kiel, a. een vooruitspringende lijst, b. de twee onderste bootvor-mig samenkomende, meest vergroeide bloemkroonbladen eener vlinderbloem.
Kiem, de in het rijpe zaad ingesloten aanleg tot een nieuwe plant.
Kiembladen, de eerste bladen eener plant, die reeds in het zaad aanwezig zijn.
Kleppen, de van elkaar loslatende en de zaden blootleggende stukken eener doosvrucht.
Klierhaar, een haar met een droppeltje vocht aan den top.
Klimmend, opklimmend, zonder zich te winden.
Kluwen, een meest zijstandige ophooping van zittende en kort-gesteelde bloemen.
Knikkend, boogvormig overhangend.
Knollen, vleezige, verdikte, onderaardsche stengeldeelen, b. v. aardappel.
Krans, een bloeiwijze, die uit 3 tot meer zittende of kortgesteelde bloemen bestaat, die op gelijke hoogte rondom den stengel staan.
Kransstandig, 3 of meer bijeen, op gelijke hoogte om den stengel of tak geplaatst, b. v. de takken van den den.
Kroes vormig, van onderen buikig verwijd, van boven vernauwd.
Kroonkafjes, zie kafjes.
Kruid, een plant met niet-houtigen stengel.
Kruipend, een stengel op den bodem liggend en wortelend.
Lancetvormig, vier tot meermalen zoo lang als breed en aan beide einden versmald.
Langwerpig, drie- tot viermaal zoo lang als breed.
Liervormig, een vindeelig of vinspletig blad met groote eindlob.
Liggend, een stengel op den bodem neerliggend, maar niet wortelend.
Lip pig, vooral tweelippig, een vergroeidbladig bloembekleed-sel (bloemkroon of kelk), dat door 2 diepe insnijdingen in te-genoveïstaande slippen, boven- en onderlip gedeeld is. Bij de Orchideeën verstaat men door onderlip of lip het in grootte en vorm van de overige bladen van het bloemdekafwijkende, vaak gespoorde bloemdekblad.
Losbladig, een bloembekleedsel, dat uit van elkaar gescheiden blaadjes bestaat.
Lijnvormig, met bijna evenwijdig loopende randen.
Mannelijk, een bloem, die alleen meeldraden bevat.
Verklaring van botanische k unsttermen. 499
Meeldraden, de zich in de bloem bevindende, in den regel uit een draadvormig deel, de helmdraad, en een daaraan bevestigd, in 2 helften gescheiden knopje, het helmknopje, bestaande organen.
Meeldraadbloemen, bloemen alleen met meeldraden.
N a g e 1, het onderste steelachtig versmalde deel van vele bloembladen.
Nerven, de sterkere vaatbundels, die door de bladvlakte loopen en van onderen vaak als verheven lijsten te voorschijn treden. De steeds als een onmiddellijke voortzetting van den bladsteel verschijnende, de bladschijf in 2 helften verdeelende nerf heet middelnerf, die van deze onder bepaalde hoeken uitgaande nerven, zij nerven.
Netvormig geaderd, een blad, wairin de intredende nerven onder een hoek zijnerven uitzenden, die zich in fijnere, net-achtig verbonden aderen vertakken. Tot deze behooren de meeste hand- en vinnérvige, alsook de schildnervige bladen.
Niervormig, aan den voet met stompe insnijdingen en 2 afgeronde slippen en meer breed dan lang.
Nootje, een eenzadige vrucht, met houtigen of lederachtigen, niet openspringenden wand.
Okselstandig, in den hoek staand, dien een blad met den stengel of tak, waaraan het zich bevindt, maakt.
Omgekeerd eivormig, omgekeerd hartvormig, als bij eivormige of hartvormige bladen het breedere deel naar boven in plaats van naar beneden gekeerd is.
Omwindsel, een krans van schutblaadjes van denzelfden vorm onder een bloem of bloeiwijze.
Om windseltje, het omwindsel van het schermpje bij het samengestelde scherm.
Onderstandig, het vruchtbeginsel, als dit onder de bloem staat, d. i. als het onderste deel van het bloembekleedsel (kelk, bloemkroon, bloemdek) er zoo mede is vergroeid, dat het schijnt, alsof die deelen boven op het vruchtbeginsel zitten, zoo b.v. bij het sneeuwklokje, de fuchsia.
Oneven gevind, zie gevind.
Ongedeeld, zonder diepe insnijdingen of afdeelingen (daarbij kan echter de rand gezaagd, gekarteld, getand, enz. zijn).
Onregelmatig, uit ongelijke deelen of afdeelingen bestaand.
Onvruchtbaar, een bloem alleen met meeldraden.
Oortjes, zie geoord.
Opstijgend, eerst op den grond liggend, maar zich aan het eind in een boog verheffend.
32'
Son Verklaring van botanische kunstterirnen.
Parallelnervig, öf met verscheiden onvertakte, tamelijk evenwijdige nerven öf met een hoofdnerf met daaruit ontspringende zijnerven, terwijl de andere, welke daarvan uitgaan, evenwijdig aan elkaar loopen en geen onregelmatig netwerk vormen.
Peul, een eenhokkige, met 2 kleppen openspringende doosvrucht met een rij zaden, b.v. erwt.
Plaat, het vlakke, breedere deel van een bloemkroonblad.
Pluim, een bloeiwijze met verlengde hoofdas en vertakte zijassen, wier vertakking naar boven afneemt, zoodat de bloeiwijze een pyramidalen vorm heeft.
Priemvormig, van den voet naar den top langzamerhand smaller wordend, als een priem.
Pijlvormig, aan den voet met naar beneden gerichte spitse lobben (als een pijl).
Radvormig, een vergroeidbladige bloemkroon met korte buis.
Regelmatig, uit gelijke deelen of afdeelingen bestaand.
Rib, iedere verheven, meest door vaatbundels gevormde lijst of lijn.
Roset, een ophooping van bladen aan den voet van den stengel.
Ruitvormig, den vorm van een ruit hebbende.
Schaafsgewijs ingesneden, een vinspletig blad, met naar den bladvoet gerichte slippen.
S c h e e d e, zie bladscheede.
Scherm, een bloeiwijze, waarbij de gesteelde bloemen straalvormig, schijnbaar uit een punt ontspringen en meest op gelijke hoogte staan. Het scherm heet enkelvoudig, als iedere bloemsteel slechts één bloem draagt (Primula), samengesteld, als iedere bloemsteel weer een schermpje draagt, zooals bij de meeste schermbloemigen.
Schermpje, de onderdeden der bloeiwijze van het samengestelde scherm.
Schild vormig, een rond vlak, waaraan in het midden de bladsteel is vastgehecht.
Schutblad, een aan den bloemsteel zittend, meest min of meer gekleurd, vliezig of schubvormig blaadje.
Schijnaar, iedere op het eerste gezicht op een aar gelijkende bloeiwijze.
Slippen, de deelen van een ingesneden orgaan.
Snavel, een aan den top der vrucht zich bevindend, meest door den stijl gevormd, uitsteeksel, dat geen zaden bevat.
Spatelvormig, aan den top cirkelvormig afgerond, naar den voet lang versmald (bijna den vorm van een lepel hebbende).
Speer, een trosachtige bloeiwijze bij de Juncaceeën en Cypera-
Verklaring van botanische kunsttermen. SOI
ceeën, waarbij de onderste of buitenste takken boven de bovenste en middelste uitsteken.
Spies, een pluim met dicht opeengedrongen bloemen en kortere bloemstelen en van een eivormige gedaante.
Spiesvormig, aan den voet met spitse, horizontaal afstaande lobben.
Splitvrucht, een droge, in gesloten blijvende deelen uiteenvallende vrucht.
Spoor, een meest hol, kegel- of draadvormig uitsteeksel aan den voet der bloemdeelen.
Sporevruchten, kapsels gevuld met sporen.
Stamper, het in het midden der bloem zich bevindend, na den bloeitijd tot vrucht uitgroeiende orgaan, in den regel uit vruch t-beginsel, stijl en stempel bestaand.
Stamperbioemen, bloemen die alleen stampers bevatten.
Steenvrucht, iedere sappige vrucht met steenkern.
Stekelpunt, met een fijne punt voorzien.
Stempel, het meest kleverige en verdikte, tot opneming van het stuifmeel dienende eind van den stijl.
Stengelomvattend, met den voet den stengel omgevend.
Sterharen, stervormig verlakte haren.
Stervormig â radvormig.
Steunblaadjes, l-'i kleine, aan den voet van den bladsteel zittende, bladachtige aanhangsels.
Stralend, aan den rand eener bloeiwijze staande, door hunne grootte afwijkende bloemkronen.
S t ij 1, het meest steel- of draadvormige deel van den stamper, dat den stempel draagt.
Tegenoverstaand, op gelijke hoogte tegenover elkaar staand.
Toegespitst, bijna plotseling in een lange spits uitloopend.
Tongetje, een vliezig deel op de grens van bladscheede en bladvlakte.
Tongvormig, vlak en breed, als een tong gevormd.
Trompetvormig, een vergroeidbladige bioemkroon met lange buis en uitgespreiden, vlakken zoom.
Tros, een bloeiwijze met verlengde spil en gesteelde bloemen.
Tuil, een tros, waarvan de onderste bloemstelen langer dan de bovenste zijn, zoodat de bloemen ongeveer op dezelfde hoogte staan.
Tweehuizig, eenslachtige bloemen, waarvan de mannelijke en vrouwelijke op verschillende planten voorkomen.
Tweeslachtig, bloemen tegelijk met meeldraden en stampers, ook planten met tweeslachtige bloemen.
SOK Verklaring van botanische kunsttermen.
Uitgerand, met een naar binnen gekeerde insnijding of een bocht voorzien.
Uitlooper, een aan den voet van den stengel ontspringende, op den grond liggende of zich verheffende tak.
Veeltelig, een plant, die naast bloemen met alleen meeldraden en bloemen met alleen stampers, ook nog tweeslachtige bloemen draagt.
Vergroeidbladig, een bloembekleedsel, dat uit één stuk bestaat , maar minder of meer diep is ingesneden.
Verspreid, schijnbaar onregelmatig aan den stengel staand.
Verwelkend, bloemdeelen, die afsterven en verdrogen, zonder af te vallen.
Vil tig, met dicht dooreengeweven haren bezet.
Vindeelig, een blad, dat door insnijdingen, die bijna tot de middelnerf gaan, in 2 rijen van slippen verdeeld is.
Vinnervig, als de nerven van een blad aan weerszijden langs de middelnerf ontspringen en de daarvan uitgaande aderen tot een onregelmatig netwerk verbonden zijn.
Vinspletig, een blad, dat door insnijdingen, die omstreeks tot het midden der halve breedte gaan, in 2 rijen van slippen verdeeld is.
Vlag, het bovenste, meestal ook het grootste bloemkroonblad eener vlinderbloem.
Vleugels, de beide zijdelingsche bloemkroon bladen eener vlinderbloem. Vergelijk gevleugeld.
Vliezig, dun, meest doorschijnend, niet groen.
Vlinderbloem, de bloemkroon, als zij uit 4-5 ongelijke blaadjes bestaat, waarvan de 2 onderste (de kiel) bootvonnig samenkomen of vergroeid zijn, de 2 zijdelingsche (de vleugels of zwaarden) beide denzelfden vorm hebben en het bovenste (de vlag) meestal het grootste is.
Vloeiend, met ondergedoken, door het water heen en weer bewogen stengel.
Voetvormig, een blad, dat in 2 helften gedeeld of gespletenis, terwijl ieder van deze weer 2 of meer slippen heeft.
Vrouwelijk, bloemen alleen met stampers.
Vrucht, dat deel der plant, dat uit den stamper (vruchtbeginsel) ontstaat.
Vruchtbeginsel, het onderste, meest verdikte deel van den stamper, dat in zijn holte de eitjes bevat.
Vruchtbodem = bloembodem of ook dat deel van den bloembodem, dat de stampers draagt.
Vruchthoopjes, bij de varens de verschillend gevormde hoop-
Verklaring van botanische kunsttermen. S03
jes van kleine, bruinachtige sporevruchten aan de onderzijde der bladen.
Vrij, niet met elkaar of met andere deelen vergroeid.
Wigvormig, langzamerhand smaller wordend (smal en afgerond 3-hoekig).
