|
' â â '., - | |
|
/« ' ⢠; |
amp;EDICïïTEIj |
|
lt; quot; â M : â c;;V' | |
|
. ⢠. â¢. - V':: . ' . v â â¢' ⢠| |
|
- â â 'â Jy ' :4-' gt; â ?quot; â¢; â â . ⢠quot; , 'V. | |
yjrlio
DE GEDICHTEN ?
VAN
DEN SCHOOLMEESTER,
^ C- lt;i. /^v,«(jL y£Hl/gt; VUrtTA I
UITGEGEVEN
DOOR
Mr. J. VAN LENNEP.
Y
ELFDE DRUK /
IETS OVER DEgt;' SCHRIJVER Egt; ZIJN DICHTTRANT.
Op den zeven-en-twintigsten January 1858 overleed op Cromwell-houae, ilighgate, Londen, Gerrit van de Linde Janszoon, de geestige schrijver, die, onder den naam van »do Schoolmeesterquot;, aan ons publiek zoo vele genoegelijke uren heeft doen smaken door de proeven van zijn speelsch en dichterlijk vernuft, achtereenvolgends iri den almanak «Hollandquot; geplaatst. De gretigheid in aanmerking nemende, waarmede de dichtproeven telkens werden ontfangen, daarby, overwegende, dat mijn landgenooten er schade by zouden lijden, indien hun de verdere dichterlijke nalatenschap des overledenen, welke my zijn weduwe had aanvertrouwd, werd onthouden, ben ik tot het besluit gekomen, met hare toestemming, de vaerzen van tden Schoolmeesterquot;, zoo wel die reeds in 't licht zijn verschenen als die nog alleen in handschrift aanwezig en ter openbaarmaking geschikt zijn, in oen bundel te verzamelen, en ze hun aan te bieden, die smaak vinden in poëetischen luim. By die gelegenheid zal het echter niet ongepast zijn, hen eenigzins, hoezeer dan ook maar oppervlakkig, bekend te maken met den geestvollen schrijver, die zich gedurende zijn leven aan zijn lezers niet anders voorstelde dan onder den zedigen tytel der betrekking, welke hy in de maatachappy bekleedde. â Ik voldoe hierdoor niet alleen aan een gevoel van piëteit jegens een afgestorven veeljarigen vriend, maar ook aan een deel van mijn plicht als uitgever. Er is zulk een innig verband tusschen den boom en zijn vruchten, tusschen den maker en zijn gewrocht, tusschen den dichter en zijn werk, dat men, in volslagen onkunde omtrent den voortbrenger verkeerénde, nimmer tot de juiste waardeering van het voortgebrachte kan geraken, en zoo zal ook niemand in staat zijn, de gedichten van Van de Linde naar eisch
Iels over den schrijver en 21J}1 dichttrant.
te beoordeclen, zoolang liy met den schnjvar niet eenigermate heeft kennis gemaakt.
Gerrit van de Linde Janszoon word op don twaalfden Maart 1808 te Rotterdam geboren, uit Jan van de Linde en flester de Vooys, wier ecnig kind hy was. Reeds op zeer jeugdigen leeftijd onderscheidde hy zich door vlugheid van bevatting en levendig vernuft, maar inzonderheid door het gemak en de netheid, waarmede hy zich, 't zij mondelings, 't zij schriftelijk, wist uit te drukken. Van zoo ver 't hem heugde was hy een beminnaar en beoefenaar dor poëzy. Van dit laatste zouden nog enkele vruchten uit dien tijd kunnen getuigen, onrijpe vruchten zoo men wil, doch een verkwikkend ooft voor de toekomst beloovende. Als aankomende knaap had hy in zijn geboortestad reeds eenige vermaardheid verworven, ea werd hy niet zelden uitgenoodigd, op letterkundige genootschapsvergaderingen «bijdragenquot; te leveren, wat hy doorgaands met groote toejuiching deed. Immers zoo hy al geen meesterstukken ten gehoore bracht, do leiding, welke hy aan zijn frisscho en buigzame stem wist te geven, de bevallige gepastheid zijner gebaren, zijn smaakvolle voordracht in één woord, aan een innemend voorkomen gepaard, zouden ook zelfs slechter vaerzen dan de zijne mot welgevallen hebben doen aanhooren.
De ondervinding heeft voorlang geleerd, dat al wie een waren of vermeenden aanleg voor de poëzy bezit, ook al groeit er naderhand uit hem een Molière of een Focquenbroch, met het maken van ernstige gedichten begint. Dit moge oppervlakkig vreemd schijnen; daar men van het kind, zelfs van den knaap, veeleer by voorkeur vrolijke, dartele liederen verwachten zou. Doch by eenig nadenken zal men erkennen, dat er in het aangevoerde feit niets is. dat verwondering behoeft te wekken. Juist omdat de gewone kring, waarin de knaap zich beweegt, die der blijheid en luchthartigheid is, heeft hy een gevoel als of die geheimnisvolle sfeer der poëzy, waarheen hy zich begeven wil, een geheel andere, veel verhevener waereld is dan die waarin hy zich beweegt, en alsof daarom ook do taal, welke zij ingeeft, zoo min mogelijk moet gelijken op die, welke hy gewoon is te spreken. Bovendien, hy blikt met zijn jeugdige oogen reeds terstond naar den tempel des roems: hij is op dien leel'rijd, waarin men aan nieta twijfelt: hy wil een Homerus, een Vondel worden, en hy begint maar terstond met hot moeilijkste, een epos of een tragedie. Maar hierby komt nog iets. Do jeugdige geest moge vatbaar zijn om het
6
Iets over den schrijver en zijn dichlIrani.
grappige, het blijde, te gevoelen: hy is neg niet genoeg ontwikkeld om ook te vatten wat in de daad belachljjk en dwaas is. Daartoe behoort de gave der opmerking, die eerst later een zekeren graad van volkomenheid verkrijgt. Het kind weet zeer spoedig, wat smart, wat lijden is; het heeft nog geen helder begrip van mensohelijke domheden, kuren en verkeerdheden: het heeft lieden van meerderen leeftijd leeren eerbiedigen, en eerst langzamerhand komt het tot de overtuiging, dat bejaarde menschen somtijds al zeer kinderachtige en onverstandige dingen kunnen zeggen of doen. leder kind, dat een gezond hoofd heeft en goed wordt opgevoed, zal op zijn tiende jaar de »Athaliequot; zoo goed begrijpen, en er het schoone van gevoelen, als op zijn veertigste; maar al moge hy lachen om de «Précieuses ridiculesquot; en de «Femraes Scavantes/' de wezenlijke «ms comica,quot; die er in steekt, zal hem ontgaan.
Zoo waren dan ook, in weerwil dat zich by Van de Linde zoo wel het schalk vernuft als de gave der opmerking vroeger dan by de meesten ontwikkelden, zijn eerste gedichten van ernstigen aart, terwijl zijn aanleg tot het boertige zich op andere wijze openbaarde, en wel inzonderheid in het nabootsen van allerlei volksdialecten, het vertellen, opsmukken en uitvinden van anekdoten en kwinkslagen, en zoo voort.
Intusschen was de knaap een jongeling geworden, en in den jare 1823 werd Van de Linde naar Leyden gezonden, ten einde zich aldaar voor hot predikambt bekwaam te maken. Gelijk te voorzien was, maakten zijn vlugheid van begrip, helderheid van verstand en keurigheid van smaak aan de eene zijde, zijn zucht tot gezelligheid en de levendigheid van zijn geest aan de andere, hem by Professoren en Studenten aldra geacht en bemind. Hoe zijn leermeesters over hem dachten, bewijzen de vleiende getuigenissen en aanbevelingen, door de Hoogleeraren Van der Palm, Van Voorst, Van Hengel, L. Suringar, Kist en anderen, to zijnen behoeve afgegeven en thands onder my berustende: en een blijk van het aanzien, waarin hy by zijn medestudenten stond, meen ik daarin te mogen vinden, dat hy, in 1S30 deel uitmakende van het korps Leydsche Jagers, door zijn krijgsmakkers tot korporaal werd voorgedragen: in welke hoedanigheid hy dan ook dienst deed en deel nam aan den veldtocht van 1831.
Weder tot het akademieleven teruggekeerd en den graad van kandidaat in de Theologie verworven hebbende, werd hy ettelijke reizen toegelaten tot het geven van proeven zijner bekwaamheid als prediker, en
7
Iels over den schrijver en zijn dichttrant.
nam hy in verschillende gemeenten een hulpbeurt waar. Groot was de indruk en de stichting, welke hy door zijn leerredenen te weeg bracht. Na hetgeen ik over het voortreffelijko van zijn voordracht reeds hob gezegd, zal het niemand verwonderen, dat hy van den kansel, door het plechtige en tevens innemende van zijn toon, de harten zijner toehoorders wist te roeren en te boeien; maar ook gevoelden zich deze getroffen door het gemoedelijk ernstige van den inhoud; terwijl zijn stijl niet alleen door eierlij kheid uitmuntte, maar ook, als immer, onberispelijk was. Onder andere bevoegde beoordeelaars, die hem een glansrijke loopbaan als kanselredenaar meenden te kunnen voorspellen, kan ik mijn vader noemen: en ik vergeet niet licht de opgetogenheid, waarmede de waardige man, toen hy in 't jaar 1833 Van de Linde te Bennebroek had hooren prediken, den jeugdigen kandidaat mot den volbrachten arbeid zijn gelukwensch toebracht en een zegenwensch tevens, die echter niet zoo als hy bedoeld was zoü vervuld worden.
Immers, geheel anders dan men zich op goeden grond meende te kunnen voorspellen, zoü de toekomst van Van de Linde zijn, en het vooruitzicht, dat zich onder zulke glansrijke teekenen opdeed, moest in nevelen verdwijnen.
Van de Linde was wel niet in weelde grootgebracht; maar toch had het hem als knaap nimmer aan iets ontbroken ; hy was aan een onbekrompen en zorgelooze levenswijze gewoon, en â waarom hier verzwegen wat overal uit zijn schriften doorstraalt? - hy was een Epikurist; een gebrek (zoo men 't al een gebrek mag noemen), dat hy met vele beroemde mannen, onder anderen met zijn leermeester Van der Palm gemeen had, en hem zeker in diens oogen geen kwaad deed. Op het voorbeeld van den vernuftigen hoogleeraar, wiens gezag ongetwijfeld op het stuk van smaak als wet mag gelden, beweerde Van do Linde, dat een kiesche en keurige smaak by hem, die er mede bedeeld is, zich ook in «Hes openbaren moet en dat iemand, die op 't punt van spijs en drank onverscLillig is, laat staan iemand, die zuren wijn of sterken boter nuttigen kan, onmogelijk de schoonheden van een dichtstuk gevoelen of een cierlijken stijl kan schrijven. Ja, zoo Van de Linde in elk ander opzicht vurig ingenomen was met net beroep, dat hy zich gekozen had, hy kon wel eens opzien tegen het denkbeeld, dat hem misschien op een afgelegen dorp een slechte keukeu te wachten stond en daarby geen
8
Iets over den schrijver en zyn dichttrant
ander gezelschap dan van ongemanierde boeren. Gewis, de verandering zoü groot zijn geweest; want te Leyden bewoog zich Van de Linde in een kring van jonge lieden, even uitmuntende door talenten als beschaafdheid, en die tevens, als hy, het voorschrift van Horatius wisten te betrachten en het aangename aan het nuttige te paren.
Maar nu was er intusschen in den financieelen toestand van onzen kandidaat een noodlottige verandering gekomen. Zijn vader, door tegenspoed op tegenspoed in zijn zaken verachterd, had van lieverlede zijn geheel vermogen zien wegsmelten: wel werd de zoon door ondersteuning, van elders genoten, in staat gesteld zijn studiën voort te zetten; doch, nu hooge zuinigheid plicht ware geweest, bleek hy die kracht van geest te missen, die zich in ontbeeringen schikken kan, en ging hy voort, de levenswijze te volgen, tot nu toe geleid. Het kon niet anders, of hy moest hierdoor in ongelegenheden geraken; en deze werden nog verzwaard door byzondere omstandigheden, welke het noodeloos is, hier te vermelden. Het gevolg van oen en ander was, dat zijn kans, om ooit hier te lande den predikstoel te aanvaarden, hoe langer hoe meer bemoeilijkt werd. Het besef hiervan bracht hem, op den raad zijner vrienden en op de uitzichten, hem daartoe geopend, tot het besluit om een betrekking te zoeken aan de Kaap de Goede Hoop of in eenige andere kolonie van Hollandschen oorsprong en nu door de Engelschon beheerd. Het was met dit doel, dat hy, in Februarij 1834, de Akadcmie en kort daarop het Vaderland verliet en zich naar Engeland begaf.
Ofschoon hy van goede aanbevelingen was voorzien, waren toch in den aanvang zijn vooruitzichten alles behalve opbeurend. Hy verstond tijdens zijne ontscheping te Londen geen woord Engelsch â wat hy echter binnen een paar maandèn voortreffelijk leerde spreken en schrijven â en, hoezeer met de meeste welwillendheid te Londen ontfangen o. a. door den Heer Dedel, onzen toenmaligen Gezant aldaar, door den Heer H. Hope en door den geleerden geneesheer Dr. Hodgkin, met welken laatste hy vroeger hier te lande in de Delftsche trekschuit toevallig kennis had gemaakt â toch vond hy zich langen tijd bedrogen in zijn verwachting, dat het oogmerk, waarom hy zich naar Londen begeven had, zou kunnen bereikt worden. Wel leerde men al spoedig zijn gezelschap op prijs stellen en werd hy dan ook herhaaldelijk in deftige buizen te gast genoodigd, wat in Londen, waar de ongastvrije gewoonte
9
lets over den schrijver en zijn dichttrant.
van 't fooieu-geven niet bestaat, aan een jong menscb zonder middelen nog al een uitsparing bezorgt: â maar om zich verder het noodige te verschaffen, daartoe moesten andere middelen gevonden worden, en de lessen, welke hy in 't Hollandsch en andere talen gaf, zouden, zonder bykomstige hulp, daarvoor niet toereikend zijn geweest.
Gelukkig deed zich voor hem, in 't laatst van 1835, de gelegenheid op, een kostschool over te nemen, te Ball's pond-road. Mile's end, gelegen, en later naar Wellington-road verplaatst. Hierin door de hulp van zijn vrienden en hunne betrekkingen geslaagd, mocht het hem gelukken, die inrichting al spoedig op gunsdge wijze te zien toenemen; doch bloeiend werd zy eerst, na dat hy, in 't laatst van 1837, het geluk had gehad, de hand te verwerven van Mejuffrouw Caroline Monteuuis, een meisjen, niet alleen uitnemend door schoonheid, smaak en bevallige manieren, maar wier vader aan het hoofd eener opvoedings-inrichting naby Boulogne in Frankrijk stond, en die alzoo met kennis van zaken de zware taak aanvaarden kon, die voortaan op hare schouders zoü rusten. De school nam van dat tijdstip af zoo zeer toe, dat Van de Linde zich genoopt vond, haar in 1843 over te brengen naar het ruime en in vele opzichten oierlijke gebouw dat, naar men beweert, eenmaal door den groeten Olivier Cromwell bewoond, van hem zijn naam van Cromwell-house i) ontleend heeft en, tegen de helling van den heuvel die naar Highgate voert, in een gezond en bekoorlijk oord gelegen, met een ruimen tuin of speelplaats voorzien, al de uitlokselen aanbiedt, welke ouders kunnen verlangen, dat, buiten en benevens een voortreffelijk onderwijs, aan hun kinda ren worden verstrekt.
Het was in deze woning, dat Van de Linde zich gedurende vijftien jaren, met behulp van zijn voortreffelijke gade en een twee- of drietal beschaafde en kundige medewerkers, mocht toewijden aan het opvoeden en opleiden eener afwisselende schaar van leerlingen. Dat hy er in slaagde, niet alleen hun hart en verstand te vormen, maar ook hun achting en genegenheid te winnen, getuigt de gehechtheid, welke zoo velen onder hen, ook na dat zy zijn school verlaten hadden, hem bleven toe-
1) Van Crorawélls* tijd is nog een merkwaardig beeldhouwwerk in de bovenkamers van het huis, en vooral de trap, waarvan de honten leuning kunstig bewerkt en met fraaie beelden voorzien is. Een teekening en beschrijving daarvan komt in de werken van bet Engeisch Oudheidkundig Genootschap voor.
10
Jets over den schrijver en lijn dichttrant.
dragen, en waarvan zy hem de ondubbelzinnigste blijken gaven. Mocht zijn werkkring als onderwijzer gezegend zijn, niet minder gelukkig mocht hy zich als huisvader gevoelen in 't bezit van vier lieve kinderen, die hy verafgoodde. Maar, was hy nimmer geheel op zijn gemak, wanneer hy maar een halven dag van de zijnen gescheiden was, hy verzuimde daarom de plichten niet, welke hy aan zijn nieuw vaderland schuldig was. Lid geworden van de Anglikaansche Kerk, oefende hy al spoedig in zijn parochie een niet geringen invloed uit, niet alleen in kerkelijke zaken, maar ook waar 't verkiezingen voor 't Parlement betrof, of andere zaken van algemeen of gemeentelijk belang. Zijn deftig voorkomen â want hy had nooit den Predikant geheel uitgeschud en bleef zich nimmer anders dan wit gedast en in 't zwart vertoonen â wekte ontzach by de menigte ; terwijl zijn veelzjjdige kennis en levendig vernuft, gepaard aan hoogst beschaafde vormen, waardoor zoo wel zijn vrouw als hy zich onderscheidden, hem den toegang verschaften tot de huizen der aanzienlijken: en meer dan eens dankte ik hem de kennismaking met de mannen, die, 't zij als Parlementsleden, 't zij uit anderen hoofde, een Europeesche vermaardheid hebben verworven.
Dan, hoezeer nu door beroep en betrekkingen zich geheel in een En-gelsche sfeer bewegende, bleef Van de Linde Hollander in zijn hart, en zijn grootste geluk was Hollanders ten zijnent te mogen ontfangen, waar hun steeds de moest gulle, de meest onbekrompen gastvrijheid toefde. Gewis niet een is er onder hen, die Cromwell-house bezocht hebben, of hy heeft de aangenaamste herinneringen teruggebracht zoo van de beminnelijkheid der waardige gastvrouw, als van de onderhoudende wijze, waarop de gastheer, nu eens over de meest ernstige en belangrijke zaken wist uit te weiden, dan weder de aanwezigen door de kluchtige sprongen van zijn tintelend vernuft, of door pikante en met smaak voorgedragen anekdoten wist te vermaken. Ongemeen beweeglijk en levendig van gestel en daarby overal op zijn gemak, was Van de Linde, om 't éven waar hy zich bevond, de man, die den toon gaf aan dekonver-satie, en gaarne liet men hem dat voorrecht behouden, want men was zeker, of iets leerzaams, of ieta opvrolijkends te vernemen. Niemand was in staat, zich aan den aanstekenden invloed van zjjn luim te onttrekken; ja zelfs wie redenen meende te hebben, op hem misnoegd te zijn, schoot te kort, wanneer hy ze wilde laten gelden en moest, in spjjt van zich
11
lets over den schrijver en zijn dichttrant.
zeiven, ondervinden, hoe zijn ontevredenheid als weggespoeld werd in dien stroom van de grappigste verontschuldigingen of wel â want Van de Linde wist altijd behendig de rollen om te keeren en zich zeiven als de verongelijkte party te doen voorkomen â van de koddigste verwijten, die in onuitputtelijken overvloed zijn brein ontvloeiden.
Ik heb gezegd, dat Van de Linde zich by de Anglikaansche Kerk had aangesloten: en dit kon by niemand onder zijn bekenden in Nederland verwondering baren. Van jongs af was hy geweest, wat men toen nog »een Oranjeman' noemde, en bovendien zeer streng rechtzinnig in de leer. Ofschoon hy aan de Akademie niet onder de toehoorders van Bilderdijk was geweest, die kort na Van de Lindes komst te Leyden die stad verlaten had, zoo had hy nog met velen van 's mans leerlingen omgang gehad, gevoelde een onbegrensden eerbied voor hem en mocht in vele opzichten gerekend worden, tot zijn school te behooren. Zoo was zijn standpunt, toen hy dit land verlief, en op dit standpunt bleef hy staan. En geen wonder. Ten gevolge zijner begrippen Lidmaat geworden eener Kerk, die daarmede zoo in 't politieke als ten opzichte der leer uitnemend strookte, en die, aan haar formulieren gehecht, geen afwijkingen duldt op een liberaler grondgebied â daarby, uit overtuiging zoo wel als om 't voorbeeld, ge-hecht aan do trouwe inachtneming van den Sabbath, uit liefhebbery zoo wel als uit plichtbesef, yverig kerkganger, in 't kort, van nature reeds geheel Engelschman op dat punt en, ten gevolge van zijn vei'bljjf in Engeland, nog yveriger op dienzelfden weg voortgegaan, was hy geheel buiten den invloed gebleven, dien, sedert 183i, zoowel do hier uitgekomen theologische en politieke geschriften als de hier plaats gehad hebbende gebeurtenissen en de wrijving van denkbeelden, uit een en ander ontstaan, op onze landgenooten hadden uitgeoefend: en moeilijk kon hy zich Nederland anders voorstellen, dan gelijk hy het in 1834 verlaten had; en dan loste zich dat Nederland nog voor hem hoofdzakelijk op in Leyden, met zijn herinneringen uit den Patriotschen tijd en zijn trekschuiten, met zijn Bilderdijksche school en zijn promotiepartyen te Lisse, met zjjn Professoren en zijn pooieraars, met zijn kollegies en met de troep van Hoedt en Bingley. In deze voorstelling, welke zich Van de Linde voortdurend, en spijt zijn beter oordeel, van Nederland bleef maken, vindt men den sleutel van dat kluchtig uitvaren tegen de Keezen, en van zoo vele andere beelden en uitdrukkingen, die in 's mans gedichten voorko-
12
lets over den schrijver en zijn dichttrant.
men en die, als tot een voorbygegane orde van zaken behoorende, den lezer, zonder deze verklaring, eenigzins vreemd zouden doen opkijken.
Ik ben er als van zelve toe geraakt, van zijn gedichten te spreken, en ik acht dan nu ook het geschikte oogenblik gekomen om Van de Linde als dichter te beschouwen, en zijn eigenaardigheid als zoodanig in 't licht te stellen. Die eigenaardigheid â zal deze of gene misschien aanmerken â moet uit zijn werken zelve spreken : en gaarne stem ik dit toe; maar toch is er nog wel het een en ander, dat niet zoo terstond in 't oog valt en waar op gewezen dient te worden: ja, 't een en ander, dat den lezer niet bekend kan zijn en toch in acht genomen moet worden ter billijke waardeering van zijn talent.
In de eerste plaats een woord over de dichtsoort, welke Van de Linde beoefend heeft.
Niemand â hy moge voor 't overige goed- of afkeuren â zal ontkennen, dat de manier van Van de Linde zich kenmerkt door oorspronke-lijkhoid, ja dat zy, niet enkel in onze letterkunde, maar in elke bekende letterkunde, een op zich zelf staand verschijnsel aanbiedt. Zijn gedichten â op zeer enkele na â ontleenen het pikante, waardoor zy zich onderscheiden, aan de verrassende tegenstellingen, aan de zonderlinge kombinatie van zeer heterogene denkbeelden en situatiën, aan een gestadig licht en bruin, schijnbaar zonder opzet, doch in de daad met overleg en zorg bygebracht. Zy zijn niet ongelijk aan een kaleidoskoop, het oog van den geest door een bonte en vreemdsoortige mengeling van telkens afwisselende kleuren en figuren rusteloos bezig houdende. Nimmer verwijlt de schrijver lang by hetzelfde denkbeeld; telkens spruiten daaruit andere denkbeelden voort, waarvan hy zich meester maakt, om dan weder somtijds in een enkel woord aanleiding te vinden op een geheel ander veld van beschouwing over te springen, aan dat woord de meent dwaze en ongerijmde beteekenis te geven, of er de minst te pas komende gedachte aan vast te hechten; â doch ook, juist daardoor, de verma-kelijkste, de koddigste uitwerkselen te verkrijgen, 't Is niet zelden, als men zjjn gedichten leest, of men schilderijen van Callot ziet, waar het verhevene en het potsierlijke door een geflanst wordt en datgeen, wat uit zijn aart reeds kluchtig is, door het bykomstige nog kluchtiger gemaakt wordt. In dezen trant weet ik niet, dat iemand met Van de Linae kan vergeleken worden dan misschien Henri Heine. Het onderscheid tus-
13
Iets over den schrijver en zijn dichtirunt.
schen hen beidon bestaat echter daarin, dat de groote lloogduitsclie humorist meer met een bepaald doel schreef, terwijl Van de Linde alleen den gril van zijn verbeelding volgde : dat Heine vele afgewerkte en afgeronde stukken geleverd en zelfs in zijn fragmentarische vaerzen een onmiskenbare eenheid van gedachten bewaard heeft, terwijl by Van d« Linde noch het een noch het ander het geval is: dat Heine maar nu en dan van die bokkesprongen maakt, waar aan Van de Linde zich van 't begin tot aan het einde toegeeft, zonder ooit vermoeid te zijn: dat eindelijk uit Heine bestendig de spottende, aan alles twijfelende filozoof, do liberale denker, de Hoogduitsche Franschman spreekt; terwijl Van de Linde zich nimmer op het terrein van den godsdienst waagt, de politiek van den dag doorgaands onaangeroerd laat, en â zijn reeds genoemde schampscheuten tegen de Keezen daargelaten â zich nimmer eenige dau dood onschuldige, niemand kwetsende scherts veroorlooft.
En nu in de tweede plaats, wat den vorm der gedichten betreft, ook hierin onderscheidt zich Van de Linde van al wie heden ten dage Hol-landsche vaerzen schrijft. Ik zeg: heden ten dage; want vroeger, toen aan onze schouwburgen een bepaling bestond, waarby geene stukkeu werden toegelaten, dan die op rijm waren, vergenoegden zich zy die voor het tooneel werkten, en 't vaerzenmaken niet verstonden, in berijmd proza te schrijven. Maar sedert die regel is afgeschaft en hy die geen lichter is even goed in 't rijmloos mag schrijven, durft zelfs geen karre-mans- of straatpoëet afwijken van de voorschriften der prozodie : of, ontbreekt aan hun vaerzen soms een halve voet, 't is een gevolg van onkunde en zorgeloosheid, niet van onwil of opzet. Maar vrijwillig en met opzet bevrijdt zich Van de Linde in de meesten zjjner gedichten van do slavernij van 't metrum. Niet, dat hy buiten staat was, vaerzen te schrijven, die aan al de eischen voldeden, welke zelfs een Pels zou hebben kunnen wenschen. In tegendeel zal men in den hier achter volgenden bundel een aantal gedichten vinden, die men, wat den vorm betreft, als echte juweeltjens kan aanmerken. Maar hy was van oordeel, en ik geloof te recht, dat in de dichtsoort, welke hy zich ter beoefening koos, vorm en inhoud moesten overeenstemmen, en dat gene niet deftig en afgemeten behoorde te zijn, wacrzesr deze louter scherts en divagatie was: en hy zoü deze zijne meening hebben kunnen rechtvaardigen met het voorbeeld van den geestigen dichter der .lobsiade: welke boerture
14
Iets over den schrijver en zijn dichttrant.
epos, naar ik durf beweren, een deel van den opgang, welken liy gemaakt heeft, verschuldigd is aan de «knittel-vaerzen,quot; waarin hy is samengesteld.
Niemand wane echter, dat Van de Linde, al was de vorm, waarin hy zijn rijmen goot, aan geen metrischen regel gebonden, daarom dien vorm veronachtzaamde. In tegendeel zal ieder, die een geoefend poëetisch oor bezit, by het overluid lezen dier rijmen gewis opmerken, dat daaraan wel een vaste voetmaat, maar geenszins een behoorlijk rhytmus ontbreekt; ja dat zy, door het verplaatsen of veranderen van een enkel woord, al licht iets stroefs of stootends zouden verkrijgen; terwijl zij nu geleidelijk voortioopen, zonder immer het gehoor te beleedigen. Van de Linde, zeer keurig en fijngevoelig op het stuk der welluidendheid, ging dan ook by het samenstellen zijner gedichten alles behalve zorgeloos te werk. Hy wist zeer goed, dat er niets zoo onpoëetisch en zoo ondragelijk is, als knittel-vaerzen, wanneer zy, by 't metrum, ook kadans en welluidendheid missen, en dat alzoo op 't behoud van laatstgemelde eigenschappon by deze vaerzen nog meer dan by de gewone gelet moet worden. Die «knittel-vaerzenquot; kostten hem dan ook vooral niet minder moeite dan de metrische, en herhaaldelijk poogde hy er, door verandering en verschikking, klem en harmonie in te brengen. Maar niet alleen ten gevalle der welluidendheid bracht hy den regel van Boileau
Vingt fois sur le métier remettez votre ouvrage in praktijk. Neen, niet een van dio dichtstukjens, die by 't lezen ons als uit de pen gerold, als vruchten van den luim des oogenbliks toeschijnen, of het heeft vrij wat uren arbeids gekost en talrijke omwerkingen ondergaan. Hoewel daarvan niet onbewust, stond ik nog versteld, toen ik, bij 't ontfangen en doorbladeren van de handschriften, door den dichter nagelaten, tot de ontdekking kwam, dat van byna ieder gedicht vijf of zes verschillende bewerkingen bestonden, om niet te spreken van een onnoemelijk getal strooken en snippers papier, waarop dezelfde regel (of regels) vijf of meermalen voor kwam, telkens gewijzigd, ten einde de beste lezing gekozen en in een reeds vervaardigd of nog te maken gedicht zoü. geplaatst kunnen worden. Aan dat gedurig omwerken en verbeteren was het toe te schrijven, dat hot zoo moeielijk viel, iets afgewerkts uit zijn handen te krijgen. Van do Linde was nimmer recht voldaan over zijn voortbrengselen; jaren zijn er verloopen eer hy heeft kunnen besluiten,
15
lets over den schrijver en zijn dichttrant.
iets daarvan in 't licht te geven: zoo hy daartoe is overgegaan, 't is niet geweest dan ten gevolge van aanhoudenden aandrang van mijne zijde, en, wanneer ik in aanmerking neem, dat hy de vruchten van zijn geest uitsluitend aan den almanak nHollandquot; heeft afgestaan i), dan kan ik niet nalaten, met een gemengd gevoel van dankbaarheid, trots en weemoed de overtuiging te koesteren, dat hy alleen om mijnentwille zijn bescheiden schroom overwonnen en 't zich getroost heeft, hoezeer dan naamloos, als dichter op te treden.
Maar al was eenmaal het ijs gebroken, het kostte nog telken reize evenveel moeite, iets uit zijn handen te krijgen. Nimmer dan met tegenzin scheidde hy van zijn papieren kinderen, die hem altijd voorkwamen, nog niet in een toestand te zijn, geschikt om ze aan 't publiek te ver-toonen. En was hy eens â en wel doorgaands als de nood aan den man en de almanak bijna afgedrukt was â er toe gekomen, my de kopy te zenden, dan ging er, van dat tijdstip af schier geen dag voorby, waarby ik niet een brief van bem ontfing, deze of gene verbetering of variante voorslaande, ja somtijds het veranderen van een enkel woord. En, was eenmaal de almanak afgedrukt en in de waereld: wee my dan, indien ik by de korrektie een enkel abuis van den zetter over 't hoofd had gezien! De brieven van Rousseau aan zjjn uitgever Rey â dat belangrijk geschenk, onlangs door mijn geachten vriend Bosscha aan de letterkundige waereld gedaan â geven etaaltjens van de kitteloorigheid des beroemden Geneefschen schrijvers, en van do alles behalve tnalsche wijze, waarop hy den Amsterdamschen boekverkooper kon doorhalen over de minste drukfout; â ik zou dergelijke staaltjens kunnen aantoonen van de kluchtige verbolgenheid van mijn vriend ter gelijker oorzake.
Ik kon echter niet nalaten die ontevredenheid verschoonbaar te vinden by iemand, die, maar zelden of nooit iets hebbende laten drukken, nog niet gewoon was geraakt aan die kleine tegenspoeden, door slordige korrektiën berokkend, en die bovendien te geringen dunk had van zijn dichtvruchten om zich niet te beklagen over misstellingen, die nieuw voedsel aan de kritiek konden verschaffen.
1) Ik spreek hier alleen van de gedichten, door Van de Linde in Engeland gemaakt. Gedurende zijn verbljjf te Leyden had hy in den Studenten-Almanak, waarTan hy mederedacteur was, ettelijke gedichten, hoezeer dan zonder zyn naam geplaatst. Twee daarvan heb ik in dezen handel opgenomen.
16
Iets over den schrijver en zijn dichttrant.
Wanneer wy nu de zorg overwegen, waarmede hy zijn vaarzen bewerkte, beschaafde, en herhaaldelijk met een versch oog overzag om ze van gebreken te zuiveren, dan zullen wy er ons te minder over verwonderen, dat alle navolgingen van zijn dichttrant, welke men ten onzent heeft beproefd, zoo jammerlijk zijn mislukt: gewis dachten zy, die zulks ondernamen, dat het genoeg was, eenige burleske beelden en tegenstellingen in mateloos rijm te brengen, om den Schoolmeester op zijde te streven. Zy â wisten niet dat daartoe meer, oneindig meer behoort: dat men, om dragelijk te zijn in een dichttrant, die, zoodra hy niet op voortreffelijke wijze behandeld is, onuitstaanbaar wordt, in de eerste plaats moet bedeeld zijn met echte luim en levendige verbeeldingskracht; dat men ton andere naauwkeurig op don vorm moet letten, en dat men ten derde zoo zeer niet meester over een school behoeft te wezen, als meester over de taal.
En dio meesterschap over de taal is, onder al de hoedanigheden die een dichter moeten vercioren, misschien degene, welke wy by Van de Linde 't meest te bewonderen hebben. Onverklaarbaar is het my meermalen voorgekomen, hoe iemand, die jaren achtereen in een vreemd land geleefd had, er burger geworden was, nimmer dan by de zeldzame overkomst van Hollanders gelegenheid vond Hollandsch te spreken, en 't zelfs maar zeer zelden las, niet alleen de boekentaal van zijn Vaderland, maar vooral en by uitnemendheid de levende volksspraak met al haar eigenaardigheden en schakeeringen had weten machtig te blijven. Ik moet bekennen, dat hy ook te dien opzichte het standpunt van 1834 niet verlaten had, en zelf er voor uitkwam, dat hy het Nederduitsch van vele na dien tijd opgekomen schrjjvers niet verstond.
Diezelfde juistheid van uitdrukking, datzelfde gemak om overal 't gepaste woord te kiezen, dat afzijn van alles wat naar anglicismen of andere »ismenquot; zweemt, â in een woord, dat echt llollandsche van taal en stijl, 'twelk zijn gedichten kenmerkt en waaraan zy ongetwijfeld grootendeels hun populariteit verschuldigd zijn, kenmerkte insgeljjks zijn proza. Ongelukkig zou het bewijs hiervan alleen kunnen geleverd worden door de uitgave zijner brieven Die brieven waren voor hem die ze ontfing niet minder onderhoudend dan zijn gedichten; doch zy zijn, ten gevolge van den inhoud, die óf over zaken van persoonljjk of tijdelijk belang loopt, of uit aardigheden bestaat, waarvan het zout grootendeels voor
GEDICHTEN V. D. SCHOOLMEESTER. 2
17
Jets over aen schrijver en zijn dichttrant.
derdon zoü verloren gaan, tot openbaar-raaking geheel ongeschikt.
