ocr page 1
ocr page 2

—

. V

-

■i' ^ -

-

■

,ïï:

'i

'ÊÏ-%

■'*gt;%.:.} ~ ,

.vïquot;-

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6

—1

ocr page 7

LEVEN

van den

HEILIGEN ISIDORUS

en zijne Zalige Echtgenoote

MARIA TORfUBIA.

ocr page 8
ocr page 9

V;quot;i( L E V B N

VAN DEN

Patroon der Liiiulltomvors,

EN

zijne ^Zalige ^chtgenoote,

MARIA TORRIBIA

DOOR

fr. B. v. 0.,

Minderbroeder- Capucju.

-. .'Uut*. v Ö:^cO~. U* cl

ocr page 10

IMPRIMATUR.

Bredw, 14 Decembris 1896.

J. J. M. VAN GrOCH, libr. cens.

ocr page 11

VOORREDE.

Het onmiddellijk doel, waartoe vele Inndhouicers zich thans vereenigen, is hun vooruitgang op tijdelijk gebied. Dit is geenszins af te keuren, irant God verlangt van den mensch eene redelijke zorg voor het aardsche en stoffelijke; doch het voornaamste doel moet zijn en blijven: een waar christelijk leven bevorderen.

Hiertoe kan wellicht het heven van den Patroon der Landbouwers, den H. Isidorus, en zijne Zalige Echtge-noote, Maria Torribia, iets bijbrengen.

Bovendien oordeelden wij het nuttig op enkele andere personen te wijzen, die zich door den veldarbeid hebben geheiligd.

De bronnen waaruit wij geput hebben, zijn: Harraeus, Bollandisten, Buttler, Migne „ Vies des Saints et des Bienheureux.quot;

-Aangaande alle in dit werkje meegedeelde wonderen, titels, enz. verklaart de schrijver zich te voegen naar de constitution van Paus Urbanus VIII (13 Maart lOSö en 15 Juli 1635).

ocr page 12

4

ocr page 13

HOOFDSTUK I.

Isidoriis' Geboorte en Jeugd.

Het strekt der katholieke Kerk tot eer, dat zij hare heiligmakende kracht meedeelt aan alle standen der maatschappij. God zelf schept er behagen in. door onwederlegbare wonderen de groote heiligheid zijner vrienden aan de wereld te toonen.

Naast heilige Pausen, de zichtbare Plaatsbekleders van Gods Zoon op aarde, wijst de Kerk op uitverkorenen in iederen rang harer bedienaren. Een koning Lodewijk IX, die over een uitgestrekt land regeerde, siert zij met de kroon der heiligen te za-men met een geringen bedelaar van datzelfde koninkrijk, den H. Josef Benedictus Labre. Den engelach-tigen Leeraar, Thomas van Aquinen, wiens diepe geleerdheid wellicht nooit door een mensch overtroffen werd, verklaart zij heilig naast een eenvou-digen Kapucijner-leekebroeder, Felix van Gantalicië, die eens glimlachend zeide, dat hij slechts 5 roode letters kende, de vijf H. Wonden des Heeren, en eene witte, de onbevlekte Moeder Gods. Dappere krijgslieden, als een H. Sebastianus en Donatus, zijn

ocr page 14

door de Kerk in de rij harer Heiligen opgenomen, naast een zachtzinnige Clara van Assisië, die biddende haar leven tussohen de stille kloostermuren doorbracht, en eene H. Liduina van Schiedam, die jaren op het ziekbed was genageld. Ordestichters, als een Franciscus, Dominicus, Ignatius, Alphonsus, die ter boeteprediking aan het hoofd hunner Zonen de volkrijke steden binnentrokken, dragen een zelfden palm der heiligheid, dien zoovele abten en monniken, biddend en Gode lofzingend in de stilte der Egyptische woestijnen hebben verdiend. In één woord, iedere stand in de maatschappij, van den hoogsten tot den meest geringen in het oog der wereld, kan in den hemel een Heilige aanwijzen, wiens deugden schitterden tijdens zijn leven, en dien de Almachtige G-od door wonderwerken als zijn uitverkorene heeft verheerlijkt.

De H. Isidorus en zijne echtgenoote, de Z. Maria Torribia, die als eenvoudige landlieden een hooge heiligheid bereikten, werden tijdens hun leven door G-od met buitengewone gunsten verrijkt; vele wonderen, vóór en na hun zalig verscheiden, verkondigden hunne zielegrootheid aan de menschen, en bewogen de landbouwers den H. Isidorus en de Z. Maria Torribia tot hunne beschermers te kiezen,

Madrid, was de geboorteplaats van den H. Isidorus, en wellicht ook van zijne heilige Echtgenoote. De hoofdstad van het Pyreneesche schiereiland, die zich ter hoogte van 672 meters boven de oppervlakte der zee verheft, is door Romeinsche volkplanters gesticht.

De stad met hare ongeveer 400,000 inwoners is aan alle zijden met muren omringd, terwijl 18 poorten uitgang verleenen naar de onvruchtbare vlakten.

ocr page 15

Heerlijke kerken, waaronder die van den H. Isidorus uitmunt, en schitterende paleizen dragen hunne trot-sche spitsen ten hemel; aangename wandehvegen, die verrukkelijk afsteken bij den dorren omtrek; vele religieiise stichtingen, beroemde hoogescholen, druk bezochte Colleges, een museum, dat met de rijkste der wereld mag wedijveren; een bibliotheek, die 200,000 boekdeelen aanbiedt; dit alles verkondigt ons, dat godsdienst, kunst, wetenschap en rijkdom te Madrid hun zetel hebben opgeslagen.

Maar niet in een grootsch paleis van Spanje's hoofdstad, niet als afstammeling van een oud adellijk geslacht zag de H. Isidorus, een harer grootste zonen, het levenslicht.

Zijne ouders warer niet met aardsche goederen gezegend, maar zij bezaten en schonken hun kind ware liefde voor de deugd. En heeft deze voor het tijdelijk en eeuwig geluk van den mensch niet meer waarde dan rijkdom en adel ?

De liefdevonkjes voor God en den evenmensch, werden in het hart van den knaap door zijne brave ouders meer en meer ontstoken. In eenvoudige, doch vurige taal spraken zij hun jeugdig kind over de goedheid van den Schepper; zij verhaalden het over de liefde waarmee de Zoon Gods den mensch van de slavernij des duivels had verlost, zij wezen het op de schoonheid en het geluk des hemels, dien God aan de braven belooft ; en stelden het de zonde als het grootste kwaad voor oogen. Ziedaar de gedachte waardoor deze brave ouders hun kleinen Isidorus in liefde tot God ontvlamden.

Verstoken als zij waren van geld en goed, moest Isidorus zich reeds van kindsbeen af aan opoffering

ocr page 16

— 10 —

en gebrek gewennen; docli afgunst over den overvloed van rijkeren kende de minzame knaap niet. Wezen hem zijne godvruchtige ouders niet meermalen op de armoede en het gebrek, dia in het Huisje van Nazereth door de H. Familie waren geleden ? De kardinaal Franciscus Maria. Bisschop van Portua. legde dan ook in het proces zijner heiligverklaring ten overstaan van Z. H. den Paus Gregorius XIV dit veelomvattend getuigenis af: „Isidorus werd door zijne ouders op eene uitstekende wijze in de vreeze Gods opgevoed; on hij begon van zijne jeugdige jaren af de deugden van godsvrucht, liefde, geduld, nederigheid, versterving met een mannelijke kracht te beoefenen.quot;

De ouders van Isidorus waren te arm, om hun kind in de wetenschappen te laten onderwijzen. In die dagen toch was de gelegenheid om onderricht te ontvangen, volstrekt niet zoo veelvuldig en gemakkelijk als thans.

Meer meldt ons de geschiedenis omtrent de ouders van den H. Isidorus niet. Maar eene heerlijke glorie blijft het voor hen de opvoeders te zijn geweest van een Heilige. Hun woord heeft de tong van Isidorus God leeren prijzen ; hunne liefde voor God leerde den jeugdigen knaap zijn Schepper beminnen ; hun voorbeeld was als een wegwijzer voor het kind, dat, gehoorzaam aan hunne vermaningen, zich van toen af vol ijver op de deugd toelegde. De kroon der heiligheid, die Isidorus siert, verheerlijkt zijne ouders. Zien wij dan later den Heilige uitmunten, in den geest van gebed, in zijne liefde voor den arme. in zijn betrouwen op God, dan mogen wij gerust besluiten, dat de brave ouders van Isidorus deze schitterende deugden in haar opkomst en groei beschut hebben en gekoesterd.

ocr page 17

Stil en verborgen snelden de eerste levensjaren van Isidorus voorbij, de vruchbare waterbron gelijk, die hare stroomen door de aderen der rotsen voortstuwt, om straks aan de vlakte leven en wasdom te schenken.

Zoo naderden voor Isidorus de schoone, maar tevens gevaarvolle jongelingsjaren, terecht de bloesem van 'smenschen leven genoemd. Helaas, hoe gemakkelijk wordt die bloesem door den storm der 'driften vernield! Isidorus begreep dit. De gevaren, aan verschillende standen in de maatschappij verbonden, ontgingen hem niet, en daarom zal hij een stand kiezen, die hem zoo goed mogelijk voor verleiding beschut. In het proces zijner heiligverklaring staat uitdrukkelijk vermeld, dat Isidorus met terzijdestelling van andere bedrijven den landbouwersstand verkoos, omdat deze hem nederiger, arbeidzamer, en veiliger voorkwam.

De heilige jongeling begaf zich dan in dienst van een edelman te Madrid, Joannes Vergas, om zijn akkers in het zweet zijns aanschijns te bebouwen.

Gelukkige keuze! Gij bewandelt den weg, brave jongeling, dien zoovele heilige Aartsvaders reeds betraden. Welk een hooge lof wordt door God den jeugdigen akkerman Abel toegekend. Een Abraham. Isaak en Jacob, als herders hunne kudde hoedende, als landbouwers hunne akkers bewerkende, vonden in dien stand een krachtdadig middel om zich zeiven groot te maken door waren zielenadel, groot in de oogen van God. Volg gij getrouw hunne schreden, en uw naam zal geprezen worden in den hemel en op aarde.

Het oog van den wereldling ziet wellicht niet zelden met geringschatting-ja zelfs met verachting op den land-

ocr page 18

bouwer neer en oordeelt hem onbekwaam tot groot-sohe en verhevene zaken.

Zoo verhaalt ons de geschiedschrijver van den H. Isidorus, hoe een Spaansch edelman met zekere minachting over dezen heiligen landbouwer durfde spreken. God echter liet dit niet onbestraft.

Een beambte des konings, was, zooals de Bollandisten verhalen, naar Madrid gekomen, om de opgelegde belastingen in te vorderen. Deze edelman nam zijn intrek in de voorstad, dicht bij de kerk van den H. Martinus, iu de woning van Petrus Carrantone. Des avonds werd in den familiekring gesproken over de goedheid van den H. Isidorus en de wonderen, die door zijne voorbede geschiedden. „Neen,quot; zoo lasterde de dienaar des konings, die over dit gesprek verstoord was, „ik kan niet aannemen, dat een arbeider, dat een landbouwer zulk een Heilige kan worden. Was hij de zoon geweest van een koning of vorst, ja, dan zou ik het wel gelooven.quot;

Middelerwijl was het uur van rusten genaderd, en allen begaven zich naar hun slaapvertrek. Reeds was het middernacht geworden, en nog had de edelman geen oog gesloten. Integendeel: zijn hart was ontroerd, zijn geest werd door angstige gedachten bestormd, en hevige smarten maakten zich van zijn lichaam meester.

quot;Was dit alles wellicht een straf, die God hem overzond, om de lasterende woorden tegen de heiligheid van den eenvoudigen Isidorus uitgesproken ? De edelman zelf twijfelde er niet aan. Luid begon hij te roepen en smeekte de toegesnelde huisgenooten: „Mijn dierbare gastheer, en gij, mijne dienaren, haast u mij te helpen. Slapeloos breng ik den nacht

ocr page 19

door, terwijl mijn geest hevig ontroerd is en mijn lichaam aan lijden onderworpen. Ik houd het voor zeker, dat mij deze beproeving overkomt, omdat ik gisteren avond die uitzinnige woorden tegen den H. Dienaar Gods heb gesproken. Daarom bid ik u, mijne vrienden, ontsteekt lichten en voert mij naar het graf van den H. Man Gods.quot; Aanstonds was het geheele gezin bereid den wensch van den edelman te voldoen.

Daar stortte de dienaar des konings tranen over de beleediging God in zijn H. Isidorus aangedaan ; hij bad door de voorspraak van den Heilige om vergiffenis, en hij gevoelde de rust wederkeeren in zijne ziel, de gezondheid in zijn lichaam. Met een vreugdevol hart woonde hij uit dankbaarheid het H. Misoffer bij, deelde rijke geschenken uit en keerde naar zijn gastheer terug, vast besloten den roem en de grootheid van Isidorus, den Heiligen Landman, overal te doen kennen.

Neen, ten onrechte wordt de stand des landbouwers geminacht; ten onrechte als een beletsel voor ware grootheid beschouwd. Is de landman niet bij uitstek de medewerker van God in de voeding van den mensch? Wie is meer dan hij getuige van de almacht des Scheppers, die in de lentedagen zijne akkers een nieuw aanzien geeft?

Wanneer op een helderen zomermorgen de zon over de rijpende korenvelden hare vruchtbare stralen uitgiet, waarin de dauwdruppelen als even zoovele parelen schitteren; wanneer de frissche geur der ontwakende velden de lucht balsemt; wanneer de veelkleurige bloem hare knop, als om den landman te groeten, minzaam opent, en de nachtegaal hem

ocr page 20

— li —

door zijn streelend gezang den morgengroet brengt; verkondigt hem dan de aarde Gods vaderlijke goedheid niet, gelijk de hemelen het bestaan van God en Zijne glorie melden 'r

Hoe gemakkelijk is het voor den landman zijne waardigheid als kind van God te bewaren, voorzeker de grootste waardigheid, die de mensch kan bezittten? Door zoovele uitwendige zaken wordt de landbouwer er dagelijks aan herinnerd, dat hij afhankelijk is van God, en dat zijn bedrijf onmiddellijk Gods zegen behoeft ; gemakkelijk valt het hem daarom met een ootmoedig hart Gods bijstand te vragen. Wie is toch meer dan hij genoodzaakt God te smeeken, ten bekwamen tijde regen en zonneschijn aan zijne velden te schenken, en zijn oogst voor hagelslag en bederf te bewaren ? Bovendien leeft hij gescheiden van veel verleiding, die andere betrekkingen aanbieden, terwijl de veelvuldige arbeid hem voor menige bekoring bewaart.

Hadden deze voordeelen den jeugdigen Isidorus bewogen den landbouwersstand te omhelzen, zelfs personen van adellijke afkomst zullen hierdoor aangelokt hunne paleizen verlaten, om evenals Isidorus zich aan den landbouw te wijden.

Een voorbeeld hiervan biedt ons het leven van den H. Wolstan. Gesproten uit eene adellijke en rijke familie, verliet deze Heilige op zeer jeugdigen leeftijd het vaderlijk huis, om in den vreemde als een eenvoudig landbouwersknecht volmaakter God te kunnen dienen. Hij werd te Cossey bij Taverham door een medelijdenden heer opgenomen, die hem meestal tot den akkerbouw bezigde. Het verdiende loon deelde de brave jongeling met de armen; dikwijls stond hij een deel van zijn voedsel aan de behoeftigen af, en

ocr page 21

niet zelden beroofde hij zich van zijne eigene klee-dingstukken om deze aan een gebrekkige te geven. Ijverig nam hij zijne godsdienstplichten waar, nimmer begon hij zijn arbeid zonder gebed, onder het werk verhief hij zijn hart dikwijls tot God. geduldig verdroeg hij den last van den arbeid, stipt en nauwgezet volbracht hij de bevelen zijns meesters, omdat hij daarin Gods wil zag en immer was hij tevreden onder de ongemakken, die koude en hitte veroorzaken. Ziedaar op welke wijze de H. Wolstan snellen voortgang maakte in de deugd, terwijl hij bovendien door vele vrijwillige boetplegingen zich nog meer losmaakte van het aardsche.

God beloonde Zijn getrouwen Dienaar reeds hier met vele gunsten, en verleende hem onder meer de gave der mirakelen. En zijn tijdelijke heer, die op zijne beurt den ijver van den godvruchtigen Wolstan wist te waardeeren, zeide hem op zekeren dag : „Wolstan, ik ben uiterst over uw gedrag tevreden. Gij weet, dat ik verscheidene dochters heb, kies er eene voor uwe echtgenoote; met alle liefde zal ik ze u schenken en u als mijn schoonzoon omhelzen.quot; Wel was dit aanbod schoon, doch Wolstan dankte zijn meester, en verklaarde zijn verlangen ongehuwd te willen blijven. Immers zijn rein hart was reeds door eeuwige belofte van zuiverheid aan het Goddelijk Hart van Jesus verbonden.

Langzamerhand naderde de dag, waarop de rechtvaardige Eechter den ootmoedigen landbouwersknecht de verdiende kroon zou verleenen. Terwijl Wolstan aan den arbeid was op eene weide, stierf hij plotseling den 30sten Mei 1016, en ging zijne heilige ziel voor eeuwig het Paradijs binnen. Zijne eerbiedwaar-

ocr page 22

— le

dige overblijfselen werden overgebracht naar de kerk van quot;Wolstan's geboorteplaats, Baber, waar de landlieden telken jare in pelgrimstochten heentrekken, om in verschillende ziekten zijn machtige voorspraak in te roepen. Groote voordeelen voorzeker heeft de H. quot;Wolstan uit het landleven getrokken !

In waarheid, er ligt een schat in den akker verborgen, die zijne zegeningen niet slechts aan heiligen, maar aan iederen christelijken landbouwer verzekert.

Is het dus wel raadzaam, alleen om een weinig geld meer te verdienen, vaarwel te zeggen aan zijn eenvoudig bedrijt, zijne bediening als landbouwersknecht te verlaten en zich zonder reden aan de groo-tere gevaren van het stadsche leven bloot te stellen ? Hoevelen zien zich later bedrogen. Wordt er misschien in deze of gene stad een stuiver meer verdiend, weet dan. dat ook de levensbehoeften daar zoo gemakkelijk grooter worden, en het onderhoud duurder is. Helaas, hoe gemakkelijk komt een jongeling, die onbekend is met de stormen, welke het zieleleven in eene stad dreigen, daar ellendig om. Wilt daarom, ouders, uwen kinderen niet zoo gemakkelijk toestaan hun eenvoudigen stand met een stadschen dienst te verwisselen. Blijft, godvreezende landlieden, naar het voorbeeld van den H. Isidorus en Wolstan uwen stand waardeeren, schat uw landbouwersbedrijf hoog ; want het opent u een gemakkelijken weg tot ware tevredenheid en oprecht geluk.

ocr page 23

HOOFDSTUK II.

De deu^dxanie Knecht.

„Tevredenheid op aard1 Is meer dan schatten waard.quot;

Niemand^ voorzeker twijfelt aan de waarheid, in dit onde spreekwoord opgesloten; ja zelfs de dagelijksche ondervinding is daar. om ons steeds inniger daarvan te overtuigen.

Louis Veuillot (een groot katholiek schrijver uit Frankrijk) kwam tijdens zijne „Pelgrimstochten door Zwitserland in eene herdershut, die aan de helling van een Alpentop was gelegen. „Zulk een hut,quot; schrijft hij, t,gelijkt meer op een stal dan op een verblijf voor mensohen. Het leven der Alpenherders is hard, arm onder alle opzichten en bovendien nog aan vele gevaren onderworpen. Karig is hun tafel, gering hun dagloon.

Meent gij nu/' vraagt de schrijver, „dat deze men-schen klagen ? Dat men in zoo'n hut tegen de rijken en gebieders hoort uitvallen, gelijk men zulks ver-

ISIDORUS 2.

ocr page 24

— 18 —

neemt in werkplaatsen, waar ten koste van veel minder moeite en arbeid keel wat meer verdiend •wordt ? In geenen deele.

Niets zoo opgeruimd als hun gelaat, niets zoo vreedzaam als hunne ziel. Zachtzinnig, met gezond verstand bedeeld, geestig zelfs, zingen zij dikwijls en klagen om zoo te spreken, nooit.

Het is bijna onverklaarbaar.

Grelukkig zijn die brave lieden, niet omdat zij burger- en kiesrecht hebben, maar wijl zij evenals hunne meesters, christen zijn. liustig is hun slaap. De wet, waarin zij hun vertrouwen stellen, staat niet te lezen in het wetboek des lands, maar in een boek, waaruit zij niet kan worden weggewischt. De wet is het bevel, dat de lietde gebiedt.quot;

Om ons die gelukkige tevredenheid te verzekeren, is het niet noodig buitengewone zaken te verrichten. Dezelfde schrijver meldt ons de eenige voorwaarde die hiertoe vereisclxt wordt, in deze woorden : „Laten wij doodeenvoudig christen zijn, niet in beschouwing en woord alleen, maar oprecht, in gemoed en in daad; christen voor het oog der menschen, christen voor het oog van God.quot; En alle eeuwen door werd de ware vrede door den mensch des te volmaakter gevonden, naarmate hij er ijveriger naar streefde G od te dienen.

Isidorus dan, ofschoon slechts landbouwersknecht, genoot geluk en vrede, daar hij zich door den godsdienst alleen liet geleiden.

Nooit legde Isidorus de hand aaa den arbeid van zijn meester, alvorens hij zijn Schepper den dienst van aanbidding had gebracht. lederen morgen zeer vroeg opstaande, bezocht hij achtereenvolgens verscheidene kerken van de stad, woonde het H. Sacri-

ocr page 25

— 19 —

ficie der Mis bij en bracht daarna nog zeer geruimen tijd in het gebed door. Maar dan ook legde hij zich ijverig op zijn zwaren arbeid toe. De straf, door den Schepper aan Adam en zijn nakomelingen opgelegd: „In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten,' beschouwde Isidorus in geheel haar uitgestrektheid ook tot hem gericht. Vandaar dat hij onvermoeid voortwerkende, bij het einde van den dag evenveel werk had afgedaan, als zijne medeknechten, die veel minder tijd aan het gebed hadden besteed.

Terzelfder tijd dat Isidorus zijne jeugdige krachten besteedde aan het bewerken der landerijen van den spaanschen edelman Joannes Vergas, leefde er te Madrid eene jonge dochter, Maria Torribia genaamd, die bij eene deftige familie in dienst was.

God had de brave dienstmaagd tot ^chtgenoote van Isidorus bestemd, om in deze personen, die beiden onder het getal der uitverkorenen zijn opgenomen, eens te meer de verhevenheid van het christelijk huwelijk te toonen.

Te Madrid werden zij door do banden des huwelijks vereenigd. Dit Sacrament schonk hun bijzondere genaden, om de trouw, elkander beloofd, gestand te blijven, om de kinderen, die God hun geven zou. godvruchtig qp te voeden, en de plichten der gehuwden met standvastigen ijver te vervullen. En wie zal ons zeggen, welk een overvloed van bovennatuurlijke hulp, aan zielen zoo goed voorbereid, werd verleend?