Wollig, met vele zachte haren bezet.
Wortelbladen, bladen, die schijnbaar op den wortel staan.
Wortelstandig, aan den vóëTvan den stengel of onmiddellijk boven den grond staand.
Wortelstok, een wortelachtig, schuin of horizontaal in den grond liggend stengeldeel.
aad, de zich in de vruchtholte bevindende (slechts bij de Coniferen niet opgesloten) tot rijpheid gekomen eitjes.
Zaadlobben, zie kiembladen.
Zittend, zonder steel, bij stampers zonder stijl, bij helmknopjes zonder helmdraden.
Zoom, het verwijde, meest uitgespreide, bovenste deel van een vergroeidbladig bloembekleedsel.
Zwaarden = vleugels (zie aldaar).
Zwaardvormig, lijn-lancetvormig, aan de randen dunner, met een rand naar den stengel gekeerd.
BETEEKENIS DER SOORTNAMEN.
|
stekelachtige, stekelachtig, stengelloos. scherp. eschdoornachtig. zuurachtig. weinig zuurachtig naaldvormig. stekelig, lang-puntig. spitsbladig. spitsvormig. spits. hakig, gekromd, 's zomers bloeiend, zomer-, wild groeiend, gevleugeld. wit. wit onvruchtbaar, witachtig, knollookkruid. hanekam. elsbladig. aloëachtig. A Ipenbe wonend, als alpestre. als alpestre. Altai. afwisselend bloe-mig. afwisselendbladig. bitter. weinig bitter, twijfelachtig. Amerikaansch. ame thy stk 1 e urig. bevallig. èn op het droge, èn in het water levend, -is. stengelomvattend. amandelachtig, tweemaal bloeiend. Acanthium. acanthoides. acaule, -is. acer, acre. aceroides. Acetosa. Acetosella. acicularis. aculeatum. acuminata. acutifoliiis. acutiforrais. acutum, -a. aduncum. aestivalis. aestivum. agrestis. alatum. alba, -um, -us. alba sterilis. albida. Alliaria. Alectorolophus. alnifolia. aloides. alpestre. alpigena. alpinus, -a, -um. altaica. alterniflorum. alternifolium. amara. atnarella. ambigua. americana. amêthystea. amoena. amphibium. ampiexicaule, amygdalina. Anagallis. |
anglica, -um. angustifolia, -us,' angustissimus. annua, -us, -um. Anserina. anthropophora. apetala. apiculata. apifera. appenina. apula, -um. aquatica, -um. Aquifolium. arborea. arborescens. arcuata. arenaria. arenosa. argentea, -um. Aria. ariaefolia. Armeniaca. arrhiza. artemisiaefolia. arundinacea. arvense, -is. asiatica. asper. aspleniifolia. atropurpurea. atrorubens. aucuparia. aurantiacum. aureum. auricomus. Auricula. aurita. autumnalis. Avellana. aviculare. avium. babvlonica. |
Engelsch. â¢um. smalbladig, zeer smal. eenjarig. ganzen-, menschdragend, popvormig. bloembladloos. met een spitsje aan den top. bijdragend. Appemjnsch. Apulisch. water-, naaldblad. boomachtig, als arborea. boogvormig, zand-. als arenaria, zilverkleurig, Ares, Ariablad ig, Armenisch, wortelloos. Artemisiabladig. rietachtig. veld-. Aziatisch. ruw. A spleniumbladig. donkerpurper. donkerrood. vogelvanger. oranjerood, goudgeel, geelgckuifd, oortje. geoord. herfst-, Avella's, vogelminnend. vogel-. Babylonisch. |
Beteekenis der soortnamen.
S»S
|
baccata. bacciferus. balsamifera. Balsamita. balticus, -a. barbarum. barbatus. Basilicum. I'audotii. Beccabunga. Belladonna. bicuspidata. biennis. bifida. bifolia, -um. bignonioides. bistorta. Blattaria. Blitum. Bonus Henricus. boreale. Borreri. Botrys. bracteatura. britannica. brizoides. brumalis. bufonius. bulbiferum. Bulbocastanum. bulbosus, -a, -um. caepitosa, -us. caesius, -um. Calcitrapa. californica. callosa. calycinum. campestris, -e. canadensis. canadensis. candidans. candidum. canescens. canina, -um. cannabinum. capitatus, -um. capreolata. Caprifolium. Cardiaca. Carica. carinatum, -a. carnea. Carthusianorum. Carvifolia. |
besdragend. besdragend. balsemrijk. balsemkruid. noorsch. vreemd. febaard. oningskruid. Baudot's, beekpunge. schoone vrouw, tweepuntig, tweejarig, tweespletig. tweebladig. BiKnoniaachtig. dubbel gedraaid. Kakkerlakskruid. roodling.ebaard. oningskruid. Baudot's, beekpunge. schoone vrouw, tweepuntig, tweejarig, tweespletig. tweebladig. BiKnoniaachtig. dubbel gedraaid. Kakkerlakskruid. roodling. Goede Hendrik, noorsch. Borrer's. tros. met schutbladen bezet. Engelsch. trilgrasachtig. winter-. pad de-, boldragend. bolkastanje. boldragend. zodevormend, blauwgrijs, voetangel. Kalifornisch. eeltig. kelkdragend. veld-. Kanadeesch. Kanarisch. zuiver wit. glanzend wit. grijsachtig, honds-, hennepachtig, kopvormend. rankdragend of rankend, geiteblad. nartpijnkruid. Karisch. gekield, vleeschkleurig. Karthauser-. kar wij bladachtig. |
i caryophyllea, -us. Catana. catharticum, -a, caucasica. caudatus. cava. centilulia. Cepüea. cereale. cerinthoides. cernuüs. Cerris. chalcedonica. Chamaecyparis-sus. chamaedrifolia. Chamaedrys. Chamaepitys. Chamaesyce. cheiranthoides. ohiloensis. chinensis. cicutarium. ciliata. cinerea. cinnamomea. citriodora. chavatum. claviculata. Clematitis. coccinea. coelestis. coernlea, -um. collinus. columbaria. columbinum. Golumnae. communis. commutatus. comosa. complanatum. compressus, -a. conglorneratus. conica. conopsea. Gonsolida. conspersus. Convolvulus. Conyza. cordifolia. coriophora. corniculata, -us. coronaria, -us. coronopifolia. |
anjelierachtig. kattekruid. purgeerend. Kaukasisch. gestaart. hol. honderd bladig. tuinkruid, koorngevend. cerintheachtig. gekromd, knikkend, franjedragend. Chalcedonisch. dwergcypres- achtig. gamand erbladig. gamander, dwergspar. dwergvijg. muurbloemachtig. Chileensch. Ghineesch. Cicutaachtig. gewimperd. aschgrauw. kaneelbruin. citroenriekend. knotsvormig. rankend. Clematisachtig, scharlakenrood, hemelsblauw, blauw. heuvelbewonend. duifachtig. duiven-. Columna's. gewoon. verwisseld. kuifdragend. afgeplat. samengedrukt. kluwenvormend. kegelvormig. steekmugachtig. Wondenheeler. bestoven. winde-. jeukkruid. hartbladig. wantsachtig. gehoornd. kroondragend. kraaiepootachtig. |
Beteekenis der soortnamen.
sou
|
Coronopus. V corymbosus. Cotula. i crassifolia. crenata. cristatum, -us, -a, crispus. Cmciata. Crus galli. Cyanus. Cymbalaria. Cynapinm. Cyparissias. damascena. danica. dasycarpum. dasyphyllum. daucoides. Davalliana. decidua. decumbens. deltoideum, -us. deraersum. densiflora. densus. dentata. denticulata. depressa. dicoccum. didyma. diffusa,-um, -us. digitata. dioica. discolor. dissectum. distans. distichum, -a. diurna. divaricatus, -ura. divulsa. Dodartii. doraesticus, -a. Dracunculus. Drummondii. dubium. Dulcamara. dulcis. dumetorum. duracina. duriuscula. durum. echinus. |
kraaiepoot. tuild ragend, napje, dikbladig. zekarteld. gekroesd, kruiswijs gebladerd.' hanepoot. hemelsblauw, cymbelkruid. hondseppe. cypresblad. Damascus-. Deensch. ruwvruchtig. ruwbladig. peenachtig. Daval's. afvallend. liggend, deltavormig. ondergedoken, dichtbloemig. dicht. getand. fijn getand, ingedrukt, laag. tweeklukig. tweelingachtig, wijdgetakt. vingervormig. tweehuizig. tweekleurig, onregelmatig ingesneden, verwijderd, tweerijig. over dag bloeiend wijdgetakt. afgebroken geaard. Dodart's. inheemsch. slangetje. Drummond's. twijfelachtig, zoetbitterkruid. zoet. wildernis-, met een harde schil, hardachtig. hard. egel. |
echioides. echinata. elfusns, -um. elatior. elatum. elegans. Elodes. elongata,-us,-um. Epilinum. Epithymum. erectus, -a, -um. ericetorum. eriophorum. erratic us. erucifolius. europaeus,-a,-um excelsa. excelsior. exigua. extensa. fabacea. falcata. Fagopyrum. fatua. femina. ferrqgineum. flcifolium. filiculoides. filiformis. Filipendula. fistulosa, -us. tlammeus. Flammula. flava, -um. (lavescens. ilexuosa, -um. Horentina. lloridus. Flos cuculi. Flos jovis. iluitans. foetidus, -a. Fragariastrum. fragiferum. fragilis. fragrans. frutescens. fruticans. fruticosa, -us. Fuchsii. fulgens. fulva, -us. fusca, -us. galericulata. |
stekelachtig, stekelharig. wijd uitgespreid hoog, slank. hoog. sierlijk, moeraskruid. verlengd, vlasbewoneml. thymbewonenci. overeindstaand. heide-, woldragend. dwalend, raketbladig. .Europeesch. hoog. verheven. klein. uitgebreid, uitgezet, gestrekt, boonachtig, sikkelvormig, boekweit-, smakeloos, vrouwelijk, roestkleurig, vijgbladig. varentjesachtig. draadvormig, hangend aan een draad, pijpvormig. vuurrood, vlammetje. geel. geelachtig. bochtig. Florentijnsch. bloeiend. koekoeksbloem. Jupiterbloem. drijvend. stinkend. aardbeiachtig. aardbeidragend. bros, breekbaar. welriekend. heesterachtig. als frutescens. als frutescens. Fuchs's. schitterend. blond. bruin. helmvormig. |
Beteekenis der soortnamen.
sm
|
gallica. genevensis. geniculatus. gentilis. Gerardi. Gerardiana. germanica. gibba. gigantea. glabra. glabrata. gland ulosa. glaucus, -a, -um. zeegroen, globulifera. kogeltjedragend. glomerata, -um. tot een kluwen opeengehoopt, glutinosa, -um. kleverig, glycyphyllos. zoet blad ig. gracilis, -e. slank. grumineus, -a. grasachtig, graminifolium. grasbladig. granditlora, -um. grootbloemig. grandifolia. grootbladig. granulata. korreldragend. graveolens. sterk riekend, guttatum. gevlekt. Halleriana. Haller's. hamulata. met haakjes voorzien. Hederae. op klimop groeiend, hederaefolia. kil mopblad ig. hederaceum, -a. klimopachtig, helioscopia. zonnewendend. Helix. ' windend, helvetica. Zwitsersch. herbacea. kruidachtig, heterophyllum, -a. ongelij kbladig. hexandra. zeshelmig. hexastichon. zesrijig. hieracifolium. havikskruid-bladig. hieracioides. havikskruid-achtig. Hippocastanum. paard eliastanje. Hippolapathum. paardezuring. hircinum. Hirculus. hirsuta, -um. hirta. hispida, -us. hispanica. hololeucum. Holostea. hordeaceus. stinkend als een bok. bokje. ruwharig, kortharig. stijf harig. Spaansch. zuiver wit. heelbeen-. gerstachtig. Fransch. Geneefsch. knievormig, geknikt, stamverwant Gerard's. Gerard's. Duitsrh. bultig, reusachtig, onbehaard. bijna onbehaard, klierachtig. |
hortensis. humifusum. hybridum, -a. Hydrolapathum. Hydropiper. hyemale, -is. hypnoides. Hypopitys. Hyssopifolia. idaeus. imperialis, incana. incarnatum, -a. incisum. inclinata. indica. inermis. inllata. inodorns, -um. insignis. insititia. integerrirna. integrifolia. intermedia. interrupta. inundatum. italicum. Jacea. Jacobaea. japouica. Juncea, -um. Lachenalii. laciniata. lactea. lacustris. laevigatus, -a. Lamarckiana. lamprocarpus. 1 lanatus. lanceolata, -um. Lantana. lapathifolium. Lappula. lathyroides. latifolia,-us,-um. Lauro-cerasus. leporina j Leucanthenum. leucanthemus. ligerica. Limonium. limosum, -a. |
tuin-. op den grond neerliggend, basterd-waterzuring. waterpeper, winter-, mosachtig, op dennen groeiend, hyssopbladig. van het Ida- gebergte. Keizerlijke, grijs-grauw, vleeschkleurig. ingesneden, gebogen. Indisch, weerloos, opgeblazen, reukeloos. in 'toog loopend. veredeld. gaaf. gaafbladig. middelste. afgebroken. overstroomd. Italiaansch. tegengift. .lacobskruid. Japansch. biesachtig. Lachenal's ingesneden. melkwit. meer-. gepolijst. Lamarck's. met glanzende vruchten, wollig. lancetvormig. zweepkruid. zuringbladig. kleine klit. Lathyrusachtig. breedbladig. laurierkers. hazen-. witbloem-. witbloeiend. Loire-. weideplant. slijk-. |
Beteekenis der soortnamen.
