185
KORTE OVERWEGINGEN
OYER HET
UIT HET JÃXGELSCH
RICHARD F. CLARKE, S. J.
MET EEN VOORREDE VAN
W. VAN NIEUWENHOFF, S. J.
KERKELIJK GOEDGEKEURD.
AMSTERDAM. - G. BORG. 1896.
Vak 55
a m. i
KORTE ÃVEKWEGrTNGEN
u t t n e t ]â : x a e l s c n
VAN
RICHARD F. CLARKE, S. J
MET EEN VOORREDE VAN
W. VAN NIEUWENHOFF, S. J.
KERKELIJK GOEDGEKEURD.
SibÃo cheek IÃNDERBROEOERS W££RT.
AMSTERDAM. - G. BOKG. 1890.
IMPRIMATUR.
H. F. J. KIKMENSPOEL,
Lih. ('ens.
AiisTnr.oimn, die 22:l Eebr. 189G.
V O O E R E 1) E.
De moditatio of liet overwegend gebed is een geestelijk voedsel voor allen, die zich aan den dienst van God toewijden. In de overweging ziet de menscli van den eenen kant, dat liet goed is, den Heer aan te hangen en op God al zijne lioop te stellen ; van den anderen, dat hij daartoe hulp behoeft; te dien einde heft hij zijne oogen naar de heilige bergen, vanwaar die hulp zal komen.
De beschouwing van het openbaar loven onzes Heeren, dat is van zijne woorden en daden, is bovendien een der krachtigste middelen om een waarlijk Christelijk leven te leiden. Zij helpt ons verkrijgen wat de H. Augustinus afsmeekte: âlieer Jezus, laat me mijzelven kennen, laat mij U kennen !quot; In de beschouwing van zijn leven leeren wij den geest van Jezus Christus kennen ; wij overwegen de gevoelens van zijn goddelijk Hart; Hij staat levend, sprekend en handelend vóór ons, â en bij het licht, dat van Hem uitgaat, zien wij onszelven. De kennis van onszelven wekt een heiligen haat, dat is leedwezen, boetvaardigheid in ons hart; de kennis van Jezus Christus wekt liefde, verlangen
voorrede.
om Hem na to volgen â en de navolging- van Christus is de weg tot de hoogste volmaaktheid.
Niet zeldzaam wordt de klacht vernomen, dat âmediteerenquot;, overwegen, beschouwen moeilijk is. Do âKorte Overwegiiigen van P. Clarkequot; toonen veeleer de gemakkelijkheid aan; hij leert ons mediteeren. Hij helpt ons de les van den H. Philip-pus Nerius in beoefening brengen, waardoor een arme man uit het volk de meditatie zoo gemakkelijk en aangenaam vond, dat hij er dagelijks eenlgen tijd aan besteedde. De H. Philippus had hem aangeraden eiken morgen iets uit het Evangelieboek te lezen, daarover na te denken en dit op zich zeiven toe te passen. Die arme man kon dit; wie kan het niet ? Overwegen komt neer op drie dingen, die in de wereld iedereen dagelijks doet: .tien, nadenken en sprelcen. Hier zien wij eene waarheid ons in het H. Evangelie voorgesteld ; den zin van een woord door onzen Heer gesproken, een wonder door Hem verricht. Wij geven acht op de omgeving en de omstandigheden, op don persoon die spreekt of handelt. Dan dcnlcen wij erover na, wat het beteekent, welke de bedoeling was, en wij vinden op de bladzijde vóór ons antwoord en verklaring. Wat is er natuurlijker dan daarop tot ons zeiven te sprehen: â doe ik naar dit woord ? Is zoo mijn gedrag ? Neen ! Dan gelijk ik niet op Jezus Christus. Ik moest geheel anders doen ! O God, wees mij zondaar genadig ! Ontferm U mijner !quot;
iv
Deze gewone manier van mediteeren is voor
O
voojiredk
niemand van goeden wil moeiolijk to noemen. Daarom dunkt mij, dat de âKorte Overwegingen van P. Clarkequot; welker vertaling met toestemming des schrijvers door eene vaardige en bekwame hand bewerkt is, dit onberekenbaar voordeel aanbieden, dat zij do overweging voor allen gemakkelijk maken en lust er toe opwekken. Keeds in dit opzicht verdient deze uitgave een hartelijk welkom. De keuze der hier behandelde stof acht ik bovendien zeer gelukkig, dewijl de priester in deze schijnbaar eenvoudig neergeschreven bladzijden onverwachte en hem zeer welkome opheldering vindt van sommige moeielijke plaatsen dos Evangelies te gelijk met de wijze om die voor anderen toepasselijk te maken. Religieuzen on niot-religieuzen loeren hier dag voor dag, hoe allo volmaaktheid en heiligheid bestaat in clo navolging van Christus, dat is in het getrouw volbrengen van Gods H. wil.
Blijken deze overwegingen mot hare glasheldere klaarheid, vromen eenvoud en echt gezonde godsvrucht welkom aan hen, die het overwegend gebed willen loeren of reedsbeoefenen,dan zullen P.Clarke's Korte Overwegingen over de Geheimen van hot loven on zes Hooron op gelijke wijze in een Hollandsch kleed verschijnen.
De uitgever heeft niet slechts gezorgd voor eene duidelijk leesbare letter, maar de overwoging ?oo geplaatst, dat telkens éene in haar geheel voor ons ligt, zoodat de aandacht door goene voorafgaande of volgende kan worden afgeleid.
v
vookkede.
vi
Moge Gods rijke zegen op deze bladzijden rusten en zoo het doel worden bereikt, waarmede zij blijkbaar geschreven en bewerkt zijn, dat de kennis, do liefde en de navolging van onzen Heer Jezus Christus van dag tot dag toenemen !
's-Gkavenhacie, 12 Februari 1896.
W. VAN NIEUWENHOFF S. J.
B L A 1) W IJ Z E II.
Blad/..
Dc tlooj) van Jezus............................2
Zijn vasten.......... ............4
Jezus wordt bekoord..........................6
Het Lam Gods..............8
Dc eerste leerlingen..............10
Nathanaël....................... .12
De bruiloft te Cana..............14
Do verdrijving der kooplieden uit den tempel. . . IC
Het kenmerk van Jezus' zending........18
Het bezoek van Nicodemus...........20
De tweede geboorte...........22
riet geschenk des Hemels...........24
De koperen slang...............26
Getuigenis van Joannes den Dooper......28
De put van Samaria............ .30
Het levende water..............'iS
De ware en de valscbo aanbidding.......34
De bekeering der Samaritanen.........⢠6
Het rijp worden van den oogst...... . . 38
Genezing van den zoon des hofbeambten.....40
De synagoge te Nazareth...........42
Een profeet in zijn eigen land.........44
De toorn der Nazareërs............46
Dc roeping der vissehers............48
De Synagoge te Capharnaüm..........50
Jezus drijft den duivel uit...........52
De genezing van Petrus' schoonmoeder.....54
Jezus' arbeid te Capharnaüm...........56
Zalig zijn de armen van geest.........58
â v
Ill.AllWIJZKU.
liJiulz.
Zulig' zijn do zaclitnioedigon..........60
Zalig zijn zij, die treuren..........62
Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten, enz. ... 64
Zalig zijn de barmhartigen...........66
Zalig zijn de reinen van harte . ........68
Zalig zijn de vreedzamen............70
Zalig zij, die vervolging lijden, enz.......72
Het zout der aarde en 't licht der wereld .... 74
De vervulling der 'ïvet.............76
Aalmoezen en geheden in 't openbaar......78
Het vergaderen van schatten.........80
Over de zuivere uieening.........â . . 82
Over het vertrouwen op God..........84
Over het lichtvaardig oordeel..........86
Over de kracht des gebeds...........88
Over het oordeelen naar de uitkomsten.....90
Het huis op de rots..............92
De wonderbare vischvangst..........94
Do genezing van den inelaatsche.......96
De genezing van den lamme..........98
Do roeping van den apostel Mattheüs......100
Het feest in Mattheüs' huis..........102
Het mirakel bij den schaapsvijver...... .104
De geest en de letter............106
De Joden terechtgewezen.........108
Het plukken van korenaren...........110
Jezus trekt zich voor zijne vijanden terug . . . .112
De roeping der apostelen............114
De prediking in de vlakte...........116
Genezing van den knecht van den hoofdman . . .118
De weduwe van Naïm.............120
Het bezoek der leerlingen van Joannes .... 122 Jezus' getuigenis over Joannes den Dooper. . . . 124
Het gevolg van verwaarloosde genaden.....126
De Goddelijke trooster. . .......... 128
Bekeering van Maria Magdalena.......130
De godslastering der Pharizeën.........132
De zonden tegen den H. Geest.........134
IJdele woorden................186
De ware verwantschap met Christus.......138
De zaaier en het zaad.............140
vm
KLADWIJZER. ix
t\ iii Bladz.
De weg en de steenachtige grond........142
Het zaad tusschen de dooreen........144
De goede aarde................146
De gelijkenis van het onkruid.........148
Het zaad, dat in de aarde valt.........l.r)0
De gelijkenis van het mosterdzaad.......152
De schat in den grond verborgen........154
De parol van grooto waarde.........156
De gelijkenis van den zuurdeesem........158
Het bedaren van den storm..........160
Het legioen duivelen uitgedreven........162
Het oude en het nieuwe verbond........164
De genezing der vrouw van bloedvloeiing .... 160
De opwekking van Jaïrus' dochter.......168
De uitzending der apostelen..........170
De onderrichtingen voor de rois.........172
Christus' zorg voor zijne dienaren........174
De strijd van hot Evangelie..........17Ã
De belooning der naastenliefde.........178
De dood van Joannes den Dooper........ISO
De terugkeer der apostelen...........182
De spijziging der vijfduizend..........184
Het verzamelen van het overgeblevene......186
Jezus verschijnt wandelend op liet meer.....188
Petrus wandelt op liet water..........190
De spijs, die niet vergaat...........192
Het brood van den Hemel...........194
De wil van God om ons zalig te maken.....196
De morrende Joden.........â .....198
De vraag des ongeloofs...........200
Afvallige leerlingen..............202
De ongewasschen handen............204
Hoe overleveringen bedorven worden.......206
Slechte gedachten...............208
De zondigheid van slechte gedachten......210
De Cananeesche vrouw.............212
Genezing van den doofstomme.........214
Het teeken van den hemel...........210
De zuurdeesem der Pharizeën..........218
De blinde van Bethsaïda............220
De belijdenis van Petrus............222
BLAmVMZEK.
Bladz.
De beloften aan Petrus............224
Het naderend lijden..............226
De leer des kruises..............228
Verlies en winst...............230
De gedaanteverandering............232
Genezing van den bezeten jongeling.......234
De tempelschatting ..............236
Twist onder de apostelen...........238
Over ergernis.................240
Over broederlijke liefde............242
Het Sacrament des huwelijks..........244
Het loofhuttenfeest..............246
Onze Heer in den tempel..........248
De overspelige vrouw.............250
De blindgeborene...............252
De goede herder . .............'254
De geest van het Evangelie..........25G
Eenige voorwaarden der navolging van Christus . 258
De zending der twee en zeventig........260
De barmhartige Samaritaan..........£62
Martha en Maria...............2G4
Hoe wij moeten bidden............266
Het huis dat verdeeld is............268
Het goddelijk moederschap...........27u
De rijke dwaas................272
Waakt!...................274
De onvruchtbare vijgeboom..........276
De enge poort................278
Over zelfverheffing..............280
Het groote gastmaal..............282
Het verloren schaap..............284
De verloren zoon : zijn vertrek.........286
, , â zijn berouw.........288
, r â zijn terugkeer........290
De onrechtvaardige rentmeester.........292
De rijke vrek.................294
De opwekking van Lazarus...........296
De vergadering der Pharizeën.........298
De tien melaatschen..............300
De onrechtvaardige rechter...........302
De rharizeër en de Tollenaar..........:,.04
X
111. A [) WIJZER. XI
Bhidz.
De noodzakelijkheid van den ootmoed......306
De rijke jongeling...............308
De Evangelische raden.............310
De arbeiders in den wijngaard.........312
De bede der zonen van Zebedeüs........314
De blinde van Jericho.............316
De bekeering van Zacheüs...........318
De Heer en zijne knechten...........320
Palmzondag.................322
Christus weent over Jeruzalem.........324
Over het sterven aan de wereld.........326
De verdorde vijgeboom.............328
Over het vertrouwen in het gebed.......330
Hot gezag des Heeren.............332
De ongehoorzame zonen............334
De vraag der Sadduceën............336
De wijngaard en de landlieden........338
De bruiloft van den zoon des Konings......340
Keizer en God................342
Het penningske der weduwe..........344
Het groote gebod...............346
Wee u, Schriftgeleerden en Pharizeen......348
De gelijkenis der tien maagden.........350
De gelijkenis der talenten........... 352
Het laatste oordeel..............354
KORTE OVRRWEG1N GEN.
1
DE DOOP VAN JEZUS.
Matth. III : 13â17.
Christus neemt afscheid van zijne H. Moeder, en gaat op reis naar den Jordaan; Hij wordt te midden van eene menigte zondaren door den H. Joannes gedoopt, en eene stem uit den Hemel spreekt hem toe: âGij zijt mijn welbeminde Zoon, in U heb ik mijn welbehagen!quot;
I. Dertig jaren had het heerlijk samenzijn geduurd van Jezus met zijne H. Moeder. Nooit, sinds de schepping der wereld, had er eene verhouding bestaan zoo vol onuitsprekelijke vreugde als die tus-schen Jezus en Maria. â Maar de tijd is nu aangebroken, dat er aan dit geluk een eind moet komen, en hunne liefhebbende harten werden verscheurd door deze scheiding. Toch vervolgt Christus met de grootste blijmoedigheid en vreugde zijn weg; het was Gods H. Wil, dat Hij zijne Moeder verliet, en de grondtoon van zijn leven was: Zie! ik kom Uwen Wil volbrengen, mijn God.
3
II. Het is dezelfde goddelijke leiding, die Hem naar den Jordaan voert om te midden van zondaren gedoopt te worden, alsof Hij, het Lam Gods, zelf een zondaar ware. â Toch aarzelt Hij geen oogenblik. Het was de wil van God, daarom is het zijn grootste vrengd te doen, wat de men-schen eene verkeerde opvatting en dwaling zonden achten, die nadeelig voor zijne toekomstige zending werken moest. Gehoorzaam ik zoo onvoorwaardelijk aan den wil van God?
III. Gehoorzaamheid en ootmoed zijn de zekerste weg om van God eer te ontvangen. Hij verheft gaarne de ootmoedigen en zendt stroomen van goddelijke genade aan de gehoorzamen toe. Een stem uit den Hemel verklaarde Hem, die zich zoo diep had vernederd, den welbeminden Zoon van God. De H. Geest, die in zichtbare gedaante nederdaalde, getuigt, hoe de wijsheid het bijzonder voorrecht der gehoorzamen is.
DE DOOP VAN JEZUS.
Matth. III : 13â17.
Christus neemt afscheid van zijne H. Moeder, en gaat op reis naar den Jordaan; Hij wordt te midden van eene menigte zondaren door den H. Joannes gedoopt, en eene stem uit den Hemel spreekt hem toe: âGij zijt mijn welbeminde Zoon, in U heb ik mijn welbehagen!quot;
1. Dertig jaren had het heerlijk samenzijn geduurd van Jezus met zijne H. Moeder. Nooit, sinds de schepping der wereld, had er eene verhouding bestaan zoo vol onuitsprekelijke vreugde als die tus-schen Jezus en Maria. â Maar de tijd is nu aangebroken, dat er aan dit geluk een eind moet komen, en hunne liefhebbende harten werden verscheurd door deze scheiding. Toch vervolgt Christus met de grootste blijmoedigheid en vreugde zijn weg; het was Gods H. Wil, dat Hij zijne Moeder verliet, en de grondtoon van zijn leven was: Zie! ik kom Uwen Wil volbrengen, mijn God.
3
II. Het is dezelfde goddelijke leiding, die Hem naar den Jordaan voert om te midden van zondaren gedoopt te worden, alsof Hij, het Lam Gods, zelf een zondaar ware. â Toch aarzelt Hij geen oogenhlik. Het was de wil van God, daarom is het zijn grootste vreugd te doen, wat de men-schen eene verkeerde opvatting en dwaling zonden achten, die nadeelig voor zijne toekomstige zending werken moest. Gehoorzaam ik zoo onvoorwaardelijk aan den wil van God?
III. Gehoorzaamheid en ootmoed zijn de zekerste weg om van God eer te ontvangen. Hij verheft gaarne de ootmoedigen en zendt stroomen van goddelijke genade aan de gehoorzamen toe. Een stem uit den Hemel verklaarde Hem, die zich zoo diep had vernederd, den welbeminden Zoon van God. De H. Geest, die in zichtbare gedaante nederdaalde, getuigt, hoe de wijsheid het bijzonder voorrecht der gehoorzamen is.
ZIJN VASTEN.
Matth. IV : 1.
Na gedoopt te zijn, begaf Christus zich, gedreven door den Heiligen (leest, naar de woestijn, om door den duivel bekoord te worden. Deze bekoring was voorafgegaan door veertig dagen en nachten vasten, terwijl Hij woonde te midden der wilde dieren.
quot; I. Christus werd door den invloed van den H. Geest gedreven om naar de woestijn te gaan, ten einde daar bekoord te worden. Wanneer de menschen door bekoringen worden aangerand, meenen zij dikwerf, dat het hunne eigen schuld is of een stral voor hunne zonden; en die gedachte doet hen den moed verliezen. Zij vergeten, dat het zeer goed wezen kan, dat de H. Geest hen op denzelfden weg geleidt, waarheen Hij den Zoon van God had gevoerd, en dat zij enkel zijne heilige voetstappen volgen. â Bekoringen worden niet alleen slechts door God toegelaten, maar Hij verordent het aldus, om zijne uitverkorenen meer en meer te heiligen.
II. Christus had zich door een langdurige vasten tot deze bekoringen voorbereid. Zou dit voor Hem wel noodig zijn geweest om den tegenstand van zijn natuur te overwinnen? Hoe zou hij, het onbevlekte Lam Gods, wiens menschelijke natuur zoo nauw met zijne godheid vereenigd was, bijstand noodig hebben om aan de aanvallen van Satan weerstand te bieden ? Neen! doch het geschiedde uit liefde voor mij. Dat ik Hem zoo bleek en lijdend zie, zoo ontdaan na zijn lange en afmattende vasten, is omdat Hij voor mij genaden wilde verdienen, waaruit ik kracht zou putten alle bekoringen te ovenvinnen.
III. Hij woonde te midden der wilde dieren in de eenzaamheid, verstoken van den oniiranu' met menschen. En de wilde beesten
O O
waren aan Hem, hun Heester en Koning, onderworpen. Christus als niensch was Heer van geheel de schepping. â De zonde had de redelooze dieren tot onze vijanden gemaakt. Geen schepsel op aarde kan ons inderdaad benadeelen, tenzij wij zondigen. Voor hen, die God liefhebben, werkt alles ten gcede.
6
JEZUS WORDT BEKOOEÃ.
Matth. IV : 2â11.
Aan het eind der veertig dagen nadert Satan Jezus, naar men zegt. in de gedaante van een der kluizenaars, die in de nabijheid van den Jordaan woonden, en fluistert Hem zijne helsche aanhitsingen tot zonde in.
I. Hoe onuitsprekelijk terugstootend moet voor den Zoon van God de tegen-woordigheid van den booze zijn geweest. â Hij, die aan liet Hart van Maria was gekoesterd, die gedragen was in de trouw o armen van zijn dierbaren Voedstervader, den H. Jozef, liet nu toe, dat Hij her- en derwaarts gevoerd werd, door een wezen, dat Hij verfoeide en met zijn gansche ziel haat toedroeg. Dit was inderdaad een pijnlijk begin van zijn heilige loopbaan.
II. Waarom stond Christus toe, dat Hij bekoord werd? Kende Hij niet reeds volkomen elke list en bedrog van Satan ? Ja, Hij kende die, maar nog niet door ondervinding. Hij wilde ons den troost geven van ons te laten zien, dat Hij leed door die bekoringen, dat Hij de ellende verduurde van
door de beleedigende inblazingen der Hel gekweld te worden, en dat Hij, het onbevlekte Lam Gods, alzoo weet, hoe Hij hen moet bijstaan, die door Satans slechte inblazingen worden gekweld. Met hoe groot vertrouwen moet ik Hem dan aanroepen, om mij bij te staan, als de bekoorder mij nadert.
III. Beschouw de manier, waarop onze Heer den bekoorder antwoordt. - Hij redeneert niet met hem, en twist niet. â Hij behandelt den vijand met vastheid, moed en beslistheid. â Scherp en klaar is zijn antwoord, en onmiskenbaar de weigering, die Hij zijn aanrander geeft. â Toen Christus zeide : âGa weg, Satan !quot; was deze blijde Hem te verlaten. â Zoo moeten ook wij de bekoringen afwachten: vaardig, onbeschroomd, zonder vrees, en dan zal Satan blijde zijn ons te kunnen verlaten.
8
HET LAM GODS.
Jo. I : 29-34.
Toen Joannes de Booper Christus naderen zag, riep hij nit: âZie het Lam Gods, aanschouw Hem, die wegneemt de zonden der wereld.quot;
1. De naam, waarmede de H. Joannes Jezus het eerst begroette, was die Tan Lam Gods. Alle namen in de Heilige Schriftuur door goddelijke ingeving geschonken, beschrijven nauwkeurig de eigenschappen van diegenen, wien ze worden verleend. Hieruit leeren we, dat de meest in het oog loopende trek in het karakter van Christus was: de beminnelijkheid, zachtzinnigheid, eenvoud en schuldeloosheid van het Lam. Dit was het, wat Hem zoo aantrekkelijk maakte. â Zijne aanminnigheid lokte allen tot Hem. Hij is nu nog volkomen dezelfde. In den Hemel is Hij nog het Lam, nog zachtmoedig en beminnelijk als altoos. Met hoeveel vertrouwen voegt het mij dan niet tot Hem te naderen, en Hem al mijn leed mede te deelen.
II. Hij is niet alleen het Lam, niaar het Lam Gods. Die aantrekkelijke zacht-zinnig'heid en zoetheid zijn niet alleen natuurlijk. Het is de goddelijke liefde, die zich openbaart in den Zoon van God. â Naar deze heminnelijkheid en zachtmoedigheid moeten wij streven. God schenkt haar aan ieder van ons, indien wij ze met volharding-zoeken. Ofschoon wij van nature misschien hard zijn, kan God ons zacht en onderworpen maken.
III. Welke was de taak van het Lam Gods, welk werk was Hij gezonden te verrichten ? De H. Joannes zegt ons, dat het was om de zonden der wereld weg te nemen. Zachtmoedigheid heeft eene wonderbare kracht â âDe zachtmoedigen zullen de aarde bezitten.quot; Zachtmoedigheid neemt de zonde weg. Zachtmoedig verwijtingen te dragen, is een der beste middelen om onze zonden en de zonden van anderen uit te boeten, en de genade van berouw voor de zondaren te verkrijgen. Zachtmoedigheid verkrijgt vrede voor onze zielen. Helaas, wat is er in mij weinig van de zachtmoedigheid en beminnelijkheid van het Lam Gods.
10
DE EERSTE LEERLINGEN.
Jo. I : 33-42.
De H. Andreas en een ander van de leerlingen van den H. Joannes, die de woorden gehoord hadden, door hun meester over Jezus geuit, volgden Hem. Andreas brengt naderhand nog zijnen broeder Simon hij Hem, zeggende: âWij hebhen den Messias gevonden.quot;
I. De H. Joannes, de eerste verkondiger van het Evangelie, is een voorbeeld voor alle predikers. 1°. Hij verkondigt Jezus. â Jezus is het middelpunt zijner leer. Zijn eenig doel is de harten zijner toehoorders naar Jezus te leiden. 2°. Hij predikt Jezus onder den zoetsten en aantrek-kelijksten vorm van: âhet Lam Gods.quot; â Hij streefde er naar om te wijzen op Jezus door hun veel te verhalen van zijne zachtmoedigheid en vriendelijkheid. 3°. Hij denkt niet aan zich zeiven. Hij verblijdt zich er over, dat al zijne leerlingen hem verlaten zullen om Jezus te volgen. De Heilige Paulus zegt: âWij prediken niet ons zeiven, maar Christus Jezus, onzen Heer.quot; â Vergeet ik in woord
11
en daad mij zelven en denk ik aan Jezus?
II. Deze manier van onderrichten brengt spoedig- vruchten voort. De een na den ander zijner leerlingen volgt het Lam Gods. Onze ivoorden zullen zeker goede vruchten dragen, indien zij vol zijn van liefde voor Jezus. De H. Joannes smaakt het geluk de vruchten van zijn arbeid te aanschouwen. Dit zullen ook in deze wereld en hiernamaals al degenen smaken, die naar Jezus verlangen, Jezus prediken en Jezus beminnelijkheid in de 'oogen der menschen doen uitkomen.
III. De eene bekeering brengt de andere voort. De H. Andreas brengt tot de kudde van Christus zijn broeder Simon, den toe-komstigen paus, de Bots op welke de Kerk van Christus zou gebouwd worden. Zoo gaat het al diegenen, die de stem van hun geweten volgen. Zij kunnen verzekerd zijn anderen te zullen bekeeren en allengs goeden invloed op hen te verkrijgen. â Wat een geluk voor ons, indien wij slechts ééne ziel tot Jezus voeren.
12
NATHANIEL.
Jo. I ; 45â48.
Philippus geleidt Nathanaël tot Jezus, die hem begroet als: âeen Israëliet, in wien geen bodrog is.quot; Christus zegt hem, dat Hij hem gezien had toen Philippus hem onder den vijgeboom vond; en Nathanaël herkent in Jezus, den Zoon van God, den Koning van Israël.
I. Philippus is niet voldaan met ééne bekeering. Hij zoekt een anderen man van goeden wil, aan wien hij de blijde tijding kan mededeelen, dat hij den Messias gevonden heeft. Philippus betoonde zich een waardig leerling van zijnen Meester. Hij kon zich niet weerhouden van Hem te spreken en anderen uit te noodigen zich onder zijne banier te scharen. Het is een groot bewijs van liefde voor Jezus, indien wij ijverig zijn om zijne liefde aan anderen bekend te maken.
II. Nathanaël is aanvankelijk ongeloovig; hij wil niet gelooven, dat een groot profeet kon voortkomen uit eene plaats van zoc geringe beteekenis als Nazareth, maar op
13
aandringen van Philippus stemt tiij er in toe te komen zien. â Leer hieruit: 1°. Niet ongeloovig te zijn, maar de wonderen, welke men ons verhaalt, te toetsen en te onderzoeken. 2°. Niet vooringenomen te zijn tegen anderen om hunne afkomst. 3°. Bereid te wezen om de rechten te erkennen van al diegenen, die mogelijk met de goddelijke zending heiast zijn.
III. Nathanaël blijft niet lang ongeloovig in de tegenwoordigheid van den Zoon van God. Alle menschen van goeden wil, indien zij in aanraking worden gebracht met de Waarheid en de Katholieke Kerk, worden onwederstaanbaar er toe aangetrokken; en er is slechts éen klein bewijsstuk noodig om hen te overtuigen van haar goddelijk karakter. â Deze erkenning van het bovennatuurlijke is eene gfive, welke de mensch bezit naar de mate van zijne gehoorzaamheid aan de stem van het geweten.
14
DE BRUILOFT TE CANA.
Op een bruiloft te Cana, waar Jezus met zijne H. Moeder en zijne leerlingen bij tegenwoordig- waren, komt de wijn te kort, en de H. Maagd maakt Jezus opmerkzaam op deze behoefte. Eerst scheen hij haar hard toe te spreken, toch verandert Hij om hare bede zes kruiken met water in den heerlijksten wijn. Zij bemerkt de verlegenheid van haren gastheer en haast zich in zijn nood te voorzien.
I. Beschouw de bezorgde liefde der H. Maagd en hare verlegenheid, toen zij haren gastheer in verlegenheid zag. Met alleen in groot leed kunnen wij van haar medegevoel verzekerd zijn. Elke kleine onaangenaamheid en tegenspoed, die de vrienden van Jezus Christus overkomt, treft haar onbevlekt Hart. Leer hieruit om het leed van de naasten, groot of klein te verzachten, door hun te toonen, dat wij met hen medevoelen.
II. Aanvankelijk doet onze Heer, alsof Eij de bede zijner H. Moeder afwijst. Hij houdt zich, alsof Hij die niet zal inwilligen. â Maar dat schijnt slechts zoo. Zoo is het
15
somtijds ook alsof Hij doof is voor de gebeden van zijn trouwe dienaren. Zij bidden en volharden in hun gebed, doch schijnbaar tevergeefs. Maar dit is alleen, opdat ten laatste zijne edelmoedigheid duidelijker zou uitkomen, en Hij hunne volharding beloonen kunne met genaden en gaven, welke zij niet zouden hebben verdiend, indien Hii hen dadelijk verhoord had.
III. De wijn, dien Jezus schept, was zoo heerlijk en zooveel voortreffelijker dan die, welken men reeds gedronken had, dat de bruidegom verbaasd staat. Hij had zich niet behoeven te verwonderen. Christus bewaart altijd zijne beste gaven voor het laatst. Eerst zorgen, lijden, kommer; daarna vrede, blijdschap, geluk, vreugde. Deze genaden worden het deel reeds op deze aarde van hen, die getrouw zijn aan de goddelijke genaden. Wat zal hun deel dan niet in den Hemel zijn?
16
DE YERDRIJVINCt DER KOOPLIEDEN UIT DEN TEMPEL.
Jo. II ; 13â17.
Als Jezus in den tempel kooplieden in ossen, schapen en duiven en geldwisselaars vindt, verdrijft Hij hen met een geesel van dunne koorden, zeggende: âMaakt het huis mijns Vaders niet tot een huis van koopmanschap. quot;
I. De gramschap van den Zoon van God wordt opgewekt, door het zien der heiligschennis, die het huis zijns A aders werd aangedaan door hen, die er koophandel in dreven. Grod betoont zich altijd ijverzuchtig, indien wereldsche zaken inbreuk maken op hetgeen aan Hem is toegewijd. Wee hun, die heilige zaken voor wereldsche doeleinden gebruiken! Hoe zorgvuldig behoorden wij te zijn om alles na te komen, wat wij God beloofd hebben, en wat wij Hem hebben opgedragen. Heb ik hierin ooit ontbroken, en God beroofd van wat Hem toekwam, of wat ik aan Hem had toegewijd ?
17.
II. In één opzicht hebben allen ver-znimd God te geven, wat Hem toebehoort. Wij beweren in onze gebeden, in de H. Mis, in onze meditaties, God al onze gedachten te geven. Hij heeft recht er op die uitsluitend te bezitten. â En toch! hoe dikwijls heb ik vrijwillig toegestaan, dat wereldsche belangen, genoegens en zorgen zijne plaats innamen en mijn hart in oproer brachten zelfs vóór het Altaar, zoodat ik het huis van God tot een roovershol maakte!
III. Het schijnt vreemd, dat deze kooplieden zich niet verzetten tegen Hem, die hen uitdreef. â Maar zij wisten, dat Hij in zijn recht was, en zij ongelijk hadden. Niets is zoo lafhartig als een schuldig geweten. De mensch, die weet, dat hij door Gods H. Wet veroordeeld wordt, kan geen weerstand bieden aan de berispingen van zijne medemenschen â hoeveel minder dus aan den goddelijken toorn van den Zoon Gods!
2
ÃS
HET KENMERK YAN JEZUS' ZENDING.
Jo. H : 18â25.
Toen de Joden Jezus vroegen, welk teelden Hij lum zon geven, om te toonen, dat Hij met goddelijk gezag handelde, antwoordde Hij; âBreekt dezen tempel af, en in drie dagen zal ik hem ophouwen.quot; De Joden dachten, dat Hij den tempel te Jeruzalem meende, doch Hij doelde op den tempel van zijn lichaam.
I. Ongetwijfeld vroegen sommigen te goeder trouw, waarom Christus op zich genomen had het misbruik te herstellen, dat in den tempel was binnengeslopen, doch er waren er ook, die het in een geest van haat en met slechte bedoelingen vroegen. Beschouw Gods ondoorgrondelijke wijsheid. Het antwoord, dat Hij geeft, stemt de eersten tot nadenken en maakt de anderen verlegen en verergerde daardoor hunne kwaadwilligheid. Zóó zijn Gods wegen altijd. â Zonder aanzien des persoons toont Hij zijne wonderen; menschen van goeden wil
19
overwegen ze en worden er door lot God getrokken, maar de kwaadwillige verwerpt de wonderen en Hem die ze verricht.
II. Onze Heer maakte de Verrijzenis het merkteeken en den hoeksteen van zijne zending. Zóó hebben ook de Apostelen zijne Verrijzenis gepredikt. De H. Paulas zeide: âIndien Christus niet verrezen ware, zoude ons geloof ijdel zijn.quot; Het is het merkteeken van den Christus. Gelooft gij, dat de Christus verrezen is? Dank God voor uw vast geloof in dit glorierijke mysterie, en roep uit: Heer, ik geloof!
III. Christus spreekt van zijn lichaam als een tempel Gods, toegewijd aan zijnen dienst. Zoo zijn ook onze lichamen tempels van God. Hoe heilig behoorden zij in onze oogen te wezen! 31et hoeveel zorg voegt het ons ze te bewaren tegen bezoedeling van onmatigheid en onzuiverheid; zelfs tegen één gevaarlijken blik, één onzedig woord, ééne onbetamelijke beweging.
20
HET BEZOEK VAN NICODEMUS.
Jo. Ill : 1, 2.
Nicodemus, een Pharizeër, en een overste der Joden, komt in den nacht bij Jezus, verklaart zijn geloof in zijne zending en onderhoudt zich inet Hem.
I. De Pharizeën behoorden tot de meest onbuigzame sekte der Joden; schijnheilig waren zij, boosaardig, zelfzuchtig, huichelaars. Toch was er onder de Pharizeën ten minste één man van goeden wil, die zich tot onzen Heer getrokken voelde door de woorden, die Hij sprak, en de wonderen, die Hij verrichtte. Laten wij hieruit leeren nooit iemand te veroordeelen, omdat hij tot eene klasse van slechte menschen behoort.
II. Nicodemus was een man met een eerlijk hart, maar hij bezat weinig moed. Hij vreesde voor de opspraak, welke door zijn openbaar bezoek bij Jezus ware ontstaan. Menschen van hoogen rang, en vooral zij, die in eene omgeving als de
21
Phariz-eën verkeeren, verdienen ons medelijden. â Zij zijn dikwijls ware slaven van het menschelijk opzicht. Dank God, indien gij eene nederige plaats bekleedt, welke u in staat stelt om ongestoord de stem van uw geweten te volgen.
III. Jezus wijst Mcodemus niet af, omdat hij beschaamd was Hem bij dag te naderen, noch verwijt hein zijne lafheid. Hij kent de moeilijkheden van zijn toestand en toont hem de grootste inschikkelijkheid. Hij neemt liet minste teeken van goeden wil aan; de geringste toenadering van de ziel is Hem welkom.
Wat is Hij goed voor ons! Hoe neemt Hij onze zwakheid in aanmerking! Hoe gereed is Hij om onze tekortkomingen en onhartelijkheid over het hoofd te zien. Dit alleen noodzaakt ons bijna Hem lief te hebben.
22
DE TWEEDE GEBOORTE.
Jo. III : 3â8.
Jezus verklaart aan Nicodemus de noodzakelijkheid van opnieuw geboren te worden, indien wij liet Koninkrijk Gods zullen aanschouwen ; en Hij legt hem de beteekenis ervan uit.
I. Toen Nicodemus verklaarde, dat hij geloofde, dat Jezus een leeraar was, door God gezonden, was het antwoord van den Zaligmaker schijnbaar ontwijkend. Hij zeide hem dat: ,,Indien iemand niet opnieuw geboren werd, hij het Rijk Gods niet zou aanschouwen.quot; Zijne bedoeling was: âDat de mensch moest herboren worden, wilde hij, verlicht door het goddelijk geloof, begrijpen, wie Jezus was, en wat het beteekende, dat Hij door God was gezonden.quot; â Het is alleen de ziel, die verheven wordt tot de bovennatuurlijke orde, welk het Koninkrijk Gods kan aanschouwen en herkennen, wie zijn Koning is.
II. Uit het antwoord van Nicodemus zien wij, hoe sterk de zinnelijke opvatting nog in hem is. Hij vat die tweede ge-
23
borte naar het vleesch op: âHoe kan eea mensch geboren worden, die reeds be-jaaïd is?quot; Zoo zien wij, dat de verborgenheden van het Koninkrijk Grods een raadsel zijn voor allen, die God niet kennen. Zij beweren, dat de voorspellingen van het Oude Testament niet in de eerste plaatsnaar Jezus verwijzen, en cijferen zelfs de wonderen van het Evangelie weg. â De Heilige Eucharistie schijnt hun bespottelijk, en de wonderen een spel der verbeelding. â Dank God voor de gave des geloofs!
III. Onze Heer verklaart aan Nicodemus, dat de geestelijke, nieuwe geboorte ontstaat door de geheime genade van den Heiligen Geest, welke de ziel ontvangt. â Zij komt zonder gednüsch en als een zachte wind. Zij wordt gegeven aan allen, die er om vragen, en ofschoon zij niet weten, vanwaar zij komt, toch herkennen zij die als eene stem van God. â Mijn Jezus, help mij altijd aan deze stem gehoorzamen!
24
HET GESCHENK DES HEMELS.
Jo. III : 9â14.
Nicodemus vraagt onzen Heer, hoe deze dingen, waarvan Hij spreekt, zullen geschieden. Jezus zegt hem, dat hij, die een leeraar van Israël is, die behoorde te begrijpen.
I. De verwondering welke Jezns over de onwetendheid van Nicodemus toont, heeft tot doel ons te leeren dat, indien wij eene plaats van beteekenis innemen of gezag voeren, God eene meer uitgebreide kennis van ons dan van anderen verwacht. Er is bijna niemand, die niet door God bekleed is met eenig gezag over kinderen, bedienden, leerlingen, of Jongere leden van onzen kleinen kring. Sommigen onder ons hebben een meer belangrijk en verantwoordelijk gezag. Begrijpen wij wel. dat wij eenmaal rekenschap zullen moeten afleggen van het gebruik, dat wij van ons gezag gemaakt hebben?
H. Jezus had aan Nicodemus op figuurlijke wijze de beteekenis verklaard van de nieuwe geboorte, welke de Geest van God in de ziel verwekt. Hij had gesproken met
25
de goddelijke overtuiging van een, die zelve gezien en ondervonden had wat Hij over de goddelijke zaken verkondigde. â Maar Nicodemus had nog niet de genade ontvangen Hem te begrijpen, en daardoor begreep hij niets. In bovennatuurlijke dingen kunnen wij niets doen zonder de genade. Wij mogen ervaren, geleerd, scherpzinnig, verstandig wezen, maar zonder de genade zijn wij doof en blind.
III. De Zaligmaker zeide hem nog, dat niemand spreken kan met rechtstreeksche, persoonlijke kennis over hemelsche dingen, uitgezonderd Hij zelve, de Zoon des mensehen ; en ofschoon Hij uit den Hemel was neergedaald, was Hij daar toch nog tegenwoordig, in het volle bezit van de zaligmakende aanschouwing. Uelukkig zij, die door Jezus in de hemelsche waarheden worden onderricht.
26
DE KOPEREN SLANG.
Jo. Ill : 15-21.
Jezus verklaart verder aan Nicodemus, hoe de Zoon des menschen aan liet kruis moest opgeheven worden, opdat allen, die met geloof en liefde Hem aanschouwden, door Hem zouden gered worden. â Hij zegt, dat zijne zending was om de wereld te redden, en niet te oordeelen. Niemand wordt veroordeeld uitgezonderd zij, die het licht weigeren en verwerpen, omdat hunne daden hoos zijn.
I. Gelijk Mozes de slang in de woestijn omhoog hief en allen, die haar vol geloof aanschouwden, genezen werden van de heten der vergiftige slangen, zoo moest de Zoon des menschen op het kruis omhoog geheven worden, opdat al wie in Hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven hehhe. O, barmhartige Jezus, welk een geneesmiddel heht Gij geschonken voor de doodelijke gevolgen der zonde. Eén blik vol vertroii-wen en liefde op U, één kreet uit het hart, om erbarming, en alles is vergeven.
27
II. Wij zijn soms geneigd, God den Vader te beschouwen als onzen machtigen Koning en strengen Meester, en stellen ons Jezus voor biddend voor ons met eene beminnelijkheid, die een soort van tegenstelling vormt met de gestrengheid van zijnen Vader. â Dit is niet zoo, God de Vader bemint de wereld met dezelfde liefde als God de Zoon. â Hij ontfermt zich over den gevallen mensch met dezelfde goddelijke teederheid. Hij heeft dezelfde goddelijke erbarming voor ieder van ons, hetzelfde verlangen ons in alle eeuwigheid gelukkig te maken.
III. Waarom blijft deze wensch van den Eeuwigen Vader onvervuld ? Waarom stortte de Zoon voor zoovelen zijn kostbaar bloed tevergeefs ? Het is omdat de menschen weigeren te luisteren, het licht haten, gehecht zijn aan hunne eigene verkeerde neigingen. Helaas, heb ik niet aldus het licht gevreesd, uit angst, dat ik er door veroordeeld zou worden?
28
HET GETUIGENIS VAN JOANNES DEN DOOPER OVER JEZUS.
Jo. III : 23â26.
Eenigen der leerlingen van Joannes den Dooper, hoorende dat Jezus doopte en alle menschen tot zich trok, verhaalden dit hunnen meester. De H. Joannes verklaart, dat de nienwe Leeraar de Bruidegom is van zijne Bruid, de Kerk; dat zijne eigene grootste vreugde bestaat in het getuigenis der vermeerdering van diens invloed, want Hij is waarlijk uit den Hemel gedaald, en de Zoon van God.
I. Beschouw met hoeveel bereidvaardigheid en beminnelijkheid de H. Joannes zich op den achtergrond terugtrekt. Bij hem geen zelfzucht, noch jaloerschheid, bij het zien dat een ander boven hem wordt gesteld. â Integendeel, naar de stem van het Lam Gods te luisteren, is de vervulling van al zijne verwachting en zijne grootste vreugde. Dit is het kenmerk van den waren Apostel, van den waarlijk Heilige. â Hij is bereid aldus ongezien en onopgemerkt te blijven. â Welk een onderscheid met mij, die zod gaarne geacht word en opgemerkt.
29
II. De H. Joannes getuigt over den Zoon van God onder een nieuw opzicht, dat van den Bruidegom. Aldus verklaart hij, door God verlicht, het feit van de verborgen vereeniging van Christus en zijne Kerk : âHij, aan wie de Bruid toebehoort, is de Bruidegom;quot; en .aldus getuigt hij van de godheid van Jezus. Jezus is de Bruidegom van elke Christen ziel. Hoe rein behoort daarom mijne ziel te zijn, wil zij voor zijn heilige tegenwoordigheid geschikt wezen.
III. De H. Joannes getuigt verder, dat Jezus uit den Hemel afkomstig is; dat Hij leert wat Hij zelf gezien heeft; dat zijne woorden de woorden van God zijn; en dat alle dingen door zijne hand bestuurd worden. Indien dit waarheid was, toen Hij de gedaante van een dienstknecht had aangenomen, hoeveel te meer nu Hij de Koning der koningen is, de Heer der Heerscharen! In zijne handen dan ben ik altijd veilig.
30
DE PUT VAN SAMARIA.
Jo. IV : 1â9.
Jezus, reizende van Judea naar Galilea, zet zich in het middaguur moede en uitgeput neder bij den put van Samaria. Eene Samaritaansche vrouw komt water halen en is verwonderd, dat Hij, een Jood, eene Samaritaansche, te drinken vraagt.
I. Aanschouw den Zoon van God dorstig en uitgeput, gedurende de hitte van den dag uitrustende. Hij was vermoeid van de reis, ondernomen om de menschen van zonde en dood te redden. Geen wonder, dat Hij vermoeid is van het zoeken naar hen, die, in plaats van zich te verzamelen op den klank zijner stem. Hem schijnen te ontwijken en van Hem weg te vluchten. Toch gaat Hij steeds voort hen te volgen met onuitputtelijk geduld en roept hen met zooveel zachtheid. Hoe dikwijls heb ik Hem door mijne hardnekkigheid en mijne onverschilligheid vermoeid, terwijl zijne stem mij riep. Qua er ens me sedisti lassus! Mij zoekende, zijt Gij vermoeid neergezeten! O, moge ik voortaan luisteren en gehoorzamen !
81
II. Jezus begint niet de vrouw le vragen Hem een kleinen dienst te bewijzen. Dit is dikwijls de beste manier om vriendschappelijke betrekkingen met vreemden aan te knoopen. Het wekt een zacht gevoel in dengene, die de weldaad bewijst, al is de weldaad ook klein. Indien ik verlangend ben iemand voor mi] te winnen, zal ik trachten dit voorbeeld te volgen. Men wordt onwillekeurig getrokken tot diegenen, die men goedheid bewijst.
III. Deze vraag verwondert de vrouw. De Joden ontweken de Samaritanen, omdat deze van het Jodendom afvallig waren, en eene onreine, kettersche leer volgden. Doch waar eene ziel te redden is, zet Jezus alles ter zijde. Zijne liefde verdraagt alles. Hij is gekomen om te redden wat verloren was gegaan; en in dit verworpen geslacht ontdekt Hij vele van zijne uitverkorenen. In het vervolg wil ik niemand meer schuwen, niemand verachten.
32
HET LEVENDE WATER.
Jo. IV : 10â13.
Jezus geeft geen acht op de verwondering der vrouw en belooft haar, indien zij het Hem vraagt, haar levend water te zullen geven, dat ontspringt uit de fontein des eeuwigen levens; daarna zal zij niet meer den put behoeven te bezoeken.
1. âIndien gij de gave Gods kendet!quot; Dit was de onvervulde voorwaarde, welke een middel zon aanbieden om het levende water te verkrijgen, dat aan al onze behoeften voldoet. Indien wij slechts de ondoorgrondelijke waarde van Gods gaven erkenden! Indien wij slechts den onschatbaren rijkdom van zijne liefde waardeerden! Indien wij maar wisten, hoe bereid Hij is ons vergiffenis, vrede, vreugde, geluk in dit leven en hiernamaals te schenken! Indien wij dit alles wisten, hoe geheel anders zouden onze gebeden zijn, hoe veelvuldig, hoe vurig, hoe volhardend! O God! help mij de waarde uwer geschenken beter waardeeren!
33
II. Welk is het levende water, dat Jezus aan allen, die het vragen, belooft? Het is de gave van den Heiligen Geest, welke Hij uitstort in de harten van allen, die Hem beminnen. Deze gave, aan water gelijk, reinigt hen van al hunne zonden, zij verfrischt en versterkt hen en voedt in de zielen alle deugden, welke onder den invloed van den in hen wonenden H. Geest ontluiken, bloesems en vruchten dragen. â Heer, geef mij dit levend water!
III. Dit levend water bevat in zich alle geestelijke genoegens. Van dit beloofde onze Heer in den Hemel ons te drinken geven in zoo groote mate, dat het al onze wenschen zal voldoen, niet bij druppelen zooals hier op aarde. â Het is dit levende water, welks zoetheid de arme Samaritaansche vrouw niet kon begrijpen, evenmin als diegenen, die nog aan aardsche en zondige genoegens gehecht zijn.
34
DE WARE EN DE Y ALS CHE AANBIDDING.
Jo. IV : 16-25.
Jezus openbaart aan de Samaritaansche vrouw zijne bekendheid niet haai Moegei leven en, in antwoord op hare navoischingen omtrent den waarachtigen God, zegt Hij haar, dat Hij in den tempel te Jeruzalem woont, maar dat het tijdstip weldra zal aanbreken, dat Hij over de geheele wereld zal aangebeden worden door hen, die Hem in geest en waarheid aanbidden.