Krachtig was de steun, die zij elkander verleenden in de beoefening van het goede. Voortaan ging Isidorus niet meer alleen de kerken van Madrid en de nabij gelegen bedeplaatsen der Moeder Gods lederen morgen bezoeken, maar zijne vrouw vergezelde

ocr page 26

— 20 —

hem en te zamen volbrachten zij die dagelijksche bedevaart. In de verslagen, die betrekking hebben op de heiligverklaring van Isidorus' echtgenoote, staat dan ook vermeld : „Vele getuigen hebben niet zonder grond bevestigd, dat Maria Torribia deelde in de godsvrucht van Isidorus voor de H. Maria van Atocha, en dat zij gezamenlijk zeer vroeg in den morgen de bedeplaats hunner hemelsche Moeder bezochten, daarna volgens orde de omliggende kapellen, en de andere kerken en parochiën der stad.quot; Eerst dan begonnen zij hun arbeid.

Men zou uit dit vele bidden van Isidorus en zijne huisvrouw verkeerdelijk de gevolgtrekking kunnen maken, dat de landman om een volmaakt christen te zijn, iederen morgen uren in de kerk moest doorbrengen. Dit is eene dwaling. Isidorus verrichtte deze buitengewone godsdienstoefeningen op ingeving van den H. Geest, gelijk genoegzaam blijkt uit de wonderbare wijze, waarop God zijn niet volbrachten arbeid aanvulde. Dit alleen moeten wij hieruit leeren, dat het gebed onzen arbeid vooraf moet gaan en volgen.

De medeknechten van Isidorus, die hem dagelijks zooveel later dan zij zeiven aan den arbeid zagen gaan, waren hierover ontevreden, en beschuldigden hem bij hun meester. „Gij moet voor zeker houden,quot; zeiden zij, „dat uw knecht Isidorus, dien gij ter bewerking uwer akkers onder een vast loon hebt gehuurd, den ti]d voor den arbeid bestemd, verwaarloost ; 's morgens staat hij vroeg op en gaat onder voorwendsel van te bidden al de kerken van Madrid bezoeken. Dientengevolge komt hij laat op den dag aan zijn werk, en volvoert nauwelijks de helft van de hem opgelegde taak.quot;

ocr page 27

— 21 —

De edelman was hierover vergramd, en toen hij s anderen daags door de afwezigheid van Isidorus hunne woorden bevestigd zag, voer hij, toen zijn knecht eindelijk verscheen, in hevige woorden tegen hem uit. Maar de brave man, die reeds ver in de christelijke verdraagzaamheid was gevorderd, antwoordde zacht en kalm : „Ik verzeker u, mijn meester, met alle oprechtheid, dat ik volstrekt niet verlang mij zeiven te onttrekken aan den dienst van den Koning der koningen, noch aan de vereering der Heiligen. Zoo gij echter vreest, dat ter oorzake van mijn dagelijks later aangevangen arbeid de overvloed uwer vrachten zal verminderen, dan zal ik van mij zeiven alles bijleggen, wat naar het oordeel van anderen ontbreekt. Daarom bid ik uwe goedgunstigheid, mij niet moeilijk te vallen om den dienst van God, waaruit voor uwe tijdelijke zaken niet het minste nadeel voortvloeit.quot; Joannes Vergas was op het oogenblik over dit antwoord voldaan, maar weldra raakte hij in twijfel op welke wijze Isidorus den verzuimden arbeid zou vergoeden.

De deugdzame knecht veranderde niets in zijn levenswijze en volhardde met zijne vrouw in de hei-gewoonte, om voor zijn arbeid in de verschillende kerken der stad te gaan bidden. Nu besloot de edelman Isidorus' gedrag meer van nabij gade te slaan.

Eens begaf hij zich in den vroegen morgen op weg, en verborg zich in een spelonk, waaruit hij op den akker kon zien, dien zijn knecht moest beploegen. Als naar gewoonte kwam deze laat op zijn werk.

Door gramschap vervoerd loopt de heer naar zijn dienstknecht om hem zijne groote ontevredenheid te laten gevoelen.

i

ocr page 28

— 22 —

Is het waarheid, wat hij op den akker gekomen aanschouwt? Twee jongelingen, in het wit gekleed, ziet hij met twee koppel ossen zijn akker bewerken, terwijl^ Isidores in hun midden rustig zijn ploegijzer bestuurt. Verwonderd blijft hij staan. Niemand toch zijner knechten kon op dat oogenblik daar aan den arbeid zijn. Schonk misschien de almachtige God zelf zijn getrouwen dienaar wonderdadig hulp in de vervulling van zijn arbeid ?

Vol vreugde en verwondering loopt hij naar Isidorus ; maar met de snelheid des bliksems verdwenen diens medearbeiders voor zijne oogen. Hij sprak daarop eerbiedig zijn dienstknecht aan ; „Mijn vriend, ik bid u bij den God. dien gij getrouw dient, mij te zeggen, wie daar juist uwe helpers waren bij uwen arbeid ; want ik zag sommige personen, die u hielpen, met u werkten, en die plotseling voor mijne blikken verdwenen.quot; Met alle oprechtheid antwoordde de brave knecht : „Ik verzeker u in de tegenwoordigheid van mijn God, wien ik naar mijn best vermogen dien, dat ik bij dezen arbeid geen anderen medehelper gezien heb of gevraagd, dan God ; Hem alleen roep ik om hulp, en heb ik altijd tot mijn steun.quot;

Nu kon de edelman niet langer twijfelen aan de deugd van Isidorus, en aan de bijzondere bescherming, die de Hemel hem schonk. „Alles, zeide Joannes Vergas, „alles wat mij door naijver of jaloerschheid is verteld, reken ik voor niets; ik plaats u aan het hoofd van dit landgoed, en laat vrijelijk alle werkzaamheden aan uw bestuur over.quot; En ten volle gerustgesteld over de deugd en werkzaamheid van Isidorus keerde d.3 edelman naar zijne woning terug.

Dit wonder wordt ons vertoond op een schilderij,

ocr page 29

— 23 —

die, onder meerdere, de graftombe van den Heilige versiert. Isidorus staat daar tusschen twee engelen, die met hem zijn akker bebouwen; verwonderd slaat de edelman uit de verte dit verrukkelijk schouwspel gade, terwijl de echtgenoote van Isidorus met een korf in de eene, en eene kruik in de andere hand op den akker aanwezig is. Waarschijnlijk was de brave huisvrouw, evenals de meester van Isidorus. getuige van dit hemelsch gezicht, toen zij op den bepaalden tijd het noodige onderhoud voor haren man naar het veld bracht.

Het heeft den spaanschen edelman nooit berouwd, zulk een heilig man in zijnen dienst genomen te hebben. God zegende de velden van Joannes Vergas om wille van den braven werkman, die ze bearbeidde. Getuigt ons ook de H. Schriftuur niet, dat over het huis van Putiphar Gods zegeningen overvloedig neerkwamen ter oorzake van den kuischen Joseph van Egypte, die zijne goederen bestuurde? Ook de geschiedenis der Heiligen biedt ons menig dergelijk voorbeeld.

In 15485 diende de H. Nothburga op een slot, waar zij met verlof van haar meester veel aalmoezen gaf. Met het huw. lijk van haar heer kwam er eene gierige edelvrouw op hot kasteel, die volstrekt niet ingenomen was met de milde giften van Nothburga. De vrome dienstmaagd spaarde daarom het voedsel uit haar eigen mond, om er den arme mee ts spijzen.

Eens toen zij in haar schort het aldus uitgespaarde voedsel naar de armen bracht, ontmoette zij den slotvoogd. Deze wilde weten wat zij droeg. Doch gelijk de Landgraaf van Thuringen, nieuwsgierig wat zijne echtgenoote, de H. Elisabeth, naar de armen

ocr page 30

— 24 —

bracht, door een wonder des Heeren in haar schoot, slechts heerlijke rozen aanschouwde : zoo beschermde God thans ook zijne dienares Nothburga. De heer zag in haar schoot niets anders dan krulhout en het kruikje, dat zij droeg, bevatte slechts droesem. Niettegenstaande dit alles werd aan Kothburga de dienst opgezegd. Zij verhuurde zich daarop te Eben bij een landbouwer, maar op voorwaarde dat zij bij het luiden der Vespers daags voor Zon- en Feestdagen met den arbeid zou mogen ophouden.

Met do komst van Nothburga was voor de volden van den landbouwer een tijd van ongekenden bloei aar.gebroken. De zegen Gods rustte zichtbaar op zijne hoeve, terwijl op het slot Rothenburg alles tegensloeg. De edelvrouw zelf werd door een doode-lijke ziekte getroffen. Toen kwam men Nothburga weer verzoeken naar haar ouden meester terug te keeren, en de heilige verzorgde nog met teedere liefde de stervende edelvrouw, voor wie zij een zaligen dood van God had afgesmeekt. De oude welvaart keerde met Nothburga weer aanstonds op liet kasteel terug. Den 14 Sept. 1313 stierf zij en haar graf werd beroemd door mirakelen.

In Eben werd haar ter eere eene kerk gebouwd, waar hare overblijfselen sedert 1738 boven het hoogaltaar in een rijke relikwiekast getoond worden, eu vele pelgrims tegen verschillende veeziekten hare voorspraak komen inroepen.

In het voorbijgaan zij hier opgemerkt, van hoeveel belang het is voor den landman brave dienstboden te hebben. Laat hem daarom, ook met het oog op zijn tijdelijk voordeel, toezien, dat allen hunne plichten waarnemen en God niet beleedigen.

ocr page 31

De heiligheid van Isidovus was door de wonderbare verschijning der ploegende engelen aan den edelman duidelijk gebleken. De nevelen, die tot dan toe zijne volmaaktheid verborgen hadden voor het oog zijns meesters, waren verbroken en nog in helderder glans wilde God de schoonheid zijner ziel doen stralen.

Joannes Vergas kwam eens op de akkers, aan Isidorus toevertrouwd, toon hij door een hevigen dorst gekweld, hem met aandrang vroeg, of er in den omtrek geen water te vinden was. „Daar.quot; zeide Isidorus, terwijl hij met zijn hand de plaats aanwees, „daar is eene bron.quot; Joannes liep daarheen, doch zag niets dan eene kale rots. Daarop nam Isidorus den ploegstok, sloeg daarmede op de rots, zeggende : „Hier zullen wij water hebben, als het God behaagt.quot; — Een straal van aangenaam water ontsprong uit den harden steen, en leschte niet alleen den dorst van Joannes, maar bevestigde in niet geringe mate den dunk van heiligheid, dien de meester reeds van zijnen dienaar koesterde.

De plaats waar dit wonder geschiedde is buiten Madrid, aan gene zijde van den stroom gelegen, tusschen twee bruggen, die naar Toledo en Segovia voeren. Boven deze bron, die zelfs bij de grootste droogte niet ophoudt te vloeien, bouwde Keizerin Isabella, de echtgenoote van Karei V. tot blijvende gedachtenis aan dit feit, eene kapel ter eere van den Heilige. Slechts toen in het jaar 1575 die bron in het bezit was van Mooren, die het water te koop aanboden, en tot hunne bijgeloovige godsdienstplechtigheden gebruikten, droogde ze plotseling uit. Op bevel van de overheid van Madrid werd dit aan

ocr page 32

— 26 —

de Mooren verboden, en andermaal liet de bvon haar helder water stroomen, dat tot heden toe, zooals Jacobus Bleda O. P. verhaalt, velen heil naar ziel en lichaam aanbrengt.

Dicht bij de velden, waar Isidoras in heilige opgeruimdheid onder Gods zegen zijne zaden uitstrooide, stond een klein bedehuis, toegewijd aan de H. Maria Magdalena. De brave arbeider had de heilige gewoonte, dagelijks na het uur der Nonen, daar te gaan bidden.

Op een feestdag gedurende den zomertijd lag de heilige omtrent dit uur in deze kleine kapel neergeknield.

„Sta op en haast u,quot; Vader Isidorus, zoo riepen hem enkele knapen toe, „want een wreede wolf achtervolgt uw e'el ; kom spoedig, alvorens hij doodelijk wordt gebeten.quot;

Met kalmte antwoordde hij : „Gaat in vrede, mijne kinderen, dat üods wil geschiede.quot; Rustig zette hij zijn gebed voort ; en toen hij bij het einde zijner oefeningen ging zien, wat er gebeurd was, vond hij den wolf dood naast zijn lastdier, dat niet het minste letsel had bekomen.

Aanstonds snelde Isidorus naar de kapel terug, om God voor de verleende gunst te bedanken.

Door deze verschillende wonderen wilde de Heer de heiligheid van zijn dienstknecht door duidelijker bewijzen aan de menschen openbaren.

En waar nu putte Isidorus zijne deugd ? God voorzeker op de eerste plaats voorkwam zijn dienaar met overvloedige genaden ; de vurige geboden, die Isidorus zoo herhaaldelijk tot God opzond, trokken nog meer 's Hemels zegeningen op hem af. Maar dit ook is zeker, dat de arbeid, dien hij hoofdzake-

ocr page 33

lijk verrichttfi om Gods Wil te volbrengen, en niet alleen om een stuk brood te verdienen, hem voel voortgang deed maken in het goede. Ieder goed werk toch, dat wij in staat van genade met eene goede meening verrichten, vermeerdert de heiligmakende genade in onze ziel, en vergroot ons loon voor den hemel. Langs dezen weg zijn duizenden den hemel binnengegaan, en van hoevelen heeft God de heiligheid door wonderen doen kennen.

Den 10 Juni 1315 stierf' te Triviso in het koninkrijk Venetië de gelukzalige Hendrik, die te Botzen. in Tyrol was geboren. Afkomstig van arme doch godvreezende ouders, legde hij zich van zijne eerste jaren op de deugd toe. Hij voorzag op lateren leeftijd door het werk zijner handen in zijne behoeften en die zijner huisvrouw, welke hij na korten tijd verloor. Daarop trok Hendrik naar Triviso, waar hij als daglooner zijn brood verdiende.

Zijn krachtig gestel schrikte voor geen arbeid terug ; met eene zelfde bereidvaardigheid ondernam hij ieder werk, hoe vermoeiend dit ook wezen mocht. En waar vandaan nu die opgeruimdheid des harten, die hem onder z ju lastigen arbeid bezielde ? De gelukzalige Hendrik zag Gods H. Wil in alles, wat hem werd bevolen ; de door en door godvruchtige werkman dacht onder zijne werkzaamheden meermalen aan God. die zijne zweetdruppelen telde om ze eenmaal te beloonen; en deze zoete overtuiging schonk troost aan zijn hart. Bitter beklaagde hij sommigen zijner medearbeiders, die evenals hij door zwaren handenarbeid hun dagelijksch brood moesten verdienen, doch verzuimden hun arbeid te heiligen.

Gelijk het redelooze paard, dat voor zijn arbeid.

ocr page 34

- 28 —

onder zweepslagen verricht, slechts het noodige voedsel ontvangt, evenzoo verdienden deze menschen. die door hun werk een eeuwig loon konden winnen, sleohts een nietig aardsch voordeel.

Uit het dikwijls bijwonen der H. Mis, en het aandachtig hooren der prediking van Gods woord vond de gelukzalige daglooner kracht, om in deze heilige levenswijze te volharden tot zijn grijzen ouderdom. Verzwakt van krachten, niet meer in staat zijn werk te verrichten, was hij gedwongen door almoezen zijn honger te stillen ; en wederom onderwierp zich de gelukzalige Hendrik gelaten aan den heiligen Wil Gods. Uit medelijden werd hij toen opgenomen door een rijk man Jacobus Castagnoli, die hem in zijne woning een kamertje schonk met de verzekering, dat hij hem voortaan in al zijne noodwendigheden zou steunen.

Onverdeeld gaf hij zich toen aan de deugd over. Minzaam in zijne manieren, zedig in zijne gesprekken, onderhield zich de heilige grijsaard gaarne over goddelijke zaken ; ootmoedig verdroeg hij de belee-digingen en versmadingen, die hij somtijds van ongodsdienstige menschen moest verduren, naar het voorbeeld der eerste Christenen was Hendrik volhardende in het gebed en in de beoefeningen van goede werken. Niettegenstaande de dienaar Gods zijne deugden trachtte geheim te houden, stond hij toch bij de menschen als een heilige bekend, zoodat men bij zijn overgaan tot een beter leven van alle kanten uitriep ; „De heilige is gestorven.quot;

Dit zijn voorzeker voorbeelden van verheven deugd en volmaaktheid. Doch de weg, dien de heiligen bewandeld hebben, staat ook voor ons allen open.

ocr page 35

— 29 —

Zij toch waren zwakke menschen evenals wij ; en de goddelijke genade, die hen heeft gesterkt, is ook ons toegezegd. Zorgen wij daarom hunne voetstappen te drukken en onzen arbeid in staat van genade te verrichten, met eene goede meening, tot verheerlijking van God, naar den raad van den H. Paulus : „Hetzij gij eet, of drinkt, of iets anders verricht, doet alles ter eere Gods.quot;

ocr page 36

HOOFDSTUK III.

De brave Echtgenooten.

Groot is de invloed van bot huisgezin op de maatschappij. De families zijn als de bronnen, waaruit de maatschappij haar leven put. Bijgevolg, wanneer de huisgezinnen goed zijn, dan zal de maatschappij in frisschen bloei leven. Dan, de hartader van het gezin is vader en moeder. De ouders zijn het, die over den geest van een familie beslissen, omdat zij hunne eigene goede of slechte gewoonten onwillekeurig in de zielon hunner kinderen overstorten.

En wanneer nu die vader en moeder beide heiligen zijn, dat wil zeggen, wanneer zij met heklhaftigen moed de deugd beoefenen, welk een heerlijke glans moet dan dit gezin omstralen! Welnu de woning van Isidorus en Maria Torribia te Madrid biedt ons dit schitterend schouwspel aan.

Beiden, wij zeiden het reeds, legden zich met ijver op het gebed toe. Moesten zij de kracht om als trouwe echtgenooten te leven niet door een aanhoudend gebed van God afsmeeken ? Beiden ook zorgden

ocr page 37

— 31 —

voor hun onderhoud door handenarbeid, waarin zij bovendien een uitmuntend middel vonden, om hunnen Schepper to verheerlijken. Beiden ook trachtten zij door het voorbeeld elkander voor te lichten, en tevens door eene hulpvaardige liefde elkanderslasten te dragen.

Intusschen, hoe innig de liefdebanden waren, die hen vereenden, God had uitwendig zijn zegel nog niet gedrukt op die vereenigiug: Hij had hen nog niet gezegend mot een kind.

Eindelijk brak dat gelukkig oogeublik aan. Een zoon werd hun geboren.

Welk eene zalige vreugde overstroomde toen hun hart! Zij toch, die heilige zielen, begrepen zoogoed wat het zeggen wil, een zoon te bezitten, dien God door de wateren van het H. Doopsel had gereinigd en door de heiligmakende genade tot zijn kind aangenomen. Bij het aanschouwen van dat schuldeloos wicht, meenden zij een engel te zien in menschen-gedaante, die in dit tranendal hun troost en steun moest zijn.

Welzalig hot kind, dat God zulke ouders schenkt! Hoe gemakkelijk zal het hen navolgen, temeer daar zulk een vader en moeder van de eerste jaren af hunne goede hoedanigheden overplanten in hun zoon ot dochter terwijl zij uit hot hart van liet kind de kwade neigingen met wortel en tak trachten uit te roeien.

Immers in het jeugdige kind openbaren zich reeds, onder meerdere, ook gevoelens van eigenzinnigheid, snoeplust, onverdraagzaamheid, driftigheid. Geven de ouders nu, dwaas genoog, aan die kwado neigingen toe, wie begrijpt dan niet, dat het kind in latere dagen veel zal moeten strijden tegen dezelfde driften, welke door herhaaldelijk involgen, zoo zeer versterkt zijn ?

ocr page 38

— 32 —

Gelukkig zijn daarom de ouders en verstandig, wanneer zij die jeugdige hartstochten tegengaan, en integendeel het hart van hun kind neigen tot godsvrucht, naastenliefde, zachtmoedigheid.

Is de geschiedenis, ja wellicht eigen ondervinding niet daar, om dit te bev/ijzen ? Denkt slechts aan de velo heilige ouders, die door de Kerk te zatnen met hunne kinderen, in de rijen der hemelingen worden vereerd.

Do H. Basilius en zijne heilige huisvrouw Emmelia, die te Caesarea woonden in het begin der 4e eeuw, konden wijzen op voorouders, die zoowel door adel en rijkdom als door waardigheden en eerambten beroemd waren. „Doch om deze nietigheden,quot; schrijft de H. Gregorius van Nazianze, „mogen wij hen zoo zeer niet verheffen. Hunne waarachtige eer bestaat hierin, dat zij gesproten zijn uit eene familie, waarin deugd en heiligheid ertelijk schijnen, en van geslaclit tot geslacht overgaan.quot;

God zegende hun huwelijk met meerdere kinderen, wier harten de heilige ouders door woord en voorbeeld tot de deugd neigden. En zoozeer stortte God zijne genade over do opvoeding van Basilius en Emmelia's kinderen uit, dat vier hunner door de Kerk onder hare heiligen werden opgenomen: de H. Gregorius van Nyzza, de H. Petrus van Sebaste, de H. Macrina, en de H. Kerkvader en Bisschop Basilius de Groote.

Op deze wijze hebben de H. Isidorus en zijne heilige huisvrouw de jeugdige schreden van hun kind geleid.

Ongetwijfeld hebben zij dikwijls tot hun zoon deze woorden van den godvruchtigen Tobias gericht: „Wil

ocr page 39

— 33 —

niet vreezen, mijn zoon, wij leiden wel is waar een armoedig leven, maar wij zullen vele goederen bezitten, indien wij God vreezen, alle zonden vermijden, en liet goede doenquot; (Tob. 4, 28).

Ook zij hebben hnn kind dikwijls tot het goede opgewekt; hun voorbeeld bovendien bevestigde zoo krachtig hunne woorden ; maar, jammer genoeg, hebben de geschiedschrijvers over hun eenig kind weinig gesproken. Wel noemt de Diaken Joannes van Madrid Isidorus „een deugdzaam hoofd van zijn gezinquot;; wel strekt do heiligheid der ouders ons tot waarborg, dat zij hun eenig kind braaf hebben oj,gevoed ; doch overigens meldt de geschiedenis slechts het volgende wonderbare voorval, dat in de eerste levensjaren van hnn kind plaats had.

Terwijl de vader met zijn arbeid bezig was op het veld. en de moeder haar huiselijk werk verrichtte, viel hnn zoontje in een diepen waterput. De bedroefde moeder stelde te vergeefs pogingen in het werk, om den kleine uit het water te halen, zoodat hij jam-merlijk verdronk. Jntusschen kwam Isidorus te huis, en bemerkte weldra de innige droetheid zijner vrouw, die hem onder tranen de reden harer smart openbaarde.

Beiden knielden nu bij den waterput neer en stortten een ver trouw vol gebed tot God. 't Was alsof het water aan hunne stem gehoorzaamde. Hooger en hooger klom het water tot aan den rand van den put, en huu kind, frisch en gezond stijgt met het water omhoog. Met een zoeten glimlach om de lippen omhelst het zijne verblijde ouders, die onder vreugdetranen en dankgebeden hun kostbaren schat zoo wonderdadig van God terug ontvingen.

De herinnering aan dit wonder wordt bewaard

ISIDOKUS 3.

ocr page 40

— 34 —

door eene schilderij in de kerk van de H. Maria te Madrid. Ia de 16de eeuw werd nog dezelfde put getoond bij het huis van een ridder, Joannes van Luxan, een afstammeling van Joannes Vergas, bij wien, zooals wij reeds zeiden, onze jeugdige landman in dienst was.

Isidorus echter bracht niet geheel zijn leven als landbouwersknécht door. Een voortdurende overlevering verhaalt ons, dat de heilige echtgenooten van Madrid verhuisd zijn naar Caraquis en dat zij daar een akker met eigene woning bezaten.

