^ENE j^EURUEZrNC.
pEDICHTEN VAN pE yOLKS-^/VlSSIONARIS.
4
Boekdrukkerij J. W. van Leeuwen, Maarsmanssteog.
}mA HÃ 9 W
pEDICHTEN
van
DE VOLKS-MISSIONARIS.
Eene Keurlezing.
Leiden ,
J. W. VAN LEEUWEN ,
Maarsmanssteeg.
1896.
/O,
\lt;^ â
V
CUM PERMISSU SUPERIORUM.
imprimatur.
|
Sassenhemii , die 5 Augi 1896. |
H. j. Borghols, I.ibr, Cchs. |
^AN DEN j_EZEI\.
' /
Hel doel dezer uitgave is geen ander dan in breeder kring hetzelfde te bemerken, dat wij door de uitgave in De volks-Missionaris bij onze Lezers poogden te bereiken: God, den Verlosser en zijne H. Moeder, de Kerk, haar Heiligen en feesten in al hun schoonheid en beminnelijkheid te doen kennen, waar deer en, genieten.
Moge onze poging slagen, zoo zal de moeite, die een keuze en herziening der gedichten medebracht, overvloedig vergolden zijn.
Aan de Lezers der Keurlezing een bescheiden verzoek: Wilt deze gedichten met dezelfde goedgunstigheid beoordeelen, waarmede zij door de Lezers van De Volks-Missionaris in de maandelijhsche afleveringen werden ontvangen.
pe Redactie van de yolks-/vlissionarts.
Roermond, Pinksterfeest 1896.
OPDRACHT
AAN DEN
y^LPHONSUS JAARIA DE'j_^IGUORI.
5tl)j|)aii^n§, ajj tuienp ticelö soa gaarne cmp aog mag ^tarcn,
Ce trebcii in luicng #paor ani tappunt i§ Uiin eer;
D^ienf ttim^t te toinncn onö meet gclbt ban gaub te garen: Jfanbaarb bit feegtgegcljenïi; jie ap bee^'öulbeneer.
â¬ergt sangen lui) in JSecrlanbltlj bicljt ulu liebren iuecr; Caen, Jui|trenb naar ulu taan, antlaUten toe aan be Snaren â¬en eigen ïieb, bat jjaagbe uto sangen te eüenaren,
Stlö be ntoe 't cene ^tljaon boen minnen aïtijb meet.
â Ifhilui) 't ttoeebe eentogeti)ban nto geüaorte bieren, â¬n 't silüren jaarfeest filam, 5iiib5 IDiiiS u Utoam gieren 3115 Iteraar in uJabs Merfi met be adjtü're lantaerftraan:
.iSu baen lui) n ter eere ajjnienlu 0115' jangen Ijaaten. Ulu sniig ^treeïe in bien taan nag een^ be Iiiipterenbc aaren; üPat luare, 5t!)jl)an^ufi, baar nto Hinbren, 't Ijoogjlte ïoon!
DE H. ELISABETH VAN THURINGEN VOOR HET KRUISBEELD.
Op den Wartburg in Thuringen
Leefde Sint Elisabeth,
Bloeide ze als de blanke lelie, Als het needrig violet.
Uit het verre Hongarije
Kwam ze, de eedle vorstenspruit. Den Thuringer gravenzone Toegezegd als koningsbruid.
't Was het feest der Lieve Vrouwe;
Zang en feestmuziek weerklonk In de kerk der Duitsche riddren, Die in vollen feesttooi blonk.
Van het burgslot op den bergtop
Daalde een uitgelezen stoet Eedlen, vrouwen en jonkvrouwen Tempelwaarts met vroom gemoed.
i
In het midden van die schare
Ging met schuchtren maagdentred 't Kind, dat gansch de landstreek roemde, De engelreine Elisabeth.
Zedig treedt zij door de menigt'
't Wierook geurend kerkschip door, Tot waar de eerplaats haar bereid was In het glanzend gravenkoor.
En in stille godsvrucht knielt ze
Op haar marmren bedestoel,
Vlak voor 't kruisbeeld, 't reine harte Vol van 't zaligst feestgevoel.
Met den blos der lenterozen
Op haar wezen hemelzacht,
Met haar engelreine blikken,
Met haar kostb're hoogtij dracht,
Met de zware gouden krone
Op het hair van gitzwart zij,
Scheen ze een engel voor Gods trone, Vierend 't eeuwig hooggetij.
Dan in 't zoetst gebed verzonken.
Houdt ze 'toog op't kruis gericht; Roerloos staat ze, of heel de wereld Voor haar open blikken zwicht.
â 3 â
In den geest ziet zij de wonden,
Ziet zij 't stroomend purper bloed,
't Hart door de ijsb're lans doorstoken, 't Hoofd van doornen wreed doorwroet.
Wat haar deert? Hoe heel haar aanschijn Wordt ontgloeid ! â dan weer verbleekt
Op haar wang de blos, â wat zuchten Slaakt ze, of 't kloppend harte breekt!
Is het lijden? Is het liefde,
Wat haar teedre ziel doorwondt?
Is 'teen liefdepijl, dien Jezus
Haar van 't kruis in 't harte zond ?
Zie, daar rijst zij; zie, daar knielt zij Snikkend op den kouden steen;
«Gij aan 't kruis, ik op een trone ? «Jezuszucht zij, «eeuwig neen!quot;
En zij zet de gouden krone Van haar donkre lokken neer;
))Gij zoo zucht ze, «een kroon van doornen ? «Dan voor mij geen gouden meer!quot;
En zij slaat den dichten sluier Voor 't bekoorlijk aangezicht.
Maar den blik van 't vlammend harte Nog op 't kruisbeeld steeds gericht.
â 4 â
Neen, haar deert het bits verwijten
Van de trotsche burchtvrouw niet,
Noch de lach, waarmeê de hofstoet Spottend op haar nederziet.
In de hoogste zielsvervoering,
Kwijnend door Gods liefdevlam, Bad ze, tot aan 't eind' der hoogdienst 't Feestgezang haar wekken kwam.
Maar de wond, haar hart geslagen.
Bleef haar, â werd haar zielsgeneugt In haar rampspoên, â deed haar sterven Aan der wereld ijdle vreugd',
Tot ze jong, gerijpt door 't lijden,
Slechts naar d' eeuw'gen Bruidegom Nog .versmachtend, juublend opvloog Naar der liefde heiligdom.
MARIA BIJ HET KLEED ONZES HEEREN.
Nu zing, mijn lier, zing van de smart Der Moeder eeuwig schoon.
En hoe zij treurde bij het kleed Van haren een'gen Zoon ....
Eens zat zij eenzaam in haaiquot; woon; De laatste scheemring viel;
't Werd stil bij d'ondergaanden dag, 't Was stil ook in haar ziel.
En bij haar lag het dierbaar kleed. Waarop zij blijde staart;
Het schijnt wel in haar stralend oog Meer dan de heemlen waard.
Reeds stond zij vroeg aan 't weefgetouw, En 'tzonlicht wijkt niet meer.
Of 't zonder naad geweven kleed Legt ze op haar schoot ter neer.
â 6 â
Is 't wellicht, bruid, dat schoone kleed, Voor uwen bruidegom?
En sprak van hem de vreugdetraan. Die op uw wangen glom ?
Of, moeder, geeft ge uw dierb'ren zoon Dit moederlijk geschenk,
Wanneer hij trekt naar 't oorlogsveld, Opdat hij aan u denk'?
Zij sloeg, de Moeder, de oogen neer, En scheen te peinzen lang....
En tranen wellen haar in 't oog;
Haar vreugde wordt zoo wrang.
Zij blijft steeds staren op het kleed. Dat eens haar Jezus dekt.
Och 't is het beeld ook van haar Kind, Volmaakt en onbevlekt.
Zij kust het teederlijk, dat kleed, En drukt het aan haar borst,
En lescht in eenen tranenvloed Haar heeten liefdedorst.
Want daar ontrolt zich voor haar geest De tijd van smart en wee;
Zij leest de toekomst in dat kleed. Zij, Moeder, leeft die meê.
â 7 â
Zij ziet haar Zoon weldoende gaan
Door Isrels land en stad,
Zijn kleed ziet zij doorweekt van 't zweet Op 't evangelie-pad.
Zij ziet den Lijder in den hof,
Hoe Hij in 't dierbaar kleed,
Ter aarde biddend uitgestrekt,
Zijn droeven doodsstrijd streed.
Dan ziet zij Jezus onder 't kruis
Gaan naar de plaats der straf,
»Is dat het kleed!quot; zoo roept zij uit, »Dat ik mijn Zoon eens gaf?
sZoo rood van bloed! âToen was het wit,
«Als de onschuld van mijn Zoon; ))'k Herken Hem toch aan 't dierbaar kleed, »Hoe is 't Hem thans ten hoon!quot;
Zij volgt haar Kind tot op den berg.
Zij volgt Het in den geest.
Zij volgt het Lam, tot waar men 't scheert Ach neen! geheel ontvleescht.
Daar wordt het kleed Hem afgerukt:
Maar 't kleed wordt niet gescheurd, Het goddiijk vleesch slechts, dat Hem gaf De Moeder, die daar treurt.
â 8 â
Daar staat zij onder 't kruis en ziet, Hoe 't woedend beulenrot
Om 't kostbaar en bebloede kleed Al honend werpt het lot.
En alles spotlacht met haar Zoon Van eer en goed beroofd.
Gekleed, ach! in een kleed van bloed Buigt Hij het stervend hoofd ....
Zoo zat zij eenzaam in haar woon; De laatste scheemring viel,
't Werd stil bij d'ondergaanden dag, 't Was stil ook in haar ziel.
Ach, wat dat minnend moederhart Toen in die stilte leed!
Neen, zulk een smart leed Jakob niet Bij Josephs bloedig kleed.
Zij kust en kust dat blanke kleed. En drukt het aan haar borst.
En lescht in eenen tranenvloed Haar heeten liefdedorst.
BEURTZANG TUSSCHEN DE ZIEL EN DEN VERLOSSER.
Gij, Rechter, laf en slecht,
Hoe durft gij voor de scharen Herhaaldelijk mijn God van misdaad vrij verklaren,
En dan Hem als oproer'gen knecht Verwijzen tot den dood, aan 't kruishout vastgehecht! Barbaar, waartoe met geeselriemen Dat teedre vleesch doorstriemen,
Zoo gij Hem toch daarop ten wreeden dood verwijst? 'tWaar beter dan geweest, zoodra de moordkreet rijst.
Hem tot dien dood te doemen,
Dien, booswicht, gij Hem schuldig durft te noemen.
Maar ach! wat woest gedruis. Wat schreeuwen, zwaardrinkinken. Wat krijten hoor ik klinken.
Wat somber doodsch gerucht Weergalmt daar door de lucht!
Ai mij, dat is de doodstrompet!
Licht gaat men 't vonnis lezen,
Waardoor mijn God en Heer Ter doodstraf wordt verwezen.
Maar, â ach mijn God! â ziedaar, hoe afgepijnd. Ach bittre smart! mijn Jezus zelf verschijnt! En bloedend en met wankle schreden Kan Hij, ach! nauwlijks verder treden.
En teekent, waar Hij zet den voet.
Den weg met goddlijk bloed.
Het zware kruis, zijn schouders opgelegd.
Drukt kneuzend Hem ter neer. Een doornenkroon omvlecht, O wat barbaarsche kroning!
't Eerwaardig hoofd van mijnen God. â
Mijn Jezus, liefde zalft U koning,
Maar koning, ach! van smaad en bittren spot! â
Waarheen, mijn Jezus, ach waarheen?
DE VERLOSSER.
Ik ga ter dood voor U.
DE ZIEL.
Waarheen ?
DE VERLOSSER.
Ik ga ter dood voor U.
I)F, ZIEL.
Voor mij ter kruisdood snellen?
O liefde, maatloos groot! Dan wil ik U verzeilen,
Dan ga 'k met U ter dood.
DE VERLOSSER.
Neen, blijf!
Houd in uw hart geschreven
De liefde van uw Heer;
En na mijn smartvol sneven Vergeet mij dan niet meer.
DE ZIEL.
Waar wilt Gij henensnellen? O laat mij U verzeilen!
DE VERLOSSER.
Neen, blijf!
DE ZIEL.
O liefde, maatloos groot!
Ik ijl met U ter dood.
DE VERLOSSER.
Ik geef voor u mijn leven.
Maar na mijn smartvol sneven Vergeef, mij dan niet meer!
â 12 â-
de ziel.
Ik sterf voor U, o Heer!
de verlosser.
Blijf, dierb're, blijf in vrede,
Bemin mij meer en meer.
Wijd mij geheel uw harte En neem het nimmer weer.
de ziel.
O ja, mijn schat, mijn wellust,
'k Bied gansch mijn hart U aan;
Wat ik ook ben, mijn Koning,
Het blijft aan U voortaan!
(Van den H. Alphonsus).
DE WONDERBARE VISCHVANGST. {Uit het jaar 1761).
Drie dagen had men zonder vrucht Gedobberd op de zilte baren,
De kusten op- en afgevaren Op maatgezang en roeigerucht.
De visschers mochten polsen, plassen.
Geen visch liet zich door 't net verrassen, Of stoorde zicii aan 't vreemd gewoel; Als tartten zij, die schalke guiten, De visschers in hun leege schuiten,
Gedoken in hun diepen poel.
Geen zangtoon klonk meer door de luchten. Geen roeispaan deed meer 't water zuchten, Alleen de zeilen stonden strak;
De blijde hoop begaf hen allen;
De wind mocht met de bootjes mallen En spelen op het watervlak.
â 14 â
Terwijl ze diep terneergeslagen Daar in hun schuiten nederlagen, Ontdekken ze eensklaps in 't verschiet, Met loof en bloemen aan den steven, Door wind en roeiriem voortgedreven, Een groote sloep, terwijl het lied
Der roeiers, onder 't roeiriem-klaatren, Weerklonk op 't vlak der groene waatren. »Wien voert die rijk versierde boot?quot; Dus roept een visscher opgetogen; ))\Vat engel treft mijn vorschende oogen, «Gekroond door 't blinkend avondrood ?quot;
De sloep komt altijd, altijd nader. »Het is Alphonsus, onze vaderquot;, Herneemt hij. sMakkers, hoort mij aan; »Nog kort geleên schonk hij zijn zegen »Aan 't dorre veld; en malsche regen sViel aanstonds op 't verschroeide graan. ))Eer wij hem doortocht geven zullen, »Zal hij ons net met visschen vullen; «Wis voelt hij deernis met ons leed.quot;
De sloep was naderbij gekomen;
Toen op de wiegelende stroomen, Der visschers klacht zich hooren deed; p)Och Vader, zie, wij visschers varen «Drie dagen reeds op 't vlak der baren,
))En nog geen spierinkje in ons net:
))Gij baadt den regen uit de wolken,
«Roep nu de visschen uit de kolken,
»Toon ons de kracht nu van 'tgebed!quot;
Alphonsus stond in 't hart bewogen;
Zijn blikken staarden naar den hoogen.
Zijn bede steeg de wolken door
Tot Hem, die 't blauw gewelf der heemlen Van 't vonklend starrenheir deed weemlen. De luchten schonk aan 't vooglenkoor,
En uit des afgronds diepe stroomen Het kroost der waatren op deed komen.
Hij bidt; zijn rechter slaat een kruis Al zeegnend over 't vlak der baren;
Dan vaart hij heen.
De visschers staren Vol hoop in 'tdiep; een zacht geruisch, Als windgezucht in 't goudgeel koren,
Rijst uit de diepe watervoren,
En leven komt er in den plas;
Van alle kanten naadren, dartiend.
En om het slepend netwerk spartlend.
De reuzen vaij het visschcnras;
De visschers haasten zich de netten Voor 't zwemmend volkjen uit te zetten,
Al ras in maas en knoop verward.
Zij halen in, . . . . een puik van visschen Bevindt zich spartlend in de lissen. De visschersmaat met juichend hart
â i6 â
Vermag nauw 'tnet omhoog te beuren, Dat door de zwaarte dreigt te scheuren, En stevent juublend strandwaarts heen, Terwijl hij 't loflied op doet rijzen Om 's Heeren Almacht hrjog te prijzen, Die nogmaals op de waatren scheen.
«MOCHT IK VAN GOU EENS VRAGEN.quot;
Mocht ik van God eens vragen
Wat ik het liefste had, Ik vroeg dan zijnen hemel Als allerrijksten schat.
Ik bad te mogen loven
Door de eindlooze eeuwigheid Ue grootheid zijner liefde En zijner majesteit.
Ik bad te mogen staren 'Op aller zonnen Zon , Uie vlekkeloos reeds straalde, Toen zij beur loop begon.
Ik bad te mogen juichen
Met de englen in 't paleis, Dat Hij den mensch bereid heeft Na zijne pelgrimsreis.
â i8 â
Ik bad mijn stem te menglen
In aller heil'gen zang,
Gods goedheid lof te zingen Bij 't zoete harpgeklank.
Ja 'k vroeg den blijden hemel
Als allerrijksten schat;
Mocht ik van God eens vragen Wat ik het liefste had.
BIJ EEN BEZOEK AAN JEZUS IN HET H. SACRAMENT.
O zaal'ge bloemen, die bij dagen en bij nachten Altoos zoo dicht bij mijnen Jezus staat,
En 'theiligdom omringt, gelijk getrouwe wachten.
Tot u de laatste levenstocht ontgaat!
O mocht ik op deez' plek vertoeven heel mijn leven, Hier, waar ge uw pracht cn uwen geur verspreidt!
Zoo 'k naast mijn Leven zelf mocht eindigen mijn leven. Wat heil viel mij dan toe, wat zaligheid!
Gelukkig waslicht, tot wat eerambt uitverkoren Te branden hier voor uw en mijnen Heer!
Mocht ik mijn hart ook eens in liefde zien ontgloren. En als gij gansch ontvlammen tot Gods eer!
En met u, die ik hier u zei ven zie verteren,
Verteren door een heil'gen liefdegloed!
'k Benijd uw heil; o mocht mijn lot in 't uw verkeeren, Mijn God, niets ware op aard' mijn hart zoo zoet!
â 20
Nog meer bevoorrecht zijt ge, o heilige Ciborie,
Die mijn Beminde een rust- en schuilplaats biedt;
Een rustplaats schenken aan den God van eeuw'ge glorie, Neen, eedier lot is er op aarde niet.
O, werd die heil'ge plicht mijn nietigheid geschonken,
Mijn minnend hart betrouwd, één enkel uur:
Hoe zou 'tin heilig vuur, in heil'ge liefde ontvonken.
Wijl 't dan de woon werd van het Liefdevuur!
Maar bloemen, licht en kelk, hoe zou ik u benijden,
Daar uw geluk zich gansch in 'tmijn verliest.
Als mijn Beminde zich, vol liefde en medelijden.
Zacht als een lam, mijn hart tot rustplaats kiest!
Als ik, een aardworm, in mijn binnenst' mag ontvangen Mijn God en al, die onder broodschijn leeft;
Hoe voel 'k dan liefde niet mijn hart ten doode prangen Wijl dan mijn Schat geheel Zich aan mij geeft?
Stijg op dan, o mijn ziel, ga als de vlinder zweven Om 't zuiver Licht, uw hoogste zielsgenot!
Kom door 't geloof bestraald, door liefdegloed gedreven, En brand van liefde op d'aanblik van uw God,
En wordt dan Hij uw deel in eindloos zielsverrukken,
Voor wien de Hemel van bewondring trilt:
O wil Hem dan, vervoerd van liefde, aan 't harte drukken, En zeg, dat gij slechts liefde, liefde wilt!
(Van den H. Alphonsu.s).
DE H. ALPHONSUS VOOR HET H. SACRAMENT.
O Gij, die op de altaren
In schijn van brood verdwijnt, In wien, vóór alle tijden,
Des Vaders glorie schijnt,
Die in den loop der eeuwen
Vol deernis tot ons kwaamt. En met ons vleesch de zonden Der wereld op U naamt;
Gij, die ter dood geleverd,
Door geeselroên verscheurd, Gekroond met scherpe doornen.
Ter kruisdood heengesleurd, Aan ''t hout der schand' geklonken,
Onze euvlen hebt geboet,
Thans woont op onze altaren, O Jezus, \vees gegroet.
â 22
Geurt, zoete lentebloesems,
Om mijnen Jezus heen,
Mengt, rozenblaên en lelies.
Uw balsemen dooreen,
Doet hoog uw vlamme flikkren,
Gij, bij zijn troon geplaatst, O maagdelijke lichten.
Die flauw zijn gloed weerkaatst.
Stijgt, reine wierookwolken.
Rondom zijn altaar op;
Looft Hem in jubelpsalmen,
In stillen harteklop,
Oij, die als trouwe wachten
Zoo dicht zijn troon omringt. Waar de engel dag en nachte Hem 't sheilig, heilig!quot; zingt.
Ik mag mijn toon niet mengen
In 'tbruisend hoogtijlied; Gij, reinen, die in de englen
Uw eigen broedren ziet. Die brandt van eigen liefde.
Zingt, nimmer juublensmoê, Dien God der eeuw'ge liefde Het lied der liefde' toe.
â 23 â
Ik voel mijn tong beklemmen
In d' aanhef van zijn lof,
Ik kan bij zijn aanschouwing Slechts knielen in het stof, Den traan des weemoeds schreien,
Van zonden zwaar beladn, Onwaardig, ook van verre ,
Voor 't aanschijn Gods te staan.
Ik kan slechts naar Hem smachten,
Met nooit geleschten dorst; Mij dreigt soms 't kloppend harte Te ontspringen aan mijn borst. Sinds Hij den schicht der liefde
Mij op het harte zond,
Tot in zijn diepste wezen
Mijn boezem heeft doorwond.
O Sacrament van liefde,
Mijn Jezus en mijn al.
Ik zoek vergeefs, wat name
Mijn hart U geven zal.
O rijkste Levensbronne
Met smachtend hart verlangd; O Zeilsteen mijner liefde.
Waar beel mijn ziel aan hangt 1
â 24 â
Wat zoekt gij, arme schepslen
Met fel gejaagd gemoed, Een harte voor uw harte,
Een vonkje voor uw gloed; Och, aller schepslen liefde
Laat 't harte leêg en koud, Waar 't oog der reine ziele Dat Sacrament aanschouwt.
Daar is slechts ééne liefde
In hemel en op aard',
Daar is slechts ééne liefde.
Den naam van liefde waard Een liefde zonder grenzen.
En liefde zonder end', De liefde van mijn Heiland, In 't heilig Sacrament.
MARIA'S SCHOONHEID.
Bergen, dalen, heuvelklingen Wilt om strijd het loflied zingen
Van de vlekkelooze Maagd!
Veld en woud en geur'ge bloemen. Komt uw Koniriginne roemen,
Die de kroon der schoonheid draagt.
Beekjes met het ruischend klaatren Van uw zilverreine waatren,
Zingt haar teedre hartemin! Vogeltjes, op nieuwe wijzen Moet uw lied ten hemel rijzen.
Zij is ook uw koningin.
Zingt dan luide, schepslen allen.
Laat het over 't aardrijk schallen:
Moedermaagd, wat zijt gij schoon! Hoog zij God de Heer vérheven.
Die u 't aanzijn heeft gegeven,
U zelfs uitkoos tot zijn woon!
20 â
Gouden Zon aan 's hemels transen,
Wat kan halen bij de glansen,
Die uw liefdevuur verspreidt!
Zilvren Maan, met zachten luister Straalt gij in ons zondig duister Door uw hemel-zuiverheid.
Schoonste Roos, die door uw geuren 'tFlauwst gemoed weer op kunt beuren!
Schattenrijke bloesempracht!
Blanke Lelie zonder vlekken.
Steeds blijft ge aller oogen trekken.
Altijd zuiver, altijd zacht!
Maar, wat bij uw schoonheid-bloeien Ook Gods oog op u blijft boeien,
Eindloos ook Gods Hart verblijdt: â Machtigste aller stervelingen.
Wie ook de englen juichend zingen,
't Is uw diepe needrigheid.
Dierbaar God door zooveel schoonheid. Die, Maria, gij ten toon spreidt,
Liefdrijk voor ons, goed en teêr.
Om de liefde die ge op aarde 't Kindje toedroegt, dat ge baarde,
Zie meêlijdend op ons neer.
(Van den H. Alphonsus).
SINT FRANCISCUS MET ZIJNE NIEUWE GEZELLEN.
Franciscus van Assise,
Toog over berg en dal,
Een glans van hemelglorie Omstraald' hem overal.
En ver uit alle velden,
Zoover die lichtgloed ging.
Kwam al 't gedierte samen, En vormde om hem een kring.
De hinde met heur jongen Kwam 't eerste naar hem toe;
Toen 't huppelend konijntje. Des spelens nimmer moê.
