^gSgS;,
A'/ ⢠/' /â¢'-' ' { ' gt;!',(''A/quot;.''' ' ''
' ⢠, ^ w V ; V;V i 'lt; ^ ) - ' ^ 1 : X I ,
â VV'w'i gt;gt; %isyv' v^;-/\Wv â¢
r ; ⢠. . ' -v.- vv V / \ ^ â v' \ ^ r y vV-- â / : 7 gt;' vv/ / gt;' quot;â¢
r , - - - ' ; -V:' :
I ' ' 7 'l \ / â ' . »0' -'v. f 'j/A'i y ', -gt;. lt; â¢',
O L D U C.
Dramatisch pEDiCHT
DI^IE BEDRIJVEN,
B!BLIO~öCA
CONV. WUCHtMS
IN
OBn. fR .
N.
Jk. j^}. yVL U Y T E
KERKKADE, ]^. L B E R T S.
De oudste annalist van Itolfluc, die omstreeks het midden der 12' eeuw schreef, verhaalt als volgt de stich-ting der abdij:
Er leefde in Vlaanderens vruchtbare vlakte, aan den oever der Schelde, een man van adellijken bloede, een priester, geheeten Ailbertus. Menigwerven had hij in nachtgezichten een bekoorlijk oord aanschouwd, waar God wilde dat te Zijner eere een Huis gebouwd wierd. Zonder aarzelen verdeelde de heilige priester zijne goederen onder de armen en begaf zich, door zijne twee broeders vergezeld, op reis, om het door God zelf verkoren plekje te zoeken. Op het gebied der graven van Saffenberg gekomen, verkreeg hij van graaf Adelbert. van Saffenberg verlof, zijn uitgestrekte goederen te doorzoeken. Aanstonds begon de ijverige dienaar Gods de dichte wouden op berg én in dal te doorkruisen en vond eindelijk het in vizioen zoo dikwijls aanschouwde plekje, âplanum quoddara est ingressus, cujus faciem rocognovit se ad hue in Flandria existens creber-rimis aspexisse visionibus.quot; Het was een open grasperk in het woud, van alle kanten door hoornen ingesloten. En een weinig voortschrijdende, ter plaatse waar nu de crypta
ligt, viel hij op de knieën en met uitgestrekte armen dankte hij God, dat Hij hem de uitverkoren plaats had laten vinden. Zijn twee broeders Thijemo en Walter verklaarden dat zij middelerwijl onder den grond een geluid koorden als van het geklingel eener schel, âinter hoc quoque tinni-tum quasi clangorem campanarum ibidem sub terra re-sonum so manifesto contestati sunt audivisse fratres ejus Thyemo et Walgerus quot;
Dat geschiedde in het jaar O. H 1104, het 471 de) regeering van keizer Hendrik IV, het IS' der regeering
van Otbertus bisschop van Luik.
Aangaande de verwoesting van Kerkrade, door graaf Hendrik I van Limburg teekent Ernst (Histoire du Limbo urg, II hl. 176) aan:
âL'église du village de Kerkrade, au pags de Rol-duc, quot;fut bridée par son fait, dans une guerre, qu'il eut apparemment vers ce temps-ci a vee Adelbert, com te de Saf-fenberg et seigneur de ce pags, dont il prétendait s appro-prier le tiers. L'issue de ce démêlé n'est point connue.quot;
Lag het niet voor de hand, het staken der vijandelijkheden aan de bemiddeling van Ailbertus toe te schrijven ?
PERSONEN.
-see
Hugo, abt ran het klooster te Doornik. Ailbertus, priester, stichter van Rolduc. Turpijti, heer van Doornik, zijn broeder. Abelard, Turpijn's zoon,
Kuno, zijn lijfknecht.
Robert, graaf van Vlaanderen.
Hendrik, graaf van Limburg.
Adelbert, graaf van Saffenberg.
Arnulf,
Diederik,
Walter,
Thyemo,
Aelbrecht,
Dirk,
Conrad,
Freêrik,
Ridders, krijgsknechten, landlieden. De bouwmeester en gezellen. Een bode, een herder.
ridders van Hendrik.
broeders van Ailbertus.
landlieden.
i
A ± -k ± * ± * â¢gt; *. â¢gt; .*. .-^.rfc^: ^ â )quot;. ^S-.
â K
^SSiiiiF
iX')qjJx:X;Xtoxigt;fyi:lt;X!x!
8MS$IS
⢠⢠.
*
Xli'iJgt;.
-Lii.
EERSTE BEDRIJF.
Hot toonool stuit oen zuilengang voor mot uit/icht op den kloostertuin. Jilhertn* staat sprakeloos opgetogen in do gang en staart in de zonnige lucht. Door den tuin komt Hugo, de abt van Doornik, met Ailber-tus' neef Abelarrl, zoon van Turpijn, hoor van Doornik. Hugo bemerkt Ailbortus niet.
Eerste Tooneel.
AILBERTUS, HUGO. ABELARD.
Hugo (nadenkend).
Van heengaan naar de verre Morgenlanden Spreekt heel hot Westen..., Ouzo ridders branden Van heldenvuur en van verlangen om Den wuften Sarraoeen hot heiligdom Jerusalem en Christus' erf te ontrukken ....
Mocht ook mijn voet do heiige plaatsen drukken I.... Neen! ouden slechts en zwakken blijven hier, En strammen handen wordt hot landsbestier Vertrouwd in donkre, rampspoedvolle tijden ....
(Ailbertus irordt opmerkzaam). Ach! moor dan 't afscheid baart 't vooruitzicht lijden.... Schoon Vlaandron! â
Abelard.
Vader Abt! waarom zoo droef? O! had reeds mijne jeugd de ridderproef Doorstaan, ik trok aan mijn Heer Vaders zijde Voor God en 't Kruis met heel ons volk ten strijde!
Ailbertus.
Zoo toont Turpijns, mijns broeders, edel hart Zich reeds in u, mijn wakkere Abelard!
God zij gedankt!
Hugo.
Ailbertus! weêr verslonden In uwe plannen, die mij telkens wonden,
Steeds nieuwe wonden in het harte slaan?.... o Neen, gij blijft, niet waar?
Ailbertus.
Ach! laat mij gaan!
Ik heb zoolang om uwentwil gestreden.
God wil het; Zijne hand geleidt mijn schreden; Hij vraagt het offer thans van u en mij;
Ik breng het mijne; breng het uwe, gij!
Hugo.
Ailbertus! gansch mij zelf ten offer brengen, Gij weet het, ook mijn laatsten bloeddrop plengen Voor God en 't Kruis, het ware mij genot... .
Maar thans, â o zie mij aan, een overschot Van wat ik vroeger was! â maar thans de zorgen, Die voor de toekomst mij zijn opgeborgen,
Alleen te dragen, zonder u, alleen,
Eon grijsaard met 6ón voet in 't graf, o neen!
/
Ik kan het niet, ik kan het niet.... Erbarmen Met onze kloosterlingen, mot onze armen,
Met dozen, uwe kindren, en met mij....!
Ailbertus (voor zich).
Wel valt het offer zwaar, maar 't moot. . ..
Abelard.
Wilt gij,
Heer Oom, nu mijn Heer Vader naar het Oosten Vertrekt, ook heen? Wio zal dan Moeder troosten In hare alleenheid? Nu reeds, als ze denkt Aan 't afscheid, weent ze heimelijk en schenkt Slechts de gedachte aan u haar moed.
Ailbertus (ter zijde).
o Heere!
Voor U is 't al, mijn God! slechts U ter eere!
(tot Hugo).
Ik kan, ik mag niet talmen. Zoo gij wist,
o Vader Abt, hoe 't in mijn boezem gist.
En sterker eiken dag: een tegenstreven
En bitter zelfverwijten, pas verdreven.
Steeds wederkeerend met vernieuwde kracht.... â
Ik zag 't vizioen ook weder dezen nacht;
âWat toeft gij?quot; klonk de stem mij weer in de ooren;
âDe dagen en de maanden gaan verloren.
âGod wil het! Maak u op, Ailbertus! Ga,
âZoek 't oord, dat gij aanschouwt.... en wedersta
âDes Heeren Wil niet langer....quot; â O! hoe straalde
De gulden zon op 't heuvelvlak en maalde
De ganscho streek in eenen overvloed
4
Vr.n licht on kleur en meer dan zonnogloed!
Ik zng 't, en hoordo weder de Englen zingen;
quot;Want zulk een zang is slechts van hemellingen. Hij stroomde door mijn ziel en voerde me op Als zwevend naar den gulden heuveltop....
Het mij gewezen oord, of ik 't herkende?
