12
pep-
Vak 147
......m
mm
.'v v â¢';â¢â¢;
; ⢠' '
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
â S;:quot;
ml.
2826 962 3
MOZES OF DAREÃH'â
EEN SCHOOLKWESTIE,
allen vrienden der waarheid ter overweging voorgelegd
DOOR
DR. ARNOLD DODEL,
Hoogleeraar in de plantkunde aan de hoogesehool te Zurich.
tweede vermeerderde druk,
naar den vijfden druk van het oorspronkelijke werk.
Biblr heek
MINOERBrtOEDE.j WEEquot;
Alleen hij, die de waarheid zoekt, zoekt God.
Savage.
L.
Amsterdam, J. VERMEER.
1S96.
AAN DEN LEZER.
Het is ongeveer zes jaar geleden, dat de eerste druk dezer Nederlandsche vertaling van prof. Dodel's brochure verscheen. Dezelfde warme belangstelling, die dit werkje in verschillende landen mocht ondervinden, getoerd het ook hier. Hoewel de door den schrijver heftig gewraakte kloof tusschen het hooger en het lager onderwijs: âdarwinistisch ingericht hoven, op het Mozaïsch scheppingsverhaal gegrondvest benedenquot; in ons land niet zóó diep en zóó wijd schijnt als elders, is de strijd door prof. Dodel vóór de waarheid aangebonden zoo sympathiek, de uiteenzetting der darwinistische leer zoo helder en voor ieder verstaanbaar, dat zijne brochure het aantal harer lezers bij duizenden klimmen zag.
Sedert een paar jaar reeds was deze eerste hollandsche druk uitverkocht en kwam er niettemin steeds navraag.
Inmiddels was de vijfde duitsche druk al verschenen, die aanmerkelijk meer bevatte dan de eerste druk. De voordrachten waren natuurlijk wel ongeschonden bewaard gebleven, maar talrijke noten waren er aan toegevoegd en het geheel zelfs met een paar nieuwe hoofdstukken verrijkt.
Dit alles bewoog tot een vernieuwde uitgaaf, die dus veel meer hevat dan de vorige.
Om het beeld van prof. Dodel te gebruiken, verschijnt zijn brochure dus weer als een reiziger, die dank zijne opgedane ervaringen op zijn zwerftochten, ruimer en beter toegerust dan den eersten keer is, om voor de tweede maal zijn tocht door ons land te aanvaarden, waar hij zonder twijfel zich weer tal van nieuwe vrienden zal maken, gezwegen nog van zijn oude kennissen, die hem met vreugde weer zullen begroeten in zijn nieuw en ruimer kleed
Amsterdam, Oct. 1896.
B V-'fei.'?«â¢
quot;
BH
Wmm«
VOORBERICHT BIJ DEN EERSTEN DRUK.
A'it in de wetenschappelijke wereld hel vraagstuk der afstamminr reeds lang afdoend in bevestigenden zin is uitgemaakt, zoodat hel âUilen naar Athene dragenquot; mag heeten om in wetenschappelijke vergaderingen nog met bewijzen voor de afstammingsleer voor den dag te willen komen, scheen het mij een geschikte lijd eens inspectie te houden om na te gaan ivelk voordeel de Volksschool uit deze wetenschappelijke veroveringen getrokken heeft. Het resultaat van dit uitstapje op hel bloemrijke veld van het Schoolwezen ivas zoo treurig en ontmoedigend, dal ik na jarenlang waarnemen eindelijk heslool mijn meening over de ontzettend diepe kloof lusschen liooger en lager onderwijs niet langer verborgen te houden en om in openlijke voordrachten zonder omwegen dezen kanker bloot te leggen en een beroep te doen op den waarheidszin en hel rechtsgevoel van den onverdorven volksgeest.
Zoo heb ik dan in Januari en Februari van dit jaar (1889) te Zurich en te St. Gallen over de noodlottige klove in ons schoolwezen gesproken. De buitengewone belangstelling, die dezen voordrachten ten deel viel, was mij een overtuigend bewijs, dat de vraag: âMozes of Bnjiviit^ een âquestion hriilaitlequot; was geworden.
Het fanatieke gehuil van woede van eenige ultramontaansche heethoofden en de huichelachtig schijnheilige laagheid van ettelijke protes-tantsch-geveinsde Sionswachters, zoo ook de beginsellooze houding van de âliheralislischen politieke pers, hebben mij genoodzaakt mijne bewuste drie voordrachten in onveranderden vorm als geschrift aan alle vrienden en vijanden der waarheid Ier nadere overdenking voor te leggen. Uier zijn ze dan, die voordrachten/ Ik vlei mij, dat zij niet alleen gelezen zullen worden door eenvoudige, naar kennis en ontwikkeling hakende burgers. Ook onderwijzers van alle rangen, schoolautoriteiten en zeker theologen en geestelijken van verschillende kleur zullen er nog, vertrouw ik, eenig nut uit kunnen trekken.
De onverzoenlijke tegenstanders, zoowel als de geestdriftvolle vrienden der waarheid, hoop ik gedeeltelijk in het Nawoord (Hoofdstuk IV) behoorlijk bescheid te geven.
Zünicu, 25 Febr. '89.
VOORBERICHT BIJ DEN DERDEN DRUK.
De vraag: âMozes of Darwin?quot; is binnen hel jaar nog lot een levendig besproken schoolkwestie geworden. Heinde en ver â niet slechts in Zwitserland, waar zij in verscheidene ondrrwijzersvergaderingen ter sprake is gebracht â maar ook in Duilschland, Oostenrijk-Hongarije, Holland, frankrijk, Italië, Engeland, Amerika enz. hebben voor- en tegenstanders hun oordeel er over geveld en talrijke brieven uit onderwijzers- en leekenkringen uit al deze landen, waren mij een voldoend bewijs, dal men toch eindelijk begint na te denken over de rampzalige tegenspraak lusschen hooger- en lager onderwijs. Mijn doel was daarmede volkomen bereikt; de verdere taak rust op de schouders der pevdagogen en der wetgevers, die niet lang meer den geest des tijds en den ernst der waarheid zullen weerstaan kunnen.
6
In hel verlonp van nog r/een jaar zijn er niet minder clan drie leqenschriflen verschenen, die ih ijelezen, doch zonder eenig nut ge-trokken te hebben, ter zijde gelegd heb. Alle drie strijden mei conief-sionneele argumenten en tegenwerpingen, die gedeeltelijk zeer oud tn hopeloos versleten, anderdeels reeds honderdmaal wederlegd zijn. Die nog eens opnieuw te gaan beantwoorden kon mij niet invallen. Een paar opmerkingen daarover lasch ik in dezen druk in mijn Nawoonl in. liet besle antwoord, dat ik op deze aanvallen â waaronder zelfs berijmde â geven kan â is deze derde goedkoope volksuitgave, die in 5000 nieuwe exemplaren weer haar weg moge vinden.
Laat ons hopen, dat aan het einde dezer op scheiden staande eeuw de tegenspraak in de school: âBoven waarheid â van onderen dwalingquot; moge opgeheven zijn! Het moet zoo komen', want zelfs de vrome tegenstanders mijner brochure, die in opdracht hunner vrome geloofs-(jenooten de pen tegen mij opgenomen hebben, geven toe, dal zij zich op den grondslag der ontwikkelings- (afslammings) leer plaatsen; wel is waar geschiedt dit op schuchtere schier beschaamde wijze en â men kan het uit den woordenstrijd verstaan â onder hel beding, dat zij (de vrome onderwijzers) in de vrome scholen over de afstamming niets behoeven te zeggen. Ook hier dus tweeërlei boekhouding !
Laat ons eerlijk zijn! Laten wij ten aanzien der waarheid zonder vrees zijn! Laat ons een geheel, niet maar een lialvelinp; zijn! â Wij kunnen ons in de lagere school niet aan Mozes vastklampen en tegelijk van de afstamming overtuigd zijn, of aarzelend en door den nood gedwongen toegeven, dut de ontwikkelingsleer waar is; want nooit zullen Mozes en Darwin het op een accoord met elkander kunnen gooien: het een óf hel ander; een derde weg beslaat er niet.
Zurich, 18 Maart 1890.
VOORBERICHT BIJ DEN VIJFDEN' DRUK.
Iteeds sedert vijf en twintig jaren heeft de schrijver van deze brochure in woord en geschrift, overeenkomstig de beginselen der afstammingsleer, gedoceerd. Toendertijd, toen ik mijne lessen aan de hoogeschool en aan het pnlylechnicum begon â in 1870 â was het nog een stout stuk-om het denkbeeld der afstamming vrij uit en zonder allerlei omzichtigheden op den katheder te brengen. Dat heb ik bitter moeten ondervinden :
De studenten kwamen in grooten getale op en kregen langzamerhand al meer sympathie, zoowel voor den inhoud der leer als voor den vorm der bewijsvoering. De groote gehoorzaal der Universiteit bleef voortdurend te klein en zoo moest ik het grootste publiek wel in de polytechnische school ontvangen. Dat was ongehoord! Een privaatdocent zou meer toehoorders hebben dan een behoorlijk aangesteld professor. â Dat moest gestraft worden. Nijd aan den een en kant en godsdienstig fanatisme aan den anderen kant verbonden zich âte goeder trouwquot; om den keiter neer te sabelen. Leugens en lasteringen van de ergerlijkste soort werden in alle hoeken rondgedragen, aanklachten bij de autoriteiten ingediend â en de naam van den afstammings-docent door
hel slijk (jeslvurd. Ter cere van Curatoren der Universiteit moet gezegd worden, dal hunnerzijds de zaal; geen verdere gevolgen had.
Sedcrl is het vclerwegen heel wat beter geworden. II/ heb 'l toch mogen beleven, dat weinige jaren later een geestelijke als privaat-docent in de Polytechnische school een tamelijk druk bezocht college hield over de afsiammings-kwestie, waarin hij zich als voorstander daarvan verklaarde.
En tegenwoordig zijn niet slechts alle werkelijke natuuronderzoekers en de wetenschappelijk onderlegde onderwijzers van ons lieve vaderland (Zwitserland) aanhangers dezer leer, maar ook vele geestelijken. Zelfs heeft de leer een wakker verdediger aan de theologische faculteit der Ziiricher hoogeschool in Prof. Dr. K. Furrer.
En in hel âKeglemcnt für die Patentprüfungen von Sekundarlelirernquot; in het kanton Bern van 1 Juni 1889 is o. a. de volgende ei^ch gesteld .-âDierkunde, de belangrijkste dierenklassen en hare vertegenwoordigers; systematisch overzicht in den zin der deszendenz (âafstammings) leer.quot;
liet is een genot in zulk een tijd te leven.
Ecu grooler genot is het nog om in zulk een tijd mede te strijden ! Ik wil mij geenszins vleien aan den grooten omm- keer in den tijdgeest onsterfelijke verdiensten verworven te hebben; want de groote âpadvinder' was Darwin en de verdienstelijkste voorvechter voor de waar 'leid der afstammingsleer was en is o/i heden nog Ernst Hackel â ik vergenoeg mij gaarne met de bescheiden rol van opperman als de koningen der wijsheid bouwen; â maar ik prijs mij gelukkig ten minste op de rechte plaats mijn plicht gedaan te hebben in eerlijken arbeid aan het rustclooze weefgetouw van den tijd. Dat is gedurende vier en twintig jaren door de studenten der Universiteit te Ziirich â het waren eenige duizenden â mei groote warmte erkend; dat is eveneens erkend door de 'vele duizenden arbeiders, die mij gehoord of mijne geschriften gelezen hebben.
Aan deze mijne beste vrienden, den voor waarheid en kennis met geestdrift bezielde studenten, en aan de in zwaren nood en verwarring voor een menschwaardig heslaan strijdende arbeiders, zij dan ook deze vijfde en vermeerderde druk van mijn strijdgeschrift gewijd.
De geschiedenis der afstammingsleer is niet alleen de geschiedenis van de natmr-wetenschappelijke hervorming, maar zij is tevens een bladzijde uit de meuschelijke beschavingsgeschiedenis in den ruimsten zin iles tvoords. Dat is licht in te zien; want de wetenschappelijke beantwoording der vraag naar onze afstamming is terzelftertijd een rechtstreeksche ontkenning van geloofsstellingen.
De kerk zag zich door die leer in haar bestaan bedreigd. De sage van de schepping der wereld, van den eersten mensch Adam en zijner lieftallige âribbequot; Eva, hel sprookje van den zondeval en van de verdrijving uit het paradijs, de sage van den alles verwoestenden Sintvloed, anders gezegd Zondvloed, dan het geloofsartikel van den bloedigen offerdood van Christus als een goddelijke, noodzakelijkheid (lol verlossing van de Erfzonde) en alle verdere schoone verhalen, die als welige klimop- en wingerdranken zich in volle heerlijkheid slingerden om en vasthechtten aan den eeuwen-grijzen muur van het Mozaïsch scheppingsverhaal: al die hoofdpunten van een kinderlijk geloof werden door de wetenschap ontkend.
8
Vandaar was, sedert de verschijning van Darwin's werk (i859) â een feil van onmeetbare historische heteekenis â over de afstamming dooide natuurlijke teeltkeus, het wachtwoord der kerk; Oorlog tegen deze leer!
Eu deze oorlog duurt nu reeds vijf en dertig jaren!
Voor de wetenschap is hij reeds lang beslist. De afstamming is een vraagstuk, waarover geen bevoegd natuurvorscher meer twijfel koestert.
Voor den geest des volks echter, die reeds sedert duizenden jaren in de banden der Kerk ligt en door Slaat en School opzettelijk in de banden der almachtige Kerk gevangen wordt gehouden â voor den geest des volks is de waarheid der afstamming tot op onze dagen nog hel voorwerp van kerkelijke aanvallen, van hoon en spot en verkettering gebleven. Voornamelijk geldt dit voor die landen, waarin het katholieke geloof of waarin de orthodox-lulhersche of evangelische leer de heer-schende is. Dal zou ook nog verscheidene eeuwen zoo duren kunnen, indien de strijd om economische verlossing niet eveneens groote veranderingen zou welen te brengen in de dingen der geestelijke vrijheid.
Dal zal echter geschieden, en 'l zal spoedig geschieden!
Hel is 'n ijdele droom en een noodlottige dwaling, wanneer men zich voorstelt, dat het Militarisme, het bloedige beginsel ran hel ruwe geweld in vereeniging met de geestelijkheid de beheerscher der naties zou kunnen blijven.
Geen koningswoord is bij machte den loop der dingen tegen te houden.
Niemand zal ooit de werkplaatsen, der wetenschap van de aarde kunnen wegvagen.
Daar echter â in die laboratoria van den geest, waar de zucht naar kennis van wat op aarde en tusschen hemel en aarde werkelijk is, steeds verdere en nieuwe bevrediging vindt en zoekt, â in die werkplaatsen van den geest worden de draden gesponnen, die het âschering en inslag'quot; vormen van dat groote weefsel, dat wij menschelijke beschaving en noodlot der volkeren noemen.
Dat hebben de denkende arbeiders aan de snorrende machine tijdig ingezien, dal zal door den armslen mijnwerker, diep in de mijnen en gangen der aarde ingezien worden. De waarheid alleen kan hen vrij, kan hen gelukkig maken. Wal zich tusschen de arbeiders in de. werkplaatsen van den geest eenerzijds en die aan de machine, aan den ploeg, in de kolenmijn en aan den hoogoven anderzijds der ontwikkeling verhinderend indringt en zich niet wil laten gezeggen: dat wordt niet neergeslagen, maar langs onverbiddelijk natuurlijken iveg verbrijzeld. â De dagen der dwalingen zijn geteld!
Dwalingen, reeds duizenden jaren oud, zullen eveneens noodwendig het onderspit delven in den strijd tegen de waarheid. En wanneer er tegenwoordig nog duizenden bij duizenden lieden zijn, die in spijl van hun eigen beter inzicht het geloof aan dwalingen bij hel onontwikkelde volk bewaren willen, terwijl zij zich alleen behagelijk koesteren willen in hel stralende licht der waarheid: â dan zullen ook dezen daarvan de wrange vruchten plukken.
Niemand is goed, die het volk bedriegt.
Geen dwaling is goed genoeg om in Kerk of School geduld te worden.
Zünicn, Kerstfeest 1894. A. Dodel
I.
MOZES OF DARWIN?
Geachte toehoorders, waarde vrienden!
Gij hebt mij uitgenoodigd voor u een vraag te bespreken, die niet alleen enkelen, maar ieder, die aan den vooruitgang van het openbaar leven een warm aandeel neemt, belang moet inboezemen.
Terwijl ik aan diei vereerende roepstem gevolg geef, maak ik van deze gelegenheid gebruik om u op een der gewichtigste en belangrijkste verschijnselen van onzen veel bewogen tijd opmerkzaam te maken, een verschijnsel, dat alle menschenvrienden tot ernstig nadenken heeft genoopt en dit ook in de toekomst zal doen; ik bedoel den grooten tweestrijd in het wezen van ons opvoedings- en schoolstelsel, de rampzalige tegenstrijdigheid in het geestesleven der hedendaagsche beschaving, die het best met de vraag âMozes of Darwin V' aangeduid kan worden.
Het is de tegenstrijdigheid tusschen de volks-opvoeding en de volksschool aan den eenen en de wetenschap en hare scholen aan den anderen kant.
Die tegenstrijdigheid valt niet te loochenen : zij bestaat reeds lang en is als een opmerkelijke tegenspraak reeds meer dan een halve eeuw door de meest toongevende autoriteiten opgemerkt, maar tot nog toe nooit met gunstig gevolg bestreden geworden.
Ãr schijnt aan dien strijd tusschen gelooven en weten geen einde te komen; integendeel, de kloof tusschen beide wordt al dieper en dieper, de verwarring al grooter en grooter, en die verwarring schijnt â tot schade van den vooruitgang â niet opgeheven te kunnen worden.
Om die reden is het de plicht van ieder ontwikkeld mensch, zich met dien twistappel ernstig bezig te houden, het kwaad van alle kanten te bekijken, het verderfelijke er van goed in te zien en onvermoeid middelen en wegen te bedenken, om die treurige ziekte van onzen tijd te bestrijden.
Wanneer wij het wezen en de beteekenis van die tegenstrijdigheid begrijpen willen, moeten wij hare ontwikkelingsgeschiedenis nagaan ; we hebben daarvoor tamelijk diep in de schachten van het verledene af te dalen om den oorsprong van de bedoelde tegenstrijdigheid op te sporen.
Twee, in het wezen der zaak geheel verschillende, wereldbeschouwingen staan in de beschaafde deelen der aarde vijandig tegenover elkaar: aan de eene zijde de Mozaïsche scheppingsgeschiedenis.
MOZES OF DARWIN?
vijf en dertig eeuwen lang door joodsche en christelijke priesters als een onaantastbare goddelijke openbaring aan de achtereenvolgende geslachten geleerd; aan de andere zijde de natuurwetenschappelijke leer van de voortdurende en langzame ontwikkeling der dingen, de leer van de gestadige ontwikkeling der levende wereld, door de werking der nog heden werkzame krachten. Deze leer heefteerst door Darwins werken in het kamp der onderzoekers de overwinning behaald. Een belangrijk onderdeel daarvan is de afstammingsleer.
Billijkerwijze zullen wij onze beschouwing beginnen met den âman godsquot;, wien niemand geschiedkundige beteekenis ontzeggen kan.
MOZES EN ZIJN LEER.
Ongeveer 3500 jaar geleden â zoo meldt de wereldgeschiedenis â zuchtte de semitische stam der Joden onder Egyptische slavernij.
Ondanks de groote onderdrukking, waaraan dat intelligente volk onder de gloeiende Afrikaansche zon blootgesteld was, vermeerderde het zeer snel. Zijn voeding moet overigens nog zoo slecht niet geweest zijn; want later â na den uittocht âsmachtte het naar de vleeschpotten van Egypte en vergat onder den invloed van den, honger den vroegeren zwaren arbeid. De snelle vermeerdering van die onderdrukte vreemdelingen is geen opvallend verschijnsel; sedert dien tijd herhaalde en herhaalt het zich in den loop der eeuwen bij bijna alle volkeren: het arbeidende, onderdrukte, in slavernij zuchtende volk is in den regel zeer vruchtbaar. De almachtige natuur maakt op die wijze weer goed, wat overvloed, overbeschaving en geraffineerdheid in de hoogere standen bederven.
Toen de kinderen Israels zich in Egypte al meer en meer verme-nigvuldigden, werden de koningen van het Nijlland bang voor het toenemen van die arme en verachte lui. De Pharao's begonnen te vreezen, dat bij een mogelijken oorlog met naburige volken de Egyp-tenaren in hunne eigen slaven een bondgenoot van den vijand zouden vinden. Om die reden beval een dier Pharao's, dat men alle pasgeboren Israëlietische jongens in het water zou werpen.
Aan zekere joodsche moeder, Jochabed geheeten, viel de uitvoering van het koninklijk bevel zoo zwaar, dat zij haar laatste kind drie maanden lang verborg, totdat de jongen wegens zijn krachtig stemorgaan niet langer meer zonder gevaar voor ontdekking behouden kon worden. Zij liet daarom uit de sponsachtige, lichte halmen der papyrusplant een mandje vlechten, waarin zij haar lieveling neerlegde, om hem naar de oevers van den troebelen Nijlvloed te dragen. Daar werd de kleine telg in het drijvende mandje tusschen de oeverplanten in het kalme water geplaatst en zijn lot door Miriam (Maria), de zuster van den drijvende, afgewacht.
Weldra verscheen de dochter des konings â⢠volgens den geschiedschrijver Josephus heette zij Thermoutis 1) â daar ter plaatse,
10
1
Over den naam dezer mythische koningsdochter loopen de berichten uiteen. Naar een andere sage b.v. heet de redster van Mozes niet Ther-mouthis, maar Merris en naar een derde weer Bit ja. (Medegedeeld door den prof. in de theologie Dr. K. Furrer).
MOZES OF DARWIN?
om een bad te nemen. Zij ontdekte het sierlijke papyrusmandje, liet het opnemen en openmaken. Op het zien van het gezonde, maar in zijn verlatenheid huilende jongetje werd de dochter van den Pharao met medelijden vervuld, en spoedig kwam de sluwe en zorgzame Miriam aangeloopen, om de prinses aan te bieden een min te halen. Als zoodanig werd de eigenlijke moeder geroepen en aan deze den vondeling overgegeven. Thermoutis nam het kind aan en noemde het Mosche (Mozes) d. w. z. âuit het water gehaald.quot;
Van de kinderjaren van Mozes is niets bekend; volgens de overlevering, waarvan de geschiedschrijver Josephus gebruik maakt, moet Mozes als jongeling treffend schoon geweest zijn. De prinses Thermoutis liet hem door priesters in de geheele Egyptische wijsheid onderrichten. Zij nam hem verder getrouw tegen den koning in bescherming, daar de priesters haar vader allerlei onaangenaamheden voorspelden, die de Egyptenaren eens van den hoogst begaafden en geestkrachtvollen jongeling te wachten waren. Op een goeden dag speelde de jonge Mozes nl. met de kroon van den koning, wierp die op den grond en trapte er op. Nu, wie zoo handelt, is blijkbaar een ondankbaar pleegkind en kan voor de toekomst slechts angst en schrik baren. De priesters, die den koning een en ander mededeelden, konden evenwel tegenover de beschermende prinses niets uitvoeren, en zoo bleef het er bij, dat Mozes verder onderricht werd.
Volgens schriftelijke overlevering van Manethon was Mozes een tijdlang priester in Heliopolis. Op mannelijken leeftijd â zoo bericht Josephus â voerde Mozes een Egyptisch leger aan tegen de Ethio-piërs, die Egypte bedreigden. Hij overwon den vijand en vervolgde hem tot aan de koningsstad Saba (Meroë), die hij belegerde. Toen gebeurde iets zeer menschelijks: Tharbis, de dochter van den Ethio-pischen koning, werd verliefd op Mozes; zij bood hem haar hand aan en gaf hem de belegerde stad over. Hij huwde de prinses en voerde het Egyptische leger als overwinnaar naar het noordelijke Nijl-land terug.
Wij allen kennen uit den bijbel zijne verdere geschiedenis: hoje Mozes naar de Arabische woestijn moest vluchten, omdat hij een Egyptenaar had doodgeslagen ; we kennen de overlevering van Mozes' verblijf bij Jethro, den Midianietischen vorst en priester, die zeven dóchters had, waarvan Mozes er eene (Sephora) tot vrouw bekwam. Jaren lang hoedde Motjes â zoo meldt de overlevering â de kudde voor zijn schoonvader Jethro. Daardoor had hij tijd verder na te denken over het treurig lot van zijn Israëlietische stamgenooten in Egypte, uit. welk land hij dikwijls berichten ontving, waaruit hij begreep, dat de toestand niet alleen niet beter geworden was, maar het lijden en de onderdrukking zelfs toenamen.
Gedurende dien langen tijd rijpte bij Mozes het plan het Joodsche volk in den naam van den god van Abraham, Izaak en Jacob, uit Egypte te voeren. Met zijn broeder Aaron keerde hij naar Egypte terug, waar sedert geruimon tijd een andere koning regeerde. Mozes was toen 80 jaar oud. Met behulp van allerlei goocheltoeren en wonderen, die de Egyptische priesters maar ten deele konden na-
11
MOZES OP DARWIN 1
doen, gelukte het den beiden broeders den Egyptischen koning schrik aan te jagen en hem zoover te brengen, dat hij het Joodsche volk liet heengaan. Wie kent niet al die bekoorlijke verhalen en wondergeschiedenissen die voor, tijdens en na den uittocht uit Egypte ontstaan zijn, en den arbeid van Mozes als een volmaakt heldendicht verheerlijken 1
Inderdaad is de geschiedenis van de bevrijding van Israël uit de Egyptische slavernij een Oostersch heldendicht, versierd met al het bijwerk van een poëtisch scheppende fantazie, dat wij, die niet alles gelooven, wat zij met rozige vingers in het boek der overleveringen neergeschreven heeft, niettemin nog met genoegen lezen.
Ondertusschen moet nu onze belangstelling niet gericht zijn op den uitwendigen vorm van de wonderverhalen, naar aanleiding van den uittocht uit het Nijldal en het verblijf in de woestijn,1) maar op de geniale wetgeving van Mozes en in het bijzonder op de beteekenis van Mozes als schrijver, als verhaler der scheppingsgeschiedenis.
Van Mozes is de Joodsche wetgeving afkomstig en de vijf boeken, die zijn naam dragen (de Pentateuch) zijn de roem van Israël, al heeft het wetenschappelijk onderzoek en de kritiek der geleerde bijbelverklaarders ook het geloof aan de echtheid dier boeken aan het wankelen gebracht. Reeds honderd jaar geleden ontbrandde onder de theologen een lange, ten deele zeer hartstochtelijke strijd vóór of tegen de echtheid der boeken Mozes, een strijd, die nu nog niet als geëindigd te beschouwen is, al zijn thans de theologen, dio alles wat in de Pentateuch geschreven staat, voor echt en geloofwaardig houden, gemakkelijk te tellen. Zelfs zeer terughoudende, uiterst conservatieve en zeer godsdienstige geleerden hebben â al is het ook met smart â moeten toegeven, dat de naar Mozes genoemde berichten geenszins in alle deelen waar en zonder fouten zijn. Het grootste deel der bijbelonderzoekers is thans vast overtuigd, dat Mozes niet alle naar hem genoemde boeken geschreven heeft, maar dat deze verschillende Hebreeuwsche schrijvers tot vaders hebben. Slechts zóó begrijpen wij de vele chronologische onmogelijkheden en tegenspraken, de vele herhalingen en ongelijkluidende berichten over eenzelfde gebeurtenis, de verschillende benamingen voor âGodquot; (in 't eerste boek, eerste hoofdstuk Elohim, in het 2de en derde hoofdstuk heet de allerhoogste Jehova Elohim, in andere hoofdstukken kortweg Jehovah); slechts zóó begrijpen wij het verschil in stijl en de herhaalde verandering in stijl in de boeken Mozes, waarvan het Hebreeuwsch bovendien hetzelfde Hebreeuwsch is van 1000 jaar na Mozes' dood, terwijl het toch niet aan te nemen is, dat genoemde taal in den loop van duizend jaar niet veranderd zou zijn.
Voor de onbevooroordeelde bijbelonderzoekers en kenners der Oos-tersche oudheden staat boven twijfel vast: dat Genesis niet door Mozes geschreven kan zijn. Het eerste en het tweede hoofdstuk be-
12
1
Wie naders weten wil over al die fabelachtige wonderen van Mozes en dieper doordringen wil in den zin van deze sprookjes, vindt zijn gading in het boek van den Noord-Amerikaanschen schrijver en redenaar Rob. G. Ingersoll rgt;de Mozaïsche dwalingenquot;.
MOZES OF DARWIN 1
vatten zeer verschillende voorstellingen van het ontstaan der wereld, lier eerste hoofdstuk, waarmede wij ons meer in 't bijzonder zullen bezig houden, is afkomstig van een zoogenaamden Elohist, die voor den schepper der wereld den naam Elohim gebruikt, terwijl het tweede hoofdstuk van de hand van een Jehovist moet zijn, die het hoogste wezen met Jehova aanspreekt. Met deze beide uitdrukkingen âElohistquot; en ,,Jehovistquot; duidt de bijbelkritiek de twee hoofdbronnen aan, waaraan wij de vijf boeken Mozes te danken hebben. Hun ouderdom klimt op tot de 9e eeuw voor Christus (volgens Professor Dr. K. Furrer).
Aldus wordt den theologischen Studenten geleerd door de beter ingelichte hoogleeraars.
