/Wf % ^
DE UAYOLGIKG ^
onzes Heeren
JEZUS CHRISTUS,
DOOR
THOMAS amp; KEMPIS.
Met Oefeningen en Gebeden na ieder Hoofdstuk; Misgebeden, Vesper-psalmen, enz.
Naar het Fransch
van den Eerw, Pater de Gonnelieu. .
ö
((
Met Goedkeuring.
VENLO,
WED. H. B O N T A M P S. I9U».
I
VO O R R E D E.
Het zal wel niet noodig zijn, iets ter aanprijzing te zeggen van het werkje, getiteld : /Je Navolging van Jczns Christus, welks opschrift het reeds genoegzaam doet kennen, en welks inhoud zoo veel heilzame vruchten, ja voor velen zoo veel vertroosting heeft opgeleverd. Inderdaad, wij vinden in dit werkje geneesmiddelen voor alle zielskwalen, een verborgen manna, waardoor wij alle geestelijke genietingen smaken, een bewonderenswaardig licht, dat ons leert ons zei ven te kennen, Gode de Hem verschuldigde aanbidding toe te brengen, en dat eindelijk de wetenschap van geluk bevat, die ons doet zien, hoe wij als Christenen moeten leven, om als Christenen te kunnen sterven.
Deze nieuwe uitgave is vermeerderd geworden door zeer stichtende oefeningen en gebeden, achter ieder hoofdstuk geplaatst, volgens het fransch van den
voorrede.
eerwaarden Pater de Gonnelieu , in welke in korte doch treffende bewoordingen den inhoud van elk hoofdstuk herdacht wordt, terwijl in het daaropvolgend gebed de noodige kracht en hulp tot beoefening der deugden en bestrijding onzer hartstochten van God worden afgesmeekt.
Bij deze uitgave is verder bijgevoegd, een register van den hoofdinhoud, verdeeld overeenkomstig de verschillende behoeften der geloovigen. Het stelt hen in staat, om gemakkelijker de hoofdstukken te kunnen vinden, welke hun ter lezing nuttig zijn, naar den werkelijken toestand hunner ziel, en om het leven over hetzelfde onderwerp af te wisselen.
Een tweede register geeft het middel aan de hand, om de hoofdstukken te lezen, in overeenkomst met de evangeliën der zondagen en de voornaamste feesten des jaars.
HET LEYEK
VAN
Thomas a Kempis,
Volgens verscheidene Schrijvers bijeen-vergaderd.
Thomas van Kempen zag het licht in eene plaats, Kempen genaamd, gelegen op de uiterste grenzen van het bisdom van Keulen, tus-schen Gulich en Kleef, en waarvan hem de naam is bijgebleven. Zijne ouders, Joannes en Gertrudis, waren (indien men naar de wereld wil oordeelen) van geringe afkomst, en muntten niet in rijkdom uit; doch hun adel bestond in hunne godvruchtigheid, en hun jaarlijks inkomen in een' onberispelijken levenswandel. Daar zij hunne nooddruft met den /uren arbeid hunner handen wonnen, waren zij met het weinige, hun van Oud in hun leven verleend, wel tevreden. Deze Echtelingen wonnen bij elkander twee zonen. ( van meer is er geen stellig bewijs gegeven.) Joannes, de oudste, deed zijne letteroefeningen of studiën te Deventer, had veel omgang met Gerardus Magjlus, en kwam tot alle volmaaktheid van zeden. tOok bediende hij, in de orde der regulieren, onder het kapittel
HET LEVEN
van Windesera, verscheidene voorname ambten, en ontsliep daarna zacht en zalig.
Thomas werd geboren in het jaar onzes Heeren 1380, ten tijde dat Paus Urbanus de VI. en Carolus de IV. het christen rijk regeerden. Nadat hij zijne kindsche jaren onder de oogen zijner ouders doorgebracht had, en bekwaam scheen te zijn om ter school besteed te worden, vertrok hij naar Deventer, in den ouderdom van dertien jaren. Hij werd bijzonder aangemoedigd aan deze stad de voorkeur te geven, door de vermaardheid van den godvruchtigen en geleerden Florentius, priester en overste van het Broederhuis, hetwelk door de studenten, die van daar kwamen, overal geprezen werd. De oefening der vrije kunsten was te dien tijde daar in zulken bloei, dat men zoude gezegd hebben, dat Deventer in Nederland was, zoo als de vermaarde school van Athene bij de Grieken.
Toen hij te Deventer kwam, was zijne eerste zorg, naar zijnen broeder te vernemen, opdat hij door diens raad en hulp (want zijn leergeld was zeer gering ) tot de studiën zou kunnen toegelaten worden. Daar nu Gerardus Magnus reeds in het jaar 1384, als ThoYnas slechts vier jaren oud was, van de wereld was gescheiden, werd hij aan den eerwaarden priester Florentius aanbevolen, die hem zeer gulhartig ontving en hem eene kamer, boeken en het noodige voedsel verschafte. De omgang met deze mannen, die door de godvruchtigheid en geleerdheid
6
VAN THOMAS A KFMFIS. 7
zeer beroemd waren, en die onder dezen Flo-renlius in alle godsdienstigheid, eenvoudigheid des levens en oprechtheid der zeden uitmuntten, maakte dat deze vrome jongeling hunne zeden in alles navolgde en in hun gezelschap veel genoegen vond. In huis was hij naarstig, in de scholen ijverig en aandachtig, in de kerk godvruchtig en ingetogen, iii dier voege, dat hij binnen weinige jaren niet alleen in de studiën, maar ook in de godvruchtigheid groote vorderingen maakte, zoo als genoegzaam blijkt uit de menigte der door hem opgestelde boeken. Terwijl hij in het Broederhuis woonde, droeg hij alles, wat hij met schrijven konde winnen en waarin hij zeer bedreven was, tot
de gemeene onderhouding en hulp van hetzelve
0p' '
Van zijne kindschheid af was hij zeer toegedaan tot den dienst der heilige maagd Maria, ^aan welke hij dagelijks eenige bepaalde gebeden gewoon was op te offeren. Maar zoo als de kinderlijke godvruchtigheid zeer onstandvastig is, begon ook in Thomas deze heilige gewoonte, door onachtzaamheid te verflauwen. Hij verzuimde dan allengs zijne gewone gebeden en aanroepingen, in het eerst éénen dag, daarna twee, drie of vier dagen, ja soms eene geheele week, en wat te beklagen is, Ijet die ten laatste geheel achter. Terwijl hij aldus voortging, kreeg hij eens een nachtgezicht of visioen. Hij dacht, dat hij in de zaal van meester Florentius stond, alwaar hij mtt de andtr*
HET LEVEN
8
studenten, die ook gekomen waren om het woord Gods te aanhooren, zeer ijverig toeluisterde, en de heilige Moeder Gods uit den hemel zag ⢠nederdalen, met een gul gelaat èn in een blinkend kleed, in de gezegde zaal gekomen zijnde, rondom de broeders ging, en terwijl zij nu dezen en dan genen zeer vriendelijk omhelsde, hun hare dankbaarheid scheen te bewijzen, omdat zij zeer zorgvuldig waren om door hunne godvruchtige vermaningen eenieder aan ie wakkeren, dat de prijs van het dierbaar bloed van haren lieven Zoon in de jongelingen niet zou verloren gaan. Daar Thomas zag en bemerkte, dat zij de broeders zoo gulhartig omhelsde, stond hij met gretige blikken, vol hoop, dit schouwspel aan te staren; en zijne liefcTefvolle blikken tot haar wendende, zeide hij bij zich zeiven : ik zal een weinig vertoeven, en als de allerzaligste Maagd al de anderen genoegzaam hare teekenen van liefde zal bewezen hebben, zal zij ten laatste ook mij, al heb ik haar niet met zoo waardige liefde als het wel behoorde, echter toch met zulke liefde als ik wel konde, gediend, goedertierenlijk eene omhelzing der liefde aanbieden. Thomas had den kus, welke een teeder onderpand der liefde is, wel verhoopt, maar werd integendeel zeer streng be rispt. Want nadat de heilige Maagd al degenen, die de leerlingen, welke daar hunne letteroefeningen kwamen doen, met godvruchtige vermaningen in alle deugden onderwezen, door teedere omhelzingen alle liefde beloond had,
VAN THOMAS A KEMPIS. 9
kwam zij eindelijk bij Thomas, en zeide hem met een ernstig gelaat: vruchteloos wacht gij, mijn wreede vijand, naar den kus van heilige liefde; gij, die door eene verfoeielijke en berispelijke onachtzaamheid, het getal uwer gewoonlijke en vurige gebeden mij niet hebt betaald. Want, waar zijn toch uwe gewone gebeden ? Waar zijn uwe godvruchtige begeerten, die gij met zuchten en tranen tot mij placht te zenden : Is de vorige liefde niet gansch in u verkoeld, en is de godvruchtigheid, die gij voorheen tot mij gehad hebt, niet geheel wankelbaar geworden ? En echter durft gij, alsof gij niets misdaan hadt, met een stout en onbeschaamd aangezicht, eene omhelzing verwachten, gij, die met alle recht verdient berispt te worden ! En als geheel verbolgen en gestoord, keerde zij haar gelaat van hem af, en zeide : ga van mij, want gij zijt onwaardig door mij omhelsd te worden, gij, die zoo gemakkelijk een kort gebed tot uwe welbeminde, veronachtzaamd hebt uit te storten. En nadat zij hem al-zoo berispt had, verdween zij uit zijne oogen. Thomas, na dit visioen of nachtgezicht wakker geworden, onderzocht zijn geweten, bekende zijne schuld en beloofde beterschap. En opdat hem voortaan de omhelzingen van de heilige Maagd niet zouden onttrokken worden, begon hij de achtergelatene gebeden der heilige Maagd met zulk een vlijt te hernemen, dat hij die niet een enkelen dag, lot hel einde zijns levens toe, durfde verzuimen. O zalige bestraffing, die de
HET LEVEN
misdaad verbeterd, en het verbond der liefde, nu een weinig onderbroken zijnde, wederom in zijn geheel hersteld heeft!. . .
Als hij nu zeven jaren niet den priester FIo-rentius en met de andere broeders derzelfde vergadering verkeerd had, en reeds voor de menschen in alle deugden wel beproefd was, werd hij met ijver ontstoken om religieus te worden, waartoe voornoemde Floreutius soms eenige wenkjes in zijn hart verwekt had. In het jaar onzes Heeren 1399, toen de priester Florentius, overste der broeders, in den Heer ontsliep, vertrok Thomas naar den berg, aan de H. Agnes toegewijd, en die niet verre van de stad Zwolle gelegen was, alwaar eenigen tijd te voren een klooster der Regulieren, onder het kleed en den regel van den H. Augustinus, gesticht was. Dit huis was in dien tijd nog niet vermaard, aan'^veinig lieden bekend, en werd, zoo als gewoonlijk de beginselen van alle dingen veracht en zwaar zijn, slechts door zeer weinigen geëerd. Als hij op dezen berg, door de brieven van gezegden priester Florentius aanbevolen zijnde, kwam, werd hij van zij--nen broeder, die alsdan eerste overste van het klooster was, zeer beleefd ontvangen, en beiden hieven verheugd dezen hemelschen lofzang aan: hoe zoet en genoegelijk is het, als broeders met elkander eendrachtig wonen ! (Ps. 131. v. I.)
Om niet onbedacht deze nieuwe levenswijze, waarna hij zoo vurig verlangde, aan te nemen, deed hij eerst, na vijf volle proefjaren gedaan
IO
VAN THOMAS A KEMPIS. II
te hebben, zijne plechtige kloosterbelofte. Men zag in hem bijzonder uitschijnen eene allersterkste liefde tot God, eene eerbiedige onderwerping aan zijne oversten, en eene liefderijke genegenheid tot zijne medebroeders. Nooit bracht hij eenige uren in ledigheid door, maar was aanhoudend bezig met de heilige Schrift en godvruchtige boeken te lezen, of dezelve tot algemeen voordeel uit te schrijven, hetwelk hij meestal des middernachts na de Metten deed, en krenkte hierdoor bovenmate zijne gezondheid. Tot op den dag van heden, is nog, de gansche Bijbel, in vier deelen verdeeld, en een groote Missaal, alsook sommige stukken van den H. Bernardus, met eene- bijzondere kunstvaardigheid door Thomas geschreven, overgebleven.
Het lezen der H. Schrift behaagde hem zoo zeer, en hij was zoo gaarne in zijne cel, dat hij dit spreekwoord dikwijls mondeling placht te gebruiken en in zijne boeken schreef : In omnibus requiem quaesivi, sed non inveni nisi in angello cum libello; hetwelk beteekent : In alles heb ik rust gezocht, maar heb die niet gevondeH, dan in een hoekje met een boekje : hierdoor willende ie kennen geven, dat meo in de gansche wereld geene rust kan vinden, dan in afgezonderde plaatsen en gebedenboeken.
Hij Was ook zoo spraakzaam en zachtmoedig, dat hij toen hij nog jong was, met algemeene stemmen, tot overste der gemeente gekozen werd, niettegenstaande hij zich langen tijd daartegen verzette.
HET LEVEN
Niet zelden gebeurde het dat hij , wanneer hij met de broeders verkeerde en met hen over eenige zaken sprak, de inspraak Gods in zich gevoelde; alsdan nam hij van hen zeer beleefdelijk afscheid, juist alsof er iemand om hem te spreken wachtende was , en ging in zijne kamer, alwaar hij zijn hart voor God uitstortte, en de wijsheid putte, die alle godvruchtige harten in zijne heilige boeken zoo zeer bewonderen.
De almachtige God heeft zich ook gewaardigd zijnen dienaar met veropenbaringen te vereeren; want als hij eens van den berg der H. Agues naar Windesem vertrokken was, en aldaar overnachtte, om den kranken Joannes van Heusden te bezoeken, en over eenige zaken aangaande de heilige religie van de orde te spreken, gebeurde het, dat hij omtrent hel aanbreken van den dag verscheidene Engelen en Heiligen, zeer blinkende, zag te zamen loopen, alsof zij zich haastten om ter uitvaart te gaan met het lijk van een voornaam persoon, om zijne zalige ziel in den hemel te brengen. En hij was in zijn nachtgezicht niet bedrogen, daar hij met zijne ooren hetzelfde ook gewaar werd. Want ontwaakt zijnde door het geklop van een plankje, waarmede de religieuzen plachten bijeen geroepen te worden, sprong hij uit het bed, en de toekomende dingen voorziende, voorspelde hij den dood des priors van Windesem.
Door de ondervinding geleerd zijnde, achtte hij de vrcesaanjaging en de spokerij der dui-v«len zeer weinig. Men verhaalt, dat als eens
12
VAN THOMAS A KEMPIS. 13
de duivel in eene verschrikkelijke gedaante bij hem stond, en poogde tot zijn bed te naderen, hij in het eerste verschrikt was op het aanzien van zulk een vervaarlijk spook, en niet wist welke middelen hij zoude aanwenden tegen de listen van zulk eenen vreeselijken vijand. Eindelijk, door den geest Gods gedreven, begon hij de groetenis des Engels met eene bevende stem (gelijk gemeenlijk geschiedt in de bevreesdheid) en zoo goed hij kon, te lezen. Doch de duivel was geenszins verlegen door deze groetenis, en naderde den bevende al meer en meer, totdat Thomas ten laatste in gemelde groetenis aan deze woorden gekomen was : Gezegend is de vrucht uws lichaams Jezus.
Zoodra de duivel dien geduchten naam hoorde, keerde hij, als van eenen zwaren donderslag verschrikt zijnde, zijn aangezicht om, en nam in allerijl, op de stem des roependen, de vlucht.
Thomas nu, ziende dat de duivel door de kracht van dien verheven naam niet koude blijven staan, verhief zijn bevend hoofd een weinig stouter, en riep den vluchtenden vijand verscheidene malen met deze woorden na ; gezegend zij de naam van Jezus Christus I en hoe harder hij riep, hoe sneller ook de verschrikte geest henenvlood. Zoodra de godvruchtige man dit bemerkte, zeide hij, God lovende, bij zich zeiven : Indien ik door den allerheilig-sten naam Jezus zoo gemakkelijk de geheele macht des duivels kan verbreken en vernietigen, zoo wil ik voortaan, gelijk ik tot dusverre ge-
14 HET LEVEN VAN THOMAS A KEMPIS. daan heb, de aanvechtingen der duivelen niet meer vreezen, en zal door hnnne bedreigingen, hoe schrikkelijk die ook zijn, door een wankelend geloof niet meer ontsteld worden.
Nadat Thomas 71 jaren, met inbegrip zijner proefjaren, op den berg van de H. Agnes, met grooten lof, en tot nut en zaligheid zijner medegezellen, doorgebracht had, werd hij van den Heer naar den berg der eeuwigheid, dien hij zoo dikwijls aanschouwd en waarnaar hij zoo menigmaal gehaakt had, geroepen, en zijne zalige ziel, het aarden vat des lichaams verlaten hebbende, verhuisde naar de eeuwige tabernakelen, om haren God aldaar eeuwig te genieten. Hij stierf den 25 Juli 1471. in het 92ste jaar zijns ouderdoms.
SS®-.
pii«t0ebeï»en»
Korte Verklaring der Mis.
De Introïtus (ingang) vermeldt den lof van God met de woorden der heilige Schrift, en meestal in verzen uit de psalmen van David. Hierop volgt de belijdenis der zonden of de zoogenaamde openlijke schuldbelijdenis, waardoor wij onze nietigheid bekennen, en deswege God om genade en ontferming aanroepen.
De Gloria is een lofzang aan God aan Jezus, die aanvangt met de woorden, welke de engelen bij de geboorte van Jezus zongen, waarbij men de hemelsche heerlijkheid en het Vaderland der Heiligen gedenkt. Bij eenen treurdienst en bij zielmissen wordt die weggelaten, gelijk mede in zoogenaamde bid-missen, die ons aan onze zwakheid herinneren, of ons opvorderen, pm voor onze zonden Gods barmhartigheid aan te roepen.
Het Gehed (kerkgebed) is altijd rechtstreeks
16 DE HEILIGE MIS.
tot God gericht; hier bidt de priester in den n^am der Kerk, voor het aanwezige volk, opdat het door Gods ontferming of.door bemiddeling van de Heiligen, wier gedachtenis gevierd wordt, ter deelneming aan de heilige geheimen waardig bevonden worde.
De .Epistel èn het Evangelie zijn leerstukken uit de Evangeliën en Zendbrieven der Apostelen aan de eerste Christenen, welke door den priester, tot leering en stichting der aanwezigen, gelezen worden. Het opstaan bij het lézen des Evangelies is een teeken van eerbiedigheid en standvastige bereidwilligheid, om de lessen en voorbeelden van Jezus te volgen.
Het Credo of de geloofsbelijdenis bevat het voornaamste uit de geloofsleer. â De beste geloofsbelijdenis is een christelijk leven ; en het werkdadig geloof maakt zalig.
Het Offertorium was in vroeger tijd het brood- en wijnoffer, dat de Christenen zeiven tot het avondmaal brachten. De priester draagt nu vereenigd met het volk het offer op. Eer hij nochtans tot de Consecratie zelve, die door de goddelijke macht bewerkt wordt, overgaat, vermaant hij ons tot aandacht, en dit geschiedt door de Prefatie, waarbij de priester in zijne gebeden, de Kerk, derzelver opperhoofd, enz. gedenkt, alsmede de heiligen, welker bescherming hij voor de personen afsmeekt, voor welke hij het offer opdraagt. Na deze voorbereiding gaat hij over tot
De Consecratie, waarbij datgene geschiedt,
DE HEILIGE MIS. 17
wat Jezus Christus in zijn laatste avondmaal deed en den zijnen te doen heeft aanbevolen. Hieraan sluiten nu gebeden, die daartoe bestemd zijn, om het bijzondere geloof te verwekken, en voor zich, voor de gemeente en voor de zielen in het vagevuur God om genade aan te roepen, opdat Hij de straffen diergenen verzachte, die aldaar nog voor hunne zonden moeten boeten.
De Communie heet gemeenschap; en deze handeling ontleent daarvan haren naam, dat daardoor de innige, voortdurende gemeenschap met Christus onder de Christenen werd onderhouden. De priester heeft zich door het voorafgegane Onze Vader, als ook door het gebed om den vrede der Kerk, tot het ontvangen der heilige communie (het avondmaal) voorbereid. Daarna communiceeren de aanwezigen, of werkelijk, of geestelijkerwijze, of, gelijk het bij de zielmissen plaats heeft, men wenscht den overledenen het zalige genot toe van het hemelsche brood.
Tot Besluit wordt nog het begin van het Evangelie van Joannes gelezen, als het heerlijkste getuigenis van de godheid van Jezus Christus. Vervolgens nog betuigt de priester met het volk den eeuwigen God, door een vroom gebed, den verschuldigden dank daarvoor, dat zij verwaardigd worden om deel te nemen aan deze heilige geheimen.
De priesterlijke kleediug.
Volgens d« verklaring der Trentsche Kerk-
2
l8 DE HEILIGE MIS.
vergadering, wordt door de heilige Mis de bloedige offerande, welke Jezus Christus op hei altaar des kruises zijnen eeuwigen Vader deed voor het heil der wereld, en welke hij tot gedachtenis van zijn lijden en sterven wilde voort gezet hebben, op eene onbloedige wijze voorgesteld.
De doek om den hals, Humeraal, duidt den doek of het omhulsel aan, 't welk de beulen over Jezus Christus wierpen, terwijl zij Hem in het aangezicht spogen en Hem daarop vroegen en zeiden : profeteert, wie heeft U geslagen ?
De linnen Albe of Tunica duidt dat kleed aan, waarin Herodes met zijne lijfwacht Christus bespotte en Hem tot Pilatus terugzond.
Het CiNGULUM beduidt den strik, waarmede Christus in den hof om het lichaam gebonden werd.
De Manipel beduidt de banden waarmede de heilige handen des Verlossers, evenals die van eenen misdadiger, zijn gebonden geworden.
De Stola toont het louw aan, hetwelk men om zijnen hals had geworpen, toen Hij het kruis dragende naar den Calvarieberg werd gevoerd.
Het Miskleed stelt ons het purpergewaad voor, dat men Christus gaf in het huis van Pilatus.
Het Kruis op het miskleed herinnert ons aan het kruis, hetwelk Christus voor ons gedragen heeft en waaraan Hij voor ons heeft gehangen.
De Kelk beduidt den bitteren lijdenskelk, wel-' ken Christus voor ons vrijwillig heeft gedronken.
DE HEILIGE MIS. 19
Het Altaak zelf stelt den Calvarieberg voor. waar eens onze Verlosser zich zeiven tot een bloedig offer heeft opgedragen.
De Hkilige doeken, welke op het altaar liggen uitgespreid, verwijzen naar de doeken, waarin het heilige lichaam van Jezus Christus is ingewikkeld geworden.
Voorbereiding.
De plechtigste vereering, welke wij God kunnen betoonen, bestaat hierin, dat wij Henx een offer brengen, en daardoor onze algeheele afhankelijkheid van Hein openlijk bekennen. Wie Gode offert, die erkent God als het hoogste Wezen, als den Heer en Schepper aller dingen, als den Gever van al het goede, aan wien wij lof, dank, eer en aanbidding verschuldigd zijn. â Wie is dan ons offer: Het is Jezus Christus zelf, de eenigge.boren Zoou van God, den al,-machtigen Vader; de Allerhoogste, de Reinste, en Heiligste, die zich voor ons ten offer geeft; Hij is een offer tot heil der wereld, een offer van oneindige waarde, gelijk God zelf oneindig is.
Ik ben nu voornemens, aan die hooge gods-dienstverrichting deel te nemen, welke tot gedachtenis van Jezus' dood, tot heil der wereld, is ingesteld. Dat dezelve voor mij geene bloote plechtigheid zij. Niet mijne tegenwoordigheid, maar mijn levendig geloof, mijne aandacht en vrome gezindheid zal U eeren, Aanbiddende en
ÃE HEILIGE MIS.
dankende wil ik het groote werk uwer liefde, dat Jezus door zijnen dood voleindde, betrachten, en mij voorbereiden dat ik de vergeving mijner zonden en alle genade deelachtig kunne worden, welke de vruchten zijn van zijne op-oflfering in deze heilige verrichting. De heilige Geest leide en versterke mij ; Hij zegene geheel mijn pogen. â
DE HEILIGE MIS,
zoohIs de Priester die aan lief Altaar leest. {â â¢')
(Uit het Latijn.)
Priester, (aan den voet des altaars) In den naam des Vaders, en des Zoons, en des heiligen Geestes. Amen.
Ik zal ingaan tot Guds altaar.
Dienaar in naam des volks. Tot God, die mijne jeugd verblijdt.
20
pk. Wees mijn rechter, o God, en beslis mijne zaak tegen het onheilig volk ; verlos mij van den boozen en bedriegelijken mensch.
DS HEILIGE MIS. 2t
dr. Want Gij, o God, aljt mijne «tarkta; waar-nm hebt Gij mij verstooten ? En waarom ga ik bedroefd, terwijl de vijand mij kwelt ?
i'R. Zend uw licht uit en uwe waarheid, die zilllen mij leiden en brengen op uwen heiligen berg en in uwe woningen.
dr. En ik zal ingaan tot het altaar Gods, tot God, die mijne jeugd verblijdt.
pr. Ik zal U loven op de harp, o God, mijn God! Waarom zijt gij bedroefd, mijne ziel, en waarom ontstelt gij mij :
dr. Betrouw op God, want ik zal Hem altijd loven; Hij is het heil mijns aanschijns en mijn God.
i'r. Eere zij den Vader, en den Zoon, en den heiligen Geest. \
dr. Gelijk het was in Ket begin, en nu, en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen. pr. Ik zal ingaan tot Gods altaar.
dr. Tot God, die mijne jeugd verblijdt. pr. Onze hulp is in den naam des Heeren. dr. Die hemel en aarde gemaakt heeft. pr. Ik belijd voor den almachtigen God, de heilige Maria, altijd Maagd, den heiligen Aartsengel Michael, den heiligen Joannes den deeper, de heilige apostelen Petrus en Paulus, alle Heiligen en voor u, mijne broeders, dat ik zeer gezondigd heb, door gedachten, woor3en en werken : het is mijne schuld, mijne schuld, mijne allergrootste schuld. Daarom bid' ik de heilige Maria, altijd Maagd, den heiligen Aartsengel Michael, den heiligen Joannes den dooper, de
22 pE HEILIGE MIS.
heilige apostelen Petrus en Paulu», alle Jfeili' gen, en u, mijne broeders, den Heer, onzen God, voor mij te willen bidden.
dr. De almachtige God ontferme zich over u; Hij vergeve n uwe zonden en geleide u lot het eeuwige le\en.
pk. Amen.
du. Wij belijden voor den almachtigen God, enz. (Tot slot zegt hij, in plaats van mijne broeders : o Vader.)
pr. De almachtige God ontferme zich over u; Hij vergeve u uwe zonden en geleide u tot het eeuwige leven.
dr. Amen.
pk. De almachtige en barmhartige Heer ver-leene ons kwijtschelding, ontbinding en vergiffenis onzer zonden.
dr. Amen.
PR. Keer U tot ons, o God! en Gij zult ons doen herleven.
dr. En uw volk zal zich in U verheugen.
pk. Toon ons, Heer, uwe barmhartigheid.
dk. En geef ons uw heil.
rR. Heer! verhoor mijn gebed.
dr. En mijn geroep kqme tot u.
PR. De Heer zij met u.
dr. En met uwen geest.
pr. (terwijl hij het altaar betreedt) Wij bidden U, o Heer, neem onze boosheid van ons weg; opdat wij waardig worden met een rein hart in te gaan tot het heiligdom. Door Christus, onzen Heer. Amen.
DE HEILIGE MIS, J3
PR. {Zioh buigende in het midden des altaars) Wij bidden U, o Heer, door de vérdiensten van uwe Heiligen, wier reliquieën hier bewaard worden, en van alle overige Heiligen, dat Gij ons onze zonden wilt vergeven. Amen.
pk. (Aan den kant van den Epistel ) Ik ben het heil mijns volks, spreekt de Heer; ik zal hen verhooren, in welke aangelegenheid zij zich ooit tot mij wenden: ik wil hun God zijn tot in eeuwigheid.
Hoor mijn volk, naar mijne geboden, en neig uwe ooren tot de woorden mijns monds.
Eere zij den Vader, en den Zoon, en den heiligen Geest: gelijk het was in het begin, en nu en altijd, en in de eeuwen der eenwen. Amen.
PR. (In het midden des altaars) Heer! ontferm U onzer.
dr. Heer, ontferm U onzer.
pr. Heer, ontferm U onzer.
or. Christus, ontferm U onzer.
pr. Christus, ontferm U onzer.
dr. Christus, ontferm U onzer.
pr. Heer, ontferm U onzer.
dr. Heer, ontferm U onzer.
pr. Heer, ontferm U onzer.
Gloria.
pr. Eere zij God in den Hooge, en vrede op aarde den menschen die van goeden wille zijn. Wij loven U; wij prijzen U; wij aanbidden U;
»4 DE HBIUOB MIS,
wij vcrhitrlljksn U| wij dunkin U voor uw# ffrooto heerlijkheid. Heer God, Koning; dei he» mels, God almachtig Vader! Heer Jezus Christus, Heer God, Lam Gods, Zoon des Vaders, die wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer; die wegneemt de zonden der wereld, verhoor onze smeekingen; die zit aan de rechterhand des Vaders, ontferm U onzer, want Gij alleen zijt heilig. Gij alleen zijt de Heer, Gij alleen zijt de allerhoogste, Jezus Christus, met den heiligen Geest, in de heerlijkheid van God den Vader. Amen.
i'R. (Zich tot het volk keerende) De Heer zij met u.
dr. En met uwen geest.
PR. Laten wij bidden.
Verleen ons, Heer, genadiglijk uwe onuitsprekelijke barmhartigheid, en verlos ons niet alleen van onze zonden, maar ook van de straffen, die wij door dezelve verdiend hebben. Door onzen Heer Jezus Christus, uwen Zoon, die met U leeft en heerscht, in de eenheid des heiligen Geestes, God van eeuwigheid tot eeuwigheid.
dr. Amen.
Epistel.
(Volgens den Profeet Jereinias. Hst. xiv.)
Heer! onze zonden getuigen tegen ons, maar om uws naams wil, heb medelijden met ons. Onze overtredingen zijn menigvuldig; â tegen U hebben wij gezondigd ; alleen op U, o Ver-
DE HEILIGE MIS, 2$
lasier, benut ten tljda fU.- benatiwdhtirl 4« hoop
van Israel. O Heer! sta nna bij, om mvs rmams wil, en verlaat ons niet, o Heer, onze God.
DR, Ood zij gedankt.
i'R. O Heer! Gij hebt ons gered nit de handen onzer vervolgers : â Gij hebt onze vijanden verootmoedigd. Den ganschen dag zullen wij God loven en zijnen heiligen naam prijzen in eeuwigheid.
O Heer! vergeef ons onze zonden ; opdat de ongeloovigen niet steeds vragen : waar is hun God ?
i'r. (In het midden des altaars.) Almachtige God ! reinig mijn hart en mijne lippen. Gij, die de lippen van den profeet Isaïas met eenen gloeienden keisteen gereinigd hebt, gewaardig U door uwe liefdevolle barmhartigheid ook mij te reinigen, opdat ik uw heilig Evangelie waardig moge verkondigen. Door Christus, onzen Heer. Amen.
Heer, zegen ons! De Heer zij in mijn hart en op mijne lippen, opdat ik waardig en naar eisch zijn Evangelie verkondige. Amen.
i-r. De Heer zij met u.
dr. En met uwen geest.
Evangelie.
pr. Het Evangelie volgens Marc. XI. 22 -26.
dr. Eere zij U, o God!
pr. In dien tijde zeide Jezus tot zijne leerlingen : Hebt geloof tot God! â Want ik verze-
26 £)E HEILIGE MIS.
kor u, wie tot dezen berg zegt; Hef u op en stort u in zee, â en in zijne ziel niet daaraan twijfelt, maar gelooft dat het geschieden zal, wat hij zegt, zoo zal aan dezen worden wat hij zegt. Daarom zeg ik ü : alles, waarom gij Hem zult bidden, gelooft, dat gij het znlt verkrijgen, en gij zult het ontvangen. En als gij u stelt om te bidden, zoo vergeeft, indien gij iets tegen iemand hebt; opdat uw Vader in den hemel ook u de zonden vergeve. â Maar indien gij niet vergeeft, zoo zal uw hemelsche Vader ook n niet vergeven.
dr. Lof zij U, o 'Christus.
Credo.
fk geloof in éénen God, den almachtigen Vader, Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen ; en in éénen Heer Jezus Christus, den eeniggeboren Zoon Gods, uit den Vader voor alle eeuwen geboren; God van God, licht van licht, waarachtig God van den waar-achtigen God ; geboren en niet gemaakt, één in wezen met den Vader, door wien alle dingen gemaakt zijn; die om ons menschen en om onze zaligheid is nedergedaald uit den hemel en het vleesch heeft aangenomen door den H. Geest, uit uit de Maagd Maria, en is mensch geworden. Hij is voor ons gekruisd onder Pontius Pilatus, Hij heeft geleden en is begraven en ten derden dage is Hij verrezen, volgens de Schriftuur. Hij is opgeklommen ten hemel, en zit aan de rech-
DE HEILIGE MIS. 2'/
for hand lt;le^ Vaders, Hij aal niet heerlijkheid wederkomen, om de levenden en dooden te nor-deelen, wiens rijk geen einde zal hebben. Ik geloof ook in den heiligen Geest, den Heer en levendmaker, die nit den Vader en den Zoon voortkomt, die met den Vader en den Zoon te /amen aangebeden en verheerlijkt wordt; die door de Profeten gesproken heeft. â Ik geloof ééne heilige katholieke en apostolische Kerk. Ik belijd een doopsel tot vergiffenis der zonden, en ik verwacht de verrijzenis der dooden en het eeuwige leven. Amen.
Offertorin 111.
PR. De Heer zij met u.
dr. En met uwen geest.
pr. Laten wij bidden : Wanneer ik mij ook te midden van droefheden bevind, zult Gij, o Heer, mij opbeuren. Gij znlt uwe hand uitstrekken over de grimmigheid mijner vijanden en uwe rechterhand zal mij houden.
Bij de opoffering van het Brood.
O heilige Vader, almachtige, eeuwige God ! ontvang deze onbevlekte offerande, welke ik. uw onwaardige dienaar, U, mijnen levenden en waarachtigen God, opdraag voor mijne tailooze zonden, beleedigingen en verzuimenissen, â en voor allen die hier tegenwoordig zijn ; als ook voor alle geloovige Christenen, levenden en overledenen ; opdat het mij en hun diene tot zaligheid en ten eeuwigen leven. Amen.
VjE HEILIGE MIS;
BIJ de TermeiiftlnK van het Water met den Wijn.
O God, die de waardigheid der menschelijke natuur op eene wonderbare wijze geschapen en nog verwonderlijker hersteld hebt : geef ons, door het geheim van dit water en dezen wijn, deelachtig te worden aan de godheid desgenen, die zich gewaardigd heeft onze menschelijke natuur aan te nemen : Jezus Christus, uw Zoon, onze Heer, die met ü leeft en regeert, in eenheid des heiligen Geestes, God in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
BIJ de opofl'ering des Waters en Wijns in den Keil».
Wij offeren U, o Heer, den kelk des heils, en bidden uwe goedertierenheid, dat dezelve voor onze zaligheid en voor die der gansche wereld, met eenen aangenamen geur, tot voor het aanschijn uwer goddelijke Majesteit opklimme. Am.
PR. ( met gebogen hoofd :) In den geest van ootmoedigheid en met een vermorzeld hart, laat ons, o Heer, door U worden aangenomen, en dat heden onze offerande in uwe tegenwoordigheid zóó geschiede, dat zij aan U, o God, aangenaam zij.
De Priester zegent het Brood en den Wijn.
Kom, Heiligmaker, almachtige, eeuwige God, en zegen deze offerande, welke wij voor uwen heiligen naam bereid hebben.
38
DE HEILIGE MIS.
Bij liet wasscheu der handen â¢
lu onschuld, o Heer, zal ik mijne handen wasschen, en dan tot uw altaar naderen.
Opdat ik luide dankliederen aanheffe, en uwe wonderen vertelle.
O Heer! ik bemin den luister van uw huis en de plaats waar uwe heerlijkheid troont.quot;
Raap mij niet weg, gelijk den zondaar, beneem mij het leven niet, gelijk den bloeddor-stigen, in wier handen ongerechtigheden zijn en welker rechterhand vol geschenken is.
Nochtans, ik wandel in onschuld; red mij en wees mij genadig.
Mijn voet wandelde op den rechten weg ; in de vergadering uwer geloovigen zal ik U prijzen, o Heer!
Eere zij den Vader, en den Zoon, en den heiligen Geest; gelijk het was in den beginne, en nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Am.
pk. (in het midden des altaars) Ontvang genadiglijk, heilige Drievuldigheid, deze offerande, welke wij U opdragen ter gedachtenis van het lijden, van de verrijzenis en hemelvaart 011-zes Heeren Jezus Christus, ook ler cere van de zalige, altijd zuivere maagd Maria, van den heiligen Joannes den Duoper, van de heilige apostelen Petrus en Paul us, en van alle Heiligen ; opdat deze offerande hun tot eer en ons lot zaligheid verstrekke, en zij zich gewaardigen, in den hemel voor ons te bidden, wier gedach-
29
30 DE HEILIGE MIS.
tenis wij hier op aarde vieren ; door Christus
onzen Heer. Amen.
PR. (zich tot het volk wendende zegt; ) Bidt, broeders, opdat mijne en uwe offerande aangenaam worde bij God, den almachtigen Vader.
dr. De Heer neme de offerande uit uwe handen aan, tot lof en verheerlijking zijns naams, tot ons voordeel en van zijne ganschfc heilige Kerk. pk. Amen.
De stille Oelbeden.
pr. O Heer! wij smeeken U. reinig ons door dit tegenwoordig offer, en laat ons waardig aan hetzelve deelnemen : door Jezus Christus, onzen Heer, die niet U en den heiligen Geest, als een eenig God leeft en regeert, door alle eeuwen der eeuwen. dr. Amen.
De Prefatie.
PR. De Heer zij met u.
dr. En met uwen geest.
pk. Heft uwe harten omhoog.
dr. Wij hebben die lol den Heere opgeheven.
pr. Laat ons den Heer onzen God, dankzeggen.
dr. Dal is billijk en rechlm itig.
PR. Waarlijk, het is billijk en rechtmatig, betamelijk en heilzaam, dat wij U, heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God, altijd en overal dankbetuigen, door Christus onzen Heer, door wien de engelen uwe Majesteit loven, de heerscharen U aanbidden, de machten sidderen, de
DE HEILIGE MIS. 31
hemel en de krachten der hemelen, gelijk de zalige serafs, met groote vreugd uwen heiligen naam eenstemmig loven. Wij bidden U, laat ook onze stemmen met den lof én de dankzegging van die allen tot U komen, terwijl wij vol ootmoed belijden en zeggen : Heilig, heilig, heilig, is de Heer, de God Sabaoth. Hemel en aarde zijn vol van uwe heerlijkheid. Gezegend is Hij, die komt in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogste plaatse!
Stille MIn.
pk. Goedertierenste Vader ! wij bidden U oot-moediglijk, door uwen Zoon, onzen Heer Jezus Christus, dat Gij deze gaven, deze giften, deze heilige onbevlekte offerande, welgevallig wilt aannemen en zegenen. Wij dragen U deze offers inzonderheid op voor uwe heilige katholieke Kerk ; opdat gij dezelve door de geheele wereld in eenigheid der liefde en des vredes wilt bewaren en besturen : dat Gij moogt zegenen met de volheid uws zegens uwen dienaar, onzen Paus N., en onzen Bisschop N. , en alle oprechte vereerders van het ware, katholieke en apostolieke geloof.
Voorbede voor onze levende Medeeliristeneii.
voor welke men bijzonderlijk wil bidden.
Heer' wees gedachtig aan uwe dienaren en dienaressen N.N., en aan alle aanwezigen, wier geloof en godsvrucht U bekend zijn â voor welke
32 DE HEILIGE MIS.
wij U â of die U dit lof- en dankoffer opdragen, zoo voor zich zeiven als voor hunne nabestaanden, ter verlossing hunner zielen, tot hoop van hunne zaligheid en welvaart, en die U, den eeuwigen, levenden, en waren God, hunne geloften aanbieden.
Gedachtenis van de Heiligen.
Wij houden ook de gemeenschap en gedachtenis der altijd lofwaardige, zuivere maagd Maria, de Moeder van onzen Heer Jezus Christus ; van de heilige Apostelen en bloedgetuigen Petrus en Paulus. Andreas, Jacobus, Joannes, Thomas , Jacobus , Philippus , Uartholomuus; Matthcus, Simon en Thadeus, van den heiligen Linus, Clelus, Clemens, Syxtus, Cornelius» Cyprianus, Laurentius, Chrysogonus, Joannes en Paulus, Cosmas en Damianus, en van al uwe Heiligen, door welker verdiensten en voorbeden Gij ons in alle aangelegenheden hulp en bescherming wilt verleenen, door denzelfden Jezus Christus, onzen Heer. Amen.
Voor de CuiiKecratie.
Zie dan, o Heer, genadiglijk neder op deze gaven, welke wij, uwe dienaren, en al uwe kinderen, U offeren, en laat onze bede verhoord worden, dat onze dagen zacht henenviieden in vrede, dat wij van de eeuwige verdoemenis bevrijd en onze namen onder het getal uwer uitverkoornen geplaatst mogen worden : door Christus, onzen Heer, Amen.
DE HEILIGE MIS. 33
Wij bidden, o God, verleen naai- uwe genade, dat deze offerande gansch gezegend, U gewijd, geheiligd, redelijk en welgevallig zij, opdat het voor ons het lichaam en bloed van uwen geliefden Zoon, Jezus Christus, onzen Heer, worde.â
(Hier worden de woorden van de Consecratie gesproken.)
Gebed bij de opIieCfing der heilige Hostie.
O Heer! Gij zijt Jezus Christus, de Zoon van den levenden God, zelve met vleesch en bloed bier tegenwoordig. Ik aanbid ü met den diep-sten eerbied en ootmoedigheid. Gij mijne toevlucht, mijne hoop, mijne liefde! Gij zijt mijn God en mijn al. Aan U draag ik mijn hart op. O, dat alles in mij werke tot een vroom en heilig leven. Amen.
Oebed bij de opheffing; des heiligen Kelks, met het heilige Bloed.
O waarachtig en levendig Bloed van Jezus Christus! ik aanbid Ll met alle engelen en heiligen. Gij werdt tot mijn heil en tot verzoening vergoten. Wasch de menigte mijner zonden af, reinig en sterk mijne ziel tot het eeuwig leven ! Amen !
Na de Consecratie.
Wij, uwe dienaren en uw heilig volk, zijn daarom ook indachtig, o Heer, het zaligmakend lijden, de verrijzenis van den dood en de heer-
3
36 DE HEILIGE MIS.
kwaad, en verleen ons, door de voorbede der zalige en glorierijke, altijd reine maagd Maria, Moeder van God, en door die van uwe apostelen Petrus en Paulus, Andreas en alle Heiligen, genadig vrede in onze dagen, opdat wij, door den bijstand uwer barmhartigheid, steeds van alle zonden en alle dwaling bevrijd blijven. Door Jezus Christus, uwen £oon, onzen Heer, die met U, in eenheid des heiligen Geestes, leeft en regeert, God in alle eeuwen der eeuwen, r. Amen.
PR. De vrede des Heeren zij altijd met u.
dr. En met uwen geest.
pr. (Laat een gedeelte der heilige Hostie in den kelk vallen en zegt:) Dat het heilig Lichaam in vereeniging met het heilig Bloed onzes Heeren Jezus Christus, ons allen strekke ten eeuwigen leven.
O Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer.
O Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer.
O Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, verleen ons den vrede.
Voor de heilige Commnnie.
PR. O Heer Jezus Christus, die tot uwe apostelen gezegd hebt: » Ik laat u den vrede; Ik geef u mijnen vredequot; zie niet op mijne zonden, maar op het geloof uwer Kerk, en verleen haar, volgens uwen wil, vrede en eendracht. Die daar leeft en heerscht in alle eeuwigheid. Amen.
Heer, Jezus Christus, Zoon van den levenden
DE HEILIGE MIS. 37
God, die volgens den wil uws Vaders onder medewerking des heiligen Geestes, door uwen dood aan dc wereld het leven hebt wedergegeven : verlos mij door dit uw allerheiligste Lichaam en Bloed van al mijne zonden en alle ongerechtigheden, en verleen mij de genade, dat ik uwe geboden steeds opvolge en nimmer van U gescheiden worde. Die daar leeft en heerscht, met God den Vader en den heiligen Geest, God in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Heer Jezus Christus! laat de nuttiging van uw heilig Lichaam, dat ik wil ontvangen, niet strekken lot mijn oordeel en verdoemenis, maar door uwe goedertierenheid mij voordeelig zijn tot bescherming en zaligheid van mijn lichaam en mijner ziel. Die daar leeft en regeert, met God den Vader, in eenheid des heiligen Geestes, God in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Communie.
Ik zal het hemelsch brood ontvangen en den naam des Heeren aanroepen.
ygt; O Heer ! ik ben niet waardig, dat Gij ouder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord, en mijne ziel zal gezond worden.quot; { Driemaal.)
n Het Lichaam van onzen Heer Jezus Christus, beware mijne ziel ten eeuwigen leven. Am.
Wat zal ik den Heer vergelden voor alles, wat Hij mij verleend heeft: Ik zal den zalig-makenden kelk nemen, en den naam des Heeren aanroepen. Al lovende zal ik den Heer
38 DE HEILIGE MIS.
aanroepen, en ik zal van mijne vijanden verlost worden.
Het Bloed van onzen Heer Jezus Christus beware mijne ziel ten eeuwigen leven. Amen.
de Commuuie.
O Heer! geef dat wij, hetgeen wij met den mond genuttigd hebben, in een rein hart bewaren, en dat deze tijdelijke gave ons een geneesmiddel worde voor de eeuwigheid.
O Heer! laat uw Lichaam, 't welk ik genuttigd en uw Bloed, dat ik gedronken heb, zich vereenigen in mijn binnenste, opdat in mij, die met reine en heilige Sacramenten ben gelaafd geworden, geen vlek der zonde verblijve. Die leeft en regeert, in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Zoo dikwijls gij dit brood eet en dezen drinkbeker drinkt, zoo verkondigt den dood des Hee-ren, tot dat Hij komt. Wie alzoo dit Brood on-waardiglijk eet, of den kelk des Heeren onwaardigi ijk drinkt, die maakt zich schuldig aan het Bloed des Heeren.
pk. De Heer zij met u.
dr. En met uwen geest.
PR. Laat ons bidden.
Wij bidden U, o Heer, bevrijd ons van alle aardsche driften; opdat wij streven naar de volheid van het hemelsch geheim, welks voorsmaak Gij ons door dit heilig Sacrament verleend hebt ; door Jezus Christus, onzen Heer, die met
DE HEILIGE MIS. 39
U en den heiligen Geest, een eenig God, leeft en regeert, in eeuwigheid. Amen.
pk. De Heer zij met u.
dr. En met uwen geest.
pk. Gaat henen, de offerande is volbracht. dk. Gode zij dank.
pk. Laat, o heilige Drievuldigheid, deze betuigingen van mijne onderworpenheid U welgevallig zijn, en verleen, dat deze offerande, welke ik onwaardig voor uw goddelijk aanschijn verricht heb, U aangenaam zij en mij en allen voor welke ik dezelve heb opgedragen, door uwe barmhartigheid : tot eene verzoening ver-strekke : door Christus, onzen Heer. Amen.
De Zegen.
pk. De almachtige God, de Vader, de Zoon, en de heilige Geest, zegene u.
f3r. Amen.
pk. De Heer zij met u.
dk. En met uwen geest.
pk. Het begin van het Evangelie van den heiligen Joannes.
dk. Eer zij U, o Heer.
pk. In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God-Dit was in het begin bij God ; alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder hetzelve is cr niets gemaakt, van hetgeen er gemaakt is. In hetzelve was het leven, en het leven was het licht der menschen, en hel licht scheen in
O'S HEILIGE MIS.
4°
ia de duisternissen ; en de duisternissen hebben het niet begrepen. Er werd een mensch door God gezonden, wiens naam was Joannes; deze kwam tot getuige, om getuigenis te geven van het licht : opdat zij allen door hem zouden ge-looven. Deze was het licht niet; maar om getuigenis te geven van het licht. Hij (Gods Zoon) was het waarachtig licht, hetwelk alle menschen verlicht, die in de wereld komen. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam in zijn eigen, doch de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar allen, die Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven, om Gods kinderen te worden : namelijk degenen, die in Hem gelooven, welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn. En (dit zeggende knielt men) het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond, en-wij hebben zijne heerlijkheid gezien; eene heerlijkheid als van den eeniggeboren Zoon des Vaders, vol van genade en waarheid. dr. Gode zij dank.
DE VESPER-PSALMEN.
VOOR DEN ZONDAG.
O God ! kom mij tc hulp. â Heer! haast U mij te helpen.
Eere zij den Vader, en den Zoon, en den heiligen Geest; gelijk in den beginne, zoo nu, en altijd, en in eeuwigheid. Amen.
Lof zij U, Heer, koning der eeuwige heerlijkheid.
Psalm 109.
De Heer heeft gesproken tot mijnen Heer ⢠zit aan mijne rechterhand, tot dat ik uwe vijanden stelle tot eene voetbank uwer voeten.
De schepter uwer macht zal de Heer uit Sion doen komeu ; heersch in het midden uwer vijanden.
Bij U is het vorstendom ten dage uwer kracht met vollen luister van heiligheid : voor de morgenster heb ik u uit den schoot geteeld.
De Heer heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen ; gij zijt priester in eeuwigheid, naar de orde van Melchisedech.
De Heer is aan uwe rechterhand; en zal koningen vernielen, ten dage zijner gramschap.
42 DE VESPER-PSALMEN.
Hij zal gerecht houden over de volken; Hij zal de verwoesting vermeerderen ; de hoofden van vele huiden verdelgen.
Uit de beek aar den weg zal Hij drinken; en daarom zal Hij zijn hoofd verheffen.
Eere zij den Vader, enz.
Psalm no.
Ik zal U loven, Heer, met geheel mijn hart; in den raad der rechtvaardigen en in de vergadering.
Groot zijn de werken des Heeren, uitgelezen naar zijnen volmaakten wil.
Lofwaardig en heerlijk is zijn werk; en zijne rechtvaardigheid duurt eeuwiglijk.
Een gedenkteeken zijner wonderen â heeft de genadige en barmhartige Heer gesteld ; Hij heeft spijze gegeven aan degenen, die Hem vreezen.
Hij gedenkt in eeuwigheid zijn verbond : de kracht zijner werken heeft Hij zijn volk bekend gemaakt.
Terwijl Hij hun het erfdeel der heidenen gegeven heeft: de werken zijner handen zijn waarheid en rechtvaardigheid.
Al zijne bevelen zijn getrouw, voor alle eeuwen bevestigd, gemaakt volgens waarheid en billijkheid
Hij heeft verlossing aan zijn volk gezonden *~ Hij heeft voor eeuwig zijn verbond vastgesteld.
Heilig en ontzaggelijk is Zijn naam; de vreeze des Heeren is het begin der wijsheid.
VOOR DEN ZONDAG. 43
Het verstand is goed voor allen, die er naar doen : zijn lof blijft in alle eeuwigheid.
Eere zij den Vader, enz.
Psalm in.
Gelukzalig de man, die den Heer vreest, die groot genoegen vindt in zijne geboden.
Zijn zaad zal machtig zijn op a-irde ; het geslacht der oprechten wordt gezegend.
Eer en rijkdom zullen in zijn huis zijn, en zijne rechtvaardigheid duurt in eeuwigheid.
Voor de oprechten is een licht opgegaan in de duisternis; want de Heer is genadig en barmhartig en rechtvaardig.
Gelukzalig de man, die medelijden heeft en uitleent; die zijne woorden met oordeel schikt ; want hij wankelt niet.
De rechtvaardige zal in eeuwig aandenken zijn; hij zal voor geen kwaad gerucht vreezen.
Zijn hart is bereid en hoopt op den Heere; zijn hart is versterkt, hij vreest niets, tot hij op zijne vijanden kan nederzien.
Hij deelt uit en geeft den arme; zijne rechtvaardigheid duurt eeuwiglijk ; zijn hoofd wordt in heerlijkheid verhoogd.
De boosdoener zal het zien en toornig worden, hij zal op zijne tanden knarsen en uitUe-ren ; de begeerten der zondaren zijn verloren.
Eere zij den Vader, enz.
44 DE VESPER-PSALMEN
Psalm ii2.
Looft den Heer, gij zijne dienaren ; looft den naam des Heeren.
De naam des Heeren zij gezegend : van nu af tot in eeuwigheid.
Van den opgang der zon tot haren ondergang, zij de naam des Heeren geloofd.
Verheven boven alle volkeren is de Heerlen boven de hemelen zijne heerlijkheid.
Wie is gelijk den Heer onzen God, die in den hooge woont, en op het nederige in den hemel en op aarde nederziet:
Die den behoeftige uit het stof opricht, en uit den drek den arme verheft.
Om hem te plaatsen naast de vorsten, naast de vorsten zijns volks.
Die de onvruchtbare doet wonen in een huisgezin, en haar maakt tot eene blijde moeder van kinderen. Alleluja.
Eere zij den Vader, enz.
Psalm 113.
Als Israël uit Egypte toog ; Jacobs geslacht uit een vreemd volk :
Toen werd het joodsche volk Gud toegeheiligd, Israel werd zijne heerschappij.
De zee zag heten vluchtte; de Jordaan keer* de terug.
VOOR DEN ZONDAG. 45
De bergen sprongen op als rammen, en de heuvelen als jonge lammeren.
Wat was u, o zee, dat gij vluchttet, en u, Jordaan, dat gij terngkeerdet.
Dat gij, bergen, opsprongt als rammen, en gij, heuvelen, als jonge lammeren ?
Voor het aanschijn des Heeren beefde de aarde; voor het aanschijn van den God van Jacob.
Die den harden steen veranderde in over-vervloedige wateren, en de steenrotsen in waterbronnen.
Niet aan ons, Heer, niet aan ons, maar aan uwen naam zij de eer.
Om nwer barmhartigheid en uwer waarheid wil; opdat de heidenen niet zeggen : waar is hun God ?
Want onze God is in den hemel : Hij doet alles wat Hem behaagt.
De afgoden .der heidenen zijn zilver en goud; werken van menschen handen.
Zij hebben eenen mond, maar spreken niet, zij hebben oogen, maar zien niet.
Zij hebben ooren, doch hooren niet; zij hebben eenen neus, doch ruiken niet.
Zij hebben handen, doch tasten niet; zij hebben voeten, doch v/andelen niet ;.zij maken geen geluid met hunne keel.
Dat die dezelve maken hun gelijk worden ; en allen, die op hen betrouwen.
Het huis van Israël hoopt op den Heer: Hij is hun helper en beschermer.
46 DE VESPER-PSALMEN.
Het huis van Aaron hoopt oj) den Heer: Hij is hun helper en beschermer.
Allen, die den Heer vreezen, hopen op den Heer; Hij is hun helper en beschermer.
De Heer is onzer indachtig geweest ; en heeft ons gezegend.
Hij heeft gezegend het huis van Israel ; Hij heeft gezegend het huis van Aaron.
Allen, die den Heer vreezen, heeft Hij gezegend, zoo kleinen als grooten.
Weest gezegend van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.
De hemel der hemelen is voor den Heer; maar de aarde heeft Hij aan de kinderen der menschen gegeven.
De dooden zullen U niet loven, o Heer, noch iemand dergenen, die in het graf nederdalen.
Maar wij, die leven, loven den Heer, van af nu tot in eeuwigheid.
Eere zij den Vader, enz.
Gezegend zij God, de Vader onzes Heeren Jezus Christus, de Vader der ontfermingen en de God aller vertroosting, die ons troost in alle droefheid.
Bemint elkander, gelijk ik u bemind heb. Daaraan zal men erkennen, dat gij mijne volgelingen zijt, indien gij u wederkeerig liefhebt. Weest daarom weldadig, barmhartig, toegevend jegens elkander, gelijk God in Christus zich goedertieren en genadig jegens ons bewezen heeft.... Volgt God na, als zijne geliefde kinderen, en wandelt in de liefde: gelijk ook
MAGNIFICAT. 47
Christus ons heeft lief gehad en zich voor ons heeft overgegeven tot eene aan God welgevallige offerande.
MAGNIFICAT.
Mijne ziel verheft den Heer, en mijnen geest juicht tot God, mijnen Heiland.
Omdat Hij de nederigheid zijner dienstmaagd gadesloeg; want zie, van nu af zullen alle geslachten mij zalig noemen.
Want Hij, die machtig is, heeft groote dingen aan mij gedaan ; en zijn naam is heilig.
En zijne barmhartigheid is van geslachte tot geslachte over degenen die Hem vreezen.
Hij heeft macht door zijnen arm gedaan ; Hij heeft degenen, die hoogmoedig van harte waren, verstrooid.
Hij heeft de machtigen van den troon gezet en de nederigen verheven.
De behoeftigen heeft Hij met goederen vervuld, en de rijken ledig weggezonden.
Hij heeft Israël, zijnen dienaar, opgenomen, indachtig zijnde zijner barmhartigheid.
Gelijk Hij tot onze voorvaderen gesproken heeft, tot Abraham en zijn nageslacht in eeuwigheid.
Eere zij den Vader, enz.
Hoe zal ik U loven, o mijn God ! Daar Gij mij, zonder mijn toedoen geschapen hebt naar uw welbehagen, zoo bestaat ook uw lof zonder
48 LOFGEBED.
mijn toedoen. Voor U, o Heer, zijt Gij zelf uw lof! Volgens uwe onmetelijke grootheid moeten uwe werken U loven ! Uw lof is onuitsprekelijk, wijl uwe grootheid onuitsprekelijk is. Uw lof laat zich niet bevatten in het hart, niet meten met den mond, niet vernemen door het oor; want dit alles gaat voorbij, maar uw lof blijft eeuwig. Onze menschelijke gedachten beginnen en eindigen ; het woord wordt gehoord en de klank vervliegt : maar uw lof staat eeuwig vast.
Wie zoude nu uwen lof waardig kunnen verkondigen ? Diegene looft U, die gelooft, dat Gij zijn lof zijt. Diegene looft U, die van zich ⢠zeiven overtuigd is, dat hij niet in staat is uw lof te vermelden. Niet wij loven U, o Heer, Gij looft door U en looft U zeiven. Wij zeiven bezitten slechts dan waren lof, wanneer wij door U geloofd worden. Zoo dikwijls wij van eenen anderen dan van U lof zoeken, verliezen wij den uwen. Verlangen wij de onvergankelijke eer, dan kunnen wij de vergankelijke niet beminnen. O Heer ! laat mij U bezitten, dan kan ik U loven. Want wat ben ik uit mijzelven, dat ik U zoude loven ? Stof en assche ben ik, een worm en verrotting. Hoe kan het vleesch den geest loven, die aan alle vleesch leven geeft ? Kan de duisternis het licht loven of de dood het leven ? Kan een ijdel niets de loutere waarheid loven ? Zal mijne bouwvalligheid U waardig loven of mijn sterfelijk wezen, dat heden is en morgen verdwijnt? Heer! hoe zoude de mensch, die in zonden ontvangen en geboren
LOFGEBED. 49
is, U betamelijk kunnen loven ? Het woord lof klinkt zeker niet schoon in den mond des zondaars ; daarom love U o Heer, mijn God, uwe onuitsprekelijke macht, uwe onbegrensde wijsheid en goedertierenheid; U love uwe alle gedachten te boven gaande barmhartigheid, uwe eeuwige kracht en goedheid. Op uwe goedertierenheid vertrouw ik, want door haar hebt Gij mij geschapen. Laat uw schepsel, dat door uwe liefde gevormd is, niet te gronde gaan in de ellende der zonde. Bewaar, o Heer, wat Gij geschapen hebt; onderhoudt Gij mij niet, dan keer ik in het niet terug. Het was niet mijne verdienste, dat Gij mij het aanwezen gaaft, maar uwe liefde. O mochte deze zelfde liefde U doen besluiten, mij te leiden en te regeeren. Red mij. Heer, uwe hand is niet verkort, dat zij mij niet zoude kunnen helpen, en uw oor is niet hardhoorig, dat het niet zoude hooren. Heer ! verhoor inij ; Heer I 0111 uws naams wille. Amen.
DE NAVOLGING
VAN
JEZUS CHRISTUS. Q£ev»tc
Nnttige lessen voor het geestelijk leren.
I. HOOFDSTUK.
Over de navolging van Christus en de verachting van alle wereldsche ij delheden.
i. Wie mij volgt, wandelt niet in de duisternis, zegt de Heer. (Joan. 8.) Dit zijn de woorden van Christus», waardoor Hij ons vermaant zijn leven en gedrag na te volgen, willen wij waarlijk verlicht en van alle blindheid des harten verlost worden.
W:
52 I BOEK. I HOOFDSTUK.
Onze voornaamste bezigheid zij dus ovèr het leven van Jezus Christus na te denken.
2. De leer van Christus overtreft al de leeringen der Heiligen. Wie zijn geest bezit, moet daarin een verborgen hemelspijze vinden.
Maar velen, na het Evangelie dikwijls gehoord te hebben, gevoelen er geen grooter verlangen naar, omdat zij den geest van Christus niet bezitten.
Wie dan de woorden van Christus ten volle wil verstaan en smaken, trachte zijn geheel leven Hem gelijkvormig te maken.
3. Wat baat het u, diepzinnig over de Drievuldigheid te twisten, zoo het u aan ootmoed ontbreekt, en gij dus der Drievuldigheid mishaagt r
Waarlijk, verheven woorden maken den heilige en rechtvaardige niet; maar een deugdzaam leven maakt behagelijk aan God.
Tk wensch liever berouw te gevoelen, dan daarvan de beschrijving te kunnen geven.
Al wist gij den ganschen Bijbel van buiten met al de gezegden der wijsgeeren, wat zou u dit alles baten zonder de liefde en genade Gods?
IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid, (Eccl. 1.) behalve God te beminnen en Hem alleen te dienen.
De hoogste wijsheid is deze : door de verachting der wereld naar het rijk des hemels te streven.
4. Het is dus ijdelheid vergankelijke rijkdommen te zoeken en daarop te vertrouwen.
I BOEK. r HOOFDSTUK. S3
Ook is het ijdelheid eevglerlg te zijn en zich tot eenen hoogen staat te verheffen.
IJdelheid is het de lusten des vleesches te volgen en datgene te verlangen, wat eens zwaar moet worden gestraft.
Het is ijdelheid een lang leven te wenschen en zich weinig om een goed leven te bekommeren.
IJdelheid is het alleen te letten op het tegenwoordige leven en niet te voorzien wat er op volgen moet.
Het is ijdelheid zich te hechten aan hetgeen zoo haastig voorbijgaat, en zich niet derwaarts te spoeden, waar de vreugde eeuwig blijft.
5. Denk dikwijls aan deze spreuk : »het oog wordt niet verzadigd van zien, noch het oog van hooren.quot; {Eccl. 1.)
Tracht dan uw hart van de liefde tot het zichtbare af te trekken, om het te keeren tot het onzichtbare.
Want die hunne zinnelijkheid opvolgen, bevlekken hun geweten, en verliezen de genade Gods.
OEFENING.
Om Jezus Christus volmaakt te vereeren, en door de eer, die men Hem bewijst, den plicht van een oprecht Christen te vervullen, moet men zich bevlijtigen om Hem te kennen, te beminnen en na- te volgen : dit is volstrekt noodzakelijk tot het eeuwige heil van al de
54 I BOEK. 11 HOOFDSTUK.
Christenen, die niet Christen zijn dan door de kennis, door de liefde en de navolging van onzen Zaligmaker. Zich laten voorstaan van den Heer behagelijk te zijn door verhevene kennissen, welke men van zijne Godheid heeft, zonder te trachten zijne voorbeelden te volgen, en te leven zooals Hij geleefd heeft, dit is de gevaarlijkste aller ijdelheden.
GEBED.
Dierbare Heiland! eenige weg tot waarheid en tot leven ! getrouwe leidsman op het pad der deugd! aangenaam is mij uwe uitnoodiging. Ja, ik wil U .volgen en zal dus niet in het duistere dwalen. Uwe leer zal mij een fakkel, uw voorbeeld een gids zijn. Geene wereldsche ijdel-heid zal mijn hart meer boeien. Ik zal het daarboven trachten te verheffen, om het vrijer aan den heilzamen invloed uwer voorschriften over te geven. Zegen dit mijn besluit en help het volbrengen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Over de geringachting van zichzelven.
i. Ieder mensch is van nature begeerignaar kennis : maar wat baat de wetenschap zonder de vreeze Gods ?
Beter voorwaar is een nederig landman, die God dient, dan een hoogmoedig wijsgeer, die,
I BOEK. II HOOFDSTUK. 53
terwijl hij zichzelf vergeet, den loop der sterren naspeurt.
Wie zichzelven recht kent, wordt gering in zijn eigen oogen en vindt geen vermaak in den lof der menschen.
Al wist ik alles wat er in de wereld is, en ik had de liefde niet; wat zou 't mij baten voor God, die mij oordeelen zal naar mijne daden ?
2. Ontdoe u van een te grooten weetlust : want daarin wordt groote verstrooiing en bedrog gevonden.
Die veel weet wil gaarne verstandig schijnen en heeten. Er is zooveel, waarvan de kennis weinig of geen nut aan de ziel toebrengt!
En hij is wel zeer onverstandig die zich op iets anders toelegt, dan op hetgeen zijne zaligheid bevordert.
Vele woorden verzadigen de ziel niet; maar een goed leven verkwikt den geest, en een rein geweten geeft een groot vertrouwen op God.
3. Hoe meer en beter gij weet, hoe strenger gij er naar geoordeeld zult worden, zoo gij niet heiliger geleefd hebt.
Verhef u alzoo niet op eenige gave of wetenschap ; maar vrees liever wegens de u geschonken kennis.
Meent gij veel te weten en vrij wel te verstaan; denk dat er nog veel meer is dat gij niet weet.
Heb derhalve geen hoog gevoelen; maar erken liever uwe onwetenheid.
Waarom wilt gij u iemand voortrekken, daar
56 I P.OKK. 11 HOOFDSTUK.
ey velen gevonden worden geleerder en in Gods wet ervarener dan gij ?
Wilt gij iets nuttigs weten en leeren, leer onbekend te zijn en voor niets geacht te worden.
4. De hoogste wetenschap en de nuttigste les is, zichzelven wel te kennen en niets te achten.
Van zichzelven niets te maken, en van anderen steeds wèl en gunstig te denken, is eene groote wijsheid en volmaaktheid.
Zoo gij iemand openlijk zaagt zondigen of zwaar misdoen , behoordet gij u daarom niet beter te achten : want gij weet niet, hoe lang gij zelf in het goede kunt staande blijven.
Wij allen zijn zwak ; maar gij, houd niemand voor zwakker dan uzelf.
OEFENING.
'sMenschen wetenschappen, zegt de heilige Schrift, zijn ijdel en nutteloos, zoo hij zich niet toelegt God te kennen en te beminnen, en om zichzelven te vergeten en te haten. Het eenvoudige en levende geloof van eenen mensch, die zonder aarzelen en zonder te onderzoeken, al datgene gelooft, wat God wil dat wij geloo-ven, en die in zijn hart alzoo gesteld is om alles te doen, wat God wil, dat wij voor onze zaligheid zouden verrichten, dit geloof, zeg ik, is verkieslijk boven de goddelijke en mensche-lijke kennissen, die, zonder dit levend geloof,
I ÃOKK. Ill HOOFDSTUK. §?
don ffeest vevhoovaardigcn, het hart verdorren, en die tevens vruchteloos voor het eeuwige heil eens Christens zijn.
G E B E D.
Ja, mijn God! nederig van mijzelven te gevoelen, houde ik voor plicht. Al mijn weten is eigenlijk een niet weten. En wat baat voor U ook de diepste kennis, zoo mijn wandel U mishaagt ? Gij toch zult mij naar mijne daden oor-deelen. Laat dan nimmer eenige zelfverheffing bij mij huisvesten : maar doe mij, van mijne zwakheid bewust, steeds in ootmoed voor U wandelen, mijne daden naar mijne kennis inrichten, en toegeeflijk omtrent anderen zijn.
DERDE HOOFDSTUK.
Over de leer der waarheid.
i. Gelukkig hij, dien de waarheid door zich-zelve onderwijst, niet door beelden noch voorbijvliegende woorden, maar zoo als zij is!
Onze meening en onze zinnen bedriegen ons vaak ; zij zien niet verre.
Wat baat veel twistens over verborgen en duistere zaken, welke niet geweten te hebben ons in het oordeel tot geen verwijt zal strekken ;
't Is eene groote dwaasheid het nuttige en noodige te verzuimen , om zich te meer met het nuttelooze en schadelijke op te houden. Wij hebben oogen, en zien niet.
58 I BOEK. Ill HOOFDSTUK.
2. Wat vermoeien wij ons met spitsvondige, wijsgeerige vraagstukken ?
Hij, lot vvien het eeuwige Woord spreekt, wordt uit eene menigte gevoelens ontward.
Alles is uit dit ééne Woord, alles spreekt daarvan. Het is het beginsel, dat tot ons spreekt; zonder dat verstaat niemand iets wèl of oordeelt juist.
Hij, voor wien dit ééne alles is, die alles tot dit ééne terugbrengt, en alles in dit ééne ziet, die kau standvastig van harte zijn en in God bestendige rust genieten.
O God! Gij, die de waarheid zelve zijt! maak mij éen met U door eeuwige liefde !
Het verveelt mij dikwijls veel te lezen en te hooren; in U is alles wat ik wil en wensch.
Dat alle leeraars zwijgen, dat alle schepselen voor uw aanschijn verstommen! spreek Gij alleen tot mij.
3. Hoe meer iemand ingetogen en eenvoudig van harte is, te meer en verhevener zaken zal hij zonder moeite verstaan : want van boven zal hij het licht des verstands ontvangen.
Eene zuivere, eenvoudige en standvastige ziel zal zich niet in veel arbeids verstrooien, omdat zij alles doet ter eere Gods en zich van alle zelfzucht tracht vrij te houden.
Wat hindert en bezwaart u meer dan de onbedwongen neigingen uws harten ?
Een vroom en godvruchtig mensch beschikt eerst bij zichzelven alles, wat hij uitwendig moet doen.
I BOEK. Ill HOOFDSTUK. 59
Hij laat zich bij zijne daden niet ten wehje-valle zijner bedorven neigingen wegsleepen : maar hij schikt die naar de inspraak van het gezond verstand.
Wie heeft een barder strijd dan hij, die tracht zichzelven te overwinnen;
En nochtans moest dit ons voornaamste werk zijn ; onszelven te overwinnen, dagelijks in krachten over onszelven toe te nemen en in het goede eenigszins te vorderen.
4. Alle volmaaktheid in dit leven gaat van eenige onvolmaaktheid vergezeld, en geen onzer beschouwingen is van alle duisterheid vrij.
Eene nederige zelfkennis is een zekerder weg tot God, dan de diepste nasporing eener wetenschap.
Daarom is niet de wetenschap, of elke eenvoudige kennis eener zaak te laken; zij is op zichzelve beschouwd goed en door God verordend ; maar een goed geweten en een deugdzame wandel zijn steeds daarboven te achten.
Omdat nu de meesten meer haken naar kennis dan naar een deugdzaam leven, daarom dwalen zij zoo dikwijls en brengen geene of weinige vruchten voort.
5. O, dat zij denzelfden ijver hadden om gebreken uit te roeien en deugden in te planten, als om twistvragen op te werpen! dan zou er niet zoo veel kwaads en aanstootelijks onder het volk, geene zoo groote losbandigheid in de kloosters zijn.
Waarlijk, wanneer de Oordeelsdag komt, zal
60 I POEK. UI HOOFDSTUK,
men ons niet vragen, wat wij gelezen, maar wat wij gedaan, niet of wij wèl gesproken, maar of wij godvruchtig geleefd hebben.
Zeg mij, waar zijn nu al die heeren en meesters, die gij zoo wèl hebt gekend, toen zij nog leefden en door hunne wétenschap beroemd waren ?
Hunne plaatsen zijn nu door anderen bezet, en ik weet niet of dezen wel eens aan hen denken. Bij hun leven schenen zij iets te zijn ; en nu zwijgt men van hen.
6. Hoe ras gaat de heerlijkheid der wereld voorbij ! Mocht hun leven aan hunne kennis beantwoord hebben, dan zouden zij met vrucht gelezen en zich geoefend hebben.
Hoe velen gaan in deze wereld niet verloren door hunne ijdele wetenschap, dewijl zij zich weinig bekommeren om den dienst van God !
En omdat zij liever groot dan nederig willen zijn, daarom worden zij verijdeld in hunne overleggingen.
Waarlijk groot is hij, die eene groote liefde bezit.
Waarlijk groot is hij, die klein is bij zichzelveu en den hoogsten trap van eer al» niets acht.
Waarlijk wijs is-hij, die al het aardsche acht als vuiligheid, om Christus te winnen. (Philipp. 3.)
En hij is waarlijk wèl geleerd, die Gods wil doet, en zijn eigen wil verzaakt.
I BOEK. Ill HOOFDSTUK. 61
(
OEFENING.
De waarheden bestudeeren, niet zoo zeer om dezelve te kennen, dan wel om ze te beoefenen; het eeuwige woord aanhooren, hetwelk meer tot het hart dan tot den geest spreekt; weten hetgene ter zaligheid noodig is, en hetzelve doen : ziedaar wat de wetenschap van den Christen moet uitmaken.
De bespiegelende kennis moede, die de nieuwsgierigheid van mijnen geest streelt, en die mijn hart noch treft noch verandert, verveelt het mij zoo vele dingen te weten, en zooveel te hooren zeggen over de eeuwige waarheden, en over mijne zaligheid, en zoo weinig te doen ter bewerking van mijn eeuwig heil.
G E B E D.
Eeuwige Waarheid! aanbiddelijk Woord ! waardoor alles het aanzijn heeft : maar al te zeer gevoel ik behoefte aan eene hoogere verlichting. Zonder uwe inspraak baten mij de verhevenste lessen niet, is alles mij duister. Spreek Gij dan tot mij en houd mij met uwe leering bezig. Zoo zal een hemelsch licht mij op al mijne wegen bestralen, mij ware grootheid en wijshei*' leeren, en de edelste deugden zullen daarvan te wachten zijn.
I BOEK. IV HOOFDSTUK.
VIERDE HOOFDSTUK Over een voorzichtig gedrag.
1. Men mag niet alle woord noch alle ingeving gelooven; maar men moet eene zaak bedaard en voorzichtig volgens God overwegen.
Helaas! dikwijls gelooft en zegt men van een ander eer het kwade dan het goede ; zoo zwak zijn wij !
Maar volmaakte menschen gelooven niet licht elk verhaal : want zij weten dat de mensche-lijke zwakheid ten kwade overhelt en licht in woorden zondigt.
2. Het is een groote wijsheid niet overijld te werk te gaan en niet hardnekkig zijn eigen hoofd te volgen.
Hiertoe behoort ook, dat men niet al de gezegden der menschen geloof geeft, en hetgeen men hoort of gelooft, niet aanstonds aan het Oor van anderen overbrengt.
Pleeg raad met een verstandig en nauwgezet man, en zoek liever door eenen betere onderricht te worden, dan uw eigen hoofd te volgen
Een deugdzaam leven maakt den mensch wijs voor God en in vele opzichten ervaren.
Hoe nederiger iemand bij zichzelven is, en hoe meer onderworpen aan God : hoe verstandiger en rustiger hij in alles zal zijn.
OEFENING.
Niets is tegenstrijdiger aan de liefde en ramp-
62
» I BOEK. V HOOFDSTUK. 63
zaliger aan de zaligheid, dan de echte of valsche aanbrengingen van den eenen aan den anderen, dewijl deze de gemoederen verbitleren, de harten ontroeren, de oneenigheden voeden, en den haat vermeerderen, en dat men over dezelve de vergeving van den Heer niet kan bekomen, zoo men in de biecht niet vast besloten heeft, het toegebrachte kwaad te herstellen en de personen te verzoenen, tusschen welke men tweedracht heeft verwekt. Men moet derhalve geen dingen overdragen en aan de aanbrenging geen geloof slaan ; en zoo men iets tegen den naaste gehoord heeft, moet men dit bij zich houden, en er aan niemand iets van zeggen.
GEBED.
Voorzichtig te zijn bij al mijne daden, is voor mij, o God! een gewichtige plicht. Hoe dikwijls moest ik de nadeelige gevolgen van een onbezonnen gedrag ondervinden ! Doe mij dan in alles voorzichtig te werk gaan. Regel mijne keus in het verkiezen eens vriends, wien ik al mijn vertrouwen schenken mag. Verstandig zij hij om mij raad te geven, deugdzaam om mij voor te lichten. Dat ik hem in eere lioude, zijnen raad opvolge en daardoor mijn geluk be-vordere.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Over hel lezen der heilige Schrift.
1. Waarheid, geen welsprekendheid moet men m de heilige Schriften zoeken.
64 I BOEK. V HOOFDSTUK. â¦
Men moet de geheele heilige Schrift lezen met denzelfden geest, in welken zij gesteld is.
Wij moeten in de heilige Schrift meer trachten naar geestelijk voordeel dan sierlijkheid van taal.
Wij moeten even gaarne godvruchtige en eenvoudige boeken lezen als verhevene en diepzinnige.
Hond u niet op bij het gezag van den schrijver, of hij van kleine of groote geleerdheid zij; maar liefde tot de zuivere waarheid zette u tot lezen aan.
Vraag niet wie dit gezegd hebbe; maar let op hetgeen gezegd wordt.
2. De menschen gaan voorbij ; maar des Hee-ren waarheid blijft eeuwig.
Zonder aanzien van personen spreekt Gud tot ons op velerlei wijze.
üij hel lezen der Schriften hindert ons dikwijls onze nieuwsgierigheid, daar wij bevatten en beredeneeren willen wat wij eenvoudig moesten voorbijgaan.
Wilt gij er voordeel uit trekken, lees nederig, eenvoudig en gcloovig, en beoog nooit den naam van geleerde.
Ondervraag gaarne, en hoor stilzwijgend de woorden der Heiligen ; en dat dc spreuken der Ouden u niet mishagen : niet te vergeefs toch worden zij bijgebracht.
OEFENING.
Lees de Schrift en de godvruchtige boeken
I BOEK. VI HOOFDSTUK. 65
met denzelfden geest, in welken zij geschreven zijn ; lees dezelve, om er de waarheid in op te sporen, om u te onderwijzen, u te stichten, om in u een oprecht christelijk leven te vormen. Lees de heilige Schrift met geloof, ootmoed, eerbied en onderwerping; bid daartoe den heiligen Geest, die dezelve heeft ingegeven, van ze te mogen verstaan, daarin smaak te vinden en dezelve in het werk te stellen. *
GEBED.
Dierbaar, o God ! is mij uw woord. Het is mij het kostbaarste geschenk dat ik van uwe hand ontving, eene rijke bron van troost, eene fakkel op de paden mijns levens. Laat geen onverschilligheid mij deze gunst onwaardig maken ; vervul mij met eerbied voor uw woord. Verlicht mijn verstand zoo dikwerf ik het leze ; schenk mij den geest van nederigheid en godsvrucht, en laat den invloed van uw woord blijkbaar zijn uit mijn gedrag.
ZESDE HOOFDSTUK.
Over de ongeregelde hartstochten.
1. Zoodra een mensch iets ongeregelds begeert, wordt hij aanstonds bij zichzelf onrustig.
De hoogmoedige en gierige rusten nooit, maar de arme en nederige van geest hebben overvloed van vrede.
De mensch die zichzelf nog niet volmaakt
5
66 I BOEK. VI HOOFDSTUK,
is afgestorven, wordt ras bekoord en door de kleinste, ja nietigste zaken overwonnen.
De zwakke naar den geest en die nog eeni-germate vleeschelijk is en tot het zinlijke overhelt, kan zich moeilijk van de aardsehe begeerlijkheden geheel losmaken.
Daarom heeft hij dikwijls droefheid, als hij zich daaraan onttrekt; ook wordt hij licht toornig, als iemand hem tegenstreeft.
2. En heeft hij verkregen wat hij begeert, terstond wordt hij bezwaard door het verwijt van zijn geweten, omdat hij zijner drift opgevolgd is; want dit brengt niets toe tot de bevrediging die hij zocht.
Door de driften alzoo te wederstaan wordt de ware vrede des harten gevonden, niet door ze in te volgen.
Er is dus geen vrede in het hart van den vleeschelijken mensch, noch in dengene die aan het uiterlijke is overgegeven, maar bij den ijverige en geestelijk gezinde.
OEFENING.
Na de genade Gods is de vrede des harten het grootste aller goederen, en niets mogen wij sparen om dien in ons te onderhouden. Doch wij kunnen dien vrede der ziel niet vinden, noch hem behouden, dan met aan onze hartstochten en ongeregelde verlangens wederstand te bieden; want hoe meer wij dezelve willen bevredigen, des te minder wij vergenoegd- zullen zijn; hoe meer wij dezelve bestrijden, des
I BOEK. VII HOOFDSTUK. 67 te minder zij ons lastig zullen vallen; hoe meer wederstand wij haar zullen bieden, hoe meer zij ons in vrede zullen laten.
GEBED.
Hop belangrijk, o God! moet mij deze herinnering zijn! Geen rust voor mij, geen ware vrede, zoo lang de driften in mij woelen en ik harer heerschappij onderworpen ben. Meer dan ooit zie ik de verplichting in om die te wederstreven en mijzelven af te sterven, wil ik deugdzaam worden en zachte kalmte genieten. Dit zal van heden af mijn ernstig voornemen zijn; zegen het, o mijn God! Ondersteun mij in den strijd ; stil de stormen mijner driften ; dat zij de inspraak mijner rede gehoor geven.
ZEVENDE HOOFDSTUK. Vlucht de ij dele hoop en den hoogmoed.
1. IJdel is hij, die zijne hoop op menschen of schepselen stelt.
Schaam u niet, uit liefde tot J ez u s Christus, anderen te dienen en in deze wereld arm te schijnen.
Sta niet op uzelven, maar vestig uwe hoop op God.
Doe wat in u is, en God zal uwen goeden wil ondersteunen.
2. Vertrouw niet op uwe wetenschap, noch op de doorslepenheid van eenig sterveling, maar
68 I BOEK. VII HOOFDSTUK.
liever op de genade van God, die de nederi.^en helpt en de vermetelen vernedert.
Roem niet op de rijkdommen, zoo gij ze bezit, noch op uwe vrienden, omdat zij vermogend zijn ; maar op God, die alles geeft en zichzelven boven alles wenscht te schenken.
Verhef n niet op de grootte of schoonheid des lichaams : want de geringste ongesteldheid kan die verminken of misvormen.
Heb geen zelfbehagen wegens uwe bekwaamheid of verstand, opdat gij niet mishaagt aan God, wien alles toebehoort wat gij van nature goeds bezit.
3. Acht u niet beter dan een ander, opdat gij niet slechter bevonden wordt voor God, die weet wat in den mensch is.
Verhef u niet op goede werken; want de oordeelen Gods zijn anders dan die der men-schen. Hem mishaagt dikwijls, wat den men-schen behaagt.
Hebt gij iets goeds; denk van anderen beter, om den ootmoed te bewaren.
Het schaadt niet, als gij u beneden allen stelt; maar zeer veel schaadt het zoo gij u boven een eenigen stelt.
Bij een nederige is duurzame vrede, maar in het hart des hoogmoedigen dikwijls ijverzucht en toorn.
OEFENING.
Steun slechts op datgene, wat onwankelbaar is, namelijk op God, op wien alleen men kan
I BOEK. VIII HOOFDSTUK. 69 betrouwen : immers niets is zwakker, onzekerder en onstandvastiger dan de mensch, die slechts de dwaling, de arglist en de leugen ten aandeel heeft. Verhoop derhalve alles van God, en verwacht niets van uzelven noch van alle anderen. Beroem u niet over uwe goede werken, noch over uwe kunde : maar geef in alle dingen de glorie aan God, aan vvien zij alleen toekomt.
G ENE I).
Ja, op U alleen, o God ! moeten wij in alle gevallen ons vertrouwen stellen. Alle schepsel is zwak, onstandvastig, der verandering onderhevig ; en wij gevoelen te zeer onze eigene onmacht, dan dat wij ons op onszelven zouden kunnen verlaten. Boezem ons dan steeds een onwankelbaar vertrouwen op U in ; laat dit dat der menschen vervangen, en alle ijdel zelfvertrouwen verbannen. Van alles wat wij goeds bezitten, zij niet aan ons, maar U alleen de eer, U dank in eeuwigheid 1
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Over eene te groofe gemeenzaamheid.
1. Leg uw hart niet voor iedereen bloot; maar spreek over uwe zaken met den wijze en godvruchtige.
Wees zelden met jongelieden en vreemdelingen.
70 I BOEK. VIII HOOFDSTUK.
Vlei de rijken niet, en verschijn niet gaarne voor de grooten.
Voeg ii bij de nederigen en eenvoudigen, bij de godvruchtigen en vromen, en spreek over hetgeen stichtelijk is.
Wees met geene vrouw gemeenzaam ; maar beveel alle goede vrouwen in het algemeen aan God.
Wensch met God alleen en zijne Engelen gemeenzaam om te gaan ; ontwijk de aandacht der menschen.
2. Liefde moet men voor allen hebben; maar gemeenzaamheid doet geen nut.
Somtijds gebeurt het dat een onbekend persoon door zijn goeden naam schittert, wiens tegenwoordigheid nochtans de oogen der aan-schouwers benevelt.
Wij denken somtijds anderen te behagen door onzen omgang, en wij beginnen eer te mishagen door de verkeerdheid van zeden, in ons opgemerkt.
OEFENING.
Vlied de wereldsche gezelschappen, de nutte-looze gesprekken, de uitstortingen en genegenheden des harten, die door Gods liefde noch geregeld noch beheerscht zijn ; want dit alles verstrooit eene ziel, verwijdert haar van God, onttrekt haar de ingetogenheid en den inner-lijken geest, die zoo noodzakelijk ter zaligheid is, werpt haar in gevaarlijke gelegenheden van
I BOEK. IX HOOFDSTUK. 71
tt zondigen, en leid haar langzamerhand in de ongeregeldheid. Dat uwe vrienden personen zijn, die een godvreezend , geregeld en onberispelijk leven leiden, teneinde hun voorbeeld u tot deugd brenge en u van het pad der ondeugd verwijdere. Gelukkig is de Christen, die zich aan zijnen Zaligmaker, aan zijne plichten en aan zijne zaligheid gekleefd houdt, en die slechts van en voor God levende, hier reeds op aarde datgene begint ie doen, wat hij in de eeuwigheid zal voortzetten.
GEBED.
Hoe dikwerf, o God! had ik reden om mij over eene te groote vertrouwelijkheid te beklagen ! Hoe dikwerf opende ik mijn hart aan menschen en beschouwde hen als mijne vrienden, die op mijnen ondergang loerden! Ach ! laat mij niet langer de gevolgen mijner lichtzinnigheid betreuren. Leer mij in alles omzichtig zijn, niet elk vertrouwen, en den omgang van godsdienstige en deugdzame lieden zoeken. Gij vooral, wees mijn vriend, mijn raad, mijn troost, mijn hoogste goed, mijn al!
NEGENDE HOOFDSTUK.
Over de gehoorzaamheid en onderwerping.
i. Het is een zeer groot iets onder gehoorzaamheid te staan, onder een overste te leven â¢n niet zijn eigen meester te zijn.
72 I BOEK. IX HOOFDSTUK.
Het is veel veiliger, onderhoorige dan overste te zijn.
Velen zijn onder gehoorzaamheid meer uit dwang dan uit liefde ; ook hebben zij moeie-lijkheid en morren licht.
Zij zullen de vrijheid des geestcs niet verkrijgen, voor zij zich om Gods wille van ganscher harte onderwerpen.
Loop ginds en herwaarts, gij zult geen rust vinden, tenzij in eene nederige onderwerping aan het bestuur van uwen overste.
De verbeelding dat het hun door verandering van plaats beter zou gaan, heeft velen bedrogen.
2. Het is waar dat elk gaarne naar zijn eigen gevoelen handelt en diegenen meer genegen is, die van zijn gevoelen zijn.
Maar zal God in ons wonen, dan moeten wij somtijds om des vredes wille ons gevoelen opgeven.
Wie is zoo wijs dat hij alles volkomen weet ?
Vertrouw dan niet te veel op uw eigen gevoelen ; maar wil ook gaarne het gevoelen van anderen hooren.
Is uw gevoelen goed, en geeft gij het echter om Godswille op, om dat van een ander te volgen, gij zult daardoor des te meer voortgang maken.
3. Want ik heb meermalen hooren zeggen, dat het veiliger is raad te hooren en aan te nemen dan te geven.
Het kan zijn dat het gevoelen van ieder goed is; maar naar anderen niet te willen
I BOEK. IX HOOFDSTUK. 73
luisteren, als de rede of de zaak het vordert, is een teeken van hoogmoed en halstarrigheid.
OEFENING.
Welk geluk van niet af te hangen dan van God, in den persoon der oversten die zijne plaats bekleeden. Hoe verdienstelijk is de volstandige oefening der gehoorzaamheid, aangezien zij een aanhoudend werk van verloochening, van verzaking aan zichzelven en van de volmaaktste liefde Gods is. Het is de gehoorzaamheid, die de uitmuntendheid, het geluk en de verdienste van het christelijk en kloosterlijk leven uitmaakt en die God tot den volkomen meester en eigenaar van onze harten maakt. Maar hiertoe wordt vereischt, dat de geest, het hart en de werken samenspannen, om ons de gehoorzaamheid te doen beoefenen : de geest om dezelve goed te kennen, het hart om ze te beminnen, en de werken om ze spoedig, edelmoedig en standvastig te beoefenen.
G E IJ E D.