Even min ala op de brieven, welke ik van Van de Linde ontfing, kan ik den lozer vergasten op een aantal dichtvruchten â waaronder mig-sohien de beste en bevalligste welke hy ooit vervaardigde â die, geheel tot zijn huislijk of zielsleven betrekking hebbende, uit kieschheid moeter. worden teruggehouden.
Een staaltjen echter van zijn proza, hoe onbeduidend ook, vinde hier achter eigenaardig zijn plaats.
VAN LENNBP.
IK
C O gt; C E P T â V O O R K E » E.
Sommige mijner vrienden hebben nu en dan eens ae vraag voorgesteld: â¢waarom verzamelt gy niet eenige uwer verspreide rijmpjes in een zedig bundeltjen?quot; üe aandr ang was, ik beken het, nog al strcelend voor mijn eigenliefde â zoo men aandrang heeten mag wat misschien niet dan een voorby gaande inval was. die zeker meer indruk by my achterliet, dan by hen. Hoe het zij, ik leende 't oor en sprokkelde eenige verstrooide stukjens te zamen, den lezer â zro er een gevonden mocht worden, anders beklaag ik den uitgever â nederig aangeboden, 't Werd meer gedaan voor vrienden dan voor vreemden en ik hen dus evenmin tuk op lof als bang voor blnam, verzekerd bovendien, dat fatsoenlijke recensenten hun kruid niet verschieten zullen op katvisch, die 't kruid niet waard is.
Overigens kan ik wel geen pecunieel belang by deze prulletjens hebben; de uitgever zal my maar al te spoedig bekend maken, dat het »de dood in do potquot; is. Mocht er echter buiten verwachting een saldo zijn, zoo is dat bestemd voor de bevordering van een menschlievend en edel doel, het Instituut namentlijk voor do zedelijke verbetering der gevangenen onder de dieren, zoo als b. v. de gekluisterde kermisbeer, de gebroekte vlasvink '), het gekooide tijgerbeest en konijn, en andore slachtoffers van een menschelrjk despotismus, dat in onze verlichte 19« eeuw onder de dieren geen volksvertegenwoordigers erkent, behalve, zoo men wil, den papegaai, een dier echter van eene al te bepaalde kleur, en dat al te
1) Voor hen, die met de eigenaardige taal der Vinkery niet bekend zijn, diene, dat hier gedoeld wordt op de zoogenaamde âbaanlooporsquot; die, met lederen broekjens aan, op de yinkebanen gezet worden om hnn vliegende makkers, die âin 't hontquot; Tallen, te lokken.
Noot van den Uitgever,
PKOETE TAX DICHTERLIJKE TLUCIIT.
(Fragment van een uitgebreider dichtstuk, getiteld Apollo.)
Hippokreen vloeit overal,
Maar dat vreesselijk geflodder Maakt ons halve land tot modder. En, ik vrees, tot varkensstal-Bildkrdijk.
t Gaat wel 1 ik voel mijn borst, het aardsoh gewelf ontvaren, Op Godentoon gestemd, Homerus evenaren!
Ja I k zing dien Phcbus, wiens vergulde zonkaros Den Ether-trans ontgloeit en hult in zilv'ren dos I Die t schuimend tweespan ment langs Amethysten banen, Met Hermelijn omzoomd, de kristallijnen tranen,
Aurora s oog ontglipt, in gouden schalen vangt.
Wanneer zijn gloeiende arm het nachtfloers openhangt I De starren vlieden heên â als tamme Philistijnen,
Wanneer de vijand naakt, met hazen-spoed verdwijnen _
£n tuimelen door een in 's afgronds duister krot.
Wanneer hy 't zwerk beklimt als lichtverspreidend GodI Hem dekt een gouden lier, uit blank albast geweven.
Met ambrozijn doorstikt en paarlen, onder 't zweven.
De wolken smelten by zijn aanblik; 't windenheer Krimpt op zijn wenk zich zaam of raaskaalt over 't meer.
Het Oost schalmeit hem na met rozen op de wangen.
Daar hem 't gegeluwd West als ega mag ontfangen.
De maan, zijn broeder, bleek van opgekropten spijt.
Dat hij den voorrang mist, ging kleur en verwen kwijt.
En dwaalt, als t rimp'iig spook in holle najaarsnachten,
Langs 't broederlijke spoor, en put zich uit in klachten,
Froeve van dichlvrlykv vlucht.
Tot hora het tweespan stoort, dat door don slagboom breekt. En hy, by Phebus komst, van schrik geheel verbleekt.
Dien Phobus zing ik thans op onverlamdo snaren:
Hem, aller dioht'ren roem, maar moeilijk te evenaren I O DagvorstI Neem mijn lied in fiere omarming aan.
En prijk het naast uw' zij aan 's hemels starrenbaan!
En gy, Homeer; Juweel der dichtende Hellenon,
Die met uw' Orpheus-lier zelfs harten maakt tot steonen, En, als uw poez'le hand de gouden dichtpen vat, De waarheid eert, ten spijt van 't grijs Historie-blad! Die Hector 't strijden leert, en held Achil 't verwinnen ! O witbesneeuwde bard ! O vriend der zanggodinnen!
Verstoot mijn dichtwerk niet, maar streef het, fier en blij, Op vleug'len van azuur uw' Ilias voorby!
De laatste ster bezweek by 't eerste morgendagen;
Do moêgowaakte nacht verliet haar nevel-wagen.
En trok, door 't licht verrast, haar vale wieken in
Amoon en roos ontlook, de vlugge zangerin
Begroette veld en woud in 't vrolijk boschgeschater.
Al dartelend gehuwd aan 't kristallijn geklater
Van 't schuld'loos beekjen, dat langs 't spiegelgladde diop
Van 't bergmoeras gedaald, door bosch en heuvel liep :
Als Jupiter, vermoeid in Juno's arm te rusten.
Haar' kuischen schoot ontsnapte en d'esmerauden kusten
Van 't hemelsche paleis; en tuk op andrer min.
Het zoet begeeren dorst der vreemde bedvriendin!
Hy naakt, waar d'afgrond d'aard behoedt voor nedervallen,
En in zijn rotskloof stut met meer dan duizendtallen
Van zuilen, uit metaal en forsch arduin gesmeed.
En met het zwevend stof van 't eeuwental omkleed.
Hy hupt de bosschen rond en blozende valleien,
Waar 't herderinnen tal, in vrolijk spelemeien.
Den blonden herder kust, en koost, en tiereliert.
En in den luchten zwaai der huppeldansen zwiert.
Het draaiend orgel stuurt, by 't wederzijdsoli begroeten
â 2H
Proeve van dichterlijke vlucht.
De vastgestelde maat der trippelende voeten;
Daar trommel, mandolijn, riool en herdersfluit 't Muziek weêrgalmen doen, dat op do wolken stuit I De Dondergod, ontroerd en tot in 't hart bewogen.
Bespeurt oen wond'ren trek, en staart, met golvende oogen En vonkelende borst, het hupp'lend schouwspel aan,
Verscholen op een tak van olmboom en plataan.
Zijn wenkbraauw volgt den zwaai dier teng're bosohkoralen, En krimpt of zet zich uit, naar 't rijzen of naar 't dalen Der snelgewiekte voet, die langs den bodem zweeft,
Terwijl het lispend koeltj' in 't zedig koursjen beeft.
Eéne, onder allen, weet zijn lust het meest te wekken: t Is blonde Leto, telg van Ceüs, in wier trekken Het hemellachjen speelt, dat langs haar wangen stoeit.
En met een rozendauw de sneeuw der kaak ontgloeit!
Ja, 't is of Phebé zelv' herleeft in haar Latone;
Do dochter des Titaans schijnt dochter van Dione.
Haar blaauw en kwijnend oog schiet gloende blikken rond, En hagelwit ivoor siert d'elpenbeenen mond !
Het schittrend lip koraal en 't goud der zjjden wangen, 't Schijnt al geschapen om den kus der min t'ontfangep Terwijl haar blozende arm, mot lieflijk dons omzet,
Het zweet van hoofd en hals met zachte drukking net.
Hy ziet haar, en, op eens van felle liefdo dronken,
Voelt hy zich 't hart verschroeid van d'uitgeschoten vonken. En zweert, daar woeste drift zijn schedel zwellen doet,
Dat hy verwinnen zal of sterven aan haar' voet II
Gy, Dichtkunst! hemeltelg, in hooger sfeer geboren, Met Ether-walm gevoed! die langs d' onmeetbre sporen Des dampkrings, die deze aard omvangt en scheidt van 't niet. De toekomst en 'tgeen was, met éénen blik doorziet!
O meld, kan 't zijn, my 't lot der huppelende schoone.
En wat Jupijn ontwierp by 't aanzien van Latone!
Het zwevende vermaak had brein en bor.st verhit.
24
Proeve van dichterlijke vlucht.
En 't lichaam afgemat. Het brandende gebit Verlangde laafnis en verpoozing, en vermoeijing vVerd opgevolgd door rust. Niet meer in dart'le stoeijing Of luchten sprong verward, maar neergestrekt in 't groen, Zat alles afgemat op 't geurig bloemfestoen.
Of dook in 't mollig gras in sluimring neer en rustte Een ander deel sloop rond, maar rein van tred, en kuste De maagdelijke hand der zoete gezellin.
Maar zag de boogpees niet, gespannen door de Min.
Latone alleen zat neêr, in diep gepeins verloren;
Geen minnekozery kan nog haar hart bekoren;
Nog zweeg by haar de lust, met rozen overdekt.
Waaronder 't slanggebroed de drakentreden strekt.
Viool of distelbloem mocht meer haar zinnen streelen,
Dan 't hart-innemend zoet van 't zwelgend kusjens-steelen; Ook thans in eenzaamheid, en door geen knaap verzeld.
Zweeft d'argelooze maagd langs 't groene klaverveld.
En grijpt naar wesp of spin en volgt den bonten vlinder In vaart en vlucht voorby. langs heg en struik, gezwinder Dan 't afgejaagde hert, dat, eindlijk achterhaald.
Aan 't woedend hondental zijn vlugheid duur betaalt I
Doch wie vertraagt haar spoed? Wat wonder treft haar oogen,
En houdt haar blozend hart verrukt en opgetogen?
Wat hoogt op eens den gloed van 't lelieblank satijn,
En adelt sneeuw-albast tot golvend ambrozijn ?
't Is 't schouwspel daar ze op staart. Met zonnegloed omhangen,
Uit blank azuur gevormd, en paarlen op de wangen.
Terwijl 't fluweelen haar in golven neerwaarts spoedt.
Treedt haar, met schoonen tred, een jongling te gemoet.
Zijn blik schiet vlammend vuur, als vonken gouds, in 't ronde :
De bliksem van zijn oog verbrandt en schroeit de wonde,
üie 't hart van die hem ziet op d'eigen stond doorboort:
Zijn stem is als 't geluid des donders, en verstoort
Den zeeleeuw in zijn kuil; zijn reuzenarmen spreiden
Zich in het luchtruim uit als stammen: bosch en weiden
25
l'rueoe van dichterlijke ilucht.
Ontzet en schudt hy, ala zijn voet hun bcdem drukt, Of d' adem van zijn borst zich uit zijn kerker rukt:
Zijn wenkbraauwbogen zijn twee blozende amberkringen Met vloeiend goud doorstroomd, die (1 oogeleen omringen, Terwijl een atarrenkroon den schcdeltrans bedekt En stralend ethervuur hem aan elks oog onttrekt.
Zy ziet hem, en haar kracht begeeft haar onder 't knielen, Zy voelt een wond're drift, iets godd'lijks haar bezielen; Zy ziet hem, en de gloed van 't uitgebleekt gelaat Voorspelt aan 't smachtend hart den schoonsten dageraad Terwijl het ongeduld (dat knabbelt op den kluister.
Die t Heden scheidt van 't geen de toekomst nog in 't duister Van t Niet verborgen houdt) naar 't wordende gesprek Met tijgerklaauwen grijpt en opgesparden bek.
â¦Aanminnig pronkjuweel,quot; (dus vangt hy aan te spreken,) «Van 't aardrijk! by wier glans en zon en maan vorbleeken, «Die met den rozengloed van 't goudgeel kweekend hoofd, »Gelijk het tweespan d' aard, zoo 't hart uws minnaars stooft! »Ook ik voel 't sloopend vuur in d' enge borst ontbranden. «Door schicht op schicht gewond, met nagelsoherpe tandon »\oeI ik my 't smeulend hart van een gescheurd. Geen rust. «Geen laafnis lacht my toe aan hooger hemelkust,
«VVaar ik u derven moet! Neen, aan uw' borst te minnen, »Uw al te zijn, zegt meer dan een Olymp te winnen! »üm u versmaadde ik wat de Hemel kostbaarst biedt, »'k Verliet om u den troon van 't opperste gebied,
gt;Het land van Ambrozijn, doorstroomd met Nectarbeken, «En 't geurige gewest der Elyzeesche streken;
«Urn u ontvlood ik d' arm van 's Hemels Koningin11 quot;Val aan dit kloppend hart en voel of ik n min.quot;
Gelijk een stormwind, die, in 't Westen losgebroken.
Do golven breekt en schudt, de zee van spijt doet koken, Hot zwerk van één scheurt, djjk en dammen openspart, Eu 't aardrijk trillen doet, zoo zinkt zy aan zijn hart
Proeve ran dichterlijke vlucht.
In teed're omhelzing neêr. Hun beider zielen vloeiun In duizend kussen zaam, de teedre kaken gloeien,
De boezem hijgt naar lucht, de Min grijpt pijl en boog, En Amors lustprieel ontvoert hen aan elks oog.
Slechts Juno slaat hen ga van hooge hemelstreken,
En zweert dien smaad op 't kroost der reine maagd te wreken:
Ja Juno. bleek van spijt en zwart van jaloezij.
Zwoer eeuwig onheil aan Latones kind'renrij.
Had haar in 't eeuwig Niet den moederband doen slaken,
Zoo God Neptunus niet, van medelij aan 't blaken,
Haar schoot bewaard had voor deez' bloedige offerand.
En lieflijk dons gestrooid langs Delos oeverstrand.
Dit kwam de Droomgod reeds Latoon te kennen geven.
Toen d'ongeboren telg noch aanzijn had noch leven.
En, onontwikkeld nog, in 't moeder-ingewand.
Reeds Juno's haat betreurde en aangewreven schand.
Meld, Zangster! op den toon voor u alleen geboren,
Al wat do Droomgod eens aan vrouw Latoon deed hooren: Ontkerker 't vleuglenpaar, dat aan uw schoudren prijkt,
En met het smijdig goud van Pindus is verrijkt:
Vaar buld'rend naar omhoog en schud de hemelsfeeren:
Laat geen Syrenenzang u meer naar d' aard doen keeien: En pluk van 't firmament het drijvend stargesteent,
Waaraan voorwetenschap haar Hemelluister leent:
Opdat wy hooren en omvatten, ja aanschouwen.
Wat Morpheus raadseldroom aan Leto kwam ontvouwen; Ja, voer ons, aan zijn zij en hangend aan zijn hand.
Naar 't somber voorportaal van Leto's ledekant.
Het tripplend veldmuzijk der waternimf-najaden.
Kwam zich in 't luchtpriëel van 's afgronds ether baden.
En zwom de heuv'len langs en berg-vallei en krocht.
Terwijl t koralen oog, het zwevend aardrijk zocht.
't Aanschouwt het, maar van ver, en, hupp'lend onder 't zweven,
27
Proeve van dichterlijke vlucht.
Voelt zich de hofstoet naar Latone heengedreven,
En naakt op luchten wiek het uitgespreid verdek Van 't half ontworpen en nog pas voltooid vertrek.
Hier zat de minnaar, aan Latone's zij gezeten.
Die sluimrend, in den slaap haar onspoed had vergeten I Het oog gesloten, zag haar blik verbaasd in 't rond.
Toen in 't ontplooid verschiet haar noodlot vóór haar stond.
Een schucht're Zeemeermin, met leliën en rozen Doorweven, zag Latoon van zoet verlangen blozen; En, denkend aan haar' plicht, en aan dien plicht getrouw, Spreekt zy d' orakeltaal van 't vorst'lijk hofgebouw: gt;lt;Aanminnige ! in wier schoot het knaapjen ligt gedoken, «Wiens engen kerker nog geen straal heeft doorgebroken «Van 't levenkweekend licht: hot sluimert nog gerust tVan lot en waereld, ja, van 't aanzijn onbewust!
«Reeds slaat do wraak het ga, en drijft op vleermuis-wieken, «En wacht met helsche vreugd op 't eerste morgenkrieken, «Wanneer do levensvlam het wordend wicht doorgloeit, «Gelijk de dauwdrop in 't ontluikend roosjen vloeit! »'t Is Juno die, van spijt en felle woede aan 't blaken, «U zelfs één handbreed gronds op 't aardrijk wil ontschaken, »En 't kroost, in dart'le min en overspel geteeld,
«Met haar Godinnen-vloek en wraak-herauten streelt;
«Maar, grijze Zeegod nam uw kroost in zijn bescherming, «(Als 't aardrijk u verstoot, toont zelfa de zee ontferming,) «Bestijg de nacht-kales, beklim haar ingewand,
«En vlieg, langs 't bleek arduin, naar Dolos groenend zand.quot;
28
De schipbreuk.
DE SCHIPBREUK.
Oost west t' Huis besti
Onder de merkwaardigste tafreelen,
Waarin wy gewoon zijn, de schepping te verdeelen,
Beboeren vooral zekere natuurtooneolen,
Inzonderheid een vaartuig in den storm,
Wanneer iemand gerust kan zeggen: »ik ben maar een worm. Die noch zijn eigen kan helpen, noch zijn natuurgenooten,
Al stond hy ook op zijn achterste pooten.quot;
Zoo er daarom een schipbreuk voorbanden is op zee,
Ga ik liever voor mijn plezier niet mee. â
Leergierige jeugd 1 gy bespeurt gewis.
Dat wat ik thands op 't oog heb een schipbreuk is:
Wees daarom, gedurende de les, zeer attent.
Sta op uw eigen beenen, en, zoo veel mogelijk, o verend. â â De storm, moet je weten, begint doorgaans met eene stilte.
En ik had in mijn jeugd een kleinzoon, die in April te Buiksloot moest wezen : â ik verspreek my, ik meen te Curaijou, Een eiland, dat je misschien te Buiksloot niet vindon zou. â
Hoe dit zij, mijn kleinzoon ging met zijn dochter en zjjn vrouw Naar zee toe, om op Ceylon kaneel te koopen.
En zoo 't meeviel, vervolgens een nieuw schip af te laten loopen Te Hoorn, voor de Walvischvangst bestemd in de Us- of Glaciale zee, (Gelijk, toen ons land ons land nog was, menigeen vóór hem reeds deê) En voor verandering van lucht namen zy beiden een zuigeling mee. 't Was eerst alles aan boord byzonder kalm; de tijd werd met praten versleten
Over koetjens en kalfjens, en een glas wijn met een scharretjen gegeten En daar werd, net als aan wal, gesiapen en ontbeten,
En door enkelen ook veel van de zeeziekte geweten.
Waartegen dan een glaasjen brandewijn 't beste remedie werd geheeten. De natuur was op den Oceaan ook byzonder mooi.
29
De schipbreuk.
Al zag men er juist niet veel boekweitvelden staan ot'meisjena werken in't
hooi.
Men zeilde lekkertjena voor den wind en het zeil had kreukel noch
plooi.
Ja het ging zóó gaauw, hoorde ik mijn kleinzoon dikwijls getuigen, Dat een stoomboot op stapel er gerust een punt aan had kunnen zuigen. De zon liet, als een koningskaars, haar verkwikkende stralen üp de kruinen onzer zweetende reisgenooten nederdalen.
De Stuurman alleen keek nu en dan bedenkelijk naar den meridiaan,
Als of hy wou zeggen : «daar is een luohtjen aan;
«De wolken «-orden in 't Westen hoe langer hoe dikker.
«Daar is zeker iets, dat ik niet noemen zal, aan den knikker.
⢠Het wordt zoo donker, en spoedig zal ik misschien »De punt van mijn eigen neus, laat staan die van 't schip, niet meer kunnen «Als de wind niet spoedig verkiest te draaien, zien.
»Dan gaan we allemaal en compagnie naar de haaien,
»Net als op mijn eerste reis naar Sourabaaien.
»Ik wou, dat een vyand zijn schip ons maar kwam praaien. »Ik heb het land â of liever, ik wou, dat ik het land had:'t ziet er smee-
rigjens uit:
«Kijkt voor de liefhebbery eens, hoe dat zwerk daar kruit,
»En hoort me dat concert eens aan, dat door de zeilen fluit.quot;
En zoo slaat de windzak door, vijf honderd uit;
Doch de Kapitein en de overige passagieren.
Benevens de onvernuftige huisdieren,
Zaten net zoo gerust als in een wagentjen van vieren. De Kapitein â dit dient hier en passant wel te worden vermeld â Want op een zee-voyayie is de kapitein eigentlijk de Ulysses of de
Eneas, enfin de held â Was om de waarheid te zeggen een oude stoffel.
Die nooit een laars aantrok als hy kans had op een pantoifeL Voor 't overige was hy een vrijgezel van vier voet hoog, Die een anker op zijn rechterarm droeg â namelijk het portret daarvan,
zoo men my niet bedroog â Benevens een strontjon op zijn rechter oog.
Doch do Stuurman was iemand met merg in zijn knokken.
3U
De schipbreuk.
Vijf voet vijf als hy zijn schoenen uit had, zonder jokken,
En meer of min begaafd met de kinderpokken.
Hy hield byzonder veel van jenever, alsmede van tabak,
Dien hy, in don vorm van een pruim, achter zijn kiezen stak.
Overigens was hy op zee gewonnen en geboren,
Waar reeds zijn grootvader in een veldtocht een houten been had ver-Hy kon vloeken voor drie, en zag aan het linkeroog wat scheel; loren. Maar wanneer hij sliep, merkte men dat juist niet veel. â Doch, om nu tot ons verhaal te retourneereu,
Of, in zuiver Hollandach gezcid, terug te keeren.
Men kon een speld in 't water hooren vallen, en de Oceaan Was zoo glad en blinkend als een geschuurde schuimspaan,
Maar, juist als men in de Schipbreuk van de Medusa ziet vertoonen, Waarvan ik op 't Leydsohe plein de representatie eens by mocht wonen. Daar verandert nu het tooneel en een zware storm verschijnt, Waarop de zon, en tevens de kleur van den kapitein zijn gelaat verdwijnt. Die er thands zoo bleek uitziet, als of hy in de maan
Eigentlijk zijn stuurmans-examen had gedaan.
De lucht wordt integendeel zoo zwart als een moriaan.
Terwijl de zoute golven beginnen te brullen als een paar leeuwen. En verschillende zeevogels, vergezeld van dolende meeuwen,
Hun geluid met dat der zuigelingen mengen, die thands overluid schreeuwen In plaats van, als zy te voren deden, van honger te geeuwen.
De Oceaan, zonder er doekjens om te winden.
Staat op het punt, het schip met man en muis te verslinden.
leder verschuilt zich nu in de masten of op het dek ;
Want in het hol is de pomp verstopt en het vaartuig lek. De Kapitein stelt zich in postuur, kucht, rochelt, en spreekt: «met uw
respek,
â¢Scheepsvolk, reisgezellen, heeren en dames en verdere natuur- en ambts-
genooten,
»Wy zijn op de flesch, ik zie er geen gat in en mijn kruit is verschoten. «Onze eenige uitkomst zit hem nu nog alleen in de booten.quot; stild. En naauwlijks heeft hy met deze geruststellende toespraak hen wat ge-Of de groote mast met het vooranker worden door den storm over boord Het boeganker dobbert op de baren, en het gandsche schip getild.
31
Dc schipbreuk.
Duikelt over zijn boegspriet als een bezopen snip;
Terwijl men de reizigers, die op de biertonnen of roeispanen drijven, Ziet denken: »ik zal het nu maar aan mijn famielje schrijven.quot;
«Is er,quot; vraagt een ouwe juffrouw, «hier geen stal in de buurt 1quot; »Ja wel Iquot; antwoordt de koksmaat: «maar al de rijtuigen zijn verhuurd 1quot; In dit plechtig oogenblik laat de Kapitein den Stuurman komen En vraagt hem ronduit, of hy ook al te met iets van een storm heeft vernomen.
Waarop laatstgenoemde antwoord gèfeft met een zucht.
Dat er wel wat van aan schijnt te zijn, volgens het algemeen gerucht. Eindelijk komt men op een onbewoond eiland aan, 's avonds heel laat. Als men kan opmaken uit de torenklok, die kwart over elven slaat. Doch de Kaptein stuurt terstond een liefhebberyknecht aan denMagis-Met zijn complimenten, namelijk om assistentie en raad. traat,
Deze laat hem echter per omgaande weten.
Dat het hier een uitgestorven eiland is, zonder een enkel ingezeten
En dat, aangezien er geen contribuablen meer bestaan, De magistratuur, mitsgaders de kommiesen, muar naar huis is gegaan.
Na ontfangst van dit bericht roept de Kapitein De reizigers byeen, en vraagt, of allen tegenwoordig zijn, groot en klein.
Waarop een ieder voor zijn beurt antwoordt; «allenquot; â Behalve de zuigelingen, die zeggen: »wy zijn in slaap gevallen.quot;
Hierop bouwt men met de verloren zeilen een tent En geeft een hamer aan den Kaptein, die zich benoemt tot president. En de vergadering dus aanspreekt, met een witten das en overend;
«Telgen en nakroost,quot; zegt hy, «van een en hetzelfde voorgeslacht! »Wy moeten hier handelen als mannen of wy worden om zeep gebracht.
«Zoo wy hier al op 't droog staan, wat kan ons dat helpen ? »WTy worden eerst door de leeuwen opgegeten en vervolgens door hun
welpen,
«Die 't voorbeeld van hun ouderen, thans op ons hevig verbolgen,
«Natuurlijk, als zy groot zijn, wel zullen volgen.
«Ik vraag dus het gevoelen van al wie zich hier bevindt, klein of groot, â¢Do afwezigen uitgezonderd, benevens den zuigeling en zijn tijdgenoot, »Wat of wy onder deze omstandigheden moeten verrichten;
32
De schipbreuk.
«Hier blijven, dan wel het verloren anker van het uiteengeslagen schip maar
lichten ?quot;
Hierop besloten al de aanwezigen, na lang over en weder praten, Men zou moeten handelen regis ad exemplar, op 't voorbeeld der ma-En 's morgens bij 't eerste kraaien van den haan, gistraten, Zijn biezen pakken en weêr stilletjens naar huis toe gaan.
Men danst echter eerst nog met do ingezetenen een quadrielje En vindt zich kort daarna in welstand met de zuigelingen terug in ziji.
Het geschiedboek vermeldt echter niet, famielje.
Hoe of op wat wijze dit eigentlijk is geschied.
Doch daar stoomvaart en spoorwagen sedert zijn uitgevonden, Begrijpt de lezer, dat zij 't des nooda daarmee doen konden.
Enfin, ik verhaal u wat ik van mijn kleinzoon heb gehoord. Die deftig persoon was en wien ik wel gelooven moet op zijn
woord.
DE BOTERHAM ES DE GOUDZOEKER.
EEN VERHAAL IN DEN GEEST DES TIJDS.
Auri soera famtt.
Te Wormerveer Woonde eens een Heer,
En te Overschie Een juffrouw die Dien Heer zijn hert En hand aanvaardde en mijn moeder werd.
En moeder liep wat met haar eersteling heen.
En grootvader zei: «kijk! hy loopt haast alleen.quot;
Maar vader zei droogweg: «dat's numero een.quot;
En zoo leefden mijn ouders en ik alle drie Als fatsoenlijke lieden op Overschie,
GEDICHTEN V. D. SCHOOLMEESTER. 3
33
De boterham en de goudzoeker.
En wy hadden er ieder zijn boterham
Die ons alle drie smaakte en ons wel bekwam.
En toen er nu fluks â wat overdaad In hun echten staat I â
Gelijk het wel meer in het huwelijk gaat,
Een tweede kwam Om zijn boterham,
Toen sprak mijn vader: »ik ben niet rijk,
«Ofschoon ik reeds met een paar stamhouders prijk. »Ik heb geen post of geen landspensioen,
»Wat zal ik hier met die twee spruiten doen ? «Hoe hou ik op Overachie mijn fatsoen?
«Is één niet genoeg voor een burgermanquot;!
«Wat doe ik met twee? â Wat heb ik er anT «Zoo'n tweede sieraad «Van mijn huwelijksstaat,
«Die in 's levens ontlokenen dageraad «Zich reeds tweemaal alhier te verslikken staat, «Terwijl hy in toomloozen overdaad,
«Zijn buik als een pakschuit op marktdag laadt, «En zijn ouders vertroost met de hoop op zwart zaad,
jPak jy, kameraad!
«Maar spoedig je biezen en poets me de plaat. »Jy klaplooper, voort! of wy krijgen 't te kwaad. â¢Hy eet meer dan twee »En hy drinkt als de zeel «Met zoo'n tweede letter in 't Eeht-A B-C «Mijns huwelijkslevens, wat doe ik er meê?
«Is A niet genoeg? en wat heb ik aan B?quot;
Mijn moeder zei lachend; «op Wormerveer «Sprak iemand heel anders; niet waar, mijn Heer? «Kom, geef vrouwlief een zoen, en zeg het niet meer, «Zoo'n zeggen doet my en mijn kindtjcn te zeer.quot;
34
De boterham en de goudzoeker.
Maar toen er nu â weêr om zijn boterham â
Op nieuw een produkt uit de bloemkool kwam,
Toen bromde mijn vader: «Wel Heerejee 1 «Daar ia numero vijfl wat doe ik er mee?
»Wat heb ik hier aan zoo'n mutsebol?
«Mijn zak loopt leog en mijn huis loopt vol,
»En de affaire gaat slecht en mijn kop is op hol.
»Op het Hof in den Haag »Heb ik vrind noch maag,
uEn op Oversohie heb ik maag nog vrind.
»Wat doe ik hier met zoo'n vijfde kind?
»â 't Heeft nu reeds van 't zuigen een stuk in zijn kraag â
«Zoo'n jeugdige haai met zijn volle maag,
«Zoo'n zuigend zoogdier, zoo'n lik-in-de-pan,
«Zoo'n etende tering, wat maak ik er van?
«Zoo'n vijfde kwaêjongen, wat heb ik er an?quot;
Ons kroost was maar drie, en geen sterveling meer;
Maar 't reek'nen ging slecht op Wormerveer.
Mijn moeder zei niets voor 'toogenblik;
Want mijn jongste broêrtjen had juist de hik.
Doch toen uit de kool nu een tweetal kwam
En vroeg om een dubbelen boterham.
Toen riep mijn vader, geweldig boos:
»'t Lijkt de postwagen wel van Van Gend en Loos.
«Ben je daar alle drie ? wel dat doet my plezier,
«En de baker er ook by en alles by nacht,
«Waarom kom je in eens toch maar niet alle vier?
«Een meer of een minder zeit niets op zoo'n vracht.
«Haal het restjen nu ook maar, dan heb je net ncht
«Goddeloos! wie had ooit zoo'* famielje verwacht?quot;
Vader dacht aan een drieling; doch 't was er maar twee,
En hy telde in drjr haast onze baker nog meê;
Maar de man in zijn drift wist niet best wat hy deê.
35
Oe boterham en de goudzoeker.
Maar Moederlief zei: »wel heden mijn tijd!
«Hoe raak je nu, Vader! de klus zoo kwijt 1 «Daar is er geen een die nog honger lijdt,
ȣn heb je dan geen overleg en vlijt?quot;
»Ja welquot;, zei mijn vader: «maar acht is te veel,
ȣn daar kijken er zeven van honger al scheel. â «Een ouderlijk dak en een huislijke haard »En ons negental kind'ren, en allen gespaard!
⢠Vier gespeend, vijf aan 't zuigen, en een met een baard »En die beeldfraaie brieven, als vader verjaart
«En ons leven is waarlijk een hemel op aard! â
»Dat zijn allemaal praatjens, de moeite waard
«Voor een heer, die een koets houdt, een knecht en paard.
⢠Dan is 't hemelsch aandoenlijk en machtig fijn ; â
«Maar daar moet in zoo'n hemel een boterham zijn. »En voor boterhammen, in aantal zoo groot,
â¢(Want wy zijn met ons tienen en niemand nog dood) «Heb ik in zoo'n horgrigen hemel geen brood.
«Ik ben op dit punt licht zoo knap niet als Poot,
⢠En wat hebben wij hier aan een hongersnood?
â¢Zoo'n hemel heeft veel van een ravennest.
â¢Maar eventjes elf.. . en ik schonk je do rest.quot;
Mijn vader was weêr in zijn rekening mis ; â
Doch wat zeit niet een man al, die driftig ia.
⢠Wel Vader!quot; zei Moederlief; »jy weet het best
⢠Maar ik heb geen vrees voor ons ravennest.quot; â
«Hoort kindren!quot; zei Vader op 'tlest; «weetje watf
«Het eenige, dat er nog opzit, is dat
«Eerst je broer met zijn baard, en jylui daarna,
» Dat elk uwer enfin eens uit reizen ga,
«En dat je maar, elk als je gaat en staat
»(Want veel plunje is op reis maar overdaad)
De boterham en de goudzoeker.
»Het ouderlijk huis by provizio verlaat,
⢠Tot het kindervertrek weêr wat lediger staat.
»ant nl ben jelui klein, jelui bent niet zoo mal quot;Te denken, dat ik zoo'n vervaarlijk getal «Voor kost en voor inwoning vrijhouen zal.
»t Is hier 't leger, de vloot en de schuttory quot;Bij mekaêr en je maakt den foerier van my,
«Nornmer één snij dus uit!
â¢Hier heb je mijn zegen en verder geea duit,
â¢En ik wou,
⢠Dat, met jou,
â¢De rest van die bengels reeds zat in de schuit.quot;
't Was Vader die sprak en Vader alleen;
\\ ant Moeder was ziek en sloop stilletjens heen. En toen ik nu zag, dat ik d'oudste was,
Toen ging ik aan 't pakken en haalde mijn pas,
Als of het een reis naar Sebastopol was.
Mijn pakjen was licht, en mijn beurs woog nog min; Doch Moederlief stak er een boterham in.
En toen eindelijk 'tuur van het afscheid sloeg.
En de schipper â of Jantjen haast klaar was â vrooj
En Moeder hem zond wat de vracht bedroeg.
Met een brief en een fooitjen, meer dan genoeg,
En voor 't laatst op haar ziekbed in de armen my nam,
Terwjjl er een beek langs mijn wangen kwam.
Toen zei zy: «hier is een zest'half of twee
«En een dubbeltjen, wees er rnaar zuinig mee.
»En daar komt uit mijn zak, jóngelief! nog een dujt;
«Maar Jantjen 1 ooh geef hem niet roekeloos uit.quot;
⢠Wat of toch dat snikken en snott'ren beduidt, »Dat heesoh en dat krijtend hyeenengeluid ? «Dat neusdoekverslindende neuzengesnuit ?quot;
Riep Vader omlaag met een stem als een fluit:
De boterham en de goudzoeker.