Maar overal in elk land, op elke catechisatie, in elke confession-neele school wordt het volk verteld, dat de inhoud der 5 boeken een goddelijke openbaring is en dat ,,Mozesquot; eigenlijk niets anders was dan de particuliere secretaris van een dicteerend hoogste wezen, den Joodschen Jehova Elohim. Wanneer wij dus aannemen, dat de heilige schrift door God zelf is geïnspireerd, dan kan het ons tamelijk onverschillig zijn of werkelijk Mozes alleen dan wel meer hebreeuwsche schrijvers aan dat hoofddeel van den bijbel gepend hebben, bekend onder den naam van de boeken Mozes.
Zoo lang men die Heilige Schrift als âGods woordquot; op de volksschool en in de kerken den kinderen en het volk voorhoudt^ zoo lang moeten wij, die de dwalingen van den bijbel hebben leeren inzien, steeds tegen dien eenen âMozesquot; zooals hij voortleeft in het volkskerkgeloof met alle wapenen der wetenschap en het gezond verstand te velde trekken.
Wij houden ons dus vast aan datgene, wat sedert eeuwen in school en kerk onderwezen is en zullen dan onderzoeken of dat met de waarheid overeenstemt of niet.
Als ik dus van âMozesquot; spreek, dan versta ik daaronder dien wer-kelijken knecht of secretaris van God, 't zij hij dan één persoon is, gelijk school en kerk leeren, 't zij hij een verzamelnaam voor meerdere personen is, zooals de geleerde bijbelkritiek der theologen het wil.
Mozes werd door de naar hem genoemde wetgeving en door zijn leer van de schepping der wereld de stichter van een godsdienst.
Alle godsdienststichters van beteekenis komen in bepaalde karaktertrekken overeen: zij zijn diepe denkers, wijsgeerig begaafde mannen, kenners der menschelijke zwakheden en ondeugden, en meestal toegerust met alle menschelijke kennis van hun tijd
Ook Mozes was een uitmuntend verstand en hij moet, ook in zijn uiterlijk, een merkwaardige verschijning geweest zijn, wellicht in werkelijkheid een gedaante, zooals Michael Angelo hem in zijn âMozesquot; belichaamd heeft.
Daar hij over al de schatten der Egyptische en Oostersche wijsheid van die dagen beschikte â Egyptische priesters, tegelijk arts, toovenaar, minister en professor, waren zijn leermeesters â was Mozes na de volbrachte bevrijding van zijn volk uit Egyptische sla-
13
MOZES OP DARWIN 1
vernij, in staat den grondslag voor een godsdienst te leggen, die door de eeuwen der geschiedenis heen zijne groote beteekenis hield.
Zooals bekendl is, verkondigde Mozes het bestaan van één God: Jehova Elohim. Hij is monotheïst. Die god, die het volk Israël tot zijn uitverkoren volk verhief, is, zooals ons, die in de christelijke leer opgevoed zijn, door priesters en leeraars is medegedeeld, over het algemeen een speciaal joodsche God, toegerust met alle toen erkende deugden en menschelijke hartstochten. Hij is de verpersoonlijking van het toenmalig nog tamelijk primitieve Hebreeuwsche godsbegrip : sterk, machtig, ijverzuchtig, grimmig, onbarmhartig tegenover zijn tegenstanders, gruwzaam voor zijn vijanden, honend en lachend tegenover hen, die zwakker waren en toch oppositie maakten ; h!j wreekt de misdaad der vaderen op de kinderen tot in het derde en vierde geslacht, een eigenschap, die men zich slechts voorstellen kan in menschen, die nog op den ondersten trap der barbaarsch-heid staan.
Die almachtige God schiep volgens het verhaal van Mozes de heele wereld uit niets, alleen door zijn machtwoord: âDaar zij !quot;
Dat hebben de Joden nu al 3500 jaar en de Christenen bijna 1900 jaar geloofd en geleeraard. Wij hebben rekening te houden met die duizenden jaren oude overerving en we zouden zeer dwaas handelen, als wij lichtvaardig van Mozes' scheppingsverhaal tot de orde van den dag wilden overgaan.
De âZwei mal zweiundfiinfzig biblischen Geschichtenquot; van de Christelijke uitgeversmaatschappij te Calw, die in de handen van millioenen geweest zijn en nu nog bij het onderwijs gebruikt worden, leidt het scheppingsverhaal van Mozes op de volgende wijze in:
âGod schiep hemel en aarde door zijn woord.
Voordat God ging scheppen, bestond er niets buiten God. God alleen is eeuwig; hij kan scheppen, wat hij wil. Hij â wilde (waarom?) dat hemel en aarde niet op eens in heur pracht verschenen, maar langzamerhand ; want hij had van den beginne alles naar getal, maat en gewicht geordend.quot;
Ons allen is het Mozaische scheppingsverhaal indertijd als een onomstootelijke, als een geopenbaarde waarheid medegedeeld geworden, en het wordt heden ten dage nog in bijna alle volksscholen der beschaafde wereld (met uitzondering van Frankrijk en Italië) 1) ge-leeraard.
Het is in den vorm, waarin wij het in den Bijbel lezen, een legende, een sprookje vol Oostersche schoonheid, 2) â maar ook slechts een verdichtsel, een voorstelling of fantastische opvatting in overeenstemming met de toenmalige beschaving, die tegen de hedendaagsche
14
1
Evenmin in de groote meerderheid der hollandsche openbare scholen.
Vert.
2
Men vergelijke de inhoudrijke voordracht van Prof. Dr. K. Furrer: Darwinismus und Sozialismus im Lichte der christlichen Weltanschauung. Zürich, Verlag von Alb. Muller.
MOZES OF DARWIN?
kritiek van de natuurwetenschappen niet bestand is en geen aanspraak op geloofwaardigheid hebben kan, een opvatting van de schepping, die met db wetenschap onzer dagen in lijnrechte tegenspraak is.
Toen Mozes indertijd zijn scheppingsverhaal neerschreef, heeft hij er zeker niet aan gedacht, dat zijne voorstelling naderhand als alleenzaligmakende leer eeuwenlang door ieder geloofd zou worden. Maar de Christenen zijn Mozaischer dan Mozes geworden â en zoo staan wij. Westerlingen, juist op een plek, waar wij bijna niet meer van af kunnen komen.
Volgens het verhaal van den Joodschen godsdienststichter is het heelal de zesdaagsche arbeid van God.
Laat ons dat bericht wat nauwkeuriger nagaan; staat mij daarbij eenige kantteekeningen toe !
Gen. 1:1. In den beginne schiep God dén hemel en de aarde.
De hedendaagsche natuuronderzoeker zou zeggen: het heelal (de âhemel en de aardequot; van Mozes) heeft begin noch einde, is oneindig wat tijd en ruimte betreft. Uit niets ontstaat niets, en wat is, kan niet in het niet verdwijnen. Het heelal was eeuwig en zal eeuwig blijven. Daarvoor getuigt de natuurwet van het behoud van het arbeidsvermogen^ zooals die in elk nieuw leerboek der natuurkunde of scheikunde bewezen wordt. 1)
Vers 2â5. ,,De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond, en de geest Gods zweefde op de wateren.
En God zeide: daar zij licht! en daar werd licht.
En God zag het licht, dat het goed was ; en God maakte scheiding tusschen het licht en tusschen de duisternis.
En God noemde het licht dag en de duisternis noemde hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag.quot;
15
Hierbij is op te merken, dat de wetenschap geen ander licht kent, dan dat van lichtende lichamen, hetzij dat zij eigen licht hebben of dat zij slechts het licht van andere lichamen terugkaatsen. Het licht zelf is maar een eigenschap der bewogen stof; een golfbeweging van de kleinste stofdeelen. De natuurkunde heeft de golflengte en de snelheid van die beweging nauwkeurig gemeten. Het licht is geen stof, geen ding, maar slechts een âbegripsnaamquot; voor de eigenaardige beweging van iets stoffelijks. Wat dus dat âlichtquot; van den eersten dag van Mozes te beteekenen heeft, is geen sterveling in staat te begrijpen en te verklaren.
1
Prof. Dr. K. Furrer was zoo vriendelijk er mij opmerkzaam op te maken, dat het Hebreeuwsch, waarin de 5 boeken Mozes zijn geschreven, geen woord kende voor âwereldquot; of âheelalquot; zoomin als voor âOudersquot;. Daarom moesten de bijbeloverzetters hier wat op vinden en zeggen: âIn den beginne schiep God de wereldquot;. Hiermede werd natuurlijk, zij 't ook stilzwijgend, een schepping uit niets bedoeld.
MOZES OF DARWIN?
âDag en nacht,quot; âavondquot; en âmorgenquot; van dien eersten dag zijn onmogelijkheden.
Vers Sâ8. âEn God zeide: daar zij een uitspansel in liefc midden der wateren en dat make scheiding tusschen wateren en wateren!
En God maakte dat uitspansel en maakte scheiding tusschen de wateren, die onder en boven het nitspansel zijn. En het was alzoo.
En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de tweede dag.quot;
Hier hebben wij met een opmerkelijke tegenstrijdigheid te doen! In het eerste vers staat dat God den hemel in den beginne schiep â en nu wordt die âhemelquot; nog eens en wel op den tweeden dag geschapen. Dat strijdt tegen elkaar, is onbegrijpelijk. Hier bestaat een schromelijke verwarring. Hebreeuwsolie taal- en schriftgeleerden hebben zich ijverig met die tegenstrijdigheid beziggehouden en eeni-gen van hen zijn tot de overtuiging gekomen, dat het le vers van den bijbel niet in den door Mozes gebezigden vorm tot ons gekomen, maar door een fout bij het overschrijven verminkt is geworden. Het woord dat door âhemelquot; vertaald is, luidt nl. in den hebreeuwschen tekst hasch-schamajim terwijl het woord âwaterquot; in het scheppingsbe-richt van Mozes hamajim luidt. Door één fout bij het overschrijven zou uit het oorspronkelijke juiste woord hamajim van het eerste vers het sedert eeuwen nauwkeurig nageschreven woord hasch-schamajim ontstaan zijn.
Mozes zou dan indertijd geschreven hebben: In den beginne schiep God het water en de aarde. (Men vergelijke J. Stern in âMenschen-thumquot; No. 34, 1886).
Laat ons nu tot den derden dag overgaan!
Vers 9â13.
En God zeide: Dat de wateren van onder den hemel in eene plaats vergaderd worden en dat het droge gezien worde! En het was alzoo.
En God noemde het droge aarde, en de vergadering der Wet teren noemde hij zeeën; en God zag dat het goed was.
En God zeide : dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijnen aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzoo.
En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijnen aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was naar zijnen aard. En God zag dat het goed was.
Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde, dag.
De schepping van de plantenwereld, voordat er een zon aan den hemel stond, is een natuurlijke onmogelijkheid. Nog grooter de onmogelijkheid van het behoud van een groene plantenwereld â zon-
16
MOZES OF DARWIN 1
der zon â gedurende een lang tijdsverloop, zooals de rationeelc( ?) bijbelverklaarders voor eiken scheppingsdag willen aannemen.
Yers 14â19.
En God zeide: dat er lichten zijn in het nitspansel des hemels, om scheiding te maken tusschen den dag en tus-schen den nacht; en dat zij zijn tot teekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!
En dat zij zijn tot lichten in het nitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzoo.
God dan maakte die twee groote lichten; dat groote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts. Ook de sterren.
En God stelde ze in het nitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.
En om te heerschen op den dag en in den nacht, en om scheiding te maken tusschen het licht en de duisternis. En God zag, dat het goed was.
Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, d3 vierde dag.quot;
Tegenstrijdigheid op tegenstrijdigheid! Onmogelijkheid op onmogelijkheid ! Wij zullen in een tweede voordracht zien, dat aarde, zon, maan en sterren in een geheel andere volgorde ontstaan zijn dan Mo-zes hier verhaalt, dat de zon voor de aarde, de aarde voor de maan en de tallooze sterren milliarden van jaren vroeger dan onze zon met hare planeten en wachters aan het uitspansel schitterden â⢠doch buiten dat spreekt Mozes zich zelf tegen, wanneer hij op den vierden dag nog eens het licht van de duisternis scheidt, terwijl dit reeds op den eersten dag (vers 4) geschied is, nadat nog vroeger dag en nacht elkaar opvolgden.
Yers 20â23.
En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels I
En God schiep de groote walvisschen, en alle levende wemelende zielen, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haren aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag dat het goed was.
En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt u, en vervult de wateren en de zeeën; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!
Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag.
Den vijfden dag schiep God dan de waterbewoners en de vogels. De natuurwetenschap heeft ten duidelijkste aangetoond, dat de dierenwereld zich gelijktijdig met de plantenwereld ontwikkeld heeft en dat de vogels in de lucht voorafgegaan zijn door landdieren, terwijl Mozes de laatste eerst op den zesden dag in het leven laat roepen.
17
2
MOZES OF DARWIN?
Vers 24â31.
En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haren aard, vee en kruipend en wild gedierte der aarde, naar zijnen aard. En het was alzoo.
En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijnen aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijnen aard. En God zag, dat het goed was.
En God zeide: Laat ons menschen maken, naar ons beeld, naar onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de visschen der zee en over het gevogelte des hemels en ovei het vee en over de geheele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
En God schiep den mensch naar zijn beeld, naar het beeld van God schiep hij hem, man en vrouw schiep hij ze.
En God zegende ze, enz.
En God zag al wat hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.
Den zesden dag vond dus de schepping der landdieren en ten laatste die van den mensch plaats. Mozes had het bij het goede einde, dat hij de schepping van den mensch voor het laatst bewaarde. Maar ongelijk heeft hij, waar hij Adam uit een aardkluit (Gen. 2 : 7) en Eva uit een rib van Adam (Gen. 2:21 en 22) laat ontstaan. Wij zullen op die merkwaardige dwaling terugkomen.
Onjuist is het verder, dat de mensch naar Gods beeld geschapen is ; het omgekeerde is waar: de mensch schiep zich âGodquot; naar zijn beeld 1 Zoo mensch, zoo God! (Ludw. Feuerbacli).
Wij allen kennen verder de geschiedenis van den zondeval en van de verdrijving uit het paradijs. Die pratende slang heeft den theologen veel hoofdbrekens en der lieve schooljeugd veel pret veroorzaakt. De algemeen verbreide meening in het westen was en is thans nog, dat Mozes in de pratende slang den satan of duivel verpersoonlijkt had. Dat is evenwel een groote dwaling, daar Mozes duivel noch satan kende. Die Achter-Aziatische demonengestalte treedt eerst eeuwen na Mozes in den gedachtengang der Joden op; scherp omschreven, vermetel en netjes tegelijk, vertoont satan zich eerst in de geschiedenis van Job. !)
Een pratende slang dan heeft de eerste menschen tot de kennis van goed en kwaad gebracht.
1) Ook hierin nog â in 't boek Jota â treedt de Satan op als de door God aangewezen aanklager der menschen, als een dienstvaardige gezant Gods. Men leerde dan ook, dat Satan (Lucifer) eens de Schoonste Engel Gods was, toen echter hoogmoedig werd en daarom in den afgrond werd geworpen, â een noodlot, dat nog velen schoonen menschen overkomt, (zie Dodel: Aus Leben und Wisschenschaft. d. 260â262). Eerst na de baby-lonisché gevangenschap vinden wij bij de Hebreeërs den Satan optreden als de tegenstander van God. Het bekrompen rabbinisme was niet meer in staat om de almacht Gods, die zoowel over dood als leven heerscht, te omvatten. Of bij de laat-joodsche opvatting van den Satan ook perzische invloeden gewerkt hebben, is nog niet uitgemaakt. Mededeeling van Prof. Dr. K. Furrer).
18
MOZES OF DARWIN 1
Maar men heeft ons duizendmaal verteld, dat wij allen tengevolge van den zondeval der eerste ouders met erfzonde behept zijn.
Ten gevolge van de erfzonde was het mogelijk, dat Kain zijn broeder Abel doodsloeg. Die ontzettende gebeurtenis eindigt eveneens met een ongehoorde tegenstrijdigheid: d© moordenaar Kain vlood
naar het land Nod, ten oosten van Eden.--âEn Kain bekende
zijn huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hij bouwde een stad, en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons Henoch.quot; (Gen. 4:17).
Wij, zien dus den zoon van den eersten mensch Adam naar een vreemd land vluchten, waar hij trouwt, kinderen verwekt en â zeker toch met behulp van werklieden â een stad bouwt. In dat land Nod waren dus menschen, die huiten de familie van Adam om ontstaan waren. Derhalve waren Adam en Eva niet de eerste menschen, want dat alles staat toch in den bijbel.
De wetenschap kent echter evenmin een eersten mensch Adam en een eerste vrouw Eva, zooals we in de tweede voordracht zien zullen.
Wij allen kennen verder het Mozaïsche verhaal van den zondvloed ; op een goeden, dag zei God (Gen. 6:7):
,,Ik zal den mensch, dien ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mensch tot het vee, tot het kruipend gedierte en tot het gevogelte des hemels toe: xco.ni het berouwt mij, dat ik hen gemaakt heb.quot;
Hier hebben wij de meest kinderlijke opvatting van een allerhoogste; Jehova toont zich daar een zwak en menschelijk wezen;het berouwt hem, dat hij vroeger menschen gemaakt heeft!
Waar is onder de bewoners van het westen een genialen kunstenaar of bouwmeester te vinden, die op een dag berouw heeft over hetgeen hij eens geschapen heeft!
Een rechtgeaard mensch heeft nooit herouxv!^)
Ja, het is, zooals de theoloog1 M. J. Savage opmerkt:de Jehova van het oude testament woont in een bepaalde plaats, evenals een mensch; hij verschijnt in den tempel, gaat en spreekt als een mensch, hij denkt en maakt plannen als een mensch; hij heeft lief en haat, wordt kwaad, neemt wraak en verandert evenals een Oostersche dwingeland van luim. â Men moet zich over dergelijk anthropo-morphismus (menschvormigheid) van God niet verwonderen; want het godsidee is een voortbrengsel van de menschelijke hersens. Naarmate de mensch groeit en zich ontwikkelt, groeit en ontwikkelt zijn denkbeeld over de godheid.
19
1
Deze stelling heeft menigeen tegen de borst gestuit, omdat ze niet verstaan werd. Ik laat haar niettemin onveranderd staan. Of is het niet zoo; Een goed mensch handelt steeds naar zijn beste overtuiging, die wel niet zijn verdienste, doch ook evenmin zijn schuld is. Dwaalt hij nu niettegenstaande hij het goede wilde, zoo zal hij er geen berouw over hebben noch weeklagen en jammeren, maar eenvoudig er over peinzen hoe de fout weer te herstellen en om een volgenden keer verstandiger te zijn. Dat is echter geen berouw, die volmaakt overbodig is, maar ver bete ring. Als ik echter een geheele wereld verdrink, dan herstel ik niets, âbeter doen is het beste berouwquot; zegt terecht het volkswoord.
MOZES OF DARWIN?
âMaar Noach vond genade in de oogen des Heeren.quot;
Daar kwam de zondvloed, een ramp, een drama, zooals deze aarde te voren niet beleefd had. Wij allen hebben, op de schoolbanken zittend, die geschiedenis van den zondvloed met gretigheid in ons opgenomen en de grootste kunstenaars hebben dat treurspel in groote schilderstukken verheerlijkt. De schoolkinderen van onzen tijd lezen dat verhaal nog altijd met nieuwe belangstelling, en waarom ook niet?! Dat werelddrama is toch met al de pracht van een Oostersch sprookje opgesierd.
Wie heeft in zijn jonge jaren niet zijn fantasie, zijn heele kinder» ziel verlustigd met dat verhaal van Noach, den rechtvaardige, en zijn gezin, van de drijvende ark (300 Meter lang, 50 breed, en 30 hoog) met al zijn dieren, waar de wolf naast het lam, de giraf naast den leeuw sliep, waar de roofdieren hooi vraten en een Zondagsche rust over al het geschapene in de ark lag; van de duif met den olijftak, van de ontscheping uit de ark, die aan de helling van den Ararat hangen bleef, van Noachs dankoffer en van den mooien, verzoenenden regenboog! Wat hebben wij, kinderen, ons met de belofte verheugd: âdat niet meer alle vleesch. door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeidquot; (Gen. 9:11) â Dat alles is ons als onomstootelijke waarheid medegedeeld, en wij hebben het geloofd, gaarne geloofd: want het was te mooi, om niet waar te zijn. â En onze kinderen zullen het eveneens gelooven ? â Wij zeggen nten!
Daartegen zou niet zoo'n hevig verzet van theologische zijde ontstaan zijn, ware het niet dat het Mozaïsche scheppingsverhaal de dogmatische grondslag, de basis van de meest volmaakte van alle godsdiensten, het fondament van het Christendom geworden is.
Uit de leer van den zondeval in het Paradijs en uit het trooste-looze vooruitzicht, dat wij allen, met de erfzonde behept, ons verderf te gemoet loopen, ontstond het denkbeeld van een redding en een verlossing door bovenaardsche, door bovennatuurlijke, door goddelijke hulp.
Zoo ontsproot uit het Judaeïsme de gedachte aan een zending van den zoon Gods en verder het denkbeeld van een verlossenden offerdood aan het kruis.
Het Christendom is, het wordt erkend, de natuurlijke dochter van de Mozaïsche leer, de mystieke oplossing van het raadsel van den zondeval en van de erfzonde. ^
20
Ik zal later aantoonen, dat ook de hedendaagsche natuuronder-
1) De wetenschappelijke theologie onzer dagen â vertegenwoordigd door een dapper hoopje van hervormin^stheoiogen â bestrijdt deze opvatting, volgens welke het Christendom de natuurlijke dochter van het orthodoxe jodendom is. Bruno Bauer, op het gebied der bijbelkritiek een der voormannen, komt tot de conclusie, dat niet Galileï en Jeruzalem de bakermat van het Cristendom is, maar de Alexandrynsche lilosofenscholen in Egypte en Rome, de centra van de toenmalige macht en beschaving. Fr. Engels toont aan, dat in het ontwikkelingsproces van het Christendom de sociale ellende als beweegkracht de hoofdrol gespeeld heeft. Christus kreeg eerst een paar eeuwen na zijn dood de ethische beteekenis van een godsdienststichter. (verg: âdie Neue Zeitquot; Jaarg. XIII deel I afl. 2).
MOZES OP DARWIN 1
zoeker â ofschoon een tegenstander van het Mozaïsche scheppingsverhaal â een soort erfzonde van het menschelijk geslacht aanneemt. Wanneer men dus voor het staande houden van een voor ontwikkeling vatbaar godsdienstig stelsel een âerfzondequot; noodig heeft, is dit ons wel en hebben wij, natuuronderzoekers, niets daartegen in te brengen; integendeel, wij zullen allen menschenvrienden, wie het met de gelukzaligheid van ons geslacht ernst is, oprecht de hand reiken, om ons geslacht van de erkende macht der âerfzondequot; te helpen verlossen en bevrijden.
Gaf.n we met de geschiedkundige schets van de ontwikkeling van onze godsdienstige gedachtenwereld verder, dan hebben wij in de eerste plaats op te merken, dat het Jodendom van den oud-testament ischen tijd zich op natuurwetenschappelijk gebied al bitter weinig verdienstelijk ïïeeft gemaakt. Dat is evenwel van groote betee-kenis ! Want de religie der toekomst zal in overeenstemming moeten zijn met de waarheid der natuurwetenschappen, zij zal slechts kunnen bestaan en invloed uitoefenen, wanneer zij met de wetenschappen in overeenstemming is.
Het Judaïsme van het oude testament was den wetenschappen niet genegen, maar het intelligente volk, dat door Mozes en Jozua in het beloofde land gebracht werd, was nog eenigszins levenslustig en der natuur genegen. De joden van het oude testament verheugden zich in de goederen dezer wereld, in goud en zilver, in kudden schapen en runderen, in schoone tuinen en wijnbergen ; zij vergeleken in zeer dichterlijke werken de menschelijke schoonheid en de vrouwelijke bekoorlijkheid met de geurige vormen der planten, die op de helling van den Libanon en aan de oevers van den Jordaan het landschap versierden:
..Ik ben eene roos van Saron, een lelie der dalen.quot; (Hooglied 2:1.)
âMijn liefste is mij een bundeltje mirre.quot; (Id. :13.)
jgt;Mijn liefste is mij een tros van Cyprus, in den wijngaard van Engedi.quot; (Id. 1:14.)
..CTelijk een lelie onder de doornen, alzoo is mijne vriendin onder de dochteren.quot; (Id. 2:2.)
âAls een appelboom onder de boomen des wonds, zoo is mijn liefste onder de zonen,quot; (ld. 2:3.)
..Mijn liefste is gelijk eene ree of eene welp der herten.quot; (Id. 2:9.)
âZijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen.quot; (Id. 5:15.)
Welke hedendaagsche schrijver zou in staat zijn, het naderen dei-lente lieflijker te schilderen dan de zanger van het Hooglied gedaan heeft:
âY\ ant zie de winter is voorbij, de plasregen is over, Lij is overgegaan.
De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land.
21
MOZES OF DARWIN?
De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort en de wijnstokken geven geur met hunne jonge druifjes. Sta op, mijne vriendin, mijne schoone, en kom ! enz. (Hooglied 2 :11 en 14.)
Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon! (id. 6:9.)
Wij allen kennen de psalmen met haar beeldrijke taal, die ons gedeeltelijk lief zijn geworden. En het oude testament heeft nog meer fragmenten, waaruit liefde voor de natuur spreekt.
Doch met het Christendom, zooals de kerk het leerde en zoodis het 15 eeuwen lang door de orthodoxen werd opgevat, hegon de wereld- en natuur ver achting.
Ik behoef niet uiteentezetten, wat in werkelijkheid de leer van den wijze uit Nazareth gweest is; de meeningen daarover verschillen nog heden ten dage, maar zeker is het, dat geen van de vier evangeliënquot; in het nieuwe testament tijdens het leven van Christus geschreven is, maar dat ze alle slechts op overleveringen berusten. ^ Het kan thans ook niet mijn taak zijn, verder uiteen te zetten hoe het kwam, dat de leer van Nazareth van zoo'n beteekenis in de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid geworden is, als feitelijk het geval was.
Het zij genoeg er hier op te wijzen, dat met de Paulinische leer tegelijk een betreurenswaardige verachting van alle werkelijke dingen werd gehuldigd en het ontvlieden der wereld als het genees-middel voor elk lijden hoog geprezen werd. De Christenen wendden zich in de eerste eeuw van het natuurgenot en de aardsche vreugde af; ze waren toen ook grootendeels de allerarmsten uit het volk, in Rome de slaven, overal aanvankelijk slechts proletariërs, die het in deze wereld tot niets konden brengen en bijgevolg met blijde verrukking al hun hoop op een andere wereld vestigden. Dei Christenen te Rome waren langen tijd communisten. Alles streefde naar bovennatuurlijke en bovenzinnelijke geneugten.; door het geloof alleen zou de mensch zalig worden. Wat was daar tegenover alle menschelijke wijsheid, alle natuurkennis, alle wijsbegeerte, elke wetenschap !
Ontelbare keeren heeft men ons de uitspraak van den apostel Paulus: âzich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas gewordend (1 Rom. 1 : 22) voor de voeten geworpen. Zulke woorden zijn goedkoop, en zijn een lafenis geworden voor allen, die door de natuur
1) Het evangelie van Johannes Marcus is het oudste en heteenige uit de eerste eeuw onzer tijdrekening (het werd 70 - 80 n. C. geschreven). Zie ook het belangrijke boek van Prof. Gust Volhmar: Jezus Nazarenus en de eerste christelijke tijd. Zürich 1882.
Kortelings geleden is ook aangetoond, dat het geheimzinnigste van alle christelijke boeken, de Openharing van Johannes, ook het oudste dus het belangrijkste geschrift is uit den eersten Christen-tijd en vervaardigd moet zijn tusschen Juni 67 en April 68 na Ghr. Daarin is dan ook geen sprake noch van 'n heilige drieëenheid noch van de erfzonde, maar wel komt er de heidensche voorstelling in van door bloedige offers de vertoornde Godheid te kunnen verzoenen. Nergens noemt de schrijver zich of zijn geloofs-genooten anders dan Joden. Dat eerste Christendom was heel iets anders dan het Christendom der latere wereldkerk. Jezus van Nazareth zou door de tegenwoordige orthodoxen onder geen omstandigheid voor den Christus erkend worden.
2-2
MOZES OF DARWIN?
wat stiefmoederlijk met verstand bedeeld zijn, of die te gemakkelijk zijn, om zich met het goddelijk sprankje verstand als zelfdenkende wezens verder te ontwikkelen. Zeker heeft geen vers in den heel en Bijbel zoo geestverlammend en verstanddoodend in het Christelijk Westen op de ontwikkeling van de kennis der natuur gewerkt als die uitspraak van dien heiden-apostel.
Liefelijker dan zijn te ijverige apostel Paulus heeft Jezus de nutteloosheid van de wetenschap geschetst:
,,Zalig zijn de armen van geest, -want hunner is 't koninkrijk der hemelen!quot; (Matth. 5: Z)
Die armen zijn van zelf sprekend de onwetenden. (Naar de opvatting der moderne theologen moeten wij onder de âarmen van geestquot; daarentegen verstaan : ,,de deemoedigen, die zich hunne onvolkomenheid en zwakheid bewust zijn, dus de idealisten.quot; Anders leeraart echter de orthodoxe kerk en geloovige sekten, die onder de zalig gesproken armen, de zwakhoofden en dommen verstaan.)