En 't lammetje zoo teeder,
Stond bruinen wolf ter zij;
En 't nachtegaaltje zong er Zijn hemelmelodij.
28
En de ooievaar ging statig Naast Sint Franciscus staan;
En 't duifken op zijn armen Zag liefelijk hem aan.
De sperwer liet het kuiken, Uit zijne klauwen vrij;
Zij zitten, als waar 't vrede,
Stil aan elkanders zij.
Daar riep op eens Franciscus; «Nu zingt met blij geschal,
»Gij, dierkens dezer aarde, »Gij, vogels zonder tal!
«Gij moet den Schepper prijzen, «Hem zegenen vol vreugd';
«Hij gaf u aarde en hemel »Eii al wat u verheugt:
»Zijn wol dekt u zoo zachtkens, »Hij gaf u vederpracht;
»Hij maakte u groene boomen, «Tot rustplaats in den nacht.
»Gij spint, noch weeft u kleedren, «Noch zaait of maait gij ooit;
tiToch vindt gij steeds uw maaltijd »En zijt vol pracht getooid.
â 29 â
«Daarom, mijn dierkens alle,
«Prijst blijde 's Heeren naam!quot; â En hoor, â daar schalt het danklied Van alle dieren sa4m.
Franciscus zag met vreugde, Hoe God werd lof gezeid: Hij echter zong nog luider Des Heeren Heerlijkheid.
LIEFDE-TOEJUICHINGEN AAN MARIA.
Maria, Moeder Gods, der Englcn Koninginne,
Gij , der Drieeenigheid volmaaktste meesterstuk! Hoe schittert ge in den glans der maagdelijkste minne, En triomfeert en juicht in moederlijk geluk!
Wat aardsche schoonheid ooit de stoutste geest verzinne. Uw luister straalt ze dof, gelijk aan 's hemels tinne Het rijzend zonnelicht der sterren flikkring dooft.
Door uw lieftalligheid hebt gij ons hart geroofd. Damascus' leeraar ') steeg met geestes vleugelrepping, Door liefdes hand gestuurd, uw grootheid in 'tgemoet. En roemde juublend u de bloem der gansche schepping De puikkroon der natuur, 't volmaakste beeld van 't Goed.â De zon der leeraars -) rees in 't onbewolkte blauw,
Waar gij uw zetel hebt. »0 onuitspreekb're vrouw! Zoo ikquot; (dus klonk zijn lied) »u. Moeder van het Leven Het beeld der Godheid noem, â neen, 't is niet overdreven.'
Germanjes adelaar, 3) op breed ontplooide schacht Gevlogen tot uw troon, verkondt, hoe alle vrouwen,
Wien 't Oude Godsverbond én roem én schoonheid bracht, Haar schatten, als om strijd, voor uwen voet ontvouwen, En tanen in uw glans. Gij Sara's gulden mond,
Gij, Lia's zachte blik, die Godes hart verwondt; Gij, Rachel door uw glans, die 't zonnelicht verduistert; Gij, wijze Abigail, die Godes handen kluistert.
Zijn bliksems tegenhoudt, naar 't aardrijk reeds gericht; Gij, Judith vol van moed, de wildste harten temmend. Met minzaam algeweld den zondaar tot u klemmend, Gij, die de hel vervaart door 't snorren van uw schicht.
Wat zijt gij machtig schoon, o schoonheids Grootvorstinne Gij , oceaan van licht, waarvan het al geniet!
Geen luister streelt het oog, die niet uit u beginne.
En in uw boezem weer, als eindbestemming, vliet.
Gij leerdet aan de zee heur waatren voorwaarts stuwen Met vorstenmajesteit en golf aan golfslag huwen. Met breede kronkeling van 't zuiverst kristallijn.
Toen zij uw goudgeel haar, in losse, breede gieren Langs uw albasten hals zacht golvend rond zag zwieren. Of over 't blank ivoor der schoudren neer zag gfijn. Ue heldre vijver, zacht bij 'twindgelispel wieglend, De zilvren waterwel in 't malsche groenende oord Ontleenen u hun rust, als zij zich aan u spieglend, Uw vreedzaam aanschijn zien, door onrust nooit gestoord.
â 32 â
Wanneer de regenboog zijn zevenkleur'ge banen
Op 't schoonst ontplooien wil, als Godes vredevanen,
Dan heft hij smeekend naar het sieraad van uw oog,
Uw wenkbrauw zacht gekromd, den straffen blik omhoog.
De ster van 't morgenrood, de ster van 't avondduister
Zijn vonken, schittrend hel, uit uwen blik gespat.
Der lelie gaf uw wang haar zilverblanken luister,
Der roos haar vermiljoen, gansch in robijn gevat.
Het gloeiend incarnaat der rozeroode lippen
Liet op de bloedkoraal een flauwe scheemring glippen.
Geen melk, geen honingzoet mag meer op zoetheid roemen,
Dan die in breeden stroom uw mond ontvloeien mocht.
De geurige jasmijn, Damascus' rozebloemen
Ontkenen haren geur aan uwen ademtocht.
De statige cypres, de hemelhooge ceder
Ontwaren jubelend hun stoute lijnen weder
In uwen slanken hals; de palm op Libanon
Heft trots het ranke lijf, maar spoedig duikt hij neder,
Daar uwe rechte leest in fierheid overwon.
Spreidt duizendvormig dan natuur haar pracht ten toon: 'tls flauwe schaduw slechts en afglans van uw schoon.
Gij, Heerscheres der aard', gij, Rijksvorstin der Heemlen, Onschokbaar middelpunt der sterren, die daar weemlen En dwarlen door elkaar: neen, neen, 't verbaast mij niet, Als aarde en hemel saim zich voor u nederbukken. Want, wat uw voet betreedt, dat slaat gij met verrukken.
â 33 â
Dat wenscht, als 't hoogst genot, dat iemand ooit geniet, Al bevend op dien voet het aangezicht te drukken. â Zoo zag des Zieners oog op Pathmos' barnend strand, Door u én zon én maan van sterker vlam ontbrand. De Apostel is verrukt; zijn aadlaarsblik wordt duister Bij 't schittrend wonderstuk, waarin zich al de luister Van hemel, aarde en zee, als schaduwe, verloor. «Een machtig teeken rijst. Wat breede goudvloed bruister En stroomt vol majesteit de sferen golvend door?
Gansch de aarde staat verbaasd, verstomd der englen koor. Zie, daar verschijnt de Vrouw, der zonne gouden glans Als koningsmantel om de schouderen geslagen, De zilverblanke maan rijdt haar als zegewagen.
Twaalf sterren om heur hoofd zijn haar ten gloriekrans. Der zonnen eeuw'ge Zon verlaat des hemels trans, â Haar zuivre schoot alleen vermag dat licht tc dragen .... En door het luchtruim dringt, vol hemelmelodij, Het daavrend zegelied der negen zaal'ge koren:
»Wie is die groote Vrouw, door Jezus uitverkoren? Dat Schepsel, uit wier schoot de Schepper is geboren, De Moeder van haar God? Wie is ze? Noem haar vrij.quot; -Daar ruischt Gods ademtocht: «Maria, dat zijt gij!quot; â
O ja, Maria, dat zijt gij!
Na de echo's van der englen snaren,
Die golvend door het luchtruim varen
In nooit gekende poezij,
Stijgt ook een toon uit lager scharen,
Weerkaatst door zesmaal duizend jaren,
Maria, Moeder, dat zijt gij!
3
â 34 â
De Vaderen der Kerk, zij leggen de eerlaurieren, Die om hun zilvren slapen zwieren,
Voor uwe voeten neer;
En bij het klateren der palmen Weerklinken hunne jubelpsalmen,
Maria, u ter eer.
«O heilige en de heiligste aller heil'gen!
O schatkist, waarin allen steeds beveil'gen Hun kostbaarst pronkjuweel, hun deugdenschat!') O wondre Maagd! O glorie aller vrouwen ,
De grootste, die de wereld mocht aanschouwen! O Hemel, die u breeder kunt ontvouwen Dan de eeuw'ge Sionsstad!quot; 5)
En na den juichtoon harer kindren.
Stort ook uws Zones heil'ge Bruid Haar jubellied den boezem uit:
»0 Maged, met het teêrst gemoed!
O Maagd, wier liefde nooit kan mindren! O Maged, eindloos, eindloos zoet!quot; â quot;)
En nu, o Koningin der menschen en der Englen, Och gun, vergun ook mij een bloemenkrans te strenglen Van leliën voor u geplukt.
Ben ik de minste van uw zonen.
Toch klinken ook mijn jubeltonen,
Door liefdes heil'gen drang aan 't volle hart ontrukt. O hemel vol bevalligheden.
Veel schooner dan het hemelsch Eden,
Veel breeder dan de Sionswoon,
â 35 â
God, door geen kennis te achterhalen,
Door hemelgrenzen nooit te palen,
Vond in uw hart een ruimen troon. O Schat, de kostbaarste aller schatten, Die in uw boezem mocht omvatten
Den zoenprijs van de zondeschuld! O Moeder van de moederloozen f O zoete voorspraak van de boozen,
Die ge in uw moedermantel hult! O Hefster van de diep geknakten! O krachtig Steunpunt der verzwakten!
O Troost van die ontroostbaar zijn! O oogen, die van zoetheid stralen! O lippen, rood als bloedkoralen,
Waarvan de zoetste balsems dalen
Tol stilling aller zielepijn!
O handen, die bij 't driftontgloeien, Een zachten regen neer doen vloeien. Den dauw van Jezus' liefdewijn I
O Schepsel, dat aan 's hemels eeuw'ge transen Als eene Godheid praalt!
Had niet de zon der Kerke mij bestraald: Ik viel, vervoerd door vuur'ge min,
Bedrogen door uw hemelglansen,
Aan uwe voeten neer, aanbad u als godin. â-
Verheug u clan, o Koningin der glorie! Verheug u, Heil vorstin, al de eeuwigheden lang!
Op alle schoon behaaldet gij victorie. Uw koninklijke macht kent perk nog ommevang.
â 36 â
Maar, Moeder â Moeder van 't verblijden,
O gun, dat bij het feestaccoord, Dat aarde en hemelen u wijden,
Eén smeekteen ook de lucht doorboort. Een smeektoon. Moeder, van uw zonen,
Een enkle zucht uit 't aardsch gekwijn, Uit 't tranendal, waarin zij wonen;
Och, laat ons steeds uw kindren zijn! Uw kroost, bevoorrecht boven allen, Gevoedsterd aan uw moederborst.
Op wie gij blikt met welgevallen,
Wien gunsten steeds ten deele vallen.
Meer dan ons hart ooit hopen dorst. O Moeder, toon dan aan de wareld
Wat kroon ook uwe kindren wacht. Een krone schitterend bepareld.
Met diamanten zwaar bevracht.
Ja toon, wat geest- en hartestreelen
Uw dierbaar kroost bij u eens beidt. En hoe zij in uw glorie dcelen.
Uw glorie door alle eeuwigheid! â
Vorstin, volmachtig in vermogen.
Aanhoor mijn beê!
Zie de englen voor u neergebogen.
Zij smeeken meê.
Sla liefdevol uw moederoogen.
Op de aarsche steê.
En worde uw teeder hart bewogen Door 't zielewee.
â 37 â
Een enkel woord, â neen, â weiger niet!
Een woord slechts. Moeder, â en 't geschiedt! â
(Van den H. Alphonsus).
') S. joan. DamasC. itVenustas naturce.quot; In Nat. B. M. s. i. -) S. »August. Si for mam Dei te appellem, digna exsistis.quot; S. 208 E. B. app.
3) B. Albertus Magnus. De Laud. B. M. V. 1. 6. c. 9. '') H. Petrus Damianus.
5) h. Epiphanius. â¢
quot;) Salve Regina.
JUBELLIED OP DEN PAASCHDAG.
Alleluja! Zingt thans blijde God met de englenkoren lof!
Alleluja! Laat het schallen Tot der heemion hooge hof!
Want de vrouwen zijn getogen Bij het eerste morgenrood Naar de groeve, die des Heilands
Afgemarteld lijk omsloot.
»\Vie zal ons den steen afwentien
»Van het graf?quot; zoo spraken zij. Maar geopend was de groeve,
En in stralende kleedij Stonden er twee hemelwachten,
Die den schuchtren antwoord brachten: «Zoekt geen leven bij den dood; »Hij stond op, dien 't graf omsloot!quot;
- 39 â
Alleluja! zingt thans blijde God met de englenkoren lof!
Alleluja! Laat liet schallen Tot der heemlen hooge hof!
Want verwonnen is de vijand
Van het menschelijk geslacht, Die weleer door d' appelbeete
Dubblen dood op de aarde bracht; Want door Christus' dood herleven
Uit der zonden donker graf,
Zooveel zielen er eens stierven:
Satan legt zijn schepter af.
En laat dood het lijf nog plagen;
Neen, niet eeuwig zijn zijn slagen;
Eens wordt hem zijn prooi ontroofd Eeuwig leven is beloofd.
Alleluja! zingt thans blijde God met de englenkoren lof!
Alleluja! Laat het schallen Tot der heemlen hooge hof! â
Want wij allen triomfeeren .
In des Christus' heerlijkheid,
Want zijn dood is ons het leven.
Zijn verrijzen ons bereid.
Neen, niet langer droeve zuchten,
Want de Heiland treurt niet meer. Want zijn wonden zijn als zonnen Stralend in der heemlen sfeer.
â 4o â
Neen, thans vreugde, zielsverblijden; Als den Christus na het lijden,
Wacht een loon ons overgroot: Eeuwig leven na den dood!
Alleluja! zingt thans blijde
God met de englenkoren lof! Alleluja! Laat het schallen Tot der heemlen hooge hof!
BIJ DEN DOOD DER H. THERESIA VAN JEZUS.
Reeds zinkt de najaarszonne,
In purpren stralenvloed, Om Alba's heuvelklingen, Met rozig gouden gloed Ginds 't somber klooster tintend,
Waar, machtloos neergevlijd Op 't sterfbed, Spanjes Heil'ge Des Heeren komst verbeidt.
Theresia van Jezus,
De Maagd van Avila,
Wacht smachtend van verlangen,
Dat eindelijk de ure sla, Waarop, heur boeien slakend ,
Als de afgeschoten pijl. De reine ziel de aanschouwing Der Godheid tegenijl'.
In blanke koorgewaden,
Omringt de zustrenrij De stervende, met bloemen
Van -t late herfstgetij Omkranst, als bruiloftsmaagden ,
Met lampen in de hand. Hem roepend, die haar voere Naar 't zalig vaderland.
O heilig, maagdelijk leven, Dat hier ten einde spoedt, Dat, kwijnend door de vlamme
In 't eigen hart gevoed,
Als 't gouden lamplicht, stervend Zijn schoonste glansen spreidt. Om dra weer uit te stralen, In de eindlooze eeuwigheid.
O leven van geheimen
En wondren Gods vervuld.
Steeds, als de ontemb're bergstroom,
Met jagend ongeduld,
Bij iedren hartslag, spoedend
Naar de ongepeilde zee Der Godheid, zijnen oorsprong,
Zijn laatste rust en vreê.
_______________________________ _________â
â 43 â
Hoe klonk reeds 't lied der kleine
Door 's vaders bloemengaard ; »0 eeuwigheid, o hemel,
Wat zijt gij schoon, al staart Mijn oog nog slechts van verre!
'k Heb bloed en leven veil, Rodrigo, o mijn broeder,
Voor 't nimmer eindend heil. â
»Naar 't land, naar 't land der Mooren
Daar glanst de martelkroon;
Daar zal ik Christus preeken,
Stel ik zijn kruis ten toon.quot; â Dus spraakt ge reeds als kleine. Ontvlamd voor Christus' kruis. Ontvluchtend met uw broertje, Bij nacht het vaderhuis.
Al dwong men u te keeren,
O kleine, kruisheldin,
Gij troosttet u: ook 't leven
Voor Christus was gewin. â Te weinig voor uw liefde
Was ééne stervenssmart,
Geen beulskling, 't zwaard der liefde Zal dringen door uw hart.
â 44 â
Sinds bood de wijde wereld
Uw harte heul noch troost; De stilte der woestijnen
Bekoorde u onverpoosd; Straks, in de kloostercelle
Vondt gij, Theresia, Uw stille Thebaïde In 't hart van Avila.
Daar zaagt ge, in ziekte en lijden,
Uw blijde levenslent'
Vergaan, van al uw dierb'ren
Verlaten en miskend ;
Daar vondt ge ja, heldinne.
Meer dan ge als kleine zocht: Een marteldood des harten. Bij iedren ademtocht.
O sterven in het leven,
O leven uit den dood, O nieuw, vergoddlijkt leven. Als 't gouden morgenrood, Slechts bloeiend uit den nachte
Van 't eigene bestaan,
Of als de bloem uit 't zaadjen, Vertreden en vergaan !
â 45 â
Toen daalde, neergezonden
Van voor Gods aangezicht, Een Serafijn, gewapend
Met gouden vlammenschicht; â Gij voeldet u getroffen,
In 't diepst van 't hart gewond; Het zwaard was Jezus' liefde, Die heel uw ziel verslond.
O weelde, als straks uw Koning
Zelf minzaam tot u kwam, Uw hand van zijnen vinger
Den gouden bruidsring nam, Uw oor de woorden hoorde,
Van hart tot hart geuit: «Draag zorg voor mijne glorie Als mijn verkoren bruid.quot;
Sinds kende uw hart geen ruste, Geen stond veraadming meer. Was 't niet meer zwijgend lijden,
Berusten in den Heer; De wereld, met verbazing.
Aanschouwde uw harden strijd, Uw immer rustloos streven, Aan de eere Gods gewijd.
- 46 -
Sinds klomt ge tot de hoogten
Van d' ouden Karmel op ,
Hieft gij Elias' vane
Voor 't oog der aarde in top; Castiljes maagdenrijen
Riept ge om dien standaard sa4m, Haar door uw vlam ontvonkend Voor de eer van Jezus' Naam.
Dan, als op vlammenwielen, Voert 's Heeren geest u om Door Spanjes roemgewesten;
Hoe rezen daar alom Der reinheid heil'ge templen,
Waar 't loflied, dag en nacht, Van Karmels maagdenrijen God hulde en eere bracht.
Toch, bij uw rustloos kampen
Groeit 't heimwee in uw hart. Blijft de oude wonde schrijnen
Met immer feller smart;
En in de stille nachten
Klinkt droever steeds uw lied; »Het leven is me een sterven, O Jezus, toef toch niet.quot;
â 47 â
O hcil'gc Serafijne,
Uw klachten zijn gehoord! Nog eenmaal ziet ge uw Jezus,
Hoort gij zijn troostend woord: »Theresia van Jezus,
Gij deedt uw naam gestand; 'k Ben Jezus van Thereza, 'k Wacht u in 't vaderland.quot;
Volbracht zijn strijd en lijden;
Reeds bloeit de zegepalm,
Klinkt, dreunend uit de verte,
Der heemlen jubelgalm;
Steeds flauwer slaat het harte,
Zijn laatste krachte zwicht, In 't smachten naar de aanschouwing Van 't goddlijk aangezicht.
O Liefde, daal nu neder Uit 't hooge heiligdom; Gij , die haar hart verwonddet,
O eeuw'ge Liefde, kom; Gij, die den reinen harten
Den tempel Gods ontsluit. Voer gij aan 't Hart van Jezus Deze uitverkoren Bruid. â
â 48 -
Een ster van nieuwen luister
Straalt vonklend in den nacht; De dorre stam der gaarde
Tooit zich in lentepracht; Der heemlen balsemgeuren
Doordringen de arme cel; Steeds nader klinkt en luider Der Englen citerspel.
Daar zweeft een blanke duive,
Op gouden wiek omhoog; Gebroken is het harte,
Gesloten 't vurig oog; De liefde Gods verteerde
Des lichaams laatsten band; De reine ziel zweeft opwaarts, Naar 't zalig vaderland.
OP DE KORTSTONDIGHEID DES LEVENS.
â
Het menschelijk geslacht vliet henen Gelijk een stroom;
Het leven, duizend jaar volstreden,
Gelijkt een droom.
De een droomt hem zoet, een ander bitter. Dra endt de nacht.
Dra breekt het zonlicht door de neevlen In gouden pracht.
Wat treurt ge, daar gij 't zonnig glanzen Der parels derft ?
Dra hebt ge een schooner kroon als prinse Des Rijks geërfd! â¢
Wat treurt ge, zoo uw dierb'ren dalen In 't donkre graf?
Met hen valt gij dra voor den stormwind Als blaadren af!
â 5o â
Wat treurt ge, wijl der dingen wezen Uw geest ontvliedt ?
Reeds schemert aller waarheid zonne Aan 't blauw verschiet!
Gegroet dan, droefheid, die uw wonden Zoo pijnlijk slaat;
Gegroet, o krankheên, die verwoestend Door de aders gaat!
Gij zijt de roest slechts, die de kluisters In 't eind' verteert.
De moker, die den vunzen kerker In puin verkeert.
O land van gloed en licht en stralen, O zuivre lucht,
Bewogen door der englenscharen Gewiekte vlucht.
Niet lang meer zal 'k naar u verzuchten; Daar stijgt alreê
Uw strand, zacht blauwend uit de golven Der wereldzee.
O Schepper, â Vader, Heer en Koning En Bruidegom,
Versnel des levens vlotte baren; Kom, Jezus, kom!
â SI â
Verteer dit stoffelijk bekleedsel
Door feller leed,
Opdat in 't licht mij dra versiere Uw bruiloftskleed!
«UIT LIEFDE VOOR JEZUS EN MARIA.'
{Leus van den H. Alphonsus Maria dé*Liguori).
Wat was, Alphonsus, wel die eerste en kostb're bede. Die gij nog onbewust in 's levens uchtendstond,
Doch stralende van vreugde, opvingt uit moeders mond, Haar nagestameld hebt, nooit moe, bij elke schrede?
Wanneer gij toogt langs berg en dal, door dorp en stede. Wat was 't, Alphonsus, dat ge alomme hebt verkond, Waarmeê gij balsem goot in iedre zielewond.
En aan 't geschokt gemoed hergaaft des Hemels vrede?
Gij dooptet in het vuur, waarvan uw harte gloeide, Uw gouden leeraarsstift: wat was 't, dat haar ontvloeide. Waardoor uw schrift ons nog in liefde ontvlammen doet ?
Toen reeds uw englenziel haar kerker ging ontglippen. Gleed nog dezelfde beê, Alphonsus, van uw lippen:
»Voor U, mijn Jezus teêr, voor U, Maria zoet!quot;
ALLEENSPRAAK VAN EEN OUD-ZOUAAF.
Als een prooi van de roest, zonder glorie en eer,
In den duisteren hoek opgehangen,
Kwijnt mijn zwaard in de schede; ach, het voelt zich niet meer Door de vuist van zijn krijger omprangen.
En toch 'theeft in die vuist, als een weerlichtend vuur, In 't gedrang van den strijd vaak geblonken,
En het ruischende bloed, in het wraakbrengend uur. Der verraadren, bij stroomen gedronken.
Dat de Leeuw op de heuvlen d'alarmkreet weer stiet. Die de machten der aarde eens deed rillen !
Hoe 't de knellende schede, als de, ster die verschiet. Weer ontspringend, van strijdlust zou trillen!
Want de vuist, die het zwaaide, gevoelt nog haar kracht, En de vlam, die mijn borst kwam ontsteken.
Smeult nog voort onder de asch, en mijn boezem versmacht. Om nog 't recht van Sint Petrus te wreken.
â 54 â
Maar de weerstand heeft uit, met zijn dagen van strijd En van glorie; het uur heeft geslagen,
Waarop de afgrond zich woest om zijn zege verblijdt, En de deugd zwijgend 't kruishout moet dragen.
Vaart dan wel, o gevechten, die vaak langs uw dam, Romes Tiber, als stormvlagen loeiden.
Wier verzengende fakkel met blaakrende vlam,
In den kruitdamp, mij 'taangezicht schroeide!
Vaart dan wel, schelle tonen der koopren klaroen, Die langs woudzoom en heuvelkling klonken,
Bij het wappren der vaandels met pauslijk blazoen. En van strijdvuur mijn oog deden vonken!
Vaar dan wel, krijgsrumoer, met uw daavrend geluid. Waar de stuivende vlakte van beefde,
Als de strijdhengst, verhit door den damp van het kruit. Vuur en donder des strijds tegenstreefde!
Vaart dan wel, schoone dagen van glorie en eer, Van Fidardo, Velletri, Ancone,
Va:. Mentana, uw schandvlek, verraderlijk heer. Van Libretti en 't zeegrijk Mont'rone!
Ja gij wont het, gij roover, door listigen haat; â
Zing met grijnzenden lach uw victorie!
Maar daar kleeft aan uw zege de vloek van 't verraad; Den verwonneling bleef slechts de glorie!