«Zeg, is dat gezanik daar boren haast uit,
»Met huilen verschietje maar nutloos je kruit,
»Zoo Jantjen niet oppast, mist Jantjen de schuit,
»En wy zijn nog twee uren langer gebruid
»Mot onzen geknevelden huwelijksspruit;
»Want de bel heeft al tweemaal voor de afvaart geluid.quot;
Zoo sprak hy, en ik zei: tdag Vader, adieu 1quot;
»NouI niets van je Fransoh hier,quot; zei Vader: xmosieui
«Blijf my maar van 'tlijf met die uitlandsche zeu
»En zeg op zijn Ilollandsch eenvoudig ; hadie 1
»En kom je nog eens weer op Oversohie,
»Dan hoop ik, dat ik je in je rijtuig er zie,
))Met een dubbelen, dikken boterham;
»Want anders waar 't best, dat je nooit hier weêr kwam.quot;
Ik had in de reis volstrekt geen zin;
Doch de Schipper riep luid: «kom, maak een begin.quot;
En zoo stapte ik de schuit en do waereld in.
Maar eer ik nog was aan don Leydschen Dam,
Toen dacht ik reeds meer aan dien boterham,
Dien ik, in do gedaante eener schatrijke vrouw.
Aan mijn Vader, by 't keeren eens brengen zoü,
Dan ach! aan de tranen van teederheid. By 't afsoheidnemen door Moeder geschreid.
In de roef vond ik daadlijk een meisjen, dat;
Op liefde prat.
Zoo aardig en poezelig by my zat.
Dat ik Vader zijn boterham byna vergat.
Wanneer ik gelukkig een waarschuwend blad. Een naamloos briefjen, van Vader bekwam.
Waaruit ik de droevige tijding vernam.
Dat ze een weesdochter was zonder boterham.
Dat doofde zoo aanstonds mijn liefdevlam,
Zoodat ik subiet van haar afscheid nam
De boterham en de goudzoeker.
En in 't ruim der aohuit nog eons stilletjens dacht Aan de lea in mijns Vaders postscriptum gebracht:
⢠lloo lieflijk de serie u tegenlacht,
⢠Het schoonste product van het schoone geslacht,
«Zonder boterham, Jan 1 is een woêrgósche vracht.
«Je twee broêrtjens zijn dood. Nu dag Jan, goede nacht.quot;
Doch toen ik nn reizende verder toog,
Toon viel al spoedig, op Schiermonnik-oog,
Mijn rechter zoo wel als mijn linker oog Op een keurlig sieraad van een maagd, zoo fraai, Mei zoo'n Frassche toernour en zoo'n smaakvollen draai Zoo'n zwierigen zwaai.
Dat elk een zei: »o Naj-
»ade! o Syreen 1 »0 Trojaansche Heieen I »0 Penelopé! gooi dat korpetjen toch heen I
»En baad ons, Melpomeen I â¢Niet langer in treurspel en dolk en geween.
⢠Heb medelij toch met een blaauwe scheen,
»En leg ons wat zalf of wat kaarsvet op 't been, «Of wind er wat Engelschen pleister om heen:
»Ik meen,
â¢Lieve Leenl bSTU vous plait, permitteer,
«Dat ik over u thans fatsoenlijk verkeer,
â¢Dat ik vrij â¢Over u, en dat gy,
â¢Van uw zij,
â¢Ook vrijt over my,
»En dat wy â¢Ons gelukkig bevinden in die vrijery,
«Tot ik ras u aanschouw â¢Aan dees borst als mjjn vrouw,
â¢En dat niets ons dan schei in de gandsche natuur â¢Tot de leste minuut van ons levensuur, -
39
De boterham en de goudzoeker.
«Noch van u noch van my,
«Steeds voor wind en voor tij.....quot;
Doch niet steeds is de liefde bestendig van duur Want; »die bruid »Heeft geen duit.quot;
Riep eens op een wand'ling een schoenpoetser uit,
En die maar klonk me in de ooren als dondergeluid, â â En gebluscht was op eenmaal mijn liefdevuur,
't Was basta luorrueo en mijn vrijen was uit;
Want ik dacht by geluk Aan den boot'ram van Vader, dat waarschuwend stuk. En op 't slot van de zaak was mijn hiel zelfs niet blaauw
En genas heel gaauw,
Zonder kaarsvet of pleisters of zalf, en ik vloog.
Als een pijl uit een boog.
Van Penelopé weg en van Schiermonnik-oog.
Doch toen ik vervolgens de reis hernam En t' Edam Op de kaasmarkt kwam.
Toen vond ik zoo'n tros Van een deern, met zoo'n blos En zoo beelderig haar.
Het eenige kind van een kaas-makelaar In kazen, een schatrijk Edammenaar,
Dat ik daad'lijk tot haar Zei: »ach dierbare Saar 1 ⢠Maak uw Zondagspak klaar gt;0m terstond met mekaêr «Naar het huwlijksaltaar,
»En te zamen van daar «Hand aan hand naar 't Edammer Stadhuis te gaan.quot; En den volgenden dag was ik vroeg op do baan En ik belde aan het huis van mijn schoonvader aan, 'Zoo netjes gekleed als een haan
40
l)e boterham en de goudzoeker.
Paa gebraên,
Toen ik juist hallef acht op 't stadhuis hoorde slaan, Doch hier zag ik een beer â met laarzen aan En zoo bleek als een roomkaas â in 't voorhuis staan - En die zei: »je moet nimmer die gekheid begaan: «Want de maaklaar in kaas is op reis naar de maan,
⢠En yan middag nog slaan »Wy beeren Zjjn Edeles boeltjen aan.quot;
En 'k zei hierop: ndankje Chineesche schim I ^Geen maaklaar zegge ooit: hy was Jantjen te slim, «Lief Saartje, ik snij uit en ik laat je maar staan, »En 't is met mijn vrijaadje te Edam gedaan.quot;
En toen 't met mijn trouwen dus over was. Zoo kwamen de bruidsuikers minder te pas En ik stopte ze dus, met mijn hypooras.
Maar stilletjens weg in mijn overjas En haastte my straks nit Edam van daan Nog zoo ongehuwd als een Kapellaan.
Maar nu kwam ik te Sneek
In de kormisweek En ik raakte er zoo bloek En dan weder zoo rood, zoo geheel van mijn streek, En ik voelde in mijn hart zoo'n doorborenden stook; Terwijl ik in Sneek Naar niets anders koek.
Dan alleen heel den dag naar een Sneekscho apotheek, quot;Want hier zag ik een lijn Van een meisken, zoo fijn.
Met een hand als satijn,
En een kleur als een roos in de maneschijn ;
En dat maagdelijn Gaf m' een zoentjen als suiker of ambrozijn
Of malaga-wijn.
En ik riep in vervoering; »o liefste mijn I
De boterham en de goudzoeker.
»Ik yerkwijn »En verdwijn »Uit het land van de levenden, lief Colombijnl »Of gy moet pardoes de mijne zijn.
»Ach I zeg ja,
nLievo Na!
gt;En niet spaê «Wees mijn gaê.quot; â
En het meisken zei: «ja, ⢠Met consent van mama,
«Want ik heb geen papa.quot; â En straks zijn wy de bruid En niet langer een buit Van het snood celibaat, dat een vrijgezel bruit, En wy roeien te saam in de huwelijkssehuit; En mijn Naatjen die ziet er zoo snoeperig uit, (Als je durfde, dan stal je haar weg van mijn zij Maar laat dat maar liever; want ik ben er by). En zoo gaan we in de wittebroodsweken vooruit En ik zeg tot besluit,
Dat mijn lief gezin Met zoo'n Engelin Van een hartvriendin,
En een jeugdig paar tweelingen, tot een quot;begin, Een tooneel is van trouw en van Sneeksche min.... . .Maar haar moeder te Sneek zit er warmpjens in.
En toen ik nu over den JLeydschen Dam Met Na te Overschie by mijn vader kwam.
Toen zei ik: «hier heb ik mijn boterham.quot;
Doch Vader was, och 1 heelemaal van zijn streek
En zag doodelijk bleek,
Ms of hem de dood uit zijn oogen keek.
En Na dacht: »ik wou maar ik zat weêr te Sneek. Doch eindelijk sprak hy; «wel JanI dat is goed; «Maar zie, in mjjn huis is thands overvloed:
42
Sic cranst/.
»En 'k behoef my niet langer te kwellen om brood ; »Want de kinders zijn weg en je moeder is dood.quot;
SIC TRANSIT.
Want zonder eer kan ik wel leven.
Maar zonder kop leeft lield Achilles niet.
Het Bidders-oproer Trenrspel.
(de generaal spreekt.)
Waarde schutters I voetvolk 1 ruitery I veelgeachte armee I Dit is hier eigenlijk een veldtocht te land, en geenszins ter zee. Wy zijn hier als Maurits voor Nieuwpoort of als de Ruiter voor Londen, â Toon hy zijn weg, zonder Engelsoh compas, naar Chattam had gevonden En verscheidene schepen in do Medway door hem werden verbrand. Waaraan de Albionezen nog altijd hebben het land.
Gy moet u daarom over 't zwemmen geenszins bekommeren.
Noch met een kurken toestel voor 't vluchten u beslommeren;
Zoo er geen kans meer over is voor de Republiek,
Schuurt dan, op mijn voorbeeld, maar onmiddelijk uw piek.
Want laatje vooral niet wijs maken, dat je iets zoudt hebben aan lauwerbladen:
Die mogen tot ornament van een schotel dienen, â maar, zoomin als met
pietercelie of saladen. Kan men er zijn eigen of zijn hongerige stamhouders mee verzaden. En al gebruik je ze met een kanonskogel, ze doen je geen goed in je maag; Daar is b. v. de Slag van Waterloo, en die van Praag,
Zjjn natuurgenoot: wel ik zou, om al de lauwerbladen van de waereld, niet
graag
By ongeluk of met opzet in een van beiden hebben willen sneuvelen. Want dan zou ik er natuurlijk thands niet over kunnen keuvelen: Ik word liever in een bataille by 't nageslacht
43
Sic transit.
Door een natuurlijken dood om 't leven gebracht,
Dan wel met mijn voorzaten te sneven Als men nog jong genoeg is om zijn gouden bruiloft te beleven.
Naardien ik onderstel, dat gy allen met my Op dit punt van 't zelfde gevoelen zijt, zoo ben ik nu zoo vrij,
Om u in dit critique moment mijn directie te geven,
Hoe gy 't stellen moet, om, na verslagen te zijn, het nog te overleven.
Ik onderstel b. v. drie van jelui, of zes,
Zjjn sterk door den vyand bezet: wel, dan huurje terstond een kales En eer zijn paarden de uwe met list om kunnen koopen.
Kan je immers gemakkelijk in je rijtuig je vyand ontloopen ?
Of, ik wil eens stellen, je staat te schilderen en houdt de wacht. En daar komt een vyandelijke scherpschutter aan, met een bril (want het is
nacht) :v
Je denkt dus: »ik moet uit den weg gaan of ik word omgebracht;quot; Heel goed; dan hebje maar subiet, en zonder te dralen.
Het noodige schrijfgereedschap voor den dag te halen En je schrijft een briefjen van dezen inhoud in je schilderhok:
«Mijnheer de kaptein I neem niet kwalijk zoo ik van nacht vertrok; »'t Is om dat ik met den telegraaph de bedroevende tijding heb vernomen, ⢠Dat mijn peetoom de kinkhoest heeft en ik onmiddelijk t'huis moet komen. »Ik hoop, dat de temporele absentie van een getrouw trawant iGeen detriment zal doen aan ons wiegjen (ik meen, het vaderland); â¢Doch zoo de vyand mijn schilderhuis soms in mijn absentie zou willen
slechten,
»Heb ik er mijn geweer in achter gelaten om Zijn Ed. te bevechten. »Ik verblijf, waarde kaptein van de kavallerie,
»Uw bestendige dienaar en ami,
â¢Ahazuerus, korporaal by de genie.quot; â
Doch nu wil ik eens veronderstellen.
Dat óon bataillon équarré en échelon u komt kwellen.
En dat ik, om zoo te spreken, tot u zeg:
t'cs de chargeI val aan, tot den vyand in 't voetpad leg:
Wel dan roepje maar dood eenvoudig onder 't chargoeren: » V gt;g1 beminde vvand en andere militaire heeren I
44
Sic transit.
eWy moesten overeenkomen, beiden maar liever om te keeren «Het is wel eens zoo gemakkelijk voorwaarts te gaan,
«Als wy beiden eerst rugwaarts in de plaats van neuswaarts staan.quot; Wat mij betreft, de vyand en ik wy hebben al dikwijls raekaêr bevochtel Ãn militaire laurierdrop in malkanders hairen gevlochten;
â Ofschoon, om de waarheid te zeggen, de reden dat ik nog leef Hierin alleen bestaat, dat ik nooit, als Leonidas of Gustaaf Adolf, op het
slagveld bleef.
Hou ouwer ik word, hoe meer ik er van hou, den vrede te bewaren. En daarom keer ik, wat my betreft, naar mijn huisgoden en dito-altaren, En zoo er dan nog anderen blijven, die op 't vechten zijn verzot,
Ik wil niemand in zijn plezier stooren en gun hun dus gaarne dat genot; Maar 'k laat aan een ander het commando, net als Nappie in Egypte, Terwijl hij zelf naar huis voer en in een notedop van een schip te Toulon arriveerde. Zoo luisterrijk een exempel volg ook ik;
Ofschoon ik geen plan heb naar Toulon te gaan op dit oogenblik.
Ik wensch u allen dus by dezen vaarwel.
Het leven is maar kort en een kogel byzonder snel.
Waagt u alzoo, mijn kinderen 1 niet te veel aan 't oorlogsspel,
Vader en moeder met uw spruiten! weeuwenaar en vrijgezel!
Doch do trekschuit zal juist van wal steken: ik hoor reeds de bel. Nogmaals gegroet! past op je tellen. Adieu 1 Vive la guerre; mals la puix vaut mieux.
45
DRAMATISCHE POÃZT.
DE KOFF IJ-TEILIXG.
(Treurspel in vijf bedrijven, waarvan het eerste het vermakelijk nastuk behelst.)
PROLOOG,
Te reciteeren door een acteur met één oog.
Hetgeen mijn oogen hier aanschouwen,
Wel Edele Heeren en Dames en Mevrouwen,
Noemt men gewoonlijk een publiek.
Al de sujetten zijn redelijk wel om u te dienen, daar is niemand ziek: Doch de eerste acteur is ongelukkig uit de stad;
Daar waren UEd. waarschijnlijk niet op gevat.
Wjr nopen ecnter van avond zoo overheerlijk te spelen,
Uat gy, naar verkiezing, u zult kunnen vermaken of wel vervelen,
Naar uw goeddunken, o Edele burgery,
Want wy laten in dit opzicht alle menschen volkomen vrij:
Terwijl de hoofdrol, op algemeen verzoek,
Vervuld zal worden door een stomme-knecht in een zomerbroek. En tusschen de bedrijven zullen de figuranten Gemakshalve verschijnen als muzijkanten.
Het gordijn wordt nu terstond opgehaald.
Het stuk is oorspronkelijk en daarom geenszins vertaald,
Waarin ons 't huislijk leven, wanneer men uit is, wordt afgemaald. Het is, volgens den auteur, in vier bedrijven.
De koffij-veiling.
Waarvan de meerderheid uit drie bestaat, volgens den tegenwoordigen
rogel van vijven,
Wie ectiter vroeger naar huis wil, behoeft volstrekt niet te blijven
Men stelt zich echter te leur.
Wanneer men denkt dat men, door vroeger te vertrekken, zijn gold terug
krijgt aan de deur.
EEESTE BEDEIJF.
[Het tooneel verheeldt het Tcleedvertrék van mevrouw Vadelpracht met verscheiden ameuhlementen. Aan dc rechterzijde ziet men tusschen twee armstoelen het klooster in Oysbrecht van Amstel, hcUrelh men by vergissing na de laatste representatie heeft vergeten weg te schuiven. Jn 't verschiet is een open raam, dat ons een landschap vertoont, voornamelijk bestaande uit een boom en een populier, mitsgaders verscheidene gaten in de wolhen.)
EERSTE TOONEEL.
DE HEER DAUELPBACHT, alleen.
Ik ben hier eigenlijk in do toiletkamer van mijn gemalin.
Die moeder zou kunnen wezen van een zeer talrijk gezin,
Zoo wy slechts op eenige kinderen ons konden beroemen.
Die haar dan natuurlijk mama en my wellicht vader zouden noemen. Doch daar wy volstrekt zonder kinderen zijn, zijn onze kinderen ook
natuurlijk zonder oudo lui. En geven dus van het papa en mama zeggen tot nog toe den brui. Maar met al dat philosopheeren in de metaphysica Dien ik wel op mijn tijd te passen, want mijn horologie gaat wat na, (ter zijde.)
Vindt het publiek niet, dat het hier zeer naar pomade ruikt en valsehe
krullen,
Die thands helaas I het hoofd van menige getrouwde vrouw vervullen.
Doch do beurs ledigen van haar Ed. echtgenoot.
Die toch eigenlijk degeen is die werkt voor zijn brood?
Overigens is echter mijn leven zeer plezierig.
Dit is eigenlijk mijn buitentjen; 't is netjens en toch niet zwierig.
47
De koffij-veüing.
Wy liebben hier een fraaien tuin, benevens paarden en een koetsier op Van welke laatsten ik echter maar niet spreken zal; stal,
Want ik rij gewoonlijk 's morgens met de trekschuit naar 't kantoor En breng daar mijn dag in speculaties in de colonialen door Met mijn compagnon en mijn ouden kantoorbediende,
Die Charles heet, net als Karei de Tiende,
En nog geen bril draagt; want, ofschoon stekeblind, is hy niet byziende; Vervolgens, mot het schuitjen van half vijf,
Ga of keer ik terug naar mjjn buitenverblijf;
Doch hot wordt nu waarlijk tijd om naar de stad te gaan:
My dunkt, ik hoor de pendule al twintig minuten over negenen slaan; Doch hoe dit ook zij:
De bel is hier dicht by.
En ik heb mijn knecht bovendien noodig.
(Hij schelt. De knecht komt.)
knecht.
Het schellen mijnheer, was eigenlijk overbodig.
Ik sta altijd voor de deur, klaar en gereed Om u te dienen, gelijk mijnheer wel weet.
dadelpracht, ter zijde.
Of om te luisteren.
(luid). Loop eens uit al uw macht naar het jagerspad, En praai de schuit van negenen ; want daar wou ik wel mee naar de stad, â¢Ie kunt niet missen, als je do schuit voorby ziet varon ;
Want de schipper is ongehuwd sedert verscheiden jaren.
En, als hy nergens anders ia, staat hy gewoonlijk voor de roef.
knecht.
Jk geloof niet, dat ik nu verdere inlichting behoef.
OA)
dadelpracht.
Deze mijn knecht is een van de slimste klanten.
My bekend onder de domestique lijftrawanten;
Ik liet hem uit Parijs komen omdat hy Fransch verstaat.
Waar men thands in menige familie ten platten lande een bluf meê slaat.
48
De kaffij-veilmg.
Zijn boodschappen doet hy doeltreffend en spoedig,
En voor de kinderen (die ik tusschen twee haakjens nog niet heb) ishy Enfin hy is een kostelijke knecht: zeer goedig:
En dat is tegenwoordig al heel Teel gezegd.
knecht, komt terug.
Mijnheer! de schuit en den schipper zijn compliment:
En sints de spoorwegen is zoo iets als een trekschuit niet meer bekend ; De jager en zijn paard hebben zich gisteren verhangen.
En de schipper staat snoek te visschen, die hij wel nooit zal vangen. Om kort te gaan, mijnheer, met de schuit,
Kunneln wy gerust zeggen : c'esf /mi, of: 't is uit.
dadelpracht, peinzend.
't Is waar, in mijn alleenspraak, anders genaamd conversatie,
Dacht ik waarlijk niet aan deze moderne innovatie.
En had ik vergeten, dat men niet, gelijk te voren,
Zich tegenwoordig kan op reis begeven zonder sporen.
En dat het breken van de lijn of de val van een paard
üp een ijzeren wagen noch oponthoud, noch confusie baart.
Ik dacht aan mijn geluk met mijn gemalin, anders genaamd mevrouw,
Aan mijn wederzijdsche genegenheid en haar reciproque huwelijkstrouw.
En hoe ik, om zoo te spreken, nog eens vader zal zijn in 't verschiet.
Wanneer een zuigeling ons zijn kinderlijke caressen biedt;
Doch aan 't verdwijnen der trekschuiten dacht ik, helaas I niet.
Welaan, Jan! spoed u dan maar naar den koetsier,
Breng hem terstond met de noodige équipage hier ;
En dat hy zich met langen zweep en dikken kraagjas versier,
En verder met mijn fourgon en twee makke paarden.
KNECHT.
Terstond, mijnheer. â En hier is een brief voor mjjnheer, van Maarden,
Waar de telegrafische postkoerier van Amsterdam,
Juist op 't moment in de afgeschafte trekschuit meê kwam.
DADELPRACHT.
Wat een Amsterdamsch koopman altijd onderscheidt
GEDICHTEN V. D. SCHOOLMEESTER. 4
40
De koffij-veiling.
1b zijn ontzachelijke punctualiteit.
In plaats van zijn tijd te verkwisten of te vorloopen,
Breekt hy zijn belangrijkste brieven onmiddelijk open;
Ofschoon by niet altijd te voren weet voor gewis,
Welke van zijn brieven juist de belangrijkste is.
Daarom is ook Amsterdam altijd het puik der koopsteden geweest, Gelijk men in de vaderlandsche historie van vreemde volken leest.
En zijn hun onze Amstel en ons Y Geheel geen onbekende plaatsen, geloof dit vrij.
Doch laat ons, na deze nationale uitboezeming, eens lezen,
Wat wel de inhoud dezer missive zou wezen. â
â Welnu I inderdaad een kofflj-veiling! op mijn woord,
Ik moet terstond naar gezegde veiling toe, enfin ik moet voort;
Terwijl ik, wanneer deze veiling is afgeloopen,
De aangekochte koffij natuurlijk voordeelig denk te verkoopen. Ik schrijf een woord aan mijn compagnon en neem afscheid van mevrouw
Dadelpracht,
Die my, als van zelf spreekt, van avond te vergeefs t'huis verwacht. Terwijl ons huwelijksbed, omkranst met mirten en populieren, Van nacht in eenzaamheid bruiloft zal moeten vieren.
Hola Jan I
KNECHT.
Mijnheer, het rijtuig is met koetsier en paarden voor de deur.
DADELPRACHT.
Gy zijt zeer gezwind, naar ik met genoegen bespeur.
Doch ik zou wel eens even den koetsier willen spreken.
En vervolgens van Mevrouw afscheid nemen; ofschoon zulks my 'thart
zal breken.
Roep daarom Andries hier zonder tijdverlies.
En pak vervolgens mijn chemin de fer, ook wel geheeten valies.
KNECHT.
Heel goed mijnheer.
(Mij roept dm koetsier.)
50
De koffij-veiling.
dadelpracht,
Wel, Andries, ia alles klaar ?
koetsier.
Meer dan vaardig, mijnheer I en 't is het mooiste spulletjen met mekaêr, Dat een blindeman zou kunnen zien tusschen Amsterdam en Alkmaar, De paardjens, mijnheer, zijn zoo levendig als Engelsche hansworsten, En zouden terstond met UEd. op hol gaan, hoe zy namelijk dorsten. Doch dat is eigenlijk minder; want Andries zit niet voor niet op den bok, En ZEd. daar zijnde, bennen ze zoo mak als opgezette leeuwen in een
duivenhok.
Enfin, eer mijnheer zijn neus maar eventjes kan snuiten,
Is hy reeds vertrokken en te Naarden geweest en zit hier weêr buiten Zoo heeft hy toch waarlijk dubbel plezier Van zijn twee paarden en zijn knappen koetsier.
dadelpracht.
Ik ben altijd over uw diensten tevreden geweest; doch hebt gy wel gerekend op een lange voyage?
koetsier. «
Ik heb, net als de Franschen, moed voor alles, mjjnheer, of, zoo als we
't onder ons noemen, courage.
dadelpracht.
Is het rijtuig, enfin is alles in orde?
koetsier.
Mijnheer, alles is pront.
dadelpracht.
Dat mag ik hooren: zoo vertrekken wy maar terstond.
Maar a vropos, over 't uithalen?
koetsier.
Mijnheer, de natuurlijke historie Van 't uithalen weten de dieren zoo goed als ik, en dat by memorie;
51
De koffij-veiling,
Want zj kunnon lezen noch scbrijven en vragen dus nooit naar een
boek,
Waar ik, als koetsier, de noodigo informatie in zoek;
Doch zj bezitten iets zeer remarquabels, genaamd instinct,
Hetwelk in die redelooze dieren meer dan de rede in UEd. en andere
menpchen blinkt.
En zoo zeg ik, by voorbeeld, tot uw paarden, ik meen met mijn toornen: rechts of links af: En zy doen terstond het tegenovergestelde van 't geen ik niet hebben
wil. en dat op een draf
DADELPRACHT.
Genoeg I hul uw hoofd thans in castoor, anders genaamd bever.
KOETSIER.
Om je de waarheid te zeggen, mijnheer, had ik liever een glaasjen
jenever,
Tegen de morgenlucht; doch altijd met UEd. verlof.
DADELPRACHT.
Heel goed 1 schuur thans UEd. piek. of volgends de Engelsche dictionnaire:
be off. (KOETSIER Off.)
DADELPRACHT, alleen.
Mijn hart voel ik thans, gelijk een bloem in den dauw, door verscheiden
emoties begoten,
Nu het afscheid genaakt van de vrouw, door my gehuwd te Voorschoten, Terwijl zy den volgenden morgen, reeds aan den Leydschen dam My tracteerde aan 't ontbijt op mijn eersten getrouwden boterham. Hoe zal ik mijn govoel, anders genoemd sentimenten, behendig genoeg
kunnen bedekken.
Om geen tranen op haar kinderloos gelaat of iets dergelijks te verwekken ?
Enfin, de man is heer van de schepping, wat de Franschen noemen sinjeur; Spelen wy derhalve thands de rol van een man en geenszins van een acteur. Doch zy nadert.
52
De koffij-veiling.
knecht.
Mijnheer! mevrouw wensclit U te spreken.
dadel pracht.
Laat ons dan zonder complimenten het ijs des afscheids breken.
knecht, stil tegen mevrouw.
Mevrouw 1 zeg vooral niet dat ik u dien brief gaf.-mevrouw, ter zijde.
Reken op de bescheidenheid eener vrouw, Die u gewis zal bcloonen voor uw vaardigheid en uw trouw.
De brief is veilig, woes daar zeker van, in mijn banden.
dadel pracht.
o Pronk- en puikjuweel der vereenigde Nederlanden,
Met uw corresponderende armen en handgn,
lloe zyt gy nog zoo laat en negligé I
Deel my het geheimzinnige van dit raadsel mee.
mevrouw.
Helaas!
dadelpracht.
Helaas? wat beteekenon zulke interjecties,
En van uwe fraaie stem zulke melancolieke reflexies?
Ben ik niet dezelfde steeds, die eerst naar u vrijen en vervolgens u trouwen kwam
Dezelfde hier, gelijk vroeger te Voorschoten en vervolgens aan don Leyd-Wat deert u toch, mijn beminde schat, en mijn duifjen 7 schen dam ?
mevrouw.
Helaas 1 een vrouw zonder haar huwlijksman is gelijk een volant zonder De brief van Naarden kwam dezen morgen eerst aan; kuifjen!
Doch de slapeloosste nacht heeft hy my reeds doen ondergaan.
Benevens onderscheidene cauchemaren en droomen.
Die als molensteenen op het hart van uw gade zijn gekomen.
â¢quot;Waarom,quot; riep ik in mijn echtelijk verdriet.
»Ruk ik thands mijn hairen niet uit, of verdestrueer ik mijn nagels niet.
53
De koffij-veiling.
gt;0f word ik, gelijk Camilla, niet dood gestoken
«Door een broêr, met wien zy zoo even nog familiair had gesproken ? «Waarom steek ik mijn getrouwde hand niet in 't vuur als Mucius Scevola, »Of mijn zwaard in mijn eigen als Cato Tan Utica?
«Waarom.....quot;
DADELPRACHT.
Lieve Eaphetnia, gy zijt buiten u zeiven,
Ous de Romeinsche geschiedenis d propos van een reisjennaar Naarden Doch op wat wijze, verklaar my dit, overdierbaar lief! op te delven. Bekwaamt gy kennis aan dien onzaligen particulieren brief?
MEVROUW.
Helaas I ik hoorde zonder te luisteren, terwijl zoo veel anderen luisteren
zonder te hooren.
Ik stond by geval achter ginds beschot of liever klooster, en zoo trof
die treurmaar mijn ooren, En zag ik ten duidelijksten mijn onzalig en verlaten lot Van achter dat klooster, of liever dat kloosterachtig beschot.
Thans ga ik in de voorkamer een tapijtwerk borduren En wederom ontrafelen in de nachtelijke uren,
Gelijk eertijds Ulysses of liever Penclopé,
Ofschoon man en gade eigenlijk één zijn en diensvolgens geen twee.
Enfin, ik zal miserabel zijn, dierbare schat I Tot dat UEd. terugkeert, zonder, als ik hoop, koü te hebben gevat.
DADELPRACHT.
Zooveel blijken van huwlijksliefde in de daad,
Stellen zelfs een Amsterdamsch koopman geheel buiten staat Het afscheid van zijn gemalin verder to rekken.
Ik moet terstond van hier, of, met andere woorden, vertrekken. Vaarwel.... nog eens.... vaarwel! adieu, Euphemia !....
MEVROUW.
Helaas! mijn leed
Ia onbeschrijfbaar.... vaarwel!
DADELPRACHT.
Nogmaals adieu 1 â Andries, is alles gereed 7
54
De koffij-veiling.
koetsier, van buiten.
Mijnteer, de paardtjens loopen reeds, om zoo te zeggen.
Als twee honden, die in de verto een been zien leggen.
Doch, als paarden betaamt van opvoeding en fatsoen,
Durven zy hot natuurlijk zonder Mijnheer niet doen,
En staan ze dus hier te wachten als geduldige lammeren.
Tot UEd, en Mevrouw eindelijk gedaan hebt met jammeren.
dadelpracht.
Vaarwel voor 't laatst, Euphemia I
mevrouw.
Helaas 1 zy hoort u niet; zy is sprakeloos.
dadelpracht.
Vaarwel 1
Ik retourneer ten spoedigste, anders genaamd snel.
TWEEDE TOONEEL.
(Het tooneel verbeeldt een fourgon.)
koetsier.
Mijnheer! hier ziet UEd. voortreffelijken haver;
En een halfuur verder zouden uw paarden zich kunnen vergasten aan klaver.
dadelpracht.
Andriesl spreek my nu niet van paarden of klaverzaad.
Als ik aan Mevrouw denk, heb ik het waarachtig te kwaad.
Leg my dus de zweep nogmaals op de paarden,
En breng my ten spoedigste terug van de veiling te Naarden.
Inmiddels zoek ik mijn troost in een zoeten slaap En steek gy uw pijp op, getrouwe en waakzame knaap!
koetsier.
Dankje, Mijnheer. Ik heb hier een pijpjen tabak,
Zoo goed als de Koning zijn hand ooit in Z. M. mond stak.
En zoo je nu niet met de équipage te Naarden bent,
Eer je nog droomt dat je in slaap valt, zeg dan maar dat Andries zijn
paarden niet kent.
55
De kof/ij veiling.
TWEEDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
(Een Kamer.)
kamenier, alleen.
Mevrouw schijnt don gandsohen morgen aan haar toilet to besteoden En valt zich zelve gestadig met alleenspraken in de reden,
Terwijl ik by my zeiven overpeins wat de reden toch wezen mag.
Dat ik mijnheer Dadelpracht zoo plotselings verdwijnen zag -Met Andries, den beminde van uw onderdanige dienares, en de twee
Isabellen,
Die net zoo heeten als ik alleen, en mekaèr altijd in 't meervoud rerzellen. Dit alles dient voor my nog te worden opgelost,
Zoowel als die brief, zoo geheimzinnig hier gebracht met de post. Doch daar ik Movrouw hoor schellen, moet ik terstond van hier, Want het publiek ziet altijd een kamenier.
Die oplettend haar plicht betracht, met veel plezier.
TWEEDE TOONEEL.
(Het kleêvertrek Tan Mevrouw Dadelpracht.)
mevrouw, tegen Kamenier.
Helaas! ik ben nu wel verplicht, mijn weduwelijke eenzaamheid
Door eenige variatie op te vrolijken, beste meidl En my te verstrooien met gezelschap en andero gaaten:
Ik zal u derhalve met de invitaties belasten.
Een bal is te fatigant; doch een theeparty Of conversatione is iets, dat zeer gezocht is in de Maatschappy.
koetsier, komt binnen.
Ik kom thands met voorzichtigheid u berichten. Mevrouw,
En zonder u ongerust te maken, dat gy u gerust kunt steken in de rouw, Aangezien er thands volstrekt geen nood is.
Dat de heer Dadelpracht altemet niet dood is.
Zoo men ten minste in 't water vallen, verdrinken en naderhand finaal Mee den naam raag vereeren van overlijden. overrijden
58
De kof (ij-veiling.
mevrouw.
Helaas! wat zogt gy? â Dus buiten verwachting te worden beroofd Van een egfl,, zoo teeder bemind 1
koetsier, stil tegen Kamenier.
Heb jy dat ooit geloofd?
kamenier.
Neen, en zy ook niet; â doch is Dadeltjen waarlijk in 't water
overleden ?
koetsier, Stil.
Mondtjen dicht, zeg ik â (luid.) Ach 1 ach!
mevrouw.
Ik wenachte, dat het gisteren of morgen was. Het heden Is my als de ballast van een zinkend schip, hetwelk
In een zeeslag naar den kelder gaat. De kelk,
De bittere beker van mijn onheil doet my stikken onder het drinken 1
koetsier, stil.
Niet als ze met mijnheer de Luitenant eens mocht klinken.
kamenier, Stil.
Mondtjen dicht, zeg ik nou.
mevrouw.
Trouwe paard- en fourgonmenner, is er hier geen bidder in de buurt ? koetsier.
Neen, Mevrouw 1 maar wel iemand die vlugge speelwagentjes verhuurt, Waarmeê ik naar 't naaste dorp voor een bidder kan rijden.
Eer UEd. tijd heeft om een pen te versnijden Om....
mevrouw.
Om wat te caliigrapheeren.
koetsier.
En om 't overlijden
57
De kofftj-veiling.
(Zy wou wel dat het waar was) van wijlen den heer Dadelpracht Te oommuniceeren aan U£d. en zijn familiair geslacht.
HEVRODW.
Helaas I wat zal dat in geheel Nederland een consternatie wezen,
Als zy in de Haarlemmer courant die finale annonce lezen t £en man, die zich in de huislijke mitsgaders menschenwaereld zoo verdienstelijk heeft gemaakt I.... Ik ben zeker, dat nu de dood zijn zoo stevige leven heeft geslaakt, Men het gemeentebestuur niet zal kunnen beletten,
in zijn vervoering den overledene op te doen zetten.