Hoezeer het zwaartepunt van 's menschen streven van het onder-maansche naar de andere zijde van het graf verlegd werd, en hoe het Paulinische Christendom zonder omwegen zelf erkende, vijandig tegenover de wetenschap te staan, blijkt uit bijna al de brieven van dien apostel:
,,Want indien gij naar het vleesch leeft, zult gij sterven; maar indien gij door den geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij leven.quot; (Rom. 8:13.)
Want er is geschreven: Ih zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal Ih te niet maken.quot; (1 Cor. 1:19).
,,Waar is de wijze? waar is de schriftgeleerde? waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wysheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?quot; (id. 1:20.)
,,Mjaar het dwaze dfer wereld heeft God uitverkoren, ovdat Hij de wijzen beschamen zou. .
(1 Cor. 1:27.)
Want de wijsheid dezer wereld is de wijsheid bij God. (id. 3 :19.).
,,.... De kennis maakt oygehlazen. . ..quot;/
Wij ervaren juist het tegendeel; kennis maakt niet opgeblazen, maar bescheiden ; want naarmate wij dieper in de wetenschap doordringen, wordt het ons duidelijker, hoe weinig wij nog weten en hoe wij nog in het voorportaal van den tempel der kennis staan. De meest opgeblazen hoofden en zielen vinden wij bij die gemakzuchtige en van geestelijken hoogmoed vervulde vijanden der wetenschap, die dadelijk klaar staan met hunne onwetendheid-vleiende bijbelspreuken ; geestelijke hoogmoed is van oudsher het erfdeel der âarmen van geestquot; geweest. Gunstige uitzonderingen waren er te allen tijdeâ-ik zelf ken zulke uitzonderingen en hel) hen van ganscher harte lief â maar die uitzonderingen bevestigen slechts den regel.
23
MOZES OF DARWIN ?
âWant onze lichte verdrukking, die zeer haastig voorbijgaat, werkt ons een gansch zeer uitnemend gewicht der heerlijkheid; dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen die men niet ziet.quot; (II Cor. 4:17â iS.)
..Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.quot;' (id. 5:7.)
Eveneens staat in den eersten brief van Johannes (2 : 15) uitdrukkelijk geschreven:
,.Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is.quot;
Ja, de minachting voor natuur en wereld ging zoover, dat men zelfs het huwelijk voor een noodzakelijk kwaad verklaarde, voor een soort verachtelijke inrichting met te verachten dierlijk instinct ten grondslag, een opvatting, die eenige Christelijke sekten ( o. a. de Böhmisten) deelden en die eveneens het vrijgezellenleven der R. C. priesters rechtvaardigt.
Het aanzien van de vrouw heeft daarbij weinig gewonnen. 1)
Bovenstaande zijn maar enkele aanhalingen voor de minachting die de grondvesters en vooral de apostels van het Christendom tegen de natuur koesterden.
Die godsdienst van het kluizenaarsleven en der natuurverachting was, zooals de ervaring bewees, geroepen de staats-godsdienst van het Westen te worden.
De Grieken en Romeinen â heidensche volken â hadden, toen het woord van het kruis over de zee weergalmde, reeds vele vorderingen in de beschrijvende natuurwetenschappen gemaakt.
Aristoteles (381â322 voor Chr.) liet. verschillende natuurhistorische werken na, waaronder een door hem opgesteld stelsel van het dieren- en plantenrijk, dat, aangezien de kennis der natuur, in overeenstemming met de toenmalige beschaving, nog zeer gebrekkig en met hinderlijke en bijgeloovige denkbeelden gemengd was, natuurlijk niet houdbaar was. Toch is het opmerkelijk, dat het stelsel van Aristoteles later in het Christelijke Westen als het begin en het einde van het wereldsch weten beschouwd en in de christelijke scholen tot
24
1
De redelijke wereldbeschouwing onzer dagen beschouwt daarentegen de vrouw als de gelijkgerechlijrc'e van den man; want de vrouw is de voorwaarde voor het bestaan en de ontwikkeling van het menschelijkgeslacht. (Zie Dodel: Aus Leben imd Wissenschaft, het opstel âDas quot;Weibquot;). Terecht vestigt Prof. F u r r e r er de aandacht op, dal Jezus van huis uit niet af-keerig was van de wereld.
Igt;en bewonderaars van het celibaat riep hij toe: gt;AVat Uod vereent, dat zal de mensch niet scheidenquot;. Ik durf er ook wel gevoegelijk aan herinneren, dat Jezus aan de vroolijke bruiloft Ie Cana heeft deelgenomen en zelfs nog een goeden wijn prepareerde, toen lang niet meer alle gasten nog dorst hadden. Ook riep hij zijn jongeren toe: âWanneer gij niet den kinderen gelijk wordt etcquot;. Dat is een onmiskenbare trek van vroolijke levensopvatting.
»Zijn stille uren bracht hij onder den vrijen hemel door.quot; Wat heeft de theologie echter niet van dezen idealist gemaakt! Niet de Christus, zooals bij ie as, maar zooals de kerk hem gemaakt heeft, is der wereld ten vloek geworden.
M0ZE3 OF DARTVIN ?
aan de jongste tijden als grondslag der natuurkennis gebruikt werd.
In die oude tijden, welke ongeveer 2000 jaar achter ons liggen, redetwistten de Grieksche en Romeinsche wijsgeeren over de belangrijkste vraagstukken, die 's menschen ziel ontroeren kunnen: over worden en vergaan, over den oorsprong en het wezen der din-gen, over het wezen der goden en de bestemming van den mensch.
In de Grieksche en Romeinsche godenleer uit de menschelijke fantasie zich op de stoutmoedigste wijze. De talrijke goden zijn meestal de dichterlijk ingekleede verpersoonlijking van natuurkrachten en van menschelijke deugden, gebreken en hartstochten. De opperste god (Zeus, Jupiter) was een der meest verliefde gezellen, die een dich-terlijk brein ooit bedacht en met legenden en sprookjes dichterlijk verheerlijkt heeft. En zijn hofstoet van goden en godinnen, van gunstelingen (vrouwelijke en mannelijke), in het kort de heele Olympische godenwereld, was natuurlijk niet beter dan de opperste aller goden. Nijd en afgunst, liefde en haat, minnenijd en vervolgingswoede, genotzucht en wulpschheid, alle denkbare menschelijke hartstochten en dwaasheden speelden onder de goddelijke bewoners van den Griekschen hemel dezelfde rol, als hier op aarde onder de men-schenkinderen, maar in die heele fabelleer kwam de schoonheid tot haar recht. De werken der beeldende kunst uit dien tijd afkomstig en eerst onlangs uit de puinhoopen te voorschijn gebracht, worden nog heden door Joden, Christenen en heidenen als het schoonste beschouwd, wat de kunstvaardige hand van den mensch tot nu toe geschapen heeft.
Het is hier de plaats niet aan te toonen, hoe het kwam, dat al die Grieksche en Romeinsche pracht, al die schoone onderzoekingen op natuurhistorisch gebied, al die werken van kunst en poëzie door den âzwaren tred der wereldgeschiedenisquot; platgetreden en tegelijk met het Romeinsche rijk in puinhoopen veranderd werden. Het rijk der Romeinen zou ook zonder het Christendom in elkaar gevallen zijn, en wel om dezelfde redenen, die nog heden den ondergang van groote rijken en volken veroorzaken.
Evenmin kan het mijn doel zijn een schets te geven van de ontwikkeling tot op het tijdstip toen het kruis op Golgotha, als symbool van zijn overwinning over de wereld', zijn armen over de puinhoopen van het heidensche rijk uitstrekte. Maar gezegd moet het worden, dat eeuwen lang bij de overwinnende kerk consequent het fanatismus der onwetendheid heerschte en dat onwetendheid, zoo gemakkelijk bij te houden, wel degelijk tot de idealen der kerkleeraars en bisschoppen behoorde, en als zaligmakend geprezen werd. Zoo schreef o. a. Eusebius (in de 4e eeuw) onomwonden:
,.Xiet uit onwetendheid denken wij gering over de wetenschappen, maar uit verachting voor haren geheel nutteloozen arbeid, daar wij onze ziel wel met betere dingen kunnen bezig houden.quot;
In het jaar 391 werd de beroemdste van de toen bestaande biblio-theeken, de boekenschat te Alexandrië in Egypte, die 700,000 deelen en perkamenten rollen bevatte, onder aanvoering van den aartsbis-
25
MOZES OF DARWIN?
schop Theophilos, door de dweepzieke Christenen verbrand. Toen ter tijd leefde Hypatia, een door schoonheid, reinheid van zeden en geleerdheid beroemde Grieksche vrouw, die naar Athene ging om in de wijsbegeerte te studeeren. Die vrouw onderwees na haar terugkeer in Alexandrië de Aristoteliaansche en nieuw-Platonische wijsbegeerte. Bij een opstand van de door den patriarch Cyrillus opgehitste Christenen werd die geleerde vrouw op de gruwlijkste wijze vermoord.
Zoo verschenen al meer en meer de donkere wolken van een geestelijke verduistering. Wat aan de dweepzucht van het op een dwaalspoor gebrachte christelijke Westen ontkwam â het waren maar stukken en brokken van Oostersche en Grieksche wetenschap â werd later door de Mohammedaansche Arabieren verzameld.
Mohammed zelf, overigens zeer ingenomen met den Joodschen wetgever en volksleider Mozes, wat hem wel is waar niet verhinderde om bij geschikte gelegenheden dien Joden den kop af te slaan, die zijne leer kritiseerden, was een vriend der wijsheid, daar hij toch, zooals bericht wordt, vond, dat de inkt der geleerdlen heiliger was dan het bloed der martelaren en dat de schoonste schepping van God het verstand was1) (Vele eeuwen later heeft de hervormer Luther datzelfde verstand ,,de schoonste schepping van Godquot; met een heel anderen naam betiteld, een naam dien heden ten dage een fatsoenlijk mensch niet meer zou uitspreken, tenminste niet in het bijzijn van vrouwen en kinderen.)
Terwijl onder de heerschappij der Mohammedaansche Arabieren de scholen der geleerden in Spanje bloeiden, zooals daar nooit te voren zoo min als daarna plaats vond, lag over het christelijk deel van Europa de schaduw der onwetendheid. In het heerlijk Zwitserland tus-schen de Bodensee en het meer van Genève, tusschen de Alpen en de Jura konden de priesters en leeraars van het volk langen tijd niet eens lezen. Zoo wordt er door een beroemd schrijver meegedeeld, dat de abt Conrad van St. Gallen en zijn heele kapittel niet eens met de edele schrijfkunst bekend was, toen de minnezanger Walter von der Vogelweide (1170â1230) een bezoek aan dat beroemde klooster bracht.
In het algemeen is het een dwaling, ten minste een groote overdrijving, wanneer beweerd wordt, dat de kloosters de schuil- en kweekplaatsen der wetenschap geweest zijn. Dat blijkt uit het feit, dat in de kloosters van vele landen en streken, de schrijfwerktuigen bepaald onbekende zaken waren. Toen de beroemde dichter Petrarca (1304â 1374) in Luik de redevoeringen van Cicero vond en den wensch uitte, die af te schrijven, was in getn der talrijke kloosters daar ter plaatse een droppel inkt te vinden.
Met het oog op dergelijke toestanden zal het ons zeker niet verbazen, wanneer wij lezen, dat op de groote kerkvergaderingen in Toms
4) Het mag echter geenszins verzwegen worden, dat Mohammed zelf in vele zaken hopeloos onkundig was. Zoo geloofde hij b.v. dat Mirjam, de zuster van Mozes, dezelfde was als Maria, de moeder van Jezus. (Medegedeeld door Prof. K. Furrer).
26
MOZES OF DARWIN?
(1163) en in Parijs (1231) âhet zondigt lezen van natuurhundige geschriftenquot; verboden werd.
Paus Bonifacius VIII (gest. 1303) â de geniale uitvinder van het âJubeljaarquot;, dat den pauselijken stoel uit zijn financieelen nood hielp â verbood aan geneesheeren en studenten het ontleden van menschelijke lijken, op grond der opstanding, evenals de tegenwoordige paus aan zijn geloovigen de lijkenverbranding verbiedt.
In het jaar 1317 werd door paus Johannes XXII bij een bul de studie der scheikunde verboden. Wie des ondanks zich toch met de beschouwing van natuurlijke dingen en niet de gedachte over de zichtbare wereld afgaf, werd streng vervolgd wegens ketterij, geheimen omgang met den duivel of als heks aangeklaagd en ter dood gebracht. De dweepzieke onderdrukking van allen drang naar wetenschap en kennis, zooals die eeuwen lang door de bestuurders der kerk plaats vond, veroorzaakte een algemeene geestesziekte, die zich van bijna de geheele christelijke bevolking meester maakte en duizenden onschuldigen menschen het leven kostte. Het was de ziekte van het heksen geloof, volgens hetwelk o. a. in het jaar 1659 alleen in het bisdom Bamberg 1200 menschen, in het aartsbisdom Trier zelfs 6500 menschen levend verbrand werden. Zwitserland bleef van die ziekte ook niet verschoond: in het jaar 1652 werd in Luzern een 85-jarige vrouw, nadat zij door middel van de pijnbank tot bekentenis gebracht was, op de meest geraffineerde wijze gemarteld en levend verbrand. In hetzelfde jaar werd een zekere Katherine Schmidle, ,,ein klein Meiteli von 11 Jahren wegen Vögelmachen, sintemalen keine Besserung zu verhofïen, im Thurm ohne Abkündigung des Le-bens strangulirt und dann im Sack gestoszen und verbranntquot; zoo luidt het protokol van den raad.
Evenzoo staat in het torenbeek van Luzern, dato 1659 =
,,Ein Menschlein von sieben Jahren, Kathrinli genannt, so Gott verleugnet, ward im Thurm att ei non Pfahl erwürgt und nacliher beim Hochgericht verbrannt.quot;
Hoe algemeen het geestelijke leven van het christelijke Westen onder de heerschappij der onwetendheid gekomen was, blijkt het best uit het feit, dat zelfs aan de hoogescholen de liefde voor de natuur als kenteeken van een omgang met den duivel beschouwd werd. In een dissertatie van het jaar 1644, voor de hoogeschool te Tubingen verdedigd, wordt tot den âomgang met verdachte dingenquot; in het bizonder âde omgang met de natuurquot; gerekend en de kennis van natuurlijke verschijnselen als eene âeen christen niet betamende kennisquot; genoemd.
Ja, ja, er staat immers geschreven: ,,Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal Ik te niet maken.quot;
En daarom heeft men honderdduizenden brandstapels ontstoken, zoodat de heksenwalm nu nog in de dalen hangt.
Daar de kerkvaders en bisschoppen de overlevering van het Oude Testament voor onaantastbare, goddelijke openbaringen verklaard
27
MOZES OF DARWIN?
hadden, en dezelfde leeraars der christelijke kerk een verzameling andere geschriften, die lang na Christus' dood geschreven werden, naar him inzicht en voor hun doel gerangschikt, 1) verbeterd en in den vorm van een nieuw testament op de altaren van het Westen neergelegd hadden, mocht aan al die grondslagen der kerkelijke hee-ren niet getornd worden.
Voor een wereldbeschouwing putte de christelijke kerk voornamelijk uit het magische scheppingsverhaal: volgens dat verhaal stond de aarde vast in het middelpunt van het heelal en was zij het voornaamste lichaam; de zon, maan en sterren draaiden volgens dat onjuiste geloofsartikel om onze voorname aarde. Men noemt die dwaling de geocentrische leer.
Het stelsel van Ptolomaeus was in overeenstemming met de bij-belsche overlevering, en werd om die reden door de kerkvaders goedgekeurd, om daarna 1J:00 jaar lang in het westen algemeen geldig te blijven. Het onderscheidde aan den hemel elf sferen, waarin zich de zon, maan en sterren bewogen. 2) Boven die elf sferen dacht de geloovige christen zich den âhemelquot; voor de gelukzaligen, als de zetel van God en als rijk van zijn hemelsche heirscha-ren. Men noemde dat deel van het heelal het Empyreum.
Wanneer wij ons in die kinderlijke opvatting terugdenken, dringt zich onwillekeurig onze eigene kindschheid met al hare fantastische droomerijen in de gedaante van een lachende herinnering voor het geestelijk oog. Hoe dikwijls zaten wij als kind bij het vallen van den avond voor het met ijs bedekte venster om met den warmen adem van onzen mond de ijsfiguren weg te smelten en met onzen kinderlijken blik over de glinsterende ijsvelden heen in de flikkerende sterrenwereld te staren. Dan dachten wij ons den helderen hemel als
28
1
Men vergelijke het hoogst belangrijke werk van den geleerden prof. in de theologie Volkmar, »Jezus Nazarenus und die erste christliche Zeilquot; (Zurich 1882, Verlag von Casar Schmidt) waarin aangetoond wordt hoe de kerkvaders met het ongeschikte, maar meest geloofwaardige evangelie van Marcus omgesprongen hebben.
2
De buitenste van deze elf sfeeren, het zoogenaamde primiim mobile had de bestemming om de tien overige sfeeren eiken dag van het oosten naar het westen om de stilstaande aarde te bewegen. Volgens Dante's goddelijke komedie (Paradijs i30e gezang) ontvangt deze elfde sfeer haar beweegkracht van een er boven stralend licht waar wncch een nabij, noch een veraf bestaatquot;; want waar God zelf regeert geiden geen natuurwetten meer.
«Volgens den Talmud bestaan er zeven hemelen. Elke hemel is van den volgenden zoover verwijderd, dat men 500 jaar noodig heeft dien afstand af te leggen, terwijl elke hemel op zich zelf een wdiktequot; heeft van minstens 500 jaar reizens, zoodat men om van het ondervlak van den eenen hemel tot dat van den anderen te komen 1000 jaar reizens noodig had. Mohammed heeft zijn zeven hemelen van de rabbijnen overgenomenquot;. (Prof. Furrer).
Derhalve Joden, Christenen en Mohammedanen spraken van verschillende sfeeren, die zich als ui-schalen om de verheven aarde sloten. En de sporen van dat geloof bestaan nog in onzen tijd; spreekwoordelijk is immers de «zevende hemelquot;.
M0ZE3 OF DARWIN?
een dom met een halven bolvormigen koepel, waarvan de wand een hemelsblauw doek was en waarvan de rand op de aarde rustte. In dien blauwen koepel waren ontelbare groote en kleine openingen, waardoor het licht van de hemelsche heerlijkheid tot ons doordrong, opdat wij een voorgevoel van het licht en de vriendelijkheid van de hemelsche ruimte zouden hebben. Onze kinderlijke fantazie zag in de tallooze sterren van den nachtelijken hemel slechts kleine gaatjes, die een verbinding tusschen de woning van God en die van de men-schen vormden.
Niet kinderlijker dan die droomerij was de Ptolemeïsche opvatting van het heelal, die in het christelijk westen tot het jaar 1543, bijna onbestreden, de heerschende was.
De geschiedenis der dwalingen heeft meestal met zeer groote tijdsruimten te doen: hoe (/rooter dc dwaling des te eerder ivordt zij geloofd en des te langer is hair levensduur; want het grootste deel der menschheid staat nog in de kinderschoenen, wanneer droome-rijen en fantastische sprookjes, zooals de ervaring leert, de grootste betoovering op de onwetende zielen pleegt uit te oefenen.
In het jaar 1543 verscheen het wereldberoemde werk van den Duitschen sterrenkundige Copernicus, die onverholen de meening uitsprak en. met wetenschappelijke bewijzen staafde :
dat de aarde niet in het middelpunt van het heelal staat, maalais planeet om de zon wentelt.
De sterenkunde, de meest exacte van alle wetenschappen was het, die aan het Mozaïsche scheppingsverhaal den eersten doodsteek toebracht. De sterrenkunde heeft het samenstel van het heelal beschouwd en het wiskunstig bewijs geleverd!, dat onze aarde slechts een kleine dwaalster is en als een zonnestofje in het heelal zweeft.
Thans weet elke schooljongen van twaalf, veertien jaar, dat onze aarde in 24 uur om haar as draait, dat zij zich in den loop van een jaar om de zon beweegt, dat zij evenals de planeten Venus (morgenen avondster) Mars, Jupiter, Saturnus en een menigte kleinere hemellichamen tot de zon in een soort ondergeschikte betrekking staat, dat de maan een wachter is, dat Jupiter zelfs verscheidene manen heeft, dat Saturnus door een stelsel van ringen en ettelijke manen omgeven is, dat de stof waaruit Saturnus bestaat 7/1(gt; maal zoo zwaar als water is, dus ongeveer het gewicht van lindenhout heeft, dat het jaar op Saturnus meer dan 29 aardjaren duurt enz. enz.
De sterrenkunde dringt met haar werktuigen in de verste diepten van het heelal; zij berekent de banen der planeten en voorspelt eeuwen vooruit de zons- en maansverduisteringen zoo nauwkeurig, dat het werkelijk plaats vinden dier verschijning geen minuut met de berekening verschilt; zij bepaalt het gewicht der planeten, zij legt op de weegschaal van hare rekenkunst onze geheele aarde en den vurigen bol der zon, zij heeft de onveranderlijke wetten van den kosmos in exacte getallen onder het bereik van den menschelijken geest gebracht; zij heeft het eerst â van alle natuurwetenschappen het eerst â in de plaats van het kinderlijk geloof en de fantastische â¢dwaling het heldere licht der wetenschappelijke kennis geplaatst.
29
mozes of darwin?
Dat kon de kerk evenwel niet dulden.
Uit vrees voor deze der wetenschap vijandige inrichting, heeft Copernicus zijn reeds in 1507 voltooid werk eerst toen hij oud was en de dood om zijn sponde waarde, aan de drukpers durven toevertrouwen. (Ruim 36 jaar lang heeft Copernicus zijn wetenschap voor zich gehouden, daar hij wist, dat hij na de openlijke erkenning der waarheid de folteringen van de ridders van het geloof te voelen zou krijgen.)
De sterrenkundige van Thorn stierf in hetzelfde jaar (1543) waarin zijn werk uitkwam. Zijn natuurlijke dood was een weldaad voor hem, want de kerk beschouwde zijn leer als een gloeiende ketterij â¢â¢ zij weersprak toch op de meest treffende wijze het openbaringsgeloof. En dat de kerk, waar het zulke vragen betrof, geen scherts verstond, toonde zij 57 jaar later, toen den 17 Februari 1600 in Rome een brandstapel smeulde, waarop een der grootste mannen en geleerden van dien tijd als ketter levend verbrand werd. Giordano Bruno, als geleerde en dichter niet minder groot dan als naar waarheid zoekende en de waarheid erkennende mensch, heeft geen andere ketterij begaan, dan dat hij in zijn werken de leer van Copernicus verheerlijkte. 1)
Nog geen 90 jaar na de openbaarmaking van het Copernicaansche stelsel, sleepte de kerk de grootste natuur- en sterrenkundige van zijn tijd, Galileo Galilei voor de inquisitie te Rome, waar de onderzoeker zijn wetenschappelijke overtuiging moest afzweren (1633), afzweeren in tegenwoordigheid van priesters, kardinalen en inquisiteurs, die misschien niet eens de tiendeelige breuken kenden. De onwetenden hadden de overmacht, en zij verstonden het uitstekend van hun macht te hunnen voordeele (zooals zij meenden) gebruik te maken.
Maar de wetenschappelijke waarheid is des ondanks machtiger dan het onwetende geloof. En zoo heeft dan ten slotte â in den loop van twee eeuwen â Copernicus toch over Moies gezegevierd, zoo zelfs, dat thans alle schoolkinderen der christenheid juist datgene als waarheid te hooren krijgen, waarvoor Giordano Bruno indertijd door de geloovigen verbrand werd.
De kerk heeft zich in dien moeilijken stand van zaken, in de overwinning van de Copernicaansche waarheid over de Mozaïsche dwaling moeten schikken, en zij is, zooals de ervaring leert, niet ten onder gegaan; maar zij is ten opzichte van de vorderingen der natuurwetenschappen consequent gebleven, steeds en telkens er op bedacht het weten te beperken en voor het geloof het groote veld der onwetendheid zoo zuiver mogelijk te houden. Dat is voor haar aanzien niet bevorderlijk geweest en zal haar, wanneer geen verandering plaats vindt, eens noodlottig worden.
30
Het is mijn taak niet, de ontwikkeling der natuurkennis in de
1
Men zie hiervoor: Giordano Bruno, uitgegeven door de Vereeniging »De Dageraad.quot; (Vert.)
MOZES OP DARWIN?
afgeloopen eeuwen uitvoeriger te schilderen. De uitvinding der boekdrukkunst, de ontdekking van Amerika, de kerkhervorming, de herleving der klassieke studiën en het streven naar wijsgeerig denken, dat zich meer en meer in het Westen begon te openbaren, deze en andere gebeurtenissen moesten er ten slotte toe leiden, dat de zucht naar kennis de menschheid meer noopte dan voorheen, het geheele veld der natuurverschijnselen te betreden, ten einde de wereld der werkelijkheid, die voor onze zintuigen toegankelijk is, te leeren ver-staan.
Het dieper doordringen in het rijk der zoolang verachte natuur begon reeds in de vorige eeuw op een wijze, die voor de toekomst veel beloofde. De natuurwetenschappen begonnen een macht te worden, maar werden steeds, tot in de 19e eeuw toe, door de vooroor' deelen van het geloof vervolgd en vertraagd.
Nog in het begin dezer eeuw, die toch de eeuw der wetenschappelijke verlichting genoemd wordt, vond Lamarck met zijn natuurlijke afstammingsleer geen gehoor, in de eerste plaats echter wegena het onvoldoende in de verdediging van die nieuwe leer, die de Fran-sche onderzoeker in zijn Zoologie Philosophique (1809) bekend maakte.
Nog in het jaar 1830, tijdens de Juli-revolutie in Parijs, stonden in de Fransche Academie van wetenschappen het openbaringsgeloof en het verstand als heftige tegenstanders tegenover elkaar. Toen bestreden Cuvier. een aanhanger van de zondvloedstheorie van Mo-zes, die zelfs de meening verdedigde, dat er verscheidene alles verwoestende zondvloeden geweest waren, en Geoffroy St. Hilaire, die aanhanger van het tegenover gesteld gevoelen was, elkaar op zoo n wijze, dat die geloofsstrijd in kranten en tijdschriften een groot opzien baarde. Wel besliste de Fransche academie ten gunste van de oude leer, maar het was zeker de laatste overwinning van beteekenis, die de Mozaïsche overlevering in een natuurwetenschappelijk gevormd en geleerd genootschap behaalde.
In hetzelfde jaar â in Juni 1830 â verscheen de eerste druk van het merkwaardige Engelsche werk : Grondbeginselen der Geologie, door Charles Lyell, waarin ten duidelijkste bewezen werd, dat er niet een, laat staan verscheidene zondvloeden in den zin van Mozes geweest waren ; verder dat er in de verschillende geologische tijdperken een voortdurende, gestadige ontwikkeling van het organische leven had plaats gevonden.
Van dat boek verschenen binnen 10 jaren (1830â1840) zes drukken in de Engelsche taal; op de verdere ontwikkeling der geologie oefende het een grooten invloed ten goede uit. Men erkende, dat de aardkorst een natuurlijke scheppingsgeschiedenis heeft, dat in het verleden dezelfde krachten, die nu nog in de natuur zijn waar te nemen, werkzaam waren, dat de wetenschap in het geheel niet tot âwonderenquot; haar toevlucht behoeft te nemen, om de verschijnselen op aarde te verklaren, dat integendeel alles, zoowel in het verleden als in het heden, door de werkzaamheid en de uitsluitende werking der ons bekende natuurkrachten verklaard kan worden.
31
MOZES OP DARWIN?
Ondertusschen vermeerderde in het kamp der natuuronderzoekers het aantal stemmen, die meer of minder sterk aan de gedachte eener afstamming uitdrukking gaven, zonder dat er evenwel een groot tumult ontstond, daar de kerk zeer verstandig begreep, dat er voor haar geen gevaar bestond, zoolang de kettersche gedachte alleen in de studeercel der geleerden geuit werd, terwijl het volk zwijgend en geloovend zijn gang ging.
DARWIN EN ZIJN TIJD.
Het denkbeeld over de afstamming, reeds duizend jaar geleden bij den ouden Griekschen wijsgeer over den drempel van het bewustzijn getreden, daarna in het jaar 1809 door Lamarck weer in zijn slaap gestoord, zonder evenwel recht wakker te worden: die grootsche gedachte kwam nu niet meer tot rust. Het weerlichtte voortdurend aan den geestelijken horizon nu eens hier, dan weer daar, evenwel zonder in te slaan, zonder het grommelend rollen van den donder. Toch was er onweer aan de lucht; elk oogenblik kon het losbarsten en brak ook werkelijk los, toen in den herfst van 1859 â dus ruim 30 jaar geleden â het hoofdwerk van Darwin verscheen.
Dat werk âOver het ontstaan der soorten door natuurlijke teeltkeus of het behoud der begunstigde rassen in den strijd om het bestaanquot; bevat den arbeid van twee en twintig jaren denken en onderzoeken. Zijn uitgaaf is een daad van de grootste heteekenis voor de wereldgeschiedenis, van gelijken invloed als die van het werk van Copernicus.
Inderdaad is, zooals Dubois-Reymond, de voorzitter der Berlijn-sche academie hem noemt, Darwin de Copernicus van de bewerktuigde wereld.
Dat het hoogere van het lagere afstamt, dat het volkomene h^t onvolkomene tot voorvader heeft gehad, dat had menig denker en onderzoeker reeds voor Darwin uitgesproken ; maar die afstammings-waarheid kon eerst een schitterende en verwarmende, levenwekkende en geestdriftopwekkende kracht krijgen, wanneer zij van een geniale theorie vergezeld werd, die de wijze waarop, het ,,hoequot; der ontwikkeling verklaarde. Men kan gerust zeggen, dat Darwins leer der teeltkeus, die wij-in het derde gedeelte dezer voordracht afzonderlijk behandelen zullen, het gouden omvatsel van den diamant der af-stammingsleer is. Juist door die schitterende inzetting met het echte goud der wetenschappelijke bewijsgronden heeft die prachtige edelsteen zijn juiste waarde gekregen.