Ook ik, o God! moet gehoorzaam en aan anderen onderworpen zijn. Als mensch, als burger, vooral als Christen, gevoel ik het billijke van dezen plicht. Geene samenleving zonder orde, geen orde zonder onderwerping. Laat mij steeds dit bewustzijn behouden en daarmede overeenkomstig handelen. Het voorbeeld
74 I BOEK. X HOOFDSTUK.
van uw Zoon zij mij daartoe eene krachtige aansporing. De knecht is niet meer 'dan zijn heer, de leerling niet beter dan de meester.
TIENDE HOOFDSTUK.
Over het vermijden van nuttelooze gesprekken.
i. Mijd, zoo veel gij kunt, 'het gewoel der menschen, want het behandelen der wereidsche zaken hindert grootelijks, al geschiedt het met een zuiver oogmerk.
Wij worden zoo ras door de ijdelheid besmet en gevangen!
Ik wenschte dat ik meer gezwegen en niet onder de menschen verkeerd hadde.
Maar waarom spreken wij en onderhouden wij elkander zoo gaarne, daar wij zoo zelden zonder kwetsing des gewetens tot het stilzwijgen wederkeeren ?
Daarom spreken wij zoo gaarne, omdat wij door onderlinge gesprekken troost bij elkander zoeken, en 't door velerlei gedachten bezwaarde hart wenschen op te beuren.
Ook spreken en denken wij zeer gaarne over hetgeen wij zeer beminnen of begeeren, of over hetgeen ons tegenstaat.
2. Maar helaas! dikwijls zonder nut en te vergeefs : want die uitwendige troost doet niet weinig hinder aan den inwendigen en godde-lijken troost.
I BOEK. X HOOFDSTUK. 75
Daarom waak en bid, opdat de tijd niet ledig voorbij ga.
Staat het vrij en komt het te pas te spreken, spreek over iets stichtelijks.
Een kwade gewoonte en veronachtzaming van onzen voortgang zijn veelal oorzaak, dat wij geen wacht houden over onzen mond.
Echter bevordert niet weinig onzen geestelijken voortgang een godvruchtig gesprek over geestelijke onderwerpen, vooral wanneer zich daartoe in God vereenigen personen, die eens van hart en ziel zijn.
OEFENING.
Waken en bidden is het eenige middel, hetwelk Jezus Christus in het Evangelie aan den Christen geeft, om de zonde te vluchten, om aan de bekoring te wederstaan en zijne zaligheid te verzekeren. Weinig tot de schepselen en veel tot God spreken, de onnoodige en nieuwsgierige gesprekken vermijden, zijne tong niet gebruiken dan om goede en nuttige dingen te zeggen, is een voortreffelijk middel om eenen inwendigen mensch te worden, om de zuiverheid des harten en den vrede des gewetens te behouden, en om zich innig met God te vereenigen. Eene ziel, die te veel met de menschen omgaat, die gansch wereldsch is en zich met beuzelarijen ophoudt, vindt niet veel smaak in God, houdt zich niet veel met het gebed bezig, en oefent weinig de overweging (meditatie )»
76 I BOEK. XI HOOFDSTUK.
zaken, die nochtans tot de zaligheid der christenen nuttig en zoo noodzakelijk zijn. Wat doet gij, verstrooide en dolende ziel, zegt de H. Au-gustinus, wanneer gij u door geschapene voorwerpen, vergankelijke vermaken en tijdelijke goederen zoekt te bevredigen ? Zoek in uzelven, door de overweging, het ware en het opperste goed, hetwelk in u is en hetgeen u kan bevredigen.
G E li E 1).
Ook ik, o God ! wenschte dikwijls wat minder onder de menschen geweest te zijn, wat minder gesproken te hebben. Te vaak moest ik van mijnen omgang heillooze gevolgen ontwaren. Te vaak ging ik mij in gesprekken te buiten, en zondigde tegen U of tegen mijnen broeder. Dat geen ijdel geklap mij langer vermake! Dat ik leere mijne tong bedwingen ; de lof van U, de stichting van mijzelven en van mijne broeders, zij het eenigste doel bij mijne gesprekken.
ELFDE HOOFDSTUK-
Over de middelen tot vrede, en den ijver tot voortgang.
i. Veel rust en vrede konden wij hebben, wilden wij ons niet bemoeien met de woorden en daden van anderen, welke ons niet aangaan.
Hoe kan hij lang in vrede blijven, die zich met eens anders zaken bemoeit, die steeds bui-
I BOEK. XI HOOFDSTUK. 77
ten zichzelven gelegenheden tot bekommering zoekt, en weinig of zelden tot /ichzelven terugkeert ?
Gelukzalig de eenvoudigen : want zij zullen overvloedigen vrede hebben.
2. Waarom zijn sommige Heiligen tot zulk eene volmaaktheid en hooge bespiegeling gestegen.
Omdat zij getracht hebben alle aardsche be geerlijkheden af te sterven. Daarom konden zij met geheel hun hart Gode aanhangen, en zich vrij met zichzelven ophouden.
⢠Wij houden ons te zeer met onze eigene driften op, en ontrusten ons te veel over hetgene voorbij snelt.
Zelden overwinnen wij ook eenig gebrek geheel, en wij worden niet tot dagelijkschen voortgang aangevuurd; daarom blijven wij koud en lauw.
3. Waren wij onszelven volkomen afgestorven en van binnen niet in verwarring, dan konden wij ook het goddelijke smaken en iets van de hemelsche bespiegeling ondervinden.
Het grootste, ja eenigt beletsel is, dat wij niet vrij zijn van driften en begeerlijkheden, en dat wij niet trachten den volmaakten weg der Heiligen in te slaan.
Als ons ook de geringste tegenstand ontmoet, zijn wij aanstonds terneergeslagen en wenden wij ons tot den troost der menschen.
4. Deden wij ons best om als dappere mannen in den strijd te staan, voorwaar wij zouden
78 I BOEK. XI HOOFDSTUK.
des Heeren hulp van den hemel over ons zien
neerkomen.
Hij toch is bereid die strijden en op zijne genade hopen te helpen. Hij geeft ons gelegenheid tot strijden, opdat wij overwinnen.
Stellen wij onzen voortgang in 't goede alleen in uiterlijke oefeningen, onze godsvrucht, zal dra een einde nemen.
Laat ons de bijl aan den wortel leggen en onze ongeregelde driften uitroeien, opdat wij een rustig gemoed mogen bezitten.
5. Mochten wij elk jaar ée;ie ondeugd uitroeien, wij zouden spoedig volmaakte mannen zijn.
Maar nu ontwaren wij dikwijls het tegendeel en bevinden dat wij in het begin onzer bekeering beter en zuiverder waren, dan wij nu, na vele jaren zijn.
Dagelijks moesten onze ijver en voortgang toenemen, en nu schijnt het al veel, als iemand van zijn eersten ijver een gedeelte kan behouden.
Deden wij ons in den beginne slechts een weinig gewelds, wij zouden daarna alles mot gemak en vreugde kunnen doen.
6. Zwaar valt het eene gewoonte af te leggen ; maar nog zwaarder tegen zijn eigen wil te handelen.
Zoo gij nu het kleine en lichte niet overwint, hoe zult gij het zwaardere te boven komen ?
Wedersta in den beginne uwe neiging en ont-ontdoe u van eene slechte gewoonte; opdat zij
I BOEK. XI HOOFDSTUK. 79
u niet allengskens in grootere zwarigheid brenge.
O, zoo gij beseftet, welke rust gij uzelven en welk genoegen gij anderen veroorzaakt door u wèl te gedragen ! ik geloof dat gij voor uw geestelijken voorgang meer bezorgd zoudt zijn.
OEFENING.
Even als er niets tegenstrijdiger is aan den waren vrede, aan het geluk en de rust des levens, dan zich aan zijne ongeregelde lusten over te geven en zich derzelver slaaf en slachtoffer te maken, alzoo is er niets geschikter om in ons eene ware gewetensrust voort te brengen, om het geluk van dit leven uit te maken en onze zaligheid te verzekeren, dan onophoudelijk onze booze neigingen te bestrijden en te overwinnen, en in alle gelegenheden wederstand té bieden aan de ongeregelde begeerten van ons hart. Leg u dan ernstig toe om u te versterven ; om datgene wat u tegenstrijdt, te overwinnen, om aan de hevigheid uwer lusten te wederstaan en om in alles aan uwen wil te verzaken. En die oplettendheid, die zorg, en dit heilig geweld, hetwelk volstrekt tot uwe zaligheid noodig is, zal u in den tijd en in de eeuwigheid gelukkig maken, aangezien er geen ware vrede des gewetens, noch eenige verdienste te vinden is, dan in hetgene men voor God, en tegen zichzelven doet.
8o I BOEK. XII HOOFDSTUK.
G E B E D.
Welke tevredenheid, o God! welke zielskalmte zoude ik smaken, bijaldien ik mij met anderen wat minder bemoeide, en met mijn eigen hart en zijn verzedelijking wat meer ophield! De heilrijkste gevolgen daarvan zouden zich in mijnen wandel vertoonen, en ik een hoogen trap van volmaaktheid bereiken. Doe mij den eenigen weg daartoe inslaan. Leer mij de noo-dige middelen bezigen, mijzelven overwinnen en volkomen meester blijven.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Over het nut der tegenspoeden.
i. Het is ons goed dat wij somtijds eenige moeielijkheden en tegenspoeden hebben.
Dikwijls roepen zij den mensch in zijn binnenste terug, in zooverre hij gevoelt dat hij in ballingschap is en zijne hoop op niets ter wereld stellen moet.
Het is goed dat wij somtijds tegenspraak ontmoeten, en dat men kwaad en ongunstig van ons denkt, zelfs als wij wèl doen en het wèl meenen ; dit bevordert dikwijls den ootmoed en bewaart ons voor ijdele roemzucht.
Want dan, als wij van buiten door de men-schen veracht of niet wèl beoordeeld worden, zoeken wij beter God, als onzen inwendigen getuige.
I BOEK. XII HOOFDSTUK. 81
2. Daarom moest de mensch zich zoo geheel in God vestigen, dat hij niet noodig had veel menschelijken troost te zoeken.
Wordt een welgezind mensch bedrukt, bekoord of door kwade gedachten gekweld, dan gevoelt hij dat hij God het meest noodig heeft, zonder wien hij ziet dat hij niets goeds vermag.
Dan ook treurt hij, en zucht en bidt, over de rampen die hij lijdt.
Dan verdriet het hem langer te leven, en wenscht hij dat de dood kome, opdat hij moge ontbonden worden en met Christus zijn.
Dan ook ontwaart hij recht dat er op de wereld noch volkomen heiligheid, noch volle vrede kan bestaan.
OEFENING.
Men moet de tegenspoeden beschouwen als beproevingen der liefde, en dezelve zuiveren, en haar bovennatuurlijk in ons doen worden. Indien eenieder de achting en het ontzag voor ons had, welke onze eigenliefde verlangt, en welke zij ons dikwijls inblaast te verdienen, zouden wij voor den evenmensch slechts eene verkeering hebben, die ons zou lastig vallen, als eene menschelijke erkentelijkheid en een geheim welbehagen jegens onszei ven. Maar God wil, dat wij overal tegenspraak, onverwachte toevallen en wederstand ontmoeten , en lijden van degenen, met welke wij leven, opdat wij hen slechts ten aanzien van Hem zouden beminnen, en omdat Hij het gebiedt.
82 I BOEK. XIII HOOFDSTUK.
Gelukkig is een hart dat door tegenspoed beproefd en door bekoringen gezuiverd wordt, zoo als het goud door het vuur beproefd en gezuiverd wordt. Het is hierdoor, zegt de Wijze-man, dat het waardig wordt met God te zijn, en bekwaam om volgens zijn hart te wezen.
GEBED.
Hoeveel mijne zinlijkheid daartegen hebbe, ik zie, o God ! meer dan ooit dat tegenspoeden mij nuttig zijn en mijn heil bevorderen. Zij zijn de middelen, door U aangewend, om mij godsdienst en deugd beminnelijk, en voor hunnen troost vatbaar te maken. Laat dan nimmer toe, dat ik mij tegen uwe wijze oogmerken verzette of onder den last bezwijke, dien Gij op mijne schouders legt. Alles zij mij lief en welkom van uwe hand, in alles worde uwe goedheid geprezen !
DERTIENDE HOOFDSTUK. Over het weerstaan der bekoringen.
i. Zoolang wij in de wereld leven, kunnen wij niet zonder kwelling en bekoring zijn.
Daarom staat er bij Job ; 's menschen leven op aarde is een strijd. (Job 7.)
Daarom moest ieder bij zijne bekoringen op zijne hoede zijn, waken en bidden, opdat de duivel geene gelegenheid vinde tot verleiding:
I BOEK. XIII HOOFDSTUK. 83 want die slaapt nooit, maar gaat rond, zoekende wien hij kan verslinden. (I. Petr. 4.)
Niemand is zoo volmaakt en heilig, dat hij niet somtijds bekoringen heeft; zelfs kunnen wij die niet geheel ontberen.
2. Hoe lastig en moeilijk de bekoringen ook vallen, zij zijn dikwijls den mensch zeer nuttig, omdat hij daardoor vernederd, gereinigd en onderwezen wordt.
Alle Heiligen zijn vele verdrukkingen en bekoringen doorgegaan, en aldus volmaakt geworden.
Maar zij, die de bekoringen niet konden doorstaan, zijn bezweken en verworpen geworden.
Geen stand is er zoo heilig, geen plaats zoo verborgen, waar geen bekoringen of wederwaardigheden zijn.
3. Zoolang de mensch leeft is hij niet geheel veilig tegen de bekoring : want de bron der bekoring is in onszelven, daar wij met begeerlijkheden geboren worden.
Wijkt de eene bekoring of moeilijkheid, de andere is daar : en altoos zullen wij iets moeten lijden, daar wij het goed van ons eerste geluk verloren hebben.
Velen trachten de bekoringen te ontvluchten en vallen daarin te dieper.
Door de vlucht alleen kunnen wij niet overwinnen, maar door geduld en waren ootmoed worden wij sterker dan al onze vijanden.
4. Wie slechts van buiten ontwijkt en niet den wortel uitrukt, zal weinig vorderen ; ja te
84 I BOEK. XIII HOOFDSTUK.
eer zullen de bekoringen tot hem wederkeeren,
en zal hij zich te erger bevinden.
Allengskens, en door geduld en door lankmoedigheid zult gij ze met Gods hulp beter overwinnen, dan door een hardnekkig en lastig tegenstreven.
Neem dikwijls raad bij de bekoring, en wil den bekoorde niet hard behandelen; maar bied hem troost, zooals gij wenschen zoudt dat men u deed.
5. Onbestendigheid van geest en gering vertrouwen op God zijn de bron van alle kwade bekoringen.
Want gelijk een schip zonder stuurman door de baren heen en weer geslingerd wordt; zoo wordt een kleinmoedig mensch, die van zijne voornemens afwijkt, op velerlei wijze bekoord.
Het vuur beproeft het ijzer, de bekoring den rechtvaardigen mensch.
Dikwijls weten wij niet wat wij kunner ; maar de bekoring toont wat wij zijn.
6. Nochtans moet men waken, vooral bij den aanvang eener bekoring : want lichter wordt de vijand overwonnen als men niet duldt dat hij de ziel binnentreedt, maar hem, zoodra hij aanklopt, aan den drempel weert.
Daarom heeft iemand gezegd : Wedersta het begin : te laat komt de artsenij, wanneer het kwaad door lang verzuim de overhand heeft gekregen.
Want eerst vertoont zich aan dc ziel de enkele gedachte, dan eene sterke verbeelding, ver-
I BOEK. xni HOOFDSTUK. 85
volgens het welbehagen, de kwade beweging de toestemming.
Zoo treedt de booze vijand allengskens geheel binnen, als men hem niet in den beginne tegenstand biedt.
En hoe langer iemand wacht met weerstand bieden, hoe zwakker hij dagelijks in zichzelven wordt, en hoe sterker tegen hem de vijand.
7. Sommigen lijden zwaardere bekoringen in het begin hunner bekeering, anderen op het einde.
Sommigen worden gekweld schier hun leven lang, anderen slechts licht bekoord, volgens de wijze en billijke schikkingen Gods, die den staat en de verdiensten der menschen weegt, en alles tot heil zijner uitverkorenen voorbeschikt.
8. Daarom moeten wij, wanneer wij bekoord worden, niet wanhopen, maar te vuriger God bidden, dat Hij ons in alle wederwaardigheid gelieve bij te staan : Hij toch, zal volgens het gezegde van Paulus, .met de bekoring ook de uitkomst geven om ze te kunnen verdragen.
Buigen wij dan bij alle bekoring en wederwaardigheid onze zielen onder de hand van God: want Hij zal de nederigen van geest redden en verhefifen.
9. Welken voortgang de mensch gemaakt heeft, blijkt bij bekoringen en ongevallen. Ook dan neemt de verdienste toe en komt de deugd meer uit.
Het is niets groots dat een mensch godvruchtig en ijverig is, als hij niets zwaars gevoelt;
86 I BOEK. Xin HOOFDSTUK.
maai* wanneer hij ten tijde van tegenspoed het geduldig uithoudt, dan is er hoop pp grootei) voortgang.
Sommigen worden voor zware bekoringen bewaard en dikwijls in kleine, dagelijksche over-wonnnen; opdat zij, vernederd, in het groote nooit te veel op zichzelven mochten vertrouwen, dnar zij in het kleine zoo zwak zijn geweest.
OEFENING.
De bekoringen dienen om ons van de geheime verkleefdheid te zuiveren, welke wij tot de ijdelheid en de eigenliefde hebben, alsook van het vertrouwen, hetwelk wij in onszei ven heb-hen, met ons het gewicht onzer ellenden te doen gevoelen; met ons van de voldoening eenen afkeer te geven, en met ons te verplichten op God alleen te vertrouwen. Zij dienen daarenboven nog om ons te verootmoedigen, door de ondervinding onzer zwakheden en door al het gevoel van den wortel van verdorvenheden, dien wij in ons dragen. Zij dienen, ten laatste, om ons te onderrichten over onze machteloosheid, om iets goeds ter zaligheid te doen, of om ons van de zonde te bevrijden zonder de hulp Gods.
GEBED.
Dat de mensch aan veelvuldige bekoringen is blootgesteld, o God! ondervind ik genoeg. Van alle kanten doen zich vijanden op en moet ik mij ten strijde gereedhouden. Doch, wel verre van deswegen ontevreden te zijn, eerbiedig ik
I BOEK. XIV HOOFDSTUK. 87
ook hierin uwen heiligen wil. Ja, de bekoringen zijn mij nuttig; want zij oefenen mijne deugd. Gelukkig zij, zoo zij de proef uithoudt Geef mij hiertoe uwe genade, o God ! waardoor ik alles vermag; help mij strijden en overwinnen.
VEERTIENDE HOOFDSTUK Over de lichtvaardige oordeelvellingen.
1. Sla uwe oogen op.uzelven en wacht u de daden van anderen te beoordeelen.
Wie anderen beoordeelt werkt vergeefs, dwaalt veel en zondigt licht.
Maar wie zichzelven beoordeelt en beproeft, werkt altoos met vrucht.
Zooals eene taak ons ter harte gaat, oordee-len wij veeltijds daarover; want door onze eigenliefde wijkt ons oordeel licht van de waarheid af.
Ware God altoos het eenige doel onzer begeerten, wij zouden zoo licht niet ontroerd worden, als men onzen zin wederstaat.
2. Maar dikwijls schuilt er van binnen iets of doet zich iets van buiten op, dat ons nog medesleept.
Velen zoeken in hetgeen zij doen heimelijk zichzelven en weten het niet.
Ook schijnen zij in goeden vrede gevestigd, als de zaken naar hun wensch en zin gaan : maar valt iets tegen hun wensch uit, terstond zijn zij ontroerd en droevig.
88 I BOEK, XIV HOOFDSTUK.
Uit het verschil van meaning en gevoelen
ontstaat dikwijls genoeg tweedracht tusschen vrienden en medeburgers, tnsschen geestelijke en godvruchtige personen.
3. Eene oude gewoonte laat zich moeielijk afleggen, en niemand wordt gaarne van zijn eigen zienswijze afgebracht.
Indien gij meer steunt op eigen doorzicht of kloekheid, dan op de kracht uwer onderwerping aan Jezus Christus, gij zult zelden en laat een verlicht man worden.
Immers God wil dat wij ons volkomen aan Hem onderwerpen, en dat wij door eene brandende liefde alle redeneeringen te bovenkomen.
OEFENING.
Wij oordeelen vaker door de neiging van ons hart, dan door het licht van onzen geest. Onze eigenliefde brengt gewoonlijk te weeg, dat wij in onszelven goedkeuren, wat wij in anderen veroordeelen, en wij zijn zooveel te scherpzinniger op de gebreken van den naaste, als wij te verblind zijn op de onze. Een geest, die zich gestadig met God bezig houdt, en eene ziel die getrouw is aan de beweging zijner genade, eene ziel, die alzoo met God bezig, en aan Hem gehecht is, houdt zich in zichzelve niet op dan met God, en met zich in God, en daar zij haar hart tracht te bewaren, vergeeft zij niets aan zichzelve en alles aan anderen.
I BOEK. XV HOOFDSTUK. 89
G E P. E D.
Mocht, o God ! deze overweging op mijn hart van een weldadigen invloed zijn, mijn oog zich op U gevestigd honden en nw wil mij steeds voor den geest zweven, dan zonde ik mij in vele opzichten voorzichtiger gedragen, en niet zoo vaak over mijn broeder een lichtvaardig oordeel vellen. Doe mij wijzer worden. Dat ik mij bezighonde met mijzei ven, zonder mij met anderen te bemoeien. U alleen te beminnen, te behagen zij mijn doel; mijn eigen heil te bevorderen, mijne hoofdbezigheid!
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Over de werken uit liefde verricht.
1. Om niets ter wereld en ter liefde van geen eenig mensch mag men iets kwaads doen.
Nochtans mag men vrij, ten nntte vam hem die het noodig heeft, somtijds eenig goed werk uitstellen of liever door een beter vervangen.
Op deze wijze toch gaat het goede werk niet verloren, maar in een beter over.
Zonder liefde kan een uitwendig werk niets baten.
Maar alles wat uit liefde geschiedt, hoe gering en ongeacht het zij, wordt geheel vruchtbaar.
Want God weegt meer waarom iemand handelt, dan de daad die hij verricht.
2. Hij doet veel, die veel liefheeft. Ook doet hij veel, die iets wel doet.
90 I BOEK. XV HOOFDSTUK.
Hij doet wèl, die meer het algemeen belang dan zijn eigen wil dient.
Dikwijls schijnt iets.liefde te zijnen is eerder zinlijkheid ; want zelden laten natuurlijke neiging, eigen wil, hoop op vergelding, baatzucht zich buitensluiten.
3. Wie eene ware en volmaakte liefde bezit, zoekt in niets zichzelven, maar wenscht dat de eer van God alleen in alles bevorderd worde.
Ook benijdt hij niemand , omdat hij geen vreugde bemint die hij alleen geniet.
Niet in zichzelven wil hij zich verheugen, maar in God wenscht hij boven alle goederen zijne gelukzaligheid te vinden.
Aan niemand schrijft hij iets goeds toe, maar brengt het geheel terug tot God, uit wien als uit eene bron alles voortvloeit, en in wien als hun laatste einde alle Heiligen zalig rusten.
O! wie een vonkje der ware liefde bezat, hij zou in waarheid gevoelen dat al het aardsche vol ijdelheid is. â¢
OEFENING.
Men kan niet genoeg de woorden van den schrijver herhalen, die zegt, dat God zoo zeer niet aanziet hoeveel men doet, als uit hoe groote liefde het werk voortkomt, en dat men veel doet, als men veel bemint; dat is dat onze werken aan God waarlijk niet behagen, dan voor zooveel zij voortkomen uit het verlangen om aan Hem aangenaam te wezen, en als door het zegel der liefde gestempeld zijn. Doet, zegt de
ï BOEK. XV HOOFDSTUK. 91
heilige Paujus, al wat gij dcet, door ingeving en beweging van de liefde Gods. Het is die levende en werkende liefde, die, wanneer zij menigwerf herhaald wordt, de verdienste van onze goede werken uitmaakt; en het geloof zelfs is zwak en kwijnend in ons, indien het niet door eene godvruchtige geneigdheid bezield is tot God, die ons zijne waarheden veropenbaard heeft. Laat ons dan trachten den Heer te beminnen in alles wat wij doen, en alles doen met God te beminnen. Heer! alles voor en in U. Ziedaar hetgene ons hart moet zeggen en onophoudelijk doen, om een bovennatuurlijk en verdienstelijk leven te leiden, en om in den tijd le beginnen, hetgene wij in de eeuwigheid zullen voortzetten.
GERED.
God der liefde! bron der zuiverste liefde! van wiens liefde alles wat aanzijn heeft getuigt, en die door liefde uwe redelijke schepselen ten hoogsten trap van volmaaktheid brengt, vervul mijn hart met zulk edel gevoel. Geef dat ik U boven alles, en mijnen naaste liefhebbe als mij-zelven. Zonder liefde kan ik nimmer behagen, geen leerling van Jezus zijn; zonder liefde is alles ijdel, en mijn Christendom eene hersenschim.
92 I BOEK. XVI HOOFDSTUK.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Over het verdragen der gebreken van anderen.
1. Wat de mensch in zichzelven of in anderen niet kan verbeteren, dat moet hij geduldig verdragen, totdat God liet anders beschikke.
Denk dat het zoo wellicht beter is om u te beproeven en in lijdzaamheid te oefenen, zonder welke al onze verdiensten niet veel te achten zijn.
Nochtans moet gij bij zulke bezwaren bidden dat God ii te hulp kome, opdat gij ze goedwillig moogt verdragen.
2. Indien iemand, eens of tweemaal vermaand, niet luistert, wil niet met hem twisten; maar geef het alles aan God over, opdat zijn wil geschiede en Hij in al zijne dienaren verheerlijkt worde : Hij toch weet wel het kwade in het goede te verkeeren.
Beijver u geduldig te zijn in het verdragen van de gebreken en allerlei zwakheden van anderen, daar ook gij veel hebt, dat anderen verdragen moeten..
Kunt gij uzelven niet zóó maken als gij wenscht, hoe kunt gij dan een ander naar uwen zin hebben ?
3. Wij willen gaarne anderen volmaakt hebben, en wij verbeteren onze eigene gebreken niet.
Wij willen dat anderen streng bestraft wor-
I BOEK. XVI HOOFDSTUK. 93 den, en wij willen niet dat men ons bestraffe.
Veel toegevendheid voor anderen mishaagt ons, en nochtans willen wij niet dat men ons weigere hetgeen wij vragen.
Wij willen dat anderen door regels in toom gehouden worden, maar zeiven willen wij in niets bedwongen zijn.
Dus blijkt het hoe zelden wij onzen naaste als onszelven achten.
Waren allen volmaakt, wat zouden wij dan van anderen om Godswil te verdragen hebben ;
4. Maar nu heeft God het zóó geschikt, opdat wij leeren elkanders lasten dragen.
Want er is niemand zonder gebrek, niemand zonder last, niemand zichzelven genoegzaam, niemand voor zichzelven wijs genoeg.
Daarom moeten wij elkander verdragen, elkander troosten, gelijk ook helpen, onderwijzen en vermanen.
Hoe groot dan dc deugd van iemand zij, blijkt best ten tijde van tegenspoed.
Want niet de gelegenheden maken den meusch zwak, zij toonen wat hij is.
OEFENING.
Hoe heiligmakend is de oefening, en welk voortreffelijk middel is de beoefening van liefde, om ons den hemel te doen bekomen, namelijk van in ons en in anderen de zwakheden te verdragen, welke wij niet kunnen verbeteren ! Want er is niets bekwamer om ons te verootmoedigen en ons voor God te vernederen, dan
94 I BOEK. XVII HOOFDSTUK, het gevoel van onze ellenden; en niets is rechtvaardiger, dan van anderen te verdragen, het-gene wij willen dat men van ons verdrage. Wij moeten dus alles, wat uit de gesteldheid van den naaste voortkomt, geduldig verdragen, en niemand iets door onze gesteldheid doen lijden. Het is alzoo volgens den heiligen Paulus, dat wij elkanders last dragen en de wet van Christus volbrengen zullen, die de wet van liefde, van zoetheid en geduld is.
GEBED.
Hoe verre nog, o God! ben ik van den geest dezer lessen verwijderd! Eigenliefde belet mij doorgaans mijne eigene gebreken te zien, en ik wil mij nochtans als verbeteraar mijns broeders opwerpen ! Hoe strijdig is dit gedrag met de liefderijke voorschriften van het heilig Evangelie ! Laat toch deze voorschriften meer indruk óp mij maken; leer mij anderen verdragen, gelijk zij mij verdragen moeten, overeenkomstig de les van uwen Zoon : al wat gij wilt dat anderen u doen, doe hun insgelijks.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. Over het kloosterleven.
i. Gij moet uzelven in vele opzichten leeren buigen, wilt gij vrede en eendracht met anderen behouden.
Het is geen kleinigheid in een klooster of in een vereeniging te wonen, aldaar zonder
I BOEK. XVII HOOFDSTUK. 95 klachte te verkeeren en getrouw te volharden tot aan den dood.
Gelukkig hij, die een vroom leven gelukkig voltrokken heeft!
Wilt gij behoorlijk volharden en voortgang maken, beschouw u als een balling en vreemdeling op aarde.
Om Christus' wil moet gij als een dwaas willen beschouwd worden, zoo gij een godvruchtig leven wilt leiden.
2. Kap en kruin doen er weinig toe; maar verandering van zeden en volkomen versterving der driften maken den waren kloosterling.
Wie iets anders zoekt dan God alleen en het heil zijner ziele, zal niets dan kwelling en smart vinden.
Ook kan hij er niet lang in vrede blijven, die niet tracht de geringste te zijn en aan allen onderworpen.
3. Gij zijt gekomen om te dienen, niet om te heerschen.
Weet dat gij geroepen zijt om te lijden en te werken, niet om ledig te loopen of te klappen.
Hier dus worden de menschen beproefd, gelijk het goud in den oven.
Hier kan niemand het uithouden, tenzij hij zich van ganscher harte ter liefde Gods wil vernederen.
OEFENING.
Men moet veel vermogen op zichzelven hebben, zich kunnen inhouden eh zich in verschei-
gó I BOEK. XVII HOOFDSTUK.
dene gelegenheden kunnen overwinnen, om gelukkig en tevreden in eene gemeente of in een klooster te leven, en aldaar krachtdadig aan zijne volmaaktheid en zaligheid te werken. Even als de inborst van dengene, met wien men leeft, dikwijls met de onze niet overeeenkomt, moet de genade den vrede en* de liefde onderhouden, door de sterkte die zij geeft, om de tegenstrijdigheid van inborst te lijden en te verdragen ; even gelijk de natuur den vrede in de wereld, door de tegenstrijdigheid der elementen onderhoudt. Zoo dan, gij zult noch ware gewetensrust, noch verzekering der zaligheid vinden, dan in de inwendige versterving, die u aanzet om u in alles te overwinnen, en die u in den waren ootmoed des harten aanmoedigt om alles te verdragen.
G E B E D.
Ook voor mij, o God! schoon in de wereld levende, heeft deze les haar nut. In eiken staat toch kan ik U dienen, en moet ik op het heil mijner ziel aandachtig zijn. Waar ik mij ook bevinde, ootmoed, godsvrucht en- zelfbeheer-sching blijven voor mij gewichtige verplichtingen. Leer mij die meer en meer kennen, en geef mij kracht om ze getrouw en standvastig ten uitvoer te brengen. Dat de wereld mij bespotte, zoo veel zij wil; ik heb aan uw welbehagen genoeg.
I BOEK. XVIir HOOFDSTUK. 97
ACHTTIENDE HOOFDSTUK. Over liet voorbeeld der heilige Vaders.
1. Vestig het oog op de levendige voorbeelden der heilige Vaders, die uitblonken in de ware volmaaktheid en godsvrucht, en gij zult zien hoe gering het is, ja bijkans niets wat wij doen.
Ach 1 wat is ons leven bij het hunne vergeleken ?
De Heiligen en vrienden van Christus hebben den Heere gediend in honger en Horst, in koude en naaktheid, in arbeid en vermoeienis, in waken en vasten, in gebeden en heilige overdenkingen, in velerlei smaad en vervolgingen.
2. Hoe vele en zware verdrukkingen hebben niet ondergaai. de Apostelen, de Martelaars, de Belijders, de Maagden en al de overigen, die de voetstappen van Christus hebben willen volgen !
Want zij hebben in deze wereld hunne zielen gehaat, om die voor het eeuwige leven te behouden.
Welk een streng en verstervend leven hebben de heilige Vaders in de woestijn geleid ! Wat langdurige en zware bekoringen hebben zij doorgestaan! Hoe menigmaal werden zij door den vijand gekweld ! Wat menigvuldige en vurige gebeden hebben zij Gode opgedragen, welke strenge onthoudingen uitgeoefend 1
Hoe groot was hun ijver en vurigheid tot
7
g8 i boek. xvui hoofdstuk.
geestelijken voortgang ! Welken harden strijd voerden zij bij het beteugelen hunner gebreken! Hoe zuiver en oprecht was hunne bedoeling tot God gericht I
Des daags arbeidden zij, en den nacht brachten zij met lange gebeden door, schoon zij onder den arbeid niet ophielden met den geest te bidden.
3. Al hun tijd besteedden zij nuttig. Elk uur scheen hun te kort in den omgang met God doorgebracht.
Ja, het liefelijke der bespiegeling deed hen de behoefte der lichamelijke verkwikking vergeten.
Van alle rijkdommen, waardigheden, eer, vrienden en bloedverwanten deden zij afstand; zij begeerden niets van de wereld te bezitten.
Nauwelijks namen zij 's levens nooddruft, de verzorging des lichaams, zelfs in 't noodzakelijke, viel hun lastig.
4. Zij waren dus arm in aardsche goederen, maar zeer rijk in genade en deugden.
Vanbuiten hadden zij gebrek, maar vanbinnen werden zij door de genade en den god-delijken troost verkwikt.
Der wereld waren zij vreemd, maar Gode zeer nabij en vertrouwelijke vrienden.
In hun eigen oogen waren zij niets en bij de menschen veracht; maar in de oogen van God waren zij dierbaar en uitverkoren.
Zij volhardden in waren ootmoed; zij leefden in eenvoudige onderwerping; zij wandelden in liefde en lijdzaamheid.
I IÃOEK. xvrn HOOFDSTUK. 99
En daaiom vorderden zij dagelijks in het geestelijk leven en verkregen van God groote genade.
Zij zijn aan alle kloosterlingen tot voorbeeld gegeven, en zij moeten ons sterker aansporen tot gestadigen voortgang, dan de menigte lau-wen tot verslapping.
5. Hoe groot was de ijver aller kloosterlingen bij den aanvang hunner heilige instelling! Hoe groot hunne godsvrucht bij het gebed I Hoe groot hunnen naijver tot de deugd 1 Welke strenge tucht onderhielden zij ! Hoe bloeiden bij allen, eerbied voor en onderwerping aan de voorschriften huns Meesters!
Nog heden getuigen de nagelaten sporen, dat zij waarlijk heilige en volmaakte mannen geweest zijn, die zoo dapper strijdende, de wereld onder den voet hebben gebracht.
En nu wordt hij groot geacht die geen overtreder is, die hetgeen hij op zich genomen heeft, geduldig kan dragen
6. O lauwheid en nalatigheid van onzen stand! dat wij van den eersten ijver zoo spoedig afwijken, ja, wegens vermoeiing en traagheid het leven moede worden.
O, dat toch de zucht tot geestelijken voortgang niet geheel in u mocht slapen, die dikwijls zoo vele voorbeelden van godvruchtigen onder het oog gehad hebt!
OEFENING.
Niets is bekwamer om ons aan te moedigen
IOO I BOEK. XVIII HOOFDSTUK, tot een deugdzaam leven, dan het voorbeeld dergenen, die wèl geleefd hebben. Dit voorbeeld maakt ons de deugd mogelijk, gevoelig en gemakkelijk, en toont ons haar gebruik aan, door ze ons voor te stellen in anderen, die haar reeds beoefend hebben; want wij moeten tot onszelven zeggen, wanneer wij de levensbeschrijvingen der Heiligen lezen of hunne voorbeelden aanschouwen : ziedaar wat menschen, als wij, gedaan, verlaten en verdragen hebben, om den hemel te verdienen, welken wij hopen. En wij, wat hebben wij tot dusverre gedaan ? Waarom zouden wij niet doen hetgene zij gedaan hebben, om dezelfde vergelding te verdienen ? Helaas I hoe zeer moet ik niet vreezen, wanneer ik voor God zal verschijnen, dat Hij mij van den eenen kant mijn geloof, mijn godsdienst, en de voorbeelden der deugdzame menschen, die in denzelfden staat als ik geleefd hebben, zal toonen en tot mij zal zeggen : ziedaar wat gij moest gedaan hebben, en zie wat gij gedaan hebt; oordeel zelf wat verdient gij ?
GEBED.
Schaamrood word ik, o God! als ik mij de voorbeelden uwer heilige vrienden herinner,quot; en mijn wandel daarmede vergelijk. Zoo niet in alles, toch in vele opzichten konde ik hen navolgen, al ware het alleen door zuivere godsvrucht en liefde tot deugd in mijn hart aan te kweeken. Maar ach, hoe verre ben ik daarvan verwijderd!
I BOEK. XIX HOOFDSTUK. IOI Wek dan bij mij de lust tot navolging op, ondersteun mij met uwe genade en help mij alle beletselen overwinnen.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Over de oefeningen van den waren kloosterling.
1. Het leven eens waren kloosterlings moet door allerlei deugden uitmunten, opdat hij inwendig zij, zooals hij uitwendig de menschen voorkomt.
Ja, inwendig moet hij veel meer zijn, dan men uitwendig aan hem bespeurt.
Want die in ons binnenste ziet is Gpd, dien wij, waar wij .ons bevinden, ten hoogste moeten eerbiedigen, en voor wiens aangezicht wij zuiver als Engelen moeten wandelen.
Eiken dag moeten wij ons voornemen vernieuwen en ons tot ijver opwekken, als waren wij eerst heden tot bekeering gekomen. . Wij moeten zeggen : help mij, Heere God! in mijn goed voornemen en in uwen heiligen â Uienst. Geef dat ik heden eens recht beginne, want, wat ik tot nu toe deed, was niets.
2. Gelijk ons voornemen, zoo is de gang onzer vordering. En die wèl wil vorderen, moet groote vlijt aanwenden.
Want als hij, die ernstig voorneemt, dikwijls verllauwt, wat dan hij die belden df min ernstig iels voorneemt ?
I02 I BOEK. XIX HOOFDSTUK.
Nochtans geschiedt het verlaten van ons voornemen op velerlei wijze, en ook hét geringste verzuim in onze oefeningen heeft nauwelijks plaats zonder eenig nadeel.
Der rechtvaardigen voornemen hangt meer af van de genade Gods dan van eigen wijsheid; wat zij ook ondernemen, op Hem vertrouwen zij steeds.
Want de mensch wikt, maar God beschikt: en 's menschen weg is niet in zijn eigen macht.
3. Indien uit godsvrucht of om het nut eens broeders somtijds eene gewone oefening nagelaten wordt, zoo kan dit naderhand licht hersteld worden.
Maar indien men ze te licht uit tegenzin of Onachtzaamheid verzuimt, zoo is dat zeer te berispen, en men zal het schadelijke ervan ontwaren.
Doen wij ons best, zooveel wij kunnen, nog in vele dingen zullen wij licht te kort schieten.
Desniettemin moeten wij altoos iets zekers voornemen, vooral tegen hetgeen ons het meest hindert.
Wij moeten zoowel het uitwendige als het inwendige onderzoeken en regelen : want beiden helpen tot voortgang.
4.. Kunt gij niet aanhoudend tot uzelven te-rugkeeren, doe het evenwel somtijds, tenminste tweemaal daags, des morgens en des avonds.
's Morgens maak uw voornemen ; 's avonds onderzoek uw gedrag : hoe gij dien dag geweest zijt in gedachten, woorden en werken;
1 BOEK. XIX HOOFDSTUK. 103 misschien hebt gij daardoor dikwijls God en den naaste beleedigd.
Omgord u als een man tegen de listen des duivels.
Bedwing de onmatigheid, en gij zult te lichter al de neigingen van het vleesch beteugelen.
Wees nooit geheel ledig, maar altoos bezig met lezen of schrijven, of met bidden of overdenken of met iets nuttigs voor het algemeen te doen.
Lichamelijke oefeningen nochtans moeten met omzichtigheid geschieden; zij zijn niet voor allen even dienstig.
5. Wat niet aan allen gemeen is, moet niet in het openbaar vertoond worden : want de bijzondere oefeningen geschieden veiligst verborgen.
Wacht u intusschen van traag voor het algemeen, en ijveriger voor het bijzondere te zijn.
Maar nadat gij het verschuldigde en opgelegde geheel en getrouw verricht hebt, en u blijft nog tijd over, geef u aan uzelven terug volgens het verlangen uwer godsvrucht.
Niet allen kunnen dezelfde oefening hebben, maar den eene dient deze meer, gene eene andere.
Naar den eisch der tijden behaagt verschil van oefeningen : want deze zullen op de feest-, andere op de gewone dagen meer bevallen; sommigen hebben wij noodig ten tijde der bekoring, andere ten tijde van rust en vrede. t)ezc gedachten behagen wanneer wij droevig zijn, gene als wij ons in den Heer verheugen.
I04 I BOEK. XIX HOOFDSTUK.
6. Tegen de ^ voorname feestdagen moeten nuttige oefeningen vernieuwd en. der Heiligen voorspraak te ijveriger afgesmeekt worden.
- Van den eenen feestdag tot den anderen moeten wij ons voorstellen, alsof wij dan uit deze wereld verhuizen en tot het eeuwige feest overgaan zullen.
Daarom ook moeten wij ons op die tijden van godsvrucht zorgvuldig voorbereiden, godvruch-tiger wandelen en te stipter al onze verplichtingen nakomen, alsof wij eerlang het loon on-zes arbeids van God stonden te ontvangen.
7. En wordt dit uitgesteld, denken wij dan dat wij nog niet genoeg zijn voorbereid, en nog niet waardig die groote heerlijkheid, welke ons ten bestemden tijde zal worden geopenbaard, en trachten wij ons beter tot dien overgang voor te bereiden.
Gelukkig de knecht, staat er bij den Evangelist Lucas, dien zijn Heer bij zijne komst wakend zal vinden! Ik zeg u voorwaar. Hij zal hem stellen over al zijne goederen.
OEFENING.
O, welk een groot vermogen hebben op ons de levende, krachtdadige en volstandige verlangens van aan onszelven te sterven, en in en voor God te leven, en dit om ons op te wekken om hetzelve in het werk te stellen; want men doet altijd wat men waarlijk wil : maar ons ongeluk is, dat wij dikwijls slechts zwakke en kra^htelooze verlangens hebben om God te
I BOEK. XIX HOOFDSTUK. IO5 bevredigen, terwijl wij er zulke levendige en krachtdadige vormen, om onszelven te voldoen. Hierdoor geschiedt het, dat de nutteloosheid onzer wenschen en verlangens een groot beletsel tot onze volmaaktheid en tot onze zalig' heid is. Men zou zich wel geheel aan God willen overgeven, maar men wil dit niet volstrekt; men wil dit ten tijde van het gebed en van de communie, en men wil dit niet meer in andere omstandigheden. Men wil zich niet dan gedeeltelijk en voor eenigen tijd van zijne plichten kwijten, hetgene zoo veel te weeg brengt, dat ons leven niets is dan eene aaneenschakeling van goede verlangens en slechte uitwerkselen, van beloften en ongetrouwheden. Indien men zoo leeft, is dit krachtdadig aan zijne zaligheid werken ?
GEBED.
Ook voor mij, o God! moet deze overweging belangrijk zijn. Als mensch en Christen heb ik de verhevenste bestemming. Wee mij, als ik in dit opzicht nalatig ben, en in deugd geenen of weinigen voortgang maak ! Open mijn hart voor den invloed dier heilige leeringen, en laat mijn gedrag daarvan blijk dragen. Dan zal ik geen dood behoeven te vreezen; in het zalig bewustzijn van steeds wakend bevonden té worden en het toegezegde loon te zullen ontvangen.
106 I BOEK. XX HOOFDSTUK.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Over de liefde tot eenzaamheid en stilzwijgendheid.
1. Kies een geschikteu tijd uit om met uzel-ven bezig te zijn, en overdenk dikwijls de weldaden Gods.
Laat daar hetgeen voor de nieuwsgierigheid is; lees zulke stoffen welke meer het hart roeren dan den geest bezighouden.
Zoo gij u onttrekt aan overtollige gesprekken en ledig rondloopen, aan het hooren naar nieuwigheden en geruchten, gij zult genoeg en bekwamen tijd vinden om u aan heilzame betrachtingen over te geven.
De grootste Heiligen, zooveel zij konden, vermeden den omgang met menschen en verkozen liever God in de eenzaamheid te dienen.
2. Iemand heeft gezegd ; â zoo dikwerf ik onder de menschen geweest ben, keerde ik minder mensch terug.quot; Dit ontwaren wij dikwijls, wanneer wij lang met elkander praten.
Het valt lichter geheel te zwijgen, dan in woorden zich niet te buiten te gaan.
Het valt lichter in huis te blijven, dan zich buitenshuis genoeg in acht te nemen.
Wie alzoo tot het inwendige en geestelijke komen wil, moet zich met Jezus van de menigte afzonderen.
Niemand verschijnt veilig in het openbaar dan hij, die zich gaarne verbergt.
I BOEK. XX HOOFDSTUK. lOJ
Niemand spreekt veilig, dan hij, die gaarne zwijgt.
Niemand is veilig overste dan hij, die gaarne onderdanig is.
Niemand gebiedt veilig dan hij, die wel geleerd heeft te gehoorzamen.
3. Niemand verheugt zich veilig dan hij, die de getuigenis vanquot;een goed geweten in zich heeft.
Met dat al was der Heiligen gerustheid altoos gepaard met de vreeze Gods.
En zij waren daarom niet minder bezorgd en nederig, omdat zij in groote deugd en genade uitschitterden.
De gerustheid der boozen daarentegen komt van hoogmoed en vermetelheid voort, en gaat eindelijk in zelfbedrog over.
Beloof u nimmer gerustheid in dit leven, al schijnt gij een goed kloosterling of godvruchtig kluizenaar te zijn.
4. Zij die in het oog der menschen zeer heilig waren, liepen dikwijls te grooter gevaar wegens hun te groot vertrouwen.
Daarom is het velen nuttiger dat zij niet geheel zonder bekoringen blijven, maar dikwijls bevochten worden, opdat zij niet te gerust zijn, zich niet tot hoogmoed laten vervoeren, ook niet te licht tot uitwendigen troost hun toevlucht nemen.
Welk een goed geweten zoude hij hebben, die nooit naar eene voorbijgaande vreugde zocht, die zich nooit met de wereld ophield !
Welk een grooten vrede en rust zoude hij
ICS I BOEK. XX HOOFDSTUK.
bezitten, die alle ijdele zorg afsneed om slechts te denken aan God en zijne zaligheid, en zijne hoop te vestigen op God alleen.
5. Niemand is den hemelschen troost waardig, tenzij hij zich ijverig in een heilig berouw geoefend hebbe,
Wilt gij hartelijk geroerd worden, treed in uwe kamer en sluit het gedruisch der wereld buiten, gelijk er geschreven staat : Hebt berouw op uwe legerstede. (Ps. 4.)
In uwe cel zult gij vinden wat gij dikwijls daarbuiten zoudt verliezen.
Veel bewoond, wordt de cel steeds aangenaam, maar slecht bewaard, baart zij verveling.
Hebt gij haar in het begin uwer bekeering wèl bewoond en gehouden, zij zal u daarna eene geliefde vriendin en zeer dierbare troosteres worden.
6. In de stilte en rust maakt eene godvruchtige ziel voortgang, en leert de geheimen der Schriften kennen.
Daar vindt zij stroomen van tranen, waarin zij zich alle nachten wascht en reinigt, opdat zij met haren Schepper te gemeenzamer worde, hoe meer. zij zich van het gewoel der wereld verwijdert.
Wie zich alzoo van zijne vrienden en bekenden afzondert, dien nadert God met zijne heilige Engelen.
Het is beter verborgen te blijven en voor zich te zorgen, dan wonderen te duen en zich te verwaarloozeni
I BOEK. XX HOOFDSTUK. 109
7. Het is loffelijk in eenen kloosterling dat hij zelden uitgaat, vermijdt gezien te worden, ja de menschen niet wil zien.
Waarom zoudt gij willen zien hetgeen gij niet moogt bezitten ? De wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid. (Joan. 2.)
De trek der zinnelijkheid lokt u tot uitgaan; maar wanneer het uur voorbij is, wat anders brengt gij terug dan een bezwaard geweten en een verstrooid hart ?
Een vroolijk uitgaan baart dikwijls een treurig thuiskomen. En een vroolijke late avond maakt een droeven morgen.
Zoo treedt alle zinnelijk vermaak aangenaam binnen, maar op het einde kwetst en doodt het.
8. Wat kunt gij elders zien, dat gij hier niet ziet ? Ziedaar den hemel en de aarde en al de hoofdstoffen : daaruit is toch alles samengesteld.
Wat kunt Gij ergens zien, dat onder de zon lang kan staande blijven.
Gij denkt misschien u te kunnen verzadigen, maar daartoe kunt gij niet komen.
En al zaagt gij ook alles voor uw oogen, wat zoude het anders dan een ijdel gezicht zijn ?
Hef uwe oogen tot God in de hoogte, en bid voor uwe zonden en nalatigheden.
9. Laat den ijdele het ijdele, en let gij slechts op hetgeen God u gebiedt.
Sluit uwe deur achter u en roep tot u Jezus, uwen geliefde.
Blijf met Hem in uwe cel : want nergens zult gij zooveel rust vinden.
I-;O I ROEK. XX HOOFDSTUK.
Waart gij niet uitgegaan, noch hadt gij naar geruchten geluisterd, gij zoudt beter in goede rust gebleven zijn.
Van het oogenblik dat gij vermaak hebt om somtijds iets nieuws te hooren, moet gij ook daarvan de kwelling des harten dragen.
OEFENING.
De uiterlijke eenzaamheid is niet toereikend om een hart bezig te houden en te bevredigen, hetwelk zich alleen van de schepselen zou ontmaken, om met zichzelf bezig te zijn ; neen, men moet er de inwendige eenzaamheid bijvoegen, welke in heilige overdenkingen en in het gebed gelegen is. Eene ziel, die van alle zinlijke vermaken is afgescheiden, zoekt en vindt in God die volkomene voldoening, welke zij in geen schepsel kan aantreffen. De geest van zulk eenen persoon houdt zich gedurig bezig met een eerbiedig aandenken aan de tegenwoordigheid van zijnen God; zijn hart is bezield met een levendig en vurig verlangen om Hem te behagen en zijner liefde waardig te worden.
De ziel bekommert zich niet dan met Hem alleen, en het overige trekt zij zich niet aan. In hare aangename eenzaamheid geeft zij zich geheel aan God over, en is in Hem verslonden. Zij is door zijne liefde vervuld, zij vergeet alles, om steeds aan Hem te denken; zij zucht gedurig in de tegenwoordigheid van haren God, geheel doordrongen van droefheid over hare ongetrouwheden; zij haakt onophoudelijk
I BOEK. XXI HOOFDSTUK. Ill naar het geluk van Hem te zien, te beminnen en in den hemel te bezitten ; zij voedt zich met het lezen der heilige boeken en met de oefening des gebeds ; zij heeft geen verdriet, wanneer zij met God over de zaken harer zaligheid spreekt, of wel zij verdraagt ootmoedig het verdriet, dat zij in die handeling heeft; en om zijne opperste heerschappij te eeren, door de vernietiging der zonde in zich, ziet zij gaarne af van haar eigen vergenoegen, om Hem te bevredigen.
G E 11 E D.
Mocht, o goede Vader ! deze overweging voor mij heilzaam zijn, en ik in een stil, ingetogen, ja somtijds afgetrokken leven behagen vinden ! Ook midden in de wereld zoude ik mij onbesmet bewaren en het heil mijner ziel als mijn hoogste doel betrachten kunnen. Uw bijzijn zoude mij alle opoffering vergoeden, en een blik op eene zalige toekomst allen last verzachten. Geef mij hiertoe uwe genade, en doe op mijnen wensch uw zegen rusten.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK
Over het berouw des harten.
i. Wilt gij eenigen voortgang maken, bewaar u in de vreeze Gods, wees niet te vrij, maar houd al uwe zinnen onder tucht en geef u niet aan eene dwaze vreugde over; schik u tot een
112 I BOEK. XXI HOOFDSTUK.
hartelijk berouw, en gij zult de godsvrucht vinden.
Het berouw geeft toegang tot veel goeds, dat door uitgelatenheid doorgaans dra verloren gaat.
Het is te verwonderen dat een mensch ooit in dit leven recht vroolijk kan zijn, als hij zijne ballingschap en zoo vele gevaren zijner ziele gedenkt en overweegt.
2. De lichtzinnigheid des harten en de onoplettendheid op onze gebreken zijn oorzaak dat wij de smarten onzer ziel niet ontwaren; dikwijls lachen wij dwaselijk, daar wij met reden moesten weenen !
Er is geen ware vrijheid noch rechte vreugde, tenzij in de vreeze Gods en in een goed geweten.
Gelukkig hij, die alle verstrooiende hindernis afwerpen en de krachten zijner ziel tot een heilig berouw verzamelen kan !
Gelukkig hij, die alles wegwerpt wat zijn geweten kan bevlekken of bezwaren.
Strijd moedig! eene gewoonte wordt door eene gewoonte overwonnen.
Kunt gij u ontdoen van de menschen, ook zij zullen u uw werk laten doen.
3. Trek u de zaken van anderen niet aan, noch meng u in de aangelegenheden der groo-ten.
Heb voor alles steeds het oog op uzelven, en vermaan uzelven bijzonder boven al uwe vrienden.
Hebt gij de gunst der menschen niet, wees
I BOEK. XXI HOOFDSTUK. 113 daarover niet bedroefd ; maar dit valle u zwaar, dat gij u zoo wel en omzichtig niet gedraagt, als een dienaar Gods en vromen kloosterling betaamt.
Dikwijls is het nuttiger en veiliger dat de mensch in dit leven niet veel vertroostingen hebbe, vooral naar den vleesche.
Nochtans dat wij geen goddelijken troost ontvangen of zelden dien ontwaren, is onze schuld; omdat wij het berouw des harten niet zoeken en den ijdelen uiterlijken troost niet geheel verwerpen.
4. Erken dat gij den goddelijken troost onwaardig en eerder velerlei kwellingen waardig zijt.
Wanneer een mensch waarachtig berouw heeft, dan valt hem de geheele wereld zwaar en bitter.
Een rechtschapen mensch vindt stofs genoeg om bedroefd te zijn en te weenen.
Want hetzij hij zichzelven beschouwt, hetzij over zijnen naaste nadenkt, hij weet dat hier niemand leeft zonder smart, en hoe nauwkeuriger hij zichzelven gadeslaat, hoe bedroefder hij is.
Stoffen eener rechtmatige droefheid en van een innerlijk berouw zijn onze zonden en en-deugden, waarin wij zoo verstrikt liggen, dat wij zelden hemelsche dingen kunnen beschouwen.
5. Indien gij meer aan uwen dood dan aan een lang leven dacht, ongetwijfeld zoudtgij met meer ijver u verbeteren.
114 I BOEK. XXI HOOFDSTUK.
Zoö gij ook de toekomende straffen der helle of van het vagevuur ernstig overwoogt, dan, geloof ik, zoudt gij arbeid en smart gewillig verdragen en geene gestrengheid vreezen.
Maar omdat dit niet tot het hart doordringt, en wij nog gehecht zijn aan hetgeen ons streelt, daarom blijven wij koud en zeer traag.
6. Het is dikwijls bij gebrek aan geesteskracht, dat het ellendige lichaam zoo lichtelijk klaagt.
Bid dan ootmoedig tot God dat Hij u den geest van berouw geve en zeg met den Profeet: â¢n Spijs mij, o Heer! met tranenbrood, en laat mij in overvloed tranen drinken. quot; (Ps. 79.)
OEFENING.
Kunnen wij onze ellende gevoelen, zonder ze te beweenen, zonder er ons voor God over te vernederen en zonder onophoudelijk tot Hem onze toevlucht te nemen, opdat Hij ons onder-steune en weerhoude van Hem te vergrammen. Het zijn quot;dit ootmoedig gevoelen en die vertrouwelijke toevlucht tot God, die den geest van berouw uitmaken, waarover de schrijver in dit hoofdstuk spreekt. Hoe is het mogelijk een oogenblik van blijdschap te genieten in dit leven, waarin men altijd lijdt, altijd zondigt, waarin men als banneling van het Paradijs leeft? Ach! met hoe groote reden heeft de heilige Augustinus gezegd, dat een ware Christen het leven verdraagt en naar den dood verlangt, die een einde aan de zonde zal stellen en hem
I BOEK. XXII HOOFDSTUK. II5 voor altijd aan zijnen God hechten. Hoe verdrietig is het te gevoelen dat men altijd geneigd is God te vergrammen en altijd in gevaar van verloren te gaau.1. O leven! hoe zeer strekt gij tot last aan eene ziel, die waarlijk haren God bemint, en die het bedroeft van Hem gescheiden en als uit het Paradijs gebannen te zijn. O dood ! hoe aangenaam zijt gij voor eene ziel, die slechts naar God verzucht, en die niet meer wil leven zonder Hem te bezitten.
GEBED.
Mocht ik, o God! den toestand mijns harten kennen en tegelijk de misdaden overwegen die het bevlekken, met de menigvuldige gebreken die daarin als ingeworteld zijn; tranen van berouw zouden mijn aangezicht bedekken, en meer dan ooit zoude ik de verbetering mijns wan-dels ter harte nemen. Doe mij voor deze zelfkennis vatbaar worden; geef mij een berouwhebbend hart, vervul het met eene heilige vrees en verban damp;aruit alle aardsche gezindheden.
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Beschouwing der menschelijke ellende.
1. Waar gij ook zijt, en wcrwaarts gij u wendt, zuo gij u niet tot God keert, gij zult ellendig zijn.
Waarom wordt gij ontsteld, wanneer het u niet gaat naar wil en wensch ?
116 I BOEK. XXII HOOFDSTUK.
Wie is hij die alles naar zijnen wil heeft ? Noch gij, noch ik, noch eenig mensch op aarde.
Ãr is niemand ter were'H zonder eenigen druk of kwelling, hij zij koning of paus.
En wie is er het beste aan ? Voorzeker, die iets voor God kan lijden,
2. Vele onverstandigen en zwakken zeggen : wat heeft die mensch een goed leven! hoe rijk is hij ! hoe groot! hoe machtig! hoe verheven!
Maar let op de goederen des hemels, en gij zult zien, dat al deze tijdelijke niets zijn, maar zeer onzeker en eer tot last, omdat men die nimmer zonder zorg en vrees kan bezitten.
's Menschen geluk bestaat niet in overvloed van lijdelijke goederen te hebben ; de middelmaat is hem genoeg.
In waarheid, het is eene ellende op aarde te leven.
Hoe meer de mensch naar het geestelijke tracht, hoe bitterder hem het tegenwoordige leven wordt ; want te meer gevoelt hij en te klaarder ziet hij het gebrekkige zijner bedorven natuur.
Want eten, drinken, waken, slapen, rusten, arbeiden en al de andere behoeften der natuur onderhevig te zijn, is waarlijk eene groote ellende en droefheid voor den godvruchtigen mensch, die zoo gaarne van dat alles ontheven en vrij van alle zonde wezen zou.
3. Inderdaad de inwendige mensch wordt in deze wereld door de lichailielijke behoeften zwaar gedrukt.
I BOEK, XXII HOOFDSTUK. 11 ^
Daarom bidt de Profeet vurig om daarvan bevrijd te mogen worden : zeggende: Heer! red mij uit mijne nooden. (Ps. 24.)
Maar wee hun, die hunne ellende niet kennen ! En nog meer wee hun, die dit ellendig leven beminnen !
Want sommigen zijn daaraan zoo gehecht, schoon zij nauwelijks door arbeid of bedelen het noodige hebben, dat zij, mochten zij hier altoos leven, zich om het rijk van God niet zouden bekommeren.
4. O dwazen fen ongeloovigen van harte, die zoo diep in het aardsche liggen, dat zij in niets dan in het vleeschelijke smaak hebben !
Maar die ongelukkigen zullen tot hunne smart op het einde ontwaren, hoe laag en nietig het was wat zij bemind hebben.
De Heiligen Gods daarentegen en alle getrouwe vrienden van Christus gaven geen acht op hetgeen het vleesch behaagde, noch op hetgeen in deze eeuw in aanzien was; maar al hun hopen en begeeren haakte naar de eeuwige goederen.
Al hun verlangen streefde naar boven, naar het duurzame en onzichtbare, opdat zij niet door liefde tot het zichtbare naar de laagte mochten getrokken worden.
5. O broeder! verlies toch nooit het vertrouwen op voortgang in het geestelijke : gij hebt nu nog tijd en gelegenheid.
Waarom wilt gij uw voornemen tot morgen uitstellen ? Sta op, begin oogenblikkelijk en
Il8 I BOEK. XXII HOOFDSTUK.
zeg : nu is het tijd om te werken, nu ig het tijd om te strijden; nu is het de bekwame tijd om mij te verbeteren.
Wanneer gij het kwalijk hebt en gedrukt wordt, dan is het tijd om te verdienen.
Gij moet eerst door vuur en water gaan, voordat gij tot verkwikking komt.
Zoo gij u geen geweld aandoet, zult gij de ondeugd niet meester worden.
Zoolang wij dit brooze lichaam omdragen, kunnen wij evenmin zonder zonde wezen, als leven zonder verdriet en smart.
Gaarne zouden wij van alle ellende bevrijd zijn, maar dewijl wij door de zonde de onschuld verloren hebben, is ook het ware geluk voor ons verbeurd.
Daarom moeten wij geduld hebben en Gods barmhartigheid afwachten, totdat de ongerechtigheid voorbijga en het sterfelijke verslonden worde door het leven.
6. Ach, hoe groot is de menschelijke zwakheid, altoos overhellende tot ondeugd!
Heden belijdt gij uwe zonden, en morgen doet gij opnieuw wat gij gebiecht hebt.
Nu neemt gij u voor u te wachten, en een uur daarna gedraagt gij u als hadt gij u niets voorgenomen.
Met recht dan kunnen wij ons verootmoedigen en nooit eenig hoog gevoelen van onszel-ven hebben, daar wij zoo broos en onstandvastig zijn.
Ook kan^ spoedig door onachtzaamheid ver-
I BOEK. XXII HOOFDSTUK. 119 Joren gaan, wat wij eindelijk na veel arbeids en door de genade nauwelijks gewonnen'^hadden.
7. Wat ^al er nog op het einde van ons worden, die reeds zoo vroeg lauw zijn ?
Wee ons, indien wij nu al zoeken te rusten, als ware er nu reeds vrede en veiligheid, daar er zich nog geen spoor van ware heiligheid in onzen wandel vertoont!
Het ware wel noodig dat wij ons, als goede beginners, van nieuws tot betere zeden lieten opleiden, of er nog hoop mocht zijn op eenige toekomende verbetering en grooteren voortgang in de deugd.
OEFENING.
Welk geluk en welke verdienste, het hart van eenen barmhartigen God te mogen zoeken en te kunnen vinden om daarin al zijne ellenden af te leggen en ervan als ontslagen te worden. En hoe gelukkig is men, wanneer men begrijpt en smaakt, dat het ware geluk, en als het aardsche paradijs, bestaat, in voor God te lijden, en onder alle kwellingen diegene het liefste te verdragen, welke ons het meeste te-genstrijdt en verootmoedigt. Want er is niets dan de liefde Gods, die ons kan aanmoedigen om die te verdragen. Hoe ongelukkig is .het, de ellenden dezes levens niet te kennen, of dezelve niet te beminnen, en niet onophoudelijk naar het ware geluk van het toekomende leven te zuchten! Met reden heeft de heilige Grego-rius gezegd, dat men den honger en zijn on-
120 I quot;BOEK. XXIII HOOFDSTUK.
geluk bemint, en dat men «ijne verzadiging en zijn geluk niet zoekt. Is het mogelijk, steeds de onstandvastigheid en zwakheid zijns harten te gevoelen, hetwelk zoo gemakkelijk zijne goede voornemens vergeet, en bijna niets doet van hetgene het aan God beloofd heeft, zonder zich in zijne tegenwoordigheid te verootmoedigen, en Hem, in de gelegenheid zelve, evenals Judith, te bidden om ons te versterken en ons getrouw te maken ?
GEBED.
Ja, mijn God ! dit leven is aan velerlei ellende onderhevig. Er is niemand, of hij heeft zijne kwelling, van welken rang of stand hij zij. En nochtans zijn wij aan dit leven zo(^ zeer verslaafd, dat wij het overmatig beminnen, ja vaak tot ons hoofddoel maken. Leer ons toch dit leven uit het 'ware oogpunt beschouwen, als eene voorbereiding tot een beter ; dat het gevoel onzer ellende ons losmake van het aardsche, en het verlangen naar het hemelsche opwekke.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Overdenking des doods.
i. Hier zal het weldra met u gedaan zijn; zie maar hoe het met u gesteld is : heden is de mensch, en morgen verschijnt hij niet meer.
1 BOEK, XXIII HOOFDSTUK, 121 En is hij eens uit de oogen, dra Is hij ook uit de gedachte.
O blindheid en versteendheid van het men-schelijk hart : dat men slechts aan het tegenwoordige denkt en het toekomende niet meer vooruitziet!
Gij moest u bij al uw doen en denken zóó gedragen, als moest gij heden sterven.
Hadt gij een goed geweten, gij zoudt den dood niet veel vreezen.
Het ware beter de zonde te vermijden dan den dood te ontvluchten.
Zijt gij heden niet bereid, hoe zult gij het morgen zijn ? Morgen is een onzekere dag, en hoe weet gij of gij den dag van morgen hebben zult ?
2. Wat baat het lang te leven, als wij ons zoo weinig verbeteren ?
Ach, een lang leven maakt niet altoos beter, maar vermeerdert dikwijls de schuld.
O, mochten wij ook maar éen dag in deze wereld wèl geleefd hebben!
Velen tellen de jaren sedert hunne bekeering; maar dikwijls is de vrucht van verbete-tering gering.
Is het verschrikkelijk te sterven, het zal wellicht gevaarlijker zijn langer te leven.
Gelukkig hij, die het uur zijns doods steeds voor oogen houdt, en zich dagelijks tot sterven bereidt.
Zaagt gij ooit een mensch sterven, denk dat ook gij denzelfden weg gaan zult.
122 I BOEK. XXIII HOOFDSTUK,
3. Rijst de morgenstond, denk ffat gij den avond niet halen zult; en is de avond daar, durf u den dag van mogen niet beloven.
Wees dus altoos gereed, en leef zoo, dat de dood u nimmer onbereid vinde.
Velen sterven schielijk en onverwachts : want des menschen Zoon zal komen op een uur, als men het niet denkt. (Luc. 12.)
En als dat laatste uur zal gekomen zijn, zult gij over geheel uw vorig leven heel anders beginnen te denken, en u zeer beklagen, dat gij zoo traag en onachtzaam geweest zijt.
4. Hoe gelukkig en wijs is hij, die nu bij zijn leven zóo tracht te zijn, als hij bij zijnen dood wenscht bevonden te worden!
Want een groot vertrouwen op een gelukkigen dood geven eene volkomen verachting der wereld, een brandende ijver om in de deugd voort te gaan, liefde tot tucht, strenge boetedoening, vaardige gehoorzaamheid, zelfverloochening, en het geduldig dragen van allerlei rampspoed uit liefde tot Christus.
Veel goeds kunt gij doen terwijl gij gezond zijt; maar wat gij ziek zijnde zult kunnen, weet ik niet.
Weinigen worden door ziekte verbeterd, gelijk zij die veel bedevaarten doen, zelden heigt; ligei* worden.
5. Vertrouw niet op uw vrienden en bekenden, noch stel uw heil tot in de toekomst uit: want de menschen zullen u spoediger vergeten dan gij denkt.
I BOEK. XXIII HOOFDSTUK, Ã23
Beter is het nu bijtijds te voorzien en eenig goeds vooruit te zenden, dan op de hulp van anderen te hopen.
Indien gij nu omtrent uzelven niet bezorgd zijt, wie zal in het vervolg voor u bezorgd zijn ?
Nu is het een kostbare tijd, nu zijn het de dagen des heils, nu is het een aangename tijd.
Maar ach! dat gij dien niet beter besteedt, daar hij u toch gegeven is om een eeuwig leven te kunnen verdienen.
Eens zal de tijd komen, dat gij éen dag, ja éen uur ter verbetering zult terugwenschen, en ik weet niet of gij het verwerven zult ?
6. Ach, zeergeliefde ! uit hoe groot gevaar kunt gij u redden en van hoe groote vrees u bevrijden, zoo gij nu altoos in vrees en op den dood bedacht zijt.
Tracht nu zóo te leven, dat gij in het uur des doods u meer verheugen dan ontrusten moogt.
Leer nu der wereld afsterven, opdat gij dan moogt beginnen met Christus te leven.
Leer nu alles versmaden, om dan vrij tot Christus te kunnen gaan.
Tuchtig nu uw lichaam door boetvaardigheid, opdat gij dan een vast vertrouwen moogc hebben.
7. O dwaas! waarom denkt gij lang te zullen leven, daar gij van niet éenen dag zeker zijt ?
Hoe velen worden bedrogen en onverwachts uit het lichaam gerukt!
124 ï BOEK. XXIII HOOFDSTUK.
Hoe dikwijls hebt gij niet hooren zeggen ; » deze viel door het zwaard, die is verdronken, » deze viel van eene hoogte en brak den nek, » gene stikte in het eten, deze vond zijn eind gt;gt; onder het spel ? quot;
De eene kwam om door het vuur, een ander door het staal, een ander door de pest, een ander door struikroovers. En zoo is het einde van allen de dood, en 's menschen leven gaat als eene schaduw schielijk voorbij.
8. Wie zal uwer na uwen dood gedenken en wie zal voor u bidden ?
Doe dan, zeergeliefde ! doe nu al wat gij doen kunt; dewijl gij niet weet wanneer gij sterven zult, en evenmin wat er na den dood voor u volgen zal.
Terwijl gij nog tijd hebt, vergader u onvergankelijke schatten.
Denk aan niets dan aan uwe zaligheid; behartig slechts hetgeen Godes is:
Maak u nu vrienden door Gods Heiligen te vereeren en hun daden na te volgen, opdat zij u, wanneer gij uit dit leven scheiden zult, in de eeuwige woonstede opnemen.
9. Houd u steeds als een reiziger en vreemdeling op aarde, wien de dingen dezer wereld niet aangaan.
Houd uw hart vrij en gericht naar boven tot God : want gij hebt hier geen duurzaam verblijf. ( Hebr. 13.)
Richt daarhenen dagelijks uw gebeden, uw zuchten en tranen, opdat na uw dood uwe ziel
I BOEK. XXIII HOOFDSTUK. 12$ waardig zij een gelukkigen overgang tot den Heer. Amen.
â¢OEFENING.
Den dood vreezen, zonder de zonden te schuwen, die alleen hem voor ons rampzalig maken, is den dood vruchteloos ter zaligheid vreezen gt; want als men dien als een Christen vreest, dan maakt men van de vrees des doods den regel en de beweegreden van een vroom leven. Het groote geheim en de beste oefening om wel te sterven, is, in den staat te leven, waarin men wenscht in het uur des doods te wezen, en in welken men wenscht dat God ons zal vinden. Men moet dan alle goed doen en alle deugden oefenen, gelijk wij in het doodsuur zouden wenschen gedaan te hebben. Tracht u dagelijks in iets te versterven, hetgene gij in het uur des doods zult moeten verlaten. Heil dien Christen, wiens hart voor dat lichaam sterft. Zijn dood zal heilig en dierbaar in de oogen des Hceren wezen.
G E 15 E D.
Niets zekerder, o God! dan dat ik eens zal sterven, niets onzekerder dan wanneer dat oogenblik zijn zal. Aan u alleen is het bekend ; heil mij, wanneer ik hieraan dikwijls denk en mij bijtijds tot mijnen overgang voorbereid! Dan heeft de dood niets verschrikkelijks. Hij is mij een vriend en leidsman tot een beter leven. Geef mij, o God! daartoe uwe genade,
126 I BOEK. XXIV HOOFDSTUK.
en doe mij steeds zoo handelen, als ik bij mijnen dood wenschen zal gehandeld te hebben.
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Over het oordeel en de straffen der zonden.
1. In alle zaken zie op het einde en hoe gij voor den strengen Rechter verschijnen zult, wien niets verborgen is; die door geen geschenken bevredigd wordt, noch verontschuldigingen aanneemt, maar die oordeelt volgens hetgeen recht is.
O ellendige en dwaze zondaar ! wat zult gij antwoorden aan een God, die al uwe verkeerdheden kent, gij die soms het aanschijn ducht van een toornig mensch ?
Waarom gebruikt gij geen voorzorg tegen den oordeelsdag, wanneer niemand door een ander zal kunnen verontschuldigd of verdedigd worden, waar eenieder zichzelven tot last genoeg zal zijn.
Nu kan uw werk nog vrucht dragen, uwquot; geween aangenomen, uw zuchten verhoord worden, uwe droefheid tot voldoening en reiniging strekken,
2. Een groot en heilzaam vagevuur heeft een geduldig mensch die, beleedigingen ontvangende, meer de verkeerdheid van een ander, dan het hem aangedane ongelijk betreurt; die gaarne
I BOEK. XXIV HOOFDSTUK. 127 voor zijne wederstrevers bidt en van harte het leed vergeeft, die zelf niet aarzelt anderen ver giffenis te vragen ; die lichter tot ontferming dan tot toorn overgaat; die zichzelven dikwijls geweld aandoet en het vleesch geheel aan den geest tracht te onderwerpen.
Het is beter zich nu te reinigen van de zonden en de ondeugden uit te roeien, dan ze voor de toekomstige reiniging te bewaren.
Waarlijk wij bedriegen onszelven door de ongeregelde liefde, welke wij tot het vleesch hebben.
3. Wat toch anders zal dat vuur verslinden dan uwe zonden ?
Hoe meer gij nu uzelven spaart en uwe ziune-lijke lusten opvolgt, hoe zwaarder gij hierna gestraft wordt en hoe meer stof gij bewaart voor het vuur.
Waarin de meusch gezondigd heeft, daarin zal hij het zwaarst gestraft worden.
Daar zullen de tragen met gloeiende prikkels gestoken, en de gulzigen met grooten honger en dorst gekweld worden.
Daar zullen de wellustigen en ontuchtigen met brandend pik en stinkend zwavel overstort worden, terwijl de nljdigen als woedende honden zullen huilen van smart.
4. Ja, geene ondeugd zal er zijn, die niet hare eigene foltering hebbe.
Daar zullen de hoogmoedigen met allerlei smaad overdekt, en de gierigaards door het grootste gebrek benauwd worden.
128 I BOEK. XXIV HOOFDSTUK.
Daar zal een uur strafs zwaarder zijn dan hier honderd jaren in de strengste boetedoening,
Daar zal geen rust, geen troost voor de veroordeelden zijn; terwijl men hier soms vart zijnen arbeid uitrust en den troost van vrienden geniet.
Wees dan hier bekommerd en bedroefd over uwe zonden, opdat gij ten oordeelsdage met de gelukzaligen moogt veilig zijn.
Want dan zullen de rechtvaardigen metgrootc vrijmoedigheid optreden tegen degenen, die hen beangstigd en verdrukt hebben. (Sap. 5.)
Dan zal hij die zich hier aan het oordeel der menschen nederig onderwierp, zelf opstaan om te oordeelen.
Dan zal de arme en nederige een groot vertrouwen hebben, terwijl de hoogmoedige van alle kant zal beven.
5. Dan zal het blijken dat hij in deze wereld wijs was, die geleerd heeft om Christus' wil dwaas en veracht te zijn.
Dan zal elke geduldig verdragen wederwaardigheid vreugde geven, en alle boosheid den mond gestopt worden.
Dan zal elk godvruchtige juichen en elk ongodsdienstige treuren.
Dan zal het gekruisigde vleesch zich meer verheugen, dan wanneer het steeds in weelde ware gekoesterd geweest.
Dan zal het grove kleed schitteren, en hel fijne gewaad zijn glans verliezen.
Dan zal de armoedige stulp boven hel vergulde paleis geacht worden-
I BOEK. XXIV HOOFDSTUK. 12g
Dan zal de standvastige lijdzaamheid meer baten dan alle aardsche macht.
Dan zal de eenvoudige gehoorzaamheid verheven worden boven alle wereldsche sluwheid.
6. Dan zal een rein en goed geweten meer vreugde geven dan eene groote geleerdheid.
Dan zal de verachting van rijkdommen zwaarder wegen dan de schatten der menschen.
Dan zal een godvruchtig gebed u meer troost geven dan de smakelijkste maaltijd.
Dan zult gij u meer verheugen over het bewaarde stilzwijgen dan over een lang gesprek.
Dan zullen heilige werken meer gelden dan vele schoone woorden.
Dan zal een streng leven en zware boetple-ging meer behagen dan alle aardsche vermaken.
Leer derhalve nu een weinig verdragen om dan het zwaardere te kunnen ontgaan.
Beproef hier eerst wat gij naderhand zult kunnen.
Kunt gij nu zoo weinig verdragen, hoe zult gij dan de eeuwige pijnen kunnen doorstaan ?
Indien een gering lijden u thans zoo ongeduldig maakt, wat zal dan de hel doen ?
Zie in waarheid, tvveederlei vreugde kunt gij niet hebben : hier in de wereld u vermaken, en naderhand met Christus heerschen.
En hadt gij eens tot den huidigen dag steeds in aanzien en wellust geleefd, wat zoude u dat alles baten zoo gij op het oogenblik moest sterven ?
Alles is dus ijdelheid, behalve God lief te hebben en Hem alleen te dienen.
9
X30 I BOEK. XXIV HOOFDSTUK.
Hij toch, die God van ganscher harte lief heeft, vreest noch dood noch straf, noch oordeel noch hel, dewijl eene volmaakte liefde eenen veiligen toegang tot God geeft.
Maar die nog vermaak in de zonde vindt, wat wonder zoo hij den dood en het oordeel vreest ?
Intusschen is het goed dat, zoo de liefde u van het kwade nog niet terughoudt, ten minste de vrees voor de hel u beteugele.
Maar wie de vreeze Gods terzijdestelt kan â¢niet lang in het goede staande blijven, maar zal welhaast in de strikken des duivels vallen
OEFENING.
Hoe bekwaam is het overdenken van en de vrees voor Gods oordeel en voor eene ongelukkige eeuwigheid, om onze driften te beteugelen, om de gramstorigheid van onze inborst tegen te houden, en om ons te dwingen de vermaken en aanlokselen der zonde te vermijden! Waartoe (zullen wij zeggen) zal het zondige vermaak van die wraak, van die onkuischheid, van die gramstorigheid, van die onrechtvaardigheid en van die kwaadsprekendheid dienen ? Alleen om mij een oogenblik te bevredigen. En v/anneer ik sterf, na mij hieraan overgegeven te hebben, en dit zonder Sacramenten of zonder bekeering, zooals dit geschieden kan, en zooals het met vele stervelingen is geschied, waarop zal die voldoening der zonde dan uitkomen ? Op eene ongelukkige eeuwigheid !
I BOEK. XXIV HOOFDSTUK. 131
Een oogenblik van voldoening â eene eeuwige pijn 1 Neen, ik zal mij niet blootstellen, om voor een kortstondig vermaak voor eeuwig ongelukkig te zijn. Ach, het is maar al te waar, hetgene de Wijze man zegt, namelijk : dat, om niet te zondigen, ten minste niet uit gewoonte, men alleen de uitersten van den mensch behoort indachtig te wezen. Want als wij dikwijls en innig overdenken, dat wij eens rekening zullen moeten geven over den staat van ons geweten, over onze levenswijze, en over al onze zonden, en dit aan eenen Rechter, die alles kent en niets vergeet, wie is er dan, die,-over dit oordeel en over die geduchte rekening verschrikt zijnde, op zichzelven niet zal waken, en zijn leven verbeteren ? Wij moeten dan overtuigd zijn, dat het ware middel, om in het andere leven niet veroordeeld te worden, is : onszelven hier te oordeelen en te straffen.
GEBED.
Op den Dood volgt het Oordeel, loon of straf; dit is eene waarheid waaraan niet valt te twijfelen. Gij, o Jezus, zult de Rechter zijn en een ieder loon naar werken doen toekomen. Welk een gewichtig oogenblik, waarvan ons lot voor eene eeuwigheid afhangt! Laat deze gedachte bij mij steeds levendig blijven en mij van het kwade afhouden ; en wanneer dat oogenblik genaakt, wees mij een Heiland, Gij, die onder ons verschenen zijt om zondaren te behouden en uw bloed voor hen deedt stroomen.
I BOEK. XXV HOOFDSTUK.
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Over de ijverige verbetering onzes levens.
1. Wees waakzaam en vlijtig in den dienst van God en denk dikwijls : waartoe zijt gij hier gekomen, waarom hebt gij de wereld verlaten ? Was het niet om voor God te leven en een geestelijk mensch te worden.
Wees dus vurig om voort te gaan ; want spoedig zult gij het loon van uw arbeid ontvangen, en dan zullen vrees en smart u niet meer kunnen naderen.
Gij hebt nog een weinig te arbeiden, en zult eene groote rust ja eeuwige blijdschap vinden.
Blijft gij getrouw en ijverig in wèl te doen, God zal ongetwijfeld getrouw en overvloedig in vergelding wezen.
2. Gij moet steeds de goede hoop koesteren dat gij de kroon verkrijgen zult; maar gij moogt u daarvan niet verzekerd houden om niet te verflauwen noch hoogmoedig te worden.
Iemand, beangstigd en dikwerf tusschen vrees en hoop dobberende, op zekeren tijd door droefheid overmand, wierp zich in de kerk voor een altaar neder, bij zichzelven denkende en zeggende : âO, mocht ik weten dat ik zoude volharden.quot; En terstond hoorde hij van binnen dit goddelijk antwoord : âZoo gij dit wist, wat zoudt gij willen doen ? â Doe nu, hetgeen gij dan
'32
I BOEK. XXV HOOFDSTUK. 133 zoudt willen doen, en gij zult zeker genoeg zijn.quot; En aanstonds getroost en versterkt, gaf hij zich aan den wil van God over, en â zijn angstig dobberen hield op.
En hij wilde niet meer nieuwsgierig onderzoeken , om te weten, wat hem overkomen zoude ; maar beijverde zich te meer, om te weten, welke de welbehagelijke en volkomen wil van God zij, om alle goed werk te beginnen en te voleinden.
3. Vertrouw op den Heer, en doe het goede, zegt de Profeet, en gij zult de aarde bewonen, en gevoed worden van haren rijkdom. (Ps. 36.)
Iets is er dat velen terughoudt van voortgang en ijverige verbetering : de vrees voor moeie-lijkheid of de last van den strijd.
Inderdaad maken zij boven anderen in de deugd den meesten voortgang, die, wat hun het zwaarste is en meest tegenstaat, te ijveriger pogen te overwinnen.
Want daar vordert de mensch meer en verdient hij overvloediger genade, waar hij zichzel-ven meer overwint en naar den geest afsterft.
4. Niet allen hebben evenveel te overwinnen en af te sterven.
Maar altoos zal een ijverig slrever, al heeft hij ook meer driften, beter in staat zijn tot voortgang, dan een ander, die, ofschoon van goede zeden, echter minder ijver heeft tot de deugd.
Twee dingen vooral helpen zeer ter verbetering, te weten, zich met geweld aan datgene te onttrekken, waartoe de bedorven natuur over-
134 1 BOEK. XXV HOOFDSTUK.
helt, er ijverig te streven naar dat goede, wat ons het meest ontbreekt.
Zoek ook datgene het meest te vermijden en te overwinnen, wat u in anderen het meest mishaagt.
5. Beoog in alles uwen voortgang. Ziét of hoort gij goede voorbeelden, wordt ter navol' ging ontstoken.
Merkt gij daarentegen iets berispelijks op, wacht u hetzelve te doen ; of hebt gij het somtijds gedaan, tracht u ten spoedigste te verbeteren.
Gelijk uw oog anderen beschouwt, zoo wordt gij ook van anderen opgemerkt.
Hoe aangenaam en liefelijk is het, broeders te zien, alle ijverig en godvruchtig, en even rein van zeden als gehoorzaam aan de tucht!
Hoe bedroevend en smartelijk er te zien van een ongeregelden wandel, die niet volbrengen waartoe zij geroepen zijn!
Hoe schadelijk is het niet 't oogmerk zijner roeping te verwaarloozen, en de zinnen te stellen op datgene waarmede men niet belast is !
6. Wees uw genomen besluit steeds gedachtig en stel u het beeld van den Gekruiste voor.
Gij moet wel blozen, wanneer gij het leven van Jézus Christus overweegt, dewijl gij u nog niet meer beijverd hebt om Hem gelijkvormig te worden, ofschoon gij reeds lang op den weg van God geweest zijt.
De kloosterling, die zich aandachtig en godvruchtig met het allerheiligst leven en lijden des
I BOEK. XXV HOOFDSTUK. 135 Heeren bezighoudt, zal daar alles wat hem noo-dig en nuttig is in overvloed vinden, en behoeft buiten Jezus niets beters te zoeken.
O, mocht de gekruiste Jezus in ons hart komen, hoe spoedig en voldoende onderwezen zouden wij zijn !
7. Een ijverig kloosterling draagt wèl en neemt alles aan wat hem opgelegd wordt.
Een nalatig en lauw kloosterling heeft kwelling op kwelling en vindt zich van alle zijden benauwd, omdat hij den inwendigen troost mist, terwijl hem belet wordt den uitwendigen te zoeken.
Een kloosterling die zich aan de tucht onttrekt, stelt zich bloot aan zwaren val.
Wie gemak en toegevendheid zoekt zal altoos in het nauw zijn : want of het eene of het andere zal hem mishagen.
8. Hoe maken het zoo vele andere kloosterlingen, die onder kloostertucht vrij streng gebonden zijn.
Zij gaan zelden uit, zij leven afgetrokken; zij eten zeer schraal, gaan grof gekleed; zij arbeiden veel, spreken weinig, waken lang, staan vroeg op, doen lange gebeden, lezen veel en onderhouden in alles den regel.
Let op de Karthuizers, op de Bernardijnen, op de broeders en zusters van verscheidene or» den, hoe zij alle nachten opstaan om den Heer te loven.
Het zoude dus wel schandelijk zijn, zoo gij zulk heilig werk traag yerrichttet, als zulke
136 1 BOEK. XXV HOOFDSTUK.
groote menigte kloosterlingen Gods lof begint te zingen.
9. O, mocht gij niets anders te doen hebben dan onzen Heer en God met geheel uw hart en mond te loven !
O, dat gij niet behoefdet te eten, noch te drinken, noch te slapen; maar altoos God kon-det loven, en u met geestelijke oefeningen bezig houden 1 dan zoudt gij veel gelukkiger zijn dan nu, daar gij het lichaam in allerlei behoeften dient.
Ach 1 bestonden die behoeften niet, maar slechts geestelijke verkwikking der ziele, welke wij helaas! zelden smaken.
10. Wanneer de mensch zoo ver gekomen is dat hij zijnen troost bij geenerlei schepsel meer zoekt, dan eerst begint hij God volkomen te smaken, en dan zal hij weltevreden zijn met alles wat gebeurt.
Dan zal hij zich over het groote niet verblijden noch over het kleine bedroeven, maar hij zal zich geheel en met vertrouwen stellen in de hand van God, die hem alles in alles is; voor wien niets sterft of vergaat, maar voor wien alles leeft en aan wiens wenk alles onverwijld gehoorzaamt.
11. Denk altoos aan uw einde en dat de verloren tijd niet wederkeert.
Zonder zorg en vlijt zult gij nooit deugden bekomen.
Zoodra gij begint te verflauwen, zult gij beginnen het kwalijk te hebben ; maar geeft gij
I BOEK. XXV HOOFDSTUK. 137 u aan uwen ijver over, gij zult grooten vrede vinden en den arbeid lichter gevoelen, wegens de genade Gods en de liefde tot de deugd.
Een ijverig en vlijtig mensch is tot alles gereed.
Het is grooter arbeid ondeugden en driften te wederstaan, dan onder lichamelijk werk te zweeten.
Wie kleine gebreken niet vermijdt zal al-lengskens tot grootere vervallen.
Gij zult u altoos des avonds verheugen, als gij den dag met vrucht besteed hebt.
Waak over uzelven, spoor uzelven aan, vermaan üzelven, en wat er ook van anderen zij, verwaarloos gij uzelven niet.
Naarmate gij uzelven geweld aandoet zal ook uw voortgang zijn.
OEFENING.
Volgens den ijver, dien men heeft voor zijnen voortgang, trekt men voordeel uit al hetgeen men ziet dat goed is, om hetzelve in het werk te stellen en zich tot God te begeven. Om voortgang in de deugd te maken, moet men zichzelven overwinnen, aan alles verzaken cn aan de neigingen zijns harten versterven ; het is zeker, dat men in den dienst van God niet vordert, dan voor zoo veel men zich geweld aandoet. Laat ons dus de ongeregelde neigingen bestrijden en overwinnen, die ons tot het kwaad of tot verslapping brengen; hierdoor
138 I BOEK. XXV HOOFDSTUK.
zullen wij onze zaligheid verzekeren. Een levend, volstandig en edelmoedig geweld, dat men aanwendt om zichzelven te overwinnen, doet eene ziel op den weg der zaligheid en volmaaktheid meer voortgang maken, dan honderd ijdele verlangens eener ziel, die zich geheel aan God zou willen overgeven, en die niets doet van hetgeen zij zou willen verrichten. Hoe meer men zichzelven versterft, hoe meer men voor God leeft; en hoe meer voldoening men aan zichzelven ontzegt, des te meer men aan God geeft. Gelukkig, als men zijn leven doorbrengt, zonder zichzelven te bevredigen, en God in alles voldoet. Hoe zeker is men hierdoor eene gelukzalige eeuwigheid te bekomen !