Na den dood van Isidorus en haar kind, schonk Maria Torribia dezen akker aan eene nabijgelegen kapel, die aan de Moeder Gods was toegewijd. De woning echter werd later veranderd in eene kapel ter eere van den H. Isidorus, waar voor de noodwendigheden der landbouwers dikwijls de H. Mis wordt gelezen.

Het schijnt, dat Isidorus in zijne nieuwe woonplaats toch niet uitsluitend voor zich zei ven arbeidde, maar ook nu en dan aan andere meesters zijn diensten aanbood ; wellicht was zijn bedrijf te klein, om hem voldoenden arbeid en genoegzaam onderhoud te verschaffen.

Toen de Heilige bij zijn nieuwen heer in dienst was, had het volgende wonder plaats, dat evenwel door de geschiedschrijvers niet met dezelfde zekerheid wordt voorgesteld als de andere trekken uit zijn leven.

Zijn Meester g; t hem zijne ontevredenheid te kennen over de geringe hoeveelheid koren, die de oogst had opgeleverd. „Wees daarover niet ongerustquot;, zeide Isidorus, „God zal u wel meer koren geven.quot; Opnieuw

ocr page 41

— 35 —

zuiverde Isidorus het graan met de wan, en verzamelde eene dubbele hoeveelheid.

Daarop vroeg hij zijn meester, of hij zelf het koren mocht hebben, dat thans nog tusschen liet kaf overbleef. Op diens bevestigend antwoord werd het kaf nogmaals gezuiverd, en de overvloed was thans nog grooter dan te voren.

Gelijk God zijn dienaar Jacob op wonderdadige wijze verrijkte in den dienst van Laban. zoo zegende God ook hier zijn dienaar Isidorus, die door zijn arbeid op de eerste plaats zijnen Schepper diende, en na Hem zijn tijdelijken meester.

Onnoodig te zeggen, dat Isidorus in zijn nieuw verblijf niets aan zijne godsdienstige oefeningen veranderde. Zijne huisvrouw echter, die niet meer „uit werken ging,quot; bezocht dikwijls alleen de nabijgelegene bedeplaats der H. Moeder Gods.

Thans Langt in deze kapel boven het altaar cene schilderij, die ons de echtgenoote van Isidorus voorstelt, wandelende over de wateren van de Jaratna. Deze rivier scheidt Caraquis van de kleine kapel, waar de huisvrouw van Isidorus dagelijks heenging om te bidden en de lamp voor het Mariabeeld van olie te voorzien.

Deze pelgrimstocht zou in het oog van slechte menschen en van den duivel eene gelegenheid worden, om Maria Torribia bij haren man Isidorus van een misdaad te beschuldigen, die de kroon rukt van het hoofd der echtelingen.

In ongestoorden vrede waren tot dan toe de levensdagen dezer heilige echtgenooten heengesneld. Op eene voorbeeldige wijze hadden zij de vermaning des Apostels tot de gehuwden in beoefening gebracht :

ocr page 42

— 36 —

„Nochthans ook gij, elk in 't bijzonder, dat eenieder zijne vronw zóó liefliebbe als zich zeiven j en do vrouw, zij vreeze haren manquot; (Ephes. 5. 33).

Doch de gelukkige staat, dezer echtgenooten was een doorn in het oog des duivels, „'t Is maar schijn van godsvrucht, die uw vrouw beweegt dagelijks de rivier over te gaan. Aan gene zijde der rivier, waar herders hunne schapen hoeden, verbreekt uw vrouw het woord eenmaal aan u gegeven: zoo verzekerden aan Isidorus ten stelligste meerdere personen. Zelfs de duivel „onder de gedaante van een dezer lasteraars verborgenquot; trachtte deze beschuldiging ie bevestigen.

Als door een vurigen pijl was het hart van den braven landbouwer getroffen ! Maar neen : die woorden konden geen waarheid bevatten, zoo meende hij. Zijne vrouw was te braaf. Maar waarom dan deze beschuldigingen dour meerderen ingebracht, en met zooveel nadruk bevestigd ?

De gedachte vervolgde hem dag en nacht. Van den eenen kant de heiligheid zijner vrouw ; — daartegenover de getuigenis van zoovclen, en zoo herhaaldelijk bevestigd ! Zijne ziel was in twijfel.

Het ware hem eene zoeter marteling geweest, zoo God zijn dierbare echtgenoote van zijne zijde had weggenomen of hem zei ven aan de wreedste pijnen had overgeleverd, dan zulk een klacht over zijne echtgenoote te moeten vernemen. Na lang dralen zal hij de waarheid in eigen persoon onderzoeken.

Op zekeren morgen begeeft zich Isidorus naar de rivier, en verbergt zich daar op eene plaats, waar hij zonder gezien te worden, na kan gaan, wat er aan gene zijde van de Jarama gebeurde.

Daar nadert zijne echtgenoote met de oliekruik

ocr page 43

— 37 —

voor de Marialamp in do hand. Rij do rivier gekomen, die zij daar ter plaatse gewoonlijk doorwaadde, bemerkt Isidorns' Imisvromv dat dit thans onmogelijk is wegens den hoogen stand van het water. En wat doet nu Maria ? Zij spreidt haren mantel over het water uit. teekent zich zelve en de rivier met het kruis en wandelt vervolgens over den stroom, even-alsof zij over een harden weg. met een kleed belegd, voortschreed.

Bij dit gezicht was Isidorns met eon heilige vreugde bezield. God had schitterend de eer zijner dierbare echtgenoote gewroken en den laster beschaamd. Neen, de Almachtige zal haar op zulk eenu wonderbare wijze de rivier riet laten oversteken, indien geene zuivere bedoelingen hare schreden geleidden.

Met wat zalige vreugde mocht Isidorns zijne echtgenoote weer in zijne armen drukken.

Wanneer na zware onweders en felle regenbuien do liefelijke zon hare stralen uitstort over de ver-frisohte natuur, herlevend in een nieuwe rust: ziedaar dan het beeld van den zoeten zielevrede. die Isidorns' aandeel was. nu de zwarte wolken van valsche beschuldigingen door de helderschijnende zon der waarheid waren verdwenen.

Zoo laat God dikwijls toe, dat Zijn trouwste vrienden door beproevingen worden bezocht. „Omdat Gij aangenaam waart aan God.quot; verzekerde Raphael aan Tobias (12, 13), „was het noodzakelijk dat de kwelling U beproefde.quot; Niet dat de Algoede God behagen heeft in het lijden Zijner kinderen, maar opdat zij, in den smeltkroes der kruisen meer en meer gezuiverd en onthecht van het aardsche. Hem des te vuriger zouden beminnen.

ocr page 44

HOOFDSTUK IV.

Zijn vurig Gebed.

Iedere Heilige, die den hemel is ingegaan, heeft, tijdens zijn verblijf op aarde de roos der liefde in zijn hart gevoed, en zal zioh in eeuwigheid over haren bloei verheugen : de liefde houdt nimmer op. Wel zal het geloof verdwijnen, wanneer wij eenmaal in den hemel gekomen de waarheden zullen zien, die wij thans gelooven ; wel zal de hoop vervuld worden, wanneer ons in het eeuwig geluk alles zal gegeven zijn, wat wij thans verlangen ; maar nooit zal de liefde eindigen. Eeuwig zal zij de Heiligen met God verbinden, eeuwig zal zij de Heiligen onder elkander vereenigen en des te grootor zal hunne liefde zijn in den hemel, naarmate de deugd krachtiger op deze aarde in hunne zielen leefde.

Daar nu het gebed een zeer krachtig middel is om de liefde te bewaren en te vermeerderen, hebben alle Heiligen zich met zeer veel ijver op het gebed toegelegd.

ocr page 45

— 39 —

De H. Isidorus besteedde dagelijks een zeer gerui-men tijd om God door zijne gebeden te verheerlijken, lederen morgen vroeg opstaan ten einde in verschillende kerken zijnen God te kunnen aanbidden; iede-ren morgen de H. Mis met groote godsvrucht bijwonen, iederen morgen bovendien nog meerdere omliggende kapellen, aan verschillende Heiligen toegewijd, met zijn brave vrouw bezoeken : dit waren de eerstelingen der dank- en smeekgebeden, welke de H. Landman, evenals de godvruchtige Abel, dagelijks aan zijn God en Schepper bracht.

Wie is in staat de diepe gevoelens van godsvrucht te beschrijven, die de H. Isidorus bezielde, wanneer hij de H. Offerande der Mis bijwoonde ? Wie zal de kracht van zijn geloof, do sterkte zijner hoop, het vuur zijner liefde schetsen, wanneer hij in die vroege ochtenduren voor den Goddelijken Zaligmaker, in het tabernakel onder de gedaante van brood verborgen, met lichaam en ziel lag neergeknield ? Daar smaakte zijn liefdevol hart, hoe zoet het is Jesus te gedenken, Jesus' tegenwoordigheid te genieten. Daar leerde hij de grootheid van Jesus'liefde kennen: niet slechts wilde de Zoon Gods met ons verblijven, niet slechts onze zielen voeden met zijn Goddelijk Lichaam in de H. Communie, maar door de onbloedige vernieuwing van het Kruisoffer op eene waardige wijze zijn hemelschen Vader eeren, en ons onbeschrijflijke zegeningen achterlaten.

Dagelijks begreep de eenvoudige landman beter de waarde van den schat, dien het H. Misoffer ons geven kan. Wanneer hij daar den Zoon van God, op het woord des priesters uit den hemel neergedaald, onder de gedaante van brood verborgen, vol geloof

ocr page 46

aanschouwde, dan vereenigde hij zich mot den hid-denden Godmensch. on door Hem bracht hij zijn Schepper de hulde zijner aanbidding en dankbaarheid. de ■wierook van een om hulp on verzoening smeekond gebed.

Gelijk de engel des hemels, die in het schaapsbad te Jerusalem neerdaalde, het water in bewdging bracht, zoodat „wie na de beweging dos waters hot eerst in het bad nedarkwam, genezen word, van welke ziekte hij ook bevangen wasquot; ; zoo ontving do. H. Isidorus telken morgen door het godvnuhtig bijwonen der H. Mis eene bovennatuurlijke kracht, om moor en meer zich zelvon te overwinnen en voortgang te maken in de deugd.

Begrepen vele Christenen, evenals do II. Isidorus, welke eer hot H. Misoffer aan God geeft, welke voordoelen daaruit voor ons ontspruiten, dan zou men zoo gemakkelijk die zegeningen niet verloren laten gaan.

„Aandachtige zielen,quot; zoo schrijft de Capucijner-pater, Martinus van Cochem, in zijne Erldcirinig des 1ieili//en Messopfcvs, (1) „weet, dat onder alle schatten der wereld er geen troostvoller is dan het H. Misoffer, en dat de wereld volgens mijne meening geen grooter schade treffen kan dan de ontwetondheid of het gebrek aan do noodige kennis van deze verhevene Offerande. De schat der H. Mis is onuitputbaar; bijgevolg is ook de schade, die uit het minachten van dezen schat voortkomt, niet te berekenen. Van de H. Mis kan ik zeggen, wat de H. Schrift van de wijsheid zegt (Wijsh. 7 ; 14), nl., dat hij, die dezelve wel benuttigt, de vriendschap Gods deelachtig wordt.

(1) Dit boekje is uil het Moogduilsch vertaald door J. dr Gruyter, Pastoor te Beegden, en opgedragen aan Mgr. Paredis. — Venlo, Wed. H. H. Uittenbroeck.

ocr page 47

Het is immers zeer te beklagen, dat deze kostbare schat, waardoor alle geloovigen zich zoozeer konden verrijken, als in do aarde begraven ligt, en sleclits door weinige personen wordt gekend en geacht. Opdat dan de wereld deze groote schade niet langer lijden zoude, heb ik mij voorgenomen, in dit boek. met Gods bijstand klaar en bondig te bewijzen, dat het hoogwaardigste Misoft'er zulk een voortreffelijke eeredienst is, waardoor de H. Drievuldigheid op eene waardige wijze geëerd, het koor der Engelen hoog verblijd, do katholieke Kerk ten zeerste gesterkt, de ellendige wereld van veel kwaad bewaard, en de arme zielen in het vagevuur merkelijk verkwikt worden.quot;

Wilden nu sommige landlieden zich een weinig moeite getroosten, konden zij dan do groote voor-deelen der H. Mis, vooral gedurende den wintertijd, niet bijna dagelijks genieten? Dat Isidorus' voorbeeld u hierin weer tot opwekking en aansporing diene.

Van Isidorus verlangde God, dat hij met achterlating van den morgen arbeid ter kerke ging, maar bij vele andere Heiligen was dit niet het geval.

Toen de H. Minderbroeder-Capucijn, Felix van Cantalicië, nog in de wereld leefde, bracht hij zijne dagen als knecht bij een landman door. In den beginne was hij bestemd om de kudde te bewaken. En wat deed de brave jongeling, nu hij in de onmogelijkheid was des morgens de H. Mis bij te wonen? Felix voerde zijne kudde naar eene eenzame weide; daar sneed bij een kruis op de schors van een boom en gaf zich vervolgens aan zijne godsvrucht over. In den geest was hij dan bij het H. Misoffer tegenwoor-

ocr page 48

— 42 —

dig. En God, die vooral ziet op het hart, wilde door een wonder toonen, hoezeer hem dit behaagde.

Terwijl de jongeling met zijn arbeid op het veld bezig was, mocht hij door een wonder van Gods goedheid te gelijker tijd in de kerk de H. Mis bijwonen. Zoo zag de H. Antonius van Padua eens onder zijn arbeid, toen hij, bij het kleppen der klok ten teeken der H. Consecratie in de nabij gelegen kerk, zich op de knieën wierp, de kloostermuren vaneen scheiden, den Priester de H. Hostie en dan den H. Kelk ter aanbidding verheffen, en kon hij, als ware hij in de kerk geweest, zijnen Goddelijken Zaligmaker aanbidden.

Ouder geworden, werden hem zwaardere werkzaamheden opgelegd, maar niettemin ging hij voort dien geest van gebed in zich te voeden.

Toen hij bezig was het land te beploegen, zoo verhaalt Boverius in de jaarboeken der Minderbroeders-Capucijnen, liet hij nooit een enkel oogenblik verloren gaan ; want bij het eerste zonnelicht begaf hij zich, na God gebeden te hebben, aan den arbeid, waaronder hij voortdurend zijne gedachte op God richtte en zich met heilige overwegingen bezig hield. Na het volbrachte werk was hij gewoon zich in zijn kamertje terug te trekken om met meer aandacht zijne avondgebeden te doen. Dat deze godsdienstige jongeling onder de bijzondere bescherming des Hemels stond, bleek bijzonder uit het volgende feit.

Felix moest een koppel ossen den ploeg leeren trekken. Met een opgeruimd hart had hij dit moeilijke werk ondernomen, toen eensklaps de dieren verschrokken en woedend op den loop gingen. Met alle kracht wilde Felix de hollende ossen bedwingen;

ocr page 49

— 43 -

maai- hij zelf werd over den grond geslingerd en kreeg het ploegijzer over zijn lichaam. Haastig komen van den nabijgelegen akker de arbeiders toegeloopen, in de roeening dat Felix zwaar gewond zal zijn. Maar o wonder! de brave knecht had niet het minste letsel bekomen. Reeds was hij Gode dankend op zijne knieën gevallen, terwijl hij uitriep: Ik heb gehoord, o Heer, ik heb gehoord, wat gij gesproken hebt en aanstonds wil ik gehoorzamen.quot; Hij stond op, vroeg aan zijn baas het verdiende loon, gaf het aan een arme weduwe, en volvoerde het plan, dat hij wel lang bedacht, maar nog altijd had uitgesteld : hij trad als broeder in onze Orde. Meer dan veertig jaren was Felix een voorbeeld. Slechts een enkel bewijs moge hier zijn plaats vinden.

Felix was reeds op jaren, toen hij eens voor het H. Altaar in een vurig gebed lag nedergeknield. Zijne oogen straalden, zijn aangezicht gloeide, Als overmeesterd door dien heiligen liefdegloed, beklimt Felix het altaar, waar het beeld der Moedermaagd staat met het Goddelijk Kind op de armen. En wat doet hij ? Hij smeekt Maria haren zoon aan hem over te geven, en — ongehoord wonder! — de goddelijke Moeder buigt zich en legt haar kind in de armen van Felix neêr. Gelukkig als de grijze Simeon mocht de H. Broeder deze woorden nazeggen: „Laat, Heer, Uwen dienaar thans volgens Uw woord in vrede gaan!quot;

De stad Rome zag hem dagelijks in hare straten voor zijne kloosterbroeders het levensonderhoud vragen. Onder dit werk bleef hij ingetogen en bezig met God. Zijne minzame goedheid, zijne liefdevolle woorden en vele wonderen vooral ten gunste van lijdenden, hadden aller harten aan hem gebonden. Geëerd door

ocr page 50

- 44 —

kardinalen en priesters, hooggeschat door het volk. bemind door de kinderen, die hem Broeder „Deo gratiasquot; (Gode zij dank) noemden, omdat de Heilige dit woord zoo dikwijls onder tranen herhaalde, stierf Felix den 18den Mei 1587. Hij werd den 10 Dec. 1625 door Urbanus VITI zalig verklaard, en den 18den Mei 170!) door Clemens XI onder het getal der Heiligen gesteld.

Gelijk wij nn van Felix mogen zeggen dat het gebed zijn vreugde, ja zijn krachtigste middel ter zaligheid was, evenzeer is dit waar voor Isidorns. En welke godsvrucht bezielde den braven landman tijdens zijn verkeer met God ! O met welk een nauwgezetheid waakte Isidorns om de verstrooiingen zoo spoedig mogelijk uit zijn geest ts verdrijven. Hij was er immers van overtuigd, dat een gebed met vrijwillige verstrooidheid gestort, onmogelijk aangenaam kan zijn aan God. Zijn vertrouwen vooral op de goedheid van den Heer was groot. Hij begreep dit woord van onzen Goddelijken Zaligmaker ; „Alles wat gij in het gebed vraagt, gelooft slechts dat gij het bekomt, en het zal u gewordenquot; (Mare. 11, 24). En op eene andere plaats: „Voorwaar, voorwaar ik zeg n, indien gij den Vader iets in mijnen naam vraagt, Hij zal het u gevenquot; (Joës. 16, 215). Op deze onfeilbare beloften van den Zoon Gods zeiver. was Isidorns' vertrouwen gegrondvest en door die vaste overtuiging verhoord te zullen worden, zal hij zijne gebeden bezielen, vele genaden van den hemel bekomen, ja zelfs de schitterendste wonderen.

De dienaar Gods werkte nog bij den edelman Joannes Vergas, toen deze hem vertelde, dat zijn paard, waaraan hij zeer gehecht was, plotseling was

ocr page 51

— 45 —

gestoi'ven. Isidorns begaf zich naar de plaats waar liet cloode paard was heengebracht, stortte een kort gebed, en krachtig en gezond als te voren sprong het dier op.

Een zwaarder verlies zon weldra den edelman in diepen rouw dompelen. God had zijn huwelijk slechts met één kind, Maria genaamd, gezegend. Doch, zooals gewoonlijk, was de liefde waarmede do ouders het beminden, des tc vuriger, dewijl zij slechts eon dochtertje hadden, aan wie zij hunne ouderliefde konden schonken. JJit dierbaar kind word ziek. En wat zorgen de ouders ook aanwendden ; met wat ijver geneeskundige hulp werd ingeroepen ; hoe vurig tot den Hemel voor het behoud werd gebeden, de ziekte nam steeds toe, totdat de dood oen allerpijnlijkste wonde in het ouderhart sloeg.

Een flauwe straal van hoop lichtte nog voor de zwaar beproefde vader en moeder; hun heilige dienstknecht Isidorns vermocht zooveel bij God. 't Is waar, wel had de heilige knecht reeds gebeden tijdens de ziekte van hun kind en toch was het gestorven.

Maar onze Goddelijke Zaligmaker had ook toegelaten dat Lazarus eerst begraven werd, en hem daarna opgewekt, ofschoon Maria en Martha .lesus hadden verzocht, hun broeder van zijn ziekte te genezen.

Isidorns dan knielde bij het gestorven dochtertje, wier bleeke wangen en verstijfde ledematen duidelijk aantoonden, dat het werk des doods reeds begonnen was. Een vurige smeekbede rijst uit het hart tot den Heer, die over dood en leven gebiedt. En gelijk Jesus zelf het gestorven dochtertje van Jaïrus door Zijn almacht tot het leven terugriep, om het zijnen ouders weêr te geven : zoo schonk ook de Hemel,

ocr page 52

— éG-

door het gebed van Isidorus bewogen, aan de overledene dochter van Joannes Vergas leven en gezondheid terug. De vreugde der ouders laat zich gemakkelijker gevoelen dan beschrijven.

Isidorus was lid van een broederschap, — maar wij hebben niet kunnen achterhalen, welk doel het nastreefde; — en als zoodanig werd hij eens uitge-noodigd om met de andere leden bij een feestmaal aan te zitten. Daar de dienaar Gods niets aan zijne gewone oefeningen van godsvrucht wilde onttrekken, kwam hij veel te laat op de aangewezen plaats, zoodat de maaltijd reeds was afgeloopen. Alleen wat voor hem bestemd was, had men in de kast bewaard.

Eindelijk komt Isidorus, maar brengt tevens eenige armen binnen, die aan den ingang van dat huis op eene almoes wachtten.

„Maar, heilige man Gods/' zoo riepen enkele dei-vergaderde feestelingen, „hoe is het mogelijk, dat gij ook deze armen met u brengt, terwijl alleen uw aandeel is bewaard gebleven.quot; Vol vertrouwen echter op de bescherming Gods, die hij op 't zelfde oogenblik allervurigst afsmeekte, zeide de trouwe dienaar : „Wij zullen te zamen deelen, wat ons van Godswege gegeven wordt.quot;

Toen men daarop de kast opende, waarin Isidorus' aandeel was bewaard, vond men deze overvloedig met spijzen gevuld. Allen konden zich rijkelijk verzadigen, en nog bleef er over om anderen behoefti-gen uit te deelen. Ziedaar wat het vertrouwvol gebed van den H. Dienaar Gods vermocht.

En wat deed Isidorus na zulke heerlijke wonderen? Hij bracht de glorie van alles tot God terug, en verzuimde niet Hem voor zijne weldaden te danken.

ocr page 53

— 47 —

Immers wij vinden meerdere malen uitdrukkelijk in zijne levensgeschiedenis vermeld, dat de Heilige na verkregen gunsten zich haastte hiervoor God dank te zeggen. Toen dan ook het wonder was voltrokken, dat wij zoo juist verhaald hebben, ging niet alleen Isidorus naar de nabijgelegen kerk van Maria Mag-dalena ter betuiging zijner dankbaarheid, maar allen, die erbij tegenwoordig waren, loofden en zegenden met hem den algoeden Grod.

Treffend zien wij in het leven van dezen H. Landman de vermaning van onzen Goddelijken Zaligmaker vervuld : „Men moet altijd bidden en niet ophouden.quot; Meen niet, dat dit niet mogelijk is, omdat Isidorus menig uur van den dag met handenarbeid bezig was. „Er is voor den godvruchtigen christen niets,quot; zegt de H. Joannes Chrysostomus, „dat hem niet tot gebed kan verstrekken, wanneer hij zulks wil.quot; Wanneer Isidorus zijn arbeid aan God opdroeg, dan was zijn arbeid een gebed. Wanneer hij het lijden dat God hem overzond in vereeniging met Jesus' lijden aan den hemelschen Vader aanbood, dan was dat lijden een gebed. Zelfs de ontspanning, door Isidorus genomen, werd voor hem een gebed, daar hij ook hierdoor God zocht te eeren.