I. Zie, hoe Jezus met goddelijke behoedzaamheid deze vrouw brengt tot eene bekentenis van haar zondig leven. Hij berispt haar niet, maar toont haar enkel den treurigen toestand, en de genade doet het overige. Zij wordt niet afgestooten door de stilzwijgende berisping, maar eerder tot Hem getrokken. Zoo zal het ook gaan, indien wij anderen hunne gebreken onder 't oog brengen; wij zullen hen niet afstooten, indien we trachten met zooveel liefde als Jezus het deed, te spreken. De reden, dat zij niet naar ons willen luisteren, is omdat wij barsch en bitter zijn.
85
II. De vrouw vraagt Hem verder, of God op den berg Garizim (gelijk de Samaritanen beweerden) of in den Tempel op den berg Sion moet aanbeden worden. Jezus zegt haar liefderijk, dat Hij te Jeruzalem moet worden aangebeden, en dat de Samaritanen een onbekende Godheid vereeren. âGij aanbidt wat gij niet kent.quot; Zoo is het ook met de hedendaagsche ketters. Zij buigen zich voor hunne altaren, maar alles is onbestemd en ijl; zij aanbidden maar zij weten niet wat.
. 111. Tegelijkertijd zegt Christus aan de vrouw, dat het tijdstip is aangebroken, dat de eeredienst van den waren God over de geheele aarde zal worden verspreid. Hij doelde op de Katholieke Kerk en hare alge-meene heerschappij, en dat Hij met zijne Godheid zoowel als met zijne menschheid tegenwoordig zou zijn op ieder altaar, waar de oprechte vereerders Hem in geest en waarheid zouden aanbidden. Dank God, dat gij tot die gelukkigen behoort!
B6
DE BEKEERING DER SAMARITANEN.
Jo. IV : 26-42.
Jezus verklaart aan de vrouw, dat Hij de Christus is; en bij de terugkomst van zijne leerlingen, die levensmiddelen waren gaan koopen, laat de vrouw hare waterkruik achter, snelt naar de stad, en meldt haren stadgenooten, dat zij den Messias gevonden heeft. Zij noodigen Jezus te Samaria, en Hij blijft twee dagen in hun midden en bekeert velen.
I. De arme vrouw, bewust van het goddelijk gezag dat in de woorden van Jezus lag opgesloten, merkt op, dat bij de komst van den Messias alle moeilijkheden zullen worden opgelost, alsof zij reeds overtuigd is, dat zij tot Hem zelf spreekt. Jezus, haar toenemend geloof en haar eerlijken, goeden wil ziende, openbaart haar, dat Hij de Messias is, de Bevrijder van Israël. â De vrouw luistert en gelooft. Toon ik steeds dezelfde volgzaamheid?
II. Nauwelijks heeft zij dit blijk van vertrouwen in Jezus gegeven, of de leerlingen verschijnen met hunne leveusmidde-
37
len. Zij snelt, hare waterkruik achterlatend, naar de stad niet de boodschap, dat aan de hron van Jacob een man gezeten is, die in haar hart gelezen heeft, die de Christus wezen moet. Bewonder: 10. haar ijver om de kennis van Jezus te verspreiden; 2°. hoe zij alles verwaarloost om dit te doen; 3°. hoe zij zijne goddelijke zeiidmir erkent, 4°. de overredende kracht van hare ernstige woorden.
111. De Samaritanen snelden Jezus te ge-moet en noodigden Hem uit hij lien te blijven. Welzalig zij, die zulk eeue uitnoo-diging aan den Heer des Levens zenden. Zij luisteren naar Hem. en Hij is de Eedder uit dwaling, verblindheid en zonden. Beschouw ik Hem met dezelfde waardeering, als ik in zijne tegenwoordigheid nederkniel en waarlijk Hem verborgen achter den sluier van het H. Sacrament aanschouw?
38
HET RIJP WORDEN VAN BEN OOGST.
Jo. II : 31â38,
Gedurende do afwozigheid dor Sauiari-taansclio vrouw zegt Jezus aan zijne leerlingen, dat zijne taak bestaat in don wil van zijnen Vader te volhrengen. en herinnert hen aan de eindeloozo velden, die aan liet rijp worden zijn voor den oogst en gereed om te worden gemaaid door lion, die het Evangelie Gods Ivomen prediken.
I. Onze Heer zegt tot zijne Apostelen, toen zij Hem aanzetten eenig voedsel te gebruiken. dat Hij een spijs te eten heeft, die zij niet kennen. Hij legt uit. dat zijn voedsel hierin bestaat om in blinde gehoorzaamheid de taak te volbrengen, die zijn Vader Hem heeft opgelegd. â Een ding slechts vroeg Hij zich zeiven; âWatwenscht mijn Vader, (lat ik doe?quot; Dit is het geheim van alle heiligheid.
II. Jezus richt de oplettendheid van zipie Apostelen naar het arbeidsveld, dat gei eed ligt voor den oogst. Misschien bedoelde Hij er de Samaritanen mede, die Hem in menigte te gemoet snelden om naar Hem
39
te luisteren. Misscliien sprak Hij van den grooten oogst, dien de Joden en heidenen zouden opleveren. â Nu zoowel als toen zijn er velden, die op den maaier wacliten. Wat doe ik om in den oogst te helpen ? Door aalmoezen ? door de inspanning mijner krachten ? door anderen aan te manen voor God te werken?
III. âDe eene mensch zaait en de andere maait.quot; Hoe dikwijls is dit het geval! Alleen in den dag des oordeels zal ieder zijn rechtmatig deel ontvangen in den gedanen arbeid. Een priester ontvangt bekeerlingen, maar Hij is slechts de maaier. De zaaier is een of andere kloosterling, die in eenzaamheid bidt, of eene oude vrouw, die haar rozenkrans bidt. Maar eens zal de dag aanbreken, dat zaaier en maaier zich te zamen zullen verhengen. Indien illt; niet kan maaien, kan ik toch minstens zaaien en een aandeel verdienen in de vreugde van zielen tot (iod te brengen.
40
DE GENEZING VAN DEN ZOON EENS HOFBEAMBTEN.
Jo. IV : 40â54.
Op reis van Samaria naar Galilea kwam onze Heer te (quot;ana, waar een koninklijke hofbeambte, die te Caplmrnaüm woonde, bij Hem kwam en verzocht hem ten zijnent te volgen om zijnen stervenden zoon te genezen. Jezus zegt hem naar huis terug te keeren, daar zijn zoon leeft en genezen is. De man gelooft het woord van Jezus, en thuis gekomen, vindt hij zijnen zoon genezen op hetzelfde oogenblik, dat Jezus het gezegd had. â Hij en zijn geheele huisgezin werden volgelingen van Christus.
1. Het geloof van den hofbeambte uit Capharnaiim was geenszins volmaakt. Hij geloofde, dat Jezus zijn zoon genezen zou, indien Hij hem aan zijn ziekbed bezocht. Maar het komt volstrekt niet in hem op, dat Jezus dit evengoed uit de verte kan doen. Toch verwerpt onze Heer zijne bede hierom niet. â Zoo gaarne wakkert Hij zelfs een klein vonkje aan tot een vlam van geloof en liefde. Mijn geloof en liefde
41
zijn inderdaad slechts onmerkbare vonkjes. O, mijn Jezus, wakker die aan tot eene groote vlam door den adem uwer genade!
II. Het is of Jezus tot degenen, die naar Hem luisteren, zegt: âZijn mijne woorden genoeg? Ts niet de wet der liefde, die ik bekend maak, in staat om uwe harten te doen gelooven wat ik zeg? Maar neen! indien gij geene teekenen en wonderen ziet, gelooft gij niet!quot; â O, Heer! dit zal hij mij niet het geval zijn. Ik heb geene wonderen noodig' om mijn vertrouwen in U te stellen, alleen de wonderen l'wer goddelijke liefde.
III. Het gebed van den hofbeambte werd verhoord, hoewel niet in letterlijken zin. Christus begeleidde hem niet naar zijn huis, maar dooi' één woord van Hem was zijn zoon genezen. Zoo doet Hij ook dikwijls met ons en verhoort onze gebeden niet zóó als we wel vragen, maar geleidt de omstandigheden zooals het beste voor ons is. â Laat ons hieraan denken, als het ons toeschijnt, dat onze smeekbeden onverhoord blijven.
42
DE SYNAGOGE TE NAZAEETH.
.lezus preekte te Nazareth op den Sabbatdag in de Synagoge. Hij nam de boeken en las uit den profeet Isaias (LXl: 1. 2) eene voorspelling aangaande Hein zeiven. Hij zeide tot de aanwezigen, dat op dienzelfden dag deze voorspelling was vervuld. Zij verbaasden zich over zijne woorden, zeggende: âIs deze niet de zoon van Jozef?quot;
1. Volgens gebruik der Joden verzamelden zij zicb eiken Sabbatdag in de Synagoge om de wet van Mozes te lezen. Aan een ieder der aanwezigen werd toegestaan de wet te lezen, en over hetgeen bij bad gelezen, te spreken. Jezus greep de gelegenheid aan, die Hem aldus werd geboden, om van zijne goddelijke zending te spreken, en leest de woorden in Isaias, die betrekkiag hadden op den arbeid van den verwachten Messias. Met hoeveel gretigheid luisteren zij naar zijne woorden. Wat is het, dat de harten der aanwezigen ontroert? Zij weten niet, dat het God zelf is, die tot hen spreekt, maar zij zijn bewust: 10. van de wonderbaar-
43
lijke aantrekkingskracht van don spreker; 2°. van zijn goddelijk gezag; 8°. van zijne meerderheid in vergelijking niet gewone leeraars. Zoo gaat het altijd met hen, die door God gezonden worden. Maar de menschen bniten de Kerk, hoe welbespraakt oollt;, treffen het hart niet.
II. Wat predikt Christus? Dat Hij gekomen is; Iom het Evangelie te prediken aan de armen, eerder dan aan de rijken; 2°. om te genezen de ronwmoedigen, maar niet de hoovaardigen ; 3°. om te bevrijden de gevangenen en al diegenen, die gebukt gaan onder het gevoel van zonde. Overweeg deze voorwaarden en pas ze op u zeiven toe.
III. Christus verklaart, dat dit woord der Schriftuur door Hem zelf moest vervuld worden. Het moet voor zijne hoorders een stoute aanmatiging hebben geschenen in den zoon van Jozef den timmerman. Toch boeide hen zijn woord. Zij konden zijne lieftallige woorden niet wederstaan. Kan ik er nu weerstand aan bieden ?
46
DE TOORN DER NAZARENERS.
Lucas IV : 25â31.
De Nazareners begrepen uit deze woorden van Jezus, dat Hij hen wilde behandelen gelijk Elias en Elizeiis met de Joden o-edaan hadden. In toorn ontstoken, grepen zij Jezus en sleurden Hem tot aan den rand van een afgrond, om Hem naar beneden te werpen. Doch Hij ging door hun midden heen en vervolgde zijnen weg.
1. Waarom werden de Nazareners zoo woedend opliet hooren van Jezus'woorden'? Het was, omdat Hij hun kenbaar maakte, dat Hij zijne barmhartigheid niet aan hen noch aan de Joodsche natie zou besteden. Yreemdelingen, door hen verafschuwd en veracht, zouden de voornaamste voorwerpen zijner liefde uitmaken. De Zoon van den timmerman weigerde inderdaad zijne eigen geboortestad het tooneel van wonderen te maken. Wie was deze vermetele? Moesten zij zijne onbeschaamdheid verdragen ? Hevige verontwaardiging is altijd onbetrouwbaar bij feilbare menschen. Zij is gewoonlijk een mantel, welke de gewonde eigenliefde bedekt.
47
II. Deze Nazareners werden door hunnen hoogmoed en afkeer van de waarheid aangezet tot een misdaad van de hoogste schuld. Er was voor hen geene verontschuldiging. Jezus had dertig jaar in hun midden gewoond. Zij hadden zijne beminnelijke ingetogenheid gezien. Zij hadden zijne woorden van genade gehoord. Toch verwierpen en haatten zij Hem en werden in hun hart zijne moordenaars. Alles door hoogmoed, omdat Hij hunne waardigheid gekrenkt had. Welk een les voor ons!
III. Jezus' uur was nog niet aangebroken en de verwoede menigte van zijne vijanden misten Hem plotseling, Hij was verdwenen en niemand wist hoe. God zal de zijnen beschutten, totdat hun werk volbracht is. â Inderdaad, niemand sterft vóór zijn tijd.
48
DE ROEPING DEE VISSCHERS.
Matth. IV : 18â22.
Van Nazareth ging Jezus naar Caphar-naüm. Graande lang's het meer van Tiberias, ziet Hij Petrus en Andreas, die met de visclivangst bezig' waren, en noodig-t hen uit Hem te volgen. Op hetzelfde oogen-blik verlieten zij hunne netten en volgden Hem. Later riep Hij Joannes en Jacobus, de zonen van Zebedei'is, die met denzelfden spoed gehoorzaamden.
I. Dit was niet de eerste maal, dat Jezus Andreas en Petrus tot zich riep. Maar Hij had hen nog- niet bepaald geroepen om Hem te volgen. Over het algemeen werkt Hij trapsgewijze in do harten der menschen. Hij zaait het zaad zijner genade en laat het dan een tijd aan zich zelve over om tot rijpheid te komen; naderhand geleidt eene tweede roeping tot een vrijwillig offer. â Zóó heeft Hij ook met mij gehandeld. Hij heeft mij met zachtheid geleid en langzamerhand gezocht mij nader tot Hem te leiden. Hel) ik den goeden wil dezer leerlingen ?
49
IT. Jezus roept deze visschers om men-schen te vangen, want het net des Evangelies brengt degenen, die door deze heilige mazen worden ingesloten, in de peillooze wateren der, liefde Gods. â Welk een voorrecht om voor God menschen te vissehen en de glorierijke taak van Jezus te deelen; om de levende wateren te vullen met diegenen, die er zullen schitteren en stralen in alle eeuwigheid!
111. Na Petrus en Andreas worden Jacobus en Joannes geroepen. Zij zijn met liunnen vader Zebedeüs hunne netten aan het boeten, wanneer Christus hen roept; netten, vischvangst, vader, alles wordt vergeten. Hij roept, en dan moeten alle bezigheden, bezittingen, betrekkingen verlaten worden uit liefde tot Hem. Wat heb ik ter wille van Hem verlaten?
4
50
DE SYNAGOGE TE CAPHAENAÃM.
Marc. I : 31 24.
Te Capharnaüm gelijk te Nazareth giug Jezus naar de Synagoge op den Sabbatlidag om te luisteren naar de lezing der wet. Daar gebeurde het. dat een bezetene aanwezig was, die angstige kreten slaakte en verklaarde, dat Jezus de heilige Zoon van God was.
I. In onze dagen spot de mensch met het denkbeeld van bezetenheid, maar de Heilige Schrift leert, dat deze ontwijfelbaar zeker bestaat. De onreine geest ontvangt somtijds verlof in een menschelijk lichaam te wonen om de handelingen te beheerschen, om door den mond des menschen te spreken; dikwijls tot eene billijke kastijding voor langdurig toegeven aan zonde. Bid God, dat de duivel nooit eenige macht of invloed over u mag bekomen, zooals hij in meerdere of mindere mate verkrijgt over al degenen, die niet aan zijne booze ingevingen weerstaan.
51
TT. De onreine geest kon niet blijven zwijgen in de tegenwoordigheid van Gods Zoon. Hij beschouwde Hem met afschrik en ontzetting als zijn doodelijksten vijand, maar tegelijkertijd als zijn Heer. âWat hebt Gij met ons te maken ? Komt Gij om ons te verderven?quot; Zoo deinst het kwade altijd terug voor liet goede. De volgelingen van -1 mis hebben macht over de kwade geesten, naarmate zij zijne heiligheid deelen. Indien wij Hem geleken, zou de duivel ons meer vreezen, en het kwade zon beschaamd terugdeinzen in onze tegenwoordigheid.
III. De duivel kende zeer goed de heiligheid van Jezus. Zij bezitten de natuurlijke macht om de geaardheid van het inenschelijk hart te onderscheiden. Zij kunnen niet al onze innigste gedachten lezen, maar zij kunnen zich een volkomen juist denkbeeld van ons maken; wij kunnen hen niet gelijk men-schen bedriegen. Welke verachting moeten zij voor mij niet koesteren! Hoe geringe gedachte moeten zij van mijne deugd hebben!
52
JEZUS DRIJFT BEN DUIVEL UIT.
Matth. 1 : 25 â28.
On/c Heer leg't den oitreiiien geest liet stilzwijgen op en gebiedt hem zijne prooi te verlaten. De dnivei werpt den bezetene op den grond, in een hevigen aanval van pijn, en verlaat bem dan ongedeerd. De toeschouwers vragen zich zelf in schrik en verbazing af. wie deze is, die zelfs over de machten der duisternis gezag uitoefent.
I. Jezus spreekt één woord en de onreine geest is verslagen en houdt zich stil. Hoe komt het dan, dat in spijt van ons bidden tot Hem, de booze geesten niet aflaten ons te bekoren en slechte gedachten in te geven. Misschien ligt de oorzaak hierin, dat wij hun aanleiding geven dorr onze nalatigheid in het vluchten der gelegenheden van zonde. Misschien ook, dat onze Heer ons wil vernederen en ons doen gevoelenvhoe zwak we zijn, en hoe wij zijn bijstand noodig hebben. In elk geval. Hij is altijd bereid ons de genade te schenken, die noodig is om aan onzen vijand weerstand te bieden, en hoe geweldiger de bekoring is, te grooter zal
53
in het eind onze belooning zijn. Laat ons dus goeden moed houden!
II. De duivel, op het punt van zijne prooi uit te gaan, verscheurt hem en werpt hem op den grond. Hij wil niet vertrekken zonder strijd. Wanneer in bekoringen de afkeer van de deugd liet sterkste is, en de strijd het hevigst wordt, blijkt juist daaruit, dat de duivel op het punt is heen te gaan. Het is de maehtelooze kwaadwilligheid van dengene, die weet dat zijn rijk geëindigd is.
III. Als de strijd geëindigd is, en de duivel uitgedreven, heeft de niensch, van zijne vervolging ontheven, geen nadeel ondergaan. Dit is ook het geval met de bekoringen, die, hoe hevig ook. als wij ze wederstaan, geen vlek op de ziel achterlaten; de vijand heeft ons gekweld en vervolgd, maar wij hebben in kracht gewonnen en niet verloren bij den strijd. O, Jezus! moge ik altijd moedig weerstand bieden en door uw genade ongedeerd ontkomen!
54
DE GENEZING VAN PETRUS' SCHOONMOEDER,.
Matth. I : 30-33.
Bij liet verlaten der Synagoge gaat onze Heer met zijne leerlingen naar het liuis van Simon Petrus, wiens schoomnoecler aan zware koorts ziek te bed lag. Men deelt het Jezus mede, en Hij neemt haar bij de hand; de koorts verlaat haar op hetzelfde oogenblik, en zij dient hem.
I. De leerlingen van Jezus spreken Hem van de vrouw, die gevaarlijk ziek ligt in Simons huis. Dit is de aanleiding tot hare genezing. Onze Heer wist het te voren, maar zou Hij dit wonder verricht hebben, indien zij Hem de zaak niet hadden meegedeeld? Zoo wacht Jezus nu ook, opdat wij Hem onze verlangens en de nooden van hen, die ons dierbaar zijn, mededeelen. Hij verlangt van onze eigene lippen in het gebed onze kwellingen te vernemen, en dit menigmaal als voorwaarde om ons er van te bevrijden.
55
II. De zieke vrouw had een soort van aanspraak op onzen Heer. ter wille van haar verwantschap met den H. Petrus. Jezus wilde niet, dat de Nazareners eenig recht deden gelden, dat deze mirakelen in hun midden werden gedaan, omdat Hij in Nazareth geleefd had, doch dit was, omdat zij door hun ongeloof hun voorrecht verbeurd hadden. Hij erkent echter natuurlijke banden, en luistert naar de gebeden van zijne leerlingen en vrienden, vooral van hen die alles voor Hem verlaten, indien zij iets vragen ten behoeve van hunne betrekkingen of bloedverwanten.
III. Eéne aanraking van Jezus' hand, en de koorts en ziekte verlaten het lichaam van de kranke. Nu bleek op welken grond de overtuiging steunde eener andere lijderes, die zeide; âIndien ik slechts den boord van zijn kleed aanraak, zal ik genezen zijn.quot; Mijn Jezus, leg uwe genezende hand op mij.
56
JEZUS' ARBEID TE CAPHAENAÃM.
Marc. I : 30â38.
Jezus verrichtte vele wonderen te Caphar-naüm. Hij genas de zieken en dreef duivelen uit, die Hij niet toeliet te spreken, omdat zij Hem kenden. In het avonduur verrichtte Hij zijne werken van barmhartigheid, en vroeg in den morgen begaf Hij zich naar de woestijn om te bidden. Daar vonden Hem zijne leerlingen, en wanneer zij hem aanraadden terug te koeren, zegt Hij hun, dat zijne zending zicli ook tot andere steden en plaatsen uitstrekt.
I. Tweederlei mirakelen van onzen Heer worden hier in herinnering gebracht, de genezing van lichamelijke kwalen en het uitdrijven van duivelen. Dit laatste is een veel zwaardere taak dan het eerste. Hoe weerbarstig is de duivel om zijne slachtoffers te verlaten! De gewoonte wordt bijna eene tweede natuur. Hoe vast schijnt liij hen in zijne macht te hebben! Inderdaad, de bekeering van zondaars is eene meer wonder-
57
bare uiting der goddelijke almacht dan de genezing van tallooze kwalen.
II. Onze Heer wilde niet gedoogen, dat de duivelen zijne godheid verkondigden. Hij wilde de verklaring der waarheid niet uit zulk eene bron ontvangen. Zoo zegent Hij de leering der waarheid niet van slechte menschen. Hun invloed op anderen schijnt krachteloos. Het eerste vereischte om niet vrucht te arbeiden is niet welsprekendheid noch geleerdheid, maar trouw aan God en liefde tot Hem.
UI. Niettegenstaande zijn afmattenden arbeid, gaat Jezus in de woestijn om te bidden. Dit geschiedde voor ons; want Hij zelf had geen gebed noodig. Hij wilde ons echter leeren dat, indien wij een groot werk voor God beginnen of voorspoed hebben, wij vóór alles Hem moeten danken en alles toeschrijven aan zijne goddelijke Voorzienigheid.
58
ZALIG ZIJN DE ARMEN VAN GEEST.
Matth. V : 1â3.
De goddelijke Zaligmaker, een berg opgaande, vergadert zijne leerlingen om zich heen en verklaart hun de wet van het Evangelie, welke Hij de menschen was komen leeren. Hij begint met de acht zaligheden.
âZalig zijn de armen van geest! want hunner is het Eijk der Hemelen.quot;
I. Elk mensch verlangt naar geluk. Eene onwederstaanbare aandrift beweegt er ons toe. Het is het eind en doel van ons leven. Het plan on zes Heeren bij zijne komst op aarde was, ons te leeren, hoe wij gelukkig of zalig konden worden. Tevergeefs zoeken wij gelukkig te worden langs een anderen weg dan Jezus voorschrijft. Heer, leer mij deze les! Ik verlang naar geluk, en ik verlang ook de middelen van U te leeren om het te bereiken.
II. Als eerste en voornaamste voorwaarde stelt Jezus de armoede van geest als noodzakelijk voor ons geluk. De wereld zegt: âWordt rijk, en gij zult gelukkig zijn,quot;
59
en toch, zij die dezen raad volgen, ondervinden, dat rijkdom niet gelukkig maakt.
Jezus zegt: âWeest arm uit eigen vrije verkiezing en gij zult gelukkig zijn.quot; â Die armoede van geest, welke Hij aanbeveelt, bestaat in eene onthechting en eene bereidvaardigheid. om al wat wij bezitten om zijnentwil af te staan.
III. Wat bedoelt Hij met âarm van geestquot; te zijn? 1°. Het vrijwillig afstaan van dezen rijkdom, dien men zonder zonde niet bezitten kan. 2°. lgt;e afhankelijkheid van God in het gebruik der rijkdommen, en de bereidwilligheid er afstand van te doen, indien wij weten, dat Hij zulks van ons vraagt. 3°. En eindelijk liet gelieele afstaan van alle bezittingen met den wil en de daad, zoodat wij Jezus Christus in zijne heilige armoede kunnen volgen. Aan deze allen belooft onze Heer een schat in den He-mel â ja, Hij zegt zelfs, dat bet Koninkrijk der Hemelen hun toebehoort. In welke mate bezit ik deze armoede van geest?
60
ZALIG ZIJN DE ZACHTMOEDIGEN.
Matth. V : 4.
âZalig zijn de zactitmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten.quot;
I. Zachtmoedigheid is de uitwendige openbaring van nederigheid. Het is de eerste karaktertrek, welken Onze Heer ons in zich zeiven ter navolging voorstelt. âLeert van Mij, dat ik zachtmoedig en nederig van harte ben.quot; Het is niet alleen de vrucht van den ootmoed, maar ook de voedster. Gedurig schieten wij te kort in ootmoed zonder liet zeiven te bemerken, maar het kan ons niet aan zachtmoedigheid ontbreken, zonder dat wij het weten. Wij zien dan de uitwerking bij anderen, wij hooren onze eigen onvriendelijke woorden. Indien ik dus nederig wensch te worden, moet ik mij op zachtmoedigheid toeleggen.
II. Hoe schoon is de zachtmoedigheid op zich zelve! Zachtmoedigheid keert den toorn af, brengt de lastertongen tot zwijgen, maakt de menschen beschaamd over hunne eiiren harde woorden, en maakt ons gelijkvormig aan het beeld van het Lam Gods.
61
Mozes werd door God zoo bemind, omdat Hij de zachtmoedigste onder de menschen was. De psalmist roept uit: âGedenk David, Heer, en al zijne zachtmoedigheid.quot; Onze Heer zelf was tegenover zijne vijanden een volmaakt voorbeeld van zachtmoedigheid. Helaas' hoevee] kom ik in deze deugd te kort! Misschien noem ik zelfs de zachtmoedigen kleingeestig ; ben ik trotsch op mijn vermogen van zelfverdediging en op mijne boosaardige strijdlustigheid.
111. De zachtmoedigen znllen de aarde bezitten. Hoe waar zijn deze woorden zelfs op aarde! Wij wijken voor zachtmoedigen, waar wij niet zouden wijken voor hen. die ons weerstand boden. De zachtmoedigen worden bemind, men luistert naar hen. en ten laatste blijven zij meester van het terrein. Hoeveel gelukkiger zullen zij wezen als bezitters van het hemelsch rijk, het land van Gods uitverkorenen!
62
ZALIG ZIJN ZIJ DIE TREUBEN.
Matth. V : 5.
âZalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.quot;
I. Waarom is liet treuren eene zaligheid? Zelfs in de orde der natuur zuivert en reinigt verdriet liet gemoed en bereidt alzoo den weg tot bovennatuurlijke genaden. Het leed bovendien maakt, onder den invloed van den H. Geest, onze harten los van de wereld; doet ons gevoelen, dat wij afhankelijk zijn van God: keert onze harten tot Hem en wekt in ons het verlangen op naar den Hemel. Klaag dan niet, wanneer het leed over u komt. maar verheug u eerder, want zalig zijn zij die treuren!
II. Zalig zijn zij die treuren over hunne zonden. Dit is de beste boete, die wij kunnen doen. Maar wij kunnen niet wezenlijk treuren, indien wij er niet dien oprechten afkeer van koesteren, in welken de zuiver-
63
heid des harten bestïiat. Nog zijn zij zalig, die treuren over de zonden van anderen, en in hun hart gegriefd worden door de menigvuldige heleedigingen tegen de goddelijke goedheid hegaan, en door het verlies van zoovele zielen, die aan het hart van Jezus dierbaar zijn. Laat ons hidden om een oprecht leedwezen over de zonden. Hoe gering plegen wij ze te achten !
III. Zij, die treuren met liovenuatuurlijke droefheid, zullen zeker getroost worden. Hunne vertroosting is niet verre meer. Zij zal spoedig hun hart met zoetheid vervullen; of liever hun verdriet zelf heeft in zich reeds een grond van zoetheid, welke van de vreugde spreekt, die ons eindelijk iu den Hemel wacht, waar wij iu één oogenblik troost en vergelding zullen ontvangen voor al de droefenis van dit tranendal.
04
ZALIG ZIJ, DIE HONGEREN EN DORSTEN NAAR DE GERECHTIGHEID.
Mattli. V : G.
âZalig zij, die hongeren en dorsten naaide gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.quot;
I. Wat beteekent hongeren en dorsten naar de gerechtigheid ? Bij den zondaar bestaat het in een vurig verlangen van zijne zonden bevrijd te worden, en dit is het verblijdend teeken, dat eene verandering aan-staande is. Zoo verlangde de verloren zoon naar het huis zijns vaders. Zoo Augustinus om 'van de ketenen der zonden los te komen. Zoo verlangt de zondaar, die tot den rechterstoel der boetvaardigheid nadert, de zaligheid te gevoelen, dat de last zijner zonden van hem wordt afgewenteld. Deze allen zijn gelukkig in het vooruitzicht, niet in hun tegenwoordigen staat.
II. Er bestaat een hoogere graad van dezen honger en dorst naar de gerechtigheid, die bij de dienaren Gods gevonden wordt, naar de mate hunner heiligheid. Zij zijn gelukkig, wonderbaar gelukkig, gelukkig
65
te micWen van !il de beproevingen en kwellingen van dit tranendal. Doch dit gelnk is het gevolg van him honger en dorst naar het Hemelsche Vaderland. Het is het voor-nitzicht op de toekomstige vreugde, dat lien zoo blijmoedig maakt. Is dit bij mij het geval'-1 Wanneer ik de woorden herhaal âO, Paradijs! wanneer zal ik n zien?quot; is dit gemeend? of slechts eene uiting van onwaar gevoel?
III. Zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, zullen verzadigd worden. Sommige Heiligen riepen zelfs in dit leven uit: â Satis Domine! â Clenoeg, o Heer!wanneer God hen met geestelijke vreugde overstelpte. In den Hemel zal alles overvloeien van vreugde. De vreugde, die God schenkt, voldoet, maar verzadigt nooit. Wij hebben altijd genoeg, en toch nooit genoeg. Dit is de verklaring van 't geheim, waarom de hemel door alle eeuwigheid ons zal bevredigen.
66
ZALIG ZIJN DE BAEMHARTIGEN.
Matth. V : 7.
i
âZalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven.quot;
I. Barmhartigheid is de deugd van liefde, beoefend jegens hen, die in leed of zorgen verkeeren. Het is de terugkaatsing van Gods liefde voor de zondaars, die zich op den rand van den afgrond bevinden. Het is deze hoedanigheid, welker beoefening wij voor ons-zelven het meest behoeven. Zonder Gods barmhartigheid zijn wij verloren; zonder zijne barmhartigheid kunnen wij nooit van onze zonden bevrijd worden. Zonder zijne barmhartigheid bestaat er voor ons geene hoop zijn aanschijn in den Hemel te aanschouwen. De grondtoon van ieder onzer gebeden behoort te zijn: âO, God, wees mij arme zondaar genadig!quot; Alleen zoodoende kunnen wij hopen vergiffenis te bekomen.
II. Barmhartigheid te verwerven moet het' doel van ons leven zijn. Hoe zullen wij daar toe komen? Christus, de koning van barmhartigheid, toont ons den weg. Wij moeten barmhartigheid aan anderen bewijzen, indien
67
wij zelven barmhartigheid wenschen te vinden. Vergeefs zullen wij roepen om hnlp, indien we doof blijven voor anderen, die in nood ver-keeren. Ben ik barmhartig jegens anderen, en niet nit natuurlijke beweegredenen, maar omdat ik wensch in de voetstappen te treden van den barmhartigen en liefderijken Verlosser? Of ben ik streng en hard tegenover mijne mede-zondaren ?
III. Welke zijn de wijzen, waarop we onze barmhartigheid toonen kunnen? 1°. Door barmhartigheid tegenover de armen: Daniël sprak tot Nabuchodonosor â Boet uwe zonden uit door aalmoezen, en uwe ongerechtigheden door barmhartigheid aan de armen te bewijzen.quot; 2°. Door zachtheid en beminnelijkheid tegenover kranken en beproefden. 3°. Door hen, die mij kwaad gedaan hebben, te vergeven, zooals ik vergiffenis hoop te verwerven. Zijn deze teekenen van barmhartigheid in mij te vinden?
68
ZALIG ZIJN DE EEINEN VAN HARTE.
Mattli. V ; 8.
âZalig zijn de reinen van harte, want zij zullen Goil zien.quot;
I. De goddelijke aanschouwing' is het einddoel van het bestaan des menschen en de uiterste vohuaaktheid van y.ijn geluk. Uitgesloten zijn van zijne aanschouwing voor alle eeuwigheid, sluit niet alleen duisternis en donkerheid in, maar veroordeelt tot de laagste diepten van wanhoop en wee. Het genot van alle genoegens, die op aarde te genieten zijn, gedurende niillioenen jaren, zou zelfs niet één enkel oogenblik dier aanschouwing kunnen vergoeden. Het verduren van al wat kan geleden worden, ware slechts een geringe prijs om de zaligende vreugde te betalen, welke één oogenblik dier aanschouwing in zich bevat. Vandaar moet ik mijn leven zoo inrichten, dat ik mij de aanschouwing van God tegen eiken prijs verzeker.
II. Om dit te verkrijgen, moet ik de voorwaarde voldoen, welke onze Heer ons
69
hier voorstelt. Ik moet zuiver van hart zijn. Ik moet nooit toelaten, dat mijne genegenheid zich vestigt op of zich hecht aan een schepsel op aarde, indien ik weet, dat ik aldus in verzet kom tegen den wil van God. Ik moet niet toegeven aan vermaak of hartstocht, hoe aantrekkelijk of hevig ook, indien ik weet, dat God het verbiedt. Anders loop ik gevaar do goddelijke aanschouwing in alle eeiiAvigheid te verbeuren.
UI. Zal ik door deze zelfverloochening eenig waar geluk of genoegen verliezen? Integendeel, het voordeel is altoos aan mijne zijde. â Ik zal er vrede des geestes door verkrijgen ; gezondheid naar ziel en lichaam, opgeruimdheid en een gerust geweten; en op aarde reeds zal ik beginnen liet geluk te smaken van God te zien, in zoover dit, in dit sterflijk leven, mogelijk is. Mijn geloof in God en mijne liefde tot Hem zullen mij doen verachten en haten de grove voldoeningen, welke het draf der zwijnen zijn.
70
ZALIG ZIJN DE VREEBZAMEN.
Mattli. V ; 9.
âZalig' zijn de vreedzamen, want zij znl-len kinderen Gods genoemd worden.quot;
I. Het Evangelie van Christus bevat een vreemde mengeling van vrede en oorlog. Wij moeten tegen onze geestelijke vijanden strijden, te weten, tegen onze slechte hartstochten, tegen hoogmoed en eigenzinnigheid. Wij worden soms in strijd gebracht met vrienden of bloedverwanten om Christus wil. En toch is Christus de vorst van vrede, en indien wij strijden tegen het kwade, zullen wij altijd vrede genieten, wat onze eigene stemming betreft, en zelfs met hen, wier gedrag wij afkeuren en veroordeelen.
II. Maar er is nog meer; het moet ons niet voldoende zijn om met ons zeiven en onze omgeving in vrede te leven. Wij moeten al het mogelijke doen om in den kring, waarin wij leven, zachte en vrien-
71
(lelijke gevoelens aan te moedigen en le kweeken. Dit ligt in aller bereik, en zalig zijn zij, die aldus bekend staan als het middelpunt van vrede. Gezegend is het huis, waarin zij wonen, want hun voorbeeld werkt aanstekelijk. Ben ik vreedzaam in dezen zin ?
III. De belooning van dit vreedzaam gemoed is, dat wij erkend worden kinderen Grods te zijn en gelijk aan onzen oudsten broeder, den Vredevorst. Hoe schoon zijn de voetstappen van hen, die aldus in hunne daden het Evangelie des vredes verbreiden! Zij zijn dierbaar in den kleinen kring, waarin hun lot is gevallen. God noemt hen zijne geliefde kinderen. Zij zijn overal welkom; en bovenal zullen zij welkom zijn bij de engelen in den Hemel.
72
ZALIG ZIJ, DIE VEKYOLGING LIJDEN OM DE GERECHTIGHEID.
Matth. V : 10.
âZalig' zij. die vervolging lijden om de gerechtigheid, wunt hunner is het rijk der Hemelen.quot;
I. Vervolging te lijden om der gerech-tigheid wille, i.s het gewone lot van allen die Christus volgen. Het is een der tee-ketfen van voorbeschikking'.
Zoodra een zondaar tot God terugkeert, begint de vervolging onder een of anderen vorm aanstonds; leed en verdriet wordt dooide omgeving hem aangedaan: soms verloochenen de ouders hun kind ; of een echtgenoot verandert zijne vroegere goedheid in bittere koelheid; of ter wille der gerechtigheid wordt geld, betrekking, wereldsche invloed verbeurd. Zalig zij, die hier deze vervolging te verduren hebben om der gerechtigheid wille.
II. Somtijds laat God toe, dat zijne vrienden worden vervolgd en verkeerd begrepen; niet alleen door slechte menschen, wereldsche bloedverwanten of lauwe Christenen, maar
73
ook door hen, die heilig zijn en aan God gewijd. Men zegt, dat de wreedste vervolging komt van een heilig mensch of een kloosteroverste. Het gezag van den vervolger doet de slagen, die hij toebrengt, heviger aankomen. Zijn deugd maakt de pijn, die liij toebrengt, veel scherper. Het is daarom een zeer groot voorrecht, mits wij zorg dragen, dat do vervolging, die wij ondergaan, niet aan hoogmoed, hardnekkigheid, gemis aan zorg of andere gebreken te wijten zij.
III. Wat is de belooning van hen, die om der gerechtigheid wille vervolgd worden ? Geen ander dan het Koninkrijk der Hemelen. De vervolgden zullen daar zegepralen, en hunne plaats zal des te hooger zijn, naarmate zij op aarde vernederd, achteruitgezet en hard behandeld zijn. Zij zullen niet alleen in het Koninkrijk der Hemelen worden toegelaten, maar het Koninkrijk der Hemelen behoort hun toe.
74
DE CHRISTEN HET ZOUT DER AARDE EN HET LICHT DER WERELD.
Matth. V : 13â16.
Onze Heer zeide tot zijne leerlingen, dat zij liet zont der aarde waren, omdat zij door hnnne onderrichtingen en hnn voorbeeld de wereld van bederf moesten bewaren. Zij moesten bovendien liet licht der wereld zijn, en hnn licht laten schijnen voor de menschen met het doel om daardoor de glorie van God te bevorderen.
I. Zooals zont zonder smaak alleen goed is voor den mesthoop, zoo zijn Christenen, die een slecht voorbeeld geven, niet alleen nutteloos, maar alleen waard om weggeworpen, en met den voet door de menschen vertreden te worden. Dit heeft dikwijls plaats gehad met Katholieken, die hun geloof en ijver verloren hadden. Zij zijn vertreden onder den voet van den vervolger. Bid, dat gij altijd een geur van goede werken om u heen moget verspreiden.
II. De leerlingen van Christus zijn bovendien het licht der wereld, en door het feit, dat zij Christenen zijn, trekken zij
75
de aandacht der menschen tot zich. Zij moeten niet hun licht onder de korenmaat verbergen, daar God van hen eischt, dat zij in de wereld zijn belang bevorderen en. dooiden glans van hun goed voorbeeld, de liefde tot Hem doen toenemen. Bid, opdat gij altijd goede werken om U heen moogt verspreiden. Vraag TJ zeiven, of gij op eenige wijze een bron van licht en geluk voor uwe omgeving zijt.
III. De Christenen worden door onzen Heer gewaarschuwd dat, terwijl zij hun licht voor de menschen doen schijnen, hun doel moet wezen eer te behalen, niet voor hen zélven, maar voor Hem. Dit is het echte kenteeken der waarde van onze werken. Voor wien doen wij ze? Indien het voor ons zeiven is, wacht ons geene belooning, maar de gramschap van God; is het voor God, dan zullen ze eene bron van eer voor Hem worden, van welzijn voor anderen en van eeuwigdurende vreugde voor ons.
DE VERVULLING DEK WET.
Matth. V ; 21â48.
Jezus was niet gekomen om de Joodsche wet af te schaffen, maar om ze tot hare volmaaktheid te brengen. Daarom voegt Hij 1nj de geboden van het Joodsche verbond de beteugeling van bet hart. Het is niet voldoende om zich van wraak en overspel te onthouden; de Christelijke wet legt liefde op en zuiverheid in woorden en gedachten, zoowel als in daden.
1. De wet van Christus sluit al de voorschriften in der Joodsche wet. Deze geboden omtrent de zuivere meening en de verwerping van slechte gedachten, door de Pharizeërs niet geteld, zijn volgens de verklaring des Heeren van het grootste belang. Wie éen van deze vrijwillig breekt of anderen daartoe opwekt, zal in het Rijk der Hemelen niet toegelaten en uit Gods tegenwoordigheid worden geworpen. Zijn er onder de voorschriften der wet van Christus eenige, waar ik weinig aan hecht, of die ik roekeloos schend?
77
II. Vroeger was de daad van geweld verboden. Maar onze Zaligmaker zegt, dat een ieder, die aan gramschap toegeeft of aan verlangen naar wraak in zijn hart, of beleedigende woorden anderen toevoegt, verantwoording zal moeten afleggen voor het oordeel van (jod. â Is deze waarschuwing niet tot mij gericht, die zoo dikwijls toegeef aan onvriendelijke, haatdragende gedachten en aan het verlangen om op hen, die mij beleedigd hebben, wraak te nemen.
III. V roeger waren de werken van onknisch-heid verboden. Maar Jezus herinnert zijne leerlingen, dat een vrijwillig verlangen, in de oogen van God, reeds een groote zonde tegen de kuischheid is. Bon ik zóó zorgvuldig als noodig is om alle onreine gedachten en alle gelegenheden, die deze kunnen opwekken, te vermijden?
DE VERVULLING DEK WET.
Matth. V ; 21â48.
Jezus was niet gekomen om de Joodsche wet af te schaffen, maar om ze tot hare volmaaktheid te brengen. Daarom voegt Hij 1nj de geboden van het Joodsche verbond de beteugeling van bet hart. Het is niet voldoende om zich van wraak en overspel te onthouden; de Christelijke wet legt liefde op en zuiverheid in woorden en gedachten, zoowel als in daden.
1. De wet van Christus sluit al de voorschriften in der Joodsche wet. Deze geboden omtrent de zuivere meening en de verwerping van slechte gedachten, door de Pharizeërs niet geteld, zijn volgens de verklaring des Heeren van het grootste belang. Wie éen van deze vrijwillig breekt of anderen daartoe opwekt, zal in het Rijk der Hemelen niet toegelaten en uit Gods tegenwoordigheid worden geworpen. Zijn er onder de voorschriften der wet van Christus eenige, waar ik weinig aan hecht, of die ik roekeloos schend?
77
II. Vroeger was de daad van geweld verboden. Maar onze Zaligmaker zegt, dat een ieder, die aan gramschap toegeeft of aan verlangen naar wraak in zijn hart, of beleedigende woorden anderen toevoegt, verantwoording zal moeten afleggen voor het oordeel van (jod. â Is deze waarschuwing niet tot mij gericht, die zoo dikwijls toegeef aan onvriendelijke, haatdragende gedachten en aan het verlangen om op hen, die mij beleedigd hebben, wraak te nemen.
III. V roeger waren de werken van onknisch-heid verboden. Maar Jezus herinnert zijne leerlingen, dat een vrijwillig verlangen, in de oogen van God, reeds een groote zonde tegen de kuischheid is. Bon ik zóó zorgvuldig als noodig is om alle onreine gedachten en alle gelegenheden, die deze kunnen opwekken, te vermijden?
80
HET VEEGADEREN VAN SCHATTEN.
Matth. VI : 19â21.
Jezus Christus vermaant zijne leerlingen zich schatten te vergaderen in den hemel, en niet op aarde; opdat hunne harten mogen zijn, waar hun schat is.
I. Iedereen wenscht eenige schatten te bezitten om er zich van te bedienen in tijden van nood als hulpmiddel voor een onzekere toekomst. Wij zien vooruit, en voelen behoefte aan iets, waarop wij bij het afnemen der jaren kunnen steunen. Onze Heer raadt zijne leerlingen om zulk een schat te vergaderen, niet op de aarde, waar die vergankelijk en onzeker is, maar in den Hemel; want een schat in den Hemel is ons zelfs op aarde dienstig. God zal niet toestaan, dat zij, die Hem hunnen schat hebben toevertrouwd, gebrek lijden, en het zal ons een rijke oogst van vreugd en geluk in alle eeuwigheid verwerven.
II. De menschen zijn geneigd om rijkdommen te verzamelen. Hiermede bezig te zijn is hun aangenaam. Daar ligt een soort van tooverkracht in, en hoe meer zij hebben,
81
hoe meer zij verlangen. Jezus Christus leert zijne leerlingen, dat zij hunne zorgen moeten aanwenden om schatten voor den Hemel te verzamelen, niet voor de aarde. Elke daad van naastenliefde, elk gebed, elke goede gedachte, elke strijd tegen bekoring, vermeerdert dezen eeuwigen schat. Menschen, die voor God leven, zullen verbaasd staan bij het zien der overvloedige rijkdommen, die zij gedurende hun leven hebben verworven en den nooit uit te putten schat, dien zij beërven in den Hemel.
III. Onze Heer geeft eene andere reden op, om schatten voor den Hemel te verzamelen. Wij plaatsen onze harten op hetgeen wij het meest waardeeren; en naarmate onze schat toeneemt, neemt ook onze liefde toe. Indien wij verlangen de hemelsche zaken te beminnen, moeten wij onze schatten daar verzamelen. O, dood, hoe verschrikkelijk zijt gij voor den mensch. die vrede in zijne aardsche goederen vindt! en hier mogen wij bijvoegen: Hoe zoet is de dood voor hem, die een rijken schat in den Hemel bezit!
6
82
OYER DE ZUIVERE MEENING.
Matth. VI : 21â22
Het licliaaiu ziet met liet oog; de ziel door de bedoeling, waarmede zij handelt. Indien dit laatste oog gesloten is, tast ze rond in liet duister.
I. Het oog bestuurt de bewegingen van het lichaam en bepaalt elke handeling. Evenzoo bepaalt de bedoeling, waarmede onze handelingen worden verricht, hare waarde. Twee inenschen verrichten eene voor het uiterlijk gelijke daad; zij geven een aalmoes of bezoeken een vriend. l)e een doet het voor zich zeiven, de ander voor God. De daad van den eerste is van geene waarde, of zondig in Gods oog; die van den laatste wischt zonde uit, verdient genade en verzamelt een schat voor de eeuwigheid.
II. Hoe belangrijk is het dus om al onze bedoelingen tot God te richten. Wij kunnen verdienen voor ziin oog door alles
83
wat wij doen. Handelingen in zich zelve onverschillig-, als eten, drinken, slapen enz., worden, voor God gedaan, verlicht door een hovennatuurlyk licht. En gelijk wanneer het oog zuiver is, geheel 't lichaam er door verlicht wordt,quot; zoo zal ons geheele leven stralend in Gods oogen worden, indien wij onze bezigheden voor Hem opofferen en uit liefde tot Hem verrichten.
m. Is onze bedoeling echter slecht, dan wordt ons geheele leven donker voor zijn aangezicht. IJe op zich zelve heiligste daden mishagen aan God, indien zij uit een oogmerk van ijdelheid, kwaadwilligheid of eigenliefde verricht worden. â O, hoe vreeselijk is de duisternis eener ziel. die zaken, welke voor God gedaan schijnen, met slechte bedoelingen heeft verricht! O, mijn God, behoed mij voor deze duisternis, en verleen mij het geluk van alles nit liefde tot U te doen!