GEBED.
Welk een schat van nuttige lessen bevat o God! voor mij deze overweging! Mocht ze op mijn hart van gewenschte werking zijn! Mocht ik met ijver de handen aan het werk slaan, op den weg der deugd voortgang maken en ten einde toe volharden! Dat het met dien wensch tot vervulling kome ! Ondersteun mijne zwakheid ; leer mij gebreken uitroeien en in hunne plaats deugden aankweeken, opdat ik alzoo het doel mijner bestemming nadere, heilig en zalig worde. Amen.
DE NAVOLGING
VAN
JEZUS CHRISTUS. âejeâ
®nt»;eï»e goeJt.
Yermaningen die tot het imTendige werken.
EERSTE HOOFDSTUK.
Over den omgang met zichzelven.
i. Het rijk Gods is binnen u, zegt de Hee»-. (Luc. 17.) Wend 11 van ganscher harte tot den Heer, en laat deze ellendige wereld daar, en uwe ziel zal rust vinden.
Leer het uitwendige versmaden en u aan het inwendige overgeven en gij zult het rijk Gods in u zien komen.
140 II BOEK. I HOOFDSTUK.
Want het rijk Gods is vrede en vreugde in den H. Geest, (Rom. 14.) en dat wordt den god-deloozen niet geschonken.
Christus zal tot u komen en u zijnen troost schenken, zoo gij Hem vanbinnen eene waardige woonplaats bereidt.
AI zijne heerlijkheid en schoonheid is vanbinnen en daar vindt Hij welbehagen.
Dikwijls bezoekt Hij den inwendigen mensch; liefelijk is zijn onderhoud, verkwikkend zijn troost, overvloedig zijn vrede en zijn gemeenzaamheid bij uitstek groot.
2. Welaan dan, getrouwe ziel! bereid uw hart voor dezen bruidegom, dewijl Hij zich verwaardigt tot u te komen en bij u te wonen.
Dus toch spreekt Hij : zoo iemand mij liefheeft, hij zal mijn woord onderhouden; en mijn Vader zal hem liefhebben; en wij zullen tot hem komen en eene woning bij hem maken. (Joan. 14.)
Maak dan plaats voor Christus, en weiger al het overige toegang.
Wanneer gij Christus bezit, dan zijt gij rijk, en Hij is u genoeg.
Hij zal u voorzien en getrouw verzorgen in alles, zoodat gij niet noodig hebt op menschen te hopen.
Dra toch veranderen de menschen en ontvallen spoedig; maar Christus blijft in eeuwigheid en is een sterke steun ten einde toe.
3. Er is geen groot vertrouwen te stellen op
II BOEK. I HOOFDSTUK. I4I een broos en sterfelijk mensch, al is hij nog zoo nuttig en geliefd.
Ook mag men zich niet te zeer bedroeven, zoo hij soms tegenwerkt of tegenspreekt. Die heden met u zijn, kunnen morgen tegen u wezen, en omgekeerd; want dikwijls draaien zij als de wind.
Vestig uw geheel vertrouwen op God; Hij zij het voorwerp uwer vrees en liefde. Hij zal voor u verantwoorden en alles wèl beschikken, zooals het best zal zijn.
Gij hebt hier geene blijvende stad; (Hebr. 13.) en waar gij zijn moogt, gij zijt een vreemdeling en pelgrim en zult nergens rust hebben, tenzij gij met Christus inniglijk vereenigd zijt.
4. Wat ziet gij hier rond, daar dit de plaats uwer rust niet is ?
In den hemel moet uwe woning zijn; al het aardsche moet, als in het voorbijgaan beschouwd worden.
Alles gaat voorbij, en gij tevens daarmede. Zorg dat gij u daaraan niet hecht, opdat gij niet gevangen wordt, en u in het verderf stort.
Uwe gedachte zij bij den Allerhoogste, en uw gebed onophoudelijk tot Christus gericht.
Kunt gij nog niet hooge en hemelsche dingen beschouwen, blijf bij het lijden van Christus, en houd u gaarne bij zijne heilige wonden op.
Want zoo gij godvruchtig tot de wonden en kostbare litteekenen van Jezus uw toevlucht
142 II BOEK. I HOOFDSTUK.
neemt, zult gij eene groote kracht bij wederwaardigheid ontwaren, en u weinig aan de verachting der menschen storen, ja lasterende woorden licht verdragen.
5. Ook Christus werd op de wereld door de menschen veracht, en in den grootsten nood door bekenden en vrienden te midden der verguizing verlaten.
Christus heeft willen lijden en veracht worden, en gij durft over iets klagen ?
Christus heeft vijanden en tegensprekers gehad, en gij wilt allen tot vrienden en weldoeners hebben.
Vanwaar zal uw geduld gekroond worden, zoo gij geen tegenspoed ontmoet ?
En zoo gij geen tegenstand wilt lijden, hoe zult gij een vriend van Christus zijn?
Verdraag met Christus en voor Christus, zoo gij met Christus wilt heerschen.
6. Waart gij eens volkomen doorgedrongen tot het hart van Jezus en hadt gij een weinig van zijne brandende liefde geproefd, dan zoudt gij u over eigen voordeel noch nadeel bekommeren, maar veeleer u over den aangedanen smaad verblijden; want de liefde tot Jezus maakt dat de mensch zichzelven versmaadt.
Wie Jezus en de waarheid liefheeft, wie waarlijk inwendig vrij van ongeregelde neigingen is, die kan zich vrij tot God wenden, zich in den geest boven zichzelven verheffen en genoegelijk rusten.
7. Hij die alles waardeert naar hetgeen het
1
II BOEK. I HOOFDSTUK. 143 is, niet naar hetgeen men er van denkt of zegt, is waarlijk wijs en onderwezen meer door God dan door de menschen.
Hij die weet met zichzelven om te gaan en hetgeen buiten hem is gering te schatten, ziet niet om na^r plaatsen noch wacht op tijden om met go Ivruchtige oefeningen bezig te zijn.
Een inw «ndig mensch is ras tot zichzelven teruggekeerd, dewijl hij zich nooit geheel naar buiten uitstort.
Geen uitwendige arbeid, noch van tijd tot tijd noodzakelijke bezigheid hindert hem; hij schikt zich naar alles zoo als het komt.
Wie inwendig wèl gesteld en geregeld is, stoort zich niet aan de wonderlijke en verkeerde handelingen der menschen.
Iemand wordt gehinderd en verstrooid, naarmate hij zich de zaken aantrekt.
8. Waart gij wèl gesteld en wèl gereinigd, alles zoude zich ten uwen beste en tot uwen voortgang schikken.
Veel toch mishaagt u en ontroert u vaak, omdat gij uzelven nog niet volkomen afgestorven zijt en niet geheel van al het aardsche onthecht.
Niets bevlekt en hindert zoo 's menschen hart als eene onreine liefde tot de schepselen.
Ziet gij af van de uitwendige vertroostingen, dan kunt gij het hemelsche beschouwen en dikwerf in\ endig juichen.
144 11 BOEK. I HOOFDSTUK.
OEFENING.
Deze woorden van den schrijver : âOpen uw hart voor Jezus Christus, en sluit het voor al het overige ; laat de uitwendige zaken daar, en houd u met de inwendige bezig;quot; deze woorden, zeg ik, toonen ons, dat het ware geluk en de ware verdiensten dezes levens gelegen zijn in in zichzelven te keeren en zich tot God te begeven, in een eerbiedig gedenken zijner tegenwoordigheid en eene gedurige verheffiing des harten tot Hem. Een ingekeerde geest en een getrouw hart, ziedaar het kenteeken van eenen inwendigen persoon, en van eenen Christen, die den Heer in geest en waarheid aanbidt; dat is te zeggen, die Hem dien inwendigen dienst bewijst, welke men aan zijn opperste goedheid verschuldigd is, en die zoo noodzakelijk is voor eene ziel, die al wat zij is, slechts is om uit liefde voor God te leven. Het is de woning van God in de ziel, die vaste woning van de ziel in God, door verheffing des harten, door smeekingen, door zuchten, door overgevingen van zichzelven aan Hem, die haar door een inwendig, bovennatuurlijk en verdienstelijk leven doet leven, die haar als in een paradijs op deze wereld doet leven, en die voor haar als eene voorafgaande bezitting van het hart en van het geluk van God zeiven is. Mijn voornemen is ; mijne zinnen te versterven, mijnen geest met geene ijdele en nuttelooze gedachten op te houden, en over mijn hart te waken, om
11 BOEK. II HOOFDSTUK. 145 er niets in te laten binnenkcmen, dan hetgene mij opwekt om Jezus Christus te vreezen of te beminnen. Al het overige zal voor mij wezen, alsof het niet aanwezig ware; en voornamelijk wil ik mij bevlijtigen om Jezus Christus te kennen, te beminnen en na te volgen, bereid zijnde, om alles voor Hem en gelijk Hij te lijden, om eens met Hem te heerschen. O mijne ziel ! haak enkel naar zijne liefde, leef slechts voor Hem, en verlang niets dan het geluk Hem te bezitten.
GEBED.
.Mocht ik, o God! de kunst verstaan om mij met U en met mijzelven bezig te houden, hoe zegenrijk zouden daarvan de gevolgen zijn! Gijzelf zoudt bij mij uwen intrek nemen en mij met uwen hemelschen troost verkwikken. Maar ach ! mijn hart is nog te zeer gehecht aan het aardsche en Iaat zich niet dan bezwaarlijk daarvan losrukken. Verander dan dat vleesche-lijke hart, maak het goevoelig voor zijne ware belangen, doe het vatbaar worden voor uwe zegeningen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Over de nederige onderwerping.
1. Geef er weinig om wie voor u of tegen u zij ; maar doe zoo en zorg dat God met u zij in alles wat gij doet.
JO
146 ir BOEK. II HOOFDSTUK.
Heb een goed geweten, en God zal u wel beschermen.
Want wien God wil bijstaan, dien kan nie-mands boosheid schaden.
Weet gij te zwijgen en te lijden, dan zult gij ongetwijfeld 's Heeren bijstand ontwaren.
Hij weet den tijd en de wijze om u te verlossen, en daarom moet gij u aan Hem overgeven.
Het komt God toe u te helpen en u van alle schande te bevrijden.
Dikwijls is het zeer nuttig, om ons in te grooter ootmoed te houden, dat anderen onze gebreken weten en bestraffen.
2. Als een mensch zich over zijn gebreken vernedert, dan bevredigt hij licht anderen en voldoet zonder moeite die op hem vertoornd waren.
God beschermt en bevrijdt den nederige. Den nederige heeft Hij lief en vertroost Hij. Tot den nederige buigt Hij zich neder; aan den nederige schenkt Hij groote genade en verheft hem na zijne verdrukking tot heerlijkheid.
Den nederige openbaart Hij zijne geheimen en trekt hem zachtelijk en noodigt hem tot zich.
De nederige, al wordt hij versmaad, blijft vast gevestigd in vrede : want hij steunt op God en niet op de wereld.
Denk niet dat gij iets gevorderd zijt, tenzij gij u beneden allen acht.
II BOEK. II HOOFDSTUK. I47
OEFENING.
Wanneer men van iedereen geacht en geprezen wordt, dan is het gemakkelijk te zeggen, dat men die eer niet waardig is, en slechts smaad verdient. Om te weten of men de waarheid zegt, moet men inzien of men het in de versmading zegt. Mijn voornemen op dit punt is, om al het kwaad, dat men van mij zal zeggen of mij zal aandoen, van Gods hand te aanvaarden, als iets dat ik verdiend heb; en verre van daarover te morren, zal ik den Heer zegenen, dat Hij gedoogt, dat men mij rechtvaardigheid doe, om mij barmhartigheid te kunnen bewijzen : ik zal mij gelukkig achten in den geest der menschen te sterven en uitgedoofd te worden, en slechts in den geest van God te leven, door de versmading in dank aan te nemen, en in zijn hart door de oefening van den waren ootmoed.
GEBED.
Mocht, o goede Vader! deze les mij wèl ter harte gaan en bij mij gevoelens van gelatenheid en ootmoed teweegbrengen ! Te zeer toch liet ik mij aan de gevoelens der menschen gelegen zijn, te zeer stoorde ik mij aan hunne oordeelvellingen. Dat het voortaan mijn hoofddoel zij U alleen te behagen. Leer mij zwijgen en verdragen. Dat ik mij wegens mijne gebreken verootmoedige en met ijver aan mijne verbetering arbeide.
I48 II BOEK. Ill HOOFDSTUK.
DERDE HOOFDSTUK. De goede vreedzame mensch.
1. Houd gij u eerst in vrede, en dan zult gij anderen kunnen bevredigen.
Een vredelievend mensch is nuttiger dan een zeer geleerde.
Een hartstochtelijk mensch hoort zelfs het goede in het kwade en gelooft licht het kwade.
Een goed vredelievend mensch keert alles ten goede.
Die in den vrede wel gevestigd is voedt van niemand argwaan ; maar die onvergenoegd en licht geraakt is, wordt door allerlei argwaan ronugedreven ; hij heeft zelf geen rust en laat anderen niet rusten.
Dikwijls zegt hij wat hij niet moest zeggen, en doet hij niet wat hij liever behoorde te doen.
Hij gaat na wat anderen moeten doen, en verzuimt wat hij moest doen.
IJver dan eerst voor uzelven, en dan zult gij terecht ook voor uwen naaste kunnen ijveren.
2. Uw eigen daden weet gij wel te verontschuldigen en te verbloemen, en de verontschuldigingen van anderen wilt gij niet aannemen.
Het ware billijker uzelven te beschuldigen en uwen broeder te verschoonen.
Wilt gij dat men u verdrage, verdraag ook een ander.
Z:3, hoe verre gij nog verwijderd zijt van
11 BOEK. Ill HOOFDSTUK. Ã49
tie ware liefde en van de nederigheid, die zich vertoornen of verontwaardigen kan over niemand dan over zichzelve.
3. Het is niets groots met goede en zachtmoedige menschen te verkeeren, want dit behaagt natuurlijk aan allen; ook leeft elk gaarne in vrede, en heeft hen het meest lief die van zijn gevoelen zijn.
Maar met stuursche en booze, met ongeregelde of ons wederstrevende menschen vreedzaam te kunnen leven is eene groote genade, eene zeer roemwaardige, manhaftige zaak.
Daar zijn er die zichzelven in vrede houden, en ook met anderen vrede hebben.
Daar zijn er ook die noch vrede- hebben, noch anderen met vrede laten; zij vallen anderen lastig, maar zichzelven altoos lastiger.
Eindelijk zijn er die zichzelven in vrede houden,- en anderen tot vrede terugbrengen.
Nochtans is onze geheele vrede in dit ellendige leven eerder te stellen in een nederig verdragen, dan in 't niet gevoelen van wederwaardigheden.
Wie 't best weet te lijden zal den meesten vrede hebben. Hij is de overwinnaar van zichzelven en de Heer der wereld, de vriend van Christus en de erfgenaam des hemels.
OEFENING.
Wanneer men dien grondregel van den schrijver aanneemt, namelijk, dat de ware vrede veeleer bestaat in de grootmoedige onderwer-
150 11 BOEK. Ill HOOFDSTUK.
ping aan hetgene ons tegenstaat, dan in niets te vinden wat ons tegenstrijdt, dan moeten wij besluiten den vrede te zoeken in de tegenspraak, en de rust in de onheilen, met al het kwaad, dat men ons zou kunnen aandoen of van ons zou kunnen zeggen, met zulk een geduld en zachtmoedigheid te verdragen, die alle vervolgingen overwint. Eene ziel, die waarlijk ootmoedig is, weet op niemand iets te zeggen dan op zichzelven; zij legt er zich op toe anderen te verontschuldigen en zichzelven te beschuldigen, en is nooit vergramd dan op zichzelve. Mijn voornemen is dan, in vrede met God te leven en Hem in alles gehoorzaam te wezen; jegens mijnen naaste, om het gedrag van niemand te berispen, mij met de zaken van een ander niet te bemoeien; jegens mijzelven, om in alle genegenheden de neigingen en tegenstrijdigheden mijns harten te bevechten en te overwinnen.
GEBED.
Vrede, o God! ja, vrede is een behoefte voor mijn hart. Vrede met U, vrede met mijzelven, vrede met mijnen evenmensch, wat kan er voor mij heilzamer zijn ? Intusschen ben ik nog verre van zulk een toestand. Ik wederstreef uwen wil, volg mijne neigingen op, weet mijnen broeder niet het minst toe te geven : en hoe zoude dan bij mij vrede kunnen wonen } God des vre-des! boezem mij andere gevoelens in, en duurzame kalmte zal in mijne ziel heerschen.
II BOEK. IV HOOFDSTUK. I 5 I
VIERDE HOOFDSTUK.
Over de reinheid des harten en eenvoudigheid in bedoeling.
1. Op twee wieken verheft zich de mensch boven het aardsche, te weten : eenvoudigheid en reinheid.
Eenvoudigheid moet in de bedoeling, reinheid in de neiging zijn. Eenvoudigheid zoekt God de reinheid vindt en smaakt Hem.
Geen goede daad zal u hinderen, zoo gij inwendig van ongeregelde neiging vrij zijt.
En zoo gij niets anders bedoelt en zoekt dan Gods welbehagen en uws naasten nut, gij zult de innerlijke vrijheid genieten.
Ware uw hart oprecht, alle schepsel zoude u een levensspiegel zijn en een boek van heilige leering.
Geen schepsel is er zoo gering en ongeacht dat Gods goedheid niet vertoont.
2. Waart gij inwendig goed en rein, gij zoudt alles onbelemmerd zien en recht vatten.
Een rein hart dringt door hemel en hel.
Zooals een ieder inwendig is, zoo beoordeelt hij het uitwendige.
Is er vreugde in de wereld, haar bezit voorzeker de man van reinen harte.
En is er ergens smart en angst, een kwaad geweten kent ze het best.
Gelijk het ijzer, in het vuur gelegd, zijn roest
152 II BOEK. IV HOOFDSTUK.
verliest en gansch gloeiend wordt; dus wordt ook de mensch, die zich geheel tot God keert, van traagheid ontdaan en in eenen nieuwen mensch veranderd.
3. Wanneer de mensch begint te veflauwen, dan vreest hij den geringsten arbeid en ontvangt gaarne uitwendigen troost.
Maar heeft hij begonnen zichzelyen volkomen te overwinnen en moedig op den weg Gods te wandelen, hij acht gering wat hij te voren bevond zwaar te zijn.
OEFENING.
De zuiverheid des harten bestaat in eene afgescheidenheid van alles, wat het zou kunnen bevlekken. £ene vrijwillige ontrouw, eene zonde door het gezicht bedreven, eene afgekeerdheid van God, prenten in de ziel eene vlek, die hare schoonheid verduistert en haar voor de oogen van God mismaakt doet worden. Zalig zijn degenen, zegt Jezus Christus, die zuiver van harte zijn, want zij zullen God zien. Zij zullen Hem door een levend geloof in dit leven kennen, hetwelk hun, gelijk door Mozes gezegd is, het gezicht van den Onzichtbaren zal doen verdragen, alsof zij Hem met hunne oogen aanschouwden, en zij zullen Hem in het andere leven door het licht der glorie aanschouwen. Men moet dan op dit punt een besluit nemen, van zoo min mogelijk zonde te bedrijven, of ten minste er geen gewoonte van aan te nemen, vermits zij de zuiverheid eener ziel verdooft
II BOEK. V HOOFDSTUK. 153 haar tot slaaf van hare eigenliefde maakt, haar
aan de zinnelijke vermaken vasthecht en ongeschikt maakt om zich tot God te verheffen. Om die zuiverheid des harten te bekomen, moet men ze daarenboven onophoudelijk aan God vragen, en Hem met den koninklijken Profeet bidden : Schep in mij, o mijn Go(J ! een zuiver hart, en hernieuw in het binnenste mijner ziel eenen oprechten geest en eene zuivere meening, die niets anders zoekt dan U in alles en boven alles te behagen. Eindelijk, men moet zich aan niets dan aan God en aan zijnen wil hechten; want alle verkleefdheid aan het schepsel besmeurt eene ziel en maakt haar onbekwaam en onwaardig om met God vereenigd te worden.
GEBED.
Schep in mij, o God! een rein hart en vernieuw den rechten geest in mijn binnnnste, zoo, o Vader ! mag ook ik U bidden. Mochten mijne gevoelens steeds zuiver zijn, mijne bedoelingen eenvoudig op U gericht blijven, om U te beminnen en U alleen te bezitten! Mocht mijn hart, vrij van alle onedele neigingen, alleen voor U, mijn hoogste goed, kloppen, dan gewis zoude ik mij boven al het aardsche hemelwaarts verheffen, en niets mijne vlucht hinderen. Geef, o God 1 mij daartoe uwen zegen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Over de beschouwing van zichzelven.
1. Wij mogen onszei ven niet te veel geloo-
154 H BOEK. V HOOFDSTUK.
ven, dewijl het ons dikwijls aan genade eii
verstand ontbreekt.
Een zwak lichtje is in ons, en dit verliezen wij spoedig door onachtzaamheid.
Ook merken wij veeltijds niet dat wij inwendig zoo blind zijn.
Dikwijls doen wij kwaad en maken het, door verschooning, nog erger.
Somtijds spoort de drift ons aan en wij nemen het voor ijver.
Het geringe berispen wij in anderen, en het grootere bij ons gaan wij voorbij.
Ras genoeg gevoelen en wegen wij hetgeen wij van anderen verdragen, doch wij letten niet hoe veel anderen van ons verdragen moeten.
Wie zijn eigen daden wèl en recht overweegt, zal geen reden hebben om over een ander streng te oordeelen.
2. Een inwendig mensch stelt de zorg over zichzelven boven alle andere zorgen; en die vlijtig op zichzelven let zwijgt licht van anderen.
Nooit zult gij inwendig en godvruchtig zijn tenzij gij van anderen zwijgt en bijzonder op uzelven let.
Zoo gij u geheel met uzelven en met God bezighoudt, zal u weinig treffen hetgeen gij buiten opmerkt.
Waar zijt gij, als gij niet bij uzelven zijt ? En wanneer gij alles doorloopen, maar uzelven voorbijgezien hebt, wat hebt gij gewonnen ?
Als gij waren vrede wilt hebben en met God
n BOEK. V HOOFDSTUK. 155
vereenigd zijn, moet al het pverigc terzijde-stellen en uzelven alleen voor oogen houden.
3. Gij zult alzoo grooten voortgang maken als gij u vrijhoudt van alle tijdelijke zorg; maar gij zult zeer achteruitgaan, zoo gij iels tijdelijks acht.
Niets zij u groot, niets verheven, niets aangenaam, niets genoegelijk tenzij God alleen of wat God betreft.
Houd al hetgeen troostelijks van eenig schepsel komt voor enkele ijdelheid.
Eene ziel die God liefheeft, stelt alles beneden God.
God alleen, de eeuwige en oneindige, de alles vervullende is de troost der ziele en de ware vreugde des harten.
OEFENING.
De onnoodige bemerkingen op ons zeiven en op de uitwendige voorwerpen doen ons veel tijd, genade en verdiensten verliezen. Indien wij ons best deden om de eerbiedige gedachte aan God, te stellen in de plaats van die ijdele en moeielijke gedachte jegens ons zeiven en jegens de schepselen, dan zouden wij altijd heilig bezig zijn, God in zichzelven aanschouwen en zichzelven aanschouwen in God ; onder de oogen des Zaligmakers leven door de betrachting ; tusschen zijne handen, door de onderwerping aan zijnen wil; aan zijne voeten, door ootmoedigheid en de oprechte belijdenis onzer ellenden : ziedaar wat wij moeten doen
156 II BOEK. VI HOOFDSTUK.
om als ware Christenen te leven, die zijn al wat wij zijn, door de vereeniging met Jezus Christus. Waarom zich dan zoo sterk en zoo menigmaal bezig houden met nieuwstijdingen, met nieuwsgierigheden en ijdelheden, en zich zoo weinig en zeldzaam ophouden met zijnert God, met zijne plichten en met zijne zaligheid ? Het is, omdat men onverschillig is voor de zaken der eeuwigheid, en te zeer verkleefd aan het tijdelijke. Laat ons dan beginnen met te zijn hetgene wij eens zullen wezen, dat is, alleen bezig met, voor en in God.
GEBED.
Niets is heilzamer voor mij, o God, dan mij-zelven gade te slaan en mij in zelfkennis te oefenen. Mocht ik steeds dit bewustzijn hebben, welken voortgang zoude ik maken ! Veel zoude ik te verbeteren vinden en, genoeg met mijzelven hebbende te doen, zoude ik aan alles wat buiten mij is vreemd worden en mij zalig achten U met een rein hart te mogen bezitten. Stort dan, bid ik U, mij zulk eene neiging in en maak mij meer en meer los van het zinnelijke.
ZESDE HOOFDSTUK.
Over de vreugde van een goed geweten.
1. De roem van een goed mensch is de getuigenis van een goed geweten.
II BOEK. VI HOOFDSTUK. 157
Heb een goed geweten en gij zult altoos vreugde hebben.
Een goed geweten kan zeer veel dragen en is zeer blijde in tegenspoed.
Een kwaad geweten is altoos vreesachtig en ongerust.
Liefelijk zal uwe rust zijn, zoo uw hart u niets verwijt.
Verheug u niet tenzij wanneer gij wèl gedaan hebt.
De boozen hebben nooit ware vreugde, noch gevoelen den inwendigen vrede : want er is geen vrede voor de goddeloozen, zegt de Heer (Is. 57.)
En zeggen zij: wij zijn in vrede, geen kwaad zal ons treffen en wie zoude ons durven schaden ? geloof hun niet : want eensklaps zal Gods toorn zich verheffen, al huni-ie daden zullen tol niets gebracht en hunne gedachten verijdeld worden.
2. Hem die liefheeft, valt het niet zwaar in de verdrukking te roemen : want zoo te roemen is te roemen in het Kruis des Heeren.
Kortstondig is de roem die van menschen gegeven en ontvangen wordt.
De roem der wereld is steeds van treurigheid vergezeld.
Der braven roem is in hun geweien en niet in den mond der menschen.
De vreugde der rechtvaardigen is van God en in God, en hun vermaak in de waarheid.
Wie naar den waren en eeuwigen roem verlangt, acht den tijdelijken niet.
158 II BOEK. VI HOOFDSTUK.
En wie naar tijdelijken roem verlangt of dien niet van harte versmaadt, bewijst dat hij den hemelschen weinig bemint.
Hij bezit eene groote rust des harten, die zich om der menschen lof noch blaam bekommert.
3. Licht zal hij tevreden en gerust zijn wiens geweten rein is.
Gij zijt niet heiliger omdat men u roemt, noch slechter omdat men u laakt.
Wat gij zijt, zijt gij; en grooter moogt gij niet genoemd worden, dan gij zijt voor God.
Wanneer gij let op hetgeen gij inwendig bij uzelven zijt, dan zult gij u er niet aan storen wat de menschen van u zeggen.
De mensch ziet hetgeen in het oog valt, maar God ziet in het hart. (I. Reg. 16.) De mensch ziet op de daden, maar God weegt de bedoelingen.
Altoos wèl te doen en zichzelven weinig te achten kenmerkt een nederig gemoed.
Geen troost van eenig schepsel te willen is het teeken van groote reinheid en inwendig vertrouwen.
4. Wie voor zich geene getuigenis van buiten zoekt, toont dat hij zich geheel aan God heeft overgegeven.
Want, gelijk de H. P a u 1 u s zegt: niet hij die zichzelven aanprijst, maar dien de Heer aanprijst, is beproefd. {2. Cor. 10.)
Inwendig met God te verkeeren en uitwendig door geene geneigdheid gebonden te zijn, is de staat van den inwendigen mensch.
II BOEK. VI HOOFDSTUK.
OEFENING.
De vrede van een goed geweten neemt niet altijd de ongerustheden weg, die de bekoringen en inwendige kwellingen in den geest veroor-zaken ; maar zij brengt zooveel voort, dat onder al de beroerten, die hierin ontbtaan, het hart onderworpen en getrouw is aan zijnen God; onderworpen om de kwelling te lijden, en getrouw om ze niet in te volgen; maar om te wederstaan, om te strijden en om niets uit kracht van de kwelling te veronachtzamen. Het is alzoo, dat eene bedroefde en onderworpene ziel, volgens den koninklijken Profeet, een aangenaam slachtoffer is voor God, die nooit een vermorzeld en verootmoedigd hart verwerpt; â verootmoedigd van zich onderworpen te zien aan het gevoelen zijner ellenden, en vermorzeld over de gelegenheid, die het aan God gegeven heeft, van ze hem te doen gevoelen. Laat ons daarom een vast en volstandig besluit nemen, nooit door onzen val, noch door ondervinding onzer ellenden den moed te laten zinken ; maar van ons voor God te verootmoedigen, dat wij zoo ellendig zijn; van Hem vergiffenis te vragen over de zonden die wij bedreven hebben, met geenen wederstand te bieden, zoo als wij dit moesten doen, tegen de aanvallen van de vijanden onzer zaligheid; van er ons zoo aanstonds over te straffen, met ons eenige voldoening te ontzeggen. Laat ons daarna in vrede zijn ; want het gerust geweten
159
l6o II BOEK. VIÃ HOOFDSTUK.
is zulk een, dat vrij van zonde is door de getrouwheid, of dat door de boetvaardigheid gezuiverd is.
GEBED.
Een rein geweten, o God, is een groote schat en eene onuitputbare bron van troost. Wat toch zal mij hinderen, als mijn geweten zich in eenen goeden staat bevindt ? Menschen mogen mij veroordeelen, lasteren en vervolgen, geen nood, zoolang ik de getuigenis van een rein geweten bezit. Gerust zal ik het hoofd mogen opheffen tot U, die mijne onschuld kent en aan het licht zult brengen. Doe dit bewustzijn steeds in mij leven en laat mij den troost daarvan ondervinden.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Over de allesovertreffende liefde tot Jezus.
i. Gelukkig hij die weet wat het is Jezus te beminnen en zichzelven te versmaden om Jezus' wille.
Men moet al wat men bemint voor dezen Beminde verlaten : want Jezus wil alleen boven alles bemind worden.
De liefde eens schepsels is bedriegelijk en onbestendig; maar de liefde van Jezus getrouw en bestendig.
Wie zich ajm het schepsel hecht-valt met
Tt HOEK. Vfl HOOFDSTUK. l6l
het zwakke schepsel : maar wie Jezus om-helst staat eeuwig onbewegelijk.
Bemin Hem en houd Hem tot uwen vriend die, als alles u begeeft, u niet zal verlaten, noch dulden dat gij op het einde verloren gaat.
Hetzij gij wilt of niet, gij moet eens van alles gescheiden worden.
2. Houd u aan Jezus bij leven en dood, en geef u aan de trouw van Hem over die, wanneer alles u verlaat, u alleen kan helpen.
Uw beminde *is van dien aard dat Hij geen anderen naast zich duldt ; maar Hij wil uw hart alleen bezitten en er zetelen als een koning op zijn eigen troon.
Wist gij u van alle schepsel recht te ontdoen, Jezus zoude gaarne bij u willen wonen.
Gij zult alles bijkans geheel als verloren bevinden, wat gij buiten Jezus bij de menschen zoekt.
Vertrouw noch steun op een riet, dat door den wind bewogen wordt. Want alle vleesch is gras, en al zijne heerlijkheid valt af als de veldbloem. (Is. 40.)
3. Dra zult gij bedrogen worden, zoo gij alleen het uitwendig voorkomen der menschen aanschouwt.
Want zoo gij uw troost en voordeel bij anderen zoekt zult gij dikwerf schade vinden.
Zoekt gij in alles pe z u s, gij zult Hem gewis vinden.
Maar zoekt gij uzelven, gij zult ook uzelven vinden, maar tot uw verderf.
11
102 it BOEK. VII HOOFDSTUK.
De mensch toch die Jezus niet zoekt, schaadt zichzelven meer dan de geheele wereld, en al zijne vijanden.
OEFENING.
Leg geheel uwen geest toe om Jezus Christus te kennen, geheel uw hart om Hem te beminnen, en al uwe zorg om Hem na te volgen, daar het hiertoe alleen is, dal gij Christenen zijt. Welke moeite zult gij vinden in onzen God-Mensch te beminnen, die alles wat Hij is, slechts is om u te beminnen en u zalig te maken ? Maak dan het voornemen u met Hem bezig te houden. Hem in al zijne werken te bestudeeren, zijne inzichten te doordringen, en de gevoelens en den geest zijner geheimen te omhelzen, en tracht even als Hij te wandelen, te lijden en te leven; want al de verdiensten van den christen in dit leven bestaan in de-gelijkvormigheid, welke hij met Jezus Christus moet hebben, en het is deze, welke zijn geluk in het andere leven zal uitmaken. Zoo hij in zijn ootmoedig en lijdend leven tracht deel te nemen, zal. hij ook aan zijn glorierijk en onsterfelijk leven deelachtig worden.
GEBED.
Ja, wel gelukkig hij, mijn Heiland 1 die weet wat het zij, U boven alles lief te hebben, alles om U te verdragen! Zalig in alle opzichten mag men zijnen toestand noemen, boven alles wat de wereld bezit of geven kan. Maak mij
n BOEK. VIII HOOFDSTUK. 163 vatbaar voor die zalige genoegenj. Trek mij meer en meer af van het zwakke en onbestendige schepsel; dat ik U in alles zoeke en vinde; dat ik niets beooge dan het bevorderen van uwe eer.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Over den vertrouwelijker! omgang met Jezus.
1. Als Jezus tegenwoordig is, dan is alles wèl en niets schijnt moeielijk; maar is Jezus niet tegenwoordig, alles valt zwaar.
Als Jezus van binnen niet spreekt, alle troost is niets; maar spreekt Jezus slechts éen woord, men gevoelt een grooten troost.
Rees Maria niet aanstonds op van de plaats, waar zij weende, toen Martha tot haar zeide : de Meester is daar, en hij roept u ? (Joan. 11.)
Gelukkige stond, wanneer Jezus van het weenen tot de vreugde des geestes roept!
Hoe dor en ongevoelig zijt gij zonder Jezus! Hoe dwaas en ijdel zoo gij iets buiten Jezus verlangt!
Is dit geene grootere schade dan de geheele wereld te verliezen ?
2. Wat kan u de wereld geven zonder Jezus?
Zonder Jezus te zijn is eene ondragelijke
hel; met Jezus te zijn, een genoegelijk paradijs.
164 II BOEK. VIII HOOFDSTUK.
Wanneer Jezus met n is, geen vijand kan ii schaden.
Wie Jezus vindt, vindt een goeden schat, ja een goed boven alle goed.
Maar wie Jezus verliest, verliest bovenmate veel, ja meer dan de gansche wereld.
Wie zonder Jezus leeft is zeer arm; die wèl met Jezus staat is zeer rijk.
3. Het is een groote kunst met Jezus weten om te gaan, en Jezus te kunnen bij zich houden eene groote voorzichtigheid.
Wees nederig en vreedzaam, en Jezus zal met u zijn.
Wees godvruchtig en rustig, en Jezus zal bij u blijven.
Gij kunt Jezus ras verwijderen en zijne genade verliezen, zoo gij u tot het uitwendige wilt keeren.
Ãn hebt gij Hem verwijderd en verloren, tot wien zult gij uwe toevlucht nemen en wien tot vriend kiezen ?
Zonder vriend kunt gij niet wel leven. Maar zoo Jezus niet boven allen uw vriend is, hoe bedroefd en verlaten zult gij zijn!
Dwaas handelt gij dus, zoo gij in iemand anders vertrouwen of vreugde stelt.
Het ware verkieslijker de gansche wereld tegen te hebben dan Jezus te beleedigen.
Onder al uwe geliefden dan zij Jezus alleen uw bijzonder geliefde.
4. Dat allen bemind worden om Jezus' wil; maar Jezus om Hemzelven.
II BOEK. VIII HOOFDSTUK. 165
Jezus Christus alleen verdient bijzonder bemind te worden, omdat Hij alleen boven alle vrienden goed en getrouw bevonden wordt.
Om Hem en in Hem behooren, zoo vijanden als vrienden, u lief te zijn; en voor allen moet gij bidden, opdat allen Hem kennen en liefhebben.
Verlang nooit bij uitsluiting geprezen of bemind te worden, want dit komt Gode alleen toe, die zijnsgelijke niet heeft.
Begeer ook niet dat iemand zijn hart met u vervulle, en gij, laat uw hart niet met liefde voor iemand vervuld worden; maar Jezus zij in u en in elk goed mensch.
5. Wees rein en vrij van binnen, zonder gehechtheid aan eenig schepsel.
Gij moet ontbloot zijn van alles en een rein hart tot God brengen, indien gij inwendig wilt rusten en zien hoe goed de Heer is.
6. Doch inderdaad zult gij niet daartoe -geraken, tenzij gij door zijne genade wordt voorgekomen en getrokken, zoodat gij, met terzijdestelling en verwijdering van alles, met Hem alleen vereenigd wordt.
Want wanneer Gods genade tot den mensch komt, dan wordt hij tot alles bekwaam ; 'maar wijkt die. hij is arm en zwak, ön als alleen tot slagen overgelaten.
In dezen moet hij niet moedeloos worden, noch wanhopen, maar zich welgemoed naar Gods wil schikken, en alles wat hem overkomt ter cere van Jezus Christus lijden; want op
166 II BOEK. VIII HOOFDSTUK.
den winter volgt de zomer, op den nacht volgt
de dag en op den storm groote kalmte.
OEFENING.
Het is moeielijk te leven, zonder iemand te hebben aan wien men zijn hart kan openen, en aan wien men zijne geheimen kan toevertrouwen. Nu, aan wien kunt gij beter uw hart openen dan aan Jezus, die boven al de vrienden, welke gij onder de stervelingen kunt aantreffen, getrouw en standvastig is, en het meest uw vertrouwen verdient ? Zoek dan uwen troost en uwen vrede niet dan in Hem; stort onophoudelijk uw hart in zijne tegenwoordigheid uit; neem uwe toevlucht tot Hem in al uwe wederwaardigheden ; laat den moed niet zinken om zijne schijnbare verstootingen, die niets dan uitwerkselert' zijner liefde tot u, en beproevingen uwer getrouwheid tot Hem zijn. Bid, verzoek, smeek zijne goedheid om u te hulp te komen, en wees verzekerd, dat Hij u vroeg of laat de uitwerkeleu zijner goedheid zal doen gevoelen. Maar houd uw hart vrij en onthecht van alle schepselen; bemin niets dan Hem, uit liefde tot Hem, en bemin niets dan hetgene u opwekt om Hem te beminnen. Dat de wederwaardigheden, het ongeluk, de droefheden en verootmoedigingen, de heerschende voorwerpen van uw hart worden, gelijk zij het van het hart van Jezus geweest zijn. Dat de achting en lof der menschen voor u voonverpei» van schrik
IT BOEK. IX HOOFDSTUK. 167 en versmading worden, daar zij het ook voor Jezus geweest zijn. Eindelijk, span alles in om Hem te kennen, met Hem te spreken, Hem te beminnen en te behagen; opdat, aldus in de heilige oefening van Jezus' liefde levende, de laatste beweging uws harten eene oefening van zijne liefde moge wezen.
GEBED.
Zonder U, o Jezus ! heb ik niets, met U alles. Gij zijt mijn besten vriend, en hebt mij het treffendst bewijs van uwe liefde gegeven door uw leven voor mijn heil op te offeren. Wnt is er billijker dan dat ik U mijne wederliefde toone; Ik geef U dan mijn hart; het zij U boven alles gewijd, maak het tot eene U waardige woning. Heersch daarin als op uwen troon, beschik daarover geheel ; dat ik voor U leve, door U leve, eeuwig met U leve.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Over het missen van allen troost.
Het valt niet zwaar men schel ij ken troost te versmaden, als de goddelijke daar is,
Maar het is groot, ja zeer groot, zoowel den menschelijken als goddelijken troost te kunnen ontberen, en tot Gods eere de ballingschap des harten gewillig te verdragen, in niets zichzelvun te zoeken, noch op eigene verdienste te zien.
168 II BOEK. IX HOOFDSTUK.
Wat groots is er in gelegen opgeruimd en godvruchtig te zijn, als de genade komt? Voör allen is die stonde wenschelijk.
Hij rijdt vrij gemakkelijk, wien Gods genade draagt.
En wat wonder dat hij den last niet gevoelt, die door den Almachtige gedragen.en door den oppersten Leidsman geleid wordt.
2. Gaarne hebben wij iets tot onzen troost, en bezwaarlijk ontdoet de mensch zich van zichzelven.
De heilige martelaar Laurentius nochtans heeft de wereld en zijnen priester overwonnen; want hij versmaadde alles wat in de wereld genoegelijk scheen, en duldde zelfs gaarne, ter liefde van Christus, dat Gods opperpriester Sixtus, dien hij hartelijk liefhad, van hem weggenomen wierd.
Door liefde tot den Schepper overwon hij de üefde tot den mensch, en verkoos Gods welbehagen boven den nienschelijken troost.
Leer gij dus ook een noodzakelijken en geliefden vriend ter liefde Gods verlaten.
En laat het u ook niet te zeer treffen, als gij van een vriend verlaten wordt, wetende dat wij allen eens van elkander moeten scheiden.
3. Veel en lang moet de mensch in zichzelven strijden, eer hij leere zichzelven volkomen te overwinnen en zijne geheele liefde tot God over te brengen.
Zoolang de mensch nog op zichzelven steunt
II BOEK. IX HOOFDSTUK. 169 zal hij licht vervallen tot den troost men-schen.
Maar de ware vriend van Christus en ijverige deugdbetrachter valt niet op vertroostingen, noch zoekt zulke zinnelijke genoegens, maar veeleer moeielijke oefeningen en zware beproevingen om Christus' wille door te staan.
4. Wordt u dan geestelijke troost van God geschonken, neem dien met dankzegging aan ; maar weet dat het een geschenk van God is, en niet uwe verdienste.
Wil u niet verheffen, wil u niet te veel verheugen noch iets ijdelijk laten voorstaan ; maar wees wegens die gift te nederiger en te omzichtiger, en behoedzamer in al uwe daden ; deze stond zal voorbijgaan en de bekoring volgen.
Als de troost ontnomen is geef den moed niet aanstonds op; maar wacht met nederigheid en geduld het bezoek des Hemels af: want God is machtig om u een overvloediger troost te geven.
5. Dit is niet nieuw noch vreemd voor de in Gods wegen ervarenen : want ook de grootste Heiligen en aloude Profeten hebben dikwijls zulke afwisseling ondergaan.
Daarom sprak een hunner, als de genade bij hem was ; â Ik zeide in mijnen overvloed : in eeuwigheid zal ik niet wankelen, quot;
Maar als de genade week voegde hij er bij wat hij ondervond, en zeide : ,, Maar toen Gij
170 II BOEK. IX HOOFDSTUK.
uw aangezicht van mij afwenddet, werd ik ontroerd. quot;
Intusschen verloor hij den moed niet, maar bad te vuriger tot den Heer en zeide ; â Tot U, o Heer! zal ik roepen, en mijnen God zal ik bidden. quot;
Daarop verhaalt hij de vrucht van zijn gebed en getuigt dat hij verhoord werd, zeggende : ,, De Heer heeft mij verhoord, en zich mijner ontfermd; de Heer is mijn helper geworden. quot;
Maar waarin? âGij hebt,quot; zegt hij, âmijne klachten veranderd in gejuich, en mij met vreugde omgeven. quot; ( Ps. 29.)
Is aldus met groole Heiligen gehandeld, dan mogen wij, zwakken en ellendigen, niet wanhopen, als wij ons nu ijverig dan weder koud bevinden : want de Geest Gods komt en vertrekt volgens zijn welbehagen.
Daarom zegt de heilige Job : Gij bezoekt den meusch in den morgenstond ; maar spoedig beproeft Gij hem weder. (Job 7.)
6. Waarop kan ik dan hopen, waarop moet ik vertrouwen, tenzij op Gods groote barmhartigheid en op de hoop der hemelsche genade alleen ?
Want hetzij ik bij mij hebbe deugdzame â menschen of godvruchtige broeders, of getrouwe vrienden of heilige boeken, of schoone verhandelingen of liefelijke gezangen en liederen ; dit alles baat weinig, smaakt weinig, als ik van de genade verlaten en aan eigene armoede overgelaten ben.
II BOEK. IX HOOFDSTUK. 171
Dan is er geeh beter middel dan geduld en zelfonderwerping aan den wil Gods.
7. Nooit vond ik iemand zoo vroom en godvruchtig, die niet nu en dan onttrekking der genade had of geene vermindering van ijver gevoelde.
Nooit was er een heilige zoo hoog vervoerd en verlicht, die niet te voren of daarna in bekoring viel.
Hij toch is de hooge aanschouwing van God niet waardig, die niet om Godswil door eeuig leed geoefend werd.
Want eene voorafgaande bekoring is doorgaans het teeken eener volgende vertroosting.
Ook wordt aan die door de bekoring beproefd zijn de hemclsche troost toegezegd : V/ie overwint, zegt de Heer, ik zal hem geven dat hij ete van den boom des levens. (Openb. 2.)
8. De goddelijke troost nu wordt gegeven, opdat de meiisch te sterker zij tot het doorstaan van tegenspoed.
Ook volgt de bekoring, opdat hij zich over het goede niet verheffe.
De duivel slaapt niet, en het vleesch is nog niet dood. Daarom houd niet op u tot den strijd te bereiden : want aan uwe rechter- en linkerhand staan vijanden die nimmer rusten.
OEFENING.
Evenals men door het geloof en niet door de /innen tot God nadert, en dat het geloof uit zichzelven dor en duister is, moeten wij niet
172 II BOEK. IX HOOFDSTUK, verwonderd zijn, dat wij ons nu eens dor en mistroostig, dan weder in vertroosting en blijdschap gevoelen. Alles bestaat in den troost ootmoedig te ontvangen, in de mistroostigheid kloekmoedig te verdragen. Het goud en zilver, zegt de Wijze-man, zuivert mer door het vuur, en de zielen die zich waardig maken in het hart van Jezus te worden aangenomen, worden dooide moeielijkste en vernederendste kwellingen gezuiverd en beproefd, en die door de onderwerping met welke men ze verdraagt, zooveel uitwerken, dat God ons zijner waardig maakt en vindt. Verneder dan uw hart onder de almogende hand Gods, en doorsta met geduld de beproevingen des Heeren, die u door het bevechten der bekoringen ootmoedig, klein en van Hem afhankelijk maakt, en die wil, dat gij Hem, volgens het voorbeeld der heilige Martelaars, al lijdende bemint, en dat gij, met Hem te beminnen, lijdt, en zijne grootheid eert door de vernietiging van geheel uzelven.
G E B E D.
Dierbaar, o Vader! is mij uw troost, hij is de grootste verkwikking voor mijn hart. Niet dan met droefheid ontwaar ik zijn gemis. Doch zoude ik daarom den moed opgeven ? Dan zoude ik u niet om uzelven, maar om uwe weldaden beminnen. Niet mijn wil, o Vader 1 maar de uwe geschiede ! Wilt Gij mij troost schenken, ik zal die weldaad waardeeren. Wilt Gij
II BOEK. X HOOFDSTUK. 173 mij dien onttrekken, ook hierin zal ik berusten en uwen wil eerbiedigen.
TIENDE HOOFDSTUK.
Over de dankbaarheid voor de genade Gods.
1. Waarom zoekt gij rust, daar gij geboren zijt om te arbeiden.
Zet u meer tot geduld dan tot troost, en meer tot het dragen van het kruis dar tot blijdschap.
Welk wereldsch mensch toch zoude niet gaarne geestelijken troost en vreugde ontvangen, zoo hij die altoos konde bekomen?
Want de geestelijke vertroostingen overtreffen alle wereldsche vermaken en wellusten des vleesches.
Alle wereldsche vermaken toch zijn of ij del of schandelijk; de geestelijke genoegens alleen zijn aangenaam en eerlijk; zij vloeien voort uit de deugd en worden door God den reinen van harte ingestort.
Maar niemand kan deze goddelijke vertroostingen altijd naar zijn welgevallen genieten, omdat de tijd van bekoring niet lang uitblijft.
2. Hetgeen nu het hemelsche bizoek veel tegenwerkt is eene valsche vrijheid des gees-tes en een groot zelfvertrouwen.
God bewijst eene weldaad wanneer Hij de genade der vertroosting schenkt; maar de
I 74 TI BOEK. X HOOFDSTUK.
mensch handelt kwalijk, als hij niet alles tot God met dankzegging terugbrengt.
En daarom kunnen de genadegaven op ons niet vloeien, omdat wij jegens den Schenker ondankbaar zijn en niet alles tot de oorspronkelijke bron terugbrengen.
Want altoos wordt de genade geschonken aan hem die behoorlijk dankbaar is, en aan den trotsche wordt ontnomen hetgeen den nederige pleegt gegeven te worden.
3. Ik wil geen troost die mij het berouw ontneemt, noch zoek die hooge aanschouwing welke tot zelfverheffing voert.
Want niet al het verhevene is heilig, noch al het genoeglijke goed, noch al het wensche-lijke rein, noch al het dierbare Gode aangenaam.
Gaarne ontvang ik eene genade, waardoor ik steeds nederiger en godvreezender, en ge-reeder tot zelfverzaking worde.
Wie door de gave der genade geleerd en door den geesel harer onttrekking onderwezen is, die zal zichzelf niets goeds durven toeschrijven, maar liever bekennen dat hij arm is en ontbloot van alles.
Geef Gode wat Godes is, en schrijf u toe wat het uwe is; dat wil zeggen : dank God voor de genade, en erken dat de zonde u alleen toebehoort en de rechtvaardige straf der zonde.
4. Stel u altoos op de laagste plaats en men zal u de hoogste geven : want het hooge bestaat niet zonder het lage.
II BOEK. X HOOFDSTUK. I75
De grootste Heiligen bij God zijn bij zich-zelven de geringsten, en hoe meer verheerlijkt hoe nederiger in zichzelven.
Vervuld van de waarheid en hemelsche heerlijkheid zijn zij niet begeerig naar ijdelen roem.
In God gezegend en gevestigd kunnen zij op geenerlei wijze hoogmoedig zijn.
En die Gode alles toeschrijven wat zij goeds ontvangen hebben, zoeken geen roem bij elkander, maar willen slechts lt;len roem die Van God komt, en wenschen dat God in hen én in alle Heiligen boven alles geprezen worde, en hiernaar is voortdurend hun streven gericht.
5. Wees dankbaar voor het geringste en gij zult waardig zijn het grootere te ontvangen.
Het geringste zij u als het grootste, en het meest verachtelijke eene bijzondere gunst.
Als de waardigheid van den Gever overwogen wordt, zal geene gave gering noch te verachtelijk schijnen : want niets is gering wat van den allerhoogsten God gegeven wordt.
Ja al zond Hij kastijdingen en plagen, het zoude ons moeten aangenaam zijn : want Hij bedoelt altoos ons heil in alles wat Hij ons laat overkomen.
Wie Gods genade wenscht te behouden, zij dankbaar voor de ontvangene genade en geduldig bij de onttrekking; hij smeeke dat zij wederkome, en zij behoedzaam en nederig opdat hij ze niet verlieze.
176 H BOEK. X HOOFDSTUK.
OEFENING.
Beroem u nooit over Gods gaven, die dikwijls gevolgen van uwe zwakheid, altijd uitwerkselen van zijne goedheid, en gewoonlijk boven uwe verdiensten zijn. Wanneer gij nu, na God vergramd te hebben, gevoelt dat uw hart over uwe ondankbaarheid en uwe ongetrouwheid geraakt ist moet gij u voor God vernederen en verootmoedigen, omdat gij Hem zoo vol goedheid en uzelven zoo vol boosheid ziet. Doordrongen van droefheid, van het hart eens Zaligmakers gewond te hebben, die u zelfs opzoekt als gij Hem vlucht, en die u met zijne genade vervult, als gij u die onwaardig maakt : keer tot Hem terug door eene ware boetvaardigheid, vraag Hem vergiffenis over uwe zonden, en denk niet meer dan om Hem te wreken en u zeiven te straffen.
GEBED.
Hoe groot, o God! zijn de vertroostingen door U den reinen van harte ingestort! Maar zoo groot die weldaad is, zoo groot is ook de verplichting welke op mij rust. Ik moet U dankbaar zijn, en omdat ik mij van deze verplichting niet genoeg kwijt, daarom blijf ik vaak van uwe weldaden verstoken. Ik wil U voortaan geven wat U toekomt, dankbaar zijn voor
II BOEK. XI HOOFDSTUK. 177 de geringste zoowel als voor de grootste gunst; Gij zult mij dan uwe milde hand niet onttrekken.
ELFDE HOOFDSTUK.
Over de weinige vrienden van Jezus' kruis.
1. Jezus heeft thans wel vele beminnaars van zijn hemelsch rijk, maar weinige dragers van zijn kruis.
Velen heeft Hij die naar troost, maar weinigen die naar lijden verlangen.
Velen vindt Hij die aan zijne tafel, maar weinigen die aan zijn vasten deelnemen.
Allen willen zich met Hem verheugen, weinigen willen voor Hem iets lijden.
Velen volgen Jezus tot aan het breken des broods, maar weinigen tot aan het drinken van den lijdensbeker.
Velen eerbiedigen zijne wonderdaden, weinigen volgen den smaad zijns kruises.
Velen hebben Jezus lief zoolang hun niets ongunstigs bejegent.
Velen loven en prijzen iHem zoolang zij ecni-gen troust van Hom ontvangen ; maar verbergt zich Jezus en verlaat Hij hen een oogen-blik, dan vervallen zij of tot geklag of tot groote moedeloosheid.
2. Zij die J e z u s om Jezus liefhebben niet om ecnigeu eigen troost, prijzen Hem
13
178 II BOEK. XI HOOFDSTUK, in allerlei tegenspoed en zielsangst zoowel als bij den grootsten troost.
Ja, al wilde Hij hen nooit troost geven, evenwel zouden zij Hem altoos dank willen toebrengen.
3. Oj hoeveel vermag eene reine liefde tot Jezus, met geen eigenbaat of eigenliefde vermengd !
Zijn zij niet allen huurlingen te noemen die altijd troost zoeken ?
Betoonen zij zich niet meer beminnaars van zichzelven dan van Christus, die altoos .aan eigen gemak en voordeel denken?
Waar vindt men hem die God om niet wil dienen ?
4. Zelden vindt men een zoo geestelijk mensch dat hij ontbloot van alles is.
Waar toch vindt men den waren arme van geest en los van alle schepsel ? Verre en op de uiterste grenzen is die schat te zoeken.
Al gaf de mensch zijn geheel vermogen weg, het is nog niets.
En al deed hij groote boetvaardigheid, het is nog weinig.
En al verkreeg hij alle wetenschap, het is er nog verre af.
En al bezat hij groote deugd en de bran-dendste godsvrucht, nog ontbreekt hem veel, te weten, het eenige wat hij het meest behoeft.
En dat is ? Dat hij, alles verzaakt hebbende, zichzelven verzake en geheel uit zichzelven uitga, niets van zijne eigenliefde overhoude.
II BOEK. XI HOOFDSTUK. 179 en dat hij, alles gedaan hebbende, wat hij meende te moeten doen, gevoelde niets gedaan te hebben.
Dat hij het niet veel rekene wat veel konde geacht worden, maar zich in waarheid een onnutten knecht noeme, gelijk de Waarheid zegt: Wanneer gij zult gedaan hebben, al hetgeen u bevolen is, zoo zegt . wij zijn onnutte knechten, en hebben slechts gedaan wat wij schuldig waren te doen. (Luc. 17.)
Alsdan zal hij waarlijk ontbloot van alles en arm van geest kunnen zijn en met den Profeet zeggen : ik ben eenzaam en behoeftig. (Ps. 24.)
En nochtans is er niemand rijker, niemand machtiger, ⢠niemand vrijer dan hij, die zich-zelven en alles weet te verzaken en zich op de* laagste plaats te stellen.
OEFENING.
Hoevele Christenen zijn er, die Jezus Christus, arm in zijne krib, en lijdende aan het kruis aanbidden, en die zeiven niets willen lijden, noch aan iets gebrek hebben ! En echter is Hij in armoede en pijnen geboren; Hij heeft geleefd en is gestorven, om ons de ontblooting van alles en het geduld in druk en lijden te leeren ; om ons de ter zaligheid noodzakelijke deugden te leeren ; om ons die door zijne woor den en voorbeelden te leeren, en om ons door zijne genade, de oefening er van te verdienen. Wat baat het u, Jezus Christus, uwen Zaligr
l8o 11 BOEK. XI HOOFDSTUK.
maker en uw voorbeeld te aanbidden, indien gij Hem niet navolgt en geheel uw vertrouwen in Hem niet stelt ? Maak dan het voornemen, de ontbering van alles te oefenen, door aan uwe zinnen de gevaarlijke en nuttelooze vermaken te ontzeggen; door aan uwen geest alle ijdelheid en vrijwillig welbehagen over zichzel-ven te weigeren; en u alle arglist in het ver-oordeelen van anderen te ontzeggen, door uw hart van alle verkleefdheid aan zijne eigene voldoening te berooven, of het alle genegenheid voor zichzelven in alle gelegenheden te onttrekken. Zef zelfs die inwendige armoede en ontblooting zoover voort, door in alles aan uwen eigen wil- te verzaken, om niet dan dien van -God te verlangen en te volbrengen. Het is, aldus, met in alle gevallen u aan God te onderwerpen, dat gij Hem als den meester en eigenaar van uw hart zult aanstellen, en door de oefening dier gestadige ontblooting, God zeiven in eeuwigheid tot aandeel zult hebben.
G E B E 1).
Ja, Jezus! ook ik erken mijne schuld; ouk ik behoor onder die loontrekkende dienaren, die meer zichzelven dan U liefhebben. In dagen van voorspoed roemde ik een leerling van U te zijn; maar weldra slopen ontrouw en moedeloosheid in mijn hart, als gij mijne liefde door tegenspoed beproefde!! Meer dan ooit verfoei ik dit gedrag, voortaan wil ik U getrouw
11 BOEK. XII HOOFDSTUK. l8l blijven ook in de donkerste dagen en dan vooral toonen dat ik U om Uzéiven liefheb.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Over den koninklijken weg des heiligen kruises.
1. Velen schijnt dit gezegde hard : Verloochen uzelven, neem uw kruis op en volg Jezus. (Mal'th. 16.)
Maar veel harder zal het zijn dit laatste woord te hooren : Gaat weg van Mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuur. ( Matth. 25.)
Zij toch, die thans gaarne het woord des kruises hooren en volgen, zullen dan niet te vreezen hebben voor het woord der eeuwige verdoemenis.
Dit teeken van het kruis zal aan den hemel zijn, wanneer de Heer ten oordeel komt.
Dan zullen al de dienaren des kruises, die zich ia hun leven den Gekruiste hebben gelijkvormig gemaakt, tot Christus, den Rechter met groot vertrouwen naderen.
2. Wat vreest gij dan het kruis op te nemen, daar het ten rijkszetel voert ?
In het kruis is heil, in het kruis het leven, in het kruis bescherming tegen de vijanden, in het kruis overvloed van hemelschen troost, in het kruis zielskracht, in het kruis geestesvreugde, in het kruis het toppunt der deugd, in het kruis de volmaking der heiligheid.
182 It BOEK, XII HOOFDSTUK.
Er is geen heil voor de liel, noch hoop op het eeuwige leven, dan in het kruis.
Neem dan uw kruis op ert volg Jezus, en gij zult tot het eeuwige leven ingaan.
Hij ging voor, torsende zijn kruis, en is voor u aan het kruis gestorven, opdat ook gij uw kruis zoudt dragen en trachten aan het kruis te sterven.
Want zijt gij met Hem gestorven, gij zult ook met Hem leven, en zijt gij deelgenoot geweest van zijn lijden, gij zult het ook van zijne heerlijkheid wezen.
3. Zie, alles is in het kruis opgesloten en alles bestaat in het sterven.
Er is geen anderen weg tot het leven en tot den waren inwendigen vrede, dan de weg van het heilige kruis en van eene dagelijksche versterving.
Ga werwaarts gij wilt, zoek wat gij wilt, gij zult boven u geenen hoogeren, noch beneden u eenen veiligeren wég vinden, dan dien van het heilige kruis.
Beschik en regel alles naar uwen wil en goeddunken, en gij zult bevinden dat gij altoos willens of onwillens iets moet lijden, en dus zult gij immer een kruis aantreffen.
Of gij zult in het lichaam smart gevoelen, of naar de ziel geesteskwelling lijden.
4. Somtijds zult gij van God verlaten, somtijds door uwen naaste geplaagd worden, en wat nog erger is, gij zult dikwijls uzelven tot last zijn.
II BOEK. XII HOOFDSTUK. 183
Nochtans zult gij door geenerlei middel noclgt; troost kunnen verlost of verlipht worden,-maar zoolang God het wil, zult gij het moeten draden.
Want God wil dat gij smart zonder troost leert lijden, en dat gij u geheel aan Hem onderwerpt, en dat gij door lijden nederiger wordt.
Niemand gevoelt zoo hartelijk het ?ijden van Christus, als hij wien het te beuft vjel iets dergelijks te lijd ïn.
Er is alzoo altoos een kruis gereed en het wacht u ovèral op.
Gij kunt het niet ontvluchten werwaarts gij loopt; want waar gij komt gij draagt uzelven mede en vindt uzelven overal.
Wend u naar boven, wend u naar beneden, wend u naar buiten, wend u naar binnen, overal vindt gij het kruis en overal moet gij geduld oefenen, wjlt gij innerlijk v^ede hebben en de eeuwige kroon verdienen.
5. Zoo gij uw kruis gewillig draagt, het zal ook u dragen en ten gewenschten einde brengen, waar namelijk het lijden eindigen zal, ofschoon het niet hier zal wezen.
Draagt gij het onwillig, gij maakt u eenen last en bezwaart uzelven te meer, en toch moet gij het dragen.
Werpt gij een kruis van u af, gij zult onge twijfeld een ander en wellicht zwaarder vinden.
6. Denkt gij te ontwijken wat geen sterveling heeft kunnen ontgaan ?
Welk Heilige is op aarde zonder kruis en lijden geweest?
184 ii boek. xii hoofdstuk.
Zelfs immers ia Je*us Christus, onze Heer, zoolang hij leefde, geen uur zonder lij-denssmart geweest. De Christus moest lijden, zeide Hij, en van de dooden opstaan en alzoo ingaan in zijne heerlijkheid. ( Luc. 24.)
Hoe zoekt gij dan een anderen weg, dan dezen koninklijken weg, den weg des heiligen kruises ?
7. Het geheele leven van Christus was kruis en maftpling, en gij zoekt voor u rust en vreugde ?
Gij dwaalt, gij dwaalt, zoo gij iets anders zoekt dan tegenspoed te lijden : want dit geheele sterfelijke leven is vol ellende en met kruisen omringd.
En hoe meer iemand in het geestelijk leven gevorderd is, hoe zwaarder kruisen hij dikwijls vindt : want de ellende zijner ballingschap neemt toe naar zijne liefde.
Nochtans is deze zoo veel geplaagde niet zonder opbeurenden troost : want naarmate hij zijn kruis draagt, gevoelt hij de heerlijkste vruchten ervan toenemen.
Want daar hij zich gewillig daaraan onderwerpt, gaat ook al de last des lijdens in vertrouwen op den goddelijken troost over.
En hoe meer het vleesch door het lijden verzwakt wordt, te meer wordt de geest dooide inwendige genade versterkt.
Ja somtijds wordt men door den lust tot ramp en tegenspoed, uit zucht naar gelijkvormigheid aan het kruis van C h ri s t u s zoodanig ver-
II BOEK. XII HOOFDSTUK. 185
sterkt, dat men niet zonder smart of lijden zoude willen leven ; daar men gelooft dat men zich te meer bij God aangenaam maakt, hoe meerder en zwaarder last men om zijnentwil kan dragen.
Dit is niet het werk des menschen maar der genade van Christus, die op het brooze vleesch zoo veel vermag en uitwerkt, dat het met ijver des geestes aangrijpt en bemint hetgeen 't van nature altoos haat en vlucht.
9. Het is den mensqh niet eigep het krujs te dragen, het kruis te beminnen, het lichaam te tuchtigen en dienstbaar te maken, de eer te vlieden, den smaad gewillig te verdragen, zichzelven te verachten en gaarne veracht te willen worden, allerlei tegenspoed en verliezen te lijden, en naar geenerlei voorspoed op deze wereld te verlangen.
Indien gij op uzelven ziet zult gij niets van dat alles vermogen.
Maar vertrouwt gij op den Heer, dan zal u de sterkte van boven gegeven en wereld en vleesch aan uw gebied onderworpen worden.
Zelfs den vijand, den duivel, zult gij niet vreezen, zoo gij met het geloof gewapend en met het kruis van Christus geteekend zijt.
10. Bereid u dan, als een goed en getrouw dienaar van Christus, om het kruis uw s Heeren, uit liefde voor u gekruist, moedig te dragen.
Bereid u om in dit ellendig leven velerlei tegenspoeden en allerhande ongemakken te ver-
186 If BOEK. XII HOOFDSTUK.
dragen : want waar gij ook zijt, dat zal uw lot wezen : en gij zult het dus in waarheid bevinden waar gij u ook verschuilt.
Het moet zoo zijn; en er is geen middel om den druk der rampen en smarten te ontgaan dan die te verdragen.
Drink met blijdschap den kelk des Heeren ; indien gij zijn vriend wilt zijn en deel met Hem hebben.
Laat het troosten aan God over; Hij doe daarmede zooals Hem behaagt.
11. Wat u betreft, zet u tot het verdragen van tegenheden en stel daarin uwen grootsten troost : want het lijden van dezen tijd is niet te achten om te verdienen de toekomende heerlijkheid, welke aan ons zal worden geopenbaard, (2 por. 12.) al kondet gij het ook alle§ alleen verdragen.
Wanneer gij zoo ver gekomen zijt dat de tegenspoed u zoet is en om Christus' wil wèj smaakt, denk dan dat het met u wel is; want gij hebt op aarde een paradijs gevonden.
12. Zoolang het lijden u zwaar valt en gij het tracht te ontgaan, zoolang zal het met u kwalijk zijn, en het lijden dat gij vlucht zal u overal volgen.
Schikt gij u, waartoe gij verplicht zijt, te weten, tot lijden en zelfvcrsterving, zoo zal het ras beter worden en gij zult vrede vinden.
Al waart gij met Paul us tot in denderden hemel opgevoerd, gij zoudt daarom niét verzekerd zijn van niets tegenstrijdigs te lijden. Ik
II BOEK. XII HOOFDSTUK, Ã87 ,:al hem, zegt Jezus, toonen hoeveel hij om mijnen naam moet lijden. (Act. 9.)
Lijden moet gij dus, zoo gij Jezus beminnen en Hem voor altoos dienen wilt.
13. O, mocht gij waardig zijn iets voor den naam van Jezus te lijden ! Welk eene groote glorie zoude u wachten, welke vreugde zoude het voor alle Gods Heiligen en welk eene stichting voor uwen evenmensch zijn 1
Maar allen prijzen de lijdzaamheid aan, ofschoon weinigen slechts willen lijden.
Terecht behoordet gij voor Christus een weinig te lijden, daar zoo velen voor de wereld wel meer verdragen.
14. Houd het voor zeker dat gij een stervend leven leiden moet; en hoe meer iemand zich afsterft, te meer begint hij voor God te leven.
^iemand is bekwaam om het hemelsphe te bevatten, tenaij hij zich pndenverpe ^an het dragen van rampen om Christus' wille.
Niets is aangenamer aan God, niets u heilzamer op deze wereld dan gewillig voor Christus le lijden.
Ja zoo gij te kiezen hadt, moest gij liever wenschen voor Christus rampen te lijden, dan door veleilei troost verkwikt te worden : want zoo zoudt gij meer gelijk aan Christus en meer gelijkvormig aan al de Heiligen zijn.
Want onze verdienste en de voortgang van onzen staat zijn niet in veel genoegens en troost gelegen, maar eerder in het dragen van groote moeielijkheden en rampen.
ï88 II BOEK. XII HOOFDSTUK.
15. Ware er iets beters en heiliamers voor den mensch clan te lijden, zeker zoude Chris, t u s dat door leer en voorbeeld aangewezen hebben.
Maar Hij vermaant zijne leerlingen die Hem volgden, en allen die Hem willen volgen, uitdrukkelijk om hun kruis te dragen, zeggende: âZoo iemand achter Mij wil komen, die ver-loochene zichzelven, neme zijn kruis op en volge Mij ? (Matth. 16.)
Na alles dan wèl doorlezen en onderzocht te hebben zij dit eindelijk het besluit: â Wij moeten door vele verdrukkingen ingaan in het rijk Gods. quot; ( Act. 14.) *
OEFENING.
Kan men de wonderbare voordeelen van het kruis en de groote verdiensten van den druk en het lijden, die de schrijver hier aanhaalt, lezen, gelooven en doordringen, zonder opgewekt te worden om de wederwaardigheden van de hand en het hart van Jezus Christus te ontvangen, en zich te onderwerpen om te lijden al wat Hij zal willen en zooveel Hij zal willen ? Veel lijden en wèl lijden is trouwens een volstrekt noodzakelijk middel om zalig te worden, en het gevoeligste en krachtigste uitwerksel van Gods goedheid, die ons de tijdelijke kwellingen quot;overzendt, om ons van de eeuwige te bevrijden! Het is, volgens den heiligen Pau-lus, een zichtbaar kenteeken van eenen voorbeschikte, gelijkvormig aan Jezus Christus te
II BOEK. XII HOOFDSTUK. 189 wezen, dat is te zeggen, aan eenen verootmoedigden, vervolgden en lijdenden God; het is zich zijn glorierijk leven waardig maken, met deel te nemen in zijn lijdend leven; het is de pijn welke men voor zijne zonden schuldig is, uitwisschen, door eene volmaakte oefening van boetvaardigheid; het is het hart van Jezus Christus winnen, zijne liefde verdienen, Hem wreken en ons straffen. Hem eeren door onze vernedering, en zijn welbehagen voor onze voldoening stellen. Is dit alles niet geschikt om den Christen in zijne kwellingen te troosten en hem aan te moedigen om wel te lijden ? Zeg dan lijdende, om wel te mogen lijden : de hel, die ik verdiend heb, is schrikkelijker dan al wat ik kan lijden; mijn Zaligmaker heeft veel meer dan ik geleden, en hel Paradijs is zeker wel eenig lijden waard.
G E IJ E I).
Tot hiertoe, o God ! ik moet het bekennen, verklaarde ik mij als vijand van liet kruis. Het had voor mij iets verschrikelijks ; daarom wilde ik hel ontvluchten, en ik ellendige zag daardoor den last meer en meer toenemen. Doe mij verstandiger wyrden. Neeii, er is geen andere weg des heils voor mij, dan die des krni-ses. Laat mij dien weg dan moedig betreden en uwen Zoon, mijnen groolen Meester, navolgen die voor mij aan hel kruis gestorven is. Amen,
DE NAVOLGING VAN
JEZUS CHRISTUS. âejeâ
gierde tóoch.
Over de inwendige Tertroosting.
EERSTE HOOFDSTUK.
Over hel inwendige onderhoud van Christus met de geloovige ziel.
i. De Geloovige. Ik zal hooren naar hetgeen de Heer God in mij spreken zal. (Ps. 84.)
De Heer. Zalig de ziel die naar den Heere hoort als Hij in haar spreekt, en uit zijn mond het woord van troost ontvangt!
Zalig de ooren die het gefluister van het
192 in BOEK. I HOOFDSTUK.
goddelijk woord opvangen en van de influistering dezer wereld niets vernemen!
Ja, wel zalig de ooren, die niet luisteren naar de stem, welke daar buiten klinkt, maar naar de waarheid, die van binnen leert!
Zalig de oogen, die voor het uitwendige gesloten, maar op het inwendige gevestigd zijn 1
Zalig zij, die tot het binnenste doordringen en zich, door dagelijksche oefeningen, meer en meer trachten bekwaam te maken tot het bevatten der hemelsche verborgenheden !
Zalig zij, die vurig verlangen met God om te gaan, en zich van alle hindernis der wereld ontdoen !
2. DcGeloovige. Let hierop, mijne ziel! en sluit de deuren uwer zinnelijkheid ; opdat gij hooren moogt naar hetgeen de Heer uw God in u spreekt.
De Heer. Dit zegt uw Geliefde : ik ben uw heil, uwen vrede en uw leven.
Houd u aan Mij en gij zult vrede vinden.
Laat al het vergankelijke daar, zoek het eeuwige.
Wat is al het tijdelijke, tenzij verleiding ? En wat balen al de schepselen, zoo gij van den Schepper verlaten zijt;
Alles dan verlatende, maak u behagelijk en getrouw aan uwen Schepper, opdat gij hel ware geluk moogt verwerven.
OEFENING.
De ziel bereid^ zich wel om aau le hooreiij
Ill BOEK. I HOOFDSTUK. 193 hetgeen de Heer haar inwendig zegt, als zij in de eenzaamheid, in stilzwijgendheid en gebed leeft; niets meer verlangt dan alleen met haren God te wezen, en als zij Hem in zich door een levend en eerbiedig geloof zoekt; als zij aandachtig en getrouw is aan de bewegingen zijner genade, aan den indruk zijner tegenwoordigheid en aan de betrachting zijner liefde. Derhalve, eenen aandachtigen geest hebbende en eene getrouwe liefde, den geest aandachtig op hetgene God van ons begeert en het besluit in het hart van hetzelve te doen, dit is zich krachtdadig voorbereiden om God te aanhoo-ren, en om die in de innigste mededeeling van zijnen geest te ontvangen. God spreekt onophoudelijk tot ons door zijne ingevingen en de heilige voornemens, die Hij ons geeft om ons-zelven te versterven en voor Hem alleen te doen leven.
Maar wij luisteren naar Hem niet, of wij luisteren alleen in het voorbijgaan; en onze ziel, geheel door de zinnen verslonden, geheel door hare driften ontroerd en met uitwendige zaken bezig, maakt zich ongeschikt en onwaardig om de inwendige werkingen van God te gevoelen. Men moet dan den geest een besluit doen nemen, van weinig aan de schepselen ie denken of van hen te spreken, van het stilzwijgen en de eenzaamheid te beminnen, van onze ziel met de tegenwoordigheid Gods, en ons hart met zijne liefde te voeden, en van in alles voor Hem en onder zijne oogen te wer-
13
194 111 BOEK. II HOOFDSTUK.
ken, om eenen inwendigen mensch te'worden, die uit en voor God leeft, gelijk ieder christen moet doen om zalig te worden.
GEBED.
Ja, wel gelukkig hij, mijn God, die zijn hart voor den zaligen invloed uwer goddelijke inspraak open houdt! Gelukkig hij, die naar uwe stem hoort en de leiding uwer genade volgt 1 Hoe veel bezit zulk een, waarvan hij de waarde nimmer beseffen kan 1 Niets van al het aardsche is daarbij iets te achten. Laat ook mij dat geluk ontwaren. Woon Gij bij mij, en maak mijn hart vatbaar voor den invloed van uwe vertroostende stem. Gij zijt mijn heil, vrede en leven.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De Waarheid spreekt in ons zonder geluid van woorden.
i. De Geloovige. Spreek, o Heer! want uw dienaar hoort. (i. Reg. 3.) Ik ben uw dienaar ; geef mij verstand, opdat ik uwe getuigenissen kenne. (Ps. 118.)
Neig mijn hart tot de woorden uws monds ; (Ib.) dat uwe rede als de mogendauw vloeie.
Weleer zeiden Israëls kinderen tot Mozes ; Spreek gij tot ons en wij zullen hooren, maar dat God tot ons niet spreke, opdat wij niet sterven. (Exod. 20.)
Ill BOEK. II HOOFDSTUK. 195
Niet alzoo, o Heer! niet alzoo bid ik; liever smeek ik met den Profeet Samuël ootmoedig; en vurig : Spreek, o Heer ! want uw dienaar hoort.
Dat niet Mozes noch een der Profeten tot mij spreke, maar spreek Gij liever, Heere God 1 ingever en verlichter van al de Profeten; want Gij alleen kunt mij zonder hen volkomen onderrichten, terwijl zij zonder U niets vermogen.
2. Woorden kunnen zij wel doen klinken ; maar den geest schenken zij niet.
Zij spreken voortreffelijk, maar zwijgt Gij, zij ontvlammen het hart niet.
Zij geven letters, maar Gij ontvouwt den zin.
Zij dragen geheimen voor, maar Gij doet de beteekenis er van vatten.
Zij maken de geboden bekend, maar Gij helpt die volbrengen.
Zij wijzen den weg, maar Gij sterkt oni dien te bewandelen.
Zij werken slechts van buiten, maar Gij onderricht en verlicht het hart.
Zij begieten uitwendig, maar Gij geeft de vruchtbaarheid.
Zij spreken luid door woorden, maar Gij geeft aan het gehoor het begrip.
3. Dat dan niet Mozes tot mij spreke, maar Gij, Heere mijn God! de eeuwige waarheid, opdat ik niet sterve en zonder vrucht blijve, als ik slechts uitwendig gewaarschuwd ben en niet inwendig ontvlamd.
196 III BOEK. II HOOFDSTUK.
Opdat het mij niet ten oordeel strekke het woord gehoord en niet gedaan, gekend en niet bemind, geloofd en niet onderhouden te hebben.
Spreek Gij dan, o Heer! want uw dienaar hoort, en Gij hebt de woorden des eeuwigen lerens. (Joau. 6.)
Spreek Gij tot mij tot eenigen troost mijner ziele en ter verbetering van mijnen geheelen wandel, U tot lof en roem en eeuwige eer.
OEFENING.
God spreekt tot den geest door zijn licht, en tot het hart door zijne ingevingen. Alles, wat ons de Profeten zeggen door het lezen van de heilige Schrift, en de predikers door de waarheden, welke zij ons verkondigen, dit alles overtuigt geenen geest, noch raakt een hart, indien God niet tevens door zijne genade tot hen spreekt. Wij moeten dus den Heer bidden, dat Hij inwendig tot ons spreke, als wij de heilige waarheden hooren verkondigen of lezen : uit vrees van voor zijne oogen nog plichtiger te worden, indien wij het woord Gods aanhooren, zonder het te onderhouden; als wij de waarheden kennen zonder ze te volgen; als yij zijnen wil kennen, zonder dien te volbrengen.
GEBED.
Ja, spreek Gij tot mij, o God 1 en dat alle schepselen zwijgen 1 Spreek tot mijne ziel; maak haar uwen heiligen wil bekend en geef haar
Ill BOEK. Ill HOOFDSTUK. 197 de kracht om dien te volbrengen. Wat toch baat mij uwe Heilige Schrift, zoo Gij mij niet daarvan den zin opent ? Gij, Gij alleen onderricht den geest, ontvlamt het hart en sterkt den gang. Daarom, spreek Gij, o Heer! uw dienaar hoort. Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. Gij zijt mijn licht en sterkte.
DERDE HOOFDSTUK.
Het woord Gods moet met ootmoed gehoord worden, velen nemen het niet ter harte.
1. De Heer. Mijn zoon, hoor naar mijne woorden, woorden vol lieflijkheid en verheven boven al de wetenschap der geleerden en wijzen dezer wereld.
Mijne wooden zijn geest en leven (Joan. 6.) en mogen niet geschat worden naar het gevoelen der menschen.
Ook mag men daarin geen ijdel behagen zoeken, maar men moet ze in stilte aanhooren en met allen ootmoed en groote liefde opnemen.
2. De Geloovige. Gelukkig is hij, o Heer! dien Gij onderricht en uwe wet leert, om hem in bange dagen te verkwikken (Ps. 93.); en opdat hij niet op aarde verlaten zij.
3. De Heer. Ik heb van den beginne af de Profeten onderwezen en tot nu toe houde ik niet op tot allen te spreken, maar velen zijn doof voor mijne stem en verhard.
I98 III BOEK. Ill HOOFDSTUK.
Velen hooren liever de wereld dan God en volgen Héver de lusten huns vleesches dan het welbehagen Gods.
De wereld belooft het tijdelijke en geringe en wordt met grooten ijver gediend : Ik beloof het hoogste en eeuwige, en der stervelingen hart blijft koud!
Wie dient en gehoorzaamt Mij in alles met die zorg, waarmede men de wereld en hare heeren dient ?
Bloos, o Sidon! zegt de zee. (Is. 23.) En vraagt gij de reden, hoor zij is deze :
Om een gering inkomen legt men een grooten weg af; voor het eeuwige leven willen velen nauwlijks éen voet van den grond oplichten.
Men streeft naar een slecht gewin : om éen stuk gelds wordt somtijds schandelijk getwist; om een ijdel ding en eene beuzelachtige belofte aarzelt men niet zich dag en nacht te vermoeien.
4. Maar, o schande! voor een onvergankelijk goed, voor een onwaardeerbaren prijs, voor de hoogste eer en eindelooze heerlijkheid is men traag de minste moeite te doen!
Bloos dan, traag en klaagziek dienstknecht! daar genen ijveriger tot hun verderf dan gij ten leven bevonden wordt.
Zij smaken meer vreugde bij de ijdclheid dan gij bij de waarheid.
En toch worden zij somtijds in hunne hoop bedrogen, terwijl mijne belofte niemand bedriegt, noch die op mij vertrouwen ledig wegzendt.
Ill BOEK. Ill HOOFDSTUK. 199
Wat Ik beloofd heb zal Ik geven, wat Ik gezegd heb zal Ik nakomen, mits men in mijne liefde getrouw blijve ten einde toe.
Ik ben het die alle braven beloon, Ik die de vromen sterk beproef.
5. Schrijf mijne woorden in uw hart en overweeg ze vlijtig; want ten tijde der bekoring zullen zij zeer noodzakelijk zijn.
Wat gij bij het lezen niet verstaat, zult gij begrijpen ten dage van mijn bezoek.
Ik pleeg mijn uitverkorenen op tweederlei wijze te bezoeken, door beproeving namelijk en vertroosting.
Twee lessen ook lees ik hun dagelijks, Je eene door hun gebreken te berispen, de andere door hen op te wekken tot voortgang in de deugd.
Wie mijne woorden hoort en ze versmaadt, heeft een' die hem vonnissen zal ten jongsten dage.
6. De Geloovige. Heere mijn God! al mijn goed zijt Gij. En wie ben ik dat ik tot U durf spreken ? Ik ben uw armste dienstknecht en een nietig aardworm, veel armer en verachtelijker dan ik weet of zeggen durf.
Gedenk toch, o Heer, dat ik niets ben, niets heb en niets vermag
Gij alleen zijt goed, rechtvaardig en heilig. Gij vermoogt alles. Gij geeft alles. Gij vervult alles, den zondaar alleen ledig latende.
Gedenk uwer ontfermingen en vervul mijn hart met uwe genade. Gij die uwe werken niet ledig wilt laten.
200 III BOEK. Ill HOOFDSTUK.
7. Hoe zal ik in dit ellendig leven den last van mijzelven dragen, als uwe ontferming en genade mij niet ondersteunen ?
Wend uw aanschijn niet van mij af; wil uw bezoek niet uitstellen ; wil mij uwen troost niet onttrekken, opdat mijne ziel voor U niet worde als een land zonder water. (Ps. 142.)
Heer! leer mij uwen wil doen. (Ib.) leer mij voor U waardig en in ootmoed wandelen.
Gij toch zijt mijne wijsheid, die mij in waarheid kent en reeds gekend hebt, voordat de wereld was en voordat ik in de wereld geboren werd.
OEFENING.
Het is wonderlijk te zien, hoe veel eene ijdele en bedriegelijke hoop den menschen doet ondernemen voor een tijdelijk en vergankelijk goed, en hoe weinig eene vaste en zekere hoop, gegrond op het woord van God zeiven, den Christenen doet ondernemen voor een geestelijk eeuwig goed. Het vooruitzicht van eenig belang, en de hoop van eenige goederen te winnen, hoe onzeker ook, moedigt alle harten aan, behaagt ons zeer, droogt alle tranen af, en ondersteunt ons in alle moeielijkheden; en men acht zich voor zijnen arbeid wel beloond, als men de eer behaald, het vermaak genoten ⢠of het goed bekomen heeft, hetwelk men verlangde. Er is niets dan de hoop op het paradijs en het vooruitzicht van een eeuwig geluk,
Ill BOEK. IV HOOFDSTUK. 201 hetwelk door het geduld en door de goede werken kan verdiend worden, hetgeen niemand aanmoedigt, ondersteunt, noch troost; en men is alzoo neerslachtig en moedeloos op het aanzien van den hemel, dien men kan winnen met te trachten wel te lijden, alsof de hemel niets ware. Hoe komt dit ? Het is, omdat men te zeer verkleefd is aan de tegenwoordige zaken, en te onverschillig voor de toekomende; en die zwakheid van onze hoop komt uit de kwijning van ons geloof voort.
GEBED.
Beschaamd, o God ! is voor mij deze overweging. Een verkeerde geest die mij zoo vaak bezielt, belet uwe woorden toegang tot mijn hart, dat zich ook meer genegen toont om der wereld gehoor te geven en zich aan haar te verbinden. Mocht deze verblindheid ophouden, en ik mijn zelfbedrog ontwaren! Doe mij de wereld in hare ware gedaante beschouwen. Dit zal genoeg zijn om haar mijn hart te ontrukken en het tot U over te brengen, die alleen het kunt bevredigen.
VIERDE HOOFDSTUK.
Men moet in waarheid en ootmoed voor God wandelen.
i. De Heerl Zoon! wandel voor Mij in
X
202 III BpEK. IV HOOFDSTUK, waarheid^efci zoek Mij altoos in de eenvoudigheid ^uws harten.
Wie voor Mij in waarheid wandelt zal tegen quot;booze aanvallen beveiligd zijn, en de waarheid zal hem bevrijden van de verleiders en van den laster der kwaadwilligen.
Heeft de waarheid u bevrijd, dan zult gij waarlijk vrij zijn en op de ijdele woorden der menschen geen acht geven.
2. De Geloovige. Heer! het is gelijk Gij zegt! dat, bid ik, mij dus geschiede; dat uwe waarheid mij leere, dat zij mij beware en tot een heilzaam einde behoude.
Dat zij mij vrijmake van alle kwade neiging en ongeregelde verkleefdheid; dan zal ik met U in groote vrijheid des harten wandelen.
3. D e Heer. Ik, zegt de Waarheid, .zal u leeren wat recht en Mij behagelijk is.
Overweeg met een groot mishagen en droefheid uwe zonden, en acht u nooit iets te zijn om uwe goede werken.
Inderdaad, gij zijt een zondaar, aan vele driften onderworpen en daarin verward.
Uit uzelven helt gij altoos over tot het niet spoedig valt gij, spoedig wordt gij overwonnen, spoedig ontrust, spoedig ontmoedigd.
Niets hebt gij waarop gij kunt roemen, maar veel waarover gij u moet vernederen : want gij zijt veel zwakker dan gij bevatten kunt.
4. -Van alles dan wat gij doet schijne u niets groot : houd niets als groot, niets als kostbaar, bewonderens- of roemenswaardig : want niets
Ill BOEK. IV HOOFDSTUK. 203 is verheven, niets waarlijk prijzenswaardig en begeeilijk dan hetgeen eeuwig is.
D?.t de eeuwige waarheid u boven alles be-hage, uwe overgroote onwaardigheid u steeds mishage.
Vrees, veracht en vlucht niets zoo zeer als uwe gebreken en zonden, waarvan gij meer afkeer moet hebben dan van aller zaken verlies.
Sommigen wandelen voor Mij niet oprecht, maar door zekere nieuwsgierigheid en vermetelheid gedreven, willen zij mijne verborgenheden kennen en de diepte Gods peilen, terwijl zij zichzelven en hun heil verwaarloozen.
Dezen, daar Ik Mij tegen hen stel, vallen dikwijls door hun hoogmoed en nieuwsgierigheid in groote bekoringen en zonden.
5. Gij, vrees Gods oordeelen, sidder voor den toorn des Almachtigen.
Wil niet de werken des Allerhoogsten beoor-deelen; maar doorzoek uwe ongerechtigheden, in hoeveel gij misdaan en hoeveel goeds gij verzuimd hebt.
Sommigen stellen hunne godsvrucht alleen in boeken, sommigen in beelden, anderen in uitwendige teekenen en vormen.
Sommigen hebben mij in den mond, maar weinig in het hart.
Er zijn anderen die, van verstand verlicht en van harte gereinigd, altoos naar het eeuwige hijgen; zij willen nauwelijks van het aardsche hooren en voldoen met weerzin aan de behoeften der natuur.
204 III BOEK. IV HOOFDSTUK.
En deze gevoelen wat de geest der waarheid in hen spreekt.
Want hij leert hen 't aardsche versmaden en 't hemelsche bemirnen, de wereld veronachtzamen en dag en nacht onophoudelijk naar den hemel verlangen.
OEFENING.
Niets zal u beter doen beseffen wat gij zijt, dan het gevoelen uwer ellenden. Even als gij niets dan neiging tot het kwaad gevoelt, zoo moet gij u door geene gevoelens van ijdelheid of welbehagen verheffen. Gelukkig eene ziel, die zich tracht te kennen, en weet te zuchten over al de zwakheden, ellenden en ongeregelde neigingen, die zij in zich vindt! Want dit is het, wat haar aan God onderwerpt, wat haar dringt dikwijls tot Hem hare toevlucht te nemen en zich onder zijne almogende hand te vernederen. Het is dat onophoudelijk gevaar waarin zij zich bevindt, van onder de bekoringen te bezwijken, hetwelk zooveel voortbrengt, dat zij, ten opzichte vanquot; God zich in eenen staat van gedurige afhankelijkheid en van eene oprechte en volstandige ontblooting houdt. Maak van nu af het voornemen, alle beproevingen, welke Hij u zal overzenden, van Gods hand te aanvaarden, zijne inzichten te volbrengen, en u aan zijn welbehagen te onderwerpen.
Ill BOEK. V HOOFDSTUK. 20$
GEBED.