By gelegenheid, dat de Schryver my, op Highgate z^nde, het voorgaande fragment Toorgelezen, en ik hem gevraagd had, waar al die dwaasheid na op neer zon komen, hekende hy my, zulks niet te weten, als hebbende die tooneelen maar volgends den luim ran 't oogenblik, en zonder bepaald plan, nedergeschreyen. Ik betuigde m^n leedwezen hier orer, en spoorde hem ernstig aan, te beproeyen, of het hem niet mogelijk zgn zon, een schets van een drama of ander dichtstuk op te stellen, waarin (al mocht yoor *t overige het geheel zoo ongeremd en fantastisch mogelijk zjjn) zich voor 't minst eenige orde en regelmaat bevond, en die schets dan nit te werken. Hy beloofde my, te beproeven of hy aan mijn verlangen kon voldoen, en werkelgk gaf ons gesprek geboorte aan den âkorten Inhoud** van een nieuw drama, in hetwelk de tooneelen uit het voorafgaande fragment eenigzins gewijjzigd hadden kunnen worden opgenomen, doch welk drama hy niet verder bracht dan tot op de helft van het Eerste Tooneel. Toen schijnt hem de lust ontzonken te z^jn; misschien hinderde het hem, dat het hoofddenkbeeld van het drama niet nieuw was; misschien ook zag hy geen kans, om, gedurende vgf bedreven, in denzelfden trant voort te schrijven, zonder zjjn dichtluim te verliezen en zjjn lezers te vermoeien. Het kan zgn, dat hy geltjk had in het niet toegeven aan wat misschien een onbillijke eisch van myne zijde was. In elk geval wil ik het fragment van deze tweede proeve ter verheerlijking van 't huislijk geluk van den heer Dadelpracht niet aan ien lezer onthouden. â Zy overtreft, in mgne schatting de eerste nog in uitgelezen dwaasheid.
Y. L.
58
Altijd in contramine.
ALTIJD IS DE CONTRAMINE.
KORTE INHOUD.
Eerste bedrijf. â Het landhuis van den Heer DadelpracM. Conversatie tnaschen hem, zgn knecht, koetsier en huisvrouw.
De kamenier zoekt Mevrouw te wikkelen in een minnehandel met zekeren Luitenant der kurassiers.
Het tooneel verandert in den fourgon van den Heer Dadelpracht. Gezegde verliefde makelaar bedenkt onder 't rgden, dat gezegde Luitenant in zijn absentie z\jn vrouw wel zou kunnen van *t spoor leiden en zendt daarom zijn koetsier terug om zijn vrouw te verbieden, gezegden Luitenant by zich te ontfangen. De koetsier keert naar huis met het achterste gedeelte van het rijtuig, terwijl Mijnheer met het voorste gedeelte voortrijdt 1
Tweede bedrijf. â De koetsier komt t'huia; doch is wijzer dan z$n heer, en begrijpende, dat de vrouwen, van Eva a^ altjjd in de contramine z\jn, verbiedt hy uit naam van Mynheer aan Mevrouw, op Mijnheors rijpaard in de geut te rjjden.
Mevrouw, alleen gebleven, verwondert zich over het zonderlinge verbod van Mynheer; Zy beklaagt er zich over tegen haar kamenier, en, haar trek tot het verbodene niet kunnende bedwingen, laat zy het paard van stal halen. (Dewijl echter de eerste acteur, die de rol van 't paard vervullen moest, ziek of weg.is, wordt, in plaats van een paard, een groote Newfoundlander gehaald, waarop Mevrouw in de gent gaat rijden).
Derde bedrijf. â De zuigeling van Mevrouw, een veelbelovende knaap van drie maanden, houdt een roerende alleenspraak om het gemis van Mama, en den honger, dien hy heeft.
De kamenier en de knecht troosten het kind met een Deventerkoek.
De Luitenant komt, is verwonderd Mevrouw niet te vinden en gaat haar opzoeken in de geut.
Vierde bedrijf. â De Luitenant ontmoet Mevrouw in de geut en doet haar een liefdesdeclaratie. Mevrouw, welke het rijden zeer veramuzeert, gelast hem, uit den weg te gaan. Hieraan niet gaauw genoeg voldoende, wordt hy overreden en bjjt hem de Newfoundlander een stuk van zijn neus af.
De hond begint de katten na te jagen, en eindigt met Mevrouw van boven neêr te gooieni gelukkig in een doornenhaag, waardoor de val gebroken wordt.
Vijfde bedrijf. â Mijnheer komt t'huis* vindt den Luitenant zonder neus en Me-
59
Altijd in contramine.
â¼rouw teel hebbende van een stekelvarken, den zuigeling ziek van 't koek eten en alles in rep en roer. Zich informeerende, verneemt hy van den koetsier de toedracht der zaak en wenscht zich zeiven geluk, dat z^jn bevel niet stiptelijk is uitgevoerd.
EERSTE BEDRUP. - EERSTE TOONEEL.
de heer van dadelpracht, een geretireerd Makelaar; sopihe. van dadelpracht.
O gezellige slaapkaraeraad van mijn jeugdig buitenleven,
(Want dit is het tweede jaar, dat wy uit de stad zijn gebleven)
Overmorgen wordt het net een dag of drie Dat ik vandaag u aan mijn hart druk, veelbeminde Sophie 1 Prachtig pronkjuweel van de gehuwde schepping!
üe schoonste klaprozen zijn gedoemd ter verlepping;
Doch gy zijt een Phoenix, Mevrouw,
(Die ik voor al do klaprozen niet geven zou.)
Altijd even jeugdig en bevallig en voor uw leeftijd nog zoo gaauw. Met oogen, die als do gepolijste spiegels by de Komeinen,
Of de glimmende knoopen van een liefhebberyknecht, in 't donker
schijnen.
â la, Cleopatra had Julius Caesar (van wege Vamour) in haro macht, Doch ÃEd. heeft by voortduring tot slaaf en echtvriend den Heer Julius Achl zoo ik nog iets in 't leven mocht begeeren, Dadelpracht,
't Ware, u nogmaals voor de eerste reis te kunnen verépouseeren. Als ik u zie, zoo denk ik dat mijn huis op een bloempot gelijkt,
Waar een prachtige roos van buitengemeene schoonheid in prijkt, En, zoo ik de teugels van mijn verbeelding liet schieten.
Dan ware de tuinman reeds hier om u te begieten.
Wat geef ik met zoo n lot uit de loterij om 's levens nieten I Zoo'n schat voor Iemand, als ik ben, min of meer oud.
60
Altijd in contramine.
En wiens clievnluv*. als men die op de keper beschouwt,
Maohtii» veei heeft gekregen van peper en zout,
Is, vooral omdat tk daarby nog rijk ben, geen wisaewassie. 't Ia California, gemultipliceerd met huwiijksliefde en kuische passie.
En daarom, o levenszorgen, ver van hier!
Ik neem, als een Arabische Phoenix, die van zijn renten leeft, mijn plezier, En onbekommerd met «n parfait amour Verblijf ik uw echtvriend en getrouwe koekeloer.
O, veradoreerde Sophie 1
SOPHIE.
Dadelpracht schei er uit. Van uw liefelijk mingekweel is 't betoverend geluid My precies gelijk het amoereux lente-tierelieren Der nachtegalen en andere muzykale dieren,
Die ik van tijd tot tijd in den Hoer van Aken zijn menagerie,
Of wel in 't opgezet Muséum te Leiden zie.
Doch bescheidenheid, mijn Heer I is het hoofdsieraad onzer sexe En mijn wangen worden zoo rood als bloed.
DADELPRACHT.
Ach Sophie! bedek ze Met geen zakdoek : kerkelijk ingezegend vermiljoen I Permitteer mijn echtgloed ze te verzegelen met een kus anders genaamd : zoen-
SOPHIE.
Schei uit, minzieko makelaar, verliefde Amsterdamsche Cupulo....
Doch 't is tijd voor mijn zangles. (Zij zingt.) Do, re, mi, fa, sol, la, si, da.
DADELPRACHT.
Hou me vast: o hemel! dit brengt my geheel van mijn koers.
t Is net als de psalmwijzen van den ouden Heer Tours.
Dit hemelsch maatgezang, dit melodieus fol de rol de roldie Is sprekend de gewezen Componist, de Heer Mendelsohn Bavtholdi.
61
Altijd in contramine.
Sophie! zoo ik aan uw japon hot tegendeel niet zag,
Ik hield 8 voor Brachthuizen of wijlen Sebaatiaan Bach.
Zoo'n Italiaansohe Saffraan in een eerste-ohanteuse â anders gezegd
pruimedante â gorgel,
1b een schooner sieraad in een getrouwd meisjen dan 't Haarlemmer De fraaiste orkanen te Milaan in het Schalen-tooneel orgel.
Zijn hierby een stomgeboron stadsomroeper met een zeere keeL
62
DIDAKTISCHE POÃZY.
KORT BEGBIP DER IlOilEIXSCHE HISTORIE.
Neque haec non evenerunt.
De Romeinsche Historie Is een buitenkansje voor iemand zonder memorie, Die vaak reeds vergeet,
Eer hy 't nog half weet,
Hoe Romulus eigentlijk heet.
Dit laakbaar treurspel Eischt wijders een taai zenuwgestel Of men voelt zich by de eerste bel Reeds niet al te wel.
En, als 't scherm opgaat, totaal van zijn stel.
Het tooneel verbeeldt namentlijk een duel, â
Of, zoo gy wilt, het misdadig sneuvelen,
Op zeven heuvelen,
In een broedermoord.
Van één hunner, die natuurlijk smoort â
En dat wel aan de stadspoort â
Tussohen een paar tweelingen Die het levenslicht te gelijk ontflngen En eertijds gearmd naar dezelfde borst gingen. En, schoon zy van honger dikwerf scheel keken,
Echter frappant op malkaêr geleken.
De één vooral â sints, helaas! bezweken â
Die hier met zijn broeder den draak komt steken, En, in gedachte, haasjenover speelt met den stads wal,
Kort begrip der Romeinsche historie.
»'t Geen UEd.,quot; herneemt Romulus, »in allo geval
«Siamees 1 â of zijt gy mal,
»En is uw respect voor my, als stads-burgemeester, niemendal 7 â «Geen tweemalen hervatten zal.
«Sta dus maar even pal;
»Zoo wy nu al «Het jaclitroer in den grond verstonden,
olladt gy er al «hagelsquot; gaauw uw lijk in gevondea,
«Maar, by gebrek aan brood,
»Ik -wil zeggen lood,
«Maak ik u, by deze, op mijn manier maar dood.quot;
Het eenig antwoord, dat Remus nu overschoot.
Was, volgens Niebuhr, «sakkerloot,
«Hoe afgedraaid snood!
»Nu ben ik, net als Semiramis en Poot,
«Insgelijks van mijn leven ontbloot,
»In 'b aardrijks scho.... oot....
«Maar een ezel sto ., oo .. o oot....quot;
Ziedaar, zegt Niebuhr, wat in de geschiedenis Van dit merkwaardig antwoord voorhanden is.
En dit zijn nog maar de wittebroodsweken Van een geschiedverhaal, dat de menschheid doet verbleeken.
Of 't moeten menschen zijn in de maan.
Of onmenschen, die geen hart in hun kalfsborst hooren slaan. Dit droevig sterfgeval Is nog niemendal By 't geen aanstonds volgen zal,
Waar Brutus namentlijk de onthoofde krullebollen Van zijn ontslapen stamhouders voor zijn vadervoeten ziet rollen. Daar hy aan hun kermen zich volstrekt niet stoort En zich Oostindiesch doof houdt, ofschoon hy heel goed hoort; Zoodanig heeft hy zijn gevoel van ouwen heer versmoord! O! bloedrood beul en vader! wy kunnen u wel missen In de Romeinsche en Algemeene geschiedenissen.
lt;54
Kort begrip der Tiomeinsche historie.
Ja, Consul-Generaal, van ontaarde memorie,
Wat my althands betreft, zelfs in de Natuurlijke Historie.
Daar ontstaat een wapenstilstand in 't menschelijk bloed, Als men onder 't lezen zulke gruwelen ontmoet:
Het vaderhair stijgt een vader te bergen,
Of een vader moet kaal zijn, dus de natuur te zien tergen!
Het ouderlijke hart krijgt kippotjensvel.
En vraagt: »Ben ik soms, by abuis, in 't wassenbeeldenspel
Dat komt er, helaas 1 van,
Als men denkt dat men buiten een koning kan
Het snood assassinaat Van Caesar in den raad.
Dat dien onverlaat Van een twééden Brutus alles behalve mooi staat,
Maakt een gevoelig mensch óók kwaad, Dat ondankbaar verraad 1 â
Doch de fiksche soldaat Nu dat zijn taptoe slaat,
En dat hy ziet dat hy 't hoekjen om gaat,
Houdt zich byzonder cordaat.
Terzjjde zegt hy, half in zijn hoed:
ïGaesar, jongelief, hou je goed,
â¢Julius, daar het toch zoo wezen moet,
«Vooral geen hazenbloed.quot;
Maar naauwlijks ziet hy Brutus, of hy uit â
Terwijl hy oen traan inslikt en overluid Voor de laatste maal zijn neus in zjjn toga snuit â
Dat onvergetelijke: »7u quoqué /quot;
Als of hy zeggen wou: «Doe jy ook meê?
»Wel foei, dat's al té!quot;
Hierop steekt hy, net als Snoek.
Zijn hoofd in zijn omslagdoek.
En geeft, naar men in Rollin leest,
Eingentlijk op die manier den geest.
Hy kan nu met Rollin zeggen : »lk ben er geweest.quot;
GEDICHTEN V. D. SCHOOLMEESTER. 5
65
Kort begrip der Romeinsche historie.
Maar had Caesar, in plaats van te sneven,
Aan zijn gemalin gehoor gegeven,
Dan kon Caesar nog van zijn renten leven I
Op mijn woord! daar is In die weergaesche geschiedenis Niets dat niet hartverscheurend is.
Behalve, evenwel, dat lieve meisjen,
'k Wil 't kwijt zijn of 'tLaotantia was of Lijsjen,
Maar ik voel dat ik bloos,
Op den naam van die lenteroos.
Die een gespeend vader in prison aan de borst verkwikt,
Tot de bejaarde zuigeling hikt In 't gulzig zuigen, en zich verslikt.
Dit is een van de weinige oasissen, 1)
Die een historisch reiziger verfrisschen In deze historische wildernissen.
En, zoo hy by geval van speenen iets weet,
Wou hy wel dat zy 't voor lastige zuigelingen nèg deed,
Vooral als er geen pap in huis is En de bakker om 't hoekjen niet t'huis is.
Doch onder 't algemeen ))moordquot; roepen en «brand.'
Van dees Jobsbode, met zijn bebloede Staats-Courant
In zijn afgekapte hand,
Is er toch één'passage potsierlijk amusant,
En daar ik my altijd om dood heb gelachen;
Ik meen, als Cornelia, de moeder van de Gracben,
Die famielje, weet ge, daar de Keezen zoo op prachen,
Hare vieze snotknaapjens, in hun morsige kleêren,
Die op school malkaer niet als kattekwaad leeren.
En 't gezag van den ondermeester reeds mineeren,
66
Aan een juffrouw uit Campania, die by geval komt dejeuneeren.
1) Zoo veel had de Schoolmeester nog van 't Grieksch onthouden, dat hy ten minste geen oasen schreef, als onze hedendaagsche poëeten doen. De man zou *t woord ook niet verstaan hebben.
Kort begrip der Romeinsche historie.
Voor juweeltjens aan wil smeeren 1 ....
Als men niet wist wat een keezenfamielje was,
Zou men 'tniet gelooven ofschoon men 'tlas Doch koezen zjjn honden, al willen zy 't niet weten,
En dus natuurlijk van 'thondtjen gebeten.
Aan den maagdenroof Was, naar ik geloof,
Weinig of niets te doen;
Daar moet een juffrouw zjjn in iedere famielje van fatsoen En 't huislijk leven onder de Romeinen Had, al gauw, zonder 't verschijnen Van eenige vrijsters en maagdelijnen (Uit de fraaie sexe, gelijk van zelf spreekt), moeten kwijnen. Doch dit, zooals ik zei, is, naar ik geloof.
Het eenig excuus voor den zoogenaamden maagdenroof.
Want 't was anders alles behalve comme il fa ut,
De buurt quasi op «twaalf blaadtjens en Lotto
»En naderhand een spulletjen Domino «Met een keteltjen Bisschop of een glaasjen Curasao,
»En, tot slot, misschien, Patertjen langs den kant, of zoo, «Familiaarquot; te inviteeren En â terwijl de Heeren Zich in 't lottospel amuseeren.
Of, voor 'teerst, rooken probeeren Uit uw vreemde lange pijpen,
En 'tSabijnsche brein zich gek zitten te slijpen Om die uitheemsche dubbele negens te begrijpen,
En met hun rug aandachtig naar 't «Patertjenquot; toe staan â Dan de kat in den donker te knijpen.
En met de spinnende poesjes uit poeieren te gaan,
Dat stond u, qua Sabijn, toch ook niet aan 7 't Was althans heel hatelijk voor de bloedverwanten, Dat koekeloeren vooral van egaês en galanten.
Doch de kuikentjes, naar Stuart beweert.
Waren er nog al gaauw onder geresigneerd;
67
Natuurlijke historie voor de Jeugd.
Wat is er, dat de jeugd, als ze wil, niet gaauw leert ? Na dato was er om dezelfde maagdolijnen, Tusschen de hanen van de Sabijnen
£n de Romeinen,
Die haast geen nagels meer hadden van spijt, Nog byna een bioedige strijd;
Maar het werd nog te goeder tijd.
En met veel tegenwoordigheid Van geest, door de kippetjens bygeleid. De schoone sexe, zoo als Niebuhr zeit,
Raakt do klus zoo zelden kwijt.
Daar ia in de Romeinsche Historie veel,
Waar ik met Niebuhr over 't geheel Volkomen ja op zeg En dat ik dus, net als hy, ter zijde leg;
Maar hy snoeit wel wat al te veel weg:
Zijn laatste editie behelst, naar ik meen.
Den band en den tytel alleen.
Zoo dit het geval met onzen Wagenaar was. Geloof ik, dat ik dat sprookjen nog eens lus.
NATUURLIJKE HISTORIE VOOIl DE JEUGD.
INLEIDING .*
In mijn Natuurlijke Historie voor jonge lui,
Maak ik met opzet geen gewach van de regenbui.
Om dat kinderen in Holland zelfs familiaarder zijn
Met den regen dan wel met den zonneschijn.
Ik heb my dus liever daartoe willen bepalon,
Om hun iets nieuws uit het beestenspel der natuur te verhalen.
Iets, waar een ander ('t is me 't zelfde of hy diood is dan leeft)
Zijn Natuurlijke Historie geen hand water bij heeft.
(18
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Doch dit is juist het laken,
Waar ik een rok van voor de Natuurlijke Historie wil maken.
By voorbeeld, aangaande een dier zijn instinct!
Waarom een ezel, die dood is, niet drinkt,
üf waarom, als 't je blieft, een hond dadelijk stil Blijft staan, zoo dra hy niet langer loopen wil.
Waarom een haas, die in 't duin loopt, hot land heeft aan eon jager, En een runderhaas daar-en-tegen, of een gebraden speenvarken, aan een Voorts wil ik de jeugd attent maken op een beest zijn overleg: slager. Want immers ging die mopshond te Kampen voor 't vuur uit den weg?
Op zijn volharding by zijn beroep:
üf zat niet Van Rijn 1) soms dagen lang op een stoep 1 Op de naarstigheid van zoo menig dier.
By voorbeeld, zoo iemand als een mier:
Op de beesten hun eigendommelijken aart;
â Of waarom is een oud beest zoo bejaard ?
En een dood beest in den regel zoo bedaard ?
En met meer dergelijke belangrijke zaken Zou ik wensohen hen bekend te maken.
Daarom geef ik nu dit boek In uwe hand, en verzoek,
O jeugd en kinderen!
Dat niets u in 't loeren moge hinderen.
Ontbreekt voorts aan dezen of genen regel somwijlen een voet. Anderen hebben er zoo veel te meer; dat 's door eikanderen goed.
DE LEEUW.
Een leeuw is eigentlijk iemand, Die bang is voor niemand.
69
Zijne oogen en zijn neus
1
Een beroemde Kew-Foundlander, voor ruim 25 jaren te Leyden .«eer bekend.
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Zijn grooter dan die Tan een reus â¢
£n zijn muil Is een ware moordkuil;
Met zijn klaauw is een leeuw geweldig gaauw;
Met zijn staart Gooit hy een schutter van zijn paard;
En met zijn tanden Durft hjfjde heele schuttery wel aanranden.
Enfin, hy is altijd het verscheurendste beest
Onder de dieren geweest.
Onlangs heeft hy immers in Londen Nog een juffrouw verslonden;
Doch, nu ik my bezin,
Was hy het niet: het was de leeuwin.
De leeuw wordt viervoetig geboren:
Twee van achteren en twee van voren;
Of, volgends anderen, twee aan zijn rechterhand:
En do twee anderen aan dezen kant.
De leeuw zijn gemalin Is mevrouw de leeuwin.
En de jongelui, zoolang zy zich met de borst behelpen,
Noemt men gewoonlijk: welpen.
Gouden leeuwen en leeuwen van hout,
Mitsgaders do Hollandsche, -worden heel oud;
Men ziet ze nog wel op uithangborden en schilden, doch zeldzaam
in 't woud.
Komt ooit een ware leouw rechtstreeks op u aan.
Dan is 't beste om maar regelrecht uit den weg te gaan ;
Doch niet als hy opgezet of dood is;
Daar er in dat geval volstrekt geen nood is.
70
Natuurlijke historie voor de jeugd.
DE OLIFANT.
ȟnze wieg,quot; zegt een Ooatindisoh Olifant,
«Staat gewoonlijk in ons geboorteland,
«Net als die van mijn Afrikaanschen bloedverwant,
»En we zijn beiden twee beesten uit den deftigen middelstand;
«Want aan edele leeuwen, tijgers royal, en adelijken in dien trant, «Heeft men in onze famielje reeds van kindsbeen af het land.quot; â Als of een naturalist, o
Die zijn vak kent, dit niet wist! â
«Waarschijnlijk,quot; vervolgt hy, somdat wy op de jacht
«Wel eens door hen worden omgebracht,
«En hen dus niet van de voordeeligste zij leeren kennen.quot;
Gelukkig, o jeugd! dat wy dat niet bennen 1
Als een olifant een ijsbeer of gild-os ontmoet.
Vraagt hy doorgaands aan Van Aken, «Wat is dat voor kleingoed?quot; Omdat hy zelf zoo groot is; want op zijn voorzaten zag men, in vroeger
tijden.
Immers heele krijgsbenden in een kasteel naar 't leger rijden.
Doch niets, helaas, is bestendig op aard;
Diezelfde krijgslui rijden thans meer te voet of te paard!
Zoo men aan den schijn alleen het oor woü leenen,
Vroeg men licht: «Heeft menheer het water ook in de beenen?
«Want waar is eigentlijk 't onderscheid tusschen zijn kuiten en zijn
scbeenen 1quot;
«Doch,quot; antwoordt de opzetter van 't kabinet te Weenen,
«Hy scharrelt er met allebei toch nog al kras overheenen,
»En dat in een Ãostindisch moeras,
«Weer of geen weêr, door 't hemelhoogste gras:
»0f 't iemand van menheer Van der Hoop zijn harddravers was: «En toch betaalt hy jaarlijks zeker «Voor zijn winterhielen zooveel niet als gy, aan den stadsapteker,quot;
Doch niet alleen is een olifant
71
Natuurlijke historie voor de jeugd.
De kolossaalste viervoet op 't vaste land,
(Zoo gy den basilosaurus 1) uitzondert, of sprakelooze wallevisoh, â Ook een buitenkansjen voor een baker, en de corpulentate van alle
visch).
Hy is bovendien begaafd met een uitmuntend versland,
Kn voor zoo'n zwaar zoogdier, zoo buitengemeen by de hand.
Meer dan de slankste minister, diplomaat-aspirant.
Of politiek prestidigitateur calminant.
Onder zijn lichter natuurgenooten in de staats-courant.
Want met zijn tubuleuze, suboonische proboscis â
Die, sub rosa, een reus by de staart van een os is, â
(Behalve dat hy er de zwaarste zesponders meê licht van 't affuit,
Voor de grap een pomp er van maakt of een spuit,
En er in de menagerie de vetkaarsen meê snuit)
Blaast hy immers regulier onze kindersprookjens uit.
Speelt een sans-prendre op de diatonische fluit.
Vangt zoo vlug een vlieg of een vijfjen, als een bedelaar een duit; Zoekt, op 't kantoor, een ongelukkige zesthalf in een zak schellingen uit. En smeert er een ouwen heer, daar hy een puist aan heeft, ongemanierd
meê den huid;
Pakt hem by zijn gepoeierd schorseneeltje, of zijn glimmende knoopen, En ketent Heemskerk]en aan 't hart, dat zijn oogen er van overloopen; Trekt er vervolgens een halfjen »groenlakquot; voor u of zijn eigen meê open, En komt deftig zijn «zoute bolletjenquot; in uw glaasjen doopen.
Enfin, mot zijn pachydermateuse snuit Voert onze proboscideaansche guit Allerlei antediluriaansche snakerijtjens uit.
Als hy echter netelig wordt, zendt hy, helaas! zijn hoeder Er wel eens ad patres meê, of naar zijn moeder,
En stort hem dus op een ontijdige baar;
Want, zoodra hy 't land aan u krijgt, zijt gy in doodsgevaar.
Als gy dus. by geluk, eens onder zijne voeten mocht belanden, Zeg dan maar «menheer, mijn leven is in uwe handen.quot;
1) Basilosaurus. Zie over de Cetacea in 't algemeen: âBrand's Megatheriumjquot; âOwen'f Zeuglodon,quot; en yergelijk ons populair volksspel: flJonas in de Wallevisch.**
Noot van den Schoolmeester
72
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Doch de zwartste bladzijde in een olifant
la, dat hy strikken voor zijn natuurgenooten spant,
En, zonder een blos op zijn wangen.
Zich niet schaamt zijn naasten te helpen vangen.
Ken museum voor de geologie, alias, kennis der aard â ^
Zijn leêg hok in een gewezen dierengaard, â
01' wel 't afgebroken spel van professor van Aken,
Is nog altijd de beste manier om hem te genaken ;
Of men moet van een olifant zijn halsvriend willen maken,
Waardoor zoölogische Jonathans wel eens aan 't sneuvelen raken.
Gelukkig dat de Natuurlijke Historie aan ieder beest
Zijn specifieke zwaarte geeft en eigenaartige leest:
Of wat werd er van menschen in hun ledekanten
Als vlooien 's nachts zoo zwaar en zoo groot waren als olifanten ?
Voor zoo'n natuurmysterie staat 't kloekste brein stok stil.
Net als een horlogie van bordpapier, dat niet langer loepen wil :
Als wy trouwens zulke Gordiaansche knoopgaatjens willen denoueeren
Dan zijn wy allen nog maar Alexandertjens in de lange kleêrenl
Een olifant is dol op juttepeeren Kn zit er een Bengaalsch fruitmeisjen wel eens om in de veêren.
Doch het acme van zijn geluk Is, entre nous, een bejaard rhinoceros in den druk.
Liefst zonder hoorn op zijn neus, en met een kruk:
Want op dit dier zijn remarques is hy zeer kitteloorig,
En een menagerie is zoo gehoorig!
Hoogmoed brengt echter do besten tot den val:
Hy waant zich al te vaak een afgod, in de Oost vooral,
Waar men hem over 't paard licht. Doch hier is men niet zoo mal. Aan zulke afgodendienaars doet Holland voorloopig niemendal.
Onze jeugd geeft aan olifantolalrie dus geen gehoor:
Wy respecteeren hem eenvoudig als uitvinder van ons ivoor.
73
Natuurlijke historie voor de jeugd.
HET PAAHD.
Een Peerd! een Peerdl mijn bochel voor een Peerdt Richard III.
Een paard,
Naar den aart,
Is er nog eer dan zijn staart j Hy doet het te Toet Net zoo gaauw en zoo goed Als een ander te paard het doet,
En je kijkt niet om Of hy is al weerom.
Met niemendal op zijn rug Is hy byzonder vlug.
En met iemand onder den man Is hy in 'tloopen nog zoo'n jan,
Dat j'em met je beien niet inhalen kan.
Of, zeg je daarop geen ja.
Loop hem dan maar eens eventjes na Met je grootmama;
Want eens onder zeil Gaat hy net als een boog uit een pijl.
Hy steekt vervolgens met meer gemak Een heel leger dan een leger een heel paard in zijn zak, (Gelijk de jeugd leest in dat mooie Beleg van Penelopé en de stad van Trooie)
En draagt naderhand zelfs don Generaal De straat nog langs in zegepraal,
Als namentlijk 't beleg is voltooid.
Maar de Generaal draagt hem zelden of nooit,
Vooral niet wanneer het ijzelt als het dooit.
Of de lieve straatjeugd met sneeuwballen gooit.
Enfin, hy heeft nooit gedaan;
Maar is nacht en dag op de baan.
Nog vangt uw levenstoorts niet aan,
74
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Of gy ziet hem, by 't licht van de maan,
Reeds in 't vigilant aan de onderdeur staan,
En om de baker en de bloemkool gaan,
Of hy trekt u met uw ouders naar 't doopen,
â Ten zij gy, qua koppig zuigeling, »liever wou loopen «En onderweg wat muizenkeuteltjens koopen.quot; â
Of zeult u en de ouwelui weêr naar 't stadhuis.
Met bruidlief, die al zoo rood ziet, en de bruidsuikers inkluis, Of, blijft gy, na dato. op 't Casino vernachten,
Dan staat hy, na dato, aldaar zich weêr dood te wachten ;
En daar is nooit een beest In de Natuurlijke Historie geweest.
Dat zich op uw zilvren bruiloftsfeest Zoo gruwelijk verveelt als de koetsier
En dit dier.
Maar, zijn 't ballet en de bruiloft gedaan,
En de gaston reeds lang weêr naar bed toe gegaan,
Dan komt hy, voor zijn pleizier, achteraan Nog eens hinkend by u aan.
Naturalisten, die dit niet verstaan,
Moeten Martinet maar eens opslaan.
Zoo lang als een paard zoo mooi galoppeert Wordt hy nu en dan op een harddravery getracteerd,
En licht met een gouden zwiep, of een paar nieuwe sporen vereerd En op kermis eens in 't paardenspel geïnviteerd.
Waar hy zijn eigen evenwel minder dan u amuseert;
Of je neemt hem 's Zondags in de narrensleê Of in 't speelwagentjen met de famielje meê.
«Bles heeft door de week zoo braaf gewerkt,
»Dat hij nu ook vry af krijgtdoch zonder dat hy 't merkt.
Als 't echter, helaas 1 uit is met draven en hollen,
Dan loopt Bles al gaauw mank onder de knollen;
De Kolonel van de platte schuttery Klimt er met zijn handen en voeten allebei Op parade nog wel eens over, doch hy valt doorgaans op zij.
7amp;
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Maar kan blind Blosjen volstrekt niet moer loopen,
Dan komt hem de Minister van Marine voor de trekschuit koopcn,
En dan zelfs laat hy in de vliet De schuit met Kaptein nog vaak in 't verschiet,
Vooral als de lijn breekt, zonder dat hy 't ziet,
En er dus, tot den passagier zjjn verdriet.
Een non sequitur «volgtquot; in 't riet:
Zijn Excellentie weet natuurlijk niet,
Wat er in een schip «dat van den walquot; is, geschiedt Ligt Bles eindelijk -finaal op de baar Dan nog komt zjjn paardenhaar
U te pas,
In uw paardenharen matras,
En, dineer je by een Kees,
Dan eet je zijn rookvleesch.
Waar vindt men nu schier Onder de vernuftigen op alle vier Zoo'n nuttig en aangenaam dier,
Dat zijn plicht doet met zooveel pleizier 7 En hoe komt het, dat hy zijn plicht Zoo vlug en gehoorzaam verricht,
En dat nooit met een zuur gezicht ?...
Omdat zijn grootjen hem nooit over 't paard hoeft gelicht.
In een paard zijn gezin Valt men zeldzaam over de min;
Want daar mag er nooit een in,
integendeel; â Mevrouw zijn gemalin.
Als de baker met 't veulen â¢
't Vertrek in komt zeulen.
Zegt reeds in 't verschiet,
Eer zy 't borstjen nog ziet,
Tot het stamhouertjen, dat Uitjen hiet:
»Neem wat in mijn aders vliet:
«Konings kinderen hebben 't niet.quot; â
Want gemelde bit.
76
Natuurlijke historie voor de jeugd.
»Waar de jeugd voor eon rid,quot;
Vervolgt Cuvier, »zoo graag op zit, ila eigentlijk hun oudste zoontje in 't gebit
«Net als het zakpistool tOns jong musket is in zijn kamizool.quot;
In dit ondermaanseh gewemel Zoekt ieder op aard een Hemel,
Doch meestal â
Helaas! â overal,
Behalve waar hy zoo iets vinden zal; Een paard is in alle geval
Nooit zoo mal:
In plaats van op fokzaal of bal,
Zoekt hy zijn Hemel t' huis bovenal, En vindt hem dan ook 's avonds op stal. â Jeugdliof, onthou dit vooral,
Als de ondergeteekende er reeds geweest zijn zal.
DE EZEL.
Een ezel is een heer met een staart.
Dien hy van achteren draagt, als een paard.
Het verschil tusschen ezels en geleerde doktoren
Zit hem soms minder in 't hoofd dan wel in de ooren.
DE RUITER.
Een Ruiter is een mensch te paard.
Omtrent drio voet hooger dan oen mensch op aard,
En die zich somtijds vasthoudt aan de manen en somtijds aan de staart
11
Natuurlijke historie voor de jeugd.
DE EOEI.
Een koei is iemand met twee ooren.
En aan weerskanten een horen.
Volgens den Hollandsohen Naturalist Verboom,
Is zy de uitvindster van de aardbeien met room. Ook waren rundermest en rollenden Voor de koei heur tijd nog onbekenden.
En wat men van haar huid al niet maken kan
Ga dat maar eens te Bennebroek vragen aan oden Geleerden Man,quot; Immers Dido in haar dagen sneed er nog een heele hoofdstad van. Als ik u voorts wilde optellen, wat voor zaken
Men al niet van een koei haar horens, hairen en darmen kan maken,
Ik geloof dat al je gezamentlijke leien er mee vol zouden raken;
Maar mijn verhaal dient niet te uitermate gerekt.
En van 't nut, dat men van hour staart en heur pooten trekt,
Daar zou ik je tot overmorgen van kunnen vertellen.
Hoe zou men 't b. v. op 't schip zonder een koevoet stellen?
In 't kort, het is al van ouds een spreekwoord geweest.
Zelfs by den lompsten boer, die nooit in Martinet of Plinius leest,
Alles is even nuttig, wat er komt van dat edete beest.
En wie zou dan, o jeugd, uw en mijns gelijken niet verfoeien.
Als men nagaat, hoe gemeen zy zich gedragen jegens de koeion.