Hetzelfde als do eerste maal, waar ik me ook wendde, Zoo 't kon nog schooner. Toen de sluier viel.
Droop onweerstaanbaar heimwee in mijn ziel....
Neen, Vader Abt, ik droomde niet, ik waakte; Ik knielde vóór mijn legerstee en maakte. Nu onherrooplijk, het besluit, den wil Van God niet langer te weerstreven....
(Vóór de kloosterpoort wordt yezoyigen :)
Ndar het Ooiten willen wij rareii,.
Xdfir het Oosten trekken irij heen, Om te strijden als christensehdren
Tegen den woesten Sarraeeen! Op! (rod wil het. Op! ten strijde!
Mannen, gordt de wapens aan! Die des Heeren Graf ontirijdde,
Moet zelf eerloos onder gaan! Op! God wil het.
Huqo.
Stil!
quot;VVat klonk daar?
Abelard.
'c Kruislied, Vader Abt.
5
Hugo.
Zoo blijde,
Als riep het ten tournooi en niet ten strijde ?
Aiibertus.
Do vreugde is 't loon van elke goede daad.
Wie voor Gods glorie goed en bloed verlaat,
Oogst allereerst genot en zielevrede.
Stond het in mijne macht, ook ik had mede Het roemrijk kruis mij op de borst gestrikt....
Doch God heeft anders over mij beschikt.
Abelard.
Ziet, mijn Heer Vader komt!
Aiibertus.
Hoe menig strijder Verdient een kroon als martlaar en belijder!
Hugo.
En Robert, Heer van Vlaandren, aan zijn zij.
Wat eer geschiedt vandaag aan onze abdij !
Tweede Tooneel.
DE VORIGEN, ROBERT VAN VLAANDEREN, TURPIJN VAN DOORNIK.
Turpijn.
Wees, Vader Abt, gegroet en gij. Heer Broeder !
Hugo.
Dat God u steeds tot Leidsman zij en Hoeder, Hoogeedle Heeren! â Wat uw komst beduidt.
6
Het kruis op uwe borst geeft ons 't besluit,
Dat gij genomen hebt, genoeg te kennen.
Robert.
Wij zouden onze aloude namen schennen,
Indien wij niet, op 't eerste woord gereed,
quot;Voor God en 't Kruis met duren riddereed
't Gewijde zwaard ons om de lendnen gordden
Om 't Heilig Land van de barbaarsche horden
Te zuiveren, wier goddolooze voet
Den grond ontwijdt, gedrenkt met Christus' bloed.
Ailbertus.
O! schoon is 't dool en christen ridders waardig!.... Waar God het wil, bolnngloos, offervaardig,
Gods glorie zoekend meer dan ijdleu roem,
Zoo strijdt Buljon mot Vlaandrens ridderbloem.
Robert.
Dank, Hoor Ailbertus, dank! Uw woord geeft vleugelen Aan onze geestdrift, schior niet meer te tongelen. De drang van 't volk kan evenmin gestild;
Langs alle wegen galmt de kreet âGod wil 't!quot;
Turpijn.
God wil het! Langer toeven ware schande. De standaard van hot Kruis roept in den lande Ãn edelman ön laat ton krijgstocht saam.
Te wapen voor de glorie van Gods Naam!
(Buiten wordt opnieuw het kruislied gezongen. Rohert, Turpijn en Ahelard zingen op het tooneel de drie laatste versregels meé.)
t
7
Ailbertus, broeder-mijn, aan Gods genade
En u beveel ik kinderen en gade;
Gij zult in naam van God en van Turpijn
Met raad en daad hun schuts en helper zijn ....
Beloof het mij!
(Ailbertus staaf in gedachten verzonken.) Hugo.
Ailbertus, hoor de bede
Uws broeders?
(ter zijde) O! als hij hom overreedde! Abelard.
Trekt Vader weg als Ridder van het Kruis.
Neem gij. Heer Oom, 't bestuur dan van ons Huis. 't Is Taders wensch en Moeders bode tevens ;
O! kom bij ons! ....
Ailbertus.
En 't groote doei mijns levens?!....
o God!,...
Robert.
Vóór onzen tocht naar 't Heilig Graf quot;Wenschte ik en gansch de streek den bisschopsstaf Van Kortrijk, Heer Ailbertus, in uw handen.
Wees in mijn plaats de heer der vlaamsche landen. Aan U is 't volk het veiligst toevertrouwd.
quot;Wees gij de band, die 't liefdrijk samenhoudt.
En waar verdeeldheid heerscht, opnieuw vereenigt. Wees gij de hand, die de afscheidssmarten lenigt, De mond, die vrede spreekt! Kasteel en stulp. Do ridder en do laat vraagt om uw hulp;
8
O! goef ze, en laat, als wij ter kruisvaart snellen, De troost, dat gij hier waakt, ons vergezellen ....
Hugo.
Hoor in de stem van 't volk de stem van God!
Ailbertus (na een oogenhlik ah ontwakend). De stem des Heeren is ook mij gebod.
Roept ze u ten kruistocht tegen Sarracenen,
Mij noodt, mij roept, mij dwingt zij elders henen. Ik hoor haar dag en nacht en te eiken stond. 0! als ik staar naar gindschen horizont.
Dan jaagt mij 't hart en trilt het in mijn ziele ; âAilbertus, voort, maak spoed!quot; En als ik kniele Voor 't Tabernakel en om rust er smeek.
Dan vind ik geenen vrede. Maand verstreek Op maand, en 's Hoeren wil bleef onveranderd .... Gij, Ridders, gaat en volgt dos Kruises standerd; Gij vraagt niet naar wie achterblijft, neemt schild En zwaard, en kent slechts de óéno leus: God wil 't! 't Is goed en welgevallig in Gods oogen.
Begunstige de almachte God uw pogen!
Maar ik dan, ik, schoon in een andren stand,
Ben ik ook niet een werktuig in Zijn hand?
Voort gij te zijner oer den heldendegen.
Wreekt gij zijn heerschappij op vreemde wogen, Ook ik trek naar het Oosten rustloos voort Tot ik hot me aangewezen heilig oord.
Dat God zich tot een woonplaats koos, aanschouwe. En ik er Hom een waardge woning bouwe. A7'erheerlijking zijns Naams daarginds en hier Is 't eenig doel van 's Hoeren albestier.
Wat riddereer of christendeugd gebiede,
Wij kennen slechts één wet: Gods Wil geschiede!
Zoo gij, zoo ik, en zoo wij allen. Nu
Geef, Vader Abt. mij oorlof, 'k bid het u.
God wil hot!....
Hugo.
Groote God! geei Gij mij krachten Is quot;t al vergeefsch? .... De hoede des Almachten Zij ii dan toegewenscht, en zijn gena Zij met u. In Gods naam, Ailbertus, ga!
Ailbertus.
Heb dank!
Turpijn.
Ailbertus, in uw broedcrzoi gen Waande ik mijn gade en kinderen geborgen;
Hoe nu ?
Ailbertus.
Die alles ziet en alles leidt,
God leeft als wakende Voorzienigheid.
Abelard.
Heer Oom, als mijne moeder zit te treuren, Wie buiten u vermag haar op te beuren?
Ailbertus.
üw liefde zal tot troost en steun haar zijn;
Toon, Abelard, u d'erfzoon van Turpijn!
Robert.
En Kortrijks kerk én open bisschopszetel?
10
Ailbertus.
Hoer Robert, ach vergeef, het waar vermetel Van mij, onwaardige. Doch zie, den man,
Dien laat als ridder slechts vereeren kan.
Wijl men hem reeds als heilig pleegt te roemen, Odo den vromen moogt ge als bisschop noemen.
Robert.
Het zij zoo!.... â Nog één gunst; de pelgrimsschaar Wacht vóór de kloosterpoort; o, zegen haar En ons!
Hugo.
Ik hoor nog 't volksrumoer daarbuiten; Ga, Abelard, en laat de poort ontsluiten.
(Ahelard af. De AU wandelt in droef gepeins door den kloostertuin.)
Ailbertus.
De strijd heeft eindlijk uit, en vrede daalt In 't jagend hart.... Nu langer niet gedraald! Wij allen gaan, schoon op verscheiden wegen. Het doel van ons bestaan, de glorie, tegen,
De glorie, die op aardsche paden niet,
Maar dio in God begin en doeleind ziet.
De glorie Gods, die wij op aard vermeeren Om eeuwig eens met hiar te triomfeeren.
(Onder de laatste woorden is het landvolk binnengekomen en heeft zich links op het voortooneel geschaard).
Robert.