Dierbare Heiland! Vriend der oprechten en eenvoudigen van harte ! mocht ik zoo gelukkig zijn onder het aantal dezer uwer uitverkorenen te behooren, en mijn hart de krachtige inspraak uwer eeuwige waarheid gevoelen! Dan zoude ik mij licht boven al het zinnelijke kunnen verheffen, mijn hart beter leeren kennen en mij zijne verbetering meer aantrekken. Dat het toch eens daartoe kome. Uwe waarheid zij mijne geleidster, zij brenge mij tot een eeuwig zalig leven.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Over de wonderbare werking der goddelijke liefde.
1. De Geloovige. Ik zegen U, o hemel-sche Vader! Vader van mijnen Heer Jezus Christus! dat Gij U verwaardigd hebt mij arme te gedenken.
O Vader der barmhartigheid en God aller vertroosting! U zij dank, dat Gij mij, allen troost onwaardige, nu en dan met uwen troost verkwikt.
U zegen ik en verheerlijk ik met uwen eenig-geboren Zoon en den heiligen Geest, den trooster in alle eeuwen der eeuwen.
O Heer God, mijn heilige minnaar! wanneer
206 III BOEK. V HOOFDSTUK.
Gij komt in mijn hart, dan zal alles wat in
mij is zich verheugen.
Gij zijt mijn roem en de vreugde mijns harten ; Gij zijt mijne hoop en toevlucht ten tijde mijner benauwdheid.
2. Maar omdat ik in de liefde nog zwak ben en in de deugd onvolmaakt, daarom behoef ik volstrekt door U gesterkt en getroost te worden. Bezoek mij dan dikwijls en onderwijs mij in uwe heilige leeringen.
Bevrijd mij van kwade driften en genees mijn hart van alle ongeregelde neigingen; opdat ik, van binnen genezen en wèl gereinigd, bekwaam worde om U te beminnen, sterk om te lijden en standvastig om te volharden.
3. D e H e e r. De liefde is iets groots, een zeer groot goed.
Zij alleen maakt licht al wat zwaar is, en draagt al het ongelijke gelijkelijk.
Want zij draagt den last zonder last, en maakt al het bittere zoet en smakelijk.
De liefde tot J e z u s is edelmoedig, drijft tot groote daden aan en wekt steeds de begeerte tot het volmaaktere op.
De liefde streeft naar boven e» laat zich door niets laags wederhouden.
De liefde wil vrij zijn en van alle wereldsche gehechtheid ontheven, opdat haar innerlijke blik niet verhinderd worde, opdat zij om geenerlei tijdelijk belang in verlegenheid kome noch wegens ongeval bezwijke.
Er is niets zoeter dan de liefde, niets krach-
Ill BOEK. V HOOFDSTUK. 207 tiger, niets verhevener, niets aitgebreider, niets genoegelijker, niets vollediger, niets beter in hemel en op aarde.
Want de liefde is uit God geboren en kan niet dan in God boven al het geschapene rusten.
4. Wie bemint, loopt, vliegt en is verheugd; hij is vrij en wordt niet wederhouden.
Hij geeft alles voor alles en heeft alles in alles, dewijl hij boven alles in het eenige hoogste rust, uit hetwelk alle goed vloeit en voortkomt.
Hij ziet niet op giften, maar wendt zich, boven alle goederen, tot den gever.
De liefde kent dikwijls geene maat, maar brandt boven alle mate.
De liefde gevoelt geen last, zij acht geen arbeid; zij tracht naar meer dan zij vermag, zij wendt nooit onmogelijkheid voor, omdat zij meent dat haar alles mogelijk en geoorloofd is.
Zij is dus tot alles in staat; zij volbrengt veel en voert uit, waar hij die niet bemint, te kort schiet en bezwijkt.
5. De liefde waakt en slapende sluimert zij niet.
Vermoeid, is zij niet afgemat; geprangd wordt zij niet ingedrukt; verschrikt, ontstelt zij zich niel; maar gelijk een levende vlam en brandende toorts breekt zij uit naar boven en dringt ongehinderd door.
Wie bemint weet wat deze stem roept. Ook
208 III BOEK. V HOOFDSTUK.
is het een sterk geroep in het oor van God, wanneer eene van liefde brandende ziel uitroept: Mijn God, mijne liefde! Gij geheel de mijne, ik geheel de uwe.
6. De Geloovige. Breid in mij de liefde uit, opdat ik met den inwendigen mond des harten leere smaken, hoe zoet het zij te beminnen en in liefde te smelten en te zwemmen.
Mocht ik door liefde zoo bevangen worden, dat ik door haar gloed en overmaat boven mijzelven vervoerd wierd !
Mocht ik het lied der liefde zingen en L) mijn Geliefde, in de hoogte volgen; mocht mijne van liefde juichende ziel onder uwen lof bezwijken !
Mocht ik U meer dau mijzelven beminnen en mijzelven alleen om U, en in U allen die U waarlijk beminnen, gelijk de wet der liefde, van U afkomstig, gebiedt 1
7. De Heer. De liefde is vlug, ongeveinsd, vroom, bevallig en aangenaam, sterk, geduldig, getrouw, voorzichtig, lankmoedig, manhaftig en nooit zichzelve zoekende : want waar iemand zichzelven zoekt, daar valt de liefde weg.
De liefde is omzichtig, nederig en oprecht, niet lafhartig, niet lichtzinnig noch op ijdelhe-den bedacht, ingetogen, kuisch, bestendig, bedaard en wachthoudende over alle zinnen.
De liefde is onderworpen en geheorzaam aan de oversten, in haar eigen Oog gering en ongeacht, Gode gewijd en dankbaar, altoos hopende en vertrouwende op Hem, ook als zij
Ill BOEK. V HOOFDSTUK. 2O9 voor God geen smaak gevoelt : want zonder smart, leeft men in de liefde niet.
8. Wie niet gereed is om alles te lijden en zich naar den wil zijns geliefden te schikken, verdient den naam van minnaar niet.
Een minnaar behoort zich gaarne om zijnen geliefde al het harde en bittere te getroosten, en door geene voorvallende tegenheden van hem te laten aftrekken.
OEFENING.
Wie zal ooit de wonderbare uitwerkselen der liefde Gods in eene ziel, die aan hare indrukken en beproevingen getrouw is, kunnen begrijpen en uitleggen ? Het is beter ze te gevoelen dan te bespreken, en het is volmaakter ze in het werk te stellen dan die te gevoelen. Wat werkt de liefde Gods niet uit, als zij levend, sterk en volledig is in eene ziel, die door de schoonheden en goedheden van haren Schepper is ingenomen, en door de vurigheid van zijne heilige liefde bezield ? Zij denkt dikwijls aan Hem, want men kan niet vergeten wat men bemint; zij onderneemt alles om Hem te behagen ; zij verdraagt alles om zijne liefde; zij vermijdt zorgvuldig de lichte, onvrijwillige gebreken ; want hoe kan men God beminnen en Hem willen mishagen ? Zij wenscht den Heere alle goed wat Hij bezit en wat Hij is; zij zou willen, dat al de harten der menschen maar één hart waren, en dat dit éene hart van eenen seraf ware; zij verblijdt zich over al den lof
2IO III BOEK. V HOOFDSTUK.
en de eer, die Hem in den hemel en op de aarde gegeven worden; zij noodigt alle schepselen uit om Hem te beminnen en te loven; zij zou Hem met verlies van haar leven en van haar wezen zelfs, eene vermeerdering van geluk en voldoening willen bezorgen, indien dit konde wezen; zij kan zich over zijn verlies niet troosten; zij zucht onophoudelijk naar het geluk van Hem te aanschouwen; zij aanziet het leven als eene ballingschap, welke slechts den wil van haren God voor haar verdragelijk maakt; zij aanziet met vreugd den dood als het eenig middel om Hem te bezitten en Hem nooit meer te vergrammen; zij brandt door een geheim, hevig en gloeiend vuur, dat haar in Gods tegenwoordigheid, in en voor God verteert ; zij behoort niet meer aan zichzelve, maar aan Hem, dien zij meer. dan zichzelve bemint; zij zoekt, zij vindt, zij ziet overal haren God; hare vreugde en haar geluk in de wereld is ; te lijden, zich te vernederen, te verzaken, te versterven en al het zinnelijke uit haar hart te verbannen, om de liefde Gods te winnen. Zij gelooft, zij hoopt, zij bemint ten hoogste, door den eerbied, de achting en veikleefdheid, die zij voor den Bewerker van haar geloof, harer hoop en liefde heeft. God bestaat, zegt zij, en dat is genoeg voor mijn geluk, voor mijnen troost en mijne blijdschap. God verdient dat men Hem diene; Hij wil dat ik dit of dat voor Hem doe en lijde; Jezus Christus heeft het wel voor mij gedaan en geleden, ziedaar
Ill BOEK. VI HOOFDSTUK. 211 de beweegreden, die haar doet werken en lijden. Zij is niet tevreden met zich in alles aan de geboden van haren God te onderwerpen ; maar volgt nog zijne genegenheden in, en rekent het zich tot eene wet zijn welbehagen te volbrengen. Kortom, eene ziel, die haren God bemint, leeft niet meer, maar God leeft in haar.
GEBED.
Kan ik U, o God der liefde ! wel te dikwijls om liefde bidden, daar van haar mijne volmaaktheid en zaligheid afhangen ? Mocht ik zoo gelukkig zijn de ware liefde te kennen en haren krachtigen invloed te ontwaren ! mochten de echte kenmerken daarvan zich meer en meer bij mij vertoonen ! welk een groot, onwaardeerbaar goed zoude ik bezitten! God der liefde I stort mij eene reine, allesovertrefFende liefde in. Wees Gij de mijne, ik zij de uwe, eeuwig de uwe, alleen de uwe.
ZESDE HOOFDSTUK.
Over den toetssteen der ware liefde.
1. De Heer. Mijn zoon! gij zijt nog geen sterk en welberaden minnaar.
2. De Geloovige. Waarom Heer?
3. De Heer. Omdat gij wegens een geringen tegenspoed uw opzet laat varen en te gretig naar vertroosting omziet.
Een sterk minnaar staat pal bij de bekorin-
212 III BOEK. VI HOOFDSTUK.
gen en slaat aan des vijands listige ingevingen geen geloof. Gelijk Ik hem behaag in voorspoed, zoo mishaag Ik hem niet in tegenspoed.
4. Een welberaden minnaar ziet niet zoo zeer op des geliefden gifte als op des gevers liefde.
Hij hecht meer aan het hart dan aan het geschenk, en hij stelt al de gaven beneden den beminde.
Een edelmoedig minnaar berust niet in het geschenk, maar in Mij, boven alle geschenken,
5. Daarom is alles niet verloren, al gevoelt gij u eens jegens Mij of mijne Heiligen minder welgezind dan gij wenschtet.
Die goede en liefelijke gesteldheid, welke gij somtijds ontwaart, is het uitwerksel der aanwezige genade en zekere voorsmaak van het he-melsch vaderland, doch waarop gij niet te veel moogt steunen : want zij gaat, en zij komt.
Maar te strijden tegen de invallende kwade bewegingen des harten, en de ingevingen des Satans te verachten, is een teeken van deugd en groote verdienste.
6. Laat u dan niet ontrusten door vreemde voorstellingen; omtrent welke zaak ook ontstaan. Houd u standvastig bij uw voornemen en uw oogmerk tot God gericht.
Ook is het geen bedrog, als gij soms schielijk in verrukking wordt opgevoerd en aanstonds tot de gewone ongerijmdheden des harten wederkeert : want deze lijdt gij meer tegen uwen zin dan dat gij ze bewerkt. En zoo lang zij u
Ill BOEK. VI HOOFDSTUK. 213 mishagen en gij tegenstreeft, strekken ze u tot verdienste en niet tot schade.
7. Weet dat de oude vijand op allerlei wijze tracht uw verlangen ten goede te verhinderen en u van elke godvruchtige oefening af te trekken; namelijk van de vereering der Heiligen, van de zalige overweging mijns lijdenSj van zoo nuttige herinnering uwer zonden, van de waakzaamheid over uw eigen hart en van het vast voornemen om in de deugd voort te gaan.
Daarom dringt hij u vele kwade gedachten op om u verdriet en afgrijzen te veroorzaken, ten einde u van het gebed en het godvruchtig lezen af te leiden.
Ook mishaagt hem eene ootmoedige schuldbelijdenis. Ja, indien hij konde, hij zoude u van 's Heeren tafel afhouden.
Geloof hem niet noch stoor u aan hem, hoe dikwijls ook hij u zijne bedriegelijke strikken spanne.
Werp ze hem met verachting terug als hij u kwade enquot; onreine gedachten ingeeft, en zeg tot hem : â Weg onreine geest! bloos, rampzalige ! gij zijt wel zeer onrein, om mij zulke dingen in het oor te blazen.quot;
âWijk van mij, snoodste verleider 1 gij zult geen deel aan mij hebben; maar Jezus zal als een krachtig strijder met mij zijn, en gij zult beschaamd staan. quot;
âLiever wil ik sterven en alle smart lijden dan met u instemmen. quot;
214 ïquot; BOEK, VI HOOFDSTUK.
â Zwijg en verstom 1 Ik zal niet meer naar u hooren, hoeveel moeielijkheden ook gij mij aandoet. De Heer is mijn licht en mijn heil, wien zoude ik vreezen? De Heer is mijne levens kracht: voor wien zoude ik sidderen ? Al stonden er ook legers tegen mij op, mijn hart zoude niet vreezen. De Heer is mijn helper en mijn verlosser. (Ps. x6.)
8. Strijd dan als een goed krijgsknecht, en valt gij soms uit zwakheid, herneem den moed meer dan te voren en vertrouw op mijne overvloediger genade, maar wacht u zeer voor ijdel zelfbehagen en hoogmoed.
Daardoor toch worden velen in dwaling gebracht en vervallen somtijds tot eene ongeneeslijke blindheid.
Dat de val dier hoogmoedigen die zich dwaselijk zooveel verbee'den, u tot behoedzaamheid en steeds tot ootmoed strekke.
OEFENING.
Ik begrijp, dat de ware liefde tot God meer kan bestaan, in voor Hem de dorheid des geestes, de smakeloosheid en lastige bekoringen te verduren, zonder ze nochtans te volgen, dan in het ontvangen van den inwendigen smaak, de zoetheid en vertroostingen; want in dezen ontvangt men veel van zijnen God, maar in de eerste geeft men Hem veel. In de eene bemint men de gaven Gods, en in de andere bemint men Hem zeiven in zijnen heiligen wil,
Ill DOEK. VI HOOFDSTUK, 21$ bij voorkeur van al zijne gaven; en de liefde, die ons God doet beminnen voor hetgene Hij is, is volmaakter dan die, welke ons Hem doet beminnen voor hetgene Hij ons geeft. O, welk groot vermaak .schept God in het aanschouwen van eene ziel, die op zichzelve waakt, om haar hart van de minste gebreken te bevrijden ; die zich altijd met hare plichten bezighoudt, uit eeibied voor zijne geboden en door de verkleefdheid aan zijnen heiligen wil; en die altijd edelmoedig is om al de ongeregelde bewegingen te bestrijden, welke hare begeerlijkheid en de bekoringen des duivels in haar doen oprijzen! Eene ziel, die aan zichzelve niets toelaat of zich niets vergeeft; die haar best doet om te beantwoorden aan de inzichten, die God over haar heeft, om in zich al wat menschelijk is te vernietigen, en in zich het rijk der eigenliefde uit te roeien, zulk eene ziel neemt tot regel van haar gedrag deze grondstelling van de ware liefde : Alles om aan God te behagen, en niets om mijzelve te voldoen. Maar wat het hart van God verrukt, is te zien, dat die ziel, waarlijk door de sterkte en de genade van zijnen geest bekleedt in den strijd tegen hare driften, niets kan verdragen wat aan het welbehagen van God zoif strijdig wezen ; van te zien, zeg ik, dat zij geenen troost noch eenige zichtbare hulp vraagt, zoekt of ontvangt, eji haar vermaak stelt in het genoegen, dat God neemt van haar te zien lijden, zonder zelfs verzekerd te wezen dat hij er ver-
2l6 III BOEK, VII HOOFDSTUK.
maak in neemt. Hare onderwerping en overgeving zijn haar troost en hare hulp; zij acht zich gelukkig, een slachtoffer voor de liefde van haren God te wezen.
GEBED.
Ja, mijn God! nog veel heb ik te leeren, eer mijne liefde gezegd kan worden de proef te hebben doorgestaan. Nog in vele opzichten moet ik haar gebrekkig noemen. Ik heb U lief, maar is het niet veelal om uwe gaven, om eenig voordeel ? De minste bekoring, het minste ongeval doet mij wankelen. Wil mij in uwe liefde sterker maken en van eigenliefde zuiveren ; dat ik U liefhebbe om Uzelven, dat niets in staat zij mij van U af te trekken !
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Dat men de genade onder de hoede der nederigheid moet verbergen.
i. De Heer. Mijn zoon ! het is voor u nuttiger en veiliger de genade der godsvrucht te verbergen; u daarop niet te verheffen noch veel daarvan* te spreken en die niet te veel te achten, maar uzelven te verachten en te vreezen dat zij eenen onwaardige gegeven is.
Men mag niet te veel hechten agn eene gesteltenis, welke zoo ras tot het tegendeel kan overslaan.
Ill BOEK. VII HOOFDSTUK. 217
Bedenk bij het genot der genade, hoe ellendig en beroofd gij zonder de genade pleegt te zijn.
Noch ligt de voortgang van het geestelijke leven alleen daarin, dat gij de genade der vertroosting bezit, maar daarin dat gij met ootmoedige zelfverzaking en geduld hare onthouding verdraagt, zoodat gij dan niet in het gebed vertraagt, noch uwe overige gewone oefeningen geheel terzijdestelt, maar dat gij volgens uw best vermogen en doorzicht gewillig doet wat gij kunt en u wegens de dorheid of benauwdheid, welke uwe ziel ontwaart, niet geheel verwaarloost.
2. Velen toch zijn er, die, zoodra het hun niet naar wensch gaat, terstond ongeduldig en traag worden.
's Menschen weg is immers niet altoos in zijne macht, maar het komt God toe te geven en te troosten, wanneer Hij wil en zooveel Hij wil en wien Hij wil, volgens zijn welbehagen en niet meer.
Eenige onvoorzichtigen hebben zich wegens de genade der godsvrucht in het verderf gestort, omdat zij meer wilden doen dan zij vermochten, geen acht gevende op de mate hunner geringheid, maar liever de neiging des harten volgende dan het oordeel des verstands.
En daar zij meer ondernamen dan God be-hagelijk was, daarom hebben zij de genade spoedig verloren.
Aldus werden zij die in den hemel wilden
2l8 III BOEK. VII HOOFDSTUK,
nestelen, beroofd en aan hunne nietigheid oveiv gelaten, opdat zij, vernederd en verarmd, leeren mochten niet op eigen wieken te vliegen maar onder mijne vleugelen te schuilen.
3. Zij, die in den weg des Heeren nog nieuwelingen en onervarenen zijn, kunnen licht bedrogen en teleurgesteld worden, tenzij zij zich door den raad van verstandigen laten leiden.
Of willen zij liever hun eigen zin volgen dan meer ervarenen geloof geven, dan zal hun einde gevaarlijk zijn, zoo zij namelijk van hun eigen begrip niet willen terugkomen.
Zij, die zichzelven wijs genoeg zijn, laten zich zelden nederig door anderen geleiden.
Beter is weinig kennis en een gering verstand met ootmoed, dan groote schatten van geleerdheid met ijdel zelfbehagen.
Beter is weinig te hebben, dan veel waarover gij u kondet verhoovaardigen.
Hij handelt niet voorzichtig genoeg die zich geheel aan de vreugde overgeeft, vergetende zijne vorige armoede en de ingetogene vreeze des Heeren, welke steeds beducht is de aangebodene genade te verliezen.
En hij is ook niet sterk genoeg van geest, die zich, ten tijde van tegenspoed en het geringste ongeval, te wanhopig gedraagt en minder vertrouwelijk dan het behoort omtrent Mij denkt en gevoelt.
4. Wie in vredestijd te gerust heeft willen zijn, zal dikwijls in oorlogstijd te neerslachtig en te vreesachtig bevonden worden.
Ill BOEK. VII HOOFDSTUK. 21$
Wist gij altoos nederig en bij uzelven klein te zijn, en uwen geest wel te regelen en te besturen, gij zoudt u zoo licht niet aan gevaar blootstellen noch aanstoot vinden.
Het is een goeden raad : ontwaart gij in u den geest van godsvrucht, overweeg hoe het zal zijn indien dat licht u verlaten heeft.
En gebeurt dit, denk dat dat licht dra kan wederkomen, hetwelk ik u voor een tijd ontnomen heb tot uwe behoedzaamheid en mijne verheerlijking.
5. Eene zoodanige beproeving is dikwijls nuttiger, dan dat het u altoos welga naar uwen wensch.
Want de verdiensten zijn niet daarnaar te meten, of iemand velerlei openbaringen of vertroostingen hebbe, noch of hij bedreven in de Schriften zij of in een hoogen rang geplaatst; maar of hij in waren ootmoed gevestigd zij en met de liefde Gods vervuld ; of hij de eer van God altoos zuiver en volkomen beooge, of hij zichzelven niets achte en waarlijk versmade, en meer behagen vinde in van anderen veracht en vernederd dan geëerd te worden.
OEFENING.
In den staat zijner onschuld zou de mensch God met gewilligheid, gemak en volheid zijner liefde gediend hebben, omdat alles in hem zonder liefde aan zijne geboden zou onderworpen geweest zijn; maar in den staat van zondei
220 UI BOEK. Vil HOOFDSTUK.
waarin wij zijn, kunnnen wij God bijna niet dienen dan met onophoudelijk tegen onszei ven te strijden, noch Hem beminnen zonder onszel-ven te haten; en wij doen bijna niets voor Hem, dan dit, hetwelk wij tegen ons doen. Derhalve moeten wij ons ootmoedig aan de smakeloosheden, aan de dorheid en aan het verdriet, die wij in onze oefeningen van godsvrucht ontmoete^, onderwerpen ; wij moeten in de inzichten van God treden, en ons eene verdienste maken van Hem zoeken te behagen, zonder onszelven te bevredigen, en als slachtoffers zijner liefde, onze vernietiging aanvaarden, om Hem te eeren, wij moeten gelijk zijn aan de lamp, die voor het allerheiligste Sacrament brandt, en aan de kaars gedurende het heilig misoffer, die door het vuur allengs vernietigd wordt, om de vernietiging van den Zaligmaker op het Altaar te eeren. Indien eene oprecht christene ziel kende, hoezeer een bedrukte staat een heilige en zaligmakende staat kan wezen, een staat van zuivere en beproefde liefde voor God, eindelijk een staat, waarin men zichzelven noch zoekt, noch zich in iets vindt, en waarin men alleen God zoekt en vindt, welke achting zou zij voor zulk eenen staat niet hebben ! Welke zorg zou zij niet dragen om er nut uit te trekken, dat wil zeggen, om met geduld te lijden, om met kloekmoedigheid den Heer te verdragen, en om niets uit kracht van kwellingen na te laten ! Indien men wel overtuigd en doordrongen ware van de voort-
Ill BOEK. VIII HOOFDSTUK. 221 durende verdiensten van den staat van dorheid, als men dien zonder morren verdraagt, dan zou men ongtwijfeld trachten aan de inzichten van God te beantwoorden, die ons hierdoor wil brengen om onszelven menschelijker wijze in niets te zoeken, om Hem in alles te bevredigen en ons eene ware verdienste van zijn welbega-gen te maken. Men zou zich gelukkig achten, de voldoening van zijn hart voor die van het hart van God op te offeren, van voor Hem te wijken, en zich van zijne plichten te kwijten, zonder het vermaak te genieten van te .veten dat men Hem behaagt.
GEBED.
Ook ik, o God ! mag mij niet verheffen op een voorrecht dat ik zoo spoedig kan verliezen, op eene gesteltenis welke zoo ras voorbij kan zijn. Welke groote gunsten mij ook te beurt vallen, ik behoor mij ootmoedig te gedragen en het geringste van mijzelven te denken. Zulk eene gemoedsgesteldheid is U aangenaam en verzekert mij van uwe goedgunstigheid. Dat zij mij dan steeds onderscheide ; dat ik in ootmoed wandele en daarin gevestigd blijve!
ACHTSTE HOOFDSTUK. Hoe gering men zich moet achten in het oog van God.
i. De Geloovige. Ik zal spreken tot mijnen Heer, hoewel ik stof en asch ben. (Gen. 18.)
222 III BOEK. VIII HOOFDSTUK.
Zoo ik mij voor iets meer acht, zie, Gij stelt U tegen mij, en mijne overtredingen geven eene ware getuigenis die ik niet weerleggen kan.
Maar verneder ik mij en maak ik mij tot niets ; leg ik alle zelfverbeelding af en breng ik mij tot stof, gelijk ik ben, dan zal uwe genade mij gunstig en uw licht mijn hart nabij zijn.
En dan zal alle zelfverbeelding, hoe gering ook, in de diepte mijner nietigheid verzwolgen worden en voor eeuwig vergaan.
Daar vertoont Gij mij aan mijzelven, wat ik ben, wat ik was en waartoe ik gekomen ben : want ik ben niets en ik wist het niet 1
Worde ik aan mijzelven overgelaten, zie, dan ben ik niets en geheel zwakheid; maar werpt Gij spoedig weder een blik op mij, dan word ik aanstonds sterk en met nieuwe vreugde vervuld.
En- hoe wonderbaar dat ik zoo aanstonds weder worde opgebeurd en zoo vriendelijk door U ontvangen, ik, die door eigene zwaarte steeds naar beneden hel.
2. Dit is het werk uwer liefde, die mij onverdiend voorkomt en in zoo vele noodwendigheden bijstand biedt, die mij ook voor groote gevaren behoedt, ja om de waarheid te zeggen, aan ontelbare rampen ontrukt.
Want door mijzelven verkeerdelijk te beminnen, heb ik mijzelven en tevens U gevonden, en ben door liefde in mijne nietigheid nog dieper gezonken, omdat Gij, o Beminnenswaar-
Ill BOEK. VIII HOOFDSTUK. 223 digste ! aan mij weldoet boven alle verdienste; ja boven al hetgeen ik zoude durven hopen of begeeren.
3. Wees dan gezegend, o mijn God! dat, hoezeer ik al uwe weldaden onwaardig ben, uwe edelmoedigheid en oneindige goedheid toch nimmer ophouden wèl te doen, zelfs aan ondankbaren en verre van U afgewekenén.
Doe óns tot U wederkeeren, opdat wij dankbaar, nederig en U toegewijd mogen zijn : want Gij zijt ons heil, onze kracht en sterkte.
OEFENING.
Wanneer men eenig gevoelen van ijdelheid of welbehagen jegens zichzelven ontwaart, moet men slechts een oogenblik den onuitputtelijken grond zijner bedorvenheid aanmerken en den afgrond zijner ellenden peilen, om die beweging van hoovaardij in haar begin te stuiten. Immers, hoe zou men zich dit algemeene onvermogen, hetwelk men voor het bovennatuurlijke gevoelt, kunnen voorstellen, die ongeregelde- neiging en overhelling tot het kwaad, die verblindheid van onzen geest, die boosheid van ons hart, die hevigheid der driften welke altijd tegen de rede opstaan : kortom, hoe zou men zich kunnen voorstellen wat men is, en wat men gevoelt, te zijn, zonder zichzelven klein te achten en onder alle schepselen te verootmoedigen ? Maar als men zich beschouwt ten opzichte van God, indien men denkt op het-gene Hij is, en hetgene wij voor zijne oogen
224 111 BOEK. VIII HOOFDSTUK.
zijn, namelijk een enkel niet, zondaars, maar zondaars met duizende schelmstukken beladen, die wij wel weten bedreven te hebben, maar van welke wij niet weten of zij ons vergeven zijn; zwakke en brooze schepselen, die zoo onstandvastig in het goede en zoo verhard in het kwade zijn ; helaas 1 misschien stervelingen, die voor de oogen van God leven en sterven in den staat van zonde, en verdienen het voorwerp van zijnen eeuwigen haat te wezen; hoe is het mogelijk, wanneer wij dit overwegen, dat wij aan eene gedachte van ijdelheid kunnen toegeven ? Ach! het is maar al te waar, dat als men voor zichzelven eenlge achting heeft, men zichzelven miskent en vergeet.
G E IJ E D.
God! ook ik mag vragen : wie ben ik om met U tè spreken ? Ik, stof en asch. Ja ik gevoel mijne nietigheid en erken het openlijk dat mijne lippen niet rein genoeg zijn om uwen heiligen naam te noemen. Maar zal dit bewustzijn mij ternederslaan ? Neen! Gij zijt mijn Vader en houdt niet op mij wèl te doen. Dat dit gevoel mij steeds beziele, en ik onberispelijk voor U wandele. Dan zal ik u onbeschroomd mogen naderen en U met recht Vader mogen noemen,
Ill BOEK. IX HOOFDSTUK. 225
NEGENDE HOOFDSTUK.
Dat men alles tot God, als het laatste einde moet terugbrengen.
1. De Heer. Mijn zoon! Ik moet uw hoogste en laatste einde wezen, zoo gij waarlijk gelukkig wilt worden.
Door deze bedoeling zullen uwe neigingen gezuiverd worden, die zich vaak verkeerd tot uzelven en de schepselen nederbuigen.
Want zoodra gij in iets uzelven zoekt, verkwijnt gij en verdort.
Breng dus alles tot Mij als de bron terug ; want Ik ben het die alles geef.
Beschouw alles als vloeiende uit het hoogste goed ; waarom ook alles tot Mij, als tot zijnen oorsprong, moet worden teruggebracht.
2. Uit Mij putten klein en groot, arm en rijk levendig water, als uit eene levende bron; terwijl zij die Mij vrij en gewillig dienen, genade voor genade zullen ontvangen.
Maar wie buiten Mij wil roemen of in eenig bijzonder goed zijn vermaak nemen, zal niet in de ware vreugde bevestigd worden noch opgeruimd van harte zijn; maar hij zal op velerlei wijze belemmerd en benauwd worden.
Gij moogt u dan van het goede niets toeschrijven; ken ook aan geen mensch de deugd toe, maar geef alles aan God, zonder wien de mensch niets heeft.
15
226 III BOEK. IX HOOFDSTUK.
Ik heb alles gegeven, Ik wil alles terughebben en eisch ten strengste daarvoor dankzeggingen.
3. Dit is eene waarheid waardoor de ijdelheid der roemzucht verdreven wordt.
En zijn de hemelsche genade en ware liefde eens binnengegaan, dan zal geen nijd, noch kwelling des harten, noch eigenliefde plaats vinden.
Want de goddelijke liefde overwint alles en ontwikkelt al de krachten der ziele.
Zoo gij recht verstandig zijt zult gij u in Mij alleen verheugen, op Mij alleen hopen ; want niemand is goed, dan God alleen, (Matth. 19.) die boven alles te loven en in alles te prijzen is.
OEFENING.
Heb in al uwe werken eene zuivere en oprechte meening om den Heer te behagen, en tracht Hem al den roem van het goed, dat Hij verricht te geven, daar Hij de oorsprong en de volheid is van alle goed. Draag nergens roem op dan in uwe ellenden, en stel uwe eer in ze menigmaal aan eenen barmhartigen God op te offeren, die behagen schept in eene ziel, die door de overweging harer nietigheid getroffen is. Houd u niet op met gedachten van ijdelheid en welbehagen jegens uzelven, of met het verlangen om van anderen geacht en geëerd te worden; want God, zegt de koninklijke Pro-
Ill BOEK. X HOOFDSTUK. 221 feet, overdekt met schaamte en verachting degenen, die den lof der menschen najagen en hun willen behagen. Het eenige middel, dat gij bezit om God te behagen en zijn hart te winnen, is uzelven te versmaden en te haten.
GEBED. .
Gij mijn God 1 zijt mijn hoogste goed! Gij behoort ook mijn hoogste doel, mijn laatste einde te zijn. Wat heb ik dat ik van U niet heb ontvangen ? Wat góeds bezitten de schepselen waarvan Gij de bron niet zijt? Van U komt alle goed, in U zijn wij, leven wij en bewegen wij ons. Dat deze gedachte bij mij levendig blijve en mij tot dankbaarheid aanzette. Wees Gij mijn hoogste goed; wees Gij ook mijn hoogste doel waarnaar ik onophoudelijk streve.
TIENDE HOOFDSTUK.
Hoe genoegelijk het zij met verachting der wereld, God te dienen.
i. De Geloovige. Nu, Heer! zal ik andermaal spreken en niet zwijgen. Ik zal in de ooren van mijnen God, van mijnen Heer en Koning, die in de hoogte is, zeggen :
Hoe groot is het goed, o Heer! dat Gij hebt weggelegd voor hen die U vreezen. (Ps. 30.)
Maar wat zijt Gij voor hen die U bemin-
228 III BOEK. X HOOFDSTUK.
nen, wat voor hen die U van ganscher harte
dienen !
Waarlijk onuitsprekelijk is het genoegen uwer aanschouwing, hetwelk Gij verleent aan hen die U beminnen.
Daarin vooral hebt Gij mij het zoete uwer liefde getoond, dat Gij mij het aanzijn gegeven hebt toen ik nog niet was, en mij toen ik verre van U afdwaalde tot uwen dienst teruggebracht hebt, en mij bevolen hebt U te beminnen.
2. O bron der eeuwige liefde ! wat zal ik van U zeggen ?
Hoe zoude ik U kunnen vergeten, die U verwaardigd hebt mijner te gedenken ook toen ik verdord en bedorven was ?
Gij hebt boven alle hoop uwen dienstknecht barmhartigheid bewezen, en hem boven alle verdienste, genade en vriendschap betoond.
Hoe zal ik U die gunst vergelden ? Het is toch aan allen niet gegeven om met verzaking van alles der wereld vaarwel te zeggen en het kloosterleven te omhelzen.
Is het dan iets groots dat ik U diene, wien alle schepsel dienen moet ?
Het mag mij niet groot schijnen U te dienen ; maar dit liever schijnt mij groot en bewonderenswaardig, dat Gij U verwaardigt zulk een arme en onwaardige tot uwen dienstknecht op te nemen en onder uwe geliefde dienstknechten te plaatsen.
3. Zie, al wat ik heb en waarmede ik U dien is het uwe.
Ill BOEK. X HOOFDSTUK. 229
In waarheid, Gij dient mij omgekeerd meer dan ik U.
Zie, hemel en aarde, welke Gij tot 's men-schen dienst geschapen hebt, staan gereed en doen dagelijks hetgeen Gij hun hebt opgelegd.
En dit is nog weinig. Ook de Engelen hebt Gij ten dienste des menschen bestemd.
Maar wat dit alles nog te boven gaat, Gij hebt U zelfs verwaardigd den mensch te dienen en beloofd Uzelven aan hem te zullen geven.
4. Wat zal ik U voor al die ontelbare weldaden wedergeven ?
Ach dat ik U dienen mocht al de dagen mijns levens! Ach, dat ik slechts éen dag U waardig dienen konde!
Inderdaad, Gij zijt allerlei dienst, allerlei eer en eeuwigen lof waardig.
Waarlijk, Gij zijt mijn Heer en ik uw arme dienstknecht; ik ben verplicht U uit alle krachten te dienen en mag nimmer in uwen lof verflauwen.
Dit wil ik, dit verlang ik; en wat mij mocht ontbreken, verwaardig Gij dat aan te vullen.
5. Het is een groote eer, een grooten roem U te dienen en om uwentwille alles te vrr-smaden.
Want zij die zich gewillig aan uwen allerheiligsten dienst onderwerpen, zullen groote genade bekomen.
Zij die om uwentwil alle vleeschelijke genoe-
230 III BOEK. X HOOFDSTUK.
gens hebben verzaakt, zullen den aangenamen
troost des H. Geestes vinden.
En zij zullen eene groote vrijheid des harten genieten, die om uwen naam den engen weg hebben ingeslagen en alle wereldsche zorgen versmaad.
ó. O aangename en genoeglijke dienst van God, waardoor de mensch waarlijk vrij en heilig wordt!
O heilige staat der kloosterlijke dienstbaarheid, die den mensch gelijk maakt aan de Engelen, behaaglijk aan God, geducht voor de duivelen en bij alle geloovigen achtenswaardig !
O aannemens- en altoos wenschenswaardige dienst, waardoor het hoogste goed verdiend en eene eeuwigdurende vreugde verkregen wordt-
OEFENING.
Zich alle genaden onwaardig oordeelen ; aan al diegenen beantwoorden, welke men van God ontvangt; Hem al de glorie geven van de getrouwheid, die men voor Hem heeft; Hem dikwijls bedanken voor de goedheid, welke Hij gehad heeft, om ons in onze dwaling op te zoeken, en ons na zoovele zonden te ontvangen ; alles van zijne barmhartigheid te hopen, en zich geheel in zijne handen stellen ; ziedaar wat eene oprecht christene ziel moet doen, die weet wat Jezus Christus voor haar is, en wat zij voor Hem moet wezen.
Ill BOEK. XI HOOFDSTUK. 231 Gelukkig als men in zich niets ontmoet, hetwelk eenig gevoelen van ijdelheid of zelfbehagen kan voortbrengen! Gelukkig .eene ziel» die niet verplicht wordt uit zichzelven te gaan, dan om in God te verblijven 1 O, hoe geschikt is het gevoel zijner ellende, om ze in het hart van eenen barmhartigen God te stellen 1 En hoe zeer verplicht ons de ondervinding, die men heeft van het onvermogen tot alle goed, en van de neiging tot alle kwaad, het alleen met God te houden, en dikwijls tot Hem onze toevlucht te nemen!
GEBED.
Hoe zoude ik U, o God, kunnen vergeten zonder de ondankbaarste uwer schepselen te zijn! Wie zal de weldaden optellen, mij onwaardige bewezen ? En ik zoude U niet dienen, U, die allerlei dienst, allerlei eer waardig zijt en dezen dienst met de beste zegeningen bekroont? Laat mij nimmer zoo ondankbaar zijn. Uw wil zij mijn genoegen, dien te volbrengen mijne zaligheid ! Gij zijt mijn Heer, ik ben uw dienaar; Gij mijn Vader, ik uw kind.
ELFDE HOOFDSTUK.
Dat men de begeerten zijns harten moet toetsen en matigen.
1. De Heer. Mijn zoon! gij hebt nog veel te leeren dat gij nog niet genoeg geleerd hebt.
232 III BOEK. XI HOOFDSTUK.
De Geloovige. Wat is dat, Heer ?
De Heer. Dat gij ⢠uwe begeerten geheel naar mijn welbehagen schikt en geen minnaar van uzelven zijt, maar een ijverig nastrever van mijnen wil.
Uwe begeerten ontvlammen u dikwijls en drijven u geweldig voort; maar overweeg of gij meer te mijner eere of te uwen voordeele aangedreven wordt.
Ben Ik uwe bedoeling, dan zult gij wèl tevreden zijn, hoe Ik het ook beschikke; maar schuilt er nog iets van eigenbelang onder, zie dat is het wat u hindert en bezwaart.
2. Wacht u dan dat gij u te veel verlaat op eene begeerte, opgekomen zonder mij raad te vragen, opdat u naderhand niet berouwe of mishage hetgeen u tevoren beviel en waarvoor gij, als het beste, ijverdet.
Want niet elke neiging die goed schijnt, moet aanstonds gevolgd worden; maar ook niet alle tegenovergestelde beweging aanstonds vermeden.
Het is nutig zich somtijds ook bij goede oefeningen en begeerten te beteugelen ; opdat gij niet door ontijdigheid tot verstrooiing des geestes vervalt, of door tuchteloosheid anderen aanstoot geeft, of ook door den tegenstand van anderen onverwachts verward en terneder-geslagen wordt.
3. Somtijds zelfs moet men geweld gebruiken en der zinnelijke neiging kloeken wederstand bieden, zonder te letten op hetgeen 't vleesch
Ill BOEK. XI HOOFDSTUK. 233 al of niet wil, maar dit alleen behartigende, dat het vleesch ook zijns ondanks den geest onderworpen zij.
Ja zoolang moet gij het tuchtigen en tot onderwerping dwingen, totdat het tot alles gereed zij en leere zich met weinig te vergenoegen, in het eenvoudige vermaak te vinden en over geenerlei ongeval te morren.
OEFENING.
Men moet zijne begeerten volgens den wil van God regelen, ze volgens de bewegirg zijner genade matigen, en ze allen schikken om aan Hem te behagen. De ware boetvaardigheid des harten bestaat : in de vurigheid zijner begeerten te bedwingen, in hare hevigheid tegen zichzelven te keeren, en in ze allen te vereenigen om God te behagen. De heilige oefening der zelfverloochening, die volstrekt ter zaligheid aller Christenen noódig is, en die den geest des Evangelies, den plicht van ons Doopsel en de onvermijdbare verbintenis van eenen Christen uitmaakt : die oefening, zeg ik, bestaat geheel in het bedwingen zijner ongeregelde neigingen, in het schikken van zijne onverschillige en natuurlijke begeerten tot een bovennatuurlijk einde, en in het verzekeren z'jner begeerten ter zaligheid, door de volbrenging der goede voornemens; dewijl een bovennatuurlijk en verdienstelijk leven, waarin men de begeerte met de werking vereenigt, tot de zaligheid noodig is.
234 in BOEK. XII HOOFDSTUK.
GEBED.
Ook ik, o God! heb nog veel te leeren. Te vaak heb ik van mijne begeerten de beste gedachten, zonder mijne bedoelingen wel beproefd te hebben; terwijl een blinde ijver, door eigenliefde geleid, mij tot gevaarlijke uitersten me-desleept. Doe mij toch in alles voorzichtig zijn. Dat ik mijne begeerten eerst wèl beproeve, van alle eigenliefde zuivere en aan uwen wil onderworpen houde ; dat geene zinlijkheid mij beheersche, maar ik haar meester blijve.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Over het oefenen der lijdzaamheid en het bestrijden der kwade lusten.
i. De Geloovige. Mijn Heer en mijn God! gelijk ik zie, is geduld mij zeer noodzakelijk ; in dit leven toch ontmoeten ons vele tegenheden, en hoe ik ook mijnen vrede zoeke te verzekeren, mijn leven kan zonder strijd en smart niet zijn.
De Heer. Zoo is het, mijn zoon! Ook wil Ik niet dat gij zulken vrede zoekt, die vrij van bekoring zij of geenen tegenspoed ontware; maar dat gij ook dan denkt den vrede te hebben gevonden, als gij door velerlei kwellingen geoefend en door velerlei tegenheden beproefd wordt.
Ill BOEK. XII HOOFDSTUK. 235
2. Zegt gij, dat gij niet veel kunt verdragen; hoe zult gij dan het vagevuur doorstaan ?
Van tweederlei kwaad moet men altoos het minste kiezen. Om dan de eeuwige pijnen der toekomst te ontgaan, tracht de tegenwoordige ongevallen om Gods wille geduldig te dragen.
Meent gij dat de lieden dezer wereld niets of weinig te lijden hebben ? Dit zult gij niet bevinden, al zoekt gij de weelderigsten.
3. De Geloovige. Maar zij hebben toch vele genoegens, zij volgen hun eigen zin en daarom achten zij weinig hunne kwellingen.
De Heer. Dit zij zoo. Zij hebben wat zij willen : hoe lang, meent gij, zal dat duren ?
Zie, als rook zullen de rijken dezer eeuw verdwijnen, en van de vroegere vreugde zal geene herinnering overig zijn.
Maar zelfs terwijl zij nog leven, kunnen zij niet zonder bitterheid, verdriet en kommer erbij berusten.
Want in dezelfde zaak waarin zij vermaak zoeken, vinden zij dikwijls eene gevoelige straf.
En hun geschiedt recht dat zij, daar zij ongeregeld vermaken zoeken en volgen, zich daaraan niet zonder schande en bitterheid overgeven.
4. O, hoe kortstondig, hoe bedriegelijk, hoe ongeregeld en schandelijk zijn deze allen 1
En nochtans zoo dronken en verblind zijn zij dat zij het niet beseffen; maar als stomme dieren, veroorzaken zij hunner ziele den dood,
236 III BOEK. XII HOOFDSTUK,
en dat om een weinig genots in dit vergankelijk leven !
Gij dan, mijn zoon ! willig uwen lusten niet in, maaiquot; beteugel uwe begeerten. (Eccli. 18.)
Verlustig u in den Heer, Hij zal u geven wat uw hart verlangt. ( Ps. 36.)
5. Inderdaad, wilt gij waar genoegen smaken en overvloedig door Mij getroost worden, zie, het verachten van al het wereldsche en het verwerpen van alle lage genoégens zal u tot zegen zijn en overvloed van troost geven.
En hoe meer gij u aan der schepselen troost onttrekt, te genoegelijker en sterker troost zult gij bij Mij vinden.
Maar daartoe kunt gij niet aanstonds zonder eenige droefheid en een moeielijken strijd komen.
Eene ingewortelde gewoonte zal zich verzetten, doch deze zal door eene betere gewoonte overwonnen worden:
Het vleesch zal daartegen morren, maar de ijver des geestes zal het beteugelen.
De oude slang zal u aanzetten en tergen; maar door het gebed zult gij haar verjagen, en daarenboven door nuttigen arbeid den hoofdingang afsluiten.
OEFENING.
De ware vrede bestaat in de ootmoedige en standvastige onderwerping aan Gods wil, in de hevigste kwellingen, in de grootste bekoringen,
ill boek. xiii hoofdstuk. 237 en als gij in uzelven niet meer zult vinden dan opstand, onrust en verdriet, en dit alles in de handen van God stelt; het is hierin dat gij de ware rust van eene ziel zult vinden, die, op zichzelven niet steunende, niet anders dan in God bestaat, door het vertrouwen en de onderwerping. Zich losmaken van alles wat ons behaagt, alles wat ons kwelt van de hand des Heeren aanvaarden, alles wat ons tegenstaat te overwinnen, ziedaar het ware middel om in vrede te wezen.
GEBED.
Hoe troostend, o God, zijn mij uwe woorden! Ja, geduld en moed zijn mij onontbeerlijk, wil ik onder den last des.levens niet bezwijken. Veel heb ik te dragen, veel te bestrijden, maar wie is er op aarde, die geen tegenspoed heeft? Niemand, zelfs de slaaf der ondeugd niet, Laat dan, bid ik U, uwe genade mij steeds vergezellen. Versterk mij in den strijd, dien ik tegen mijzelven voeren moet. Door U vermag ik alles, zonder U niets.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Over de gehoorzaamheid van een nederig onderhoorige, naar het voorbeeld van Jezus Christus.
1. De Heer. Mijn zoon! wie zich aan de gehoorzaamheid zoekt te onttrekken, onttrekt
238 III BOEK. XIII HOOFDSTUK.
zich aan de genade, en die zijn bijzonder voordeel zoekt, zal het gemeenschappelijk verliezen.
Wie zich niet gewillig en vanzelf zijnen overste onderwerpt, toont dat zijn vleesch hem nog niet volkomen gehoorzaamt, maar dat het nog dikwijls mort en tegenstreeft.
Daarom leer u aanstonds aan uwen overste onderwerpen, zoo gij uw vleesch wilt ten oiider brengen.
Want eerder wordt de uitwendige vijand overwonnen, wanneer de inwendige mensch niet in wanorde is.
Geen lastiger noch slimmer vijand is er voor de ziel dan gij uzelven zijt, als gij met den geest niet wèl samenstemt.
Wilt gij over vleesch en bloed zegevieren, gij moet inderdaad tegen uzelven eene ware minachting opvatten.
Want omdat gij uzelven nog te ongeregeld bemint, daarom aarzelt gij u volkomen aan den wil van anderen te onderwerpen.
2. Maar wat groots is het dat gij, stof zijnde en nietigheid, u om Gods wil aan een mensch onderwerpt, daar Ik, de Almachtige en Allerhoogste, die alles uit niets geschapen heb. Mij om uwentwil den mensch ootmoedig onderworpen heb.
Ik ben de nederigste en geringste geworden, opdat gij door mijnen ootmoed uwen hoogmoed zoudt overwinnen.
Leer gehoorzamen, stof! Leer u vernederen,
Ill BOEK. XIII HOOFDSTUK. 239 slijk en aarde ! en u onder de voeten van allen buigen.
Leer uwen wil verbreken en u tot alle onderwerping schikken.
3. IJver tegen uzelven en laat geen hoogmoed in u leven.
Toon u zoo onderworpen en gering, dat allen over u kunnen gaan en u als het slijk der straten vertreden.
Wat hebt gij te klagen , nietig monsch ? Wat kunt gij, snoode zondaar, inbrengen tegen hen die u bestraffen, gij, die God zoo vaak beleedigd, en de hel zoo dikwijls verdiend hebt ?
Omdat uwe ziel dierbaar was voor mijn aangezicht, daarom heeft mijn oog u gespaard, opdat gij mijne liefde zoudt erkennen en voor mijne weldaden steeds dankbaar zijn, en opdat gij u altoos tot ware onderwerping en tot ootmoed zoudt schikken, en de verachting, u door anderen aangedaan, geduldig verdragen.
OEFENING.
Men moet zich niét tevreden stellen met uitwendig te gehoorzamen, en in zaken die gemakkelijk zijn, maar men moet ook uit ganscher harte en in de moeielijkste dingen gehoorzaam wezen. Want hoe lastiger het ons valt te gehoorzamen, hoe meer verdienste men heeft. Zou men zich niet kunnen onderwerpen aan eenen mensch, om God, nadat men gezien
240 III BOEK. XIII HOOFDSTUK.
heeft, dat God zich voor ons aan de menschen heeft onderworpen, ja, aan zijne beulen zelfs ?
Jezus Christus heeft geheel zijn leven willen gehoorzaam wezen, ja gehoorzaam tot den dood des quot;kruises ; en ik zou mijn leven niet willen doorbrengen met te gehoorzamen, en van de gehoorzaamheid niet mijne verdienste en mijn kruis maken ? De onafhankelijkheid is het aandeel van eenen God, en Hij is mensch geworden om van een ieder af te hangen, en om de afhankelijkheid in zich te heiligen. Ik wil mij dan naar het voorbeeld van eenen onderdanigen, afhankelijken en gehoorzamen God schikken, en over niets in mij, noch zelfs over mijnen eigen wil beschikken.
GEBED.
Hoeveel, o mijn Heiland! doet zich bij mij nog te overwinnen op. Hoe meer ik uwe lessen aanhoor, hoe meer ik daarvan de waarheid gevoel. Neen, ik ben mijzelven nog geen volkomen meester, anders zoude ik mij gereeder toonen om mijn eigen wil te verbreken en aan anderen onderworpen te zijn. Leer mij ook hierin mijzelven beheerschen. Dat uw voorbeeld mij beschame en dat uw ootmoed mijn hoogmoed overwinne!
Ill BOEK. XIV HOOFDSTUK. 241
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De overweging van de verborgen oor-deelen Gods, een middel tegen zelfverheffing.
1. De Geloovige. Gij dondert, o Heer! over mij uw oordeelen en schudt al mijne beenderen van vrees en schrik; mijne ziel is zeer ontsteld.
Ik sta verbaasd, en overweeg dat ook de hemelen niet zuiver zijn in uw oog.
Hebt Gij in uwe engelen boosheid gevonden en hen niet gespaard, wat zal van mij worden ?
Sterren zijn van den hemel gevallen, en ik, stof, wat vermeet ik mij ?
Menschen , wier werken lofwaardig schenen zijn diep gevallen, en die het brood der Engelen aten zag ik lust vinden in zwijnendraf.
2. Er is dan geene heiligheid, zoo Gij o Heer! uwe hand onttrekt.
Geene wijsheid baat, zoo Gij nalaat haar te besturen.
Geene sterkte is vermogend, zoo Gij ophoudt die te ondersteunen.
Geene kuischheid is veilig, zoo Gij haar niet beschermt.
Geene eigene behoedzaamheid baat, zoo uwe heilige hoede niet daarbij komt.
Want door U verlaten, zinken wij en ver-l6
quot;}*
242 III BOEK. XIV HOOFDSTUK.
gaan, maar door U geholpen, richten wij ons op en leven.
Want wij zijn onbestendig, maar worden door U versterkt; wij zijn lauw, maar worden door U ontvlamd.
O, hoe nederig en laag moet ik van mij zei ven denken, hoe gering het achten, zoo ik iets goeds schijn te hebben.
O, hoe diep moet ik mij onder uwe ondoorgrondelijke oordeelen vernederen, o Heerl daar ik in mij niets anders vinde dan een niet, ja een louter niet.
O zware last! o grenzelooze zee ! waarin ik van mij niets terugvinde dan een volstrekt niet!
Waar is dan eene schuilplaats voor roem ? Waar het betrouwen op eigene deugd ?
In de diepte uwer oordeelen over mij is alle ijdele roemzucht verzwolgen.
4. Wat is alle vleesch voor uw aangezicht ? Zal het leem roemen tegen zijn formeerder ? (Is. 29. Rom. 9.)
Hoe kan Hij, wiens hart waarlijk Gode onderworpen is, door vleitaal hoogmoedig worden ?
Wien de waarheid zich onderworpen heeft, dien zal de gansche wereld niet verhoovaar-digen ; en die op God zijne geheele hoop gevestigd heeft; zal door den lof ook van allen niet bewogen worden.
Want ook zij die spreken, zijn allen niets ; zij gaan met den klank hunner woorden voorbij. Maar des Heeren waarheid blijft eeuwig. (Ps. 116.)
Ill BOEK. XIV HOOFDSTUK.
OEFENING.
J*quot;
De ondoorgrondelijkheid der oordeelen Gods, voor wiens oogen de mensch slechts een niet en zonde is, moet elk gevoel van trotschheid in onze ziel uitdooven en haar treffen bij het besef van Gods heiligheid en zuiverheid, en het gedenken aan den grond van onzuiverheid en verdorvenheid, dien wij in ons dragen. Een engel zondigt. God kan hem niet verdragen; Hij verwerpt hem, om eene enkele zonde, uit zijn hart en uit zijn paradijs. De mensch zondigt, en Hij verdraagt hem; Hij opent voor hem zijn hart en zijnen hemel, indien hij door eene spoedige en oprechte bekeering tot Hem wil wederkomen. Laten wij uit het eene eenen diepen afschrik voor de zonde en eene heilzame vrees voor Gods rechtvaardigheid opvatten, en uit het andere een vast vertrouwen in zijne barmhartigheid stellen, niet om haar te misbruiken, met onze boetvaardigheid uit te stellen, maar om ons aan te moedigen haar te beoefenen en te trachten eene volkomene erkentelijkheid voor al zijne weldaden te hebben.
GEBED.
Geen beter middel, o God! tegen zelfverheffing dan te overwegen wat ik ben. Ja, ik ben een niets, een zwak, ellendig schepsel ; aan miji-elven overgelaten, verval ik tot allerlei dwaasheden en ongeregeldheden. Uwe hand
243
244 111 BOEK. XV HOOFDSTUK.
alleen kan mij staande houden, uwe hoede mij beveiligen. Ach ! onttrek mij dan uwen bijstand niet, en laat het bewustzijn dien niet te kunnen ontberen alle opwellingen van hoogmoed bij mij onderdrukken.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Hoe men zich bij al het wenschelijke moet gedragen, en hoe men moet bidden.
1. De Heer. Mijn zoon! bij alles moet gij zeggen : â Heer! als het U behaaglijk is, dat het dan dus geschiede!
â Heer! zoo dit strekke tot uwe eer, het geschiede in uwen naam !
âHeer! zoo het u dunkt dat het mij voegt en Gij het nuttig oordeelt, geef dat ik het tot uwe eer aanwende.
â Maar ziet Gij dat iets mij schadelijk en het heil mijner ziel niet bevorderlijk is, neem dan van mij zulke begeerte weg.
Want niet elke begeerte is van den H. Geest, al schijnt zij den mensch recht en goed.
Het is moeielijk naar waarheid te beoordee-len of een goede dan een kwade geest u aanzette om dit of dat te begeeren, alsmede of gij door uw eigen geest bewogen wordt.
Velen werden op het einde bedrogen, die in den beginne meenden door een goeden geest gedreven te zijn.
2. Wat zich dan ook aan uwen geest als
in BOEK. XV HOOFDSTUK. 245 wenschenswaardig vertoone, gij moet het altoos in de vreeze Gods en in ootmoed des harten wenschen te vragen; vooral moet gij, met zelfverzaking, alles geheel aan mij overlaten en zeggen :
âHeer! Gij weet wat het beste zij. Dat dit of dat geschiede naar uw welbehagen.
â Geef wat Gij wilt en zooveel Gij wilt, en wanneer Gij wilt.
â Doe met mij volgens uwe oogmerken, zoo als U het meest behaagt en uwe eer het meest bevordert.
â Plaats mij waar Gij wilt, en beschik in alles vrij over mij.
â Ik ben in uwe hand; draai en wend mij om en om.
âZiel ik ben uw dienstknecht tot alles bereid : want niet voor mij, maar voor U begeer ik te leven : mocht ik dat waardig en volmaakt doen! quot;
De Geloovige. Goedertierenste Jezus! geef mij uwe genade, opdat zij met mij zij en met mij arbeide en mij ten einde toe bijblijve.
Geef dat ik altoos wensche en wille hetgeen U het aangenaamst en meest behaaglijk is.
Uw wil zij de mijne, en mijn wil volge altoos den uwen en strooke daarmede volkomen.
Laat mijn willen en niet willen met het uwe overeenstemmen ; dat ik nooit iets anders kunne willen of niet willen dan hetgeen Gij wilt of niet wilt.
4. Geef mij af te sterven alles wat wereldsch
246 in BOEK. XV HOOFDSTUK.
is, en om uwentwil gaarne in deze wereld ver»
acht en onbekend te zijn.
Geef dat ik, boven alles wat ik wensch, in U ruste en mijn hart in U vrede vinde.
Gij zijt de ware vrede des harten, Gij de eenige rust. Buiten U is alles zwaar en onrustig.
In dezen vrede dan, dat is in U, het eenigst hoogste en eeuwige goed, zal ik slapen en rusten. (Ps. 4.) Amen.
OEFENING.
Dewijl God alles wil wat ons overkomt, en Hij het wil voor ons welzijn en voor onze zaligheid, zoo moeten wij ons in alles aan zijnen heiligen wil overgeven, dat wil zeggen in de oefening : 1. Met niets te willen dan hetgeen God wil, en het willen gelijk Hij dit wil en als Hij dit wil. 2. Ons nooit van zijnen heiligen wil door eene vrijwillige ontrouw verwijderen, en nimmer aan ons hart toelaten iets te zeggen of te doen, wat met den wil van God strijdig is. 3. Nooit uit eenig inzicht zondigen, en ons niet tegen God stellen in hetgene Hij van ons wil.
Er is slechts een sterk en standvastig voornemen noodig om alles te doen, te laten en te lijden hetgene Hij wil of Van onze getrouwheid zou willen, om ons slachtoffers van zijne liefde en van zijn welbehagen te maken, ons op aarde datgene te doen beginnen, wat wij hopen in
Ill BOEK. XVI HOOFDSTUK. 247 den hemel te blijven doen. Laat ons dus den Heer dikwijls bidden, dat zijn wil in ons hier op aarde geschiede, gelijk Hij in ons in eeuwigheid zal geschieden.
GEBED.
Vader! uw wil geschiede! Uw wil is de beste, de wijste. Gij weet het beste wat ons dienstig is, terwijl wij maar al te vaak het noo-dige doorzicht missen. Dat dan van nu af uw wil alleen het richtsnoer mijner begeerten zij ; dat mijn wil aan den uwen volkomen onderworpen blijve. Doe met mij in alles naar uw heilig welbehagen. Zie, ik ben in uwe hand, uw dienstknecht tot alles bereid. Uw wil zij de mijne : want Gij zijt mijn vader, en ik ben uw kind.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Dat men bij God alleen waren troost moet zoeken.
1. De Geloovige. Alles wat ik tot mijnen troost verlangen of bedenken kan, Wacht ik niet hier maar in de toekomst.
Want al had ik alleen al de verkwikkingexi der wereld en al konde ik alle genoegens genieten, zoo is het zeker dat zij van geen langen duur kunnen zijn.
Gij dan, mijne ziel! kunt geen volkomen troost, geen volmaakt genoegen vinden tenzij
248 Hl BOEK. XVI HOOFDSTUK.
bij God, den trooster der armen, den beschermer
der ootmoedigen.
Wacht, mijne ziel! een weinig, wacht op de beloften van God en gij zult in den hemel overvloed van alle goederen hebben.
Maar zoo gij de tegenwoordige te ongeregeld najaagt, dan zult gij de eeuwige en hemelsche verliezen.
Het tegenwoordige zij tot uw gebruik, het eeuwige trekke uw verlangen.
Geen tijdelijk goed kan verzadigen, dewijl gij niet geschapen zijt om dat te génieten.
2. Al bezaat gij ook alle geschapene goederen, zoo zoudt gij niet gelukkig noch zalig kunnen zijn; maar in God, die alles geschapen heeft, is uw volkomen zaligheid en uw geluk gelegen.
Niet zooals die den dwazen minnaars der wereld toeschijnt en door hen wordt geroemd, maar zooals de goede geloovigen van Christus verwachten, en waarvan de geestelijkge-zinden en zuiveren van harte, wier omgang in den hemel is, somtijds een voorsmaak hebben.
3. IJdel en kortstondig is alle menschelijke troost; waar en zalig is die, welken men inwendig door de Waarheid ontvangt.
Een godvruchtig mensch draagt overal zijn trooster Jezus met zich om, en zegt tot Hem :
â Blijf mij bij, Heere Jezus! in alle plaatsen en tijden.
UI BOEK. XVI HOOFDSTUK. «49
â Dit zij mijn troost, allen menschelijken troost gaarne te willen ontberen !
â En wordt ook uw troost onthouden, dat dan uw wil en rechtvaardige beproeving mijn grootsten troost uitmaken.
â Gij zult toch niet altoos vergramd zijn en niet eeuwiglijk bedreigen. quot; (Ps. 102.)
OEFENING.
God is het middenpunt onzes harten, zegt de H. Angustinus, en wij zullen altijd onrustig leven, zoo lang wij in Hem niet zullen rusten ; dit is, zoo lang als wij, aan ons zeiven en aan de schepselen verkleefd, ons geluk buiten God zullen zoeken. Men moet zich dan onthechten van alles wat God niet is, zich van alles afscheiden, als dood zijn voor alles, om het ware geluk te bezitten, hetwelk eene ziel in God vestigt. Zeggen wij dus niet, gelijk de wereld-lingen : gelukkig zij, die alles, wat zij verlangen, in overvloed hebben, en aan welke noch goederen, noch wereldsche vermaken ontbreken ! Laat ons liever zeggen : gelukkig een hart, voor hetwelk God alleen genoegzaam is Gelukkig een Christen, die niets bemint, dan datgene wat hij altijd zal beminnen!
GEBED.
Ja, Heer, waarachtig is uw woord. Hoe dikwerf dacht ik mij aan het aardsche te bevredigen en zag ik mij bedrogen ! Het is zooals Gij zegt, al de aardsche goederen te zamen
25© HI BOEK. XVII HOOFDSTUK.
kunnen mij niet bevredigen, dewijl ik voor verhevener en meer duurzame goederen ben bestemd. Gij, o God 1 kunt alleen mijn trooster en volkomen bevrediger zijn. Wees Gij 't dan ook en blijf mij bij ; zoo zal ik allen mensche-lijken troost kunnen ontberen.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. Dat men alle zorg op God moet werpen.
1. De Heer. Mijn zoon! laat mij met u doen zooals Ik wil. Ik weet wat u dient.
Gij denkt als een mensch, uw gevoelen is in vele dingen volgens hetgeen menschelijke aandoeningen ingeven.
2. De G e 1 o o v i g e. Heer ! het is waar hetgeen Gij zegt. Uwe zorg voor mij is groo-ter dan alle zorg die ik voor mijzelven kan hebben.
Hij toch staat zeer waggelend, die niet al zijne zorgen op U werpt.
Daarom, o Heer! als maar mijn wil oprecht en vast aan U gehecht blijft, doe dan met mij wat U behaagt.
Want wat Gij met mij doet, het kan niet dan goed zijn.
Wilt Gij dat ik nog in de duisternis blijve, wees gezegend, en wilt Gij dat ik in het licht zij, wees insgelijks gezegend.
Verwaardigt Gij U mij te troosten, wees gezegend, en wilt Gij dat ik gekweld worde, wees altoos evenzeer gezegend.
Ill BOEK. XVII HOOFDSTUK. 2$ I
3. De Heer. Mijn zoon 1 zoo moet gij gesteld zijn, verlangt gij met Mij te wandelen.
Gij moet even bereid zijn om te lijden als om U te verblijden ; gij moet even gaarne in armoede en behoefte als in overvloed en rijkdom leven.
4. De Geloovige. Heer! wat U ook be ⢠hage over mij te laten komen, ik zal het voor U gewillig lijden.
Ik wil onverschillig het goede en het kwade, het zoete en het bittere, het blijde en het droevige uit uwe hand aannemen, en U voor alles wat mij overkomt danken.
Behoed mij voor alle zonde, en ik zal dood noch hel vreezen.
Verwerp mij slechts niet voor eeuwig en schrap mij niet uit het boek des levens, dan schaadt het mij niet, welke kwellingen ook over mij komen.
OEFENING.
Om in onrust den vrede te bewaren, moet onze wil in God onwankelbaar zijn, en God altijd tot doeleinde hebben, dat wil zeggen, dat men in de oefening moet geschikt zijn, om alles van de hand en van het hart van God, van zijne rechtvaardigheid en goedheid, met eene ootmoedige onderwerping aan zijn welbehagen te ontvangen. Goed en kwaad, gewondheid en ziekte , voor- en tegenspoed, vertroosting en mistroostigheid, bekoring en
«52 iii boek. xviii hoofdstuk.
vrede, inwendige vertroostingen, beproeving en kastijding, alles moet in eene ziel met ootmoed, geduld en onderwerping ontvangen worden, als komende van de hand Gods, en dit is het eenige middel om den vrede te midden der grootste beroerten aan te treffen.
GEBED.
Aan wien, o God! zoude ik mijne zorgen beter kunnen toevertrouwen dan aan U, die de lotgevallen uwer kinderen zoo wijs bestuurt? Ik leg dan al mijne zorgen in uwen schoot neder. Gij weet wat mij het beste is. Belieft het U mij met voorspoed te zegenen, ik zal U loven ; wilt Gij mij met tegenspoed bezoeken, ook daarvoor zal ik U danken. Bewaar mij voor het allergrootste kwaad, de zonde; al het overige zij U overgelaten.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Dat men al de rampen des levens naar het voorbeeld van Christus 3 met gelijkmoedigheid moet dragen.
i. De Heer. Mijn zoon! om uwer zaligheids wille ben Ik van den hemel nedergedaald; Ik heb uwe ellenden op Mij genomen, niet uit dwang maar getrokken door liefde, opdat gij geduld zoudt leeren en de tijdelijke rampen gewillig dragen.
\
III BOEK. XVIII HOOFDSTUK. 253
Want van het uur mijner geboorte tot mijn verscheiden aan het kruis, ontbrak het Mij nooit aan lijdenssmart.
Ik heb groot gebrek aan tijdelijke goederen gehad en dikwijls velerlei klachten over mij gehoord.
Met zachtmoedigheid verdroeg Ik beleedigin-gen en smaad; voor weldaden ontving Ik ondankbaarheid, voor wonderwerken laster, voor mijne leer berispingen.
2. De Geloovige. Heer! dewijl Gij in uw leven geduldig waart en daardoor vooral het bevel uws Vaders volbracht, zoo is het billijk dat ik, ellendige zondaar, naar uwen wil in geduld het uithoude, en den last van dit verderfelijk leven om mijner zaligheids wille zoolang drage, als het U zal believen.
Hoe zwaar ook de last van het tegenwoordige leven drukke, het is toch nu door uwe genade zeer verdienstelijk gemaakt. Ook door uw voorbeeld en de voetstappen uwer Heiligen is het den zwakke draaglijker en helderder geworden.
En ook is daaraan meer troost verbonden dan voorheen onder de Oude Wet, toen de toegang ten hemel gesloten bleef, en ook de weg ten hemel scheen duisterder, toen zoo weinigen moeite deden om het hemelrijk te zoeken.
Zelfs ook zij, die toen rechtvaardig en ter zaligheid geroepen waren, konden het rijk der hemelen niet binnengaan, voordat door uw
254 111 BOEK. XVIII HOOFDSTUK.
lijden en heiligen dood de schuld afgedaan was.
3. O, hoeveel dank moet ik U niet bewijzen, dat Gij U verwaardigd hebt mij en allen ge-loovigen den rechten en zekeren weg naar het eeuwig koninkrijk te toonen 1
Want uw leven is onze weg en door heilige lijdzaamheid gaan wij tot U, die onze kroon zijt.
Waart Gij ons niet voorgegaan en hadt Gij ons niet onderwezen, wie zoude moeite doen om te volgen ?
Helaas! hoevelen zouden niet verre achterblijven, zoo zij op uw heerlijk voorbeeld niet konden staren 1
Zie! wij blijven nu nog lauw, nadat wij zoo vele wonderwerken en leeringen gehoord hebben ; wat zoude het zijn, indien wij zulk een groot licht niet hadden om U te volgen ?
OEFENING.
Dikwijls moeten wij op het smartvol lijden des Zaligmakers denken, die voor ons de straffen, welke wij schuldig waren heeft geboet, en dit om ons op te wekken om behoorlijk te lijden. Het lijden, dat God ons overzendt, dient om onze getrouwheid te beproeven, de rechtvaardige straffen om onze ongetrouwheden te tuchtigen. Wij moeten het met eene ootmoedige onderwerping en in den waren geest van boetvaardigheid aannemen. Gelukkig nog, dat wij aan de goddelijke rechtvaardigheid in den
Ill BOEK. XVIII HOOFDSTUK. 255 tijd mogen voldoen, om Gods goedheid in eeuwigheid te mogen aanschouwen.
De giootste kwelling die wij hebben, is ons-zelven te verdragen. De opstand onzer driften, de bitterheden van ons hart, de droefgeestigheid van onzen aard, de ongeregeldheden onzer gedachten en geheel ons eigen, zijn zoo strijdig aan God, zouden een kruis wezen, dat zeer moeielijk te dragen is, tenzij wij menigmaal dachten aan het geduld, waarmede God ons verdraagt, en dat wij moeten navolgen, onszel-ven verdragende. Laat ons dan trachten in kwellingen te leven en ze geduldig te aanvaarden, om met den troost te sterven, dat onze zonden door het goede gebruik der smarten van dit leven uitgewischt zijn, welke het noodzakelijkste geduld is tot de zaligheid van eenen Christen.
GEBED.
Hoe kan ik, o God ! over eenig lijden klagen, daar ik in Jezus uwen Zoon een voorbeeld heb! Hij droeg den zwaarsten last, verdroeg allerlei lijden, en mij zoude reeds het geringste lijden ondraaglijk vallen ? Dat mijn oog op dezen grooten voorganger gevestigd blijve, en ik mij bevlijtige zijn voetspoor te drukken. Dat ik van Hem geduld leere : zoo mag ik mij in waarheid een leerling van Hem noemen, en zie ik mijn geduld, door Hem, bij U bekroond.
256 III BOEK. XIX HOOFDSTUK.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Over het verdragen van smaad. De ware geduldige.
1. De Heer. Wat zegt gij, mijn zoon? Houd op met klagen bij de overweging van mijn lijden en dat mijner Heiligen.
Gij hebt immers nog niet tot bloedvergietens toe gestreden. ( Hebr. 12.)
Wat gij lijdt is weinig in vergelijking van hen, die zooveel geleden hebben, die zoo hevig bekoord, zoo zwaar verdrukt en op zoo velerlei wijze beproefd en geoefend zijn.
Gij moet u dus het zwaardere van anderen voor den geest brengen, opdat gij het geringere te lichter moogt dragen.
En komt het u zoo gering niet voor, zie toe of uw ongeduld daarvan niet de oorzaak zij.
Doch het moge klein of groot zijn, beijver u om alles geduldig te dragen.
2. Hoe beter gij u tot lijden schikt, zooveel te wijzer handelt gij en te meer verdient gij.
Ook zult gij alles lichter dragen, als gij u door moed en oefening daartoe voorbereidt.
Zeg niet: â dit kan ik van dien mensch niet verdragen, ook behoef ik zoo iets niet te lijden ; want hij heeft mij groote schade gedaan en verwijt mij dingen, waaraan ik nooit gedacht heb. Van een ander zoude ik gaarne verdragen, wat ik zoude meenen te moeten verdragen.
Ill BOEK. XIX HOOFDSTUK. 257
Dwaas is dusdanige gedachte, welke de deugd des gedulds niet in aanmerking neemt, noch van wien zij bekroond zal worden, maar eer let op personen en aangedane beleedigingen.
3. Hij is de ware geduldige niet, die niet wil lijden dan zooveel hem goeddunkt en van wien het hem belieft.
Maar de ware geduldige ziet er niet op door wien hij geoefend worde, of hij zijn overste of zijnsgelijke of een mindere, of het een vroom en heilig dan een boos en nietswaardig mensch zij.
Maar hoeveel en van welk schepsel ook en hoe dikwijls hem eenig kwaad overkome, alles neemt hij zonder onderscheid uit Gods hand met dankbaarheid aan en houdt het voor een groot gewin : want niets, hoe gering ook, indien men het slechts om Gods wil lijdt, kan bij God onbeloond blijven.
4. Wees derhalve steeds bereid tot den strijd zoo gij de zege wilt behalen. gt;
Zonder strijd kunt gij de kroon des gedulds niet bekomen.
Wilt gij niet lijden, gij wilt niet gekroond worden; maar verlangt gij gekroond te worden, strijd dan kloekmoedig, vei draag met geduld.
Zonder arbeid komt men niet tot rust; zonder strijd behaalt men geene overwinning.-
5. De Geloovige. Dat mij, o Heer! door uwe genadef mogelijk worde, wat mij van nature onmogelijk schijnt.
Gij weet hoe weinig ik verdragen kan en
17
258 III BOEK. XIX HOOFDSTUK.
hoe ras ik bij het opkomen van den geringsten
tegenspoed ternederligge.
Laat elke oefening van verdrukking mij om uwen naam behaaglijk en wenschelijk worden : want om uwentwil te lijden en gekweld te worden is allerheilzaamst voor mijne ziel.
OEFENING.
De oefening van het geduld bestaat : 1. In alle wederwaardigheden van de hand Gods te ontvangen. 2. In alles met onderwerping te lijden. 3. In nooit over eenige tegenspraak te klagen. 4. In te gelooven, dat er ons, na de hel verdiend te hebben, geen ongelijk noch onrechtvaardigheid kan wedervaren. 5. In geene klachten dan over onszelven te doen. 6. In niets te zeggen als men ontsteld is. 7. In God voor het kwade, zoowel als voor het goede te bedanken. 8. Eindelijk, in dikwerf met Job te zeggen : De Heer had het mij gegeven, de Heer heeft het mij ontnomen, zijn naam zij geprezen. Ziedaar, welke de oefening moet wezen, die ter zaligheid van alle christenen noodzakelijk is, en die nochtans in de christene wereld zoo zeldzaam gevonden wordt; want er is niemand, of hij lijdt veel, en weinigen, die behoorlijk lijden.
Een lang en standvastig geduld in de wederwaardigheden, is een zeer krachtige boetple-ging om dc zonden uit te wisschen, welke God niet tweemaal straft; en wanneer hij ons in dit
Ill BOEK. XX HOOFDSTUK. 259 leven tuchtigt, toont hij ons hierdoor, dat hij ze in het andere niet zal straffen.
GEBED.
Hoe meer ik o God! uw woord overweeg, hoe meer ik mijzelven beschouw, hoe noodzakelijker ik voor mij de oefening van geduld houde. Maar ach! hoe verzet zich daartegen mijne zinnelijkheid! Gij weet hoe weinig ik verdragen kan en hoe dra ik, bij het geringste windje van tegenspoed, bezwijke. Leer mij meer en meer mijzelven overwinnen, en laat mij door uwe genade datgene mogelijk worden, wat mijner zinnelijkheid zoo vaak onmogelijk schijnt.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Over de bekentenis van eigene zwakheid en over de rampen des levens.
i. De Geloovige. Ik zal tegen mij mijne ongerechtigheid belijden: (Ps. 31.) Ik zal, o Heer! voor U mijne zwakheid belijden.
Dikwijls is het eene geringe zaak, welke mij terneerslaat en bedroeft.
Ik neem voor mij kloekmoedig te gedragen; maar als eene geringe bekoring komt, overvalt mij groote angst.
Somtijds is het een allerellendigst ding, waaruit eene zware bekoring ontstaat.
En wanneer ik mij, omdat ik niets gevoel,
26O III BOEK. XX HOOFDSTUK, een weinig veilig acht, dan bevind ik mij somtijds door een klein windje bijna overwonnen.
2. Zie dan, o Heer! neder op mijne zwakheid en broosheid, U door en door bekend.
Ontferm U mijner en trek mij uit het slijk dat ik daarin niet blijve steken (Ps. 68), opdat ik niet teenemaal neerslachtig blijve.
Dit is het dat mij zoo vaak ternederslaat en voor U beschaamt, dat ik zoo licht val en zoo zwak ben ter bestrijding van mijne driften.
En al komt het niet geheel tot toestemming, is my echter hunne aanvechting lastig en moeilijk, en het verdriet mij zeer alzoo dagelijks in twist en strijd te leven.
Ook daaruit wordt mijne zwakheid mij bekend, dat de verfoeilijke voorstellingen altoos veel lichter opkomen dan vertrekken.
3. Ach ! zeer vermogende God van Israël! â ijveraar der getrouwe zielen ! zie op den arbeid en druk van uwen dienstknecht neder, en sta hem bij in alles wat hij onderneemt.
Versterk mij met bemelsche kracht, opdat de oude mensch, het ellendige vleesch, den geest nog niet geheel onderworpen, niet de overhand krijge; tegen hetwelk ik zoolang zal moeten strijden, als ik in dit zeer ellendige leven adem-hale.
Ach ! wat is dit leven, waar rampen en ellenden niet ontbreken en alles vol is van strikken en vijanden.
Wj^nt de eene kwelling of bekoring wijkt
Ill BOEK. XX HOOFDSTUK. 201 niet, of de andere is daar; ja, terwijl een vorige strijd nog duurt, komen er onverwachts meer andere op.
4. Hoe kan men dan een leven beminnen, dat zooveel bitterheids heeft en aan zoovele rampen en ellenden onderhevig is ?
Hoe noemt men het nog een leven, dat zooveel dood en verderf teelt ?
En nochtans bemint men het, en velen zoeken daarin hun genoegen.
Dikwijls verwijt men de wereld dat zij bedrieglijk en ijdel is : nochtans verlaat men haar niet licht, wijl de begeerlijkheden des vleesches te veel de overhand hebben.
Want iets anders trekt tot het beminnen, iets anders tot het verachten der wereld.
Tot de liefde der wereld trekken de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen en de hoovaardij des levens; maar de daarop billijk volgende straffen en ellenden verwekken haat der wereld en verdriet.
5. Doch helaas! de kwade begeerte sleept de wereldschgezinde ziel mede, die het een wellust acht op doornen te liggen. (Job 30), omdat zij de liefelijkheid van God en de innerlijke genoegens der deugd noch gekend, noch gesmaakt heeft.
Zij daarentegen die de wereld volkomen versmaden en voor God onder eene heilige tucht zoeken te leven, zijn niet onbekend met de goddelijke liefelijkheid, toegezegd aan ware verzakers, en zien het duidelijker in hoezeer
202 III BOEK. XX HOOFDSTUK, de wereld dwaalt en op hoevelerlei wijze zij bedrogen wordt.
OEFENING.
* Het is niet genoeg zijne zwakheid en ellende te gevoelen en te kennen, of het gedurig gevaar, waarin men zich bevindt, van zijne driften te volgen en in zonden te vallen; men moet zich tevens in Gods tegenwoordigheid verootmoedigen, met vertrouwen tot Hem zijne toevlucht nemen, steeds over de kwellingen zijner ballingschap zuchten, zich in de armen van den Zaligmaker werpen en op zijne goedheid steunen, tot Hem wederkeeren zoodra men gevallen is, zich na den val weder oprichten, en nooit in den staat van zonde, noch van lauwheid of trouweloosheid, waartoe onze zwakheid ons aanzet, blijven voortgaan.
Dit leven is zoo vol bekoringen, wederwaardigheden en ellenden, dat het ondragelijk wordt voor eene ziel, die haren God bemint, en vreest Hem te beleedigen. Het middel, roept zij uit, van te leven zonder te zondigen! maar het middel van te zondigen en te leven I Hoe, altijd vallen, altijd zich weder oprichten, altijd zijne driften bestrijden en altijd aan de ongeregelde neigingen zijns harten wederstaan ! Dat is geen leven, dat is zonder ophouden sterven. Laat ons niet ophouden onze driften in te toornen, te bevechten en te overwinnen, aangezien hierin de verdienste van een bovennatuurlijk leven bestaat, hetwelk den hemel waardig is.
Ill BOEK. XXI HOOFDSTUK. 263
GEBED.
Opnieuw belijde ik voor U, o God! mijne zwakheid. Zwak ben ik ; dagelijks ontwaar ik daarvan de blijken. Niet slechts is de geringste tegenspoed in staat om mij terneder te slaan, maar ook de geringste bekoring om mij te overwinnen. Ik ken het bedriegelijke der wereld, en echter laat ik mij door haar schijnschoon verleiden. Dat dit bedrog eens ophoude! Versterk mij door uwe kracht en doe mij over wereld en vleesch zegevieren.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK
Dat men in God boven alle goederen en gaven moet rusten.
1. De Geloovige. Gij dan, mijne ziel! rust boven alles en in alles steeds in den Heer : want Hij is de rust der Heiligen.
Geef, o allerliefste en beminnelijkste Jezus! dat ik in U boven alle schepsel ruste, boven gezondheid en schoonheid, boven allen rqem en eer, boven alle macht en waardigheid, boven alle wetenschap en vernuft, boven alle rijkdommen en kunsten, boven alle vreugde en blijdschap, boven alle faam en naam, boven alle genoegens en troost, boven alle hoop en belofte, boven alle verdienste en verlangen, boven
264 III BOEK. XXI HOOFDSTUK.
alle giften en gaven welke Gij kunt geven en uitstorten, boven alle vroolijkheid en verrukking welke de ziel vatten en voelen kan; eindelijk boven alle Engelen en Aartsengelen en boven het gansche hemelsch heir; boven alle zichtbare en onzichtbare dingen en boven alles, wat Gij, mijn God! niet zijt.
2. Gij toch, Heere mijn God ! zijt boven alles de beste; Gij alleen de allerhoogste; Gij alleen de machtigste; Gij alleen de allergenoegzaamste en rijkste ; Gij alleen de allerliefelijkste en troostrijkste; Gij alleen de allerschoonste en allerbeminnelijkste; Gij alleen de alleredelste en allerroemrijkste; in wien alle goed, tegelijk en volkomen is, en altoos was en zijn zal.
Daarom is alles gering en ongenoegzaam, wat Gij mij buiten Uzelven schenkt, of van Uzelven openbaart, of belooft, zoolang ik U niet aanschouwen noch volkomen genieten mag.
Want mijn hart kan niet waralijk rusten noch ten volle bevredigd worden, tenzij het in U ruste en zich boven alle gaven en boven alle schepsel verheffe.
3. OJezus Christus! dierbaarste bruidegom ! zuiverste minnaar 1 Heer van al het geschapene ! wie zal mij vleugelen eener ware vrijheid geven om tot U te vliegen en in U te rusten ?
O, wanneer zal het mij vergund worden, geheel vrij te zijn en te zien hoe lieflijk Gij zijt, Heere mijn God 1
Wanneer zal ik mij volkomen met U ver-
Ill BOEK. XXI HOOFDSTUK. 265 eenigen, zoodat ik door liefde tot U mijzelven niet gevoele, maar U alleen^ boven alle besef en mate, op eene wijze aan allen niet bekend.
Doch thans zucht ik dikwijls en draag mijn ongeluk met smart: want in dit dal der ellende bejegent mij veel kwaads, dat mij dikwijls ontstelt, bedroeft en benevelt, dat mij dikwijls hindert en aftrekt, aanlokt en verstrikt, zoodat ik geen vrijen toegang tot U hebbe en die ge-noegelijke omhelzingen misse, welke de zalige geesten steeds genieten.
Mochten mijne verzuchtingen en de menigvuldige kwellingen hier op aarde U bewegen!
4. O Jezus! glans der eeuwige heerlijkheid! troost der ziele in hare vreemdelingschap ! voor U is mijn mond zonder spraak, maar mijn stilzwijgen spreekt tot U.
Hoe lang toeft mijn Heer nog tot mij te komen ?
Dat Hij kome tot mij, zijn armen dienstknecht, en mij verblijde; dat Hij zijne haud uit-strekke en een ellendige rukke uit allen angst!
O kom ! kom! want zonder U heb ik geen blijden dag noch uur : Gij zijt mijne vreugde en zonder U is mijne tafel ledig.
Ik ben ellendig gekerkerd en met kluisters beladen, totdat Gij mij door het licht uws bij-zijns verkwikt, mij de vrijheid wedergeeft en mij uw vriendelijk aanschijn laat aanschouwen.
5. Dat anderen in plaats van U iets anders zoeken wat zij willen ; mij behaagt intusschen
266 III BOEK. XXI HOOFDSTUK.
niets en zal niets behagen, tenzij Gij mijn Godl mijne hoop, mijn eeuwig heil.
Ik zal niet zwijgen noch ophouden met bidden, totdat uwe genade terugkeere en Gij inwendig tot mij spreekt.
De Heer. Zie, hier ben ik. Zie ik kom tot u, daar gij Mij hebt aangeroepen. Uwe tranen en de begeerten uwer ziele, uwe vernedering en droefheid des harten hebben Mij bewogen en tot u gebracht.
6. De Geloovige. Ja, Heer ! ik heb U geroepen, en ik heb verlangd U te genieten, gereed om alles om uwentwille te versmaden. Gij toch hebt mij eerst opgewekt, dat ik U mocht zoeken.
Wees dan gezegend, o Heer! die uwen dienstknecht deze goedheid bewezen hebt naar de menigte uwer barmhartigheden.
En wat heeft uw dienstknecht voor U nog meer te zeggen, dan dat hij zich voor U diep vernedere, steeds indachtig zijner ongerechtigheid en nietigheid.
Want onder al het wonderbare in hemel en op aarde is uws gelijke niet,
Overgoed zijn uwe werken, billijk uwe oor-deelen, en alles wordt door uwe voorzienigheid bestuurd.
Daarom, o wijsheid des Vaders! zij U lof en heerlijkheid. Dat mijn mond, mijne ziel en al het geschapene te zamen U loven en prijzen.
Ill BOEK. XXI HOOFDSTUK. 267
OEFENING.
Men moet God stellen boven alles wat bestaat, en niet is wat Hij is; dat wil zeggen, dat men in de oefening zich moet toeleggen om zichzelven te verlaten, zich in alles te vér-loochenen, alle zelfvoldoening af te sterven, en zich honderde geoorloofde vermaken te ontzeggen, om zich te straffen over de zondige vermaken, welke men genoten heeft. Zich versterven, zich verlaten en zich voor God opofferen ; zich boven al het geschapene verheffen, om tot God te kunnen naderen en zich geheel in Hem te verliezen; in zich eenen voortdu-renden staat behouden van inwendige en opperste aanbidding voor God, voor wien alles in ons moet wijken; Hem door onze werken en door de opoffering van alles, wat ons behaagt, als den volkomen Meester en den God onzes harten aanstellen ; door de liefde Gods zoozeer doordrongen zijn, dat men niets meer smake dan Hem, in het paradijs dezer aarde, en als een voorsmaak van de eeuwigheid. Maar om hiertoe te geraken, moet men zich ontdoen van de vermaken des geestes, die ons verstrooien en van God aftrekken; van de verkleefdheid des harten, die ons aan het schepsel hecht; opdat de ziel gansch vrij eu ontdaan van het slavenjuk harer driften, zooals de koninklijke Profeet zegt, vleugels aanneme van eene duif, om tot God te vliegen en in Hem alleen te rusten.
268 III BOEK. XXII HOOFDSTUK,
GEBED.
Mocht ik zoo gelukkig zijn in U, o God! boven alles mijne rust te zoeken en ook te vinden! Konde ik mij boven het aardsche verheffen om mij te nauwer aan U te verbinden ! Doe dat oogenblik waarnaar ik zoo zeer verlang, dra verschijnen. Kom toch, Heere Jezus ! kom, verbreek de banden, die mij binden en in mijne vlucht belemmeren. Kom, troost mijn naar licht begeerig hart en verbind het aan U door zuivere, onbepaalde, alles overtreffende liefde.
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Over het gedenken van Gods menigvuldige weldaden.
i. De Geloovige. Heer! open mijn hart voor uwe wet en leer mij naar uwe geboden wandelen.
Geef mij dat ik uwen wil versta en met groo-tep eerbied en eene ernstige overweging uwe weldaden, zoo in het algemeen als in het bijzonder, gedenke, opdat ik U daarvoor waardig dank betuige.
Maar ik weet en beken dat ik ook voor de geringste zaak U de schuldigc dankzegging niet kan toebrengen.
Ill BOEK. XXII HOOFDSTUK. 269
Ik ben verre beneden al de goederen mij geschonken, en als ik let op uwe verhevenheid, dan bezwijkt mijn geest voor die grootheid.
2. Alles wat wij hebben naar ziel en lichaam, en alles wat wij uitwendig of inwendig op eene natuurlijke of bovennatuurlijke wijze bezitten, is uw geschenk en kondigt U aan alg den liefderijke, weldadige en goede, van wien wij alle goed ontvangen hebben.
Al heeft de eene meer, de andere minder ontvangen, alles is toch het uwe, en zonder U kan men niet het minste bezitten.
Hij die meer ontvangen heeft, mag niet roemen op zijne verdienste noch zich boven anderen verheffen, ook niet den mindere bespotten; want deze is de grootste en beste, die zichzelven het minste toeschrijft en in het bedanken het nederigste en ijverigste is.
En wie zich voor den geringste van allen houdt en als den onwaardigste oordeelt, is het geschiktst om grootere gaven te ontvangen.