Piet Agoras heeft het voor oen duizend jaar of wat al gezeid:
»0 mensohdom, gy zjjt oon toonbeeld van ondankbaarheid:
«Wanneer oude koeien soms in een sloot verdwalen,
«Dan heet het hoogst onfatsoenlijk, ze daar uit te halen;
tZoodra een landman van een koei geen zoete melk meer hoopt,
«Dan ziet men, hoe hy haar terstond aan den slager verkoopt,
«Die haar onbarmhartig vermoordt en de huid afstroopt,
«En daarna, wat nog het gemeenste is, in een os herdoopt.
«Enfin, als een mensch gaat bedenken,
«Wat de koeien hem, zelfs by testament, nog schenken,
»En hoe schandelijk hy dio weldaên vergeet,
«Dan is hy immers niet waardig dat hy ooit meer biefstuk eet....quot;
78
Natuurlyke hislorie voor de jeugd. 79 ----------
Ah Pii t Agoras zoo begon te redeneeren,
Dtn -was er geen eind aan, en je hadt niet moeten probeeren,
Ou, zoo als ik nu doe, hem te interrompeeren;
Maar nu hy dood is, raakt het hem niet aan zijn kou we kleêren.
HET KAI.P.
Het kalf
Kent een natuurkundige maar half,
Daar er geen tijd is om het te bestadeeren. Zoo gaauw is het uit de lange kleêren.
Intusschen weet men uit Plinius, dat dit dier Gewoonlijk pa / zegt tegen een stier En tegen een koe:
Moe !
En 't antwoord is dan gewoonlijk boe /
't Geen in het Ghinoesch zooveel wil zeggen als how do you dof Voorts zeit hy oom togen oen os,
In 't Latijn genaamd bos.
Een koe raag men melken.
Maar een kalf zou er onder verwelken.
Ook kuiert hy zelden met zijn ouwen heer Gearmd een stal of een weiland op en neêr.
Zoo als andere jongelieden,
Die aan hun voorzaat den arm op de wandeling bieden.
Van het kalf zijn lijf Zijn ons 't meest bekend de karbonaden en de schijf.
Mitsgaders het nierstuk (waarmede, terwijl ik schrijf. Een keeshond wegloopt voor zjjn tijdverdrijf),
En 't poulet,
Voor iemand, die op soep zijn hart heeft gezet.
Een slachter houdt kalfavleesch altijd op hoogen prijs,
En zegt (want hy is zoo eigenwijs)
Natuurlijke historie voor de jeugd.
«Wie er in een restaurant voor niet van wil schransen! «Moet maar wachten tot de kalveren op 't ijs dansen.quot;
HET SPEENVARKEN.
Iémand, die in de verte zijn schreeuwen hoort,
Zegt: »dat is zeker weêr een afschuwelijke raenschenmoord.quot; Je moet het hooren om het te gelooven â¢Gelukkig,quot; zegt BufTon, »zijn de dooven.quot;
Want als men maar even op zijn eksteroog treedt,
Dan gilt hy, alsof hy van geen uitscheien weet.
En als men hem van de borst durft tillen,
Dan maakt hy een lawaai, als ging men hem villen.
Onder 't wandelen loopt hy altijd verkeerd,
Ãn om hem vooruit te doen gaan, trekt men hem by zijn steert: Vooral, wanneer hy naar slachters verhuist,
Want aan deze heeft hy natuurlijk een puist,
En als er één wat verkouen is, dan lacht hy in zijn vuist.
En de keukenmeid en 't braaien Wenscht hy zonder omslag naar de haaien;
Want, ofschoon men hem wel op dinees of soupectjena ziet,
Is het voor zijn pleizier voorzeker niet.
» Enfin.quot;
Zegt hy, nik heb veel chagrijn,
⢠Want mijn papa is een compleet zwijn:
oEn hoe kunnen dan zijn kinderen anders zijnquot; : â
Zijn troost is, dat hy nooit geen verdriet Van zijn eigen kinderen beleeft of ziet.
Want gelukkig heeft hy die niet.
DE HOND.
Een hond is veimaard Om zjjn gezelb'gen aart
80
Natuurlijke historie voor de jeugd.
En 't kwispelen van zijn staart.
Zijn neus, doorgaans rond,
Staat gewoonlijk in 't front En zoo lang die maar nat en frisch is,
is t een bewijs, dat menheer zoo gezond als een visch is.
£en hond is iemand, die van zijn baas byzonder veel houdt.
Dien hy, om zoo to spreken, als zijn derden vader beschouwt.
En die hem dikwijls een heele boerewoning toevertrouwt.
Waar hy door zijn blaffen bedelaars en dieven van daan weet te jagen,
En den post van portier waarneemt zonder er ooit geld voor te vragen,
Als een haas niet op zijn tellen past,
Wordt hy dikwijls door een hond verrast;
Doch een hond loopt er ook wel tegen aan.
Als men hem in do hondsdagen uit laat gaan.
Menig een blinde hond Is verdronken, omdat hy geen zwemmen verstond:
Doch zoodra zy dit verstaan.
Kan men ze gerust uit baaien laten gaan.
Honden zijn dol op kalfslever en beenen;
Doch, volgens Esopus, loopt er zoo dikwijls een derde meê heenen. Ook nuttigt een hond met pleizier water en droog brood;
Doch een pak slaag, daar heeft hy een broer aan dood. Het opzetten is ook iets, daar hy niets om geeft.
Als het maar niet begonnen wordt, terwijl hy nog leeft.
Ook blaffen honden niet langer als ze eenmaal dood zijn ;
81
Anders zou het leven op een hondenkerkhof te groot zijn.
e
QEDICUTEN V. D. SHOOLHEESTER.
Natuurlijke historie voor de jeugd.
DE KAT.
Men wil wel zegden, dat, o Batavier! uw stam Van nit hot strijdbaar volk der Katten oorsprong nam.
Helmers Cadet.
Lavater,
In zijn physiologio van den kater,
Zegt, dat hy terstond aan zijn manieren ziet,
Of hy mijnheer of mevrouw hiet:
En de dames onder do katten Schijnen het even als Lavater te vatten.
Mijnheer zit op zijn uiterste gemak,
In de goot tegen een hellend dak,
Alwaar mijnheer Natuurlijk op mevrouw wacht, die ook kleutert als een leêr.
En dan knijpt niet zelden onze jonker By die gelegenheid de kat in 't donker.
Maar wat men schaars by verliefde winkeliers en andere mensohen ziet, Ook zelfs om zijn liefde verzuimt een kat zijn affaire niet.
En 't is aardig te zien, hoe gaauw onze jonggetrouwden verhuizen, Als zy 't minste geritsel hooren van huisratton of muizen.
Is echter dees nationale plicht Eenmaal door hen naar behooren verricht.
Dan gaan ze weor terstond de pannen op, en dat wel zonder licht, En het overige van de nachtlijke uren Brengen zy serenades aan al de buren,
En korten op die wijze den slapeloozen tijd Van menigeen, die aan podagra of kiespijn lijdt.
Zoo weten die edele dieren, als Jenny Lind en Cecilia, hun muzykale gaven met philantropie te verbinden.
Wanneer een kat ons by nacht op zijn concerten tracteert,
Dan zou men haast vragen: «waar heeft het beest het zingen geleerd Daar hy over dag zich zoo zelden in den zang excerceert?quot;
Over dag neemt dit dier Doorgaans op andere wijze zijn pleizier:
Dan wandelt hy, by voorbeeld, wanneer het niet nat is,
82
Natuurlijke historie voor de jeugd.
(Want niemand die zoo bang voor Tochtigheid als een kat ia;
Ofschoon er menige jeugdige kat of kater Om 't zwemmen te leeren ala zuigeling gaat te water,)
Dan wandelt hy, zeg ik, den moes- en bloemtuin eens om,
Mitsgaders het bleekveld het kippenhok en de eendenkom,
Om zich te verzekeren, dat er nergens eenige sordes ,Of vuiligheid liggen, en dat alles behoorlijk in orde is.
Terwijl hij nu en dan, als een volleerd acrobaat,
Voetjen voor voetjen over den rand van een schutting gaat En er op- en afspringt, zonder ooit te schroomen,
Dat hy niet op zijn pooten weer te land zou komen.
Immers als springer en equilibrist' ia hy een bol.
Die het kan te raaien geven aan den gunstig bekenden menheer Auriol.
Ja, hy is nog vlugger dan nu wijlen Madame Saqui,
Al is zy als een zephyr gekleed, in een vleeschkleurd jakkie,
£n hy altijd in een bonte pels loopt, of winterpakkie.
Somtijds zit hy ook uren lang te loeren naar 't eon of ander takkie. Waar een nachtegaal zit te kwinkeleeren of groene sijs.
En dan peinst hy: «had ik je hier maar, jo waart spoedig prijs.quot;
Want een dergelijk vogeltjen, zelfs ongebraden, is een kat zijn delikaatste
spijs.
Soms klautert hy ook zelf in een boom; maar wat men daarvan moog spreken. Ik wil den knappen briileslijper wel eens zien, die hem er uit heeft gekeken. Soms weer doet hy de rondo, en let of alles behoorlijk toegaat in huis, En kuiert al de vertrekken rond, zolder en proviziekamer inkluis, En vergewist zich op zijn tournéc of al te met de keukenmeid,
AJs wel eens gebeurt, door nonchalance of onachtzaamheid.
Terwijl zy met den brievebestelder, of slagersmof staat te praten, Een bord met room of gebakken vischjens, of een saucijsjen a Vabandon
heeft gelaten;
En, epdat Mevrouw het verzuim niet merke en er zich over beklaag. Ja misschien, na veel gekakels over en weêr, in een driftige vlaag. Aan de meid de dienst opzeg met Mei, of haar zelfs stanlepede de deur
uitjaag.
Haast zioh onze kat om de onbewaakte kliekjens te bergen, en wel in
zijn maag.
83
Natuurlyke historie voor de jeugd.
Te recht betoont gy u, o lieve jeugd 1 geheel verbaasd en Ju bewondering over zulk een zucht tot orde, gemultipliceerd met liefde
tot den naasten,
Waardoor dit edele dier zich boven ïoo velen zijner natuurgenooten
onderscheidt.
Let voorts nog, o kindoren! op de byzondere faciliteit iVaarmede een kat zich, als 't regent of or sneeuw in den tuin leit. Enfin, als hy niet uit mag, zich in huis, met de geringste zaken, B. T. een afgerafeld end touw, een bal, ja een gescheurde Staats-Courant
weet te vermaken: Of wel het gezelschap veramuseert met menige grap (B. v. hoe knap krapt een kat de krullen van de trap,)
En een baas is ook in het spinnen,
fVoorheen zulk een geliefde occupatie by moeders van huisgezinnen)
Terwijl gy, o jeugd! schoon nog door St. Nicolaas zoo rijkelijk bedoeld, Liever dan dat gy er op betamelijke wijze stilletjens meê speelt, Het huis op stelten brengt, of aan mamaas boezelaar hangt en haar
benevens uw eigen verveelt.
Nog behoort onder de qualiteiton, die een kat vercieren
Boven vele andure menschen en dieren.
Speciaal gelet te worden op zijn beschaafde manieren.
Waarom hy vooral wordt verestimeerd en hooggeschat,
Ja, dikwijls tot groot avancement geraakt, als b. v. de gelaarsde Kat. Ook ruikt hy altijd vooraf ('t geen als byzonder aardig,
Ja, volgens Pliniua en Richelieu, als hoogst merkwaardig Te beschouwen is) of men visite te wachten heeft op 't salet;
Want dan maakt hy altjjd vooruit zijn toilet,
Wascht zijn neus, zet zijn knevels op en kamt zijn hairen net. En dat alles, eer nog Mevrouw haar huismuts af- en haar valsche krullen
heeft opgezet.
Maar, o jeugd! indien gy nu komt te vragen :
»Waarin schept eigentlijk een kat het meeste behagen?quot;
Ik antwoord: dat schrandere dier zijn liefde en zijn lust Is, als hy. heel gemakkeljjk, en zich zijner waarde bewust,
84
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Het aardsche gewoel vergetende: op een canapeekussen rust,
Waar hy dan zoo op zijn eigen over 't ondermaansche ligt te
mediteeren,
Met zijn oogen dicht, opdat hem geen distracties zouden geneeren. Jb, woont hy soms by oen boer in of gepensioneerden soldaat,
Of by een verloopen domenee op zwart zaad:
Enfin, in een huis waar geen canapee of easy-chair staat.
Geen nood; onze wijsgeerige maat Weet dadelijk op alle dingen raad,
En contenteert zich des noods met op Domenees oude huisjas te liggen,
of op de warme plaat.
Welke laatste hy dan ook zelden, voor dat die koud wordt, woêr verlaat. Zoo weet onze maat in de moeilijkste levensoogenblikken,
Zich met wijs overleg naar de omstandigheden te schikken.
Heeft het een kat naar zijn zin.
Dan neemt zijn gespin Terstond een begin;
Maar gaat men hem plagen.
Dan zal hy juist niet byzonder klagen.
Ja, er zich veeltijds kalm onder gedragen:
Alleen zijn rug Wordt dan zoo rond als een ronde brug.
Niemand denke daarom : «hy is maar een sul Want als hy eens begint, is hy niet mak en dan wordt het wel 'reis
«katjens-spulquot;
Ook rekent men het onder de onvoorzichtigste zaken Om een slapende kat wakker te maken,
Of een, dio dol is, zonder handschoenen aan ie raken.
Een kat zijn éénig gebrek Bestaat, volgens Martinet, in een ongeneeslijken trek Naar zoetemelk on naar spek;
Maar vooral in den haat, dien hy voedt Tegen 't zwarte gebroed.
Daarom heeft te recht
85
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Lacépède gezegd:
»'t Paradijs van een rat ia »Een huis waar geen kat is,
»0f de kat uit de stad is;
i Want om een val iGeeft een rat niemendal;
»Maar van zoo'n levend graf â¢Loopt hy weg op een draf.quot;
Iemand, die op de grammaire niet zoo byzonder geval ia, Zal niet licht raden, dat poes de vocatief van kat is.
DE AAP.
Een aap,
Schoon kleiner dan een schaap,
Is echier een veel verstandiger knaap.
En zoa zich zoo gemakkelijk niet laten scheren,
Als een schaap doet, in zijn wollen kleéren.
Een aap is zeer amusant.
Vooral in zijn geboorteland,
En heeft in zijn jeugd veel grappiger manieren Dan de meeste jongelui onder do dieren.
Het klimmen en klonteren doet hy net zoo vlug als een kat,
En hy rijdt te paard op een hond, als iemand die er les in heeft gehad.
Van amandelen houdt hy veel en van nooten.
En wat een ander met zjjn handen zou doen, doet hy met zijn pooten.
Daar ia altijd groot dispuut geweest Of een aap eigentlijk een mensch is of een beest;
En dat verwondert ons ook niet.
Daar men zooveel apen onder de menschen ziet.
86
Natuurlijke historie voor de jeugd.
DE VOGELS.
Een fiksche vogel Gaat byna zoo gaauw ala een kogel;
Doch in zijn kooi Vliegt hy nooit zoo ver of zoo mooi.
Zijn jassen en japonnen, enfin al zijn klecran,
Noemt een vogel; »mijn veêren En een kanarie heeft heel veel Van een jonge juffrouw in 't geel.
Om een vogel aan 'tspit te kunnen hangen,
Moet men hem maar eerst zien te krijgen of te vangen.
Vogels zitten dikwijls op bun uiterste gemak Met hun eene been op een hoogen, dunnen tak;
*t Geen onder vette koeien en dieren van dien aart De grootste verwondering on afgunst baart.
Op zwart zaad Is een vogel ontzaohelijk kwaad,
En hy zou een vinkebaan,
Als hy naar zijn gemoed te werk ging, wel aan duigen willen slaan Doch onder zijn grootste ongelukken Rekent hy den handel in broekjens en krukken.
Een vogel vliegt somtijds dag en nacht;
Doch hy wordt er ook vroeg voor opgebracht.
DE HAAN.
Wy zijn het eens met Linnaeus, dat er geen boesten bestaan, Die meer van kippen houden dan oen haan,
En het blijkt uit de Natuurlijke Geschiedenis,
Dat dit eigentlijk de oorsprong van onze hoendereieren is.
87
88 Natuurlijke historie voor de jeugd.
Eon haan is veryolgena een van die dieren,
Die de natuur met hun vederen verciercn.
En hy draagt zijn staart Net als een geangliseerd paard.
Zijn gezang of gekraai Is mede byzonder fraai,
En hy is altijd een beest Met een goede memorie geweest;
Want hy knijpt, als hy kraait, zijn oogen toe.
Of hy zeggen woü; «Je ziot, hoop ik, dat ik 't uit mijn hoofd doo?quot; Doch volgens Martinet on Buffon,
Is dit eon bloot dit-on. â
Het is een vaste gewoonte by den haan Om met de kippetjens naar bed te gaan;
Doch hy is ook altijd weêr 't eerst op de baan,
En met het ochtendkrieken staat sinjeur Reeds, met zijn sporen aan, voor de deur En neemt een morgenslokjen Uit het kommetjen, onder zjjn stokjen.
Of hy geeft wellicht Aan 't jongste zoontjen van zijn nicht In 't kraaien een weinig onderricht,
En leert hem schrijven in 't groot,
Eerst een sohrapjen en dan een hantpoot.
Mitsgaders andere manieren Die een jeugdigen haan van goede famielje verderen.
Soms brengt hy een mandjen wurmen aan 't hok van zijn broer.
Voor zijn schoonzuster, die niet al te wel is, mevrouw Koekeloer-En gaat daarna met zrjn favoriet hoen Een' wandelingetjen in den moestuin doen;
Of hy gaat eens uit vechten voor zijn pleizier Met don nieuwen haan van den barbier.
Enfin, wie denkt dat hy 's morgens geen raad met zijn tijd zoü weten, Kan gerust zeggen: »Ik ben mijn Natuurlijke Historie vergeten.quot; Want integendeel voor 't ontbijt
Saiuiirtijka historie voor de jeugd.
is 't een haan zijn aangenaamste tijd.
Volgens Grotius en Puffendorf is de haan Eigentlijk gezegd eeu Mahomedaan.
Omtrent hot huwelijk volgt hy dan ook Oostersohe begrippen,
Ão houdt er verscheidene gemalinnen op na, beter bekend onder den
naam van kippen.
En die, naar men algemeen zegt,
Zeer gelukkig met hem zijn in den echt.
liet doet hem natuurlijk leed.
Dat men op aarde zooveel hoenders eet.
En dat zoo menig jong haan reeds voor 't vuur staat te braaien Eer het kind nog gespeend is of zelfs kan kraaien....
â¢Terwijl er,quot; zegt hy. tzoo'n overvloed van visch
»En ander veldgewas voorhanden is.
«Zoo de mensch,quot; vervolgt hy, »met groente, petercelie of radijs â¢Content was, dan hadden wy hier een aardsch paradijs:
)En liet hy dan, op zijn verjaardag, eens een paar oude vossen braaien «Eens is immers geens, daar zou waarlijk geen haan naar kraaien. «Enfin laat lij, als ik doe, eten van 't geen den hof veroiert,
»En zijn handen afhouên van ons, pluimgediert.quot;
Als een haan hierover begint door te slaan.
Dan heeft hy morgen ochtend nog niet gedaan,
«Doch,quot; zegt Cuvier, »zoo insecten en wormpjens dit hoorden,
«Zouden zy Mijnheer al aardig kunnen antwoorden,quot;
Hoe dit zij, een haan zijn grootste pleizier Is nog altijd de begrafenis van een poelier.
Weerhanen en snaphanen, gelijk men ziet
Schrijven hun naam net als hy; maar famiolje is het niei.
89
Natuurlijke historie voor de jeu'jd.
DE NACHTEGAAL.
Daar school een nachtegaal in 't groen
Het was in de Mei!
En hy zoog zoo zoet in 't looffeatoen.
Het was in de Meil En hy gaf zyn zoetelief een zoen Net als ik of jy zon doen,
Zes maal, zes maal, zesmaal doen. Het was in de Mei 1 Een btoecluenuant van Patertjen langs den kant,
töns gekweelquot;
â Zegt eon voormalig Philomeel â
»Is onder de dieren ons bescheiden deel:
»Net als 't loeien «Onder oudo voorzangers on koeien:
«En een concert vocaal â «Dat zoggen wy allemaal â
»Op een tak, is voor een nachtegaal «Wellicht een smakelijker onthaal »En niet minder amicaal »Dan zelfs 't stroopen voor aal. â¢
»Wantquot; â vervolgt hy â ode muzijkwareld is mijn paradijg, «Waar ik geboren word, gestorven en grijs,
«Net als baanvegers op quot;t veldijs.quot;
Hy speelt dan ook, naar don eisch,
Al van kindsbeen af in 't lover,
Op zijn muziekalo schaatsen beentjen over,
En raakt nooit van de wijs.
In 't kort, 't is zjjn element;
Want voor de zangschool of 't conservatorie Spendeert do kleine vent
â Voor zooveel als my is bekend â
In 't jaar, wil ik wedden, geen cent.
â »Ik hebquot;, zegt hy, «jandorie!
«De geheele muziek al in mijn memorie
90
Natuurlijke historie voor de jeugd.
»Net als RomuluB de Romeinsche historie,
»Oin je moeilijkst ut- re- miboek »Geef ik net zooveel, als een vlugge snoek »Om een schepnetjen van gescheurd neteldoek,
»Ik weet het veel beter dan jy;
»Want het is juist mijn lief hebbery;
»Daarom vraagt zoo vaak de melody,
«Wanneer zy my tegenkomt, aan my;
*Ben ik dat of Gyfquot;
Een jong Philomeel Draagt hot Haarlemsch orgel dan ook flink in zijn keel, Mitsgaders de kasten en pijpen, doch zonder 't klavier;
«Want daar staan mijn handen niet na,quot; zegt dit schrander dier; En toch speelt hy, zonder handen, heel wat knapper,
Dan een doofgeboren orgeltrapper.
Ofschoon hy, met zijn exteroogen, menigmaal Zijn laars niet aan kan krijgen, voor 't pedaal.
Als je 't ook niet wist.
Dan zei je: »Is dat het halve zoontjen niet van den orgelist.quot; Maar geen orgelist, dat ik weet: heeft het hem nog na gedaan, Of de man moet byzonder vroeg zijn opgestaan.
Treft de jeugd echter zoo'n baasjen aan,
Kom aan t Hy maak' zich bekend,
Ik doe mijnheer op 't moment Bij deze, met vermaak, een paar laarzen piesent.
Brachthuizer sluit ik uit:
Dat was geen orgelist, dat was een luit.
Van wege Vamour heeft Rossignol Zijn kleinen krullebol Natuurlijk zoo vol.
Als van a en 6 mol,
Geen nachtegaaltjen gaat er over straat, met een parasol. Of menheer is dadelijk op hol.
91
Natuurlijke historie voor de jeugd.
En op neepjens-kappies is hy dol.
Maar â dat moet ik zeggen â Philomee Zet toch altijd zijn beste beentjen vóór by zijn vrijster.
Voor dat vogeltjen zingt hy waarlijk als een lijster.
Want hy houdt van zjjn bruid in zijn ziel yeel,
Al ziet ook 't meisjen by ongeluk scheel,
»Dat merk ik 's avonds toch niet,quot; zeit hy »in 't priëel.**
Wie hieruit evenwel afleidt, dat onze kwinkeleerende Leander Voor llerootjes alleen tireliert, en nooit voor een ander.
Doe mijn komplimenten maar terstond aan zoo'n naturalist. En zeg hem, «dat hy, uit mijn naam, zijn eigen vergist,
gt;)En dat ik waarlijk dacht, o jeugd! dat hy 't beter wist,
«Daar Professor hem scilicet verwart met een ander verliefden tortel, «Die jammert op zijn dorre ranek »Van oen beroofden boom zijn wortel , »Haar leven lanck!quot;
Een Hollandsche nachtegaal verhuist by zijn' dood,
Volgens de Fabelleer, met zijn ziel naar een sloot En wordt aldaar als kikker vergood;
Of hy er echter nog eieren blijft leggen.
Dat zou ik u niet durven zeggen.
Met zijn maatgeluid Is het echter uit.
't Is niet langer die zoete guit Met zijn mooie fluit Vol melodieus getuit;
Daar is thands in zijn stem iets, dat me stuit,
Iets ..., enfin 't heeft heel veel Van een driftig Aanspreker, met een graat in zijn keel;
Want, na zijn metempsycosis,
Zingt hy net als een schor mensch dat boos is.
92
Natuurlijke historie voor Ue jeugd.
DE VISCII.
Lucius enescet, nam celera quid moror I 1) SCALiaamp;R Zaliger.
O Pescator deU' onda, Fitieiin.
Idjllen van een Foieraur.
't Latjjn zegt, dat het piscis En Siegenbeek, dat het visch is.
Doch het zal wel hetzelfde zijn In 't Ilollandach en in 't Latijn.
Hoe dit zij,
â Voegt de Natuurlijke historie er by â
VVy kunnen nooit weten,
O jeugd ! wat wy eten.
Of het Roomsche visch Of visch uit Dordrecht is.
Met recht hebben Pliniua en Martinet beweerd,
Dat visch bij voorkeur in den Waterstaat verkeert.
Want hy heeft vóór zijn geboorte al zwemmen geleerd.
Waarmede de Ams'.erdamsche Baaischool natuurlijk railleert. Grootmoeder zegt licht: »'t is voor 't kind verkeerd.quot;
Doch, als zijn kinderen 't niet kennen.
Zegt de visch, dat het zijn kinderen niet bonnen.
Een eend denkt er ook zoo over; «doch ik,quot; zeggen de hennen, »Wil er de mijne zoo jong niet aan wennen.quot;
Wie, dk) nu besliss'
Of katvisch Dan wel groote de lekkerste is.
Hoe beeldschoon is b. t. hombaars te Lis,
1) Dat 13!
Pas jy maar op de snoeken.
De anderen zijn niet waard, d:it wy ze zoeken.
93
Natuurlijke historie, voor de jeugd.
En groene haring in de duisternis I En hoe uitstekend traai Zijn aan den anderen kant zaagvisch en haai I Doch de hengelaar is met deze -wol eens verlegen,
Omdat zy by 't naar huis gaan zoo zwaar in zijn bunnetjen wegen. Een visohjen in 't water Heeft een leventje als een Pater;
Maar 't moet niet koken,
Of zy zouden beiden een leelijke pijp rooken,
En riepen zeker «brand 1quot;
In plaats van «Patertjen langs den kantl'
â oOra de dood niet aan de kook,
lOf wy bennen 't ook.
ïEn wy zijn een lijk!quot;
Roepen zy te gelijk.
Maar anders, in 't water te leven,
Of in de wetering rond te zweven,
Wordt hem met de pap reeds ingegeven,
En in plas of vliet Weet oen visoh van geen verdriet.
Hy duikelt en schiet En schuilt er in 't riet,
Of zwemt eer men 't ziet Zoo snol als een spriet Naar zijn beminde Griet,
Als deze haar weêrmin hem biedt â
Maar in den ketel doet hy dit niet.
Schoon vlug in de vaart,
Is hy over 't vuur zeer bedaard Rn zit er met zijn kop onder zijn staart.
Op 't diné heeft hy 't ook niet naar zjjn zin;
Althands hy verroert er geen vin En ziet zelfs zoo nijdig als een spin.
Al regent het in de vliet En op straat, dat het giet,
94
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Zoodat men zelfs geen huisbreker tweemaal schellen liet,
En alsof men op iemand do brandspuit afstak.
Of wel van langs het dak Per abuis den regenbak
Tot iemands verdriet,
Terwijl de paraplui hem ontschiet,
Op zijn tronie nederloopen liet.
Tot hy vergeet of hy zijn neus of zijn bochel voor zich ziet, En of hy nog: »o mensch 1quot; of »o natte vaatdoekquot; hiet, Zóó regent het niet.
Dat men een visch met zijn paraplui op ziot.
Cuvier vroeg, naar men zegt, menigmaal De reden hiervan aan bot en aal.
Maar hy kreeg geen antwoord van aal of van bot Dan dé wedervraag: «Cuvier, ben je zot?quot; â
Ja, baars en paling stokvisch en branssem Zy riepen allen uit éénon aassom:
«Cuvier, ben je dol?
»0f raakt, met permissie, je hoofd op hol?''
»\Vel mijn goede man,quot; zei Schol,
»Ik geef om den groensten parasol «Geen rooien duit, sur ma parol',
»Of hebben wy met zwemmen onze handen niet Vol?
«Doch zoo weinig ben ik een menschenhater,
«Dat ik hem integendeel een jaar of drie toewensch onder water, »Dan zou hy immers voor zijn fatsoen «Zoo'n dwaze uitgaaf voor een paraplui niet meer doen.quot;
Een visch is zeer gek op zijn staart,
. Daar hy dan ook beelderig vlug meê vaart.
En die nooit verhairt Zoo als staarten op aard:
Wat by naturalisten veel verwondering baart.
En zelfs nog door geen kapper naar eisch werd verklaard. «Ja : 't is hetzelfde geval met hun baard,quot;
95
Natuurlijke historie voor de jeugd.
Zvgt Buffon, nofsohoon zy dien nimmor laten scheeren. âquot; Weshalve zy ook weinig by don barbier verteeren.
Als katvisch een hengel aanschouwt,
Dan wordt zijn bloed doorgaands dadeljjk koud.
Maar als zijn oom (die do leepste van alle visch, Ofschoon voor zijn buren in den omgang wat lastig, is) Ik meen, als een snoek Een hengelaar ziet of een hoek.
Dan wordt hy zoo boos en zoo bleek als een dook. En ofschoon de hengelaar hem ook bespeurt,
Hy heeft hem daarom nog niet naar -huis gebeurd. Ily heeft, het is waar, wel eens aan;
Doch de snoek rekent op 't mis-slaan.
En als de ander zich verbeeldt dat hy slaat.
Dan poetst snoekie-maat Gemeenlijk stilletjens do plaat;
Maar steekt nog eerst op zijn dooie gemak liet aas met den hoek en den halven draad in zijn zak. En dan roept hy nog, als hy gaat.
Heel hateljjk tot den hengelaar: »adi, kameraad Iquot; Eu in 't omkijken : »dag Jaap, adi!
»Paa op de graten, jongen! bon appél it.
ïAls jy van daag jo hart op snoek hebt gezet, ⢠Dan visch je min of meer achter 't net.
»lk ben nu en dan, naar uw verlangen,
gt;Quasi wel eens aan 't aas blijven hangen,
«Maar dat was spiering om kabeljaauw te rangen. »En zoo jy te Leiden in 't hengelen bent gepromoveerd, »Dan heb je, naar ik meen, al by zonder weinig gestudeerd, ⢠«En je piepa zijn geld op een slordige wijze verteerd.
»EnBn I ik wensch je goeje morgen.quot; En al den tijd.
Dien nu Snoek met dees dialoog of alleenspraak verslijt. Staat Jaap, met een mond zoo deftig als een geit.
Nog even geduldig te wachten of de snoek nog bijt.
96
Natniniijke historie voor de jeugd.
Alzoo hoeft do visch hot land Aan een hengelaar, die onverdronken blijft aan den kant.
Doch valt deze uit zijn boot In de sloot,
Pierdood,
Of, by abuis,
Als jeugdig drenkeling van de sluis,
Dan zegt hy aanstonds: «Wolkom t'huis,
«Hengelaar! hier is je pet; jo boordtjen zie ik niet: herleef: »üns motto is: vergeet en vergeef,
«Net als de snoek aan zijn neef,
«Terwijl Iiy hem intusschen opat, schreef,
«Ik ontfang u hier, als landgenoot,
sin mijn waterschoot:
«En by klein en groot «Wordt gy alras op oen slokjen genood,
«Ofschoon wel is waar van uw leven ontbloot.quot;
â Iets, wat waarlijk voor den mensch een les is,
Die wel eens niet t' huis geeft aan zijn vriend, die op de floach ïs.
En hem dan nog eer een bokking.
Dan een glaasjen cordiaal of parfait amour gaf van VVijnand Fokkink
Ook leert men hieruit, dat wie nog reutelt van «stom als een visch,quot; Alleen maar toont, dat in do Natuurlijke Geschiedenis Hy juist zoo bedreven als een snoek op zolder is.
Om een schepnetjen geeft een visch geen duit.
Misschien denkt hy wel: «'t is dan toch al verbruid.quot;
Ook springt hy er nu en dan wel weer uit.
Maar een zegen,
Die zoo'n heele wetering komt leêgen.
Daar heeft hy natuurlijk machtig veel tegen.
«Noem jo dit zegenquot; zegt hy : «heb je geen abuis?
«Of is 't als lucus a non lucendo en meen je soms kruis f «Al zwem ik in dien zegen op mijn kop,
«Daar zit, jandorie, geen uit- of wegzwemmen op.., «Die gemeene dweil en de vasten GEDICHTEN V. D. SCHOOLMEESTER, 7
97
Natuurlijke historie t oor de jeugd.
«Wanneer zich zoo geheele gezinnen alleen op visoh vergasten^ iZijn eigontlijk onze twee grootste overlasten.
«Die 't ons zouden bakken, als wy er niet op pasten; â «Maar dit laatste doen wy in den verboden tijd: «Den genoeglijkste, dien men met zijn famielje sljjt, «Wanneer een visch een leventje als een sultan leeft,
«En een hemel in 't water heoft,
«En, was dat niet gaauw gedaan «Dan kon je al spoedig in den Oceaan «Heel gemakkelijk over onze hoofden gaan;
«Want het is met ons louter amour en inclinatie,
«Net als met den Keizer van de Fransche natie.quot; â En ziedaar, waarom visch Zoo dikwijls do bruigom is.
In 't algemeen kan men zeggen; zy houEn Allemaal heel veel van trouwen.
Net als jonge heeren en juffrouwen,
Zonder dat het hen, als deze zoo vaak, komt te rouwen. «Maar om 't consent van de wederkoorige ouwe lui.
Zegt Benjamin Buffon, «geven zy den brui.quot;
Ik meen zijn zoon George te Dijon.
«Daarom trouve t-on,quot;
Zeit George, «onder den poisson «Zoo zelden een liaison ^Politique of uit speculation,
»Zoo weinig een mariage de raison.quot;
Er zwemt nooit geen tong langs den Briel.
Of hy neuriet; «poisson d'Avril,quot;
Als of hy zeggen wou: «o geuzenziel,
«Heugt het je nog, hoe het Alva beviel,
«Toen jy hem zoo wakker den bril van zijn neus «Wist weg te kapen? zeg, heugt het je nog, o Geus?quot; â
De Natuurlijke Geschiedenis Erkent gemeenlijk twee soorten van visch,
98
Eursle les in tie Geographie. 'J9
Namelijk, dcgecn die opgegeten, en die nog voorhanden is.
Net ala twee soorten van negers,
Do heusclielyke en do schoorsteenvegers.
Een slang
Fs niet heel dik, maar naar proportie te lang;
Schoon sommige slangen, die van Amerika komen,
Byna zoo dik zijn als eikeboomen:
Kn menige Leydsche diender maakt een mensch niet half zoo bang Als zulk een Amerikaansche slang.
Over het geheel wordt een slang zelden geprezen,
Uf het moet zijn by het Brandspuitwezen.
Voorts zou hy, naar wy in Mosheim en Vitringa lezen,
Vry gunstig in de muziekale wereld zjjn bekend;
Ofschoon aldaar meer onder zijn Franschen naam van «serpent.quot;
EIEREN.
Ofschoon men natuurlijk voor eieren eer naar een hen zou gaan. Krijgt men echter geen goede eieren zonder een haan.