Ziehier ons volk! üit de oogen straalt het vuur
11
Der geestdrift. Zij verlangen naar het uur Der groote reize, als wenkte ook hen van verre Gelijk de Wijzen eens do wondre Sterre.
Ailbertus (voor zich.)
Ook mij roept zij met wonderbaren glans! .. ..
Ik kom, ik kom .... O! de ure nadert thans,
Zoolang verbeid en vurig afgebeden ! . .. .
Heer! Zijt Gij van uw dienaar thans tevreden? Ik volg uw stem, mijn God, uw stom alleen,
En vraag niet ^eer: waarheen?.... Daarheen, daarheen Waar uwe zeekre hand uw knecht geleide!.... â-Nu geuren in hun bloesoms bosch en heide.
Hoe juicht de zonne ! Gansch do schepping lacht Mij toe. Natuur! hebt gij zoolang gewacht Mot groei en bloei tot mijne komst ? Of konden Mijn oogen, door hot waas van wee gebonden,
ü niet genieten?.... Vreugde voor het oog En vreugde voor do ziel daalt van omhoog In ieder straaltje op ioder wuivend blaadje .... â Hier door het veld een heerbaan, ginds oen paadjo Hellichtend door het woud; rondom me, alom Ruischt vrede en roepen stemmen; âwellekom!
âDoch voort naar 't Oosten, rustloos voort!quot; Daar gloren De tinnen van eon keizersburcht,.... en koren Weergalmen uit den koepol van den dom ....
Een bede, een welkomsgroot!.... Ik kom, ik kom____
(Hij maakt e.m heweyiny ah wilde hij in geestvervoering zich verwijderen.)
Robert.
Vergeef me. Heer Ailbertus! Uwen zegen
12
Verzochten \vo als goloido op onze wegen.
Dan voere God ons waar Hij wil.
Aiibertus (bezint zich.)
't Is waar;
Hier scheiden wij. maar 't afscheid valt niet zwaar
Voor hen, dio handlen naar Gods welgevallen,
Zooals gij, Ridders, en wij mannon allen.
Het kruis draagt go op do borst, maar ook in 't hart.
Wee den vorwaatne, die uw kruisvaan tart!
God is uw veldheer; gij zijt zijn getrouwen,
Maar zonen ook van Vlaandnrons landouwen,
quot;Waar godsdienstzin aan mannenmoed zich paart.
Toont u.- waar ook, die edele afkomst waard!
Leeft als belijders in de krijgsgevaren .
En sneuvelt gij, zoo sterft als martelaren!.... â
Wij allen zoeken, ieder naar zijn wijs,
Waar God het wil, den wog naar 't Paradijs.
Vaartwel! daarboven zien we elkander weder....
Doch als gij knielt in schaduw van don ceder
Hoog op den Libanon of bidt bij 't Graf
Des Heeren, denkt aan mij, die ook den staf
Des pelgrims opneem, om in vorro streken
Voor de eer van God en ons Verlossing^teoken
Te werken naar zijn Wil. Gij kent uw doel,
o Ridders van het Kruis, ik echter voel
Een hoogren drang in mij naar 't wel aanschouwde
Maar nooit gekende lustoord. God ontvouwde
In vizioonen dikwerf mij zijn wensch ;
Hem ga ik thans volvoeren. Waar do grens
Van mijnen zwerftocht op deze aard zal wezen,
Is me onbekend. Dit óóne is niet te vreezen.
13
Dat 'k zonder doel en vruchtloos zwerven zal.
Ik zal het vinden, zal 't herkennen, 't dal Zoo schoon, en op de houvlon, die 't omzoomen,
Dien oenen tempol der natuur mot boomen Tot pijlers en met de Englen zelf tot koor ....
('t Vizioen verschijnt.)
Die glans! Er straalt oen groet dos Homels door Het licht gobladert.... 'k Hoor hot klokje luiden . ... Ik weet het, wat uw lofzang moot beduiden,
o Englen! zoo zongt go eons om Bethlehem ....
Ik ga reeds, ja ik kom op uwe stom ....
(Eenifje oogenblikken van sprakelooze op-getogenheid. Tableau mvant.)
o Mannen-Broeders! nu is de uur van scheiden.
Moge ii en mij Gods vaderhand geleiden.
En dat Zijn Engel steods u vorgezell' !
Ik zegen u in Zijnon Naam. Vaart wol!
(Allen knielen. Ailbertus strekt de handen over hen uit.)
ZANG.
Voor den Schepper ieeft elk irezen;
Hij irijst (dien hunne baan; Hij is Meester en Gelnedc.r,
Alles is Hem onclerclann.
Zijn. WH is het hoogst gebod] Alles btiige zich voor (rod!
14
TEGENZANG.
Waar zijn Wil om henenvoere,
Zijn wij veilig in zijn hand;
Alle wegen leiden zeker Naar een heter Vaderland.
Hier of daar wacht ons het loon: Zegepalm of martelkroon.
KOOR.
Vaartwel, o Vlaanderen^ landouwen,
Gij veler helden wieg en graf! Wij nemen ook ah eedgetrouiren
Het kruiszwaard met den pelgrimsstaf. God wil het! Het is zijn hevel, o Dierbaar Vlaanderen, vaarwel!
AILBERTUS.
Vaartwel, o Vlaanderens landouwen. Gij mijner vaadren wieg en graf! Ik moet aan God u toevertrouwen;
Zijn hand gaf mij den pelgrimsstaf. God wil het! Het is zijn hevel. Mijn dierbaar Vlaanderen, vaarwel!
liiilpiiPiiliilPilPll^giiPlPll^liillSMlM^ilP®!!!!,
tk^ amÃSaSÃWSÃSi
5^pm^PP^¥¥¥¥¥*¥¥¥¥V¥¥5(^¥¥*¥¥¥¥¥*¥¥¥¥^ï
TWEEDE BEDRIJF.
Het tooneel verbeeldt de heuvelkruin, waarop het tegenwoordige Rolduc ligt. In den achtergrond de aan de overzij van het Wurm-dal zich uitstrekkende heuvelenrug, waarop de burcht der graven van Saffenberg.
Hendrik I, graaf van Limburg, 1082 â1119, in oorlog met graaf Adelhert van Saffenberg, op wiens gebied hij aanspraak maakt, verwoest Kerkrade. Vele bewoners zijn gevlucht naar den heuveltop, een lichtplek in het bosch, en zien van daar uit naar het tooneel der verwoesting.
Eerste Tooneel.
AELBRECHT, DIRK, CONRAD, FREÃRIK, LANDLIEDEN.
Aelbrecht.
Die gruwel roept om wraak ten Hemel! Heilig Is voor die krijgers niets, en niemand veilig.
quot;Waar zijn de tijden van graaf Frederik?
Nu waart door onze streken angst en schrik.
Want vuur en zwaard gaan om, om te vernielen. De landzaat vlucht, en woestelingen krielen Door 't smeulend puin der dorpen. Ha! hun werk Is 't werk der hel....
Dirk (komt haastig aanloopen.)
De vlam slaat uit de kerk;
16
De toren wankelt reeds Mok hoort het knetteren Yan 't vuur alom. De soldeniers verpletteren Meedoogenloos en wreed wat weerstand biedt.
De lucht is rood van vuur tot in 't verschiet. Het krijgsvolk viert den teugel aan zijn woede
Conrad.
Neem Sint Lambertus ons in zijne hoede!
Freêrik.
Bescherme ons God! â Zie ginds, do vlam stijgt op Tot boven het geboomt....
Aelbrecht.
üe heuveltop,
Waarop wij staan, is veilig. Nooit onteerdc De voet eens vijands dezo plok; zoo leerde Mijn vader mij weleer. En toch, zij zag,
Maar steeds van verre, menig droeven dag ....
«⢠Conrad.
Is zij niet door God zeiven uitverkoren?!
De herder.
Hoe dikwijls mocht ik 't zoete klinglen hooren Het wondre schellen onder dezen grond!
Het klonk zoo hemelsch! Zelfs mijn kudde stond Als ik te luistren; dan vergat ze 't grazen ; Beweegloos ....
Dirk.
Zie den wind het vuur aanblazen Als dreigende onweerswolken drijft de rook Hierheen....
17
Freêrik.
Ziet hoe het flakkert, ziet!
Conrad.
Daar dook
De vlam opeens.... nu wordt zij weder feller, En boven 't gansche dorp wordt 't hel eu heller.... Eén gloed.... voelt gij de hitte ? .... ik hoor gegons Van stemmen en gekraak van ver.... Wee ons! o God! verlaat ons niet in onze ellende.
Stel Gij aan het verniolingswerk een ende !
