S'; ' ^'v
f â
V â * **quot; $wmamp;
M ;^i |
v .-. â¦/»⢠J
. \ :lt; . lt;* Xgt;ir . ; f
^ V - v vquot; V^ ^
â 'N,'wJ ⢠, * . Vquot; ».*'â â
i%f *f ï ma
*.1 M ^ -v. â
r.^-;
^; r* dijr^*z ' â ;quot; amp;*?' 'quot;. â¢:
^ Ii'â .v - 3^# ⢠â
|igt;vj 1^ rnr' *â vr lt; â : Tr ^^ry
4Lr NVgt; ' ^ ^ â¢Siw^'H n» lt;quot; :
Ti .. V V 4 v* , .- '
'^/lt; ^y quot; t* 4? ' '--ir
MkïiWs ' i
.\ A;' ⢠' r- :â¢
; - . vV'-é. '
. * Vv- â / v, ' ; v v.:
Sü^ v â â '^S^w
'm \..:\ ^.âLi..-r^'Cfe^r
4*. ^ v ' WT^
C^. -«r % /gt; {os -^ -' - vL) iamp; ^
Sgt; rquot; JT.^Z ' amp;i V, ⢠- 'â¢â¢gt; ' .-':â â :
BROZIOS r»7-
flesten '
^onderwijze, MuZ!ekonderwihe ÃJfBELBVBU ÃlDBELBüm
rnasmmm | #
'V
VAK
Til
1 â 11111 lil
GESCHIEDENIS VAN ONS VADERLAND,
- - :: V-.. â¢\s?igt;-T '.*v
-r.v 'i.' v . K K
c3l
Jacs. M. Vos,
Leer aar aan de Gein. H. B. S. te Groningen.
^ibWotheek
Tweede, herziene druk.
V '.â .â i'v' -{
«C, \ J:/-:?;!
..........................â............................................................^VE-E-R^'
P. NOÃRDHOPP. - 1895. - GRONINGEN.
VOOR B E R I C H T,
Indien V onderwijs in de geschiedenis ontwikkelend en vormend zal zijn, moet het in de eerste plaats de belangstelling van den leerling wekken. Onder deze voorwaarde alleen kan men verwachten, dat de hoofdtrekken der historie zijn geestelijk eigendom zullen worden e7i de zedelijke invloed, dien zij kan uitoefenen, niet zal worden gemist.
Tot 7 opwekken van die belangstelling kan ook V leerboek bijdragen; maar dan moet het eene dorre opsomming van namen en feiten vermijden, V belangwekkende en kenschetsende bevatten, en daarbij eenvoudig en onderhoudend zijn. Die eischen heeft de schrijver dezer geschiedenis onder de bewerking steeds voor oogen gehouden; of hij in de vervulling er van is geslaagd, laat hij aan 7 oordeel van bevoegden over.
Nog enkele opmerkingen omtrent de bestemming en den inhoud van dit leerboek.
Het veronderstelt bij den leerling bekendheid met de hoofdpunten uit onze geschiedenis, en zal daarom alleen op gymnasia en scholen voor middelbaar onderwijs, wellicht ook op kweek- en normaalscholen te gebruiken zijn. Naast een beknopt overzicht der gebeurtenissen geeft het eenige hoofdzaken uit de geschiedenis der beschaving, welke gedeeltelijk in afzonderlijke hoofdstukken onder 7 opschrift â Toestan-deriquot; zijn medegedeeld. Deze hoofdstukken, benevens eene korte schets van de geschiedenis onzer bui ten landsch e bezittingen, en verder alle omschrijvi?igen en ophelderingen zijn met eene andere letter gedrukt dan 7 hoofdverhaal; zoodat de gebruiker van 7 leerboek met het oog op den leeftijd en de behoefte zijner leerlingen gemakkelijk kan overzien , van welk gedeelte de behandeling kan achterwege blijven, of voor eene latere bespreking bewaard worden.
INHOUD.
Hlndf..
Tnleiding.................... 1.
EERSTE TIJDVAK.
± 50 v. C. â ± 900 n. C.
Ons land vóór de vorming van zelfstandige staten.
Afdeeltng T.
Dc Romeinsche heerschappij 50 v. C. â ± 5i)() n. C.
§ 1. Vestiging van Germanen in ons land.........2.
§ 2. De Romeinen in ons land............3.
Afdeelino TT.
De Frankische heerschappij 500 â ± OOO.
§ 1. Friezen, Franken, Saksers.............5.
§ 2. Stichting van 't Frankische rijk..........8.
§ 3. Prediking van 't Christendom...........0.
§ 4. Karei de Groote................9.
§ 5. Het Leenstelsel................11.
§ 6. Ontbinding van 't Frankische rijk. De Noormannen ... 12.
TWEEDE TIJDVAK.
± 900 â 1581.
Ons land verdeeld in leenstaten.
Afdeeling I.
Geschiedenis der afzonderlijke Noord-Nederldiuische gewesten ± OOOâl:ïOO.
§
1. De Nederlandsche leenstaten............14.
2. Het graafschap Holland.............1(3.
3. Gelder. Utrecht. Friesland...........21.
4. Toestanden.................23.
iNiiori).
Afceeling IT.
Vervolg. Burgeroorlogen. 'I-IOOâ1-433.
Klad/.
§ 1. Het graafschag Holland.............
g 2. Gelder. Utrecht. Friesland.........' - ⢠otgt;-
g 3. Toestanden.................â J''quot;
Afdebltng nr.
Vereeniging der meeste Nederlandscke gewesten onder de Bourgondische en de Oostenrijksche heerschappij. I'iS'iâ15UO.
g 1. Filips de Goede................
§ 2. Karei de Stoute. Maria.............
g 3. Het regentschap van Maximiliaan. Pilips de Schoone ... 49.
S 4. Gelder. Utrecht. Friesland...........
g 5. Toestanden................5o-
Al'DEELIXf: IV.
Vervolg. Vereeniging van alle gewesten onder 't Oostenrijksche huis. 1506â15Si.
% 1. Karei ...................
§ 2. De eerste regeeringsjaren van Filips IT........^
§ o. De landvoogdij van Alva............
55 4. Requésens. De Pacificatie van Gent......... 'â¢)quot;
§ 5. Don Jan van Oostenrijk. Unie van Utrecht. Afzwering van Filips..................
DERDE TIJDVAK.
^r,8'iâi79rgt;.
Ons land eene bondgenootschappelijke republiek.
Afdeeltno I.
Ovet 'gang s tijdperk 15S iâ i588.
§ 1. An jon.................
§ 2. Leicester................
VI
tnhoud. vif
Afdeeltno II.
Opkomst van de republiek der Vereenigde Nederlanden. 15SSâi64lt;S'.
Blad/.
§ 1. Stichting en bestuur van de republiek........96.
§ 2. Maurits' krijgsbedrijven. Twaalfjarig bestand......102.
§ 3. Handelsbloei. De Oost-Indische compagnie. Toestanden. . 109.
§ 4. De tijd van 't Twaalfjarig bestand.........113.
§ 5. Hernieuwing van den oorlog. Dood van Maurits . . . .118. § 6. Het stadhouderschap van Frederik Hendrik. Vrede van
Munster.................120.
§ 7. De Oost- en de West-Indische compagnie.......126.
t; 8. De eeuw van Frederik Hendrik..........129.
Afdeelixg III.
Bloeitijd van de republiek der Vereenigde Nederlanden. iü'iS-âiHS.
*5 1. Het stadhouderschap van Willem II.........133.
*5 2. Groote vergadering. Eerste Engelsche oorlog......138.
§ 3. Johan de Witt. Noordsche oorlog.........143.
§ 4. Tweede Engelsche oorlog. Triple alliantie.......146.
§ 5. De oorlog van 1672 ............................153.
§ 6. Het stadhouderschap van Willem III. Negenjarige oorlog . 160.
§ 7. Spaansche successie-oorlog............164.
§ 8. De Oost- en de West-Indische compagnie.......168.
§ 9. Toestanden.................171.
Afdeelixg IV.
Verval en ondergang van de republiek der Vereenigde Nederlanden. 1113âi 705.
§ 1. Het tweede stadhouderlooze bestuur.........177.
i; 2. Oostenrijksche successie-oorlog. Het stadhouderschap van
Willem IV.................183.
§ 3. Het regentschap van prinses Anna. Begin van 't stadhouderschap van Willem V............189.
^ 4. Oorlog met Engeland. Geschillen met Jozef II. Prinsge-zinden en patriotten. Komst der Pruisen. Verovering dei-
republiek door de Franschen...........196.
«5 5. De Oost- en de West-Indische compagnie....... 206.
§ 6. Toestanden.................211.
inhoud.
VIERDE TIJDVAK.
Sedert 1795.
Ons land eene staatseenheid.
Afueeling I.
Fransche invloed en overheersch ing. '1105â1813.
Blndx.
§ 1. De Bataafsche republiek.............214.
§ 2. Het koninkrijk Holland. Inlijving bij Frankrijk. Herstel
onzer onafhankelijkheid..... ...... 223.
§ 3. De Buitenlandsche bezittingen........... 232.
Ar deeling II.
Het koninkrijk der Nederlanden, sedert iSlfi.
§ 1. Vestiging van 't koninkryk............ 234.
§ 2. De regeering van Willem 1............ 239.
§ 3. Belgische opstand............... 247.
§ 4. Afstand van Willem I. De regeering van Willem TI. . . 252.
§ 5. De regeering van Willem III........... 259.
§ (5. De buitenlandsche bezittingen........... 275.
§ 7. Toestanden................. 284.
vm
INLEIDING.
Een blik op de kaart, die in hoofdzaak den vorm en het voorkomen van ons land weergeeft tijdens en kort vóór de Romeinsche heerschappij, leert ons, dat er sinds dien tijd groote veranderingen zijn voorgevallen. Vele streken, die toen met water bedekt waren, liggen nu droog, en omgekeerd. De duinenreeks lag meer westwaarts, de Dollart en de Biesbosch waren nog niet gevormd, de Zuiderzee evenmin, al was het begin van die watervlakte in het moer Flevo aanwezig. Daarentegen strekte zich in 't noorden van Friesland de Middelzee zuidwaarts uit tot de plek, waar men thans Sneek vindt, en besloegen de Zuid-Hol-landsche en Zeeuwsche wateren eene grootere uitgestrektheid, dan tegenwoordig. Tal van meren en poelen bedekten vooral de lagere streken, en de rivieren, nog niet door den mensch in haren loop gestoord, hadden gedeeltelijk eene andere richting dan nu. Herhaalde overstroomingen deden uitgebreide moerassen ontstaan en maakten een groot deel der lagere landen onbewoonbaar. Elders bedekten uitgestrekte bosschen den bodem, of strekten zich onafzienbare heidevelden uit.
Het valt licht te begrijpen, dat bij eene dergelijke gesteldheid van den bodem, deze weinig geschikt was, om eene talrijke bevolking op te nemen. Evenwel had ons land reeds bewoners vóór den tijd, waarover geschreven berichten bestaan , zooals blijkt uit verschillende voorwerpen, die op en in den bodem bewaard zijn gebleven. Die oude bewoners waren nog onbekend met het gebruik van metalen. Zij voedden zich met hetgeen de jacht en vischvangst hun opleverde, en bedienden zich van steenen wapenen en gereedschappen. Dierenhuiden waren hunne kleederen , uitgeholde boomstammen de vaartuigen, die zij op de tal-
J. M. Vos, VaderL Gesch. 2' druk. 1
2
rijke plassen en rivieren niet konden ontberen. Zij verstonden de kunst van aardewerk te vervaardigen, en pasten die toe op 't maken van urnen, waarin zij de asch der verbrande lijken bewaarden. Die urnen werden veelal met do wapenen der ovei-ledenen begraven en daarboven de hunebedden opgericht, of de grafheuvels opgeworpen, die nog heden in ons land woiden aangetroffen.
Waarschijnlijk hebben hevige watervloeden de vroegere bewoners verdreven.
EERSTE TIJDVAK.
50 v. C.â± IJOO n. C.
Ons land vóór de vorming van zelfstandige staten.
AFDEELING I.
De Romeinsche heerschappij.
-H 50 v. C.â 500 11 ⢠C.
§ 1. Vestiging van Germanen in ons land.
Al zeer vroeg woonden in 't midden van Europa stammen, die tot de groote Germaansdie volkengroep behoorden. Sommige van die stammen trokken later westwaarts, deels vrijwillig, deels door de naburen gedwongen. Zoo ontving ook ons land eene Germaansche bevolking. De Friezen vestigden zich in 't noorden en noordwesten, de Bataven tusschen Rijn en Maas, de Kaninefaten in de duinstreken van Holland, de Marezaten in Zeeland, verder nog de Brukteren, Tubanten, Chamaven en Sikambren in 'toosten, de Toxandriërs, de Menapiërs, Nerviërs,
enz. in 't zuiden.
Wanneer die volksverhuizingen hebben plaats gehad is onbekend, alleen weet men, dat de Bataven omstreeks 100 jaren vooi t begin onzer jaartelling den Rijn afvoeren en zich in de Betuwe vestigden.
De berichten, die wij over deze volksstammen bezitten, danken
wij aan de Romeinen.
De Germanen van dien tijd waren behalve jagers en visschers, ook veehouders en landbouwers. Zij kenden het ijzer, hoewel hunne werk-
3
tuigen nog zeer eenvoudig waren. Niet alleen dierenhuiden, maar ook linnen en wollen stoften dienden hun tot kleeding. Hunne woningen , dikwijls op hoogten of terpen gebouwd, waren vervaardigd van teenen horden met klei bestreken en met stroo gedekt. Eéne opening diende tot deur en venster, eene andere tot schoorsteen. De vrije Germaan achtte het beneden zijne waardigheid veldarbeid te verrichten; hij liet dien over aan zijne slaven. De jacht op beren en wolven, oerossen, wilde zwijnen, herten en andere dieren was zijne geliefkoosde bezigheid, indien de oorlog hein niet van huis riep. De jongens werden al vroeg gehard door allerlei lichaamsoefeningen, en haakten naar den dag, waarop zij in de volksvergadering met zwaard en schild begiftigd en dus tot man verklaard zouden worden. Het vervaardigen van kleederen was naast het verrichten der huishoudelijke bezigheden, en het brouwen van bier aan de vrouwen overgelaten.
De macht van den vader over zijne kinderen was onbeperkt. Hij mocht ze zelfs dooden of verspelen. De Germaan was namelijk zoozeer aan 't dobbelen verslaafd, dat hij na het verlies van zijne bezit^ tingen zijne vrouw en kinderen, ja zijne eigen vrijheid op 't spel zette. Matigheid in 't gebruik van bier behoorde niet tot de deugden van den Germaan, daarentegen was hij gastvrij, eerlijk en trouw. Dapperheid gold voor de hoogste deugd.
De zaken, die den geheelen stam aangingen, werden beslist in de vollcsveiyaderiiig; daar werd tot oorlog of vrede besloten, de legeraanvoerder verkozen, enz. Die bijeenkomsten werden gehouden in een heilig bosch; elke vrije man had het recht zijne stem uit te brengen.
In zulke bosschen bracht men ook offers aan de goden. Als oppergod vereerden de Germanen Wodan, de wereldbeheerscher, die de gesneuvelden in een zalig verblijf, het Walhalla, opnam. Donar was de dondergod en Tyr die van den oorlog. Onder de godinnen was Frigga, Wodans gemalin, de voornaamste. Voorts oefenden goede en kwade geesten veel invloed op 's menschen lot. Aanvankelijk waren de vorsten of aanvoerders de bestuurders van den eeredienst, latei-afzonderlijke priesters, die veel invloed kregen.
De lijken werden verbrand, meestal met het geliefkoosde paard van den overledene.
§ 2. Be Romeinen in ons land.
55 v. C. Komst van de Romeinen onder Julius Caesar.
lo. Drusus onderwerpt de Friezen.
47 n. C. De opstand der Friezen beteugeld. Corbulo.
69â70. Opstand der Uataven. Claudius Civiiis- Cerealis.
In 't midden der eerste eeuw voor 't begin onzer jaartelling maakte de Romeinsche veldheer Julius Caesar zich van Gallië
1*
4
en België meester. Op zijne nadering besloten de Bataven geen nutteloozen strijd te wagen, maar zich vrijwillig te onderwerpen. Daarvoor ontvingen zij den naam van vrienden en bondgenooten der Romeinen, zoodat zij alleen hulptroepen moesten leveren, maar niet schatplichtig werden. Waarschijnlijk werden ook de Kaninefaten en andere naburige stammen op dezelfde voorwaarden met de Romeinen verbonden.
Aanvankelijk strekten de Romeinen hunne tochten niet veel verder uit, tot dat in 'tjaar 10 v. C. hun veldheer Drusus ook de Friezen onderwierp. Minder gelukkig streden de Romeinen tegen de oostelijker wonende Germanen. Hun veldheer Varus leed eene geweldige nederlaag in 't Teutoburgerwoud en ook Germanicus, de zoon van Drusus, kon zich in die streken niet
staande houden.
Intusschen maakten de Romeinsche landvoogden zich aan allerlei knevelarijen schuldig, waardoor de Friezen (28) in opstand kwamen. Zij behaalden eene overwinning op Apronius, maar moesten zich aan Cortaülo onderwerpen (47).
Ook de Bataven bleven niet van den druk der Romeinsche heerschappij verschoond. De landvoogden riepen zelfs knapen en grijsaards tot den krijgsdienst op, niet om het leger te versterken, maar om hun een losprijs af te dwingen. Van de ontevredenheid, die hierover ontstond, maakte een aanzienlijk Bataaf, Claudius Civilis, gebruik om een opstand te verwekken. Hij had langen tijd in de Romeinsche legers gediend, was niettemin als gevangene naar Rome gezonden, en na zijn ontslag vol wraaklust teruggekeerd, te meer daar zijn broeder door de Romeinen was omgebracht.
De Kaninefaten onder Bpinio, en andere naburige stammen sloten zich bij Civilis aan, die aanvankelijk den krijg met voordeel voerde. De strijd om den Romeinschen troon tusschen Vitellius en Vespasianus kwam den opstandelingen zeei te stade. Fene vijandelijke vloot weid op den Rijn verslagen en de sterke legerplaats Gastra Vetera (a. d. Rijn) veroverd. Toen echter Vespasianus onbetwist beheerscher van 't rijk' was geworden en de eensgezindheid onder de bondgenooten begon te ontbreken, moest
Civilis zich aan 't legerhoofd Cerealis onderwerpen en het verbond hernieuwen (70).
Verloren de bewoners dezer gewesten door de komst der Romeinen grootendeels hunne vrijheid en zelfstandigheid, aan den anderen kant had de aanraking met dit beschaafde volk voor hen gunstige gevolgen. Om zich beter in 't bezit des lands te kunnen handhaven, legden de Romeinen wegen aan van grint, klei en hout. Ook kanalen werden gegraven, als de Drususgracht en wellicht de Lek (Corbülo?). Enkele dijken werden opgeworpen, moerassen drooggemaakt en bosschen geveld. Uit de Romeinsche legerplaatsen ontstonden enkele steden, als: Nijmegen, Utrecht, Wijk bij Duurstede, Groningen. De taal werd verrijkt met aan 't Latijn ontleende woorden.
AFDEELING II.
De Frankische heerschappij-
500â 900.
§ 1. Friezen, Franken, Saksers.
Het Romeinsche rijk had omstreeks het jaar 100 zijne grootste uitgebreidheid verkregen. Het bevatte alle landen om de Middel-landsche Zee, in 't noorden waren Rijn en Donau de grensrivieren. Doch juist die groote omvang was eene der oorzaken van zijn ondergang. Talrijke legers waren noodig, om de onderworpen volken in bedwang te houden en de grenzen te beschermen tegen roofzuchtige naburen. De Germaansche stammen hernieuwden hunne aanvallen met steeds beter gevolg, al werden zij enkele malen door bekwame legerhoofden teruggeslagen. Terzelfder tijd was Midden-Europa het tooneel van een onafgebroken strijd , waarbij de verschillende volksstammen elkander trachtten te verdringen of te onderwerpen. Die woelingen bereikten haar toppunt, toen sedert het laatst'der 4'' eeuw Mongoolsche en Slavische stammen uit Azië en Oost-Europa naar 't westen voortdron-gen en aan de algemeene volksbeweging deelnamen. Het verzwakte Romeinsche rijk bleek tegen die aanvallen niet bestand. Na de verdeeling van dien staat in 395 ging het westelijk deel snel zijn val te gemoet.
Die algemeene verandering van woonplaats onder de volken van Europa draagt in de geschiedenis den naam van de Volks-
6
verhuizing. Te midden van deze woelingen gingen de namen der kleinere stammen verloren. Vrijwillig of gedwongen sloten deze zich bij de grootere aan en zoo ontstonden enkele groote verbonden van volken.
Ook ons land bleef aan deze gebeurtenissen niet vreemd. Terwijl de Friezen zich in hunne woonplaatsen handhaafden, kwamen de overige deelen van ons land aan de Saksers en de Franken. Sedert het begin der 5' eeuw , toen de Romeinen zich geheel uit deze streken hadden teruggetrokken, was dus ons geheele land onder deze drie volken verdeeld. De Friezen breidden zich uit langs de geheele zeegrens van de Eems tot de monden der Schelde, en bewoonden nagenoeg de tegenwoordige provinciën Groningen , Friesland , bijna geheel Holland , 't westen van Utrecht en Zeeland. De Saksers woonden in 't zuiden van Groningen, in Drente, üverijsel en 'toosten van Gelderland; al het overige was door de Franken in bezit genomen. Deze laatsten waren verdeeld in Bipuarische (langs den Beneden-Rijn) en Sa-lische Franken of Saliërs (Isala = IJsd). Deze drie volksstammen zijn het, die blijvend ons land hebben bewoond en wier nakomelingen dus hoofdzakelijk het Nederlandsche volk uitmaken.
Onder de Friezen, Franken en Saksers, allen Germanen, heerschtcn wel in hoofdzaak dezelfde toestanden, maar in bgzonderheden weken zij dikwijls vrij ver van elkander af.
De vroegere bewoners waren deels als vrijen onder hen opgenomen, deels tot dienstbaarheid veroordeeld. De Germanen hadden namelijk de gewoonte een gedeelte van quot;t veroverde land onder elkander te ver-deelcn; het overige werd aan de bezitters, meestal de aanzienlijksten, gelaten. Elke grondeigenaar omringde zijne hoeve met eene omheining, waarbuiten dikwijls eene gracht werd gegraven. Daar woonde hij te midden zijner akkers, boomgaarden en grasvelden in den zaalhof, een houten gebouw met rieten dak. Het grootste gedeelte daarvan werd ingenomen door de zaal, eenige kleinere vertrekken dienden tot slaapkamers, daarachter vond men de schuren en stallen.1) Een schoorsteen was niet aanwezig en de woning schaars van huisraad voorzien. Op het erf stonden ook de hutten der onderhoorigen, die nog veel slechter ingericht waren, dan 't hoofdgebouw.
1
Bij de Friezen waren de schuren en stallen van de woning gescheiden, bij de Franken was de scheiding minder streng, bij de Saksers was alles in ééne ruimte samengebracht.
7
De hoeven, die in elkanders nabijheid lagen, maakten eene mark uit. Steenen en gemerkte hoornen wezen de grenzen daarvan aan-Weiden, hosschen. heide- en watervlakten waren niet onder de mark-genooten verdeeld, maar Imn gemeenschappelijk eigendom (meent). Bij de Friezen en Franken was dit gebruik minder algemeen. Eene ver-eeniging van marken vormde eene (jouw.
Met den grond kwamen ook de bewoners aan den nieuwen eigenaar. Zij heetten litea of lioflioorujen, en verloren grootendeels hunne vrijheid. Van de akkers, die zij bebouwden, betaalden zij schatting aan hun heer, wien zij bovendien verschillende diensten hadden te bewijzen. Niet alle liten waren evenzeer afhankelijk, gewoonlijk bleven zij in 't bezit van eenige rechten. Zoo mochten zij de wapenen voeren, voor 'tgerecht verschijnen, een vrij huwelijk aangaan eene erfenis aanvaarden, hunne vrijheid koopen en zelf lijfeigenen houden. Het lot der lijfeigenen was veel harder. Zij werden door geene wet beschermd; hun heer kon hen verkoopen, mishandelen, zelfs dooden. Krijgsgevangenen en veroordeelden werden tot dit ongelukkige lot gedoemd.
Onder de vrijen ontstond allengs verschil van stand. De rijke grondeigenaars, zij die door aankoop of op andere wijzen hunne bezittingen vergrootten, heetten edelin(/en. Anderen verloren door tegenspoed of eigen schuld hunne goederen, en behielden dikwijls niet meer dan hunne vrijheid.
De gemeenschappelijke belangen van de mark en de gouw werden behandeld op vergaderingen. waar alle vrijen toegang hadden. Men hield deze bijeenkomsten in de open lucht, liefst op eene boomrijke plaats, het dietsveld. Daar werd ook recht gesproken, door een graaf en bijzitters wanneer het eene gouw, door een schout wanneer het eene mark betrof. Men sprak recht niet naar geschreven wetten, maar volgens 't gebruik. De aangeklaagde kon zich beroepen op eedhelpers , die moesten zweren. dat de beschuldigde geloofwaardig was. In twijfelachtige gevallen moest een tweegevecht, of ander godsgericht {ordaliën) beslissen. Gewoonlijk werd den schuldige eene boete {weergeld) opgelegd, zelfs den moordenaar. Het weergeld was des te hoo-ger, naarmate de verslagene tot een aanzienlijker stand behoorde; ook bloedwraak was geoorloofd. Op landverraad. soms ook op brandstichting en diefstal stond de doodstraf. De jaarlijksche volksvergaderingen werden in Maart of Mei gehouden {Maart- , Meivelden); ieder vrije man verscheen gewapend en had 't recht van stemming.
Toen in lateren tijd de Frankische heerschappij zich uitbreidde, geraakten de meivelden in onbruik, en nam 't vorstelijk gezag daardoor toe. De koning omringde zich met eene hofhouding, wier leden (antrustionen) als voornamer beschouwd werden, dan de overige vrijen, en als ambtenaren dikwijls grooten invloed op 't staatsbestuur verkregen.
8
Dc dietsvclden waren tevens de plaatsen, waar aan de goden geofferd werd (dc Opstalboom bij Aurich, de Balloosche kuil bij Rolde , de steen aan de Vuursche , bij Baarn). Een gedeelte der olferdieren werd op de altaren verbrand, 't overige door de priesters voor godsdienstige maaltijden afgezonderd. Verschillende feesten stonden met den eeredienst in betrekking: de aanvang der lente en de oogsttijd gaven aanleiding tot feestvieren; maar 't jnel of jubelfeest, dat in den mid winternacht begon, was 't langdurigste en plechtigste van alle.
§ 2. Stichting van 't Frankische rijk.
500. Clovis.
732. Karei Wartel verslaat de Arabieren bij Tours.
Onder de Frankische stamhoofden stond in 't laatst der 5e eeuw een veroveraar op, die als stichter van een groot rijk cn verbreider van 't christendom een veelzijdigen invloed heeft uitgeoefend. Deze veroveraar , Clovis , vernietigde door zijne overwinning op Syagrius (Soissons, t. n. v. Parijs, 486) 't laatste overblijfsel van de Romeinsche heerschappij, nam na den slag bij Tolbiac of Zulpich (t. zw. v. Keulen , 496), dien hij op de Alemannen won , 't christendom aan , versloeg de Bourgondiërs (Di/jon, 500) en drong de West-Goten naar'tzuiden terug (Fo«(5f?e, t. z. v. ïours, 507). Bij den dood van Clovis (511) had 't Frankische rijk reeds een aanzienlijken omvang; het werd verdeeld in Austrasië, Neustrië en Aquitanië. Ons land , voor zoover het een deel daarvan uitmaakte, behoorde tot Austrasië.
De geschiedenis van 't rijk onder Clovis' opvolgers is eene aaneenschakeling van de gruwelijkste oorlogen om de opvolging ; nu eens was 't rijk verdeeld in verschillende staten , dan weer stond het onder één koning, die zich meestal door list of geweld de alleenheerschappij wist te verschaffen. ïe midden van al die woelingen breidde 'trijk zich nog verder zuid- en oostwaarts uit.
De latere vorsten uit het McrovivgiscJw huis (Meroveus, grootvader ? van Clovis) lieten vrijwillig of gedwongen 't rijksbestuur aan machtige ambtenaren , hofmeiers, over (rois fainéants). Het ambt van hofmeier werd zelfs erfelijk in de familie van Pepijn van Landen , wiens kleinzoon, Pepijn van Herstal, den koning slechts een schijn van gezag overliet. De zoon van dezen, Karei
9
bijgenaamd Martel, behaalde in 732 eene groote overwinning tusschen Tturs en op de steeds voortdringende Arabieren.
§ 3. Prediking van 't Christendom.
De opvolgers van, Clovis trachtten hunne heerschappij ook over de Friezen en Saksers uit te breiden en gebruikten de verkondiging van den christelijken godsdienst als voorwendsel daartoe. Om die reden hadden de pogingen van Frankische en Angdsak-sische evangeliepredikers, om 'theidendom te verdringen, zoo weinig gevolg; de Friezen en Saksers begrepen, dat aanneming van 't christendom onderwerping aan de Frankische heerschappij beteekende. Met groote dapperheid hielden zij den strijd tegen hunne zuidelijke naburen vol, totdat zij omstreeks 800 voor de overmacht moesten zwichten.
Onder de evangelie-predikers muntte vooral Willebrord (f 739) wegens zijn geloofsijver uit. Hij vestigde hier en daar kleine gemeenten . en werd door den paus tot bisschop van Utrecht aangesteld. Daar stichtte hij de kerk aan St-Maartm gewijd en eene kloosterschool tot opleiding van geestelijken. Met niet minder ijver was Winfried (Bonifacius) werkzaam. Tot bisschop der Duitschers verheven, nam hij na Willebrords dood ook 't bestuur over de Utrechtsche kerk waar. In 754 werd hij met zijne volgelingen nabij Dokkum overvallen en vennoord.
De strijd tusschen Franken en Friezen was vooral hevig onder Karei Martel. Tot tweemaal toe werd koning Radboud I geslagen (717), zoodat hij de prediking moest toelaten en zelf christen worden. Op 't uiterste oogenblik weigerde hij echter den doop te ontvangen. Radboud II was evenals zijn naamgenoot een tegenstander van't christendom , en hield zich niet aan de vroegere overeenkomst. Karei Martel ondernam nu een nieuwen tocht tegen de Friezen. Hij zond eene vloot naar de Middelzee (Borndiep), en dwong de Friezen de evangelieprediking toe te laten (736).
§ 4. Ko.rel de Groote. 768 â 814.
752 Pepijn de Korte wordt koning.
785. Onderwerping der Friezen.
Do opvolger van Karei Martel was zijn zoon Pepijn de Korte. Deze zette den laatsten Merovingischen koning at' en beklom
10
zelf den troon. Pepijn was de eerste koning uit het Karolingische huis, zoo genoemd naar zijn vader. Onder Pepijns bekwa, men zoon, Karei den Grooten, kreeg 'tFrankische rijk eene groote uitbreiding. De Ebio, Middellandsche Zee en Tiber werden in 't zuiden, de Noordzee, Eider en Oostzee in 't noorden^ do grenzen van 'trijk, terwijl het zich oostwaarts tot over do Elbe en de Raab uitstrekte. Tegen dezen veroveraar waren ook de Friezen en Saksers niet bestand. Na een heldhaftigon tegenweer werden zij onderworpen en gedwongen 't christendom aan te nemen. In 800 werd Karei te Rome door den Paus tot Hoornsch (Romeinsch) keizer gekroond, en daarmede 'tWest-Romemsche rijk als hersteld beschouwd.
Karei dc Groote was niet alleen veroveraar, hij was ook cquot;1_v(;1'' standi-' wetgever, en schiep eene geregelde orde van zaken. Hij het zooveel mogelijk de onderworpen volksstammen in t bezit hunnei eiaene instellingen en rechten, doch regelde hunne verhouding tot den shat door algemeene rijkswetten of capttulanen.. Het geheele uj c was verdeeld in graafschappen (de vroegere gouwen), en deze weer in schoutambten (de vroegere marken). De graven en schouten, bijgestaan door schepenen, waren met de rechtspraak belast m hun gebied, terwijl in oorlogstijd de graven aan 't hoofd stonden van de troepen uit. hunne gouw. Ce vrijen moesten dc heerban volgen d.i, waien tot den krijgsdienst verplicht, zonder daarvoor eemge beloomng te ontvangen. Van de minder gegoeden, voor wie deze bepaling te drukkend was. stelden eenigen te /.amen één krijgsman in hunne âl-mts â- Opdat dc graven en schouten geen misbruik van hun gezag
zouden maken, stonden zij onder toezicht van koningsboden of/.endgraven, die voortdurend 't land bereisden. Het bestuur en de verde-di-rin.r der grensgewesten was opgedragen aan markgraven.
Kerkelijk was 'trijk verdeeld in aartsbisdommen, die weder m bisdommen waren gesplitst. Het noorden en westen van ons and behoorde onder Utrecht, dat een deel. uitmaakte van t aartsbisdom Keulen Het oosten en zuiden werd tot de Saksische en Frankische bisdommen gerekend. Het kerkelijk bestuur had zijn eigen rechtswezen, maar stond even goed als 't wereldlijk onder toezicht van den keizer. Tot onderhoud van kerkgebouwen, geestelijken en armen diende eene belasting {tiendrecht), door Pepijn reeds ingesteld.
Onder 't geregeld bestuur van Karei begonnen landbouw, veeteelt en nijverheid zich te ontwikkelen. Nijmegen (Valkhof), Tiel, Bommel, Utrecht, Deventer, Stavoren en cenige andere plaatsen bloeiden reeds.
11
of waren aan 't opkomen. Dc inrichting dier steden liet nog veel te wenschen over. Met uitzondering van enkele steenen gebouwen , waren de woningen nog van hout, met stroo of riet gedekt. De straten waren ongeplaveid en bedekt met vnilnishoopen en modderpoelen. Op de belangrijke jaarmarkten te Aken vonden de Friescbe wollen stoften veel aftrek. De water- en landwegen, die de voornaamste plaatsen verbonden, waren eigendom van den vorst. Op bepaalde plaatsen moest tol betaald worden, gedeeltelijk tot onderhoud van dijken, bruggen en wegen bestemd.
Karei de Groole trachtte niet alleen de stoffelijke welvaart te bevorderen, hij was ook een voorstander van volksontwikkeling. De oprichting van kloosterscholen werd door hem bevorderd, en geleerden waren steeds welkom aan zijn hof. De Angelsakser Alcuin en de Lon-gobard Paulus Diaconus stonden bij hem in hooge gunst, evenals zijn secretaris en levensbeschrijver Eginhard.
§ 5. Het leenstelsel. (Zio ook § 1, 4 en 6.)
Wanneer de oude Germanen een hoofdman (hertog) volgden in den oorlog, was het niet om dezen eene grootere macht te bezorgen , maar om zichzelven grondbezit te verschaften. Zulke gronden, die de nieuwe eigenaar in erfelijk bezit kreeg, heetten all d of allodium.
Toen 'tFrankische rijk zich steeds verder uitbreidde, kwam het in 't bezit van landen, die door vroegere oorlogen zeer ontvolkt waren. Men liet den overwonnenen hunne akkers behouden en eigende zich 't onbeheerde grondgebied toe, dat grootendeels aan den koning kwam, en dus domeingrond werd. Deze beloonde de diensten zijner ambtenaren met het vruchtgebruik van zulke domeinen, of schonk ze tijdelijk aan zijne gunstelingen (investituur). Het land, dat op die wijze werd afgestaan, heette leen, beneficium of feudum. De schenker van een feudum heette leenheer, de ontvanger leenman of vazal. Deze naam werd oorspronkelijk gegeven aan iemand, die zich onder de bescherming (mundium) van den vorst of eenig ander machtigen persoon had geplaatst. Die handeling heette commendatio. De vazal nam wederkeerig de verplichting op zich zijn beschermer (senior) in den oorlog te volgen, en zoo deed ook de ontvanger van een
12
beneficium. In vervolg van tijd kregen groote grondbezitters, vooral de kerk, 't recht van immuniteit, waarbij hunne goederen aan de rechtsmacht der koninklijke ambtenaren werden onttrokken, en vrijdom van allerlei lasten werd verleend. Groote landeigenaars volgden 't voorbeeld van den koning en gaven deelen van hunne allodiën in leen; zelfs gebeurde het, dat vazallen op hunne beurt gronden in vruchtgebruik afstonden, welke dan achterlegen heetten. Onder die landeigenaars was er geen rijker, dan de kerk. Vorsten en andere personen meenden een vroom werk te verrichten, met do kerk rijkelijk van goederen to voorzien, of trachtten op die wijze hun geweten tot rust te brengen, na het plegen van misdadige handelingen. Velen ook, wetende dat kerkelijke goederen in onrustige tijden ontzien werden, schonken hunne allodiën aan de kerk op voorwaarde, dat zij en hunne nakomelingen 't vruchtgebruik daarvan zouden blijven genieten.
Ook de koninklijke ambtenaren werden sedert den tijd van Karei den Groeten als vazallen beschouwd, en de graven hoofdzakelijk uit de bezitters van aanzienlijke allodiale en feudale goederen gekozen.
g 6. Ontbinding van 't Frankische rijk. De Noormannen.
843. Verdrag van Verdun.
810âIOIO. Invallen der Noormannen.
Karei de Groote werd opgevolgd door zijn zoon Lodewijk den Vromen (814-840). Deze vorst miste de bekwaamheid, om 't uitgestrekte rijk naar eisch te besturen. Door 't aanstellen van zijne zonen tot mederegenten bracht hij de giootste rampen over 't land. Niet tevreden met hun deel, beoorloogden zij elkander en hun vader, waardoor 'trijk in een staat van ontbinding geraakte. Na Lodewijks dood zetten zij den strijd voort tot 843, toen bij 't verdrag van Verdun (a. d. Maas) 't groote rijk gesplitst werd in drie deelen. Het middelste kwam aan Lodewijks oudsten zoon Lotharius, en onderging in 875 eene nieuwe , .deeling. Het noordelijkste deel, Neder-Loiharingen, waartoe
13
Noord- en bijna geheel Zuid-Nederland behoorden, kwam na veel strijd voor goed aan Duitschland O-
De rampzalige toestand van 't Frankische rijk werd nog verergerd door herhaalde invallen van naburige volken, vooral door de strooptochten der Noormannen. Deze woeste zeeschuimers uit Scandinavië plunderden de kuststreken, voeren de rivieren op tot diep landwaarts in, moordden en roofden , wat onder hun bereik kwam, en legden steden en dorpen in asch. Twee eeuwen lang herhaalden zij hunne rooftochten met langere of kortere tuaschenpoozen en slechts zelden, zooals in 891 bij Leuven, werd hun eene nederlaag toegebracht.
Ons land had niet het minst van die woeste benden te lijden. Walcheren werd in eene woestenij verkeerd. Witlam (aan den Maasmond), Dorestad (Wijk bij Duurstede), Tiel, Nijmegen, Utrecht en andere plaatsen eens of meermalen geplunderd, honderden ponden goud en zilver als schattingen geëischt.
Lodewijk de Vrome, vol ijver voor de uitbreiding van 't christendom, schonk den Noorman Heriold leenen in ons land op voorwaarde, dat hij zich zou laten doopen, zelfs werden Heriold en zijn broeder Roruk door Lodewijks zonen aangezocht, om de landen hunner tegenpartij te verwoesten. Eerst met den moord op Heriolds zoon , Godfried . in 885 gepleegd, nam de heerschappij der Noormannen in ons land een einde.
De welvaart en beschaving, die onder .Karei den Grooten waren ontloken, gingen te midden van die onrustige tijden geheel te gronde. De wetten werden niet meer gehoorzaamd, 't recht van den sterkste gold alleen. Machtige heeren eigenden zich de goederen hunner zwakkere naburen toe, en maakten hen tot hunne onderhoorigen. Vele bezitters van kleine allodiën stonden ze ook vrijwillig af, om als leenmannen , zelfs als onvrijen, ten minste bescherming te genieten. Aldus ge»aakte de geheele maatschappelijke toestand onder den invloed van 'tleenstelsel, daar ieder óf' meester of hoorige was. Van de vroegere gelijkheid was niets overgebleven. Ook onder de vrijen vond men verschil van stand. Tot den hoogen adel behoorden de koning of keizer, de hertogen en graven; den lageren adel vormden de groote grondeigenaars. Het getal vrije boeren en burgers was zeer afgeno-
l) Lodewijk de Duitseher kreeg het oosten (Duitschland), Karei de Kale het westen (Frankrijk).
14
men, en deze maakten met den adel de kleine minderheid der bevolking uit. De groote menigte leefde in verscliillende graden van hoo-righeid op 't land, of in de weinige steden, maar mocht haar lot nog gelukkig achten hij dat der slaven. Deze ongelukkigen werden als dieren beschouwd, verkocht of gedood naar den luim van hun meester.
TWEEDE TIJDVAK.
900â1581.
Ons land verdeeld In leenstaten.
AFDEELING I.
Geschiedenis der afzonderlijke Noord-Nederlandsohe gewesten.
900 â 1300.
§ 1. Be Nederlanclsche leenstaten.
Tijdens Karei den Grooten oefenden de graven als plaatsbekleders van den vorst een groot gezag uit; niettemin waren zij slechts ambtenaren, op wier handelingen toezicht werd gehouden. Toen de kleinzonen en verdere nakomelingen van den keizer elkander onophoudelijk bestreden, trijk in ontbinding geraakte en de invallen van barbaren deze stadhouders noodzaakte eigenmachtig te handelen tot bescherming van hunne gewesten, trad een andere toestand in het leven. De ambtenaren van vroeger begonnen zich als vorsten te beschouwen in hun gebied, en erkenden hoogstens den koning of keizer als hun leenheer, met of zonder wiens goedvinden zij 'tbestuur aan hunne zonen nalieten. Door erfenis , huwelijk of oorlog breidden sommige graven hun gebied ook over naburige gewesten uit, en zoo ontstonden weldra verschillende leenstaten. Deze veranderingen hadden niet plotseling, maar langzamerhand in de 9quot; en 10c eeuw plaats.
Ook 't hertogdom Neder-Lotharingen (blz. 12) verviel in verschillende leenstaten. De grootste daarvan behield nog eenigen tijd dien naam en werd later- Brabant genoemd, naar eene der vroegere gouwen. Dit gewest bleef een hertogdom heeten, een naam, die vervolgens ook op andere gewesten overging. Het
15
overige gedeelte van ons land werd langzamerhand verdeeld tus-schen' Holland, Zeeland, Gelder, Utrecht en Friesland. In de zuidelijke Nederlanden vond men, behalve Brabant, nog Limbanj (hertogdom), Luik (bisdom), Antwerpen (markgraifschap onder bestuur van den hertog van Brabant), Mechelen (heerlijkheid in 1357 aan Vlaanderen), Henegouwen (gr.). Namen (gr.), Luxemburg (hert.) en Vlaanderen. Dit laatste graafschap was voor 't noordelijk gedeelte (liijk-s- VI.) een leen van Duitschland, voor 't zuidelijke (Kroon- VI.) een leen van Frankrijk. Het graafschap Artois behoorde geheel tot dit koninkrijk.
Gelijk wij zagen, maakte ons land achtereenvolgens een deel uit van twee groote rijken: 't Romeinsche en 't Frankische. Gedurende het tijdvak, dat wij nu zullen beschrijven, behoorde het wel tot 't Duitsche rijk; maar de band, welke het daaraan vastknoopte, was zoo los, dat het voortaan eeno eigen geschiedenis heeft, grootendeels onafhankelijk van de Duitsche.
De oorsprong der Noord-Nederlandsche leenstaten ligt gedeeltelijk in 't duister. Dit is inzonderheid 't geval met het graafschap Holland. Gewoonlijk wordt als eerste graaf Dirk I genoemd, wiens gebied in Kennemerland moet gezocht worden. Onder zijn derden opvolger. Dirk III, krijgt de geschiedenis van dit graafschap meer zekerheid. Het zuidoosten van Zuid-Holland, door dezen graaf in bezit genomen en wegens den rijkdom aan bos-schen Holtland (Houtland, Holland) genoemd, zal waarschijnlijk zijn naam aan 'tgeheele graafschap gegeven hebben. De naam Holland komt eerst in 1064 voor. Toen 't graafschap zijne grootste uitgebreidheid had gekregen, omvatte het Noord- en Zuid-Holland, Zeeland tot de Oosterscheide en 't noordwesten van Noord-Brabant.
Zeeland had geene afzonderlijke vorsten. Het gedeelte van dit gewest, dat tusschen de beide Schelde-armen ligt (Zeeland beicester Schelde), was tot 1323 eene bron van twisten tusschen Holland en Vlaanderen.
Het oude graafschap Gelder of Gelre lag langs de Maas van Gennep tot Roermond, Het kreeg zijn naam van 't stadje Gelder. In 1138 werd het met het graafschap Zutfen vereenigd.
16
De bisschoppen hadden aanvankelijk alleen kerkelijk gozag) zoo ook de bisschoppen van Utrecht. Door den keizer en andere machtige heeren werd hun wereldlijk gebied aanzienlijk vergroot, zoodat het bisdom zich ten laatste uitstrekte over Utrecht, de Veluwo, Overijsel, Drente en 't zuiden van Groningen. Het kerkelijk gezag der Utrechtsche bisschoppen breidde zich, gelijk wij zagen, veel verder uit. Het land ten westen van den Usel heette Nedersticht, dat ten oosten van die rivier Oversticht.
Friesland, waartoe ook een groot deel van Groningen behoordej nam onder de Nederlandsche gewesten eene eigenaardige plaats in. De Friezen bleven onder alle wisselingen hunne persoonlijke vrijheid behouden; het leenstelsel drong in hun land weinig door. Zij erkenden wel den keizer als hun opperheer, maar verzetten zich met goed gevolg tegen eiken vreemden vorst, die hun opgedrongen werd. Want de keizers beleenden nu eens de graven van Holland, dan weer den bisschop van Utrecht met Friesland. Alleen de West-Friezen werden in 1287 aan Holland onderworpen.
Gedurende dit tijdvak vond men nog een groot getal allodii-n, meestal onder den naam van heerlijkheden bekend. De eigenaars van die goederen achtten zich nog altijd de gelijken der regeerende vorsten, en streefden naar 't behoud hunner onafhankelijkheid. Zij waren evenwel op den duur niet tegen de overmacht bestand, maar zagen in 't gunstigste geval hunne allodiale in feudale goederen veranderen.
Ook de vorsten zeiven bestreden elkander onophoudelijk, want bij de minste aanleiding werd naar 't zwaard gegrepen. In de 14' eeuw kwamen allerlei burgertwisten den toestand nog verergeren, zoodat in die fel bewogen tijden oorlog regel, vrede uitzondering mocht heeten.
§ 2. Het graafschap Holland.
Het Hollandsche huis. 922 (?)â1299.
1018. Slag bij Vlaardingen.
1070. Holland door Godfried van Neder-Lotharingen veroverd.
1190. Floris III sterft op den 3fn kruistocht.
1203. Strijd tusschen Ada en Willem I.
1219. Verovering van Damiate. Willem I.
1247. Willem II wordt Roomsch-koning.
1296. Floris V vermoord.
De eerste graven uit het Hollandsche huis noemden zich graven in Friesland. Hun gebied kreeg al spoedig eene belangrijke uit-
17
breiding, daar Dirk II van keizer Otto III in 985 groote bezittingen ontving in Maasland, Rijnland en West-Friesland, zoodat al de kuststreken tusschen Maas en Flie hem behoorden. Zoo krachtig verzetten de bewoners van West-Friesland zich tegen die schenking, dat zij eerst na 8 eeuwen geheel onderworpen waren. Bovendien was Holland gedurig in oorlog met Utrecht en Vlaanderen, meestal over de grensscheiding. De strijd met Utrecht ving aan onder Dirk III (998 â 1039), wiens vader Arnoud in 998 tegen de West-Friezen sneuvelde.
Dirk III bezette namelijk eigenmachtig de gouw Holtland, waarop bisschop Adelbold aanspraak maakte, en stichtte aan de Merwode eene sterkte, de oorsprong van de stad Dordrecht. Daarbij maakte hij inbreuk op 't keizerlijk gezag door tol te heffen van de voorbijvarende schepen. Adelbold beklaagde zich bij keizer Hendrik II, zoo deden ook de kooplieden, en aan hertog Godfried van Neder-Lotharingen (Brabant) werd opgedragen den overmoedigen graaf tot rede te brengen. Maar Dirk sloeg de Brabanters, versterkt met Utrechtsche, Luiksche en Keulsche troepen bij Vtaardingen (1018), nam Godfried zelfs gevangen en bleef in 't bezit van zijne verovering.
Ook onder zijne zonen Dirk IV (f 1049) en Floris I (f 1061) werd de strijd voortgezet. Beiden werden vermoord; de eerste in Dordrecht, de laatste op 't slagveld van Neder-Hemrt bij Tiel.
Een hachelijken tijd doorleefde Holland gedurende de minderjarigheid van Dirk V (f 1091), Zijne moeder en voogdes Geer-truida van Saksen werd aangevallen door bisschop Willem (door Hendrik IV met Holland beleend), tegen wien zij een steun vond in haar tweeden echtgenoot Robert den Fries, zoon van den graaf van Vlaanderen. Niettemin moest zij de wijk nemen voor Godfried den Bultenaar, hertog van Neder-Lotharingen, die Holland van den bisschop in achterleen had ontvangen. Godfried maakte zich van 't graafschap meester, en bezat het tot zijn dood (1076). Met Fransche en Engelsche hulp heroverde Dirk V daarna Holland.
In den tijd van Floris II (f 1122) begonnen de kruistochten. Deze graaf nam daaraan geen deel, maar toonde de belangen J. M. Vos, Vaderl. Gesch. 2« druk. 2
18
zijner onderdanen beter te begrijpen, dan zijne oorlogzuclitige voorgangers. Hij onthief hen van drukkende lasten en zoigde voor 't dijkwezen. Wellicht was hij de eerste Hollandsche graaf, die Zeeland bewester Schelde in achterleen bezat.
Ongelukkig begon na zijn dood de krijg opnieuw te woeden. Dirk VI (t 1157) geraakte met zijn broeder Floria den Zwarten in onmin. Deze zette de Kennemers en West-Friezen tegen den graaf op, doch verzoende zich na eenigen tijd met hem. Ook met bisschop Herbert werd oorlog gevoerd, en Utrecht belegerd. Doch de graaf hief 't beleg weer op, toen de bisschop aan 't hoofd zijner geestelijken in de legerplaats verscheen en hem
met den ban dreigde.
Onder Floris III (t 1190) begon de strijd met Vlaanderen over Zeeland. Om den Vlaamschen handel te treffen, vorderde de graaf tol te Geervliet, hetgeen een oorlog ten gevolge had, die in 1168 met het verdrag van Hedensee eindigde. Bij deze overeenkomst kwam Zeeland bewester Schelde in gemeenschappelijk bezit van Vlaanderen en Holland. Floris III nam deel aan den 3⢠kruistocht en liet het leven voor Antiochië.
Dirk VII (t 1203) kwam de vredesvoorwaarden met Vlaanderen niet na, waarvan een nieuwe oorlog 't gevolg was. Hij behaalde de overwinning, terwijl zijne echtgenoot, Aleid van Kleef, de West-Friezen onder Dirks broeder Willem versloeg. Een oorlog met Brabant liep minder goed af; ten gevolge van eene nederlaag bij Hemden werd het oostelijk deel van Zuid-Holland (tot 1283) leenroerig aan hertog Hendrik I.
De heerschzuchtige Aleid wenschte in Holland, ofschoon het voor een zwaardleen werd gehouden, hare dochter Ada te zien opvolgen. Zij liet haar met graaf Lodewijk van Loon (ten noorden van Luik) huwen, terwijl 'tlijk van Dirk VII nog onbegraven was. Hierdoor nam zij vele edelen tegen zich in, die zich bij haar zwager Willem aansloten. Ada weid gevangen genomen en Willem I (t 1222) volgde op. Hij nam deel aan een oorlog tegen Frankrijk, maar werd in den slag bij Bouvines gevangen genomen, en kreeg alleen tegen een hoogen losprijs zijne vrijheid terug. Op den kruistocht, dien hij ondernam (1217 â 19),
19
bestreed hij de Mooren in Portugal, en werd Damiate veroverd. Hij behoort tot de eerste vorsten, die , door 't schenken van voorrechten aan sommige steden, medewerkten tot de opkomst van den burgerstand.
Ook Floris IV (f 1234) was in dien zin werkzaam. Hij hielp mede aan den verdelgingskrijg tegen de ongelukkige Stadingers aan de Wezer. Door den aartsbisschop van Bremen zwaar onderdrukt, hadden deze lieden geweigerd tienden op te brengen. Zij werden daarom tot ketters verklaard en in den ban gedaan. Floris IV kwam op een steekspel in Picardië om 't leven.
Willem II (f 1256) was do eerste graaf, die zich eene vaste verblijfplaats koos. Hij was de stichter van 's-Gravenhage, waar hij 't houten jachtslot door een fraai steenen gebouw liet vervangen. In zijn tijd woedde in Duitschland een vreeselijke strijd. De tegenstanders van keizer Frederik II verkozen den jongen graaf van Holland tot Roomsch-koning, nadat verschillende vorsten voor de eer bedankt hadden. Aanvankelijk niet tegen zijne vijanden opgewassen, werd hij sinds 1254 bijna algemeen erkend. Reeds was de dag voor zijne kroning tot keizer bepaald, toen wegens den dood van den paus de plechtigheid uitgesteld moest worden. De strijd met de Vlamingen werd onder Willems bestuur hernieuwd; maar zijn broeder Floris {de Voogd) versloeg hen in 1253 bij West-Kapellek). Intusschen was de strijd met de West-Friezen weer uitgebroken, en trok de graaf gedurende den winter hun waterrijk land binnen, in de hoop, hen thans beter te kunnen vervolgen over de bevroren plassen. Maar 't ijs bleek te zwak voor den geharnasten ruiter, en van de zijnen afgedwaald, werd hij door eenige Friezen doodgeslagen. Willem II heeft zich vooral verdienstelijk gemaakt door 't schenken van privilegiën aan verschillende steden, en door 't verminderen van den druk der lijfeigenschap.
Floris V (f 1296) was bij den dood zijns vaders slechts 2 jaar oud. De voogdij werd eerst waargenomen door zijn oom Floris en na diens dood door zijne tante Aleida, aan wie 't bestuur ont-
') DU West-Kapclle is later door do zee verzwolgen.
2*
20
nomen werd door Otto II van Gelder. In dsnzelfden tijd stonden de Kennemers op, tot het uiterste gebracht door de geweldenarijen der edelen, wier kasteelen zij trachtten te verwoesten. Om zijne eigene bezittingen te vrijwaren en wraak te nemen op den bisschop, stelde Gijsbrecht van Amstel zich aan hun hoofd en viel in Utrecht. Floris, intusschen meerderjarig gewonden, trad op als wreker der onderdrukten en beschermer van den bisschop. Hij ontnam den roofzieken edelen, als Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden, hunne allodiën en gaf ze als leenen terug. Geen Hollandsche graaf werkte krachtiger aan de opkomst der steden, de vrijlating van lijfeigenen en de toeneming der welvaart, dan Floris V, al is hij niet van onrechtvaardige handelingen omtrent-de edelen vrij te pleiten. Vandaar de bittere haat, die zij hem (der keerlen God) toedroegen. Aan Floris mocht het eindelijk gelukken, geheel West-Friesland te onderwerpen en door een weldadig bestuur aan zich te vei-binden.
Een tijdgenoot van Floris V was Eduard I, koning van Engeland. Tusschen beide vorsten kwam een verdrag tot stand, waarbij Dordrecht 't belangrijke voordeel kreeg, tot marktplaats voor de Engelscho wol aangewezen te worden, en aan de Hollanders de vrije visscherij op de Engelsche kusten werd toegestaan. De vriendschappelijke betrekking veranderde echter in vijandschap, toen Eduard den wolstapel naar Brugge verlegde, om zijn bondgenoot Guy van Dampierre, graaf van Vlaanderen, te believen, waarop Floris de zijde van Frankrijk, Engelands vijand, koos. Deze handelwijze werd hem noodlottig. Eduard stelde zich in betrekking met de ontevreden edelen: zij zouden den graaf gevangen nemen en naar Engeland zenden. Op eene jachtpartij buiten Utrecht maakten Gerard van Velzen, Gijsbrecht van Amstel, Herman van Woerden en anderen zich van hem meester. Zij voerden hem naar 't Muiderslot, om hem daar in te schepen. Die toeleg mislukte, daar 't landvolk in beweging gekomen was, om Floris te bevrijden. Bevreesd voor zijne wraak, indien de graaf hun ontsnapte, brachten zij hem door tal van dolksteken om 't leven.
21
Floris' jeugdige zoon Jan I (f 1299) was bij den dood zijns vaders in Engeland. In Holland teruggekomen, vond hij 't graafschap in de grootste verwarring, veroorzaakt door de twisten tusschen de Engelsch- en de Franschgezinde partij. Aan 't hoofd der eerste stond een Zeeiiwsch edelman, Wolfert van Borselen; de laatste werd bijgestaan door Jan van Avennes, graaf van Henegouwen. Wolfort wist den onervaren Jan I geheel onder zijn invloed te krijgen, maar werd kort daarna te Delft ver-moord. Jan van Avennes nam daarop zijne plaats bij den Hol-landschen graaf in, die reeds in 1299 overleed. Met Jan I eindigde 't Hollandsche gravenhuis.
§ 3. Gelder. Utrecht. Friesland.
1138. Gelder met Zulfen vereenigd.
1288. Slag bij Woeringen,
1122. Concordaat van Worms.
Het graafschap Gelder of Gelre ontstond omstreeks 1090, toen Gerhard I (â ;⢠1117) van keizer Hendrik IV verlof kreeg, zich graaf van Gelder te noemen. Hij bezat ook Teisterbant (ten oosten van Holtland) en werd opgevolgd door Gerhard II (t 1181). De zoon van dezen, Hendrik (f 1182), erfde van zijne moeder, Ermingard, Zutfen {Hameland), zoodat hij sedert 1138 den titel voerde van graaf van Gelder en Zutfen.
Bovendien vermeerderde hij door zijn huwelijk metAgnes van Brabant zijn gebied met de Veluwe, die de bisschop aan den hertog van Brabant in leen had gegeven. Otto II (1229â1271) hielp den Roomsch-koning Willem van Holland en ontving tot belooning de stad en 't rijk van Nijmegen (1248),
Minder gelukkig was Reinoud I (t 1326) in zijne pogingen tot vergrooting van zijn gebied. Na den dood van Walram Hl, hertog van Limburg (1280), beleende keizer Rudolf van Habsburg diens dochter Ermingard, echtgenoot van Reinoud I, met't hertogdom. Na haar dood (1283) trachtte Reinoud Limburg voor zich te behouden, maar Walrams broeder, Adolf van Berg, verzette zich daartegen. Niet machtig genoeg om zijne rechten te handhaven, verkocht Adolf zijne aanspraken aan Jan I van Bra-
22
bant, waardoor een hevige oorlog tusschen Gelder en Brabant ontstond. Verschillende vorsten namen deel aan dezen krijg, die beslist werd door den slag bij Woelingen (nabij Keulen) in 1288. Reinoud werd verslagen, gevangen genomen en genoodzaakt Limburg af te staan. Evenals Floris V maakte Reinoud de edelen van zich afhankelijk en bevoorrechtte vele steden. Zijn spilzucht en zwak bestuur veroorzaakten echter zooveel ontevredenheid , dat hij genoodzaakt was afstand van 't bestuur te doen ten behoeve van zijn zoon Reinoud II.
De bisschoppen werden door den keizer aangesteld , wiens gunst zij in hooge mate genoten. Hun gezag was geenszins onbeperkt, daar zij in alle belangrijke zaken de kanunniken der 5 kapittelkerken , waarvan de St.-Maarten- of Domkerk de voornaamste was, moesten raadplegen. In de 2! helft der 11quot; eeuw ontstond tusschen den keizer en den paus een hevige strijd over de benoeming der kerkelijke vorsten (investituur), waarin de Utrechtsche bisschoppen de trouwe aanhangers van eerstgenoemde waren. Bij 't concordaat van Worms (1122) werd de strijd beslist, en sedert dien tijd kwam de benoeming aan 't kapittel van Utrecht. Voor 't Sticht was deze verandering eene bron van onheilen. De graven van Holland en die van Gelder trachtten herhaaldelijk invloed op de bisschopskeuze uit te oefenen en verdeeldheid te zaaien, om hun gezag in 't bisdom te vestigen. Dit gelukte vooral aan sommige Hollandsche graven, o. a. aan Floris V.
In Drente traden de burggraven van Koevorden op als stadhouders van den bisschop. De gehoorzaamheid van die heeren aan 't bisschoppelijk gezag liet weieens te wenschen over. Ook Overijsel bezat eene vrij groote mate van onafhankelijkheid, en was in verschillende heerlijkheden verdeeld.
Friesland bleef door zijne afgezonderde ligging buiten de talrijke kleine oorlogen, die de overige gewesten zoo zeer teisterden. Daarbij behielden de Friezen, gelijk we zagen, hunne persoonlijke vrijheid. Door deze gelukkige _ omstandigheden geraakte 't land tot grooten bloei; de handel, vooral op de Oostzee, was
23
van veel gewicht, en maakte Stavoren tot eene belangrijke koopstad. Daarentegen had Friesland veel van overstroomingen te lijden, welke men echter door 't opwerpen van dijken wist te beperken. Vooral de monniken gaven in dit opzicht een goed voorbeeld. Ongelukkig wist de bevolking deze voorrechten niet genoeg te waardeeren. Dg vrijheid ontaardde in bandeloosheid, bloedige veeten ontstonden om de nietigste beuzolingen, en vooral in 't volgende tijdperk brachten de twisten tusschen de Schieringers en Vetkoopers de grootste ellende over 't land. â In oorlogstijd kozen de Friezen een aanvoerder of potes aot; de rechtspraak was in handen van azicjen, welke door 't volk gekozen werden.
§ -i. Toestanden,
Gedurende de 10tf en de 11*' eeuw kwam er weinig verandering in den ongelukkigen maatschappelijken toestand, aan quot;t eind der vorige afdeeling geschetst. De onvrije bewoners van 't platte land, slecht gekleed en gevoed, ternauwernood als menschen beschouwd, om de geringste overtredingen mishandeld, zelfs verminkt, brachten hun leven in zwaren arbeid door. Eenige verbetering kwam in hun lot, toen de grondeigenaars de opbrengst van den landbouw aan hunne hoorigen overlieten tegen betaling van schot en lot ft eerste was eene grondbelasting, 't laatste een hoofdgeld). Nochtans werden de akkers dikwijls moedwillig verwoest in de vele kleine oorlogen, die de edelen voerden, of hadden slechte oogst en veepest, als in 1045, den vreeselijksten hongersnood ten gevolge. Alleen de hoorigen van kerken en kloosters ondervonden eene minder ruwe behandeling, vandaar het gezegde: »Onder de krootse (bisschopsstafj is 't goed wonen.quot;
De minder veilige houten woningen der edelen werden overal door steenen gebouwen of kasteelen vervangen, sterk genoeg om een beleg te kunnen uithouden. Daaromheen lagen de hutten der hoorigen, terwijl soms een muur de gezamenlijke gebouwen omgaf, en eene ringgracht de ligging nog versterkte. Menig edelman, zich noch aan 't gezag van den graaf, noch aan dat van den keizer storende, maakte zich aan rooverij schuldig, plunderde met zijne dienstmannen de reizende kooplieden uit, of voerde hen weg, om voor hunne vrijheid een losgeld te bedingen. Zoozeer gold in die barbaarsche tijden 't recht van den sterkste, dat 't concilie te Keulen in 1083 het noodig vond, door middel van een zoogenaamden godsvrede
24
daaraan perken te stellen. Volgens die godsvrede was het op strenge straffen verboden op Vrijdag, Zaterdag en Zondag, en verder op christelijke feestdagen zich aan manslag, roof of brandstichting schuldig te maken, opdat allo reizenden, zoowel als tehuisblijvenden veiligheid en rust zouden genieten.
In de 12quot; eeuw begon langzamerhand eene verandering ten goede te ontstaan, die gedeeltelijk 't gevolg was van de kruistochten. Gedurende twee eeuwen trokken herhaaldelijk groots legers uit Europa naar 't oosten, om Palestina aan de Mohammedaansche volken te ontrukken. Keizers en koningen , hertogen , graven en edelen, geestelijken zoowel als leeken, lijfeigenen even goed als vrijen namen aan die tochten deel. Duizenden kwamen om in den strijd, andere duizenden door ziekten of gebrek, en ondanks 'de opoffering van zoovele menschenlevens moest men na den langdurigen strijd alle veroveringen weder opgeven. Toch was al dat bloed niet te vergeefs vergoten.
De geestelijkheid bevorderde deze ondernemingen zeer; van haar ging meestal de opwekking tot nieuwe tochten uit. De paus, wiens macht in dien tijd stijgende was, en door de kruistochten haar toppunt bereikte, schonk allen lijfeigenen, die meetrokken, de vrijheid. De heeren van bun kant voor gebrek aan werkkrachten op hunne goederen vreezende, zochten door gunstige bepalingen hunne hoo-rigen tot blijven te bewegen. Vele edelen, die de kruisvaan volgden, verkochten of verpandden hunne bezittingen, om hunne uitrusting te kunnen bekostigen; ook stelden zij met dat doel hunne dienaren in de gelegenheid, zich vrij te koopen. Op die wijze werkte alles mede, om de lijfeigenschap een geduchten knak toe te brengen, en ontstond een stand van vrijen zonder of met weinig grondbezit.
De eersten vestigden zich voor een groot gedeelte in de steden zoowel om daar veiligheid, als een middel van bestaan te vinden. Het getal dier steden, aanvankelijk nog gering, werd in dit tijdvak belangrijk grooter; de stichting van eene sterkte, van een vorstelijk paleis, van een klooster gaf soms aanleiding tot het bouwen eener stad (Dordrecht, 's-Gravenhagej.
Sommige vorsten werkten, gelijk wij zagen, de opkomst en ontwikkeling der steden zeer in de hand. Dit geschiedde vooral, omdat zij begrepen in eene welvarende burgerij (derden stand) een steun te vinden tegen de aanmatigingen van den adel. Het begunstigen der steden bestond in 't verleenen van keuren, handvesten of privilegiën , waarbij de rechten en verplichtingen der burgers bepaald werden. Ook werd aan inwoners van open plaatsen verlof gegeven, hunne dorpen ;door grachten, muren en poorten af te sluiten; dit heette 't recht van poorterij {dorpers, poorters). De inhoud der privilegiën bevatte naast veel overeenkomst in hoofdzaken, belang-
25
rijke verschillen in bijkomende bepalingen. Zoo namen de poorters de verplichting op zich jaarlijks eene vaste geldsom op te brengen, en in oorlogstijd een bepaald getal manschappen te leveren. Wanneer de vorst gevangen werd gemaakt, moesten zij hun aandeel in den losprijs bijdragen, en evenzoo gelden storten, indien een zijner kinderen huwde. Daarentegen mocht de vorst geene willekeurige belastingen opleggen, de burgers voor geen vreemden rechter dagen en hen alleen met stedelijke ambten bekleeden. Ook behoefden zij geen schot en lot te betalen, ten minste aanvankelijk; later werd die gunstige bepaling opgeheven (schotbaar land zal schotbaar blijven).
Vluchtte een lijfeigene binnen de stad, dan was hij vrij, indien hij na jaar en dag niet door zijn heer was opgeëischt. Dikwijls werd den poorters vrijdom van tollen verleend en 't recht jaarmarkten te houden. De burgers moesten binnen de stad wonen, maar hadden verlof in den oogsttijd een bepaald getal dagen daarbuiten door te brengen. Toen in lateren tijd ook zij, die buiten de muren woonden, als burgers konden aangemerkt worden, kregen deze den naam van buitenpoorters of fjrasburgers.
Het stadsbestuur was opgedragen aan den schout, die door den vorst benoemd werd, en de schepenen, die in sommige plaatsen door de burgers werden verkozen. Deze ambtenaren vormden tevens de stedelijke rechtbank. Sedert 't midden der 13'' eeuw was 't beheer der geldmiddelen opgedragen aan raden of burgemeesters. Buiten de steden was 't bestuur en de rechtspraak in handen van den baljuw, ambtman of drost. Daar geldboete de straf was voor vele misdrijven en de rechters hun deel daarvan ontvingen, kwamen knevelarijen niet zelden voor.
Behalve de rechter kreeg ook de graaf een deel van de boete. Zijne inkomsten bestonden verder in de opbrengst der tollen en domeingoederen, de bijdragen der steden, de marktgelden, den strandvond, enz.; terwijl de onvrijen schot en lot opbrachten. De geestelijken en edelen brachten geenerlei belasting op; de laatsten moesten in oorlogstijd manschappen voor den heerban leveren.
De handel ontving door de kruistochten een nieuw leven. De Europeesche volken leerden elkander beter kennen, en knoopten onderling handelsbetrekkingen aan. Maar inzonderheid moesten de nog ruwe westerlingen getrotten worden door hetgeen zij in 't meer beschaafde Italië en vooral in 't weelderige oosten zagen. waar nijverheid en kunst een zoo hoogen bloei bereikt hadden. Daardoor ontstonden nieuwe levensbehoeften en een levendig verkeer tusschen de verschillende landen. In vele steden namen de jaarmarkten in belangrijkheid toe, die vooral bij gelegenheid van kerkelijke feesten (kerkmissen, vandaar kennissen) werden gehouden. O.a. werden de jaarmarkten te Utrecht druk bezocht; niet alleen vond men daar
26
de producten van den inlandschen landbouw en nijverheid, maar ook de specerijen en andere voortbrengselen van 't verre oosten. Dordrecht, Zwolle, Kampen, Deventer, Stavoren, Groningen behoorden door hun handel op de Oostzee, den Rijn, enz. tot de welvarendste steden van ons land; eerstgenoemde plaats verkreeg 't stapelrecht van verschillende waren, waardoor niet weinig inbreuk werd gemaakt op de vrijheid van handel en verkeer in 't algemeen.
De onveiligheid te land en ter zee deed stedenverbonden ontstaan tot bescherming van den handel. Onder die vereenigingen kreeg inzonderheid de Hansa eene groote uitbreiding; ook in ons land sloten verscheidene steden zich daarbij aan.
De behoefte aan wederkeerige hulp gaf ook aan die instelling dei-Middeleeuwen 't aanzijn, welke bekend is onder den naam van 't gildewezen. De oorsprong der gilden of vereenigingen van personen, die dezelfde of gelijksoortige beroepen uitoefenden, klimt reeds op tot den tijd van Karei den Grooten; maar sedert de opkomst der steden bereikte 't gildewezen eerst zijne volledige ontwikkeling. Ieder gilde noemde zich naar den een of anderen heilige der kerk en werd bestuurd door een deken en overlieden. Om den graad van meester te verkrijgen , moest men een proefstuk leveren. en vooraf een bepaald getal jaren als leerling en gezel gediend hebben. Ieder gild had zijn eigen vaandel en zijn eigen altaar in de kerk. Aanvankelijk werkte deze instelling zeer nuttig, later ontaardde zij. In sommige gewesten, voorai in Vlaanderen, kregen de gilden gedurende eenigen tijd grooten invloed op 't gemeentelijk bestuur, maar niet dan na eene hevige worsteling met de geslachten der rijke kooplieden, groote grondbezitters en edelen, die de stad tot woonplaats gekozen hadden.
Naarmate de steden in welvaart toenamen, kregen zij een beter aanzien. De woningen werden geriefelijker, ofschoon hout de voornaamste bouwstof bleef; voor kerken en andere openbare gebouwen gebruikte men steen. Van maatregelen om de gezondheid te bevorderen had men nog weinig begrip, zoodat besmettelyke ziekten soms hevig woedden, vooral onder de mindere klassen. â De ruwheid dier tijden kwam vooral op feestdagen aan 't licht, wanneer veel gedronken en getwist werd.
De leefwijze der edelen verschilde veel van die der poorters. Terwijl dezen bij de toeneming der handelsbetrekkingen behoefte gevoelden aan 't vermeerderen hunner kennis, toonden genen weinig neiging tot beschaving van den geest. Hun leven op 't eenzaam gelegen kasteel was vrij eentonig, wanneer oorlog, jacht of spel (schaakspel) hun geene bezigheid verschafte. Gedurende de lange winteravonden was het eene uitkomst, als een reizend sprookspreker {jongleur, meistreel) zich aanmeldde, om zijne berijmde verhalen voor te dragen; anders
27
moest de huisgeestelijke de verveling verdrijven door 't voorlezen van een ridderroman.
Reeds vóór de kruistochten had zich uit den adel de ridderstand gevormd, die sedert belangrijk in ontwikkeling toenam. Alleen na een proeftijd als schildknaap kon de edelling den ridderslag ontvangen, waarbij hij moest beloven: de kerk te verdedigen, de zwakkeren, inzonderheid de vrouwen, te beschermen, 't recht te handhaven en zijne eer ongeschonden te bewaren. Eene instelling als de ridderstand was in die woelige tijden geenszins overbodig, maar ontaardde latei-geheel. Met den ridderstand werden ook de geslachtsnamen en -wapens ingevoerd en vervolgens die feestelijke bijeenkomsten, onder den naam van tournooien of steekspelen bekend. Als in den oorlog geheel in staal gekleed, verschenen de ridders op de kampplaats, om, ten aan-schouwe eener groote menigte, waaronder vele edelvrouwen, hunne bedrevenheid in 't voeren van lans en zwaard te toonen.
De bisschoppen en abten, uit den adelstand gekozen, zagen in hunne kerkelijke betrekking geen beletsel, om aan de genoegens der edelen deel te nemen en zelfs ten strijde te trekken. Zij leidden meestal een weelderig leven, geheel verschillend van dat der lagere geestelijkheid. Ook de kloosterlingen genoten rijke inkomsten uit hunne goederen. Vooral in de 12quot; eeuw werden vele kloosters gesticht, wier bewoners zich niet altijd door een voorbeeldig gedrag onderscheidden. Daarentegen waren die inrichtingen bijna de eenige kweekplaatsen van kennis in die dagen. â Naast de talrijke en dikwijls fraaie kloosters verrezen schoone kerkgebouwen met beeldhouwen schilderwerk voorzien.
Terwijl de edelen smaak vonden in de fantastische ridderromans {âCarel en Klef/astquot;, âde Beer Wisselau\ Jieinoud van Montalbaen of de vier Heemskinderenquot;), namen de ontwikkeldsten onder de poorters liever de werken van Jacob van Maerlant ter hand (f 1291?). Deze verdienstelijke dichter schreef over verschillende onderwerpen, meest vertalingen (Rijmbijbel, Spiegel Historiaal, Wapene Martijn). Voor den jeugdigen Floris V vervaardigde hij een werk over natuurlijke historie: ,,Naturenbloeme ', op verzoek van diens voogden. Zijn hoofddoel was de bestrijding der gebreken zijner eeuw, 't gispen van de bedorven levenswijze der hoogere standen en 't beschermen van de verachte volksklasse tegen den overmoed der edelen. â Evenals Maer-lants werken maakte 't dierenepos â Reinaert de Vosquot; een grooten opgang; daarin werd evenzeer 't verkeerde in de gedragingen van adel en geestelijkheid op de kaak gesteld. â Uit dezen tijd dagteekent ook de âRijmkroniek.'' van Melis Stoke, eene geschiedenis van Holland tot 1305.
Reeds werd opgemerkt (blz. 23) hoezeer ons land, inzonderheid 't noorden, van watervloeden had te lijden. Vooral de overstroomingen
28
van 839, 1170 en 1260 waren hevig en deden 't meer Flevo (in de Middeleeuwen âAlmeriquot;) tot de Zuiderzee aanwassen. De Dollart is waarschijnlijk in 1277 ontstaan.
AFDEELING II.
Vervolg. â Burgeroorlogen.
1300â1433.
§ 1. Het graafschap Holland.
Het Uencgouwsche huis. 1299â1349.
Het Beiersche huis. '1349â'1433.
1304. De Vlamingen bij het Manpad verslagen.
'1323. Verdrag van Vlaanderen omtrent Zeeland bewester Schelde.
1345. Willem IV sneuvelt bij Stavoren.
'1349. Verdrag tusschen Margareta en Willem V.
'1350. Begin van de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten.
1357. Albrecht wordt ruwaard,
1417. Dood van Willem VI. Jacoba.
1419. Verdrag van Jacoba met Jan van Beieren.
1428. Verdrag te Delft. Filips van Bourgondië ruwaard.
1433. Jacoba verliest den titel van gravin.
De naaste erfgenaam van Jan I was de Henegouwsche graaf Jan II van Avennes (f 1304), een volle neef van Floris V ')⢠In Holland vond zijne opvolging geen verzet, maar in Zeeland verklaarden sommige edelen, als Van Renesse en Van Borselen, zich tegen hem. Zij wendden zich tot keizer Albrecht, die den graaf te Nijmegen voor zich ontbood, ofschoon deze reeds vroeger voor geld van keizer Rudolf 't recht van opvolging had verkregen. Jan II voer met eene vloot de Waal op, waarop Albrecht Nijmegen verliet en hem als graaf van Holland, Zeeland en West-Friesland erkende. Het verzet werd door 's graven zoon Jan (zonder genade) van Oostervant, zwaar gestraft.
De korte regeering van Jan .11 was ook verder zeer onrustig. In den strijd tusschen Frankrijk en Vlaanderen koos hij partij voor koning Filips IV, waarom de Vlamingen na den Sporenslag bij Kortrijk (1302) een inval in Holland deden. Met Brabant en de ontevreden Zeeuwsche edelen verbonden, veroverden zij Zeeland met uitzondering van Zieriksee, waar Willem van Oostervant ('s graven tweede zoon; Jan van Oostervant was bij Kortrijk
Zijne moeder, Aleida, was eene zuster van Willem II.
29
gesneuveld) zich staande hield. Ook Holland viel hun in handen; maar Witte van Haamstede ging met een enkel schip uit Zie-riksee, landde bij Zand voort, riep de burgers en boeren te wapen en sloeg de Vlamingen bij Heemstede {Manpad, 1804) zoo geducht, dat zij Holland ontruimden. De Brabanters, die Dordrecht hadden ingesloten, moesten 't beleg opbreken en werden door Nicolaas van Putten verdreven ; met behulp eener Fransche vloot werd Zeeland van vijanden bevrijd. Jan 11 stierf nog in't zelfde jaar en werd opgevolgd dooi- zijn zoon Willem.
De Sporenslag. Engeland had in 1298 met Frankrijk vrede gesloten en zijn bondgenoot Vlaanderen aan zijn lot overgelaten (blz. 20). Filips IV nam graaf Guy van Dampierre verraderlijk gevangen en verklaarde 't graafschap voor cene Fransche provincie; maar de Vlaamsche burgers onder Pieter de Coninck en Jan Breydel uit Brugge brachten 't Fransche leger bij Kortrijk eene geduchte nederlaag toe. Naar de honderden vergulde sporen, die de overwinnaars op 't slagveld verzamelden, heet dit gevecht de Gulden-sporenslag.
Amsterdam verkrijgt stedelijke rechten 1300. Jan II had zijn broeder Guy van Avennes tot stadhouder van Holland aangesteld en hem Amsterdam geschonken, dat door Floris V aan de leenroerigheid van Utrecht was onttrokken. Guy schonk aan Amsterdam poorterij; maar Willem, bisschop van Utrecht, -hernieuwde de aanspraken van 't Sticht. Hij viel in Holland, werd echter teruggedreven en sneuvelde. Guy volgde hem op en stond eenige jaren later Amsterdam aan Holland af.
Willem III (1304 â 1337) werd om zijn krachtig en rechtvaardig bestuur door zijne onderdanen met den naam van ,,den Goederquot; vereerd. De twisten met Vlaanderen duurden voort tot 1323, toen door Frankrijks bemiddeling een vrede tot stand kwam, waarbij Willem van de leenroeiigheid voor Zeeland be-wester Schelde werd ontheven tegen afstand van zijne aanspraken op 't land van Aalst, Waas en de vier ambachten: Hulst, Axel, Assenede en Boekholt. â In Utrecht oefende de graaf veel invloed uit, o. a. op de verkiezing van bisschoppen. Zijn aanzien rees door de huwelijken zijner dochters: Margareta trad in den echt met keizer Lodewijk V van Beieren, Filippa met Eduard III, koning van Engeland.
Met dat al waren de inkomsten van den graaf niet meer vol-
30
doende om de uitgaven te bestrijden, daar Willems hofhouding zeer kostbaar was. Om hen over de vermeerdering der grafelijke inkomsten te raadplegen, riep hij (voor 'teerst in 1305) de schepenen der goede steden {goede en vazalsteden) met de edelen te zamen of ter dagvaart (standen- of statenvergadering). Dit geschiedde voortaan telkens, als de vorst geld noodig had; hij deed dan eene bede, of verzoek om eene buitengewone geldelijke bijdrage , daar 't willekeurig opleggen van belastingen volgens de privilegiën verboden was.
Willem IV (1337 â 1345) was een verkwistenden oorlogzuchtig vorst. Hij deed een pelgrimstocht naar 't Heilige-land en hielp de Duitsche orde in den strijd tegen de heidensche Pruisen. â Door zijne tusschenkomst werd de Hollandsche edelman Jan van Arkel, bisschop van Utrecht; maar het duurde niet lang, of hij deed zijn beschermeling den oorlog aan. Arkel wenschte namelijk; Utrecht onafhankelijk van Holland te maken, en dit kwam niet overeen met Willems plannen. De bisschop moest een nadeeligen vrede sluiten, en Willem in zijne onderneming tegen de Friezen bijstaan. De graaf begeerde Friesland voor goed te onderwerpen, en wraak te nemen over 't verjagen zijner ambtenaren. Met eene groote vloot stak hij de Zuiderzee over, maar een storm verspreidde de schepen. Bij Stavoren geland, viel Willem IV met eene onvoldoende macht de Friezen aan, doch hij leed de nederlaag en sneuvelde met een groot getal der zijnen.
Het kinderloos overlijden van Willem IV gaf aanleiding tot een burgeroorlog. Margareta (1346â49), zijne oudste zuster, werd door haar gemaal (bl. 29) met de graafschappen beleend. Zij bevestigde de privilégiën, schonk nieuwe voorrechten en werd, gesteund door haar oom, den invloedrijken Jan van Beaumont, overal gehuldigd. Vóór haar terugkeer naar Duitschland stelde zij met goedvinden van vele edelen en steden haar tweeden zoon Willem tot stadhouder aan, die met behulp van Beaumont en een Raad van edelen 't bestuur zou voeren onder den titel van verheider. Spoedig echter kwam er verandering. Sommige hee-ren, als Egmond, Arkel en Heemskerk, die buiten den Raad waren gehouden, kwamen in verzet, er ontstond oneenigheid
31
in de Beiersche familie zelve, en de nieuwe keizer Karei IV was een vijand van dit huis. Daarom besloot. Margareta haar zoon de graafschappen af te staan (In Henegouwen bleef hij slechts stadhouder) tegen eene som van 15000 en eene jaarlijksche uit-keering van 6000 goudguldens (verdrag van Munchen, 1849; Willem V t 1389). De aanhangers van Margareta werden nu op hunne beurt terzijde gesteld voor de vrienden van den graaf; bovendien was Willem niet bij machte de bepaalde som uit te keeren, waarom Margareta den afstand herriep. Willem onderwierp zich aanvankelijk, maar trok ook zijn afstand weer in, toen de voornaamste steden van Holland toonden van Marga-reta's bestuur niets te willen weten.
Intusschen waren de vijandelijkheden reeds begonnen; het verbranden van Naaiden door de aanhangers der gravin was 't eerste feit uit de reeks van gruwelijke burgeroorlogen, onder den naam van' Hoeksche en Kabeljauwsche. twisten (1350 â 1492) bekend. Margareta weid bijgestaan door Eduard III, wiens vloot met de Zeeuwsche vereenigd bij Vere eene overwinning behaalde (1351), maar kort daarna in den bloedigen strijd bij Zwartewaal eene zware nederlaag leed. Nu moesten het de kasteelen der Hoeksche edelen ontgelden; nog in 't zelfde jaar werden zeventien dier sloten verwoest met behulp van vuurwapenen, waarvan men toen voor 't eerst in ons land gebruik maakte.
Margareta, intusschen naar Henegouwen geweken, verzoende zich met haar zoon en erkende hem als graaf (1354.). Twee jaar later stierf zij te Quesnoy (Henegouwen), waarheen ook Willem gebracht werd, toen hij in 1357 voor 'teerst blijken van krankzinnigheid gaf.
])e Hoeksche en Kabeljauwsche twisten. Aanvankelijk een strijd tusschen de edelen onderling werden weldra de steden daarin gemengd. Onder 't vreedzame bestuur van Willem III waren de steden in welvaart toegenomen en hadden dc herhaalde beden steeds nieuwe voorrechten ten gevolge gehad. Geen wonder, dat beide partijen zich den steun der steden zochten te verschaffen, maar dezen liever de zijde kozen van Willem V dan van Margareta, omdat zij hunne rechten beter verzekerd achtten onder 't bestuur vau een krachtigen graaf, dan van eene zwakke, van den adel afhankelijke vrouw. Zoo stond eene
32
mindcrlicid uit den adel met de goede steden (blz. 30) als Kateljauwsclie partij tegenover do meeste edelen met de vazalsteden, de Hoeksche. De veeten tusschen sommige geslachten en de naijver, die tnsschen verschillende steden heerschte, oefende echter dikwijls invloed uit op de partijkeuze. Ja, in de steden zeiven woedden soms de partijschappen; daar vonden de Hoekschen bij de naar staatkundigen invloed strevende gilden steun tegen de heerschende klasse der vermogende kooplieden en grondeigenaars.
Natuurlijk bestonden niet alleen in Holland zulke toestanden; ook elders in en buiten ons land braken vroeger of later om gelijke redenen burgeroorlogen uit. â De vorsten, in plaats van de twisten te onderdrukken , kozen meestal zelf partij, waardoor de strijd telkens weer ontvlamde, vooral bij geschillen over de opvolging.
Gedurende de overige levensjaren van Willem V voerde zijn broeder Albreeht (t 1404) 't bestuur als ruwaard of regent, na 1389 als graaf1). Aanvankelijk begunstigde hij de Hoekschen, waartegen sommige steden als Delft zich verzetten, dat met geweld tot onderwerping werd gebracht. Sinds wist hij door verstandige maatregelen den partijstrijd gedurende eenigen tijd tot bedaren te brengen. Na zijne verheffing tot graaf begon Albreeht de Kabeljauwschen te bevoorrechten, o. a. bij 't benoemen van ambtenaren. Eenige Hoeksche edelen schreven die handelwijze toe aan den invloed van jonkvrouw Aleid van Poelgeest , en brachten haar verraderlijk om 't leven. De moordenaars namen de vlucht en hunne sloten werden verwoest. Ook Albrechts oudste zoon, Willem van Oostervant, die van medeplichtigheid beschuldigd werd, en als stadhouder in Henegouwen 't bestuur voerde, nam de wijk naar Breda, eene bezitting van een zijner vrienden. Nadat in 1394 eene verzoening tusschen vader en zoon getroffen was, werd tot een inval in Friesland besloten. Meermalen werden de Friezen nu en in de eerstvolgende jaren verslagen , maar met 't eenige gevolg , dat Stavoren tot 1414 in de macht der Hollandsche graven was. De oorlog had Albreeht in zoo groote schulden gewikkeld, dat bij zijn overlijden zijne weduwe weigerde de erfenis te aanvaarden.
*) De Beiersche vorsten voerden den titel van hertog
33
Door de huwelijken van Albrecht's kinderen werd 't IBeierscbe huis nauw verwant aan 't Bourgondische vorstengeslacht. Zijne dochter Margareta huwde met Jan zonder vrees (zoon van Pilips den Stouten van BourgondiS) en zijn zoon Willem VI met Jan's zuster Margareta. â Jan van Beieren, Albrecht's jongste zoon, werd bisschop van Luik.
Tijdens de regeering van Albrecht stierf, 't huis Beaumont uit, welks bezittingen, als Gouda en Schoonhoven, met Holland vereenigd werden. Ook begon toen de Arkelsche oorlog, die eerst in 1412 eindigde met de verovering van Gorinchem. â Arkel was de laatste der onafhankelijke heerlijkheden, die met Holland vereenigd werden.
Albrecht was de eerste graaf, die huurtroepen in dienst nam, om zijne sterkten te bezetten in plaats van leentroepen. Volgens overeenkomst ontving hij voor eiken man een schilddaalder f= Æ 1,50|. Hij en zijne opvolgers begrepen, dat bezoldigde krijgslieden beter te gebruiken waren voor heerschzuchtige bedoelingen, dan burgersoldaten.
Willem VI (f 1417), de erkende voorstander der Hoeksclien, trachtte, aan de regeering gekomen, te vergeefs de Kabeljauw-schen te bevredigen. Stavoren ging in 1414 verloren en daarmede allo invloed in Friesland. Hij hielp zijn bloeder, bisschop Jan, den Luikschen opstand bedwingen door den bloedigen slag bij Othée (1408), die den Bourgondischen hertog den naam van Jan zonder vrees, den bisschop dien van Jan zonder genade bezorgde.
Willem wenschte de opvolging in zijne graafschappen te verzekeren aan zijne eenige dochter Jacoba. Hij zocht daartoe steun bij Frankrijk en bewerkte een huwelijk tussclien haar en Jan van Touraine, tweeden zoon van koning Karei VI. Maar deze prins, daufln van Frankrijk geworden door 't overlijden zijns ouderen broeders, werd 't slachtoffer der hevige partijschappen , die toenmaals dat koninkrijk beroerden. Hij stierf in 1417 aan 't vergift, dat hem was toegediend, kort vóór't overlijden van zijn schoonvader.
Een jaar vóór zijn dood had Willem VI eene vergidering bijeen geroepen der Hollandscho en Zeouwsche edelen en steden, om door haar zijne dochter als opvolgster erkend te zien. Aan zijn wensch werd voldaan; maar slechts Hoekschgezinden waren ter vergadering verschenen, zoodat van de toekomst niet veel heil
J. M. V03, Vadcrl. Gesch. 1' druk. 3
34
was te verwachten. â Toch vond Jacoba (1417 â 1433 f 1436) aanvankelijk geen tegenstand, en aanvaardde zij de regeering met de belofte, dat zij haar moeder en haar oom, den bisschop, als raadslieden zou erkennen. Maar weldra lichtte Jan van Beieren 't masker af; hij verlangde als voogd erkend te worden, zoolang zijne nicht ongehuwd bleef. Nog bij 't leven van Willem VI was er sprake geweest van een huwelijk tusschen Jacoba en Jan IV, hertog van Brabant. Daar zij volle neef en nicht waren, was voor dit huwelijk de pauselijke dispensatie noodig. Deze werd gegeven, maar op aandringen van Jan van Beieren weer ingetrokken, omdat die echtverbintenis weinig met do plannen van den bisschop strookte. Toch werd zij voltrokken, waarop paus Martinus V opnieuw dispensatie verleende. Nu sloeg Jan een anderen weg in: hij liet zich van zijne geestelijke waardigheid ontslaan en door keizer Sigismund met Holland, Zeeland en Henegouwen beleenen. De Kabeljauwschen vielen hem bij, en de burgeroorlog ontbrandde met nieuwe hevigheid. Jacoba voerde dien zoo ongelukkig, vooral door de lafhartigheid van haar echtgenoot, dat zij in 1419 door tusschenkomst van Filips van Bour-gondië een verdrag met haar oom moest aangaan. Jan van Beieren kreeg daarbij Holland bezuiden de Maas in achterleen, zou in Holland, Zeeland en Henegouwen gedurende vijf jaren als medebestuurder erkend worden en Jacoba opvolgen, indien zij kinderloos overleed.