Het werk van Darwin verscheen op een morgen in den herfst van '59; op den avond van denzelfden dag was het uitverkocht. Oplaag na oplaag verscheen en het werd in alle talen der beschaafde wereld vertaald. Zijn leer van dé afstamming van alle dier- en plantensoorten, waarvan men tot nu toe algemeen had aangenomen dat zij eeuwig onveranderlijk waren, die revolutionnaire leer sloeg als een blik-
32
M0ZE3 OF DARWIN ?
semschicht in het kamp der natuuronderzoekers, waar nog vele oude heeren als soldaten der kerk den zoeten slaap des geloofs sliepen. Het was inderdaad een geestelijk onweder, dat thans tot uitbarsting kwam, en zich van daar over de geheele beschaafde wereld verspreidde, terwijl het hier en daar onder storm en hagel den bodem schoonveegde.
Met behulp van duizenden en nog eens duizenden feiten leverde Darwin het bewijs, dat de hoogere organismen van de lagere afstammen, dat alle levende wezens, planten, dieren en menschen, uit de eenvoudigste organismen moeten ontstaan zijn en dat zij zich in den loop van millioenen jaren, gestadig en zeer langzaam (alle onder den invloed van de wet van den strijd om het bestaan), tot hoogere trappen van bewerktuiging, tot meer âvolkomenquot; wezens ontwikkeld hebben.
Die leer is, zooals ik in de derde voordracht zal aantoonen, zoo eenvoudig en zoo helder, dat ik overtuigd ben, dat het een gemakkelijke taak moet zijn haar eiken middelmatigen schooljongen van 14 jaar verstaanbaar te maken. Maar de kerk en haar bewindvoerders, met hun talrijke vrienden voeren tegen de afstamming hier dezelfde oppositie, als indertijd tegen de wereldberoemde gedachte van het copernicaansche stelsel.
Met het jaar 1859 begon een strijd, zooals de beschavingsgeschiedenis der menschheid sedert de dagen der hervorming niet gezien had.
Onder de toen levende natuuronderzoekers bevonden zich â zooals ik reeds opmerkte â nog tamelijk veel oude heeren, wier wereldbeschouwing (als zij er zoo iets op na hielden) nog op Mozes steunde en die aan de schepping door wonderen geloofden. Die geleerden maakten dadelijk tegen Darwin front. Daarentegen waren er velen, die zijn werk met ijver bestudeerden, om de gebreken en zwakheden van de nieuwe leer aan het licht te brengen, doch van hun vooroordeel genezen raakten en van tegenstanders warme vrienden en verdedigers der afstammingsleer werden.
Anderen bleven onverzoenlijk en stierven als tegenstanders der ontwikkeling.
Maar alle, in geloofszaken onbevangen natuuronderzoekers van den eersten rang en alle jongere geleerden, met de gave van zelfstandig onderzoek begiftigd^ schaarden zich aan de zijde van Darwin. Ongeveer twintig jaar lang duurde onder de natuuronderzoekers de strijd tusschen de aanhangers en de bestrijders van do afstammingsleer. Maar steeds geringer werd het getal der laatsten, steeds talrijker da aanhangers, totdat eindelijk de Danvinistische leer, onder de onderzoekers een voldongen feit was. Zelfs die autoriteiten, die het beginsel der natuurlijke teeltkeus in den strijd om het bestaan als niet toereikend erkennen wilden, (zeker omdat dit beginsel een werkdadig ingrijpenden Schepper overbodig maakt) zelfs vrome tegenstanders moesten toegeven, dat de afstamming nauwelijks te bestrijden was. Een van die vrome autoriteiten was niemand minder dan prof. dr. Oswald Heer, mijn ambtsvoorganger, wiens wetenschappelijke ken-
33
MOZES OP DARWIN 1
nis evenals zijn geloovige vroomheid boven allen twijfel verheven is. Ten einde de afstammingsleer in overeenstemming te brengen met zijn metaphysische behoefte aan een Schepper, leeraart O. Heer een tijdelijk ingrijpen van den bovennatuurlijken Schepper in dien zin, dat de in de verschillende tijdperken voorhanden zijnde planten en dieren bij gelegenheid door God den Heer omgewerkt en volmaakt worden ; maar in den grond der zaak is die âomwerking der tvpen', toch dezelfde afstamming: het hoogere stamt van het lagere af; bovendien zijn de voorvaderen van het menschelijk geslacht volgens deze uitlegging even zoo goed dieren geweest als volgens de leer van Darwin.
Voor de verspreiding dezer leer werkten omstreeks '60 in Duitsch-land voornamelijk Haechel in Jena, Naegeli in München en Kölliker in Würzburg, die zich in hunne voordrachten aan de hoogescholen aldaar openlijk voor de afstammingsleer verklaarden. Vele anderen behandelden hetzelfde onderwerp in populaire geschriften, zooals Dub, Seidlitz, Ludwig* Büchner, later ook Carus Sterne, en in Italië de bekwame zoöloog Canestrini te Padua.
In het begin van '70 waagde ik het als privaatdocent in Zürich eveneens openlijk de afstammingsleer aan de hoogeschool en aan het polytechnicum te leeraren, onder hatelijke tegenkanting van den eenen en dankbaren bijval aan den anderen kant. 1) Sedert is het Darwinisme aan de polytechnische school alhier reeds eens door een protestantsch geestelijke op sympathieke wijze tot onderwerp van een voorlezing gemaakt.
Zonder zich aan overdrijving schuldig te maken, kan men gerust zeggen, dat de afstammingsleer sedert 1870 aan alle Duitsche academies haar openlijke aanhangers vindt. Voor de onderzoekers, die zich met de studie van levende en doode organismen bezig houden, is het vraagstuk der afstamming geen vraag meer â men twist er niet meer over, en ieder, die nog verder over de vraag: afstamming of een wonderschepping in den zin van Mozes 1 zou willen strijden, zou op een congres van natuuronderzoekers als een levend fossiel uit den Keupertijd aangegaapt en met medelijdend gelach als een âdier ter experimentatie1quot; den hypnotiseur aanbevolen worden. De overwinning der afstammingsleer is volkomen.
Ja, dé Fransche academie, het geleerdste maar ook het meest behoudende lichaam van Frankrijk, dat langen tijd tegen Darwin gekant was, is eveneens een aanhanger van de afstammingsleer geworden. Darwin heeft het nog beleefd, dat hij tot eerelid van dat lichaam benoemd werd.
34
Hetzelfde geldt van de Berlijnsche academie, dio in haar president Dubois-Reymond een der eerste belijders van het Darwinismus in het veld zond. Verder is de afstammingsleer aangenomen door de Petersburgsche academie van wetenschappen, door de Beiersche en de Oostenrijksche academie, dus in landen met sterk ontwikkelden kerkdijken zin; eveneens verklaarden de Italiaansche geleerde ge-
1
Zie : »Do!jel, die neuere Schöpfungsgeschichte,quot; Leipzig bei Brockhaus 1875,
MOZES OF DARWIN ]
nootschappen â natuurlijk met uitzondering van het college der kardinalen in het Vaticaan â zich voor de afstamming. Dat bijna al de Engelsche geleerde genootschappen Darwin tot eerelid benoemden, zal ieder licht begrijpen, die den hooghartigen, werkelijk adellijken zin der Engelsche geleerde wereld kent.
Die verandering werd, zooals men reeds opmerkte, binnen twintig jaar tijds volbracht.
Anders verhield zich de zaak onder de mannen der kerk, die zich reeds in het begin dadelijk, bijna zonder uitzondering, tegen de afstammingsleer kantten.
Er ging onder de kudde der geestelijke herders één kreet van verontrusting op.
âWat ? De natuuronderzoekers zouden het in allen ernst wagen, de afstamming van de menschen van het dier te lee-ren? Wat? Het menschelijk geslacht â ons eigen goddelijk geslacht â zou uit lagere wezens, ja uit aapachtige voorouders ontsproten zijn?
Toen ontstond er een groot geschreeuw in de christenwereld en grepen Zions wachters naar lans en schild, om de Darwinisten âin naam des Heeren' neer te vellen. De kerk begon haar veldtocht tegen de natuuronderzoekers; een stortvloed van tijdschriften verscheen.
De strijd was evenwel â dat moet openlijk erkend worden â een zeer ongelijke; de wapens kwamen evenmin met elkaar overeen, als plaats zou vinden, wanneer heden ten dage de kinderen Israels onder hun ouden Josua het beleg wilden slaan voor de vesting Straatsburg en haar bezetting door het loeiend geluid van de ârams-bazuinequot; tot de overgaaf dwingen. (Zie Jos. 6.)
De natuuronderzoekers stonden en streden op den bodem der onbetwistbare feiten en van het gezonde menschenverstand; zij brachten slechts wetenschappelijk beproefde waarheden in het veld, talrijke waarnemingen uit het rijk der levende natuur, die op eenmaal zelve een taal bekomen had, de taal der ervaring en der wetenschappelijke proefneming, verdedigingswapenen, dio in den regel aan theologen onbekend zijn.
Do strijdlustige theologen daarentegen streden bijna uitsluitend met de stomp geworden wapens van geloof en dogmatische begrippen. De ramsbazuine klonk wel net zoo krachtig als voor Jericho, ook was het veldgeschreeuw sterk genoeg: maar de muren van Nieuw-Jericho stortten niet om; wel lagen de aanvallers met vree-selijke wonden bedekt hier en daar neder, of het gebeurde, dat zij ongekwetst vrienden van de aangevallenen werden.
In dien eersten strijd tusschen theologie en afstammingsleer, tus-schen Mozes en Darwin, zijn zeer zonderlinge zaken gebeurd. Hoezeer heeft menig theologische anti-Darwinist in zijn ijver vergeten, dat hij de wapens der tegenpartij niet kende, dat hem juist de na-tuurkennis ontbrak! en hoe belachelijk hebben velen van die strijders zich gemaakt! Andere theologen hebben de moeite genomen langs den weg der studie in het veelzijdige rijk der natuurwetenschap
35
M0ZE3 OF DARWIN?
te dringen en zijn zelf Darwinist geworden. Weer andere theologen zagen de ongelijkheid in de kans van beide partijen; zij legden de wapens neer, daar zij de overwinning der tegenstanders voorzagen, zij werden stil en konden bij zichzelven denken, dat het âgeloof' zich eenvoudig zou moeten âaanpassen,quot; schikken. Het aantal dier aldus denkende theologen is sedert dien tijd aanzienlijk vermeerderd, het zal meer en meer toenemen en eens de meerderheid vormen.
Wel loont het de moeite hier ter plaatse eenige gebeurtenissen uit de dagen van strijd tusschen geloof en wetenschap te herdenken, want die gebeurtenissen zijn zeer leerzaam en veelbelovend tevens:
Daar had men den uitmuntenden, kritisch toegerusten theoloog David Friedrich Strauss, die zich reeds in heb begin van '70 in zijn werk: Het oude en het nieuwe geloof vrij en vol geestdrift voor Darwins afstammingsleer verklaarde en zijn ânieuw geloof' op de grondslagen van de ontwikkelingsleer opbouwde. Zijn leerlingen hebben hem evenwel, treurig genoeg, in den steek gelaten. Strauss kwam met bijna al zijn werken een twintigtal jaren te vroeg. Zijn lot, in waarheid een martelaarschap, is voor de vrienden van een geestelijke bevrijding zeker niet aanmoedigend; ondertusschen volgde ook hij, evenals Giordano Bruno, den innerlijken drang naar waarheid.
Een andere theoloog van vrijzinnige richting was de invloedrijke kanselredenaar Heinrich Lang, predikant van de St. Pieter te Zurich, die wel is waar minder grondig de natuurwetenschappen bestudeerd had, maar daarentegen aan de geestelijke vrijheid van den hervormer in zooverre recht liet wedervaren, dat hij tenminste geen theologischen strijd tegen do afstammingsleer aanbond. In zijn geschrift : âDe godsdienst tijdens het leven van Darwinquot;, waarin hij wel is waar, krachtig tegen Strauss te velde trekt, zegt hij onomwonden :
,,Ik zie niet ia, wat de godsdienst, wat het geloof er tegen in te brengen heeft, wanneer het der wetenschap gelukt, dien gang van zaken (er is sprake van de afstammingsleer) deze of een andere wyze van ontstaan van de wereld door steeds betere en talrijker bewijzen te consta-teeren. (BI. 40, stuk 31 van de âDeutsche Zeit- und Streit-fragenquot;, Berlin, 1873.)
Iets hoogst zeldzaams overkwam mijn vereerden leermeester en vriend, den hofraad prof. dr. Carl Von Naegeli in München. In de Beiersche residentie kwamen van den 18den tot den 25sten September 1877 ongeveer 1500 tot 2000 geleerden bijeen; het was de gedenkwaardige 50ste vergadering van de Duitsche natuuronderzoekers en artsen, waarop in de drie voornaamste zittingen door de meest begaafde vertegenwoordigers der wetenschap lange redevoeringen over de afstamming en- het Darwinisme gehouden werden. Haeckel, de Duitsche Darwin, sprak over de hedendaagsche ontwikkelingsleer in verband met de gezamenlijke wetenschappen en hot was de eerste keer, dat er scherp en duidelijk aangetoond werd, hoe noodzakelijk het is, de ontwikkelingsgeschiedenis ook op de scholen
36
MOZES OF DARWIN?
in te voeren. Naegeli sprak over âde grenzen der natuurwetenschappelijke kennisquot; en toonde op grond der afstammingsleer aan, hoe de geheele zichtbare wereld zich aan het oog van den mensch voordoet als een onder natuurlijke (niet. bovennatuurlijke) wetten staand geheel, zoo zelfs, dat ook de zoogenaamde geestelijke krachten slechts natuurlijke verschijnselen vormen, die net zoo goed als de schei- en natuurkundige verandering der stoffelijke voorwerpen, een onderwerp van onderzoek kunnen zijn, dat derhalve het onderzoek naar den menschelijken geest en het bewustzijn geen onmogelijkheid zou kunnen zijn, maar dat het wezen daarvan langs natuurwetenschappe-lijken weg, zonder theologische hulp, onderzocht moest worden. Naegeli had reeds in het jaar '60 een academische verhandeling over het âBegriff der naturhistorischen Artquot; in het licht gezonden, die in het bizonder tegen alle wondergeloof gericht was. Hij moest dus als een gevaarlijk© tegenstander der aan wonderen geloovende Zions-wachters en der zaakwaarnemers der hemelsche hofhouding beschouwd worden. Maar wat geschiedde er nu op dat gedenkwaar* dige Münchener congres ?
Het hyper-ultramontaansche Beiersche âVaterlandquot; nam de geheele voordracht van Naegeli onverkort in zijn kolommen op als een uitmuntend voortbrengsel van den menschelijken geest. En dat geschiedde door een anders zoo strijdlustig kerkelijk blad, als zoodanig befaamd!
De geestelijke St. George vertrok geen spier! Wat moeten wij daarvan denken1?
Nog onverklaarbaarder en merkwaardiger was het schouwspel, dat de Engelsche geestelijkheid bij den dood van Darwin (19 April 1882) bij zijn begrafenis te aanschouwen gaf.
Wel bevonden er zich onder de Engelsche geestelijken reeds sedert lang verscheidene, die zich als student en later als zielverzorger uit liefhebberij met natuurwetenschappelijke vraagstukken bezig hielden â een verschijnsel, dat op ons vasteland veel zeldzamer is dan ginds in het eilandenrijk â wel waren er vele Engelsche geestelijken met Darwin zelf bevriend en stonden met hem in briefwisseling, maar de overgroot© meerderheid van d© zieleherders aldaar keerden zich tijdens het leven van Darwin van hem af.
En wat geschiedde er nu, toen de groot© ongeloovige Engelsche natuuronderzoeker zijn arbeidzaam leven eindigde, toen Darwin, die den vijfden Juni 1879 onomwonden aan een student te Jena schreef: âwat mij betreft, zoo geloof ik niet, dat er ooit een openbaring heeft
plaats gevondenquot; den laatsten adem uitblies?--D© Engelsch©
kerk maakte zich meester van het lijk van hem, dien zij tijdens zijn leven als tegenstander van een geloof aan wonderen en van de theologie gehaat had. Dezelfde Engelsche kerk verleende den agnosticus Darwin een schitterende begrafenis en een indrukwekkenden lijkdienst zoo als anders in het streng geloovigê Engeland slechts aan buitengewoon hooggeplaatste kerkelijke waardigheidsbekleeders of bizonder invloedrijke beschermers en verdedigers der kerk ten deel valt. Darwin werd tegen zijn wil (bij zijn leven had hij ergens anders een
37
MOZES OF DARWIN 1
eigen graf laten maken) in de oude West minsterabdij, het Engel-sclie Panthéon, naast Isaac Newton bijgezet. En tegelijkertijd predikten vier geloovige geestelijken in vier tempels te Londen over het groote verlies, dat de Engelsche natie, ja de geheele menschheid door den dood van Darwin geleden had.
Bij monde van de priesters werd de lof van den grooten Darwin verkondigd. Heel de wereld zag vol verbazing toe, hoe de kerk een ongeloovigen onderzoeker, een apostel van de wetenschappelijke waarheid eerde. Wie moest zich bij dat schouwspel niet afvragen: âIs Saul ook onder de propheten?quot; (I Sam. 10 s 11). Het was nog niet voldoende, dat men Darwin met de eer van een kerkvorst ten grave had geleid, dezelfde Engelsche kerk doed ook mede, toen het gold, een oproeping voor het oprichten van een Darwin-gedenktee-ken naar alle landen heen te zenden, bijdragen te verzamelen voor een standbeeld en een fonds bijeen te brengen dat jonge, onbemiddelde natuuronderzoekers in staat zou stellen in Darwins geest verder te studeeren. Die oproeping is onderteekend door de aartsbisschoppen van Canterbury en van York, door den bisschop van Exeter, de dekens van den Westminster, den St. Paul en van Christ-church, de fijngeloovige hertogen van Argyll, Devonshire en Northumberland, de markiezin van Salisbury, door graven, pairs, parlementsleden, door de hoogwaardigheidsbekleeders der Engelsche hoogeschool en door een menigte Engelsche natuurkundigen. Ja, die oproeping heeft door de omstandigheid, dat zij ook door de gezanten en afgevaardigden van de machtigste staten van Europa en Amerika onderteekend werd, zelfs een kosmopolitisch karakter gekregen, â met één woord: de heele âvoornamequot; wereld was bij Darwins dood Darwinistisch geworden.
Bij het leven verketteren, na den dood vergoden!
Het kan geen kwaad heden ten dage aan een en ander te herinneren, nu stokebranden van kapelaans en protestantsche dompers een groot geschreeuw aanheffen, omdat de wetenschappelijke waarheid eindelijk ook eens aan het volk, het âgemeenequot; volk onderwe zen zou worden.
Wat beteekenen toch die feiten?
Ik vermeen, dat de gebeurtenissen bij Darwins dood en begrafenis een niet te miskennen openbaring van don vooruitgang der meerderheid zijn. De natuurwetenschap is een wereldmacht geworden, van welker kracht en zegen zelfs de predikers in de St. Paulus getuigen en de steenen muren van den Westminster weerklinken moeten.
De menschheid kan op den duur geen weerstand bieden aan de macht der waarheid! Dat is een troost â een groote troost! En veel belovend voor de toekomst!
Wat vermogen daartegen al de vloeken van het Vaticaan over de nieuwere natuurwetenschap, wat vermag tegen zulk een wereldmacht de onwetende bekrompenheid en de van woede brieschende dweepzucht van protestantsche dompers en zoogenaamde Evangelischen 1 De ontwikkeling schrijdt met ijzeren schreden voorwaarts. En daarover willen wij ons verheugen.
38
MOZES OF DARWIN 1
Ondertusschen stonden er zoowel in Amerika als later in Duitsch-land, wakkere geestelijken op, die zich de moeite getroostten de afstammingsleer te bestudeeren, en ter goeder trouw naar een uitweg zochten, om de goede vrienden van het godsdienstig denken en leven uit den theologischen doolhof der ontkenning naar de heuvels van den wetenschappelijken zonneschijn te voeren. Twee der voornaam» ste van die vrienden des lichts zal ik hier vermelden: de Amerikaan-sche kanselredenaar M. J. Savage, die een paar jaar geleden een merkwaardig, ja we kunnen gerust zeggen een prachtig boek: godsdienst in het licht van Darwin's leerquot; uitgaf; en de Duitsche theoloog dr. R. Schramm, domprediker in Bremen, die het werk van Savage in het Duitsch vertaald heeft. 1)
Dat boek is doortrokken van een geest, dien ik niet beter kan kenschetsen dan met de uitdrukking: Nazareensche waarheidsliefde.
In dat werk wordt openlijk het feit erkend, dat de afstammingsleer âonder de natuuronderzoekers zoo goed als voor uitgemaakt wordt gehouden, en wel niet alleen als hulptheorie voor het ontstaan van enkele soorten, maar als hoofdbeginsel voor de verklaring van allen groei en leven op aarde.quot; Dat staat er woordelijk. En verder: âDan echter is hare verbreiding ook onder het volk slechts een kwestie van tijd, hoeveel geschreeuw de hoogepriesters van de onwetendheid, het vooroordeel en het bijgeloof ook mogen aanheffen, ten einde dat te verhinderen.quot;
Zoo spreekt een Duitsch theoloog, de wakkere en moedige domprediker Schramm. Vol eerbied buig ik mijn hoofd voor de juiste erkenning der dingen, te meer daar men ziük een erkenning onder de hedendaagsche theologen maar hoogst zelden aantreft.
Ik zal uit het met geest geschreven werk van den Amerikaanschen kanselredenaar, wiens standpunt ten opzichte van de laatste oorzaak der dingen en van al het gebeurde ik geenszins deelen kan, maar respecteeren moet, nog eenige plaatsen uit (Jp voorrede aanhalen, ten einde u te laten zien in welken geest de theoloog zijn ambt uitoefent :
Savage zegt: ,.Ik geloof dat het in de eerste plaats de taak zoowel van de wetenschap als van den godsdienst is, steeds de waarheid te zoeken, want slechts de waarheid voert tot God. Verder geloof ik, dat het tijd verbeuzelen is, onomstootelijke waarheden met elkaar- in overeenstemming te willen brengen, alle waarheden toch zijn reeds eensgezind en behoeven niet met elkaar verzoend te worden.quot;
,,Wie de waarheid zoekt, die alleen zoekt God quot;
39
De gedachte dat er ergens een rustpunt, een halte voor het onderzoek bestond, is te allen tijde de vloek zoowel van den godsdienst als van de wetenschap geweest. Wij staan hier beneden als eindige geesten te midden der oneindigheid, en voor een eindig wezen, dat de oneindigheid te gemoet snelt, bestaat nergens een ankerplaats, maar enkel
1
Die Religion im Lichte der Darwin'schen Lehre, Leipzig, Otto Wiegand 1886.
MOZES OP DARWIN?
het voorrecht en de gelegenheid tot eindeloos onderzoek.quot;
,,Achter al de verschillende, uitgestrekte, onsamenhangende werken, ontdekkingen en proeven van de talrijke wetenschappelijke onderzoekers staat het gemeenschappelijke geloof, âdat alle wetenschappelijke u-aarheden slechts eén zijn, dat het heelal één geheel vormt en dat verschillende waarheden slechts verschillende deelen van een goddelijk patroon zijn, dat zich over het geheele zichtbare gewaad der godheid uitstrekt.
Dat geloof der wetenschap is grootscher dan eenig ander, dat de godsdienst ooit geleeraard heeft.quot;
Ik heb het werk van Savage-Schramm kort na zijne verschijning met groote belangstelling gelezen en in den schrijver feitelijk een theoloog leeren kennen, die werkelijk de waarheid zoekt en niet schuwt; die de waarheid liefheeft en niet haat, die de waarheid â voor zoover hij gelooft die erkend te hebben â vrij belijdt, en die niet huichelachtig aan een dwaling blijft hangen, omdat het getal der aan die dwaling geloovenden sterker is dan dat der vrienden van het licht. Zulke theologen zijn zeldzaam, vooral in deze dagen van algemeene verleugening. Vergun mij den wakkeren Amerikaan de hand te drukken, al zijn wij het ook niet in alle opzichten eens met hem. Dat zijn boek de lectuur van alle denkende Christenen, Joden en Heidenen moge worden; zelfs vrijdenkers bevelen wij het aan ! Wij allen zonder onderscheid kunnen er veel uit leeren! En dat verklaar ik hier, nadat ik het boek voor de tweede maal met steeds klimmende belangstelling gelezen heb.
Savage is overtuigd: âdat alle wetenschappelijke waarheden slechts ééne waarheid zijn, en dat het heelal één geheel vormt.quot; â⢠Wij deelen zijn opvatting en het is hier de plaats er aan te herinneren, dat de nieuwste ontdekkingen der schei- en natuurkunde bijna met volstrekte zekerheid bevestigen, wat heldere geesten langen tijd slechts bevroed hebben, nl. âdat er in het heelal slechts één oerstoï, slechts één oerkracht bestaat.quot;
Zoo ziet ge, waarde vrienden, dat de uitersten elkaar bijna raken!
Eens zal de dag aanbreken, waarop alle getwist over godsdienstige kwesties, waarop alle strijd over geloof of ongeloof, voor of tegen het theïsme, waarop alle tweedracht en tweespalt over godsdienst-dogma's verdwenen zal zijn. Dan zal men God â d.i. de waarheid â niet alleen aanbidden aan de wateren van de Jordaan of te Babyion, aan de oevers van den Tiber of aan het Zoutmeer te Utah, niet alleen in sombere moskeeën, tempels en bedehuizen, maar dan zal men de waarheid, die alleen God is, en waarbuiten geen andere goden zijn, aanbidden op al de heuvels en dalen der aarde, op de toppen en aan den voet van den Himalajah, zoowel als op de met bloemen bezaaide Alpen en de Andes, aan de Stille Zuidzee zoowel als aan de IJszee, onder de palmen van Ethiopië zoowel als op de woeste hellingen van het Skandinavisch gebergte.
In de bijna niet te omvatten veelheid van vormen der verschijnselen zal men de eenheid van al het Zijn erkend hebben. Aan het mo-
40
M0ZE3 OF DARWIN I
nisme behoort de toekomst; het mono-theïsme was de laatste sport van de ladder-ontwikkeling, die tot het hoogste vergezicht over den chaos der gebeurtenissen voert.
Dikwijls wordt ons door onwetende tegenstanders voor de voeten geworpen, dat wij geen religie hehheti en dat wij de religie uit de wereld helpen willen. Niets is ongegronder dan die tegenwerping.
Met het woord âreligiequot; wordt door de pachters-generaal van het ware geloof nog al raar omgesprongen. In hun kinderlijke bekrompenheid verklaarden zij en verklaren heden nog, dat zij alleen religie hebben. Zij oefenen met het woord religie dezelfde goocheltoeren uit als met het begrip van vrijheid. âReligie hebbenquot; be-teekent bij hen : bekrompen zijn en hoogmoedig tevens, dom zijn en eerzuchtig tegelijk, vrede op de lippen hebben en tegelijk het mes krijgslustig zwaaien, liefde prediken en tegelijk haten, lijdzaamheid prediken en geen lijdzaamheid oefenen, zich voor kinderen Gods uitgeven en al de praktijken van Belial handhaven. Zij plegen zich uit te geven voor menschen, die den goddelijken wil kennen en daarvan alleen onderricht zijn, en daarbij hebben zij alleen het oog op de verheerlijking van hun eigen, o zoo bekrompen, ik. En net zoo doen zij met- de âvrijheid.,, Vrij zijn beteekent bij dezelfde heiligen: het recht te hebben, de anderen te vervolgen te pijnigen en te martelen, de anderen â hun menschelijke broeders en zusters â te onderdrukken en uit te werpen. Ja, ja, dat is âreligiequot; en âvrijheidquot; naar het harte der . . . egoisten.
Anch'io sono pittore! â ook wij hebben religie! â Hoe ? Een natuuronderzoeker uit de school van Darwin zou ook religie hebben!
Wat beteekent religie?
Oorspronkelijk beduidt âreligiequot; zooveel als âbandquot; en wij verstaan daaronder de erkenning, dat wij van de buitenwereld, de menschen, de natuur en het heelal afhankelijk zijn, dat wij niet volstrekt vrij zijn, maar met het heelal door den hand der natuurlijke betrekkingen verbonden zijn. Dat bewustzijn van do afhankelijkheid van hetgeen buiten ons is en de daaruit onstane wijze van denken ten opzichte van] anderen, is naar onze opvatting religie.
Er bestaan zeer ruwe religieuse voorstellingen : ik herinner aan het geloof aan heksen, duivels en geesten bij de christelijke belijders, aan het denkbeeld, dat een ongedoopt gestorven kind eeuwig verdoemd is, aan de kleingeestige voorstelling, dat andere menschen, die niet juist zoo denken als wij, in den poel der hel terecht moeten komen.