84
OVER HET VERTROUWEN OP GOD.
Mattli. Y1 : 25â34.
Jezus waarschuwt zijne leeiiiug'en tegen bekommering' over voeding' en kleed, en noodig't hen uit te vertrouwen, dat Hij in alles zal voorzien. Hij zorg't voor de vogelen des hemels en de leliën des velds en Hij zal het hun, die Hem en zijne gerechtigheid zoeken, aan niets laten ontbreken!
J. Wij worden allen nu en dan gekweld door wereldsche zorgen. Wij bevinden ons in moeilijkheden en zien geen uitweg. Het noodzakelijke tot onderhoud ontbreekt ons. Onze naasten behandelen ons niet meer als vroeger. Wij worden in onzen arbeid door onvoorziene hindernissen gestoord en bekoord tot mismoedigheid. In zulke uren toont zich ons geloot'. Wij zijn wellicht niet in staat ons pad te zien, en het licht moge schuilgaan achter de wolken! Dan kunnen wij toch uitroepen: âO, mijn God, ik stel mijn vertrouwen op U, en ik zal altoos op ü hopen. â U vertrouw ik al mijn zorgen, leed en nooden toe. â Verlaat mij niet. o, God mijns heils!quot;
85
II. Indien God altijd voor zijne kinderen zorgt, hoe komt het dan, dat wij hen ongelukkig, terneergeslagen, hulpeloos en ontevreden zien ? Het is omdat zij op Hem niet vertrouwen; omdat zij Hem den rug toe-keeren en tot andere middelen hun toevlucht nemen. Zij verlaten Hem, en beklagen zich dan, dat Hij hen heeft verlaten. Heb ik somtijds niet aldus gehandeld?
III. Er is eene andere reden, waarom wij dikwijls zoo beangst en ontmoedigd zijn. Het is omdat wij niet eerst het Koninkrijk der Hemelen en zijne gerechtigheid zoeken. Wij richten ons leven niet in, zooals wij weten, dat God dit verlangt, maar volgen plannen, door ons zeiven gemaakt, die niet overeenkomen met hetgeen Hij van ons vraagt. Indien ik verlang, dat God voor mij zorgt, dan moet ik deze noodzakelijke voorwaarde vervullen.
86
OVEE HET LICHTVAARDIG OORDEEL.
Matth. VII : 4-5.
Wij moeten anderen niet lichtvaardig oor-deelen, indien wij zei ven niet op gelijke wijze willen geoordeeld worden. Wij moeten in anderen de kleine gebreken niet berispen, zoolang wij geen moeite doen om onze eigen, ernstige gebreken te verbeteren.
I. De neiging om anderen lichtvaardig te oordeelen, is een onzer voornaamste gebreken. Bewust van onze eigen tekortkomingen, moesten wij natuurlijkerwijze toegevend voor die van anderen zijn. Maar wij zijn zoo ver hiervan verwijderd, dat wij over het algemeen liet strengst de gebreken in anderen afkeuren, die wij zeiven bezitten. Indien ik geneigd ben eenige fouten in anderen streng te beoordeelen, dan is dit een bewijs, dat dezelfde tekortkoming, op eene of andere manier, in mij aanwezig is.
II. Het is eene verontrustende gedachte, dat wij hetzelfde vonnis zullen ondergaan, dat wij over anderen strijken. Indien wij anderen zacht en toegevend behandelen, zal God met zachte toegevendheid jegeus ons
87
gestemd zijn. Indien wij streng in onze beoordeeling van hunne daden zijn, zal God eveneens gestreng over de onze oordeelen. Vat zou mij wachten, indien ik met strengheid beoordeeld moest worden ? Heb ik niet de meest toegevende beoordeeling en alle denkbare verontschuldigingen voor mijne tallooze fouten noodig? Ik zal dus, ware het maar alleen uit eigenbelang, zoo â toegeeflijk mogelijk voor anderen zijn en hen verontschuldigen.
III . Er ligt ook in sommige naturen eene neiging om de rol van ongeroepen hervormer te spelen. Niemand is dankbaar voor zulk een rechter, die zich zelf heeft aangesteld. Zij geven altijd aanstoot en doen nooit eenig wezenlijk goed. Er is één niensch, dien ik hervormen moet â mij zeiven. Ik zal niet bezorgd zijn over den splinter in mijn broeders oog, wanneer ik genoegzaam let op den balk in mijn eigen oog.
88
OVER DE KRACHT DES GrEBEDS.
Matth. VII : 7-11.
âVraag en gij zult verkrijgen, zoek en gij zult vinden, klop en u zal opengedaan worden.quot;
I. Herhaaldelijk dringt onze Heer bij ons aan op de noodzakelijkheid van te vragen, wat wij van God wenschen te verkrijgen. Hij wist, hoe de gedachte bij ons zou opkomen, dat God juist het best weet, wat wij noodig hebben, en dat daarom vragen onnoodig is; daarom wijst Hij de verontschuldiging, waardoor wij liet gebed verwaar-loozen, af en geeft met den meesten aandrang voorschriften en zijn eigen voorbeêld. God is niet gewoon gunsten te verleenen zonder ons gebed. Het minst van alles zal Hij ons genaden geven, indien wij er niet om vragen, en met ernst en volharding vragen. Is mijn vragen zoodanig, dat het in staat is Gods Hart te roeren?
II. Om hier nog meer kracht bij te zetten, belooft Hij, dat allen die vragen, zullen ontvangen. Hij herinnert ons, dat de Vader goede dingen geeft aan zijne kinde-
89
ren, die er oin vragen, en dat God, wiens liefde voor ons oneindig grooter is dan die van den meest liefhebbenden vader voor zijn dierbaarst kind, ons niets, dat goed voor ons is, weigeren kan. Blijf lang stilstaan bij dit verlangen van den almachtigen God om zijne kinderen alle goeds, dat zij noodig hebben te geven, en leer hieruit met groot vertrouwen hopen op de toekomst.
III. Wij moeten niet verwachten bij onze eerste bede verhoord te worden, en zeker niet, indien hetgeen wij vragen, in het oog van God ons nadeelig mocht zijn. God beproeft ons geduld on onze onderwerping aan zijn heiligen wil. Maar indien wij ook lang wachten moeten, wij zullen altijd ten laatste de vervulling verkrijgen van elke bede, die tot ons wezenlijk geluk strekt.
90
OVEE HET OORDEELEN NAAR DE UITKOMSTEN.
Matth. VII : 16â21.
âAan hunne vruchten zult gij hen kennen. quot;
I. Er wordt wel eens gezegd, dat wij nooit de wijsheid of oprechtheid eener daad naar de gevolgen moeten beoordeelen ; en dit is waar, indien wij de onmiddellijke uitkomsten beschouwen. Maar de uitkomst eener reeks van handelingen is ten laatste zeker goed. wanneer de handeling zelve goed is. Zij moet noodzakelijk eer aan God geven, en eene Mooning verwerven voor hem, die ze verricht. Niet aanstonds, maar na langer of korter tijd, zal haar wezenlijk karakter uit de gevolgen Wijken. Onze daden hebben dus een dunrzamen invloed ten goede of ten kwade.
II. Zij, die anderen onder hun beheer hebben, oefenen steeds een grooten invloed uit op het volgend leven van hen, die zij geleiden. â Zoo zien wij, dat een heilig man door zijii^ lessen en voorbeeld andere heiligen vormt; dat eene vrome moeder kin-
91
deren heeft, rijkelijk met genade bedeeld.â Deze invloed wordt onbewust geoefend, doch, bestaat niettemin in werkelijkheid. O, hoe gelukkig zullen zij in den Hemel zijn, die op zulke wijze anderen in de deugd hebben gevormd!
III. Jezus zegt ons, dat ofschoon wij de daden van anderen niet mogen beoordeelen, wij toch de dienaren van Christus kunnen onderscheiden van de dienaren der wereld of des duivels door het werk, dat zij verrichten. Hoe duidelijk zien wij dit in de Kerk in tegenstelling met andere sekten. â Ondanks de fouten en zonden van Katholieken, en de uitmuntende hoedanigheden van vele niet-Katholieken, welk een verschil in de uitkomsten! Aan de eene zijde eene onafgebroken overlevering van heiligheid, aan den anderen kant eene onwederstaanbare neiging naar beneden.
92
HET HUIS OP DE ROTS.
Matth. VII : 21-23.
Hij, die luistert naar de goddelijke voorschriften en er aan gehoorzaamt, hij alleen zal het Koninkrijk der Hemelen binnengaan; hij alleen heeft een huis op de rots, dat «inden noch stormen kunnen verbrijzelen of verwoesten.
I. De Zaligmaker weidt voortdurend uit over een kenteeken van deugd, dat proefhoudend is in den dag des oordeels. Niemand zal in den Hemel worden toegelaten, behalve diegenen wier levensdoel is geweest om Gods wil en niet hun eigen wil te volbrengen. â Zij mogen geneigd zijn geweest tot veel gebed, aalmoezen, boetvaardigheid. Al waren zij beminnelijk, achtenswaardig, edelmoedig; al hebben zij gepreekt, de toekomst voorspeld, anderen tot God gebracht en zelfs mirakelen gedaan; â indien zij hun eigen wil gevolgd hebben, niet dien van God, zal dit alles hun niets baten.
93
II. Alleen zij. die aldus den wil van God volbrengen, zullen in staat zijn de stormen van vervolging, de vloeden van tegenspoed, den wervelvind van bekoring weerstand te bieden. â Hunne natuurlijke deugd zal bezwijken en, gelijk een huis op het zand gebouwd, ineenstorten op den kwaden dag. â Niets zal blijven, behalve hetgeen is gegrondvest op die hechte rots der goddelijke liefde.
III. Doch voor hen, die Christus alleen als grondsteen leggen, die in Hem geloo-ven, op Hem vertrouwen, Hem beminnen, mogen de stormen woeden, maar niet één haar van hun hoofd zal gekrenkt worden. In elk gevaar zijn zij, die uit gehoorzaamheid, ter wille van Christus handelen, in volmaakte veiligheid; ja, de storm, de wilde vloed en de golven hechten hen vaster aan de rots, waarop zij steunen, Christus Jezus hunnen Heer.
94
DE WONDEEBAEE YISCHVANGrST.
Lucas V : 1â11.
Toen de menig-te zicli 0111 Jezus verdrong-, stak Hij in de Itoot van Simon Petrus een weinig' van het strand af, en leerde de schare. â Na zijne onderrichting- beval Hij de leerlingen, die den ganschen nacht gearbeid, en niets gevangen hadden, om hunne netten uit te werpen. â Zij gehoorzaamden en haalden eeue groote menigte visschen op.
I. In Jezus' afwezigheid hadden de leerlingen gearbeid, maar alles tevergeefs. Zij hadden hunne netten uitgeworpen, doch zonder eenig gevolg. Zoo is het met allen arbeid, waarbij Jezus niet tegenwoordig is. Zonder Hem is elk werk, hoe godsdienstig ook, ijdel, en eindigt slechts met teleurstelling.
II. Doch welk eene verandering als Jezus een woord spreekt! Wat heeft het onvrucnt-bare werk veranderd in een arbeid, die rijke belooning meebrengt? Drie redenen.
95
1°. Het net wordt nu uit gehoorzaamheid nitg'eworpeii. Werk dat uit gehoorzaamheid wordt gedaan slaagt altijd. Dit kan niet anders.
2('. Tusschen ilen vruchteloozeu en met welslagen bekroonden arbeid lag- eene akte van liefde ter wille van Jezus gedaan. Liefde brengt zegen over elk werk.
3quot;. De visschers hebben intusschen geluisterd naar de heilige woorden van Jezus en iets van zijnen geest ingedronken. Dit heiligt elk werk, zelfs Let meest wereldsche.
III. Wat was liet gevolg van St. Petrus' welslagen? Het maakte hem niet verwaand, maar verootmoedigde hem, omdat hij zag dat het niet zijn werk, maar dat van Christus was. â Dit moet mijne stemming in voorspoed wezen, en dit zal zij zijn, indien ik alle goede uitkomst toeschrijf aan God.
96
BE GENEZING VAN DEN MELAATSCHE.
Matth. VII : 2-i.
Een melaatsche komt en aanbidt Chris'as, zeggende: âHeer indien Gij wilt, kunt Gij u i ij reinigen.quot; -â De zaligmaker raakt hem aan, en zegt: âIk wil, word gereinigd.quot; En oogenhlikkelijk is zijne melaatschheid genezen. â Jezus beveelt hem heen te gaan, zich aan den priester te vertoouen, en de gift te offeren, welke de wet voorschreef.
I. Melaatschheid maakt den lijder afzichtelijk om te aanschouwen. Zij bedekt zijn lichaam met walgelijke zweren, die het vleesch wegvreten, tot de beenderen te voorschijn komen. Het is een juiste afbeelding van de zonde, welke ons afzichtelijk maakt voor God. â Wie wordt voor zijn oogen niet walgelijk door deze afschuwelijke gedaanteverandering? 0. mijn God! de afzichtelijkste melaatschheid is schoon, vergeleken bij mijne zonden.
II. Het gebed van den melaatsche is een voorbeeld voor ons. Het is het vertrouwen : â Gij kunt mij reinigen,quot; en de vaste
97
hoop, dat Jezus het doen wil. quot;Wanneer wij neerknielen vóór het F. Sacrament, kunnen wij deze woorden niet vrucht tot de onze maken. O, Heer Jezus, indien Gij wilt, kunt Grij mij reinigen, zelfs van zonden als de mijne; van ingewortelde gewoonten, die alleen door uwe genade te genezen zijn.
III. Jezus reinigt hem met één woord. Zoo is, indien wij een goede akte van berouw verwekken, de schuld van onze zonde voor altijd weg. Doch ofschoon gereinigd, moet de melaatsche zich toch aan den priester vertoonen. Zoo de zondaar; ofschoon zijne zonde reeds vergeven moge zijn door eene akte vau oprecht berouw, moet hij zich toch voor den priester in den stoel der boetvaardigheid vernederen.
98
DE GENEZING VAN DEN LAMME.
Marcus II : 1 â 14.
Terwijl Jezus in een huis te Capharnaüm leerde, brachten vier mannen een lamme; zij droegen hem op het dak van het huis en lieten hem tot voor Jezus af. â Hij hun geloof ziende, zeide tot den lamme: âVertrouw, zoon, uwe zonden worden u vergeven.quot; â De Pharizeën, die de opmerking maakten, dat Hij zonden vergaf, antwoordde Hij door den lamme volmaakt gezond weg te zenden.
I. De lamheid geeft eene andere zijde te zien der melaatschheid, die in de natuur der zonde ligt; die staat van uiterste hulpeloosheid, waartoe zij den zondaar brengt. Hij kan geen werk verrichten, dat aan God behagelijk is; hij kan geen genade noch vergiffenis verdienen; kan uit zipi eigen kracht of vermogen geen voet verzetten om van zijne ellende bevrijd te worden. Hij is als het ware dood voor al wat goed is. Dit is niet alleen het geval met doodzonde; zelfs dagelijksche zonde verlamt in zekere mate al wat goed in ons is. Somtijds scbijnt
99
eene kleine fout, die wetens en willens voortdurend wordt bedreven, al onze liefde en al onze geestkracht weg te nemen.
II. Let op de moeite, welke de dragers aanwendden om den lamme bij Jezus te brengen. Dit behaagde onzen Heer. Hij zag hun geloof. â Hij bemint hen, die bereid zijn zich moeite te geven. Werken van liefde, die ons moeite kosten, brengen ons een rijke belooning, zoowel voor hen die ze verrichten, als voor wie zij gedaan worden.
III. Waarom vergaf de Zaligmaker eerst de zonde van den lamme, en genas toen zijn ziekte? Misschien omdat zonde de oorzaak van de verlamming was, of om te toonen hoe onbelangrijk het lichaam is in vergelijking met de ziel. Indien gij ziek zijt, overweeg, of het niet een straf voor zonde is, en vraag u zeiven, hoe gij uwe ziekte tot eene wezenlijke weldaad voor u zeiven en een bron van glorie voor God kunt maken.
100
DE ROEPING VAN DEN APOSTEL MATTHEÃS.
Mattheus IX : 9.
Langs liet huis gaande, waar schatting ontvangen werd, ziet onze Heer Mattheus, een der voornaamste beambten bij het innen der belasting, bezig met zijn taak. â Hij zegt hem enkel: âVolg mij,quot; en Mattheus alles verlatend, gehoorzaamt op het zelfde oogenblik.
T. De grootste en gevaarlijkste strik voor den mensch is de begeerte naar geld. Zij is eene drift, die met het klimmen der jaren toeneemt, die nooit wordt bevredigd. Hoe meer de mensch heeft, hoe meer hij verlangt. Meer dan eenige andere hartstocht bezit deze begeerte de macht om de ziel aan de aarde te hechten. De liefde tot geld, zegt de H. Paulus, is de wortel van alle kwaad. Hebt gij begeerte naar geld? of althans de begeerte om voor u zeiven, van alles het beste te verkrijgen?
101
II. Maar de stem van Christus, en de genade, welke Hij in liet hart uitstort, kan zelfs dezen hartstocht voor rijkdouiinen overwinnen. â Matthens was aan zijn geld gehecht, maar toen hij de stem van den Zoon Gods hoorde, verloren de stapels goud hun tooverkracht. Zonder dat zijne omgeving het vernam, hoorde hij de woorden van Christus weerklinken. Hij zag eene hand, die hem weg wenkte. Zoo is liet. wanneer Christus roept. Hij geeft aan de ziel altijd den eersten stoot, welke voor den mensch van goeden wil volstrekt onwederstaanbaar is,
III. Matthens aarzelde niet. Op het eigen oogenblik, dat hij deze onmiskenbare roepstem vernam stond hij op. Uitstel ware hier noodlottig geweest. Leer van hem het geluk en de noodzakelijkheid van stipt te gehoorzamen.
102
HET PEEST IN HET HUIS VAN MATTHEÃS.
Matth. IX : 10â14.
De H. Mattheus noodigt Jezus op een feest in zijn huis, en vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten met Hem aan. He Pharizeën zijn geërgerd, maar Jezus antwoordt: âNiet de gezonden hebben een geneesheer noodig, doch wel de kranken. ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot boetvaardigheid.quot;
I. Beschouw het tooneel. â He goddelijke Meester met die bonte menigte, welke zich vol verlangen om Hem heen verzamelt. Zij behoorden niet tot eene klasse, die men achtenswaardig kon noemen. â En toch hoe dierbaar zijn zij Hem! dierbaar om reden van hun ellende; dierbaar omdat zij van goeden wil zijn; dierbaar om de deugd, waartoe zij in staat zijn, en tot welke Hij hen wenscht op te heffen. Indien ik geneigd ben om gevallenen te versmaden of te verachten, moet ik mij herinneren, hoe dierbaar zij aan Jezus zijn, misschien veel
103
dierbaarder dan ik, in mijn hoogmoed en zelf-genoegzaamheid.
II. Zie, hoe de Pharizeön geërgerd zijn. Zij zijn geërgerd, omdat zij zeiven zoo nietswaardig in Gods oogen zijn. Spoedig ge-ergerd te zijn is een teeken van geringe deugd. Iemand onwaardige beweegredenen toeschrijven, duidt aan, dat wij ons door zulke redenen laten geleiden. Dit moet ik mij te binnen brengen, wanneer ik mij geneigd gevoel tot kwalijk nemen, of tot veroordeelen van anderen. Ik gelijk die Pha-rizeën, die geërgerd waren over de barmhartigheid en het teedere medelijden van den Zoon Gods.
III. Jezus kwam, niet om de rechtvaardigen te roepen, maar de zondaren. Hij kwam om de ziekten der ziel te genezen. Dit was zijne zending. â Ik ben een zondaar â een groote zondaar. O, Heer! In waarheid er is geene gezondheid in mij. O! genees mij om uwe barmhartigheid! Indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.
104
HET MIRAKEL IN DEN SCHAAPS-VLJVER.
Jo. V : 2-9.
Bij den schaapsvijver te Jeruzalem lagen een aantal zieken, wachtend op de wonderbare beweging' des waters, na welke de eerste zieke, die er in kwam. genezen werd. Jezus, geroerd door medelijden met een zieken man, die daar gedurende acht en dertig jaren gelegen had, zeide tot hem: âSta op, neem uw bed op en wandel!quot;
I. Het streven van den tegenwoordigen tijd is om eene natuurlijke uitlegging te geven aan verschijnselen van eiken aard. De onge-loovigen schrijven de kracht van alle wonderdadige bronnen toe aan dezer geneeskrachtige eigenschappen. â Niet aldus de trouwe Katholiek; niet aldus diegenen, die gelooven, dat de H. Schrift het Woord Hods is; want wij lezen, dat een Engel nederdaalde en het water bewoog, en daardoor de kracht om te genezen ontving. â Hod heeft nu nog dezelfde macht en oefent die uit. Verwek eene akte van levend geloof in de
105
voortdurende macht der Kerk, om wonderen te verrichten.
II. Een arme man was daar acht en dertig jaren lang telkens geweest, maar had er nooit in kunnen slagen om het eerst in het water te komen. Welk een tijd om te wachten ! Moest hij niet den moed hebben verloren? Neen, hij was eenigermate overtuigd, dat hij eindelijk genezen zou worden. â En hij werd genezen. God bemint dengene, die volhardt en vertrouwt. Zij, die op Hem vertrouwen, bereidwillig wachten en niet ophouden met bidden, verkrijgen altijd wat zij vragen.
III. Deze arme man is het beeld van den verstokten zondaar. De zonde schijnt een deel van zijne natuur, gelijk de ziekte van dezen man. Toch kan Jezus ze in één oogen-blik genezen. â Hel) ik een ingeworteld gebrek ? Ik heb het misschien acht en dertig jaar of langer gehad. Toch kan Jezus dit genezen. O Jezus! mijn Verlosser, genees mij!
106
DE GEEST EN BE LETTER.
Jn. V : 10â10.
Toon de kranke op het woord van Jezus zijn bed opnam en wandelde, gezond van leden en volkomen hersteld, waren de Joden geërgerd, dewijl dit op den Sablmthdag geschied was. Zij vroegen hem, wie hem gezegd had zijn hed te dragen, en toen zij hoorden, dat het Jezus was, vervolgden zij Hem en zochten Hem te dooden.
I. Toen de zieke man op den Sabhath-dag zijn bed droeg, overtrad hij de letter der wet, welke het dragen van lasten op den Sabbath verbood. Doch hem hierover te laken, toonde een geheel verkeerde opvatting van het verbod. Alleen hij, die den geest der liefde miste, kon hiertoe komen. Zij vonden in de voorschriften der wet het beeld van hun eigen hard, onmeedoogend, wreed gemoed. Zoo ben ook ik geneigd om anderen te oordeelen, zonder acht te geven op de omstandigheden, welke de daden verontschuldigen en somwijlen geheel en al rechtvaardigen.
107
II. Beschouw ook hunne oneerlijkheid. Zij vroegen den man, die genezen was, niet wie het was, die hem genezen had; doch wie hem gezegd had zijn bed op te nemen. Zij zagen het mirakel van barmhartigheid over het hoofd, en hechtten zich vast aan het punt, waar zij dachten schuld te vinden. Dit is de geest, tegen welken onze Heer zijne leerlingen waarschuwde: âOordeelt niet.quot; Die geest is blind voor het goede in een menschel ijk gedrag, maar heeft een scherpen blik voor verondersteld kwaad.
III. Zie het gevolg van deze gewoonte om lichtvaardig te oordeelen. Zij hielden zich overtuigd, dat zij den overtreder van de wet moesten straffen en zelfs ter dood brengen. Deze schijnbaar billijke verontwaardiging komt nu helaas! te dikwijls voor; wij geven er aan toe jegens degenen, die niet met onze denkbeelden instemmen, en verbeelden ons dan, dat wij voor de eer van God ijveren.
108
DE JODEN TEKECHT GEWEZEN.
Joh. V : 16-24.
De verontwaardiging der Joden tegen Jezus, omdat Hij mirakelen op den Sabbath verrichtte, steeg tot woede, toen Hij hun verklaarde, dat God zijn Tader was en er bijvoegde, dat Hij gelijk was aan God. Hij berispt hen en verklaart hen opnieuw zijn eigen goddelijke macht.
I. Waarom waren de Joden niet te verontschuldigen, toen zij onzen Heer verwierpen? Het moet hen verbaasd hebben, Hem zijne Godheid te hooren verklaren, en men zou meenen, dat hunne weigering om er aan te gelooven, te verontschuldigen ware. Hunne schuld lag in de verblindheid, waarvan zij zeiven oorzaak waren, en die de heiligheid en goddelijke beminnelijkheid, welke uit zijne woorden, werken en blikken straalden, wilde noch kon erkennen.
Met het oog hierop was er geene verontschuldiging mogelijk. â Zoo gaat het met allen, die de Katholieke Kerk van nabij leeren kennen eir'genoegzame gelegenheid vinden om hare bovennatuurlijke schoon-
109
lieid te erkennen. Zij zijn gelijk de Joden, niet te verontschuldigen.
II. Onze Heer verdedigt zich zeiven door te verklaren, dat zijn Vader nog voortdurend op den Sabbath werkt, want al wat over geheel de wereld leeft, is door Hem geschapen, wordt door Hem bewaard en werkt met zijne hulp. â Hem is geene wet opgelegd, want Hij is de Heer van alles. De Eeniggeboren Zoon van God moet noodzakelijk doen, wat zijn Eeuwige Vader doet, en daarom zooals God de Vader tot nog toe werkt, zoo ook de Zoon van God. Vandaar verklaart Jezus duidelijk zijne Godheid, en aldus begrepen het de Joden. Verwek eene akte van geloof in deze eenheid van handeling' van den Eersten en Tweeden Persoon der Heilige Drievuldigheid.
III. Onze Heer gaat voort met te zeggen, dat hij die den Zoon niet eert, den Vader die Hem gezonden beeft, niet eert. Zij alzoo, die in gebreke blijven de Heiligen en de Heilige Moeder Gods te eeren, verzuimen aan Christus en God e'er te bewijzen. Wat is mijne gewoonte in dit opzicht?
110
HET PLUKKEN VAN KORENAREN OP DEN SABBATH.
Matth, XII : 1-8.
Toen onze Heer en zijne leerlingen op den Sabbath door het korenveld gingen, plukten zijne leerlingen aren af en begonnen te eten. De Joden zijn weder verontwaardigd, en Christus wijst hen wederom terecht.
I. Het is in de Katholieke Kerk eene wet, dat hare voorschriften niet van toepassing zijn, waar zij groot nadeel veroorzaken. Dit wordt bevestigd door de woorden van onzen Heer bij deze gelegenheid. De leerlingen waren niet door de wet gebonden, welke het lezen van korenaren op den Sabbath verbood, omdat de wet niet sloeg op het geval van honger. Leer ruim en mild te zijn in de verklaring van de wetten der Kerk voor anderen.
II. Onze Heer .verdedigt zijne leerlingen door dergelijke gevallen uit de gewijde geschiedenis. Heiligen braken in geval van nood de kerkelijke wetten. De priesters in den tempel verbraken den Sabbath en
Ill
verdienen geene berisping. Indien wij geneigd zijn om anderen te veroordeelen, zullen wij meestal eenige gevallen in de levens der Heiligen vinden, waar een Heilige juist o]) dezelfde manier handelde als zij, die wij aldus lichtvaardig oordeelen.
III. Jezus geeft als de reden tot rechtvaardiging zijner leerlingen, dat God barmhartigheid en niet offers wil. De leerlingen waren zoo bezig geweest met werken van barmhartigheid, dat zij geen tijd gehad hadden te eten. âZalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven !quot; Dierbaarder zijn aan het hart van Jezus werken van liefde voor Hem verricht, dan enkel stipte onderhouding van kerkelijke gebruiken. Er gaat niets boven barmhartigheid! Hij, die barmhartig is, zal niet alleen barmhartigheid verwerven, maar al het andere dat hij van God noodig heeft.
112
JEZUS TREKT ZICH TERUG VOOR ZIJNE VIJANDEN.
Matth. XVI : Uâ21.
De Pharizeën hielden onderling' raad, hoe zij Jezus konden ter dood brengen. Om hunne boosaardigheid te ontwijken, trok Hij zich terug naar de zee van Tiberias, maar werd derwaarts gevolgd door eene groote
menigte volks.
I. De mirakelen, door Jezus op den Sabbath verricht, wekten den toorn der Pharizeën, en zij beraamden met de Hero-dianen zijnen dood. Het schijnt vreemd, dat zij de schoonheid van zijne goddelijke Liefde konden weerstaan. Maar de Pharizeën waren hoovaardig, en hoogmoed ziet met weerzin neer op elk goed werk, dat zijne heerschappij dreigt te verminderen en een mededinger op te wekken. Tegen dezen geest moeten wij op onze hoede zijn. â Iemand, die God bemint, verheugt zich in al het goede, dat anderen doen, zelfs indien het in strijd is met zijne eigen veronderstelde voorrechten of rechten.
113
II. Zij, die gezag' uitoefenden, en zij, die den grootsten invloed op het volk hadden, waren de bitterste tegenstanders onzes Heeren. Wat kon naar allen schijn nood-lottiger wezen voor zijnen kans op welslagen ? Toch was het een teeken van zijn toekom-stigen triomf. Hij verlangde ons te leeren, dat elk groot werk voor God gedaan, zeker in het begin krachtige tegenwerking en ontmoediging heeft te wachten, en dikwijls van hen, die in aanzien staan. Door deze les wilde Hij ons opbeuren in moeie-lijkheden.
III. Onze Heer kon zijne vijanden in een oogenblik tot stilzwijgen gebracht of verslagen hebben. Doch Hij wist, dat het de wil zijns Vaders was. dat Hij zich alleen aan zijne tegenstanders onttrok; daarom vluchtte Hij, alsof Hij hun geweld vreesde. Zoo schijnt het nu dikwijls, alsof Christus niet in staat is te strijden met hen, die Hem en de Kerk, die Hij gesticht heeft, haten. â Wij moeten het einde afwachten, alvorens wij de wegen van God kunnen begrijpen.
8
114
DE ROEPING DEK APOSTELEN.
Lucas YI : 12â15.
Na een nacht in gebed gesleten, koos onze Heer de twaalf Apostelen, ten einde hen uit te zenden om te preeken, zieken te genezen en duivelen uit te drijven. Van dezen is Simon de eerste; en Jezus gaf hem den naam van Petrus.
I. Vóór de keus der Apostelen brengt onze Heer den geheelen nacht in gebed door. Hij had het bidden niet noodig, maar bad om ons een voorbeeld te geven. Hij wenschte ons te leeren dat, alvorens wij een gewichtigen stap in het leven doen, wij moeten bidden, en blijven bidden. Hoevele dwaasheden zouden wij vermijden, aan hoevele ellende zouden wij ontkomen, indien wij meer tot het gebed onze toevlucht namen en elke onzer handelingen opdroegen aan God, in plaats van onze eigen natuurlijke aandrift en de ingevingen van enkel men-schelijke voorzichtigheid te volgen.
115
II. Jezus koos zijne Apostelen; zij kozen Hem niet. Hij zeide hun naderhand: âGij hebt mij niet gekozen, maar Ik heb u gekozen.quot; â Jezus moet ons uitkiezen, indien wij eenig werk voor Hem verrichten zullen, dat van waarde zijn zal voor de eeuwigheid. Voor ieder mensch heeft God een levensweg bepaald. Voor elk heeft Hij een staat in liet leven aangewezen, indien zij naar zijne roeping willen luisteren. Hij roept tot het klooster, of tot een leven in de wereld; tot het huwelijk of om alleen te blijven. Hij wijst de menschen aan voor verschillende staten : rechtsgeleerden, genees-heeren, priesters, enz.
III. Het hoofddoel der verkiezing der Apostelen was, dat zij bij Hem zouden blijven als zijne vrienden, metgezellen, medearbeiders, die Hem lief zouden hebben en door Hem bemind worden. â Hiertoe roept God ons allen. Gods bedoeling is, dat mijn leven, mijn werkkring, mij dichter zal brengen tot Jezus, opdat ik met Hem zij, zoo wel in dit als in het andere leven.
116
DE PREDIKING IN DE VLAKTE.
Lucas Y1 : 17â26.
Na deze keus zijner Apostelen daalt onze Heer naar de vlakte en houdt eene leerrede voor de verzamelde menigte. Deze verschilde van de bergrede hierin, dat zij ditmaal niet voor zijne leerlingen alleen werd gehouden, maar voor de verzamelde menigte. Onder andere punten van verschil voegt zij eenige plechtige waarschuwingen bij de zaligheden.
I. âWee u, gij rijken! want gij hebt uw troost ontvangen.quot; Wanneer onze Heer het woord âweequot; gebruikt, duidt het op een schrikkelijk oordeel in de toekomst. Hij zegt den rijken âdat zij hunnen troost ontvangen hebbenquot;, en geeft duidelijk te kennen, dat er weinig troost voor hen hiernamaals is. Misschien zijn wij niet rijk, maar ook de niet-rijken hebben somwijlen den geest der rijken in zich door hunne zelfzucht en gehechtheid aan het aardsche. Wee ons, indien wij aldus aan eenig aardsch goed gehecht zijn!
117
II. âWee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren lquot; Er zijn menschen, die alles schijnen te bekomen wat het leven veraangenaamt. Zij zijn voldaan, tevreden met zich zeiven en kennen de ellende niet van dit tranendal. Wij zijn geneigd hen te benijden, maar dezen bedreigt liet âWee U!quot; van Jezus.
III. âWee u, wanneer de menschen u zegenen.quot; Dit schijnt aanvankelijk in tegenstrijd met onze verplichting om allen te behagen en voor ons te winnen. Maar wat onze Heer veroordeelt, is die zucht naar menschelijke toejuiching en de bedwelming door liet welslagen in de wereld veroorzaakt. Zij, die voor God leven, ondervinden altijd tegenwerking. Zij zullen zeker verkeerd verstaan en beoordeeld worden, tegenwerking en afkeuring ondervinden. In waarheid, dit is een grooter geluk dan het hooren van de kreten der toejuichende menigte.
114
DE BOEPING DEE APOSTELEN.
Lucas \'1 : 12â15.
Na een nacht in gebed gesleten, koos onze Heer de twaalf Apostelen, ten einde hen uit te zenden om te preeken, zieken te genezen en duivelen uit te drijven. Van dezen is Simon de eerste; en Jezus gaf hem den naam van Petrus.
1. Yóór de keus der Apostelen brengt onze Heer den geheelen nacht in gebed door. Hij had het bidden niet noodig, maar bad om ons een voorbeeld te geven. Hij wenschte ons te leeren dat, alvorens wij een gewichtigen stap in het leven doen, wij moeten bidden, en blijven bidden. Hoevele dwaasheden zouden wij vermijden, aan hoevele ellende zouden wij ontkomen, indien wij meer tot het gebed onze toevlucht nan en en elke onzer handelingen opdroegen aan Ood, in plaats van onze eigen natuurlijke aandrift en de ingevingen van enkel men-schelijke voorzichtigheid te volgen.
115
II. Jezus koos zijne Apostelen; zij kozen Hem niet. Hij zeido hun naderhand: âGij hebt mij niet gekozen, maar Ik heb u gekozen.quot; â Jezus moet ons uitkiezen, indien wij eenig werk voor Hem verrichten zullen, dat van waarde zijn zal voor de eeuwigheid. Yoor ieder mensch heeft God een levensweg bepaald. Voor elk heeft Hij een staat in het leven aangewezen, indien zij naar zijne roeping willen luisteren. Hij roept tot het klooster, of tot een leven in de wereld; tot het huwelijk of om alleen te blijven. Hij wijst de inenschen aan voor verschillende staten : rechtsgeleerden, genees-heeren, priesters, enz.
III. Het hoofddoel der verkiezing der Apostelen was, dat zij bij Hem zouden blijven als zijne vrienden, metgezellen, medearbeiders, die Hem lief zouden hebben en door Hem bemind worden. â Hiertoe roept God ons allen. Gods bedoeling is, dat mijn leven, mijn werkkring, mij dichter zal brengen tot Jezus, opdat ik met Hem zij, zoowel in dit als in het andere leven.
116
DE PREDIKING IN DE VLAKTE.
Lucas VI : 17â26.
Na deze keus zijner Apostelen daalt onze Heer naar de vlakte en houdt eene leerrede voor de verzamelde menigte. Deze verschilde van do bergrede hierin, dat zij ditmaal niet voor zijne leerlingen alleen werd gehouden, maar voor de verzamelde menigte. Onder andere punten van verschil voegt zij eenige plechtige waarschuwingen bij de zaligheden.
I. âWee u, gij rijken! want gij hebt uw troost ontvangen.quot; Wanneer onze Heer het woord âweequot; gebruikt, duidt het op een schrikkelijk oordeel in de toekomst. Hij zegt den rijken âdat zij hunnen troost ontvangen hebbenquot;, en geeft duidelijk te kennen, dat er weinig troost voor hen hier-.namaals is. Misschien zijn wij niet rijk, maar ook de niet-rijken hebben somwijlen den geest der rijken in zich door hunne zelfzucht en gehechtheid aan het aardsche. Wee ons, indien wij aldus aan eenig aardsch goed gehecht zijn!
117
II. âWee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren!quot; Er zijn menschen, die alles schijnen te bekomen wat het leven veraangenaamt. Zi] zijn voldaan, tevreden met zich zeiven en kennen de ellende niet van dit tranendal. Wij zijn geneigd hen te benijden, maar dezen bedreigt bet âWee U!quot; van Jezus.
III. âWee u, wanneer de menschen u zegenen.quot; Dit schijnt aanvankelijk in tegenstrijd met onze verplichting om allen te behagen en voor ons te winnen. Maar wat onze Heer veroordeelt, is die zucht naar menschelijke toejuiching en de bedwelming door het welslagen in de wereld veroorzaakt. Zij, die voor God leven, ondervinden altijd tegenwerking. Zij zullen zeker verkeerd verstaan en beoordeeld worden, tegenwerking en afkeuring ondervinden. In waarheid, dit is een grooter geluk dan liet hooren van de kreten der toejuichende menigte.
118
GENEZING VAN DEN KNECHT VAN DEN HOOFDMAN.
Lucas VII : 1 â10.
Een Romeinsch hoofdman, die den Joden zeer genegen was, had een knecht, die gevaarlijk ziek lag. Toon hij van Jezns hoorde, zond hij eenige Joodsche ouderlingen tot Hem met de bede zijn knecht te genezen. Daarna kwam hij zelf tot Jezus met de woorden; âIk hen niet waardig, dat gij komt onder mijn dak,quot; en had Hem één woord te spreken tot genezing van den knecht. Jezus bewonderde zijn geloof, en genas hem terstond.
I. De liefde van den Eomeinschen hoofdman voor do Joden en zijne goedheid voor hen, was eene voorbereiding om dienaar van Jezus Christus te worden. De Joden alleen bezaten het ware geloof. Deze hoofdman moet een minnaar der waarheid zijn geweest, en zijne liefde bracht hem er toe, hen lief te hebben, die in het bezit der waarheid leefden. Wij behooren ons te herinneren, dat Katholieken veel meer dan de Joden, het uitverkoren volk Gods zijn.
119
en, wij zijn verplicht hen lief te hebben en te eeren, ter wille van hunnen Meester.
IT. De hoofdman was bovendien een ootmoedig man. Hij verklaarde zich zeiven onwaardig, dat onze Heer zijne woning binnentrad. Hoe geheel anders Naaman, die beleedigd was, omdat Eliseus hem niet met eerbetoon en plichtplegingen behandelde. Hoeveel verschilde de hoofdman van Simon den Pharizeër, die geloofde Jezus een gunst te bewijzen, door Hem in zijn hnis uit te noodigen. Onze Heer heeft zulken eenvoud lief; het is het zekerste teeken van echte deugd.
III. Zijne woorden: âDomme, nonsion dignusquot;, âHeer, ik ben niet waardigquot;, worden door de Kerk gebruikt voor hen, die tot het H. Sacrament des Altaars naderen. Herhaal ze dikwijls, sprekend tot God, niet alleen bij de heilige Communie, maar bij elke gelegenheid. Zeg nu: âHeer, ik ben onwaardig, al uwe goedheid onwaardig !quot;
120
DE WEDUWE YAN NAÃM.
Lucas Til : 11 â 16.
Toen Jezus .het stadje Nairn binnentrad, ontmoette Hij den lijkstoet van den eenigen zoon eener arme weduwe. â Door medelijden bewogen, zeide Hij tot haar: âWeen niet,quot; en onverwijld beval Hij den jongeling op te staan.
I. Jezus trad met zijne leerlingen en eene groote schare Naïm binnen. Nochtans gaf Hij in het voorbijgaan acht op de diep bedroefde moeder, die haren eenigen zoon verloren had. Zie, hoe teeder Hij zich tot haar wendt. âWeen niet.quot; Hij is bedroefd, bij het zien van haar leed. Hij verlangt haar te troosten. Hij spreekt haar woorden toe, die reeds half het leed van haar hart verlichten. Jezus is nog dezelfde, nog even vol medelijden, even goed, even teerhartig. Hij veronachtzaamt ons leed niet, en Hij zal ons weldra troosten en zeggen ; âWeent niet, Weest niet ontmoedigd. Bemin Ik u niet. met eene goddelijke liefde?quot;
121
II. Zijn medelijden bepaalt zich niet tot woorden. Hij houdt de baar stil, gebiedt den doode op te staan, en geeft hem volkomen gezond aan zijne moeder terug. Zoo luistert Hij nu naar het stil gebed van de moeder en geeft op hare tranen acht. Hoe menige zoon, die voor God dood was, is door de tranen en gebeden zijner moeder ten leven gewekt. Ween dan niet, o, treurende moeder! Jezus zal uwen zoon gebieden op te staan.
III. Allen werden met vreeze bevangen. God was in hun midden, en zij beefden bij de gedachte. â Zoo leeft Hij in ons midden in het Heilig Sacrament. â Hebben wij dezelfde kinderlijke vrees voor Hem, dezelfde edelmoedige liefde, denzelfden eerbied voor de plaats, waar Hij woont?
122
HET BEZOEK DEE LEERLINGEN TAN DEN H. JOANNES.
Lucas VII : 17â23.
De H. Joannes bemerkt, dat eenige van zijne leerlingen twijfelen, of Jezns de Messias is, en zendt hen uit om zeiven te oor-deelen. Onze Heer wijst hen op de werken, die Hij verricht, en gelast hen uit deze te oordeelen.
I. Toen de leerlingen van den H. Joannes hem vroegen, of de profeet van Galilea de beloofde Messias was, antwoordde hij hen niet rechtstreeks, doch liet hen zeiven onderzoeken. Dit is de weg om de menschen tot de Waarheid te geleiden. Breng hen in het gezicht der waarheid, laat hen hare uitkomsten zien en de wonderen, die ze teweegbrengt; dan, indien zij menschen van goeden wil zijn, zullen zij geen bezwaa,r vinden om haar te erkennen.
II. Toen de afgezanten, door Joannes gezonden, dezelfde vraag aan den Verlosser stelden, antwoordde ook Hij niet rechtstreeks, maar genas in hunne tegenwoordigheid kran-ken, opende de oogen van blinden, en
123
wierp duivelen uit. â Hier is het kenmerk der Waarheid, en van hen die haar onderwijzen. Hebben zij geneesmiddelen voor onze geestelijke krankheden? Kunnen zij de duivelen des kwaads, de onkuischheid, de zelfzucht, den hoogmoed uitdrijven? Vergelijk de Katholieke Kerk in dit opzicht met kettersche sekten, en maak hieruit op, welke godsdienst van God komt.
IH. Het laatste kenmerk, dat door Jezus gegeven wordt van een door Grod gezonden leeraar, is dat hij aan de armen het Evangelie verkondigt. Deze liefde voor de armen is een groot bewijs van liefde voor Jezus. Afkeer van hen koesteren, is een slecht teeken. Heb ik de armen ter wille van Jezus, lief?
124
GETUIGENIS VAN ONZEN HEEK OVER JOANNES DEN DOOPER.
Lucas VII : 17-23.
Wanneer de leerlingen van Joannes vertrokken zijn, spreekt onze Heer over hem tot de menigte. Hij beschrijft hem als een profeet en meer dan een profeet, zoodat er onder de profeten geen grooter geweest is dan hij. Toch is er in het Koninkrijk der Hemelen Eén opgestaan grooter dan Joannes.
I. Jezus zegt eerst aan de menigte wat Joannes niet is. 1°. Hij is geen riet, door den wind heen en weer geslingerd. Veranderlijkheid doet schade aan heiligheid. Eigenzinnigheid en hoogmoed maken den mensch onstandvastig. 2°. Hij is niet een van dezen in zachte kleederen gekleed. Dezulken zijn vrienden der koningen, niet van God. De ware profeet bemint grove kleeding en karig voedsel. Pas deze ken teekenen op u zeiven toe, en oordeel, of gij iets van den geest der profeten en heiligen in u hebt.
125
II. Onze Heer zegt hun daarna, wat de H. Joannes werkelijk is. Een profeet en meer dan een profeet; de Eng-el voor Gods aangezicht uitgezonden; een, met wien geen der anderen profeten vergeleken kan worden. Welk eene heerlijke lofspraak ! Hoe had de H. Joannes deze verdiend? 1°. Door zijnen ootmoed. (Jo. 1: 27). 2°. Door zijne versterving. (Matth. Ill : 4). 8°. Door zijne liefde voor de eenzaamheid en het gebed. (Lucas I : 80). Verdient gij door deze deugden den lof des Heeren?
III. Het bijzonder voorrecht voor den H. Joannes weggelegd, was de Engel of Boodschapper te wezen, die den weg voor Christus bereiden zou. Indien wij het Evangelie niet prediken kunnen, kunnen wij de wegen van God toch bereiden. Wij kunnen onze omgeving winnen door onze liefde, ons geduld, onze duurzame trouw en zóo hen voorbereiden om het goede zaad van Gods Woord te ontvangen.
126
HET GEVOLG YAN VERWAARLOOSDE GENADEN.
Matth II : 20â25.
De steden, waar Jezus zijne meeste wonderen had verriclit, hadden de hun aangebodene genaden verworpen. Hij verklaart, dat liet in den dag des oordeels dragelijker zijn zal voor de heidensche steden van Tyrus en Sidon, en voor het slechte Sodoma en Gomorrha, dan voor de steden, die zich door hoogmoed van God hebben afgewend.
I. âWee n, Corozaïm! Wee u, Bethsaida!quot; Dit waren plaatsen, welke het voorrecht hadden genoten het tooneel van de grootste wonderen onzes Heeren te zijn. Toch klinkt over hen het wee! Is dit niet genoeg om ons te verschrikken, wanneer wij bedenken, hoevele wonderbare werken Hij voor ons heeft gedaan ?
Wij hebben inderdaad reden om te beven, uit vrees, dat Hij over ons het wee zal uitspreken.
127
II. Wij wenscheii ons zeiven somtijds geluk met onze genaden en voorrechten, en wij doen zoo terecht. Doch wij zijn geneigd te vergeten, dat elke genade een daarmede overeenkomstige verantwoording met zich draagt, en dat, indien wij ze niet gebruiken, wij niet zullen blijven, gelijk wij waren alvorens ze te ontvangen, doch in een veel slechteren toestand verkeeren. Wij hebben dan God van ons afgewend; en al hebben wij niet metterdaad gezondigd, zal Hij toch minder bereid zijn ons in de toekomst genade te schenken.
III. Op welke wijze kan de inensch genade verwerpen? Somtijds door traagheid, somtijds door eigenliefde, somtijds door lafheid, somtijds, en wel het meest door hoogmoed. Genade vraagt onderwerping. âHij geeft genade aan de ootmoedigen,quot; en de mensch weigert zich te vernederen. Onderzoek, waarom gij zoo menige genade hebt verwaarloosd.