Hoe gemakkelijk kunnen wij vooral hierin de voetstappen van den H. Isidorus drukken, en evenals hij onzen arbeid in een gebed veranderen. Hiertoe wordt alleen gevorderd, dat wij levende in staat van genade, onze werken tot Gods glorie verrichten. Welk eene verhevene heiligheid wij hierdoor kunnen bereiken, toont ons een voorbeeld door Pater Hillegeer S. J. in „De Deugd voor alle Statenquot; aangehaald.

Twee kluizenaars, die God langen tijd gevraagd

ocr page 54

— 48 —

hadden hun bekend te maken, wat zij moesten doen, om Hem volmaakt te dienen, hoorden eene stem, die zeide : „Begeeft u naai' Alexandrie, en zoek daar een man. Encharistns genaamd, en wiens vrouw Maria heet.quot;

De kluizenaars deden wat hun bevolen was, en verzochten Eucharistus hun te zeggen, hoedanig zijne levenswijze was.

„Ik ben,quot; zeide hij, „een arme schaapsherder.....

„Dat vragen wij niet,quot; hernamen do kluizenaars, „maar zeg ons op welke wijze gij en uwe vrouw God dient.quot;

„Eerwaardige mannen,quot; sprak de herder, „gij zoudt mij dat moeten leeren ; ik ben slechts een arm en onwetend man.quot;

„Dat doet niets ter zake,quot; zeiden zij, „wij zijn hier door God gezonden, om van u te vernemen, hoe gij God dient.quot;

„Dewijl gij het mij in den naam van God vraagt,quot; antwoordde Eucharistus, „zal ik het u zeggen. Ik had eene moeder, die God vreesde, en mij van mijne kinderjaren geleerd had alles te doen en alleys te lijden uit liefde tot God. Van mijne teedere jeugd af heb ik voortdurend dien raad opgevolgd. Ik gehoorzaamde uit liefde tot God, ik onttrok mij eenige kleine lekkernijen uit liefde tot God. Ik heb geheel mijn leven deze oefening voortgezet, en altijd getracht alles te doen en te lijden voor God. Ik sta 's morgens op uit liefde tot God; uit liefde bid ik Hem en offer Hem mijnen dag op ; ik ga naar het werk, omdat God het wil, en ik werk uit liefde voor Hem; als het noodig is, neem ik eene uitspanning uit liefde tot God; ik verdraag honger, dorst, koude.

ocr page 55

— 49 —

hitte, armoede, ziekte, allerlei tegenspoed uit liefde tot God. Zietdaar, Eerwaarde Vaders, geheel mijn gedrag en ook dat mijner vrouw.quot;

De kluizenaars verlieten vol verwondering den oprecht godvruchtigen Eucharistus, die door zijn woord en voorbeeld hun een gemakkelijken weg had getoond, om tot groote volmaaktheid te geraken.

Laten ook wij ons deze vermaning ten nutte maken. Verzuimen wij daarom nooit, ook hierin G-ods Heiligen na te volgen, en evenals zij dagelijks onze werken in staat van genade en tot Gods meerdere glorie op te offeren.

Tot verheerlijking van zijnen Heer, tot vermeerdering der glorie van Gods vrienden en tot verkrijging van gunsten riep Isidorus dikwijls en vurig de voorbede der Heiligen in. Gaat men de levens der Heiligen na, dan zal men te vergeefs onder hen iemand zoeken, die naast een bijzondere liefde voor Jesus in het H. Sacrament, niet eene innige godsvrucht koesterde ten opzichte van .lesus' Moeder, de Allerheiligste Maagd Maria. In waarheid : hoe zou men de Moeder kunnen scheiden van haar Goddelijk Kind, Jesus van Maria ? Doordat Maria de wezenlijke Moeder is geworden van Gods Zoon, en dientengevolge met een onbegrijpelijken schat van genade is begiftigd, verdient Maria onzen eerbied en onze liefde meer dan alle Engelen en Heiligen, die slechts vrienden zijn van God. Isidorus begreep dit.

Dikwijls ging de brave landman eene kleine kapel. Maria ter eer in de omgeving van Madrid gebouwd, vertrouwvol bezoeken om hare hulp af te smeeken ; dikwijls huldigde bij Haar in dat nederig bedehuis als de Moeder Gods en de Koningin des Hemels;

ISIDQKUS 4.

ocr page 56

— 50 —

dikwijls overwoog hij, hoe Maria op deze wereld ook in een voor het oog der wereld geringen stand had geleefd, hoe de Moeder Gods op deze aarde aan de scherpste beproevingen was onderworpen geweest, en daardoor vooral hare verdiensten voor den hemel vergroot had. Die beschouwing spoorde hem tot navolging van Maria's deugden aan.

Isidorus riep Maria's hnlp in, ten einde geduldig de moeilijkheden naar ziel en lichaam te verdragen ; van het loon, dat hij verdiende wist hij iets af te zonderen om een lamp voor Maria's beeld te onderhouden, als een zwak bewijs van de nooit onderbroken liefde, waarmede zijne ziel zijn hemelsche Moeder beminde. Met hoeveel vurigheid herhaalde hij dagelijks meerdere malen het zoo verheven „Wees Gegroet Mariaquot;, dat als een krachtig hemelkoor de grootheden van Maria bezingt, en smeekend voor den zondaar haar voorbede inroept.

Welzalig hij die Maria oprecht vereert! „Godsvrucht hebben tot U, o Maria,quot; zegt de H. Joannes Damascenus, „is een wapen ter zaligheid.quot; Het is om deze reden, dat vele Kerkvergaderingen, vele Pausen, Kerkvaders en Leeraars niet ophouden den geloovigen een ware godsvrucht tot de Onbevlekte Moedermaagd in te prenten. Ook onze H. Vader Leo XIII heeft reeds herhaalde malen zijne kinderen opgewekt, Maria's deugden na te leven, Maria's voorbede vooral door het bidden van den Rozenkrans, dringend af te smeeken.

Nog in zijn Omzendbrief van 20 September 1896 spoort ons Zijne Heiligheid de Paus in krachtige woorden tot het Rozenkransgebed aan. „En hoewel voor iedereen die bidt, uit de kracht zelve des

ocr page 57

— 51 —

gebeds en nit de belofte van Christus, de deur geopend is om te verkrijgen, wat hij vraagt, iedereen weet, dat de verhooring van het gebed vooral aan twee voorwaarden gebonden is, namelijk: dat volhardend, en door meerderen in vereeniging met

elkaar wordt gebeden..... Aan beide voorwaarden nu

wordt op voortreffelijke wijze in het Rozenkransgebed voldaan. Daar immers wordt, om hierbij te blijven, door het gestadig herhalen van eenzelfde gebed het rijk der genade en der glorie van den Hemelsohen Vader afgesmeekt ; de Maagd Maria wordt telkens en telkens weder aangeroepen, opdat zij door hare voorspraak ons helpe ons gansche leven door, en inzonderheid in de laatste ure. die als de drempel is van de eeuwigheid. De Rozenkrans is uitermate geschikt, om gezamenlijk te worden gebeden ; zoo zelfs, dat met reden de naam van ,.Maria Psalterquot; eraan werd gegeven. Ook moet de gewoonte behouden of opnieuw ingevoei'd worden, die bij het voorgeslacht bestond, om in de Christengezinnen, zoowel in de steden als daarbuiten, bij het einde van den dag na de vermoeienissen van den arbeid, voor Maria's beeltenis saam te komen, en daar gezamenlijk den Rozenkrans te bidden. Maria van haren kant vond in die trouwe eenparige vereering haar welgevallen, en deelde als een goede moeder onder hare kinderen de gaven uit van den huldigen vrede, als voorsmaak van den vrede des Hemels.quot;

Tracht dan u zeiven al deze voordeelen te verschaffen, door in uw huisgezin iederen avond met godsvrucht den Rozenkrans te bidden. Vereert vurig uwe hemelsche Moeder en Koningin, niet alleen door uwe dagelijksche gebeden, die gij als eene schatting

ocr page 58

— 52 —

aan Haar brengt, maar tevens door het navolgen van hare deugden, hare nederigheid, haar geduld, hare liefde en overgeving aan Gods H. quot;Wil. Dan zullen wij op den avond van ons leven met Leo XIII vol betrouwen kunnen herhalen : „Bovendien, naarmate onze ziel, door de apostolische zorgen afgemat, het tijdstip ziet naderen, waarop zij de aarde zal mogen verlaten, blikt zij met te leverdiger vertrouwen op tot Haar, uit wie, als uit den gezegenden dageraad, eenmaal het volle licht der onsterfelijke vreugde en blijdschap is opgegaan.quot;

Wendt tot dit doel dikwijls uwe blikken op Isido-rus' gezin. Ziet, hoe daar de wierook des gebeds onophoudelijk ten hemel stijgt, of wel terwijl de brave landman met zijn vrouw God knielend aanbidt, of wel zijn arbeid door eene goede meening in een voortdurend gebed herschept. Moge die goede geur des gebeds uwe woning vervullen, en telken dage vooral 'savonds een gezamenlijk gebed, als een welriekend avondoiïer, uwen- Schepper verheerlijken. Hierdoor zult gij niet alleen vele genaden bekomen, maar ook op uwe tijdelijke zaken zult gij den zegen Gods aftrekken. Immers, zorgt en slaaft zooveel gij wilt ; mat u af' van den vroegen morgen tot den laten avond; zonder G od zal u niets baten. Op ondervinding toch van eeuwen steunt het spreekwoord : „Aan Gods Zegen is alles gelegen.quot;

ocr page 59

HOOFDSTUK V.

Zijne Naastenliefde.

Liefde tot den evenmenseh zou volgens Christus' wil het kenteeken blijven zijner ware volgelingen. „Hieraan zullen allen erkennen, dat gij mijn leerlingen zijt zoo gij liefde hebt tot elkanderquot; (Joes 13,35).

Een leeraar der joodsche wet kwam eens tot Jesus, en vroeg hem : „Meester, welk is het grootste gebod in de Wet ?quot; Hierop antwoordde de Goddelijke Verlosser : „Gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, en uit geheel uw verstand en uit al uwe krachten. Dit is het eerste en grootste gebod. Het andere echter daaraan gelijk is; gij zult uwen evennaaste liefhebben als u zelvenquot; (Matt. 22, 37).

De liefde tot God en de liefde tot den evenmenseh is ééne deugd. Om Hem zelven beminnen wij God, maar wij beminnen door de bovennatuurlijke deugd van liefde onzen evenmenseh ook om God. Dereden dus van de liefde tot onzen Schepper en van onze

ocr page 60

— 54 —

liefde tot den evenmensch verschilt niet, maar is eene en dezelfde.

Gelijk wij een vader en moeder liefhebben,, en om wille der ouders, hunnen kinderen een goed hart toedragen, ofschoon deze misschien onze liefde niet verdienen, zoo ook moeten wij Gocl beminnen, en om wille van Hem de menschen liefhebben, die zoo dierbaar zijn aan God. De mensch toch is een schepsel Gods, dat bestemd is door de heiligmakende genade een kind Gods te zijn op aarde, en daardoor het geluk des Hemels eenmaal te verwerven. Getuigt dit onze Goddelijke Zaligmaker niet, wanneer Hij, sprekende over de liefdewerken, zegt : „Wat gij eenen van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, dat hebt gij Mij gedaan ?quot;

Wat echter is beminnen ? Niets anders dan een persoon goed willen ; verlangen, dat iemand zijne goederen behoude, hetgeen liem ontbreekt bekome, en hiertoe tevens willen doen, wat rede en geloof vragen. Beminnen dus bestaat niet alleen in het inwendig verlangen, dat het iemand welga; wij moeten ook die begeerte van ons hart ten bekwamen tijde door daden toonen. En daar de mensch goederen noodig heeft naar ziel en lichaam, ontspruiten uit de naastenliefde, de lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid, gelijk twee beken ontspringen uit eenzelfde bron. Verre, zeer verre echter zijn de liefdediensten, aan het geestelijk heil der ziel vau onzen evennaaste verricht, boven de lichamelijke barmhartigheid verheven.

Rijk was Isidorus' leven aan oefeningen van naastenliefde. Deze goddelijke deugd, die als een heerlijke roos in zijn hart bloeide, verspreidde dagelijks nieu-

ocr page 61

— 55 —

we geuren, welke balsem en troost aan de ongelukki-gen verschaften.

'tls voorzeker een groot bewijs van naastenliefde een goed voorbeeld te geven in de dengd. quot;Was het leven van Isidorus niet een sprekende terechtwijzing voor den zondaar? Ziet de eenvoudige landman dagelijks de heilige diensten met eerbied bijwonen ; ziet hem, met weinig tevreden, in zwaren arbeid zijn dagen doorbrengen; beschouwt hem, verwijderd van alle gevaren ; slaat hem gade, wanneer hij ingetogen dooide straten van Madrid voortschrijdt: is dan zijn ijver voor den godsdienst geen verwijt voor den trage ?

Vermaant zijne arbeidzaamheid den luiaard niet, gelijk zijn eenvoud en ingekeerdheid den wuften wereldling, die slechts van feesten droomt, streng veroordeelt ?

Wanneer men den heiligen akkerman om zijne godsvrucht bespotte, gelijk in deze wereld meermalen het aandeel van den brave is, dan hoorde men uit zijn mond geen klacht of verwijt. Hij wilde naar het voorbeeld van zijn Goddelijken Meester gaarne het onrecht verdragen en uitterharte vergeven. „Zijn geduld in het verdragen van beleedigingen,quot; aldus een zijner geschiedschrijvers, „zijne goedaardigheid ten opzichte van allen, die hem benijdden, zijne gehoorzaamheid aan zijne meesters, zijn oplettendheid om iedereen zelfs in onverschillige zaken door liefdediensten te voorkomen, deden hem de overwinning behalen op al zijne driften.quot;

De rampzalige staat vooral, waarin de zondaar zich bevindt, levend in staat van doodzonde, verwekte innig medelijden in Isidorus' hart.

Een mensch vrijgekocht doorvden kostbaren prijs

ocr page 62

— 56 —

van Jesus' Bloed, — en die zich vrijv/illig, om een kort zondig genougen. aan den duivel verkoopt; een kind Gods, dat versierd is met de heiligmakende genade. — en dat zulk een schat voor een nietige zondige voldoening wil verliezen; een ziel recht hebbende op de eeuwige vreugde des hemels, — en die in plaats daarvan door hare doodzonde de eeuwige straffen der hel verdient: bij deze beschouwing ontwelden zoovele vurige gebeden uit Isidorus' ziel om genade en erbarming voor den zondaar. Door den ellendigin toestand des zondaars werd hij dagelijks aangespoord, om de vermaning van den H. Jacobus te vervullen : „Bidt voor elkander, opdat gij moogt behouden worden ; want het volhardend gebed van den rechtvaardige vermag veel bij Godquot; (Jac. 5,1G).

Vele zaken dezer wereld nemen door een veelvuldig gebruik langzamerhand in geschiktheid en waarde af; doch juist het tegenovergestelde heeft bij de oefeningen der deugden plaats. Hoe meer oefeningen van deugd iemand stelt, des te meer neemt de genegenheid zijner ziel, waardoor hij weldoet, in sterkte toe. Gelijk de zon, niettegenstaande zij dagelijks hare stralen over de aarde uitstort, in het oog der menschen niets van hare verwarmende kracht verliest ; zoo ook neemt de zon der liefde door het oefenen der werken van barmhartigheid niet alleen niet af, maar zelfs wordt haar luister telkens grooter.

Wat moest dan de ziel van Isidorus een schitterend schouwspel vertoonen voor de oogen der engelen en de blikken van haar Schepper ! Wat zullen thans aan zijn hemelkroon de parelen heerlijk flikkeren, die hij niet alleen door zijne geestelijke

ocr page 63

liefdebewijzen. maar ook door zijne lichamfelijke werken van barmhartigheid of liefdadigheid heeft verworven.

De geest van liefde, die door Gods Zoon op aarde is gebracht, heeft het aanschijn der aarde veranderd. In de heidenschn wereld was de ware liefde niet gekend. Maar nauwelijks heeft de Kath. Kerk hai-en invloed aan het menschdom laten gevoelen, ofslaven herkrijgen de vrijheid, weduwen en weezen vinden bescherming, zieken en gebrekkigen ontvangen troost en steun, rijken en armen leeren elkander als kinderen van eenzelfden Vader beminnen.

Met het volste recht dan ook mocht de Capncijner-Pater Cyprianus von Altötting, op het Katholieke congres te Dortmund in het jaar lS!l(i over de liefde sprekende, dit getuigenis afleggen : „dat de ware. de Christelijke liefdadigheid uit den hemel komt, en zóó innig met de Kerk verbonden is. dat er zonder deze geen waarlijk, geen wezenlijk medelijden met de armen bestaat.quot;

Wat al rijken telt de Kerk onder hare Heiligen, die de goederen dezer aarde slechts schenen te bezitten om aan de armen uit te deelen ! Doch ook hoe-vele landlieden, ja hoevele arbeiders deelden hunne verdiende penningen met personen, die meer behoefte hadden dan zij.

De H. Ampelius, die het smidsambacht uitoefende; de H. Homobonus, die koophandel dreef; de H. H. Crispinus en Crispinianus. die als schoenmakers leefden ; de H. Deusdedit, die als hovenier werkzaam was ; de H Baldomems, die door slotenmaken zijn kost verdiende ; de H. Zita, eene eenvoudige dienstmeid; de H. Wermerus, die door dagelij kschen arbeid

ocr page 64

— 58 —

op het land zijn brood won ; al deze heilige werklieden, en nog tallooze andere deelden, zooals in hunne levensbeschrijving uitdrukkelijk vermeld staat, een groot deel hunner verdiensten aan de armen uit.

Het leven van een hunner, een heiligen landbouwersknecht, den H. Bertulphus, moge hier zijne plaats vinden.

Deze Heilige was op het einde der fide eeuw in Duitsohland uit heidensche ouders geboren, doch als jongeling verliet hij, door 's Heeren geest geleid, zijn vaderland, om zich te begeven naar het Noorden van Frankrijk, waar destijds de Kath. godsdienst reeds bloeide. Met gretigheid liet zich de jongeling in de waarheden van onzen H. Godsdienst onderwijzen, ontving het H. Doopsel en begon van dien stond met snelle schreden den weg der heiligheid te bewandelen.

Hij kwam in dienst bij Wambertus, Graaf van Renty, die om zijn deugd alom bekend was. Weldra bemerkte deze, dat zijn nieuwe knecht niet alleen een ijverig werkman, maar tevens een heilig Christen was. Hij stelde hem dan aan het hoofd zijner goederen met vrije beschikking over dezelve. Bertulphus ging met ijver de hem opgelegde zaken na ; maar rijkelijk liet hij de almoezen in de handen der armen vloeien, terwijl hij den Heer voortdurend bad, om wille zijner veelvuldige aalmoezen de goederen zijns meesters steeds te vermeerderen.

Zichtbaar werd bevestigd, wat de H. Paulus den Korinthiërs verzekerde (I Kor. 0, 10), „dat God volgens den gewonen loop zijnor Voorzienigheid den milden gever ook naar het aardsche zal zegenen''. „Hij nu die zaad aan den zaaier verschaft, zal ook brood om-te eten geven, en uw zaad vermenigvuldigen, en het

ocr page 65

— 59 —

gewas van de vruchten uwer gerechtigheid vermeerderen, zoodat gij in alles rijk zijnde, overvloed hebt tot alle liefdegift.quot; Hoe meer giften Bertulphus aan de armen uitdeelde, des te meer werd zijn meester naar het tijdelijke gezegend.

Om de vele bewijzen van getrouwheid en deugd, welke Bertulphus gaf, nam de graaf hem als zijn zoon aan en maakte hem erfgenaam van zijne goederen te Renty. Na den dood van Wambertus besteedde de nieuwe eigenaar al zijne goederen aan verschillende godsdienstige werken. Hij stichtte een klooster, waarin hij zelf met elf andere gezellen zijn laatste levensdagen in bidden, vasten en waken doorbracht, totdat hij den öden Februari 705 het loon zijner liefdadigheid ging ontvangen.

't Is niet waarschijnlijk, dat de eenvoudige landman Isidcrus den heiligen landbouwersknecht Bertulphus zelfs maar bij naam heeft gekend ; dit echter is zeker, dat hij in denzelfden werkmansstand dezen Heilige van zeer nabij heeft nagevolgd in iedere deugd, en ook bijzonder in da liefdadigheid. Veelvuldig waren de liefdewerken in het leven van den Heiligen Landman, en groot in waarde.

Ontleent de liefdadigheid, gelijk iedere deugd, haar grootste verdiensten bij God aan de heilige meening, waarmede zij beoefend wordt: haar waarde stijgt voorzeker nog, naarmate het offer, dat men brengt, den gever lichter of zwaarder is. Het schenken toch van tien gulden kan, rechtraatigerwijze gesproken, aan een zeer rijk mensch niet zoo zwaar vallen, als wel een aalmoes van eenige dubbeltjes, die door een werkman van zijne geringe verdiensten geschonken worden. De rijke immers geeft van zijn overvloed

ocr page 66

— 60 —

en gevoelt het gemis niet van dat geld ; doch de werkman geeft van het noodige voor zijn dagelijksoh onderhond. Dit is voorzeker een zwaarder otter.

Daarom zeide onze Goddelijke Zaligmaker, toen eene arme weduwe twee penningen offerde, nadat Hij de rijken hunne giften in de offerkist had zien werpen : „In waarheid zeg ik u : deze arme weduwe heeft meer dan allen geoffei'd. Want die allen wierpen van hunnen overvloed bij de giften voor God ; maar deze vrouw heeft van haar gebrek, heel haar levensonderhoud dat zij had. er bij geworpenquot; (Luo.

21, 3, 4).

Ook op den Tl. Isidorus mogen wij deze woorden van onzen Groddelijken Leermeester toepassen. Hij toch deelde vrijgevig mee van zijne verdiensten, die voor zijn levensonderhoud waren bestemd, en hij deed het, omdat hij de armen beminde om God.

„Zijn evenmenseh. den arme vooral,quot; aldus het Prooes zijner heiligverklaring, „beminde hij als zich zeiven : en ofschoon hij arm en behoeftig was, onttrok hij dagelijks iets aan zijn onderhoud, om daarmee armere menschen en meer gebrekkigen te onder-steunen.quot;

Gelijk nu eene heilige meening de ziel mag genoemd worden eener aalmoes mat betrekking totheteeuwig loon, en de betrekkelijke zwaarte van het offer de waarde der aalmoes verhoogt, zoo geeft ook de uitwendige minzaamheid, waarmee men eene gift aan don behoeftige overreikt, hieraan nog eene bijzondere waarde. Vandaar dat de minzame goedheid, waarmee Isidorus zijn aalmoezen schonk, ze dubbel dierbaar aan de armen maakte.

Is het echter niet juist dit, wat st mtijds over het

ocr page 67

— 61 —

hoofd wordt gezien? Met zekere onverschilligheid en geringachting voor den arme, geeft men een aalmoes. Men verzuimt in den behoeftige een broeder of zuster van Jesus Christus te erkennen ; men gedenkt niet dat onze Goddelijke Meester, wat aan den geringste der Zijnen gedaan wordt, zal beschouwen, als aan Hem Zeiven gedaan ! Vergeet dus niet bij uw aalmoes niet slechts een goede meening, maar ook een minzaam woord, een goedhartigen blik te voegen.

De werken van barmhartigheid, door Isidorus op zoo uitstekende wijze beoefend, waren zoo aangenaam aan God, dat Hij door wonderen hem liet noodige voedsel om armen te spijzigen, wilde verschaffen.