Wij noemen de religie der heidenen ruw, omdat die brokken hout, misgeboorten en dieren aanbidden. De christenen noemen de religie van Mohammed zinnelijk, omdat hij zijn geloovigen hiernamaals een heerlijk toegerusteu harem in het vooruitzicht stelt; de joden zeggen dat de christelijke religie dwaalt, omdat Jezus de Nazarener nietquot;de rechte Messias geweest is, en omgekeerd betichten de christenen op hun beurt de joodsche religie van valschheid, omdat zij hun eigen Messias aan het kruis genageld hebben. Elke christelijke belijdenis of secte beweert, dat zij alleen en geen andere in het bezit der ware
41
MOZES OF DARWIN 1
echt© religie is. Zooals bekend is noemen de katholieken hun kerk de alleenzaligmakende. â En hoeveel stroomen bloeds zijn er ter wille van de religie vergoten? De verschrikkelijkste gruweldaden zijn in naam der religie gepleegd.
En toch hebben allen, die zoo spraken en handelen, allen, die nog zoo spreken en gaarne weer zoo zouden willen handelen, toch hébhen zij allen religie!
Houden wij nu de tegenproef!
Daar ik van oudsher een vriend van ronduit spreken en een kon-sekwent© vijand van alle huichelarij en schijnheiligheid geweest ben, zie ik er geen bezwaar in, hier de religiebelijdenis van een vrijdenker af te leggen, die zijn idealen alleen op den grondslag van het heden-daagsche weten opgetrokken en zich de dingen der buitenwereld aangepast heeft, om in vrede met zijn medemenschen (wanneer zij den naam âmenschquot; verdienen) en in harmonie met het geheel© wezen van het eigen kleine Ik de hem toegestane levensdagen te doorleven.
Ten eerste:
Het hoogste, dat wij vereeren, is de waarheid, zooals. die zich in het leven der natuur en der wereld openbaart. Ieder die haar tracht machtig te worden, bewandelt met ons denzelfden weg en zij ona een broeder of zuster, zonder aanzien van geboorte, religie of wereldbeschouwing, zonder aanzien van natie of ras, zonder aanzien van politieke meening, ook zonder aanzien van de mat© zijner zoogenaamde beschaving. Want wie de waarheid zoekt, zoekt het hoogste en met die erkenning zijn wij, zoekenden, allen van gelijk© geboorte.
Ten tweede:
Als individuen zijn wij allen van elkaar en van de ons omringende natuur afhankelijk. De mensch is het voortbrengsel der steeds nieuw-vormende natuur en van zijn opvoeding. Krachtens die erkenning zien wij in den medemensch een natuurproduct, dat alleen dan, wanneer liij zich tegen de wetten der natuur vergrijpt, vijandig tegenover ons staat.
Ten derde:
Vanwaar komen wij? Evenals elke plant- en diersoort zich in den loop van de millioenen jaren lange geschiedenis onzer aarde uit nietige lagere wezens, tengevolge van de natuurlijke teeltkeus in de richting van ©en hoogere volmaking langzaam ontwikkeld heeft, zoo ook heeft de mensch van een nederig begin af zich langzamerhand gedurende duizenden van jaren uit dierlijke voorvaderen ontwikkeld. Nooit heeft er een eerste mensch bestaan, evenmin als een eerste Germaan, een eerste Spanjaard of een eerste Franschman. Alles wat is, is geworden, is door natuurlijke, gestadige ontwikkeling uit iets anders ontstaan.
Ten vierde:
De verdere ontwikkeling in de richting van een hoogere volkomenheid is een algemeen verschijnsel in de levende natuur. Zij bestond in het verleden, bestaat heden nog en zal ook in de toekomst bestaan. Zij is de uitdrukking van een natuurwet, die door hare
42
M0ZE3 OF DARWIN?
schijnbare uitzonderingen juist- bevestigd wordt. De ontwikkeling tot iets beters, iets volmaakters geschiedt uit een natuurlijke noodzakelijkheid. Wie tegen die wet zondigt, gaat ten onder. Wat stilstaat, gaat blijkens de ervaring te niet, zijn ondergang is slechts een kwestie van tijd.
Ten vijfde :
Wij kennen een erfzonde, wel is waar niet in de Mozaïsche maar in de natuurhistorische beteekenis; namelijk de nu en dan waar te nemen neiging van het individu, om weer tot den toestand van zijn lager ontwikkelde voorvaderen terug te keeren. In ieder mensch steekt nog een meer of minder groot deel dierlijkheid, die van onze voorvaderen afkomstig is.
Die erfzonde, door geen natuur-onderzoeker met ernst betwist, is zeker wel geschikt in de plaats van de mystieke erfzonde uit de dagen van heb paradijs te treden; als natuurlijke ervaringswet is zij geschikt het uitgangspunt van een nieuwe, met de natuur in overeenstemming zijnde zedeleer te worden.
Ten zesde :
Er bestaat een hoogere gerechtigheid, dan die thans door het menschdom wordt uitgeoefend, t. w. een âNemesisquot; van het vergrijp tegen de natuur wetten. Wie een mensch doodslaat, is tot onze voorvaderen uit de grijze oudheid teruggekeerd; hij is van den wordenden mensch tot beest teruggegaan. De wetenschap noemt een dergelijk geval: terugslag (atavismus). Zoowel de planten- als de dierenwereld leeren ons, dat de terugslag, die uiting der erfzonde, met den dood gestraft wordt. De natuur werpt de atavistische planten en dieren uit. De barmhartige mensch is begonnen zulke zondaren niet meer ter dood te brengen, maar den âdier geworden menschquot; door gevangenzetten onschadelijk te maken.
Wie een ander mensch tot slaaf maakt, handelt tegen een natuurwet, want âder mensch ist frei geschaffen, ist frei und ware er in Ketten geboren,,. (Schiller).
Ten zevende:
Alle mensckelijke deugden zijn gedurende de langzame ontwikkeling van de menschheid, achtereenvolgens ontwikkeld geworden. Zij zijn een product der natuur en kunnen niet verloren gaan. Uit sociale instincten zijn menschelijke deugden ontstaan (waaronder de liefde tot den naaste de hoogste is) en menschelijke deugden worden onder 'n voortgezette verpleging, door een zedelijke opvoeding ten laatste zoo met het individu verbonden, dat zij overgeërfd worden.
Ten achtste:
Onze hoop is op de verdere ontwikkeling van het geheele menschelijke geslacht gericht.
Even als de hedendaagsche menschen beter zijn dan hun dierlijke voorvaderen, zoo zullen ook de geslachten die na ons komen noodzakelijk beter zijn dan wij.
Ten negende-
Daar al ons weten slechts stukwerk is, maar elk fragment van -werkelijke kennis de veelbelovende kracht van een groeiende kiem
43
MOZES OP DARWIN?
bevat, verbiedt ons dat natuurlijk om trotsch op anderen neer te zien, maar ontheft ons geenszins van de verplichting, in vereeniging met anderen aan de uitbreiding der kennis van allen te arbeiden.
Ten laatste:
Ware hennis maakt verdraagzaam.
Godsdienst is het privaatbezit van zijn belijder; vereeniging noch staat, veel minder de paus, die zelf ook een feilbaar mensch is, heeft het recht daarover te spreken of haar te reglementeeren. Wie er behoefte aan gevoelt in het geloof aan een hiernamaals zalig te worden, zal aan die behoefte mogen voldoen, onverschillig of hij Garizim of Horeb, Mekka of Rome, de woestijn of een weelderig eiland tot plaats van aanbidding verkiest, als hij maar door zijn doen en laten het welzijn van anderen niet benadeelt. Wie daarentegen van een toekomstig leven niets weten wil, omdat hij er niets van weten kan, mag door ons niet gehinderd worden in zijn streven, om in vereeniging met anderen hier een hemel te scheppen en de aarde, terwüle van zijne en anderer gelukzaligheid, in een paradijs te veranderen. Dan zullen wij menschen zijn. De gelukzaligheid van den eenling kan slechts dan volmaakt zijn, als zij met het welzijn van anderen niet in tegenspraak maar in volle harmonie is. Daaruit ontstaat vanzelf een natuurlijke, menschwaardig© zedeleer, die verheven boven alle stellingen des geloofs, in toekomstig© tijden een baken der mensch-heid zal zijn.
Het beginsel van een voortdurende ontwikkeling, dat den gedachtegang van den Darwinist leidt, die natuurwet van een gestadig, zij het ook langzaam voortschrijden tot het hetere : dat is de blijde boodschap, het evangelie der natuurkennis.
Oordeelt nu zelf of wij Darwinisten religieus of niet zijn. â Per slot van rekening doet de naam er niets toe, daar toch het wezen, de inhoud hoofdzaak is. De letter doodt â dat weten wij allen, onverschillig welk geloof we belijden!
En wat leert nu onze Volksschool?
Vooraf constateer ik het niet te loochenen feit: dat alleen de natuurwetenschappen bijna geen invloed op de volksschool hebben uitgeoefend; de volksschool is â afgezien van uiterlijken glans â in het wezen der zaak buiten de ontwikkeling der natuurwetenschappen gebleven.
In alle Duitsch-sprekende landen en ook bij de meeste andere volkeren, wordt in de volksschool nog altijd de dwaling van het Mozaïsche scheppingsverhaal als âheilige?1 waarheid onderwezen.
In de jaren '40 en '50, toen velen van ons nog op de schoolbanken zaten, werd op de meest© volksscholen van Duitsch Zwitserland de âBiblische geschichtenquot; van Christoph Schmied als religieus leermiddel gebruikt. Toen hoorden wij nog de verhalen van de pratende slang in het paradijs, van de wonderen van Mozes, van Daniël in den leeuwenkuil, van Jonas in den Walvisch, enz. Wonderen, wonderen en
44
MOZES OF DARWIN?
nog eens wonderen, maar die bijbelsche verhalen van Schmied waren zeer goed gesteld. De kinderen houden van zoo'n stijl en wij waren gelukkig bij de les. Toen ter tijd was er niet veel tegen in te brengen, want het geloof aan wonderen was een deel van het bewustzijn van het heele volk. Geen Darwin was met zijn theorie opgestaan.
Maar na Darwin verschonen jaar in, jaar uit weer nieuwe drukken van de âZweimal zwei undJ fünfzig biblischen Geschichten für Schulen und Familienquot; uit de Calwer Verlagsverein. Tien jaren na het verschijnen van Darwins werk, in het jaar 1869, kwam de 211e druk van dat boekje uit. Het bleef het leerboek voor godsdienst-onderwijs op de Luthersche scholen in vele Duitsche staten en op de hervormde scholen van eenige Zwitsersche kantons. (In Waad tl and verscheen zelfs een Fransche vertaling ten behoeve der Fransche scholen.)
Dat Calwer'sche wonderenboekje vond zoo algemeen ingang bij kerk en staatk dat het tot het jaar 1869 in niet minder dan 64 talen (waaronder Chineesch) uitkwam. In dat boekje worden nog meer wonderen dan in dat van Schmied medegedeeld; zelfs worden, om de kinderziel met alle middelen der fantazie te verschalken, de merkwaardigste wonderen in prent voorgesteld. Zoo vindt men er o. a. het verhaal en de afbeelding van de sprekende slang op den boom der kennis en de naakte Eva, den engel met het vlammend zwaard, bij gelegenheid van de verdrijving uit het paradijs, den zondvloed, de drie engelen bij Abraham en de achter de deur lachende Sarah, den ondergang van Sodom en Gomorrah, waarbij een dikke, plompe, Zwabische boerenmeid met twee vleugels en uitgespreide armen een vlammend zwaard naar de brandende stad zwaait, Jacobs bedrog om het eerstgeboorterecht, de zeven magere koeien uit Pharao's droom, de goocheltoeren van Mozes voor Pharao (staf en slangen), de mannaregen in de woestijn, de in vlammen staande Sinaï, waarbij drie bazuinen uit de wolken staken, de kwartelregen, Mozes' wonder bij de rots, de aanbidding van de slang, Biliams sprekende ezel, die niet voort kon loopen, omdat een engel hun den weg versperde, Josua gebiedt de zon en de maan stil te staan, de profeet Nathan voor den echtbreker David, bij welke gelegenheid de heele geschiedenis der echtbreuk met Uria's vrouw uitvoerig verteld en de opmerking gemaakt wordt, dat ,,God toeliet dat Uria verslagen werd.quot; Verder vindt men er in afgebeeld den profeet Elias en de witte raaf bij de beek Crith, den profeet Jonas, toen hij na verloop van drie dagen door den walvisch aan land gespogen werd (een kranige plaat), ook de profeet Daniël onder de leeuwen. Op een dergelijke wijs zijn ook de wonderen van het nieuwe testament graphisch voorgesteld.
Dat wonderenboek is in vele plaatsen van Duitschland en Zwitserland ook nu nog in gebruik en zijn inhoud wordt nog altijd aan honderdduizenden van kinderen (en volwassenen) als een onomstoo-telijke, eeuwige waarheid geleeraard.
Niet veel beter ziet het er met het religieuse leerboek op de evan-gelisch-protestantsche scholen in het groot-hertogdom Baden uit; ook daarin wordt met het Mozaïsche scheppingsverhaal begonnen en verder alle wonderen van het oude en nieuwe testament doorloopen;
45
MOZES OF DARWIN?
alleen ontbreken in dat boek (ik heb de uitgave van 1869 voor mij) de aanschouwelijke plaatjes.
Ja zelfs de a-b-boekjes in de protestantsclie landen, de eenige schoolboekjes voor de 5- of 6jarige a-b-c-beoefenaars, zijn bijna zonder uitzondering met het wondergeloof doorspekt, dat de wetenschap op de hoogeschool dan weer uit het hoofd der studeerend© jongelingschap moet doen verdwijnen. Op bladz. 100 van de âFibel für die evangelischen Volksschiüen, Württembergsquot; (Stuttgart bei Hallberger), vindt men een les, getiteld: âDer Mensch. Gottquot; dat als volgt begint: âGott machte den Menschen aus einem Erdenkloss und blies ihm ein den lehendigen Oden in seine Na se. Der mensch hat also einen Leïb und eine Seelequot;1) Die anthropologische wijsheid eindigt dan : âHat sich aber die Seele vom Leib getrennt, so ist der Mensch todt. Der todte Körper heiszt Leichnam und wird begraben. Die Seele aber kehrt zu Gott zurück.quot; 2)
Onze scholen verrichten een waar Sisyphuswerk.
Als wij onderzoeken, hoe het in de vooruitstrevende kantons van Zwitserland gesteld is, dan zien wij dat bijv. in het kanton Zurich de staatsscholen slechts facultatief godsdienst-onderricht hebben. Naast deze bestaan echter de door den staat erkende z.g. âvrijequot; scholen, die uit privaatmiddelen onderhouden worden, bizonder met het doel het onderwijs van de jeugd geheel en al op den grondslag van het Mozaïsche scheppingsverhaal in zuiver orthodoxen zin door te voeren. Die âvrijequot; scholen concurreeren sterk met de staatsscholen, en als de leden van de âevangelische Gesellschaftquot; nog een beetje dieper in den zak tasten, kunnen wij het nog beleven, dat weldra de helft der schoolkinderen van het kanton in den geest der orthodoxe geloo-venden onderwezen wordt ] want hetzelfde kanton Zürich heeft het goed gevonden, dat een âevangelisches Lehrer-Seminarquot; (kweekschool voor christelijke onderwijzers) voor de opleiding van orthodoxe onderwijzers uit particuliere middelen onderhouden; wordt en jaarlijks een aantal candidaten voor het personeel der volksschool aflevert. Zoo wordt er dus voor gezorgd, dat het geheele onderwijzerspersoneel van ons kanton gelijkmatig met den.' zuurdeesem der orthodoxie door-trokken wordt. Op die wijze raken wij geheel van streek, men ziet dat aan alle kanten: der vromen zondagsscholen rijzen als paddestoelen uit den grond, de St. Annakapelle wordt meer en meer bezocht en de bedehuizen worden te klein voor de scharen, die willen hooren preeken over den naderenden ondergang der wereld en de komst des Heer en.
Daarbij komt, dat er in die staatsscholen, waarvan het onderwijzend personeel van de uitstekend ingerichte staatskweekschool in Küsnach afkomstig is, slechts facultatief godsdienst-onderwijs bestaat d.w.z. de commissie van toezicht heeft het in haar macht, den
46
1
God maakte den mensch uit een aardkluit en blies hem den levenden adem in zijn neus. De mensch heeft dus een lichaam en een ziel,
2
Wanneer de ziel zich van het lichaam gescheiden heeft, is de mensch dood. Het doode lichaam heet een lijk en wordt begraven. De ziel echter keert tot God terug.
MOZES OF DARWIN ?
onderwijzer op te dragen, of het aan dezen over te laten, godsdienstonderwijs te geven. Gewoonlijk w-ordt genoemd ouderwijs feitelijk gegeven, ten deele door geloovige werkelijk orthodoxe onderwijzers en dan natuurlijk in den geest van het âevangelische Gesellschaftquot;, gedeeltelijk door verlichte onderwijzers, die zich dan met meer of minder takt door den chaos van dwalingen heenwerken. De commissie van toezicht in het kanton Zurich heeft geen boek daarvoor verplichtend gesteld, maar er zich toe bepaald, eenvoudig een tweetal werkjes aan te bevelen. Het eene is een boekje met drie afdeelingeu voor de éde, 5de en 6de klas, dus voor kinderen van 9, 10 en 11 jaar, dat met verhalen uit het oude testament (zooals vanzelf spreekt ook met het scheppingsverhaal van Mozes, de eerste zonde en het zondvloeddrama) begint en drie jaar later met de reis van den apostel Paulus eindigt. Dat boekje, door een geestelijke (Meyer) geschreven, wordt in het kanton Zurich veelvuldig gebruikt'. Maar naast dat boekje van Meyer worden in de Zürichsche scholen ook andere godsdienstige leerboekjes gebruikt; begrijpelijkerwijze zijn die van de vrije scholen de meest orthodoxe.
Een ander, zeer ontwikkelingsgezind kanton van Duitsch-Zwit-scrland â Thurgau â heeft zelfs de door de Züricher commissie slechts aanbevolen godsdienstige werkjes zoowel als het godsdienst-onderwijs verplichtend verklaard. Ook aan den Zwitserschen oever van de Bodensee begint dus het godsdienst-onderwijs met Mozes.
Zoowel in Duitschland (Württemberg heeft zooals algemeen erkend wordt de beste Duitsche scholen) als in Zwitserland, dus in het beschaafdste deel van Europa, in landen en provinciën, die de volksschool het meest genegen zijn, ziet men overal het verschijnsel:
Mozes, Mozes en nog eens Mozes als grondslag voor het godsdienstig onderwijs!
Voorwaar! Onze scholen staan nog altijd met heur eenen voet in de middeleeuwen. Dat is een gevolg van de ontwikkeling van het schoolwezen; wij behoeven er maar aan te herinneren, dat de volksschool eigenlijk een kind van de kerk is. Zij ontstond uit een behoefte van de hervormde kerk; nadat de boekdrukkunst uitgevonden was, moesten de zoogenaamde waarheden van Gods woord, door den druk tot in de afgelegenste hutten bekend gemaakt worden. Opdat de menschen die waarheden evenwel zouden lezen, moest men hun eerst onderricht in lezen en schrijven geven.
Nog in de vorige eeuw bestonden de voornaamste leermiddelen der volksschool in de psalmen Davids en de christelijke katc-chismus.
Sedert heeft zich een praktische behoefte doen gevoelen. In de jaren '40 en 50 begon men in de Zwitsersche volksscholen algemeen ook interest-rekening en wat aardrijkskunde te leeren. Van natuurlijke historie hoorde ik door alle klassen heen op de gewone lagere school nog omstreeks het jaar '50 niets anders dan: âMan theilt Pflanzen ein in Baume, Straucher, Krauter, und Grazer (Aristoteles! !); dan giebt es nog Moose, Algen, Pilze mid Flechtenquot; (dat was een concessie aan den nieuweren tijd.)
Al de resultaten van het nieuwe onderzoek werden zoo streng mo-
47
MOZES OF DARWIN 1
gelijk van de lagere school verwijderd gehouden; en waar des ondanks toch pogingen in het werk gesteld werden om de leerstof te vergrooten, ging elke schrede voorwaarts met den konsekwenten weerstand van de kerk gepaard. Dat ging zoo in '50, in '60 en '70; ja eigenlijk gezegd gaat het heden nog zoo, ofschoon in sommige kantons tamelijk moeilijk. Meer en meer tracht de volksschool zich van de kerk vrij te maken. Daar de kerk stilstaat, maar de school als een levend organisme voorwaarts gaan moét, is aan een saamwerken van die beide nauwelijks meer te denken.
De vrijmaking van de school van de kerk is evenwel nog ver van een feit. Wel in Frankrijk en onlangs Italië! (eveneens in Holland vert.) In Duit'schland, Oostem ijk en Zwitserland is er nog geen sprake van een volkomen scheiding tusschen school en kerk, zoodat in die landen het schoolwezen ten gevolge van het hinken op twee gedachten gevaar loopt de tering te krijgen. En dat dit zoo is, daarvan kan iedereen zich overtuigen. Nog altijd valt er waar te nemen, dat in de volksschool aan het godsdienst-onderricht te veel plaats wordt geschonken. Toch is het een zonde tegen de wetten der ontwikkeling, aan onvolwassen kinderen, die nog niet in staat zijn over abstracte begrippen na te denken, in de eerste schooljaren godsd^^-onderwijs te geven; een zonde is het, dat er geen gelegenheid verzuimd wordt onvolwassen kinderen vol te stoppen met begrippen en lessen, waarvoor een gezonde volwassene al zijn krachten moet inspannen om die te begrijpen, zonder daarin te slagen. Onze volksscholen zondigen tegen de natuurlyke ontwikkeling van het verstand, door den kinderen metaphysica te leeren.
Het wordt strafbaar, wanneer de ouders in hun te grooten ijver nog verder gaan en vier- of vijfjarige kindéren naar de vrome zondagscholen zenden. Wat voor goeds kan het geven als des zondagsmiddags die kleine voor lucht en zonneschijn bestemde kinderen bleek-wangig uit de school komen en aan tafel van de zondagschool vertellen, hoe er bijv. over Johannes gesproken is, die naar de woestijn gegaan en daar met kemelshaar uit gekomen was. Wat er van te zeggen als 4â10jarige kinderen op de zondagschool met de leer der wedergeboorte bekend gemaakt worden, zoodat d'e meisjes thuisgekomen aan vader vragen, wat het eigenlijk zeggen wil, âde onderwijzeres heeft gezegd, dat ik een heel nieuw hart krijgen moet.quot; 1)
Ik ben er verre van verwijderd een geestelijke verandering in den mensch, zooals nu en dan bij den een of ander is waar te nemen, te willen loochenen en te ontkennen, wat men een soort wedergeboorte noemt. Maar het is een vergrijp aan de kinderlijke ziel, wanneer men aan kleine jongens en meisjes de leer van een noodzakelijke wedergeboorte onderwijst. Waar dat alles heenleidt? Wij weten er in Zurich van te spreken â naar het leger des heils!
48
Wanneer quot;wij de resultaten van mijn paedagogische wandeling kort samenvatten, dan blijkt â wat geen met de zaak bekend man betwisten en geen eerlijk mensch ontkennen zal, daar het onloochenbare
1
Dit is werkelijk in Zurich voorgekomen.
MOZES OF DARWIN 1
feiten zijn â zooals ik hier duidelijk voor jong en oud, met vette letter laat drukken â¢â¢
1. Op de hoogeschool wordt de natuurwetenschappelijke waarheid der afstammingsleer, worden de eeuwige wetten der natuur als het hoogste goed geleerd.
2. In de volksschool echter, die evenals de hoogeschool door denzelfden staat opgericlit en door denzelfden staat onderhouden wordt, in de volksschool wordt de vijf en dertig honderd jaar oude mythe van het Mozaïsche scheppingsverhaal, wordt de tastbare dwaling, wordt het tegenovergestelde van hetgeen wetenschap en natuur leeren als waarheid verkondigd.
Dat is een ongehoorde, een onzedelijke, een onhoudbare toestand.
Er bestaan geen tweeërlei waarheden, waarvan de eene goed is voor de hoogeschool, de andere voor de lagere.
Er is slechts ééne waarheid en die waarheid is goed voor allen.
De natuur, het heelal heeft geen afzonderlijke wetten voor de wijzen dezer wereld, voor de voorname arbeiders in de werkplaatsen der wetenschap, voor de professoren en de studenten der hoogeschool.
De natuur, liet heelal, heeft geen afzonderlijke wetten voor het kind uit het volk, voor het gewone verstand van den arbeidenden en zorgenden burger.
Er bestaat niet een afzonderlijke waarheid voor de voornamen dezer wereld en een andere voor de armen en verachten.
Onze aarde wentelt eiken dag om haar as en loopt in een jaar tijds om de zon; wij allen, arm en rijk, nederig en voornaam, geleerde en leek, wij allen wentelen met haar mede, en Copemikus heeft die waarheid niet nagelaten met het doel, dat zij alleen aan de hoogeschool zoude onderwezen worden, terwijl op de lagere school het tegenovergestelde als ,,openbaringquot; zou gelden. Het sprookje van dat stilstaan der zon te Gibeon, en van het stilstaan der maan in het dal van Ajalon is door de sterrenkunde voor heel de denkende wereld als een dwaling, als een verdichtsel afgewezen.
Daar het Christendom de Copernicaansche -waarheid heeft moeten erkennen â voor nlle trappen van onderwijs heeft moeten erkennen, â mag datzelfde Christendom niet langer dulden, dat de beide scholen ongelijk behandeld worden, de eene met waarheid, de andere met dwaling.
Dit strijdt tegen de grondbeginselen van den wijze uit Nazareth. Dit strijdt tegen de gerechtigheid! Hoe? op fa lagere scholen steenen in i)laaU van brood?
49
MOZES OP DARWIN ?
In de. erkenning van die kloof â hoven waarheid, heneden dwaling â ligt. het middel voor de ontwikkeling van die school ^
Ik ben overtuigd, dat geen paedagoog dit ontkennen zal.
Ik heb den tegenwoordigen toestand een onzedelijken, een onge-hoorden, een onhoudbaren genoemd. Ik ben mij bewust, wat die ernstige aanklacht zeggen wil, en ik weet zeer goed', dat die aanklacht alom, niet alleen onder de geestelijken, maar ook bij vele onderwijzers een hevige ontzetting te weeg zal brengen Men zal mij daarom vergunnen, het gegronde van die aanklacht te bewijzen; ik zal kort zijn.
De afstammingsleer wordt niet alleen op alle hoogescholen van Europa, door alle academische leeraren vrij beleden, maar zij wordt ook in alle tijdschriften van eenige beteekenis tot nut en vermaak en in alle groote dagbladen als waarheid den volke verkondigd.
Ieder beschaafd mensch, die gewoon is notitie te nemen van den arbeid en de ontdekkingen der natuuronderzoekers, ieder beschaafd mensch, die zich het recht van zelfstandig denken voorbehouden heeft, is door de pers en de populaire wetenschappelijke letterkunde een aanhanger van de afstammingsleer geworden. Des ondanks duldt hij, dat zijn kinderen in de school het tegendeel leeren van hetgeen bij hem als een paal boven water staat; duldt hij, dat zij onwaarheid leeren.
Hoe? De volwassenen voeden hun geest met het brood der waarheid en vinden het goed, dat de kinderen in plaats van brood, leem, ,,aardkluitenquot; gebruiken?
Dit is een openlijk bedrog, een zonde jegens de natuur van het menschelijk geslacht!
Het is onzedelijk een dwaling, waarvan men als zoodanig bewust is, voor waarheid uit te geven.
Dat zeg ik niet alleen den ouders, maar ook den onderwijzers in het aangezicht, die zich verlagen tegen hun gevestigde overtuiging in, op school dwalingen voor heilige waarheid uit te geven. Dat zeg ik den commissies van toezicht onomwonden en onversaagd in het aangezicht; het is een zonde tegen de heilige taak der school, wanneer onderwijzers en kinderen gedwongen worden, hun kostbaren tijd met het onderwijzen en leeren van dwalingen te dooden.
En âelke schuld wreekt zich op aarde!quot;
De treurige gevolgen blijven niet uit. Wij zien die reeds; de treurige gevolgen zijn er al.
Als het kind de school verlaat en als aankomende jongeling in do maatschappij komt, in dien louterenden strijd om het bestaan, waar krachtens een eeuwige natuurwet de waarheid ten slotte toch over de leugen zegepraalt, omdat de eerste machtiger is dan de laatste en een eeuwig leven heeft, terwijl de leugen nooit een eeuwigdurend bestaan heeft; ik zeg, wanneer de aankomende âuitgeleerdequot; wereldburger in het leven optreedt, moet hij spoedig inzien, dat hem in
1) Dat is sedert de verschijning van dit geschrift door ontelbare onder-wijzers inderdaad ingezien. (Men vergelijke het V^e Hoofdstuk van dit boekje, onder den titel; Vijf jaren op de rondreis.)
50
MOZES OF DARWIN ?
de school met opzet (ja, met opzet!) dwalingen geleerd zijn geworden.
En dan ontstaat de meer of minder heftige zielestrijd. Naarmate die dwalingen zich dieper in het jeugdige hart hebben vast gezet, naarmate zij verder in het vleesch en bloed van zijn wezen doorgedrongen zijn, zal die strijd ook noodjlottiger uitvallen. Ik spreek uit ervaring en bezweer alle verstandige menschen over zulke gebeurtenissen niet. onverschillig tot de orde van den dag over te gaan.
De twijfel krijgt de overhand. Wel is twijfel op zichzelf goed, omdat hij een bron der waarheid is, maar daarmede is toch niet gezegd, dat het goed is in de school dwalingen te leeren, in de meening, dat vroeg of laat de twijfel vanzelf zal ontstaan en dan het goede, het juiste, de waarheid aan het licht brengen. Neen! Uit de erkenning, dat de lagere school in een tak van haar onderwijs steenen in plaats van brood geeft, uit die noodlottige erkenning ontsproot het wantrouwen in de waarde en in het weldadige van de school in het algemeen, en dat wantrouwen knaagt verder tot aan den drempel van het altaar en den stoel des rechters en des wetgevers.