128
DE GODDELIJKE TROOSTER.
Matth. II : 26â30.
Onze Heer dankt zijn Eeuwigen Vader, dat Hij de geheimen van God verbergt voor diegenen, die zich zeiven wijs en voorzichtig achten, terwijl Hij ze openbaart aan de kleinen en nederigen van harte. Hij noodigt allen, die belast en beladen zijn, uit tot Hem te komen om verkwikt te worden. Zijn zoet juk en zijn lichten last moeten zij op zich nemen, indien zij naar rust voor hunne zielen verlangen.
I. Natuurlijke aanleg en menschelijke geleerdheid maken den bezitter niet bekwaam tot een inzicht in bovennatuurlijke waarheid, tenzij nederigheid die gaven ver-gezelle. Indien gij eene diepe kennis van God verlangt, kunt gij die alleen verkrijgen door nederig van harte te zijn en door den Zoon van God te bidden, dat Hij u die verborgen waarheid openbare, welke ons verstand zonder zijne hulp niet in staat is te bevatten.
129
II. Wij zijn ook geneigd te denken, dat zorgen en verdriet rampen zijn in het leven. En toch, hoevelen zijn tot Jezus gebracht door het bewustzijn van hunne eigen ellende, terwijl zij, ware alles voorspoedig gegaan, in hoogmoed en zelfvoldaanheid, tot hun eigen verderf, hadden voortgeleefd. â Dank God, wanneer gij aldus vernederd wordt. Indien de zorgen zwaar drukken, luister naar Jezus' woord: âKomt tot mij, gij die belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken.quot;
III. De Eeuwige Zoon van God kiest twee bijzondere ken teekenen, waarin wij Hem moeten navolgen, willen wij een blijvenden vrede vinden: zachtmoedigheid en ootmoed. Het gemis van dezen is de oorzaak van al onze onrust en ontevredenheid. Indien wij onderworpen zijn juk opnemen en trachten zachtmoedig en nederig te zijn, zullen wij spoedig een zoeten vrede, rust en kalmte in onze zielen vinden.
9
130
DE BEKEEKING VAN 1gt;E HEILIGE MARIA MAGDALENA.
Lucas VII ; 36-50.
In het huis van Simon den Pharizerr nadert de zondares, Maria Magdalena, Jezus, terwijl Hij aan tafel zit. Onder het storten van vele tranen, kust zij zijne heilige voeten, als bewijs van haar berouw en liefde, en zalft ze uit een vaas met kostbare zalf. Jezus vergeeft hare zonden, laat haar in vrede gaan, en wijst op het verschil tus-schen hare liefde en de koelheid van zijnen gastheer.
I. Ofschoon wij lezen, dat duizenden en tienduizenden tot Jezus kwamen, om van hunne lichamelijke kwalen genezen te worden, is Maria Magdalena de eenige, die vermeld wordt, tot Hem genaderd te zijn om genezing van de krankheid barer ziel. Zoo zijn er nu velen, die met aandrang bidden om aardsche zegeningen, maar weinigen bidden met denzelfden nadruk om vooruitgang in deugd en grootere liefde tot God. En toch, hoe ellendig zijn de voordee-len van deze wereld in vergelijking met den
131
geringst en vooruitgang in liefde tot G-od en reinheid van harte! Indien wij slechts het geschenk Gods kenden, zouden wij dat levende water van geestelijke gunsten vragen.
II. Onze Heer verhoorde niet alleen Magdalena's gebed en genas hare ziel, maar hief haar aanstonds op tot een hoogen rang van heiligheid. Hare toewijding voor Hem was evenredig aan hare vroegere zonden. âVele zonden zijn haar vergeven, want zij heeft veel liefgehad.quot; Waarom zou ik niet naderen tot de voeten van Jezus, en zoodoende een dergelijke zegening winnen ?
III. Maria kwam niet zonder een geschenk, en een geschenk van het beste wat ze bezat. Dit was terzelfder tijd een bewijs van haar liefde, en de oorzaak van haar welslagen. Niets wint het hart van Jezus zoo snel, als edelmoedigheid.
132
DE GODSLASTERING DERPHAEIZEÃRS.
Matth. XII : 22â37.
Ter gelegenheid dat onze Heer een bezetene genas, die bovendien blind en stom was, beschuldigden Hem de Pharizeën, dat Hij door Beëlzebub, den prins der duivels, duivelen uitdreef. Jezus wederlegt hunnen boosaardigen laster, en wijst op de tegenstrijdigheid, die er in gelegen was, als Satan door Satan werd uitgedreven.
I. De man, die tot onzen Heer werd gebracht, was door den duivel, die in hem woonde, blind en doof gemaakt. Satan pleegt in degenen, die nu aan zijne macht onderworpen zijn, niet meer zulke uitwerkselen teweeg te brengen, maar hij berooft hen van het geestelijk gezicht en maakt hen blind voor de waarheden van het geloof, doof voor de inblazingen van den H. Geest en sprakeloos in de tegenwoordigheid Gods. Yraag u zeiven, of in uw hart eenige kwade invloed woont, die aldus tusschen u en God staat.
133
11. Toen onze Heer den boezen geest uitwierp en diens slachtoffer het gebruik zijner zintuigen terugschonk, verklaarden de Pharizeërs godslasterlijk, dat deze duivel door de macht des duivels uitgedreven was. Dit was het toppunt der boosheid, welke een slechten oorsprong toeschrijft aan eene heilige daad. Heb ik niet somtijds deze boosheid gedeeld, als ik boosaardig de dienaren Gods beoordeelde, en aan hunne daden eene kwade uitlegging gaf?
HL Jezus gewaardigt zich zijne lasteraars door bewijsgronden te wederleggen. Hij beroept zich op feiten en op de rede. Zon het kwade door het kwade genezen kunnen worden? Zou de duivel zoo dwaas zijn om zich zeiven uit te drijven? Het is een der bewijzen van de waarheid der Kerk, dat onder al de verschillende godsdiensten in de wereld, zij alleen den geest des kwaads uit de zielen der menschen verdrijven kan.
134
DE ZONDE TEGEN DEN H. GEEST.
Matth, XII ; 31-32.
Onze Heer verklaart, dat iedere zonde aan den mensch zal vergeven worden, behalve godslastering tegen den H. Geest; deze zal noch in deze wereld noch in de toekomende vergeven worden.
I. Wat wordt er bedoeld door zonde tegen den H. Geest ? De eigenzinnige, opzettelijke, openbare, halsstarrige verloochening van de bekende waarheid des geloofs. Iemand die daarin volhardt, en zijne godlasterende woorden niet terugneemt, sluit zich den toegang van liet Koninkrijk der Hemelen. De genade kan niet binnentreden. Hij behoort reeds tot de verworpelingen. Dit is de zonde der stichters van ketterijen, van mannen als Arius, Nestorius en Luther. Verwek een akte van geloof in de bekende waarheid der Katholieke Kerk, bij wijze van eerherstel voor de godslasteringen der ketters.
II. Waarom is deze van alle doodzonden de zwaarste? Omdat zij het dichtst komt bij den geest van Satan, die van den beginne af een leugenaar was. Omdat ze niet een
135
zonde uit zwakheid is, maar van louter hoogmoed. Eene rechtstreeksche en opzettelijke smaad en beleediging is zij voor God, en eene versmading van den Geest der Liefde. â Haar wortel is haat tegen God, zoodat degene, die ze bedrijft, indien het mogelijk ware. God zou nederhalen van zijnen troon in den Hemel, om er zich zeiven op neder te zetten. â Verwek een akte van onderwerping aan God en verafschuw den hoogmoed, die tegen Hem opstaat.
III. Alle andere zonden kunnen den mensch vergeven worden. â Zoolang er geen opstand is in het hart, kan de genade haren weg er in vinden, en kunnen zelfs de grootste zonden vergeven worden. â Dank God voor zijne onuitsprekelijke barmhartigheid en hel) groot vertrouwen, dat Hij al uwe zonden zal vergeven, indien gij er Hem met een ootmoedig hart om bidt.
136
IJDELE WOOEDEN.
Matth. XII : 33â37.
âDe mond spreekt (zegt onze Heer) âuit de volheid des harten. Een goed mensch brengt uit een goeden schat goede dingen voort, en een slecht mensch uit een slechten schat kwade dingen. Maar ik zeg u, dat van elk hoos woord, dat de menschen zullen spreken, zij rekenschap zullen moeten afleggen in den dag des Oordeels. Want door uwe woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en door uwe woorden zult gij veroordeeld worden.quot;
I. Niets geeft een vertrouwbaarder inzicht in ons karakter en in de waarde onzer deugd dan onze woorden. â AVij spreken over allerlei soort van onderwerpen, en door ons gesprek toonen wij aan onze toehoorders, wat wij werkelijk zijn. Welken indruk laat ik achter bij hen, met wie ik omga? Hebben mijne woorden ten doel anderen op te wekken en te stichten?
II. Yoor elk ijdel woord zullen wij rekenschap moeten afleggen. Dit wil niet zeggen, dat wij streng zullen geoordeeld
137
worden voor scherts, of woorden van geen kwaad bedoelende spotternij, die als het ware vanzelf opkomen uit de volheid van ons onschuldig hart. Slechts dit zijn ijdele woorden, die onmogelijk tot eenig goed doel kunnen dienen. â Het is het boosaardig verhaal, de scherpe of bijtende aanmerking, de min of meer gewaagde aardigheid, die wij reden zullen hebben te betreuren in het Oordeel. Dit zijn ijdele woorden en somtijds nog erger.
III. Wanneer onze Heer zegt, dat wij door onze woorden gerechtvaardigd of veroordeeld zullen worden, wil Hij niet de daden of gedachten uitsluiten. â Hij bedoelt, dat afgezien van al het andere, onze woorden voldoende zullen zijn de goedkeuring of veroordeeling van onzen Rechter te verdienen. â Kan ik deze proef doorstaan?
136
IJDELE WOOEDEN.
Matth. XII : 33â37.
âDe mond spreekt (zegt onze Heer) âuit de volheid des harten. Een goed mensch brengt uit een goeden schat goede dingen voort, en een slecht mensch uit een slechten schat kwade dingen. Maar ik zeg u, dat van elk hoos woord, dat de menschen zullen spreken, zij rekenschap zullen moeten afleggen in den dag des Oordeels. Want door uwe woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en door uwe woorden zult gij veroordeeld worden.quot;
I. Niets geeft een vertrouwbaarder inzicht in ons karakter en in de waarde onzer deugd dan onze woorden. â AVij spreken over allerlei soort van onderwerpen, en door ons gesprek toonen wij aan onze toehoorders, wat wij werkelijk zijn. Welken indruk laat ik achter bij hen, met wie ik omga? Hebben mijne woorden ten doel anderen op te wekken en te stichten?
II. Yoor elk ijdel woord zullen wij rekenschap moeten afleggen. Dit wil niet zeggen, dat wij streng zullen geoordeeld
137
worden voor scherts, of woorden van geen kwaad bedoelende spotternij, die als het ware vanzelf opkomen uit de volheid van ons onschuldig hart. Slechts dit zijn ijdele woorden, die onmogelijk tot eenig goed doel kunnen dienen. â Het is het boosaardig verhaal, de scherpe of bijtende aanmerking, de min of meer gewaagde aardigheid, die wij reden zullen hebben te betreuren in het Oordeel. Dit zijn ijdele woorden en somtijds nog erger.
III. Wanneer onze Heer zegt, dat wij door onze woorden gerechtvaardigd of veroordeeld zullen worden, wil Hij niet de daden of gedachten uitsluiten. â Hij bedoelt, dat afgezien van al het andere, onze woorden voldoende zullen zijn de goedkeuring of veroordeeling van onzen Rechter te verdienen. â Kan ik deze proef doorstaan?
140
DE ZAAIEE EN HET ZAAD.
Matth. XIII : 1â9.
De gelijkenis van den zaaier heeft onze Heer zelve aan zijne Apostelen verklaard. Wij behoeven daarom niet naar de toepassing zijner heilige woorden te zoeken.
I. De zaaier is de Zoon des menschen, en onder Hem zijne gezanten, de bisschoppen, de priesters, alle geloovigen, die in den naam van God spreken. Maar het is altijd Christus onze Heer, die door hun mond spreekt, ook zelfs al zijn hunne uitingen zeer onvolmaakt â Hij gebruikt onvolmaakte middelen om zijne genade tot ons af te doen stroomen. Hebben Avij dan geen reden in overvloed om naar zijne vermaningen te luisteren ? Greef acht, hoe gij toehoort. Het is Christus, die door den mond der menschen spreekt; wij moeten niet achteloos luisteren, niet met vitzucht, noch als rechters, maar nederig in den geest van kleine kinderen, met verlangen om zeiven iets te leeren.
141
TL Het zaad is het woord Gods. Het neemt verschillende vormen aan: l)e Heilige Schrift, godvruchtige boeken, preeken, goede gesprekken, de ingevingen van onzen Engelbewaarder, heilige gedachten. Maar 't is altoos het Woord Gods, en daarom van oneindige waarde, en door Hein bedoeld om vruchten voort te brengen ten eeuwigen leven.
III. Het veld is de wereld en elk men-schelijk hart. Christus strooit het zaad uit, niet alleen onder diegenen, die tot de Kerk behooren, ofschoon het voor hen veel overvloediger wordt gestrooid; maar Hij laat het ook onder ketters, Joden heidenen, Ma-homedanen strooien. In ieder hart wordt het vruchtbare zaad gezaaid, en er daalt genade genoeg, en meer dan genoeg, om het te doen ontkiemen. Daarom is niemands onwetendheid te verontschuldigen, doch het allerminst die van de kinderen der Kerk.
142
DE WEG EN DE STEENACHTIGE GROND.
Matth. XIII ; 18-23.
Onze Heer beschrijft de harten der menschen als overeenkomend met vier soorten van grond. 1°. De weg. 2°. De steenrots. 3°. De doornen, i0. De goede grond.
I. De weg, waar het zaad wordt weggenomen door de vogelen des hemels, komt overeen met het verharde hart, waaruit de duivel elke ingeving of heilige gedachte wegneemt, zonder, dat deze in de ziel nederdaalt. Zij, die zoo verhard zijn, hehooren tot de meest hopeloozen. De zonde, waarin men bij herhaling gevallen is, maakt bijna het hooren van Gods stem onmogelijk. Bidt ernstig, dat gij nooit in een toestand als deze moogt vervallen.
II. De steenachtige grond waar, onder een dunne laag aarde, een harde steenrots ligt, is de ziel van iemand, die handelt naar zijne goede ingevingen. Maar hij heeft geen vastheid van wil, en spoedig wordt Mj het juk van Christus moede. Zijne liefde voor het goede is oppervlakkig, hij heeft
143
niet berekend, wat het kost God te dienen. Neem u in acht voor die opwelling' van 't oogenblik, die iets goeds begint met een opgewonden ijver, maar spoedig verflauwt en verzwakt.
III. De middagzon verzengt de oppervlakkig gewortelde planten. â Zoo vernielen beproevingen, moeilijkheden, bezwaren en teleurstellingen den ijver en de wilskracht eener ziel, die in den dienst van God niet zoo diep is geworteld. In den tijd van beproeving openbaart zich onze goede wil. Wanneer de middaghitte drukt, dan kunnen we zien, of wij volharden.
144
HET ZAAD TUSSCHEN DE DOORNEN.
Mattli. XIII : 22 - 23.
I. Het zaad. dat tusschen de doornen valt, schijnt in sommige opzichten in een gunstiger toestand te zijn dan hetgeen op de steenrots gezaaid wordt. Wanneer liet zaad is uitgeworpen, ziet alles er goed uit. de grond is diep, de doornen zijn verborgen, alles gaat een tijd goed, het zaad schiet wortel en belooft te bloeien. â Maar met den tijd schieten de doornen op, en ten laatste verhinderen zij liet zaad om eenige vrucht voort te brengen. Zoo schiet de genade Gods dikwijls wortel in de ziel, en er is alle hoop, dat de vruchten van heiligheid in overvloed zullen opschieten. Maar eindelijk wordt het ontspruitende zaad door de slechte invloeden, die het omgeven, verstikt.
II. Welke zijn deze invloeden ? 1°. Liefde tot rijkdom. De mensch bemint het geld en maakt dit, door den vervloekten dorst naar goud, tot het voornaamste doel zijns levens. 2°. De zorgen van deze wereld. Hij staat toe, dat andere belangen boven de belan-
145
gen van God gaan ; zijne vrienden, zijn plaats in de maatschappij, zijn invloed, zijn aanhang worden voorop gesteld, en zijn plicht tot God komt op de tweede plaats. 3°. De genietingen des levens. Niet zoozeer genoegens, die uit hun aard zondig zijn, ofschoon deze met de meeste kracht het woord verstikken, maar de sleur van de vermaken der groote wereld en de genoegens en feesten onder de menschen. O, hoe velen zijn hierdoor te gronde gegaan! Heb ik geen reden genoeg om te vreezen, dat zij God voor mij althans eenigermate verbergen?
III. Is het mogelijk aan dezen gehecht te zijn, en God te gelijker tijd te dienen? Neen, want niemand kan twee heeren dienen. God is een ijverzuchtig God. â Wee mij, indien ik toelaat, dat eenige van deze doornen de heilige ingevingen van God verstikken! O dood, hoe vreeselijk zijt gij voor den mensch, die vrede vindt in zijne bezittingen!
10
146
DE GOEDE AARDE.
Matth. XIII : 8, 9, 23.
âHet zaad valt op goede aarde bij dengene, die het Woord Gods hoort, verstaat en er vrucht mee doet, dertig- zestig- en honderdvoud.
I. Indien wij vruchten voor het eeuwige leven moeten dragen, is in de eerste plaats noodig, dat wij het in onze harten gezaaide woord begrijpen. Deze gave van begrip is niet een loutere zaak van het verstand, het is eene genade, die gegeven wordt aan menschen van goeden wil. Twee menschen van dezelfde ontwikkeling lezen eene plaats uit de Heilige Schrift; zij maakt een blij-venden indruk op den een en niet op den ander. De reden is, dat de een van goeden wil is, en daarom geeft God de genade, zonder welke alle geestelijke zaken voor ons verborgen zijn. De ander heeft niet denzelfden goeden wil. en daarom kan hij het niet begrijpen. Wanneer gij in het vervolg het Woord Gods leest, bid om een goeden wil, en genade en licht.
147
II. Het is niet genoeg te begrijpen, tenzij de daad volgt, en het gezaaide zaad geleidt tot goede werken, uit liefde tot God en onder den invloed van den Heiligen Greest, verricht. Dit is het ware kenteeken van voorbeschikking: te volharden in gehoorzaamheid, niet terneergeslagen te worden door moeilijkheden, en door de aantrekkelijkheden der wereld niet buiten 't spoor te geraken. â Heb ik deze volharding, zonder welke wij geen goede vrucht kunnen voortbrengen?
III. De planten verschillen niet alleen in soort doch ook in opbrengst; sommigen gelijk de Heiligen Gods, dragen honderdvoudige vrucht, gewone goede menschen zestig-, en zij die onvolmaakte christenen zijn, slechts dertigvoud. Toch zijn ze allen gelukkig, die goede vrucht voortbrengen. God geve, dat ik tot hun getal behoor!
148
DE GELIJKENIS YAN HET ONKEUID.
Matth. XIII : 21â28; 36-50.
In deze parabel vergelijkt onze Heer de Kerk bij een veld, waar goed zaad is gezaaid, maar gedurende den nacht komt een vijand en zaait er onkruid tusschen. Be dienaren willen het onkruid uitroeien, maar de Meester gelast, dat beiden moeten blijven tot den oogsttijd.
I. De gelijkenis van het onkruid is een groote troost voor ons, indien wij geneigd zijn, verbaasd te wezen en neergeslagen door het vele kwaad, dat in de Kerk van God wordt gevonden. Zoovele slechte men-schen, zooveel onverschilligheid, wereldsch-gezindheid, zelfzucht, hoogmoed, om niet te spreken van ernstiger zonden. Kan dit de Bruid van Christus zijn ? Ja, en het bestaan zelf van het. kwaad is enkel de uitkomst van hetgeen de Meester heeft voorspeld.
II. De reden, welke de Meester geeft, waarom het onkruid niet wordt uitgeroeid, is, dat wij vóór den oogst niet altijd onkruid van tarwe kunnen onderscheiden. Zij zijn elkaar zoo gelijk. Verborgen hoogmoed
149
heeft al den schijn van verheven deugd; en verheven deugd is somwijlen voor de menschen niet aantrekkelijk en wordt door hen dikwijls verkeerd beoordeeld. Leer nooit iemand te oordeelen, ten einde nooit iemand te veroordeelen, die dierbaar is aan God.
III. In het oordeel zal er geen twijfel zijn over onkruid of tarwe. Het goede in elke daad, die ik ooit heb verricht, zal duidelijk van het kwade en onverschillige te onderscheiden zijn. Wanneer ik zelfs mijne beste handelingen onderzoek, hoe weinige zijn er, die enkel goede korrels dragen, waardig voor de tafel des Meesters. Hoeveel onkruid! Hoevele onvolmaaktheden ! Zelfs, hoevele dagelijksche zonden!
150
HST ZAAD, DAT OP DE AARDE VALT.
Marcus VI : 26â30.
In deze parabel vergelijkt onze Heer het Koninkrijk der Hemelen met zaad, in den grond gestrooid, dat als het ware uit zich zeiven ontspruit en langzamerhand opgroeit, tot eindelijk, wanneer liet rijp is, en de oogsttijd gekomen, de maaier den sikkel er in slaat.
I. In deze gelijkenis is het Eijk dei-Hemelen de genade, die op goede aarde valt. Langen tijd zijn hare gevolgen bijna niet waar te nemen, toch groeit zij langzamerhand ; eerst de halm, dan de aar en dan het rijpe koren. Soms verbeelden wij ons geen voortgang te maken, en dat wij in vroeger jaren beter waren dan nu. Docli wij behoeven niet te vreezen. Het goede werk gaat in ons voort, ofschoon wij er ons niet van bewust zijn. en eens hopen wij, als rijpe korenaren, in den oogst des Meesters te worden binnengehaald.
II. Geef acht, hoe de vooruitgang geleidelijk geschiedt. De mensch wordt niet op eens heilig. Eerst is er slechts een klein
151
teeken zijner heiligheid te bespeuren. Wij hebben vele fouten en onvolmaaktheden. Wij moeten van ons zeiven. noch van anderen volmaaktheid in ééne week verwachten. Somtijds laat God jaren lang in zijne heiligen een zichtbaar gebrek toe. Zij zijn aan het rijpen voor den oogst, en misschien brengen zij veel meer vrucht voort dan wij.
III. De aarde brengt uit zich zelve de vrucht voort, wanneer zij eenmaal het goede zaad heeft ontvangen. Zoo zal geene genade, welke God ons geeft, geene-beproeving, die Hij ons zendt, geen ziekte, laster, armoede, hare vrucht voor het eeuwige leven missen, indien zij ontvangen wordt in het hart eens menschen van goeden wil. Dikwijls is het eenige aandeel in den vooruitgang, dat hij berust in den wil van God en zich niet verzet; en hieruit komt groote vrucht voor Gods eere voort.
152
DE GELIJKENIS VAN HET MOSTERDZAAD.
Malth. XIII : 31, 32.
Onze Heer vorgelijld liet Rijk der Hemelen bij een mosterdzaad, dat liet minste van nlle zaden is. maar tot den mach-lig-ste der lioomen opgroeit.
I. Het Koninkrijk der Hemelen beduidt hier oorspronkelijk de zichtbare Kerk van Christus. Hoe zwak is zij in den aanvang. Met Pinksteren slechts eenige onbeduidende Joden, meest van de lagere klasse, ruw, onopgevoed, met geene schitterende talenten bedeeld. â Hoe wonderbaar neemt zij toe! Langzamerhand verovert zij de wereld, en dat ondanks vervolging van buiten en verraad van binnen; in spijt van geheele volken, die haar juk afwerpen ; trots wereldsgezindheid, onverschilligheid en lauwheid liarer kinderen is zij nog sterker en krachtiger dan ooit. Verwek eene akte van onwrikbaar geloof in de onvergankelijkheid der Kerk van Christus.
153
II. De vogeler des Hemels komen en zoeken een schuilplaats in hare takken. Zij allen, die hemelwaarts vliegen, verschuilen zich in de schaduw der Katholieke Kerk. Indien zij haar niet als hun eigen huis erkennen, is dit alleen hieraan te wijten, dat zij ter oorzake van bijzondere omstandigheden te ver van hen afstaat, zoodat hunne oogen hare glorie niet kunnen herkennen. Doch wanneer de Katholieke Kerk duidelijk te onderscheiden is, keert nooit iemand zich van haar af, indien hij zijne vlucht wil nemen naar de hemelsche stad.
III. In hare takken schuilen al deze bewoners van het Koninkrijk der Hemelen voor de middaghitte, voor storm en orkaan, voor vervolging en lijden, voor zwoegen en arbeid. Zij vinden rust en verfrissching in de deugden der Heiligen, in de sacramenten, in de zoete vertroostingen, die God door haar geeft aan de zielen, die Hij bemint.
154
DE SCHAT IN DEN GROND VERBORGEN.
Matth. XIII : 44.
Het Koninkrijk der Hemelen is gelijk aan een in den grond verborgen schat, welken iemand gevonden heeft. Hij verbergt hem en gaat vol vreugde heen om al wat hij bezit te verkoopen, ten einde dien grond machtig te worden.
I. Het schijnt aanvankelijk eene tegenspraak, dat het Koninkrijk der Hemelen vergeleken wordt nu eens met eene stad op een berg gebouwd, zichtbaar voor alle menschen, en dan met een verborgen schat, die slechts door enkelen gekend en gewaardeerd wordt. De Kerk van Christus kan niet geloochend worden, zelfs niet door hen, die haar het meest haten. Haar bestaan is zichtbaar vooi de wereld, doch hare ontelbare volmaaktheden en het geluk tot haar te behooren, zijn voor allen verborgen, uitgezonderd voor hen die in hunne harten Gods liefde dragen en naar Hem verlangen. O, Heer, ontvouw voor mij de schoonheden uwer vlekkelooze
155
Bruid, opdat ik haar bemirme, zooals het behoort.
II. Deze schat moet gekocht worden; men kan dien niet voor niets verkrijgen. Zij, die hein bezitten willen, moeten een prijs, en dikwijls een hoogen prijs betalen; vandaar de beproevingen en het lijden van allen, die God willen dienen, of naar de volmaaktheid streven. Vandaar de wereldsche zorgen, die menigmaal hen, die tot het geloof zijn bekeerd, bemoeilijken, en de offers, die van hen geëischt worden. Gelukkig zij, die met vreugde den prijs voor dit onwaardeerbaar geschenk betalen.
III. De mensch, die dezen schat vindt, verbergt dien. Hij openbaart niet aan de ge-heele wereld de vreugd, welke hij in het bezit der waarheid ondervindt. Hij verlangt alleen met God te zijn en voor de ongewijde wereld de genade, welke hij ontving, te verbergen. Heilige menschen spreken niet ov; r hunne heiligheid, ofschoon deze in hunne daden duidelijk zichtbaar is.
156
DE PAREL VAN GROOTE WAARDE.
Matth. XIII : 15, 40.
âWederom is het Koninkrijk der Hemelen gelijk aan een koopman, die goede parelen zoekt en die, wanneer liij een parel van groote waarde vindt, heengaat en alles verkoopt wat hij heeft, om die te koopen.quot;
I. Elk mensch in de wereld heeft een doel voor oogen, dat hij door zijne daden moet bereiken. Hij is gelijk aan een koopman, die parelen verzamelt. Om hem heen liggen een aantal van zulke parelen verspreid, echte of valsche. Daar is de parel van geld, de parel van roem, de parel van aardsche liefde, de parel van eer. â De menschen koopen deze, en koopen ze dikwijls duur. Maar alles is waardelooze afval in vergelijking met de parel van groote waarde: de dagelijksche trouwe vervulling van Gods wil, alleen omdat het zijn wil is.
157
II. Deze parel ligt dikwijls in eene ruwe en harde schelp verborgen. Zij wordt gevonden onder menig onaanzienlijk uiterlijk, in het hart van menigeen, die over het algemeen veracht en niet geteld wordt. Ziet dus toe, dat gij niemand veracht. De bedelaar in lompen en onzindelijkheid kan een heilige zijn, en zijn hart kan een parel van deugd bevatten, bij uitnemendheid schoon in de oogen van God.
III. Wanneer de goddelijke schoonheid dezer parel eenmaal erkend is, geeft de koopman weinig of niets meer om het overige. Gaarne ruilt hij alles tegen dien eenen kostbaren schat, die alleen in het Koninkrijk Gods zal schitteren. Is deze volbrenging van Gods wil de regel van mijn leven ? Stel ik deze zóo op prijs, dat ik er alles voor veracht?
158
DE GELIJKENIS YAN DEN ZUUE-DEESEM.
Matth. XIII ; 33.
..Het Koninkrijk der Hemelen is gelijk aan zunrdeesem, dat eene vrouw nam en in drie maten meels vermengde, totdat het geheel verzuurd was.quot;
I. Zunrdeesem komt in de Heilige Schrift voor als een beeld van al wat ten goede of ten kwade invloed op den mensch uitoefent. De H. Paulus vermaant ons den ouden zunrdeesem weg te werpen, de liefde tot het aardsche en het zondige te verwijderen. Hier spreekt onze Heer van den nieuwen zunrdeesem, de liefde tot God en geestelijke zaken, welke het vermogen, de macht bezitten de ziel te veranderen. In mijne ziel is te veel van den ouden zunrdeesem en te weinig van den nieuwe. O, Christus, mijn Heer en Verlosser, reinig mij en geef mij die liefde tot IJ, welke alleen mij kan geschikt maken om II te bezitten in den Hemel.
159
II. De zuurdeesem heeft tot uitwerksel dat, hetgeen eene zware, harde, onverteerbare massa was, er licht en zacht door wordt en geschikt voor des Meesters tafel. Zoo is de zoete invloed van Gods genaden. De ziel die vroeger traag was en niet in staat zich tot hoogere zaken te verheffen, of den naaste eenig goed te doen, wordt werkzaam en ijverig voor God, welgemoed en verlangend om andere zielen te voeden met het brood des levens.
III. De zuurdeesem verzuurt de geheele massa, waarmede hij gemengd wordt en strekt zich over al de drie maten uit. Zoo verandert de genade Gods de geheele ziel; geheugen, verstand en wil worden allen veranderd. Woorden, daden en gedachten, allen voelen den heiligen invloed. Wordt mijn ziel aldus doordrongen van dezen heiligen en god-delijken zuurdeesem ?
160
HET BEDAREN YAN DEN STORM.
Marcus IV : 35 40.
Toen onze Heer zijne gelijkenissen had geëindigd, stak Hij met zijne leerlingen het meer over, om de menigte te ontwijken. Een hevige storm rees op, en de boot werd door de golven overdekt, doch Jezus lag op den achtersteven te slapen. De Apostelen wekken Hem, smeeken zijne hulp af. Hij doet den wind zwijgen, en dadelijk heerscht er eene groote stilte.
I. Het was op Jezus' woord, dat de Apostelen het meer overstaken, en zij verwachtten een voorspoedige reis; niettemin stak een groote storm op en deed hun vaartuig bijna zinken. Zoo steekt menigmaal onder het werk, dat wij zelfs uit gehoorzaamheid aan het goddelijk bevel hebben ondernomen, een storm van moeite, kwellingen en teleurstellingen op. Maar houd moed, de storm is slechts de voorbode van een of ander groot geluk.
II. De tocht was niet alleen onderromen op Jezus' verlangen, doch Hij vergezelde zyne leerlingen. Toch verhinderde
161
dit niet, dat de storm opstak. Hij was dichtbij, schijnbaar in slaap en niet bezorgd over hun lot, maar voortdurend oplettend, om hen in het uur des gevaars te helpen. Zoo is hij nabij zijne dienaren, doch zijne tegenwoordigheid behoedt hen niet voor verdriet, lijden of gevaar. Hij schijnt te slapen, maar gedurig wacht Hij het oogenblik af, dat Hij tot grooter voordeel van die Hij liefheeft, tusschen beiden kan komen.
III. âWaarom zijt gij bevreesd?quot; Dit was zijn woord tot de angstige Apostelen. Dit is zijn woord tot mij. Ben Ik niet de Heer van het heelal? Bemin Ik u niet hartelijk, teeder en vol zorg? Ik behoef slechts tot den wind te spreken: âBedaar, wees stil,quot; en gij zult eene volkomene kalmte en on-gestoorden vrede zien volgen op den storm, die nu woedt.
11
] 62
HET LEGIOEN VAN DUIVELEN UITGEDREVEN.
Marcus V : 1â21.
Jezus komt in het land der Gerazeners, en vindt daar een man, bezeten door een legioen Tan onreine geesten. â De duivelen in liem smeeken onzen Heer hen niet vóór den tijd te kwellen. Jezus drijft de onreine geesten uit, en veroorlooft hen bezit te nemen van eene daar weidende kudde zwijnen; deze storten zich in zee en vergaan in de diepte. %
I. Deze geschiedenis toont, dat de duivel inderdaad bezit van een mensch kan nemen ; en hoe verschrikkelijk de macht dei-duivelen is om hun slachtoffer te kwellen. Niet één maar velen, ja een legioen van duivelen woonden in het lichaam van dezen ongelukkigen man. Leer hieruit de geringste toegevendheid aan de bekoringen des duivels te vreezen, en gedenk de steeds toenemende macht, welke hij verkrijgt over hen, die zich eenigszins aan hem overgeven.
163
II. De uitgedreven duivelen vroegen niet om in den afgrond gestort te worden, maar om te varen in de lichamen der zwijnen, die in de nabijheid weidden. Niets verlaagt zoozeer als de zonde. Ondanks den adel hunner engelachtige natuur -vinden de duivelen een verblijf in de zwijnen, dat hun past. Zoo ook menschen, die tegen God opstaan en door hoogmoed worden opgeblazen. â God straft hen door hen over te leveren aan het toegeven hunner laagste hartstochten, en zij, die aan God gelijk wilden zijn, worden gelijk aan de zwijnen.
III. Wanneer het volk van die landstreek het wonder door Onzen Heer gewerkt, verneemt, vallen zij Hem niet in vreugde en dank te voet, doch bidden Hem heen te gaan. â Zij geven de voorkeur aan het bijzijn der duivelen boven dat van Jezus, omdat zijne tegenwoordigheid hen van hunne zwijnen berooft. Helaas! hoe velen verkiezen den duivel en zijne zinnelijke aanlokselen en wereldsche voordeel en boven flezus' tegenwoordigheid !
164
HET OUDE EN HET NIEUWE VEEBOND.
Matth. IX : 14â17.
De leerlingen van Joannes vragen onzen Heer, waarom zijne leerlingen niet vasten ? Hij antwoordt, dat de vrienden van den Bruidegom niet vasten, zoolang de Bruidegom met hen is. God vraagt van de nienschen niet, wat niet overeenkomt met hunne omstandigheden, of boven hunne krachten gaat; evenmin als een mensch nieuw laken zet aan een oud kleed, of nieuwe wijn in oude flesschen doet.
I. De eerste reden door onzen Heer aangevoerd, waarom zijne leerlingen geen bijzondere vasten onderhouden, is omdat Hij bij hen is. Hoe kunnen wij boete doen in het bewustzijn, dat Jezus met ons is, wanneer wij zijne stem hooren, die tot ons hart spreekt? De tijd zal komen, dat wij treuren zullen over zijne afwezigheid; wanneer de genade van ons schijnt te zijn heengegaan, wanneer de zoude zwaar op ons weegt, en wij het oordeel vreezen. Dan zal Hij ons tot boete vermanen.
165
II. De tweede reden is, dat gelijk een nieuw stuk kleed aan een oud gehecht, de scheur nog grooter maakt, zoo ook wanneer God te veel van de nieuwelingen vroeg, zou, wat goed in hen is, bederven. God geeft alleen genaden in overeenstemming met onze zwakheid. Indien wij hieraan beantwoorden, mogen wij hopen naderhand grootere genade te ontvangen.
III. Ten laatste doet de mensch geen nieuwen wijn in lederen zakken, die dooiden tijd hard worden. Zoo geeft God geene ingevingen tot grootere heiligheid aan hen, bij wie vooroordeelen zijn ingeworteld, of die door een wereldsch leven zijn verhard. Hij geeft hun genoegzame genaden om hunne ziel te redden, doch aanvankelijk niets meer. Hierin ligt menigmaal eene verontschuldiging voor hen, die wij geneigd zijn te veroordeelen.
166
DE GENEZING DER TROUW DIE AAN BLOEDVLOEIING LEED.
Marcus V : 25â34.
Eene ongelukkige vrouw, die sedert twaalf jaren geleden had aau voortdurend bloedverlies, dat hoe langer hoe erger werd, mengt zich onder de menigte en raakt den zoom aan van Jezus' kleed. â Op het eigen oogenblik is zij genezen. Jezus vraagt, wie Hem heeft aangeraakt? De vrouw valt bevend aan zijne voeten en wordt in vrede weggezonden.
1. Beschouw dit tooneel. Onze Heer, te midden van de menigte, die Hem omringt, en de leerlingen, die trachten hen op een afstand te houden. Wat is Hij zachtmoedig! Hoe vriendelijk verwelkomt Hij allen! Welke bijzondere liefde voor den armen zondaar! Geef acht op de beproefde vrouw, die bevend, maar ongemerkt achter Hem komt en met vertrouwen bij zich zelve hei'haalt: âIndien ik slechts zijn kleed mag aanraken, zal ik gezond zijn.quot; Bewonder haar geloof, herhaal bare woorden en pas ze op u zelve toe.
167
II. Luister naar hetgeen gesproken wordt. Onze Heer keert zich om tot zijne leerlingen en vraagt: âWie heeft mij aangeraakt?quot; De leerlingen zijn verbaasd hij deze vraag. â Drong de menigte niet om Hem heen. Toch voelde Hij de aanraking van iemand, die vol geloof, vertrouwen en liefde tot Hem kwam. Zijn Heilig Hart werd tot haar getrokken. Hoe vriendelijk ontvangt Hij haar, wanneer zij huiverend nadert, uit vrees, Jat zij te ver was gegaan! Zoo ontvangt Hij altijd degenen, die zijn Altaar naderen in dezelfde gemoedsgesteldheid als zij, ootmoedig, doch onbeschroomd, half in vreeze, toch vol van liefde.
III. Beschouw de daden van hen, die Hem omringen. De arme vrouw wordt tot Jezus getrokken door zijne beminnelijke aantrekkelijkheid. Toch moet zij het hare bijdragen tot hare genezing. Onze Heer houdt zich aanvankelijk, alsof Hij haar niet heeft opgemerkt. Toch dacht Hij al dien tijd aan haar, zegende haar. genas haar, en maakte haar zijn eigen kind.
168
DE OPWEKKING DEK DOCHTER VAN JAÃEUS.
Marcus V : 22-43.
Jaïrus, een overste der Synagoge, heelt een dochtertje, dat op sterven ligt. Hij gaat tot Jezus en smeekt Hein te komen en zijne hand op haar te leggen, opdat zij leve. Jezus volgt Hem, en als Hij het huis bereikt, is het gestorven, en de fluitspelers zijn volgens het gebruik aanwezig. Jezns drijft hen allen uit, neemt het meisje bij de hand en geeft haar weder aan hare ouders.
I. Deze overste der Synagoge was een verstandig mensch. Hij snelt in zijn leed naar Jezus, en openbaart Hem het verdriet, dat hem kwelt, omdat zijne dochter op sterven ligt. Waarom nemen wij niet onze toevlucht tot Hem, wanneer die wij liefhebben in gevaar verkeeren? De ziekte moge naar het lichaam of naar den geest zijn, Jezus is altijd bereid te luisteren, en wil ons altijd komen troosten in ons verdriet.
II. Onze Heer wil het wonder niet verrichten, voor dat Hij de luidruchtige en spottende omstanders heeft verdreven. Zijn
169
grootste inirakelen worden in stilte en afzondering' verricht, en liet gesnap der luidruchtige wereld schijnt zijne hand tegen te houden. Het is in den vrede en in de stilte der eenzaamheid, en in kalme over-denking, dat de ziel tot een nieuw leven opstaat. Zij moet alleen zijn met Jezus, en van wereldsche zaken verwijderd, om in staat te zijn, zijne stem te hooren, die haar gelast op te staan uit den dood tier zonde of uit de traagheid van een zorgeloos leven.
III. Hare ouders naren, ondanks hun vertrouwen op de macht van Jezus, verbaasd bij het zien, dat Hij hun kind ten leven opwekt. Ons geloof in Hem is zwak, doch zijne macht en liefde waardeeren wij in 't geheel niet. Indien ik dit meer deed, zou ik zegeningen en genaden van Hem verkrijgen, grooter dan ik nog ooit ontvangen heb.
170
DE UITZENDING DER APOSTELEN OM TE PREDIKEN.
Marcus X : 1â10.
Bij het zien der menigte, gelijk schapen zonder herder riep onze Heer de Apostelen, en zond hen uit om te prediken, de kranken te genezen, booze geesten uit te drijven en dooden ten leven op te wekken. Zij mogen geen goud of zilver bezitten, moeten armoedig gekleed gaan en afhankelijk zijn van de aalmoezen en gastvrijheid der geloovigen.
L De oorzaak van de zending der Apostelen was het medelijden van onzen Heer voor de schapen, die geen herder hadden en verloren waren, omdat er niemand was, die hen tot boete uitnoodigde. Zooals het toen was, is het ook nu. Zijn Heilig Hart treurt nog over de ontelbare schapen zonder herder. Helaas! hoevele Katholieken zitten ledig, wanneer zij hulp kunnen bieden om die schapen terug te brengen. Doe ik, wat ik kan voor deze herderlooze schapen, door mijne eigen inspanning, door
171
aalmoezen, bovenal door gebed voor hen tot den goeden Herder?
II. Onze Heer bekleedt zijne Apostelen met zijn eigen macht. Zij allen, zelfs Judas, spraken door zijn gezag. Zoo is door Christus zeiven elke priester met bovennatuurlijke macht bekleed en heeft recht op eerbied, afgezien van zijne persoonlijke hoedanigheden. â Bewijs ik eerbied aan eiken priester, en denk ik er aan hem te beschouwen als den gewonen afgezant van Jezus Christus?
III. Deze afgezanten van Christus moeten zich in acht nemen voor goud en zilver. De liefde voor geld is noodlottig voor allen, maar het noodlottigst voor priesters. Zij moeten een leven leiden van armoede en afhankelijkheid, gelijk elke priester moet doen, indien hij een waardige dienaar zijns Meesters wil wezen. In zekere mate past dit eiken Christen, indien hij deel wil nemen in de uitbreiding van het verlossingswerk. Is dit mijn geest? of ben ik zelfzuchtig en onafhankelijk?
172
UE ONDERRICHTING-EN YOOR DE REIS.
Marcus X : 11â17.
Onze Heer gelast zijne Apostelen, dat zij in elke stad onderzoeken moeten naar een waardig mensch, bij wien zij hun intrek kunnen nemen. Zij moeten in zijn huis verblijven, totdat zij de plaats verlaten. Indien iemand weigert hen te ontvangen, of naar hen te luisteren, zal de toorn van God neerdalen op dezulken, omdat zij de gezanten van Christus verwerpen. De dienaren Gods moeten de voorzichtigheid hebben van de slang en den eenvoud der duiven.
1. De Apostelen moeten op hunne reis wonen bij een getrouwen dianaar Gods, en onze Heer belooft, dat zij zegeningen met zich zullen brengen. Sinds Christus gezegd heeft; âHij, die u ontvangt, ontvangt Mij,quot; is het een groot voorrecht, die dienaren Gods, om wille van hunne bediening, in huis op te nemen en onderhoud te verschaffen. In Katholieke landen wordt het bezoek eens priesters beschouwd als zegen-aanbrengend voor het huis. Neemt gij elke
173
gelegenheid waar om priesters en andere dienaren Gods, ter wille van hun Meester, gastvrijheid te bewijzen?
II. De Apostelen mogen met van het eene huis naar het andere trekken. Rusteloosheid is altijd een slecht teeken. Het is eene gewone zelfmisleiding, dat wij het in een anderen toestand of ander huis beter zullen vinden ; of te gelooven, dat de deugd elders gemakkelijker is te beoefenen. Het is eene groote genade tevreden te blijven in het huis en met het gezelschap, waar God ons in geplaatst heeft, en met den werkkring, dien Hij ons schonk.
III. De twee deugden, die door onzen Heer aan zijne Apostelen werden aanbevolen, zijn groote zachtheid en voortdurende voorzichtigheid. Zonder zachtheid zullen wij nooit zielen voor Christus winnen. Elk goed mensch is zachtmoedig. Zonder voorzichtigheid zullen wij door dwaze en te snelle handeling ons werk bederven. Beide zijn dit echter bovennatuurlijke geschenken, die niet zonder gebed en zelfoverwinning kunnen verkregen worden.
174
DE ZORG VAN ONZEN HEER YOOR ZIJNE DIENAREN.
Matth. X ; 26â34.
De dienaren van Christus hebben geen reden tot vreezen. Zelfs niet te midden van hunne bitterste vijanden. Geen haar valt van hun hoofd zonder Gods toelating. Hij, die voor elk muschje zorgt, zorgt voor hen. Degenen, die hem belijden, zal Hij belijden in het Oordeel ten aanzien van geheel de wereld.
I. Er is niet weinig moed toe noodig, om als schapen te wandelen te midden der wolven, die op prooi belust zijn. Zoo is het geene makkelijke taak om vervolging onder de oogen te zien. Maar hij, die Stephanus verblijd maakte, toen hij gesteenigd werd, en Laurentius, toen hij op den rooster lag, staat ieder, die voor Hem lijdt, ter zijde en stort in de harten der lijders vrede en vreugde. Indien Hij waakt over ieder muschje, hoeveel meer dan over een ieder zijner dienaren. O, Heer, geef mij moed in het uur der beproeving, en help mij te midden van lijden volharden!
175
II. Christus zal met de meest edelmoedige vergelding beloonen de gehechtheid van al zijne getrouwe dienaren, die voor Hem in het uur van tegenspraak opkomen. Eenigen moeten voor Christus den dood ondergaan, anderen vreeselijk lijden. De een staat bloot aan spotternij, de andere aan onvriendelijke behandeling. Allen moeten nu en dan aan den invloed en het voorbeeld van die hen omringen, weerstaan, en moedig weigeren deel te nemen, hetzij aan lief-delooze of ongepaste gesprekken, hetzij in oneerbiedige woorden over hen, die boven hen staan. Belijd ik in zulke gelegenheden Christus ?
III. Zij, die weigeren Christus te belijden, verloochenen Hem; niet zoozeer met woorden, doch zij verloochenen Hem met de yfaad; want zij nemen deel aan hetgeen zij weten, dat Hij verafschuwt en weigeren zijn gezag te erkennen. Helaas! dit heb ik dikwijls gedaan. Ik heb me over U geschaamd, ik heb U verloochend. O! Jezus, vergeef mij, en verloochen mij niet voor de engelen Grods.
] 76
DE STRIJD VAN HET EVANGELIE.
Matth. X : 34â49.
Christus komt niet om vrede op aarde te brengen, maar het zwaard; om strijd op te wekken tusschen de menschen, zelfs tus-schen hen die elkaar het naast en dierbaarst zijn. Boven al het andere moeten wij Hem beminnen ; ons kruis drag-end, Hem volgen ; wij zijn Hem niet waardig, tenzij wij bereid zijn ter wille van Hem te lijden.