De herder.
't Is vreemd, maar als het onweêrde uren lang, Dan werd het mij op deze plek nooit bang Om 't hart, als elders. Ook het vee bleef grazen En liet, als hoorde 't niet, don donder razen.
Er ligt iets wonders in dit eenzaam oord ....
Aelbrecht.
Dat heb ik in mijn kindsheid reeds gehoord. Van oudsher hield de landzaat het voor heilig; En daarom zeide ik u: hier zijn we veilig.
Freêrik.
Ik hoor nog 't knettren .... Wordt dan niets gespaard?
Aelbrecht.
Toen ik nog kind was, werd er om den haard Zoo vaak verteld van oude, droeve dagen;
Toen was 't een tijd van jammeren en klagen: De Noorman hield in deze streken huis, En brandschatte eiken burcht on elke kluis.
Niets werd ontzien; de kerk zelfs moest 't ontgelden
Rolduc. 2
18
Gelijk ook thans; dat koelt den moed dier helden! Zij roofden, plunderden wat waarde had.
En dan, als de arme, die geen brood had, bad Om medelij, daar niets meer viel te rooven.
Dan was 't, als wilden zij die klacht verdooven In bloed, en togen ze aan hun beulenwerk; Dan kende hunne woede paal noch perk;
De bijl ging op en neêr; zij bleef aan -quot;t kerven, En lachend zagen zij hun offers sterven.
Uit louter lust tot moorden, moordden zij____
Dirk.
Hoe kondt Gij 't dulden, groote God!
Aelbrecht.
Ook wij,
quot;Wij huiverden bij het verhaal. Ik rilde
Als kind van schrik. Maar wat ik zeggen wilde:
Wie dan kon vluchten, vluchtte altoos hierheen.
Waar ook de Noorman zwierf, hier kwam nooit een;
Zij schenen angstig deze plek te mijden,
Als dreigde hun een vloek, zoo zij ze ontwijdden.
Het was dus zoo in oude tijden reeds
Als nu, mijn vrienden....
Dirk.
Woedt de brand nog steeds? Freèrik.
Goddank! de vlamme slinkt en gaat aan 't kwijnen, En zelfs de rook schijnt langzaam te verdwijnen.
Een jonkman (tot Aelbrecht.)
Maar onze woning, vader, en ons vee?
19
Verbrand ! gedood! ....
Aelbrecht.
Die ramp brengt de oorlog moe; Met ergere kon hij ons overstelpen.
Wij leven nog, en God zal verder helpen.
Op Hem gehoopt, in Hem vertrouwd! Vat moed! En ook de Saffenbergs zijn mild en goed.
Dirk.
Maar de oorlog is niet uit. De soldenieren Gaan, vrees ik, hun triomf op 't burchtslot vieron. En God weet wat er dan met ons geschiedt.
Want Limburgs graaf eischt Saffenbergs gebied.
Een landman (rechts uit het bosch komend.) Het dorp ligt gansch in asch.... En ginder komen â Gij kunt ze zien, hier tusschen de eikeboomen â Graaf Hendrik en zijn ridders!.... Voort, maakt voort!
Aelbrecht.
Zoo komt voor 't eerst een vijand in dit oord ?!....
(Allen links af.)
Tweede Tooneel.
HENDRIK I VAN LIMBURG, ARNULF, DIEDERIK, WAPENKNECHTEN,
Hendrik.
En toch, Arnulf â gij moogt hot zwakheid noemen â Ik wil 't gevoel van vrees u niet verbloemen,
Dat mij die pelgrim straks heeft aangejaagd ....
20
Arnulf.
Hij gaf zijn raad wel driest en ongevraagd !
quot;Wie was hij? waarvandaan? quot;Wat gaf hem reden Of recht, om Limburgs Graaf dus na te treden En te bedreigen ? . Hoe ! oen vreemdeling, Een zwerver van onzekere afkomst ving Den fieren üraaf van Limburg in zijn netten?....
Hendrik.
Arnulf, ik kan die vrees niet van mij zetten; Zij pijnigt mij ....
Arnulf.
Komaan, Heer Graaf, gij spot Met banvloek en bisschoppelijk verbod;
Hoeft Egilbert van Trier 't niet ondervonden? Gij bleeft aan keizer Hendrik trouw, al schonden Vele andre ridders hun vasallen-eed;
Gij kendet nooit berouw om wat gij deedt;
Uw woord is daad; dat weten uwe knechten....
Diederik.
De krijg. Heer Graaf, heeft ook zijn eisch en rechten. De mannen eischen hun soldij en buit.
Arnulf.
Hoe kon het woord eens vreemdlings het besluit Van onzen fieren Graaf zoo doen verkeeren?!
Hendrik.
Die vreemdling sprak de waarheid, eedle Heeren!
Diederik.
Hij kende u niet; hij Kwam van ver; de streek
21
Zelfs was hem vreerad. Een zwerver was 't; dat bleek Uit wat hij zelf u zeide. En welke waarde Heeft dan zijn woord, zijn dreigen zelfs?....
Hendrik.
Hij paarde
Vrijmoedigheid aan wijsheid; 'k hoorde hem,
En wist niet wat ik hoorde in zijne stem.
Hij dreigde niet; een ander scheen te dreigen. Te vloeken. Hij scheen eer zich neêr te neigen Tot mij gelijk een vriend. Nooit heb ik 't woord Eens bisschops zelfs zoo rustig aangehoord.
Mijn trotschheid week opeens, mijn heerschzucht mede. Mijn degen zonk als machtloos in de scheede; Ik voelde, ik kende schier mij zelf niet meer .... Hij wist in deze streek van knecht noch Heer;
Toch kende hij èn mij èn haar; zijn woorden. Eer smeekend dan verwijtend toch, doorboorden Mij 't hart. Hij kende mij, voorspelde mij Hot eind van keizer Hendriks heerschappij,
Mijn eigen lot ook, en met zóóveel klaarheid.
Dat ik het vóór mij zag als reine waarheid .... Die vreemdeling sprak uit zich zeiven niet.
Arnulf.
Wat deed hij hier op Saffenbergs gebied?
Hendrik.
Dat klinkt mij altoos nog verward in de ooren. Hij sprak van eene plek, door God verkoren, Een uitgelezen oord in deze streek ....
Diederik.
En Saffenberg?
22
Hendrik.
Noon, Ridders, ik verbreek Het woord niet, dat 'k hom gaf. Ik heb geen rechten Op 't land dor Saffonborgs.
Arnulf.
De laten hechten Met zeker bijgeloof aan deze plok;
Toevallig hoorde ik het
Hendrik.
Gonoog! 'k vertrek Van hier. Gij, Diedorik, voort onze lieden Terug. Ik ga de hand dor vriendschap bieden Aan Saffenborg, En Arnulf gaat mot mij Naar 't slot. Gij allen volgt; voor uw soldij Zorg ik, uw graaf.
(Diedenk af.)
Arnulf (tot een lansknecht.)
Ga heen, en hou beneden In 't dal de paarden in gereedheid!
(Lansknecht af.)
Treden
Ginds niet twee ridders aan in reisgewaad?
Hendrik.
't Zijn vreemden, ja. Wat toekent hun gelaat?
Arnulf.
Zij zijn van hunne paarden afgestegen En volgen 't pad hierheen. Ik ga hen tegen.
Hendrik.
Neen, wacht hen hier. Zij starea in het rond Als wilden zij tot aan den horizont 't Gebied der Saffenbergs met de oogen meten... . Daar komen zij.
Arnulf.
Ik ben benieuwd te weten, quot;VVien hunne komst zal gelden .... ik vermoed....
Derde Tooneel.
ABELARO, KUNO, DE VORIGEN.
Abelard.
Gegroet, hoogeedle Heeren, God ten groet!
Hendrik.
Dien groet ook onzerzijds naar oude zedo.
Abelard.
Naar ridderwijs de broederhand ten vrede!
(reikt Hendrik de hand.)
De Graal van Saffenberg?____
Arnulf.
Dacht ik het niet!..
Hendrik.
Van Limburg, schoon op Saffenbergs gebied.
Doch niet als vijand.
Abelard.
Aan de Schelde-stranden
24
Ligt mijn Heor Vaders burcht en zijne landen, 'k Ben Abelard, de zoon van graaf Turpijn Van Doornik, die met Godfried, Boudewijn En gansch de bloera der vlaamsche ridderscharen Naar 't Heilig Land ten kruistocht is gevaren. Ik was te jong nog voor dien langen tocht.... Hoe menig ridder, die hier lauw'ren zocht,
Heeft onverwelkbre glorie daar gevonden! Hoe menig zwaard, met lauweren omwonden, Prijkt in Jerusalem als eertropee ....!
