rr â ~ '.w
' â quot;'i,
â
-â , . 'v â¢:
V v .'I
-IK '
f
r - f
:' 7my-â : i, :gt; t i -vi
â ; l: -
t-,- , ' lt;
. â¢lt; â¢â¢
â -ij-' '5 S |
; ' f'
In Memoriam.
Vak 12
imprimatur.
Eindhoven, Decembris ISOi.
Ad. VAN MOORSEL, Hiss. A post., ad hoc delegatus.
Een woord ter inleiding.
Een yroot verlies heeft de strijdende Kerk van Christus geleden. De zeis van den ouden maaier heeft sen machtig legeraanvoerder geveld. Kardinaal Lavigerie is niet meer. Zijn Bisdom, zijne Witte Paters, zijn Afrika, zijn Frankrijk, de wereld, zij allen heiben den slag gevoeld.
Eene vluchtige schets van zijn rijk en vol leven bieden de volgende bladzijden. Zij zijn ontvloeid aan de pen van dengene, die nog voor korten tijd uit den overvloed zijns harten schreef: ik ben het bedorven kind der voorzienigheid. En om welke reden ? Omdat hij onder onbeschrijfelijke moeilijkheden en ontberingen, bijna alleen, met eene karavaan van Heidenen zich in de wildernissen van Midden-Af rika mocht gaan begraven. Omdat hij ieder oogenblik van zijn leven kon gaan wijden aan de verkondiging van het Evangelie onder de meest verlatene van Adam's kinderen, die sinds achttienhonderd jaren wachten. Die man is in staat over de waarde van wel besteeden tijd te oordeelen.
Wij, gewone alledaagsche menschen, lezen met een zekere aangename ontroering op den laatsten avond des jaars de bekende versregels: Uren, maanden, jaren vlieden. Maar wij laten ze vlieden. Wij zijn toeschouwers ; bewogen toeschouwers, met een aandoenlijk harte; maar daar blijft het hij. Onze dagen schuiven ons voorbij, gelijk strooken wit papier. Wij staan verbaasd, dat een ander daar zoo onmetelijk veel op schrijven kan, terwijl zij langs hem glijden. Maar wij doen van onzen kant dikwijls weinig meer dan oud worden, en laten ons dan op onze verjaardagen gelukwenschen met die heldendaad. Toch staan ook voor ons de ernstige woorden geschreven van den boom, die geen vruchten draagt.
Het is niet, dat wij zoo slecht gezind zijn. Wij lezen zelfs gaarne van heldhaftigheid, en van groote mannen. En dan denken wij, behaaglijk in onzen leuningstoel gezeten, onder het genot van het vele goede der aarde: dat is nu alles voorbij. Maar als wij de moeite deden even op te staan, en door het venster met heldere oogen te zien naar hetgeen daar buiten omgaat, dan zouden wij
jarigen leeftijd vormde, breugt hij iü herinnering lioe ^zijn vader hem een jaar daarna aan denzeltden eerbiedwaardigen bisschop voorstelde :
âGij wilt dus priester worden?quot; vroeg mij Mgr. terwijl hij mij tot zich trok.
âJa, Monseigneur,quot; antwoordde ik, door zijne goedheid aangemoedigd.
âEn waarom wilt gij priester worden, mijn kind?''
âOm dorpspastoor te worden !quot;
Mijn vader zag mij verbaasd aan, doch de bisschop zeide glimlachend : âGe gaat vooreerst naar 't Seminarie van Larressore, en vervolgens znlt ge gaau, waar God willen zal.....quot;
In 18-10 vertrouwde de heer Lavigerie zijn zoon toe aan de zorgen van den E. H. Dupanloup later bisschop van Orleans, en toenmaals Overste van het Klein-Seminarie van den H. Nicolaas te Parijs. Hier deed hij zijne studiën der Humaniora en had er o. a. als medeleerling Z.Em. Kardinaal Langénieux, thans Aartsbisschop van Rheims, Mgr. de la Tour d'Anvergne, vroegtijdig gestorven als Aartsbisschop van Bourges ; Z.Em. Kardinaal Tonlon, thans Aartsbisschop van Lyon ; Mgr. Sonbiraune, vroeger bisschop van Belley, thans titnlair-Aartsbisschop van Neocoesarea; Mgr. Hugouin, thans Bisschop van Bayeux, Mgr. de Cnttoli, gestorven als bisschop van Ajaccio ; Mgr. Ooullié, thans bisschop van Orleans: Mgr. Lamarche, thans Bisschop van Quimper.
Later in 1883 in een brief aan den Kanunnik F. Lagrange, schrijver van het âLeven van Mgr. Dupanloupquot; gewaagde de Kardinaal nog met voldoening van dit tijdperk zijns levens en vooral van zijn dankbaarheid jegens zijn ouden leermeester, den genialen bisschop van Orleans.
In 1843 verliet Karei Lavigerie het Klein-Seminarie van den H. Nikolaas, om In het Seminarie van Saint-Sulpice te treden, eerst in het huis van Issy, waar hij zijne philosofie afmaakte en daarna iu dat van Parijs, waar de E. H. Courson destijds Overste was.
In 1846, eindigde de E. H. Lavigerie het eerste jaar zijner Theologie. Mgr. Affre, Aartsbisschop van Parijs, die juist het Gesticht der Karmelieten gegrondvest had, om er eene Normaalschool voor Kleine Seminaries en Kerkelijke Collegiën in Frankrijk van te vormen, bood den E. H. Lavigerie, op wien zijn oog door diens professoren gevestigd was, aan, zich daar te komen voorbereiden tot de academische graden. In October 1846 dan, betrad hij de Karmelietenschool. In minder dan één jaar behaalde hij er den graad van baccalaureus en licentiaat in de Letteren. Dezen laatsten graad verwierf hij in 1847. Hierna hervatte de E. H. Lavigerie
weer zijne Godgeleerde studiën, die hij aldus had moeten onderbreken. In December 1847, werd hij Subdiaken gewijd door Mgr. Affre, in December 1848, Diaken, door Mgr. Sibour, en den 2 Juni 1849, na een kort verblijf in het Klein-Seminarie, priester insgelijks door Mgr. Sibour, krachtens eene dispensatie van deu H. Stoel, want de E. H. Lavigerie, was nog geen 24 jaar.
Onmiddellijk na zijne H. Priesterwijding, bij 't heropenen der lessen, keerde hij terug in 't Huis der Karmelieten, op aanzoek van den E. H. Cruice, (toenmaals Overste van die Inrichting en later Bisschop van Marseille), om er zich voor te bereiden tot de examens van het doctoraat.
Reeds den 12 Juli 1850, presenteerde hij zijne twee stellingen aau de Faculteit der Letteren te Parijs. De eene was opgesteld in 't Fransch, eu had voor titel: âEssai sur l'Ecole Chrétienne d'Edessequot; (een boekdeel in â8° Parijs Perisse frères 1850). Deze was opgedragen aan Mgr. Sibour, Aartsbisschop van Parijs. De andere was in 't Latijn en droeg voor titel âDe Hegesippo.quot; (vol. in 8° Parijs, Perisse fr. 1850. Deze laatste was opgedragen aan M. Victor le Clerc, deken der Letterkundige Faculteit. Behalve den deken waren zijne examinatoren : De H.H. Villemain, V. Cousin, Ozanam, Saint-Marc Girardin, en Wallon. Met eenparige stemmen werd de jonge kandidaat opgenomen als Doctor in de Letteren.
In October daaropvolgend werd de E. H. Lavigerie benoemd tot professor in de Latijnsche Litteratuur aan dezelfde school der Karmelieten, en tegelijkertijd tweede aalmoezenier der Dames Be-nediktinessen van het H. Sacrament, en der â Dames de l'Intérieur de Mariequot; te Parijs. Gedurende de drie jaren, die hij in die betrekking doorbracht, behaalde hij de theologische graden en werd gepromoveerd tot Doctor der Sorbonne.
In December 1853 nam hij deel, op uitnoodiging van Mgr Sibour, aan den prijskamp voor een Kapelaanstitel in het Kapittel der H. Genoveva-Kerk. De jury bestond uit de EE. HH. Bautain, vicaris-Generaal, Lecourtier, pastoor der Notre-Dame, Deguerry, pastoor der Magdalena-Kerk (de glorierijke martelaar der Commune; de oom van onzen voorlaatsten Algem. Overste p. Deguerry); Hainon, pastoor van de Sint-Sulpitius-Kerk, Duquesnay, deken der Genoveva-Kerk, en den E. P. Sonaillard, Dominikaan. De E. H. Lavigerie behaalde de eerste plaats.
Doch de nieuwe Kapelaan der Sinte Genoveva, aanvaardde niet de plaats, die hij zoo glansrijk had verworven. Op een rapport over den uitslag van den prijskamp uitgebracht door den E. H. Sibour, president der examen-commissie, en op aanvraag van den E. H. Maret, deken der Theologische-Facnlteit (later Bisschop van Sura,
8
en nog later Aartsbisschop van Lepanto en Deken van St. Denis), stelde de Aartsbisschop van Parijs nog in den loop derzelfde week hem voor aan den Minister van het openbaar onderwijs, ter aanvulling van den leerstoel der Kerkelijke Geschiedenis aan de Universiteit der Sorbonne. De E. H. Lavigerie werd das be.noemd en begon zijne lessen in de eerste maanden van 1854.
Deze cnrsus duurde bij de 7 jaren. Reeds het derde jaar werd de E. H. Lavigerie titularis-professor. Gedurende dien tijd had hij als mede-professoren behalve Mgr. Maret, deken der Faculteit, o. a. den E. H. Bautain, vicaris-generaal van Parijs, den E. P. Grabry, oratoriaan, Duqnesnay, gestorven als Aartsbisschop van Kamerijk, Hugonius, thans Bisschop van Bayeux, en spoedig daarna, de E. H. Freppel, den onlangs overleden Bisschop van Angers, den moedigen kampioen in Fransche Kamer, dien iedereen kent.
Een groot deel der lessen van den jeugdigen professor in de Kerkelijke Geschiedenis zijn in druk verschenen. Ik vermeld slechs âEene studie over Luther,quot; en zijne âLessen over het Jansenisme.quot; Na twee eeuwen waren helaas de aanhangers van Jansenius en Quesnel nog niet uitgestorven. Met verwoedheid werd de jonge professor, die kordaat en frank de zuivere leer en de rechten van den H. Stoel op zijn leerstoel verdedigde, door zijne vijanden aangevallen. Verguizingen noch bedreigingen werden hem gespaard, o. a. door het Jansenistische dagblad â1'Observateurquot;, wiens redacteur Guettée, een afvallige priester, later ellendig als Russisch poop is gestorven. In de voorrede van zijne âLessen over het Jansenismequot; (een boekd. in 8°, Parijs, E. Belin 1860) vermeldt de E. H. Lavigerie zelf dezen strijd.
Teneinde zijn apostolaat onder de studeerende jongelingschap nog ruimer veld te geven, nam hij een werkzaam deel tijdens zijn professoraat aan de Sorbonne aan de vestiging van den Katholieken Studentenkring, door den E. H. Eugène Beluze destijds opgericht. Weldra was de professor president der Letterkundige Conferenties, in den studentenkring opgericht en later beroemd geworden onder den naam van âConferentie van Ozanam.quot; Nog bij zijn overlijden was de Kardinaal eere-voorzitter van denzeltden kring.
Doch met wat glans ook het professoraat van den E. H. Kardinaal schitterde, het was zijne ware roeping niet, naar de Kardinaal zelf meermalen getuigd heeft.
Hij was tot Missionaris geboren! In 1855 hadden meerdere voorname en uitstekende Katholieken van Frankrijk eene vereeni-ging gevormd, die tot doel had door middel van scholen den katholieken invloed in het Oosten te vermeerderen. In een brief in 1886 door Kardinaal Lavigerie gericht aan den E. H. Beluze en
die tot voorrede moest dienen van diens âLeven van Mgr. Dauphin 3den Algem. Directeur van het werk der Oostersche scholen,quot; vindt men menige bijzonderheid over de eerste wording van dit allerschoonst Missie-werk, als ook over de wijze, waarop de toekomstige Kardinaal-Missionaris zijn ware roeping vond. De eerste vergaderingen der Vereeniging hadden plaats in het salon van den even geleerden a' .... vend Katholieken Baron Cauchy, lid der Academie van wetenschappen. Karei Lenormant, lid der academie van opschriften, was de ziel der vereeniging. Een andere mede-oprichter was de beroemde Jezuït p. Gagarin, een bekeerde Russische prins en oud-secretaris van het Russisch gezantschap te Parijs. Later voegden zich bij hen Maarschalk Bosquet, de overwinnaar van Sebastopol, admiraal Mathieu; de Montalembert; de Falloux; de Broglie lid der Fran-sche academie; Wallon; de Saulcy, de vicomte de Rongé baron Ségnier, de Wailly, Tulasne, de Vitte, Garcin de Tassy, Flaudrin, allen leden van het Instituut; de ambassadeurs de Vogué en Gabriac; de Faugère, directeur aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken ; de graaf Karei de Bonrmont, zoon van den veroveraar van Algiers; de Parien, Le Serrurier, August Nicolas; Benoit d'Azy, de Mas Latrie, graaf de Bertou; de graven de Cotte en de Goyon, adjudanten des Keizers en eindelijk de heilige en groote Ozanam.
Tot 1856 had professor Lavigerie nog geen werkzaam deel genomen aan deze vereeniging. Doch God leidde hem weldra in die richting, en zooals altijd geschiedt, aan de hand zijner zielbestierders. Professor Lavigerie had dan voor biechtvader en geestelijken leidsman den heiligen en beroemden Pater de Ravignan, afkomstig als hij uit Bayonne. Zonder dat deze bekwame meester in 't bestier der zielen, hem rechtstreeks van zijn leven van studie en van zijn professoraat aftrok, hield hij toch niet op te herhalen, dat hij een anderen horizon voor hem in 't verschiet zag. P. Ravignan bracht hem in kennis met den Jezuït Gagarin. Het werk der oostersche scholen vlotte niet, in een jaar had men maar 16000 frank bijeengebracht. P. Gagarin zag in, dat een geestelijke noodig was om het werk te bestieren, wijl dit door leeken wegens het bestendig beroep op de liefdadigheid der geloovigen minder goed kon geschieden. Als door ingeving Gods zag p. Gagarin in, dat hij zijn man gevonden had. Professor Lavigerie gaf zich gewonnen over aan den beminnelijken man, dien God op zijn weg geplaatst had. Reeds einde 1856 was de E. H. Lavigerie direkteur van het Liefdewerk.
Van dit oogenblik af, kan men zeggen, dagteekent de Apostolische- of Missionaris-loopbaan van den toekomstigen Kardinaal, een loopbaan, gedurende zes en dertig jaren met glans en glorie doorloopen. De Kardinaal getuigde zulks zelf in 1881 in
10
een zijner Herderlijke brieven : âHet is als Direkteur der Ooster-sche scholen.....dat ik eindelijk mijne ware roeping heb gevonden.....quot; â Hierom ook heb ik wat langer bij deze gebeurtenis
uit het leven van onzen beminden Vader en Stichter onzer jeugdige Societeit willen stilstaan.
De E. H. Lavigerie was dus Direkteur. De goedkeuring van het werk door het Episcopaat en van den H. Stoel werd verkregen. Doch het werk moest gekend worden, en daarom moest er gepredikt worden. Hij begon te Parijs, na zich de goedkeuring van Kardinaal Morlot verzekerd te hebben, en vervolgens, zooveel als zijne lessen dit toelieten, in de omliggende steden; Versailles, Chartres, Caen, Orleans, Angers, Nantes, Soissons, en vervolgens in de meer afgelegene: Besanlt;;,on, Lyon, Clermont, Marseille, Toulouse, Bordeaux, Pan en Bayonne.
De uitslag was voldoende, doch op verre na niet overal werd de âbroeder-bedelaar,quot; zooals de Kardinaal zich zeiven noemde, even gunstig ontvangen. Het voornaamste was echter, dat bij de Breven van 13 Dec. 1857 en 29 Jan. 1858 het werk der Oostersche scholen door Z. H. Pius IX, werd goedgekeurd.
Eene plotselinge gebeurtenis bood gelegenheid aan den toekom-stigen Kardinaal-Missionnaris, om zijne eerste vuurproef te doorstaan.
Op 't einde van 1859 en in 't begin van 1860, waren geweldige beroeringen voorgevallen in den Libanon (Syrië). De Drusen en Metualis, wilde Syrische volksstammen, waren vereenigd met de Muzelmannen, op de Christenbevolking neergestort.
Steden en dorpen gingen in vlammen op. Meer dan 50.000 Christenen werden vermoord. Duizenden weezeu en weduwen smeekten de hulp af der Katholieke wereld. Het Katholieke Frankrijk, de eeuwenlange beschermster der Katholieken in het oosten rustte een machtig leger uit om de Maronieten te beschermen.
Doch het werk der Oostersche scholen en de E. H. Lavigerie aan de spits, begrepen hun plicht. Een warm beroep werd gedaan op de geestelijkheid van Frankrijk. Ook de bisschoppen van Holland, België, Ierland, Engeland, Spanje, Italië en Duitschland gaven door milde giften gehoor aan den noodkreet.
Op 6 Maart 1861 beschikte de E. H. Lavigerie over de som van 2.136.191 franken, zonder de ontelbare gaven âin naturaquot; zooals kleederen, kerkversierselen enz. Doch die liefdegaven moesten uitgedeeld worden. De directeur zelf zou gaan. Den 27 Sept. 1861 verliet hij Parijs, vergezeld van dokter Jaulevry en kwam in de eerste dagen van October te Beirout (Syrië) aan. Daar werd aanstonds de hand aan 't werk geslagen. In overleg met de bisschoppen van het oosten, de vertegenwoordigers van Frankrijk en
11
de hootdofficieren van het Fransche leger, werd de onderstand op ruime schaal georganiseerd. Een weeshuis voor 400 maronitische meisjes werd door den E. H. Lavigerie zeiven geopend te Beirout en aan de Zusters van Liefde toevertrouwd. Een tweede voor jongens werd gesticht dicht bij Zakleh, in den Anti-Libanou en toevertrouwd aan de zorgen der paters Jezuïten. Doch Beirout was maar een toevlnchtsstad. De honderden plaatsen van het tooneel van jammer en ellende moesten bezocht worden. Zes volle maanden lang doorkruiste de E. H. Lavigerie te paard de geteisterde streken : het noorden van Palestina, Syrië, de bergen van den Libanon, enz., moeilijkheden en gevaren waren zijn deel. Eens toen hij zich op een der bergwegen van den Libanon bevond, struikelde zijn paard, met het ongelukkig gevolg, dat de E. H. Lavigerie ter aarde stortte, en den arm brak. Zonder de oogenblikkelijke hulp van dokter Janlevry, die hem volgde, had dit geval zware gevolgen kunnen hebben. Vaak, vooral in de omstreken van Damascus, het brandpunt des oproers, moest hij zich vermommen en de kleeding der landsbevolking aannemen, om aan doodsgevaar te ontsnappen. Op een zijner apostolische tochten had de E. H. Lavigerie een onderhoud met den bekenden arabier Abdel-Kader, den geduchten tegenstander der Franschen in Algiers.
Naar ieder weet, moest deze indertijd vreeselijke man, wien men veel genie niet ontzeggen kan, eindelijk zwichten voor de Fransche legers in de vlakte van Isly, in een veldslag, die den grooten Lamoricière met lauweren kroonde. Thans verbleef hij, Abdel-Kader, als balling in Syrië, doch van lieverlede was zijn haat tegen den godsdienst der Franschen in bewondering veranderd, en indien hij al niet bekeerd is op 't einde zijns levens â gelijk wel eeus beweerd is â zeker is het, dat hij de Katholieke Missionarissen en Liefde-Zusters in het Oosten hoog schatte en verdedigde. Het onderhoud, dat de E. H. Lavigerie in 1861 met hem had, pleit er in allen deele voor.
Naar Frankrijk wederkeerend in 1862, werd hij achtervolgd door de zegeningen en de dankbaarheid der Muzelmansche bevolking, en ontvangen met de uitbundigste bewijzen van hoogachting en bewondering in zijn Vaderland, zelts door de Eegeering.
In een adres aan Paus Pins IX der 18 bisschoppen van het Oosten, nl. de Maronieten, Vereenigde Grieken, Armeniërs en Syriërs, wordt met den hoogsten lof en de meeste dankbaarheid gewag gemaakt van den ijver en de wijsheid van den Abbê Lavigerie. Insgelijks in een dankbaarheids-adres van de zeven bisschoppen dei-Katholieke Grieken, den 15 Dec. 1860 uit Beirout gericht aan het Episcopaat, de geestelijkheid en het volk van Frankrijk. Eindelijk nog in een officieel rapport door den Minister van Eeredienst
12
Eoulaud aan Keizer Napoleon III uitgebracht en opgenomen ia den âMonitenr Universer' van den 21 Februari 1861.
Deze schitterende betuigingen van bewondering en dankbaarheid hadden de opmerkzaamheid van den H. Stoel en van de Fransche Eegeering gericht op den Directeur van het werk der Oostersche Scholen. Juist toen hij terugkeerde uit het Oosten was de post van Auditeur der Rota voor Frankrijk opengevallen doer de benoeming van Jlgr. de la Tour d'Auvergne tot Coadjutor van Bourges. De Minister vau Buitenlandsche Zaken, van wieii de presentatie tot dit ambt afhangt, stelde aan den H. Stoel den E. H. Lavigerie voor. Weinig tijd van te voren had de Abbé Lavigerie van zijn oponthoud te Rome gebruik gemaakt, om aan de Romeinsche Universiteit de graden van het doctoraat in het burgerlijk en kerkelijk recht, of zooals men vroeger zeide, van doctor âin utroquequot; te behalen. De H. Stoel ging in op de voorstelling van de Fransche Regeering, en bij Breve van 7 Sept. 1861 word de E. H. Lavigerie door Pius IX benoemd tot Auditeur der Rota.
Aldus Prelaat geworden van het Huis zijner Heiligheid en lid van het eerste gerechtshof van het Pauselijk Hof, vertrok hij in October 1861 naar de Eeuwige Stad. Echter had hij bij 't aanvaarden dezer waardigheid, de uitdrukkelijke voorwaarden gesteld van het Bestuur van het Werk der Oostersche Scholen te mogen behouden, en een Raad te Rome te kunnen oprichten, in dier voege dat het Werk voortaan twee middelpunten, een te Parijs en een te Rome zou bezitten, evenals de Voortplanting des Geloofs zijne twee Centrale Raden heett te Parijs en te Lyon.
De Raad te Rome werd dus opgericht. Hij had voor president Kardinaal de Reisach, en telde onder zijn leden de uitstekendste prelaten van het Romeinsche Hof, o. a. Mgr. Siméoni en Mgr. Jacobini, later beiden Staatssecretaris, de een van Pius IX, de andere van Leo XIII. De werking van dezen Raad bleef niet zonder succes. In 1862 bij gelegenheid der heiligverklaring der Martelaren van Japan, sprak Mgr. Dupanloup eene heerlijke redevoering uit ten gunste der Oostersche Scholen in de kerk van den H. Andreas-della-Valle. Weinig tijd van te voren had Mgr. Lavigerie zelf in de kerk van Saint-Louis-des-Fran^ais voor hetzelfde doel eene schitterende redevoering gehouden.
Omtrent hetzelfde tijdstip richtte Mgr. Lavigerie, (die als Con-sultator getreden was in de nieuwe door Pius IX opgerichte Congregatie der Propaganda voor de Oostersche Ritussen), te Civita-Veechia een Comité op voor de Bulgaren.
De Fransche Regeering echter, in overeenstemming met den H. Stoel, was van oordeel, dat een Bisdom hem beter passen zou
13
dan diplomatieke werkzaamheden. In 1863 werd hem doorEonland, minister van Eeredienst, liet bisdom van Nancy (Lotharingen) aangeboden. De Paus bekrachtigde deze keuze, Mgr. Lavigerie ontving zijn benoeming te Parijs den 5 Maart, werd den 16 Maart gepreconiseerd en den 22 Maart te Rome gewijd. Pius IX had eerst het verlangen uitgedrukt zelf den nieuwen bisschop te wijden, doch zijn zwakke gezondheid veroorloofde dit niet. Hij liet zich vervangen door den Kardinaal Villecourt, die de wijding zou verrichten en liet dezen assisteeren door zijn aalmoezenier Mgr. de Hohenlohe, later kardinaal en door zijn sacristie-bisschop Mgr. Marinelli, bisschop van Porph3'ra.
Met groote plechtigheid had de bisschopswijding plaats in de Fransch-nationale kerk van Saint-Louis-des-FranQais, in tegenwoordigheid van den ambassadeur van Frankrijk, den prins de la Tour d'Auvergne, vergezeld van heel het personeel der ambassade, van het gerechtshof der Rota, van het meerendeel der romeinsche prelaten en prinsen en van eene groote menigte volks. Mgr. Lavigerie was slechts 38 jaar oud.
Weinige dagen na zijne bisschopswijding verliet hij Rome, en kwam te Nancy, waar hij den 15 Mei bezit nam van zijn bis-schoppelijken zetel. Zijn eerste Herderlijke brief, te Rome zelve op Paaschdag 5 April 1863 geschreven, is zoo schoon, dat ik er minstens de laatste volzinnen van wil overschrijven, otschoon ik mij, hoe ongaarne ook, zooveel mogelijk van aanhalingen wil onthouden, wijl ik anders boekdeelen moest vullen.
Mgr. Lavigerie herhaalt eerst het verheven hoogepriesterlijk gebed, dat Pius IX eens uitsprak over het Fransche volk en het Fransche leger: âIk zegen U, Franschen, hier tegenwoordig. Ik âzegen uwe ouders en allen, die u dierbaar zijn. Ik zegen Frank-ârijk en zijn leger, waar het zich ook moge bevinden.
âIk zegen de keizerlijke familie en in 't bijzonder den keizer-âlijken prins, die aan mij door geestelijke banden is verbonden. âIk zegen het bewonderenswaardige Episcopaat van Frankrijk, en âzijne waardige geestelijkheid. Ik zegen al die millioenen Katho-âlieken, verspreid over de heele oppervlakte van dat schoone land, âdie op duizenden manieren den H. Vader en den Algemeenen âVader der geloovigen hebben gezucht en nog zoeken te helpen âen te verdedigen !quot;
En thans gaat Mgr. Lavigerie voort:
âEn ik, nw Bisschop, van nu af met uwe zielen belast, ik dacht âaan u, mijne allerliefsten ; ik dacht aan nw dierbaar Lotharingen, âaan die brave bewoners van mijn toekomstig bisdom, en mijne âgebeden voegend bij die des opperpriesters, sprak ik tot God :
14
âHeer, stort uit over mijne kinderen de zegeningen van nvve âbarmhartige hand !
âGeef dauw die bevrucht, en zonneschijn die levend maakt aan âhunnen oogst!
âGeef hun, die zaaien, moed, en hun die oogsten weldadigheidszin!
âGeef vruchtbaarheid aan hunne velden, voorspoed aan hunne ânijverheid !
âVerschat arbeid voor hunne armen, rechtvaardigheidszin aan âhun geweten !
âSchenk zachtaardigheid aan hunne dochters, eergevoel eu moed âaan hunne zonen, vrede en deugd aan hunnen huiselijken haard!
âGeef vooral Heer, geef aan allen het onuitsprekelijk geluk U âte kennen, U te beminnen, want zonder dit is al het overige âals een vluchtende droom!......quot;
HOOFDSTUK U.
Episcopaat te Nancy.
Op Zondag 10 Mei, teest van het H. Hart van Maria deed Mgr. Lavigerie zijn plechtige intrede in de kathedrale kerk van Nancy. Hij wilde aldus zijn persoon, zijne geestelijkheid en heel zijn bisdom stellen onder de bescherming van de Koningin der Engelen. â Allerbloeiendst was de godsdienstige toestand in zijn nieuw bisdom. Een bewijs er van was het groote aantal roepingen voor den priesterlijken staat. Op eene bevolking van 128000 zielen telde men meer dan 1000 priesters, en meer dan 6000 zusters van alle congregatiën en orden.
Het grenst aan het ongeloofelijke, wat Mgr. Lavigerie in de vijf jaren van zijn herderlijk bestuur (1863â1867) in het bisdom van Nancy tot stand bracht â Zijn eerste werk was een daad van naastenliefde en rechtvaardigheid. In een rondgaanden brief nl. van 6. Sept. 1863, onderhield de nieuwe Bisschop zijne geestelijkheid over zijn plan tot het vormen eener onderstandskas voor oude en gebrekkige priesters. De geestelijkheid bevorderde de inzichten van haar Herder. In 2 maanden tijd was reeds een som bijeen van 12000 Ir., en een verslag van 8 Dec. 1865 vermeldde, dat sinds 10 Mei 1863 reeds een som van 9-1968 fr. tot dit schoone
15
doel was uitgegeven, en op 29 Maart 1867 het Bisdom van Nancy verlatend, bevatte de onderstandskas nog 70.000 fr., otachoon in allen noodigen onderstand voorzien was.