â 55 â
Wij, wij vochten als leeuwen voor eer en voor recht,
Voor U, Pius, Paus, Vader en Koning;
Want de Driekroon had God U om 't voorhoofd gehecht; Van dien God wacht ook ons nog de kroning.
Ach, de Leeuw op de heuvlen zit neer thans in rouw,
Achter grendels in boeien gesloten;
Slechts omhoog gaat zijn kreet tot de machtige Vrouw, Tot den Leeuw uit Oud-Juda gesproten.
O, dra nake de dag, dat die Leeuw, weer ontwaakt,
Van de toppen der bergen zal brullen,
Dat de troon van den roover, in puin stortend, kraakt. De victorie den Paus zal omhullen!
WELKOMSTGROET AAN MARIA BIJ HAAR GEBOORTE.
Hoe heerlijk schittert in het Oosten
De dageraad,
Als kwam hij 't zuchtend aardrijk troosten
Met blij gelaat;
Maar zoeter vreugd' brengt gij den harten,
Sint Anna's Kind,
Dat heden in het dal der smarten Uw loop begint.
O laat ons om u henen dringen.
Aanminnig Wicht,
Met bloem en groen het wiegje omringen,
Waarin gij ligt;
O laat ons met uw heilige englen,
In dichten drom,
U, dierbaar Kind, den beurtzang menglen Van 't wellekom.
â 57 â
Gegroet, o Dochter van den Vader,
Zoo lang gewacht Door 's werelds volken al te gader,
In hangen nacht,
Die reeds in 's levens eerste stonde,
In 'tblanke kleed.
De slang, die 's menschen oudren wondde, Den kop vertreedt.
Gegroet, o Moeder van Gods Zone,
Wier kuische schoot Straks wordt des Konings gouden trone.
En 't morgenrood, Omsluierend den gulden luister Van 't eeuwig Licht ^
Bij wiens verschijnen 't somber duister Der zonne zwicht.
Gegroet, gij tot de Bruid verkoren.
Van 's Heeren Geest, Wiens liefdevlam u zal omgloren
Op 't bruiloftsfeest,
Aldra gevierd in de arme wone
Van Nazareth,
Waar Salomon de hoogtijtonen Voor heeft gezet.
- 58 -
Gegroet, gij, die van den beginne
De krone spant,
Als aller englen Koninginne,
Wier kleine hand Den staf reeds voert van aarde en hemel,
Wier aangezicht Den luister dooft van stargewemel En zonnelicht.
Gegroet, gij, die vol mededoogen
En teederheid. Des menschdoms tranen af komt drogen,
Zoo lang geschreid;
Gij, die ons straks een tweede Moeder
Wordt onder 't kruis, Ons voert tot Jezus, onzen Broeder, In 't Vaderhuis.
Daar wij u met ons lied begroeten.
Zoo blij gezind,
En knielen aan uw kleine voeten,
O Koningskind;
Ach sla op ons dien blik zoo teeder.
Die bant de smart.
Dan zendt ge ons van uw wiegje weder, Uw liefde in 't hart.
AAN DE MISSIONARISSEN VAN SURINAME NA 25 JAREN ARBEIDS.
Hoe 't zonlicht van de transen
Alle aardsche vlamme doov'; Nooit dooft haar gloed de glansen
Van liefde en van geloof; Wat gloed het op uw stranden,
O Suriname, schiet:
't Verwint in 't helle branden Het vuur der liefde niet.
Wat reeks van Christenhelden, Die, blakend van deez' vlam, De zeeen oversnelden,
Om d' armen slavenstam De boodschap aan te brengen Van eeuw'ge hoop en vreê, Hun troost en heul te plengen In 't naamloos zielewee!
â¢â 6o â
Van over 't vlak der baren
Breng ik u hulde en groet, O fiere Apostelschare,
Die, volgend op den stoet Van uw doorlachte vaadren,
Van de eigen liefde ontgloeid, Dat erfdeel dorst vergaadren Van doornen ruig begroeid;
Die thans zoo fier en blijde
Een zilvren jubelkring Besluit, zoo rijk aan lijden.
Zoo rijk aan zegening, Waarin-dat veld van doornen. Besprenkeld door uw zweet, Een zaad van uitverkoornen Voor Christus bloeien deed.
Hoort thans uw jubel zingen Niet slechts van over zee. Maar hoog in 's hemels kringen,
Daar stemmen duizend meê In uwe feestaccoorden,
Gevoerd door uwe hand Van Surinames boorden Naar 't zalig vaderland.
â 6i â
Al vlecht deze aard' geen kronen
Voor uwe heldendeugd;
Zij dit, Alphonsus' zonen, Uw zoetste ziele vreugd': Op 's levens gouden bladen,
In onuitdelgbaar schrift,
Heeft God uw naam en daden Voor de eeuwigheid gegrift.
KERSTNACHT.
O Bethlehem, gij kleine,
Hoe kleurt te middernacht Uw oud vergrijsde muren
Geheimnisvolle pracht! De herder, die daar buiten dwaalt,
Ziet als van tooverglansen Geheel het land omstraald.
De groene halmpjes schittren Alsof 't smaragden zijn; De schaapjes, die daar sluimren,
Omschemert zilverschijn: En midden in het volste licht
Daar staat een vorstlijke engel Met minlijk aangezicht.
Hij spreekt met lachende oogen: «Hoe vreest en siddert gij ? »0 herders, 'k meld u mare «Voor alle schepsel blij.
»Want lieden is in Davids steê
»De Heiland u geboren. »De Christus, Vorst van vreê.
sSnelt heen, en knielt ter neder
»Voor 't Kindjen, zoet en teêr. »'t Ligt in geen donzig wiegje
»Maar harde krib ter neer:
sGeen purperkleed werd Hem bereid,
«Slechts arme ruwe doeken, «Waarin het Kindjen schreit.quot;
Dan dalen al de koren
Van 't hemelsch paradijs, En zingen Hem ter eere
Hun blijde jubelwijs:
«Geloofd zij God in 's hemels woon;
«En vrede zij op aarde; «Den mensch Gods gunstbetoon.quot;
Zoo klinkt, als citerspelen
Gemengd met harpgeklank. Der hemelsche profeten
Verrukkend zoet gezang. En zachtkens stierf de jubeltoon:
Nog vonklen slechts de sterren. Maar met ons blijft Gods Zoon.
Naar 't Duitsch.
AAN HET KINDJE JEZUS. â )
Gij daalt van 't starrenheir, o aller heemlen Koning, Gij daalt in eene grot, verkleumd van koude neer. O Kindje teêr.
Mijn God en Heer,
Hoe rilt en trilt Gij hier in deze naakte woning!
O God van zaligheid,
Wat kostte 't U, dat Gij me uw liefde hebt gewijd!
't Heelal, o groote God, is 't werk van uwe handen; En toch, geen glimp van vuur verkwikt U door zijn gloed. O Kindje goed,
O Jezus zoet!
Wat doet uw armoê toch het liefdevuur ontbranden
In mij met hooger kracht!
Want liefde was het weer, die U tot armoê bracht.
â 6s â
Gij smaakt in 's Vaders schoot het eindeloos verblijden, Hoe daalt Ge op 't harde stroo tot lijden in deez' grot? Mijn kleene God,
Mijn zielsgenot,
Hoe trok de liefde hier U neer tot maatloos lijden?
Voor wien toch is 't, dat Gij,
Mijn Jezus, zooveel lijdt? â Uit liefde is het voor mij!
Maar zoo Ge uit vrijen wil het lijden hebt verkoren. Waarom dan hier geklaagd, geschreid bij 't wellekom; Mijn Bruidegom,
Mijn God, waarom?
'k Begrijp reeds, waarom Gij die klachten mij doethooren.
Neen niet, omdat Gij lijdt.
Mijn lieve Heer, o neen: uit liefde is 't dat Gij schreit.
Gij weent zoo bitter, wijl na uw zoo groote liefde Gij in mijn harte nog zoo weinig liefde vindt.
O liefste Kind,
Zoo zeer bemind.
Helaas, daar was een tijd, dat ik U smartlijk griefde;
Maar, Liefste, ween niet meer;
'k Verlang nog slechts naar U; ik min, ik min U teer.
Gij sluimert, Jezuslief, maar toch uw hart blijft waken. Ach waaraan denkt Gij nog bij al uw zielepijn? O Jezulijn,
Lief Lammekijn!
Zeg mij, wat doet U thans van feller liefde blaken ?
»Te sterven eens voor u,quot;
O liefde zonder maat! â «daaraan denk ik reeds nu.quot;
S
â 66 â
Mijn God, Gij denkt dan reeds om eens voor mij te sterven! Voor wien nog buiten U blaak ik van liefdegloed? Maria goed,
Mijn hope zoet,
Zoo 'k Jezus weinig min, laat toch me uw gunst verwerven!
O weiger niet mijn beê:
»Min ik Hem niet genoeg, bemin Hem voor mij meê!quot;
(Van den H. Alphonsus).
') «Kerstmis,quot; zoo verhaalt ons Honoré Piquet {Histoire Liturgique et descriptive des chapelles Papales, t. III Actes et histoire du Concile du Vatican p. 288) «doet de geheele christenheid van vreugde jubelen, maar te Rome is 't het feest, dat men met al die verrukkende geestdrift viert, welke de dankbaarheid en liefde aan rechtgeaarde harten ingeven. Rome, dat boven alle andere steden der wereld bevoorrecht werd door de nederdaling van Gods Zoon onder de menschen, moet noodzakelijk in deze blijde herinneringsdagen een veel grooter belang stellen. Kerstmis is dan ook voor de Eeuwige Stad de luisterrijkste en eerste der plechtigheden, en al doet zij de algemeene vreugdebetuigingen uitschitteren, toch heeft zij in dat algemeene iets oorspronkelijks, iets bijzonders, dat ge tevergeefs elders zoudt zoeken.
«Reeds een maand te voren wordt het feest aangekondigd door de ruischpijpspelers van de Sabijnsche bergen, in hun kleed van schapenvacht, met den mantel achteloos om de schouderen geslagen, den zwarten hoed eindigend in een
â 67 â
afgeknotten kegel, en met de sandalen vastgehouden door linten, welke elkander kruisend zich tot de knieën verheffen. Men noemt henvolgens den naam van hun instrument, een soort van schelle tamboerijn-fluit, welke de melodie speelt, terwijl de ruischpijp of de doeldelzak met twee of drie mondstukken als 't ware accoorden aangeeft. Zij gaan aan tweeën of drieën, houden voor de Madonnabeelden, die de straten en magazijnen versieren, stil en doen daar iederen dag een kwartier uurs, beurtelings zingend en spelend, hunne liederen ter eere van het Kind Jezus en zijne Moeder hooren.
Die landelijke muzikanten, welke eenige bajocco's (penningen) verdienen, maar vooral hunne eigene devotie voldoening geven, zijn een krachtig middel om het geloof bij de Romeinen te voeden. De adel zou wanen zijn wapenschild te onteeren, het volk de gramschap des hemels over zijne werken meenen af te trekken, als zij niet aan de Madonna en haar Kindeken Jezus die jaarlijksche schatting van lofzangen betaalden, als zij dien eed van trouw niet voor haar hernieuwden. Zij vereenigen zich dan ook gaarne met de bergbewoners om de refreinen mede te zingen van die liederen, .waarin men dikwijls gedachten ontmoet vol leven en frischheid, uitgedrukt met die kracht en al die stoutheid, welke de oorspronkelijke kunst ingeeft. Hun lievelingslied is een oude herderszang, dien iedereen van buiten kent.quot;
Dat lied, hetwelk de schrijver vervolgens vertaald mededeelt, is bovenstaand lied van den H. AU'honsus Maria. Ziehier nog een niet onaardig voorval, dat de geschiedenis er ons van verhaalt; Eens, het was tegen het Kerstfeest, verbleef Alphonsus bij den pastoor. Don Michaël Zambadelli. In zijn vrije oogen-blikken maakte hij het lied, welks vertaling wij hier
â 68 â
beproefd hebben. De Pastoor, door de schoonheid er van getroffen, wilde er een afschrift van nemen, doch Alphonsus wilde het niemand geven alvorens het gedrukt was. Des avonds begaf de Heilige zich naar de kerk om te preeken. Deze gelegenheid maakt zich Don Michael ten nutte; hij treedt de kamer binnen, schrijft haastig het vers, dat hij op tafel vindt, over, steekt het afschrift bij zich en gaat vol blijdschap naar de kerk. Maar wat gebeurt er ? De heilige dichter wil zijn lied aan het volk voorzingen, doch geraakt na eenige regels vast. Hij roept een der geestelijken, die zich kort bij den preekstoel bevindt, en zegt hem: «Ga spoedig naar het koor en vraag Don Michael om mijn kerstlied, dat hij bij zich heeft!quot; Wie beschrijft de verbazing van den Pastoor bij zulk een onverwachte boodschap? In de eerste verwarring wist hij niet wat doen; doch toen hij den Heilige weer hoorde doorzingen, behield hij zijn gemaakten buit en gaf het afschrift niet terug. Des avonds na de preek wilde hij een ontmoeting met den Heilige ontwijken, doch Alphonsus riep hem en zeide schertsend, dat hij hem een proces zou aandoen wegens letterdieverij. Berruti Lo Spiritu di S. Alfonso.
LIEFDEZUCHTEN TOT MARIA.
Kent gij den wensch mijns harten, Maria zoet?
Ik wensch voor u te branden, Van liefdegloed.
Ik wensch aan uwe zijde Als kind té staan;
Neem, schoone Koninginne Mij , zondaar, aan.
En gij gt; 0 geur'ge Roze,
Zeg nu ook gij,
Al wat uw moederharte Verlangt van mij.
Aan schatten, lieve Moeder,
Ben ik niet rijk;
Maar zie, hier is mijn harte Als liefdeblijk.
â yo â
Doch gij , o Hartenroofster,
Naamt reeds dit hart; Uw liefde deed het kwijnen
Van liefdesmart.
«
Bescherm mij, goede Moeder,
In allen nood,
Tot 'k eeuwig u kom prijzen Na mijnen dood.
(Van den H. Alphonsus).
MARIA'S WIEGELIED ').
De Hemelen zwijgen, Hun juichtoon vervliegt,
Als zingend Maria Haar Jezuken wiegt.
De Maagd, als een sterre Zoo schitterend schoon,
Zingt, stralend van vreugde, Op goddlijken toon:
«Mijn Schat, mij zoo dierbaar. Mijn Zoon en mijn God,
Gij slaapt , en ik sterve Door zooveel genot.
«Al luikt Ge in uw sluimring Uw oogjes zoo zoet;
Uw adem, mijn Lievling, Ontgloeit mijn gemoed.
â 72 â
«Och, maken me uw oogjes, Gesloten, reeds blij;
Wat vreugd' zal 'tdan wezen Als ze opzien naar mij!
»Uw koontjes van rozen Ontstelen mij 't hart;
Mijn God, o ik sterf nog Van minnende smart!
»Uw liefelijk mondje
O, 't trekt mij zoo aan! . ..
Vergeef mij, mijn Lievling, Ik kan niet weerstaan!quot; â
Zij zwijgt, drukt haar Kindje Aan 't harte, o zoo dicht!
En kust vol ontroering Dat goddlijk gezicht.
't Ontwaakt nu, en opent Zijn oogjes, zoo zacht,
En staart dan zoo minzaam Naar Moeder en .... lacht.
O God! voor die Moeder â Die blik, dat gezicht
Zijn pijlen, zijn dolken. Op 't harte gericht!
â Ti â
En gij zoudtniel kwijnen, Mijn ziel, hard als steen,
Bij 't kwijnen der Moeder Voor Jezus alleen?
Wat toeft ge? Wat zint ge? Wat schoons u geviel,
Is slijk, is wanstaltig;
Beslis dan, mijn ziel.
Ja, ja, in mijn harte Stijgt liefde ten troon;
Ja, liefde verwint nu Door quot;f dubbele schoon.
O Goddlijke Schoonen, Ik minde U te laat:
Doch thans zal 'k U minnen Altijd, zonder maat.
Ja 't Kind en de Moeder, De Moeder en 't Kind,
De roos en de lelie,
Weest eeuwig bemind!
De plant en de vruchte. De /rucht en de bloem.
Zijn eenig mijn liefde,
Mijn vreugde, mijn roem.
â 74 â
Ik wensch geen genoegens,
Geen schatten, geen kroon;
U minnen is alles,
U minnen â mijn loonl
(Van den H. Alphonsus).
') Als de geleerde en vrome abt van Solesme Don gueranger het goddelijk Kind aan het hart zijner Moeder in sluimering beschouwt, kan hij geen schooner, geen inniger woorden vinden, dan die van den H. Alphonsus, die, zegt hij, »aldus in zijne delicieuze liederen de sluimering van het goddelijk Kind en de teederheid der Moedermaagd vereert.quot; LAnnée Liturg. Temps de Noll I. (ed. 5) p. 359.
HULDE AAN Z. H. LEO XIII,
Paus en Koning,
op het Gouden Jubilé van zijn H. Priesterschap.
1837â1887.
Heil U, o Leo, Paus en Koning, Nu van uw eeuwig Priesterdom De Jubeldag, in gouden stralen,
In 't Oosten naar de transen klom; Nu met het zilver van uw haren De gouden kroon der vijftig jaren In wondren luister samensmelt; Symbool van 't glorievol verleden, Maar dat der toekomst heerlijkheden En eeuw'ge jubelkroning spelt.
â 76 â
Wij, aan de kille Noordzeeboorden,
Wij stemmen mede in 't bruisend lied, Dat, als een zee vari lofaccoorden,
Door alle wereldstreken schiet;
Dat, u ter eer, omhoog gevaren, Ons zichtbaar Hoofd, der englen snaren
Ten weerklank dwingt, om dan vereend Met Sions eeuw'ge jubelwijzen, d'Onzichtb'ren Koning hoog te prijzen, Wien gij uw grootsche macht ontleent.
O Leo, Leeuw der zeven heuvlen,
Omtogen met de sterkte Gods, De ontzagb're sleutels in de handen.
Staat ge op uw hooge Petrusrots Als 't middelpunt, waar, in de kringen Der eeuwen, met haar wisselingen. De onzichtb're wereld ommegiert; De schrikbre tweestrijd wordt gestreden. Daar 't Zaad der Vrouw voor de eeuwigheden Op 't oud serpent in zegeviert.
Gij zijt het, die als tweede Mozes,
Naar 't Land ons eeuwig toegezeid. Door 's werelds dorre woestenije, Het volk der uitverkoornen leidt.
â 77 -
Deed hij zijn volk een bron van waatren Uit Horebs steenrots nederklaatren:
Uit Petrus' steenrots slaat uw hand Voor de aarde een stroom van reiner klaarheid, Die lescht den dorst naar liefde en waarheid' Waar t arme menschenhart van brandt.
Zoo ons geen vuur'ge w-lkzuil voere, Die onze schreên in duister richt;
Gijj Leo, als de ster van 't Oosten De Wijzen voerend in haar licht Naai Bethlhems Kind, hoedt ons voor 't dwalen, En schittrend door uw dubble stralen
Van wetenschap en van geloof.
Voert gij ook ons den Heiland tegen En straalt op de aardsche kronkelwegen Der trotsche wijzen schijnlicht doof.
Ook aan uw voeten siddert de aarde. Wetgever Gods, wanneer uw mond De wet verkondigt van die steenrots.
Dien Sinaï van t Nieuw Verbond; Al dreunt, daar gij uw stem doet hooren. Bazuin- noch donderklank in de ooren:
Den koning als den onderdaan.
Die trots weerstaan aan Godes wetten. Kan toch dat woord het hart ontzetten En 't trotsche hoofd te morzel slaan.
Wat zijt gij groot, o Opperherder,
Hoe machtloos schijnbaar, en verneêrd; Ook in uw boeien blijft ge Koning
Die alle volkren overheert;
In u leeft, die in stervenssmarte Den vorst der wereld trof in 't harte,
De Leeuw van Juda, die 't heelal Van angst en siddring zal vervullen Als Hij van Sions top zal brullen.
En de aard' ten oordeel dagen zal.
En thans, zie hoe de dag uws jubels
De wereld in verrukking brengt:
Van 't hooge Noord, tot waar de zonne
Met keerkringsgloed de stranden zengt. Ziet gij uw kindren henenstroomen Bij duizenden naar 't eeuwig Rome,
Met goud en offers zwaar bevracht. Der liefde troostende offergaven,
Niet d' afgedwongen tol der slaven Den Caesar op zijn troon gebracht.
Want Koning zijt gij, maar ook Vader, Geëerd door ons, nog meer bemind, Die, meer dan in onze offergaven. Uw weêrloon in die liefde vindt. O, 't is ons zoet met u te lijden.
Met u des Heeren strijd te strijden.
â 79 â
Te wandlen aan uw vaderhand Met kinderlijk betrouwend harte, Tot eens de pelgrimstocht der smarte Ons voere in 't zalig vaderland.
O God, spaar lang ons dezen Vader, Sla thans op hem uw gunstig oog; Verhoor de bede der millioenen.
Uit kinderharten stijgt ze omhoog. O blijve uw wijsheid hem bestieren, Uw sterkte doe hem zegevieren.
Voor nog uw hand hem de oogen sluit. Dan zie hij voor alle eeuwigheden In haar triomf vol heerlijkheden De Kerk, wier strijd hij heeft gestreden, Des Christus' vlekkelooze Bruid.
LIED VAN DEN MISSIONARIS.
Neen, geen trage ruste
In der weelde schoot, Als op verre kuste
Broeders zijn in nood;
Tot zoolang één arme
Nog om deernis schreit, Naar ons om erbarmen,
Smeekend de armen breidt 1
Uit verwijderde oorden
Dringt een noodgeluid: Stemmen uit het Noorden,
Stemmen uit het Zuid;
Stemmen uit het Oosten,
Stemmen uit het West: «Komt ons armen troosten,
Wien geen hope rest.
â 8i â
«Gij, door 'tlicht beschenen,
Dat u Christus bracht;
Wij, wij zuchten', weenen
In zoo donkren nacht.
»Gij, Gods huisgenooten,
Van het dwangjuk vrij;
Wij nog steeds verstooten
En in slavernij.
»Blijft ons niet vergeten,
Hoort ons angstgeschreeuw.
Breekt den slavenketen,
Redt ons van den leeuw.
«Leert ons bidden, hopen.
Brengt ons liefde en licht.
Sluit den hemel open,
d' Afgrond voor ons dicht.quot;â
Over wilde baren,
Naar het verre strand,
Hoe de stormen varen,
Hoe de golfslag brandt!
Neen, niet langer rusten,
Dat de liefde wraakt;
Naar de vreemde kusten.
Waar de zonne blaakt;
6
â 82 â
Waar, door rots en zanden,
De Amazone vloeit,
In haar breede stranden
Als een donder loeit!
Is ons hart bewogen.
Valt het scheiden hard, * Welt een traan in de oogen,
Bloedt het kinderhart:
't Hart tot God geheven,
't Oog op 't kruis gericht,
't Offer blij gegeven,
Voor geen dood gezwicht
Na 't kortstondig scheiden
't Weerzien voor altijd;
God zal ons geleiden.
Wij zijn Hem gewijd.
Met de Apostlenkoren,
Danken we U, o God,
Die ons hebt beschoren
't Overheerlijk lot:
In het kruis des Heeren,
In zijn hooge kracht,
Strijden, triomfeeren.
Breken Satans macht;
- 83 -
Dwalenden verlichten
Door het stralend kruis, Hunne schreden richten
Naar het vaderhuis;
De oude wonden heelen
In het krank gemoed, d' Armen schatten deelen
Meer dan 's werelds goed;
Duizenden ontrukken
Aan de slavernij,
Eeuw'ge lauwren plukken,
In der helden rij:
Tot wij roemvol sneven,
, Strijdend voor Gods eer. Met Gods englen zweven
Opwaarts tot den Heer;
Tot wij ruste vinden.
Na den harden strijd, Ouders, broeders, vrinden
Weerzien voor altijd;
Waar een lied zal schallen,
Dankend ingezet,
't Lied der duizendtallen,
Door ons zweet gered.
CRISTOFORO COLOMBO.
Aan 't strand der Westerbaren,
In d'avondzonnegloed,
Staat eenzaam, in gepeinzen
Verdiept, d' onmeetb'ren vloed Met arendsblikken peilend , Een zeeman onversaagd,
Die 't merk van Gods genieën Op 't rijzend voorhoofd draagt.
»Weg, weg met de oude sage.
Die d' oceaan zich dacht Als 't oord van wangedrochten ,
Gehuld in eeuw'gen nacht; Of 't licht der gouden zonne,
Die langs de sterren spoedt. Een nachtlij k spookgebroedsel Zou koestren met zijn gloed!