Eens toen Isidorus heel zijn voorraad had uitgedeeld, klopte aan zijn deur nog een behoeftige, die eene aalmoes verzocht. Het was eene droefheid voor zijn medelijdend hart iemand met ledige handen te moeten wegzenden. Hij gelastte daarom zijn huisvrouw eens te zien, of er nog niet een weinigje in de kas was overgebleven. Er was niets meer. Nogmaals vroeg Isidorus, dat zij alles nog eens nauw-kem'ig zou nazoeken.

Intusschen steeg uit zijn hart een vertrouwvol gebed tot God, die in de woestijn 5000 menschen met enkele brooden had gespijsd. Zijn vertrouwen werd niet beschaamd. Eene lade, die zoo juist nog ledig was, vindt de vrouw wonderdadig met spijzen gevuld. Op het eerste gezicht van dit wonder stond zij verslagen, en wilde deze zaak geheim houden. Maar omdat het niet betaamt, datgene te verbergen, wat Gods glorie grootelijks vermeerdert, zette zij vol blijdschap de wonderbare spijzen aan den behoeftige voor, en loofde God, die ten bekwamen tijde voedsel verleent.

ocr page 68

— 62 —

Ofsclioon de Heilige tijdens zijn leven ook nog dooi' andere wonderbare feiten zijne naastenliefde openbaarde, heeft hij toch vooral na zijn dood zijn medelijden voor de ellendigen door tallooze wonderen bewezen. Laten wij hier een enkel inlasschen.

Na zijn zalig verscheiden werd ter eere van Isido-rus een broederschap voor landbouwers ingesteld, waarover wij later nog iets zullen zeggen. Volgens voorschrift werden op bepaalde tijden door de leden dezer vereeniging 16 armen gespijsd. Eens toen na het vervullen van dezen liefdedienst nog een weinig vleesch was overgebleven, riep men twee armen, wien men dit voedsel voorzette. Eensklaps zien allen, die daar aanwezig waren, den schotel opnieuw met vleesch gevuld, ruimschoots genoeg om nogmaals 16 armen een goeden maaltijd te bezorgen. Zoo toonde God Zijn welgevallen in de werken van naastenliefde, die de leden van deze Broederschap, naar het voorbeeld van den H. Isidorus, beoefenden.

Ferrardus Dominions, die in de 11de eeuw leefde, was door God tot straf zijner zonden met blindheid geslagen. Toen hij onder geleide zijner bloedverwanten het graf van den H. Isidorus bezocht, stortte hij daar een vurig gebed en genoot het geluk het licht zijner oogen plotseling terug te krijgen, 't Is gemakkelijk te begrijpen hoe dankbaar de wonderbaar genezene was. Tot betuiging zijner dankbaarheid richtte hij ter eere van den Heilige een groot gastmaal voor de armen aan. Maar ziet; de H. Isidorus liet zich niet overtreffen. Hoeveel wijn, brood en andere spijzen ook uitgereikt werden door den gelukkigen Ferrardus Dominions, zijn eigen voorraad nam in het minst niet af.

ocr page 69

— 63 —

Een jongeling. Dominicits Petnis genaamd, uit de voorstad van Madrid, werd bij het afdalen van de omliggende heuvelen, eensklaps door een beroerte getroffen. Hij werd op een lastdier naar het ouderlijk huis gebracht, waar niets onbeproefd werd gelaten, om den jongeling te genezen. Eindelijk — en waarom niet vroeger dien weg ingeslagen ? — bracht men den ongelukkigen jongeling naar Isidorns' graf. Reeds den volgenden nacht verscheen de Heilige aan dien lamme en zeide hem ; ,.Mi jn zoon Dominicus, ik Isidorns, Gods dienaar, raad u aan uw lichaam in naam van Christus met deze zalf te laten inwrijven, waarna gij stellig genezen zijt.quot;

Toen daags daarna de ouders van den jongeling den raad van den Heilige hadden opgevolgd, kreeg deze aanstonds het gebruik zijner ledematen terug. Gezamenlijk gingen zij daarop vreugdevol naar het graf van den Heilige, om God en zijn dienaar te bedanken. „Den Koning der Koningen,quot; zoo schrijft Joannes van Madrid, „betuigden zij hun rijksten dank, dewijl Hij door Zijn dienaar Isidorns, die zelf reeds van de eeuwige belooningen is verzekerd, niet ophoudt den lijdenden op deze aarde ter hulp te komen.quot;

Zorgen wij, die evenals Isidorns het geluk hebben volgelingen van Gods Zoon te zijn, dat het kentee-ken van Christus' ware leerlingen ook in ons gedrag zichtbaar zij. Den naaste, ook den armen en ongelukkigen evenmensch, om God beminnen, en hem naar vermogen goed doen : dit was het voordurend streven van den H. Isidorus. Laten ook wij ons met volharding in die noodzakelijke deugd oefenen.

Dikwijls genoeg biedt zich hiertoe de gelegenheid aan. Het onrecht geduldig lijden, dengenen, die ons

ocr page 70

— 64 —

beleedigen gaarne vergeven, God bidden voor de levenden en de dooden; kunnen wij allen niet bijna dagelijks deze geestelijke werken van barmhartigheid verrichten ? Gij zijt misschien door nw toestand niet in staat rijke aalmoezen te geven, maar 't is u toch zeker mogelijk, den arme kleine liefdediensten te bewijzen, hem bij het een of ander werk de behulpzame hand te bieden. Dit laatste geval kan zich nog al eens voordoen.

Zoo lezen wij in het leven van de H. Elisabeth, Markgravin van Thuringen, die buitengewoon door hare liefde voor de armen uitmuntte, dat zij op zekeren dag de hut van een armen zieke binnentrad, die geheel alleen was en haar schreiende om melk vroeg, wijl hij zelf zijne koe niet kon melken. Terstond ging de ootmoedige en liefdevolle Vorstin naar den stal, om met eigen hand dien verlangden liefdedienst te bewijzen.

Richten wij, on; ons te bemoedigen in het brengen der offers, die de naastenliefde vraagt, dikwijls onze oogen, op hetgeen Christus op den laatsten dag des oordeels zeggen zal, tot hen die aan Zijne rechterzijde zijn: „Komt, gezegenden mijns Vaders, bezit het rijk, dat van de grondlegging der wereld voor u bereid is. Want Ik heb honger gehad, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik heb dorst gehad, on gij hebt Mij te drinken gegeven ; Ik was vreemdeling, en gij hebt mij geherbergd ■ naakt, en gij hebt Mij gekleea; ziek. en gij hebt Mij bezocht ; Ik was in de gevangenis. en gij zijt tot Mij gekomen.quot; Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: „Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien, en U gespijsd; of dorstig, en hebben U te drinken gegeven ? En

ocr page 71

— 65 —

wanneer zagen wij U eenen vreemdeling, en namen U op ; of naakt en bedekten U ? Of wanneer zagen wij U krank of in de gevangenis, en kwamen tot U ?quot; En de koning antwoordende zal tot hen zeggen : „Voorwaar zeg ik u: voor zooveel gij dit aan éen mijner geringste broeders gedaan hebt, deedt gij het aan mij.quot;

stip***-

ISIDOKUS 5.

ocr page 72

HOOFDSTUK VI.

De Beschermer van den Landbouw.

De Katholieke godsdienst heeft niet slechts op zedelijk gebied vele voordeelen aan de wereld meegedeeld, maar ook in tijdelijke zaken heeft hij het mensohdom groote diensten bewezen.

Ik bedoel hier niet de wetenschappen,, die in den sokoot der Kerk werden bewaard en ontwikkeld; ik wijs niet op de vele kunsten door den godsdienst geheiligd en verheven ; maar zelfs de landbouw, hoe onberekenbaar veel is deze aan de Kerk verschuldigd !

De godsdienst bracht den arbeid in eere, die, tot dan toe veracht, slechts de bezigheid was van slaven ; op zijne stem kregen slaven, en later lijfeigenen, de vrijheid. Deze legden zich met ijver op de bewerking der akkers toe, die in de nabijheid der kloosters veilig waren tegen de aanvallen der machtigen.

Doch wat oefende het voorbeeld vooral der monniken een weldadigen invloed op de volken uit.

Had men weleer den veldarbeid voor vrije mannen

ocr page 73

67 —

te nietig geacht en dien alleen aan slaven overgelaten; wie zou zich door dien arbeid thans nog vernederd meenen, nu men de zonen van de grooten dezer wereld blijmoedig het veld zag bearbeiden ? Nu een H. Bene-dictus, graaf van Maguelone, en een H. Anselmus, hertog van Trionl, met hunne monniken de woeste vlakten ontgonnen.

„Wat meer is,quot; aldus Chateaubriand (Génie du Christianisme t. 4. p. 318) ,.het voorbeeld heeft een grooten invloed op het stoffelijk deel des levens. Het schouwspel dier duizenden monniken, die het veld bebouwden, vernietigde langzamerhand de vooroor-deelen der heidenen, die slechts verachting over hadden voor den landbouw, die de menschheid voedt. In het klooster leerde de landman den grond omleggen en de voren vruchtbaar maken. De baron zoekt thans in zijne akkers veiliger schatten, dan hij tot heden door de wapenen had verkregen. De monniken waren derhalve in waarheid de vaders van den landbouw. èn wijl zij zeiven landbouwers waren, èn tevens de eerste onderrichters der boeren.quot;

En 'tis alsof de landbouwersstand deze weldaad, van den godsdienst ontvangen, altijd indachtig blijft.

Ten allen tijde immers heeft deze stand vele burgers aan den hemel geschonken. Ook heden nog vindt men in den boerenstand een oprechten godsdienstzin, een waren ijver voor het goede.

Groot is het getal der landlieden, wier heiligheid ons de goede God door mirakelen heeft geopenbaard. Wij hebben reeds over meerderen gesproken, en laten ook hier nog enkelen volgen, alvorens wij in ons verder verhaal den H. Isidorus, als den bijzonderen Beschermer der landbouwers voorstellen.

ocr page 74

— 68 —

Tijdens de vervolging van Diocletiaan stierven Leontius, Attius, Catunus, Cindeus, Menens. Mnesi-theus, Alexander en Cyraous. die allen in den landbouwersstand leefden, den roemvollen marteldood.

Deze landlieden werden onder het bestuur van Flavianus voor den rechterstoel gedaagd, en onwankelbaar volhardden zij in het besluit, liever te sterven dan den afgoden te offeren. Te Perge, in Pamphilië, verwierven zij de kroon der martelaren en lieten aan latere eeuwen een voorbeeld van onverbreekbare trouw aan de leer van Christus.

De H. Phocas, die waarschijnlijk onder dezelfde vervolging van Diocletiaan te Sinope in Pontus gemarteld werd, was een tuinman, die hetgeen hij door zijn arbeid verdiende, den armen uitdeelde en aan andere goede werken besteedde. Hij verleende gaarne kosteloos nachtverblijf aan degenen, die nergens onderkomen vonden. Als Christen aangeklaagd, moest hij door zijne beulen zonder vorm van proces ter dood gebracht worden. Toen deze te Sinope aankwamen, waren zij blijde door Phocas te worden uitgenoodigd hun intrek bij hem te nemen, zonder te weten, dat deze de ter dood veroordeelde was. Allervriendelijkst ontvangen en goed onthaald, waren zij zoodanig over de goedheid van hun gastheer tevreden, dat zij hem onder geheimhouding meedeelden, wat het doel hunner reis was, terwijl zij tevens inlichtingen omtrent Phocas verzochten. Zonder de minste ontsteltenis te laten blijken, zeide de Heilige, dat hij dien man zeer goed kende en zijn verblijf des anderdaags wel zou aanduiden.

De brave Phocas maakte intusschen zijn graf in gereedheid en bracht het overige van den nacht in gebed door. Des morgens verklaarde de Heilige, dat

ocr page 75

— 69 —

Phocas reeds in hunne macht was, en zij hunne bevelen konden volvoeren. „Waar dan is hij ?quot; vroegen zij. „Hier staat hij voor u. Ik zelfben die Phooas.quot; De, beulen konden zijne woorden niet gelooven. Eerst wilden zij hun edelraoedigen gastheer het leven sparen ; maar toen deze zei de gaarne te sterven, ten einde de kroon der Martelaren te ontvangen, volvoerden zij na eenig aarzelen, uit vrees voor hun vorst, het hnn gegeven bevel en sloegen hem het hoofd af. Later werd Hem ter eer te Sinope eene prachtige kerk gebouwd, terwijl Hij vooral in het Oosten veelvuldig wordt vereerd.

De H. Serenns. die te Sirmich in Pannonië zijn tuin bewerkte, werd beschuldigd Christen te zijn. Manmoedig kwam hij voor de waarheid uit en nog denzelfden dag, den 25sten Februari 307, ontving hij den immer bloeienden palm der Martelaren.

En niet slechts tijdens de vervolgingen der Ro-meinscne keizers hebben vele landlieden de voetstappen dezer geloofshelden gedrukt, maar in latere dagen en andere landen, ook in ons vaderland, vonden zij navolgers.

In de omstreken van Breda en Oosterhout wordt een landbouwer, met name Ulbertns of Odolbertus. als zalig vereerd, daar hij uit haat tegen het geloof werd omgebracht. Naast deze Heiligen, die den landbouwersstand door den marteldood hebben verheerlijkt, staat een lange rij van landlieden, die door den handenarbeid de kroon der onsterfelijkheid hebben verdiend.

Wenden wij onze blikken naar het Oosten. In de eerste helft der 4de eeuw stierf als kloosterling in Thebaïs de H. Paulus de Eenvoudige, die 60 jaren

ocr page 76

— 70 —

als landbouwer in de wereld had geleefd. Door den H. Antonius als leerling aangenomen, mnntte hij vooral door zijne gehoorzaamheid uit. De H. Antonius zelf zond vele bezetenen en zieken ter genezing tot Panlus, die hnn door Gods hulp verlossing schonk. Eijk aan verdiensten ging hij den hemel binnen, waarvoor hij ook als landbouwer vele schatten had vergaderd.

quot;Wij zien verder in Egypte op het einde der 4de eeuw een H. Serapion van Arsinoë aan het hoofd staan van 10.000 kloosterlingen, die zich alleen dooiden akkerbouw heiligden. Het gebeden andere oefeningen van godsvrucht moesten altijd met dien moeitevollen arbeid vereenigd zijn. Hetgeen zij inoogstten. gebruikten zij gedeeltelijk tot eigen onderhoud, terwijl het overige aan de behoeftigen van Alexandrië werd gegeven.

In het Westen zien wij op Isidorus' geboortegrond den H. Lambertus, landbouwer te Saragossa. zich de kroon der heiligen in den gezegenden landbouwersstand verdienen, terwijl terzelfder tijd, dat Isidorus leefde, de H, Simeon, landman te Acuelo, zich dezelfde glorie won.

Rome was omstreeks het einde der 5de eeuw getuige van het stichtend voorbeeld van den H. Deus-dedit, landman. Hij begon en eindigde zijn arbeid door het gebed en beoefende vooral de deugd van liefdadigheid, zoodat hij Zaterdags, wat hij in de week had verdiend, aan de armen uitdeelde.

In Beyeren leefde omstreeks het begin der 12de eeiiw de Gelukzalige Engelmar, zoon van een armen landman. Hij legde zich op den landbouw toe, en gebruikte dien als oen middel tot heiliging zijner ziel. Reeds tijdens zijn leven werd Engelmar om zijn hei-

ocr page 77

— 71 —

ligheid geëerd, doch vooral blonk deze uit, toen hij na zijn dood, den léden Januari 1125, overgebracht werd naar het klooster van Winstberg. Talrijk toch waren de mirakelen, die op zijn graf plaats hadden, en vele landlieden kwamen hem daar vereeren als patroon tegen de ziekte van het vee, en de gevaren voor de veldvruchten.

Wij zonden deze lijst van heilige landbouwers nog met velen kunnen vermeerderen, indien wij niet vreesden te lang te worden. Doch waartoe meer getuigen aangehaald, om te bewijzen, dat de landbouwersstand een vruchtbare akker* is voor Heiligen ? Keeren wij derhalve tot den H, Isidorus terug, die boven alle anderen is uitverkoren tot Patroon der landbouwers.

Voorzeker, al de genoemde Heiligen zijn onze vereering ten volle waardig, en ock zeer velen hunner worden op verschillende plaatsen door het geloovige volk en vooral door de landbouwers en arbeiders aangeroepen. Maar gerust mogen wij zeggen: de H. Isidorus wordt meer dan de a-idere H. Landbouwers geëerd. De H. Isidorus is niet slechts in Spanje, maar in vele andere landen de Patroon der boeren.

En wat mag wel de reden hiervan wezen ? Het is dikwijls niet gemakkelijk de oorzaak aan te geven, waarom de geloovigen in hunne vereering aan dezen of genen Heilige de voorkeur geven. Toch mogen wij met grond veronderstellen, dat Isidorus als Patroon vereerd wordt, dewijl hij in het boerenbedrijf geheel zijn leven doorbracht. Doch wellicht ook wordt Isidorus daarom boven anderen vereerd, omdat hij, zooals wij verder zullen zien, reeds tijdens zijn leven in vele noodwendigheden der landlieden wonderdadig voorzag, en vooral na zijn dood meerdere malen uit-

ocr page 78

— 72 —

komst schonk, wanneer de boerenstand in nood verkeerde.

Wij verhaalden reeds hoe Isidorus een wonderdadige bron deed ontspringen uit eene rots, om den dorst van zijn meester te lessohen. Op verschillende plaatsen in Spanje heeft Isidorus op dezelfde wonderbare wijze bronnen en putten doen ontstaan.

Te Longares, te Valpernini, te Caraquis, bovendien nog op drie verschillende plaatsen in de stad Madrid, werden in de 17de eeuw de putten getoond, die door de voorbede van den H. Landbouwer waren verkregen. „Velen.'quot; zoo getuigt Isidorus'geschiedschrijver, „die bij hun huis een waterput wilden graven, riepen den H. Isidorus aan en vonden daarna wat zij verlangden.quot; Van hoe groot belang zulke waterputten voor den landman zijn, zal men des te gemakkelijker inzien, zoo men nagaat, dat de omstreken van Madrid zeer hoog zijn gelegen en bijgevolg licht gebrek hebben aan water. Eu aan hoevele zieken nog gaf dit water de gezondheid weer !

De Dominicaner Pater, Jacobus Bleda, vermeldt in de levensbeschrijving van den H. Isidorus de wonderen, die in het proces der heiligverklaring zijn opgenomen. Niet minder dan 25 wonderbare genezingen worden daar aangehaald, die door het gebruik van dit water werden uitgewerkt. Ziehier het eerste:

Francisca Vasquez, huisvrouw van den schilder Alfonsus Davila, was reeds gedurende twee jaren lijdende en werd dikwijls door koortsen bezocht. Bij de geneesheeren had zij hoegenaamd geen baat gevonden. Van aardsche hulp verstoken, besloot zij den H. Isidorus om hulp te smeeken. Zij werd naar eene bron van den Heilige gedragen, dronk van het water.

ocr page 79

— 73 —

en op hetzelfde oogenblik voelde zij zich genezen. Nog vele anderen, aan koorteen. borstkwalen en allerlei ziekten onderhevig, werden door het gebruik van dit water plotseling gezond.

In het tweede proces van Isidorns' heiligverklaring staan eveneens onderscheidene wonderen opgeteekend, die aan de kracht van dit water werden toegeschreven. De H. Isidorns verscheen zelfs in persoon om het gebruik ervan aan te raden. Tn 1596 lag het vierjarig zoontje van Petrus Martinez, een inv/oner van Madrid, ten gevolge van aanhoudende koorts op sterven. De vader, die de smarten van het kind niet langer kon aanzien, begaf zich naar een zijner bloedverwanten. In angstige spanning en wanhopende aan het behoud van zijn lieveling, keerde de vader tegen den avond huiswaarts.

„De H. Isidorns heeft mij genezen!quot; zoo riep hem reeds zijn zoon tegen. In waarheid : toen de vader zijn huis had verlaten, begon het kind met aandrang te vragen om water uit de Isidorus-bron, want de Heilige zelf had hem geboden dit water te gebruiken. Men voldeed aan zijn verlangen. Het dronk er van en was oogenblikkelijk genezen. Te meer was de verblijde vader hierover verwonderd, omdat zijn vierjarig zoontje nauwelijks weten kon, wie de H. Isidorns was.

Doch spreken wij niet verder over de vele feiten, waardoor de H. Landman in bijzonderen nood hulp verleende, om onze aandacht meer te vestigen op openbare noodwendigheden, waarin door zijne tus-schenkomst werd voorzien.

Langdurige droogte, die reeds in onze noordelijke streken den landman zooveel kommer berokkent, is

ocr page 80

— li —

vooral in het zuidelijk gelegen Spanje dikwijls een zware plaag.

Het was bloeimaand van het jaar 1270. Sinds langen tijd scheen de hemel van staal, zoodat de veldvruchten dreigden te verschroeien. De H. Isidorus was reeds vóór 100 jaren gestorven. Eenparig hadden de geestelijken en het volk besloten, het lichaam van den Heilige, dat 80 jaren na zijn dood ongeschonden was opgegraven, op een praalbed in de kerk te plaatsen, ten einde door zijne tusschenkomst den zoo vurig verlangden regen van God te bekomen.

Toen nu het volk op zekeren morgen weer den H. Isidorus om hulp kwam vei'zoeken. verhaalde hun een pater Franciscaan, hoe de H. Landman hem in den slaap was verschenen, en op een bepaalden dag den regen had beloofd. „Mijne dierbaren,quot; zoo had Isidorus gesproken, „volhardt in uw gebed tot God, die allen spijs verleent: In zijne onuitsprekelijke barmhartigheid zal hij overvloedig regen geven.quot;

De uitkomst bevestigde zijne woorden. Een vruchtbare regen verkwikte do kwijnende velden. En het volk, dat deze uitkomst aan de voorspraak van den H. Isidorus toeschreef, loofde God en Zijn Heilige en bracht met groote eer het lichaam van Isidorus naar zijne rijke grafstede terug.

Niet lang daarna ontstond er wederom eene langdurige schraalte. Opnieuw werd het lichaam van den H, Isidorus met groote plechtigheid uitgesteld. De geestelijkheid en het volk volhardden dag en nacht in hun gebed : zij waakten, zongen, smeekten, ontstaken licht ter eere van den Heilige, om God door Isidorus' voorspraak te bewegen, medelijden te hebben met den rampzaligen toestand der landbouwers. Hun

ocr page 81

— 75 —

gebed werd zichtbaar verhoord. En zoo geschiedde het. dat in latere tijden, wanneer dezelfde nood hen kwelde, deze plechtigheid zeer dikwijls werd herhaald. Dat de godsvrucht van de landbouwers jegens den H. Isidorus door zulke feiten krachtig toenam, behoeft wel niet gezegd. Wij lezen zelfs, dat Mohamedanen, die toen nog een groot gedeelte van Spanje in hun macht hadden, tot den Heilige om uitkomst smeekten. Zoo verhaalt men dat een Moor, met name Garsias. in tegenwoordigheid van meerdere menschen beloofde Christen te worden, indien de Heilige hulp verleende. „Ik beloof aan God,quot; aldus had de Mohamedaan gesproken, „Christen te worden, zoo de Heer in deze droogte, nu de christenen ter verkrijging van regen den H. Isidorus uit zijn praalgraf hebben gedragen, ook werkelijk regen geeft. Ben ik in dit geval na acht dagen geen christen geworden, dan moge de rampzaligste dood mij treffen,quot;

De Heer, luisterende naar het gebed der Zijnen, had regen verleend. Maar Garsias spotte met de vervulling zijner belofte. Nog waren geen acht dagen verloopen, of de trouwelooze werd 's nachts door het zwaard van moordenaars gedood.