Een tweede werk was de oprichting van een diocesaan kerkelijk gerechtshof, ten einde zijne priesters door kanonieke Verordeningen te beschutten tegen de lage en onrechtvaardige beschuldigingen, waaraan de bediening der herders vooral in Frankrijk maar al te vaak is blootgesteld. Deze instelling was de eerste van deze soort in Frankrijk en niet slechts werden hare reglementen hoogelijk geprezen door den H. Stoel, maar ook door de regeering.
Doch vooral wijdde Mgr. Lavigerie van den beginne af zijn zorg aan de inrichtingen van onderwijs. Ten einde voor de vele gestichten, collegies en seminaries van zijn bisdom steeds een goed aantal degelijke, wel gevormde leeraren en professoren te hebben, die met glans konden wedijveren met de instellingen van het goddeloos staatsonderwijs, richtte hij te Nancy zelve eene Kerkelijke School van Hoogere studie op, bestemd tot vorming van toekomstige professoren, der diocesane onderwijsinstellingen en in 't bijzonder tot voorbereiding voor de graden in de Faculteiten der Wetenschappen en Letteren; â allergelukkigst waren de uitkomsten dezer nieuwe schepping. In geen enkel bisdom van Frankrijk misschien telt men zooveel priesters met hooge nniversiteits-graden voorzien, en van den anderen kant zijn dan ook de inrichtingen van kerkelijk onderwijs ia weinige bisdommen zoo gewaardeerd en bloeiend.
Doch terzelfder tijd dat Mgr. Lavigerie aldus voorzag in de letterkundige en wetenschappelijke opleiding der professoren en bestuurders zijner onderwijs-instellingen, verloor hij nog minder de belangen hunner zielen uit het oog. Hij zorgde er voor hun eene ernstige en gelijkmatige geestelijke leiding te verschaffen, o. a. door vastbepaalde geestelyke afzonderingen, voor hen uitsluitend gepredikt, en door verdere wijze voorschriften. Nog immer met hetzelfde doel, nl. in 't belang van het groote werk der Christelijke opvoeding der jeugd, richtte hij in 1864 in zijne bisschopsstad een zoogenaamd ..Studenten-te-huisquot; op. In Nov. van dat jaar werd eene Rechtsgeleerde faculteit te Nancy geopend. In een rondgaand schrijven van 12 October 1864 aan het gezamentlijk Episcopaat van Frankrijk, zet de ijverige bisschop van Nancy zijn plan uiteen. Znlke instelling was nog eenig in Frankrijk. Het schoone doel was de katholieke studenten te vrijwaren tegen de vele gevaren aan eene academiestad verbonden. Drie wijze en ervaren priesters werden belast met de leiding. Tegen eene matige vergoeding vonden de katholieke studenten in die inrichting huisvesting, levensonderhoud, het gebruik eener bibliotheek, alsmede lees- en speelzalen.
16
Een katholieke studenten-kring of societeit maakte deel uit van het huis. Dit werk leverde de schoonste vruchten op. In 1867, bij 't verlatpn van zijn diocees, mocht Mgr. Lavigerie het met voldoening getuigen in een verslag van zijn bisschoppelijk beheer, gericht aan Pius IX.
Dit voor 't hooger onderwijs der jeugd. Doch evenmin ontgingen hem de belangen van het middelbaar onderwijs. Een groot aantal dergelijke diocesaan-instellingen, toevertrouwd aan Priesters en Broeders van verschillende Congregatiën bestonden reeds in 't bisdom vóór zijne komst, o. a. het Kollegie van Malgrange en de school van St. Leopold.
Mgr. Lavigerie richtte er nog 4 andere op, nl. het Kollegie van Vic, van Blamont, dat van den Gel. Tourier te Luneville en later nog een te Toul. Het volledig getal klom nu tot 1-1.
Doch besteedde Mgr. Lavigerie reeds zooveel zorg aan 't onderwijs der leeken-jeugd, in 't bijzonder echter werkte hij aan de soliede vorming van hen, die zich bestemden tot het priesterschap. Alzoo wat het Groot-Seminarie zijns bisdoms aanging, liet hij niets onbeproefd om de jonge seminaristen te vormen tot de twee ton-damenteele deugden, zonder welke priestex-lijke deugd onbestaanbaar is, te weten de gehoorzaamheid en nederigheid. Onophoudelijk liet hij aandringen op de noodwendigheid van het innerlijk leven en van de meditatie. Op het voorbeeld van den H. Carolus Borromeus wijdde hij niemand tot subdiaken, die zich niet verbond geheel zijn leven lang iederen dag minstens 20 minuten te mediteeren. Zijn Groot-Seminarie telde soms meer dan 180 seminaristen. In October 1866 werden door hem de philosophen gescheiden van de theologanten, en in een afzonderlijk huis geplaatst.
Twee Kleine-Seminaries bestonden in zijn bisdom. Wat de klassieke studiën aangaat, werd op zijn nadrukkelijk verlangen, in de keuze der schrijvers, een zeer ruime plaats gegeven aan het chris-telijk element, zoo overvloedig voorhanden in de meesterstukken der HH. Vaders enz. Nog richtte hij bij de Kathedrale kerk van Nancy eene soort latijnsche school op, waar arme kinderen gratis de beginselen dier taal zich eigen konden maken. Immers in een rondgaand schrijven aan zijne geestelijkheid van 3 Sept. 1864 had hij er op aangedrongen, dat men met zorg ontluikende priesterlijke roepingen zou aankweeken.
Met even teedere zorg wijdde Mgr. Lavigerie zijn aandacht aan 't onderwijs, of liever aan de opvoeding der vrouwelijke jeugd, en aan de Zusters-Congregatiën, met deze opvoeding belast. In een schrijven van 19 Mei 1864 aan de Overste van een dier congregatiën, zei hij o. a. : âik stel er zeer hoogen prijs op, dat de jonge meisjes
17
van mijn diocees christelijk en eenvoudig worden opgevoed.quot;
De geestelijke congregatiën waren zeer talrijk in zijn bisdom, nl. 7 van mannen en 23 van vrouwen. â Van menige dezer laatste werden door hem de regels herzien, en liet noviciaat hervormd in overeenstemming met de laatste beslissingen der H. Congregatie dei-Bisschoppen en Regulieren betrekkelijk de instellingen van Reli-gieusen met eenvoudige geloften. Zoo o. a. die der Zusters der Kindsheid vac Maria, belast met de verzorging der kinderen en armen van het platteland, wier congregatie reeds na 30 jaren 200 leden telde; die der Zusters van het H. Hart van Maria met 500 leden, en die der Zusters der Voorzienigheid met 800 leden
In Mei 1865 werd door Pius IX, op zijn aanvraag, het oude klooster der Benediktinessen van Flavigny, â binnen welks muren de beroemde geleerden Dom Calmet en Dom Ceilleer hunne meesterwerken schreven, ââ tot Abdij verheven. Tot eerste Abdis, werd door Mgr. Lavigerie benoemd Maria Margaretha Thiery, en den 10 Juli 1865 door Kardinaal Dodnet plechtig gezegend. De âGodsdienstige week van Lotharingenquot; van den 16 Juli 1865 gaf eeu meesterlijk verslag dezer plechtigheid, alsook den 9 Sept. 1865 van eene andere plechtigheid, nl. de plechtige kroning van het eerwaardige beeld van O. L. Vr. van Goede Hulp te Nancy.
Zonder verpoozeu moedigde hij Katholieke Liefdewerken aan, als daar zijn: de St. Pieterspenning. In 3% jaar kon hij aan de voeten van den H. Vader neerleggen de som van 260.000 fr. De Liefdewerken van de Voortplanting des geloofs, van de H. Kindsheid, van de Oostersche scholen werden uitgebreid. Opgericht werden, teneinde den christen geest te bewaren en te verlevendigen, het Werk der Christen Moeders, dat der Kinderen van Maria, dat der Christen Onderwijzeressen, eindelijk dat eener Katholieke bibliotheek.
In vijf jaar, van 1863â1867, werden door Mgr. Lavigerie besteed ; 200.000 frank voor aankoop en meubileering van een Tehuis voor Katholieke studenten; 163.000 frank aan herstelling van zijn Groot-Seminarie ; 110.000 frank aan herstellingen en bijbouwen der Kollegies van Malgrauge en van Sint-Leopold ; 45.000 frank aan het Klein-Seminarie van Pont-a-Mouson; 120.000 frank aan de restauratie der Kathedraal van Nancy ; 80.000 frank aan herstelling van 't bisschoppelijk paleis (Staatsbijdrage); 180.000 frank iu 4 jaar aan meer dan 60 ziekelijke oude priesters ; 240.000 frank in 4 jaar aan arme studenten ; eindelijk 60.000 aan aalmoezen verstrekt aan armen, wat samen de verbazende som beloopt van 1.200.000 frank. â Eu toch kon de yverige bisschop in zijn verslag aan Pius IX (in 1867) getuigen, dat al die uitgaven gedekt
18
waren en hij den toestand dea bisdoms aan zijn opvolger in nog Woeiender toestand kon nalaten, dan hij dien gevonden had bij zijne komst in 1863.
Zijn Episcopaat was dus een leven van actie. Doch als Doctor in de Godgeleerdheid, en als oud-professov in de Kerkelijke Geschiedenis aan de Sorbonne, liet hij zich evenmin onbetuigd.
In Februari 1865, vaardigde Mgr. Lavigerie een bewonderenswaardig Mandement uit over den âSyllabus,quot; waarmee hij door Pius IX bij Breve van 16 Febr. 1865, allervleiendst werd gelnk-gewenscht.
Bij gelegenheid der feesten van den H. Martinus van Tours, gaf de ou 1 professor eene magistrale studie in het licht over het leven, het karakter, den invloed en de vereering van den H. Martinus, In heerlijke bladzijden worden hier door hem geschetst o. a. het ingrijpen der Kerk in den loop der wereldgebeurtenissen op het oogenblik van den inval der barbaren, â de verborgen overeenkomsten, die er bestonden tusschen de groote ziel van den H. Martinus en het genie van Frankrijk ; de werken van zijn veelzijdig apostolaat, â hoe die groote heilige de machtigen der wereld niet vreesde, enz.
Bij eene andere gelegenheid, die van het eeuwfeest nl. der ver-eeniging van Lotharingen met Frankrijk vloeien uit zijn pen heerlijke volzinnen, die een Bossuet niet zou versmaden, als hij spreekt van Jeanne d'Arc âla bonne Lorraine.quot;
Doch het oogenblik brak aan, dat de Voorzienigheid Mgr. Lavigerie ging ontrukken aan zijn dierbaar Lotharingen.
Mgr. Pavy, bisschop van Algiers, stierf den 16 Nov. 1866. Den 18 Nov. ontving Mgr. Lavigerie een schrijven van Maarschalk Mac-Mahon, destijds gouverneur-generaal van Algiers, met de vraag of hij rekenen kon op zijne toestemming, ingeval de Keizer hem (Mac-Mahon) raadpleegde over de keuze van een opvolger. Het, antwoord van den bisschop van Nancy in dato 19 Nov. 1866, was bewonderenswaardig. Hij zei erin o. a.: âEen Katholiek bisschop âmijnheer de Maarschalk, heeft slechts éen antwoord op dergelijk âvoorstel: ik aanvaard het smartelijk offer, dat mij wordt aange-âboden, en indien de Keizer een beroep doet op mijn toewijding,
âdan aarzel ik niet, wat het mij ook koste.....quot; Bij eene Bul
van Pius IX (25 Juli 1866), wier afkondiging bij decreet van 9 Jan. 1867 in Frankrijk werd geautoriseerd, was het bisdom van Algiers tot Aarts-bisdom verheven en waren aan hetzelve de nieuw opgerichte Suffragaan-bisdommen van Constantine en Oran toegevoegd. Mgr. Lavigerie werd benoemd tot eersten Aartsbisschop van Algiers bij decreet van 12 Jan. 1867 en gepreconiseerd den
19
27 Maart. Denzelfden dag, 27 Maart 1867, richtte h'j een roerenden Herderlijken brief van afscheid am de geestelijkheid en geloovigen van het diocees van Nancy, dat hij ging verlaten. Doch haasten we ons den nieuwen Aartsbisschop op Afrikaanschen bodem te vergezellen.
HOOFDSTUK III.
Bisschoppelijk beheer van Algiers 1887â1874.
§ 1-
Inkeziïnkmi.w. â Werken van zijn Apostolaat.
Doch waarom kwam Mgr. Lavigerie naar Afrika? In 1867 beschouwde men dezen stap als ecne onverklaarbare zinneloosheid, doch thans, na ruim 25 jaren, zeggen we volmondig: de Voorzienigheid trad hier tnsschenbeide ! Mgr. Lavigerie was geboren voor Missionaris, in den eigenlijken zin des woords. â Het doel van zijn stap legt hij onomwonden bloot in een vertrouwelijk schrijven, dat later openbaar is gemaakt, aan eenige zijner vrienden in het Episcopaat. Dat doel was vervat in twee woorden : de Muzelmansche bevolking der schoone Fransche kolonie Algerije christianizeeren, en langs hier den weg banen tot het reusachtige zwarte werelddeel met zijn 200 millioen bewoners ! Gewis een stout en geniaal plan, dat alleen kon opwellen in het brein van een Eoomsolien bisschop, een liefdeplan, dat alleen kon stralen uit het hart van een Sint Panlus of Xaverins, wier devies ook heette: âCharitas.quot;
Zoo groot was de verwondering van dezen stap, dat slechts één prelaat hem aanmoedigend zeide : â(ia. God kiest u uit : ik ken âheel ons Fransch episcopaat, gij alleen kunt dit werk met kans âvan slagen beproeven.quot; Deze prelaat was Mgr. Moret, toen bisschop van Sura, later Aartsbisschop van Lepanto, de vriend en beschermer zijner jeugd.
Doch wat den nieuwen aartsbisschop vooral troostte, was de vaderlijke aanmoediging van den onsterfelijken Pins IX bij Breve van den 14 Januari 1867, twee maanden voor zijne preconiseering.
Den 16 Mei 1867 landde Mgr. Lavigerie te Algiers aan. en nam bezit van zijn bisschoppelijken zetel onder de gcbrnikelijke plechtigheden. Zijn eerste herderlijke brief, een meesterstuk als zoovele andere, was als 't ware een , oorlogskreet bij 't betreden van 't
20
slagveld. Mgr. Lavigerie besefte volkomen wat kamp hem wachtte, niet enkel van den kant der bevolking, doch helaas van de zijde eener liberale maQonnieke regeering. Gebroken moest worden met het ellendig systeem, dat bestond in 't gekluisterd honden der Muzelmannen in hun barbaarscheid en hun Koran, uit vreeze naar men huichelachtig voorgaf, van een denkbeeldig fanatisme op te zweepen; een systeem dat stelselmatig- elk christelijk element gebannen hield uit het koloniaal beheer. â Naar den geest der Kerk, die liefde is, wilde hij integendeel de berberische bevolkingen winnen, door voorbeeld, onderwijs en liefdadigheid. Ziedaar zijn program. In heerlijke trekken ontwerpt hij verder eene schets der Geschiedenis van Noord-Afrika, spreekt van zijn hoopvolle verwachting der wedergeboorte van Atrika, en doet eindelijk een warm en welsprekend beroep op de gebeden zijner geestelijkheid en ge-loovigen.
Bij de komst van Mgr. Lavigerie telde het bisdom van Algiers S3 parochiën; 104 wereld- of ordesgeestelijken; 4 orden of congregatiën van mannen, die der Lazaristen, Jezniten, Trappisten en van de Broeders der Christelijke scholen. Verder 6 congregatiën van vrouwen: die der Zusters van den H. Vincentius van Paulo ; van het H. Hart; van de Christelijke Leering; van den Goeden Herder; van de H. Drievuldigheid (van Valeux), en van Goede Hulp (van Troyes). Het bisdom bezat verder een Groot- en Kleinseminarie te Kouba, en een te St. Engène ; een aantal Vincentius-Vereenigingen, ..Societé de Dames de Charitéquot; ; Liefdewerken : Voortplanting des Geloots ; Sint-Pieterspenning, enz.
Het getal Katholieken bedroeg 80.000 en dat der Muzelmannen ongeveer een millioen.
Zoo was de toestand van het diocees. Veel bleet te doen, onoverzienbaar was het arbeidsveld, doch Mgr. toog aan het werk met die vastberadenheid en wilskracht, dat beset van tncht, die de hoofdtonen vormen van zijn karakter en echter zoo wonderwel harmonieeren met een bijkans moederlijke teederheid.
Allereerst echter achtte hij het zijn plicht, den zegen van den be-minnelijken Pius IX te gaan vragen over zijne aanstaande werken. Den 11 Juni dan verliet hij Algiers en bevond zich in dezelfde maand te Rome, waar hij het plechtig eeuwfeest van Sint Pieter meevierde. Vandaar vertrok hij naar Parijs, om de nooden van zijn diocees bij de Keizerlijke regeering te gaan uiteenzetten. Na drie maanden keerde hij in zijn bisdom terug. Het was bij dezen overtocht van Marseille naar Algiers, dat Mgr. Lavigerie door een mirakel van O. L. Vr. van Afrika, aan een zeker doodsgevaar ontsnapte. Den 22 Sept. 1867 nl. scheepte hij zich in te Marseille, vergezeld
21
van een groot aantal priesters, waaronder de H. E. P. Abt dei-Trappisten van Staweli, en veel Zusters van het H. Hart, behalve 700 passagiers, meerendeels soldaten. Een verschrikkelijke storm overviel hen in de golf van Lyon. De âHerniusquot; was verloren, zooals de zeelieden het uitdrukten. Het roer was weggeslagen, het vunr in de machinen-kam-ei werd uitgedoofd door 't binnenstroo-mende zeewater. Matrozen en officieren zagen het oogenblik naderen, dat het schip in de golven wegzonk. Men werd zinneloos van schrik. De tweede stuurman laadde zijn pistool, zeggend dat iedereen het hooren kon : âIk schiet me door den kop vóór we vergaan.quot; Dit voerde den angst en de wanhoop ten top. Vrouwen vielen van zichzelve, doch als altijd verlevendigde het gevaar het geloof der meesten. Mgr. Lavigerie wekte allen op tot berouw en vertrouwen, gaf de algemeene absolutie, na ze eerst zelf van een der priesters ontvangen te hebben, en wekte allen op eene belofte te doen tot Onze Lieve Vrouw van Afrika, indien liet gevaar week. Een groot aantal deed deze belofte. Gedurende al dien tijd, lag de H. E. P. Abt ia zijne cabine plat ter aarde uitgestrekt. De aartsbisschop vond hem in dien toestand, en zei :
âWelnu, mijn waarde P. Abt, ziehier wat we zooeven belootd hebben, en gij, wat doet gij hier?
âIk, antwoordde de P. Abt, in al de eenvoudigheid van zijn âgeloof, ik beveel me insgelijks aan onze Goede Moeder, en ik zeg âtot Onze Lieve Vrouw van Afrika: âZiehier nu eene gebeurtenis, ââdie U maar weinig eer zal aanbrengen. Mgr. de Aartsbisschop ââis hier met veel zijner priesters, paters en zusters. Iedereen ââzal denken, dat wij U aangeroepen hebben en als Gij ons laat ââvergaan, dan zal men weinig of geen vertrouwen meer stellen ââin uw nieuw Bedevaarts-oord.quot;quot;
De prelaat glimlachte over deze kinderlijke vrijheid. Doch hun eenparig gebed werd verhoord. De storm bedaarde. Men slaagde er in een noodroer aan te brengen, en den 28 Sept. 1867, zes dagen na 't vertrek van Marseille, landden allen behouden te Algiers. Een maand daarna, den 28 Oct. 1867, onderhield Mgr. Lavigerie in een Herderlijk schrijven zijne geloovigen over deze gebeurtenis en kweet zich tevens van zijne belofte door de instelling, in de Basiliek van O. L. Vr. van Afrika, van een Broederschap, en openbare gebeden voor de levende en afgestorven zeelieden, die in gevaar verkeeren, of in de golven omgekomen zijn. Z. H. Leo XIII verleende bij Breve van 16 Juli 1S85 een vollen aflaat onder de gewone voorwaarden aan deze devotie.
Terwijl de aartsbisschop zich in Frankrijk bevond (JuliâAugustus 1867) brak een verschrikkelijke geesellos over Algerije, de cholera na-
22
melijk, eu alsof dat niet genoeg ware, eenige maanden daarna, eeu atgryselijke hongersnood, een gevolg van twee droge jaren ; 500.000 Arabieren werden door den geesel weggemaaid. Officieel werden op wreedaardige wijze deze ellenden doodgezwegen. Men vei joeg de inboorlingen uit steden en vlekken.
De moedige aartsbisschop verbrak het eerst het stilzwijgen door een brief van 1 Januari 1868 aan de Katholieke dagbladen van Frankrijk, waarin hij op welsprekende wijze de ellenden zijner arme schapen (zooals hij ook de Muzelmannen beschouwde) bloot legt en een beroep doet op de Katholieke liefdadigheid. âIk ben âbisschop, dat wil zeggen, vader, zoo schreef hij o. a. ; en hoewel âzij, voor wie ik lieden pleit, mij dien naam niet geven, zoo be-âmin ik heu toch als mijne kinderen en zoek ik het hun te be-âwijzen, overgelukkig indien ik hun mijn geloof in ruil kan geven, âof minstens de christen liefde jegens deze arme schepselen Gods âkan uitoefenen.quot;
Den 20 Febr. 1868 deed hij eeu dergelijk beroep op de bisschoppen van Holland, België, Spanje en Engeland. Allerwegen vormden zich comités en deed men inzamelingen. Ook zijne geestelijkheid liet zich niet onbetuigd. Grijsaards vau 70 jaar, aarzelden niet de zeeën over te steken, om in Amerika, de Vereenigde Staten, op de eilanden der Antillen en in Canada en Engeland dezen liefde-kruistocht te gaan prediken.
In eenige maanden had men eene groote som bijeen, die onder toezicht van den aartsbisschop werd uitgedeeld. Voor de volwassenen was deze tijdelijke onderstand voldoende, wijl de Eegeering hun werk verschafte, doch wat aan te vangen met de duizenden kinderen en weezen ? Vooral hun lot trof zijn vaderhart. Uitgestrekte weeshuizen werden opgeslagen, een te Ben-Aknonn eu later nog drie te Maison-Carrée voor jongens, anderen voor meisjes te Kouba. Overal langs de wegen en cactusheggen werden de arme verhongerde schepselen door zijne priesters en religieusen opgeraapt. Van Sept. 1867 tot Juni 1868. werden aldus door hem 1800 kinderen opgenomen. 500 dezer kleinen stierven ; 200 werden later, na den hongersnood, door hunne naastbestaanden opgevorderd, terwijl de 1100 overgeblevenen door zijne Paters- en Znsters-Missio-narissen werden opgevoed. Allervrnchtbaarst was dit apostolaat. (Zie Maandschrift van Sittard afl. Febr. en April 1890.) In latere jaren werden deze kinderen gehuwd en hiermee twee bloeiende christen Arabieren-dorpen gevormd in de vlakte van Chelift, wes-telgk van Algiers, die den naam ontvingen van St. Cyprien en Ste. Monique.
Doch juist deze heerlijke liefdewerken waren een doorn in het
23
oog eener bende vrijmetselaars, eeuwige vijanden van wat goed en edel is. De vijandelijkheid kwam van twee zijden : van de koloniale regeering ot de mannen van het zoogenaamd , Royaume Arabequot; of der âBureaus Arabes,quot; waarin het maijonniek element den boventoon voerde, â en van den kant veler kolonisten zonder geloof ot zeden.
Gouverneur-generaal van Algiers was destyds maarschalk Mac-Mahon. Velen beschouwen het conflict met zijn aartsbisschop als een vlek in het leven van dezen ridder âzonder vrees en zonder blaam.quot; Doch de brave Mac-Mahon werd misleid door zijn omgeving. Overigens weet iedereen, dat de beroemde maarschalk, de held van Solferino, veel minder Staatsman was dan ridderlijk soldaat. Men heeft hem wel eens âFrankrijks laatsten Ridderquot; genoemd.
En zeker aan onversaagde dapperheid ontbrak het hem evenmin als aan een diep geloof.
Het was dus de omgeving des Gouverneurs en ook die des Keizers, behept met Muzelmansche-maijonnieke-anti-godsdienstige sympathie, die uit sektarischen haat aan de Liefdewerken des aarts-bisschops een einde wilde maken. â Brutaal werd hem aangezegd, dat men na den hongersnood, hem met geweld zijn weesjes zou ontnemen en in de stammen terugzenden. Men wilde den Prelaat schrik aanjagen. Doch Mgr. Lavigerie nam den handschoen, die hem werd toegeworpen, op. Zijn antwoord is zeker de moedigste daad uit zijn leven, uit dit leven, waarin de moed nooit ontbrak. Een antwoord een H. Cyprianus waardig, en met volle recht door Mgr. de la Bouillerie genoemd âeen monument van bisschoppelijke âstandvastigheid, un monument de fermeté episcopale.quot; â Men leze zijn fiere en apostolische taal in de twee brieven aan zijne geestelijkheid en aan maarschalk Mac-Mahon.
Dit antwoord had het uitwerksel van een donderslag. Algemeen was de bewondering; zelfs de kolonisten van Algiers, in den regel verre van godsdienstig, zonden hem talrijke adressen van dankbaarheid. In Frankrijk was de bewondering niet geringer, op de eerste plaats onder het Episcopaat. De bisschoppen Brossais-Sint-Marc van Rennes, de la Bouillerie van Carcassonne, Gnibert van Tours, (later Kardinaal-aartsbisschop van Parijs), Plantier van Nimes, de La Tours-d'Auvergne van Bourges, Mermillod van Génève, zonden den moedigen kampioen allervleiendste gelukwenschen. Eveneens de voorname Katholieke pers : o. a. de Montalembert in de âCorrespondantquot; van 25 Mei 1868 ; de âUniversquot; van 18 Mei 1868. Eindelijk zette de kroon op dit alles eene Breve van Pius IX, in dato 27 Mei 1868, vol van vaderlijke aanmoediging.
Doch de sektarische invloed deed zich nog immer gelden rondom
2i
den Keizer. Men wilde, dat de Paus den weerspannigen aartsbisschop zou afzetten, of minstens hem een administrator zon toevoegen. Doch Pins IX handhaafde krachtdadig een bisschop, die zich zoo moedig betoond had in 't vervullen van zijn plicht. Doch Mgr. Lavigerie achtte het oogenblik gekomen zich zelf te gaan verdedigen bij den Keizer. Hij vertrok dus naar Parijs en had een onderhoud met Napoleon III. Van te voren had Mgr. hem reeds geschreven uit Algiers den 22 April 1868, en schreef hem nogmaals den 17 Mei 1868, na zijn bezoek aan de hoofdstad.
Dit waardig en krachtig pleidooi had een onverwacht gevolg. De Keizer wilde niet meer hooren van klachten tegen den aartsbisschop. Monseigneur mocht vrijelijk zijne Liefdewerken en zijn apostolaat voortzetten, aldus verzekerde een schrijven van maarschalk Niel, minister van oorlog, opgenomen in liet âJournal Offlcielquot; van 28 Mei 1868.