3. Die nu minder ontvangen heeft mag zich niet bedroeven noch het kwalijk nemen, noch den meer bedeelde benijden : maar liever moet hij op U zien en uwe goedheid te meer prijzen, dat Gij uwe geschenken zoo mild, zoo om niet en zoo gewillig, zonder aanzien van personen, uitdeelt.
Alles is uit U en daarom zijt Gij in alles te \oven.
Gij weet wat eenieder nuttig is te geven, en
.270 III BOEK. XXII HOOFDSTUK, waarom deze minder en die meer hebbe staat niet aan ons te beslissen, maar aan U, bij wien de verdiensten van ieder zijn bepaald.
4. Daarom, Heere God! acht ik het ook eene groote weldaad niet te veel te hebben, waaruit naar het uitwendige en volgens den mensch lof en roem voortkomt; zoodat iemand, bij de beschouwing van zijn eigen armoede en geringheid, deswegens niet alleen geen bezwaar of droefheid of misnoegdheid'mag gevoe'en, maar eer troost en groote vreugde, omdat Gij, o God! de armen en nederigen en bij de wereld vei-achten tot uwe vertrouwelingen en hnisgenoo ten verkoren hebt.
Getuigen zijn uwe Apostelen zeiven, die Gij als vorsten over de geheele aarde hebt gesteld.
Echter verkeerden zij in de wereld zonder klagen, zoo nederig en eenvoudig en zoo vreemd van alle list en bedrog, dat zij zich zelfs verheugden om uws naams wille smaad te lijden en datgene wat de wereld schuwt, met grooten ijver omhelsden.
5. Niets derhalve moet hem, die U bemint en uwe weldaden kent lt;eoo verheugen, als uw wil over hem en het welbehagen uwer eeuwige beschikking.
Ja daarover moet hij zoo tevreden en getroost zijn, dat hij even gaarne de minste zoude willen blijven als een ander wenscht de grootste te zijn ; en evenzoo vreedzaam en vergenoegd op de laagste plaats als op de eerste; en even gaarne veracht en verworpen zelfs zonder naam
Ill BOEK. XXII HOOFDSTUK. 271 en faam, als boven de overigen in de wereld geëerd en verheven.
Want uw wil en de ijver voor uwe eer moeten boven alles gaan, en hem meer troost en genoegen geven dan al de weldaden, hem geschonken of nog te schenken.
OEFENING.
Gelukkig eene ziel, die zich in hare oogen gering acht; die evenzeer tevreden is onder anderen te staan, als anderen tevreden zijn boven allen geacht te worden; die al hare verdiensten en haar geluk stelt in onbekend, verworpen en versmaad te wezen; die even vurig verlangt de verachting en afschrik der wereld te wezen, als anderen wenschen door haar geacht en geëerd te worden 1 Want die ziel stelt haar vermaak in het hart van God; zij is groot in de oogen van zijne Majesteit, en verdient door hare ootmoedigheid zijne grootste genaden. Om tot dien graad van volmaaktheid te komen, moet men gaarne een onbekend en verworpen leven leiden ; niets doen uit inzicht om geacht of geprezen te worden; zeer gaarne eene versmading en eenen slechten uitval aanvaarden als iets dat wij verdienen, en met eene ootmoedige onderwerping de minachting, tegenspraak en den laster ontvangen; zich met schande voeden, gelijk Jezus Christus zich daarmede heeft gevoed, en het zich tot eer rekenen aan Hem gelijkvormig te zijn.
272 III BOEK. XXIII HOOFDSTUK.
GEBED.
Hoe zal ik, o God! al de weldaden optellen die ik van U ontvangen heb ? Ik verlies mij in deze diepte. Alles wat ik bezit, is uwe gave. Hij die meer bezit, mag zich daarop niet beroemen, gelijk hij zich niet beklagen mag die minder heeft : Gij toch weet hem dit te vergoeden. Laat dit geloof mij steeds bezielen en tevredenheid inboezemen. Bewaar mij in voorspoed voor zelfverheffing en m tegenspoed voor mismoedigheid.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
De vier dingen die den vrede groolelijks bevorderen.
1. De Heer. Mijn zoon! nu zal ik u den weg des vredes en der ware vrijheid leeren.
2. De Geloovige. Doe, o Heer! wat Gij zegt, want dat hoor ik gaarne.
3. De Heer. Leg u toe, mijn zoon! om liever den wil van een ander dan den uwen te doen.
Verkies steeds liever weinig dan veel te hebben.
Zoek altoos de laagste plaats en aan allen onderworpen te zijn.
Ill BOEK. XXIII HOOFDSTUK. 273
Wensch steeds en bid dat de wil van God ⢠in u volkomen geschiede.
Zie, zulk een man treedt het gebied des vre-des en der ruste binnen.
4. De Geloovige. Heer! deze uwe korte rede bevat in zich eene groote volmaaktheid. Klein is zij in woorden, maar vol van zin en overvloedig in vruchten.
Konde ik ze maar getrouw nakomen, dan zoude niet zoo licht ontroering in mij ontstaan.
Want zoo dikwijls ik mij onrustig en bezwaard gevoel, bevind ik dat ik van deze leer afgeweken ben.
Maar Gij, die alles vermoogt en wien de voortgang mijner ziele steeds ter harte gaat, vermeerder uwe genade te meer, opdat ik uw voorschrift nakomen en mijne zaligheid bewerken moge.
5. Heere mijn God ! verwijder U niet van mij ; o mijn God! zie op te mijner hulpe : ( Ps. 70.) want zoo velerlei bedenkingen zijn bij mij opgekomen en groote angsten welke mijne ziel benauwen.
Hoe zal ik er onbeschadigd doorkomen ? hoe er doorbreken ?
De Heer. Ik zal u voorgaan en de trotschen der aarde vernederen, (Is. 43.) Ik zal de deuren des kerkers openen en u verborgene schatten openbaren. (Is. 45 )
De Geloovige. Heer! doe gelijk Gij zegt, en dat alle booze gedachten voor uw aanschijn vliedep.
ï8
274 111 BOEK. XXIII HOOFDSTUK.
Dit is mijne hoop en eenige troost, in alle benauwdheid tot U mijne toevlucht te nemen, op U te vertrouwen, U uit het binnenste des harten aan te roepen en uwen troost geduldig af te wachten.
6. Verlicht mij, goede Jezu s 1 met de stralen van het inwendig licht, en verdrijf alle duisternis uit de woning mijns harten.
Beteugel de veelvuldige verstrooiingen, en verijdel de bekoringen die mij geweld doen.
Strijd krachtig voor mij en overwin die booze dieren, ik bedoel die verlokkelijke begeerlijkheden, opdat er door uwe kracht vrede zij en uw heilige tempel, die van een zuiver geweten, van den overvloed uws lofs weergalme.
Gebied den winden en stormen; zeg tot de zee ; wéés stil, en tot de noordenwind : blaas niet meer, en er zal groote stilte zijn.
7. Zend mij uw licht en uwe waarheid : (Ps. 42.) dat zij de aarde beschijnen ; want ik ben eene ledige en woeste aarde, totdat Gij mij verlicht.
Stort van boven uwe genade uit en doortrek mijn hart met uwen hemelschen dauw. Giet de wateren der godsvrucht om de oppervlakte der aarde te besproeien, opdat zij goede en zeer goede vruchten voortbrenge.
Bsur mijne door den last der zonden neergedrukte ziel op, en richt al mijn verlangen ten hemel, opdat het mij, het liefelijke eener hoogere zaligheid gesmaakt hebbende, verdriete aan het aardsche te denken.
Ill BOEK. XXIII HOOFDSTUK. 275
8. Voer mij weg en ontruk mij aan allen vergankelijken troost der schepselen; want niets dat geschapen is kan mijn verlangen volkomen bevredigen noch vertrouwen.
Hecht mij aan U door den onverbreekbaren band der liefde; want Gij alleen zijt den beminnende genoeg en buiten U is alles nietig.
OEFENING.
Niemand kan zich aan het gezicht, noch aan de rechtvaardigheid Gods onttrekken : men moet dan, 1. onophoudelijk over zichzelven waken; 2. aan zich niets vergeven noch toelaten wat den Heer mishaagt; 3. onder zijne oogen en onder zijne hand leven, dat 'wil zeggen, alles in zijne tegenwoordigheid doen en met het inzicht van Hem te behagen ; 4. in alle omstandigheden de beweging zijner genade volgen ; geen wederstand aan zijnen heiligen wil bieden, en geen oogenblik uitstellen om dien te volbrengen, zoodat men geene tusschentijd stelle tusschen te kennen, te willen en te doen, wat God wil dat wij doen. Niets is zoo aangenaam aan den Heer, dan zijn vertrouwen m Hem te stellen, zich op Hem te verlaten, zich geheel aan Hem over te geven, en in alles van Hem af te hangen. Gelukkig de ziel, welke, alles van de hand Gods aannemende, zich in alles aan zijnen heiligen wil onderwerpt, die niets wil dan hetgene God wil, en alles wil, wat haar overkomt, omdat God het alzoo wil.
276 III BOEK. XXIV HOOFDSTUK.
GEBED.
Heere Jezus! weinig zijn uwe woorden, maar ruim in beteekenis. Dierbaar zijn zij voor mijn hart, daar zij de middelen voorschrijven waardoor den waren vrede verkregen wordt. O, mocht het dra daarvan de vruchten ontwaren! Maar ach, Gij weet wat mij tot beletsel is ; Gij kent het geweld mijner driften. Verlos mij daarvan en van hare verderfelijke gevolgen. Spreek slechts éen woord en kalmte zal in mijn binnenste heerschen. v
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Dat men moet vermijden naar eens anders gedrag nieuwsgierig te onderzoeken.
i. De Heer. Mijn zoon! wees niet nieuwsgierig en voed geene ijdele zorgen.
Wat raakt u dit of dat ? Volg gij Mij.
Wat toch gaat het u aan, of deze dus of zoo gesteld zij, of gene dus of zoo handele of spreke ?
Gij behoeft voor anderen niet te verantwoorden, maar zult voor uzelven rekenschap geven. Waarmede laat gij u dan in ?
Zie, Ik ken allen; Ik zie alles wat onder de
UI BOEK. XXIV HOOFDSTUK. 277 «on geichiedt. Ik weet hoe het met eenieder
gesteld is, wat hij denkt, wat hij wil en wer-waarts zijne bedoeling gaat.
Aan Mij dus moet alles overgelaten worden. Gij dan, houd u in goeden vrede en laat den onrustige woelen zooveel hij wil.
Wat hij gedaan of gezegd zal hebben, zal op hem nederkomen : want Mij kan hij niet bedriegen.
2. Wees niet bezorgd om de schaduw van een grooten naam, om de gemeenzaamheid met velen, noch om de bijzondere genegenheid der menschen; want daaruit ontstaat verstrooiing en groote duisternis des harten.
Gaarne zoude ik mijn woord tot u richten en u geheimen openbaren, zoo gij zorgvuldig acht gaafc op mijne komst en Mij de deur uws harten opendet.
Wees omzichtig, waak in het gebed en verneder u in alles.
OEFENING.
Om den waren vrede der ziel te genieten, moet men : 1. alle nieuwsgierighed vlieden, omtrent alles wat den naaste aangaat; 2. met geduld de kwellingen aanvaarden, die ons door de rechtvaardigheid Gods of door de onrechtvaardigheid der menschen overkomen; 3. zich aan het lijden gewennen, alsmede aan de be-rooving van zijnen zin en van de vertroosting; 4. aan God al de voldoening van onzen geest.
27^ UI BOEK. XXV HOOFDSTUK,
van ons hart en van onze zinnen opofferen, f
Hem bedanken, dat Hij niet toelaat, dat wij iets ter onzer bevrediging buiten Hem vinden.
GEBED.
Uw woord is waarheid, o God I te vaak liet ik mij met zaken in die mij vreemd waren, en matigde ik mij een oordeel aan, dat U alleen toekomt. Bezorgd omtrent ijdele zaken, was ik zorgeloos omtrent mijn eigen heil en ondermijnde ik de rust mijns harten. Doe mij voorzichtiger en waakzamer worden, en boven alles bekommerd zijn omtrent het éene noodige, mijn eeuwig heil. Dat zij mijne hoofdbezigheid, daaraan offere ik alles op.
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Waarin de duurzame vrede des harten en de ware voortgang bestaan.
i. De Heer. Mijn zoon! Ik heb gezegd : vrede laat Ik u; mijnen vrede geef Ik u, niet gelijk de wereld geeft, geef Ik u dien. (Joan. 14.)
Allen verlangen den vrede; maar niet allen zorgen voor hetgeen tot waren vrede dient.
Mijn vrede is met de nederigen en zachtmoe-digen van harte; uw vrede zal zijn in groote lijdzaamheid.
ÃI! BOEK. XXV HOOFDSTUK, «79
Zoo gij Mij hoort en mijne stem volgt, «uit gij grootere vrede kunnen genieten.
a. De Geloovige. Wat moet ik dan doen ?
3. De Heer. Let in alles op uzelven, wat gij doet en wat gij zegt; en richt al uwe bedoelingen daarhenen om Mij alleen te behagen, en buiten Mij niets te begeeren of te zoeken.
Vel ook geen lichtvaardig oordeel over de woorden en daden van anderen, en wikkel u niet in zaken welke u niet zijn toevertrouwd ; zoo is het mogelijk, dat gij weinig of zelden onrust ontwaart.
Maar nooit eenige onrust te ontwaren en nooit eenige ziels- of lichaamskwelling te lijden behoort niet tot dezen tijd, maar tot den staat der eeuwige ruste.
Denk derhalve niet den waren vrede gevonden te hebben, wanneer gij geenen druk ge voelt, of dat dan alles goed is als niemand u tegenstteeft, of dat dit volmaaktheid is, wanneer alles naar uwen zin gelukt.
Denk ook niet dat gij dan iets groots zijt, noch houd u voor een bijzonder lieveling, als gij eene groote godsvrucht en vertroosting ontwaart : daaraan toch wordt de ware vriend der deugd niet gekend, en daarin bestaat niet 's menschen voortgang en volmaaktheid.
4. De Geloovige. Waarin dan, Heer!
De Heer. In uzelven van ganscher harte
aan den wil Gods over te geven, in niets het uwe te zoeken, noch in het kleine noch in het
S80 XII BOEK. XXV HOOFDSTUK,
grooto, noch In den tijd noch iu do eeuwigheid : zoodat gij, met een gelijk gelaat alles in dezelfde schaal afwegende, zoowel in tegenspoed als voorspoed Mij blijft danken.
Wanneer gij zoo sterk en in de hoop volhardende zijt, dat gij bij de onthouding van in-wendigen troost zelfs uw hart toerust om nog meer te verdragen, en gij uzelven niet rechtvaardigt als behoordet gij dit en zooveel niet te lijden, maar Mij in al mijne schikkingen recht geeft en als heilig prijst; dan bewandelt gij den waren en rechten weg des vredes, en er is ontwijfelbare hoop dat gij weder met vreugde mijn aanschijn zult aanschouwen.
En zijt gij tot eene volkomen zelfversmading gekomen, weet dat gij alsdan zulk een overvloed van vrede zult genieten, als met uwe' vreemdelingschap bestaanbaar is.
OEFENING.
Men moet zich geheel en al aan den goddelijke;! wil onderwerpen, en alles evenzoo willen als God wil, dat wil zeggen : in de beoefening i. niets wenschen dan hetgeen God wil; 2. niets weigeren van de rampen, welke God ons overzendt; 3. zich stellen in eene volko-mene versmading van zichzelven, zelfs tot de vernedering en tegenspraak aan te nemen, als iets dat wij moeten lijden; 4. sterk, getrouw en standvastig blijven in datgene wat God van van ons wil, alhoewel men noch vertroosting,
1X1 BOEK. XXVI HOOFDSTUK. «Sl noch smaak, noch gerustheid gevoelt; 5. In éen
woord, vermaak scheppen in het vermaak van Gods hart, dat is : de volbrenging van zijnen heiligen wil.
GEBED.
Ook ik, o God ! heb dikwijls naar vrede ge-wenscht, maar dien niet gezocht langs wegen, waarop ik dien konde vinden. Gij wijst mij daartoe den eenigen waren weg, dien van zelfverloochening. Hard is voor mijne zinlijkheid die eisch ; maar mijn hart heeft behoefte aan vrede. Ik wil alzoo den weg betreden, door U mij aangewezen, hoe moeielijk hij ook moge schijnen. Vestig Gij daarop mijne treden en laat mij nimmer daarvan afwijken.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Over de hooge waarde van een vrij gemoed, dat men eerder verkrijgt door nederig bidden dan door veel lezen.
1. De Geloovige. Heer! dit is 't werk van een volmaakt mensch, zijn hart nooit af te trekken van het streven naar het hemelsche en tnsschen de veelvuldige zorgen als zonder zorg door te gaan; niet uit traagheid, maar door een zeker voorrecht van eene vrije ziel,
28a III BOEK. XXVI HOOFDSTUK.
«ioh aan goen schepsel dqor eenp ongprtjgel^e liefde hechtende.
2. Ik smeek U, mijn allergenadigste God 1 behoed mij voor de zorgen dezes levens, opdat ik daarin niet te zeer verward worde; voor de veelvuldige lichamelijke behoeften, opdat de wellust mij niet overmeestere; voor al de hindernissen der ziele, opdat ik niet door kwellingen ontmoedigd, bezwijke.
Niet slechts bedoel ik zulke dingen, welke de wereldsche ijdelheid met alle drift najaagt; maar ook die ellenden, welke als een gevolg van den vloek over alle stervelingen uitgesproken, de ziel van uwen dienstknecht zoozeer bezwaren en beletten tot de vrijheid des geestes te komen, zoo dikwijls zij wilde.
3. O mijn God ! onuitsprekelijke zoetigheid! verkeer voor mij in bitterheid allen vleesche-lijken troost, die mij van de liefde tot het eeu wige aftrekt en mij ongelukkig tot zich lokt door het lokaas van eenig tegenwoordig genot.
Dat toch, o mijn God 1 dat toch geen vleesck en bloed mij overwinnen; dat de wereld met hare kortstondige heerlijkheid mij niet misleide , dat de duivel met zijne listen mij niet ver-schalke.
Geef mij kracht tot tegenstand, geduld ter verdraging, standvastigheid ter volharding.
Geef mij voor al den troost der wereld de allerliefelijkste zalving van uwen geest, en voor eene vleeschelijke liefde stort in mij de liefde tot uwen naam.
Ill BOEK. XXVI HOOFDSTUK. *83
4, Zie, spijs, drank, kleeding en de overige benoodigdheden, tot onderhoud des lichaaras behoorende, zijn eene naar den hemel smachtende ziele tot last.
Geef dat ik mij van al culke verkwikkingen matig bediene, zonder ze te driftig aan te hangen.
Alles mag ik niet verwerpen omdat de natuur ondersteund moet worden; maar het overtollige te zoeken en hetgeen 't meest vermaakt, verbiedt uwe heilige wet: want anders zoude het vleesch over den geest de overhand krijgen.
Dat dan, smeek ik U, uwe hand mij bij dat alles geleide en mij leere het overtollige te vermijden.
OEFENING.
De versterving der zinnen en de overwinning der eigenzinnigheid zijn zoo wezenlijke plichten ter zaligheid voor eenen Christen, dat men kan zeggen, dat eene ziel, die zich met uiterlijke zaken ophoudt en dikwijls meer met zichzelven dan met Qod bezig is, niet verdient in Hem te bestaan noch voor Hem te leven ; omdat zij, door zich aan hare driften over te geven, Gods welbehagen geringschat. Ach! hoe zal zij in het uur des doods van gevoelen en gedachte veranderen, als zij van God dit verwijt zal moeten hooren : Gij hebt Mij als niets geacht gedurende uw leven; Ik zal voor u ook niets zijn in de eeuwigheid. Gij hebt uw zingenot gesteld boven het geluk van mij te behagen; het is billijk dat
«$4 ïquot; boek, xxvii hoofdstuk.
gij aan de ijsaelijkheden eener ongelukkige eeuwigheid overgeleverd wordt. (Recepiate bona in vita tua. XVI. v. 25.) Aldus werd geantwoord aan den rijken vrek, toen hij in de hel over de strengheid der pijnen jammerde; en het zal tot die zinnelijke zielen gezegd worden, die zich niet bedwingen, noch zich in iets versterven, tenzij zij trachten het geluk der eeuwigheid hooger te achten dan de vermaken dezes levens, en den hemel te verdienen door het beteugelen der driften.
GEBED.
Zoude ik, o God! met deze bede niet instemmen ? Ja, ook ik wensch van alle aardsche afleidingen bevrijd, mij onophoudelijk met U en mijne eeuwige belangen bezig te houden ; maar ach ! nog te zeer word ik door mijne zinlijkheid en aardsche zorgen gestoord. Trek dan mijn hart meer en meer van het aardsche af en breng het tot het eeuwige over. Doe mij het noodige slechts als middel, niet als doel, matig gebruiken te uwer eere en tot heil mijner ziele.
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Dat de eigenliefde van het hoogste goed ten sterkste aftrekt.
i. D e H e e r. Mijn zoon ! gij moet alles voor alles geven, en in niets uws zelfs zijn.
Ill BOEK. XXVII HOOFDSTUK. 285
Weet dat de liefde tot uzelven u meer schaadt dan eenige zaak ter wereld.
Naar de liefde en genegenheid die Gij hebt zal elke zaak u meer of min aankleven.
Is uwe liefde rein, eenvoudig en wèl geregeld, gij zult aan niets verslaafd wezen.
Begeer niet wat gij niet moogt bezitten; wil niet bezitten wat u kan hinderen en van de inwendige vrijheid berooven.
Het is zonderling dat gij u niet van ganscher harte met alles wat gij kunt wenschen of bezitten aan mij toevertrouwt.
2. Waarom u door ijdelen kommer verteerd ? Waarom door overtollige zorgen vermoeid ?
Houd u aan mijn welbehagen en gij zult geen nadeel lijden.
Indien gij dit of dat zoekt en hier of daar wilt zijn om uw eigenbelang en om naar uwen eigen zin te leven, zoo zult gij nooit in rust noch vrij van kommer zijn ; want in alles zzl eenig gebrek gevonden worden en op elke plaats zal iemand zijn, die u tegenstreeft.
3. Het is dus dienstig niet allerlei tijdelijk goed te verkrijgen of te vermeerderen, maar liever het te versmaden en de begeerte daarnaar tot den wcrtel uit uw hart te roeien.
Dit moet gij niet alleen verstaan v:-n het bezit van geld en rijkdommen, maar ook van de zucht naar ijdelen roem, die alle met de wereld voorbijgaan.
Eene plaats geeft weinig veiligheid, zoo de geest des ijvers ontbreekt.
286 III BOEK. XXVII HOOFDSTUK.
En de vrede van buiten gezocht, zal niet lang bestaan, zoo de staat uws harten den waren grondslag mist, dat is : zoolang gij niet op Mij rust.
Gij kunt wel van plaats veranderen, maar u niet verbeteren : want zoo ras de gelegenheid zich voordoet, en gij u daarvan bedient, zult gij vinden hetgeen gij ontvlucht en nog meer.
4. De Geloovige. Bevestig mij, o God! door de genade van den Heiligen Geest.
Geef dat de kracht in den inwendigen mensch versterkt worde, en dat mijn hart zich van alle onnoodige zorg en angst ontledige; dat ik niet door allerlei begeerten naar welke zaak ook, gering of kostbaar, getrokken worde, maar alle zaken als voorbijgaande beschouwe en mijzel-ven als voorbijgaande met haar.
Want er is niets bestendigs onder de zon; alles is ijdelheid en kwelling des geestes. (Eccli. 1.)
De Heer. O, hoe wijs is hij die dit aldus inziet.
5. De Geloovige. Geef mij, o Heer, de hemelsche wijsheid, opdat ik leere U boven alles te zoeken en te vinden, boven alles te smaken en te beminnen, en al het overige zoo in te zien, als het naar de orde uwer wijsheid waarlijk is.
, Geef dat ik den vleier voorzichtig vermijde en den tegenstrever geduldig verdrage.
Want dit is eene groote wijsheid, niet door allen wind van woorden bewogen te worden,
Ill BOEK. XXVII HOOFDSTUK. 287 noch het oor te leenen aan het gevaarlijk gevlei van valsche vrienden ; zoo toch zet men d ;n ingeslagen weg veilig voort.
OEFENING.
Zich geheel zonder eenige uitzondering aan God overgeven, is : i. zich niets te verwijten, in iets wat men Hem gegeven heeft; 2. in alle gelegenheden zich aan Hem overgeven; Zijnen wil stellen boven de genegenheden tot eigenliefde, 3. niets aan zich toelaten of zich in niets verschoonen, hetgene men weet dat aan God mishaagt ; 4. Hem den volstrekten meester en als eigenaar van ons hart maken, zoodat Hij over alles beschikke, wat in ons is en ons toebehoort, en zelfs van onzen geheelen persoon, volgens zijnen heiligen wil; 5. leven in eene afhankelijkheid en gedurige onderwerping aan de bewegingen der genade.
Aan God aldus geheel en zonder uitzondering toebehooren, is het ware middel om Hem te bezitten en in vrede te leven. Dan, helaas! hoe weinige zielen worden er aangetroffen, die alzoo aan God geheel overgegeven zijn ! En hoe velen zijn er, die aan Hem slechts half toebehooren, die hun hart tusschen God en het schepsel, tusschen de liefde Gods en hunne eigenliefde verdeelen, alhoewel zij weten, dat alle verdeeling het hart van God kwetst, en Hem belet geheel en al te heerschen in onze harten, waarvan Hij de meester niet is, tenzij
288 III BOEK. XXVIII HOOFDSTUK. . Hij alleen het bezit, en waarin Hij als God niet heerscht en in alles den voorrang bekomt.
GEBED.
Ja, o God ! eene overdreven liefde tot mijzel-ven stoort vaak mijne rust en doet mij meer nadeel dan al mijne vijanden mij kunnen doen. Zij bindt mij aan het vergankelijke, kwelt mij met tallooze zorgen en verwijdert mij meer en meer van mijn doel. Wie zal mij van hare heerschappij verlossen ? Wie die sterke banden verbreken ? Wie anders dan Gij ? Doe dit dan, o Heer! breng mijn hart geheel tot U over en houd het onveranderlijk op U gericht.
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Tegen kwaadsprekende tongen.
i. De Heer. Mijn zoon! het verdriet u niet als sommigen van u kwaad denken en zeggen wat gij niet gaarne hoort.
Gij moet nog erger van uzelven denken en niemand zwakker dan uzelven achten.
Verkeert gij inwendig met uzelven, gij zult weinig aan voorbijvliegende woorden hechten.
Het is geen kleine voorzichtigheid ten kwaden tijde te zwijgen en inwendig zich tot Mij te keeren en zich door geen nienschelijl^ oordeel laten ontrusten.
Ill BOEK. XXVIII HOOFDSTUK. 289
2. Dat uw v*ede van der menschen mond niet afhange : want of ze iets wel of kwalijk uitleggen, gij zijt daarom geen ander mensch.
Waar is waren vrede en waren roem? Is het niet bij Mij ?
Wie den menschen niet zoekt te behagen noch vreest te mishagen, zal veel vrede genieten.
Uit eene ongeregelde liefde en ijdele vrees ontstaan alle onrust des harten en verstrooiing des geestes.
OEFENING.
Niets is bekwamer om ons te ontrusten en te storen, dan de oordeelvellingen en gesprekken van anderen jegens ons. Wij achten ons gelukkig wanneer wij hun behagen, en ongelukkig als wij door hen versmaad worden; en nochtans, wat is de achting of smaad der wereld, dan eene schaduw, eenen rook, eenen voorbijvliegenden damp, die niets kan bijbrengen aan hetgene wij zijn of moeten wezen ! Wij zijn slechts datgene, wat wij voor de oogen van God zijn, en moeten al de goede of slechte gevoelens, die men van ons heeft, als een niet lekenen. O menschelijk opzicht! wanneer zult gij in ons voor de eer, die wij onzen God schuldig zijn, onderdoen ? Helaas! hoezeer werpt h't menschelijk opzicht in ons alles omver, waardoor wij aan God zouden kunnen behagen ! Wat zal men van mij zeggen, indien ik dit of
19
29O III BOEK. XXIX HOOFDSTUK, dat zeg of doe ? aar wat zal de Zaligmaker zeggen, indien ik dit of dat niet zeg of doe ? Is het niet beter aan God dan aan de menschen te gehoorzamen, en aan God dan aan de wereld te behagen ? Waarom doe ik dan zulks niet ?
GEBED.
Zoo min ik mij, o God! op den lof van vleiers mag verheffen, zoo min mag ik mij aan lastertaal storen. Welk nadeel zullen woorden mij aanbrengen die als de wind vervliegen ? Ik blijf die ik ben, en Gij, Alwetende ! zijt de getuige mijns harten. Laat dit geloof bij mij steeds levendig zijn, wanneer ik door laster vervolgd worde.- Mijn oog zij op U gevestigd, die alles gadeslaat en ieder beloont naar zijne werken.
NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Hoe men in wederwaardigheden God moet aanroepen en zegenen.
1. De Geloovige. Heer! eeuwig zij uw naam gezegend, die gewild hebt dat deze bekoring en kwelling over mij komen zouden.
Ontvluchten kan ik ze niet; maar tot U moet ik mijne toevlucht nemen, opdat Gij mij moogt helpen en ze mij ten goede keeren.
Heer! thans ben ik in lijden; het is mijn
Ill BOEK. XXIX HOOFDSTUK. 291 hart niet wel, maar ik word door het tegenwoordige lijden zeer gekweld.
En nu, geliefde Vader! wat zal ik zeggen? Ik ben omgeven van benauwdheden. Verlos mij van dit uur.
Doch daarom ben ik in dit uur gekomen, opdat Gij zoudt verheerlijkt worden, nadat ik dieper vernederd en dan door U verlost zal zijn.
Heer 1 dat het U behage mij te redden! (Ps- 39) want ik arme, wat kan ik doen en waarheen zal ik gaan zonder U ?
Geef geduld, o Heer! ook ditmaal.
Help mij, mijn God ! dan zal ik niet vreezen, hoezeer ook bezwaard.
2. Doch wat zal ik intusschen zeggen ? â Heer! uw wil geschiede 1 ( Matth. 6.)
Ik heb wel verdiend gekweld en bezwaard te worden : ik moet dus wel verdragen; o mocht het geduldig zijn, totdat het onweder voorbijga en het beter worde.
Overigens is uwe almogende hand machtig genoeg om ook deze bekoring van mij weg te nemen of haren aandrang te matigen, zoodat ik niet geheel bezwijke; zooals Gij, mijn God! miju ontfermer! tevoren dikwijls met mij gedaan hebt.
En hoe zwaarder mij deze beproeving valle, des te lichter valt u zulk eene verandering van de rechterhand des Allerhoogsten. ( Ps. 76.)
292 III BOEK. XXIX HOOFDSTUK.
OEFENING.
Men moet hevig en gedurig aan de bekoring wederstaan, maar tevens moet men ook tot God met vertrouwen zijne toevlucht nemen, om ze te overwinnen. Dikwijls laat God toe, dat wij zoo hevig aangevallen en zoo zwaar onder het gewicht onzer ellende gedrukt worden, dat wij geen middel zien om staande te blijven en wederstand te bieden, dan ons krachtig met Hem vereenigd te houden en ons als afhankelijk van de hulp zijner genade te beschouwen. Derhalve, hoe minder hulpmiddelen wij in ons ontmoeten, des te meer moeten wij van Hem verwachten : en wanneer wij op het punt zijn van onder de bekoring te bezwijken en te vergaan, tot Hem zeggen ; Heer, red ons, wij vergaan, onze oogen zijn opgeheven tot U, Gij die onze God zijt, en die ons kunt helpen; Gij die onze Vader zijt, en ons wilt helpen; Gij die onze Zaligmaker zijt, en . deze hoedanigheid hiertoe verplicht zijt. Wij rekenen op U. Hoe zwakker ik mij uit mij zeiven gevoel, des te meer verwacht ik van U de sterkte om te wederstaan. Uwe verheerlijking en uw voordeel hebben er belang bij om mij bij te staan; aangezien mijne ziel het werk uwer handen en de prijs uws bloeds is.
GEBED.
Dat, o God! deze bede ook de mijne zij, zoo dikwijls het U believen zal mij met rampen te
Ill BOEK. XXX HOOFDSTUK. 293 bezoeken. Zij is mij als mensch en Christen waardig en kenschetst het onderworpen hart; in de school van uwen Zoon gevormd. Welaan dan, lieve Vader ! ik wil daartoe mijn best doen. Heer! uw wil geschiede ! niet mijn wil, maar uw wil geschiede ! zoo zal ik hartelijk bidden, gelijk Jezus, mijn Heiland, gebeden heeft : en ik zal verlichting ontwaren.
DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Dat men Gods hulp moet afsmeeken en op de wederkomst der genade vertrouwen.
1. De Heer. Mijn zoon ! Ik ben de Heer, die sterkte geeft ten dage van verdrukking. (Nah. 1.) Kom tot Mij, als het u niet wel gaat.
Wat wel het meest den hemelschen troost verhindert, is dat gij u zoo laat tot het gebed begeeft.
Want alvorens Mij vurig te bidden, ziet gij intusschen naar veel anderen troost om en zoekt verkwikking in het uiterlijke.
En van daar dat alles weinig baat, totdat gij opmerkt dat Ik het ben die deeenen redt die op Mij hopen, en dat er buiten Mij noch krachtige hulp, noch nuttige raad, noch bestendig redmiddel is.
Doch nu na den storm uw geest bekomen is, herstel u in het licht mijner ontfermingen; want Ik ben nabij, zrgt de Heer, om alles niet
294 I11 BOEK. XXX HOOFDSTUK.
slechts volkomen maar overvloedig en bovenmate te herstellen.
2. Of is Mij wel iets moeilijk? (Jer. 32.) Of zoude Ik gelijk zijn aan hem die zegt en. niet doet ?
Waar is uw geloof? sta vast en volhard.
Wees lijdzaam en een dapper man; de troost zal u op zijn tijd toekomen.
Wacht op Mij, wacht : Ik zal komen en u genezen.
Het is eene bekoring die u kwelt, en eene ijdele vrees welke u verschrikt.
Waartoe dient die zorg over hetgeen in de toekomst gebeuren mag, dan om u droefheid op droefheid te baren ? Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. ( Matth. 6.)
Het is ijdel en nutteloos zich te bedroeven óf te verblijden over iets, dat nog komen moet en wellicht nooit komen zal.
3. Maar het is menschelijk door zulke voorstellingen misleid te worden, en een bewijs van een nog zwakken geest zoo licht de ingevingen des vijands gehoor te geven.
Hem toch is het om het even of hij door het ware dan door het valsche begoochele en misleide; of hij door liefde tot het tegenwoordige dan door vrees voor het toekomende ten val brenge.
Dat dan uw hart niet ontroerd worde noch vreeze. Geloof in Mij en vertrouw op mijne barmhartigheid-
Ill BOEK. XXX HOOFDSTUK. 295-,-
Dikwijls als gij meent dat gij van Mij verwijderd zijt, ben Ik het dichtst bij u.
En wanneer gij bijna alles verloren acht, is er dikwijls de meeste winst te doen.
Het is niet alles verloren, als eene /aak tegenvalt.
Gij moogt niet oorcfeelen naar het eerste gevoel, noch ook zooveel hechten aan eenig bezwaar, van waar het kome, of het zoo opvatten, als ware alle hoop op uitkomst ontnomen. â
4. Denk niet dat gij geheel verlaten zijt, als Ik u voor een tijd eenigen druk laat toekomen, of ook den gewenschten troost onttrek : want dus komt men tot het Hemelrijk.
Het is ongetwijfeld voor u en mijne overige dienstknechten heilzamer door tegenheden geoefend te worden dan wanneer gij alles naar wensch hadt.
Ik weet de verborgenste gedachten, en dat het voor uw heil zeer nuttig is dat gij somtijds smakeloos gelaten wordt; opdat gij u niet bij voorspoed verheffen mochtet, en zelfbehagen willen zoeken in hetgeen gij niet zijt.
Wat Ik gegeven heb, kan Ik afnemen en het teruggeven als het mij behagen zal.
5. Als Ik het gegeven heb, is het mijne : als Ik het terugneem, ontneem Ik het uwe niet; want alle goede gave en alle volmaakte gifte is het mijne.
Indien Ik u eenig bezwaar of tegenspoed toezend, word daarover niet misnoegd en dat uw moed niet bezwijke : ras kan Ik helpen en alle smart in vreugde veranderen.
296 III BOEK. XXX HOOFDSTUK.
Intusschen ben Ik rechtvaardïg en verdien grooten lof als Ik zoo met u handel.
6. Indien gij recht wijs zijt en naar waarheid oordeelt, dan moet gij nooit over eenigen tegenspoed zoo moedeloos treuren, maar eer u verblijden en danken, ja, dit als uwe eenigste vreugde achten, dat Ik u met smarten verdrukkende, u niet spaar. (Job 6.)
Gelijk de Vader mij heeft liefgehad, alzoo heb Ik ook u lief, (Joan. 15.) zeide Ik tot mijne geliefde leerlingen, die Ik evenwel niet tot tijdelijke vreugde maar tot zwaren strijd uitzond ; niet om geëerd, maar om veracht te worden ; niet tot lediggang, maar tot arbeid ; niet om rust te hebben, maar om veel vrucht te dragen in lijdzaamheid.
Wees, mijn zoon, deze woorden gedachtig.
OEFENING.
Ik ben, zegt de Heer door eenen Profeet, Ik ben de God, die sterkte geeft in den dag der verdrukking, en diegenen uit het gevaar verlos, welke op mij vertrouwen. Hoe geschikt zijn deze woorden om eene ziel in de bekoring en in de wederwaardigheden te vertroosten, te ondersteunen en te versterken, als' zij slechts getrouw en standvastig blijft in alles wat God van haar eischt ! En dit is het, wat de heilige Schrift noemt : den Heer verbeiden en lankmoedig afwachten.
Geloof in mij» zegt de Zaligmaker, en dat
Ill BOEK. XXX HOOFDSTUK. 297 uw hart noch ontsteld, noch bevreesd zij. Derhalve moet men in de gelegenheden van in- of uitwendige kwellingen, 1. met vertrouwen tot God zijne toevlucht nemen'; 2. zich aan zijnen heiligen wil onderwerpen ; 3. niets van de oefeningen achterlaten ; 4. zich overwinnen, beteugelen, in alles verzaken, om eenstemmig met God voort te gaan ; 5. zijn geluk en zijne verdiensten stellen in Gods majesteit te verheerlijken ; 6. eindelijk, tevreden zijn meteen gekruist en lijdend hart le dragen, hetwelk met smarten en bitterheid overladen, en de gesteldheid is van het hart van Jezus aan het kruis.
GEBED.
Ja, wel zal ik, o God, de/e woorden gedachtig zijn en dikwijls overwegen. Vaak toch zoude ik uwe hulp ontwaren, wist ik mij daarvoor wat meer gereed te houden en die geduldig af te wachten. Gij toch zijt, ten dage mijner verdrukking, mij met uwen tr'oost naderbij dan ik mij verbeelde. Dit zij dan steeds mijn troost, wanneer Gij mij met ongevallen bezoekt. Daardoor gesterkt, zal niets mij ontrusten, veel minder den moed benemen.
EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Om den Schepper te kunnen vinden moet men alle schepsel laten varen.
1. De Geloovige. Heer! wèl heb ik groo-
298 III BOEK. XXXI HOOFDSTUK.
tere genade noodig, moet ik nog daartoe komen dat mij geen mensch noch eenig ander schepsel meer kan hinderen,
Want zoolang mij nog iets wederhoudt, kan ik niet vrij tot U vliegen.
Vrij wenschte hij te vliegen, die sprak : Ach, hadde ik toch vleugelen als eene duif, ik zou heenvliegen en gaan uitrusten. (Ps. 54.)
Wat is rustiger dan een eenvoudig oog en vrijer dan hij, die niets op aarde verlangt ?
Men moet zich dan boven alle schepsel verheffen en zichzelven geheel verlaten, en in den geest opgetogen blijven om te zien, dat Gij, de Schepper van alles, niets gemeens hebt met de schepselen.
En al wie nog niet van de schepselen is losgemaakt, zal zich niet vrij op het goddelijke kunnen toeleggen.
2. De Heer. Daarom, mijn zoon, worden er weinigen geschikt bevonden voor het beschouwend leven, omdat weinigen zich van de vergankelijke schepselen geheel weten te ontdoen.
Daartoe wordt eene groote genade vereischt, welke de ziel opbeurt en boven haarzclve vervoert.
En zoolang de mensch in den geest niet verheven is, los van al het geschapene, en geheel met God vereenigd, alles wat hij weet, ook alles wat hij heeft is van weinig waarde.
Lang zal hij klein zijn en op den grond liggen, die nog ies hoogacht behalve het eenige, oneindige, eeuwige goed.
Ill BOEK. XXXI HOOFDSTUK. 299
Want alles wat God zelf niet is, is niets en moet voor niets gehouden worden.
Er is een groot verschil tusschen de wijsheid van den verlichten en godvruchtigen mensch, en de wetenschap van een geletterd en leergierig geestelijke.
Veel edeler is de kennis, welke van boven door goddelijke ingeving nederdaalt, dan die door menschelijk vernuft met moeite wordt verkregen.
3. Men vindt er velen die naar de beschouwing verlangen ; maar zij trachten niet te doen wat daartoe gevorderd wordt.
Een groote hinderpaal is dat men te veel blijft staan bij het uiterlijke en zichtbare en weinig werks maakt van eene volkomene versterving.
De Geloovige. Ik weet niet wat het is noch door welken geest wij gedreven-worden, en wat wij voorgeven, die als geestelijken willen doorgaan, dat wij zoo veel arbeid en zoo groote zorg besteden aan voorbijgaande en nietige zaken, en zoo zelden eene volkomene ingetogenheid van zinnen aan ons inwendig denken.
4. Helaas ! na een weinig overwegens storten wij aanstonds weder naar buiten, zonder onze daden door een streng onderzoek te wegen.
Wij letten er niet op waaraan onze neigingen hechten, en wij betreuren niet, dat alles zoo onrein is.
Toen alle vleesch zijnen weg bedorven had, volgde de groote watervloed.
300 III BOEK XXXI HOOFDSTUK.
Daar nu onze inwendige neiging zeer bedorven is, moet ook de daaruit volgende daad, ten blijke van gebrek aan innerlijke gezondheid, bedorven zijn.
Uit een rein hart komen vruchten van een goed leven voort.
5. Men vraagt hoeveel iemand gedaan heeft; maar men onderzoekt zoo vlijtig niet met welk goed oogmerk hij handelt.
Men vorscht na of iemand dapper, rijk, schoon, bekwaam is; of hij wèl schrijft, wèl zingt, wèl werkt; maar hoe arm hij is van geest, hoe lijdzaam en zachtmoedig, hoe godvruchtig en inwendig, daarnaar wordt door velêüi niet gevraagd.
De natuur ziet op het uitwendige des men-schen; maar de genade keert zich tot het inwendige.
Gene' wordt vaak bedrogen ; deze vertrouwt op God om niet bedrogen te worde»
OEFENING.
Niets is waardig door het hart eens Christens bezeten te worden, dan wat eeuwig is, en wij moeten slechts datgene liefhebben, wat wij altijd zullen beminnen. Laat ons derhalve trachten 1. het welbehagen van God boven al onze voldoeningen te achten; 2. in alles slechts zijn welbehagen te zoekèn ; 3. allen druk en lijden dat Hij ons overzendt, met ootmoedige onderwerping van zijne hand te ontvangen ; 4. dik-
Ill BOEK. XXXI HOOFDSTUK. 3OI wijls met geestelijke zaken in Gods tegenwoordigheid bezig te zijn, en in alles van Hem afhankelijk te zijn.
Waarom ons met beuzelarijen en ijdele overwegingen op onszelven en met ongerustheid jegens anderen onledig houden, terwijl God, in ons zijnde, de eerbewijzingen onzes harten en het offer van onzen geheelen persoon verwacht ? Hoe vele genaden ontsnappen er aan eene verstrooide ziel, die bijna zelden acht geeft op hetgene God van haar verlangt ! Nochtans weet men hoe gevaarlijk het misbruiken der genade voor de zaligheid is.
G E B E D.
Ook ik, o Vader! heb eene bijzondere genade noodig, eer ik mij op dien trap van volmaaktheid bevinde, dat niets van het aai^dsche mij in mijne vlucht tot U kan hinderen. Hoe vreemd ben ik nog aan die edele vrijheid, uwen kinderen zoo zeer eigen ! Doe mij dien zaligen toestand kennen ; Schenk mij vleugelen als van eene duif, dan zal ik boven alle schepselen tot U vliegen om eeuwig in U alleen te rusten en in uw genot zalig te zijn.
302 III BOEK. XXXII HOOFDSTUK.
TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
Over de zelfverloochening en verzaking van alle begeerlijkheid.
1. De Heer. Mijn zoon! gij kunt geene volkomen vrijheid bezitten, tenzij gij uzelven geheel verzaakt.
Gekluisterd zijn alle eigenbaatzuchtigen en zelfminnaars; zij zijn begeerlijk, nieuwsgierig en ongestadig; zij zoeken steeds hun gemak en niet wat Mij behaagt; zij ontwerpen en ondernemen vaak dingen die geen stand houden, want alles wat van God niet komt, zal vergaan.
Onthoud dit korte en allesbevattende woord : verlaat alles en gij zult alles vinden ; leg de begeerlijkheid af, zoo vindt gij rust.
Overweeg dit bij uzelven, en wanneer gij het zult volbracht hebben, zult gij alles verstaan.
2. De Geloovige. Heer I dit is geen werk van éen dag noch kinderspel: ja, in dit weinige is alle volmaaktheid eens kloosterlings opgesloten.
De Heer. Mijn zoon! gij moet zoo aanstonds niet afkeerig noch moedeloos worden, zoodra gij van den weg der volmaaktheid hoort; maar te meer tot het hoogere opgewekt worden of ten minste daarnaar vurig verlangen.
Och, of het zoo met u gesteld ware! of gij zoo verre gekomen waart dat gij uzelven niet
Ill BOEK. XXXII HOOFDSTUK. 303 meer bemindet, maar u volkomen naar den wenk van Mij en van uwen overste schiktet! dan zoudt gij Mij zeer behagen en uw geheel leven slijten in vreugde en rust.
Nog veel hebt gij te verlaten; en tenzij gij Mij alles volkomen afstaat, zult gij niet verkrijgen wat gij vraagt.
3. Ik raad u, dat gij van mij koopt goud, door het vuur beproefd, opdat gij rijk moogt worden, (Apoc. 3.) te weten : de hemelsche wijsheid, die al het aardsche onder de voeten treedt.
Geef haar de voorkeur boven de aardsche wijsheid, boven alle menschelijk en eigen welbehagen.
4. Aldus zeg Ik u ; koop hetgeen gering is bij de menschen voor hetgeen kostbaar en verheven is in hunne schatting.
Want zeer laag en gering en bijkans vergeten schijnt de ware hemelsche wijsheid, die van zichzelve niet hoog denkt noch op aarde zoekt verheven te worden.
Velen prijzen haar met den mond, maar wijken er verre af in hun gedrag.
En toch is zij die kostbare parel, voor velen verborgen.
OEFENING.
Wat is : alles verlaten : Het is 1. zich verloochenen en afsterven; 2. zijne zinnen zijnen geest en zijn hart versterven; 3. zich van alles onthechten wat ons mishaagt, en met ooi-moedige onderwerping al datgene aannemen,
304 HI BOEK. XXXII HOOFDSTUK, wat ons moeielijk valt; 4. zijne vrienden in God, en zijne vijanden voor God beminnen en zichzelven haten; 5. aan niets dan aan zijnen God, aan zijne plichten en aan zijne zaligheid verkleefd zijn; 6. al de bewegingen des harten tegen zich, en alleen voor God te doen dienen; 7. zich slechts ophouden met de zorg om Hem in alles te bevredigen, en met de vrees van Hem te mishagen ; 8. zijn geluk en zijne eer te stellen in de winst van Zijn hart en in het bezit van Zijne liefde.
Hoe gemakkelijk zegt men : ik zou gaarne alles verlaten, om geheel voor God te wezen ! maar hoe moeielijk stelt men het in het werk, tenzij men alle getrouwheid gebruike om zich van alles te ontdoen, wat niet tot God geleidt. Een weinig liefde tot God in een hart gedrukt, maakt dien afstand en die zelfopoffering aan God voor het hart mogelijk en gemakkelijk. Men moet ze willen en vragen, en zonder ophouden in het werk stellen.
GEBED.
Ik zie, o God! dat er, om waarlijk vrij te zijn, van mij nog veel gevorderd wordt. Ik.moet om vrij tot U te vliegen mijzelven als afsterven, volkomen verlaten, dat is, mijne eigenliefde aan uwe liefde geheel opofferen. Dit is de ware wijsheid, welke van zoo weinigen wordt op prijs gesteld en zoo groote waarde heert. Leer mij deze heilzame kunst, deze hemelsche
Ill BOEK. XXXIII HOOFDSTUK. 305 wijsheid kennen ; dat zij mij een kostbare parel zij, voor wier bezit ik alles overheb.
DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Over de onstandvastigheid des harten, en dat God onze laatste bedoeling moet zijn.
1. De Heer. Mijn zoon 1 vertrouw niet op uwe tegenwoordige gemoedsgesteltenis : want zij zal ras in eene andere overgaan.
Zoolang gij leeft zijt gij ook uws ondanks der veranderlijkheid onderworpen, zoodat gij nu eens blijde, dan treurig, nu gerust, dan ongerust; nu godvruchtig, dan zonder godsvrucht; nu ijverig, dan traag; nu ernstig, dan lichtzinnig zult bevonden worden.
Doch de wijze en in den geest wèl onder-wezene blijft, bij al deze afwisselingen, staande.
Hij let niet op hetgeen hij bij zich ontwaart noch vanwaar de wind der onbestendigheid blaast; maar hierop, dat de geheele bedoeling zijns geestes naar het behoorlijke of gewenschte einde strekke.
Want dus, door het eenvoudig oog zijner bedoeling bij zoo velerlei voorvallen, onafgewend op Mij te vestigen, zal hij één en dezelfde en onwrikbaar kunnen blijven.
2. Hoe reiner nu het oog der bedoeling is,
20
306 III BOEK. XXXIII HOOFDSTUK.
hoe standvastiger men tusschen velerlei stormen
doorgaat.
Maar bij velen is het oog eener reine bedoeling beneveld ; want alras vestigt het zich op iets genoegelijks dat zich voordoet.
Daarom vindt men zelden iemand geheel vrij van de vlek der zelfzucht.
Dus kwamen weleer de Joden naar Bethanic tot Martha en Maria, niet om Jezus alleen, maar ook om Lazarus te zien.
Men moet dus het oog der bedoeling reinigen, zoodat het eenvoudig en oprecht zij -en het, boven al hetgeen slechts middel is, op Mij alleen richten.
OEFENING.
Om de ongestadigheid van ons hart in datgene wat den dienst Gods en de zorg der zaligheid betreft, te bepalen, moet men i. zichzelven mistrouwen, en zijn vertrouwen op Qod stellen; 2. tot God zijne toevlucht nemen, en zijnen bijstand in de gelegenheid verzoeken; 3. dikwijls zijne meening hernieuwen van God te bevredigen, zonder zichzelven te willen bevredigen ; 4. steeds bestrijden wat ons tegenstaat; 5. niets willen dan wat God wil, en het krachtdadig willen ; 6. zijn hart aan de liefde Gods gewennen, en ons de heilige vriendschap voorstellen, welke Hij met ons in eeuwigheid hebben wil; 7. nauwkeurig de ingevingen en bewegingen der genade volgen.
Ill BOEK. XXXIV HOOFDSTUK. 307
GEBED.
Neen, mijn God! ik kan noch mag te veel vertrouwen op eene gesteltenis, welke aan zoo vele veranderingen onderhevig is. Ook hierin behoor ik mijzelven te verlaten en het oog mijner bedoeling op U alleen te vestigen. Gij zijt onveranderlijk dezelfde die Gij van eeuwigheid waart; in U alleen kan mijn hart volkomen rusten. Dat dan mijn oog zich boven alles verheffe; dat het zuiver zij van alle eigenbelang, oprecht en onveranderlijk tot U gekeerd.
VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
De ware minnaar vindt bij alles en boven alles in God zijn genoegen.
1. De Geloovige. Zie, God is mijn en mijn al! Wat wil ik meer en wat kan ik zaliger wenschen ?
O zoet en liefelijk woord ! doch voor hem, die het Woord des Vaders en niet de wereld noch hetgeen in de wereld is, bemint.
Mijn God en mijn al 1 genoeg gezegd voor hem die het verstaat; terwijl de veelvuldige herhaling er van genoegelijk is voor hem, die bemint.
Want zijt Gij tegenwoordig, alles is genoegelijk; maar zijt Gij afwezig, alles mishaagt.
3O8 III BOEK. XXXIV HOOFDSTUK.
Gij geeft de rust des harten, een grooten vrede en eene feestelijke blijdschap.
Gij doet over alles wèl denken en U in alles loven.
Zonder U kan niets lang behagen; maar zal iets aangenaam zijn en wèl smaken, zoo moet uwe genade daarbij zijn en de kruiderij uwer wijsheid dat toebereiden.
2. Wat zal hem niet smaken, die in U smaak vindt ? En wat zal hem genoegen kunnen geven, die in U geen smaak vindt ?
De wijsheid van de wereld en de genegenheid tot het vleesch worden door uwe wijsheid te niet gedaan; want in die dwaze wijsheid is veel ijdelheid en in het vleesch is de dood.
Maar zij, die U door de verachting der wereld en afsterving des vleesches navolgen, worden bevonden ware wijzen te zijn, omdat zij zich van de ijdelheid tot de waarheid en van het vleesch tot den geest laten overbrengen.
Deze vinden smaak in God ; en welk goed zij bij de schepselen vinden, zij brengen het geheel over tot lof van hunnen Schepper.
Intusschen is er een verschil en groot verschil tusschen den smaak voor den Schepper en het schepsel, voor de eeuwigheid en voor den tijd, voor het ongeschapen licht en het medegedeelde licht.
3. O eeuwig Licht, al de geschapene lichten overtreffende ! schiet uit de hoogte stralen, die tot geheel het binnenste mijns harten doordringen.
Ill BOEK, XXXIV HOOFDSTUK. 309
Reinig, verkwik, verlicht en verlevendig mijne ziel en hare vermogens, zoodat zij- zich aan U in juichende verrukking vasthechte.
O, wanneer zal dat zalige en gewenschte uur komen, dat Gij mij met uw bijzijn zult verzadigen en mij alles in alles zijn!
Zoolang mij dit niet wordt geschonken, zal mijne vreugde niet volkomen zijn.
4. Maar helaas! nog leeft de oude mensch in mij ; hij is niet geheel gekruisigd, niet volkomen gestorven.
Nog altoos begeert hij sterk tegen den geest, verwekt inwendigen oorlog en laat aan het rijk der ziel geene rust.
Maar Gij, die heerscht over de woede der zee, en het geweld der golven slilt, (Ps. 88.) sta op te mijner hulpe. ( Ps. 43.) Verstrooi de volkeren die belust zijn op oorlog; (Ps. 67.) verpletter ze door uwe macht. (Ps. 58.)
Toon, bid ik U, uwe grootheid, en dat uwe rechterhand verheerlijkt worde : want geene andere hoop, geene andere toevlucht is mij over, dan bij U, o Heere mijn God !
OEFENING.
Niet beminnen dan God, en Hem boven alles beminnen, is : geen behagen hebben dan in Hem alleen, is niets, dan Hem alleen zoeken; is uit liefde tot Hem verzaken aan alles, wat ons uit de natuur kan bevredigen, volgens deze woorden van den koninklijken Profeet: mijne
3IO III BOEK. XXXIV HOOFDSTUK.
ziel verwerpt den troost der menschen, zij heeft zich tot God gekeerd, en in Hem alle voldoening en haar verlangen gevonden.
Om aldus niet dan God te beminnen, moet men zijne zinnen versterven, zijnen geest bedwingen, zijn hart beteugelen, zijn lichaam in bedwang houden, en zich duizende wereldsche voldoeningen ontzeggen, om alleen aan het hart van God te behagen. Heil de ziel, die tevreden is met den gekruisten staat, in welken het Lichaam van Jezus Christus zich op het kruis bevond, om met den Apostel te kunnen zeggen : ik leef om Christus alleen, en het is voor mij eene winst aan alles te sterven, om alleen voor Hem te leven.
GEBED.
Opnieuw, mijn God! vereenig ik mij met deze bede. Hoe gaarne wenschte ik voor U alleen smaak te gevoelen, U mijn God en mijn al te noemen, en in U als mijn hoogste goed te rusten ! Wanneer zal dat blijde oogenblik voor mij komen ? Maar ach I de oude mensch leeft nog in mij, en is niet geheel gedood! Vandaar die hindernissen, welke ik ontwaar. Kom mij dan te hulp; verlicht, bestraal mijn hart; dat uwe genade in mij verheerlijkt worde.
Ill HOEK. XXXV HOOFDSTUK. 3II
VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Dat men in dit leven niet veilig is voor bekoringen.
1. De Heer. Mijn zoon! in dit leven zijt gij nooit veilig, maar hebt, zoolang gij leeft, altoos geestelijke wapenen noodig.
Gij verkeert onder vijanden en wordt rechts en links aangevallen.
Zoo gij du:gt; niet van alle kanten het schild des gedulds gebruikt, zult gij niet lang onge-wond blijven.
Daarenboven, houdt gij uw hart niet vast tot Mij geiic|it, met den zuiveren wil om alles voor Mij te lijden, dan kunt gij die hitte niet doorstaan, noch den palmtak der gelukzaligen bekomen.
Gij moet dus moedig door alles heengaan en een krachtigen arm gebruiken tegen hetgeen u wederstaat.
Want aan den overwinnaar wordt het manna gegeven, maar de lafhartige aan vele ellende overgelaten.
2. Zoo gij in dit leven rust zoekt; hoe zult gij dan tot de eeuwige rust komen ?
Zet u hier niet tot veel rust maar tot groote lijdzaamheid.
Zoek den waren vrede niet op aarde maar
312 in BOEK. XXXV HOOFDSTUK.
in den hemel; niet bij do menschen of do overige schepselen, maar bij God alleen.
Om Godswil moet gij alles gewillig onder-gaan, te weten : arbeid en smarten, bekoringen en kwellingen, benauwdheden en behoeften, krankheden en beleedigingen, tegenspraak en berispingen, vernederingen en beschamingen, bestraffingen en versmadingeu.
Dit alles helpt tot deugd, stelt den Christen leerling op de proef en vlecht de hemelsche kroon.
Ik zal voor kortstondigen arbeid eeuwig loon, en voor eene voorbijgaande beschaming onvergankelijke heerlijkheid schenken.
3. Meent gij dat gij steeds de geestelijke vertroostingen naar wil en wensch zult genieten ?
Mijne Heiligen hebben deze niet altoos gehad : maar vele bezwaren, velerlei bekoringen en gröote moedeloosheden.
- Doch in dat alles hebben zij zich geduldig gedragen en meer op God dan op zichzelven vertrouwd; wetende, dat al het lijden van dezen tijd niet te achten is om de toekomende heerlijkheid te verdienen. (Kom. 8.)
Wilt gij aanstonds hebben, wat zoo velen na vele tranen en zwaren arbeid nauwelijks hebben bekomen ?
Wacht op den Heer, gedraag u mannelijk en houd moed. (Ps. 26.)
Waritrouw niet, wijk niet af; maar geef standvastig lichaam en ziel tot Gods eer ten beste.
m BOEK. XXXV HOOFDSTUK. 313
Ik zal zeer rijkelijk vergelden; ik zal met u zijn in allen nood,
OEFENING.
Bereid uwe ziel voor op de bekoring, zegt de Wijze-man, dat is ; 1. stel uw geluk niet, in bevrijd te zijn van kwellingen, maar in die wel te verdragen; 2. stel u niet bloot aan de bekoring, noch aan de gelegenheden van te zondigen ; maar indien gij u door de eene aangevallen en in de andere gewikkeld ziet, bied dan wederstand, strijd, vlucht en neem met vertrouwen uwe toevlucht tot God; 3. waak, bid, verneder u voor God, en wees doordrongen van eene ootmoedige vrees in zijne tegenwoordigheid, en van een heilig mistrouwen in uzelven, om al uwe sterkte te stellen in God, die u tegen de aanvallen van de vijanden uwer zaligheid zal verdedigen.
Eene oprechte christene ziel moet haar verblijf op Calvarië en in de wonden van Jezus Christus vestigen, om met geduld, met sterkte en getrouwheid de wederwaardigheden te lijden, welke Hij haar overzendt. Want om een ware Christen te zijn en de plichten van zijnen staat te volbrengen, moet men altijd bereid zijn om voor zijnen God te lijden en te sterven, aangezien de Christenen, zoo als de heilige Cyprianus zegt, de erfgenamen van den Gekruiste zijn.
314 Iquot; BOEK. XXXV HOOFDSTUK.
GEBED.
God ! Gij zijt voor mij onuitputbaar in troost en schenkt mij dien naar behoefte. Neen, er is voor mij geene ware rust noch veiligheid, tenzij ik mij tot strijden gereed houde en mij bereid toone alles om uwentwil te lijden. Zoo toch was het lot van uwe bests vrienden, en ik durf mij geen ander toezeggen. Welaan ! ik ben bereid, en wil mij dapper gedragen. Handel met mij volgens uwe belofte en laat mij niet alleen in den strijd.
ZES EN DÃRTIGSTE HOOFDSTUK.
Tegen de ijdele beoordeelingen der menschen.
1. De Heer. Mijn zoon! vestig uw hart vast op den Heer en vrees des menschen oordeel niet, wanneer uw geweten u goed en onschuldig houdt.
Het is goed en heilzaam dus te lijden, en dit zal niet zwaar vallen voor een nederig hart, dat meer op God dan op zichzelven vertrouwt.
Velen spreken veel, en daarom moet men er weinig geloof aan hechten.
Ook is het niet mogelijk allen te voldoen.
Ofschoon Paulus zocht allen in den Heere te behagen en allen alles werd, achtte hij het toch niet het minste door een menschelijk gericht geoordeeld te worden.
2. Hij heeft genoeg gedaan, zooveel in hem
Ill BOEK. XXXVI HOOFDSTUK. 315 was en hij konde, tot stichting en heil van anderen; maar hij konde niet beletten, dat hij somtijds van anderen geoordeeld ja veracht werd.
Daarom gaf hij alles aan God over, die alles wist, en verdedigde zich door geduld en ootmoed tegen den mond dergenen, die kwaadspraken, of het ijdele en valsche uitdachten en naar willekeur alles uitstrooiden.
Nochtans heeft hij somtijds geantwoord, opdat de zwakken niet door zijn stilzwijgen zouden geërgerd worden.
3. Wie zijt gij, dat gij een sterfelijk mensch vreest? Heden is hij, en morgen verschijnt hij niet meer.
Vrees God, en gij zult der menschen bedreigingen niet vreezen.
Wat vermag een mensch tegen u met woorden of lasteringen ? Hij benadeelt zichzelven meer dan u, en, wie hij zij, Gods oordeel kan hij niet ontgaan.
Houd gij God voor oogen, en wil niet twisten noch klagen.
Al schijnt gij ook voor het tegenwoordige onder te liggen en onverdienden smaad te lijden, word daarom niet verstoord, noch verminder uwe kroon door ongeduld.
Maar zie liever hemelwaarts tot Mij, die machtig ben om U te redden uit allen smaad en beleediging en eenieder te vergelden naar zijne werken.
3l6 Hl BOEK. XXXVI HOOFDSTUK,
OEFENING.
Een Christen, die aan de lastertaal en boosaardigheid der menschen is blootgesteld, mogen deze beproevingen eigenlijk welkom zijn, aangezien zij hem in de gelukkige noodzakelijkheid stellen, zijn toevlucht tot God, en niemand dan Hem tot getuige van zijn geweten te nemen. Want alhoewel wij overtuigd zijn, dat de achting of versmading, de goede of kwade oordeelvellingen der menschen, ons noch gelukkiger noch ongelukkiger maken, zoeken wij nochtans niet dan hunne goedkeuring te bekomen. Ach, waarom trachten wij ons niet veeleer te stellen in den geest en in het hart van God, die Opperheer onzer eeuwigheid is !
GEBED.
Uw woord, o God, is balsem voor mijn hart. Hoe vaak toch stoorde ik mij aan de beoordeelingen van anderen, zonder mijn oog tot U te heften, en vandaar mijnen troost te verwachten. Geen wonder alzoo, dat ik mij steeds in onrust bevond. Doe mij verstandiger worden, en laat het voorbeeld van uwen Apostel op mijn hart van eéne krachtige werking zijn 1 Dat mijn oog alleen op U gevestigd blijve, dan vrees ik niets, daar Gij mij een helper en redder zijt.
Ill BOEK. XXXVII HOOFDSTUK. 317
ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Over den zuiveren en geheelen afstand van zichzelven om de vrijheid des harten te bekomen.
1. De Heer. Mijn zoon! verlaat u, en gij zult Mij vinden.
Doe afstand van allen eigen zin en eigen wil, en gij zult altoos winnen.
Want zoodra gij u zult overgegeven hebben zonder terugtrekking, zal u grootere genade worden toegevoegd.
2. De Geloovige. Heer! hoe dikwijls moet ik mij afstaan en waarin mij verlaten ?
3. De Heer. Altoos en elk uur, in het groote zoowel als in het kleine. Ik zonder niets uit, maar wil u van alles ontbloot vinden-
Hoe anders kunt gij de mijne en Ik de uwe zijn, zoo gij niet inwendig en uitwendig allen eigen wil uitgeschud hebt.
Hoe eer gij dat doet, hoe beter gij het hebben zult, en hoe volkominer en oprechter, hoe meer gij Mij zult behagen en vvinst doen.
4. Sommigen staan zich af, doch met zeker voorbehoud ; want zij vertrouwen God niet volkomen en trachten daarom zichzelven te verzorgen.
3l8 UI BOEK. XXXVII HOOFDSTUK.
Soijimigcn ook geven zich aanstonds geheel aan Mij over; maar naderhand, als de bekoring hen overvalt, keeren zij tot het eigene terug, waarom zij in de deugd het minst niet vorderen.
Dezulken zullen niet tot de ware vrijheid van een zuiver hart, noch tot de gunst mijner genoegelijke verkeering geraken, tenzij zij zich geheel hebben afgestaan, en dagelijks aan Mij opofferen, zonder hetwelk geene zalige ver-eeniging met Mij bestaat, noch bestaan kan.
5. Dikwijls heb Ik u gezegd en Ik herhaal het nogmaals : verlaat u, sta u af, en gij zult inwendig grooten vrede hebben.
Geef alles voor alles, zoek niets, vorder niets terug, houd u zuiver en zonder aarzeling aan Mij en gij zult Mij bezitten ; gij zult vrij zijn van harte en de duisternis zal u niet overschaduwen.
Streef daarnaar, bid hierom en wensch dit, dat gij u van al het eigene moogt ontdoen, en naakt den naakten Jezus volgen, uzelven afsterven en voor Mij eeuwig leven.
Dan zullen alle ijdele.. voorstellingen, slechte ontroeringen en overtollige zorgen verdwijnen.
Dan ook zal alle onmatige vrees wijken en de ongeregelde liefde sterven.
OEFENING.
Wat is zichzelven verlaten, zich verzaken en zich geheel aan God overgeven, zonder iets te
Ill BOEK. XXXVII HOOFDSTUK. 319 behouden ? Het is : 1. niet handelen dan door de ingeving zijner genade, en door een werkelijk verlangen om Hem te behagen, welk verlangen zeer dikwijls moet gevoed en hernieuwd worden. 2. Zich geheel in alle gelegenheden aan God overgeven en zijne voldoening voor de onze stellen. 3. In alles zijn eigen wil verzaken, om slechts dien van God te volgen. 4. Vermaak scheppen in het vermaak van Zijn hart, en in niets belangstellen dan in zijne verheerlijking. 5. Het is eindelijk gehoorzamen aan de ingeving van den heiligen Geest en de bewegingen zijner liefde volgen. Maar helaas! wie is er die alzoo leeft ? Wie is er, die zich alzoo verlaat en zich geheel zonder voorbehoud aan God overgeeft ? Men verlaat zichzelven in eenige omstandigheden en in andere blijft men aan zich verkleefd ; men verzaakt zichzelven voor eenen tijd, en later zoekt men zich weder. De geest des Heeren, zegt de koninklijke Profeet, trekt alleen door zekere zielen ; maar hij houdt zich in deze niet op, en als hij wederkomt, kent hij zijne plaats niet meer; dat is, wijl hij eene ziel ontmoet, die meer aan zichzelven dan aan haren God is overgegeven.
GERED.
Nog veel, o God! blijft mij over te doen, eer mijn hart eene volkomen vrijheid bezit. Ik moet van mijzei ven als uitgaan en mij geheel, met alles wat mij betreft, aan U overgeven. Ik zie de waarheid van uwe vermaning in;
320 III BOEK. XXXVIII HOOFDSTUK.
maar ik gevoel te gelijk mijne zwakheid. Overwin die door uwe almogende genade. Dat mijne eigenliefde zich in uwe liefde geheel verlieze. en dat uwe zalige vereeniging mij alle opoffering vergoede.
ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Over een goed bestuur in het uitwendige, en hoe men in gevaren zich tot God moet begeven.
i. De Heer. Mijn zoon! vlijtig moet gij daarnaar trachten, dat gij overal en in alle handeling of uitwendige bezigheid inwendig vrij en uzelven meester blijft, dat alles aan u onderworpen zij, en gij aan niets.
Daardoor zult gij heer en bestuurder van uwe daden zijn, geen dienstkeecht of slaaf; maar liever een vrij en waar Hebreer?, tot het.erfdeel en de vrijheid van Gods kinderen overgebracht.
Die zich verheffen boven het tegenwoordige en op het eeuwige zien ; die het voorbijgaande met het linker oog beschouwen, en liet he-melsche met het rechter; die zich door het tijdelijke niet laten trekken, om daaraan te hechten ; maar het veelmeer trekken, opdat het wel diene, zooals het door God verordend en door den oppersten werkmeester ingesteld is, die in zijne schepselen niets ongeregelds overliet.
Ill BOEK. XXXVIII HOOFDSTUK. 321
2. Indien gij u ook bij alle gebeurtenis niet ophoudt bij den uiterlijken schijn, noch hetgeen gij ziet of hoort, met een vleeschelijk oog beschouwt ; maar terstond bij iedere zaak met Mozes in den tabernakel treedt, om den Heer raad te vragen, dan zult gij somtijds een goddelijk antwoord vernemen en over vele tegenwoordige en toekomende zaken ingelicht terug-keeren.
Mozes immers nam altoos ter oplossing van twijfelachtige en ingewikkelde zaken tot den tabernakel zijne toevlucht en zocht hulp in het gebed, om uit de gevaren en de kwaadwilligheid der menschen gered te worden.
Zoo ook moet gij uw toevlucht nemen tot de geheime kamer uws harten, om den godde-lijken bijstand vurig af te smeeken.
Want wij lezen, dat Jozue en de kinderen Israels door de Gabaonieten zijn misleid geworden, omdat zij niet te voren den mond des Heeren om raad hadden gevraagd, maar vleitaal te licht geloovende, zich door valsch me-dedoogen lieten verleiden.
OEFENING.
De uiterlijke bezigheden trekken de ziel dikwijls tot het uitwendige, en beletten haar ingekeerd te zijn en zich in Gods tegenwoordigheid te houden, voornamelijk als men zich geheel aan die uitwendige zaken overgeeft, zonder zijn hart vrij en aan den Heer gehecht
21
322 III BOEK. XXXVIII HOOFDSTUK, te houden. Indien men zich echter slechts met die uitwendige bezigheden ophoudt, om hierdoor den wil van God te volbrengen, welken zé ons oplegt, dan is men er niet in verstrooid en doet in die onderscheidene bezigheden slechts ééne zaak, namelijk Gods wil bevredigen. Men heeft altijd den vrede, als men altijd vergenoegd is; men heeft dien altijd, als men alles heeft wat men verlangt; en men heeft dien altijd, als men slechts aan God tracht te behagen. Derhalve kunnen al die uitwendige werken eene ziel niet verstrooien, die alles lot de eenheid brengt, dat wil zeggen, die slechts den Heer zoekt te behagen, en die alles in Hem vindt.
G E B E D.
Hoe vele afleidingen, o God 1 heb ik in dit leven te bestrijden, eer ik eene zoozeer ge-wenschte vrijheid geniet?! Wil ik waarlijk vrij zijn, dan moet ik ook van al mijne verrichtingen meester blijven ; maar ach, hoe vaak ben ik daarvan de siaaf! Dat uwe vermaning mij ter harte ga. Dat ik bij alles wat ik onderneem, met U raadplege en uwen raad opvolge. Dit zal mij voor bedrog bewaren en omtrent vele zaken inlichten.
Ill BOEK. XXXIX HOOFDSTUK. 323
NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Dat men zich over zijne zaken niet mag kwellen.
1. De Heer. Mijn zoon! vertrouw mij altoos uwe zaak toe; Ik zal op zijnen tijd wèl beschikken.
Wacht mijne beschikking af; en gij zult daarbij voordeel vinden.
2. De Geloovige. Heer! gaarne genoeg vertrouw ik U alle zaken toe : want mijne overlegging kan weinig baten.
O, mocht ik aan toekomende gebeurtenissen niet veel hechten, maar mij bereidwillig aan uw welbehagen overgeven I
3. De Heer. Mijn zoon! dikwijls is de mensch zeer bekommerd over iets, dat hij verlangt; maar heeft hij het bekomen, hij begint er anders over te denken: want de neigingen blijven niet altoos bij hetzelfde; maar drijven eer van het eene tot het andere.
Het is dus niet gering, ook in het geringste zichzelven te verloochenen.
4. 's Menschen ware voortgang bestaat in zelfverloochening, en een zichzelven verloochenend mensch is zeer vrij en veilig.
Maar de oude vijand, al het goede wederstrevende, laat niet af te bekoren, maar legt dag en nacht gevaarlijke lagen, om den on-
324 UI BOEK. XXXIX HOOFDSTUK, behoedzame in zijn bedriegelijk net te kunnen verstrikken.
Waakt en bidt, zegt de Heer, opdat gij niet in bekoring komt. (Matth. 26.)
OEFENING.
Tevergeefs is men voor de toekomst bekommerd, en laat men den moed zinken bij het aanschouwen zijner ellende ; alles bestaat, met zich in alles op God te verlaten, en op Hem te rekenen, in zich aan zijnen wil over te geven en niets te ontzien om aan Hem te behagen. Het gebeurt dikwijls, dat God wil of toelaat, dat wij ons in eenen staat bevinden, waarin wij vermeenen dat alles verloren is, om ons te verplichten in Hem alleen al ons vertrouwen te stellen. Immers, hoe minder onderstand wij bij de schepselen ontmoeten, des te meer vinden wij er bij God, die het zich tot eer rekent en er vermaak in schept ons bij te staan, als men zich in alles op Hem verlaat. Laat ons dan trachten al de ongerustheden opzichtens onze zaligheid in het hart van onzen Zaligmaker over te storten, overtuigd zijnde, dat Hij er zorg voor draagt : en laat ons alles aanwenden, om aan zijne inzichten te beantwoorden, door onze getrouwheid in het volgen derzelve.
GEBED.
Kan ik, 6 God! wel aan iemand mijne belangen beter toevertrouwen, dan aan U: Zelfs
III BOEK. XL HOOFDSTUK. 325 het geringste uwer schepselen ontgaat uwe Vaderzorg niet; en ik, uw edelst schepsel, zoude mij niet aan U toevertrouwen ? Hoe dikwijls mocht ik niet de teederste blijken ontwaren, dat Gij in alles uwe kinderen gadeslaat en hun welzijn beoogt! Boezem mij dan een kinderlijk vertrouwen in ; dat ik alles aan U overgeve en mij aan uwe beschikkingen onder-werpe.
VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Dat de mensch uit zichzelven niets goeds heeft en over niets kan roemen.
1. De Geloovige. Heer! wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt? of des menschen zoon, dat Gij hem bezoekt? (Ps. 8.)
Welke verdienste heeft de mensch, dat Gij hem uwe genade bewijst ?
Heer! hoe kan ik klagen als Gij mij verlaat ? of wat kan ik billijk inbrengen, wanneer Gij niet doet, hetgeen ik verzoek ?
Ja zeker, dit kan ik met waarheid denken en zeggen : Heer! ik ben niets, ik kan niets, ik heb niets goeds van mijzelven, maar schiet iu alles te kort en streef altoos naar het niets. En zoo Gij mij niet helpt en inwendig versterkt, word ik geheel lauw en los.
2. Maar Gij, o Heer! zijt altoos dezelfde, (Ps. 101) en blijft eeuwig, altoos goed, rechtvaardig en heilig in alles wat Gij doet, en alles met wijsheid beschikkende.
326 III BOEK. XL HOOFDSTUK.
Maar ik, die meer overhel tot afwijking dan tot vordering, blijf niet lang in denzelfden staat volharden : want ik ben aan veelvuldige verandering onderhevig.
Nochtans wordt het ras beter; als het U behaagt en Gij de behulpzame hand biedt : want Gij alleen kunt zonder menschelijke hulp helpen en zoo versterken, dat mijn gelaat niet meer gedurig verandere, maar dat mijn hart tot U alleen zich wende en in U alleen ruste.
3. Daarom wist ik allen menschelijken troost weg te geven, hetzij ter verkrijging van godsvrucht, hetzij uit noodzakelijkheid, die mij aandrijft U te zoeken, daar geen mensch mij troosten kan; dan zoude ik terecht op uwe genade kunnen hopen en mij verblijden over het geschenk eener nieuwe vertroosting.
U zij dank, van wien alles komt, zoo dikwijls het mij welgaat.
Ik immeis ben voor U ijdelheid en niets, een onstandvastig en zwak mensch.
Waarop kan ik dan roemen ? Of waarom wensch ik te worden geroemd ? Om een niet ? dat ware de grootste ijdelheid.
4. Waarlijk, de ijdele roemzucht is eene erge pest, eene zeer groote ijdelheid : want zij trekt af van den waren roem en berooft van de hemelsche genade.
Want zoolang de mensch zichzelven behaagt, mishaagt hij U, en zoolang hij jaagt naar men-schcnlof, is hij van ware deugd beroofd.
5. Maar de ware roem en heilige blijdschap
Ill BOEK. XL HOOFDSTUK. 327 is in U te roemen, en niet in zichzelven, zich te verheugen in uwen naam, niet in eigen deugd, en geen genoegen in eenig schepsel te nemen tenzij om U.
Uw naam worde geloofd, niet de mijne ; uw werk worde verheerlijkt, niet het mijne; uw heilige naam worde gezegend, maar mij worde van 's menschen lof niets toegerekend.
Gij zijt mijn roem, Gij de vreugde mijns harten. In U zal ik roemen en mij verblijden den geheelen dag; doch voor mij is geen roem dan in mijne zwakheden. (2. Cor. 12.)
6. Dat de Joden roem van elkander zoeken, ik zal dién zoeken, die alleen van God is.
Want alle menschelijke roem, alle tijdelijke eer, alle werelsche grootheid, vergeleken bij uwe eeuwige heerlijkheid, is ijdelheid en dwaasheid.
O mijne waarheid en barmhartigheid ! mijn God! gelukzalige Drieeenigheid ! U alleen zij lof, eer, kracht en heerlijkheid tot in de ein-delooze eeuwen der eeuwen.
OEFENING.
Ik gevoel mijne ellende, die mij ongeschikt maakt tot eenig bovennatuurlijk goed en bekwaam tot alle kwaad ; maar ik offer ze op aan eenen barmhartigen God, die veel van weinig, en alles uit niets kan maken. Derhalve is het niet genoeg te weten, dat ik niet door mijzelven ben, en niet dan in U, o mijn God,
328 III BOEK. XL HOOFDSTUK.
moet roemen, maar het gewichtigste is, in de gelegenheden, de heilige bewegingen van ootmoed en vertrouwen in U te volgen, aan wien niets onmogelijk is.. Als ik ze niet bij de men-schen vind, dan word ik in de gelukkige noodzakelijkheid gebracht mijne toevlucht tot God te nemen en van Hem afhankelijk te zijn. Gelukkig ben ik, Heer, als mij alles buiten U ontbreekt, om alles in U te vinden. O, hoe wel heeft de heilige man Job gezegd ; Uwe oogen zijn op mij gevestigd, en ik zal in mij niet meer bestaan. Want als ik aan U denk, o mijn God, gevoel ik in mij een vurig verlangen om aan U te behagen, en alles verdwijnt voor mijne oogen, zoodra Gij in mijn hart verschijnt.
GEBED.
Ja, mijn God 1 wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt ? Wat is 's menschen zoon, dat Gij hem zoo gunstrijk bezoekt ? Wat heb ik, dat Gij zoo genadevol op mij nederziet ? Niets heb ik van mijzelven, waarop ik mij voor U zoude kunnen beroemen. Dat dan geene ijdele roemzucht bij mij wone; dat ik in U alleen roeme, en over de goedheid, mij betoond. U alleen zij lof en eer en dankzegging in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Ill BOEK. XLI HOOFDSTUK. 329
EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Over de versmading van alle tijdelijke eer.
1. De Heer. Mijn zoon 1 trek het u niet aan als gij anderen vereerd en verhoogd ziet, maar uzelven veracht en vernederd.
Verhef uw hart hemelwaarts tot Mij, en het zal u niet bedroeven op aarde van de menschen veracht te worden.
2. De Geloovige. Heer, wij zijn verblind en worden »as door de ijdelheid verleid.
Wanneer ik mijzelven recht beschouw, dan is mij nog nooit door eenig schepsel onrecht gedaan; derhalve heb ik geen reden om mij voor U te beklagen.
Integendeel, omdat ik tegen U zoo dikwijls en zwaar gezondigd heb, wapent zich met recht alle schepsel tegen mij.
Mij komt dus terecht smaad en verachting toe, maar U lof en heerlijkheid.
En tenzij ik mij daartoe bereide, ,om gaarne van alle schepsel veracht, verlaten en volstrekt voor niets gehouden te worden, kan ik niet inwendig bevredigd, noch naar den geest verlicht, noch volkomen met U vereenigd zijn.
330 III BOEK. XLI HOOFDSTUK.
OEFENING.
Het gezicht van God op ons moet eenen diepen eerbied voor Hem teweeg brengen, en de oogen onzer ziel opheff-jiide tot God, moet ons dit volkomen vertrouwen op Hem inboezemen. God ziet mij ; hoe /ou ik Hem kunnen vergrammen, als ik aan Hem denk ? Ik aanzie God : hoe zou ik kunnen moedeloos worden,
als ik aan Hem denk ? God !..... ziedaar wat
toereikend moet wezen om in alle ongenoegen eene oprechte christenziel te troosten, aangezien zij God meer om Hem, dan om zichzelven moet beminnen. Maar God is mijn Vader; is er iets meer noodig om al mijne ongerustheden te stillen ? En is het niet genoeg te denken, dat Hij de goedheid zelve is, om zich op Hem te verlaten, en op zijne zorg te rekenen ? Hij kent, bestuurt, schikt alles voor mijne zaligheid; kan die zaligheid beter zijn dan in het hart van mijnen Zaligmaker?
GEBED.
Mocht, o God! deze waarheid mij wel ter harte gaan, zoo dikwijls ik de verachting mijner medemenschen ontwaar. Neen, eigenlijk geschiedt mij geen onrecht, daar de overtredingen waaraan ik mij voor U schuldig bevind, zoo groot en menigvuldig zijn, en de billijkheid dezer tuchtiging bewijzen. Leer mij dan meer
Ill BOEK. XLII HOOFDSTUK. 331 en meer den staat mijns harten kennen, en in den vuuroven geduldig zijn, opdat ik daaruit gelouterd te voorschijn kome.
TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Dat men zijnen vrede niet bij de menschen moet zoeken.
1. De Heer. Mijn zoon! indien gij uwen vrede op eenig mensch bouwt, omdat hij met u van éen gevoelen is en met u wel weet te leven, gij zult onbestendig en onrustig zijn.
Maar neemt gij uwe toevlucht tot de steeds levende en bestendige waarheid, geene scheiding of dood van eenen vriend zal u bedroeven.
In Mij moet de liefde van eenen vriend gevestigd zijn, en om mijnentwil moet gij beminnen eenieder, die u als goed voorkomt en in dit leven bijzonder dierbaar is.
Zonder Mij is geene vriendschap goed noch duurzaam; en het is geene ware en reine liefde, waarvan Ik niet den band toehale.
Gij moet soortgelijke genegenheden voor geliefde personen zóo afgestorven zijn, dat gij, wat u aangaat, allen omgang met menschen zoudt willen derven.
Hoe verder een mensch zich van allen aard-schen troost verwijdert, hoe meer hij God nadert.
Ook hoe dieper hij in zich nederdaalt en hoe
332 III BOEK XLII HOOFDSTUK, geringer hij bij zichzelven wordt, hoe hooger hij tot God opklimt.
2. Maar wie zichzelven iets goeds toeschrijft, belet Gods genade tot hem te komen : want de genade des heiligen Geestes zoekt altoos een nederig hart.
Wist gij volkomen te vernietigen en van alle liefde tot het geschapene te ontledigen, Ik zoude in u met groote genade nederdalen.
Wanneer gij uw oog op de schepselen vestigt ; wordt u de aanblik des Scheppers onttrokken.
Leer u in alles, om des Scheppers wil, overwinnen; dan zult gij tot de kennis van God kunnen komen.
Hoe gering ook iets zij, wordt het ongeregeld bemind of begeerd, het houdt van het hoogste goed af en besmet.
OEFENING.
Hoe dieper men in den afgrond van zijn' niet nederdaalt, des te meer verheft men zich in het hart van den Schepper; dat wil zeggen, dat men in de oefening i. zich klein, ootmoedig en afhankelijk van God moet maken, om zich in zijn hart te vestigen; 2. dat, hoe meer ellenden men in zich gevoelt, men ze des te meer in den schoot van Gods barmhartigheid moet brengen en uitstorten; 3. dat, hoe minder men in zich het goede bevestigd ziet, hoe meer men zich voor God moet verootmoedigen, met
Ill BOEK. XLII HOOFDSTUK. 333 alles van zijne goedheid af te wachten; 4. dat 's menschen hart aan niets moet gehecht zijn dan aan zijnen God, zijne plichten en zijne zaligheid; en dat hij moet trachten niets te beminnen, dan hetgéne hij altijd zal beminnen, en beginnen met in zijn leven te doen, wat hij in de eeuwigheid moet voortzetten. Alle vriendschap, die niet in en om God is, is berispelijk, aangezien wij God moeten beminnen, en Hem alleen van ganscher harte beminnen. Men moet dan zijn hart vrij en onthecht van alles behoeden, om het niet te houden dan met God, die alleen het middenpunt onzer harten is, en ze alleen kan bevredigen.
GEBED.
Ook deze vermaning, o God I is voor mij belangrijk. Mocht ik ze steeds ter harte nemen ! Hoe dikwerf toch stel ik mijn vertrouwen op menschen en zoek ik in hunne vriendschap mijnen troost, zonder haar dien troost om te zien welke alleen van U komt. Dat niet langer deze lichtzinnigheid mij beheersche. Wees Gij mijn dierbaarste vriend, mijn beste trooster. Dat aan uw bezit alle vrienden, ja alle schepselen opgeofferd worden. Waarlijk als ik U bezit, heb ik genoeg.
334 ui boek. xlhi hoofdstuk.
DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Tegen de ij dele wetenschap der wereld.
1. De Heer. Mijn zoon! Iaat u niet vervoeren door de schoone en spitsvondige redenen der menschen, â want niet in woorden, maar in kracht is het Godsrijk.quot; (I. Cor. 4.)
Let op mijne woorden, die het hart ontsteken en den geest verlichten; die het gemoed vermorzelen en velerhande troost verschaffen.
Lees nooit iets om geleerder en wijzer te kunnen schijnen; maar leg u toe om uwe gebreken te dooden. Dit zal u meer nut doen, dan de kennis van vele moeielijke vraagstukken.
2. Na veel gelezen en verstaan te hebben, moet gij altoos lot het eenige grondbeginsel terugkomen.
Ik ben het, die den mensch welenjchap leer, ( Ps. 93.) en aan de kleinen helderder doorzicht geef, dan men van menschen bekomen kan.
Hij, tol wien Ik spreek, zal ras wijs zijn en in den geest grooten voortgang maken.
Wee hun, die naar vele vreemde dingen onderzoek doen bij de menschen, en er zich weinig over bekommeren hoe zij Mij moeten dienen.
De lijd zal komen dat de Meester der meesters, Christus, de Heer der Engelen, ver-
Ill BOEK. XLIII HOOFDSTUK. 335 schijnen zal om allen de les te overhooren jdat is : om elks geweten te onderzoeken.
En dan zal Jeruzalem met fakkelen worden doorzocht; (Soph. 1.) dan zal hetgene in de duisternis verborgen was, aan het licht komen, en de menschelijke redeneeringen zullen verstommen. ( 1. Cor. 4.)
3. Ik ben het, die den nederigen geest in éen oogenblik zóo verhef, dat hij van de eeuwige waarheid meer begrijpt, dan wanneer hij zich tien jaren lang in de scholen geoefend hadde.
Ik onderwijs zonder gedruisch van woorden, zonder verwarring van gevoelens, zonder eerzucht, zonder redetwist.
Ik ben het, die leer het aardsche verachten, van het tegenwoordige walgen,, naar het eeuwige zoeken, het eeuwige smaken, eerbetoon vluchten, ergernis dragen, alle hoop op Mij stellen, niets buiten Mij begeeren en Mij boven alles vurig beminnen.
Want door Mij innig te beminnen leerde iemand het goddelijke kennen en daarover wonderlijk spreken.
Door alles te verlaten vorderde hij meer dan door zich op spitsvondigheden toe te leggen.
4. Aan -sommigen nu zeg Ik algemeene, aan sommigen bijzondere zaken; aan sommigen openbaar Ik Mij zachtelijk, door teekenen en beelden : aan anderen stel Ik de geheimen in een groot licht voor.