Duidelijk ook scheen de tusschenkomst van den H. Isidorus uit in het volgend wonder, dat in 1275 heeft plaats gehad. Een vreeselijke droogte teisterde een groot gedeelte van Spanje ; gebrek aan voedsel deed zich gevoelen en de zaden, in de aarde geworpen, konden niet ontkiemen. Reeds in verschillende streken van het land was het volk in openbare processies door de akkers getrokken en had men God onder tranen en zuchten om uitkomst gevraagd. In dezen uitersten nood besloot het Kapittel der Geestelijken,

ocr page 82

— 76 -

het Bestuur der Burgers en de Raad der Kloosterlingen. het ongeschonden lichaam van den H. Isidorus uit zijne grafstede te nemen, om door zijne voorspraak den regen af te smeeken. In processie voorafgegaan en gevolgd door de geestelijkheid en de geloovigen, droegen de Minderbroeders de Heilige overblijfselen van Isidorus op hunne schouderen naar de Basiliek van de H. Moeder Gods, waarheen ook de inwoners van Yxella, met het beeld van Onze Lieve Vrouw van Atacha, tot hetzelfde doel waren gekomen.

De Heilige Dienst werd daar verricht ; de priesters spoorden het volk aan tot vertrouwen ; veel en vurig werd gebeden — en ziet. daar verschijnen regenwolken. doch deze drijven gelijk een rook uiteen en geen druppel valt op de dorstige aarde neer.

Het volk stond verslagen en brak in tranen en zuchten los. De priesters gaven daarop bevel het kostbaar overschot van Isidorus op de armen te nemen en er aldus mee te naderen tot voor de beeltenis der Moedermaagd. Daarop bad men : ..Heer help ons in dezen nood en deze vreeselijke droogte. Uw dienaar Isidorus heeft dikwijls in deze plaats tot U gebeden en verworven al wat hij verlangde. Wij toonen U thans zijn lichaam, en bidden U tevens neder te zien op Uwe gezegende Moeder. Indien Gij door de verdiensten van Uw dienaar Isidorus alleen niet bewogen wordt, omdat onze zonden te groot zijn, wend dan Uwe blikken op de verdiensten Uwer Moeder, die veel grooter zijn, dan de straffen, hoe talrijk ook, die wij om onze zonden schuldig zijn.quot;

God kon niet langer weerstand bieden aan het wondervol gebed Zijner ootmoedige dienaren. Een overvloedige regen begon op hetzelfde oogenblik te

ocr page 83

— 77 —

vallen; maar ook vurige dankzeggingen stegen op tot God, tot Zijne H. Moeder en den H. Isidorus. In triomf en onder vreugdezangen werd liet lichaam van den Heilige naar zijne rustplaats teruggebracht, terwijl de talrijke pelgrims met blijdschap naar hunne huizen weerkeerden. Niet weinig werd de vereering van Isidorus door deze wonderen verbreid, en vooral de landlieden zochten in hun nood bij hem uitkomst.

.loamies van Cos, een inwoner van Madrid, wiens paard eene wonde had bekomen, zonder dat men het bloeden kon stuiten, vond redding in de kapel van den H. Isidorus. Hij putte water, waschte daarmee de wond van zijn paard en het bloed hield op te vloeien.

Eens, zoo verhalen wederom de verslagen, die aan Paus Gregorius XIV over den H. Isidorus werden verstrekt, waren '20 personen naar de kapel van den H. Landman komen bidden. Toen zij op hun wagen met 2 muilezels bespannen huiswaarts keerden, holden de dieren met zulk een woeste vaart de helling van den berg af, dat men ze onmogelijk bedwingen kon. Zij stieten op een rots waar naast een riviertje in eene diepe bergkloof voortrolde. Een der dieren stortte naast de rots neer, terwijl de andere muilezel in de rotskloof viel en den wagen met zich trok.

Dreigend doodsgevaar ! Een angstgeschrei ging uit aller harten op, maar tevens een bede tot den H. Isidorus. De Heilige verliet hen niet. De wagen, waarin de pelgrims zaten, bleef boven in de bergkloof tusschen Lwee vooruitstekende rotsblokken hangen, terwijl het dier in den afgrond nederstortte. De bedevaartgangers echter bekwamen niet het minste letsel. Aldus beschermde Isidorus zijne vereerders, die in hem God den Gever van al het goede verheerlijkten.

ocr page 84

— 78 —

G-een wonder dat ter oorzake van de veelvuldige

en wonderdadige hulp, door den H. Isidorus den landbouwers verstrekt, ook de liefde van dezen voor hun Patroon immer toenam. Deze gunsten brachten, als een vruchtbare regen en zachte zonnestralen, in hunne zielen de deugden van vertrouwen en liefde tot hoo-geren bloei, om daardoor weer overvloediger Isidorus' voorspraak te verdienen.

Bij het beschouwen der rijke zegeningen, waarmede de landbouwers, de voornaamste vereerders van Isidorus, werden beloond, zal er onwillekeurig ook in onze harten een verlangen ontstaan, om in de toekomst den Heiligen Landman om hulp in onze noodwendigheden te vragen. Ook wij zullen dit niet te vergeefs doen.

ocr page 85

HOOFDSTUK VII.

Dood on Verheerlijking van Isidonis en zijne Zalige Eclitgenoote.

„Dank zij God, die ons de overwinning gegeven heeft door onzen fleer Jezus Christus.quot; Met deze woorden besluit de Apostel Paulus zijn rijke onderrichting tot de geloovigen van Corinthe over de opstanding der dooden. Christus wordt daar door den Apostel voorgesteld als Overwinnaar van den diiivel. als Overwinnaar van de wereld, en vooral als Overwinnaar van den dood. „Want Christus moet heerschen. tot dat de Vader al de vijanden onder Zijne voeten stelle. Als laatste vijand nu zal de dood vernietigd worden: want alles heeft Hij aan Zijne voeten onderworpen.quot;

Ja Christus is Verwinnaar van den dood. Niet alleen omdat Hij, als eersteling, door eigen kracht uit de dooden opstond : niet slechts omdat wij allen om Hem en door Hem, na in Clods liefde te zijn gestorven, eens met ons verheerlijkt lichaam zullen bekleed worden ; maar ook omdat door den recht-

ocr page 86

_ 80 —

vaardige de dood niet meer met angst en ontzetting wordt te gemoet gezien, maar als een overgang wordt beschouwd tot een beter leven. Voor Isidorus en zijn brave Echtgenoote had de dood zijn schrikwekkend uitzicht verloren ; want kostbaar zal de dood dezer rechtvaardigen zijn in de oogen des Heeren.

Dagelijks volhardde Isidorus in zijne oefeningen van godsvrucht, vol ijver ging hij voort in het verrichten van den akkerbouw; voortdurend beoefende hij naar Christus voorbeeld de versterving en mergelde door streng vasten zijn lichaam uit zonder ooit de werken van naastenliefde te verwaarloozen ; en zoo had de Heilige den ouderdom van ongeveer GOjaren bereikt. Dit was het tijdstip, waarop de Heer van hemel en aarde zijn trouwen rentmeester ter verantwoording wilde oproepen, hem het loon voor de verrichte diensten betalen.

Slechts korte dagen zou de Heilige Landman op het ziekbed neerliggen, lieeds had de Heer hem geopenbaard, op welken dag hij sterven zou en met des te grooteren ijver besteedde Isidorus den weinigen tijd, die hem nog overbleef, tot glorie van zijn God.

Welk een bekoorlijk schouwspel bieden ons de laatste oogenblikken van den Heilige aan. De kalmte zijner ziel spiegelt zich op zijn gelaut ; geen zucht van ontevredenheid over de smarten der ziekte ontsnapt aan zijn borst. Slechts één verlangen leeft nog krachtig in hem: een verlangen naar de laatste H.H. Sacramenten.

Daar treedt de priester met den Koning der Koningen het nederig verblijf van Isidorus binnen. Met welke vurige verzuchtingen van liefde begroet de stervende zijn God. Welke heilige gevoelens bezielden Isidorus,

ocr page 87

- 81 —

terwijl hem de laatste Troostmiddelen van onzen godsdienst werden toegediend. Hij richtte nog een woord van opbeuring tot zijne echtgenoote en moedigde haar nog aan, zich met vurigheid op de beoefening van gebed en liefdewerken te blijven toeleggen. „En daarnaquot; — het was den 15den Mei 1170 —■ zoo verhaalt zijn geschiedschrijver, „klopte Isidorus op zijne borst, vouwde zijne handen samen, sloot de oogen en gaf aan zijn Schepper en Verlosser, Wien hij zich geheel had toegewijd, zijne schoone ziel terug.quot;

Wel mogen wij de woorden, in het Boek der Wijsheid over den Aartsvader Jacob geschreven, op den dienaar Grods, den H. Isidorus, toepassen : „De Wijsheid heeft den rechtvaardige langs rechte wegen geleid, en hem het rijk Gods getoond, en hem de wetenschap van heilige zaken verleend ; zij bracht hem tot welvaart door zijn zwoegen, en zegende zijn arbeid.quot; (Sap. 10, 10).

Wij zouden verwachten, dat aan den H. Landman een luisterrijke begrafenis zou geschonken zijn ; wij zouden meenen dat hem in een of andere kerk een begraafplaats zou gegeven worden, gelijk in die dagen de gewoonte was voor mannen van groote verdiensten ; en toch, niets van dat alles had plaats.

Op het kerkhof van den H. Apostel Andreas werd Isidorus' lichaam zeer eenvoudig begraven. Terwijl zijn ziel reeds voor eeuwig het verblijf der gelukzaligen was binnengetreden, wilde God, dat zijn lichaam nog eenigen tijd voor de vereering der menschen verborgen zou blijven, om het dan reeds op aarde te laten deelen in de glorie, die het als werktuig van Isidorus' heiligheid had verdiend.

Moeten wij tot onze spijt bekennen, dat ongetwij-

Isidorus 6.

ocr page 88

— 82 —

feld vele heerlijke feiten, vele heldhaftige oefeningen van deugd in Isidorus' leven voor ons zijn verloren gegaan, toch is het waar, dat de geschiedenis van zijn H. huisvrouw Maria Torribia nog minder meedeelt.

Gelijk aan het firmament onnoemelijk meer sterren voor onze oogen verborgen blijven, dan wij kunnen waarnemen : zoo ook zijn in het leven dezer Heilige Echtgenooten tal van edele oefeningen van deugd aan onze kennis onttrokken, welke wij eerst in den hemel in vollen luister zullen aanschouwen.

Na den dood van Isidorus leefde zijne echtgenoote nog 5 jaren. Het schijnt dat zij te Caraquiz bij het heiligdom van de Moeder Gods is blijven wonen, totdat zij rijk in verdiensten, de eeuwige rust is ingegaan. Bij laatste wilsbeschikking had de Heilige Echtgenoote den akker, die hun toebehoorde, aan haar geliefkoosde kapel van Maria vermaakt, en zelve werd zij daar begraven. Haar hoofd alleen werd in een rijke relikwiekas op het altaar bewaard, terwijl men de Zalige Maria Torribia ook als Patrones dezer bedeplaats tegen verschillende pijnen bleef aanroepen. Om die reden werd deze kapel der Moedermaagd Maria ook Maria de la Cabeza. d. i. Maria van het Hoofd, genoemd.

Terzelfder tijd, dat de vereering van den H. Isidorus zich luisterrijker in Spanje openbaarde, werd ook de naam zijner H. Echtgenoote meer en meer aangeroepen. Op welk eene eervolle plaats werd de relikwie van haar heilig ho ofd niet bewaard ! De Kardinaal Franciscus Ximenez, Bisschop van Toleto, die eene kostbare kast voor dit heilig overblijfsel had laten maken, deed op de beide deuren de beelden der H.H. Echtgenooten schilderen, waaronder geschreven stond ;

ocr page 89

— 83 —

„Heilige Isidorus van Madrid en Heilige Maria de la Cabeza.quot;

Eveneens vond men beelden van deze Heiligen, met een stralenkrans omgeven, in de kapel van Onze Lieve Vrouw van Atocha. Dezelfde afbeelding werd geplaatst in de parochie van den H. Andreas, in de bedeplaats van den H. Isidorus en in vele andere kapellen. Verschillende Kardinalen bovendien hadden aflaten verleend, in de kapel van Maria de la Cabeza te verdienen, gelijk ook de gezant des Pausen, Rodericus de Boya. en later Paus Alexander VI zelf.

Van onheugelijke tijden was in deze kapel een broederschap opgericht ter eere van de Zalige Dienares des Heeren, en den Bsten September vooral, waarschijnlijk rden dag, waarop zij deze aarde verliet, stroomde daar veel volk te zamen, om door hare voorspraak genaden van God te bekomen.

Uit deze standvastige vereering van Maria Torribia blijkt duidelijk, dat het volk haar als eene Zalige beschouwde. God heeft dan ook Zijne trouwe Dienares door vele wonderen verheerlijkt. ,.Het heeft God behaagd,' aldus haar geschiedschrijver Bleda, „door de voorspraak van deze Zijne Dienares meer dan 80 wonderen te werken door vele ziekten te genezen. Sommigen bezochten haar graf, anderen bevalen zich in hare voorbede aan of gebruikten godvruchtig een weinig stof van haar graf.quot; Vele dezer wonderen zijn in de verslagen voor hare zaligverklaring als dusdanig aangenomen.

Terwijl zich aldus de faam van Maria Torribia's heiligheid verbreid had, bleven hare heilige overblijfselen tot het jaar 1596 in die kleine kapel verborgen. Alsdan begonnen de zonen van den Heiligen Fran-

ocr page 90

— 84 —

oiscus, met goedkeuring van de geestelijke en wereldlijke overheid, een onderzoek naar dien kostbaren schat, wiens juiste plaats door verloop van tijd niet meer bekend was. Den lOden Maart werd met den moeilijken arbeid aangevangen, en daar de plaats meer rotsachtig was, dan zij meenden, moesten zij hun werk des anderen daags met krachtiger werktuigen voortzetten. Dien nacht had een zeer voornaam heer van Tordalaguna eene verschijning gehad van de Zalige Maria Torribia in de kleeding en gestalte, waarin zij op eeno schilderij boven het altaar in genoemde kapel was afgebeeld. De Zalige maakte hem de juiste plaats bekend, waar haar gebeente rustte.

Toen des anderen daags volgens deze aanwijzigin-gen de opgraving plaats had, was de Gardiaan der Franciscanen, Pater Bernardus de Frezneda en andere kloosterlingen met het bestuur der omliggende plaatsen en eene groote menigte geloovigen, naar het heiligdom gesneld ; en allen daar tegenwoordig getuigden, dat een hemelsche geur zoowel uit het graf als uit hot heilig gebeente van Maria Torribia opsteeg.

Groot was de vereering, die daar vooral aan de Dienares Gods betoond werd, maar overvloedig tevens de hulp, die door hara voorbede werd verkregen. Ook in openbaren nood werd haar gezegend hoofd meermalen in processie rondgedragen, waarna God Zijne straffende hand afwendde.

In het jaar 1615 werden op last van den Apostolischen Nuntius, Kardinaal Trejo, al de heilige overblijfselen van Maria Torribia naar het klooster der Moeder Gods in Tordalaguna overgebracht, alwaar, zoowel als op haar vorige rustplaats, vele gedenkteekenen zijn opgehangen, uit dankbaarheid voor verkregen gunsten.

ocr page 91

— 85 —

Den Bsten September hielden de leden van het. Broederschap ter eere van de Zalige Maria Torribia eene feestelijke bijeenkomst bij de kapel aan haar toegewijd.

Toen Rochus de Heredia zich daarheen begaf en hij de rivier de Jarama volgens gewoonte wilde doorwaden, bevond hij dat het water buitengewoon gezwollen was en onstuimig voortrolde. Ten zeerste verlangend het feest ter eere van Isidorus' Echtgenoote bij te wonen, stak hij op zijn ezel de rivier over; maar het lastdier werd door den stroom voortgedreven, zoodat de ijverige vereerder van Maria Torribia op het punt was te verdrinken. Vol vertrouwen wendde hij zich tot de Zalige Echtgenoote, die zelf dezen stroom wonderdadig was overgegaan — en zonder zich te kunnen verklaren wat er geschied is, bevindt hij zich aan de overzijde.

Pater Joannes de Arias, die te Tordalaguna in het klooster van de Moeder Gods verbleef, was ten gevolge eener aanhoudende hevige koorts in gevaar van sterven. Reeds van de laatste H.H. Sacramenten voorzien, opgegeven door den geneesheer van de plaats, had hij al zijn vertrouwen gesteld op de Zalige Maria Torribia, aan wie hij herinnerde, wat hij gedaan had tot verheerlijking van hare heilige overblijfselen en opluistering van haar graf. Hierbij voegde hij nog de belofte, om na zijn herstel, met goedkeuring zijner oversten, in de bedeplaats, aan de Gelukzalige gewijd, een eenzaam leven te leiden. Aanstonds werd zijne ziel met eene ongewone vreugde overstroomd en ook zijn lichaam gevoelde zich beter, zoodat hij binnen drie dagen geheel hersteld was.

Doch er zijn kwalen, die wel niet rechtstreeks het

ocr page 92

— 86 —

lichaam doen lijden, doch de ziel in doodsgevaar brengen, namelijk bekoringen. En het waren vooral die geestelijke kwellingen, waarmee de Zalige Eeht-genoote meer medelijden gevoelde, en welke zij derhalve ook door hare voorspraak bij God trachtte te verwijderen. Zie hier een voorbeeld uit vele:

Alfonsus de Hoyo werd in zijne jeugd voortdurend op eene vreeselijke wijze door gedachten tegen de deugd der Engelen gekweld. Met een groot vertrouwen was hij naar de kapel van de Zalige Maria gekomen, stortte daar met allen aandrang zijn gebed, en zie, de lang verwachte rust keerde terug in zijne ziel.

Innocentius XII hechtte voor het oog dergeloovi-gen een nieuwen parel aan de kroon, die Maria Torribia reeds sierde: hij keurde in 1607 den eeredienst goed, die haar tot dan toe als „Zaligequot; was geschonken.

Zoo was dan door het hoogste gezag op aarde aan de Echtgenoote van Isidorus den titel van „Zaligequot; toegekend : maar voor hem zeiven zullen de mirakelen zoo talrijk en zoo gewichtig zijn, dat hem zelfs in de strijdende Kerk niet slechts de kroon der Zaligen, maar zelfs der Heiligen zal worden verleend.

Veertig jaren waren sedert zijn zaligen dood ver-loopen, eer de zon der glorie in vollen luister voor hem opging.

Toen in het jaar 1210 een van Isidorus' bloedverwanten gedurende den nacht in de kerk van den H. Andreas in gebed was, verscheen hem de Heilige en gelastte hem op Gods bevel, aan de geestelijke bestuurders der parochie te doen weten, dat zij zijn lichaam uit dat eenvoudige graf moesten opnemen en het in de kerk van den H. Andreas op eene eervolle wijze begraven. Doch deze, half in twijfel en niet gaarne

ocr page 93

— 87 —

aan het verzoek van den Heilige gehoor gevend, liet het na — met het gevolg, dat hij door eene ziekte werd getroffen, waarvan hij eerst op den dag der overbrenging van Isidorus' lichaam werd bevrijd.

Ten tweeden male versoheen de Heilige aan eene godvruchtige edel vrouw en vermaande haar in den slaap, dat zij zijne heilige overblijfselen naar de Andreas-kerk moest laten overdragen. Nauwelijks was dit onder het volk bekend geworden, of eenparig besloten zij den wensch van den Heilige te vervullen.

Doch wie beschrijft hunne verwondering, toen zij het lichaam van Isidorus onbedorven terugvonden, en een aangename geur van hetzelve opsteeg ?

Men loofde God, die alleen groote wonderen verricht; eenparig dankte men Hem, omdat Hij de nederigheid van Zijn dienaar had verheven en groote vreugde maakte zich van allen meester.

Toen dan het heilig lichaam, omringd van het jubelende volk, naar het praalgraf in de kerk van den H. Andreas werd gedragen, deden alle klokken dezer kerk hare vreugdetonen hooren, zonder dat een men-schenhand ze in beweging bracht.

Getuigde dit alles niet voor de heiligheid van Isidorus ? Was nu niet duidelijk zijn verblijf in den hemel aan de aarde bekend gemaakt ?

En niet weinig werd de roep over Isidorus' heiligheid verspreid, toen vele kreupelen en blinden, gehoord hebbende van de wonderbare vinding van Isidorus' lichaam, naar zijne grafstede kwamen en vertrouwvol hunne zieke ledematen met stof uit het graf inwreven, waarna zij geheel genezen waren van hunne kwaal.

Bij het gezicht der heerlijkheid, waarmede God den H. Isidorus en de Zalige Maria Torribia omringt.

ocr page 94

— 88 —

grijpt een gevoel van diepe bewondering ons aan. „Wie is als onze Heer, die in den hooge woont en neerziet op Let nederige in den hemel en op aarde, en den arme opricht uit het slijk, om hem te plaatsen met de vorsten, met de vorsten van zijn volk?quot; Geen adel, geen rijkdom, geen wetenschap kan maar in vergelijking komen met die grootsche waardigheid, die ons, zoo wij volharden, burgers maakt van den hemel: de heiligmakende genade.

Wij dan, die eenzelfde hoop hebben als de Heilige Isidorus en zijne Zalige Huisvrouw, achten wij geen offer te zwaar, om de kroon der gerechtigheid te bekomen.

ocr page 95

HOOFDSTUK VIII.

Een machtige Beschermer.

Een onweerstaanbare kracht trekt duizenden naar de plaatsen, waar God door talrijke wonderen de gebeden Zijner dienaars verhoort. Daar ziet de Christen, getuige van een mirakel, niet alleen zijn verlangen naar het wonderbare voldaan, maar zijn geloof wordt verlevendigd, zijn vertrouwen vergroot en de glorie van God en Zijne Heiligen vermeerderd.

't Is waar, wij weten wel, dat wij niet gelooven óm de mirakelen. Deze overtuigen ons slechts dat God gesproken heeft, terwijl wij de waarheden van onzen heiligen godsdienst aannemen, omdat God, die de eeuwige en onfeilbare Waarheid is, ze heeft geopenbaard, en door de Heilige Kerk te gelooven voorstelt. Vandaar dat door een mirakel onder Gods genade het geloof wordt opgewekt of in zich zelve versterkt. Ook het vertrouwen neemt toe. Door zulk een buitengewoon feit zien wij immers bevestigd, wat onze Goddelijke Zaligmaker tot de Apostelen na de vervloeking en verdorring van den onvruchtbaren vijge-

ocr page 96

— 90 —

boom sprak: ,,Voorwaar, ik zeg u; indien gij geloof zult hebben, en niet zult twijfelen, gij zult niet alleen doen wat met den vijgeboom gebeurd ia, maar ook, als gij tot dezen berg zult zeggen : Hef u op en werp u in de zee! het zal geschiedenquot; (Matth. 21, 21).

En wanneer dan God, zelfs door verbreking der ijzeren natuurwetten, den zwakken mensch helpt : schittert dan Zijne Godheid niet? Wordt Zijne heerlijkheid niet vergroot?

De gelukzaligen die reeds bij God in den hemel juichen, bidden voor de menschen in het algemeen en in het bijzonder. Dat het goed en heilzaam is de voorbede der Heiligen in te roepen, leert Christus' onfeilbare Kerk, en kan de ondervinding uit duizend feiten bewijzen, waarin God op de voorspraak Zijner hemelsche vrienden wonderen werkte.