Zoo eindigde dit eerste conflict. Het Keizerrijk kwam inmiddels te vallen (1870â71). In Algiers werd het militair bewind door een burgerlijk vervangen. Zijn eerste vertegenwoordiger was admiraal de Gueydon, een uitstekend Katholiek. Hij was het volkomen eens met het program des aartsbisschops, en steunde hem uit al zijn macht in het werk der evangelizeering van de kolonie. Mgr. Lavigerie spreekt van dit gelukkig tijdperk in een later schrijven, opgenomen in den âüniversquot; van 16 Dec. 1886. Hij verhaalt hoe o. a. de admiraal eens een bezoek bracht aan liet Noviciaat der âPères Blaucsquot; te Maison-Carrée, en de volgende woorden tot de missionarissen sprak : ..Mijne heeren, er zijn er die u bestrijden, âdoch ik, in mijn hoedanigheid van oud Fransch zeeman, ik ken âuw werk goed, en ik bewonder u.....Ge knnt op mij rekenen.quot;
Het was onder zijn bestuur, dat Mgr. Lavigerie zijne scholeu in Kabylië begon. Dit apostolaat beloofde van den beginne af de schoonste resultaten, doch juist dit wekte den haat en de afgunst op der magonnieke sektarissen. Ongelukkig duurde het bewind van admiraal de Gueydon niet lang. De generaal Channy, die de Gueydon opvolgde, was wel niet vijandig gezind en de regeering schonk nog jaarlijks 90.000 f.iank aan den aartsbisschop voor de vestiging zijner christendorpen en de voeding zijner 800 weezen, doch de storm brak weldra los (1874â75). Thans waren het de bloedroode radikalen en atheisten van Algiers en de door hen geïnspireerde dagbladen. Met verbeten woede had men den aartsbisschop zijne christendorpen in de vlakte van Ckeliff zien gronden; en het succes der scholen in Kabylië maakte hen radeloos. De kreet van den Eector der Universiteit van Algiers vertolkt het best den algemeenen schrik in het radikale kamp : âLaat men
25
âden aartsbisschop begaan, dan is hij in tien jaar volstrekt meester âvan Kabylië!quot; â De aanval werd dus algemeen. Niets werd gespaard : lage verdachtmaking en het schrikbeeld van een opgezweept Muzelmansch fanatisme, waren schering en inslag. Warnier, afgevaardigde van Algiers, voerde deze hatelijke aantijgingen tot op de tribune der Fransche Kamer. Men wilde, dat de Regeering den onderstand van 90.000 zou inhouden, enz. Mgr. Lavigerie zette inmiddels zijne werken voort, doch thans nu hij openlik aangevallen werd door iemand die vroeger zijne plannen had bij-gestemd (Warnier), was spreken noodig.
In een meesterlijken brief van Aug. 1874, die aan al deleden der Kamer werd uitgedeeld, weerlegt hij een voor een de laffe verzinsels, zich o. a. beroepend op het getuigenis van generaal de Wimpffe, generaal de Souis en later van admiraal de Gneydon, die allen hem gesteund hadden.
Het gevolg van dit wakker pleidooi was, dat de som van 90.000 frank nog dat jaar werd toegestaan, doch het volgend jaar (1375) werd ze ingetrokken, daar de macht en brutaliteit der vrijdenkerij in Frankrijk en Algiers immer hooger en hooger stegen.
Noodlottig was deze slag voor de weeshuizen. Wel werden velen der meisjes uitgehuwelijkt en werden zij brave huismoeders, doch door gebrek aan middelen, gingen velen verloren door de ellendige berekeningen en afschuwelijke voorbeelden van hen juist, die er toe bijgebracht hadden, dat de onderstand van staatswege werd ingetrokken, van lieden door den aartsbisschop ergens met den ont-eerenden titel van ârenegatenquot; gebrandmerkt. Zoo ook ging het met een aantal der jongens.
Ten spijt dier waarlijk duivelachtige aanslagen, ging de Kardinaal immer voort met zijne Liefdewerkén. De Katholieke liefdadigheid vergoedde tienvoudig, wat de Staat onttrok.
Ten slotte : hoe onzinnig het verwijt immer geweest is, als zon hij het fanatisme der Muzelmannen opzweepen, bewijst o. a. een schrijven des aartsbisschops in 1880, over het doopen der onge-loovigen in Algiers. In dit stuk vol van wijsheid, geestigheid en voorzichtigheid, werd uitdrukkelijk verboden een joodsch- of mnzel-mansch kind te doopen, zonder de nitdrukkelijke vergunning der ouders, en geen volwassen protestant, jood of muzelman zonder zijn uitdrukkelijk en bijzonder verlof.
26
§ 2.
Bisschoppelijk beheer. â Kolonisatie-plannen.
Bij al de werken van een ijverig apostolaat onder de inboorlingen, verloor Mgr. Lavigerie echter de Earopeaansclie bevolking en liet bestuar van zijn uitgestrekt bisdom niet uit het oog.
Ellendig was de toestand der parochiekerken van zijn bisdom, ja zelfs zijner bisschopsstad Algiers. In veel parochiën daarenboven ontbraken ze geheel en al. Men las de H. Mis, en men vereenigde de geloovigen vaak in de hnizen der kolonisten, in schuren of onder atdaken. â De aartsbisschop toog aan het werk. De hulp werd ingeroepen van den Staat, van de kolonisten en van de geestelijkheid. Nauwelijks twee maanden na zijne installatie, den 21 Nov. 1867, richtte hij een oproeping aan de geestelijkheid en geloovigen der parochie van Sint Angustinns van Bab-Azoen ; den 2 Dec. 1867 tot die der parochie van Cité-Bugeaud ; weinig tijds daarna tot die der parochie van Mustapha-Inférieur, denzelfden dag tot die van Kouba ; daarna tot de bewoners van St. Eugène, Mustapha-Supérienr, Agha en Cité-d'Isby, enz. Zijne pogingen werden met den besten uitslag bekroond. In het geheel werden 69 nieuwe kerken of kapellen opgericht in betrekkelijk korten tijd, en onder deze vele zeer schoone. (*)
Doch kerken bouwen is niet voldoende. Hoofdzaak is den godsdienstzin en de godsvrucht der geloovigen verhoogen. Krachtig droeg hiertoe bij de instelling, door Mgr. Lavigerie, van permanente Missies of Triduums in alle parochiën des bisdoms. Hiermee voegde hij samen de altijddurende uitstelling en aanbidding van het H. Sacrament. In dezer voege wordt, elke week desjaars, in twee parochiën Missie gegeven, en alle dagen des jaars is het Allerheiligste Sacrament ergens in 't bisdom ter aanbidding uitgesteld.
In Algiers spreekt men zoowat alle talen. De Enropeesche be-
(â¦) Een woord over de parochie van Agha (8tad Algiers). Deze bezit thans eene fraaie kerk, pastorie, school, zuster-huis, weeshuis, werkplaatsen voor meisjes enz. en dit alles dank aan twee bewonderenswaardige Hollandsche weldoeners, M®». Wauters uit Maastricht. Ik spreek nog niet eens van wat deze edele zielen deden en nog doen voor tal van Liefdewerken, de Missiën, de Basiliek van O. L. Vr. van Afrika, enz. Het was op haar kasteel te Maastricht, dat de Kardinaal ontvangen werd, toen hy aldaar in 1887 vertoefde tot vestiging van het Postolaat der Zusters-Misaionnarissen. Dit roept my in 't geheugen eene andere Hollandsche weldoenster, de vrouw van den vroegeren burgemeester van Maison-Carrée, ook Hollander, doch protestant. Deze edele dame vermaakte bij haar dood 80.000 frank voor den bouw van een Zusterhuis met Pensionaat voor meisjes. Dit groote ruime klooster is thans een sieraad der stad en doet onberekenbaar veel goed. Nog moet ik vermelden twee edelmoedige Hollandsche weldoeners te Hussein-Day, die daar op eigen kosten eene groote Katholieke Bijzondere School besturen.
27
volking vaa Algerije bedraagt in ronde cijfers 220.000 ; 80.000 dezer zijn Spanjaarden ot mahonieten (van Mahon, op de Baleari-sche eilanden). Deze arme lieden waren zonder priesters, die hunne taal spraken en dientengevolge vaak verstoken van geestelijke hulp. 600 hunner, door Engelsche zendelingen van Gibraltar misleid, vielen af van hun geloof. Mgr. Lavigerie stelde alle pogingen in 't werk om priesters van denzelfden landaard in zijn diocees te ontbieden. Driemaal deed hij de reis naar Madrid om bij de regeering onderstand te vinden, teneinde een Huis van Spaansche Missie-priesters te Algiers te kunnen oprichten. Zijn ijver werd met een gunstigen uitslag bekroond. Het was de Communanteit der Paters van het Onbevlekte Hart van Maria (Immacolado Grazon) die zich met deze zending belastte, en voortaan vruchtbaar werkte.
Eeeds van den aanvang af, in 1867, trok een ander schoon Katholiek werk zijne aandacht, nl. het stichten eener goede, wakkere Katholieke Pers. Geen enkel goed Katholiek dag- ot weekblad bestond vóór dat tijdstip in geheel Algerije. Doch wat moeite en geldelijke offers hij zich ook getroostte, het gelukte hem niet eene oprechte Katholieke en duurzame redactie aan een der oude dagbladen te geven. In 1867 richtte hij eene Revue- of Godsdienstige week des bisdoms op, doch deze hield reeds na drie jaren op te verschijnen. De Katholieken zijn nu eenmaal dim gezaaid in Algerije, en de oorlog met Duitschland, alsmede de ontredderde toestand wegens den Kabylen-opstand deden de rest, om de poging te doen mislukken. Niet gelukkiger was de âEcho de Notre Dame d'Afrique.quot;
Boven alles echter gingen hem de wetenschappelijke vorming, en de kerkelijke tucht zijner geestelijkheid ter harte. Vooral drong hij aan op de theologische examens der jonge priesters, welker program hij uitbreidde, terwijl hij de verplichting ervan opnieuw inscherpte. Even als te Nancy was zijn doel de stichting eener Inrichting voor Hoogere studiën, getuige een schrijven van October 1867, doch de verwarde toestand van Frankrijk in de volgende jaren maakte de uitvoering van dit plan onmogelijk.
De kerkelijke tucht was immer een voorwerp zijner aanhoudende zorg en waakzaamheid.
Den 2 Februari 1868 werd aldus door Mgr. Lavigerie, volgens den geest der Kerk en het verlangen des H. Stoels een diocesaan Kerkelijk Gerechtshof opgericht.
De Seminaries zijns bisdoms waren, natuurlijkerwijze, geen minder belangrijk voorwerp zijner zorgen. Vóór zijne komst bestond het Groot-Seminarie van Kouba. Dit Seminarie, een der schoonste der wereld, werd gebouwd op Staatskosten, ter plaatse van een
28
ond versterkt kamp, in 1848 door generaal de Cavaignac aan het bisdom geschouken. Het was oorspronkelijk bestemd om te voorzien in de drie bisdommen van Algiers, Constantine en Oran, doch na één jaar werden de Seminaristen gescheiden door Mgr. Lavigerie. De Lazaristen waren belast met de leiding. De meeste Seminaristen kwamen en komen nog uit Frankrijk en Spanje. â Het Klein-Seminarie was door Mgr. Pavy gevestigd te Saint-Eugène, op het eigedom van het vroegere Consulaat van Frankrijk. De leiding er van werd in 1867 toevertrouwd aan priesters des bis-doms. Het was toenmaals een soort gemengd ICoIlegie, en nam kinderen op, die zich niet voor den geestelijken stand bestemden. Mgr. Lavigerie bracht eene scaeiding teweeg, en belastte de Lazaristen met de leiding van 't Klein-Seminarie. De Staat gaf eene jaarlijksche toelage van 25.000 tr., doch deze werd ingetrokken in 1868 op het oogenblik der ingevoerde splitsing. De geringe toelage voor !t Groot-Seminarie bleef bestaan, doch werd eveneens in 1876 ingetrokken. Toen de aartsbisschop in 1868 het Klein-Seminarie van St. Eugène splitste, richtte hij twee andere Kollegies op, teneinde de Katholieke familiën in de gelegenheid te stellen om hunnen kinderen een christelijk onderwijs te doen geven. Het eene werd gevestigd te Algiers zelf en toevertrouvyd aan de paters Je-suiten, doch bestond maar eenige jaren, wegens de verdrijving der paters door de beruchte Maart-decreten van 1880. Het andere werd door de priesters Basilianen bestuurd te Blidoh. Dit gesticht verkeert ook thans nog in een allerbloeiendsten toestand, en telt minstens 300 leerlingen.
Al zijn krachten wijdde verder Mgr. Lavigerie aan de oprichting van bijzondere Katholieke Lagere Scholen van Broeders en Zusters. In tien jaar werden een groot aantal tot stand gebracht. In 1870 en 1871 werden deze scholen wel gesloten met name te Algiers door den ultra-radicalen gemeenteraad, doch in latere jaren werd de toestand beter.
Ik ga stilzwijgend voorbij een aantal buitengewone plechtigheden, parochie-bezoeken, kerkwijdingen, jubilé-processies, leesten bij gelegenheid van Heilig- of Zaligverklaringen in deze periode iu het diocees voorgevallen ; eveneens gewaag ik niet van de talrijke predicaties door den prelaat in het Fransch, Italiaansch en Spaansch bij menige gelegenheid gehouden.
Toch wil ik rnet een enkel woord twee dier buitengewone plechtigheden vermelden.
De eerste was de plechtige consecratie der Kerk van O. L. Vr. van Afrika op 2 Juli 1872. Met den meesten luister en onder ontzaglijken toevloed van geloovigen werd deze plechtigheid door
29
den aartsbisschop verricht. Denzelfden dag werden de overblijfselen van Mgr. Pavy, die zooveel gedaan had voor den eeredienst van O. L. Vr. van Afrika, overgebracht naar de kerk, om neergelegd te worden aan den voet van het mirakuleuze beeld, zooals de eerbiedwaardige Belijder in zijn leven verzocht had.
De tweede was de heerlijke Sacraments-processie in 18J2 in- en rondom de Kerk van O. L. Vr. van Afrika, in plaats van in de straten van Algiers. De maronnieke gemeenteraad van Algiers verbood dat jaar de Sacraments-processie, zich aldus verlagend in het oog zelf der Muzelmannen, die een volk zonder uiterlijken godsdienst diep verachten. Algemeen was de verontwaardiging der Katholieken, en heerlijk het protest van den aartsbisschop van 28 Mei 1872 aan den prefect. De Sacraments-processie had dns plaats op het eigendom der Missie rondom de Basiliek van O. L. Vr. van Afrika, en nooit te voren was deze zoo schitterend geweest. Eene ontzaglijke menigte volks, de 20.000 te boven gaande, nam er deel aan, evenals gansch het Fransch leger met al zijn officieren. De artillerie plantte hare batterijen op een aangrenzenden heuvel en salueerde door hare losbrandingen het H. Sacrament.
Als Herder eener uitgestrekte Kolonie, achtte Mgr. Lavigerie het zijn plicht de stoffelijke welvaart zijner schapen te vermeerderen. Onschatbaar zijn de diensten door hem aldus aan de Kolonie bewezen. Op alle manieren moedigde hij het koloniale leven, vooral den landbouw aan. Hij wees den Algerijnen op het beroemde Trappisten klooster van Staweli, om bij die nijvere monniken te gaan leeren wat rijkdommen de Afrikaanschen bodem kan opleveren, indien arbeidzaamheid gepaard gaat met orde, spaarzaamheid en verstand. Millioenen ontwoekeren die nederige monniken aan een bodem, die in 1830 eene wildernis was, en die millioenen gaan elders aan tal van Liefdewerken (missies) geschonken, honderdvoudig nut stichten. Docli Mgr. Lavigerie liet het niet bij woorden van aanmoediging, hij gat zelf het voorbeeld. Men kan zeggen, dat bijna al zijne instellingen op den landbouw gebaseerd zijn. Als voorbeeld diene de Societeit van Missionarissen, door hem in 1868 gesticht. Duizenden hectaren woeste grond werden door hem aangekocht en door zijne weeskindereu onder leiding en voorbeeld der Broeders- en Zusters-missionarissen in prachtige wijngaarden en zeer winstgevende tuinen en bouwlanden herschapen. Men leze zijn plan in een schrijven van 10 Juni 1869, door hem gericht aan HH. Presidenten en Leden der Centrale Raden van de Voortplanting des Geloofs. Inziende dat het gebrek aan stoffelijke middelen een der hinderpalen uitmaakt met name den bloei der Missie, was het immer zijne
30
grondgedachte iilJus grootendeels daarin te voorzien. Zelf wilde hij de stoomploegen der wijngaarden van Maison-Carrée inzegenen, en sprak bij deze gelegenheid eene merkwaardige redevoering uit. Den 18 Mei 1868 richtte hij een brief aan de âGazette dn Midi,quot; waarin werd aangedrongen op grootere vrijheden en onderstand vTtn staatswege ter ontwikkeling van den landbouw en den koophandel. Toen, na den oorlog van 1870, veel Elzas-Lotharingers uitweken, richtte de aartbisschop van Algiers een oproep tot hen, om ze te doen besluiten de Afrikaansche kolonie te komen bevolken. Een exemplaar van dezen oproep werd uitgedeeld aan de afgevaardigden van Frankrijk, en. deze vaderlandslievende daad bracht veel bij tot de latere gunstige wet op de landverhuizing van Elzas-Lotharingen naar Algiers.
Zijn ijver bepaalde zich echter niet tot 't aanmoedigen der Kolonisten, doch voorzag tevens in 't lot der ouden en zieken, die ongeschikt waren geworden om in hun onderhoud te voorzien. Met dit doel richtte hij een groot oudmannen- en vrouwenhuis op te Bou-Zareah, en belastte de bewonderenswaardige Zusterkens der der Armen met de verzorging.
§ 3.
Dk Aartsbisschop van Algiers en Frankrijk.
De Aartsbisschoi1 van Aloibrs rn de Kerk.
Be naam van Kardinaal Lavigerie is in Frankrijk gelijkluidend met vaderlandsliefde. Xooit was een eeretitel meer verdiend, zelfs zijne talrijke vijanden zijn gedwongen het te erkennen. Eene Italiaansche Revue o. a. (Corriere mercantile de Genova No; 4 milano 1887) zeide letterlijk in latere jaren het volgende: âWij zijn over-âtuigd, dat Kardinaal Lavigerie in Afrika voor- zijn vaderland de âvertegenwoordiger is, die het meeste gezag heeft, de grootste âwerkzaamheid aan den dag legt en de meeste diensten bewijst.quot;
Toen Frankrijk dein 19 Juli 1870 den oorlog verklaarde aau Dnitschland, schreet de Aartsbisschop den 27 Juli aan de geestelijkheid en geloovigen zijns bisdoms openbare gebeden voor om 't welslagen der Fransche wapenen van den hemel af te smeeken.
Toen den 6 Aug. 1870 het Fransche leger te Reichshofen werd verpletterd, vroeg hij opnieuw gebeden en aalmoezen voor de gekwetsten.
Dit was nog niet alles. Veel priesters en seminaristen van zijn bisdom smeekten hem om als aalmoezenier en vrijwillige zieken
31
oppassers de FranscUe troepen te mogen volgen. Mgr. Lavigerie deed zelf bij de Regeering de noodige stappen om hen in die hoedanigheid te doen aannemen, doch slechts 3 op de 39, die zich aangeboden hadden, werden te Parijs geaccepteerd. De kanunnik Gillard was tegenwoordig op het bloedige slagveld van Reichshofen, en vergezelde, na den aftocht van Maarschalk Mac-Mahon, als krijgsgevangene de 800 Frausche gekwetste soldaten naar Beieren. De E. H. Gilles, pastoor van St. Eugène, bevond zich op het slagveld van Weissenburg, waar hij den stervenden generaal, genaamd Douay, de laatste absolutie gaf.
Toch werden zijne vaderlandslievende gevoelens weldra miskend, zelfs op de tribune der Fransche ICamer. Met verontwaardiging, doch waardigheid verdedigde zich de Aartsbisschop in een brief aan M. Keller (Gazette du Midi 20 Ang. 1870.)
Na Sedan schreef Mgr. Lavigerie opnieuw publieke gebeden voor, o. a. de voor Priesters in hun H. Sacrificie het gebed âpro tempore belli,quot; en 's Zondags in 't Lof de antiphoon en het gebed,, pro pace.''
Toen Frankrijk na Sedan de worsteling niet opgaf en het Gouvernement der Nationale verdediging een beroep deed op aller vaderlandsliefde, en de kerkklokken vroeg om er kanonnen uit te gieten, aarzelde de aartsbisschop niet, op 't voorbeeld van den H. Cyprianus, die bij eene publieke ramp, zelfs de HH. Vaten zijner Kerk van Carthago verkocht.
Toen eindelijk de vrede gesloten werd, in 1871, beval hij aller-wege een plechtige lijkdienst voor de gesneuvelden.
Gedurende den oorlog van 1870â1871 had men de onvoorzichtigheid gehad Algiers te ontblooten van bijna alle troepen. Een verschrikkelijke Kabylen-opstand barstte los. Het scheelde zeer weinig, of de gansche kolonie was verloren. De pastoor van Palestro met de heele Europeaansche bevolking tot op één man werd door de rebellen vermoord, en zoo geschiedde het op vele plaatsen. Het gelukte [echter aan admiraal de Gneydon met slechts 800 man, de honderdduizend Kabylen tegen te honden, tot hulp uitliet moederland opdaagde. Bij deze gelegenheid schreef de Aartsbisschop in geheel zijn diocees een plechtig Triduum van openbare gebeden voor, om het behoud zijner schapen van den Hemel af te bidden.
Was dus Mgr. Lavigerie eene tjonwe zoön zijns vaderlands, toch wordt in 't leven van den Kardinaal a^les overschaduwd door lietcgroot geloot en de onmetelijke liefde , van den â trouwen â zoon der JL Moederkerk. â¢
â iWe zijn Qp 't oogenblik Van 'tAlgemeen Vaticaansehe Concilie (1869â1870), waarin de onfeilbaarheid des Pausen: tot Dogma verklaard werd. We hebben gezien hoe Mgr. Lavigerie als jong
32
Professor aan de Sorbonne, ten spijt van Jansenitische en Galli-caansche vooroordeelen, onbewimpeld en moedig het leerstuk van 's Pausen onfeilbaarheid leeraarde. Insgelijks hoe hij bij 't verschijnen van den Syllabus van zijn volle adhesie blijk gaf. In den grond heeft Mgr. Lavigerie immer een allerdiepsten afkeer gehad van theologische twistvragen onder Katholieken, vooral In onzen tijd, nu aller krachten dienden vereenigd te zijn tegen de woedende aanvallen der vijanden der Kerk. In dezen geest schreef hij in den Regel zijner missionarissen :
âIn alle vragen van geloot- en zedeleer, zal men nooit een âander richtsnoer volgen, dan de beslissingen en aanwijzingen van âden H. Apostolischen Stoel, en men zal de volstrekte onderdauig-âheid en toewijding aan den Paus beschouwen als de eerste glorie âeu het eigen karakter dezer kleine Societeit.quot;
Alvorens naar Rome aftereizen, deelde hij zijne priesters als zijn onveranderlijk besluit mede, in geenen deele, in wat geval ook, deel te nemen aan de verdeeldheden, die mogelijk konden ontstaan.
Den 9 Dec. 18c9, kwam Mgr. Lavigerie te Rome aan, twee dagen vóór de opening van het Concilie.
Het smartte hem zeer, dat zijne beste vrienden van hem in zienswijze afweken, en daarenboven hem nog met alleu aandrang wilden overhalen tot hun gevoelen. Eenvoudig doch subliem was zijn antwoord: âIk wil eenvoudig met den Paus en de 800 bisschop-âpen zijn. Voor mij is de vraag beslist, ofwel er bestaat geen âKerkmeer.quot; â Zelfs zijn beide Suffragaan-bisschoppen, Mgr. Callot van Oran, en Mgr. de Las Casas, alsook zijn oude beminde leermeester Mgr. Maret waren onder 't getal der oppositie.
Men verhaalt dat destijds een der invloedrijkste Kardinalen van het Pauselyk Hof, wien men vroeg; âEn hoe houdt zich de aartsbisschop van Algiers,quot; zon geantwoord hebben: âAls een engel!quot;
Vóór de sluiting des Concilies, verzocht de aartsbisschop van Pius IX verlof naar zyn diocees terug te keeren, alwaar zijne tegenwoordigheid wegens zijqe talrijke werken hoog noodig was. Als een blijk van vertrouwen der Vaders van het Concilie, werd hy met algemeene stemmen als 8e lid der 24 geplaatst op de lijst der leden van de Congregatie of Commissie der Missiën en der aangelegenheden van het Oosten.
Toen, na zijn terugkeer te Algiers, de afkondiging van het dogma der Onfeilbaarheid, hem bekend werd, telegrapheerde hij aanstonds naar Rome, om aan de voeten van Pius IX zijne publieke adhesie neer te leggen en ze in de Handelingen van het Concilie te doen opnemen.
(Wordt vervolgd).
LEVENSBESCHRIJVING
I Em. Kardinaal Lavigerk
(EERSTE VERVOLG).
Het was de eerste stem der afwezige bisschoppen, die te Eome aankwam.
Dit was hem niet voldoende; den 8 Sept. 1871 riep hij eeae Diocesane Synode bijeen tot afkondiging der dogmatische Consti-tntiën van het Vaticaansch Concilie. De Synode werd geopend den 23 Sept. 1871. Na de voorlezing der Handelingen, riepen alle vaders uit een mond: âZoo gelooven wij, zoo denken wij, zoo âbelijden wij. De H. Geest lieett door de Kerk, Petrus door Pius âgesproken.quot; Daarna had het onderzoek, de stemming en afkondiging der Synodale Statuten plaats. Deze vormen een vol in- 8° van 316 blz. behalve 50 blz. voorrede. Na afloop werd door allen eene petitie geteekend aan de leden der Nationale Vergadering om de verdediging der rechten en prerogatieven van den H. Stoel te vragen en mede een adres aan Pius IX om te prote-steeren tegen de heiligschennende overweldiging der Pauselijke Staten. Vijttig dagen daarna antwoordde Pius IX door een vaderlijke Breve, die een glorie is voor de Afrikaansche Kerk en haar Herder.
Df.ze Synode gold slechts het diocees van Algiers. Mgr. Lavi-gerie wilde dus, mede op verlangen van Pius IX, dezelfde weldadige regeling uitstrekken over de twee andere bisdommen Oran en Constantine. Bij decreet dus van 15 Febr. 1873 riep hij het Provinciaal Concilie van Algiers bijeen.
Dit werd geopend in de Basiliek van O. L. V. van Afrika, op Zondag 4 Mei 1873, feestdag der H. Monica, moeder van den H. Augustinus, den grooten Leeraar der Kerk. Daaraan namen deel 4 bisschoppen, de HE. Abt der Trappisten en 26 vertegenwoordigers der reguliere en seculiere geestelijkheid. Eene heerlijke Synodale
34
allocutie werd bij deze gelegenheid door Mgr. Lavigerie uitgesproken. Het Concilie duurde zonder ophouden van 4 Mei tot 8 Juni, hield 6 plechtige zittingen, 14 algemeene en 94 bijzondere vergaderingen. De hoofdonderwerpen, die werden behandeld, waren de kerkelijke tucht, het uitspreken der grondwaarheden des geloofs, en de veroordeeling der moderne dwalingen. Het Concilie, alsmede de meesterlijke redaktie der dekreten was bijna uitsluitend het werk des aartsbisschops. Op magistrale wijze worden er o. a. de onfeilbaarheid des Pausen, het liberalisme, het doctrinaal gezag van den âSyllabusquot; besproken.
HOOFDSTUK IV.
Vervolg van het Bisschoppelijk beheer van Algiers. (1874â1881).
§ 1
De Missionarissen van Algiers, op âPères Blancs.quot;
Wij hebben gezien, dat het Apostolaat, de evangeliseering der inboorlingen van Algerije en der overige bevolking van het zwarte werelddeel, het ideaal was van Mgr. Lavigerie. Doch hoe dit reuzenplan te verwezenlijken? Mgr. Lavigerie begreep, dat één man, al ware hij ook een Xaverius, hiertoe onvoldoende was. Er was een geslacht van Apostelen van noode. En dit was de reden, dat Mgr. Lavigerie in 1868 eene Societeit oprichtte van Priesters-, Broeders- en Zusters-Missionarissen. Als immer was het begin nederig. De eerste drie missionarissen waren de paters Duguerry, (die later tot tweemaal toe Algemeen Overste was), Charmetant en Finateu. Het noviciaat werd geopend in een nederig huis te El-Bi ar. Na 5 jaar, in 1872, werd dit overgebracht naar St. Eugène en in 1873 naar Maison-Carrée. De EE. PP. Jesuiten bestuurden Noviciaat en Scholasticaat tot 1875. Een Jesuit, een Lazarist en een Sulpiciaan, als de vertegenwoordigers der drie hoofddeugden van den missionaris; de gehoorzaamheid, het geloof en de priesterlijke heiligheid, hadden als 't ware de wieg der kleine Societeit bewaakt.
Het Provinciaal Concilie van Algiers in 1873 en later de H. Stoel schonken hunne aanmoediging en goedkeuring aan de jeugdige Societeit.. In een herderlijken brief van 19 Sept. 1874. aan de Paters- en Broeders-Missionarissen, maakte de Aartsbisschop hun.