De losbandige hertog van Brabant, die wegens zijne verkwistingen altijd geldgebrek had, verpandde hem bovendien in 1420 de graafschappen voor eene groote som, en misdroeg zich zeer omtrent zijne echtgenoot. Jacoba gevoelde zich door deze handelwijze zoozeer gegriefd, dat zij hem verliet. Nog in 't zelfde jaar zetten de staten van Brabant hun hertog af wegens zijn ergerlijk gedrag, en benoemden diens broeder Filips van St.-Pol tot regent.
Intusschen was Jacoba naar Engeland overgestoken, waar Humphrey , hertog van Gloeester en broeder des Konings naar hare hand dong. Maar de paus draalde met toe te stemmen in de ontbinding van haar huwelijk met Jan van Brabant, waarom
35
men het door eenige Engelsche rechtsgeleerden voor nietig liet verklaren. In 1422 trad zij met Humphrey, die door 't overlijden des konings regent van Engeland geworden was , in den echt.
Het getal van Jacoba's vijanden was inmiddels vermeerderd met Filips van Bourgondië, die door den moord, op zijn vadsige pleegd , hertog was geworden. Glocester en Jacoba staken in 1424 met een Engelsch leger 't Kanaal over, en werden in Henegouwen als wettige vorsten erkend. Terwijl hunne vijanden zich gereed maakten dit gewest te veroveren, kwam Jan van Beieren door vergift om 't leven (1425). Hij liet zijne aanspraken na aan Filips, maar de Kabeljauwschen riepen Jan van Brabant tot ruwaard uit.. De Hoekschen bezaten echter 't overwicht in de streek langs Usel en Lek, en maakten zich meester van Schoonhoven (Allaert Beilinck). Terwijl Glocester naar Engeland was teruggekeerd, waar zijne tegenwoordigheid vereischt werd, ging Henegouwen weer verloren. Jacoba werd zelfs de gevangene van Filips, die haar op 't kasteel te Gent liet bewaken. Zij wist echter te ontkomen, ging naar Holland en behaalde aan 't hoofd harer troepen tweemaal eene overwinning bij Alfen. Haar voorspoed duurde echter niet lang: eene Engelsche vloot, die haar te hulp kwam, werd bij Brouwershaven verslagen (1426), en tot overmaat van ramp zag zij zich door Glocester verlaten, die genoegen nam met de ontbinding van 't huwelijk, door den paus geboden. Kort daarna stierf Jan IV, en was Jacoba genoodzaakt afstand van hare gewesten te doen aan Filips. Dit geschiedde bij 't verdrag van Delfl (1428); wel behield zij den titel van gravin, maar moest haar neef als ruwaard en erfgenaam erkennen. Daarbij mocht zij geen huwelijk aangaan zonder toestemming van hare moeder, Filips en de Staten.
Aan deze laatste bepaling werd Jacoba ontrouw. Zij huwde in 't geheim met Frank van Borselen, een der pachters van de inkomsten der met schulden bezwaarde graafschappen. Maar in 1432 werd Van Borselen gevangen genomen, zoowel wegens dit huwelijk als omdat hij verdacht werd betrokken te zijn in eene alge-meene samenzwering tegen 't Bourgondische gezag. Om haar echtgenoot te redden deed Jacoba nu ook afstand van haar titel (1438).
3*
36
Drie jaar -later ; overleed-jde rampspoedige vorstin op den huize -Teilingen bij Sassenheim.
§ 2. Gelder. Utrecht. Friesland.
1339' Gelder wordt een hertogdom.
1350. â Twisten tusschen de Hekerens en Bronkhorsten.
1361. Slag bij Tiel.
1372â1423. Het huis-van Gulik.
1418. . Vergadering der edelen en der steden tot regeling van de opvolging.
. 1343â1364. Jan van Arkel bisschop.
Reinoud II (1826 â1348) droeg .als regent den titel van âZoon des Graven van Gelder.quot; Door zijn huwelijk met de rijke Sofia van Mechelen werd hij in staat gesteld de landstreken, die door zijn vader verpand waren, terug te krijgen. In den Engelsch-Franschen. oorlog koos hij partij voor Eduaid III, wiens zuster Eleonore zijne tweede echtgenoot was. Door tussehenkomst van den Engelschen koning verhief de keizer Gelder (1839) tot, een hertogdom, Over 't geheel beleefde Gelder onder Reinoud II een tijdperk van rust en voorspoed. Dijken en wegen werden verbeterd, woeste streken ontgonnen en 'thandelsverkeer belangrijk uitgebreid.
Na een vierjarig bestuur als hertog liet hij zijn hertogdom na aan. zijn oudsten zoon Reinoud III (1343 â 1361), dio reeds op twaalfjarigen leeftijd meerderjarig werd verklaard. In dien tijd bestond er eene hevige vijandschap tusschen de beide aanzienlijke geslachten der Hekerens en Bronkhorsten, waaruit een burgeroorlog ontstond, die veel overeenkomst had met de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten. Reinoud verklaarde zich voor de Hekerens , waarop de Bronkhorsten zijn broeder Eduard tegen hem in 't harnas ; joegen. Eduard eischto- een deel van 't vaderlijk erfgoed en op de weigering van den hertog ontstond de broeder-krijg , die naar. de genoemde familiën zijn naam ontving. In den slag bij Tiei (1361) werd . Reinoud verslagen en gevangen genomen, waarna Eduard als hertog erkend werd. Hij toonde gedurende zijne tienjarige regeering veel geschiktheid voor 't bestuur en bevorderde â den bloei der steden door verschillende privilegiën. In een oorlog tusschen Gulik en Brabant streed hij aan de zijde van zijn zwager, den hertog van Gulik, bij Baesioeüer (bij de
cS7
Erft), doch werd na afloop van 't gevecht door een der zijnen verraderlijk gedood (1371). Reinoud, nu weder op den hertogelijken1 zetel geplaatst, stierf nog in 't zelfde jaar, en met hem eindigde de regeering van 't huis van Gelder.
Zijn dood deed den burgeroorlog opnieuw uitbreken. Machteld en Maria, dochters van Reinoud II, maakten beiden aanspraak Op 't1 hertogdom. Do Hekerens verklaarden zich voor de eerste, â do Bronkhorsten erkenden de laatste, die met den hertog van Crülik was gehuwd. Keizer Karei IV erkende den zoon van Maria als hertog, waarop Machteld (1879) van hare aanspraken afstand deed tegen ceno jaarwedde. Met Willem I (1371 â1-102) ging dus de regeering in 't huis van Giilik over. Daar handel en scheepvaart gedurende den strijd veel te lijden hadden, kwamen de partijen bij een landvrede overeen aan 't verkeer te water en te land geene hinderpalen in den weg te stellen. Willem, die door zijns vaders dood in 1398 ook in Gulik was opgevolgd, trachtte, zooveel hij kon, dè rampen des oorlogs te lenigen. Zijne strijdlust wikkelde hem echter in allerlei oorlogen en deed hem o. a. herhaaldelijk naar Pruisen trekken , om de Duitecho orde tegen de Lithauers bij te staan. Gedurende zijne afwezigheid vielen de Brabanterè in Gelder; maar hij keerde dadelijk terug en versloeg de Vijanden ondanks hunne overmacht bij Gravel
Daar Willem I kinderloos overleed, werd hij door zijn broeder Reinoud IV (1402â1423) opgevolgd. Ook deze vorst wikkelde zich in oorlogen; o. a. hielp hij-den heer van Arkel tegen Willem VI. Merkwaardig is in de geschiedenis van Gelder 't jaar 1418. Bevreesd, dat bij 't overlijden van den hertog, die kinderloos bleef, opnieuw teen successie-oorlog zou uitbreken, kwamen edelen en steden overeen, zeiven de opvolging te regelen. Buiten voorkennis van Reinoud werd op eene vergadering te Arnhem besloten; 1. geen opvolger te-benoemen zonder toestemming van de hoofdsteden der vier kwartieren (Nijmegen, Roermond, Arnhem , Zutfen) en de meerderheid der ridderschap en kleine steden; 2. geene verdeeling van 't. hertogdom toe te luiten en 8. elkanders privilegiën to beschermen. Reinoud IV -zag zich genoodzaakt deze besluiten goed te keuren, en''werd bij zijn dood door
38
Arnoud van Eginond, den kleinzoon van zijne zuster, opgevolgd.
De landsstenden vormden sedert 1418 eene macht in den staat en kwamen op eigen gezag bijeen. Drie stemmen bracht de vergadering uit: die der harmerheeren '), der edelen en der steden. Gewoonlijk echter vergaderde elk kwartier afzonderlijk.
De vreemde invloed (bl. 22) deed in 't bisdom twee partijen ontstaan: die der Lichtenbergers en Lokhorsten2). De eersten begunstigden den invloed der Hollandsche graven, de laatsten wilden van geene buitenlandsche inmenging weten. Zoo was ook 't Sticht aan onlusten ten prooi, en ging de verkiezing van bisschoppen meestal met hevige twisten gepaard. Daaraan trachtte de krachtige kerkvoogd Jan van Arkel (1343â1364) een einde te maken. Om den Hollandschen invloed te weren, wenschte hij de schulden af te doen, die zijne voorgangers hadden aangegaan, en waarvoor zij sommige sloten en goederen in pand hadden gegeven. Hij stelde zijn broeder als regent aan, en leefde zeer eenvoudig te Grenoble, waardoor hij de uitgaven, aan eene aanzienlijke hofhouding verbonden, bespaarde. Na den oorlog met Willem IV (bl. 30) vestigde hij zich weder in Frankrijk tot 1351. Bij zijne benoeming tot bisschop van Luik was de orde in den staat en de financiën grootendeels hersteld. â Ook in de overige deelen van hun gebied hadden de bisschoppen met veel verzet te kampen, zoodat 't Sticht slechts zelden de zegeningen van den vrede genoot. De edelen en steden, wier hulp gestadig werd ingeroepen, maakten van deze omstandigheden gebruik, om hun invloed te vermeerderen, en bisschop Arnold van Hoorne was daarom genoodzaakt hun in 1375-aandeel in 't bestuur te geven. Zoo kwam het, dat in lateren tijd de staten van Utrecht uit drie leden bestonden: 1. de geëligeerden (de afgevaardigden der vijf kapittels), 2. de edelen, 3. de stad Utrecht en de kleinere steden. â De Hoeksche en Kabeljauwsche onlusten
^ Pannerheeren (alleen in 't graafschap Zutfen) waren de edelen, die vroeger van den keizer 't recht hadden verkregen, onder eigen banier te strijden. Zij waren vier in getal en niet leenplichtig aan den hertog.
Lichtenberg en Lokhorst waren kasteelen bij Amersfoort.
39
strekten zich ook tot Utrecht uit; in haar strijd tegen Filips van Bourgondië vond Jacoba steun bij de Lichtenbergers.
In Overijsel werd de macht van den bisschop beperkt dooiden landdag, waarop de ridders en de steden Deventer, Kampen en Zwolle stem uitbrachten. De verdeeling van dit gewest in Salland, Twente en Volienhove dagteekent eerst uit den tijd van Karei Y.
Ook Drente had zijn landdag, bestaande uit de edelen , die een der 18 havezaten (kasteelen) hadden en de eigenerfden (bezitters van vaste goederen).
Nergens was in dit tijdvak de verdeeldheid grooter dan in Friesland, dat verscheurd werd door de twisten der Schieringers en Vetkoopers. Tot de laatsten behoorden de meer gegoeden; zij waren het talrijkst in Oostergo en de Groninger ommelanden. De Schieringers, de mindere volksklasse, bewoonden hoofdzakelijk Westergo. Roof en doodslag was gedurende twee eeuwen aan de orde van den dag, gruwelijk de verwoestingen, die werden aangericht; zelfs de kloosters kozen partij. De pogingen van vreemde vorsten, als de graven Willem IV, Albrecht en Willem VI van Holland, om 't gewest te veroveren, mislukten niettemin, of hadden slechts eene kortstondige onderwerping ten gevolge , ofschoon do Vetkoopers soms hunne pogingen ondersteunden , om daardoor hunne tegenpartij tot onderwerping te brengen.
§ 3. Toestanden.
De 14' en 't begin der 15' eeuw vormen een tijdvak in onze geschiedenis, dat niet minder dan 't vorige gekenmerkt was door woeling en strijd. Bij de rampen der menigvuldige kleine oorlogen kwam al de ellende van den burgerkrijg, die telkens nieuw voedsel ontving, wanneer, zooals vaak gebeurde, twisten over de opvolging uitbraken. Te midden van die woelingen bad eene ganscbe omwenteling in de maatschappelijke verhoudingen plaats. De vroeger zoo invloedrijke adel, die 't land in voortdurende onrust, 't volk in de banden der lijfeigenschap hield, daalde telkens meer in aanzien, de derde stand ontwikkelde zich daarentegen en werd eene macht in den staat, waarmede de vorst rekening moest houden.
De uitvinding van 't buskruit droeg tot die omkeering niet weinig bij: tegen de vuurwapenen waren de sterke muren der adellijke kastee-
40
len op den duur niet bestand, evenmin als 't ijzeren pantser hunner bewoners. Maar ook de poorters moesten voortdurend op hunne hoede zijn tegen een mogelijken overval, en de hooge wallen en torens, die hunne woonplaatsen beschermden, dag en nacht bewaken.
Niettemin ontwikkelde zich in vele steden door handel en nijverheid eene ongekende welvaart, die zich afspiegelde in de fraaie gebouwen, welke overal verrezen. Gingen de bloeiende steden van Vlaanderen en Brabant daarin voor, ook die van 't noorden bleven niet achter en stichtten openbare gebouwen, die nog heden onze bewondering wekken. Vele schoone kerken en torens in den Grothischen bouwstijl dagtee-kenen uit dit tijdvak; daarnaast verhieven zich fraaie raadhuizen, terwijl de gilden wedijverden in 't oprichten van rijke gebouwen, waar hunne dekens en overlieden vergaderden.
Ook de woningen der welvarende poorters ondergingen verandering. De ondervinding had geleerd, dat houten huizen met rieten daken eene onveilige verblijfplaats aanboden, daar bij 't uitbreken van brand 't vuur niet was te stuiten met de onvoldoende middelen tot blussching. Daarom werd 't gebruik van steen meer algemeen en vaak als verplichting opgelegd, hoewel de bovenverdiepingen veelal van hout werden opgetrokken. De gewoonte, om dit gedeelte van 't huis uit te bouwen, gaf aan 't geheel wel iets schilderachtigs, maar droeg bij, om in de bochtige en nauwe straten de duisternis te vermeerderen. Die straten werden meer dan vroeger met steenen geplaveid en rein gehouden. â Menige stad begon blijken te geven, dat zij zich 't lot der armen en ongelukkigen onder hare bevolking aantrok en droeg zorg, dat ook vreemdelingen een onderkomen konden vinden. Daartoe stichtte men weeshuizen, gast- of heilige-geest-huizen, gemeene haarden en badstoven. De leprozenhuizen werden buiten de wallen geplaatst ; zij dienden tot opneming van de lijders aan melaatschheid, eene besmettelijke huidziekte tijdens de kruistochten uit het oosten overgebracht. De onzindelijkheid, die nog zeer algemeen was, bevorderde vooral de verbreiding van die ziekte en vermeerderde 't aantal slachtoffers bij epidemieën. Deze kwamen niet zelden voor, maar nooit zoo hevig als omtrent 1350, toen Europa jaren lang geteisterd werd door den vreeselijken Zwarten dood. In onvruchtbare jaren ontstond veelal hongersnood en als 't gevolg daarvan pestziekten, waartegen de geneeskunde onmachtig was. Die wetenschap had toenmaals nog weinige vorderingen gemaakt, en bij de onkunde dier dagen zocht men zijn heil in middelen, die 't bijgeloof aan de hand deed. Dikwijls ook wierp men de schuld op de Joden, wanneer eene epidemie uitbrak, waarom zij dan gruwelijk vervolgd werden, vooral sinds 't begin der kruistochten.
Deze mcnschen werden toen en zelfs nog in de volgende eeuwen
41
met minachting beschouwd en behandeld. Een ambacht konden zij niet uitoefenen, want geen gilde mocht hen opnemen. Velen hielden zich daarom bezig met den geldhandel, hetgeen den Christenen verboden was. De groote rijkdommen, welke zij daarmede wonnen, wekten echter veler hebzucht op, en vaak werden allerlei voorwendsels te baat genomen, om hen te berooven.
Aan de gunstige ligging tusschen 't noorden en zuiden hadden de Nederlandsche steden haar omvangrijken handel te danken, daar beide deelen van Europa weinig rechtstreeks in betrekking stonden en toch elkanders producten behoefden. De meeste steden waren leden van de Hansa, wier bloeiendste plaatsen aan de Oostzee lagen, terwijl in de 14e eeuw ook handelsverdragen met de landen aan de Middel-landsche Zee, inzonderheid met de machtige handelsrepublieken Venetië en Genua, tot stand kwamen. Onder de invoerwaren was de wol, die voor 't grootste deel uit Engeland kwam, eene der voornaamste; Middelburg kwam door den handel in dit artikel tot bloei. Dordrecht was in dit tijdvak de belangrijkste plaats van Noord-Nederland (men telde er 32 gilden), maar werd nog overtroffen door sommige Zuid-Nederlandsche steden, zooals Brugge. De weelde, die er heerschte, was zoo groot, dat eene koningin van Frankrijk bij een bezoek in 1801, verbaasd over de prachtige kleederen en sieraden der koopmansvrouwen, eenigszins spijtig uitriep: »Ik dacht hier de eenige koningin te zijn, maar ik zie er wel zeshonderd.quot;
De bloei van den handel had den vooruitgang der nijverheid ten gevolge. De vervaardiging van laken, reeds in 't Frankische tijdvak van belang, was nergens zoo gewichtig als in de Nederlanden; daarnaast bloeide de linnenweverij. Terwijl de geringen donkere kleederen droegen, gaven de meer gegoeden de voorkeur aan heldere, dikwijls bonte kleuren, zoodat de ververs goede zaken maakten. Daar bier de meest gebruikte drank was, vond men bijna overal brouwerijen, wier producten , evenals die van de overige fabrieken, ook in Tt buitenland veel aftrek vonden. Metaalwaren, inzonderheid wapenen en sieraden, getuigden dikwijls van groote kunstvaardigheid.
Na den handel en de nijverheid moet ook de visscherij genoemd worden, vooral sinds de uitvinding van quot;'thariiu/kahen door Willem Beukelsz. van Biervliet. Hoorn o. a. bracht zooveel haringbuizen in zee, dat het in 1341 zijne haven moest vergrooten.
Naast groote welvaart vond men meer dan nu bittere ellende; oorlog, hongersnood en pest droegen veel daartoe bij. In sommige steden telde men één arme op elk viertal inwoners. De onveiligheid was onder zulke omstandigheden groot, vooral gedurende de duisternis van den nacht werden veel misdaden gepleegd, te meer omdat,de straatverlichting, voor de IC eeuw nog onbekend was.
42
Door de meest barbaarsche straffen zocht men 'tkwaad te weren, terwijl de burgers dikwijls zelf des nachts voor de veiligheid waakten. Andere middelen om 't kwaad tc beperken waren 't verbod om wapenen te dragen en zonder licht uit te gaan.
Naast de schoone kerken, raad- en gildehuizen en schuttersdoelen vond men de steeds talrijker wordende kloosters. De vermeerdering van geestelijke personen bleef niet zonder invloed op den maatschap-pelijken toestand. Wie in stilte zich aan de studie wenschte tc wijden vond daartoe de gelegenheid in de kloostercel. Menig vrome kloosterbroeder trok predikend 't land door en werkte gunstig op de volksmassa. Bij de schaarschte of geheele afwezigheid van herbergen vonden reizigers eene gastvrije opname in de kloosters. Op bepaalde dagen kwamen de armen hunne aalmoezen ontvangen aan de poort dier gestichten, welke voor menig noodlijdende een toevluchtsoord waren.
Maar die vermeerdering der kloosters had ook hare schaduwzijde. De bedel-orden teerden op kosten der maatschappij; de vrijdom van accijnscn en andere belastingen, die de geestelijken genoten, ofschoon vele kloosters door schenkingen van vaste goederen zeer rijk waren, verzwaarden de lasten van poorters en dorpers; voor velen was 't afleggen der kloostergeloften slechts een voorwendsel om een gemakkelijk en zorgeloos leven te leiden, zelfs wekte menig geestelijke ergernis door een zeer berispelijk gedrag.
Eene der. grootste rampen, die ons land gedurende dit tijdvak trof, was de St.-Elisabetlisvloecl in 1421. In Friesland, Holland en Zeeland richtte hij de treurigste verwoestingen aan; maar nergens woedde hij heviger dan in Zuid-Holland, waar de Biesbosch ontstond op eene plek, die talrijke bloeiende dorpen bevatte. Meer dan 100.000 menschen verloren bij die ramp 't leven.
AFDEELING III.
Vereeniging der meeste Nederlandsche gewesten onder de Bourgondische en de Oostenrijksche heerschappij.
1433â1506.
§ i. F Hips de Goede.
1455. Oprichting van den Grooten of Geheimen Raad.
1465. Eerste vergadering der Algemeene Staten te Brussel,
1467. Filips de Goede sterft.
Filips I (de Goede) was de eerste vorst uit het machtige Bour-gondische huis, die zijn gebied over een deel van Noord-Nederland uitstrekte. Hij volgde in 1419 zijn vader, Jan zonder Vrees,
43
in Bourgondië, Franche-Comté, Vlaanderen, Avtois en Mechelen op, voegde in 1429 door aankoop Namen bij zijn gebied, erfde in 1430 Brabant, Limburg en Antwerpen, ontnam aan Jacoba in 1488 Holland , Zeeland en Henegouwen , en kocht in 1451 Luxemburg. Ook in Utrecht verkreeg hij invloed door de benoeming van zijn zoon David tot bisschop (1456).
De krachtige regeering van Filips van Bourgondië gaf verademing aan de door oorlogen en burgertwisten uitgeputte gewesten. De partijschappen werden met kracht onderdrukt, de welvaart nam toe, en alles te zamen mag wel de oorzaak zijn, dat men den machtigen vorst den eeretitel van âden Goedenquot; heeft geschonken. Evenwel zonder oorlogen was ook zijne regeoring niet. In den Fransch-Engelschen oorlog streed hij tegen zijn leenheer, tot in 1435 de vrede met Frankrijk gesloten werd. OmdeHansa te tuchtigen voor 't wegnemen onzer schepen in de Oostzee, brachten Holland en Zeeland eene groote vloot bijeen , waarmede zij die zee van vijanden zuiverden (bezem in den mast). Sedert begonnen de Nederlandsche steden zich aan dit verbond te onttrekken en voor eigen rekening handel op de noordelijke havens te drijven; weldra kwam daarbij de vaart op Spanje en Lissabon.
In 't landsbestuur had onder Filips eene groote verandering plaats. In zijne verschillende staten was de wetgeving niet dezelfde. Daarin eenheid te brengen, alle gewesten tot één grooten staat samen te voegen en de vorstelijke macht uit te breiden , was 't groote doel, waarnaar hij en zijne opvolgers streefden. Dit doel was niet gemakkelijk te bereiken. Vroegere vorsten hadden met milde hand allerlei privilegiën geschonken, deels tegen betaling, deels om door verheffing der burgerij den adel te fnuiken. De voorrechten , aan de eene stad geschonken , strekten weieens tot nadeel van andere plaatsen; eene opruiming van dergelijke privilegiën was daarom in 't algemeen belang gewenscht, maaide poorters gaven niet licht eenmaal verkregen rechten prijs. Vooral was dit 't geval in Vlaanderen, waar de steden Brugge en Gent door den vrijheidszin en de woeligheid harer inwoners bekend, zich tegen Filips verzetten. Maar de opstanden werden gedempt en vooral die der Gentenaars wreed gestraft.
44
Om de zoo gewenschte centralisatie in 't bestuur tot stand te brengen , bediende Filips zich van verschillende middelen, waaronder genoemd moeten worden: de aanstelling van vaste vroedschappen , de instelling van gewestelijke gerechtshoven en van den Grooten of Geheimen Raad, de-oprichting van rekenkamers voor twee of meer gewesten , de bijeenroeping dor AJgemeene Staten, de instelling der orde van 't Gulden Vlies. '
De bloeiende toestand dezer gewesten , 't gevolg van â do betrekkelijke rust, die zij onder 't bestuur van Filips genoten , werd nog bevorderd door de doeltreffende maatregelen van den hertog. Naast handel, nijverheid en landbouw deelden ook kunst en wetenschap in zijne bescherming (de gebroeders Van Eyck, de Bourgondische bibliotheek te Brussel), daarentegen hadden 't gebruik van de Fransche taal aan 't hof en de overdreven weelde en zedeloosheid , die er heerschten , een nadeeligen invloed op taal en volk.
Filips bereikte den leeftijd van 72 jaar en overleed in 1467 te Brugge.
Vaste vfoedscliappen. Aiinvunkelijk berustte in de stoelen zoowel 't burgerlijk gezag als lie rechterlijke macht bij schout- en schepenen , die bij klokgelui de poorters opriepen, om hen over belangrijke zdcen te raadplegen. Bij de uitbreiding der steden wppl het gewoonte, dat alleen de voornaamste burgers opkwamen. Filips, die gaarne aan dezen meer democratischen vorm van bestuur een einde wilde maken , gaf aan de aanzienlijke poorters op hun verzoek 't privilegie,- om uit hun midden een collegie to'benoemen, dat als de vertegenwoordiging der geheele burgerij werd aangemerkt. Dit collegie, de vroadsdiup genaamd (vroed = wijs), vulde zelve de open-. . gevallen plaatsen aan; de leden werden, eerst voor eenige jaren, later voor hun leven benoemd. De vroedschap oefende in de stad wetgevend gezag uit, terwijl de rechterlijke macht aan schout en schepenen bleef. Uit do vroedschappen werden de raden, poort-of burgemeesters â gekozen, die de uitvoerende macht bezaten. Reeds in den tijd van hertog Albrecht kwamen in sommige steden van Holland burgeinees-. ters en radon voor.
Gewestelijke fferechtshoven en de Gi:qnt,e of Geheime, Uaad. V^n 't vonnis door do schout en schepenen uitgesproken, was vroeger geen beroep op eene hoogere rechtbank mogelijk. Daaraan' maakte Filips een einde door 't instellen van gerechtshoven: voor eén of enkele' ge-'
45
westen afzonderlijk, zooals V Hof van Holland (1428j. Ieder, die met de uitspraak der stedelijke rechtbank niet tevreden was, kon zijne zaak voor 'tHof brengen. Eindelijk richtte Filips in 1455 nog voor al zijne landen te zanien een hoogst gerechtshof op, dat den naam van Grooten of Geheimen Raad ontving. Die raad vergaderde , waaide vorst zich bevond, dóch werd door Karei den Stouten te Mechelen gevestigd. Door die maatregelen kwam er eenheid in de rechtspraak, maar ten koste van een der gewichtigste privilegies.
Rekenkcuners voor twee of meer gewesten. In 't bestuur der financiën heerschte vóór Filips veel onregelmatigheid. Om daarin orde en eenheid te brengen, had reeds Filips de Stoute eene rekenkamer voor Vlaanderen en Artois opgericht. Filips de Goede volgde dit voorbeeld en bracht het getal dier kamers op drie. Zij waren gevestigd te l\ij-sel, Brussel en 's-Gravenhage.
Alyemeene Staten. Wat men door Staten verstond, zagen wij reeds vroeger (bl. oOj. In sommige gewesten werden alleen de adel en de steden ter vergadering geroepen, in andere ook de geestelijkheid. Filips belegde in 1465 eene vergadering der AUjemeene Staten, d. i. van de afgevaardigden uit de Staten van al zijne Nederlandsche gewesten. Die bijeenkomst had plaats te Brussel en ten doel, gelden aan te vragen . voor een oorlog tegen Frankrijk. Be opvolgers van Filips riepen herhaaldelijk de Algemeene Staten samen, wanneer zij beden wenschten te doen of belangrijke zaken mede te deelen. Die vergaderingen werkten krachtig mede, om de gewesten te doen begrijpen, dat zij gemeenschappelijke belangen hadden en deelen waren van één groot geheel.
])e orde van V Gulden Vlies. Filips stelde deze orde in bij gelegenheid van zijn huwelijk met Elisabeth van Portugal in 1430. De naam werd waarschijnlijk gekozen met het oog op de bloeiende wolindustrie. Alleen vorsten en andere hooggeplaatste personen konden leden van de orde zijn. Het doel van Filips met die instelling was, invloedrijke personen aan zich te verbinden, om door hunne medewerking zijne plannen te bevorderen. De leden van *t Gulden Vlies konden voor geene andere rechtbank, .dan die hunner orde tot verantwoording geroepen worden.
§ 2. Karei de Stoute. Maria.
1473 Samenkomst van Karei den Stouten en keizer Frederik III te Trier. 1477. Karei de Stoute sneuvelt bij Nancy. Maria. Groot-Privilegie. 1482. Maria sterft.
Karei I was den bijnaam van den Stouten verschuldigd aan de dapperheid, die hij in den slag bij Monlüwnj tegen Lodewijk XI
46
had betoond. Deze koning, een verachtelijk maar bekwaam staatsman, trachtte de Fransche leenen aan de kroon te hechten , en kwam daardoor in botsing met den machtigsten zijner vazallen, den hertog van Bourgondië. Toen geweld niet meer baatte, poogde hij door sluwheid zijn doel te bereiken. Dit doel strookte weinig met de plannen van Karei, wiens voornaamste eigenschappen heersch- en veroveringszucht waren. De titel van hertog was hem niet voldoende: hij wilde zijne staten door onderwerping der naburige gewesten afronden, en tot een koninkrijk'verheffen. Daartoe voerde hij aanhoudend oorlog, hetgeen zijn onderdanen op zware beden te staan kwam, die eene algemeene ontevredenheid verwekten. Op 't voorbeeld van Frankrijk richtte hij een staand leger op, waartoe de Algemeene Staten, uit vrees voor Lodewijk XI, hunne toestemming gaven.
Karei begon zijne regeering met de onderwerping van Luik, waarvan zijn neef Lodewijk van Bourbon bisschop was. De Luikenaars waren tot opstand aangezet door Lodewijk XI, die, onder schijn van vriendschap in Kareis legerplaats tegenwoordig , het moest aanzien, dat zijne bondgenooten bij duizenden werden omgebracht en hunne stad in brand werd gestoken. Van de vijandschap tusschen den hertog van Gelder, Arnoud en diens zoon Adolf maakte Karei gebruik, om dit hertogdom aan zijn huis te brengen (1471). In 1473 had hij met zijn leenheer, keizer Frederik III, eene samenkomst te Trier, waar zijn vurigste wensch, de kroning tot koning van 't Bourgondische rijk, zou vervuld worden. De keizer had zijne toestemming gegeven op voorwaarde, dat zijn zoon Maximiliaan met Kareis eenige dochter en erfgenaam Maria in 't huwelijk zou treden. Maar Lodewijk XI wist den keizer zooveel wantrouwen omtrent 's hertogs plannen in te boezemen, dat Frederik van besluit veranderde en de stad in stilte verliet. Karei geraakte nu in oorlog met den keizer en Frankrijk beiden, nam deel aan een strijd om 't aartsbisdom Keulen en deed vervolgens een inval in Lotha-ringen. Na de verovering van dit hertogdom wendde hij zich tegen de Zwitsers, omdat zij zijne vijanden ondersteund hadden; doch dit moedige bergvolk versloeg hem in 1476 tweemaal, bij
47
Granson en bij Murten (nabij 't meer van Neuchatel), zoo volkomen , dat de geheele legertrein en de schatten, die de hertog met zich voerde, hun in handen vielen. Nancy, de hoofdstad van Lotharingen, was intusschen voor Karei weer verloren gegaan ; midden in den winter trok hij op, om die stad te hernemen , doch hij sneuvelde tijdens 't beleg in den aanvang van 1477.
De zware beden, die Karei de Stoute cischte, deden de belastingen ontzaggelijk stijgen. Die belastingen waren deels indirecte, deels directe. De eersten bestonden in accijnzen op eetwaren, dranken, brandstolien, laken, enz.; de laatsten kwamen niet een hoofdeli jken omslag overeen.
Zoolang de rijkdom voornamelijk bestond uit grondeigendom, werd ieder belast naar 't getal morgen lands, dat hij bezat; vandaar de naam morgentalen. ïoen handel en nijverheid later van beteekenis werden, oordeelde men het onbillijk, alleen de grondeigenaars te laten betalen, waarom 'tinkomen belast werd. Daar 'tschild (omstreeks 75 ets.) de gewone rekenmunt was, kwam de benaming schikltalcn in gebruik. In de 15' eeuw werd deze naam vervangen door 't woord verponding af'géleid van pond (= een gulden). Sedert het laatst der 16° eeuw verstond men door verponding eene belasting op bebouwde en onbebouwde grondeigendommen.
Staande legers. Reeds Albrecht had tot bezetting zijner sloten huur-benden in dienst genomen, om minder van de leentroepen afhankelijk te zijn. Karei de Stoute ging in dit opzicht verder. Hij richtte bovendien in 1471 naar 't voorbeeld van koning Karei VII eene keurbende op, die igt;bemle van ordonnantiequot; genoemd werd. Door de staande legers kregen de vorsten een krachtig middel in handen, om hunne macht te vergrootan ten koste van de volksvrijheid, en om aan hunne veroveringszucht te voldoen.
De negentienjarige Maria (1477 â 1482) volgde haar vader op onder de ongunstigste omstandigheden. Lodewijk XI verklaarde de Fransche leenen aan de kroon vervallen, veroverde Bourgon-dië en bedreigde Artois en Vlaanderen. Overal ontstonden oproerige bewegingen , daar men herstel der geschonden privilegiën en waarborgen voor de toekomst eischte. De onstuimige Vlamingen verzetten zich 't hevigst; bij hunne grieven kwam nog de vrees voor de zoo gehate Fransche overheersching. Die vrees was niet ongegrond. Maria's raadslieden Hugonet en Imbercourt, als gezanten naar Lodewijk XI afgevaardigd om den vrede te
48
bewerken, heulden met Frankrijk en beloofden den koning hunne medewerking tot het sluiten van een huwelijk tusschen zijn zoon en Maria. Doch 't verraad werd ontdekt en bij hunne terugkomst te Gent 't doodvonnis over hen uitgesproken. â Opeigen gezag kwamen de Staten van Holland, Zeeland en andere gewesten te Gent bijeen, waar zij Maria, geheel van hunne hulp afhankelijk, de wet voorschreven. De hertogin moest, wilde zij zich erkend zien, de privilegiën herstellen en nieuwe voorrechten toestaan, die, wat Holland en Zeeland betreft, bekend zijn onder den naam van 't Grool-Privüegie.
Behalve Lodewijks zoon , de daufin Karei, dongen Adolf van Egmond (zie § 4) en Maximiliaan van Oostenrijk naar Maria's hand. De Vlamingen drongen aan op een huwelijk met Adolf, dien zij aan 't hoofd hunner troepen hadden gesteld ; maar hij sneuvelde nog in 't zelfde jaar. Maximiliaan werd kort daarop Maria's echtgenoot. Hij versloeg de Franschen bij Guinegate (bij Calais) in 1479 en sloot in 1482 den vrede van Atrecht. De oorlog, later hernieuwd, eindigde voor goed in 1493 met den vrede ran Senlis (bij Parijs), waarbij Frankrijk Bourgondië behield, doch Franche-Comté en Artois teruggaf. Maria beleefde dien vrede niet, zij was reeds in 1482 overleden.
Hal Groot-Vrhnleyie. De voornaamste bepalingen van dit staatsstuk, waardoor de vorstelijke macht zeer werd beperkt, waren : 1. Maria mag geen huwelijk aangaan zonder toestemming der Staten. 2. Vreemdelingen mogen geene ambten beldeeden. 3. Alle openbai-e stukken moeten in de Nederlandsehe taal opgesteld worden. 4. Do Staten mogen vergaderen waar en wanneer zij willen. 5. Zonder toestemming der Staten mag geen oorlog verklaard worden. 6. Geene stad behoeft bij te dragen aan beden , waarvoor zij hare toestemming heeft geweigerd. 7. Geen geld mag geslagen, noch verandering in de
O O O Cj O O O
waarde der munt gebracht worden, zonder toestemming der Staten.
Uit de eerste bepaling spreekt vrees voor een huwelijk van Maria met den Franschen kroonprins, uit de derde voor de invoering der Fransche taal. No. 2 en 6 waren oude privilegiën, maar, vooral het laatste, herhaaldelijk geschonden. Laatstgenoemd artikel was niet overbodig: 't muntrecht werd als een vorstelijk praerogatief beschouwd; maar het gebeurde dikwijls, dat geld werd geslagen, waarvan 'tgehalte ver beneden de waarde was, waarvoor het in omloop werd gebracht.
49
§ 3. Het regentschap van Maximüiaan. Filips de Schoone.
1482. Maximüiaan regent voor Filips den Schoonen.
1492. Einde van de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten. Kaas- en Broodvolk.
1494. Filips de Schoone aanvaardt de regeering.
1496. Filips huwt met Johanna van Arragon.
1506. Filips de Schoone sterft.
Maria werd opgevolgd dooi- haar vierjarigen zoon Filips II (den Schoonen), den eersten vorst uit het Oostenryjksche huis. Zij liet behalve dezen zoon ook eene dochter, Marg'areta, na. Gedurende de minderjarigheid van Filips nam Maximiliaan 't regentschap waar. Zijn bestuur was gekenmerkt door velerlei woelingen. De Vlamingen weigerden hem te erkennen en werden eerst in 1485 tot onderwerping gebracht. Drie jaar later kwamen Gent en Brugge opnieuw in verzet, daar de regent weigerde rekenschap af te leggen van de opgebrachte gelden. De Bruggelingen namen hem zelfs gevangen en doodden eenige zijner ambtenaren. Eerst toen de keizer na vier maanden met een leger aanrukte , lieten zij hem vrij op zekere voorwaarden, die hij onder eede beloofde na te zullen komen. Nauwelijks ontslagen, schond hij zijne belofte, waarom Filips van Kleef, een der gijzelaars , die hij had moeten stellen, zich uit verontwaardiging aan 't hoofd der Vlamingen stelde. In 1489 werd Maximiliaan eindelijk erkend.
Inmiddels was in Holland do strijd tusschen Hoekschen en Kabeljauwschen weder uitgebroken, een strijd, die van de gruwelijkste moordtooneelen vergezeld ging. De Hoekschen, ontevreden over de begunstiging hunner tegenpartij , vereenigden zich onder Frans van Brederode {Jonker-Fransen-oorlog) en vonden steun bij de Utrechtenaars, die hun bisschop David van Bour-gondië verdreven hadden. Filips van Kleef leverde hun Sluis in handen, en Rotterdam werd overrompeld (1488). Nadat de Hoekschen uit deze stad weer verdreven waren en den zeeslag hij Brouwershaven verloren hadden (1490, dood van Frans van Brederode)', hielden zij zich onder Jan van Naaldwijk nog eeni-gen tijd in Sluis staande. Doch in 1492 werd hun dit laatste toevluchtsoord ontnomen door Maximiliaans veldheer, Albrecht
J. M. Vos, Vaderl. Gesch. 2â¢, druk. 4
50
van Saksen, waardoor een einde kwam aan dezen vreeselijken burgerkrijg, die bijna anderhalve eeuw had geduurd.
Terwijl deze gebeurtenissen in Zuid-Holland en Zeeland plaats vonden, werd Noord-Holland in rep en roer gebracht door den opstand van quot;t Kaas- en Broodvolk. Duurte der levensmiddelen, zware belastingen en , in strijd met het Groot-Privilegie, verlaging van de waarde der munt, brachten de West-Friezen , Kennemers en Waterlanders tot wanhoop. Zij vereenigden zich te Alkmaar en op andere plaatsen, en ondernamen in 1491 en '92 verschillende plundertochten. Sommigen droegen daarbij een stuk brood en kaas op de borst, om te toonen, dat zij voor de eerste levensbehoeften streden. Vooral Haarlem had veel van die woeste benden te lijden, doch een aanval op Leiden werd afgeslagen. In 1492 maakte Albrecht van Saksen ook aan deze buitensporigheden een einde.
Nauwelijks was deze strijd afgeloopen, of een nieuwe vijand deed zich op. Karei van Egmond, zoon van Adolf (zie § 4), werd door de Gelderschen als hun hertog erkend, en sloot zich bij Frankrijk aan. Door den vrede van Senlis (bl. 48) verloor hij dezen bondgenoot; maar hij zette alleen den oorlog voort en wist zich jaren lang tegen 't machtige Oostenrijksche huis staande te houden.
In 1493 volgde Maximiliaan zijn vader als keizer op, zoodat hij 't regentschap niet langer kon waarnemen. Ondanks zijn jeugdigen leeftijd nam Filips de Schoone in 't volgende jaar zelf de regeering in handen. Hij verklaarde bij zijne inhuldiging alle privilegiën, die na den dood van Karei den Stouten geschonken waren , voor vervallen, dus ook 't Groot-Privilegie, zonder dat zich eenig verzet openbaarde. Toen ook de oorlog met Gelder voor enkele jaren rustte, heerschte een algemeene vrede in de Nederlandsche gewesten. In 1496 huwde Filips met Johanna, dochter van Ferdinand van Arragon en Isabella van Castilië. Dit huwelijk legde den grond tot de zoo aanzienlijke uitbreiding der macht van 't Oostenrijksche huis, daar Johanna weldra door 't overlijden haars broeders en van hare oudere zuster de eenige erfgenaam werd der Spaansche landen. Voor de Nederlandsche
51
gewesten daarentegen was deze verbintenis de bron van talloozè onheilen.
In 1501 begaf zich Filips met zijne gemalin tijdelijk naar Spanje, waar zij als toekomstige souvereinen werden erkend. De dood van Isabella in 1504 maakte hunne overkomst opnieuw noodig; maar wegens den hernieuwden oorlog met Gelder konden zij eerst in 1506 afreizen. Filips, tot koning van Castilië gehuldigd , geraakte al spoedig oneenig met zijne nieuwe onderdanen, die ontevreden waren over de gedragingen der Vlaamsche edelen van 's konings gevolg. Daarbij toonden de Spaansche grooten zich gekrenkt, omdat Johanna geheel op den achtergrond werd geschoven. De bewering, dat zij aan vlagen van krankzinnigheid leed, vond namelijk weinig geloof. Slechts 8 maanden had Filips geregeerd, toon hij onverwachts overleed (1506) op negenentwintigjarigen leeftijd. Hij liet twee zonen na, Karei en Ferdinand ; van zijne dochters bekleedt Maria eene plaats in de geschiedenis der Nederlandsche gewesten.
§ 4. Gelder. Utrecht. Friesland.
1423â1538. Het huis Egmond.
1471. Arnoud verpandt Gelder aan Karei den Stouten.
1492. Karei van Egmond als hertog erkend.
1538. Willem van Kleef, Gulik en Berg volgt Karei op.
1543- Karei V wordt hertog van Gelder.
1456â1496. David van Bourgondië bisschop van Utrecht.
1528. Karei V wordt heer van Utrecht en Overijsel.
1536 Karei V ontneemt Drente aan Karei van Egmond.
1498. Albrecht van Saksen erfpotestaat van Friesland.
1524. Karei V wordt heer van Friesland.
1499- Albrecht van Saksen met Groningen beleend.
1536 Groningen onderwerpt zich aan Karei V.
Keizer Sigismund erkende Arnoud van Egmond (1423 â 1471) niet als hertog van Gelder en Gulik (bl. 38), maar beleende Adolf, graaf van Berg, met de hertogdommen. In de oorlogen , die hierdoor ontstonden, was Arnoud niet gelukkig. Wel behield hij Gelder, doch Gulik moest hij na een langdurigen strijd afstaan. De groote geldsommen, die de Gelderschen tot het voeren van dezen en andere oorlogen moesten opbrengen, en tot
4*
52
onderhoud van Arnouds kostbare hofhouding, gevoegd bij zijn slecht bestuur , brachten eene algemeene ontevredenheid teweeg. Het kwam ten laatste tot een openbaren strijd, die aangewakkerd werd door Filips van Bourgondië, en waarin zelfs Katha-rlna van Kleef, de gemalin en Adolf, de zoon van Arnoud, zich aan 't hoofd der misnoegden stelden. Adolf had de laagheid zijn vader verraderlijk gevangen te nemen; na zich in schijn met hem verzoend te hebben, liet hij hem gedurende een kouden winternacht van Grave naar Buren brengen en daar nauw bewaken (1465). Bijna geheel Gelder erkende Adolf nu als hertog, maar Arnouds vrienden liepen de tusschenkomst in van Karei den Stouten. Deze verlangde niets liever, ontsloeg Arnoud uit den kerker en trachtte eene verzoening te bewerken. Adolf weigerde echter de voorstellen van den Bourgondischen hertog aan te nemen, waarop Karei hem gevangen nam en Arnoud in 't bestuur herstelde. Hiertegen verzetten zich de Gelderschen zoozeer, dat Arnoud in 1471 afstand deed, en 't hertogdom voor 350.000 goudguldens aan Karei verpandde. Twee jaar latei-overleed hij.
Karei de Stoute moest zich door de wapenen in 't bezit van Gelder stellen, daar liet met de beschikkingen van Arnoud geen genoegen nam , en Adolf als wettigen erfgenaam erkende. Evenwel moesten de Gelderschen voor de overmacht bukken, groote geldsommen opbrengen en hunne privilegiën zien schenden. De dood van Karei gaf uitkomst; Adolf werd door de Vlamingen uit de gevangenschap bevrijd, doch sneuvelde bij Doornik (1477) in een gevecht tegen de Franscheri (bi. 48\ Hij liet een jongen zoon, Karei, na, die zich aan 't Bourgondische hof bevond. Maximiliaan weigerde dezen in 't bezit van zijn hertogdom te stellen , en dwong door zijne troepen de Gelderschen tot gehoorzaamheid.
Tien jaar later geraakte Karei van Egmond, die in 't Oosten-rijksche leger tegen Frankrijk diende, krijgsgevangen. De Gelderschen kochten hem in 1492 vrij en erkenden hem als hertog. Door Frankrijk ondersteund begon Karei nu een oorlog tegen de Oostenrijksche vorsten , die ongeveer 50 jaren heeft geduurd en
53
de grootste ellende over ons land uitstortte. Met behulp van den dapperen, maar gruwzamen Maarten van Rossum wist Karei zich langen tijd tegen den machtigen keizer Karei V niet alleen staande te houden, maar zelfs in Utrecht, Friesland, Groningen , Drente en Overijsel eenigen tijd gezag uit te oefenen. Doch eindelijk koerde de kans. Karei van Egmond moest voor de overmacht van den keizer wijken en 't verdrag van Gorinchem sluiten (1528), waarbij bepaald werd, dat Gelder en Zutfon bij 't uitsterven van 't huis Egmond aan Karei V zouden vervallen. Later bood de hertog uit haat tegen den Oostenrijker aan den koning van Frankrijk de opvolging aan. Toen hij in 1588 gestorven was, benoemden de staten van Gelder, Willem van Kleef, Gulik en Berg tot opvolger, daar 't verdrag van Gorinchem noch 't aanbod aan Frankrijk met hunne goedkeuring was geschied. De nieuwe hertog had niet lang genot van zijne gebiedsvergrooting, daar hij reeds in 1548 gedwongen werd Gelder aan Karei V af te staan ').
Filips de Goede had met toestemming van den paus zijn zoon David (1456 â 1496) in Utrecht op den bisschopszetel geplaatst, ondanks den tegenstand der kanunniken (blz. 22). Gedurende de regeering van zijn vader en zijn broeder kon David van Bourgondië zich tegen zijne onwillige onderdanen handhaven; maar nauwelijks was Karei de Stoute gesneuveld, of de ontevredenen staken 't hoofd op en noodzaakten , bijgestaan door de Hoekschen, den bisschop zich te Wijk-bij-Duurstede te vestigen. Utrecht en Amersfoort werden ingenomen en zes jaren lang was 't bisdom ten prooi aan den burgeroorlog (Jan van Schaffelaar, 1482). Maximiliaan bracht wel den bisschop in Utrecht terug, maar behield 't wereldlijk gezag over 't Sticht voor zichzelven.
Ook de opvolgers van David konden zich moeilijk staande houdon ; zelfs bezette Karei van Egmond in 1511 de stad Utrecht mot zijne troepen. De laatste bisschop, die in naam wereldlijk
J) Dc naam Gelderland kwam sedert 1545 in gebruik , om daarmede 't geheele gebied der vroegere hertogen van Gelder aan te duiden.
54
gezag uitoefende, was Hendrik van Beieren; buiten machte om tegen zijne oproerige onderdanen en den Gelderschen hertog den strijd vol te houden, bood hij de heerschappij over 't Sticht aan Karei V tegen eene jaarwedde aan (1528).
Behalve Utrecht had Karei van Egmond ook Overijsel en Drente voor zijne wapenen doen bukken, doch de Geldersche heerschappij maakte zich weldra gehaat. Daarom erkende ook Overijsel in 1528 Karei V als heer met goedvinden van den bisschop, terwijl Karei van Egmond in 1536 Drente aan den keizer moest afstaan.
Ondanks hunne voortdurende onderlinge verdeeldheid bleven de Friezen hunne onafhankelijkheid tegenover vreemde vorsten handhaven. Zelfs de Bourgondische vorsten kregen in hun land geen vasten voet, al noemden zij zich heer van Friesland. Toch zou ook voor dit vrijheidlievende volk 't uur der onderwerping slaan. Maximiliaan erkende in 1498 Albreeht van Saksen (bi. 49) als erfpotestaat (= machthebber) van Friesland voor eene som van 350.000 goudgld. Het gelukte Albreeht de Schie-ringers voor zich te winnen en nu was de verovering van 't gewest spoedig voltooid. Na zijn dood (1500) kwamen zijne zonen Hendrik en George achtereenvolgens aan 't bestuur, doch de Friezen schudden 't vreemde juk af en riepen Karei van Egmond te hulp. Dit gaf George van Saksen aanleiding met Karei V in onderhandeling te treden, wien hij in 1515 Friesland voor 850.000 goudgld. afstond. In dezen strijd om Friesland onderscheidde zich door dapperheid, maar ook door wreedheid de zeeschuimer Groote Pier, wiens goederen door do Saksers waren verwoest. Sedert 1524 was Karei V onbetwist heer van 'tland.
In Groningen oefenden de bisschoppen weinig gezag uit. Ook in dit gewest woedde de strijd tusschen de Schieringers en Vet-koopers, bovendien heerschte er dikwijls verdeeldheid tusschen de stad en 't platte land (de Ommelanden). Door Maximiliaan in 1499 met Groningen beleend, trachtte Albreeht van Saksen met Edzard , graaf van Oost-Friesland , vereenigd, 't gewest te
55
veroveren. Edzard werd in 1506 als heer erkend; maar geraakte daardoor in strijd met de Saksers. Hij riep nu de hulp in van Karei van Egmond, die in 1514 op zijne beurt door de Gronin-gers werd gehuldigd. De Ommelanden volgden dit voorbeeld in 1521. â Sedert de macht van Karei V voor goed in Friesland gevestigd was , kon de hertog zich in Groningen moeilijk staande houden; ook waren de inwoners van dit gewest met het drukkende Geldersche bestuur weinig ingenomen , om welke reden zij in 1536 zich aan den keizer onderwierpen.
§ 5. Toestanden.
De verccniging van zoovele gewesten onder 't Bourgondische huis bracht niet alleen in de staatkundige , maar ook in de maatschappelijke toestanden groote veranderingen teweeg. Geen keizerlijk, noch koninklijk hof in Europa kon zich in rijkdom en pracht met dat van den hertog meten. Toen na de verovering van Konstantinopel (1453) Filips 'tplan opvatte de Turken te beoorlogen en hij zijne edelen wilde opwekken tot den strijd, gaf hij hun te Kijsel eenc reeks van feesten, die met de meest overdadige verkwisting werden gevierd. Alleen zware belastingen, die 't privilegie der steden, om de beden al of niet toe te staan, geheel denkbeeldig maakten, konden zulk eene buitensporige weelde bekostigen. Elk verzet daartegen werd bloedig gestraft, en had de intrekking van andere voorrechten ten gevolge. De invloed der bevolking op 't stedelijk bestuur, door gilden en andere vereenigingen uitgeoefend, ging langzamerhand verloren, en 't gezag kwam in handen van eene aristocratie, welke aan den hertog hare opkomst had te danken, maar juist, daarom vaak de belangen der poorters bij die van den vorst achterstelde (bi. 44).
Het voorbeeld, door quot;t Bourgondische hof gegeven, vond al spoedig navolging, in de eerste plaats bij den adel, vervolgens ook bij de aanzienlijke burgers. In woning en huisraad , in kleeding, spijs en drank begon eene toenemende weelde te heerschen. Wel kwamen kunst en nijverheid daardoor tot grooteren bloei, maar ten koste van veler welvaart.
De Fransche taal werd door de Bourgondische heerschappij meer bekend en beoefend. Dit werkte minder gunstig op de volkstaal, daar zij vele bastaardwoorden in zich opnam. Het Fransch bleef hoofdzakelijk de taal der hofkringen en naast het Latijn die van de geleerden.
In de beoefening der kunsten en wetenschappen deden de 15quot; en de 16' eeuw eene belangrijke schrede voorwaarts. De gebroeders Huibert
56
en Jan van Eyck legden zich met goed gevolg op het schilderen met olieverf toe en vormden bekwame leerlingen. De beroemde beschilderde kerkglazen te Gouda zijn van de gebr. Crabeth. Ook in de graveer-, houtsnee- en beeldhouwkunst werd veel schoons voortgebracht. (Lucas van Leiden, Klaus Sluter). Niet minder bloeide de bouwkunde, waarvan zoovele kerken en torens, stadhuizen en paleizen getuigen. Leuven ontving in 1426 van zijn hertog eene hooge-school, de eerste in de Nederlandsche gewesten. Van onberekenbare gevolgen voor den vooruitgang der beschaving is de uitvinding der boekdrukkunst geweest, hetzij dan op eigen of op vreemden bodem geschied.
Vooral moest die uitvinding '^onderwijs ten goede komen, al was dit niet spoedig merkbaar. Reeds sinds de dagen van Floris V was 't getal scholen zeer toegenomen, en werden in vele steden, ondanks den tegenstand der geestelijkheid, ook leeken als onderwijzers aangesteld. Veel had 't onderwijs te danken aan den edelen Geert de Groote ff 1384), kanunnik te Deventer, en zijn vriend Floris Rade-wijns. Met het doel waren godsdienstzin, volksverlichting en onderwijs te bevorderen, vestigden zij eene vereeniging, de âBroederschap des gemeenen levensquot; genaamd. Deze stichtte 't Fraterhuis te Deventer, waarin zoowel arme als gegoede jonge lieden werden opgenomen, zonder door monniken- of priestergeloften gebonden te zijn. Weldra ontstonden in vele andere plaatsen in en buiten ons land dergelijke inrichtingen, waaruit beroemde mannen zijn voortgekomen, als: Thomas jk Kempis, Wessel Gansfoort, Rudolf Agricola , Desiderius Erasmus.
Naarmate de steden in welvaart toenamen, gevoelden de poorters meer behoefte aan beschaving van den geest. Vandaar 't ontstaan van rederijkerskamers of vereenigingen, waarin men zich met letteroefeningen bezig hield. Al spoedig werd 't geven van tooneelvoorstellingen hoofdzaak, vaste tooneelgezelschappen waren er in dien tijd nog niet. Reeds in vroegere eeuwen gaven de geestelijken op kerkelijke feestdagen aan 'tvolk voorstellingen uit de bijbelsche geschiedenis te aanschouwen , die mysteriën genoemd werden, en als de oorsprong van het tooneel in de Middeleeuwen zijn te beschouwen. â De stukken, door de rederijkers opgevoerd, waren zoowel van ernstigen als van luimigen aard; men noemde ze zinnespelen, abele spelen, esbattementen, enz. Aan 't hoofd der kamers stond dikwijls een voornaam persoon met den titel van keizer of prins, verder had men den deken, den fiskaal en zelfs den nar, die bij de voorstellingen 't publiek vermaakte. Vooral de wedstrijden {landjuweelen, haagspelen) tusschen de kamers werden met grooten luister gevierd. De meeste producten der rederijkers hebben weinig kunstwaarde, alleen voor de kennis van den tijdgeest zijn zij van veel belang. De gebreken van hoogerc en lagere
57
stiindcn worden ev in gegispt, terwijl toespelingen op verkeerdheden in staat en kerk er veelvuldig in voorkomen. Om die reden hadden de kamers liet onder Karei V en Filips hard te verantwoorden, en meer dan één rederijker moest zijne stoute taal met den dood boeten. Later werden zij in de Spaansche Nederlanden opgeheven , of onder streng toezicht gesteld.
AFDEELING IV.
Vervolg. Vereeniging van alle gewesten onder 't Oostenrijksche huis.
1506â1581.
§ 1. Karei V.
1500. Karei V volgt op. Margareta van Savoye landvoogdes,
'1515, Karei V aanvaardt de regeering.
'1521. Eerste plakkaat tegen de hervorming.
'1530. Maria van Hongarije landvoogdes. Wijziging in 't landsbestuur.
'1543. Vereeniging van al de Nederlandsche gewesten.
'1548. De verhouding der Nederlandsche gewesten tot het Duitsehe rijk geregeld.
'1549. Pragmatieke Sanctie. Filips als toekomstige vorst gehuldigd.
1555. Karei V doet afstand van de regeering.
Bij 't overlijden van Filips den Schoonen was zijn oudste zoon Karei pas zes jaar oud. Maximiliaan trad als voogd van zijn kleinzoon op en benoemde zijne dochter Margareta, weduwe van hertog Filibert van Savoye, tot landvoogdes van de Nederlandsche gewesten. ])e opvoeding van den jeugdigen vorst werd toevertrouwd aan een Utrechtschen geestelijke, Adriaan Floris-zoon Boeyens, die later als Adriaan VI den pauselijken troon beklom.
Door een samenloop van omstandigheden word Karei, voor hij zijn twintigste levensjaar bereikt had, de machtigste vorst van Europa. In 1515 aanvaardde hij de regeering over de Nederlanden , 't volgende jaar werd hij door 't overlijden zijns grootvaders Ferdinand , koning van Spanje en in 1519 erfde hij van Maximiliaan de Oostenrijksche erflanden. Bovendien droegen de keurvorsten hem de Duitsch-keizerlijke waardigheid op.
Daar Kareis moeder, Johanna van Arragon , ongeschikt geoordeeld was voor de regeering (bl. 51), had Ferdinand 't bestuur over Castilië in handen genomen na den dood van Filips den Schoonen. Nu
58
Karei ook in Arragon opvolgde, was hij de eerste vorst, die ovor geheel Spanje regeerde. Daarbij erfde bij van zijn grootvader Napels , Sicilië, Sardinië en Milaan. Nog werd een groot deel van Amerika (in 1492 door Columbus met Spaansche schepen ontdekt) aan zijn gebied toegevoegd.
Het bestuur over de Oostenrijksche landen droeg Karei aan zijn broeder Ferdinand op, terwijl Margareta met het bewind over de Nederlanden belast bleef.
Als beheerscher van zoovele landen bekleedt Karei (in Spanje de eerste, in Holland de tweede, in Duitschland de vijfde vorst van dien naam) eene hoogst belangrijke plaats in de wereldgeschiedenis. â Zijne regeering was zeer onrustig. In Spanje verkreeg hij na 't onderdrukken van hevige opstanden eene bijna onbeperkte heerschappij. Tegen Frans I, koning van Frankrijk, die mede naar de keizerlijke waardigheid gedongen had, voerde hij vier oorlogen, voornamelijk over 't bezit van Milaan en Bourgondië. Zijne Oostenrijksche landen had hij te verdedigen tegen den Turkschen sultan Soliman, en tweemaal ondernam hij een krijgstocht naar 't noorden van Afrika. In Duitschland bracht zijn streng optreden tegen de hervorming hem in strijd met de protestantsche vorston.
Het doel, waarnaar de Bourgondische vorsten hadden gestreefd, werd door Karei V in zoover bereikt, dat hij sedert 1643 al de Nederlandsche gewesten onder zijn bestuur vereenigde. Die gewesten, 17 in getal, bestonden uit 5 hertogdommen: Brabant, Limburg, Luxemburg en Gelderland ; 7 graafschappen ; Vlaanderen , Artois , Henegouwen , Holland , Zeeland , Namen en Zutfen; I markgraafschap: Antwerpen; 5 heerlijkheden: Friesland, Groningen, Overijsel (met Drente), Utrecht en Mechelen.
De pogingen, door Filips van Bourgondië aangewend om de Nederlandsche gewesten tot een staatkundig geheel te vereenigen , werden door Karei V met ijver voortgezet. Ook hij zag in de herhaalde bijeenroeping der Algemeene Staten (meer dan 50 maal) een geschikt middel om zijne plannen te bevorderen. Gaf de telkens wederkeerende behoefte aan geld hiertoe aanleiding en wachtte Karei zich wel den Staten een rechtstreeksch aandeel in 't landsbestuur te geven, toch werden zij gehoord over zaken van algemeen belang , en over gewichtige regeeringszaken geraadpleegd.
Toen Margareta van Savoye in 1530 gestorven en in de
59
landvoogdij opgevolgd was door Kareis zuster Maria, weduwe van Lodewijk, koning van Hongarije, nam de keizer een belangrijken maatregel tot bevordering van de eenheid in 't bestuur. Hij stelde drie regeeringsraden in, die de landvoogdes ter zijde zouden staan; zij waren: de Baad van State, de Geheime Raad en do Raad van Financiën.
De Raad van State bestond uit een onbepaald getal leden. Naast de stadhouders der gewesten en de vliesridders werden de bisschoppen, de leden van den Grooten Raad en andere aanzienlijke personen meestal daarin opgenomen. De landvoogdes was gehouden over oorlog en vrede, betrekkingen met vreemde mogendheden en benoeming van ambtenaren 't advies van dien raad in te winnen, doch niet verplicht het op te volgen.
De Geheime Raad, bestaande uit 10 of 12 leden, oefende toezicht uit op de justitie en politie. Hij ontwierp nieuwe wetten en besluiten, en beslechtte geschillen tusschen de rechtbanken.
De Raad van Financiën telde 7 leden , die toezicht hielden op de vorstelijke domeinen en inkomsten, en alles regelden, wat het bepalen en invorderen der beden betrof.
De banden, waarmede de gewesten in de Middeleeuwen aan 't Duitsche rijk gehecht waren, en wat Artois en Vlaanderen betreft aan Frankrijk, waren sinds 't optreden der Bourgondische vorsten feitelijk verscheurd, maar nooit vormelijk losgemaakt. Keizers en koningen, als Sigismund en Lodewijk XI hadden daarom de vereeniging dier gewesten zooveel mogelijk tegengewerkt , en met wantrouwen een machtigen staat aan de grenzen van hun gebied zien verrijzen. Zoolang de staatseenheid niet wettelijk was bevestigd en ook door 't Rijk erkend, bestond de mogelijkheid, dat zij weder verbroken zou worden, te eerder omdat niet overal dezelfde bepalingen omtrent de opvolging golden. Aan deze omstandigheden moeten do belangrijke besluiten worden toegeschreven, die Karei V in 1548 en '49 nam, ten einde 't bezit der gewesten aan zijne nakomelingen te verzekeren. Op den rijksdag te Augsburg werd bepaald, dat de Nederlanden onder den naam van Bourgondischen Kreits een onafhankelijk deel van 't Rijk zouden uitmaken. Het. nieuwe district zou de bescherming van 't Rijk genieten, in rang gelijk staan met het aartshertogdom Oostenrijk en op de rijksdagen vertegenwoor
60
digd worden. Daarvoor moest, het evenveel krijgsvolk en geld (ongeveer Æ 20.000) opbrengen als twee keurvorsten, doch ten opzichte van de rechtspraak zou het onafhankelijk blijven. â In 't volgende jaar voltooide de keizer zijn werk door 't uitvaardigen van de Pragmatieke Sanctie. Dit was eene wet, die Karei vaststelde, nadat hij de Staten had â geraadpleegd en waarbij bepaald werd, dat in allo gewesten dezelfde regelen omtrent de opvolging zouden gelden. Nog in 't zelfde jaar werd Kareis zoon Filips als toekomstig heer gehuldigd.
Het was in menig opzicht voor de Nederlanden een zeer twijfelachtig voorrecht, zulk een machtigen vorst als Karei V tot heer te bezitten. Terwijl de keizer in vele buitenlandsche oorlogen gewikkeld was, leden zij vreeselijk door vijandelijke invallen.
Enkele voorbeelden. In 1517 trok eene door George van Saksen ontslagen bende ,,de Zwarte Hoopquot; door Holland en Utrecht, plunderde verschillende steden , verbrandde tal van dorpen en doodde de inwoners bij honderden. In 1525 ondernam Christiaan H van Denemarken , ontevreden omdat Holland hem tegenwerkte in 't herwinnen van zijn troon , een wraaktocht door Overijsel, Gelderland , Utrecht en Holland , en plunderde o. a. 's-Gravcnhage en Alkmaar. In 1528 drong de woeste Maarten van Rossum in Holland door en bedreef te 's-Gravcnhage de grootste gruwelen. Maar het ergerlijkste geschiedde, toen met Karei van Egmond over het verdrag van Gorinchcm onderhandeld werd (bl. 53). De hertog verlangde schadevergoeding voor een inval in zijne gewesten en kreeg verlof, zich die zelf te verschaffen in 'tEcm- en Gooiland en 't Overkwartier van Utrecht. Soest werd door de Gelderschen in asch gelegd en een groot getal plaatsen gebrandschat. Zoo behartigde een Karei V 't welzijn zijner onderdanen !
Het uitgeputte landvolk bood in 1543 de landvoogdes van twee koeien één , indien zij Holland van branden en brandschatten bevrijdde.
Bij al die rampen kwamen nog de zware beden , die telkens weer geëischt werden, onverschillig of vijandelijke benden de inwoners hadden uitgeschud en overstroomingen 't land geteisterd, want de keizer trok uit de Nederlanden veel grooter sommen dan uit zijne andere staten (dikwijls de voor dien tijd ontzaggelijke som van 5 millioen). Werd de bede geweigerd , dan volgde zware straf. Dit ondervond Gent in 1540. De stad, die zich drie jaar lang verzet had, moest groote geldsommen betalen,
61
verloor hare eigendommen en handvesten, en verscheidene harer burgers boetten hun tegenstand met den dood.
De privilegiën werden weinig ontzien door een vorst, die verklaarde , dat er voor een volk geen beter voorrecht bestond , dan geene voorrechten te hebben. Karei verlangde zelfs, dat men hem de oorkonden, waarbij bijzondere rechten verleend waren, zou toezenden, om daarnaar eene algemeene wetgeving op te stellen; maar uit wantrouwen zond men afschriften of in quot;t geheel niets.
De regeering van Karei V had ook hare lichtzijde. Wij zagen reeds, dat de grond werd gelegd tot een geregeld bestuur en eene betere administratie. Daarbij was de opruiming van vele bijzondere privilegiën in 't algemeen belang, en noodig tot het verkrijgen van de zoo gewenschte eenheid. Omkooping en bedrog van ambtenaren werden met kracht tegengegaan , en door verstandige maatregelen de bloei van den handel en andere middelen van bestaan bevorderd. De lasten worden meer gelijkmatig verdeeld, alle bestaande vrijdommen afgeschaft, en ook van 't grondbezit van adel en geestelijkheid belastingen geheven. Voorts verschenen betere bepalingen omtrent de munt en 't beheer der dijken, een plakkaat tegen bedelaars en landloopers, benevens verschillende andere besluiten in 't belang der veiligheid van personen en goederen.
Ondanks de groote ellende in die streken, waar vijandelijke benden stroopten, moeliten de Nederlandsclic gewesten onder Karei V over 't geheel tot de bloeiendste landen van Europa gerekend worden. Zij werden bewoond door eene nijvere en voor dien djd dichte bevolking (3 millioenj, die haar bestaan vond in landbouw en nijverheid, doch bovenal in handel, scheepvaart en visscherij. Antwerpen was de voornaamste koopstad, Brugge en Gent geraakten in verval. Honderden schepen lagen somtijds te gelijk voor de stad, 5000 personen bezochten tweemaal per dag do beurs , meer dan 1000 vreemde handelshuizen waren er gevestigd. Terwijl Antwerpen mot Frankrijk en Duitschland , maar vooral op 't vooruitstrevende Portugal handel dreef, was Amsterdam 't middelpunt van den graan- en houthandel op de Oostzee. Vee en zuivelproducten werden naar 't buitonland vervoerd. In Holland bloeiden vele plaatsen door de visscherij; de haringvangst leverde aan duizenden een middel van bestaan. Niettemin leden han-
B2
del en scheepvaart dikwijls groote verliezen door de Fransche kapers en de vijandige gezindheid van Denemarken en de Hansa (Lubeck).
In de latere Middeleeuwen was op 't gebied van kunst en wetenschap een nieuw leven ontstaan {Renaissance), het eerst in Italië. Men nam daarbij als voorbeeld aan , hetgeen van de Grieksche en Romeinsche oudheid was overgebleven. De werken der letterkundigen en wijsgee-ren uit dien tijd werden opgespoord en vlijtig beoefend , vooral werkte de overkomst van Byzantijnsche geleerden en kunstenaars gunstig op die beweging. Hoogescholen en bibliotheken werden opgericht, terwijl vorsten en andere aanzienlijke personen het streven naar kennis en kunst bevorderden. Het voorbeeld door Italië gegeven vond navolging in andere Europeesche landen, en zoo ontstond die vooruitgang in ontwikkeling en beschaving, welke een der kenmerken is van den nieuwen tijd. â Naarmate op wetenschappelijk gebied meer verlichte denkbeelden begonnen te heerschen, konden velen zich niet langer vereenigen met sommige gebruiken en leerstellingen der kerk, terwijl de onkunde en 't gedrag van monniken en andere geestelijken algemeen aanstoot gaven. Pogingen om door kerkvergaderingen verbetering aan te brengen en misbruiken weg te nemen waren wel beproefd, maar hadden weinig gevolgen opgeleverd. Ook bijzondere personen trachtten in de en ISquot; eeuw hervormingen in te voeren en vonden talrijke aanhangers, doch sommigen van hen boetten hun streven met den dood ; want do 'kerk duldde geene afwijking van de leer, die buiten haar toedoen was vastgesteld.
Het was aan de 16e eeuw voorbehouden, die veranderingen op kerkelijk gebied teweeg te brengen, welke onder den naam van de Iler-vonniïuj bekend zijn. Het eerst trad de Augustijner monnik Luther, hoogleeraar te Wittenberg, als hervormer op. Zijn verzet tegen den aflaathandel (1517) gaf daartoe aanleiding. Bijna gelijktijdig predikte Zwingli te Zürich, eenige jaren later Calvijn te Geneve afwijking van de kerkleer. De talrijke volgelingen der hervormers , naar hen Lu-therschen, Calvinisten, enz. genoemd , ontvingen weldra den gemeen-schappelijken naam Yamp;nprotestanten, en werden bijna overal hevig vervolgd.
In de Nederlandsche gewesten vonden de beginselen van de hervorming spoedig ingang. De fraterhuizen hadden den weg bereid voor de nieuwe leer. De geschriften der mannen, welke uit deze stichtingen waren voortgekomen (bl. 56), werden in andere talen overgezet en talrijke malen herdrukt. De geleerde Erasmus, âhet wonder zijner eeuwquot;, was wel voorstander van eene hervorming in de kerk , maar wenschte geene scheuring. Door zijn wetenschappelijken arbeid, misschien nog meer door zijn âLof der Zotheidquot;, waarin hij ondeugd, domheid en overdaad aanviel, werkte hij echter den voortgang der nieuwe denkbeelden zeer in de hand.
63
Karei V was een groot vijand van de hervorming en trachtte hare vorderingen met geweld te stuiten. In zijn tijd en nog veel later bestond de meening, dat verschil van godsdienst onder de inwoners van een zelfden staat de noodlottigste gevolgen na zich kon sleepen en daarom niet geduld mocht worden. Door de omstandigheden gedwongen, moest de keizer in Duitschland met toegevendheid handelen. maar in Spanje werd de hervorming door de vreeselijke inquisitie bijna geheel uitgeroeid. Ook in ons land trad Karei V zonder genade tegen de protestanten op. Reeds in 1521 verscheen een plakkaat, waarin het bezitten, lezen en verspreiden van de geschriften en leeringen der hervormers op zware straffen werd verboden. In 't volgende jaar werden inquisiteurs (geloofsonderzoekers) benoemd, die aan 't ver-bodschrift uitvoering moesten geven. Weldra bleek, dat het plakkaat geene ijdele bedreiging was. Velen werden om 't geloof onthoofd, levend begraven of verbrand ; doch zoo weinig lieten de hervormden zich afschrikken, dat elf malen de plakkaten werden vernieuwd en verscherpt.
De gevaarlijke secte der wederdoopers vond in ons land veel aanhangers. De uitspattingen, waaraan zij zich schuldig maakten, cn hunne aanslagen op Leiden en Amsterdam (1534 en '85) wettigden de vervolgingen , waaraan zij blootstonden. De vreedzame doopsgezinden (Menno Simons), ten onrechte met hen gelijk gesteld, moesten het evenzeer ontgelden.
Karei V had gedurende zijne langdurige regeering vele teleurstellingen ondervonden, zijne meeste plannen waren mislukt en daarbij werd hij door lichamelijk lijden gekweld. Hierom besloot hij zich van de heerschappij te ontdoen. In 1555 droeg hij te Brussel de Regeering over aan zijn zoon Filips, die hem een jaar later ook in Spanje opvolgde. Ferdinand werd in zijne plaats tot keizer van Duitschland verkozen. Na zijn afstand vertrok Karei, gevolgd door de landvoogdes Maria , naar Spanje , waar hij zich in de nabijheid van 't klooster Yuste vestigde en in 1558 overleed.
B4
§ 2. Be eerste regeeringsjaren van Filips II.
1559. Filips vertrekt naar Spanje.
1560. De vreemde troepen verlaten het land.
1561. Nieuwe bisschopszetels opgericht.
1564. Granveile verlaat het land.
1565. Zending van Egmond naar Spanje. Verbond der edelen.
1566. Aanbieding van 't smeekschrift. Geuzen. Moderatie. Zending van Bergen
en Montigny. Hagepreeken. Het verbond der consistoriën en dat der kooplieden. Beeldenstorm.
1567. Gevecht bij Austruvveel. Oranje vertrekt.
Filips II (UI), in 1527 geboren, was trotsch en heerschzuchtigvan karakter. Hij wenschte zijn koninklijk gezag zoo weinig mogelijk beperkt te zien, en kon zich daarom moeilijk schikken naar de Nederlanders, zoo naijverig op 't behoud hunner privilegiën. In bekwaamheden stond hij ver beneden zijn vader, maar zijne werkzaamheid zoowel als zijne wantrouwende inborst dreef hem aan, alles zelf te willen verrichten, waardoor hij belangrijke zaken voor kleinigheden verzuimde. Daarbij was hij in hooge mate besluiteloos, zoodat hij dikwijls 't gunstige oogenblik liet voorbijgaan. Het uitroeien der ketterij achtte hij zijn eersten plicht; wellicht moet daaraan, meer dan aan eene wreede geaardheid zijn meedoogenloos vervolgen der hervormden toegeschreven worden.
Nauwelijks had Filips II de regeering aanvaard, of Frankrijk hernieuwde den oorlog. Door Engeland bijgestaan (Filips was gehuwd met koningin Maria, f 1558) voerde hij den oorlog met veel geluk. Bij St.-Quentin ('57) en Grevelingen ('58) behaalden de hertog van Savoye en de graaf van Egmond de overwinning, zoodat Filips bij den vrede van Chateau Cambresis (1559) voor-deelige voorwaarden kon bedingen. De hertog van Savoye, Maria's opvolger, kreeg zijn land van Frankrijk terug en legde de landvoogdij neer. Kort na den vrede trad Filips in 't huwelijk met Elizabeth van Valois, dochter van Hendrik II.
Alvorens naar Spanje te vertrekken, regelde de koning 't bestuur over de Nederlandsche gewesten. Margareta van Parma, zijne halfzuster, werd met de landvoogdij bekleed, onder voorwaarde , dat zij in alle omstandigheden de Consulta (een nieuw regeeringslichaam, meestal Achterraad genoemd) moest raadplegen. Leden van de Consulta waren : Antonius Perenot, bisschop
65
van Atrecht, Viglius van Aytta van Zuichem , een bekwaam Friesch rechts- en godgeleerde en de baron van Barlaimont. Perenot werd tevens voorzitter van den Raad van State , Viglius van den Geheimen Raad en Barlaimont van den Raad van Financiën. Voorts werden tot stadhouders benoemd: Lamoraal graaf van Egroond (Vlaanderen en Artois), Willem, prins van Oranje (Holland, Zeeland en Utrecht), de graaf van Magen (Gelderland), de graaf van Aremberg- (Friesland, Groningen ) Drente, Overijsel), de markgraaf van Bergen (Henogonwen), Floris van Montmorency, baron van Montigny (Doornik); Brabant , in welks hoofdstad, Brussel, de landvoogdes haar verblijf hield, had geen stadhouder. Filips van Montmorency, graaf van Hoorns, werd admiraal en voerde 't bevel over de vloot, die Filips naar Spanje overbracht.
Vóór zijn vertrek riep Filips de Algemeene Staten nog eenmaal samen, daar hij groote geldsommen behoefde voor de achterstallige soldij der Spaansche troepen , die in de zuidelijke provinciën gelegerd waren. De Staten klaagden bij die gelegenheid over den moedwil, waaraan de soldaten zich schuldig maakten, en drongen op hun vertrek aan; onk uitten zij den wensch, dat-slechts Nederlanders in 't bestuur zouden aangesteld worden. (Waarschijnlijk doelde meu op Perenot, dien men als een vreemdeling beschouwde.) Filips geraakte hierdoor in toorn, verklaarde, dat zij zich te dien aanzien niet te beklagen hadden, doch gaf toe, wat de troepen betrof. Zij verlieten ons land in 1560.
Willem van Oranje (de Zwijger), geboren in 1533, was de zoon van Willem den Rijken, graat'van NassauâDillenburg en Juliana van Stolberg. Zijn neef René van Chalons liet hom in 1544 al zijne goederen na, bestaande uit het prinsdom Oranje en talrijke bezittingen in de Nederlanden. Door zijn huwelijk met Anna van Buren werden die bezittingen nog aanzienlijk vermeerderd, zoodat Willem tot de rijkste edellieden dezer gewesten behoorde. Zijne ouders hadden de leer van Luther aangenomen; hij zelf werd aan 't keizerlijk hof in 't katholieke geloof opgevoed. Karei V was hem zeer genegen en wijdde den schranderen jongeling in de geheimen der Europeesche staatkunde in. Zijne broeders Jan, Lodewijk, Adolf en Hendrik hebben ons land in den strijd tegen Spanje gediend.
J. M. Vos, \raderl. Gesch. '1' druk. ö
66
Lamoraal, graaf van Egmond, behoorde tot een rijk en aanzienlijk Nederlandseli geslacht. Zijne talenten als krijgsman waren grooter dan zijne bekwaamheid in de staatkunde. Hij was een getrouw aanhanger der katholieke leer, maar een tegenstander van Filips'regeeringsbeleid.
Filips van Montmorency, graaf van Hoorne fin Limburg, hoofdplaats; Weert), de broeder van Montigny, stamde af van eene aanzienlijke Fransche familie. Op staatkundig gebied was hij de gevoelens van Oranje en Egmond toegedaan.
Antonius Perenot, meer bekend onder den naam van kardinaal Granvelle, was geboortig uit Franehe-üomté, en een scherpzinnig staatsman. Hij was een getrouw aanhanger van zijn vorst, een voorstander van de gestrenge toepassing der plakkaten en van 't onbeperkt vorstelijk gezag. Om die reden behoorde hij tot de weinigen, die Filips' vertrouwen genoten.
De vervolgingen tegen de afvalligen van 't katholicisme hadden niet de uitwerking, die men er van verwachtte. Integendeel werd het aantal hervormden, vooral Calvinisten, steeds grooter. Filips zocht de oorzaak daarvan in 't gering getal bisdommen (4). en bewerkte nu bij paus Paulus JV, dat de Nederlandsche gewesten in 18 bisdommen werden verdeeld, waaronder 3 aartsbisdommen (Kamerijk, Mechelen en Utrecht). Daardoor werd een plan uitgevoerd, dat reeds door Karei Vin hoofdzaak was ontworpen. Granvelle werd tot aartsbisschop-primaat van Mechelen benoemd en tevens kardinaal. Hem verweet men, hoewel ten onrechte, deze nieuwe regeling, welke algemeen misnoegen verwekte. De hooge geestelijkheid was ontevreden, om de beperking van haar gezag en de vermindering harer inkomsten, de lagere geestelijken, omdat zij strenger toezicht vreesden, de edelen om den grooten invloed der geestelijken in de provinciale staten, en dewijl voortaan alleen doctoren in de godgeleerdheid een bisschopszetel mochten bekleeden. Eindelijk beschouwde de geheele bevolking den maatregel als een middel, om de Spaansche inquisitie in te voeren.
De ontevredenheid, die zich reeds tijdens Filips' aanwezigheid geopenbaard had, werd na zijn vertrek steeds grooter. Men begon don koning te beschouwen als een vreemden overheer-scher, die met den staatsraad te Madrid de regeeringsbeginselen voor de Nederlanden vaststelde. Bovendien klaagde de hooge
67
adel over den weinigen invloed van den Raad van State, daar de belangrijkste zaken in de Consulta werden behandeld. Gran-velle, 't invloedrijkste lid van dezen raad, werd daarom 't voorwerp van den algemeenen haat. De edelen beschouwden don man, die van zooveel lager geboorte was dan zij en hen in macht ver overtrof, met afgunst; de geheele bevolking schreef aan zijn invloed alle maatregelen toe, die haar hatelijk waren. In spotprenten en schimpschriften gaf men zijn gevoelen omtrent den kardinaal lucht. Oranje en Egmond stonden aan 't hoofd der oppositie tegen hem. Toen de klachten bij Filips ingebracht niets hielpen, namen Oranje, Egmond en Hoorne hun ontslag uit den Raad. Ten laatste drong de landvoogdes zelve op zijne verwijdering aan, waarna Granvelle een geheim bevel ontving om de Nederlanden te verlaten (1664).
Dp prins van Oranje, eerst niet Perenot bevriend, was later zijn tegenstander geworden. De verheffing van den bisschop tot kardinaal en 't huwelijk van Oranje met Anna van Saksen, die Luthersch was, had de verhouding niet verbeterd. Het valt niet te ontkennen, dat gekrenkte eerzucht in dezen tijd eene der drjjfveeren was van den prins. Zijne bekwaamheid in staatszaken, zijne welsprekendheid en andere eigenschappen maakten hem geschikt eene belangrijker plaats in 't bestuur des lands in te nemen, dan Filips hem aangewezen had.
De groote inkomsten, die de prins uit zijne goederen trok, stelden hem in staat op vorstelijke wijze te leven. Hij en andere leden van den hoogen adel zagen zich omringd door talrijke minder aanzienlijke edelen, waaronder velen, door hunne verkwistingen en andere oorzaken diep in schulden geraakt, met zelfzuchtige bedoelingen de ontevredenheid hielpen vermeerderen.
Na het vertrek van Granvelle verschenen Oranje, Egmond en Hoorne weder in den Raad van State. Zij trachtten de leiding der zaken bij dit lichaam over te brengen met het gevolg, dat de Consulta, die den band tusschen de drie raden had uitgemaakt, allen invloed verloor. Er ontstond een toestand grenzende aan regeeri n gloosheid.
Stadhouders en gewestelijke staten handelden op eigen gezag, ambten werden verkocht, rechters lieten zich omkoopen. Het verzet tegen de bloedplakkaten werd algemeen bij edelen en burgers, Roomsch en Onroomsch. De ijver van den omnenschclijken inquisiteur van Vlaan-
5*
68
deren, Titelmuns, wekte de grootste vcrontwiiurdiging op, eu veroorzaakte oproerige tooneelen. De Staten van Brabant verklaarden de geloofsvervolging strijdig niet de privilegiën van bun gewest; Antwerpen nam vervolgde Calvinisten uit Frankrijk op. De afkondiging dei-besluiten van 't concilie te Trente, als strijdig met de privilegiën beschouwd, vermeerderde de onrust. In de financiim beerscbte verwarring, in alle zaken achteruitgang. De handel leed gevoelige verliezen door 't vertrek van vreemde kooplieden, vooral uit Antwerpen. Van vele zijden drong men aan op bijeenroeping der Algemeene Staten.
De landvoogdes was in groote verlegenheid; zij stelde in den Raad van State voor, dat iemand naar Spanje zou gezonden worden, om den koning met den staat van zaken bekend te maken. In 't begin van 1665 vertrok Egmond, wien men 't gezantschap had opgedragen, naar Spanje; hij werd met veel eerbewijzen ontvangen, en keerde vol goede verwachting omtrent 't slagen zijner zending terug. Later bleek uit de brieven van Filips, dat hij er niet aan dacht van regeeringsstelsel to veranderen, of verzachting der plakkaten toe te staan.
Hierop weigerden Oranje, Egmond en eenige andere stadhouders in hunne gewesten tot de uitvoering der plakkaten mede te werken; zij boden daarom hun ontslag aan, hetgeen door de landvoogdes niet werd aangenomen. In 't zelfde jaar (1565) sloten een groot getal edelen een verbond, compromis genaamd; Lodewijk van Nassau, Jan van Marnix, heer van Toulouse, Nicolaas de Hames en Hendrik van Brederode behoorden tot de oprichters. Zoowol katholieken als hervormden lieten zich in 't verbond opnemen, waarvan 't doel was de uitvoering dei-plakkaten te beperken. Daartoe stelden de edelen een verzoekschrift op, hetgeen zij ten getale van 3 ii 400, met Hendrik van Brederode en Lodewijk van Nassau aan 't hoofd, de landvoogdes overhandigden (1566). Margareta door allerlei, deels ware, deels valsche geruchten omtrent een voorgenomen opstand verontrust, deed bij die gelegenheid eenige vrees blijken. Naar verhaald wordt, trachtte Barlaimont haar gerust te stellen met de opmerking, dat de aanbieders van 't smeekschrift slecht (jeuzen waren (Guoux = bedelaars). Hoe het zij, die naam werd dooide edelen gaarne aangenomen, en vervolgens aan alle tegen-
69
standers van de Spaansche regeering gegeven, inzonderheid aan de hervormden.
De landvoogdes gaf den volgenden dag ten antwoord, dat zij den koning over 't verzoekschrift zou raadplegen en in afwachting eenige matiging in de plakkaten aanbevelen {moderatie, moorderatie). Bergen en Montigny werden daarop naar Spanje afgevaardigd, naar 't scheen met gunstig gevolg; want Filips beloofde inderdaad schorsing der inquisitie en matiging der plakkaten ')⢠Tegelijker tijd echter liet hij eene geheime akte opmaken, waarin hij zijne belofte herriep.
Intusschen hadden de Calvinisten zich nauwer aaneengesloten en twee verbonden gesticht: 't compromis der consistorivn en dat der kooplieden. Men vergaderde niet langer in 't geheim, maar kwam in 't open veld bijeen, waar duizenden de predikatiën van rondtrekkende predikanten aanhoorden (hage- of graspreeken).
In verschillende plaatsen hadden de Calvinisten gemeenten gevormd, die door consistoriün (kerkeraden), uit ouderlingen on diakenen bestaande, bestuurd werden. De godsdienstoefeningen werden in 't geheim en bij nacht gehouden. Eerst had men alleen rondtrekkende, later ook vaste predikanten. De vereenigdo consistoriën gehoorzaamden aan de synode te Antwerpen. â Het verbond der kooplieden was eene navolging van dat der edelen. Terwijl 't laatste spoedig verliep, ging in de volgende jaren van de consistoriën en kooplieden een krachtig verzet uit tegen de Spaansche heerschappij.
l)e voorteekenen van een naderenden opstand werden steeds duidelijker. De verbonden edelen hielden eene bijeenkomst te St.-Truyen (bij Luik); zij vorderden geheele godsdienstvrijheid, bijeenroeping der Staten-Generaal en waarborgen voor eigen veiligheid, daar zij anders vreemde hulp zouden moeten inroepen. Door hunne houding aangemoedigd, traden de hervormden telkens stouter op, vooral te Antwerpen, waar zij de inruiming van sommige kerken verlangden. Op verzoek van Margareta vertrok Oranje daarheen, om verdere ongeregeldheden te voorkomen. De ontevredenen wilden den prins aan hun hoofd plaatsen;
') Geen van beiden zag zijn vaderland weder. Bergen stierf in 1567, Montigny werd in 157Ã op een vonnis van den bloedraad in 't geheim geworgd.
70
slechts met moeite kon deze hen voorloopig in toom houden. De landvoogdes was in groote verlegenheid, zij vond overal tegenwerking. Te vergeefs raadde zij Filips aan de Algomeene Staten bijeen te roepen, en zelf naar de Nederlanden te komen.
Eer 't antwoord van Filips de Nederlanden bereikte (bl. 69), was dc algemeene opgewondenheid tot uitbarsting gekomen, en had de beeldenstorm plaats gegrepen. Dweepzieke ijveraars, geholpen door talrijke baldadigen, hadden in weinige dagen de beelden, schilderijen en andere kostbaarheden in honderden kerken en kloosters vernield (Aug. 1566), eerst in Vlaanderen en Brabant, daarna in de noordelijke gewesten. Brussel bleef gespaard, maar te Antwerpen bereikte de woede haar toppunt. Zonderling genoeg liet men de beeldstormers, die betrekkelijk gering in getal waren, vrij hun vernielingswerk volvoeren; op enkele plaatsen, waar men krachtig tegen hen optrad, deinsden zij spoedig af.