Het eerste, het meest natuurlijke is, dat dan alle onbrviikbare geloofs-artikelen over boord geworpen worden; meestal gaat daarbij ook de met die artikelen verbonden zedeleer verloren ; want het is een feit der ervaring, dat met het warme bad gewoonlijk ook het kind weggeworpen wordt; alle geloof aan de waarheid in het algemeen geraakt aan het wankelen, en het vertrouwen in staat, en kerh en school is verdwenen. Op die wijze kweekt men anarchisten !
âWie zal ons uit de kaken van dien dood redden?quot;
Dan weeklagen niet alleen de predikanten over ledige kerken, maar jammeren alle ware menschenvrienden over de ontaarding van het geheele menschelijke wezen, over gebrek aan waarheidsliefde, gebrek aan mannenmoed, gebrek aan oprechtheid van karakter, gebrek aan deugd en zedelijkheid.
Zoover zijn wij gekomen in dezen treurigen overgangstijd tusschen het bedompte geloof der middeleeuwen en de natuurwetenschappelijke verlichting. Wij staan midden in den strijd tusschen geloof en wetenschap, tusschen traditioneele dwaling en met moeite opgespaarde waarheid en de verschijnselen onzer dagen geven in hun geheel het beeld van een chaos te zien, op welks aanblik de ziel van den versaagde met beving, de geest van den vriend der waarheid met vreugde en met weemoed te gelijk vervuld wordt.
De chaos is er, het nieuwe voert strijd met het. oude. Wij bevinden ons in een vreeseiijken storm, waarin de wervelwinden hun lust botvieren. Wolken hebben zich aan de kim verzameld en zijn boven onze hoofden bijeengetrokken. Bliksemschichten schieten neder en hagel slaat neer, die de schoonste streek in een woestenij verandert. Maar na elk onweder is de lucht gezuiverd. Wij moeten niet versagen.
Een zware, zwarte, loodkleurige wolk is de tweespalt der vereld-heschouwing, die zoo vreeseiijk dreigend in hetzelfde voertuig van ons geestesleven, op het schoolgebied, heerschappij voert: hoven: waarheid, heneden: dwaling!
Daarop berust het hedendaagsch gejammer over de volksschool
51
MOZES OF DARWIN?
het verwarde oordeel over de gebrekkige resultaten der nieuwer© staatsschool.
In de meeste staten van Europa zijn de lagere staatsscholen feitelijk buiten den invloed van de onvermoeid© vorderingen der wetenschap gebleven en op de meeste plaatsen afgedaald tot inrichtingen, die in dienst tegen de geestelijke bevrijding, in de ban des stilstands gehouden worden. Wie naar de oorzaken van dien stilstand onderzoek doet, zal gemakkelijk vinden waar de schoen wringt: het is de gebrekkige opleiding van onze onderwijzers.
Ten einde het physieke lichaam van ons volk gezond te houden, of als het ziek is, weder gezond te maken, hebben de beschaafde staten wetenschappelijke scholen opgericht, waar de aanstaande artsen en hygiënisten vol ijver de natuurwetten, die het wel en wee van den mensch beheerschen, bestudeeren. De kostbaarste laboratoria worden opgericht, alle toestellen en werktuigen, die men maar bedenken kan, aangeschaft, de knapste geleerden aangesteld, om de studenten in de geheimen van het gezonde en het zieke organisme in te wijden.
En die inrichtingen zijn do trots der volkeren, een zegen, voor de natiën geworden.
Maar voor het geestelijk welzijn des volks, voor de verpleging eener met de natuur overeenstemmende psychische (zielkundig©) ontwikkeling der jongere geslachten, daarvoor heeft de staat slechts zeer gebrekkig zorg gedragen. De onderwijzers van onze kinderen, de bewakers van het dierbaarste, dat een volk bezit, de meesters van de lagere school worden bijna allerwegen met opzet van de bronnen der wetenschap verwijderd gehouden. De kweekscholen zijn bijna zonder uitzondering â de kweekschool in Küsznach is een roemvolle uitzondering â broeikassen van halfweten en geestelijke verstomping.
Het is â en ik zeg dit met het volle bewustzijn van alle verantwoordelijkheid â het is hoogst treurig, hoe het met de natuurwetenschappelijke ontwikkeling van dc overgroots meerderheid onzer onderwijzers gesteld is.
Ik geef toe, dat er tussclien Zwitsersche kweekscholen een hemelsbreed verschil bestaat, dat er een paar kantons zijn, waar de onderwijzers in alle opzichten aan dc ©ischen van de volksschool voldoen, maar ik aarzel evenmin hier te zeggen, dat herhaalde malen jonge onderwijzers uit naburige kantons, nadat zij de veel geprezene kweekschool aldaar bezocht en na afgelegd staatsexamen verlaten hebben, op de universiteit komend voor het eerst bemerken, dat zij eigenlijk van de natuurwetenschappen niets weten. Dat is natuuiiyk 'n harde beproeving voor die jonge lieden.
52
Ten bewijze mijner bewering, dat zulke kweekscholen, wat natuurwetenschappelijke vorming betreft, niets aankweeken, dat zij in onzen tijd â het tijdperk van het natuuronderzoek â eerder broeikassen van wetenschappelijke vermoording, eerdér inrichtingen van versuffing dan gelegenheid tot vorming van ondenvijzers verdienen genoemd te worden, zouden wij feiten kunnen mededeelen, die de
l) Vergelijk hoofdstuk V : Vijf jaren op d? rondi'öis.
M0ZE3 OF DARWIN 1
haren ten berge doen rijzen. Ik zal mij hier vergenoegen slechts één staaltje aan te voeren.
In Bern verschijnen sedert een vijf en twintigtal jaren do âBlatter für die christliche Schulequot; Organ des Evangelischen Schuivereins der Schweiz,quot; tegenwoordig onder redactie van Howald, leeraar aan de kweekschool te Bern. Dat paeda-gogisch weekblad is, zooals te begrijpen is,in de eerste plaats voor de onderwijzers bestemd. Naar aanleiding van de gebruikelijke leermiddelen worden daarin opmerkingen en paedago-gische wenken gegeven, hoe de onderwijzer een en ander in de school moet behandelen. Zoo is er bijv. in no. 9, jaargang
1888 van een wandeling sprake...... doch laat ons de proeve
van behandeling voor de onderwijzers hier woordelijk volgen! Er is sprake van een versje:
а) Voorlezen van het vers.
б) Overlezen van de verschillende deelen.
c) Het benoemen der enkele onderdeden. 1. Moeder en kind gaan naar de weide, 2. Een duifje zoekt daar voedsel. 3. De moeder beveelt haar kleine, op te merken hoe het duifje na elk hapje naar den hemel blikt. 4. Zij vermaant het kind bij het eten het gebed niet te vergeten.
Dan komt de ,,moraal'', en welke moraal!
Woordelijk geef ik hier die hoogst stichtelijke les terug.
âWat doet de duif? Zij zoekt eten. Zij vindt zaadjes! Na elk hapje kijkt zij omhoog.. . De duif dankt voor elke bete. De duif kan voor de kinderen ten voorbeeld dienen. Wat kunnen de kinderen van de duif leeren? Wij krijgen beter eten dan de duif. Wij weten, wie ons dat geeft. Ook wij moeten daarvoor danken. Wat geeft het duifje ons te aanschouwen? Het is dankbaar voor de kleinste gave. Weten wij nog van andere dieren, die zich dankbaar toonen? De kwartel roept: ,,dank God!quot; De leeuwerik zegt: âZoolang wij kracht hebben, loven wij steeds God den Heer !quot; Van het kuikentje heet het:
Naar den hemel blikt het als het gegeten heeft (sic) :
Dankend zeker den lieven God voor de goede gaven.
Wat leeren wij van die dieren? Wij leeren dankbaar te wezen.---
En dan volgt er nog een afdeeling: toepassing, die de lezer maar zelf moet uitvinden.
Tegen een dergelijke proeve van behandeling bij het onderwijs aan kinderen, zooals hier in allen ernst voor den onderwijzer gegeven wordt, hebben wij, natuur-onderzoekers, maar weinig in te brengen. De hoofdzaak van die geheele bedriegerij â ja, bedriegerij ! â is een grove onwaarheid: het is niet waar, dat de duiven na eiken hap omhoog zien (dat alles is maar door vrome dweeperij in naam van den godsdienst uitgevonden) en wanneer nu en dan eens een duif van zijn schoteltje duivenboonen opziet, dan verdraait zij daarbij de oogen
53
mozes of darwin 1
en denkt aan heel andere dingen dan aan danken; en daarom moeten wij â dat is de logica van de âBlatter für die Christliche Schulequot; van de duif leeren, hoe men dankbaar moet wezen: â met oogen-verdlraaien! 1)
Ik ben er overtuigd van, dat mijne zeer christelijke, overtuigings-trouwe en feitelijk vroomdenkende en christelijk handelende vrienden en bloedverwanten zullen toegeven, dat zulke paedagogische bloemen alles eerder zijn, dan heilzame leeringen. Zij zullen mij toegeven, dat zulk onderwijs er op ingericht is het laatste restje eerbied voor de wijsheid der onderwijzers aan de lagere- en kweekscholen dergeloo-vige christenen geheel en al op te ruimen. Ik voor mij behoud des ondanks nog een greintje eerbied:
Men wendt toch voor, het goede, alleen het goede te willen. Wie het goede wil, kan mijn vriend zijn, ook als hij, uit onverstand, een verkeerden weg bewandelt.
Maar ik beweer, dat een onderwijzer, die in de kennis der natuur onderwezen en met werkelijke wetenschap in aanraking gekomen is, nooit ofte nimmer zoo misdadig met het kneedbare verstand van een kind zal experimenteeren, als het in duizenden en nog eens duizenden scholen heden nog op staatskosten geschiedt.
Welk een schat van waarachtige leering zou de onderwijzer den jeugdigen wereldburger tot nut en opbouwing kunnen geven, als die onderwijzer werkelijk de bloemen des velds, de dieren des wouds kende. Wat zou dat voor een schoon leven zijn, als de met Tiennis toegeruste onderwijzer in Mei of Juni met zijn vroolijken troep door veld en bosch wandelde, waar elke bloem haar geheim openbaart, iedere struik zijn taal spreekt, elk verschijnsel een heilige wet laat zien, iedere lichtstraal zijn juisten weg neemt! Zou elk schooluur niet een lang begeerde en sterk verlangde stonde worden, waarin uit de schitterende oogen der leergierige jongens en meisjes de heilige vreugde der geestdrift lichtte voor een juist begrip der ons omringende dingen?
Wie heeft ze reeds gezien, de tranen van vreugde en dankbaarheid voor de wegwijzing in d!e grootsche, verhevene mysteriën der natuur en het leven? Wie heeft haar reeds ondervonden, de grootste aller genoegdoeningen, als heengaande leerlingen bij den meester kwamen, om hem te zeggen dat hij behulpzaam geweest is om hen tot denkende, tot gelukkige menschen te maken, doordat hij hun het recht begrip van de zichtbare wereld hielp ontsluiten ! Het waren die leeraren, die uit de bron der wetenschap gedronken hadden en zich ernstig; beijverden door stelselmatige studiën in den geest der natuurstudie door te dringen.
Maar met opzet houdt men den onderwijzer van de werkplaatsen der wetenschap verwijderd. De scheikundige, de bouwmeester, de landbouwkundige en de houtvester, de veearts en de tandmeester, ja zelfs de tooneelspeler en de machinist achter de schermen, zij allen moeten aan de hoogste scholen des lands studeeren en met de ware
54
1
Het telkens omhoog zien onder het zoeken naar voedsel, dat men niet bij duiven alleen opmerkt, spruit voort uit de vrees voor roofvogels.
(Vert.)
MOZES OF DARWIN?
wetenschap vertrouwd gemaakt worden : alleen de onderwijzer der lagere school moet zich met de watersoep van seminarisch-klooster-achtige wijsheid tevreden stellen.
En daarin ligt een stelsel! maar het is een verwerpelijk stelsel, Op die wijze kan men hentdtn de dwaling verder verspreiden, terwijl hoven d© waarheidl haar wezen blootlegt. Elk leugenstelsel echter voert onverbiddelijk naar een zedelijk moeras.
Ja, wij hebben het met onze halfheid en beginselloosheid al zoo ver gebracht, dat reeds in verscheidene kantons van Zwitserland, waar de schoolwet herzien moet worden, de reactionnaire kreet door het land gaat:âWeg met de realia ! weg met de natuurkennis! terug tot den ouden eenvoud met zijn program van lezen, schrijven en rekenen! â Hoe is het mogelijk, dat een dergelijke roep in het tijdperk van natuuronderzoek kan weergalmen? De meeste kinderen uit het volk genieten alleen lager onderwijs. En al die aanstaande burgers van den staat zouden niets van de natuurwetenschap mogen vernemen ; zij zouden met de dingen dezer wereld en de wetten der natuur onbekend moeten blijven, opdat zij des te beter voor de hoop op een andere wereld toegankelijk zouden zijn. Terugkeer naar de middeleeuwen! Terug, zoo mogelijk, naar den âgoeden ouden tijdquot; van het heksengeloof, toen men de vrienden der natuur als ketters en met den duivel in verkeering staande aan den schandpaal verbrandde.
Doch halt! Wanneer een dergelijke kreet zich krachtig hooien doet, dan heeft het zeker zijn natuurlijke oorzaak. Laat ons eerlijk zijn en erkennen, dat het op menige plaats beter ware, als er in het geheel geen wetenschappelijk onderwijs voor de lagere school voorgeschreven ware, omdat juist het aldus genoemde onderricht erbarmelijk slecht gegeven wordt. Wie zelf geen gelegenheid had in het wetenschappelijk wezen der natuurkennis door te dringen, wie bij gebrek aan de noodige voorbereiding zelf geen warm vriend der natuurwetenschappen kon worden, die zal ook een stumper in het onderwijzen van dien tak van wetenschap zijn. Dan helpen de beste leermiddelen niet en alle apparaten en naturaliënverzamelingen, dio de school te zijner beschikking stelt, zullen ballast zijn, die den onderwijzer eerder hinderlijk dan bevorderlijk zullen zijn om opwekkend, opbouwend onderwijs te geven. En wanneer de onderwijzer geen liefde en geestdrift voor zijn vak koestert, zullen de kinderen in dat vak alle lust verliezen; een doode vrucht zal er uit geboren en veel tijd en arbeid nutteloos verspild worden. Het onderwijs in zoo'n vak zal een ongeluk zijn.
Ja, het gaat een kreeftengang en het zal ook verder een kreeftengang gaan, net zoo lang, totdat de onderwijzers der lagere school een betere, met den geest des tijds overeenstemmende opleiding zullen krijgen; totdat men beginnen zal in de school slechts waarheid! en geen dwaling meer te leeren, totdat men de scholieren meer dan thans er toe brengen zal hun zintuigen, d. w. z. die organen, waardoor de âgeestquot; van de buitenwereld in het lichaam dringt, te oefenen; totdat men den jongen wereldburger leeren zal, juist waar te nemen, om
55
MOZES OP DARWIN 1
juist te denken^ in het algemeen organisch te leeren om lichamelijk en geestelijk te groeien gelijk de plant.
Hier en daar verheffen zich stemmen, die het goede, het verstandige willen; de lagere school moet alles doen wat in haar vermogen is om de kinderen met de verschijnselen dezer wereld bekend te maken, opdat zij geschikt zullen worden, in deze wereld gelukzaligheid te vinden.
Ik ben aan het slot mijner voordracht gekomen en zal nu eenige stellingen mededeelen, die ik bij een grondige hervorming van het schoolwezen aan de wetgevende lichamen in overweging zou willen geven:
1. Alle confessioneel grodsdlenstonderwijs zal om den wille van den godsdienstvrede uit de staats-seliool verdwijnen.
Godsdienst is privaat-eigendom van het individu en de staat heeft zich daarmede niet te bemoeien. Het is een gemoedszaak en het moet aan liet particulier initiatief over-gtlaten worden, hoe en wat er van die gemoedszaak te maken is. Het verstand evenwel van den burger is staatseigendom, is zijn grootste vermogen. Dit laatste aan te kweeken, te vergrooten, verder te ontwikkelen is plicht van den staat.
Daar waar de verwijdering van het godsdienstig onderwijs nog niet uitvoerbaar is, zal als overgangsmaatregel op zijn minst te eischen zijn, dat de Mozaïsche soheppingsgeschiedenis als duid'Aijh in het oog springende dwaling uit het onderwijs geheel verwijderd en dat in de volksschool slechts zuaarheid en niets dan waarheid onderwezen worde.
2. Alle onderwijzers moeten een grondige natuur-wetensehappelijke opleiding: g'enieten, die hen in staat stelt op aanschouwing en proefneming, d. i. op ervaring (niet alleen op theorie) gegrondvest onderwijs in de natuurkennis te geven en bij voorkomende gevallen ook aan volwassenen over de belangrijkste vorderingen der natuuronderzoekers rekenschap te geven in openbare voordrachten, waartoe ieder belastingbetalend burger en elke burgeres gratis toegang moet hebben.
Aan dit postulaat kan slechts voldaan worden door opheffing van de op de meeste plaatsen nog kloosterachtig ingerichte en in den rnidden-eeuwschen geest gedreven kweekscholen voor onderwijzers, en door weten-schappelijke opleiding van onderwijzers op de hoogeschool.
Er moet hier bijzonder op gewezen worden dat dit postulaat niet als een votum van wantrouwen in alle bestaande kweekscholen op te vatten is. Wij hebben tegenwoordig in het kanton Zürich een sedert jaren voortreffelijk ingerichte staatskweekschool te Küsnach, die wereldberoemd is, omdat de directeur dier inrichting een zeer ontwikkeld wetenschappelijk natuuronderzoeker en tegelijk een uitstekend pae-dagoog is. Wat natuurwetenschappelijk onderwijs betreft.
56
3IOZE3 OF DARWIN?
wordt al het onder zulke verhoudingen mogelijke gedaan. Iets dergelijks kan van het natuurwetenschappelijk onderwijs in de stedelijke Zürichsche onder wij zeressenkweekschool gezegd worden; ook aan die inrichting is de directeur een bekend natuuronderzoeker. ') Maar die inrichtingen zijn een zeldzame uitzondering, en geen van de uitstekende leeraars, dis aan die beroemde inrichtingen werkzaam zijn, zal ontkennen, dat de graad van ontwikkeling van de candidaten voor onderwijzer bij eene studie aan de hoogeschool nog aanzienlijk hooger zou worden.
Mochten angstvalligen tegen dit postulaat de tegenwerping maken, dat de opleiding van onderwijzers aan de hoogeschool te kostbaar zou worden en het geval dan kon plaats vinden, dat de academisch gevormde onderwijzer zich niet meer verlagen zoude, in een eenvoudige dorpsschool zijn beroep uit te oefenen, dan is daarop te antwoorden:
a) men heeft voor wél minder gewichtige zaken en minder heilzame doeleinden dan de vorming van onderwijzers zijn moet, middelen genoeg gevonden; het volk za! inzien, dat het even gewichtig, ja nog veel gewichtiger is goede onderwijzers te vormen, dan om knappe artsen, veeartsen, advokaten en dominees aan de hoogeschool voor hun beroep klaar te maken.
h) Dat academisch gevormde onderwijzers zich zeer goed op dorpsscholen thuis voelen, bewijzen de aangename ervaringen, die wij in het kanton Zurich opgedaan hebben. Hier moeten de candidaten voorde Secundarschule (middelbaar onderwijs) eerst 2 volle jaren aan de universiteit gestudeerd hebben voor zij tot het staatsexamen toegelaten worden. De gelukkigen, die dadelijk aan een landelijke Secundarschule een betrekking vinden, aarzelen in het geheel niet kers-vcrscii van de hoogeschool onder de landelijke schoolkinderen op te treden; ja velen van die akademisch gevormde onderwijzers vinden het niet beneden hun waardigheid eerst aan Ele-mentar- en Realschulen werkzaam te zijn, voor zij naar een Secundarschule gaan. Aan vele Zwitsersche Secundar-schulen zijn doctoren in de philosophic werkzaam; zij zijn door hun vruchtbaren arbeid bekend en hooggeschat en logenstraffen de tegenwerping, dat een opleiding aan de hoogeschool de onderwijzers te trotsch en onbruikbaar zuu maken.
57
Ik kan mij in het geheel niet voorstellen, welke gronden een academisch gevormde onderwijzer kan hebben, om tegen-zm tegen het onderwijzen in de volksschool te voelen. Zijn
1) De kweekschool voor onderwijzeressen te Zürich is zelfs tot een soort van meisjes-gymnasium geworden, waarop meisjes met goede vermogens zich gemakkelijk voorbereiden voor het toelatingsexamen voor de geneeskundige studiën aan de hoogeschool en â gelijk de ondervinding leerde â waar zij met goed gevolg den wedstrijd met de mannelijke studenten aangaan.
MOZES OF DARWIN ?
dan niet de onderwijzers bij het lager onderwijs juist de meest benijdenswaardige van alle leeraren? Krijgen die gelukkigen niet liet kostbaarste materiaal ter verpleging en tei- geestelijke ontwikkeling: reine, onbedorven kinderzielen, waaraan nog niets misdaan en gezondigd is geworden, indien ten minste de ouders verstandig genoeg waren, hun kinderen niet reeds op drie-of vierjarigen leeftijd naar kinder- en Zon-dagsschooltjes te zenden! Tot de zaligste herinneringen van mijn leven behooren die van de dagen, dat ik een kwart eeuw geleden drie semesters lang aan een dorpsschool te onderwijzen had, en ik kan er hier bijvoegen, dat ik sedeit de belangen der lagere school nooit uit het oog verloren, maar integendeel steeds 'een warme belangstelling voor dien tak van beschaving gevoeld heb.
3. In de plaats van het eonfessioneele g^odsdienst-onderwijs vanstaatswegfejinoet een op natuurweten-sehappelljken gTondslag- rustend onderrielit in zede-leer en zedekunde komen.
Uit de eeuwige waarheid der steeds voortgaande ontwik-kt-iing ontspruit ongezocht voor den weetgrage de aanwijzing van den weg ter bereiking van hoogere gelukzaligheid en ware deugd. Het is een ziekelijke dweepzucht of een totale onbekendheid met de ware verhouding der dingen, wanneer men beweert, dat een hooge graad van kennis der natuur den ondergang van alle zedeleer ten gevolge heeft. Het tegendeel is waar: alle zoogenaamde moraal, die feffen de natuurwetten strijdt, zooals feitelijk vele leerstellingen van verschillende belijdenissen doen, is in het geheel niet wat zij voorgeeft te zijn, maar onmoraal. Men vrage Darwin of onverschillig welken natuurwetenschappelijk gevormden pae-dagoog, hoe wij zedeleer en zedekunde te verstaan en te onderwijzen hebben. De zedelijkheid van de menschelijke maatschappij zal eerst dan merkbare vorderingen kunnen maken, als de geheele zedeleer op den grondslag der ont-wikkelingsleer gebouwd zal zijn. Juist bij de vaststelling van de belangrijkste stellingen van de zedeleer, mogen de natuuronderzoekers en de wetenschappelijk gevormde wijsgeeren van den nieuwen tijd niet alleen niet voorbijgegaan, maar moeten in de eerste plaats geraadpleegd worden. ')
4. Alle onderwijs in de staats volksschool moet in overeenstemming1 zijn met de door feiten gestaafde wetten der natuur. In alle verscheidenheid moet de eenheid de waarheid zijn.
Er mag niet in het eene uur een wonder, in het ander» een natuurwet, de ijzeren noodzakelijkheid onderwezen worden.
58
1
Men leze: B. v. Carneri; Zedelijkheid en Darwinisme. Ewald Haufe: De natuurlijke opvoeding. Wigge en Martin; Het onnatuurlijke der moderne school.
MOZES OF DARWIN 1
In alle dingen heerscht de wet, de orde. Het geloof aan wonderen is de leer der wetteloosheid, van de verbreking der natuurwetten, van de Manorde, waarvan geen natuurwetenschap iets weet. De wonderen hebben onder de leerstof der toekomstige school geen plaats meer, en de volksschool zal eerst dan tot volle ontwikkeling geraken, als zij het geloof aan wonderen overboord geworpen en aan particuliere liefhebberijen overgelaten zal hebben; als zij haar volle kracht ongestoord zal kunnen besteden ter vervulling harer taak: uit de jonge wereldburgers menschen te maken, die juist zien, scherp hooren, logisch denken, verstandig waarnemen, de wetten der natuur kennen en in overeenstemming daarmede handelen. Dat-het daarbij niet onzedelijk kan toegaan, daarvan is ieder natuuronderzoeker overtuigd, die de moeite genomen heeft, in den geest der ontwikkelingsleer door te dringen. De ontwikkelingsleer is zoo rijk aan waarlijk verheven vergezichten, zoo oneindig rijk aan beloften van gelukzaligheid, als vóór haar geen enkele wereldbeschouwing oplevert. Zij geeft geen vage hoop op iets, dat geen menschelijk oog ooit gezien, nog minder berekend heeft, maar de zekerheid van een voortschrijden naar grooter gelul:, eene zekerheid, die iiit de kennis van het verleden en het heden der levende en der doode natuur met wiskunstige zekerheid af te leiden is.
Het zou kinderachtig zijn hiertegen in te brengen, dat het ondoenlijk is in de lagere school aan kleine kinderen het Darwinisme te leeren. Was er, toen de denkbeelden van Copernicus zegevierend door het Christendom waarden en zij voor de school geschikt werden, ooit sprake van op de A-B-school hoogere sterrenkunde te leeren? Zeker is het nog geen onderwijzer ingevallen, aan 6- of 7-jarige kinderen de wiskundige wetten van de planeetbeweging te bewijzen en toch is thans Copernicus â en niet Mozes â de sterrenkundige van onze lagere school. Op een goede school leert men den leerlingen juist dat, wat voor hun bevattingsvermogen berekend is; maar men leert ze in de eerste en tweede klas nier-, dat tweemaal twee gelijk 5 en dat 3 gelijk 1 is, om dau een jaar later te leeren dat 2 maal 2 gelijk 4 en dat 3 rooit gelijk één kan zijn. Bij het wiskundig onderwijs in de verschillende klassen heerscht eenheid en waarheid, pae-dagogische methode en logica.
Men organiseere het geheele onderwijs in alle klassen op een dergelijke methodische en verstandige wijze, dan zal de ontwikkelingsleer van zelf als een rijpe vrucht in het gemoed van den mensch vallen. Het is dus onverschillig in welke klasse dat geschiedt.
Maar geschieden moet het en zal het.
Ik heb mijn voordracht ten einde gebracht doch ik koester geenszins die ijdele hoop, dat mijne woorden een spoedige verwezenlijking
59
MOZES OF DARWIN 1
mijner stellingen ten gevolge zullen hebben. Toch wilde ik laten zien, op welk standpunt wij tegenwoordig staan, wilde de oogen van alle denkenden op de diepe kloof in ons schoolwezen vestigen, wild© aan-toonen, dat die toestand niet houdbaar is, en wilde aangeven hoe het worden^ moet zoo niet in deze eeuw, dan toch in de volgende!
Velen uwer zullen vragen hoe ik er toe kom, voor zoo'n diep ingrijpend vraagstuk zoo'n koene oplossing te voorspellen. De zaak is zeer eenvoudig: in den strijd tusschen dwaling en waarheid moet na korter of langer tijd de waarheid ovenvinnen: dat is de les, die ons de wereldgeschiedenis van den menschelijken geest leert.
Nu is de Mozaïsche leer van de schepping der wereld een dwaling.
Dat daarentegen de afstammingsleer waarheid is, daarvoor hebben wij duizenden bewijzen.
Dit laatste aan te toonen, zal het doel van de tweede voordracht zijn.
60
II.
DE BEWIJZEN VOOR DE AFSTAMMMSLEER.
(Een voordracht den 8sten Februari 1889 gehouden.)
Geachte aanwezigen, waarde vrienden !
Wij hebben in onze eerste voordracht â Mozes of Darwin? â gezien, dat de afstammingsleer aan alle hoogescholen van het beschaafde Europa hare wetenschappelijke verdedigers en aanhangers heeft.
De overwinning1 van d© afstammingsleer kwam tot stand door den vereenigden arbeid van alle zelfstandig werkzame natuuronderzoekers, van die geleerden, welke onvermoeid en in verschillende afdee-lingen der natuur, hunne kracht en hunne scherpzinnigheid gebruikten om de feiten van het onderling zoo verschillend leven der natuur en der wereld op te teekenen, vergelijkend tegenover elkander te plaatsen en uit de veelheid der verschijnselen de eenheid van de wet te erkennen.
Heden ten dage kan men zeggen, dat wij op duizenden en millioe-nen van feiten kunnen wijzen, die alle op onomstootelijke wijze geconstateerd zijn en alle voor de waarheid van de afstammingsleer getuigen ; verder dat er geen verschijnsel der natuur bekend is geworden, dat tegen de afstammingsleer strijdt. Ja, het is zelfs gebeurd, dat tegenstanders dier leer bij het zoeken naar bewijzen tegen die leer, juist het tegenovergestelde vonden van hetgeen zij wenschten, dat zij tegen hun wil en tegen hun genoegen bewijzen voor die afstamming vonden. Tengevolge van een dergelijk zoeken is reeds menige Saulus tot een Paulus geworden.