35
deze Decreten bekend. De Societeit had van den beginne tot patrones Onze Lieve Vrouw van Afrika, ea ieder harer leden is er fier op den naam te voeren van : âMissionaris van 0. L. V. van Afrika!quot; De Societeit hangt rechtstreeks af van den H. Stoel, bijgevolg is zij ontheven van de jurisdictie van den Ordinaris van Algiers en gesteld onder het gezag van den Apostolischen Gedelegeerde van de Sahara en Soedan, een titel, dien Mgr. Lavigerie destijds van den H. Stoel ontving. De organisatie werd voor goed geregeld, de verkiezing van den Algem. Overste en der Eaden vastgesteld, enz. Den 12 Oct. 1874 werd het eerste Algemeen Kapittel geopend in de Kapittelzaal der Basiliek van 0. L. V. van Afrika. Tot eersten Algem. Overste (of liever; Vicaris-Generaal der Societeit tijdens het leven des Kardinaals), werd gekozen P. Dnguerry. In een roerend schrijven eenige dagen daarna, lei de Hoogvereerde Stichter zijne kinderen vooral drie zaken na aan het hart: lo. nooit het doel der Societeit, de bekeering der inboorlingen uit het oog te verliezen ; 2o. de voorzichtigheid, het geduld en de liefde immer te paren aan den ijver, en 3o. de broederlijke liefde. âFilioli, diligite invicem = kinderen, bemint elkanderquot;; âüt unum sint____Pater, serva eos in nomine tuo qnos
dedisti milii = Opdat ze een zijn____ Vader, bewaar hen in uwen
naam, die Gij mij gegeven hebtquot;. Deze waren zijne hartroerende slotwoorden.
Den 29 Oct. 1874, verrichtte Mgr. Lavigerie de plechtige Consecratie der Kapel van het Moederhuis en 't Noviciaat der âPéres Blancsquot; te Maison-Carrée en sprak bij die gelegenheid eene gedenkwaardige redevoering uit in tegenwoordigheid van Generaal Chanzy, Gouverneur-generaal, en al de autoriteiten van Algiers.
De Societeit was dus voorgoed gevestigd en toog aan 't werk. Voor doel had ze niet slechts de bekeering der Arabieren van Algerije, doch ook die van de Sahara en Soedan (Decreet der Congr. der Propaganda van 6 Aug. 18G8).
Den 28 Aug. 1873 reisde Mgr. Lavigerie met twee zijner Missionarissen Pater Dnguerry en Charmetant naar Eome, om zijne Apostelen aan den beminnelijken Pius IX voor te stellen en hen te laten zegenen.
P. Charmetant, die reeds in 1872 eene eerste reis in de woestijn gedaan en de eerste slaatjes vrijgekocht had, vertrok in 1873 met nog twee anderen opnieuw daarheen.
In 1873 werd de bewaking en bediening der Basiliek van O. L. Vr. van Afrika, aan de âPères Blancsquot; toevertrouwd ; zij vervingen de Norbertijnen.
In dit jaar (1873) werden door P. Charmetant de eerste missie-
36
centrum's gevestigd in de Sahara, en door P. Duguerry vijf posten in Kabylië. (2 Febr. 1873).
In 1874 werd eene Apostolieke School voor Missionarissen door Mgr. Lavigerie opgericht te St. Laurent-d'Olt (Avegron, Frankrijk).
In Dec. 1875 werden drie Missionarissen op weg naar Tomboektoe in de woestijn door Touaregs vermoord. De Societeit telde dus hare eerste martelaren. Het waren de Paters Paulmier, Menoret en Bouchard. Mgr. Lavigerie richtte bij deze gelegenheid een hartroerenden brief aan de ouders der drie martelaren.
Het was ook in dit jaar (1873) dat de Societei'. der Zusters-Missionarissen van O. L. Vr. van Afrika meer uitbreiding nam. Ze telde op dat oogenblik 70 Zusters, had een Postulaat te Aix, (Frankrijk) en liet Noviciaat te Kouba.
Mede in 1874 werden de âPères Blancsquot; van Mgr. Lavigerie door den H. Stoel met goedkeuring van liet Fransche Gouvernement, belast met de Missie van den H. Lodewijk en de bewaring van zijn heiligdom te Carthago (Tunis). De PP. Bresson en Molle namen er liet eerst bezit van.
De Christen Arabieren dorpen in de vlakte van Cheliff werden, verzuimd, doch uitgebreid en met vrucht werd gewerkt in den omtrek. Den 5 Febr. 1876 werd het groot Hospitaal St. Elisabeth voor de oude, gebrekkige Arabieren (door de Zusters-Missionarissen te bedienen) plechtig door Mgr. Lavigerie ingewijd.
Den 11 Oct. 1876 werd eene plechtige Mis van dankzegging (gunst van den H. Stoel) ter eere der 3 martelaren der woestijn in 't Noviciaat te Maison-Carrée opgedragen.
Op dit tijdstip werden de Missiën geopend in Tripoli en de woestijn van Tripoli (Gadomes). Deze beloofde schoone resultaten, doch na eenige jaren moesten deze posten worden ingetrokken wegens het opgezweept fanatisme der Muzelmannen. De kolonne Flatters werd uitgemoord, en in 1882 vielen drie Missionarissen: Richard, Morat en Ponplard onder den dolk derzelfde Tauaregs. De Societeit telte dus reeds 6 martelaren.
Het Missiewerk werd aldus door Mgr. Lavigerie op ruime schaal aangelegd. In de âUniversquot; van 3 en 4 Febr. 1876 wijdt de beroemde Louis Veuillot eenige heerlijke kolommen aan dit reuzenplan van den toekomstigen Kardinaal-Missionaris. Ik geet hier zijne slotwoordan:
âMgr. Lavigerie telt thans (1876) meer dan 100 Missionarissen âZij leiden een leven van reizen, van studie, armoede en stilzwijgen, âwaarvan men zich de strengheid met moeite kan verbeelden. âDeze roeping van den christen veroveraar van Afrika eischt werk-âzaamheden, die de verbeelding beangstigen ; zij begint met een
37
âeen geducht (formidable) noviciaat; zij opent de vooruitzichten âvan een toewijding zonder grens. Geen enkele is nog terugge-âdeinsd. God zij eeuwig gelootd! Onze eeuw ziet ook van die
âdingen..... en zoo is thans de christen ziel er toe gekomen, zich
âde woestijn te openen.....quot;
De groote publicist was hier profeet!
§ 2.
Diocesaan Beheek.
Uit al het voorgaande heeft men gezien, hoe de werkzaamheden des Aartsbisschops, vooral wegens de Missie-ontwerpen, eene verbazende uitgebreidheid verkregen. Daarbij was de staat zijner gezondheid, die immer sinds zijne jeugd veel te wenschen overliet, in 1871 en 't begin van 1872 verre van geruststellend. Mgr. Lavigerie besloot dus een Hulp-Bisschop aan te vragen. Zijn keus viel op Mgr. Soubizanne, Oud-Vicaris-Generaal van Mgr. Dupanloup, en Direkteur van het Werk der Oostersche Scholen. Mgr. Soubizanne werd den 1 Febr. 1872 te Parijs tot Bisschop gewijd door den Aartsbisschop van Algiers zeiven. Doch de nieuwe Hulp-Bisschop moest spoedig naar Frankrijk, wijl het klimaat doo-delijk kon worden voor zijn zwak gestel.
Omtrent denzelfden tijd, en om zijne bisschoppelijke taak wat te verlichten, stelde hij in zijn bisdom in wat men noemt âVicarii foraneïquot; (Dekens).
Inmiddels verergerde steeds de gezondheidstoestand van den beminden Herder. Van af zijn jeugd is Mgr. Lavigerie onderhevig geweest aan eene jichtachtige gewrichtsziekte, die hem vele pijnen veroorzaakte en meermalen een zeer bedenkelijk karakter aannam. Op dit tijdstip (1874) was de kwaal van dien aard, dat zijne ge-neesheeren hem verplichtten volstrekt allen arbeid te staken en van klimaat te veranderen. Mgr. Lavigerie vertrok dus naar Eome in Nov. 1874, na een roerenden brief aan zijne geestelijkheid en geloovigen te hebben gericht, en het beheer zijns bisdoms aan Mgr. Soubizanne, en de Vicaris-Generaals Dusserre en Gillard te hebben overgedragen. Dit verwekte een ware ontsteltenis onder de talrijke vereerders en bewonderaars van den Aartsbisschop. Veel werd gebeden, en, dank aan God, na eenigen tijd verbeterde zijne gezondheid aanmerkelijk.
Deze ziekelijkheid en gedurige nabijheid des doods deed Mgr. Lavigerie eene groote aandacht wijden aan den eeredienst der
38
Geloovige Zielen. Reeds in 1873 had hij de geestelijkheid en de geloovigen zijner bisschopsstad opgeroepen tot het honden eener plechtige processie naar het kerkhof op Allerzielendag. Zijn oproep vond weerklank en op 2 Nov. 1873 besteeg eene ontzaglijke menigte volks den heuvel van O. L. V. van Afrika, om aan de processie «n de gebeden voor de Geloovige Zielen deel te nemen. Het volgend jaar 1874, werd hetzelfde doodenteest, zooals hij het uitdrukt, voorgeschreven in alle parochiën des bisdoms.
Dezelfde godvruchtige gedachte deed hem nog eene andere stichting in het leven roepen, nl. die van een afzonderlijk kerkhof voor â¢de priesters zijns bisdoms, met instelling van gebeden ten eeuwigen dage. De Societeit der Missionarissen schonk op hare uitgestrekte «igendommen van Maison-Carrée een geschikt terrein. Eene kapel werd op het nieuwe kerkhof gebouwd, toegewijd aan O. L. V. van Smarten, en iederen Vrijdag wordt door een Missionaris daar het H. Sacrificie voor de overleden priesters opgedragen. Tevens heeft zich dezelfde Societeit verbonden in het noviciaat dagelijks een âDe profundusquot; en het gebed âDeus qui inter apostolicos sacer-dotesquot; gezamenlijk te doen bidden.
Op allerlei wijze trachtte verder de ijverige Herder het geloof en de godsvrucht der geloovigen te verlevendigen; aldus op de fierste plaats de devotie tot de H. Maagd.
Ik sprak reeds van den eeredienst en de bedevaartskerk van O. L. Vr. van Afrika. Bij Breve van Pius IX, werd in 1876 de kerk van O. L V van Afrika tot den rang van Basiliek verheven en door eene andere gelijktijdige Breve werd de Aartsbisschop 4oor Pius IX gedelegeerd om de plechtige kroning van het beeld van O. L. Vr. van Afrika te verrichten. In een Herderlijken brief van 1 Maart 1876 kondigt Mgr. Lavigerie deze plechtige kroning aan. Deze had plaats den 30 April 1876 onder schitterenden luister â en toevloed van duizenden en duizenden geloovigen.
Na de devotie der H. Maagd kwam de vereering der Heiligen, met name der dnizenden Atrlkaansche Heiligen, die door hun heldhaftige deugden dezen Afrikaanschen bodem hadden opgeluisterd. Op zijn last dus werd eene commissie van geleerde Priesters gevormd, tot samenstelling van een nieuw âOfficium propriumquot; voor zijne Provincie. Deze commissie toog ijverig aan het werk. In 1880 was het werk voltooid. De H. Congregatie der Riten besteedde drie jaren aan het herzien en aanvullen van het nieuw Officie, en dit werd eindelijk in 1883, na goedgekeurd te zijn, verplichtend gesteld.
Het geheel beslaat 449 bladzijden kompressen druk in pl. 8°, «n bevat meer dan 270 Heiligen of feesten, met naam genoemd.
39
Later nog, in 1885, werd door Mgr. Lavigerie eene Litanie der voornaamste Afrikaansche Heiligen samengesteld, en bij rondgaand schrijven bepaald, dat deze Litanie door de geloovigen alle Zonen Feestdagen des jaars na de Vespers en vóór de Benedictie van het H. Sacrament zou gezongen worden.
Trachtte aldus de Aartsbisschop op alle manieren het rijk Gods over de zielen uit te breiden, de vijanden der Kerk zaten echter niet stil om zoo mogelijk al dien arbeid te vernielen. In 1876 schrapte de Fransche Kamer 350,000 frank, dus meer dan de heltt van den onderstand, tot hiertoe aan de werken des Aartsbisschops verleend, zooals: weeshuizen, kerkbouw, studiebeurzen, enz. Niets hielp, noch het welsprekend pleidooi van den afgevaardigde Keiler, noch zelfs de poging van den Minister van Eeredienst. âGij kent âgenoeg, zoo schreef de Aartsbisschop in een brief van 1 Januari â1877, aan den Directeur der Oostersche Scholen, gij kent genoeg âde goddelooze hartstochten, den haat en de woede, die zich in âons land doen gelden tegen de Kerk, om deze uitkomst ts âverklarenquot;.
Dit was nog niet genoeg. Het volgend jaar 1877, schrapte insgelijks de Algemeene Raad der Kolonie van Algerije, de toelage tot dan toe aan godsdienstige instellingen, vooral scholen, verleend. Ongeloofelijk! In den Raad, uit Franschen en Muzelmannen samengesteld, stemden alle Aluzelmannen vóór het behoud der toelage aan de Frater- en Zusterscholen, terwijl de loge-mannen allen tegenstemden !
Wat gruwel! Mgr. Lavigerie deed een beroep op de liefdadigheid der Priesters en Geloovigen, opdat de Christelijke liefde zou herstellen, wat âeen wilde goddeloosheidquot; aan de bewonderenswaardige Religieuzen ontnam. De stem des Herders werd gehoord. Aan het hoofd der inschrijvingslijst stonden de namen van den Graaf van Chambord en van den Hertog van Aumale.
Dit waren echter de eenigc beproevingen niet. Reeds in 1870 en 1871 zag Mgr. Lavigerie zich geplaatst voor eene andere moeilijkheid. De hoogbejaarde Mgr. De Las Cases, Bisschop van Con-stantine, vroeg zijn ontslag aan bij Pius IX. Zijn diocees ging gebukt onder eene schuld van 850,000 trancs. Het Gouvernement was borg gebleven, doch het Keizerrijk kwam te vallen en de Republiek betaalde niets uit. Pias IX deed een beroep op den Aartsbisschop om dezen toestand te regelen, wat hem na duizend moeiten en pogingen gelukte. Verder werd door bemiddeling van Mgr. Lavigerie, Mgr. Robert (thans Aartsbisschop van Marseille) den 27 Febr. 1872, benoemd tot opvolger van Mgr. De Las Cases en den 13 Oct. 1872 plechtig gewijd in de Kathedraal van Algiers.
40
Naar gelang het godsdienstig 'onderwijs en met name de Kateohismus, door eene magonnieke, dweepzieke en atheistisohe Eegeering meer en meer werd belemmerd en zelfs verboden in de openbare scholen, groeide zijn bezorgdheid aan om krachtdadig daarin tegemoet te komen. In een bewonderenswaardigen Herderlijken brief aan zijne Priesters over het godsdienstig onderwijs der kinderen en hunne voorbereiding tot hunne Eerste H. Communie (een ware verhandeling over deze stof), lei hij hun dezen zwaren plicht na aan het hart.
Dit meesterstuk, door den H. Stoel uitbundig geprezen, dient gelezen en herlezen te worden.
Zijn ijver voor de priesterlijke heiligheid en volmaaktheid deed hem mede besluiten in 1876 tot het nadrukkelijk voorschritt van maandelijksche geestelijke afzonderingen behalve de gewone groote jaarlijksche retraite. Intusschen was de gezondheidstoestand van den Aartsbisschop wel niet verergerd, doch het aibeidsveld werd immer grooter. Behalve Aartsbisschop van een onmetelijk diocees als Algiers, was hij Dedelegeerde van den H. Stoel voor de Sahara en Soedan, en nog daarbij Overste der reeds opgerichte Missiën. Hij besloot dus in 't begin van 1877 zijn ontslag als Aartsbisschop van Algiers aan te vragen en gewoon âPère Blancquot; te worden. In de volgende bewoordingen deelde hij aan zijne Missionarissen zijn besluit mede:
âMijne kinderen, ik geloof dat mijn geweten mij niet langer âkan veroorlooven, U alleen te laten strijden in een zoo gevaarlijk âstrijdperk. Gij telt reeds martelaren onder ü. Ik beu het die âhen heb uitgezonden op het verre slagveld. Ik ben geroepen om âdiegenen uit te kiezen, die hen zullen gaan opvolgen. Ik kan of âmag dit niet langer doen zonder van nu af hen te vergezellen. âGij hebt alles verlaten; vaderland en familie om gehoor te geven âaan mijn oproeping. Ik heb niets verlaten, en bekleed nog immer âmijn Aartsbisschoppelijken zetel. Deze gedachte pijnigt mij, want âwat is een legeraanvoerder, die niet aan de spits optrekt, of een âherder, die schijnt te vluchten voor de woedende wolven. Ik ben âdus in het gebed bij God te rade gegaan. Mijne krachten die âafnemen, schijnen voor mij een teeken van Zijn wil te zijn, en âik heb mij tot den Paus gericht om Hem te vragen mij te ver-âoorlooven om mijn Aartsbisschoppelijken zetel te verlaten. Uw âkleed en regel aan te nemen, en Uw leven of, zoo het moet. Uw âdood te deelen.quot;
De H. Vader was tot tranen toe bewogen over zulke vraag, doch het ontslag werd niet aangenomen. (Schrijven van Kardinaal Franschi, 16 Febr. 1877). De Paus gaf den Aartsbisschop de
41
âverzekering, dat hij, door op zijn besluit terug te komen, een âGode aangenaam werk zou doenquot;.
Mgr. Lavigerie onderwierp zich in alle nederigheid. Doch van dit oogenblik af deed hij nieuwe stappen om een Coadjutor te ontvangen. Zijn keus viel eindelijk in 1880 op Jlgr. Dusserre, Aartsbisschop van Damascus i. p. i., benoemd tot Bisschop van Constantine en Hippo, toen Mgr. Robert werd overgeplaatst naar Marseille.
De Aartsbisschop had aldus de handen weer vrij om een grooter gedeelte zijner aandacht te wijden aan de Missiën. Inderdaad, iu 1878 had de H. Stoel den Bisschop-Missionaris weer twee groote zendingen op de schouders gelegd, nl. de Missiën van Equatoriaal Afrika, en die van Sinte Anna van Jeruzalem (hierover verder in § IV). In zijn Vastenmandement van 1880, waarin liij de benoeming van zijn Coadjutor aankondigde, sprak hij o. a. het volgende over zijn nieuwe plannen: âMijne Zonen (de âPères Blancsquot;) hebben âinderdaad reeds post gevat op de verst verwijderde heerbanen. âZij zijn in Tunis op de ruïnen van Karthago, daar waar de âheiligste onzer Koningen gestorven is. Zij zijn in het oude Leptis âen vandaar, de oude heerbaan der Garamantes volgend, zijn zij âdoorgedrongen in de woestijn, in die woestenij, waarin de âbeschaving zich gereed maakt binnen te dringen door. de won-âderen en schatten, waarover ze beschikt; die woestijn welke âreeds door hun edelmoedig en zuiver bloed gedrenkt is. Zij âzijn te Jeruzalem, alwaar zij, even ais te St. Louis, de âwacht houden over een heiligdom van Frankrijk, dat heilig-âdom, luisterrijk onder alle, van de Onbevlekte Ontvangenis en âGeboorte van Maria. Eindelijk zijn zij in de meest baibaarsche âdiepten van Afrika, rondom de Groote Meren, door een Living-âtone en Stanley ontdekt, de kern van een vreedzaam leger vor-âmend ter verlossing van het ongelukkige geslacht van Cham. Op âal die verschillende punten moet ik hun arbeid nazien en aan-âmoedigen ; daar moet ik hun het dagelijksch brood toezenden, na âhetzelve in het zweer, mijns aanschijns gezocht te hebben. De âvrije tijd, dien ik verzocht heb, is bestemd voor dien ruwen ar-âbeid. Evenmin als de geloovigen van Hippo zult gij uwen Aarts-âbisschop dien benijden. âNemo ergo invideat otio meo, quia otium âmenm magnum habet negotiumquot; (Aug.) â Gij zult meer doen, âge zult mij helpen en steunen door uwe gebeden. âInqua hora ââsupplicationis nostrae maxime commendo caritati vestrae ut ââomnes vestras causas et negotia intermittatis et pro ista Ecclesia, ââet pro me, et pro Eraclio, Domino preces fundatis.quot;quot; (Aug.)
Doch keeren we eenige jaren terug. Den 7 Febr. 1878 stierf
42
Paus Pius IX, en werd den 20 Febr. 1878 door Leo XIII opgevolgd. Tot aan zijn dood had de beminnelijke Pius IX den Aartsbisschop van Algiers met alle blijken der vaderlijkste liefde overladen. Zelf presideerde hij een plechtigen lijkdienst voor de zielerust van den onvergetelijken Plus, de schoonste, die ooit in de primatiale Kerk van Algiers plaats vond, en sprak bij die gelegenheid eene Allocutie uit, waarin de welsprekendheid des harten vooral den boventoon voerde. Hij zei o. a.: â Hij is niet meer, mijne Aller-âliefsten, de verheven Opperpriester, die deze eeuw heeft vervuld âmet zijn naam, de vreedzame koning, wien de rechtvaardigheid âen waarheid nog tot kroon dienden, op zijn door de triomfeerende ârevolutie omgevvorpen troon ; hij wiens woord gedurende 32 jaren âde aarde deed trillen van verbittering en liefde. En ziehier ons, âChristenen van Afrika, rondom zijn geopend graf, om jegens hem, âgelijk dat kinderen voor hun vader doen, den laatstenplicht van âgodsvrucht te vervullen.quot; Eenige dagen daarna schreef hij openbare gebeden uit om de zegeningen des hemels over het Pontificaat van Leo XIII af te sraeeken.
Een jaar daarna, in 1879 en nogmaals in 1880 had Mgr. La-vigerie, in zijn eigen bisdom twee andere dierbare dooden te betreuren, nl. M. Girard, zijn Vicaris-Generaal en President van het Groot-Seminarie van ivouba, en Mgr. Gillard, Bisschop van Con-stantine en Hippo in den bloei des levens weggerukt. Bij beide gelegenheden sprak Mgr. Lavigerie twee heerlijke lijkredenen uit, die hun naam vereeuwigen zullen.
Wegens den dood van Mgr. Gillard werd het beheer van dat bisdom nogmaals door den II. Stoel aan Mgr. Lavigerie toevertrouwd. Hij behield dit gedurende één jaar (18b0â-1881), en maakte van dezen tijd gebruik om den grondslag te leggen van menige werken, zooals den bouw van een Klein-Seminarie, een Toevluchtsoord voor oude lieden (Zusterkens der armen) en eene Kathedraal ter eere van den H. Augnstinus op den heuvel van Hippo, welk terrein door hem van de Regeering werd gekocht. Zijn doel was mede den Bisschopszetel van Constantine naar Hippo (thans Bóne) over tg brengen.
Eindelijk werd Mgr. Combes als Bisschop van Constantine en Hippo aan den H. Stoel voorgesteld en benoemd. De plechtige Bisschopswijding had plaats te Hippo zeiven en de allocutie werd door Mgr. Lavigerie uitgesproken.
43
§ 3.
Mgr. Lavigerie en het Leger.
We hebben gesproken in § 1, Hfds. 3 van het conflict tnssclien Mgr. Lavigerie en het militaire gouvernement van Algerije. De edele maarschalk Mac-Mahon had hieraan geen schuld. In latere jaren werden de verhoudingen tusschen beide autoriteiten veel gunstiger. Overigens vergete men niet, dat zelfs thans het gehalte van liet Fransche leger (vooral der Marine) en met name der officieren, tienmaal beter is dan de rest; dat in 't algemeen de Fransche Generaals en Admiraals op lange na zulke dolle logemannen niet zijn, als de Joodsche en Magonnieke bende van woelgeesten en halve duivelen, die Frankrijk, dat schoone land, vermoorden. De Fransche officier erkent, in den regel, met militaire rondheid, het goede, edele en schoone. Goddank, het geslacht der Kruisridders is nog niet uitgestorven ! Daarbij, hoezeer ook de roeping van den Priester en van den soldaat hemelsbreed verschillen, toch heerscht er tusschen beiden eene onverklaarbare lympa-thie. God en vaderland zijn de idealen van beiden! Beiden zijn de schragers en verdedigers van het goddelijk en menschelijk gezag ! Beider roeping is dus heilig. Ik moet het bekennen; de combinatie van Priester en soldaat in de middeleenwsche mili-talre-orden der Hospitaal-Ridders, Tempeliers en Duitsche Ridders heeft mij immer getroffen, en men zegge wat men wil, de middeleeuwen waren toch maar door en door Roomsch en Katholiek. Spruit die sympathie, waarvan ik geen geheim maak, nu voort uit de omstandigheid, dat ik deze regelen schrijf op Malta, het klassieke land der Maltezer-Ridders, terwijl mijn oog dwaalt over de stad van den grootmeester La Valette met hare formidabele vestingwerken, en ik nadenk over de heldhaftige verdediging van Rhodus door den heroïken Grootmeester Villiers-d'Ile-Adam, over de belegering van Malta in 1565 door Sultan Soliman met meer dan 300 oorlogsbodems, bemand met 30,000 koppen tegen La Valette met een handvol ridders, of eindelijk over den zeeslag van
Lepanto, enz., enz.....? Ik weet het niet. Doch, lieve lezer of
lezeres vergeef me deze lange afwijking. Een Missionaris is nu wel geen ridder van het zwaard, maar van het Kruis, en dus in elk geval een Kruisridder.
Mgr. Lavigerie gat dan ook wederkeerig bij menigvuldige gelegenheden blijk van zijne belangstelling in- en achting voor het leger. Reeds den 2 Dec. 1867, slechts eenige maanden na zijne aankomst, werden bij een zijner herderlijke brieven in de Cité Bugeaud, eene voorstad van Algiers, plechtige openbare gebeden
44
ingesteld voor het leger. Daze voorstad is geuoemd naar Maarschalk Bugeaud, den overwinnaar van Isly. Jlede ter herinnering aan dezen ridderlijken christen held werd de kerk der Cité toegewijd aan den patroon des Maarschalks. lederen Vrijdag zon er door de geestelijkheid een âDe profundi'squot; gebeden worden voor de zielerust van den held van Isly en zijne overleden wapenbroeders. Daarenboven zou ieder jaar een plechtig jaargetijde worden gehouden voor de overleden generaals, officieren en soldaten der Fransche legers in Afrika.
In 1876 na de kroning van O. L. Vr. van Atrika, gaf' de Aartsbisschop wederom een eigenaardig bewijs zijner achting voor de heldhaftige aanvoerders der Fransche legers in Afrika. Hij was er in geslaagd souvenirs te verkrijgen van de families van vier der grootste helden, wier namen in Algiers onsterfelijk blijven zullen. Hij plaatste ze aan den voet van het mirakulenze beeld van O. L. Vr. van Afrika. Daar ziet thans de pelgrim over elkander gekruist de degens van Generaal Jousout, van Maarschalk Pelissier, hertog van Malakof, met den legendarischen wapenstok van Generaal de Lamoricière, den held van Constantine en Castel-fidardo, en daarboven de medalje der H. Maagd, die de vrome Maarschalk Bugeaud in al zijne veldtochten droeg.
Mgr. Lavigerie verhaalt zelt volgenderwijze de geschiedenis dezer medalje ; âHet was in het jaar 1841. dat Bugeaud werd âbekleed met het opperbevel des legers in den oorlog met de âArabieren. Hachelijk was de toestand. Bij menigte vielen âgeneraals, officieren en soldaten onder de kogels en lansen van âden vijand. De familie van den maarschalk was niet reden âbeangstigd, wijl men wist dat hij zich niet sparen zou, en ge-âwoon was de eerste in 't vuur te zijn. Daags vóór zijn vertrek âsmeekte hem eene zijner vrome dochters (later Gravin Feray-d'Isly) âeene medalje der H. Maagd uit hare hand aan te nemen, en die âom zijn hals te dragen. De generaal voldeed aan 't verlangen âvan zijn kind en liet zich eene zilveren medalje aan een gewoon âlint op de borst hangen. Hij beloofde zijne dochter er zich nooit âvan te scheiden. De oude maarschak hield woord. In al zijne âoorlogen van Afrika droeg hij de medalje op de borst, en Maria âbeloonde het vertrouwen van het kind en het geloof van den âkrijgsman. Ongedeerd bleet hij in de duizenden gevaren van 18 âveldtochten, waarin zooveel dapperen rondom hem vielen. Tot âop zijn sterfbed droeg de oude Christen-ridder zijne dierbare me-âdalje en na zijn dood nam zijne vrome dochter het kostelijk âkleinood, om het te doen plaatsen aan de voeten van O. L. V. âvan Afrika.quot;
45
We zagen, hoe in 1868 JIgr. Lavigerie werd tegengewerkt dooide Regeering, met name door de administratie der zoogenaamde âBureaux Arabes.quot; Toch stond de Aartsbisschop destijds op den vriendschappelijksten voet met de militaire autoriteiten der Kolo nie. Generaal-Kommandant der provincie Algiers was toenmaals de Generaal van Wimpffen. Ofschoon bekend 0m zijne liberale en den godsdienst weinig genegen gevoelens, bewijzen toch 0. a. zijne brieven van 24 Febr., 11 Mei en 25 Oct. 1868 aan den Aartsbisschop, dat hij diens schoone liefdewerken hoog waardeerde.