Do landvoogdes verleende in de eerste ontsteltenis den hor-vormden geloofsvrijheid, mag.r trad spoedig daarna met groote gestrengheid tegen hen op. De meeste katholieken, zoowel edelen als burgers, scheidden zich van hunne protestantsche landgenooten af. Daardoor aangemoedigd, bracht Margareta troepen op de been , en vorderde van alle hooge ambtenaren een nieuwen eed van getrouwheid aan den koning. Egmond legde dien af. Oranje weigerde en nam zijn ontslag. De consistoriën en 't verbond der kooplieden wierven troepen en stelden Brede-rode tot bevelhebber aan. Bij Austruioeel (nabij Antwerpen) viel een gevecht voor, waarin zij werden verslagen en Toulouse sneuvelde (1567); de steden, die zich bij den opstand hadden aangesloten, moesten zich overgeven en werden zwaar gestraft, inzonderheid Doornik en Valenciennes. Brederode beproefde te vergeefs zich te Amsterdam staande te houden, en vluchtte naar Duitschland. Margareta kon den koning naar waarheid berichten, dat de rust wedergekeerd was, en de voornaamste bedrijvers van den beeldenstorm gestraft waren; zij gaf hem daarom den raad, geene vervolgingen meer in te stellen.
Filips ontstak op 't vernemen der tijding van den beeldenstorm
71
in hevigen toorn, en zwoer de hedrijvers ten strengste te zullen straften. Daarom besloot hij den hertog van Alva met een aanzienlijk leger naar ons land te zenden, ofschoon in den staatsraad te Madrid sommige leden meer heil verwachtten van een bezoek des konings aan de Nederlanden. Nauwelijks had men de tijding hiervan vernomen, of'duizenden weken uit naar Duitsch-land en Engeland; ook de prins van Oranje verliet het land, en werd door den graaf van Bossu (nabij Bergen) als stadhouder opgevolgd.
§ 3. De landvoogdij van Alva.
15(gt;7. Komst van Alva. De Raad van Beroerte.
15^)8. Slag bij Heiligerlee. Ãgmond en Hooriie onthoofd.
1569. De Tiende penning.
1572. De Watergeuzen nemen Brielle. Eerste vrije statenvergadering te Dordrecht. Bergen genomen en verloren. Inneming van Mechelen, Zutfen en Naaiden.
1Ã73' Haarlem ingenomen. Beleg van Alkmaar. Slag op de Zuiderzee. Vertrek van Alva,
Don Alvarez de Toledo, hertog van Alva, kwam in Aug. 1567 te Brussel aan 't hoofd van een aanzienlijk leger. Hij had in de oorlogen van Karei V veel krijgsroem verworven, doch was tevens berucht om zijne onverbiddelijke hardvochtigheid. Margareta begreep, dat haar gezag ten einde was en verzocht haar ontslag, waarop Alva onmiddellijk hare plaats innam.
Weldra bleek, wat men van den nieuwen landvoogd te verwachten had. Egmond, die alle waarschuwingen, zelfs van Spaansche oversten, in den wind geslagen had, werd met Hoorne en andere edelen gevangen genomen. Daarop volgde de oprichting van den Raad van Beroerte (Bloedraad), eene rechtbank, die hen moest vonnissen, welke aan de jongste troebelen hadden deelgenomen. Deze instelling, geheel in strijd met de bezworen privilegiën, telde 12 leden, zoowel Spanjaarden als Nederlandeis. Alleen Varg'as en Del Rio mochten stemmen, doch Alva, die voorzitter was, besliste. In drie maanden tijds werden 1800 menschen tor dood veroordeeld, door eene rechtbank, die zelfs zulke misdaden strafte, welke niet rechtstreeks bewezen konden worden. Tevens verschafte de Bloedraad rijke inkomsten aan
72
den landvoogd, want de goederen der slachtoffers werden verbeurd verklaard. Ook over Egmond en Hoorne werd het doodvonnis uitgesproken. Te vergeefs beriepen zij zich op quot;t privilegie der loden van 't Gulden Vlies; don 5â¢Juni 1568 vielen hunne hoofden op 't schavot te Brussel. Oranje word ingedaagd, maar verscheen natuurlijk niet; hij verklaarde den Raad onbevoegd, om hem voor zich te dagen. Niettemin ontnam Alva hem zijne goederen, en zond hij 's prinsen oudsten zoon, Filips Willem, die aan de hoogeschool te Leuven studeerde, naar Spanje.
Alvu's schrikbewind voorkwam elk verzet. Ecnc doffe wunhoop imuikte zich van 't ongelukkige volk meester. Nienmnd was zijn leven zeker: overal waarden verspieders rond (zevenstuivcrslieclen), die voor een gering loon hunne medeburgers verrieden. Velen, wier bezittingen verbeurd verklaard waren, die zich aan de vervolgingen poogden te onttrekken, of' misdadige handelingen hadden gepleegd, leefden van roof ( Wilde- lt;if Boschyeuzen) en namen eene bloedige wraak op eiken Spanjaard of spaanschgezinde, die in hunne handen viel. â Opnieuw namen duizenden de vlucht, dikwijls met achterlating van alles en zich gelukkig achtende, indien zij slechts 't loven konden redden. Alle verkeer hield op; vreemdelingen schuwden een land, waar willekeur heerschte in plaats van recht. Handel en nijverheid stonden stil, scheepvaart, visscherij en landbouw, elk bedrijf ging achteruit.
Alva's schrikbewind wekte ook in 't buitenland veler verontwaardiging op. Maximiliaan II, keizer van Duitschland, richtte, hoewel zonder gevolg, vertoogen tot Filips, om hem tot eene gematigder behandeling der Nederlanden te bewegen. Oranje besloot tot de wapenen zijne toevlucht te nemen, nadat Alva hem zijn zoon en zijne bezittingen had ontroofd. Als souverein vorst achtte hij zich daartoe gerechtigd; ook heette het, dat hij niet streed tegen den koning, maar tegen diens landvoogd. Hijzelf en zijne broeders verpandden hunne bezittingen en kostbaarheden, om de noodige gelden bijeen te brengen. Verder hoopte hij op ondersteuning uit Engeland en ook uit Frankrijk, waar de katholieken en hugenoten juist vrede hadden gesloten.
Op vier plaatsen zou men in de Nederlanden vallen, ten einde Alva's strijdkrachten te verdeelen, terwijl de prins zelf met het
73
gros zijner troepen daar zou binnen rukken, waar de kans op welslagen 't gunstigst scheen. Daar de invallen niet gelijktijdig plaats vonden, mislukte dit plan. Alleen Lode wijk van Nassau slaagde er in aanvankelijk eenig voordeel te behalen. In 't noorden gevallen, ontmoette hij de Spaansche troepen bij HeUifje/iee, waar hij eene overwinning behaalde (23 Mei 1568, begin van den Tachtig jarig en oorlog). Aremberg, die de Spanjaarden aanvoerde, sneuvelde, ook Adolf van Nassau liet het leven in den strijd. Lodewijk trachtte nu de stad G-roningen te bemachtigen, maar te vergeefs. Een algemeene opstand, waarmede men zich gevleid had, bleef achterwege; de troepen sloegen aan 't muiten, daar Lodewijk steeds met geldgebrek had te kampen.
Alva begreep thans zelf in 't noorden handelend te moeten optreden. Na de terechtstelling van Egmond, Hoorne en vele andere edelen trok hij tegen Lodewijk op. Bij Jemgum, aan den linkeroever van de Eems, kwam het tot een treffen, waarin de Spanjaarden overwonnen. Lodewijk ontkwam 't bloedbad door over de rivier te zwemmen. Van 't veroverde geschut liet Alva zich een standbeeld vervaardigen, dat in de citadel van Antwerpen geplaatst werd.
In September stak de prins bij Maastricht de Maas over. Alva had zijne maatregelen zoo wel genomen, dat Oranje's leger weldra aan alles gebrek leed; hij vermeed echter den slag, maar belette don vijand het voortdringen. Wat hij voorzien had gebeurde; Oranje moest uit geldgebrek zijne troepen afdanken en voorloopig van verdere ondernemingen afzien. Terwijl hij zich de grootste opofferingen had getroost, ontving hij uit de Nederlanden slechts het tiende gedeelte van de 300.000 daalders, die hem waren toegezegd.
Alva meende nu uitvoeringquot; te kunnen geven aan een lang gekoesterd plan. Hij wilde de beden door een vast belastingstelsel vervangen, onder den naam van Tienden penning bekend. Van alle eigendommen zou de lOOquot;quot; penning geheven worden, verder de 20slc van de opbrengst der onroerende goederen en de 10u van dio der roerende bij eiken verkoop. De Algemeene Staten werden in 1569 bijeengeroepen om Alva's besluit te vernemen,
74
nadat de Raad van State zich daartegen had verklaard. De lOO5quot;- penning werd gereedelijk toegestaan, maar de andere belastingen geweigerd; men verklaarde, dat do invoering daarvan, inzonderheid van den 10cquot; penning, den doodsteek zou toebrengen aan den handel. Toch hield Alva vol en bedreigde de weerspannigen met zware straften. Alleen Utrecht bleef zich verzotten, waarom de stad met inlegering van troepen en verbeurdverklaring van alle voorrechten werd gestraft. Intusschen had de algemeene tegenstand Alva tot nadenken gebracht; hij liet toe, dat gedurende zes jaren de belasting voor twee millioen gulden per jaar werd afgekocht. In â¢'t begin van 1572 besloot hij echter tot de invoering der gehate belasting over te gaan, na verzachting van enkele bepalingen. Alweder openbaarde zich algemeen verzet, dat nu met geweld bedwongen zou worden. Waarschijnlijk was de inneming van Brielle de oorzaak, dat ook toen de invoering achterwege bleef.
De heffing vun Oen tienden penning werd Alvu zelfs door mannen als Viglius en liarlainionl ernstig ontraden. Het verzet bepaalde zich niet tot de burgers; ook adel en geestelijkheid verklaarden zich tegen deze nieuwe daad van dwingelandij, die katholieken en protestanten bijna de vijandschap deed vergeten, welke zij elkander sedert den beeldenstorm toedroegen.
In 1570 vaardigde Alva eene algemeene amnestie uil, die evenwel wegens de talrijke uitzonderingen weinig geschikt was, om de Nederlanders gunstiger omtrent hem te stemmen.
lïij de heerschende ellende voegde zich in November van dit jaar eene nieuwe ramp. Een vreeselijke storm joeg 't water met zooveel kracht tegen de dijken, dat zij op menige plaats scheurden, en men-sclien en vee in groote menigte verdronken {Allcvliciliyeiwloed). Kaspar de Robles, de opvolger van Aremberg, maakte zich sedert verdienstelijk, door 't dijkwezen in Friesland en Groningen in beteren staat te brengen. â In 't laatst van dit jaar mislukte de aanslag van Herman de Ruyter op Loevestein na een aanvankelijk succes, evenals de pogingen van den prins om (rorkum. Dordrecht en Deventer aan Alva te ontrukken.
De uitgewekenen van 1567 en volgende jaren hadden zich deels in Engeland of Duitschland nedergezet, deels op zee begeven, om als vrijbuiters een bestaan te vinden. Deze kapers
75
noemden zich Watergeuzen, namen eene menigte koopvaarders weg en plunderden de kuststreken. Daar wraakzucht bij velen de drijfveer was, en weldra 't schuim van allerlei natiën zich bij hen aansloot, kreeg hunne wijze van oorlogvoeren een steeds gruwelijker karakter. De prins begreep, dat de Watergeuzen hem dienen konden in den strijd tegen Spanje. Hij wettigde hun zeeroof volgens de begrippen van dien tijd door 't uitgeven van kaperbrieven , benoemde aanvoerders over hen en beteugelde eenigszins hunne uitspattingen door een scheepsreglement. Sedert voeren zij onder 's prinsen vlag (oranje, wit, blauw), en liet men hen in de Engelsche havens toe, om eene schuilplaats te zoeken, of hun buit te verkoopen.
Dit verlof werd hun echter in 1572 door koningin Elisabeth plotseling ontnomen op aandringen van Alva. Eene vloot van 26 schepen onder bevel van Lumey, graaf van der Marek, was hierdoor genoodzaakt, onverwijld te vertrekken. Men besloot nu een aanslag te wagen op Enkhuizen, maar do vloot dreet door tegenwind naar Brielle, dat zij opeischten in naam van den prins, als stadhouder des konings (Koppestok). Daar de stedelijke regeering met haar antwoord draalde, verschafte men zich met geweld toegang (1 April 1572). De woeste Lumey wilde de stad plunderen en verbranden, doch door tusschenkomst van zijne onderbevelhebbers Jacob Simonsz. de Rijk en Blois van Treslong bleef zij gespaard, om als steunpunt voor verdere ondernemingen te dienen.
Bossu trachtte vergeefs Brielle te hernemen, daar men 't omliggende land onder water had gezet (Rochus Meeuwisz.). Op zijn terugtocht beproefde hij krijgsvolk binnen Dordrecht te brengen, maar de stad hield de poorten voor hem gesloten. Door verraad kwam hij echter in Rotterdam, waar zijne soldaten moordden en plunderden (Zwarte Jan).
De inneming van Brielle had de gewichtigste gevolgen. Vlis-singen weigerde de troepen in te laten, die Alva daarheen zond en verklaarde zich voor den prins; Vere volgde dit voorbeeld met geheel Walcheren, Middelburg uitgezonderd. Daarna stond
't geheele Noorderkwartier op en verschillende Zuid-Hollandsche steden, zoo ook sommige plaatsen in Gelderland, Utrecht, Over-ijsel en Friesland.
Knklmizcn, zoo belangrijk door zijne ligging, viel in 't noorden het eerst vim Spanje af, daarop volgden Medemlilik, Hoorn, Alkmaar, Edam, Monnikendam, Punnerend cn in 'tzuiden Oudewater, Gouda, Leiden en Dordrecht. Waar de overheid tegenstand bood, werd zij afgezet, dikwijls met hulp van buiten. Om de katholieken tc winnen. werd hun 'tbehoud der kerken beloofd; meestal echter werd die belofte geschonden en de tooneelen van den beeldenstorm herhaald. Geestelijken werden schandelijk mishandeld en vermoord; de wreede Lumey liet eenige Gorcumsche monniken naar Bricllo voeren en daar op de meest barbaarsche wijze ombrengen. Sonoy, 's prinsen luitenant in quot;t Noorderkwartier, maakte zich later aan dergelijke gruwelen schuldig.
Te gelijker tijd vielen in 't zuiden gebeurtenissen voor, die Al va verhinderden den opstand in zijne geboorte te stuiten. In Juni versloegen de Zeeuwen eene Spaansche vloot, die Medina Celi (tot opvolger van Alva benoemd) overbracht, en namen zij een groot getal rijk geladen Portugeesche schepen. Reeds vroeger had Lodewijk van Nassau, wien Karei IX van Frankrijk hulp had beloofd. Bergen bij verrassing ingenomen. Do prins naderde mot een aanzienlijk leger en had reeds enkele plaatsen gewonnen, toen de gruwelijke Bartholomeüsnacht (24 Aug.) de hoop op Fransche hulp vernietigde Bergen werd hernomen en aldus de nieuwe poging tot ontzet verijdeld.
Bossu had inmiddels (Juli) de Staten van Holland te 's-Hage bijeengeroepen, om op last van Alva over eene nieuwe bijdrage in plaats van don 10cquot; penning te onderhandelen. De afgevallen steden zonden echter hare vertegenwoordigers naar Dordrecht, waar den 19quot;quot; Juli do eerste vrvje statenvergadering geopend werd. Belangrijke besluiten werden op deze bijeenkomst genomen, die Marnix van St.-Aldeg-onde als gemachtigde van den prins bijwoonde.
Op deze vergadering waren, behalve de ridderschap van Holland, vertegenwoordigd de steden Dordrecht, Haarlem, Leiden, Gouda,
77
Görcum, Oudevviiter, Alkmaar, Hoorn, Knkhnizen, Mcdcinl)!ik en Edam. Do prins van Oranje werd erkend als dc weitige stadhouder des konings over Holland, Zeeland en Utrecht. Als luitenant van den prins kwam Lnmey M aan 't hoofd van de kinjgsniacht; in 't volgende jaar werd lilois van Treslong admiraal van de vloot. Do steden zouden hersteld worden in al hare privilegiën en rechten. Aan katholieken en hervormden zou vrijheid van openbare godsdienstoefening verleend worden. De Staten beloofden den prins krachtig bij te staan en geene onderhandelingen met Filips aan te knoopen zonder zijne toestemming; de prins verbond zich van zijn kant tot hetzelfde ten opzichte van de Staten. De stadhouder zou ter zijde gestaan worden door een Landraad, eene Eekenkamer en een Hof van Justitie; in 1574 werd daarbij een Raad van Admiraliteit opgericht.
Na do herovering van Bergen, waar talrijke doodvonnissen werden voltrokken, viel het Al va gemakkelijk de plaatsen, die zich in 't zuiden aan den prins hadden moeten onderwerpen, to hernomen. Daaronder behoorde ook Mechelen. Die ongelukkige stad werd aan de moordlust en plunderwoede der soldaten prijs gegeven. Ouderdom noch jeugd, rang noch stand bleef gespaard; zelfs hoogo geestelijken moesten zich vrijkoopen. De woesto huurlingen drongen kerken en kloosters binnen en pleegden mot verlof van den landvoogd dezelfde heiligschennis, waarvoor zijn bloedraad de beeldstormers zoo meedoogenloos had gestraft.
Nu 't zuiden bedwongen was, lag 't noorden aan de beurt. Alva droeg zijn zoon Don Frederik de taak op, de afgevallen steden te heroveren. Het eerst moest hij Zutfen hernemen; do bezetting vluchtte op de nadering der vijanden, die de stad oen lot bereidden nog erger dan Mechelen. Het gevolg was, dat geheel Gelderland, Overijsel, Utrecht en Friesland verloren gingen , daar de graaf Van den Berg ('s prinsen zwager) en andere bevelhebbers hunne posten verlieten. Weldra verschenen de Spanjaarden voor Naarden. Hun aanvoerder, Roméro, beloofde den burgers 't behoud van lijf en goed. Binnen gelaten gelastte hij den inwoners, zich in de kerk te begeven. Daarop word dit
') Luiney werd in 1573 wegens zijne wreedheden en ongehoorzaamheid aan de Staten afgezet.
78
gebouw met de geheele stad aan de vlammen prijs gegeven (1 Dee.); slechts enkelen ontkwamen 't bloedbad.
Amsterdam was Alva trouw gebleven. Van die stad uit bedreigde hij 't Noorderkwartier en Haarlem, waarvoor Don Fre-derik den 11quot;' Dec. 't beleg sloeg. Zoolang de toegang naar de zijde van 't Haarlemmermeer open bleef, was de stad bijna onneembaar; maar sedert 's prinsen vloot verslagen was, werd haar toestand hachelijk. ïoch hield zij moedig vol (Ripperda, Kenau Hasselaar), terwijl verschillende pogingen tot ontzet werden beproefd ('tHoen, Jan Haring1). Alles te vergeefs; na een beleg van 7 maanden moest de uitgehongerde stad zich overgeven. De plundering werd voor 240.000 gulden afgekocht, maar honderden soldaten en burgers onthoofd, gehangen, of in 't meer verdronken (1572). â¢J
Het verlies van Haarlem was te grooter, daar nn 't Zuiderkwartier van 't Noorder was afgescheiden. Om dit laatste te veroveren , liet Alva het van de land- en zeezijde te gelijk aanvallen. Bossu verzamelde eene vloot te Amsterdam, Don Frederik tastte Alkmaar aan. De stad werd nauw ingesloten, hevig beschoten, eindelijk bestormd. Maar zoo dapper sloegen de belegerden onder Jacob Kabeljauw de aanvallers terug, dat zij meer dan duizend man verloren en tot geen nieuwen storm te bewegen waren. Vreezende, dat men de dijken zou doorsteken, waartoe besloten was, brak Don Frederik 't beleg op. Drie dagen later (11 Oct.) werd de vloot van Bossu door Cornelis Dirksz. verslagen; de bevelhebber zelf was onder de gevangenen.
Het schrikbewind van Alva wekte aller verontwaardiging op, zelfs van de meest spaanschgezinden. In verschillende brieven werd bij den koning op zijne terugroeping aangedrongen, waartoe Filips eindelijk besloot. In Dec. 1573 verliet hij de Nederlanden, beladen met den vloek van een geheel volk.
De barbaarsche wijze, waai'op de oorlog gevoerd word, was voor een deel te wijten aan de samenstelling der legers. Deze bestonden meest uit het uitvaagsel van allerlei natiën. Bleef de uitbetaling dei-soldij achterwege, dan sloegen de soldaten aan 'tmuiten en weigerden te veuhten, daar de krijgstucht veel te wenschen overliet. Daarbij
79
was do bevelhebber genoodzaakt zijne troepen vrij te laten plunderen, wilde hij dit verhinderen, dan liep zijn leven gevaar. T'. Seraerts, gouverneur van Geerlruidenberg, dat in 1573 voor Oranje veroverd was, werd om die reden door zijne eigen benden vermoord. Zelfs bevriende plaatsen bleven niet verschoond. Amsterdam, hoe spaansch-gezind ook, weigerde daarom volstandig eene bezetting in te nemen.
De bevolking van 't platteland door geene muren beschermd, had vreeselijk te lijden. vooral in Noord-Holland tijdens de bovengemelde feiten. Nu eens werd zij gekweld door inkwartiering van Sonoy's benden, dan weer stroopten Spaansche troepen in hare dorpen. Daarbij lagen de akkers braak en stond alle handel stil.
Door zijne gruwelen had Alva zijn doel ten eenenmale gemist. Tiij zijne komst was de opstand bedwongen, bij zijn vertrek mot nieuwe kracht uitgebroken. â Hetgeen de legers van den prins vergeefs hadden beproefd, scheen aan de burgerijen te zullen gelukken. Na 't beleg van Alkmaar (van Alkmaar begint de victorie) mocht men op betere tijden hopen. Ongelukkig pleegden do hervormden, die do kern uitmaakten van don opstand, thans op hunne beurt dadon van verregaande onverdraagzaamheid en wreedheid togen hunne katholieke land-genooton, vooral togen do geestelijken.
§ 4. Requésens, De Pacificatie van Gent,
1573. Requésens landvoogd.
1574. Middelburg veroverd. Slag op de Mookerheide. Beleg van Leiden. I57ö. Hoogeschool te Leiden opgericht. Unie tusschen Holland en Zeeland. 1576. Requésens sterft.
Zieriksee verloren. Spaansche furie. Pacificatie van Gent.
Dn nieuwe landvoogd, Don Louis de Requésens, had in last door gematigdheid de Nederlanden onder de gehoorzaamheid aan den koning terug te brengen, nu gebleken was, dat Alva's gruwelen geen doel hadden getroffen. De lO'1' penning werd afgeschaft, de Raad van beroerte leidde een kwijnend bestaan en werd in 1576 opgeheven, 't standbeeld van Alva werd verwijderd en eene amnestie geschonken, waarvan echter een groot getal personen uitgezonderd waren. Deze maatregelen werkten niets uit; Requésens stuitte overal op verzet, zelfs in de trouw gebleven provinciën. Daarbij heerschte onder de troepen groote ontevredenheid wegens 't uitblijven der soldij.
Requésens besloot Middelburg, dat reeds lang door de Zeeuwen
80
belegerd was, te ontzetten. Hij zond eene vloot tot hulp van de stad; maar zij werd bij Reimerswual (Z.-Beveland, Jan. 1574) door Lodewijk van Boisot verslagen, waardoor de stad zich moest overgeven. De bevelhebber Mondragon werd tegen Marnix on De Riik uitgewisseld, die vroeger in 's vijands handen waren gevallen.
Mot Fransche hulp (Karei IX wenschte Spanje te verzwakken en vlamde op 't bezit der Nederlanden) bracht Lodewijk van Nassau opnieuw een leger bijeen, om daarmede ten derdenmale in de Nederlanden te vallen. Op de Mookerheide leden zijne troepen eene volkomen nederlaag tegen Sanchio d'Avila; hijzelf en ziin broeder Hendrik lieten het leven in den strijd. De Spanjaarden, die in geen drie jaar soldij ontvangen hadden, zeiden na den slag hun bevelhebber de gehoorzaamheid op, kozen zich oen eigen aanvoerder (elMo), trokken naar Antwerpen en verlieten de stad niet, voor de burgers hun 400.000 kronen hadden opgebracht.
Leiden, dat reeds vroeger belegerd was geworden, werd thans opnieuw door Valdez ingesloten (Mei-Oct. 1574). De stad weigerde nieuwe troepen in te nemen, maar de burgerij verdedigde zich niet de uiterste volharding (V. d. Does, V. d. Werff, Van Hout). Ongelukkig was de stad slecht van levensmiddelen voorzien , zoodat duizenden door honger en ziekten om 't leven kwamen. Toen de nood op 't hoogst was gestegen, stak men den dijk bij Kapelle a/d Usel door, en zette dus een groot doel van Holland onder water, om de belegeraars te verdrijven. Onder do grootste moeilijkheden en voortdurenden strijd met .de Spanjaarden bereikte eene vloot van platboomde vaartuigen onder Boisot eindelijk de stad, nadat Valdez ook 't laatste punt, dat hij nog bezet hield, had moeten verlaten. In 't volgende jaar ontving Leiden eene hoogeschool, voornamelijk tot opleiding van hervormde predikanten. In den stichtingsbrief heette het, dat de prins die school aan Leiden schonk in naam van Filips, tot belooning voor den betoonden heldenmoed.
81
De vcrdeeling van 't gezag tusschen de Staten en den prins gaf aanleiding tot verwarring en werkte verlammend op den gang der zaken. Oranje bood daarom in 1574 zijn ontslag aan, waardoor liij de Staten in geene geringe verlegenheid bracht. Het gevolg was, dat zij hom de hooge overheid opdroegen voor zoolang de oorlog duurde. Zeeland volgde dit voorbeeld, nadat deze provincie zich door ecne Unie met Holland had verbonden ('1575 en '76).
In de eerste helft van 1575 werden te Breda onder bemiddeling van den keizer vredesonderhandelingen gevoerd. Te vergeefs trachtte men door voordeelige aanbiedingen den prins van de zaak der opgestane gewesten te scheiden. Gelijk te voorzien was, bleef Filips onverzettelijk op 'tstnk van den godsdienst. Het eenige, dat hij aan de hervormden wilde toestaan, was eene tijdruimte van zes maanden, om hunne bezittingen te verkoopen en 'tland te verlaten. In Juli werden de onderhandelingen afgebroken.
De prins, die in 1573 tot de hervormde kerk was overgegaan, huwde in 1575 met Charlotte van Bourbon. Zijn huwelijk met Anna van Saksen was door echtscheiding ontbonden.
De vreugde over 't behoud van Leiden werd spoedig getemperd door de vorderingen, welke de Spanjaarden in Holland en Zeeland maakten. Verschillende plaatsen als Oudewater en Schoonhoven gingen verloren; Woerden werd ingesloten. Vervolgons sloegen de Spanjaarden 't beleg voor Zieriksee, dat zij na een stouten tocht, gedeeltelijk door 't water (de Zijpe) bereikten. Reeds zagen de zwaar geteisterde provinciën 't oogenblik naderen, waarop zij in onderwerping zouden moeten komen, toen de onverwachte dood van Requésens (Maart 1576) eene geheele verandering in den toestand veroorzaakte.
De Raad van State aanvaardde 't bestuur in afwachting van een nieuwen landvoogd, maar vond weinig steun bij de Staten der provinciën, en verkeerde in groote geldverlegenheid. To midden van de gisting, die overal heerschte, sloegen de soldaten na de inneming van Zieriksee (Juni 1576) weer aan 't muiten (Spaansche furie). Telkens door nieuwe benden versterkt, wierpen zij zich op de kleine steden (Aalst) en 't platteland van Brabant en Vlaanderen. Maastricht inzonderheid had veel van hun plunder- en moordlust te lijden, doch to Antwerpen bereikte hunne woede haar toppunt. Champagny, de bevelhebber der
J. M. Vos, Vaderl. Gcsch. druk. Ã
82
stad, was niet bij machte, de aanvallers te keeren. Duizenden burgers werden omgebracht, millioenen aan geld en kostbaarheden geroofd; nooit heeft deze eenmaal zoo rijke stad zich van dien slag kunnen herstellen (Nov. 1576).
De Staten van Brabant en van Vlaanderen hadden intusschen troepen in dienst genomen tot bescherming hunner gewesten. Zij stelden zich in betrekking met Oranje, op wiens aanraden de spaanschgezinde leden van den Staatsraad in hechtenis genomen, doch op enkelen na spoedig weer ontslagen werden. Daarop riep Brabant eigenmachtig de Algemeene Staten bijeen te Gent, dat door 's prinsen troepen was bezet. De algemeene nood deed de onderhandelingen zeer bekorten, want reeds den IS⢠Nov. 1576 kwam de Pacificatie van Gent gereed.
Dc Pacificatie of Bevrediging van Gent was eene overeenkomst van Oranje, Holland, Zeeland en hunne bondgenooten met. de zuidelijke gewesten, uitgenomen Luxemburg. Volgens dit verdrag zouden alle beleedigingen, die men elkander had aangedaan, vergeven on vergeten zijn; de Spaansche troepen en vreemde onderdrukkers met vereende krachten uit het land worden verwijderd; de plakkaten geschorst, de gevangenen ontslagen en de verbeurd verklaarde goederen teruggegeven worden. Voorts bleef met uitzondering van Holland en Zeeland de katholieke godsdienst gehandhaafd en werd de prins als stadhouder erkend. De geheele overeenkomst zou slechts gelden tot de bijeenroeping der Algemeene Staten door of namens den koning. Ook Friesland, Groningen en Drente traden tot de Pacificatie toe; Robles werd als stadhouder door George van Lalaing, graaf van Rennenberg1), vervangen.
§ 5. Bon Jan van Oostenrijk. Be Unie van Utrecht.
Afzwering van Filips.
1576. Don Jan van Oostenrijk komt in de Nederlanden.
1577. Eerste Unie van Brussel. Eeuwig Edict. Don Jan afgezet. Tweede Unie
van Biussel.
1578. Matthias van Oostenrijk landvoogd. Panna.
1579» Unie van Atrecht. Unie van Utrecht. Panna neemt Maastricht.
1580. Afval van Rennenberg.
1581. Afzwering van Filips.
Terwijl de Spaansche benden Antwerpen plunderden, verscheen do nieuwe landvoogd in Luxemburg (4 Nov. 1576). Deze was
*) Volgens sommigen Hennenburg.
83
Don Jan van Oostenrijk, een halfbroeder van Filips, de overwinnaar der Turken bij Lepanto. Hij trad met de Staten in onderhandeling; maar deze, sterk door 't pas gesloten verbond, eischten de erkenning van de Pacificatie, vóór zij hem als landvoogd wilden aannemen. Een nieuw verdrag, de Eerste Unie van Brussel (Jan '77), moest dienen, zoowel om Don Jan te toonen, dat men eensgezind was, als om de Roomschen ten aanzien van hun godsdienst gerust te stellen. Bevestiging van de Pacificatie, onmiddellijke verdrijving der Spaansche troepen en handhaving van den katholieken godsdienst met erkenning van 's konings gezag, maakten de hoofdpunten dezer Unie uit.
Don .Tan wenschtc vóór alles Oranje te winnen, maar deze toonde zich ongenegen , om te onderhandelen. Integendeel begreep de prins, dat eene verzoening van Holland en Zeeland met Spanje onmogelijk was. Hij vreesde alles van eene overeenkomst zijner nieuwe bondge-nooten met den landvoogd, trachtte hun wantrouwen op te wekkenen raadde hun aan, zich van zijn persoon te verzekeren.
De Spaansche furie, zoo noodlottig voor Brabant en Vlaanderen, schonk Holland en Zeeland verademing. De steden, die nog in de macht der Spanjaarden waren, gingen voor en na, gedwongen of vrijwillig tot den prins over, ook Utrecht in 1577; Amsterdam eerst in 't volgende jaar. Zij bedongen satisfactie (eenige voorwaarden, waaronder vrijheid van openbaren eeredienst voor de katholieken), doch nergens hield men zich daaraan.
Don Jan was genoodzaakt alles toe te geven, alleen over den aftocht der troepen werd lang onderhandeld. Hij had het avontuurlijke plan opgevat, naar Engeland over te steken, Elisabeth te onttroonen en Maria Staart tot koningin te verheffen. Daarom wilde hij de Spanjaarden over zee doen vertrekken; maar de Staten, die een aanval op Zeeland duchtten, weigerden hierin toe te geven.
De onderhandelingen leidden tot eene overeenkomst, het Eemoiij Edict genaamd (Febr. 1577), waarbij Don Jan de Pacificatie aannam. De meeste troepen verlieten 't land en in Mei werd do nieuwe landvoogd te Brussel gehuldigd. Holland en Zeeland teekenden 't Eeuwig Edict niet.
De toestand van Don Jan was ook na zijne erkenning ver van aangenaam. Slechts in schijn oefende hij gezag uit: do Staten bleven met Oranje in betrekking. Hij werd boleedigd en belas-
6*
84
terd, en vreesde waarschijnlijk met recht, dat men hem naar 't leven stond. Daarom verliet hij Brussel en overrompelde 't kasteel te Namen (Juli 1577); eene poging om Antwerpen te bezetten, mislukte.
Opnieuw geraakte het zuiden in beweging. Don Jan trachtte zijne handelwijze te rechtvaardigen en deed aan de Algemeene Staten zulke aannemelijke voorstellen, dat de vrede hersteld zou zijn, indien de Staten niet op aandringen van Oranje hunne eischen hadden verzwaard. Te gelijker tijd verzochten zij den prins naar Brussel te komen, waar hij door de burgerij met groote vreugde werd ontvangen en door de Staten van Brabant tot ruwaard van hun gewest werd aangesteld (Oct. 1877). Vervolgens verklaarden de Algemeene Staten Don Jan voor een vijand des lands, en sloten de gewesten eene Tweede Unie van Brussel (Dec. 1577), die merkwaardig was om de bepaling, dat katholieken en hervormden elkaar zouden verdragen en beschermen tegen hunne vijanden.
Om den invloed van den prins te verminderen, hadden vele Zuid-Nederlandsche edelen met den hertog van Aerschot aan 't hoofd Matthias, den twintigjarigen broeder van keizer Rudolf, uitgenoodigd, naar de Nederlanden te komen. Hij voldeed aan hun verzoek en werd door de Algemeene Staten tot landvoogd aangesteld (Jan. 1578). Zijne macht was zeer beperkt, vooral door de benoeming van Oranje tot zijn luitenant-generaal {griffier van den prins), en omdat hij in vele zaken den Staatsraad en de Algemeene Staten moest raadplegen.
Don Jan rustte zich ten oorlog. Alexander Farnese, hertog1 van Parma, zoon van de vroegere landvoogdes, kwam hem met nieuwe troepen versterken. Bij Gembloux (bij Namen) versloegen zij 't staatsche leger, waarop eenige steden veroverd en Brussel zelfs bedreigd werd. Daarom verlegde de regeering haar zetel naar Antwerpen.
Door Elisabeth van Engeland met geld ondersteund, trok Johan Casimir van de Paltz, een ijverig Calvinist, met een Duitsch leger 't land binnen; van katholieke zijde werd Frans van Anjou, broeder des Franschen konings, in 't land geroepen.
85
De Algemeene Staten schonken hem den titel van: Beschermheer der Nederlandsche vrijheid, en beloofden hem den voorrang, indien men van landsheer mocht veranderen. Beide heeren deden niets, dan de verwarring vermeerderen, en vertrokken weder in 't begin van 1579.
Intusschen was Don Jan overleden (Oct. 1578) en door Parma opgevolgd.
Het jaar 1578 was een der rampzaligste uit den oorlog. Verdeeldheid en onverdraagzaamheid heerschten overal. In Brabant en Vlaanderen woedde een betrekkelijk klein getal Calvinisten tegen hunue Eoomsche landgenooten. Hteden als Brussel en Antwerpen geraakten bijna geheel onder den invloed dier dweepzieke benden. Nergens bereikten hunne buitensporigheden eene grootere hoogte dan te Gent, waar 't driemanschap Hembyze, Datheen en Rijhove een waar schrikbewind uitoefende. De katholieken in de Waalsche provinciën (Mal-contenten) wapenden zich, om de geweldenarijen der Gentenaars, die ook hunne landen verontrustten, te keeren. De bandelooze troepen van Anjou en Casimir gedroegen zich als in een veroverd land, en zoo werd 't zuiden weinig minder geteisterd dan de noordelijke provinciën in de voorafgaande jaren. De Staatsraad en de Algemeene Staten hadden weinig gezag en zelfs Oranje was nauwelijks bij machte, de heethoofden tot matiging te bewegen.
In deze omstandigheden stelde de prins een nieuw verdrag voor. de relij/ie-vrak, waarvan 't belangrijkste artikel was, dat in katholieke plaatsen de hervormde godsdienst mocht worden uitgeoefend, wanneer honderd huisgezinnen dit verlangden, terwijl den Roomschen dezelfde vrijheid in hervormde steden werd toegestaan. Gelijk te voorzien was, hield men zich evenmin aan deze, als aan de vorige overeenkomsten. De religie-vrede, ofschoon ingesteld om de verdraagzaamheid te bevorderen, was eene schending van de Pacificatie, doch de Calvinisten versterkt door duizenden, die vroeger uitgeweken en nu teruggekeerd waren, stelden zich niet langer tevreden met de betrekkelijke godsdienstvrijheid, welke hun bij de Gentsche bevrediging zoo karig was toebedeeld.
Pacificatie noch Unie kon de Nederlanders bewegen eensgezind den gemeenschappelijken vijand te bestrijden; de godsdienst-quaestie overheerschte alles. Men had nog geen begrip van een staat met gelijke rechten voor de beide religiën. De geweldenarijen der Gentenaars, die de tooneelen van den beeldenstorm
hernieuwden, deed de katholieken op verdediging bedacht zijn. Artois, Henegouwen en Doornik sloten daarom een afzonderlijk verbond in de hoofdstad van eerstgenoemde provincie (Unie van At recht, 6 Jan. 1579). Zij besloten tot handhaving van de religie en trouw aan den koning, mits de vreemde troepen 't land ruimden. Evenwel scheidden zij zich voorloopig niet van de. Pacificatie, integendeel verklaarden zij, dat Matthias en de Staten dit verdrag geschonden hadden, door het toelaten der Calvinistische woelingen.
Parma, even bekwaam staatsman als veldheer, wist van deze ontevreden stemming onder de katholieken uitnemend partij te trokken. Hij knoopte met de onderteekenaars der Unie onderhandelingen aan en werd ondanks alle pogingen van den prins en de Staten, door hen als landvoogd van den koning erkend (Mei 1579).
Nauwelijks was de Unie van Atrecht gesloten, of ook tusschen de noordelijke provinciën kwam eene vereeniging tot stand. Jan van Nassau, sedert Mei 1578 stadhouder van Gelderland, was voornamelijk de bewerker hiervan. Hij had veel tegenwerking van de geestelijkheid te ondervinden, daar hij als ijverig Calvinist bekend stond, en de overige provinciën vreesden door Holland overheerscht te zullen worden. Daarom mocht het voorstel niet van dit gewest uitgaan; evenmin van Oranje, wiens verhouding tot Matthias en de Algemeene Staten dit niet gedoogde. Na maandenlange onderhandelingen kwam eindelijk de beroemde Unie van Utrecht (23 Jan, 1579) tot stand, een verbond, dat later de grondslag werd van de republiek.
Aanvankelijk werd dc Unie van Utrecht alleen onderteekend door Jan van Nassau, Holland, Zeeland, Utrecht en de Ommelanden. De prins teckende haar in Mei, vervolgens Rennenberg, Gelderland, Drente, Overijsel en Friesland, eindelijk Groningen na de verovering door Maurits. Ook Yperen, Gent, Antwerpen, Breda en Brugge werden tot de Unie toegelaten.
Dc Unie van Utrecht bestond uit 26 artikelen en behelsde hoofdzakelijk 't volgende: Dc gewesten verbinden zich ten eeuwigen dage, alsof zij slechts ééne provincie zijn, met behoud van alle bijzondere privilegiën. vrijheden, enz. (Art. 1). â De bondgenooten zullen elk-
87
ander bijstaan tegen alle geweld, dat men hun van wege den koning zal willen aandoen. Zij verbinden zich tot hetzelfde tegen eiken anderen vijand (Art. 2 en 3). â Artt. 4 tot 7 bevatten bepalingen omtrent de Versterking der steden en de bestrijding der oorlogskosten. â Geen bestand of vrede mag gesloten, geen oorlog begonnen worden zonder eenparigheid van stemmen. In andere zaken beslist de meerderheid. Kan men het niet eens worden, dan beslissen de stadhouders, zoo noodig met bijstand van onpartijdige scheidsrechters (Art. 9gt; â Zonder toestemming der vereenigde gewesten mag geen der bond-genooten zich met een ander land of vorst verbinden. Nieuwe bond-genooten worden alleen met algemeen goedvinden in de Unie opgenomen (Artt. 10 en li). â Art. 13 bepaalt, dat elk gewest volkomen zelfstandig de godsdienstzaak regelt, op voorwaarde dat niemand om zijn geloof mag vervolgd worden. â Geschillen tussehen gewesten worden vereffend door de overige, of, indien alle gewesten daarin zijn betrokken, d jor de stadhouders. Deze beslissen ook in geschillen over eenig punt der Unie, indien geene eenstemmigheid kan verkregen worden (Artt. 16 en 21). â Veranderingen in de Unie worden alleen met gemeenschappelijk goedvinden gemaakt, en alle bondgenooten zijn verplicht, zich daaraan te houden (Artt. 22 en 23).
Sommige bepalingen der Unie zijn nooit uitgevoerd, zooals 't betten van belastingen op eenparigen voet, om in de oorlogskosten te voorzien (Artt. 5 en 6). Evenmin werd uit de ingezetenen zeiven een letter geworven (Art. 8); men hield zich aan de gewoonte om huurtroepen in dienst te nemen.
In den loop van 1579 werden door tusschenkomst van keizer Rudolf weder vredesonderhandelingen te Keulen gevoerd, die ook nu zonder gevolg bleven, daar elke partij aan hare vroegere eischen vasthield. Evenmin baatten dc voordeeligste aanbiedingen van Spaansche zijde, om Oranje to bewegen de Nederlanden aan hun lot over te laten.
Beter slaagden de pogingen, om Rennenberg tot afval te brengen (1580). Voor eene, groote geldsom en teruggave zijner goederen leverde hij Groningen, Drente en een deel van Overijsel aan Parma over. Friesland en de Ommelanden bleven behouden en Steenwijk werd vergeefs belegerd. Maastricht was reeds in 1579 door Panna ingenomen en geplunderd.
Door Kenneubergs verraad ontbrandde opnieuw de krijg in 't noorden en oosten, zoodat met uitzondering van Holland en Zeeland, bijna alle
88
gewesten de ellende vun den oorlog ondervonden. Daar ook andere katholieke edelen 't voorbeeld van Rennenberg volgden, verdubbelden de hevige Calvinisten hun geweld tegen hunne Roomsche medeburgers. De partij, die niet Oranje verdraagzaamheid voorstond, was niet machtig genoeg daaraan een einde te maken. â In 1583 werd zelfs ondanks de religie-vrede en alle satisfaction Art. 18 der Unie gewijzigd en bepaald, dat overal uitsluitend de hervormde godsdienst openlijk mocht worden uitgeoefend, en alleen hervormden openbare ambten mochten bekleeden.
Jan van Nassau legde in 1581 zijn stadhouderschap neder.
Had Filips reeds vroeger in overleg met zijne landvoogden plannen beraamd, om Oranje uit den weg te ruimen, in 1580 vaardigde hij een, bandecreet tegen hem uit. In dit geschrift verklaarde hij hem als opstandeling tegen 't wettig gezag vogelvrij, en beloofde 25.000 gouden kronen benevens brieven van adeldom aan hem, die den prins zou dooden. Oranje verdedigde zijne handelwijze in een heftig verweerschrift (apologie). Deze daad van Filips verhaastte do uitvoering van een lang beraamd plan. Den 26⢠Juli 1581 zwoeren de Algemeene Staten, namelijk de afgevaardigden der gewesten en steden, die naar 't heette aan de Pacificatie trouw gebleven waren, den koning plechtig af (Den Haag). Zij verklaarden o. a. zich daartoe gerechtigd, omdat de onderdanen niet geschapen zijn, om den vorst als slaven te dienen; maar de vorst ten dienste zijner onderdanen, om hen naar recht en rede te regeeren en lief te hebben.
Matthias verzocht in 't zelfde jaar zijn ontslag en keerde naar Duitschland terug.
89
DERDE TIJDVAK.
1581 â!7lt;I5.
Ons land eene bondgenootschappelijke republiek.
AFDKKLING I.
Overgangstijdperk.
1581 â1588.
§ 1. An jon.
1582. Anjou ingehuldigd. De prins door Jauregui gewond.
1583. Fransche furie.
1584. Dood van Anjou. Willem I door Balthasar G era ids vermoord.
1585. Panna verovert Antwerpen.
Getrouw aan hunne vroegere belofte (bi. 85) hadden de gewesten reeds vóór de afzwering van Filips, don hertog Frans van Anjou tot lieer aangenomen. Zij waren daartoe overgegaan op aandringen van Oranje, die al zijne overredingskracht had moeten gebruiken, om den afkeer van den jongen hertog te overwinnen. Anjou toch was katholiek en stond ongunstig bekend, daarbij was de aloude veete tusschen Franschen en Vlamingen nog geenszins vergeten. â Oranje hoopte waarschijnlijk door deze keuzo Spanje met Frankrijk in oorlog te wikkelen, en Engeland tot krachtdadiger bijstand op te wekken, omdat in dien tijd sprake was van een huwelijk tusschen Anjou en Elisabeth.
In Febr. 1582 werd Anjou te Antwerpen ingehuldigd. Zijne macht was zeer beperkt door 't aandeel, dat de Staatsraad en de Algemoene Staten in de regeoring haddon. In Holland en Zeeland bleef de prins de hooge overheid behouden; alleen in sommige algemoene zaken waren deze gewesten aan Anjou onderworpen.
Begeerig naar de groote belooning door Filips uitgeloofd, wist
90
een Spaansch koopman te Antwerpen, d'Anastro, zijn bediende Jean Jauregui over te halen tot een aanslag op 't leven van den prins (Maart 1582). Oranje werd gevaarlijk aan't hoofd gewond, doch herstelde tegen aller verwachting. De moordenaar werd onmiddellijk gedood. Charlotte van Bourbon, afgemat door 't verplegen van den gewonde, overleefde de herstelling van haar echtgenoot slechts weinige dagen. Een jaar later huwde de prins met Louise de Coligny, eene dochter van den Franschen admiraal, die in den Bartholomeüsnacht was vermoord.
Do komst van Anjou met een Fransch leger bracht weinig voordeel aan, en vermeerderde de oneenigheid. Ontevreden over do beperktheid zijner macht, beraamde de trouwelooze vorst een aanslag op verschillende steden (Fransche furie). In 't begin van 1582 bezetten zijne troepen Duinkerken en andere plaatsen; een aanval op Brugge en Nieuwpoort mislukte. Te Antwerpen, waar hijzelf do onderneming leidde, dreven de burgers zijne soldaten terug. Wel 1500 Franschen kwamen daarbij om en een gelijk getal werd gevangen genomen. â Oranje geraakte^ door 't gebeurde in groote ongelegenheid. Men verweet hem de benoeming van Anjou, zoodat hij de grootste moeite had, de Staten tot nieuwe onderhandelingen met den Franschman over te halen. Naar zijne meening gedoogden de omstandigheden niet anders. De spoedig gevolgde dood van Anjou (1584), die valsch genoeg was, om te gelijker tijd naar de aanbieding van Parma te luisteren, was eene ware uitkomst voor 't zwaar beproefde land.
Na de afzwering van Filips wenschten velen in Holland en Zeeland, Oranje tot graaf hunner gewesten te verheffen, en hem dus erfelijk de waardigheid op te dragen, die hij onder een anderen naam reeds tijdelijk bekleedde. Voor den prins zou deze verhefllng inderdaad eene beperking van macht geweest zijn, maar hij meende in 's lands belang dien titel niet te mogen weigeren. Amsterdam, Gouda en Middelburg draalden met hunne toestemming, doch eindelijk was allo tegenstand overwonnen en de 12' Juli 1584: voor de inhuldiging vastgesteld. De prins zou echter dat oogenblik niet beleven. Twee dagen te voren trof
91
hem de doodende kogel van Balthasar Gerards (Franqois Guyon).
De moordenaar, een dweepziek katholiek, werd op eene bar-baarsche wijze ter dood gebracht; zijne familie ontving 't loon voor de misdaad.
Met recht wordt Willem Viin Oranje genoemd de grondlegger van de onafhankelijkheid der Nederlanden. Zonder zijne bekwaamheden en geheele toewijding aan de taak, die hij had aanvaard, zouden meer dan waarschijnlijk ook de noordelijke provinciën in den strijd tegen 't overmachtige Spanje zijn bezweken.
Groot waren de moeilijkheden, waarmede hij had te kampen; zijne verdraagzaamheid in 't godsdienstige werd voor onverschilligheid uitgekreten ; in plaats van de zoo noodige samenwerking heerschte verdeeldheid; de verdragen met veel inspanning tot stand gebracht, werden dadelijk geschonden; vrienden en bondgenooten, in wie hij vertrouwen had gesteld, bleken niet bestand tegen omkooping en pleegden verraad. Toch werd hij niet moedeloos, noch bezweek hij voor de verleidelijkste aanbiedingen. Vijanden en vrienden erkenden zijne buitengewone bekwaamheden, al loopt beider beoordeeling van zijn karakter en bedoelingen ver uiteen.
De verwarring, door 't verraad van Anjou en Oranje's dood ontstaan, wist Parma te gebruiken, om zijn gezag in 't zuiden uit te breiden. Beleid en geweld waren de middelen, waarvan hij zich bediende. Duinkerken, Brugge, Gent, Brussel en Meche-len vielen hem achtereenvolgens in handen, en met de verovering van Antwerpen (1585) waren de zuidelijke gewesten onder de gehoorzaamheid van Filips teruggekeerd. De laatste stad viel na een merkwaardig beleg van 14 maanden (de vuurschepen van Gianibelli). Zij werd verdedigd door Marnix van St.-Alde-gonde, den vriend van â Willem I. De hervormden kregen verlof gedurende vier jaar in de stad te blijven. Duizenden, waaronder vele kooplieden, maakten daarvan gebruik, om hunne bezittingen te verkoopen en naar de noordelijke provinciën te trekken. Verval en achteruitgang vervingen in Brabant en Vlaanderen onder 't Spaansche bestuur den bloei on rijkdom van vroegere dagen. De handel en nijverheid dier provinciën verplaatsten ziuh naar 't noorden.
92
§ 2. Leicester.
1584. Willem Lodewijk stadhouder van Friesland.
1585. Maurits stadhouder van Holland en Zeeland. Komst van Leicester.
1586. Oldenbarneveld advocaat (raadpensionaris) van Holland.
1587. Leicester vertrekt.
1588. De onoverwinnelijke vloot vernield.
Do dood van Willem I kwam zoo onverwacht, dat men geene maatregelen had kunnen nemen, om in zijn gemis te voorzien. Daarbij was de toestand der noordelijke gewesten zeer hachelijk. De belangrijkste vestingen in 't oosten waren in 's vijands macht, en geheele streken door brandschattingen en plunderingen verarmd en verwoest. In 't zuiden stond Parma met een aanzienlijk leger gereed, om na de bijna voltooide herovering van Brabant en Vlaanderen zich op de noordelijke provinciën te werpen.
Op voorstel van Holland kwamen de Algemeene Staten (Aug. 1584) te Delft bijeen, om de noodige maatregelen te beramen. Zij droegen 't algemeen bestuur op aan een Raad van State met den ITjarigen Maurits, den tweeden zoon van Willem I, aan 't hoofd. Friesland benoemde Willem Lodewijk, zoon van Jan van Nassau, tot stadhouder, terwijl Gelderland die waardigheid opdroeg aan Adolf van Meurs, graaf van Nieuwenaar. Deze verving Willem van den Berg, die de Spaansche zijde gekozen en Zutfen aan Parma overgeleverd had. In 1585 werd Nieuwenaar ook stadhouder van Utrecht en Overijsel.
Zonder buitenlandsche hulp was naar de heerschende meening de voortzetting van den krijg onmogelijk, waarom men zich opnieuw tot Frankrijk wendde en Hendrik III de souvereiniteit aanbood. Maar deze vorst, die zich in zijn eigen rijk nauwelijks kon staande houden, weigerde de opdracht te aanvaarden. Evenzoo deed Elisabeth, aan wie vervolgens de heerschappij werd opgedragen. Zij vreesde een openlijken oorlog met Filips, maar evenzeer de herovering van Noord-Nederland door Spanje. Dit bewoog haar tot het sluiten van eeno overeenkomst, waarbij zij 6000 man hulptroepen onder bevel van een aanzienlijk Engelsch-man beloofde.
93
Als waarborg voor de terugbetaling dor voorgeschoten geldsomnion ontving Elisabeth Brielle, Vlissingen en 'tfort Rammekens in pand. Twee Engelschen kregen zitting in den Raad van State. De landvoogd zou orde stellen op de regeering, maar niets ondernemen tegen de wetten en privilegiën; ook kreeg hij 't beheer over de oorlogsgelden. De Staten mochten zonder toestemming der koningin niet met den vijand onderhandelen; Engeland verbond zich tot hetzelfde ten opzichte van de Nederlanden.
Robert Dudley, graaf van Leicester, was de landvoogd, dion Elisabeth voor de Nederlanden bestemde. Hij kwam in 't laatst van 1585 en werd met veel vreugde- en eerbewijzen ontvangen. De Algemeene Staten droegen hem eon veel grooter gezag op, dan overeengekomen was, waarover de koningin zich zeer gebelgd toonde. Zij wilde tegenover Filips den schijn niet aannemen , dat zij naar de souvereiniteit over de Nederlanden stond. Do Staten zochten haar echter gerust te stellen met de verklaring, dat Leicester namens hen en niet in naam van de koningin de souvereiniteit uitoefende.
De Staten van Holland en Zeeland hadden reeds vooraf daadwerkelijk bewezen, dat het hun voornemen niet was, zich geheel aan de leiding van Leicester over te geven. Vóór diens aankomst benoemden zij (Nov. 1585) Maurits tot gouverneur (stadhouder) en kapitein-generaal-admiraal hunner provinciën, en gaven hem den titel van prins van Oranje (waarop Filips Willem als oudste zoon van Willem I recht had). Leicester toonde zijne ontevredenheid hierover, door zich niet te 's-Gravenhage, maar te Utrecht te vestigen.
Op de besluiten, door Holland in dezen tijd genomen, had de pensionaris van Rotterdam, Johan van Oldenbarneveld, veel invloed uitgoefend. Weldra zou hij zich als een uitstekend staatsman doen kennen in 't ambt van advocaat (raadpensionaris) van Holland, dat hem in 1580 opgedragen werd.
Door Elisabeth's houding geraakte Leicester al dadelijk in een moeilijken toestand, dien hij door onverstandige en willekeurige handelingen verergerde. Een zijner eerste maatregelen was 't verbieden van den winstgevenden handel op Spanje en de
94
Spaansche Nederlanden, een besluit, dat hij, ondanks devertoo-gen van Holland en Zeeland daartegen, doordreef. Aan den Raad van State ontnam hij 't beheer over de geldmiddelen, dat aan eene Kamer van Financiën werd opgedragen. Hij droeg aan Vlaamsche en Brabantsche gelukzoekers als Reingoud, Prouninck en Burchgrave belangrijke betrekkingen op, waarvan eerstgenoemde, thesaurier der Kamer, tot eigen voordeel misbruik maakte. De Kamer van Financiën werd spoedig weder opgeheven.
De ontevredenheid over Leicesters bestuur werd nog gevoed door de slapheid, waarmede de oorlog gevoerd werd en de traagheid van Elisabeth in 't zenden van onderstandsgelden. Dit alles verhinderde niet, dat de rechtzinnige landvoogd eene grooto partij op zijne hand kreeg, vooral in Utrecht. Deels naijver op Holland, deels toegevendheid voor de wenschen van de onverdraagzame hervormden en hunne predikanten was hiervan de oorzaak. Ofschoon Holland dit strijdig met de Unie verklaarde, liet hij te 's-Hage eene nationale synode houden, die aan de stedelijke regeeringen bijna allen invloed op de benoeming van predikanten ontnam. â Het was een geluk voor de geüniëerde provinciën, dat geldgebrek Parma verhinderde van deze onlusten veel partij te trekken. Nu moest hij zich vergenoegen mot de verovering van Grave, waarvoor de inneming van Axel, Maurits' eerste wapenfeit, slechts eene schrale vergoeding was.
In 't laatst van 1586 vertrok Leicester voor eenigen tijd naar Engeland (proces van Maria Stuart). Gedurende zijne afwezigheid leverden Stanley en York Deventer en de schans bij Zutfen aan den vijand over. Hierdoor gingen velen vrienden van den Engelschman de oogen open. Holland liet de steden waardgelders in dienst nemen, en breidde Maurits' gezag in krijgszaken uit. Het plakkaat tegen den handel werd zoodanig gewijzigd, dat het alle kracht verloor, en aan vele misbruiken werd een einde gemaakt.
Bij zijne terugkomst in 't midden van 1587 had Leicester den geheimen last medegekregen, den vrede met Spanje te bewerken, maar Oldenbarneveld was hiervan niettemin onderricht. Sedert werd de landvoogd in al zijne handelingen met wantrou-
95
wen gadegeslagen en zijn gezag in Holland niet meer erkend. Het verlies van 't sterke Sluis, dat wellicht ontzet had kunnen worden, vermeerderde de spanning. De steun van zijne eigen partij, die geen vrede wilde, ontviel Leicester, toen de dubbelhartige staatkunde van Elisabeth bekend werd. Op 't voorbeeld van Anjou beproefde hij thans door geweld zijn gezag te horstellen. Zijn grootsten tegenstander, Oldenbarneveld, en ook Maurits trachtte hij op te lichten, maar zijn plan mislukte. Eene poging om Amsterdam door zijne troepen te bezetten, werd verijdeld, terwijl eene samenzwering om hem Leiden over te leveren ontdekt werd, en eenigen zijner aanhangers 't leven kostte. Door 't mislukken van zijne verraderlijke aanslagen teleurgesteld, besloot Leicester een land te verlaten, waar hij niets dan verwarring en onrust had gesticht. In Dec. 1587 naar Engeland teruggekeerd, maakte hij drie maanden later zijn ontslag bekend. De Engelsche hulptroepen bleven in 'tland, maar hun bevelhebber, Willoughby, had geen aandeel in 't landsbestuur.
De verovering van Portugal door Alva (1580) had de zeemacht van Spanje zoo aanzienlijk vermeerderd, dat Filips zich in staat rekende, Engeland te onderwerpen. In 't oog der katholieken namelijk was niet Elisabeth, maar Maria Stuart, koningin van Schotland, de wettige vorstin van Engeland. Na de onthoofding van Maria (1587) liet Filips zich door paus Sixtus V met dit land beleenen, terwijl eene groote oorlogsvloot (armada) in gereedheid gebracht werd, om 't koninkrijk te veroveren.
Die vloot, ruim 180 schepen sterk met bijna 80.000 soldaten aan boord, kostte 60 millioen gulden van uitrusting en 90 duizend aan dagelijksch onderhoud. In Spanje rekende mon zoo stellig op 't welslagen der onderneming, dat men de vloot bij voorbaat de onoverwinnelijke noemde. Panna dacht er anders over, maar kreeg niettemin bevel te Duinkerken en Nieuwpoort 82 schepen met 48.000 man gereed te houden, om zich bij de armada te voegen. De onbekwame admiraal Medina Sidónia verscheen in Aug. 1588 in 't Kanaal, maar wachtte vergeefs op Parma, die door do Hollandsche en Zeeuwsche schepen onder Johan van Wassenaar en Justinus van Nassau verhinderd werd
96
uit te loopen. De logge Spaansche galjoenen konden niets uitrichten tegen den zwerm van Engelsche vaartuigen onder Howard en Drake. Menig schip werd in den grond geboord, of strandde op ondiepten. Toen de Engelschen bovendien eenige branders op de vloot afzonden, geraakte zij geheel in verwarring. Sidónia besloot nu den terugtocht aan te nemen, langs de Schotsche en lersche kusten; maar zware stormen brachten de armada zulk eene schade toe, dat slechts een derde gedeelte der vloot in Spanje terugkeerde.
De gevolgen v:m den ondergang der onoverwinnelijke vloot waren hoogst belangrijk. De mislukte aanslag op Engeland redde tevens ons land van eene nieuwe Spaansche overheersching. De hoop op een gelukkigen afloop van den strijd was verlevendigd, daar de macht van Spanje een gevoeligen knak had gekregen. De zee was van vijanden bevrijd, waardoor de handel van Holland en Zeeland zich ongehinderd kon ontwikkelen. De verhouding tot Engeland, door de laatste gebeurtenissen gespannen, verbeterde zeer na het gemeenschappelijk afgewend gevaar, terwijl in 't land zelf' de partij woelingen verminderden, te meer omdat Leicester nog in t zelfde jaar overleed.
AFDEELING II.
Opkomst van de republiek der Vereenigde Nederlanden.
1588 â 1648.
§ 1. Stichting en bestuur van de republiek.
Na Leicosters vertrek regeerde geen vorst, noch landvoogd over de noordelijke gewesten, zoodat sedert 1588 de republiek der Vereenigde Nederlanden een aanvang neemt. Om de geschiedenis dier republiek te kunnen begrijpen, is eenige bekendheid met de inrichting van haar bestuur onmisbaar; daarom moet een overzicht harer staatsregeling aan hare geschiedenis voorafgaan.
Na den dood van Willem I wenschten sommigen Maurits tot graaf te verheffen ; maar zijne jeugd en de onbekendheid met hetgeen van hem verwacht kon worden, gaven den tegenstanders van dien maatregel een geschikt voorwendsel, om dit te verhinderen. Oldenbarne-
97
veld vooral drong meermalen op Maurits' verheffing aan en wist te bewerken, dat de macht van den stadhouder herhaaldelijk werd uitgebreid.
Bij de Unie van Utrecht hadden de gewesten zich nauw en voor altijd verbonden, zonder evenwel hunne zelfstandigheid prijs te geven. De republiek was dus een statenbond, bestaande uit onderling onafhankelijke leden. Het bondsbestuur berustte bij de Algemeene Staten of Staten-Generaal, terwijl de regeering over de afzonderlijke gewesten door de Provinciale Staten werd uitgeoefend.
De beteekenis der Staten was in de laatste jaren geheel gewijzigd. Onder de Bourgondische en Oostenrijksche vorsten vergaderden zij alleen, wanneer de vorst hen samenriep. Zij hadden geen aandeel in 't bestuur, hoogstens eene raadgevende stem, en alleen 't recht om beden toe te staan of te weigeren, een recht, waarop dikwijls inbreuk werd gemaakt.
In 1572 kwamen de Staten van Holland, in 1576 de Algemeene Staten voor 'teerst op eigen gezag bijeen. Van hen ging de benoeming of erkenning van landvoogden en stadhouders voortaan uit, en eindelijk de afzwering van Filips. Op die wijze geraakten zij in 't bezit der souvereiniteit, welke zij aanvankelijk, hoewel op beperkende voorwaarden , aan andere vorsten of landvoogden overdroegen (Willem 1, Anjou, Leicester), maar na 1587 zeiven uitoefenden.
Bij de Unie waren de grenzen der bevoegdheid van 't algemeen en 't gewestelijk bestuur niet nauwkeurig afgebakend, ten minste ontstond hierover meermalen verschil van meening. Daarbij kwam, dat een dei-gewesten (Holland) in belangrijkheid de andere ver overtrof, en in de republiek eene plaats wilde innemen overeenkomstig zijne beteekenis, terwijl het in 't bondsbestuur slechts ééne stem uitbracht, evenals de overige provinciën. Uit deze toestanden zijn grootendeels de hevige twisten voortgekomen tusschen de Staten-Generaal en die van Holland, welke de republiek somtijds in beroering brachten.
Naar de Provinciale Staten zonden de edelen of ridderschap en de voornaamste steden afgevaardigden. De invloed der edelen, die tevens de kleine steden en 't platteland vertegenwoordigden, was in de meeste gewesten zeer gering. De stemmende steden, meer of minder aanzienlijk, hadden gelijke rechten, hetgeen alweder tot oneenigheden aanleiding gaf, vooral tusschen de Staten van Holland en 't machtige Amsterdam.
De stedelijke regeeringen of vroedschappen hadden binnen de grens-J. M. Vos, VaderL Gesch. 2quot; druk. 7
98
palen dor stad een bijna onbeperkt gezag, in 't bijzonder in stadhou-derlooze tijdperken. Sedert Filips van Bourgondië fbl. 44j was aan de gilden, schutterijen en andere vereenigingen van burgers langzamerhand alle invloed op 't stedelijk bestuur ontnomen, zelfs werd in 1581 door de Staten van Holland 'traadplegen der gilden, enz. uitdrukkelijk verboden. In de eerste tijden der republiek waren de burgers met dien toestand tevreden. Zij lieten gaarne alles aan de heeren regenten over, die ook de regeeringszaken naar eisch behartigden. Toen evenwel in een later tijdperk 'tgeheele bestuur der republiek in eene familieregeering of oligarchie ontaardde, de belangen van land en stad schromelijk verwaarloosd werden, en nieuwe denkbeelden omtrent het staatsbestuur ingang vonden, kwamen de burgerij en tot inzicht van haar onmacht. Maar alle pogingen, om verbetering aan te brengen, mislukten, en zoo werd ook de inrichting van 't stedelijk bestuur eene bron van hevige beroeringen.
De republiek bestond, toen zij hare grootste uitgebreidheid had verkregen, uit de zeven provinciën: Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel, Friesland en Gi'oningen, 't landschap Drente en de Generaliteitslanden. Deze waren de landstreken, die bij den vrede van Munster aan de republiek bleven, namelijk: Staats-Vlaanderen, Staats-Brabant, Staats-Limburg, Staats-Opper- Geldei ⢠en Westenvolde.
De Raad van State had na 1587 een uitgebreid gezag. Maar in dit lichaam bleven bij voortduring twee Engelschen zitting houden. en had de advocaat van Holland geen toegang; redenen genoeg, om
o 00' o oquot;
zijne bevoegdheid al spoedig te doen inkrimpen. Ten laatste bepaalde zich de werkzaamheid van dien raad tot het beheer der algemeene geldmiddelen en krijgszaken, later kwam daarbij 'tdagelijksch bestuur over de Generaliteitslanden. Ook de stadhouders hadden zitting in den Raad van State.
De Süiten-Generaal vertegenwoordigden de republiek tegenover 't buitenland. Ieder gewest had daarin ééne stem; er werden dus 7 stemmen uitgebracht, want Drente was niet vertegenwoordigd.
Sedert 1593 waren de S.-G. permanent en in 1639 gaven zijne leden zich den titel van Hunne Hoogmogenden. Gewichtige zaken mochten alleen met eenparige stemmen aangenomen worden, en nadat de afgevaardigden hunne lastgevers (de prov, staten) hadden geraadpleegd. Tot de werkzaamheden der S.-G. behoorde hoofdzakelijk 'tvolgende:
1. De regeling der buitenlandsche zaken, als: oorlog, vrede, verdragen , enz.
2. Het opperbestuur over 't krijgswezen te land en te water. (In oorlogstijd vergezelden eenige leden der S.-G. {gedeputeerden te velde) 'l leger en hadden grooten invloed op de krijgsverrichtingen.)
3. Het opperbeheer over de geldmiddelen der Unie. De jaarlijksche
99
begrooting Villi uitgaven (generale petitie), door den U. v. S. opgemaakt, werd aan de goedkeuring der S.-G. onderworpen. Ieder gewest betaalde sedert 1G16 een vast aandeel (quotum) in die uitgaven, namelijk Holland ± 58, Friesland 11'/ji Zeeland 9, Gelderland, Utrecht en Groningen ieder S'/ji Overijsel 'S'l2 en Drente 1 van elke 100 gulden. Elk gewest betaalde rechtstreeks de troepen, die te zijner repartitie stonden. Hieruit kwamen soms moeilijkheden voort, daar de Prov. Staten wel eens 'trecht meenden te hebben, die troepen eigenmachtig te ontslaan.
4. Het oppergezag over de Generaliteitslanden en de buitenlandsche bezittingen.
5. De rechtspraak over alle zaken, die de generaliteit betroffen.
G. De benoeming van hooge ambtenaren in dienst der republiek.
7. Het toezicht op de naleving der kerkelijke verordeningen, enz.
De rekenkamer oefende toezicht uit op de inkomsten en uitgaven.
Do kosten der zeemacht werden bestreden sedert 1572 uit de (Miirom-
licentgelden. Convooigelden werden betaald door de handelsvaartuigen voor de bescherming, door de oorlogschepen verleend. Ook wanneer de zee veilig genoeg was, zoodat geen convooi werd medegegeven, moesten die gelden toch worden opgebracht bij 't uitgaan en inkomen. Licentgelden moesten gestort worden voor 't verlof, om met den vijand handel te drijven. Zij namen later 't karakter aan van in- en uitvoerrechten.
De zeemacht stond sedert 1507 onder 't bestuur der 5 colleycs ran admiraliteit: van de Maas (Rotterdam), Amsterdam, Zeeland (Middelburg), West-Friesland (Hoorn of Enkhuizen) en Friesland (Dokkum, na 1645 Harlingen). De admiraal-generaal was voorzitter der colleges, te zamen en afzonderlijk.
De Provinciale Staten bestuurden alle zaken, die hun gewest in 'tbijzonder aangingen (provinciale wetten, belastingen, ambten, enz.). Zij beraadslaagden over de zaken, die in de Saten-Generaal beslist moesten worden en bepaalden de stem, welke hunne afgevaardigden ter S.-G. moesten uitbrengen. Hun titel was Edel Moyenden, na 1656 noemden zich de leden der Staten van Holland: Kdel Groot Mogende Ileeren. Het dagelijksch bestuur was opgedragen aan colleges , Gecommitteerde Kaden of Gedeputeerde Staten genoemd. Zij werden uit en door de Prov. St. gekozen en waren permanent. Holland had twee colleges van Gec. Raden, een voor 't Zuider- en een voor 't Noorderkwartier.
In Holland bestonden de Staten uit twee leden, de edelen of ridderschap en de steden. Het eerste lid bracht slechts ééne stem uit, het tweede achttien. De 18 stemhebbende steden waren: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda, Rotterdam, Gorinchem,
100
Schiedam, Schoonhoven, Brielle, Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Edam, Monnikendam, Mcdeinblik en Purmerend.
In de Staten van Zeeland hadden zitting: de eerste edele (eene waardigheid, die door den stadhouder, als markgraaf van Vlissingen en Vere, werd bekleed) en de 6 steden: Middelburg, Zieriksee, Goes, Telen, Vlissingen en Vere.
De Stilten van Utrecht telden drie leden; de grüligeerden, de ridderschap cn de steden. De geëligeerden (bl. 381 werden na de hervorming gekozen uit de colleges, die belast waren met het beheer der kerkelijke goederen. Elk lid bracht ééne stem uit.
Gelderland bestond uit de kwartieren Nijmegen, Zutfen en Arnhem. Elk kwartier had afzonderlijke staten, bestaande uit het lid der ridderschap en dat der steden. In de gemeenschappelijke vergaderingen, landdagen, bracht elk kwartier ééne stem uit.
In Overijsel stemden de edelen, evenals de steden Deventer, Kampen en Zwolle afzonderlijk. De invloed der geheele ridderschap was ongeveer gelijk aan dien der steden; want stemde b.v. één edelman met de drie steden, dan was er eene meerderheid, evenzoo wanneer éene stad zich bij de ridderschap aansloot. De provincie was verdeeld in de kwartieren Salland, Twente en Vollenhove.
De vier kwartieren van Friesland: Oostergo, Westergo, Zeven-wolde cn 't stedenkwartier brachten elk ééne stem uit op den landdag. De steden waren elf in getal: Leeuwarden, Bolsward, Franeker, Sneek, Dokkum, Harlingen, Stavoren, Sloten, Workum, T.Tlst cn Hindeloopen. De overige kwartieren waren verdeeld in 30 firietemjen, met (gietmannen aan 't hoofd. Deze werden verkozen door eigenerfden , of personen, die een huis met een erf van zekere uitgestrektheid bezaten. Elke stad zond een burgemeester en een lid der vroedschap, elke grietenij een edelman en een eigenerfde naar den landdag. Elk kwartier hield ook afzonderlijke vergaderingen.
Groningen (Stad cn Lande') bestond uit de stad Groningen en de Ommelanden: Hunsingo, Fivelingo en Westerkwartier. In de Statenvergadering bracht de stad ééne stem uit, evenals de gezamenlijke Ommelanden. Bij staking van stemmen besliste de stadhouder.
In de vergadering van 't landschap Drente werden drie stemmen uitgebracht, éene door de ridderschap en twee door de eigenerfden.
De leden der stedelijke raden werden benoemd door den stadhouder uit eene voordracht, door de vroedschap zelve opgemaakt. In vele plaatsen, zooals in de meeste steden van Holland, vulden de vroedschappen zichzelven aan. Dit laatste geschiedde in stadhou-derlooze tijden overal, tenzij de prov. staten zich de benoeming voorbehielden. Enkele malen werd door de staten aan den stadhouder
101
opgedragen, de stedelijke regeering te ontbinden en andere leden daarin te benoemen. Men noemde dit ,,de wet verzetten.quot;
De voornaamste stedelijke ambtenaren waren de burgemeesters, schout, schepenen en pensionaris. De burgemeesters, 2 of 4 in getal, bezaten met de schepenen 't uitvoerend gezag en stonden aan 't hootd der politie. Schout en schepenen maakten de stedelijke rechtbank uit. De pensionaris was een rechtsgeleerde, die 't stadsbestuur met zijn raad moest bijstaan en voor de afgevaardigden ter prov. staten het woord voeren. De burgemeesters en de schepenen waren leden van de vroedschap, de schout niet.
De hoogste ambtenaar in de republiek was de stadhouder. In 't vorig tijdperk werd de stadhouder aangesteld door den vorst, was hij diens plaatsbekleeder en verdiende hij dns den titel, dien men hem gaf. Tijdens de republiek werd hij benoemd door de gewestelijke staten; de titel bleef bestaan, doch daarnaast kwam die van gouverneur in gebruik. Gewoonlijk bekleedde de stadhouder van Holland dit ambt tevens in Zeeland, Utrecht, Gelderland en Oveiijsel, terwijl dc Fricsche stadhouder ook in Groningen en Drente werd lumgesteld. Wij zullen zien, dat deze regel niet zonder uitzonderingen was. In de eerste vijf provinciën werd quot;t stadhouderschap aan de nakomelingen van Willem I opgedragen, in de laatste aan die van Jan van Nassau. In 1747 werd de stadhouder van Friesland in alle provinciën met dit ambt bekleed.
Dc bevoegdheid van den stadhouder was zeer uitgebreid, vooral gedurende de latere tijden der republiek. Zijne positie was zeer eigenaardig. Ofschoon ambtenaar had hij in Zeeland deel aan 't sou-verein gezag (hl. 100) en door zijn invloed op dc magistraatsbestelling in vele steden werkte hij mede tot de keus zijner eigene overheden. Hij was 't hoofd der uitvoerende macht in zijne provincie en verplicht voor dc rechten van 't gewest te waken. Ook de zorg voor de belangen der (hervormde) kerk was hem opgedragen. Op dc keus van talrijke ambtenaren oefende hij grooten invloed uit. Hij had 't recht van zitting in 't gewestelijk hof en dat van gratie, uitgezonderd wanneer het grove misdaden betrof. Verder stond hij aan 't hoofd van de land- en zeemacht zijner provincie, had hij zitting in den Raad van State en werd zijne tusschenkomst ingeroepen, wanneer geschillen tusschen de gewesten mochten ontstaan.
De stadhouder van Holland, enz. werd bovendien door de Staten-Generaal tot opperbevelhebber benoemd van 't leger en de vloot mot den titel van kapitein-generaal en admiraal.
Onder de overige ambten was er geen zoo gewichtig als dat van raadpensionaris van Holland (vóór 1630 landsadvocaat). Hij regelde dc werkzaamheden van dc provinciale staten en was daarin woord-
102
voerder voor de ridderschap, terwijl hij de wetten en besluiten dier staten moest helpen uitvoeren. Daarbij was de zorg voor de belangen der provincie hem in 't bijzonder opgedragen, en had hij toegang tot de vergadering van gecommitteerde raden.
Ook Zeeland had een raadpensionaris, de overige provinciën een secretaris, griffier, kanselier of syndicus.
Maar wat de betrekking van raadpensionaris van Holland bovenal belangrijk maakte, was de invloed, dien deze ambtenaar op de leiding der buitenlandsche zaken uitoefende. Hij had toegang tot de vergaderingen der Stilten-Generaal, hield briefwisseling met de gezanten der republiek en onderhandelde met de vertegenwoordigers der vreemde mogendheden. Door de groote bekwaamheid van sommige raadpensionarissen werd 't gewicht van dit ambt niet weinig verhoogd, vooral in stadhouderlooze tijdperken.
Tot de aanzienlijke ambtenaren der republiek behoorden verder de griffier der Staten-Generaal, de secretaris van den Raad van State en de thesaurier-generaal der Unie.
§ 2. Maurits1 kri/jgshedrijven. Twaalfjarig bestand.
1590. Verrassing van Breda. *
1591. Maurits verovert Zutfen, Deventer, Delfzijl, Hulst en Nijmegen.
1592. Steenvvijk en Koevorden ingenomen. Panna sterft.
ïSQS- Verovering van Geertruidenberg.
1594. De stadhouders maken zich meester van Groningen.
1596. Alhertus van Oostenrijk landvoogd. Verhond niet Frankrijk en Engeland.
1597. Gevecht bij Turnhout. Maurits neemt Rijnberk, Groenlo en andere plaatsen.
1598. Frankrijk sluit vrede. Filips II staat de Nederlanden af. Hij sterft.
1600. Slag bij Nieuwpoort.
1604. Ostende verloren. Sluis ingenomen. Engeland sluit vrede.
1609. Twaalfjarig bestand.
Mot de nederlaag der Spaansche armada begint een nieuw en voorspoedig tijdperk in don langdurigen vrijheidsoorlog. Was tot hiertoe de strijd met moeite volgehouden en scheen do voortzetting van den krijg meermalen eene hopelooze zaak, een tiental jaren later is de toestand geheel veranderd, de vijand van 't grondgebied der republiek verdreven en 't zwaar geteisterde land in een bloeienden staat veranderd.
Dien gelukkigen ommekeer had de republiek grootendeels to danken aan 't beleid en de bekwaamheid van twee harer groot-
103
ste mannen, Maurits en Oldenbarneveld, gedeeltelijk ook aan de verkeerde maatregelen van den Spaanschen koning.
De woelingen in Frankrijk namelijk vervulden Filips met de hoop, de kroon van dit land aan zijne dochter Isabella te verschaften. Daarom moest Parma 't grootste deel zijner krijgsmacht in Frankrijk gebruiken, zoodat 't overschot verre van voldoende was, om de talrijke plaatsen in de republiek, die nog aan Spanje gehoorzaamden, te behouden.
Na den dood van Nieuwenaar (1589) volgde Maurits ook in Utrecht, Gelderland en Overijsel als stadhouder op; vooral door toedoen van Oldenbarneveld. Deze uitstekende staatsman kreeg de leiding der binnen- en buitenlandsche politiek geheel in handen. In de eerste jaren bestond de beste verstandhouding tusschen hem en Maurits, die, minder staatkundige dan veldheer, zich bijna uitsluitend met de oorlogszaken bemoeide. In alles wat 't legerbestuur, 't aanleggen van vestingwerken en 't belegeren van steden betrof, toonde Maurits zich weldra zulk een meester, dat vele vreemde officieren zijn leger volgden, om zich in de krijgskunde te oefenen. Zelf had Maurits, op aansporing van zijn neef Willem Lodewijk, met dezen Romeinsche werken over die wetenschap bestudeerd, en met 't beste gevolg eene geheele wijziging in de bewapening en oefening zijner troepen ingevoerd. Maurits' bekwaamheid in de wiskunde en omgang met den geleerden Simon Stevin kwamen hem daarbij zeer te stade.
Met de verrassing van Breda door middel van een turfschip (Héraugière) in 1590 begon Maurits den aanvallenden oorlog. De afwezigheid van Parma stelde hem in staat nog eenige kleinere plaatsen in Brabant te bemachtigen, hoewel eene poging om ook Nijmegen te vermeesteren mislukte. Het volgende jaar was nog voorspoediger. Nadat 't leger aanzienlijk was versterkt, werd besloten de Uselsteden aan te tasten; onverwachts verscheen Maurits voor Zutfen, dat reeds na 5 dagen bemachtigd werd. Onmiddellijk na de overgave rukte hij naar Deventer, en na 10 dagen was ook die stad veroverd. Nu lag Groningen aan de beurt, maar de bekwame Verdugo voorkwam Maurits,
104
door nog bijtijds troepen in die vesting te werpen. Toch was de tocht naar 't noorden niet geheel zonder vrucht, daar 't gewichtige Delfzijl veroverd werd. Intusschen was Parma teruggekeerd en in de Betuwe gevallen; maar eer hij eenig wezenlijk voordeel kon behalen, was Maurits daar en dreef hem terug. Om de Spanjaarden uit de omstreken van Nijmegen te lokken, trok hij naar Zeeland en nam 't onbewaakte Hulst. De toeleg gelukte; plotseling verscheen Maurits voor Nijmegen, zoo gewichtig door zijne ligging, en eer eene maand voorbij was, had hij ook deze stad ingenomen.
Holland en Utrecht waren thans voor een inval beveiligd, maar de wegen naar Friesland lagen nog voor den vijand open. Do staten van dit gewest hadden daarom meermalen den wensch geuit, dat men vóór alles de herovering van Drente en Groningen zou beproeven. Daartoe werd besloten. Maurits opende den veldtocht van 1592 met het beleg van Steemoijk; hij verschanste zich zoo goed, dat een ontzettingsleger hem niet vermocht te verdrijven. Na ruim 40 dagen viel de stad, een waar roofnest, dat de Zuiderzee onveilig maakte. Ook Koevorden werd genomen, ondanks zijne sterke ligging en de pogingen van Verdugo tot ontzet. Nog hooger steeg de roem van Maurits, toen hij in 't volgende jaar (1593) Geertruidenberg veroverde, de laatste Hollandsche stad, die nog in 's vijands bezit was.
Alle pogingen, om de gewichtigste stad van 't noorden, Groningen , te bemachtigen, hadden tot hiertoe gefaald door de waakzaamheid van den vijand. Na hun leger aanzienlijk versterkt te hebben, sloegen de beide stadhouders 't beleg om die plaats (Mei 1594). Als gewoonlijk verhinderde muiterij onder de slecht betaalde Spaansche troepen elke ernstige poging tot ontzet. Daarbij werkten hevige twisten tusschen 't katholieke en 't hervormde gedeelte der burgerij verlammend op de verdediging , zoodat reeds na 2 maanden 't laatste bolwerk in 't noorden genomen werd. Groningen, met de Ommelanden vereenigd, werd weder in de Unie opgenomen, en Willem Lodewijk zoowel in de nieuwe provincie, als in Drente tot' stadhouder aangesteld. Evenals in de overige gewesten mocht in Groningen voortaan
105
alleen de hervormde godsdienst uitgeoefend worden, ofschoon ook daar de meerderheid der bevolking katholiek was. Do ijverig gereformeerde stadhouder zorgde, dat deze bepaling stipt werd nagekomen, waardoor hij zich vele vijanden maakte.
Parma was na een nieuwen veldtocht in Frankrijk, waar hij de vijanden van Hendrik IV moest ondersteunen, in 1592 gestorven. Wederkeerig streden Nederlandsche en Engelsche troepen aan de zijde van dien koning, waardoor 't Spaanscho leger wel buiten onze grenzen werd bezig gehouden, maar tevens Maurits in zijne ondernemingen belemmering ondervond. De zuidelijke gewesten, als tusschen twee vuren geplaatst, ondervonden al de rampen van dien verwoestenden oorlog, en hadden bovendien vreeselijk te lijden van de muitzieke Spaanscho benden. Nadat de oude graaf van Mansfeld korten tijd de landvoogdij had waargenomen, kwam Ernst van Oostenrijk aan 't bestuur, en na diens overlijden in 1595 de graaf van Fuentes, die in 't volgende jaar zijne plaats moest inruimen aan Albertus van Oostenrijk. Met dezen landvoogd kwam Filips Willem uit Spanje terug. Indien de koning gehoopt had, door zijne vrijlating tweedracht in de Nederlanden te wekken, vond hij zich bedrogen, daar Filips Willem op verzoek der Staten buiten de republiek bleef. Hij vestigde zich eerst te Breda, later te Brussel, waar hij in 1618 overleed.
Intusschen had Frankrijk in 1595 openlijk den oorlog aan Spanje verklaard, en in 't volgende jaar met Engeland en de republiek een verbond gesloten. De voornaamste vrucht van die verbintenis was, dat de zelfstandigheid der gewesten door deze mogendheden werd erkend. Eene groote Engelsch-Neder-landsche vloot zeilde daarop naar Cadix, waar een aantal rijk geladen schepen lagen. Om den vijand teleur te stellen, verbrandden de Spanjaarden zelf hunne vaartuigen, maar do zeelieden stelden zich schadeloos in de stad, die gruwelijk geplunderd en vei woest werd.
Maurits opende de krijgsbedrijven van 't volgende jaar (1597) met 't gevecht bij Turnhout. Van 80U ruiters vergezeld, overviel hij de Spaansche troepen onder Varax, die zelf sneuvelde. De
104
door nog bijtijds troepen in die vesting te werpen. Toch was de tocht naar 't noorden niet geheel zonder vrucht, daar 't gewichtige Ddfzvjl veroverd werd. Intusschen was Parma teruggekeerd en in de Betuwe gevallen; maar eer hij eenig wezenlijk voordeel kon behalen, was Maurits daar en dreef hem terug. Om de Spanjaarden uit de omstreken van Nijmegen te lokken, trok hij naar Zeeland en nam 't onbewaakte Hulst. De toeleg gelukte; plotseling verscheen Maurits voor Nijmegen, zoo gewichtig door zijne ligging, en eer eene maand voorbij was, had hij ook deze stad ingenomen.
Holland en Utrecht waren thans voor een inval beveiligd, maar de wegen naar Friesland lagen nog voor den vijand open. Do staten van dit gewest hadden daarom meermalen den wensch geuit, dat men vóór alles de herovering van Drente en Groningen zou beproeven. Daartoe werd besloten. Maurits opende den veldtocht van 1692 met het beleg van Steemoyk; hij verschanste zich zoo goed, dat een ontzettingsleger hem niet vermocht te verdrijven. Na ruim 40 dagen viel de stad, een waar roofnest, dat de Zuiderzee onveilig maakte. Ook Koevorden werd genomen, ondanks zijne sterke ligging en de pogingen van Verdugo tot ontzet. Nog hooger steeg de roem van Maurits, toen hij in 't volgende jaar (1593) Geertruidenberg veroverde, de laatste Hollandsche stad, die nog in 's vijands bezit was.
Alle pogingen, om de gewichtigste stad van 't noorden, Groningen , te bemachtigen, hadden tot hiertoe gefaald door de waakzaamheid van den vijand. Na hun leger aanzienlijk versterkt te hebben, sloegen de beide stadhouders 't beleg om die plaats (Mei 1594). Als gewoonlijk verhinderde muiterij onder de slecht betaalde Spaansche troepen elke ernstige poging tot ontzet. Daarbij werkten hevige twisten tusschen 't katholieke en 't hervormde gedeelte der burgerij verlammend op de verdediging , zoodat reeds na 2 maanden 't laatste bolwerk in 't noorden genomen werd. Groningen, met de Ommelanden vereenigd, werd weder in de Unie opgenomen, en Willem Lodewijk zoowel in de nieuwe provincie, als in Drente tot' stadhouder aangesteld. Evenals in de overige gewesten mocht in Groningen voortaan
105
alleen de hervormde godsdienst uitgeoefend worden, ofschoon ook daar de meerderheid der bevolking katholiek was. De ijverig gereformeerde stadhouder zorgde, dat deze bepaling stipt werd nagekomen, waardoor hij zich vele vijanden maakte.
Parma was na een nieuwen veldtocht in Frankrijk, waar hij de vijanden van Hendrik IV moest ondersteunen, in 1592 gestorven. Wederkeerig streden Nederlandsche en Engelsche troepen aan de zijde van dien koning, waardoor 't Spaanscho leger wel buiten onze grenzen werd bezig gehouden, maar tevens Maurits in zijne ondernemingen belemmering ondervond. De zuidelijke gewesten, als tusschen twee vuren geplaatst, ondervonden al de rampen van dien verwoestenden oorlog, en hadden bovendien vreeselijk te lijden van de muitzieke Spaanscho benden. Nadat de oude graaf van Mansfeld korten tijd de landvoogdij had waargenomen, kwam Ernst van Oostenrijk aan 't bestuur, en na diens overlijden in 1595 de graaf van Fuentes, die in 't volgende jaar zijne plaats moest inruimen aan Albertus van Oostenrijk. Met dezen landvoogd kwam Filips Willem uit Spanje terug. Indien de koning gehoopt had, door zijne vrijlating tweedracht in de Nederlanden te wekken, vond hij zich bedrogen, daar Filips Willem op verzoek der Staten buiten de republiek bleef. Hij vestigde zich eerst te Breda, later te Brussel, waar hij in 1618 overleed.
Intusschen had Frankrijk in 1595 openlijk den oorlog aan Spanje verklaard, en in 'tvolgende jaar met Engeland en de republiek een verbond gesloten. De voornaamste vrucht van die verbintenis was, dat de zelfstandigheid der gewesten door deze mogendheden werd erkend. Eene groote Engelsch-Neder-landsche vloot zeilde daarop naar Cadix, waar een aantal rijk-geladen schepen lagen. Om den vijand teleur te stellen, verbrandden de Spanjaarden zelf hunne vaartuigen, maar de zeelieden stelden zich schadeloos in de stad, die gruwelijk geplunderd en ve: woest werd.
Maurits opende de krijgsbedrijven van 't volgende jaar (1597) met 't gevecht bij Turnhout. Van 800 ruiters vergezeld, overviel hij de Spaansche troepen onder Varax, die zelf sneuvelde. De
106
vijand verloor 2500 soldaten aan dooden en gevangenen, terwijl 't verlies aan onze zijde slechts 10 man bedroeg. Kort daarop viel 't sterke Rijnberk (in 't Keulsche) in Maurits' macht, waarna door de verovering van Groenlo, Enschede on eenige kleinere plaatsen de vijand geheel uit het oosten der republiek werd verdreven.
Het drievoudig verbond was niet van langen duur. De Fran-sche koning sloot in 1698 vrede met Spanje, waartoe de uitputting van zijn land hem noodzaakte. Dit was een zware slag voor de republiek, doch Hendrik IV bleef haar met geld ondersteunen. Met Engeland werd 't verbond hernieuwd op voorwaarde, dat men jaarlijks een gedeelte der voorgeschoten geldsommen zou afbetalen, en slechts één Engelschman zitting in den Raad van State bleef behouden.