/
- 8s -
»En zoo op gindsche stranden
Eén ziel, door Christus' dood Gekocht, eens Christus dierve! â
Cristoforo, wat nood Weerhield u? â Christusdrager, Mijn naam wijst mij den plicht; Derwaarts, door stroom en stormen. Te dragen Christus' licht.quot;
Dus peinst hij. â Als in 'tOosten
Weer de lichtend daagt, dan licht De boot DSanta Mariaquot;
Het anker. Westwaarts richt Cristoforo, braveerend
Met fleren christenmoed De duizend doodsgevaren Van d' onbekenden vloed.
Straks huivre de bemanning
Van de eindlooze eenzaamheid En kraken want en boegen.
Door stormen gerammeid. Straks dreigen dorst en honger;
Het muitend scheepsvolk eisch' Met felle drift den hertocht. De kreet des oproers rijz' ....
â 86 â
Niets doet den held versagen,
Hij zwijgt, hij bidt en hoopt; ttSania Mariaquot; heeft hij
Zijn wrakke kiel gedoopt; Aan haar, de Ster der zeeën,
d' Onwissen tocht vertrouwd ; Zij, zij zal 't scheepje sturen,
Waar hij geen uitkomst schouwt.
Wat zijt gij groot, Colombo,
Op de eindelooze zee,
Zooals gij met de stormen
En overstelpend wee En de opgezweepte driften
Van 't rottend bootsvolk kampt, Alleen de ziel aan 't anker Der hoop op God geklampt!
Ga voort! Heel de oude wereld
Staart u bewondrend na. Ga voort! Een nieuwe wereld
Roept gij ten leven dra. Is 't wonder, dat heel de afgrond
Van razernije ziedt?
Ge ontwringt hem dra den schepter Van half zijn rijksgebied. â
- 8; -
\
Zacht spreidt de nacht haar sluier
Om d' afgrond; stilte rust Op 't meer. De scheepling, sluimrend,
Droomt nog van de oude kust. Slechts aan den boeg staat wakend
De vlootvoogd, door verdriet,
Door hoop en vrees geslingerd En staroogt in 't verschiet.
Daar plotsling door de stilte
Des nachts weergalmt een kreet: »Land, land!quot; De kreet des aadlaars.
Wiens blik reeds d' afstand meet. Het eerst, van fierheid schittrend.
Een nieuwe wereld groet.
Die door de neevlen henen Daar opdoemt uit den vloed.
Juich, onverwonnen strijder!
Uw harde*kampt heeft uit, Verwonnen is de helle;
Der englen harpgeluid Begroet u, Christusdrager,
Uw grooten naam zoo waard; Gij hebt een halve wereld Den Christus openbaard.
â 88 â
Reeds zet gij zegevierend
Den voet op 't nieuwe strand, Reeds heft zich triomfeerend Het kruis door u geplant, En schreiend neergeworpen
Voor 'tkruis van uwen Heer, Geeft gij met kloppend harte Hem al de glorie weer.
Cristoforo Colombo,
Onsterflijk leeft uw naam;
Twee werelden weerklinken
Van uw roemruchte faam. En 't eeuwig boek, geschreven
Door 's Heeren hand, verkondt. Dat gij voor 't kruis van Christus Een nieuwe wereld wont.
DE LIEFDE TOT GOD.
O aller heemlen God! O matelooze Schoonheid!
Wat zijt Gij overwaard, dat ieder U bemint! Zoo heerlijk is de glans, dien uw gelaat ten toon spreidt.
Dat ik daarin alleen mijn hoogst genot reeds vind. Gij zijt drievoudig, ja; maar drievoud â één in wezen,
Gij zijt die Ãéne, die mijn ziele hebt bekoord; Gij spraakt, â 't heelal, o God, was uit het niet gerezen: Wat zijt Gij liefdewaard, o God, die mij behoort!
Mijn God zijt gij !.... als ik dat woord slechts uit hoor spreken,
Dan smelt mijn harte weg van o verzoet genot; Dan dompelt zich mijn geest, voor liefdes drang bezweken,
Den peillooz' afgrond in van liefde voor mijn God. Dan kan geen lijden meer mijn minnend hart versagen.
Geen schepsel lokt mij aan, wat schoons het ook bevat; Al was dan heel deze aarde uit zuiver goud geslagen, Toch bleef mijn hart voor U, mijn een'ge, grootste schat!
OVER
â go â
Voor U, mijn dierb're God, mijn blijdste harteweelde, Het leven mijner ziel, val ik aanbiddend neer;
Geen wereld min ik nog, hoe vleiend zij ook streelde, Uit liefde alleen voor U verkwijn en sterf ik, Heer!
O werd mijn nietig hart zoo zeer verduizendvuldigd, Als aan der zeeën kust het opgestapeld zand:
Gij werdt door ieder hart gelofprijsd en gehuldigd. Of allen smolt ik saam in éénen liefdebrand.
O Schoonheid zonder grens! O hoogste Liefde tevens! 0 liefdes eeuw'ge Bron! O liefdes Oceaan!
Gij zijt de levenskracht, de ware ziel mijns levens.
Gij, onder allen de Eén, voor wien mijn hart mag slaan!
Met U geniet ik rust, zelfs aan het kruis geklonken, Met U ben 'k immer blij, ook in het stervensuur;
Ja, bleef ik eeuwig in uw liefdevuur verzonken.
Met U, zelfs, neen mijn God, vreesde ik geen hellevuur!
(Van den H. Alphonsus).
AAN MARIA.
'k Wilde wel de schoonste stralen Van de zonne kunnen malen; 'k Maalde, o Moeder, met die glansen 't Schoone van uw minlijkheid. Die de Godheid trok op aarde En alom haar gunsten spreidt.
Kon ik dichten zoet als 't klaatren Van der vlieten reine waatren; 'k Dichtte, o Moeder, heel mijn leven Slechts een enkel eenig lied Van uw onbesmette schoonheid. Schoonheid , als geen schepsel biedt.
'k Wilde wel der vooglen kweelen Op de harpe kunnen spelen; 'k Speelde, o Moeder, aan den lichtend, Aan den avond , iedren stond , Van uw moederschap en maagdom. Nooit volloofd door englenmond.
â 92 â
Kon ik zingen als de zielen,
Die door 'shemels zalen krielen, Als der englen duizendtallen,
'k Zeng, o Moeder, eindloos lang. , Van uw teeder moederminnen Onbesmetten liefdezang.
'k Wenscli van God slechts al die gaven, Om mijns harten dorst te laven. Om mijn ziele te verzaden
In het prijzen van heur pracht, 't Pronksieraad van 't zalig Eden, 't Wonderstuk der Scheppingsmacht.
DE WROEGING DER EERSTE ZONDE.
{Een droom).
'k Sluimerde in met vroolijk harte,
Na een dag van rein geneugt',
Toen een droom vol angst en smarte Mij ontroofde rust en vreugd.'
t Scheen mij, 'k had voor quot;t eerst gedronken Van der zonde giftig zoet;
Sombre nacht was neergezonken in mijn kinderlijk gemoed.
't Was me, als schrijnde een diepe wonde In het binnenst van mijn hart;
'k Voelde 't wicht der eerste zonde.
Al haar wroeging, al haar smart.
»Achlquot; zoo dacht ik, »ééns verdwenen, «Komt mijn onschuld nimmer weer!quot;
En mijn oog deed niets dan weenen,
Altijd droever, altijd meer.
â 94 â
'k Riep ze weer de schocme dagen,
Toen 'k, onschuldig, telken stond
De aarde ontvoerd, mijn zoetst behagen Slechts in mijnen Jezus vond.
Toen ik de englen Gods zag zweven. Als ik 't oog ten hemel sloeg.
Toen hun lied mij 't hart deed beven. En hun oog mij tegenloech.
't Zacht visioen was nu verdwenen, 't Lied der englen week van de aard';
Sloeg ik 't oog ten hemel henen,
'k Zag slechts d' engel met het zwaard.
Lachend scheen reeds t' Oost te blinken; 't Was een dag van blijde vreugd';
Juublend mocht het feestlied klinken, 't Wekte in mij geen feestgeneugt'.
'tScheen mij, dat de dag zijn luister Langzaam aflei; in mijn smart
Dacht ik: Sombrer avondduister Heerscht er in mijn schuldig hart.
'k Zocht naar moeder; aan haar zijde Vond ik troost in elk verdriet;
Ach, haar teeder medelijden Heelde thans de wónde niet!
â 95 â
'k Zag naar 't blinkend stargewemel,
En in folterende pijn Sprak ik weenend: »Schoone hemel,
«Zult gij dan mijn deel niet zijn?quot;
'k Schrok toen wakker, â en vervlogen Was het schrikbeeld voor mijn geest; 'k Sloeg op 't kruis mijn schreiende oogen God! 't was slechts een droom geweest
En tot 's hemels hooge zalen
Drong de beê mijns harten door:
Jezus, wil mij tot U halen.
Vóór mijn onschuld ga te loor.
MARIA'S SCHOONHEID.
O gij schoone, die de krone Als de Maagd der maagden spant;
Nooit ontwaarde men op aarde Schooner schepsel uit Gods hand.
Lieflijkheden, als uit Eden,
Stralen op uw aangezicht;
Luisterrijker, Godgelijker
Schoonheid zag nooit sterflijk licht.
Als van verre een tweelingsterre,
Zijn uw oogen zoo vol gloed;
Daar hun lichten, als twee schichten, Dringen door het hardst gemoed.
Paarlen slingren om uw vingren, Schitterend van diamant;
En de schatten, die ze omvatten, Deelt ge aan elk met milde hand,
â 97 â
Voor uw trone, hemelschoone,
Buigen hemel, hel en aard',
O Vorstinne, die vol minne Zelfs den zondaar nog bewaart.
Wanneer stralen me in Gods zalen, Uw verruk'lijkheden toe?
God, wanneer toch, och wanneer toch Vlieg ik tot haar, smachtens moê?
d'Ouden vijand door uw bijstand.
Werd zoo meen'ge ziel ontrukt;
Blijf 't verhoeden, trots zijn woeden.
Dat mijn ziel voor Satan bukt.
Lof en zegen klink' Hem tegen.
Die ons zulk een moeder schonk;
Liefde en eere God den Heere,
Door wiens macht haar schoonheid blonk.
Laat ons zingen, stervelingen:
Eeuwig leev' Maria's naam!
Eeuwig noemen, eeuwig roemen,
Jezus en Maria saam!
(Van den H. Alphonsus).
7
EEN UITBARSTING VAN DEN VESUVIUS
DOOR DEN H. ALPHONSUS TEGENGEHOUDEN.
't Alarmgeroep vervult de luchten; Zie 'tlandvolk, dat straks welgemoed Niet verre van Vesuvius' voet Zijn kudden dreef, nu angstig vluchten;
Want dreigend heft zich op den top Des bergs een schrikb're wolkzuil op. Vesuvius siddert in zijn voegen: Een onderaardsche donder loeit, De peillooze afgrond blaakt en gloeit.
Zijn rommlende ingewanden zwoegen. â En eensklaps knarst en barst en kraakt De arduinen bergrug; â de afgrond braakt Een stroom van vuur, die neergestoven In snelle vaart de velden scheert,
En 't al in woestenij verkeert; 't Oranjewoud, de wellusthoven,
Waar straks, met mirt- en rozenkroon, De lieve lente zat ten troon. â
â 99 â
De landman, die den stroom ziet naadren, Redt wat hij 'teerst te redden vindt; De moeder neemt haar schreiend kind, En vlucht, den doodschrik in haar aadren. En mengt zich in den woesten drom Van vluchtelingen, die alom De lucht vervult met angstig kermen.
't IJlt al langs veld en beemden voort, Door angst en wanhoop aangespoord. â Wie zal zich hunner thans ontfermen? Wie redden veld en erf? Wie stuit Den feilen vuurstroom ? Wie, wie sluit Met zevenduhblen stalen kluister
Den gorgel van den afgrond dicht ?....
Daar blinkt opeens voor hun gezicht, Als heilstar in het onweersduister.
Bij 't flikkren van een bliksemflits, Pagani's klooster-torenspits. â
Nu komt weer hoop hun 't hart verblijden: Wie wist het niet, wat kostb're schat Dat klooster ginds verborgen had! â Daar leefde een grijsaard, in het lijden De toevlucht steeds van 't arme volk. â Daar leefde, als Mozes in de wolk Op Sinaï, in God verloren,
Alphonsus, die als Godsgezant,
Weleer aan Napels weeldrig strand,
Gods donderstemme had doen hooren. â Thans kwijnde 'teenmaal vlammend oog.
- IOO -
Nu drukkend op zijn schoudren woog De last van driemaal dertig jaren.
Hij had zijn wijden loop volbracht; Hem bleef nog slechts, op englenschacht Ten gouden hemel in te varen. â
Alphonsus, â 't klonk uit aller mond, â Hij zou in deez' benarden stond Hun redder zijn. â Hun droeve kreten. Zij gingen de arme schare voor En drongen tot de muren door.
Waar, in zijn leuningstoel gezeten,
Alphonsus uit des harten grond Zijn avondbeê ten hemel zond. â
»0 Jezus, wat geschrei daarbuiten!quot;
Zoo zucht hij, en de hand geleund Op 'tstoksken, dat zijn zwakheid steunt, Gaat hij, om 't vensterraam te ontsluiten. Daar ziet hij met ontstelden blik De menigt' radeloos van schrik.
En ginds, ver over veld en weiden,
Vesuvius' kruin in rossen gloed.
»0 Jezus,quot; zucht hij, «Jezus zoet,
O red het volk, heb medelijden!quot; â
»Ach vader, red ons uit 'tgevaar!quot; Zoo klinkt het uit de droeve schaar, «Schenk d'afgrond slechts uwheil'gen zegen!quot;â «Maar kindrenquot;, spreekt hij, »wat vermag Deez' stramme hand te zeegnen? Ach, Uw bede zal Gods hart bewegen.quot; â
- IOI â
«Ook gij verlaat ons in 't jrdriet!quot; Zoo roept men, «Neen, wij wijken niet, Voor gij uw zegen zult verleenen.quot; De grijsaard, in het diepst van 't hart Getroffen door hun felle smart,
Slaat thans den blik ten hemel henen. Hij vouwt de stramme handen saftm En spreekt: »lk zegen u in naam Van God den Vader ongeboren.
Van God den Zoon, en beider Geest,quot; Terwijl zijn rechte, als bedeesd, Vesuvius, gloeiend nog van toorn,
Zijn zegen schenkt. â O wondermacht! Gelijk wanneer in stillen nacht De donder ver in 't oord de duinen Doet daavren: zoo dreunt door het dal Er plotseling een schrikb're knal. Het zwart gevaarte, dat de kruinen Des bergs bedekt, het berst, zinkt weer In d'afgrond, daar het ziedend meer Van vuur en lava, de ingewanden Des heeten vuurbergs uitgebraakt. Terugdeinst en zijn loop verzaakt. Om ginds in klove en dorre zanden Te smoren. â 't Landvolk eerst verplet Door 't wonder, dat hen heeft gered, Knielt neer, barst uit in vreugdeklanken. Om God, wiens hand den afgrond sloot. En Sint Alphonsus, die den nood Bezworen had, te za4m te danken. â
- I02 -
De grijsaard, 't stralend aangezicht Ten starrenhemel heengericht,
Stond nog, zich zelv' en de aarde onttogen. Maar toen de juichtoon opwaarts ging Van aller dank en zegening.
Verdween hij eensklaps uit hun oogen, En liet aan God slechts lof en eer.
Zoo bleek, als eens op Napels' meer In wondre vischvangst, weer 't vermogen Van 't needrig smeeken tot den Heer.
TE NAZARETH.
Daar ligt een berg bij Nazareth,
Van waar men Kanaans landouwen In al haar schoonheid kan beschouwen.
In 't Oost: den kegelberg des Thabors, Den Hermon, die, met sneeuw bedekt, In 't zonlicht aller oogen trekt.
Het meer Tiberias omsluit
Den Hauran, die aan 't oog gaat vluchten, Versmeltend in de blauwe luchten.
In 't Zuiden Samaria's bergen En Gelboë. Vandaar verbreidt De Karmel in zijn heerlijkheid
Zich tot de Middellandsche Zee,
Waar hij in zonnegouden golven Met al zijn schoonheid wordt bedolven.
â io4 â
't Is lente, en in de dalen bloeien Ranonkel, tulp en anemoon En blanke lelies overschoon.
Daar bloeit oranje, olijf, granaat.
De dadel draagt er reeds zijn vruchten En wiegt zijn kroon hoog in de luchten.
Van bergen rondom ingesloten,
Als waar' 't een parel in een schulp,
Ligt Nazareth met Jozefs stulp.
Eens toefde hij daar op dien berg. Den Schepper al dier heerlijkheden Uitstortende zijn uchtendbeden.
Dan heft hij Jezus op zijn armen
En spreekt, terwijl hij 't Kind omknelt, Het lied aan Sirachs borst ontweid:
»De Wijsheid gaat Zich zelve prijzen: 'k Kwam voort uit 's Allerhoogsten mond, Vóór alle schepsel, dat ontstond.
Vóór dat het licht der zon kwam rijzen.
»Mijn woon was in het hoogst der heemlen. Mijn troon was op een wolkenzuil, 'k Drong door tot in des afgronds kuil,
'k Omliep den kring, waar starren weemlen.
â los â
»Ik wandelde cp de zilte baren,
En hield op heel het aardrijk stand, Op alle volkren, alle land Liet Ik mijn heerschersblikken waren.
»'k Buig 't hart van kleinen, hooggeboornen, En onder hen zocht Ik mijn rust; In 's Heeren erfdeel was 't mijn lust Te wonen met Gods uitverkoornen.
»En daar gebood de Heer der heeren. Die alles en ook Mij eens schiep;
En die in mijne tente sliep,
Gebood Me in Jacob te verkeeren.
»Ga onder Jacobs kindren wonen,quot; Zoo klonk het allerhoogst bevel,
«Schiet wortel onder Israel,
sin 't erf dier uitverkoren zonen.quot;
»'k Ben geschapen vóór de tijden,
Na de tijden blijf 'k bestaan;
'k Mocht voor Codes aanschijn gaan, In zijn woon ten dienst Mij wijden.
«Op den Sion had Ik woning.
Mijne rust in 's Heeren stad,
Waar Ik kroon en schepter had,
Aller Heer en aller Koning.
â io6 â
»'k Heb met die verheerlijkte erven Mijne wortelen vereend;
In der heiligen gemeent',
Mocht Ik Me eene plaats verwerven.quot;
Sint Jozef sluit het Kind aan 'thart, Hij ziet Het aan met vaderoogen, En is tot tranen toe bewogen.
Het Kind omhelst zijn vader teeder, Hervat meteen zelf Sirachs woord, En Jozef, die stil luistert, hoort:
»Als de ceder van den Liban
Groeide ik op.
Als cypres sierde ik de bergkruin, Sions top.
»Als de palm wies ik in Kades,
En ik bloos Schooner dan de rozenstruiken Jericho's.
»Als de olijfboom in des zomers
Zonnegloed;
Als d'ahornen aan den koelen Watervloed,
«Als kaneel en balsem heb ik
Geur verbreid.
Als de mirre liefelijken Reuk verspreid.
â io7 â
»En welriekend als de storax,
Als galban,
Als een uitgedropen wierook Geuren kan:
»Zoo doorgeurde ik als de balsem
Mijne woon,
Als de terpentij nboom breidde ik Mijne kroon.
»'k Geurde als een ontloken wijnstok
Door de lucht,
En mijn bloesems brachten kostb're. Rijke vrucht.quot; ')
Zoo zong de Wijsheid Sirachs lied. Dat Jozefs hart in liefde ontgloeide, Terwijl quot;t van Jezus lippen vloeide.
))Gij hebt,quot; zoo sprak het Kind, »o vader. De Wijsheid straks bezongen, â Mij; â De deugd, die Ik bezong, zijt gij.quot;
') Eccli. 24, 1â23.
TER ZALIGSPREKING N DEN EERBIEDW AARDIGEN DIENAAR GODS,
GERARDUS MAJELLA,
Leekebroeder van de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers.
Geb. 6 April 1726. â¢w f 15 October 1755.
In 't zwart habijt, waarlangs uw krans van rozen
Tot eenig sieraad hangt,
En met het kruis, tot eenig deel verkozen
Aan 't kloppend hart geprangd, In 't gouden licht, dat uit d'ontsloten hemel
Thans om uw beeltnis daalt.
En als een krans van flonkrend stargewemel Rondom uw schedel straalt:
â log â
Dus zie ik u, Gerardus, o mijn Broeder,
Op deez' uw hoogtij stond,
Waarop de stem van Romes Opperhoeder
't Onfeilbaar woord verkondt: «Gerardus zegeviert in 's hemels vreugden,
»Hij won »des levens kroonquot;; »God openbaarde in wonderen de deugden »Van Sint Alphonsus' zoon.quot;
Hoor, hoor, hoe langs Sint Pieters tempelbogen
't »Te Deumquot; machtig dringt. Dat dreunend als een donder uit den hoogen.
Des Heeren glorie zingt.
De glorie, die zijn wijsheid openbaarde
In deez' zijn minsten knecht,
Wien zij voor 't oog van een verbijsterde aarde, De kroon om 't voorhoofd hecht.
De minste ja; uit lagen stam gesproten,
In kommer groot gebracht,
Dc minste van zijn huis- en landgenooten
In aanzien en in kracht; Een jongeling, wien slechts het mededoogen.
De kloosterpoort ontsloot,
De minste ook daar, vooral in de eigen oogen. De minste tot den dood.
â no â
Maar groot in moed, bij 't schande- en hoonbejagen,
Een held van Christus' kruis: In 'tnarrenkleed, vrijwillig omgeslagen,
Bij joelend straatgedruis,
O Muro, zaagt gij hem in uwe straten
Door stof en slijk gesleurd;
Om Christus' kruis, zijn tengre ledematen Met riem en roe verscheurd.
Maar groot door nooit verwonnen Godsvertrouwen,
Toen, al te ras geloofd.
De laster vuig met zijn onreine klauwen.
De krone van zijn hoofd Te rukken zocht, de kroon der smetlooze eere,
En hij bij smaad en spot Deemoedig zweeg, op 't voorbeeld van zijn Heere, En 't oordeel liet aan God.
De minste ja, in 'toog van 's werelds wijzen,
Maar groot in 'toog van God,
Die uit het niet zijn glorie doet verrijzen,
Met menschengrootheid spot;
Maar groot in 't oog van God, die hart en nieren
Doorgrondt, den schijn veracht, In 't zwakke en 't kleine meest doet zegevieren Zijn wijsheid en zijn macht.
â Ill â
Of wie, als hij, las Gods geheimenissen,
Zoo ondoorgrondlijk diep,
De raadselen van 't eeuwig raadsbeslissen,
Dat 's werelds wondren schiep ? Die dwaze, door de wetenschap verstooten,
»Spreekt, wijl hij heeft geloofdquot;; De onnoozlen zien zich 't Godsgeheim ontsloten, De leeraars buigen 't hoofd.
Het loeit en kookt op Napels hooge golven
En redloos gaat de boot,
Nu dansend op hun kruin, dan weer bedolven,
Ten gronde in hunnen schoot;
Gerardus slaat een kruis, hun toorn braveerend,
Stort hij zich stout in zee,
En met twee vingren voert hij triomfeerend Het schip naar d' oever meê.
Die zwakke spot met Satans werk en lagen;
Bij donkren nacht verdwaald In 'twoeste woud, ziet hij zijn vijand dagen,
Wien 'toog van helgloed straalt;
Door God gesterkt kan hem geen vrees ontroeren,
Hoe 't monster knarsetand'.
Dwingt hij 't, zijn lastdier 1 ' den toom te voeren, Langs 's afgronds di^ en rand.
112
O groote God, zoo hebt Gij hem verheven
In wijsheid en in kracht,
Uw minsten knecht als met een kleed omgeven
Van grootsche wondermacht;
U loven wij, die 't nietigst hebt verkozen
Tot glorie van uw naam,
Opdat uw wijsheid 's menschen trots doe blozen. Uw macht zijn kracht beschaam'.
En Broeder, u, des Heeren wonderwerker,
Thans badend in genugt Voor Gods ontsluierd aanschijn, uit den kerker,
Waar onze ziel in zucht,
Bezweren we u: Blijve ons uw hulp omringen.
Bij 's werelds wel en wee,
Tot wij Gods lof in eeuwigheid bezingen, Gerardus, met u meê!
TER EERE VAN DEN H. JOZEF.
Hoe wage ik het uw lof te zingen,
Gij, Davids hoog verheven spruit, Gij, edelste der stervelingen,
Gij, bruidegom der hoogste Bruid, En voedstervader van Gods Zone? Al werd u op geen koningstrone
De purpren mantel omgespreid; Der vorsten luister moet verdwijnen, O Jozef, voor het stille schijnen Van uw verborgen majesteit.