Bewijzen van nog hartelijker en gewis meer christelijke betrekkingen leveren de brieven van een waren held, den edelen en dapperen Generaal de Sonis, destijds (in 1868) kommandant van Layhonat in de woestijn.
Daar leest men b. v. in een brief van 2 Oct. 1868 :
â.....Ik kan U. D. H. verzekeren, dat ik met al mijne krachten
âwerken zal aan datgene wat God van iederen Christen vraagt ;
âHem doen kennen, doen beminnen, doen dienen......Ik bid U.
âD. H., aan het altaar mijne talrijke familie te willen gedenken, âdie zoozeer Gods zegeningen behoeft......quot;
âHet was een heilige. ...quot; aldus begint een artikel in het âBulletin des Missions d'Afriquequot; (No 65 Sept.-Oot.1887). En dat is niet te veel gezegd. Hij was de vader zijner soldaten en de Arabieren zeiven noemden hem âden rechtvaardige.quot; Ofschoon op hoogen leeftijd vond men dezen Christen-ridder terug in 1870, in den voor altijd gedenkwaardigen slag van Patay, onder het vaandel van het H. Hart der Zonaven van de Charette, waar onze held, na wonderen van dapperheid, zwaar werd gekwetst. Onlangs nog in een briet van 3 Juni 1890, aan Mgr. Bannard, Eektor der Kath. Universiteit van Rijsel en schrijver van het âLeven van Grl. de Sonis,quot; drukte Z. Em. Kard. Kavigerie de hoop nit, dat eens deze vrome ridder op de altaren mocht verheven worden.
Niet minder innig bleven deze goede betrekkingen in 1871, met den Gouverneur-Generaal Chanzy, en den leger-Kommandant-Ge-neraal Wolff. We spraken vroeger van de Christendorpen in de vlakte van Cheliff onder de stammen der Attats. Reeds lang was het doel des Aartsbisschops daar een groot hospitaal te openen voor arme ziekelijke Arabieren, door de Zusters-Missionarissen van O. L. V. van Afrika te bedienen. Hij deelde zijn plan mee aan generaal Woliï in 1871, doch tevens zijn smart, dat hem het noodige kapitaal ontbrak. Dank de tusschenkomst van den nobelen Generaal werd den Aartsbisschop aanstonds 38000 tr. ter hand gesteld. Aanstonds werd aangevangen met den bouw en deze was gereed in 1876. Mgr. Lavigerie gaf aan de schoone stichting den naam
43
van âHospitaal der H. Elisabeth,quot; naar de patrones der waardige echtgenoote van den dapperen en loyalen Generaal Wolff. De plechtige inwijding had onder buitengewonen luister plaats in Febr. 1876, door Mgr. Lavigerie zeiven. Alle hooge burgerlijke en militaire autoriteiten woonden de plechtigheid bij o. a. Generaal Wolff, Admiraal du Quilio, met een aantal voorname vreemdelingen o. a. Prins Willem van Oranje, kroonprins van Holland, die den geheelen duur der plechtigheid naast Generaal Wolff, vertegenwoordiger van Frankrijk, de eereplaats innam, â verder madame Lamoricière, weduwe van den beroemden Generaal, en eene menigte Engelschen, zoowel protestanten als Katholieken. Zoo luisterrijk was, â en zulken indruk maakte deze grootsche plechtigheid, en vooral de verschijning en het optreden van llgr. Lavigerie, dat de Consul-Generaal van Engeland, Kolonel Playfair uitriep : âWij hebben den H. Augustinus gezien !quot; â
In 1869 stierf Maarschalk Niel, die als Minister van Oorlog, een tijd lang, naar wij zagen, Mgr. Lavigerie tegenwerkte. De Aartsbisschop vergat en vergat alles, getuige zijn rondgaand schrijven, waarbij hij een plechtigen lijkdienst voorschreef voor de zielerust des overledenen, en o. a. in herinnering bracht, dat het Maarschalk Niel was, die Rome op de revolutie veroverde en den sleutel van de Eeuwige Stad^ den verbannen Pius IX weer in handen stelde.
Bij den dood van Generaal d'Eudeville eenige jaren later, sprak de Aartsbisschop zelf te Algiers eene schoone lijkrede uit op den dag zijner uitvaart. Insgelijks in 1875 bij den dood van M. de Chabannes, Adjudant, van Generaal Wolff.
Toen in 1883, Generaal de Chanzy kwam te overlijden, bevond Mgr. Lavigerie zich te Tunis, doch in een brief aan ziju Coadjutor Mgr. Dusserre beval hij een plechtigen lijkdienst in de Kathedraal van Algiers. In dit schrijven verhaalt hij, hoe hij Generaal de Chanzy had leeren kennen in Syrië, waar hij als jong officier streed ter verdediging der Christenen tegen de moordenarijen der Drusen en Turken (I860,) eu later te Rome, waar hij deel uitmaakte van de Fransche hulptroepen tegen Garibaldi. Eindelijk verhaalt hij den volgenden trek als bewijs én van de vaderlijke welwillendheid van Pius IX jegens den Generaal, én van het geloot des laatsten. Alvorens Generaal Chanzy Rome verliet, wilde hij zijne echtgenoote en zijn dochtertje door Pius IX doen zegenen.
Toen de generaal om een souvenir verzocht, riep de goede Pius het kind tot zich, en eene pen nemend, zei Hij : âGij zult eens âtrouwen. Neem deze pen; ze zal dienen om uw huwelijk te âteekenen, en de zegen van dezen ouden Paus zal U vergezellen
âom ü geluk aan te brengen !quot; Vele jaren vervlogen. Mgr. La-vigerie trof Chanzy weer te Algiers als Gouverneur-Generaal. Daags voor het huwelijk zijner dochter, toonde Chanzy de pen aan den Aartsbisschop. De Imwelijks-akte werd er mee geteekend.
Insgelijks nog bij den dood van Admiraal de Gneydon in 1.9.S6, richtte hij uit Biskra in dd. 5 t)ec. 1888 een schrijven aan zijn Coadjutor.
Doch de waarlijk onvergetelijke daad, waardoor Mgr. Lavigerie de heldendaden van liet Fransche leger in Afrika voor de Christenwereld immortaliseerde, was de redevoering, die hij in 1875 uitsprak bij gelegenheid der herstelling van den aalmoezeniers-dienst in 't Fransche leger van Afrika. Deze redevoering verwekte een waren storm van bewondering Voor de zooveelste maal betreur ik liet, dat ik mij van lange citaten kortueidshalve moet onthouden. Hen leze en geniete dit meesterstuk in âoeuvres choisies,quot; torn 1. blz. 23. Na eene heerlijke inleiding schetst de redenaar iu breede trekken de geschiedenis der Algerijnsche zeerooverij, de vrnehtelooze pogingen van Karei V en Lodewijk XIV ; hoe eindelijk God zicli van den arm van Frankrijk bediende om het root-nest uit te roeien. Hij verhaalt de ontscheping van 't Fransche leger op 14 Juni 1830, bij Tidi-Ferruch, en beschrijft in heroïke bladzijden den eersten veldslag op 19 Juni, daarop het beleg en de verovering van Algiers. De gewijde redenaar verheelt niet, doch schildert met gloeiende,verontwaardiging, hoe de triomfeerende revolutie van 1830 en de daaropvolgende regeeringen aan dezen kruistocht zijn heilig karakter ontnamen, ja zelts in een oorlog tegen liet kruis heiligschennend oinscliiepen. Als een gevolg van het stelselmatig vervreemden der inboorlingen van elke toenadering tot liet Christendom, verklaart hij de opkomst en het succes van Abd-el-Kader, van wiens persoonlijkheid lilj vervolgens een magistrale schets teekent. â In heerlijke trekken worden verder het beleg en de inname van Constantine, de komst van Bugeaud in Afrika, het portret van dezen laatste en dat van de Lamoricière en de veldslag van Isly geschilderd.
De redenaar eindigt zijne rede, die tot titel dragen kon : âde providentieele zending van Frankrijks leger in Afrikaquot;, met zijn smart te kennen te geven, dat dit ideaal met satanische boosheid werd verschopt, doch spreekt niettemin zijn volle hoop uit op de wedergeboorte van Afrika in eene latere betere toekomst.
48
HOOFDSTUK IV.
De Missionarissen vau Algiers of âPères Blaucsquot;.
(Vervolg.)
We zagen in § 2, hoe in 1877 Mgr. Lavigerie als Aartsbisschop van Algiers wilde aftreden en gewoon âPère Blancquot; worden. Pius IX weigerde. In plaats van zijne lasten te verlichten, vertrouwde de grijze Plus den Aartsbisschop in 1878 twee nieuwe reusachtige zendingen, nl. die van 't H. Land eu de evangeliseering van Hidden-Afrika. Deze was een der laatste daden van den groo-ten Paus. Pins IX voorzag, dat Mgr. Lavigerie de man was, voor die grootsche reusachtige onderneming berekend.
Spreken we dan eerst over de zending, die Mgr. werd toevertrouwd in het H. Land door den H. Stoel, in overeenstemming met liet Fransche Gouvernement. Na den Krira-oorlog in 185G, verkreeg Frankrijk van Turkije het bezit van een der eerbiedwaardigste heiligdommen van Palestina, nl. de Kerk der H. Anna te Jerusalem. Deze Kerk, sinds de kruistochten eene moskee, werd met liet omliggend terrein nationaal eigendom van Frankrijk. De bewaking van dit heiligdom werd dan in 1878 aan de Slissiona-rissen van Mgr. Lavigerie toevertrouwd. De H. Stoel maakte hier een uitzondering op den regel, volgens \Velken sinds 1303 de paters Franciscanen alléén als bewakers van alle heiligdommen van 't H. Land door Rome zijn erkend. Op deze plek stond het huis van de HH. Joachim en Anna nabij het Schaapsbad (âprobatica piscinaquot;) uit het Evangelie. Op deze gedenkwaardige plek is het, dat volgens bestendige overlevering der Kerk van Jerusalem en van geheel liet oosten, de Allerheiligste Maagd Maria onbevlekt ontvangen en geboren werd, en de eerste jaren haars levens sleet, tot op 't oogenblik dat ze zich den Heer toewijdde in den Tempel, waarvan het ouderlijk huis niet verre verwijderd was. Het Romeinsche Brevier (feest der Presentatie der H. Maagd) bevestigt, dit feit.
Het oorspronkelijk huis der H. Anna was in de rots uitgehouwen. Dit bestaat nog en vormt tegenwoordig de onderaardsche kerk of crypt van het heiligdom. In 530 bestond reeds eene basiliek boven dit huis gebouwd. De pelgrim Theodosius bezocht haar. Sophro-nius, patriarch van Jerusalem spreekt er van in de 7dü eeuw. De H. Joannes Damascus en de H. Thomas van het Oosten spraken in deze basiliek bewonderenswaardige homiliën uit over de Geboorte der H. Maagd. Deze oorspronkelijke basiliek bestaat niet meer.
49
doch men lieeft er verschillende sporen van ontdekt, die van hoos archeologisch belang zijn. De tegenwoordige kerk (door het Fransche G-onvernement gerestaureerd) is in byzantischen stijl opgetrokken en dagteekent uit de Krnistochien (fX -XL eeuw). In 1187 bij de inneming van Jerusalem door Saladiju, werd dit heiligdom in eene moskee herschapen. Deze treurige toestand duurde zeven eenwen (tot ].85()). In Juni 1878 vertrok Jlgr. Lavigerie in persoon naar Jerusalem om er plechtig bezit van te nemen voor zijne Missionarissen. Dezen arriveerden er in de eerste dagen van October 1878, teu getale van vier met p. Roger (thans Supérieur van Malta) aan hun hootd, en werden met alien luister ontvangen door Mgr. Bracco, Patriarch van Jeruzalem, M. Patrimonio, Consul van Frankrijk en de heele bevolking. Doch de inzichten van den H. Stoei en van Mgr. Lavigerie reikten verder. Behalve de bewaking van het heiligdom der H. Anna zonden de âPères Biancsquot; limine krachten wijden aan de vorming eener geestelijkheid voor de Christenen van den Grieksch-Melchitischen ritus. Men kent de bezorgdheid der Pausen, met name van Pius IX en Leo XIII voor de Kerken van het Oosten. Men denkt ev weinig aan, dat ook dair nog zoo ontzaglijk veel te werken vait. Ziehier eenige aanteekeningen. Zonder de heidenen, muzelmannen en joden te rekenen, telt het Oosten (met inbegrip der Donau-provinciën, Rusland, Griekenland, Turkije, Egypte en Abyssinië maar 1,003,000 Katholieken, en 100,000,000 sohisniatieken of ketters, verdeeld als volgt: 80,000,000 aanhangers der scheuring van Photius ( - Grieken, Russen en Bulgaren); 20,000,000 aanhangers der ketterij van Nestorins en Eutyches (= Armeniërs, Chaldeërs, Syriërs, Copten en Abyssiniërs). Palestina alléén telt 300,000 bewoners en slechts 20,000 Katholieken. Jerusalem 30,000 inwoners, waarop 15,000 joden, 7000 muzelmannen (- Turken, Arabieren, Negers), liOOO ketters ot schismatieken (= Grieken, Armeniërs, Copten, enz.), en slechts 2000 Katholieken.
Met den Latijnschen telt het Oosten 8 door de Kerk erkende Riten. Alle zijn oud, klimmen op tot de Apostelen, en zijn dus onzen eerbied waardig. De Oosterlingen zijn onwrikbaar gehecht aan hun respectieven ritus, en de Kerk respecteerde dit immer. De Grieksch-Melchitische ritus nu was tot in de laatste tijden jammerlijk verzuimd. Vooral ontbrak eene welgevormde, degelijke geestelijkheid.
Hiermee nu werden de âPères Biancsquot; belast, en reeds een pigt;ar jaar later konden ze een klein Seminarie of Apostolische School openen. In 1882 telde deze 20 leerlingen, in 1884 reeds meer dan 10. Van alle kanten uit het Oosten kwamen aanvragen. In
188(5 telte dit Instituut meer dan GO leerlingen. In datzelfde jaar 188() werd het Groot-Seminarie geopend. In de volgende jaren werden nieuwe gebouwen opgetrokken. Thans (1800) bedraagt het getal Seminaristen 120. Inmiddels zijn de eerste Priesters door de Paters opgeleid, reeds gewijd. De bisschoppen zijn hoogst voldaan over de schoone resultaten reeds verkregen. Aanhoudend verzoeken ze plaatsen voor jongelieden, die priester willen worden. In 1888 moesten meer dan 00 aanvragen worden afgewezen, wegens beperkte ruimte en gebrek aan geldmiddelen. Een 12 tal Missionarissen zijn belast met de beide Seminariën met P. Fedeiien aan 't hoofd.
Haasten wij ons thans te spreken over de tweede zending, die in 1878 door den IL Stoel aan Mgr. Lavigerie en zijn Missionarissen werd toevertrouwd. In den vollen zin een reuzentaak, en deze gelegd op de schouders eener jeugdige Sociëteit van 10 jaren (met 100 leden en 100 novicen ot postulanten). Doch slaan we eerst een blik op Afrika en zijne geschiedenis in deze eeuw. quot;W ij zullen zien hoe de Voorzienigheid alles voorbereidde, hoe het jagen der wereld onbewust den weg baande voor de Kerk.
Afrika is maal zoo groot als Europa, en telt eene bevolking van misschien 3 of 400,000,000 zielen. In 't begin dezer 19^° eeuw was slechts een« smalle strook rondom dit vasteland eenigszins bekend, en slechts op enkele punten toegankelijk voor Missiën en Europeeschen invloed. Heel de Noordkust (Marokko, Algiers, Tunis, Tripoli, Egypte) werd hardnekkig door Mahomets volgelingen gesloten gehouden. Zoo ook een groot gedeelte der Oost- en Westkust. Engeland had zich gevestigd aan de Kaap in de oude Hollandsche koloniën ; Nederland, Engeland en Portugal hadden eenigen vasten voet aan de West- en Oostkust, doch van luttel belang. Nadat echter Europa eenigermate ontwaakt was uit den zwijmelroes der revolutie, richtte het langzamerhand zijn blikken naar dit werelddeel. Van af' 1825 begonnen reizigers en onderzoekers Afrika binnen te dringen. De Mogendheden beginnen het vasteland van Cham rondom te belegeren en er zich vaster in te planten. Frankrijk verovert in 1830 Algiers en roeit dat roofnest uit. Engeland breidt zijn zuidelijke koloniën uit. De onbeschaamdheid der Turken wordt wat gebreideld. Ook de Missiën hernemen het werk der IG1', 17°, l«e eeuw, doch alles slechts op en nabij de kusten, liet binnenland was nog immer gesloten. Toch was ook dit van 1825â187(3 meer bekend geworden. Men denke slechts aan de ontdekkingstochten van lUirton, Speke, Livingstone, Cameron, Nachiigal, Schweinfurth, Wissman, Stanley, enz. De belangstelling was in hooge mate opgewekt.
51
I» 187(i opende Leopold 11, Koning der Belgen, eon Conterentie te Brnssel, waarop afgevaardigden van alle Earopeesclie Mogendheden versclienen. Deze datum opende een nienwe pei-iode voor de geschiedenis van Afrika. Eene âInternationale Atrikaansche Ver-eenigingquot; werd gevormd met het doel het binnenland en met name liet Gongo-gebied meer en meer te onderzoeken, en voor handel en beschaving open te stellen. De Conferentie van 1876 was nauwelijk gesloten of Kardinaal Franchi, Prefekt der Propaganda, vestigde de aandacht van den grijzen Pins IX op dit hoog gewichtig feit, en de diepe blik van den grooten Paus doorschouwde aanstonds, welke hooge belangen de H. Kerk in dezen te behartigen had. Reeds maakten de protestantsche Bijbelgenootschappen van Londen en New-York zich gereed om een vloed van zendelingen over liet zwarte werelddeel uit te zenden. âTot de waarheid en ..niet tot de dwaling is het groote woord gesproken : Gaat en
âonderwijst alle volken.....quot;, aldus sprak Pins IX. Op 't einde
dus van 1877, richtte zich de Congregatie der Propaganda tot de verschillende Missie-Congregati 'n, in Afrika reeds werkzaam. Allen waren het eens, dat er Missiën dienden opgericht te worden in de streken, waarover de ..Internationale Vereenigingquot; haar invloed ging uitoefenen, doch alle krachten van ieder dier Congregatiën waren uoodig voor limine respectieve Allssieveluen. Waar dus eene Societeit van Missionarissen te vinden, voor die nieuwe reusachtige Missiën? Pius IX kende reeds de Missionarissen van Algiers, lu 1873 had Mgr. Lavigerie twee hunner, de PP. Duguerry en Charnietant vóór hun vertrek naar de Sahara, aan den Grooten Pius voorgesteld. Pius IX herinnerde zich hunner in 1877 en de nieuwe Missiën werden hun voorgesteld.
Met een heilig- enthousiasme werd de oproep van den Alge-meenen lierder door al de leden der jeugdige Societeit beantwoord. Pius IX stierf, doch zijn opvolger Leo XIII teekende, slechts 4 dagen na zijne Paus-keuze, den 'J t Februari 1878 het decreet der Propaganda, waarbij twee groote missiën in Eiiuatoriaal-Afrika werden opgericht, de eene rondom het Meer Tanganika, de andere rondom de meren Victoria-Xyanza en Albert-Xyanza.
Reeds een maand daarna vertrok de eerste Karavaan van 10 Missionarissen met de pp. Livinhac en Pascal aan 't hoofd naaide nieuwe onbekende gewesten. Den 25 Maart 1878, had in de Kathedraal aan Algiers de plechtige en aandoenlijke atscheids-plech-tiglield plaats. Niets is inderdaad treffender dan de voetkussing (eens door Louis Veulllot zoo meesterlijk beschreven), terwijl het koor zingt: âQuam pulchrl sunt pedes evangelizantium pacem, evan-âgellzantium bona.quot; Bij deze gedenkwaardige gebeurtenis sprak
52
Mgr. Lavigevie eene dieptreffende redevoering nit. Den 21 April vertrokken de 10 Apostelen nit Marseille, landden den oO Hei 187S te Zanzibar, vertrokken den 19 Juni uit Bagamoyo mnt 450 dragers, en waren einde October te Tabora, halfweg van 't Tariganika-nieer (861) mijlen). Den 19 Aug. was p. Pascal in de üugogo-streek aan de koortsen overleden. In Tabora verdeelde zich de karavaan iu twee deelen: liet eene zette den weg voort naar Tanganika, waar ze den 24 Januari 1879 behouden te Ujiji aankwamen, het andere sloeg den 12 Nov. '78 den weg in naar 't Noorden, waar men na 4 maanden den 31 Dec. 1878 te Kadouma aan de zuidelijke punt van Nyanza-meer, en eindelijk na een moei-lijken tocht over het meer, den 19 Jnni 1879 in Hteca, hoofdstad van Rnbaga (Oeganda) aankwam. De eerste helft deed dus over de reis meer dan 10 maanden, de tweede 1 jaar, inaanden en 25 dagen! En dat te voet, over rotsen, door moerassen, ijzingwekkende wildernissen en wouden ! God alleen kent hun lijden en ontberingen. Het moed togen de Missionarissen aan 't werk. De eerste tijd verliep natuurlijk met 't verkennen van 't terrein. De Missionarissen van Tanganika vestigden zich eerst te Ujiji, de gewichtigste handelsplaats aan 't meer. Men had aanbevelingsbrieven van Sultan Said-Bergasch van Zanzibar, en werd zoodoende welwillend opgenomen. Echter wegens het groot aantal Arabieren te Ujiji en de omstandigheid, dat er reeds een protestantsche Missiepost gevestigd was, vertrok men den 23 Juni 1879 in meer noordelijke richting en men vestigde zich in het landschap Ourundi. De streek was zeer gezond, cn de bevolking zeer talrijk en uitmuntend gestemd. De Missionarissen van Nyauza werden door koning llteca, den machtigsten vorst van Midden-Afrika, en bekend uit de werken van Stanley, zeer welwillend opgenomen. P. Lonrdel verkreeg allengs veel invloed op hem. Jammer echter troffen de Kath. Missonarissen er Engelsche protestantsche zendelingen aan met Mackay aan 't hoofd, een jaar te voren er gevestigd. Dezen verzuimden niets om de Missionarissen hatelijk te maken en tegen te werken. Nochtans verkreeg men een schoon terrein met volle vrijheid tot prediken. Den 27 Maart en 15 Mei lS8o hadden de eerste plechtige doopsels plaats. Velen der nienwbekeerden behoorden tot de voornaamsten aan het hof en in het leger van den koning.
We vermeldden den dood van den heiligen Missionaris Pascal, lid der eerste karavaan. Men leze over het leven en den dood van dezen waren apostel den roerenden brief door Mgr. Lavigerie gericht aan de moeder van den Missionaris.
liet begin der nieuwe missies was dus in alle deelen gunstig en veelbelovend, doch wat zijn 10 Missionarissen in een streek zoo groot als Europa ! Veertien maanden na de eerste vertrok
53
dus eens 2'* karavaaa, samengesteld uit 12 Jlissionarisseu en 6 hulp-missiouai'isseu, gewezen pauselijke zouaveu. Do afscheidsplecli-tigheid had plaats den 20 Juni 1879 in de Basiliek van 0. L. V. van Afrika. Ook thans sprak Mgr. Lavigerie eene oversciioone en roerende redevoering uit. We zagen vroeger, hoe reeds in 1807 Mgr. Lavigerie het als zijne roeping beschouwde in zijne mate mede te werken tot uitroeiing van den menschonteerenden slavenhandel. Igt;ij deze gelegenheid (20 Juni 1879) 12 jaar na zijn komst in Afrika en 10 jaar vóór zijn slaven-kruist )cht-prediking vertoonde zich dat ideaal reeds in duidelijker trekken aan zijn geest. In gloeiende kleuren maalde hij reeds de gruwelen van dien grnwzamen slavenhandel, in bewoordingen die in 1888 en 1889 heel Europa met siddering vervulden, en die hij nog onlangs den 29 Jnni 1890 bij ;t vertrek der 9lt;lc karavaan herhaalde.
Een woord over de Zauaven-Missionarissen. Dezen hadden voor doel de Missioiiiirissen op hunne reizen vooral te beschermen en te verdedigen tegen de, struikroovers (Rouga-Rouga), de Arabieren, slavenhandelaars en de bloeddorstige stamhoofden. Mgr. Lavigerie had reeds tpenmaals het idéi der vrijwilligerskorpsen, die hij in 1888 opriep ter beteugeling der slavenjachten on Neger verdelging door de afschuwelijke slavenjagers. Zes Oud-Zouaven dus vergezelden de 2t' karavaan, waaronder 4 Belgen en 2 Schotten. Belgii; met name toonde van den beginne veel belangstelling in de Afrikaansche Missiiquot;-n van Mgr. Lavigerie. Leopold 11 was het werk van Lavigerie zeer genegen. De officieren der âInternationale Afrikaansche Vereenigingquot; hebben bij menige gelegenheid de Paters van Algiers veel dienst bewezen, om D1quot;. Van den Heuvel, Cambier, Storms, slechts ie noemen. Toen Mgr. Lavigerie dan ook een beroep deed op de toewijding der Oud-Zouaven, waren de aanvragen zeer talrijk. Mgr. Paaps, Oud-Zouaven-Aalmoezeniei- (thans Pastoor-Deken te Lubbeeck bij Leuven), Mgr. Van den Berghe, Mgr. Van den Branden de Reeth, kapitein De Uesimont, enz. waren de ziel dier beweging. In 1879 begon men met de uitgave der âVlaamsche Annalen der Missiën van Algiersquot; of âDriemaandelijksch Verslagquot;. In 1880 werd door bemoeiing van Mgr. Paaps in het Jezuïten-Kollegie te Turnhout een soort van Postulaat voor Paiers en Broeders der Afrik. Missiën van Algiers opgericht. Doch keeren wij terug tot de plechtigheid van 20 Juni 1879. Namelijk vóór dè plechtigheid der voetkussing en van het afscheid, had de wapenzegening plaats en werden de 6 Zouaven plechtig door Mgr. Lavigerie tot ridder geslagen. Het âBulletin des Missions d'Algerquot; verhaalt als volgt de plechtigheid. âDe auxiliairs waren allen âneergeknield in 't heiligdom ; hunne ontbloote degens lagen op
de gebouwen der âIntern. Afrik. Vereeniging!quot; Velen der 40 Missionarissen in de drie eerste jaren waren gevallen op liet veld van eer en gelootquot;. Martelaarsbloed zon ook niet ontbreken. In ?t voorjaar van 1881 werden in Onrnndi twee paters : Demiaud en AngkT, en de zouaaf d'Hoop, een Maming, door de inboorlingen vermoord. De jeugdige Societeit telde dus reeds 9 martelaren.
Tengevolge dezer gebeurtenis werd deze statie voorloffig opgeheven en die van Mass au zé, Ovyra en üjiji uitgebreid. De post van Ujiji werd in 1882 (4 Sept.) weer hervat, om het gemak dat deze aanbiedt voor 't verkeer, dank ook aan den steun der Officieren der âIntern. Afrik. Vereenig.''
Onze Hollandsclie Zouaven-Missionarissen brachten driejaren van hun engagement (1880â1883) door te Tabora, üjiji en Massauzé.