Hendrik.
Brengt gij 't bericht der overwinning meê ?
Arnulf.
Versta ik wel? Jerusalem gevallen? De Christnen binnen zijne heiige wallen ? De Sarraceensche macht uiteengespat?
Abelard.
Ik toefde gistren in de Keizerstad.
Een bode, pas uit 't Oosten aangekomen, Verkondde 't groote nieuws. O! niet te toornen Was 't volk in zijne geestdrift. Drom op drom Trok jubelend naar Keizer Kareis dom.
Men hoort alom triomfbazuinen schetteren; Des avonds laat men vreugdevuren knetteren ; 't Is of de gansche stad van 't juichen trilt; Eén kreet galmt overal; God heeft 't gewild!
Hendrik (tot Arnulf.)
Arnulf! als christenen ter kruisvaart togen Om ongeloovigen te beöorelogen.
Dan past ons hier geen onderlinge strijd;
'k Ben vriend van Saffenberg, en voor altijd .... â
(voor zich).
Die pelgrim wil mij niet uit do gedachten....
Kuno (tot Ahelard).
Heer Abelard! de paarden staan te wachten;
Als wij eens verder trokken ? . ...
Arnulf (tot Ahelard.)
Met uw tweên? Zoo 'k vragen mag, waar leidt de roize heen?
Abelard.
Vooreerst naar Saffenberg, om dak en spijze.... En .... wellicht dat men ons den weg er wijze,
Door eenen pelgrim in dit land ....
Arnulf (half voor zich.)
Alweer
Die pelgrim !....
Abelard.
Kunt gij mooglijk, eedle Heer, Ons omtrent hem iets naders mededeelen?
Arnulf (ter zijde).
't Is of het noodlot nu met ons gaat spelen! Een nieuwe zwerver dus .... En wat zoekt hij ? . ..
(tot Abelard.)
Zoo 'k onbescheiden ben, vergeef het mij;
Gij komt van verre uit Vlaanderens landouwen ; Zoekt gij het eind der reis in deze gouwen?
â¢26
Abelard.
Ik nader het; het kan niet ver moer zijn.
Ailbertus zocht het tusschen Maas en Rijn.
Hendrik.
Ailbertus?____ Arnulf, ook die pelgrim heette
Ailbertus....
Arnulf.
'k Zou, Heer Graaf, dien man vergeten! Abelard (tot Hendrik.)
â Gij zaagt hem dus? Sprak hij u van zijn doel?----
â¢Spreek, eedle Graaf! Ik heb een voorgevoel----
Hendrik.
Dat waarheid duidt. Heer Ridder! Ja, 'k ontmoette Een vreemdeling____
Arnulf.
Een preêker was 't van boete
En rouw!
Hendrik.
Een vroom en heilig man. Die niemand dan Ailbertus wezen kan.
Arnulf.
Een arme zwervling, die zijn brood ging bedelen . . ..
Abelard (tof Arnulf.)
Die zwerveling was een van Vlaandrens edelen.
Heer Ridder! 't Was de broeder van Turpijn En mijn Heer Oom-, 't moge u voldoende zijn!
(tot Hendrik.)
Spreek verder, eedle Graaf, waar trok hij henen?
27
(tot Kuno.)
Kuno, houd u gereed!
Hendrik.
Ik zou vast meenen,
Naar 't slot van Saffenberg.
Abelard.
Voort, Kuno, voort!
Dank, eedle Graaf, en God ten groet! Wij snellen Naar 't burchtslot ginds.
Hendrik.
Mag ik u vergezellen? {voor zich.)
Daar gaat iets wonders in mijn binnenste om.
Abelard.
Groote eer. Heer Graaf!
Hendrik.
Volgt, mannen! Arnulf, kom!
{Allen af.)
Vierde Tooneel.
FREÃRIK, DIRK, AELBRECHT, CONRAD, LANDLIEDEN (van verschillende zijden schuw opkomend.)
Freêrik.
Mij scheen 't dezelfde graaf niet meer. Zijn blikken,
Die dezen morgen nog ons doden schrikken.
Zijn houding, zijn gebaren, alles gaf
Den indruk mij, als zag hij plotsling af
Van 't oorlogvoeren ....
28
Dirk.
Ook de wapenknechten
Verlaten 't grondgebied.
Een landman.
De Heeren slechten Zoo spoedig en zoo plotsling niet hun twist.
't Vertrek der krijgers is een oorlogslist.
Freêrik.
Zou ik mij dan zoo zonderling bedriegen?
De landman.
De mond en 't oog der groote Heeren liegen.
Graaf Hendrik draagt den haat tot in het merg.
Dirk.
Zij trekken door het dal naar Saffenberg.
Aelbrecht.
Neemt hij misschien van uit dit oord van vrede Den vrede voor zich zelf en andren mede?
Dit weet 'k: een vijand kwam nooit in dit oord.
Werd mooglijk hier ook Hendriks haat gesmoord ? Dat gave God !. . ..
(Uit den hooge ruischt geheimzinnige muziek-, het klokje klingelt onder den grond, de Engelen zingen.)
Wij, Engelen omhoog, ontvingen
Onze harp en onze stem,
Om eemrig Gode lof te zingen;
Alle glorie spruit uit Hem.
Elk plekje op aard, waar Hij wil wonen. Wordt een ander Bethlehem,
29
Bij 't trillen onzer harpetonen
En het juublen onzer stem.
En onder 't biddend harpyefluister
Om den Koning onzen Heer,
Daalt met een straal van zijnen luister Hemelvrede op aarde neer.
(Allen staan verbaasd-opgetogen te luisteren. Het too n eel wordt helderder verlicht. Onder 't laatste couplet is Ailbertus met zijne twee broeders, Walter en Thijemo, links opgetreden. Hij staat als in geestvervoering. Tableau vivant.)
Vijfde Tooneel.
AILBERTUS; WALTER en THYEMO, zijne broeders; DE VORIGEN.
Ailbertus.
......U, God, zij dank en hulde!
Gelijk uw glans eens Thabors kruin omhulde,
Zoo valt een straal van uwen glorieschijn Op deze uw plek.... 't Is goed ons, hier te zijn .... Door uw genade mocht ik haar aanschouwen ....
Niet mij, maar ü wil 'k hier een tente bouwen .... Uw macht en majesteit zijn zonder end;
De bloeiende aarde en 't schittrend firmament,
o God van leven en van licht, verkonden Uw glorie ea uw macht uit duizend monden. Den aardworm wijst Gij zijnen weg in 't zand; üw dienaar ook ging aan uw vaderhand.
Door uwen geest bemoedigd en gedreven ....
(Hij knielt.)
Almachtige en Algoede, in wien wij leven
33
En. ons bewegen en bostiian! Verhoor De bede van uw knecht. Hij volgde 't spoor, Dat Gij hem weest in eindeloozo goedheid; Nu smaakt hij vrede in bovenaardsche zoetheid. Geef Gij nu 't licht, o Heer, maar ook de kracht! Zoo wordt uw Wil op deze plek volbracht. En prijzen de geslachten veler landen Eens 't nieuwe werk van 't werktuig uwer handen.
{Tot Thyemo en Walter.) De zwerftocht is ten eind, mijn broeders, 't oord Gevonden! Gij hebt zelf den zang gehoord. Den glans gezien.
Waiter.
Het was mij of ik droomde; Een wonderzoet gevoel van rust doorstroomde Mijn ziel.
Thyemo.
Mij was het of deze aard verdween En eene nieuwe, een andre zonne scheen.
Ik zag en hoorde niets; toch zag 'k en hoorde Ik weet niet wat; maar ongemeen bekoorde
Mij wat ik hoorde en zag......
{omziende.)
Hoe? Niet alleen?
Die menschen hier?
Walter.
Ik ook, ik zag er geen. Ailbertus {treedt op de landlieden toe.)
Mijn goede vrienden, woont ge in deze streken ? Zijn ze u bekend ?
31
Aelbrecht.
quot;Wij zijn hierheen geweken Bij 't krieken van den dag, toen de oorlogsvlam Van Limburgs graaf ons have en dak ontnam.
Dit oord is ons oen wijkplaats.
Ailbertus.
Zijt ge er veilig?
Aelbrecht.
o Vader, wist gij 't niet? Dit oord is heilig. Zoo hebben onze vaadren 't ons geleerd;
Nooit heeft een vijand deze plaats onteerd Voordezen.... Limburgs graaf, helaas, van morgen____
Ailbertus.
Mijn goede lieden, staakt dan uwe zorgen;
Graaf Hendrik is uw vijand thans niet meer.