De stem der boeken is wel dezelfde ; maar
336 III BOEK. XLIII HOOFDSTUK, zij onderwijst niet allen gelijkelijk; want Ik ben de inwendige leeraar der waarheid, de doorzoeker des harten, de kenner der gedachten, de bevorderaar der daden, eenieder gevende wat ik billijk acht.
OEFENING.
God deelt zich weinig mede aan de trotsche en laatdunkende gemoederen, die een ijdel zelfbehagen gevoelen, omdat zij Hem de eer ontnemen, welke Hem alleen toekomt. Maar Hij deelt zijne vurigste en krachtigste genaden aan de ootmoedige zielen uit, die, zichzelven mistrouwende en, in zich niet dan gebreken en ellenden ontmoetende, alleen steunen op Hem, die haar zijne liefde kan doen waardig worden.
Waartoe dient het eene christene ziel, de zaken van den godsdienst te bestudeeren en te kennen, wanneer zij zich niet toelegt om ze in het werk te stellen ? Waarop komen zoovele twistredenen aangaande de kracht en werking der genade uit, wanneer men niet alles aanwendt om hieraan getrouw te wezen, en nauwkeurig de ingevingen van den heiligen Geest te volgen? Men weet genoegzaam, hetgene Jezus Christus in het Evangelie voorhoudt, dat diegene, die zegt ; Heer! Heer! in het rijk der hemelen niet zal komen, indien hij niet tracht in alles den wil van God te volbrengen en de deugden van zijnen staat te beoefenen. Men
Ill BOEK. XLTV HOOFDSTUK. 337
weet dit, en nochtans doet men er meer noch minder om.
GEBED.
Uw woord is waarheid, mijn God! al mijn lezen en onderzoeken is ijdel, tenzij Gij mijn hart bestraalt. Gij moet tot mij spreken, zal ik nut doen met hetgeen ik lees. Hij, tot wien Gij spreekt, wordt ras wijs en verlicht. Schenk mij dan dat licht, hemelsche leeraarl Eeuwige waarheid ! open mijn hart voor uwen invloed, en doe mij voortgang maken in die heilzame kunst, van welker beoefening mijn -zedelijke volmaking en hierna mijne zaligheid afhangt-
VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK
Dat men zich het uitwendige niet moet aantrekken.
1. D e Heer. Mijn zoon ! omtrent vele dingen moet gij onwetend blijven en u aanzien als een doode op aarde, voor wien d« geheele wereld gekruisigd is.
Ook moet gij veel met doove ooren voorbijgaan, en liever bedenken hetgeeu u tot vrede dient.
Het is nuttiger de oogen af te wenden van hetgeen mishaagt en eenieder zijn gevoelen te laten, dan zich met woordentwisten op te houden.
338 III BOEK. XL1V HOOFDSTUK.
Zoo gij wèl staat met God en op zijn oordeel ziet, gij zult te lichter verdragen overwonnen te zijn.
2. De Geloovige. Ach, Heer! waartoe zijn wij gekomen! Zie, om een tijdelijk verlies weent men; me.n arbeidt en draaft om eene geringe winst, en geestelijke schade vergeet men, en nauwelijks komt men laat daarop terug.
Men let op hetgeen weinig of in het geheel geen nut doet, en het hoogst noodzakelijke loopt men nalatig voorbij.
Want de mensch geeft zich geheel aan het uitwendige over, en tenzij hij zich ras bezinne, blijft hij gaarne in het uitwendige liggen.
OEFENING.
Zich aanzien als een persoon, die aan de wereld gestorven en gekruist is, is : i. zich aan niets hechten dan aan God, aan zijne plichten en .aan zijne zaligheid; 2. alle dingen in het voorbijgaan beschouwen en tot zichzelven zeggen : heden ben ik hier, morgen zal ik er niet meer zijn. Wat zullen voor mij die eer, die rijkdommen, die voldoening in het uur des doods wezen ? Hetgene ik wil, is, dat zij voor mij zijn gedurende mijn leven.
Gelukkig de Christen, wiens hart aldus voor het lichaam sterft, en die dagelijks met verdienste aan eene der zaken tracht te sterven, welke hij in zijnen dood moet verlaten! Die gelukkige stervende is zeker, eens wèl te sterven-
Ill BOEK. XLV HOOFDSTUK. 339
Men beweent een tijdelijk verlies, men houdt er zich gedurig mede onledig, het kost moeite er over getroost te worden ; maar men vergeet, dat men zijne ziel verliest, voor welker verlies men ongevoelig is, en hetgene alleen eenen Christen zou moeten treflfen. Dat is te zeggen, o mijn God I dat de menschen met spijt hun goed verliezen, en dat zij U, die het opperste goed zijt, zonder droefheid verliezen.
GEBED.
Ook ik, mijn God, mag uitroepen : waartoe ben ik gekomen 1 Nog heeft het zinnelijke bij mij de overhand. Het geringste tijdelijk verlies gaat mij ter harte, en wat het verlies mijner ziele, de hoofdzaak, betreft, dat trek ik mij weinig aan. Hoever ben ik van mijne bestemming afgeweken! Open mijne oogen, breng mijn hart van het zinnelijke tot het bovenzinnelijke over. Wat kan mij de geheele wereld baten, als ik schade aan mijne ziele lijde ?
VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Dat men niet aan allen geloof mag geven, en over het licht struikelen in woorden.
1. De Geloovige. Schenk Gij, o Heer!
340 UI BOEK. XLV HOOFDSTUK, ons redding uit den nood : want menschenhulp is ijdelheid. ( Ps. 59.)
Hoe dikwijls vond ik geene trouw, waar ik ze dacht te vinden!
Hoe dikwijls vond ik ze ook, waar ik het niet vermoedde!
IJdel is dus de hoop op raenschen ; bij U, o God! is der rechtvaardigen heil.
Wees Gij dan, Heere mijn God! gezegend in alles, wat ons overkomt. Wij zijn zwak en onbestendig; licht worden wij bedrogen en veranderen wij.
2. Wie is de man, die zich in alles zoo omzichtig en behoedzaam weet te gedragen, dat hij niet somtijds tot eenige misleiding of verlegenheid vervalle ?
Maar wie, o Heer, op U vertrouwt en U met een eenvoudig hart zoekt, valt zoo licht niet.
En al komt hij in cenig lijden, op welk eene wijze hij ook ingewikkeld worde, hij zal toch schielijk door U gered of vertroost worden, want Gij verlaat dengene niet, die op U ten einde toe vertrouwt.
3. Zeldzaam is een trouwe vriend, die bij al de rampen zijns vriends standvastig blijft.
Gij, o Heer, Gij alleen zijt in alles de aller-getrouwste en buiten U is er zoo geen.
O, hoe recht wijs was die heilige ziel, welke zeide : Mijn hart is bevestigd en in Christus gegrondvest ! ( St. Agatha.)
Ware het zoo met mij gesteld, geene men-
Ill BOEK. XLV HOOFDSTUK. 341 schenvrees zoude mij zoo licht kwellen en geene bitse woorden mij ontroeren.
Wie kan alles voorzien ? Wie de toekomende rampen voorkomen ?
Zoo ook hetgene men voorzag dikwijls grieft, hoe zwaar zal niet het onvoorziene treffen ?
4. Maar waarom heb ik mij ellendigen niet beter verzorgd ? Waarom ook heb ik anderen zoo licht geloofd ?
Maar wij zijn menschen en niets meer dan brooze menschen, al worden wij ook door velen als Engelen aangezien en aldus genoemd.
Wien dan, o Heer, zal ik gelooven ? Wien anders dan U ? Gij zijt de waarheid die niet bedriegt, noch bedrogen kunt worden.
Daarentegen is alle mensch leugenachtig, ( Ps. 115.) zwak, onbestendig en licht struikelende, vooral in woorden, zoodat men nauwelijks aanstonds gelooven jnag, hetgeen op het eerste oogenblik als waarheid schijnt te klinken.
5. Hoe wijselijk hebt Gij vermaand, zich voor de menschen te wachten , en dat ook 's menschen huisgenooten zijne vijanden zijn ; ( Matth. 10.) en dat men nie^gelooven moest zoo iemand zeide : Zie, hier of daar is hij I {Matth. 24.)
Door mijne schade heb ik geleerd,' en ach, mocht het mij zijn tot grootere voorzichtigheid en niet tot nieuwe dwaasheid.
Wees omzichtig, zegt''iemand, wees omzichtig ; houd voor u wat ik u zeg. En terwijl ik
342 III BOEK. XLV HOOFDSTUK.
zwijg en het verborgen acht, kan hijzelf niet zwijgen hetgeue hij gebood te zwijgen; maar aanstonds verraadt hij mij en zichzelven en gaat henen. â¢
Behoed mij, o Heer, voor zulke praatzieke en onvoorzichtige menschen; dat ik niet in hunne handen valle, of ooit zelf zoo handele.
Leg in mijnen mond ware en onveranderlijke woorden en geef mij eenen grooten afkeer van eene arglistige tong.
Wat ik niet lijden mag, daarvoor moet ik mij alleszins wachten.
6. O, hoe goed en vredebevorderend is het, van anderen te zwijgen en niet onverschillig alles te gelooven, noch te licht te verspreiden, zich bij weinigen uit te laten en steeds naar U, den kenner des harten, om te zien ; zich niet door allen wind van woorden te laten ontvoeren, maar te wenschen dat al hetgene in en buiten ons is naar het welbehagen van uwen wil geschiede !
Hoe veilig is het ter bewaring van de he-melsche genade de vertooning onder de menschen te ontwijken, niet te verlangen naar hetgeen van buiten verwondering schijnt te baren, maar met alle vlijt datgene na te jagen,! wat verbetering van leven en ijver bevordert Hoe velen was het schadelijk dat hunn^ deugd bekend en te vroeg geprezen werd !
Hoe nuttig daarentegen de genade stilzwijgend te hebben bewaard in dit gebrekkige leven, dat geheel ih bekoring en strijd wordt doorgebracht.
in BOEK. XLV HOOFDSTUK. 343
OEFENING.
Wat is, op Jezus Christus gegrond en in Hem sterk gevestigd zijn, zoo als de heilige Agatha in hare pijnigingen zeide ? Het is 1. op Hem alleen vertrouwen en slechts op Hem rekenen, want men mag bijna op de beloften der menschen geen staat maken ; 2. zijne genade en liefde stellen boven de vriendschap en achting van alle stervelingen der wereld, want er is geen waarachtig goed, dan in vriendschap te zijn met zijnen Ood ; 3. dikwijls met Hem in onze ziel handelen, tot Hem met vertrouwen in alle kwellingen onze toevlucht nemen, en ons hart, om zoo te zeggen, vormen om Hem te beminnen, opdat wij in het oogenblik des doods, wanneer wij voor Hem moeten verschijnen, in Hem eenen Vader van barmhartigheid ontmoeten en eenen Zaligmaker, dien wij reeds gekend en bemind hebben, en niet eenen vreeselijken Rechter en onbekenden God, die tot ons zou zeggen : dij hebt u niet toegelegd om mij tijdens uw leven te kennen en te beminnen ; Ik ken u niet om Mij tos te behooren, en gij zult niet voor Mij in eeuwigheid wezen.
G E B E t).
Ik kan, o God! uwen raad niet genoeg ter harte nemen, dat ik mij voor de menschen moet wachten. Neen, ik mag hun niet lichtzinnig geloof geven, noch onbepaald vertrouwen
344 111 boek. xlvi hoofdstuk.
scheuken. Zij zijn als de wind aan verandering onderhevig; en wat is hun bijval aftders dan eene ijdele schaduw ? Trek mijn hart van dat ijdele, onbestendige af, en doe mij in alles op mijne hoede zijn. Dat ik op U vertrouwe, U met een oprecht hart zoeke; ik zal mij daarbij wèl bevinden.
ZES EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Dat men bij scherpe woorden op God moet vertrouwen.
i. D e H e e r. Mijn zoon ! sta vast en hoop op Mij : wat toch zijn woorden dan woorden : Zij vliegen doorzie lucht, maar bewegen eenen steen niet.
Zijt gij schuldig, denk dat gij u gaarne beteren wilt.
Zijt gij u niets bewust, denk dat gij dit gaarne voor God wilt verdragen.
Het is weinig genoeg dat gij somtijds woorden verdraagt, gij, die nog geene zwaardere slagen kunt verduren.
En waarom treffen u zulke kleinigheden tot in het hart, tenzij omdat gij nog vleeschelijk zijt en meer let op de menschen dan behoort : want omdat gij vreest veracht te worden, wilt gij u niet over uwe verkeerdheden laten berispen, en zoekt gij de schaduw der verontschuldiging.
Ill BOEK. XLVI HOOFDSTUK. 345
a. Maar beschouw uzelvan beter, en gij zult erkennen dat de wereld nog in u leeft en de ijdele zucht om den menschen te behagen.
Want, dat gij niet wilt vernederd noch over uwe gebreken beschaamd worden, bewijst dat gij noch waarlijk nederig zijt, noch der wereld recht afgestorven, noch dat de wereld voor u gekruisigd is.
Maar hoor naar mijn woord, en gij zult u aan geen tienduizend woorden van menschen storen.
Zie. al wierd tegen u gezegd alles wat men boosaardigs verzinnen kan, wat nadeel zoude het u doen, zoo gij dat liet voorbijgaan en het niet meer dan een strootje teldet ?
Zoude het u ook een haartje kunnen uittrekken ?
3. Maar wie zijn hart niet ingekeerd noch God voor oogen heeft, wordt licht door een smaadwoord ontroerd.
Doch die op Mij vertrouwt en niet op zijn eigen gevoelen wil staan, zal zonder menschen-vrees zijn.
Want Ik ben de rechter en kenner van alle geheimen. Ik weet hoe de zaak is geschied; Ik ken den beleediger en dien het verdraagt.
Van Mij is dat woord uitgegaan, door Mijne toelating is dat geschied, opdat de gedachten van veler harten zouden geopenbaard worden. (Luc. 2.)
Ik zal den schuldige en den onschuldige
346 III BOEK, XLVI HOOFDSTÃK. oordeelen; maar beide wilde ik eerst door een heimelijk oordeel beproeven.
4. Der menschen getuigenis bedriegt dikwijls ; mijn oordeel is waarachtig; het zal standhouden en niet omvergewoipen worden.
Meestal is hét verborgen en bij weinigen tot in het bijzondere gekend; het faalt nochtans nimmer en kan ook niet falen, al schijnt het in der dwazen oog niet billijk.
Bij alle oordeel dan moet men zijne toevlucht tot Mij nemen en nooit op eigen goeddunken steunen.
Want de rechtvaardige zal niet gestoord worden, wat hem ook van Gods wege overkome. ( Prov. 10.)
En al wordt iets ten onrechte tegen hem ingebracht, hij zal zich dat niet veel aantrekken.
Maar ook,zal hij zich op goedé gronden niet ijdel verblijden, al wordt hij door anderen verschoond.
Want hij overweegt dat Ik die harten en nieren doorzoek, (Apoc. 2.) niet oordeel naar het uiterlijke van den menschelijken schijn.
Want vaak wordt in mijne oogen berispelijk bevonden, wat naar het oordeel der menschen loffelijk gehouden wordt.
5. De Geloovige. Heer mijn God ! rechtvaardige Rechter ? machtige, lankmoedige ! die der menschen broosheid en bedorvenheid kent, wees mijne sterkte, mijn gansch vertrouwen ; want mijn geweten is mij niet genoeg.
Gij weet wat ik niet weet : en daarom moet
Ill BOEK. XLVI HOOFDSTUK. 347 ik mij bij alle berisping vernederen en ze zachtmoedig; verdragen.
Vergeef het mij ook genadig, zoo dikwerf ik mij niet zoo gedragen heb, en geef mij weder de genade van een grooter geduld.
Want uwe overvloedige barmhartigheid baat mij meer ter bekoming van vergiffenis, dan mijne ingebeelde gerechtigheid ter verdediging van een verborgen geweten.
En al ben ik mij niets bewust, toch zoude ik mij daarom niet kunnen rechtvaardigen : want buiten uwe barmhartigheid zal niemand die leeft voor uw aangezicht rechtvaardig zijn.
(Ps. 142.)
OEFENING.
Het is moeielijk geen leedgevoel te ontwaren, als men ons berispt, misprijst of minacht; maar den waren ootmoed van een Christen bestaat, in het niet onderhouden noch volgen van dat leedgevoel, dat wil zeggen ; 1. men moet zich niet ophouden met de droevige en versmadende gedachten, die in ons oprijzen jegens onze beleedigers; 2. de droefheid, welke wij er over gevoelen, in ons uitdooven en aan God opofferen; ?. die personen met goedheid behandelen, met hen spreken, en hun in alle gelegenheden behulpzaam zijn; hun zoo veel goed doen, als wij gelooven dat zij ons schade hebben toegebracht. Maar helaas 1 hoe weinig menschen worden 'er gevonden, welke dien waren ootmoed beoefenen, en een goed gebruik
348 in hoek. xlvii hoofdstuk.
van de opspraak en versmading maken, alhoewel allen gelooven, dat het zonder den waren ootmoed onmogelijk is zalig te worden,
g e b e d.
Ja, mijn God ! wat zijn des menschen woorden anders dan woorden en ijdele klanken, die met den wind vervliegen ? En met dat al laat ik mij daardoor ontrusten, en beklaag mij voor U, hoezeer ik dikwerf berisping verdien. Vergeef het mij, o genadige God ! dat ik mij niet zoo gedragen heb als het behoorde. Dat ik bij verongelijkingen op U het oog houde, kenner des harten; dat ik mij in geduld oefene en zorgvuldig verbetere, wat er aan mij berispelijk Is.
ZEVEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Dat men alle lijden om het eeuwige leven moet verdragen.
i. De Heer. Mijn zoon! laat u niet ontmoedigen door den arbeid dien gij om mijnentwil op u genomen hebt, en dat geene kwellingen u ooit ternederslaan; maar dat mijne belofte bij alle voorvallen u trooste en ver-sterke.
Ik ben genoegzaam om U te vergelden boven alle maat en grenzen.
Ill BOEK. XLVII HOOFDSTUK. 349
Gij zult hier niet lang arbeiden, noch altoos door smart gedrukt worden.
Wacht een weinig, en dra zult gij hef einde uwer kwalen zien.
Eens zal een tijd komen, dat alle arbeid en onrust zullen ophouden.
Gering en kort is alles, wat voorbijgaat met den tijd.
2. Doe wèl hetgeen gij doet: arbeid getrouw in mijnen wijngaard : ik zal uw loon zijn.
Schrijf, lees, zing, zucht, zwijg, bid en draag de tegenheden moedig : het eeuwige leven is dit alles en grooter strijd waardig.
Eens zal de vrede komen op een dag den Heere bekend, en het zal geen dag met een nacht zijn gelijk van dezen tijd, maar een eeuw.ig licht, eindelooze klaarheid, vaste vrede en verzekerde rust.
Dan zult gij niet zeggen ; Wie zal mij verlossen uit dit lichaam des doods ? ( Rom. 7.) noch roepen : Ach mij! dat mijne vreemdelingschap zoo lang duurt. (Ps. 119.)
Want de dood zal vernietigd worden en de zaligheid onafgebroken zijn; geenerlei angst doch een volmaakt genoegen in een liefelijk en schitterend gezelschap.
3. O, hadt gij de onwelkbare kronen der Heiligen in den hemel gezien, alsook in welke heerlijkheid zij nu juichen, die weleer in deze wereld versmaad, ja, als het leven onwaardig geacht werden, â waarlijk, gij zoudt u terstond tot in het stof vernederen en liever trachten
350 III BOEK. XLVII HOOFDSTUK, aan allen onderworpen te zijn, dan over eetien gesteld te wezen.
Ook zoudt gij in dit leven geene blijde dagen begeeren, maar liever u in lijden Om Cods wil verblijden, ja, het voor een zeer groot gewin houden bij de menschen als niets geacht te worden.
4. O, mocht gij hierin smaak vinden en het diep tot in uw hart doordringen, hoe zoudt gij ook maar eens durven klagen ?
Moet men niet om het eeuwige leven allen arbeid verdragen ?
Het is geen kleinigheid het rijk Gods te verliezen of te winnen.
Hef dan uw oogen naar den hemel. Zie Mij daar en al mijne Heiligen met Mij, die in deze wereld eenen zwaren strijd gehad hebben. Thans verheugen zij zich, thans worden zij getroost, thans zijn zij veilig, thans rusten zij en zij zullen zonder einde met mij in het rijk mijns Vaders verblijven.
OEFENING.
Hoe pijnlijk is dit woord : men moet altijd lijden, aich altijd bestrijden, altijd aan zichzel-ven verzaken en altijd zichzelven versterven; zonder dit is er geene zekerheid voor de zaligheid ! Maar hoezeer is het geloof en de hoop van een eeuwig geluk, hetwelk wij door de wederwaardigheden en onverwachte toevallen dezes levens moeten bekomen; geschikt om
Ill BOEK. XLVII HOOFDSTUK. 35 I ons aan te moedigen, om de eene te verdragen en ons aan de andere te gewennen, aangezien het zeker is, dat ons bij den dood niets meer zal vertroosten, dan wat ons gedurende het leven smart heeft veroorzaakt, indien wij alles hebben aangewend om er een goed gebruik van te maken ; want alsdan zullen wij zien, dat wij voor God niets gedaan liebben, dan het-gene wat wij tegen onszelven hebben gedaan, en dat een oprecht christelijk leven, een leven van kruisen en zelfverloochening is.
GEBED.
Uw woord is waarheid, o God 1 en troostvol voor mijn hart. Wat beteekent hier al het lijden, bij de toekomende heerlijkheid vergeleken ? Wat beduiden alle rampen bij de vreugde, waarmede Gij ons geduld beloont ? Het lijden gaat voorbijquot; met den tijd ; teiwijl de belooning die ons wacht, eeuwig en onvergankelijk is. Welke troost voor mij 1 Waarlijk, dat geeft mij moed in. lijden. Dat deze overweging bij mij steeds levendig zij en rijke vruchten voortbrenge
ACHT EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Over den dag der eeuwigheid en de ellenden van dit leven.
1. De Geloovige. O allerzaligst ver-
352 III BOEK. XLVIll HOOFDSTUK.
blijf der hemelsche stad ! o allerhelderste dag der eeuwigheid, dien geen nacht verduistert, maar de opperste Waarheid steeds bestraalt ; altoos blijde dag, altoos veilig en nooit van staat veranderende 1
O, ware die dag reeds aangebroken en hadde al het tijdelijke een einde genomen !
Voor de Heiligen ja, schittert hij met eeuwigen, luistervollen glans; maar niet dan van verre en door een spiegel voor ons reizigers op aarde.
2. De burgers des hemels weten hoe zalig dat alles is; de zonen van Eva zuchten over het biltere en vervelende van hunne ballingschap.
De dagen dezes tijds zijn weinig en boos, vol van smart en kommer; als waarin de mensch door velerlei zonden besmet, door velerlei driften verstrikt, door velerlei vrees gejaagd, door velerlei zorgen geprangd, door velerlei nieuwsgierigheid verstrooid, in velerlei ijdelheden gewikkeld, door velerlei dwalingen omgeven, door velerlei arbeid afgemat, door bekoringen gedrukt, doc r wellust ontzenuwd, door gebrek gepijnigd wordt!
8. O, wanneer zal het einde van deze rampen zijn ? Wanneer zal ik van de ellendige slavernij der zonden verlost worden ?
Wanneer, o Heer ! zal ik alleen uwer gedenken, wanneer mij volkomen in U verblijden ?
Wanneer zal ik zonder eenigen hinder in ware vrijheid zijn, vrij van alle bezwaar naar geest en lichaam ?
Ill BOEK. XLVIII HOOFDSTUK. 353
Wanneer zal er vaste vrede zijn, een onverstoorbare en zekere vrede, vrede van binnen en van buiten, een van alle zijden gevestigde vrede ?
Goede Jezus! wanneer zal ik voor U staan om U te zien ? Wanneer zal ik de heerlijkheid van uw rijk aanschouwen ? Wanneer zult Gij mij alles in alles zijn ?
O, wanneer zal ik met U zijn in uw rijk, hetwelk Gij voor uwe geliefden van eeuwigheid hebt bereid ?
Ik ben arm gelaten en een balling in een vijandig land, waar dagelijksche strijden en zeer groote rampspoeden zijn.
4. Vertroost mijne ballingschap, verzacht mijne smarten : want al mijn verlangen hijgt naar U, omdat alles wat de wereld troostrijks aanbiedt, mij geheel tot last is.
Ik verlang U inniglijk te genieten; maar ik kan er niet toe komen 1
Ik wensch mij aan het hemelsche te hechten ; maar de tijdelijke zaken en onverstorven driften trekken mij ter neder.
Met den geest wil ik over alles heerschen ; maar door het vleesch word ik mijns ondanks tot onderwerping gedwongen.
Zoo ben ik, ongelukkig mensch! met mij ⢠zeiven in strijd en ben mijzelven tot last geworden , daar de geest naar boven, en het vleesch naar beneden wil.
5. Ach ! wat lijd ik inwendig, als ik met den geest het hemelsche overweeg, en ras een drom
23
354 111 boek. xlviii hoofdstuk.
van vleeschelijke gedachten mij onder het bidden bestormt!
Mijn God 1 wees niet ver van mij ( Ps. 70) en wijs uwen dienstknecht niet af in uwen toorn. (Ps. 26.)
Schiet uwe bliksems, en verdrijf ze, zend uwe pijlen af, (Ps. 143) en dat alle ingevingen des vijands verstrooid worden.
Vestig al mijn zinnen weer op U, doe mij al het wereldsche vergeten; geef dat ik dadelijk de zondige voorstellingen afwijze en verachte.
Eeuwige Waarheid! help mij, opdat geene ij delheid mij ontroere.
Kom neder, hemelsche zoetheid 1 en dat alle onreinheid voor uw aanschijn vliede.
Vergeef mij ook en verschoon mij genadig zoo dikwijls ik in het gebed aan iets anders dan aan U denke.
In waarheid, ik beken dat ik gewoonlijk zeer verstrooid ben.
Want veeltijds ben ik niet daar, waar ik lichamelijk sta of zit; maar veeleer ben ik daar werwaarts de gedachten mij voeren.
Ik ben daar, waar mijne gedachte is; en mijne gedachte is doorgaans daar, waar is hetgeen ik bemin.
Datgene vertoont zich terstond aan mij, wat mij natuurlijk behaagt of door gewoonte bevalt.
6. Daarom hebt Gij, o Waarheid ! duidelijk gezegd ; .Waar uw schat is, daar is ook uw hart. ( Matth. 6.)
Ill BOEK. XLVIII HOOFDSTUK. 355
Bemin ik den hemel, ik denk gaarne aan het hemelsche; bemin ik de wereld, ik verblijd mij over haren voorspoed en bedroef mij over haren tegenspoed.
Bemin ik het vleesch, ik denk dikwijls aan hetgeen des vleesches is; bemin ik den geest, ik vind vermaak in geestelijke overdenkingen.
Want van hetgeen mij lief is, daarvan spreek ik en hoor ik gaarne, en draag ervan de beelden met mij naar huis.
Maar gelukkig de mensch die om uwentwil o Heer ! aan alle schepselen vaarwelzegt, die der natuur geweld aandoet en door den ijver des geestes de lusten des vleesches kruisigt; opdat hij met een kalm geweten U reine gebeden opdrage, en zoowel van binnen als van buiten al het aardsche uitgesloten hebbende, waardig zij tot de reien der Engelen toegelaten te worden.
OEFENING.
Wat zou het baten de ellenden dezes levens te gevoelen en te beweenen, en naar de goederen van het andere te haken, indien wij niet trachten door het geduld een goed gebruik van de tijdelijke kwellingen te maken, met ze van Gods hand te aanvaarden, en te erkennen dat wij ze verdienen te lijden ; en indien wij ons door eene aanhoudende getrouwheid niet toeleggen om die eeuwige goederen te bekomen, waarnaar wij zoo vurig haken ? O zalige
356 III BOEK. XLVII HOOFDSTUK, dag! o eeuwige vreugd 1 o oneindig en altijddurend geluk ! o vaste woning! o volheid van God in ons, en van ons in God! o verrukking! o gelukzaligheid! o verandering van eene gelukzalige ziel in haren God, die voor haar alles is! wanneer zal ik U bezitten ? Maar wanneer zal ik U waardig wezen ? Van mijzelven en van de nutteloosheid mijner begeerten vermoeid, haak ik vurig naar u, o Paradijs ! en echter doe ik zoo weinig, om dat eeuwig geluk waardig te worden, hetwelk Gij mij voorstelt. Mijne ziel, laat ons de verdienste van het Paradijs met de achting van het Paradijs vereenigen. Laat ons hetzelve aanzien als eene kroon, die men moet winnen, door het geweld, dat wij onszelven moeten aandoen, en als eene vergelding, die men door een oprecht, bovennatuurlijk en verdienstelijk leven moet bekomen.
G E 15 E D.
Mijn God 1 mijn al! mocht ik ook reeds in het zalige genot van uw aanschijn deelen 1 wanneer zal die dag voor mij aanbreken, wanneer zullen de banden mijns lichaams ontbonden zijn ! Hoe lang zal mijne vreemdelingschap nog duren ? Dat het gezegend uur mijner verlossing dra kome; dat mijn oog onafgebroken op mijn vaderland gevestigd blijve. Wees Gij mijn steun, zoolang mijne vreemdelingschap duurt, en houd mij op den weg die ten leven leidt.
Ill BOEK. XLIX HOOFDSTUK. 357
NEGEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Over het verlangen naar het eeuwige leven; en hoe groote goederen den strijders beloofd zijn.
1. De Heer. Mijn zoon! wanneer gij u van boven het verlangen naar de eeuwige gelukzaligheid voelt ingestort en wenscht de tente uws lichaams te verlaten, opdat gij mijnen glans zonder schaduw van verwisseling moogt aanschouwen, verwijd dan uw hart en neem deze heilige ingeving met alle begeerte op.
Betuig den ruimsten dank aan de hoogste goedheid, die dus genadig met u handelt, u zoo goedig bezoekt, zoo vurig opwekt, zoo krachtig ondersteunt, opdat gij niet door eigen zwaarte naar het aardsche moogt nederzinken.
Want dit hebt gij niet aan eigen beleid of poging te danken, maar alleen aan de gunst der hemelsche genade en van den aanblik Gods; opdat gij in deugden en meerderen ootmoed zoudt vorderen, u tot toekomenden strijd bereiden en u toeleggen om Mij uit al de neiging uws harten aan te hangen en met brandenden ijver te dienen.
2. Mijn zoon ! veeltijds brandt het vuur; maar de vlam stijgt niet op zonder rook.
Zoo ook branden sommigen van verlangen naar het hemelsche, en nochtans zijn zij niet
3S8 III BOEK. XI.IX HOOFDSTUK.
vrij van de bekoring eener vleeschelijke begeerlijkheid.
Daarom gaan zij niet geheel zuiver om Gods wil alleen te werk in hetgeen zij van Hem zoo vurig afsmeeken.
En dusdanig is ook dikwijls uw verlangen, hetwelk gij als zoo hevig hebt opgegeven.
Want al wat met eigenbelang is besmet, is noch zuiver noch volmaakt.
3. Vraag dan niet hetgeen u genoeglijk en voordeelig is, maar wat Hem behaagt en verheerlijkt.
Want zoo gij recht oordeelt, moet gij Mijne beschikking boven uw verlangen, ja boven al het verlangde stellen en najagen.
Ik ken uw verlangen en Ik heb uwe menigvuldige verzuchtingen gehoord.
Gij zoudt reeds in het bezit der vrijheid, der heerlijkheid van Gods kinderen willen zijn; gij schept reeds behagen in het eeuwige huis, in het hemelsch vreugdevol vaderland.
Maar dat uur is nog niet gekomen; thans is het een andere tijd, te weten, een tijd van strijd, een tijd van arbeid en beproeving.
Gij wenscht met het hoogste goed verzadigd te worden; maar daartoe kunt gij nog niet komen.
Ik ben dat goed. Wacht op Mij, zegt de Heer, totdat het Godsrijk kome.
4. Gij moet nog op aarde beproefd en in vele dingen geoefend worden.
Nu en dan zal u troost gegeven, maar geene volkomen verzadiging vergund worden.
Ill BOEK. XLIX HOOFDSTUK. 359
Versterk u dan en houd moed (Jos. 1.) zoo om te doen als om te lijden, hetgeen der natuur tegenstaat.
Gij moet den nieuwen mensch aandoen (Eph. 4) en in een anderen man veranderd worden.
Dikwijls moet gij doen wat gij niet wilt, en laten wat gij wilt doen.
Wat anderen behaagt, zal wèl slagen; wat u behaagt, zal niet gelukken.
Wat anderen zeggen, zal gehoor vinden ; wat gij zegt, als niets geacht worden.
Anderen zullen vragen en verkrijgen; gij zult vragen en niet bekomen.
5. Anderen zullen groot zijn in den mond der menschen, maar van u zal men zwijgen.
Aan anderen zal dit of dat worden toevertrouwd, maar u zal men tot niets geschikt achten.
Daarom zal de natuur zich somtijds be droeven, en het zal u groot voordeel doen, als gij het zwijgende verdraagt.
In dit en meer dergelijks wordt de getrouwe dienstknecht des Heeren doorgaans beproefd, hoeverre hij zich zal kunnen verzaken en in alles breken.
Er is nauwelijks iets, waarin gij u zoo moet afsterven, als in het zien en dulden van hetgeen met uwen wil strijdt, vooral wanneer er dingen bevolen worden, die u onvoegzaam en min nuttig schijnen.
En daar gij, onder een ander staande, geen hooger gezag durft wederstreven, daarom schijnt
360 III BOEK. XLIX HOOFDSTUK.
het u hard toe u naar den wenk eens anderen te schikken en alle eigen gevoelen er aan te geven.
6. Maar, mijn zoon! overweeg de vrucht van dezen arbeid, het naderend einde ervan en de overgroote belooning, en gij zult geen last ontwaren, maar den allerkrachtigslen troost van uwe lijdzaamheid.
Want voor het gewillig opgeven van uwen eigen wil in dit geringe, zult gij in den hemel altoos uwen wil hebben.
Daar toch zult gij alles vinden wat gij begeert, alles wat gij kunt verlangen.
Daar zult gij voorraad hebben van alle goed, zonder vrees van het te verliezen.
Daar zal uw wil altoos met den Mijnen éen, niets vreemds noch bijzonders begeeren.
Daar zal niemand zich tegen u verzetten, niemand over u klagen, niemand u hinderen, niets u in den weg staan ; maar alles wat gij wenscht zal aanstonds daar zijn, en uwe geheele begeerte voldoen en op het volkomenst vervullen.
Daar zal Ik voor geleden smaad heerlijkheid, voor droefheid een eerekleed, voor de laagste plaats eenen zetel in het eeuwig rijk wedergeven.
Daar zal de vrucht der gehoorzaamheid blijken ; daar zal de smart der boetvaardigheid in vreugde veranderd en de nederige onderwerping heerlijk gekroond worden.
7. Buig u dan nu nederig onder de hand
Ill BOEK. XLIX HOOFDSTUK. 361 van allen, en let er niet op, wie dit gezegd of bevolen hebbe.
Maar zorg bijzonder daarvoor, dat gij, hetzij uw overste, hetzij uw minder, hetzij uwsgelijke iets van u vraagt of verlangt, alles ten goede opneemt en het met oprechten wille tracht na te komen.
Dat de eene dit, de andere dat zoeke, de eene hierover en de andere daarover zich be-roeme, en duizende en duizende malen worde geprezen, verheug gij u noch in het een noch in het ander, maar in de geringachting van uzelven en in het welbehagen en dc verheerlijking van Mij alleen.
Dit moet gij wenschen, dat zoowel bij leven als bij sterven God altoos in u verheerlijkt woide.
OEFENING.
Men wordt moede de beproevingen van God te verdragen, en men zou gaarne onophoudelijke vertroostingen van Hem ontvangen; doch de vertroostingen worden slechts gegeven om de beproevingen te ondersteunen, en de zoetheden der vertroostingen zijn de sterkte, welke de Heer ons geeft, om de schijnbare strengheden zijner oprechte goedheid te verdragen, welke bestaan in ons de tijdelijke kwellingen over te zenden, om ons van die der eeuwig-# heid te bevrijden. Verbeeld u dan niet, dat gij door God verworpen zijt, wanneer gij slechts tegenzin in zijnen dienst gevoelt: maar verricht
362 III BOEK. XLIX HOOFDSTUK, dan, om Hem te behagen, wat gij zoudt doen, indien gij smaak in zijnen dienst vondt. Verootmoedig u dan, met u onwaardig te achten om eenige vertroosting te ontvangen, en verdraag den Heer, die vermaak schept in te zien dat gij Hem zonder smaak dient, en dat gij uwen afkeer van het goede en uwe neiging tot het kwade overwint, alleen uit zucht om Hem te behagen, en uit eene oprechte vrees van Hem te vergrammen. Hoe zeer zullen de kwellingen dezes levens door eene gelukzalige eeuwigheid vergoed worden, indien men ze met vertrouwen, met getrouwheid en geduld lijdt. Schep dan moed, mijne ziel 1 er is slechts éen oogenblik te lijden, en wij zullen eeuwig gelukkig zijn.
GEBED.
Neen, mijn God! mijn verlangen naar den hemel is niet zuiver en werkdadig genoeg. Het is nog met eigenliefde besmet en beroofd van die vruchten, welke het moesten vergezellen. Hoeveel arbeids blijft mij overig, hoeveel heb ik nog te overwinnen, eer ik uwer heerlijkheid deelachtig worde! Reinig mijne verlangens en doe ze werkdadiger worden. Rust mij uit met uwe kracht, opdat ik vlijtig arbeide, moedig .strijde en alzoo de kroon der overwinning er-lange.
Ill BOEK. L HOOFDSTUK. 363
VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
Hoe de troostelooze mensch zich in Gods hand moet overgeven.
1. De Geloovige. Heere God! Heilige Vader! wees nu en in eeuwigheid gezegend: want gelijk Gij wilt, dus is geschied, en wat Gij doet is goed.
Dat uw dienstknecht, zich verheuge in U, niet in zichzelven noch in iemand anders : want Gij alleen, o Heer! zijt de ware blijdschap, Gij mijne hoop en mijne kroon, Gij mijne vreugde en mijne eer.
Wat heeft uw dienstknecht, hetgene hij van U niet ontving, ook zonder zijne verdienste ?
Alles wat Gij gaaft, alles wat Gij deedt is het uwe.
Ik ben arm en in verdrukkingen van mijne jeugd af (Ps. 87) en mijne ?iel bedroeft zich somtijds tot weenens toe; dikwijls ook wordt zij in zichzelve ontroerd wegens het lijden dat haar dreigt.
2. Ik verlang naar de vreugde des vredes ; ik smeek om den vrede uwer kinderen, die door U met het licht van uwen troost worden verkwikt.
Indien Gij den vrede schenkt, indien Gij mij de heilige vreugde instort, dan zal de ziel van uwen dienstknecht vol gejuich zijn en U vurig loven.
364 III BOEK. L HOOFDSTUK.
Maar onttrekt Gij U, gelijk gij zeer dikwijls gewoon zijt, dan kan hij in den weg uwer geboden niet wandelen; maar veeleer buigt hij de knieën om zich op de borst te slaan, omdat het met hem niet meer gesteld is gelijk gisteren en eergisteren, toen uw licht scheen over zijn hoofd, en hij onder de schaduw uwer vleugelen tegen de aanvallen der bekoringen gedekt was.
3. Rechtvaardige en altoos prijzenswaardige Vader ! het uur is gekomen dat uw dienstknecht beproefd zal worden.
Beminnenswaardige Vader! het is billijk dat uw dienstknecht in dit uur voor U iets lijde.
Immer aanbiddelijke Vader! het uyr is gekomen, door U van eeuwigheid voorzien, dat uw dienstknecht naar het vleesch voor een weinig tijds bezwijke, maar naar den geest voortdurend bij U leve.
Hij moet een weinig bij de menschen gering-geacht, vernederd en ontmoedigd, door lijden en smarten vermorzeld worden, opdat hij met U in den dageraad van een nieuw licht weder verrijze en in den hemel verheerlijkt worde.
Heilige Vader! Gij hebt het zoo beschikt en zoo gewild, en het is geschied wat Gijzelf bevolen hebt.
4. Dit is toch voor uw vriend eene genade, in de wereld om uwentwil te lijden en verdrukt te worden, zoo menigmaal en door wien Gij dat laat geschieden.
Zonder uw raad en voorzienigheid en zonder reden geschiedt er niets op aarde.
Ill BOEK. I. HOOFDSTUK. 365
Het is mij goed, o Heer ! dat Gij mij vernederd hebt, opdat ik uwe gerechtigheden leere. ( Ps. 118.)
Het is mij nuttig dat schande mijn aangezicht bedekke, opdat ik liever bij U dan bij de menschen mijn troost zoeke.
Ook heb ik daaruit geleerd uw ondoorgrondelijk oordeel te vreezen, daar Gij den rechtvaardige met den boosdoener bedroeft, doch niet zonder recht en billijkheid.
5. Ik dank U dat Gij mijne verkeerdheden niet verschoond maar mij met zware slagen vermorzeld hebt, door mij smarten aan te doen en mij uit- en inwendig benauwdheden toe te voegen.
Van allen die onder den hemel zijn is er niemand die mij troosten kan, tenzij Gij, Heere, mijn God! hemelsche arts der zielen, die slaat en heelt, grafwaarts voert en terugbrengt.
Uwe tucht over mij en uwe roede zelve zullen mij tot leering zijn.
6. Zie, geliefde Vader! ik ben in uwe hand ; ik buig mij onder de roede uwer kastijding.
Sla mijnen rug en mijnen nek, opdat ik mijn onbuigzamen wil naar uwen wil buige.
Maak van mij een vroom en nederig leer-ling, gelijk Gij zoo wel weet te doen, opdat ik naar al uwe wenken wandele.
Ik geef mij en al het mijne ter verbetering aan U over : het is beter hier dan hierna gestraft te worden.
Gij weet alles in 't gemeen en in 't bijzon-
366 III BOEK. L HOOFDSTUK.
der en niets is voor U in 's menschen geweten
verborgen.
Gij weet het toekomende eer het geschiedt, en Gij hebt niet noodig dat iemand U onderwijze of berichte aangaande hetgene op aarde gebeurt.
Gij weet wat tot mijnen voortgang dient en hoeveel de kwelling' bijdraagt om den roest der ondeugden af te schuren.
Doe met mij naar uw wil en welbehagen; versmaad mij niet om mijn zondig leven, aan niemand beter en vollediger bekend dan aan U alleen.
7. Geef mij, o Heer! dat ik wete wat ik moet weten, beminne wat ik moet beminnen; dat ik prijze wat U meest behaagt; dat ik. achte wat voor U kostbaar, verachte wat in uwe oogen verachtelijk is.
Duld niet dat ik naar den uiterlijken schijn der oogen oordeele, noch naar het hooren zeggen van onverstandige menschen vonnis veile ; maar dat ik volgens een juist oordeel het zinnelijke en geestelijke onderscheide, en boven alles altoos den wil uws welbehagens betrachte.
8. Vaak laten de menschen zich bij hun oordeel door de zinnen misleiden.
Ook bedriegen zich de beminnaars der wereld door alleen het zichtbare aan te hangen.
Hoe ! is daarom een mensch beter, omdat hij door een mensch voor groot gehouden wordt ?
De bedrieger misleidt den bedrieger, de ijdele den ijdele, de blinde den blinde, de
Ill BOEK. L HOOFDSTUK. 367 kranke den kranke, als hij hem dus verheft, en door hem ijdelijk te prijjen onteert hij hem inderdaad te meer.
Immers, wat een mensch in uwe oogen is, zooveel is hij en niets meer, zegt de ootmoedige H. Franciscus.
OEFENING.
Gelijk God de opperste zuiverheid en in zijn wezen de heiligheid zelve is, zoo is Hij bezorgd, dat de zielen, om Hem in den hemel te bezitten, in dit leven door de drukkendste en ootmoedigste kwellingen, en in het vagevuur door de smartelijkste en hevigste pijnen gezuiverd worden. Het is hierdoor, dat Hij ze tot dien graad van zuiverheid brengt, welken zij moeten hebben, om het eeuwige en gelukzalige bezit zijner heiligheid binnen te treden. Derhalve moet eene trouwe ziel, om aan de inzichten van God, wegens hare voldoening en hare zaligheid, te beantwoorden, het volgende doen ; 1. in eene zuiverheid des harten leven, die haar verwijdert van alle vrijwillige zonde, van alle menschelijke verkleefdheid, en voornamelijk van alle aanzoekingen der eigenliefde, van hare gewone gebreken en van de volbrenging van haren wil. 2. Zij moet zich opwekken, om met onderwerping van de hand en van het hait van Jezus Christus de verootmoedigendste en aan onze genegenheid tegenstrijdigste kwellingen te ontvangen. 3. Zij moet de geweldigste en lastigste bekoringen lijden en onophoudelijk
368 III BOEK L HOOFDSTUK.
strijden, met geduldig hare toevlucht tot God te nemen en een edelmoedig vertrouwen in zijne goedheid te stellen. 4. Zij moet in hare kwellingen eenen geest van leedwezen, van versterving en afschrik van de zonde hebben, eene gesteltenis, die haar belet er in te bezwijken. Zij moet zonder ophouden op hare zinnen en op haar hart waken, om de zinnelijke en te menschelijke voldoeningen er uit te sluiten. 6. Eindelijk moet zij ootmoedig, afhankelijk, gering en als vernietigd onder de hand van God worden, om niet anders te willen dan hetgene Hij wil, en tevreden te zijn met hetgene Hij wil, zelfs te midden der grootste kwellingen.
GEBED.
Hoeveel reden heb ik, o God! om over'uwe beschikkingen tevreden te zijn! In alles wat mij overkomt, beoogt Gij mijn heil. Zelfs als Gij slaat, tuchtigt Gij als Vader en beoogt de verbetering van uw kind. Ik erken en belijd dat uwe oordeelen rechtvaardig zijn, als Gij mij door lijden bezoekt. Ik onderwerp mij volkomen aan uwen wil. Zie, ik ben in uwe handen. Zuiver mij hier in den smeltkroes des lijdens, opdat ik geschikt worde om uw aanschijn te aanschouwen.
Ill BOEK. LI HOOFDSTUK. 369
EENT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
Dat men zich op geiioger werken moet toeleggen als men in verhevener te kort schiet
1. De Heer. Mijn zoon! gij kunt niet altoos in het vurigst verlangen naar deugd volharden, noch u op den hoogsten trap van beschouwing staande houden ; maar wegens uwe oorspronkelijke bedorvenheid moet gij somtijds tot het lagere afdalen en den last van dit gebrekkige leven, ook uws ondanks en met verdriet, dragen.
Zoolang gij dit sterfelijke lichaam omdraagt, zult gij onlust gevoelen en bezwaar des harten.
Dus moet gij in het vleesch onder den last des vleesches dikwijls zuchten, omdat gij u niet onophoudelijk met geestelijke oefeningen en hemelsche beschouwingen kunt bezighouden.
2. Alsdan is het u nuttig tot mindere en uitwendige oefeningen uwe toevlucht te nemen en u in goede werken te verlustigen, met een vast vertrouwen mijne komst en hemelsch bezoek af te wachten, en uwe ballingschap en dorheid des geestes geduldig te verdragen, totdat gij weder door Mij bezocht en van allen angst bevrijd wordt.
Want Ik zal u uwen arbeid doen vergeten en inwendig rust doen smaken.
Ik zal voor u de weiden der Schriften ontsluiten opdat gij met een verruimd hart op
24
370 III BOEK. LI HOOFDSTUK.
den weg mijner geboden moogt beginnen te
loopen.
En dan zult gij zeggen : het lijden van dezen tijd is niet te achten bij de toekomende heerlijkheid, welke aan ons zal worden geopenbaard. (Rom. 8.)
OEFENING.
Hoe groot is het verschil tusschen de heiligheid der gelukzaligen in den hemel en die der stervelingen op aarde ! De eene is vrij van alle kwellingen en vol zoetheid, de andere is met bitterheid en ellende vervuld; de eene is eigen aan het aangename verblijf van ons vaderland, en de andere betaamt aan de droevige verblijfplaats onzer ballingschap; in de eeuwigheid zullen wij God beminnen, met Hem te bezitten, en het geluk van zijn hart te genieten ; en in den tijd beminnen wij Hem, met voor Hem te lijden en het kruis van Jezus Christus met geduld te dragen. Daar zullen wij met God tevreden zijn en verzekerd wezen, altijd door Hem bemind te worden ; hier weten wij niet, of wij Hem bevredigen en beminnen. Laat ons dus in onze dorheden en verdriet, ons met eenige uitwendige zaken om God bezighouden, aangezien wij in ons niets vinden wat ons gevoelen tot Hem wederbrengt ; maar quot;laat ons tevens niets van onze inwendige oefeningen des gebeds, van den inwendigen geest, van onze gedurige toevlucht, die wij tot God moeten
Ill BOEK. Lil HOOFDSTUK. 371 nemen, veronachtzamen, om ons staande te houden. ^
GEBED.
Het is zoo, o God ! gelijk Gij zegt. Vele zijn de verstrooiingen, welke ik op den weg der deugd ontmoet. De last des vleesches drukt mij vaak ter neder, zoodat mijn geest bij zijne beschouwingen hinder ontwaart en licht tot moedeloosheid vervalt. Doch ik wil uwen raad opvolgen en mij met het mindere vergenoegen, als ik mij tot het meerdere niet in staat gevoel. Help dit besluit ten uitvoer brengen en verkwik mij daarbij met uwen hemelschen troost.
TWEE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
Men achte zich geen troost maar eer straf waardig.
1. De Geloovige. Heer! ik ben noch uw troost noch eenig geestelijk bezoek waardig : daarom handelt Gij naar recht met mij, wanneer Gij mij arm en nutteloos laat.
Want al konde ik als eene zee van tranen storten nog zoude ik uwen troost niet waardig zijn.
Dus verdien ik niets dan getuchtigd en gestraft te worden, omdat ik U zwaar en dikwijls beleedigd heb en in vele dingen zeer misdaan.
Zoodat ik, alles wèl overwogen, zelfs den gtringsten troost niet verdien.
372 III BOEK. Lil HOOFDSTUK.
Maar Gij, o genadige en barmhartige God! die niet wilt dat uwe werken vergaan, opdat Gij den rijkdom uwer goedheid jegens de vaten uwer barmhartigheid zoudt toonen. Gij verwaardigt U uwen dienstknecht, zelfs zonder eenige verdienste en boven alle menschelijke mate, te troosten : want uwe vertroostingen zijn niet gelijk de troostredenen der menschen.
2. Wat heb ik dan, o Heer! gedaan, dat Gij mij eenigen hemelschen troost zoudt schenken ?
Ik herinner mij niets goeds gedaan te hebben, maar wel, dat ik altoos tot het kwade genegen en traag ter verbetering was.
Dat is de waarheid en ik kan het niet ontkennen. Sprak ik anders. Gij zoudt tegen mij opstaan, en niemand zoude mij verdedigen.
Wat heb ik voor mijne zonden verdiend; tenzij de hel en het eeuwige vuur ?
Ik belijde het oprechtelijk dat ik allen smaad en spot waardig ben, en dat het mij niet voegt onder het aantal uwer dienaren genoemd te worden.
Ep hoe ongaarne ik dit hoore, zoo wil ik toch naar waarheid tegen mijzelven mijne zonden belijden, opdat ik te eer bij U barmhartigheid moge vinden.
3. Wat zal ik zeggen, schuldige die ik ben en geheel van schaamte bedekt.
Ik heb geen mond om te spreken dan dit eenige woord : ik heb gezondigd, o Heer! ik heb gezondigd ; ontferm U mijner, vergeef mij.
Gun mij nog een oogenblik, opdat ik mijne
Ill BOEK. Lil HOOFDSTUK. 373 ellende beweene, eer ik henenga naar dat duistere land, omhuld met de schaduwe des doods. (Job 10.)
Wat eischt Gij van zulk een schuldig en ellendig zondaar, dan dat hij zich met een vermorzeld hart om zijne zonden vernedere ?
Door de ware vermorzeling en vernedering des harten wordt de hoop van vergiffenis geboren, het ontrust geweten bevredigd, de verloren genade herwonnen, de mensch tegen den toekomenden toorn gedekt, terwijl God en de boetvaardige ziel elkander met eenen heiligen kus ontmoeten.
4. Der zondaren nederige vermorzeling is U, o Heer! een welgevallig offer, voor uw aangezicht veel liefelijker riekende dan brandende wierook.
Zij is ook die aangename balsem, die Gij over uwe heilige voeten hebt laten storten : want het vermorzeld en verootmoedigd hart hebt Gij nooit versmaad.
Daar is eene schuilplaats tegcfti de woede des vijands ; daar wordt alles verbeterd en afgewasschen wat misdreven was en besmet.
OEFENING.
Alhoewel wij ons altijd zeer onwaardig moeten achten om van God eenigen troost in onze wederwaardigheden te ontvangen, en moeten oordeelen, dat wij de grootste straffen verdienen, na zoo menigwerf de hel verdiend te hebben, is het nochtans voordeelig in onze balling-
374 111 koek. ui hoofdstuk.
schap te zuchttn, en in het gevoelen onzer ellende onze toevlucht te nemen tot den bartn-hartigen God en Vader aller vertroosting ; want de bede of verzuchting van eene ziel, doordrongen van erkentelijkheid voor Gods goedheid, en door eene groote droefheid over hare zonden, is bekwaam om zijne gramschap te ontwapenen, en Hen op te wekken om haar vergiffenis te verleenen.
Eene ziel, hoe diep zij onder het gewicht harer boosheden zucht, o hoe getroost en zeker is zij van Gods goedheid, zoodra zij door eene ware droefheid over hare zonden, door een vast voornemen ze te verlaten en van leven te veranderen, tot Hem wederkeert! Alsdan houdt God, die meer genegen is om vergiffenis toe te staan, dan wij om ze af te smeeken, op haar rechter te wezen ; Hij wordt haar Vader, Hij vergeet wat zij geweest is en gedenkt wat zij is. Hij behandelt haar met zooveel goedheid, alsof zij Hem nooit beleedigd hadde.
GEBED.
Mijn God ! ja ik wil der waarheid hulde doen en eene getuigenis tegen mijzelven afleggen. Ik ben een zondaar, niets meer dan een zwak mensch, aan vele dwalingen onderhevig, met vele gebreken behept. Ik ben de minste gunst van U niet waardig, maar heb uwe rechtvaardige straffen verdiend. Doch uwe ontfermingen zijn grezeloos : dat geeft mij moed. Ja, ik durf
Ill BOEK. UII HOOFDSTUK. 375 hopen en roep dus met den Profeet : ontferm U mijner, wees mij genadig !
DRIE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK
Dat Gods genade niet bestaanbaar is met aardschgezindheid.
1. De Heer. Mijn zoon! kostbaar is mijne genade ; zij Iaat zich niet met uitwendige dingen noch aardsche genoegens vermengen.
Gij moet dus afwerpen alles wat der genade hinderlijk is, indien gij wenscht dat zij u ingestort worde.
Zoek de afzondering, verkeer gaarne met u alleen, tracht naar het onderhoud met niemand, maar stort liever tot God een vurig gebed, opdat gij een vermorzeld hart en een rein geweten moogt behouden.
* Acht de geheele wereld als niets, stel den omgang met God boven al het uitwendige.
Want gij kunt u niet met Mij bezighouden en te gelijk u in het vergankelijke verlustigen.
Gij moet u van uwe bekenden en vrienden verwijderen eh uwen geest van allen tijdelijken troost vrijhouden.
Zoo toch vermaant de heilige Apostel Petrus de geloovigen van Christus, dat zij zich in deze wereld als reizigers en vreemdelingen onthouden van de lusten des vleesches, die tegen de ziel strijden. (1. Petr. 2.)
376 m boek. Lin hoofdstuk.
2. ü, welk een vertrouwen zal een stervende hebben, die door geenerlei gehechtheid aan iets in de wereld teruggehouden wordt 1
Doch dus het hart van alles los te houden, bevat een krank gemoed nog niet; evenmin als een zinnelijk mensch de vrijheid van den inwendigen mensch kent.
Nochtans, wil hij waarlijk naar den geest leven, hij moet zoowel van het afgelegene als nabijzijnde afzien en zich voor niemand meer wachten dan voor zichzelven.
Hebt gij uzelven volkomen overwonnen, te lichter zult gij het overige ten onder brengen.
Over zichzelven te zegevieren is de volko-menste zegepraal.
Wie nu zichzelven zoo onderworpen houdt, dat de zinnelijkheid aan de rede en de rede in alles aan Mij gehoorzaamt, die is in waarheid overwinnaar van zichzelven en heer der wereld.
3. Wilt gij tot dat toppunt klimmen, gij moet met mannenkracht aan het werk gaan en de bijl aan den wortel zetten, om uit te roeien en te verdelgen alle verborgen ongeregelde neiging tot uzelven en tot alle bijzonder en stoffelijk goed.
Want aan dit gebrek, dat de mensch zichzelven te ongeregeld bemint, hangt bijna alles, wat hij tot den wortel toe heeft te overwinnen.
tleeft hij dat kwaad overwonnen en tenonder gebracht, er zal aanstonds groote vrede en gerustheid zijn.
Maar, omdat weinigen trachten zichzelven
Ill BOEK. LUI HOOFDSTUK. 377 volkomen af te sterven en geheel van zich uitgaan, daarom blijven zij in zich gewikkeld en kunnen zich niet in den geest boven zich-zeiven verheffen.
Wie dan met mij in vrijheid verlangt te wandelen, moet noodzakelijk al zijne verkeerde en ongeregelde neigingen dooden, en aan geenerlei schepsel met eene bijzondere liefde hartstochtelijk gehecht zijn.
OEFENING.
Om zijn hart van vele dingen en van zich-zelven af te scheiden, moet men : t. het dikwijls tot God verheffen en opwekken om niets te zoeken noch te beminnen dan Hem alleen, en dit in alles en boven alles; 2. het weerhouden van alle vrijwillige verkleefdheid aan het schepsel en van elke neiging tot zichzelven; 3. het onthechten en verwijderen van de voorwerpen, die het natuurlijk behagen, met het te verplichten, alle zaken te aanschouwen als een reiziger en vreemdeling op deze aarde, die zich met niets ophoudt, wat hij op zijne reis ontmoet, omdat hij slechts doortrekt.
Een Christen, die door deze woorden van den Apostel wel doordrongen is : Wij hebben hier geene blijvende stad, maar zoeken er eene in het toekomende; een Christen zeg ik, die dat gevoelen heeft, hecht zich weinig aan de goederen, aan de ijdelheden en vermaken der wereld, aangezien hij begrijpt dat alles voorbijgaat en de dood hem eens alles moet ontne-
378 III BOEK. LUI HOOFDSTUK, men. Het is gemakkelijk, zegt de heilige Hie-ronymus, al het aardsche te versmaden, als men denkt dat men moet sterven en het verlaten.
Waarom dan, gelijk de heilige Paulus zegt, maakt de schijn der wereld, die voorbijvliegt en uit onze oogen verdwijnt, zoo veel indruk op ons hart ? en waarom maken de ware, onvergankelijke, eeuwige goederen zoo weinig indruk ? Waarom zijn wij zoo zeer gehecht aan datgene, wat wij slechts in het voorbijgaan genieten en in bewaring hebben, en zoo weinig aan datgene, wat ons toebehoort, en dit voor altijd, namelijk aan het eeuwige geluk ?
GEBED.
Neen, mijn God ! er kan geene gemeenschap tusschen een aardschgezind hart en tnsschen uwe genade plaats hebben, zoo min als er gemeenschap tusschen U en de wereld kan bestaan. Doe deze herinnering bij mij steeds levendig en van eenen werkdadigen invloed zijn. Maak mij los van al wat wereldsch is; leer mij mijzelven meester worden en stel mij door den omgang met U schadeloos voor de opofferingen, welke Gij billijk van mij eischt.
Ill BOEK. LIV HOOFDSTUK. 379
VIER EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
Over de verschillende neigingen dei-natuur en der genade.
1. De Heer. Mijn zoon! geef vlijtig acht op de neigingen van de natuur en van de genade : want zij werken zeer tegenstrijdig, eh dat zoo fijn, dat zij nauwelijks, tenzij door den geestelijken en innig verlichten mensch onderscheiden worden.
Alle menschen zoeken wel het goede en wenden bij hunne woorden en daden iets goeds voor; maar daarom worden velen door den schijn van het goede bedrogen.
2. De natuur is listig, zij trekt, verstrikt en misleidt er velen, en heeft altoos zichzelve ten doel.
Maar de genade wandelt in eenvoudigheid, mijdt allen schijn van kwaad, zoekt niet te bedriegen en doet alles zuiver om God, in wien zij ook, als haar doel, rust.
3. De natuur wil ongaarne zichzelve afsterven, noch gedrukt, noch bedwongen, noch onderworpen, noch onder het juk gebracht worden.
Maar de genade legt zich op zelfversterving toe; wederstaat de zinnelijkheid, zoekt onderworpen te zijn, verlangt overwonnen te worden, wil geene eigene vrijheid genieten, maar gaarne onder tucht gehouden worden.
380 III BOEK. LIV HOOFDSTUK.
Zij begeert over niemand te heerschen, maar altoos onder God te staan, te leven en te zijn, en is steeds bereid om uit liefde tot God voor alle menschelijk schepsel nederig te bukken.
4. De natuur werkt om haar eigen voordeel, en let er op welke winst zij van een ander kan trekken.
Maar de genade ziet niet op hetgeen haar nuttig en voordeelig is, maar meer op hetgeen velen van nut kan zijn.
5. De natuur ontvangt gaarne eer en hulde.
Maar de genade wijst getrouw alle eer en
roem Gode toe.
6. De natuur vreest schande en smaad.
Maar de genade verheugt zich om Jezus' wil
smaad te lijden.
7. De natuur bemint ledigheid en lichaams-rust.
Maar de genade kan niet ledig zijn; zij neemt gereedelijk den arbeid op zich.
8. De natuur tracht het zeldzame en fraaie te bezitten ; zij heeft een afkeer van wat gering is en grof.
Maar de genade vindt vermaak in het eenvoudige eu nederige; zij schuwt het ruwe niet, noch weigert een versleten kleed te dragen.
9. De natuur ziet op het tijdelijke, verblijdt zich over aardsche winst, is over verlies bedroefd en wordt toornig over een gering smaadwoord.
Maar de genade let op het eeuwige, hangt niet aan het tijdelijke; zij laat zich door geen
Ill BOEK. LIV HOOFDSTUK. 381 verlies van zaken ontroeren, noch door harde woorden verbitteren, omdat zij haren schat en hare. vreugde in den hemel plaatst, waar niets vergaat.
10. De natuur is inhalig en ontvangt liever dan zij geeft; zij wil gaarne iets alleen bezitten.
Maar de genade is liefdadig en mededeelzaam. Zij mijdt het bijzondere, is met weinig tevreden en oordeelt dat het zaliger is te geven dan te ontvangen. (Act. 20.)
it. De natuur neigt tot het schepsel, tot het eigen vleesch, tot ijdelheden en rondloopen.
Maar de genade trekt tot God en tot de deugd, ziet af van de schepselen, vlucht de wereld, haat de lusten des vleesches, beperkt het rondzwerven en schroomt in het openbaar te verschijnen.
12. De natuur heeft gaarne eenig uitwendig genoegen, waarin de zinnen zich verlustigen.
Maar de genade zoekt haren troost in God alleen, en haren lust in het hoogste goed boven al het zichtbare.
13. De natuur doet alles om eigen winst en belang; zij kan niets doen om niet, maar hoopt altoos voor weldaden of iets evenredigs of beters, of lof of gunst te bekomen, en begeert dat men hare daden en hare giften hoogschatte.
Maar de genade zoekt niets tijdelijks, noch eischt ter belooning een anderen prijs dan God alleen, ja verlangt van de aardsche nooddruft niets meer, dan zooveel haar ter verkrijging van het eeuwige dienen kan.
382 in BOEK. LIV HOOFDSTUK.
14. De natuur verheugt zich in vele vrienden en nabestaanden, roemt wegens adel en hooge geboorte, is beleefd jegens de machtigen, vleit de rijken en juicht haarsgelijken toe.
Maar de genade bemint ook hare vijanden, en verheft zich niet op de menigte harer vrienden; zij let noch op rang noch op geboorte, tenzij daarmede eene grootere deugd gepaard ga.
Zij begunstigt meer den arme dan den rijke; zij neemt meer deel in het lijden van den onschuldige dan van den machtige; zij verheugt zich met den oprechte, niet met den onoprechte, en wekt steeds de goeden op om naar grootere gaven te streven en den Zoon van God in deugden gelijk te worden.
15. De natuur klaagt licht over gebrek en ongemak.
De genade draagt de armoede geduldig.
16. De natuur brengt alles op zichzelve terug, strijdt en twist voor zichzelve.
Maar de genade brengt alles weder tot God, van wien het oorspronkelijk afdaalt; zij schrijft zich niets goeds toe, noch matigt zich vermetel iets aan ; zij twist niet noch stelt haar gevoelen boven dat van anderen; maar bij al hare gevoelens en begrippen, onderwerpt zij zich aan de eeuwige wijsheid en het oordeel Gods.
De natuur zoekt geheimen te weten en nieuwigheden te hooren; zij wil uitwendig schitteren en veel door hare zinnen ondervinden ; zij wenscht bekend te zijn en te doen wat lof en bewondering baart.
Ill BOEK. T.IV HOOFDSTUK. 383
Maar de genade zoekt niets nieuws noch zeldzaams te vernemen; want dit alles komt voort van de oude verdorvenheid, daar er niets nieuws en duurzaams is op aarde.
Zij leert alzoo de zinnen beteugelen, ijdel zelfbehagen en vertooning vermijden, het roemen bewonderenswaardige nederig verbergen, en bij al ons doen en weten nuttige vruchten en Gods lof en eer beoogen.
Zij wil zichzelve noch het hare geprezen hebben, maar wenscht dat God in zijne gaven geprezen worde, die alles uit loutere liefde schenkt.
17. Deze genade is een bovennatuurlijk licht en eene bijzondere gave Gods. Zij is eigenlijk het kenmerk der uitverkorenen en het onderpand der eeuwige zaligheid; zij, die den mensch van het aardsche tot de liefde voor het hemel-sche verheft en van vleeschelijk geestelijk maakt.
Hoe meer dus de natuur wordt terneergedrukt en overwonnen, hoe overvloediger de genade wordt ingestort; terwijl de inwendige mensch door vernieuwden toevloed dagelijks naar het beeld van God hervormd wordt.
OEFENING.
Wat is dat, in God, als in zijn laatste einde rusten ? Het is ; niets wenschen, niets zoeken en niets beminnen dan Hem ; alles voor Hem doen en lijden; in alles aan zijnen wensch voldoen, niets willen dan hetgeen Hij wil; zich
384 UI BOEK. LIV HOOFDSTUK.
nooit verwijderen van den weg zijns welbeha-gens; eindelijk, zijn geluk en zijne rust stellen in Hem te bevredigen : maar deze handelwijze is strijdig aan de natuur; en de 'genade alleen kan dit'voltrekken.
1. De natuur heeft altijd tot doeleinde hare eigene voldoening, en de genade zet ons altijd aan, om ons geweld aan te doen, dat is, om ons in niets te voldoen, en ons in alles te versterven.
2. De natuur wil noch sterven, noch zich-zelve bedwingen, noch onderworpen zijn; de genade integendeel, wil, dat de ziel zich be-dwinge, zich matige, en zich onderwerpe aan datgene, wat voor haar het moeielijkste en te-genstrijdigste is; dat zij in alle gelegenheden aan hare eigene vrijheid verzake ; dat zij hare inborst bestrijde ; dat zij voor God wijke, en, om zijne opperste heerschappij over haar te eeren, aanvaarde verootmoedigd, onderworpen en beteugeld te worden.
3. De natuur wil altijd over anderen heer-schen; de genade maakt, dat eene ziel zich onder de almogende hand Gods verootmoedigt, en dat zij, om zijne liefde, zich aan die personen onderwerpt, die zijne plaats bekleeden.
4. De natuur werkt altijd voor haar eigen belang, om zich te bevredigen en zich te vestigen : maar de genade werkt niet dan voor de belangen van God, waakt gedurig op de bewegingen des harten, om het van zonden te bevrijden, en doet het geene vasfe woonplaats
Ill BOEK. LIV HOOFDSTUK. 385 zoeken dan in het hart van Jezus Christus.
5. De natuur schept behagen in de achting en den lof der menschen, welke zij meent te verdienen'; maar de genade doet zooveel, dat men dezelve onwaardig acht en de eer van alle dingen aan God geeft; en zij is zoo moeielijk op die zaak, dat zij aan eene ootmoedige en getrouwe ziel geene de minste beweging van ijdelheid jegens zichzelve toelaat, uit vrees, dat zij eenig welbehagen trekke uit het goede wat zij verricht.
6. De natuur vreest en vliedt de verachting en den slechten uitval in hare ondernemingen, en het is datgene, wat de genade verdraagt en aanneemt als zaken, die ons zondaars betamen ; zij moedigt ons zelfs aan om Jezus Christus te bedanken, dat Hij ons datgene wil overzenden, wat het vermaak zijns harten uitmaakt.
7. De natuur bemint de rust van een zacht, ledig en nutteloos leven ; maar de genade zoekt slechts den arbeid; zij vreest en vermijdt de nuttelooze woorden, gedachten en werken; en in eene ziel de ledigheid des harten en des geestes niet kunnende verdragen, moedigt zij deze aan om zich met Gods tegenwoordigheid te vervullen, gene om door zijne liefde te leven.
8. De natuur legt zich toe op al wat groot, schoon, voortreffelijk en gemakkelijk is; de genade versmaadt en vlucht dit alles, en oordeelt niets groot dan wat goddelijk, bovennatuurlijk en eeuwig is.
25
386 III BOEK. LV HOOFDSTUK.
Maar hoe meer de natuur bedwongen wordt, des te overvloediger wordt de genade in eene ziel gestort, welke zij door eenen inwendigen geest vernieuwt, en haar volkomen in- God vestigt.
GEBED.
Ja, mijn God ! er is een groot verschil tus-schen uwe genade en mijne zinnelijke natuur. Hoe edel is de eerste, hoe gebrekkig de andere ! Terwijl wij door onze zinnelijkheid tot nietigheden vervallen, doet uwe. genade ons boven het zinnelijke hemelwaarts stijgen en naar gelijkvormigheid aan het oorspronkelijke beeld trachten. Dat ik dat onderscheid steeds wèl besefte en eene gave waaideere, die alles wat de aarde heeft oneindig overtreft.
VIJF EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
Over de verdorvenheid der natuur en de kracht der goddelijke genade.
i. De Geloovige. Heere mijn God! die mij naar uw beeld en uwe gelijkenis geschapen hebt, schenk mij die genade, welke Gij mij getoond hebt zoo voortreffelijk en te mijner zaligheid zoo noodig te zijn, opdat ik mijne zeer booze natuur, die mij tot zonde en verderf wegsleept, overwinne.
Want ik voel in mijn vleesch de wet der
Ill BOEK. LV HOOFDSTUK. 387 zonde, die dequot; wet mijns gemoeds wederstreeft, en mij gevangen wegvoert om aan de zinnelijkheid in vele dingen te gehoorzamen; en deze hare aandrift kan ik niet wederstaan, tenzij uwe allerheiligste genade mijn hart vurig ingestort worde en mij te hulp kome.
2. Uwe genade, ja eene groote genade is er noodig om de natuur te overwinnen, die van de jeugd af altoos ten kwade geneigd is.
Want sedert zij door den eersten mensch Adam ten val gebracht en door de zonde verdorven is, gaat de straf dier vlek op alle menschen over; zoodat diezelfde natuur, welke door U goed en recht geschapen was, nu vervangen is door het gebrek en de zwakheid eener verdorven natuur, omdat hare neiging, aan zich-zelve overgelaten, tot het kwade en aardsche trekt.
Immers de weinige kracht, welke haar is overgebleven, is als een vonkje onder de asch verborgen.
Dat vonkje is de natuurlijke rede, met dikke duisternis omhuld, het oordeel tusschen goed en kwaad en de onderscheiding tusschen waar en valsch nog overhoudende, ofschoon zij onmachtig is, om al hetgene zij goedkeurt, te volbrengen, en niet meer het volle licht der waarheid noch de gezondheid barer neigingen geniet.
3. Vandaar, o mijn God I dat ik naar den inwendigen mensch vermaak vind in uwe wet, (Rom. 7.) wetende dat uwe bevelen goed, recht-
388 III BOEK. LV HOOFDSTUK.
vaardig en heilig zijn, (Ib.) ook leerende dat men alle kwaad en zonde moet vluchten.
Maar naar het vleesch dien ik de wet der zonde, (Ib.) daar ik meer aan de zinnelijkheid dan aan de rede gehoorzaam.
Vandaar dat wel het goede te willen bij mij is, maar het te volbrengen, dat vind ik niet. (Ib.)
Vandaar dat ik mij dikwijls veel goeds voorneem, maar omdat mij de genade ter ondersteuning mijner zwakheid ontbreekt, wijk ik bij den geringsten tegenstand en bezwijk.
Vandaar dat ik wel den weg der volmaaktheid ken en klaar genoeg zie hoe ik handelen moet; maar neergedrukt door het gewicht mijner verdorvenheid, hef ik mij niet tot het volmaaktere op.
4. O, hoe volstrekt noodig is mij dan uwe genade, o Heer I om het goede te beginnen, voort te zetten en te voleindigen!
Want zonder haar kan ik niets doen; maar door uwe genade versterkt kan ik alles in U.
O waarlijk hemelsche genade, zonder welke alle verdiensten, ook alle natuurlijke gaven niet te achten zijn!
Noch kunsten noch wetenschappen, noch rijkdom noch schoonheid, noch sterkte noch vernuft, noch welsprekendheid gelden bij U, o Heer! iets zonder de genade.
Want de gaven der natuur zijn aan goeden en kwaden gemeen , maar de genade of de liefde is eene den uitverkorenen eigene gave :
Ill BOEK. LV HOOFDSTUK. 389 wie daarmede gekenmerkt zijn, worden het eeuwige leven waardig geacht.
Zoo voortreffelijk is die genade, dat zonder haar noch de gave van voorzegging, noch de kracht van wonderteekenen , noch eenige beschouwing hoe verheven ook, iets te achten is.
Ja, zonder deze liefde en genade is noch geloof, noch hoop, noch eenige andere deugd U behaaglijk.
5. O zegenrijke genade, die den arme van geest in deugden rijk maakt, en den met velerlei gaven bedeelde nederig van harte doet zijn : kom, daal in mij neder en vervul mij vroeg met uwen troost, opdat mijne ziel niet van vermoeiing en dorheid des harten bezwijke.
Ik smeek U, o Heer! laat mij genade vinden in uwe oogen : want uwe genade is mij genoeg, al verkrijg ik ook al het overige niet, dat de natuur verlangt.
Al word ik dan bekoord en door vele tegenhe-den gekweld, zoolang uwe genade bij mij is, zal ik geen kwaad vreezen.
6. Zij is mijne kracht, zij geeft raad en hulp.
Zij is machtiger dan alle vijanden en wijzer
dan alle wijzen.
7. Zij is de leermeesteres der waarheid, de leidster lot tucht, het licht des harten, een troost in druk : zij verbant de droefheid, verjaagt de vrees, voedt de godsvrucht en brengt tranen voort.
Wat ben ik zonder haar, tenzij een dor hout en een onnutte stam, die uitgeroeid moet worden ?
39° ui boek. lv hoofdstuk»
Dat dan, o Heer! uwe genade mij altoos en voorkome en volge. Zij doe mij steeds bedacht zijn op goede werken, door Jezus Christus uwen Zoon. Amen.
oefening.
Wij doen onszelven recht, met onze eigene krachten te mistrouwen, en wij doen recht aan God, met een vast vertrouwen-in de hulp zijner genade te stellen. Die genade ontbreekt ons nooit : maar wij verzuimen dikwijls er aan te beantwoorden; en het eenige middel om zijne zaligheid te verzekeren, is, aan de bewegingen der genade getrouw te zijn, aangezien deze getrouwheid de oefening der deugden en van alle middelen der zaligheid in zichzelve besluit.
Daar de menschelijke natuur door de zonde van den eersten mensch werd bedorven, is de straf van die bedorvenheid, alsook de vlek van zijne zonden, in alle menschen overgegaan; en dit verplicht ons onophoudelijk de ongeregelde bewegingen der natuur te bevechten , om die der genade te volgen. Zonder dien heiligen haat van ons zeiven, die ons opwekt om onszelven te verzaken en te overwinnen, is het onmogelijk zalig te worden : want, daar in den staat van onschuld alles in den mensch geregeld was, en hij aan God, door Jezus' oorspronkelijke rechtvaardigheid was onderworpen, zouden de driften tegen de rede niet opgestaan zijn; maar dewijl in den staat van zonde, waarin wij ons bevinden, onze begeerlijkheid en neiging tot het
in BOEK. LVI HOOFDSTUK. 391 kwaad, onze grootste vijand is, moeten wij niet ophouden ze te bestrijden zoo lang wij leven.
G E IJ E D.
Ook ik, o God ! gevoel het licht uwer genade noodig te hebben, bij alles wat ik onderneem, bij alles wat ik wensch tot een gelukkig einde te brengen. Zonder den bijstand uwer genade vermag ik niets, mijner bestemming waardig, en door haar vermag ik alles; zonder haar zijn alle andere gaven weinig te achten. Dat ik dan genade in uwe oogen vinde; dat zij mij steeds vergezelle, mijnen wandel geleide en mij voere tot een zalig einde.
ZES EN VIJTIGSTE HOOFDSTUK
Dat wij onszelven moeten verloocheneD en Christus op den weg des kruises . volgen.
1. De Heer. Mijn zoon! hoe meer gij van uzelven kunt uitgaan, hoe meer gij tot Mij kunt ingaan.
Gelijk het den inwendigen vrede bevordert niets uitwendigs te begeeren, zoo vereenigt men zich met God door zich innerlijk te verlaten.
Ik wil dat gij leert u volkomen verzaken geheel naar mijnen wil, zonder tegenspraak of klachte.
Volgt Mij : (Matth. 9.) Ik ben de weg, de waarheid en het leven. (Joan. 14.)
392 III BOEK. LVI HOOFDSTUK.
Zonder weg gaat men niet, zonder waarheid kent men niet, zonder leven leeft men niet.
Ik ben de weg, dien gij moet volgen, de waarheid, die gij moet gelooven, het leven, hetwelk gij moet verhopen.
Ik ben de onbedriegelijke weg, de onfeilbare waarheid, het onvergankelijke leven.
Ik ben de rechtste weg, de opperste waarheid, het ware, zalige, ongeschapene leven.
Indien gij blijft op mijnen weg, gij zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrij maken, (Joan. 8.) en gij zult het eeuwige leven verwerven.
2. Wilt gij tot het leven ingaan, onderhoud de geboden. ( Matih. 19.)
Wilt gij de waarheid kennen, geloof in Mij-
Wilt gij volmaakt zijn, verkoop alles. (Matt. 19.)
Wilt gij mijn leerling zijn, verloochen uzel-ven. (Luc. 9.)
Wilt gij het zalige leven bezitten, veracht het tegenwoordige.
Wilt gij in den hemel verheven worden, verneder u op de aarde.
Wilt gij met mij heerschen, draag het kruis met Mij.
Want alleen de dienaars des kruises vinden den weg der zaligheid en des waren lichts.
i. De Gel 00vige. Heer Jezus! daar uw weg eng is en door de wereld veracht, geef dat ik U ook met verachting der wereld volge.
Want de leerling is niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijnen heer. (Matth. 10.)
Ill BOEK. LVI HOOFDSTUK. 393
Dat dan de dienstknecht zich in de navol-' ging van uw leven oefene : want daarin is mijn heil en ware heiligheid.
Wat ik leze of hoore buiten uw leven, verkwikt noch verlustigt mij geheel.
4. De Heer. Mijn zoon! daar gij dat alles weet en gelezen hebt, zult gij gelukkig zijn indien gij het nakomt.
Die mijne geboden heeft en ze onderhoudt, hij is het, die Mij liefheeft. Pok Ik zal hem liefhebben en Mijzelven aan hem openbaren (Joan. 14.} en zal hem met Mij doen aanzitten in het rijk mijns Vaders.
5. De Geloovige. Heer Jezus! het geschiede gelijk Gij gezegd en beloofd hebt en moge het mij gelukken zulks te verdienen.
Ik heb het kruis opgenomen ; ik heb het uit uwe hand ontvangen. Ik zal het dragen, ja, dragen tot aan mijnen dood, zooals Gij het mij oMclegd hebt.
Ttf waarheid, het leven eens vromen kloos-terlings is een kruis, maar een kruis dat ten hemel leidt.
Ik ben begonnen ; teruggaan mag ik niet, en stilstaan betaamt niet.
6. Welaan, broeders ! laat ons te zamen voort gaan : Jezus zal met ons wezen.
Om Jezus namen wij dat kruis op : laat ons om Jezus bij het kruis volharden. Hij zal ortze helper zijn, die onze aanvoerder en voor ganger is.
394 111 boek. lvi hoofdstuk.
Zie, onze Koning gaat ons voor; Hij zal voor ons strijden.
Laat ons moedig volgen ; dat niemand iets verschrikkelijks duchte 1 Zijn wij bereid in den krijg heldhaftig te sterven; laten wij onzen roem den smet niet aandoen dat wij voor het kruis /.ouden vluchten.
oefening.
Datgene wat Jezus Christus in het Evangelie zegt, namelijk dat hij, die tot Hem wil komen, zich móet verloochenen, zijn kruis opnemen en Hem volgen, behelst in zich de oefening van een oprecht christelijk leven, en eenen zekeren weg tot de zaligheid, vermits Jezus Christus de weg, de waarheid en het leven is; de weg, dien wij moeten volgen; de waarheid, welke wij moeten gelooven; en het leven, dat wij moeten hopen. Want om als een waar Christen te leven en zijne zaligheid te verzekeren, moet men beginnen met aan zichze^Jn te verzaken en te versterven ; en het zijn die verzaking en die geest van verloochening, welke het grondbeginsel van het Evangelie, de grondwet van het Christendom, de wezenlijke plicht van den Christen en een volstrekt noodzakelijk middel ter zaligheid zijn. Het is die inwendige versterving, die besnijdenis des harten, welke bestaat in het ontzeggen van alle strafplichtige, gévaarlijke of nuttelooze voldoening, die het onderscheid der uitverkorenen en der verdoemden uitmaakt. Het kenteeken van onzen staat,
Ill BOEK. LVI HOOFDSTUK. 395 die een staat van zonde is, moet een staat van boetvaardigheid, het doel des Christendoms en de zekerheid der zaligheid wezen.
Zijn kruis met Jezus Christus dragen, is, van een ieder alles verdragen, zonder iemand te doen lijden; van de. hand en het hart van Jezus Christus al de kwellingen des geestes en des lichaams aanvaarden ; met geduld al het kwaad verduren, dat wij van de rechtvaardigheid Gods en van de onrechtvaardigheid der menschen ontvangen ; de versmading aannemen als iets wat men verdient, en als een groot ongeluk rekenen, niets te lijden voor God, en als het grootste geluk des levens, altijd voor zijne liefde te lijden.
GEBED.
Neen, mijn Heiland ! er is geen beter, geen veiliger weg voor mij, om tot deugd en zaligheid te komen, dan Gijzelf zijt : Gij zijt de weg, de waarheid en het leven. Maar hoe zal ik dien weg vinden ? Heil mij ! Gij hebt mij dien aangewezen : ik moet mijzelven verloochenen, mijne zinnelijkheid bestrijden, mijn kruis opnemen en U navolgen. Geleid mij op dien weg, vestig daarop mijne schreden en dat ik nimmer daarvan afwijke.
396 ril BOEK. I.VH HOOFDSTUK.
ZEVEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
De mensch zij niet te neerslachtig wanneer hij in eenigen misslag valt.
1. De Heer. Mijn zoon! geduld en nederigheid in tegenspoed behagen Mij meer dan veel troost en ijver in voorspoed.
Waarom bedroeft u eene kleinigheid, die tegen u gezegd wordt ?
Al ware het iets grooters geweest, het had u niet moeten ontroeren.
Laat het dan nu voorbijgaan. Het is niet het eerste noch iets nieuws, het zal ook het laatste niet zijn, zoo gij lang leeft.
Zoolang 11 niets kwaads ontmoet, zijt gij moedig genoeg; ook geeft gij goeden raad ^n weet anderen door woorden te versterken; maar vertoont zich onverwachts eenig ongeval voor uwe deur, het ontbreekt u aan raad en sterkte.
Let op uwe groote broosheid, welke gij zoo dikwijls bij de geringste voorvallen ondervindt.
Intusschen geschiedt het alleen tot uw heil, wanneer deze en soortgelijke dingen u treffen.
2. Stel het, zoo goed gij kunt, uit uw hart gt; en heeft het u geraakt, dat het u niet terne-dersla noch lang hindere.
Draag het ten minste geduldig , zoo gij het niet blijmoedig kunt.
Ook zoo gij het ongaarne hoort en u ver-
Ill BOEK. LVII HOOFDSTUK. 397 ontwaardigd gevoelt, bedwing u en laat niets onbehoorlijks uwen mond ontvallen , dat den zwakke aanstoot geeft.
Spoedig zal de ontstane ontroering bedaren, en de inwendige smart door de terugkomende genade verzoet worden.
Want Ik leef nog, zegt de Heer, bereid om u te helpen en buitengewonen troost te schenken, zoo gij op Mij vertrouwt en vurig tot Mij roept.
3. Houd goeden moed en bereid u om nog meer te lijden.
Alles is niet verloren, al gevoelt gij u dikwijls gedrukt of zwaar bekoord.
Gij zijt een mensch, en geen God; Gij zijt vleesch, geen Engel.
Hoe zoudt gij altoos in denzelfden staat van deugd kunnen volharden, daar dit den Engelen in den hemel en den eersten mensch in het Paradijs niet heeft mogen gebeuren.
Ik ben het die de bedrukten opbeur en red, en hen die hunne zwakheid kennen tot mijne godheid opvoer.
4. De Geloovigc. Heer! gezegend zij uw woord, mij zoeter dan honig en honigzeem in den mond. (Ps. 18.)
Wat zoude ik onder zoo vele rampen en benauwdheden doen, tenzij Gij mij door uwe heilige woorden versterktet ?
Als ik slechts ten laatste de haven der zaligheid mag binnenzeilen, wat is er aan gelegen wat en hoeveel ik geleden heb ?
398 UI BOEK. LVII HOOFDSTUK.
Geef een goed einde, geef een gelukkig verscheiden uit deze wereld.
Gedenk mijner, mijn God I en geleid mij langs den rechten weg naar uw rijk. Amen.
OEFENING.
Wanneer het ons verdriet altijd en veel te lijden, moet men zich herinneren, dat de ootmoedige onderwerping aan de kwellingen onvergelijkelijk aangenamer is aan God, dan de zoetheid van zijne vertroostingen, en dat alzoo de grootste vertroosting voor eene ziel is, van alle vertroostingen beroofd te zijn, en evenwel niet na te laten God getrouw te blijven.
Als men tot zonde bekoord en aangedreven wordt, moet men ze trachten af te weren, aan zijne zondige neigingen mei alle kracht en alle mogelijke dapperheid tegenstand bieden , en aanstonds zijne toevlucht nemen tot den Heer en tot de allerheiligste Maagd, om door hen geholpen te worden. Nochtans moet het gevoel van het kwaad ons niet neerslachtig maken noch den moed benemen, maar het moet, bij eenen grooten afschrik voor de zonde, ons met een des te vaster vertrouwen tot God verheffen ; men moet, zooveel mogelijk, den geest van de oneerlijke voorwerpen, die hem treffen, en ons hart van het strafplichtige vermaak, dat het opwekt om aan de zonden toe te stemmen, aftrekken. En om in de tegenspraak getrouw te wezen, zoo tracht niets met een ontsteld gemoed te zeggen, en doe al het mogelijke, om
Ill BOEK. LVII HOOFDSTUK. 399 de droevige bemerkingen en aandoeningen van wraak tegen de personen die u beleedigen, aan God op te offeren, overtuigd zijnde, dat alles, wat gij denkt, wat gij wilt, en wat gij tegen hen zegt, dat dit alles tegen Jezus Christus geschiedt.
Herinner u in uwe inwendige kwellingen, dat alles niet verloren is, omdat gij geweldig bedrukt en bekoord wordt. Maar bied wederstand aan de bekoring, onderwerp u aan de vernedering , en stel u voor dat gij, om tot de ver-ccniging met God verheven te worden, alvorens tot in het diepste uwer ellenden moét vernederd worden.
GEBED.
Dank, o God 1 voor dezen troost. Ja uw woord is mij zoeter dan honig. Gezegend, welkom zij het mij 1 Dat het mij dierbaar blijve en bij lijden met troost verkwikke. Zie, ik ben tot alles bereid. Geen lijden zal mij te moeielijk vallen, zoo uwe genade mij vergezelt en ik eens mag aanlanden in de veilige haven mijner zaligheid. Geleid mij toch daarhenen, en geef dat mijn verscheiden uit deze wereld gelukkig zij.
4-00 III BOEK LVIII HOOFDSTUK.
A.CHT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
Men mag geene te verheven zaken noch de verborgene raadsbesluiten Gods onderzoeken.
1. De Heer. Mijn zoon! wacht u over te hooge zaken en de verborgen oordeelen Gods te redetwisten : waarom deze zoo verlaten, gene tot zulke groote genade opgevoerd worde; waarom deze zoo bedroefd, gene zoo hoog verheven worde ?
Dat gaat al 's menschen begrip te boven; en geen rede of onderzoek is vermogend om Gods oordeel te doorgronden.
Wanneer dan de vijand u zoo iets ingeeft, of wel sommige nieuwsgierige menschen daarnaar vragen, antwoord met den Profeet; rechtvaardig zijt Gij, o Heer 1 en billijk is uw oordeel; ( Ps. 118) alsook: des Heeren oordeelen zijn waarachtig, rechtvaardig altemaal. ( Ps. 18.)