SOS
lineare.
linariifolia.
Lingua.
linicola.
linifolium.
littorale, -is
littorea.
Loeselii.
loliacea.
longi flora.
longi folia.
lucens.
lucid um.
lupulina.
lutea, -us, -um.
luteo-album.
luteola.
lutetiana.
Lychnitis.
Lycoctonum.
lycopsoides.
macrocarpon.
macrophyllum.
maculatum, -a.
maculosa.
magna.
majalis.
major.
majus.
malacoides.
Malus.
inarginata.
margaritaceum.
Marianum.
mollis, -e. monococcum. Mollugo. monogyna. monorchis.
week.
eenüluizig.
zacht.
eenstijlig.
eenknollig.
montana. -us, -um. berg-. Morisonii. Morison's.
Morsus ranae.
moschata, -um. Moschatellina.
multicaulis.
multitlorum, -a, -us. veelbloemig. murale, -is. muur-.
manna, -us.
maritimus, -a,
Marshallii.
mascula.
matronalis.
maximum, -a,
media, -um.
microcarpa.
microphylla.
miliaceum.
militaris.
Millefolium.
minimum, -a,
minor.
minus.
mirabilis.
mite.
mixta.
Moldavica.
odoratum, -a, -us. welriekend, officinalis, -e. geneeskrachtig.
lijnvormig. Linariabladig. tong.
vlasminnend. vlasblad ig. strand-.
strand-.
Loesel's. raygrasachtig. langbloemig. langbladig.
sterk glanzig, blinkend, hopachtig.
geel.
geelwit, geelachtig. Parijsch. lampenkruid. wolfsdood. Lycopsisachtig. grootvruchtig. groothladig. gevlekt.
gevlekt.
groot.
in Mei bloeiend, grooter of eenvoudig groot, erooter of eenvoudig groot, malveachtig, appel-.
gerand, parelkleurig. Maria-.
zee-.
um. zee-.
Marshall's, mannelijk.
dame-, -us. grootste, middelste, kleinvruchtig. kleinbladig.
giers tachtig, krijgszuchtig, duizendblad, -us. kleinste.
kleiner ook klein, klein ook kleiner, bewonderenswaardig.
zacht, smakeloos.
oldavisch.
muncaia, -us.
murinum.
murorurn.
muscifera.
muscosa.
Myrtillus.
Myuros.
nana, -us.
Napel lus.
narbonensis.
natans.
neglecta.
nemoralis.
nemorum.
nemorosa, -us.
Nepetella.
nidus avis.
niger, -ra, -rum.
nigricans.
nivalis.
nobilis.
noctitlora.
nodiflorum.
nodosum, -a.
Noli tangere.
Norvegica.
novae Angliae.
novi Belgii.
nudicaulis.
Nummularia.
nutans.
nyctaginiflora.
nymphaeoides.
obtusiflorus.
obtusifolius.
ochroleuca.
occidentalis.
Odontites.
zachtstekelig.
muisgrauw.
muur-.
vliegd ragend.
op mos gelijkend.
kleine myrt.
muizenstaart.
dwergachtig.
raapje.
Fransch.
zwemmend.
voorbijgezien,
verwaarloosd, bosch-.
bosch-.
bosch-.
kleine Nepeta.
vogelnest.
zwart.
zwartachtig.
sneeuw-.
edel.
nachtbloemig. knoopbloemig. knoopig.
raak met aan. Noorweegsch. Nieuw Engelsch. Nieuw Belgiscli. naaktstengelig. penningkruid, knikkend.
met de bloemen van Nyctago. Nymphaeaachtig. stompbloemig. stompbladig. geelachtig wit. westelijk, tandkruid.
kikvorschbeet. muskusachtig, naar muskus
riekend, veelstengilig.
Beteekenis der soortnamen.
S09
|
gifstruik, als groente te gebruiken, ad id. dof, ondoorschijnend, met tegenoverstaande bladen, sneeuwbalbladig. sneeuwbalachtig. Oostersch. vogelpootachtig. i. vogelpootachtig. op bergen groeiend, rijstachtig. beenbrekend. geoord. eivormig, schapen-, spitsdoorn-. zuurbes. verbleekt. bleek. bleekbloeiend. moeras-. moeras-, pluimachtig pluimdragend. . Hongaarsch. zeldzaam, opvallend. aan de zee groeiend, pantherwu rgend. jonkvrouwkruid. a. kleinbloemig. kleinbladig. afstaand, wijd- getakt. armbloemig. Venuskam. kamvormig. met gesteelde bloemen, gesteeld. vijfhelmig. Pêplusachtig. overblijvend, vreemd, -a. doorgroeid. omranker. zeer klein, perzikkruid. perzikbladig. Perzisch. Petiver's. Oleander, oleraceum, -a. olitoria. opaca. oppositifolium. opulifolia. opuloides. orientalis, -e. ornithopoda. ornithopodioides. Ornus. oryzoides. ossifragum. Otites. ovata. ovina. Oxyacantha. Oxycoccus. pallescens. pallida. palliditlora. paludosa, -us. palustre, -is. panicea. paniculata. pannonicum, -a. paradoxa. Paralias. Pardalianches. Parthenium. parviflorum,-us, parvifolia. patulum, -a. paucillorns. Pecten veneris, pectinatus. pedicillata. pedunculatus. pentandra. peploides. perenne, -is. peregrina. perfoUatus,-um, Periclymenum. Persicana. persicifolia. persicum, -a. Petiveri. |
petraea. peucedanifolia. phaeum. Phellandrium. Philonotis. phlomoides. phoeniceum. physaloides. Picridis. pilosa, -us. Pilosella. pilulifera. pimpinellifo- lium, -a. pimpinelloides. pinnatum, -e. piperita. Plantago. platanoides. platyphyllos. plurharius. Pneumonanthe. Podagraria. poeticus. polifolia. polita. Pollichii. polyanthemos. polygonifolius. polyrrhiza. polyspermum. polystachyum. pomifera. pontica. -um. porrifolius. |)ortulacoides. praecox. praelongus. pratensis, -e. procumbens. prolifer. prostratus, -a. prunifolia. Pseudacorus. Pseudo-Acacia. Pseudo-Platanus. Ptarmica. pubescens. pulchella. pulchrum. pulicaris Pulsatilla. pulverulenta. |
op steenachtigen grond levend, varkenskervel- bladig. bruin. kurk mannetje. vochtbeminnaar. toortsachtig. purperrood. Physalisachtig. Picrisbe wonend. behaard. haartjesplant. pildragend. pimpernelblad ig. pimpernelachtig, gevind. als peper smakend. weegbree-. pliitaanachtig. breedbladig. donzig. longenbloem. podagrakruid. dichterlijk. gepolijstbladig. gepolijst. Pollich's. veelhloemig. duizendknoop- bladig. veelwortelig. veelzadig. veelarig. appeldragend. Zee-. preibladig. portulakachtig. vroeg. zeer lang. weide-. neerliggend. spruitdragend. neerliggend. pruimbladig. schijnkalmus. schijnacacia. schijnplataan. nieskruid. zachtharig. fraai. schoon. vloo. klokje. bepoederd |
Beteekenis der soortnamen.
AtO
|
pygmaeus. pyramidalis. pyrenaicum. quadrangulum. quadrifolia. quinquefolia. racemosus, -a. radicans. radicata. radicula. rarniflora. ramosum, -a. ranunculoides. Raphanistrum. rapunculoides. Rapunculus. recta. reflex um. regia. remota. repandum. repens. reptans. retroflexus. 1 rhamnoides. rigida, -um. ri paria. rivale. Riviniana. rivularis. roseura, -a. rostellata. rostrata. ruderale, rufescens. rufus. rustica. ruthenica. saccharinum. sagittata. sagittifolia. Saïicaria. salicitolia, -us. salina. pumila. dwergachtig, klein, pungens. stekend. puniceus. granaatrood. purpurea, -us, -um. purper. pusillus,-um,-a. dwergachtig. dwergachtig, pyramidaal |
Pyreneesch. vierhoekig. vierbladig. vijfbladig. trosvormig. wortelend. sterk wortelig. radijsje. taktloernig. vertakt. ranonkelachtig. Raphanusachtig. rapunzelachtig. rapunzel. recht. omgeslagen. koninklijk. wijd uitstaand, ook ver uiteen, geschulpt, kruipend, kruipend. naar achter omgeslagen, wegedoornachtig. stijf. oever-, beek-. Rivin's. beek-. rozerood, gesnaveld. gesnaveld. rotundifolium,-a. rondbladig. rubens. roodachtig, rubiginosa. rubra, -um,-er. rubrifolia. bruinrood. rood. roodbladig. op puin levend. bru inroodachtig. vosrood. boeren-, Rutheensch. suikerhoudend. pijlvormig. pijlbladig. wilgenkruid. wilgblad ig. zoutminnend. |
saligna. sambucifolia. sambucina. sanguinale. sanguineus,-um, saracenicus. sativum, -a. Saxifraga. saxitile. Scabiosa. scabiosilolia. scabrum. scandens. sceleratus. sciuroides. Scolymus scoparius. Scordium. Scorodonia. scorpioides. scu tel lata, scutatus. secalinus, -um. segetalis. segetu m. semidecandrum. semperflorens. sempervirens. serotina. serpyllifolia. Serpyllum, sessiliflora. sessilifolius. setacuus, -a. setosa. sexangulare. siberica. siliquosus. simplex. sinuatum. solida. solstitialis. somniferum. Sophia. sorbifolia. spathulata. speciosa. spectabilis. Speculum. spica venti. spicata, -um. spinosa, -um. |
wilgblad ig. vlierblad ig. vlierachtig. bloedrood, -a. bloedrood. Turksch. gekweekt, steenbreek. rots-. schurftkruid. schurftkruid- bladig. ruw. klimmend, schadelijk, blaartrekkend, eek hoornachtig, sniikruid. bezemachtig. knollookkruid. knoflookkruid. schorpioenachtig. schild vormig. rondschildvormig, roggeachtig. koornminnend. koornminnend. vijfhelmig, aitijd bloeiend, altijd groen. laat. thymbladig. kruiper. ongesteeldbloe- mig. ongesteeldbladig. borstelig, borstelig, zeshoekig. Siberisch. hauwd ragend, niet vertakt, gegolfd. vast. bloeiend op den langsten dag. slaapverwek kend; heelkruid, lijsterbesbladig. spatelvormig. prachtig. fraai. spiegel. windaar. aard ragend, doornig. |
Beteekenis der soortnamen.