Doch wat zijn wonderen ?

Het antwoord op deze vraag geeft ons Pater M. van der Hagen S. J. in zijn werkje „Waar is de Kerk van Christus ? (*) „Door een mirakel verstaan we hier een buitengewoon feit, dat de krachten der natuur te boven gaat en alleen aan de bijzondere werking van God moet worden toegeschreven. Let wel op, ik zeg: een buitengewoon feit, dat de krachten der natuur te boven gaat, — en alleen aan de bijzondere werking van God moet worden toegeschreven.quot;

Wanneer er zich derhalve buitengewone, wondervolle gebeurtenissen voordoen, die de krachten der natuur te boven gaan, maar die kunnen voortkomen van eene kracht buiten God, dan mag men zoo iets

(1) Een /eer nuttig boekje, dat eenvoudigheid en degelijkheid vereenigt. Allernuttigst om Katholieken in hun geloof te versterken en andersdenkenden tot de ware Kerk van Christus te brengen. Het boekje is voor 25 cents te bekomen bij g. Borg te Amsterdam.

ocr page 97

— 91 —

maar niet aanstonds een mirakel noemen, want het zou kunnen gebeuren, dat hier duivelswerk in het spel is. De duivel toch kan met Gods toelating veel te weeg brengen, wat niet langs natuurlijken weg te verklaren is ; want al is hij om zijne zonde uit den Hemel geworpen, een geest evenwel is hij gebleven. Krachtens zijne natuur nu is hij met een veel scherpzinniger verstand en grootere kracht begaafd dan de mensch en kan hij zich ook, wijl hij geen lichaam heeft, in een oogwenk van de eene naar de andere plaats begeven en bijgevolg zaken, die ons onbekend zijn, te weten komen en ons kenbaar maken.

Doch aangezien de duivel het steeds op 'smenschen verderf gemunt heeft, terwijl God immer het geluk Zijner schepselen beoogt, is het natuurlijk van groot belang te weten, of een of ander wonderbaar feit aan de tusschenkomst van God of van den duivel moet worden toegeschreven. Onwillekeurig dringt zich dus de vraag op: kan men ook weten of zoo iets een waar mirakel of slechts duivelswerk is. In sommige omstandigheden zal dit moeilijk te beslissen zijn, maar er zijn toch ook vele gevallen, waar de inwerking van God duidelijk en met zekerheid kan worden onderscheiden.

„Wanneer er vooreerst iets gebeurt — aldus Pater Van der Hagen — dat blijkbaar niet alleen de krachten van den mensch, maar ook de krachten van alle schepselen, dus ook van den duivel, te boven gaat, dan is het duidelijk, dat zoo iets geschiedt door bijzondere tusschenkomst van God ; bijv. iemand, die zeker dood is, tot het leven terugroepen, dat vermag geen enkel schepsel, dat kan God alleen, de eenige Meester van leven en dood. Wanneer er dus zoo

ocr page 98

— 92 —

iets geschiedt, dan is men zeker, dat men te doen heeft met een waar mirakel.

Zoo ook wanneer de wondervolle en bovenmensche-lijke gebeurtenissen, welke hier of daar geschieden of geschied zijn, voor noodzakelijk gevolg hebben, dat daardoor de eer van God en de uitbreiding van den godsdienst worden bevorderd, ook dan kan men zeker zijn, dat zulke feiten niet aan de tussohenkomst van den duivel, maar aan de tussohenkomst van God moeten worden toegekend.quot;

Wij behoeven dan ook slechts te letten op den openbaren eeredienst, dien de geloovigen om de wonderen, door Isidorus' voorspraak gewrocht, aan God brachten, op de verlevendiging van het Geloof, de stichting van kapellen, de veelvuldige gebeden en lofzangen, zoowel van afzonderlijke personen als talrijke scharen geloovigen, om overtuigd te zijn, dat God op de voorspraak van den H. Landman, de menigvuldige wonderen deed, waardoor Hij een immer groenenden krans om het hoofd van Zijnen trouwen Dienaar vlecht,

Dwaas genoeg worden er personen gevonden, die in hunne verwaandheid den spot drijven met wonderen, alsof deze niet konden geschieden. Alsof God, die vrijelijk de wereld schiep, de wetten Zijner schepselen niet kan opheffen ? Als redelijke mensohen mogen wij eischen, dat een feit degelijk bewezen is, alvorens wij het aannemen ; maar een voorval loochenen, dat ons door geloofwaardige personen verhaald wordt, is iets wat indruisoht tegen ons gezond verstand. En de geschiedenis toont, hoe God zulke spotters meerdere malen door plotselijke straffen heeft bezocht.

ocr page 99

— 93 —

Een klerk, met name Ferdinand Martini, wilde den H. Isidorus niet als dengene erkennen, door wiens voorbede zoovele wonderen gesohiedden. „Werpen wij het lichaam van den Heilige in het vuur,quot; zoo lasterde Ferdinand. „Blijft het dan ongedeerd en bekomt het geen letsel, dan zullen wij overtuigd zijn, dat Grod door Isidorus wonderen werkt.quot; Hierbij voegde de twijfelaar rog eene verfoeilijke godslaste-ring; — op hetzelfde oogenblik werd hij door lamheid geslagen, en geheel zijn leven bleef de straffende hand Gods op hem drukken.

Reeds tijdens het leven van Isidorus deed de Almachtige op zijn gebed vele wonderen, maar na zijn dood was het, alsof God hem met Zijne eigene macht had omkleed.

Laten wij uit de talrijke wonderen, door Isidorus' geschiedschrijvers opgeteekend, en uit de mirakelen, die in de processen zijner Zalig- en Heiligverklaring zijn opgenomen, hier enkele tot zijne glorie vermelden. Het is een frissche ruiker, geplukt uit de heerlijke bloemen, die God op het graf van Isidorus, als in een rijkversierden tuin, liet ontspruiten.

Een man — de diaken Joannes van Madrid verhaalt het — Gundisalvus genaamd, had door smartvolle pijnen in het hoofd het licht zijner ongen verloren. „Ik ga bij het graf van den H. Isidorus een nacht biddend doorbrengen,quot; zoo sprak hij. Den daarop-volgenden dag was hij geheel cu al van zijne kwaal genezen.

Een zekere Michaël Petrus, die veel aan zijne oogen leed, zoodat hij reeds bijna blind was, werd door zijne bloedverwanten aangespoord, naar het graf van den H. Isidorus te gaan. „Laat den H. Isidorus tot

ocr page 100

— 94 —

mij komen !quot; antwoordde hij onverschillig. Maar op hetzelfde oogenblik werden zijne pijnen heviger. Daarna spijt gevoelende over zijne woorden, ging hij naar de rustplaats van den H. Landman, waar hij weldra genezing vond.

Ik zwijg van de vele stommen, die daar hunne spraak terug ontvingen ; van de blinden, die ziende werden; van de lammen, wien het gebruik hunner ledematen werd teruggeschonken ; van de lijdenden, die van de koorts bevrijd werden op het graf van den Heilige. Zelfs door het aanroepen van Isidorus' naam, door eene belofte te doen, kregen vele onge-lukkigen op wonderdadige wijze wat zij verlangden.

Joannes Martinez de Aldama, Pastoor in de parochie van het H. Kruis te Madrid, getuigde in het proces der heiligverklaring, dat hij in het jaar 1592 gedurende 60 dagen lijdende was geweest aan eene doo-delijke en besmettelijke ziekte. Geen middelen der kunst mochten baten, zoodat twee geneesheeren des konings hem alle hoop op herstel hadden ontnomen. „Ternauwernood kan hij nog vier uur leven,quot; hadden zij gezegd. Sommigen nu zijner dierbaren, die zijn sterfbed omringden, spraken hem over de groote gunsten, die zij zelf van Isidorus verkregen, en spoorden tevens den zieke aan, zich tot den machtigen Patroon hunner stad te wenden. De Pastoor beloofde toen, behalve zijne gewone oefeningen van godsvrucht ter eere van den Heilige, dat hij gedurende negen dagen in de kapel van den H. Isidorus het Misoffer zou opdragen, zoo hij van zijne ziekte opstond. Men bood daarop den zieke een weinig water aan, dat op die bedeplaats was geput. De Pastoor nam het — en slechts enkele oogenblikken waren verloopen, toen hij

ocr page 101

- 95 —

zich zeer verlicht gevoelde. Na eenigen tijd volbracht hij geheel en al hersteld zijne belofte.

Julius de Pertegal, die in 1588 aan het koninklijk hof leefde, had een eenig zoontje, nog slechts éene maand oud. Het wichtje werd zoozeer door koortsen gekweld, dat het reeds in zes of zeven dagen geen voedsel meer gebruikte en de dokters alle hoop aan den vader hadden ontnomen. Denzelfden dag nog werd hun woord waarheid : het kindje stierf! Had God hun alleen voor enkele dagen zulk een schat toevertrouwd, om dan het verlies des te smartelijker te maken ? De bedroefde vader waagt een heldhaftige poging : de H. Isidorus moest aan zijn kind het leven terugschenken ! Hij bidt. — Het kindje opende zijne oogen en was na drie uren weer hersteld.

Niet minder talrijk en wonderbaar waren de gunsten, welke door het eerbiedig gebruik van Isidorus' relikwieën werden verkregen. Wat in de Handelingen der Apostelen van den H. Paulus wordt verhaald : „Ook deed God geene geringe wonderen door de handen van Paulus, zoodat zelfs zijne zweetdoeken en gordels op de kranken gelegd werden, en van hen de ziekten weken en de booze geesten uitgingenquot; : dat ook zien wij bewaarheid in de wonderen door de heilige overblijfselen van Isidorus uitgewerkt.

In het jaar 1309 knielde bij het graf van den patroon van Madrid een jongeling, Dominicus geheetsn, vol vertrouwen neer. Sedert eenigen tijd was hij van het licht zijner oogen beroofd. Niet alleen hij zelf, maar ook zijne moeder en zuster leden veel onder deze zware beproeving. „In Gods naam,quot; zeide hij drie dagen voor het feest van Allerheiligen, „geleid mij naar het graf van Isidorus, opdat deze mij geneze.quot;

ocr page 102

— 96 —

Op deze bevoorrechte plaats smeekte hij tot God door de verdiensten van Zijn dienaar en vraagde toen, dat men met eene relikwie van den H. Landman, die daar bewaard werd, zijne oogen zon. aanraken. „Immers,quot; zoo getuigt de Diaken Joannes, „door het gebruik van deze relikwie waren de oogen van vele lijders genezen.quot;

„Dank aan God ! Dank aan den H. Isidorus !quot; zoo klonk het eensklaps uit den mond van den jongeling. Ik zie. ik aanschouw de omstanders en herken u.quot; Men kon in den beginne zijne woorden niet gelooven, doch nadat zij hem over verschillende zaken, die hem omgaven, ondervraagd hadden, verdween hun twijfel en eenparig stuurden zij een dankgebed tot God en Zijn Heiligen Dienaar.

Aan hetgeen in het jaar 1598, toen alles in gereedheid werd gebracht voor de plechtige heiligverklaring van Isidorus, onder eede verklaard werd door Leonora de Godoy, huisvrouw van Didacus de Mayvelo, ont-leenen wij het volgende :

In de maand Juni werden Leonora, haar echtgenoot en hare kinderen door eene hevige ziekte aangetast, die hun lichaam met kleine zweren bedekte, en, naar men zeide, veel overeenkomst had met de pest. Twee maanden waren zij lijdende, toen de geneesheeren alle hoop opgaven, en Leonora zelf en hare dochter de laatste H.H. Sacramenten ontvingen. Het bericht van dezen ernstigen toestand was naaide moeder te Madrid gemeld.

Zoodra mogelijk begaf zich de moeder naar Bilbao, doch bij hare aankomst lag hare kleindochter Ludovica reeds in doodstrijd en gaf geen teeken van leven meer. Aanstonds plaatst de grootmoeder een relikwie

ocr page 103

— 97 —

van den H. Isidorus op het hart van hot kind, bad voor hare genezing tot den machtigen patroon : en op dien eigen stond kwam het kind tot zich zelf en verlangde iets te gebruiken, daar het zich geheel en al hersteld gevoelde.

„Wie dan heeft u genezen,quot; vroeg de verheugde grootmoeder. „De H. Isidorus,quot; antwoordde het meisje. En toch wist Ludovica niet, dat de relikwie op haar hart had gerust, ja zij kende zelfs te voren den naam van den H. Landman niet.

Nadat ook den anderen zieken dezelfde relikwie was opgelegd, werden allen binnen acht dagen van hunne kwaal verlost, zonder dat zij nog eenige geneesmiddelen hadden aangewend.

Zoo ging Grod voort door mirakelen den eeredienst van den H. Landman te verspreiden. Wanneer reeds deze tijdelijke gunsten ons met dankbaarheid vervullen, en de macht van Isidorus aan de wereld bekend maken ; wat dan zeggen van de vele geestelijke weldaden, die Grod dikwijls op wonderbare wijze door de voorspraak van den Heilige verleende ?

Eens verscheen de duivel in eene verschrikkelijke gedaante aan een groot zondaar, met name Petrus, en dreigde hem in een diepen put neer te storten. Het kwam den ongelukkige voor alsof terzelfder tijd de H. Isidorus bi hem was en den duivel toesprak : „Op dezen mensch hebt gij geen macht, want ik spreek voor hem borg bij den Oppersten Eechter.quot; „Hoe is dit mogelijk,quot; hervat den duivel, „daar hij in staat van doodzonden leeft?quot; „Omdat hij mij langen tijd heeft vereerd, kan ik hem thans door Christus' macht uit uwe klauwen verlossen.quot; Bij deze woorden vluchtte de duivel en Isidorus sprak tot den verschrikten zon-

Isidorus 7.

ocr page 104

— 98 —

daar: „Luister thans naarstig naar mijne vermaningen : biecht uwe zonden met waar berouw, zonder iets te verzwijgen.quot; De man gehoorzaamde en bleef in 't vervolg van de aanvallen des duivels bevrijd.

Bij eene andere gelegenheid kwam de H. Isidorus een stervende ter hulp, die zich door eene groote menigte duivelen omringd zag. De ongelukkige leefde in staat van doodzonde en riep den H. Isidorus om bescherming. De Heilige, die hem verscheen, verdreef de helsche geesten, en bekwam voor dezen zondaar de genade eener goede biecht.

Ameth, een Mahomedaan, die in dienst was bij een burger van Madrid, was door dezen reeds dikwijls aangespoord. zelfs onder de schoonste beloften, de valsche leer van zijn profeet af te zweren en Christen te worden. Doch alles was tevergeefs. Zelfs toen zijn meester hem onder die voorwaarde de vrijheid beloofde, antwoordde hij : „Ik wil liever als Mahomedaan leven en altijd dienen, dan vrij zijn als Christen.quot; Intus-schen werd de meester van den Moor ziek en voor dezen moest hij bij de bron van den H. Isidorus een kruik water gaan putten. Een zijner vrienden, dien Ameth daar ontmoette, verhaalde hem veel over de wonderdaden, door den H. Isidorus verricht. „Al deze gunsten zijn voor de Christenen, maar niet voor mij, die geen Christen wil zijn,quot; hernam de Moor.

Den volgenden nacht had de dienstknecht zich tor ruste begeven, toen hij meende deze woorden te hoo-ren: „Ameth, uw heer roept u.quot; Op hetzelfde oogen-blik springt hij op, ziet zijne kamer vol licht, en rondloopende onderzoekt hij, of iemand hem geroepen had. Spoedig in zijne slaapplaats teruggekeerd — want zijn meester had hem niet gewekt — zag hij

ocr page 105

het wonderbare licht niet meer, en Ameth- sliep weder in.

Weldra klonk dezelfde stem : .. A ineth. word Christen ; want de H. Isidorus, uit wiens bron gij water geput hebt, beveelt u zulks.quot; De knecht schiet wakker en aanschouwt het vertrek opnieuw met een onverklaarbaar licht gevuld. Een groote vrees maakte zich van hem meester, en de dienaar begon te begrijpen, dat hij op Gods bevel Christen moest worden. Door toedoen van zijn meester werd Ameth onder-richt, gedoopt, en leefde voortaan als een waar Christen, zonder iets van de tijdelijke voordeden te willen genieten, welke hem vroeger zoo dikwijls waren aangeboden.

t Is voorzeker een troost en opbeuring voor ons hart, wanneer wij, omringd van kwelling en lijden, de Heiligen Gods als onze redders zien verschijnen.

Wanneer de zee door hare woeste golven het schip opwaarts slingert, om het daarna met nieuwe kracht naar beneden te storten, en dan de schipbreukeling te midden van het akelig duister, afbeeldsel van den dreigenden dood, de liefelijke maan en flikkerende sterren ziet opdagen als boden van de naderende kalmte: wat zalig gevoel van vreugde overmeestert dan zijne ziel! Doch grooter vreugde is het aandeel van den Christen, die, omgeven door gevaarvolle vijanden, met vertrouwen zijne oogen vestigt op de maan en sterren, fonkelend in Christus' Kerk. Maria, door hare heiligheid schitterend als de maan, de Heiligen rond haar als glanzende sterren : zij zijn door hue voorbeeld ons tot wegwijzer, en door hunne voorbede onze kracht. Welzalig hij, die onder hunne hoede den strijd des levens onderstaat: die hunne

ocr page 106

100

voorbede ondervindt: de kroon des overwinnaars is hem reeds weggelegd.

Driemaal gelukkig vooral hij, die naar Isidorus' voorbeeld Maria, de Moeder Gods, lief heeft, en dagelijks, vooral in het uur van bekoring, hare machtige voorbede inroept:

Wees gegroet, o Koningin, Moeder van barmhartigheid,

Ons leven, onze zoetheid, onze hoop, weesgegroet, Tot U smeeken wij zuchtend en weenend in dit dal van tranen,

Daarom dan, onze voorspreekster, ach! sla op ons Uwe zoo barmhartige oogen, en toon ons na deze ballingschap Jesus, de gezegende vrucht Uws lichaams quot;

ocr page 107

HOOFDSTUK IX.

Heiligverklaring.

Ieder, die sterft in Grods liefde, gezuiverd van alle zonden en straffen, treedt na zijn dood het rijk der hemelen binnen. „De rechtvaardigen zullen ingaan in het rijk der hemelen,quot; zoo getuigt onze Goddelijke Zaligmaker. Doch altijd zijn er in de Kerk van Christus personen, die op eene heldhaftige wijze hunnen God dienen, de deugden beoefenen en dien ten gevolge eene uitstekende heiligheid bereiken. In hun leven werkte God gewoonlijk reeds mirakelen uit op hunne voorspraak, en vooral na hun dood.

Is het wonder, dat wij, Katholieken, aan deze uit-gelezene vrienden Gods eene bijzondere eer bewijzen ?

Hoe echter kan de Katholieke Kerk weten, dat deze of geene persoon heilig is ? Hoe kan zij b. v. weten, dat Isidorus na zijn dood onder het getal der heiligen is opgenomen ?

Veronderstel eens dat in uwe parochie een waar* lijk deugdzaam mensch is gestorven, die jaren lang

ocr page 108

— 102 —

met groote zelfverloochening zich op verschillende liefdewerken heeft toegelegd. Zedig in zijn omgang met anderen, verstorven in zijne zintuigen, ijverig voor het gebed en godsdienstoefeningen, brandend vooral van liefde tot den naaste, was deze persoon een voorbeeld voor allen.

Een zieke, reeds jaren lijdende aan eene ongeneeslijke kwaal, roept de voorspraak in van dezen overledene, in de vaste meening. dat hij reeds bij God in den hemel is. En werkelijk : plotseling wordt de zieke gezond. Als een brandend vuurtje door het droge bosch, verspreidt zich dit gerucht. Een ieder komt den genezene bezoeken en naar de toedracht der zaak vernemen. Op hunne beurt gaan nu meerderen door de voorbede van denzelfden overledene uitkomst en hulp vragen bij God. Veronderstel verder, dat door deze gebeden een blindgeborene en doofstomme plotseling het gebruik hunner zintuigen terug ontvangen.

De pastoor der parochie heeft na voorzichtig en ernstig onderzoek den Bisschop van het diocees opmerkzaam gemaakt op deze wonderbare feiten, en deze op zijne beurt heeft Rome er van in kennis gesteld. Wat gebeurt nu?

Eerst wordt een onderzoek ingesteld naar de deugden van die persoon : of hij namelijk de christelijke deugden in heldhaftigen graad heeft beoefend. Wanneer de door Rome aangewezen personen hierop een gunstig antwoord geven, gaat men over tot het onderzoek der mirakelen. De bekwaamste en geloofwaardigste personen onderzoeken die feiten met voorbeeldige nauwgezetheid. Worden nu die feiten zeker bevonden; moeten zij noodzakelijk toegeschreven

ocr page 109

— 103 —

worden aan de voorspraak van den overledene, en kunnen zij niet door natuurlijke oorzaken ontstaan zijn, maar alleen door Gods onmiddellijke inwerking, dan laat de Kerk toe, dat zulk een persoon als een Heilige wordt vereerd. God toch, die oneindig wijs is en waarachtig, kan den mensch niet in eene onwaarheid bevestigen. Bekrachtigt dus God de meening, „dat iemand in den hemel isquot; door wonderen, dan bevat deze meening ook noodwendig de volle waarheid. Bijgevolg is de Kerk dan zeker van de heiligheid van zulk een persoon.

Toen dan Isidorus' lichaam jaren na zijn dood nog onbedorven werd gevonden ; toen bij deszelfs overbrenging naar de kerk van den H. Andreas blinden het gezicht terugbekwamen; toen vooral op Isidorus' graf even plotselinge als zekere genezingen plaats grepen, die geenszins aan natuurlijke oorzaken konden worden toegeschreven ; werd het geloovige volk door deze wonderen noodwendig in de meening gebracht of versterkt, dat Isidorus werkelijk in den hemel was, en door zijne voorspraak die gunsten verkreeg. God zelf drukte als zijn zegel op de meening van het volk, dat Isidorus als een heilige vereerde, en derhalve werd die meening, dat gevoelen volle waarheid.

In vroegere eeuwen werd met uitdrukkelijke of zwijgende goedkeuring der Bisschoppen aan personen, gestorven in geur van heiligheid en beroemd door mirakelen, de eer bewezen, die in latere tijden alleen verleend werd aan Heiligen, door den Opvolger van Petrus uitdrukkelijk op den lijst der hemelingen geplaatst.

Openbare vereering schenken aan nog niet heilig-verklaarde personen, is wel is waar door Urbanus VIII

ocr page 110

— 104 —

verboden, maar de Paus verklaarde tevens, dat onder deze dekreten niet begrepen waren de dienaren Gods, die óf door de eendrachtige samenwerking der Kerk, óf sinds onheugelijke tijden (meer dan 100 jaren) met kennis en toelaten van den Apostolischen Stoel of den plaatselijken Bisschop als zalig of heilig vereerd waren geworden.

Door de stem van het Christen volk was Isidorus reeds heiligverklaard; de algemeene meening in Spanje vereerde Isidorus als een Heilige : maar nog door het hoogste gezag op aarde zal Isidorus' heldhaftige deugd verkondigd worden, en plechtig zal de Opvolger van den H. Petrus den Patroon van Madrid heiligverklaren.

De nederige landman had rijk in verdiensten de wereld verlaten ; door den stroom van Gods genade gevoed, had de akker zijner ziel honderdvoudige vruchten opgeleverd, en die vruchtbare oogst wilde God in al zijn schoonheid aan de wereld toonen.