Als Jacobs zoon, die, lang vergeten
In 't kerkerhol, ten trone klom En uit zijn kerkerslot en keten Gelijk een heldre sterre glom
â ii4 â
Aan Memphis' transen opgestegen,
Egypte spellend 's Hemels zegen:
Zoo rijst gij uit der eeuwen nacht, O Jozef, als een gouden zonne.
Van de aard' begroet als zegenbronne, In ongekende gloriepracht.
O blanke lelie, opgeschoten
Uit Jesses lang vergeten stam!
Naast de eedle rozentwijg ontsproten,
Waar de eeuw'ge Roos uit bloeien kwam, Straalde uwer kuischheid zilvren luister Het beeld des reinen jonglings duister;
Tot aller kuischheid schoonsten roem, Zaagt gij de reinsten van Gods englen Voor u de bruigomskrone strenglen, Ten hoogtij feest met Jesses Bloem.
O needrige, miskend van de aarde.
Gij leidt der heemlen Rijksvorstin, Die straks den grooten Koning baarde.
Als bruid uw werkmanswoning in;
Daar de englen 't hooglied deden hooren, Dat Salomon, zoo lang te voren.
Met altijd hooger citerslag,
Deed bruisen van zijn gouden snaren.
Toen hij zijn grooten Zoon aanstaren. Begroeten mocht den nieuwen dag.
â us â
Wat wonder hebben toen de heemlen
Aanschouwd in de arme werkmanswoon! Hij, om wiens troon de sterren weemlen,
Des Vaders ongeschapen Zoon,
De almachte Heer van dood en leven,
Wiens blik de hemelen doet beven,
Wordt, Jozef, straks uw voedsterkind, En treedt u slechts met eerbied nader En noemt u stamelend zijn vader.
Zegt, dat Hij u als vader mint.
Wel stondt ge, o Jozue, verheven.
Op 't rookend veld van Gabaon ,
Toen gij de zon terug deedt beven.
De maan deedt staan bij Ajalon,
En hageljacht en vuur en donder In 't strijdperk bracht. â Maar grootscher wonder,
O Jozef, werd door u verricht.
Die dertig jaren naar uw wenken Zijn gangen richten deedt en zwenken Der heemlen eeuwig Zonnelicht.
Hoe wil ik dan uw grootheid prijzen
In 't machtloos stamelende lied ?
Der Serafs eeuw'ge jubelwijzen
Volprijzen uwe grootheid niet!
'k Wil liever aan uw altaartrede Mijns harten kinderlijke bede
â 116 â
Doen stijgen naar uw hoogen troon; 'k Wil liever dan uw glorie roemen, Met Jezus u mijn vader noemen, 't U welgevalligst eerbetoon.
Ach, zie ons, Vader, uit den hoogen.
Hier strijden in dit ballingsoord; Wat vaderhart wordt niet bewogen.
Dat 't bang geschrei der kindren hoort ? Aanschouw den nood van Christus' Kerke, De Bruid uws Zoons; kom gij haar sterken
En ons, haar kindren, droef van zin; Voer ons, wanneer de nacht gaat dalen, O Jozef, Sions gouden zalen.
Ter ecuw'ge zegeviering in.
AAN DE KONINGIN DER MEIMAAND.
Voorbij zijn weer de vlagen
Van 'tstormenwekkend Noord, Op gouden zonnewagen,
Komt blij de Meimaand dagen En jaagt de neevlen voort.
Zij giet langs berg en dalen,
Op velden en plantsoen Een stroom van gouden stralen, Doet woud en beemden pralen Van versch ontloken groen.
Zij strooit op eikentoppen
En halmen, t' allen kant, Op blad en bloesemknoppen Haar glinsterende droppen Van gloeiend diamant.
â ii8 â
Zie, hoe door 't zachte koozen
In rijken kleurengloed De geur'ge lenterozen Naast de jasmijnen blozen, Ontluikend bij haar groet.
En in dat kleed van bloemen
Knielt juublend de aarde neer Voor haar, die de eeuwen roemen, Die alle tongen noemen De Moeder van den Heer.
Zij werpt haar bloesemkrone
En bruidstooi voor den voet Der nooit volprezen Schoone, En zwaait haar op heur trone Haar wierook te gemoet.
Zij zingt in duizend wijzen
Haar 't lied van lof en dank, En hooger psalmen rijzen In de eeuw'ge Paradijzen Als echo's op dien klank.
O, wil dien groet aanvaarden,
Vorstin op 's hemels troon; Gij, die haar Heiland baarde. Ontvang der dankbare aarde Geestdriftig eerbetoon.
â iig â
En sla dan uit den hoogen,
Gij, van heel de aard' bemind, Gij, rijk aan mededoogen, Eén blik der moederoogen Op mij, uw armste kind.
Want gij zijt, o Vorstinne,
Mijns levens zonneschijn; Zie neer, en ook daar binnen, I n geest en hart en zinnen,
Zal 't blijde Meimaand zijn.
Dan wijken uit mijn harte
Der driften stormen heen, Dan wijkt van zonde en smarte De nacht, de huivrig zwarte. Dan heerscht uw liefde alleen.
Dan zal daar 't bloempje groeien
Des ootmoeds u zoo waard. Der reinheid lelie bloeien, Der liefde roos daar gloeien; Een hemelbloemengaard.
Dan zal ik bloemen plukken
Voor u, die ik bemin. Een kroon van rozen smukken Om ze u op 't hoofd te drukken, O zoete Koningin.
- I20 -
Dan zal 'k uw loflied zingen.
Gij, die mijn hart verblijdt. Om 't eens in hooger kringen Met al uw lievelingen Te zingen voor altijd.
DE SCHAT DER LIEFDE.
't Geloof heeft het gesproken,
De liefde mij gezegd:
'k Zal eindloos zalig wezen,
Zoo 'k mij aan Jezus hecht.
Wat baat den vorst zijn schepter
En schittrend gouden kroon, Zijn kofifren met robijnen Als uchtendrood zoo schoon ?
Wat baat der wereld kennis
En wijsheid, duur gekocht; Heur weidsche roem, zoo rustloos Met jagend hart gezocht?
Wat baten bloemenkransen, Om 't dartel hoofd gehecht Bij jubelzang en spelen En geurend feestgerecht?
122
't Is ijdel als de schaduw, 't Is vol van bittren draf:
En ach! die wufte weelde Werpt eeuwig nawee af!
Maar ik, ik heb een rijkdom, Dien mij mijn Jezus bood;
Zijn kroon zal ik behouden In leven en in dood.
Maar ik, ik heb een kennis Gevonden bij het Kruis;
Zij helpt, zij steunt, zij leidt r Naar 't eeuwig vaderhuis.
Een feestdisch zal ik smaken Al de eeuwigheden lang;
Daar zal 't verrukking wezen Bij eeuw'gen jubelzang.
O komt, ik zal u deelen De schatten, die ik vond:
O luistert, nu ik kennis En jubel u verkond.
Bemint, bemint uw Jezus, Dan zijt gij maatloos rijk.
Dan zult gij koning wezen In 't hemelsch koninkrijk.
â 123 â
Bemint, bemint uw Jezus,
Dan zijt gij maatloos wijs, Dan zult gij God aanschouwen In 't hemelsch paradijs.
Bemint, bemint uw Jezus,
Dan smaakt gij maatloos vreugd'. Dan zal u Jezus schenken Zijn goddelijk geneugt'.
't Geloof heeft het gesproken,
De liefde mij gezegd,
Dat gij zult zalig wezen.
Als ge u aan Jezus hecht.
HET HEILIG HUISGEZIN.
Lente was het weer daar buiten, Weer ontloken alle spruiten,
'tWas een liefelijke dag,
Nu en bosch en bloem en weiden Over 't veld een feestkleed spreidden. Waar eens 't koude sneeuwkleed la
O, de smarte was geleden.
Koude en armoê doorgestreden
Van den feilen winternood. Zie, Maria zit daar blijde Met Sint Jozef aan haar zijde, Met het Kindjen op heur schoot.
Jozef.
«Zelden zag ik bloemen schijnen. Na het lange winterkwijnen,
Als op dezen blijden dag!
Maar wanneer 'k u in uw armen. Moeder, 't Kindje zie verwarmen. Zie ik wat ik nimmer zag.quot;
â 125 â
Maria.
s'k Zie de heuvelen en dalen Zacht gekoesterd in de stralen
Van de lieve lentezon;
Maar niets, Jozef, kan het winnen Van uw reinste vaderminnen.
Dat u Jezus' liefde won.quot;
Jozef.
«Schoon weerkaatst het goud der zonne In de frissche waterbronne.
Die gaat drenken bloem en plant; Schooner gij, die met uw gaven Hem aan uwe borst moogt laven, Die de kroon der bloemen spant.quot;
Maria.
»'k Zie de bijen honig zuigen Uit de wingerden, die buigen
Onder bloesems zoet en zacht; Gij gelijkt die nijvre bijen,
Die zich om den stam vermeien,
Rijk met geur'ge bloem bevracht.quot;
Jozef.
»'k Mag dan als een stut u schragen, Stam, die de eêlste bloem moogt dragen.
Die zoo geurig groeit en bloeit; Zoo mij God de kracht niet deelde. Droeg ik nimmer zulk een weelde. Waarvan 't hart mij overvloeit.quot;
126 â
Maria.
s'k Hoor der vooglen gouden kelen Weer hunne eerste liedren kweelen
In der boomen bladerkroon;
Hooger moogt ge uw zang verheffen, Nu ge uw grootheid moogt beseffen, Voedstervader van Gods Zoon.quot;
Jozef.
»'k Zing u dankbaar toe, o Moeder, En het Kind, dat tot zijn hoeder
Mij verkoor, mij, armen knecht; Neen, ik geef mijn dierb're woning Voor 'tpaleis zelfs van geen koning. Niet voor al zijn koningsrecht.quot; â
En ze omhelsden, de verheugden, 't Kindje, dat toen vol van vreugde,
't Eerste woord sprak van zijn mond «Moeder! Vader!quot; zoo, zoo klonk het En in beider oogen blonk het, â Tranen, die het Kind verstond.
TROOST IN ROUWE.
Weenend zat de jonge moeder, In het scheemrend avondlicht
Naast 't omfloerste wiegje neder Van haar pas gestorven wicht.
Gister was het nog zoo blozend, Als zij 't drukte aan 't moederhart;
Nu staart ze op het koude lijkjen. Raadloos in haar moedersmart.
Over 't bloeiend aangezichtje Zonk de kille doodskleur neer.
Om de stroef gesloten lippen Speelt geen englenlachje meer.
Ach gebroken zijn nu de oogjes. Die weleer met zachten gloed
Als twee heldre sterren straalden Diep in 't moederlijk gemoed.
â 128
»Is God Vader,quot; sprak ze snikkend, «Waarom rukt Hij dan zoo wreed 't Teedre bloempjen van den stengel, Die het pas ontluiken deed?quot;
Afgemat van leed en schreien.
Viel ze in zachte sluimering.
Over 't wiegjen heengebogen Van haar een'gen lieveling;
Toen, gelijk een s^huchtre lichtgloed
Spelend door de neevlen heen, 't Dierbaar kind, waarom ze treurde. Haar in zoeten droom verscheen.
«Moeder,quot; zei het, »wil niet weenen.
Dat ik u zoo dra verliet;
Want met Bethlhems kinderschare Zing ik reeds mijn zegelied.
«Toen ik, moeder, in uw armen
Straks voor goed mijn oogjes sloot, Blonk op eens door 't aardsche duister 's Hemels eeuwig morgenrood.
«Zangen klonken, englen blonken.
Zweefden, jubelden dooreenr Voerden me op hun gouden vleuglen, Naar den open hemel heen.
â 129 â
»En nu leef ik en nu zweef ik
In de gouden hemelwoon, Met mijn kleine speelgenooten, Engeltjen om Jezus' troon.
»En ik b'id er telken stonde,
Moeder, o zoo teer bemind.
Dat ge eens bij den troon van Jezus Uwen lievling wedervindt.quot; â
Toen, gelijk een lichte schaduw
Vluchtig langs de wanden zwicht. Week voor 't oog der blijde moeder 't Haar betoovrend nachtgezicht.
En ontwakend zong ze een danklied
Tot den Vader, die haar kind Met veel meer dan moederliefde Van alle eeuwen had bemind.
OP GOEUEN VRIJDAG. Uitnoodiging om den Dood van Jcsus te bewccncn.
Weent, oogen mijns harten, in droefheid verzonken Daar sterft mijne Liefde aan het kruishout geklonkei Ach, weent, mijn genooten,
Nu Jezus aan 'tkruis is geslagen!
Stemt in met mij, droeve,
Laat nimmermeer af van te klagen.
Mijn Liefde is verscheiden In nameloos lijden; O weent om zijn smarten. Gij oogen mijns harten! ')
Mijn Liefde is gestorven! zijn hart zag ik breken, Mijn Bruidegom zie ik voor mij hier bezweken. O weent dan, mijne oogen. Van bitteren tranenvloed rood!
Ach weent, rouwgenooten,
Uw Jezus, uw Koning, is dood.
Mijn Liefde moest sneven;
Mijn hart, al te ontaard,
Was 't moordende zwaard.
Dat zijn Heiland den dood heeft gegeven. ')
Hij stierf dan, â mijn God stierf in duldlooze pijnen; Mijn God zonder meelij gedood van de zijnen. Vermoord al te schuldig!
Mijne oogen, stort stroomen van tranen.
Uw vreugde is verdwenen,
Uw licht moet voor eeuwig nu tanen.
Hij stierf, â mijn Beminde; niet ik slechts zal weenen, Maar al wat Hij schiep, wil ik om mij vereenen.
Treedt nader dan, allen.
Zet rouwend en klagend u neer,
En weent om het sterven Van Jezus, uw Schepper, uw Heer.
â 132 â
Splijt open, gij rotsen! Sla, aardrijk, aan 'tbeven! Aan 'tkruis is verduisterd de Zon van mijn leven; Wier stralen de heemlen Met eeuwige glansen vervullen.
Kwam thans hier beneden Het nachtelijk duister omhullen.
Gij, bergen, wilt stroomen van tranen vergieten; Ook gij, klaagt om nimmer te staken, o vlieten! Ja klaagt om uw Jezus,
Wilt kwijnen van pijn en van smart.
Daar wreed is gestorven,
Wiens schoonheid bekoorde ieder hart.
O gij Serafijnen, zoo brandend van liefde,
O ziet, of ooit droefheid een harte zoo griefde! Daalt af van uw zetels.
Om met mij uw lijkklacht te wijden
Aan uw en mijn Koning,
Mijn Jezus, zoo wreed ach! verscheiden.
O maagden vol schoonheid en sneeuwwitten luister, O sterren, wijd stralend in 't nachtelijk duister, O zuivere lelies.
Die bloeit in den hemelschen hof,
Ach treurt om het lijden.
Dat uw God, uw Bruidegom trof!
â 133 â
Komt, zielen, die Jezus op aarde zoo liefhebt, En nimmer zoo doodlijk als ik Hem gegriefd hebt, Komt, weent om de pijnen.
Die Jezus meedoogenloos kwellen;
Komt, weent om mijn Liefde,
Blijft steeds in mijn smart mij verzeilen.
Zoo gaf dan mijn Liefde voor mij hier zijn leven .... Hoe kon toch mijn harte dien doodsteek Hem geven? Welaan dan, mijn harte,
Welaan, sterf ook gij voor uw God!
Ja sterf aan den boezem bis.
Van Jezus, uw eenig genot!
(Van den H. Alphonsus).
') Deze twee refreinen worden in het Italiaansch beurtelings achter ieder couplet herhaald.
DE GODMINNENDE ZIEL IN TROOSTELOOSHEID.
Somber woud, dat door uw zwijgen -Schijnt te treuren met mijn smart,
Luistrend naar mijn boezemhijgen Naar den klaagtoon van mijn hart;
Hoor toch naar mijn zielsgefluister,
Breng mijn bang gemoed tot rust;
Laat mij in uw eenzaam duister Droevig zijn naar hartelust.
Ja, mijn tranen zullen vlieten,
Tolken van mijn diepe smart;
Tot ik U, o Zielsgenieten,
Niet mag drukken aan mijn hart!
Waar, mijn Goed, hebt Ge U verscholen. Waar bevindt Gij U toch nu ?
Laat Gij mij verlaten dolen.
Ongelukkig zonder U?
Waar, waar bleef dat zoet verleden, Toen mijn God als speelgenoot
Mij een stroom van zaligheden Troostend in het harte goot ?
Als Hij in mijn slaap van liefde Met zijn liefdepijlen kwam;
Mij dan eerst het hart doorgriefde, En 't zich dan ten aandeel nam ?
Als ik teedre zuchten slakend. Minnend veld en woud doorliep.
En steeds feller voor Hem blakend, Feller steeds om liefde riep?
Ach, wat storm is opgestoken Na dien vrede, kalm en zacht!
Hoe is 't hemellicht gedoken In een bangen, zwarten nacht!
Waar ik ook mijn blikken wende. Angst en droefheid grijpt mij aan;
'k Zie een toekomst vol ellende Siddrend voor mij opengaan.
Ach, ik voel mij zoo verlaten, Doodelijk ter neer gedrukt!
Wat kan menschentroost nog baten, Waar zich God aan mij ontrukt?
â 136 â
'kVoel den dood steeds aan mijn zijden, En toch â sterven kan ik niet;
Uit den kerker van het lijden
Zich geen uitkomst voor mij biedt.
Van mijn Jezus gansch begeven
Wil ik vluchten____ maar waarheen ?
Daar de Leidstar van mijn leven Uit het zoekend oog verdween.
Toef, mijn Jezus, toef niet langer, Eenzaam zit ik hier ter neer,
Immer wordt mij 't harte banger, Troostloos zucht het immermeer.
Word verzoend, mijn Zieleweelde, Ach, ik leed reeds lang genoeg;
Dat uw hand die wonden heelde, Die uw liefde me eenmaal sloeg!
'k Mag de reden nimmer wraken, Die U van mij vluchten deed;
Nimmer ook de keten slaken.
Door uw liefde mij gesmeed.
Ja, mocht Gij mij van U drijven, Smaaddet Gij mijn droeve beên:
Ik zal eeuwig bij U blijven.
Eeuwig, eeuwig de uwe alleen.
'k Blijf U minnen, schoon Ge uw blikken
Thans vijandig op mij slaat;
Vlucht Ge, â tot mijn laatste snikken Zal 'k U volgen, waar Gij gaat!
(Van den H. Alphonsus).
NA DE H. COMMUNIE,
O Brood des Hemels! Kostb're Spijze! O boven alles dierb're Schat,
Die hier mijn God op wondre wijze In schijn van brood geheel bevat: U wil ik minnen, U aanbidden,
U Jezus, Jezus, maatloos zoet! Als brood verblijft Gij in ons midden. Om ons te schenken Vleesch en Bloed!
O hartversterkend Brood des levens.
Wat feestdisch hebt Gij mij bereid! O Onderpand en Voorsmaak tevens
Van 't leven der onsterflijkheid!
Ik leef â niet ik â o neen, mijn leven.
Mijn God, mijn goede God, zijt Gij, Gij hebt mij 't leven hier gegeven, Gij voedt, bestuurt en zaligt mij.
â '39 â
O Liefdeband. op 't innigst boeiend,
Mij, slaaf, aan mijn beminden Heer! Zoo 'k leef, â maar niet van liefde gloeiend,
Dan toil ik hier geen leven meer.
Neen, 'k kan het leven niet verdragen,
Tenzij mijn ziel mijn Jezus mint.
Die liefde mij is komen vragen.
Die zelf het eerst mij heeft bemind.
0 felle Vlam, door niets te keeren!
Die ieder hart en elk gemoed Van liefdevuur wilt doen verteeren:
Mijn harte blaakt voor U van gloed. Ja kom, wil toch mijn hart ontgloeien,
Ontvonk het immer, immer meer! Hoe mijn verlangen ook blijft groeien. Uw liefde is altijd grooter. Heer!
O Liefdeschicht, kom mij doorsteken!
Zoo 'k tegen mijnen God misdeed. Wil thans U op mijn ziele wreken,
Zij is tot iedren dood gereed.
Ja, wreek nu de oneer, die Hem griefde.
Opdat ik sterv' van liefdesmart Voor Hem, die eens te mijner liefde Don doodsteek voelde in 't godlijk Hart.
â i4o â
O mijn beminnelijke Goedheid,
Die mij verwint met zacht geweld, Mijn harte houdt met zooveel zoetheid
In onverbreekb'ren band omkneld! O Liefde zoet! 'k wijd U mijn leven, 'k Wil de uwe zijn van nu af aan; Gij hebt U zelf aan mij gegeven:
Neem Gij, mijn Jezus, mij thans aan.
U zal ik zien in 't zalig Eden
Van aangezicht tot aangezicht. Om U daar door alle eeuwigheden
Te minnen in uw glorielicht,
Ja zeker, 'k hoop U daar te aanschouwen.
Mijn God, die in mijn binnenst leeft! Mag ik den Hemel niet vertrouwen Van Hem, die mij Zich zeiven geeft?
(Van den H. Alphonsus).
TEN GOUDEN PRIESTERJUBILE
VAN Z. D. HOOGW.
MGR. FR. A. H. BOERMANS, Bisschop van Roermond,
23 December 1838â23 December 1888.
't Was stil in 't heiligdom voor vijftig lange jaren; De fluisterende beê der saamgedrongen scharen Golfde als de wierook langs gewelf en tempelmuur En riep Cods zegen af in 't plechtig wijdingsuur.
t Was stil in t heiligdom. In zijnen God verslonden, Aan wien hem steeds de band der liefde had verbonden ,
Lag voor L_t feestaltaar een jongling neergeknield. _
Verheven oogenblik! waarop dat hart, bezield Met Jezus' liefdevuur, met dringend zielsverlangen Verzuchtte naar den stond, waarop hem blijde zangen Begroeten zouden als bevoorrechte aan zijn disch, Uitdeeler ook van 't grootst en diepst geheimenis.
142
En 't is, als slaan op eens de gouden deuren open,
Waarvoor 't geloovig hart met bidden, rouwen, hopen Aanbiddend zich verneêrt. In 't binnenst heiligdom Schouwt hij den Godmensch, die hem toeroept: »Kom, o kom! »Ik zie, hoe dag aan dag mijn Vader wordt beleedigd, «Hoe men zijn wet verbreekt, en eigen lust bevredigt. »Zoo spreek, mijn zoon: wie zal voor 't volk een Mozes zijn, »Die het vooruitgaat in deezquot; dubble zandwoestijn?
»Dien man mijns harten wie in zachtheid evenaren, »Wie door 't gebed, als hij, mijns Vaders toorn bedaren?quot; En 't moedig antwoord klinkt: «Zend mij, o Jezus, mij!quot; â «Mijn zoon, volgt gij Mij na? Zie wat Ik van hen lij,
«Mijn lijden wacht ook u!quot; â «Ik zal hen niet ontvlieden!quot; â »Hun haat treft dan uw hoofd!quot;-»'k Zal hun den vreêkusbieden.quot; »Zij lasteren uw naam!quot; â ))Voor hen dan mijn gebed!quot; â »Als zij u vragen: » »Wat verkondt gij ons, wiens wet?quot;quot; »Den weg van 't waar geluk, Gods heil'ge tien geboden.quot; »Ga dan, mijn zoon, als Mozes ging naar 'tvolk der Joden. »Gij zult mijn Priester zijn, Ik zelf geef u mijn macht, sin zachtheid en gebed zij 'tgrootsche werk volbracht!quot;
Jehova zwoer zijn eed, en 'tzal Hem niet berouwen:
Gij zijt de Priester Gods voor de eeuwigheid!
Meer dan een Mozes eens zaagt ge aan uw hand betrouwen, Gij, tolk en offeraar der Oppermajesteit!
â 143 â
))In zachtheid en gebed zij 't grootsche werk volbracht.quot; In zachtheid! â Woidcrbeeld, geheimvol in zijn kracht, Van oorsprong hemeling, een vredeboó op aarde,
E; i straal van 't glorielicht, dat God voor de eeuwen baarde, Die, als het morgenrood, den angstige verkwikt.
Waar lijden of verdriet hem donker tegenschrikt;
Die zonder klanken steenen harten kan verwinnen, Der zonden banden zengt om God alleen te minnen. â 't Gebed! â Der englen lied, der menschen hoogste macht, Die de aard' ten hemel hief en God op de aarde bracht; De geur'ge wierookwolk, die van het altaar steigert. Des stervlings wenschen torst, daarboven nooit geweigerd; De straal, die 'tdreigend oog der Godheid weer verklaart. Wat zondenstroom dan ook langs heel het aardrijk vaart. â Hoe trouw was steeds des Priesters hart aan deze trekken! Zoo-vaak het dreigwoord zelfs den zondaar niet kon wekken. Heeft zijn zachtmoedigheid hem willig meê gevoerd. En 't losgescheurde hart aan 't Hart van God gesnoerd. Zoo vaak 't welsprekend woord de duizendtallen boeide,
Bleef zijn gebed de bron, waaruit Gods zegen vloeide. Ja zachtheid en gebed, in 't Priesterhart vereend. Zij brachten vreugde en rouw, en troost aan hem, die weent.