Mijne oordeelen moet men vreezen, niet onderzoeken, vermits zij ontoegankelijk zijn voor 's menschen verstand.
2. Wil ook niet onderzoeken noch redetwisten over de verdiensten der Heiligen, wie hunner heiliger of grooter is in het hemelrijk.
Dit bréngt dikwijls onnutte twisten en kra-keelen voort, voedt ook den hoogmoed en ijdelen waan ; waaruit nijd en tweedracht ont-
Ill BOEK. LVIII HOOFDSTUK. 4OI staan, daar de eene dezen Heilige, gene een anderen trotschelijk tracht te verheffen.
Zulke dingen te willen weten en te onderzoeken doet geen vrucht en mishaagt eer den Heiligen, wijl Ik geen God ben van tweedracht, maar van vrede ; welke vrede meer in waren ootmoed dan in zelfverheffing bestaat.
3. Sommigen worden meer tot dezen of genen getrokken, maar door eene voorliefde die meer menschelijk dan goddelijk is.
Ik ben degene, die alle Heiligen geschapen heb ; Ik heb hun genade gegeven ; Ik heb hun heerlijkheid geschonken.
Ik ken ieders verdiensten en heb hen met mijne heilzame zegeningen voorkomen.
Ik heb voor eeuwen mijne geliefden gekend j Ik heb hen uit de wereld verkozen, niet zij hebben eerst Mij verkozen.
Ik heb hen door genade geroepen, door barmhartigheid getrokken ; Ik heb hen door velerlei bekoringen henengevoerd.
Ik heb hun groote vertroostingen ingestort; Ik heb hun volharding verleend ; Ik heb hun geduld bekroond.
4. Ik ken zoowel den eerste als den laatste; Ik bemin ze allen met onschatbare liefde.
Ik moet in al mijne Heiligen geprezen worden; Ik moet boven alles gezegend en in elk hunner vereerd worden, die Ik zoo hoog verheerlijkt en daartoe voorbestemd heb, zonder eenige voorafgaande eigene verdiensten.
Wie dan éen mijner geringsten veracht, eert 26
402 III BOEK. LVIII HOOFDSTUK, ook den grootste niet: want Ik heb den geringste en den grootste geschapen.
En wie éen Heilige te kort doet, doet ook Mij en al den overigen in het hemelrijk te kort.
Want zij zijn allen éen door den band dei-liefde ; zij hebben éen gevoelen, éen wil, en beminnen elkander in éenen, in Mij.
5. Ja, wat veel meer is, zij beminnen Mij meer dan zichzelven en hunne verdiensten.
Want, boven zichzelven verrukt en aan alle eigenliefde onttrokken, gaan zij geheel in mijne liefde over, waarin zij ook genoeglijk rusten.
Niets is er dat hen kan aftrekken of neder-drukken, daar zij, met de eeuwige waarheid vervuld, door het vuur eener onuitbluschbare liefde branden.
Dat dan vleeschelijke en zinnelijke menschen ophouden over den staat der Heiligen te twisten, daar zij niets dan hun bijzonder vermaak weten te beminnen.
Zij geven of ontnemen hun volgens hunne neiging, niet gelijk het der eeuwige Waarheid behaagt.
6. Bij velen is het onkunde, vooral bij hen die weinig verlicht, zelden iemand met eene volkomen geestelijke liefde weten te beminnen.
Zij worden nog te zeer door natuurlijke neiging en menschelijke vriendschap tot de7en of genen getrokken; en gelijk zij zich in het aardsche gedragen, zoo denken zij ook over het hemelsche.
Maar er is een oneindig verschil lusschen
Ill BOEK. LVIII HOOFDSTUK. 403 de gedachten van onvolmaakten en hetgeen verlichte mannen door eene hoogere openbaring zich voorstellen.
7. Wacht u dan, mijn zoon! u met zulke zaken, welke uw begrip te boven gaan, nieuwsgierig in te laten; maar beijver u liever en leg u hierop toe, dat gij ook maar de minste in het rijk van God moogt bevonden worden.
En aj wist iemand, wie boven anderen heilig en groot in het hemelrijk gehouden wordt, wat zoude hem die kennis baten, zoo hij daardoor voor Mij niet nederiger wierd en opgewekt om mijnen naam te meer te loven ?
Hij die over de grootheid zijner zonden en de geringheid zijner deugden nadenkt en hoever hij nog van de volmaaktheid der Heiligen af is, doet een Gode veel behaaglijker werk, dan hij die over hunne meerder- of minderheid twist.
Het is beter de Heiligen met vurige gebeden en tranen aan te roepen en hunne heerlijke voorbidding nederig af te smeeken, dan door een ijdel onderzoek hunne geheimen uit te vorschen.
8. Zij zijn wel en zeer wèl tevreden, wisten de menschen maar wèl tevreden te zijn en hun ijdel gepraat te bedwingen !
Zij roemen niet in hunne eigen verdiensten, daar zij zichzelven niets goeds toeschrijven, maar alles aan Mij, die hun alles uit onbegrensde liefde geschonken heb.
Zij zijn met zulke groote liefde tot de God-
404 III BOEK. LVIII HOOFDSTUK.
heid en met zulk eene overmaat van vreugde vervuld, dat er niets ontbreekt aan huone heerlijkheid en niets aan hunne zaligheid ontbreken kan.
Alle Heiligen, hoe meer zij in heerlijkheid verheven, hoe nederiger zij in zichzelven en hoe nader en geliefder zij Mij zijn.
Daarom vindt gij geschreven : zij wierpen hunne kronen neder voor God en vielen op hunne aangezichten voor het Lam en aanbaden Hem, die tot in de eeuwen der eeuwen leeft. (Apoc. 4 en 5.)
9. Velen onderzoeken wie de grootste zij in het rijk van God, zij, die niet weten of zij waardig zullen zijn onder de geringsten gerekend te worden.
Het is groot ook de geringste in den hemel te zijn, alwaar allen groot zijn, omdat zij allen Gods kinderen genoemd worden en zijn zullen.
De geringste zal er tot duizend worden, terwijl ook de honderdjarige zondaar sterven zal. (Is. 60 en 65.)
Want toen mijne leerlingen Mij vroegen, wie de grootste ware in het hemelrijk, vernamen zij dit antwoord : tenzij gij u bekeert en wordt als de kinderen, zult gij niet ingaan in het rijk dér hemelen. Al wie zich derhalve zal vernederen, gelijk dit kind, die is de grootste in het rijk der hemelen. (Matth. 18.)
10. Wee hun, die weigeren zich gewillig met de kinderen te vernederen : want de lage
UI BOEK. LVIII HOOFDSTUK. 405 poort van het hemelrijk *al hen niet laten binnengaan.
Wee ook den rijken die hier hunnen troost weghebben; want terwijl de armen het rijk Gods zullen binnengaan, zullen zij buiten staan en weenen.
Verblijdt u, gij nederigen ! juicht, gij armen ! want u is het rijk van God, mits gij in waarheid wandelt.
OEFENING.
Om aan de Heiligen de verschuldigde eer te bewijzen, moet men hen aanroepen en navolgen, zonder te twisten over de grootheid hnnner heerlijkheid in den hemel. Men moet trachten de goede voorbeelden na te volgen, welke zij ons op aarde gegeven hebben ; en men eert volmaakt de Heiligen, als men zich, even als zij, heilig maakt. God heeft al de Heiligen naar het voorbeeld van het mensch geworden Woord, zijnen Zoon, gevormd ; en het is onmogelijk het voorwerp van Gods liefde te zijn, zonder dat men Jezus Christus tot voorbeeld ter navolging neme. Hij heeft gewild, dat er Heiligen uit alle standen der wereld zouden wezen, om aan de menschen te doen verstaan, dat zij zich kunnen zaligmaken en heiligen, met heilig en christelijk, ieder in zijnen staat, te leven. (De H. Cyprianus.) Hij geeft ons de Heiligen tot beschermers en voorbeelden, om ons te helpen, en ons den hemel, dien zij bezitten, te leeren verdienen, aangezien
406 III BOEK. LIX HOOPDSTUK. het waar is, dat zij onze gebeden aanhooren, en dat, verzekerd van hun geluk, zooveel hun staat het toelaat, zij voor het onze bezorgd zijn.
Laat ons dan trachten te leven en te lijden gelijk zij, om eens met hen te leven en te heer-schen, en bedenken wij, dat er maar één weg is, om tot het gelukkig einde te geraken, tot hetwelk de Heiligen gekomen zijn ; en die weg is, volgens de opmerkingen van het Evangelie, een boetvaardig afgestorven en van de wereld afgezonderd leven; elke andere weg is, volgens Jezus Christus zeiven, een weg van verderf.
GEBED.
Billijk, o Heer! is deze uwe vermaning. Het twisten over de geheime wegen Gods bevat geen nut en kan ons licht tot hoogmoed en vermetelheid vervoeren. Wie is hij, die slechts eenvoudig de gaven aanwendt, door U hem medegedeeld ? Hij is voor U de grootste in uw rijk, naarmate hij de geringste in zijn eigen oogen is. Boezem mij zulke nederige gedachten in en maak mij waardig ook de geringste plaats in uw hemelsch rijk.
NEGEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
Dat men alle hoop en vertrouwen op God alleen moet stellen.
i. De Geloovige. O Heer! welk is in dit
UI BOEK. LIX HOOFDSTUK. 407 leven mijn vertrouwen ? Of welk is mijn grootste troost te midden van alles wat onder de zon bestaat ? Zijt Gij het niet, Heere mijn God! wiens barmhartigheid grenzeloos is:
Waar bevond ik mij ooit goed zonder U ? Of wanneer konde het mij kwalijk gaan, als Gij bij mij waart ?
Liever wil ik arm zijn om U, dan rijk zonder U.
Liever verkies ik op aarde met U om te zwerven, dan zonder U den hemel te bezitten.
Waar Gij zijt, daar is de hemel, en waar Gij niet zijt, de dood en de hel.
Gij zijt mijn verlangen : daarom moet ik tot U zuchten, roepen en smeeken.
Eindelijk, er is 'niemand op wien ik volkomen kan vertrouwen om mij in mijnen nood ter rechter tijd te helpen, dan op U alleen, mijn God !
Ja, Gij zijt mijne hoop, Gij mijn vertrouwen, Gij mijn trooster, en in alles mijn getrouwsten vriend !
2. Allen zoeken het hunne ; Gij beoogt alleen mijn heil en mijnen voortgang, en doet mij alles ten goede keeren.
Ook wanneer Gij mij aan velerlei bekorigen en wederwaardigheden blootstelt, dan beschikt Gij dat alles te mijnen beste, Gij die gewoon zijt uwe geliefden op allerlei wijze te beproeven.
Bij deze beproeving moet Gij niet minder bemind en geprezen worden, dan of Gij mij met uwe hemelsche vertroostingen vervuldet.
408 UI BOEK. LIX HOOFDSTUK.
3. Op U dan, Heere God 1 stel ik al mijno hoop en mijn vertrouwen; op U werp ik al mijn kommer en angsten, dewijl ik alles, wat ik buiten U opmerk, als zwak en ongestadig bevinde.
Want noch vele vrienden kunnen baten, noch machtige beschermers helpen, noch voorzichtige raadslieden goeden raad geven, noch de boeken der geleerden troosten, noch kostbaarheden, van welken aard ook, redden, noch eenige verborgen en aangename plaats beveiligen, zoo Gijzelf niet nabij zijt, helpt, versterkt, onderricht, vertroost en bewaart.
4. Want alles wat den vrede en het geluk schijnt te kunnen bevorderen, is zonder U niets en brengt in waarheid geenerlei geluk aan.
Gij alzoo zijt de voltooiing van alle goed, Gij de volheid des levens, de bron der wijsheid, en op U boven alles te hopen is de krachtigste troost voor uwe dienaren.
Tot U zijn mijne oogen gericht; op U vertrouw ik, mijn God, Vader der barmhartigheden !
Zegen en heilig mijne ziel met uwe hemel-sche zegeningen, opdat zij U eene heilige woning en uwer eeuwige heerlijkheid een zetel worde; opdat er in dezen tempel uwer opper-waardigheid niets gevonden worde, dat het oog uwer Majesteit mishaagt.
Zie op mij naar de grootte uwer goedheid en de menigte uwer barmhartigheden en verhoor de bede van uwen armen dienstknecht,
UI BOEK. I.IX HOOFDSTUK. 409 die verre van U, ala balling in het land van de schaduw des doods omzwerft.
Bescherm en bewaar de ziel uws armen dienstknechts onder zoovele gevaren van het vergankelijk leven; dat uwe genade haar ver-gezelle en haar leide langs den weg des vredes naar het vaderland des eeuwigen lichts. Amen.
OEFENING.
Wanneer wij bemerken , dat wij bedrukt of met inwendige kwellingen, met lichamelijke smarten en uiterlijke wederwaardigheden overladen worden, of met al deze ongelukken te zamen, laat ons dan met vertrouwen onze toevlucht tot God nemen, die alleen ons kan helpen en bijstaan, en laat ons met de Machabeërs tot Hem zeggen : Heer I Gij kent de voornemens, welke de vijanden onzer ziel en van onze zaligheid tegen ons opvatten : hoe zullen wij hun ooit tegenstand kunnen bieden, tenzij Gij ons te hulp komt ? Wij heffen dan onze oogen en ons hart tot U op, tot U, die ons kunt helpen, want Gij zijt onze God; die ons moet helpen, want Gij zijt onze Zaligmaker; die ons wilt helpen, want Gij zijt onze Vader; en wij verzoeken uwe hulp, om niet te bezwijken noch verloren te gaan.
GEBED.
Mijn God ! mijne hoop ! mijn vertrouwen ! mijn al! Op wien zal ik vertrouwen, zoo ik op U niet vertrouw ? Tot wien mijne toevlucht
4IO III BOEK. LIX HOOFDSTUK.
nemen, zoo ik uwe hulp niet verwacht} Neen, zonder U kan alles, wat de aarde troostrijks heeft, niet baten ; geene menschelijke hulp helpen. Heil mij ! dat ik eenen Vader heb, op wieh ik in allen nood mag hopen! Goede Vader! bevestig in mij dit geloof; wees mij met uwe hulp nabij en breng mij eindelijk over in de gewesten des vredes.
DE NAVOLGING
VAN
JEZUS CHRISTUS.
Jltevi»» goeh.
OTer het allerheiligste Sacrament.
EERSTE HOOFDSTUK.
Vurige uitnoodigiLg tot de heilige Communie. â Met welken eerbied men Christus moet ontvangen.
i. De Heer. Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u verkwikken. (Matlh. ii.)
412 IV BOEK. I HOOFDSTUK.
Het brood dat Ik u geven zal, is mijn vleesch voor het leven der wereld. (Joan. 6.)
Neemt en eet : dit is Mijn lichaam, dat voor u zal overgegeven worden. Doet dit tot Mijne gedachtenis. (Matth. 26. Luc. 22. 1. Cor. 11.)
Die Mijn vleesch eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. (Joan. 6.)
De woorden die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven. (Ib.)
2. De Geloovige. Dit zijn, o Jezus Christus! eeuwige Waarheid, uwe eigene woorden, ofschoon niet op éenen tijd gesproken, noch op éene plaats geschreven.
Daar zij dan de uwe en waarachtig zijn, moet ik ze alle dankbaar en geloovig aannemen.
Zij zijn de uwe, omdat Gij ze hebt voortgebracht; zij zijn ook de mijne, daar Gij ze tot mijn heil gesproken hebt.
Gewillig neem ik ze uit uwen mond aan, opdat ze te dieper in mijn hart geprent worden.
Woorden zoo teedei'; zoo vol zoetigheid en liefde, wekken mij op; maar mijne verkeerdheden schrikken mij af, en mijn onrein geweten houdt mij terug om tot zulke groote geheimen te naderen.
De liefelijkheid uwer woorden lokt mij; maar de menigte mijner gebreken hindert mij.
3. Gij beveelt mij met vertrouwen, tot U te naderen, zoo ik deel met U wil hebben, en het voedsel der onsterfelijkheid te nemen, zoo ik het eeuwige leven en de eeuwige heerlijkheid wil bekomen.
IV BOEK. I HOOFDSTUK. 413
Komt, zegt Gij, allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u verkwikken.
O liefelijk en vriendelijk woord in het oor des zondaars, dat Gij, Heere mijn God ! eenen behoeftige en arme noodigt tot deelneming aan uw allerheiligst Lichaam!
Maar wie ben ik, o Heer! dat ik mij verstoute tot U te naderen ?
Zie, de hemel der hemelen omvat U niet, en Gij zegt; Komt allen tot Mij!
4. Wat wil die liefderijke toegevendheid en eene zoo vriendelijke uitnoodiging ?
Hoe zal ik durven komen, die mij niets goeds bewust ben, waarom ik het zoude mogen ondernemen ?
Hoe zal ik U in mijn huis binnenleiden, die zoo dikwijls uw goedertierénst aanschijn be-leedigd heb ?
De Engelen en Aartsengelen zijn vol eerbied ; de Heiligen en rechtvaardigen vreezen, en Gij zegt : Komt allen tot Mij !
Zoo Gij, o Heer! het niet zeidet, wie zoude het voor waar houden ? En zoo Gij het niet geboodt, wie zoude durven naderen ?
5 Zie N o e , een rechtvaardig man, werkte honderd jaren aan het maken eener arke, om met weinigen gered te worden : en ik, hoe zoude ik mij in éen uur kunnen voorbereiden om den Bouwheer der wereld eerbiedig te ontvangen :
M o z e s , uw voortreffelijke dienstknecht en bijzondere vriend, maakte eene kist van onver-
414 IV BOEK. I HOOFDSTUK.
derfelijk hout en overtrok ze met het zuiverste goud om de tafelen der wet er in te leggen : en ik, verdorven schepsel, zoude U, den Gever dy Wet, de bron des levens zoo licht durven opnemen ?
Salomon, de wijste der koningen Israels, bouwde zeven jaren aan eenen prachtigen tempel, ter verheerlijking van uwen naam. Acht dagen lang vierde hij het feest der inwijding; duizende dankoffers slachtte hij: onder trompetgeschal en gejuich bracht hij de Verbondskist plechtig ter plaatse, haar bereid.
En ik, ongelukkige en armste der menschen, hoe zal ik U in mijn huis binnenleiden, die nauwelijks een half uur godvruchtig weet door te brengen ? En mochte het ook maar eens een half uur waardig geschieden!
6. O mijn God! hoeveel hebben deze niet getracht te doen om U te behagen! Ach! hoe weinig is het wat ik doe! Hoe weinig tijds besteed ik, als ik mij tot uwe Tafel voorbereid!
Zelden ben ik geheel in mij zei ven gekeerd, zeer zelden vrij van alle verstrooiing.
En voorwaar, in uwer Godheids heilrijke tegenwoordigheid , moest geene onbetamelijke gedachte bij mij opkomen, ook geen schepsel mij bezighouden, vermits ik geen Engel maar den Heer der Engelen als gast moet ontvangen.
7. Intusschen is er een zeer groot verschil tusschen de Verbondskist met hetgeen zij bevatte en uw allerzuiverst Lichaam met zijne onuitsprekelijke krachten; tusschen die offers
IV BOEK. T HOOFDSTUK. 415 der wet, louter afbeeldsels van het toekomende, en het ware offer uws Lichaams, de vervulling van alle oude offers.
8. Waarom dan ben ik niet vuriger bij uwe aanbiddelijke tegenwoordigheid ?
Waarom bereid ik mij niet met meer zorg tot het ontvangen van uwe heilige geheimen, daar die heilige Aartsvaders en Profeten, zelfs Koningen en Vorsten, met al het volk, zooveel godvruchtigen ijver voor den dienst van God hebben getoond ?
David, de allergodvruchtigste koning, danste uit al zijne krachten voor de arke, zich de weldaden herinnerende, weleer den vaderen verleend. Hij deed velerlei speeltuig vervaardigen, dichtte liederen en liet die met vroolijk-heid zingen; hijzelf, bezield door de genade van den Heiligen Geest, zong dikwijls bij de harp; hij leerde Israëls volk God van ganscher harte loven en dagelijks met eenstemmigen mond zegenen en verheerlijken.
Werd toen zooveel godsvrucht betoond en voor de Verbondskist de lof van God vermeld, welken eerbied en godsvrucht behoor ik en het gansche christenvolk dan nu te hebben, in tegenwoordigheid van het allerheiligste Sacrament, bij de nuttiging van het allerkostbaarst Lichaam van Christus 1
9. Velen loopen naar verscheiden plaatsen om der Heiligen overblijfsels te bezoeken; zij zijn bij het hooren hunner daden verwonderd; zij bezichtigen de sierlijke tempels hun ter
4l6 IV BOEK. I HOOFDSTUK.
eere gebouwd, en kussen hunne heilige, in zijde
en goud gewikkelde beenderen.
En zie! hier zijt Gij bij mij op het altaar tegenwoordig, mijn God ! de Heilige der Heiligen, de Schepper der menschen, de Heer der Engelen 1
Dikwijls is het de nieuwsgierigheid der menschen, en de nieuwheid van hetgene zij niet gezien hebben, die hen tot die reizen uitlokken; ook wordt er weinige vrucht van verbetering weggedragen, vooral als die tochten zoo lichtzinnig, zonder waar berouw geschieden.
Maar hier, in het Sacrament des Altaars zijt Gij, Christus Jezus! God en mensch geheel tegenwoordig; daar ook oogst men eenen overvloed van vruchten des eeuwigen heils,-zoo dikwerf men U waardig en godvruchtig ontvangt.
En hiertoe lokt geenerlei lichtzinnigheid, noch nieuwsgierigheid, noch zinnelijkheid, maar een vast geloof, eene levendige hoop en eene oprechte liefde.
io. O God ! onzichtbare Schepper der wereld! hoe wonderlijk handelt Gij met ons ! Hoe minzaam en genadig gaat Gij met uwe uitverkorenen te werk, aan wie Gij Uzelven in het Sacrament tot spijze voorstelt 1
O, dit gaat alle verstand te boven; dit vooral trekt de harten der godvruchtigen en ontvlamt hunne liefde.
Immers, uwe ware geloovigen, die hun geheel leven tot verbetering besteden, ontvangen dik-
IV BOEK. I HOOFDSTUK. 417 wijls in dit allerheiligst Sacrament eene groote genade van godsvrucht en liefde tot de deugd.
11. O wonderbare en verborgen genade van dit Sacrament, alleen bekend aan de trouwe dienaars van Christus, en welke de ontrouwen en zondedienaars niet kunnen ondervinden.
Door dit Sacrament toch wordt de genade des H. Geestes geschonken, de verloren zielskracht hersteld, en de schoonheid, welke door de zonde ontsierd was, terugbekomen
Zoo groot is wel eens deze genade, dat, wegens de volheid der bekomen godsvrucht, niet slechts de geest, maar ook het zwakke lichaam vermeerdering van krachten ontwaart.
12. Intusschen is zij zeer te betreuren en te bejammeren, onze lauwheid en onachtzaamheid, dat wij niet met sterkere drift getrokken worden om Christus te ontvangen, op wien alle hoop en verdienste dergenen, die zalig zullen worden, rust.
Hij toch is onze heiligmaking en verlossing, Hij de troost der reizigers en het eeuwige genot der Heiligen.
Het is dus zeer te betreuren dat velen zoo weinig acht geven op dit heilvol geheim, dat de vreugd is des hemels en het behoud der gansche wereld.
O blindheid en verhardheid van het mensche-lijk hart, dat men zulk een onuitsprekelijk geschenk niet meer acht, en zelfs door dagelijksch gebruik tot onachtzaamheid vervalt.
27
4l8 IV BOEK. I HOOFDSTUK. /
13. Wierd toch dit allerheiligst Sacrament slechts op éene plaats gevierd en slechts door éenen Priester over de geheele wereld geconsacreerd, met welke geestdrift meent gij, zouden niet de menschen naar die plaats en naar dien Priester Gods henensnellen, om de goddelijke geheimen te zien vieren!
Maar nu zijn er vele Priesters aangesteld en wordt Christus op vele plaatsen geofferd opdat Gods genade en liefde tot den mensch te meer uitblinken, naarmate de heilige Communie meer verspreid is over den aardbol.
Dank zij U, goede J e z u s 1 eeuwige Herder! dat Gij U verwaardigd hebt, ons, arme ballingen, met uw kostbaar Lichaam en Bloed te verkwikken, en zelfs tot het ontvangen van deze geheimen met de woorden van uw eigen mond uit te noodigen, zeggende : Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u verkwikken.
OEFENING.
Wie zal ooit kunnen begrijpen of uitleggen, de uitmuntendheid der goddelijke gave, die de Zoon Gods ons scheukt, met ons zijn Lichaam en Bloed in het allerheiligste Sacrament te geven, aangezien het zeker is, dat wij hierin geheel .de grootheid en Majesteit van eenen God, al de volmaaktheden en de volheid zijner Godheid, al de deugden en genaden zijner Menschheid, en al de verdiensten van eenen God-mensch ontvangen ! Zoo dat men met den
IV BOEK. I HOOFDSTUK. 419 H. Augustinus mag zeggen, dat God, hoe almogend Hij ook zij, ons niets meer kan geven, dan zich aldus aan ons te geven ; dat hoe rijk en milddadig Hij ook moge wezen, die gave alleen, welke Hij ons doet van zijn Lichaam, van zijn Bloed en van geheel zijn Persoon, al de schatten zijner milddadigheid uitput, en dat Hij, alhoewel Hij de ongeschapen en vleesch-geworden Wijsheid des Vaders is, geen krachtiger middel heeft kunnen vinden om onze harten te winnen, dan ze door de heilige Communie binnen te treden, om ons met zijn hart te vereenigen ons in Hem te veranderen.
Maar wat onzen geest en ons hart moet verrukken, is, dat Hij in de heilige Hostie, welke wij ontvangen, en zelfs in het kleinste gedeelte der Hostie, al de schatten zijner goedheid, wijsheid en liefde heeft besloten, om ze ons mede te deelen, om ons in het mededeelen derzelve te doen leven door een bovennatuurlijk en goddelijk leven, met te leven en ons met eenen God te voeden; want het is met dit inzicht, dat Hij op onze altaren een nieuw leven aanneemt, om het ons door de heilige Communie te schenken, door welke Hij, volgens de Kerkvergadering van Trente, al de schatten zijner liefde in onze ziel uitstort. Ja, mijn Zaligmaker! na ons al de goederen der natuur en der genade gegeven te hebben, voegt Gij Uzelven nog bij uwe gaven en geeft U geheel aan ons in het allerheiligste Sacrament des Altaars; dat wil zeggen, dat Gij, na milddadig
420 IV BOEK. II HOOFDSTUK.
geweest te zijn in uwe goederen ten onzen* opzichte, welke, hoe kostelijk zij ook mogen wezen, altijd veel minder zijn dan Gij zijt, in dit aanbiddelijk Sacrament Uzelven ten beste geeft.
Wie zou na dit alles aan zijnen God kunnen wederstaan, en Hem niet dat hart geven, waarvan Hijzelf bezit komt nemen, als van een goed, dat Hem rechtmatig toebehoort ?
G E B E D.
Dierbare Heiland! wie kan uwe liefde bevatten ? Gij noodigt mij tot U te komen te stelt mij uw eigen Vleesch als spijze voor, om U alzoo op het nauwst met mij te vereenigen. Ik kan slechts aanbidden, bewonderen en zwijgen. Maar ach, hoe zal ik U waardig ontvangen, die mijner misdaden bewust ben ? Reinste, maak mij rein van alles wat onrein is ! Heiligste, maak mij heilig ! Liefde, leer mij liefhebben en uwe weldaad waardeeren!
TWEEDE HOOFDSTUK.
Over de groote goedheid en liefde, door God in het heilig Sacrament den mensch bewezen. .
i. De Geloovige. O Heer! vertrouwende op uwe goedheid en groote barmhartigheid, nader ik, kranke, tot mijnen Redder, hongerige en dorstige, tot de Bron des levens, behoeftige, tot den Koning des hemels, dienstknecht tot
IV BOEK. II HOOFDSTUK. 421 mijnen Heer, schepsel tot den Schepper, verlatene tot mijnen liefderijken Trooster.
Maar vanwaar gebeurt mij dit, dat Gij tot mij komt ? Wie ben ik, dat Gij Uzelven aan mij schenkt ?
Hoe durft een zondaar voor U verschijnen ? En Gij, hoe verwaardigt Gij U tot eenen zondaar te komen ?
Gij kent uwen dienstknecht, en weet dat hij niets goeds aan zich heeft, waarom Gij hem deze gunst zoudt bewijzen.
Ik beken dan mijne onwaardigheid, ik erken uwe goedheid; ik prijs uwe barmhartigheid, en dank U wegens uwe overgroote liefde.
Want Gij doet dus om uwszelfs wille, * niet om mijne verdiensten, opdat uwe goedheid mij te meer kenbaar, ik in liefde te meer ontstoken, en de ootmoed te volkomener aangeprezen worde: Daar dit dan U behaagt en Gij het dus verordend hebt, behaagt mij ook deze uwe goedgunstigheid. O, mocht mijne ongerechtigheid geen beletsel zijn 1
2. O allerminnelijkste en liefderijkste Jezus ! hoeveel eerbied en dankzegging met onophou-delijken lof is men U niet schuldig voor het ontvangen van uw heilig Lichaam, welks hooge waarde te verklaren geen mensch in staat bevonden wordt.
Maar welke zullen mijne gedachten zijn bij deze Communie, bij het naderen tot mijnen Heer, dien ik niet naar waarde kan vereeren, en nochtans godvruchtig wensch te ontvangen ?
422 IV BOEK. II HOOFDSTUK.
Wat kan ik beter en heilzamer denken, dan mij geheel en al voor U te vernederen en uwe oneindige goedheid jegens mij te verheffen ?
U loof ik, mijn God ! en verheerlijk ik in eeuwigheid. Ik veracht mijzelven en onderwerp mij aan U in den afgrond mijner nietigheid.
3. Zie, Gij zijt de Heilige der Heiligen, en ik ben de slechtste der zondaren.
Zie, Gij buigt U tot mij neder, die niet waardig ben tot U op te zien.
Zie, Gij komt tot mij ; Gij wilt met mij zijn ; Gij noodigt mij aan uwe Tafel.
Gij wilt mij hemelsche spijze, het brood der Engelen te eten geven; ja, geen ander dan U zeiven, het brood des levens, van den hemel nedergedaald , dat aan de wereld het leven geeft. (Joan. 6.)
4. Ziedaar, vanwaar de liefde voortkomt en hoe zich de goedheid vertoont 1 Welken grooten dank en lof zijn wij U niet daarvoor schuldig ?
01 hoe heizaam en nuttig was uw besluit, toen Gij dit insteldet! Hoe liefelijk en aangenaam het gastmaal, toen Gij Uzelven tot spijze gaaft!
O, hoe wonderbaar is uwe werking, o Heer ! hoe vermogend uwe kracht! hoe onfeilbaar uwe waarheid !
Want Gij spraakt, en alles is geworden, en wat Gij geboodt is uitgevoerd.
5. Wonderlijke zaak en alle geloof waardig, maar 's menschen verstand te boven gaande, dat Gij, Heere mijn God I waarachtig God en
IV BOEK. II HOOFDSTUK. 423 mensch, geheel önder de geringe gedaanten van brood en wijn bevat wordt, en van dengenen die U ontvangt genuttigd wordt, zonder verteerd te worden.
Gij, Heer van het heelal! die niemand behoeft, hebt nochtans door uw Sacrament in ons willen wonen : bewaar mijn hart en mijn lichaam onbevlekt, opdat ik, met een opgeruimd en rein geweten, dikwijls uwe geheimen moge vieren en lot mijn eeuwig heil ontvangen, hetwelk Gij bijzonder te uwer eere en eeuwige gedachtenis verordend en ingesteld hebt.
6. Verheug u, mijne ziel! en dank den Heer voor zulk een edel geschenk en zoo bijzondc-ren troost, u in dit tranendal nagelaten.
Want zoo dikwijls gij dit geheim viert en het Lichaam van Christus ontvangt, zoo dikwijls vernieuwt gij het werk uwer verlossing, en wordt gij al de verdiensten van Christus deelachtig.
De liefde van Christus toch vermindert nooit, en de volheid zijner verzoening wordt nooit uitgeput.
Daarom moet gij u altoos met eene geheelc vernieuwing des harten daartoe voorbereiden, en dat groote geheim des heiis met eene groote opmerkzaamheid overwegen.
Ja, hetzij gij de H. Mis lee'-t, hetzij gij ze hoort, zoo groot, nieuw en behaaglijk moet het u schijnen, alsof op dienzelfden dag Christus voor het eerst in den schoot der Heilige Maagd nederdalende mensch wierd, of aan het
424 IV BOEK. II HOOFDSTUK.
kruis hangende, voor het heil der menschen
leed en stierf.
OEFENING.
i. Overweeg, wanneer gij tot de H. Tafel nadert, welke de grootheid en majesteit is van Hem, dien gij gaat ontvangen ; en welke de verworpenheid en onwaardigheid van een gering schepsel is, hetwelk zijnen God ontvangt. Verootmoedig u in zijne tegenwoordigheid en zeg Hem : wie ben ik. Heer, dat ik tot U durf naderen ? En wie zijt Gij zelf, dat Gij U zoo zeer vernadert om tot mij te komen ? Indien ik van den eenen kant de uitmuntendheid uwer heiligheid en zuiverheid, en van den anderen de bedorvenheid en ongerechtigheid mijner ziel overweeg, dan erken ik in .uwe tegenwoordigheid, dat ik geheel onwaardig ben U te ontvangen, en zonder vermetelheid U in mijn hart niét kan doen binnenkomen. Maar vermits ik de overmaat uwer goedheid aanzie, alsook de noodwendigheid, U tot mijne voldoening en tot mijne zaligheid te bezitten, zal ik tot U, o mijn Zaligmaker! met een heilig vertrouwen naderen, wel wetende wat Gij in het Evangelie gezegd hebt ; dat de zieken, meer dan de gezonden, den geneesheer noodig hebben, en dat Gij tot ons komt om diegenen op te zoeken en zalig te maken, welke zich van U verwijderd hebben, en die in gevaar waren verloren te gaan ; tot U, die alles, wat Gij zijt, niet zijt dan om ons te beminnen en zalig te maken : tot U,
IV BOEK. II HOOFDSTUK. 425 eindelijk, wiens grootste genegenheid is voor een geraakt, veranderd en waarlijk boetvaardig hart. Wel is waar, ik ben zondaar, maar ik wil het niet meer wezen. Ik vind noch troost, noch smaak in uwe tegenwoordigheid ; maar ik gevoel mijne ellenden en breng ze voor eenen barmhartigen God, en, dit is voor mij genoeg.
2. Vanwaar komt mij de eer en het geluk dat de opperste Majesteit van eenen God zich zoozeer wil vernederen, om het voedsel en het leven mijner ziel te wezen? O! dit komt door den grooten ootmoed van den God-Mensch, d: zich zoozeer vernietigd heeft, om nipf diieen geen God, r^aar zelfs geen meer te
schijnen, en lt; ^n In'1-*-, zijner grootheid te verduisteren, om in dit Sacrament de overmaat zijner goedheid en de bekoorlijkheid zijner liefde te doen uitschijnen. O mijn Zaligmaker! Gij verbergt uwe goddelijke volmaaktheden voor onze oogen, om ze niet te verblinden; maar Gij doet aan onze harten de grootheid van uwen ootmoed gevoelen, om ons op te wekken tot navolging! O mijn hart! kunt gij verlangen uit te munten, eenen God aanschouwende, die voor onze oogen, in het allerheiligste Sacrament als verdwijnt? En hoe zou een aardworm, als ik, zich willen verheffen, wanneer ik overweeg, dat een God zich vernietigt in dit geheim, om mij het kenteeken van zijnen ootmoed in te drukken.
3. Christenzielen! zegt niet dat gij zoo dikwijls tot eenen zoo grooten en geduchten God
426 IV BOEK. II HOOFDSTUK.
niet durft naderen. Gij zijt hiertoe onwaardig, zulks is waar, en zult ook altijd onwaardig wezen, tenzij gij alles in het werk stelt om het niet te zijn, door eene gedurige waakzaamheid over uzelven. Maar dit brood der Engelen is geen vergift, zegt de heilige Augustinus, het is een voedsel tot uw gebruik, en noodzakelijk lot zaligheid uwer zielen. Ontvangt het dikwijls, voedt er uwe harten mede; maar dat deze he-meliche spijs bij u niet dezelfde uitwerking hebbe als de kostelijke aardsche spijzen, waaraan men zich ^gewent, en waarvan m-fn door het veelvuldig gebruik den smaak verliest, De heilige gesteldheid, in welke gij moet wezen, als gij dezen heiligen God ontvangt, moet aangroeien naarmate gij tot zijne Tafel nadert. Het komt ons niet toe dien voortgang te kennen, maar het is altijd voortgang, als wij steeds meer en meer ons best doen, om door waakzaamheid en ootmoed heiliger te worden.
GEBED.
Vanwaar, o Heiland ! komt mij het geluk dat Gij mij bezoekt ? Wie ben ik, dat Gij U aan mij wilt schenken ? Gij weet, dat ik een zondaar ben en deze gunst onwaardig; ik verneder mij voor U in het stof en verzink in den afgrond mijner nietigheid. Ik bewonder uwe barmhartigheid. Juist dit doet mij vertrouwend tot U naderen als de kranke tot zijnen redder. Dat ik genade vinde in uw oog en uwe hei* lige geheimen waardig behandele,
IV BOEK. Ill HOOFDSTUK. 427
DERDE HOOFDSTUK.
Hoe nuttig het is dikwijls te commu-niceeren.
1. De Geloovige. Zie, ik kom tot U, o Heer! opdat uw geschenk mij te nutte worde, en ik mij aan uwen heiligen maaltijd verheuge, dien Gij, o God ! door uwe goedheid voor den arme bereid hebt. (Ps. 68.)
Zie, in U is alles, wat ik kan en moet verlangen : Gij zijt mijn heil en mijne verlossing; mijne hoop en sterkte, mijne eer en roem.
Verblijd dan heden de ziel van uwen dienstknecht ; want tot U, o Heere J eje u s , verhef ik mijne ziel. (Ps. 95.)
Thans verlang ik U godvruchtig en eerbiedig te ontvangen ; jk wensch U in mijn huis binnen te leiden, opdat ik met Z a c h e ü s verdiene door U gezegend en onder de zonen van Abraham geteld te worden.
2. Mijne ziel haakt naar uw Lichaam, mijn hart verlangt met U vereenigd te worden.
Scheuk U aan mij, en het is genoeg; want buiten U geldt geen troost; zonder U kan ik niet zijn, en zonder uw bezoek kan ik niet leven.
En daarom moet ik dikwijls tot U naderen en U als een middel mijner zaligheid ontvangen, opdat ik niet bij gebrek dier hemelsche spijze op den weg bezwijke.
Zoo toch hebt Gy , o allerbarmhartigste
428 IV BOEK. Ill HOOFDSTUK.
J e z u s I toen Gij den volke prediktet en verscheidene kwalen genaast, eens gezegd : Ik wil hen niet nuchter naar huis laten gaan, opdat zij onderweg niet bezwijken. ( Matth. 15.)
Handel dan ook zoo met mij; Gij die U lot der geloovigen troost in het Sacrament nagelaten hebt.
Want Gij zijt eene liefelijke verkwikl^ng der ziele, en wie U waardig eet, wordt deelgenoot en erfgenaam der eeuwige heerlijkheid.
3. Mij toch, die zoo dikwijls val en zondig, die zoo ras verflauw en te kort schiet, is het volstrekt noodig, dat ik mij door veelvuldig bidden en biechten en door het ontvangen uws heiligen Lichaams hernieuwe, reinige en ont-vlamme: anders mocht ik door een te lang verzuim van mijn heilig voornemen afwijken.
Want van der jeugd af zijn 's menschen zinnen ten kwade geneigd, (Gen. 8) en tenzij dat goddelijk geneesmiddel te hulp kome, vervalt de mensch dra tot erger.
Dus trekt de heilige Communie van het kwade en versterkt in het goede.
Indien ik toch nu reeds zoo dikwijls onachtzaam en lauw ben, als ik communiceer of de H. Mis lees, wat zoude het zijn, als ik dat geneesmiddel niet gebruikte en eene zoo krachtige hulp niet zocht ?
En al ben ik eiken dag niet bereid noch behoorlijk gestemd om het heilig Misoffer op te dragen, zal ik echter mijn best doen om op gepaste tijden de heilige geheimen te ontvan-
IV BOEK. Ill HOOFDSTUK. 429 gen en eener zoo groote genade deelachtig te worden.
Want de eenlge voorname troost voor eene geloovige ziel, zoolang zij in dit sterfelijk lichaam verre van U omdwaalt, is dat zij dikwijls haren God gedachtig zij en haren Geliefde met een godvruchtig hart ontvange.
4. O wonderbare voorkomendheid van uwe goedheid tot ons, dat Gij, Heere God! Schepper en Levensbron van alle geesten! U verwaardigt tot eene arme ziel te komen en haren honger met uwe geheele Godheid en mensch-heid te verzadigen.
O gelukkig hart en zalige ziel, welke waardig is, U, haren Heer en God, godvruchtig te ontvangen en U ontvangende met geestelijke vreugde vervuld te worden!
O welk een groot Heer ontvangt zij! welk een beminnelijk gastvriend neemt zij op 1 welk een aangenaam medgezel bekomt zij! welk e«n getrouw vriend vindt zij ! welk een schoo-nen en edelen, boven allen geliefden en boven al wat wenschelijk is beminnenswaardigen Bruidegom omhelst zij !
Dat, o dierbaarste Beminde ! hemel en aarde met al hunne schoonheden voor uw aanschijn zwijgen ; want wat zij lofwaardigs en schoons hebben, is een geschenk uwer milddadigheid, en nimmer zullen zij de heerlijkheid uws naams nabijkomen, wiens wijsheid geene palen kent.
(P^. 146.)
430 IV BOEK. Ill HOOFDSTUK.
OEFENING.
Vurig verlangen om te communiceeren, of ten minste de noodzakelijkheid gevoelen, om dit te doen en dikwijls te doen.
Wij hebben groote oorzaak om ons te verootmoedigen en ons voor onzen Heer Jezus Christus te schamen, als wij in ons niets dan koelheid en onverschilligheid gevoelen, om tot Hem te naderen, en als het de gehoorzaamheid alleen is, en niet de vurigheid onzer verlangens, die ons tot de heilige Tafel doet naderen. Immers, mijn Jezus ! hoe kan men U kennen, zonder U te beminnen, en U beminnen, zonder te verlangen met uw hart vereenigd te worden, en zich in U door eene goede en dikwijls herhaalde communie te veranderen ? En nochtans, o mijn God I hoe menig werf heb ik voor U eene ongevoeligheid, die mij bedroefd en moedeloos zou maken, indien ik niet wist, dat Gij, bij gebreke aan deze liefde, welke ik zou willen bezitten, die ik mij niet kan geven, en welke ik verzoek, tevreden zijt, als ik U ontvange uit inzicht van gehoorzaamheid met ootmoed gepaard ! Wat zou er van mij geworden, o mijn God! in de dorheid waarin ik mij bevind, indien ik niet wist, dat de groote ellenden mijner ziel uwe barmhartighedeti over haar trekken, en dat Gij vermaak schept met in een hart te verblijven, hetwelk zich onwaardig kent om U te ontvangen, en hetwelk doet wat in zijn vermogen is om het niet te wezen ; Inderdaad, de
IV BOEK. Ill HOOFDSTUK. 431 ootmoedige belijdenis van onze onwaardigheid, na de volledigste biecht, waartoe een Christen bekwaam is, vergoedt het gebrek der vurige begeerte tot de heilige Communie ; en wij kunnen het hart van onzen God niet beter eeren, noch beter bevredigen, dan met ons voor Hem en in zijne tegenwoordigheid te vernederen. Wij moeten ons dan van de heilige Communie niet verwijderen, omdat wij geene godsvrucht of vurige begeerte gevoelen om tot haar te naderen; maar wij moeten zoo menigwerf ter communie gaan als onze biechtvader het gebiedt, dien wij voorzichtig en wijs hebben moeten verkiezen, en Jezus Christus ontvangen uit gehoorzaamheid aan den 'priester, gelijk Hijzelf op het altaar tegenwoordig komt uit gehoozaamheid, welke Hij aanquot;de stem des priesters toont.
Is er iets gemakkelijker en vertroostender voor ons, wanneer wij ons op ons beste tot de heilige Communie bereiden, dan te bedenken watjezus Christus in het Evangelie gezegd heeft, namelijk, dat de zieken en niet de gezonden den geneesheer noodig hebben.
GEBED.
Ja wel, o God ! heb ik een krachtig zielevoedsel noodig, zal ik op den weg des levens niet bezwijken. Ik weet, hoe licht ik. in het goede verzwak, hoe dikwijls ik val en struikel. O Gij, wiens barmhartigheid grenzeloos is, voorzie in de behoefte van uwen dienaar. Doe hem aan uwe heilige Tafel dikwijli verschijnen en aldaar
43^ IV BOEK. Ill HOOFDSTUK, de noodige krachten vinden. Verkwik zijne ziel met dat hemelsche voedsel; dat der woning zijns harten heil geschiede 1
VIERDE HOOFDSTUK.
Over de groote voordeelen aan eene godvruchtige Communie verbonden.
1. De Geloovige. Heere mijn God! voorkom uwen dienstknecht met de zegeningen uwer goedheid, opdat ik verdiene tot uw hoogwaardig Sacrament waardig en godvruchtig te naderen.
Wek mijn hart tot U op en ontdoe mij van die groote loomheid. Bezoek mij met uwe heilrijke genade om in den geest uwe zoetheid te smaken, die in dit Sacrament, als in eene bron, overvloedig schuilt.
Verlicht ook mijne oogen om zulk een groot geheim te aanschouwen, en versterk mij om het met een onwankelbaar geloof te gelooven.
Immers is het uw werk, geen werk der meu-schen, uwe heilige instelling geene instelling van den mensch.
Ook is niemand uit zichzelven bekwaam om dit te bevatten en te verstaan, dat zelfs het verstand der Engelen te boven gaat.
Wat zoude ik dan, onwaardig zondaar, stof en asch, van zulk een hoog en heilig geheim bevatten of doorgronden kunnen ?
2. Heer! in de eenvoudigheid mijns haiten,
IV BOEK. Ill HOOFDSTUK. 433 met een oprecht vast geloof, en op uw bevel nader ik tot U met vertrouwen en eerbied, en geloof waarlijk dat Gij als God en mensch hier in het Sacrament tegenwoordig zijt.
Gij wilt alzoo dat ik U ontvange en mij in liefde met U vereenige. Waarom ik uwe goedertierenheid bidde en U smeeke mij deze bijzondere genade te geven, dat ik geheel in U versmelte, mij in uwe liefde verlieze en mij in geen anderen troost meer inlate.
Want dit verhevenste een hoogwaardigste Sacrament is een heilmiddel voor ziel en lichaam, eene artsenij voor allerlei geestelijke kwalen. Daardoor worden mijne gebreken genezen, de driften beteugeld , de bekoringen overwonnen of verzwakt, eene grootere genade ingestort, de ontlokene deugd vermeerderd, het geloof bevestigd, de hoop versterkt en de liefde ontvlamd en uitgebreid,
3. Want Gij, mijn God ' steun mijner ziel, hersteller der menschelijke zwakheid en schenker van allen inwendigen troost, hebt in dit Sacrament aan uwe geliefden, die er godvruchtig deel aan nemen, vele goederen geschonken en schenkt hun die nog dikwijls.
Gij toch schenkt hun velerlei troost tegen veelvuldige wederwaardigheden ; Gij verheft hen uit de diepte hunner neerslachtigheid^ tot de hope op uwe bescherming; Gij verkwikt en verlicht hen inwendig door eene nieuwe genade, zoodat zij, die vóór de Communie zich eerst beangstigd en liefdeloos gevoelden , zich daar-
28 '
434 lv BOEK. Ill HOOFDSTUK.
na, door die hemelsche spijs en drank verkwikt,
in betere menschen veranderd bevonden.
En Gij handelt zoo vrijgevig met uwe uitverkorenen, opdat zij in waarheid erkennen en ten volle ondervinden hoe zwak zij uit zichzel-ven zijn, en hoeveel goedheid en genade zij van U ontvangen.
Want uit zichzelven koud, ongevoelig en ongodvruchtig, verdienen zij door U vurig, ijverig en godvruchtig te zijn.
Wie toch nadert ootmoedig tot de bron der zoetigheid, en draagt niet daarvan eenige zoetigheid weg ?
Of wie staat bij een groot vuur en krijgt er niet eenige warmte van ?
4. Daarom is het mij niet geoorloofd uit de volheid dier bron te scheppen en tot verzadi-gens toe te drinken, zal ik toch mijnen mond aan de opening der hemelsche ader stellen, om er tenminste een drupje van op te vangen ter lessching van mijnen dorst, en opdat ik niet geheel verdorre.
En, kan ik nog niet geheel hemelsch, noch brandende zijn zoo als de Cherubs en Serafs, zal ik toch trachten mij op godsvrucht toe te leggen, en mijn hart voor te bereiden , opdat ik dit levendmakend Sacrament ootmoedig ontvangende, ten minste een klein vonkje van dat goddelijk vuur bekome.
Wat mij nog ontbreekt, vul Gij dat, goede Jezus! heiligste Verlosser! voor mij liefderijk en genadig aan, die U verwaardigd hebt alleii
IV BOEK. Ill HOOFDSTUK. 435 tot U te roepen, zeggende : Komt allen tot Mij, die vermoeid en beladen zijt : Ik zal u verkwikken.
5. Ik toch arbeid in het zweet mijns aan-schijns; de smart mijns harten foltert mij; ik ben beladen met zonden; ik wordt door bekoringen ontrust, door vele kwade driften gekluisterd en gedrukt; en er is niemand die helpt, niemand die verlost en redt, dan Gij, Heere God, mijn Verlosser, wien ik mijzei ven en al het mijne toevertrouw, opdat Gij mij moogt bewaren en tot het eeuwig leven brengen.
Neem mij aan tot lof en verheerlijking van uwen naam, die mij uw Lichaam en Bloed tot spijs en drank bereid hebt.
Geef, Heere God, mijn Heiland! dat naarmate ik aan uw geheim deelneem, de gevoelens mijner godsvrucht toenemen.
OEFENING.
Om van onzen Zaligmaker een levend geloof aan zijne wezenlijke tegenwoordigheid in het allerheiligste Sacrament des Altaars, en eene vurige liefde tot hem te verzoeken.
Ik geloof. Heer! dat Gij in het aanbiddelijk Sacrament, hetwelk ik ga ontvangen, met ziel en lichaam tegenwoordig zijt; dat Gij mij in de heilige Communie deelachtig maakt aan de verdiensten van uwe heilige Menschheid, en dat wij hierin verzadigd worden door de volheid uwer Godheid. Verander dan, Heer! verander
436 IV BOEK. Ill HOOFDSTUK, de onverschilligheid van mijn hart voor U, in eene vurige begeerte om U te beminnen , te behagen en te bezitten. Laat niet toe, dat ik U met koelheid aanschouwe en ontvange, Gij die in mij komt om mijne ziel door uwe liefde te ontsteken. Vervul wat aan mijn geloof voor dit geheim ontbreekt, wat voor het menschelijk verstand onbegrijpelijk is; beziel mijn geloof met eenen levenden indruk voor uwe tegenwoordigheid , en maak dat mijn hart U met eerbied ontvange als zijnen God, met vertrouwen als zijnen Zaligmaker, met liefde als zijnen Vader.
Is het mogelijk, o mijne ziel ! dat gij, die als omringd en vervuld zijt met al de vurigheid der goddelijke liefde voor u, dat gij nog ijskoud zijt te midden van zoo veel vuur! Helaas 1 mijn Jezus, hoe ongelukkig ben ik, zoo veel vurigheid te hebben om mijzelven te bevredigen, en zoo veel traagheid om U te behagen! Heer! indien Gij wilt, kunt Gij mij genezen; zeg dan tot mij, zoo als aan den melaatsche, die U dit gebed toestierde : Ik wil het, wees van uwe lauwheid en ongevoeligheid jegens mij genezen.
GEBED.
Hoe groot, o Heiland! zijn de goederen, welke gij uwen vrienden mededeelt! hoe groot de gunsten, welke zij aan uwe heilige Tafel ontvangen ! Alles wat hen troosten, versterken, bevredigen kan, is in deze hemelsche spijs te vinden. Niemand, die waardig nadert, keert van
IV BOEK. IV HOOFDSTUK. 437
deze levensbron ledig terug. Doe mij dan ook tot U waardig naderen, en laat mij bij het genot uwer liefde in liefde tot U overgaan en mijn gedrag daarvan blijken dragen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Over de waardigheid van het Sacrament en over den priesterlijken staat.
1. De Heer. Al hadt gij de reinheid eens Engels en de heiligheid van den H. Joannes den Dooper, nog zoudt gij niet waardig zijn dit Sacrament te ontvangen of te behandelen.
Want aan der menschen verdiensten is men het niet verschuldigd, dat een mensch het Sacrament van Christus consacreert en behandelt en het Brood der Engelen tot spijze neemt.
Groot geheim ! en groote waardigheid der Priesters, wien vergund is wat den Engelen niet wordt toegestaan.
Want alleen de Priesters, in de Kerk wettig gewijd, hebben macht om de H. Mis te lezen en het Lichaam van Christus te consacreeren.
De Priester is wel de dienaar van God, gebruikende het woord van God, volgens Gods bevel en instelling ; maar God is daar de voorname persoon en onzichtbare bewerker, wien alles onderworpen is wat Hij wil, en alles gehoorzaamt als Hij beveelt.
2. Daarom moet gij, bij dit hoogwaardigste
438 IV BOEK. V HOOFDSTUK. Sacrament, meer den almachtigén God dau aan uw eigen zinnen of eenig zichtbaar teeken gelooven.
En daarom ook moet gij met vreeze en eerbied tot dat werk naderen.
Neem u dan in acht, en bedenk wiens bediening u door de oplegging van 's Bisschops handen is toevertrouwd.
Zie, gij zijt Priester geworden en gewijd om de H. Mis te doen ; zie dan toe dat gij God op zijnen tijd met geloof en godsvrucht het offer daarbrengt en uzelven onberispelijk gedraagt.
Gij hebt uwen last niet verlicht, maar zijt aan eenen nauweren band van tucht gelegd en tot eenen hoogeren trap van heiligheid verplicht.
3. Een Priester moet met allerlei deugden versierd zijn en aan anderen een voorbeeld van een goed leven geven.
Zijn omgang zij niet met het volk, noch met het gemeen der menschen, maar met de Engelen in den hemel of met volmaakte menschen op aarde.
Een Priester, met het heilig gewaad uitgedost, bekleedt de plaats van Christus, om God voor zichzelven en voor al het volk eerbiedig en nederig te smeeken.
Hij heeft voor en achter zich het teeken van 's Heeren kruis, om zich het lijden van C h r i s t u s steeds te herinneren.
Hij draagt van voren op de kasuifel het kruis,
IV BOEK. V HOOFDSTUK. 439 opdat hij de voetstappen van Christus vlijtig naga en die ijverig poge na te volgen.
Hij is van achteren met het kruis geteekend, opdat hij alle tegenheden, hem door anderen aangedaan, om Gods wil geduldig verdrage.
Hij draagt het kruis van voren, opdat hij zijne eigene zonden betreure; van achteren, opdat hij ook de door anderen bedrevenen uit medelijden beweene, en wete dat hij als middelaar tusschen God en den zondaar gesteld is, en dus in het gebed en heilig offer niet verflauwe, totdat hij waardig worde genade en barmhartigheid te verwerven.
Wanneer een Priester de H. Mis leest, dan eert hij God, verblijdt de Engelen, sticht de geloovigen, helpt de levenden, bezorgt den dooden rust en maakt zichzelven aan allerlei goed deelachtig.
OEFENING.
Over de heilige voorbereiding, welke een Priester moet in het werk stellen, om waardig het heilig Misoffer op te dragen ; en van die, welke een Christen moet hebben, om het godvruchtig te hooren en er voordeel uit te trekken.
De Priester heeft door het merkteeken zijner wijding de macht ontvangen, eenen God op het altaar te consacreeren, zoodat, volgens den H. Augustinus, die God eenigerwijze mensch wordt en een nieuw leven aanneemt in de handen van den Priester, door de kracht van zijn woord. Het is deze macht, die hem in zekeren
44° IV BOEK. V HOOFDSTUK, zin boven de Engelen slelt, en die de uitne. mendheid zijner waardigheid boven alle schep^ selen plaatst, die hem deelachtig maakt aan het opperste geluk van den eeuwigen Vader, die van alle eeuwigheid hetzelfde Woord voortbrengt, hetwelk de Priester in den tijd voortbrengt, en die hem deel doet nemen in de maagdelijke vruchtbaarheid van Maria, om een nieuw wezen aan eenen God te geven. Dit zijn juist de twee groote voorbeelden, welke een Priester in zijn gedrag moet volgen, en de twee verbintenissen, die zijn merkteeken hem geeft om heilig te zijn, te weten : de heiligheid van den eeuwigen Vader, en de zuiverheid van Maria, aangezien hij de eer heeft op het altaar dezelfden Zoon Gods voort te brengen, welken zij, de eene in eeuwigheid, en de andere in den tijd, voortbrengen.
Begrijpt hieruit, Priesters des Heeren, het uitmuntende uwer waardigheid en de grootheid uwer verbintenissen. Zijt gedurende den ge-heelen dag, hetgene gij aan het altaar tracht te wezen, dat wil zeggen, vereenigd met God. bezig met zijne tegenwoordigheid, getrouw aan zijne genade, ijverig tot uwe plichten, en hebbende voor Jezus Christus, gedurende den loop van den dag, eene voorbereiding, en als eenen staat van slachtoffer, geheel aan zijne verheerlijking en de zaligheid der zielen overgegeven, gelijk gij hetzelve moet doen gedurende het heilig misoffer.
Wanneer gij dit aanbiddelijk offer opdraagt
IV BOEK. V HOOFDSTUK. 44 ï tracht 1. in uw hart te doen watjezus Christus op het altaar doet, u te vernederen, u op te offeren en te bidden. 2. Vereenigt het offer van uwe ziel met dat van het Lichaam van Jezus Christus; neemt zijne gevoelens en gesteldheid aan ; en, bedienaars van het offer, dat Hij aan zijnen Vader door en in u opoffert tot zaligheid der menschen, maakt u slachtoffers van de liefde van eenen God, die zichzelven slachtoffer van uwe liefde maakt. Houdt op aan u-zelven toe te behooren, om geheel voor Hem te wezen, gelijk Hij ophoudt op het altaar te wezen, en zijn sacramenteel 'even in uw hart aanneemt, om daarin het groote werk uwer zaligheid te voltrekken.
Een Priester, die van eenen God leeft en zich dagelijks met zijn Lichaam en Bloed voedt j moet slechts voor God leven, zegt de H. Augus-tinus; en indien de priesters der Oude Wet verplicht waren heilig te leven, omdat zij brood en wierook aan den Heer opdroegen, hoeveel volmaakter moet de heiligheid van de priesters der Nieuwe Wet wezen, die dagelijks op het altaar eenen God aan God zeiven opofteren ! Hoe zuiver, zegt de H. Chrysostomus, moet de hand van den Priester niet wezen, en hoe onbevlekt zijne tong, aangezien de eene het Lichaam van het vleesch geworden Woord slachtoffert, en de andere met zijn Bloed geverfd is, en hij in zijn hart al datgene ontvangt, wat een God Mensch is !
Gedenk dan, Priester des Heeren, dat Jezus
442 IV BOEK. V HOOFDSTUK.
Christus, de opperste Priester, het heilig Misoffer door u opdraagt, en dat, daar Hij u met zijne macht bekleed heeft om Hem op het altaar te consacreeren, gij door zijnen geest moet bezield wezen en leven door zijn leven. Overweeg, wanneer gij de woorden der consecratie uitspreekt, dat gij u geheel aan Hem moet overgeven, en Hem uw hart schenken, gelijk gij Hem uwe tong leent.
Als gij uw priesterlijk gewaad aantrekt, denk aai» de geheimen van het lijden van Jezus Christus, hetwelk dit verbeeldt, en vraag Hem vergiffenis over uwe zonden, die er de oorzaak van geweest zijn.
Als gij naar het altaar gaat, denk dat gij Jezus Christus naar den Calvarieberg vergezelt, en dat gij Hem door de oogen van uw geloof en door uwe handen gaat zien sterven.
Vraag als gij aan den voet des altaars staat, vergiffenis over uwe zonden en over die van al de geloovigen, wier plaats gij bekleedt, en wier zaakbezorger en middelaar gij zijt.
Bid Hem onder het Gloria in excelsis, u en allen die bij het heilig Misoffer tegenwoordig zijn, eenen krachtigen wil voor de zaligheid te verleenen.
Wek, aan den Epistel, in u eene heilige begeerte op, om Jezus Christus op het altaar en in al de harten te doen geboren worden ; eene begeerte, welke de Profeten hadden naar de komst van den Messias, en die de Apostelen
IV BOEK. V HOOFDSTUK. 443 hadden, om Jezug Christus in de harten voort te brengen.
Verlevendig, aan het Evangelie, nw geloof en uwen ijver; uw geloof, om het Evangelie te gelooven en in het werk te stellen, en uwen ijver, óm er u de grondstellingen van in te boezemen.
Bid, aan het Credo, den Heer, dat uw leven met uw geloof moge overeenstemmen.
Offer, aan de Offerande, het heilig Misoffer op, om God te eeren, om Hem te bedanken, om de vergiffenis uwer zonden en de noodzakelijke deugden ter zaligheid te bekomen, en tot lafenis der zielen in het vagevuur.
Begeef u, aan der» Canon, met uwen geest in den hemel; tracht de gesteldheid der heilige Maagd en der Apostelen in u op te wekken, om Hem op het altaar en in al de harten te doen geboren worden.
Aan de Consecratie, dat alles in u wijke voor eenen God, die op des priesters stem op het altaar komt, en door zijne woorden op hetzelve een nieuw leven aanneemt. Vereenig u met Christus' inzichten; bid door Hem, geef u geheel aan Hem over, en offer Hem, van zijne liefde doordrongen, aan zijnen Vader voor de levenden en dooden op.
Aan het Pater noster, wek in u al de gevoelens van een volkomen vertrouwen in Jezus Christus op.
Als men de heilige Hostie verdeelt en als eenen geestelijken dood aan Jezus Christus toe-
444 IV BOEK. V HOOFDSTUK.
brengt, bid Hem, in u den dood aan uzelven, een heilig leven en eenen goeden dood voort te brengen, en niet te dulden, dat gij voor Hem slechts een verdeeld hart en eene uitgezonderde liefde hebt.
Aan de Communie, hernieuw uw gdoof jegens eenen God, dien gij ontvangt; uw vertrouwen jegens uwen Zaligmaker, en uwe liefde voor eenen Vader, die bezit van uw hart gaat nemen, door u het zijne te geven als een erfdeel, hetwelk Hij aan u verschuldigd is, en zeg Hem ; wees de God mijns harten en mijn aandeel in eeuwigheid.
Na de Communie, bedank Jezus Christus, dat Hij zich geheel aan u heeft overgegeven, en bid Hem, dat niets u van zijne genade en liefde verwijdere.
Eindelijk, bedienaars des Heeren, na het H. Misoffer opgedragen te hebben, en gij. Christenen, na daarbij tegenwoordig geweest te zijn, tracht door een leven, afgescheiden van de ijdel-heden en vermaken der wereld, verstorven aan uwe driften en geheel aan uwe plichten besteed, tracht u, gelijk de H. Ambrosius zegt. Priesters des Heeren te maken volgens den geest, en zijne slachtoffers volgens het vleesch; tracht u, gij die de heilige Mis hoort, Priester te maken, niet door merkteekenen en macht, maar door de meening van u te vereenigen met de inzichten van Jezus Christus op het altaar. Wees indachtig, indien de Heidenen zeiven van Calvarie henengingen, doordrongen
IV BOEK. vr HOOFDSTUK. 445 van een levend geloof aan Jezus Christus, van droefheid over -hunne zonden en.waarlijk bekeerd; dat gij, na het heilig misoffer, dat hetzelfde offer van Calvarië is, opgedragen of na hetzelve gehoord te hebben, dat gij waarlijk geslachtofferd, bekeerd en vol geloof, liefde en ijver voor Jezus Christus moet wezen.
GEBED.
Hoe rein, o God ! moet hij zijn, die tot uwe Tafel wenscht te naderen, hoe rein hij, aan wien Gij het uitdeden uwer aanbiddelijke geheimen hebt toevertrouwd! Hoeveel ontbreekt mij nog, wanneer ik den toestand van mijn hart oprechtelijk overweeg 1 Zie genadig op mij neder, en vul liefderijk aan, hetgeen mij mocht ontbreken. Kust al uwe bedienaren met den waren geest van godsvrucht uit; dat zij, overeenkomstig hunne roeping, hun ambt waardig bekleeden.
ZESDE HOOFDSTUK.
Ondervraging naar eene oefening voor de H. Communie.
1. De Geloovige. Wanneer ik, o Heer 1 uwe waardigheid en mijne onwaardigheid overweeg, dan sidder ik zeer en sta over mijzelven beschaamd.
Want treed ik niet toe, ik vlied het leven, dring ik mij onwaardig op, ik val in ongenade.
446 IV BOEK. VI HOOFDSTUK.
Wat zal ik dan doen, o mijn God 1 mijn helper en raadgever in den nood ?
2. Leer Gij mij den rechten weg; schrijf mij eenige korte oefening voor, op de heilige Communie passende.
Want het is nuttig te weten, hoe ik namelijk godvruchtig en eerbiedig U mijn hart zal voorbereiden, om uw Sacrament met vrucht te ontvangen, of ook om zulk een groot en goddelijk offer op te dragen.
OEFENING.
Eene der beste gesteldheden, welke gij kunt hebben om eene goede communie te doen, is bij u vast te stellen, Jezus Christus in uw hart te doen heerschen, zoodat Hij er volstrekt als God in heerscht; dat wil zeggen, Hem in alles te gehoorzamen en Hem niets te weigeren van alles wat Hij van u vraagt. Want het is in hoedanigheid van koning, en van eenen koning, vol van goedheid, dat Hij tot u komt, gelijk er in de heilige Schrift geschreven staat, dat is : dat Hij in uw hart komt, en eene nieuwe geboorte aanneemt, om er over uwe driften en neigingen te heerschen.
GEBED.
Ja, mijn God I leer mij den rechten weg, de ware wijze kennen, hoe ik mij met de meeste vrucht tot uwe heilige Tafel zal voorbereiden. De zaak is van het grootste aanbelang. Niets minder dan mijn eeuwig heil staat daarmede
IV BOEK. VÃI HOOFDSTUK. 447 in verband. En wie zal mij beter tot leidsman strekken, dan Gij, de bron van licht en waar-Bheid ? Open dan mijn hart, opdat ik met geestdrift uwe lessen aanneme, die voor altoos in mijn hart prente en ze getrouw nakome.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Over het onderzoek des gewetens en het voornemen ter verbetering.
1. De Heer. Voor alles behoort Gods Priester om dit Sacrament te vieren, te behandelen en te ontvangen, zich met den grootsten ootmoed des harten, met diepen eerbied, een groot geloof en met het zuivere oogmerk van Gods eer daartoe te begeven.
Onderzoek nauwkeurig uw geweten, naar uw vermogen reinig en zuiver het door een oprecht berouw en eene ootmoedige biecht, zoodat gij niets bezwarends overhoudt, noch ontwaart dat u iets knage of den vrijen toegang ver-hindere.
Heb eenen afkeer van al uwe zonden in het algemeen, en bedroef u en zucht meer in het bijzonder over uwe dagelijksche overtredingen.
En, laat de tijd het toe, belijd dan voor God, in het binnenste uws harten al de ellenden uwer driften.
2. Zucht en betreur, dat gij nog zoo vleesche-lijk en wereldsch zijt, zoo weinig uwe driften
44? IV BOEK. VII HOOFDSTUK, afgestorven, zoo vol ongeregelde bewegingen.
Zoo weinig waakzaam over uwe uiterlijke zinnen, zoo vaak ingewikkeld in allerlei ijdele voorstellingen; zoo overhellende tot het uiterlijke, zoo onachtzaam omtrent het innerlijke.
Zoo licht vervoerd tot lachen en ongebondenheid, zoo verhard tot weenen en berouw; zoo vaardig tot verslapping en vleeschelijk gemak, zoo traag tot strengheid en ijver.
Zoo driftig om iets nieuws te hooren en iets schoons te zien, zoo flauw om het lage en verachte te omhelzen; zoo begeerig om veel te hebben, zoo karig in het geven, zoo taai in het behouden.
Zoo onbedachtzaam in het spreken, zoo onwillig tot zwijgen ; zoo ongeregeld van zeden, zoo ontijdig in uwe handelingen.
Zoo gulzig bij het eten, zoo doof bij het woord Gods; zoo gretig naar rust, zoo traag tot den arbeid.
Zoo wakker bij ijdel gesprek, zoo slaperig bij het heilig nachtgebed; zoo hakende naar het einde, zoo onbestendig in aandacht.
Zoo onachtzaam bij het opzeggen der getijden, zoo lauw bij het Mislezen, zoo dor bij het communiceeren.
Zoo licht verstrooid, zoo zelden volkomen ingetogen, zoo ras in toorn ontstoken, zoo geneigd om anderen misnoegen te geven, zoo gereed tot oordeelen, zoo streng in het berispen.
Zoo uitgelaten in voorspoed, zoo ternederge-slagen in tegenspoed ; zoo dikwijls veel goeds
IV BOEK. VII HOOFDSTUK. 449 voornemende, en weinig ten uitvoer brengende.
3. Wanneer gij deze en andere gebreken met berouw en een groot mishagen in uwe zwakheid beleden en beweend hebt, maak dan een vast besluit om steeds uw leven te verbeteren en in het goede voort te gaan.
Offer vervolgens met een volkomen afstand en een oprechten wil u/elven ter eere mijns naams op het altaar van uw hart als een gedurig brandoffer, door namelijk mij uw lichaam en ziel getrouw over te geven ; opdat gij dus verdienen moogt waardig te naderen, om Gode het offer op te dragen en het Sacrament van mijn Lichaam met vrucht te ontvangen.
4. Want er is geen waardiger offer, noch grootere voldoening ter uitwissching der zonden, dan zichzelven zuiver en volkomen met het offer van Christus' Lichaam, onder de Mis en bij de Communie, Gode op te dragen.
Heeft de mensch geda an, wat in hem is, en heeft hij een waar berouw, zoo dikwijls hij bij Mij om vergeving en genade komt, zoo waar Ik leve, zegt de Heer, Ik heb geen lust in den dood des zondaars, maar daarin, dat hij zich bekeere en leve : Ik zal zijner overtredingen niet meer gedenken; {Ezech. 22 en 23.) allen zullen hem kwijtgescholden zijn,
OEFENING.
1. De gesteltenis, waarin men moet wezen om waardig de heilige Communie te ontvangen,
29
45 O IV BOEK. VII HOOFDSTUK.
is de zuiverheid des harten, welke het onthecht van alle vrijwillige zonden en van alle genegenheid tot zondigen. Het is in dezen zin, dat de H. Augustinus, sprekende tot de Priesters en de ge-loovigen. die het Lichaam des Heeren ontvangen, zegt, dat men de onschuld tot het altaar moet brengen. Onderzoek derhalve omstandig uw geweten nopens uwe gewone gebreken. Onderzoek, in de tegenwoordigheid Gods, of uwe ziel met geene groote zonden beladen is, en zoo ja, belijd ze met eene oprechte droefheid ; want in dit geval zegt de Kerkvergadering van Trente, het is niet genoeg eene oefening van berouw te verwekken, maar men moet zijne zonden biechten vooraleer men ter Communie gaat; het is aldus, dat zij deze woorden van den Apostel uitlegt : dat de mensch zich beproeve, en zich bereide om waardig dit hemelsche Brood te ontvangen en het niet onwaardig te nuttigen.
2. Maar stel u niet tevreden, met voor de Communie te zien of uw geweten u geene groote zonden verwijt; onderzoek voor God, en verfoei de lichte gebreken, die gij zoo gemakkelijk bedrijft, en bijzonder die, welke gij met opzet en tegen uw voornemen doet; verfoei de zonden van gewoonte, van verkleefdheid, en dezulke die het meest met uwe natuurlijke gesteldheid overeenkomen; verfoei de vreemde zonden, tot welke gij aanleiding geeft en waarin gij deel neemt; verfoei de geheime zonden, enz., vraag hierover vergiffenis aan Jezus Christus vóóraleer gij Hem ontvangt, en bid Hem
IV BOEK. VIII HOOFDSTUK. 451 dat Hij u de genade verleene , om u hiervan te beteren en er u over te straffen.
GEBED.
Ja, dierbare Heiland ! ik belijde het voor U, dat ik een onreine zondaar, een groote zondaar ben. Gij kent mijne zonden en nalatigheden beter dan ik ze ken. Ik verneder mij deswegens, en gevoel het hartelijkste berouw. O Gij, die geen lust in den dood des zondaars hebt, maar daarin, dat hij zich bekeere; betoon ook aan mij uwe barmhartigheid. Heer! zoo Gij wilt. Gij kunt mij reinigen. Wasch mij van al mijne zonden, wees mij genadig, vergeef mij l
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Over de opoffering van Christus aan het kruis en de opoffering van zichzelven.
1. De Heer. Gelijk ik Mijzei ven naakt met uitgestrekte armen aan het kruis voor uwe zonden vrijwillig aan mijnen hemelschen Vader heb opgedragen, zoodat in mij niets overig bleef, dat niet geheel in een offer ter verzoening met God overging, zoo moet gij ook uzel-ven dagelijks bij de H. Mis vrijwillig uit alle kracht en neigingen, op het innigst als gij kunt, tot een rein en heilig offer aan Mij opdragen.
Wat eisch ik meer van u, dan dat gij u toelegt om uzelven volkomen aan mij af te staan ?
45- IV BOEK. VIII HOOFDSTUK.
Alles wat gij Mij buiten uzelven geeft, acht Ik niet: Ik toch zoek niet uwe gaven, maar u.
2. Gelijk het u niet genoeg zoude zijn alles te bezitten buiten Mij, zoo kan ook Mij niets van alles wat gij geeft, behagen, zoo gij uzelven niet aanbiedt.
Offer u aan mij op en geef uzelven geheel voor God ; dan zal uw offer behagen.
Zie Ik heb mij geheel aan den Vader voor u opgeofferd; Ik heb u ook geheel mijn Lichaam en Bloed tot spijze gegeven, omdat Ik geheel de uwe zij, en gij de mijne moogt blijven.
Maar staat gij nog op uzelven en offert gij u niet gewillig aan mijn welbehagen op, uw offer zal onvolkomen en onder ons geen volmaakte vereeniging zijn.
Eene vrijwillige overgave van u zeiven in de hand Gods moet dus al uwe werken voorafgaan, zoo gij vrijheid en genade wilt verwerven.
3. Want daarom worden zoo weinigen verlicht en innerlijk vrij, omdat zij zichzelven niet volkomen weten te verzaken.
Mijne uitspraak blijft vast : â Wie niet alles verzaakt, kan mijn leerling niet zijn.quot; (Luc. 14.)
Wilt gij dan mijn leerling zijn, zoo offer u-zelven aan Mij op met al uwe neigingen.
OEFENING.
Wil niet van die Christenen wezen, die in de Communie geheel voor God, en na dezelve geheel voor zichzelven zijn, en die, hun leven in
IV BOEK. IX HOOFDSTUK. 453 goede begeerten en in slechte uitwerkselen doorbrengen nooit vast staan in de vrees of in de liefde Gods. Het is van die zielen, gierig jegens eenen God, die Zich-Zelven geheel voor haar ten beste geeft, dat de Profeet spreekt als hij zegt: om de boosheid hunner gierigheid, waardoor zij mij een hart ontnemen , hetwelk zij mij gegeven hebben, heb ik hen met blindheid en ongevoeligheid geslagen, en geheel haar leven wordt in de onachtzaamheid en in ijdele verlangens naar hare zaligheid doorgebracht.
GEBED.
Geen behaaglijker offer kan ik U brengen, ^o God I dan mijzelven. Al het overige wat ik U aanbiede, heeft voor U geene waarde, tenzij het met de volkomenste zelfopoffering gepaard ga. Leer mij deze heilzame kunst kennen en in navolging van uwen Zoon, in uitoefening brengen, opdat ik alzoo waardig worde aan uwe groote geheimen deel te hebben en, van alle afleiding ontheven, in de volkomenste vereeni-ging met U mijne hoogste zaligheid vinde.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Dat wij ons en al het onze moeten opofferen en voor allen bidden.
x. De Geloovige. Heer! alles wat in den hemel is en op de aarde is het uwe.
454 IV BOEK. IX HOOFDSTük.
Ik verlang mijzelven aan U tot een vrijwillig offer op te dragen en eeuwig de uwe te blijven.
Heer! heden offer ik U mijzelven in eenvoudigheid des harten op, om voor altoos uw dienstknecht te zijn, U te gehoorzamen en een offer van eeuwigdurenden lof te worden.
Neem mij aan te gelijk met dit heilige offer van uw dierbaar Lichaam, hetwelk ik U heden in het bijzijn der ons hier onzichtbaar omringende Engelen opdraag , opdat het mij en al den volke tot heil strekke.
2. Ook leg ik, o Heer 1 al mijne zonden en overtredingen, die ik voor U en voor uwe heilige Engelen heb begaan van den dag dat ik het eerst heb kunnen zondigen tot nu toe, op uw zoenaltaar neder; opdat Gij die alle in het vuur uwer liefde aansteken en verbranden moogt, al de vlekken mijner zonden uitwisschen, mijn geweten van alle misdrijf reinigen, mij uwe, door de zonden verbeurde, genade teruggeven, door mij alles volkomen kwijt te schelden en mij tot den kus van vrede barmhartig op te nemen.
3. Wat anders kan ik voor mijne zonden doen, dan ze nederig belijden, beweenen en onophoudelijk uwe barmhartigheid inroepen ?
Ik smeek U dan, verhoor mij genadig nu ik voor U sta, o mijn God!
Al mijne zonden mishagen mij zeer. Nimmer wil ik ze weder begaan. Ik betreur ze en zal ze betreuren zoolang ik leef, bereid om boete
IV BOEK. IX HOOfDSTUlC. 455 te doen en voldoening te geven naar mijn vermogen.
Vergeef mij, o God 1 vergeef mij mijne zonden om uws heiligen Naams wille; red mijne ziel, die Gij met uw dierbaar Bloed hebt vrijgekocht.
Zie, ik vertrouw mij aan uwe barmhartigheid en geef mij over in uwe handen. Handel met mij naar uwe goedheid, niet naar mijne boosheid en ongerechtigheid.
4. ()ok offer ik U op, alles wat ik goeds heb, ofschoon het zeer gering en onvolkomen is, opdat Gij het moogt verbeteren en heiligen, het met welgevallen aannemen en U behaaglijk maken ; opdat Gij het steeds tot hoogere volmaaktheid en mij, uwen traden, onnutten, nietigen mensch, tot een gelukkig en loffelijk einde brengen moogt.
5. Ook leg ik op uw outer neer al de vrome wenschen der godvruchtigen, de noodwendigheden van mijne ouders en vrienden, broeders en zusters en van allen die mij dierbaar zijn; ook van hen die mij of anderen uit liefde voor U eenig goed gedaan hebben, desgelijks ook van degenen, die verlangd en verzocht hebben dat ik gebeden en de H. Mis zoude opdragen voor hen of de hunnen, hetzij dat ze nog leven of reeds gestorven zijn.
Ik bidde dat zij allen door deze H. Offerande mogen ondervinden de hulp uwer genade, den steun uwer vertroosting, de bescherming in de gevaren en de bevrijding van hunne straffen.
45é iv boek. iü möópdstuk.
opdat zij aan alle onheil onttrokken, U blijmoedig den ruimsten dank toebrengen.
6. Nog draag ik U gebeden en zoenoffers op bijzonder voor hen, die mij in eenig opzicht beleedigd, bedroefd, gesmaad, mij eenige schade of moeielijkheid toegebracht hebben; alsmede voor hen allen, die ik somtijds bedroefd, ontrust, bezwaard of geërgerd heb, door woorden of daden, wetend of onwetend; opdat Gij ons allen gezamenlijk onze zonden en wederzijdsche belêedigingen moogt vergeven.
Neem, o Heer! uit onze harten weg allen argwaan, verbittering, toorn, twist en alles wat de liefde kan kwetsen en de broederlijke genegenheid verminderen.
Ontferm U, o Heer 1 ontferm U over allen die uwe ontferming afsmeeken; schenk genade aan allen die ze behoeven, en doe ons zoodanig worden, dat wij waardig zijn uwe genade te ontvangen, en voortgang maken ten eeuwigen leven. Amen.
oefening.
Vermoeid van de slavernij onzer driften, en afgemat van de vruchteloosheid onzer verlangens, waardoor wij aan God beloven, wat wij niet volbrengen, en waardoor wij aan Hem verlangen toe te behooren, zonder na te laten aan ons, aan de wereld en aan de ijdelheden verkleefd te blijven, laat ons dan eindelijk een vast voornemen maken; ons aan God over te geven, na Hem ontvangen te hebben, en ons
IV BOEK. ix HOOFDStUK. 4^^ voor altijd aan zijne liefde te hechten. Het is tijd, o mijn Zaligmaker ! dat mijn hart, hetwelk Gij geschapen hebt om U te beminnen, en door uw dierbaar bloéd is vrijgekocht, voor altijd ophoude aan zichzelven toe te behooren en zich geheel aan U door een onherroepelijk geschenk overgeve. Ik beloof hier aan uwe voeten, dat het mijn wil is, dat dit alzoo geschiede. Dit hart heeft U ontvangen, o mijn Jezus, en Gij will er het nieuwe leven in voltrekken, dat Gij op het altaar hebt aangenomen, om er een slachtoffer uwer liefde van te maken. Offer dan aan uwen Vader uw heilig en mijn misdadig leven op, en gedoog niet, dat ik ooit dit hart terug-neme, hetwelk zich heden aan U overgeeft.
GEBED.
Ja, mijn God I alles wat ik goeds aan mij heb, is het uwe. Alles moet dus ook, door vrije onderwerping des harten, het uwe zijn. Neem mij als een behaaglijk offer aan. Ik wijd mij geheel aan U toe. Heersch over 'mijn hart en reinig het van alles wat U mishaagt. Tegelijk draag ik U de belangen van de mijnen, ja van alle menschen op. Vader der menschen ! zie genadig op hen neder, ontferm U over allen én breng allen tot het eeuwige leven.
45^ IV BOEK. X HOOFDSTUK.
TIENDE HOOFDSTUK.
Dat men de heilige Communie niet licht moet achterlaten.
1. De Heer. Dikwijls moet gij uwe toevlucht nemen tot de bron van genade en goddelijke ontferming, tot de bron van alle goedheid en reinheid, opdat gij alzoo van uwe driften en gebreken moogt genezen worden, en verdienen tegen alle bekoringen en listen des duivels sterker en waakzamer te zijn.
De vijand wetende welke vrucht en allerkrachtigste geneesmiddel in de heilige Communie gelegen is, tracht op allerlei wijze en bij alle gelegenheid zoo veel hij kan, de ge-loovigen en godvruchtigen af te trekken en te verhinderen.
2. Sommigen inderdaad, als zij zich tot de heilige Communie trachten voor te bereiden, ontwaren dan de ergste ingevingen des Satans.
Want die kwade geest komt, gelijk er in het boek Job geschreven staat, midden onder de kinderen Gods, opdat hij ze door zijne gewone arglistigheid in verwarring brenge, of te zeer bevreesd en verlegen make, om alzoo hunne liefde te verminderen, of door zijne aanvallen hun het geloof te ontnemen; of zij misschien de Communie geheel mogen achterlaten, of met lauwheid naderen.
Maar men moet zich aan zijne listen en voor-
IV BOEK. X HOOFDSTUK. 459 stellingen, hoe schandelijk en afgrijslijk ook, hoegenaamd niet storen, maar hem al die ingevingen in het aangezicht terugwerpen.
Verachten moet men den ellendeling en bespotten, en om zijne aanvallen- en de ontroeringen die hij verwekt, de heilige Communie geenszins nalaten.
3. Dikwijls ook wordt men verhinderd door eene te groote bezorgdheid om godsvrucht te hebben, en door eenen zekeren angst omtrent de voorafgaande biecht.
Handel volgens den raad van verstandige menschen en leg uw angst en bezwaren af : want deze verhinderen de genade Gods en verstoren de godsvrucht des gemoeds.
Wil niet om eenige kleine entrusting of bezwaar de heilige Communie achterlaten, maar ga des te eerder te biechten en vergeef gaarne aan anderen al hunne beleedigingen.
Of hebt gijzelf iemand beleedigd, vraag hem nederig om vergeving, en God zal u gaarne vergeven.
â 4. Welk nut doet het met biechten lang te wachten of de heilige Communie uit te stellen ?
Reinig u ten eerste, werp spoedig het vergift uit en haast u de artsenij in te nemen : gij zult u daarbij beter bevinden dan met lang uit te stellen.
Indien gij het heden om deze reden uitstelt, morgen zal er zich wellicht iets gewichtigers opdoen, en zoo kondet gij lang van de Communie afgehouden en te ongeschikter worden.
45O IV BOEK. X HOOFfiSTUK,
Ontdoe u, zoodra gij kunt, van de tegenwoof' dige bezwaren en loomheid : want het baat niets lang in angst en ongerustheid voort te leven, en zich door dagelijksche beletsels van de goddelijke geheimen te laten afhouden.
Integendeel schaadt het zeer de Communie lang uit te stellen : want doorgaans brengt het groote lauwheid teweeg.
5. Helaas 1 sommige lauwen en ongebondenen stellen gaarne het biechten uit en wenschen daarom de heilige Communie te verschuiven, opdat zij niet verplicht worden strenger wacht over zichzelven te houden.
Achl hoe weinge liefde en zwakke godsvrucht hebben zij , die de heilige Communie zoo licht verschuiven!
Hoe gelukkig en Gode behaaglijk is hij, die zóo leeft en zijn geweten zóo rein bewaart, dat hij bereid en wèl genegen zoude zijn om zelfs eiken dag te communiceeren , wierd hem dat veroorloofd en konde hij het zonder opspraak doen.
Indien iemand somtijds uit ootmoed of om eenig wettig beletsel terugblijft, hij is om zijnen eerbied te. prijzen.
Maar loopt daaronder lauwheid, hij moet zichzelven opwekken en doen wat hij kan; en God zal zijn verlangen te gemoet komen om zijnen goeden wil, waarop Hij inzonderheid ziet.
6. Wordt iemand wettig verhinderd, dat hij dan een goeden wil en godvruchtig voornemen hebbe om te communiceeren; en dus zal hij
IV BOEK. X HOOFDSTUK. 461 van de vrucht des Sacraments niet verstoken zijn.
Want ieder godvruchtige kan eiken dag en elk uur met vrucht en ongehinderd, in den geest, tot den Maaltijd van Christus naderen.
Nochtans moet hij op zekere dagen en ten gestelden tijde, het Lichaam zijns Verlossers werkelijk met hartelijken eerbied ontvangen, en meer Gods lof en eer beoogen dan zijn eigen troost zoeken.
Overigens men communiceert in den geest en wordt onzichtbaar verkwikt, zoo dikwijls m'en het geheim van de menschwording en het lijden van Christus godvruchtig overweegt en in liefde tot Hem ontstoken wordt.
7. Wie zich anders niet voorbereidt dan bij het naderen van een feest of door gewoonte gedwongen, zal dikwijls onbereid zijn.
Gelukkig hij, die zich den Heere ten brandoffer opdraagt, zoo dikwijls hij de H. Mis leest of communiceert.
Wees gij intusschen bij het Mislezen, noch te langzaam noch te overhaastig; maar volg het gewone goede gebruik dergenen , onder welke gij leeft.
Gij moet anderen geen last noch verveling baren, maar den gewonen weg houden naar de instelling der voorvaderen, en meer het nut van anderen dan uwe eigen godsvrucht of genegenheid beoogen.
462 IV BOEK. X HOOFDSTUK.
OEFENING.
1. Het vurige verlangen, hetwelk Jezus Christus ons toont om in onze harten te komen, er bezit van te nemen en als God er in te heer-schen, moet ons overtuigen, dat men Hem een groot genoegen verschaft, als men zich dikwijls waardig maakt om de heilige Communie te ontvangen. Door eenen oogenschijnlijken eerbied en uit louter traagheid zich van de^H. Tafel verwijderen, gelijk zoo vele Christenen doen, is Jezus Christus van de voldoening berooven, welke Hij neemt van in ons te verblijven, gelijk Hij ons betuigt door deze woorden : mijn vermaak is, te zijn met de kinderen der men-schen. Het is, zich stellen tegen de inzichten zijner wijsheid, het is de keten verbreken van onze voorbeschikking, omdat men zich berooft van een der krachtigste middelen om onze zaligheid te verzekeren, welke is in eene goede en dikwijls herhaalde Communie; (immers men mag nooit deze twee zaken van elkander scheiden ), en het is zich blootstellen aan het verlies van de beslissende genaden der eeuwigheid, als men door zijne schuld de H. Communie verzuimt.
2. Nu, de wezenlijkste gesteltenissen voor eene goede en dikwijls herhaalde Communie zijn : 1. tot de heilige Tafel te naderen, zonder den wil van te zondigen; 2. na de biecht een vast voornemen gemaakt hebben om zich van zijne gebreken te beteren, en een oprecht chris-
IV BOEK. X HOOFDSTUK. 463 telijk leven te leiden; 3. te hopen, dat de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in onze zielen, en de kracht zijner genade in ons dit dubbel voornemen zal behouden; derhalve moeten de zondaars, die uit gewoonte de zonde bedrijven en ter oorzake hunner onwaardigheid slechts zeldzaam tot de heilige Tafel naderen, hunne slechte gewoonten verzaken, en zich in staat stellen waardig te communiceeren. De we reldsche zielen, die, om niet dikwijls het Lichaam des Heeren te ontvangen , tot verontschuldiging hunne verkleefdheid aan de wereld voorgeven, zijn verplicht de ijdelheden, de too-neelen en verkleefdheid aan het wereldsche te verlaten, om zich te bereiden waardig en dikwijls te communiceeren; en de godvruchtige personen, die vreezen dikwijls slecht de Communie te ontvangen, moeten zich, uit een verkeerden ootmoed, niet van de heilige Tafel verwijderen, maar zich vernederen en te communie gaan , zoo als het de schrijver van het boek der Navolging zegt.