Voor ik er toe overga, u uit den overvloed van stof eenige der meest treffende bewijzen voor de waarheid van de afstammingsleer mede te deelen, moet ik u eerst op enkele nog zeer verbreide dwalingen opmerkzaam maken ; velen, waaronder zeer beschaafde personen, zijn de verkeerde meening toegedaan, dat Darwin's leer van de natuurlijke teeltkeus identiek (= in alle opzichten gelijk beteekenend) is met de afstammingsleer in het algemeen, ©n dat om die reden,
MOZES OF DARWIN 1
wanneer de theorie der teeltkeus viel, ook de afstammingsleer overwonnen zou zijn. 1)
Dat is een groote dwaling! De waarheid is, dat de afstammingsleer reeds voor Darwin bestond, al was het ook zonder algemeen erkend te zijn, en dat de afstammingsleer een zelfstandig geheel vormt, die nooit uit de wereld verdwijnen kan., zelfs al werd Darwin's leer der natuurlijke teeltkeus duizendmaal als een dwaling afgewezen en door iets beters vervangen.
Men treft heden nog vele oppervlakkige menschen aan, die zich met godzalige genoegdoening in de gladde handen wrijven, als zij hooren, dat hier en daar een onderzoeker de meening is toegedaan, dat de leer der teeltkeus in den strijd om het bestaan niet toereikend is om de afstammingsleer volkomen bevredigend te verklaren. Dio goede luiden roepen dan in ijdele verrukking en brooddronkenheid uit: âde Heer zij gedankt! nu loopt het met het quot;Darwinisme op zijn eind en komt de bijbel weer tot zijn recht!quot;
Dat is evenwel een dwaze vreugde, en toch â hoeveel malen heeft het orthodoxe christendom zich daarin niet verheugd, sedert den dag, toen Darwin's boek zich regelrecht tegenover Mozes plaatste! Hoeveel verpletterende âwederleggingenquot; van het Darwinisme zijn er in de laatste dertig Jaar in boek- en brochure vorm uitgekomen â alle met hetzelfde gevolg! Zij vermochten niets tegen de afstammingsleer en zullen in alle eeuwigheid ook niets tegen die leer vermogen kunnen, omdat het lot van die waarheid geenszins met het lot der teeltkeus-theorie verbonden is. Men mag zeggen: De afstamming bestaat. Over het hoe, over de natuurlijke teeltkeus kan men strijd-voeren.
Een andere en veel meer verspreide en nadeelige dwaling is do meening en ijverig ondergeschoven bewering, dat Darwins theorie de afstamming van den mensch van een der bekende, nog levende apensoorten zou leeren.
En dan wordt er beweerd, dat een aap altijd een aap blijft en dat nog niemand ooit gezien heeft, hoe uit een aap een mensch ontstaan is.
Zij, die met dergelijke tegenwerpingen de afstammingsleer meenen. te kunnen bestrijden, zijn al zeer oppervlakkige, ziende blinden, buitengewoon eenvoudige lieden, of zij weten beter dan zij zich voordoen en men uit hun spreken zou opmaken, en zijn huichelaars en sophis-ten, wier zedeleer hun toestaat van de schandelijkste middelen gebruik te maken om schade te berokkenen aan een zaak, waarvoor zij persoonlijk geen sympathie gevoelen; derhalve zijn onnoozelheid en onwetendheid â of boosaardigheid â in sommige gevallen beide te zamen, de gronden van dergelijke onzinnige tegenwerpingen.
Diezelfde menschen meenen, dat zij van de onderzoekers eischen
62
1
Deze of gene tegenstander van dit werkje doet ook net, alsof het er slechts op aan kwam de leer der natuurlijke teeltkeus omver te redeneeren, om tegelijkertijd de afstammingsleer te doen vallen. O, die naïve lui! â Doch die tegenstanders zijn per slot van rekening niet zoo dom, als zij er den schijn van hebben; eigenlijk zijn zij meer of minder handige goochelaars en in elk geval een beetje â oneerlijk.
MOZES OF DARWIN ?
mogen, dat deze oranjeappelen uit aardappelen, zelfs vijgeboomen uit distels en druiven uit hazelnooten teelen; dat zij uit eikels zonder meer palmen, dat zij binnen een jaar uit konijnen olifanten, uit den vos een leeuw, uit de vleermuis zelfs een papegaai, uit een forel een walvisch en uit den brui-aap een blondgelokten mensch teelen. !)
Dergelijke zonderlinge eischen schijnen den onderzoeker, den tuinman en den fokker die allen nauwkeurig weten, dat de natuur geen sprongen doet, maar slechts zeer langzaam veranderend werkt en voortbrengt, ware dolhuisgedachten. Zoo sterk is de onwetendheid met het onderwerp der natuurkennis heden nog algemeen, dat zelfs onderwijzers, ja leeraren aan de kantonnale scholen, zich in dergelijke argumenten vermeien. Opnieuw een bewijs, hoe noodig het is, den onderwijzer werkelijk een wetenschappelijke opleiding, en niet alleen een schijnbeschaving te geven.
Al de aangevoerde verkeerde meeningen en monsterachtige aantijgingen zouden onmogelijk zijn, wanneer ieder aan het natuurlijke feit gedachtig was: natura non facit saltum â de natuur doet «geen sprongen.
Een zorgvuldige, eeuwenlange kweeking is er noodig geweest, voordat uit den houtappel met zijn ongenietbare vruchten dé honderden eetbare appelsoorten afgeleid waren, voordat uit het stam-paard al de verschillende rassen, uit de klipduif alle duivenrassen, uit de wilde kool al de verschillende koolsoorten ontstonden. Do natuur heeft millioenen jaren besteed voor de vorming van den mensch; die lange tijd was noodig, voor zich uit een harig en van een staart voorzieneni viervoeter aan de een© zij het menschelijk geslacht, aan de andere de verschillende menschachtigamp; aapsoorten ontwikkeld haddjem.
Planten en dieren veranderen en veredelen zich uiterst langzaam, van geslacht op geslacht zoo onmerkbaar, dat de op elkaar volgende vormen ons bijna onveranderd toeschijnen = dat weten de tuinlieden en fokkers nog beter dan d© professoren.
In de vrije natuur is die verandering om licht te begrijpen gronden nog veel langzamer dan daar, waar dieren en planten onder geheel veranderde omstandigheden door den mensch verpleegd worden. Duizenden jaren verloopen er voor hier en daar uit een wilde plant of diervorm een nieuw wild ras of verscheidenheid ontstaat, en millioenen van jaren gaan er op aarde voorbij, voordat er uit een diersoort een andere diersoort ontstaat. De natuur vormt slechts in lange, onafzienbare tijdperken nieuwe vormen uit de oude. Zij heeft den tijd, ja beschikt over de eeuwigheid: millioenen jaren zijn voor haar, wat voor ons een dag is.
Wat is daartegenover het korte leven van een mensch, di© als hij
1) In zijn verweerschrift tegen âMozes of Darwinquot; roept Dr. Eberhard Dennert, leeraar aan het Evangelisch ppedagogium te Godesberg a,Rijn, vol heilige vervoering uit: âIk wil hem (Dodel) slechts dezen eisch stellen om uit een veranderlijke Amoebe een echte kwal te teelen? Daarop valt alleen dit te antwoorden : âWaarde Heer Doktor! Blameer toch het heele evangelische leeraardom niet met zulke kinderlijke tegenwerpingen! In het boek Job, 2 vs 10 staat geschreven: »Gij spreekt als eene der zottinnen spreektquot;.
63
MOZES OF DARWIN 1
het zoover brengt, zijn leeftijd tot tachtig rekt! Zijn wij niet vliegen van één dag? Onze levensduur is inderdaad te kort, om als maatstaf voor de gebeurtenissen en verschijnselen in de natuur te dienen. De wetenschap heeft het ons evenwel mogelijk gemaakt, den korten levenstijd voor het denkende verstand te vergrooten, achterwaarts te verlengen, doordien wij aani de hand der nasporing diep in de mijnen van het verleden afdalen, doordien wij in staat zijn uit het verleden en het heden de ontwikkelingswetten en verschijnselen der toekomst vooruit te bepalen.
De afstammingsleer wordt ook wel ontwikkelingsleer geheeten. De laatste uitdrukking is ruimer dan de eerste, die slechts op de levende organismen betrekking hebben kan, terwijl de uitdrukking ontwikkelingsleer op de heele zichtbare wereld, op het Al betrekking heeft.â
Inderdaad vindt men de ontwikkelingsleer als waarheid niet alleen in de verschijnselen van de natuur op aarde, maar ook als de uitdrukking van de groote wet in het leven van het heelal.
Dat leert ons de Sterrenkunde.
Ons zonnestelsel is niet op eens geworden wat het heden is, maar heeft zich in een onberekenbaar langen tijd langzamerhand uit den chaos ontwikkeld. Het onderzoek der sterrenwereld heeft ons de zekerheid gegeven, dat er in het heelal voortdurend veranderingen plaats grijpen, dat de stof in het wereldruim aan een eeuwige omzetting en nooit rustende beweging onderworpen is. En wat wij heden avond aan den helderen sterrenhemel zien schitteren en flonkeren, is de lichtvolle openbaring van een leven zonder begin en zonder einde, de tastbare openbaring uit ongelijke verten en diepten van de eindelooze ruimte vol eindelooze stof met eindelooze kracht. Ons oog ziet in de werkplaats van het al, dat nooit rustte, nooit klaar, nooit af was, maar een eeuwig onvoltooid geheel, steeds weer wordend en vergaand, steeds in beweging zijnde, en in voortdurende verandering zich gestadig vervormend. Ons zonnestelsel met de eenige vaste ster, onze zon, en de talrijke planeten en planetoïden, benevens heur trawanten, is maar een sterrechoopje in het Al; elke andere vaste ster â en wij kunnen er met het bloote oog ongeveer 5800 tellen â vertegenwoordigt weder een wereld op zichzelf. Nu ontdekt de sterrenkundige met den besten verrekijker in onzen tijd niet minder dan 40 tot 50,000 millioen van dergelijke lichtende werelden. Er zijn plaatsen in het wereldruim, waar zulke zonnestelsels nog in wording zijn, pas ontkiemen uit de diepten van den onbegrensden ether-oceaan, langzaam licht en vorm aannemen als lichtende gasmassa's, als zoogenaamde nevelvlekken, om langzamerhand van den gasvor-migen in den gloeiend vloeibaren, een vasten vorm aannemenden toestand over te gaan. Op andere plaatsen van het heelal bevinden zich oud wordende werelden, die den donkeren, kouden dood te ge-moet gaan, om bij gelegenheid in toekomstige tijden wederom in beweging gebracht en tot een nieuw leven opgewekt te worden. Het tafereel van den met sterren bezaaiden nachtelijken hemel is voor het oog van den sterrenkundige ongeveer hetzelfde wat voor den op-
64
MOZES OF DARWIN 1
merkzamen plantenvriend de met bloemen bezaaide weide in het eenzame dal is. Evenals de plantkundige op dezelfde groene helling alle stadiën van ontwikkeling van verschillende planten te gelijker tijd kan aantreffen, van het kleinste, nauwelijks met het mikroskoop waar te nemen kiemlichaampje af tot de bloeiende en vruchtdragende, tot zaadvormende en stervende planten toe, evenzoo vindt de sterrenkundige in het flikkerende veld van den sterrenhemel alle ontwikkelingsstadiën van wordende, groeiende, verouderende en wegstervende werelden. Daardoor was het voor den nooit rustenden menschelijken geest mogelijk een antwoord te vinden op de vraag: hoe is ons eigen zonnestelsel ontstaan1?
Het waren twee van de grootste geleerden der vorige eeuw, die den grond legden van een theorie van de schepping der wereld, die met alle tot nog toe bekende feiten der sterrenkunde het best overeenkomt en daarom bij de hedendaagsche sterrenkundigen algemeene instemming gevonden heeft; Emanuel Kant, de groote Duitsche wijsgeer, die in 1755 de âAllgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmelsquot; uitgaf, en de uitstekende Fransche sterrenkundige Laplace, die in 1796 met zijn werk âLe système du mondequot; de kroon op Kant's theorie zette.
Het voor ons meest interessante gedeelte van die theorie van Kant-Laplace leert ons in het kort. het volgende:
Onze zon en de planeten, die om haar heen loopen, Mercurius, Venus, de aarde, Mars, enz., enz., waren eens een gasvormige, gelijkmatig binnen de ruimte van ons tegenwoordig zonnestelsel verdeelde massa van zeer geringe dichtheid, van denzelfden aard als de nevelvlekken, die wij nu nog met den kijker aan den hemel kunnen waarnemen, en welke massa's â zooals de natuurkundigen met den spec-troskoop bewijzen â eveneens uit gassen bestaan.
De gasvormige massa van ons zonnestelsel, die toen â millioenen, misschien milliarden jaren geleden â ook een nevelvlek vormde, heeft zich volgens Kant-Laplace later tot een bal samengetrokken, op dezelfde wijze als er bolvormige droppels gevormd worden, wanneer gasvormig water (waterdamp) in de lucht condenseert (verdikt). Bij dat verschijnsel moest, zooals de natuurkunde leert, de geheele massa een hooge temperatuur krijgen, die hooger werd naarmate de afzonderlijke gasdeeltjes dichter bij elkaar kwamen, uit de' lichtende, gasvormige nevelvlek vormde zich een gloeiend vloeibare bol, die reeds bij zijn ontstaan in een wentelende beweging geraakte, welke ten gevolge van een verdere samentrekking volgens bekende natuurkundige wetten al sneller en sneller werd. Zoo was dan al de stof, waaruit onze zon en de planeten met hare trawanten heden bestaan,onmetelijke tijden geleden een enkele gloeiend vloeibare om een as wentelende bol. De richting van die wentelende beweging is heden nog dezelfde als millioenen jaren geleden, nl. van het westen naar het oosten.
Daar de wereldruimte zeer koud is, moest die oerzon voortdurend warmte aan haar oppervlak verliezen, zich dus afkoelen en ten gevolge van die afkoeling ook samentrekken. Daardoor werd volgens
65
MOZES OF DARWIN ]
licht berekenbare wetten de beweging van den heelen bol nog meer versneld en wel zoodanig, dat eindelijk ten gevolge der centrifugaal-kracht aan den evenaar kleine massa's afgeslingerd en als planeten van het lichaam der zon losgemaakt werden. Dit verschijnsel herhaalde zich meermalen, üe afgezonderde lichamen wentelden als gloeiend vloeibare massa's eveneens om hun as; zij verwijderden zich zoover van het oorspronkelijke lichaam, totdat de aantrekkende kracht der zonnemassa de overwinning behaalde over de vliedende kracht der weggeslingerde massa in dien zin, dat geen verdere verwijdering meer mogelijk was en het nieuwe wereldlichaam zich in een gesloten baan om het moeder-lichaam, de zon, bewoog.
Zoo ontstonden de planeten, waarvan sommige zich later juist zoo gedroegen als de zon, doordien zij zeiven eveneens kleinere lichamen in den vorm van ringen of van trawanten (manen) wegslingerden. Men heeft door middel van zinrijke toestellen die planeten- of manenvorming nagemaakt; een natuurkundige proef dient als bewijs voor de juistheid van deze scheppingstheorie.
Alle planeten van het zonnestelsel bewegen zich in dezelfde richting om het centrale lichaam en wel in een vlak, dat tevens dooiden evenaar van de zon gaat. Ook laten de bewegingen der trawanten (manen)geen andere dan deze verklaring van de schepping der wereld toe.
Zoo heeft dan de waarnemende geest van den mensch uit de nachtelijke verschijnselen van den sterrenhemel de wetten van de mechanica des hemels, van de kosmische physica afgeleid en uit de lotgevallen van andere hemellichamen heeft diezelfde menschelijke geest zich het beeld van de lotgevallen van onze aarde en. der dichtst bij haar staand© sterren geconstrueerd.
Het is nog maar weinige jaren geleden, dat het aan die physica gelukt is, met behulp der spectraal-analyse een zeker bewijs te vinden, dat in den nu nog gloeienden dampkring der zon bijna dezelfde stoffen voorhanden zijn, als die onze aarde samenstellen: nl. waterstof, natrium, magnesium, alluminium, calcium, chroom, nikkel, mangaan, ijzer, koper, zink, borium, silicium, kalium, enz.
Het was een grootsche ovenvinning der wetenschap, toen het haar gelukte het bewijs te leveren, dat onze aarde in werkelijkheid een eigen kind van die zon is.
Lang voordat het den natuuronderzoekers gelukte, in de levende natuur, bij planten en dieren, de eenheid der ontwikkeling als wet te erkennen, had de sterrenkunde gevonden, dat in het groote Al, waar ontelbare zonnestelsels droomend over den afgrond zweven, de ontwikkeling sedert duizenden, sedert honderdduizenden, sedert millioe-nen van jaren aan de orde van den dag is. Want de met sterren bezaaide hemel, dien wij in het stille avonduur aanschouwen, vertelt ons ongelijktijdige, ten deele oude, zeer oude geschiedenissen. Daar zenden onze jonge en oude werelden op de meest verschillende afstanden van het heelal door heur lichtstralen bericht van gebeurtenissen, die reeds lang geschied zijn en ver achter het heden liggen. De lichtstraal legt elke seconde 42000 geografische mijlen = onge-
06
M0ZE3 OF DARWIN ?
veer 300.000 K.M. of 7 J maal den omtrek der aarde af; van de zon naar de aarde gaat hij in SJminuut; wanneer er dus op de zon een gewei-dige uitbarsting plaats vindt, kunnen wij op de aarde eerst 8 J minuut later die gebeurtenis waarnemen. Nu zijn evenwel alle vaste sterren van den nachtelijken hemel oneindig veel verder van ons verwijderd dan de zon ; zoo behoeft bijv. een lichtstraal van de poolster 43 jaren voor hij ten onzent is aangekomen, (m. a. w. het witte licht, dat heden avond als de poolster aan den noordelijken hemel flikkert^ is 43 jaar geleden van den hemel daar ter plaatse vertrokken; Sirius vertelt ons heden wat voor 14 jaar, Arcturus wat voor 25J jaar op die hemellichamen is voorgevallen. De kleinste met het bloote oog nog waarneembare vaste sterren zijn zoover van ons verwijderd, dat het licht ongeveer 130 jaren noodig heeft, om tot ons te komen ; met de sterkst vergrootende kijkers dringt evenwel het oog van den sterrenkundige door tal van zulke diepten van het heelal, dat wij eerst heden op aarde kunnen waarnemen, wat duizenden jaren geleden in die plaatsen is voorgevallen; zoo wordt de afstand van den melkweg op 5000 lichtjaren geschat. Herschel! heeft met zijn reusachtigen teleskoop nevelvlekken waargenomen, die zoover van ons verwijderd zijn, dat het licht inillioenen jaren noodig heeft om van daar tot ons te komen. Zoo is het dus woordelijk waar, dat de sterrenkundige op zijn sterrenwacht bij het bekijken van den nachtelijken hemel met zijn werkelijke oogen dingen ziet, die reeds lang geleden in het heelal gebeurd zijn. Hij ziet het verleden en is de eenige natuuronderzoeker, die ons wiskunstig scherp bewijst, wat in den schoot van het verleden als gebeurtenis opgeteekend ligt. 1)
Dat zijn bijna wonderbaarlijke feiten, waarvoor de denkende mensch met verbazing het hoofd ontbloot en daarna vrede en troost gevoelt, als de sterrenkunde hem met. dezelfde zekerheid, waarop zij een verduistering voorspelt, zegt: Zie! overal, zoowel in het oneindig groote, als in het oneindig kleine, op oneindigen afstand, als dicht bij ons, geldt één wet: nl. ontwikkeling! Alles is vervormbaar, alles verandert en ontwikkelt zich; alles is voortdurend aan het worden en vergaan; niets gaat verloren, maar alles verandert, vorm en wezen; het arbeidsvermogen alleen is één en eeuwig, hoe verschillend het zich openbaren moge : het gaat nooit verloren, het verdwijnt niet, hoe ook de vorm, waarin het zich vertoont, verandere. 1)
Bij een dergelijke beschouwing der dingen schemert op den drempel van ons bewustzijn de grootsche gedachte: Eeuwigheid en Oneindigheid. Wij beginnen er een voorgevoel van te krijgen, wat de onein-
67
1
De beperkte ruimte van deze brochure laat niet toe, verdere uitstapjes op het gebied der sterrenkundige onderzoekingen te doen. Daarentegen maak ik van de gelegenheid gebruik op een boek opmerkzaam te maken, dat een eereplaats moet hebben in de bibliotheek van elk particulier of elke vereeniging, nl.: Die populare Entwicklungsgeschichte der Welt, von Dr. K. August Specht Gotha, Stollberg'sche Verlagshandlung III Aufl. 1889).
De vertaler wijst bovendien nog op het voortreflelijke werk van Prof. Ball; gt;)Sterrenlandquot; welks Hollandsche vertaling is uitgegeven bij S. L. v. Lnoy te Amsterdam.
1) Vergelijk nog het prachtige werk van Carus Sterne, «Worden en vergaanquot;, in het Hollandsch vertaald door Dr. Ilartogh Heys van Zouteveen. 1877.
MOZES OF DARWIN 1
digheid in tijd en ruimte beteekent; wij worden vertrouwd met d© gedachte, dat er in het al geen grenzen zijn, dat er in het verleden geen begin was en er in de toekomst geen einde zal zijn. Wij schamen ons over de kinderachtige voorstelling, dat wij, kleine menschen, dat wij alleen boven alle dingen van het heelal in de wisseling der verschijnselen een eeuwig, onveranderd bestaan zouden hebben.
Toen de aarde zich van haar moeder-zon, losgemaakt Had, behield zij als gloeiende bal langen tijd een hooge temperatuur, waarbij van het beginnen van een planten- of dierenleven op hare oppervlakte nog ontelbare eeuwen lang geen sprake kon zijn. Eerst moest zij zoover afgekoeld zijn, dat een vaste schors de gloeiende kern afsloot; honderdduizenden jaren lang zullen de zeeën, die uit den waterdamp van den warmen dampkring door condensatie ontstonden, misschien de heele oppervlakte bedekt hebben. Ten gevolge van die voortgaande afkoeling ontstond er voortdurend samentrekking van de koeler geworden schors. Volgens gemakelijk te begrijpen natuurkundige wetten ontstond hier en daar vast land, dat zich boven de zee verhief.
Daarmee begon de kringloop van het water, dat gestadige proces, hetwelk sedert millioenen van jaren voortdurende veranderingen, zooals ten deele nog plaats vinden, in den vorm onzer aardkorst veroorzaakte. De geologie (aardkunde) is de wetenschap, die ons een beeld van de ontwikkelingsgeschiedenis der aardkorst schetst, en als zoodanig een stevigen grondslag voor het gebouw der afstammingsleer uitmaakt. Zij toont aan, welke gesteenten van vulkani-schen oorsprong en welke steenen het verharde slik van zout en zoet water zijn; zij toont aan, hoe de neerslag uit den dampkring langzamerhand deelen van het vaste land in zee gespoeld, hoe zij bergen afgeknaagd en bergen tot gruis gemaakt heeft, hoe er op éénzelfde plaats der oppervlakte nu eens vastland, dan weer zee was; zij toont aan welke steensoorten in de verschillende tijden gevormd, en hoe die steensoorten op natuurlijke wijze op elkaar gehoopt of dikwijls verschoven zijn geworden. De geologie bewijst, dat onze vaste aarde haar leeftijd bij millioenen van jaren telt en dat zij zelve eigenlijk een opengeslagen groot boek is, waarin de natuur haar eigen geschiedenis als in een dagboek gegrift heeft.
Bij dé voortdurende werkzaamheid van het water vervulde het fijne slik de rol van modelleur; overblijfselen van planten en dieren werden nu en dan in het fijne slik begraven en bij het hardworden in sierlijke afdrukken als versteeningen voor latere tijden bewaard. Die versteeningen van dieren- en plantenoverblijfselen geven ons berichten aangaande de organismen, die in oude tijden, toen geen mensch nog zijne voeten op de velden zette, onze aarde bevolkten.
Het is nog betrekkelijk kort geleden, dat men begonnen is die versteeningen te verzamelen en onderling en met de nog levende planten en dieren te vergelijken. Een nieuwe wetenschap, de Palae-ontologie (leer der versteeningen) ontstond er, die met lichte en toch zekere hand grootsche tafereelen van de ondergegane plantenen dierenwereld uit voorhistorische tijden ontwerpt.
Letterlijk is het waar geworden:
68
MOZES OF DARWIN 1
Waar menschen zwegen â omdat er toen geen menschen leefden â waar menschen geen geschiedenis neerschreven : daar hebben de steenen een spraak gekregen.
Die beide wetenschappen â de geologie en de palaeontologie â⢠hebben gemeenschappelijk den ouderdom van elke aardlaag bepaald; ze hebben ons aangetoond, welke planten en dieren het eerst op aarde leefden, en welke planten en welke dieren in de achtereenvolgende tijdperken elkaar opvolgden.
Die beide wetenschappen toonen aan de hand der versteeningen, die in het boek der geschiedenis een veel grooter bewijskracht hebben dan Mozes en al de profeten in het boek der Hebreeuwsche geschiedenis, aan:
1. dat het rijk der organismen met de eenvoudigste vormen, met lagere zeeplanten en zeedieren, begonnen is;
2. dat zoowel de planten- als de dierenwereld in den beginne zeer arm aan verschillende vormen waren ;
3. dat de planten- en de dierenwereld zich zeer langzaam van enkele lager georganiseerde, dus zeer eenvoudige, vormen tot talrijke, hooger georganiseerde, samengestelde vormen, van armoede en eenvoudigheid van vorm tot rijkdom van vormen opgewerkt hebben;
(De eerste landplanten ontwikkelden nog geen welriekende bloesems ; in het steenkolenwoud geurde nog geen roos en fladderde nog geen vlinder van bloem tot bloem.)
4. dat het planten- en het dierenrijk in. vroegere tijdperken zonderlinge en wonderlijke vormen bezat, die sedert uitstierven;
(Toen bestonden er reusachtige monsters, waarvan zelfs de kinderlijke fantasie niet droomt. Nu en dan vormden zich overgangsvormen, bijv. : tusschen visschen en hagedissen, tusschen de laatste en vogels. Uit aardlagen, die in het z.g. Juratijdperk, toen ons Juragebergte als zeeslik afgezet werd, door de werkzaamheid van het water gevormd zijn, heeft men de versteende overblijfselen van een dier gevonden, dat voor één vierde reptiel en drie vierden vogel geweest is, en wel een vogel met tanden in zijn snavel en met een verlengden hagedisachtigen, maar van veeren voorzienen staart.)
5. dat het karakter van de dieren- en plantenwereld steeds meer tot dat van het tegenwoordige dieren- en plantenrijk nadert, naarmate die voorwereldlijke tijd dichter bij den tegenwoor-digen ligt;
6. dat de planten- en dierenvormen in de verschillende tijdperken door tusschenvormen trapsgewijze met elkaar verbonden zijn;
7. dat alle tot nog toe heleend geworden en onderling vergeleken feiten der geologie en der palaeontologie onloochenbaar de af-
69
MOZE3 OF DARWIN 1
stamminy van het hoogere uit het lagere leerea. dat de handen des bloeds de heele levende schepping verbinden. ï)
Aan die feiten kan niet getwijfeld worden, want zij zijn door honderdduizenden versteende documenten heivezen. In de palaeontologische verzamelingen d'er beide halfronden liggen de authentieke bewijzen in zulke menigte voor het oog des waarnemers, dat iedere bezoeker, die met gezonde zintuigen toegerust en met denkvermogen begaafd is, ondanks zichzelven van de waarheid der afstammingsleer overtuigd moet worden. Het is dwaasheid of waanzin, het is geestesver-blinding of ongenezelijk vooroordeel, wanneer men tegenover zulk bewijsmateriaal de waarheid der afstamming niet erkennen wil.
Dat is ook door mijn voorganger, den vromen professor Dr. O. Heer ingezien, waarom hij â trots zijn geloof â openlijk de afstammingsleer voor waar erkende.
Ja, de steenen hebben ons bewezen, dat Mozes dwaalde. De Sent is en de Glarnisch, de Dachstein en de Rigi, de Alpen en de Jura openbaren ons, dat het tegenovergestelde van hetgeen men den kinderen op school nog altijd van de wereldschepping1 vertelt, waar is. Onze bergen getuigen tegen onze lagere scholen; hoe lang zullen wij ons er nog over schamen moeten, dat de dwaling als onkruid weelderig op de uitgestrekte akkers tiert, terwijl de waarheid zorgvuldig in de glazen kasten van het museum opgesloten blijft?
Een andere natuurwetenschap vergelijkt den inwendigen bouw van het menschelijk lichaam met dien van de dieren en den inwendigen bouw der verschillende dieren onderling: zij heet de
VERGELIJKENDE ANATOMIE.
Ook die wetenschap constateert talrijke feiten, die als zoovele heivijzen voor de afstamm ing getuigen ; geen enkel feit is er bekend geworden dat tegen de afstamming strijdt.
Sedert eeuwen was den opmerkzamen beschouwer de groote overeenkomst opgevallen, die er tusschen vele apen en ons geslacht bestaat. Zelfs de geloovige natuuronderzoekers der oude school hebben een zekere groep apen kortweg âmenschachtigquot; (anthropoide) genoemd, en het kind, dat met zijn.moeder in den dierentuin kwam en zulke dieren voor het eerst zag, heeft eveneens die groote overeenkomst geconstateerd, toen het zich plotseling tot zijn moeder wendde met de vraag: âmama, bidden die ook?quot;
Die groote overeenkomst tusschen den bouw van het lichaam der apen en van dat der menschen heeft eeuwen lang groote diensten aan de wetenschap bewezen ; want de christelijke kerk der middeleeuwen verbood op grond der opstanding het ontleden van mensche-lijke lijken, en zoo hebben toen de professoren en studenten in de
70
1
Mier hierover vindt de lezer in het rijkgeillustreerde uitstekende werk van Bommeli: »Die Geschichte der Erdequot; by J. H. W. Dietz te Stuttgart. 1890.