Jehova zwoer zijn eed, en 't zal Hem niet berouwen:
Gij zijt de Priester Gods voor de eeuwigheid!
Meer dan aan Mozes eens zaagt ge aan uw hand betrouwen, Nu gij den Priester zelf naar 't heilig altaar leidt.
â 144 â
»In zachtheid en gebed zij 't grootsche werk volbracht.quot; â En hooger steeg de zon der priesterlijke macht,
Totdat ze in vollen glans uw ziele kwam omstralen,
En in haar hoogste kracht op u mocht nederdalen.
De mijter siert u 't hoofd. En van uw lippen komt Dat nieuwe scheppingswoord, dat Sions hof verstomt, Den mensch tot koning maakt. En als een vruchtb're zegen, Zoo daalde bij dat woord, met uwer handen zegen Uw eigen dubble geest op uwe priesters af.
O driewerf zalig volk, dat God deez' Herder gaf!
Wiens zachtheid en gebed zich uitstort in de scharen Der priesters, die om strijd hun kerkvoogd evenaren.
Wier zachtheid in het hart als zoete balsem vloeit,
Wier bede 't koude hart van liefdevuur ontgloeit.
Jehova zwoer zijn eed, en 't zal Hem niet berouwen;
Gij zijt de priester Gods voor de eindlooze eeuwigheid! . Op zachtheid en gebed mocht gij uw hope bouwen,
Daardoor hebt gij het hart ten hemel steeds geleid. â O weid nog jaren lang, die God u wil betrouwen.
Totdat gij zelve treedt in 's Heeren majesteit.
KERSTNACHT,
DOOR EEN VAN BETHLEHEMS HERDERSKNAPEN BEZONGEN.
Hoe liefelijk schoon was 't te nachte J Op Bethlehems groenende wei!
De herdertjes hielden de wachte,
Zij speelden op fluit en schalmei.
De sterretjes lachten en blonken
Daar boven met glinstrenden schijn,
Als engelenoogjes, die lonken Door 't blauwende hemelgordijn.
De lammetjes dartelden blijde Of graasden om 't stalletjen heen,
Of sliepen in 't gras van de weide,
Waarover het manelicht scheen.
En zie, uit de hemelen daalde Een engel op vleuglen van goud.
Wiens aanschijn als 't zonnelicht straalde: 'k Had nooit nog zoo'n engel aanschouwd.
io
â 146 â
«O vreest niet, 'k ben tot 11 gezonden Zoo zei hij, sop 's Heeren bevel,
Om heugelijk nieuws te verkonden, Dat zijn zal voor gansch Israël.
»Daar is u een Heiland geboren In Bethlehems stede te nacht,
De Christus, des Heeren Verkoren; En geeft op dit teeken nu acht:
.»Gij zult er een Kindeke vinden,
Dat in een klein kribbetje ligt.quot;
Zoo sprak hij , en vlug als de winden, Verdween hij weer uit het gezicht.
Dan oopnen zich eensklaps de heemlen. Of de aarde ten hemel opging;
'k Zag duizenden engelen weemlen Om 't stalletje heen in een kring.
En Gloria, Gloria! bruiste 't
Langs harpen van zilver en goud,
En Gloria, Gloria.' ruischte 't
In de echo's van beemden en woud.
Nu zongen zij allen te zamen.
Dan weer een alleen Gloria;
En de anderen zongen dan Amen, De herdertjes zongen hen na.
- 147 â
Toen zijn ze weer langzaam verdwenen;
Wij waren van 't licht als verblind, Wij stonden van blijdschap te weenen; Toen gingen wij zoeken naar 't Kind.
Wij hebben niet lang moeten zoeken,
't Lag ginds in den stal; 'twas gelegd In een kribje, gewikkeld in doeken; Zoo had ons ook de engel gezegd.
Wij knielden voor 't kribbetje neder,
We aanbaden het Kind als Gods Zoon; 't Aanschouwde ons zoo lief en zoo teeder; Wat was toch dat Kindeke schoon!
Als sterretjes blonken zijn oogjes,
Een glans als van 't dagende licht Omspeelde de tengere boogjes;
Nog blanker dan sneeuw was 't gezicht.
Wij zongen, om 't Kindje te prijzen,
Uer engelen glorialied,
Wij zongen 't op de eigene wijzen,
Maar, ach, 't was hun lofzang toch niet.
Toen gaf ons het Kindje zijn zegen.
Stil lel Het zijn handje op mijn hoofd; «Bemin Mij, bewandel mijn wegen;quot; Zoo zei Het; dat heb ik 't beloofd !
â 148 â
Toen groetten wij nog bij het scheiden
Maria, de maagdlijke Bruid, En Joseph; zij lachten en schreiden En lieten ons 't stalletjen uit.
Ook wij konden lang niets dan weenen, Wij hielden weer zwijgend de wacht; Maar eer moog mijn harte versteenen, Dan dat het vergeet dezen nacht!
ZIELZUCHT.
Zacht neigt de zon in 't purper Westen neer, Der kleinen lach en jubel klinkt niet meer,
Stil is 't op veld en weiden, heinde en veer.
Bij 't sterven van 't onschuldig feestgewoel,
Bestormt mijn hart een onbestemd gevoel,
En waart mijn geest in mijmren zonder doel.
Op d' éénen stond ben ik in weemoedssmart En 't zacht gevoel van hooger vreugd verward. Een raadsel schier wordt mij het eigen hart.
Welk is die tocht, die dus mijn ziel ontroert, De zeilsteen, die van ver haar liefde snoert, Mij zacht en fel mij zelf en de aarde ontvoert?
Ach, 'k weet het, God, nog balling op deze aard', Juich ik van 'theil, in 't licht der hoop ontwaard. En treurt mijn hart van heimweesmart bezwaard.
Door 't logge stof gekluisterd en geprangd,
Derf ik nog 'theil, waar heel mijn ziel aan hangt.
Maar 'toog nog slechts een flauwe scheemringvangt;
â i5o â
Dat mij aan de aarde ontscheurend voert omhoog, Maar als een schaduw wegvliedt voor mijn oog, Zoo 'k er naar smacht en het te omhelzen poog.
En wat is mij al 's werelds zingenot.
Zoo koud, zoo leêg? â Ach rustloos blijft mijn lot.
Totdat ik rusten zal in U, mijn God.
Ach, kleurloos hangt de bloem op 't vreemde strand Voor 'toog des ballings, als naar 't vaderland In 't treurend hart de heil'ge zucht ontbrandt.
Maar eens toch wordt mijn pelgrimstocht voleind. En land ik daar, waar alle smart verdwijnt,
Waar 'tzonlicht taant, alleen Gods liefde schijnt.
Daar vind ik al, wat ik nu schreiend mis.
Daar valt de sluier der geheimenis,
Daghelder wordt, wat nu slechts scheemring is.
O God, mocht dan die blijde stonde slaan.
Waarop mijn ziel, van 'taardsche stof ontdaan. Des levens volheid juublend in zal gaan;
Waarop ik, dronken van den jubelschal. Uw aanschijn zien, mij gansch verliezen zal In uwe omhelzingen, mijn God en al.
ECCE HOMO.
Glansrijk was hij en verrukkend, Hemelwaardigheid uitdrukkend,
De eerste mensch van 't Paradijs, Die in zich, in 't slijk der aarde, Godes beeltenis bewaarde,
't Kunststuk van den God zoo wijs!
O, hoe droevig, hoe ontzettend, Zielverscheurend, hart verplettend,
Staat Hij daar, van smart vervuld, Die in 'l vleesch draagt felle pijnen. Dat om wille van de zijnen Gods onzondig Woord omhult!
Schoon was 's aardrijks eerste zone Als hij droeg de scheppingskrone,
Als hij neerzat, vlekkeloos.
Op een troon, in bloemen pralend, 't Aangezicht van vreugde stralend, 't Hoofd omkranst met mirt en roos.
â 152 â
Ziet gij Hem, Maria's Zone ? Hij, die in zijns Vaders wone
Troont in 't grondelooze licht, Zit op eenen steen ter neder; Doornen kronen 't hoofd zoo teeder, Bloed drupt van zijn aangezicht.
Met een schuldeloos geweten Was eens Adam neergezeten
Tusschen 't woeste dierenkroost, 't Fiere hoofd omhoog geheven; 't Dier erkent den vorst van 't leven, Wien het hand en voeten koost.
Zie hoe met verwoede klauwen Stier en eenhoorn hem benauwen,
Jezus, overplast van bloed!
't Hoofd diep op de borst gebogen, Opdat zij 't weer heffen mogen, Zij, voor wie die Koning boet.
Hoe verrukklijk was 't aanschouwen, Als bij 't frissche morgendauwen Blij de dag zijn stralen schoot. En voor Adam, als de zonne Eva stond, zijn vreugdebronne, Eva, schoon als 't morgenrood.
â '53 â
Ach! wat was zij droef te aanschouwen, Jezus' Moeder! Ach, wat rouwe,
Als zij Hem in 'trechthuis zag. Haren Zoon, in 't bloedigst lijden, Moê van 't werken, moê van 't strijden, Op het midden van zijn dag!
O, hoe foltrend, hoe ontzettend Zieldoor vlij mend, hartverplettend
Klonk Gods stem in't scheppingsrijk, Klonk het spottend, toen slechts de aarde Scherpe doornen Adam baarde: »Zie, hij is aan Ons gelijk!quot;
«Zie den Mensch!quot; zoo klinkt na eeuwen Weer een kreet, en onder schreeuwen
Wordt Gods Zone voorgebracht; God draagt thans de kroon der doornen, Adam is weer de uitverkoorne,
Juich dan, Adams nageslacht!
BIJ DE BEELTENIS VAN GERARDUS MAJELLA,
TER GELEGENHEID
ZIJNER ZALIGVERKLARING.
Beschouw Gerardus' beeld! Hij vlood reeds van deze aarde, Toen pas zijn levensbloem den geur'gen kelk ontsloot; Dat leest ge in 't blank gelaat. Wat vreugd'hem't leven bood , Het was op 's werelds endquot;, dat steeds de jongling staarde.
God plantte deze bloem in Sint Alphonsus' gaarde,
Waar 'tzwarte boetekleed om zijne leden vloot;
De lelie aan zijn zij tuigt, hoe hij tot den dood De ras ontsierde bloem voor elke smet bewaarde.
't Gestarde geeselkoord, dat 't teêre lijf deed bloeden,
Leert, wat het heeft gekost deez' lelie te behoeden. Wat scherpe doornenhaag rondom haar werd geplant;
Wat zon haar heeft bestraald, zegt 't kruisbeeld in zijn hand. Thans geurt en praalt die bloem in 't hof der hemelingen; Paus Leo toont ze opnieuw aan 't oog der stervelingen.
UITBOEZEMING EENER ZIEL DIE MARIA LIEFHEEFT.
Mijn leven is vurig Maria beminnen,
Maria, wier hart is zoo teeder, zoo zacht.
Dat wie zij ziet naadren om gunsten te winnen, Hoe schuldig hij weze, zij niemand veracht.
Wel troont zij in 't hoogste der hemelen-bogen Als aller gebiedster, bekleed met Gods macht;
Toch rusten op ieder haar liefelijke oogen,
Die hier naar heur hemelsche schoonheid versmacht.
Zij minlijke maged, zoo zuiver, zoo edel!
Zij Dochter van God, aan Gods liefde verloofd.
De kroon van Gods Moeder omstraalt haren schedel. Zij heeft ook mijn hart door haar schoonheid geroofd.
O mocht ik eens zien, â ware dat mij gegeven! â Elk hart voor haar kwijnen vol vurige min;
O mocht heel de wereld, door liefde gedreven De schoonheid lofprijzen van mijn Koningin!
â 156 â
O mocht ik eens hooren het lofgezang rijzen
In hemelsche akkoorden, heel 't wereldrond door:
»Dat allen, dat allen Maria lofprijzen,
Maria en God, die Maria verkoor!quot;
Laat andren het schijnschoon der wereld bejagen. Beminnen waar 't harte zijn vrede bij vindt;
Mijn hart vindt alleen in Maria behagen
Maria zoo schoon, dat God zelf haar bemint.
O Roofster der harten, vol liefde, vol goedheid, Maria, o strek uwe hand naar mij uit.
En werp om mijn harte den strik uwer goedheid, Ontruk het mijn boezem, uw liefde ten buit.
Doortintel mijn hart met den vuurgloed der minne. Die u, o mijn Moeder, voor Jezus verteert!
En maak dat Mijn liefde, o gij Liefde vorstinne,
Mijn liefde tot Jezus en u steeds vermeêrt.
(Van den H. Alphonsus).
MARIA'S STERFUUR.
Gevoelens, gedachten,
Zingt beiden uw lied,
Maria en die haar Onttrok aan het niet.
Komt juicht voor Maria, En Jezus, haar Kind;
De Zoon en de Moeder Zijn eeuwig bemind!
{Dit ivordt na iedere strophe herhaald).
Komt, prijzen wij juublend, Bezingen wij luid,
Gods minlijke Moeder,
Gods Dochter, Gods Uruid!
Na Jezus' verscheiden,
Haar leven, haar lust.
Toen smachtte ook Maria Naar de eeuwige rust.
- 158 -
Zoo kwijnt ook de lelie
Met neerhangend hoofd , Te midden der doornen Van 't zonlicht beroofd.
Toen zocht steeds heur harte
Vereen'ging met God, Toen smeekte zij needrig Den dood als haar lot.
Haar dierbare Bruigom
Verhoorde die beê, En noodt haar te rusten In eeuwigen vreê.
Zij wachtte, totdat zich Heur kerker ontsloot. Maar toen hij moest naad ren. Bleef verre de dood.
Dan rept zich de liefde, Op vleuglen zoo licht, En richt op heur harte Een doodlijken schicht.
Die schicht heeft getroffen;
Zie, kwijnend van min, Slaapt blijde Maria Ter zaligheid in.
â '59 â
De sneeuwwitte duive
Neemt haastig haar vlucht,
En Jezus, Hij draagt haar In 's hemels genugt.
Daar hoog in den hemel, O schoone Vorstin,
Naamt gij naast uw Jezus Uw machtzetel in.
Vergeet daar, o Moeder, Mij, zondaar, toch niet;
Geef, dat ik Gods liefde Meer liefde steeds bied'!
(Van den H. Ai.phonsus).
KERSTLIED.
Toen 't Kindjen in de grot te Bethlem werd geboren,
Was't nacht.Maar met meer glans kon't sterrenheir nooit glorei Het middernachtlijk uur was aan den dag gelijk. Een puikstar liet haar stralen Op 'tOosten nederdalen,
En riep, als Godsgezant, de Wijzen uit hun rijk.
't Gevogelt waakte blij, en zweefde in bonte vluchten En deed een nieuw gekweel weerschallen door de luchten. De krekel zelfs paart aan dat lied zijn schel gepiep.
Doet hier dan ginds weer hooren »Te Bethlem is geboren,
«Geboren God de Heer, die ons in 't leven riep.quot;
En hoe de wintervorst de bloemen deed verwelken, Nu oopnen duizenden weer geurend hare kelken;
Ja zelfs het hooi der krib, door Jezus' traan besproeid. Herneemt zijn groene kleuren.
En streelt met frissche geuren Het Kindje, door wiens kracht het opleeft en herbloeit.
- i6i â
In 't weeldrig oord, dat men Engaddi pleegt te noemen, Daar mocht men in dien nacht op keur van druiven roemen. Maar Gij, o Kindje zoet, mijn druiventros zijt Gij, Die, louter liefde en goedheid.
Mijn lippen hemelzoetheid,
Mijn hart verrukking biedt van 't eeuwig jubeltij.
De vrede mag op aard' zijn zoetheid weer verspreiden: Men ziet den leeuw met schaap en vaars te zamen weiden; Het geitje ligt gerust naast valsche tijgers neer. De onnoozle lammren spelen Met wolven, die hen streelen,
De luipaard voelt geen dorst naar 't bloed der bokken meer.
Zoo was het gansch heelal, de hemel, zee en aarde, Veranderd in dit uur, waarop Maria baarde.
En wie thans slapen mocht, een ruste wonderzoet Verkwikte hem de leden:
Een droom van eeuw'gen vrede.
Van ongekend genot verrukte zijn gemoed.
Er bleven herders toen hun wollig vee bewaken:
Daar zagen ze in den nacht een hemelgeest genaken. Van zonnegoud omstraald. Hij zong: »0 huivert niet! «Geen harte mag nog vreezen,
s'tMoet al vol jubel wezen,
«Een Paradijs werd de aard', door 't wonder thans geschied.
11
102
))Te Bethlem in de grot is u de lang Verwachte,
Die de aard' verlossen zal, geboren in deez' nachte:
Spoedt, spoedt u naar de grot, naar 't Kindjen, goddlijk schoon, Uw God ligt daar gebonden,
Met windselen omwonden;
Uw leven toeft aldaar; het kribjen is zijn troon!quot;
En de englen daalden neer bij duizend duizendtallen. En deden door de lucht hun nieuw triomflied schallen: «Hosanna! Eer aan God! Den menschen zoete vreê! Geen krijg meer! Liefdes Koning Verliet zijn hooge woning.
En bracht als hemelgaaf slechts vreugde en liefde meê.quot;
Het hart der herders trilt en klopt met sneller slagen. Zij zien elkander aan, elk roept: «Hoe nog vertragen! Wat staan en toeven wij! Komt ijlings naar de grot! Mijn harte kan niet wachten,
Het dringt met alle krachten.
Ik moet het Kindjen zien, moet zien mijn kleinen God.quot;
En voort ging 't naar den stal. Zij spoên zooveel zij mogen Als jagers, die, verhit, hun buit zijn nagevlogen.
Daar zien zij bij de krib de heil'ge Moeder staan. En Jozef even blijde Aan kleinen Jezus' zijde.
't Is of weer 't paradijs voor hen mocht opengaan.
â 163 â
Betooverd staan zij daar met half ontsloten lippen ;
Maar lang eer aan den mond een woord slechts mag ontglippen; In 'teind heraadmen zij: dan stroomt een tranenvloed, Dan klinken liefdezuchten,
Dan voelt vol zielsgenugten Elkeen zijn hart verteerd van feilen liefdegloed.
Dan eindlijk durfden zij zich dicht bij Jezus wagen, Om daar met huivrig hart geschenken op te dragen. En 't Kindje wees niet af, maar lachte wonderblij, Aanvaardde de offeranden En let zijn kleene handen Hun zeegnend op het hoofd. O hemelsch feestgetij!
Nu schept hun hart meer moed; zij vragen vol verrukken De Moedermaagd de gunst een kus te mogen drukken, En kussen keer op keer de voetjes van het Wicht:
Niets kan de vlam meer blusschen Der liefde; ziet zij kussen De hand reeds , reeds het mondje en 't goddlijk aangezicht.
Straks vingen ze allen aan een jubellied te zingen. Zij speelden juichend meê bij 't lied der hemelingen En van de Moedermaagd: en 't klonk zoo wonderzoet, Ontlokte Jezus lachjes.
Totdat het eindlijk zachtjes Zijn minlijke oogjes luikt, en Jezus sluimren doet.
- 164 -
Het blijde wiegelied bij 't kribjen aangeheven Kan wel geen ander zijn, dan 't geen ik u ga geven: Maar denkt, terwijl ik zing, dat gij bij 't kribje staat. Met de arme herdersknapen Het Kindje daar ziet slapen,
Het Kindje hemelschoon, een lachjen op 't gelaat.
Daal van uit de hemelsferen.
Zoete slaap, op 't Kindje neer;
Klein is 't nog en o, zoo teeder, Kom, o slaap, en toef niet meer.
Zoetste Vreugde van mijn harte, 'k Mocht wel sluimring voor U zijn
En uw lieflijke oogjes luiken.
Zoetjes, zoetjes, Jezulijn.
Maar als Ge om mijn hart te winnen Op deze aarde Kindje werdt,
O, dan kan U slechts doen sluimren Teedre liefde van mijn hart.
Maar dat lied, dat wil ik zingen Want mijn harte mint U zeer.
Mint U, mint U,. .. . bij die klanken Sluimert reeds het Kindje teêr.
'k Min U God, ik min U Schoone,
'kMin U Vreugde, 'k min U veel.
- I65 â
Zoo klonk hun lied en spel, totdat de herders scheidden En weer naar 't wollig vee zich spoedden in de weiden. En hoe kon 'tanders zijn? Hun hart vond rust noch duur. Zij wilden immer keeren Om 't Kindjen te vereeren;
Zij zochten daar hun heil, hun wellust ieder uur.
Bij 'tkribjen ja is heil! De hel slechts en die zielen. Die door des satans list in zijne strikken vielen.
Zich hechtend aan het kwaad, slechts haar grijpt siddring aan. Zoo zal de vleermuis vluchten En 't helle zonlicht duchten,
Wen over 't wijde land haar gouden stralen gaan.
Ach mij! Een zondaar ben ook ik met schuld beladen. Maar 'k wil niet langer meer mijn boozen lust verzaden. Noch ongevoelig zijn, halsstarrig en verblind.
Met hart en ziel en zinnen Wil ik mijn Jezus minnen.
Met os en ezel staan dicht bij het goddlijk Kind.
Gij zijt, o Kindje mijn, een zon van zuivre liefde; Och straal dan koestrend neer; op mij, die U zoo griefde Mijn ziel is nog zoo slecht, van pek der zonden zwart: Toch mag ik nog vertrouwen.
Te meer moet Gij m' aanschouwen,
En rein wordt bij dien blik en vlekkeloos mijn hart.
- 166 â
Gij zegt mij, dat reeds nu uw oogjes tranen vulden, Opdat de zondaar ook zou weenen om zijn schulden. Ook ik misdeed. Och had de dood mij neergeveld ! Eer 'k zondig had misdreven.
Gij hebt m' uw hart gegeven;
En ach tot loon er voor heb ik U wreed gekweld!
Och oogen, mocht gij toch als twee fonteinen vloeien Om Jezus' voetjes steeds met tranen te besproeien Tot delging mijner schuld, en om het Kindje teêr Door liefde te verwarmen;
Licht sprak Het vol erbarmen:
»'k Vergeef u alle schuld: genoeg, ik toorn niet meer!quot;
O driewerf zalig ik, mocht ik dat woord opvangen, Wat kon mijn harte meer ter wereld nog verlangen! Maria, zoete hoop, nu ween ik t' allen tijd.
Maar wil gij voor mij spreken;
Terwijl mijn tranen leken.
Denk, dat gij moeder ook der arme zondaars zijt.
(Van den H. Alphonsus).
KERSTNACHTLI ED.
Stil en zacht heeft de nacht Bethiem met zijn floers omtogen;
Arme herders houden wacht Bij hun kudde, als uit den hoogen,
De Engel Gods, op gouden schacht. Plotseling komt neergevlogen.
De Engel.
Wilt niet vreezen, broedrental.
'k Doe u blijde tijding hooren, Want uw Heiland is geboren, Die zijn volk verlossen zal;
't Is de Christus lang voorzegd. â Dit zal u ten teeken strekken:
Zie gij zult een Kind ontdekken, In een kribbe neergelegd.
â 168 â
Herders.
Broeders op, geen stond gedraald,
Ons weerhoudt geen nachtlijk duister! â Wat gerucht! â Is 't windgefluister Dat ginds van de heuvlen daalt ?
Of wat klank van stemmen ruischt er ? Zie, wat bovenaardsche luister Ginds op 't veld den stal bestraalt!
Een Herder.
O gebenedijde Vrouwe,
Schoonste bloem van Jesses stam,
Laat ons 't goddlijk Kind aanschouwen Dat uit u de menschheid nam.
Maria.
Komt en ziet dat minlijk Kind;
Op dat hoofd past 's werelds krone,
Maar zoo heeft Hij u bemind;
Liefde, liefde dreef mijn Kind Van zijn hoogen hemeltrone.
Naar deez' arme kille wone.
Waar 't zijn lijdensloop begint.
Herders.
Groote God, teeder Kind,
Laat ons nu uw wiegje omringen,
En het eerste kerstlied zingen.
Dat in de eeuwen weerklank vindt.
â 169 â
Heilig uur, stille nacht,
Boven 't daglicht uitverkoren.
Nu de Heiland wordt geboren.
Door de Vaadren lang verwacht.
Heilig uur, stille nacht,
't Starlicht, vonklend aan de transen, Schiet op 't sneeuwtapijt zijn glansen;
Aarde en hemel juicht en lacht.