De landlieden.
o Groote God!
{Zij dringen om Ailbertus heen.) Ailbertus.
Gij houdt ze hoog in eer.
Dees plek, naar 'k hoor.
Aelbercht.
Hoe zou het anders wezen ? Conrad.
Is zij niet door God zeiven uitgelezen ?
Aelbrecht.
Gij waart getuige van haar wondre pracht....
32
Ailbertus.
Yoor 't eerst. En gij ?
Aelbrecht.
Zoo dikwijls, vader! De herder.
'k Bracht
Hier vaak mijn kudde, en hoorde menigmalen Dien Englenzang zich in do lucht herhalen.
Ailbertus.
Wat Gij verborgt den grooten dezer aard Hebt Gij den kinderen geopenbaard,
Alwijze God!____
Thyemo.
Wat hoor ik? Ziet, daar nadert Een stoet van edelen...
Walter.
Door het gebladert,
Berg op, hierheen____
Freërik {tot de landlieden.)
Komt, laat ons verder gaan! Het past een laat niet naast zijn heer te staan.
Dirk (naar het bosch starend.)
Graaf Adalbert, graaf Hendrik, en hun ridderen____
Het wordt mij bang____
Thyemo.
Hoe de arme menschen sidderen!
{De landlieden willen zich verwijderen.)
33
Ailbertus.
Blijft, goede lieden, blijft! Waarom zoo schuw? Is Saffenberg geen goede heer voor u? En Hendrik is zijn vriend; ik ken hen beiden. Gij zult getuigen zijn, voordat wij scheiden, Van wat ons oog zoooven heeft aanschouwd. Ons oor gehoord. Hier wordt een Huis gebouwd, Den God ter eer, wiens Engelen hier zweven!
Aelbrecht.
o God, mocht ik dien grooten dag beleven!
Zesde Tooneel.
ADELBERT VAN SAFFENBERG, HENDRIK VAN LIMBURG ; HUNNE RIDDERS; ABELARD, KUND; DE VORIGEN.
{Ahelard snelt vooruit, zoodra hij Ailbertus bemerkt.) Ailbertus.
Mijn Abelard, gij hier? Hoe vaart Turpiju,
Mijn dappre broeder ? Hoe Vrouwe Adelijn,
Zijn vrome gade, uw moeder? Hoe mijn vader Abt Hugo, en de broeders al te gader ?
Abelard.
Ik ben uit Vlaanderen hierheen gespoed.
En breng van mijne moeder ü den groet En van Heer Hugo. O ! hoe zij verlangen,
ü weldra weêr in Vlaanderen te ontvangen ! .... En Heer Turpijn toeft in Jerusalem.
Ailbertus.
(Terwijl hij spreekt, treedt de stoet van edelen op.)
God zegende zijn zwaard. Hij voere hem
Rolduc. 3
34
Behouden weèr naar 't burchtslot aan de Schelde! â Ik ook heb mijne reis volbracht; God stelde Een grens aan mijnen zwerftocht; ook ik vond quot;Wat ik gezocht heb jaren lang....
{Hij strekt de handen over de streek uit.)
Hendrik van Limburg (half tegen Saffenberg.)
Zoo stond
Hij vóór mij, gistren .... Schrik- en eerbiedwekkend, Die vreemde pelgrim, beide handen strekkend Ten zegen of ten vloek ....
Adelbert van Saffenberg.
Die vreemdeling Komt me als een heiige voor ....
Ailbertus.
Gods zegening Kome over U als onderpand van vrede,
Hoogeedle Heeren!
Adelbert van Saffenberg.
Gij, gij bracht hem mede. Gij, Heer Ailbertus! En wij zochten u Om ü te danken....
Ailbertus.
Eedle Graaf, welnu! Gij vindt mij hier te midden van uw lieden.
Die in dit oord den krijg en 't vuur ontvlieden: Steeds veilig waren zij op deze plek.
Hun wijkplaats was 't; thans ook de mijne; ik trek Niet verder.... Haar heb ik zoo menigmalen
35
In vizioen aanschouwd, van licht zien stralen;
Hier zag 'k de boomen van dien glans omgloord;
Hier heb 'k den zang der Engelen gehoord;
Hier wil ik wonen____
Thans mijn eerste bede:
Geef hier graaf Hendrik nu de hand ten vrede!
Adelbert v. Saffenberg {reikt graaf Hendrik de hand.) Hij hoersche tusschen ons, door u gebracht Ailbertus, tot ons verste nageslacht!
Ailbertus.
Waar vrede woont, daar geeft de Heer zijn zegen; 't Geluk rust op het kruis, niet op den degen.
Graaf A.delbert, mijn tweede bede thans;
Tot meerdere eer van God, tot heil des lands Zij 't mij vergund, hier God een huis te bouwen.
Adelbert v. Saffenberg.
Gij kunt op mij en op mijn volk vertrouwen.
Ailbertus.
Heb dank, Heer Graaf! Mijn God, uw Wil geschiedtT Uw zegen dale op Saffenbergs gebied!
ZANG.
Vrede, niet op aard geboren,
In den Hemel staat uw troon!
Vrede zongen Englenkoren
Goeden wil op aard, tot loon.
Zachte glans van hemelluister.
Waar gij hier heneden straalt,
Zijt gij in dit aardsche duister Van den Hemel neergedaald.
TEGENZANG.
W 'aar zich God een troon wil stichten,
Daar bereiden Englen Hem Bij het stralen can hun lichten
Een onzichtbaar Bethlehem.
Vrede kan deze aard niet c/even;
Want zij kent den vrede niet. Wie met God in vrede leven, Zij verstaan het Englenlied.
Daunt, o Heemlen, hier uw zegen
Als een regen, Die het zaad zijn wasdom geeft! Daalt op lelieblanke veder
Tot ons neder, Englen, die daarboven zweeft!
KOOR.
Rijs omhoog, o Huis des Heeren
In dit oord zoo wonderbaar, Bij het juublen van de meriigt, Die haar dankgebed, vereenigt
Met den zang der Englenschaar!
DERDE BEDRIJF.
Het tooneel verbeeldt het met boomen en struikgewas omheinde plateau vóór de bijna voltooide crypta van Rolduc, die den achtergrond vormt. In opgewekte stemming zijn de werklieden bezig. Eenige landlieden, onder welke de grijze Aelbrerht, zien toe.
Eerste Tooneel.
AELBRECHT, DE BOUWMEESTER, LANDLIEDEN, ARBEIDERS.
De Bouwmeester (oj) een afstand den houw heschonirende;
dan tot Aelhrecht.)
Wel, vader Aelbrecht, nog op uwe jaren
Tot hier gekomen V____ En wat dunkt u, waren,
Mijn wakkere gezellen vlug aan 't werk?____
't Heeft jaren lang geduurd, maar zulk een kerk Is mijlen in het rond niet aan te treffen.
Beschouw die zuilen, hoe zij zich verheffen Zoo slank en sierlijk in elk onderdeel!
Zie elke schacht en ieder kapiteel;
Hoe kunstig afgewerkt en hoe verscheiden!
En zie die bogen zich daar boven spreiden
In eedlen vorm zich kruisend rij aan rij!____ â
Nu spreek eens, vader Aelbrecht, wat zegt gij ?
38
Aeibrecht.
lt;jrij zijt met hoofd on hand al even vaardig. Dit pracbtgebouw is zijn bestemming waardig.
Al was 't voor 't laatst, ik had den tocht gemaakt; Lang heb ik naar dit oogonblik gehaakt:
Een Huis voor God, op deze plek verrezen,
Ik voelde het, moest wel een pronkstuk wezen â
Toeft Heer Ailbertus nog steeds aan den Rijn?
De bouwmeester.
Men zegt van ja.
Aeibrecht.
Hij zal tevreden zijn Tan 't grootsche werk.
De bouwmeester (schertsend.)
Zoo, Aeibrecht. zoudt gij meenen? â Gij kunt u dus met dit ons werk vereenen ? Uw wetenschap van kunst en metslarij Verbaast me....
Aeibrecht.
Ja, de meester spot met mij.
Doch wij ook, schoon niet thuis in perkamenten. Wij voelen wat zich in de ziel wil prenten.
Ik was voorlang, als pelgrim, aan de Maas,
Waar het gebeente rust van Sint Servaas;
'k Heb menigmaal 't genoegen mogen smaken Te bidden in den Keizersdom van Aken, â
Maar, of 't dit oord zoo vol geheimenis,
De bouw zelf, of de drang des harten is.