In denzelfden tijd besloot Filips II uitvoering te geven aan een lang gekoesterd plan. Hij gevoelde zijn dood nabij en begreep, dat de zaken in de Nederlanden onderzijn zwakken zoon gevaar zouden loopen, nog meer achteruit te gaan. Daarom bracht hij een huwelijk tot stand tusschen zijne dochter Isabella en Albertus van Oostenrijk, en stond hun de Nederlandsche gewesten af. Die afstand geschiedde in 1598, doch was niet onvoorwaardelijk; in de voornaamste plaatsen bleef eene Spaan-sche bezetting, en de provinciën zouden met Spanje hereenigd worden, indien 't huwelijk kinderloos bleef. Nog in 't zelfde jaar stierf de koning, zijn gebied in een vervallen staat aan zijn zoon Filips III nalatende.
Bijna alle Spaansche landvoogden hadden met de republiek onderhandelingen gevoerd en voordeelige voorwaarden aangeboden, indien zij zich wilde onderwerpen. Ook de aartshertogen (zoo werden Albertus en Isabella gewoonlijk1 genoemd) begonnen hun bestuur met voorstellen tot bevrediging aan te bieden, die do Staten echter als onaannemelijk van de hand wezen.
De rooverijen der kapers uit Nieuwpoort en vooral uit Duinkerken brachten jaarlijks onzen handel zware verliezen toe. De Staten-Generaal ontwierpen daarom op aanraden van Oldenbarneveld 'tplan, die plaatsen te veroveren. Maurits en Willem Lodewijk
107
hielden eene dergelijke onderneming voor roekeloos en beweerden, dat bij mislukking 't bestaan der republiek gevaar liep. Maar de voorstanders van den tocht naar Vlaanderen dreven hun wensch door; zij rekenden op de muiterij onder de vijandelijke troepen en de ontevredenheid der Vlaamsche bevolking. Een leger van bijna 15000 man werd te Rammekens ingescheept en landde bij Filippine. Terwijl Maurits zuidwaarts trok, wisten de aartshertogen hunne oproerige troepen tot gehoorzaamheid te bewegen. Ernst Casimip, de broeder van Willem Lodewijk, die trachten moest, den vijand tegen te houden, werd bij Leffmghem teruggeworpen, terwijl Maurits zijn leger bij Nieuwpoort in slagorde schaarde. Weldra vertoonden zich de Spaansche troepen, bijna even talrijk als die van Maurits, en door Albertus in persoon aangevoerd. De slag was hevig, van beide zijden werd met de grootste dapperheid gestreden (2 Juli 1600), maar tegen den avond jaagde de reserve van Maurits den vijand op de vlucht. Vele aanzienlijke Spanjaarden geraakten in gevangenschap, zelfs Albertus ontkwam dit lot ternauwernood. Maar belangrijke gevolgen had de slag hij Nieuwpoort niet, want 't staatsche leger was zoodanig verzwakt, dat aan eene voortzetting der onderneming niet te denken viel. Waarschijnlijk dagteekent van dit oogenblik de verwijdering tusschen Maurits en Oldenbarneveld.
In plaats van uit Vlaanderen verdreven te worden, besloot Albertus zelfs 't laatste punt, dat de republiek in die provincie nog bezet hield, Ostende, aan te tasten en niet te rusten, vóór die sterkte genomen was. De stad werd verdedigd door den dapperen Engelschen bevelhebber Francis Vere, ontving van de zeezijde telkens versterking en was alzoo moeilijk te bemachtigen. Het beleg werd bestuurd door den bekwamen Spinola en duurde drie jaren. Eerst toen de vesting geheel was platgeschoten, gal' zij zich over (1604). Terwijl 't Spaansche leger vóór Ostende werd beziggehouden, had Maurits elders vergoeding gezocht voor 't verlies van die stad, en door de inneming van Sluis en andere plaatsen de verovering van Staats-Vlaanderen voltooid. Minder gelukkig werd de oorlog in 't oosten van ons land gevoerd, waar Spinola verschillende plaatsen innam, als Lochem en Groenlo;
108
alleen de eerstgenoemde stad kon door Maurits hernomen worden (1607).
Na 't overlijden van Elisabeth in 1603, werd Jacobus I koning van Engeland. Reeds 't volgende jaar sloot hij vrede met Spanje, zoodat de republiek ook haar laatsten bondgenoot verloor. De oorlog kon sedert alleen met de uiterste krachtsinspanning voortgezet worden, en leverde meer na- dan voordeelen op. Daarom werd de begeerte naar vrede algemeen, zoodat de nieuwe voorstellen tot een vergelijk van de zijde der aartshertogen (1607) een gunstig gehoor vonden. De onderhandelingen hadden eerst te 's-Hage, daarna te Antwerpen plaats, waarbij ook Frankrijk, Engeland en Duitschland vertegenwoordigd waren (Spinola, Jeannin). Over twee punten bovenal kon men het niet eens worden: Spanje verlangde afstand van de vaart op Indië (g 3) en vrije uitoefening van den Roomschen godsdienst. Nu de vrede onmogelijk bleek, stelden de vreemde gezanten 't sluiten van een langdurigen wapenstilstand voor. Maurits, ofschoon niet afkeerig van een duurzamen vrede op goede voorwaarden, verzette zich ernstig tegen een tijdelijken; hij vreesde, dat de vijand dien mocht gebruiken om zich zoodanig te versterken, dat de uitkomst van een nieuwen oorlog hoogst twijfelachtig zou worden. Alleen Zeeland en eenige Hollandsche steden vielen hem bij; de meerderheid met Oldenbarneveld aan 't hoofd verklaarde zich voor een bestand. Ten laatste gaf Maurits toe, waarschijnlijk uit vrees, dat men zijn verzet aan verkeerde beweegredenen zou toeschrijven. Hendrik IV, die persoonlijk reden had den vrede te wen-schen, gaf Oldenbarneveld en anderen staatslieden rijke geschonken. Den 9quot; April 1609 werd eindelijk door de partijen eene overeenkomst getroffen: gedurende 12 jaren zouden de wapenen rusten.
Bij 't Ticadlfjarig bestand verklaarden de aartshertogen en Spanje de republiek te houden voor vrije en onafhankelijke landen. Elk zou behouden, wat hij bezat. Omtrent de vaart op Indië werd niets besloten; daar bleef de oorlog dan ook voortduren.
109
§ 3. Handelsbloei. Be Oost-Indische compagnie. Toestanden.
1594- Eerste tocht naar 't noorden.
1595« Eerste reis naar Indië. Houtman. Tweede tocht naar 't noorden.
1596. Derde tocht naar 't noorden. Heemskerk en Barends.
1602. Oprichting der Oost-Indische compagnie.
1606. Dood van Reinier Klaassens. Amhoina veroverd.
1607. Zeeslag hij Gibraltar. Heemskerk sneuvelt.
In dezelfde mate als de bloei der zuidelijke gewesten door den oorlog afnam, vermeerderde de welvaart der noordelijke provinciën. Inzonderheid nam de handel eene booge vlucht, misschien nog meer door den ondernemingsgeest van Hollanders en Zeeuwen, dan door de verplaatsing der handelsbeweging naar 't noorden. Wel bracht de val van Antwerpen den Hollandschen steden, vooral Amsterdam, groote voordeden aan, doch reeds vóór die gebeurtenis dreef deze stad een uitgebreiden handel. Ook kwamen 't zuiden en 't noorden niet op dezelfde wijze door den handel tot welvaart en bloei. Antwerpen was door hare gunstige ligging de marktplaats, waarheen schepen uit alle oorden de koopwaren brachten; maar de stad zelve had weinig schepen in de vaart. De Hollandsche steden daarentegen bezaten eene steeds toenemende koopvaardijvloot, die telkens nieuwe markten opzocht voor de waren van eigen bodem, of uit vreemde landen aangevoerd. De oorsprong van dien bloeienden handel was te zoeken in de uitbreiding der visscherij sedert de uitvinding van 't haringkaken. Voor Holland en Zeeland werd de haringvangst eene ware goudmijn; omstreeks 't einde der 16e eeuw hadden beide provinciën 1500 buizen in zee. De groote hoeveelheden zout, voor 't kaken benoodigd, werden uit de Fransche en Spaansche havens gehaald, in 't land zelf gezoden, en gedeeltelijk weer uitgevoerd met den haring en de zoo geroemde Hollandsche en Friesche boter en kaas. Vloten van honderden schepen waren noodig, om den vreemdeling van die waren te voorzien. De handel op de Oostzee was inzonderheid levendig en voordeelig, 0111 de ladingen koren, die de schepen op de terugreis medenamen. Amsterdam werd op die wijze 't middelpunt van den graanhandel.
Aan den handel op de Middellandsche zee namen vóór 1590 de Nederlanders weinig deel, maar in dat jaar waagden het enkele Hollandsche schippers de straat van Gibraltar door te zeilen, om Italië, waar toen hongersnood heerschte, eenige ladingen graan toe te voeren. Zoo snel breidde de handel zich daar uit, dat in 1507 reeds 400 schepen uit onze havens naar de Middellandsche zee vertrokken. De vriendschap van Hendrik IV opende ons weldra ook de Turksche
110
havens, en zoo ontstond de handel op de Levant, die later eene zoo groote beteekenis zou krijgen.
Natuurlijk voedde die omvangrijke handel andere middelen van bestaan. In de eerste plaats den scheepsbouw, waarvoor al 'thout moest aangevoerd worden. Het verwerken der groote menigte balken leidde tot de uitvinding der houtzaagmolens, waarvan de eerste in 1596 te Zaandam werd gebouwd. De geheele Zaanstreek bloeide weldra door de houtkooperij. Touwslagerijen en zeildoek weveryen hielden duizenden handen bezig. Daarbij verplaatsten zich de laken-en linnenindustrie van Vlaanderen naar Holland; Haarlem en Leiden kwamen er door tot groote welvaart.
Wij zagen hoe ondanks den oorlog de handel op Spanje voortging, en 't verbod van Leicester weer spoedig werd ingetrokken. Gaarne had Filips zijne havens voor de ondernemende opstandelingen gesloten, maar hij kon niet buiten hen; zij haalden de Indische producten in ruil voor de noordsche waren. In 1584 liet hij echter onverwachts op alle Nederlandsche schepen in de Spaansche en Portugeesche havens beslag leggen. Voortaan voer men alleen onder vreemde vlag, maar dit verhinderde niet, dat de schepen in 1595 opnieuw gevaar liepen, verbeurd verklaard te worden. Het bleef nu gelukkig bij eene bedreiging, maar de onzekerheid, waarin de handel op Spanje verkeerde, dreef de kooplieden tot nieuwe ondernemingen aan. Zij wilden beproeven zeiven naar Indië te varen; de winsten zouden dan grooter zijn, terwijl men de tusschenkomst van Spanje kon ontberen. ^
Die plannen waren niet geheel nieuw, evenmin als de weg, dien de Portugeezen volgden, onbekend was. Menig Nederlander had de reis op Portugeesche schepen meegemaakt. De zouthandel had de Hollandsche schepen reeds naar de Kaap-Verdische eilanden gebracht, en sedert 1593 voeren zij naar de kust van Guinea.
Op 't voorbeeld der Engelschen was eenige jaren vroeger de handel op Archangel geopend. Eenige onbestemde berichten omtrent eene ijsvrije Poolzee deed de meening ontstaan, dat er om de noord een kortere en minder gevaarlijke weg naar Indië bestond. Dien weg op te zoeken, eer de Engelschen zich daarvan meester maakten, moest niet verzuimd worden. De Moucheron, een aanzienlijk koopman te Middelburg, was de ontwerper van dit plan, waarin hij gesteund werd door Linschoten, een ervaren reiziger, en den Amsterdamschen predikant Plancius, een man van gezag in zaken van aardrijks- en zeevaartkunde. In 1594 zeilden vier schepen onder Linschoten uit, die
') Toen in 1598 Filips III in Spanje opvolgde, verbood hij zijn onderdanen allen handel met de republiek,
Ill
met de blijde tijding terugkeerden, dat zij door straat Waygatz eene ruime, open zee bereikt hadden. Groot was echter de teleurstelling, toen eene tweede expeditie in 't volgende jaar geheel mislukte. Ten derden male werd in 1596 een tocht gewaagd onder Heemskerk en den ervaren Willem Barends. Bij 't eiland Nova-Zembla geraakte hun schip in 'tijs bekneld, en de bemanning, moest den barren winter op 'teiland doorbrengen; Barends overleed op de terugreis.
Gelijktijdig met den tweeden tocht naar 't noorden had de eerste reis om Afrika plaats onder den opperschipper Pieter Keyzer en Cornelis Houtman, die in Lissabon nadere berichten omtrent Indië en den weg daarheen had ingewonnen. Eene Amsterdamsche compagnie {Maatschappij van verre) had hun vier schepen toevertrouwd, waarmede zij in 1596 te Bantam aanlandden. Veel voordeel bracht de eerste reis niet aan, maar hare gevolgen waren allerbelangrijkst. Ãogenblikkelijk verrezen eenige nieuwe maatschappijen, en weldra namen talrijke schepen aan den Oost-Indischen handel deel. (Jacob van Neck; Olivier van Noort, reis om de aarde 1598â1601.) De zware concurrentie, die zij elkander aandeden, maakte echter de vaart weinig voordeelig, waarom op voorstel van Oldenbarneveld besloten werd tot vereeniging der verschillende maatschappijen. Aldus ontstond in 1602 de Oost-Indische compaf/nie, die met uitsluiting van alle andere vereenigingen of bijzondere personen 't recht ontving, op Indië handel te drijven. Het octrooi werd verleend voor 21 jaren, maar na dien termijn telkens verlengd, en omvatte de landen ten oosten van de kaap de Goede Hoop en ten westen der straat van Magellaan. De compagnie kreeg 't recht, om met inlandsche vorsten te onderhandelen, verbonden te sluiten en oorlog te voeren onder oppertoezicht van de Stelten-Generaal. Zij werd bestuurd door zes kamers (Amsterdam, Zeeland, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen), haar kapitaal bedroeg 6-J millioen gulden, waarvan Amsterdam de helft. Zeeland een vierde, elk der overige kamers een zestiende bijdroeg. Het getal bewindhebbers bedroeg 60; aan 17 van hen werd 't dagelijksch bestuur opgedragen (Verr/aclerinf/ van zeventien, of TIeeren zeventien).
De Oost-Indische compagnie mocht zich al spoedig in een onge-wonen bloei verheugen. Nog in 'tjaar barer oprichting zeilde eene vloot naar Bantam, waar men verlof kreeg eene steenen loods of factory te stichten. In 1605 werd Amboina op de Portugeezen veroverd, waarop de vermeestering van andere Molukken spoedig volgde. De voordeelen, die de Oost-Indische handel opleverde, nog vergroot door buitgemaakte Spaansche en Portugeesche schepen, waren zoo belangrijk, dat de aandeelhouders aanzienlijke uitkeeringen ontvingen; in 1606 zelfs 75 0/0.
Terwijl men in Azië den vijand bestreed, werd ook in de Euro-
112
pcesclie wateren de oorlog voortgezet. Bij huup St.-Vincent overviel in 1606 eene Spaansche scheepsmacht eenige onzer schepen. Deze namen lafhartig de vlucht met uitzondering van één schip, dat zich weldra door 8 galjoenen zag ingesloten. De bevelhebber Reinier Klaassens, hield den strijd twee dagen vol, en toen hij geen hulp zag opdagen, verkoos hij liever de lont in. 't kruit te werpen, dan in handen der vijanden te vallen. Het volgende jaar zeilde Heemskerk met 26 schepen naar de Spaansche kust. Hij tastce de vijandelijke vloot in de baai van Gibraltar aan, behaalde eene volkomen overwinning, maar sneuvelde, evenals de Spaansche bevelhebber Avila.
Op de eerste Staten-vergadering te Dordrecht was vrije godsdienstoefening aan alle secten beloofd; men hoopte door dit blijk van verdraagzaamheid 't best de rust te bewaren, en de zoo noodige samenwerking van allen in den strijd tegen Spanje te verkrijgen. Ongelukkig trof deze maatregel geen doel, in 1573 reeds moest de uitoefening der katholieke leer verboden worden. De Calvinistische bevolking, van wie 't hevigst verzet tegen Filips was uitgegaan, duldde geene gelijkstelling, en zag bovendien in eiken katholiek een Spaanschge-zinde; zoodat de regeering om erger te voorkomen aan haar drijven moest toegeven, ofschoon de groote meerderheid der inwoners katholiek was gebleven. De voorstanders van verdraagzaamheid waren in 't oog der menigte libertijnen, die zich om den godsdienst niet bekommerden; zelfs prins Willem was om zijne gematigdheid sterk verdacht. De overige protestantsche secten, uitgezonderd do Waalsch-hervormden, deelden 'tlot der Roomschen, en waren evenals dezen onbevoegd, om ambten te bekleeden. Toch was _de toestand der katholieken gunstiger, dan in menig ander protestantsch land; langzamerhand werden hunne samenkomsten oogluikend geduld, of, schandelijk genoeg, door baljuws en schouten tegen betaling toegelaten. Niet overal was 'men even toegevend; in de groote steden bracht 't handelsverkeer eene grootere verdraagzaamheid mede.
Omtrent de Joden waren de hervormden gunstiger gezind; misschien juist om de vervolging, waaraan die lieden in katholieke landen blootstonden. In 't laatst der 16' eeuw vonden vele Portugeesche en Duitsche Joden hier een toevluchtsoord, en kregen zij zelfs te Amsterdam verlof, eene synagoge te bouwen. Die verdraagzaamheid kwam de stad ten goede; daar zij uitgebreide handelsbetrekkingen hadden aan de kusten der Middellandsche zee, werd Amsterdam de zetel van den Levantschen handel.
Sedert de scheiding tusschen Noord- en Zuid-Nederland ging ook de Hollandsche taal en letterkunde haar eigen weg. Het was vooral de Amsterdamsche rederijkerskamer âde K/jlantirrquot; met de zinspreuk
113
âin liefde bloeiendequot; die de zuivering en beschaving der taal voorstond. Zij telde in dit en 't volgende tijdperk de meeste letterkundigen van naam onder hare leden, zooals Roemer Visscher en Spieghel. Naast dezen moeten Coornhert en Filips van Marnix, de verdediger van Antwerpen, genoemd worden, als baanbrekers op 't gebied der taalzuivering. Visscher, bekend door zijne talrijke kleinere gedichten, en Spieghel, wiens hoofdwerk de ,,HertspieyheV' is, trachtten op 'tgebied der poëzie te bereiken, hetgeen Coornhert als prozaschrijver beoogde in talrijke geschriften, voornamelijk over theologie. Marnix, de dichter van t WUhehnuslied, vervaardigde eene berijming der psalmen, veel hooger in waarde, dan die van Datheen. Zijn voornaamste prozawerk is de âBijenkorf der Jf. Ronmsche kerk,quot; waarin hij de katholieke kerk zeer scherp aanviel.
§ 4. De tijd van 't Twaalfjarig bestand.
'Ib'lÃ. Remonstranten en Contra-remonstranten.
'1015. De pandsteden ingelost.
'1617. Scherpe resolutie.
'1618. Maurits dankt de waardgeldeis af. Oldenharneveld en anderen gevangen genomen. De nationale synode geopend.
1619. Oldenbarneveld onthoofd.
1621. Oprichting der West-Indische compagnie.
Gedurende de twintig jaar van haar bestaan was de jeugdige republiek zoozeer in bloei en kracht toegenomen, dat zij haar vijand boven 't hoofd was gegroeid, en een eervol bestand had kunnen bedingen. Ongelukkig zou 't tijdperk van vrede, dat zij scheen in te gaan, geene rust aanbrengen, maar gekenmerkt worden door hevige beroeringen in kerk en staat.
Reeds merkten wij 't bestaan van twee richtingen op in de hervormde kerk, eene meer gematigde en eene minder verdraagzame. De eerste wenschte eenige vrijheid in geloofsbelijdenis toe te laten, waardoor het mogelijk zou zijn, dat leden van andere protestantsche genootschappen in de staatskerk werden opgenomen. Bovendien wilde zij de benoeming van predikanten en kerkelijke overheden van den staat doen uitgaan. De andere partij eischte echter onvoorwaardelijke instemming met de vastgestelde leer en dus uitsluiting van allen, die het daarmede niet geheel eens waren. Volgens haar moest de staat zich niet J. M. Vos, Vader 1. Gesch., 2e druk. 8
114
in kerkelijke zaken mengen, en de aanstelling van predikanten aan de kerkeraden overlaten. Jaren lang was dit verschil eene bron van oneenigheid geweest, pogingen om tot overeenstemming te geraken waren mislukt, zelfs was de kloof steeds wijder geworden. Weldra ontaardde de twist in een hevigen strijd.
In 1603 openbaarde zich tnsschen twee Leidsche hoogleeraren, Jacob Arminius en Franciseus Gomarus, verschil van meening over sommige geloofspunten, hoofdzakelijk over 't leerstuk der voorbeschikking of predestinatie. Het geschil bleef niet tot de hoogeschool beperkt, en weldra waren de predikanten in twee partijen verdeeld, Arminianen en Gowarisfen, die elkander vinnig bestreden. De dood van Arminius (1609) bracht daarin geene verandering; de predikanten schroomden niet hun gevoelen van den kansel te verkondigen en dus de gemeente in den strijd te betrekken. De Arminianen, tevens voorstanders van de bevoegdheid der regeering, om zich in kerkelijke zaken te mengen, wendden zich (1610) tot de Staten van Holland met eene lemon-strantie, waarin zij hun gevoelen uiteenzetten. De Staten beproefden den twist bij te leggen, waarom zij zes predikanten van elke partij uitnoodigden in hunne vergadering te verschijnen (Haagsche conferentie). De Gomaristen legden eene contraremonstrantie over ter verdediging hunner opvatting van t leerstuk; daar geene der partijen iets wilde toegeven, liep de bijeenkomst (remonstranten en contTci-ramp;nionstrcinten) vruchteloos af. Evenmin werkte de resolutie van 1611 iets uit, waarin de Staten matiging en verdraagzaamheid aanbevalen, noch die van 1613, waarin verboden werd over de betwiste punten te prediken. De contra-remonstranten drongen aan op de bijeenroeping eener nationale synode, daar de meerderheid in de provinciën van hun gevoelen was. In Holland evenwel waren de Arminianen 't talrijkst, waarom zij de beslissing aan eene provinciale kerkvergadering wilden overlaten. De Staten van dit gewest sloten zich hierbij aan, zich beroepende op art. 13 der Unie; Oldenbarneveld had op al deze besluiten der Staten veel invloed, ofschoon hij waarschijnlijk de leer van Gomaras was toegedaan.
115
In 1615 wist Oldenbarneveld koning Jacobus te bewegen, voor een derde van de verschuldigde som de pandsteden terug te geven. Daarmede bewees hij de republiek een grooten dienst, maar berokkende hij zich de vijandschap van den Engelschen koning, die alleen uit geldgebrek zoo vrijgevig was geweest. De gezant Garieten kreeg in last de contra-remonstranten openlijk te begunstigen, terwijl zij ook in Willem Lodewijk een krachti-gen steun vonden. Intusschen namen de onlusten in hevigheid toe, vooral in Holland; beide partijen maakten zich aan vervolgingen schuldig, predikanten werden geschorst, bijeenkomsten gestoord, de bevelen der overheid geminacht en allerlei moedwil bedreven.
Maurits had zich lang buiten de kerkelijke geschillen gehouden; hij ging gewoonlijk ter kerk bij zijn hofprediker Uitenboogaart, een ijverig Arminiaan. Het ontbrak echter niet aan pogingen, hem aan de zijde der contra-remonstranten te brengen; ook zijn neef, de Friesche stadhouder, werkte daartoe mede. Niet minder de vijanden van Oldenbarneveld, en die waren velen, inzonderheid FranQois van Aerssen, heer van Sommelsdijk. Zij maakten gebruik van de verkoeling, sedert 't bestand tusschen den stadhouder en den advocaat ontstaan, om Oldenbarneveld bij Maurits verdacht te maken. Hun opzet slaagde naar wensch: in 1617 schaarde de stadhouder zich aan de zijde der tegenstanders van Hollands Staten.
De woelingen in verschillende steden van Holland namen eene onrustbarende verhouding aan, opruiende geschriften van allerlei aard vermeerderden de spanning, 't verzet tegen de overheid werd heviger, en bij dit alles konden de Staten niet op de troepen des stadhouders rekenen. Zij namen daarom in Aug. 1617 een krachtig besluit (ondanks de tegenkanting van 5 steden, o. a. Amsterdam), door hunne tegenpartij de scherpe resolutie genoemd. Bij dit besluit werden de steden gemachtigd tot handhaving van 't gezag rustbewaarders, icaardgelders, in dienst te nemen; werd den officieren en soldaten gelast de overheid der plaatsen, waar zij in garnizoen lagen, getrouw en gehoorzaam te zijn; 't houden eener nationale synode niet ingewilligd en be-
8*
i 16
paald, dat in alle zaken, de geschillen betreffende, de staten als rechters zouden optreden. â Verschillende steden namen nu waardgelders in dienst, in 't geheel 1800 man; zoo deed ook Utrecht, waar 600 rustbewaarders werden aangesteld.
Hoewel de scherpe resolutie geenszins onwettig was, vermeerderde zij de verbittering. De Staten-Generaal, waarin vele persoonlijke vijanden van Oldenbarneveld waren, besloten Utrecht zoo mogelijk tot afdanking der waardgelders en inwilliging dei-nationale synode te bewegen. Toen deze provincie weigerde, kwam Maurits met geweld tusschenbeide: hij dankte de waardgelders af en verzette de wet. De secretaris der Staten, Gillis van Ledenberg, nam zijn ontslag (1618).
Holland stond nu alleen. Op bevel der Staten-Generaal werden ook in die provincie de waardgelders ontslagen en de vroedschappen der wederspannige steden afgezet. Tevens werd Oldenbarneveld volgens geheim besluit dier Staten onverwachts gevangen genomen. Hetzelfde lot trof Hug-o de Groot, pensionaris van Rotterdam, Hoogerbeets, pensionaris van Leiden en Ledenberg, allen medestanders van den advocaat.
Eene buitengewone rechtbank werd opgericht, om de gevangenen te vonissen. Onder de rechters (12 uit Holland en 2 uit elk der overige gewesten) waren de vijanden van Oldenbarneveld ruim vertegenwoordigd. Eene reeks van beschuldigingen werd tegen hem ingebracht; hij had de religie in verwarring gebracht, 't vuur der tweedracht gestookt, de scherpe resolutie doorgedreven, den band der Unie verbroken, enz. Men onthield hem de middelen, om zich behoorlijk te kunnen verdedigen, noch gunde hem den bijstand van een rechtsgeleerde. Met de overige beschuldigden werd op gelijke wijze gehandeld. Het vonnis luidde voor Oldenbarneveld den dood, voor De Groot en Hoogerbeets levenslange gevangenschap, voor allen verbeurdverklaring van goederen. Ledenberg had zich in de gevangenis van 't leven beroofd, om zijne bezittingen voor zijne vrouw en kinderen te behouden; het mocht niet baten, ook zijne nalatenschap werd verbeurd verklaard.
De Fransche gezant, Willem Lodewijk en Louise de Coligny
117
trachtten de uitvoering van 't doodvonnis te voorkomen; ook Maurits wenschte zeer, dat Oldenbarneveld om gratie zou verzoeken; maar van zijne onschuld bewust, weigerde hij dien stap te doen. Den 13en Mei 1619 werd te 's-Gravenhage 't doodvonnis aan den 71jarigen grijsaard voltrokken, die 43 jaren 't land trouw had gediend en aan wien de republiek haar bestaan en haar bloei grootendeels was verschuldigd.
De Groot en Hoogerbeets werden op Loevestein gevangen gezet; de eerste wist in 1621 te ontsnappen en werd later gezant van Zweden te Parijs; aan Hoogerbeets gaf men na Maurits' dood de vrijheid weder.
De nationale synode werd in Nov. 1618 geopend onder voorzitterschap van Johannes Bog-erman, predikant te Leeuwarden. Ook godgeleerden uit andere landen woonden haar bij. De groote meerderheid der leden bestond uit contra-remonstranten, die de Arminianen van den beginne aan als gedaagden behandelden. Gelijk te voorzien was, werden de gevoelens der remonstranten veroordeeld en hun leeraars 't prediken verboden. Wie hunner weigerde de acte van stilstand te teekenen werd verbannen, terwijl gevangenschap hem wachtte, die in 't geheim voortging met prediken. Dit besluit kostte een 200tal predikanten hun ambt, 80 van hen werden in ballingschap gezonden. De synode ging vervolgens over tot het vaststellen der geloofsleer voor de Ne-derlandsch hervormde kerk en besloot den bijbel opnieuw uit de grondtalen te doen overzetten. Dit werk, waaraan vele geleerde mannen deelnamen, kwam in 1685 gereed (statenbijbel), en heeft grooten invloed uitgeoefend op de vorming onzer taal.
Ook gedurende 't bestand rustten de wapenen niet geheel. De republiek nam in 't belang van den keurvorst van Brandenburg deel aan den Gulik-Kleefschen successie-oorlog (llilOâ1Ã14). Bij 't uitbreken van den 30-jarigen oorlog (1(518) ondersteunde zij de protestanten in Duitscbland tegen den keizer.
Omstreeks 't einde van 't twaalfjarig bestand werden pogingen aangewend, om eene compagnie op te richten voor den handel op Amerika. Vooral Usselincx, een Amsterdamsch koopman en Zuid-Nederlander van afkomst, evenals De Moucheron (bl. 110), trachtte door zijne geschriften dit plan te bevorderen. In U)'21 kwam de nieuwe ver-
118
eeniging onder den naam van West-Indische Compaynié tot stand. Zij kreeg voor 24 jaren den alleenhandel op de westkust van Afrika. de oostkust van Amerika en de tusschen beide werelddeelen gelegen eilanden. De compagnie had. wat de inrichting betreft, veel overeenkomst met de Oost-Indische, alleen stond zij meer ondei toezicht van de Staten-Generaal. die o. a. de keus van den gouverneur moesten goedkeuren. Zij was verdeeld in 5 kamers (Amsterdam, Zeeland, Rotterdam, Hoorn en Friesland met Groningen); haar eerste inleg bedroeg Tl millioen, waarvan Amsterdam |, Zeeland f, de overige kamers elk J bijdroegen. Het bestuur was in handen van 74 bewindhebbers. waaruit de r/enerale ren/aderiiui (19 leden) werd gekozen, üe compagnie ontving als eerste bezitting Nienw-Nederland aan de Hudson, eene landstreek in 1609 door den Engelschman Henry Hudson ontdekt, toen hij in dienst der Oost-Indische compagnie eene noordelijke doorvaart moest zoeken. Op 't eilandje Manhattan, aan den mond der rivier, bouwde men in 1626 een fort, waarbij de stad Nieuw-Amsterdam verrees. De handel in pelterijen met de Indianen leverde belangrijke voordeden op.
§ 5. Hernieuwing van den oorlog. Dood van Manrits.
1621. Einde van 't bestand. De Zuidelijke Nederlanden komen weer aan Spanje.
1623. Samenzwering tegen 't leven van Maurits;
1625. Verlies van Breda. Maurits sterft.
Willem Lodewijk, de vriend en wapenbroeder van Maurits, beleefde 't einde van 't bestand niet. Hij stierf in 1620 en werd in Friesland opgevolgd door zijn broeder Ernst Casimir, in frio-ningen en Drente door Maurits. In 't volgende jaar overleed ook Albertus van Oostenrijk, zoodat de Zuidelijke Nederlanden weder aan den Spaanschen koning kwamen; Isabella bleef tot haar dood (1633) landvoogdes.
De partij, die bij de onlusten door geweld de overwinning had behaald, ging voort met 't nemen van harde maatregelen. Rechtschapen mannen, als de predikanten Uitenboogaart en Camp-huyzen, de laatste tevens een verdienstelijk dichter, moesten als ballingen buiten hun vaderland rondzwerven. Overal werden de remonstranten uit de regeering verdreven en van hunne ambten beroofd, ook de zonen van Oldenbarneveld, Reinier van Groeneveld en Willem van Stoutenburg, trof dit lot. Onervaren
119
lieden namen veelal de opengevallen plaatsen in, zoodat 't ge-heele staatsbestuur, waarin men bovendien de leidende hand van Oldenbameveld miste, de treurige gevolgen ondervond van de jongste beroeringen in kerk en staat.
Maurits had in 1618 de rijke nalatenschap van zijn broeder Filips Willem geërfd, waardoor zijn aanzien zeer was gestegen. Na Oldenbarnevelds dood meenden velen, dat hij de souvereini-teit zou trachten te verkrijgen, waartoe de omstandigheden gunstig waren; hij toonde echter zulke heerschzuchtige plannen niet te bezitten. Zijne houding, in de burgertwisten aangenomen, had hem veler vijandschap berokkend, zooals weldra zou blijken. In 1623 werd eene samenzwering tegen zijn leven gesmeed door Stoutenburg, den afgezetten predikant Slatius en vele anderen. Vier matrozen (Jan Faassen), die men in den aanslag wilde betrekken , brachten 't misdadig plan aan 't licht. Sommige samenzweerders wisten te ontkomen, o. a. Stoutenburg, die in Spaan-schen dienst overging. Groeneveld echter, ofschoon veel minder schuldig, werd achterhaald, evenals Slatius. Alle gevangenen, 15 in getal, werden ter dood veroordeeld. De flere weduwe van Oldenbameveld, Maria van Utrecht, die geweigerd had voor haar echtgenoot vergiffenis te vragen, smeekte Maurits om genade voor haar schuldigen zoon; het mocht haar niet baten.
De oorlog werd na 't bestand met weinig geluk hervat. Geldgebrek was oorzaak, dat Maurits zich tot verdediging van 't grondgebied moest bepalen; terwijl hij den bekwamen Spinola tegenover zich had. Deze ontnam hem Breda (1625) en verijdelde zijn plan om Antwerpen te verrassen. Dit was de laatste onderneming van den beroemden krijgsheld. Door eene sleepende ziekte aangetast, stierf hij reeds in 1625 op SSjarigen leeftijd. Kort te voren was zijn broeder Frederik Hendrik op zijn aanraden in 't huwelijk getreden met Amalia van Solms, eene Duitsche dame, die in 't gevolg van den verdreven koning van Bohemen (Frederik van de Paltz) in ons land was gekomen.
120
§ 6. Het stadhouderschap van Frederik Hendrik. Vrede van Munster.
1^25â1647. Frederik Hendrik stadhouder.
1627. Verovering van Groenlo.
1629. Frederik Hendrik neemt 's-Hertogenbosch. Piet Hein sneuvelt.
1632. Maastricht veroverd. Ernst Casimir sneuvelt. Hendrik Casimir I.
1635. Verbond met Frankiijk.
1637. Breda heroverd.
1639. Slag bij Duins. M. H. Tromp.
1640. Hendrik Casimir I sneuvelt. Willem Frederik volgt hem op in
Friesland, Frederik Hendrik in Groningen en Drente.
1648. Vrede van Munster.
Maurits' opvolger in 't stadhouderschap was de 40jarige Frederik Hendrik, die van wage de Staten-Generaai ook tot kapi-tein-generaal en admiraal werd aangesteld. Groningen en Drente kozen evenwel Ernst Casimir. De nieuwe stadhouder was in 't kerkelijke en staatkundige de begrippen der remonstranten en van Oldenbarneveld toegedaan, en een vijand van onverdraagzaamheid. Hij gebruikte zijn invloed, om de strenge plakkaten tegen de onderliggende partij te matigen, maar oogstte daarvoor weinig dank. In 't oog der remonstranten, die alles van zijn optreden hadden gehoopt, bevorderde hij te weinig hunne belangen; naar de meening der tegenpartij was hij veel te toegevend. Langzamerhand bedaarde echter de vervolgingswoede, en 't duurde niet lang, of in de meeste Hollandsche steden hielden de remonstranten ongestoord hunne godsdienstige samenkomsten. Te Amsterdam kregen zij in 1634 zelfs verlof, om een seminarium tot opleiding hunner predikanten te stichten. Op die gunstige wending vertrouwende, keerde Hugo de Groot in 't vaderland terug; maar een bevel tot zijne gevangenneming bewees, dat voor hem in de republiek geene plaats meer was. Frederik Hendrik vond het niet geraden tusschenbeide te komen, en zoo moest de groote geleerde opnieuw in ballingschap gaan.
Zonderling mag het heeten, dat in dezen tijd onze Calvinistische republiek eon katholieken vorst hielp in 't beteugelen zijner protestantsche onderdanen. Volgens een verbond in 1624 met Frankrijk gesloten, vorderde de minister Richelieu den bijstand
121
onzer vloot, om La Roebelle aan de Hugenoten te ontrukken. De admiraal Hautain streed met afwisselend geluk bij die stad, maar de verontwaardiging tegen de regeering was zoo groot, dat de Staten onze vloot terug lieten komen (1626).
De schade, welke de Duinkerkers aan handel en visscherij toebrachten, nam sedert 1621 weder ontzaggelijk toe: in één jaar ontroofden die stoute zeeroovers alleen aan Enkhuizen meer dan 100 haringbuizen, terwijl zij eene menigte koopvaarders op onze kusten wegnamen. De admiraal Pietep Pietersz. Hein (§ 7), kort te voren uit den dienst der West-Indische compagnie in dien van Holland overgegaan, leverde hun in 1629 een slag, waarin hij zelf om 't leven kwam.
De oorlog werd na Maurits' dood met kracht voortgezet, en de nieuwe stadhouder toonde weldra, dat hij voor zijn broeder in bekwaamheid niet onderdeed. De moeilijkheden, die Frederik Hendrik bij de belegering van de sterkste vestingen wist te overwinnen, verschaften hem den welverdienden naam van âsledenbedwinger.quot; Door de inneming van Oldensaal (1626) en 't sterke Gromlo (1627), waaruit de vijand gedurig rooftochten ondernam, herstelde hij de geleden verliezen. Maar geen wapenfeit verschafte hem meer roem, dan de verovering van 't onneembaar geachte 's-Hertogenbosch. In 1629 sloeg de prins 't beleg om de stad, wier omstreek onder water gezet was, en waarvan de verdediging was opgedragen aan den ervaren Grobbendonck. Om elke poging tot ontzet te verijdelen, verschanste hij zijne legerplaats zoo sterk, dat de vijand van de bevrijding der stad moest afzien. De vindingrijke ingenieur Leeg'hwatep bewees den prins bij dit beleg veel dienst. Nu trachtte de vijand op eene andere wijze de stad te ontzetten. Een Spaansch-Duitsch leger onder Hendrik van den Berg en Montecüculi viel in de Veluwe, trok plunderend verder en bemachtigde zelfs Amersfoort; maar Frederik Hendrik bleef voor Den Bosch. Van alle kanten kwam hulp opdagen, Amsterdam zond troepen, geld en krijgsbehoeften; de streek tusschen Vreeswijk en Muiden werd onder water gezet. Intusschen zond de prins Otto van Gent, heer van Dieden, naar Wezel ('s vijands
voorraadschuur). De stad werd bij verrassing ingenomen, waardoor de vijand tot een haastigen aftocht moest besluiten. De Bosch was nu niet langer te houden, Grobbendonck kapituleerde
en mocht met krijgseer uittrekken.
In 1631 zou men in vereeniging met Frankrijk Dmnkeikei aantasten, maar door de waakzaamheid des vijands werd de onderneming spoedig gestaakt. Het Spaansche leger scheepte zich nu in onder Johan van Nassau (een kleinzoon van Jan Ouden), zakte de Schelde af en ontmoette de Hollandsch-Zeeuw-sche vloot op 't Slaak, benoorden Tolen, De vijand leed eene geweldige nederlaag, verloor de meeste zijner schepen en duizenden gevangenen. ,if.
Belangrijk was 't jaar 1682. Frederik Hendrik trok lanDs de Maas de Spaansche Nederlanden binnen. Venlo en Boet mond vielen 1^ spoedig in handen, maar ^ ^langrijke vesüng Maastricht was 't hoofddoel van den tocht, ten talrijk Spaansch keizerlijk leger onder Pappenheim rukte aan, om de stad te ontzetten; eene bestorming van 's prinsen legerplaats gnig j.-paard met een uitval der belegerden, maar beide aanvallen werden afgeslagen en Maastricht gaf zich over. De stad op Luiksch grondgebied gelegen, behield eene gemeenschappelijke redering, en in tegenstelling met 's-Hertogenbosch de vrije uitoefening van den Roomschen godsdienst. Bij de inneming van Roermond had men 't verlies te betreuren van Ernst Casimn, die door zijn zoon Hendrik Casimir I werd opgevolgd.
Omstreeks dezen tijd liepen nieuwe onderhandehngen met Span.r vruchteloos af. De koning van dit land, Fihps was in 1621 gestorven), benoemde na den dood van Isabella zijn broeder Ferdinand tot landvoogd. Geheime pogingen van Zuid-Nederlandsche edelen om 't zuiden door eene confederatie met het noorden te vereenigen, werden door Engelan open aai
maakt en dus verijdeld. -vt
De onderhandelingen met Spanje waren vooral tegenge^eikt
door den alvermogenden Franschen minister Richelieu. Frankujk,
dat voortdurend de protestantsche vorsten in den SOjangeii ooilog ondersteunde, verklaarde in 1635 openlijk aan den keizei en
123
aan Spanje den ooi'log. Tevens hernieuwde het met medewerking van Frederik Hendrik 't vroeger verbond met de republiek. Het doel der nieuwe overeenkomst was, Zuid-Nederland aan Spanje te ontrukken en te verdeelen, tenzij de Vlamingen en Walen de bondgenooten krachtig medehielpen; in dit geval zou men hunne gewesten tot een onafhankelijken staat verheften. Tevens werd vastgesteld, dat men geen afzonderlijken vrede zou sluiten. Frederik Hendrik viel nu aan 't hoofd van een Nedeiiandsch-Fransch leger in Brabant en rukte tegen Brussel op; maar de slechte uitrusting der Franschen en ziekten onder de troepen deden de onderneming mislukken. In l(i37 gingen zelfs Venlo en Roermond verloren, daarentegen werd Breda hernomen.
Het verbond met Frankrijk had over 't algemeen weinig bijval gevonden. Men begreep zijne krachten niet in een veroveringsoorlog te moeten verspillen, ook verdachten velen den stadhouder van 't streven naar de souvereiniteit. Met onvoldoende middelen moest de prins daarom den ooi'log voortzetten; een aanslag op Antwerpen mislukte zelfs door de tegenkanting van Amsterdam, dat van de verovering dier stad gevaar voor zijn handel vreesde.
In 1639 verscheen eene Spaansche vloot van 67 schepen in 't Kanaal onder bevel van Don Antonio d'Oquendo, en met het doel, om een leger naar Vlaanderen over te brengen. De luitenant-admiraal Maarten Harpertsz. Tromp durfde met eene geringe scheepsmacht den aanval wagen, maar d'Oquendo week naar de reede van Duins, waar Tromp hem insloot. Dagelijks ontving onze vloot versterking, in korten tijd was zij tor bijna 100 vaartuigen aangegroeid. De Spanjaarden vreesden den strijd te aanvaarden en zochten uitvluchten; de kanonnen van Duins en 15 Engelsche schepen bedreigden onze vloot, indien zij tot den aanval overging. Niettemin gaf Tromp eindelijk last den strijd te beginnen. Eene vreeselijke verwoesting werd door onze kogels en branders onder de vijandelijke bodems aangericht, daar van de gansche armada slechts 18 schepen in de Spaansche havens terugkeerden, terwijl van onze zijde slechts één schip verloren ging.
124
Spanje was door deze nieuwe nederlaag uitgeput; ook de toestand onzer financiën, die sedert Oldenbarnevelds dood mindei goed bestuurd werden, was weinig bevredigend. De wensch naar vrede deed zich steeds luider hooren, en de oorlog werd daarom met weinig kracht voortgezet. In 1640 deed Fiedeiik Hendrik een inval in Vlaanderen, om Brugge te bemachtigen, maar zonder gevolg. Gelukkiger slaagden de pogingen om Sus van Gent (1644) en Hulst (1645) in te nemen; na dien tijd werd geen enkel voordeel meer behaald.
De Franschen hadden inmiddels Duinkerken veroverd. De val van dit roofnest, waartoe ook Nederlandsche schepen hadden meegewerkt, werd in ons land met vreugde vernomen, hoewel toen reeds de machtsuitbreiding van onzen bondgenoot door velen met bezorgdheid werd gadegeslagen.
Bij de eenvoudige levenswijze van Maurits stak de vorstelijke weelde, waarmede 't stadhouderlijk hof zich onder Frederik Hendrik en de prachtlievende Amalia van Solms omringde, zeer af. Dit bleef niet zonder invloed op 't staatkundige: meer en meer begon men in den stadhouder 't hoofd in plaats van den eersten dienaar van den staat te zien. De leiding der buitenlandsche zaken ging van de Staten-Generaal en den raadpensionaris op den stadhouder over, hetgeen bij de onbepaalde bevoegdheid des laatsten gebeuren kon, zonder dat geweldige middelen werden aangewend. De mindere bekwaamheid der opvolgers van Oldenbarneveld, namelijk: Duyek, Adriaan Pauw en Jacob Cats (1636) droeg 'thare daartoe bij, zoowel als de schitterende krijgsbedrijven van den prins. Dat Frederik Hendrik ook in 't buitenland als hoofd van den staat werd aangemerkt, blijkt uit den titel van âAltesse (Hoogheid), hem in 1637 door 't Fransche hof geschonken, een titel, die weldra algemeen gebruikelijk werd. Toen in 1640 Hendrik Casimir bij Brugge was gesneuveld, deed Frederik Hendrik alle moeite, zich tot opvolger te doen verkiezen, hetgeen in Groningen en Drente gelukte, maar niet in ïriesland, waar Willem Frederik, de broeder van Hendrik Casimir, benoemd werd. De stadhouder toonde zich hierover zeer verstoord, later
125
evenwel had er eene verzoening plaats en werd er zelfs een huwelijk gesloten tusschen den Frieschen stadhouder en Albertina Agnes, de dochter van Frederik Hendrik. â De beschuldiging van heerschzucht van de zijde der stedelijke aristocratie was niet geheel onverdiend; de prins had onder dezen stand weinig vrienden en ondervond van dien kant veel tegenwerking, hij verklaarde dan ook geen grooter vijand te hebben dan Amsterdam. Toch werd reeds bij 't leven van Frederik Hendrik zijn zoon tot opvolger aangewezen in 5 provinciën (akte van survivance); daarbij ontving 't Oranjehuis een nieuwen glans door 't huwelijk van Willem II met Maria, eene dochter van Karei 1, koning van Engeland en van 's prinsen dochter Louise Henriëtte met Frederik Wilhelm, keurvorst van Brandenburg. â Ter afdoening van zaken, die geen uitstel konden lijden, of niet ruchtbaar mochten worden, werden sinds 1635 negen leden der Staten-Generaal aangewezen, benevens den stadhouder. Deze commissie kreeg vervolgens den naam van geheim besogne. Werd de invloed van den prins op de buitenlandsche politiek hierdoor vergroot , voor 't binnenlandsch bestuur had hij in elke provincie een vertegenwoordiger, die hem op de hoogte van den toestand hield.
Zoo oefende Frederik Hendrik een veelzijdigen invloed uit op 't krijgs- en staatsbeleid der republiek, meestal ten nutte van 't land. Terecht noemt men hem den voltooier van 't gebouw der Nederlandsche vrijheid, waarvan zijn vader de grondlegger, zijn broeder de opbouwer was. Evenwel mocht hij de geheele voleindiging van dit werk niet aanschouwen; eer de vrede gesloten werd, overleed hij in den ouderdom van 63 jaar (16-1:7).
Ofschoon reeds sinds eenige jaren 't sluiten van den vrede ter sprake was gekomen, duurde het tot 1646, eer onze afgevaardigden aan de inmiddels te Munster geopende onderhandelingen deelnamen, waar de bij den SOjarigen oorlog belanghebbende staten vertegenwoordigd waren. Frankrijk wenschtë den vrede niet en trachtte de republiek tot voortzetting van den oorlog te bewegen. Zeeland en Utrecht deelden dien wensch en beriepen zich op 't verbond van 1685; maar ondanks hun tegenstand werd de vrede in 't begin van 1648 gesloten.
Bij den vrede van Manster erkende Spanje de Vereenigde provinciën als vrije en onafhankelijke landen. De republiek behield de veroveringen, die zij in Vlaanderen, Brabant, Limburg {Generaliteitslanden bl. 98) en in vreemde werelddeelen had gemaakt. De Schelde zou van wege de Staten-Generaal gesloten blijven; 't huis van Oranje werd in 't bezit zijner goederen hersteld of ontving schadeloosstelling daarvoor; geschillen over grondgebied zouden door eene tweeledige kamer {chambre miparue) vereffend worden, enz. â Aldus eindigde een strijd, die 80 jaren vroeger door een paar kleine provinciën tegen de grootste mogendheid was begonnen; de laatste was tijdens en door den oorlog afgedaald tot een staat van lageren rang, de eersten waren opgegroeid tot eene machtige republiek, wier steun gezocht, wier vijandschap gevreesd werd.
§ 7. De Oost- en de West-Indische compagnie.
lóio. Pieter Both eerste gouverneur-generaal van Ãost-Indië.
1618â23. Jan Pietersz. Koen. Batavia gesticht.
1623. Samenzwering van Engelsche kooplieden op Aniboina.
1627â29. Jan Pietersz. Koen. Beleji van Batavia.
1636â45. Van Diemen gouverneur-generaal.
1628. Piet Hein verovert de Zilvervloot.
1630. Loncq verovert 't Recief.
1636â44. Johan Maurits gouverneur.
De compagnie had in Oöst-Indië behalve de Spanjaarden en 1 01-tugeezen ook verschillende inlandsche vorsten te bestryden. en ondervond bovendien de tegenwerking der Engelschen , die reeds in 1G00 eene Oost-Indische compagnie hadden opgericht. Om al die vijanden met meer kracht te kunnen bekampen en de eenheid in t bestuur te bevorderen, vond de compagnie het noodig, t oppergezag over al hare bezittingen aan één persoon op te dragen, die den titel van gouverneur-generaal ontving. Aan dezen ambtenaar werd eene uitgebreide macht geschonken; en daar hij tevens de belangen der republiek moest behartigen, mocht hy alleen met goedvinden van de Staten-Generaal benoemd worden. Een college, âRaad van Indie*, stond hem ter zijde; in dien raad hadden de opperbevelhebber der krijgsmacht en de directeur-generaal van den handel eene adviseerende stem.
De eerste gouverneur-generaal was Pieter Both (1610), die eene kleine kolonie medebracht, welke zich op Amboina vestigde. Hij
127
kocht van den vorst van Jacatra fop Java) een stnk grond, waarop eene steenen loods gebouwd werd tot berging der goederen, eer deze naar Europa werden overgebracht. Onder Both en zijne opvolgers Reynst en Reaal breidde de compagnie hare bezittingen uit, en werden de Engelschen van de Banda-eilanden verdreven.
In 1(518 kwam 't hoogste gezag in handen van Jan Pietersz. Koen, die vroeger als directeur-generaal de grootste bekwaamheden had aan den dag gelegd en door zijn ijver, geestkracht en dapperheid bijna al zijne voorgangers en opvolgers in de schaduw stelde. De factorij bij Jacatra, die inmiddels in eene sterkte was herschapen, werd door hem bestemd tot toekomstige hoofdplaats der Indische bezittingen. Terwijl Koen zich op de Molukken bevond, werd zij door de Engelsehen, Jacatranen en Bantammers zeer in 't nauw gebracht (Van den Broeke); maar nog bijtijds keerde hij terug, ontzette 't fort en veroverde Jacatra, dat verwoest werd. In zijne plaats verrees Batavia, dat weldra eene belangrijke koopstad werd (1619). â In 1621 onderdrukte Koen een opstand op de Banda-eilanden: hij verplaatste de bewoners grootendeels naar Java, en verving hen door Nederlanders, die in tuinen of perken afgedeelde gronden kregen ( perkeniers). waarop zij muskaatnoten moesten kweeken. Om dezen tijd vestigde de compagnie zich na hevigen strijd op Formosa, en opende zij den handel op Japan. die echter weinig voordeden opleverde. â Koen legde in 1623 zijn ambt neer, na de macht der compagnie op stevige grondslagen gevestigd te hebben.
Onder zijn opvolger Carpentier werd op Amboina eene samenzwering ontdekt, die ten doel had quot;t eiland aan Engeland over te leveren (1623). Negen Engelschen werden na een kort proces ter dood gebracht, en nog lang daarna bleef dit voorval eene oorzaak van on-eenigheid tusschen de Engelsche regeering en de republiek.
Ten tweeden male vertrok Koen (1627) als gouverneur-generaal naar Indië, waar zijne komst hoogst noodzakelijk was. De vorst van Mataram op Oost-Java wilde zijn gebied uitbreiden en belegerde daarom Batavia. Nadat de eerste aanval mislukt was, kwam hij met een aanzienlijk leger terug. Alleen met de uiterste krachtsinspanning mocht het den gouverneur gelukken de stad te behouden. Koen beleefde dien gelukkigen uitslag niet, hij stierf in 1629.
De zucht der compagnie om groote voordeden te verkrijgen, deed haar de grootste onrechtvaardigheden plegen omtrent de inlanders. Herhaalde opstanden waren hiervan 't gevolg, die met wreedheid onderdrukt werden. Ten einde de Indische waren op prijs te houden, moest overproductie worden tegengegaan. Op Amboina mocht alleen de kruidnagel. op de Banda-eilanden de muskaatboom behouden blijven. Jaarlijks werden Jiongi-tochten of inspectie-reizen gedaan en de
128
overtollige boomen gekapt; op Ceram in één jaar 11000. Zelfs de Nederlandsche kolonisten (vrije burgers) waren door de verkeerde maatregelen der compagnie niet in staat eerlijk hun brood te verdienen, en maakten zich, evenals de te laag bezoldigde ambtenaren aan kwade praktijken schuldig, waardoor de compagnie nadeelen leed, welke zij door een verstandig bestuur zou voorkomen hebben. Over 't geheel zocht de compagnie de kolonisatie harer bezittingen door Europeanen te keeren, hoe ook sommige gouverneurs daarop aandrongen, om als tegenwicht te dienen tegen de steeds aangroeiende menigte Chineezen. Zy zag daarin gevaar voor haar monopolie, en zoo kwam het, dat de Oost-Indische bezittingen nooit eigenlijke koloniën zijn geworden.
Onder Van Diemen (1(536â45) werden belangrijke voordeden verkregen. Deze bekwame gouverneur verdreef de Portugeezen uit Ceylon en verkreeg den alleenhandel in peper, kaneel en ivoor. Ook werd de stad Malakka veroverd (tin), en Formosa tot eene belangrijke stapelplaats gemaakt. In dezen tyd deed Abel Tasman eene ontdekkingsreis naar Australië, waaraan de namen Nieuw-ffoHand en Van Die-mensland of Tasmania herinneren. Batavia werd onder dezen gouverneur zeer vergroot en verfraaid; het kreeg geheel 't voorkomen van eene Nederlandsche stad, maar dewijl men bij den uitbouw geene rekening hield met 't ongezonde klimaat, werd de stad langzamerhand voor Europeanen onbewoonbaar. Nog maakte Van Diemen zich verdienstelijk door de bevordering van alles, wat de kennis van de Indische eilanden kon vermeerderen.
In 1624 veroverden Willekens en Pieter Pietersz. Hein voor de West-Indische compagnie San-Salvador (Bahia), dat ten gevolge van 't slechte bestuur in 't volgende jaar weer verloren ging. Dit nadeel werd ruimschoots opgewogen door de menigte schepen, die Piet Hein in de volgende jaren wegnam, nadat hij eene groote vloot in de Alb'rhcili(/enbaai had verslagen. Nog grooter buit verkreeg hij in 1628, toen de Zilvervloot hem in handen viel op de noordkust van Cuba , waardoor de compagnie hare aandeelhouders met eene uitkeering van 50 per honderd kon verheugen. â De compagnie zond in 1630 Loncq naar Brazilië, om nieuwe voordeden te behalen. Hij veroverde Olinda en van daar uit 't sterke Recief ten zuiden dezer stad. Dit Recief was eene vereeniging van magazijnen door twee forten en eene rij van klippen beschermd, en daarom een geschikt uitgangspunt tot het maken van verdere veroveringen. Weldra maakte de compagnie zich van verschillende naburige plaatsen meester, o. a. van Parahiba, waaraan ter eere van den stadhouder, de naam Frederikstad werd gegeven. Tevens vermeesterde zij Essequebo, Demeraiy en Berbice, alsmede de eilanden Curacao, St.-Eustatius, Saba, St.-Martin en Tabago. Al die
129
veroveringen werden alleen verkregen ten koste van groote opofferingen, zoodat de uitgaven de inkomsten overtroffen. Om verbetering in dien toestand te brengen, werd in 1636 Johan Maurits van Nassau, een kleinzoon van Jan den Ouden, als gouverneur naar Brazilië gezonden. Hij wist door gepaste middelen de bezittingen tot bloei te brengen, liet St.-George del Mina op Afrika's westkust veroveren, maar trachtte vergeefs San-Salvador te hernemen. In 1(540 stichtte hij Mauritsstad ten zuiden van 't Recief. â Sedert Portugal zijne onafhankelijkheid had teruggekregen (1640), onderhandelde dit land geruimen tijd met de republiek over den vrede, terwijl de oorlog in Brazilië werd voortgezet. Johan Maurits, voorziende, dat de Portu-geezen alle krachten zouden inspannen om de Nederlanders te verdrijven , drong hoewel vergeefs op 't zenden van versterking aan, waarom hij in 1644 zijn ambt neerlegde. â Het bestuur kwam nu in handen van een raad. uit drie leden bestaande, die bij de beperktheid der middelen, waarover hy beschikken kon, weinig vermocht. De slecht betaalde troepen der compagnie maakten zich aan de grootste buitensporigheden schuldig, en onder de Portugeesche bevolking ontstonden gevaarlijke samenzweringen. De vijand maakte intusschen zulke snelle veroveringen, dat reeds in 1645 van alle bezittingen in Brazilië slechts 't Recief was overgebleven. Eindelijk daagde eene vloot onder Witte Cornelisz. de With tot redding op, maar ook deze bevelhebber vond den toestand zoo hopeloos, dat hij zonder verlof terugkeerde. Gedurende al dien strijd waren de vredesonderhandelingen voortgezet, totdat in 1650 de oorlog openlijk aan Portugal werd verklaard.
§ 8. Be eeuw van Frederik Hendrik.
De vooruitgang in stoffelijke welvaart en de bloei van kunsten en wetenschappen maakten de eerste helft der 17e eeuw, inzonderheid het tijdvak van Frederik Hendrik tot eene der luisterrijkste afdeelingen onzer geschiedenis.
De kracht door de republiek in den oorlog ontwikkeld. ontleende zij aan haar wereldhandel. Deze overtrof dien van alle andere landen te zamen. waarom de republiek weieens bij een groot koopmanskantoor vergeleken is. Zij onderhield handelsbetrekkingen met alle Europee-sche staten. duizenden schepen bevoeren de Oostzee. en de scheepvaart op den Rijn was bijna uitsluitend in handen van Nederlanders. De handel op de Middellandsche zee kreeg zulk eene uitbreiding, dat de Staten-Generaal in 1624 te Amsterdam een âcollege van bestuurders voor den handel op de Levantquot; oprichtten. Deze stad was 't middelpunt van 't wereldverkeer (in 1672 ruim 200.000 inwoners) en her-J. M. Vos, Vaderl. Gcsch. 2quot; druk. 9
130
haaklclijk moest /.ij worden uitgebouwd. Ook in vele andere plaatsen tiloeide de een of andere tak van handel of nijverheid. Middelburg dreef handel in Oost-Indische producten en Fransche wijnen. Vlissingen in West-Indische voortbrengselen, Dordrecht in Engelsche en Duitsche waren (Rijnwijn), Delft was beroemd om zijn aardewerk, Leiden vervaardigde laken en zijde. Men vond daar de beroemde boekdrukkerij van Elzevier, en in Haarlem, dat veel linnen fabriceerde, lettergieterijen. Te Amsterdam ontstonden diamantslijperijen, en vervaardigde Blaau zijne ook in 't buitenland gezochte land- en zeekaarten.
De scheepsbouw voorzag niet alleen in eigen behoeften, maar tevens in die van 't buitenland; te Zaandam werden de verbazende hoeveelheden hout, daarvoor benoodigd, aangevoerd. Natuurlijk was de productie van alles, wat de scheepvaart verder behoefde, aan de omvangrijke handelsbeweging evenredig.
Groote schade werd aan den handel toegebracht door de kaapvaart, inzonderheid maakten de Barbarij sehc zeeroovers de Middellandsche zee onveilig. Amsterdam alleen verloor in twee jaren voor eene waarde van 10 inillioeu door zeeroof. Op hunne beurt verrijkten de Nederlanders zich evenzeer door vrijbuiterij: de West-Indische compagnie genoot hare grootste voordeden uit de menigte Spaansche en Portu-geesche schepen, die zij wegnam.
In den aanvang der 17' eeuw onderging de walvischvangst eene aanzienlijke uitbreiding. Allen, die zich op dezen tak van visscherij toelegden, Hollanders, Zeeuwen en Friezen, werden in eene compagnie, de Noonhche of Qromlandsche, vereenigd (1014), die tijdens haar grootsten bloei jaarlijks meer dan 200 schepen uitrustte (Spitsbergen, Smeerenburg). Te groote ijver in 't vervolgen der walvisschcn deed met het getal van die zeedieren de voordcelen der compagnie afnemen. Daarom werd zij in 1041 ontbonden en de walvischvangst aan de particuliere ondernemingsgeest overgelaten.
De schatten, die met den handel verdiend werden, wekten bij velen de begeerte op, om in korten tijd rijkdommen te verkrijgen. Zij waagden daarom hun geld in gevaarlijke ondernemingen en verloren het meestal. De dwaze tulpenhandel in 1635 is hiervan een merkwaardig voorbeeld. Honderden, ja duizenden guldens werden voor een enkelen tulpenbol betaald in de hoop, dat de prijs dezer koopwaren nog zou stijgen. Het einde was, dat enkelen zich verrijkten ten koste van de groote menigte.
Sedert de vijand van ons grondgebied was verdreven, begonnen landbouw en veeteelt te bloeien. Zoo ontstond er een boerenstand, die eene mate van welvaart en zelfstandigheid bereikte, welke in landen. waar de oorlog woedde, te vergeefs gezocht werd. De afhankelijke toestand van den landbouwer verdween dus in deze gewesten
131
veel vroeger dan elders en daarmede de laatste sporen van lijfeigenschap. Inzonderheid geldt dit voor 't vruchtbare westen en noorden. Geen wonder, dat de bevolking steeds toenam, zoowel in de steden als op 't platteland, en men ook daarom zich beijverde, om door bedijkingen de plek bebouwbaren grond te vergrooten. Nadat reeds in 1508 door de voltooiing van den Ouden Bildtdijk de vroegere Middelzee in Friesland had opgehouden te bestaan. begon men in 1600 met de indijking van quot;t Nieuwe Bildt en in Holland met die van de Zijpe. Achtereenvolgens werden de Beemster (1612), de Pur-mer (1622) en de Wormer (1626) droog gemalen, en sommige Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden door bedijking vergroot. De droogmaking van 't Haarlemmermeer, waarvoor een plan werd ontworpen door den bekwamen waterbouwkundige Leeghwater (Haarlemmermeer-boek) , durfde men nog niet aan.
He vroegere rijkdom aan bosschen had voor houtarmoede plaats gemaakt, terwijl de behoefte aan brandstof steeds vermeerderde. Hierin voorzag men door op groote schaal de afgraving der hooge venen ter hand te nemen. In quot;t midden der 16quot; eeuw werd een begin gemaakt met de venen in 't oosten van Friesland (Heerenveen) en eene halve eeuw later met die in Groningen en Drente. Dit gaf veel vertier in vroeger bijna onbewoonde streken, en 't ontstaan aan talrijke welvarende veenkoloniën.
De hoogeschool te Leiden bleef niet lang de eenige. Willem Lode-wijk en de staten van Friesland stichtten in 1585 eene hoogeschool te Franeker, in 1614 werd de universiteit te Groningen opgericht en in 1636 die te Utrecht. Sinds 1600 bestond te Harderwijk eene inrichting voor hooger onderwijs, die in 1648 door de staten van Gelderland werd overgenomen en naar de toenmalige behoefte uitgebreid. Amsterdam ontving in 1632 eene doorluchtige school of athenaeum illustre; ook te Deventer, Dordrecht en Middelburg ontstonden zulke inrichtingen. Voorts vond men in de meeste steden eene Latijnsche school of gymnasium. Uit de oprichting van zoovele inrichtingen voor hooger onderwijs blijkt. dat de beoefening der wetenschappen vrij algemeen was. Tot eene beschaafde opvoeding behoorde in dien tijd de kennis der oude talen, ten minste van 't Latijn. Aan de hoogescholen werd die taal bij 't onderwijs gebruikt; vandaar dat enkele uitstekende geleerden bij de benoeming van professor voorbijgegaan werden. omdat zij 't Latijn niet genoegzaam machtig waren. Dit was waarschijnlijk 't geval met Simon Stevin (bl. 108), een groot wis-en natuurkundige, den uitvinder der tiendeelige breuken en schrijver van beroemde werken over zeevaart- en werktuigkunde. Een ander man van buitengewone geleerdheid was de beroemde Huuo de Groot, die vooral rechtsgeleerde werken schreef, maar ook als god- en taalge-
9*
182
leerde bekend is, en als dichter van Latijnsche verzen (Delftseh orakel). 'J'ot de vermaardste hoogleeraren te Leiden behoorden om hunne kennis der oude talen Lipsius, die later naar Leuven vertrok, en Scali-ger, een Italiaan van geboorte.
Geschiedschrijvers uit dit tijdvak waren Bor, Van Reyd en Van Meteren, benevens de Groningsche hoogleeraar Ubbo Emmius (die in 't Latijn schreef), maar bovenal Pieter Cornelisz. Hooft. De regeering van Filips II en de eerste jaren van den oorlog was voornamelijk 't onderwerp hunner geschriften.
Laatstgenoemde, de zoon van een Amsterdamschen burgemeester en zelf drost van Muiden. was tevens een verdienstelijk dichter (Gerard van Velzen, Warenar, Minnedichten), die op 't Muiderslot meermalen de vermaardste letterkundigen en kunstenaars ontving (Muiderhring). Onder hen behoorde de grootste onzer dichters Joost van den Vondel, vooral vermaard om zijne treurspelen en hekeldichten (Gijsbrecht van Amstel, LvcAfer, Palamedes, I Far poen, Roskam). De meeste dier letterkundigen waren leden van de rederijkerskamer â/« liefde bloeiende' (bl. 11 o), welke vereenigd werd met de Amsterdamsche academie, door den geneesheer Samuel Coster in 1G17 gesticht. Die vereeniging stichtte in 1638 de schouwburg te Amsterdam, gedurende eene eeuw de eenige in ons land. Coster was tevens dramatisch dichter, maar als zoodanig minder geacht, dan de blijspeldichter Breeroo [Moortje, Spaansche Brabanter). â Nu Vondel en Hooft moeten nog genoemd worden Constantijn Huygens en Jacob Cats. De eerste, secretaris van Frederik Hendrik en diens beide opvolgers, is 't meest vermaard door zijne punt- en sneldichten; laatstgenoemde berijmde de gebeurtenissen uit het dagelijksch leven (Trotiwrinfi, Huwelijk , Ouderdom en Buitenleven, enz.). Geen dichter werd meer gelezen dan Cats; tot in onze eeuw waren zijne werken de dagelijksche lectuur in menig huisgezin.
De schilderkunst bracht het in de l?*' eeuw tot eene aanzienlijke hoogte. De producten der Oud-Hollandsche schilderschool bekleeden dan ook eene eervolle plaats in de binnen- en buitenlandsche kunstverzamelingen. Boven alle kunstenaars muntte Rembrandt van Rijn uit, vooral om de eigenaardige wijze, waarop hij licht en schaduw op 't doek wist weer te geven (Nachtwacht, Ontleedkundige les). Beroemd zijn de portretten en regentenstukken (verzamelingen van portretten op één doek) van Van der Helst (Schuttersmaaltijd). Frans Hals, Ferdinand Bol en Govert Flinck. David Teniers, Ostade en vooral Jan Steen schilderden vroolijke tafereelen. als: boerenbruiloften. drinkgelagen, huiselijke tafereelen, enz. Ook Gerard Dou (Avondschool) vervaardigde voorstellingen uit het familieleven. Vermaarde landschapsschilders waren Jacob Ruysdaal en Hobbema; zeeschilders: Back-
133
huysen en Van de Velde; dierenschildcrs: Paulus Potter {Stier) en Wouwerman.
Talrijke fraaie stadhuizen, stadswagen en andere gebouwen werden gesticht en getuigden zoowel van de bekwaamheid der ontwerpers, als van de groote welvaart in dit tijdperk. Onder de beroemdste bouwmeesters en beeldhouwers moeten genoemd worden: Hendrik de Keyzer (Wesierkerk en -toren te Amsterdam , graftombe van Willem I te Delft) en Jacob van Kampen (stadhuis, thans paleis, te Amsterdam met beeldhouwwerk van Arthur Quellijnsl.
Op 't gebied der muziek verkreeg Jan Sweelinck, organist te Amsterdam, groote vermaardheid. Ook zijn vader, Pieter, en zijn zoon Dirk zijn als verdienstelijke toonkunstenaars bekend.
AFDEELING III.
Bloeitijd van de republiek der Vereenigde Nederlanden.
1648 â 1713.
§ 1. Het stadhouder schap van Willem II.
1647â1650. Willem II stadhouder.
1648âI6ö0. Twisten over de afdanking van krijgsvolk.
1650. Zes leden van Hollands Staten gevangen genomen. Aanslag op
Amsterdam.
Gedurende de 2C helft der 17® eeuw nam de republiek eene plaats in onder de groote mogendheden van Europa. Alleen met inspanning van alle krachten mocht het haar gelukken zich daarop te handhaven. Handelsnaijver en veroveringszucht van hare naburen en vroegere bondgenooten stortten haar in eene reeks van oorlogen; eerst met Engeland, daarna met Frankrijk. De worsteling met deze aanwassende mogendheden, hoe roemrijk ook volgehouden, vorderde op den duur te veel van hare krachten en putte haar ten laatste geheel uit.
De vrede van Munster bracht eene groote verandering in onze verhouding tot de Europeesche staten te weeg. Frankrijk zette den oorlog tegen Spanje voort en was ontevreden op de republiek, omdat zij 't verbond van 1685 niet had nageleefd. Die vijandschap was te gevaarlijker, daar deze mogendheid weldra de machtigste van Europa werd. De burgeroorlog in Engeland (strijd tusschen Karei I en't parlement) was nadeelig voor onzen binnenlandschen vrede, en bracht de republiek in onmin met dien staat. Willem TT ondersteunde zijn schoonvader (bl. 125) met groote geldsommen, terwijl 't Nederlandsche volk meer sympathie voor diens tegenstanders toonde. Holland was
134
voor stipte onzijdigheid. muur poogde, hoewel vergeefs, in vereenigiug met de Statou-Generaal den koning 't leven te redden. Xu de out-hoofding van Karei 1 11049) deed Holland al quot;t mogelijke, om met de Engelsche republiek op goeden voet te blijven: de Staten-Geueraal daarentegen erkenden ter wille van den stadhouder Karei II als koning, en weigerden de Engelsche gezanten gehoor te vcrleenen. De moord, door eenige uitgeweken Schotten op een dier gezanten. Doreslaar, te 's-Hage gepleegd. maakte de verhouding nog slechter.
Ook Frankrijks bondgenoot Zweden was ons weinig genegen, en met Portugal werd strijd gevoerd over Brazilië. Alleen Spanje, de keizer en Denemarken waren de republiek beter gezind; maar van die weinig beteekenende mogendheden was niet veel hulp te verwachten in een mogelijken oorlog. Spanje liet zelfs de verdediging der Zuidelijke Nederlanden in 't vervolg grootendeels aan onze republiek over.
Willem II volgde zijn vader in al diens waardigheden op, ook in 't stadhouderschap van Groningen en Drente. Hij bezat evenals zijne voorgangers groote bekwaamheden, maar was daarbij heerschzuchtig en overmoedig. De vrede was zeer tegen zijn zin gesloten; gaarne had hij met Frankrijk den oorlog tegen Spanje voortgezet, en de republiek in een strijd met Engeland gewikkeld, om zijn schoonvader op den troon te herstellen. Die oorlogzuchtige neiging laat zich mede hieruit verklaren, dat 't gezag en de inkomsten des stadhouders grooter waren in oorlogs- dan in vredestijd. Om hem schadeloos te stellen schonken de Staten-Generaal en de Staten van Holland hem groote sommen en ruim bezoldigde betrekkingen. Voor 't overige was Holland ondanks de akte van survivance (bl. 125) er noode toe overgegaan, hem als stadhouder aan te stellen, terwijl Willem door zijn willekeurig optreden te Nijmegen (waar hij in 1649 met geweld de wet verzette, hetgeen daar alleen in oorlogstijd door den stadhouder geschieden mocht) velen tegen zich innam.
Nu de vrede gesloten was, scheen de tijd gekomen, tot belangrijke vermindering van 't leger over te gaan. Holland, dat zich diep in schulden had gestoken (140 millioen), om den oorlog te kunnen volhouden, daar op dit gewest de zwaarste lasten drukten, wilde op groote schaal bezuinigingen invoeren, en deze konden alleen gevonden worden op 't krijgswezen. De meerder-
135
heid der Staten-Generaal en de stadhouder achtten het in de toenmalige omstandigheden ongeraden, de republiek van te veel strijdkrachten te herooven; maar Holland meende, dat Frankrijk wegens den oorlog met Spanje en zijne binnenlandsche twisten (de Fronde) geene vijandelijkheden tegen haar zou beginnen. Toen nu de Raad van State in Juli 1648 een voorstel deed tot afdanking van eenige troepen, dreef Holland door, dat een grooter getal zou ontslagen worden. In 't volgende jaar stelde dit gewest eene nieuwe vermindering van 't leger voor, waartegen de Staten-Generaal en de prins zich verklaarden. Toch ging Holland eigenmachtig tot die afdanking over, bewerende, dat elke provincie 't recht bezat de troepen te ontslaan, die tot hare repartitie stonden. Na hevige twisten ging ook nu de afdanking door, op voorwaarde, dat zij op naam van de Staten-Generaal zou geschieden. Kort daarna rezen alweer moeilijkheden over wegzending van krijgsvolk, zonder dat men tot eene schikking kon geraken, waarom Holland (Juni 1650) brieven van ontslag zond aan de kapiteins van talrijke compagnieën. In eene weinig bezochte vergadering namen de Staten-Generaal daarop de volgende gewichtige besluiten. Aan de kapiteins der troepen zou tegenbevel gezonden worden; eene aanzienlijke bezending zou rondgaan bij de steden van Holland, om ze over te halen, zich van afzonderlijke afdanking van troepen te onthouden; de prins zou vaststellen door wie do bezending moest gedaan worden ; aan den prins zou verzocht worden alle maatregelen te nemen, waardoor de rust bewaard en de Unie gehandhaafd bleef.
Deze besluiten werden op voorstel van tien prins opgesteld dooiden griffier Cornelis Mnsch, en met geringe meerderiieid aangenomen: Zeeland, Overijsel en Groningen stemden vóór. Friesland was niet vertegenwoordigd, Utrecht hield zich buiten stemming, Gelderland en Holland waren er tegen.
Deze volmacht door de Staten-Generaal aan den stadhouder gegeven, maakte de tweespalt nog heviger. Willem II stelde zich zelf aan 't hoofd der bezending, die hij tot meerderen luister door 400 officieren liet begeleiden. Te Dordrecht, waar de oud-
186
burgemeester Jacob de Witt 'tgezantschap te woord stond, kreeg zij geenszins de gewenschte belofte. Evenmin te Amsterdam, waar men den prins zelfs als afgevaardigde der Staten-Generaal gehoor weigerde en hem als stadhouder 't recht ont-zeide, de zittingen der vroedschap bij te wonen. Zoo ging het ook in andere steden , inzonderheid te Delft, Haarlem en Medem-blik. De Staten van Holland gingen er vervolgens toe over, de geheele handeling van de Staten-G-eneraal en den prins als tegen alle recht en billijkheid geschied, af te keuren. Niettemin werden de onderhandelingen hervat, en gaf men van weerszijden zooveel toe, dat 'tverschil ten laatste de afdanking van slechts 600 man betrof. Doch over 'tbeginsel, of de afdanking al of niet door de provinciën mocht geschieden, kon men het niet eens worden. Holland beweerde, dat men inbreuk maakte op 't recht van de leden der Unie, om hunne eigen uitgaven vast te stellen, indien men de gewesten dwong tegen hun wil laijgsvolk in dienst te houden.
Teleurgesteld en gegriefd ging de prins nu over tot het plegen van geweld. Hij liet onverwachts zes leden van de Staten van Holland, o. a. Jacob de Witt, gevangen nemen en naar Loeve-stein brengen. Tevens droeg hij den stadhouder van Friesland op, om Amsterdam bij verrassing in te nemen. Hij wilde in die stad eene sterke bezetting leggen en daarna de vroedschap veranderen (Juli 1650). Maar door 't verdwalen van een gedeelte der troepen op de Gooische heide, kreeg men in Amsterdam nog bijtijds kennis van den aanslag, zoodat 't plan mislukte. De prins, bevreesd dat de stad hare omstreken onder water zou zetten, waarmede reeds een begin was gemaakt, trad met haar in onderhandeling. Amsterdam, van een langdurig beleg gevaar voor zijn handel duchtende, gaf in zake de afdanking toe, en beloofde op 's prinsen verlangen, dat de burgemeesters Andries en Cornells Bicker hun ambt zouden neerleggen. De zes gevangenen werden in vrijheid gesteld; de reden hunner gevangenneming bleef voorloopig een geheim, daar 't geschrift hierover door den prins aan de Staten-G-eneraal gezonden, eerst later geopend werd. Ook de Staten van Holland verzetten zich niet
137
langer tegen 't voorstel van den prins en den Raad van State, hetgeen in Aug. werd aangenomen.
Het gebruik wilde, dat de Baad van Ãtato jaarlijks den staat van oorlog opmaakte, waarbij de talrijkheid van quot;t leger voor 'tvolgende jaar bepaald werd. Bij de vaststelling daarvan kon geene provincie gedwongen worden, meer troepen in dienst te nemen, dan zij goed vond. Was de toestemming eenmaal gegeven, dan mocht natuurlijk geen lid der Unie zich daaraan onttrekken, door willekeurige afdanking van troepen. Hieruit laat zich de tegenstand van Holland gedeeltelijk verklaren, maar het had nog andere grieven. De kapiteins hadden gewoonlijk half zooveel soldaten in dienst, als waarvoor zij soklij ontvingen. Had men dit misbruik opgeruimd. dan was de oorzaak van 't geschil grootendeels weggenomen. Verder bleef bij vermindering der troepen 't getal officieren onveranderd. daar de prins niet te bewegen was, de overtollige officieren te ontslaan. Velen van hen, vooral Fransche, waren met hem bevriend en behoorden met den slecht befaamden griffier Cornells Musch en Cornells van Aerssen (den zoon van Francois van Aerssen, Oldenbarnevelds vijand) tot zijne raadgevers.
De binnenlandsche vrede was nauwelijks hersteld, of hij liep gevaar opnieuw verstoord te worden. Frankrijk, begeerig om 't verbond van 1635 te hernieuwen, ontwierp door tusschenkomst van zijn gezant d'Estrades met Willem II eene overeenkomst, waarbij eene verdeeling der Zuidelijke Nederlanden werd vastgesteld , de prins 't markgraafschap Antwerpen in eigendom zou ontvangen en de Stuarts op den Engelschen troon hersteld zouden worden. Het laat zich denken, dat 's prinsen oorlogzuchtige plannen geschikt waren, om nieuwe verdeeldheid te zaaien. Het kwam echter zoo ver niet. In 't laatst van October werd Willem II te Dieren, waar hij zich met de jacht bezig hield, ziek; naar 's-Hage vervoerd, overleed hij aldaar den 6quot; Nov. 1650 aan de pokken. Zijn zoon Willem Hendrik, later stadhouder Willem III, werd 8 dagen na zijn dood geboren.
De gewelddadige wijze, waarop de prins tegenover Holland was opgetreden, had hem vele vijanden berokkend. Volgens deze was, evenals in de dagen van Jlaurits, gebleken, welk gevaar de aanwezigheid van een ambtenaar met zulk eene uitgebreide macht, als de
138
stadhouder bezat, voor de republikeinsehe instellingen opleverde. Zoo kwam bet, dat zich langzamerhand eene partij vormde, die eene regeering zonder stadhouder wenschte. Tegenover deze Staafsi/ezinde partij (Loevesteinsche factie) stond de Stadhouderlijke, die 't gevoelen voorstond, dat de Unie uitdrukkelijk een stadhouder wilde. De eerste partij bestond uit de meeste regenten-familien, den handelsstand en in 't algemeen uit de voorstanders der provinciale souvereiniteit. Tot de laatste behoorden de adelstand. de officieren en de regenten, die meer de oppermacht der generaliteit voorstonden. Beide partijen waren aristocratisch en dus afkeerig van elke inmenging der volksklasse in quot;t bestuur. Over 't geheel beschouwde zich de burgerij in dien tijd nog niet geroepen. om eenigen invloed op de regeering uit te oefenen. Zij had weinig begrip van de zaken, die de partijen verdeelden. zag in den prins 't eminente hoofd van den staat en was om de groote diensten, door de stadhouders in den tachtigjarigen oorlog aan 't land bewezen, meestal sterk oranjegezind.
De strijd tusschen deze partijen heeft tot het einde der republiek voortgeduurd, ofschoon hare beginselen zich later naar de tijden en omstandigheden wijzigden.
§ 2. Groote vergadering. Eerste Engelsche oorlog.
1651, Groote vergadering. Akte van Navigatie,
1652, Eerste Engelsche oorlog,
1053. Driedaagsche zeeslag. Tromp sneuvelt bij Terheiden, Johan de Witt raadpensionaris.
1654, Vrede te Westminster. Akte van Seclusie.
De dood van Willem II was voor de Oranje-gezinden een zware slag, bovendien was deze partij in zichzelve verdeeld. De voogdij over den jongen prins gaf daartoe aanleiding. Ten laatste werd besloten, dat de prinses-weduwe aan de eene zijde, de grootmoeder van den prins en de keurvorst van Brandenburg (bl, 125) aan de andere zijde de voogdij zouden waarnemen,
In Holland haastte men zich 't gezag, dat anders door den stadhouder werd uitgeoefend, aan zich te trekken. De vroedschappen der stemhebbende steden kregen 't recht, voorzoo ver zij het niet reeds bezaten, zichzelven aan te vullen, terwijl in de overige plaatsen de Staten zich de verkiezing der gemeente-
139
raden toeeigenden. De overige provinciën volgden Hollands voorbeeld, uitgenomen Groningen en Drente, die Willem Frederik tot stadhouder aanstelden. De ontslagen regenten werden hersteld, Zeeland hief de waardigheid van âeerste edelequot; (bl. 100) op; alleen te Vere en Vlissingen, waarvan de stadhouders markgraaf waren, bleef de magistraatsbestelling aan de voogden van den prins.
Intusschen kwamen de Staten-Generaal op uitnoodiging van Holland den 18quot;quot; Jan. 1651 bijeen tot het houden eener buitengewone vergadering, daar de republiek door 't overlijden van Willem II en bij ontstentenis van een meerderjarigen prins uit 't huis van Oranje, in een toestand verkeerde als nooit te voren. Ruim 800 personen bezochten deze bijeenkomst, welke onder den naam van de Groote vergadering bekend is, en geleid werd door den raadpensionaris Jacob Cats. De Unie, de religie en de militie waren de hoofdpunten, waarover beraadslaagd werd. Deze zaken werden grootendeels naar den zin van Holland en de staatsgezinde partij geregeld. Evenals deze provincie besloten Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel geen stadhouder te benoemen, de voorstanders der gewestelijke souvereiniteit zegevierden , en zoo werd de band der Unie losser, zeer ten nadeele van een krachtig optreden der republiek naar buiten. â De 74jarige Cats legde spoedig na 't sluiten der vergadering zijn ambt neder, en werd door Adriaan Pauw opgevolgd, die alzoo ten tweeden male 't raadpensionarisschap op zich nam (bl. 12-4).
De Groote vergadering heeft geenszins aan haar doel beantwoord; kleingeestig provincialisme belette 't nemen van afdoende besluiten en 't invoeren van noodige verbeteringen. Omtrent de Unie bepaalde men, dat zij zou gehandhaafd blijven, als een verbond tusschen de afzonderlijke gewesten. Lang werd beraadslaagd over de vraag, wie in de plaats zou treden van den stadhouder bij 't beslechten van geschillen in en tusschen de gewesten. Daar men het niet eens kon worden bleef dit belangrijke punt onbeslist. â De hervormde religie op den grondslag der synode van Dordrecht bleef gehandhaafd. met oogluikend toelaten van andere secten. â Aangaande de militie werd vastgesteld, dat 'talgemeen beleid der krijgszaken zou blijven bij den Raad van State, dat de officieren zouden benoemd worden door de
140
provincie, die hen betaalde en dat 't krijgsvolk trouw moest zweren aan de Staten-Generaal, aan de Staten der provinciën, waarin zij lagen en aan 't gewest, dat hen betaalde. Ook kregen de provinciën de bevoegdheid, krijgsvolk aan te nemen of te ontslaan, na voorafgaande raadpleging met de overige gewesten.
Drente en Staats-Brabant verzochten voortaan in de Staten-Generaal vertegenwoordigd te mogen worden, hetgeen geweigerd werd. Zelfs werden de afgevaardigden van Drente, bij vergissing ter vergadering beschreven, niet toegelaten.
Het geschrift van Willem 11 (bl. 136) werd aan 't einde der vergadering door Cats overgelegd. Het wekte hevige verontwaardiging; de Staten van Holland verklaarden den aanslag op Amsterdam en de gevangenneming der zes heeren voor een aanslag op de vrijheid en souvereiniteit der provincie. Amsterdam kreeg eene schadeloosstelling, en met veel moeite werd eene amnestie voor 't gebeurde verkregen.
Terwijl de Groote vergadering nog bijeen was, verscheen een Engelsch gezantschap in Den Haag met voorstellen van 't parlement, omtrent 't sluiten van een zeer nauw verbond tusschen beide republieken. De Staten-Generaal toonden zich hiertoe weinig gezind, en de gezanten, die bovendien aan de beschimping van 't grauw blootstonden, vertrokken onverrichter zake.
ïen einde Engelands handel op te beuren en den onze te schaden, vaardigde 't parlement nu de Akte van Navigatie uit (Oct. 1651). Zij hield in, dat Europeesche koopwaren alleen op Engelsche vaartuigen, of op schepen van 'tland, waarin zij voortgebracht werden, in de havens van Groot-Brittannië en zijne koloniën gebracht mochten worden. De goederen uit andere werelddeelen en ook visch moesten uitsluitend door Engelsche schepen ingevoerd worden. Deze akte bracht onze vrachtvaart en visscherij groote nadeelen toe, te meer omdat andere landen, zooals Frankrijk, al spoedig Engelands voorbeeld volgden, en bepalingen maakten in 't nadeel van onzen handel. Te vergeefs beproefden onze gezanten de akte te doen intrekken of verzachten; integendeel toonden de Engelschen hunne vijandige gezindheid door te eischen, dat onze vaartuigen voor hunne oorlogschepen in de Britsche zeeën de vlag zouden strijken; dat men hun zou toelaten, onze koopvaarders te doorzoeken, en dat
141
recht zou gedaan worden in zake den moord op Amboina (bl. 127).
Nog waren de onderhandelingen niet afgeloopen, of de En-gelschen begonnen reeds eenige Nederlandsche schepen weg te nemen. De luitenant-admiraal M. H. Tromp stak met eene groote vloot in zee, om onze vaartuigen te beschermen. Nabij Dover ontmoette hij de Engelschen onder Blake, en daar hij draalde met 't strijken van de vlag ontstond een gevecht, waarmede de Eerste Engelsche oorlog (1652 â 1654) een aanvang nam. Door een hevigen storm werd Tromp verhinderd onze haringvloot te beschermen, waaraan Blake groote schade toebracht. Daarentegen sloeg Michiel Adriaansz. de Ruyter den vice-admiraal Askue bij Plyjnout.U, en streed Tromp in den drieclaagschen zeeslag bij Portland met groote dapperheid (lfiö-3), ofschoon 't gevecht onbeslist bleef. In 't zelfde jaar leverde Tromp den admiraal Monk een slag bij Terheiden, waarin hij sneuvelde. Hetzelfde lot trof den vice-admiraal Van Galen bij Livorno, waar hij eene overwinning behaalde op Appleton.
De oorlog was eene ware ramp voor de republiek; hij verslond ontzaggelijke sommen, terwijl de handel geheel verliep. Onze slecht uitgeruste schepen waren tegen de Engelsche vloten niet opgewassen, en alleen aan de kloekheid onzer zeehelden was het te danken, dat de verliezen niet nog grooter waren. De toenemende armoede deed groote ontevredenheid tegen de regeering ontstaan, en de wensch naar vrede was algemeen. Ook Engeland verlangde naar 't einde van den krijg. Cromwell, die intusschen met den titel van protector aan 't hoofd van den staat was gekomen, vreesde voor eene omwenteling ten gunste van 't Oranjehuis, indien de oorlog langer duurde.
In 1653 was Adriaan Pauw overleden en als raadpensionaris opgevolgd door Johan de Witt. Deze achtte den vrede noodzakelijk niet alleen in belang van 't land, maar ook in dat van de heerschende partij, daar de prinsgezinden overal 't hoofd opstaken , en Zeeland zelfs ter Staten-Generaal voorstelde, den jongen prins tot stadhouder te benoemen met Willem Frederik als plaatsvervanger. Holland wist echter de bespreking van dit punt te beletten.
T
i
142
De Staten-G-eneraal vaardigden in Mei een viertal gezanten af, om over den vrede te onderhandelen. Opnieuw deed Engeland 't voorstel tot een verbond zoo nauw, dat het op de vereeniging der beide republieken zou neerkomen, maar ook thans zonder gevolg. Daarop vorderde Cromwell, dat de Algemeene en Provinciale Staten den prins en zijne nakomelingen zouden uitsluiten van de waardigheid van stadhouder en kapitein-generaal-admiraal der Unie {Akte van Seclus ie). Die eisch werd verworpen, maar Engeland voldoende waarborgen aangeboden voor 't handhaven van den vrede door toekomstige stadhouders. Cromwell toonde zich hiermede tevreden, mits Holland alleen de Akte van Seclusie aannam. Over deze zaak werd eene geheime briefwisseling gevoerd tusschen een der gezanten, Van Beverningk, en den raadpensionaris. Hoewel de uitsluiting met De Witts wenschen overeenstemde, achtte hij het eene vernedering voor Holland, zich die door eene vreemde mogendheid te laten opdringen; ook vreesde hij oproerige tooneelen in geval van aanneming. Maar Cromwell bleef bij zijn eisch, en de oorlog moest een einde nemen. De Witt bracht de zaak in de statenvergadering, nadat de leden geheimhouding beloofd hadden. Ondanks den tegenstand van 5 steden (Haarlem, Leiden, Alkmaar, Enkhuizen en Edam) werd de Akte van Seclusie aangenomen (Mei 1654), en als een geheim artikel aan de overige vredesvoorwaarden toegevoegd, waarover men het reeds in April was eens geworden. De voornaamste bepalingen van dezen vrede van Westminster waren, dat de Nederlanders in de Britsche wateren voor de Engelsche oorlogschepen de vlag zouden strijken; dat beide staten elkanders vijanden geen bijstand mochten verleenen; dat elke stadhouder of kapitein-generaal dit verdrag moest bezweren; dat schadeloosstelling zou betaald worden aan de erfgenamen der Engelschen, die op Amboina waren omgebracht.