I. Het schijnt vreemd, dat de vredevorst op aarde komen zou om een zwaard te brengen. Toch wist Hij, dat ware vrede niet kan verkregen worden zonder strijd, en dat in menig huis ter wille van Hem een bittere tweedracht zou ontstaan; dat zij, die Hem liefhebben, onder een of ander opzicht, van de zijde dergenen, die hen dierbaar zijn, vervolging zouden moeten lijden. Ik moet hierop voorbereid zijn. Ik moet ter wille van anderen en uit liefde tot Hem onaangenaamheden verwachten en geduldig verduren.
177
II. Wanneer er strijd komt tusschen aardsche liefde en de liefde van Christus, geve God, dat de aardsche liefde niet over-winne! Hoe velen hebben hunne zielen verloren ter wille van iemand, aan wien hun hart met sterke gehechtheid hing! Indien die tijd voor mij komt, moet ik sterk zijn. Ik moet me herinneren, dat indien ik Christus opoffer zelfs voor iemand, die mij dierbaar als het leven is, ik mijne ziel zal verliezen, eu misschien ook de ziel van het voorwerp mijner liefde. Indien ik het offer breng, dan en dan alleen zal ik hier en hiernamaals vrede vinden.
III. Op deze en vele andere wijzen, moet ik mijn kruis gewillig, zonder weerzin dragen, uit liefde tot Jezus, en niet omdat ik het niet kan afwerpen. Het is misschien een zwaar kruis, maar gebed en onderwerping, en de gedachte aan Hem, die zijn kruis voor mij droeg, zal het lichter maken. En eindelijk hoe zwaarder het kruis, hoe schooner de kroon.
12
178
DE BELOONING DEK NAASTENLIEFDE.
Mattli. X ; 40 â 41.
Indien wij een der dienaren van Christus ontvangen in zijn naam, ontvangen wij hetzelfde loon, alsof wij Christus zeiven opnamen, en wij deelen de vergelding, welke de profeet of de rechtvaardige zelf moet ontvangen. Zelfs een glas koud water gegeven aan den minsten van Christus' leerlingen, omdat hij een leerling van Christus is, zal zijne be-looninfï niet missen.
I. «Hij die u ontvangt, ontvangt Mij.quot; Dit is niet slechts van de Apostelen waar, doch van allen aan wie wij ter wille van Christus liefde bewijzen. Zij die zieken in de hospitalen oppassen uit liefde tot Christus, verplegen waarlijk Christus zeiven. Zij die weduwen en weezen in hun leed bezoeken, bezoeken werkelijk Christus zeiven. Zij die aan armen aalmoezen geven uit eene bovennatuurlijke beweegreden, geven inderdaad het geld in de hand van Christus zeiven.
179
II. Indien wij met liefde de afgezondenen van Christus behandelen, vereenigen wij ons met het werk, dat zij doen en verdienen een aandeel in de bijzondere belooning, die zij zullen ontvangen. Iemand die missionarissen of bedelende kloosterlingen, hetzij mannen of vrouwen, ontvangt, en hen helpt zal een deel hebben in hun loon. Dit sluit alle goede werken in, die wij om Christus' wille verrichten of m el door aalmoezen, gebeden of eeuige andere aanmoediging ondersteunen.
III. Nog meer, elke liefdedienst, hoe gering ook, niet uit enkel natuurlijke welwillendheid of liefde, maar uitsluitend en onvoorwaardelijk uit liefde tot Christus bewezen, zal in alle eeuwigheid beloond worden. Hoe gretig moet ik dan al zulke gelegenheden aangrijpen; met hoeveel zorg trachten, die aan God op te dragen, om zoodoende het bovennatuurlijk loon te verkrijgen.
180
ÃE DOOD YAN JOANNES DEN DOOPER.
Marcus Y1 : 17â29.
Toen Herodes van de wonderen van Jezus hoorde, dacht hij, dat Joannes de Dooper van de dooden was verrezen. Herodes had Joannes gevangen genomen, dewijl deze hem verweten had, dat hij met zijn broeders vrouw leefde. Toch vreesde hij Joannes, en deed vele dingen op zijn raad. Ten laatste hij een feestmaal beloofde hij ondoordacht aan Herodias' dochter, al wat zij zou vragen. Zij bracht hem er toe om tegen zijn wil Joannes te onthoofden.
I. Het schuldig geweten van Herodes vermoedde de wederverschijning van den heiligen man, dien hij had laten dooden. Hij wist, dat het kwaad, dat wij doen, slaapt, maar niet sterft. Wanneer ik terugzie op mijn vroeger leven, is daar dan eenige zonde, die ik bijzonder vrees; of iemand, die zal opstaan als beschuldiger van onrecht, door mij hem aangedaan?
181
II. Herodes eerbiedigde den H. Joannes en beminde Hem. Hij luisterde gaarne naar hem. Hij verrichtte dikwijls goede daden en onthield zich op zijn verzoek van zonde. Maar hij wilde zijne liefste zonde niet opgeven, hij wilde Herodias niet verwijderen. Is er zoo in mijn hart eenige zonde, waaraan ik gehecht ben? Eene Herodias, die ik niet wil wegdoen? Eene geliefkoosde font, die mijn leven voor God bederft?
III. Hoe weinig dacht Herodes, toen hij aan zijn koninklp gastmaal gezeten, tot vermaak zijner gasten de danseres ontbood, dat hij vóór den nacht zijn misdaad zou hebben bezegeld met den wreeden moord van een der heiligen Gods! Let op de trappen, die hem voerden tot deze schuld: 1°. toegeven aan een onwettige genegenheid; 2°. de vervolging van den Heilige, die hem berispte; 3°. het verwaarloozen van waarschuwingen; 4°. toegeven aan zinnelijkheid; 5°. de onbezonnen eed en eindelijk de moord van een der heiligen Gods.
182
DE TERUGKEER DER APOSTELEN.
Marcus VI : 30â 35.
Toen de Apostelen terugkeerden bij hun Meester, verhaalden zij Hem alles, wat zij gedaan en geleeraard hadden. Hij noodigt hen uit, Hem naar eene stille plaats te volgen en wat te rusten. Maar spoedig wordt Hij door de menigte ontdekt, die zich uit alle steden en dorpen in den omtrek rondom Hem verzamelt.
I. De Apostelen geven aan Jezus eene volledige rekenschap van hunne zending en van alles, wat zij gedaan en onderwezen hebben. Eiken avond, wanneer ik mijn geweten onderzoek, behoor ik Hem op dezelfde wijs alles te zeggen, wat ik me van den dag kan herinneren. Hij stelt belang in elke bijzonderheid. Ik zal Hem de zorgen van den dag verhalen, de begane fouten; de pogingen die ik heb gedaan, om Hem te behagen ; het werk, dat ik voor Hem heb verricht ; ik zal Hem aanbieden alles wat goed is, en Hem vragen mijne vele gebreken te vergeven en mijne werken en woorden aan te nemen ter vermeerdering van zijne glorie.
183
II. Na hun arbeid noodigt Jezus zijne Apostelen uit om rust te nemen. Hij is een zorgzame en goede Meester, die nooit de behoeften zijner dienaren vergeet. Soms verbeeld ik mij, dat Hij me vergeten heeft, maar dit is zoo niet. Indien ik een weinig wacht, zal ik zien, dat Hij enkel eene nieuwe manier uitvindt om mijn geluk en welzijn te bevorderen.
III. De menigte gunt onzen Heer geen rust. Tevergeefs wijkt Hij naar eene eenzame plaats. Zij vinden er Hem spoedig. Toch had Hij hen door geen woord of gedachte willen tegenhouden of beletten zijne eenzaamheid te storen. Waarom deed Hij zoo? Omdat het de wil was van zijn He-melschen Vader, dat Hij zoowel al de onaangenaamheden, als het leed van het men-schelijk leven zou verdragen, zoodat geen voorval, van welken aard ook. Hem onbekend zoude blijven.
184
DE SPIJZIGING VAN DE VIJFDUIZEND.
Matth. XIV ; 14-22.
De menigte, die Jezus gevolgd was, bevond zich bij bet vallen van den avond zonder eenig voedsel voor hun onderhoud. Hij wil hen niet wegzenden, maar gelast hen zich op het gras neder te zetten. Hij neemt vijf brooden en twee visschen, welke een zijner leerlingen gebracht had, zegent die en vermenigvuldigt ze door dien zegen, zoodat allen, die aanwezig waren, aten en verzadigd werden.
I. De hinderlijke schare, welke Jezus gevolgd was naar de woestijn, waar Hij de eenzaamheid met zijne Apostelen zocht, werd door Hem hartelijk verwelkomd. Geen onvergenoegd woord over hunne storing, geene plotselinge wegzending, niets dan zachtheid, medegevoel en liefde. â Hoe verschillend behandelen wij degenen, die ons hinderen, ons op ongelegen tijd storen en het ons, wanneer wij alleen wenschen te zijn, lastig maken.
185
II. De liefde van onzen Heer tot de menigte bleef niet bij woorden. Zijn medelijden was werkdadig. Het bracht wezenlijke troost. Het was een algemeen medelijden, dat zich tot het lichaam zoowel als tot de ziel uitstrekte. Het was een vaardig medelijden, dat dadelijk tot de daad overging, en in de behoefte der menigte voorzag. Somtijds ben ik tot medegevoel geneigd: gelijkt mijn medelijden het zijne in deze hoedanigheden ?
III. Dit wonder was een voorafbeelding der Heilige Eucharistie. Het was eene voorbereiding er toe. â Indien Christus de brooden en visschen kon vermenigvuldigen, zoodat een ieder er aan kon deelnemen, waarom zou Hij zijn heilig Lichaam en Bloed niet zóo kunnen vermenigvuldigen, dat alle geloovigen, die het Altaar naderen, Christus zeiven in al zijne goddelijke volmaaktheid ontvangen ? Leer uit dit wonder een krachtig geloof in zijne tegenwoordigheid in iedere heilige Hostie.
186
HET VERZAMELEN VAN HET OVERGEBLEVENE.
Jo. VI : 12-13.
Toen de menigte gegeten had en verzadigd was, beval Jezus zijne leerlingen de overgeblevene brokken te verzamelen, en zij vulden er twaalf korven mede.
I. Laat ons dit tooneel beschouwen. De Apostelen brengen de vermenigvuldigde brooden en visschen bij het volk, en voor elk der groepen, waarin de menigte zich had verdeeld, vinden zij genoeg in overvloed. De hongerige schare nuttigt dit wonderbaar gastmaal in verbaasde dankbaarheid en eerbied. Jezus beweegt zich onder hen, let op de behoefte van allen; heeft voor ieder een vriendelijk en opbeurend woord en maakt hen door zijne goddelijke tegenwoordigheid gelukkig. Zoo is het nu in de Heilige Communie, wanneer zijne priesters het Brood des Hemels uitdeelen. Hij verlangt allen gelukkig te zien en heeft voor ieder eene heilige ingeving en een wjord van troost.
187
II. Wanneer onze Heer voor zijne dienaren zorgt, zorgt Hij niet karig. Hij is edelmoedig en mild en geeft eene goede en overloopende maat. Hij gaf de schare niet alleen wat voldoende was om hen voor uitputting te bewaren, maar gaf tot verzadiging toe. Zoo is Hij edelmoedig geweest voor mij, is het nog, en zal nog edelmoediger zijn, indien ik edelmoedig hen tegenover Hem.
III. Hoezeer onze Heer door één woord kan voorzien in de behoeften van zijn volk, wil Hij toch niet, dat de natuurwet van soberheid en armoede wordt verwaarloosd; geen klein gedeelte van het voorgezette voedsel mag verloren gaan. â Het bezit van overvloed is geene verontschuldiging voor verkwisting. Er is een bijzondere zegen voor zorgvuldig opletten in kleine zaken; en de meest wezenlijk edelmoedigen zijn dikwijls juist diegenen, die geen penning ondoordacht zullen verkwisten.
188
JEZUS VEESCHIJNT WANDELEND OP HET MEER.
Matth. XIV : 22 23.
Nadat de menigte uit elkander was gegaan, besteeg onze Heer een berg om te bidden. Intusschen staken de leerlingen het meer over naar Bethsaïda. Zij hadden wind en golfslag tegen, zoodat zij met moeite roeien konden. Plotseling zien zij Jezus, wandelend op het water. In hun angst roepen zij luid, maar Jezus stelt hen gerust: âIk ben het, vreest niet!quot;
I. De leerlingen scheepten zich in op Jezus' bevel, vol verbazing, bewondering en vertrouwen over het wonder, dat juist geschied was. Hunne reis was stormachtig en gevaarlijk. Waarom liet hun Almachtige Meester hen in zulke moeilijkheden alleen? Zoo is het nu ook. God geeft ons een of andere bijzondere genade, en spoedig daarna moeten wij strijden tegen de meest vijandige omstandigheden. Alles schijnt tegen ons. Heeft onze Meester ons verlaten en vergeten?
189
II. Neen, Hij heeft aijne getrouwe dienaren niet vergeten, en spoedig zien zij te midden hunner worsteling, iemand wandelend op het meer. Toch herkennen zij Hem niet; in hun angst meenen zij, dat het eene verschijning is, die hun kwaad komt vóórspellen, misschien een bode des doods. Zoo schrikken wij ook, als wij terneergeslagen zijn en in moeilijkheden, en deinzen vol angst terug voor de ware bron der vertroosting. Jezus komt tot ons onder de gedaante van iemand, die bestemd is ons te bevrijden, en wij schrikken terug van Hem, of beschouwen de hand, die ons zou willen bevrijden, als de hand eens vijands.
III. Doch hun mededoogende meester zal hen niet lang alleen laten in hunne verslagenheid. Met troostende woorden spreekt Hij tot hunne harten: âZijt gerust! Ik ben het, vreest niet.quot; Zoo ook als ik in mijne moeilijkheden luister, zal ik dezelfde liefderijke stem in mijne ooren hooren weerklinken. Jezus is nabij, al weet ik het niet.
190
DE H. PETRUS WANDELT OP HET WATER.
Matth. XIV : 28â31.
Als Jezus spreekt, antwoordt Petrus: âHeer, als gij het zijt, gebied mij dan over het water tot U te komen.quot; Jezus zeide : âKom!quot; en hij wandelt op de golven, totdat hij angstig werd, begon te zinken en uitriep: âHeer, red mij.quot; Jezus strekt zijne hand uit, grijpt hem en zegt: âKleingeloovige! Waarom hebt gij getwijfeld?quot;
I. i)e H. Petrus herkent de stem zijns Meesters en vraagt, dat het hem toegestaan worde op de wilde baren te wandelen om te komen tot Hem. Beschouw hier: 1°. Het vaardig geloof van den H. Petrus in Jezus' woorden. 2°. Zijne moedige daad. een moed, die niet vermetel was, want 8°. hij wachtte, tot Jezus hem gebood te komen. 4°. Zijn verlangen om gedurende den woedenden storm aan Jezus' zijde te staan. Leer uit dit alles een les voor u zeiven.
II. Maar ofschoon Petrus de macht van zijnen Meester niet overschat had, had hij zijn eigen moed overschat. Toen de wind
191
hevig opstak, en de wateren om hem heen sloegen, werd hij angstig en begon aanstonds te zinken. Zoo is het nu. Hoe menige slechte uitslag is het gevolg van gebrek aan moed! Wij verliezen den moed, wij vergeten de macht van God, denken aan onze eigene zwakheid, en zoodoende brengen wij over ons de slechte uitkomst, die wij vreezen. â Hoe menige zonde komt ook voort uit gebrek aan moed. Ik wanhoopte, ik was ontmoedigd, ik dacht, dat het toch niet hielp, of ik mijn best deed, en zoodoende viel ik.
III. Toen hij begon te zinken, wendde Petrus, gelijk een goed en verstandig mensch, zich tot zijnen Meester: âHeer, red mij!quot; Jezus strekt aanstonds zijn hand uit en Petrus vreest niet langer, zinkt niet meer. Wanneer onze moed faalt, moet dit onze kreet zijn: Heer, red mij! Uit mij zeiven kan ik niets dan zinken, maar strek uw hand uit, en ik zal gered zijn!
192
DE SPIJS, DIE NIET VERGAAT.
Jo. VI : 25â27.
De menigte vindt Jezus aan den anderen oever van het meer en ontvangt zijn verwijt, dat ze Hem zoeken ter wille van de brooden en visschen, niet om het mirakel, dat Hij verricht had. Hij dringt hij hen aan om werk te maken van de spijs, die hlijft ten eeuwigen leven, en welke de Zoon des menschen hun geven zal.
I. Wat bedoelt onze Heer door zijn verwijt aan de menigte? Zochten zij Hem dan niet ter wille van zijne wonderen? Het was ter wille van tijdelijk voordeel en niet alleen om Hem. In de wonderen, die Jezus verricht, moeten wij Hem niet uit het ooa1 verliezen. Er bestaat eene navolging van Christus ter wille van de vreugd, welke uit zijn dienst voor ons voortvloeit. Dit zal Hem niet behagen, het moet voor Hem zeiven zijn, dat wij Hem zoeken. Wij moeten tot Hem onze toevlucht nemen te midden van duisternis en lijden.
193
II. âWerkt niet voor du spijs die vergaat.quot; Hoe noodig is deze waarschuwing voor allen! Het einddoel van ons leven is te dikwerf, niet de meerdere eer van God, maar onze eigen eer, ons gemak, genoegen, rijkdom. Onmerkbaar verliezen wij God uit het oog; en wanneer de belangen met elkander in strijd zijn, worden maar al te dikwijls de belangen van God opgeofferd. Wij aanvaarden de spijs, die vergaat, het genoegen van een uur, misschien het zondige en ongeregelde genoegen; en verzuimen wetens en willens en met opzet den wil van God.
III. Indien wij de heerlijke zoetheid kenden van de spijs, die blijft ten eeuwigen leven, hoe gretig zouden wij deze zoeken ! Hoe smakeloos en onaantrekkelijk zou al het andere schijnen! O, mijn God! geef mij het geluk van te kennen en te smaken de zoetheid van die spijs, welke Jezus en Jezus alleen geven kan.
13
194
HET BROOD VAN DEN HEMEL.
Jo. VI ; 29â35.
De Joden vroegen vervolgens onzen Heer eenig teeken gelijk het Manna. Jezus antwoordt, dat zijn Vader in den Hemel het teeken en de vervulling tegelijkertijd geven zal, het ware Brood des Hemels; dat Hij het levende Brood was, dat hunnen honger zou stillen en hunnen dorst lesschen, zoodat zij nooit meer zouden hongeren of dorsten.
1. De vraag der Joden hield geen twijfel in omtrent het wonder van de hrooden en visschen. Doch zij verlangden een bewijs, dat Jezus de macht en den wil had om in hunne behoeften te voorzien, niet slechts eens, maar altijd, evenals het manna hun dag aan dag voedsel bracht. Voordat zij Hem hunne onverdeelde gehechtheid schonken, vroegen zij een bewijs, dat Hij hen voortdurend zou ondersteunen. Dit is het ware kenteeken van eiken goeden invloed, indien deze voortduurt en duurzame, geen tijdelijke uitwerkingen heeft. Doorstaan aldus mijne goede voornemens en beloften de proef des tijds?
195
II. Onze Heer antwoordt, dat zijn Vader in den Hemel hun een Brood zal geven, hetwelk een nieuw leven aan de wereld zal geven; een geestelijk Brood, dat nederdaalt uit den Hemel; het Brood van God, dat elk verlangen van het hart zal voldoen en de ziel vervullen met vreugde en vrede. Yoed miine ziel, o God, met dat Brood, en moge het steeds in mij de liefde en de gelijkvormigheid met U onderhouden!
III. Toen de Joden uitriepen: âHeer, geef ons altijd dit Brood!quot; antwoordde Hij: âIk ben het Brood des levens,quot; en dat zij, die Hem naderen, een brood zullen bezitten, dat hen nooit meer zal noodzaken te hongeren; stroomen van het water des levens, die hun dorst voor eeuwig zullen lessehen. O. Jezus, geef, dat als ik U ontvang, ik zoozeer verzadigd moge wezen, dat alle aardsche verlangens opgaan in mijn verlangen naar U.
194
HET BROOD VAN DEN HEMEL.
Jo. VI ; 29â35.
De Joden vroegen vervolgens onzen Heer eenig teeken gelijk het Manna. Jezus antwoordt, dat zijn Vader in den Hemel het teeken en de vervulling tegelijkertijd geven zal, het ware Brood des Hemels; dat Hij het levende Brood was, dat hunnen honger zou stillen en hunnen dorst lesschen, zoodat zij nooit meer zouden hongeren of dorsten.
I. De vraag der Joden hield geen twijfel in omtrent het wonder van de brooden en vissehen. Doch zij verlangden een bewijs, dat Jezus de macht en den wil had om in hunne behoeften te voorzien, niet slechts eens, maar altijd, evenals het manna hun dag aan dag voedsel bracht. Voordat zij Hem hunne onverdeelde gehechtheid schonken, vroegen zij een bewijs, dat Hij hen voortdurend zou ondersteunen. Dit is het ware kenteeken van eiken goeden invloed, indien deze voortduurt en duurzame, geen tijdelijke uitwerkingen heeft. Doorstaan aldus mijne goede voornemens en beloften de proef des tijds?
195
II. Onze Heer antwoordt, dat zijn Vader in den Hemel hun een Brood zal geven, hetwelk een nieuw leven aan de wereld zal geven; een geestelijk Brood, dat nederdaalt uit den Hemel; het Brood van God, dat elk verlangen van het hart zal voldoen en de ziel vervullen met vreugde en vrede. Voed mijne ziel, o God, met dat Brood, en moge het steeds in mij de liefde en de gelijkvormigheid met U onderhouden !
III. Toen de Joden uitriepen: âHeer, geef ons altijd dit Brood!quot; antwoordde Hij: âIk ben het Brood des levens,quot; en dat zij, die Hem naderen, een brood zullen bezitten, dat hen nooit meer zal noodzaken te hongeren; stroomen van het water des levens, die hun dorst voor eeuwig zullen lesschen. O, Jezus, geef, dat als ik U ontvang, ik zoozeer verzadigd moge wezen, dat alle aardsche verlangens opgaan in mijn verlangen naar U.
196
DE WIL VAN GOD OM ONS ZALIG TE MAKEN.
Jo. VI : 3(5 â39.
Jezus gaat voort met den Joden te zeggen, dat Hij niemand zal verwerpen, die Hem geloovig nadert; dat de geloovigen Hem gegeven worden door zijn Vader, omdat Hij uit den Hemel was nedergedaald om den wil zijns Vaders, niet den zijnen te volbrengen; dat allen, die in Hem gelooyen, het eeuwige leven zullen hebben, en Hij hen zal opwekken ten eeuwigen leven.
I. âHem, die tot mij komt, zal ik niet verwerpen.quot; Deze woorden van troost hebben menigen armen zondaar van wanhoop gered. Het is de allesomvattende liefde van Jezus, die den Hemel zoo dicht bij ons brengt. Hij treurt over eiken zondaar, en hoe zwaarder zijn zonde is, des te grooter is het medelijden van den goddelijken Verlosser. Indien hij slechts wil komen en zich aan zijne voeten werpen, is Hij bereid en verlangend om alles te vergeven. âHem, die tot mij komt, zal ik nooit terugwijzen.quot;
197
II. Allen, die in dezen geest tot Jezus komen, zijn Hem gegeven door zijn eeuwigen Vader. Zij zijn de zijnen, gemerkt met zijn zegel ten eeuwigen leven, en zelfs al dwalen zij eenigen tijd af, zal Hij hen terugbrengen, en wanneer zij zich aan zijne voeten werpen, wordt hun vergiffenis geschonken. Zoolang als zij niet ophouden, in Hem te vertrouwen, zal Hij hen niet verloren laten gaan, maar hen veilig geleiden ten eeuwigen leven.
III. Jezus verwierf deze gave van zijn eeuwigen Vader door de verzaking van zijn eigen wil gedurende zijn verblijf op aarde. Dit is het geheim om anderen te helpen en invloed op anderen uit te oefenen. De eigenzinnigen hebben nooit eenigen invloed bij God; Hij geeft geen acht op hen. Maar zij, die blijmoedig hunne verlangens ter wille van God opofferen, verkrijgen van Hem alles, wat zij wenschen.
198
DE MORRENDE JODEN.
Jo. VI ; 4'J 51.
De Joden morden, toen Jezus hun zeide, dat Hij liet levende Brood is, dat uit den Hemel is neergedaald. Zij verklaren, dat Hij van menschelijke afkomst is. Dan herhaalt Hij zijne woorden en zegt hun nog duidelijker, in welke beteekenis Hij het Brood des Hemels is. âHet Brood, dat ik u geven zal, is mijn vleesch voor het leven der wereld.quot;
I. Volgens de opvatting der Joden stond aan de eene zijde het algemeen geloof, dat Jezus de zoon van Jozef was, en aan den anderen kant zijne eigene bewering, dat Hij uit den Hemel was neergedaald. Moesten zij het woord van Christus gelooven, of niet? Dit hing af van hun eigen goeden wil. Zoo hangt nu het geloof in de wonderen der Kerk, in alles wat God openbaart, niet af van gezond verstand of van het onzekere der waarschijnlijkheid, maar van de stemming des harten. Ben ik zoo gehoorzaam aan de stem van God in mijn hart, dat ik de verlichting van den geest verdien, welke aan de gehoorzamen wordt verleend?
199
11. Jezus vermindert de kracht zijner bewering niet om de zienswijze der twijfelaars halverwege te gemoet te komen, maar toont veeleer duidelijk de ontwijfelbare waarheden, die zij weigeren aan te nemen. Het baat niets, te meenen dat ongeloovi-gen of on-katholieken gewonnen zullen worden door een soort van toegeven, door water te doen in den wijn der goddelijke waarheid. Wij moeten zorg dragen om niet te overdrijven, maar evenmin van de waarheid afwijken, ten gevalle van hen, die niet gelooven.
TIT. Tot nog toe had de goddelijke Leer-aar onder gelijkenissen verborgen, de grondwaarheid der heilige Eucharistie, welke door het wonder der spijziging van de vijfduizend was voorgesteld; nu zegt Hij duidelijk: âHet Brood, dat ik u geven zal, is mijn vleesch.quot; Help mij, o Heer, om altijd een vast geloof te hebben in dit ondoorgrondelijk en goddelijk geheim.
200
DE VRAAG BES ONGELOOFS.
Jo. xr : 53.
Toen de Joden hoorden, dat onze Heer duidelijk verklaarde, dat het Brood hetwelk Hij hun geven zou zijn eigen Vleesch was, vroegen zij ongeloovig: âHoe kan deze ons zijn Vleesch te eten geven?quot;
I. Bit is eene vraag, die door ketters van het begin der wereld af tot nu toe is gesteld. Zij hebben allen zonder uitzondering het veranderen der zelfstandigheid in het Heilig Sacrament geloochend. Zij hebben de vraag der Joden gesteld, en geantwoord : onmogelijk! Maar wat onmogelijk is bij de menschen, is mogelijk bij God, en het wonder van de Heilige Eucharistie is het voorwerp van het standvastig geloof van eiken Katholiek over geheel de wereld. Dank God voor het geloof, dat Hij u geschonken heeft en vergeet niet te bidden voor hen, die deze heilige waarheid loochenen en lasteren.
201
III. Sommigen loochenen niet de tegen-woordigheid van het Tic,haam en Bloed van Christus op een of andere wijze, maar antwoorden, dat Christus ons zijn Lichaam en Bloed geeft door liet geloof. Anderen, dat Hij op eene figuurlijke wijze tegenwoordig is, in zooverre Hij onze zielen voedt. Weer anderen, dat Hij waarlijk tegenwoordig is, maar de verandering der zelfstandigheid een verdichtsel is van godgeleerden. Tracht u levendig voor te stellen, dat het Lichaam van Christus, hetwelk op het kruis hing, waarlijk tegenwoordig is in de Heilige Hostie, en dat hetzelfde Bloed, dat voor u vergoten is, door u ontvangen wordt in de Heilige Communie en aangebeden op het Altaar.
III. Waarom maakt Jezus van de nuttiging van zijn Tleesch eene voorwaarde van leven? Om ons te toonen, hoe Hij nog gaarne zich zeiven vernedert; om ons te leeren de innigheid der vereeniging, die Hij tusschen Hem en ons verlangt; om ons een geneesmiddel te geven tegen elke krankheid der ziel. O, onuitsprekelijke liefde!
202
AFVALLIGE LEERLINGEN.
Jo. VI : 72.
Vele van Jezus' leerlingen weigeren zijne leer aangaande de gezegende Eucharistie aan te nemen en verlaten Hem. Wanneer Hij een beroep doet op de twaalf: âWilt gij ook niet heengaan?quot; roept Petrus met edelmoedige gehechtheid uit: âHeer! tot wien zullen wij gaan ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.quot;
I. De leer der openbaring stelt niet alleen de ware en getrouwe vrienden van Jezus in staat om Hem dichter te naderen, maar zij zift ook de tarwe van het kaf: de menschen van goeden wil van hen, wier hoogmoed zich niet geheel onderwerpen wil aan den goddelijken Meester, en die de leering weigeren, welke wij op bloot natuurlijken grond zouden verwerpen. Zoo vraagt Christus soms zware dingen van ons in de geboden van het Evangelie, door zijne heilige ingevingen of door de stem van onze oversten. â Dan wordt onze getrouwheid getoetst, en ziet men, of ootmoed en gehoorzaamheid de leid-
203
draad is van ons leven. Hoe handel ik in zulte omstandigheden ?
II. Het hart van Jezus wordt smartelijk gegriefd door het ongeloof van de kinderen, die Hem dierbaar zijn. â Er ligt eene klacht in zijne vraag aan de twaalf: âWilt gij ook niet heengaan?quot; Wij weten zoo weinig, hoe wij het Heilig Hart wonden, wanneer wij weigeren te gehoorzamen, of wanneer wij eigenzinnig zijn en ontrouw aan zijn hemelsche leiding.
III. Luister naar Petrus' geloovige woorden van liefde: âHeer! tot wien zullen wij gaan? Gij heht de woorden des eeuwigen levens!quot; Het was deze trouw, die hem zoo dierbaar maakte aan Jezus. Herhaal zijne woorden. Heer, tot wien anders dan tot U kan ik gaan in al mijne moeilijkheden, beproevingen en bekoringen? Gij hebt de woorden, die muziek in mijne ooren zijn, de woorden, die een echo zijn van hemelsche melodieën. In U leef ik ; ü alleen heb ik lief, moge ik U altijd getrouw zijn!
204
DE ONGEWASSCHEN HANDEN.
Marcus VII : 1â9.
De Pharizeën beklagen zich bij Jezus, dat zijne leerlingen de gebruikelijke plechtigheid van zich voor eiken maaltijd te was-schen, niet onderhouden. Jezus bestraft ben als huichelaars en leeraars van menschelijke overleveringen in plaats van de geboden Gods.
I. Wat mishaagde onzen Heer zoo in deze voorschriften der Pharizeën? Het was niet alleen de wassching noch het zich vasthouden aan bestaande gebruiken, maar het stellen van uiterlijke vormen in de plaats van gehoorzaamheid aan de geboden Gods. Deze soort van huichelarij is hatelijk bij God. In plaats van Gods wet te onderhouden, schonden zij die opzettelijk en dachten in hun hoogmoed, dat zij zouden gerechtvaardigd worden door eene hoogere heiligheid, die opgesloten lag in het naleven van een zeker gebruik, dat alleen van menschelijke vinding was. Stel u niet tevreden met uiterlijke plichtvervulling en acht uwe deugd niet hoog, omdat gij nauw-
205
keuriger dan anderen zijt in het onderhouden van godsdienstige Toorschriften.
II. De Pharizeën hechtten derhalve aan deze uiterlijke plechtigheden uit hoogmoed, dewijl zij hunnen verheven rang gekrenkt geloofden door aanraking met andere men-schen. Zij moesten zich daarom wasschen, alvorens zij zelfs een maaltijd konden gebruiken. Alles wat verachting voor anderen in zich sluit, mishaagt aan Grod, evenals de eer aan anderen om Hem bewezen eene milde belooning ontvangt.
III. Het mishaagt God, indien wij Hem eeren met onze lippen, terwijl ons hart ver van Hem is. Dit wil niet zeggen, dat onvrijwillige verstrooiingen in onze gebeden zonde zijn, maar dat het Hem walgt als wij voorwenden Hem te gehoorzamen, terwijl wij eigenlijk tegen Hem opstaan. â Zoo ook het vrijwillig toegeven aan wereldsche gedachten onder het bidden of in het Heilig offer der Mis.
206
HOE OVERLEVERINGEN BEDORVEN WORDEN.
Mare. Vil : 10-14.
Onze Heer bestraft de Joden, omdat zij de Wet van God breken, ten einde hunne eigen overleveringen te onderhonden, en vooral omdat zij een zoon toestaan, zijn plicht tegenover zijne ouders te verwaarloozen, op grond, dat hij aan God gegeven heeft, wat hij behoorde te hebben bijgedragen tot hunne ondersteuning.
I. Onze plicht jegens God kan nooit onzen plicht jegens de menschen vervangen. De eerste is nooit in tegenspraak met eenige strenge verplichting van de natuurwet. Hij, die verplicht is zijn bejaarden vader of moeder te onderhouden, kan dezen plicht niet verzuimen op grond, dat hij God moet geven wat hun toekomt. Onder voorwendsel van God te eeren, stelt de slechte gewoonte der Joden den heiligen plicht van een zoon om zijne ouders te eeren ter zijde. Onderhoudt gij getrouw dezen plicht tegenover vader, moeder of uwe omgeving?
207
II. De woorden van onzen Heer leeren ons, hoe bezorgd wij moeten zijn om niet eigenzinnigheid en zelfzuchtige bedoelingen te verwarren met trouw jegens God. Zij, die huiselijke plichten verwaarlcozen voor work buitenshuis, of voor oefeningen van godsvrucht, of om de kerkelijke diensten bij te wonen, zijn degenen welke Christus hier veroordeelt. Indien er ooit keus moet worden gedaan tusschen het bijwonen dei-Heilige Mis, of her waken aan een ziekbed, vergeet dan niet, dat de naastenliefde het winnen moet.
III. Wij moeten ons te gelijkertijd herinneren, dat wanneer God ons roept, wij bereid moeten zijn om huis en vrienden en ouders te verlaten, indien wij zijne stem hooren. Ouderlijk gezag houdt op voor het verheven recht van den Allerhoogste. Maar wij moeten den raad volgen van een voor-zichtigen raadsman, en niet onze eigen zienswijze laten beslissen.
208
SLECHTE GEDACHTEN.
Marc. VIII ; 21 -23,
Uit het hart van den menseh komen slechte gedachten voort: overspel, doodslag, diefstal, begeerlijkheid, bedorvenheid, valsch-heid, onkuischheid, wangunst, godslastering, hoogmoed, dwaasheid; al deze slechte dingen komen uit ons binnenste en bevlekken
den menseh.
I. Er zijn weinigen, die niet somtijds bekoord worden door slechte gedachten. Zij dringen zich in den geest samen; op eiken tijd en elke plaats, zijn zij tegenwoordig, voordat Avij er van bewust zijn; zij weigeren dikwijls heen te gaan, en indien zij voor korten tijd afwezig zijn, komen zij heviger dan ooit terug. Wij kunnen ze niet ontvluchten. O, Grod! om uwe barmhartigheid, bewaar mij van slechte gedachten.
II. quot;Wat verstaan wij door slechte gedachten ? Wij bedoelen de aanwezigheid eener voorstelling, waarin behagen te nemen zonde is; of het maken van een voornemen, welks vervulling eene zondige daad ware. Dit is de uitlegging, die God ons
209
geeft. Zij vallen onder twee voorname hoofdsoorten : gedachten tegen de Jiefde, gedachten tegen de zuiverheid. Maar er zijn nog vele andere : gedachten van hoogmoed, gedachten van ijdelheid, gedachten van begeerlijkheid enz. Tot welke klasse hel ik het meest over? En bied ik er weerstand aan?
III. Welke is de oorsprong van slechte gedachten ? Soms komen zij voort uit en zijn eene straf voor begane zonden. Somtijds ontstaan zij uit tegenwoordige zorgeloosheid, of door verwaarloozing van het bewaken onzer zinnen. Somwijlen ontstaan zij uit de zwakheid der menschelijke natuur, een andermaal weer uit boosheid des duivels. Welke is de oorsprong dier gedachten bij mij? Geef ik er nooit aanleiding toe? Of deze gedachten altijd zondig zyn, zullen wij in onze volgende meditatie zien.
14
210
DE ZONDIGHEID VAN SLECHTE GEDACHTEN.
Marcus VII ; 21â23.
âUit het hart van den mensch ontstaan slechte gedachten .... Deze slechte dingen komen uit ons binnenste en bevlekken den mensch.
I. Zijn slechte gedachten altijd zondig? Zeker niet. Hunne tegenwoordigheid alleen is in 't geheel geen zonde. Zij zijn alleen zondig, indien wij vrijwillig erin toestemmen. Indien deze toestemming gedeeltelijk is en slechts een oogenblik duurt, is het eene dagelijksche zonde; maar indien het eene volledige en vrijwillige toestemming is in hetgeen als daad eene doodzonde zijn zou, dan is eene doodzonde van gedachten bedreven. Indien in de gedachte een verlangen ingesloten is, om, als de gelegenheid zich voordoet, de zonde te bedrijven, wordt de zonde er door verzwaard, b.v., indien wij niet alleen toestemmen in gedachten van doodelijken haat, maar besluiten om den gehaten persoon ernstig te benadeelen. Stem ik ooit toe in zulke zonden van gedachten?
211
TL De meesten van ons zijn in voortdurend gevaar van minstens dagelijksche zonden, in den vorm van onvriendelijke gedachten jegens hen, die wij meenen, dat ons hebben beleedigd, en hier voegen wij misschien het verlangen naar eene kleine wraakneming bij. Sommigen worden voortdurend bekoord om toe te stemmen in voorstellingen, strijdig met de engelachtige deugd. Somtijds leidt menschelijke liefde of hartstocht ons er toe, onze gedachten met gevaarlijke voorwerpen bezig te houden. O, mijn God! geef dat mijn hart zóó in liefde met U vereenigd moge zijn, dat ik mijn geest kunne afwenden van gedachten, die U mishagen.
III. Wij behoeven niet ontmoedigd te zijn door slechte gedachten, indien wij ons best doen ervan bevrijd te worden. Zij mogen ons voortdurend vervolgen, zij mogen weigeren heen te gaan â zoolang wij niet toegeven, maar ze haten en trachten te bestrijden, behoeven wij niet te vreezen. Ja, wij vergaderen verdiensten in Gods oogen, door deze vijanden, die tegen onzen wil ons aanranden, te bestrijden.
212
DE CANANEESCHE VKOUW.
Marcus VU : 21â30.
Toen Jezus in den noordelijksten hoek van Palestina was, naderde Hem eene hei-densche vrouw, en voor Hem nedervalleude, smeekte zij Hem hare dochter, die van den duivel bezeten was, te genezen. Jezus antwoordde haar, dat het niet goed was het brood der kindereu te nemen en het den honden toe te werpen. De vrouw, niet in het minst ontsteld, drong aan, zeggende, dat de hondjes ook eten van de kruimels, welke van des meesters tafel vallen. Onze Heer, getroffen door haren ootmoed, geneest haar kind.
I. De bede dezer arme, heidensche vrouw scheen aanvankelijk door Jezus niet gunstig ontvangen te worden. Zijn antwoord voor haar was eene besliste weigering. Het is niet goed het brood, dat aan de kinderen Gods toekomt, te nemen en het aan de honden, buiten de kudde, toe te werpen. Zoo schijnt onze Heer dikwijls onze bede te ontvangen op eene wijze, die in het geheel niet vleiend voor ons is, en ons te verwerpen
213
ten gunste van de bevoorrechte Joden, die ons voor getrokken worden. Toch kwetst Hij telkens alleen om later te kunnen genezen.
II. Beschouw den ootmoed van deze arme vrouw. In plaats van de weigering, die zij ontvangtüt had, cn de schijnbare partijdigheid van Jezus kwalijk te nemen, erkent zij, dat zij maar een hond is, onwaardig om het brood der kinderen te eten, maar aan wie misschien de kruimels uit edelmoedigheid gegeven worden. Neem ik weigeringen, en woorden die mijne eigenliefde kwetsen, goed op? Er is geen beter bewijs van heiligheid dan dit.
III. Ootmoed brengt gewoonlijk zijne eigen belooning mede. Het gebed der nederigen dringt door de wolken heen. God kan niets weigeren aan hen, die waarlijk ootmoedig zijn. Verneder u zeiven dan voor God, beken uwe eigen slechtheid, dan kunt gij hopen groote dingen van Hom te verkrijgen.
214
DE GENEZING VAN DEN DOOFSTOMME.
Marcus VII : 31-37.
Nabij het meer van Gal ilea bracht men Jezus eenen doofstomme. Jezus nam hem terzijde, stak de vingers in zijne ooren en raakte zijne tong met speeksel aan; en opziende ten Hemel, zeideHij; âEphpheta, wordt geopend!quot; Terstond werden zijne ooren geopend, en hij hoorde.
I. Doofheid en stomheid gaan in de zaken van God gewoonlijk samen. Indien wij niet luisteren naar Gods stem, die tot ons spreekt, zullen wij niet naar hehooren over onderwerpen, die God betreffen spreken. Elke groote godgeleerde paart het gebed aan de studie; alle predikers, die wezenlijk slagen, hebben gebeden, dat Hij hun de woorden in den mond zou leggen. Hij, die niet luistert naar God, kan woorden spreken, maar geene woorden, die het hart van hen die luisteren, treffen zullen.
II. Waarom stak Jezus, die den doofstomme door één woord had kunnen genezen, de vingers in zijne ooren en raakte hij diens tong met speeksel aan? Het is
215
om ons de belangrijkheid te leeren van de plechtigheden en gebruiken der Heilige Kerk, als middel om de goddelijke waarheden indruk te doen maken op hen, die ze ontvangen en bijwonen. Leer de plechtigheden der Kerk waardeeren ; elk van hen bevat eene les, welker beteekenis door God zelveu is bekrachtigd.
III. De Kerk bewaart de herinnering aan dit wonder in het Heilig Doopsel. De priester raakt met zijn speeksel de ooren en lippen van het kind aan, terwijl hij de eigen woorden van onzen Heer bezigt: âEphpheta.quot; Dit beteekent dat. wanneer Jezus de ooren niet opent om het woord Gods te hooren, en de lippen om de goddelijke waarheden te spreken, zij doof zijn voor zijne stem en stom om Hem te prijzen. Hij is het, die onze ooren openen moet, onze harten verlichten, en goede woorden leggen in onzen mond.
216
HET TEEKEN VAN DEN HEMEL.
Matth. XVI : 1-5.
Toen de Pharizecn een teeken van den Hemel vroegen, gaf Jezus hun ten antwoord: De roode lucht bij avond belooft schoon weder, des morgens voorspelt zij storm. Hij nu verwijt hun hunne huichelarij, terwijl zij geen acht slaan op de teekenen, waaruit zij de komst van het Koninkrijk Gods hadden kunnen leeren kennen, ofschoon zij bekwaam genoeg waren om de teekenen van het weder te onderscheiden.
I. Een bovennatuurlijk teeken zooken als voorwaarde van geloof, is eene zeer gewone verontschuldiging voor twijfelzucht en onverschilligheid. De mensch wil God zijne eigen voorwaarde stellen; hij zal in Hem gelooven, indien Hij dit of dat doen wil. Hem aldus de wet stellen, is eene verwaandheid, welke Hij niet gedoogt, of minstens is het bijgeloof, waar Hij zeker geen acht op zal slaan. Wij kunnen door teekenen, die wij zeiven kiezen, zijn wil niet kennen.
217
II. Evenmin kunnen wij door deze willekeurige middelen, die wij zelven kiezen, te weten komea, hoe den besten weg te volgen. God voorziet in middelen, en deze, deze alleen zullen ons ten beste geleiden. Hij heeft ons bruikbare regels voorgeschreven. Hij gebiedt ons te wachten, na te denken, te bidden, op onze hoede te zijn tegen natuurlijke neigingen en Hem onze moeilijkheden aan te bevelen. Gebruik ik deze middelen, wanneer ik in twijfel verkeer 1
III. De zonde der Pharizeën bestond in hunne vrijwillige blindheid voor de teekenen, die God zelf gegeven had. âIndien gij Mij niet gelooft,quot; zegt onze Heer, âgeloof dan in de werken.quot; â De zonde bestond in de verwerping van deze bewijzen zijner Godheid. Dit is de zonde van onzen tijd, die de menschen van de Kerk afkeert. Zij draagt de teekenen van haren goddelijken oorsprong, doch de menschen willen hare leer niet aannemen noch zich aan hare leiding onderwerpen.
218
DE ZÃURDEESEM DER PHARIZEÃN,
Matth. XVI : 7 â 12.
Terwijl de leerlingen de zee van Gralilea met onzen Heer oversteken, waarschuwt Hij hen tegen den zuurdeesem der Phari-zeën. Het gebeurde, dat zij vergeten hadden brood met zich mede te nemen, en zij dachten, dat Hij hierop doelde. Hij berispte hen over het gebrek aan vertrouwen in zijne macht; deze bleek toch uit hunne veronderstelling, dat Hij hen waarschuwde tegen het brood der Pharizeën, en Hij verklaarde hun, dat de valsche leer en huichelarij der Pharizeën door Hem werd bedoeld.
I. De zuurdeesem eeniger partij is ?(iooit datgene, waardoor zij zich naar buiten kenbaar maakt. In het leven des menschen kan men zuurdeesem noemen datgene wat hem beweegt en op al zijne handelingen invloed uitoefent. De zuurdeesem der Pharizeën was hunne leer; niet dat die geheel slecht was, maar het overheerschende bestanddeel, dat alles doortrok, was bedorven en in tegenspraak met de voorschriften van het Evan-
219
gelie. Zoo zien wij in de leer dergenen, die van de leer der Kerk zijn afgevallen, veel dat goed is, maar het is verzuurd door het bederf, dat zij in zich dragen.
II. Zoo kan eene vereeniging van men-schen uiterlijk goede werken doen en schijnbaar een onbevlekt en heilig leven leiden. Nochtans, indien alles op hoogmoed berust, en hunne harten op zich zeiven steunen en niet op God, dan steekt de zuurdeesem dit leven aan en besmet alles wat zij doen. Voor het oog van God is alles bedorven en beleedigend voor Hem. Helaas! is mijn leven niet door zulk een zuurdeesem van hoogmoed besmet?
III. Zulke menschen noemt onze Heer huichelaars, d. i. zij zijn tooneelspelers, eene rol vervullend en woorden bezigend, die in tegenspraak zijn met de drijfveer van hunne daden. Al maken zij deze niet bekend, God ziet verder dan de uitwendige, schijnbaar goede daaa en dringt tot in het binnenste door. Kan ik deze proef doorstaan ? Hoe zijn mijne daden in zijn alziend oog?
220
DE BLINDE MAN TE BETHSAIDA.
Marcus VIII : 25, 26.
Te Bethsaïda werd een blinde tot onzen Heer geleid met de bede, dat Hij zijne oogen zon aanraken. Jezus geleidt Hem buiten de stad, legt de handen op zijne oogen en vraagt hem, of hij iets ziet. De man antwoordt: âIk zie menschen wandelen als boomen.quot; Nogmaals raakt Jezus zijne oogen aan, en dan ziet hij duidelijk.
I. De blinde, die tot onzen Heer werd gebracht, is een beeld van hen, die hunnen weg niet kunnen vinden in geestelijke zaken. Zij hebben een gebrek, maar weten niet, hoe dit te genezen. Sommigen verlangen naar een hooger leven, en zien niet in, hoe er toe te geraken. Anderen verlangen voor hunne medemenschen te werken, en vinden onoverkomelijke hinderpalen op hunnen weg. Onder zulke omstandigheden moeten wij onze toevlucht nemen tot Jezus en Hem vragen ons in die verblindheid te geleiden, en ons licht te geven, opdat wij weten, waarheen onze schreden te richten.