54JC:
|
spinulosum. spuria. squaraaria. squarrosus. stagnalis. stagnina. stenopetala. sterilis. stipularis. stonolifera. striatum, -a. stricta. strigosa. strigulosa. suberosa. submersum. subterraneura. subulata. superbus. supina, -us. sylvaticus, -a, â sylvestris, -e. svriacus. tanace ti folia, taraxicil'olia. tataricum, -a. tectorum. temulentura. temulum. tenella. tenuitlorus. tenuifolia. tenuis. tenuissimum. teretiuscula. tetragon um. tetrandrum. tetraptermn. tetrasperma. thapsiforme. thyrsillora. tinctoria. tomentosum, torminalis. Toxicodendron. Trachelium. tremula. triacanthos. triandra. trichophyllum. |
met kleine doornen. valsch. geschubd. rappig. moeras-. moeras-, met smalle bloembladen, onvruchtbaar, van- steunbladen voorzien, wortelspruitend. gestreept. sti j f. schi'rpharig. fijn- scherpharig. kurkachtig. ondergedoken, onderaardsch. priemvormig. prachtig. op den rug liggend, um. bosch-. bosch-. Syrisch. wormkruidblad ig, paardebloembla-dig. Tartarisch. dak-. bedwelmend, als temulentum. tenger, fijnbloemig. dunbladig. dun, tenger. zeer dun. rolrondachtig, vierhoekig, vierhelmig. viervleugelig. vierzadig. toortsvormig. spiesbloemig. verf-. viltig. buik pij r ver wekkend. giftstruik, halskruid. ratelend, driedoornig. driehelmig. haarbladig. |
tricolor. tricorne. tridactylites. tridentatum. trifida. trifolia. trifoliata. triloba. trilobata. trimestris. trinervis, -a. tripartitus. tri petal a. triphyllos. triqueter. trisulca. trivialis, -e. tuberosus, -u tulipifera. turgidum. typhina. ucranica. uliginosa, -us, -um. moeras-. Ulmaria. olmstruik. umbel latum, -a. umbrosa, -um. undulata, -um. uniflora. uniglumis. urbanum. urbicum. ursinum. usitatissimum. ustulata. vaginatum. varia. variabilis. variegatum. venusta. vernalis. vernus, -a. verrucosus, -a. versicolor. verticillata, -um verum. vesca. vesicaria. vespertina. villosa. -um. viminalis. viminea. driekleurig. driehoornig. drievingerig. drietandig. driespletig. drieblailig. drieblailig. drielobbig. driclobbig. driemaande- lijksch. driénervig. dried eelig. driebloembladig. drieblad ig. driehoekig, driegroevig. gemeen, alle- daagsch. knolvormig, tulpdragend. opgezwollen, typhaiichtig. uit de Ukraine. schermd ragend, beschaduwd, golvend, eenbloemig. eenkaffig. bij de stad groeiend. bij de stad groeiend. beren. uiterst nuttig, geblakerd, scheedevoerend. verscheiden, wisselend, veranderlijk. bont. schoon. voorjaars-. voorjaars-. wrattig, kleurwisselend, kransdragend, echt. eetbaar, blaasdragend. 's avonds bloeiend, donzig, roedevormig. roedevormig. |
|
SIM Vince toxicum, vineale. vinifera. violacea. virens. virescens. Virga aurera. virgatura. virginiana. virginica, -um. viridis. viridissirna. |
Beteekenis d tegengif, wijnberg bfiwonend, druifdragend. violet. groenend, groenachtig, gulden roede, roedevormig. Virginisch. Virginisch. groen. zeer groen. |
r soortname virosa. viscosa, -us. Vitalba. vitellina. viticella. vulgare, -is. vulgatum. Vulneraria. vulpina. Xanthiifolia. Xiphophyllum. Xylosteum. Zéocrithon. |
vergiftig. kleverig. witdruif. dooiergeel. druifje. gewoon. gewoon. wondenheeler. voskleurig. Xantiumbladig. zwaardblad. beenhout. speltgerst. |
Verklaring van verkorte auteursnamen.
|
A. B. |
Alexander Braun. |
Desv. |
Desvaux. |
|
Adans. |
Adanson. |
Dill. |
Dillenius. |
|
Ait. |
Alton. |
Dougl. |
Douglas. |
|
AU. |
Allioni. |
Drej. |
Drejer. |
|
Andrzj. |
Andrzejowsky. |
Dub. |
Duby, |
|
Aschs. |
Ascherson. |
Dchsne. |
Duchesne. |
|
Babingt. of Bab. Babington. |
Dumort. of Dum.Dumortier. | ||
|
Balb. |
Balbis. |
Dur. |
Durieu de Maison- |
|
Balding. |
Baldinger. |
neuve. | |
|
Bartl. |
Bartling. |
Ehrh. |
Ehrhart. |
|
Bauh. |
Bauhin. |
Fl. Wett. |
Flora de Wetterau. |
|
Baumg. |
Baumgarten. |
Fée. |
Ant. Laur. Ap. Fée. |
|
Bechst. |
Bechstein. |
Forsk. |
Forskal. |
|
Benth. |
Bentham. |
Fr. |
Fries. |
|
Bernh. |
Bernhardi. |
Gaertn. |
Gaertner. |
|
Bertol. |
Bertolini |
Gaud. |
Gaudin. |
|
Bess. |
Besser. |
Gay et Monn. |
Gay en Monnier. |
|
Biv. |
Bivoni-Bernardi. |
Gilib. of Gil. |
Gilibert. |
|
BI. et Fing. |
Bluff enFingerhut. |
Gmel. of Gm. |
Gmelin. |
|
Boenngh. |
v. Boenninghausen. |
Gochn. |
Gochnat. |
|
Boerh. |
Boerhaave. |
Godr. |
Godron. |
|
Boiss. |
Boissier. |
Good. |
Goodenough. |
|
Bor. |
Boreau. |
Grcke. |
Garcke. |
|
Borkh. |
Borkhausen. |
Gren. |
Grenier. |
|
Britt. |
Brittinger. |
Griseb. |
Grisebach. |
|
Brng. |
Brongniart. |
Guss. |
Gussone. |
|
Brot. |
Brotero. |
Hall. |
Haller. |
|
Chambess. |
Chambessèdes. |
Hartm. |
Hartmann. |
|
Casp. |
Caspary. |
Heist. |
Heister. |
|
Oass. |
Cassini. |
L'Hérit. |
L'Héritier. |
|
Cav. |
Cavanilles. |
Herm. |
Hermann. |
|
Oelak. |
Celakowsky. |
Heufl. |
Heufler. |
|
Cham. etSchldl.Chamiso en Von |
St. Hil. |
Saint Hilaire. | |
|
Schlechtendal. |
Hoffm. |
Hoffmann. | |
|
Clairv. |
Clairville. |
Hook. |
Hooker. |
|
Cos. et Germ. |
Cosson en Germain. |
Hornem. |
Horneraann. |
|
Coult. |
Coulter. |
Huds. |
Hudson. |
|
Crntz. of Crtz. |
Crantz. |
Jacq. |
Von Jacquin, |
|
Curt. |
Curtis. |
Juss. |
Ant. Laur. de |
|
Cuss. |
Cusson. |
Jussieu. | |
|
DC. of Dec. |
De Candolle. |
Kern. |
Kerner v. Mauri- |
|
De Br. |
De Bruyn. |
laun. | |
|
Degl. |
Degland. |
Kit. |
Kitaibel. |
|
Delarb. of Del. Delarbre. |
Kl. et Grcke. |
Klotzsch en Garcke. | |
|
Desf. |
Desfontaines. |
Koch. |
W. D. J. Koch. |
|
Desp. |
Desportes. |
Koel. |
Koeler. |
|
Desr. |
Desrousseaux. |
Krock. |
A. J. Krocker. |
|
heukels, Schoolflora. 8' druk. |
33 | ||
Verklaring van ferkorte auteursnamen.
SI*
|
Kth. Kütz. Lap. Lmk. of Lam. Ledeb. L'Hérit. Lehm. Lej. Less. Lestib. Leyss. Lightf. Liljeb. Lindl. Lk. L. L. fll. Lmk. Loisl. Lour. Luerss. Lumn. M. B. Mart. Marss. Med. Mer. M. et K. E. Meyer. G. Mey. Mchx. Mett. Mich. Mik. Mill. Moehr. Mnch. Mol. Mor. Murr. Naeg. N. ab E. Neck. Nest. Nutt. Otto en Dietr. P. B. Pali. Patr. Br. â Pers. Peterm. Poir. Poll. |
Kunth. Kützing. Lapeyrose. Lamarck. Ledebour. L'Héritier. Lehmann. Lejeune. Lessing. Lestiboudois. Von Leysser. Lightfoot. Liljeblad. Lindley. Link. Linnaeus. Linnaeus, de zoon. Lamarck. Loiseleur-Deslong- champs. Loureirs. Luerssen. Lumnitzer. Marschal von Bie- berstein. Von Martius. Marsson. Medicus. Merat. Mertens en Koch. Ernst Meyer. 6. F. W. Meyer. Micbaux. Mettenius. Micheli. Mikan. Miller. Moebring. Moench. Molina. Morette. Murray. Naegeli. Nees von Esenbeck. v. Necker. Nestler. Nuttall. Otto en Dietrich. Palisot de Beau- vais. Pallas. Patrick Browne. Persoon. Petermann. Poiret. PoJlich. |
P. M. E. Patze, Meyer en Elkan. Pourret. Presl. Robert Brown. Ludwig Reichen- bach. Gustav Reichen- bach. Rebentisch. Reichard. Retzius. L. C. Richard. Rivinus (Bach- mann). Roemer en Schultes. Roth. Rozler. Ruiz en Pavon. Salisbury. Sauter. Schimper en Spen- ner. Schkuhr. Von Schlechtendal. Schleicher. Scholier. Schrd.ofSchrad. Schrader. Schreb. Von Schreber. Schrnk. of Schrk. Schrank. Schbl. et Mart. Schübler en Martens. Schultes. Schumacher. Schweigger en Korte. Scopoli. Seringe. Sibthorp. Siebold en Zucca- riui. Smith. Sonder. Spenner. Sprengel. Saint Hilaire. Pourr. Prsl. R. Br. Rchb. Rchb. fil. Rebent. Reich. Retz. Rich. Riv. . R. et Sch. Rth. Roz. R. et Pav. Salisb. Saut. Sch. et Sp. Schk. Schldl. Schleich. Scholl. Schuit. Schumch. Schw. et K. Scop. Ser. Sibth. Sieb. et Zucc. of S. en Z. Sm. Sond. Spenn. Spr. St. Uil. Sternb. et Hoppe Sternberg en Hoppe. Stev. Steven. Sutt. Sutton. Sw. Swartz. Ten. Tenore. Thuill. of Th. Thuillier. Thunbg. Thunberg. Torr. et Gray. Torrey en Gray. Trev. Treviranus. |
|
Verklaring van verkorte auteursnamen. S±S | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
33*
Tabel der Lattjnsche familie- en geslachtsnamen.