Het geheim artikel werd spoedig bekend en van verschillende zijden hevig aangevallen. Om de handelwijze van Holland te verdedigen , gaf De Witt een belangrijk vertoog (deductie) in 't licht, hetgeen echter de tegenstanders niet overtuigde.
143
§ 8. Jolmn de Witt. Noonlsche oorlog.
1656. De republiek neemt deel aan den Noordschen oorlog. Dantzig ontzet.
1658. Zeeslag bij Kronenburg. Van Wassenaar-Obdam. De With.
1659. De Ruyter verovert Nyborg
1660. Vrede te Kopenhagen.
Na den vrede geraakte de handel spoedig weder tot bloei en keerde de welvaart terug, hetgeen meer dan alle vertoogen bijdroeg, om de ontevredenheid over de akte van Seclusie te doen bedaren. In sommige provinciën ontstonden evenwel partijgeschillen , die nergens zoo hoog liepen, als in Overijsel. De benoeming van een stadhöUdersgezinden drost van Twente gaf aanleiding, dat de Staten dier provincie zich scheidden in twee afzonderlijke vergaderingen, te Zwolle en te Deventer. De Staten van Holland, als scheidsrechters ingeroepen, maakten een einde aan den twist door de benoeming in te trekken (1657).
Op kerkelijk gebied brak in 1658 .een hevige strijd uit tusschen de Coccejanen, naar den Leidschen hoogleeraar Coccejus, en de Voetianen, naar den ütrechtschen professor Voet genoemd. De zondagviering en 't recht der overheid, om zich met kerkelijke zaken te bemoeien, waren de voornaamste geschilpunten. Eerst nadat de Staten van Holland verboden hadden, de betwiste punten op den kansel te brengen, werd de rust langzamerhand hersteld.
Gedurende 't eerste stadhouderlijke tijdvak was de leiding der republiek in handen van Johan de Witt, een der grootste staatsmannen zijner eeuw. Als raadpensionaris verkreeg hij een machtigen invloed in Holland, door Holland ook in andere provinciën; tevens beheerschte hij de buitenlandsche betrekkingen der Unie.
Johan de Witt was de zoon van Jacob de Witt (M. 136) en de jongere broeder van Cornelis. Hij werd in 1025 te Dordrecht geboren. studeerde te Leiden in de rechtsgeleerdheid, werd in 1050 pensionaris in zijnc geboortestad en reeds op 28jarigen leeftijd tot 't cewichtig ambt van raadpensionaris geroepen. Zijn huwelijk met eene dochter van den Amsterdanischen burgemeester Bicker versterkte
144
de banden, die liem aim de staatsgezinde partij hechtten. Maar nog meer dan door geboorte eu huwelijk behoorde hij tot die partij uit overtuiging. De aristocratische regeeringsvorm was naar zijne meening de heilzaamste, daarom had hij een afkeer van elke bemoeiing der burgerij met 't stads- of' staatsbestuur. Over 't geheel bezaten dan ook in zijn tijd de regenten de noodige bekwaamheid, eu maakten zij niet zulk een misbruik van hun gezag, als in de volgende eeuw. Onomkoopbaarheid was echter geene algemeene deugd der Nederlandsche staatslieden; daarom verdient de strikte eerlijkheid en onbaatzuchtigheid van De Witt te meer waardeering. Zijne werkzaamheid evenaardde zijne buitengewone bekwaamheden. die hij vooral ten nutte vau Holland aanwendde. Daarentegen heeft zijn hardnekkig vasthouden aan 't stelsel zijner partij, hem ook verleid tot maatregelen. die strijdig waren met de belangen der republiek.
Na 't sluiten van den vrede wijdde De Witt in de eerste plaats zijne zorg aan de verbetering der financiën. Door zijne bemoeiingen werd 't beheer der geldmiddelen vereenvoudigd, beter toezicht gehouden op de rekenplichtige ambtenaren, de verdeeling der lasten op billijker wijze geregeld en bovenal de rente dei-staatsschuld van 5 op 4 % gebracht. Met de niet geringe som van 1,4 millioen, die hierdoor bespaard werd, zou jaarlijks de schuld verminderd worden. Tot deze conversie werd besloten ondanks den tegenstand van vele regenten, wier inkomen er door vermindering onderging. Ook op 't leger werd bezuinigd door afdanking van troepen en 't onvervuld Jaten van hooge krijgsambten; zoozeer waren de tijden veranderd, dat Holland deze maatregelen doordreei zonder veel tegenstand te ontmoeten. Die stelselmatige verzwakking der landmacht moest tevens dienen, om de stadhouderlijke partij te fnuiken, maar heeft latei-wrange vruchten opgeleverd. â Aan de zeemacht daarentegen schonk De Witt zijne volle aandacht. Hij was geheel op de hoogte der zeezaken en dus volkomen in staat, om doeltreffende maatregelen te nemen. De vloot werd in de eerste jaren met een aanzienlijk getal schepen versterkt, die zwaarder gebouwd en beter bemand en gewapend werden. Groote belooningen moesten de zeelieden tot 't bedrijven van dappere daden aansporen, eene vooraf bepaalde som geld hen voor zware verwon-
145
dingen schadeloos stellen. Zoo toegerust behoefde de republiek Engelands vijandschap minder te vreezen, hoewel zij alles vermeed, wat den vrede kon verstoren.
Onze Oostzee-handel werd sedert 1655 ernstig bedreigd door een oorlog tusschen Polen en Zweden, waar de heerschznchtige Karei X Gnstaaf aan de regeering was gekomen. Om onze koopvaarders te beschermen vertrok eene vloot onder Jacob van Wassenaar-Obdam (vroeger kolonel der ruiterij, die met voorbijgarg van verdienstelijke onderbevelhebbers tot opvolger van M. H. Tromp benoemd was) naar 't oorlogsterrein, en ontzette Dantzig, 'twelk door de Zweden belegerd werd (1656). ïwee jaar later geraakte Frederik 111 van Denemarken, die met Polen verbonden was, opnieuw met Zweden in oorlog. De republiek liet door tusschenkomst van haar gezant te Kopenhagen, Koenraad van Beuning-en, hare bemiddeling aanbieden, zoowel om 't bevriende Denemarken te believen, als om de sluiting der Sont te voorkomen. Op de trotsche weigering van Karei X vertrok Wassenaar andermaal naar 't noorden, en versloeg den Zweedschen admiraal Wrangel bij Kronenburg aan de Sont, waar de onversaagde vice-admiraal Witte Cornelisz. de With sneuvelde (1658). Ook Engeland en Frankrijk wenschten bemiddelend op te treden (Haagsch concert), maar Karei X wilde van geen vrede hooren. De veroveringen der Zweden in Denemarken maakten eene derde expeditie noodig, waarover De Ruyter 't bevel had. Hij landde op Funen en voerde zelf zijne matrozen aan bij de verovering van Nyborg (1659). De plotselinge dood van Karei X in 't volgende jaar maakte weldra een einde aan den oorlog; met Polen werd de vrede te Oliva, met Denemarken te Kopenhagen gesloten (1660). De Sont. vroeger een Deensch water, maakte voortaan de grens tusschen de noordsche staten uit.
10
J. M. Vos, VaderL Gesch. 2' druk.
146
§ 4. Tweede Engelsche oorlog. Triple alliantie.
1662. Verbond met Frankrijk en met Engeland.
1664. Willem Frederik sterft. Hendrik Casimir II stadhouder.
1665. Tweede Engelsche oorlog. Slag bij Lovvesthoff. Oorlog met Munster.
1666. Vierdaagsche zeeslag bij Foreland. Tweedaagsche zeeslag bij Duinkerken.
Vrede van Kleef. De prins wordt tot Kind van Staat aangenomen.
1667. Tocht naar Chattam. Vrede te Breda. Eeuwig Edict.
1668. Triple alliantie. Vrede te Aken.
1670. De Harmonie aangenomen.
In 1660 werd Karei II tot koning van Engeland uitgeroepen. Op zijne reis van Breda, waar hij zich toen ophield, naar Sche-veningen, werd hij te 's-Hage luisterrijk ontvangen. Dit onthaal was echter niet bij machte, om hem de minder vriendschappelijke bejegening te doen vergeten, die men hem ter wille van Cromwell had aangedaan. Ook de intrekking der akte van Seclu-sie stemde hem niet beter; hij beschouwde ze door de Engelsche omwenteling van zelve vervallen. Gunstiger werkte eenigen tijd later de uitlevering van drie rechters van Karei I, die in ons land eene veilige schuilplaats gezocht hadden. Over die weinig eervolle daad, op verzoek der Engelsche regeering bedreven, toonde Karei zich zeer voldaan.
Bij zijn vertrek had de koning aan de Staten de belangen van zijn neef aanbevolen. Dit, benevens de aandrang van sommige gewesten en een schrijven der prinsessen van Oranje deed de Staten van Holland besluiten, voor de opvoeding van den jongen prins te zorgen. Voorloopig bleef 't besluit echter onuitgevoerd, hetgeen de goede verstandhouding met Karei, die in 1661 na den dood der prinses-weduwe deel kreeg aan de voogdij, niet bevorderde.
Bij den vrede van Kopenhagen hadden Engeland en Frankrijk samengewerkt in 't nadeel der republiek. Enkele jaren te voren waren geschillen gerezen met laatstgenoemden staat over de rooverijen der Fransche kapers in de Middellandsche zee, en 't opbrengen van twee oorlogschepen door De Ruyter. Gelukkig werd eene schikking getroffen, maar vrees voor vereeniging onzer
147
machtige naburen tegen de belangen der republiek bleef bestaan. Om die vereeniging te voorkomen, wist De Witt met veel beleid in 1662 een defensief verbond met Frankrijk te bewerken. Lode-wijk XIV duchtte eene te nauwe verbintenis der republiek met Engeland en bovenal hare tegenwerking, wat zijne plannen ten opzichte der Spaansche Nederlanden aanging. Eenige handels-voordeelen waren de eerste vruchten van dit verbond. Ook met Engeland werd nog in 't zelfde jaar een gelijk verdrag gesloten, zoodat onze staat tegen mogelijke aanvallen gedekt scheen.
Het verbond met Engeland zou niet lang stand houden. De koning, zoowel als 'tvolk, bleef de republiek vijandig, wier handel en scheepvaart nog altijd die der Engelschen ver overtroffen. Weldra uitte zich die vijandschap door daden. Alvorens eene oorlogsverklaring gezonden was, begonnen de Engelschen onze koopvaarders weg te nemen. Zelfs maakte hun admiraal Holmes zich in 1664 van eenige Nederlandsche bezittingen aan de kust van Guinea meester, om vervolgens den oceaan over te steken en Nieuw-Nederland met Nieuw-Amsterdam (New-York) te bemachtigen. Het gelukte echter aan De Ruyter de Afri-kaansche bezittingen te heroveren. Met deze trouwelooze vredebreuk begon de Tweede Engelsche oorlog (1665 â 1667). De eerste ontmoeting der beide vloten had plaats op de hoogte van Lowesthoff (nabij Yarmouth). Het admiraalschip geraakte in brand en vloog in de lucht, waarbij Wassenaar om 't leven kwam; ook Kortenaar sneuvelde, en zoo groot was de ontsteltenis hierdoor veroorzaakt, dat de meeste schepen op de vlucht sloegen en de hertog van York eene volkomen overwinning behaalde (1665). Cornelis Tromp, een vriend der Oranje-partij, kwam nu aan 't hoofd der vloot, doch moest weldra zijne plaats inruimen voor den staatsgezinden De Ruyter, die intusschen van zijn tocht was teruggekeerd. In Juni 1666 leverde deze beroemde zeeheld aan prins- Robert en Monk den merkwaardigen Vier daag-schen zeeslag bij Dover, waarin Cornelis Evertsen sneuvelde, maar de overwinning aan onze zijde was. Twee maanden latei-had bij Duinkerken de ongelukkige Tweedaagsche zeestrijd plaats; Jan Evertsen sneuvelde, en alleen 't beleid van De Ruyter voor-
10*
148
kwam de geheele vernietiging der vloot. Tromp, die bij de vervolging der Engelsche achterhoede zich te ver verwijderd had, werd door De Ruyter beschuldigd hierdoor de nederlaag veroorzaakt te hebben, en ontving zijn ontslag. De Engelschen bezoedelden hunne overwinning door 't weerlooze Terschelling te verwoesten, en meer dan honderd koopvaarders in 't Ylie te verbranden.
Kort na 't uitbreken van den oorlog had Karei II ons een nieuwen vijand verschaft in den bisschop van Munster, Bernard van Galen. De slechte toestand, waarin zich 'tleger bevond, maakte het den bisschop mogelijk Borkelo, Lochem en andere plaatsen te bemachtigen. Johan Maurits (bl. 129) werd nu tot bevelhebber van 't krijgsvolk benoemd, en Lodewijk XIV door onzen gezant Van Beuningen bewogen tot 't zenden van troepen, terwijl ook Brandenburg ondersteuning beloofde. Van Galen wachtte die hulpbenden niet af, maar sloot, ook omdat de Engelsche geldsommen uitbleven, in 1666 den vrede te Kleef'.
In 't zelfde jaar verklaarde Frankrijk openlijk den oorlog aan Engeland, meer om 't sluiten van den vrede te verhinderen, dan om werkelijk aan den krijg deel te nemen. De rampen, die Londen in 1666 troffen (hongersnood, pest en brand) deden de Engelschen evenwel naar den vrede verlangen, waarover de besprekingen in 't begin van 1667 te Breda geopend werden. Om den tragen gang der onderhandelingen te bespoedigen en wraak te nemen voor 't verbranden onzer koopvaarders, ontwierp De Witt 't plan, de Engelschen in hun eigen land te bestoken. Eene Hollandsche vloot onder De Ruyter als bevelhebber, en Cornells de Witt (ruwaard of baljuw van Putten) als gevolmachtigde der Staten, zeilde de Theems en vervolgens de Medway op tot Chattam, verbrandde menig schip, veroverde en slechtte 't fort Sheerness en keerde met de âRoyal Charlesquot; als zege-teeken naar 't vaderland terug. De tocht naar Chattuni had 't verwachte gevolg: den laatsten Juli 1667 werd de vrede van Breda gesloten. Engeland behield Nieuw-Nederland, de republiek Suriname (door Abraham Krijnszoon voor Zeeland veroverd); de akte van navigatie werd ten gunste van onzen Rijn-handel ge-
149
wijzigt!, 't verdrag van 1662 hernieuwd en alle vroegere overeenkomsten verbindend verklaard.
De stadhouder Willem Frederik had in 1664 't ongeluk zich door een pistoolschot doodelijk te wonden; in hem verloor de stadhouderlijke partij een belangrijken stenn. Zijn zoon Hendrik Casimip II, hoewel minderjarig, werd tot zijn opvolger benoemd.
Naarmate de prins van Oranje in jaren toenam, deed de wensch naar zijne verheffing zich steeds luider hooren, vooral in Zeeland. De Staten van Holland begrepen nu uitvoering te moeten geven aan hun besluit van 1660, en namen den prins tot Kind urn Slaat aan. dat wil zeggen, zij belastten zich met de voltooiing zijner opvoeding onder toezicht van De Witt (1666). Voor den zestienjarigen Willem had dit besluit 't onaangename gevolg, dat zijne trouwste vrienden en aanhangers uit zijne omgeving werden verwijderd, o. a. de ritmeester Buat. De Witt maakte van Buat's betrekking tot sommige aanzienlijke heeren in Engeland gebruik, om de Britsche regeering te polsen over 't sluiten van den vrede. Door onvoorzichtigheid van den ritmeester zeiven, bemerkte De Witt, dat deze nog eene tweede geheime briefwisseling onderhield, ten einde de plannen der stadhouderlijke partij te bevorderen. Buat werd daarop wegens hoogverraad door 't hof van Holland ter dood veroordeeld en gevonnist, waardoor De Witt zich veler vijandschap berokkende.
Frankrijk, nog altijd begeerig om zijne grenzen naar 't noorden uit te breiden, had na 't verbond van 1662 opnieuw onderhandelingen aangeknoopt over de verovering en verdeeling der Zuidelijke Nederlanden. Zelfs spaarde de gezant D'Estrades geen geld, om de regenten gunstig te stemmen. De Witt besefte ten volle 't gevaar, dat onze onafhankelijkheid zou loopen, indien de heerschzuchtige Bodewijk XIV onze nabuur werd; dit moest zoo mogelijk voorkomen worden. Aan den anderen kant was het gevaarlijk door eeno weigering zich 's konings ongenoegen op den hals te halen, en zoo hield men de onderhandelingen sleepende. Maar in 1665 stierf Filips IV, koning van Spanje, en nu beweerde Bodewijk, dat de Zuidelijke Nederlanden hem toekwamen (devolutierecht), terwijl hij wegens den oorlog met
150
Engeland de republiek buiten staat geloofde, hem de verovering te beletten. In 1667 zette hij zijne aanspraken kracht bij, door 't zenden van een leger, dat weldra verscheidene plaatsen in Henegouwen en Vlaanderen bemachtigde. Het machtelooze Spanje wendde zich nu om hulp tot de republiek, die door Lodewijks inval in groote ongelegenheid geraakt was. Zonder bondgenooten Frankrijk te trotseeren was hoogst gevaarlijk, en Engelands bijstand zou waarschijnlijk alleen verkregen kunnen worden tegen opoffering van De Witt's binnenlandsche staatkunde. Het gelukte den raadpensionaris voorloopig 't voortdrin-gen der Franschen door een wapenstilstand te beletten, terwijl inmiddels de versterking van 't leger werd voortgezet. Daarbij kwam de quaestie over 't aanstellen van een kapitein-generaal opnieuw te berde. De Staten van Holland zagen in, dat's prinsen jeugd weldra niet langer als voorwendsel tot uitstel kon dienen, en namen om die reden in Augustus 1667 een afdoend besluit. Zij legden bij 't Eeuwig edict de verklaring af, dat 't stadhouderschap in Holland was afgeschaft, en dat zij de benoeming van den stadhouder eener andere provincie tot kapitein-admiraal-generaal der Unie zouden tegenwerken.
Ook in Engeland begon men eindelijk 't gevaarlijke van Lode-wijk's veroveringszucht in te zien, waarom de gezant William Temple naar 's Hage werd gezonden, om met De Witt over een gemeenschappelijk optreden tegen Frankrijk te onderhandelen. Het gevolg was, dat een verbond gesloten werd, waarbij ook Zweden zich aansloot, welks rijksraad door Hollandach goud was omgekocht. (Jan. 1668). Dit Drievoudig verbond (Triple alliantie) had ten doel, den vrede tusschen Frankrijk en Spanje te bewerken op voorwaarde, dat Lodewijk zijne veroveringen geheel of gedeeltelijk zou behouden. Volgens een geheim artikel zouden de bondgenooten desnoods Frankrijk met de wapenen dwingen. Lodewijk gaf nu voorloopig zijne plannen op, en sloot in Mei den vrede te Aken.
De regeering der Vereenigde gewesten was niet weinig trotsch op 't behaalde succès en liet daarop een gedenkpenning slaan. Zij hield zich zoo verzekerd van Frankriiks onmacht tegenover
151
de Triple alliantie, dat zij de onlangs geworven troepen weder afdankte. Zelfs De Witt schijnt niet te hebben ingezien, hoezeer de verbolgenheid van den trotschen koning was opgewekt, noch dat de bondgenooten ontrouw konden worden aan 't gesloten verdrag. Want Lodewijk had geenszins 't voornemen in den vrede van Aken te berusten; hij wilde 't verbond vernietigen, om daarna niet alleen de Zuidelijke Nederlanden te veroveren, maar ook om de republiek, die altijd Frankrijks ondersteuning had genoten. voor hare ondankbaarheid te straften.
Intusschen was de prins meerderjarig geworden (1668), en door de Staten van Zeeland met opheffing van een vroeger besluit (bl. 139) als âeerste edelequot; erkend. De partijwoelingen herleefden met nieuwe kracht, en werden nog aangestookt door den Franschen gezant Pomponne. Maar De Witt ijverde meer dan ooit voor 't behoud van zijn stelsel, al was het duidelijk, dat de Oranjepartij steeds aanhangers won. Nadat ook Utrecht 't Eeuwig edict had aangenomen, wist de raadpensionaris in 1670 door de Staten-Generaal een besluit te doen nemen, de Harmonie genaamd, waarbij 't stadhouderschap onvereenigbaar werd verklaard met 't ambt van kapitein-generaal. Holland verzette zich nu niet langer tegen 's prinsen toelating in den Raad van State.
De pogingen van Frankrijk, om Engeland van 't verbond af te trekken, waren intusschen geslaagd. De trouwelooze Karei II liet zich voor groote geldsommen overhalen, met Lodewijk een geheim verdrag te Dover aan te gaan (1670), waarbij hij hem bijstand beloofde in den aanstaanden oorlog met de Nederlanden. Ook de Zweedsche rijksraad bleek niet tegen 't Fransche goud bestand, maar beloofde in 1672 eiken Duitschen vorst te zullen beoorlogen, die de republiek mocht bijspringen. Hoe geheim de onderhandelingen ook gevoerd werden, toch bleven zij voor onze regeering niet geheel verborgen. Het eerst toonde Lodewijk zijne vijandige gezindheid door hooge invoerrechten van de Neder-landsche waren te eischen. hetgeen de Staten met gelijke munt betaalden. Gedurende 't jaar 1671 werd onze vloot aanzienlijk vermeerderd, maar de versterking van 't leger werd vertraagd door de vraag, welke waardigheden men den prins zou opdragen.
152
Terwijl met 't naderend gevaar voor oogen erkende staatsge-zinden, als Van Beuningen en Beverningk, de tegenpartij door toegevendheid wilden winnen, daar aller samenwerking hoog noodig was, bleef De Witt onverzettelijk. Maanden lang twistte men over de benoeming van een kapitein-generaal; eindelijk benoemden de Staten-Generaal in 't begin van 1672 den prins daartoe voor één veldtocht. De keurvorst van Brandenburg sloot nu een verdrag van bijstand met de republiek, gelijk ook de keizer in 't zelfde jaar deed; reeds in 1671 was een verdedigend verbond met Spanje gesloten.
Intusschen beproefden de Staten-Generaal nog 't uiterste, om den oorlog te voorkomen. Zij verklaarden zich bereid om alle grieven weg te nemen, die Bodewijk tegen de republiek mocht hebben, en zonden daartoe Pietep de Groot (zoon van Hugo, en pensionaris van Rotterdam) als gezant naar Parijs. Maar die deemoedige houding werkte niets uit; den 7quot;quot; April 1672 verklaarden Frankrijk en Engeland ons den oorlog. De redenen, waarom Bodewijk tot den krijg besloten had, waren duidelijk genoeg, al bevatte zijne verklaring alleen, dat de republiek zich zijn misnoegen op den hals had gehaald. Karei 11 daarentegen, wiens oorlogsverklaring geheel onverwacht kwam, had blijkbaar naar redenen gezocht. Eene der voornaamste was, dat de luitenant-admiraal Van Gent de vlag niet had gestreken, toen in Augustus van 't vorige jaar een koninklijk jacht op de kust van Zeeland door onze vloot was gevaren; eene andere, dat op 't stadhuis te Dordrecht eene schilderij hing, waarop de tocht naar Chattam was voorgesteld, hetgeen eene beleediging was voor Engeland. Tot overmaat van ramp had Bodewijk zich ook den bisschop van Munster en den keurvorst van Keulen tot bondgenooten gekocht; hunne oorlogsverklaring volgde in Mei van 't zelfde jaar.
153
§ 5. Du oorlog van 1672.
1672. Oorlog met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen. Zeeslag bij Solebay.
Veroveringen van den vijand. Willem III stadhouder. De gebroeders
De Witt vermoord. Beleg van Groningen.
1673. De Ruyter wint den slag bij Kijkduin. Willem 111 verovert Bonn. I )e
vijand verlaat 't land.
1674. Vrede te Westminster. Slag bij Senef.
1676. De Ruyter sneuvelt bij Syracuse.
1677. Willem III verliest den slag bij Mont-Cassel.
1678. Vrede te Nijmegen. Slag bij St.-Denis.
Het staatkundig stelsel, door De Wilt met zooveel moeite opgebouwd, was door 't verraad van Karei 11 ineengezonken. De vereenigde macht der beide groote mogendheden scheen de republiek te zullen verpletteren. Was al de vloot bij machte het tegen den vijand op te nemen, de landmacht was daartoe geheel ongeschikt.
Dat Lodcwijk XIV de verovering der republiek geene lichte tuak achtte, blijkt uit zijne ontzaggelijke krijgstoerustingen. Een leger van 120.000 man. waaronder een paar duizend adellijke vrijwilligers, vereenigde zich bij Charleroi, en werd aangevoerd door de bekwaamste veldhceren van hnn tijd, als Condé, Turenne en Luxemburg met den beroemden vestingbouwkundige Vauban, om de belegeringen te besturen. De koning zelt' vergezelde 't leger gedurende 't eerste gedeelte van den veldtocht. Daarbij zonden Munster en Keulen nog omtrent 20.000 man in 'tveld. De Engelsche vloot, die niet minder dan 100 zeilen telde, was met 30 Fransche schepen versterkt.
Het Nederlandsche leger, dat bij den I.Tsel lag, telde ongeveer 20.000 man, meestal ongeoefende troepen, aangevoerd door officieren, 'die óf vreemdelingen waren, óf hunne bevordering meer aan geboorte en gunst dan aan bekwaamheid te danken hadden. De opperbevelhebber zelf, een jonkman van 21 jaar, was nog geheel onervaren. Bovendien ontbrak de noodige eenheid, daar de bevelen der gedeputeerden te velde somtijds lijnrecht in tegenspraak waren met die van den kapitein-generaal. De beste troepen lagen in Maastricht, voor welke vesting men den vijand een tijdlang hoopte bezig te houden.
Ook nu weder begonnen de Engelschen den oorlog reeds vóór hij verklaard was. In 't laatst van Maart vielen zij de terug-keerende Levantsche handelsvloot aan, maar werden ondanks hunne overmacht afgeslagen. Even gelukkig liep de slag bij
154:
Solebay af (Juni), waarin De Ruyter tegen den hertog van York streed; de Franschen onder D'Estrées namen weinig deel aan 't gevecht. Na dezen slag bieef De Ruyter op onze kusten kruisen, om den vijand 't landen te beletten. Toen de Engelschen niettemin in Juli voor Den Helder verschenen, werden zij door langdurige stormen verhinderd, troepen aan land te zetten.
In Mei trok 't Fransche leger tegen de republiek op. Het ging Maastricht voorbij, maar nam in korten tijd op Keulsch en Kleefsch gebied verschillende plaatsen, waarin Nederlandsche garnizoenen lagen. In plaats van den IJsel over te trekken, geliik men verwacht had, wendden de Franschen zich naar den Rijn, en beproefden den overtocht op eene ondiepe plaats bij Lobit. De bevelhebber De Montbas week terug, en de veldmaarschalk Paulus Wirtz, die zich ijlings naar 't bedreigde punt begaf, kon bij den lagen waterstand den vijand niet lang tegenhouden. Toch leden de Franschen een gevoelig verlies; Condé werd gewond en daardoor verhinderd onmiddellijk met eenige duizenden ruiters naar Amsterdam op te rukken (12 Juni). De prins trok nu naaide Hollandsche grenzen terug, daar Gelderland en Utrecht niet te verdedigen waren. Slechts tien dagen gebruikten de Franschen om die twee provinciën bijna geheel te veroveren, den 23'quot; Juni bezetten zij Utrecht, vervolgens Naar den, Woerden en Schoonhoven. Bij Muiden werden zij eindelijk gestuit, terwijl de verovering van Staats-Vlaanderen werd belet door de dappere verdediging van Aardenburg onder den vaandrig Beekman. In-tusschen hadden de Munstersche en Keulsche troepen 't oosten,van Gelderland, geheel Overijsel en 't sterke Koevorden bemachtigd.
De snelle vorderingen van 't Fransche leger verwekten in Holland en Zeeland de grootste verslagenheid. Goede raad was duur; vrees voor den vijand verlamde aller geestkracht. Do handel stond stil; de werkplaatsen en de winkels, de rechtbanken en de scholen waren gesloten, de kerken daarentegen konden nauwelijks de menigte bevatten. Het volk schreef de oorlogsrampen aan 't verraad der regeerende partij toe en geraakte in beweging. Vele regenten zagen alleen heil in onvoorwaardelijke onderwerping aan Lodewijk XIV; De Witt prees als uiterste
155
redmiddel 't doorsteken der dijken aan. Met veel recht zeide men, dat de regeering radeloos, 't volk redeloos, 't land redde, loos was.
De Staten-Genei'aal besloten Pieter de Groot naar den vijand af te vaardigen, om over den vrede te onderhandelen; maar de eischen, die Frankrijk en Engeland stelden, waren zoo overdreven, dat ze dadelijk verworpen werden.
Lodewijk eischte afstand van 't land bezuiden den Rijn en Lok. van 't graafschap Zutfen en Delfzijl met omstreken, intrekking van alle rechten op den invoer van Fransche waren. 16 millioen voor oorlogskosten. vrije uitoefening van den katholieken godsdienst, jaarlijks een gezantschap om hem dank te betuigen en een gedenkpenning aan te bieden. â Karei II vorderde erkenning zijner heerschappij ter zee in die mate. dat zelfs eene geheele vloot voor één Engelsch schip de vlag zou strijken, 100.000 pond sterling voor de vrije visscherij, 500.000 p. s. voor oorlogskosten, afstand van Vlissingen. Brielle en Sluis, verheffing van den prins tot stadhouder en kapitein-generaal.
Tijdens de vredesonderhandeüngen had men zich op krachtige verdediging voorbereid. Door onderwaterzetting van een groot deel der provincie Holland werd de vijand in zijne veroveringen gestuit; de moed herleefde en vrijwillig bracht menigeen zijne kostbaarheden ten offer, om in den geldnood te voorzien.
Maar de haat tegen de gebroeders De Witt nam in hevigheid toe. Zij, inzonderheid de raadpensionaris, kregen de schuld van alle onheilen; men stond hun zelfs naar 't leven. Johan de Witt werd den 21quot;' Juni uit de vergadering der Staten van Holland komende, door vier personen aangevallen en gewond. Slechts één der misdadigers, de student Van der Graaf, werd gegrepen en ter dood gebracht. Men achtte dit vonnis noodig, om 't wankelende gezag der regeering te handhaven, maar bewerkte daarmede niets dan toenemende verbittering. Ook op 't leven van Cornells de Witt werd een aanslag beproefd, maar bijtijds ont. dekt. Zelfs de vrienden van De Witt liepen gevaar; 't huis van De Ruyter te Amsterdam moest tegen 't woedende grauw beschermd worden.
Naarmate de vijand dieper quot;t land binnendrong, deed de wensch naar herstel van 't stadhouderschap zich luider hooien. In ver-
156
schillende steden van Holland en Zeeland liep 't volk te hoop, om van de vroedschap 's prinsen verheffing af te dwingen. Vere gaf 't sein, Dordrecht volgde 't eerst. Cornells de Witt was genoodzaakt een geschrift te onderteekenen, waarbij 't eeuwig edict herroepen werd. Zeeland benoemde den 2quot;quot; Juli, Holland den 4'° Willem III tot stadhouder. De hoop, dat Karei II nu op betere voorwaarden vrede zou willen sluiten , bleek echter ijdel, en zoo werd tot voortzetting van den oorlog besloten.
Johan de Witt, intusschen van zijne wonden genezen, verzocht zijn ontslag. Het werd hem gegeven met 't recht van zitting in den hoogen raad. In zijne plaats en op zijne aanbeveling werd Gaspar Fagel, griffier der Staten-Generaal, benoemd. -De haat tegen de De Witten was evenwel met hunne verwijdering uit 't staatsbestuur nog niet gekoeld. Willem Tichelaar, barbier te Piershil, beweerde, dat Cornells de Witt getracht had, hem tot een moordaanslag op den prins over te halen. Voor 't hof van Holland ter verantwoording geroepen, verklaarde De Witt, dat Tichelaar in bedekte bewoordingen zichzelf tot 't plegen van die misdaad had aangeboden. Niettemin vond Tichelaar, ofschoon een slecht befaamd persoon, die reeds meermalen gevonnist was, bij de partijdige rechters meer geloof dan De Witt. Daar de gevangene weigerde schuld te bekennen, werd hij op de pijnbank gebracht, maar ook de wreedste folteringen persten hem geene bekentenis af. Ofschoon De Witt nu bij gebrek aan bewijs moest worden vrijgesproken, werd hij evenwel van zijne ambten vervallen verklaard, uit Holland gebannen en tot betaling der kosten van 't rechtsgeding veroordeeld. Den 20,-â ,l Augustus werd 't vonnis uitgesproken, en te gelijkertijd Tichelaar, die mede in hechtenis was genomen, vrijgelaten. Dienzelfden dag kwam Johan zijn broeder bezoeken, waarschijnlijk om hem af te halen. Maar eene groote menigte, opgeruid door Tichelaar en zekeren Verhoeff, schoolde voor de gevangenis samen, welke door drie afdeelingen ruiterij bewaakt werd. Twee dier afdeelingen kregen echter bevel om af te trekken, waarna de derde 't woedende grauw niet langer kon tegenhouden. Het drong, door de schutterij ondersteund, den kerker binnen, sleurde de beide broeders naar
buiten, en bracht hen op eene afschuwelijke wijze om 't leven. Zelfs lieden van aanzien, o. a. Cornells Tromp, zagen met welgevallen dit gruwelijk bedriif aan, en de predikant Simonides schaamde zich niet, van den kansel den moord goed te keuren. De Staten van Holland besloten op raad van Willem III de moordenaars niet te vervolgen; de snoode Tichelaar ontving van den prins een jaargeld.
De oproerige tooneelen hielden intusschen aan, in sommige plaatsen werden regenten door 't volk afgezet en hunne huizen geplunderd, waarbij de boeren uit den omtrek zich niet onbetuigd lieten. Daarom machtigden de Staten van Holland en Zeeland den prins, om waar hij het noodig oordeelde, de wet te verzetten. Op die wijze keerde de rust langzamerhand weder, maar kwamen veel onervaren personen in 't bestuur.
Terwijl deze gebeurtenissen in Holland voorvielen, had Van Galen 't beleg voor Groningen geslagen. Maar de bekwame bevelhebber Karei van Rabenhaupt, bijgestaan door de burgers en studenten, verdedigde de stad met zoo goed gevolg, dat de vijand met een verlies van 5000 man moest aftrekken (28 Aug.). Vier maanden later overrompelde de Groningsche bezetting onder Van Eybergen de vesting Koevordm volgens een plan van den onderwijzer en landmeter Meindert van Thijnen. Minder gelukkig streed men tegen de Franschen. Willem III poogde vergeefs Naarden en Woerden te heroveren, evenmin slaagde zijn toeleg om Holland afleiding te geven door de inneming van Charleroi. De strenge vorst, die hiervan de oorzaak was, stelde Luxemburg in staat over de bevroren wateren naar 's-Hage op te rukken, maar de ingevallen dooi noodzaakte hem tot een spoedigen aftocht. De terugtrekkende Franschen bedreven de grootste gruwelen te Bodegraven en Zwammerdam, doch zouden verloren geweest zijn, indien de kolonel Pain-et-Vin zijn post te Nieuwer-brug niet had verlaten. Hij werd voor zijne lafhartigheid met den dood gestraft.
Het jaar 1672, hoe rampzalig ook, eindigde onder gunstiger vooruitzichten dan 't begonnen was. Denemarken en Lotharingen werden in 167S onze bondgenooten, de keizer en Spanje ver-
158
leenden krachtiger hulp, Brandenburg daarentegen, bevreesd voor zijne Westfaalsche provincie, sloot den vrede van Vossem (bij Brussel). Willem III bracht een sterk leger bijeen en Holland, vooral Amsterdam, was zoo goed op de verdediging voorbereid, dat Condé een aanval op die provincie verloren moeite achtte. â Ter zee brachten De Ruyter en Tromp, door tusschenkomst van den prins met elkander verzoend, den vijand in één jaar (1673) drie nederlagen toe: den 7⢠Juni bij Schooneveld (eene zandplaat bij den mond der Westerschelde), eene week later op de Engelsche kust bij de Theems en den 21cquot; Atig. bij Kijkduin. De laatste slag vooral was beslissend en noopte de Engelschen elk landingsplan op te geven.
Weldra was Willem III sterk genoeg, om meer aanvallend op te treden. In Sept. heroverde hij Naarden en twee maanden later ontnam hij, bijgestaan door de bondgenooten, 't welbeves-tigde Bonn aan den keurvorst. De Franschen waren hierdoor genoodzaakt de veroverde plaatsen te ontruimen. Bij hun aftocht moesten de zoo zwaar geteisterde provinciën nog groote geldsommen opbrengen, de stad Utrecht alleen 450.000 gulden. Eer 't jaar ten einde was, hadden de vijanden ons grondgebied verlaten, alleen Grave en Maastricht, in Juli veroverd, bleven in hun bezit.
De Engelschen hadden niets dan nadeelen geleden; onder de 2800 schepen, door de Nederlandsche kapers in twee jaren tijds opgebracht, waren de hunne verreweg 't talrijkst. Het parlement weigerde Karei II de middelen tot voortzetting van den oorlog langer toe te staan. De onderhandelingen werden daarom hervat, en leidden reeds in Febr. 1674 tot den vrede van Westminster. De republiek betaalde twee millioen gulden en beloofde als voorheen de vlag te zullen strijken. â Munster en Keulen volgden weldra Engelands voorbeeld.
Sedert de Franschen ons land hadden verlaten, werd de oorlog voornamelijk in de Spaansche Nederlanden en de Rijnstreken gevoerd. Willem III leverde in 1674 Condé den slay hij Senef, die onbeslist bleef; beter slaagde hij in 't beleg van Grave, waarbij de vestingbouwkundige Menno Coehoorn zich onder-
159
scheidde. Brandenburg, in 't zelfde jaar weer op't ooiiogstooneel getreden, werd aangevallen door Zweden, maar bijgestaan dooide Deensche en de Nederlandsche vloot onder Tromp, die de Zweedsche in de volgende jaren zware slagen toebracht.
De Spaansche koning zag terzelfder tijd zijne Italiaansche bezittingen door de Franschen bedreigd. Hij riep onze hulp in, waarom De Ruyter met eene, hoewel te geringe, scheepsmacht naai' de Middellandsche zee vertrok. In de nabijheid van Sicilië werd in 1676 driemaal slag geleverd. Bij Stromboli bleef de strijd onbeslist, maar bij de Etna behaalde De Ruyter de overwinning op Duquesne. Die zege beroofde de republiek van haar grootsten zeeheld. De vice-admiraal De Haan nam 't bevel over de vloot op zich, en leverde den Franschen een slag bij Palermo, die verloren werd, daar de Spanjaarden, evenals in de vorige gevechten, meer toeschouwers van den strijd dan deelnemers daaraan waren.
jMiehicl Adriaansz. de Ruyter, in 1(507 te Vlissingcn uit arme ouders geboren, bracht het van wieldraaier in eene lijnbaan tot luitenantadmiraal-generaal. Zijn degelijk karakter en onkreukbare trouw evenaarden zijne bekwaamheid en moed. Hij heeft meer dan 40 kleine gevechten en 15 groote zeeslagen bijgewoond. De eeretitels van âNeerlands grootste admiraalquot; en âRedder des vaderlandsquot; hem geschonken, waren ten volle verdiend. In de Nieuwe kerk te Amsterdam, waar zijn lijk begraven werd, richtten de Staten-Generaal eene prachtige graftombe voor hem op.
Reeds in 1676 werden onderhandelingen over den vrede geopend, maar traag gevoerd. Frankrijk wenschte met de republiek een afzonderlijk verdrag te sluiten, en stelde gunstige voorwaarden. De zware offers, die de oorlog eischte, maakten het zeer wen-schelijk, dat een einde aan 't bloedvergieten kwam. Den 10⢠Aug. 1678 werd de vrede te Nijmegen gesloten {vrede van Beverningk), waarbij de republiek geheel haar grondgebied behield, ook Maastricht. Willem III, die in 1677 den slag bij Mont-Cassél had verloren, streed nog den 14on Aug., dus vier dagen na 't sluiten van den vrede tegen Luxemburg, bij St.-Denis. Het is moeilijk aan te nemen, dat de stadhouder, die den oorlog wenschte voort te zetten, onbekend was met den afloop der onderhandelingen te Nijmegen.
160
ünzc bondgenooten moesten nu ook tot 't sluiten van den vrede overgaan. Zij konden, door de Nederlanden verlaten, geene gunstige voorwaarden bedingen, en besebuldigdon de republiek van oudank-baarheid. Die beschuldiging was niet geheel onverdiend; maar't land had door den oorlog zooveel geleden en de lasten waren zoo hoog gestegen, dat de nood dwong. Daarbij hadden Spanje en de keizer weinig deelgenomen aan de krijgsverrichtingen , en zochten Denemarken en Brandenburg uitbreiding van gebied grooiendeels op kosten van de republiek.
Na den aftocht der Franschen werd Willem III ook stadhouder-van Utrecht, Gelderland en O verijdel. Holland wilde deze provinciën voortaan als overheerde gewesten, gelijk de generaliteitslanden , beschouwd hebben; maar 't gevoelen van Zeeland, ondersteund door den stadhouder, dat zij zitting en stem in de Staten-Generaal zouden behouden , behaalde de overhand. Evenwel moesten zij de invoering van nieuwe regeerings-regiementen toelaten, waarbij de prins de gelieele magistraatsbestelling in handen kreeg. Op die wijze ontving de stadhouder een bijna souverein gezag in de»e drie provinciën. Gelderland bood hem zelfs den hertogstitel aan, maar hij weigerde dien, toen het bleek, dat andere gewesten hierover ontevreden waren. Gedurende de jaren 1674 en '76 werd achtereenvolgens in de verschillende provinciën 't stadhouderschap erfelijk verklaard in de mannelijke linie van Willem III, tegelijk met 't ambt van kapitein-generaal en admiraal.
Hendrik Casimir II, in 1674 meerderjarig geworden, werd nu ook in Drente tot stadhouder benoemd, terwijl Groningen dit ambt erfelijk verklaarde.
§ 6. Het stadhouder schap van Willem III.
Negenjarige oorlog.
1688. Willem III landt in Engeland. Negenjarige oorlog.
1689. Willem III en Maria worden koning en koningin van Engeland.
1690. Slag bij Fleurus. Zeeslag bij Bevesier. Slag bij de Boyne.
1692. Zeeslag bij kaap La Hogue. Slag bij Steenkerken.
1693. Slag bij Landen en Neerwinden.
1697. Vrede te Rijswijk.
Lodewijk XIV had door den laatsten oorlog weder eene aan-
161
zienlijke uitbreiding van gebied verkregen, en stond thans op 't toppunt van zijne macht. Vertrouwende op de zwakheid zijner naburen, dreef hij nu de willekeur zoo ver, dat hij hun in vredestijd verschillende landstreken en steden ontnam, zooals Straatsburg, Luxemburg en 't prinsdom Oranje (Chambres de Réunion). De beroofde vorsten deden aanvankelijk niets dan protesteeren tegen 't schenden van den vrede, alleen Willem III trad sedert als de onvermoeide tegenstander van den Franschen koning op.
Voor doze taak was de prins ten volle berekend door zijne uitstekende bekwaamheden als staatsman. Vooral na zijne verheffing tot koning van Engeland kon hij aan 't groote doel zijns levens beperking van Lodewijks veroveringszucht, arbeiden. Maar voor ons land heeft de staatkunde van Willem III, evenmin als zijne verheffing tot koning, gunstige gevolgen gehad. Wel kreeg de republiek daardoor in den strijd tegen Frankrijk machtige bondge-nooten. maar dit bondgenootschap legde haar verplichtingen op. die langzaam maar zeker hare krachten sloopten. In twee bloedige oorlogen moest zij jaren achtereen groote legers onderhouden, hetgeen niet kon geschieden dan ten koste van de zeemacht, tot lier toe 't bolwerk van den staat en de voorwaarde voor 't bestaan van haren wereldhandel. Daarbij was het te betreuren, dat. de prins zich niet onverdeeld met de belangen van den staat kon bezig houden , zoodat hij veel aan anderen moest overlaten, wat beter door hemzelven ware verricht.
Als legeraanvoerder was Willem III niet gelukkig, toch bezat hij groote krijgskundige bekwaamheden, waaraan de gunstige wending in den oorlog sedert zijne verheffing tot stadhouder is toe te schrijven.
Gelijk wij zagen oefende Willem III in Utrecht, Gelderland en Overijsel een grooter gezag uit dan een zijner voorgangers. Ook in Zeeland, waar hij als eerste edele twee stemmen in de Staten uitbracht. Bovendien werd de prins in de vijf provinciën tot erfsta( 1 houder benoemd.
In 't binnenlandsch bestuur werd Willem III getrouw ter zijde gestaan door den raadpensionaris Fag-el en anderen, die vroeger tot de staatsgezinde partij hadden behoord. Toch bleef deze partij naar yroegeren invloed streven, waaruit wel eens botsingen ontstonden, vooral met 't machtige Amsterdam. Daaren-J. -M. Vos, VaderL Gesch. 2-* druk. 11
162
tegen ging ook de stadhouder somtijds de perken van zijn gezag te buiten. Bij 't benoemen van leden in de vroedschappen ging hij dikwijls buiten de voordracht. Ook werden stedelijke raden, die met den prins van meening verschilden, afgezet. Dit gebeurde o.a. te Middelburg, waar een predikant was beroepen, dien hij niet wenschte. Te Goes werd de burgemeester Westerwijk zelfs ter dood veroordeeld wegens een geschil over 't benoemen van rentmeesters; het vonnis werd evenwel niet uitgevoerd, maar in gevangenschap veranderd.
De buitenlandsche staatkunde van Willem III vond weinig bijval. De kleine republiek moest zich naar veler overtuiging niet aan de spits plaatsen van 't verzet tegen Lodewijks heerschzucht. Amsterdam inzonderheid was deze meening toegedaan; zijne overheid heulde zelfs met den listigen Franschen gezant D'Avaux. Een voorstel van den stadhouder in 1684 om 't leger te versterken , stuitte hier op hevig verzet. Ook in Utrecht, waar de prins om die reden eenige leden der vroedschap afzette.
De herroeping van 't edict van Nantes in 1685 voorkwam grooter onlusten. Door de hevige verontwaardiging, die Lodewijks daad alom had opgewekt, verkreeg de prins steun, waar hij vroeger tegenwerking had gevonden. De talrijke vervolgden, die naar ons land vluchtten (réfugiés), werden met open armen ontvangen. â En toen ook in Engeland 't protestantisme gevaar liep sedert de troonsbeklimming van Jacobus II, met wiens dochter Maria de stadhouder in 1677 gehuwd was, onthield men Willem III de noodige ondersteuning niet, om ten behoeve van den bedreigden godsdienst tusschenbeide te komen.
In 1685 was Karei II door zijn broeder Jacobus opgevolgd, üf-seboon deze koning tot den Roomschen godsdienst was overgegaan, hadden de Engelschen zich niet tegen zijne troonsbeklimming verzet. Maar weldra Meek uit al zijne handelingen, dat herstel van 't katholicisme zijn doel was. Aanzienlijke Engelsehen stelden zich heimelijk in betrekking met Willem III, wiens gemalin de kroon van haar vader moest erven. daar Jacobus geen manlijken erfgenaam had. Doch in 1083 werd hem een zoon geboren, die door velen voor een aangenomen kind werd gehouden. Geheel 't protestantsche Engeland geraakte in gisting, en zag verlangend naar de komst van onzen stadhouder uit.
16:3
Het eerst werden de Amsterclamsche burgemeestei's Hudde en Witsen door Willem III gepolst over 't uitrusten eener expeditie tegen Jacobus II. ïfiet zonder aarzelen hechtten zij daaraan hunne goedkeuring. Vervolgens werden Hollands Staten en eindelijk de Staten-Generaal gehoord, allen onder cede van geheimhouding. Besloten werd den prins de gevraagde ondersteuning te schenken. Hoop op Engelarids bondgenootschap en op voor-deelige handelsbepalingen bleef niet zonder invloed op dit besluit. Twisten over de opvolging in Keulen gaven een geschikt voorwendsel, om zonder opzien te baren, troepen bijeen te brengen. Toch kon 't ware doel der uitrusting niet geheel verborgen blijven, maar Jacobus verzuimde bijtijds maatregelen te nemen. In Nov. 1688 stak Willem III met eene groote vloot en 21,000 man naar Engeland over. Hij landde aan de Torbay, trok naar Londen en werd, nadat Jacobus naar Frankrijk was gevlucht, met zijne gemalin tot koning en koningin uitgeroepen (1689). â In 't zelfde jaar stierf Fagel, in wiens plaats Antonie Heinsius tot raadpensionaris werd benoemd.
Lodewijk XIV trok zich de belangen van Jacobus aan, en verklaarde ons land den oorlog. Willem III bracht in 1689 't Groot verhond van Weenen tot stand, waaraan Engeland, Nederland, de keizer, 't Duitsche rijk, Spanje en Savoye deelnamen. Aldus begon de Negenjarige oorlog (1688â1697). Met een Fransch leger naar Ierland overgestoken, werd Jacobus aan de Botjue door zijn schoonzoon verslagen (1690). Daarentegen bracht Luxemburg den bondgenooten onder Waldeck eene nederlaag toe bij Fleurus (in Henegouwen), en werd de Nederlandsche vloot, ondanks de dapperheid van haar bevelhebber Geleyn Evertsen, bij Beachy-head (kaap Bevesier) door Tourville verslagen, daar Torrington, de admiraal der Engelsche vloot, zich buiten 't gevecht hield. Twee jaar later (1692) wilde Tourville een leger naar Engeland overbrengen, maar zijne vloot werd door de Engelsch-Nederlandsche onder Russell en Almonde bijna geheel vernield in de nabijheid van kaap La Hogue. Te land streden de bondgenooten zeer ongelukkig. Namen ging in 1692 verloren en werd door Vauban geducht versterkt. Willem III leed in
164
't zelfde jaar een nederlaag bij Steenkerken (in Henegouwen) en in 1693 tusschen Landen en Neerwinden (bi) Luik); evenwel wist hij den vijand te beletten van zijne overwinningen veel partij te trekken. Met behulp van Coehoorn herwon hij in 1695 de vesting Namen.
Het verlangen naar 't einde van den oorlog werd spoedig algemeen; als plaats van bijeenkomst der afgevaardigden koos men Bvjswijk, waar na lange onderhandelingen in 1697 de vrede tot. stand kwam (Bentinek, Bouffleps). Frankrijk erkende Willem 111 als koning van Engeland, en gaf hem 't prinsdom Oranje terug. Ons land kreeg als eenige vergoeding voor al zijne opofferingen en de nadeelen door Jan Bart en andere Duinkerker kapers aan den handel toegebracht, verlaging van inkomende rechten. Engeland toonde zich weinig dankbaar voor den verleenden bijstand. Het beknibbelde een millioen op de kosten voor de expeditie van 1688, en stond geene verzachting der Acte van Navigatie toe, waarop men gehoopt had.
In 1695 was Maria gestorven, in 1696 Hendrik Casimir II. Hij werd in Friesland en Groningen opgevolgd door zijn minderjarigen zoon Johan Willem Friso, die onder voogdijschap zijner moeder Amalia van Anhalt-Dessau kwam. Drente koos Willem III tot stadhouder.
Merkwaardig was 't vredejaar 1697, dooi' 't bezoek van Peter den Groeten, keizer aller Russen, aan Amsterdam en Zaandam. De betrekking, waarin de republiek tot Rusland stond, werd daardoor nauwer, en verschillende bekwame personen lieten zich overhalen, den czaar naar zijn land te volgen.
§ 7. Spaansche successie-oorlog.
1702. Willem III sterft. Spaansche successie-oorlog.
1704. Verovering van Gibraltar.
1706. Slag bij Ramillies.
1708. Slag bij Oudenaarde.
1709. Slag bij Malplaquet.
1711. Dood van Johan Willem Friso.
1713. Vrede te Utrecht.
1715. Barrière-tractaat.
De vrede was nauwelijks gesloten, of opnieuw dreigde oorlogsgevaar. De kinderlooze koning van Spanje, Karei II, was
165
ziekelijk, en bij zijn dood konden verschillende familieleden aanspraak op den troon maken. Lodewijk XIV en keizer Leopold I waren beide schoonbroeders van Karei II; de eerste wenschte de Spaansche kroon voor zijn kleinzoon Filips van Anjou, de tweede voor zijn zoon Karei. Een derde pretendent was Jozef Ferdinand, zoon van Maximiiiaan Emanuel, keurvorst van Beieren en kleinzoon van Leopold. Daar Lodewijk bij zijn huwelijk van alle aanspraken op de Spaansche lauden afstand had moeten doen, en zijne kansen dus gering waren, wendde hij zich tot Willem III met een plan tot verdeeling dier landen. Vrees voor verstoring van 't staatkundig evenwicht deed Engeland en Nederland met hem in onderhandeling treden, daarbij was het de republiek evenmin als vroeger onverschillig, wien de Zuidelijke Nederlanden ten deel zouden vallen. Zonder Spanje te raadplegen, werd nu door de drie mogendheden in 1698 een verdeelingsverdrag ontworpen.
Bij dit verdrag werd Spanje aan Jozef Ferdinand toegewezen, alleen zouden dc Italiaansche landen onder Filips en Karei verdeeld worden. Daar de Beiersche prins reeds in 1(590 stierf, ontwierp men een tweede verdeelingsplan. waarbij de Spaansche monarchie, met uitzondering van de Italiaansche gewesten, aan Karei zou komen.
Inmiddels had de dubbelhartige Lodewijk door zijn gezant Harcourt Karei II weten over te halen, een testament te maken, waarbij Filips van Anjou erfgenaam werd van de geheele Spaansche monarchie.
Toen de koning in 1700 stierf, en 't testament openbaar werd, verklaarde Lodewijk zich daaraan te houden. Filips vertrok naar Madrid en werd in 1701 door de Spanjaarden gehuldigd.
In de eerste plaats weigerde de keizer hiermede genoegen te nemen. Engeland en Nederland weifelden. totdat de overmoed van den Franschen koning hen de zijde van Leopold deed kiezen. Door bemiddeling van Willem III werd nu 't Haagsche verbond (1701) gesloten, waarbij ook Pruisen, 't Duitsche rijk, Portugal en Savqye zich aansloten. Beieren en Keulen waren de eenige bondgenooten van Frankrijk.
166
Eer de oorlog uitbrak stierf Willem III in 1702 door een val van 't paard. Hij liet geene kinderen na en werd in Engeland opgevolgd door zijne schoonzuster Anna. Ofschoon hij Johan Willem Friso als opvolger had aanbevolen, besloten de vijf gewesten geen stadhouder aan te stellen, waardoor de leiding der zaken grootendeels in handen kwam van den raadpensionaris Heinsius.
In 1702 nam de Spaansche Successie-oorlog een aanvang. Spanje en Italië, Duitschland en de Zuidelijke Nedeilanden, eindelijk ook Frankrijk, waren 't tooneel van den strijd. Lodewljk voerde dien zeer ongelukkig; zijne groote ministers en veldheeren van vroeger jaren leefden niet meer. Daarentegen stond 't keizerlijk leger onder den bekwamen prins Eug-enius van Savoye, 't Engelsche onder den hertog van Marlborough, die tevens over de Neder-landsche troepen 't bevel voerde. Hoewel de generaals der republiek (Ouwerkerk, Slangenburg-, later Jan Willem Friso) hiermede weinig ingenomen waren, bestond er veel samenwerking tusschen de bondgenooten. Ook onze vloot handelde steeds gemeenschappelijk met de Engelsche. De krijgsverrichtingen der Nederlandsche troepen bepaalden zich tot de Zuidelijke Nederlanden.
Ter zee bracht men den Spanjaarden en Franschen groote nadeelen toe, maar ook onze handel en visscherij leden gevoelige verliezen. In 1702 werd eene Spaansche vloot in de haven van Vigos vernield en twee jaar later door Rooke en Callenburgh 't sterke Gibraltar veroverd, dat de Engelschen voor zich behielden. De meest beslissende slagen vielen na den slag bij Hochstadt (1704) voor in de Spaansche Nederlanden. Marlborough behaalde in 1706 eene overwinning bij Eamülies (in Zuid-Brabant), met Eugenins vereenigd in 1708 bij Oudenaarde (in Oost-Vlaan-deren) en in 1709 bij Malplaquet (in Henegouwen).
Door al die nederlagen uitgeput, was de trotsche Lodewljk thans geneigd op zeer nadeelige voorwaarden vrede te sluiten. Reeds in 1706 deed hij de republiek gunstige aanbiedingen, indien zij zich van hare bondgenooten wilde losmaken. Zij weigerde echter; ook toen in 1709 nog gunstiger voorwaarden
167
werden aangeboden. Na den slag bij Malplaquet opende men nieuwe onderhandelingen te Geertruidenberg. Lodewijk stond alles toe wat men kon verlangen; hij wilde den Oostenrijkschen aartshertog erkennen en Filips aan zijn lot overlaten. Maar de bondgenooten wilden blijkbaar den vrede niet; zij eischten, dat Lodewijk zelf zijn kleinzoon uit Spanje zou verdrijven. Hierop sprongen de onderhandelingen af.
Twee gebeurtenissen wijzigden in 1711 den toestand geheel ten gunste van Frankrijk. Karei van Oostenrijk volgde zijn broeder Jozef I als keizer op, en nu vonden zijne bondgenooten het bedenkelijk, hem langer te ondersteunen. In Engeland kwam een ander ministerie aan 't bewind, dat Marlborough terugriep, en den hertog van Ormond in zijne plaats zond, met last den strijd te staken. Hierdoor werd het den Franschen mogelijk Eu genius bij Benam (nabij Kamerijk) te overwinnen.
De onderhandelingen werden nu te Utrecht heropend; Engeland en Frankrijk waren het spoedig eens en bepaalden de voorwaarden. De Fransche gezant De Folignac voerde eene beleedigende taal tegenover de afgevaardigden der republiek. In 1713 werd de vrede te Utrecht gesloten; wel zette de keizer den oorlog voort, maar reeds in 't volgende jaar moest ook hij de wapenen neerleggen. Filips V behield Spanje en de bezittingen buiten Europa; de meeste Italiaansche gewesten kwamen met de Zuidelijke Nederlanden aan Karei VI; Engeland kreeg Gibraltar en Minorca, de republiek vergrooting van Staats-Vlaanderen en van Opper-Gelder (Venlo, Stevensweerd, enz.), benevens een voordeelig handelsverdrag met Frankrijk. Maar 't belangrijkste voordeel was misschien, dat de Spaansche, voortaan Oostenrijksche, Nederlanden niet aan Spanje bleven. Nog sloot de republiek in 1715 met den keizer 't Barrière-tractaat, waarbij zij in Namen, Doornik, Meenen, Warneton, Yperen, Veurne en't fort Knokke bezetting mocht leggen, terwijl in Dendermonde gemengd garnizoen kwam. Tot bestrijding der kosten van onderhoud der barrière zou de keizer jaarlijks 1.250.000 gulden bijdragen. Zoo kreeg ons land een .langgewenschten voormuur tegen Frankrijk.
168
Johan Willem Fpiso, in 1707 tot generaal benoemd, onderscheidde zich door zijne dapperheid bij Malplaquet. Tijdens de onderhandelingen te Geertruidenberg verliet hij 't leger, om naar 's-Hage te gaan, ten einde met den koning van Pruisen de geschillen te vereffenen, die over de nalatenschap van Willem III waren gerezen. Maar 't vaartuig, dat hem over 't Hollandsch-diep zou brengen, sloeg om nabij den Moerdijk, en de jeugdige stadhouder vond den dood in de golven (1711). Kort daarna werd zijn zoon Willem Karei Hendrik Friso geboren, die alleen in Friesland opvolgde onder voogdij zijner moeder Maria Louise van Hessen-Kassei.
De koning van Pruisen, wien door de Staten-G-eneraal 't prinsdom Oranje uit de nalatenschap van Willem III was toegewezen, stond dit bij den vrede van Utrecht aan Frankrijk af, in ruil voor Spaansch-Opper-Gelder (een deel der tegenwoordige Rijn-provincie).
§ 8. Be Oost- en de West-Indische compagnie.
1652. De Kaapkolonie gesticht door Van Riebeek.
1653 â1678. Maatsuycker gouverneur-generaal. Uitbreiding der bezittingen op
Sumatra, Celebes en Jaw.
1655. Verovering van Ceylon door Van Goens.
1662. Verlies van Formosa.
1681â1684. Speelman gouverneur-generaal. Alleenhandel op Bantam.
1661. Brazilië aan Portugal afgestaan.
1667. Abraham Krijnszoon verovert Suriname.
1674. De West-Indische compagnie ontbonden. Tweede West-Indische
compagnie.
1683- Societeit van Suriname opgericht. Cornells van Aerssen gouverneur.
Bij den vrede van Munster werd ?t recht der Oost-Indische compagnie op hare bezittingen erkend. Sedert breidde zij die aanmerkelijk uit. In 1652 vestigde de scheepsdokter Jan van Riebeek aan de kaap de Goede Hoop eenc kolonie, die als ververschingsplaats voor de schepen 't eiland Mauritius zou vervangen. Talrijke Nederlanders en veel uitgeweken Fransche Hugenoten vestigden zich daar, en weldra kwam de kolonie door landbouw en veeteelt tot bloei. Doch de monopoliegeest der compagnie, die geen handel dan met eigen schepen duldde, belette de voortgaande ontwikkeling dezer schoone bezitting,
Talrijke veroveringen werden gemaakt onder 't bestuur van Johan Maatsuycker» die langer dan eenig ander gouverneur-generaal de
169
heerschappij voerde (1653â1678). Ofschoon hij katholiek was, werd deze omstandigheid wegens zijne groote verdiensten over 't hoofd gezien. De bevelhebber Van Goens veroverde in 1655 Ceylon, en nam vervolgens Manaar en Negapatnam, waardoor de laatste slag werd toegebracht aan de Portugeesche macht in Voor-Indie. â Tegenover deze aanwinst stond 't verlies van Formosa. Eene menigte Chineezen, uit hun land geweken, nadat het door de Mantsjoes was veroverd, deden onder Coxinga een aanval op dit eiland. De gouverneur Coy et verdedigde de sterkte Zeeland ia tot het uiterste; maar de verkeerde maatregelen van 't Indische bestuur en de lafhartigheid dergenen. die hulp moesten brengen. noodzaakten hem de vesting in 1602 over te geven (Antonius Hambroek). Een onteerend vonnis was 't loon voor Coyet's dapperheid.
Op Sumatra bestreed de compagnie de Atjehers, en kreeg zij vasten voet door de verovering van Padang (1666); ook sloot zij contracten met inlandsche vorsten voor de levering van producten. Hare pogingen, om zich op Borneo te vestigen, moest zij echter voorloopig opgeven. â Een langdnrigen en moeilijken strijd voerde de compagnie op Celebes in vereeniging met Boeton tegen 't machtige rijk Macassar. De vrije toegang van Engelschen en Portugeezen tot dit rijk leverde gevaar op voor 't behoud der Molukken. Aan de doortastende maatregelen van Cornelis Speelman gelukte het in 1667, den vorst van Macassar tot een vrede te dwingen, waarbij de compagnie den alleenhandel verkreeg, benevens de verdrijving der vreemdelingen, 1000 slaven en 100.000 gulden voor oorlogskosten.â Een groot getal Macassaren hadden tijdens den oorlog hun land verlaten en op Madoera zich aangesloten bij een Javaan, die tegen den soesoehoenan van Mataram (bl. 127) in opstand was gekomen. De willekeur en wreedheid van dezen vorst en diens voortdurende twisten met zijne zonen hadden 't rijk in een zoo ellendigen toestand gebracht, dat de opstandelingen weldra groote vorderingen maakten. Maat-suyeker zond daarop den soesoehoenan hulptroepen onder Speelman, die een voordeelig handelsverdrag sloot (1677). Door de regeering te Batavia slecht ondersteund, kon Speelman weinig uitrichten. Toch wist hij van den nieuwen vorst van Mataram uitbreiding van gebied en eenige havens op de noordkust te verkrijgen. Onder den gouverneur-generaal Van Goens (1678â1681) werd de oorlog krachtiger voortgezet, en de opstand geheel bedwongen.
De compagnie beleefde in dezen tijd haar hoogsten bloei. Zij had de Engelschen en Portugeezen bijna geheel uit den Archipel verdreven en den inlandschen vorsten vrees voor haar macht ingeboezemd. In den 2equot; Engelschen oorlog leende zij 20 oorlogschepen aan de Staten-Generaal, en in 1672 twee millioen gulden aan Holland.
170
Gedurcn'de 't laatste gedeelte der 17e eeuw en 't begin van de 18e ging de compagnie voort hare bezittingen uit te breiden. Onder Speelman (1681â1684) verkreeg zij door de verdrijving der Engel-schen uit Bantam den alleenhandel op dit rijk. Vervolgens werd 't noorden van Celebes afhankelijk gemaakt en in 1704 de Preanger-regentsehappen op Java. Door al die veroveringen trad de compagnie steeds meer als souverein dan als handelslichaam op. Wel liet zij meestal den onderworpen vorsten hun gebied behouden, maar stelde hen onder toezicht van Nederlandsche ambtenaren. Zij moesten jaarlijks schatting opbrengen en producten leveren tegen een bepaalden prijs {contingenten-stelsel, leverantie-stelsel). Dit leidde tot voortdurend grootere onderdrukking en verarming der inlanders door uitbreiding van de heerendiensten. â In de laatste jaren der 17r eeuw begon men op Java de koffie aan te planten. Om niet langer van Mokka afhankelijk te zijn en beter aan de toenemende vraag naar dit artikel te kunnen voldoen, had de compagnie reeds vroeger op de kust van Malabar koffieplantsoenen aangelegd. De cultuur van dit product werd onder Abraham van Riebeek (1709â1713) een drukkende last voor de Preanger-regentschappen, welker bevolking voor den arbeid in de koffietuinen onvoldoende betaling ontving, terwijl 't product op de Europeesche markt tegen hooge prijzen werd verkocht. In 1706 kwam de eerste Java-koffie te Amsterdam aan.
De oorlog met Portugal (bl. 120) begon op een zeer ongunstig tijdstip , daar de Engelsche oorlog weldra alle krachten van de republiek vereischte. Eene groote Portugeesche vloot veroverde in 1654 't Recief, waarop de ontruiming der laatste sterkten weldra volgde. Eene ernstige poging om 't verlorene terug te winnen werd niet gedaan, maar in 1661 te 's-Hage vrede gesloten op redelijke voorwaarden. Men bedong vrijen handel op Brazilië, teruggave van 't veroverde geschut en 8 millioen gulden.
De bezittingen der West-Indische compagnie in Noord- en Midden-Amerika hadden gedurende de oorlogen met Engeland veel te lijden. Bij den vrede te Breda behield deze staat 't belangrijke Nieuw-Nederland, terwijl Suriname, dat in 1667 door Abraham Krijnszoon voor Zeeland was veroverd, aan deze provincie kwam. De geldmiddelen der compagnie waren intusschen in zulk een slechten toestand geraakt, dat de schulden de bezittingen ver overtroffen. Daarom werd de compagnie in 1674 ontbonden en eene nieuwe opgericht, die den alleenhandel verkreeg op de overgebleven gewesten en eilanden in Midden-Amerika en op de westkust van Afrika.
De 2l' West-Indische compagnie werd op eenigszins bescheidener voet ingericht dan hare voorgangster. Het getal bewindhebbers bedroeg
171
50, 't uitvoerend bestuur 10 leden {kamer van tienen ). Daar de republiek in dien tijd met Frankrijk oorlog voerde, leverde de handel in de eerste jaren weinig voordeelen op.
De kolonie Suriname bracht, ondanks haar vruchtbaren bodem, Zeeland minder winsten aan, dan men verwacht had. Aanvallen der Indiaansche bevolking, slecht bestuur en ongeschiktheid der Euro-peesche arbeiders om 't heete klimaat te verdragen, waren hiervan de voornaamste oorzaken. Zeeland verkocht daarom in 1(582 zijne bezitting voor 260.000 gulden aan de West-Indische compagnie, die in 't volgende jaar aan de stad Amsterdam en aan Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijk, ieder een derde gedeelte overdeed. De nieuwe eigenaars vormden de Societeit van Suriname, die uitsluitend *t recht kreeg om negerslaven naar West-Indië over te brengen. Van Aerssen nam zelf 't bestuur op zich (1683-1(388) en bleek een bekwaam gouverneur te zijn. In korten tijd bracht hij talrijke verbeteringen tot stand, waardoor de kolonie tot grooter bloei geraakte. De landbouw werd bevorderd, moerassige gronden verbeterd, misbruiken in 'r, bestuur weggenomen, 't gruwelijk mishandelen der slaven tegengegaan. De stad Paramaribo onderging eene belangrijke uitbreiding, de forten werden versterkt en 't getal plantages vermeerderde van 50 tot 200. De gouverneur handhaafde eene strenge krijgstucht onder de ruwe soldaten, die hij tot zware werkzaamheden verplichtte. De ontevredenheid hierdoor opgewekt, kostte Van Aerssen 't leven, want bij een opstand onder 't garnizoen werd hij vermoord. â De onmenschelijke behandeling der slaven was oorzaak, dat velen dier ongelukkigen elke gelegd enheid aangrepen om te ontvluchten naar de bosschen in 't zuiden des lands (Boschnegers of Marrons). Niet alleen ontstond hierdoor gebrek aan werkkrachten, maar de Boschnegers kwamen dikwijls bij groote troepefi de plantages overvallen om te moorden en te plunderen.
Tijdens den negenjarigen oorlog deed eene Fransche vloot een aanval op Suriname, maar werd afgeslagen. Niet zoo gelukkig was de kolonie in 1712, toen eenige Fransche schepen de rivieren opvoeren en van de planters zware schattingen eischten. Natuurlijk belemmerden al deze rampen, nog vermeerderd door binnenlandsche twisten, den bloei van Suriname zeer. Met de overige koloniën was het niet beter gesteld; groote uitkeeringen aan de deelhebbers kwamen niet voor, en meermalen moesten de planters door geldleeningen ondersteund worden.
§ 9. Toestanden.
De bloei, waarin handel en scheepvaart zich in de eerste helft der 17quot; eeuw mochten verheugen, wekte den naijver van andere mogend-
172
heden op. Deze wenschten zich een deel der voordeelen toe te eigenen, welke de republiek genoot, en legden daartoe onzen handel allerlei belemmeringen in den weg. Engeland ging voor met de akte van Navigatie, nadat reeds vroeger maatregelen waren genomen, om onze scheepvaart en visscherij te schaden. Enkele jaren daarna vorderde Frankrijk Æ1,25 per ton van alle vreemde schepen, die eene lading kwamen innemen; dit tonnegeld werd later verhoogd of verlaagd, naarmate de verhouding der republiek tot dit land minder of meer vriendschappelijk was. Ook onze tusschenkomst in den Noordschen oorlog diende tot bescherming van den bedreigden handel. Toch bleef de republiek gedurende de 17lquot; eeuw eene eerste handelsmogend-heid, al moest zij zich daartoe zware opofferingen getroosten. â Terwijl andere landen hun handel en nijverheid trachtten te bevorderen en hunne schatkist te vullen door monopoliën en beschermende rechten, huldigde de republiek meestal 't beginsel van vrijen handel, en waren de belastingen op in- en uitvoer (licenten en convooien, bl. 99) niet hoog. Alleen om den vijand met gelijke munt te betalen, werden die rechten soms tijdelijk verhoogd. Eene uitzondering op dan regel maakten de beide compagnieën, maar 't monopolie, aan deze vereenigingen'geschonken, was dan ook velen een doorn in 'toog, en werd, wat de West-Indische compagnie betreft, later niet streng gehandhaafd.
Naast vrijheid van handel stond vrijheid van bedrijf; wel bleef 't gildewezen in stand, maar zonder die strenge uitsluitende bepalingen, welke men elders aantrof. Vandaar dat steeds vele vreemdelingen zich hier vestigden, hetzij om een middel van bestaan te zoeken, of om godsdienstvervolgingen te ontgaan. Dit was inzonderheid 't geval tijdens de herroeping van 't Edict van Nantes. Ieder beijverde zich den Franschen geloofsgenooten eene welkome ontvangst te bereiden. Hunne predikanten ontvingen een jaargeld van de Staten van Holland, of werden bij de nieuwe Waalsche gemeenten geplaatst, die overal gesticht werden. In sommige steden, zooals Maastricht, Amsterdam en Haarlem, nam de bevolking door hunne overkomst merkbaar toe. Nieuwe takken van nijverheid werden door de réfugiés op onzen bodem overgeplant en 't handelsverkeer bevorderd.
Ook de vrijheid van drukpers was in de republiek veel grooter dan in andere landen. De Nederlandsche burger, die buiten allen invloed op 't staats- en stadsbestuur werd gehouden, kon gewoonlijk zijne gevoelens en grieven door de pers vrij kenbaar maken. Misbruikte hij die vrijheid, dan verschenen weieens plaatselijke keuren. die den losbandige met straffen bedreigden, maar na korter of langer tijd weer in 't vergeetboek geraakten.
De belastingen waren menigvuldig en bestonden in indirecte op
173
allerlei koopwaar en directe op bezittingen, inkomsten, woningen, enz. De dure wijze van beffing, door middel van verpachting, deed ze nog stijgen, en alleen een welvarend volk, als 't Nederlandscbe der i7e eeuw, kon zulke lasten dragen zonder er onder te bezwijken. De herhaalde oorlogen eischten dan ook telkens grootere uitgaven, daarbij werden de staatsinkomsten niet altijd zoo goed beheerd als onder Oldenbarneveld of De Witt. Toch hadden de verkeerdheden in 't belastingstelsel en de willekeur in quot;t gebruik der gelden van staat of gemeente niet die hoogte bereikt, welke de 18e eeuw zou aanschouwen.
Door de toenemende bevolking was de uitbreiding van vele steden eene behoefte; Amsterdam onderging zelfs in 1658 eene vierde vergrooting. Daar bij elke uitzetting der grenzen nieuwe bolwerken en poorten moesten aangebracht worden, kwam zulk eene uitbreiding op groote kosten te staan. â Tevens onderging 't voorkomen der steden langzamerhand veel verandering, ten minste in de meer aanzienlijke wijken. De bestrating was thans vrij algemeen ingevoerd, en werd in zindelijker toestand gehouden dan vroeger. De eerste pogingen, om de steden gedurende den nacht te verlichten, dagteeke-nen uit de 15e eeuw; men plaatste lantaarns met kaarsen in de voornaamste straten. Later werden deze aan de woningen gehangen, maar het duurde tot de 2e helft van de 17e eeuw, eer Jan van der Heyden, de uitvinder der slangbrandspuiten, bedacht om lantaarns met lampen op palen te plaatsen. Deze verbetering kwam de veiligheid ten goede, want bij de slechte regeling der politie kwamen vechtpartijen en misdaden in de donkere straten dikwijls voor. â De vervallen houten woningen der achterbuurten leverden eene schrille tegenstelling op met de fraaie huizen der aanzienlijken, waarin zich de welvaart der bewoners afspiegelde. In de talrijke vertrekken, ten minste in de pronkkamers, die alleen bij plechtige gelegenheden werden geopend, vond men de wanden versierd met kostbare tapijten of goudlederen behangsels. De tafels, stoelen, spiegels en ander huisraad waren met dien pronk in overeenstemming, zoowel als de schatten aan gouden en zilveren voorwerpen, die de kasten vulden, de porceleinen vazen op de fraai bewerkte schoorsteenmantels en de schilderijen aan de muren. â Minder dan tegenwoordig was 't dagelijksch leven en bedrijf dei-burgers aan 't oog van vreemden onttrokken. Na ?t openen der voordeur kwam men dadelijk in quot;t woonvertrek of de werkplaats; ook oefende de ambachtsman dikwijls zijn beroep uit onder de luifel, of had de winkelier daar zijne waren uitgestald, hetgeen de straat een levendig aanzien verleende.
In kleeding en opschik heerschte groote weelde. Fransche modes werden nagevolgd, inzonderheid te 's-Hage, 't middelpunt der Euro-
m
peesche diplomatie. By feestelijke maaltijden werden geene kosten ontzien, en elke gelegenheid, zelfs eene begrafenis, werd aangegrepen, om een luisterrijk gastmaal te houden. Op 't land leefde men veel eenvoudiger dan in de groote steden, deels uit gehechtheid aan voorvaderlijke zeden en gebruiken, deels uit armoede, of wat de meer afgelegen streken betreft, uit onbekendheid met 't nieuwe.
Met de weelderige levenswijze der rijken vormde de ellende der laagste volksklasse eene scherpe tegenstelling. Want zelfs gedurende t bloeiendste tijdperk van ons volksbestaan werd veel armoede geleden, al is misschien de mededeeling, dat te Amsterdam de eene helft der bevolking door de andere werd bedeeld, niet vrij van overdrijving. De talrijke instellingen van liefdadigheid, die voor en na verrezen, konden die ellende slechts in geringe mate beperken. Bedelaars en landloopers oefenden hun bedrijf met zooveel onbeschaamdheid uit, dat afzonderlijke drosten met ruiters en voetknechten hen in toom moesten houden. Zelfs in de nabijheid der steden was het op klaarlichten dag niet veilig, en onder begunstiging der nachtelijke duisternis werden de ontzettendste misdaden bedreven. Door de meest barbaarsche strafoefeningen trachtte men afschrik voor de misdaad op te wekken; waar overtuigende bewijzen ontbraken, gebruikte men de afschuwelijke pijnbank, die in staat was den onschuldigste elke bekentenis te ontwringen. Te Amsterdam alleen werd in den tijd van 30 jaren over meer dan 200 personen quot;t doodvonnis uitgesproken.
De ruwheid dier tijden kwam almede voor den dag bij volksfeesten, vooral bij de jaarlijks terugkeerende kermissen. De woeste menigte vermaakte zich met 't mishandelen van dieren, 't moedwillig toebrengen van verwondingen, vechtpartijen en andere losbandigheden. Het bijgeloof tierde nog welig voort, en niet alleen onder de minder ontwikkelde klasse. Al werd in ons land waarschijnlijk in 1597 de laatste persoon wegens tooverij ter dood gebracht, aan heksen en toovenaars geloofde bijna iedereen. Dit ondervond de Amsterdamsche predikant Balthazar Bakker. De verschijning eener komeet in 1682 gaf hem aanleiding van den kansel en in geschrift tegen ?t bijgeloof in 't algemeen, en een gruwelijk heksenproces in Zweden tegen 't geloof aan tooverij in 't bijzonder op te komen. Dit laatste geschiedde in een boek âde Betnovenle Wereldquot;, dat veel opzien baarde en eenig goeds uitwerkte, maar den schrijver zijn ambt kostte, omdat hij weigerde te herroepen, wat hij geschreven had.
Het gebruik van wijn en bier, dat bij velen in misbruik ontaardde, verminderde langzamerhand, toen omstreeks 't einde der eeuw de thee meer algemeen in gebruik kwam, en iets later de koffie. Keeds vroeger werden deze dranken als geneesmiddelen gebruikt, en door sommige artsen als zoodanig aangeprezen, door andere sterk veroor-
175
deeld. Een ander plantaardig product, waarvan j't gebruik al in de lt)e eeuw aanleiding gaf tot veel strijd, was de tabak. Het rooken of tabakzuigen uit Goudsche pijpen (sigaren had men nog niet) geschiedde, evenals 't koffie- en theedrinken, aanvankelijk in afzonderlijke huizen.
Het verkeer had in een waterrijk land als 't onze meest langs rivieren en kanalen plaats met zeilschepen en trekschuiten. Het verlof, om reizigers en goederen over water te vervoeren, werd verpacht, 't vervoer per as doorgaans vrij gelaten. De reizigers, toen veel minder talrijk dan nu, vonden sedert de 2e helft der Middeleeuwen in bijna alle steden herbergen, waarvan de inrichting eerst veel te wenschen overliet, maar in de 17e eeuw veel verbetering onderging. In die gebouwen hielden tevens de gildebroeders en rederijkers hunne vergaderingen (stadsherbergen, heerenlogementen). Een postwezen bestond er in de Middeleeuwen niet, alleen kregen de boden der stedelijke besturen weieens verlof, de bezorging van brieven op zich te nemen; voor 't overige moest men zich tot reizigers of schippers wenden, als men brieven te verzenden had. De uitbreiding van den handel maakte echter eene betere regeling van 't postverkeer noodzakelijk, zoodat personen werden aangesteld, om de brieven naar de voornaamste buitenlandsche koopsteden over te brengen. A m sterdam gaf hierin 't voorbeeld sedert 1508. Latei-stelde de regeering dier stad boden aan, om de brieven van de veerschippers in ontvangst te nemen. In de 17'' eeuw nam 't brievenvervoer zoo toe, dat 't ambt van postmeester groote inkomsten opleverde. â De postboden waren tevens de eerste overbrengers van nieuwstijdingen. Naarmate 't postverkeer zich uitbreidde en regelmatiger plaats had, begonnen sommige boekdrukkers op bepaalde tijden nieuwsbladen uit te geven. De eerste courant verscheen te Amsterdam in 1620 en werd weldra door eene tweede gevolgd. De uitgave van de nog bestaande âOprechte Haarlemsche courantquot; dag-teekent van 1656; zij was eerst een weekblad, werd zeven jaar later tweemaal per week uitgegeven en veranderde eindelijk in een dagblad.
Het lager onderwijs omvatte lezen, schrijven, rekenen en zingen. Een uithangbord wees aan, waar school gehouden werd; dikwijls was 't somberste vertrek der woning voor schoolkamer ingericht, waar de leerlingen bijna den ganschen dag vertoefden. Op warme zomerdagen werd les gegeven onder de luifel. De onderwijzer zat achter zijn lessenaar en maakte veel gebruik van plak en roede; hij was somtijds zeer bekwaam in 't schrijven en sommen maken, maar quot;t onderwijs bestond geheel in 't werktuigelijk nazeggen en nadoen. Voor de meergegoeden bestonden zoogenaamde Fransche scholen , die meestal door uitgeweken Zuid-Nederlanders of Franschen werden' gehouden; zij stelden zich veelal tevreden met 't aanbrengen
176
van ecnige uiterlijke beschaving. Op 't platteland zag het er nog treuriger uit; de dorpsmeester was gewoonlijk veel minder bekwaam dan de stadsonderwijzer. Het geven van onderwijs was dikwijls bijzaak, want gewoonlijk oefende hij ook 't beroep van koster, voorzanger, doodgraver, klokluider, enz. uit. De opleiding voor de universiteit geschiedde aan de Latijnsche scholen. Gewoonlijk bezochten de studenten na 't einde der studiejaren eene of meer buiten-landsche hoogescholen, omgekeerd werden ook de Nederlandsche dikwijls door vreemdelingen bezocht. Vooral was de Leidsche academie beroemd en de doctorstitel daar verkregen eene groote aanbeveling wegens de bekwaamheid der professoren en de strengheid der examens. Aan sommige buitenlandsche hoogescholen, naar men wil ook te Harderwijk, was voor geld te koop, hetgeen aan andere door een examen werd verkregen.
De oude en de oostersche talen vonden in ons land ijverige beoefenaars. De geleerde Gerard Vossius, eerst hoogleeraar te Leiden, daarna te Amsterdam, schreef eene Latijnsche spraakkunst, die 200 jaar lang op de gymnasia gebruikt werd. De studie der Nederlandsche taal kwam eerst tot haar recht, sinds Lambert ten Kate in 1723 een boek uitgaf, getiteld: âAanleiding tot de kennis van het verheven deel der Nederlandsche sprake.quot; â De vroeger genoemde dichters en schrijvers (bl. 132) vonden talrijke navolgers, die meestal beneden hun voorbeeld bleven. De merkwaardigste onder hen zijn Antonides van der Goes, die in zijn âIJstroomquot; den roem van Amsterdam verkondigde, en de Amsterdamsche predikant Gerard Brandt {Historie der Reformatie, Leven van De Riuiter). â Op 't gebied der exacte wetenschappen nam ons land eene eervolle plaats in onder de Europeesche staten. De uitvinding van den verrekijker door Zacharias Jansen te Middelburg in 1590, en van 't microscoop en den thermometer door Cornelis Drebbel (f 1634) te Alkmaar gaven aanleiding tot belangrijke ontdekkingen op sterrenen natuurkundig gebied. Aan de groote ontdekkingen der 16quot; en 17e eeuw met betrekking tor 't zonnestelsel werd deelgenomen door Christiaan Huygens. den zoon van Cons tan tij n ('maan en ring van Saturnus). Niet minder belangrijk waren de uitvindingen, waarmede deze beroemde geleerde de natuurkunde verrijkte (slingeruurwerken, onrust der horloges, theorie omtrent quot;t licht). Door hunne natuuronderzoekingen kregen Jan Swammerdam en Antonie Leeuwenhoek (ontdekking der infusiediertjes) groote vermaardheid. De eerste beoefende te Amsterdam de anatomie van 't menschelijk lichaam, hetgeen bijna overal verboden was. Na hem was het vooral de Amsterdamsche hoogleeraar Frederik Ruysch, die groote vorderingen in de ontleedkunde maakte. â Natuurlijk deden de genees- en
heelkunde haar voordeel met de ontwikkeling dezer betrekkelijk nieuwe wetenschap. Tot in de 17e eeuw stonden de artsen sterk onder den invloed van 't bijgeloof, velen onder hen waren geheel onbekwaam, barbiers waren tevens heelmeesters. Sedert Jan van Beverwijck (f 1647 ) een wetenschappelijk werk over de geneeskunde schreef. verbeterde de toestand. Den grootsten naam op geneeskundig gebied verwierf zich Hermanus Boerhave (f 1738), professor te Leiden, wiens lessen door een groot getal studenten uit alle oorden van Europa gevolgd werden. â De wijsbegeerte werd beoefend door den Franschen geleerde Descartes (Cartesius), die lang in ons land vertoefde en er zijne geschriften uitgaf; alsmede door den Amsterdamschen Israëliet Baruch Spinosa, die veel vervolgingen van zijne geloofsgenooten te verduren had. Ook verzetten zich de strenge Calvinisten tegen de beoefening dier wetenschap, uit vrees dat 'tvrije denken schade zou toebrengen aan 't kerkgeloof.
AFDEELING IV.
Verval en ondergang van de republiek der Vereenigde Nederlanden.
1713âi79ö-
§ 1. Het ticeede stadhouderlooze bestuur,
1716. Buitengewone vergadering der Staten-Generaal.
1718. Viervoudig verbond.
1720. Windhandel,
1731. De Staten teekenen de Pragmatieke Sanctie.
Na den dood van Willem III werd de regeering weer ingericht als tijdens 't eerste stadhouderlooze bestuur. Dit ging in Gelderland, Overijsel, Utrecht en Zeeland gepaard met hevige onlusten. De regenten, die onder Willem III op 't kussen waren gekomen, hadden door hun drukkend bestuur veel misnoegen verwekt. Daarvan trachtten de oud-regentenfamiliën gebruik te maken, om de verloren zetels te heroveren. Steunende op de ontevredenheid der burgerij, waaronder toen reeds de wensch naar volkssouvereiniteit werd vernomen, verwekten zij in verschillende plaatsen oproerige tooneelen. De partij der oud-regenten, welke zoogenaamd de volksrechten voorstond, kreeg den naam van nieuwe plooi, de tegenpartij die van oude plooi; verder onderscheidde men nog eene middenpartij, de fulpen (fluweelen)plooiers. Te Nijmegen was de strijd hevig; daar werd aanvankelijk de J. M. VOS, Vaderl. Gesch. 2e druk. 12 ,
178
verkiezing der overheid door een 36tal burgers (gemeensnianmn) hersteld, en de oud-burgemeester Roukens onthoofd. Dit lot trof ook twee burgers van Amersfoort. In andere steden liep de twist minder hoog, hoewel overal door de menigte veel baldadigheden werden gepleegd. De Staten van Zeeland verklaarden de waardigheid van âeerste edelequot; voor vervallen, en dempten' de onlusten, die in Middelburg, Goes en Tolen voorvielen. Daarin alle provinciën de âoude plooiquot; de overhand behield, werd vooral 't onbeperkt gezag der aristocratie hersteld. Om verdere woelingen bij de jaarlijksche verkiezingen te voorkomen, bepaalden de Staten van Gelderland in 1717, dat de leden der vroedschappen levenslang hun ambt zouden bekleeden.
Het einde van den Spaanschen successie-oorlog was tevens 't einde van de grootheid der repubhek. Gedurende al de jaren van dien geweldigen krijg had zij een leger van meer dan 100.000 man in dienst en eene vloot van ruim 50 groote schepen. Haar schuld was met 3B0 millioen vermeerderd en hare financiën in zulk een slechten staat, dat zij in gebreke bleef gedurende negen maanden de rente der staatsschuld te betalen (1715). Vermindering van uitgaven, om de geldmiddelen te verbeteren, was daarom eene gebiedende noodzakelijkheid. In de eerste plaats moesten bezuinigingen ingevoerd worden op de uitgaven voor leger en vloot, en de staatslieden meenden te eerder daartoe te kunnen overgaan , nu de langgewenschte barrière was verkregen, dat bolwerk tegen Fransche veroveringszucht. Zij gingen daarin echter te ver: in plaats van de uitgaven te beperken, werd ook 't noodige verzuimd. De republiek deed vrijwillig afstand van den rang, dien zij tot heden onder de mogendheden had ingenomen, om zich voortaan van deelneming aan de Europeesche zaken te kunnen onthouden. Zij onderhield hare vestingen niet, en liet hare vloot vervallen, maar ondervond weldra de noodlottige gevolgen dier staatkunde van onthouding.