221
II. De blinde herkrijgt zijn gezicht niet op eens, zelts niet onder de genezende hand van den goeden Geneesheer. Dit was, omdat hij geen voldoende geloof en vertrouwen in Jezus bezat. Zijne gemoedsgesteldheid was nog onvolmaakt, en daarom was hij eerst alleen geschikt voor gedeeltelijke genezing. Zoo gaat het dikwijls met ons. De wezenlijke reden, waarom ons gezicht zoo beneveld is, en wij zoo onbekwaam zijn om onzen weg te zien, is, dewijl onze goede wil niet vast genoeg is; wij zijn niet geheel en al ontdaan van de gebreken en zonden, die ons gezicht verduisteren.
III. Eene tweede maal legt Jezus zijne handen op hem, en nu ziet hij duidelijk. Wij moeten niet verwachten dat ééne Communie of novene alles wat wij vragen, zal verkrijgen. Wij moeten onzen Heer vragen tot ons terug te keeren om zijn goed werk te volmaken, en Hij zal niet in gebreke blijven ons ten laatste te verhooren.
222
1)E BELIJDENIS VAN DEN H. PETRUS.
Matth. XVi : 13â18.
Toen Jezus zijnen leerlingen vroeg: âWien zegt gij, dat Ik ben?quot; antwoordde Petrus: âGij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God.quot; Jezus antwoordde en zeide tot Hem: «Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona, want niet vleesch en bloed beeft u dit geopenbaard, maar mijn Vader, die in den Hemel is.quot;
I. Jezus stelde deze vraag aan zijne Apostelen idet uit eigenbelang, maar ter wille van ben. Hij nam de proef van hunne getrouwheid, opdat zij het voorrecht zouden hebben zijne Godheid te verkondigen. De Engelen en Heiligen in den Hemel beschouwen het als eene eer om de glorie van Gods Zoon te verkondigen ; hoeveel grootere eer is het dan voor den mensch om getuigenis te geven van de Godheid van Jezus! Welk een groot voorrecht moesten wij het vinden zijn lof te zingen, ons geloof in Hem te belijden, en bovenal Hem te aanbidden in het Heilig Sacrament des Altaars.
223
IT. Petrus noemt Christus den Zoon van den levenden God, om te toonen, dat Hij diens Zoon was van nature en niet door aanneming ; dat Hij de ware God was en niet enkel de Zoon van God, zooals de Profeten zonen van God waren. Dit is het wat Jezus alle macht geeft in den Hemel en op de aarde. Hij, onze Broeder en Vriend, de zoete minnaar onzer ziel, is niettemin de Almachtige God. Hoe gelukkig zijn wij zulk een Vriend te bezitten! Waarom maken wij geen beter gebruik van zijne goddelijke vriendschap ?
III. Jezus noemt Petrus zalig, omdat hij onder Gods ingeving het geheim der geheimen, de mensch wording van het Eeuwige Woord had verkondigd. Dank God, dat Hij ook u dit geheim heeft geopenbaard, dat gij de onschatbare genade van het Katholieke geloof geniet.
224
DE BELOFTE AAN DEN H. PETRUS.
Matth. XVI : 18, 19.
âGij zijt Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijne Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. En aan u zal Ik de sleutels van het Rijk der Hemelen geven. En al wat gij zult gebonden hebben op aarde, zal ook in den Hemel gebonden zijn; en al wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in den Hemel ontbonden zijn.quot;
I. In deze woorden geeft onze Heer de Katholieke Kerk hare grondwet en haar tijdelijk koningschap op aarde. Zij moet gebouwd worden op de steenrots van Petrus, en Petrus' opvolgers zullen haar regeeren tot het einde der tijden. Dit geeft geen ketter toe. ook al erkent hij anders alles. Dit is de toetssteen van den waren Katholiek, te weten getrouwheid aan den Heiligen Stoel; eene bereidwilligheid om alles, wat van Rome komt, aan te nemen en om aan elk gebod uit den mond van Christus' plaatsbekleeder te gehoorzamen.
225
II. Tegen de Kerk, die op Petnis is gebouwd, zullen de poorten der hel niets vermogen. Het is vreemd dat zij, die buiten de Kerk leven, in haar niet het duurzame kenteeken van hare goddelijke zending erkennen. Het door storm geslingerde scheepje van Petrus scheen voortdurend op het punt van te vergaan, maar plotseling verscheen het ongedeerd en zegevierend op de golven, die het met ondergang dreigden. Dank God voor dit wonderbaar geschenk, en dat gij veilig zijt in Petrus' scheepje.
III. Aan Petrus en zijne opvolgers zijn de sleutels gegeven van het Koninkrijk dei-Hemelen. Zij zijn daarom begiftigd met gezag over het huis, waarvan Christus de Heer is. Welk een eerbied is men dus schuldig aan den Heiligen Vader, aan al de Bisschoppen en priesters, die in verschillende graden zijn gezag deelen en van Christus zeiven hunne volmacht ontvingen.
15
226
HET NADEREND LIJDEN.
Matth. XVI : 21-23.
G-edurende den eersten tijd van zijne zending- had Jezus slechts geheimzinnige wenken gegeven over zijn naderend lijden en dood. Nu begint Hij hen te onderrichten, dat Hij veel moest lijden van de ouderlingen en de opperpriesters, ter dood gebracht worden en ten derde dage zou verrijzen. Petrus voerde hier tegen in: âDat zij verre van U, Heer.quot; Doch Jezus bestraft hem, zeggende: âGa achter mij. Satan!quot;
I. Onze Heer leert zijne Apostelen niet dadelijk de leer des Kruises, uit vrees dat die te hard voor hen zoude zijn. Hij wacht, totdat zij geheel overtuigd zijn, verlicht onder de leiding van den Heiligen Geest, dat Hij Gods Zoon is. Zoo moeten wij zeer voorzichtig zijn om aan hen, die slecht onderwezen of vol van vooroordeelen zijn. de moeilijke leerstellingen van het geloof te openbaren. opdat wij niet afstooten, waar wij moesten aantrekken.
227
II. Het moet eene verlichting- zijn ge-geweest voor het menschelijk verlangen van onzen gezegenden Heer aan zijne Apostelen het lijden, dat Hij ondergaan moest, mee te deelen. Het is altijd eene verlichtingvoor de menschelijke natuur aan hen, die wij liefhebben, onze vrees en angst, ons leed en onze vreugd te openbaren. Tracht ik deel te nemen in het leed van anderen, en beijver ik mij om hun lijden te verlichten door mijn medegevoel en oprechte deelneming?
III. In het vriendelijk verwijt van den H. Petrus lag eene bekoring- van den Booze opgesloten om den lijdenskelk at' te weren. Dewijl Jezus voor den naderenden doodsstrijd terugschrikt, keert Hij zich des te meer verontwaardigd tot den bekoorder, die er Hem van wilde afhouden. Indien ik lijden te ge-moet ga, ben ik dan zoo getrouw aan God?
228
DE LEER DES KRUISES.
Marcus VIII : 34-38.
Onze Heer verklaart aan zijne leerlingen, dat wie na Hem komen wil, zich zeiven verloochenen moet, zijn kruis opnemen en Hem volgen; al wie zijn leven wil redden, ten koste van zijne getrouwheid aan Christus, zal het verliezen, en al wie zijn leven ter wille van het Evangelie zal verliezen, zal het eeuwige leven verdienen.
I. Wij kunnen Jezus niet volgen op den weg ten eeuwigen leven, zonder ons kruis Hem na te dragen. Tevergeefs tracht men het te ontvluchten. Indien wij het in éene gedaante ontvluchten, zal het in een zwaarderen vorm terugkomen. De wijste en de eenige manier om vrede te bekomen is, het vrijwillig aan te nemen; dat heilige kruis te kussen, waarvan het dragen het teeken is, dat wij volgelingen zijn van onzen Koning langs den koninklijken weg, die ten eeuwigen leven geleidt.
229
II. Voor ieder heeft God een bijzonder kruis bestemd, dat liem moet loeren en vormen naar het evenbeeld van zijn Meester. Het is dikwijls zeer zwaar om met onderwerping en vreugde aan te nemen, maar het zal spoedig lichter worden, indien wij het vrijwillig opnemen en het dragen ervan als een voorrecht beschouwen; daarentegen zal het zwaarder worden, indien wij er tegen opstaan. Welke is mijne stemming ten opzichte van het kruis, dat God mij heeft opgelegd?
III. Christus vraagt van ons een volkomen offer, indien wij Hem willen toebe-hooren. Wij moeten bereid zijn om op zijn bevel ons leven te geven. Waarlijk gelukkig is hij, die zulk een offer brengen mag! Mochten wij waardig zijn ons leven voor Jezus te geven! O, Christus, geef mij ten minste het edelmoedige verlangen om alles voor U op te offeren.
230
VERLIES EN WINST.
Matth. XVI ; 2G.
âWat zal het den mensch baten, zoo hij de geheele wereld wint. doch zijne ziel verliest? of wat zal de mensch in ruiling- geven voor zijne ziel?quot;
I. De invloed der zichtbare dingen om ons heen is zoo groot, dat zij soms de onzichtbare wereld schijnen uit te wisschen. Hemel en Hel zijn op verwijderden afstand, en dichtbij is een verlokkende prijs, die ons aanstonds aanbiedt een meesleepend genoegen, rijkdom of eer, welke onze lagere natuur aantrekt of onzen hoogmoed prikkelt. Dan wordt ons lot beslist, en dikwijls hangt de eeuwigheid af van de herinnering en het ter harte nemen van de woorden onzes Heeren: âWat zal het den mensch baten, zoo hij de geheele wereld wint, doch zijne ziel verliest?quot;
II. Onze Heer zegt niet alleen, dat wij een slechten ruil doen, indien wij wereldsche voorrechten aannemen met het eeuwige verlies van onze ziel, maar dat de winst
231
van geheel de wereld niets is, vergeleken bij het geringste verlies van genade in deze wereld en van de glorie hiernamaals. Indien wij gedurende een millioen jaren, doch niet langer, onuitsprekelijk geluk konden genieten, zouden wij toch verliezen, indien wij daardoor in Gods oog eenige verdienste verbeurden. Welk eene groote dwaasheid dan om genade te verwaarloozen!
III. Wat kan de mensch in ruil geven voor zijne ziel? d. i. door welk offer van uiterlijke zaken kan hij zijne zaligheid verzekeren? Alleen ootmoed en naastenliefde kunnen den Hemel koopen? Toch belooft onze Heer het Koninkrijk der Hemelen aan hen, die vrijwillig aalmoezen geven uit liefde tot God en aan hen, die zich een groot offer om Hem getroosten. In dezen zin kunnen wij door Gods barmhartigheid het Koninkrijk der Hemelen voor ons koopen.
232
DE (tEDAANTEVERANDEETNG.
Mattli. XVII : 1-13.
Jezus neemt Petrus, Joannes en Jacobus mede naar een hoogen berg- en verandert daar onder hunne oogen van gedaante. Hij laat toe; dat de glorie zijner Godheid door den sluier van zijn menschelijke natuur heen-schijnt. Mozes en Elias verschijnen en spreken met Hem over zijn naderend lijden.
I. Onze Heer koos Petrus, Jacobus en Joannes als vertegenwoordigers van de drie deugden, die noodzakelijk zijn voor hen die Gods glorie moeten aanschouwen; getrouwheid, liefde en kuischheid. Dit zijn de deugden, welke de deur des Hemels openen, en op aarde hen, die ze bezitten, een voorsmaak gunnen van het toekomstig geluk. Indien ik meer van deze deugden bezat, mocht ik op eene inniger vereeniging met onzen Heer hopen, en op een grooter aandeel in den vrede en de vreugde, die Hij mededeelt aan hen die ze beoefenen.
233
II. Waarom veranderde onze Heer van gedaante in het bijzijn der uitverkorene Apostelen? Het was hoofdzakelijk om hen voor te bereiden voor den schok, welken zijn lijden en dood op hun geloof in Hem zou veroorzaken. Het Avas om hen door de herinnering aan zijne Glorie te helpen, wanneer zij Hem in het stof vernederd zouden zien. Zoo geeft God in zijne barmhartigheid ons een blik in het geluk, dat voor ons is weggelegd, voordat Hij door mistroostigheid en lijden onze trouw beproeft.
III. Mozes en Elias verschenen bij Jezus als de vertegenwoordigers der wet en van de profeten. In Gods Zoon was de wet vervuld en alles wat de profeten voorspeld hadden. Niemand dan Hij had ooit de Jood-sche wet volmaakt onderhouden of hunne lange verwachting voldaan. â Zoo zal de eerste aanschouwing van den Zoon des menschen in zijne Glorie den tijd van ons wachten op aarde en in het vagevuur, in de groote vreugde als niets doen schijnen.
284
GENEZING VAN DEN JONGELING, DIE BEZETEN WAS.
Matth. XXII : 14-17.
Toen onze Heer terugkeerde tot de leerlingen, vond Hij eene verzamelde menigte en in hun midden een knaap, die van den duivel bezeten was en door zijnen vader ter genezing aan de Apostelen was voorgesteld; zij waren echter niet in staat geweest den duivel uit te drijven. Jezus zeide den vader dat, indien hij geloofde, alles voor den geloovige mogelijk was. De man antwoordde: âIk geloof. Heer! kom mijne ougeloovigheid te hulp.quot; â Onze Heer drijft den duivel uit en gebiedt l:em niet meer weder te keeren.
I. De arme jongeling, die door onzen Heer werd genezen, had vreeselijk geleden van den duivel, die hem van zijne geboorte af had bezeten, ofschoon hij zelf in geen enkel opzicht schuldig was. Indien deze ioe-stand een geheel onschuldige trof, welke macht zal de duivel bezitten om schade te doen aan hem, die door zijn eigen zonden hem eene plaats in zijn hart heeft bereid?
235
II. Do voorwaarde voor de genezing' des jongelings was geloof. â âIndien gij g'e-looven kunt.quot; â Hoe menige genade, hoe menige genezing onzer geestelijke kwalen verliezen wij door de zwakheid van ons geloof! Wij gelooven niet, dat God ons kan genezen, en zoodoende worden wij niet genezen. Alles is mogelijk voor hem, die gelooft. Dit is de belofte van onzen Heer, en Hij zal niet achterblijven om dit getrouw en edelmoedig te vervullen.
ITT. Het antwoord van den vader: âIk geloof, Heer! kom mijne ongeloovigheid te hulp!quot; is een zeer passend gebed voor ons. Wij zijn ons bewust van de zwakheid van ons geloof, toch weten wij zeker dat, als Jezus ons helpt, wij in Hem gelooven zullen, zooals wij moeten. Wanneer twijfel ons aanvalt, moeten wij uitroepen: Heer, ik geloof! Wanneer wij geneigd zijn om aan Gods liefde voor ons te twijfelen, moeten onze woorden zijn: Kom mijne ongeloovigheid te hulp!
236
DE TEMPELSCHATTING.
Matth. XVII : 23-26.
Te Capharnaiün kwamen de heffers der schatting', welke de Israëlieten voor het onderhond des tempels betaalden, bij Petrus en vroegen, of onze Heer dien cijns betaalde. De H. Petrus antwoordde, dat Hij het deed. Naderhand herinnerde Jezus hem er aan, dat de schatting- betaald wordt door vreemdeling-en, niet door de kinderen, en dat daarom Gods Zoon er niet toe verplicht was. Doch om erg-ernis te vermijden, zond Hij den H. Petrus naar de zee, en zeide hem, dat liij in den eersten visch, dien hij vangen zou, een stater (geldstuk) vinden zou, met hetwelk hij voor hen beiden zou betalen.
I. Beschouw de zachtmoedige en vriendelijke wijze, op welke onze Heer den H Petrus zijn haastig- antwoord verweet, dat de Zoon Grods tot de tempelschatting verplicht was. Hij toont hem met zachtmoedigheid, waarom hij ongelijk heeft en wijst dan den weg, die moest worden gevolgd. Op hoe geheel andere wijze berispen wij onze naasten. Hoe bitter en hard! hoe hevig en driftig!
237
Tracht zachtmoediger te zijn. âEen druppel honig,quot; zegt de H. Franciscus van Sales, âis meer dan een vat azijn.quot;
II. De Joden hadden geen recht om Jezus schatting te vragen, niettemin betaalde Hij ze. Hij kwam niet op voor zijne rechten, gelijk wij geneigd zijn te doen; noch hield aan zijn gevoelens; maar om botsing te voorkomen, gaf Hij toe en gedoogde, dat zijne rechten werden versmaad. Wat gelijken wij weinig op den Zoon van God, indien wij strijden voor hetgeen wij als ons recht beschouwen!
HL Het geldstuk in den bek van den visch, was een wonderbaar mirakel. Het is een voorbeeld van een der vele wijzen, waarop onze Heer voorzien heeft in de behoeften van zijne dienaren. Indien gij voor een goed doel eenig geld noodig hebt, vertrouw op Hem, en Hij zal er in voorzien.
238
DE TWIST ONDER DE APOSTELEN.
Marcus IX : 32â3-i: Matth XVIII : 1â5.
Op den weg naar Caplmrnaüm twistten de Apostelen onder elkaar, wie hunner de voornaamste zou zijn. Onze Heer vroeg bij hun aankomst, waarover zij onder weg gesproken hadden? Zij zwegen beschaamd. Dan neemt Hij een klein kind en zegt hun, dat indien iemand verlangt de eerste te wezen, hij de laatste zijn moet; dat zij gelijk moeten worden aan kleine kinderen, willen zij het Koninkrijk Gods binnengaan,
I. Het onderricht van .Tezus gedurende drie jaren had hen de voornaamste les dei-nederigheid nog niet geleerd. Zij twistten over den voorrang en oin de eerste plaats. Helaas, hoe weinig uitwerking heeft ook op ons zijn onderricht gehad. Hoe streven wij om uit te munten, om de eersten te zijn, om ons zeiven te vertoonen en, anderen achteruit te schuiven. Helaas! Helaas! Hoe weinig hebben wij van den waren geest van Jezus!
239
II. Toch wisten de Apostelen, toen Jezus hun het onderwerp van hun gesprek vroeg, dat het Hem onaangenaam was. Het was de oude Adam, die in hen streed tegen hetgeen zij wisten, dat zijn wil was. Zoo ook wanneer ik aldus zoek om de eerste zijn, wanneer ik mij verhef, wanneer het welslagen van anderen mij hindert, weet ik zeer goed, dat mijne stemming onaangenaam is aan mijnen Meester. O, Jezus! ruk uit mijn hart dien geest van hoogmoed, maak mij bereid om de minste van allen en ondergeschikt te zijn.
III. Onze Heer plaatst voor hunne oogen een voorbeeld en eene waarschuwing. Het voorbeeld is een klein kind, zachtmoedig, volgzaam, vergevensgezind, afhankelijk en onderworpen! De waarschuwing is dat, wie de eerste wil zijn, in Gods oordeel de laatste wezen zal. Ik wil trachten dit voorbeeld na te volgen en mij deze ernstige waarschuwing te herinneren.
240
OVEE ERGERNIS.
Matth. XVIII : 5-14.
â¢
Onze Heer spreekt oyer de zonde van ergernis met woorden van meer dan gewone strengheid. âWee den mensch, door wien de ergernis komt. Het ware den mensch beter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en hij in de diepte der zee verdronken werd, dan dat hij een van deze kleinen ergernis gaf.quot;
I. Wat is ergernis ? Het is elk woord, iedere daad, die tot doel heeft om anderen tot zonden te verleiden. Wij moeten niet denken, dat wij zeker ergernis hebben gegeven, omdat anderen verkeerd opnemen, wat wij zeggen of doen, of omdat een onzer onschuldige daden voor hen gelegenheid tot zondigen is. Doch wij geven ergernis, indien onze daden in zich zeiven ontstichtend zijn, of tot doel hebben zondige gedachten, woorden of daden in onze omgeving op te wekken ; dan zijn wij schuldig aan de zonde van ergernis.
241
II. Welke zijn de verschillende soorten van ergernis ? De ergste van allen is, indien wij iets doen of zeggen met de opzettelijke bedoeling om anderen tot een zondige daad te verleiden. Wij begaan ook de zonde van ergernis, indien wij iets doen wat zoo goed als zeker, volgens onze meening, anderen tot zonde brengt. Evenzoo indien wij eene daad verrichten met de bedoeling om de opvatting van den getuige er door te bederven. Onderzoek u zeiven, of gij schuldig zijt in een van deze punten?
III. Waarom is ergernis zoo'n schrikkelijke zonde? Omdat hij, die anderen ergert, het werk des duivels verricht, eu anderen naar de hel helpt. Hij laadt niet alleen de schuld van zijn eigen zonde op zich, maar van alle die worden begaan door hen, welke door zijn vrijwillige schuld tot zonde zijn verleid. Onze Heer zegt, dat het beter is, dat de mensch sterft, dan dat hij ergernis geeft. O, mijn God, bewaar mij voor de misdaad van ergernis!
16
242
OVER BKOEDEELIJKE LIEFDE.
Matth. XVIII : 21-35.
Pe H. Petrus vraagt onzen Heer, lioe dikwijls wij iemand behooren te vergeven, die ons beleedigd heeft, en hij stelt zevenmaal als het hoogste voor. Onze Heer antwoordt, dat wij niet zevenmaal behooren te vergeven, maar zeventig maal zevenmaal en leert door eene gelijkenis, dat de barmhartigheid, die aan ons bewezen wordt, zich terugtrekt, indien wij aan anderen geene barmhartigheid bewijzen.
I. De schuld van den dienstknecht aan zijnen heer bedroeg tienduizend talenten; de grootheid dezer som duidt aan, wat wij aan God verschuldigd zijn. Toch wanhoopt de dienstknecht niet aan de mogelijkheid van zijne schuld te betalen. Kunnen wij ooit onze schuld aan God betalen? Ja, wij kunnen het door zijne barmhartigheid, want Christus onze Heer biedt ons een onmetelijken schat, waar wij, naar onze behoeften, putten kunnen uit den voorraad van bovennatuurlijke genaden, die Hij ten koste
243
van zijn eigen dierliaar bloed voor ons heeft gekocht.
II. De dienstknecht, aan wien schuld is vrijgescholden, ontmoet een medeknecht, die hem te kort heeft gedaan; in plaats van geduld met hem te hebben en hem te vergeven, vat hij hem bij de keel en werpt hem in de gevangenis, totdat hij zijne schuld zou betalen. Helaas, zoo willen wij, aan wie God zooveel vergeven heeft, dikwijls niet de in vergelijking kleine beleedigin-gen welke ons worden aangedaan, vergeven. Welk eene lage ondankbaarheid! Hoe verachtelijk is deze geest van haatdragendheid! Hoe verschillend van de edelmoedigheid, waarmede God ons vergeeft!
III. De haatdragende dienstknecht wordt door onzen Heer behandeld, zooals hij zijnen medeknecht behandeld heeft. Ben ik bereid dezen regel aan te nemen? Kan ik van harte zeggen: Vergeef mij mijne schulden, zooals ik vergeef aan mijne schuldenaren?
244
HET SACRAMENT DES HUWELIJKS.
Matth. XIX ; 3-12.
Jte Pharizeën vragen onzen Heer of het een man geoorloofd is om elke reden zijne vrouw Aveg te zenden. Jezus antwoordt, dat het nooit geoorloofd is, en dat het de zonde van overspel in zich besluit; dat voor hen, die er toe geroepen zijn, de ongehuwde staat, om wille van het Koninkrp der Hemelen, verkieslijker is dan het huwelijk.
I. Voor de komst van onzen Heer was de echtscheiding hij de Joden somtijds geoorloofd. Maar onze Heer verklaart dat, wat God vereenigd heeft, niemand scheiden moet. Deze onverbreekbaarheid van het huwelijk is een van de voornaamste grondslagen van het Christelijke familieleven. Door echtscheiding ontstaat een maatschappelijk bederf, verwaarloozing van kinderen, verslapping van zeden, een opbreken van het Christelijk huisgezin. Dank Grod voor de waardigheid, die Christus onze Heer gegeven heeft aan den band des buwelijks.
245
II. In de Katholieke Kerk, en daar alleen is het huwelijk een Sacrament. Het is het zinnebeeld van de vereeniging van Christus met zijne Kerk. De geheimzinnige vereeniging- van Christus met zijne Kerk geeft haar hare luisterrijke schoonheid, en maakt haar de geestelijke Moeder van ontelbare kinderen. Bid, dat gij een trouw kind moogt zijn van de Heilige Kerk.
III. Maar hoe eerwaardig het huwelijk is, bestaat er een heiliger levensstaat. Voor hen, die er toe zijn geroepen, is een leven van kuischheid een voorrecht, en een genade, die den staat des huwelijks overtreft. â Gelukkig degenen die zulk eene roeping ontvingen, zij zijn waarlijk de uitverkorene kinderen Gods. Zij moeten veel beproevingen verwachten en misschien vele bekoringen, maar Hij, die hen geroepen heeft, zal hen beschermen. Bid voor de noodige genade om Gods wil te volbrengen in den levensstaat, waartoe Hij u roept.
246
HET LOOFHUTTENFEEST.
Jo. VII : 2â23.
Toen het Loofhuttenfeest naderde, drongen de broeders van onzen Heer, de zonen van Maria Cleophas, die nog niet in Hem geloofden. bij Hein aan naar het feest te gaan en zich daar aan de wereld bekend te maken. Jezus ging er niet aanstonds heen, maar verschijnt te Jeruzalem omtrent het midden van het feest. Er ontstaat onder de Joden een groot verschil van meening over Hem.
I. Het schijnt vreemd, dat de betrekkingen van onzen Heer, met wie Hij voortdurend had verkeerd, niet hadden herkend, wie Hij was. Hieruit leeren wij. 1°. Dat niemand Jezus kan kennen, alvorens de H. Geest hem verlicht. 2°. Dat de hoogste heiligheid verborgen en geheimzinnig is. 3°. Dat volgens den geest ran het Evangelie des menschen vijanden tot zijne huisgenoo-
2i7
ten behooren. Is het mog-elijk, dat in mven kring een uitmuntende dienaar Gods is, van wien gij eene geringe gedachte koestert?
II. Onze Heer zegt aan zijne broeders, dat de wereld Hem haat, omdat Hij de getuigenis geeft, dat hare werken kwaad zijn. Deze afkeer van het hooren der waarheid en met haar in tegenspraak te zijn, is een der kenteekeneu van een wereldschen geest. Ben ik gekrenkt over eene berisping?
III. Er zijn zeer uiteenloopende gevoelens over Jezus onder de Joden. Sommigen zeggen. Hij is een goed mensch; anderen: Hij verleidt het volk. Wat is de oorzaak van deze verschillende uitspraak? Over het algemeen was het de toestand van hun eigen hart. Hoogmoed haat de waarheid, ootmoed heeft die lief. Naarmate van mijne nederigheid zal ik Jezus beminnen en allen, die zijn woord leeren.
248
ONZE HEER IN DEN TEMPEL.
Jo. Vil : 14 20.
Onze Heer komt in den tempel en leert liet volk, en zij verbazen zich over de geleerdheid van iemand, die nooit onder-richt had gehad. Hij antwoordt, dat zijne leer niet de zijne is; dat alleen zij, die Oods wil volbrengen, bevoegde rechters zijn over hetgeen zij bevat.
I. Gods Zoon behoefde geen menschelijk onderricht. Als mensch was Hij in alles verlicht door Oods H. Geest. Hetzelfde geschiedt in zekere mate bij de Heiligen Gods. Wij ontmoeten ongeleerde mannen en onwetende vrouwen, die over diepzinnige, godgeleerde onderwerpen spreken en schrijven met volmaakte juistheid en de grootste kennis. Indien ik over goddelijke zaken verlang te schrijven of te spreken, moetik voortdurend tot Hem opzien.
249
II. Maar ik moet meer doen dan dit. Wij kunnen de geheimenissen van God niet doorgronden, tenzij wij zijn wil doen. âIndien een mensch den wil van Glod volbrengen wil, moet hij zijne leer kennen.quot; Dat is de weg om de waarheid te vinden. Volmaakte gehoorzaamheid aan Gods heilige ingevingen is noodig. Dan zullen wij een stroom van licht van Hem ontvangen.
III. Daar moet nog een stap verder gedaan. Wij moeten niet onze eigen eer, maar die van God zoeken. Dit is het kenteeken van den waren bode des Hemels, die de goddelijke boodschap van liefde aan de menschen brengt. âHij, die van zich zeiven spreekt, zoekt zijn eigen eer.quot; â Hij, die de eer van God zoekt, is getrouw, en aan hem zal God eene heldere kennis van de waarheid meedeelen. Indien ik blind ben, is het omdat ik mijn eigen lof en eer zoek in plaats van die van God.
250
DE OVERSPELIGE VROUW.
Jo. VIII ; 2â11.
De Pharizeën brengen voor onzen Heer in den tempel eene vrouw, die op overspel betrapt was, en nadat zij Hem gezegd hadden, dat Mozes geboden had de zoodanigen te steenigen, vroegen zij zijn oordeel. Jezus boog zich voorover en schreef op den vloer; en toen zij voortgingen met Hem te vragen antwoordde Hij: âWie van u zonder zonde is, werpe het eerst den steen op haar.quot; De beschuldigers slopen beschaamd weg, en Jezus ontsloeg de arme bevende vrouw met vriendelijke en zachte woorden en raad.
I. Beschouw de heftigheid en de wettelijke verontwaardiging der Pharizeën tegenover deze vrouw. De welvoeglijkheid veroordeelde haar luide. Is mijn geest die der Pharizeën tegenover de uitgestootenen en gevallenen? Of heb ik medelijden met hen en verlang ik hen tot hoogere dingen op te heffen, bedenkend, dat de slechtste onder hen misschien heiliger is dan ik?
251
II. Wat schreef Jezus op den grond? Men zegt, dat elk van de beschuldigers daar zijn eigen zonden tegen de zuiverheid las. Green wonder, dat zij haast maakten weg te komen. Hoe zou ik het vinden, indien ik al de zonden van mijn leven voor iedereen leesbaar geschreven zag? Het zou mijne scherpe tong bedwingen, die altijd vol verontwaardiging over de zonden van anderen is.
HL De arme vrouw stond bevend in het midden en wachtte in vreeze het vonnis van den Profeet uit Nazareth. Indien deze Pha-rizeën zoo streng waren, wat zou dan zijne strengheid zijn? Doch uit zijn goddelijken mond kwamen geen harde woorden van verwijt, maar in zachtmoedige, liefdevolle, medelijdende bewoordingen zond Hij haar met troost en vergiffenis heen. Toon ik eeue dergelijke zachtmoedigheid aan hen, die gevallen zijn?
t 252
DE BLINDGEBORENE.
Jo. IX : 1.
Op zijn weg ontmoette onze Heer een blindgeborene. Hij riep hem en spuwde op den grond, maakte slijk van het stof en speeksel, en bestreek er de oogen van den man mede; daarna gebood Hij hem zijn oogen te gaan wasschen in het bad van Siloë. â De man gehoorzaamde en was oogenblikkelijk genezen. Hij werd later door de Pharizeën uitgeworpen, en onze Heer, die hem ontmoette, bracht hem er toe een akte van geloof aan zijne Godheid te verwekken.
I. De Apostelen vroegen onzen Heer, of de blindheid van dezen man de straf zijner eigen zonden of van die zijner ouders was. Onze Heer antwoordde, dat geen van beider zonden de oorzaak was, maar dat de werken van Gods barmhartigheid in hem moesten worden geopenbaard. Wij zijn nooit gerechtigd om tijdelijke rampen aan zonden toe te schrijven.
258
II. Onze Heer eischte geen akte van geloof van den blinden man als voorwaarde voor zijne genezing. In plaats hiervan toetste Hij hem door gehoorzaamheid. De geest van nederige onderwerping en onbetwistbare gehoorzaamheid is de zekerste weg om genaden van God te verkrijgen. Het gebed van degenen die zich vernederen, doorklieft de wolken, en zij die aan God gehoorzaam zijn zullen ondervinden, dat God naar hen luistert, in alles wat zij van Hem verlangen.
III. De Pharizeën waren verontwaardigd over Jezus, omdat Hij dezen man op den Sabbath genezen had en over den man, omdat deze Jezus getrouw bleef. Zij verbanden hem uit de Synagoge in openlijke ongenade. Zoo worden nu velen op de eene of andere wijs vervolgd, omdat zij getrouw zijn aan hun geweten. Maar Jezus had hem niet vergeten, en Hij zal nooit iemand vergeten, die vervolidnsr verduurt ter wille van Hem.
254
DE GOEDE HERDER.
Jo. X : 1 -20.
Jezus noemde zich zelven den goeden Herder, die zijn leven geeft voor zijne schapen, en hen allen leent. Hi] geeft zijn leven voor hen, ofschoon hij dit doet op het bevel van zijnen Vader.
I. Het welzijn der schapen is de eerste zorg des goeden Herders. â Hiervoor offert Hij zijn eigen rust en belangen op. Voor hen verduurt Hij koude, honger, gevaar, dorst, vermoeienis. Hij is bereid voor hen zijn leven te offeren. Ziedaar het beeld ge-teekend van Jezus. Het belang van ieder schaap zijner kudde gaat Hem zoo ter harte, dat Hij bereid is voor een ieder te sterven. Hij zoekt hen in de woestijn, waar /.ij zijn afgedwaald, verbindt hunne wonden, draagt hen op zijne schouders. O! zachtmoedige Herder! Mocht ik uwe liefde voor mij, uw arm verdoold schaap, waardeeren!
255
II. Hij kent olk zijner schapen, denkt aan ieder, zorgt voor ieders welzijn, geeft aan ieder inalselie weiden en water des levens. Hij bemint ieder veelmeer, dan zij zich zelven liefhebben, want Hij bemint hen met goddelijke liefde. Waarom sta ik zoo dikwijls op tegen zijne liefde? Welk eene dwaasheid is dit! Hij weet wat goed voor mij is en bemint mij zoo feeder, dat de eenige grens zijner liefde voor mij in de zwakheid van mijne liefde voor Hem is gelegen.
III. Het is niet zijn eigen wil, dat Hij zijn leven geeft, want Hij koos vrijwillig het leven van onderwerping als mensch. Maar toen eenmaal dat leven gekozen was, werden al zijne daden verricht onder de gehoorzaamheid aan zijn Vaders bevel. Dit is de glorie van een leven van vrijwillige gehoorzaamheid, het is een innige navolging van het leven van Christus op aarde.
256
DE GEEST VAN HET EVANGELIE.
Lucas IX : 51â5G.
Toen eeue Samaritaansclie stad weigerde onzen Heer te ontvangen, omdat Hij op weg naar Jeruzalem was, stelden de H. Jacobus en Joannes voor, om het vuur des hemels over hen af te roepen, tot straf, dat zij Hem verworpen hadden. Jezus berispt hen : âGij weet niet van welken geest gij zijt. De Zoon des menschen is niet gekomen om zielen te verderven, maar om ze zalig te maken.quot;
I. Deze Samaritanen weigerden diegenen te ontvangen, welke hun aangezicht naar Jeruzalem hadden gekeerd. Zij haatten de Joden en hunne heilige stad. Zoo worden tegenwoordig zij. die hun aangezicht keeren in de richting van de stad Gods, dikwijls verworpen door de wereld. Voor Katholieken blijft de deur gesloten. Zij, die getrouw aan hun geweten zijn, worden uit huis en hof verdreven. Zalig zij, die aldus lijden ter wille der gerechtigheid!
257
II. De H. Jacobus en Joannes waren vol verontwaardiging, en stelden voor, om de wraak des Hemels af te roepen over de zondaars. Zij verlangden hen te zien lijden, zooals zij verdienden. Dit driftig verlangen, om zondaars straf te bezorgen, is geheel in
C ' O
tegenstelling met den geest van het Evangelie. Indien wij aldus toornen tegen hen, die zondigen, is dit geen goed teeken. Het bewijst, dat wij den geest hebben dei-Joden.
III. Onze Heer berispt de Apostelen; âGij weet niet van eiken geest gij zijt.quot; Uw geest is de geest der wet, niet de zoete, geduldige, vergevensgezinde geest van het Evangelie. Bitterheid en verontwaardigde ijver verwoesten de zielen der menschen, wurgen ze bij de geboorte. De Zoon des menschen is gekomen om te redden, niet om te verderven; om door liefde te overwinnen, en niet door vrees uit te drijven. Welke is mijn geest? Is die gedwee.
zachtmoedig ?
ootmoedig, geduldig.
17
258
EENIGrE VOORWAARDEN OM CHRISTUS
TE VOLGEN.
Lucas IX ; 57-62.
Toen onze Heer verder ging, werd Hi] aangesproken: 1°. door iemand, die zijn verlangen te kennen gaf, Hem te volgen, wenvaarts Hij zou gaan. Christus brengt hein in herinnering, dat dit armoede zou meebrengen en het afstand doen van alle huiselijke gemakken. 2°. Een was bereid Hem te volgen, niet terstond, maar na zijns vaders begrafenis. Christus drong aan, dat hij dadelijk aan de roeping van G od zou gehoorzamen. 3°. Een ander verlangde afscheid te nemen van zijne betrekkingen, alvorens Jezus te volgen. Hij wordt er aan herinnerd, dat niemand, die teruggaat, geschikt is voor het Koninkrijk Gods.
I. Het antwoord aan den eerste van dezen toont, hoe noodzakelijk de geest van armoede is voor de volgelingen van Christus. Zij moeten bereid zijn huis en hof te verlaten, geen plek te hebben om hun hoofd neder te leggen, ontbloot en verlaten van alles te zijn, indien God het van hen ver-
259
langt. Zou ik deze moeilijkheden aannemen, indien ik wist, dat mijne getrouwheid aan God het vroeg?
II. De tweede man vroeg iets goeds in de orde der natuur. Hij verlangde zijnen ouden vader tot diens dood te verzorgen. Maar onze Heer riep hem: âVolg Mij!quot; â en voor deze roeping moest al het overige wijken. Hier zien wij, hoe noodzakelijk het is, dat de leerlingen van Jezus gehoorzamen.
ITT. De derde was nog gehecht aan zijn bloedverwanten, en niet bereid om hen dadelijk, uit liefde tot Christus op te geven. De geest der zuiverheid eischt, dat wij van ons verwijderen menschelijke liefde, van welken aard ook, die het ons onmogelijk maakt, onze harten aan Christus te schenken. Hij, die verlangende blikken slaat op hetgeen de liefde van Christus buitensluit, is ongeschikt voor het Koninkrijk Grods. Christus duldt geen medeminnaar in onze harten.
260
DE ZENDING DEE TWEE EN ZEVENTIG.
Lucas X : 1â6.
Onze Heer zond omtrent dezen tijd twee en zeventig van zijne leerlingen om in alle steden, waar Hij wilde gaan, te prediken. Zij waren gezonden door zijn gezag, en zij die hen verwierpen, zonden zich zeiven een oordeel op den hals halen. Hunne zending was zeer voorspoedig, en de duivelen gehoorzaamden op hun bevel. Bij hunne terugkomst waarschuwde onze Heer hen, dat zij zich niet zoozeer daarover verheugen moesten als over de wetenschap, dat hunne namen opgeschreven stonden in den Hemel.
I. De Apostelen, die eerst uitgezonden waren, vertegenwoordigden de bisschoppen der Kerk; de twee en zeventig vertegenwoordigden de priesters. Beiden voeren de macht van Christus, en onze Heer bedreigt met het vreeselijkste oordeel diegenen, die hen niet ontvangen. Bid, dat gij nooit de stem van God moogt verwerpen, die door den mond zijner priesters, of door zijne heilige ingevingen, of door de Heilige Schrift,
261
of door de levens of geschriften der Heiligen tot ii spreekt.
II. De twee en zeventig hadden een vreugdevolle zending. Welke vreugd is zoo groot als mede te werken met Christus in de verlossing van het menschdom, en te aanschouwen, dat duivelen worden uitgedreven uit de harten van zondaren, indien wij hen opwekken tot boetvaardigheid? Dit is de reine en heilige vreugde, die toekomt aan hen, die arbeiden en lijden voor Christus, en zelfs hier reeds beginnen zijne vreugde te deelen.
III. Toch bestaat er eene hoogere vreugde, en eene, die het allereerst in het hart ontstaan moet van hen, die gaarne Christus dienen. Het is de vreugd, die voortkomt uit de vereeniging met Hem door bovennatuurlijke liefde, en uit de daarin opgesloten overtuiging, dat wij bestemd zijn om, tenzij wij vrijwillig (hetgeen God verhoede). Hem zouden verzaken, onze namen in het Boek des Levens geschreven te zien.
262
DE BAEMHAETIGE SAMARITAAN.
Lucas X I 25â27.
Een wetgeleorde vroeg' Jezus, wat lüj doen moest om liet eeuwige leven te verwerven. Onze Heer untwooidt, (lat liij God met geheel zijn hart moet liefhebben en zijnen naaste gelijk zicli zeiven. In antwoord op de vraag van den wetgeleerde, wie zijn naaste is, verhaalt onze Heer de welbekende geschiedenis van den barmharti-gen Samaritaan, en lokt bij deze vragen de belijdenis uit, dat de Treemdeling-, niet de priester of de Leviet, de ware naaste was voor den man, die in handen der roevers was gevallen.
I. Onze Heer eischt van ons, dat wij onzen naaste beminnen gelijk ons zeiven. Dit schijnt een hooge eiscli aan gewone Christenen gesteld; doch niets andeis zal de Christelijke liefde bevredigen. Wij moeten hen behandelen, zooals wij onder dezelfde omstandigheden verwachten, dat zij ons zouden behandelen. Wij moeten ons zeiven in hunne plaats stellen en daarnaar handelen. Onderhoud ik altijd dezen regel? Toon ik
263
liefde aan anderen, waar ik liefde van hen zon verwachten en vergeef ik hen, zooals ik hoop, dat mij vergeven worde?
II. De Leviet en de priester hadden zonder twijfel eenige verontschuldiging om hunnen weg te vervolgen, en den gewonden man in zijne ellende te laten liggen : hun tijd was bezet; zij hadden belangrijke bezigheden ; de roovers konden hen, indien zij zicli ophielden, aanvallen. Wij kunnen altijd verontschuldigingen vinden voor het verwaarloozen van liefde. Doe ik dit?
III. Aanschouw de kenteekenen der liefde van dezen Samaritaan. 1°. Hij gaf zich persoonlijk veel moeite. 2°. Bewees hem de teederste zorg. 3°. Offerde zijn eigen gemak op, terwijl hij hem op zijn lastdier plaatste en hem naar de herberg geleidde. -1°. Spaarde geen geld. 5°. Beval hem in de zorgen van anderen aan. Beoefen ik eene liefde gelijk deze ten opzichte van iedereen, zelfs van vreemdelingen, die mijn pad kruisen?
264
MAKTHA EN MARIA.
Lucas X : 38-42.
In Betlianië waren Martha on hare zuster Maria gewoon aan Jezns gastvrijheid te verleenen. Martha was bezig met dienen, doch Maria zat aan de voeten onzes Heeren, en luisterde naar zijne woorden. Martha beklaagde zich bij Hem, dat hare zuster haar alleen had laten dienen. Jezus antwoordde : âMartha, gij zijt bezorgd en bekommerd over vele dingen. Eéne zaak is maar noodig. Maria heeft het beste deel gekozen, hetgeen haar niet ontnomen zal worden.quot;
I. Martha en Maria zijn de voorbeelden van het werkzaam en beschouwend leven. Beiden zijn te bewonderen, en onze Heer berispt geenszins Martha om hare werkzaamheid. Maar zij was niet tevreden met haar eigen ijver te toonen; hare klacht hield in, dat hare zuster verkeerd deed met haar voorbeeld niet te volgen. Zijn wij geneigd om hen te laken, die hun tijd doorbrengen in gebed, in plaats van in werken
265
van liefde? Wij moeten ons herinneren, hoe onze Heer Martha berispt.
II. Er was eene andere onvolmaaktheid in Martha. Zij was bezorgd en bekommerd. Zij vervulde niet de voorwaarde, welke Thomas a Kempis stelt voor een innige vriendschap met Jezus: âWeest vredig en in u zeiven gekeerd, en Jezus zal bij u zijn.quot; Wij behooren nooit buiten ons zei ven te zijn, nooit ongerust of bezorgd, indien alles om ons heen niet is, zooals wij wenschen.
III. Maria zat aan de voeten des Hee-ren en luisterde naar zijn woord. Hier is het geheim van alle heiligheid : gehoorzaamheid aan de stem van Jezus. Dit is het eenige noodzakelijke, dit moet ik doen: ik moet mij zeiven plaatsen voor liet Heilig Sacrament, bidden om leiding en hulp, en luisteren naar hetgeen Jezus mij zegt.
266
HOE WIJ MOETEN BIDDEN.
Lucas X : 1 â 13.
De Apostelen vragen onzen Heer, hoe zij lieliooren te bidden, en Hij leert hun het Onze Vader als een gebed om voortdurend te bezigen. Hij maakt dan de noodzakelijkheid der volharding in het gebed duidelijk door de vergelijking van den man, die zijnen slapenden buurman wekken wil, opdat hij hem eenige brooden geve voor een vriend.
I. De herhaling van een gebed is geen vergeefsche herhaling. Het is de natuurlijke uitdrukking van een hevig verlangen om verhoord te worden. Onze Heer herhaalt telkens en telkens weder zijn gebed in den Hof en zijn gebed op het kruis: âVader, vergeef hun.quot; Indien wij eene genade verlangen, wat kunnen wij dan beter doen dan vóór het altaar te knielen en onze vraag telkens te herhalen?
267
IT. T)e vergelijking door onzen Heer verhaald is eene krachtige opwekking om in het gehed te volharden. Wij moeten omgaan met den Almachtigen God als iemand, die op een ontijdig nnr brood behoeft, en tot zijn naasten bimr gaat. Hij klopt, en indien hem geweigerd wordt, klopt hij telkens weder. luider en steeds luider, tot hij op het laatst zijn verzoek, enkel omdat hij volhoudt, ziet ingewilligd. Zoo zijn wij zeker te verkrijgen, wat wij van God vragen, indien wij genoegzaam volharden.
III. God heeft behagen in zulke volharding. Hij is niet gelijk menschen, die ontstemd worden door dergelijke herhalingen. Hij zal ons een groote genade schenken, welker uitmuntendheid door ons voortdurend smeeken toe zal nemen en niet verminderen. God geeft gaarne goede gaven aan hen, die het Hem vragen, en Hij zal hun den Heiligen Geest in overvloedige mate schenken.
262
DE BARMHAETIGE SAMARITAAN.
Lucas X J 25 â 27.
Een wetgeleorde yroog' Jezus, wat hij doen moest om het eeuwige leven te verwerven. Onze Heer antwoordt, dat hij Grod met geheel zijn hart moet liefhebben en zijnen naaste geli)llt; zich zeiven. In antwoord op de vraag van den wetgeleerde, wie zijn naaste is, verhaalt onze Heer de welbekende geschiedenis van den barniharti-o-en Samaritaan, en lokt bij deze vragen de belijdenis uit, dat de vreemdeling, niet de priester of de Leviet, de ware naaste was voor den man, die in handen der roo-vers was gevallen.
I. Onze Heer eischt van ons, dat wij onzen naaste beminnen gelijk ons zeiven. Dit schijnt een hooge eiscli aan gewone Christenen gesteld; doch niets anders zal de Christelijke liefde bevredigen. Wij moeten hen behandelen, zooals wij onder dezelfde omstandigheden verwachten, dat zi; ons zouden behandelen. Wij moeten ons zeiven in hunne plaats stellen en daarnaar handelen. Onderhoud ik altijd dezen regel? Toon ik
263
liefde aan anderen, waar ik liefde van hen zcai verwachten en vergeef ik hen, zooals ik hoop, dat mij vergeven worde?
II. T)e Leviet en de priester hadden zonder twijfel eenige verontschuldiging om hunnen weg te vervolgen, en den gewonden man in zijne ellende te laten liggen; hun tijd was bezet; zij hadden belangrijke bezigheden ; de roovers konden hen, indien zij zicli ophielden, aanvallen. Wij kunnen altijd verontschuldigingen vinden voor het verwaarloozen van liefde. Doe ik dit?