|
Asclepias . Asparagus. Asperifolieén Asperugo . Asperula . Asphodelus Aspidium . Asplenium Astragalus . . . 360 Athyrium .... 86 Atriplex .... 209 Atropa.....391 Avena.....139 Azalea.....373 Azolla . . _ . . 91 Ballota . . . .419 Balsamina. . . . 285 Salsaminee'én. . . 284 Barbarea . . . .251 Barkhausia . . . 489 Batrachium . . . 234 Bellis.....462 Serberideeèn . . . 228 Berberis .... 228 Berula.....305 Beta.....208 Betonica . . . .418 Betula ..... 182 Setulacee'én . . .182 Bidens.....465 Bigoonia .... 426 Bignoniaceeen . . 426 Biseutella .... 263 Bleehnum .... 85 Blitum.....205 Blysmus .... 166 Borago.....385 Botrychium ... 90 Brachypoiium . . 150 Brassica .... 267 Braya.....256 . 435 , 107 . 382 . 384 . 441 . 106 . 87 . 86 . 460 |
|
Tabel der Latijnsche familie- |
en geslachtsnamen. |
5 f7 | ||||
|
Briza .... |
. 143 |
Centunculus . . |
. 376 |
Corydalis . . . |
. 243 | |
|
Bromus . . . |
. 148 |
Cephalanthera . |
. 175 |
Corylus . . . |
. 184 | |
|
Bryonia . ⢠. |
. 440 |
Cerastium. . . |
. 220 |
Corynephorus |
. 142 | |
|
Bunias .... |
. 266 |
Ceralophyllee'én . |
. 196 |
Coryspermum |
. 205 | |
|
Bunium . . . |
. 305 |
Ceratophyllum |
. 196 |
Cotoneaster . . |
. 344 | |
|
Bupleurum . . |
. 306 |
Cerinthe . . . |
. 386 |
Cotula .... |
. 470 | |
|
Butomus . . . |
. 179 |
Chaeropbyllum . |
. 312 |
Crassulaceeën. . |
. 314 | |
|
Suxinee'én. . |
. 297 |
Chamagrostis. . |
. 134 |
Crataegus . . . |
. 342 | |
|
Buxus .... |
. 297 |
Cheiranthus . . |
. 280 |
Crepis .... |
, 489 | |
|
Chelidonium . . |
. 242 |
Crocus .... |
. 114 | |||
|
Caesalpiniee'én . |
. 365 |
Chenopodieeén |
. 203 |
Cruciferen . . |
. 245 | |
|
135 |
Cakite .... |
. 266 |
Chenopodina . . |
. 205 |
Cucubalus. . , |
. 223 |
|
07 |
Calamagrostis |
. 137 |
Chenopodium |
. 206 |
Cucumis . . . |
. 439 |
|
82 |
Calamintba . . |
. 413 |
Chlora .... |
. 431 |
Cucurbita . . . |
. 439 |
|
84 |
Calceolaria . . |
. 399 |
Chondrilla |
. 487 |
Cucurbitaceeén . |
. 439 |
|
41 |
Calendrinia . . |
. 227 |
Cborispora |
. 266 |
Cuminum . . . |
. 309 |
|
06 |
Calendula . . . |
. 477 |
Chrysanthemum. |
. 472 |
Cupuliferen . . |
. 184 |
|
87 |
Oalla..... |
. 118 |
Chrysosplenium . |
. 317 |
Cuscuta . . . |
. 379 |
|
86 |
⢠Calliopsis . . . |
. 465 |
Cicendia . . . |
. 432 |
Cydonia . . . |
. 344 |
|
60 |
Callistephns . . |
. 461 |
Ciehorium. . . |
. 484 |
Cynanohum . . |
. 434 |
|
60 |
Callitriche. . . |
. 296 |
Cicuta .... |
. 303 |
Cynara.... |
483 |
|
86 |
Callitrichineeën . |
. 296 |
Cineraria . . . |
. 474 |
Cynodon . . . |
. 134 |
|
09 |
Oalluna . . |
. 372 |
Circaea.... |
. 323 |
Cynoglossum . . |
. 384 |
|
91 |
Caltha .... |
. 238 |
Cirsium . . |
. 481 |
Cynosurus . . |
. 148 |
|
39 |
Calycantheéén |
. 229 |
Cistineeën . . . |
. 272 |
Cyperaceeén . . |
. 154 |
|
73 |
Calycanthus . . |
. 229 |
Cladium . . . |
. löï |
Cyperus . . . |
. 164 |
|
»1 |
t Camelina . . . |
. 262 |
Clarkia. . . . |
. 322 |
Cystopteris . . |
. 88 |
|
Campanula . . |
. 436 |
Claytonia . . . |
. 227 |
Cytisus . . . |
. 360 | |
|
19 |
Campanulaceeén . |
. 436 |
Clematis . . . |
. 231 | ||
|
36 |
Canna .... |
. 169 |
Clethra.... |
. 373 | ||
|
34 |
Cannabineeén. . |
. 194 |
Clinopodium . . |
. 413 |
Dactylis . . . |
. 143 |
|
51 |
Cannabis . . . |
. 195 |
Cochlearia . . |
. 261 |
Dahlia .... |
464 |
|
i9 |
Cannacee'én . . |
. 168 |
Coeloglossum. . |
. 173 |
Dantia .... |
322 |
|
14 |
Caprifoliaceeën . |
. 444 |
Colchicum . . |
. 102 |
Daphne . . . |
. 326 |
|
2 |
Capsella . . . |
. 266 |
Colutea . . . |
. 359 |
Datura.... |
392 |
|
8 |
Capsicum . . . |
. 391 |
Comarum . . . |
. 335 |
Daucus . . . |
. 310 |
|
8 |
Caragana . . . |
. 360 |
Commelina . . |
. 116 |
Delphinium . . |
. 239 |
|
5 |
Cardamine . . |
. 254 |
Commelinaceeén . |
. 116 |
Deutzia . . . |
. 318 |
|
8 |
Carduus . . . |
. 480 |
Compositen |
. 461 |
Dianthus . . . |
. 222 |
|
8 |
Carex .... |
. 156 |
Coniferen . . |
. 94 |
Dicentra . . . |
. 245 |
|
2 |
Carlina.... |
. 477 |
Conium . . . |
. 312 |
Dictamnus |
. 285 |
|
2 |
Carpinus . . . |
. 183 |
Convallaria . . |
. 107 |
Dielytra . . . |
. 246 |
|
5 |
Carum .... |
. 304 |
Convolvulacee'éu . |
. 379 |
Diervillea . . . |
. 446 |
|
6 |
Caryophyllee'én . |
. 211 |
Convolvulus . . |
. 380 |
Digitalis . . . |
. 399 |
|
6 |
Castanea . . . |
. 186 |
Conyza. . . . |
463 |
Digitaria . . . |
. 132 |
|
3 Catabrosa . |
. 146 |
Corchorus. . . |
. 339 |
Digraphis . . . |
. 131 | |
|
5 |
Catalpa . . . |
. 426 |
Coriandrum . . |
. 312 |
Diplotaxis. . . Dipsaceéén |
. 269 |
|
5 |
Caucalis . . . |
. 310 |
Corisperraum. . |
. 205 |
. 449 | |
|
S |
Caulinia . . . |
. 120 |
Cornaceeën . . |
. 313 |
Dipsacus . . . |
. 449 |
|
5 |
Celastrinee'én . . |
. 290 |
Cornus .... |
313 |
Doronicum . . |
. 474 |
|
1) |
Celaatrus . . . |
. 291 |
Coronaria . . . |
. 225 |
Draba .... |
. 261 |
|
Celosia.... |
Coronilla . . . |
. 360 |
Dracocephalum . |
. 415 | ||
|
Centaurea. . . |
. 477 |
Coronopus. . . |
. 265 |
Drosera . . . |
. 271 | |
|
1 |
Centranthus . . |
. 448 |
Corrigiola. . . |
. 214 |
Droseraceeën . . |
. 2*71 |
Slé Tabel der Latij nsche familie- en geslachtsnamen.
Ebulum . £chinochloa Eebinosperm Echium
JSlaeagnee'én Elaeagnus. Elatine. . Efatinee'én . Elodea . . Elymus JSmpetreeén Empetrum Endymion. Epilobium Epipactis . Ejuisetaceeén Equisetum Eranthis . Eragroatis. Erica . , Sricaceeën. JSricee'én . Erigeron . Eriophorum Erodium . Erucastrum Eryngium. Erysimum. Erythraea. Ervum . . Eschscholzia Eupatorium Euphorbia
Hesperis . Hibiscus . Hieracium Hierochloa Himantboglossum Hippocastanee'én Hippophaë Hippurideeèn. Hippuris . . Holcus. . . Holosteum , Honkenya. . Hordeum . . Hortensia . . Hottonia . . Humulus . . Hyacinthus . Hydrangea . Hydrocharideéén Hydrocharis . Hydrocotyle . Hydrophyllaceeén Hyoscyamus. Hypericineeén Hypericum . Hypochoerus. Hyssopus . .
255 , 279 . 490 . 132 . 173 , 286 , 326 324 324 138 218 217 153 318 377 195 103 318 180 180 302 381 391
272
273 486 412
Iberis . Ilex. . Ilicineeén Illecebrum Impatiens Inula . Ipomaea Irideéén Iris . . Isatis . Isnardia Ira . .
. 290 . 290 , 214 , 284 3, 464 . 381 . 114 114 , 265 322 474
Fagopyrum Faba Fagus . Falcaria Farsetia Festuca Ficaria. Ficus . Filago . Filices . Foeniculum Forsythia Fragaria Frangula Frankenia Frankeniat Fraxinus
435 186 186 108 177 108 96
339 450 205 143
|
Jasione. J uglans Juncaceéén Juncus. Juniperus . Kerria . Enautia Kochia. Eoeleria |
Tabel der Latijnsche familie- en geslachtsnamen.
54»
326
466 228 228 228 108 221 177 278 277 276 420 90 473 250 362 405 225 142 353 410 433 296 343 134 134 399 211 218 219 142 414 371 374 227 194 194 489 103 266 387 234 187 186 323 312
, 119 , 120 . 113 . 134 , 106 . 261
406 487 416
483 479 384
96 406 363 278 131 119 118 363 422
484 419 263 217 154 113 308 308 429 100 103 433 399 397 283 283 176 229 176 386 427
. 438 438 153 , 446 . 367 . 358 . 260 . 351 . 112 . 225 . 389 . 91 . 91 . 91 . 385 . 411 . 376 . 324
4,
Labialen . Laotuca . Lamium . Lampsana. Lappa . . Lappula . Larix . . Lathraea ⢠Lathyrus . Lavatera . Leersia â â Lemna . â Lemnaceeën Lens. . . Lentibularieeën Leontodon Leonurus . Lepidium . Lepigonum Lepturus . Leueojum. Levisticum Libanotis . Ligustrum LUiaceeén . Lilium . . Limnanthemum Limosella Linaria Lineeën Linum .
Liparis â Lüiodendron Listera. Lithospermum Littorella . Lobelia. .
Loieliaceeén
Lolium. . Lonicera .
Loranthacee'én Lotus . Lunaria Lnpinus Luzula. Lychnis Lycium Lycopodineeen Lycopodiaceeén Lycopodium Lycopsis . Lycopus . Lysimachia Lythrarieeïn
Mercurialis Mespilus Mibora. Milium. Mimulus . Mirahilis . Moehringia Moencbia . Molinia Monarda Monotropeéén Monotropa Montia . . Moreeën ⢠Morus . . Mulgedium Muscari Myagrum . Myosotis . Myosurus . Myrica. . Myricaceeën Myriophyllum Myrrhis .
Najadeeen . Najas . . Narciasua . Nardus. . Nartheoium-Nasturtium
Madia . . Magnolia . Maynoliaceeën Mahonia . Maianthemum Maiachium Malaxia Malope. . Malva . . Malvaceeén Marrubium Marsiliaeeeën Matricaria Matthiola . Medicago . Melampyrum Melandryum Melica . . Melilotus . Mentha
Lythrum
Obione. . Oeimum . Oenanthe . Oenothera. Oleaceeén . Omphalodes Onagraceeën Onobrychis Ononis . . Onopordon Ophrys. . Opkioglosseeé Ophioglossum Orchideeën Orchis . . Origanum . Orlaya . . Omithogalum Ornithopus Orobanche Orobancheeën Orobus. . Oryza . â Osmunda .
Oxalideeën Oxalis . .
Paeonia . Panicum . Papaver .