Van de vroegste tijden werden kerken gesticht ter eere van den H. Landman. Wij spraken reeds van de kapel, die Koningin Isabella boven de bron van H. Isidorus liet optrekken. Te Caraquiz werd de woning van Isidorus in eene kapel veranderd, en ook in het stadje Buytrago toont men eenzelfde bedehuis. In nog meerdere plaatsen van Spanje had men kapellen ter eere van den H. Isidorus gebouwd, en overal vond men daar zijne beeltenis met een stralenkrans omgeven, en overal vierde het volk zijn feestdag.

In de kerk van den H. Andreas te Madrid werd het eerste broederschap ter eere van den H. Landman opgericht, terwijl men in latere dagen deze ver-eeniging te Garganto en in vele andere plaatsen van Spanje aantrof.

ocr page 111

— 105 —

Wij hebben gezien hoe in openbare noodwendigheden het lichaam van Isidorus, als van een Heilige, plechtig werd rondgedragen. Bovendien hielden de inwoners van Madrid jaarlijks drie processies ter eere van hun Patroon. De eerste, in de maand Mei, trok van de Andreaskerk naar de kapel van de Isidorus-bron, terwijl dan de broederschap van Caramanchel haar te gemoet kwam. Denzelfden weg volgde men onder het Octaaf van H. Sacramentsdag, wanneer de tweede processie werd gehouden, waarin men het beeld van den Heilige vóór het Allerheiligste uitdroeg. Ten derde male trok men uit op het feest van Maria Hemelvaart, maar dan begaf zich de processie naar de kapel van Onze Lieve Vrouw van Atocha.

Daar het lichaam van Isidorus niet tot stof en asch verging, beschouwden de zonen van Madrid ook hierin een stem des hemels, die hun krachtig de grootheid van Isidorus verkondigde. Den 21sten Juni van het jaar 1404 heeft Joannis de Centenera, Aartspriester van Maqueda, het lichaam van Isidorus ongeschonden aanschouwd. Het rustte aan de Evangeliezijde van het altaar der Andreaskerk in eene zeer groote graftombe, rond welke meerdere mirakelen van den Heilige waren afgebeeld. Met vier sleutels was de kostbare tombe gesloten, die ieder bij verschillende personen bewaard werden. In deze tombe bevond zich nog eene kleinere zorgvuldig gesloten kist, waarin het lichaam was neergelegd, in zijde gewikkeld en met veelkleurigen doek bedekt. Zijn geheel lichaam ziet men daar nog ongeschonden, behalve dat zijn rechterarm met een band aan den schouder is vastgemaakt. De echtge-noote van koning Henricus II, naar men verhaalt, wilde dien arm als een kostbare relikwie naar elders

ocr page 112

— 106 —

overbrengen. Wel liet God toe dat zij hem scheidde van het lichaam, doch met zich nemen, vermocht zij niet.

' Het graf werd opnieuw geopend den 19den Juli 1467 en later den 8sten Maart 1593, en wel op last van den Paus, opdat men in het proces van Isidorus' Zaligverklaring de ongeschondenheid van zijn lichaam opnieuw kon bevestigen. Meerdere kardinalen en priesters waren toen getuige van dit wonder en van den heerlijken geur, die opging uit zijn graf.

In het jaar 1545 werd het lichaam van den Heilige overgebracht naar een rijker versierde rustplaats, de Bisschopskapel genaamd, welke Franciscus de Vargas uitsluitend tot dit doel had laten bouwen. Maar nog was de godsvrucht der geloovigen hiermede niet tevreden. Toen in het jaar 1620 het proces van Isidorus' heiligverklaring te Rome aanhangig was, vervaardigden verschillende zilversmeden vau Madrid voor het heilig lichaam een kostbare schrijn, waarvoor zij alleen aan zilver en goud 16000 dukaten besteedden, en, zoo zij den arbeid niet uitsluitend tot glorie van den H. Isidorus hadden verricht, zonder daarvoor eenig loon te willen ontvangen, dan hadde deze nog eene som van 20000 dukaten gevorderd. In dit zilveren omkleedsel werd ten jare 1620 het dierbaar overschot van Isidorus gesloten, dat tot op den huldigen dag ongeschonden blijft, als een zwak afbeeldsel der onsterfelijkheid, den Heilige verleend.

De Paus van Rome had Isidorus' vereering nog niet uitdrukkelijk goedgekeurd, maar toch was het veler verlangen, dat dit zou geschieden. De glorie van den Heilige zou daardoor nog hooger stijgen en het volk met meer vertrouwen zijn voorspraak inroepen.

ocr page 113

— 107 —

Isabella Soriano, huisvrouw van Mattheaus Duran te Madrid, ondervond in de maand Mei 1597 een soort verlamming in haar been, zoodat zij het gedurende acht dagen niet bewegen kon. Zij beval zich den H. Isidorus aan, en bevond zich na verloop van enkele dagen beter. Toen de moeder haar op de dankbaarheid wees hiervoor aan den H. Landman verschuldigd, wilde zij hare beterschap niet aan zijne voorspraak toeschrijven, omdat, naar zij zeide, Isidorus nog niet plechtig heiligverklaard was. Niet lang daarna kwam dezelfde kwaal in erger graad terug: niet slechts haar been, maar geheel haar lichaam was aan de eene helft verlamd. Zonder den minsten twijfel beschouwde zij dit als eene straf, vroeg vergiffenis, beloofde twee H. Missen ter eere van Isidorus te laten lezen, en een bezoek te brengen bij zijn graf. Niet vruchteloos was haar berouw; want spoedig was zij wederom van hare kwaal genezen.

Omtrent den tijd, dat dit laatste wonder plaats had, waren de toebereidselen voor Isidorus' Zaligverklaring druk in gang. In korte trekken volge hier, wat tot dit doel werd verricht.

Wel was de Paus Paulus V door de verklaringen van meerdere Bisschoppen uit Spanje genoegzaam overtuigd van de faam over Isidorus' heiligheid, zijne deugden en den eeredienst, die hem voortdurend was geschonken; maar dewijl de H. Stoel in deze zaak niet gewoon is voort te werken op processen, alleen door het gezag der bisschoppen samengesteld, werd op Pauselijk bevel nogmaals een onderzoek gedaan. De bevindingen werden goedgekeurd door de Congregatie der Riten, waarna den I4den Juni 1619 de Bulle der Zaligverklaring van den Landman Isidorus

ocr page 114

— 108 —

werd verzonden. Zijn feest werd toen bepaald op den löden Mei, op welken dag de overbrenging van zijn lichaam naar de Bisschopskapel had plaats gehad.

Met buitengewone vreugde werd deze tijding in geheel Spanje, maar vooral te Madrid ontvangen, en met den grootst mogelijken luister wilde men het feest vieren. Doch terwijl deze feestdag met verlangen werd te gemoet gezien, valt koning Philips III, die zooveel geijverd had om de Zaligverklaring tot een goed einde te voeren, te Casarubios in eene zware ziekte, zoodat hij zijne reis naar Madrid niet verder mag voortzetten. De berichten omtrent den toestand van den beminden vorst werden steeds meer zorgwekkend.

Om door de voorspraak van den Zaligen Isidorus de genezing van den koning af te smeeken, wordt zijn lichaam' ter openbare vereering uitgesteld, en eene plechtige processie gehouden. Nog was het biddende volk vergaderd, toen de tijding aankwam, die het volk, zoo vol hoop, als een donderslag trof: Koning Philips was door een nieuwen aanval der ziekte buiten kennis geraakt. Doch ziet, hun vertrouwen is niet dood. Men besloot, het lichaam van den Zaligen Landman in een zegetocht naar den koning te brengen.

Een gouddoek bedekte de kostbare relikwiekas, welke gedragen werd op een rustbed, met roode zijde overtrokken. Ten drie ure verliet de stoet Madrid, en om 10 uur 's avonds kwam men bij de kapel van den H. Augustinus, op zeer korten afstand van Casarubios gelegen.

De koning gevoelde een niet geringen troost bij de aankomst van het heilig lichaam ; ja, van het oogen-blik, dat de processie Madrid verliet, had Philips

ocr page 115

— 109 —

beterschap bespeurd. Des anderen daags werden Isi-dorus' eerbiedwaardige overblijfselen met buitengewone plechtigheid naar het verblijf des konings gebracht. Zijne echtgenoote, de kroonprins en overigs prinsen omringden den koninklijken lijder. De Vicaris-Generaal van Madrid, Andreas Arest, opende daarop de kostbare schrijn. Vurig bad de koning tot den Zaligen Isidorus en zijn volk smeekte met hem.

Er werd een gezamenlijke noveen voor het herstel van den geliefden vorst gehouden, en toen daarna de koorts verdwenen was, wilde men na de goedkeuring van Philips met den kostbaren schat naar Madrid terugkeeren.

De stoet was reeds in gereedheid gebracht, als in haast een kamerdienaar des konings komt melden, dat de koorts is teruggekeerd, en dat derhalve de koning beval nog niet te vertrekken ; want zelf verlangde hij de processie te vergezellen. Gedurende drie dagen, dat de koorts aanhield, bad men vurig.

De kroonprins maakte zijn vader opmerkzaam, dat het terugkeeren der koorts misschien eene straf was van God, omdat de vorst eene relikwie van Isidorus' lichaam voor zich had gehouden. De koning echter antwoordde : „Dit kan ik u verklaren, dat op hetzelfde oogenblik, toen ik de relikwie omhing, de koorts mij verliet; eerst toen ik dezelve naast mij had neergelegd, keerde de koorts terug, om mij te verlaten, toen ik, denkende aan de afgelegde relikwie, deze weer omhing. Daarom besloot ik thans, nu ik weer bevrijd ben van de koorts, de relikwie niet terug te geven.quot;

De koning was na drie dagen genezen en met een dankend hart trok hij in den optocht mee, die het H. Lichaam van Isidorus naar Madrid zou terugbren-

ocr page 116

— 110 —

gen. Meer dan 2000 personen te paard met brandende fakkels in de hand, trokken uit Spanje's hoofdstad de processie tegen ; eene onafzienbare menigte bedekte de wegen en vergezelde in jubelende geestdrift den triomftocht van hun Zaligen Patroon. In de kerk van den H. Andreas aangekomen, steeg uit aller harten een dankgebed tot God, die door de voorspraak van den Zaligen Isidorus de gezondheid aan den Koning had geschonken.

Dit alles zou nog slechts een voorspel zijn van de feestelijkheden, die den 15den Mei. waarop Isidorus' feestdag door de Kerk wordt gevierd, plaats hadden. Eerebogen waren op meerdere punten der stad opgeslagen ; triomfwagens waren in rijke verscheidenheid in gereedheid gebracht; volksvermakelijkheden waren aangekondigd en vuurwerk zou het feest sluiten.

Daags voor den feestdag kwam de koning met zijne zonen te Madrid. Alles was nog druk in de weer met de versiering. De vele kloosterlingen van Spanje's hoofdstad hadden vóór hunne huizen altaren opgeslagen, die in luister met elkander wedijverden.

De Zonen van Franciscus hadden hun altaar als in een uitgestrekt bloemenbed herschapen, dat door dea rijkdom en de afwisseling zijner kleuren aangenaam aandeed ; de Franciscanessen hadden voor hun huis een rijken boog geplaatst, waarop twee engelen den Zaligen Isidorus ten hemel voerden ; tegenover het hospitaal van den H. Aemilianus stond een prachtig altaar onder een achtkantigen hoogopgaanden pyra-miet; de Jesuïeten richtten naast hun altaar van wonderbare schoonheid en rijkdom een obelisk op, geheel en al verzilverd. Een weinig verder zag men het altaar der Paters de Mercede onder een hoogen

ocr page 117

— Ill —

luisterrijken toren. Dicht daarbij had de stad een eereboog geplaatst, waarop men de beeltenissen aanschouwde van de twee heilige Pausen, door de inwoners van Madrid als hunne medeburgers geroemd, van de H.H. Damascus en Melchiades, die met liefde den Z. Isidorus omhelzen. Op de groote markt rees het altaar der Dominicanen op, dat om zijne gouden sieraden en zilveren vazen eene onschatbare waarde vertegenwoordigde. Nog hadden de Tririërs een altaar, dat schitterde van edelgesteenten en smaragden, terwijl de Paters Augustijnen bij de Isidorusbron hun kostbaar altaar hadden opgeslagen, en kunstmatig meerdere bronnen aangebracht, waaruit welriekend water ontsproot. Op deze plaats was door de stad een sierlijke eereboog geplant, waarin de beelden van den Zaligen Isidorus en zijne Zalige Echtgenoote preikten. Bij de Carmelieten trof men voor hun klooster een nabootsing van den Carmelusberg aan, waarop meerdere beelden roemrijke Patriarchen voorstelden.

Wat was het een heerlijk gezicht, toen op den löden Mei de processie door deze rijk versierde straten voorttrok! Een stoet, die alle standen en geestelijken in zich bevatte, ging uit voor de zilveren kas, waarin het heilig lichaam van Isidorus op de schouders van priesters werd gedragen ; de bisschop van Drago, Estrobic genaamd, die de plechtigheid leidde, volgde den kostbaren schat. De tonen der muziek weerklinken, de scharen der zangers heffen een vreugdelied aan, waarmee de trompet, de fluit en trom zich in schoone harmonie vereenigen.

Toen men bij het paleis, waar de koning verbleef, genaderd was, schaarde zich Philips III met zijne zonen in den stoet, vergezelde de processie in zijn

ocr page 118

— 112 —

verderen tocht door de stad en bracht met zijn jubelend volk de heilige overblijfselen naar de Andreas-kerk terug.

Hartverheffend schouwspel! De machtigen dezer aarde, rijken en edelen, de hoogste waardigheidsbe-kleeders in den geestelijken stand, ja zelfs burgers en armen zijn met elkaar in wedstrijd, wie hunner de grootste bewijzen van eerbied zal geven aan een een-voudigen landman, den Zaligen Isidorus ! De hoofdstad van Spanje kiest en vereert een landbouwer als haar Patroon!

Wat zien wij dan den glans van aardschen luister verbleeken bij de grootheid, die deugd aan oene ziel meedeelt! Heiligheid alleen maakt eene ziel waarlijk groot. En eens te meer zien wij het woord van onzen Goddelijken Zaligmaker bewaarheid ; „Wie zich vernedert, zal verheven worden.quot;

Intusschen had Isidorus het toppunt zijner glorie op aarde nog niet bereikt. Maar de koning van Spanje, en met hem zijn geloovig volk, zal niet rusten, totdat de Zalige Isidorus ook met uitdrukkelijke goedkeuring des Pausen in de rijen der Heiligen was opgenomen.

Gregorius XIV had na den dood van Paulus V in 1621 den stoel van Petrus beklommen, en ook in Spanje had Philips den koningstitel aan zijn oudsten zoon nagelaten. De Paus gelastte op dringend verzoek van Philips IV, dat de Congregatie der Riten de zaak der heiligverklaring van Isidorus zou opnemen, zoodat spoedig een dekreet verscheen, waarin verklaard werd, dat men veilig tot de heiligverklaring van Isidorus kon overgaan. Den 19den Januari 1622 werd een geheim consistorie belegd, waarin Kardinaal Fran-

ocr page 119

— 113 —

ciscus Maria, Bisschop van Portua, aan Zijne Heiligheid verslag deed over den staat der heiligverklaring. Met korte woorden schetste hij den landman Isidorus in zijn leven, zijne deugden, zijne mirakelen vóór en na zijn. dood ; hij herinnerde aan de processen, die van de zijde der bisschoppen, en daarna op last van den Apostolischen Stoel waren ingesteld, en sloot zijne rede met deze woorden ; „Hier ziet Uwe Heiligheid alles beknopt voor zich, wat aangaande de processen het leven en de mirakelen van Isidorus gedurende drie jaren in de Congregatie der Riten is behandeld , en waaruit wij besloten hebben, dat Uwe Heiligheid, zoo het Haar goeddunkt, dezen Dienaar Gods op wettige en kanonieke wijze onder de Heiligen kan opnemen. Philips III, geleid door zijne innige godsvrucht en eerbied voor den Man Gtods, heeft deze gunst lang en vurig begeerd, gevraagd en gesmeekt. Na zijn dood heeft Philips IV, zijn zoon en zijn opvolger in zijne deugden, niet minder dan in zijn gezag, datzelfde niet alleen gewenscht, maar met allen ernst verzocht en afgesmeekt; en niet slechts de Koning, maar met hem smeeken de Bestuurders en de Universiteit van Madrid, ja geheel het Spaansche volk, ootmoedig aan de voeten van Uwe Heiligheid neergeknield.quot;

Kort daarna werd voor deze zelfde zaak een tweede openbaar Consistorie gehouden, zoodat, toen men den 14den Februari tot stemmen overging, alle Kardinalen eenparig hunne goedkeiiving schonken.

De dag der plechtige heiligverklaring werd door Q-regorius XIV bepaald op den 12den Maart 1622.

Bleda, die met zooveel nauwkeurigheid de feesten van Isidorus' zaligverklaring beschreef, zwijgt over de

Isidorus 8.

ocr page 120

— 114 —

plechtigheden, dio bij de heiligverklaring van den Zaligen Landman plaats hadden ; wellicht heeft de dood hem verhinderd difc laatste deel van Isidorus' glorie te verhalen.

Doch wanneer wij terngdonkon aan den luister, waarmee te Madrid de zaligverklaring gevierd werd ; aan de geestdrift, die toen reeds de geestelijkheid en het volk bezielde ; dan kunnen wij gerust besluiten, dat al deze feestelijkheden rijker en schitterender waren bij zijne plechtige heiligverklaring.

Met Isidorus werden nog drie andere Spanjaarden op de lijst der Heiligen geschreven : Ignatius van Loyola, Franciscus Xaverius en Theresia van Jesus.

De basiliek van den Prins der Apostelen was getooid met den luister, die de Kerk vooral bij eetie heiligverklaring ten toon spreidt. Gregorius XIV was omringd door een stoet van Kardinalen, Patriarchen, Aartsbisschoppen, Bisschoppen en eene breede schaar wereldlijke en reguliere geestelijken en geloo-vigen uit allen rang en stand.

De gebruikelijke gebeden worden verricht, de Litanie gezongen, de H. Geest aangeroepen, waarna de Paus ten aanhoore dezer eerbiedwaardige menigte, met ademlooze stilte luisterend, Isidorus' heiligverklaring uitspreekt. „Tot eer van den Drieëenigen God en tot verheffing van het Katholiek geloof, op gezag van den almachtigen God, Vader, Zoon an H. Geest; van de gelukzalige Apostelen en op ons gezag ; op raad en met algemeen goedvinden van onze eerwaardige Broeders, de Kardinalen der Heilige Eoomsche Kerk, Patriarchen, Aartsbisschoppen en Bisschoppen aan het Romeinsche Hof vergaderd, hebben wij verklaard, dat de Landman Isidorus, wiens

ocr page 121

— 115 —

heiligheid van leven, oprechtheid van geloof en glans van mirakelen verheven was en is boven allen twijfel, Heilig is en op de lijst der H.H. Belijders moet geschreven worden, gelijk wij door deze bepalen, verklaren en doen. En wij hebben bevolen, dat alle Christengeloovigen hem als waarlijk Heilig zullen eeren. Wij bepalen, dat door de geheele Kerk ter zijner eer kerken en altaren, waar aan God offeranden worden opgedragen, kunnen worden gebouwd en gewijd, en dat ieder jaar den 15den Mei zijn Officie als van een Belijder, volgens voorschrift van den Eomein-schen Brevier, kan gehouden worden. Door dezelfde macht verleenen wij aan alle christengeloovigen, die, rouwmoedig gebiecht hebbende, op zijn jaarlijkschen feestdag zijn graf bezoeken, een aflaat van een jaar en een quadrageen.quot;

En terwijl het hart des Pausen juichte bij do gedachte aan de voorbede der Heiligen, die door de strijdende Kerk dien dag zoo bijzonder werden geëerd; terwijl het geloovige volk van Rome zijne gebeden stuurde tot hen , die de onfeilbare mond van Christus' Stedehouder als Gods bijzondere vrienden had doen kennen, jubelde meer dan allen het katholieke Spanje om de glorie zijner kinderen. En welk ruim aandeel in deze vreugde was den landbouwers weggelegd, die één der hunnen naast den grooten Ordestichter Ignatius, naast den Apostel van Indië, den H. Franciscus Xaverius, on naast het voorbeeld van gebed, de H. Theresia, de eer der altaren zagen waardig gekeurd.

Wat is toch aardsche grootheid nietig bij den luister, dien de Kerk haren uitverkorenen meedeelt! „Gelijk het lichaam twee oogen heeft,quot; aldus de H. Chrysostomus, de glorie beschouwend die Rome aan

ocr page 122

— 116 —

de H.H. Apostelen Petrus eri Paulus ontleent, (Chrys. in Ep. ad Rom. cap. 16, Hom. 32), „zoo bezit Rome twee schitterende gesternten, in de lichamen dezer Heiligen. De, hemel verspreidt niet zoo helderen glans, wanneer de zon in alle richtingen hare stralen schiet, als -waarmee de stad der Romeinen door deze beide sterren over de geheele wereld schittert. Daarom bewonder ik deze stad niet om haren overvloed van goud, noch om hare zuilen, maar om deze zuilen dei-Kerk.quot;

En aan den flonkerenden Sterrenhemel der Heiligen schittert ook de H. Landman Isidorus. Binnengetreden in de vreugde des Heeren is de winter der beproeving voor hem voorbij, en geniet hij de eeuwige schoonheid van het Paradijs. Do tranen van boetvaardigheid, door Isidorus hier gestort, schitteren als parelen aan zijn kroon ; de zware arbeid, door hem verricht op aarde, levert hem onvergankelijke vruchten, en de deugden sieren zijne ziel als nimmer verwelkende bloemen, wier geuren en kleuren ons tot navolging opwekken.

quot;Want de heerlijke woorden van den H. Joannes Chrysostomus over den H. Paulus op den H. Isidorus toepassende, zeggen wij : „Laat ons, dit alles overwegende, moedig en standvastig staan! Want ook Isidorus was mensch, sterveling, gelijk wij, deelgenoot aan dezelfde natuur, en al het overige met ons gemeen hebbende. Maar omdat hij Christus boven alles liefhad, heeft hij dezen hemelsehen luister verworven. Laat ons daardoor worden opgewekt en aangemoedigd, om hierin hem na te streven. Want indien het onmogelijk ware, zoude Paulus ons niet hebben toegeroepen; „Zijt navolgers van mij, gelijk

ocr page 123

117

ik navolger ben van Christus!quot; Laat ons derhalve den H. Isidorus niet alleen bewonderen, maar navolgen, opdat wij waardig worden gekeurd, van hier scheidende, hem te aanschouwen en deelachtig te worden aan zijne onuitsprekelijke heerlijkheid.

V

ocr page 124

IMPKIMATUR.

P. fr. A L B E E, T TJ S ,

Minister Provincialis.

Tilburgi, 18 Oct. 1897.

ocr page 125

INHOUD.

Bladz.

Voorrede............................5

Hoofdstuk I. Isidorus Geboorte en Jeugd . 7

,1 II- De deugdzame knecht ... 17

„ III. De brave Eohtgenooten . . 30

n IV. Zijn vurig gebed.....38

„ V. Zijne naastenliefde .... 53 VI. De Beschermer van don Landbouw ........66

VII. Dood en Verheerlijking van Isidorus en zijne Zalige

Eohtgenoote.....79

„ VIII. Een machtige Beschermer . 89

„ IX. Heiligverklaring.....101

ocr page 126
ocr page 127
ocr page 128
ocr page 129
ocr page 130
ocr page 131
ocr page 132