Maria.
Groote God, teeder Wicht,
Schooner dan ooit sterren blonken, Doet de liefde uw oogjes vonken,
Als Gij ze op mijn harte richt.
Herders.
Stille nacht, heilig uur,
Uit de hoogste hemelkringen
Vloeit langs de eeuw'ge heuvelklingen
Gansch een zee van vlammend vuur.
Maria.
Groote God, teeder Wicht;
Blanker dan de sneeuw der dalen. Als de gloed van de uchtendstralen,
Is uw minlijk â aangezicht.
â lyo â
Herders.
Heilig uur, blijde nacht,
Hoor, een klapprende englenvluchte Daalt omlaag uit de open luchte, Schittrend in haar hoogtij pracht.
Maria.
Ach Gij schreit, dierbaar Kind,
Gij, de bronaar van 't verblijden. Proeft Ge reeds den kelk van 't lijden, Daar Ge uw leven nauw begint?
'k Weet het, wat uw hart zoo griefde Dezen nacht; Gij weent uit liefde.
Wijl Ge de aard' vol zonden vindt.
Koor van Engelen.
Gloria, gloria!
God in 't hoogste prijs en waarde, En den menschen vrede op aarde. Aangenomen in genA!
Herders.
Gloria, gloria!
Aan den God der englenkoren,
In deez' armen stal geboren.
Ons zijn liefde en zijn gen,l!
â lyi -
Maria.
Gloria, gloria!
U mijn Kindje in Bethlems wone, 's Vaders ongeschapen Zone,
God van liefde en van gen ft.
Herders.
Alles juicht op uwen toon,
rondt niet op, o zalige englen.
Voer het Kind dat lied te menglen. Brengt Het 's werelds staf en kroon.
Maria.
Hemelklank, englenlied!
Ach, zoo roerend als uw klachte, Dierbaar Kind, in dezen nachte. Zijn al de englenzangen niet.
Herders.
Heilig uur, stille nacht! De englentonen sterven henen, 't Hemelsch licht heeft uitgeschenen, Slaap nu, Kindje, sluimer zacht.
Maria.
Slaap mijn Kind, sluimer nu Veilig in mijn moederarmen,
'kZal ü aan mijn hart verwarmen;
â 172 â
Uwe Moeder waakt bij U,
Tot uw lijdensuur zal slaan, En ik naast uw kruis zal staan.
Een Herder. Hoe schittert reeds van verre,
In oostelijke pracht.
De gouden Jacobssterre
In 's werelds donkren nacht!
De Koningen ontwaken
Op 't ver gelegen strand;
Zie, zie hen blij genaken.
Waar 't licht der sterre brandt!
Straks bieden ze U hun krone.
Als aller vorsten Heer,
En vallen voor uw trone In uw aanbidding neer.
Dan zal uw macht regeeren,
Uw schepter in het stof Des vijands trots verneêren,
Dan zingt heel de aarde uw lof.
Maria.
Zie Het sluit nu de oogjes dicht;
Al de zonnen, die er weemlen, Putten toch haar glans en licht Uit dat sluimrend aangezicht;
Zon en sterren, aard en heemlen Zwenken om dat slapend Wicht.
â 173 â
Koor van Engelen en Herders.
Gloria, gloria!
God in 'thoogste prijs en waarde, En den menschen vrede op aarde. Aangenomen in genA,
Gloria, gloria!
BIJ EEN BEELD VAN MARIA.
Mijn liefste Moeder, had ik eens
Der zonne fijnste goud;
En al dien diamanten schijn,
Op 't loover neergedauwd; En had ik dan der englen hand
In drijverskunst volleerd: 'k Bereidde een kroon der Koningin, Hier op deez' troon vereerd.
En had ik aller leliën sneeuw.
Der rozen karmozijn;
En heel der bloemenwereld pracht
Vol kleuren, zacht en fijn; En had ik dan uw zin en kunst: Ik weefde straks een kleed, Dat, Koningin, vol majesteit U van de schouders gleed.
â 175 â
En had ik heel den kleurenboog
Met zevendubble pracht; En wat daar in het kristallijn
Zoo hel ons tegenlacht; Een paarlen-schat, van verre kust
Ons herwaart aangebracht: Ik vlocht een vorstlijk parelsnoer, Uw maagdom toegedacht.
En had ik al die engeltjes,
Die spelen om uw troon, En nog die duizend duizenden
Daar juublend bij uw Zoon, Ik schaarde ze als een eerewacht
Om u in rij aan rij,
Ik vroeg hun harp en stemgeluid Vol hemelmelodij.
Maar Moederlief, die schoone kroon
Dat kleed vol majesteit, Dat koninklijke parelsnoer. Die eerwacht u bereid,
'tHaalt al nog bij uw glorie niet,
O Moeder van Gods Zoon! Gij waart, gij zijt, gij blijft te groot Voor al ons eerbetoon!
TER EERE VAN HET KOSTBAAR BLOED VAN JEZUS.
O heil'ge bron, die van de toppen Des dorren Golgotha's gevloeid,
Gelijk een stroom van rozendroppen
Het dorstig hart zoo mild besproeit; O bron van hemelzoetigheden,
O kelk, van de englen aangebeden,
O laafnis van ons dor gemoed,
O bron van Gods geheimenissen, Ach mocht mijn hart den oorsprong gissen Van uw gewijden purpervloed!
Die oorsprong, Jezus, was de liefde.
De lijdenssjnart, die al te wreed Uw teederminnend Hart doorgriefde,
Toen Gij uw strijd van liefde streedt;
â 177 â
Toen Gij, in 't Hofken neergebogen, Den Vader badt om mededoogen,
Die U den kelk des lijdens bood. O uur van smartlijk zielsbenauwen, Gij zaagt die eerste druppels dauwen. Die Jezus' droevig Hart vergoot.
Straks vallen felle geeselslagen
Op Jezus' schuldloos lichaam neer.
Moet Hij een kroon van doornen dragen
Op 'tmaagdlijk voorhoofd, blank en teêr. Dan zal zijn Bloed in breeder stralen Van hoofd en schouders nederdalen.
Gelijk de-wondre springfontein,
Die, waar men nooit een sprank vermoedde. De rots ontsprong voor Mozes' roede In Horebs dorre zandwoestijn.
Zie, zie den kruisbalk opgeheven En Jezus op het hout gestrekt,
De naaglen door zijn vleesch gedreven.
De tengre leden uitgerekt.
En 'thart, door 't wicht der smart gebroken. Wordt door de scherpe lans doorstoken;
Nu vloeit de levensader uit,
Het vijftal wonden uitgedrongen Gelijk vijf heldre watersprongen,
Wanneer de bronadr zich ontsluit.
12
- 178 -
O bron van wellust, ons ontsloten,
O offerkelk van 't Nieuw Verbond, O maagdenwijn, zoo mild vergoten In Jezus' heil'gen bruiloftsstond, O hemelzoete levensspranken,
Gedauwd uit eeuw'ge wingerdranken.
Och laaft mijn dor en droef gemoed, Och stroomt mijn harte door en over. En kweekt er bloesem, bloem en loover. Bestraald van Jezus' liefdegloed.
O uchtenddauw der dorre wereld,
Die in uw frischheid weer ontbloeit, Met rozendruppelen bepereld
Uit Jezus' wonden neergevloeid!
Zie haar verjeugdigd aanschijn blozen, Omkranst met lelietak en rozen Als een gewijde hemelbruid.
Die zoekt naar haren Welbeminde,
Dien ze eens voor eeuwig weer zal vinden Als zich de bruiloftszaal ontsluit.
CHRISTUS IN DEN HOF VAN OLIJVEN.
Gods Zoon, in 't stof gebogen, bidt. Een bloedig zweet kleurt ieder lid, En drupt op de aard'.
Die doornen baart.
Waarop de Heiland vruchtbaar regent. Met dauw en rozerood ze zegent.
Toen steeg langs 't groen olijvenblad. Dat voor zijn God geen heulsap had. Een engel hoog Ten blauwen boog,
In 't kleed gelijk aan 't morgenkrieken. Met blanke goudgetinte wieken.
Met slappe vleuglen stijgt hij op.
En hoort voor 't laatst aan 's hemels top. De Onnoozelheid,
Die bitter schreit:
»Ach, Vader, dat deez' kelk me ontvliede : »Maar niet mijn wil, uw wil geschiede!quot;
â i8o â
Hij stijgt, klimt boven 't starrengoud , Maar ach! in 't duister hart, dat rouwt, Licht niet de glans Van 's hemels trans;
In 't oog des droeven blinken tranen, Dewijl hij de eeuw'ge Zon zag tanen.
Geen balsemgeur, geen englenlied, Dat uit Gods hof hem tegenvliet, Verkwikt zijn hart,
Gedrenkt door smart,
Daar bitterheên den kelk ontvloeiden. En Jezus' lippen wrang besproeiden.
»Ach!quot; roept hij zijnen broedren toe, »Ach! is uw hart niet droef te moê? En 't mijne spleet.
Van bitter leed!
Hoe zingt gij nog in Godes hoven? Ai, staakt den eeuw'gen God te loven!
«Zijn glans gaat achter wolken schuil. De zondenlast drukt als een zuil Mijn God en Heer In 't stof ter neer.
Prest bloed en zweet uit al zijn leden, Door bittren doodsangst afgestreden.
«Heeft dan deez' Lijder, zonder schuld,
Het hart u niet met smart vervuld?
Ai, daalt toch neer!
Zijn tranen teêr.
Zijn zweet en bloed voor 'smenschdoms wonden. Het word' door u God toegezonden.quot;
En de englen daalden van den trans. Omwonden 't hoofd met doornenkrans En volgden 't spoor.
Waar Jezus' gloor In hoon en weedom ging verdwijnen.
Zijn eeuw'ge liefde alleen zou schijnen. â
O mensch, die in den wellust sterft, 't Gevoel van Jezus' lijden derft,
O, sla een blik.
Een enklen blik.
Op de engelen, die treurend zweven Langs 't pad, dat ons geleidt ten leven.
DE MOEDER VAN SMARTEN OP DEN KRUISBERG.
dO gij allen, die langs den iveg gaat, aanschouwt en ziet, of ei-smart is gelijk mijne smart.
KLAAGL. 1: 12.
O gij, die bij het foltren van mijn harte
Met blijden tred langs dezen kruisberg snelt, Aanschouwt en ziet: bestond op aarde ooit smarte, Gelijk de smart, die mijne ziel hier kwelt?
Ziet ge aan dit kruis, dat purperstroomen verven. Dien Kruiselmg, verscheurd en gansch bebloed ? Dat is mijn Zoon! â Ach, waarom moet Hij sterven. Die niets verdient dan louter liefdegloed?
- I83 -
Dat is mijn Zoon, die God den Albehoeder Van eeuwigheid als zijnen Vader prees;
Die mij reeds had verkoren tot zijn Moeder,
Eer uit het niet de wereld nog verrees.
Dat is die God, dien 'k als een teeder Wichtje 't Eerst zien mocht in dien nooit vergeetb'ren nacht,
Die mij door zijn aanminnig aangezichtje Reeds in dat uur in zielsverrukking bracht.
Want mij had Hij voor allen uitverkoren Op 's levens pad tot trouwe gezellin;
Sinds kwam Hij door zijn schoonheid mij doorboren Met schicht op schicht van teedre moedermin.
En nu â ik zie zijn bloed langs 'tkruishout stroomen. Ik zie dat hart, door doodsangst reeds beklemd;
'kZie smart op smart zoo gruwzaam op Hem komen. Dat 't zelfs de rots tot medelijden stemt!
Waar Hij zich wend', geen troostwoord mag Hij hooren. Geen balsem vindt Hij voor 't verscheurd gemoed;
Maar allen, allen ziet Hij saAmgezworen Tot het verspillen van zijn kostbaar bloed.
Ach, eeuw'ge God, Gij mint Hem eindloos teeder, Hoe toch wordt dan die moord door U geduld?
Daar neigt uw Zoon het hoofd reeds stervend neder. Wordt nog uw hart van deernis niet vervuld?
â I84 â
Maar neen, de Vader ziet zijn Kind hier bukken
Voor 'swerelds schulden, die Hij op Zich nam; Des Vaders gramschap blijft mijn Lievling drukken. Totdat Hij sterft â 't onnoozel Offerlam.
Nu ik U in het bittre stervenslijden
Mijn liefste Zoon, hier moet gekomen zien:
Mocht ik voor 't minst thans U mijn zorgen wijden En 't moederhart tot stervenssponde biên !
Uw Moeder zelfs mag dan geen hulp verleenen;
Geen stilpijn schenken in uw bangen nood ? Helaas, ik zelf, ik door mijn droevig stenen Verbitter nog uw reeds zoo bittren dood. â
O zielen, mint, bemint uw God, uw Leven,
Die hier uit liefde in bittre smart en hoon Voor u aan 't kruis den laatsten snik gaat geven; Uw liefde slechts vraagt Hij als liefdes loon.
(Van den H. Alphon'sus).
TER EERE VAN O. L. VROUW IN 'T ZAND.
1435â1885.
O jubilé van liefde en hope
Van aller hemelen Vorstin!
Geurt, rozenblaan en lelies, open.
Omkranst het Hoofd der Koningin. Daalt van uw zetels, juichende englen, Helpt ons de jubelkransen strenglen!
O Roermond, uitverkoren steê,
Hoe zie ik u van vreugde dronken. Wat geestdrift doet uw aanschijn vonken En sleept uw blijde kindren mee!
O lieflijk Beeld, o reine bronne.
Wat gouden luister u bestraalt. Nu negenwerf de jubelzonne Verblindend op u nederdaalt!
â 186 â
Wie zal uw engen muur verwijden, O bidkapel, door alle tijden,
Den vaadren 't oord van troost en hoop; Wat tranen daar gedroogd, wat smarten Gelenigd, wat gebroken harten Genezen in der eeuwen loop!
Zie, zie van nu de pelgrims komen
In 't licht der gouden jubelster, Ontelbaar, of ze samenstroomen Van negen jubeltijden her! â Wat vanen wuiven, zangen klaatren Als 't machtig bruisen veler waatren, Bezield door pinksterstormgedruis! Hoe klinkt uit honderd duizend monden Dat Ave, 'teerst u toegezonden,
Maria, in uw maagdenkluis!
Niet als voorheen, in sombre dagen.
Bij boetzang of alarmgebrom,
Maar op een zegekar gedragen.
Voert men de dierb're Beeltnis om; Hoor, hoor wat uitgelezen tongen Maria prijzen; nauw bedwongen
Is 't lied der geestdrift in 't gemoed Der duizend, dat op nieuwe wijzen, Straks daverend tot Gods paleizen. De tempelpijlers siddren doet.
- I87 -
O profetie van eeuw'ge waarheid,
Die nogmaals in vervulling gaat, En heden straalt in zonneklaarheid.
Nog stondt ge in 'slevens dageraad, O Maagd: doch in de kracht des Hoogen En met den zienersgloed in de oogen.
Arm kind van Isrel, zongt ge uw lied: «Van nu af zullen alle talen gt;)En volkeren mijn heil verhalen;
»Want God zag neder op mijn niet.quot;
O feest van zuivre zielsontroering,
O driewerf zalig jubeltij,
Hoe wekt ge in 't hart de geestvervoering,
't Genot van englenpoëzij!
O reine Maagd, o Moeder teeder.
Blik op uw duizend kindren neder.
Thans knielend op deez'dierb'ren grond. Waar, voor geween en klacht en zuchten. Slechts 't loflied rijst vol zielsgenugten In d' onvergeetb'ren jubelstond.
Dan neen, wij juublen nog op aarde;
Daar bloeit geen vreugde vrij van smart De juichtoon, dien de blijdschap baarde. Wordt dra de beê van 't zuchtend hart. Blijf eeuwig Schutsvrouw dezer vesten. Bewaar 't geloof in deez' gewesten,
â 188 â
Uw erfdeel, Lieve Vrouw in 'tZand; Schenk ons uw vreê, uw zegeningen, Die thans rondom uw zetel dringen. En roep ons eens naar 't Vaderland.
O roep ons daar, waar als een zonne Uw schoonheid ongesluierd blinkt, Waar uit Gods volle wellustbronne
Elks hart zijn eeuw'ge laafnis drinkt; Waar 'teeuwig weerlicht van uw glorie, Bij t' dondrend loflied der victorie, U prijzend door alle eeuwigheid; Waar beide, toekomst en verleden Versmelten in één juublend heden, U, Lieve Vrouwe, toegewijd.
DES SULTANS DOCHTERKEN. {Een lied uit de 16^« eeuw nagezongen).
Daar woonde een Sultan, rijk en groot, Aan 't Afrikaansche strand ;
Hij had een eenig dochterken,
De parel van zijn land.
Eens was het vroeg reeds opgestaan Vóór dageraad en dauw,
Omdat het vóór den zonneschijn.
Haar bloempjes plukken woftw
Het zag de bloemwarande rond, En dacht: ))Wie zou het zijn,
Die al de bloempjes bloeien doet, Bij lentes zonneschijn ?
»Mocht ik dien eedlen maker zien, Hij werd mijn liefste heer;
Ik liet mijns vaders gulden huis. Hem volgde ik heinde en veer.quot;
â igo â
De dag verdween, het duister viel, Daar klonk te middernacht
Aan 't venster 's Heeren Jezus' stem, Zoo liefelijk en zacht.
Snel had de maagd zich opgericht. En ging naar 't venster heen.
En zag een jongling voor zich staan Die schoon als 't daglicht scheen.
Zij blikt den jongling minzaam toe, Hij groette haar zoo teêr;
Zij zet hem vriendlijk goeden dag En boog vol eerbied neer.
»0 zeg mij toch, van waar gij komt, Van welk verwijderd strand;
Want uws gelijke zag ik nooit,
In heel mijns vaders land.quot; â
«Ik kom van uit mijns Vaders rijk, O jonkvrouw teêr bemind!
Ik ben het, die de bloempjes schep. Die gij zoo heerlijk vindt.quot; â
»Zijt gij dat, edel jongeling?
'k Heb lang naar u gewenscht.
Nu volg ik u, waarheen gij wilt, Zoo wijd de wereld grenst.quot; â
â i9i â
»Wilt gij mij volgen, jonkvrouw schoon, Als uwen bruidegom?
Verlaat uw rijken vader dan.
Uw hof, uw vorstendom.quot; â
«Sinds ik, o edel jongeling,
Uw minlijk aanschijn zag.
Laat ik met vreugde 's vaders rijk, Zoo ik u volgen mag.quot; â
Hij nam de jonkvrouw bij de hand, Hij voerde haar met spoed
Wel zevenhonderd uren ver,
Langs heuvlen, woud en vloed.
Zij spraken menig vriendlijk woord. Al reizende te zaS.m,
Zij vroeg: »0 edel jongeling.
Zeg mij: hoe is uw naam ?quot;
»Mijn naam, â die is te wondervol Voor alle menschentaal;
Hij blinkt in fonklend diamant In 's Vaders koningszaal.
«O blijf Mij trouw, bewaar uw hart Voor alle zonde en smet;
Zoo zeg Ik u mijn wondren naam:
Jezus van Nazareth!quot;
â 192 â
Zij spraken menig vriendlijk woord, En reisden voort te zaani;
»Nu zeg mij, edel jongeling:
Hoe is uws vaders naam?quot; â
»Mijn Vader is een machtig Heer, Hij schiep het weidsch heelal;
Hij zaaide aan 's hemels blauwen boog Die sterren zonder tal.
»Het aardrijk is zijn voetschabel, De hemelen zijn woon;
Miljoenen englen schoon en blank,
Staan eeuwig voor zijn troon.quot; â
sZijt gij een edel koningskind.
Zoo wijd en hoog geroemd ?
Zeg mij dan, fiere jongeling,
Wie gij uw moeder noemt.quot; â
»Mijn moeder is een schoone bloem In 's hemels zonneschijn.
Zij bleef, als zij mij 'tleven schonk. Een lelie blank en rein.quot; â
»Uw afkomst, edel jongeling,
Is wel zeer wonderlijk!
Och laat mij , waar 't slechts éénmaal, zien Uws vaders koninkrijk!quot; â
â 193 â
»0 jonkvrouw, blijf Mij eeuwig trouw, Dan is u 't rijk bereid;
Gij zult daar, liefste, met Mij zijn Tot in der eeuwigheid!quot; â
Hoog stond de zon reeds aan den boog, Zij gingen zwijgend voort;
En kwamen door de groene hel Tot voor een kloosterpoort.
En Jezus nam de hand der maagd. En sprak haar minzaam aan:
«O zuivre jonkvrouw, wacht Mij hier. Ik moet hier binnengaan.quot;
Hij trad het stille klooster in.
Zij stond daar gansch alleen.
En weenend staarde ze op de poort, Waarlangs haar schat verdween.
't Werd duister, en hij keerde niet, De jonkvrouw peinsde bang :
»Waar toch mijn liefste leidsman blijft. Zoo lang, zoo lang, zoo lang!quot;
Toen klopte ze aan de zware poort Met diep bedroefden ziu;
»Och open, open mij de deur!
Mijn leidsman is hier in!quot; â
13
- 194 â
Men opent haar de kloosterpoort;
Een grijsaard treedt te voor.
Hij ziet verbaasd de jonkvrouw aan; Wat bracht haar op dit spoor?
«Wat voerde u, jonkvrouw, zoo alleen
Hier in deze eenzaamheid ?
Zeg mij, wat toch uw harte kwelt,
Dat gij zoo droevig schreit?quot; â
»Och heer, de liefste van mijn hart.
Hij is mij hier ontgaan;
Ga, zeg hem , dat hij wederkomt,
'k Heb hier zoo lang gestaan.quot; â
»Hier is uw welbeminde niet,
'k Heb niets van hem gehoord.
Dat 's Heeren engel u gelet
Uit dit zoo eenzaam oord.quot; â
«Hoe zegt ge toch: »Hij is hier niet?quot;
Was 'tdan een droom misschien? â Neen, neen, hij sprak nog: »Wacht Mij hier Ik wil hem wederzien.quot; â
«Hoe heet hij dan, onschuldig kind?
Of waar kwam hij vandaan?quot; â
sZijn naam .... helaas, dien weet ik niet. Zijn naam is mij ontgaan.
â 195 â
»Hij kwam van uit zijns vaders rijk, Hij is zoo wondei schoon,
Hij draagt een kleed blauw als 't azuur, Zijn hoofd een starrenkroon.
«Zijn aangezicht is lelieblank. Met rozerood getint;
Zijn houding is zoo vorstlijk fier,
Hij is een koningskind.
»Een hemel straalt zijn oogen uit,
Zijn taal is hemelsch zoet,
Zijn woorden zijn een vuur'ge pijl. En zetten 't hart in gloed.
«Zijn hoofdhaar golft vol majesteit, Als waar' het \ loeiend goud.
Hij is mij lief. Geheel mijn hart Heb ik hem toevertrouwd.quot; â
«O jonkvrouw, dien uw hart bemint, Is hij zoo wonder schoon?
Mij dunkt, hij kon niet schooner zijn. Waar' hij uit 's hemels woon.
»Maar, kind, uw liefste kwam hier nooit. Dat Jezus u gelei ....quot; â
»Ja Jezus, Jezus is zijn naam,
'kBen Jezus! zet hij mij.quot; â
â 196 â
))Is Hij de Liefste, dien gij zoekt ?
Die nam hier wel zijn woon,
Die is hier binnen wel bekend;
Kom, 'kbreng u bij zijn troon.quot; â
Sinds scheen voor de engelreine bruid
Het licht van Jezus' leer;
Sinds vond ze in liefde en lijdenswee Reeds hier haar Bruigom weer.
Hij, die dit liedje heeft gedicht,
Verlangt geen ander loon, Dan dat hij 't Sultansdochterken Ontmoet' bij Jezus' troon.
AAN Z. H. PAUS LEO XIII,
TER GELEGENHEID VAN ZIJN
GOUDEN BIS SCHOP SJUBILÃ.
1843, â 19 Februari â 1893.
Mag ook mijn toon niet dringen,
O Vader, tot uw troon , Verdoofd door 't machtig zingen
Der volken; dat die toon Zich aan hun zangen pare.
En met die zangen meê Naar 't heilig Rome vare, Eén droppel in de zee.
â 198 â
Want daavrend tot de wolken
Zoo gaat de jubelzang,
Het lied der Christen volken:
Paus Leo leve lang!
Wiens bisschopsstaf en krone,
Hem half een eeuw vertrouwd. Thans straalt op Petrus' trone Van 't vonklend jubelgoud!
Wel mag die juichtoon schallen;
Gij draagt dien herdersstaf Als vader, die aan allen Geheel zich zeiven gaf.
Perugia, hoe blijde
Hebt gij hem eens begroet Als herder; â toen hij scheidde, Hoe heeft u 'thart gebloed!