Fapaveraceeën Fapilionaceeén Parietaria . Paris . . Parnassia . Ãaronychieeë Pastinaca . Paulownia
Naumburgia Negundo â Nemophila Neottia. . Nepeta. . Nerium Neslea . . Nicandra . Nicotiana . Nigel la. . Nuphar Nyctagineeén Nymphaea
SÃO Tabel der Latijnache familie- en geslachtsnamen.
|
Pavia . . Pedicalaris Pelargonium Peplis . . Persica. . Petasites . Petroselinum Petunia Peucedanum Phacelia . Phalaris . Pbalangium Pharbitis . Phaseolus . Pbegopteris PiiladelpAeeën Pbiladelphus Phleum Phlox . Phoenixopus Pbragmites Physalis . Phyteuma. Picea . . Picris . . Pilularia . Pimpinella Pinguicula Pinus . . Pirola . . Pirolaeeeén Pirus . . Pisum . . Flantagineéé Plantage , Platanee'én Platanus . Platanthera Plu, Poa Polemoniaceeén Polemonium Polyenemum Polygala . Polygaleeèn Polygonatum Polygoneéén Polygonum Polypodiaceeén Polypodium Polypogon Polystichum Pomaceeën Populus . |
. 286 . 405 . 280 . 325 . 339 . 459 . 303 . 392 308, 309 . 381 . 131 . 106 . 381 . 365 . 87 . 318 . 318 . 136 . 382 . 487 . 142 . 391 . 436 . 96 . 485 . 90 . 305 , 422 . 95 , 373 , 371 . 344 , 363 , 427 , 428 196 196 174 378 144 381 382 211 289 288 107 197 197 84 85 136 87 342 191 |
Portulaca Portulacaceeén Potamogeton Potentilla . Poterium . Primula Primutaceeén Prunella . Prunus. . Psamma . Ptelea . . Pteris . . Pterocarya Pulegium . Pulicaria . Pulmonaria Pulsatilla . Pyrethrum Quercus . Radiola Katnischiu Ranunculaceeïn Ranunculus Raphanistrum Raphanus. Rapistrum Reseda . . Recedaceecn Rkamneeén Rhamnus , Rheum. . Bhinantheeén Rhinanthus Rhododendron Phodoraceeén Rhus . . Rhynchospora Ribes . . Ribesiaceeén Ricinus Robinia Rosa . , Posaceeén . Rubia Rnbiaceeèn Rubus . . Rudbeckia Rumex. . Ruppia. . Ruta . . Rutacee'én . 227 226 121 333 332 377 374 4z9 340 138 285 85 186 409 463 . 473 . 184 . 284 . 373 . 229 . 236 . 266 . 266 . 266 . 267 . 267 . 292 . 292 . 203 . 394 . 404 . 373 . 371 286 165 319 319 296 359 328 327 441 440 336 465 199 121 285 285 186 |
Sabina . . Sagina. . Sagittaria . Salicineeén Salicornia . Salix . . Salsola . . Salvia . . Salvinia Salttiniaceeën Sambucus . Samolus . Sanguisorba Sanicula . Santolina , Saponaria . Sarothamnus Satureja . Saxifraga . Saxifrageeën Scabiosa . Scandix . Scheuchzeria Schoberia . Schoenua . Scilla . . Scirpus Sclerantheeén Scleranthus Sclerochloa Scolopendrium Scopolia . Soorzonera Scrophularia Scropkularineeén Scutellaria Secale . Sedum . Setinum . Sempervivum Senebiera . Senecio Serratnla . Seseli . . Setaria . . Sherardia . Sicyos . . Sideritis . Sieglingia. Silaus . . Silene . . Süeneeën . Silybum . Sinapis. . 221, |
|
I p |
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Tabel der Nederlandsche plantennamen.
|
Aalbes .... |
319 |
Anemoon . . . . |
232 |
Bereklauw . . . |
|
Aalbesachtigen . |
319 |
Anjelier . . . . |
222 |
Berenoor . . . . |
|
Aalat .... |
469 |
St.-Antbonieskruid. |
396 |
Bergklit . . . . |
|
Aalstekel . . . |
180 |
St.-Anthonisraapje . |
237 |
Bergknop . . . . |
|
Aambeiwortel |
396 |
Anijszaad . . . . |
305 |
Berglelie . . . . |
|
Aardaker , . , |
364 |
Appel..... |
344 |
Berk..... |
|
Aardappel. . . |
390 |
Appetachtigen . . |
342 |
Berkachtigen . . . |
|
Aardbei . . . |
335 |
Appeltje der liefde. |
390 |
Berkhouterklaver . |
|
Aardeikel . . . |
364 |
Aralia..... |
313 |
Bernagie . . . . |
|
Aardkastanje. . |
305 |
Aronsbaard . . . |
118 |
Hesheide . . . . |
|
Aardnoot . . . |
364 |
Aronskelk. . . . |
118 |
Besvrucht. . . . |
|
Aardpeer . . . |
465 |
Aronskelkachtigen . |
117 |
Betonie . . . . |
|
Aardrook . . . |
244 |
Artisjok . . . . |
483 |
Beuk..... |
|
Aardveil . . . |
415 |
Aschkruid. . . . |
474 |
Beukvaren. . . . |
|
Aat..... |
139 |
Askalotten . . . |
105 |
Beursjeskruid . . |
|
Abrikoos . . . |
340 |
Asperge . . . . |
107 |
Bevernel .... |
|
Acacia .... |
359 |
Aster . . . 460, |
462 |
Bevertjes . . . . |
|
Aconiet . . . |
240 |
Augurk . . . . |
439 |
Bezemkruid . 265, |
|
Actea .... |
240 |
Aurikel . . . . |
377 |
Bies...... |
|
Adderkruid 85 |
179 |
Averuit . . . . |
469 | |
|
Adderruit . . . |
88 |
Azalea..... |
373 |
Biezebras .... |
|
Addertong. . , |
90 |
Biggenkruid . . . | ||
|
Addertonggewassen |
89 |
Buardgras . . . . |
136 |
Bikbeeren .... |
|
Addervorn. . . |
87 |
Ballote..... |
419 |
Bilzenkruid . . . |
|
Adderwortel . . |
197 |
Balsemien . . . . |
285 |
Binde ..... |
|
Adelaaravaren . |
85 |
Jtalsemienachtigen . |
284 |
Bingelkruid . . . |
|
Affodil .... |
106 |
Balsempeiuboom |
192 |
Bitterblad.... |
|
Afrikanen. . . |
466 |
Bargebloem . . . |
356 |
Bitterbloem . . . |
|
Agremone. . . |
331 |
Bargegras.... |
197 |
Bitterkers.... |
|
Abotn .... |
287 |
Barkhausia . . . |
489 |
Bitterkruid . . . |
|
Ajuin .... |
105 |
Bastaardgerst . . |
153 |
Bitterplant . . . |
|
Akelei .... |
239 |
Basterdbazenlatuw . |
483 |
Bittertong.... |
|
Akkerkool. . . |
483 |
Basterdmuur. . . |
375 |
Bitterzoet .... |
|
Akkerscherm. . |
304 |
Basterdwederik . . |
320 |
Blaadjeheide . . . |
|
Akkerveellid . . |
211 |
Bazielkruid . . . |
409 |
Blaaskruidachtigen . |
|
Alant .... |
463 |
Beekpunge . . . |
401 |
B laasstruik . . . |
|
Algoede . . . |
206 |
Beekschuim , . . |
396 |
Blaasvaren . . . |
|
Alpenroos . . . |
373 |
Beemdgras . . . |
143 |
Blauwbes .... |
|
Alpensla . . . . |
489 |
Beemdlangbloem |
148 |
Blauwbloem . . . |
|
Alsem..... |
470 |
Beerenbes .... |
371 |
Blauwe knoop â . |
|
Altbaeaboompje . |
279 |
Beien..... |
372 |
Blauwe regen . . |
|
Amandel . . . |
341 |
Bekervrucht . . . |
223 |
Blauwlelietjes . . |
|
Amandelachtigen |
339 |
Belladonna . . . |
391 |
Bleeken .... |
|
Amarant . . . . |
210 |
Bent..... |
156 |
Blik. . . . . . |
|
Amelandsgras . |
147 |
Bentgras . .141, |
142 |
Bloedboom . . . |
|
Andoom . . . . |
418 |
Berberis . . . . |
228 |
Bloedhout.... |
|
Andijvie . . 474, |
484 |
Berberisachtigen. . |
228 |
Bloedkruid . . . |
|
|
S»3
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Tabel der Nederlandsche plantennamen.
5««
Erwtenstruik Each . . Ãschdoom.
Eschdoomachtu Eschscholzia Esparcette
. 360 . 430 . 287 .287 . 243 . 361 . 102 . 286 . 140
. 447 . 385 . 307 . 462 . 265 . 137 . 406 . 304 . 168 . 466 , 198 . 337 . 133 . 274 . 362 . 199 . 140 . 461
. 221 187 186 166 167 . 236 . 421 . 473 . 488 . 402 . 333 . 265 . 206 . 203 . 326 9, 350 . 384 . 399 . 102 . 304 . 446 . 369 . 162 . 304 . 262 . 445
gen
B'aldriaan .
Felje . .
Fenkel . . Fennebloem Fiekruid . Fioringras Fistelkruid Flierfinkruid Flok . . Fluweeltjes Fonteinkruid Framboos . Franiegras Frankenia. Fransche klaver Franschmannen Franech raaigras Fijnstraal .
Gaffelsteng Gagel . . Oagelachtigen Galigaan . Galigaangras Galle . . Gamander . Ganzebloem Ganzedistel Ganzenmuur Ganzerik . Ganzetong Ganzevoet. Q-anzevoetachtiffen Garouboompje Gaspeldoorn Gedenkmij Geel mutsje Geelster Geer . . Geiteblad . Geiteklaver Geitenoog . Geitepoot . Gekkenzaad Geldersche roos
121
167
34
|
Esachenkruid Evene . . | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Gele keien Genadekruid Gentiaan . Q-entiaanacMigen Gerardskruid .
Gerst . . .
Gierst . . . Gierstgras. .
Gifbes . . . Glanswortel .
Glaskruid . . Gleditschia .
Glidkruid . .
Goede Hendrik Gortrijst . .
Gouden regen Goudhaansvoer Goudknopje . Goudsbloem .
Goudveil . .
Gouwe . . . Grasanjelier .
Grasbies . .
Grasbloem Grassen . . Grilkieker. .
Grintkruid Grondheel. . Guichelheil . Guldenroede .
Haagbeuk. .
Haagdoorn H aanderiksbloem Haargras .
Haar kruid.
Haarlems klokkenspel .....317
Haarsteng.... 296 Handekenskruid. . 173 Hanebolt .... 116 Hanekam . . 210, 404 Hanekammetjes. . 361 Haneklootjes. . . 238 Hanepoot 133, 204, 236, 304
Hanevoet ,
Hardbloem Hardgras .
Bardkelk .
Hard vrucht Hartjes. . Hartjesklaver Hauwkers. ,
|
Tabel der Nederlan dache plan | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hortensia Houtpijp Huisloof . Huislook . Hulst . . Hunnebessen Huttentut. Huulsblad. Hyacint . Hyssop. . Ifte . . . Ipomea. . Irisachtigen Kaarde . . . Kaardeachtigen Eaardebol. . Kaardenkruid | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
S»S
tenna m en.
. . 318 . . 83 . . 316 315, 316 . . 290 . . 290 . . 337 . . 262 . . 459 103, 104 . . 412
313 381 114
Jaag den duivel . 272 St.-janskruid 273, 315 Jantje korvendraag-
ster .... Japansche pirus.
Jasmijn . . . Jasmijnach tig en . Jehovabloempje . Jeneverboom . . Jeneverstruik Jeruzalemsche
artisjok . . . Jeukkruid. . .
381 344 318 318 317 96 96
465 236 198
Jodenkers .... 391 St.-Joriskruid . . 447 Judaspenning . . 260 Jufferssehoenen . . 358 Juffertje in 't groen 239 Jukboom .... 183
180 449 449 . . 450 . . 487 . . 277 . . 277 . . 439 . . 483 . . 397 . . 118 . . 205 239, 477 . . 118 . . 148 471, 474
Kaasjesbloem Kaasjeskruid . Kalebas . . Kale jonker . Kalfssnuit. . Kalfsvoet . . Kali. . . . Kalketrip . . Kalmus . . Kamgras . . Kamille . .
Nederlandsohe plantennamen.
SBO Tabel der
478 448
312
313 313 160 292 226
237 298 106 346 204 470 180 204 204
371 311 462 162 319 197
372 319 267 362 428 385
238 360 296 310
283 119 372 144
284 263 416 163 162 319 289 288 245 303 â¢T19 476 476 171
83 390 162
. 436 . 43ó . 380 . 371 . 437 . 214 . 487 . 411 . 105 . 260 . 26quot; . 479 . 165 . 267 . 257 . 466 . 205 .471 . 462
Keelkruid . Keelwortel Keesjesbloem Keizerskroon Kelkgras Kemp . Kerria .
Kers Kerstroos Kervel .
283 283 221 201 426 242 439
422 236 180 306 479 479 319 241 479 192 354 282
428 268 268 268
Kamille moederkruid . . .. 474 Kamperfoelie. . .446 Kanariegraa . . .131 Kanariekruid. . . 476 Kanariezaad . . .131 Kankerbloem. . . 242 Kankerbloempje. . 236 Kannewasscher 116, 450 Kantvrucht . . . 438 Kardinaalsmuts . . 291
Karmil.....262
Kartelblad . . . 405
Karwei.....305
Kastanje . . 185, 286 Kastanjtachtigen . 286 Katoenbloem . . .168 Katteklauwen . , 442 Kattekruid . . . 415 Kattendoom 326, 350 , 351
Kattenbont . . .191 Kattepootje . . . 468 Kattestaart 83, 210, 320, 325
Kattestaartachtigen. 324 Kattevoet .... 468
Kievitsvet. Kikkerbloempje Kikkerkruid . Kikkerstoelen Kladdebos. . Kladdewortel. Klapbes . . Klaproos . . Klarreboa . . Klaterpeppel . Klaver . . . Klaverzuring.