Dat het zoover kwam, was hoofdzakelijk de schuld van te groote decentralisatie in 't staatsbestuur, en de ontaarding van den aristocratischen regeeringsvorm in eene volslagen oligarchie
179
of famüieregeering. Zoolang De Witt en na hem Willem III de teugels van 't bewind in handen hadden, werd 't gebrek aan eenheid minder gevoeld; maar onder den raadpensionaris Hein-sius en zijne opvolgers, die in 't binnenlandsch bestuur veeleer de ondergeschikten dan de leiders van de Staten waren, kwam die fout in de staatsregeling duidelijk aan 't licht. De band tusschen de gewesten werd bij gemis van eene leidende hand steeds losser. De provinciën weigerden soms tot de uitvoering der besluiten van de Staten-Generaal mede te werken, en de stedelijke vroedschappen begonnen zich als de eigenlijke souve-reinen te beschouwen. Binnen haar gebied oefenden deze eene bijna onbeperkte macht uit. Altijd was het haar streven geweest, 't eens verkregen gezag in hare familiën te bewaren, hetgeen in stadhouderlooze tijdperken natuurlijk weinig moeite opleverde. Reeds in 't midden der 17' eeuw bestonden hier en daar tusschen de stedelijke regenten overeenkomsten, contracten van conventie of correspondentie genaamd, waarbij zij zich verbonden de leden hunner familiën op 't kussen te helpen, of invloedrijke en winstgevende posten te bezorgen. Onder 't tweede stadhouderlooze bestuur bereikte dit misbruik eene ontzettende hoogte, en was de regeering van land en stad toevertrouwd aan eenige heerschzuchtige familiën, die in de eerste plaats voor eigen belangen zorgden. Door onderlinge huwelijken en correspondentiemaaltijden werd de vriendschap tusschen de contractanten levendig gehouden. Niet bekwaamheid, maar geboorte gaf voortaan recht op eene plaats in 't bestuur of 't bekleeden van een ambt. Ofschoon de regenten geene bezoldiging genoten, verdeelden zij de opbrengst der posterijen en van andere stedelijke inkomsten onder elkander. Ook minder aanzienlijke, maar toch voordeelige betrekkingen werden aan zonen of neven van regenten opgedragen, die ze voor een gering loon door anderen lieten waarnemen. Hetzelfde geschiedde met de posten, die men aan vrouwen en kinderen schonk, want ook dezen werden niet vergeten; zelfs schiep men nieuwe ambten, wanneer 't getal open plaatsen niet toereikend was, om in de behoefte te voorzien. Andere betrekkingen werden aan de meestbiedenden verkocht en dikwijls met
12*
180
verplichte uitkeeringen bezwaard. Dit misbruik bestond niet alleen in de steden, ook met provinciale ambten en offlciersplaatsen werd eveneens gehandeld (zie den oorlog van 1672) tot onberekenbaar nadeel van de ware belangen der republiek. Het behoeft nauwelijks vermelding, dat zulk een wanbestuur steeds grootere uitgaven vereischte, die alleen bestreden konden worden door voortdurende opdrijving der belastingen. Deze drukten voornamelijk op de middelklasse der burgerij, die hare met moeite opgebrachte penningen zagen verkwisten dooi' onbekwame regenten en ambtenaren, terwijl hare eigene belangen schandelijk werden verwaarloosd. Zulk een toestand verwekte algemeene ontevredenheid, die nog toenam door de trotschheid en minachting, waarmede de heerschende oligarchie de burgers behandelde, en de zware straffen opgelegd aan ieder, die zich tegen haar eigendunkelijk bestuur durfde verzetten.
Op voorstel van Overijsel hielden de Staten-Generaal in 1716 eene buitengewone bijeenkomst, om die verbeteringen in de Unie te brengen, welke de omstandigheden vereischten. De graaf Van Rechteren, een dei' afgevaardigden van Overijsel, opende de vergadering met eene toespraak, waarin hij krachtig aandrong op herstel der eenheid onder de gewesten. De bekwame secretaris van den Raad van State, Slingelandt, legde eene belangrijke memorie over, waarin hij op de gebreken in de regeering wees, en de middelen aangaf, om die te verbeteren. Volgens dit stuk had de vergadering te beslissen over 't getal troepen, dat men in dienst moest houden; de middelen om de provinciën tot overeenstemming te brengen; de wijze waarop men zou verhinderen, dat eenig gewest zich onttrok aan 't geen was vastgesteld: de afschaffing der misbruiken en de middelen om de generaliteits-renten te betalen. Ongelukkig slaagde deze bijeenkomst al even weinig als de G-roote vergadering van 1651, want toen zij in Sept. 1717 uiteenging, was bijna niets anders vastgesteld, dan de vermindering van 't leger. Met voordacht werden de hoogst noodige verbeteringen tegengehouden, en 't welzijn des vaderlands moedwillig aan eigen belangen opgeofferd.
181
Dit bleek reeds in 1716, toen de republiek in twist geraakte met den dey van Algiers. Er waren zelfs geene schepen, om den handel in de Middellandsche zee te beschermen, en men achtte zich gelukkig, in 1726 op vernederende voorwaarden den vrede te kunnen verkrijgen. â Ook de Oostzee-handel leed groote schade tijdens den oorlog van Zweden tegen Rusland en Denemarken. Engeland zond daarom in 1715 eene vloot naar de Oostzee tot bescherming der koopvaarders, waarbij de Staten 12 oorlogschepen voegden. In 't volgende jaar werd dit getal tot op de helft verminderd, en in 1717 liet men de handelsvloot geheel aan haar lot over.
In denzelfden tijd liep de Europeesche vrede gevaar door de veroveringsplannen van den Spaanschen minister Alberoni. Frankrijk , Engeland en de keizer sloten nu een verbond tegen Spanje, welke Triple alliantie in 't volgende jaar tot eene Quadruple alliantie werd uitgebreid door de toetreding van de republiek, ofschoon ons land niet den wensch had te kennen gegeven, in dat verbond opgenomen te worden. De val van Alberoni voorkwam, dat de republiek tegen haar zin in een oorlog werd betrokken.
De Oostenrijksche Nederlanden door den Munsterschen vrede van den wereldhandel uitgesloten, wenschten eene Oost- en West-Indische compagnie op te richten te Ostende. Keizer Karei VI gaf in 1722 octrooi, ofschoon Engeland en de republiek hem 't recht daartoe ontzeiden. Ook andere landen kwamen daartegen op, en waarschijnlijk ware het tot een oorlog gekomen, indien de keizer niet in 1731 de compagnie had opgeheven. Van hunnen kant erkenden de Staten de Pragmatieke Sanctie, een keizerlijk besluit, door de stenden der onderscheidene Oostenrijksche erflanden goedgekeurd, waarbij de opvolging aan Kareis dochter Maria Theresia gewaarborgd werd.
Na den dood van Izaak van Hoornbeek (1720 â 1727), Heinsius' opvolger als raadpensionaris, werd Simon van Sling-elandt (1727 â 1736) tot dit ambt geroepen. Zijne bekwaamheden, waarvan zijne geschriften blijken dragen, werden in en buiten 't land erkend. Hij voorzag de noodlottige gevolgen van 't heerschende
182
regeeringstelsel; maar zijne voorslagen tot verbetering, die, waren zij aangenomen, de eenheid konden hersteld hebben, stuitten af op den onwil der zelfzuchtige regenten.
De handel, die in de 17e eeuw ons land groot en bloeiend had gemaakt, ging in de 18quot; eenw sterk achteruit, ja het duurde niet lang, of steden als Londen, Hamburg en Bremen waren Amsterdam op zijde gestreefd, of boven 't hoofd gegroeid. De reden hiervan moet niet alleen gezocht worden in verflauwden ijver en ondernemingsgeest, al brachten deze 't hunne daartoe bij. De toestand van eene eeuw te voren, toen de handel onzer kleine republiek, dien van geheel 't overige Europa overtrof, was onnatuurlijk en daarom onhoudbaar , zoodra andere machtige staten de plaats in de handelswereld op-eischten, die hun toekwam. â Vroeger had de groote behoefte aan geld voor allerlei ondernemingen bij een beperkt aanbod de interest zeer doen stygen; nu was de toestand juist omgekeerd: aanzienlijke kapitalen hadden zich opgehoopt, die nauwelijks tegen eene lage rente geplaatst konden worden. Het gevolg was, dat menigeen op eene andere wijze zijn kapitaal vruchtbaarder zocht te maken, en het in ondernemingen stak, die te gevaarlijker waren, naarmate zij meer winst beloofden. Hoe roekeloos men somtijds daarbij te werk ging, blijkt uit den windhandel omstreeks 1720. Een Schotsch financier, John Law, richtte te Parijs eene bank op, die verlof kreeg, papieren geld in omloop te brengen. Aan deze inrichting verbond hij eene compagnie, welke zich ten doel stelde vruchtbare gronden langs de Mississippi in cultuur te brengen. De aandeelen in deze maatschappij werden zoo gretig gekocht, ook in ons land, dat Law's voorbeeld overal navolging vond. Voor de onzinnigste ondernemingen was geld in overvloed te vinden fin de republiek alleen werden in vier maanden tijds 31 compagnieën opgericht), want ieder hoopte in korten tijd rijk te worden. De koers der actiën klom tot eene fabelachtige hoogte, daar men eene nog grootere rijzing verwachtte. Het was een gouden tijd voor allerlei zwendelarij. Maar eindelijk kwam het tot eene geweldige crisis, 't eene bankroet volgde op 't andere, en enkelen wonnen schatten ten koste van de groote meerderheid der speculanten. â Eene herhaling van den dwazen tulpenhandel vertoonde zich juist eene eeuw na dezen (1734j; nu echter waren het hyacinthen, waarvoor buitensporige prijzen werden betaald. Het is duidelijk, dat ook thans menigeen bedrogen uitkwam. â De handel in actiën der Mississippi-compagnie en andere buitenlandsche maatschappijen geschiedde ondanks 't verbod der Staten van Holland (1720 ). Dit verbod strekte zich ook uit tot de deelneming aan geldleeningen ten behoeve
183
van vreemde mogendheden, maar werd zoo weinig gehoorzaamd, dat men groote kapitalen aan den handel onttrok, om daarvoor schuldbrieven te koopen. Ook deze effectenhandel gaf aanleiding tot vele oneerlijke speculation; want om de koers te doen dalen1 of rijzen, werden tijdingen, die daarop invloed konden uitoefenen, overdreven voorgesteld of geheel verzonnen, staatslieden omgekocht de hun toevertrouwde geheimen te verklappen, en andere slinksche wegen betreden.
Het verkeerde stelsel, om de eerste levensbehoeften te belasten, maakte 't leven duur, te duurder naarmate de staatsschuld aangroeide. Dit werkte ongunstig op de nijverheid, want bij de verhooging der arbeidsloonen, die niet kon uitblijven, werd de concurrentie met 't buitenland moeilijker. Daarbij ontwikkelde zich de industrie steeds meer bij onze naburen, zoowel door hooge invoerrechten als geheel verbod van invoer, en het duurde niet lang, of er werden meer vreemde dan inlandsche fabriekswaren in de republiek gebruikt. De hardnekkigheid, waarmede onze fabrikanten aan de oude sleur vasthielden, zonder van nieuwe uitvindingen partij te willen trekken, werkte 't verval in de hand. Weldra was 't Eugelsche linnen beter en goedkooper dan 't Haarlemsche, gingen de meeste Leidsche lakenfabrieken te niet, kwijnde de Delftsche industrie van aardewerk en verstond men de kunst van verven even goed in quot;Londen als in Holland; terwijl de achteruitgang van den scheepsbouw met alles, wat daarbij behoort, gelijken tred hield met de vermindering der scheepvaart.
§ 2. Oostenri/jksche successie-oorlog. Het stadhouderschap van Willem IV.
1743. De republiek neemt deel aan den Oostenrijkschen successie-oorlog.
1745. Slag bij Fontenay.
1746. Slag bij Kaucoux.
1747. De Franschen veroveren Sluis. Willem IV stadhouder. Slag bij Lafeld.
Bergen. op Zoom verloren.
1748. Milde gift. Vrede te Aken.
1750. De hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel wordt veldmaarschalk.
1751. Dood van Willem IV.
Reeds in 1718 had 't stadhouderloos bestuur in Groningen een einde genomen, en in 1722 in Drente en Gelderland door de verheffing van Willem Karei Hendrik Friso (bl. 168). De nieuwe stadhouder ontving evenwel een zeer beperkt gezag, en mocht zich o.a. niet met de aanstelling der stedelijke regenten inlaten. Hoe weinig Holland er aan dacht 't voorbeeld dezer provinciën
18-i
te volgen, blijkt uit de instructie aan den raadpensionaris Anto-nie van der Heim gegeven (1736), waarin hem de plicht werd opgelegd den bestaanden regeeringsvorm te handhaven Van der Heim en de griffier der Staten-Generaal, Frans Fag-el, die langer dan 50 jaar dit ambt bekleedde, behoorden tot de verdienstelijkste staatslieden uit dit tijdperk; beiden stierven in 1746. â Het geschil over de nalatenschap van Willem 111 (bi. 168) werd eindelijk in 1732 vereffend. De stadhouder behield den titel van prins van Oranje en ontving de meeste goederen in ons land gelegen; daarentegen ontnamen de Staten van Zeeland hem de markgraafschappen Vere en Vlissingen. Zij boden den prins eene som geld tot schadeloosstelling; maar hij weigerde die aan te nemen, omdat de graafschappen, indien zij hem behoorden, niet te koop waren, en men hem geen geld schuldig was, indien zij hem niet toekwamen. â In 1734 trad de stadhouder in 't huwelijk met prinses Anna, eene dochter van George 11 van Engeland.
Na den dood van keizer Karei VI in 1740 werd Maria Theresia aangevallen door verschillende Duitsche vorsten, die van Frankrijk en Spanje hulp ontvingen. Zoo begon de Oostenri/jksche successie-oorlog. Engeland en de republiek alleen onttrokken zich niet geheel aan de verplichtingen, die zij door 't teekenen der Pragmatieke Sanctie op zich hadden genomen, ofschoon zij zich aanvankelijk bepaalden tot 't zenden van hulpgelden. Maar in 1743 trad Engeland krachtiger op; het zond een leger, dat de vijanden van Maria Theresia bij Dettingen (Beieren) versloeg) waarna ook de Staten-Generaal besloten Oostenrijk met troepen te ondersteunen. Eene landing van Karei Eduard, kleinzoon van Jacobus 11, in Schotland, noodzaakte de republiek volgens 'ttrac-taat van 1678 ook Engeland met schepen en troepen bij te staan; maar de vloot was in zulk een ontredderden staat, dat men van de 20 schepen slechts 8 bijeen kon krijgen. â Intusschen waren de Zuidelijke Nederlanden 't tooneel van den oorlog geworden. De Pransche bevelhebber, Maurits van Saksen, vermeesterde de barrière-steden, sloeg de verbondene mogendheden bij Fontenay (Henegouwen) in 1745 en bij Baucoux (bij Luik) in 1746, en bezette bijna geheel België. Daarop werd vruchteloos te Breda
185
over den vrede onderhandeld, en 't aanbod van Lodewijk XV om een afzonderlijken vrede te sluiten, door de meerderheid der Staten-Generaal geweigerd, hetgeen ten gevolge had, dat de Franschen in Zeemvsch-Vlaanderen vielen en zich van Sluis meester maakten.
Zoodra de vijand onze grenzen was overgetrokken, kwam 't volk, dat reeds herhaalde blijken van ontevredenheid over den loop van den oorlog had gegeven, in verzet. Er ontstond, evenals in 1672, eene beweging ten gunste van den prins van Oranje, daar men van hem de verdrijving der Franschen en 't herstel dei-volksrechten hoopte. Ook nu weder gaf Vere 't voorbeeld. Den 25⢠April 1747 eischte de schutterij van de vroedschap 's prinsen verheffing tot stadhouder. Andere Zeeuwsche steden volgden; te Zieriksee werden de burgers opgeruid door de predikanten, die de regeering afzetten en nieuwe regenten aanstelden. In Holland geraakten Rotterdam en Delft 'teerst in opschudding, ook tot Utrecht en Overijsel strekte zich de beweging uit; de stroom was niet langer te keeren, en in al deze provinciën waren de Staten gedwongen den prins tot stadhouder te benoemen.
Willem Karei Hendrik Friso, voortaan Willem IV geheeten, was alzoo de eerste stadhouder van alle gewesten; hij kreeg bovendien zitting in den Raad van State, en van de Staten-Generaal de aanstelling tot kapitein-generaal en admiraal. De vreugde over zijne verheffing was buitengewoon, en uitte zich in de opdracht van allerlei ambten en in uitbreiding van gezag. De waardigheden, door zijne voorgangers bekleed, werden hem erfelijk in de mannelijke en vrouwelijke lijn opgedragen, zoo ook 't stadhouderschap over de generaliteitslanden, terwijl men in Utrecht, Gelderland en Overijsel de regeeringsreglementen van 1674 weder invoerde. Zeeland herstelde Willem IV in de vroeger ontnomen rechten; ook in Holland, Utrecht en Gelderland kreeg hij als eerste lid der edelen deel aan 't souverein gezag. De benoeming van de leden der vroedschappen en van een groot getal burgerlijke en militaire ambtenaren werd hem opgedragen, en hem zitting gegeven in alle hooge collegiën van staat. Daarbij kwamen nog 't opperdirecteur- en gouverneurschap der Oost- en
186
West-Indische compagnie, en tal van titels en waardigheden meer, zoodat zijne macht die van alle vorige stadhouders nog overtrof.
De Pranschen hadden intusschen hunne veroveringen voortgezet. Wel werden zij met Engelsche hulp verhinderd verder in Zeeland door te dringen, maar na de overwinning bij Lafeld (bij Maastricht) in 1747, sloegen zij 't beleg vóór Beryen op Zoom. Deze sterke vesting, door den 86jarigen Cronström verdedigd, viel hun reeds na twee maanden in handen. Het volk schreef de overgave aan verraad toe en vorderde vermeerdering van 'sprinsen gezag, een eisch die, gelijk wij zagen, niet zonder gevolg bleef. Om in den geldnood te voorzien, werd eene buitengewone belasting, milde gift, uitgeschreven (1748), die ongeveer 50 millioen opbracht. Gelukkig werd nog in 't zelfde jaar de vrede te Aken gesloten, waarbij de republiek al 't verlorene terugkreeg, ook de vervallen barrière-steden benevens Maastricht, dat kort te voren in 's vijands handen was gevallen. â Zoo eindigde een oorlog, die niets dan schade en schande had opgeleverd, en duidelijk had aangetoond, hoe de republiek door een langdurig wanbestuur tot machteloosheid was vervallen.
De volksmenigte, eenmaal in beweging geraakt, kwam niet spoedig tot bedaren, daarvoor was de verbittering tegen de fa-milieregeering te hoog gestegen. De prins maakte wel van zijne bevoegdheid gebruik, en ontsloeg de meest gehate regenten, maar ging daarbij naar veler oordeel met te groote gematigdheid te werk. Hij wilde gaarne door toegevendheid de partijen verzoenen, en liet zelfs verklaarde tegenstanders van de stadhouderlijke regeering aan 't bestuur. Onder de ambtenaren, die vervangen werden, behoorde ook de raadpensionaris Jacob Gilles (1746 â 1749); zijn opvolger was Pieter Steyn (1749 â 1772).
Het waren vooral de schandelijke misbruiken, die bij 't begeven van ambten, 't beheer der posterijen en 't verpachten der belastingen plaats vonden, welke tot allerlei oproerige tooneelen aanleiding gaven. Te Rotterdam moest de vroedschap toestemmen in 't verkoopen der ambten aan de meestbiedenden ten voordeele der stedelijke kas, maar de prins verbood de uitvoering van dit
187
dwaze besluit. Daarentegen werd op zijn voorstel door de Staten van Holland bepaald, dat alle ambten persoonlijk moesten worden waargenomen, dat geen geld mocht gegeven worden tot verkrijging van eenig ambt, en dat men lijsten zou opmaken van alle ambten en hunne opbrengsten, teneinde misbruiken te kunnen weren. â Op voorstel van 's-Hage schonken de Hollandsche steden de opbrengst der posterijen aan den prins , die de provinciale kas daarmede begiftigde. Amsterdam alleen weigerde tot ergernis van een aantal burgers, die naar 't gebouw, waarin zij vergaderden (de Doelen) Boelisten werden genoemd. Door de Bijltjes (scheepstimmerlieden) ondersteund, verlangden de Doelisten niet alleen afstand der posterijen aan den prins, maar ook aandeel der gilden en schutterijen in 't stedelijk bestuur. De eerste eisch werd ingewilligd, nadat de stadhouder eenige regenten had ontslagen. â Vooral keerde zich de volkswoede tegen de pachters der belastingen, daar slechts een vierde van 't geen werd opgebracht ten bate der schatkist kwam, en deze lieden, ondanks hunne grove winsten, nog allerlei knevelarijen pleegden. In verschillende plaatsen van Friesland, Groningen, Utrecht en Holland, inzonderheid te Amsterdam, werden de pachters mishandeld, hunne huizen geplunderd en andere baldadigheden bedreven. Nadat de rust met veel moeite was hersteld, voerden deze provinciën eene andere wijze van heffing der belastingen in, namelijk door middel van bezoldigde gaarders of collecteurs. In Gelderland, Zeeland en Overijsel hield men zich of geheel of ten deele aan 't oude stelsel.
Zoodra de rust was teruggekeerd, legde Willem IV 't ernstig streven aan den dag, handel en nijverheid tot een nieuw leven te wekken. Om de weverijen te bevoordeelen, bepaalde hij, dat aan zijn hof alleen kleedingstukken van inlandsche stoffen mochten gedragen worden; de Staten van Holland noodigden nu de vroedschappen der stemmende steden uit, 's prinsen voorbeeld te volgen, en legden het den regenten der niet stemmende steden als eene verplichting op. Deze maatregel beantwoordde weinig aan de verwachting en bleef niet lang in stand. â Ook verleende Willem IV ziin steun aan een voorstel, om den handel te be-
188
vorderen, door de in- en uitgaande rechten voor sommige waren af te schaffen, voor andere te verlagen, en dus de republiek tot eene beperkte vrijhaven te verklaren. Maar de bezwaren tegen dit ontwerp ingebracht, vooral door de admiraliteiten van Holland en Zeeland, deden 't plan mislukken. â Met medewerking van den prins werd in 1747 te Amsterdam een zeemans-collegie (school voor de zeevaart) gesticht.
Het zwakke gestel van Willem IV was op den duur niet bestand tegen de vermoeiende werkzaamheden aan zijn gewichtig ambt verbonden. Hij voorzag dit, en verkreeg van de Staten-Greneraal in 1750 de aanstelling van den hertog Lodewijk Ernst van Brunswjjk-Wolfenbuttel, een Oostenrijksch officier, tot veldmaarschalk van 't leger. Op die wijze hoopte hij zijne taak te verlichten, en zich een beschermer der belangen van zijn huis te verschaffen. Reeds in 1751 stierf hij op 40jarigen leeftijd; zijne weduwe werd volgens vroegere bepalingen gouvernante gedurende de minderjarigheid van haar driejarigen zoon Willem V.
De omwenteling vim 1747 leverde niet de vrachten op, die 't Ne-derlandsche volk daarvan verwachtte. Het had gehoopt door den stadhouder bevrijd te worden van eene zelfzuchtige oligarchie, en daarom op de uitbreiding zijner macht aangedrongen. Maar in plaats van eenig aandeel in 't bestuur van land en stad, had het voor de ontslagen regenten nieuwe heeren gekregen, die al spoedig in 'tspoor hunner voorgangers traden; afschaffing der ergerlijkste misbruiken was 't eenige, wat men had gewonnen. Velen, over die schrale gevolgen der omwenteling misnoegd, vraagden zich af, waartoe de verheffing van Willem IV had gediend, daar alles bij 't oude was gebleven. In hunne ontevredenheid overschatten zij echter 's prinsen gezag. Niet verandering van regeeringspersonen, maar grondige herziening van 't geheele staatsbestuur was noodig, om de gewenschte verbeteringen aan te brengen, en dit vermocht ook de stadhouder niet, te minder om de tegenwerking, die hij ondervond. Wellicht had Willem IV zulk eene herziening kunnen bewerken, indien hem een langer leven ware gegund: maar uit niets blijk:, dat hij met zulke hervormingsplannen omging. Daarentegen legde hij zich met ijver op de bevordering der volkswelvaart toe, al waren zijne maatregelen niet altijd de geschiktste en zijn leven te kort. om veel te verrichten.
189
§ 3. Het regentschap van prinses Anna. Beyin van 't stadhouderschap van Willem V.
1751. Prinses Anna gouvernante. Brunswijk waarnemend kapitein-generaal.
1759. Dood van prinses Anna. Brunswijk voogd van Willem V.
1766. Willem V wordt meerderjarig. Akte van consulentschap.
1774â1780. Oneenigheden met Engeland. Ontwerp van een handelstractaat met de Vereenigde Staten.
Terwijl prinses Anna, gewoonlijk de gouvernante genoemd, 't bestuur voor haar zoon voerde, vertegenwoordigde de hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel den minderjarigen stadhouder als kapitein-generaal. Tevens was hij de raadsman der gouvernante, vooral wat de buitenlandsche zaken betrof, en belast met 't toezicht op de opvoeding van den jongen prins, dien hij persoonlijk in 't krijgswezen onderrichtte.
Nauwelijks was ons land eenigszins van de oorlogsrampen bekomen, of het liep opnieuw gevaar in een strijd gewikkeld te worden. In 1756 begon de Zevenjarige oorlog, waarin Frankrijk, tot hiertoe de verbitterdste vijand van Oostenrijk. met deze mogendheid tegenover Pruisen stond, terwijl het tegelijker tijd met Engeland oorlog voerde. Beide naburige staten wenschten de republiek tot bondgenoot; maar de Stat en-Generaal verklaarden den Franschen gezant D'Affry en den Engelschen Yorke, dat zij onzijdig verlangden te blijven. Toen Engeland zich vervolgens beriep op 't tractaat van 1678, achtten zij zich daaraan niet verbonden , omdat deze staat de aanvaller was geweest. Inderdaad vorderde 't welzijn des lands eene stipte onzijdigheid, maar tevens,eene strijdmacht, voldoende om ze te handhaven; en ongelukkig ontbrak deze. Frankrijk nam eene welwillende houding aan tegenover de republiek, hief 't tonnegeld op en verminderde 't invoerrecht op visch. De Engelschen integendeel toonden hun wrevel over onze onzijdigheid door quot;t opbrengen van Nederlandsche koopvaarders. Hadden zij daartoe 't recht, in zoover de schepen verboden waren aan boord hadden, volgens een verdrag van 1674 moesten de vaartuigen zeiven teraggegeven worden, hetgeen niet geschiedde. Zelfs namen zij de koopvaarders, die 'scheepsbehoeften naar Frankrijk overbrachten, ofschoon
190
deze niet tot de oorlogscontrabande behoorden. In dit laatste geval werd de lading echter vergoed. Nog erger maakten het de Engelsche kapers, die alles roofden, wat onder hun bereik kwam. Dit alles moest de republiek lijdelijk aanzien; hare zeemacht was in zulk een treurigen toestand, dat zij zelfs niet tegen de roofstaten Algiers en Marokko bestand was.
De verliezen, die de handel leed, gaven nieuw voedsel aan de inwendige verdeeldheid. De staatsgezinde partij had noode de stadhouderlijke macht zien uitbreiden, eu streefde naar vroegeren invloed. Zij maakte gebruik van de omstandigheid, dat de gouvernante eene Engelsche was. Om haar verdacht te maken, en helde naar Frankrijks zijde over. Ook de kooplieden waren fransch-gezind uit handelsnaijver tegen Engeland. De listige gezant D'Affry werkte met baatzuchtige oogmerken de verdeeldheid in de hand.
De gouvernante had eene moeilijke taak te vervullen. Men was onbillijk genoeg, haar den jammerlijken staat der zeemacht te wijten, en zij werd overstelpt met klachten van de kooplieden, die op de uitrusting van oorlogschepen aandrongen. Daalde krijg nabij onze oostelijke grenzen woedde, begrepen de gouvernante en de Raad van State, dat zoowel versterking der grensvestingen en van 't leger, als vergrooting der vloot noodig was, om onze neutraliteit te handhaven. Een voorstel, daartoe gedaan, werd door 5 provinciën aangenomen; maar Zeeland verklaarde zich onvermogend om zijn aandeel op te brengen, en Holland begreep, dat alleen vermeerdering der zeemacht noodig was (1768). Zoo werd voorloopig niets gedaan, maar in 't volgende jaar Hollands voorstel aangenomen, op gevaar af van Engeland tot vijand te krijgen, te meer omdat o.a. Frankrijks verzoek, om door Maastricht legerbehoeften te vervoeren, werd toegestaan. De weigering der prinses om eenzijdig tot de uitbreiding der vloot mede te werken, werd alweder aan engelsch-gezindheid toegeschreven, en de vijandschap tegen haar gaf zich lucht in allerlei smaadschriften. Na haar overlijden in 1759 werd de hertog van Brunswjjk besturend voogd van den prins, onder toezicht der gewestelijke Staten, die nu de voornaamste rechten van 't stadhouderschap aan zich trokken. In Friesland kwam
191
de prinses-grootmoeder, Maria Louise, in de plaats der gouvernante en na haar dood (1765) prinses Carolina van Nassau-Weilburg1, de zuster van den minderjarigen stadhouder.
Na den dood van prinses Anna werd tot de uitrusting van 26 oorlogschepen besloten, waardoor de handel meer veiligheid zou genieten. Gelukkig keerde in 1763, met de verdragen van Hubertsburg en Parijs, de vrede in Europa terug. Frankrijk, niet langer onze vriendschap behoevende, trok de vroeger toegestane handelsvoordeelen weder in; de betere verstandhouding tusschen de republiek en Engeland, gedurende de laatste oorlogsjaren, droeg 't hare daartoe bij.
In 1766 had Willem V den ISjarigen leeftijd bereikt, en aanvaardde hij zelf met 't stadhouderschap alle ambten, die zijn vader had bekleed. De hertog van Brunswijk, wiens taak nu geëindigd was, ontving van de Staten-Generaal en die van Holland de uitnoodiging, om zijne diensten aan de republiek te blijven wijden; tevens schonken de prins en de gewestelijke Staten hem aanzienlijke geldsommen. De hooge achting, die de hertog toenmaals genoot, had hij niet alleen aan zijne bekwaamheden te danken. Heerschzuchtig van aard wist hij zich door listige vleierij bij alle mannen van invloed aangenaam te maken, en onder den schijn van onbaatzuchtigheid werkelijk gezag uit te oefenen. Elke partij meende op hem te kunnen rekenen, waaruit zich de algemeene wensch om hem te behouden laat verklaren. Voor de belangen van 't land en 't Oranjehuis was zijne komst noodlottig. In plaats van den prins tot een zelfstandig man op te leiden, die berekend was voor de gewichtige ambten welke hem wachtten, had de hertog zich geheel onmisbaar voor hem weten te maken. Want Willem V, ofschoon niet van bekwaamheden ontbloot, miste de vereischte hoedanigheden om in den veelbewogen tijd, dien hij beleefde, aan 't hoofd te staan der republiek. Zijn gemis van zelfvertrouwen .maakte hem weifelend in 't nemen van besluiten, zijn blik was te beperkt om te doorzien, wat de tijdsomstandigheden vereischten 1).
1
Niet alle geschiedschrijvers oordeden even ongunstig over Brunswijks karakter.
192
Hoezeer de prins zijn eigen doorzicht en bekwaamheid wantrouwde, bleek uit de Akte van Consulentschap, die hij met den hertog onderteekende. In dit stuk, door den pensionaris van Delft, Pieter van Bleiswyk, opgesteld, verbond Brunswijk zich op verzoek van den stadhouder, dezen met raad en daad in alle zaken van bestuur bij te staan, zonder daarvoor verantwoordelijk te zijn. Slechts zeer enkele personen droegen kennis van 't bestaan dier akte, zooals de raadpensionaris Steyn, die er weinig mede ingenomen was. Zoo stelde zich de stadhouder der republiek vrijwillig onder voortdurende voogdij. â Waarschijnlijk was het op aanraden van den hertog, dat Willem V eene akte van aanstelling vroeg. Friesland gaf te kennen, dat hij als er/stadhouder die niet behoefde, maar de andere provinciën gaven ze gaarne. Aldus werd de prins wettig in zijne ambten bevestigd, en had hij ze niet, zooals zijn vader, aan eene oproerige volksmenigte te danken; want dit was de beteekenis van de vernieuwde aanstelling. De invloed van Brunswijk was ook niet vreemd aan 't huwelijk, dat Willem V sloot (1767) met Frederika Sofia Wilhelmina, eene nicht van Frederik den Grooten. Meer zelfstandig van karakter en minder volgzaam dan haar gemaal, trachtte de prinses vooral in lateren tijd voor zichzelve den invloed op de staatszaken te verkrijgen, dien de hertog bezat, hetgeen wel eens aanleiding gaf tot oneenigheid aan 't stadhouderlijk hof.
Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren: Louise (gehuwd met den erfprins van Brunswijk), Willem Frederik (later koning Willem I) en Willem George Frederik (gestorven in 1799 als generaal in Oostemijkschen dienst).
Vooreerst echter bleef Brunswijk in 't bezit van een uitgestrekt gezag, dat nog vermeerderde, toen de wakkere raadpensionaris Steyn door den karakterloozen Van Bleiswijk werd opgevolgd (1772). De hertog wist allen, die hem konden schaden, uit de omgeving van den prins te weren, en zijne gunstelingen aan invloedrijke plaatsen te helpen. â Evenwel bleven vele misbruiken en verkeerdheden, die bestonden of opnieuw inslopen, in de eerste jaren onopgemerkt. De rust, die in 't westen van Europa
193
heerschte, kwam ons land ten goede, dat eenige jaren van grooten voorspoed genoot. De handel wierp aanzienlijke voor-deeleu af, de opbrengst der belastingen vermeerderde, de financiën verbeterden onder 't beleid van Steyn en den thesaurier-generaal Johan Hop , die de rente van de staatsschuld van 4 op 0/n wisten te verlagen. â Maar nevens dien gunstigeu toestand vertoonden zich bedenkelijke verschijnselen. In plaats van de weerbaarheid der republiek te verhoogen nu de omstandigheden gunstig waren, lieten de machthebbers in den staat de gelegenheid ongebruikt voorbij gaan. De stadhouder en de Raad van State deden herhaaldelijk voorstellen tot versterking der land en zeemacht; de landprovinciën wilden wel 't leger uitbreiden en de zeeprovinciën hadden wel iets over voor de vloot, maar ten slotte werd noch 'teen, noch 'tander gedaan. Daarbij ontbrak het niet aan allerlei kleine twisten : in Friesland openbaarde zich reeds verzet tegen den invloed van Brunswijk, terwijl Holland en Zeeland naar vermindering van 't stadhouderlijk gezag streefden.
In 1774 geraakten de Amerikaansche koloniën in opstand tegen Engeland. Zij vonden veel deelneming in Europa en ook in ons land bij allen, die de nieuwere begrippen omtrent volkssouverei-niteit voorstonden. Onze kooplieden vonden de gelegenheid om winst te behalen te schoon, om ze ongebruikt te laten. Met schending der onzijdigheid voorzagen zij de Amerikanen van oorlogsbehoeften, die eerst naar 't eiland St.-Eustatius gevoerd, en vervolgens de Amerikaansche havens binnengesmokkeld werden. De gezant Yorke leverde daarover klachten in bij de regeering, waarom de Staten-Generaal dien handel verboden. Maaide kooplieden stoorden zich weinig aan dit verbod, en klaagden van hunne zijde over 't opbrengen hunner schepen door de Eu. gelschen. De deelneming van Frankrijk aan den strijd (1778) ten gunste van Amerika opende eene nieuwe bron van inkomsten voor den handel in scheepstimmerhout, maar vergrootte tevens 't gevaar voor een oorlog met Engeland. Evenmin als vroeger was men thans genegen 't tractaat van 1678 na te komen. Integendeél was de geheele handelsstand en de meeste regenten J. M. Vos, Vaderl. Gesch., 2quot; druk. IS
194
op de zijde van Frankrijk, welks gezant De la Vauguyon, niet naliet daarvan partij te trekken. Willekeurig verklaarde Engeland ongezaagd hout voor contrabande, hetgeen den Staten-Generaal aanleiding gaf, geen convooi te verleenen aan vaartuigen, welke die waar in hadden (1779). Frankrijk trok nu alle handelsvoorrechten in, behalve voor Amsterdam en Haarlem, die tegen 't besluit hadden geprotesteerd. De verhouding tusschen de republiek en Engeland werd voortdurend meer gespannen. De Amerikaan Paul Jones verscheen in 1779 met twee buitgemaakte Engelsche schepen vóór Texel. Yorke verzocht de uitlevering dier vaartuigen, maar de Staten-Generaal weigerden; daarentegen werd Jones overal waar hij kwam, inzonderheid te Amsterdam, met gejuich ontvangen. Kort daarna ontmoette de schout-bij-nacht Van Belandt, die een aantal koopvaarders begeleidde, een Engelsch eskader op de hoogte van 't eiland Wight. Ofschoon hij het beproefde, kon hij niet beletten, dat de schepen werden onderzocht en opgebracht. In 't volgende jaar werden zij verbeurd verklaard, ook die, welke geene contrabande aan boord hadden. Engeland schorste nu alle verdragen, die het vroeger met Nederland had aangegaan, waarop de Staten-Generaal besloten onbepaald convooi te verleenen, hoewel zij geenszins bij machte waren, dit besluit uit te voeren. Frankrijk trok nu de nadeelige bepalingen van 't vorige jaar weder in, maar dit kon niet opwegen tegen de nadeelen dooi' Engelsche kapers aan onze scheepvaart toegebracht. â De jaarlijks herhaalde voorstellen van den stadhouder tot vermeerdering dei-land- en zeemacht hadden eindelijk ten gevolge, dat men tot de uitrusting van 52 oorlogschepen overging. Maar 't scheepsvolk was schaarsch, en zoo duurde het geruimen tijd eer de zeemacht gereed was.
Had onze regeering zich wellicht gevleid, dat Engeland reeds vijanden genoeg had (ook Spanje had zich met de Vereenigde Staten verbonden), en dus een oorlog met de republiek zou trachten te vermijden, weldra bleek 't tegendeel. In 1778 had Frankrijk een handelstractaat met de Amerikanen gesloten, die zich bereid verklaarden ook met ons land zulk een verdrag aan
195
te gaan. De raadpensionaris, die 't bericht had ontvangen, deelde het aan 't besogne voor de buitenlandsche zaken mede, maar voorloopig werd de zaak geheim gehouden en bleef 't aanbod onbeantwoord. Te gelijker tijd onderhield te Aken een gemachtigde der Vereenigde Staten, William Lee, den Amsterdamschen koopman De Neufville over 't voorstel. De burgemeesters van Amsterdam, hiervan in kennis gesteld, zonden aan Lee eene verklaring, waarin zij hun steun beloofden voor 't sluiten van 't handelstractaat, nadat Engeland de Vereenigde Staten onafhankelijk zou hebben verklaard. De verdere onderhandelingen liepen spoedig af, want nog in 1778 werd een ontwerp-verdrag door De Neufville en Lee opgesteld. Het geheim bleef bewaard tot 1780, toen 't schip van Henry Laurens, ex-president van 't Amerikaansche congres, op reis naar Nederland door een En-gelsch vaartuig werd genomen. Wel had Laurens 't verdrag in zee geworpen, maar 't werd door de Engelschen opgevischt. De regeering van Engeland zond de stukken door tusschenkomst van Yorke aan den stadhouder, die ze aan de Staten overlegde. Alle gewesten spraken ter Staten-Generaal hunne afkeuring uit over de handelingen van Amsterdam. Holland onderwierp zelfs de zaak aan 't oordeel van 't hof, opdat deze rechtbank zou onderzoeken, of eene vervolging moest worden ingesteld. â Op voorstel van Rusland sloten in 't zelfde jaar de noordsche staten een verdrag tot beveiliging der scheepvaart {stelsel van gewapende onzijdigheid). Zij noodigden de republiek uit zich bij hen aan te sluiten, hetgeen met 4 tegen 8 stemmen werd aangenomen. Evenwel kon zij niet als lid van 't verbond aangemerkt worden, vóór zij den oorlogvoerenden mogendheden bericht van hare toetreding had gegeven. Engeland, dat den oorlog wilde, zond daarom de kennisgeviiig ongeopend terug, bewerende dat ons land volgens vroegere verdragen geen deel aan 't verbond mocht nemen. Weldra volgde nu de oorlogsverklaring, die voornamelijk berustte op 't ontwerp-verdrag met de Vereenigde Staten.
13*
196
§ 4. Oorlog met Engeland. Geschillen met Jozef II. Prins-gezinden en patriotten. Komst der Pruisen. Verovering der republiek door de Franschen.
1780. Oorlog met Engeland.
1781. Gevecht bij de Doggersbank. Ontruiming der Barrière.
1784. Vrede te Parijs. Negapatnam afgestaan. Brunswijk vertrekt.
1785. Vrede te Fontairiebleau. Verbond met Frankrijk. Willem V verlaat
's-Gravenhage.
1786. Geschillen te Elburg en Hattem.
1787. De prinses wordt verhinderd naar 's-Hage te reizen. Willem V door de
Pruisen in zijne ambten hersteld. Van de Spiegel raadpensionaris.
1788. Verbond met Engeland en Pruisen. Akte van Garantie.
1793. Oorlog met Frankrijk.
1795. De Franschen trekken ons land binnen. Daendel.s. Ondergang der republiek.
Willem V verlaat 't land.
Het was te voorzien, dat een oorlog, zonder eene noemenswaardige vloot tegen de eerste zeemogendheid ondernomen. niets dan schade zou opleveren. En zoo gebeurde het ook. In enkele maanden gingen 200 schepen met eene waarde van 15 millioen verloren. De handel stond bijna stil: in 1780 voeren meer dan 2000 Nedeiiandsche schepen door de Sont, in 1781 nauwelijks een tiental onder Nederlandsche vlag. De Engelsche kapers beletten de visschehj op onze kusten en beschoten zelfs Scheve-ningen. St.-Eustatius werd genomen met een schat van oorlogsbehoeften , koopwaren , schepen en drie millioen gulden , waarna de admiraal Rodney gedurende eenigen tijd de Nederlandsche vlag liet waaien, om nog meer schepen in de val te lokken. Ook St.-Martin en Saba, een deel van Guyana en de kust van Guinea gingen verloren, benevens Negapatnam en andere streken in Voor-Indië. De meeste West-Indische bezittingen werden echter door de Franschen heroverd, en tegen vergoeding aan de republiek teruggeven.
De uitrusting van oorlogschepen vorderde traag bij gebrek aan hout en andere scheepsbehoeften. Om daarin te voorzien, vertrokken '72 koopvaarders naar de Oostzee, onder geleide van den schout-bij-nacht Zoutman, met 15 oorlogsvaartuigen. Bij de Doggersbank in de Noordzee geraakten 7 onzer schepen met een
197
gelijk getal eener Engelsche vlootafdeeling onder Parker slaags (5 Aug. 1781). De strijd bleef onbeslist, maar de Engelschen trokken zich 't eerst terug, hetgeen in ons land als eene overwinning werd gevierd, terwijl Zoutman en zijne kapiteins, o.a. Van Kinsbergen, allerlei belooningen en eerbewijzen ontvingen. Toen de vreugde bedaard was, begon men in te zien, dat men weinig reden had om zich te verheugen, want de tocht moest als mislukt beschouwd worden wegens den terugkeer der koopvaarders.
Engeland, dat. over 't geheel in dezen oorlog groote verliezen leed, bood de republiek een afzonderlijken vrede aan op vrij gunstige voorwaarden, doch zij verklaarde zich niet van Frankrijk te willen scheiden. Voor die edelmoedigheid werd zij slecht beloond, want Frankrijk sloot in 1783 den vrede te Versailles, zonder zich veel om de belangen van zijn bondgenoot te bekommeren. Alleen gelaten moest de republiek in 't volgende jaar de nadeelige voorwaarden van Engeland aannemen. Bij den vrede te Parijs (1784) stond zij Negapatnam af, 't middelpunt van den katoenhandel, verleende den Engelschen de vrije vaart in de Oost-Indische wateren, maar kreeg zij de overige bezittingen terug.
Do weigering om een afzonderlijken vrede te sluiten wns 't werk der anti-stadhouderlijke partij: 't aanbod van Engeland moet mede toegeschreven worden aan do vrees voor ondergang van 't stadhouderlijk gezag en te nauwe aansluiting bij Frankrijk.
Te midden van den oorlog met Engeland eischte Keizer Jozef II, van onze zwakheid gebruik makende, de ontruiming der barrière-steden (1781). De nauwe vriendschap met Frankrijk maakte in veler oog 't bezit dier plaatsen overbodig, zoodat die eisch zonder veel tegenstand werd ingewilligd. Twee jaar later onstonden nieuwe geschillen met den keizer over de grensregeling; bovendien verlangde Jozef, op grond eener overeenkomst met Spanje in 1678, afstand van .Maastricht en opening dei-Schelde. Een oorlogschip onder Oostenrijksche vlag de Schelde afvarend, werd beschoten en genomen, maar kort daarna terug-
198
gegeven (1784). Reeds maakte men zich tot den oorloggereed, toen de keizer wegens de dreigende houding van Frankrijk zijne eischen matigde. Onder bemiddeling van deze mogendheid kwam in 1785 de vrede van Fontainébleau tot stand, op voorwaarde dat de republiek de forten Lillo en Liefkenshoek aan de Schelde afstond, en 9J. millioen gulden uitkeerde. Frankrijk nam op zich van die som 4^ millioen te betalen, maar heeft ze slechts gedeeltelijk voldaan. In 't zelfde jaar sloot deze staat met de republiek een of- en defensief verbond, waardoor alle vroegere verdragen met Engeland eindigden.
De twisten tusschen de staatspartijen waren gedurende den Engelschen oorlog met nieuwe hevigheid uitgebroken en namen weldra 't karakter van een burgeroorlog aan, die den ondergang der republiek ten gevolge zou hebben. Het waren echter niet uitsluitend de stadhouderlijken en staatsgezinden, die elkander bestreden, om met behoud der staatsregeling 't bestuur in handen te houden of te krijgen; de strijd betrof de instandhouding of de geheele herziening der staatsinrichting zelve. Gedurende de ISquot; eeuw had zich de meening gevestigd, dat de burgerij 'trecht moet bezitten aan 't staatsbestuur deel te nemen, en dit recht niet uitsluitend aan een of enkele bevoorrechte standen toekomt. Die meening was zeer verbreid door bekwame buiten!andsche schrijvers, welke ook in ons land gelezen werden en dikwijls hier hunne werken uitgaven, waar de persvrijheid grooter was dan in andere staten. Bovendien had 'tlangdurig wanbestuur dei-oligarchie de aanhangers dei' nieuwe denkbeelden zeer vermeerderd. Naast de beide aristocratische partijen had zich dus langzamerhand eene nieuwe, democratische, partij gevormd, die voor de volksrechten en vrijheden opkwam. Eerst had zij hare hoop gebouwd op de aanstelling van een stadhouder, maar Willem IV had hare wenschen niet vervuld; evenmin was gebleken, dat van den zwakken Willem V verbetering mocht verwacht worden. Daarom sloten de democraten zich meer bij de staatsgezinden aan, die het op vermindering van de macht des stadhouders toelegden. Allengs kwam de naam patriotten in gebruik voor de
199
aanhangers dier vereenigde partij, welke alzoo te onderscheiden was in eene aristocratische en eene democratische, waarvan de eerste voornamelijk ten doel had, zich met behulp der laatste in 't bewind te handhaven. De tegenstanders, prinsgezinden, werden door hunne vijanden gewoonlijk Oranjeklanten genoemd, hetgeen dezen met den scheldnaam âkeezenquot;' (naar Cornells de Gijzelaar?) beantwoordden. In 't algemeen behoorden tot de prinsgezinden allen, die min of meer van den stadhouder afhankelijk waren, als officieren en ambtenaren, voorts de regenten, die niets van volkssouvereiniteit wilden weten, de adel en de mindere volksklasse. De regenten, die van 't stadhouderschap afkeerig waren, of hun invloed hoopten te versterken door gedeeltelijk de eischen der volkspartij in te willigen, behoorden tot de aristocratische patriotten; de meer ontwikkelde burgerij, vooral de handelsstand , ook degenen, die niet tot de staatskerk behoorden en daarom geene ambten of waardigheden mochten beklee-den, waren vooral de democratische begrippen toegedaan. Evenwel bestonden op dezen regel talrijke uitzonderingen, en vond men bij elke partij aanhangers uit overtuiging en uit berekening. Onder de eersten behoorde de Overijselsche baron Van der Ca-pellen tot den Pol, die in 1783 de drostendiensten (een overblijfsel der lijfeigenschap) wist te doen afschaffen. Inmenging-van vreemden maakte de partijschap nog heviger. Terwijl de patriotten den stadhouder beschuldigden, dat hij 's lands zeemacht ter wille van Engeland verwaarloosde, zochten zijzelven steun bij Frankrijk, waartoe de kuiperijen van den Franschen gezant niet weinig bijdroegen.
Het aanzien, dat de hertog van Brunswilk genoot, was sedert 1766 sterk gedaald. De Oranjepartij trachtte vergeefs den prins aan den invloed te onttrekken van den man, die, door eigenbelang gedreven, medewerkte om de achting voor 't stadhouderschap te verminderen. De burgemeesters van Amsterdam drongen in 1781 op zijne verwijdering aan, waarover de prins zich zeer gevoelig toonde. De Staten-Generaal spraken evenwel den hertog op diens verzoek vrij van de beschuldiging, dat hij de oorzaak zou zijn van den slechten toestand des lands. Brunswijk vond
200
het echter geraden zich naar Den Bosch te begeven, van welke vesting hij bevelhebber was, en in 1784 'tland te verlaten, toen de openbaarmaking der akte van Consulentschap een storm van verontwaardiging tegen hem verwekte.
Het vertrek van den âdikkenquot; hertog bracht weinig verandering in den toestand. De aanvallen tegen Willem V werden steeds heviger. In vele plaatsen werd inbreuk gemaakt op 't gezag van den prins, en hem o.a. 't recht op de magistraatsbestelling betwist. Exercitie-genootschappen vormden zich onder begunstiging der vroedschappen, om de partij der patriotten te versterken. Toen Jozef II met een oorlog dreigde, gaven de Staten bevel de landlieden te wapenen, waaruit alweer moeilijkheden ontstónden, daar velen verklaarden, wel voor den prins, maar niet voor de Staten te willen exerceeren. In de gewesten waar de patriotten de meerderheid hadden, was het verboden zijne ingenomenheid met den prins aan den dag te leggen; door niets behoorde de stadhouder onderscheiden te zijn van andere staatsdienaren. De Staten van Holland verboden 't dragen van oranjelinten, 't zingen van oranjeliederen, ja ze waren kleingeestig genoeg, om 't gebruik van namen als oranjewortels en prinsessenboonen te verbieden. Zulke plagerijen gingen gepaard met 't besnoeien van 's prinsen gezag. Eene vechtpartij in Den Haag (1785) tusschen burgers en leden van een exercitie-genootschap gaf aanleiding, dat men zonder voorkennis van den stadhouder patrouilles dooi- de stad liet gaan, en hem vervolgens 't bevel over 't garnizoen ontnam. Hiermede niet voldaan, lieten de Staten zich door de troepen militaire eer bewijzen en de stadhouderspoort (een der toegangen tot 't Binnenhof, waar hunne vergaderzaal was) voor zich openstellen. Al die beleedigingen deden Willem V besluiten in 't laatst van 1785 Den Haag te verlaten; hij vestigde zich eerst op 't Loo, later te Nijmegen.
D;it de Stilten het niet bij bedreigingen lieten, blijkt uit 't geval met Kaat Mossel en een paar andere visohvrouwen uit Rotterdam, die met oranjekleurige linten versierd, een uitstapje naar Den Haag deden. Ondanks hare verdediging door den advocaat Bilderdïjk, werden zij gevangen gezet. â Erger verging het den pruikenmaker Mou-
201
rand, die met eenige andere burgers Ocker Gevaerts en Cor-nelis de Gijzelaar (burgemeester en pensionaris van Dordrecht) wilden beletten door de stadhouderspoort te rijden. Van majesteitsschennis beschuldigd, werd Mourand (de anderen waren gevlucht) ter dood veroordeeld, welk vonnis echter in levenslange gevangenschap werd veranderd. Het is te begrijpen. dat de gevangene na de zege der Oranjepartij zijne vrijheid terug bekwam.
In Gelderland, waar de Staten prinsgezind waren, werd als misdaad beschouwd, hetgeen In Holland als verdienstelijk gold. Te Hattem en Elburg hadden patriottische woelingen plaats, waarom de prins den last ontving, die plaatsen met krijgsvolk te bezetten (1786). Dit geschiedde zonder veel tegenstand, toch werden de hoofdpersonen zwaar gestraft. Groot was de verontwaardiging over deze gebeurtenis, die schromelijkquot; overdreven werd voorgesteld en aanleiding gaf, dat de Staten van Holland den stadhouder in zijn ambt van kapitein-generaal schorsten. â Ook door de pers werden Willem V en de prinsgezinden hevig aangevallen. Eene menigte dagbladen (Post van den Neder-Rijn, Politieke Kruier.) en schotschriften werden uitgegeven, waarin zoowel op rijm als in proza, de prins nu eens als een onnoozele, dan weer als een Nero, Filips II of Alva werd voorgesteld.
Intusschen bleef ook onder de patriotten de eendracht niet bewaard. Naarmate de taal der democraten heviger en hunne eischen uitgebreider werden, begonnen de aristocraten voor de gevolgen van hun bondgenootschap te vreezen. Het kwam zelfs tot onderhandelingen van Amsterdamsche en Rotterdamsche regenten (o.a. De Gijzelaar) met de prinses, die meestal optrad als er gehandeld moest worden, en het niet altijd met haar gemaal eens was. De Pruisische gezant Von Görz en de Fran-sche De Rayneval boden hunne bemiddeling aan; maar de weigering van den stadhouder, om zich als den dienaar der Staten aan te merken of de regeeringsreglementen van 1673 in Gelderland, Overijsel en Utrecht af te schaffen, deed de onderhandelingen afbreken. Daarop maakte de advocaat Schimmelpenninek den Pruisischen gezant met de wenschen der volkspartij bekend: zij verlangde kiescolleges uit burgers bestaande, die de personen zouden aaüwijzen, waaruit de stadhouder eene keus kon doen
202
bij 't aanstellen van leden der vroedschappen. Deze en andere voorstellen werden door de aristocraten tegengewerkt en ook door den prins verworpen, daar hij eerst in al zijne waardigheden hersteld wilde zijn, alvorens iets toe te geven.
De scheuring in de partij der patriotten maakte de verwarring, die in alle regeeringszaken heerschte, nog grooter. De zoo losse band der Unie scheen geheel verbroken te zullen worden. Gelderland en Zeeland waren meerendeels prinsgezind, in Overijsel hadden de democraten 't overwicht, de patriottische minderheid der Staten van Friesland vergaderde afzonderlijk te Franeker. De stad Utrecht was in de macht der hevigste democraten; de gematigden uit de provinciale Staten kwamen te Amersfoort bijeen. Bij Vreeswijk kwam het tot een gevecht tusschen soldaten en patriottische burgers, waarin de laatsten overwinnaars bleven. â Amsterdam, waar eerst de hoofden der aristocratische patriotten bijeenkwamen, geraakte na 't overleg met de prinses, in de macht der volkspartij; hetzelfde gebeurde te Rotterdam.
Eindelijk was de partijschap zoo hoog gestegen, dat een volslagen burgeroorlog niet kon uitblijven, tenzij vreemde tusschen-komst aan eene der partijen de zege verschafte. De democraten rekenden op Frankrijk , de prinsgezinden op hulp van Pruisen of Engeland. â De Staten van Holland besloten nu hunne provincie in staat van verdediging te brengen. Zij benoemden daartoe eene commissie van defensie, die te Woerden verblijf hield en ijverig werkzaam was. Twee vliegende legertjes werden in dienst gesteld, om de bevelen der commissie te doen gehoorzamen, voorts werden vreemde troepen aangenomen, en den graaf Van Salm de verdediging van Utrecht opgedragen.
De geweldenarijen der patriotten spoorden de tegenpartij tot verzet aan. In Holland werden Oranje-societeiten opgericht, om eene beweging ten gunste van den stadhouder uit te lokken-Terwijl in verschillende steden volksoploopen plaats hadden, begaf zich de prinses (28 Juni 1787) naar 's-Hage, teneinde eene omwenteling te bewerken, of wellicht in geval van tegenstand, haar broeder, den koning van Pruisen, tot tusschenkomst te nopen. Aan de Goejanverwelleslui? bij Gouda, werd zij op last
203
der commissie van defensie verhinderd hare reis te vervolgen omdat hare tegenwoordigheid in Holland aanleiding kon geven tot een geweldigen strijd. De Staten van Holland keurden 't gedrag der commissie goed, doch de meeste gewesten gaven hunne ontevredenheid over de houding dier Staten te kennen. De prinses achtte zich zwaar beleedigd, evenzoo de koning van Pruisen, die eene schitterende satisfactie eischte; maar Holland, vertrouwende op Fransche hulp, weigerde elke voldoening. Vrees voor Engeland en niet minder de slechte binnenlandsche toestand, noodzaakten Frankrijk echter de patriotten aan hun lot over te laten.
Een Pruisisch leger van 20.000 man onder Ferdinand van Brunswijk, trok nu over de grenzen. Zonder tegenstand te ontmoeten kwam het voor Utrecht, dat krachtig was toegerust, maar zich onmiddellijk overgaf, terwijl Van Salm lafhartig zijn heil in de vlucht zocht. Geheel Holland was weldra door de Pruisen bezet; alleen Amsterdam dacht een oogenblik aan tegenweer, het bleef echter bij enkele gevechten in den omtrek dei-stad (Oct. 1787). De stadhouder was reeds den 20':quot; Sept. in Den Haag teruggekeerd, en werd nu in al zijne waardigheden hersteld, waarop de ontbinding van alle patriottische vereeni-gingen en de verandering der stedelijke regeeringen volgden. De prinses kreeg voldoening, bestaande in de ontzetting van 18 hoofden der patriotten uit al hunne ambten. Daarbij bleef het niet. Overal namen de prinsgezinden, ijverig door de Pruisen geholpen, wraak op hunne vijanden, die zij mishandelden en beroofden; in Den Bosch alleen werden 200 huizen geplunderd. Wel vaardigde de regeering eene amnestie uit, maar met tal van uitzonderingen, vooral ten opzichte der democratische patriotten. Velen werden verbannen, van hunne goederen beroofd of tot vernederende straffen veroordeeld; duizenden namen de vlucht en vestigden zich in de Zuidelijke Nederlanden of Frankrijk. Krijgsgevangenen werden naar Wezel gesleept en daar in ellendige kerkers opgesloten. â In 1788 keerden de Pruisen met grooten buit beladen naar hun land terug.
De eerste zorg der overwinnende partij was 't herstelde stadhouderschap 'tegen nieuwe aanslagen te beveiligen. Het werd
204
gewaarborgd door een verdedigend verbond met Pruisen en Engeland , dat de republiek in 1788 sloot, zoowel ala door de Akte van Garantie, waarbij de zeven provinciën en Drente 't stadhouderschap voor een noodzakelijk bestanddeel van den regeeringsvorm verklaarden. Bij elke gelegenheid beijverde men zich van zijne gehechtheid aan de stadhouderlijke familie blijk te geven, door 't vertoonen der oranjekleur, en waar het niet vrijwillig geschiedde, ging het gedwongen. Aanleiding daartoe gaf o. a. 't huwelijk van den erfprins met Fredepika Louise Wilhelmina, eene dochter van den koning van Pruisen (1791).
Ãit dit huwelijk werden geboren: in 1792 Willem Frederik George Lodewijk (later koning Willem 11), in 1797 Willem Frederik Karei, in 1809 Marianne.
Tot de personen, die uit hun ambt ontslagen werden, behoorde Van Bleiswijk, die steeds de bovendrijvende partij had gehuldigd; hij werd vervangen door den bekwamen Zeeuwschen raadpensionaris Laurens Plater van de Spiegel (1787 â 1795). De moeilijkheden, waarmede de nieuwe raadpensionaris had te kampen, waren niet gering. Aan de partij der prinses, die meer nog clan vroeger zich met staatszaken inliet, had hij zijn ambt te danken; toch achtte hij zich verplicht den prins te ondersteunen. Oranje-societeiten waren in de plaats der patriottische vereenigingen gekomen, en bemoeiden zich ongeroepen met 't staatsbestuur. Ofschoon overtuigd dat hervormingen dringend noodig waren, vond de raadpensionaris nergens medewerking; zijne pogingen om eenheid in 't bestuur te brengen werden verijdeld door de zwakheid van den stadhouder en door gewestelijken en stedelijken naijver. Zelfs mocht hij er niet in slagen, de vereeniging der vijf admiraliteiten te bewerken. Alleen in den toestand der geldmiddelen, die zeer ongunstig was, vermocht hij eenige verbetering aan te brengen door bezuiniging en betere verdeeling der lasten. Zoo werden in 1792 de quota's van Holland en Gelderland verhoogd, die van Friesland en vooral die van Zeeland verminderd.
De tegenpartij, door vreemde hulp bedwongen en door vervolgingen verbitterd, bleef ook na de omwenteling van 1787 voor
't stiulhouderschap gevaarlijk. Wel had de aristocratische partij ingezien , dat hare belangen aansluiting bij de prinsgezinden ver-eischten, maar de volkspartij was in 't geheim werkzaam, om eene tegenomwenteling voor te bereiden. Patriottische leesgezelschappen en societeiten moesten daartoe dienen, zoo ook verstandhouding met de uitgewekenen.
In 1788 geraakten de Oostemijksche Nederlanden in opstand door de hervormingen, welke Jozef II wilde invoeren. Het belang van ons iand vorderde, dat 't oproer spoedig werd bedwongen, maar de opstandelingen vonden steun in 't buitenland en ook bij de partij der prinses. Gelukkig voor de rust in de republiek, maakten weldra de Oostenrijksche wapenen en de verzoenende maatregelen van Jozefs opvolger, Leopold II, een einde aan den opstand. â In 1789 brak de Fransche revolutie uit, die den 40.000 uitgeweken patriotten de hoop deed voeden niet Fransche hulp eene omwenteling te bewerken. De verandering van 't onbeperkte koningschap in eene constitutioneele monarchie (1791) wekte bij hen de begeerte op ook in ons land zulk eene regeering te vestigen met quot;Willem V aan 't hoofd; maar de gebeurtenissen volgden elkander zoo snel op, dat men weldra dit plan liet varen. Aanvankelijk vonden de patriotten weinig deelneming in Frankrijk , eerst toen de hevigste revolutionairen aan 't bestuur waren gekomen, slaagden zij beter.
In 1792 geraakte de Fransche monarchie, weldra republiek» met Pruisen en Oostenrijk in oorlog. Het gelukte Van de Spiegel nog eenigen tijd de onzijdigheid te bewaren, maar toen de Nationale Conventie (Nov. 1792) verklaarde, dat zij hulp zou ver-leenen aan alle volken, die vrij wilden worden, ging alle hoop op behoud van den vrede verloren. Den 1⢠Febr. 1793 verklaarde de Fransche republiek aan den koning van Engeland en den stadhouder der Nederlanden den oorlog. â Na de verovering van België trok 't vijandelijk leger onder Dumouriez, versterkt door een uit patriotten bestaand Bataafsch legioen, onder den Gelderschen advocaat Daendels, onze grenzen over. De Neder-landsche troepen, aangevoerd door de zonen van Willem V en geholpen door de Engelschen, konden niet verhinderen, dat Breda,
206
Klundert en Geertruideriberg veroverd werden; alleen Wiüevistad bleef door de dappere verdediging van Van Boetzelaar behouden. De nederlaag van Dumouriez bij Neerwinden noodzaakte echter de Franschen tot een haastigen aftocht, maar de slag bij Fleurus (Juni 1794) bracht België opnieuw in hunne handen. Onze bond-genooten weken terug, ook de Engelschen, die plunderend door ons land naar Hannover trokken.
Wellicht had men nu een vrede kunnen treffen, daar 't schrikbewind in Juni 1794 viel, en 't nieuwe bestuur weinig neiging betoonde, om den oorlog voort te zetten. Maar dit wisten de patriotten, die in Jan. een geheim comité révolutionair te Amsterdam opgericht hadden, te beletten. Toch stuitten de Franschen bij hun nieuwen inval op krachtige tegenweer, doch tegenwerking van binnen ondersteunde den vijand. Daarbij kwam de strenge winter hem te hulp. In Dec. 1794 trok generaal Pichegru, door Daendels geleid, over de bevroren rivieren ons land binnen, dat nu niet langer te verdedigen was. De Staten van Holland lieten Pichegru om een wapenstilstand verzoeken, maar 't antwoord was, dat de Fransche regeering met de Bataafsche natie zou onderhandelen, en de stadhouder zich te verwijderen had. Willem V ging nu te Scheveningen aan boord van een visschers vaartuig, dat hem naar Engeland overbracht (18 Jan. 1795). â Zoo bezweek de eenmaal machtige republiek der Vereenigde Nederlanden onder den last harer eigen gebreken.
§ 5. De Oost- en de West-Indische compagnie.
1740. De Chineezen te Batavia vermoord.
1755. Bijna geheel Java in de macht der compagnie.
1784. Verlies van Negapatham.
1796. De Engelschen veroveren de meeste bezittingen.
1798. Opheffing der Oost-Indische compagnie.
1730. Vrije vaart op West-lndië aan alle Nederlanders toegestaan.
1791. Ontbinding der West-Indische compagnie.
17^6â1801. De Engelschen veroveren de West-Indische bezittingen.
Het ging uict de Oost-Indisclie compagnie als met de republiek: in de 18' eeuw geraakte zij in verval, bij 't einde dier eeuw ging zij te niet. De oorzaken van baar aebteraitgang waren van verschillenden aard. Naarmate zij hare bezittingen uitbreidde, moest
207
zij hare legers en vloten versterken, om 't veroverde te kunnen behouden. Daarbij werd 't bestuur telkens kostbaarder, terwijl de grootere uitgaven niet door ruimere inkomsten werden opgewogen. De mededinging van andere natiën op koloniaal gebied, de verslapping van den ondernemingsgeest gevoegd bij de onmacht der republiek zelve, lieten niet na een nadeeligen invloed op den toestand der compagnie uit te oefenen.
Al die ongunstige omstandigheden zouden haar evenwel minder geschaad hebben, indien zij hare inrichting op degelijker grondslagen had gevestigd. Wij merkten reeds op, dat zij streng aan haar monopolie vasthield, om goedkoop te kunnen inkoopen en duur te ver-koopen; want groote winst te maken was 't eenig doel der bewindhebbers. Daarom ontvingen de ambtenaren eene zoo geringe bezoldiging, dat zij, om te kunnen bestaan, bijna gedwongen waren langs oneerlijken weg hun inkomen te vergrooten. Hiermede niet voldaan, bedachten zij steeds nieuwe middelen. om zich ten koste der compagnie te verrijken (stille winsten . overwichten. morshandel, heerendiensten . enz.), en zoo ontstond door de schuld der bewindhebbers zeiven een misbruik, dat als een kanker aan de welvaart der compagnie knaagde. Wel werden de oneerlijke ambtenaren met strenge straften bedreigd, maar niets hielp, daar zelfs menig gouverneur-generaal in plaats van 't kwaad tegen te gaan, het door zijn voorbeeld verergerde. â De aandeelhouders ontvingen steeds hooge uit-keeringen, soms 40 procent; geen wonder, dat de actiën hoog stonden (in 1720 zelfs 1080 procent), en toch bleef jaarlijks nog een gedeelte van de winst over. Op die wijze bezat de compagnie in 't laatst der 17' eeuw eene overwinst van 40 millioen. Langzamerhand begonnen echter de uitgaven tegen de inkomsten op te wegen, eindelijk zelfs ze te overtreffen. waarop 't bespaarde kapitaal werd aangesproken, om 't verschil aan te vullen. Toen dit verbruikt was (sedert 1737) werd bijna jaarlijks geld geleend, daar men steeds hooge sommen bleef uitkeeren , uit vrees dat de actiën zouden dalen. Dit noodlottig stelsel moest ten laatste de compagnie financieel ten gronde richten. â Nog moet vermeld, dat hooge en lage ambtenaren dooi* hunne knevelarijen en mishandelingen de inlandsche bevolking en de Chineezen verbitterden, waaruit allerlei onlusten voortkwamen, die medewerkten tot den achteruitgang der compagnie. Zoo werd in 1717 den Chineezen slechts 2/g van den prijs betaald voor de thee, die zij uit hun land aanvoerden, hetgeen den theehandel gedurende eenige jaren bijna deed stilstaan.
In 1721 ontdekte de gouverneur-generaal Zwaardekroon eene uitgebreide samenzwering onder de Javanen met zekeren Elberfeld aan 't hoofd.. Het doel was de Europeanen in Batavia te vermoorden, en
208
Elberfeld 't gezag over de stad te geven; maar de aanleggers werden gegrepen en ter dood gebracht. â Het getal Cbineezcu, dat zich op Java en inzonderheid in Batavia en omstreken neerzette, werd jaarlijks grooter. Onder deze lieden waren er velen. die meest door oneerlijke middelen eenig vermogen, soms groote rijkdommen wisten te vergaren , en dan naar hun land terugkeerden. De regeering, voor eene te groote uitbreiding van 't getal Chineezen beducht, bepaalde dat ieder van hen, die niet 't bewijs kon leveren, dat hy een middel van bestaan bezat, naar Ceylon verplaatst zou worden, waar gebrek aan werklieden bestond. Hebzuchtige ambtenaren maakten van de gelegenheid gebruik, om ook welgestelde Chineezen met verbanning naar Ceylon te bedreigen, indien zij geene afkoopsom betaalden. Deze en andere willekeurige maatregelen brachten onder de Chineesche bevolking groote verbittering en gisting te weeg. Duizenden vluchtten en bedreven, door honger en wraak aangespoord, in de ommelanden van Batavia allerlei rooverijen en moedwil; zelfs waagden zij een aanval op de stad. Intusschen vertrouwde men ook de Chineezen in Batavia niet, en bij onderzoek vond men in de woning van den kapitein-Chinees eene groote hoeveelheid wapenen verborgen. De toenmalige gouverneur-generaal Valckenier stelde nu voor, zich van hen te ontdoen, maar de Raad van Indië, waarin o.a. Van Imhoff zitting had. verklaarde zich hiertegen. Kort daarna overviel 't Europeesche gepeupel door matrozen versterkt, de Chineesche woningen, plunderde en verbrandde ze, vermoordde de bewoners en zette dit gruwelijk bedrijf voort tot bijna alle Chineezen ten getale van 10.000 omgebracht waren (1740). Een gedeelte der belegeraars onderwierp zich door den nood gedwongen, een ander deel bracht de onlusten naar Midden- en Oost-Java over, waar de moordtooneelen herhaald werden. Waarschijnlijk, maar niet geheel zeker, had Valckenier 't bloedbad laten aanrichten; hij wierp echter de schuld van zich, liet Van Imhoff en anderen gevangen nemen en zond hen naar Nederland. Op last der bewindhebbers werd hij echter ontslagen en zelf gevangen gezet, maar stierf eer 't gerechtelijk onderzoek was afgeloopen. â Zijn opvolger Van Imhoff (1743â1750) stichtte koloniën van Nederlandsche landbouwers op Java, doch de bewindhebbers zagen hierin geen voordeel en ondersteunden zijne pogingen weinig. Hij was de eerste gouverneur-generaal, die zich op 't landgoed Buitenzorg vestigde.
De twisten in 't rijk Mataram (bl. 169) en de oorlogen van den soesoehoenan met naburige vorsten werden gedurig herhaald; de compagnie liet niet na, daarmede haar voordeel te doen, zoodat van 't geheele rijk ten laatste slechts twee leenstaten overbleven, Soerdkarta en Djohjokarta (1755): ook Bantam had kort te voren de heerschappij der compagnie moeten erkennen. Zoo kwam bijna geheel Java in de
209
macht der compagnie; de vorsten en hnnne nakomelingen werden meestal ambtenaren, die bun vorstelijken titel behielden, of dien van regent ontvingen. Zij voerden eene weelderige hofhouding, moesten aan de compagnie tegen geringen prijs producten leveren (bl. 170). en aan de schraapzucht van naast hen geplaatste Nederlandsche residenten voldoen. Be ongelukkige Javanen leden zwaar onder 't bestuur van al die roofzieke heeren; zij geraakten in schuld bij hunne regenten en werden dan pandelingen, d. i. niet veel beter dan slaven. â Enkele gouverneurs-generaal, zooals Mossel (1750â1761) en Van der Parra (1761â1775), trachtten wel verbeteringen aan te brengen, door de bewindhebbers op den juisten toestand opmerkzaam te maken, bezuinigingen in te voeren en de knoeierijen der ambtenaren te beperken, maar waren onmachtig den algemeenen achteruitgang tegen te houden.
Daar 't verval der compagnie niet langer verborgen kon blijven, werd in 1773 bij de Staten-Generaal aangedrongen 't octrooi, dat in 't volgende jaar ten einde liep, niet te verlengen; maar de tusschen-komst van Willem V als opperbewindhebber. bezorgde haar een nieuw octrooi voor den tijd van 20 jaren. â Do oorlog van 1780 was voor de compagnie eene onherstelbare ramp. Hare koopvaarders vielen den Engelschen in handen, de uitrusting van oorlogschepen vermeerderde hare schulden, en wat 't ergste was: zij verloor N'ef/apat/uiin en 'tmonopolie van den Oost-Indischen handel. daar Engeland de vrije vaart op den archipel verkreeg (bl. 197j. Tijdens den oorlog wendden de bewindhebbers zich tot de Staten van Holland om ondersteuning in geld. Die bijstand werd hun beloofd tegen openlegging der zaken. en nu bleek duidelijk. dat de compagnie niet meer te redden was. Wel benoemden de Staten commissies om voorstellen tot verbetering en bezuiniging te doen. maar de woelingen in de republiek verhinderden, dat iets van belang werd afgedaan. In 1789 stond men voor een tekort van 74 millioen. Nu begreep men eindelijk, dat alleen eene reeks van ingrijpende hervormingen konden baten, voor te stellen door eene commissie, die op de plaats zelve den toestand zou onderzoeken. Tn 1791 vertrokken de advocaat Nederburgh en de kapitein ter zee Frykenius, die niet den gouverneur-generaal Alting de commissie zouden uitmaken. Om bedrog en oinkooping te voorkomen. ontvingen de leden der commissie zeer hooge bezoldigingen; maar ook dit hielp niet. Op allerlei wijzen werden de commissarissen door de ambtenaren misleid en tegengewerkt, hunne maatregelen wekten wrevel en onwil; bovendien waren zij het onderling niet eens, en alzoo werden de goede verwachtingen, die men van hunne zending had gekoesterd, geheel teleurgesteld.
Na den val der republiek vaardigde Willem V eene proclamatie uit aan alle bevelhebbers in Indië, waarin hun werd medegedeeld. dat J. M. Vos, Vaderl. Gesch. 2e druk. 14
210
de Engelschen als bondgenooten zouden komen, om de bezittingen tegen de Franschen te verdedigen. Weldra verscheen de admiraal Elphinstone, na de Kaapkolonie vermeesterd te hebben, in de Indische wateren. Ceylon, Malakka, Padang en de Molukken gingen verloren, Celebes en Java bleven nog behouden. In 1796 werd eene vloot onder kapitein Lucas uitgezonden om 't verlorene te heroveren; maar aan de Kaap gekomen, geraakte de geheele vloot in 's vijands macht, zonder dat één schot gelost was. De lafhartigheid van den bevelhebber, zoowel als de weigering der matrozen om tegen den prins te vechten, was hiervan de oorzaak.
De regeering der Bataafsche republiek had intusschen de commissie van 1791 ontbonden verklaard, en een Comité tot de zaken der Oost-Indische Compaynie benoemd. om den toestand te onderzoeken. Op voorstel der nieuwe commissie werd 't bestuur opgedragen aan een Comité tot de zaken van den Oost-Tndischen handel en bezittingen. dat te Amsterdam zou zetelen. â Intusschen had Nederburgh zich geheel eigendunkelijk van 't gezag meester gemaakt, al zijne tegenstanders uit 't bestuur ontslagen. en zich weinig bekommerd om de bevelen uit Nederland. Hij werd in 1800 teruggeroepen, maar van alle verantwoordelijkheid ontheven. Reeds vroeger, bij de constitutie van 1798, was de Oost-Indische compagnie ontbonden verklaard; hare bezittingen gingen over aan de Bataafsche republiek, die ook de betaling harer schulden, omstreeks 150 millioen, op zich nam. Aan een liaad der Aziatische bezittingen werd sinds 1799 't bestuur opgedragen.
Om de West-Indische bezittingen uit haar kwijnenden toestand op te beuren, werd in 1730 de vrije vaart op die koloniën voor alle Nederlanders opengesteld. Wie daarbij voordeel mocht genieten, niet de compagnie, wier actiën om dien tijd tot 40 procent daalden. â Naast de suiker, koffie en katoen, werd sedert 1685 de cacao in West-Indië aangeplant, die bij minder behoefte aan verzorging evenveel voordeel beloofde als andere producten. â Opstanden der slaven, veroorzaakt door de gruwelijke mishandelingen. waaraan die ongeluk-kigen blootstonden, en oorlogen met de boschnegers, bleven bij voortduring een beletsel voor de ontwikkeling der koloniën. Kwam het aleens tot een vrede, dan werd deze weldra verstoord, daar de oorzaak van den strijd niet was weggenomen.
In 1770 nam Amsterdam van de familie Sommelsdijk haar aandeel in Suriname over. Nu werd eene vereeniging opgericht, om eigenaars van plantages voorschotten te geven, of den aanleg van nieuwe aanplantingen te bevorderen. Van de opgenomen gelden maakten de planters dikwijls een zeer verkeerd gebruik, zoodat velen zich niet konden staande houden en hunne plantages aan de geldschieters
211
kwamen, die ze door een directeur lieten besturen, meestal tot schade van den nieuwen eigenaar. â De oorlog met Engeland bracht de compagnie zulke verliezen toe (bl. 196), dat zij niet langer kon blijven bestaan. In 1791 kwamen hare bezittingen en schulden aan den staat, die een Raad van koloniën aanstelde. De Bataafsche republiek belastte een Comité tot de zalen der koloniën en bezittingen in Amerika en Afrika met 't bestuur, maar reeds in 1798 werd dit vervangen door den Raad der Amerilcaansche koloniën en hezittingen. Het duurde echter niet lang of eene Engelsche vloot kwam in West-lndie en bemachtigde achtereenvolgens alle koloniën in Amerika (1796â 1801 , die eenmaal aan de West-Indische compagnie hadden toebehoord.
§ 6. Toestanden.
Naarmate de welvaart in de 17' eeuw toenam, werd de levenswijze der rijke burgers weelderiger. Die weelde bereikte in de 18quot; eeuw haar toppunt en ontaardde dikwijls in kwistige overdaad. In woningen, huisraad, kleeding, maaltijden, enz. heerschte de grootste pracht. Zonder een groot getal dienstboden, paarden en rijtuigen, meende «een rijk geworden koopman het te kunnen stellen. De Oud-Hol-landsche eenvoud en degelijkheid gingen geheel verloren: ieder trachtte meer te schijnen, dan hij was, en anderen in spilzucht te overtreffen. De gevolgen bleven niet uit: grof spel en gewaagde speculatiën werden te baat genomen, waar de inkomsten niet toereikend waren om de uitgaven te dekken, maar eindigden dikwijls met 't verlies van groote fortuinen (bl. 182). In 't buitenland was het niet beter gesteld; integendeel bereikten daar de lichtzinnigheid en zedeloosheid een nog hoogeren trap. Vooral in Frankrijk, dat den toon aangaf, en in dien tijd op 't gebied van de mode, kunst, letteren, enz. een onbeperkt gezag uitoefende. In al die zaken heerschten gedurende langen tijd de grootste grilligheid en wansmaak. De mode bracht mede, dat do dames bijzonder hooge kapsels droegen en de heeren zich 't hoofd met eene pruik bedekten (allonge-, staartpruik, pruikentijd); trouwens eene gewoonte reeds uit de 17quot; eeuw afkomstig. Voor de kleeding gebruikte men de fijnste stoffen . kwistig met borduurwerk voorzien, en in 't oog vallend door allerlei kostbare sieraden. Bonte kleuren, grillige vormen, overmatig aangebracht verguldsel trof men aan in woningen en huisraad. Alleen wat zich onderscheidde door duurte en onnatuurlijkheid werd schoon cevonden. De buitenverblijven, die in menigte langs de oevers van Amstel en Vecht werden aangetroffen, waren omgeven door hooge, geschoren heggen; lijnrechte lanen scheidden de rechthoekige bloem-
212
perken; de boomen werden gesnoeid in den vorm van kegels, waaiers, dieren, molens, enz.
Onder die weelderige levenswijze leed 't familieleven zeer. Het bezoeken van gezelschappen, schouwburgen, bals, enz. kostte zooveel tijd, dat de ouders zich weinig met de opvoeding hunner kinderen konden bemoeien. Deze werden aan de zorg van dienstboden overgelaten , en kregen later gouverneurs, meestal Franschen, die zich juist niet door een voorbeeldig gedrag onderscheidden. Jlet veel recht werd dan ook geklaagd over de brooddronkenheid en losbandigheid van de zonen der aanzienlijken, waaronder velen, die ook aan de hoogeschool zich met weinig ernst voorbereidden tot de gewichtige ambten, welke zij later zouden bekleeden.
Een bedenkelijk verschijnsel bij 't verval van handel en nijverheid was de gestadige toeneming der armoede, nog verergerd door den hoogen prijs der levensmiddelen. In jaren van mislukten oogst, zooals in 1740 1}, had de algemeene ellende oproeren ten gevolge, en waren bedelarij en diefstal meer dan ooit eene plaag voor stad en land. â Ook de geringe beschaving onder de lagere klassen werkte de armoede in de hand; 't onderwijs had sinds de 17quot; eeuw weinig vorderingen gemaakt, en was op menig dorp toevertrouwd aan een gewezen heerenknecht.
De kerkelijke partijen stonden minder fel tegenover elkander, dan in een vroeger tijdperk. Toch was de verdraagzaamheid nog niet groot genoeg, om ambten en waardigheden ook voor niet-hervormden toegankelijk te maken. Zoo werd de geleerde Gerard van Swieten, die 't meest als opvolger van Boerhave in aanmerking had moeten komen, voorbijgegaan, omdat hij Eoomsch was; later werd hij professor te Weenen. Eerst na 1787 behoefden de katholieken nergens meer 't hoofdgeld te betalen, hun dikwijls willekeurig door ambtenaren opgelegd. Om in de voorrechten der leden van de staatskerk te deelen, ging menig niet-hervormde, vooral uit de meer aanzienlijke klassen der maatschappij, tot die kerk over. Over 't geheel kenmerkte zich de 18' eeuw door minder gehechtheid aan de leer dei-kerk, waarin men was opgevoed; algemeen was dan ook de klacht der predikanten over 't afnemend bezoek der godsdienstoefeningen.
Voor de kennis van de maatschappelijke toestanden gedurende de lquot; helft der 18' eeuw is de Hollandsche spectator door Justus van
In dit tijdschrift, ook om den zui-
veren en natuurlijken stijl van veel waarde, bestreed Van Effen de gebreken en dwaasheden van zijn tijd, gelijk Pieter Langendijk (f 1756) het deed in zijne blijspelen (Quincampoix of de loindhande-
1
) Omstreeks dezen tijd kwam de aardappel meer algemeen in gebruik.
213
laars). De zeden en toestanden van de 2quot; helft dier eeuw werden op uitstekende wijze geschetst in de romans van Elisabeth Wolff-Bekker en Agatha Deken (heiden iquot; 1804). De werken dezer schrijfsters, tevens de eerste Nederlandsche romans {Willem Leevend, Sara Burf/erhart) zijn in den briefvorm geschreven en munten uit door geestigheid en karakterschildering. Voor 't overige valt op de letterkunde dier dagen weinig te roemen. Dichters waren er genoeg, ten minste naar 't oordeel der tijdgenooten; maar schaarsch 't getal verdienstelijke producten door hen voortgebracht. Op den vorm werd in de eerste plaats gelet, de inhoud scheen van minder belang. Men beschouwde de dichtkunst als een handwerk, dat iedereen kon aan-leeren; vandaar de oprichting van talrijke genootschappen, waarin men zich vlijtig in 't verzenmaken oefende. Een Feitema besteedde 50 jaren van zijn leven aan eene berijmde vertaling van den Tclémaque (Fénélon) en der Henriade (Voltaire), en werd langen tijd beschouwd als de hoogste rechter op 't gebied der dichtkunst. Poot, Hoogvliet en enkele anderen lieten eenige niet onverdienstelijke voortbrengselen hunner kunst na, maar bovenal onderscheidden zich de gebroeders Willem van Haren (f 17(58: De (fevallen van Friso, Het meiischelijk leven) en Onno Zwier van Haren (t 1770; De Geuzen). Zij weken geheel af van de eischen , die hunne eeuw aan de dichtkunst stelde, en werden daarom door hunne tijdgenooten weinig geacht.
Als geschiedschrijvers dienen vooral genoemd te worden Jan Wagenaar (f 1778; Vaderlandsche Historie) en Simon Stijl (f 1804: Opkomst en bloei der Vereenif/de Nederlanden). Dat gedurende de IS1 eeuw de beoefening der wetenschappen niet verwaarloosd werd, blijkt uit de oprichting van verschillende geleerde genootschappen. Daartoe behoorden: de ,,Hollandsche maatschappij der Wetenschappenquot; te Haarlem (1752), de âMaatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden (1766), het âZeeuwsch genootschap der Wetenschappen ' te Vlissingen (1769), het âBataafsch genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeertequot; te Rotterdam (1770), âTeylers genootschapquot; te Haarlem (1778), het âProvinciaal genootschap van Kunsten en Wetenschappenquot; te Utrecht (1778), âFelix Meritisquot; te Amsterdam (1788? opgeheven 1888). â De âMaatschappij tot Nut van 't Algemeenquot; werd in 1784 gesticht door Jan Nieuwenhuizen van Monnikendam, en heeft zich groote verdiensten verworven door verbetering van quot;t onderwijs en verspreiding van kennis op allerlei gebied. â De oprichting van 't Doofstommen-instituut te Groningen door H. D. Guyot dagteekent van 1790. In 1781 gaf de slag bij Doggers bank aanleiding, dat een
O O «J Oo O '
fonds werd bijeengebracht, waaruit de oprichting bekostigd werd van de âKweekschool voor de Zeevaartquot; te Amsterdam (1782).
214
VIERDE TIJDVAK.
Sedert 1795.
Ons land eene staatseenheid.
AFDEELING I.
Fransche invloed en overheersohing.
1795â1813-§ 1. De Bataafsche republiek.
1795. Haagsch verdrag. Oorlog met Engeland.
1796. Nationale vergadering.
1797 Nederlaag bij de Kamperduinen.
1798. Eerste staatsregeling der Bataafsche republiek.
1799. Landing der Engelschen en Russen in Npord-Hollaud.
1801. Tweede staatsregeling der Bataafsche republiek.
1802. Vrede te A miens.
1803. Nieuwe oorlog met Engeland
1805. Derde staatsregeling der Bataafsche republiek. Schimmelpenninck raadpensionaris.
1806, Einde van de Bataafsche republiek.
De Fransche omwenteling van 1789 is ?t begin van een nieuw tijdperk in de wereldgeschiedenis. Zij maakte een einde aan de onbeperkte vorstelijke macht in Frankrijk, aan de voorrechten van sommige standen en aan tal van misbruiken, die zich sedert eeuwen hadden opgehoopt. Hare beginselen zijn nedergelegd in de âvechten van den mensch en den staatsbnvgeiquot;, door de Nationale vergadering in 1789 vastgesteld. Die rechten omvatten in hoofdzaak 't volgende: De menschen worden vrij geboren en hebben gelijke rechten; 't maatschappelijk onderscheid ontleent zijn oorsprong alleen aan 't algemeen welzijn. De natuurlijke rechten van den mensch zijn: vrijheid, veiligheid, zekerheid van eigendom en verzet tegen onderdrukking. Het beginsel van alle souvereiniteit berust bij 't volk. De vrijheid bestaat in alles te mogen doen, wat anderen niet benadeelt, en niet door de wet is verboden. Alle burgers hebben 't recht persoonlijk of door hunne vertegenwoordigers de wetten te helpen tot stand brengen; zij zijn gelijk voor de wet en benoembaar tot alle openbare waardigheden zonder ander onderscheid, dan dat hunner deugden en talenten. Niemand mag in hechtenis genomen worden dan krachtens de voorschriften der wet. Alle burgers hebben recht op vrijheid
215
van gedachten, godsdienst, spreken en schrijven binnen de perken door de wet gesteld. De belastingen moeten gelijkmatig verdeeld worden naar gelang van ieders vermogen, en geregeld in overeenstemming met de burgers of hunne vertegenwoordigers. Niemand mag van zijn eigendom beroofd worden, dan wanneer 't algemeen welzijn het vereischt, en alleen tegen rechtmatige schadevergoeding.
De onderdrukking was echter te langdurig en te zwaar geweest, dan dat de omwenteling in vrede kon geschieden. De massa geraakte in beweging, 't gezag kwam in handen van deels dweepzieke, deels zelfzuchtige volksleiders, en onder de leus: âvrijheid, r/elijkheid en broederschapquot; werden de grootste gruwelen bedreven. Vervolgens brachten de omstandigheden een man aan 't hoofd der regeering, die 't volk slechts eene schijnvrijheid liet, de republiek in een keizerrijk veranderde en eenige jaren lang aan bijna geheel Europa de wet stelde.
Wat ons land betreft, eenmaal door de Franschen bezet, bleef het alleen in naam onafhankelijk. Steeds nauwer moest het zich aan Frankrijk verbinden, om eindelijk (gelukkig voor slechts korten tijd) bij 't groote rijk te worden ingelijfd.
De komst dei' Franschen werd door een groot deel van 't volk met vreugde begroet. Men danste om de vrijheidsboomen, want nu eerst was een gelukkige tijd aangebroken, waarin vrijheid, gelijkheid en broederschap zouden heerschen. Hoe bedroog men zich! - Al spoedig bleek, dat de Franschen geene belangelooze vrienden van de patriotten waren. De Staten-Generaal zonden twee plenipotenliarissen (gemachtigden). Blauw en Meijer, naar Parijs, om de verhouding van ons land tot Frankrijk te regelen; maar de onderhandelingen stuitten af op de hooge eischen van de Fransche regeering. Deze zond nu twee harer leden, Sieyès en Kewbell, naar Den Haag, waar den 16'quot; Mei 1795 eene overeenkomst werd getroffen. Bij 't Haagsch verdrug erkende Frankrijk de Bataafsche républiek (zoo werd ons land voortaan genoemd) als eene zelfstandige mogendheid op de volgende voorwaarden: betaling van honderd millioen gulden voor oorlogskosten; afstand van Staats-Vlaanderen en Staats-Limburg; toelating van Fransche bezetting in Vlissingen; opening der Schelde (België was reeds bij Frankrijk ingelijfd); vrije vaart op Rijn, Maas en Schelde; een aanvallend en verdedigend verbond der beide staten, inzonderheid
216
tegen Engeland gericht. Eenige geheime artikelen van 't verdrag bepaalden nog, dat de Bataafsche republiek aan de Fransche een aantal oorlogschepen zou leenen en 25.000 Fransche soldaten op haar grondgebied onderhouden. â Deze laatste voorwaarde, die zelfs den schijn van onafhankelijkheid wegnam, werd nog verzwaard, doordien de goed uitgeruste troepen telkens door andere werden vervangen, die aan alles gebrek hadden.