III. Aanschouw de ken teek enen dei-liefde van dezen Samaritaan. 1°. Hij gaf zich persoonlijk veel moeite. 2°. Bewees hem de teederste zorg. 3°. Offerde zijn eigen gemak op, terwijl hij hem op zijn lastdier plaatste en hem naar de herberg geleidde. 4°. Spaarde geen geld. 5°. Beval hem in de zorgen van anderen aan. Beoefen ik eene liefde gelijk deze ten opzichte van iedereen, zelfs van vreemdelingen, die mijn pad kruisen?
264
MARTHA EN MARIA.
Lucas X : 38â42.
In Betlmiiiö waren Martha en hare zuster Maria gewoon aan Jezus gastvrijheid te verleenen. Martha was bezig met dienen, doch Maria zat aan de voeten onzes Heeren, en luisterde naar zijne woorden. Martha beklaagde zich bij Hem, dat hare zuster haar alleen had laten dienen. Jezus antwoordde : âMartha, gij zijt bezorgd en bekommerd over vele dingen. Eéne zaak is maar noodig. Maria heeft het beste deel gekozen, hetgeen haar niet ontnomen zal worden.quot;
I. Martha en Maria zijn de voorbeelden van het werkzaam en beschouwend leven. Beiden zijn te bewonderen, en onze Heer berispt geenszins Martha om hare werkzaamheid. Maar zij was niet tevreden met haar eigen ijver te toonen; hare klacht hield in, dat hare zuster verkeerd deed met haar voorbeeld niet te volgen. Zijn wij geneigd om hen te laken, die hun tijd doorbrengen in gebed, in plaats van in werken
265
van liefde? Wij moeten ons herinneren, hoe onze Heer Martha berispt.
II. Er was eene andere onvolmaaktheid in Martha. Zij was bezorgd en bekommerd. Zij vervulde niet de voorwaarde, welke Thomas a Kempis stelt voor een innige vriendschap met Jezus: âWeest vredig en in u zeiven gekeerd, en Jezus zal bij u zijn.quot; Wij behooren nooit buiten ons zeiven te zijn, nooit ongerust of bezorgd, indien alles om ons heen niet is, zooals wij wenschen.
III. Maria zat aan de voeten des Hee-ren en luisterde naar zijn woord. Hier is het geheim van alle heiligheid: gehoorzaamheid aan de stem van Jezus. Dit is het eenige noodzakelijke, dit moet ik doen: ik moet mij zeiven plaatsen voor liet Heilig Sacrament, bidden om leiding en hulp, en luisteren naar hetgeen Jezus mij zegt.
266
HOE WIJ MOETEN BIDDEN.
Lucas X : 1 â 13.
De Apostelen vragen onzen Heer, hoe zij beliooren te bidden, en Hij leert hun het Onze Vader als een gebed om voortdurend te bezigen. Hij maakt dan de noodzakelijkheid der volharding in het gebed duidelijk door de vergelijking van den man, die zijnen slapenden buurman wekken wil, opdat hij hem eenige brooden geve voor een vriend.
I. De herhaling van een gebed is geen vergeefsche herhaling. Het is de natuurlijke uitdrukking van een hevig verlangen om verhoord te worden. Onze Heer herhaalt telkens en telkens weder zijn gebed in den Hof en zijn gebed op het kruis: âYader, vergeef hun.quot; Indien wij eene genade verlangen, wat kunnen wij dan beter doen dan vóór het altaar te knielen en onze vraag telkens te herhalen?
267
TT. De vergelijking door onzen Heer verhaald is eene krachtige opwekking om in het gebed te volharden. Wij moeten omgaan met den Almachtigen God als iemand, die op een ontijdig uur brood behoeft, en tot zijn naasten buur gaat. Hij klopt, en indien hem geweigerd wordt, klopt hij telkens weder, luider en steeds luider, tot bij op het laatst zijn verzoek, enkel omdat bij volhoudt, ziet ingewilligd. Zoo zijn wij zeker te verkrijgen, wat wij van God vragen, indien wij genoegzaam volharden.
Til. God heeft behagen in zulke volharding. Hij is niet gelijk meuschen, die ontstemd worden door dergelijke herhalingen. Hij zal ons een groote genade scheuken, welker uitmuntendheid door ons voortdurend smeeken toe zal nemen en niet verminderen. God geeft gaarne goede gaven aan hen, die het Hem vragen, en Hij zal hun den Heiligen Geest in overvloedige mate schenken.
268
HET VEEDEELDE HUIS.
Lucas XI : 14-24.
Toen de Pharizeën onzen Heer beschnl-dig'den, duivelen uit te drijven met de hulp van den prins der duivelen, herinnerde Jezus hen, hunne gedachten ziende, dat zulk eene verdeeldheid van het rijk van Satan tegen zich zeiven, dit ontwijfelbaar ten val moest brengen, en dat alleen door den vinger Gods duivelen kunnen uitgedreven worden. Pe inwonende duivel hlijft rustig in zijn bezit totdat een, sterker dan hij, zijne wapenrusting wegneemt en den van hem gewonnen buit verdeelt.
I. Onze Heer verwaardigt zich eene verklaring te geven aan iemand, die zich verbeeldt, dat Hij de duivelen uit de lichamen der menschen dreef door toovermiddelen, voortkomend van Satan zeiven. Doch Satan zou zich niet zoo laten misleiden om zijne eigen volgelingen uit te drijven. Zulk eene verdeeldheid van zijn rijk tegen zich zeiven, zou het weldra te niet doen gaan. Zoo kunnen wij er'van verzekerd zijn, dat zij, die een heilzamen invloed uitoefenen op de ka-
269
rakters van anderen, en zij die hen, met wie zij in aanraking komen, er toe leiden om de deugd lief te hebben en alle zonde te verfoeien, zeiven door goede en heilige beweegredenen worden gedreven om het werk van God te verrichten.
II. âEen huis, dat tegen zich zeiven verdeeld is, moet vallen.quot; â Eenheid van handeling is het geheim van welslagen. Hoevele goede werken zijn verwoest door inwendige verdeeldheden. Ja, het is onmogelijk, dat eenig huis, familie of genootschap, indien het in zich zeiven verdeeld is, kan bloeien. â Neem u in het vervolg in acht voor gemor, voor haatdragendheid, voor partijgeest, of voor vriendschap met eenigen, waarbij anderen worden uitgesloten.
III. Satan, de sterke, behield zijn heerschappij in vrede, tot Christus, sterker dan hij, hem zijne macht ontnam. Nu ligt hij verpletterd en krachteloos, vol boosheid als altijd, maar genoodzaakt om zijne prooi op Christus' bevel los te laten.
270
HET GODDELIJK MOEDERSCHAP.
Lucas XI : 27-28.
Terwijl onze Heer tot de schare sprak, riep eene vrouw uit: âZalig- is de schoot, die U droeg en de borsten, die U gevoed hebben.quot; Maar Hijzeide: âZeker, zalig zijn zij, die Gods woord hooren en onderhouden.quot;
I. De vrouw, die de glorie van Maria verkondigde, omdat zij de Moeder was van God, is eene afbeelding van de Katholieke Kerk, die zicb verblijdt waar zij getuigenis kan afleggen van den glans van baar goddelijk moederschap. De verhouding van Maria tot baren goddelijken Zoon is de bron van al hare volmaaktheden, eit deze titel van Moeder Gods is noodzakelijk om ons geloof in de Godheid van haren Zoon te beschermen; wanneer deze wordt ter zijde geschoven, wordt Jezus verwaarloosd. Indien wij haar eeren, eeren wij waarlijk Jezus. O, Maria, Moeder van God, mogen wij ü altijd eeren en door IT Jezus onzen Heer!
271
II. Maria heeft een hooger recht om gezegend verklaard te worden. De glorie zelfs van Haar goddelijk moederschap is ondergeschikt aan de glorie van haar nooit falende gehoorzaamheid aan eiken wensch en elk hevel van den Almachtigen God. Dit is het wat haar verheft tot de hoogste plaats in den Hemel. Zij was getrouw aan den wil van God te midden van leed en droefenis, als geen schepsel, door God in het aanzijn geroepen, huiten haar ooit heeft gekend. Dit is de glorie van liet schepsel â eenvoudig den wil van den Schepper te volvoeren.
III. Om dezen zegen ten volle te verdienen, moeten wij zorgvuldig luisteren naar elk woord van God, en naar elke heilige gedachte, die Hij ons in het oor fluistert. Wij moeten deze, evenals Maria deed, in ons hart bewaren, dikwijls er aan denken, en hidden, dat wij nooit een anderen levensregel volgen, tenzij den heiligen wil van God.
272
DE EIJKE DWAAS.
Lucas XII : 13â22.
Een uit de menigte verzoekt Jezus met zijn broeder te spreken, opdat deze zijne erfenis met hem deele. Onze Heer weigert er zich in te mengen, en waarschuwt de aanwezigen tegen hebzucht, zeggend, hoe een zeker rijk man zich voorgesteld had vele jaren in tevredenheid te genieten van al de goederen, die hij had opgestapeld. God zeide tot hem: âGij dwaas! dezen nacht zal men uwe ziel van u opeischen, en voor wien zullen dan de dingen zijn, die gij verzameld hebt?quot;
I. Er is niets gevaarlijker voor onze zaligheid dan een inhalige, gierige geest. Deze groeit bij het klimmen der jaren, en verliest niet, gelijk andere wereldsche vermaken, bij het klimmen der jaren in genot. Het geld heeft een noodlottige macht om de ziel aan de aarde te binden en maakt een mensch afkeerig van hemelsche zaken en van onderwerping aan God. Heb ik het geld lief? of indien ik geene gelegenheid heb om geld te verzamelen, bemin ik iets op aarde om zich zeiven en niet om God?
273
II. Hoe dwaas is elke gehechtheid aan geld of goederen of iets anders op aarde ? Het uur des doods slaat, en wat geven dan alle aardsche bezittingen? Yeeleer zijn zij een vloek voor dengene, die er op heeft vertrouwd. O dood, hoe verschrikkelijk zijt gij voor een mensch. die vrede heeft in zijne bezittingen!
III. De geschiedenis van den rijken dwaas werd door onzen Heer verhaald bij gelegenheid, dat iemand Hem verzocht bij zijn broeder voor hem tusschen beide te komen, ten opzichte van een betwiste erfenis. De weigering van onzen Heer is eene waarschuwing om ons niet te mengen in de zaken van anderen, die ons niet aangaan. Hoeveel kwaad is er door de bemoeizuchtige inmenging van welmeenende men-schen gesticht!
18
274
WAAKT!
Lucas XII : 35 - 49.
Aan hen, die altijd voorbereid zijn voor de komst van hunnen Heer, en voortdurend zoeken zijnen wil te volbrengen, is in zijn Koninkrijk een haast ongelooflijk voorrecht beloofd. Hij zal hen doen aanzitten om te spijzen en zal hun zelf het hemelsch gastmaal toedienen. Terwijl integendeel zij, die niet zijnen wil volbrengen, ofschoon zij dien kennen, geslagen zullen worden met vele slagen.
I. âZalig is de dienstknecht, dien zijn Meester bij zijne komst wakend zal vinden.quot; Naar iemand uitzien, sluit in zich, dat wij voortdurend aan hem denken, en op hem wachten en ons bereiden op zijne terugkomst. Hij, die wakend is, wanneer Christus hem zal oproepen, is iemand die zijn wil tot levensregel heeft gemaakt, die dikwijls in het gebed zoekt zijn wil te kennen, die Hem voortdurend in zijn geest houdt. Vervul ik deze voorwaarden?
275
II. Welk eene belooning is beloofd aan degenen die wakend gevonden worden! Christus zelf zal ii] hunne behoeften voorzien; Hij zal hen doen aanzitten aan het hemelsche feestmaal en zal hen behandelen als diegenen, elke Hem een dienst hebben bewezen. Hij zal inderdaad zelf hen dienen, hun milde teugen van het water des levens geven, en hunne zielen voeden met spijs, die alle mogelijke zoetheid bevat, en hen met alle vreugd zal vervullen. Hoe nietig zullen ons dan alle droefheid en beproevingen van de aarde toeschijnen!
HL Zij, die niet waken, maar hun gemak houden, zonder te letten op 's Meesters bevel, zullen gestraft worden naarmate van de klaarheid hunner kennis omtrent hetgeen van hen gevraagd wordt. Welke reden heb ik dan om te beven, nu mij zooveel licht en zooveel genade gegeven is!
276
DE ONVRUCHTBARE VIJCtEBOOM.
Lucas XIII ⦠6 -9.
In den wijngaard van zekeren man was een vijgebooni, die gedurende drie jaren geen vrucht, alleen bladeren had gedragen. Ten laatste beveelt de eigenaar den tuinman hem neer te vellen, maar deze pleit voor hem, dat hij nog een jaar langer gespaard moge blijven, met de belofte dat hij hem zou omspitten en zijne wortels bemesten. Indien hij dan het volgend jaar geen vrucht draagt, zal hij geen moeilijkheid maken hem om te houwen.
I. Ieder Christen volbrengt een aantal goede werken, die allen onder een van deze beide klassen kunnen worden gerangschikt. Eenige zijn daden van natuurlijke deugd, schoon misschien, en bewijzen van een gezonden boom, maar van geen degelijke waarde voor het oog van God, die hier hunne belooning ontvangen en niet hiernamaals. Andere daden zijn bovennatuurlijk, levend gemaakt door de genade van God, gedaan uit liefde tot Hem. Deze zijn de rijpe vruchten, aangenaam aan God, welke
277
zullen duren tot het eeuwige leven. Worden al mijne goede daden verriclit uit een bovennatuurlijke beweegreden. Zoo niet, dan zijn het enkel bladeren, die vertooning maken, doch zonder waarde zijn, die bi] het eind des jaars afvallen.
II. De boom, die jaar in jaar uit geen vrucht draagt, wordt omgehouwen, terwijl de vruchtdragende gesnoeid wordt, opdat hij meer zou dragen. Neemt de vrucht, die ik draag, toe naarmate de jaren klimmen ? Of neemt de hoeveelheid geregeld af, en kom ik den tijd nabij, waarop God zal spreken : âKap hem om, waarom beslaat hij plaats?quot;
III. Hoe geduldig is onze Heer met mij geweest! Hoe heeft Hij gewacht, hopend, dat eer het te laat is, ik aan zijne genade zal beantwoorden, en voor Hem, en niet voor mij zeiven werken. Geef mij deze genade, o Heer, boven alle andere gunsten, dat ik nooit uwe genade verwaarlooze, noch in gebreke blijve te doen, wat Gij van mij vraagt.
278
DE ENGE POOET.
Lucas XIII : 23 27.
Toen onze lieer ondervraagd werd naar het aantal der uitverkorenen, antwoordde Hij door bij zijne leerlingen aan te dringen om de enge poort binnen te gaan, en waarschuwde hen, dat velen zullen zoeken binnen te gaan, doch tevergeefs.
I. Niemand, behalve God, kent het getal der uitverkorenen. Dit gaat ons niet aan. Wat ons wel betreft, is de wetenschap dat, indien wij verlangen door de enge poort, die ten leven leidt, binnen te gaan, wij ons moeten inspannen, onze neigingen weder-staan, moeilijkheden weerstand bieden, ons aan het juk onderwerpen, ons zeiven verootmoedigen en bidden om Gods genade, zonder welke niemand zalig kan worden. Gebruik ik zulk eene inspanning als noodig is om het Koninkrijk der Hemelen meester te worden ?
II. Het is nutteloos te denken, dat wij voort kunnen gaan ons leven voor ons zeiven te besteden, en weerstand te bieden aan de genade van God; dat wij, wanneer de
279
dood nadert, een gebed kunnen doen, dat liet verleden ongedaan maakt, en de poort des Hemels voor ons openen zal. Wij moeten nu kloppen, indien wij verlangen gehoord te worden; wij moeten nu vrienden worden met den Meester des huizes, indien wij verlangen, dat Hij ons als de zijnen zal verwelkomen; wij moeten nu zijnen dank verdienen door onze naastenliefde voor anderen ter wille van Hem en door onze onderwerping aan zijnen wil. Dan, en dan alleen zullen wij Hem met vreugde ontmoeten.
III. Hoe schrikkelijk om Christus te hoo-ren zeggen: âIk ken u niet!quot; Beter duizendmaal te sterven, dan dat ééne woord van den Heer van Hemel en aarde. Wat zou Jezus nu van mij zeggen? Ben ik een van diegenen van wie Hij zeggen zou: âIk ken mijne schapen, en zij kennen Mij?quot; of zou hij zeggen: âIk ken u niet, ga weg van Mij!quot;
280
OVER ZEI jFVEKHEFFING.
Lucas XIV : 7â11.
Onze Heer merkte op. lioe diegenen, die op een feest genoodigd waren, voor zicli zeiven de beste plaatsen uitkozen ; Hij vermaant hen zich niet op de eerste plaats te zetten, opdat hun gastheer hen niet later zou vragen voor anderen plaats te maken; maar de laagste te kiezen, opdat de eer hun moge te beurt vallen van uitgenoodigd te worden hooger op te gaan.
I. Deze strijd over de eerste plaats strekt zich niet alleen uit tot de Joden. Het is nog de gewone wet der maatschappij. Allen zoeken zich zeiven, en zijn onwillig om voor anderen te wijken en voelen zich gekrenkt, indien zij niet behandeld worden met de eer, die zij meenen te verdienen. De oorzaak van hunne ontevredenheid en boosheid is hun hoogmoed en liefde tot zich zeiven in plaats van tot God.
II. Onze Heer stelt zijne hoorders eene beweegreden uit de natuurlijke orde voor. Hij zegt hun niet, de laagste plaats in te nemen, omdat zij zich zeiven die moeten waar-
281
dig keuren, maar alleen, opdat zij aldus eer mogen ontvangen bij hen, die aan tafel zijn en de schande, van achteruit gezet te worden, ontwijken. Het zou tevergeefs geweest zijn hun een verheven en edele beweegreden voor te stellen. Evenzoo. indien wij niet worden bewogen tot deugd dooide liefde tot God, moet ten minste ons eigenbelang ons daartoe aanzetten.
III. Het doel van Christus was, om de Joden langzamerhand tot iets edelers te brengen. Hij wist, dat de beoefening van ootmoed, zelfs uit een lagere beweegreden, leiden zou tot de liefde voor nederigheid om haar zelve, en omdat ze aangenaam is aan God. Het is wonderbaar, hoe spoedig elke daad van deugd haar eigen belooning meebrengt, en ei' ons toe brengt om de deugd zelve, en Hem, van wiens schoonheid alle menschelijke deugd slechts een zwakke afstraling is, te beminnen.
282
HET GROOTE AVONDMAAL.
Lucas XIV : 15â24.
Onze Heer vergelijkt het Koninkrijk der Hemelen met een feest, waarop vele gasten genoodigd zijn. Maar zij verontschuldigen zich allen onder een of ander voorwendsel. Hun gastheer, vertoornd over deze weigering, doet de armen, zwakken, blinden en kreupelen plaats aan zijn tafel nemen.
I. Onze Heer noodigt alle menschen uit om Hem op een of andere wijze te dienen. Eenigen worden uit de ketterij geroepen tot de Katholieke Kerk; anderen tot het religieuse leven of het priesterschap; anderen tot een leven van onderwerping in groot lijden. Deze allen worden aldus opgeroepen als een voorbereiding tot dat hemelsche feest, hetwelk Hij zich voorbehoudt op zijn eigen geschikten tijd te geven aan allen, die aan zijne roepstem gehoorzamen. God heeft mij uitgenoodigd, heb ik gehoorzaamd aan zijn stem?
II. Er zijn velen die de goddelijke roepstem niet gaarne hooren. Be uitncodiging sluit in zich, het afstand doen van iets,
283
waaraan hun hart hang't: geld of rang, of aarclsclu! genegenheden of eigenzinnigheid, en zoo verontschuldigen zij zich. âHet is mij onmogelijk te gehoorzamen, omdat ik zorg moet dragen voor mijn zaken, of behagen aan mijne bloedverwanten, of vooruitkomen in de wereld.quot; Helaas! hoe ongelukkig is het lot van dezulken. Heb ik ooit de genade zoo verworpen?
III. In plaats van hen, die de roepstem van God verwierpen, zendt Hij zijne dienstknechten op de openbare wegen om de armen, lammen en zwakken binnen te brengen. Misschien is dit de weg, langs welken ik zijnen dienst ben biunengetreden. Iemand anders weigerde eene genade van God, en zij kwam tot mij, onwaardig als ik ben voor zulk een gave. Hoe het zij, de genade kwam tot mij, en door Gods barmhartigheid aanvaardde ik die, en deze genade heeft me geplaatst, waar ik ben. Hoe kan ik God ooit genoeg danken voor zijne wonderbare barmhartigheid jegens mij?
284
HET VERLOREN SCHAAP.
Lucas XV : 1â7.
Toon de Schriftgeleerden en Pharizeën morden over onzen Heer, omdat Hij omging met tollenaars en zondaren, vroeg Hij hen of een man, die van een kudde schapen één verloren heeft, het dwalende niet zoeht, de anderen achterlatend in den schaapsstal, en het met vreugd terngbrengt. Zoo roept de goede Herder de Engelen op om zich te verhengen over eiken zondaar, die boete doet.
I. Hoe bemint onze Heer de zondaren! Hij schijnt geluk te vinden in hun gezelschap. Hij eet en drinkt met hen. Hij gaat met hen om als hun vriend en vertrooster, en de minnaars hunner zielen. Yoor hen geen hard woord, niets dan blikken van medelijden en liefde. O, Vriend der zondaren, ontferm U over mij, zondaar!
II. Maar niet allen zondaars toont Hij deze liefde, alleen dezen, die bewust van hunne ellende er over jammeren, verlangende blikken naar Hem slaan, en te midden van hunne zonden ten minste een zwakke vonk van hoop koesteren, dat Hij hen be-
285
vrijden zal. Dan wakkert Hij die vonk aan tot een vlam van liefde, bevrijdt hen van hunne ketenen en brengt hen in ootmoedig berouw aan zijne voeten. Dan is zijn Goddelijk Hart vervuld met vreugd. O, Hart van Jezus! wie kan ooit de diepte peilen van uwe liefde voor den zondaar, die boetvaardigheid doet!
III. Jezus is niet alleen in zijne vreugd, al de Heiligen en Engelen in den Hemel verblijden zich met Hem. Hij roept hen te zamen om een zegelied te zingen over den terugkeer van een verdoolde, en allen te zamen verheugen zij zich met onuitsprekelijke vreugde over den triomf der goddelijke genade. O Jezus, geef mij het voorrecht van deel te nemen in het goddelijk Averk van zondaars tot U terug te brengen!
286
DE VERLOKEN ZOON: ZIJN VERTREK.
Lucas XV : 11.
Zekere man had twee zonen, en de jongste zeide tot zijnen vader: Geef mij het deel van het goed, dat mij toekomt. En hij verdeelde onder hen zijne bezittingen. Eenige dagen daarna vertrok de jongste naar een ver land en verkwistte daar zijne bezittingen, door een losbandig leven. Na eenigen tijd begon hij gebrek te lijden.
I. Het begin van het ongeluk van den verloren zoon was een verlangen naar onafhankelijkheid. Hij had een afkeer van het juk van onderlijk gezag en van de ondergeschikte plaats, welke hij in het huis zijns vaders als jongste zoon vervulde. Hij verlangde zijne vrijheid en in staat te zijn te doen, wat hij gaarne wilde. Dit is het begin van eiken val; geheime hoogmoed maakt ons onwillig om ons te onderwerpen, gedwarsboomd te worden en den wil van anderen te volbrengen.
287
II. Het gevolg van dezen geest van hoog ⢠moed in den jongsten zoon was, dat hij onrustig en ontevreden werd. Hij was niet gelukkig in zijn vaders huis. Hij verlangde elders te zijn. Ongedurigheid is meestal altijd een teekeu van hoogmoed; het is een van de kenteekenen van eigenzinnigheid; onstuimigheid en onrust zijn de voorboden van aanstaande zonde en van spoedig volgenden zedelijken ondergang.
III. De verloren zoon vertrekt om zijn leven van onaf hankelijkheid te beginnen. In den beginne vindt hij het aangenaam en verheugt zich in zijne vrijheid, geeft aan elke gril toe, en verzadigt zich met genot. Doch het duurt niet lang. De duivel is een harde meester, en de arme verloren zoon vindt zich zeiven ellendig, in gebrek, zonder vrienden, verlaten. Zoo doet de wereld met hen, die voor haar leven. God geve, dat ik nooit mijns Vaders huis verlaat!
288
DE VERLOKEN ZOON: ZIJN BEROUW.
Lucas XV : 15â 19.
De ongelukkige verloren zoon komt eindelijk zoover, dat hij voor loon de zwijnen moet lioeden. In zijn ellende komt hij tot inkeer, denkt aan het stil gelnk in zijns vaders huis, besluit terug te keeren, zich aan des vaders voeten te werpen en te zeggen; Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor uw oog!
I. In de stille eenzaamheid des velds, waar de verloren zoon de zwijnen hoedt, begint hy over zijne dwaasheid na te denken. Hij neemt zich voor terug te keeren, zich te vernederen en ce vragen om opgenomen te worden, niet als zoon maar als daglooner. Overweeg: 1°. Het voordeel van rustige oogenblikken voor gebed en smeeking. 2°. De tegenstelling van het duurzaam geluk van den minste, die God dient, met de ellende, die spoedig het deel wordt van hen, die zijn juk afschudden. 3°. De bereidvaardigheid van den verloren zoon om zich te verootmoedigen. 4°. De waarde van lagere beweeggronden, in zoover
289
zij tot de deugd leiden. Het berouw van den verloren zoon kwam niet in de eerste plaats uit liefde voor zijn vader of zijn huis, docli uit zijne tegenwoordige ellende voort. Pas elk dezer beweegredenen op u zeiven toe.
II. Het eerste, waar een oprecht berouw ons toe aanzet, is ons neer te werpen aan de voeten van hem, dien wij beleedigd hebben en vergiffenis te vragen. Bedroefd zijn is niet genoeg: deze droefheid moet lioop op vergeving en verzoening in zich besluiten. Ik wil dan in al mijn leed en zonden me aan Jezus' voeten werpen, want ik weet, dat Hij me niet zal afstooten.
III. De verloren zoon verliest geen tijd. Hij stond op en ging tot zijn vader. Uitstel is altijd gevaarlijk. Wanneer de genade komt, moeten wij medewerken en hoe eer hoe beter. 11; zal opstaan. Dit moet de leus zijn van allen, die hunne zonde en zwakheid erkennen. Ook ik zal met Grods hulp opstaan, uit alles wat mijn trouwen dienst jegens Hem verhindert.
19
290
DE VERLOKEN ZOON: ZIJN TERUGKEER.
Lucas XV : 20-22.
Wanneer de verloren zoon bij zijn terugkeer het hnis des vaders nadert, ziet zijn vader hem van verre, snelt hem te gemoet, valt om zijn hals en kust hem. Hij wil niet luisteren naar zijne zelfbeschuldiging, maar gelast de knechten het beste kleed te brengen, den ring aan zijn vinger, schoenen voor zijne voeten en het gemeste kalf te slach-ten; opdat zij blijde zijn en zich verheugen ter gelegenheid van zijn terugkeer in huis.
I. De vader van den verloren zoon verwacht den terugkeer des zwervers en ziet hem, wanneer hij nog zeer ver af is. Zoo wacht God vol verlangen des zondaars terugkeer, en zelfs vóór hij zich met God heeft verzoend, voorkomt hij hem met genaden, barmhartigheid en troost , de blijken zijner vergiffenis en liefde. O, hoe beminnelijk is het Heilig Hart van Jezus! Wij begrijpen niet half de diepte van zijne liefde en zijn medelijden.
291
II. Hoe wordt de terugkeerende zoon behandeld? Al het beste is voor hem. 1°. Het beste kleed, het kleed van gerechtigheid om hem te bekleeden, zoodat hij niet verschijne als knecht, doch als een geliefde zoon. 2°. De ring van vergiffenis, ten teeken dat hij niet langer slaaf der zonde is. 8°. Schoeisel om zijne zwakke voeten te beschermen, dat zij niet gekwetst worden dooide steenen, die op het pad der deugd liggen. â¢1°. Een maaltijd van kostelijke spijzen om zijn gelukkigen terugkeer te vieren.
III. De oudste zoon, die altijd trouw aan O-od was geweest, is boos bij het welkom den verloren zoon gegeven. Zoo zijn degenen, die niet zijn afgedwaald, omdat zij niet aan hevige bekoringen bloot stonden, dikwijls hard voor hen die gezondigd hebben. Wij moeten op onze hoede zijn, want misschien zullen wij bevinden, dat zij ons voorgetrokken worden en inderdaad gelijk Maria Magdalena dierbaarder zijn aan het Goddelijk Hart van Jezus.
292
DE ONRECHTVAARDIGE RENTMEESTER.
Lucas XVI : I 12.
De rentmeester van een rijke, wegens verkwistend beheer ontslagen, gaat rond hij de schuldeischers van zijn lieer en vermindert liet bedrag, dat zij hem schuldig zijn. Door deze gulheid, ofschoon ten koste van het geld eens anderen, wint hij hunne genegenheid en opent zich een vooruitzicht, dat zij hem, wanneer hij van zijn post ontzet zal wezen, in hun huis opnemen.
1. Wij zijn allen rentmeesters van God; niet het onze, maar het zijne is ons toevertrouwd om het te besteden voor Hem, niet voor ons. Wij zijn allen onrechtvaardige rentmeesters, in zoover wij dit niet gedaan hebben, maar wat God ons toevertrouwde, gebruikten voor ons zeiven, onafhankelijk van Hem: misschien hebben wij het verkwist aan dingen, die wij wisten, dat Hem mishaagden ; door te lezen wat hij niet wilde, dat wij lazen, en toe te geven aan nutte-looze vermaken en uitspanningen.
293
II. Voor ons allen moet de tijd komen om rekenschap te geven van het rentmeesterschap. Wat voor een rekenschap zon ik hebben af te legg-en van het besteden dei-gaven Gods. Zon er niet verkwisting wezen hier, en roekelooze verspilling daar; en een zelfzuchtig en ongepast besteden van tijd en talenten, die aan God behooren, als waren zij ons eigendom ? Kan ik den dag der rekenschap te gemoet zien? âWat zal ik, ongelukkige, dan zeggen?quot; Wat moet ik mijn rechter antwoorden ?
III. Er bestaat een middel, waardoor ik zijn toorn nog kan afwenden: dit is groote mildheid jegens den naaste, en vooral wanneer deze in nood en gebrek verkeert. Op deze wijze kan ik mij vrienden maken, die voor mij zullen pleiten bij God. Ben ik een goede vriend der armen geweest om Gods wil? Ben ik edelmoedig geweest in het geven van aalmoezen? Zoo ja, dan zal God naar hunne gebeden voor mij luisteren en mij genadig zijn.
294
DE RIJKE VREK.
Lucas XVI : 19â31.
Daar was een zeker rijk man, die eiken dag een weelderig feestmaal hield, en aan zijn deur lag een bedelaar. Lazarus genaamd. De rijke stierf, en zijn overdadig leven werd vergolden met de folteringen der hel. Lazarus stierf, en werd door de engelen in Abrahams schoot gedragen. In de hel vroeg de rijke, dat Lazarus hem mocht worden gezonden met éen druppel water om zijn brandenden dorst te verkoelen; maar vergeefs.
I. Welk eene waarschuwing tegen een leven van zelfzucht en overdaad! Wij lezen niet van eene misdaad door den rijke begaan. Hij leefde alleen het leven van weelde, voldoening en genot. Geen zelfverloochenende liefde; geene werken van barmhartigheid, geene zelfvernedering, geen boete; en daarom bij het eind zijns levens de folteringen der hel voor eeuwig. Hoe weinig boetvaardigheid is er in mijn leven! Hoeveel zoeken van mij zeiven en mijn gemakken! Heb ik geene reden om te vreezen?
295
II. De rijke man wordt in de hel gestraft in datgene, waarin hij misdeed. Zijn lust in uitgezochte wijnen wordt vergolden door hevigen dorst, en een gloed, die zijn gehemelte verbrandt. Voor zijn weelderig en gemakkelijk leven, zijn purper en fijn lijnwaad wordt hij nu door blakerende vlammen omringd. Deze wet der wedervergelding is verschrikkelijk. Ik moet ze voorkomen. Ik ben trotsch en moet mij vernederen; ik zoek mijne gemakken en moet mij daarom versterven.
III. Abraham heeft geen deernis met den armen man in de hel. Hij zegt hem, dat hij zelf zich dit deel heeft voorbereid. Wij moeten deze les ter harte nemen en God bidden, dat wij hier op aarde met rampen mogen bezocht worden, indien onze voorspoed ons van het geluk des hemels zoude berooven. Bid om hier te lijden, opdat gij u in den hemel verblijden moogt.
296
DE OPWEKKING VAN LAZARUS.
Jo. XI : 1-45.
Toen Lazarus ziek werd, zonden zijne zusters Martha en Maria tot Jezus, zeggende: âHeer, dien gij lief hebt is krank!quot; Jezus vertrekt twee dagen later naar Betha-nië en komt daar, als Lazarus twee dagen dood is. Martha spoedt zich tot Jezus. Maria wacht, tot zij geroepen wordt. Jezus nadert het graf en roept luide: âLazarus, kom te voorschijn!quot; En hij, die dood was, kwam te voorschijn, nog gewikkeld in de grafdoeken.
I. De boodschap, door Martha en Maria gezonden, is een voorbeeld van gebed in leed, vooral in tijdelijk leed. Zij vragen niets, leggen alleen hun behoeften bloot. Hij wil, dat wij Hem ons leed openbaren, en indien Hij uitstelt en ons schijnt te verwaarloozen, gelijk Hij met Martha en Maria deed, zoo is het om ten katste in ons belang een buitengemeen wonder te verrichten. Ik zal Hem dan mijn leed openbaren en tevreden alles aan Hem overlaten.
297
II. Zie het verschil tusschen de bedrijvige Martha en de rustige Maria. De eerste snelt ongeroepen Jezus te gemoet, de andere wacht. Het was voornamelijk Maria's droefheid, welke Jezus tot tranen bewoog. Hij bemint hen, die in afwachting blijven, tot Hij hen roept om te handelen; hen die blijven waar zij zijn, tot Hij hen elders roept; hen, die op zijne ingevingen wachten in plaats van hunne eigen opwellingen in te volgen. Ben ik een van dezen?
III. De opwekking van Lazarus komt in de natuurlijke orde overeen met de opwekking eener ziel uit den geestelijken dood der zonde. Dit is een veel grooter wonder. Hoe gelukkig zou ik mij achten, indien ik het voorrecht had met Jezus deel te nemen in de opwekking uit het bederf der zonde van eenige zielen, voor welke Hij gestorven is.
298
DE quot;HOOGE RAAD DER PHARIZEÃN.
Jo. XI : 46â54.
Eenige Joden, die bij de opwekking van Lazarus tegenwoordig geweest waren, brachten het bericht aan de Pharizeën, die met de priesters eene vergadering belegden, waarin de dood van Jezus besloten werd. Caïphas in zijne hoedanigheid van Hooge-priester verklaarde, dat het dienstig was, dat één man voor het volk stierf, eerder dan dat heel het volk moest vergaan. Hierop trok Jezus zich met zijne leerlingen naar eene afgelegen plaats terug.
I. Het schijnt vreemd, dat een van de wonderbaarste mirakelen onzes Heeren hen, die het aanschouwden, nog vijandiger maakte dan ooit te voren. En toch zoo is het. Zij, die hun hart verhard hebben tegen God, worden afgestooten, niet aangetrokken door de wonderen zijner liefde. Hun haat neemt in hevigheid toe, naarmate zij duidelijker bewijzen zien zijner macht. Zoo zien wij slechte menschen eene verkeerde uitlegging geven aan het eenvoudig geloof, de liefde
299
en godsvrucht van Gods dienaren. Is dit mijn geest?
II. Welke wamp;s de beweegreden dezer men-schen? Jaloerschheid; eene vrees overschaduwd te worden en hun invloed bij het volk te zien afnemen. Zij bedekten dit met eene vertooning van vrees voor de Romeinen. Doch hun ware drijfveer was haat tegen Jezus, als een mededinger naar hun eigen invloed. Wacht u voor de zelfzuchtige gevolgen eener listige eerzucht en voor jaloerschheid op het welslagen van anderen.
III. Bij gelegenheid der vergadering, waarin besloten werd Jezus uit den weg te ruimen, verklaarde Caïphas, de Hoogepries-ter onder goddelijke ingeving, dat het dienstig was, dat een mensch voor het volk stierf. Hoe vreemd, dat een zoo boos mensch eene ingeving van den H. Geest ontving! Doch het was eene ingeving uit kracht van zijn ambt. God spreekt zelfs door booze menschen, wanneer xij een heilig ambt be-kleeden. Hoe vreeswekkend is het Gods woord in den mond te hebben en niet in het hart!
300
DE TIEN MELAATSCHEN.
Lucas XVII ; 11-19.
Bij de intrede van een der steden, welke onze Heer doortrok, ontmoette hij tien melaatschen, die van verre staande, riepen: âJezus, Meester, ontferm TJ onzer!quot; Jezus gebood hen zich te gaan vertoonen aan de priesters, en toen zij gingen, waren zij genezen. Een van hen, een Samaritaan, keerde terug om Jezus dank te zeggen. Deze dankbaarheid trof den Meester, en hij liet hem in vrede gaan.
I. De melaatschen, die van verre bleven staan, waren een voorbeeld voor de zondaars. 1°. In hun bede tot Jezus om genezing. 2°. In hunne erkenning vau hem als hun Meester en hun gebed om zijne ontferming. 3°. In hunne gehoorzaamheid aan zijn bevel om te gaan en zich aan de priesters te vertoonen. 4°. In hun geloof, daar zij aldus deden, nog voor zij genezen waren. Bewonder hun geloof en vertrouwen en tracht het na te volgen.
II. Op weg naar de priesters werden zij genezen. Een van hen, een Samaritaan, kon
301
zich niet weerhouden terug te keeren om zijn weldoener te danken. Jezus bemint de dankbaren. Hij zal steeds nieuwe zegeningen uitstorten over hen, die dankbaar zijn, voor hetgeen zij reeds ontvingen. De ondankbare sluit de bron van goddelijke liefde en medelijden. Laat ons hieruit leeren, aan God dikwijls onzen dank te betuigen.
III. Onze Heer was gevoelig voor de nalatigheid der negen Joden. âWaren er geen tien gereinigd?quot; riep Hij uit. âWaar zijn dan de andere negen? Geen is teruggekeerd om God zijn dank te brengen behalve deze vreemdeling.quot; Zoo kunnen zij, die buiten de zichtbare Kerk staan, veel dankbaarder zijn aan God en Hem dierbaarder dan sommigen barer leden.
302
DE ONRECHTVAARDIGE RECHTER.
Lucas XVIII ; 1â8.
Daar leefde in eene stad een rechter, die God noch menschen vreesde. Tot hem kwam eene arme wednwe, met verzoek om bescherming' tegen iemand, die haar onrecht aandeed. Eerst wilde liij niet luisteren, maar eindelijk haar aanhouden moede, verleende hij wat zij vroeg. Zoo moeten wij aanhouden bij God; of zal Hij de partij niet opnemen voor zijne uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen ?
I. Wanneer onze Heer zijne hoorders eene waarheid wil inprenten, bezigt Hij dikwijls eene vreemde en geheel onverwachte gelijkenis. Hier vergelijkt Hij den Almach-tigen God bij een onrechtvaardigen rechter, die ten laatste toegeeft om het lastig aanbonden. God verlangt ons aanhouden. Wij behoeven nooit beducht te zijn, dat wij Hem zullen vermoeien. Hij wacht op onze herhaalde beden en stelt dikwijls juist die onafgebroken aanhoudendheid als voorwaarde zijner verhooring. Volhard ik op die wijze in het vragen van hetgeen ik noodig heb ?
303
II, De kreet der arme weduwe was: âNeem mijn partij op tegen mijn vijand.quot;' Wij moeten dezelfde bede doen. Maar wie is onze vijand? Geen menschen, die ons haten of slecht behandelen. Voor hen moet onze bede zijn: âVader vergeef het hun.quot; Indien wij bidden tot hun nadeel, zal God ons gebed alleen verhoeren dooi' de rampen, die wij over hen afroepen, op ons neer te zenden.
III. Maar er zijn inderdaad vijanden tegen wie wij Gods hulp mogen afbidden. 10. De duivel, die ons bekoort en ons in het
I eeuwig vuur zoekt te storten. 2°. Onze heerschende drift, welke die ook zij. 3°. Onze eigen natuur, die zoo gedurig zich gelden doet tegen God en tot ons ernstig ongeluk. Deze is onze kwaadaardigste vijand, die ons geluk in den weg staat en onzen vrede verwoest. O God, ik zou alleen tegen hen den strijd niet volhouden; wees Gij mijn hulp in den strijd! eeuwig vuur zoekt te storten. 2°. Onze heerschende drift, welke die ook zij. 3°. Onze eigen natuur, die zoo gedurig zich gelden doet tegen God en tot ons ernstig ongeluk. Deze is onze kwaadaardigste vijand, die ons geluk in den weg staat en onzen vrede verwoest. O God, ik zou alleen tegen hen den strijd niet volhouden; wees Gij mijn hulp in den strijd!
304
DE PHAR1ZEÃR EN DE TOLLENAAR.
Lucas XVIII : 10-U.
Twee nienschen gingen op naar den tempel om te bidden, een Pliarizeëv en een Tollenaar. De Pliarizeëv dankte God, dat liij geregeld zijn godsdienstige plichten ver-vulde, en niet gelijk andere nienschen, onrechtvaardig en onknisch was, en niet gelijk die Tollenaar ginds. De Tollenaar hief zijne oogen niet ten hemel, maar riep uit. âO, God, wees mij zondaar genadig.quot; Deze ging met Gods vergiffenis naar huis, niet
zoo de Pharizeër.
I. Het gebed van den Pharizeër was in sommige opzichten zeer goed. Hij dankte God voor de genaden, welke hij ontvangen had. Maar hij bedierf alles door zijn hoogmoed, die maakte, dat hij zich boven anderen stelde. God hoort de gebeden des hoo-vaardigen niet. Hij heeft er een afschuw van. Hoogmoed sluit inderdaad den weg af om de noodige genaden van God te ontvangen.
305
II. Het gebed des Tollenaars was een gebed vol ootmoed. Hij erkende zijne ellende, zijne afhankelijkheid van God, zijne behoefte aan ontferming. Zulk een gebed is God aangenaam; het dringt door de wolken en brengt een stroom van genaden neder. God kan hem niet weerstaan, die zich waarlijk verootmoedigt. Indien ik wil, dat mijn gebed verhoord wordt, moet ik zorgen te bidden met ootmoed.
III. Het hoofddoel dezer gelijkenis is ons te leeren, hoe dwaas het is iemand te verachten. Juist daardoor stellen wij ons zeiven voor Gods oogen onderden persoon, dien wij verachten. Wee ons! indien wij toegeven aan de gedachte: wat ik dan ook ben, ik ben toch beter dan deze of gene. Indien wij ons zeiven konden zien, zóó als God ons ziet, zouden wij misschien gewaar worden, dat wij inderdaad veel slechter zijn.
20
306
DE NOODZAKELIJKHEID VAN OOTMOED.
Marcus X ; 13â16
Toen er kleine kinderen tot Jezus werden gebracht, en de leerlingen hen wilden verwijderen, mishaagde dit Jezus zeer, en Hij sprak: âLaat de kleinen tot Mij komen, want denzulken is het rijk der hemelen. Al wie toch het Rijk Gods niet ontvangt gelijk een klein kind het doet, zal den hemel niet binnengaan.quot;
I. Jezus was ontevreden op hen, die de kinderen van Hem af wilden houden. De kinderen zijn Hem zeer dierbaar. Hij bemint hunne schuldeloosheid, eenvoud en onschuld. Hij waakt over hen met jaloersche zorg. Wee hun, die hen verwaarloozen, onverstandig toegeven, of slechte voorbeelden geven! Gelijk het voorrecht hen op te voeden groot is, zoo ook de verantwoording.
II. De reden, welke Jezus geeft, waarom de kinderen bij Hem moeten gebracht worden is, dewijl hunner het Koninkrijk der Hemelen is. Welke lof kan hier tegen opwegen ? Hij vergelijkt de kinderen met de Engelen
307
Gods. Hij zegt, dat zij op aarde hot meest overeenkomen met de heiligen in den hemel. O, gezegend voorrecht der kleine kinderen ! Hoeveel verschil is er tusschen hunne gehoorzaamheid en ootmoed en mijne hoosheid en trots.
III. Niemand zal den Hemel binnengaan, tenzij hij op aarde het Rijk Gods aanneemt als een klein kind. Wat wil dit zeggen? Dat wij ons gewillig moeten huigen onder het juk, zooals kinderen doen, dat wij buigzaam als kinderen moeten zijn; dat wij een gevoel van voortdurende afhankelijkheid van God moeten hebben, gelijk kinderen afhankelijk zijn van hunne ouders; dat wij in eiken nood tot God moeten opzien, gelijk zij naar hunne ouders. Ben ik in deze opzichten een kind gelijk, of ben ik hardnekkig, onbuigzaam en onafhankelijk?
308
DE EIJKE JONGELING.
Marcus X : 17â27.
Een joiiirfiling' kwam en vroeg-: âGoede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?quot; Toen Jezus antwoordde, dat liij de geboden moest onderhouden, verzekerde Hem de jongeling', dat hij dit van zijne jeugd af had gedaan. Daarop zeide Jezus: âZoo gij volmaakt wilt zijn, verkoop al wat gij hebt, geef het aan de armen, en kom, volg Mij.quot; Toen ging de jongeling treurig heen, want hij had groote rijkdommen en was niet bereid die te verlaten.
I. De rijke jongeling had altijd een goed en braaf leven geleid, zoodat onze Heer hem liefhad. Maar een grootere genade kwam tot hem. Jezus noodigde hem uit om van zijne rijkdommen afstand te doen en Hem te volgen. Zoo worden aan de harten diergenen, die een leven van gehoorzaamheid aan Gods wet leiden, altijd hoogere genaden geschonken om edelmoedig te zijn jegens God, en ook om de wet der gerechtigheid te vervullen.
309
II. Ongelukkig voor hem, had hij groote bezittingen, en deze hadden langzamerhand heerschappij verkregen over zijn hart; en toen onze Heer hem riep en hem de genade aanbood, alles ter wille van God op te geven, ging hij treurig heen, en wilde zijne rijkdommen niet afstaan. O, hoe groot is het gevaar voor don mensch, wiens hart gehecht is aan zijne bezittingen! God geve, dat mijn hart zich niet hechte aan eenig aardsch goed!
ITT. Voor iedereen komt de tijd van een beslissend keerpunt, de keus tusschen aard-sche schatten en een schat in den Hemel. Wee degenen, die op zulk een keerpunt ontrouw zijn aan de genade hun geschonken, en de geheime ingeving verwerpen! Help mij, o God, wanneer zulk een tijd voor mij komt, moge ik altijd naar U luisteren en U volgen.
310
DE EVANGELISCHE RADEN.
Mattli. XIX : 23-30.
Toen de rijke jongeling vertrokken was, sprak onze Heer over de moeilijkheid voor den rijke om zalig te worden. In antwoord op de vraag van den H. Petrus, welke belooning diegenen zouden ontvangen, die alles verlaten om Christus te volgen, beloofde onze Heer het honderdvoudige in dit leven en het eeuwige leven hiernamaals.