Kettingbloem , . 487 Keutelbeeren . . .371 Kiek . 259, 263, 267 Kievitsbloem 103, 254
. . 429
. . 385
. â 277
. . 103
. . 142
195, 355
. . 339
. . 340
. . 239
303, 311, 312
Klaverzuringachtigen 282
Knoopkruid Knopbies .
Knopberik Knopkiek .
Knopkruid Kocbia . .
Koedille .
Koeienbloem Koekoeksbloem 173, 226, 264
Koekoeksbrood Koekoeksklaver Koekruid .
Koeleek Kogelbloem Kollebloem Komkommer Komkommerachügen 439 Komijn . . 305, 310 Koninginnekruid . 469 Koningskaars 395, 396 Kooingsvaren . . 89 Konstantinopel . . 226 Konijnenblad Kool . .
Koolraap .
Koolzaad .
Kooltje vuur Koornroos . . 226, 242 Koortswortel . . . 447 Koraalkruid . . . 107
Kleef.....442
Kleefkruid . . . 442 Eleeroogen . . . 448 Kleinbarig gras . .112
Klet......442
Klift . . . . .442 Klimop. . . 313, 380 Klimopaehtigen . .313 Klissen. 442, 465, 479
Klit......479
Klitze.....465
Klokbilzenkruid . 391 Klokje . . . Klokjesacktigen Klokjeswinde Klokkebeien Klokskens.
Knawel Knikbloem'
Knipluis Knoflook . Knoflookkruid Knol . .
Korenbloem Korensla . Koriander .
Kornel . .
Kornoelje .
Kortsteel . Kraaibesgen Kraaiebloem Kraaienpooten Kraaibeide Kraai look .
Kraal boom Kraalkruid Krabbeklootjes Krabbenklauw Krabbekwaad Krabbestruik . Krakelbes. . Kranebek . . Kransje . . Krempeldraad Krentenboompje Kreupelgras . Kreuzen . . Krissen . . Krodde 198, 269,263, Krok . . . 361, Krokkeling . . . Krombalg ....
Kroon.....
Kroonkruid . . . Kroontjeskruid 293,
Kroon tjesmier . .
Kroos.....
Kroozen .... Kropaar .... Kruidje roer mij niet Kruidkers .... Kruip door den tuin Kruipertje . . . Kruipkoren . . . Kruisbes .... Kruisbloem . . . Kruisbloemachtigen .
Kruisdistel Kruisdoorn . . . Kruiskruid . . . Kruiswortel . . . Kulletjeskruid . . Kwadenaard . . . Kwalster . . 346, Kweek.....
Nedertandsche plantennamen.
Tabel der
lt;«9
168 168 386 204 106 255 96 308 341 186, 405 208 287 291
351
352 223 380 283 345
334 107
342 462
208, 209 . 209 .462 233, 416. 488 309 376 488 439 364 363 410 269, 263 137 208 219 261 86
343 20G, 208
473 218 180
167 303 175 194 194 486 414 429 240 227
168 168 341
104, 486 314 268, 263 259 488 111
136 197 488
137 137 152 154
484 96 136 184 206 462 . . 135 . . 140 . . 363 487, 488 . . 341 . . 308 . . 152 397, 398 392 332 484 103
ook
434 â en 433 . 336 . 242 . 90 . 473 . 462 . 466 . 228 . 412 . 277 420 277 276 391 . 146 . 446 . 428 . 88 . 308 . 366 . 367 . 462 . 483 . 412 . 96 . 473 . 166 . 168 . 441 . 137 . 138 . 241 . 261
:ruid
Muizen met staarten 364
Lelieachtigen. . . 100 Lelietje der dalen . 107 Lepelblad 179, 261, 265 Lepeldiefje . . . 265 Lepels en vorken . 265 Lepeltjebeide. . . 372 Leukooi .... 260 Levensboom ... 97 Leverbloem . . . 232 Leverkruid . 331, 469 Lidruske .... 83 Lidsteng .... 324 Liefdegras . . .144
Liend.....380
Liesgras . . , .146 Lieve vrouwe bed-
stroo.....441
Liguster .... 429 Limoenkruid . . . 379
Linde.....276
Lindeachtigen . . 276 Lindeboom . , . 287
Linze.....363
LipUoemigen. , . 406
Lisch.....114
Lisehachtige». . .114 Liscbbloem . . .114 Liscbdodde . . .116 Lischdodden . , .115 Lobelia .... 438 Lof......484
Lamkruid. . . Lammerenhout . Lammersteert Lammertj eenoot. Lammertjesooren Landjebloem. . Landvluis. . . Langgras . . . Latherus . . . Latuw . . Laurierkers Lavas . . Leedgras . Leeuwebek Leeuwelekachtigen Leeuweklauw Leeuwetand . Lelie . . ,
Kweldergras . . .146
Kwets.....340
Kwetsenbeienboom. 345 Kwijlkwabben . .201
Maandbioeier Maankop . Maankruid Madelief . Madeliefje Madia . . Magnolia . Majoraan . Malowe Malrove Maluwe Malteachtigen Malwillempjesk) Mannagras Mannetjeskruid Mannetjesplantein Mannetjesvaren Manskracht Mansoor . Maretakken Margeriet. M ariadistel Marjolein . Mastboom.
Mater . . Mattebies . Mattevlas .
Lok. . . Lokken Longkruid Loogkruid Look . . Look zonder Lorkenboom Lubbestok St.-Luciakers Luiskruid . Luismelde. Luitenboom Luizenboom Lupine. Luzerne Lij in kruid Lijn. . Lijnzaad Lijsterbes
Maagdepalm .
Meele Meelraai . Meerbladen Meerradijs
Meerwortel Meibloem . Meidoorn . Meizoentje Mei. . .
Melde â . . Meliefke . Melkbloem M eikdistel Melkeppe . Melkkruid Mellewijt . Meloen Melote. . Mengzaaderwten Ment . .
Merk . .
Metel . . Meyen . .
Mier . . Mierik . . Miltkruid . Mispel . . Modderkwaac Moederkruid Moebringia Moerasaloë Moerasliefje Moerasscberm Moeraswortel Moerbezie Moerbezieachtigen Molsla . . Monarda . Mondhout. Monnikskap Montia. . Mooren Moorke Morel . . Morgenster Mosbloempje Mosterd 257 Mosterdzaad Motdissel . Mothaar . Motraai Mottegras . Motijzel . Muggebeen Muggepoot Muizegerst Muizenkoom
Tabel der Nederlandache plantennamen.
«â¢Â«
491 234
410
411 219 317 399
, 219 . 211 . 2S0 . 31a . 86
. 114 . 114 . 174 . 85 . 133 . 94 . 311 . 311
402 279, 311
279 115 282 139 171 412 385
309 240 142 487 196 196 428 198 . 238, 241 144
459 410 82 83
486 4P6 352 459
472 111 297
473 152 132 241 399 241 291 198 291
487 477 142 386 318
325 265
309
310 309, 310
152 344 376 271
326 264 264 261 339 198 459 307 392 146
389 388 211
5, 269 226 332 184 113 113 302 292
192
193 193
87
238
239 239 186 120
390 186 186 134
, 195 , 429 . 326 . 415 83 antel 332 173 243
Nachtkaars 322, 395, 396 Nachtschade , Nachtschaden Nacbtscboone Nachtviool Nagelbloem . Nagelkruid Rapj esdragenden Narcis . . . Ifarcisachtigen Navelkruid . Nertpruim Netelachtigen . Netelkruid Nettel . . .
Niervaren . .
Nieskruid . . Nieswortel Nigelle. . . Noteboom.
Nymfkruid
Huizenoor Muizeataart Munt . .
Munte . .
Murik . . Muskuskruid Mutsje . .
.Muur . . MuurarMigen M uurbloem Muurpeper M uurruit .
Naakte eerstjes Naakte mannetjes N aak t klierbloem Naaktvarenl . . Naaldaar . . . Ãaaldboomen . . Naaldenkervel N acbtégaalskruid
Oerhout Okkernoot Okkernootachtigen Oleander . Olm. . . Olijfachtigen Olijfwilg . Onderhave Oneet . .
Onze vrouwenmi Oogenbruin Oogenklaar
Paardeklauw . Faardenblei . Paardestaart Paardestaarten Paardenbloem Faardsbloem . Paarsche klaver Paddebladen . Paddebloem ⢠Padderusch . Palmboompje Pandbloem Panen . . . Panikkoren . Pannekoeken. Pantoffelplant Papaterachtigen Papenhoed Papenkwaad Papenmuts Papenstoelen Papierbloem Parelgras . Parelkruid Parnaskruid Partijke . Pastel . . Pastinaak . Peeën . . Peen . . Peengras . Peer. . . Penningkruid Pensee . Peperboompje Peperkers . Peperkruid Peperwortel Perzik . . Perzikkruid Pestwortel Peterselie . Petunia Piekgras .
Ooievaarshekken Ooievaarsbloem Oostindische ker Oot . .
Orchis .
Orego . Ossetong
Oogetroost Ooievaarsbek .
Platzaad .
Plomp . . Pluimgras. Pluiskruid Poelruit Polei . .
Pols . . â . Pommel Pompebloem Pompoen . Populier . Porselein . Porseleinachtig en Porseleinbloempj e Portelbes . Possem. .
Post. . . Prangwortel . Prei.... Pri mkruid . Prikneus . . Pronkers . . Pronkerwt Pruikenboom. Pruim . . . Puingras . . Purperwinde . Putterdistel . Pijlhout . . Pijlkruid . . Pijn .... Pijnen . . . Pijpbloem. . Pij pdoornstekels Pijpekop . . Pijphermoes . Pijpkruid . .
Quendel . .
St -Pieterskruid . . 377 Pilvaren .... 90 Pimpernel.... 332 Pimpernoot . . . 289 Pinksterbloem 115, 225, 254
Pinkstemakel Pioenroos . â¢
Pionten . . Pissebloem Plataan . . 1'laiaanaehligen Platvoet . .
Baai
5»»
|
Tabel der Nederlandse he plan tennamen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Nederlandsche plantennamen.
S30 Tabel der
. 143 . 316 . 426 . 303 . 362 . 144 . 264 . 312 . 265 . 446 . 307 . 102 . 229 . 365 . 341 . 132 , 132 . 254 , 176 . 102 . 11« . 113
478
218 459
472 243 292 166 374 20R 278 240 310 428 378
86 489 372
473 372
136
137 288 416 484
459 275 185 465
151
152 264 263
95 322 338 412 , 136 355 . 311 . 390 428 442 , 86 , 394 , 465 . 283 , 306 . 334 . 115 . 428 . 152 . 340 . 478
255 332 288 390 378 375 432 96 lt;i8, 396 482 382 385 151 208 337 448 174 113 292 292 345 284 448 292 258 294, 295 216 216 351 169 479 440 108 316 316 86 . . 459 . . 342 264, 341 355, 358 255, 256 . 86 . 413 . 472 . 386 . 482 . 319 . 350 . 180 . 464 311, 384 440 104 264
468,
. 380 . 447 . 447 . 474 . 85 . 88 . 84 . 86 . 197 . 265 . 308 . 309 . 481 . 323 . 197 . 372 . 372 . 168 . 168 . 132 198, 376 144 112 254, 264 448 448
Sophiekruid . Sorbenkruid . Spaanscbe aak Spaansche peper Spaansch gras Spaansch groen Spade klokskens Spar .... Speenkruid Speerdistel Speerkruid Spekwortel Spelt . . Spinazie .
Spirea . . Sponrbloem Spoorloos . Sporkelle . Sporkenhout Sprakel Spreeuwbezieboom Springzaad Sprinkbaankrui( Sprokken . . Spruitjes . . Spurge. . . Spurrie . . Spurriekruid . Stalkruid . . Standelkrwiden Startott'ea . . Steekaugurk . Steenbies . . Steenbreek Steenhreekachtigen Steen breek varen Steenbreker . . Steendoorn . . Steenkers . Steenklaver Steenraket Steenruit . Steenthym Steen varen Steenzaad .