GEBED.
Heer! het is waar, ik kan mij tot uwe heilige Tafel niet genoeg voorbereiden. Maar zal dit mij van U verwijderd houden? Neen, ik moet tot de bron der heiligheid en genade mijne toevlucht nemen. Immers het zijn de kranken, die de hulp van den arts behoeven. Ik wil tot U dan dikwijls naderen, omdat ik uwen bijstand zoozeer noodig heb. Mocht ik die gunst meer
464 IV BOEK. XI HOOFDSTUK.
en meer waardig worden en daarin een versterkend middel voor mijne zwakheid vinden 1
ELFDE HOOFDSTUK.
Dat het Lichaam van Christus en de heilige Schrift voor eene geloovige ziel hoogst noodzakelijk zijn.
1. De Geloovige. O beminnelijkste Heere Jezus! hoe groot is het genoegen van eene godvruchtige ziel, die met U eet aan uwen disch, waar haar geen andere spijs te eten wordt voorgesteld dan Gij, haar eenig Beminde, wenschelijkbovenal de verlangens haars harten!
Ook mij zoude het genoegelijk zijn in uwe tegenwoordigheid uit het diepst mijns harten tranen te storten, en met de godvruchtige M agdalen a uwe voeten met tranen.te besproeien.
Doch waar is die godsvrucht ? waar die overvloed van heilige tranen ?
Voorwaar mijn geheel hart moest voor uw aanschijn en dat uwer heilige Engelen gloeien en van vreugde weenen.
Want in het Sacrament zijt Gij waarlijk tegenwoordig, ofschoon onder eene vreemde gedaante verborgen.
2. Want U in uwe eigene en goddelijke klaarheid te aanschouwen zouden mijne oogen niet kunnen uithouden, ja de geheele wereld zoude tegen den schitterenden glans uwer Majesteit niet bestand zijn.
IV 60EK. Xt HOOFDSTUK. 46«
Hierin derhalve voegt Gij U naar mijne zwakheid, dat Gij U in het Sacrament verbergt.
Ik bezit in waarheid en aanbid Hem, dien de Engelen in den hemel aanbidden; maar ik intusschen nog door het geloof, en zij van aanschijn en zonder sluier.
Ik moet mij met het licht des waren geloofs vergenoegen en daarin wandelen totdat de dag der eeuwige klaarheid aanbreke en de schaduwen der beeltenissen verdwijnen.
Maar is datgene gekomen, dat volmaakt is, dan zal het gebruik der Sacramenten ophouden ; want de gelukzaligen in de hemelsche heerlijkheid behoeven niet meer het geneesmiddel der Sacramenten.
Zij toch verblijden zich onophoudelijk in de tegenwoordigheid Gods, daar zij zijne heerlijkheid van aanschijn tot aanschijn aanschouwen. En, van klaarheid tot klaarheid der oneindige Godheid overgaande, smaken zij het vleesch-geworden Woord van God, gelijk het was van den beginne en in eeuwigheid blijft.
3. Als ik deze wonderen overdenk, dan wordt mij zelfs elke geestelijke troost een groot verdriet; want zoolang ik mijnen Heer in zijne heerlijkheid niet openlijk aanschouw, acht ik alles , wat ik op aarde zie of hoore , als niets.
Gij zijt mijn getuige, o God! dat niets mij vertroosten, noch eenig schepsel mij bevredigen kan, tenzij Gij, mijn God! dien ik eeuwig wensch te aanschouwen.
3°
466 IV BOEK. IX HOOFDSTUk.
Maar dit is niet mogelijk, zoolang dit sterfe lijk leven duurt.
Daarom moet ik mij zetten tot groot geduld en mij met al mijn verlangens aan U onderwerpen.
Want ook uwe Heiligen, o Heer! die nu reeds in het hemelrijk zich met U verblijden, hebben gedurende hnn leven de toekomst uwer heerlijkheid met geloof en groot geduld verbeid.
Wat zij geloofd hebben, geloof ik ook; wat zij gehoopt hebben, hoop ik ook ; waar zij aangeland zijn, vertrouw ik ook door uwe genade te zullen komen.
Intusschen zal ik, door het voorbeeld der Heiligen versterkt, in het geloof voortwandelen.
Ook zal ik de heilige boeken tot troost en levensspiegel hebben, en boven dat alles uw allerheiligst lichaam tot een bijzonder geneesmiddel en toevlucht.
4. Want twee dingen ontwaar ik in dit leven zeer te behoeven, zonder welke mij dit ellendige leven ondragelijk zou wezen.
In den kerker dezes lichaams opgesloten, beken ik twee zaken noodig te hebben, voedsel namelijk en licht.
Derhalve hebt Gij mij, zwakke, uw heilig Lichaam gegeven ter verkwikking van ziel en lichaam, en mij uw woord tot eene fakkel voor mijne voeten gesteld.
Zonder deze beide dingen zoude ik niet wèl kunnen leven: want het woord van God is het
IV BOEK. XI HOOFDSTUK. 467 licht mijner ziel, en uw Sacrament het brood des levens.
5. Ook kunnen deze genoemd worden twee tafels in de schatkamer uwer heilige Kerk wederzijds geplaatst.
De eene tafel is die des heiligen altaars, waarop het heilig brood, dat is, het kostbaar Lichaam van Christus, rust.
De andere is die der goddelijke wet; op deze ligt de heilige leer, die ons in het waar geloof onderricht, en met vasten tred tot binnen het voorhangsel, waar het Heilige der heiligen is, henenleidt.
6. Dank zij U, Heere Jezus! Licht van het eeuwig Licht! voor de tafel der heilige leer, welke Gij ons door uwe dienaren, de Profeten, de Apostelen en andere Leeraren hebt aangericht.
Dank zij U, Schepper en Verlosser der men-schen ! die, om de gansche wereld uwe liefde te bewijzen, een groot Avondmaal hebt aangelegd, waar Gij ons geen zinnebeeldig Paasch-lam, maar uw allerheiligst Lichaam en Bloed tot voedsel voorstelt, verblijdende door dat heilig gastmaal al uwe geloovigen, en hen verkwikkende uit den beker des heils, welke al de genoegens van het Paradijs bevat; terwijl ook de heilige Engelen met ons gastmaal houden, ofschoon met zaliger genoegen.
7. O, hoe groot en waardig is het ambt der Priesters, wien het gegeven is den Heer der heerlijkheid door de heilige woorden te consa-
468 IV BOEK. XI HOOFDSTUK.
creeren, met hunne lippen te zegenen, in hunné handen te houden, met hunnen mond te nemen en aan anderen toe te reiken!
O, hoe rein moeten die handen, hoe rein de mond, hoe heilig het lichaam, hoe onbevlekt het hart eens Priesters zijp, bij wien zoo dikwijls de bron van reinheid haren intrek neemt.
Uit den mond eens Priesters mag geen woord voortkomen, dat niet heilig, niet eerbaar en nuttig is, daar hij zoo dikwijls het Sacrament van Christus ontvangt.
Zijne oogen moeten eenvoudig en kuisch zijn, welke het Lichaam van Christus gedurig aanschouwen.
Zijne handen moeten zuiver en ten hemel geheven zijn, welke zoo dikwijls den Schepper van hemel en aarde aanraken.
Tot de Priesters vooral wordt in de Wet gezegd : Weest heilig, want Ik de Heer uw God ben heilig. (Lev. 19.)
8. Dat dan uwe genade ons helpe, almachtige God ! opdat wij, die het priesterambt op ons genomen hebben, U waardig en godvruchtig, met alle reinheid en een goed geweten mogen dienen.
En kunnen wij ons leven in zoo eene onschuld niet doorbrengen als wij moeten, geef ons ten minste, dat wij de misdrijven, die wij hebben begaan, behoorlijk beweenen, en U voortaan in den geest van ootmoed, alsmede met het voornemen om het goede te willen, ijveriger dienen.
XV BOEK. XI HOOFDSTUK. 469
OEFENING.
Over het lezen der heilige boeken, hetwelk moet dienen om ons tot de heilige Communie te bereiden en de vrucht ervan te behouden.
God gaf eertijds in de woestijn aan de Israëlieten eene vurige en heldere wolkkolom, om hen te verlichten, en het manna, om hen gedurende de reis naar het land van belofte te spijzen. Alzoo heeft onze Heer aan de Christenen de heilige boeken gegeven om hen te verlichten, en het aanbiddelijk Lichaam en Bloed, om hén in hunnen doortocht naar den hemel te versterken. Zij moeten die beide me-nigwerf gebruiken om ertoe te geraken, de lezing der heilige boeken, om niet te dwalen, en het allerheiligste Sacrament des Altaars ter versterking op den engen weg, die tot het Paradijs geleidt.
Het is hierom zeer nuttig, 's avonds vóór dat men te Communie gaat en op den daer dat men tot de heilige Tafel is genaderd, een godvruchtig boek te lezen, dat over het allerheiligste Sacrament des Altaars handelt, om in zijne ziel dien geest van vurigheid, getrouwheid en liefde tot God te onderhouden, alsook dat heilige vuur, hetwelk Jezus Christus er is komen of zal komen ontsteken. Men kan het gesprek lezen, dat Jezus Christus met zijne Apostelen na de instelling van het Allerheiligste Sacrament des Altaars hield; maar men moet de
470 IV BOEK. XII HOOFDSTUK.
heilige boeken lezen in den geest met welken de heilige Geest ze geschreven heeft; met geloof, met eerbied en met die onderwerping, welke ze waardig zijn en ook diegenen inboezemen, welke ze dikwijls lezen. Men moet ze lezen met die aandacht, welke men aan de tegenwoordigheid Gods verschuldigd is, met een vurig verlangen om er nut uit te trekken en zich ermede te voeden, en met eene toevlucht vol vertrouwen in den heiligen Geest, die ze heeft voorgeschreven.
GEBED.
Hoe goed zijt Gij, o Jezus! hoe liefderijk is uwe zorg voor mij ! Gij schenkt mij licht en voedsel. Uw woord is mijn licht, uw Lichaam mijn voedsel. Hartelijk dank voor deze groote weldaden. Dat zij mij niet tevergeefs geschonken zijn! Dat ik mij aan uw woord houde en in uw Lichaam mijn waar voedsel vinde. Dus voorgelicht en versterkt, wandel ik rustig voort, totdat ik kome waar geloof in aanschouwen en hoop in genot overgaat.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Dat degene die communiceeren wil, zich met groote vlijt moet voorbereiden.
De Heer. Ik ben de minnaar der zuiverheid en de gever van alle heiligheid.
Ik zoek een rein hart ; daar is de plaats mijner ruste.
IV BOEK. XII HOOFDSTUK. 471
Bereid mij eene groote welversierde eetzaal, en Ik zal met mijne leerlingen bij u het paasch-maal houden. (Mare. 14. Luc. 22.)
Wilt gij dat Ik tot u kome en bij u blijve, zuiver u dan van den ouden zuurdeesem en reinig de woning uws harten.
Sluit de geheele wereld en al het gewoel der ondeugden buiten.
Zit als eene eenzame musch op het dak en overdenk in de bitterheid uwer ziele uwe overtredingen.
Want alwie liefheeft, bereidt zijnen geliefden vriend de beste en schoonste plaats : daaraan toch wordt de genegenheid van hem, die zijn vriend ontvangt, gekend.
2. Weet nochtans dat gij door de verdienste uwer werken niet aan deze voorbereiding voldoen kunt, al zoudt gij u een geheel jaar voorbereiden en op niets anders bedacht zijn.
Maar alleen door mijne goedheid en genade wordt u toegestaan tot mijne Tafel te naderen; evenals wierd een bedelaar aan de tafel eens rijken genoodigd, en hij niets anders had om diens weldaden te vergelden, dan ootmoedige dankzegging.
Doe wat gij kunt, en doe het vlijtig. Ontvang, niet uit gewoonte, niet uit dwang, maar met vreeze, eerbied en liefde het Lichaam van uwen geliefden Heere Gód, die zich verwaardigt tot U te komen.
Ik ben het die genoodigd heb ; Ik heb bevolen dat het geschieden zoqde ; Ik zal aan-
472 IV BOEK. XII HOOFDSTUK.
vullen wat u ontbreekt; kom en ontvang Mij.
3. Wanneer ik u de genade der godsvrucht schenk, dank dan uwen God: niet omdat Gij ze waardig zijt, maar omdat Ik Mij over u ontfermd heb.
Hebt gij die niet, maar gevoelt gij u veeleer dor, volhard in het gebed, zucht en klop, en laat niet af, totdat gij verdient een kruimeltje of druppeltje der heilrijke genade te ontvangen.
Gij hebt Mij noodig, Ik heb u niet noodig. Ook komt gij niet om Mij te heiligen, maar Ik kom om u te heiligen en te verbeteren.
Gij komt om door Mij geheiligd en met Mij vereenigd te worden, om nieuwe genade te ontvangen en om opnieuw ontstoken te worden ter verbetering.
Wil deze genade niet verzuimen : maar bereid uw hart met alle vlijt en leid uwen Geliefde bij U binnen.
4. Overigens moet gij u niet slechts vóór de Communie tot godsvrucht voorbereiden, maar die ook zorgvuldig bewaren na 't ontvangen van het Sacrament.
En geene mindere behoedzaamheid wordt daarna vereischt, dan te voren godvruchtige voorbereiding.
Want eene goede behoedzaamheid daarna is weder de beste voorbereiding om grootere genade te bekomen.
Daardoor toch wordt iemand zeer ongeschikt, als hij zich aanstonds te veel aan uitwendige verkwikkingen overgeeft.
IV BOEK. XII HOOFDSTUK. 473
Vermijd het veelvuldig gepraat; blijf afgezonderd en geniet uwen God; want Hem bezit gij, dien de geheele wereld u niet kan ontnemen.
Ik ben het aan wien gij u geheel moet overgeven, zoodat gij voortaan niet meer in uzel-ven, maar in Mij zonder de minste bezorgdheid voortleeft.
OEFENING.
Op welke wijze men het Lichaam en Bloed van Jezus Christus moet nuttigen.
Gelijk het allerheiligste Sacrament des Altaars een Sacrament is, dat ons den hemel op aarde en God zeiven in ons doet vinden, en dit het groote wonderteeken van de liefde Gods jegens de stervelingen is, zoo ook moet men, om er voordeel uit te trekken, daartoe naderen met een levend geloof, met eene vaste hoop en met eene vurige liefde voor Jezus Christus. Maar tevens moet men hopen , dat hij in ons zal aanvullen het gebrek van het gevoel dezer drie deueden, met ze in ons te drukken als wij dikwijls tot de heilige Communie zullen gaan, en als wij zullen doen wat mogelijk is om er waardig toe te naderen. Derhalve, zij die zich van de heilige Communie verwijderen, omdat zij niet den heiligen indruk der deugden, noch de vurigheid tot Jezus Christus voelen, pioeten hierom de Communie niet nalaten, welke
474 iv boek. xii hoofdstuk.
hun noodig is, om hen op te wekken ten einde de christelijke deugden en de plichten van hunnen staat uit te oefenen; maar zij moeten Jezus Christus ontvangen, omdat zij hem gedurig noodig hebben.
De heilige Martelaren der eerste Kerk waren gewoon, vooraleer zij voor hunne rechters verschenen om de geloofswaarheden voor hen te verdedigen, eerst het Lichaam des Heeren te ontvangen; volgens den H. Cyprianus vermeenden zij zonder dit niet in staat te zijn of de sterkte niet te hebben om den marteldood te onderstaan. Zoo ook moeten de Christenen, om hunne hartstochten te bestrijden en aan de bekoringen des duivels te wederstaan, zich be-kleeden en zich als voeden met de kracht van het Lichaam en Bloed van Jezus Christus, zonder welke zij in gevaar zijn te bezwijken en zich in het verderf te storten.
GEBED.
Ik weet het, mijn Heiland ! dat er eene groote voorbereiding gevorderd wordt om van uwe gunsten gebruik te maken. Dan ik weet ook hoe weinig ik daartoe uit mijzelven vermag. Daar Gij dan zoo liefderijk in mijne behoeften voorziet, zoo wil ook het gebrekkige bij mij aanvullen. Geef mij de genade der godsvrucht. Dat ik die zorgvuldig beware , daarmede getrouw arbeide en aldus waardig worde U en met U de heilrijkste zegeningen te ontvangen
IV BOEK. XIII HOOFDSTUK. 475
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Dat eene godvruchtige ziel van ganscher harte moet verlangen naar de vereeniging met Christus in het Sacrament.
1. De Geloovige. Wie, o Heer! geeft mij dat ik U alleen vinde, dat ik U mijn geheel harte opene en U geniete zooals mijne ziel begeert, zoodat niemand mij verachte, noch eenig schepsel mij bewege of op mij acht geve, maar Gij alleen tot mij spreekt en ik tot U, gelijk een geliefde gewoon is tot den geliefde te spreken, en de vriend met den vriend te verkeeren.
Dit bid ik, dit verlang ik, dat ik geheel met U vereenigd worde en mijn hart van al het geschapene aftrekke, en dat ik door de heilige Communie en het menigvuldig Mislezen meer en meer leere het hemelsche en eeuwige te smaken.
Ach, Heere God ! wanneer zal ik geheel met U vereenigd en in U verslonden zijn en mij-zelven geheel vergeten ?
Gij in mij, en ik in U, vergun dat wij dus te zamen vereenigd blijven I
Gij zijt waarlijk mijn Geliefde, uit duizenden uitverkoren, { Cant. 5.) bij wien mijne ziel. verlangt te wonen al de dagen haars levens.
Waarlijk, Gij zijt mijn bevrediger, in wien
476 IV BOEK. XIII HOOFDSTUK, de hoogste vrede en ware rust, buiten wien niets dan last, droefheid en eindelooze ellende gevonden wordt.
Waarlijk, Gij zijt een verborgen God. (Is. 45) Uw raad is niet met de goddeloozen; uw onderhoud is met de ootmoedigen en eenvoudigen.
O hoe liefelijk, o Heer! is uw geest, die om uwen kinderen uwe teederheid te toonen, U verwaardigt hen te verkwikken met het smakelijkste brood, van den hemel nedergedaald.
Waarlijk er is geen ander volk, hoe groot ook, hetwelk goden heeft, hun zoo nabij, gelijk Gij, onze God, nabij zijt I (Deut. 4.) allen uwen geloovigen, aan welke Gij, om hen dagelijks te troosten en hun hart hemelwaarts te heffen Uzelven te eten en te genieten geeft.
3, Want welk ander volk is zoo geacht als dat der Christenen ? Of welk schepel onder de zon is zoo geliefd als eene godvruchtige ziel, tot welke God zijnen intrek neemt om haar met zijn heerlijk Vleesch te voeden ?
O onuitsprekelijke genade 1 o wonderlijke goedheid I o onbegrensde liefde den mensch alleen betoond!
Maar wat zal ik den Heer voor die genade, en voor eene zoo uitnemende liefde wedergeven ?
Niets aangenamers kan ik geven, dan dat ik aan mijn God mijn hart geheel schenke en met Hem op het nauwste vereenige.
Dan ook zal geheel mijn binnenste juichen, als mijne ziel volkomen met God zal vereenigd zijn.
Pan zal Hij tot mij zeggen : wilt gij met Mij
IV fioÃK. xin öooï'Dstuk. 477
zijn, Ik wil met u zijn, en ik zal Hem antwoorden ; Verwaardig U, o Heer, bij mij te blijven : ik wil gaarne bij U zijn. Dit is al mijn ver* langen, dat mijn hart met U vereenigd zij.
OEFENING.
Over de inzichten van Jezus Christus in het verblijven op onze altaren, en over de godvruchtige gevoelens, waarmede wij in de Mis en in het Lof of bij andere bezoeken moeten tegenwoordig zijn.
i. De Zoon Gods wil op onze altaren verblijven buiten den tijd van het heilig Misoffer en van de heilige Communie- : i. om aldaar onze gebeden te aanhooren en te verhoeren, en om het ambt van middelaar tusschen God en de menschen voort te zetten, hetwelk Hij op het kruis heeft uitgeoefend ; 2. om onze bezoeken, onze eerbewijzingen en onze aanbiddingen te ontvangen; de Christenen, die Hem zeldzaam, koel, uit gewoonte en onverschillig bezoeken, zijn dus zeer te berispen, als zij voor hunnen God, hunnen Zaligmaker en hunnen Rechter verschijnen, zonder Hem te eerbiedigen, te vreezen en te beminnen ; 3. om ons in onze verdrukkingen te troosten en in onze kwellingen te helpen, en om onzen twijfel te beslissen en weg te nemen, volgens hetgene er geschreven staat: laat ons tot den zoon van Jozef (Jozef werd voor den vader van Jezus Christus gehouden, wiens voedstervader hij slechts was,) gaan, en Hij zal ons vertroosten,
47^ IV BOEK XIII HOOFDSTUK, en volgens hetwelk een Profeet zeide aan eenen vorst, die iemand gezonden had om bij eenen valschen God te rade te gaan : Is er dan geen God in Israël ? 4. om ons tot spijs te dienen gedurende ons leven, en tot reisgeld in den dood.
2. Een Christen, die met vlijt, eerbied en erkentenis in het allerheiligste Sacrament zijnen Koning, zijnen God en zijnen Zaligmaker aanbidt ; die nooit, als het hem mogelijk was, het heilige Misoffer heeft verzuimd, maar in de Mis en in het Lof getracht heeft met eenen geest van godsvrucht tegenwoordig te wezen, en die altijd getroffen, bekeerd en beter daaruit is wedergekeerd : zulk een Christen, zeg ik, die getrouw is aan zijne godvruchtige plichten jegens Jezus Christus, welke voor hem op onze altaren geslachtofferd wordt, moet zijne hoop in de goedheid en barmhartigheid van dien God stellen, in zijn leven en in het uur van zijnen dood. Integendeel, zal de Zoon Gods eens geene reden hebben, aan vele Christenen, die verwaarloozen Hem in het allerheiligste Sacrament te bezoeken, of dit met zoo weinig godsvrucht doen, hunne oneerbiedigheden en weinig geloof te verwijten, en tot hen te zeggen : reeds zoo lang ben Ik met u, en Gij hebt Mij niet gekend ? Gij verzuimt te kennen en eenen God te bezoeken, die in het midden van u is. Het is te vergeefs, dat ik in het allerheiligste Sacramentdes Altaars wonderen van almacht, wijsheid en goedheid uitwerk, om uwe harten te winnen; Ik heb u nog niet kunnen bewegen om uwe
IV BOEK. XIII HOOFDSTUK. 479 huiselijke zaken en uwe vermaken te verlaten, om Mij uwe eerbewijzing te komen betoonen.
Om dan te beantwoorden aan de inzichten, welke Jezus Christus jegens ons heeft in het allerheiligste Sacrament, moet men Hem bezoeken, in de Mis tegenwoordig zijn en het Lof bijwonen, en dit verrichten met de onderwerping en den eerbied van eenen hoveling voor zijnen koning, met de ingetogenheid en vurigheid der Engelen voor hunnen God, in het Allerheiligste rustende, met de ootmoedige vrees van eenen misdadiger voor zijnen rechter, met het vertrouwen op de liefde van een kind voor zijnen vader.
GEBED.
Dierbare Jezus! hoe meer ik uwe liefde in het heilig Sacrament overweeg, hoe meer ik die bewonder en hoe meer ik naar U verlang. Wat zal ik U voor zoo eene overmaat van liefde wedergeven ? Ik kan U niets aangenamers schenken, dan mijn hart, om het alleen te bezitten en daarin alleen te heerschen. Welaan ! het zij, het blijve U geschonken ! Wees Gij bij mij ; ik wil gaarne bij U zijn. Vereenig mij met U door den band eener allesovertreffende liefde.
480 m BÃÃK. Xiv HOOPDSTUk.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Over het vurig verlangen van sommige godvruchtigen naar het Lichaam van Christus.
1. De Geloovige. Hoe veelvuldig, o Heer! is het goed dat Gij weggelegd hebt voor die U vreezen. (Ps. 30.)
Als ik overweeg, o Heer! hoe sommige godvruchtigen met de grootste godsvrucht en liefde tot uw Sacrament naderen, dan word ik dikwijls bij mijzelven beschaamd en bloos, dat ik zoo lauw en koud tot uw altaar en de tafel der heilige Communie toetrede: dat ik zoo dor en zonder aandoening des harten blijve.
Ik word verlegen dat ik voor U, mijn Godl niet geheel ontstoken ben, noch zoo sterk getrokken en aangedaan als vele godvruchtigen waren, die wegens hun overgroot verlangen naar de Communie en hevige liefde des harten hunne tranen niet konden bedwingen; maar tegelijk met den mond des harten en des li-chaams, naar U, o God 1 de levensbron, innig haakten, hunnen honger niet anders kunnende stillen of verzadigen, dan nadat zij uw Lichaam met de hoogste verrukking en 't vurigst zielsverlangen ontvangen hadden.
2. O, hun waarlijk brandend geloof strekt tot een overtuigend bewijs van uwe heilige tegenwoordigheid I
IV BOEK. XIV HOOFDSTUK. 481
Want zij erkerénen waarlijk hunnen Heer bij het breken des broods, wier hart zoozeer in hen brandt, als Jezus met hen wandelt.
Maar, achl dikwijls zijn zulke aandoeningen en zulke godsvrucht, zulke sterke liefde en gloed verre van mij !
Wees mij genadig, goede, beminnelijke en goedertieren Jezus! en vergun aan uwen armen bedelaar bij de heilige Communie ten minste somtijds een weinig van dien liefdegloed jegens U in zijn hart te ontwaren, opdat mijn geloof meer in kracht toeneme, mijne hoop op uwe goedheid vermeerdere, en mijne liefde, eens wèl ontstoken en met dit hemelsch manna gevoed, nimmer bezwijke.
3. Uwe barmhartigheid immers is machtig pm mij ook deze gewenschte genade te bewijzen, en mij, wanneer de dag uws welbehagens zal gekomen zijn, met den geest van vurigheid allergenadigst te bezoeken.
Want al brand ik niet van zulk een verlangen als uwe zoo bijzonder godvruchtigen, ver. lang ik echter door uwe genade zulk een brandend verlangen te hebben, wenschende en smee-kende dat ik van al deze uwe ijverige beminnaars deelgenoot en onder hun heilig gezelschap medegerekend worde.
31
4^2 IV BOEK. XtV HOOtrÃSTUK.
OEFENING.
Om waardig de geestelijke Communie te doen.
De geestelijke Communie, welke de heilige Kerkvergadeiing van Trente goedkeurt, aanraadt en den Christenen aanbeveelt, als eene vervanging van het sacramenteele en lichamelijke ontvangen van Jezus Christus, kan ten allen tijde en op alle plaatsen geschieden, hetzij men zich in de tegenwoordigheid van het allerheiligste Sacrament des Altaars bevindt of van dit geluk beroofd is. Men kan ze ieder uur van den dag doen, of na een Wees gegroet, hetwelk men ter eere van de heilige Maagd en Moeder Gods zal lezen in vereeniging met de heilige gesteldheid, in welke zij was, om Jezus Christus in haren kuischen schoot te ontvangen. Men vormt in den geest een eerbiedig aandenken aan onzen Heer in het allerheiligste Sacrament; men aanbidt Hem in hetzelve, en keert zijn hart tot Hem, gelijk Daniël het zijne naar den tempel keerde : men geeft zich geheel aan Hem over, met het vurig verlangen Hem in het heilig Sacrament te ontvangen, en vermits men dit niet kan dóen of hiertoe niet gesteld is, verzoekt men Hem hierin te voorzien, door de mededeeling van zijnen geest, in plaats van die zijns lichaams.
Maar de geschiktste tijd om wel de geestelijke Communie te doen, is, als men in het hei-
tv BOEK. XIV HOOFDSTUK. 483 lig Misoffer tegenwoordig is, onder de Commu â nie des priesters; want een Christen, alsdan met een levendig en dadelijk geloof in de tegenwoordigheid van Jezus Christus in het allerheiligste Sacrament bezield, alsook met een vurig verlangen om zich innig met Hem te vereenigen, toont zulks door zich nederig in zijne tegenwoordigheid te verootmoedigen; en terwijl hij zich onwaardig gevoelt Hem wezenlijk te ontvangen, bidt hij Hem, door het geloof in zijnen geest te komen en te blijven, en in zijn hart, door de liefde en erkenning zijner goedheid, en van zooveel in hem te weeg te brengen, dat zijne ziel niet meer leve dan door en om God.
GEBED.
Ook ik, mijn God! word schaamrood, als ik overweeg, hoe anderen tot uwe heilige Tafel naderen. Hoe levendig is hun geloof, hoe vurig hunne godsvrucht, hoe zuiver hunne liefde 1 Daarentegen hoe dor en ongevoelig blijft mijn hart, hoe traag en koud bij het deelnemen aan uwe heilige geheimen! Wees mij genadig, Barmhartige 1 dat de godsvrucht van anderen bij mij godsvrucht opwekke en mijn hart in liefde ontsteke.
4S4 IV BOEK. XV HOOFDSTUK.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Dat de genade der godsvrucht door ootmoed en zelfverloochening verkregen wordt.
1. De Heer. Gij moet de genade der godsvrucht ernstig zoeken, vurig afsmeeken, geduldig en met vertrouwen afwachten, dankbaar aannemen, in ootmoed bewaren, vlijtig daarmede arbeiden, en aan God den tijd en de wijze van het hemelsch bezoek overlaten, totdat Hij kome.
Gij moet u vooral vernederen wanneer gij inwendig weinig of geene godsvrucht gevoelt, maar er niet te neerslachtig noch te zeer bedroefd om worden.
Dikwijls schenkt God in éen oogenblik wat Hij langen tijd weigerde. Somtijds geeft Hij op het einde des gebeds, wat Hij in den beginne uitstelde te geven.
2. Wierd de genade altoos onverwijld geschonken en ware zij naar wensch steeds daar, de zwakke mensch zoude zulks niet wel dragen kunnen.
Daarom moet de genade der godsvrucht in goede hope en nederig geduld worden afgewacht ; nochtans wijt het uzelven en uwe zonden, wanneer zij 11 niet gegeven of ook heimelijk onttrokken wordt.
Het is somtijds iets gerings, dat de genade
IV BOEK. XV HOOFDSTUK. 485 hindert en verbergt, zoo men het gering en niet eerder groot moet noemen, hetgeen eene zoo groote weldaad onthoudt.
Maar hebt gij dat geringe of groote uit den weg geruimd en geheel overwonnen, dan zal uw wensch u geworden.
3. Want zoo ras gij u van ganscher harte aan God zult overgegeven hebben en niet meer dit of dat naar uw eigen zin of lust begeert, maar u geheel aan Hem overlaat, zult gij u vereenigd en bevredigd vinden : want niets zal u zoo wel smaken of behagen, als het welbé-hagen van den goddelijken wil.
Wie dus zijne bedoeling in eenvoudigheid des harten omhoog tot God gericht en zich van alle ongeregelde liefde of misnoegen over eenig geschapen voorwerp zal ontdaan hebben^ die zal het best geschikt wezen om de genade te ontvangen en de gave der godsvrucht waardig zijn.
Want God zendt zijnen zegen daar, waar Hij ledige vaten vindt.
En hoe volkomencr iemand van het aardsche afziet, hoe meer hij door zelfversmading zich-zelven afsterft, des te schielijker komt de genade, des te overvloediger dringt zij door en des te hooger verheft zij het vrije hart.
4. Dan zal hij zien en overvloeien en verwonderd staan, zijn hart zich verwijden, omdat des Heeren hand met hem is, en hij zich geheel en voor eeuwig in zijne hand gesteld heeft.
Zie, zoo wordt de mensch gezegend, die God
486 rv boek. xv hoofdstuk.
van ganscher harte zoekt en zijne ziel niet zet op ijdelheid. (Ps. 23.)
Zulk een verdient bij het ontvangen van het heilig Sacrament de groote genade der goddelijke vereeniging, omdat hij niet ziet op eigen godsvrucht of troost, maar boven alle godsvrucht en troost op Gods eer en verheerlijking.
oefening.
Hoe men zich moet bereiden om de eigene genade der heilige Communie te ontvangen en daaruit nut te trekken.
Het doeleinde des goddelijken Sacraments is, ons met Jezus Christus innig te vereenigen, en in onze zielen als eene zedelijke mensch-wording van zijnen geest en van zijne deugden te vormen, hetwelk de heilige Vaders dwingt dit aanbiddelijk Sacrament eene uitbreiding der menschwording te noemen; het is, om ons in het rijk zijner genade en zijner liefde te doen voortduren, en ons altijd te doen leven door een bovennatuurlijk en goddelijk leven in en door Jezus Christus. Dus is de genade, welke de heilige Communie in ons voortbrengt, overeenkomstig met het doeleinde van dit Sacrament, dat wil zeggen, volgens hetgene Jezus Christus in het Evangelie er van zegt : 1. dat Hij ons in Hem doet blijven, met in onze zielen het karakter zijner deugden te vormen en in te prenten, zooals een zegel in het was wordt
rv BOEK. XV HOOFDSTUK. 487 gedrukt; 2. dat Hij ons voor Hem en door Hem doet leven, dat is te zeggen, dat Hij ons alleen doet handelen om aan Hem te behagen en door den indruk zijner liefde; 3. dat Hij ons altijd doet leven door het leven der genade, zoodat de genade, die Jezus Christus ons door de heilige Communie mededeelt, is van zich in ons te vestigen, van ons in alles door Hem en voor Hem te doen handelen en te leven, en van ons eeuwig te doen leven. Men moet zich bereiden om die genade en de drie uitwerkselen eener goede Communie te bekomen, ï. met zich af te scheiden van allen wil tot zonde; 2. met onophoudelijk aan zichzelven te verzaken en te sterven ; 3. met zich altijd in de getrouwheid zijner genade en in het bezit zijner liefde te houden.
GEBED.
Dank, dierbare Jezus! voor dit onderricht. Nu weet ik hoe ik de gave der godsvrucht het best zal verkrijgen en behouden. Ik moet vlijtig bidden, geduldig aanhouden, vertrouwend afwachten en mijn hart, vrij van alle bijoogmerken, op U alleen richten. Leer mij, bij het gemis uwer genade, tot deze middelen mijne toevlucht nemen. Bewaar mij voor moedeloosheid ; doe mij in het gebed volharden en be. kroon mijne bede met uwen zegen.
488 IV BOEK. XVI HOOFDSTUK.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Dat wij onze behoeften aan Christus moeten blootleggen en zijne genade moeten afsmeeken.
1. De Geloovige. O allerzoetste en beminnelijkste Heer! dien ik nu wensch godvruchtig te ontvangen, Gij kent mijne zwakheid en mijnen nood; Gij weet hoevele kwalen en gebreken ik onderworpen ben; mijne menigvuldige zwarigheden, bekoringen, ontsteltenissen en zonden zijn U bekend.
Ik kom bij U om een hulpmiddel, ik smeek U om troost en verlichting.
Ik spreek tot den Alwetende, wien geheel mijn binnenste bekend is, en die alleen mij volkomen kan troosten en helpen.
Gij weet welk goed ik boven alles noodig heb en hoe arm aan deugden ik ben.
2. Zie, arm en naakt sta ik voor U, smee-kende om genade en barmhartigheid inroepende.
Verkwik uwen hongerigen bedelaar, ontvonk mijne koudheid door het vuur uwer liefde, verlicht mijne blindheid door den glans uwer tegenwoordigheid.
Doe mij al het aardsche in bitterheid, alle bezwaar en tegenheid in geduld, al het lage en geschapene in verachting en vergetelheid overgaan.
IV BOEK. XVI HOOFDSTUK. 489
Hef mijn hart tot U hemelwaarts op en laat mij niet op aarde rondzwerven.
Wees Gij alleen van nu af tot in eeuwigheid mijn vermaak; want Gij alleen zijt mijn spijs en drank, mijne liefde en vreugde, mijn genoegen en eenigst goed.
3. Ach, mocht Gij mij door uwe tegenwoordigheid geheel ontgloeien, ontbranden en in U doen overgaan, zoodat ik een geest met U wierd door de genade eener innerlijke vereeni-ging en de samensmelting eener vurige liefde !
Duld niet dat ik hongerig en dorstig van U vertrekke; maar handel met mij barmhartiglijk, gelijk Gij dikwijls met uwe Heiligen wonderlijk gehandeld hebt.
Wat wonder dat ik door U geheel ontvlam-me en in mijzelven verteere, daar Gij een vuur zijt dat altoos brandt en nimmer vergaat, eene liefde welke het hart reinigt en het verstand verlicht.
OEFENING.
Van dit en het volgende hoofdstuk.
De Heiland, na met zijne woorden onderwezen, met zijne voorbeelden geleerd en door zijne genaden de wezenlijke en noodzakelijke deugden ter zaligheid van eenen Christen verdiend te hebben, heeft het allerheiligste Sacrament des altaars willen instellen, om ze zelf in onze harten te (Jriikkei». Onder deze christelijke deug-
490 IV BOEK. XVI HOOFDSTUK.
den is eene der eerste de ootmoed, waarvan Jezus Christus ons een allerschoonst voorbeeld geeft in het allerheiligste Sacrament; want Hij blijft hierin verborgen, vernietigd en onbekend. Gedurende zijn leven waren al de volmaaktheden zijner Godheid verborgen en als in zijne menschheid vernietigd; maar in het allerheiligste Sacrament is zijne menschheid zelve nog voor onze oogen bedekt, en niets vertoont er zich van eenen God-mensch, dan aan de oogen van ons geloof. Ziedaar hetgene wij op de wereld moeten wezen, en waarin wij dien ootmoed en vernietiging van Jezus Christus in het allerheiligste Sacrament moeten navolgen, i. het verborgen en verworpen leven beminnen ; 2. den lof, de achting en de eer vluchten en versmaden, en de versmading gaarne ontvangen als eene zaak, die aan zondaars als wij, toekomt; 3. trachten wel te leven, zonder het te willen schijnen en onze werken doen, niet om van de menschen gezien en geacht te worden, maar alleen om aan God te behagen; 4. overtuigd zijn, dat de mensch God niet voortreffelijker kan eeren, dan met zich voor Hem te vernederen en te verootmoedigen; 5. wijken voor de oploopende menschen, om den vrede te behouden; 6. nooit uit menschelijk opzicht voortgaan, maar door den indruk van eene eerbiedige vrees, die men voor God moet hebben; 7. noch goed van zichzelven, noch kwaad van anderen zeggen.
2, De Zoon Gods geeft ons nog, in het aller»
IV BOEK. XVI HOOFDSTUK. 49 ï heiligste Sacrament des Altaars het voorbeeld eener volmaakte gehoorzaamheid en geduld, die wederstaat aan al de beleedigingen, welke Hij in hetzelve ontvang^ door eene nauwkeurige, volstandige en wonderdoende gehoorzaamheid aan den priester, met op het altaar tegenwoordig te komen, zoodra de woorden der Consecratie gesproken zijn, en er te verblijven totdat de mensch verlangt Hem in zijn hart te ontvangen. O groote God, wiens kenteeken en aandeel de onafhankelijkheid en opperheerschappij zijn : welke schaamte voor ons te zien, hoe groote God Gij ook zijt, dat Gij zonder uitstel aan eenen mensch gehoorzaamt, terwijl de mensch weigert of uitstelt zijnen God te gehoorzamen.
O mijn Zaligmaker! Ik wil dan voortaan, om uwe volmaakte gehoorzaamheid in het allerheiligste Sacrament te eeren en na te volgen, spoedig, edelmoedig en volstandig aan alles gehoorzamen, wat Gij mij door uwe ingevingen, door mijne oversten en door mijne plichten zult gebieden.
3. Eindelijk, Jezus Christus leert en boezemt ons het geduld in, met hetzelve in het allerheiligste Sacrament des Altaars uit te oefenen, alwaar Hij het voorwerp is van de versmading en de onzedigheden der stervelingen, van de vergetelheid der Christenen, van de onverschilligheid eener menigte harten, die weinig aan Hem, veel aan de wereld en geheel aan zich-zelven toebehooren; alwaar Hij zich blootgesteld
492 IV BOEK. XVI HOOFDSTUK.
ziet aan slechte of vruchtelooze communiën van zoo vele zielen, die een leven leiden , of wel gansch strafbaar door de gewoonte en gelegenheid der doodzonde, of geheel vruchteloos voor den hemel. Hij verdraagt nochtans deze belee-digingen met een onverwinnelijk geduld, en verdraagt ze alzoo, om ons te leeren en aan te moedigen, gelaten de tegenspraak en de belee-digingen te verdragen.
4. O mijn Jezus, Slachtoffer onzer zaligheid en onzer zonden! moeten wij dan dagelijks door onze onzedigheden, onze verstrooiingen en ongodsdienstigheden de beleedigingen hernieuwen, welke Gij op het kruis hebt ontvangen, en die zelfs hernieuwen op het aanzien van dien staat, waarin Gij voor ons het kruisoffer hernieuwt ? Vergiffenis, mijn Jezus 1 vergiffenis voor al de ongevoeligheden, onverschilligheden en ongodsdienstigheden, waarmede wij tot de heilige Communie zijn genaderd, wij, die altijd het gebod des Evangelies hebben gevolgd van ons te verzoenen voor de heilige Communie; vergiffenis nog voor ons ongeduld en oploopend-heid, die door onze communiën in ons niet veranderd zijn, omdat wij er geen nut uit trekken. Gedoog niet, dat onze tong, die ais het rust-altaar van uw heilig Lichaam is, en die zoo dikwijls met uw Bloed is geverfd geweest, het werktuig onzer gramschap en lastertaal zij. Wel hoe, Heer! Gij, die gedurende uw leven 4e on-geneeslijkste ziekten hebt genezen, zult Gij den V.lo^d onzer tong niet tegenhouden, met haar
IV BOEK. XVlI HOOFDSTUK. 493 amp;an te raken om in ons hart over te gaan? Ja, mijn Zaligmaker 1 om nut uit mijne communiën te trekken, wil ik niets meer zeggen als mijn hart ontsteld is, en in de gelegenheid een woord voor eenen God opofferen, die voor mij al zijn bloed heeft ten beste gegeven.
GEBED.
Mocht ik, o Heiland! dra voor het zalige genot uwer vereeniging vatbaar zijn 1 O Gij, die alles weet, die tot mijn binnenste ziet. Gij kent ook mijne zwakheid, en weet wat mij nog ontbreekt. Opgebeurd door uwe taal, kom ik tot U om hulp en troost te vinden. Laat mij niet ledig van U vertrekken; verlicht mijn verstand, ontvonk mijn hart door eene brandende liefde, opdat ik éen met U worde en eeuwig met U, mijn God en mijn Al, vereenigd blijve!
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Over de bloeiende liefde en brandende begeerte om Christus te ontvangen.
1. De Geloovige. Heer 1 ik verlang U met de meeste godsvrucht en eene vurige liefde, met al de genegenheid en den gloed des harten te ontvangen, zooals vele Heiligen en godvruchtige personen bij de Communie naar U hebben verlangd, die U door de heiligheid van
494 IV BOEK. xvii HOOFDSTÃk. hun leven zeer behaagd en in de brandendste godsvrucht verkeerd hebben.
O mijn God I eeuwige liefde! mijn eenigst goed en eindelooze gelukzaligheid ! U begeer ik met het allervurigst verlangen en den diepsten eerbied te ontvangen, als ooit eenig Heilige gehad hefeft- of gevoelen konde.
2. En schoon ik onwaardig ben al die gevoelens van godsvrucht te hebben, draag ik U echter geheel de aandoening mijns harten op, als bezate ik alleen al die vurige en U behaaglijke 'verlangens.
Ook alles wat eene godvruchtige ziel.bedenken en verlangen kan, bied ik U aan en draag ik U op met den diepsten eerbied en den in-nigsten ijver.
Niets wil ik mij voorbehouden, maar mij en al het mijne U gewillig en zeer gaarne opofferen.
Heere mijn God 1 mijn Schepper Verlosser! met zoodanig gevoel, ee. ,
eer, dankbaarheid, waardigheid en liefde, met zulk een geloof, hoop en zuiverheid, verlang ik U heden te ontvangen, als waarmede uwe allerheiligste Moeder, de verheerlijkte Maagd Maria, naar U verlangd en U ontvangen heeft, toen zij den Engel, die haar het geheim der menschwording boodschapte, nederi? en godvruchtig antwoordde : Zie des Heeren dienstmaagd ; mij geschiede naar uw woord (Luc. i.)
3. En gelijk uw gelukzalige voorlooper, de voortreffelijkste onder de Heiligen, Joannes
IV BOEK. XVIÃ HOOFDSTUK. 49 j de Dooper, bij uwe tegenwoordigheid in de vreugde des heiligen Geestes vroolijk opsprong, toen hij nog in 's moeders lichaam opgesloten was, en Jezus vervolgens onder de menschen ziende wandelen, zich diep vernederende, met teedere aandoening zeide ; De vriend des bruidegoms, die staat en hem aanhoort, verblijdt zich zeer over des bruidegoms stem. (Joan. 3.) evenzoo wensch ik in hevige en heilige verlangens ontstoken te worden en mij van ganscher harte aan U voor te stellen.
Daarom draag ik U op en bied U aan het gejuich, de vurige aandoeningen, zielsverrukkingen, bóvenzinnige verlichtingen en hemel-sche visioenen van alle godvruchtige zielen, met al de deugden en lofzangen door al de schepselen in den hemel en op de aarde aangeheven en nog aan te heffen, voor mij en voor allen, die zich mijner voorbede hebben aanbe-Tpdat Gij door allen waardig moogt 0- ïen eeuwig verheerlijkt worden.
4. Neem, Heere mijn God! mijne wenschen aan, alsmede mijne verlangens, om U in het oneindige te loven en bovenmate te zegenen, zooals U, wegens de grootheid uwer onuitsprekelijke waardigheid met recht toekomt.
Die bied ik U aan en verlang ik U aan te bieden eiken dag en elk oogenblik. Ook noodig ik uit en smeek ik door innige gebeden al de hemelsche geesten en al uwe geloovigen, om met mij U lof en dank toe te brengen.
5. Dat alle volken, geslachten en tongen U
496 IV BOEK. XVII HOOFDSTUK.
loven en uwen heiligen en liefelijken naam met vroolijk gejubel en vurige godsvrucht prijzen 1
Dat ook allen, die eerbiedig en godvruchtig uw hoogwaardig Sacrament vieren en met een volkomen geloof ontvangen, genade en ontferming bij U mogen vinden, en voor mij, zondaar, ootmoedig bidden.
En, als zij de gewenschte godsvrucht en zalige vereeniging genoten hebben, en wél getroost en wonderbaar verkwikt van uwe heilige en hemelsche Tafel wederkeeren, dat zij dan zich verwaardigen, mij, behoeftige, te gedenken.
OEFENING.
Dezelfde, als van het voorgaande Hoofdstuk, bladz. 489.
GEBED.
Mocht ik, mijn Heiland ! moch ik met dezelfde godsvrucht tot uwe Tafel naderen, welke vele uwer heilige vrienden onderscheidde I Hoe weinig ik ook nog daarvoor vatbaar ben, wil ik toch alles doen wat ik kan. Neem mijnen goeden wil welbehaaglijk aan. Zie op de voorbede uwer geliefde vrienden, dat zij mij helpen in uwen lof te verbreiden 1 Laat mij aan hunne godsvrucht deel hebben, gelijk mede aan de zegeningen, waarmede Gij hen zoo wonderbaar bedeelt.
IV BOEK. XVIII HOOFDSTUK. 497
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Dat de mensch aangaande het Sacrament niet nieuwsgierig mag onderzoeken, maar dat hij Christus nederig moet navolgen en zijne zinnen aan het heilig geloof onderwerpen.
1. De Heer. Wacht u naar dit ondoor Tron-delijk Sacrament nieuwsgierig en nutteloos te onderzoeken, wilt gij niet in eenen afgrond van twijfel storten.
Hij die Gods Majesteit wil doorgronden, zal door den glans onderdrukt worden. (Prov. 25.) God kan meer doen, dan de mensch begrijpen kan.
Een nederig en godvruchtig onderzoek naar de waarheid is te gedoogen, mits het altoos bereid zij om zich te laten onderrichien en trachte volgens de gezonde leer der Vaderen voort te gaan.
2. Gelukkige eenvoudigheid, welke de moeilijke paden der vraagstukken verlaat en den effen en zekeren weg van Gods genade bewandelt !
Velen hebben de godsvrucht verloren, terwijl zij verheven dingen wilden doorgronden.
Men eischt van u geloof en oprechten wandel, geen diep doorzicht noch doorgronden van Gods verborgeiiheden,
32
498 IV BOEK. XVIII HOOFDSTUK.
Verstaat gij niet noch vat gij wat beneden u is, hoe zult gij begrijpen wat boven u is ?
Onderwerp u aan God, en buig uwe zinnen onder het geloof, en u zal het licht der ken-nisse gegeven worden, zooveel u nuttig en noodig is.
3. Sommigen worden ten aanzien van het geloof en het Sacrament zwaar bekoord; maar dit moet men niet aan hen maar liever den vijand wijten.
Stoor er u niet aan noch twist met uwe bedenkingen en antwoord niet op de twijfelingen, door den vijand ingeblazen; maar geef geloof aan de woorden van God; geloof zijne Heiligen en Profeten, en de booze zal van U vluchten.
Dikwijls is het zeer voordeelig dat Gods dienstknecht op zulke wijze beproefd wordt.
Want ongeloovigen en zondaren brengt hij niet in bekoring, als welke hij reeds zeker bezit; maar geloovigen en godvruchtigen bekoort en kwelt hij op verscheiden wijzen.
4. Ga dan voort met een eenvoudig en onwankelbaar geloof, en nader met diepen eerbied tot het Sacrament.
Wat gij niet begrijpen kunt, laat dat gerust aan den almchtigen God over.
God bedriegt u niet; maar hij bedriegt zich, die zichzelven te veel gelooft.
God wandelt met de eenvoudigen; Hij openbaart zich aan de nederigen; Hij geeft den kleinen verstand. Hij opent den geest aan reine
IV BOEK. XVIII HOOFDSTUK. 499 zielen, maar verbergt zijne genade voor nieuwsgierigen en hoogmoedigen.
's Menschen rede is zwak en kan falen; maar het geloof is waarachtig en kan niet dwalen.
5. Alle rede en natuurlijk onderzoek moet het geloof volgen, niet voorafgaan noch bestrijden,
Want geloof en liefde heerschen hier bovenal en werken in dit allerheiligste en allervoortreffelijkste Sacrament op verborgen wijzen.
God, de eeuwige, onmeetbare eu oneindig almachtige, doet groote en ondoorgrondelijke dingen in hemel en op aarde, en er is geen onderzoeken aan zijne wonderbare werken.
Waren Gods werken zoodanig, dat zij van 's menschen rede licht konden bevat worden, men zoude ze niet wonderbaar noch onuitsprekelijk mogen noemen.
OEFENING.
Het geloof doen zegepralen over de zinnen en over de rede, met vastelijk te gelooven, en ootmoedig het Lichaam en Bloed van Jezus Christus in het allerheiligste Sacrament te ontvangen.
1. Dit zeker grondbeginsel aangenomen zijnde, dat God meer dingen kan doen dan de mensch kan begrijpen ; dat het verstand van den mensch kan bedrogen worden, maar dat het geloof ons niet kan bedriegen; en dat wij eindelijk Jezus
500 IV BOEK XVIII HOOFDSTUK.
Christus en zijn woord moeten gelooven, als Hij aan zijne Apostelen zegt : Dit is mijn Lichaam, hetwelk voor u zal geleverd worden; dit is mijn Bloed, dat voor u zal vergoten worden, moeten wij zonder twijfel de wezenlijke tegenwoordigheid van het Lichaam en Bloed van Jezus Christus in het allerheiligste Sacrament des Altaars gelooven; en zonder de verborgenheid van dit geheim te willen doorgronden, dat voor het verstand onbegrijpelijk en voor den geest van den mensch ondoorgrondelijk is, moet het geloof de gebreken onzer zinnen vervangen, en, ons bevredigende met te denken dat God dit heeft kunnen doen, en Hij«ons verklaard heeft het gedaan te hebben, moeten wij ons alleen bezighouden met Jezus Christus, in het aanbiddelijk Sacrament des Altaars, te vereeren en te ontvangen.
2. Welk geluk alzoo, in het geheim van ons geloof, evenals in al de andere van onzen godsdienst, al het licht van het menschelijk verstand te mogen offeren voor de Waarheid van het Woo«-d Gods, alsook al de verkleefdheid van 's menschen hart, voor de oneindige liefde welke de Zaligmaker ons toont in de instelling en het gebruik van het allerheiligste Sacrament, in hetwelk Hij, volgens den heiligen Bernardus, geheel liefde voor ons is: waarin Hij, volgens de heilige Kerkvergadering van Trente, al de schatten zijner liefde in onze harten uitstort, maar van eene milddadige, grenzelooze liefde, welke Hem opwekt om er zich geheel in ten
ÃV BOEK. XVIII HOOFDSTUK. 501 beste te geven. Want het is, zegt de heilige tekst, in dit Sacrament, hetwelk Hij op het einde zijns levens heeft ingesteld, dat Hij ons de aandoenlijkste en wezenlijkste teekenen zijner liefde heeft gegeven, door zich innig x met ons te vereenigen, om van nu af bezit te nemen van onze harten, en ons hierdoor een onderpand te geven van het bezit, hetwelk Hij in eeuwigheid er van zal nemen.
3. Ziedaar de wonderbare inzichten van Jezus Christus in het allerheiligste Sacrament 1 Het is aan ons, te trachten hieraan te beantwoorden, door een waardig en dikwijls herhaald gebruik van hetzelve. Een oprecht en eerbiedig geloof, een christelijk en van de wereld afgescheiden leven, een grooten ootmoed, eene eenvoudige buigzaamheid om te gelooven, eene werkende gehoorzaamheid om niet aan Jezus Christus te weigeren hetgene Hij van ons verzoekt, als Hij door het heilig Sacrament in onze zielen komt: eene opoffering van geheel ons zeiven, om zijne vernietigde grootheid te eeren en de vurigheid zijner liefde te erkennen : ziedaar al wat Hij van ons verzoekt, en al wat wij moeten doen om ons in dit Sacrament wel te bereiden en er nut uit te trekken. Maar laat ons altijd indachtig wezen, dat Hij ter voorbereiding tot de Communie niet datgene verzoekt, wat er het uitwerksel van is, en dat, voor zoo veel wij daartoe naderen met een oprecht voornemen om ons te bekeeren, te kennen gegeven door eene goede biecht en door eene vaste
$Oi IV BOÃK. XVIlt ÃOOFDSTÃlC.
hoop, dat Jezus Christus ons door zijne tegenwoordigheid in zijne genade en liefde zal behouden ; wij ons moeten opwekken om dikwijl:» met vertrouwen de heilige Communie te ontvangen, om in ons den moed te doen ontstaan en te behouden ons zeiven te overwinnen, de getrouwheid in onze godvruchtige oefeningen, de volharding in de genade en in de liefde van God, die het ware uitwerksel eener goede en dikwijls herhaalde Communie zijn.
GEBED.
Goddelijke Jezus! ook deze laatste les wil ik mij ten nutte maken. Ik geloof aan uw woord; want uw woord is waarheid en kan mij niet bedriegen. Gaarne wil ik aan hetzelve mijne zwakke rede onderwerpen. Doe mijn geloof steeds levendig blijven, vooral als ik mij tot uwe heilige Tafel begeef. Heer ! ik geloof, versterk mijn geloof, laat het nimmer wankelen. Gij zijt de Zoon van God en hebt de woorden des eeuwigen levens. Amen.
BEHELZENDE VERSCHEIDENE ALGEMEENE ALS BIJZONDERE GRONDREGELS EN ZEDELESS^N.
Getrokken uit de werken van den
H. Franciscus de Sales.
§ «â¢
Christelijke zedelessen jegens God.
1. Men mag nooit van God noch van de goddelijke zaken zonder achting en oplettendheid spreken, maar altijd met groote achting en nederig gevoelen.
2. Men vraagt ons geheime en krachtige middelen om voortgang te doen in de volmaaktheid. Doch ik ken geene andere , dan God te beminnen, God lief te hebben uit ganscher harte, en den naaste als zichzelven.
3. Aan wien God alles is, aan zulk eenen is de wereld een niet.
4. Men moet Gods oordeelen vreezen zonder den moed te verliezen, en bemoedigd zijn zonder op zich te steunen.
$04 Bij VOEGSEL.
5. Het beste middel om eenvoudig te worden, is, zijn hart met God, die een allereenvoudigst Wezen is, te vereenigen.
6. Keer uw gelaat gestadig tot God, en tot uzelven, en gij zult God nooit zonder goedheid, noch uzelven zonder ellende vinden.
7. Men moet in al zijne werken niets anders betrachten dan wat God wil, en als men hetzelve kent, met blijdschap, of ten minste met mannenmoed trachten uit te werken, ja zelfs dien wil van God beminnen.
8. Men moet in het gebed volharden, hetzij met God aan te zien, of eenige andere zaak om God, hetzij met Hem aan te spreken zonder bemerkingen, eenvoudiglijk blijvende waar Hij ons gesteld heeft, gelijk een ongevoelig beeld op zijne plaats.
9. Acht nooit eenige zaak, dan volgens de wijze, waarop zij aan God behaagt.
10. Laat ons zijn hetgene God wil, als wij maar aan Hem behagen; maar laat ons nooit tegen zijnen dank zijn hetgene wij willen.
11. Ik ben, zal zijn, en wil immer aan de goddelijke besturing onderdanig wezen, zonder dat mijn eigen wil daar eenig ander deel in neme dan dien te volgen.
12. God heeft geen behagen dan in de harten, die vernederd zijn door ootmoed en uitgebreid door liefde.
13. Ik kan niet dulden, dat men zegt : men moet liever dit dan dat doen, wijl dit grootere
ÃljVOEGSEt. 505
verdienste in zich besluit : men moet alles ter eere van God verrichten.
14. Men mag zich in de beproevingen niet ontstellen, maar vast blijven in de welgeplaatste en zoete overgeving aan Gods wil.
15. Het groote voordeel der zielen in het oefenen der deugd, is niet gelegen in veel op God te denken, maar in Hem veel te beminnen.
16. Overdenk dikwijls, dat God in het midden van uw lijden u met een minnelijk oog aanschouwt, om te zien, hoe gij u in zijnen wil gedragen zult : oefen u dan ten tijde der beproevingen met genoegen in zijne liefde.
§ 2-
Christelijke zedelessen jegens onzen naaste.
1. De ziel ven onzen naaste is als de boom der kennis van goed en kwaad; het is ons op groote straf verboden de hand daaraan te slaan, om die te veroordeelen, dewijl God dat oordeel aan zich gehouden heeft.
2. Het is eene geestelijke onrechtvaardigheid het onze te verbergen.
3. Als men den naaste vermaant, om datgene te doen, wat men zelf niet doet, moet men spreken als de afgezanten van God, die in zijnen, en niet in hunnen eigenen naam bevelen.
4. Aanzien wij onzen naaste met een een-
5o6 filJVOÃGSEt.
voudig oog, zonder te willen onderzoeken wat
hij doet, of wat er van hem zal geworden.
5. Handelen wij gelijk de bijen, die honing uit alle bloemen tuigen; dat is : laten wij onze oogen slaan op de goede begaafdheden van onzen naaste, en ons bevlijtigen om die na te volgen.
6. Indien wij eenige gebreken in hem bemerken, laat ons die aanzien met medelijden, en trachten wij ze te verbeteren.
7. De vriendschap tot den naaste moet op de liefde gegrond zijn, en alsdan zal zij veel vaster staan dan alles, wat op vleesch en bloed of menschelijk ontzag gebouwd is.
8. Wij moeten elkander beminnen op deze wereld, gelijk wij elkander in den hemel zullen beminnen.
9. De Heidenen beminnen degenen, die hen beminnen : maar de Christenen moeten ook diegenen liefde bewijzen, die hen niet beminnen.
10. Wij kunnen nooit onzen naaste te zeer beminnen, noch de rede hierin te buiten gaan; maar wij kunnen hem wel uitwendig eene al te groote liefde bewijzen.
11. Wij moeten onzen naaste niet beminnen uit genegenheid, noch omdat hij goed is, of hoop geeft van goed te worden, maar voornamelijk omdat zulks Gods wil is.
12. Het verdragen der gebreken van onzen naaste is een der voornaamste deelen van de liefde, die wij hem schuldig zijn.
BIJVOEGSEL. 507
13. Onze Zaligmaker heeft van zijn dierbaar bloed, hetwelk Hij aan het kruis vergoten heeft, eenen heiligen en krachtigen mortel gemaakt, om de steenen zijner heilige Kerk, dat is ; de geloovigen, onder elkander te vereenigen, in een te smelten en als éen te maken.
14. Wij moeten onzen naaste zoo verre beminnen ; dat wij hem in alle zaken boven ons stellen in de liefdebewijzing, zonder hem iets te weigeren, hetwelk tot zijn voordeel kan strekken, behalve onze eigene verdoemenis.
15. Wij moeten onzen naaste uiterlijk ook betuigen dat wij hem liefhebben; maar met heilige en. onberispelijke betuigingen.
16. Wie zijnen naaste voorkomt met allen zoeten zegen, die is een oprecht navolger van onzen Zaligmaker.
§ 3-
Christelijke zedelessen jegens onszelven.
1. Wie zijne menschelijke neigingen meest bedwingt, die zal allermeest de bovennatuurlijke inspraken tot zich trekken.
2. Wij moeten alle werken in Gods tegenwoordigheid doen, opdat onze ziel wel geschikt 7ij.
3. Wij moeten op deze wereld leven, alsof onze zielen in den hemel, en onze lichamen in het graf waren.
508 bijvoegsel.
4. Wie vergenoegd wil zijn met het weinige dat hij bezit, die moet niet letten op degenen, die meer, maar op hen, die minder hebben dan hij.
5. Als men iets misdaan heeft, moet men zich voor God vernederen en aanstonds opstaan, en daar niet verder op denken, dan om telkens aan God zijne schuld te belijden.
6. Wie oprecht ootmoedig is, die denkt nimmer dat men hem ongelijk doet.
7. Wij moeten ons niet ontblooten van ons-zelven om naakt te blijven, maar om ons met den gekruisigden Christus te bekleeden.
8. Wij moeten onze nietigheid wel bekennen, maar in onzen niet niet blijven; want wij moeten onszelven slechts vernietigen, om ons met ons Al, dat is, met God, te vereenigen.
9. Wij mogen van onszelven niet oordeelen volgens het goede gevoelen, hetwelk een ander van ons heeft; want die gevoelens gaan doorgaans buiten de waarheid.
10. Bezie uwe kruisen nooit, dan te midden of door het kruis van Christus, en gij zult die zoo vertroostend, of ten minste zoo aangenaam' vinden, dat gij die meer zult beminnen, dan al de vertroosting der wereld.
11. In het huis van den rechtvaardige is alles bezig : niets is er onnuttig of ledig.
12. De bekoringen ontstellen ons slechts, omdat wij er te zeer aan denken, en wij die te zeer vreezen. De bekoringen kunnen geenszins hem, die bemint, ontstellen.
BIJVOEGSEL. 509
13. Verblijd u, dat de wereld op u geen acht slaat; doch indien zij u in achting houdt, lach haar dan blijmoedig uit, terwijl gij hare oor-deelen en uwe ellende aanziet.
14. Men moet zijne gebreken haten : doch met eenen bevredigden en bedaarden, maar niet met eenen grammoedigen en onstuimigen geest.
15. Overweeg dikwerf de langdurige eeuwigheid, en geene voorvallen van dit sterfelijk leven zullen u ooit verontrusten.
§ 4-
Algemeene lessen om wel te leven.
1. De mensch, die om God geschapen is, moet in God leven ; en hoe meer hij in God leeft, des te meer hij aan de wereld en aan zichzelven zal sterven.
2. Het baat weinig aan een mensch, dat hij leeft; maar wèl te leven, daarin is alles gelegen. Derhalve is het hem meer noodig wèl en heilig te leven, dan te leven.
3. Om wèl te leven, moet men zijne natuur bevechten en zijne neigingen verloochenen. Hoe meer men die wederstaat, des te meer men door de beweging der genade leeft.
4. Leven en sterven moet hetzelfde zijn aan een God minnend hart; maar het is veel beter eens wel te sterven, dan altijd kwalijk te leven.
5. Om wèl te leven moet men aan sterven
5 IO BIJVOEGSEL.
deaken: en om wèl te sterven, moet men zoo
leven, alsof men alle oogenblikken den dood
verbeidde.
6. Wie het laatste oordeel niet wil vreezen, die moet zichzelven veroordeelen; hoe strenger hij zich veroordeelt, des te zachter hem Christus oordeelen zal.
7. Om nooit in de hel te komen, moet men dikwijls aan de hel denken, en ernstig overwegen, dat men, om eene eenige doodzonde, daar eeuwig zal branden.
8. Om in den hemel te komen, moet men nederdalen en zich vernederen : want hoe meer men zichzelven veracht heeft, des te grooter de eer zal wezen.
9. Wie de versmading niet bemint, die kan niet zeggen dat hij volmaakt God bemint. Het begin der liefde is de haat van zichzelven.
10. Wie zichzelven te zeer bemint, die zal zichzelven in het verderf storten, en wie zichzelven om Jezus' wil verliest of haat, die zal zichzelven behouden.
11. Duizend werelden zijn niet te schatten bij eene ziel, die in de genade leeft; maar voor die, welke in de zonde verkeert, begint van nu af de hel.
12. De straf der zonde is veel grooter dan de genoegens, die de zonde vergezellen.
13. De ware moed van eenen Christen is gelegen in de zonden te wederstaan : het is eene allergrootste lafhartigheid die te bedrijven.
14. Wie God bemint zooals het behoort, die
BIJVOEGSEL. 511
kan zelfs aan eene enkele dagelijksche zonde geene toestemming geven. De doodzonde en de liefde bevinden zich nooit te zamen in hetzelfde hart.
15. Zijne onvolmaaktheden beminnen, is zich-zelven verraden; die te verschoonen, is zich plichtig maken; en die in iets te voeden, is voedsel geven aan de helsche vlammen.
16. De zonden zoeken is zijne eigene ziel willen verderven ; en zich in gevaar stellen van te zondigen, is zichzelven in eenen afgrond werpen, uit welken men niet zonder veel moeite kan geraken.
17. Het is eigen aan eene vrome ziel weinig werk te maken van alles, vvat tot God niet leidt, en vervreemd te zijn van al hetgeen ons van God aftrekt.
18. Een dag slechts, ja zelfs een uur doorgebracht in Gods tegenwoordigheid, is meer te schatten dan duizend jaren nutteloos in de tegenwoordigheid der schepselen doorgebracht.
19. Hoe meer de mensch zichzelven mistrouwt, des te bekwamer is hij om wonderheden uit te werken ; en hoe meer hij op de menschen vertrouwt, des te meer wankelt hij.
20. Duizende schatten zijn niet te waardeeren bij een goed geweten; wie dit bezit, die mag zich op zijnen rijkdom beroemen, al ware het dat hem alles ontbrak.
21. Niemand weet, hoe zoet het is, wel te leven, dan hij, die aan de wereld gestorven zijnde, heilig leeft in God.
5 12 BIJVOEGSEL,
22. Het is veel lastiger kwalijk dan wèl te leven; want om wèl te leven, behoeft men slechts te willen.
23. Het goede leven is nimmer zonder eenig lijden. Hij heeft altijd zijnen vervolger, die slechts dient om het goede leven te voltrekken.
24. Wie begonnen is wèl te leven, die zal geenszins verflauwen, zoo hij denkt, dat hij eeuwig moet leven.
25. Men kan de zoetheid van het heilige leven niet smaken, indien men in zonde blijft; en men kan niet heilig leven, zoo men de zinnelijkheid bemint.
26. Voor God en voor de wereld leven, is eene onmogelijke zaak; men moet aan het eene sterven, zoo men voor het andere wil leven,
47. Alles doen om God, en in tegenwoordigheid van God, is het eenigste middel om wèl te leven.
28. Die eeuwig wil leven, moet wèl leven, en niets doen, wat hij in zijn sterfuur zoude wenschen niet gedaan te hebben.
29. Aan het kwade leven zijn meer doornen dan rozen gehecht: indien zij nu niet steken, zal echter de tijd komen, dat zij hare scherpe punten wel zullen doen gevoelen.
30. Hem, die wèl leeft, zal het nooit berouwen : maar wie kwalijk leeft, moet gewis eenen altijd knagenden worm verwachten.
BIJVOEGSEL. 5 I 3
§ 5.
Bijzondere lessen om in de goddelijke genade getrouw te blijven volharden.
1. Het is veel gemakkelijker in Gods genade dan in het vermaak der zonde te leven. De zonde brengt altijd hare straf, en de genade hare genoegens mede.
2. Om in Gods genade te leven, hehoeft men slechts te willen, en niets is er zoo licht aan hem, die zulks waarlijk wil.
3. De genade en de zonde kunnen geenszins te zamen in de ziel heerschen. Daar, waar de genade de overhand heeft, kan de zonde niet bestaan.
4. De minste genade is meer waard, dan al de goederen der wereld.
5. Die in de genade leeft, mag zich beroemen, dat hij het kenteeken van Gods kinderen en van zijne uitverkorenen bezit.
6. Die lang in de genade wil blijven volharden, moet zijne natuur bestrijden en zijne neigingen bedwingen.
7. Om in de genade te leven, moet men eene drievoudige vrees hebben. De vrees haar te verliezen, als men ze heeft; de vrees over haar verlies, als men ze niet heeft; en de vrees van haar wederom te verliezen, als men ze her kregen h^eft,
33
514 BIJVOEGSEL.
8. Een enkel oogenblik van genade kan het begin eener gelukkige eeuwigheid wezen.
9. Het gebed te beminnen en het dikwijls te oefenen, is het middel om in de genade te leven.
10. De genade is zoo dierbaar dat men ze niet kan versmaden, of men moet te gelijk het Bloed van Christus versmaden.
11. De doodzonde alleen kan de genade vernietigen. Smaad, ziekten en smarten dienen meer om die te vermeerderen, dan om ze weg te nemen.
12. Men kan Gods genade op éen oogenblik verliezen, en men kan haar ook op éen oogenblik herkrijgen.
13. Wie op zijne hoede is om de genade van God niet te verliezen, die verliest haar zelden; maar wie niet waakt, die verliest haar zeer lichtelijk.
14. De genade van God te verliezen om het vermaak van de zonde, is eene uiterste dwaasheid ; maar zich niet bevlijtigen om haar weder te krijgen door de boetvaardigheid, is verstoktheid.
15. Op wat tijd de zondaar zich zal bekeeren en Gods genade verzoeken, zal God hem met opene armen ontvangen en hem genade bewijzen.
16. De genade van God wordt in het leven door deze vier elementen behouden : door het vuur der liefde, door de lucht der godsvrucht, door het water der boetvaardigheid en door de aarde der nederigheid.
BIJVOEGSEL. 5 I $
17. Te vertrouwen dat men in Gods genade zonder zijne hulp zal volharden, is laatdunkendheid; maar die hulp niet te verhopen, is een al te groot mistrouwen.
18. Hoe meer eene ziel in de genade leeft, des te meer zij de zonde vreest; en hoe meer zij die vreest, des te meer is zij verzekerd van in de genade te sterven.
19. In de genade te sterven, is beginnen te leven : maar buiten de genade Gods te sterven, is voor eeuwig sterven.
20. Het kan den mensch niet baten lang geleefd te hebben, indien hij in de genade niet sterft; en bij aldien hij daarin sterft, is hij verzekerd, dat hij God eeuwig zal genieten.
§ 6.
Verscheidene christelijke grondregels van den H. Franciscus van Sales.
1. Vier dingen weinig, en twee veel maken den mensch heilig : 1. Weinig weten ; 2. weinig denken; 3. weinig verlangen; 4. weinig spreken. Veel beminnen en veel doen.
2. Van twee zaken, die men doen mag, diegene verkiezen, welke meest aan God behaagt.
3 Niets doen om lof en eer, zelfs niet de heiligste werken, maar alles cm aan God te behagen.
4. In alle gelegenheden onderzoeken wat Christus in zulk een geval zou gedaan hebben.
5i6 bijvoegsel.
5. Wij zullen nooit vrede met ons zeiven hebben, tenzij wij in vrede met God zijn.
6. Alle godsvrucht, die strijdig is aan onzen roep, is eene valsche godsvrucht.
7. Het treflelijkste sieraad van een goed hart is de onverschilligheid, niet alleen om dit of dat te doen, maar ook wegens den uitval aller zaken. God aanbiddende in alles wat er geschiedt, zelfs in de toelating van onze gebreken; want zulks dient om ons te vernederen zonder moedeloos te worden.
8. De godsvrucht, die eigenzinnig is, is geene ware godsvrucht maar eigenliefde.
9. De godsvrucht moet niet alleen beoefend worden in de kerk, in het gebed en in de overdenking ; maar men moet haar vruchtbaar maken, en leven gelijk men in zijnen ijver heeft beloofd. Als er dan een smaadwoord, een hard woord of iets kwaads voorvalt, moet men dat omhelzen met een bevredigd gemoed, en God aanbidden in de stilte van zijn hart.
10 Daarom is er op de wereld geene andere vermakelijke, oprechte, duurzame en smartelijke zoetheid te vinden, dan degene die van de godsvrucht komt. De aardsche genoegens gaan niet verder dan de huid; maar die van den inwendigen vrede dringen tot in het binnenste der ziel door.
11. Een hart moet, om waarlijk goed te wezen, zuiver, trouw, kloekmoedig, standvastig, zachtmoedig, eenvoudig, gelijkvormig, onwrikbaar naar Gods hart en volkomen ootmoedig zijn.
bijvoegsël; 517
12. Niets verlangen en nietó wèigeren, is onverschillig en waardig zijn ten opzichte van alles, zonder aangekleefdheid aan zijne eigene gedachten, hoe heilig zij aan onze eigenliefde ook mochten schijnen.
13. Niemand verachten : een werkman kan niet dulden, dat men in zijn bijzijn zijn werk veracht; doch God is overal en de mensch is zijn maaksel.
14. Wel overtuigd zijn, dat er geen ander kwaad in de wereld is dan de zonde; ja dat alle oneer, armoede, ziekte en de hel zelfs zoo groot kwaad niet is als eene enkele doodzonde.
15. De rijkdommen, de eerambten en de genoegens zijn geene groote zaken; want indien zij te bekomen waren door eene enkele dage-lijksche zonde te bedrijven, zou men zè zoo duur niet mogen betalen.
16. Daarom ware het beter de geheele wereld te laten vergaan, dan eene enkele leugen te spreken.
17. Niets ondernemen zonder raad, is het middel om niet te falen, en altijd gerust te zijn.
18. Als iets wel uitvalt, moet men al de eer daarvan aan God toeschrijven en de menschen daarvan niet spreken; zoo iets slecht uitvalt, moet men rechtzinnig onderzoeken, of men daar eenige schuld aan heeft, om God vergiffenis te vragen en zich te beteren; bijaldien men geene schuld bevindt, evenwel denken, dat het om onze zonden geschiedt, en zich voor de goddelijke goedheid vernederen.
5l8 JiljVOEGSÃf..
19. Men moet voor eene kloekmoedige vef-achling het gepraat der menschen versmaden, voornamelijk die rampzalige woorden : Wat zal men zeggen ? Wat zal men denken ? Men zal dit doen. Men zal mij uitlachen. Men moet zich gewennen op God en op zijne Engelen te denken, denkende : Wat zal Hij zeggen ? enz. en verder niet.
20. Men moet gestadig leven in eene teedere kinderlijke vrees, zonder veel op zijne goede meening te vertrouwen, want er is niets zoo gevaarlijk, als het goed gevoelen van zichzel-ven, en de glans eener goede meening : die schitterende zonnestralen hebben de oogen van vele menschen bedwelmd, die, niets anders meenende te zoeken dan God alleen, zichzelven gevonden hebben, en door de ijdelheid zijn verloren gegaan.
21. Dewijl de geest menigmaal verflauwt, moet men zich gewennen zijne goede meening dikwijls te hernieuwen, zijne gedachten te zuiveren, zijn hart recht tot God te stieren, en voor Hem alleen te leven, Hem al onze werken op te dragen, en zich wachten van die uit enkele gewoonte te doen.
§ 7-
Bijzondere grondregels tot het bewaren van den inwendigen vrede.
1. Niet wenschen naar eenen grooten naam, noch naar de eer der wereld.
BIJVOEGSEL. 519
2. Niet verkleefd zijn aan de vertroostingen of de vriendschap der menschen.
3. Het leven niet beminnen, en al hetgene wat aan de natuurlijke neigingen pijnlijk valt, verachten.
4. Manmoedig de lichamelijke pijnen en ziekten verdragen, door zich aan Gods wil te onderwerpen.
5. Op het oordeel der menschen geen acht geven.
6. De ongenadige oordeelvellingen der menschen zwijgend verdragen.
7. U niet verontrusten over hetgene men van u zal zeggen, maar Gods oordeel afwachten en uwe veroordeelaars verwijzen.
8. Overdenken voor wie gij uwe werken doet, en zij, die u wenschen te storen, zullen daartoe geen vermogen hebben.
9. Waar eenig geestelijk gewin te doen is, moet men geene schande ontzien.
â
V -
Bladwijzer.
Voorrede ..... 3 Het leven van Thomas a Kempis. 5 Misgebeden. â Korte verklaring
der Mis . . . . .15 De heilige Mis, zoo als de Priester
die aan het altaar leest . 20 De Vesper-psalmen voor den Zondag ......41
(Ccrsttc gioek.
Nuttige lessen voor het geestelijk leven.
1 hoofdstuk. Over de navolging
van Christus en de verachting van alle wereldsche IJdelheden. 51
2 » Over de geringachting van zichzelven . . *54
522 bladwijzer.
3 HOOFDSTUK. Over de leer der
waarheid ....
4 » Over een voorzichtig gedrag .....
5 » Over het lezen der heilige Schrift ....
6 » Over de ongeregelde hartstochten ....
7 » Vlucht de ijdele hoop en den hoogmoed.
8 » Over eene te groote gemeenzaamheid .
9 5 Over de gehoorzaamheid en onderwerping .
ie gt; Over het vermijden van nuttelooze gesprekken .
11 s Over de middelen tot vrede, en den ijver tot voortgang .....
12 j Over het nut der tegenspoeden. ....
'3 » Over het weerstaan der bekoringen ....
'4 ⦠Over de lichtvaardige oordeelvellingen
BLADWIJZER. 523
15 HOOFDSTUK. Over de werken
uit liefde verricht . . 89
16 » Over het verdragen
der gebreken van anderen . 92
17 » Over het kloosterleven . . . . -94
18 s Over het voorbeeld
der heilige Vaders. . . 97
19 » Over de oefeningen van den waren kloosterling . 101
2D s Over de liefde tot eenzaamheid en stilzwijgendheid . 106
21 » Over het berouw des harten . . . . .111
22 ï Beschouwing der men-schelijke ellende . . ⢠1 '5
23 gt; Overdenking des doods. 120
24 n Over het oordeel en de straffen der zonden. . .126
25 » Over de ijverige verbetering onzes levens . .132
524 bladwijzer.
fiïtveebe geek.
Vermaningen die tot het inwendige werken.
1 hoofdstuk. Over den omgang
met zichzelven . . .139
2 gt; Over de nederige onderwerping . . . -145
3 » De goede vreedzame mensch ..... 148
4 gt; Over de reinheid des harten en eenvoudigheid in bedoeling . . . .151
5 » Over de beschouwing van zichzelven . . .153
6 gt; Over de vreugde van
een goed geweten. . .156
7 » Over de alles overtreffende liefde tot Jezus . .160
8 gt; Over den vertrouwelij-ken omgang met Jezus . .163
9 » Over het missen van allen troost . . . .167
1° * Over de dankbaarheid
voor de genade Gods . ⢠^73
I
bladwijzer. 525
11 hoofdstuk. Over de weinige
vriendeo van Jezus'Kruis . 177
12 » Over den koninklijken weg des heiligen kruises . 181
OTer de intreudige vertroostingen.
1 hoofdstuk. Over het inwendige
onderhoud van Christus met de geloovige ziel . . . 191
2 » De Waarheid spreekt in ons zonder geluid van woorden . . . . -194
3 » Het woord Gods moet met ootmoed gehoord worden,
velen nemen het niet ter harte. 197
4 » Men moet in waarheid en ootmoed voor God wandelen . . . . .201
5 j Over de wonderbare werking der goddelijke liefde. 205
6 s Over den toetssteen der ware liefde . . .211
;26 bladwijzer.
7 hoofdstuk. Dat men de genade
onder de hoede der nederigheid moet verbergen . .216
8 » Hoe gering men zich moet achten in het oog van God . . . . .221
9 » Dat men alles tot God, als het laatste einde moet terugbrengen . . . .225
0 » Hoe genoegelijk het zij, met verachting der wereld. God te dienen . . . 227
1 j Dat men de begeerten zijns harten moet toetsen en matigen. . . . .231
2 » Over het oefenen der lijdzaamheid en het bestrijden
der kwade lusten . . , .234
3 » Over de gehoorzaamheid van een nederig onder-hoorige, naar het voorbeeld van Jezus Christus. . . 237
4 s De overweging van de verborgen oordeelen Gods, een middel tegen zelfverheffing. 241,
bladwijzer. 527
15 hoofdstuk. Hoe men zich bij al
het wenschelijke moet gedragen, en hoe men moet bidden. ..... 244
16 » Dat men bij God alleen waren troost moet zoeken. ..... 247
17 s Dat men alle zorg op God moet werpen. . . 250
18 s Dat men de rampen des levens naar hei voorbeeld van Christus, met gelijkmoedigheid moet dragen. . .252
19 » Over het verdragen van smaad. De ware geduldige. ..... 256
20 s Over de bekentenis van eigene zwakheid en over
de rampen des levens . -259
21 » Dat men in God boven alle goederen en gaven moet rusten .... 263
22 ï Over het gedenken van Gods menigvuldige weldaden. 268
23 j De vier dingen, die
528 bladwijzer.
den vrede grootelijks bevorderen ..... 272
24 hoofdstuk. Dat men moet ver
mijden naar eens anders gedrag nieuwsgierig te onderzoeken . 276
25 » Waarin de duurzame vrede des harten en de ware voortgang bestaan. . .278
26 » Over de hooge waarde van een vrij gemoed, dat men eerder verkrijgt door nederig bidden dan door veel lezen . 281
27 gt; Dat de eigenliefde van het hoogste goed ten sterkste aftrekt . . . . .284
28 » Tegen kwaadsprekende tongen. .... 288
29 i Hoe men in wederwaardigheden God moet aanroepen en zegenen... . 290
3° gt; Dat men Gods hulp moet afsmeeken en op de wederkomst der genade vertrouwen. ....
31 gt; Om den Schepper te
293
BLADWIJZER. 529
kunnen vinden moet men alle schepsel laten varen. . . 297
32 HOOFDSTUK. Over de zelfverloo
chening en verzaking van alle begeerlijkheid . . . 302
33 » Over de onstandvastigheid des harten, en dat God onze laatste bedoeling moet zijn. 305
34 » De ware minnaar vindt bij alles en boven alles in God zijn genoegen . . . 307
35 » Dat men in dit leven niet veilig is voor bekoringen. 311
36 5 Tegen de ijdele beoordeelingen der menschen . 314
37 5 Over den zuiveren en geheelen afstand van zichzelven om de vrijheid des harten te bekomen. . . . -317
38 » Over een goed bestuur in het uitwendige, en hoe men in gevaren zich tot God moet begeven .... 320
39 5 Dat men zich over zijne zaken niet mag kwellen. 323
34
|
k ⢠|
⢠| |||
|
530 |
bladwijzer. | |||
|
40 |
» Dat de mensch uit zich- | |||
|
zelven niets goeds heeft en | ||||
|
over niets kan roemen . |
325 |
5° | ||
|
4' |
hoofdstuk. Over devèrsmading | |||
|
van alle tijdelijke eer . |
329 | |||
|
42 |
» Dat men zijnen vrede |
Si | ||
|
niet bij de menschen moet | ||||
|
zoeken ..... |
331 | |||
|
43 |
gt; Tegen de ijdele we | |||
|
tenschap der wereld. |
334 |
52 | ||
|
44 |
gt; Dat men zich het uit | |||
|
wendige niet moet aantrekken. |
337 |
53 | ||
|
t |
45 |
gt; Dat men niet aan allen | ||
|
geloof mag geven, en over het | ||||
|
licht struikelen in woorden . |
339 | |||
|
46 |
¥ » Dat men bij scherpe |
54 | ||
|
woorden op God moet ver | ||||
|
trouwen. . . . . |
344 |
55 | ||
|
47 |
» Dat men alle lijden | |||
|
om het eeuwige leven moet | ||||
|
1 â |
verdragen . . . . |
348 | ||
|
48 |
» Over den dag der eeu |
S6 | ||
|
; |
wigheid en de ellenden van | |||
|
dit leven. . . . . |
35« | |||
|
r |
49 |
j Over het. verlangen |
bladwijzer. 531
naar het eeuwige leven; en hoe groote goederen den strijders beloofd zijn . . . 357 hoofdstuk. Hoe de troostelooze raensch zich in Gods hand moet overgeven. .... 363
» Dat men zich op geringer werken moet toeleggen als men in verhevener te kort schiet ..... 369
» Men achte zich geen troost maar eer strafwaardig . 371
» Dat Gods genade niet bestaanbaar is met aardschge-zindheid. . . . -375
gt; Over de verschillende neigingen der natuur en der
genade.....379
s Over de verdorvenheid der natuur en de kracht der goddelijke genade . . . 386
s Dat wij onszelven moéten verloochenen en Christus op den weg des kruises volgen......391
532 BtADWyüER.
57 hoofdstuk. De tnensch zij niet
te neerslachtig wanneer hij in eenigen misslag valt . . 396
58 » Men mag geene te verheven zaken noch de verborgen raadsbesluiten Gods onderzoeken. .... 400
59 j Dat men alle hoop en vertrouwen op God alleen moet stellen ..... 406
grietrbe goeh.
Over het allerheiligste Sacrament.
1 hoofdstuk. Vurige uitnoodiging
tot de heilige Communie. â Met welken eerbied men Christus moet ontvangen. . .411
2 5 Over de groote goedheid en liefde, door God in hetJieilig Sacrament den mensch bewezen. .... 420
3 » Hoe nuttig het is dikwijls te communiceeren . . 427
bladwijzer. 533
oefening. Vurig verlaDgen om te communiceeren, of ten minste de noodzakelijkheid gevoelen, om dit te doen en dikwijls te doen ..... 430
4 hoofdstuk. Over de groote
voordeelen aan eene godvruchtige Communie verbonden . 432 oefening. Om van onzen Zaligmaker een levend geloof aan zijne wezenlijke tegenwoordigheid in het allerheiligste Sacrament des Altaars, en eene vurige liefde tot hem te verzoeken ..... 435
5 gt; Over de waardigheid van het Sacrament en over den priesterlijken staat . . -437
oefening. Over de heilige voorbereiding, welke een Priester moet in het werk stellen, om waardig het heilige Misoffer op te dragen, en van die, welke een Christen moet hebben, om het godvruchtig te hooren en
534 bladwijzer.
er voordeel uit te trekken . 439
6 hoofdstuk. Ondervraging naar
eene oefening voor de heilige Communie . . -445
7 » Over het onderzoek des gewetens en het voornemen ter verbetering . . . . 447
8 » Over de opoffering van Christus aan het kruis en de opoffering van zichzelven . 451
9 . » Dat wij ons en al het
onze moeten opofferen en voor allen bidden . . . -453
10 » Dat men de heilige Communie niet licht moet achterlaten ..... 458
11 gt; Dat het Lichaam van Christus en de heilige Schrift voor eene geloovige ziel hoogst noodzakelijk zijn . . . 464
oefening. Over het lezen der heilige boeken, hetwelk moet dienen om ons tot de heilige Communie te bereiden en er de vrucht van te behouden. . 469
bladwijzer. 535
12 hoofdstuk. Dat degene die com-
municeeren wil. zich met groote vlijt mcpet voorbereiden . . 470 oefening. Op welke wijze men het Lichaam en Bloed van Jezus Christus moet nuttigen . 473
13 s Dat eene godvruchtige ziel van ganscher harte moet verlangen naar de vereeniging met Christus in het Sacrament . 475
oefening. Over de inzichten van Jezus Christus in het verblijven op onze altaren , en over de godvruchtige gevoelens waarmede wij in de Mis en in het Lof of bij andere Bezoeken moeten tegenwoordig zijn . 477
14 gt; Over het vurig verlangen van sommige godvruchti-gen naar het Lichaam van Christus. .... 480
oefening. Om waardig de geestelijke Communie te doen . 482
15 » Dat de genade der godsvrucht door ootmoed en
53^ bladwijzer.
zelfverloochening verkregen
wordt.....484
oefening. Hoe men zich moet bereiden om de eigene genade der heilige Communie te ontvangen en daaruit nut te trekken .....486
16 HOOFDSTUK. Dat wij onze be
hoeften aan Christus moeten blootleggen en zijne genade afsmeeken .... 488
17 ' * Over de bloeiende liefde en brandende begeerte
om Christus te ontvangen. . 493
18 ï Dat de mensch aangaande het -Sacrament niet nieuwsgierig mag onderzoeken,
maar dat hij Christus nederig moet navolgen en zijne zinnen aan het heilig geloof onderwerpen ..... 497
oefening. Het geloof doen zegepralen over de zinnen en over de rede, met vastelijk te ge-looven, en ootmoedig het Li-
bladwijzer. 537
chaam en Bloed van Jezus Christus in het allerheiligste Sacrament te ontvangen. . 499 Bijvoegsel. Verschillende gebeden. 503
Exudi et in lucem edi permittitur.
RurcenmndcB, 8 Decembris i88j.
P. J. H. Russel, Can. et Prof.
ad hoc delegatus.
---- . . I n
S
âi â
v â â
â
â
â1
4
I