EERSTE LES IN DE GE06EAPHIE.
Geographie is eigentlijk de kennis der aarde, En voor de jeugd van ontzachelijke waarde; Want Amerika Is b. v. zeer verschillend van Afrika; Ofschoon vele Afrikanen Zich ala slaven begeven naar de Amerikanen.
Eerste lea in de Geographie.
Zoo b. v. is Asia een heel oud heer,
En Europa is ook zoo jeugdig niet meer,
En de tweo eerstgenoemde zijn kinderen,
Die de oude lui nog wel eens vry wat konden hinderen.
Ik maak u vervolgens attent Op 't onderacheid tusschen een zee en een continent;
En kinderen uit den boerenstand mogen wel observeeren,
Dat men voor als nog geen boerenwagentjens op zee kan probeeren, Ten zij men er eenig ander voorwerp onder zet,
Als b. v. een koopvaardyachip of een stoompaket.
Ook zou ik niemand durven aanraaien Om uit zwemmen te gaan met de haaien;
Doch in het uit poieren gaan met een Lcyenaar Ziet de üeographie geen gevaar;
Vooral zoo zijn boot Op 't droog zit in een sloot. â
Voorts zijn er ten minste nog twee Polen,
En verschillende mijnen voor goud en kolen.
En hier en daar een vulkaan.
Die iemand, die 't niet zien kan, verstomd doet staan,
En de groote zandwoestijn.
Waar geen ordentelijk reiziger op zijn gemak kan zijn,
Behalve kameelen en enkele boomen.
Die er van hun vroegste jeugd reeds gewend zijn te komen.
Dewijl ik by deze eerste les van uw geduld niet te veel wil vergen. Zal ik nu nog maar alleen gewach maken van do bergen.
Die her- en derwaarts verspreid zijn over onze ondermaansche aard, Ofschoon de ontmoeting van een her-berg doorgaands het meeste genoegen baart.
Ik zog, ontmoeting; doch dit is maar by manier van spreken;
Want dat een berg zou wandelen, is my nimmer gebleken,
Of hy moest het hinkende doen, dat ging misschien nog goed.
Want volgens Van Wijk Roelantszoon en Cuvier heeft een berg toch al-
tijd een voet;
Maar anders blijft hot by quot;t geen de geologen van ouds beweeren.
100
Eerste les in de Oeographie.
Dat Mahomed wel naar den borg, maar dezo niet omgekeerd naar Mahomed kan avanceoren. Naar.t een berg vindt men in den regel een valei of dal.
Dat er het omgekeerde van is, en daarom doorgaands ook lager wezen zal. Zoo'n dal heeft in 't algemeen vry wat meer waarde Dan zijn buurman de berg ; ja de dalen zijn eigenlyk 't votto der aarde, »En een borg is inderdaad;quot;
Zegt Le Luo, »niot veel meer dan do graatâ
Ofschoon de man, met dit zeggen, toch zijn onkunde verraadt;
Want welke liefhebber van visch heeft immer in zijn loven Een graat gezien, die, als Samsons ezelskinnebakkon, water kon geven ? Wat een berg alle dag doet: â ja, Le Franc van Borkhoy beweert mot
eenigcn schijn.
Dat daarin do oorsprong van al de rivieren gelogen zou zijn.
Die sedert don tijd van Adam â en altijd van boven naar boneden â
liepen.
Doch ik heb nu geen tijd meer om my vorder in zoet water to verdiepen, ik verlang veel moer naar een glaasjon rood in do kroeg.
t Uur is verstreken; en ik zeg dus: voor van daag genoog,
ünthoü nu wel wat ik jo geloerd heb, als or je soms iemand naar vroeg.
101
BESPIEGELINGEN.
PROEVE VAN DICHTERLIJKE WAARNEMINGEN.
â¢t Is een onwederlegbre waarheid.
T. J. Kekkhoven.
Een onwederlegbre waarheid Is het, dat, by middagklaarheid,
De avond zelden duister spreidt;
Daar-en-tegen biedt het duister Ons zeer zelden zonneluister,
Dit is zelf een duidlijkheid.
Zoo kan men. op den dag van morgen, Niet meer voor dien van gistren zorgen,
En ook niet fluiten als men eet; En, waar geen bel is ook niet bellen ; En in persoon geen brief bestellen, Als men 't adres des briefs niet weet.
Zoo ziet men zelden ijzer drijven,
Of in koud water gloeiend blijven,
En evenmin een veldkonijn Een hokkeling naar binnen slikken; Of 't beestjen (zal 't niet daadlijk stikken) Moet grooter dan het koebeest zijn.
Zoo kan men haast voor zeker zeggen, Dat, wie zelf eieren kan leggen,
Proeve van dichterlijke luaarnemingen.
Geen haan of kippen heeft van doen; Tenzij zijn kiesche dischgenooten Zijn huisbak onbeleefd veratooten En 't ei verkiezen van het hoen.
Zoo ziet men eer een zwerm van muggen, Dan kemels met gebulte raggen,
In zwermen vliegen om do kaars: Zoo worden, aan den rand der slooten, De reigers, met hun lange pooten.
Zeer zelden opgeslokt door baars.
Zoo is do zevende verdieping Vry van verzakking en van zwieping, Als men maar één verdieping heeft: Zoo zal een eerlijk man zijn kiezen Nooit op zijn derde jaar verliezen.
Als hy maar dertien weken leeft
Zoo zou ik byna durven zweren, Dat kinders in de lange kleêren
Meest korter zijn dan hun japon: Zoo slaat men aan een rieten hengel Veeleer een worm aan dan een Engel; Gesteld, dat m' Englen krijgen kon.
Zoo schenkt men zelden worst uit kruiken, Of witten wijn uit palingfuiken,
Of rooden uit een leêge flesch; Zoo snuift men zelden uit zijn schoenen, En snijdt geen messen met kapoenen. Maar meest kapoenen met een mes.
Zoo ziet men aan de onzichtbre transen Geen morgen-avond-weêrschijn glansen. Geen regenachtig ijsgareel;
103
De morgenstond.
Zoo zal de toon der bosohkoralen Geen brieschend strijdros achterhalen By 't schel geluid van Philomeel.
Laat vry de hol dan zinloos woeden. De hemel in de pekelvloeden
Zich storten van der Alpen kruin; Ons lacht de gouden zonneregen In 't druivenat der perzik tegen En voort, langs ongenaakbre wegen Ons naar 't gewest van smart en zegen, Naar 't ontoegankelijk »Woestduin.quot;
DE MORGENSTOND.
EENVOUDIG GESCHETST, VOOR DE JEUGD, DOOR HUN GROOTVADER.
Hoe pleizierig is de schoone dageraad,
Als men 's morgens zeer vroeg opstaat.
Alles ziet er dan zoo overheerlijk uit,
Dat men het aardrijk zou verwarren met een fraai gekleede bruid.
En de zon schijnt zoo natuurlijk achter de boomen,
Alsof er een nieuwe kaarsemakerswinkel in de buurt waar gekomen. Doch merkt gy thands wel, hoe in 't groen gebladert Het gevogelte des Homels zich reeds vergadert.
En de nachtegalen, oudtijds genoemd Philomeelen,
Yoor hun natuurgenooten op de dwarsfluit staan te spelen.
Terwijl de overige gevederde pluimgedierten in 't groen
Elkander liefdesverklaringen doen?
En beklaagt gy in uw hart niet die luie knapen.
Die den morgen op hun leger verslapen;
104
Dc morgenstond.
(Ik meen hier natuurlijk geen legerscharen.
Als die van Prins Maurits of wijlen Z. M. Willem 11 waren,
Maar legers van veeren, zeegras of varen):
Want 's morgens is toch waarachtig De dageraad al byzonder prachtig.
De dageraad vertoont ons verscheiden soorten van water,
Van de murmelende beek af tot aan de siuis of katerakt met deszelfs
geklater.
Mitsgaders slooten en vijvers, en zelfs gantsche rivieren.
Vol van veelsoortige hombaars en andere lekkere dieren.
Of, zoo men 's morgens eens naar 't zeestrand wil gaan,
Ziet men daar, in eigen persoon, den grooten Oceaan,
Met deszelfs opeengestapelde golven.
Waarin, naar men beweert, meer dan één Oostinjevaarder ligt bedolven. Of zijt gy integendeel meer gesteld op wilde beesten en hout. Dan noodigt u de dageraad naar een door do maan beschenen woud, Waar 's morgens bloeddorstige tijgers en ontaarde leeuwinnen Derzelver middagmaal met een ontbijt van verslonden reizigers beginnen; Terwijl vernuftige papegaaien en apen niet schroomen Het edel mensohenpaar na te doen in de boomen.
Hy, die dit alles zonder aandoening ziet.
Verdient den naam van fatsoenlijk man toch niet.
Of wilt gy soms liever eens naar de boerdery toe? â kooml En sla 's morgens met my acht op de melk en den room.
Mitsgaders op die kalf-, vare- en andere koeien.
Die respectievelijk 't melkuur zitten tegen te loeien;
En op dien keeshond, die bedelaars en dieven verjaagt.
En die 's zomers zeer door de vliegen wordt geplaagd:
Terwijl de noeste huismoeder, zelfs vóór den ontbijt,
Zeer dikke boterhammen, die zy slikken noemt, snijdt,
Of, gesteld zy een zuigeling heeft.
Aan ZED. de moederborst of een lepel pap geeft.
Wie 's morgens by dit alles nog ongeroerd kan blijven,
Moest onder zijn hart maar liever straatsteen schrijven Doch wilt gy van hier nog elders heen? Welaan!
Laat of s dan terstond naar den moestuin gaan:
105
De morgenstond.
Hier treft u het tuingereedschap wellicht en ziet gy over de heining de
vaart,
Voorheen met een volksschuit in zich, getrokken door een heer te paard ; Doch thands, nu de spoorweg in Europa de overhand heeft verkregen, Verschijnt een trekschuit zeer zelden op onze groote wegen.
Aan deze zij der haag vindt gy echter mispelen, koolzaad, brambo-sen, Winterpeeren, jonge kropalaê, zuring en abrikozen,
Gekonfijte zuurkool, kievits-eieren, knapkersen, mitsgaders radijs, iioomsche boenen, versche artischokken (dagelijks verwacht uit Parijs), De geestigste ajuinen en al de produkten van een aardsch Paradijs, Terwijl, heeft men er italiaansche populieren,
Dezelve natuurlijk den hof nog meer vercieren,
ïn, gelijk een jong botanist terstond zal beseffen,
Denelver kruin boven de lagere boomen verheffen.
Enfin, allerlei soort van keurige groenten en fruit Kijkt blozend hier 't gebladerte uit,
Behalve leliën en witte rozen,
Die, geljjk van zelf spreekt, niet wel kunnen blozen.
Mijn hemel! wanneer men dit alles nu toch nagaat,
E'i by gelegenheid voor dag en dauw eens opstaat,
Is er dan 's morgens iets fraaiers te vinden dan de dageraad?
Iets, zoo veel vroeger dan 's avonds laat?
En toch iets, zelden of nooit zoo donker Als de nacht is, niettegenstaande het stergeflonker ?
Voeg hierby nu de vroegpreek en 't hanegekraai,
En dan is de morgenstond toch al byzonder fraai; â
Of, is er verder nog iets ter aanbeveling noodig,
Dan is dat iels voorzeker ten eeneumale overbodig.
lOG
De avondstond.
DE AVONDSTOND,
Wat is tocli, wanneer het donker wordt, de avondstond verrukkend! Vooral, wanneer men over dag hooft moeten zeggen: »wat is het drukkend!' En dan drinkt men met veel meer pleizier
Een scharretjen met een glaasjen bier.
Ook weet ik niet, hoe er menschen kunnen zijn,
Die iets hebben tegen den maneschijn Of die over de staartsterren Zoo bijster kunnen harrewarren,
Zonder dat zy schijnen te weten,
Dat het niet anders zijn dan komeeten.
Wat by avond hoogst opmerkelijk is inderdaad, Ja onbegrijpelijk voor wie geen Natuurkunde verstaat,
Is, dat dan altijd do zon in 't Westen ondergaat.
Ja zelfs zonder dat zy 't een enkelen avond overslaat,
En evenmin valt aan een onkundige de verklaring licht.
Dat, als hy haar naloopt, zy hem altijd schijnt vlak in 't gezicht,
En zijn schaduw hem dan ook volgt op den voet.
Maar hem vooruit loopt, zoodra hy het tegenovergestelde doet.
Doch wie zulke physische verschijnsels wil expliceeren,
Dient eerst nog een jaar of wat in het vak te studeeren.
Doch wenden wy liever onze blikken naar deze statelijke abeolen.
Dat zijn kinderen, die daar onder spelen.
Aan hun schoolboek, benevens hun lei en hun spons.
Hebben zy in dit bekoorlijk avonduur natuurlijk renons;
Terwijl andere menschen Mekaêr fatsoenlijk «goeden avondquot; en «hoe vaar je?quot; wenschen.
En andere weêr zich vermaken met stoeien.
Of met op den kant van een weiland te luisteren naar 't loeien,
Van de zich aldaar bevindende ossen of koeien.
Of ook wel, om in een tentschuitjen naar de overzij te roeien.
Maar nu komt er iemand met een viool. â Hoor toe!
107
Dp. terugkomst van den zomer.
De man is blind; ofschoon er dat in 't donker minder toe doo.
Die by dat fraaie geluid zich niet voelt opgewekt, moe te zingen,
Of voor 't minst een polka of galop, of fouwtjen te springen,
Van dien kan men zeggen, zonder dat men zich vergis,
Dat hy een mislukte kweekeling van het Instituut der Doofstommen i-
Of wel, dat hy in plaats van met een hart te zijn geboren,
Hy een kei in zijn borst draagt, en dat nog wel een bevroren.
Doch hier komt voor de variatie een onweder aan.
Menige schoorsteen kan nu gerust zeggen: o'tis met my gedaan.quot; Terwijl in de verte, van achter de wolkgordijnen.
Van tijd tot tijd de blixem begint te verschjjnen;
Ofschoon 't zoo donker is in 't verschiet,
Dat men bovengenoemde zelfs meermalen niet ziet.
En er ontstaat zulk een vervaarlijk rommelen van den donder,
Dat men een honderd ton turf meent te hooren, rollende van den zolder Geaccompagneerd met zoo'n ongemakkelijke regenvlaag, naar onder, Dat ik menschen, die zonder paraplui zijn, beklaag.
De halve populatie is onmiddelijk druipnat;
De andere helft heeft koü gevat;
De rest neemt terstond een warm bad:
Van t overige gedeelte heb ik geen tijding gehad.
DE TERUGKOMST VAN DES ZOMER.
Zoo is het warme weêr in 'teind teruggekeerd En ziet men lieden, wier gezondheid was bezeerd Door kou, zich in den gloed der zonnestralen koestren.
Niet langer in hun huis geklemd als Texelsche oestren. De Zomer nadert en de Winter schuurt zijn piek;
't Was tijd waarachtig; want hy maakt het menschdom ziek. Nu kan men in zijn hemd of zomerbroek weêr loopen En aan een crediteur zijn dufïelsch buis verkoopen:
108
Be terugkomst van den zomer. lOil
Nu mag do meiisch weêr raet zijn liond uit zwemmen gaan. Of zich verdrinken zoo zy 't zwemmen niet verstaan.
Nu ziet men 't vlooienvolk weêr blij zijn huwlijk vieren Kn 'tmensohdom plagen met hun angels, vreesbre dieren,
Zich nestiend in ons hair of tusschen hals en kraag Of in de kniebooht of in 'tkuiltjen van de maag £n iemand stekend, dat hy tureluursch en gek wordt,
Zjjn lichaam zwelt en rood als versch geschilderd spek wordt; Waarop hy 't springend vee met duim en vinger knipt,
Ten zij 't gezegde vee hem juist by tijds ontslipt. â
Nu hoort men dikwijls: »kom! 'theeft eindlijk uitgeregend,
»lk heb geen paraplui te dragen; dat 's gezegend.quot; â
Zoo spreekt men en gaat uit in 't zonnig middaguur Doch komt weêr t'huis, doorweekt gelijk een kinderluur.
Nu ziet men doorgaans twee uit wand'len gaande minnen,
Elk met een telg bezeuld, al 'tmoogljjke verzinnen Met dot of ringelbel, om 't schreeuwend min-verdriot Den mond te stoppen in de warmte: â 't baat haar niet Hoe moer ze tobben met die ongespeende leeuwen,
Hoe meer heur zooggebroed de buurt by een zal schreeuwen. Nu legt men 's avonds vaak 't flanellen borstkleed af En staat verwonderd, dat men 's morgens ligt in 'tgraf, Ja, menig Vader gaat uit wand'len met zijn kind'ren,
Die op zijn toonen staan, zjjn exteroogen hind'ren,
De panden scheuren van zijn stofjas, on, als dol,
Zjjn vest bezoedlen met hun vuilen krullebol,
Doch d'oorsprong van hun zijn blijft in zijn lot gelaten.
Zijn 't niet zijn kinderen, zijn na- of achterzalen ?
Is 't niet zijn eigen bloed, dat op hun wangen bloost 7 En is hun moeder niet de moeder van zijn kroost ? »Een kinderlooze alleen heeft recht, zich soms te belgen,
«Als op een wand'ling hij geplaagd wordt van zjjn telgen.quot; Zoo spreekt de vader-filosoof, daar de oudste zoon Inmiddels mislij k wordt, als 't rooken niet gewoon,
En 't jonger broederpaar, by 't vogelnest-verstooron.
Op 't minst twee derden van zijn broeken heeft verloren. â
Waterteug voor den armen broeder.
Zoo brengt de zomerdag genietingen ons aan,
Waardoor het menschlijk hart op 't zoetst wordt aangodaan.
WATERTEUG
VOOR DEN ARMEN BROEDER.
Gebroken armstoel: is armoede een misdaad ?
Fluweelen Eijk/eed; is zy geene ?
Ouderwetsche kleederdracht- en hnisraad-samenspraken, nopens het mgn en het dgn der hedendaagsche menschelgkheid. â Oe-nitgegeven.
La seule charité vraiment charitable, c'es* Végoïsme.
Champagne, in 't overvloeiend ging Gegoten, of het spoeling was,
Komt in uw woning niet te pas.
Noch bruigomstreelend hypocras.
Noch kievitsei uit lentegras.
Noch hartverkwikkende ananas,
Noch flageolet, viool of bas.
Ofschoon 't uw gouden bruiloft was; ') Geen uurwerk in uw gordeltasch.
Geen steenspcld in uw bonte das,
Geen zijden voering in uw jas.
Geen bedgordijnen in de koü.
l) De moderne Philantropen verwarren doorgaans ivas met waar.
Noot ran don ScUüolmeestei.
110
Waterteug voor den armen broeder.
Geen dekens voor uw kranke vrouw
Noch bij haar doodsbed 's nachts een kaars:
Geen rouwband in uw diepen rouw,
Noch troostrijk slokjen curagao:
Geen opgekrulde waterbaars,
Vol hom, gelijk mjjn overhemd.
Of dikke kuit, gelijk mijn laars,
(Voor 't maal van mijn maitres bestemd
En drommels lekker, duur, en schaarscU)
Voor u het water; â doch de baars
Voor d'eiguaar van gezegde laars. â
Ill
B E I E VE N.
EERSTE BKIEP VAiV MIgt;A'
Eon lief kind van zestien jaren
Heeft in Londen u ontmoet, Dichter met nw grijze hairen,
Dichter met uw jeugdig bloed! Dichter met gelakte laerzen!
Gloei een ander voor uw vaerzen, Uw persoon is 't, die van gloed Wilhelmina branden doet,
Ze is begeerig, ze is beeeerig â Ach! wees gy het wederkeerig â Naar een schuldloos rendez-vous. Kom dus, lieve dichter, wilje, Morgen vroeg in Piccadilje,
Morgen vroeg naar Mina toe, In het koffyhuis de Koe.
Ach I in onze schoone sexte, Waarde dichter, is 't het gekste,
Dat men 't zoo niet zeggen mag. Als m' een heer niet kan vergeten. Dien mon 's middags na den eten
Op een morgenwand'ling zag: Dat men 't nooit durft avoueuren Als de zinnen laboreeren Onder liefdes tooverslag.
Eerste brief van Mina.
Als men dorst zijn hartjen zetten Op een heer mot epauletten
En een krijgsblik vol ontzach, Op een jong Oostinjevaarder,
Of zijn broêr, nog veel vermaarder,
Zeilende onder Hollands vlag,
Op een dichter, vlug en olijk,
Altijd geestig, altijd vrolijk,
Jeugdigst op zijn ouden dag.
Met een rijmlarij vol zoetheid.
Mot oen hart vol warmte en gootlhoid.
En zoo stemmig van gedrag!
Zoo gy thands mijn hart kost hooren Bonzen: «'k zit hier in een toren,quot; Dacht gy, »waar een klok in staat, Welke klok juist twalef slaat.quot; Zoo gy thands my kost zien bloozen, O! gy dacht dan niet aan rozen
(Bloemengeur is my te laf);
Maar gy dacht dan aan de kreeft, en Hoe dio zwart ziet als zy leeft, en Rood ziet als zy zinkt in 't graf.
Toen ik, in de lange klooren.
Nog naar school ging als een kin(J; Zat reeds Amor m'in de veêren,
Wordt gy reeds door my bemind. Toen ik naderhand uit naaien
Of somtijds uit manglon ging.
Deed UE my 't hoofd reeds draaien,
Veel geachte jongeling!
'k Heb naar u, op Amstels grachten»
Met mijn paerschen omslagdoek. Dikwijls uren staan te wachten
Aan een sluis of op een hoek. Dikwijls vroeg uw trouwe Mina Aan den jongen van Doctrina GEDICHTEN V. D. SCHOOLMEESTER.
Eerste brief van Mina.
Of van Felix Meritis,
Of aan dien van Belle? ue, »Zeg my, jongenheer! kan uwe
Zeggen of mijnheer 'er is?quot; En ook thands nog ia zy smoorlijk, Ofschoon gy reeds min bekoorlijk
Beide in hair zijt en gelaat, En in 's Waerelds expositie Heeft haar hart geen zier ambitie
Omdat gy niet met haar gaat. Daarom kunnen schuiftrompetten Wilhelmina niet verzetten,
Noch do Hollandsche servetten: Daarom is zy van den draad : Daarom gaat zy de omslagdoeken Van het Oosten niet bezoeken, Noch de Bosscher monsterkoeken, Noch het kostlijk koorgewaad Van den Kerkdijken Staat,
Noch de snuif der Portugeezen, Noch het lakwerk der Chinoezen, Noch de kaailui van d'Euphraat, Noch Calcuttaas elephanten,
Noch het puik van Brussels kanten. Noch den prins der diamanten, Die den grootsten bluf hier slaat, Zelfs by vollen dageraad.
Noch die keur van Malachieten, Die de Czaar der Moscovieten
Ons voor 't eerst hier kijken laat, Noch de üostinjische parkieten. Noch het Saxisch porselein,
Noch al 't moois van 't Zollverein, Noch de groote springfontein: Daarom is met al haar fouten, Die hier stroomen, wenden, woelen.
Tweede brief van Mina.
By tienduizenden krioelenj d'Exositie, beste maat,
Haar oen huis, dat ledig staat. Omdat gj niet met haar gaat; Daarom, schoon zy jong en bol is, Maar op u, Mijnheer, zoo dol is,
Yalt zy levend van de graat. Ach! beklaag dus haar positie. En hoor gunstig haar petitie.
Die zy thands te schrijven staat. Zo is begeerig, zo is begeerig, â Ach! wees gy het wederkeorlg â Naar een schuldloos rendez-vous. Kom dus, lieve dichter, wilje, Morgen vroeg in Piccadilje, Morgen vroeg naar Mina toe, In het koffijhuis de Koe.
TWEEDE BRIEF VAN MINA
Om deze liefde treurt. VONDKL.
Zyt gy op my vertoornd En al3 een stier gehoornd En slaat gy geenszins VIII Op mijne jammerklVIU ?
Het was in 1 en 5tig, ach!
Dat Mina 't laatst u zag.
Te Londen in «do Koelquot;
Zag zy, in Amors boei,
Nog naauwlijks zestien jaar,
U, Cannibaal! aldaar
Tweede brief van Mina.
Niet dat gy my toen opat; nee,
Maar wel mijn zielevree,
Neen, op 't Criestal-pelijs In 's aardrijks schatkist grijs,
Daar zag ik veel te veel Van u, o Philomeel!
Voor Wilhelminaas zielerust,
Sints toen vaarwel gekust.
Omdat gy sedert Een-En vijftig, heel gemeen,
Geen taal of teeken geeft Of gy nog leeft, of sneeft;
Daar toch geen schepsel ligt in 't graf Of 't zond bericht vooraf.
Wat is voor my op aard'
Prieel of bloemengaard.
Een hof, van ruikers vol,
O snoodo krullebol!
Mijn neus, o Karei, que j'adoor,
Leent aan geen ruikers 't oor.
Ik minde u reeds als kind.
Toen ik, van honger blind, De moederborst ontfing.
Of op den leiband hing,
En, zoo die leiband plotsling brak,
Mijn neus in 't aardrijk stak.
Of is 't u onbekend,
Hoe gy mijn afgod bent.
Dien ik veradoreer.
En hoe, WelEedle Heer! Ik â immers voor zoo ver ik weet â. Nooit met een ander vroed.
116
Ticeede hrief van Mina.
Hoe 'k 's avonds op de gracht Soms uren op u wacht,
En slechts uw schim zie staan Voor 't raam, met nachtgoed aan Of door 't gordijn uw neus aanschouw, Een neus, my zoo ontrouw!
Of hoe ik, minziek Turk!
In een besneeuwde jurk Vaak 's Winters op den Dnra Mijn jamren klagen kwam Aan die victiem op 't monument, 0 Turk! u wel bekend.
Wen 's nachts in vleuglendosch De meeuw schalmeit in 't bosch En ik 't gevederd choor Mijn aandacht leen en 't oor. Dan zucht ik tevens op mijn sprei: »Zoo klonk eens zijn schalmei!quot;
Wat heb ik u gedaan, O kallekoensche haan!
Dat gy zoo nijdig ben 0 blaauwbaard, op uw hen, En zoo'n gramstorig aangezicht Met sporen tot haar richt?
Heeft men u soms vermoord,
Of in uw vet gesmoord. Of u verempaleerd.
Of anderzins bezeerd,
Dat gy onlangs in uw portret Dat grimmig wezen zet ?
Een zegen is 't voor my.
Dat ik zoo schuldloos zij.
II
Tweede brief van Mina.
Van top tot teen zoo pluis,
Ja, net zoo maagdlijk kuisch Als toen ik in de luren lag En 't eerst uw oog my zag.
Ja, d'onschuld, jongeling!
Is eerst oen heerlijk ding En was mijn hoofdsieraad Van 's levens dageraad.
Verleiding â schoon 'k er niet op snoet' â⢠Vond Mina waterproef.
Geen forsche lijfstaffier.
Geen dienaar. Soudenier,
Geen Generaal van Geen Vraagt Minaas vesting, neen;
Haar Citadel cischt geen Chassa Zy zeit eenvoudig: neê.
Mijn onschuld is berucht;
Daar ik do fuik ontvlucht.
Die my Cupido biedt Met pieren in de vliet.
Een maagd, op Amors pieren zot,
Vangt doorgaans niets als bot.
Wanneer ik soms de maan Aan 's Hemels trans zie staau.
Dan denk ik; «Mina, gy »Bent ruim zoo gaaf als zy.
⢠Daar u met dien en die mignon »Toch nooit iets slechts begon.quot;
Wat, jongling! mijne ziel In u het meest beviel,
Was niet uw huisjaa-hair
-118
Tweede brief van Mina.
Het was uw lier, Tartaar!
'k Zag in uw kruin een valen knol, Doch in uw brein Apol.
Het zonlicht reist en daalt;
Doch in mijn boezem straalt Het levenslicht der m n,
Dat end heeft noch begin.
Van uoht- noch avondschcemring weet, O grijze lierpoëet!
De zee met haar gedruisch En buldrend golfgebruisch Is 't kabblen van een vliet.
Die langs de biezen schiet, Is 't ruischen van d'Eoolsche snaar. By Minaas hartraisbaar.
O ziel met angst vervuld, Als varkensworst met zult! O ongelukkig kind.
Dat zoo'n Tartaar bemint 1 â Ik deel my zelf dees toespraak meê 't Is een apostrophe. â
Mijn hart, met wee bevracht, Wenscht thands u goede nacht. Ofschoon bewust hiervan.
Dat ik niet rusten kan.
Het bed, waarop de wanhoop slaapt. Gedoogt naauw dat men gaapt.
En, hoe verstokt gy bleeft, Die nimmer aan haar schreei't,
Eerste brief van den schoolmeester.
Die toch, zoo lang zy leeft Hoogachtend de eer steeds hoeft,
Om, Totes Tuwes, in de hoop u weer te zien.
Te zijn,
{get.) Uw Willemien.
Voor kopy conform:
DE SCHOOtMEESTER,
EEBSTE BRIEF
VAK DEN SCHOOLMEESTER.
Naauw trapt ge een ezel op zijn teen Of 't graanwtjen achreeuwt de bnnrt byeen; Maar streelt gy hem de Midas-hnid, Terstond heeft al zijn razen nit.
Uit mijn onaitgegeven gedichten, 63ste druk. blz. 114a.
AAN EEN VRIEND.
Wat aangename geur van zoetheid
Spreidt zich in uw geschrijf ten toon I Wat treffend en oorspronklijk schoon, Waarvan de bron in 't rein gemoed leit, Lacht m' in uw brieven vriendlijk aan En doet my opgetogen staan,
Als ik uw vlucht mag gadeslaan. Wat keur van uitgezochte woorden. Gedachten vol van klem en zin,
Vindt mijn verrukte ziel daarin I Wat onnavolgbre harpakkoorden:
120
Eerste brief van den schoolmeester.
Het zij ge, op Messiaanschen trant, ') De dichterlijke luite spant,
Of, onbesmet in toon en maat, De kracht van 't rijmwoord gelden laat, liet zij ge op lager wieken drijft En in poëetisch proza schrijft,
't Is al, o puik der puikpoëeten!
O dichter, als er weinig zijn!
't Is alles uitgezocht en fijn: 't Is snoeperij, 't is ambrozijn,
Die Goón op hun verjaardag eten:
't Is nektar in een aardsch pokaal: Ja, 't is verkleede hemeltaal.
Hoe heb ik schier in alle straten.
Mijn achtbaar hoofd half gek gezocht,
1) Messiaansche vaerzen werden, in mijn jeugd, naar zekeren mynheer of iWesz, die er een bol in was, de zoodanige genoemd, die maar in schgn rijmen, als ketent en reketU, koestaart en ploegztuaard, gryzaard en nijlpaard. Een voorbeeld leveren de volgende, uit een gedicht, op de promotie van twee myner vrienden vervaardigd:
Berst los, bezielt n, Messianen
By 't plengen van den eerewijn.
Verheft den roem van groote namen,
In 't onnavolgbaar kreupelrijra.
Zij wijd en zijd de lof vernomen Van... *s onnavolgbre zonen,
Dees dag met eeuwige eer omkranst;
En by den bigden klank der kelken Moog my, Apol, uw dichtvuur helpen:
Het was my nooit zoo nut als thands.
Ach! thands verdeelt zich beider loopbaan.
Want de oudste zal, als Proponent,
Fiks naar een Predikantsplaats doorslaan,
Ztjn teeder lief in d' arm geklemd: En d* ander, die niet minder leep is, Brengt offers op 't altaar van Themis.
121
Eerste brief van den schoolmeester.
Waar die bankier toch wonen mocht, Die my 't beloofd getal dukaten,
Waar 't meer dan eens my aan ontbrak, Zou storten in den leêgen zak,
Eer ik, na vruchtloos hersenbreken,
En min gelukkig dan Gil Bias,
Begreep, dat (alles wel bekeken) Die assignatie op uw kas Er eentjen van papaatjen was.
Zoo kunt gy, schalk, aan groot en klein, Een knol voor een citroen verkoopen:
Zoo laat gy zelf» het kloekste brein, Wanneer 't u lust, aan 't lijntje loopen: Zoo hebt gy, door uw fijn vernuft. Ook my (is 't mooglijk!) overbluft. Hoe zou 't my hart en ziel verrukken.
Zoo ik mijn plan mocht zien gelukken Om al uw brieven te doen drukken En 't honorarium aan my Werd afgestaan voor uw copy.
k Ging dan terstond mijn renten leven, En kocht van mijn fameus fortuin Een burcht of lustslot op het duin, Alwaar ik theevisites geven En u gestadig zou omzweven.
En van mijn wierook u voorzien. Of, mocht ik soms uw zijde ontvliwi 't Zou enkel zijn om de interventie.
Mijnheer, van uw correspondentie.
Tweede hrief va» den schoolmeester.
TWEEDE BRIEF
VAN DEN SCHOOLMEESTER.
AAN EEN BEER.
Het hart is goed; doch 't hoofd is zwak,
En drommels zwaar het daaglijksch pak,
Wel driemaal zwaarder dan mijn tas,
Die kale, lichte, leêge zak,
Waar nooit een zilvervloot in stak,
Die nooit fameus als spaarpot was.
Bedenk dit eens op uw gemak.
En raak niet in een booze luim,
Als ik het schrijven soms verzuim,
En 't zenden van het lieve geld
Wat al te lang werd uitgesteld,
Omdat ik rik en weet niet watquot;
In 't hoofd, doch niets in 't beursken had
Ai ! lievo vriend! heb dus geduld
Met al mijn traagheid en mijn schuld.
Verbeeldingsvuur is uitgedoofd,
Het warlend brein is moêgesloofd
Het matte lijf is krank geplaagd
Het hijgend hert is afgejaagd.
Zie dus meewarig als weleer
En vriendlijk op den balling neêr
Aanvaard zijn schuldbelijdenis
En schenk hem u vergifion . â
Vergeven is, vooral naderhand, steeds plaizierig, En beter dan een pak slaag, ofschoon minder zwierig
123
Derde brief van den schoolmeester.
DERDE BRIEF
VAN DEN SCHOOLMEESTER,
AAN ....
Londen, 17 Octohev 1834.
Laat nn de boetpsalm vrolijk door Egyptenland klinken En Israël in de woestijn een glaasjen extra drinken.
I. v. L. De Commissie van Landbouw in Gosen. Treurspel.
Lnat d'Elephant nu vrolijk zingen,
En 't hupplend rendier in de wei Van vreugd op 't hoofd des drijvers springen
En tooi zich 't zwijn in feestlivrei:
Knip nu van 't strijdros hobbelpaarden.
En ducatons van do oorlogszwaarden:
Laat de adelaar het wollig lam Van bljjdschap met zijn vleuglen dekken En, onder minzaam trekkebekken.
De wond van 't blaetend zeekalf lekken,
Nu 'k tijding van mijn vriend bekwam.
Laat bjjt-wolf vredepalmen rapen
En vlochten in dor lamren huid.
Do tijger naast do leb-aal slapen
En wurmpjes zoeken voor zijn buit;
Laat nu te Lis de feestwijn vloeien,
En 't baarsjen in den schotel stoelen,
En 't rookend wildbraad onder 't mes Het land van A. B. C. bevrijden :
Laat heel de schepping zich verblijden En zij........'a trouwe vriendschap de dichtstof van mijn zangeres.