Stekel . . Stekelbes . Stekelheide Stekelkruid Stekelnoot. Stekelzaad Sterblad'gen Sterhyacint Sterkers .
Stronkbes . Stroobloem Struikheide Struisgras . Struisriet . Suikerahorn Suikernetel Suikerij
Tabak . . . 3lt; Tamariske . . Tamme Kastanje Tandzaad . . Tarwe . . . Tarwegras Taschkers . . Tapjes kruid . Taxis . . . St.-Teunisbloem Theeboompje. Thijm . . . Timothygras . Tochtklaver . Toeters. . . Tomaat . . Tonge . . . Tongel . . . Tongvaren Toorts . . . Topinamboer. Torenkruid Torkruid . . Tormentil . . Tradescantia . Treewegen Trekgras . . Trekkebek Tremske . .
Storredistel . Sterremuur . Stinkblad . . Stinkbloem . Stinkende gouwe Stinkhout . . Stoelenbies . Stofzaad . . Stokmel . . Stokroos . . Stormhoed Stiaalscherm . Strandbloem . Strandkruid . Streepvaren .
Trilgras . . Tripmadam , Trompetboom Tuimeldistel . Tuinboon . . Tuingras . . Tuinkers . . Tuin kervel Tuinlepeltje . T uinling . . Tuinscheerling Tulp . . Tulpenboom . Turksche boom Tiirkscho krenten Turksche tarwe Turksche weit Turrenkruid . Tweeblad . Tijdeloos . . Tijdlelie . . Tijloos . . .
Valbloem . . Valeriaan . . Valeriaanachtigen Valkruid . , Vanen . . . Varenmanneke Varens . . . Varenwijfke . Varkensgras . Varkenskers . Varkenskervel Varkenskool . Vederdistel . Vederkruid .
Veenbes V eenboschbes Veenhamels . Veenpluis . . Veenreukgras Veen wort el Veldbeemdgras Veldbies . . Veldkers . . Veldkrop . . Veldsla. . . Venkel. . . Venushaar
Ui . ünjer
S31
|
Tabel der Nederlandache plan tennamen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
SB»
|
Tabel der Nederlandsche plantennamen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
BEOORDEELINGEN
Sehoolflora voor Nederland,
II. H E TI K E L S.
âHeukels' Flora is onmisbaar.quot; (De Natuur in.)
âEen uitstekende leidraad voor het determineeren van planten.quot;
( Wetensch. bladen.)
âDe inrichting is zeer doelmatig, de uitvoering netjes en de prijs matig.quot;
(Vooruit.) G. A. V. v. O.
âDeze Flora zal zeker door den beginneling naar waarde worden geschat.quot;
(De Vooruitgang.) ,1. Hennen.
âDit boekje is een uitstekende handleiding.quot; (Roft. Nieuwsblad.)
âZiedaar een boek, dat stellig onze aandacht verdient, dewijl het in menig opzicht van de gewone Flora's afwijkt en meer dan eene nieuwigheid invoert, welke vee! goeds zal opleveren.quot;
(De Vereeniging.) A. D. C.
âHet is mij een waar genoegen geweest, met dit boekje kennis te maken wegens de uitstekende eigenschappen, die het vertoont.quot;
J. C. Costerus.
âDit ondanks zijn omvang zeer handige boekdeeltje verdient zeker den bijval, dien het, blijkens de 6 drukken in 10 jaren, bij de beoefenaars der botanie heeft gevonden. Vooral voor het determineeren van planten is het zeer gezocht en geschikt. Een waar Vademecum voor den plantenliefhebber.quot; (De Kath. School.)
âGaarne bevelen wij dezen zesden druk bij onze lezers aan. Door kortheid en goede keuze van in het oog vallende kenmerken munt het uit. Bij het determineeren wordt zoowel het natuurlijke stelsel als dat van Linnaeus gevolgd.
Heukels' Sehoolflora komt ons voor uiterst praktisch te zijn.quot;
(Chr. Schoolblad.)
âVoor natuurvrienden een onmisbaar boek.quot;
(Nieuwe Schoolbl.)
âEen der gemakkelijkste en prettigste werkjes voor het determineeren.quot; (Chi. School.)
âEen uitstekende handleiding.quot; (Friso.)
Uitgave van P. NOORDHOFF te Groningen.
PLANTENSCHAT.
INLEIDING
TOT DE
kennis der Flora van Nederland,
DOOR
F. J. VAN UILDRIKS
EN
DR. VITUS BRUINSMA.
Met 160 gekleurde platen.
Gebonden f 3,5O.
BEOORDEELINGEN:
âPlantensehat is een keurig boekje.quot; (Floralia.)
âEen keurig boekje, waarvan ik de verschijning met warmte begroet.quot;
{Tijdschrift v. Onderw. en Opvoeding.)
âBepaald onmisbaar.quot; (De Sollicitant.)
âEen gelukkige gedachte ook voor Nederland een dergelijke handige plantkunde te bewerken.quot; {Vragen van den Dag.)
âEen waar juweeltje. (Nieuws van den Dag.)
âAllerkeurigste afbeeldingen, een prettigen, opgewekten stijl, een sierlijk prachtbandje.quot; (De Kath. School.)
âEen keurig boekje.quot; (Hollandsche Lelie.)
âHet boekje laat zich gezellig lezen, maar er valt ook veel, heel veel uit te leeren.quot; (Amsterd. Weekblad.)
âEen handig boekje.quot; (De Natuur.)
âDit werkje zal zeker kunnen medewerken om de kennis van onze in het wild groeiende planten te vermeerderen.quot; {De Telegraaf.)
âEen alleraardigst en keurig uitgevoerd boekje.quot; (Vaderland.)
âHet boekje ziet er prachtig uit; uitgever en auteurs hebben getracht iets schoons en goeds voort te brengen.quot; (De Vacature!)
âEen zeer mooi en goed boekje.quot; (De Schoolwereld.)
âEen der uitmuntendste onder zijn soort.quot;
(Victor Li van Holland, Onderwijzer.)
Uitgave van P. NOORDHOFF te Groningen.
PLANTKUNDE VOOR EERSTBEGINNENDEN,
naar dk leerboeken van
M. T MASTERS, 0. IV, THOME en anderen
bewerkt door
- S. P. HUIZINGA,
Leeranr nan de R. H. Burgerschool en aan de Burgerdag- en Avondschool te Leeuwarden.
Met een aaiUeveleM woord yan Prof. P. DE BOER te Groningen.
|
EERSTE STUK: MOBPHOLOGIE en SYSTEMATIEK. Met 2go houtsneêfig. Vierde druk. â Prijs Æ1,90. Heb. f «.£5. |
TWEEDE STUK: ANATOMIE en PHYSIOLOGIE. Met 134 houtsneêfig. Derde druk. â Prijs Æ1,90. «,'efc. Æ Â«,8.5. |
BEOORDEELING li N:
......âIk kan na het bovenstaande het werkje aanbevelen
als eene alleszins geschikte en bruikbare handleiding bij het onderwijs in de plantenkunde; het zal den lust tot studie van de planten en van de verschijnselen in de plantenwereld bevorderen.quot;
(/sis.)' Dr. .t. Th. Cattie.
âDe namen der Schrijvers, volgens wier werken dit leerboek is ingericht, waarborgen veel goeds; de bewerker heeft ze geen oneer aangedaan en eene in de meeste, zoo niet alle opzichten goed bruikbare handleiding gegeven, die ten zeerste mag aanbevolen worden.quot;
v. D. HARST.
âDe voorstelling is duidelijk, de voorbeelden zijn goed gekozen; ook is de uitvoering net en zijn de teekeningen voor het beoogde doel alleszins voldoende.quot; (Ons Recht.)
âDit werk verdient èn om zijnen degelijken inhoud èn om zijne prachtige uitvoering eene onvoorwaardelijke aanbeveling en is mijns inziens bovendien eene zeer geschikte handleiding voor hen, die voor hunne hoofdonderwijzersacte studeeren.quot; (Vooruit.)
âDaarmede zij het verdienstelijk werk van den heer Huizinga ten zeerste aanbevolen.quot; ' (De Vereeniging.)
âHet groot aantal afbeeldingen en de twee uitvoerige alphabetische registers maken het gebruik van het boek aangenaam en gemakkelijk en het zal zeker in dezen vierden druk op tal van h. b. scholen en gymnasia en door vele aanstaande onderwijzers gebruikt worden, wat het ten volle verdient.quot; (Het Schoolblad.)
âHet werkje, voorzien van 290 afbeeldingen, verdient dan ook veel lof om den degelijken inhoud en de doelmatige inrichting.'
(Dagblad v. Z.-Ãolland.)
âVerdere aanbeveling is voor dat studieboek overbodig.quot;
(De Wekker.)
âWij bevelen het werk voor de opleiding onzer onderwijzers in het bijzónder zeer aan.quot; (Chr. Schoolbode.)
Uitgave van P. NOORDHOFF te Groningen.
DIERKUNDE YOOR EERSTBEGINNENDEN,
door
S. P. HUIZINGA ,
Leeraar aan de R. H. Burgerschool eti aan de Bnrgerdag- en Avondschool te Leeuwarden*
Eerste stuk. Derde druk. â Prijs f '1,90.
Met 168 houtsneêfisuren.
[Eerste Cnrsos: Inleiding (ie MeoscD-Hoofdafdeelingen van bet Dierenrijt]
Tweede Stuk. Tweede druk. â Prijs f 2,25.
Met 2.,{7 houtsneêfiguren.
[Tweede Cürsns: Klassen en Orden yan Gewervelde en Gelede Dieren.]
BEOORDEELINGEN:
quot;tls «en alleszins geschikte handleiding voor leerlingen der H. B. S. een uitstekend studieboek voor kweekelingen en hulponderwijzers.quot;
( Uit Het Zuiden.) J.
âMet klimmende aandacht volgt men de kl.ire en bevattelijke beschrijving van verschillende diervormen, die ons het meest bekend zijn, en het is met bewondering, dat men de wijzigingen nagaat, die de organen bij deze vormen ondergaan.
Het werkje is sierlijk opgeluisterd met prachtige figuren.quot;
{De Toekomst.)
âWij wenschen het boek van den heer Huizinga een warmen bijval.quot;
Gent. Ed. Verschaffelt.
âWij behoeven niet op den herdruk te wijzen, om de bruikbaarheid van dit werk te beselïen.quot; (Rott. Nieuwsblad.)
âZijne dierkunde voor eerstbeginnenden is nochtans een zeer goed werk. In 'teerste deel behandelt de schrijver den mensch als inleiding, en de hoo f da f deeling en van het dierenrijk. Het tweede deel is gewijd aan de klassen en orden van de gewervelde en gelede dieren.
Beide werken verdienen meer gekend te zijn en, evenals in Nederland, meer te worden verspreid.quot; (De Vereeniging.)
âDe vele houtsneden zullen allicht de leerlingen tot een zelfstandig onderzoek van zoo gemakkelijk te verkrijgen diervormen uitlokken, terwijl de beknopte en heldere tekst de taak van den leeraar aanzienlijk vergemakkelijkt. Een korte samenvatting van de hoofdpunten van overeenkomst en verschil aan het eind van iedere afdeeling zal zeker dienstig zijn om de verkregen resultaten nog beter in het geheugen te prenten.
âMet veel belangstelling zien wij het tweede stuk , waarin wellicht ook nog andere vertegenwoordigers van de Afdeeling der Invertebrata zullen ter sprake komen, tegemoet.quot;
{Gids.) a. A. w. h.
â¢ningen.
WENDEN,
dschool te Leeuwarden*
'1,90.
m M Dierenrijk.]
s f 2,25.
Gelede Dieren.]
ingen der H. B. S. )onderwijzers.quot; ' J.
i bevattelijke belet meest bekend ngen nagaat, die
figuren.quot; e Toekomst.)
i warmen bijval.quot; rerschaffelt, )m de bruikbaar-. Nieuwsblad.)
ms een zeer goed mensch als inlei-et tweede deel is 3» gelede dieren. evenals in Neder-Vereeniging.) ;ot een zelfstandig irmen uitlokken, den leeraar aan-i de hoofdpunten ere afdeeling zal beter in het ge-
, waarin wellicht der Invertebrata
a. a. w. n.