Ik weet het niet, hier voel ik me opgeheven;
Hier voel 'k iets hoogs, iets heiligs mij omzweven Hier ben ik nader bij mijn God.... O! gaf Hij me in de schaduw dezer kerk een graf! Dat heb 'k als laatste gunst mij afgebeden____
De bouwmeester.
Gij zijt nog kras en sterk genoeg van leden.
(tot de iverkliedeM.)
Gezellen, nu een liedjen, ais 't u lust,
En dan gestaakt; het is de tijd van rust.
Een gezel.
De meester hoeft zijn knechten te bevelen.
De bouwmeester.
Laat rusten dan uw hamers en truweelen.
De werklieden.
Wel zwaar is onze arbeid,
Maar licht ons gemoed,
Als schertsen en zingen
Den arbeid verzoet.
Zoo steent jen aan steentje Voltooit zich het werk,
Een stuif jen of kluisje,
Een burchtslot of kerk. Tevredenheid, vreugde,
Gods zegen tot loon,
Is arbeid ons leven,
't Werk zelf onze kroon. De bouwmeester.
Daar komt een dienaar van den graaf; hij snelt
Hierheen____ Wat dat beduiden mag? Mij geldt
Allicht zijn komst____
40
Tweede Tooneel.
DE VORIGEN, EEN BODE.
De bode.
üe graaf heeft mij gezonden Met zijnen groet, en om u aan te konden,
Dat Heer Ailbertus heden wordt verwacht,
Misschien aanstonds. Een bode uit Aken bracht 't Bericht....
Aelbrecht.
God! Heer Ailbertus?! Hij zou komen! De bouwmeester.
Ailbertus komt? Heb ik het wèl vernomen?
De bode.
De graaf is met graaf Hendrik en zijn stoet
In allerijl hem tegemoet gespoed.
Gij zoudt voor zijne ontvangst op 't beste zorgen.
Uf.)
Derde Tooneel.
BOUWMEESTER; WERKLIEDEN, LANDLIEDEN.
De bouwmeester.
Gezellen, vlug 't gereedschap opgeborgen!
Maakt voort, gezwind! De graaf ontvangt zijn gast Zooals 't een edelman en priester past.
(De metselaars bergen hun metselaarsgereedschap links en rechts.)
Aelbrecht.
Goddank, dat ik van daag nog ben gekomen!
41
Ailbertus!.... 'k Heb zoo vaak hem in mijn droomen Aanschouwd, en altijddoor de hoop gevoed,
Dat ik hom nog eens zien z^u.... Nu is 't goed, Ik bon tcvreên. God hoorde mijne bode____
De bouwmeester {tot de arheiders.)
Nu handen uit de mouw !
(tot de landlieden.)
Gij helpt wel mede.
Niet waar?
Een landman.
Zoor graag. Wat kan ik voor u doen? De bouwmeester.
Er dient gesierd! Snijdt meien af! Haalt groen! Fluks op, gozollen! 't Geldt Ailbertus to eeren.
(Allen verdwijnen in het omrinf/ende bosch. De houwmeeater laat het leennersooy gaan over houw en voorplein.)
Aelbrecht.
Helaas! ik kan de handen niet moer woren.
'k Benijd do jongren en hun arbeidslust.
Doch ook in mij is 't vuur noch niot gobluscht; 't Is of het hodon niouw ontbrandt.... 0, konden Mijn handen nog iets doen voor hem! 0, stonden Mijn loden mij, als vroeger, nog ten dionst!....
(Voor en na komen metselaars en landlieden met loovertakhen op.) Ik hoopte steeds, on nu op 't onvoorzionst Zal ik hom weer als de eerste maal aanschouwen, Dat aangezicht, dat oog vol Godsvertrouwen,
Die odelo gestalte!____ o God, die dag,
Rolduc, 4:
42
Waarop 'k Ailbertus voor liot eerste zag,
Bleef mo immer bij, gaat nooit uit mijn gedachten....â Wat toeft hij lang? Ik kon niet langer wachten, Ik wil hem zien, hom 't eerste, hem alleen;
En____gunt hij mij, mij arme, één blik, slechts één.
Dan zal 'k gelukkig zijn ....
De bouwmeester [tot de lieden.)
Zoo, dat heet spoeden !
Aelbrecht (coor ziek.)
Eén dag van vreugd kan maanden leeds vergoeden ; Ik ga hem tegemoet.
(Rechts of.)
Vierde Tooneel.
BOUWMEESTER, ARBEIDERS, LANDLIEDEN.
De bouwmeester.
Nu flink aan 't werk! Die takken, links en rechts, hier, vóór de kerk!
Geeft aan! â Zoo is het goed. -- En die, daarginder!
Een werkman.
Zij zijn wat schraal, wat org dun, meester.
De bouwmeester.
Bind er
Wat loover om.
(tot een onder.)
Neem gij den amiren kant; Dan gaat hot werk wat vlugger van de hand.
De werkman.
Hier, meester?
43
De bouwmeester.
Ja, 't is wel.
(tot den eersten.)
Iets meer naar voren; Want zoo gaat het gezicht der kerk verloren.
Een ander werkman.
Nu, meester, geef mij ook eens wat te doen!
De bouwmeester.
Te veel hulp schaadt.... Maar wacht, een looffestoen.... Wind losse takjes, hier in hoop aanwezig____
De werkman.
Daarmede zijn ze ginds al volop bezig____
De bouwmeester.
Dat schikt!â G-a helpen, en bostel er twee!
Is de eone klaar, dan breng hom alvast mee.
{werkman af.)
[voor zich.)
Die zijn uitstekend hier langs beide zijden.
De werkman links.
Hangt 't goed zoo, meester?
De bouwmeester.
Laat een beetje glijden Naar 't midden .... zoo ....
[tot den werkman rechts.)
Gij hangt hem voel te hoog. Wat meer naar rechts, dan vormen ze eenen boog....â Dat is in orde.
44
(tot landlieden.)
Gij verspilt uw kanson;
Maakt van hut korto loovor vast wat kransen! Die komen straks van pas.
{De landlieden (juan aan 't werk.)
De werkman rechts (uit de hoogte.)
Daar komt do knoclit
Van Saffenborg weerom ....
De bouwmeester {naar hem uitziende.)
Good ovorlogd â Hij brengt ons bonte wimpels om to sieren.
Die zullen foestlijk in do takken zwieren.
(hem roepende.)
Hó, Dirk! wat haast! Er is goon tijd te voel.
Vijfde Tooneel.
DE VORIGEN, DE KNECHT.
De knecht.
Hier bon ik al; oen ieder doet zijn dool,
En ik het mijn.
(hij ontvouwt de wimpels.)
Zij zijn al haast ontploken.
De werkman.
En even spoedig tusschen 't groen gestoken.
De bouwmeester.
Daar komen zo ook mot de festoenen aan.
De werkman (tot den knecht.)
Geef hier maar!
45
De bouwmeester.
Dat zal ras van stapol gaan.
De werkman {heeft den wimpel bevestigd.)
Uiu zit roeds.
De bouwmeester.
Steek dien roodo' aan do andre zijdo â 't Mcgint te lijken op oen foostgotijde.
Die witte, hior; en ginds, die blauweâ Best, Het gaat naar wensch. De slingers 't allerlost-, Die zullen spoedig langs de takken zweven.
Het volk (treedt met de festoenen op.)
Eore aan Ailbertus! Lang, lang zal hij leven!
De bouwmeester.
Wel, dat is braaf____ Geeft dezen hier, en dien
Aan d' andron kant!
(Zij hangen de slingers op.) Een werkman (uit de hoogte.)
Ik kan den stoet al zien;
Hij nadert ginds____
De bouwmeester.
Dan vlug! Laat hior wat zakken! (tot de menigte.)
Haalt gij do kransen vast en loovortakkon!
{Landlieden af, doch komen aanstonds weer, ieder met een krans of loovertak.)
Nu zijn \vo klaar.
(tot de menigte.)
Schaart u aan dozen kant, Kik mot zijn krans of looftak in zijn hand.
46
Een werkman.
Daar zijn zo roeds____
De bouwmeester.
Nu stil! ik gocf hut teokeu.
Zesde Tooneel.
DE GRAVEN VAN SAFFENBERG EN LIMBURG; HUNNE RIDDERS; AILBERTUS, me« zijne twee broeders; ABELARD, AELBREGHT, WERKVOLK, LANDLIEDEN, DE BOUWMEESTER.
Adelbert v. Saffenberg (tot Ailbcrtus, lt;gt;p de menigte
wijzende)
Daaraan horkent go 't volk uit dozo streken.
De bouwmeester {den mei zwaaiend.)