124
Vierde brief van den schoolmeester.
VIE 11 DE BRIEF
VAN DEN SCHOOL 31 EESTEÃ.
FRAGMENT UIT EEN BRIEF OVER DE HITTE IN MAART.
Een philantroop heeft onlangs to Maastricht Eon acoaatic Hospitaal voor dove kolen gesticht:
En wat gy van 't weêr uit Holland my bericht
Geloof ik heel licht :
Want hier leit de Maas ook niet dicht.
liet ia zelfa benaauwd; koü vatten wordt bijna een plicht.
Van daag b. v. is het zeer warm en fraai,
En men hoort veel klachten onder de kooplui in baai.
De hertog van Wellington gaat 's morgens al uit zwemmen als een haai. Nu moot ik er by zeggen, hy is byzonder taai.
In de boomen ia het reeds niets dan gekwinkeleer en gekraai En in den vijver een continueel geflodder en gedraai.
Ik ken vinken, die hun nest reeds maken, o. a. een ouden papegaai. En gisteren hoorde ik twee vogels tegen raekacr zeggen. «ik braai.quot; Doch ik moet er by voegen: het was niet in do natuur,
Dat zy dit zeiden; maar in de keuken voor 't vuur.
Hopende dat ik spoedig u hier in welstand by my vinüe,
Verblijf ik uw oprechte vriend,
Mijnheer en Mevrouw V. D. L.
1-25
Vijfde brief van den schoolmeester.
VIJFDE BRIEF
Tan den schoolmeester»
(fragment.)
Ik schrijf u mofc een treurend hart:
Mijn maag, thands in een strik verward, Die al de slimmigheid der art-senykunst en aptekers tart,
Is krank, en gansch en al bezeerd. Het stuivers-broodtjen, onverteerd.
Roept luid: igt;'t is alles hier verkeerd Iquot; Terwijl 't kadet, het stuivers-kind,
Zich even onverteerbaar vindt.
De haas, de vlugge runderhaas,
Zegt: »deze krankte is my de baas,quot; Citroenvla, taart en konfituur! Uw zoetheid walgt my in dit uur.
Zelfs 't glinstrend klontje, op 't theesaloé My t hart geheel aan 't draaien zet. Weg lekkorny uit Oost en West! â ^t Ontbeerend vasten voegt my best. o Voe, in overvloed gemest! Uw rundvleesch is my thands een pest, XJw kalfschijf ben ik walgens moe. Weg met het vleeschprodukt der koe: AVeg met de lamsbout en de nier. Den zweezrik, t borstjen, weg van hier 'k Hou van uw lekkerheid geen zier Ãn haat thands ieder zoogbaar dier.
ZeadLe brici van den schoolmcusler
ZESDE BRIEF
TAN DEN SCHOOLMEESIEB.
Gelijk een Grootvorstin haar zonen, Op 't voratlijk ledikant geteeld,
Gestadig en verd .... verveelt,
Wanneer zy, om hun vlijt te loonen,
Voor hen op 't draagbaar orgel speelt Of iets uit Plato mededeelt:
Gelijk een ouderling zjjn kind'ren â Wier dartel woelen en gedruisch Een molen maken van zijn huis En in zijn amhtsberoep hem hind'ron â-
Naar zee zendt in een haringbuis:
Gelijk een jas, met lange mouwen
En met een halskraag als een vlag, Wel aan een klepper, zeer verkouën,
Maar geenszins aan de bloem der vrouwen, Vooral op haar geboortedag Van zestien jaren, passen mag:
Gelijk een man zijn zomersokken
In 't herfstsaizoen op 't aardrijk sprei® En in zijn vrouws flanellen rokken
Op 't bed den wintermorgen beidt:
Gelijk een zuigling in de luren
't Geheim der toekomst slechts bevat, Schoon quot;t met zoo velerlei figuren Het linnen om zich heen bespat,
Alsof reeds van zijn jeugdigste uren
De Gelder hem had beet gehad:
Gelijk de telg der ezelinne
Het blanke vocht der moedersppen.
Doch d'ezelstommigheid meteen,
127
Zesde brief van den schoolmeester.
Naar binnen slokt der malle minne:
Gelijk een talrijk huisgezin Met dertien kindren, vlug en wakker,
Meer brood eet dan een zieke bakker
Of zelfs een doode bakkerin:
Gelijk een logge plank, beschilderd Door d'ademtocht van 'skunstnaars ziel Met woeste zee en veege kiel, Het menschlijk brein vaak heeft verwilderd,
Wanneer ze op mensehen-hersens viel:lt; Gelnk met kramppijn in de zijden En met een steenpuist in de pap,
Geen manke drost in 't baantjen-glijden üf wel in 't sierlijk schaatsenrijden. Met beentjens-over, voor de grap,
Zich oefent op een steilen trap:
Gelijk een koets, vol eedle zielen.
Door 't wisslend reisvermaak bekoord, Met twee span paarden en vier wielen,
Op 'sHeoren weg of aan de poort Eer dan op iemands winterhielen Utquot; exteroogen t'huis behoort:
Gelijk een scheele zieketrooster
Zich doorgaands hoogst bespotlijk maakt, Warneer hy in een nonneklooster
Verliefd wordt en aan 't vrijen raakt: Gelijk een vogel in zijn veêren
Zich beter dan aan 't spit bevindt:
Gelijk een bruid, voor 't respireeren.
Hot wand'len boven 't worgen mint: Gelijk een hooge rechterschouder
Den linkerschouder lager maakt:
Gelijk men wel door jaren ouder
Maar nooit door jaren jonger raakt: Geljjk op dertig February Geen mensch ooit port drinkt of canary,
1-28
Zesde brief van den schonlmeester.
Dan om een laffe bluf te slaan:
Gelijk een Turkachu kemeldrijver. De zandwoestijnen ingegaan,
Zco liy geen tlollandsch mocht verstaan, Uw laatste werk, o vruchlbre schrijver,
Nooit uit verveeling op zal slaan;
Gelijk nog wel eens aan een vijver, â Maar schaars, uit militairen ijver En met een schutterspakjen aan â Een reiger hljjft op schildwacht staan: Gelijk in Holland eens üranjo
Een slingersteen van centnaars vracht Sloeg naar den kop van 't machtig Spanje En 't reuzenhoofd aan 't duizlen bracht: Gelijk de vruchten onzer lenden
(Mijn beurs gevoelt dit, op mijn woord) Ons dierder zijn dan onbekenden,
Van wie men nimmer heeft gehoord: Zoo zeker zal ik u â om te enden â 't Deloofde lied voor «Hollandquot; zenden.
129
GEDICHTEN y. D. SCHOOLMEESTER.
9
FABELS ETK YERTELLINGEN.
DE LEEUW EN DE RAT.
EEN FABEL.
Een bejaarde leeuw zat geweldig in het naauw;
Want hy had juist de jicht, en de jager was hem te gaauw:
Hy was dus in een net geloopen, door vernuftige mannen,
Een week te voren, ton behoeve van ZEd. gespannen.
Dit ziet een bejaarde rat,
Die, door grijze ervaring op alles gevat,
By zijn eigen dacht: »het kan mij nooit hinderen:
«Helpt hot my niet, het helpt misschien mijn toekomstige kinderen, »Zoo ik vandaag den leeuw uit zijn lastige pozitie bevrijd,
«Doet hy mjjn famielje licht een wederdienst op een anderen tijd.quot; Zoo denkend slaat hy aan 't krabbelen en bijten met tanden en klaauwen, Tot hy eindelijk een fameus gat in het net weet te knaauwen.
En naauwelijks zijn de mazen aan alle kanten kapot,
Of de leeuw kamt zijn manen en zeit: »je bent waarachtig een knappe rot «Ga gerust naar huis: ik zal je zoo licht niet vergoten.
»A1 stonden er nou twintig gebraaien rotten op schotel, ik zou er geen
een van eten,
«Uit pure dankbaarheid jegens u, en tot vorstelijk onderpand «Van hetgeen ik zeg, aanvaard mijn klaauw of rechlerhand'' â
Maar ons rotjen, als een man van verstand,
Sprak; »een man zijn woord, Sire! was altijd voldoende in on8 land;
De leeuw en de rat.
«Doch zoo UEd. er niets tegen hebt, plaats dan liever ons verdrag in
de krant;
«Want daar de diensten van de kleinen door de groeten zoo gaauw
worden vergeten,
»En de kleinen nog op den koop toe door de grooten worden gebeten, «la het boter, dat mijn natuurgenooten uw besluit uit de papieren weten ? ' De leeuw toont hierop terstond zijn erkentenis.
Door 't passeeren van een notariëele schuldbekentenis.
Dat namelijk, daar hy zijn leven te danken heeft aan een rat. Laatstgenoemde dezelfde aanspraak op zijn medeleeuwen had.
Dat, zoo hy hem vervolgens in 't voorjaar een goudsche kaas zag eten, Hy hem zoo stil als een Dominee zou voorbygaan, als of hy er niets van
wou weten.
Ofschoon hy in zijn jeugd byzonder op ratten was gebeten;
Doch deze reize, door dankbaarheid aangespoord,
Had hy, om zoo te spreken, zijn natuurlijk instinct en inclinatie versmoord.
De moraal dezer fabel leert ons, of ik heb het mis,
Dat niets, voor iemand die het doen kan, onmogeljjk is;
En dat, zoo men onder zwarigheden moet zwoegen.
Men zich maar onmiddelijk tot een ratjen heeft te vervoegen.
Of zoo men dankbaarheid wil in onze 193® eeuw.
Men maar dadelijk belet moet laten vragen by een leeuw,
Men hoort my niet zeggen: gaat naar de menschen.
Want wie dit doet, dien zou ik een beter gebruik van zijn tijd toewen-
schen.
131
De fatsoenlijke keeshond.
DE FATSOENLIJKE KEESHOND.
EEN FADEL.
Slirabüe dicta!
'k Wed, lezer I dit begin verschrikt DE KEES SPREEKT.
Dag en nacht.
En met mijn staart bevracht,
Dikwijls zonder dat iemand mijn ontbijt my bracht,
Of, behalve ik, er aan dacht,
Zit ik op do wacht,
En waak, met mjjn ooren overend, op deoz werf,
Tot bescherming van huis en erf.
Bedelaars en dieven, en anderen van mijn naamgenooten,
Bijt ik terstond in de kuitelooze pooten.
Eer zy zich tweemaal aan do kleine steentjens stooten.
En trouwens, als ik maar kef Of mijn neus boven mjjn tanden verhef,
Zijn zy al weg eer ik 't besef.
Maar komt 's nachts een fatsoenlijk man
Met een oranjelintjen an â En die een levertjen betalen kan â
Om de jonge juffrouw, net als Don Juan,
In een cales of sharaban.
Dan hoü ik mo maar doof cn weet er niet van;
Want ik denk altijd; tegen mijn meerderen te bassen.
Dat ware, als blafte ik tegen de maan, en 't zou my niet passen,
Leer hieruit, o jeugd, hoe gelukkig het is in der daad.
Dat een Kees in den Raad,
132
De kaasmaker.
Op 's Lands werf of op straat,
In Pensionaris-, Minister- of bedelaarsgewaad,
Zijn eigen meester nog eer dan de üranjelui verraadt, Als men maar altijd mot gebraad,
Een pons, of een lever in de baud rtw*.
DE KAASMAKER.
KEN FABEL.
Een dorp'ling, op zijn paard gezeten.
Ging naar de Gouwsche kaasmarkt toe. Hy had in lang geen kaas gegeten En voelde zich dus blij te moe;
Want op hetgeen hy niet bezit, Is mensch en dorp'ling 't meest verhit.
Het was een zoele zomermorgen:
'tWas niet in slachtmaand ; doch inMsi. »De lui, die u die kaas bezorgen, 10 Mensch! die leevranciers zijn wy.quot; Dus sprak, op 't zien van onze twee, Vertrouwljjk tot mekaèr het vee.
«'tig waai-, daar is een kaas in 'tleven,
»Die hoofdkaas wordt door u genoemd; »Dooh dees wordt u door 't vee gegeven, »Wanneer 't tot sterven werd gedoemd. »Zy wordt door 't varken u gebracht, »Na dat het varken is geslacht, »Ja, trotache mensch, dit moet gy weten, »Gy, die do kaas snijdt op uw paard, »Gy kunt geen klein Edammertje eten,
183
De kaasmaker.
ïOf 'tis u door do koe gabaard. «De molk, die tot de kaas behoort, «Brengt ome schoone sexe voort.quot;
Maar zie, daar treedt in volle pracht Een schaap te voorschijn met zijn vacht, En spreekt: »o Ossen ! wordt gy dol 7 »0 koeien! krijgt gy 't in uw bol ? »0 kalfskop! raakt uw brein op hol? ))0f zijt gy blinder dan een mol, «En houdt ge u, of gy zoudt vergeten »De schapenkaas, die menschen eten? «Het keurig lammerenprodukt «Dat na don disch de maag verrukt? «Kwansuis of gy 't niet hadt geweten ? «Wy toch, zoo wel als gy, o veel «Doen aan de kaasnegotie meê.quot;
â «Jandorie!quot; zegt hierop een ram. Die om to luistren naderkwam,
«Ik dacht voorwaar niet, juffrouw Lam, »Dat gy zoo dapper wist te spreken «En lansen met den vijand breken. «Kom, volg my naar het echtaltaar »En worden wy terstond een paar.quot;
De dorpeling gaf hier den zwiep Aan 'tros, dat dit gezwets ontliep.
134
De wolf en het lam.
DE WOIF EN HET LAM.
EEN FABEL.
(La Fontaine nagevolgd.)
»Zeg eens krullebol,quot; sprak een wolf tot een lam by een beek: «Waarom sta jo daar zoo te drinken als of geen mcnsch er naar keek 7 o't Wordt hoog tijd, dat ik eens kennis met je maak en je wat nader spreek sEn dat zal heel wat andevs zijn, dan met rammetjens te vrijen. »Wou jy nu hier het water bederven; dat zal ik niet lijen.quot;
«Maar mijnheer !quot; sprak het lam: shoe heb ik het nu ?
⢠Hoe zou ik n 't water bederven, ik sta immers veel lager dan U.quot; De wolf kon die aanmerking, of dat slechte Hollandsch niet veeion; Want wolven zijn altijd gesteld op krakeelen:
En zei: «als je daarop durft staan,
»Je hebt het vroeger al zoo dikwijls gedaan.
»!k laat me door zoo'n kleuter als jy bent, niet verlakken.
»Je hebt het my zes maanden geleden nog eens gebakken.quot; nik verklaar u,quot; zei 'tlam, j, op mjjn woord van eer,
)Dat ik toen nog als ongespeende zuigeling in de wieg lag, mijnlieer.quot; «Wel lammetjen!quot; sprak de wolf, en kwam al nader en nader: «Was jy 'tniet, dan was het je schoondochter of je vader.quot;
»Ik heb nooit geen vader of geen schoondochter gehad,quot;
Sprak het lam, dat al beefde als een koortsig blad,
En by deze gelegenheid zijn heelen stamboom vergat.
«Hou je me voor de mal?quot;, zei de wolf; «ik zal je verleeren, »Fatsoenljjke lui op zoo'n manier te mystiflceeren.quot;
Hierop verslond hy met huid en haar Het geheele lam, of t een Engelsche oester waar.
En bracht de rest naar huis om er zijn kindertjens op te trak'cr:
Het lam had hieraan natuurlijk het land;
Doch voor den wolf was hot net oen kolfjcn naar zijn hand.
135
De vlooi, de makelaar en de reus.
Sutiapon en kinderen: leert hieruit, dat, zelfs by stille beken,
lion wandelende wolf' maar liefst moet worden ontweken,
Of je moest door uw ouders eerst voorzien zijn geweest
Van een sterke kindermeid, die een partuur is voor zulk een becat.
DE VLOOI, BE MAKELAAR EN DE REUS.
EEN FABEL.
Als je pas uit de Amatelstad kwam,
Dan zei je ; âwat is 't hier toch klein in Edam 1quot;
Maar kwam je weer van Buiksloot,
Dan zei je: âdat Edam is je wat groot.quot;
»Wat is het van nacht ongemeen drukkend weêr ) Ik zweet me dood, op mijn woord van eer!
«Het loopt langs mijn wangen als schoenesmeer,
fEn wat trekken die vlooien hier ongemanierd van leer:
t-Mijn gansche tabernakel doet me van 't krabbelen zeer.
»Wel foei! dit is voor de eerste keer,
»Dat ik van mijn leven boven een bakkery logeer;
«Maar by leven en welzijn doe ik het nooit weer.'
Dus sprak een Makelaar in teer,
Een gezet, oud Heer,
Vijf voet groot ongeveer,
En liep het slaapvertrek rusteloos op en neêr,
In zijn nachtgoed, net als een witte beer.
«Wat een berg «Van redelijk vleesch en merg!quot;
Zei intusschen, zonder erg.
En in 't voorbygaan, een nijvre vlooi, één van die sociale huisvlooien, Die 's zomers in de warme plooien
136
De vlooi, de makelaar en de reus.
Van een menaeh zijn gewaad,
Of van zijn hals, of wel op zijn gelaat.
Zijn huisselijk geluk komen voltooien,
En zijn sponde met slaapbollen strooien: Ja aldaar inderdaad â Als men er aan denkt wordt men immers kwaad â Terwijl 't weerglas op negen en negentig staat.
Tot zijn verdriet, onder 't laken,
Allerlei bokkesprongen maken Om zijn bloed te schaken.
«Een berg? â
»Je meent zeker een dwerg ?quot;
Roept hierop een Philistijn van een Reus,
Met een neus Zoo fameus Groot, dat er hens â En ik geef je do keus â
Onder al de tabakswinkels binnen de stad Geen één is, dio op zijn visites het had.
Want naauwlijks komt hy aan do toonbank eons snuiven, Of 't begint de gansche buurt door geweldig te stuiven. En de schoonmaaksters â die trouwens geen van allen Op heur mondtjen zijn gevallen â
Roepen onder 't niezen allemaal:
«Is dat die lange klaplooper wour van eon snuifslikker, nfjie leelijke sladood van een Franschon vogelverschrikker, «Met zijn kalen knikker,
nDie hier al dat stof maakt in 't portaal? «Och, geef je neusdoek eens eventjes, Aall »Dat niezen, meidlief'! maakt me sikker.
»Wat een ongepermitteerd schandaal «Voor een dagloonster met een borstkwaal...
»En 't stuift hoe langer hoo dikker.....
»Ik woü dat die hannekemaaier met zijn gemaal «Zijn eigen inslok, die weêrgasche wnrgpaal!quot;
De mop en de keet.
't Was oon Rous kortom,
Zoo groot als 't vaantjon van d'Utrechtschon Dom,
Vooral als hy op zijn teonen klom. â
Doch hier zegt een leerzame knaap; »Ik weet niet waarom »Ken vlooi den Makelaar groot noemt en de Reus noemt hem klein.quot; Wel, omdat Makelaars kleiner dan een Reus en grooter dan vlooien zijn : Want alles, zie je jongeliefl Is in de Natuurlijke Historie relatief;
Dat spreekt als een brief.
DE MOP EX DE KEES.
EEN FABEL.
Wie *t onderst uit de kan begeert,
Heeft Boms aan 't lid zijn neus bezeerd.
ESCABBOCCLE
Heu stirpem invisam I
Een mooie Mop,
Zoo vlug als een barbier in galop.
Pas uit don dop.
Met een beeld, een knop Van een neue, â »net natte drop.quot;
Zei de hondendoctor: «en een tong als aalbessensop,quot; â
Enfin, een wassen pop Van een jongen Mop,
Lag voor de deur, in een geel envelop,
Met zjjn nieuwen staart onder zijn arm, en zijn ooren op En zoo deftig als een Aartsbisschop,
Maar zonder kraag om zijn krop,
In de zon een pamphlet te lezen
138
De mop en de kees.
(Door wijlen den Inspecteur-Generaal Van 't »viervoetigquot; Hospitaal),
Dat, naar ik hoor, zeer fraai moet wezen.
En zelfs in 't «redeloosquot; Handelsblad werd geprezen:
tOver de leverziektequot; namelijk vonder de Keezen,quot;
»En hoe die kwaal,
»Voor den »vernuftigenquot; mensoh zelfs fataal,
tHelaas! maar al te menigmaal «Onder dit «onvernuftig veequot;
(Volgens Gravé) '),
»Die bleeke keffers, uit happige eigenbaat.
»Hyeenache hebzucht en galzieke overmaat «Van duivelen-wangunst ontstaat,quot;
Toen, of het toeval 't woü,
£en oude sjouw Van een stoffel.
Zonder wenkbraauw.
Met een oog als bezweken kabiljaauw,
Zijn hiel door zijn ééne mouw.
En zijn elleboog door zijn andre pantoffel...
â Wat doet zoo iemand in de kou? â
Enfin, een Koos, zoo verwaand als een paauw,
Mank aan alle vier, maar anders vry gaauw.
Met zijn staart iri zijn rokzak, en een lever in zijn bok,
(Hoogst waarschijnlijk ontvreemd onder 't gesprek Aan d' een of d' ander slager in lamsvleesch of spek;
Want in 't kapen zijn Keezen alles behalve gek)
Aan komt klauteren over 't gegrendeld hek.
Net vis-a-vis Mop.
â Met zijn staart thands op â
En in 't passant «bonjour Iquot; zoit: «gaat het je nog altijd gelukkig
1) Deze was, in de dagen toen onze Schoolmeester nog een Hchoolknaap was, een alteur van het Ilaagsch tooneel, heroemd wegends zyn letterlijke overzettingen van. Fransche en Hoogdaitsche tooneelstukken.
N. v. (L U.
De hond.
»In Holland, Geeltjon? want fortuin h zoo nukkig?quot; â ».la, perfect, manke sneeuwbal! maar niet jou gaat het krukkig.quot; Waarop Kees grimmig doorklimt; doch naauwlijks in den top Van gemeld tuinhek, in d' effen vliet â Daar Mop intusschen aan 't blaffen schiet â
Zijn eigen met een tweeden lever in zijn mond ziet,
En terstond â en wat Kees deo het niet? â
Twee levers voor één verkiest;
Uoch â daar Mop nu verbaasd zijn oogen wrijft en niest â Z|jn equilibrium en de hensselijko lever verliest, En, ofschoon hy braaf «help!quot; riep in zijn verdriet, üt volgens Siegenbeek zelfs jihullep!quot;, het hielp hem niet. !gt; Keesjen-lief viel in 't watertjen diep,quot; ')
Waar hy natuurlijk tegen de lamp aanliep.
En dadelijk als drenkeling ontsliep.
Terwijl Mop in zijn eigen blaft; «Kijk! De Inspecteur heeft gelijk.quot;
Moraal.
Waar ik een gesneuveld Minister,
ik hield van zulke fabels een register.
En ik schreef: Cui bono?
Aan Pio Nono.
DE HOND.
EEN FABEL.
Een hond, Hektor geheeten, had by nacht Over een mand keukenbeacli uiten de wacht. Met strikt bevel
1) Een oud straatdeuntjen, uit den t ijd van Kaaljen Mossel.
N. v. d. S.
De hond.
Op het stelen der beschuit, zoowel Geheel als gedeeltelijk te beletten;
Waarom zou men hem toch anders op schildwacht zetten?
Hektor begreep dit ook zeer goed,
Heter dan monig ontfanger of eerste minister het doet,
Kn hy had, op zijn best, een kwartier of zoo te schilderen gestaan, üf daar komt, in 't verschiet, by het licht der maan.
Een jonge Kees met de hondeziekte aan.
En regelrecht (dat 's zoo klaar als een klontjen)
Op de beschuitmand af van ons waakzaam hondtjen.
«Qui vive /quot; blaft Hektor met een stem als een sergeant-majoor j »Of versta je altemet geen Fransch, en bon je doof aan dat oor, «Dan vortaal ik't in: wie daar;.., in allen geval je komt er niet door.quot; Doch Keezen, verhit op roof,
Zjjn gewoonlijk Oostindisch doof:
»Ja wel, sla maar door, krullebol,quot; zegt deze, en met hair en huid Verdonkeremaant hy de mand beschuit.
Om het kort te maken,
Het loopt op bakkeleien uit en Keesjen krijgt laken,
Slaat aan 't janken en andere muziek En schuurt op drie pooten zijn piek.
Doch, terwijl Hektor n0. 1 dus op doet dansen.
Zit n0. 2 reeds by de mand te schransen ....
En Hektor staat verstomd, met zijn handen op zijn rug:
Want daar komen bovendien twee manke Moppen over de brug,
Mede rechtstreeks aan op het snoeperijtjen.
Beiden natuurlijk met een keezen-appetijtjen.
En steken het delikaat gebak Dadelijk in hun mond, by gebrek van een zak.
«Weet je wat/' zegt Hektor, uplaatpoetsen zit niet in mijn aart,
«Want ik heb een oudste dochter die als waker op den beurtman vaart.....
»Maar één tegen vier is geen partuur,
âvi »En daar is geen hond in de gansche natuur,
«Noch in de Vereenigde Nederlanden,
gt;Dio een mand levensmiddelen beschermt tegen zooveel keezentamlen. »Doch ik heb nog één middeltjen in petto,
141
De hond.
dAIs menheer do Italiaan zei met zijn stiletto,
«Om de beschuit, die het korfjen verciert, »ïe verdedigen tegen dit ongediert;
(«Want aan zulk janhagel den naam yan dieven te schenken, »Zou mijn gevoel, als hond van eer, te veel krenken.)
«Het best van allen »Is, zelf op het proviand maar aan te vallen.quot; â
Zoo gezegd, zoo gedaan :
In eigen persoon tast nu Hektor het spjjskorfjen aan.
En eer iemand, die in 't hoofd verstopt is, zijn neus kan snuiten, Is het lot reeds beslist van de mand beschuiten;
Terwijl Mopjens, Kardoezen en Keezen inkluis Op een pruikmakors drafjen afpoeieren naar huis. â
Moraal.
Dees Fabel leert ons, zoowel als de Geschiedenis,
Dat do vraatzucht van Keezen onverzaadbaar is.
En dat zy er nooit eon been in zien,
üm zich met hot eigendom to verrijken van andere liên.
Doch ten tweede doet de Fabel ons duidelijk aanschouwen, Hoe men somtijds den wil voor de daad moet houên,
En hoe men, als men zijn bast doet, en niot kan slagen,
Zich maar als bovengenoemde hond moet gedragen.
»Je meent natuurlijk Hektor?quot; zegt hier iemand terstond: â gt;Mijnheer, ü neemt my het woord uit den mond!quot; â
142
SYRISCHE POÃZT.
BAREND DE SCHUTTER.
KRIJGSROHANCE UIT DEN OUDEN TIJD, VERHAALD DOOR EEN VADER AAN ZIJN ZOON JASPER.
Ziet gy dien heldenstoet, mijn zoon!
Die langs de straten wandelt,
En dien een dankbaar volk om 't zeerst Met consideratie behandelt?
En ziet gy dien Tamboer-Majoor,
Met een muts op, zoo hoog als een trommel?
Tamboers en Pijpers staan onder hem,
En zy vreezen hem als den drommel.
En hoort gy 't daavrend tromgedruisch Wel dier muzykale dapperen?
En 't vleugelfladderend handgeklap.
Dat 'a Lands vaandel maakt in 't wapperen ?
Ziet gy die schaar aan deur en raam. En hellend dak vergaderd ?
Die tranen stort of haar neusdoek zwaait.
Naar mate de legerspits nadert?
Barend de schmier.
En merkt gy wel, wat menige spruit
Reeda verzocht hoeft aan een van zijn ouders'?
Men ziet toch byna geen vader hier,
Die geen kinderen torscht op zijn schouders
Ziet gy dien officier, mijn telg!
Die, ginds te paard gezeten,
Door ieder, die hem hier omringt,
»0 Overste 1quot; wordt geheeton?
Hy draagt vergeefs geen krijgsrapier,
Mitsgaders twee pistolen,
Waar hy den dood op 't lijf meê jaagt Aan Belgen, mijn zoon, en Spanjolen.
En ziet gy d'anderen officier,
Die, met twee epauletten.
De legermacht, aan hem toevertrouwd, In beweging weet to zetten ?
Dit is een heldenpaar, mijn kind I Verschrikbaar koon in 't strijden;
Doch die zich in den vrede thanda Mot ons en mamalief verblijden.
Dit is Kapitein en Kolonel,
De hoogste en hachlykste ampten,
Waarvoor, in heilig vuur ontgloeid.
Met clkaêr tweo schutters ooit kampten.
Doch merkt gy, hoo die krjjgsgoón nu Hun ziedend blood bedwingen,
1) Wanneer in den ouden lijd de schnttery voorbyti ok, werden jonge Hnderei. doorgaans door Uun voorgeslacht op de schouders genomen, opdat zy beter mochten zien.
N. y. d. S.
144
Barend de schutter.
En er haast nog makker uitzien dan Eon bejaard paar ouderlingen'?
Zy groeten iodor zeer beleefd,
Atlabel, mijn zoon, voor hun minderen:
Ginds komt zelfs den Kolonel zijn vrouw Mot de baker aan en de kinderen.
Zijn kroost werpt hy een handkus toe,
Zijn gade een blik vol vrede;
Doch don zuigling neemt hy en passant Ondor-de-man op 't slagveld medo.
Met slagveld meen ik een stuk lands,
Door vaderlandslievende Heeren,
Aan de Stadsschutterij per maand verhuurd, Om te Bohieten en te exerceeren.
Met Schuttery meen 'k een armee,
Gedosoht in lakensche rokken,
Met oen witte broek aan by mooi weêr '),
Doch een blaauwe, als de lucht is betrokken.
Met Schutter meen 'k een ambachtsman.
Of wel een dior groote heeren,
Die nimmer naar de parade gaan.
Of zy laten vooraf zich scheren.
Een Schutter geeft met vreugd zijn tijd.
Dien hy missen kan van zijn zaken.
Om zich tot oirbaar van het Land Familiair met de krijgskunst te maken.
1) In den ouden tijd bestond de groote tenue van een schutter des zorvvrs voornamelijlc uit een oude witte broeit. N. v. d. S.
GEDICHTEN V. D SCIIOOLMEESTEÃ. 10
145
Barend de schutter.
Hy woet behendig, waardste spruit!
Zijn snaphaan af te schieten Op 's vyands bataillon carré,
Zonder iemand zijn bloed te vergieten.
Voor zwaard noch vnur is hy beducht:
Hy eet, om zoo te spreken.
De kogels, die een ander menach Zijn beenen of lendenen breken.
Men vraagt hem daarom vaak in 't vuur
«Is mjjnheer soms een Salamander?quot;
Doch âsimplex veri sigillumquot;, zegt hy:
«Neen, vijand! Ik ben Plattelander.quot;
Doch 'k zal, mijn kind, onder 't huiswaarts gaan,
Van een Schutter iets fraais u verhalen! Ter uitspanning zoudt gy het op uw school In 't Russisch kunnen vertalen.
't Gewaagt van 't roekeloost wapenfeit.
Te lang om hier te vermelden,
Doch 't geen den krijgsglans overtreft Van de fabelachtigste helden.
Achilles, Cromwell, Melpomeen,
Benevens de Thermopielen,
Hebben hier zooveel een hand water by Als A°. 30 de Belgen in kielen.
Gy moet dan weten, dierbre telg!
Dat eens op een Woensdag-morgen, Een Schutter op het oorlogsveld Voor 'b lands welzijn stond te zorgen.
Want hy was op de wacht, mijn spruit1' Of liever, op de patrouill-'..
446
Barend de schutter.
Patrouille is 'b nachts de ronde te doen Tot schrik van 's lands vyanden, voel je?
Daar stond hy in zjjn schilderlmis
Te rooken, dit puik der soldaten.
Hy had met vreugd, in 's Lands voegen nood,
Zijn affaire en zijn huisgoón verlaten.
Met vreugd zijn winkel en zijn vak
Aan zijn weduw opgedragen.
En snikte: varmis toga zeg je maar,
«Als een klant soms naar me mocht vragen.quot;
Daar stond hy nu met zijn stoppelbaard
En knevels aan als een borstel.
En riep : skom vyand ! val me maar aan,
»Om te zien, hoe ik voor 't vaderland worstel.quot;
En fluks komt dravend op hem af
Een Heer te paard gezeten,
Een mensch met een dikke rijbroek aan.
Doch totaal in de krijgsdienst versloten.
â »Qiti vive!quot; roept de vyand uit:
gt;1 Bendez-vous, ventrebleu, vioille vache!quot; â »Rendez-vous met je grootmoeder, weergacsche Kees!quot; Roept de Schutter, met een stem als Lablache.
»AI hoort UE. onder 't paardevolk,
»En ik onder de voetsoldaten,
»Ik geef om UE. en uw merrie geen duit, «Die keurhengst zal hier u niet baten.quot;
â nParbleu caniversta meneer I
yiQui vivel vous pas comprendre.quot; â
147
Barend de schutter.
â ))'k Versta je perfekt; as je my niet verstaat,
«Zoo zend mc terstond maar een andre.
⢠Of hoort gy 't onverbasterd bloed «Van mijn nooit verwonnen vaderen,
«Reeds toen ik u zag aan 't zingen geraakt,
»Thans niet borlend my kooken in do aderen 7
«Of ziet go, uitheemscho bloodaart! ginds rNiet, bleek aan de avondkimmen,
«Van 't onvergeetbaar voorgeslacht »De gewijde Chineesche schimmen?
»Zy roepen: »»Barend 1 jongeliefI ««Gedraag je, meneer, als een Schutter.
««Laat geen vreemdeling toe waar 's Lands wiegjen eens stond ««Of hy kaapt er 's Lands brood en 's Lands hutter.quot;quot;
De vyand had in 't interim Volstrekt geen snuif genomen;
Doch zoodra het niezen hem beving,
Sprak do Schutter: «wel moog 't u bekomenIquot;
Doch thands vervolgt hy: »'t voorgeslacht,
«Beroemd als menachon van jaren,
«Zegt hier duidlijk : wie wiegjen of bakermat vraagt,
«Dien pak je terstond by de haireu.
«Wat let me daarom, onverlaat 1 «U op de ziel te spelen,
«Zoo je op dit dierbaar plekjen grond «Nog langer konfusie komt teelen?
»'k Ben toch volstrekt voor u niet bang,
«Mijnheer de garde champetter!
«Wat let my, mosjeul dat ik terstond «üier op 't oorlogsveld u verpletter.
148
Bnrord de schullfr.
iVan kindsbeen af' leerde ik reeds: sta pal!
»Zoo U daarom thands wilt wachten,
»Wio 't eerst van ons twee uit den weg zal gaan, »Dan moeten wy hier maar vernachten.quot;
De vyand, sprakeloos op deez' taal,
Met zijn paard in mijmring gedompeld,
Roept luid: «je me rends, lout perdu fors Vhonneur: tje me rends, sapristi, overrompeld.
»Wat baat hier borstplaat, wat heimet?
»Wat snaphaan met twee loopen ?
tJe mors plutöt vrijwillig in 't zand,
»Dan mjjn leven zoo duur te vei-koopen.
gt;Doch neen : laat naar uw beau pays »Me als krijgsgevangen verzenden:
tS'il est vrai dat nooit geen mensoh daar sterft, ') »Zal ik gaarne mijn daagjens er enden.quot;
Gelukkig was 't voor 't Vaderland,
Dat ze aldus tot een schikking het brachten,
Daar de vyand met zijn bloeddorstig korps Onzen Schutter reeds op stond te wachten:
En, eens de grenzen gepasseerd,
Wat jjslijk bloedvergieten!