Straks, Christus' Stedehouder, Klomt ge op de Petrusrots; Thans draagt gij op uw schouder.
Sterk door de sterkte Gods, Den last van heel een wareld,
Zijt gij de vaste spil,
Waarom zij wielt en dwarrelt Naar 's Heeren wenk en wil.
â 199 â
Wel zijn uw Tiberboorden Van onze beemden ver:
Toch straalt tot in ons Noorden,
O Rome, uw jubelster. Verguldt ons neevlig duister
En zet ons Noordsch gemoed Door barer stralen luister
Voor Paus en Kerk in gloed.
Neen, de afstand breekt de banden
Der beil'ge liefde niet;
Ook langs de Noordzeestranden
Bruist dondrend 't Leolied Der trouwen, wien de boezem
Niet minder voor u gloeit. Als waar de oranjebloesem In 'tZuider zonlicht bloeit.
Wij zijn u trouw gebleven
Met onbezweken moed. Wij hebben u gegeven
En geven nog ons goed. En 't bloed ook onzer aadren,
Zoodra uw stemme noodt, Wij, 'tkroost van trouwe vaadren, U trouw tot in den dood.
â 200 â-
Nu moog' door d'afgrond schaatven
Een kreet van woesten haat, Het antwoord uwer haatren,
Dat schril en snijdend gaat Door onze jubelklanken:
De Pausen siddren niet;
Vóór Petrus' stoel zal wanken,
Stort gansch 't heelal in 't niet.
Wee, wee u, dwaas geslachte. Dat Gods gezant weerstreeft; De God der legerkrachte, De God der wrake leeft!
Straks zal zijn donder grommen,
Zendt Hij zijn. bliksems af: Uw trotsche legerdrommen Verstuiven als het kaf.
Aan u blijft de victorie,
O Romes sterke leeuw 1 Aan u blijft de historie
Der Christus hatende eeuw! De dag der zege toeve.
Gij groet hem in 't verschiet. Voer' de engel u ter groeve: De Pausen sterven niet.
- 20I â
Wij knielen diep bewogen
Voor uwen troon, o Heer: »Ach, zie met gunstige oogen
Op Leo XIII neer,
Help Gij hem 't kruishout dragen, â Zijn schoudren opgelegd.
En doe den uchtend dagen Van 't zegepralend recht!quot;
HERDERS-MEILIED.
Fidelis en Alexis.
Fidelis.
Daar klept de Meiklok weer! O was 't mij toegestaan Thans met de vrome schaar ten Meitroon op te gaan; Hoe vurig deed ik beê en schoonsten lofzang rijzen, Om u, Maria zoet, met dankbaar hart te prijzen!
Maar niemand, ach, heb ik, die mijne schaapkens hoedt: Duld, Moeder, dat uw kind u uit de verte groet! ....Ik zoek Alexis op; hem zal 't gewis ook rouwen.
l'hylax, 'k durf u een wijl mijn kudde toevertrouwen.
Reeds snelt Alexis aan.... Gij komt te rechter tijd; Een vriend is welkom steeds, maar meer nog als men lijdt.
â 203 â
Alexis.
Fidelis, 'k raad uw smart; ook mijn hart doet ze weenen;
Het trekt mij, o zoo fel, ten Meialtare henen!
Fidelis, heugt 't u nog, hoe wij een boschaltaar
Der Meimaand-Koningin toewijdden 't vorig jaar
Aan gindschen dorenboom ? Hoe dreef 't mij eiken morgen,
Als ik ter weide toog, van 't hart de bange zorgen.
Fidelis.
Alexis, dat altaar, wat bracht het zegen aan!
'k Zag nooit ons mollig vee in malscher weide gaan. En daarom, als 't u lust, kom wederom aan 't bouwen; De Koningin der Mei zal gunstig 't werk beschouwen. Ik draag steeds in mijn tasch het ons zoo dierbaar beeld, En dubbel vlot het werk, als trouw een vriend het deelt. Ik hecht het beeldje vast, laat u de zorg dan over Te sieren ons altaar met bloemen en met loover.
Alexis.
Fidelis, zoo gij wilt; ik weet waar steeds jasmijn En andre bloemenkeur het vroegst ontloken zijn;
Daar spoed ik ijlings heen.
Fidelis {liet beeldje bevestigend').
«Maria, teedre Moeder, «Aanvaard deze offrandquot; van de kudde en van haar hoeder; oMaria, die niet op de gaven, die het biedt,
«Maar op 't oprecht gemoed van uwe dienaars ziet.quot;
204 â
Alexis {snelt aan met bloemen en groen en versiert daarmee het beeldje).
Zie, wat een overvloed, wat keur ik mocht vergaAren: Balroos, jasmijn en tulp, wat kan er beter paren? Kom vlechten wij een krans rondom de beeltenis;
Het lijkt of tot altaar deez' boom geschapen is.
Als dra de zonnegloed zijn bloesem komt ontvouwen, Hoe lieflijk zal hij dan ons altaar overschaüwen!
Wat spreidt hij dan een pracht, die al 't gevogelt trekt; Wat spreidt hij dan een lucht, die het tot zingen wekt! Dan geeft het hier een spel der snelgewiekte koren, Onz' Koningin ter eer', dat streelt zelfs englenooren.
fldelis.
Ziedaar reeds 't werk volbracht! Hoe praalt dit boschaltaar; Alexis u zij de eer; zoo viel het nog geen jaar!
Alexis.
Die d' arbeid hebt gedeeld, moogt ook de glorie deelen; Moog' slechts mijn offer 't hart der Koninginne streelen! 't Is mij, alsof de zang uit 't Godgewijde koor Door bosch en beemden heen mij ruischt in 't gretig oor. O, kon ik toch mijn lied en hartebede paren Aan loflied en aan beê der jubelende scharen!
â 205 â
Fidelis.
Ook ii heugt wis de zang, die vroeger keer op keer Weergalmde door de wet der Moeder Gods ter eer'! Hoe deden wij hein vaak hier van ons outer klinken, Tot waar, als 't schaapken rust, de onwisse sterren blinken. Alexis, 'k vang weer aan; wij zingen ongestoord;
Nog is de zon niet laag; nog weidt de kudde voort.
«Weer zijt gij aangesneld, o Meimaand, gij de schoone, »Van heel de maandenrei spant gij de koningskrone! »Hoe helder straalt de vliet bij 'tspelen van de zon, »Hoe spartelt 'tschubbig heer in 'theldre nat der bron! »Het bloemken in het gras, het breekt zijn kelksken open, «Jasmijn en geur'ge roos, van koelen dauw bedropen, «Doorbalsemen de lucht van heuvel en van dal.
«De herder opent thans voor goed den winterstal «En blijde springt zijn vee op 't groene dons der weide. »En over groenen beemd en over vale heide,
«En door het suizend woud en aan den snellen vliet,
«Alom heft onvermoeid 't gevleugeld koor zijn lied.
«En alle keelen doen eenzelfden lofzang rijzen,
«En allen als om strijd de milde geefster prijzen :
»U zingt de snelle vliet, u zingt de geur'ge wel,
«U zingt het vooglenheer, u, schoone maand van Mei.quot;
Alexis.
«Uw maand is aangesneld, Maria, wonderschoone,
«Van al het schepslendom spant gij de koningskrone! «Gij stralend in den glans der eeuw'ge Liefdezon,
«Geeft klaarheid aan den vliet en zilvren waterbron;
â 2o6 -
»Gij weeft het smetloos wit, waarin de lelies prijken, xiGij komt de rozen met dien hemelgeur verrijken; â gt;)De lammren dartlen blij in uwe schreden voort. »Gij hebt het vooglenkoor, gij 't englendom bekoord, ))En aan het lied gewoon der hooge hemelsferen,
«Hoort gij u ook op de aard' van alle schepslen eeren; »(J zingt de snelle vliet, u zingt de geur'ge wei, »U zingt het vooglenkoor, Maria, u de Mei.quot;
Fidelis.
«Gegroet, o milde Mei, aanvaard onz' jubelklanken;
«Hoor van het menschdom u voor zooveel gunsten danken. «Gij bracht het leven weer, gij schonkt natuur de pracht, «Waarin thans bosch en veld den wandlaar tegenlacht. «Uw mildheid lokt het kind, dat dartelt om de bloemen, «Lokt jongeling en maagd, die meê uwe schatten roemen; «Lokt man en grijsaard uit, en ieder juicht om strijd, «Dat in der maanden kring, gij. Mei, de mildste zijt.quot;
Alexis.
«Gegroet, o milde Maagd, o had ik duizend monden «Om alom uwe macht en goedheid te verkonden!
«Mijn kudde schenkt gij weide en weert de ziekten af; «Den herder staat gij bij van 't vviegjen tot het graf; «Gij weet hem moed en kracht, gij troost en licht te geven. «O misten we u, o Maagd, ons leven was geen leven! «Gij spreidt die bloemen vaak langs onze levensbaan, «Opdat wij niet altoos door doorn en distel gaan.
207
»En zijn wij aan uw hand het aardsche dal ontstegen,
«Door uwe zorgen lacht dan 't hemelsch hof ons tegen.
«Dus wijden we u, o Maagd, de schoonste maand van 'tjaar,
»En sieren heiligdom en needrig boschaltaar,
»En offren u het puik, dat groeit in wel en hoven,
»En zingen 't schoonste lied, waarin we uw mildheid loven.quot;
fldelis.
«Keer weder ieder jaar, keer weder, schoone Mei,
«Spreid bloemen en spreid groen op akker en op wel. «Kom aan ons hongrig vee steeds melkrijk voedsel geven, «En breng ons herders weer verjongd en krachtig leven. «Keer weder ieder jaar en breng uw schatten aan; «Wij doen den jubelzang u telkens hooger gaan.quot; .
Alexis.
«Maria, blijf voor ons zoo vol van moederzorgen,
«Blijf waken over ons ten avond en ten morgen;
«Zie op den stal en 't vee en de arme herders neer; «Dan stichten we leder jaar dit boschaltaar u weer;
«Hier ruischt dan uwe lof van herdersriet en keelen;
«Hier storten we onze beê; o moog' ze uw harte streelen!quot;
De zang doet 't hart toch goed; thans valt't mij minder zwaar. Zoo 'k om mijn schaapkens niet kan gaan ten Meialtaar, Geen vreeze kwelt mij meer; zij zal ons vee beschermen En zich der herders ook vol teederheid ontfermen. De gansche schepping prijz' haar als heur Koningin; De herder roemt vooral haar om heur moedermin.
â 2o8 -
Fidelis.
Daar klept het Angelus: het roept ons van de weiden, Doch eerst die beê gestort, voor wij deez' avond scheiden.
Alexis.
Zoodra mijn kudde weidt, ziet gij mij morgen weer; Een nieuwe zang rijst dan, Maria, u ter eer.
HOE BROEDER GERARDUS EEN SCHIP REDDE UIT DEN STORM.
De stormwind brult, het kookt en loeit
In Napels' diepen vloed;
De branding spuwt haar schuim op 't land, Van donderslagen dreunt het strand,
De hemel staat in gloed.
Door 't dof gehuil van storm en zee
Het angstgeschreeuw weerklinkt Van honderden, op 't strand vereend;
«Een schip in nood! Ach God, wie leent «Hier hulp, vóór 't reddloos zinkt!quot;
Want als een veder, door d' orkaan
Geslingerd, vliegt de boot.
Nu dansend op der golven top,
Dan overstelpt van 't kokend sop,
In de armen van den dood.
14
- 2IO -
Daar komt Gerardus op 't geschrei Naar 'tbuldrend strand gespoed: Een oogwenk slechts! .... licht sleept de zee Een offer in het eeuwig wee ....
Reeds pijlt zijn blik dén vloed!
Reeds slaat zijn rechte fier een kruis,
Hij spreidt zijn mantel uit En stort zich in de branding neer.
Streeft dwars door 't buldrend, kokend meer. Tot aan de boot vooruit.
En op de wilde baren klinkt
Vol hooge kracht zijn stem:
«In name der Drievuldigheid,
»Lig stil, tot u mijn hand geleidt!quot; En 't schip gehoorzaamt hem.
Reeds heeft zijn hand den boeg omklemd.
En hoe de golfslag brandt,
Hoe dood en hel om 't bootje kampt, Verwinnend houdt hij 't vastgeklampt En sleept het meê naar 't strand.
«Triomf! Mirakel!quot; schalt de kreet
Van honderd uit één mond;
Men dringt te zaAni, men zoekt den held, Den Heil'ge, die met stormgeweld En zee den kamp bestond.
â 211 â
Maar reeds ontvlood hij 'tjuublend strand,
Als dreigt hem daar 't schavot;
Hij rept zich voort langs straat en bocht, Verbergt zich in een werkmanskrocht' En laat al de eer aan God.
Eerst, toen de gulden avondster
Kwam blinken aan de tin,
't Gewoel der straten was gesmoord,
Sloop uit een hoek een schaduw voort Het stille klooster in.
MARIA, UW NAAM IS MIJN KRACHT.
Moeder! Moeder! kom mij helpen!
Ziet gij niet dit helsch serpent, Dat, zich aan mijn voeten kronklend. Naar mijn hart zijn angel wendt?
'kVoel zijn adem mij benauwen;
Moeder, zie, den vuigen kop Heft het, vol van helschen moordlust. Sissend, schuiflend naar mij op!
Zie het zijn venijn reeds spuwen
Uit zijn opgesperde kaak!
Nog één oogwenk.... 'kben verloren! Moeder, liefste Moeder, waak!
Vruchtloos riep ik mijn Patronen Vruchteloos Gods englen aan;
Altijd blijft het mij belagen.
Moeder, help! ik zal vergaan!
â 213 â
Zie, het nadert.... zie, het kromt zich ....
Meet zijn sprong met gloeiend oog.
Help! daar springt het vlammen spuwend, Met gesperden muil omhoog!
O Maria! . . . God, wat wonder!
Zie, daar vlucht het wangedrocht!
Reeds uw naam alleen, Maria,
Joeg het naar zijn helsche krocht.
Blijf, Maria, goede Moeder
Blijf toch immer aan mijn zij;
Dan, ik hoop het, komt dit monster Dat u ducht, niet meer tot mij.
(Van den H. Alphonsus).
TER EERE VAN DE H. ÃHERESIA.
ï/Xr steif, omdat ik nog niet sterf: WOORDEN DER HEILIGE.
O, daal omlaag, gij minnende englenstoet, Gij, die het hevigst brandt van liefdegloed,
Daal tot de reine ziele neder!
Uw Jezus koos haar eeuwig uit,
Tot zijn getrouwe hartebruid,
Uw Jezus mint haar teeder.
Der zielen Minnaar, God, haar levenszon, Haar harteweelde , hare liefdebron,
Trof met zijn vuur'ge liefdepijlen Dat edel hart, tot stervens toe;
Nu kwijnt het, het is levens moê.
Nu wil 't naar Jezus ijlen.
â 215 â
God minnen en van Hem gescheiden zijn, Is voor 't gewonde hart te bittre pijn,
Komt, englen, komt die smart verzachten! Theresia zucht droef van zin,
Ver van het voorwerp harer min.
En sterft hier van versmachten.
Dat gloeiend zuchten tót haar opperst Goed Ontvlamt, verteert haar engelrein gemoed.
Gods minlijk aanschijn nog te derven. Nog niet te juichen in Gods schoot.
Och waarom brengt 't haar niet den dood En laat het haar niet sterven ?
Maar komt er geen en laaft haar liefdedorst, Kom Gij dan, God, die 't vuur in hare borst
Tot zulk een gloed hebt aangedreven!
Toen Gij uw vuur'ge pijlen schoot.
Hebt Gij dat hart gewond ten dood,
Genees het ook ten leven.
Theresia dreef 't al den boezem uit,
Schonk zich geheel aan U tot bruid;
Haar hart blijft in uw Hart gevangen. Zij smacht met vuur'ge drift naar U,
O zoete Jezus, kom dan nu!
Bevredig haar verlangen!
(Van den H. Alphonsus).
TER EERE DER DOORNENKROON VAN JEZUS.
Daar is in heel de wereld
Geen diadeem zoo schoon, Met steenen rijk bepereld, Als Jezus' doornenkroon;
Geen lauwerkrans der eere,
Die 'thoofd der helden smukt, Haalt bij die kroon, den Heere Op 't bloedend hoofd gedrukt.
Gaat uit, gij Sions schoonen.
Dwaalt droef den Kruisberg om, Waar zij zoo foltrend kronen
Uws harten Bruidegom;
Waar thans der liefde Koning,
Met doornen 't hoofd omsierd, Zijn zegepraal en kroning
Aan 't bloedig kruishout viert.
217
O krone, die u kronkelt
Om 't goddelijke Hoofd,
Van 't eeuwig Licht omvonkeld,
Welks straal het zonlicht dooft, Waaraan de paarlen hangen Van Jezus' zoenend Bloed, Dat druppelt langs de spangen, Zoo diep in 't Hoofd gewroet;
Waaraan de rozen gloeien
Van vurig inkarnaat.
Die om de lelie bloeien
Van 't marmerbleek gelaat; â Hoe tanen, serafijnen.
Uw kronen bij den glans Der rozen en robijnen Van Jezus' doornenkrans!
O kroon van schande en glorie,
Van 't goddlijk zoenbloed rood , O krone der victorie
Op dwinglandij en dood. Gevlochten uit de doornen,
Door onze schuld geplant, Gij zijt der uitverkoornen Het veilige onderpand.
- 2l8 -
Wel hadt ge goed gekozen,
Siena's wijze Maagd,
Als gij voor geur'ge rozen
De doornen hebt gevraagd, Als pand van 's Heeren liefde
't Symbool van smaad en smart. O kroon, die Jezus griefde. Omstrengel ook mijn hart!
Schrijf in dat hart twee namen,
Met scherpe doornenpunt. Van liefde en lijden samen,
Door de aarde nooit misgund: Van lijden, dat mijn harte
Aan aardsche liefde onthecht'. Van liefde, die mijn harte
Aan de eeuw'ge Liefde vlecht'.
Ja 'k wil de krone dragen.
Die Gij, mijn Heiland, droegt, Ze drukken alle dagen,
Gelijk uw leerling voegt, In kwellingen en lijden.
Die uwe hand mij zendt. Tot 'tzorgen, lijden, strijden Mijns aardschen levens endt;
-â 219
Tot mijne ziel deez' kringen
Verjongd ontstijgen zal,
Mijn stof straks op zal springen
Bij 'tjongst bazuingeschal, Wanneer de doornen bloeien
Tot gouden gloriekrans, Die om mijn hoofd zal gloeien, In nooit verdoofb'ren glans.
HET LIED VAN DEN NACHT.
In den nacht heeft mijne ziel naar U 've7'langd.
IS. xxvi: g.
Niet uw scheppingen, Heer, waar uw schoonheid in glanst,
Niet een wereld, in 'tbruidskleed van rozen,
In haar sluier van goud en van 'tzonlicht omkranst, Als het Oosten haar aanschijn doet blozen;
Niet uw eindlooze heemlen, in nachtlijke praal,
Aan wier diepten de zonnen ontspringen.
Die haar banen berennen, in vlammende taal,
Aan den nacht uw mysteriën zingen;
Noch de schittrende wondren, door de eeuwen gesticht.
Of zij poogden uw werk te evenaren.
Schenken rust aan mijn oog, door uw lichtstraal verlicht, Om de oneindige Schoonheid te aanstaren.
O, mijn ziel is haar goddlijken oorsprong bewust!
Voor U, Heer, voelt mijn hart zich geboren.
Zonder U brengt geen hemel mijn boezem tot rust;
Slechts in U is mij vrede beschoren.
Naar U dorst mijne ziel, naar U keert zich mijn oog,
Zucht mijn hart in het dal der ellenden,
En ook Gij wenkt zoo minzaan mijn hart naar omhoog; God! wanneer zal mijn ballingschap enden?
Ach, een sluier, die slechts mijne blikken weerhoudt,
Is de glans, dien uw schepping ten toon spreidt; Zij die sluier doorweven met paarlen en goud: Hij verbergt mij uwe eindlooze schoonheid.
Of hij neerviel in 'teind', of de glans van uw licht.
Voor mijn blik, door de neevlen mocht gloren!
Daal vrij neer, donkre nacht, voor mijn sterflijk gezicht; Worde 'tlicht uit uw duister geboren!
Eerst als 'tzonlicht verdwijnt, gloed en kleuren vergaan,
Aardsche schoonheid gehuld wordt in duister.
Licht in hoogere kringen de dageraad aan,
Openbaren de heemlen hun luister.
Maar een luister op aard'slechts in neevlen aanschouwd;
Niet de glans van één kwijnende zonne;
Maar van duizenden zomen, van bliksemend goud.
Door geen avond of nacht ooit verwonnen.
INHOUD.
(J)e gedichten vertaald uit de werken van den H. Alphonsus
zijn met een quot; geteekend).
Bladz.
De H. Elisabeth van Thuringen voor het Kruisbeeld . i Maria bij het Kleed onzes Heeren ..... 5
quot;Beurtzang tusschen de ziel en den Verlosser . . . 9 . De wonderbare Vischvangst . . . . . -13 «Mocht ik van God eens vragenquot; . . . . ⢠!? *Bij een bezoek aan Jezus in het H. Sacrament . -19 De H. Alphonsus voor het H. Sacrament . . .21 quot;Maria's schoonheid ........ 25
Sint Franciscus met zijne nieuwe Gezellen . . -27 * Liefde-toejuichingen aan Maria . . . . â¢3°
Jubellied op den Paaschdag......38
Bij den dood der H. Theresia van Jezus . . ⢠41 Op de kortstondigheid des levens . . . . -49 «Uit liefde voor Jezus en Mariaquot; . . . . ⢠S2 Alleenspraak van een Oud-Zouaaf ..... 53 Welkomstgroet aan Maria bij haar geboorte. . . 56 Aan de Missionarissen van Suriname na 25 jaren arbeids 59 Kerstnacht.......... 62
Bladz.
*Aan het kindje Jezus ....... 64
quot;Liefdezuchten tot Maria ....... 6g
quot;Maria's Wiegelied ........71
Hulde aan Z. H. Leo XIII, Paus en Koning, op het
Gouden Jubilé van zijn H. Priesterschap . . -75
Lied van den Missionaris....... 80
Cristoforo Colombo ........ 84
'Over de Liefde tot God.......8g
Aan Maria..........gi
De Wroeging der Eerste Zonde.....93
'Maria's Schoonheid ........ 96
Een uitbarsting van den Vesuvius door den H. Alphonsus tegengehouden........98
Te Nazareth .........
Ter Zaligspreking van den eerbiedw. dienaar Gods Gerardus Majella, leekebroeder van de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers Ter eere van den H. Jozef Aan de Koningin der Meimaand De Schat der Liefde. ....
Het Heilig Huisgezin ....
Troost in Rouwe .....
'Op Goeden Vrijdag .....
'De Godminnende ziel in Troosteloosheid.
'Na de H. Communie ....
Ten Gouden Priesterjubilé van Z. D. H. 1
Boermans, Bisschop van Roermond Kerstnacht, door een van Bethlehems bezongen ......
Zielzucht .......
108
113
117 121 124 127 â¢So 134 138
141 145
I4.Q
VTgr. Fr. A. H herdersknapen
BI adz.
Ecce Homo ......... 141
Bij de beeltenis van Gerardus Majella, ter gelegenheid
zijner Zaligverklaring.......154
Uitboezeming eener ziel die Maria liefheeft . . -155 Maria's Sterfuur. . . . . . . . -157 Kerstlied .......... 160
Kerstnachtlied . . . . . . . . .167 Bij een beeld van Maria . . . . . . -174 Ter eere van het kostbaar Bloed van Jezus . . . 176
Christus in den Hof van Olijven......179
De Moeder van Smarten op den Kruisweg . . .182 Ter eere van O. L. Vrouw in 'tZand .... 185
Des Sultans Dochterken . ......189
Aan Z. H. Paus Leo XIII, ter gelegenheid van zijn
Gouden Bisschopsjubilé. . ......197
Herders-Meilied. ........ 202
Hoe Broeder Gerardus een schip redde uit den storm . 209 Maria, uw Naam is mijn Kracht ..... 212
Ter eere van de H. Theresia . . . . . .214 Ter eere der Doornenkroon van Jezus . . . .216 Het Lied van den Nacht....... 220
errata.
In de Opdracht s'lu regel van onder staat; luisterende in plaats van: luistrende Blad2. 22 8ste regel van onder staat; mengen in plaats van: menglen Bladz. 99 icile regel van onder staat: kostb're
in plaats van: kostb'ren liladz. 165 5(io regel van onder luidt thans:
Och straal dan koestrend neer; op mij, die U zoo griefde
er moest staan:
Och straal dan koestrend neer op mij, die U zoo griefde;
liladz. 192 2(lo regel van onder staat: -cuaar in plaats van: waar'