Heil, heil Ailbertus!
Het volk (eveneens.)
Heil, Ailbertus, heil!
Adelbert v. Saffenberg.
Het hooft voor zijne priesters alles voil.
De bouwmeester.
Leve onze graaf en zijn geslacht!
Het volk.
Hij leve!
Adelbert v. Saffenberg.
Zoo trouw als goud....
Ailbertus (vooruit tredend.)
Mijn vrienden, dank! God geve Zijn zegen u tot loon voor wat gij doodt!
47
Gij, moester, die van uwe taak u kweet Op zoo uitnemend meesterlijke wijze,
Verdient, dat 'k u voor alle aanwez'gen prijzo.
Aelbrecht (strompelt naar voren.)
Mijn Vader! als ik onbescheiden ben.
Vergeef het mij, don oudsten onder hen,
Gij bracht in deze streek geluk en vrede.
Gij kwaamt, en 't oorlogszwaard gleed in de schoede Terug bij uwe komst; en sinds dien tijd.
Bleef 't land van alle ramp en druk bevrijd ....
Mijn Vader! 'k ga naar 't einde mijner dagen;
Zou 'k nog één enkle gunst u mogen vragen?.,.. _
[zinkt op een knie.)
Dan zegen mij, voordat ik henen ga;
Dien zogen laat 'k mijn landgenooten na.
Ailbertus.
U zegen ik, mijn oude vriend, en allen.
Die met u zijn â
(tot den yraaf van Saffenhery.)
God heeft zijn welgevallen In deze streek zóó wonderlijk getoond.
Omdat een volk van goeden wille er woont.
Gelukkig 't land â gelukkig ook zijn Hoeren! â
Waar christendeugd en burgertrouw regoeron ! Die lieden dragen beide tot in 't merg.
Heil uw gebied, o graaf van Saffonberg!
Adelbert v. Saffenberg.
Ook 't uwe thans. Dit oord zij u geseiionken !
Moogt gij er meer on meer die bolde ontvonken. De ware christendeugd naast burgertrouw!
48
Blijf hier to midden van ons volk, en bouw Een vaste woning hier voor u en de uwen,
Een Huis dos vredes ! Dat de boozen 't schuwoh, Do goeden 't zoeken, wijl het zogon spreidt! â
Ailbertus.
Beloone God uwe edelmoedigheid!
Mijn dank is mijn gebed voor u en de erven
Der Saffenbergs....
Mijn God! hier wil ik sterven; Gij zelf hebt mij met deze plok voreend.
O! ruste in dezen grond eens mijn geboont' â Dat stoods uw geest er wone en haar bovoiligo! â
{Hij blijft opgetogen statui.)
Arnulf (ter zijde tot graaf Hendrik.)
Hoor Graaf, gij hadt gelijk, het is eon hoiligo.
Abelard.
En Vlaanderen, Hoer Oom? Koert go or niet woor? Adelbert v. Saffenberg.
Hij hoort u niet; hij is zich zolf niet moor.
Ziot, hoo hij staart als aan dezo aard onthoven....
Aelbrecht.
Mij hoeft hij nog zijn zegen willen geven.
De Godsman ! Hoe gelukkig bon ik thans!
[Zacht en langzaam zet de m uzi cl: in. De volgende alleenspraak, t.en soort van profetie over de toekomst van Rolduc, is melodramatisch.)
Ailbertus.
't Wordt licht voor mijnen geest____ Wat wondre glans
49
Daalt als een vuurzuil van den Hemel neder?!____
Het vizioen!____ het is 't.... ik zie het weder.
Wat heerlijkheid!____ Weer zingt het Englenkoor
Zijn vredezang____ neeu, jubellied____ En door
De luchten trillen menschenstemmen mede____
Ook jubelzang? Neen, smoekend rnischt de bode____â
Een tempelkoor!____ een kerk! ... zie, boog aan boog
Op zuil aan zuil rijst schitterend omhoog....
Mijn kerk, o God!.... Van alle kanten stroomen De scharen or te zamen; kindren komen En juichen.........
Zachte hemelluister vult De ruimte.... Een man, in kloosterpij gehuld,
Een in het boetekleed. Zij knielen; luister!
Zij spreken met hun God iu toer gefluister;
Zij smeeken zegen af.................
................ Wee! 't licht verdwijnt
Allengskens, stil. Alleen do Godslamp schijnt.
Daar glanst het weêr.... En koorgezangen galmen In blijden jubeltoon .... En wierookwalmen Gaan opwaarts niet den zang .... een vrede-lied.
Een zang van goeden wil..............
....................Die wolk?! .... daar schiet
Een bliksemstraal .... Waar ijlt gij heen, gij mannen?
Hot heiligdom verlaten? Gij, verbannen?....
't Is diepe nacht. Geen bede ruischt, geen zucht ....
Een treurende eenzaamheid...............
..................... Zie aan de lucht
Een glans als voorboo van het. uchtendgloeien; Een nieuwe dageraad; de stralen vloeien
50
Tot bundels saam .... een volle middaggloed Verspreidt weör licht en warmte in overvloed.
Wat koestert ge u in 't nieuwe zonnestralen, Gij, jongeren van velerhande talen V ....
Mijn naam? Gij neemt hem mee de wereld in? Gij zijt de kroon; ik ben slechts hot begin ....
{De. muziek houdt op; het vizioen heelt uit.) quot;Was dat mijn bouw, o God, door de eeuwen henen, In lief en leed steeds door uw licht omschenen ? Zoo rijze hij, en tijd on storm ten trots.
Tot heil van velen en tot glorie Gods!
SLOTKOOR.
Nu zingen de eeuwen 't jubellied,
Rolduc, om uwe transen! Het heden wijkt in glorie niet
Voor uw aloude glansen. Dejonglingschaar dringt om usadm
Om a met goad te kronen, En zij verheerlijkt wren naam Als Moeder veler zonen!
Blijf, Holdtic, eeuw hij eeuw ten trots, Een haard van deugd en licht voor reien! Blijf heiligen en mannen telen
Tot meerdere eer en glorie Gods!
O gt;vft sV'V
^ \l I 'y\yigt;\y M
^ M*YV . /V -V v^ ⢠â ^ f ⢠- V h quot;⢠1- v -gt; , â¢-^' â â â -quot;â â ' r f / V -i*' \ ' ' â¢â¢â¢Â»/lt;:;^al XX ), . / / x s / j .!lt;/ X/ ' I V /l
1 ' ^ ⢠^( . t' v ' 4 v lt; / lt; ^ y ; . wé S'v/V- .K'V .wxA' ; \'V ,;:-\A ;'
\ 1 â ''' ^ / ^ ' quot; / \ ''â / s , gt; '' y Aj \ / 'l gt; \
Isv/o.v'f^^V'^ ;r'.ï.Vquot;\\'
o;:: I
. Y i :-/.,^ V-iJ
,,/ \ â¢,' %:V S \ ,' \ 1../ , . ⢠v xquot; 4 ,;â â â¢./ ' . , , , ' /'vv/'. â t â . ;quot;. r â â , v ' v f . ' ^ -, v
'W / v
(H {â â â t 'ïj
-/ ^V^^XVo-;/ 'v'V ; / â »'---\xX
vlt; ^'\/\1'''V vV/ N . x/V' ^ {\^\
'v X s' l iv 5- â
' / K .-^V 'v.--gt;' â¢â ' f :â¢..â¢â¢
) ^ ;v gt; x
â v I s S f ^ \ ^ gt;
i gt; quot; ^ *''-Alr\* 's / x
» -/ .^v. -t. f y f ' ^ v-\
â ⢠%H 'â gt; \ V t v 1 v 'V V- .'«â gt;. V--quot;. ;gt; . gt; . ; I/Ur . â /â ;â¢' / V^.u\v./gt;V:/ y 'â '-/â -!-Y^v6Vgt; /v-^./
â , ^ ' ' \, / /s 'k - / /v/ V 3
â - Ju--^V, x:v:. gt; ⢠\U-' ^r Wt(N''\v;
. i ' ! 'Xjy; ^XïCY-
V quot;VV' ' » gt; Vlt;'::;\
«; vAquot; .'vv
^-vX X/' ^ -KS
. ^X'v \
â . i lt;^V -£4;:-- I 'i5 ,|f: V
'...- ^ : . ^-y. '4 â¢â -Isr VA , .â
,k'. 'T' 'â¢V/\V ' 'lt;M
.Vv ' \ gt; Y ,,N \gt;X)i
'lt;.v \.i\i .\ n,v\ nfy,\'\' \ \
y , .,/ gt;(*, V quot;- 'e, â }; J, y' â â A