I. Waarom is het zoo moeilijk voor de rijken om zalig te worden ? Dewijl rijkdommen er toe leiden om den mensch zijn besef van afhankelijkheid te doen verliezen. Is het onmogelijk voor den rijke om zalig te worden ? Zeker niet. De macht van God is tot alles in staat; Hij kan een kameel doen gaan door het oog der naald en zal den rijke in staat stellen om onthecht te worden van zijne rijkdommen, en te ontkomen aan het noodlottige gevaar van er op te vertrouwen. Indien wij rijk zijn, laat ons waken voor het gevaar dat de rijkdom in zich sluit; zijn wij arm, laat ons God danken, dat wij er van bevrijd zijn.
311
II. Er is één middel om er aan te ontkomen, doch slechts één enkel. De rijke moet een offer brengen door middel van edelmoedige aalmoezen, indien hij een zaligen dood wenscht te sterven, en te ontkomen aan den invloed van den rijkdom, die ons in boeien klinkt. Maar zij, aan wie God de genade geeft geheel afstand van hunne bezittingen te doen, zullen een veel hooger loon ontvangen.
III. Welk is dit loon? Het is de gave van een veel grooter en hooger «rei uk dan
o o ~
zij ooit van hunnen rijkdom zouden hebben verkregen, en in den Hemel de zekere belofte van het eeuwige leven. Dit zal de be-looniug zijn van allen, die een offer gebracht hebben, hetzij groot of klein, ter wille van Christus; want Hij let op de edelmoedigheid des harten, niet alleen op de uiterlijke handeling.
312
DE ARBEID EES IN DEN WIJNGAARD.
Matth. XX : 1-16.
Onze Heer beschrijft het Koninkrijk der Hemelen als gelijk aan een vader des huis-gezins, die op verschillende uren van den dag uitgaat, en degenen, die ledig staan, uitnoodigt om in zijnen wijngaard te gaan arbeiden. Des avonds gaf hy hun allen hetzelfde loon.
I. In verschillende tijdperken van het leven roept God menschen om Hem te dienen. Somtijds trekt Hij ze in het begin des levens tot zich. Soms laat Hij hen tot op de helft van hun leven zonder eenige buitengewone genaden of bijzondere ingevingen. Somwijlen komt op hun ouden dag hot licht, dat nooit te voren scheen. God geeft aan eenigen op een bepaalden tijd eene ingeving, om voor Hem te arbeiden. Wij moeten aandachtig luisteren naar de stem van God, die tot ons spi/eekt. Al ons geluk hangt af van onze gehoorzaamheid aan zijne roepstem.
313
II. God geeft hetzelfde loon aan hen, die lang of kort gearbeid hebben, indien de laaisten gehoorzaamden, zoodra zij zijne roepstem hoorden. Aan allen zal Hij in den Hemel dezelfde belooning geven van de zaligmakende aanschouwing, maar de graden van zaligheid zullen afhangen van de getrouwheid aan de genade. Zij, die in de wereld slechts een gewoon leven leidden of gedurende de helft van hun leven heidenen of protestanten waren, zullen hetzelfde loon ontvangen als z j, die zich van hunne jeugd af aan God hebben toegewijd, indien zij aan het einde dezelfde genaden bezitten, en er even getrouw aan waren.
III. In de gelijkenis zijn sommigen ontevreden over de voorrechten van anderen en dringen aan op hun eigen ingebeeld recht, om meer dan zij te ontvangen. Zulke ijverzucht is hatelijk in Gods oog. Indien God in zijne goddelijke edelmoedigheid aan anderen onverdiende gaven schenkt, behooren wij ons in hun geluk te verheugen.
314
DE BEDE DER ZONEN VAN ZEBEDEÃS.
Matth. XX : 20-23.
De heilige Jacobus en Joannes naderen met hunne moeder tot onzen Heer, met de bede om het voorrecht van in zijn Koninkrijk naast Hem te mogen zitten. Jezus antwoordt, dat zij niet weten, wat zij vragen, en vraagt hen, of zij zijn lijdenskelk drinken kunnen? Zij zeggen: âDat kunnen wij.quot; Jezus antwoordt hun, dat zij het zullen doen, maar dat de eerste zetels in zijn Koninkrijk zullen geschonken worden aan hen, voor wie zijn Vader ze bereid heeft.
I. Het verzoek van de zonen van Zebe-deüs schijnt het toppunt van liefde voor Christus geweest te zijn, vermengd met eerzucht. Eerzucht is goed, indien zij niet zelfzuchtig of wereldsch is; maar een streven om hoog te zijn in de rij dergenen, die God beminnen en door Hem bemind worden, en aldus dichter zijn bij het Heilig Hart van Jezus. Dit behoort ons bestendig doel te zijn, om een hooge plaats te verdienen onder de minnaars van Jezus.
315
II. De voorwaarde om hoog te staan in de liefde van Jezus, is een groot aandeel in zijn lijden te hebben. Allen, die hier zijne teerbeminden zijn, moeten zijn kelk drinken. Indien Christus ons zou vragen: âKunt gij den kelk drinken, dien Ik drinken zal, den kelk van minachting, van smaad, verachting en onhartelijkheid, van inwendige duisternis en een benauwden dood?quot; zouden wij edelmoedig antwoorden, gelijk Jacobus en Joannes: âJa, Heer, wij kunnen het, niet door onze eigen kracht, maar door Uwe genade?quot;
III. Be hooge plaatsen in den Hemel worden niet gegeven aan hen, die er alleen om vragen, maar aan hen, die ze verdienen. Zij worden bewaard voor hen, die het woord Gods hooren en volbrengen; voor hen, die te midden van moeilijkheden en tegenspoed volharden in gehoorzaamheid en edelmoedigheid tot God. Behoor ik tot dezulken?
316
DE BLINDE UIT JERICHO.
Matth. XX : 29â34.
Toen Jezus, door eene groote menigte gevolgd, Jericho naderde, riep een blinde bedelaar, die aan den weg zat, met luide stem: âJezus, Zoon van David, ontferm IJ mijner!quot; â Jezus stond stil en vroeg hem, wat hij wenschte. Hij antwoordde: âHeer, dat ik zien moge!quot; Jezus raakte zijne oogen aan, en aanstonds kon hij zien en volgde Hem.
I. Tracht u dit tooneel voor te stellen. Een groote schare Jezus volgend, en de blinde, die met luide stem roept: âJezus, Zoon van David, ontferm U mijner!quot; Zie, hoe Jezus luistert, stilstaat, en tot hem spreekt, en leer hieruit, dat Hij niemand van de menigte uit het oog verliest. Hij heeft voor mij teedere gedachten en plannen van erbarming. Indien ik luid genoeg roep, zal Hij stilstaan en luisteren, mijne smee-kingen aanhooren en beantwoorden.
817
II. Het gebed van dezen Winde was, dat zijne oogen mochten geopend worden. Hoe hoog noodig is het voor ons, dat Jezns onze blindheid verdrijve. Onze zonden hebben zich gelijk een nevel voor onze oogen verzameld. Wij knnnen de schoonheid der heiligheid niet zien, het afschuwelijke der zonde, noch het geluk van God te dienen. Open mijne oogen, o, Heer, om dit alles te aanschouwen, opdat ik aan mijne zonden ver-zake en II met geheel mijn hart diene.
III. Toen deze blinde door de aanraking van Jezus zijn gezicht had teruggekregen, volgde bij Hein terstond. Dit behoorde de uitwerking te zijn der barmhartigheid, welke Christus mij bewezen heeft, en van de genaden, aan mij besteed. Ik moet Hem dichter en gehoorzamer volgen, met een grooter verlangen om Hem na te volgen en te beminnen en zelfs tot in den dood met Hem te lijden.
318
DE BEKEERING VAN ZACHEÃS.
Lucas XIX ; 2â10.
Zachelis, een hoofdman der tolbeambten, klom in een vijgebooin, opdat hij Jezus mocht zien voorbijgaan. Toen Jezus de plaats naderde, zag- Hij naar hem op en zeide hem af te komen, omdat Hij dien dag in Zacheüs' huis wilde verblijven. â Za-cheüs geeft ter gelegenheid van Jezus' bezoek de helft zijner goederen aan de armen en geeft het vierdubbele terug aan een ieder, dien hij te kort heeft gedaan.
I. Het hart van onzen Heer wordt altijd door ben gewonnen, die zich voor Hem moeite geven. Vrome schrijvers leeren ons, dat de vijgeboom een zinnebeeld is van het krnis, omdat lijden noodzakelijk is om bestendige vorderingen te maken in deugd, en dat Zacheüs er in klom, als voorbeeld van iemand, die de dwaasheid des kruises aanvaardde, welke de ware wijsheid is voor hen, die naar een innige vereeniging met Jezus verlangen.
319
TI. Jezus bespiedde Zacheüs in den boom. Hij belooft aan Zacbeïis, den tollenaar en zondaar, zijn gast te zijn. Zoo is Hij altijd bereid om in de Heilige Communie te komen en onze gast te zijn, indien wij, 1°. naar Hem verlangen, gelijk Zacheüs deed; 2°. aan zijn woord gehoorzamen; 3°. dadelijk zijne ingevingen volgen, 4°. het een vreugd en geluk rekenen Hem als goddelijken gast te bezitten.
III. Beschouw de uitwerking van de tegenwoordigheid onzes Heeren in zijn huis. 1°. He gierige tollenaar geeft de helft zijner bezittingen aan de armen. 2°. Hij belooft een viervoudige teruggave aan hen, die iets van hem te vorderen hebben. Aldus stelt onze Heer ons in staat om onze zielen te bevrijden, zelfs van de diepst ingewortelde en meest verouderde zonden.
320
DE HEER EN ZIJNE KNECHTEN.
Lucas XIX : 11-28.
Een edelman, op het punt van voor een;yen tijd zijn huis te verlaten, geeft aan ieder zijner 'tien knechten een pond om daarmede voor hunnen meester handel te drijven. Bij zijne terugkomst bevindt hij, dat de eene tien, de andere vijf pond had verdiend. Doch een hunner had het pond bewaard, gewikkeld in een doek. De Heer beloont de getrouwe dienstknechten en veroordeelt den tragen knecht,
I. Deze ponden zijn de genaden, welke God ons uit eigen beweging geeft. Zij zijn niet alleen een gave, doch een gave, welke een ernstige verantwoordelijkheid met zich draagt. Dit kan gezegd worden van alle gaven Gods, gezondheid, kracht, geld, welslagen, en vooral bovennatuurlijke genaden. Wij moeten van elk dezer verantwoording aflegden; zij zijn ons geschonken om er handel mede te drijven tot glorie van onzen Meester. Indien wij ons zei ven niet toebehooren, zoo behooren nog veel minder de gaven, die God ons geschonken heeft, ous zeiven, doch aan Hem
Maak ik er gebruik van, met deze waarheid altijd voor oogen?
II. De ponden, waarmede handel werd gedreven, brachten meerdere ponden voort. Zoo brengen ook de genaden van God, indien zij goed gebruikt worden, nieuwe genaden voort. De onmetelijke genaden van de Heilige Maagd waren de gevolgen van baar onveranderlijke getrouwheid aan de genade. Indien ik meer genaden van God verlang, is de eenige manier om die te verkrijgen, een trouw gebruik te maken van de genaden, die ik bezit.
III. Geef acht op de grootheid der belooning: eene stad als loon voor een pond, dat goted gebruikt is. Let ook op de juiste evenredigheid tusschen de verdiende som en de toegestane heerschappij. In den Hemel zal ons loon boven onze hoogste verwachtingen luisterrijk zijn, maar altijd naar evenredigheid van onze getrouwheid aan de genade, gedurende onzen proeftijd.
21
322
PA LM-ZONDAG.
Lucas XIX ; 29-38.
Toen onze Heer Jeruzalem naderde, kwam eene groote menigte Hem huiten de stad te gemoet en verwelkomde Hem. Sommigen spreidden hunne kleederen uit op den weg, anderen strooiden takken op den grond, en de kinderen riepen: âHosanna den Zoon van David.quot; â Te midden van hen reed onze Heer, gezeten op eene ezelin, zachtmoedig en nederig van harte, mot gemengde gevoelens van vreugde en leed.
I. Ter gelegenheid van zijn intrede in Jeruzalem erkende de menigte Christus openlijk als hunnen koning, die door God zeiven met gezag hekleed was. De palmtakken waren hun getuigenis, dat Hij over zijne vijanden had gezegevierd; de kleederen, die zij op den weg uitspreidden, hunne verklaring van onderwerping aan Hem, en de jubelkreet âHosanna!quot; was het gebed, dat God zijne zending mocht doen slagen. Verheug u in deze erkenning van zijn goddelijk gezag, van zijn triomf over zijne vijanden, van uwe onderwerping aan Hem en aan
823
anderen ter wille van Hem; en bid, dat zijn Koninkrijk meer en meer over de aarde moge verspreid worden.
II. Te midden van al deze praal, reed Jezus, zachtmoedig en nederig, op een ezelin. Hoe weinig troffen Hem deze toejuichingen der menigte, en toch verblijdde Hij zich over hunne edelmoedigheid en over hunnen goeden wil. Bid, dat gij te midden van toejuichingen zachtmoedig zijn moogt, gelijk Hij het was.
III. Zijn vreugd was vermengd met een bitter leed, dewijl Hij wist, dat na weinige dagen de wispelturige menigte zou uitroepen: âKruisig Hem!quot; â- Hij voorzag het tooneel, dat nabij was, wanneer diegenen die Hij beminde. Hem zouden verstooten en zijnen dood verlangen. Leer van Hem de waardeloosheid in te zien van algemeen bemind te zijn, en wees bereid om schande met Hem te dragen.
324
CHRISTUS WEENT OYER JERUZALEM.
Lucas XIX : 41, 42.
Toen onze Heer Jeruzalem naderde, weende Hij over haar en zeide: âMocht ook gij erkennen, en wel op dezen uwen dag, wat u tot vrede is! Maar nu is het voor uwe oogen verborgen!quot; Hij voorspelde toen de aanstaande verwoesting der stad.
I. Toen Jezus neerzag op de stad Jeruzalem. werd Hij met droefheid vervuld bij de gedachte aan haar naderend einde. Hij beminde Jeruzalem en zijn eigen volk. Getrouwheid aan ons vaderland is zoowel een plicht jegens God, als een natuurlijk gevoel van het menschel ijk hart. Elk goed mensch bemint zijn vaderland. Maar onze vaderlandsliefde moet bovenal een verlangen zijn, dat ons land en onze stad getrouw aan God mogen zijn, niet enkel dat zij groot worden onder de volkeren der aarde.
II. De reden van Jezus' droefheid was de gedachte aan hetgeen Jeruzalem had kunnen zijn in vergelijking met wat het was. Helaas, over hoeveïe steden mag Hij nu wel weenen ! Wat hadden zij kunnen zijn, indien hunne
325
bestuurders getrouw aan God waren geweest, en wat zijn zij ? â Londen, Parijs, Weenen, de eenmaal Christelijke stad van Constanten? Welk vreeselijk heidendom, weelde, zedenbederf, hoogmoed! Wij behooren te bidden voor de volken, aldus door ketterij en zonde van hun erfdeel beroofd.
III. Over menig schepsel spreekt onze Heer ook dezelfde treurige woorden uit: âMocht ook gij erkennen!quot; Indien gij slechts geluisterd hadt naar de geheime ingevingen der genade, kondet gij een Heilige geweest zijn. Wat zijt ge nu? Geef, o Heer, dat ik mijne ooren niet sluite voor datgene, wat tot mijn eeuwig geluk kan bijdragen.
326
OYER HET STERYEN AAN DE WERELD.
Jo. XII : 20â25.
Bij gelegenheid dat eenige heidenen onzen Heer verlangen te zien, antwoordt Hij, dat het uur nadert, dat Hij over de geheele wereld verheerlijkt zal worden. Eerst moest Hij gelijk zijn aan een tarwekorrel, welke, indien zij niet sterft, alléén blijft; maar wanneer zij in de aarde valt en verdwijnt, veel vrucht voortbrengt.
I. G-edurende de zending van onzen Heer, had Hij zijne Apostelen geleerd, niet in de steden of in de nabijheid van heidenen te komen. Maar nu is een nieuw tijdperk ophanden, en de Zoon des Menschen zal door heidenen zoowel als door Joden verheerlijkt worden. Het Evangelie van Christus omhelst allen. Er is plaats voor allen in het Koninkrijk der Hemelen. Dank Grod voor de algemeenheid der Kerk, en bid, dat gij er eene plaats in moogt vinden.
827
II. De verheerlijking van onzen Heer en de verbreiding van zijn Koninkrijk kan alleen verkregen worden door zijn lijden en kruisiging. Deze wet van verootmoediging en vernietiging van ons zeiven, als voorwaarde van toekomstige verheerlijking en voorspoed in arbeid voor God, strekt zich zelfs uit tot Jezus. Hoeveel meer is zulks noodig voor zondige menschen!
III. Dit is de waarheid, die ik onder de oogen moet zien. Ik moet aan mij zeiven en aan de wereld sterven, indien ik deel wil nemen aan de uitbreiding van het Koninkrijk van Christus. Ik moet onzelfzuchtigheid beoefenen, bereid zijn om over het hoofd gezien, en vergeten te worden, een verborgen leven leiden, onderworpen zijn en lijden. Is dit mijn aard, of wensch ik in het oog te loopen en hooggeacht te worden?
DE VERDOE DE VIJGEBOOM.
Matth. XXI : 19.
Toen Jezus des morgens naar Jeruzalem ging, gevoelde Hij honger, en een vijgeboom aan den weg ziende, trad Hij er op toe om vijgen te zoeken. Hij vond er geene doch alleen Waderen, en zeide: âNimmer groeie vrucht aan u in eeuwigheid.quot; En oogenblikkelijk begon de hoorn te verdorren.
I. De vijeeboom was een zinnebeeld van de Synagoge der Joden, zichtbaar genoeg en schijnbaar bloeiend, maar geheel ontbloot van vrucht. quot;Uiterlijke kerkgebruiken en plechtigheden, lange gebeden uit praalzucht, aalmoezen uit natuurlijke welwillendheid of voor den schijn en niet uit een bovennatuurlijke beweegreden gegeven, waren de alge-ineene kenmerken van de Joden ten tijde onzes Heeren. Hetzelfde gevaar bestaat nog. Wij kunnen gemakkelijk onze daden door onze ijdelheid of eigenliefde bederven, en zoo alleen bladeren, doch geen vruchten voortbrengen.
829
II. Het was toen nog- niet de vijgentijd. Maar immer is de tijd daar, om goede vrucht voor God voort te brengen. Het is inderdaad gevaarlijk om te zeggen, dat de tijd voor mij nog niet gekomen is, om mij aan God toe te wijden; dat ik morgen of op een tijd, die nog ver af is, naar zijn ingevingen luisteren zal, want deze tijd breekt misschien nooit aan.
III. De vijgentijd kwam in deze gelijkenis nooit voor den vijgeboom. want de vloek van Christus maakte hem krachteloos om vruchten voort te brengen. Hoe droevig zou mijn lot zijn, indien mij zulk een vloek trof! Christus is zeer geduldig, maar indien ik geen vrucht draag, kan de tijd eindelijk komen dat Hij zeggen zal: âNimmer groeie vrucht aan u in eeuwigheid!quot; Ik moet waken en arbeiden, niet voor mij zeiven, maar tot glorie van Christus Jezus mijnen Heer.
330
OVER VERTROUWEN IN HET GEBED.
Marcus XI : 22â2-t.
Wanneer de leerlingen bemerken, dat de vijgeboom op het woord des Heeren verdord is, neemt Hij deze gelegenheid waar om aan te dringen op de belangrijkheid van vertrouwen in het gebed. âWat gij met vertrouwen in het gebed zult vragen, zult gij ontvangen. Al wie tot dezen berg zeggen zal: hef u op, werp u in de zee; wanneer hij niet twijfelt in zijn hart, maar gelooft, zal hetgeen hij gezegd heeft, geschieden.quot;
I. Vertrouwen is niet minder een ver-eisehte in het gebed dan volharding en ootmoed. De menschen zijn veel bereidwilliger om de bede te verhooren van hen, welke met een eerbiedige stoutmoedigheid naderen. Zoo is het ook bij God. Hij heeft gaarne, dat wij het als iets, dat vanzelf spreekt, beschouwen, dat wij verhoord zullen worden. Nader ik met dit vertrouwen tot God, om wat ik noodig heb te vragen?
II. Waarom hebben wij zoo weinig vertrouwen? Het is niet, omdat wij twijfelen
331
aan de macht van God, of aan zi)lie goedheid. Het is niet het feit onzer begane zonden. Het is onze tegenwoordige eigenliefde. Het is het gebrek aan volmaakte gelijkvormigheid aan zijn wil. dat ons vertrouwen ondermijnt. Wij houden iets terug, dat wij niet met geheel ons hart aan God hebben gegeven. Wij zijn jegens Hem niet edelmoedig, en zoo leiden wij hier natuurlijk uit af, dat Hij niet edelmoedig jegens ous zal zijn.
HL Wat behoort de grondslag van ons vertrouwen te zijn ? De liefde van Jezus tot een ieder, die ledemaat is van zijne Bruid, de Kerk. Hij kan niet nalaten zijne Bruid en elk harer ledematen te beminnen. âHij beminde mij, en gaf zich zeiven voor mij.quot; Wij gevoelen ons altijd op ons gemak met degenen, die wij weten, dat ons liefhebben, en niemand heeft ons lief gelijk Jezus. Voortaan moeten wij vertrouwelijk met Hem zijn, en dit vertrouwen zal ons alles wat wij vragen, verkrijgen.
332
HET GEZAG DES HEEREN OM TE ONDERRICHTEN.
Matth. XXI : 23-27.
Toen de hoogpriesters en ouderlingen onzen Heer ondervroegen over zijn gezag om te onderricliten, vroeg Hij hen in antwoord, vanwaar Joannes de Hooper zijn gezag had gekregen? Deze vraag konden zij niet beantwoorden. Onze Heer zeide, dat daar zij het niet konden zeggen, Hij hun ook niet zeggen zou, vanwaar zijn eigen macht voortkwam.
I. Deze vraag der hoogepriesters was een duidelijk bewijs van hun afkeer der waarheid. Zij hadden in Jezus wonderen gezien, die alleen God verrichten kon, en hadden van zijne lippen woorden gehoord, welke God alleen kon ingeven. Toch kwamen zij tegen zijne leer op, op grond dat Hij geene zending ontvangen had om te onderrichten. Wij kunnen altijd tegenwerpingen maken over de daden van hen, die ons mishagen, en met een kwaad oog beschouwen. Wij betwijfelen hunne macht en betwisten hun gezag.
333
II. Zelfzuchtigheid en ijverzucht jegens anderen verijdelen altijd de eigen belangen. De ouderlingen en Pharizeën, door zich op een afstand te houden van deu H. Joannes, en door hunne weigering om zijne goddelijke zending te erkennen, boden onzen Heer een wapen, dat Hij tegen hen zeiven keerde. Zij hadden Joannes gehaat en zijn leer verworpen, maar durfden niet te ontkennen, dat zijn gezag van God kwam. Zoo is het altijd met de zelfzuchtigen; terwijl zij hunne eigen belangen zoeken te verzekeren, zijn zij hun eigen grootste vijanden.
III. Wanneer menschen als ootmoedige zoekers naar waarheid tot onzen Heer kwamen, liet Hij hen nooit in twijfel aangaande zijne rechten op hunne getrouwheid. Maar de hoogepriesters hadden genaden verbeurd; hunne oogen en ooren waren voor de waarheid gesloten. O, ongelukkige staat! Wat is er wanhopiger? Moge Gods barmhartigheid mij hiervoor bewaren!
nu
DE ONGEHOORZAME ZONEN.
Mattli. XXT : 2S-32.
Zeker man liad twee zonen, en tot deu eerste zeide hij: Zoon, ga lieden werken in mijnen wijngaard.quot; Deze antwoordde; âIk wil niet.quot; Igt;och later, door berouw bewogen, ging hij er heen. De tweede antwoordde: âIk ga, heer,quot; en ging niet. âWelke van beiden,quot; vroeg onze Heer aan de priesters en ouderlingen, âheeft den wil des vaders gedaan?quot; Toen zij antwoordden, de eerste, zeide Hij hun, dat de tollenaars en ontuchtige vrouwen hen zullen voorgaan in het Kijk Gods.
I. De oudste zoon in deze gelijkenis was in ü'een geval een kind, dat zijn plicht deed. Hij weigerde om aan zijns vaders bevel te gehoorzamen ; later kreeg hij echter berouw m gehoorzaamde. Ik gelijk aan dezen zoon in zijn ongehoorzaamheid. Menig en menigmaal heeft God mij bevolen of gevraagd om iets voor Hem te doen en heb ik door mijn daden verklaard, ik wil niet. Heeft mij sinds mijne ongehoorzaamheid berouwd; en vraagt Hij nu somtijds van mij eenige kleine
335
akte van liefde, zelfveiioochemng- of verootmoediging', waarop ik in mijn hart antwoord, ik wil niet?
II. De tweede zoon was een vleier; maar in zijn hart was hij besloten om zijn eigen wil te volgen en niet dien zijns vaders; en niettegenstaande zijne belofte, gehoorzaamde hij niet aan het hem gegeven bevel. Ben ik niet al te zeer gelijk aan hem? In mijne gebeden zeg ik schoone dingen aan God. Maar als ik die in oefening moet brengen, beproef ik zelfs niet zijne ingevingen te volbrengen.
III. De Pharizeën verbeeldden zich in hunne hoovaardigheid. dat zij zich op den grooten weg, die ten Hemel leidt, bevonden. Wat zullen zij gedacht hebben van de woorden onzes Heeren: âDe tollenaars en ontuchtige vrouwen zullen u voorgaan in het Rijk Gods?quot;' Ook ik, die zoo hoogmoedig ben, moet luisteren en hooren, dat onze Heer hetzelfde tot mij zegt; en ik moet mij dientengevolge verootmoedigen, en inzien hoe veel beter zij zijn dan ik.
336
DE VRAAG DER SADDUCEÃN.
Lucas XX : 27-40.
De Sadduceën, die de verrijzenis des lichaams loochenden, vroegen onzen Heer, wiens eehtgenoote eene vrouw, in de opstanding, wezen zou, indien zij op aarde verscheidene malen was gehuwd geweest. Jezus antwoordde, dat zij dwaalden en de Heilige Schrift niet kenden, want dat in het toekomstige leven niemand huwen zou, maar allen het leven der engelen zouden leiden. Na dit antwoord durfden geen hunner Hem meer eenige vragen stellen.
I. De Sadduceën dachten boosaardig, dat zij onzen Heer zouden verlegen maken, door de tegenwerpingen, die zij voorstelden over de verrijzenis van liet lichaam, om aldus het dubbele doel te bereiken van Hem te beschamen en zijne leer bespottelijk te maken. Hoe ijdel waren hunne pogingen ! Al de aanvallen van slechte mensehen op God en de waarheid zullen eenmaal tot hunne eigen beschaming veranderen. Wij moeten geduldig zijn.
337
II. De Pharizeën stelden eerst de leer van Christus in een valsch daglicht, en gingen toen voort hunne eigen valsche voorstellingen af te breken. Zoo geven ketters eene verkeerde uitlegging aan de leer der Kerk over de Onbevlekte Ontvangenis, de eeuwige straf, de aflaten, de onfeilbaarheid van den Paus, en dergelijken â en gaan er dan toe over om hunne eigen verminkte lezing der waarheid te wederleggen. Verwek een akte van geloof in de redelijkheid, zoowel als in de waarheid van alles wat de Kerk leert.
III. Onze Heer zegt aan de Sadduceën, dat in den Hemel alle natuurlijke liefde zal verzwolgen worden door bovennatuurlijke liefde. Wij zullen vader, moeder, broeder, zuster, vrouw, kinderen in en om God beminnen, en niet met eene liefde, waardoor anderen belet zouden worden hen eveneens lief te hebben. Zelfs in deze wereld moet al onze liefde jegens anderen indien zij blijvend wil wezen, onzelfzuchtig zijn.
22
388
BE WIJNGAARD EN DE LANDBOUWERS.
Matth. XXI : 33â41.
Een heer had een wijngaard, dien hij aan landbouwers had verhuurd. Toen de oogsttijd naderde, zond hij zijne dienaren om de opbrengst, die hein toekwam. Maar de landbouwers sloegen en mishandelden hen, die gezonden waren, en doodden eenigen van hen. Ten laatste zond hij zijnen zoon, zeggende: âMijnen zoon zullen zij ontzien.quot; Maar de landbouwers zeiden: âBeze is de erfgenaam, laat ons hem dooden.quot; Wat, vraagt onze Heer, zal de heer des wijn-gaards aan deze slechte menschen doen?
I. Be wijngaard in deze gelijkenis was de Joodsche kerk. God zond profeten aan de Joden, die zij mishandelden, en eindelijk zijn eigen beminden Zoon, dien zij verstootten, beleedigden en ter dood brachten. Wat verklaart hunne buitengewone slechtheid? Hoogmoed, en de oproerigheid, welke uit hoogmoed voortkomt. Wij zien het in de lotgevallen van Saul, Achab en anderen. Leer den hoogmoed haten.
II. Het gezag kwam ten laatste tot hen in de gedaante van den Zoon Gods, zachtmoedig en nederig van harte, die al weldoende rondging; wiens zachtheid en liefde alle menschen van goeden wil voor zich innam. Zelfs Hem haatten zij, ja haatten Hem boven allen, omdat Hij sprak met het hoogste gezag. Zulks is het gevolg van hoogmoed. Deze brengt er ons toe om zelfs liet gezag te haten, dat wij weten, dat van den Hemel komt. Geef mij, o Heer, den geest van onderwerping en ware nederigheid.
III. Hoogmoed brengt zijn eiü'en val
Ou O
mede. Zijne triomfen, kort van duur, worden door zijne verwoesting en vernedering gevolgd. De Heer zal komen en de hoogmoedigen onder zijnen voet verpletteren; Hij zal hen uit hun erfdeel verdrijven. Dit is de geschiedenis der afvalligen van de waarheid: het is altijd hoogmoed. Dit is de reden, waarom J zoo velen, die goed beginnen, ellendig eindigen.
22*
840
DE BRUILOFT VAN DEN ZOON DES KONINGS.
Mattli. XXII ; 2-13.
Een koning' richtte een bruiloftsmaal aan voor zijnen zoon, en noodigde velen er toe uit. Maar zij ontvingen de uitnoodi-ging met minachting en doodden degenen, die tot hen gezonden waren. â Toen werd de koning vertoornd en gebood zijne dienaren te gaan naar de uitgangen der wegen, en allen uit te noodigen, dit» zij zouden vinden. Toen de koning kwam om de gasten te zien, was er één, die geen bruiloftskleed aan had. De koning beval hem aan handen en voeten te binden, en in de uiterste duisternis te werpen.
1. Het feest, waartoe God zijne gasten uitnoodigt, is het feest der genade in dit leven, en dat van de glorie hiernamaals. Hoe-velen roept Hij tevergeefs! Zij, die buiten de Kerk zijn, roept Hij om er binnen te treden. Die in de wereld leven, roept Hij misschien tot het religieuze leven, tot eenige boetedoening, of tot een leven van grootere godsvrucht. Op hen, die zijne
:!41
uitnoodigiug weigeren, is Hij met recht vertoornd. O, mijn God, ik dank U, dat ik althans niet in eene zaak van Jezus Uwo uitnoodigmg heb verwaarloosd.
II. In de Kerk zijn goeden en slechten verzameld, zoodat zij gevuld is met eene verscheidenheid van gasten. Zoo worden tot liet religieuze leven niet alleen de deugd-zamen en heiligen geroepen. Het is gelukkig voor mij, dat God niet alleen de rechtvaardigen roept, doch ook de zondaren, waar waren anders de voorrechten, die ik tegenwoordig geniet?
III. In de Katholieke Kerk, zelfs in het religieuze leven, kan er iemand zijn, die zijn bruiloftskleed van naastenliefde verloren heeft. Wee hun, wanneer zij het missen, als de Koning komt! Hun lot zal de eeuwige duisternis zijn. Ik moet zeer zorgvuldig zijn, om het bezit van dit kostbaar kleed niet te verliezen, of. indien ik het verlies, het zonder dralen door berouw en boetvaardigheid terug te winnen.
842
KEIZER EN GOD.
Matth. XXII : 15-21.
De Pharizeën zonden hunne leerlingen niet de Herodianen tot Christus om te vragen of liet geoorloofd was den keizer cijns te betalen, of niet. Hij doorzag hunne listen en. een geldstuk vragend, ontlokt hij hun de bekentenis, dat de cijns-penning het beeld des keizers draagt, en dat zij daarom den keizer geven moeten wat zijn recht is, en aan God wat Hem toekomt.
I. Beschouw de groote boosheid der Pharizeën! Hoe haten zij Jezus! Zijne heiligheid, reinheid, ootmoed, liefde, onzelfzuchtigheid, waren een verwijt voor hun wereldzin, onkuischheid, zelfzucht, hoogmoed. Ik moet op mijne hoede zijn tegen eene zekere geneigdheid om ijverzuchtig te zijn op hen, die beter zijn dan ik en boven mij worden verkozen. In plaats hiervan moet ik trachten hunne deugden na te volgen.
II. De ondervragers waren voornemens Christus aan te duiden als een oproermaker of weinig vaderlandlievend. Maar Hij verslaatheu geheel door zijn antwoord. Hunne aanvaarding
van de Romeinsche munt was eene erkenning' der Eomeinselie macht, en maakte het daarom wettig, zoo niet verplichtend, de schatting aan Rome te betalen. Bewonder de goddelijke voorzichtigheid van Christus en vraag Hem, n de genade te geven van voorzichtige en onaanstootelijke woorden te spreken.
III. In de woorden: âGeeft den keizer wat des keizers is, en aan God wat Gade toekomt,quot; legt onze Heer het beginsel neder van burgerlijke en geestelijke verplichting. Wij moeten niet het een voor liet andere ver-waarloozen; beiden komen van God. Ware godsdienst kan ons nooit onvaderlandlievend maken, noch ongehoorzaam aan het wettig gezag, en ware vaderlandsliefde en trouw kan nooit onzen plicht tot God en de Kerk be-nadeelen. Doch, indien de staat buiten zijn rechtmatige grens gaat, moeten wij alles verwaarloozen om te gehoorzamen aan (iod.
844
HET PENNINGSKE DER WEDUWE.
Marcus XII : 41âU.
Onze Heer naast de offerkist zittend, zag de mensclien linn geld er inwerpen, en menigeen, die rijk was, offerde veel: eene arme weduwe wierp er een penning in. â¢Tezns roept zijne leerlingen en zegt hun. dat zij meer dan al de anderen heeft geotterd, want zij heeft aan (iod alles gegeven, wat zij bezat.
I. Jezus, de menschen gadeslaande, die ii-eld wierpen in de offerkist des Tempels, deed, wat Hij nog voortdurend doet, indien er sprake is van geld te geven voor vrome doeleinden. Hij waakt en ziet, wat ieder geeft; of zij in edelmoedigheid des harten geven zooveel zij kunnen, of dat zij daarentegen zoo weinig mogelijk geven. Welke is mijne gesteldheid, indien ik gevraagd word te geven? Zal ik den milden zegen verkrijgen, dien Hij aan den edelmoedigen gever schenkt?
345
II. Toch hangt de edelmoedigheid niet af van liet gegeven bedrag, maar van de evenredigheid aan de middelen van den gever. Eene aalmoes van duizend gulden is voor (jod wellicht eene minder edelmoedige gift dan een stuiver (»f nog minder zelfs. Wij moeten iets geven wat ons kost. Indien onze naastenliefde het zuivere goud zal wezen, dat het hart van God wint, moet zij eenige zelfverloochening in zich bevatten.
III. De gift der weduwe kostte haar meer dan een geringe zelfverloochening. Zij liet haar zonder geld. Hoe tegenstrijdig is hare daad met inenschelijke voorzichtigheid ! Doch in Clods oogen was het de grootste wijsheid. Welk een geloof moet het hare zijn geweest! Welke liefde! Geen nood, dat zij behoeftig zou blijven. God zal voor haar zorgen, en dat met de grootste mildheid, zooals Hij altijd doet met hen, die mild zijn jegens Hem. Ben ik aldus bereid om alles aan God te geven?
844
HET PENNINGSKE DER WEDUWE.
Marcus XII : 41âU.
Onze Heer naast de offerkist zittend, zag de mensclien linn geld er inwerpen, en menigeen, die rijk was, offerde veel: eene arme weduwe wierp er een penning in. â¢Tezns roept zijne leerlingen en zegt hun. dat zij meer dan al de anderen heeft geotterd, want zij heeft aan (iod alles gegeven, wat zij bezat.
I. Jezus, de menschen gadeslaande, die ii-eld wierpen in de offerkist des Tempels, deed, wat Hij nog voortdurend doet, indien er sprake is van geld te geven voor vrome doeleinden. Hij waakt en ziet, wat ieder geeft; of zij in edelmoedigheid des harten geven zooveel zij kunnen, of dat zij daarentegen zoo weinig mogelijk geven. Welke is mijne gesteldheid, indien ik gevraagd word te geven? Zal ik den milden zegen verkrijgen, dien Hij aan den edelmoedigen gever schenkt?
345
II. Toch hangt de edelmoedigheid niet af van liet gegeven bedrag, maar van de evenredigheid aan de middelen van den gever. Eene aalmoes van duizend gulden is voor (jod wellicht eene minder edelmoedige gift dan een stuiver (»f nog minder zelfs. Wij moeten iets geven wat ons kost. Indien onze naastenliefde het zuivere goud zal wezen, dat het hart van God wint, moet zij eenige zelfverloochening in zich bevatten.
III. De gift der weduwe kostte haar meer dan een geringe zelfverloochening. Zij liet haar zonder geld. Hoe tegenstrijdig is hare daad met inenschelijke voorzichtigheid ! Doch in Clods oogen was het de grootste wijsheid. Welk een geloof moet het hare zijn geweest! Welke liefde! Geen nood, dat zij behoeftig zou blijven. God zal voor haar zorgen, en dat met de grootste mildheid, zooals Hij altijd doet met hen, die mild zijn jegens Hem. Ben ik aldus bereid om alles aan God te geven?
348
âWEE ü, SCHRIFTGELEERDEN EN PHARIZEÃN!quot;
Matth. XXlil ; 1â3fi.
In eene rede tot de menigte en tot zijne leerlingen gericht, beveelt onze Heer gehoor-zaamlieid aan de Schriftgeleerden enPharizeën, als de openbare verklaarders der wet van Mozes, maar waarschuwt zijne toehoorders tegen het navolgen hunner werken: Hij klaagt hen aan van uiterlijke vormen, huichelarij, onbestendigheid, eerzucht, hoovaardij.
I. âWee u. Schriftgeleerden en Pharizeën!quot; Dit is een vreeselijk vonnis uit den mond van den menschgeworden God. Christus klaagt aldus de Schriftgeleerden en Pharizeën aan: 1quot;. van zelfverheffing: zij verlangen de eerste plaatsen bij feesten in te nemen: als Rabbi te worden begroet en groot te worden geacht. 2quot;. Van huichelarij: zij doen lange gebeden en belijden grooten ijver en zijn intnsschen schuldig aan ergernis en onrechtvaardigheid. 3°. Van verwaarloozing van het voornaamste der wet: oordeel, gerechtigheid en waarheid, terwijl zij aandringen op de bijkomstige verplichtinir eener stipte
349
betaling* van tienden en aalmoezen. 4°, Van voorgewende verontwaardiging over de slechtheid hunner vaderen, diquot; de profeten vervolgden. terwijl zij zeiven even slecht zijn. Onderzoek u zeiven op deze punten, opdat Christus het âWee!quot; niet over u nitspreke.
II. Al deze bedorvenheid der Pharizeën kwam voort uit hunne verwaandheid, tengevolge van dei i eerbied, hun door het volk betoond, terwijl zij de eerbetuigingen aan hun ambt bewezen, op zich zeiven toepasten. Dit is een ernstig gevaar voor allen, wier ambt hun recht geeft op eerbied. Zij vergeten, dat zij, die hooge plaatsen bekleeden, juist om diezelfde reden verplicht zijn zich zeiven de minsten en laagsten te achten.
III. Hoe aanvaardden de Schriftgeleerden en Pharizeën de waarschuwingen onzes Heeren ? Zij werden er slechts te meer door op Hem verbitterd. Wee mij, indien ik eene berisping aanneem, zooals zij het deden.
350
DE GELIJKENIS DER TIEN MAAGDEN.
Mattli. XXV : 1â13.
Tien maagden gingen den bruidegom en de bruid te gemoet. Vijf waren wijs, en vijf dwaas. De wijze maagden namen een goeden voorraad van olie in hare lampen, doch de dwaze maagden namen geen olie mede. Toen de bruidegom kwam, waren de wijze maagden gereed hem met hare gevulde en brandende lanpen te gemoet te gaan. De dwaze maagden, bemerkend, dat hare lampen waren uitgegaan, gingen heen om olie te koopen: zij kwamen aldus te laat voor de bruiloft en werden buitengesloten.
I. De olie in de lampen der maagden is de zuivere meening, die ons doet arbeiden voor zijne glorie, niet voor onszelven; die ons leven bestuurt door zijne heilige ingevingen en volgens de goddelijke wet, niet volgens onze eigene aandriften en neigingen. Zonder deze goede meening is het licht, dat iu ons is, niets anders dan duisternis. Draag ik in mijne lamp deze olie van goddelijke liefde?
851
II. Alle tien waren maagden, bemerkt de H. Gregorins, doch slechts vijf werden toegelaten tot het bruiloftsmaal van het Lam. Het is niet genoeg bevrijd te zijn van doodzonde en geen kwaad te doen. Zonder bovennatuurlijke liefde kunnen zelfs onze natuurlijke deugden ons ongeluk worden, indien wij er op vertrouwen en vergeten, dat zij waardeloos zijn in Gods oogen, geen bron van verdienste op aarde, noch van glorie in den Hemel.
III. Zij, die eenmaal van de bruiloft waren buitengesloten, zochten te vergeefs toelating. Zij, die door het bijzonder oordeel van het Koninkrijk der Hemelen zijn buitengesloten, zijn dit voor eeuwig. Welk eene vreeselijke gedachte voor mij! Hoe zorgvuldig moet ik waken met de helder brandende lamp van liefde in de hand! âZalig hij, dien de Heer, wanneer Hij komt, wakend zal vinden!quot;
352
DE GELIJKENIS VAN DE TALENTEN.
Matth. XXV : 14-30.
m
Een lieer laif, toen liij naar een ver iifsrelegen land vertrok, goederen aan zijne dienaren, naar de mate hunner bekwaamheid. Bij zijne terugkomst bracht de dienstknecht, die vijf talenten had ontvangen, er nog vijf bij. Een ander, die er twee had ontvangen, bracht er eveneens twee bij. Deze dienaren werden door hunnen Meester geprezen en rijkelijk beloond. Eén echter, die slechts één talent had ontvangen, had dit in plaats van er handel mede te drijven in den grond verborgen. De Meester gebiedt, dat hij in de uiterste duisternis moet geworpen worden, en zijn talent gegeven aan dengene, die er reeds tien heeft.
I. Geef acht, dat van de dienstknechten, die veel van God hebben ontvangen, veel meer verwacht wordt, dan van anderen. God heeft mij zooveel gegeven, zoovele gelegenheden om Hem te dienen, zoovele begaatdheden, in de orde der natuur zoowel als in die der genade, welke boven de schatting der menschen gaat. God zal van mij teruggave verwachten naar evenredigheid. â
858
II. De dienstknecht, die liet kleinste bedrag- had, werd veroordeeld, omdat hij het niet gebruikt had. Indien ik geringe talenten heb, zal dit mij niet verontschuldigen, indien ik, Avat ik heb, verzuim voor God te gebruiken. Geef ook acht, dat deze dienstknecht zijn geld niet verkwistte. Hij werd veroordeeld, omdat hij niet meer voor zijn Meester had gewonnen. Het is niet genoeg geen kwaad te doen. Dit zal ons niet redden, wij moeten bepaald goed doen, indien wij den hemel wenschen binnen te gaan.
III. De genaden door eenigen verwaarloosd, gaan op anderen over. Het talent van den tragen dienstknecht wordt aan hem geschonken, die door handel te drijven het meest gewonnen heeft. Hoe spoedig verliest men genaden! Ik moet toezien, dat de genade, welke God mij gaarne zou gegeven hebben, uit hoofde mijner ondankbaarheid niet aan anderen wordt verleend.
354
HET LAATSTE OORDEEL.
Mattli. XXV : 31- -IG.
Wanneer de Zoon des menschen in zijne heerlijkheid zal verschijnen, zal Hij het geheele menschdom oproepen, de rechtvaardigen aan zijne rechterhand en de vervloekten aan zijne linkerhand. Tot de eersten zal Hij zeggen : âKomt, gezegen den mijns Vaders, neemt bezit van het Rijk, dat voor n bereid is van de grondvesting der wereld af.quot; Tot de laatsten: âGaat weg van Mij vervloekten!quot;
I. Tracht n dien dag voor te stellen, wanneer alle volkeren, en gij met hen, vergaderd zullen zijn vóór den troon van Jezus Christus' heerlijkheid. Aan welke zijde zoudt gij nu gevonden worden? Hoe zult gij verdragen, dat al uwe verborgen daden en geheime gedachten aan allen bekend worden gemaakt? Hebt gij geene reden om te beven voor dit onvermijdelijk tooneel, in hetwelk gij, hetzij gij wilt of niet, een rol moet vervullen?
355
II. l)e voornaamste reden van schrik voor de vervloekten zal de toorn zijn van Hem, die als lum Rechter op den troon zetelt. Zijne goddelijke schoonheid zal hen naar Hem doen verlangen, doch zijne gramschap zal hen in doodsangst doen verlangen zich voor zijn blik te verbergen. Er is geen leed te vergelijken bij het schrikkelijk leed Christus tegen ons vertoornd te zien. Bid, dat gij Hem nooit reden moogt geven om op n vergramd te worden.
III. Het onderscheidingsteek en tnsschen de rechtvaardigen en vervloekten is, liefde tot den naaste, ter wille van Christus. Christus duidt dit aan als een vrijgeleide naar den Hemel. Geen woord over andere deugden dan deze. Waarom? Omdat zelfverloochenende liefde ter wille van Christus alle andere deugden in zich bevat en eene menigte van zonden bedekt. â Is zelfverloochenende liefde het onderscheidingsteeken van mijn leven ?
NIEUWE UITGAVEN.
W. v. NIEUW ENHOPP S. J., Leven en brieven van den H. Franciscus Xaverius, (apostel van Indië en Japan) ingen. /'4,â in fraaie linnen stempelband Æ4,90.
W. v. NIEüWENHOFP S. J., Leven van den H. Ignatius van Loyola. 2 Deelen met 2 platen. Ingen. f 6,â geb. Æ8,â.
M. VAN DER HAGEN S. J., Waar is de kerk van
Christus? 192 Bladz. Derde, herziene druk. Ingen. Æ 0,25, geb. f 0,50. Bij getallen tegen lagere prijzen.
Wonderdadig Leven van den H. Antonius van Padua.
Uit het Fransch vertaald door A. V., E.-K. Pr. Æ0,15.
H. J. A. COPPENS, De Lessen mijner Moeder. Godvruchtige onderrichtingen, getrokken uit het leven van de Allerh. Maagd Maria, in 72 hoofdstukken, met gebeden enz. Prijs gebonden in linnen bandje Æ0,90.
K. M. A. L. WULFINGH (Redemptorist), Meditatiën van den H. Alphonsus de Liguori. Opnieuw uit het Italiaansch vertaald en gerangschikt voor alle dagen van het jaar, met een Alphabetisch Register. 4 Dln., ieder ruim 400 bladzijden. Prijs ingen. Æ6,â geb. in linnen Æ 9,â.
Het Kruisbeeld of het schoonste van alle boeken. Uit het Fransch vertaald door een R.-K. Priester. Prijs ingen. Æ0,15, geb. Æ0,25.