De treurige gevolgen van onze aansluiting bij Frankrijk bleven niet uit. Het onderhoud der Fransche troepen kostte jaarlijks acht millioen, en de waardelooze assignaten moesten als wettig betaalmiddel aangenomen worden. Engeland verklaarde ons den oorlog (Sept. 1795), nam onze schepen en koloniën weg (bi. 210 en 211) en bracht dus onzen handel ontzaglijke schade toe. Eene vloot van 25 schepen raakte bij de Kamperduinen slaags met den Engelschen admiraal Duacan (1797); 10 schepen gingen verloren en de vice-admiraal De Winter geraakte in gevangenschap. In 1799 verscheen eene Engelsch-Russische zeemacht vóór Den Helder. De schout-bij-nacht Story moest zijne 12 schepen overgeven, daar de matrozen weigerden te vechten tegen een vijand, die naast zijne eigene de prinsenvlag voerde. Een talrijk leger onder den hertog van York, Abercrombie en Hermann werd aan land gezet, en behaalde eenige voorbeelden op Daen-dels, den bevelhebber der Bataafsche troepen. Maar toen de Fransche generaal Brune met eene aanzienlijke troepenmacht te hulp was gekomen, werden de vijanden eerst bij Bergen, daarna bij Gastricum, zoodanig geslagen, dat zij moesten aftrekken. Het ontslag der krijgsgevangenen was de eenige vrucht van deze overwinningen. â Ook de erfprins, die in Overijsel en Gelderland eene tegenomwenteling trachtte te bewerken, zag zijne pogingen mislukken.
Terwijl de nieuwe republiek door ramp op ramp getroffen werd, heerschte in 't land veel onrust. Al bleef het gelukkig bewaard voor de buitensporigheden, die de Fransche omwenteling kenmerkten, toch moesten de hoofden der stadhouderlijke partij, o.a. Van de Spiegel, gedurende eenigen tijd hunne vrijheid missen,
217
en was het gevaarlijk, zich als een vijand der nieuwe orde van zaken voor te doen.
Na 't vertrek van den stadhouder moest allereerst eene nieuwe staatsregeling ingesteld worden, die echter eerst na veel woeling en strijd gereed kwam; want ook in de Bataafsche republiek ontbrak het niet aan partijen. â Op 't voorbeeld van Amsterdam, waar 't comité révolutionair (bl. 206) de vroedschap ontbond, werden in de steden van Holland municipcilüeüen aangesteld, die op hare beurt afgevaardigden zonden naar Den Haag, ter vervanging van de Provinciale Staten. Deze vergadering van gewestelijke représentanten schafte o.a. de ambten van stadhouder, a kapitein-generaal-admiraal en raadpensionaris af, en verving de gecommitteerde raden en de rekenkamer door een Comité van alyemeen loelzvjn, een van oorlog en een van financiën. Ook in de overige provinciën had eene gelijke verandering in 't bestuur plaats. â Uit de gewestelijke représentanten werden vervolgens de leden voor de Staten-Generaal verkozen, zoodat ook uit deze vergadering alle voorstanders van 't stadhouderlijk bestuur werden geweerd. Dit regeeringslichaam verklaarde 't stadhouderschap voor afgeschaft, en erkende de rechten van den mensch en den staatsburger (bl. 211:); het verving de vijf admiraliteiten door een Comité tot de zaken van de marine, en den Raad van State door een Comité tot de algemeens zaken van 't bondgenootschap te lande. Dit comité was tevens belast met 't ontwerpen van een reglement voor de bijeenroeping eener Nationale vergadering, die in de plaats van de Staten-Generaal zou komen. Volgens dit reglement werd 't geheele land, Drente en Staats-Brabant daaronder begrepen, verdeeld in 126 kiesdistricten van ongeveer 15.000 zielen, terwijl elk district weer verdeeld werd in 80 grondvergaderingen van 500 personen. In elke grondvergadering kozen de stemgerechtigden (burgers boven de 20 jaar) één kiezer, waarna de 80 kiezers van 't district één lid voor de Nationale vergadering kozen.
Den l⢠Maart 1796 kwam de Nationale vergadering te 's-Hage bijeen onder voorzitterschap van Pieter Paulus, die bij zijn spoedig gevolgden dood opgevolgd werd door Van de Kasteele.
218
Tot hare eerste daden behoorden de afschaffing der staatskerk en de gelijkstelling der Israëlieten met de overige burgers; hare voornaamste werkzaamheid echter was de samenstelling eener staatsregeling voor de Bataafsche republiek. Nu was er eene partij in de republiek, die aan de provinciën eene groote mate van zelfbestuur wilde geven, zoodat 't land evenals vroeger uit een bondgenootschap van kleine republieken zou bestaan; hare aanhangers, waaronder de bekwame Vitring-a, heetten federalisten. Tegenover deze partij stonden de unitarissen, of voorstanders van eene staatseenheid met een krachtig centraal bestuur; tot hen behoorden o.a. Daendels, Wybo Fijnje, Vreede, Oekerse, Gogel en anderen, die zich als hevige patriotten hadden doen kennen. Eene middenpartij (moderaten), die Rutger Jan Schimmelpenninck onder hare leden telde, was het grootendeels met de unitarissen eens, maar wilde de provinciën en gemeenten meer zelfstandigheid schenken in 't bestuur harer eigen zaken. â Na langdurige en hevige beraadslagingen kwam eindelijk een ontwerp gereed naar den zin der moderaten (Mei 1797), dat door de vergadering werd aangenomen, maar door de stemgerechtigden in de grondvergaderingen met groote meerderheid verworpen.
In de nieuwe Nationale vergadering, die nu gekozen werd, hadden de unitarissen wel 't overwicht , maar 't reglement, waaraan zi] zich moesten houden, was een hinderpaal voor de doorzetting hunner plannen. Daarom liet met goedvinden van den voorzitter Midderig-h. de generaal Daendels eenige leden der tegenpartij gevangen nemen {eerste staatsgreep van Daendels, 22 Jan. 1798), waarna 't reglement werd opgeheven en de vergadering, die zich voortaan Gonstitueerende noemde, weldra met haar ontwerp gereed was. Ook in de grondvergaderingen werd het aangenomen, en zoo kwam eindelijk de eerste grondwet der Bataafsche republiek tot stand.
De staatsregeling van 1798 droeg do wetgevende macht op aan een Vertegenwoordigend lichaam, bestaande uit 94 leden en verdeeld in eene eerste kamer (64 leden), die de wetten voorstelde en eene tweede foO leden, dooi' en uit de 94 gekozen), die ze aannam ot'
219
verwierp. Voor de verkiezing werd 't land verdeeld iu 94 districten van 20.000 personen en elk district weer in 40 grondvergaderingen. Met eenige uitzonderingen waren alle Nederlanders boven de 20 jaar stemgerechtigd, maar niemand werd tot de stembus toegelaten. of hij moest verklaren een afkeer te hebben van 't stadhouderlijk bestuur, 't federalisme, de aristocratie en de regeeringloosheid. In elke grondvergadering werden een candidaat-volksvertegenwoordiger en een kiezer gekozen. Was dezelfde candidaat door de meerderheid der grondvergaderingen van een district aangewezen, dan nam hij zitting in 't Vertegenwoordigend lichaam, zoo niet, dan benoemden de 40 kiezers een der drie candidaten, die de meeste stemmen op zich vereenigd hadden. â De uitvoerende macht berustte bij 't Uitvoerend bevind, dat 5 leden {directeuren) telde, aan quot;t Vertegenwoordigend lichaam verantwoording schuldig was en door dit lichaam werd gekozen. Aan 't hoofd der verschillende afdeelingen van bestuur stonden 3 agenten {ministers). â Om 't federalisme te fnuiken werd 't land verdeeld in 8 departementen met andere namen en grenzen dan de vroegere provinciën, t. w.: 't departement van de Eems, den Ouden fJsel, den Rijn, den Amstel, Texel, de Delf, den Dommel, de Schelde en Maas. Elk departement was weder verdeeld in 7 ringen, die ieder een lid kozen voor 't departementaal bestuur. Ook de gemeentebesturen werden gekozen door de stemgerechtigde burgers. De rechterlijke macht kwam in handen van vrederechters, burgerlijke en departementale rechtbanken en een hoog nationaal gerechtshof; de pijnbank werd afgeschaft. De geldmiddelen kwamen onder één beheer, evenzoo werden de provinciale schulden tot staatsschulden verklaard. De kerk werd van den staat gescheiden. maar de predikanten der vroegere staatskerk zouden voorloopig hunne bezoldiging uit 's lands kas blijven ontvangen. Nog werden alle heerlijke rechten. alsmede de gilden afgeschaft.
De staatsregeling van 1798 bleek al spoedig verre van volmaakt , maar bevatte ook veel goeds. Zij bevorderde de staatseonheid. vernietigde de dwingelandij der familieregeering, bepaalde de gelijkstelling van alle burgers voor de wet en schonk aan geen stand of kerkgenootschap bijzondere voorrechten.
De Constitueerende vergadering moest thans aftreden, doch met schending van de staatsregeling, die haar eigen werk was. verklaarde zij zichzelve tot Vertegenwoordigend lichaam. Deze onwettige handelwijze veroorzaakte veel ontevredenheid, en gaf aanleiding tot den tweeden staatsgreep van Daendels. Hij nam (12 Juni 1798) eenige leden der kamers gevangen, waarna op
220
regelmatige wijze tot de samenstelling van 't Vertegenwoordigend lichaam werd overgegaan. â Het duurde niet lang, of de gebreken der nieuwe staatsregeling lieten zich gevoelen, Daar alle zaken van eenig belang door de centrale regeering te 's-Hage moesten behandeld worden, was deze overstelpt met bezigheden, waardoor veel onafgedaan bleef. Onbekend met plaatselijke toestanden nam zij bovendien vaak verkeerde maatregelen. Verschil van meening tusschen de leden der regeering werkte mede verlammend op den gang van 't staatsbestuur, en dit alles gevoegd bij den stilstand in alle bedrijven, de oorlogsrampen en den toenemenden schuldenlast, maakte 't verlangen naar eene verbetering der grondwet algemeen.
Te gelijker tijd had in Frankrijk de generaal (sedert 1799 eerste consul) Napoleon Bonaparte zich van de regeering meester gemaakt en de volkssouvereiniteit besnoeid. Dus konden de voorstanders eener beperking van de volksmacht in de Bataafsche republiek op Bonaparte's steun rekenen, waarom drie der vijf directeuren. Pijman, Haersolte en Besiep, ondanks den tegenstand hunner ambtgenooten Ermerins en Van Swinden, bij 't Vertegenwoordigend lichaam een voorstel tot grondwetsherziening indienden. Het vond hevig verzet, maar droeg de goedkeuring van den eersten consul weg, en hierdoor sterk riep 't Uitvoerend bewind met voorbijgang van 't Vertegenwoordigend lichaam de grondvergaderingen tot stemming op (1 Oct. 1801). Ofschoon de meeste kiezers weg bleven, werden zij onder de voorstemmers gerekend, en zoo kwam op onwettige wijze de tweede constitutie der Bataafsche republiek tot stand.
De staatsre^ 'nrj van 1801 schonk de wetgevende macht aan t Staatsbewind en 't Wetgevend Lichaam, de uitvoerende alleen aan 't eerste. Het Wetgevend lichaam bestond uit ééne kamer van 35 leden, voor de eerste maal door 't Staatsbewind gekozen (later zou de verkiezing geregeld worden), en had alleen 't recht de wetten af te keuren of onveranderd aan te nemen. Hot Staatsbewind telde 12 leden; het stelde niet alleen de wetten voor, maar had bovendien eene zeer uitgebreide macht. In plaats van agenten kwamen raden aan 't hoofd der afdeelingen van bestuur. De bevoegdheid der gewestelijke en plaatselijke besturen werd vermeerderd en aan de 8
221
departementen (Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel. Groningen, Friesland on Brabant) grootendeels de vroegere grenzen teruggegeven; Drente werd met Overijsel vereenigd. â Deze laatste bepalingen waren wel geschikt om eene toenadering tnssehen de partijen te bewerken, terwijl de vroegere verklaring (blz. 219) niet langer van de stemgerechtigden werd gevorderd, en dus federalisten noch voorstanders van 't stadhouderschap van de stembus werden geweerd.
Aan den noodlottigen oorlog kwam in 1802 een einde door den vrede van Amiens, waarbij Schimmelpenninck de Bataafsche republiek vertegenwoordigde. Engeland gaf oiis alle koloniën terug, behalve Ceylon. Het huis van Oranje-Nassau, welks bezittingen in de Nederlanden bij de republiek waren gevoegd, kreeg daarvoor de vroegere bisdommen Fulda en Corvey, de abdij Wein-garten en de stad Dortmund in Duitschland. Willem V stond 't bestuur daarover af aan zijn zoon, en stierf in 1806 te Bruns-wijk. Een jaar later verloor de prins van Oranje al zijne Duitsche bezittingen weder, omdat hij Pruisen had bijgestaan tegen de Franschen. â De vrede van Amiens wekte overal de hoop op eene betere toekomst. Handel en nijverheid herleefden, eene menigte schepen vertrokken naar Indië, om met rijke ladingen terug te keeren. Maar die gunstige verandering was van korten duur; reeds in 1803 brak de oorlog tusschen Frankrijk en Engeland opnieuw uit. Daar 't vroegere verbond met Frankrijk door den vrede geëindigd was, hoopte men onzijdig te kunnen blijven. Doch Bonaparte wilde van geene onzijdigheid hooren; integendeel eischte bij de beschikking over onze havens en vloot, en hieven zijne generaals requisitiën als in een veroverd land. Bovendien namen de Engelschen de terugkeerende koopvaarders weg, en vielen onze buitenlandsche bezittingen hun weder in handen.
De verheffing van Napoleon tot keizer der Franschen (1804) vermeerderde zijne aanmatigingen. Aan de zwakke regeering van 't Staatsbewind schreef hij de trage opbrengst der gevorderde millioenen toe; daarbij kon hij onzen republikeinschen staatsvorm niet langer dulden. Op zijn last moest Schimmelpenninck, gezant te Parijs, eene nieuwe staatsregeling ontwerpen, die feitelijk aan de republiek een einde zou maken. Hij volvoerde dien last naar genoegen van den keizer. Voor den vorm werd de nieuwe grond-
wet aan 't oordeel van regeering en volk onderworpen. Zij werd aangenomen, zelfs met zoo groote meerderheid, dat't verlangen der kiezers naar eene krachtiger regeering duidelijk daaruit bleek.
De staataregeling ran 1805 schreef de instelling eener Wetgevende vergadering voor (19 leden), die iilleeu 't reeht bezat de wetten on-veranderd aan te nemen of ze af te keuren. Het hoogste gezag berustte bij den raadpensionaris (op Napoleons verlangen werd Sehim-melpenninck tot dit ambt gekozen), die de wetten voordroeg en de uitvoerende macht uitoefende. Hij beschikte over leger en vloot. leidde de buitenlandsche zaken, benoemde de ambtenaren en beheerde de geldmiddelen, waarover hij voor een deel vrij kon beschikken. Een staatsraad en secretarissen van staat waren den raadpensionaris in 't bestuur behulpzaam. â De verdeeling in departementen bleef onveranderd, alleen werd Drente van Overijsel gescheiden en kreeg het de oude benaming van landschap terug.
Schimmelpenninck maakte zich gedurende zijn kortstondig bestuur zeer verdienstelijk. Met medewerking van den bekwamen financier Gog's! bracht hij eenige verbetering in den hoogst on-gunstigen toestand der geldmiddelen. Voor 't eerst werd een algemeen belastingstelsel ingevoerd, dat de provinciale heffingen verving en meer gelijkmatig drukte. Ook kwam in 1806 de derde wet op 't lager onderwijs tot stand. Terwijl de wet van 1801 de openbare scholen aan een geregeld toezicht onderwierp, strekte die van 1803 dit toezicht ook tot de bijzondere scholen uit. Eerst de wet van 1806 regelde nauwkeuriger de eischen van toelating als onderwijzer en de verplichtingen van departementale en gemeentelijke besturen.
Hoe moeilijk het de republiek ook viel de vloot en 't leger te onderhouden (de belastingschuldigen moesten i van hun inkomen opbrengen), toch deed zij naar de meening des keizers niet genoeg. Daarbij streefde de raadpensionaris te veel naar zelfstandigheid, maar bovenal moest gelijk elders ook de naam van republiek verdwijnen, en Nederland een monarchale staat worden onder een van 's keizers familieleden. Zwakte van gezicht was 't voorwendsel, dat Napoleon te baat nam, om Schimmelpenninck tot aftreden te nopen, ten einde ons zijn broeder Lodewijk als koning-op te dringen. In 't groot-besogne (eene vergadering der leden
223
van de wetgevende en uitvoerende macht) werd ondanks 't verzet van Schimmelpenninck besloten toe te geven, en zoo vertrok een gezantschap met den admiraal Verhuell aan 't hoofd naar Parijs, om van den keizer de verheffing zijns broeders Lodewijk tot koning van Holland te vragen (1806).
§ 2. Het koninkrijk Holland. Inlijvincj bij Frankrijk. Herstel onzer onafhankelijkheid.
1806. Lodewijk koning van Holland. Continentaalstdsel.
1807. Ramp te Leiden.
1809. Landing der Engelschen in Zeeland.
1810. Lodewijk doet afstand. Inlijving bij Frankrijk. Tiërceering.
1811. De conscriptie ingevoerd.
1812. Tocht naar Rusland.
1813. Slag bij Leipzig. Herstel onzer onafhankelijkheid. De prins van Oranje
souvereine vorst.
Met de verheffing van Lodewijk Bonaparte tot koning van Holland werd ons land nog meer afhankelijk van Frankrijk, daar Lodewijk volgens 't familie-statuut der Bonapartes slechts een vazal-koning was, wiens plicht hem voorschreef in de eerste plaats aan de belangen van den keizer en van Frankrijk te denken. De staatsregeling moest nu alweder veranderd worden, en in overeenstemming gebracht met den nieuwen regeeringsvorm.
De staatsreyeUnfi van 1806 had veel overeenkomst met die van 't vorige jaar. Het getal leden van 't wetgevend lichaam werd op 39 gebracht, dat van den staatsraad op 13. De secretarissen van staat kregen den titel van minister. De macht van den koning reikte liftg verder dan die van den raadpensionaris; zoo behoefde hij voor 't sluiten van verdragen met vreemde mogendheden de goedkeuring van quot;t wetgevend lichaam niet te vragen. De indeeling van 't land bleef met eenige wijziging bestaan: Holland werd verdeeld in Am-stelland en Maasland, Drente werd een afzonderlijk departement. Bij de tien departementen kwam in 1807 nog een elfde, namelijk Oost-Friesland en Je/er, waarvoor Viissingen en de tafel aan Frankrijk moest afgestaan worden. Elk departement werd bestuurd door een landdrost met een raad.
Het volk ontving den opgedrongen vorst met onverschilligheid en wantrouwen: het meende in hem 't werktuig te zien van
224
Napoleons heerschzucht. Niettemin wist Lodewijk zich eeniger-mate de genegenheid zijner onderdanen te verwerven, zoowel door zijn streven om hunne belangen te behartigen, als door zijne weldadigheid en menschlievendheid. Hij toonde die o. a., toen in 1807 de stad Leiden gedeeltelijk werd verwoest door 't springen van een kruitschip, en in de volgende jaren Zeeland en Gelderland veel door overstroomingen hadden te lijden.
Bij de ramp van Leiden werden 800 huizen vernield of zwaar beschadigd; ruim 150 personen, waaronder de hoogleeraren Kluit en Luzac, verloren daarbij 't leven.
Evenwel muntte 's konings bestuur niet uit dooi' een verstandig en spaarzaam beheer der geldmiddelen; integendeel verleidden hem zijne spilzucht en prachtliefde tot noodelooze uitgaven en 't inrichten van eene kostbare hofhouding. Bovendien verplaatste hij herhaaldelijk zijne residentie, hetgeen met zware kosten gepaard ging. Eerst woonde hij in Den Haag, daarna te Utrecht, eindelijk te Amsterdam, waar 't stadhuis tot paleis werd ingericht ; tot zomerverblijf kocht hij 't paviljoen bij Haarlem.
Belangrijke verbeteringen kwamen onder Lodewijks regeering tot stand in den waterstaat en 't dijkwezen. Het kanaal van Katwijk (18U4â1807) opende een uitweg aan 't water van Rijnland (Conrad), verschillende dijken werden verhoogd, de sluis te Muiden vernieuwd en eenige straatwegen aangelegd. â Het getal geleerde genootschappen werd door Lodewijk vermeerderd met een âKoninklijk instituut van Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunstenquot;, dat vele verdienstelijke mannen onder zijne leden telde. Verder moest de instelling van de âKoninklijke ridderorde der Uniequot; dienen, om de ambtenaren tot getrouwe plichtsbetrachting aan te sporen, en de oprichting van een âConstitution eelen adel van 't koninkrijk Hollandquot; om 't koningschap te steunen (1809). Deze laatste instelling was geheel in strijd met de beginselen der omwenteling, daar opnieuw een bevoorrechte stand in 't leven werd geroepen. Zij bestond echter niet lang, omdat de keizer de opheffing er van vorderde.
Onder de staatslieden, die Lodewijk ter zijde stonden, waren
225
vele bekwame mannen, zooals Gogel, Verhuell, Van Maanen, Roëll en Krayenhoff, waarvan sommigen ook later onder de regeering van Willem I als minister zijn opgetreden.
Hoe afhankelijk ons land van Frankrijk was, bleek uit 't bevel van den keizer om den âCode Napoléonquot; aan te nemen. Dit wetboek werd met eenige wijzigingen in 1809 ingevoerd, en bracht eene werkelijke verbetering in den verwarden rechtstoestand. â De staat der tinanciën werd voortdurend slechter. In 1806 bedroegen de uitgaven 78 millioen, de inkomsten 35, zoodat jaarlijks de schuldenlast toenam. Die ongunstige verhouding was voornamelijk te wijten aan de groote oorlogskosten. Duizenden onzer soldaten moesten den keizer vergezellen op zijne veldtochten in Duitschland, Spanje, enz. Natuurlijk ging het onder die omstandigheden moeilijk 't leger voltallig te houden, maar toch weigerde Lodewijk de conscriptie (gedwongen krijgsdienst) in te voeren. Evenmin wilde hij toestemmen in een staatsbankroet (vernietiging der staatsschuld), om op die wijze de geldmiddelen te verbeteren.
Napoleon had geen grooter vijand dan Engeland, dat aan alle oorlogen tegen hem deelnam, zijne vloten versloeg en door zijne ligging onbereikbaar voor hem was. Daarom vaardigde hij in 1806 te Berlijn 't continmta cd stelsel uit, dat allen handel en zelfs briefwisseling met Engeland verbood. Aldus hoopte hij dat land onnoemlijke schade toe te brengen, maar vernietigde hij tevens onzen handel, voorzoover die nog bestond. Koning Lodewijk kon zich tegen de invoering van dit stelsel niet verzetten, doch liet den uitgebreiden smokkelhandel, die nu ontstond, oogluikend toe, waardoor hij zich den toorn zijns broeders op den hals haalde. â Tien jaren na den inval in Noord-Holland zond Engeland opnieuw eene zeemacht naar onze kusten. Eene vloot van honderden oorlog- en transportschepen bracht een leger onder lord Chatham naar Walcheren over, om dit eiland te vermeesteren, en de werven en arsenalen van Vlissingen en Antwerpen te vernielen. Middelburg en Vere moesten zich overgeven, ook Vlissingen na een bombardement, waarbij nauwelijks één huis onbeschadigd bleef. Schouwen, Duiveland en Zuid-Beveland vielen almede J. M. Vos, Vaderl. Gesch. 1quot; druk. 15
226
den vijand in handen, maar Chatham verzuimde Antwerpen aan te tasten. Hierdoor gelukte het aan de doeltreffende maatregelen van Lodewijk, gesteund door een Fransch leger, hem naar Walcheren terug te drijven, waar de Engelschen zooveel te lijden hadden van de Zeeuwsche koortsen, dat tot den aftocht werd besloten, die nog vóór 't einde van 1809 plaats had.
Deze gebeurtenissen verhaastten de uitvoering der plannen, die Napoleon waarschijnlijk reeds lang met ons voor had. Hij liet Zeeland door zijne troepen bezetten, en overlaadde zijn broeder, die in Dec. naar Parijs was vertrokken, met verwijten en beleedigingen. Zelfs was Lodewijk verplicht in Maart 1810 een verdrag te teekenen, waarbij Zeeland, Brabant en 't zuiden van Gelderland aan Frankrijk werden afgestaan. In Holland teruggekeerd moest de koning gedoogen, dat Fransche soldaten en tolbeambten 't land binnentrokken om den sluikhandel te weren, en dat de Fransche gezant zich allerlei aanmatigingen veroorloofde. Ten einde raad wilde Lodewijk de wapenen tegen zijn broeder opvatten, en Amsterdam tot 't uiterste verdedigen; maar zijne ministers weigerden ten behoeve van een vreemden vorst tot zulk eene wanhopige daad mede te werken. In plaats van een bevel uit Parijs af te wachten, om de kroon neder te leggen, deed de koning den 1quot; Juli 1810 vrijwillig afstand ten behoeve van zijn oudsten zoon Lodewijk Napoleon, onder regentschap van zijne gemalin Hortense (de dochter van Josephine de Beauharnais, Napoleons eerste gemalin). Sedert leefde Lodewijk als graaf van St.-Leu in Boheme en Italië; hij stierf in 1846.
Het behoeft nauwelijks vermelding, dat Napoleon zich aan de bepalingen van Lodewijk omtrent de opvolging volstrekt niet stoorde. Reeds den 9'° Juli vaardigde hij 't decreet uit, dat Holland, volgens hem een aanslibsel van de Fransche rivieren, bij 't keizerrijk was ingelijfd. Dit besluit werd weldra gevolgd door de komst van den 72jarigen Le Brun, hertog van Plaisance, die 't algemeen bestuur zou voeren. Hij vestigde zich te Amsterdam, dat tot derde hoofdstad van 't rijk werd verklaard (Parijs was de eerste, Rome de tweede). De departementen kwamen
227
onder 't bestuur van prefecten; verder had men onder-prefecten en aan 't hoofd der gemeenten maires. Met uitzondering van De Celles en De Stassart, die Belgen waren, werden Nederlanders tot prefect aangesteld; beide vreemdelingen maakten zich gehaat door hunne hardvochtigheid.
Do namen der departementen waren: Ems Oriental, Ems Occidental , Frise, Bouches de Flssel, Issel Supérieur, Zuiderzee, Bouches du Rhin, Bouches de la Meuse, Bouches de I'Escaut.
De inlijving bracht mede, dat eenige aanzienliike Nederlanders zitting namen in de hooge regeeringslichamen te Parijs, en de geheele Fransche wetgeving voortaan ook voor ons land geldig werd verklaard. Na de bevrijding zijn de Fransche wetten eerst langzamerhand door Nederlandsche vervangen.
De inlijving bij Frankrijk stuitte nergens op verzet, gewoon als men was sedert eenige jaren zich in alles te schikken, wat de keizer over ons land besloot. Zelfs vleiden velen zich met de hoop, dat de belangen des lands als deel van 't keizerrijk meer zouden ontzien worden, dan als vazal-staat. Die hoop werd bitter teleurgesteld; eene reeks van besluiten, 't een nog harder dan 't ander volgden elkander spoedig op. Het decreet van inlijving bevatte al dadelijk de bepaling, dat de rente dei' publieke schuld slechts voor een derde onder de lasten werd gebracht {tiërceering). Deze oneerlijke maatregel benadeelde niet alleen tal van welgestelde burgers, maar beroofde ook vele liefdadige gestichten en instellingen van twee derden hunner inkomsten. Op de tiërceering volgde in 1811 de invoering der conscriptie. Jaar-lijks zou 't lot aanwijzen welke jongelingen van twintigjarigen leeftijd gedurende vijf jaar in 't leger of op de vloot moesten dienen; zelfs werd de conscriptie uitgestrekt tot hen, die in een der drie vorige jaren dien leeftijd hadden bereikt. Die harde maatregel werd nog verzwaard door allerlei schandelijke willekeur in de uitvoering, vooral van de zijde der vreemde prefecten. Wie eenmaal soldaat was, kwam niet weer bij de zijnen terug, tenzij verminkt en dus ongeschikt voor den dienst; maar zulk een invalide mocht zich nog gelukkig rekenen bij de vele duizenden,
15*
228
die op de slagvelden van Rusland, Duitschland of Spanje voor den vreemden overweldiger 't leven lieten. â Het continentaal-stelsel werd thans zonder verschooning in toepassing gebracht, zelfs bepaalde een besluit van Oct. 1810, dat alle Engelsche fabriekswaren verbrand moesten worden: en zoo werd voor eene waarde van millioenen moedwillig aan de vlammen overgeleverd. Door den stilstand in alle handelszaken rees inzonderheid de prijs der koloniale waren tot zulk eene hoogte, dat ze niet langer onder 't bereik der verarmde burgers vielen, die zich met allerlei surrogaten moesten behelpen. De tabakshandel werd een monopolie van den staat, die zijne waar op hoogen prijs hield, en de tabaksfabrikanten en winkeliers van hun bestaanmiddel beroofde. â Met den prijs van de meeste dagelijksche benoodigdheden steeg nog 't getal millioenen, dat aan belastingen moest worden opgebracht, ofschoon bij de toenemende armoede velen geheel onvermogend waren, iets bij te dragen. Overal nam de welvaart af, de bevolking verminderde zichtbaar, in vele plaatsen moest een groot gedeelte der burgers geheel van de liefdadigheid leven, honderden huizen werden voor afbraak verkocht, buitenplaatsen voor een bagatel overgedaan, dienstboden ontslagen, paarden en rijtuigen afgeschaft.
De ontevredenheid, veroorzaakt door de ellende, die 't Fransche bestuur over ons land bracht, werd dagelijks grooter. Maar men mocht niet klagen; daarvoor waakten de censuur en de politie. De drukpers werd geheel aan banden gelegd; geen geschrift mocht verschijnen dan met goedvinden der regeering. Aan enkele dagbladen slechts was het geoorloofd, zich over de staatszaken uit te laten, mits ten gunste der regeering; hunne berichten waren daarom volkomen onvertrouwbaar. Handlangers der achterdochtige politie slopen overal rond, om elk verdacht woord op te vangen en over te brengen, zoodat het zelfs in besloten kringen gevaarlijk was, zich ongunstig over de regeering uit te laten.
Om de Nederlanders in Franschen te herscheppen, moest vooral hunne taal verdrongen worden. Daartoe schreef Napoleon voor, dat op alle scholen Fransch zou onderwezen worden, en in alle
229
offlciëele stukken en dagbladen eene Fransche vertaling van den inhoud moest worden opgenomen. â Alleen de hoogescholen te Leiden en Groningen mochten blijven bestaan, de overige werden opgeheven of inrichtingen van lageren rang; tot de volledige uitvoering van dit besluit kwam het echter niet. â Zoo trachtte de keizerlijke regeering zich duurzaam te vestigen door een volkomen stelsel van dwang en onderdrukking. De geheime politie schroomde niet de huizen binnen te dringen en 't brievengeheim te schenden, om de denkwijze van verschillende personen uit te vorschen; zij lokte zelve oploopen uit, om den volksgeest te leeren kennen en de bedrijvers door strenge straffen tot een afschrikwekkend voorbeeld te kunnen stellen.
Ondanks de ellende, waarin de Fransche heerschappij ons land dompelde, heeft zij ook in sommige opzichten gunstig gewerkt. De vereeniging der gewesten tot eene staatseenheid maakte langzamerhand een einde aan 't bekrompen provincialisme van vroeger dagen; daarbij werd door de invoering van eenheid in wetgeving en administratie door den Code Napoléon onze staat op een goeden grondslag gevestigd. Ook de vroegere partijschappen verdwenen; de gemeenschappelijke nood bracht de vijanden van vroeger tot elkander.
Napoleon stond in 1812 op 't toppunt zijner macht; maar nu was ook zijn val nabij. Zijne onverzadelijke heerschzucht leidde hem tot eene oorlogsverklaring aan Rusland. Hij trok dit uitgestrekte rijk binnen met een half millioen manschappen, 't grootste leger dat hij ooit bijeenbracht; doch slechts een klein gedeelte zijner troepen keerde na een noodlottigen terugtocht weder. quot;Weldra vielen zijne meeste bondgenooten van hem af. Om in de behoefte aan soldaten te voorzien, werden zelfs zij tot den krijgsdienst gedwongen, die den vereischten leeftijd nog niet hadden bereikt. Een andere maatregel van geweld trof de aanzienlijke klasse. In 't begin van 1813 richtte Napoleon eene garde d'honneur of eerewacht te paard op, waarvoor ons land bijna 600 man moest leveren. Omdat ieder soldaat dier garde zijne eigen uitrusting moest bekostigen, werden alleen gegoede jongelieden opgeroepen, die voor 't meerendeel vroeger een plaatsver-
230
vanger hadden gesteld. â Gedurende 't jaar 1813 werd de oorlog tegen de verbonden mogendheden met afwisselend geluk gevoerd, totdat de volkenslag bij Leipzig (16, 18 en 19 Oct.) Napoleon dwong, zich tot de verdediging van Frankrijk te bepalen.
De nederlagen van den keizer verlevendigden de hoop op bevrijding van 't Fransche juk. Reeds begonnen sommige Fransche ambtenaren de wijk te nemen, en de bondgenooten onze grenzen te naderen. Het stond echter te vreezen, dat de lang onderdrukte volkswoede tot eene vreeselijke uitbarsting zou komen, en de mogendheden ons land als een wingewest zouden beschouwen en behandelen. Die vrees was inderdaad niet overdreven; nog den r» Dec. 1813 boden Rusland, Oostenrijk en Pruisen Napoleon 't behoud van Frankrijk aan met Holland voor een zijner broeders , maar tot ons geluk wilde hij van die voorwaarden niets weten. â Gelukkig hadden eenige ondernemende mannen die gevaren voorzien, en begrepen, dat men zelf de hand aan 't werk der bevrijding moest slaan en een voorloopig beduur instellen. Tot hen behoorden de Leidsche hoogleeraar Kamper en de Am-sterdamsche kapitein der nationale garde Falck. Zij stonden in betrekking met verscheidene heeren in Den Haag, die zich van de medewerking van een vierhonderdtal personen hadden verzekerd. Om aan de nasporingen der argwanende Fransche politie te ontsnappen, had men niets aangaande de overeenkomst op schrift gebracht, noch de deelnemers daaraan met elkanders toetreden bekend gemaakt. De hoofdleiders waren Gijsbert Karei van Hogendorp (een kleinzoon van O. Z. van Haren), de graaf Van Limburg Stirum en de baron Van der Duyn van Maasdam; zij beoogden herstel onzer onafhankelijkheid, en eene regeering met den prins van Oranje aan 't hoofd.
Het vertrek van generaal Molitor met 't Fransche garnizoen uit Amsterdam naar Utrecht scheen 't sein, waarop men gewacht had, om in openlijk verzet te komen. Nauwelijks was hij vertrokken , of 't volk kwam op de been, tooide zich met oranjelinten en gaf op de luidruchtigste wijze zijne vreugde te kennen (15 Nov. 1813). Alles wat aan de Franschen herinnerde, als douanenhuisjes en uithangborden, werd vernield of in brand ge-
231
stoken; maar toen 't volk zich aan de woningen der gehate Fransche ambtenaren begon te vergrijpen, begreep Falck, dat het tijd werd dien moedwil te stuiten, hetgeen hem en zijne nationale garde (schutterij) gelukte. Le Brun en De Celles hadden intus-schen de stad verlaten, waarover eenige aanzienlijke ingezetenen op verzoek van Falck voorloopig 't bestuur op zich namen. zonder evenwel vóór of tegen de Franschen partij te kiezen. â Nauwelijks was men te 's-Hage van deze gebeurtenis onderricht» of Van Limburg Stirum vertoonde zich, na overleg met den kolonel der nationale garde, met de oranjekleur op de straat, een voorbeeld, dat dadelijk navolging vond. De Stassart vluchtte en de bezetting trok af, waarna Van Stirum in naam van den prins van Oranje 't bestuur over de stad aanvaardde (17 Nov.). Eene vergadering van vroegere prinsgezinde regenten door Van Hogendorp bijeengeroepen, om een voorloopig bestuur in testellen , had niet 't gewenschte gevolg; evenmin eene tweede bijeenkomst, waartoe ook voormalige patriotten waren uitgenoodigd. Daarom namen Van Hogendorp en Van der Duyn van Maasdam, door Van Stirum en anderen aangezocht, 't hoog bewind op zich tot de komst van den prins (21 Nov.). Daar de Franschen nog verschillende plaatsen bezet hielden, traden de Hollandsche steden eerst langzamerhand toe; Woerden, dat door Haagsche vrijwilligers was genomen, werd door eene Fransche bende uit Utrecht overvallen, die er een gruwelijk bloedbad aanrichtte. De prins, die zich te Londen ophield, werd door Fag-el en De Perponcher, daarheen afgevaardigd, uitgenoodigd in ons land terug te keeren. Reeds den 30'° Nov. landde de prins te Scheveningen, waar hij met eene onbeschrijfelijke geestdrift werd ontvangen. Er bleek nu verschil te bestaan over den titel, waaronder men den prins de regeering zou opdragen. Sommigen, zooals Van Hogendorp, waren voor 't herstel van 't stadhouderlijk bestuur met de noodige verbeteringen, en uitbreiding van 't gezag des stadhouders. Anderen wilden geheel met 't oude breken, door den prins 't hoogste gezag op te dragen met den titel van souvereinen vorst. Van dit gevoelen waren Kemper en zijn ambtgenoot Scholten, die (als commissarissen-generaal naar Amsterdam vertrokken) be-
232
werkten, dat 't stedelijk bestuur den 1quot; Dec. onder 't gejuich der menigte, den prins tot souvereinen vorst uitriep. De prins zelf aarzelde, toen Scholten hem den 2quot; Dec. te Haarlem die waardigheid aanbood; maar nog denzelfden dag te Amsterdam gekomen, verklaarde hij de souvereiniteit te aanvaarden, beperkt door eene grondwet.
Terwijl deze gebeurtenissen in Holland voorvielen, waren de voornaamste vestingen nog in de macht der Franschen, doch met hulp der kozakken en Pruisen werden zii in 't begin van 1814 veroverd. Eerst den 4quot; Mei gaf 't door Napoleon versterkte Den Helder zich over, waar de admiraal Verhuell, ofschoon een Nederlander, op een bevel tot ontruiming uit Frankrijk had gewacht. Den 12quot;quot; verlieten de Franschen Naarden, en toen den 23quot; Delfzijl werd ingenomen, was 't geheele land van vijanden bevrijd.
§ 3. De Buitenlandsche bezittingen.
1802. Ceylon aan Engeland afgestaan.
1808âiSll. Daendels gouverneur-generaal.
l8ll. Java gaat verloren. Raffles gouverneur-generaal.
1814. Tractaat van teruggave.
Bij den vrede van Amiens behield Engeland alleen Ceylon. Toen echter de oorlog in 't volgende jaar weder uitbrak, waren alle bezittingen nog niet teruggegeven, zoodat de Bataafsche republiek in 1803 behalve Java, alleen Macassar, Palembang, de Molukken, de Kaapkolonie, de forten op de kust van Guinea, Suriname en Curasao bezat. Daar de Engelschen opnieuw die gewesten bedreigden, werd eene vloot naar de Indische wateren gezonden; maar de verkeerde maatregelen van den vice-admiraal Hartsinck hadden ten gevolge, dat de meeste schepen verloren gingen, de vijand ongehinderd onze koopvaarders op de reede van Batavia kon verbranden en de magazijnen op 't eilandje Onrust vernielen. In 1806 veroverden de Engelschen opnieuw de Kaapkolonie; de gouverneur Janssens bood nauwelijks wederstand, ofschoon hij ruim van de middelen was voorzien, om den strijd vol te houden. â Reeds in 1804 was Suriname verloren gegaan, en Curasao aangetast. Die aanval werd afgeslagen, maar op den nieuwjaarsmorgen van 1807 maakten de Engelschen zich de zorgeloosheid der bezetting ten nutte, en vermeesterden 't eiland.
Onder 't bestuur der gouverneurs Sieberg en Wiese (1801â1808)
233
gingen de zaken in Indië steeds meer achteruit, en weinig scheelde het, of toen reeds zon Java verloren zijn gegaan, indien niet te rechter tijd de nieuwbenoemde gouverneur te Batavia ware aangekomen (1 Jan. 1808). Deze was de generaal Daendels, die in de omwentelingsdagen zulk eene belangrijke rol had gespeeld. Hij had in last de overgebleven bezittingen tot 't uiterste te verdedigen en 't bestuur geheel te hervormen, waartoe hem eene bijna onbegrensde vrijheid van handelen was geschonken. Het is haast ongeloofelyk hoeveel deze doortastende man met geringe middelen, maar met een ijzeren wil in drie jaren tijds tot stand bracht, al moet men het betreuren, dat hij bij zijne hervormingen soms weinig op de eischen der menschelijkheid lette. Hij verbeterde de vestingwerken, herstelde de krijgstucht, versterkte 't leger met duizenden inlanders en rustte eene nieuwe zeemacht uit, daar de vloot geheel vernietigd was. Aan de oneerlijkheid der ambtenaren werd door strenge strafbepalingen, maar tevens door ruimere bezoldigingen een einde gemaakt, terwijl de inlanders tegen de afpersingen hunner hoofden werden beschermd. De koffiecultuur onderging eene belangrijke uitbreiding door de aanplanting van 45 millioen boomen, de arbeiders in de koffietuinen ontvingen betere belooning en waren vrij van heerendiensten, die voor 't overige zwaar op de Javanen drukten. Te Batavia, met recht 't graf der Hollanders genoemd, werden grachten gedempt, muren en poorten gesloopt en ruim gebouwde voorsteden aangelegd, waardoor de plaats voortaan een veel gezonder verblijf aanbood. Het omvangrijkste werk, op last van Daendels uitgevoerd, was zeker de groote postweg door 't noorden van Java tusschen Anjer en Panaroekan, een afstand van 200 uren gaans. Die weg over heuvelen en door dalen, over een groot getal rivieren en moerassen aangelegd, kwam in één jaar gereed, maar met opoffering van talrijke menschenlevens en grootendeels door gedwongen arbeid. In 7 dagen werd voortaan een afstand afgelegd, waartoe men vroeger 40 dagen noodig had, en daardoor niet alleen de verzending der producten bespoedigd, maar ook de verdediging gemakkelijker gemaakt.
Inmiddels hadden de Engelschen de overgebleven buitenposten veroverd, zoodat in 1811 alleen Java van alle vroegere bezittingen was overgebleven. Het was dus te voorzien, dat weldra ook deze schoone bezitting, die thans in een vrij bloeienden toestand verkeerde, zou aangevallen worden, en daarom onvoorzichtig den man te verwijderen, van wien de krachtigste verdediging kon verwacht worden. Toch werd Daendels teruggeroepen, wellicht omdat Napoleon vreesde, dat hij zich tot onafhankelijk regent zou opwerpen. Hij nam vervolgens deel aan den tocht naar Rusland, en stierf in 1818 aan de kust van Guinea, waar hij 't ambt van gouverneur vervulde.
234
Daendels' opvolger Janssens bekleedde zijn post slechts vier maanden. In Juni 1811 verscheen eene groote vloot voor Batavia, die een leger van 12.000 man ontscheepte. Ofschoon de middelen tot verdediging niet ontbraken, werd daarvan geen partij getrokken, en zoo ging ook de belangrijkste onzer bezittingen in Engelsche handen over. De eenige plek, waar sedert 1811 de Nederlandsche vlag bleef waaien, was 'tJapansche eilandje Decima; de bestuurder der Hol-landsche factory aldaar, Hendrik Doeif, weigerde volstandig zoowel Franschen als Engelschen toe laten.
Het bestuur over 't voormalige Nederlandsch-Indië kwam nu in handen van den hoogst bekwamen gouverneur Raffles, wien een uitgebreid gezag werd verleend, dat hij ten nutte der bevolking aanwendde. Zijn doel was Java tot eene blijvende Engelsche bezitting te maken, en daarom de Javanen gunstig voor zijn bestuur te stemmen. Hij beperkte nog meer dan Daendels 'tgezag der inlandsche hoofden, hief de meeste heerendiensten op en ging den slavenhandel te keer. In plaats van 't contingenten-stelsel (bl. 170) kwam 't landrentestelsel, d. i. de Javanen kregen de vrijheid die gewassen te verbouwen, welke zij verkozen, tegen betaling van een gedeelte der opbrengst, hetzy in producten of in geld. Alleen de verplichte koffiecultuur in de Prean-ger-regentschappen bleef bestaan, alsmede de blandongdiensten of de gedwongen arbeid in de djatibosschen, en de heerendiensten voor 't onderhoud der wegen, Het Bataviaasch c/enootschap voor Kunsten en Wetenschappen, in 1778 opgericht, vond in Raffles een ijverigen voorstander, die zelf eene geschiedenis van Java schreef, welke van veel kennis, maar ook van veel haat tegen de Nederlanders getuigde.
Bij 'ttractaat van Aug. 1814 gaf Engeland onze bezittingen terug behalve Demerary, Essequebo, Berbice en de Kaapkolonie, waarvoor het echter 86 millioen betaalde; tevens kregen wij Banka in ruil voor Cochin. Door de tegenwerking van Raffles duurde het tot 1817 eer 't tractaat was uitgevoerd; ook vestigden de Engelschen zich door zijn toedoen op Singapore, en stichtten zij een kantoor te Atjeh.
AFDEELING II.
Het koninkryk der Nederlanden.
Sedert 1813.
§ 1. Vestiging van 'tkoninkrvjk.
1814. De grondwet aangenomen. De souvereine vorst ingehuldigd.
1815. Vereeniging met België. Slag bij Waterloo De grondwet gewijzigd.
Gedurende de eerste maanden van 1814 betwistte Napoleon voet voor voet 'tFransche grondgebied aan de voortrukkende bondgenooten,
235
totdat hij den 2⢠April van den troon vervallen werd verklaard . en don llcn eene akte van afstand teekende. Hij behield den titel van keizer en kreeg 't eiland Elba in volle souvereiniteit met een ruim jaargeld. De oudste broeder van Lodevvijk XVI nam met goedvinden der mogendheden bezit van den troon onder den titel van Lode-wijk XVIII, en sloot met hen den vrede te Parijs.
De eerste zorgen van den souvereinen vorst betroffen de landsverdediging en de financiën. In de behoefte aan geld werd voor-loopig voorzien door ruime vrijwillige bijdragen, maar de lust om vrijwillig in den krijgsdienst te treden bleek gering. Daarom werden alle weerbare mannen van 17 tot 50 jaar opgeroepen, om zich in den wapenhandel te oefenen {landstorm), en uit hen een staand leger gevormd van vrijwilligers en lotelingen.
Den 21'quot; Dec. 1813 had de vorst eene commissie benoemd om de grondwet samen te stellen, waarnaar ons land zou worden geregeerd. Een der 15 leden was Van Hog-endorp, die tot voorzitter werd verkozen, en reeds tijdens de inlijving eene grondwet had ontworpen, waarop volgens 't verlangen van den vorst bij de besprekingen zou worden gelet. Niettemin nam de vergadering talrijke besluiten strijdig met Van Hogendorps schets, waarin te veel van de oude staatsregeling was overgenomen. Den 2quot;' Maart 1814 had de commissie hare taak volbracht, waarna 't ontwerp aan de goed- of afkeuring eener rerguderiny van nota-helen werd onderworpen. Van de 600 personen, die opgeroepen waren, verschenen (28 Maart) 483 in de Nieuwe kerk te Amsterdam, waar met groote meerderheid de grondwet aangenomen werd (448 voor, 26 tegen, 9 buiten stemming). Den volgenden dag werd de souvereine vorst op dezelfde plaats plechtig ingehuldigd.
7gt;' r/fonchvet van 1814 bevatte in hoofdzaak 't volgende: De sou-vereiniteit wordt erfelijk opgedragen aan Z. K. H. Willem Frederik, prins van Oranje. â De vorst deelt de vetyevende macht met de .Staten-Generaal en bezit de uitvoerende macht alleen. Hij wordt ter zijde gestaan door een Raad van State (12 leden), benoemt en ontslaat zijne ministers, heeft 't opperbestuur over de builenlandsche bezittingen . 't recht om oorlog te verklaren en vrede te sluiten. om verbonden
236
en verdragen met vreemde mogendheden aan te gaan, om over de vloot en 't leger te beschikken. Hij heeft 't opperbestuur over de algemeene geldmiddelen en 't recht van de munt, de bevoegdheid om met goedvinden der Staten-Generaal ridderorden in te stellen en 't recht van gratie. â De Staten-Generaal bestaan uit eene kamer van 55 leden, benoemd door de Staten der negen provinciën (Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijsel, Groningen, Brabant, Drente). De leden hebben zitting voor 8 jaren, maar zijn herkiesbaar; elk jaar treedt ^3 af. Zij stemmen zonder last van, of ruggespraak met de vergadering, die hen benoemt; 1/4 der leden moet uit de ridderschap worden verkozen. Zij hebben 't recht van initiatief (wetten voor te stellen). â Het opperste gerechtshof is de Hooye Raad (eerst in 1838 ingesteld); voorts zijn er provinciale hoven, terwijl de verdere regeling van 't rechtswezen bij eene afzonderlijke wet zal geschieden. â De souvereine vorst moet behooren tot de hervormde kerk. Aan alle bestaande godsdiensten wordt gelijke bescherming verleend; hunne belijders hebben dezelfde rechten en aanspraken op 't bekleeden van ambten, enz. â De begrooting der staatsuitgaven moet door de Staten-Generaal worden goedgekeurd en wordt verdeeld in eene gewone en eene buitengewone; de eerste behoeft niet elk jaar te worden vastgesteld. Eene algemeene rekenkamer houdt toezicht op 't beheer der financiën. â De provinciale staten besturen alleen de zaken van hun gewest; zij bestaan uit afgevaardigden der ridderschap en der steden, de leden worden gekozen door de hoogstaangeslagenen in de belastingen. Voorzitter is de commissaris of gouverneur der provincie, die met de gedeputeerde staten't uitvoerend bestuur heeft.--De leden der stedelijke regeeringeti worden voor hun leven gekozen door kiezerscollegiën en deze door de stemgerechtigden. De burgemeester staat aan 't hoofd van 't stedelijk bestuur en wordt gekozen door den vorst uit een drietal, opgemaakt door genoemd bestuur. De besturen der plattelandsgemeenten worden voor zes jaren benoemd door de provinciale staten.
Bij den vrede van Parijs (30 Mei 1814) werd bepaald, dat Holland onder 't huis van Oranje vergrooting van gebied zou erlangen. Op voorstel van Engeland besloten de mogendheden vervolgens de Zuidelijke met de Noordelijke Nederlanden te vereenigen tot een koninkrijk, terwijl Oostenrijk voor den afstand van België in Italië zou schadeloos gesteld worden. Voorts kreeg de souvereine vorst in ruil voor zijne Duitsche landen 't groothertogdom Luxemburg, dat een deel zou uitmaken van 't Duitsche verbond. De voorwaarden, waarop de vereeniging zou plaats hebben,
287
werden in Juni op eene conferentie te Londen vastgesteld. Zij waarborgden aan België gelijkstelling met Noord-Nederland, en bescherming en gelijke rechten aan alle godsdiensten. â Met de vereeniging der beide landen beoogden de mogendheden de vorming van een staat, die krachtig genoeg zou zijn, om een eersten aanval van Frankrijk te weerstaan; maar alsof de aanhechting van België geheel in ons belang was geschied, vorderden zij eenige millioenen als aandeel in de oorlogskosten, versterking der vestingen in 't zuiden, en een deel onzer buitenlandsche bezittingen (bl. 234).
Den 1quot; Aug. 1814 nam de vorst voorloopig 't bestuur over België op zich, hoewel de vereeniging eerst in Febr. van 't volgende jaar door 't congres te Weenen werd vastgesteld. Nog waren de onderhandelingen over deze zaak niet geheel afgeloopen. toen Willem I den 16'quot; Maart 1815 eene proclamatie uitvaardigde, waarbij hij 't Koninkrijk der Nederlanden voor gevestigd verklaarde en dus den titel van koning aannam. Aanleiding tot deze daad gaf de terugkomst van Napoleon, die Elba heimelijk had verlaten, in 't zuiden van Frankrijk was geland, en weer bezit van den troon had genomen. De oorlog brak opnieuw uit; Napoleon viel in België en behaalde eene overwinning op de Pruisen bij Ligny op denzelfden dag, dat de kroonprins bij Quatre-Bras met eene geringe macht den maarschalk Ney tegenhield (16 Juni). Twee dagen later won de hertog van Wellington den beslissenden slag bij Waterloo, waarin de prins van Oranje eene wonde bekwam. Napoleon moest ten tweeden male de kroon nederleggen, en werd door de Engelschen naar St.-Helena gevoerd, waar hij in 1821 overleed. Bij den tweeden vrede van Parijs, die nu gesloten werd, moest Frankrijk o.a. 700 miliioen betalen, waarvan ons land 60 ontving; ook kreeg het eenige vergrooting van gebied.
De vereeniging met België maakte eene herziening der grondwet noodig, die opgedragen werd aan eene commissie van 24 leden (uit elk der beide dealen van 't koninkrijk 12). Ook nu was Van Hogendorp voorzitter der commissie, die van 1 Mei tot 14 Juli vergaderde.
238
De i/rondwet van 1815 verschilde hoofdzakelijk in de volgende punten van die des vorigen jaars: Het koninkrijk der Nederlanden bestond nit 17 provinciën; Noord-Brabant, Zuid-Brabant, Limburg, Gelderland, Luik, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen. Henegouwen, Holland, Zeeland, Namen, Antwerpen, Utrecht, Friesland, Oveiijsel, Groningen en Drente. (Het groothertogdom Luxemburg kreeg dezelfde grondwet, behoudens zijne betrekkingen tot den Duitseben bond, en zond ook afgevaardigden naar de Staten-Generaal.) â Het inkomen van den koning, vroeger 1,5 millioen, werd verhoogd tot 2,4 millioen.â Het artikel betreffende den godsdienst van den koning verviel. â De Staten-Generaal bestonden uit twee kamers; de Tweede kamer telde 110 leden, waarvan de eene helft werd gekozen uit de noordelijke, de andere helft uit de zuidelijke gewesten. De Eerste hamer bestond uit 40 a 60 leden. door den koning voor hun leven benoemd. De zittingen der kamers zouden openbaar zijn, en beurtelings gedurende een jaar te 's-Gravmhage en te Brussel worden gehouden. â De begrooting der gewone uitgaven zou voor 10 jaar worden vastgesteld, die der buitengewone voor één jaar. â De leden der provinciale staten werden gekozen door de edelen, de steden en den landelijken stand. â Nog verdient opmerking, dat vrijheid van drukpers werd toegezegd, en dat de ministers niet verantwoordelijk waren.
De gewijzigde grondwet werd vervolgens aan de goed- of afkeuring der beide bestanddeelen van 't koninkrijk onderworpen. Nu had de wet van 1814 de Staten-Generaal, voor die gelegenheid verdubbeld, aangewezen om namens 't geheele volk uitspraak te doen. In Aug. kwam die vergadering bijeen, en keurde 't ontwerp eenparig goed. In 't zuiden, waar nog geene volksvertegenwoordiging bestond, werd gehandeld als vroeger in 't noorden, maar met geheel anderen uitslag. â De vereeniging van noord en zuid was op last der groote mogendheden geschied, zonder dat 't volk geraadpleegd was. Toonde men zich in ons land daarmede ingenomen, in België wekte zij veel ontevredenheid, vooral bij de geestelijkheid, die in dit katholieke land veel invloed bezat, en dezen bedreigd zag onder de regeering van een protes-tantschen vorst. Zij, inzonderheid de bisschop van Gent, De Brogilo, verklaarde zich dan ook openlijk tegen de grondwet, bewerende dat geen oprecht katholiek ze kon goedkeuren, omdat gelijkstelling der beide godsdiensten er in was opgenomen. Het gevolg van dien heftigen tegenstand was, dat van de 1603 nota-
289
beien slechts 527 vóór 't ontwerp stemden, en dus de groote meerderheid het verwierp. De regeering geraakte hierdoor in geene geringe verlegenheid, daar het onmogelijk was eene grondwet samen te stellen, die de Belgische geestelijkheid zou bevredigen. Zij redde zich uit die moeilijkheid door op eene zeer gezochte wijze te verklaren, dat de grondwet als aangenomen moest worden beschouwd. Onder de tegenstemmers hadden namelijk 126 hunne afkeuring gegrond op de bepaling omtrent den godsdienst; daar nu die bepaling uitdrukkelijk door de conferentie te Londen was voorgeschreven (bl. 287), mochten zij om die reden niet tegenstemmen, en werden zij onder de voorstemmers geteld. Hiertoe werden ook gerekend de 280 personen, die niet ter vergadering verschenen waren; eindelijk werd gewezen op de eenparigheid, waarmede de Staten-Generaal de grondwet hadden goedgekeurd.
§ 2. Reyeeriuy van Willem I.
1816. Tocht naar Algiers,
1822. Het amortisatie-syndicaat ingesteld.
1824. De handelmaatschappij opgericht.
1825. Zware overstroomingen.
1828. Belgische Unie.
Het gevaar voor eene nieuwe Fransche overheersching was door den slag bij Waterloo gelukkig afgewend. Velen, die zich in de laatste gevechten gunstig hadden onderscheiden, ontvingen de Militaire Willemsorde, reeds in April (1815) door den koning ingesteld. Nog in 't zelfde jaar werd de orde van den Neder-landschen Leeuw in 't aanzijn geroepen, om burgerlijke verdiensten te erkennen. â De kroonprins, wien bij de grondwet de titej van prins van Oranje was toegekend, ontving als belooning voor zijne diensten in den jongsten oorlog 't domein Soestdijk met 't park en paleis Tervueren bij Brussel. Hij huwde in 1816 met Anna Paulowna, eene zuster van keizer Alexander I van Rusland.
üit dit huwelijk werden geboren: Willem Alexander Paul Frede-rik Lodewijk (1817â1890, koning Willem ITIj, Alexander (1818â 1849), Willem Frederik Hendrik (1820â1879); Wilhelmina Maria Sofia Louise (groothertogin v;m Saksen-Weimar),
240
Om de zeerooverijen der Algerijnen tegen te gaan, zond Engeland in 1816 eene vloot onder lord Exmouth naar de Middel-landsche zee, waarbij ons land zes schepen voegde onder den vice-admiraal baron Van de Capellen. Na een hevig bombardement der stad Algiers moest de dey zich onderwerpen en aan meer dan 1000 christenslaven de vrijheid teruggeven.
De toestand, waarin zich 't koninkrijk bij zijne oprichting bevond, was verre van gunstig. De vreemde heerschappij had ons land financieel uitgeput, de bevolking verarmd, de bronnen van welvaart doen opdrogen, den ondernemingsgeest uitgedoofd. In 't zuiden had de nijverheid zich ontwikkeld door de invoering van 't continentanlstelsel; maar nu dit was afgeschaft, beleefde 't fabriekwezen een moeilijken tijd van overgang. Daarbij deed de vochtige zomer van 1816 den oogst grootendeels mislukken _ waardoor de prijs der levensmiddelen zoo hoog steeg, dat de hongerende menigte in sommige plaatsen pakhuizen en winkels voor eetwaren plunderde. Nog grooter rampen bracht 't water te weeg in 1820 door dijkbreuken in Gelderland en Noord-Brabant, maar vooral in 1825, toen een groot deel van Noord-Holland, Friesland en andere zeeprovincies vreeselijk van overstroomingen te lijden hadden.
De taak van Willem I als vorst van een pas opgerichten staat, die uit aan elkander vreemde bestanddeelen was samengesteld, mocht inderdaad zeer moeilijk genoemd worden; maar de koning vatte die taak met ijver op, en bezat den wil en de bekwaamheid, om de belangen zijner onderdanen te behartigen. Vooral legde hij zich toe op de bevordering van hun stoffelijk welzijn, en dikwijls met 't beste gevolg. Landbouw en veeteelt, handel en nijverheid, daarnaast ook wetenschap en kunst, vonden in hem een ijverigen beschermer en voorstander. â Nog in 1815 werd 't hooger onderwijs geregeld, waarbij de opgeheven academies werden hersteld, terwijl in 't volgende jaar naast de hoogeschool te Leuven, die te Gent en te Luik werden opgericht. Amsterdam en Antwerpen ontvingen ieder eene koninklijke academie van beeldende kunsten. Ook voor 't lager onderwijs werd zorg gedragen, o.a. door de oprichting van kiceekschólen voor onderwijzers
241
te Haarlem en te Lier. Tot opleiding van officieren voor de land- en zeemacht dienden de militaire academie te Breda en 't instituut voor de marine te Medemblik, dat later naar Willemsoord aan 't Nieuwediep werd overgeplaatst. ') â Onder de belangrijkste wetten, die langzamerhand de Fransche vervingen, moeten genoemd worden: 't burgerlijk wetboek, 't wetboek van koophandel en dat van burgerlijke rechts- en strafvordering (1838). In 1816 kwam door de aanneming van 't metrieke stelsel een einde aan de verwarring, die in 't gebruik van maten en gewichten heerschte; maar het duurde tot 1820 eer het volledig ingevoerd kon worden.
Xaast Amsterdam en Rotterdam begon ook Antwerpen zich weder op den handel toe te leggen, maar deze tak van bestaan bleef door verschillende oorzaken in een kwijnenden toestand verkeeren. Aan pogingen om ze opnieuw te doen bloeien, ontbrak het intusschen niet. In 1814 kwam de Nederlandsche hunk voor de oude Amsterdamsche in de plaats, tien jaar later werd de handelmaatschappij opgericht, die behalve andere voordeelen, 't recht verkreeg de gouvernements-producten uit Indië te halen en te verkoopen. Haar kapitaal bedroeg 87 millioen, waarvan 4 millioen door den koning was bijgedragen, die den aandeelhouders 47a 0/o rente waarborgde. â In 't belang van den buitenen binnenlandschen handel werden verschillende waterwegen aangelegd. Amsterdam kreeg 't Noord-Hollandsche kanaal (1819â 1825) tot verbinding met zijne voorhaven 't Nieuwediep, Rotterdam 't kanaal van Voorne (1827 â 1829). Bovendien werden in dezelfde jaren 't Zederik-kanaal, de Zuid-Willemsvaart, 't Apel-doornsche kanaal, de Bedemsvaart (baron Van Dedem) en verschillende kanalen in 't zuiden gegraven.
Aan goede landwegen schijnt men in ons waterrijk land in vroegere tijden minder behoefte gevoeld te hebben, ten minste waren bij den aanvang dezer eeuw de straatwegen nog zeldzaam, de drie noordelijke provinciën zelfs geheel daarvan verstoken.
Van 1850 tot 1854 bestond te Breda eene militaire academie voor de zee- en landmacht.
J. M. VOS, Vader 1. Gesch. 2e druk. '1G
242
Onder koning Lodewijk werden enkele aangelegd, sedert 1814 kwamen er meer, maar nog vele jaren gingen voorbij, eer ook kleinere plaatsen door goede kunstwegen waren verbonden. â Een voorstel van Willem I, om 't Haarlemmermeer droog te maken, werd in 1838 door de Tweede Kamer verworpen, daarentegen waren reeds vroeger door zijne tusschenkomst verschillende plassen drooggemaakt (Zuidpias), en indijkingen tot stand gebracht {Koegras). Werden aldus nuttelooze watervlakten en moerassen in welige akkers en weiden herschapen, ook onvruchtbare heidevelden werden door ontginning aan den landbouw dienstbaar gemaakt. Vooral de Maatschappij van Weldadigheid, in 1821 door generaal Van den Bosch met medewerking van den koning gesticht, nam die taak op zich. Zij stichtte de landbouwkoloniën Frederiksoord (naar prins Frederik genoemd). Veen-huizen en Ommerschans ') tot werkverschaffing aan armen. De beide laatste kwamen vervolgens aan den staat, die ze tot bedelaarskoloniën inrichtte. De veeteelt had het in de jaren 1818 â'14 zwaar te verantwoorden door de uit Pruisen overgebrachte runderpest; hierin vond de regeering aanleiding in 1818 te Utrecht eene veeartsenijschool op te richten.
Aan de belangen der zuidelijke provinciën schonk Willem I niet minder zijne aandacht, dan aan die van't noorden; inzonderheid trachtte hij de Belgische nijverheid te bevorderen. Door bestellingen , voorschotten en ondersteuning aan ondernemende indus-triëelen werden porcelein-, meubel-, linnen-, laken- en ijzerfabrieken voor ondergang bewaard, of tot nieuwen bloei gebracht. De beroemde machine-fabriek te Seraing onder 't bestuur van den Engelschman Cockerill had aan Willem 1 haar ontstaan te danken.
De houding der zuidelijke provinciën bij de invoering der grondwet liet weinig goeds van de toekomst verwachten, al scheen de vereeniging voor beide deelen zeer gewenscht. Inderdaad waren alle voorwaarden aanwezig, om 't nieuwe koninkrijk tot een bloeienden toestand te brengen. Het bezat een vruchtbaren bodem, een grooten rijkdom aan delfstoffen, uitgebreide koloniën,
) In 1892 'opoeheven.
243
handel en nijverheid. Het groote bezwaar, dat eene nauwe ver. binding der beide volken in den weg stond, was 't verschil in godsdienst, taal en geschiedenis, doch deze moeilijkheden werden niet onoverkomelijk geacht. De tijd zou echter leeren, dat de regeering van Willem I er niet in mocht slagen, de Belgen met hun lot te verzoenen.
De schuld hiervan lag gedeeltelijk aan den koning zeiven, die ondanks zijne groote verdiensten, de perken der bevoegdheid, hem bij de grondwet toegekend, dikwijls overschreed. Zelfstandig-van aard, meende hij, dat zijne inzichten altijd de juiste waren, en regelde hij belangrijke zaken zonder de Staten-Generaal te raadplegen. Zijne ministers beschouwde hij als de uitvoerders zijner bevelen; indien hunne meening van de zijne verschilde, kon hij niet met hen samenwerken. Dit had 't nadeelige gevolg, dat bekwame raadslieden als Van Hogen dorp, Roëll en Falck voor minder degelijke, doch meer gewillige dienaren moesten plaats maken. Eerstgenoemde door den koning tot graaf verheven , bekwam bij zijn aftreden als minister den titel van minister van staat, doch werd daarvan in 1819 beroofd, omdat hij als kamerlid tegen 's konings belastingvoorstellen opkwam.
In 't noorden was men gedurende de eerste jaren met 't bestuur van Willem I vrij wel tevreden; niet alzoo in 't zuiden, waar 't Oranje-huis 't vertrouwen der bevolking nog moest winnen. â Ondanks de vereeniging bleven de beide volken elkander als vreemden beschouwen, zoowel om bovengenoemde redenen, als wegens 't verschil in belangen. De Belgen (zij noemden zich liever zóó, dan Nederlanders) wilden invoerrechten tot bescherming van hunne nijverheid, de Noord-Nederlanders vrijen invoer om hun handel te bevorderen; de eersten waren voor directe, de laatsten voor verbruiksbelastingen.- Aanvankelijk zagen de Belgen hun wensch vervuld door de hooge inkomende rechten, welke op verschillende waren gelegd werden (1816-'19), maaide nadeelen, welke de ontluikende handel hierdoor ondervond, waren zoo groot, dat de regeering in 1821 voorstelde ze te verminderen , en accijnsen van 't geslacht en gemaal te heffen benevens belasting op 't personeel, hetgeen na hevige bestrijding
16*
244
.werd aangenomen. Natumiijk gevoelde 't noorden evenzeer den druk dier belastingen als 't zuiden, dat bovendien ontevreden was, omdat het moest bijdragen tot de rente der staatsschuld. De regeering had die schuld ten volle erkend en dus de tiërceering te niet gedaan, maar kon onmogelijk de interest geheel voldoen. Daarom verdeelde zij de nationale schuld in eene werkelijke (-J) en eene uitgestelde, en betaalde alleen rente van de eerste. Verder zou zij jaarlijks eenige millioenen aflossen en eene gelijke som van de uitgestelde onder de werkelijke schuld opnemen. Dit plan bleek evenwel onuitvoerbaar, want 't staatsbestuur, 't krijgswezen en de openbare werken, die hoe nuttig ook geen dadelijk voordeel afwierpen, eischten zooveel uitgaven, dat de regeering in plaats van schuld te delgen, telkens nieuwe leeningen moest sluiten. Een afdoende maatregel om 't evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven te herstellen. zou bestaan in de oprichting van een amortisatie-syndicaat, in 1822 door de Staten-Generaal goedgekeurd. Dit was namelijk een fonds, waaruit de buitengewone uitgaven en de rente benevens de amortisatie der werkelijke schuld betaald zouden worden, en dat hiertoe de beschikking kreeg over sommige belastingen, de domeinen en 't sluiten van nieuwe leeningen ten laste van den staat. De ware toestand van 't syndicaat bleef voor ieder een geheim, behalve voor eene commissie van 7 personen, die jaarlijks onderzoek daarnaar moesten doen, maar hunne bevinding aan niemand mochten openbaren. Zoo onttrok de koning 't beheer der financiën aan 't toezicht der vertegenwoordiging, terwijl 't syndicaat in plaats van schuld te delgen nieuwe leeningen sloot, waarom het wel eens spottend syndicat d'engloutissement (verzwelgings-s.) genoemd werd.
In 1815 bedroeg de staatsschuld 1719 millioen; in 1840 werd 't amortisatie-syndicaat opgeheven. en in 't volgende jaar de uitgestelde schuld tegen lagen koers onder de werkelijke opgenomen.
Het verschil in taal was geen gering beletsel voor eene innige verbinding tusschen noord en zuid; zelfs in de Vlaamsche gewesten was 't Fransch, ten minste onder de hoogere standen, zeer algemeen. De koning begreep, dat, wilde de vereeniging
245
duurzaam zijn, de verbreiding van 't Nederlandsch moest bevorderd worden, en stelde daarom 't gebruik dier taal, wat de openbare aangelegenheden betrof, sedert 1823 in de Vlaamsche provinciën verplichtend. Maar 't verzet tegen dit besluit was zoo algemeen, dat de uitvoering eerst werd verschoven en latei-geheel achterwege bleef. Het gaf echter aanleiding, dat de Belgen zich opnieuw verongelijkt achtten bij de Noord-Nederlanders, die volgens hen ook bij 't benoemen van ambtenaren en officieren werden voorgetrokken.
Na de invoering der grondwet bleef de Belgische geestelijkheid in haar verzet volharden; zij verbood den kamerleden en ambtenaren den eed op de grondwet af te leggen, ofschoon met weinig gevolg sedert de prins De Méan, aartsbisschop van Meche-len, als lid der Eerste kamer den eed had afgelegd. De ziel van den tegenstand was de reeds genoemde bisschop van Gent, die bij 't volk in hoog aanzien stond. Wegens zijne geschriften, waarin de regeering aansporing tot ongehoorzaamheid aan de wetten zag, en zijne ongeoorloofde briefwisseling met den paus werd hij tot verbanning veroordeeld (1817). Intusschen had De Brog-lio de wijk naar Frankrijk genomen, hetgeen niet verhinderde , dat zijn naam aan den schandpaal werd gehecht tusschen twee misdadigers, tot groote ergernis zijner talrijke vereerders. Iets vroeger was een ander geestelijke, De Foere, tot twee jaren gevangenisstraf veroordeeld, daar zijne geschriften aan de regeering vijandig waren; en in 1820 werd Van der Straeten met eene geldboete van 3000 gulden gestraft, wegens aanvallen op de ministers in eene brochure âOver den toestand des rijks en de middelen om dien te verbeteren.quot; Bovendien werden 7 advocaten in hunne betrekking geschorst, daar zij 't vonnis in strijd verklaarden met de bepaling omtrent de drukpersvrijheid in de grondwet opgenomen. â Maar hoe groot 't misnoegen over al die vervolgingen was, nog heviger was de verbittering der geestelijkheid en van haren aanhang, de clericale partij, toen de regeering duidelijk haar voornemen liét blijken, om 't lager onderwijs, dat in België zeer slecht was, aan den invloed der geestelijken te onttrekken. Aanvankelijk had de koning getracht door 't oprichten
246
van staatsscholen en van de kweekschool te Lier langzamerhand den toestand te verbeteren, maar in 1825 beval hij, dat de kleine seminariën, waar behalve jongelieden voor 't priesterambt bestemd ook andere hunne opleiding ontvingen, zouden opgeheven worden. Te gelijker tijd werd te Leuven 't collegium philosophicum opgericht, eene school, die uitsluitend 't recht verkreeg aanstaande geestelijken tot de seminariën voor te bereiden. Velen zonden nu hunne zonen naai' buitenlandsche scholen, maar de bepaling, dat alleen leerlingen van 't philosophicum 't priesterambt zouden mogen vervullen, maakte daaraan een einde. Om den tegenstand der geestelijken te doen bedaren, trad de regeering in overleg met paus Leo XH over 't sluiten van een concordaat tot regeling der kerkelijke zaken; het kwam in 1827 tot stand, maar werd verschillend uitgelegd en bracht daarom geene bevrediging aan.
Tegenover de clericale partij stond in België de liberale, die de regeering toejuichte in haar streven, om den grooten invloed der geestelijkheid te beperken, maar voor 't overige talrijke grieven had. Zij vorderde o.a. openbaarheid van den staat der financiën, vrijheid van drukpers, verbetering der rechtspraak en verantwoordelijkheid der ministers. In de Staten-Generaal had die partij bekwame vertegenwoordigers, daarbuiten maakte zij gebruik van verschillende dagbladen om hare wenschen, dikwijls in hevige, opruiende taal, kenbaar te maken. In plaats van rechtmatige eischen in te willigen, nam de regeering haar toevlucht tot vervolging van sommige schrijvers, waarmede zij niets uitwerkte dan toenemende verbittering, en wat bedenkelijker voor haar was, toenadering tusschen beide staatkundige partijen. Want clericalen en liberalen inziende, dat zij afzonderlijk weinig vermochten, vergaten hunne onderlinge vijandschap en vereenig-den zich bij de Unie van 1828. Eene menigte verzoekschriften door duizenden onderteekend werden bij de Staten-Generaal ingezonden, waardoor de regeering eindelijk genoodzaakt was op sommige punten toe te geven. De accijns op 't gemaal werd afgeschaft, de bepalingen omtrent 't gebruik der Nederlandsche taal opgeheven en 't bezoeken van 't collegium philosophicum niet meer verplichtend gesteld, waardoor deze inrichting weldra
247
te niet ging. Maar deze afgedwongen toegevendheid baatte weinig, daar de hevigste tegenstanders der regeering blijkbaar geene verzoening begeerden, en telkens met nieuwe eischen voor den dag kwamen. Toch werd de koning op eene reis door 't zuiden in 1829 overal goed ontvangen, hetgeen hem in den waan bracht, dat de tegenstand van enkele onruststokers uitging. Eene nieuwe wet tot beteugeling der drukpers moest den vijanden der regeering 't zwijgen opleggen; maar de vervolgde schrijvers, zooals De Potter en Tielemans, werden als martelaars beschouwd, en zoo trof ook deze maatregel zijn doel niet. Nog meer verloor de regeering hare achting bij de menigte door hare weifelende en dubbelzinnige houding; want terwijl zij aan den eenen kant telkens meer toegaf, ondersteunde zij den slecht befaamden Libry Bagnano met groote geldsommen, opdat hij in zijn dagblad âie Nationalquot; de tegenpartij zou bestrijden. Zelfs leden der Staten-Generaal boetten hunne oppositie met verlies hunner ambten en pensioenen, waardoor de koning ook zijne laatste vrienden in 't zuiden van zich vervreemdde.
De woelingen in 't naburige Frankrijk door de despotieke regeering van Karei X verwekt, gevolgd door de omwenteling te Parijs (Juli 18S0), droegen niet weinig bij om de gisting in België te vermeerderen. Willem I schijnt dit niet ingezien te hebben, wellicht ook werd hij misleid door de schijnbare kalmte, die tijdens zijn verblijf te Brussel in den zomer van 1880 heerschte, en hem bij zijn vertrek naar 't Loo 't nemen van voorzorgsmaatregelen deed verzuimen. Weinige dagen later brak de opstand uit.
§ 3. Belgische opstand.
18:^0. Oproer te Brussel. Aanval van prins Frederik op Brussel. Bombardement van Antwerpen.
1831. Conferentie te Londen. Heldendood van Van Speyk. Leopold van Saksen-
Coburg koning van België. Tiendaagsche veldtocht.
1832. Embargo. Chassé verdedigt de citadel van Antwerpen.
1839. Eindverdrag.
Om volksoploopen te voorkomen had men de gewone feestelijk-
248
heden op 's konings verjaardag (24 Aug.) te Brussel achterwege gelaten, daar oproerige biljetten in de stad waren verspreid. Den volgenden avond werd de opera âLa Muette de Porticiquot; opgevoerd , een stuk dat den opstand te Napels in 1647 tot onderwerp heeft. De opgewondenheid hierdoor bij de schouwburgbezoekers opgewekt, deelde zich al spoedig aan de buitenstaande menigte mede, die onder 't uiten van oproerige kreten door de straten trok, sommige huizen plunderde, en de woning van den gehaten minister Van Maanen in brand stak. Daar 't oproer zich steeds uitbreidde en de stedelijke regeering niet bij machte scheen het te bedwingen, richtte men met haar goedvinden eene gewapende burgerwacht op, die de Brabantsche kleuren, rood-geel-zwart, aannam. De uitspattingen van 't gepeupel werden op die wijze weliswaar belet, maar de opstand eenmaal uitgebroken, verspreidde zich dra over een groot deel van België.
De koning riep nu de Staten-Generaal bijeen, doch eerst tegen den 13quot;° Sept., en zond intusschen eenige troepen onder zijne zonen naar Brussel. Op verzoek van eene deputatie uit de aanzienlijkste burgers begaf zich de prins van Oranje, op zijne populariteit vertrouwende, bijna onverzeld binnen de stad, waar hij te midden der dreigende menigte een oogenblik in levensgevaar verkeerde (81 Aug.). Op eene vergadering, in zijn paleis belegd, bleek den prins, dat België voor 't Oranje-huis kon behouden blijven, indien het van Holland werd gescheiden, en dat men hem tot koning wenschte. Te 's-Hage teruggekeerd, ried hij aan toegevendheid te gebruiken; maar Willem I wilde vooraf den opstand met geweld bedwingen, en gaf zijn tweeden zoon, prins Frederik, die met 8000 man bij Vilvoorden lag, den last Brussel binnen te trekken. Gedurende vier dagen (28â26 Sept.) was de hoofdstad 't tooneel van een hevigen strijd, die met den aftocht der aanvallers eindigde. â Die nederlaag maakte de kans op bevrediging van 't zuiden bijna onmogelijk; de opstand breidde zich steeds uit, en kwam onder leiding van een voorloopig bestuur (De Potter). Den 29quot;' Sept. hadden de Staten-Generaal eindelijk in de scheiding toegestemd, doch 't voorloopig bestuur had intusschen een nationaal congres bijeengeroepen, dat zelf over de
249
toekomst van België wilde beslissen. ïen tweeden male werd de kroonprins naar 't zuiden gezonden, om de trouw gebleven provinciën te besturen, en door zijn invloed zoo mogelijk een vergelijk te bewerken. Doch hiervoor was het nu te laat en 's prinsen bevoegdheid te beperkt; ook wantrouwde men in 't noorden zijne bedoelingen, toen hij Antwerpen verlof gaf, zich op 't congres te doen vertegenwoordigen en dus 't voorloopig bestuur erkende (16 Oct.). Hij werd teruggeroepen, koel ontvangen en met eene zending naar Londen belast. Maastricht, waar generaal Dibbits 't bevel voerde, en Antwerpen waren nog behouden gebleven; maar na 't vertrek van den prins brak ook hier een oproer uit, dat eerst na een hevig bombardement door generaal D. H. baron Chassé en den schout-bij-nacht Koopman, bevelhebber der Schelde-vloot, gedempt werd (27 Oct.).
Willem I riep nu de tusschenkomst der groote mogendheden in, die eene conferentie te Londen belegden, en intusschen eene wapenschorsing bewerkten. Engeland en Frankrijk waren op de hand van België, de overige mogendheden niet gezind zich ter wille van onzen koning in moeilijkheden te wikkelen, zoodat de conferentie de besluiten van 1815 vernietigde, en bij Aeprotocollen (besluiten) van Jan. 1831 de scheiding uitsprak. België zou van de staatsschuld overnemen, maar de vrije vaart op de koloniën behouden; de grensscheiding zou zijn als in 1790, doch Luxemburg aan den koning blijven behooren. Willem 1 nam met deze voorwaarden genoegen; niet alzoo 't nationaal congres, dat reeds vroeger zich voor 't behoud van den monarchalen regeeringsvorm had verklaard, maar 't huis van Oranje van den troon had uitgesloten. Dus verviel ook voor den kroonprins 't uitzicht op den Belgischen troon, waarvoor hij zich candidaat had gesteld. Het congres droeg in Febr. 1881 de koninklijke waardigheid op aan den hertog van Nemours, een zoon van Bodewijk Filips, koning van Frankrijk; maar omdat deze bedankte , benoemde het voorloopig zijn president Surlet de Chokier tot regent. Eindelijk werd met goedvinden der mogendheden Leopold van Saksen-Coburg- tot koning verkozen, die in Juli 1831 de regeering aanvaardde. Hij was weduwnaar van de
250
Engelsche prinses Charlotte, en huwde in 't volgende jaar met Louise, eene dochter van Lodewijk Filips.
Ofschoon de conferentie hare besluiten van Jan. onherroepelijk had verklaard, kwam zij om België te believen thans hierop terug, want in een nieuw protocol (de achttien artikelen, Juni 1831) werden de rechten van 't Oranje-huis op Luxemburg voor twijfelachtig verklaard, en België ontslagen van de verplichting een gedeelte der staatsschuld over te nemen. Thans weigerde Willem I op zijne beurt zich naar 't besluit der conferentie te voegen, en besloot hij de wapenen te doen beslissen. â Gedurende de onderhandelingen had men niet verzuimd 't leger, dat zeer verzwakt was door den afval der Belgische troepen, te versterken, ook met talrijke vrijwilligers, die zich in menigte hadden aangeboden. Want de geestdrift om zich met de gehate Belgen te meten, was algemeen en vooral opgewekt door de trouwelooze daad der Antwerpenaars, die tijdens de wapenschorsing (Febr. 1881) eene kanonneerboot, bij Antwerpen aan wal geraakt, hadden overvallen. Maar de luitenant J. C. J. van Speyk zijn vaartuig niet aan den vijand willende overlaten, had de lont in 't kruit geworpen en met zijn scheepsvolk en zijne talrijke bespringers den dood gevonden. â Onder aanvoering der beide prinsen rukte 't Nederlandsche leger, 86.000 man sterk, de grenzen over, en zoo nam de Tiendaagsche veldtocht een aanvang (2 â12 Aug. 1831). De Belgische troepen, bijna even talrijk als de onze, waren verdeeld in een Maasleger onder Daine en een Scheldeleger onder De ïicken de Terhove. Het gelukte den Nederlanders de vereeniging der beide afdeelingen te verhinderen, en de eerste bij Hasselt, de tweede bij Leuven te verslaan. Nu lag de weg naar Brussel open, maar op bevel des konings werd de veldtocht gestaakt, omdat Frankrijk, door Leopold te hulp geroepen, een leger onder maarschalk Gérard naar België zond.
De behaalde overwinningen bleven intusschen niet geheel zonder vrucht, daar de conferentie de achttien artikelen eenigszins ten gunste van Holland wijzigde. Bij een nieuw besluit (de vierentwintig artikelen, Oct. 1831) kwam een deel van Luxemburg aan België in ruil voor een gedeelte van Limburg, en werd de bijdrage
251
van België in de rente der staatsschuld op 8.400.000 gulden bepaald. Maar ook deze voorwaarden achtte Willem I onaannemelijk , waarop de mogendheden besloten, zijne goedkeuring-door dwang te verkrijgen. Engeland en Frankrijk legden daartoe in 't laatst van 1832 embargo (beslag) op de Nederlandsche schepen in hunne havens, brachten onze koopvaarders op en blokkeerden onze kusten, terwijl een Fransch leger de citadel van Anticerpen insloot en hevig beschoot. Negentien dagen lang hield Chassé de verdediging vol, en eerst toen de sterkte in een puinhoop was verkeerd, gaf hij ze over (28 Dec. 1832). De belegerden werden als krijgsgevangenen naar Frankrijk gevoerd evenals de bemanning der Scheldevloot, doch de schout-bij-nacht Koopman had vooraf zijne schepen verbrand of doen zinken, om ze niet in handen der vijanden te laten vallen. â In Mei van 't volgende jaar werd 't embargo opgeheven, en de krijgsgevangenen ontslagen, zonder dat Willem 1 evenwel had toegegeven. Hij weigerde Leopold als koning te erkennen, en hield jaren lang 't leger op voet van oorlog, waarschijnlijk op eene verandering-in de onderlinge verhouding der mogendheden hopende, waarmede hij zijn voordeel zou kunnen doen. Dit gewapende bestand (de tijd van 't status quo) kwam 't Nederlandsche volk op zware offers te staan; 't krijgswezen verslond schatten, de rente der staatsschuld kwam alleen voor rekening van 't noorden, en in alle bedrijven heerschte stilstand, wegens de onzekerheid waarin men verkeerde omtrent de toekomst. De schuldenlast werd ten laatste ondragelijk; alleen aan rente moest in 1839 eene som van 35 millioen betaald worden; in 1815 was 't bedrag 15 millioen. G-een wonder, dat men algemeen naar 't einde van dien onhoudbaren toestand verlangde, en de houding des konings veel ontevredenheid verwekte. In Maart 1888 eindelijk verklaarde Willem 1 in de vierentwintig artikelen toe te stemmen; doch nu deden zich nieuwe moeilijkheden op, met Duitschland over den afstand van een gedeelte van Luxemburg-, met België over 't aandeel in de rente. Bij 't eindverdrag van 1839 werd dit verminderd tot op 5 millioen, en tevens de verhouding van Luxemburg en Limburg tot Duitschland geregeld, hoewel het nog enkele jaren duurde, eer alles wat de scheiding betrof, geregeld was.
252
De westelijke helft van 't groothertogdom Luxemburg kwam aan België, een gedeelte van Limburg als hertogdom aan Willem I. Dit Limburg maakte met uitzondering van Maastricht en Venlo, een deel uit zoowel van 'tDuitsche verbond als van Nederland. Luxemburg en Limburg hadden samen ééne stem op den bondsdag. In 1866 hield 'tDuitsche verbond op te bestaan, waardoor de betrekking dezer gewesten tot Duitschland eindigde.
In 1873 heeft België de jaarlijksche betaling van 5 millioen afgekocht.
§ 4. Afstand van Willem I. Regeering van Willem 11.
1840. Wijziging der grondwet. Willem I doet afstand. Willem II wordt koning.
1844. Vrijwillige leening.
1848. Herziening der grondwet Thorbecke.
De regeering van Willem I had in 't noorden zoo al geene onverdeelde goedkeuring, toch ook geen belangrijk verzet ondervonden. Het geheele volk had den oorlog met België als eene nationale zaak beschouwd, en zich vrijwillig de zwaarste offers getroost. Maar toen de koning weigerde, zich in 't onveranderlijke te schikken, en jaar op jaar de treurige gevolgen vfm zijne vasthoudendheid zich zwaarder deden gevoelen, begon men ook hier op hervormingen in 't staatsbestuur aan te dringen. Zoowel uit de dagbladen als uit de verwerping van 's konings financiëele voorstellen in de Staten-Generaal, bleek de toenemende ontevredenheid over 't beleid der regeering. De herziening dei-grondwet, door de afscheiding van België noodig geworden , bood de gelegenheid aan om de bestaande grieven weg te nemen, ook stemde de koning, al was het met tegenzin, in eene wijziging-toe; maar de ontwerpen met dit oogmerk ingediend, waren zoo onbeteekenend, dat zij niemand voldeden. â Zoo bleef ook na de grondwetsherziening, die in 1840 werd aangenomen, de ontevredenheid bestaan, die nog vermeerderd werd door 't voornemen van den koning {sedert 1837 weduwnaar), om met de katholieke Belgische gravin D'Oultremont een huwelijk aan te gaan. Ongezind om aan den algemeenen volkswensch gehoor te geven, en teleurgesteld door de ondervinding der laatste jaren, besloot de koning de regeering neder te leggen. De afstand had plaats op 't Loo
253
den 7en Oct. 1840. Sedert leefde Willem I onder den naam van graaf van Nassau op zijne goederen in Silezië, op 't Loo of te Berlijn, in welke stad hij den 12equot; Dec. 1848 overleed.
De constitutie van 1798 had de scheiding van kerk en staat in beginsel uitgesproken, maar de predikanten der hervormde kerk in 't genot van hun inkomen uit 's lands kas gelaten. Onder koning Lodewijk was vastgesteld, dat ook de leeraren der andere bestaande godsdienstige gezindten toelagen van 't rijk konden ontvangen. Die bepaling bleef ook na de vereeniging met België bestaan, zoodat de band tusschen kerk en staat niet geheel verbroken werd. tot schade van de binnenlandsche rust. Dit bleek uit de oprichting van 't collegium philosophicum. waarbij de staat de opleiding der katholieke geestelijken aan zich trok. Reeds vroeger (181(5) had Willem I 't bestuur der hervormde kerk geregeld, en dus 't genoemde beginsel aangetast.
Langzamerhand had zich in de protestantsche kerkgenootschappen eene meer vrijzinnige richting baan gebroken, waarmede de ijverige aanhangers der vastgestelde leer zich niet konden vereenigen. Velen van hen scheidden zich daarom af van de hervormde kerk onder de predikanten Scholte en De Cock, en vormden eene nieuwe kerkelijke vereeniging. De regeering verbood den afgescheidenen quot;t houden van godsdienstoefeningen, daar volgens de letter der grondwet alleen bestaande kerkgenootschappen erkend werden: maar gaf daardoor blijk van eene onverdraagzaamheid, die velen tegen haar innam. WillemII handelde zeker meer naar den geest der grondwet, toen hij de vervolgingen liet ophouden, en de afgescheiden gemeenten erkende.
De herziening der grondwet in 1840 kwam hoofdzakelijk op quot;t volgende neder: Holland werd gesplitst in twee provinciën: 'taantal leden der Eerste kamer werd gebracht op 20 a 30, dat der Tweede op 58: 't inkomen des konings werd bepaald op 1,5 millioen gulden. De begrooting van inkomsten en uitgaven werd voor twee jaren vastgesteld , en de uitgaven niet langer in gewone en buitengewone onderscheiden. Het toezicht der Staten-Generaal op 'tgebruik der gelden, ook wat de ontvangsten en uitgaven der koloniën betrof, werd verbeterd. Het gebruik van 't batig slot (zie Buitenlandsche bezittingen) zou bij de wet worden geregeld. Verder werd de verantwoordelijkheid der ministers in de wet opgenomen, en dus moest elk koninklijk besluit voortaan mede onderteekend worden door den betrokken minister.