Een meesterlijk verslag met tal van wetenswaardigheden over de drie eerste jaren van dit nieuw Apostolaat, zond Mgr. Lavigerie aan de Kaden van het Genootschap tot Voortplanting des Geloots, en komt voor in deel 53 (1880) der Annalen van genoemd (genootschap. Ontleenen wij daaraan nog een en ander. Vooreerst over de eigenaardige moeilijkheden dezer nieuwe Missiën. 1quot;. Jlet Mahoinedanisiiuis. Het inwerken van dit giftig element ojj Afrika's inboorlingen, dagteekent slechts van voor 100 jaar. Xog zijn ze slechts in gering aantal, doch de brutale wreedheid en onbeschaamdheid van Mahomet's volgelingen vertienvoudigt hun invloed. De Islam is een meesterstuk van den helschen geest. Hij geeft voldoening aan de den mensch ingeschapen behoefte van godsdienst, door een deel der Christelijke waarheid behouden te hebben. Doch tevens geeft hij vrijen teugel aan de meest bedorven hartstochten. Hij vergoddelijkt do brutale macht. 2quot;, Het Proteatanikme. Wij voor ons weten, dat om Protestanten te voi men, bedorven Katholieken noodig zijn. Het Protestantisme heeft nog nooit, ondanks zijn nülliarden aan geld en duizenden zendelingen, één enkelen wilden stam âbekeerdquot;, en zal dit in alle eeuwigheid niet doen, wijl het essentieel met onvruchtbaarheid is geslagen. Een verdorde tak kan toch geen vruchten voortbrengen. Het is dus slechts gevaarlijk in zoo ver het de Kerk tegenwerkt. En inderdaad zoo vatten die zendelingen hun zending op. Gansch natuurlijk. Het Protestantisme immers is iets negatiefs, dat bestaat in protesteeren, tegenspreken en tegenwerken. 3°. De veehcijuerij. Deze kwaal is grootendeels een gevolg van den Mahomedaanschen invloed. Koning Mtecja had een harem van 1200 vrouwen ! Dit gif is de bron van gruwelen, zonder tal en naam, o. a. van die ijselijke slavenjachten, onnoembare verminkingen, enz. 4°, Het klimaat. Deze hinderpaal wordt echter erg overdreven. De meeste
57
streken'van M.-Afrika zijn zeer gezond; goed water en voedsel ontbreekt niet. Do moeraskoortsen zijn geducht, doch men kan ze vermijden. Veel matigheid is noodig. Bijna alle sterfgevallen zijn aan onvoorzichtigheid toe te schrijven. 5°. (jodmlienstige onverschilligheid der Negers. De Neger is essentieel traag en âinsouciant'1, doch het Christendom bezit een kracht, die uit de bedorven, verweekte Komeinsche wereld, millioenen martelaren verwekte. (Men denke aan de martelaren van Oeganda in 1880). (Ju_ De Slavernij. 7'\ Gebrek aan Geldmiddelen. Inderdaad; geen Missiën ter wereld noodzaken tot meer geldelijke opofferingen. De eerste karavaan kostte een halt' millioen frank. De protestanten hebben ieder jaar enkel voor M.-Afrika meer dan 10 millioen te hunner beschikking !
Vervolgen wij thans ons overzicht der Missiën van Midden-Afrika. Op 't einde van 1881 maakte zich eene nieuwe karavaan gereed voor t binnenland. Deze (de 4C) vertrok in :t begin van 1832. Ze, bestond uit (i Missionarissen: l Paters, o. a. de bekende P. Vyncke en P. Coulbois, thans Pro-Vicaris van Opper-Congo, en 2 Broeders, waarvan 1 Hollander, namelijk Gerard Mertz, uit Maastricht, Oud-Pauselijk Zouaaf. Deze was bestemd om vooral de posten van 't Tanganika-Meer te versterken. Ze kwam behouden te Ujiji aan omstreeks Juli 1882. Recht tegenover l'jiji aan de westkust van 't meer werd om uezen tijd de Missie van Kibanga (Lavigerif-ville) geopend. Daar werkte de heilige p. Vyncke van 1882 -1888 met onverdroten ijver. Van 1881- -188') breidden al de posten rondom Tanganika zich allengs uit. In Massanzé ie II. Joseph de Moulouroa, bestond reeds in 1882 eene bloeiende Christenheid. Een 50-tal volwassenen leerden met ijver den Katechismus. Het weeshuis telde een 100-tal slaatjes (meest uit de stammen van Manyema - menscheneters.) Twee o. a. dier weesjes uit die jaren : Faraghit en Oussembé studeeren thans te Malta de geneeskunde. Een üO-tal jongelieden van beider geslacht waren gehuwd en vormden een 30 Christelijke huishoudens. Aan het doopsel der volwassenen gaan 4 jaren van beproeving en trouw Katechismus-leeren voorat. Men tracht goede fondamenten te leggen en goede Christenen te vormen. Aan dezen regel wordt onwrikbaar vastgehouden. Aan 't hoofd van dezen post stond P. Moinet, en o. a. de Holl. Zouaaf-Missionaris Hillebrandt.
De post Kibanga was in 1883 reeds zeer bloeiend. Koning Poré, een invloedrijk vorst in deze gewesten, was van 't begin tot heden den Missionarissen zeer gunstig. De Missie verkreeg een schoon zeer vruchtbaar terrein van 380 hectaren. De Missie bezat toen reeds eene Kapel, een huis voor de Paters, een groot
58
gebouw voor 200 weesjes, een 'aantal hutten voor gehuwde Christenen, een groot magazijn, stallen, enz. Hier werkten vanaf 1882 o. a. P. Coulbois, Vyncke, en de Hollandsohe Broeder Gerard Mertz.
In 1882 werd te Karema naar 't zuiden van 't meer onder bescherming der âIntern. Afrik. Vereeniging,quot; een post gegrond, die later onder leiding van Kapitein Jonbert tot zoo'n schoonen bloei zou komen, en een bolwerk worden tegen de slavenhandelaars.
Den -l Sept lf82, werd de post van üji.ji ook weer voor goed hervat door de P1J. Kaudabel, Gnillet, Delanney en Kapitein Jouhert.
Ujiji was toenmaals de residentie van den beruchten Ãipo-Tip. In den beginne was hij den Missionarissen niet ongenegen : hij leidde o. a. de olle Karavaan; liij bewees hnn menigen dienst. Eerst later begon hij zijn aischiiwfelijken slavenhandel, en verlegde zijne residentie naar Xyangwe op den Lanalaba. Later in 1884, werd Ujiji als Missiepost opgeheven, nadat liet Mnzelmansche element, dat daar sterk is vertegenwoordigd, een dreigender karakter aannam.
In Mei 188 l, werd de post van Mpala op den westelijken oever van 't Tanganika-meer tegenover Karema begonnen. Ook hier had de âIntern. Afrik.-Vereeniging,quot; een post, die o. a. van 1883â 1885 door Kapitein Storms, (den ijverigen medewerker dei' Kritische Anti-Slavernij-beweging) werd bestuurd. De PP. Moncet, Moinet en Laudeau waren aanvankelijk daar werkzaam.
We zagen hoe de Missionarissen der Nyanza-Missie, in 1879 door Mteca, Koning van Onganda, gunstig werden ontvangen, hoe die schoone Missie in een paar jaren krachtig opwies. Ondanks de ophitsing der protestanten bleef Mteca hun genegen. In ,1881 echter, tengevolge van den opstand van den Madhi in Egyptisch-Soedan, die alle gemoederen der Muzelmannen in Afrika aan 't gisten bracht, brak voor de Missie van Nyanza liet uur der vervolging aan. Wel waren er Arabieren in Onganda vóór dien tijd, doch Mteca wist zijn onathankelijkheid te bewaren en ze te be-heerschen. In 1881. echter gelukte het hnn Mteca tot hun zijde te doeu overhellen, en vrees in te boezemen voor de Blanken. Vandaar dat in 1882 de Missionarissen door hem werden verbannen uit Onganda. De Paters met P. Livinhac aan 't hoofd namen de wijk naar 't zuiden des meers. De daar bestaande posten werden uitgebreid. De post bij Koning Konma, in 1S81 een oogenblik opgeheven wegens den dood van P. Combarien, werd hervat. Wel had Mte^a Eouma met oorlog gedreigd als hij de Missionarissen opnam, doch deze een oogenblik wankelend, bleef zijn oude vriendschap trouw. Den 8 Nov. 1882, vertrokken de Paters Lonrdel en Levesque van Kadouma (Bnkumbi) met 27 Negerkinderen naar Tabora, waar zij
59
den 23 Feb. 1883 aankwamen, en het weeslmis uitbreidden. Doch de gebeurtenissen in Ouganda waren elkander snel opgevolgd. Het zaad door de Missionarissen gestrooid, schoot welig op, ook nadat de zaaiers verdreven waren. De eenmaal onderwezen Christenen leerden anderen in hnnne omgeving den Katechismns en vertienvoudigden het getal der Katechnmenen. Doch dit was niet alles. MteSa stierf in 1883. Zijn zoon Muanga volgde hem op. Deze was als prins een ijverig Katechumeen, en de vriend van P. Lourdel. Nauwelijks op den troon verheven vonnde li j het plan de Paters, door zijn vader verbannen, terug te roepen. Eene andere omstandigheid bracht er toe bij om zijne gunstige gezindheid nog te vermeerderen. Op hei einde van 1883 werd eene samenzwering, door invloedrijke Waganda's gesmeed, om Muanga van den troon te stooten en een ouderen zoon van Mtec;a tot koning uit te roepen (Muanga was inderdaad de jongste der 40 zonen van Mtega) door een Christen hoveling ontdekt en verijdeld. Hij zond dus in 't begin van 188 t afgezanten naar Bukumbi met fle dringende bede, dat de Missionarissen mochten terug keeren. Wat te doen? In heel Bukumbi waren maar Missionarissen : Giranlt, Blanc, Amans. P. Livinhac was atwezig. In 1883 nl. waren 2 der 4 Provicariaten Nyanza en Tanganika door den H. Stoel tot Apostolische Vicariaten verheven. P. Livinhac, door den liaad der Societeit voorgesteld, werd benoemd tot Apost. Vicaris van Nyanza met den titel van Bisschop van Pacando i. p. i. In Dec. 1883 gewerd hem deze tijdine: in Bukumbi. en tevens zijne terugroeping. Hij vertrok den 28 Dec. 1883 van uit O. L. Vr. van Kamoga (lUikumbi) met P. Levesqne en een aantal Negers, was den 14 Jan. 1881: te Tabora, den 28 Maart te Bagomoyo (800 K.M. in 51 dagen) en den 17 Mei 1884 te Algiers. Wij zagen dat een jaar te voren (8 Nov. 1882) P. Lourdel naar :t zuiden was vertrokken. In ?t volgend jaar 1883 stichtte deze een post te Bukuné in de staten van koning Mirambo (tusschen Tabora en Nyanza). Den 13 Maart 1881 echter hief P. I jourdel dezen post op, wegens de onlusten en burgeroorlogen in het land veroorzaakt door den dood van Mirambo en de keuze van een opvolger. In Juni 1881 was l'. Lourdel terug in Bukumbi. Muanga had in dien tijd zijne bede herhaald en zelfs barken afgezonden, die den 23 Juni in Bukumbi aankwamen. Kr werd besloten te vertrekken. Na een tocht, van 15 dagen op h^t meer kwamen de PP. Lourdel, Giraud en Br. Amans. in Juli 1881: in de hoofdstad van Muanga aan. Onbeschrijfelijk was de vreugde der Christenen en Katechnmenen, die tot duizenden waren aangegroeid. Zeer vruchtbaar was het Apostolaat der Missionarissen tot aan de wederkomst van Mgr.
60
Livinhao, in 't begin van 1886. Da Missie van Tabora in Onnya-nyembe beloofde insgelijks veel. Tabora is een kfnisjrant der karavanen, en biedt alle gelegenheid tot den aankoop van slavenkinderen. Docii Tabora is ongezond (hier stiert o. a. nog den 26 Febr. 1883, de Zonaaf-Missionaris Taillieu). Daarbij is liet Arabisch element er zeer stérk vertegenwoordigd. Een en ander deed in 1883 de Paters besluiten een nieuwen post te openen te Kipalapala, een uur noord-west van Tabora, in liet gebied van koning Siké, die echter later de Missionarissen zooveel last zon aandoen door zijne onverzaadbare hebzucht. Een groot weeshuis was spoedig gereed en bezet met honderden vrijgekochte slaafjes.
Den 13 Febr. 1882 was besloten eene Procure op te richten te Zanzibar, en deze werd er gein stalleerd in den loop van t zelfde jaar door P. Janiet als Supérieur met P. Hornette en Br. Kaymond. Deze maatregel was hoog noodig. Daar organiseeren zich de karavanen voor het Binnenland, een zeer moeilijk en omslachtig werk; verder is voor 't geregeld verkeer met alle Missieposten, den toevoer van honderden zaken enz. enz., die Procure van :r, hoogste belang. P. Jam et stond 7 jaren aan 't hootd dier Pi-oenre (i 882 â ] 88 J) en werd opgevolgd in i SS ' door 1*. Uivsson. Tevens werd daaraan eene neger-inrichting verbonden, waarin slaatjes uit't binnenland aangekomen, ot te Zanzibar door de Europeesche kruisers aan de slavenhandelaars ontrukt en den Paters afgestaan, worden opgenomen. Na eenigen tijd worden die kinderen, die meer dan gewonen aanleg toonen, opgezonden naar Malta, om daar als ge-neesheeren-katecliisten te worden opgeleid.
Den 17 Mei 1881 kwam Mgr. Livinhac te Algiers aan uit 't Binnenland, en werd den 26 Sept. 1881 plechtig te Carthago tot Bisschop gewijd door Kardinaal Lavigerie zei ven. In Jan. 1885, bevond hij zich te Maison-Carrée tot voorbereiding eener nieuwe Kar.avaan, de öe. Men heeft uit 't voorgaande gezien, hoe hoog noodig deze was geworden. Het afscheid had plaats op Paaschdag. Kardinaal Lavigerie sprak ook thans weer eene heerlijke toespraak uit. Den 10 Mei 1885 scheepte deze zich in. Zij bestond uit 7 Missionarissen met Mgr. Livinhac en P. Charbon-nier aan 't hoofd. Einde Juni 1885 landde ze te Zanzibar. Eerst den 15 Sept. '885 kon ze den weg naar de meren inslaan. Oorzaak dezer vertraging was de ontevredenheid en gisting onder de Arabieren tengevolge van 't postvatten van Diütschland in die gewesten na het Congres van Berlijn. Den 12 Dec. kwam de karavaan behouden aan te Kipalapala (Tabora). Den 25 Dec. 1885 op Kerstdag had aldaar eene roerende plechtigheid plaats. Mgr. Livinhac de eerste Kath. Bisschop, die die gewesten ooit had be-
01
treden, diende liet doopsel toe aan 12 kateclmmenen. en daarna 13 vormsels. Mgr. Livinhao was in Mei in Bukumbi en in Juli in O Uganda, om er helaas, getuige te zijn eeuer verschrikkelijke vervolging, die aan de tijden van Decius doet denken. Hierover later.
In de pro vicariaten van Noord- en Zuid-Opper-Congo (in 18 lt;quot;8 den âPères Blancsquot; mede aangewezen) was tot heden nog niets verricht. In 1835 werden ook daarheen de eerste apostelen gezonden. Deze karavaan volgde den weg van :t Westen. Den 22 Juni 1885 scheepten zich de PP. Dupont, Schijnze en Merlon te Havre in, en bevonden zich den 1G Aug. te Banana, aan de uitmonding van den Congo. Nog in 't zelfde jaar opende ze aan de samenvloeiing van den Kasjaï de Missie van Koumouth. Toen echter in 18SB door den JI. Stoel de geographische indecling der Missiën van Midden-Atrika veranderd werd tengevolge van 't Congres van Berlijn, werd deze post door Kard. Lavigerie in 1887 ingetrokken. De oude pro vicariaten van Noord- en Zuid-Opper-Congo gingen over aan de Missionarissen van Scheutveld-bij-Brussel, en vormden sinds 11 Mei ]883 liet Metropolitaan-Apostolisch-Vicariaat van den onafhankelijken Congostaat.
De versterking door de 5fle karavaan aangebracht, was hoog noodig niet slechts voor de Nj'anza-Missie, maar ook voov de andere posten, met name der Tanganika-Missie. Den 11 April 1886 overleed te Kipalapala l'. Solasol, slechts eenige maanden na zijne aankomst, en den Juli 188^ op denzeltden post P. F au re, na er 5 jaar met ijver gewerkt te hebben. Den 21 Juli 1830 stierf insgelijks te O. L. V. van Kamoga (Bukumbi) P. Blanc na 5-jarigen arbeid.
Aan 't Tanganika-meer was eveneens gebrek aan Missionarissen, en de komst der PP. Charbonnier, .losset, (xuillemé in 1 S8ij had menige opengevallen plaats aan te vullen. Te Kibanga overleed den 29 Nov. 1831: P. Guillet, provicaris, en in Aug. 1885 1 Di'launey.
We zagen dat in 1884 de post van Ujiji moest worden opgeheven, wegens liet dreigen der Arabieren. In 't begin van 1885 moesten insgelijks de posten van Massanzé aan de Noordwestkust van 't meer worden opgeheven. De onmenselielijke Tipo-Tip begon toen Maugama te vuur en te zwaard te verwoesten. De Arabieren van Ujiji, door de gebeurtenissen aan de kust verbitterd, werden met den dag dreigender. Aldus werden de posten van Mloueva en die bij koning Ronssavia (een paar jaar vroeger opgericht) verlaten, doch de Voorzienigheid stelde hen woldra schadeloos door twee andere schoone Missie-centrums. Reeds vroeger was de streek Ulipa (Karema) uitgekozen voor eene Missie. Doch in 1885, na liet opgeven van Massanzé, werden de twee Relgisebe posten van Karema en Mpala door kapitein Storms aan Kard. Lavigerie over-
02
gedragen. Kapitein Jouhert, de ridderlijke Zonaaf-Missionaris, nam er bezit van. Ue Paters vestigden er zidi tegelijkertijd en begonnen met moed de Missie op denzelfden voet als overal, d. w. z. onderricht der volwassenen en aankoop van zooveel slaatjes mogelijk en de kiem van Christen-dorpen vormend
De omstreken zijn daar zeer dicht bevolkt. De Paters Moinet en Mo 11 eet bezochten soms op hunne tochten honderden dorpen, vaak maar 10 minuten van elkander gelegen. Kapitein Joubert, die (provisorisch) in de territoriale rechten der âIntern. Vereeni-gingquot; was getreden, breidde de bestaande gebouven uit en maakte van Karema en Mpala twee goed verdedigde torten. ilij oefende en wapende eerbt 50, 80, 100, eindelijk 200 en meer inboorlingen. Met deze goedgeoef'eude keurbende hield hij de slavenjagers op afstand en beschermde de Missie-posten, vooral later in 1887â1890.
In 1885 van MeiâJuli richtten de pokken verschrikkelijke verwoestingen aan in de streken rondom Kibanga. Geen vierde der aangetasten ontsnapte aan den dood. P. Vyncke redde er bij honderden door inenting (virus humanum, methode van Dr. Bertheraud). Geen enkele der aldus ingeënten stierf, terwijl de gebruikelijke koepokinenting niets uithaalde. 150 zieken door de inboorlingen verstoeten, werden opgenomen ; 100 er van genazen en werden onderricht. Het getal Christen huishoudens steeg tot 120. Twee Christen dorpen bestonden reeds, een derde werd einde 188(3 gesticht.
Tot hiertoe spraken we over de Missiën van Midden-Atrika, zeker het gewichtigste arbeidsveld der âPères lilancsquot;. Vermelden wij thans nog in 't kort eenige feiten, de Societeit betreffend van 1878â1886. In 18715 waren in Kabylie reeds 5 posten opgericht; in 187 1 werden deze nog met 8 vermeerderd, lu 1875 begonnen ook de Zusters-Missionarissen haar eersten post bij de Ouad'hias in Kabylië. In 1874 reeds was eene Apostolische school geopend te St. Lauient-d'Olt, depart. Aveyron, dioc. liodez in Frankrijk. Sinds 1878 bestond aldaar 1° een Arabisch Kleinseminarie, 2quot; Apostolieke School, 3° Postulaat voor Broeders. Ten einde dit werk te steunen had zich te Bordeaux een Comité van dames gevormd, tot het stichten v n studiebeurzen voor Apostolieken. Sinds 1874 tot heden (18J0) heelt deze stichting een groot aantal toekomstige Missionarissen en Broeders opgeleverd, vooral uit het bisdom Uodez en Bret ague, het klassieke land der Missiën in Frankrijk. De posten in 187.'! opgericht in de Sahara (Biskra, Geryville, Loghuat, Wargla, Metlili, enz.) werden na 1882 meest teruggetrokken. In 1878 reeds waren drie Paters op weg naar Tomboektoe vermoord. (Wonlt vervolgd.)
VKRVOLG EX SLOT.
Alleen lt;le post van G-hardaïa bleet beliontlen en blueit ook thans no^. Deze opgeving is echter slechts provisioneel, en was een gevolg der dolle razernij' en van 't opgezweept en moordziek ta-natismns der Muzelmannen in gansch de onmetelijke Sahara eu daarbuiten, als een terugslag van den Xaddhi-opstand en het woelen der Chonan's (Jluzelmansche vrijmetselaars).
Hetzelfde was het geval met do posten, in 1S7S en later ten zuiden van Tunis en Tripoli, in de Sahara gevestigd. Te Eha-dames hadden de Paters aanvankelijk een veelbelovenden post. Pater Richard legde in weinige jaren een ongelootelijken ijver en werkkracht aan den dag, doch werd in 18S2 met nog twee andere Paters door de Touaregs vermoord op den weg naar het meer Tsad langs Rhad. De oorzaak was dezelfde als boven. Daarbij kwam nog de omstandigheid, dat Frankrijk in dien tijd zijn protektoraat over Tunis uitstrekte. Ook die posten werden voorloopig opgegeven, met uitzondering van Gafsa, dat onder 't bereik is der Fransche kolonnes, evenals Ghardaïa, ten zuiden van Algiers. Ten einde deze missiën van Rhadames enz. te vergemakkelijken, ze te ondersteunen, en er mee in verbinding te blijven, was den I Oct. 1879 eene proknuv opgericht te Tripoli door P. Jamet, met nog een Pater en een Broeder. Tevens wijdden de Missionarissen hun krachten, ondanks een ongezond klimaat en eene moordende hitte, aan de ziekenverpleging: een der uitstekendste middelen om fanatieke en wantrouwige naturen door de christelijke liefde te winnen. In de maand Dec. 1879 alléén b.v., verpleegden de Paters van Tripoli 577 zieken. Toen echter de posten in de woestijn werden ingetrokken, werd ook deze prokuur opgeheven.
LEVENSBESCHRIJVING
64
We zagen reeds vroeger, hoe in 1874 de Slissionnarissen werden telast met de bewaking van 't Heiligdom van den H. Lodewijk te Karthago. Koning Karei X verkreeg bij verdrag van 8 Aug. 1830, van Sidi-Hussein, bey van Tunis, liet eigendomsrecht van den heuvel Byrsa en omstreken (d. i. de plaats, waar den 25 Aug. 1270 zijn heilige voorzaat Lodelijk IX, de kruisvader, aan de pest stierf.) Eerst in 1841 nam Louis-Plnlippe er bezit van uit naam van Frankrijk.
De koning liet er op eigen kosten eene kapel bouwen, die in 1842 werd ingewijd met zekeren glans, doch onder 't Keizerrijk in verval raakte. Mgr. Lavigerie, die reeds toen het oog had op Tunis, waar hij later zoo ontzaglijk veel tot stand zou brengen, was met reden begaan met den erbarmelijken toestand, waarin deze plaats, eerbiedwaardig door de deugden en den dood van Fran-krijks heiligsten koning, verkeerde. Door zijne bemoeiingen in 1873 werden zijne missionarissen belast met de bewaking en bediening der kapel en deze namen er bezit van in 1874. Doch ofschoon âCustodesquot;, waren de Paters vóór alles missionarissen. Van 't begin af dan ook bezochten ze onverpoosd dn stammen der Krummirs in den omtrek, verpleegden hunne zieken en deden aldus onberekenbaar veel goed.
Een paar jaar later werd in de bijbehoorende gebouwen eene Negerschool gevormd, waarin afgekociue negerslaafjes werden geplaatst. Van 1878â1880 werd eveneens nabij de oude kapel van St. Louis op den heuvel, het prachtig collegie St. Louis (later Scholasticaat der Perès Blancs) voltrokken. Toen dit in Sept. 1880 werd geopend, werd de Negerschool voorloopig overgebracht naar het dorp La Marsa, op 20 minuten afstand eveneens op de ruinen van het oude Kartliago gelegen. Docli den 12 Juli 1881 scheepten de Paters met hun 20 Negerjongens zich in naar Malta, waar het Neger-Instituut definitief werd gevestigd. Mgr. Lavigerie wilde zelf bij de installeering tegenwoordig zijn. Naar men weet, is het doel van liet Malteeach Neger-Instituut geaeesheeren-katechisten te vormen. Mgr Lavigerie had met eigen oogen gezien, hoe vruchtbaar dit middel was, b.v. te Constantinopel, in Syrië, Egypte en Perzië. Malta nu werd om verschillende redenen gekozen. Vooreerst is Malta door en door Katholiek; het klimaat, ofschoon gezond, is juist hetzelfde als dat van Noord-Afrika en de binnenlanden. Eindelijk aan de uitmuntende Kath. Universiteit konden de toekomstige katechisten allergemakkelijkst en zonder gevaar hunne geneeskundige studiën doen.
Daarbij had Mgr. Lavigerie plan aan het Instituut eene Apostolische school te verbinden, waarin Maltezer kinderen zouden worden opgeleid, om later als Missionaris of gewoon priester de talrijke
65
Maltezer kolonisten in Algiers, Tunis en Tripoli van veel dienst te zijn. Jlet waar enthousiasme werden Paters en Negers door de bevolking ontvangen. De Engelsche autoriteiten, met den Gouverneur aan 't hoofd begroetten dit nieuwe werk met alle welwillendheid en beloofden het hun steun en bescherming. De professoren der Universiteit boden aan gratis zich te belasten niet de noodige lessen. Een oud-kasteel (Palazzo Rosso), door een Prior der Mal-tezer-orde gebouwd en aan 't Gouvernement behoorend, werd voor 5 jaar gehuurd. Aanst-nds was het Instutunt-Nègre in gang, â ook de Apostolieke School werd 1 Aug. 1881 reeds geopend. 140 kinderen hadden zich aangemeld, doch slechts 25 konden worden aangenomen. Het getal Negerkinderen was ook toegenomen. 20 waren meegekomen uit Tunis, deze allen waren uit den Soedan. Een paar maanden later bracht P. Barbot de eersten uit ilidden-Ah-ika aan.
Een groot en ruim gebouw was het volgende jaar voltooid, en einde 1882 kon dit betrokken worden. Het Instituut verkeert in hoogen bloei. Een aantal kinderen keerden reeds naar Atrika weder, na hunne voltooide studie, om er hun nuttig apostolaat uit te oefenen. Ieder jaar worden nit Zanzibar ot de Sahara andere zwartjes aangevoerd, om de open plaatsen aan te vullen.
We vermeldden reeds, dat te Karthago in 1880 na 't verplaatsen der Negerschool, het Kollegie St. Louis werd geopend. Dit werd van den aanvang bestuurd door de âPères Blancs.quot; P. Bresson, later superieur van Woluwe, en thans van de prokuur van Zanzibar, was er de eerste grondlegger van. Het doel ervan was eene soliede en wetenschappelijke, christelijke opvoeding te geven aan de kinderen der voorname familiën van het Regentschap Tunis. Toeu de cursussen in Oct. 1880 werden geopend, was de toevloed groot. Onder de eerst aangegevenen waren o. a. de zoon van JI. Read, consul-generaal van Engeland; de zoon van generaal Bakkouch, minister van den Bey; twee kleinzonen van Thaïeb-Bey, broeder van den Bey en veel kinderen van voorname Engelschen, Franschen, Italianen, Dnitschers enz., zelts van aanzienlijke Israëlieten en Muzelmannen. De aanmerkelijke afstand van de stad Tunis (17 K. M.), en het ongemak hierdoor aan de ouders veroorzaakt, deed Mgr. Lavigerie besluiten het Kollegie naar Tuuis zelve over te brengen. Een uitgestrekt terrein werd aangekocht ; in April 1882 werd met het metselwerk begonnen, en zoo snel werd doorgewerkt, dat einde Sept. 1882 de gebouwen, hoewel oene oppervlakte van 1200 vlerk. M. beslaande, voltrokken waren, en den 9 Oct. 1882 het nieuwe kollegie St. Charles kon geopend worden. Nn eerst klom deze nuttige instelling tot hoogen
66
bloei. Het eerste jaar (1882) beliep het getal leerlingen (in- en externen) reeds 170, en klom de volgende jaren tot 300. Het studieplan omvatte alle klassieke leerstoffen van af de meest elementaire, tot de voorbereidingsstudiën tot liet bacchalaureaat. Het onderwijs werd gegeven door 23 professoren, waaronder 15 âPères Blancsquot; ; 5 Broeders van Maria en 3 leeken.