Wanneer had zoo'n korps ooit hasla gezeidl Wie kan, Jaspers! een pijl hierop schieten?
Ons erf, mijn kind! ware eerst verwoest:
Wy vervolgends vermoord als slaven;
149
Onze zusters verkocht, onze nichtjens geveild, i En wy eindelijk levend begraven.
l) li den ouden tjjd werden gezonde krygsgevangenen natuurlijt zeer oud: 't geen licht dit dwaalbegrip heeft kannen doen ontstaan. N. v. d. S.
De profundis.
Mijn zoon I indien men do Schutters uit Dit oogpunt nu maar wil beschouwen, Dan blijkt het terstond, hoe veilig men hun 's Lands defensie kan toevertrouwen.
Ja, wakkere Schutters! zoo lang als gy
Onze grenzen verdedigt en kusten.
Zeggen wy, als wy 's nachts naar bed toe gaan, Maar aan 't Vaderland ; »wel te rusten.quot;
DE PROFUNDIS.
Wat doolt ge alleen door 't boschjen
En krijt uw oogjens uit?
Liefkind! waar is uw blosjen? My dacht, gy waart de bruid?,.. ...Wat ziet ze er aaklig uit!
Haar kaakjes ingezonken.
Geen leven in haar lonken.
Geen roosjens om haar mond. Haar lijfje gantsch geslonken,
En slechts haar keursjen rond! Daar zit zo in 't doodsch vertrekjen, By 't uitgeteerde vuur, In 't koortsig morgenuur, Met bleek en bibb'rend bekjen. Op 't slaap'loos ledekant...
Getuige van haar schand,
Haar hand om 't lieve nekjen, En over 't smarthjk plekjen Haar andro lieve hand.
150
De profundis.
»Reeds meer dan dertig weken,
«En nog, en nog alleen!...
»De rest is ras verstreken.
i)Mijn God! wdar moet dit heen ?
»Geen moeder in die stonde,
«Waar reeds mijn hart voor beeft, «Geen moeder by mijn sponde,
«Geen vader, die de zonde »Van 't schuldig kind vergeeft!
â »0! dat ik nog in 't wiegjen lag, »En 't lief gelaat dier moeder zag,
»Die, als een traan my blonk in 't oog. «Zich knielend by mijn wiegjen boog, tEn kuste en streelde, en koosde en zong, »Tot wéér de slaap haar kind bevong: »0! dat ik nog in 't wiegjen lag «En 't lief gelaat dier moeder zag!
»De moederlijke stem is zoet,
«Vooral daar zy 't uit liefde doet, «Wanneer zy voor haar schreiend kind «Het sussend wiegelied begint. â »0 stil geluid, vol melody I «Ach, lieve moeder, kom tot my!
»Ach! dat ik nog mijn vader had, »Die daag'lijks naast mijn wiegjen bad, »En toen hem 't kind bevatten kon, «Zijn eerste les met God begon ... »0 duiz'lend brein!.... o wiegoklank!.... «Kom, moeder, kom, uw kind is krank,.. »Ach! dat ik nog een vader had, «Een moederlief, die voor my bad!....
â Nu zinkt ze snikkend neder In 't sprakeloos gebed. â
151
Voorheen en thands.
Doch, van omhoog wordt teedor
Op 'tbiddend kind galet!.... De rust der ziel koert weder. De vlaswiek is gered 1 â
En toen nu 't uur der smarte,
Arm schaapjen, voor n sloeg, En toen uw krimpend harte
Van God ontferming vroeg... Toen zaagt gy, in die stonde Een moeder, die uw sponde
Hulpvaardig nadertrad, Een vader, die uw zonde Vergaf, en voor u bad !
VOORHEEN E5 THANDS.
Look here, npon this pictnre and on this.
Hoe minzaam speelt in 't herfstsaizoen Door 'truischond woud het licht der maan.
Hier zag ik ülga sidd'rend staan.
Zacht lei ze 'tkorfjen neer in 't groen £n snikte en vlood!.... Haar argloos wicht Ia thands apteker te Maastricht.
Do torenspits, met mosch omkleed,
Die 't nesteken van 't vooglenpaar (Zacht bruiloftsbed, zoet echtaltaar)
Een stille wijkplaats vinden deed,
Helaas! die spits is naar de maan En 't vooglenpaar heeft broekjens aan.
152
\oorheen en Ihands.
Eens zag ik hier het rijpend graan, Dat menig hart met hoop vervult, Als hoilbode op den akker staan,
Door 't zonnelicht in goud gehuld, Die gulden oogst, dat golvend geel Is thands by bakkers en werd meel.
De pelgrim, dio hier 't matte lijf,
Gebogen op den wilgestaf.
En zat van 's waerelds laf bedrijf,
Verpoosde op 't vochtig zooden graf, Die pelgrim, 't leven walgens moê,
Ging naar do markt en kocht een koe.
De wees, die nooit den liefdelach,
Den warmen gloed van 't moederoog. Zijn treurig pad bestralen zag,
Die, als hy hong'rend herwaarts toog, Slechts dorre stopp'len vond voor brood, Vaart thands als beurtman op Buiksloot.
Het koozend paar, vol zoeten kout. En zoeter hoop, wien 'theidegras, 't Verholen hoekje in 't kreupelhout.
Een keurlijk minpriëeltjen was, Ib sedert jaren man en vrouw.
En bakt thands pijpen in Ter Goü.
Eens zag ik hier een maagdelijn,
Zoo lieflijk als de dageraad.
Zoo fraai als weinig maagden zijn.
Zoo lokkend met haar lief gepraat. Dat aardig kind, vol zoet bescheid, 1b thands een grijze keukenmeid.
Ook ik zat eenmaai in dit woud. By 't lieve zilverlicht der maan.
153
Uitboezeming. Aan de Poëzy.
Naast bloempjens, zestien jaren oud,
Als of ik nooit weêr op zou staan. Thands zit ik met een dikke buik En met een slaapmuts op mijn pruik.
UITBOEZEMING.
toen mijne oudste zuigelingen begonnen te loopen.
{Vondel herdacht.)
O kindekens, wier lieve tred Het hart ons in verrukking zet, Wanneer gy huppelt langs de vloer En dwaalt als scheepjens zonder roer, En, dartiend, zonder dat gy 't weet Of wilt, op 't ouderlijke kleed In onschuld treedt.
Wie weet,
Of ge eenmaal al to met,
O smart!
Uw voet niet zet Op 't ouderhart!
AAN DE POÃZY.
(fragment.)
Steel nog eens het hart my binnen, Lieve zucht tot rijmlary!
Dat m' uw komst een heilbó zjj. Stil mijn zorg en streel mijn zinnen,
154
Aan de poézy.
Lieve kunst,
Verleen me uw gunst.
'k Wil van hoogheid niet gewagen, 'tNeedrigst is my hoog genoeg. Wat ook andren van u vragen,
Niets zoo klein als 't geen ik vroeg. Laat my onder bloemen spelen,
Die in stille schaduw staan;
Doe my 't needrigst liedtjen kweelen; 'tNeedrigst lied staat best my aan. Lieve kunst O schenk me uw gunst, enz.
MENGEL POÃZT.
AFGELUISTERDE TWEESPRAAK
OF DIALOOG
TUSSCHEN TWEE BEROEMDE HONDEN.
fidel.
Ben jy dat, Van Rjjn, met je nieuwen staart?
van rijn. ').
V\el neen; t is dezelfde als allo dagj maar ik heb juist verhaird.
fidel.
Je ziet er toeh schraaltjens uit; heb je voor schulden vastgezeten, Of misschien wel te veel lever gegeten?
Je neus is droog;
En je hebt iets van een gesneuvelden kabiljaauw in 't oog.
van hun.
Ik heb geen lever gegeten sedert April,
Toen do Leydsche diender my opsloot in do hal.
1) Zie de noot op b!z. 69.
Afgeluisterde tweespraak.
FIDEL.
Je moogt zeggen wat je wil, Wél benje niet, on als ik jou was ik gebruikte een pil In plaats van een been. Neem hierin een voorbeeld aan de menschen, Die, als zy ziek zijn, naar den Aptcker en niet naar don Slachter wenschen.
VAN RIJN.
Ik ben zoo gezond als een zoute visch en verre van ziek;
Alleen gevoel ik my wat lusteloos en cyniek â
Wat meer of minder lekkers kan my geen oortjen scheeien ;
Maar ik heb er gruwelijk het land aan, my te vorveelen.
Mijn moeder en ik, gelijk u voorzeker is bekend.
Zijn thands ingekwartierd by een jeugdigen proponent,
Die, by gebrek aan 't geëerde publiek, dat hem voor als nog schijnt te
ontbreken,
Ons eiken dag vergast op zijn aandoenlijke preéken En als wy dan in slaap vallen by 't begin van 't sermoen,
Dan schopt hy ons wakker en zoit, dat wy 't met opzot doen.
Alleen om een slecht voorbeeld te geven aan zijn toekomstige hoorders, En hy dwingt ons naar zijn witten das te kijken en zijn twee dito
vadermoorders.
En te luisteren, tot hy aan 't slot van zijn preek is geraakt.
Wat my bijster het land op jaagt en mijn moeder misselijk maakt.
FIDEL.
Dat 'b waar ook, denkt je moeder niet haast in de kraam te leggen ?
VAN RIJN.
Ja, en mijn zuster ook, tegen Maart.
FIDEL.
Dat woü ik al zeggen.
En ziet zy er op haar ouwen dag niet min of meer tegen op ?
Afgeluisterde tweespraak.
VAN RIJN.
Dat doet zy; vooral sedert het crepeeren van Maartjen Mop.
Dat was een bitter sterfgeval en 't heeft ons allen zeer gespeten.
FIDEL.
Wel, denkje dat het my niet heugt? Ik heb immers nog op 't begrafenismaal aangezeten, En mede van die smakelijke varkenspootjens gegeten.
Wat zal ik zeggen? Wy zijn allen sterfelijk ; maar't was altijd mijn leer. Men moet zich niet toegeven aan al dat gelamenteer.
Vertel my liever eens, hoe vaartje nicht, het smousj en van den bakker ?
VAN RIJN.
Heel wel, maar 't kind wordt 's morgens al te vroeg wakker Met builen.
FIDEL.
Je meent, builen om brood?
VAN RUN
Ja, ofschoon het zich nu en dan ook wel andere builen stoot.
Je zou 't schaap niet meer kennen. In plaats van geel Is 't wit.
FIDEL.
Hoe datT
VAN RIJN.
Wel, ja, van het stoeien in 't meel,
Net als alle kindren.
158
Afgeluisterde tweespraak.
FIDEL.
Well dat is heel netjens Voor menschen, die op 't ontbijt houden van warme cadetjens
VAN RIJN.
Ja, maar 't is goed dat men niet altijd weet Wat men eet.
Hoe veel kinderen heb jy nou ?
FIDEL.
Ik heb er Goddank elf.
VAN RIJN.
Elf! wat zeg jo?
FIDEL.
Ja, en mooie Keezen, al zeg ik het zelf.
Den oudsten durft geen hondenslager aan,
£n de twee jongs ten zijn als cadet naar zee gegaan.
Zonder tractement, 't eerste jaar op de beenen;
Doch zy krijgen lever en pens als het tweede is verschenen.
Enfin, 't ia altijd een begin;
Want je begrijpt, met oen talrijk gezin,
Stuurje ze zoo goed als het valt de waereld in.
VAN RIJN.
Zijn ze niet een weinig van 't hondtjen gebeten?
FIDEL.
159
Dat mag wel zoo; maar ik zou wel eens willen weten Wat Kees het niet is. Intusschen, wie heeft je dat gezeid ?
Gezeid, is het my; maar ik weet niet meer by welke gelegenheid, En of het de hond van Do Witt was of van l)ö Groot:
De dankbare zoon.
Ik zou 't jo niet kunnen zeggen, al sloegje me dood.
En ik wil er mijn hoofd ook maar niet langer moe breken.
Laat ons dus liever over iets anders spreken.
Heb je van daag de papieren gezien ?
fidel.
Neen, ik ga nooit naar
van rijn.
Well dan kan ik je iets vertellen, dat je verbazen zal. Ik raapte gisteren een ouwe krant op, waar een bal Kalfsgehakt in had gezeten: een manke poedel nam het meê, Alaar ik had liever gehakt gelezen dan Enschedé.
{Set vervolg ontbreekt.)
BE DANKBARE ZOON.
Ik ben een zeer gelukkig kind,
Wanneer men dit bedenkt,
Mijn vader is mijn beste vrind, Die my schier alles schenkt;
Zijn afgodragen zomervest.
Zijn oude broeken, en de rest;
Maar dat weet Moeders naaister bost.
Hoe lekker smaakt die boterham,
Met dat Sint Nikolaas,
Dat mijn mama my brengen kwam
In plaats van Leidsche kaas. En och! hoe menig arme man
ICO
De dankbare zoon.
Zijn zoontjon proeft daar nimmer van Daar do ouwo 't niet betalen kan I
En daarom noopt my dankbaarheid,
Reeds op het pad der deugd (Gelijk mijn vader dikwerf zeit)
Te wand'len in mijn jeugd:
Altijd den rechten weg te gaan. En, met mijn Zondags buisjen nan. Nooit ergens tegen aan te staan.
Wanneer Papa uit wand'len gaat,
Neemt hy ons dikwijls meó En reciteert soms over straat
't Sanscritiesch a. b. c.:
En, als ik 't hem dan nazeg, ik, Dan lees ik in zijn vaderblik:
»lk ben ontzachljjk in mijn schik.quot;
En daarom is mijn vast beslui',,
O dierbaar ouderpaar â
Dal ik, ofschoon uw jongste guit.
Uw meekrapkleurig hair Nooit grijs doe worden voor den tijd. Noch dat ik door gebrek aan vlijt Het vaderhart u openrijt.
Integendeel, door mijn gedrag Hoop ik al meer en meer, â Als ik het zoo 'reis noemen mag,
Te strekken tot uw eer.
Zoo moogt gy eenmaal, ouwo liêul Nog in uw jongsten telg misschien Uw evenbeeld gespiegeld zien.
Verleden week zag ik een zoon. Die zijne grootmama
GEDICHTEN V. D. SCHOOLMEESTER.
De velocipede.
JBohandlen dorst met smaad cn hoou,
De moeder van zjjn pa!
Hy zei, liaar man, die ouwe paai.
Sprak naamlijk als een schorre krun.i. ... â Dat stond dien jongen heer met fraai.
VELOCIPEDE.
A.
Vindje d'er ook een been in om eens een blufjen to slaan En in 't Haagscho bosch of in de plantagie eens uit toeren te gaan En de voetgangers verstomd te doen staan?
B.
Daar heb ik volstrekt niets tegen: het staat my zelfs byzonder aan; Maar het moet niet zijn met de trekschuit of diligence:
Want ik hou om den dood niet van onnutte dépense.
A.
Neen, het kost je geen cent.
En 't is heel pleizierig, als je eerst do manier maar kent.
B.
Hoe meenjo dat?
A.
Ik meen een velocipede op twee wielen.
Je stuurt met je handschoenen en duwt met je hielen En je zweet als een koetspaard; want 't gaat ongemakkelijk gouw.
Staaltjens van ydelhciJ.
B.
Dat 's moogljjk ; maar ik kan toch niet zeggen dat ik er veel van hou,' En als ik toch met mijn beenen werken moet,
Ga gt;k wat my betreft liever heelemaal te voet.
A.
Ja I dat 'a waar, knippen is ook goed.
STAALTJENS VAN YDELHEID.
Jfos poma natamns.
Zoo hopen dwaze panrdenvjjgon.
Die, daar ze in 't stinkend stalvocht staan, In hun vermeeflen drekhoop-waan Hun afkomst onbeschaamd verzwijgen En zweeren, dat ze uit zwommen gaan,
Door al dat gaad'loos bluffen slaan Tot hoogei- glorie nog te stijgen,
Een eeretytel te verkrjjgen.
En, recht men 's Landheers bruiloft aan, Als app'lcn op 't dessert te staan.
Zoo waant zich vaak 't bezopen veulen Der ezelin een jeugdig paard.
En, zoo het de ooren en de staart Slechts weg kan steken of verheulen,
Den hoogcn prijs van 't strijdros waard. Zoo laat een boer zijn nagels groeien.
En smeert zijn wenkbraauw met een kurk, En steekt zich in een wijde jurk,
En draagt een staart, gelijk zjjn koeien,
103
Baanvegers-lind.
Kn kapt zich ala een burgerwees,
En laat zich in zijn schaatsen schoeien,
En huurt, voor draak, een Leidschen Kees, Om naar 't Museum heen te roeien,
Waar hy zich aandient als Chinees.
BAANYEGERS-IiIED.
Leg reis aan ! leg reis aan !
't Leven is een gladde baan.
Bittere borrels of melk en saffraan!
â Vegertjen, bind my mijn schaatsen eens aan. â 'k Ileb het voor grootere lui wel gedaan.
Leg reis aan!
Bittere borrels of melk en saffraan!
â Vegertjenlief, hoe leg ik het aan ?
Vegertjen! 'k ben hier voor 't eerst op de baan. â Wil je niet zitten, dan moet je maar staan.
Net als je 't daaglijks in 't leven ziet gaan.
Leg reis aan!
Bittere borrels of melk en saffraan.
't Leven is een gladde baan.
Bitter en zoet uit een zelfde kraan.
Leg reis aan! leg reis aan!
Op het ontfangeu uan uieuweii harimj AJunrlentie. 165
OP HET OSTiAXGEJS VAN NIEUWEN' HARING,
O Haring, met uw pekolsmaakjen, O hartvei'kneutrend zeeziek snaakjen, Hoe dorstig, hoo gelukkig maakje
De maag, die van uw lekkers hoult. Gy zijt een fraai en snoeprig vischjen, In 't keurlijk pietercelie-dischjen,
Een malsche beet voor jong cn oud. Geef andren spekstruif of pastijtjens, Of Fransche lever-lekkernijtjens.
Geef andren haas- of hertebout. Of wel doortruffeld zwijnopootjeu, My is uw lieflijk middelmootjen
Het fijnst banket, en zoet uw zout.
ADVERTENTIE.
VAN DENSSUOOLMEESTER.
O Neêrland! stuur toch, blij te moê, Uw kroost naar mijn collézie toe. De beste school die ooit bestond Op ons gezellig waereldrond Men leert hier aan de lieve jeugd Het Engelsch, 't cjjfren en de deugd
Men zingt er en men leest cr: En elk diner, 't is geen bedrog.
Vindt gy als t'huis, ja beter nog, Vooral dat van den meester ; En ieder bed, net als by ons. Van zwanenhair en paardedons : Nog leert men elk zijn plichten hier
Toast aan Holland.
Als mensch, vooral eerst als scholier; Terwijl Mosjeu de jonkheid graag Met zachtheid leidt en niet met slaag:
Hy geeft dien wilden gasten, Opdat hy hun kolijken spaar. En 't geld in zijne beurs bewaar,
Geen andre straf dan »vasten.quot;
TOAST AAN HOLLAND,
TER EER VAN VIJF HOLLANDERS, DIE, AAN MIJNE TAFET. GEZETEN, ALLE VIER IN DEZELFDE WIEG EN BAKERMAT WAREN GEWONNEN EN GEBOREN.
Wat land is grooter ooit geweest
Dan 't onze in 't schoon verleden. Eer nog een helsche Keezen-geest
Oranje er had vertreden?
Eer nog een Fransche rakker kwam Die Hollands hart uit Holland nam.
O! mocht ik eens Oranjes geest
By allen zien herleven,
En iedereen, ja mensch en beest,
Oranje hulde geven.
En mensch en beest op d'achtsten Maart i) Te voet zien wand len of te paard,
166
liet lieve lint aan borst of staart.
1) De verjaardag van Trina Willem den Vie (Prinsjens-daq).
Dr. vriendschap.
DE VRIENDSCHAP.
EEN TOAST.
Do hand des tijds slaat zware builen En itort, behalve de eerezuilen,
't Gevlochten wiegjen zelfs in puin. De sausbaars en champagnewijnen, De truffels, dio op uw festijnen In keurige patés verschijnen,
Men ziet hen sneller nog verdwijnen
üan burehtkasteelen van arduin. Do bliksem velt den trotsohen ceder:
liet oud paleis stort krakend neder;
Doch in het nieuwe zit gy weder, ia raaklijker dan in een ceder.
Ten zij gy soms een lokvink zijt; â Maar, lokvink in het beukelover.
Of op 't Casino harteroover,
't la spoedig met u beiden over,
Geen zuigpomp werkt gelijk de tijd.
Maar vriendschap, boven tijd verheven, Vindt op geen pomp haar naam geschreven. Zy weet vnn sukkelen noch beven,
Van borstkwaal noch verkreukt gelaat. Gy ziet haar, als uw ceders sneven. Met Haarlems hakhout weêr herleven :
Haar avondstond is dageraad.
NOG EEN TOAST AAN DE VRIENDSCIUP.
Hoe zoet is 't, waar de Vriendschap woont, Waar haai en haring zich vertoont Op amicalen voet.
1(57
Wekkers. Het ijs.
De snoek de vorens respecteort £11 familiair met hen verkeevt
Gelijk m' op aarde doet.
0 laten wy, in onzen kring,
Als menschen van verstand, Dan met elkaêr en onderling Ons hechten in een vrioudschapsband ïot nut van 't vaderland.
WEKKERS.
In 't onbekende Zuiën,
Waar men onder anderen van klokken en pendules niet weet, mitsgaders
van 't beieren, kloppen en luien. Weten de horologieniakers natuurlijk met hun leêgen tijd geen raad. En nemen daarom dienst als wekkers ten nutte van den Staat;
Hi8
En als je dan 's morgens eens heel vroeg klaar wilt zijn, gewasschen tn Dan wekken ze je gewoonlijk 's avonds te voren. geschoren,
HET IJS.
Het maagdlijk ijs is minder glad, O jeugdlief, dan uw levenspad.
liet dak. 's Levens schouwtoonccl. Bericht.
1C9
HET DAK.
Het ncstjen schuilt op 't dak
En 't wiegjen schuilt er onder; En beiden, door Gods oog bewaakt, Is dit geen liefdrijk wonder I
'S LEVENS SCH OUWTOONEEt.
Het voorstuk is couleur de rose, Dan komt er, wandelaar, een pauze, En 't naatuk is tout autre chose. Besteed de pauze, o wandlaar, wel, Het spaart na dato veel gekwel.
BEEICIIT.
Ik heb een familiegeheim u mede te deelen: Dat namelijk mijn vrouw bevallen is van twee filomeelen Van kinderen, die beiden liggen te zingen in de wieg. Als ongespeende Jenny Lindjeng, zoo ik my niet bedrieg. Het is reeds de tweede keer, dat my dit overkomt, En do buurt staat er deze reis van verstomd;
Vcor- en Nageslacht. Puntdichten.
Doch de drie vorige tweelingen Waren de broêrs van deze en derhalve jongelingen.
De een ging met oen cargo kachels naar Java:
Kn de ander verslikte zich op den Vezuviua aan gestolde lava.
VOOR- EN NAGESLACHT.
VOORGESLACHT.
Ruige borst en breede schouders Leeuwenhart en aadlaars oog; Rijzig kroost van reuzen ouders Vorstlijk zaad, in adel hoog: Vol van bouw en moed en kracht, Onvergeetbaar voorgeslacht.
NAGESLACHT.
170
Bleeke kindren, kranke moedors, Neven met een breukband aan, Scheele zusters, bochelbrocdors. Vaders, die uit kuchen gaan, Ramlend vee, met kwik bevracht, Machtloos, mislijk nageslacht.
PUNTDICHTEN.
OP WEESKIND.
O welgoateldo rijkaart, beschouw toch den arme als uw broeder. Hier woont een behoeftig weeskind by zijn vader en moeder.
Puntdichten.
Dgzo vlijtige woosjongen doet boodschappen en draagt vraolitjons op zijn
schouders,
Om een stukjen broods te verdienen voor zijne behoeftige ouders.
op bevangen ziekentoooster, die van leyden naar den itaag moest.
Daar ik een nat zeil heb, zoo ben ik bang,
Dat de weg eer te breed zal zijn dan te lang.
op dronkaart.
Een dronkaart, van wien men niet leest.
Dat hy zjjn neus tegen zijn achterhoofd heeft willen breken. Of zjjn pijp aan een emmer water ontsteken,
Is iu veler opinie nooit recht dronken geweest.
op bochel.
«Ieder heeft zijn gebreken,quot;
Zei een bochel, toen hy zijn eigon van achteren had bekeken.
op natte iiondeneus.
Waarom is een houd Toch zoo gezond? -Die er niet op gevat is,
Zegt: «omdat zjjn neus zoo nat is.quot;
171
Grafschriften.
Doch iemand, die logica leert,
Zegt terstond: *'t is juist omgekeerd.quot;
OP DOOD PAARD.
V. Wanrom wil een dood paard niet meer loopen? â
A. Omdat men anders zoo veel doode paarden voor levendige zou ver-
koopen.
OP BLINDEMAN.
V. Wat is de reden, dat een Blindeman niet ziet? A. Iemand die zien kan, is de ware Blindeman niet.
OP VERGEVINGSGEZINDHEID.
Ik wil, zei Jan, nu ik verhuis uit dit loven,
Meel garen aan Piet alles vergeven Wat hy jegens my heeft misdreven.
Maar zoo hy te met exteroogen op mocht doen,
Dan wunsch ik hem alle daag een wandeling in een naauwen schoen.
GRAFSCHRIFTEN.
OP KAREL I.
Daar men my van mijn hoofd heeft ontbloot, Zoo vind ik mijn kist toch wel wat al te groot.
172
Grafschriften.
OP POOT.
Hier ligt Poot: Hy is dood.
OP BILDERDIJK.
Geen grafschrift zoo rijk Als uw naam, Bildordijk!
OP LEYDSCIIEN HELD.
Wy waren drie broêrs ; doch daar ik gesneuveld ben in 't beleg van I eien, Zoo zijn we nu nog maar met ons beien.
OP TOONEELDIRECTEUR.
Wandelaar, hier ligt Jan G...,
Die wel wou dat hy 't mis had en dat UEd. het was.
OP N. N.
Dat Heertjen dat hier leit, Dat is zijn leven kwijt.
173
Grafschriften.
OP JEUGDIG FLUITER.
In dit kleine kiatjen Leit eon jong fluitistjei
OP AANSPREKER.
Deze Bidder had heel veel verstand van zijn zaken;
Maar zijn eigen dood heeft hy toch niet bekend kunnen maken.
OP KLEÃREMAKEB.
-Hier ligt een klecrcmaker met kastanjebruin hiir in de kist; Dat zou je niet makkelijk raaien als je 't niet wist.
OP WEKKER.
Hoe langer hoe gekker! Hier slaapt Jan de wekker.
OP MATROOS.
Ik leg hier als een varken in mijn kist, potverblommen!
Ik heb al veel beleefd; maar zoo iets is my nog nooit overkommen.
m
Ggt; afschriften.
OP GÃNÃREUSEN JOOD.
Die my hier woér uitholpt, 't zij door gewold of list, Krijgt f 2,50 vrij geld, benovens het hout van de kist.
OP NAARSTIGE JUFFER.
Men kan alle dingen zoo maar van te voren niet weten,
Anders had ik nou in mijn eenzaamheid mijn breiwerk niet vergoten.
OP IEMAND ZONDER NEUS.
Ik kan toch meer zoggen, dan de meeste lijken,
Dat je my namelijk nooit op mijn neus hebt zien kijken.
ANDER.
Men heeft my nog nooit met reden kunnen verwijten. Dat ik er pleizier in had, zakdoeken te verslijten.
NOG EEN ANDER.
Dit verwijt durf ik gerust van my afschuiven.
Dat ik veel geld zou verknoeid hebben met snuiven.
â 175
Grafschriften.
OP EENOOG.
Gy hebt minder van my gezien dan ik Tan U. ü wandelaar, vat gy dit nuquot;?
OP STOMME.
Ik heb nimmer den gulden regel gebroken ; »'t Is beter gezwegen dan onwaarheid gesproken.quot;
OP IEMAND VERMOEID.
Wandelaar, om u de waarheid te zeggen, UEd. kunt zoo moei van 't loopen niet zijn als ik van 't loggen.
OP IEMAND BELEEFD.
UEd. hebt u moei geloopen, wandelaar, en ik heb mij moei gelegen. Zullen we malkaêr eens aflossen, of hebt UEd. er ook iets tegen?
OP IEMAND ONTEVREDEN.
Zeg, wandelaar, zeg,
Je moet niet denken, dat ik voor mijn plezier hier leg.
470
Grafschriften.
OP ZUIGELING.
Hier ligt een kind, dat zich doodgezogeu heeft; Gy begrijpt hot solaas van de min, die nog leert.
IK OF OY7
Zoo gy, als ik moot, hier moest blijven, Gy zoudt mijn grafschrift thands niet schrijven, Was ik, als gy zijt, hier gebleven.
177
Ik had uw grafschrift niet geschreven.
OP KERKHOF.
Waar kan men zich een beter school practiseeren Dan deze, om aan de menschen het zwijgen te leeren ?
OP JODENKERKHOF.
Hier liggen er twintig van de natie. To voren vol lawaai, thands zonder conversatie.
Ol'SCHKIFTEN.
OP UITHANGBORDEN.
Allo menschen hebben geen vorstand van bier; Doch die er verstand van hebben, die komen hier.
Opschriften op uithangborden.
ITS
A.N ü KR.
|
Aan de eene zijde. Wandlaar met een loêge zak, Ga maar voorby op uw gemak. |
Aan de andere zijde. Wandlaar met een volle tas, Kom ecna in en drink een glas. |
ANDER.
Wandelaar, ik zit my hier toch in 't buffet te vcrvoelen.
Zullen wy eens zamen een glaasjen drinken, en voor 't gelag eensmousjasjen
spelen ?
AMIER.
Jeugdig reiziger, mijn vrouw en ik zijn van daag van huig, Doch mijn twee jongste dochters zijn t'huis.
ANDER.
Zeg reiziger, watertandt u 't verhemelte niet, Als je hier mijn gebraden sousijsjens ziet ?
ANDER.
In den geanglizeerden ossestaart Vindt men logeerkamers te voet en te paard.
Opschriften op uithangborden
ANDER.
In den vergulden kalfslever Verkoopt men koek en jenever.
Voor contant geld is 't hier 't paradijs der lekkerbekken;
Maar wie erediet wil hebben, mag voor by vcrarriveert, weer vertrekken.
179
INHOUD.
Iets over den Schrijver en zijn Dichttrant.....Blz. 5
Concept-Voorrede
EPISCHE POBZY.
Proeve van Dichterlijke Vlucht. .......22
De Schipbreuk. .......... 29
De Boterham en de Goudzoeker , . . . . . .33 Sie Transit ........... 43
DRAMATISCHE POÃZY.
He Kolüj veiling . . . . . . ' . . . .46 Altijd in de Contramine . . . . . . . . .59
DIDAKTISCHE POÃZY.
Kort begrip der Romeinsche Historie ...... 63
Natuurlijke Historie voor de Jeugd.
Inleiding . . .........68
De Leeuw . . .........69
De Olifant . . . . .......71
^et Paard . . ... ...... 74
De Ezel...........77
De lluiter .... . . . . . . . .77
Pp Koel...........78
Het Kalf...........79
H,et Speenvarken . ... ...... 80
INHOUD.
De liüad ......... . Blz. 80
De Kat . . '.........82
De Aap , . ....... 86
De Vogels ........... 87
De Haan...........87
De Nachtegaal .......... 90
De Visch ........... 93
De Slaug . . .... . . . . . .99
Eieren. . . ... ......99
Kerste lea in de Geographic . . . . . . .99
. 102
. 104
. 107
. 108
. 110
BESPIEGELINGEN.
Proeve van Dichterlijke Waarnemingen De Morgenstond ......
De Avondstond ......
De Terugkomst van den Zomer. . . Waterteug voor den Armen Broeder.
BRIEVEN.
Eerste Brief van Mina ......... 112
Tweede Brief van Mina ......... 115
Eerste Brief van den Schoolmeester ....... 120
Tweede Brief van den Schoolmeester. ...... 123
Derde Brief van den Schoolmeester ...... 124
Vierde Brief van den Schoolmeester. ...... 125
Vijfde Brief van den Schoolmeester . . . . . . . 126
Zesde Brief van den Schoolmeester ....... 127
FABELS EN VERTELLINGEN.
De Leeuw en de Kat 130
De Fatsoenlijke Keeshond. . . . . . . . . 132
De Kaasmaker. . . . . . . . . . 133
INHOUD. Ill
De Wolf en het Lam ........ Blz. 135
üe Vlooi, de Makelaar eu de Heus , . . . . . 136
Be Mop en de Kees..............138
Da Hond. . . . . , . .... 140
LYRISCHE POÃZY.
Barend de Schutter. . . . . . , ; ; ,143
De Profundis....... , ] 50
Voorheen en Thands . ....... â152
Uitboezeming toen mijn oudste Zuigelingen begonnen te looien . , 154
Aan de Poëzy. .......... 15-1
MENGELPOEZT.
Afgeluisterde Tweespraak of Dialoog tusschen twee beroemde Honden. 156
De dankbare Zoon..........160
Velocipede........â . . . . 162
Staaltjens van IJdelheid.........163
Baanvegers-lied...........164
Op het ontfangen van Nieuwen Haring.......165
Advertentie van den Schoolmeester . . . . , . .165
Toast aan Holland..............166
De Vriendschap, (twee toasten)........167
Wekkers ............ 168
Het Us............168
Het Dak........... . 169
's Levens Schouwtooneel............169
Bericht................169
Voor- en Nageslacht ...........170
Puntdichten
Op Weeskind.................170
Op Bevangen Zieketrooster . .......171
Op Dronkaart. .......... 171
IKHOUD.
Op Bochel. ......... Blz. 171
Op Natte Hondeneus . . . , . . - . .171
Op Dood Paard . . . . . . . . . .172
Op Blindeman.................172
Op Vergevingsgezindheid. . , - . .172 Grafschriften.
Op Karei I...... , . 172
Op Poot. . . . . . , .173
Op Bilderdijk. . . . . . . .173
Op Leydschen Held . . . , - .173
Op Tooneeldirecteur.........173
Op N. N. ...........173
Op Jeugdig Fluiter. . . . . . . . .174
Op Aanspreker . . . . . . . ^ .174
Op Kleêremaker , . . . . . . . .174
Op Wekker . ..........174
Op Matroos ...... 0 ^ . . ⢠174
Op généreusen Jood . . . , . » . . ⢠.175
Op naarstige Juffer. . . . . . - » .175
Op Iemand zonder Neus. . . . gt; . . .175
Op Eenoog 176
Op Stomme . ^ . 176
Op Iemand vermoeid . - - . * . .176
Op Iemand beleefd. . . . ⢠- ^ . 176
Op Iemand ontevreden.....- , . .176
Op Zuigeling....... , , . . 177
Ik of gy? 177
Op Kerkhof....... . . .177
Op Jodenkerkhof .... 177
Opschriften op Uithangborden . , ⢠« - » . ,177
XV
â -r m
M
4 4
:
-
m.
â Jif
ïiM