Het groothertogdom Luxemburg kreeg in 1841 eene afzonderlijke grondwet en vertegenwoordiging, zoodat het geheel van Nederland
254
werd geseheiden. Ook kreeg het eene bijzondere ridderorde : die van de Eikenkroon.
Willem II had zich in de oorlogen tegen Napoleon en tijdens de Belgische onlusten als een bekwaam veldheer doen kennen. Goedhartig en vrijgevig van aard was hij algemeen bij 't volk bemind, dat hem gaarne de plaats van zijn vader zag innemen. Hij aanvaardde de regeering onder ongunstige omstandigheden. Trachtte hij door toegevendheid de kerkelijke geschillen (zie bl. 258) uit den weg te ruimen, minder gemakkelijk was het aan den financiëelen nood, die met elk jaar hooger steeg, een einde te maken. Toch was dit een eerste vereischte; de staatsschuld bedroeg meer dan 2200 millioen en op de koloniën drukte eene schuld van 134 millioen, bovendien moest nog een achterstand van 35 millioen gedekt worden. Verschillende ministers hadden reeds vergeefs beproefd verbetering aan te brengen, toen mr. F. A. van Hall, die in 1842 Van Maanen als minister van justitie was opgevolgd, in 't volgende jaar ook de portefeuille van financiën aanvaardde. Hij stelde voor eene vrijwillige leening te sluiten van 127 millioen tegen 3 i'ente, of eene buitengewone inkomstenbelasting te heffen. Na eene hevige bestrijding werd 'teerste voorstel door de Staten-Generaal aangenomen (1844), doch het kostte veel moeite de leening volteekend te krijgen. Het gevaar voor een staatsbankroet was thans afgewend, de vroegere leeningen, tegen 4^ en 5 % gesloten, konden geconverteerd worden in eene schuld van 4 %, en toen in de volgende jaren ook belangrijke Indische baten in de schatkist vloeiden, kwam er orde en regelmaat in de financiën.
Intusschen bleef de wènsch naar eene afdoende herziening dei-grondwet levendig; maar hoewel de regeering van Willem II vele verbeteringen in de huishouding van den staat aanbracht (regeling van 't muntwezen en van 't beheer der geldmiddelen, vermindering der belasting op 't gemaal), achtte zij den tijd voor zulk eene wijziging nog niet gekomen. Een negental leden dei-Tweede kamer met den Leidschen professor mr. J. R. Thorbeeke aan 't hoofd, diende nu zelf een voorstel tot grondwetsherziening
255
in (1844), hetgeen evenwel aan de meerderheid der kamer niet voldeed. Deze gebeurtenis gaf aanleiding tot de vorming der beide staatspartijen: de conservatieve of behoudende en de liberale of vrijzinnige, waarvan de laatste .voortdurend in kracht won. Bij de opening der Staten-Generaal in 1847 gaf de koning uitzicht op de indiening van voorstellen tot herziening der grondwet; maar 't ontwerp, dat den 18⢠Maart 1848 werd ingeleverd, voldeed geenszins aan de verwachtingen.
Eenige dagen te voren (28 Febr.) had eene omwenteling in Frankrijk, die Lodewijk Filips den troon kostte, 't sein gegeven tot hevige beroeringen in verschillende landen van Europa , veroorzaakt door de lang onderdrukte volksvrijheden. De vrees, dat ook in ons land oproerige bewegingen konden ontstaan, was daarom niet ongegrond, te meer daar onder de lagere volksklasse veel ontevredenheid heerschte wegens den hoogen prijs der levensmiddelen (aardappelziekte). Gelukkig bleef het bij eenige minder beduidende volksoploopen, zoooals te Amsterdam. â Willem II besloot onder deze omstandigheden zich niet langer tegen den algemeenen wensch naar eene vrijzinniger staatsregeling te moeten verzetten. Buiten 't ministerie om, dat hierop aftrad, wendde hij zich tot de Tweede kamer, ten einde hare wenschen te vernemen, om vervolgens aan eene staats-commissie de samenstelling van een ontwerp op te dragen. Deze commissie uit vijf leden bestaande (Donker Curtius, Lusae, Thorbeeke, De Kempenaar, Storm), was reeds den llquot;n April met haar arbeid gereed. Hoewel niet ongewijzigd, werd de nieuwe grondwet door de kamers aangenomen, en nadat ook de koning er zijne goedkeuring aan had geschonken, den 8quot;' Nov. 1848 in 't openbaar afgekondigd.
De grondwet van 1848 is verdeeld in 11 hoofdstukken, en verschilt niet alleen in ondergeschikte punten, maar ook in hoofdzaken van de vroegere. â Vrijheid van drukpers,'en 'trecht van vereeniging en vergadering werden daarin opgenomen. â Het inkomen der kroon, bij elke troonsbeklimming opnieuw te regelen, werd bepaald op één millioen gulden, behalve 'tinkomen uit de kroondomeinen. Volgens de grondwet is de koning onschendbaar en zijn de ministers verant-
256
woordelijk, heeft de koning de uitvoerende macht, 'topperbestuur der buitenlandsche betrekkingen, 't recht om oorlog te verklaren en vredes- of andere verdragen te sluiten, 't oppergezag over de zee-en landmacht, over de buitenlandsche bezittingen en de algemeene geldmiddelen; voorts 't recht van de munt, van gratie, enz. De koning deelt met de Staten-Generaal de wetgevende macht en heeft 't recht de kamers te ontbinden. De koning is voorzitter van den Raad van State (15 leden), aan wien hij alle voorstellen, aan de Staten-Generaal te doen of van deze ontvangen, in overweging geeft. De koning stelt ministerieele departementen in, en benoemt en ontslaat de ministers. â Voor de verkiezing der leden van de Tweede kamer is 't rijk verdeeld in kiesdistricten. Kiezers zijn meerderjarige Nederlanders in 't volle genot hunner burgerlijke en burgerschapsrechten, en betalende in de directe belastingen eene som tusschen 20 en 160 gulden {census). Het getal leden der Tweede kamer is één voor elke 45.000 inwoners, dat der Eerste kamer 39, die tot de hoogst aange-slagenen in de rijks directe belastingen moeten behooren. De leden der Tweede kamer moeten zijn Nederlanders, in 't volle genot hunner burgerlijke- en burgerschapsrechten en van minstens dertigjarigen leeftijd (voor de leden der Eerste kamer worden deze vereischten ook gevorderd); zij hebben zitting voor vier jaren, maar zijn herkiesbaar, om de twee jaar treedt de helft af. De leden der Eerste kamer hebben zitting voor negen jaren, om de drie jaar treedt een derde der leden af, die herkiesbaar zijn; zij worden gekozen door de provinciale staten. De Tweede kamer heeft quot;t recht van mqucte (onderzoek naar handelingen van de regeering of onderwerpen van algemeen belang), van amendement, (wijziging in de wetsvoorstellen) en van initiatief (wetsontwerpen voor ce stellen); beide kamers dat van interpellatie (inlichtingen aan de regeering te vragen). De jaarlijksche begrooting van uitgaven en inkomsten wordt door de wet vastgesteld. De vergaderingen dei-kamers zijn openbaar. â Het provinciaal en gemeentelijk bestuur, in 't algemeen door de grondwet vastgesteld, werd later bij afzonderlijke wetten nader geregeld. De leden der provinciale staten worden gekozen voor zes jaren door de ingezetenen, die aan dezelfde vereischten moeten voldoen, als de kiezers voor de Tweede kamer; de helft dier leden treedt om de drie jaren af. Aan de prov. staten is de regeling en 't bestuur van 't prov. huishouden onder goedkeuring des konings overgelaten, alsmede de uitvoering van wetten en koninklijke besluiten. De prov. belastingen vereischen bekrachtiging door de wet. De staten der provinciën kiezen uit hun midden een college van gedeputeerde staten, dat de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken heeft. In elke provincie is een commissaris, die door den koning wordt benoemd, voorzitter van de prov. en de gedep. staten. â Aan 't hoofd
257
der gemeenten staat oen raad, waarvan de leden (volgens de gemeentewet) voor zes jaren worden gekozen; om de twee jaar treedt een derde af. Om kiezer voor den gemeenteraad te zijn, is de helft der vroeger genoemde eensus voldoende. De gemeenteraad regelt en bestuurt de huishouding der gemeente, ook de plaatselijke belastingen, maar na voordracht aan de prov. staten en onder goedkeuring des konings. Voorzitter van den gemeenteraad is de burgemeester, die door den koning wordt benoemd en met de wethouders (uit en door de raadsleden gekozenj de dagelijksehe leiding en uitvoering van zaken heeft. â Po grondwet geeft in 't hoofdstuk, dat over de justitie handelt, waarborgen omtrent eene onpartijdige rechtspraak. Daartoe wordt de rechterlijke macht alleen uitgeoefend door rechters, welke de wet aanwijst en voor hun leven worden benoemd (tegenwoordig geldt dit laatste ook voor do kantonrechters). Hot hoogste gerechtshof is de Hooge Raad, waarvan do leden door den koning worden benoemd uit eene voordracht van vijf personen, opgemaakt door do Tweede kamer. â De grondwet verleent volkomen godsdienstvrijheid, belooft gelijke bescherming aan alle kerkgenootschappen, en verklaart de belijders van eiken godsdienst bevoegd . om ambten, enz. waar te nomen. â Cxoene belastingen ten behoeve van 's i-jjks kas worden geheven dan krachtens eene wet; privilegiën in zake belastingen mogen niet worden verleend. Do Algemeene Rekenkamer houdt toezicht op de uitgaven en inkomsten van don staat. Do koning kiest de loden dier kamer uit eene voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede kamer. â Do koning zorgt, dat eene toereikende zoo- en landmacht wordt onderhouden. De nationale militie bestaat uit vrijwilligers, en bij gebrek aan genoegzame deelneming, uit ingezetenen (bij loting aan te wijzen), die op 1 Jan. van het jaar hun twintigste jaar zijn ingetreden. Een gedeelte der militie kan voor den zeedienst worden bestemd. De lotelingen bij de militie te land mogen niet dan met hunne toestemming naar do koloniën gezonden worden. Do schutterijen dienen in tijd van gevaar en oorlog tot verdediging des lands en te allen tijde tot behoud der inwendige rust. â Alles wat den waterstaat betreft. staat onder oppertoezicht des konings; de prov. staten hebben 't toezicht daarover in hunne provincie. â Do inrichting van 't openbaar onderwijs wordt met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippon door do wet geregeld. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens 't onderzoek naar do bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers. â Als een voorstel tot wijziging dor grondwet is goedgekeurd , worden de kamers ontbonden, en 't voorstel als aangenomen beschouwd, wanneer minstens twee dorden van de loden der nieuwe kamers er voor hebben gestemd.
In den regel komt cone wet op de volgende wijze tot stand. De M. Vos, Vaderl. Gesch. 2e druk. '17
258
minister (of ministers) van wien 't voorstel uitgaat, zendt na voorafgaande raadpleging met zijne ambtgenooten, 't .wetsontwerp, van eene memorie van toelichting voorzien, naar den Raad van State. Van 't advies, door dit lichaam gegeven, kan de minister al of niet gebruik maken. Het ontwerp wordt nu bij de Tweede kamer ingezonden, die zich in vijf sectiën verdeelt, welke ieder een voorzitter en een rapporteur kiezen. De vijf voorzitters vormen met den voorzitter der Tweede kamer de centrale sectie, die de volgorde der te behandelen wetten regelt. De rapporteurs geven in hun verslag de meeningen terug, die in hunne afdeelingen omtrent 't voorgestelde ontwerp zijn geuit, en maken naar aanleiding daarvan een algemeen verslag op. Nu wordt met den minister in overleg getreden, hetgeen wijziging van 't wetsvoorstel ten gevolge kan hebben, en hernieuwd onderzoek in de sectiën. Eindelijk zijn de beraadslagingen afgeloopen, en wordt door een der rapporteurs of door den griffier der Tweede kamer 't eindverslag opgesteld. Het ontwerp komt nu in openbare behandeling, waarbij de betrokken minister tegenwoordig is, om het te verdedigen. Eerst hebben de algemeene beraadslagingen plaats, daarna wordt de wet artikelsgewijze besproken, waarbij de kamerleden van hun recht van amendement gebruik makende, kunnen voorstellen, om sommige artikels te vervangen, te wijzigen of uit te laten. Over elk amendement en elk artikel wordt bij meerderheid van stemmen beslist. Ten laatste heeft de eindstemming plaats, en zoo deze gunstig uitvalt, wordt 't wetsvoorstel bij de Eerste kamer ingediend. Deze behandelt het op dezelfde wijze als de Tweede kamer, met dien verstande , dat zij 't ontwerp ongewijzigd moet aannemen of het verwerpen. In 't eerste geval staat het aan den koning 't voorstel tot wet te verheffen of te weigeren.
AVanneer de veranderingen door de amendementen in 't wetsontwerp gebracht van zoo ingrijpenden aard zijn, dat de minister zich daarmede niet kan vereenigen, heeft hij 't recht zijn voorstel in te trekken, en vraagt hij, in geval het eene belangrijke zaak betreft, zijn ontslag. Ook treedt hy veelal af, indien zijn voorstel wordt verworpen: zelfs kan de afstemming van een wetsontwerp de aftreding van 't geheele ministerie ten gevolge hebben, zoo het een belangrijk regeeringsbeginsel geldt.
259
§ 5. Regeering van Willem III.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
regentes. |
Willem II overleefde de invoering der nieuwe grondwet niet lang. Eene maand na de opening der nieuw gekozen Staten-Generaal te Tilburg vertoevende, waar hij zich gaarne ophield, overleed hij aldaar den 17⢠Maart 1849; zijn dood werd algemeen betreurd. De prins van Oranje aanvaardde nu de regeering, en werd den 12quot; Mei te Amsterdam plechtig als koning Willem III ingehuldigd.
De regeering van Willem 111 begon onder gunstige omstandigheden. Al zuchtte ons land nog onder de gevolgen van de ongelukkige vereeniging met België, toch openden zich voor den financiëelen toestand des lands betere vooruitzichten, daarbij had de invoering eener staatsregeling overeenkomstig de eischen des tijds den band tusschen vorst en volk versterkt, en openbaarde
17quot;
260
zich op allerlei gebied een streven naar ontwikkeling en vooruitgang.
De gewijzigde grondwet had in 't ambt van minister eene ingrijpende verandering gebracht. Verantwoordelijk voor hunne regeeringsdaden en niet meer eenvoudig de uitvoerders van 's konings besluiten, konden deze staatsdienaars hunne hooge plaats slechts blijven innemen, zoolang de meerderheid in de Staten-Generaal hen steunde, tenzij de koning hen handhaafde in strijd met den wensch van de vertegenwoordigers des volks. Het mag zeker Willem III als eene verdienste worden aangerekend, dat hij steeds dien wensch heeft geëerbiedigd.
Het getal departementen of afdeelingen van bestuur was niet bij de grondwet vastgesteld; gewoonlijk bedroeg het negen: Bm-tenlandsche zaken, Binnenlandse]ia zaken, Justitie, Hervormde en andere (protestantsche) eerediensten, Katholieke eeredienst, Marine, Financiën, Oorlog, Koloniën. Sedert 18i9 werden de ministeriën genoemd naar den persoon (of personen), die van den koning de opdracht had ontvangen het samen te stellen, en alzoo als de leider daarvan kon worden aangemerkt.
Na de aanneming der grondwet rustte op de regeering in de eerste plaats de taak, die wetsontwerpen aan de Staten-Generaal voor te stellen, welke tot hare volledige uitvoering noodig waren (organieke wetten). Aan niemand kon die arbeid beter worden toevertrouwd dan aan den man, wien men de herziening voornamelijk te danken had. Algemeen was daarom de verwachting, dat Thorbecke met dequot; samenstelling van een nieuw ministerie zou belast worden, maar hierin zagen de voorstanders der liberale beginselen, die talrijk in de nieuwe kamers vertegenwoordigd waren, zich teleurgesteld. Het ministerie Donker Curtius-De Kempenaar, tijdens de herziening aan 't bewind, bleef zijne functiën behouden, doch kon ondanks zijne werkzaamheid weinig tot stand brengen. Zelfs verklaarde de Tweede kamer in een adres aan den koning, dat zij met dit ministerie, nog door de uittreding van Donker Curtius verzwakt, niet kon samenwerken. Nu moest de kamer ontbonden worden, of 't ministerie aftreden. Het laatste geschiedde, en aan Thorbecke werd door Willem III
261
de vorming van een nieuw kabinet opgedragen, dat behalve den bekwamen minister van financiën Van Bosse geen der leden van 't afgetreden ministerie bevatte.
Het eerste ministerie Thorbeeke (1849 â 1853) was met uitstekend gevolg werkzaam op wetgevend gebied. Onder de belangrijkste wetten, die het tot stand bracht, behooren de kiesicet, de provinciale en de gemeentewet (organieke wetten). Verder de postwet ('t brievenvervoer staatsmonopolie, verlaging van 't port), de telegraafmt en de scheepvaarticetten, waardoor handel en verkeer van vele belemmeringen bevrijd werden. De toestand der geldmiddelen verbeterde zoozeer, dat men een aanvang kon maken met 't delgen van staatsschuld, ook werd de accijns op varkens-en schapenvleesch afgeschaft; daarentegen vonden de Voorstellen om andere indirecte belastingen door directe te vervangen, eene ongunstige ontvangst in de Tweede kamer. Dit was mede 't geval met de voorgenomen regeling van 't armbestuur, hetgeen Thorbeeke, in overeenstemming met de grondwet (art. 195), aan 't toezicht van den staat wilde onderwerpen. Vooral de kerkelijke instellingen van weldadigheid beschouwden die voorstellen als eene inbreuk op hare rechten. Dat de minister overigens geen voorstander was van staatsbemoeiing met kerkelijke aangelegenheden toonde hij door, steunende op art. 170 der grondwet, aan de katholieke kerk vrijheid te geven, haar bestuur zelfstandig te regelen. Natuurlijk gold die vrijheid ook voor de protestantsche kerkgenootschappen; maar dit verhinderde niet, dat een storm van verontwaardiging opging tegen den minister, toen de paus, van zijne bevoegdheid gebruik makende, bij eene nieuwe kerkorde vijf bisdommen instelde, namelijk: Utrecht (aartsbisdom), Haarlem, 's-Hertogenbosch, Breda en Roermond. De bewoordingen van 't pauselijk besluit dienaangaande waren niet geschikt, om de onkundige menigte gerust te stellen, die, verkeerd ingelicht, in ernst voor eene onderdrukking van 't protestantisme vreesde. Zelfs overigens ontwikkelde protestanten lieten zich overhalen aan de algemeene beweging deel te nemen, en zoo werden overal petitiën geteekend, waarin den koning verzocht werd, 't dreigende gevaar af te wenden. Toen Willem III in 1853 te Amsterdam
262
een adres met meer dan 50.000 handteekeningen werd aangeboden {Aprilbeweging), vond 't ministerie in 's konings antwoord aanleiding zijn ontslag in te dienen. Het werd aangenomen, maar de instelling der bisdommen had niettemin plaats.
Het ministerie Van Hall-Donkep Curtlus (1853 â1856), dat nu optrad, ontbond de Tweede kamer, waarin de liberale partij nog altijd de meerderheid had. Ten gevolge van 't gebeurde, moesten bij de verkiezingen vele trouwe aanhangers van Thorbecke hunne plaatsen aan conservatieven, of vijanden van ingrijpende hervormingen afstaan. Eene derde partij de protestantsch-kerkelijke, gewoonlijk antirevolutionaire genaamd, van welke de Aprilbeweging was uitgegaan, won ook eenige zetels en had den bekwamen geschied- en staatkundige Groen van Prinsterer tot leider. â Eene wet op de kerkgenootschappen beperkte deze slechts weinigquot; in hunne onafhankelijkheid van den staat; eene wet op 't armbestuur bevredigde de vijanden van 'Thorbecke's voorstellen. Vooral maakte 't ministerie zich verdienstelijk door de afschaffing van den accijns op 't gemaal en van de barbaarsche schavotstraf-fen, hoewel de doodstraf bleef bestaan. Bij de nieuwe regeling van 't lager onderwijs, welke 't ministerie in 1856 ter hand nam, wenschte de antirevolutionaire partij de school zooveel mogelijk aan 't staatstoezicht te onttrekken, en 't onderwijs in overeenstemming met de kerkleer in te richten, hoewel twee jaar te voren een wetsvoorstel in dien zin van Groen van Prinsterer verworpen was. Maar 't ministerie wilde de openbare, gemengde school, waarheen ouders van elke godsdienstige richting hunne kinderen konden zenden. De ontevredenheid der antirevolutionairen over dit wetsvoorstel gaf zich lucht in een nieuw petitionnement, want evenals in 1853 wist men de menigte in beweging te brengen. Het ministerie week voor den storm, doch zonder baat voor de kerkelijke partij, daar 't antirevolutionaire kabinet Van der Brug'g'hen (1856 â 1858) voor 't wetsontwerp Simons geene meerderheid in de Tweede kamer vond. Van Rappard, Simons' opvolger, slaagde beter, maar alleen door in de wet op 't lager onderwi/js van 1857 de openbare, gemengde school, die opleiding tot alle Christelijke en maatschappelijke
263
deugden ten doel stelde, als grondslag aan te nemen. Wel werd 't geven van onderwijs onder zekere voorwaarden vrij verklaard, maar 't schenken van subsidiën aan bijzondere secte-scholeu verboden. â Intusschen had de liberale partij de meerderheid in de Tweede kamer herkregen, waardoor 't ministerie zich genoopt zag af te treden. Nu deed de behoefte aan nieuwe spoorwegen zich hoe langer hoe meer gevoelen, daar de weinige lijnen, die ons land bezat, geenszins aan de behoefte voldeden. De vraag was slechts, of men den aanleg aan bijzondere maatschappijen zo li overlaten of van staatswege ondernemen. Het ministerie Roehussen (1858 â 1860), waaraan men de afschaffing der slavernij in Oost-Indië te danken heeft, wilde de vraag op eerstgenoemde wijze oplossen, waarmede de Tweede kamer instemde, maar waartegen de Eerste kamer zich verzette. Beter slaagde 't derde ministerie Van Hall met zijne wet tot aanleg van staatsspoorwegen; maar noch dit, noch 't ministerie Van Heemstra (1861â 1862), dat o.a. eene wet op de nationale militie tot stand hiSLCht, kon op den duur met de Tweede kamer samenwerken, die weder de regeering aan een zuiver liberaal ministerie wenschte te zien opdragen.
Aan dien wensch werd voldaan door 't optreden van 't tweede ministerie Thorbeeke (1862 â 1866), waarin zich naast den samensteller, vooral de ministers Betz (financiën) en Fransen van de Putte (koloniën) door bekwaamheid, en werkzaamheid onderscheidden. De laatste volgde in 1863 Uhlenbeck op (wien men de afschaffing der slavernij in West-Indiê verschuldigd is), regelde 't beheer en de verantwoording der geldmiddelen in Oost-Indië en bracht eene wet tot stand op 't West-Indisch regeerings-reglement. Een nieuw tarief van in- en uitvoerrechten, waarbij de eersten werden verlaagd, de laatsten opgeheven, de afschaffing van den accijns op de brandstoffen en van de gemeente-accijnzen waren 't werk van den minister Betz, terwijl de wet op 't middelbaar onderwijs, die op de doorgraving van den hoek van Holland, en van Holland op zijn smalst (beide in 1863) en de nieuwe geneeskundige wetgeving van Thorbecke's werkzaamheid getuigden; Oneenigheid in den boezem van 't kabinet was oor-
264
zaak van zijne ontbinding, waarna Fransen van de Putte een nieuw ministerie vormde, dat reeds na een bestaan van vier maanden bezweek in een strijd over de koloniale quaestie (zie § 6),
In 'teerste ministerie Heemskerk (1866 â 1868), dat grooten-deeis uit conservatieven bestond, traden vooral de ministers Myer, Van Zuylen van Njjevelt en J. Heemskerk, Az. (koloniën, buitenlandsche en binnenlandsche zaken) op den voorgrond. Eerstgenoemde verwisselde weldra zijn ambt met dat van gou-verneur-generaal van Indië, hetgeen een protest van de meerderheid der Tweede kamer uitlokte (motie-Keuchenius). In plaats van af te treden, verkreeg 't ministerie van den koning de ontbinding der Tweede kamer; maar ook in de nieuwe kamer was de oppositie tegen de regeering groot. Terzelfder tijd liep ons land gevaar in buitenlandsche verwikkelingen betrokken te worden. â De oorlog tusschen Pruisen en Oostenrijk (1866) gaf aanleiding tot de ontbinding van 't Duitsche en de oprichting van 't Noord-Duitsche bond. Willem III had zich als vorst van Limburg en Luxemburg onzijdig gehouden en onthield zich van deelneming aan 't nieuwe bond. Inmiddels trachtte Napoleon III, keizer der Franschen , van onzen koning den afstand van Luxemburg te verkrijgen, waartegen Pruisen zich verzette. Gelukkig werd 't dreigende oorlogsgevaar afgewend door een congres te Londen, waar de groote mogendheden en ook Nederland bij t tractaat van 1867 de onzijdigheid van Luxemburg waarborgden. De bemoeiingen van den minister Van Zuylen in die aangelegenheid werden gegispt door de Tweede kamer, welke haar wantrouwen in 't beleid van dien minister te kennen gaf door de verwerping der begrooting van buitenlandsche zaken. Eene nieuwe kamerontbinding bracht weinig verandering teweeg in den stand der partijen, gelijk bleek uit de aanneming der afkeurende motie-Blussé en de hernieuwde afstemming der begrooting. Thans begreep 't kabinet, dat zijn tijd van heengaan was gekomen, daar de ontbindingen niet 't gewenschte gevolg hadden opgeleverd.
Thorbeeke ontving de opdracht een nieuw ministerie te vor
265
men; hij voldeed daaraan, maar koos zulke mannen, die aan den jongsten partijstrijd geen deel genomen hadden, en bleef zelf ook buiten 't bewind. Het ministerie Van Bosse-Fock (1868 â 1870) bracht verscheidene wetten tot stand. De afschaffing van 't zecjel op de dagbladen gaf eene groote uitbreiding aan de dagbladpers, de agrarische wet (De Waal) bracht de oplossing dei-koloniale quaestie een belangrijken stap verder (zie § 6), de postrcet verlaagde 't briefport tot 5 ets., de opheffing der admi-nistratiën van eeredienst voltooide bijna de scheiding van kerk en staat, en de afschaffing van de doodstraf (Van Lilaar) verwijderde uit onze rechtspleging eene straf, die reeds sinds geruimen tijd niet meer werd toegepast. â Intusschen bracht 't oorlogsjaar 1870 aan 't licht, dat het met onze strijdkrachten sober gesteld was, ondanks de talrijke millioenen daaraan jaarlijks ten koste gelegd. De minister van oorlog Van Muiken, hierover in de Tweede kamer hard gevallen, nam zijn ontslag, andere leden van 't kabinet volgden dit voorbeeld, en nu ontstond eene minis-teriëele crisis, die eerst na twee maanden met de optreding van 't derde ministerie Thorbecke eindigde (1871 â 1872). Eene wet op de af koopbaar stelling der tienden werd na herhaalde verwerping eindelijk door de fierste kamer aangenomen, doch voor de invoering eener inkomstenbelasting (Blussé) was in de Tweede kamer geene meerderheid te vinden. Het ministerie zag zich nu genoopt zijn ontslag in te dienen, maar nog vóór dit kon worden verleend, overleed 't hoofd van 't kabinet op 74jarigen leeftijd (4 Juni 1872). De dood van Thorbecke, wiens groote bekwaamheden als staatsman ook in 't buitenland erkend werden, was niet enkel een groot verlies voor de liberale partij, maar tevens voor 't geheele Nederlandsche volk.
Onder 't ministerie De Vries (1872 â 1874) begon de heillooze oorlog met Atjeh, welke nog in den tegenwoordigen tijd niet geëindigd is. De pogingen van dit kabinet om ons leger te hervormen, werden verijdeld door de verwerping van 't voorstel tot afschaffing der plaatsvervanging, daarentegen werd de vestingwet aangenomen. Ook kwamen wetten op de besmettelijke siekten, op de uitbreiding der staatsspoorwegen en de uit-
266
oefening der veeartsenijkunde tot stand. â De groote meerderheid in de Tweede kamer, waarop de liberale ministeriën aanvankelijk konden rekenen was door' verschillende oorzaken langzamerhand verminderd. Vooreerst door den afval der katholieke leden sedert onze regeering 't koninkrijk Italië erkende, dat zich gevestigd had gedeeltelijk ten koste van den Kerkelijken Staat. Vervolgens door den vooruitgang der antirevolutionaire partij, welke op wijziging der onderwijswet in haar geest bleef aandringen. Ein. delijk door verschil van meening omtrent sommige vraagstukken bij de leden der liberale partij onderling. Na de verkiezingen van 1873 was deze partij niet sterker dan hare vereenigde tegenstanders de conservatieven, katholieken en antirevolutionairen, zoodat 't ministerie, dat zijne belangrijkste voorstellen zag verwerpen, genoodzaakt was af te treden. Opmerking verdient , dat in 1874 eene wet op den kinderarbeid tot stand kwam op initiatief van 't kamerlid Van Houten.
Het tweede ministerie Heemskerk (1874 â 1877), dat nu optrad, was grootendeels samengesteld uit conservatieven, eene partij, die niet sterk meer vertegenwoordigd was, en daarom onmachtig, zonder vreemde hulp te regeeren. De liberalen, de groote bekwaamheid van 't hoofd des kabinets erkennende, verleenden hem veelal hunne medewerking. Maar toen in Sept. 1875 de Rijnspoorwegmaatschappij van de verplichte aansluiting te Rotterdam ontslagen werd, verklaarde de Eerste kamer, dat 't algemeen belang niet behoorlijk was behartigd. Heemskerk vond hierin aanleiding zijn ontslag in te dienen, hetgeen door den koning geweigerd werd. Nogmaals ontstond in Juni 1876, bij de verwerping der wet tot verhooging van 't militiecontingent, eene ministeriëele crisis, die met de vervanging van enkele ministers eindigde. Als de belangrijkste wetten door dit ministerie tot stand gebracht, moeten genoemd worden: de wet tot uitbreiding van 't net der staatsspoorwegen, de wet tot opheffing-der provinciale gerechtshoven en instelling van vijf nieuwe gerechtshoven ('s-Hertogenbosch, Arnhem, 's-Gravenhage, Amsterdam, Leeuwarden), en de wet op 't hooger onderwijs (1876), waarbij o.a. de athenaea werden afgeschaft, en dat te Amsterdam tot
267
eene (gemeentelijke) hoogeschool verheven. Wat 't lager onderwijs betreft, toonde 't ministerie zich geneigd aan de wenschen der kerkelijke partijen te gemoet te komen. Daarom verklaarde de Tweede kamer (waarin de liberale partij door de verkiezingen van 1877 versterkt was) in 't adres van antwoord op de troonrede, dat er gebrek aan overeenstemming bestond tusschen de regeering en de vertegenwoordiging omtrent de regeling van 't lager onderwijs. Dit was een duidelijke wenk voor 't ministerie om af te treden; ook toonde het, dat de aanvraag om ontslag thans werkelijk gemeend was.
Het liberale ministerie Kappeyne van de Coppello (1877 â 1879) was 't eerste, dat een afzonderlijk lid voor Waterstaat, Handel en Nijverheid telde. Het bracht eene nieuwe wet op 't layer onderwijs tot stand (1878), welke de clericale partijen niet bevredigde, maar den schoolstrijd nog deed toenemen. Ongelukkig verloor 't kabinet den minister De Roo van Alderwerelt (t 1878), van wiens bekwaamheden men eene deugdelijke oplossing der militaire quaestie verwacht had. Eene gevoelige nederlaag werd 't ministerie toegebracht door de afstemming van 't ontwerp tot aanleg van een nieuw kanalennet, waardoor Amsterdam 't uitzicht op 't zoo gewenschte kanaal door de G-eldersche vallei verloor. De minister Tak van Poortvliet trad nu af en werd weldra door zijne ambtgenooten gevolgd, daar een voorstel tot grondwetsherziening van Kappeyne door den koning ontijdig werd geacht. Dit voorstel was eene nieuwe oorzaak van verdeeldheid tusschen de liberalen, die onmachtig zelf aan 't bestuur te blijven, 't optreden van een gemengd ministerie noodzakelijk maakten. â Onder de leden van 't ministerie Van Lijnden van Sandenburg (1879 â 1883) traden behalve de premier vooral de ministers Vissering1 (financiën) en Modderman (justitie), beiden hoogleeraren te Leiden, op den voorgrond. Door eene rentewet trachtte Vissering ons belastingstelsel te verbeteren, maar zijne voorstellen vonden zooveel bestrijding, dat hij ze introk en zijn ontslag nam. Aan Modderman had men een nieuw strafwetboek te danken, dat eindelijk den Napoleontischen code pénal zou vervangen. Andere blijken van werkzaamheid gaf 't kabinet in de wet op de rijks-
268
postspaarbank, op 't vervoer yamp;n postpakketten, op 'i auteursrecht en op den verkoop van sterken drank. De wet tot aanleg van een kanaal van A\nsterdam naar de Menoede voldeed niet aan 't verlangen der Amsterdamsche kooplieden, maar werd niettemin aangenomen, terwijl de verlegging van den Maasmond, waartoe besloten werd, de afwatering van Noord-Brabant beloofde te verbeteren. Reeds in 1882 had 't ministerie zijn ontslag ingediend, wegens 't verwerpen van een handelstractaat met Frankrijk , maar op 't verlangen des konings zijne taak weer opgevat. Hierdoor werd evenwel de positie van 't kabinet niet sterker, dat ook wegens de invoering der onderwijswet met den tegenstand der clericalen had te worstelen. Zelfs weigerde de Tweede kamer in 't begin van 1883 met overgroote meerderheid een ontwerp tot wijziging van den census in behandeling te nemen, zoodat 't ministerie genoodzaakt was opnieuw zijn ontslag aan te vragen, dat nu werd aangenomen.
Nadat van liberale zijde te vergeefs de vorming van een nieuw kabinet beproefd was, trad 't derde ministerie Heemskerk op (1883 â 1888). Daar de conservatieve partij zich bijna geheel in de andere partijen had opgelost, zoodat zij door slechts drie leden in de Tweede kamer vertegenwoordigd werd, had Heemskerk zijne ambtgenooten uit verschillende partijen moeten kiezen, en dus een zoogenaamd kabinet van zaken samengesteld. Deze omstandigheid verhinderde niet, dat het langer dan een zijner voorgangers sedert 181:8 aan 't bewind bleef, maar met zoo herhaalde wijziging in de samenstelling, dat slechts drie dei-ministers gedurende 't gansche bestaan van dit kabinet hunne portefeuille behielden. De ongunstige toestand der financiën, zoowel als de behoefte aan eene betere regeling van 't belastingstelsel eischte dringend voorziening. Toch vond ook dit ministerie geene meerderheid in de Tweede kamer voor eene meer ingrijpende belastinghervorming, zoodat het zich met eenige kleinere linanciëele wetten moest behelpen, om de inkomsten te verhoo-gen. Van den lagen rentestandaard maakte de minister Bloem gebruik, door de 4 procents nationale schuld in eene 3i procents te converteeren (1886). In 't zelfde jaar had de invoering van
269
't nieuwe strafwetboek plaats, en werd aan eene commissie opgedragen de herziening van 't burgerlijk wetboek voor te bereiden. Op voorstel van 't lid Goeman Borgeslus besloot de Tweede kamer eene enquête, in te stellen naar den toestand van fabrieken en werkplaatsen, om gegevens te verzamelen voor eene fabriekswetgeving. Evenwel kon de enquête-commissie, welke onder de leiding van Verniers van der Loefï werkzaam was, door den loop der omstandigheden haar arbeid niet voltooien, hetgeen te meer te betreuren was, omdat bij 't ingestelde onderzoek toestanden aan 't licht kwamen, die ten duidelijkste de behoefte aan eene fabriekswetgeving deden zien. (Tusschen 1890 â '93 heeft eene staatscommissie deze enquête voortgezet en ten einde gebracht.)
Gedurende de laatste jaren was de wensch naar eene grondwetsherziening meer algemeen geworden, vooral omdat sommige belangrijke vraagstukken, als de defensie, zonder herziening niet voldoende opgelost konden worden. In 't bijzonder drong men van vele zijden aan op eene betere regeling van 't kiesrecht, dat, afhankelijk van de census, door de grondwet aan vele ontwikkelde burgers werd onthouden. De vraag was slechts, wat de grondslag van 't kiesrecht moest zijn; want tegenover voorstanders eener beperkte uitbreiding van 't kiezerspersoneel stonden aanhangers van 't algemeen kiesrecht. â Het nieuwe ministerie begon zijn bestuur met de benoeming eener commissie, die onder voorzitterschap van Heemskerk de grondwetsherziening zou voorbereiden (Mei 1883). Alvorens deze commissie met hare taak gereed was,, overleed prins Alexander, waardoor de minderjarige prinses Wilhelmina troonopvolgster werd. In de eerste plaats moest nu voorzien worden in het regentschap, dat bij de wet van 2 Aug. 1884 aan de koningin werd opgedragen. ïen andere bestond er gevaar voor eene langdurige vertraging van den aangevangen arbeid, omdat art. 198 der grondwet eene herziening tijdens een regentschap verbood. Met 't oog hierop namen de beide kamers met groote meerderheid een voorstel aan tot-wijziging van dit artikel, hetgeen door de nieuwe kamers (ook op deze gedeeltelijke herziening was kamerontbinding gevolgd)
270
tot wet verheven werd (Dec. 1884-). Bij de laatste verkiezingen hadden de antiliberalen door samenwerking in de Tweede kamer de meerderheid van ééne stem verkregen (de kamer is om), die zij weder verloren, toen een der conservatieve afgevaardigden (Wintgens) voor zijn lidmaatschap bedankte en door een liberaal werd vervangen. Nu stond de kamer op 't doode punt, 43 tegen 43, een treurig verschijnsel, daar elke beslissing voortaan van 't toeval afhing. Aan dien toestand kon een einde gemaakt worden door vermeerdering van 't getal afgevaardigden, dat belangrijk geringer was dan de grondwet voorschreef. Maar een voorstel om dit getal op 96 te brengen, werd met 44 tegen 42 stemmen verworpen.
In 't begin van 1886 bereikten de ontwerpen tot grondwetsherziening de Tweede kamer, doch met geringe kans op aanneming. De clericale partijen verklaarden namelijk geene herziening te willen, zonder verandering van art. 194 (onderwijs) in haar geest, waarom besloten werd eerst hoofdstuk X (onderwijs en armwezen) in behandeling te nemen. Doch alle pogingen om tot een vergelijk te komen mislukten, daar 't regeeringsontwerp, zoowel als de amendementen van verschillende zijden voorgesteld, verworpen werden. Het ministerie diende nu zijn ontslag in, doch kwam op zijne aanvraag terug, toen de vorming van een clericaal kabinet Mackay niet slaagde. Eene ontbinding dei-Tweede kamer volgde, en bij de verkiezingen kreeg de liberale partij eene kleine meerderheid. In de nieuwe kamer was 't verzet der antiliberalen tegen de herziening minder algemeen, zoodat deze in Febr. 1887 met hoop op beteren uitslag ten tweeden male in behandeling kon genomen worden. Zelfs slaagde men er in 't veelbesproken art. 194 zoodanig te wijzigen, dat de clericalen tevreden waren en eenige liberalen, die den schoolstrijd wenschten te zien eindigen, daarmede genoegen namen (amendement Sehaepman-Vos de Wael). Eenige dagen na de aanneming van dit amendement verklaarde zich de meerderheid dei-kamerleden vóór de gewijzigde grondwet (17 Juni). Ook in de Eerste kamer werden alle hoofdstukken der herziene grondwet goedgekeurd, uitgenomen 't tiende, zoodat art. 194 (art. 192 der
271
nieuwe wet) onveranderd bleef. Nog was de aanneming niet verzekerd, want na al 't voorgevallene bestond er gegronde vrees, dat in de nieuwe Staten-Generaal de vereischte meerderheid (f der stemmen) niet zou gevonden worden. Toch werd de nieuwe grondwet aangenomen, en na bekrachtiging des konings den SOquot; Nov. 1887 plechtig afgekondigd.
De grondwet van 1887 is in menig opzicht alleen in den vorm van hare voorgangster ondersjcheiden, die op sommige plaatsen aan duidelijkheid te wenschen overliet. Dit was o. a. 't geval met 't artikel betreffende de troonopvolging, waaruit nu alle dubbelzinnigheid verdween. De belangrijkste wijzigingen betroffen 't kiesrecht, de samenstelling der Staten-Generaal en de defensie.
Het kiesrecht werd geschonken aan de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die de door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid, maatschappelijken welstand en leeftijd (minstens 2o jaar) bezitten.
De Tweede kamer bestaat uit honderd leden, die voor vier jaren gekozen worden, tegelijk aftreden en dadelijk herkiesbaar zijn. De Eerste kamer bestaat uit vijftig leden, die tot de hoogst aangesla-genen in de rijks directe belastingen moeten behooren, of eene ot meer hooge en gewichtige openbare betrekkingen, bij de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben. Ook de Eerste kamer heeft 't recht van enquête.
Bij de artikelen betreffende de defensie verviel 't onderscheid tus-schen nationale militie en schutterij, en werd aan de wet de regeling der verplichte krijgsdienst overgelaten, alsmede de bepalingen omtrent de verplichtingen, die aan hen, welke niet tot de zee- of landmacht behooren, ten aanzien van 's lands verdediging opgelegd kunnen worden. Nog verkreeg de koning de bevoegdheid om ter handhaving van de uit- en inwendige veiligheid elk gedeelte van 't grondgebied in staat van boleg te verklaren.
In afwachting eener nieuwe kieswet werd in de additioneele artikelen een voorloopig kiesreglement opgenomen, benevens een tabel van de kiesdistricten (79 enkelvoudige, 2 tweevoudige: Utrecht en Groningen, 1 drievoudig: 's-Gravenhage, 1 vijfvoudig: Rotterdam, 1 negenvoudig: Amsterdam).
De nieuwe grondwet heeft 't getal kiezers wel aanzienlijk vermeerderd, maar geen algemeen kiesrecht geschonken. Dit nu is de eisch der radicale 'party, welke zich in de laatste jaren heeft
gevormd, en hierdoor tot ingrijpende staatkundige en maatschappelijke hervormingen hoopt te geraken. Ook de partij der sociaal, democraten, welke alleen heil zoekt in eene geheele omkeering der maatschappelijke verhoudingen, heeft in den laatsten tijd in ons land veld gewonnen.
Bij de verkiezingen, welke op voorschrift van de grondwet binnen vier maanden na hare afkondiging moesten plaats hebben, sloten zich deze partijen, voorzoover zij geene eigen candidaten stelden, bij de nauw vereenigde antirevolutionairen en katholieken aan. Het gevolg was, dat de liberalen bij de stembus de nederlaag leden, de conservatieve partij zoo goed als verdween en de leider der sociaal-democraten, Domela Nieuwenhuis, een zetel in de kamer van 100 verkreeg. In de Eerste kamer evenwel behield de liberale partij eene zeer sterke meerderheid. â Het ministerie Heemskerk, dat zich door den steun dezer partij zoo lang had staande gehouden, trad af, nog vóór de bijeenkomst der nieuwe kamers (April 1888), en werd vervangen door't ministerie Mackay (1888 â 1891), waarin Keuchenius, bekend doorzijn langdurig lidmaatschap van de Tweede kamer, de portefeuille van koloniën aanvaardde.
Eene der- eerste handelingen van 't nieuwe kabinet was de indiening eener voogdij wet (Sept. 1888), waarbij in geval van minderjarigheid der prinses bij 't overlijden des konings, de voogdij werd opgedragen aan de koningin met een raad van voogdij. Deze raad zou bestaan uit vier door den koning benoemde leden, en verder uit den vice-president en 't eerstbenoemd lid van den Raad van State, den voorzitter der Algemeene Rekenkamer en den president en den procureur-generaal bij den Hoogen Raad.
Verder had men aan dit ministerie eene wet te danken tegen overmatigen arbeid van vrouwen en kinderen, maar het belangrijkste, dat het tot stand bracht, was eene herziening der wet op H lager onderwijs (1889). Met de medewerking van een aanzienlijk getal liberalen werd dit ontwerp, dat de subsidiëering van bijzondere scholen toeliet, tot wet verheven. â Daar in 't begin van 1890 de begrooting van koloniën door de Eerste
278
kamer werd verworpen, trad Keuchenius af, die door Mackay werd opgevolgd, terwijl De Savornin Lohman als minister van Mnnenlandsche zaken optrad.
Bij de verkiezingen van 1891 kreeg de liberale partij de meerderheid in de Tweede kamer, hetgeen de optreding van 't ministerie Van Tienhoven-Tak van Poortvliet (1891 â1894) ten gevolge had. Eene nieuwe ridderorde, die van Oranje-Nassau, werd voorgesteld en aangenomen. De minister van financiën Pierson nam met beter gevolg dan vele zijner voorgangers de hervorming van 't belastingstelsel ter hand. In 1892 werd o.a. eene ver-mogensbelasting aangenomen, de accijns op zeep afgeschaft en die op zout verminderd, in 't volgende jaar de patent- door eene bedrijfsbelasting vervangen. Maar wat men in de eerste plaats van dit kabinet verwachtte, was eene afdoende regeling van 't kiesrecht. Eene wet voor de verkiezing van leden van de Tweede kamer door den minister Tak van Poortvliet ingediend, bracht verdeeldheid in de partijen zei ven teweeg. Velen oordeelden , dat de minister niet binnen de perken der grondwet was gebleven, of vreesden voor eene te groote uitbreiding van 't getal kiezers. Toen daarop 't amendement-De Meijier door een deel der liberalen en antirevolutionairen en bijna alle katholieken was aangenomen, nam de minister zijne wet terug. De kamer werd nu ontbonden; maar de nieuwe verkiezingen vielen ten nadeele der regeering uit, die daarom aftrad, en door 't ministerie Roëll-Van Houten werd opgevolgd.
Onder de langdurige regeering van Willem III kwamen belangrijke openbare werken tot stand. Was eindelijk in 1839 tot de droogmaking van 't Haarlemmermeer besloten, de voorbereidende werkzaamheden (afvoerkanalen, ringvaart en -dijk) eischten zooveel tijd, dat men eerst in 184.8 aan 't uitmalen kon beginnen; maar nu was ook 't kolossale werk door middel van drie groote stoomgemalen in vier jaren voltooid (1852). Eene vruchtbare plek grond van 18.000 hectaren werd door deze verovering op 't water aan ons land toegevoegd. Ook andere plassen werden drooggelegd, als 't Y (in verband met den aanleg van 't Noordzeekanaal),
J. M. Vos, Vaderl. Gesch., 2' druk. '18
274
de Kralingsche en de Legmeerplassen, 't Makkumermeer, enz. Daarentegen schijnen de plannen tot geheele of gedeeltelijke droogmaking der Zuiderzee in de eerste tijden niet verwezenlijkt te zullen worden. Wat op quot;t gebied van kanalenaanleg ondernomen werd (Noordzeekanaal en haven van Ymuiden, geopend 1876, doorgraving van den hoek van Holland; kanaal naar de Merwede; verlegging van den Maasmond), zagen wij boven, evenzoo dat ons land, hoewel laat, in 't bezit kwam van een vrij dicht spoorwegnet. Talrijke bruggen moesten daartoe over onze menigvuldige rivieren en vaarten geslagen worden, waaronder meesterstukken van bouwkunst voorkomen, als de brug te Kui-lenhurg en die over 't Hollandse]idiep.
Dat 't water steeds een gevaarlijke vijand blijft voor,ons land, bleek uit de zware dijkbreuken in 1855 en 1861, waardoor uitgestrekte streken van Gelderland en Noord-Brabant overstroomd werden. Tallooze giften, geëvenredigd aan de grootte van 't onheil, kwamen van alle zijden in, waartoe zeker 't voorbeeld des konings, die in persoon zich op de hoogte stelde van den omvang der ramp, krachtig medewerkte.
Aan allerlei feestelijkheden op verschillende gedenkdagen van belangrijke feiten uit onze geschiedenis ontbrak het niet. Zoo werd in 1863 't SOjarig, in 1888 't 75jarig jubilé van 't herstel onzer onafhankelijkheid gevierd, en ging de eerste April 1872 bijna nergens onopgemerkt voorbij. Ook 't 25jarig koningschap van Willem III in 1874, de 70®'° verjaardag van den koning in 1887 en de 40jarige regeering van Willem III (12 Mei 1889) gaven aanleiding tot luisterrijke feesten.
Maar niet minder dagen van rouw had de geschiedenis van ons vorstenhuis te vermelden. Sedert 1877, 't sterfjaar van koningin Sofia, overleden al 's konings naaste mannelijke bloedverwanten: prins Hendrik en de prins van Oranje in 1879, prins Frederik in 1881, prins Alexander in 1884. Door 't overlijden van 's konings jongsten zoon werd de jeugdige prinses Wilhelmina, geboren in 1880 uit 't huwelijk, dat Willem III in 1879 met prinses Emma van Waldeck-Pyrmont sloot, de toekomstige koningin der Nederlanden.
275
In de eerste maanden van 1889 verergerde de ziekte, waaraan de koning leed, zoozeer, dat gedurende eene maand't koninklijk gezag door den Raad van State werd uitgeoefend. Nog eenmaal herstelde de vorst in zoover, dat hij opnieuw de regeering in handen kon nemen, totdat in Oct. 1890 de Raad van State ten tweeden male 't regentschap moest aanvaarden. Den 23quot;' Nov. maakte de dood een einde aan de 41jarige regeering van Willem 111; koningin Emma trad nu op als regentes wegens de minderjarigheid van koningin Wilhelmina. ')
§ 6. De Buitenlandsche bezittingen.
|
1816- |
-1826. |
Van der Capellen gouverneur-generaal. Oorlogen met Palembang |
|
en tegen de Padries. | ||
|
1S2 . |
Tractaat met Engeland. | |
|
1S25- |
-1830. |
Oorlog op Java tegen Dipo Negoro. |
|
1830. |
Invoering van 't cultuurstelsel. Van den Bosch. | |
|
1832- |
-1838. |
Nieuwe oorlog tegen de Padries. |
|
1S46- |
-I849. |
Drie expedities tegen Bali. |
|
1854. |
Oost-Indisch regeeringsreglement. | |
|
1S60. |
Afschaffing der slavernij in Oost-Indië. | |
|
1870. |
Agrarische wet. | |
|
1871. |
Tractaat met Engeland; afstand der bezittingen aan de kust van | |
|
Guinea. | ||
|
IS75- |
Oorlog met Atjeh. | |
|
1874. |
Verovering van den Kraton. | |
|
1844. |
Expeditie naar Lombok. | |
|
181S. |
De slavenhandel verboden. | |
|
1S2S- |
- 183O. |
Van den Bosch gouverneur. Curasao eene vrijhaven. |
|
1845- |
-1852. |
Van Raders gouverneur. De handel op Suriname voor alle volken |
|
opengesteld. | ||
|
1863. |
De slavernij in West-Indië afgeschaft. | |
|
OO |
West-Indisch regeeringsreglement. | |
|
Met de |
taak om de Oost-Indische bezittingen van Engeland over te |
nemen (bl. 234) werden de commissarissen Elout, Van der Capellen en Buyskes belast. Zij hadden niet alleen allerlei moeilijkheden te overwinnen, welke 't Engelsche bestuur hun in den weg legde, maar ook een verwarden toestand te herstellen, en verschillende onlusten te onderdrukken. Toch gelukte het hun in drie jaren tijds (1816â 1819) hunne zending tot een goed einde te brengen. Het binnen.
l) In Luxemburg volgde de hertog van Nassau als groothertog op.
18*
276
kndsch bestuur bleef gelijk het door Euffles was geregeld eu nog tegenwoordig in hoofdzaak bestaat. (Aan 't hoofd van elke Javaansche provincie of residentie staat een resident, die bijgestaan wordt door assistent-residenten en controleurs; zij oefenen gezag uit door tusschen-komst van inlandsche ambtenaren: regenten, wedono's en dessahoofden.) Ook 't landrentestelsel werd behouden met dien verstande, dat niet ieder landbouwer afzonderlijk, maar de geheele dessa voor de betaling eener bepaalde som aansprakelijk was. Nog beval Elout, als een maatregel ten einde den bloei der bezittingen te bevorderen aan, om woeste gronden aan Europeesche planters in pacht te geven, en de vestiging van industriëlen te begunstigen.
Onder Van der Capellen, die tot gouverneur-generaal benoemd was (1816â1826). brak een hevige strijd uit op Sumatra. De sultan van Palembang poogde zich aan 't Nederlandsche gezag te onttrekken (1819). Eene expeditie onder De Koek mislukte, maar een tweede tocht in 1821 onder dienzelfden generaal slaagde beter. De sultan werd gevangen genomen en, nadat nieuwe onlusten waren voorgevallen, 't sultanaat in 1825 opgeheven. ïe gelijker tijd was Padang 't tooneel van hevige rustverstoringen, veroorzaakt door eene dweepzieke Mohamuiedaansche sekte, de Padries. Niet dan na een geduchten strijd slaagde de resident Raaf er in, ons gezag te herstellen en over de Bovenlanden uit te breiden. â Het jaar 1824 was belangrijk door 't tractaat met Enyeland. Tegen den afstand van Malakka liet dit rijk ons zijne bezittingen op de eilanden (Benkoelen, Billitonl over. Geene der beide partijen zou eene overeenkomst met ecnigen Oosterschen staat mogen sluiten, waardoor de handel van de andere benadeeld kon worden. Nederland moest de onafhankelijkheid van Atjch eerbiedigen , maar den handel aldaar tegen zeeroof beschermen. Engeland zou den vrijen handel in Ncderlandsch-Indië behouden. â Het bestuur van Van der Capellen voldeed niet aan de verwachtingen. De uitgaven namen zoozeer toe, dat zij weldra de inkomsten overtroft'en, en in 1824 eene leening moest gesloten worden. Daarbij ging de gouverneur op 't voorbeeld der oude compagnie en in strijd met den raad zijner medecommissarissen, de vestiging van Europeesche planters en fabrikanten tegen. Zelfs verbood hij in 1823 de verhuring van gronden in de vorstenlanden aan Europeanen met bevel, dat de bestaande contracten moesten vernietigd worden. De misnoegdheid over deze en andere maatregelen, vooral de wederinvoering der (300j tolpoorten (waar in- en uitgaande rechten werden geheven door Chineesche pachters, die zich aan schromelijke knevelarijen schuldig maakten) was zoo groot, dat weldra een zeer gevaarlijke opstand uitbarstte (1825â1830).
Dipo Negoro, een der voogden van den minderjarigen sultan van Djokjokarta, die den Europeanen een feilen haat toedroeg en bij de
bevolking in hoog aanzien stond, maakte namelijk van die ontevreden stemming gebruik, om een oorlog tegen 't Nederlandscbe bestuur te beginnen. Daar de troepen verspreid waren, kon eerst weinig tegen den opstand ondernomen worden , die zich spoedig uitbreidde. Generaal De Koek, in 1826 tot luitenant-gouverneur-generaal benoemd, spande alle krachten in om Dipo Negoro ten onder te brengen, maar ook nu nog behaalde deze menig voordeel. Door 't opwerpen van bentings (schansen) in de streken, waaruit de vijand verdreven was, werd de opstand hoe langer hoe meer beperkt, doch eerst na de gevangenneming van Dipo Negoro kwam aan den strijd een einde. â Te gelijk met De Koek was de Belg Du Bus de Ghisignies tot commissaris-generaal aangesteld om den financiëelen toestand te verbeteren en de bezittingen winstgevend te maken. Hij stelde voor 't individueel grondbezit in te voeren, 't stelsel van Elout op nieuw aan te nemen en landbouw-commissies te benoemen. Maar deze voorstellen beloofden geen dadelijk voordeel, waaraan groote behoefte bestond. zoodat men liever de plannen van Van den Bosch in toepassing wilde brengen, die juist van Suriname teruggekeerd, in 1830 tot gouverneur-generaal werd aangesteld.
Het cultuurstelsel van Van den Bosch (1830â1833) was in zeker opzicht een terugkeer tot 't vroegere contingentenstelsel. In plaats van l/5 der opbrengst van den bodem als landrente op te brengen, moest elke dessa op 1'ó van hare akkers zulke producten aankweeken, als de regeering aanwees, en welke op de Europeesche markt met voordeel konden verkocht worden. Zooveel de waarde dier producten, door de regeering zelf bepaald. meer was dan quot;t bedrag der landrente zou vergoed worden. De teelt van allerlei gewassen werd nu in korten tijd ingevoerd, maar aanvankelijk met weinig goed gevolg. Eerst toen de regeering zich tot de cultuur van koffie, suiker en indigo bepaalde, begon 't stelsel voordeel af te werpen en wel in die mate, dat jaarlijks millioenen in de schatkist vloeiden {batig slot). Ongelukkig leidde de gedwongen levering tot allerlei misbruiken. Daar den in-landschen hoofden cultuur-procenten beloofd wérden, oefenden deze een bovenmatigen druk op hunne onderhoorigen uit door overdreven uitbreiding der heerendiensten; dikwijls lagen de gronden, waarop de inlanders voor de regeering moesten werken, op grooten afstand van de dessa, waardoor veel tijd verloren ging, die niet vergoed werd. De rijstvelden konden niet voldoende verzorgd worden, hetgeen soms vreeselijken hongersnood ten gevolge had. Daarbij bleef de regeering ook de landrente invorderen, ja bepaalde zij vooraf hoeveel de koloniën moesten opbrengen, en breidde zij in overeenstemming daarmede de cultures steeds uit. Gelukkig kwam er sedert 't midden dezer eeuw eene verandering ten goede in de toepassing van 't cultuurstelsel.
278
De jaren 1832 tot 1888 waren gekenmerkt door een hevigen oorlog op Sumatra. De Padries geraakten opnieuw in opstand, geholpen door de zeeroovers van Atjeh en weldra ook door de bevolking der Padangsche bovenlanden, die ontevreden was over de belastingen op opium en andere handelswaren, de koeliediensten en de minachting, welke onverstandige ambtenaren voor hun godsdienst en zeden toonden. Nadat enkele bevelhebbers vergeefs beproefd hadden, den gruwelijken oorlog tot een goed einde te brengen, gelukte dit na de inneming van 't sterke Bondjol aan generaal Cochius en kolonel Michiels. Laatstgenoemde breidde in 1840 onze bezittingen ter westkust uit door de verovering van Sinkel op de Atjehneezen, terwijl kort te voren de sultans van Djambi en Indragiri 't Nederlandsche oppergezag hadden erkend. â Engeland, naijverig op die gebiedsvergrooting, verweet ons schending van 't tractaat van 1824; want toen onze regeering bezwaren inbracht bij 't Britsche gouvernement over de benoeming van James Brooke tot radja van Serawak (op Borneo) door den sultan van Broenei (1843), klaagde dit over belemmering van den Engelschen handel op Java, en onvoldoende beteugeling der Atjehneesche zeeroo-verijen. Zelf nam het quot;t kolenrijke eiland Laboean in bezit, hetgeen volgens onze regeering strijdig was met 't tractaat. â Tijdens 't bestuur van den gouverneur-generaal Rochussen (1845â1851) ontstond een oorlog met Bali over de uitoefening van 't strandrecht en den zeeroof der Balineezen. Eene eerste expeditie noodzaakte de vorsten van dat eiland een verdrag aan te gaan, dat echter spoedig geschonden werd. Daarop volgde een tweede tocht in 1848. en, omdat deze geheel mislukte , in 't volgende jaar een derde. Met een leger van 5000 man naar Bali overgestoken, onderwierp generaal Michiels de vorsten van Bleling en Korang-Assam, maar sneuvelde bij een nachtelijken overval van den vijand. In zijne plaats kwam de luitenant-kolonel Van Swieten, wien het gelukte ook den vorst van Klonkong tot erkenning van 't Nederlandsch gezag te noodzaken.
Het waren vooral de Indische baten uit de invoering van 't cultuurstelsel voortgesproten, die onze financiën hadden verbeterd. Maar juist die groote voordeelen hadden gedurende de eerste twintig jaren tot eene toenemende uitbreiding van 't stelsel aanleiding gegeven, waarvan de last zeer ongelijk drukte. Want daar niet de verrichte arbeid, doch de opbrengst werd vergoed, kon het gebeuren, dat een dagwerk in de eene residentie met 48 cents, in de andere met 3 cents werd betaald.
Nu was de kennis van Indie en Indische toestanden in ons land bij velen zeer gering, zelfs bij menig lid onzer volksvertegenwoordiging. Hierin bracht de grondwet van 1848 verandering, daar zij den Staten-Generaal aandeel «mf in 't vaststellen der Indische wetcrevimr. Sedert
279
gemakte men meer bekend met den zwaren dwang, welke op de Javaansche bevolking werd uitgeoefend; vooral was bot de vroegere predikant te Batavia, Van Hoëvell, die als lid der Tweede kamer zijne stem daartegen verhief. Hij vond steun bij de liberale partij, maar bestrijding bij de conservatieven, en zoo werd deze koloniule quaestie een belangrijk punt van verschil tusschen beide partijen. Evenwel waren ook de tegenstanders van 't stelsel van Van den Bosch niet voor ecne dadelijke opheffing, daar de schatkist niet plotseling de Indische baten kon missen. â Met 't optreden van den gouverneur-generaal Duymaar van Twist (1851â1856), den opvolger van Rochus-sen. begon een mildere geest 't Indisch bestuur te doordringen, en eene geleidelijke afbreking van 't cultuurstelsel. Van Twist maakte een einde aan 't misbruik der passarrechten of tolpoorten (bl. 270), en voerde een nieuw regeeringsreglement in (1854j, door den minister Pahud tot stand gebracht. Tien jaar later werd bij de comptabiliteitswet bepaald, dat te beginnen met 1867 de Indische begrooting dooide Staten-Generaal zou worden vastgesteld. Pahud, van 1856 tot 1861 gouverneur-generaal, ontsloeg landbouw en handel van vele belemmeringen. Nadat de tabakscultuur was vrij verklaard, volgde in 1861 die van thee, en werd in 1862 de verplichte aanplanting van kaneel en peper, in 1863 die van indif/o afgeschaft. Eindelijk werd door de suikerwet van den minister De Waal de laatste slag toegebracht aan 't cultuurstelsel. Daarin werd bepaald, dat na 1878 jaarlijks 1/i2 gedeelte van de gronden, voor de gedwongen aanplanting van suiker bestemd, daaraan zou onttrokken worden, zoodat in 1890 ook die cultuur geheel was opgeheven. Nog blijft de gouvernements-koffieculiuuv, maar deze bestond reeds vóór 1880. Eene kleine verbetering werd daarin aangebracht in 1888 door eene verhooging van 't plantloon met één gulden; belangrijker verbeteringen of gebeele opheffing zullen echter op den duur niet kunnen uitblijven. Sedert 1860. toen de slavernij werd afgeschaft, bedienen de perkeniers op de Banda-eilanden (bl. 127) zich van vrije arbeiders. Zij kregen in 1864, na de opheffing van 't specerij-monopolie, de perken in eigendom; door deze maatregelen verhieven die eilanden zich langzamerhand uit hun kwijnenden toestand.
Belangrijk voor de ontwikkeling van den landbouw was de agrarische wet (minister De Waal, 1870), waarbij werd vastgesteld, dat gronden in erfpacht kunnen afgestaan worden voor hoogstens 75 jaar, zonder dat daarbij op de rechten der inlanders inbreuk mag worden gemaakt. Ook de verdeeling der dessa-gronden onder de gemeenschappelijke eigenaars werd toegestaan. maar van dit verlof lang niet algemeen gebruik gemaakt, Voordeelig voor de uitbreiding van handel en verkeer was de aanleg van telegrafen en spoorwegen (wetten van 1863, (5
280
en '78), de opening eencr directe stoomvaart tussehen Nederland en Java in 1871 en eener nieuwe haven voor Batavia te Tandjong Priok in 1881. Reeds vroeger (1872) was door de afschaffing der differentieel rechten (minister Fransen van de Putte) Tndië voor den vrijhandel geopend. â Tot opleiding van ambtenaren werd in 1864 te Leiden eene rijks-, te Delft eene gemeente-instelling voor 't onderwijs van Indische taal-, land- en volkenkunde opgericht.
Onder de vreeselijkste natuurrampen, welke IndiS in den laatsten tijd troffen, moet vooral de uitbarsting van den vulkaan op 't eilandje Krakatau (straat Soenda) genoemd worden, die aan 20.000 menschen 't leven kostte (1883J.
Terwijl ons land gedurende de regeering van Willem III een tijd van ongestoorden vrede beleefde, werden de Oost-Indische bezittingen geschokt door opstanden en oorlogen, waarvan Borneo en Celebes, maar vooral Sumatra, 't tooneel waren. De Chineesche bevolking op de westkust van Borneo, welke in vereenigingen 1 karu/s/es) afgedeeld in de goudmijnen werken, namen in 1850 eene vijandige houding tegen onze regeering aan. Wel was eene geringe krijgsmacht voldoende om hen tot onderwerping te brengen, doch drie jaar later moest eene nieuwe expeditie gezonden worden, daar te Montrado vijandelijkheden waren uitgebroken tusschen twee kongsies. Kapitein Verspijck maakte zich van de stad meester en bracht den Chineezen in verschillende gevechten de nederlaag toe; maar eerst nadat hij de hoofden van een geheim genootschap, dat de onrast gaande hield, in handen had gekregen, kon de opstand als geëindigd beschouwd worden (1855). â Een opstand te Bandjermasin maakte in 1859 onze tusschenkomst noodzakelijk. Door 't aftreden van den sultan scheen de vrede hersteld te zullen worden, doch de plaatsing van 't land onder rechtstreeksch Nederlandsch gezag, gaf nieuw voedsel aan den strijd. Een oorlogsvaartuig âde Onrustquot; werd op de Barito door de Dajaks overvallen en de bemanning vermoord. Bovendien bemoeilijkte 't moerassige en woudrijke terrein de krijgsoperatiën in hooge mate; eindelijk echter mocht het aan Verspijck's beleid gelukken 't uitgebreide gebied te onderwerpen. â Op Celebes werd ons gezag in gevaar gebracht en onze vlag beleedigd door den sultan van Boni. Na zijn dood in 1857 maakte zijne weduwe en opvolgster het niet beter, zoodat eene krijgsmacht werd gezonden, om 't geschonden gezag te herstellen. De stad Boni gaf zich over, maar de cholera dunde onze troepen zoozeer, dat de expeditie moest worden opgegeven. Een tweede tocht slaagde beter; generaal Van Swietei: trok diep landwaarts in, dwong de vorstin tot uitlevering der rijkssieraden, hetgeen met afstand vau de regeering gelijk stond, en liet een der inlandsche hoofden tot vazal-vorst verkiezen (1860).
281
Intusschen breidden zich onze bezittingen ook op Sumatra uit, waar de vorsten van Djambi en van Deli 't Nederlandsch gezag erkenden, en in 1873 de residentie Sumatra's Oostkust werd gesticht. Vooral de vorst van Deli begunstigde de vestiging van Europeesche planters in zijn rijk, waar de tabakscultuur eene hooge vlucht nam (Deli-maatschappij). Groote last werd bij voortduring veroorzaakt aan de Indische scheepvaart door de zeerooverijen der Atjehneezen, die ook in de aangrenzende afhankelijke staatjes onrust stookten. Het tractaat van 1824 (bl. 276) verhinderde onze regeering krachtige maatregelen tegen de Atjehneezen te nemen, doch hierin kwam weldra verandering. In 1871 werd eene nieuwe overeenkomst gesloten, waarbij Engeland tegen betaling van 24.000 pond sterling onze bezittingen op de kust van Guinea verkreeg, en ons tevens de vrijheid liet op Sumatra naar goedvinden te handelen. De gouverneur-generaal Loudon (1871â 1875), die van onze regeering in last had met kracht tegen Atjeh op te treden, sloeg den weg der onderhandeling in, maar kwam daarmede niet verder. Integendeel geraakte men tot de ontdekking, dat de sultan zich den steun van vreemde mogendheden tegen Nederland trachtte te verschaffen, waarop, daar onze eisch om opheldering ontwijkend beantwoord werd, in Maart 1873 eene oorlogsverklaring volgde. Eene expeditie onder generaal Kohier naar Atjeh gezonden, stuitte op zulk een hevigen tegenstand, dat na quot;t sneuvelen van den bevelhebber de terugtocht moest worden aanvaard. Dadelijk werd eene talrijke krijgsmacht onder den reeds gepensioneerden Van Swieten met generaal Verspijck tot onderbevelhebber uitgerust, en deze slaagde beter.
Na verschillende gevechten werd de Kraton ingenomen (1874), die, sedert Kotta-Radja genoemd, belangrijk werd versterkt. Van de verschillende leenstaten, waaruit Atjeh bestond, onderwierpen zich eenige na den spoedig gevolgden dood des sultans, doch de meeste vorsten weigerden 't Nederlandsch gezag te erkennen. Generaal Pel (t 1876), de opvolger van Van Swieten, had in last te hunnen opzichte eene afwachtende houding aan te nemen; maar noch hij, noch zijn opvolger, generaal Wichers van Kerchem, konden daarin volharden wegens de voortdurende aanvallen der niet-onderworpen hoofden. Eindelijk gelukte het generaal Van der Heyden aan 't hoofd van eene groote krijgsmacht de Atjehneezen in den slay bij Samalangan en andere gevechten zulke nederlagen toe te brengen, dat de verovering van 't land als voltooid beschouwd werd (1881). Onder den gouverneur-generaal Van Lansberge (1875â1881) moest daarom 't militair voor 't burgerlijk bestuur plaats maken â maar te vroeg; want de Atjehneezen , verbitterd over 't verbranden hunner kampongs, hernieuwden hunne aanvallen op onze slecht bewapende versterkingen, en door
282
besmettelijke ziekten {heri-beri) geteisterde troepen. Nu werd besloten alle veroveringen op te geven, uitgenomen Kotta Radja met de haven Oleh-leh, en deze plaatsen door een kring van versterkingen onneembaar te maken {concentratiestelsel 1885). Deze maatregel vermeerderde de stoutmoedigheid der vijanden, en zoo is nog heden 't einde niet te voorzien van een oorlog, die reeds zooveel menschenlevens en schatten heeft verslonden. 1)
Ook in ander opzicht was de toestand van Indië gedurende de laatste jaren ongunstig te noemen: de handel kwijnde en groote sommen gingen verloren door daling in de prijzen van sommige producten, vooral van de suiker, waarom 't uitvoerrecht op dat artikel in 1886 voor vijf jaar werd opgeheven. Dat ook onder de Javaansche bevolking ontevredenheid heerscht, bleek uit de onlusten te Tjilegon in 't Bantamsche (1888). â Sedert 1881 hebben 't bewind gevoerd de gouverneurs-generaal 's Jacob (tot 1884), Van Rees (tot 1888) en Pijnacker Hordijk, die in 1893 door Jhr. Van der Wijck werd opgevolgd.
De onderdrukking der Sasaks op Lombok door een Balineesch vorst maakte in 1894 onze tusschenkomst noodzakelijk. Aanvankelijk scheen de vorst tot onderwerping geneigd, en dus de expeditie zonder bloedvergieten te zullen afloopen. Maar in 't laatst van Aug.s wisten de trouwelooze Balineezen onze soldaten in eene hinderlaag te lokken en eene ware slachting onder hen aan te richten. Na versterking ontvangen te hebben, rukte nu generaal Vetter tegen de versterkte plaatsen Ampenan, Mafaram en Tjahranegara op, die tegen de dapperheid onzer troepen niet bestand bleken, zoodat vóór 'teinde des jaars alle tegenstand was bedwongen.
Do West-Indische bezittingen bleven voortdurend in een kwijnenden» toestand. Bij de teruggave nam Willem I de verplichting op zich den slavenhandel te verbieden. Dit verbod (1818) en de vreeselijke sterfte onder de slaven door eene pokken-epidemie, waaraan in 1819 alleen meer dan 15.000 bezweken, maakten eene menschelijker behandeling dier ongelukkigen noodzakelijk, doch vermeerderden 't gebrek aan werkkrachten. De eilanden genoten eenige voordeelen uit den smokkelhandel met de Zuid-Amerikaansche republieken tijdens den oorlog met Spanje, maar toen deze waren vrij verklaard, hield die bron van inkomsten op te vloeien. Ook de verklaring van Curasao tot eene vrijhaven door den gouverneur Van den Bosch (1828â1830), bracht geene verbetering aan, evenmin een nieuw regeeringsreglement,
') De laatste berichten luiden iets gunstiger; eene partij in Atjeh zou in onderwerping gekomen zijn en zelfs hare medewerking hebben aangeboden.
283
waarbij aan alle vrijen gelijke rechten werden toegekend. De behoefte aan arbeiders verminderde ten gevolge van deze maatregelen niet in een land, waar vrije lieden het beneden zich achtten, veldarbeid te verrichten. Eene nieuwe poging om eene kolonie van Europeesche landbouwers te vestigen, mocht niet slagen; iets beter gelukten de maatregelen van den gouverneur Van Radars (1845â1852). Hij wist door zijn eigen voorbeeld vrije kleurlingen aan 't graven van een kanaal en ontginning van woeste gronden te krijgen, stelde den handel op Suriname voor alle volken open, waardoor de producten in waarde stegen, en gaf een reglement op de behandeling der slaven. Toch bleef de kolonie een lastpost voor 't moederland, al stak haar toestand nog gunstig af bij dien der eilanden, welke bovendien door aardbevingen, orkanen en ziekten geteisterd werden. In 1843 kwamen zij onder een afzonderlijk bestuur.
Overeenkomstig de wet van 18(52 werd in 't volgende jaar de slavernij in West-Indië afgeschaft. De slavenhouders ontvingen tien millioen gulden als schadevergoeding; maar de verwachting, dat de ontslagen slaven als vrije arbeiders bij hunne vroegere heeren in dienst zouden blijven, werd niet vervuld. Om in de behoefte aan werkkrachten te voorzien, bevorderde onze regeering de immigratie van Chineesche en Britsch-Tndische koelies (werklieden), hetgeen echter niet voorkwam, dat vele plantages onbebouwd bleven. Bovendien verbood Engeland weldra den invoer van koelies uit zijn gebied, wegens de slechte behandeling, welke zij in Suriname ondervonden. Bij 't tractaat van 1872 werd dit verbod weder opgeheven, op voorwaarde van betere behandeling en kostelooze terugzending der koelies na afloop van 't contract. Velen gaven echter de voorkeur aan eene duurzame vestiging in de kolonie, hetgeen hun gaarne werd toegestaan.
Een nieuw regeeringsreglement, in 1865 ingevoerd, schonk aan de koloniën eene grootere mate van zelfbestuur. Sedert was een langzame vooruitgang te bespeuren. zoodat Curacao reeds zijne eigene uitgaven kan bestrijden en de som. waarmede Suriname geholpen moet worden, jaarlijks kleiner wordt. Die verbetering van den financiëelen toestand was gedeeltelijk 't gevolg van de ontdekking van goud langs sommige Surinaamsche rivieren. In eene lang gevoelde behoefte werd voorzien door de opening eener rechtstreeksche stoomvaart van Amsterdam op West-Indië (1886). Een verschil over de grensscheiding tusschen Fransch- en Nederlandsch-Guyana werd door den keizer van Rusland, als scheidsrechter ingeroepen, in 1891 te onzen voordeele opgelost.
284
§ 7. Toestanden.
De 19' eeuw onderscheidt zich van al hare voorgangsters door de verbazende vorderingen der wetenschap, welke tot uitvindingen hebben geleid, die op 't gebied van nijverheid, handel, verkeer, verlichting, enz. eene geheele omwenteling hebben teweeggebracht. Wat ons land betreft, werd in 1823 de eerste stoomboot in gebruik gesteld, in 1886 de eerste gasfabriek gesticht (te Amsterdam), in 1839 de eerste spoorweg geopend (tusschen Amsterdam en Haarlem). De aanleg van telegrafen dagteekent van 't begin der tweede helft onzer eeuw, terwijl de telefoon eene vinding van onze dagen is, en quot;t electrisch licht 't gaslicht reeds begint te verdringen.
De handel, tijdens de inlijving door 't continentaal stelsel bijna gedood, herleefde langzaam sedert 1813. Ontdaan van vele belemmeringen ontwikkelde hij zich na 1850 aanzienlijk, hoewel ons land nog heden slechts eene bescheiden plaats onder de handeldrijvende staten blijft innemen. Verbetering onzer havens, uitbreiding der verkeersmiddelen en aansluiting van deze met buitenlandsche hebben veel tot die ontwikkeling bijgedragen. De binnenlandsche handel bereikte door dezelfde oorzaken een grooten bloei.
De afscheiding van België werkte niet ongunstig op den vooruitgang onzer nijverheid. Daar metalen en steenkolen, de eerste behoeften voor de ontwikkeling der groot-industrie, ontbreken, zal ons land in dit opzicht steeds moeilijk met 't buitenland kunnen concurreeren. Ook bezit het slechts twee eigenlijke fabrieksdistricten, maar bovendien een groot getal plaatsen, waar de nijverheid op kleiner schaal wordt uitgeoefend, en waar men zich naast de bestaande op nieuwe takken van industrie begint toe te leggen. Zeer zeker hebben de herhaalde tentoonstellingen in 'tbinnen- en buitenland, en vereenigingen als de Maatschappij tot bevnrdei'ing van. nijverheid i een gunstigen invloed uitgeoefend.
Landbouw en veeteelt leden somtijds zware verliezen {aardappelziekte 1845), maar bleven op onzen vruchtbaren bodem hoofdmiddelen van bestaan. Zij beleven na jaren van grooten bloei, waarin de prijs der landerijen aanzienlijk steeg, tegenwoordig een minder gunstig tijdperk. De invoer van landbouwproducten, vooral van granen uit Noord-Am erika, is hiervan gedeeltelijk de oorzaak, vandaar de wensch van sommige belanghebbenden om, evenals enkele onzer naburen, 't beschermend stelsel aan te nemen. Ziekten onder 't vee {runderpest 1865â67), mededinging van andere volken (Denemarken) en andere oorzaken hebben verbodsbepalingen omtrent den invoer in vreemde havens uitgelokt, en onze zuivelproducten in prijs doen dalen. Door
285
't openstellen van inrichtingen, waar de landbouw en veeteelt wetenschappelijk onderwezen worden {landbouwschool te Wageningen), en gebruik te maken van nieuwe vindingen en werktuigen, tracht men de noodige verbeteringen aan te brengen; terwijl verschillende veree-nigingen 't zelfde doel beoogen of de ontginning van woeste gronden aanmoedigen (landbomvmaatschappijen, heidemaatschappij).
De wettelijke regeling van 't onderwijs is geheel 't werk van onze eeuw, bij wier aanvang de eerste wet op 'tlager onderwijs verscheen. Sedert is onafgebroken aan den vooruitgang der volksschool gewerkt door invoering van betere leerwijzen en leermiddelen, stichting van opleidingsscholen voor onderwijzers. enz., terwijl 't getal scholen eene zoodanige uitbreiding heeft gekregen, dat niemand geheel van onderwijs behoeft verstoken te blijven. Niettemin is 't schoolverzuim nog zoo aanzienlijk en zoo moeilijk te bestrijden. dat misschien de invoering van leerplicht alleen hieraan een einde zou kunnen maken. Het middelbaar onderwijs was vóór 1863 niet bij de wet geregeld. Het voorziet in de behoefte van hen, die geene academische opleiding. maar toch uitgebreider kennis noodig hebben, dan de lagere school kan aanbrengen. â Het is zeker, dat. zij het ook langzaam, de verbetering en uitbreiding van 't onderwijs op den duur 't peil der volksbeschaving moet verhoogen. Maar ook op andere wijzen wordt in onzen tijd van verschillende zijden veel gedaan, om de volksverlichting te bevorderen. Talrijk zijn de vereenigingen, die door 't verspreiden van geschriften, 't houden van volksvoordrachten, 'toprichten van scholen voor volwassenen, enz. nuttig werken. Andere maatschappijen trachten 't zedelijk gehalte des volks te verhoogen door veredeling der volksvermaken, de bestrijding van 't misbruik van sterken drank, de dierenbescherming. enz.
Tot wering van besmettelijke ziekten {cholera 1832, '49 en '(36, pokkenepidemie 1870â72) en verbetering van den gezondheidstoestand in 't algemeen, werkten mede: wetten en verordeningen op de begraafplaatsen, op de besmettelijke ziekten, op de vaccinatie, alsmede aanleg van waterleidingen, oprichting van badinrichtingen, aanbouw van betere arbeiderswoningen, enz. Op filantropisch gebied heeft onze eeuw veel tot stand gebracht, en staat 't Nederlandsche volk nog altijd in de eerste rij, al blijft in dit opzicht nog veel te doen over.
Intusschen heeft onze hedendaagsche maatschappij den toestand van volmaaktheid nog in geenen deele bereikt. Op 't gebied van wetgeving , onderwijs en godsdienst bestaat eene verdeeldheid, die de invoering van verbeteringen dikwijls tegenhoudt. Ook wordt de klacht vernomen, dat de zucht naar weelde en genot toeneemt, de ernst en degelijkheid onzer natie daarentegen verminderen. Een bedenkelijk verschijnsel is de afneming der stoffelijke welvaart van den zoogenaamden
286
werkenden stand, vooral der fabrieksarbeiders. Het is ondoenlijk in enkele regels de oorzaken hiervan op te geven, noch de middelen, die voorgeslagen zijn, om verbetering aan te brengen. Wij zagen reeds (bl. 269), dat een onderzoek werd ingesteld naar den bestaanden toestand, en dat de regeering eene wet tot stand bracht, om ten minste de vrouwen en kinderen, die in fabrieken arbeiden, tegen onredelijke eischen van werkgevers te beschermen.
Tegen 't einde der IS*1 eeuw was ook op 't gebied der letterkunde eene omkeering waar te nemen. De heerschappij der dichtgenootschappen geraakte uitgediend, en natuur en waarheid keerden langzamerhand in de poëzie terug. Bellamy. Nieuwland, Van Alphen, Feith behoorden tot dit overgangstijdperk, maar namen bij hunne tijdgenooten een hoogeren rang in, dan volgende geslachten hun wilden toekennen. De kindergedichtjes van Van Alphen inzonderheid zijn te weinig kinderlijk en natuurlijk, om aan den hedendaagschen smaak te voldoen. â De groote afwisselingen in ons volksbestaan gedurende de eerste dertig jaren dezer eeuw stemden menig dichter om't roemrijk verleden, de verloren nationaliteit, de herboren vrijheid of de veree-niging met Belgiti te bezingen, maar niet allen wisten den juisten toon te treffen. Onder de meest bekenden behoorden Helmers (f 1813, De Hollandsche natie) en Tollens (t 185(5, Romances, Volkslied, Ovei-winterinf/), die 't voorrecht genoot, evenzeer gelezen te worden als Cats. Minder verstaanbaar voor iedereen, maar daarom niet minder verdienstelijk waren Kinker en Staring. Boven allen blonk uit de ijverig prinsgezinde Willem Bilderdijk (f 1831), die in bijna elke dichtsoort uitmuntte {Onderr/ang der Eerste Wereld, Ziekte der Geleerden), verschillende wetenschappen beoefende, vooral een uitstekend taalkundige , maar een eenzijdig geschiedschrijver was. Zijn vriend en leerling Da Costa ff 1859) behoorde evenzeer tot de meest vermaarde lyrische dichters. Een zeer verdienstelijk prozaschrijver was Van der Palm, professor te Leiden (f 1841. Gedenkschrift van Neer lands herstelling), die onder de Bataafsche republiek de zaken van't onderwijs bestuurde, en in die betrekking de wetten van 1801, '3 en '6 voorbereidde.
Sedert 't midden onzer eeuw ontstond een nieuw leven op 't gebied onzer letterkunde, waartoe 't maandschrift âDe Gidsquot; (1837) veel heeft bijgedragen. Meer dan in eenig vroeger tijdperk werd 't proza met geluk beoefend op 't voorbeeld van Jacob Geel (f 1802, Het Proza) en de redacteuren van 'tgenoemde tijdschrift: Potgieter (f 1875, Het Rijksmuseum) en Bakhuizen van den Brink (f 1865, Letterkundige studiën en schetsen). In den historischen roman onderscheidden zich Jacob van Lennep ff 1868), mevrouw Bosboom-Toussaint (f 1886) en Schimmel (ook dramatisch dichter) boven vele anderen. De âCamera Obscuraquot; van Hildebrand (Beets) en de âMax Havelaar' van Multa-
287
k in tuli (Douwes Dekker f 1887) zijn eenig in onze letterkunde. De
i]ell uitstekende criticus Busken Huet (f 1886, Litteraiische fantasieën,
Ei^en Land i:an Rembrand) kent beide werken eene eereplaats toe onder onze
a(jen letterkundige producten, en behoort zelf met Vosmaer (t 1888,
ten Atnazo.ie) tot de prozaschrijvers van den eersten rang. Van Lonnep,
on. Potgieter en Beets verdienen tevens eene plaats onder de verdienstelijke
dichters en niet hen De Génestet (f 1861, Leekedichtjes), Bogaers jn,|e ff 1870. Tocht naar Gibraltar). Heye (t 1876, Volksliederen, Kinder'
oot- gedichtje.'!), Ter Haar (t 1880, St. Paulusrots), Ten Kate If 1889,
mg- De Schepping), Schaepman (Aya Sofia). Nog moeten genoemd worden:
,en^ Cremer (f 1880, Betuwsche novellen). Hofdijk (f 1888, Geschiedkun-
mne lt;%« werken, Dramatische poëzie), Alberdingk Thym (f 1889j en
[(Jej! Gouverneur (t 1889), terwijl verschillende nog levende schrijvers en
1 te schrijfsters onze letterkunde met fraaie werken verrijkt hebben.
üjak In 1804 verscheen eene Nederlandsche spraakkunst van Weiland,
â nde en werd de spelling van Siegenbeek in staatsstukken en bij 'tonder-
vijk wijs ingevoerd. De gebreken, welke deze spelling aankleefden, werden
ree. omstreeks 60 jaar later verbeterd door De Vries en Te Winkel,
sten Andere taal- en letterkundigen waren: De Jager, Verwijs. Jonck-
;ig! bleet, Van Vloten en wat de oude talen betreft: Peerlkamp ( Latijnj,
Cobet (Grieksch), Kern (Sanskriet), Kuenen (Hehreeuwschj.â De a)s geschiedenis des vaderlands beoefenden Groen van Prinsterer, Bak
ker huizen van den Brink, Nuyens, Jorissen, Fruin, Blok, terwijl
de de studie der aardrijkskunde bevorderd werd door de oprichting van
â Ike 't Aardrijkskundig genootschap (Veth).
Als rechtsgeleerden onderscheidden zich o.a. Thorbecke, De Bosch un. Kemper, Modderman, Opzoomer; als staathuishoudkundigen 0e
jn,r Bruin Kops, Vissering, Pierson. Als wiskundigen muntten uit Van
^e Swinden, De Gelder, Verdam, Lobatto; als natuurkundigen Bos-
m scha, Van der Hoeven, Oudemans, Snellen van Vollenhove,
(/| Harting; als sterrenkundige Kaiser; als meteoroloog Buys Ballot,
](, terwijl onder de talrijke geneeskundigen van naam de oogheelkundige
Donders eene Europeesche vermaardheid verkreeg. jeC] Bouwkundigen van naam (Outshoorn. Cuypers) en verdienstelijke
.gfl. beeldhouwers {Royer, Stracké) waren in onze eeuw veel zeldzamer
ie1- clan vermaarde schilders. Ary Scheffer (f 1858 |. die zich doorgaans
| te Parijs ophield en bijbelsche tafereelcn voor zijn penseel koos, en
Alma Tadema, die zich te Londen vestigde en voorstellingen uit 't leven der oude volken op 't doek brengt, hebben eene buitengewone cj] beroemdheid verworven. Voorts behooren tot de verdienstelijke schil-
ders: Schotel en Mesdag (zeegezichten), J. W. en N. Pieneman ,m (historieschilders). Koekkoek en V^n de Sande Bakhuizen (land-
ta schappen). Schelfhout (wintel-gezichten). Springer (stadsgezichten).
i
288
Israels (visschersleven), Bosboom (kerken van binnen), Verveer (dorpsgezichten), Rochussen, Bles en Ten Kate (genreschilders) en vele andere meer. â Ook op 't gebied der toonkunst werden schoone werken voortgebracht, o.a. door Van Bree, Verhulst, Nicolaï, Richard Hol , enz.
Behalve door de feestelijke viering van belangrijke gedenkdagen (bl. 274) bleek ook uit de oprichting van standbeelden en andere monumenten, dat ons volk zijne groote mannen en de daden van 't voorgeslacht niet vergeet. In 1841 verrees een standbeeld voor De Ruyter te Vlissingen, in 1845 en 1848 standbeelden voor prins Willem I te 's-Gravenhage, (waarvan 'teerste een ruiterstandbeeld), in 1852 voor Rembrand te Amsterdam en voor koning Willem II te 's-Hage, in 1856 een gedenkteeken te Amsterdam ter herinneinny aan den volksgeest van 1830/31, in 1859 een standbeeld voor Tollens te Rotterdam, in 1862 voor Ary Scheffer te Dordrecht, in 1867 voor Vondel te Amsterdam, in 1868 voor Van Hogendorp te Rotterdam, in 1869 een gedenkteeken voor de groote mannen van 1813 te 's-Hage, in 1870 een standbeeld voor Piet Hein te Delfshaven, in 1872 voor Boerhave te Leiden en een gedenkteeken voor Marnix te West-Souburg, in 1873 een gedenkteeken te Heiligerlee, in 1874 een te Brielle, in 1876 een te Alkmaar en een standbeeld voor Thorbecke te Amsterdam, in 1880 voor gebr. Houtman te Gouda en voor Spinoza te 's-Gravenhage, in 1883 voor Jan van Nassau te Utrecht, in 1884 voor Van der Werff te Leiden.
V
quot;'p fi ^jyC^Jr ^ _^.- j
w!!^^?»^S®egpS
I ilPiP
m
~ »⢠⢠v' .
W*j*ï. rP\*gt;T*
y | J' â '- ÃV .
' ..Vquot; --: ' ^r^-fï ji1
£jV#i â .««! ; , _ ;é-^
' . -r â¢â¢â¢ ; â ,.»â ' â - ⢠: \;. ' ivt :.^-
;â quot; , ,/-â¢â â â :.â ⢠^ Vx HT, ^
A v '*r
'^V ^
ah
â¢â K't A
'⢠. .V
v'^quot;' ^1^3 'J^ - / '.t- quot; . «^-r,
â ⢠- gt;' -^;- ⢠' ,. i./.v .;V^t;
i-,:' ⢠^
; -5:X . 'V.â , 'Ãt.-/
[gt; fei^4;» d *\^^0^ryi lt;⢠, , -nv^. ^
- % -⢠..-r ^
wv v