Het oudkollegie St. Louis te Karthago dient van af 1882 tot lieden voor soliolasticaat van de missionnarissen van Algiers. Van 1873â1882 was dit gevestigd geweest te Maison-Carrée (Algiers) in 't Moederhuis der Societeit, tevens Noviciaat. Na volbracht noviciaat beginnen of voltooien hier de aspirant-missionarissen, die nog geen priester zijn, hunne philosoplüsche en theologische studiën (samen 4 jaar). Doch tegelijkertijd dient dit vooiioopig tot Groot-Seminarie van het Bisdom Tunis.
We vermeldden i'eeds een en ander over de Zusters-üissionaris-sen van O. L. V. van Afrika. Deze congregatie ontstond eveneens in 1868. Mgr. Lavigerie had aanvankelijk tot vorming dezer jeugdige Congregatie een beroep gedaan op de toewijding van twee uitmuntende Znster-Congregatiën in zijn vroeger diocees N ' ncy, nl. de Zusters van den H. Caroius Borromeus en der Zusters van O. L. Vr. Hemelvaart. De eerste postulanten werden door die Congregaties verstrekt. De jeugdige Congregatie wies nederig op. Benige jaren later in 1875 werd een postulaat begonnen te Aix in Frankrijk. Het moederhuis was van den beginne te Kouba (Algiers.)
In 1875 begonnen ze met moed hunne eerste missie in Kabylië; in 1876 bij de Attafs (Hospitaal St. Elisabeth); in 1877 eene andere missie in Kabylië. Doch eerst 10 jaar later werd deze Congregatie voor goed gegrond. In dat jaar had dquot; scheiding plaats met de Zusters van 0. L. Vr. Hemelvaart, die niet verkozen te treden in de nieuwe Congregatie, welke een eigen regel en bestuur ontving. Tot dusverre had de werkzaamheid der Zusters meestal bestaan in 't verplegen en opvoeden der weeskinderen van 1868, en in 't algemeen in de opvoeding der vrouwelijke jeugd. In 1879 echter werd het doel der Congegratie in dien zin gewijzigd, of' liever nader omschreven, dat al haar krachten zouden gewijd zijn aan de bekeering der vrouwen en meisjes der inboorlingen van Afrika (vooreerst Noord-Afrika - Arabieren eu Kabylen, en later van Midden-Afrika,) In 1882 begonnen ook in Tunis de Zusters haar zoo vruchtdragend Apostolaat. Te La Marsa openden ze eene school voor inlandsche meisjes in Oct. 18S2.
Zoo hebben wij een overzicht (tot ongeveer het jaar 1886) der werkzaamheden in 't Heilige Land; in de Evenaarsstreken; in de Sahara en Tripolitanie; in Tunis, in Kabylië, op Malta. We zullen
67
besluiten met nog een en ander dienaangaande te vermelden. Naar we zagen, werd tot lsten Algem. Overste der Pères Blancs in 1874 gekozen P. Deguerry; in 1877 werd P. Deguerry herkozen; in 1880 Mgr. Cliarbonnier; in 1883 Mg. Bridoux; in 1886 P. Deguerry voor de Squot;10 maal en in 1889 Mgr. Livinhac (sinds 12 jaren in Midden-Afrika werkzaam, en 22 jaren Missionaris !)
In 1880 viel der kleine Societeit een decreet van lofprijzing en aanmoediging van den H. Stoel ten deel. Tevens schonk de H. Vader dat jaar eene groote som geld als bewijs van Zijne hooge belangstelling en vertrouwen.
In Nov. 1882 werd eene nieuwe Apostolieke School, tevens postulaat voor Broeders geopend te Rijssel (Lille) in 't Noorden van Frankrijk. De Paters, met P. Louail aan 't hoofd, werden door de uitmuntend katholieke bevolking met geestdrift ontvangen. Op het Congres der Katholieken van 't Noorden van Frankrijk, ia Nov. 1882 aldaar gehouden, werd den Missionarissen, bij monde van Graat de Canlaincourt, hulp, steun en onderhoud toegezegd. Deze inrichting verkeert nog thans in bloeienden toestand en leverde tal van Missionuarissen en Broeders.
En was Holland in de eerste jaren gansch vreemd aan de werken van kardinaal Lavigerie, met name aan zijne Societeit van Missionarissen? We zullen zien. In het âBulletin des Missions d'Afrique no. 7 Juillet 1873 vind ik vermeld, dat reeds toen een goed deel der noodige gelden o. a. uit Holland kwam. (1)
1
Men weet welk ruim deel het Instituut van St. Louis te Oudenbosch, en met name Br. IJernardinus, had in de Zouavenbeweging van ISUOâ1«70, hoe het grootendeels aan den Zeereerw. Pastoor Hellemons en de Broeders van Oudenbosch te danken was, dat Holland zoo talrijk en waardig in Rome om Pius' troon was vertegenwoordigd. Welnu: de missiën van Afrika, het land van den Zouaven-Ge-neraal de Lamoriciure, hebben immer menige aanrakingspunten met die edele keurbende gehad. (Denk aan de Auxiliaires, Joubert, de talrijke Broeders Oud Zouaven, aan den kruistocht in 1888 gepredikt, het aanbod van Generaal de Charette incluis.) Toen na 1870 Mgr. Paaps, oud-Zouaven Aalmoezenier, in België zoo ijverig werkzaam was voor de missiën van Mgr. Lavigerie, en in 1871» het âDrijmaandelijksch Verslag der Missiën van Algiersquot; begon uittegeven, was het Br. Bernardinus. die in Holland tegelijkertijd begon het Liefdewerk van den H. Augustinus en de H Monica of der Afrik. Miskien te populariseeren, eene populariteit, die thans zoo algemeen is. Van 1879â1884 verspreidde de ijverige Broeder zooveel mogelijk het Vlaamsch verslag, doch in Juli 18SI begon hij met eene eigene Hollandsche publicatie der Annalen nl. der Afrik. Missiën. Als men nagaat, dat die Annalen eerst om de 3 maanden toen om de 2, eindelijk iedere maand het licht zagen ; als men ziet dat all. 1 maar een viertal giften bevatte, en b.v. de Jull-afl, 1890 zes bladzijden giften ; dat de lijst van Zelateurs en Zelatrices van een 40 tal tot byna 200 gestegen is; dat liet getal expl. van iedere oplage meer dan 4000 bedraagt en dus (volgens het systeem der tientallen) door minstens 50.000 Hollandsche katholieken wordt gelezen, na dat alles bebot-ft men niet meer te vragen, of Holland vreemd is aan de missiewerken van Kard. Lavigerie. nog minder of Holland zijn ouden roem van liefdadig land bij uitnemendheid vergeet. En om nu alles in eens te zeggen: als we in Maastricht, thans te Vught, (N.-B.) een Postulaat van Zusters Missi-
68
Einde 1885 werd eene Prokuur opgericht te Rome, nabij de kerk van St. Nicolas des Lorrains, nationaal eigendom van Frankrijk. Deze maatregel was noodig wegens de vele zaken, die gedurig met den H. Stoel en de Congregatie der Propaganda te regelen zijn, betreffende de talrijke missiën als die van Kard. Lavigerie. Tevens verblijven daar een beperkt aantal Scholastieken der Societeit, die aan het Seminarie der Propaganda de lessen der Philosophic en Theologie volgen.
We zagen hoe in België reeds vroegtijdig het werk der Afrik. Missiën veel steun en belangstelling vond. In Oct. 1884 werd daarom te St. Lambreclits Woluwe bij Brussel het kasteel Crainhem gehuurd om er eene Apostolieke School, tevens postulaat voor Broeders te vestigen. Van 1884 tot heden zond dat gesticht een groot aantal apostolieken en Broeders, ook nit Holland, op naar St. Eugène en Jlaison-Carrée. De eerste Superieur was P. llerlon, later opgevolgd door P. Bresson, die in 1883 door P. Engels werd vervangen.
onarissen zien bloeien ; te Ilaaren (Gerra) â thans verplaatst naar Huize St. Charles te Boxtel â een voor Broeders (dat in een half jaar 50 aanvragen wegens plaatsgebrek moest afwijzen) : als we in 1889 de geheele Katholieke Pers, op verzoek van het gezamenlijk Episcopaat, den kruistocht van Kardinaal Lavigerie zien aanprijzen en roemen en hare kolommen zien openstellen voor giften: eindelijk als we in 1889 zeven Hollandsche novicen â onder 34 uit heel Europa â uit ons klein Vaderland zien heensnellen om plaats te nemen in de ryen der âPerès Blancsquot;, na dat alles behoeft waarlyk niet meer te worden getwijfeld aan de Katholieke sympathie van Nederland voor 't arme Afrika en zijne missiën.
En, laat ik het volmondig zeggen, voor een zeer ruim deel is hot aan den nede-rigen Br. Bernardinus te danken, dat dit sehoone Liefdewerk in Neerlands Katholieken bodem zoo vast wortel schoot Hij moge het mij vergeven, dat ik zijne nederigheid op zulke zware proef stel! Evenmin zal het alzoo iemand bevreemden, dat Z. Em. Kardinaal Lavigerie het katholieke Nederland zulk warm hart toedraagt. Nog iets: de lezer denke nu niet, dat mijne zooeven vrij luid uitgesproken bewondering voor Neerlands liefdadigheid, voortspruit uit een zeker .... ja, hoe het te noemen?.... trutsch of liever ijdel patriottisch gevoel! Bah I Hart en geest van den kleinsten missionaris is daarenboven verheven. Hoe egoïstisch en dus essentieel on-katholiek zou dat wezen! Neen! Mijne bewondering is de uiting van een puur dankbaarheids gevoel voor de liefdadigheid, in den geest des geloofs aanschouwd, van myn Vaderland. Ja, dankbaar ben ik er voor, omdat ik denk: wat zegen moet dat alles over mijn dierbaar Vaderland onfeilb-mr doen nederdalen ! Een priester missionaris werkt en bidt voor de bekeering der zielen, met name der ongeloovigen. Zeker, de missionaris verlaat met liefde den geboortegrond, liefst om er nooit meer weder te keeren. Doch de liefdeband zijns harten breekt nooit. Hij is missionaris.
Hoe zou hij dus b. v. de honderdduizenden dwalenden van zijn eigen vaderland kunnen vergeten ? Zoolang ik priester missionaris ben, vergat ik nog nooit in mijn memento te bidden voor de bekeering van Nederland, te beginnen met Z. M. onzen geëerbiedigden Koning, de Koningin en de Prinses. Men begrijpt mij, en daarom zal dit niemand naïf vinden. Men zal moeilijk een beter bewijs geven, dat men zijn Nederland lief heeft, dan door er voor te bidden !
âMais revenons a nos moutonsquot; zeggen de Franschen.
Men vergeve mij deze zonderlinge digressie, weinig passend is eene dorre chronologische schets als deze. Doch ik ben volstrekt geen geschiedschrijver, evenmin als ee;i litterator.
69
HOOFDSTUK V.
Vervolg van het Bisschoppelijk beheer van Algiers.
(1881â1890).
§ 1-T ixi si k.
Men weet hoe tot 1880 Frankrijk en Italië elkanders invloed in een zoogenaamd recht op het Regentschap betwistten. In 1880 eindelijk beschouwde Frankrijk de uittartesde houding van den Italiaanschen gezant Haccio en daarbij een inval der Krnmmers op de Algerijnsche grenzen als voldoende redenen om Tnnis gewapenderhand te bezetten. Dit liep at zonder veel bloedvergieten ; eukel de stammen der Krimmers boden eenigen tegenstand. De bey Mohammed Sadok werd gedwongen Frankrijks protektoraat aan te nemen. De voorstelling (vooral van Italiaacsche zijde) als zou Kardinaal Lavigerie bij deze gelegenheid en ook later in Tunis de rol van politiek agitator vervuld hebben, is te dom en dwaas om te weerleggen. Kardinaal Lavigerie was immer eu overal vóór alles Missionaris. In Oct. 1S80 en reeds vroeger bezocht Mgr. Lavigerie Tnnis, docli we zagen, dat zijne Missionarissen reeds sinds 1874 te Karthago, te Tripoli en in 't Zuiden van Tnnis gevestigd waren.
In 1841 was duor Paus Gregorius XVI in 't Regentschap een Apostolisch Vicariaat opgericht, en vormde eene Missie, aan Itali-aansche Capucijnen toevertrouwd, aan wier hoofd stond Mgr. Snter, een eerbiedwaardig grijsaard van 86 jaren. Reeds 20 jaar lang had deze prelaat den 11. Stoel om ontslag gevraagd. Eindelijk 6 maanden voor de Fransche bezetting, nam de H. Stoel zijn ontslag aan. Reeds had de Congregatie der Propagande den H. Vader een opvolger voorgesteld. Drie Capucijnen, allen Missionarissen in Tunis, waren gepresenteerd, toen liet Fransch protektoraat tusschenbeide kwam. Het Fransche gouvernement drong er op aan, dat de nieuwe Apostolische Vicaris een Franscliman zijn zou. De H. Stoel, zonder oogenblikkelijk en definitief een titularis te benoemen, stemde toe in de benoeming van een Fransdien Apostolischen Administrator âad interimquot;. Toen deze stap gedaan was, kon de aangewezen persoon geen ander zijn dan Mgr. Lavigerie, die dan ook bij Breve van 28 Juni 1881 werd benoemd. Bij rondgaand herderlijk schrijven, deelde Mjr. Lavigerie deze beslissing des H. Stoels aan de geestelijkheid van zijn bisdom Algiers mede. In Juli 1881 bevond zich Mgr. Lavigerie in Tnnis, waar hij van nu at zijne residentie ves-
70
tigde. Zeker, de omstaiuligheden waaronder de Apostolische Administrator dezen nieuwen zwaren last aanvaardde, waren onder vele opzichten allermoeilijkst, llgr. Lavigerie echter beschouwde dezen van den beginne als eene nieuwe zending, door de Voorzienigheid hem toevertrouwd, om in die streken het Christendom in al zijn glorie van onder de ruïne te doen verrijzen. âDe kerk van Tunis ,;is de kerk van Karthago. Karthago met zijn Hannibal en âal zijn groote mannen was niet alleen de mededingster van âRome, maar de wieg van het Christendom in Atrika, de zetel van âden Primaat met zijne 700 bisschops kerken, de stad vau duizen-âden, ja millioenen martelaren, leeraren, belijders, kloekmoedige âmaagden, de stad van Tertulliaan, Cypriaan, Fulgentius, Felicitas, âPerpetua; de stad dier beroemde couciliën, die langen tijd de âlichtbaak der christenwereld waren. Onder sijne door de eeuwen âopgehoopte puinen vindt men alles terug: het amphiteater waarin âhet bloed der martelaren bijna zoo overvloedig stroomde als in âdat van Rome; de begraafplaatsen, waar de Christenen hunne âmartelaren begroeven en hun eeredienst verborgen voor de oogen âder tirannen; de plaats waar de grootste van Afrika's bisschop-âpen werd veroordeeld en den dood ontving; de kerk waar de âH. Monica zooveel tranen weende over de vlucht van Augustinus.quot;
Bijna alles was te doen, niets bijna bestond In Tunis vóór de komst van Slgr. Lavigerie onder het oogpunt van katholiek leven. De stad Tunis met meer dan 20000 katholieken, zonder het bezettingsleger van 10000 man mede te rekenen, bezat slechts eene kleine Capucijnen-kerk. Geen bisschopswoning, geen wereldlijke geestelijkheid, geen seminaries, geen katholieke scholen, hospitalen, oude-maunen- of vrouwenhuizen, enz. De parochiën, 9 in getal, hadden meerendeels geen kerken.
Mgr. Lavigerie toog oogenblikkelijk aan het -werk. Hij deed een welsprekend beroep op de liefdadigheid der katholieken van zijn Vaderland, in een briet aan de bisschoppen van Frankrijk. De omstandigheid echter, dat in die dagen de campagne en de bezetting van Tunis in Frankrijk zeer impopulair waren, maakte deze eerste poging bijna vruchteloos. Hierbij kwam eene moeilijkheid van anderen aard. De Italiaansche Capucijnen waren van oordeel, dat de missie van Tunis, dour Italië gesticht en dus Italiaansch, niet door een Franschen prelaat behoorde bestuurd te worden. De tusschenkomst van den H. Stoel ruimde echter dit bezwaar spoedig uit den weg. Eene prijzenswaardige uitzondering in deze maakte de oude Apostolische Vicaris, Mgr. Suter, bisschop van Rosalia. Nauwelijks had de eerbiedwaardige grijsaard van 86 jaren de komst van zijn opvolger Mgr. Lavigerie te Rome vernomen, of hij haastte zich dezen te
71
gaan bezoeken. Hij droeg met zich de bisscliopsstool, 40 jaren vroeger van koningin Maria-Amelia ontvangen, om ze den aarts-bissschop van Algiers aan te bieden. Mgr. Lavigerie, diep bewogen, knielde neer voor zijn eerbiedwaardige!! voorganger met verzoek zelf de stool om zijne schouders te hangen en er zijn zegen aan toe te voegen. De oude bisschop gat eindelijk toe en zegende dengene, die hem ging opvolgen. Mgr. Lavigerie van zijn kant betoonde niet minder welwillendheid jegens den ouden herder. Hij schonk hem eene jaarlijksche rente van 6000 fr., die hij tot op heden van zijn eigen persoonlijk vermogen afzondert.
Nadat de nieuwe Herder had bezit genomen van ziju post, stelde hij zich dra in betrekking met zijne kudde door een eerst rondgaand schrijven, in hetwelk hij opnieuw den treurigen toestand schildert, waarin het Vicariaat verkeerde. Op 't laatst van 1881 en in 't begin van 1832 deed Mgr. Lavigerie een eerste herderlijke rondreis in het Regentschap, te beginnen met de parochies, aan de zeekust gelegen. De nieuwe Administrator werd allerwegen met onbeschrijfelijke geestdrift ontvangen, niet slechts door Katholieken, maar mede door de Muzelmannen en Israëlieten. Over de ontvangst te Sfax o. a, verhaalt een ooggetuige ;
Aangekomen aan boord der âSafinequot;, werd de eerbiedwaardige rielaat aan de haven door de gansche katholieke bevolking, die in feestgewaad hem tegemoet trok, ontvangen. Een groot getal Maltezerlt;, die bijna uitslnitend de Enropeesche kolonie vormen, ten getale van 1200, droegen vaandels voor zich uit. De militaire eer werd bewezen door het linieregiment, in garnizoen te Sfax. Het kanon dreunde en alle inwoners, ook de Muzelmannen en Joden,
kwamen van alle zijden toegeloopen om den prelaat te zien.....
Mgr. Lavigerie sprak achtereenvolgens in 't Italiaanse)! en in 't
Fransch..... Toen hij de kerk verliet, wierpen alle geloovigeu zich
op zijn weg om zijne handen en kleederen te kussen, en zoo groot was hunne onstuimigs liefde, dat men werkelijk bevreesd was, dat ze hem dooi zouden drukken. Den volgenden dag bij 't vertrek hadden dezelfde uitingen van geestdriftige liefde plaats. De Mu-zelmansche gouverneur der stad zond zijn rijtuig om Mg!1, naar de haven te brengen. De Malteesche bevolking omringde het rijtuig, spande de paarden uit en eenige der krachtigste mannen trokken zeiven het rijtuig als in triomf, onder de duizendwerf herhaalde kreten : âLeve Monseigneurquot;, âLeve de Aartsbisschopquot;, âLeve de godsdienstquot;. Leve de kerkquot;!
Met dezelfde geestdrift werd de Aartsbisschop allervvege in het Regentschap ontvangen.
Een weinig tijd na zijn schrijven aan de geestelijkheid, richtte
72
Mgr. Lavigerie zich tot de geloovigea bij gelegenheid der naderende Kerstfeesten (18S1), en sprak 1)ij wijze van kerstgeschenken, die hij hun toezegde, over 't geen hij oogenblikkelijk wilde tot stand brengen. Hij schonk 2000 piasters, die de Paters Capacijnen aan de arme katholieke familiën met Kerstmis zouden nitdeelen, en 1000 piasters aan de Zusters van den H. Joseph voor arme Muzelmannen en Israëlieten.
Wat met name de stad Tunis betrof, daar zou oogenblikkelijk eene nieuwe parochie (Capuoijnen) worden opgericht, en eene andere voor de Maltezers 5000 in getal, en die slechts één religieus hadden, die hun taal verstond. Vervolgens een nieuw katholiek kerkhof, â-eeu toevluchtsoord voor oude lieden van beider geslacht in de wijk Ivalloliu, door de Zusters der Armen te bedienen (den 22 Januari 1882 ingewijd); â meerdere scholen door de Broeders der Christelijke Scholen en de Zusters van den H. Joseph te besturen; â een Pensionnaat voor meisjes aan de âDames de Sionquot; toevertrouwd; â een hospitaal; eindelijk zouden de Zusters van Goede-Hulp zich belasten met de ziekenverpleging aan huis. Dat alles kwam tot stand op 't einde van 1881 en in 't begin van 1882. Het gouvernement van den Bey schonk aan Mgr. Lavigerie eene kazerne, die tot hospitaal met 200 bedden werd ingericht.
Ziedaar de diplomatie des prelaats: zooveel goed doen als mogelijk, alles geven wat hij bezat.
Men voelde, dat het katholiek leven op dien dorren bodem ontwaakte. De ware Katholieken verblijdden zich; niet zoo eeu soort van politiekers, die onder het voorwensel van nationaUteitsbelangen, hun magonnieken en satanischen haat poogden te verbergen en weldra den Aartsbisschop een strijd op leven en dood begonnen te leveren. M. Macciö, Italiaansch gezant, was opgevolgd door een Consulair-Agent, Rayboudi-Massiglia. Eens dat deze zich met den Aartsbisschop in den trein bevond voor La Marsa, liet hij zich tegenover alle aauwezigen dit woord ontvallen: âO Monseigneur, wat doet âgij veel goed, maar wat doet dat goed ons kwaad!quot;
Dit was onder een hoffelijken vorm eene oorlogsverklaring, welke oorlog weldra in de Italiaansche bladen begon. Niets werd gespaard. De grofste en tevens de meest ongerijmde laster werd verspreid omtrent de handelingen en de beweegredenen van den Aartsbisschop. Men ging zelfs over tot omkooperij, doch hier rekende men buiten den man. Op zekeren dag trad zulk een korrespondeut of creatuur bij Monseigneur binnen, en verklaarde, dat men besloten had de lasteringen zoo ver te drijven, dat zijne poiitie onhoudbaar zou worden, doch tegen eene som van 6000 fr. zou men hem met rust laten. Denzelfden dag schreef Mgr. Lavigerie aan
den âOsservatore Romanoquot;, om deze schandelijkheid voor de Iieele wereld te brandmerken.
Ziehier hoe de Aartsbisschop zich wreekte. Omtrent hetzelfde tijdstip (1882) werd Noord-Italie vreeselijk geteisterd door overstroomingen, die duizenden slachtoffers maakten. Mgr. Lavigerie richtte, een rondgaand schrijven aan de geloovigen zijner beide diocesen Algiers en Tunis en schreef eene geldinzameling voor ten gunste der slachtoffers. De opbrengst was aanzienlijk en werd den 10 Sept. 18S2 opgezonden aan den Directeur van den âOsserva-tore Romanoquot;, en in een begeleidend schrijven herhaalde 5Igr. Lavigerie het woord van den H. Paulus, dat hem ook in 't vervolg tot richtsnoer zou dienen âNoli vinei a malo, sed vince in bono âmalum, â laat ü niet overwinnen door het kwaad, doch overwin âhet kwade door het goede.quot;
Het Italiaansche gouvernement was zijns ondanks wel gedwongen hulde te brengen aan deze edelmoedige, echt Apostolische daad, wat ook tot tweemaal toe gebeurde door bemiddeling van denzelf-den Vice-Consul van Italië te Tunis, Roghaudi-Massiglia.
Eene gelijke welwillendheid als jegens de Italiaansche bevolking, betoonde de Prelaat jegens de Anglo-JIaltesche, die bijna de ge-heele Enropeesche bevolking van Tunis uitmaakt. In 't geheim was eene kleine protestansche of maQonnieke minderheid er op uit, den Aartsbisschop tegen te werken.
Mgr. Lavigerie vernietigde ook deze vijanden door eene schoone daad, waartoe eene omstandigheid in die dagen gelegenheid bood. Koningin Victoria van Engeland ontsnapte aan een aanslag tegen haar leven gepleegd. Mgr. Lavigerie schreef een plechtig Te Denm van dankzegging voor aan de Anglomaltezers, en deze was de eerste plechtigheid, die in de voorloopige kathedraal van Tunis plaats had. Hij verzocht de militaire Fransche gezagvoerders de zonaven-harmonie at te staan voor die gelegenheid en sprak zeil eene heerlijke allocutie uit. Eenige citaten. âHet is waarlijk een acte van geloot, die ge heden komt vervulden in dezen tempel. Gij komt hier de Voorzienigheid aan-âbidden, die waakt over de wereld, en in hare goedheid de slangen afweert, die de volken bedreigen. Deze daad is uw katho-,.liek Malta en de groote natie, waarmee zijn bestaan samenhangt, âwaardig. Gij hebt in 't midden der revoluties, die Europa âberoeren, het vaderlandsch geloot ongeschonden bewaard. De onders âonder u beschouwen de godsdienstige traditiën als het beste ertdeel, âdat ze Irannen zonen kunnen nalaten, en de zonen hechten meer
âaan 't behoud des geloofs hunner vaderen dan aan hun leven.....
âGewis nooit waren gevoelens billijker, indien men zich de edele
74
âSouveveinc herinnert, die ze in uwe harten deed opwellen. Model âvan koninklijke deugden door hare toewijding aan het welzijn âhaara volks, door haren eerbied voor zijne vrijheden, constitutie âen wetten, voorbeeld aller dengden van eclitgenoote en moeder, âmodel van nederige en christelijke onderwerping onder den vreese-âlijken slag, die haar leven geknakt en in haar hart eene wonde âheett geslagen die altoos zal bloeden, is Zij het voorwerp der âdankbaarheid harer onderdanen voor de weldaden barer regeering, âeene der langste uwer monarchie, en van den eerbied aller volken âvoor de wijsheid eener regeering, die alle rechten eerbiedigt. En âwie beter dan gij, katholieken van Malta, kunt Haar dit getui-âgenis geven? Waar is de kerk vrijer, zijn haar dienaren meer âgeëerd, hare plechtigheden luisterrijker, hare goederen beter verzekerd dan onder het gouvernement van Engeland, otschoon âprotestant? Hoeveel volken van Europa, zelfs katholieken, moe-âten heden uw lot benijden! Die weldaden hebt gij te danken âaan den geest van rechtvaardigheid en ware vrijheid, waarop uw
âgroot land met recht groot gaat..... Heer, zegen Engeland,
âwijl het de maatschappelijke deugden zijner oude dagen be-âwaard heeft! Zegen het voor de vrijheid en bescherming, die âhet allerwege bewijst aan de oude kerk, die het bemint en nog âbeweent! Zegen zijne edele Vorstin !.....quot;
Ook Engeland betuigde officieel zijne erkentelijkheid voor deze schoone daad, bij monde van zijn Agent en Algemeenen Vertegenwoordiger te Tunis, bij gelegenheid van 't plechtig overreiken der kardinaals-insigniën aan Mgr. Lavigerie op 10 April 1882 te Tunis. In zijn toost zei o. a. de Engelsche gezant, dat Z. Em. Kardinaal Lavigerie voor goed de sympathie âder Engelschen te Tunis en in 't Moederland verworven had.quot;
Dezelfde vaderlijke onpartijdigheid nam Mgr. Lavigerie in al zijn daden en woorden in acht. Bijvoorbeeld bij de vorming van den Administratieven Raad van het nieuw opgericht Hospitaal werden door hem leden gekozen van Italiaansche, Malteesche, Belgische, zoowel als Fransche nationaliteit.
De verstandhouding van den Aartsbisschop met de Muzelmausche bevolking en met name de familie van den Bey (wiens paleis te La Marsa aan dat van Mgr. Lavigerie grenst), was immer zoo voortreffelijk, ja hartelijk mogelijk.
Men overdrijft niet met te zeggen, dat de Kardinaal in Tnnis zoowel als in Algiers bemind is in de ware beteekenis door de Muzelmannen. Onveranderlijk noemen ze hem âel Marabout el Kebier, de groote Marabout (priester). In dezen zin is het woord van het Italiaansche blad de âRitormaquot; zeer waar: âKardinaal
75
Xiavigerie is in Afrika voor Frankrijk zooveel waard als een leger van 50.000 manquot;!
Mgr. Lavigerie bevond, zich te Tunis, toen de fanatieke Maart-decreten (29 Maart 1882) in Frankrijk de Eeligiense-Congregatiën (vooral de onderwijsgevende) verbanden, ontbonden en hun werkzaamheid onmogelijk maakten. Daze slag trof zijn diocees Algiers, doch had ook zi.in terugslag in Tunis. Alle Congregatiën in Algiers (uitgenomen die der Lazaristen, âPères Blancsquot; en Broeders der Christelijke Scholen) waren bedreigd, vooral de Trappisten, (150 leden) en de .Tezuïten. Inderdaad was het Gouvernement van plan deze drakonische wetten eveneens op Algiers toe te passen. De moedige Aartsbischop echter wendde dezen slag af. Achtereenvolgens richtte hij zicli tot den minister van Buitenlandsche Zaken, tot den Gouverneur-Generaal van Algiers en eindelijk tot M. de Frey-cinet, president van den ministerraad in eene uitvoerige memorie, waarin op schitterende wijze daghelder werd bewezen, dat de uitvoering der decreten voor Algiers en Tunis, zoowel uit wettelijk-en politiek oogpunt als in 't belang van Frankrijks internationalen invloed, een onrecht en een zware ramp zon wezen. â Het gevolg dezer cordate houding was, dat de Congregatiën in Algiers en Tunis niet werden bemoeilijkt.
Doch in 't midden dezer gebeurtenissen had er in 't leven van Mgr. Lavigerie een feit plaats, dat belangrijk genoeg is om er in eene afzonderlijke paragraaf over te spreken.
§ 2.
Het Kardinalaat.
Reeds in 1878, weinig tijd na zijne troonsbestijging was het de bedoeling van Paus Leo XIII den Metropolitaan van Noord-Afrika tot Kardinaal te verheffen en graaf de Gabriac, Ambassadeur van Frankrijk bij het Vaticaan, bracht dezen wensch des H. Vaders aan zijn gouvernement over. Doch Maarschalk Mac Mahon was destijds President der Republiek. In 1879 was de groote bisschop van Poitiers, Mgr. Pie met liet Romeinsche purper begiftigd. Mgr. Lavigerie had volgens gebruik den nieuwen Kardinaal geluk gewenschf. In zijn antwoord zeide Z. Em. Kardinaal Pie : âDe âVoorzienigheid, die mij vóór U komt te verheffen tot deze âwaardigheid, zal niet toeven ü te plaatsen in den rang, dien Gij âvóór mij hadt moeten innemen.quot; Nauwelijks een jaar later stierf Kard. Pie, en deze vacature werd aangevuld door Kard. Lavigerie, die in het consistorie van 27 Maart 1882, door Paus Leo XIII
76
tot kardinaal der H. Roomsdie Kerk .werd benoemd. Den 19 Maart werd de toekomstige Prins der Kerk door den staatssecretaris van Z. H., Kard. Jacobini met dit feit in kennis gesteld, met vermelding, dat de Pauselijke afgezant reeds den dag der benoeming (27 Maart) uit Rome zou vertrekken om den nieuwen dignitaris den^kardinaals-Uoed en de overige waardigheids-insigniën te overhandigen. Mgr. Lavigerie bevond zich rustig te Kaïthago, toen hij deze tijding-vernam. Zijn eerste daad was den H. Vader zijne nederige dankbetuiging te doen toekomen.
De Pauselijke afgezant, graaf Cecchini, âgarde-noblequot; van Z. H., kwam te Tunis aan in de eerste dagen van April 1882, en werd met de meest mogelijke eer en onderscheiding ontvangen. Admiraal Conrad, kommandant van liet Fransche eskader, zond eene sloep van zijn admiraalsschip, door een zijner officieren gekommandeerd, om graaf Cecchini aan boord der âTransatlanticjuequot; te ontvangen. Zijn tocht naar St. Louis de Carthago was een ware zegetocht.
Mgr. Lavigerie ontving 's Pausen afgezant in de groote Lodewijks-zaal van het Collegie St. Louis. De plechtigheid van 't overreiken van den kardinaalshoed was vastgesteld op Zondag 16 April, als de deputatiën uit Algiers zouden zijn aangekomen. Deze (den 15 gearriveerd) bestonden nit al de Vicarissen-Generaals van Mgr. Lavigerie, de Superieuren met 27 leden der Societeit der âPères Blancs'quot;, eene groote schaar geestelijken, met Mgr. Dusserre en Mgr. Combes aan 't hoofd. Meerdere extra-treinen voerden Zondags een ontzaglijke menigte van Tunis naar Karthago. Tegenwoordig waren alle Fransche autoriteiten: M. Caurbon, minister-president, de opperbevelhebber van 't Fransche leger, alle generaals te Tunis aanwezig, de admiraal met zijn staf, een groot aantal officieren der land- en zeemacht, de consuls van Engeland, Oostenrijk, Rusland, België, enz., de voornaamste leden der verschillende Europeesclie koloniën, eene ontzaglijke menigte Arabieren, Maltezers, Italianen enz.
De militaire muziek luisterde de plechtigheid op. Bij 't dejeuner, den autoriteiten aangeboden en door Z Em. voorgezeten, bracht de Gezant van Engeland, M. Reade een toost uit op den nieuwen kardinaal, door alle Engelsche bladen woordelijk als telegram opgenomen, en die een waar politiek evenement kan heeten (zie § i.) Oin 4 uur in den namiddag had de overreiking der kardinaals-insi-gniën, plaats. In eene heerlijke allocutie beantwoordde de kardinaal de gelukwenschen van graaf Cecchini. Onmiddellijk daarna vertrok een lange extratrein naar Tunis, waar om 6 uur het plechtig âTe Denmquot; in de nieuwe kathedraal zou worden gezongen. Onbeschrijfelijk was ook hier de geestdrift. De Maltezers, ondanks het verzet van den kardinaal, ontspanden de paarden van het rijtuig
77
en trokken liet door de straten tot voor de denr der kathedraal, 's Avonds was de kathedraal, evenals St. Lonis te Karthago, schitterend verlicht. De Bey had door den dag zijn eersten minister gezonden, om den Prins der kerk gelnk te wenschen. Twee dagen te voren had hij met alle eer den Pauselijken afgezant ontvangen, en met eigen hand hem de onderscheidingsteeken van kommandeur der Nicham-orde op de borst gehecht, terwijl hij hem verzocht de gebeden en den zegen van den Paus, wiens wijsheid hij hoogelijk prees, voor zich en zijn koninkrijk te vragen.
Doch het gebruik in Frankrijk is, dat de nieuwe kardinalen, na den kardinaalshoed uit de handen van den Pauselijken afgezant ontvangen te hebben, de roode barret ontvangen uit de handen van het Hoofd van den Staat. Kardinaal Lavigerie vertrok dan den 5en Mei naar Parijs, alwaar den 2 L⢠Hei op het Elysée door President Grevy onder de gewone plechtigheden de overreiking der roode barret plaats had. Mgr. Ferrata, auditeur der apostolische Nunciatuur en Ablegaat van den H. Stoel, schetste volgens gebruik in eene schoone latijnsche redevoering de verdiensten van den nieuwen titularis. Op de korte toespraak, die Kard. Lavigerie vervolgens tot den President richtte, antwoordde deze in de meest heusche termen.
Daags te voren had de nieuwe Kardinaal den gebrnikelijken eed van trouw aan den H. Stoel âus(iue ad effusionem Sanguinis inclusivequot; afgelegd in de kapel van het Aartsbisschoppelijk paleis te Parijs, in de handen van Kard. Guibert.
Eenige dagen daarna vertrok Kard. Lavigerie naar Eome, om uit de handen van den Paus zeiven de kardinaalsonderscheidings-teekenen te ontvangen. Dit had plaats in het openbaar consistorie van 3 Juli onder de gewone plechtigheden.
De titel, Kard. Lavigerie aangewezen, was die der H. Agnes-buiten-de-Muren. Denzelfden dag werd de nieuwe Kardinaal dooiden Paus benoemd tot lid der Congregatiën der Propaganda, van 't Koncilie, der Riten, der Aflaten en der H. Eeliquieën.
Deu 5 Juli nam hij plechtig bezit van zijn Kardinaals-titel der H. Agnes-buiten-de-Muren. Kard. Lavigerie sprak bij deze gelegenheid eene sierlijke allocutie uit, die hij aldus besloot; âMogen de gebeden, hier in de kerk der zalige Agues gestort, den eersten Atrikaanschen Kardinaal de genade verwerven, de kerk van Cypriaan, Felicitas en Perpetua uit hare ruïnen op te heffen.quot;
Oogenblikkelijk daarna hernam de nieuwe Prins der kerk den weg naar zijn dierbaar Afrika.
Hij nam zijn weg over Malta, om er aan een 12 tal Negers van het âInstitut Nègrequot; het H. Doopsel en vervolgens het H. Vormsel toe te dienen. Men moet opklimmen tot de Middel-
78
eeuwen, om een voorbeeld te vinden (ier onbeschrijfelijke manifestatie, waarvan Kard. Lavigerie den 10 Jnli 1882 en volgende dagen te Malta liet voorwerp was. De gansche bevolking, d. w. z. minstens 120.000 man bewoog zich aan de haven en in de straten van La Valette bij 't aankomen van het schip.
De bisschop van Malta, aan 't hootd zijner geestelijkheid, zoomede al de Malteesche markiezen en edelen stonden gereed om den Kardinaal te ontvangen. Op het embarcadère was een vorstelijke troon opgericht, waartoe de voornaamste familie hunne kostbaarste voorwerpen in zijde, ftuweel enz. hadden bijeengebracht. Een der schoonste paleizen was ingelijks door medewerking der geheele stad zoo rijk en vorstelijk mogelijk in gereedheid gebracht, enz. Met veel moeite kon de kardinaal na de ontscheping het gereedstaand rijtuig bereiken, en toen dit eindelijk zich in beweging zette, werd het in een ommezien trots alle tegenbevelen en stneekingen uitgespannen. Het volk trok het de heele stad door, die allerprachtigst met Pauselijke, Malteesche, Engelsche en Fransche vlaggen versierd was. Van de daken der huizen en uit alle vensters viel een ware zondvloed van bloemen op het rijtuig, onder de duizendvoudig herhaalde kreten van âLeve de Pausquot;, âLeve de Kerkquot;, âLeve de Godsdienstquot;, âLeve de Kardinaal.quot; Het enthousiasme was algemeen. De Engelsche troepen presenteerden de wapens, toen het bisschoppelijk rijtuig hunne posten passeerde. Op liet Koningsplein speelde de militaire muziek liet âGod save the queenquot;, als gold het een nationaal feest.
's Avonds algemeene illuminatie en vuurwerk. Nooit, bij men-schengeheugenis was deze zoo prachtig geweest, en toch verstaan de Maltezers de kunst. Toen de Kardinaal, om den bewoners een blijk zijner belangstelling te geven, deze 's avonds ging zien, had hetzelfde schouwspel van 's morgens plaats. Weer wilde men het rijtuig ontspannen, doch de Kardinaal slaagde er ditmaal in dit te beletten. Een Maltezer riep uit: âVergun ons ü op onze armen te dragen, wijl gij lid zijt van 't Heilig Kollege; was het de Paus, dan zonden we hem op onze harten dragen.quot; Het Engelsch en Protestantsch blad âMalta News and independentquot; sprak in de welwillendste termen over den Kardinaal en deze manifestatie, en besloot zijn artikel als volgt: âEen lang leven aan den zeer goeden, zeer grooten, zeer doorluclitigen Prelaat, aan den illustren Kardinaal Lavigerie!''
Den 12 Juli had het Doopsel en Vormsel van 12 negers plaats. Keeds vroeg in den morgen was de Kathedraal van Sint-Jan tot in alle hoeken letterlijk opgepropt met volk. Het groote plein voor de kerk en de nabijgelegen straten waren zwart van eene
79
opgedrongen mensolienmasaa. Na de plechtigheid richtte de Kardinaal eene hartelijke en welsprekende toespraak in 't Italiaansch tot de geloovigen. Nooit zag men een dergelijk schouwspel. De duizenden aanhoorders weenden letterlijk als kinderen van aandoening en vreugde. Toen de Kardinaal zijn leedwezen uitdrukte hen niet in 't Malteesch ie kunnen toespreken, en een priester wilde belasten met zijne rede te vertolken, was het één geroep : âNeen, we hebben alles verstaan.quot; Des avonds nogmaals een allerprachtigst vuurwerk op het onmetelijk Sint-Pnbliusplein te Floriana. Den 13 Juli vertrok de Kardinaal naar Tunis. Duizenden gondels volgden liet, schip kilometers ver in zee.
De Kardinaal vergat nooit de liefde hem door de brave Maltezers bewezen.
Hij heett eens gezegd: âAls men na mijn dood mijn hart opent, âdan zal men er in geschreven vinden: Malta!quot;
Van llalta begat zich de Kardinaal langs Tunis naar Algiers. Alle administratieve en militaire Autoriteiten waren voornemens den Kardinaal eene prachtige ontvangst te bereiden. Doch de radikale gemeenteraad verbood sinds 10 jaar de Sacraments-processie en daarom weigerde Kard. Lavigerie, geen eer willende ontvangen, waar de Koning der Koningen eer geweigerd werd.
Den 4equot; September was Zijne Eminentie in Algiers aangekomen en den Sd®11 had in de kathedraal de plechtige inhuldiging plaats.
Eenige dagen later bracht de nieuwe kardinaal een eerste bezoek aan het Moeder-huis zijner Missionarissen te Maison-Carrée. Men begrijpt gemakkelijk wat vreugde en enthousiasme daar heerschte. De verslaggever in het âBulletin de St. Moniquequot; besluit aldus: âOok op dezen heuvel in het aangezicht des oceaans deed dezelfde âstralende zou de gouden letters schitteren van het devies: charitas, âliefde! O ja, schoone Liefde, groote bezielster der edelmoedige âzielen! Schoone Liefde, die van onzen grooten kardinaal een Vader âmaakte en ons zijne kinderen! Schoone Liefde, die der missiën âheil en leven ingeeft: het leven door aalmoezen, het heil door âpriesters! Schoone, duizendwerf schoone liefde, die den missionaris âde kracht geeft de tweevoudige heerschzucht zijns levens na te âstreven: die der verovering der zielen en van het martelaarschap!quot;
Aldus eindigden de kardinaalsfeesten. Zonder vrees van zich te bedriegen kan men zeggen, dat de kardinaal die maanden als verloren tijd betreurde. Zonder talmen dan ook hernam hij zijne talrijke werken.
80
§ HI. .
Hebstellino, van den Zetel van Kakthago.
In § 1 noemden we de eerste werken, reeds in Tunis tot stand gebracht of ondernomen. In een verslag op't einde van 1882 aan den directeur van't werk der Oostersche scholen. P. Charmatant gezonden door den kardinaal, vinden wij het volgende; Uitgegeven was de som vau 985111 tr. en 60 ct. om te voorzien in : lo. den bouw eener voor-loopige kathedraal, (80.000 fr.); 2o. eener pastorie te Tunis voor -de Fransche geestelijkheid; 3o. eener voorloopige bisschopswoning, wijl tot dan toe de Aartsbisschop slechts eene cel in 't Capucijner klooster bewoonde; 4o. die van een Enropeesch kerkhof, 60.000 tr.; 5o. voor een Fransch Groot-Seminarie; 6o. voor het Fransch Kollege St. Charles, ^00.000 fr.); 7o. aankoop, huur of bouw van scholen en bezoldiging der onderwijzers, o. a. : te Bizerte, La llarsa, Mehdia, Monastir, Sfax en 2 te Tunis; 8o. voor een toevluchtsoord voor Europeesche grijsaards; 9o. installatie der Zusters van Goede-Hulp; van een hospitaal; 1 Do. aankoop van terreinen voor de kathedraal en twee Maltezer en Italiaansche kerken; llo. onderhoud der geestelijkheid (49 priesters); 12o. een rente van 6000 tr. aan Mgr. Suter, een grijsaard van 88 j aren uitgekeerd; 13o. in aalmoezen; 14o. kosten van administratie, reizen, archeologische studiën, enz.
Men ziet het, de kerk van Tunis begon uit den grond op te rijzen. Doch deze opstanding moest eene algeheele wezen. Reeds in zijn dankschrijven aan Leo XIII bij zijne verheffing tot het Romeinsch purper in 1882, zei Kard. Lavigerie, dat het de schoonste dag zijns levens zijn zou, eens den zetel van den H. Cyprianus van Karthago hersteld te zien, na een verdwijnen van 1000 jaren. Zijn program was vooral hier; âInstaurare, omnia in Christo.quot; â Reeds had de H. Vader bij Rescript der H. Congregatie der Prop. Kard. Lavigerie gemachtigd bij zijn titel van Apostolisch Vicaris van Tunis, dien van Karthago te voegen. In Jan. 1884 had de eerste diocesane synode van Karthago plaats, alwaar deze wensch nogmaals werd uitgesproken, o. a. in eene heerlijke allocutie des Kardinaals op 31 Jan.
Wat vooruitgang in Noord-Afrika sinds 1830 ! Alleen in Algiers 3 bisdommen, talrijke seminariën, 20 kloosterorden met meer dan 2000 leden enz. Doch nog altijd lag Karthago onder zijne ruïnen bedolven, Karthago waar eens de Primaatzetel stond van 800 bisdommen en dat volgens den H. Innocentius I âhet eerst het geloof van zendelingen van den H. Petrus ot zijner opvolgers ontvangen had.quot; De laatste bladzijde om zoo te zeggen van de geschiedenis der
81
Kerk in Atrika, wordt ingenomen door eenige brieven der Pausen Leo IX en Gregorius VII, gedagteekend tnsschen de jaren lOóO en 1100. De oudsten zija twee brieven van den H. Leo IX, (vroeger bisschop van Toul en Nancy). Ziehier de merkwaardige woorden, die in een dezer voorkomen, over den voorrang van den Primaat van Afrika: âHet is buiten twijfel, dat naden Eoomsohen âPaus, de eerste Aartsbissohoi) en de voornaamste Metropoliaan van âgansch Afrika de bisschop van Karthago is; en deze kan ten âgunste var, geen enkelen bisschop in heel Afrika dit privilegie, âeens van den Heiligen Roomschen en Apostolischen Stoel ontvan-âgen, verliezen ; doch hij zal dit behouden tot het einde der eeuwen âen tot zoolang de naam van Onzen Heer Jezus Christus er wordt âaangeroepen, hetzij dat Karthago verlaten ligge, hetzij dat dit een-âmaal glorievol verrijze.quot;
Het schijnt eene profetie te zijn, want op dat tijdstip was Karthago reeds lang verwoest, en die brieven waren gericht tot eenige verspreide christenen.
Doch om een ouden zetel te herstellen moeten de bewijzen aanwezig zijn eener wortelschietende, katholieke levensvatbaarheid. In § 1 vermeldden we de eerste werken in Tnnis tot stand gebracht, en in 't begin dezer paragraaf gaven we een overzicht dier werken tot einde 1882. In de synodale allocutie van 31 Jan. 1884 kon de ijverige Kardinaal tot zijn groote vreugde weer een aantal nieuwere werken vermelden. Het totale getal dienstdoende priesters bedroeg fiquot;.
Een bisschopspaleis was te Lamarsa verrezen. De âDames de Sionquot; bestuurden een groot meisjes-pensionaat te Tnnis. Het getal scholen was vermeerderd te Tunis, Sfax, Sousse, Bizerte, Mo-nastir, Mehdia, Beja, La Morsa. â âDe Zusterkens der Armenquot; hadden een groot oud-mannenhuis. â De 9 bestaande parochiën werden na twee jaren met 9 nieuwe vermeerderd. In een gere-gelden aalmoezeniersdienst voor 't leger werd voorzien. â Vele kapellen werden geopend. â Tal van godvruchtige Vereenigingen vormden zich. â Eene Societé de Dames de Charité, eene Vin-centius-Vereeniging, â een Katholieke Kring voor jongelieden enz., waren achtereenvolgens opgericht. Al die werken, van Oct. 1881 tot Jan. 1884 uitgevoerd, hadden de som gekost van 1.913.817 fr. 90 c., en alles was betaald tot op de laatste centime.
Dit toont levensvatbaarheid, en daarom werd bij acclamatie op de voornoemde Synode besloten, nederig aan Paus Leo XIIi de herstelling van den zetel van den H. Cypriaan te vragen.
Een jaar later (1885), in een brief aan de Centrale Eaden van het werk tot Voortplanting des Geloofs, treedt de Kardinaal in
82
meer bizonderheden, speciaal het grondgebied van het oude Kar-thago betreffend. Vijf dorpen zijn gebouwd op- en met de ruïne van KartUago; La Marsa op de plaats van het oude Megara; Sidi-bou-Saïd aan kaap Kathago ; La llalga, rondom de oude reusachtige waterreservoirs van Adriaan ; Douar-es-Schott aan 't uiteinde der oude Toenia; en Sldi-Daoud op de plaats van den driebubbelen ringmuur, die Karthago aan do landzijde verdedigde. Geene enkele Christelijke herinnering was te zien op die ruïne vóór 50 jaar, behalve de kleine kapel van den H. Lodevvijk op den heuvel Byrsa.
Hier eindigt liet handschrift van Pater Van der Bnrght. De stemme Gods riep hem uit Malta naar de Afrikaansche Heidenen. Hij legde de pen neder en vertrok. Laat ons zijn afgebroken verhaal met een paar schetsen aanvullen.
Den 10den November 1881 werd de oude Kerk van den H. Cyprianus, de eerste van geheel Afrika, en van geheel de wereld na Eome, uit hare puinhoopen weer hersteld. Eene sedert meer dan duizend jaren ondergegane christenwereld rees weer op uit stof en asch. Mgr. Lavigerie werd aartsbisschop van Carthago. Dat woord zegt alles voor hem, die 't verleden kent onzer aarde.
Toen bouwde hij eene prachtige Baziliek op dien alouden roemrijken bodem. En wellicht kende zijn zoo lang, zoo rijk, zoo vol leven geen schooner dag dan dien der inwijding van dezen tempel Gods. Het was of al de vorige jaren van zwoegen in dien lang verdorden wijngaard des Heeren zich thans rondom hem kwamen scharen, om hem als hunnen koning te begroeten en hunne schatten aan te bieden. Twaalf Afrikaansche bisschoppen, driehonderd priesters en een keur van Witte Paters uit alle Missiën van Afrika vormden zijn lijfstoet; en het Fransche leger stond daar in vollen wapenpraal, als een herinnering aan den H. Lodewijk en zijne kruisridders, die hier eens gelegerd waren, D3 primatiale zetel van den H. Cyprianus werd in liet Heiligdom weer opgericht, en de Kardinaal, die altijd het treffend woord vond voor de grootsche oogenblikken sprak vol geestdrift; Hier op dezen heuvel van Byrsa, op de plaats zelve van waar ik het woord tot u richt, hier werd de laatste Aartsbisschop van het oude Karthago geketend, schandelijk ontkleed, gehoond, gegeeseld, â ik, zijn opvolger, de eerste Aartsbisschop van nieuw Karthago, ik wil hier op denzelfden grond, op dezelfde plaats verschijnen, in al de pracht, die de Heilige Kerk aan hare Hoogepriesters veroorlooft. En men zal zien, dat de nederlaag der christenheid, in de ure Gods, in zegepraal verandert 1quot;
83
Dat was de bekroning van dertig zware, moeitevolle jaren! Toch wachtten hem nog roemrijker oogenblikken.
Den 24 Mei 1888 was hij op het Vatikaan met de Afrikaansche pelgrims. Toen wendde zich de Stedehouder van Christus tot hem, en met eene apostolische plechtigheid belastte hij hem met de zending om overal den Kruistocht tegen de slavernij te prediken. Het hart van den ouden man had zoo lang geklopt voor zijne arme, verlaten, en thans zoo gruwelijk vervolgde negers. Hoe moest het hem aangrijpen, toen in den naam van God het woord van den Paus hem toeklonk: Sta op en spreek! Hij rees op âalsof de brandende kool van den profeet zijne bevende lippen had aangeraakt.quot; Hij ging en sprak. En geheel Europa rilde van ontroering. De conüté's tegen de slavernij werden opgericht, de mannen van moed boden zich aan, de Mogendheden zeiven vergaten eigenbaat en rassenhaat en verbonden zich voor een christelijk beginsel. In Duitschland won hij den ijzeren kanselier; in Londen werd hij in 't Romeinsche purper toegejuicht door de aanzienlijkste protestantsche vergadering der wereld; in Brussel werd in de kerk van Ste. Gudule na zijne rede vijf en twintig dnizend francs gecollecteerd; in Napels gaf men gouden sieraden eu juweelen, en de aartsbisschop zelf nam het diamanten kruis, een geschenk van zijn Bisdom, van zijn hals en wierp het in de schaal.
De onwederstaanbre schok was gegeven.
Dat deed een enkel afgeleefd, door ziekte gepijnigd man !
Maar op het einde zijner loopbaan, wachtte hem niettemin het teeken van den Christen, het Kruis !
Hij zag in Zijn gelietd Frankrijk de verdeeldheid onder de goed-gezinden, die allen machteloos maakte. Op last van den Hooge-priester, die Christus Kerk regeert, sprak hij, de invloedrijkste onder allen, het machtige woord ter verbroedering. Toen wendden velen zich van hem af, die zijne vrienden waren. Oude geslachten, die alles over gehad hadden voor Zijne grootsche werken, lieten hem thans alleen.
Doch erger dingen zouden volgen.
In het ongenaakbare Midden-Atrika, in het hart der uiterste wildernissen, had hij ten koste van het bloed zijner edelste zonen, van millioenen schatten, bijeengebracht door de gansche christenheid, van inspanningen en ontberingen boven alle beschrijving, de blijde Boodschap doen verkondigen.
Het was voor het eerst gelukt na achttienhonderd jaren. âAan alle schepselenquot; staat er geschreven; ook deze afstammelingen van Adam waren gezocht, gevonden en opgenomen; zij hadden het ge-
84 '
loof ontvangen. Martelaren waren gestorven door het vnur en door het zwaard, maar het zaad was gezaaid en het akkerveld bloeide in Onganda. Nu kwam het Europeesch kanon, het mitrailleerde zijne christenen, en wierp het opgebouwde altaar des Heeren omver.
Toen stierf hij.
Zijn dood wekte eene algemeene rouwklacht. Van het Vatikaan tot in de hut des Negers heerschte het bewustzijn van een onlier-stelbaav verlies. Mannen van alle richtingen erkenden thans zijne grootheid. De menschen gaan langs vele wegen en zijn door vele vooroordeelen gescheiden. Maar overal, waar nog een vonk van den hoogen adel in de harten aanwezig is, werd een laatste eere-saluut gerbacht aan den onvergetelijken overledene. De Fransche Republiek deed zijn stoffelijk overschot met alle krijgseer op een oorlogsschip naar zijn Carthago vervoeren. Christen en Israeliet, Muzelman en Heiden stonden in dichte gelederen geschaard, met ontbloote hoofden, toen de treurige, en toch zoo plech;ige stoet voorbijtrok. En de groote Marabout der Christenen, de Aartsbisschop van Carthago en Algiers, de Primaat van Atrika, de Kardinaal der Heilige Eoomsche Kerk, Karei Martialis AUemandis Lavigerie, daalde ten grave.
Hij ruste in vrede bij Dengene, Die het woord eens sprak: Wat gij aan de Minsten gedaan hebt, hebt gij aan Mij gedaan!
T
INHOUD
van de LcveDsliesclirijvinji vim Z, Em. Kardiüanl Lavigerie.
Bludz.
Een woord ter inleiding.......... 3
HOOFDSTUK I. Van zijne geboorte tot zijne verheffing tot de Bisschoppelijke waardigheid van
1825 tot 1863 ......... 5
HOOFDSTUK II. Episcopaat te Nancy.......1-1
HOOFDSTUK III. Bisschoppelijk Beheer van Algiers 1867â1874.
§ 1. In bezitneming. â Werken van
zijn Apostolaat.........lü
§ 2. Bisschoppelijk beheer. â Kolonisatieplannen ..........26
§ 3. De Aartsbisschop van Algiers eu Frankrijk. â De Aartsbisschop van Algiers en de Kerk........30
HOOFDSTUK IV. Vervolg van het Bisschoppelijk Beheer van Algiers 1874â1881. § 1. De Missionarissen van Algiers of
Pères Blancs..........34
§ 2. Diocesaan Beheer.....37
§ 3. Mgr. Lavigerie en het Leger . 43 De Missionarissen van Algiers of Pères
Blancs (vervolg)........48
HOOFDSTUK V. Vervolg van het. Bisschoppelijk Beheer van Algiers 1881â1890.
§ 1. Tnnisië.........69
§ 2. Het Kardinalaat......75
§ 3. Herstelling van den zetel van Karthago...........80
K r . quot; â ...... quot;â¢
f»-
'
r]