MOZES OF DARWIN 1
geneeskunde tot de lijken der apen hun toevlucht moeten nemen, om menschelijhe ontleedkunde te bestudeeren. Daardoor heeft de kerk stilzwijgend erkend, dat de inwendige bouw van den aap in het wezen der zaak die van den mensch is, dat het lichaam van den aap een afgietsel van het menschelijk lichaam of omgekeerd het laatste een nabootsing van het apenlichaam is.
Inderdaad leert de vergelijkende ontleedkunde, dat er niet alleen in den bouw van het geraamte van den romp maar ook in den bouw van handen en voeten tusschen den mensch en de menschachtige apen (bijv. de Gorilla) zoo'n overeenkomst bestaat, dat wij onwillekeurig tot de overtuiging komen, dat er tusschen den mensch en de hoogere apen bloedverwantschap moet bestaan, dat de voorouders van den mensch en die van de menschachtige apen in het grijze verleden dezelfde moeten geweest zijn.
Wij vinden bij de vergelijking van het menschelijk geraamte met dat van de gorilla precies dezelfde beenderen, overeenstemmend in aantal en rangschikking. En evenzoo is het met de andere organen gesteld, zoodat de beroemde Engelsche natuuronderzoeker Huxley tot het resultaat komt: âwelk stelsel van organen wij ook onder handen mogen nemen, steeds leidt de vergelijking van limine veranderingen in de apenreeks tot hetzelfde besluit, nl. dat de anatomische verschillen, die den mensch van den gorilla en den schim-pansee scheiden, lang zoo groot niet zijn als die, welke den gorilla van de lagere apen scheiden.quot;
De wetenschap heeft voor de overeenkomst in den anatomischen bouw geen andere verklaring dan die der gemeenschappelijke afstamming. En wanneer wij den anatomischen bouw van een groep systematisch aanverwante organismen bestudeeren, en de daarbij verkregen resultaten met de anatomische verhoudingen bij een andere groep van organismen van dezelfde klassen vergelijken, ontdekken wij een menigte treffende overeenkomsten, die alleen door de aanneming van een gemeenschappelijke afstamming verklaarbaar zijn.
Wanneer wij de vergelijkende anatomie der zoogdieren begrijpen willen, kan dat alleen geschieden, door ons niet verder tegen de gedachte te verzetten, dat alle zoogdieren van gemeenschappelijke voorouders afstammen, en dat zich eerst langzaam, in den loop van ontelbare geslachten, uit de lagere vormen de hoogere zoogdieren door gestadige omvorming ontwikkeld hebben.
En vergelijkt men den anatomischen bouw der laagste zoogdieren met dien der reptilen, dan komt men tot het besluit, dat de eerste, de oudste zoogdieren uit reptielen van den voortijd ontstaan zijn.
Hetzelfde leert de liolaeontologie.
En dergelijke resultaten geeft ook de vergelijkende anatomie der planten. Alles, alles getuigt voor de waarheid der afstamming!
Een andere natuurwetenschap heet de vergelijkende ontwikkelingsgeschiedenis of embryologie (leer der kiemen).
Die wetenschap gaat de heele ontwikkeling van dier en plant na, van het begin, van de ei- of kiemcel af tot aan het oogenblik, waarop het volwassen organisme zelf weder kiemcellen voortbrengt.
71
MOZES OF DARWIN ?
Nu heeft juist die nog zeer jeugdige wetenschap het krachtigst bewijsmateriaal voor de afstamming aan den. dag gebracht. Hier ontmoeten wij een onafzienbare reeks verschijnselen, waarvan de wetenschappelijke beteekenis zelfs den eenvoudigsten twijfelaar verstommen moet. Wel is waar liggen die feiten den bijgeloovigen en andleren vijanden der afstammingsleer zoo ongemakkelijk in den weg, dat zij er liever stilzwijgend overheen stappen, dan er in discussie over treden ; maar wij anderen zullen dan maar onbescheiden zijn, en laten die vluchtende wandelaars en pelgrims zoo maar niet voorbijgaan; neen, zij zullen stil staan, zullen hun meening zeggen over zulke feiten, waar zelfs het kind in den moederlijken schoot, lang voor zijn geboorte, getuigenis aflegt, dat het van dierlijke oorsprong is en dat onze voorvaderen door een langzaam proces uit dier tot mensch zijn geworden.
De vergelijkende ontwikkelingsgeschiedenis heeft tot de ontdekking van een wet geleid, die zonder de afstamming van het hoogere uit het lagere als een feit aan te nemen, in het geheel geen zin zou hebben. De natuur spreekt in hare verschijnselen op zoodanige wijze tot ons, dat de natuuronderzoeker â nadat hij honderden en duizenden feiten onderling vergelijkend tegenover elkaar geplaatst en een wet in de reeks van verschijnselen ontdekt heeft â niet in staat zou zijn, die wet in woorden te brengen, wanneer hij versmaadde de afstamming als een feit te erkennen. Men kan dan ook zeggen : de natuur dwingt de onderzoekers aan de waarheid dier afstamming uitdrukking te geven. Het hangt niet meer van den wil, of het vooroordeel of het geloof van den onderzoeker af, op welke wijze hij de waargenomen verschijnselen en de uit deze laatste sprekende wetten in woorden wil uitdrukken: Hij wordt genoodzaakt, onverschillig met of tegen zijn wil, apostel der ontwikkelingsleer te zijn. Een voor dé hand liggend voorbeeld kan dat ophelderen.
Volgens de afstammingsleer zijn de naaste voorvaderen van den mensch in het verleden hoog bewerktuigde zoogdieren geweest, die op hun beurt van lagere zoogdieren afkomstig waren. Die lagere zoogdieren uit den voortijd hadden hun oorsprong in reptielen, die in nog oudere tijden uit de laagste klassen der gewervelde dieren, de visschen, ontstaan waren. De voorvaderen der visschen waren, zooals thans algemeen aangenomen wordt, wormachtige wezens, die op hun beurt weer uit lager bewerktuigde dieren ontsproten waren.
De alleroudste voorvaderen van het menschelijk geslacht stonden ongetwijfeld op dien lagen trap van ontwikkeling, dien wij heden nog bij die vele mikroskopische kleine wezens waarnemen, waarvan wij dikwijls met moeite kunnen uitmaken, of men met een hoogst eenvoudige plant of met een hoogst eenvoudig dier te doen heeft.
Wij kunnen derhalve zeggen : De ontwikkelingsgeschiedenis van het menschelijk geslacht d. w. z. onze stamgeschiedenisgt; begon volgens de leer der afstamming met een mikroskopisch wezen van de eenvoudigste soort, doorliep dan de ontwikkelingstrappen der wormen, daarna achtereenvolgens door tallooze geslachten, waarvoor millioenen van jaren noodig waren, door de verschillende trappen
72
M0ZE3 OP DARWIN ]
van ontwikkeling der visschen, der reptielen, vervolgens der lagere zoogdieren en ten slotte van de hoogste klassen der zoogdieren, der vierhandige.
Gaan wij nu na op welke wijze de ontwikkeling van het individu mensch plaats vindt.
De mensch begint zijn leven als kiem met de bevruchte eicel, die juist zóó voortgebracht en bevrucht wordt, als de eicel van elkander geslachtelijk dier van hoogere of lagere bewerktuiging. De eicel van den mensch is op dezelfde wijze gebouwd als de eicel van andere dieren. In den eersten tijd der kiemontwikkeling gelijkt het jonge wezen, dat bestemd is een mensch te worden, in alle opzichten ojgt; de kiem van elk lager bewerktuigd ongewerveld dier. Dan doorloopt de menschelijke kiem achtereenvolgens de trappen van ontwikkeling der lagere gewervelde dieren. Er vormen zich zelfs voorbijgaande organen, die slechts bij door de kieuwen ademende dieren, bij visschen en sommige reptielen voorkomen, en daar tot ademhaling dienen: kiembogen, kiemspleten en aderen, alsof de menschelijke kiem in een visch veranderd moet worden, organen, die der menschelijke kiem niet van het minste nut zijn, maar die er voor getuigen, van waar wij komen en wie onze voorvaderen geweest zijn. De hersenen van de menschelijke kiem doorloopen achtereenvolgens al de voornaamste stadiën der hersenvorming van de laagste gewervelde dieren af tot aan de hoogstbewerktuigde. Het hart van den mensch begint, evenals bij andere zoogdieren met den zakvorm: dan vormen zich later twee kamers, die in den eersten tijd echter niet gescheiden zijn, dus een trap van organisatie voorstellen die aan de reptielen herinnert. Ja, men durft het bijna niet hardop te zeggen ; langen tijd bezit de menschelijke kiem een over het onderste lichaamsdeel uitstekeiir de verlenging van den wervelkolom, alsof er een gestaarte aap gevormd moest worden.
Er is geen orgaan van het menschelijk lichaam, dat gedurende de eerste ontwikkeling van de menschelijke kiem niet levendig aan de werktuigen van lagere dieren herinnert. De beroemde dierkundige Haeckel in Jena, die innig gehate en ook veel benijde Duitsche Darwin, heeft die feiten uit de reeks van verschijnselen bij een kiemontwikkeling onder de volgende woorden gebracht :
De ontwikkelingsg^eseMedenis van den afzonderlijken mensch of van het afzonderlijke dier Is een snelle en ten deele bekorte herhaling: van de ontwik-kellngsg-esehiedenis der geheele rij van voorvaders.
De mensch doorloopt bij het worden en het opgroeien in den moederschoot de voornaamste vormen van zijn dierlijke voorvaderen. 1)
73
1
Den biologisch gevormden lezer, die dieper in de kiemontwikkeling wil doordringen, worden de volgende streng wetenschappelijke werken aanbevolen:
wGrundrisz der Entwicklun^sgeschichte des Merschen und der höheren Thierequot; von Albert Kölliker, Professor der Anatomie in Würzburg. 11 Aufl. 1884. Leipzig bij Engelmann.
»Lehrbiich der Entwicklungsgeschichte der Menschen und der Wirbel-thierequot; von Dr. O. Herlwig, II Aufl. Jena bei G. Fischer. 1888.
»Anthropogenie. Entwicklungsgeschichte der Menschenquot; von Dr. E. Hackel in Jena.
MOZES OP DALVIN?
Reeds bij zijn geboorte ligt er een hoogst merkwaardige geschiedenis, waarvan men vroeger niet de minste gedachte had, achter hem. En hij wordt geboren als een dier, en hij is als hulpbehoevende zuigeling nog een echt ongeschikt diertje. Het denken, het bewuste denken, en de spraak, kortom alles, wat den mensch van het dier onderscheidt^ wordt eerst later door het kind, dikwijls zeer laat â pas als volwassene â geleerd.
Het pasgeboren kind zuigt, schreeuwt en heeft een stofwisseling als een dier; en is sprakeloos en gedachteloos als een dier, het is schaamteloos en onfatsoenlijk als een dier; als het den langen kleeren ontgroeid is, doet het, evenals de verwante zoogdieren, die men apen noemt (naapen) alles na; het kindje in den wieg speelt met zijn voeten en gebruikt die voor het grijpen van zijn lepel, zijn speelgoed enz.; nu en dan zuigt het aan zijn teenen en beweegt zijn ledematen met de gemakkelijkheid van een vierhandig dier. De kleine jongen klimt graag en gebruikt daarbij evenals de vierhandige zijn bloote voeten. Dat zijn algemeen bekende feiten, die echter een veelbe-teekenende wetenschappelijke waarde hebben. Het is verre van ons, daarom den adel in den pasgeborene te willen ontkennen; het is verre van ons het kind als een dier te willen bespotten! Integendeel, â wanneer wij bedenken, dat de kleine, onfatsoenlijke worm,die aan de moederborst zijn instinkt volgt, geroepen kan zijn, de trots van zijn vaderland of de roem van zijn eeuw te worden, dan zouden er tranen van vreugde in onze oogen schieten, omdat de ontwikkelingswet der levende natuur in korten tijd dat kon voortbrengen, waartoe de stamgeschiedenis van ons geslacht millioenen van jaren gebruikt heeft.
Uit het dier wordt eerst door opvoeding en ervaring een mensch. Ja, onder sommige omstandigheden blijft het dier â dier en ontstaat er uit het kind geen mensch. Kasper Hauser en nog enkele ongeluk-kigen hebben dit voldoende bewezen.
Ook in de plantenwereld heeft de vergelijkende ontwikkelingsgeschiedenis tal van bewijzen voor de waarheid der afstamming geleverd. Daar er in deze brochure van geen ophelderende figuren gebruik kan gemaakt worden, moet ik er mij toe bepale*!!, slechts enkele voorbeelden op te noemen. De loofmossen zien er in hun kiemstaat langen tijd zoozeer als groene algendraden uit, dat zij in dat stadium gemakkelijk met werkelijke algen (wieren) verwisseld kunnen worden Ongetwijfeld stammen zij van almachtige voorvaderen af. Daarentegen gelijken de varens in zeker tijdperk van hun bestaan op de lagere levermossen, waaruit zij ontsproten zijn. De naaldboomen leeren ons dloor hunne ontwikkelingsgeschiedenis dat zij van de bloemlooze planten uit de groep der wolfsklauwen afstammen.
Een andere wetenschap heet Morphologie of Organographied. i. leer der organen of vormen.
Ook die wetenschap kent duizenden feiten, die gezamenlijk voor de afstamming getuigen; er zijn geen morphologische verschijnselen bekend, die tegen de afstamming strijden. Uit den overvloed van
74
MOZES OF DARWIN ?
feiten uit de morphologic voer ik slechts ettelijke voorbeelden uit het hoofdstuk der rudimentaire (vergroeide) organen aan:
De menschachtige apen (Orang, Schimpanzee, Gorilla) bezitten in tegenstelling met de andere apen geen uitwendig waarneembaren staart; dat orgaan is des ondanks toch in rudimentairen vorm voorhanden (evenals bij dien mensch).
Die feiten zijn alleen door de afstamming te verklaren. De rudimentaire organen zijn nutteloos geworden, buiten gebruik gestelde werktuigen, die bij de voorvaderen geheel normaal ontwikkeld en voor hun taak berekend waren. Organen, die niet meer gebruikt worden, versvommelden van geslacht op geslacht al meer en meer, totdal' zij eindelijk bijna, geheel verdwenen. De aanwezigheid van den rudimentairen staart bij de anthropomorphe apen getuigt voor de afstamming van gestaarte dieren. Ook de nu levende vogels hebben slechts een verstommelden, uit kleine beentjes bestaanden staart, terwijl hunne voorvaders even als de hagedissen, talrijke goedgevormde sta art wervelen bezaten. Dat is geen vermoeden, niet slechts een veronderstelling, want de versteende overblijfsels van vogels uit het Juratijdperk bewijzen de juistheid dier bewering door onomstootelijke feiten, hoe sterk de tegenstanders van de afstamming er ook tegen te keer mogen gaan.
Ook de mensch bezit rudimentaire organen: rudimentaire spieren voor de beweging van de huid van zijn hoofd, spieren, die bij zijn dierlijke voorvaderen sterker' ontwikkeld waren, evenals nu bij vele apen. Zijn hoektanden zijn rudimentaire organen, die bij zijn voorvaderen meer of minder sterk boven de andere tanden, als werktuigen ter verscheuring, uitstaken. Vele menschen hebben nu nog de gewoonte, in een toestand van toorn en woede hun bovenlip scheef te trekken, om de tanden te toonen, waarbij zij vergeten, dat die hoektanden in het geheel niet meer voor verscheuren geschikt zijn, en dat zij daarmede in hun oude erfzonde het dier laten zien, hoezeer zij zich zeiven ook voor belijders van den godsdienst der christelijke liefde mogen uitgeven. Ja, ja, de vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken. Het fijne haardons van onze huid is een rudimentaire haarpels, die bij onze dierlijke voorvaderen normaal ontwikkeld was. In onze ingewanden dragen wij rudimentaire organen = het wormachtige verlengsel van den blinden darm is zoo'n orgaan, dat ons niet alleen tot niets dient, maar ons bij gelegenheidt ten ondergang doemt, wanneer wij kersenpitten doorslikken en een daarvan in dat verlengsel geraakt. De kersentijd bewijst elk jaar door talrijke sterfgevallen, hoe. gruwelijk de schepper ons bedeeld heeft, toen hij ons dit voortbrengsel aan den blinden darm hechtte, dat bij andere dieren normaal ontwikkeld en daar nuttig is, terwijl het bij ons een werktuig ten ondergang is.
De slangen hebben een rudimentaire en een normale long. Bij de vogels is maar één eierstok ontwikkeld, de andere is rudimentair. Bij vele vogels zijn de vleugels rudimentair en voor het vliegen ongeschikt geworden (struisvogel, casuaris); bij andere vogels zijn de voeten meer of minder verstommeld. Er zijn dieren met rudimen-
75
MOZES OF DARWIN 1
taire oogen; bij vele insecten zijn de vleugels rudimentair. Bij vele parasieten zijn bijna alle organen, behalve die der voortplanting, rudimentair. Er is geen hooger ontwikkeld dier, dat niet rudimentaire organen bezit.
Ontelbaar zijn de verstommel de organen in de plantenwereld. Er zijn planten met rudimentaire wortels, andere met dito stengels, talrijke gewassen met dergelijke bladeren, bloemen met verstommelde bloemblaadjes, met dito meeldraden, met dergelijke vruchtbeginsels. Ieder onderwijzer, die wat botanie bestudeerd heeft, zal des zomers duizend maal gelegenheid hebben, dergelijke rudimentaire organen aan levende planten te laten zien. En elk van die organen getuigt voor de afstammingsleer. Wie ze anders verklaren wil, wie ze aan het scheppingsplan van God wil toeschrijven, pleegt, juist godslastering en geringschatting der wijsheid van een voorgewenden intelligenten schepper aller dingen ; want de rudimentaire organen zijn van het standpunt der doelmatigheidsleer beschouwd, slechts misgeboorten, die den draak steken met de wijsheid van den schepper. Wie het voortbrengen van die organen op rekening van een god schuift, lastert diens wijsheid en is een slechte geloovige. Dat moesten de wachteren Sions toch eindelijk eens bedenken, want de waarheid laat zich door hen niet bespotten.
Een andere wetenschap heet physiologie d. i. de leer van de verrichtingen der organen. Ook die wetenschap leert uit talrijke feiten de waarheid der afstamming en wel op eene wijze, dat de geheele physiologie van de beide rijken, der levende natuur maar één keten van bewijzen voor de afstamming levert. Dat kan men duidelijk en juist in de leerboeken van die wetenschappen zien aangetoond.
Evenzoo leert de Pathologie âde leer der ziekten â talrijke voorbeelden van de onderlinge bloedverwantschap der dieren. De beperkte ruimte van dit geschrift verhindert mij daarover uitvoerig uit te wijden. Slechts een paar aanwijzingen, die ieder mensch tot nadenken zullen stemmen; menschen en apen lijden onder gelijksoortige verschijnselen aan dezelfde ziekten. Het gebruik van alcohol maakt de apen evenals de menschen dronken quot;⢠de verschijnselen van de haarpijn zij11 bij beide Ook dezelfde. De leer van de besmettelijke ziekten, die tengevolge van grootsche onderzoekingen op het gebied der plantenmikroskopie in de laatste twintig jaar een geheele verandering heeft ondergaan, en niet alleen den vrienden der wetenschap, maai ook den hoogepriesters der onwetendheid en den minachters en haters van alle wetenschappelijk onderzoek ten zegen heeft gestrekt, die wetenschap der infectie-ziekten maakt van de klaarblijkelijke bloedverwantschap tusschen mensch en hoogere dieren rechtr streeks gebruik voor het onderzoek der zieke organen en voor de methode der genezing, doordien zij dieren gebruikt voor proeven, waardoor men onderzoeken wil, hoe onder bepaalde omstandigheden de ziekten bij den mensch optreden en hoe die overwonnen kunnen worden. (De inentingsproeven van Pasteur en de proefondervindelijke cursus aan de hygienische afdeeling onzer hoogescholen.) Wij zouden wel eens willen weten, of ooit een van de vele onwetende tegenstan-
70
mozes of darwin ?
ders der afstammingsleer met zijn antwoord dralen zou, wanneer men hem de keuze liet, óf door een infectie-ziekte dadelijk naar Abrahams schoot te verhuizen, óf zich door een wetenschappelijk gevormden, ongeloovigen arts met dierlijke lymphe ter genezing te laten inenten, al wordt die redding aanbrengende lymphe ook langs den weg der praktische toepassing van de afstammingsleer gewonnen. 1) Doch neen! het antwoord zou zeker luiden : âIk verkies de hulp van den ongeloovigen geleerde boven Abrahams schoot !quot; In het practischo leven geven de ridders van het geloof door hun gedrag steeds dat antwoord. 2)
Ook de planten- en dierengeograpMe, d. i. de leer van de verspreiding der planten en dieren over de oppervlakte der aarde, bevestigt de afstamming van het hoogere uit het lagere.
Van bizonder groot belang zijn de resultaten van de jongste aller wetenschappen, van de vergelykende psychologie, of de leer van de onderlinge vergelijking der geestelijke eigenschappen van de dieren. Die wetenschap is eigenlijk nog in hare geboorte; maar zij is reeds een rijke mijn vol bewijzen voor de afstamming. Een zorgvuldige vergelijking van de geestelijke eigenschappen van mensch en dier leidt tot het resultaat, dat de z.g. zielskrachten van den mensch in den grond der zaak niet van die der dieren verschillen. Slechts in den graad van ontwikkeling treedt er onderscheid op. De aanleg voor zijn zielsleven heeft de mensch van zijn dierlijke voorvaderen geërfd. Wie daarover nauwkeuriger onderricht wil worden, leze: Darwin's werk over de: âAfstamming van den mensch en de sexueele teeltkeus.quot;
Wij zien derhalve, dat er geen enkele tak van wetenschap, die zich met de levende of doode wereld der organismen bezighoudt, geen enkele biologische wetenschap bestaat, die in hare resultaten niet tal-
77
1
Een ondankbaarder volk jegens do wetenschap als de fanatieke vromen van luthersche, calvinistische of anglicaansche kleur bestaat er op de gansche aarde niet. De blinde woede tegen den vooruitgang der natuurwetenschap heeft in den laatsten tijd de coalitie tegen de vivisectie in Jt leven geroepen. Men wil de wetenschappelijke proeven op het levende dier bij de wet doen verbieden op hetzelfde oogenblik, dat het der wetenschap met behulp dier proeven gelukt om die ontzettende ziekten meester te worden, die sedert eeuwen jaarlijks honderdduizenden menschen wegsleepen.
De godsdienstige ijver is uit haat tegen de wetenschap de beschermer geworden van meerzwijntjes en konijnen opdat de epidemiën kunnen blijven bloeien. De besmettelijke ziekten verbroederen zich â zoowel geestelijke als lichamelijke, dat behoort zoo bij den dollen dans van deze laatste groote reactie.
[De schrijver lijkt hier nog al eenzijdig. Het is toch een bekend feit, dat de vivisectie haar sterkste tegenstanders geenszins te zoeken heeft onder de verwoede geloofsmenschen. Mannen van erkende wetenschappelijke be-teekenis hebben zich tegen haar uitgesproken, omdat zij eenvoudig hare waarde voor de wetenschap betwijfelen. En vooral is de anti-vivisectie-beweging gericht tegen het gruwzame, wreede kinderspel, dat er door duizenden â jongens nog â quasi natuuronderzoekers van gemaakt wordt. In 't kort het nut der vivisectie wordt door velen zeer in twijfel getrokken, terwijl zij op moreel gebied onbetwist veel kwaad brouwt, en dat is voor velen de grond van hun tegenstand. Vert.]
2
De anti-vaccine beweging logenstraft eenigermate deze bewering.
Vert.
MOZES OF DARWIN 1
rijke bewijzen voor de waarheid der afstammingsleer oplevert. De beteekenis daarvan is geen andere dan deze:
De geheele levende schepping getuigt naar elke richting, in elk opzicht voor de ééne waarheid.
Dat die grootsche gedachte onzer eeuw juist in dit tijdperk der geschiedenis uit het geestelijk leven ontspruiten moest, is niet onze schuld en ook niet de verdienste van enkelen. Dat denkbeeld moest noodzakelijk rijpen, zoodra het natuuronderzoek in al zijn af deelingen ver genoeg gevorderd was, om tot de erkenning van die eenige wet te geraken. Ook de gedachten van den mensch worden door natuurlijke wetten beheerscht. Wanneer uit den geestelijken arbeid een alles overwinnende waarheid aan het licht komt, is die waarheid een product der natuur. Wij leggen niets in de natuur neer, â die spreekt zelve â en wanneer de menschen zwegen â zouden de stee-iien spreken.
78
Ill
HET DARWINISME IN EIEREN ZIN:
De kunstmatige teelt en de aard van de natuurlijke teeltkeus in den strijd om het bestaan.
{Den 22stcn Februari 1889 voorgedragen.)
Geachte toehoorders, waarde vrienden l
Nadat wij gezien hebben, dat den hedendaagschen natuuronderzoeker geen keuze tusschen het geloof aan een wonderbaarlijke schepping en de wetenschappelijke erkenning van de waarheid der afstamming meer overbleef, maar dat hij door de natuur gedwongen een onvoorwaardelijk belijder der ontwikkelingsleer geworden is, en dat ieder, die zich grondig met de eene of andere natuurwetenschap bezighoudt, zulks worden moet, rust op ons nog de taak, aan te tco-nen, van welken aard de middelen waren, waarmede Darwin de waarheid heeft helpen overwinnen; wij moeten ons dus nu met het Darwinisme in eng er en zin, met de leer der natuurlijke teeltkeus in den strijd om het bestaan, bezig houden.
Ik herhaal hier nog eens en met nadruk: dat het vallen of staan blijven van de leer der natuurlijke teeltkeus niet den. minsten invloed op het lot van de leer der afstamming heeft; de laatste zal als een openbaring der natuur, als een duizendvoudig bewezen waarheid blijven staan.
Ik wil hier tevens de opmerking maken, dat de hedendaagsche natuuronderzoekers niet zoo bekrompen zijn, de leer der natuurlijke teeltkeus als een onveranderlijk dogma te huldigen. Neen, wij zijn te allen tijde bereid, het betere, wanneer het instaat is het goede te vervangen aan te nemen : d. w. z. wij wachten rustig het ontstaan van nieuwe denkbeelden, van nieuwe leeren, van nieuwe hypothesen en theori'èn af, en zullen bereid zijn, Darwins leer van de natuurlijke teeltkeus te laten vallen, zoodra er een betere, een met de verschijnselen der natuur meer overeenkomende leer aan het licht zal gekomen
MOZE3 OF DARWIN ]
zijn. Dat is tot nog toe niet geschied, ofschoon het niet ontbroken heeft aan allerlei proefnemingen om Danvins theorie door een andere te vervangen. Tot heden toe heeft echter Danvins denkbeeld de overwinning behaald.
Zijn leer heeft tot nog toe in den strijd om het bestaan met andere denkbeelden steeds overwonnen. Het is dua wel de moeite waard, die leer (de eigenlijke theorie van Darwin) eens nader te beschouwen.
Darwin ging, evenals elk waar onderzoeker, steeds van hekende feiten uit, om andere feiten, die hem onbegrijpelijk en raadselachtig toeschenen met de eerste te vergelijken.
Hij zag de opmerkelijke resultaten van de teelt van planten en dieren, en maakte zich daarom met de kunst van den tuinman en met de grondbeginselen van de rationeele veefokkerij bekend. Eerst bestudeerde hij de kunstmatige teeltkeus, zooals die door den mensch, wanneer hij planten,- of dierenrassen wil veredelen, in praktijk wordt gebracht. Daaraan ontleend© hij zijn toepassing op de gebeurtenissen in de vrije natuur: het denkbeeld nl. van de natuurlijke teeltkeus in den strijd om het bestaan, waarbij in de vrije natuur op dezelfde wijze, als onder de verpleging en de keus van den tuinman en den fokker, ook nieuwe rassen en verscheidenheden ontstaan moesten.
Darwin's leer van het ontstaan der soorten gaat van het feit uit, dat alle levende wezens de geschiktheid bezitten hun kenteekenen meer of minder sterk te veranderen. Yan dat feit kan ieder, die een open oog voor waarnemingen bezit, zich overtuigen. Inderdaad zullen wij, wanneer wij eens in een groote vergadering rondzien, onder honderdduizend menschen te vergeefs naar twee volkomen gelijk© personen zoeken; want ieder mensch is door zekere kenteekenen van alle andere menschen onderscheiden. Men noemt die kenteekenen, die met elk persoon veranderen, en waardoor zich de eene man. van den anderen, de eene vrouw van de andere en het eene kind van het andere onderscheidt, individueele kenteekenen.
In het uiterlijk van ieder mensch vinden wij van die individueele kenteekenen, die met elk geslacht min of meer veranderen. Zoo vertelt men van Napoleon I, dat hij elk zijner soldaten, na hem eens goed aangekeken te hebben, jaren daarna weder herkende, niettegenstaande honderdduizenden van zijn soldaten een zelfde uniform droegen.
Ook bij dieren vindt men individueele kenteekenen, waardoor het eene paard van het andere, de eene hond van den anderen enz. onderscheiden is. Niettegenstaande de gelijksoortigheid der schapen, herkent elke schaapherder het verdwaalde en in een andere kudde terecht gekomen schaap. Iedere stalknecht is in staat onder duizenden caval-ieriepaarden het hem toevertrouwde dier te herkennen. Elk dier heeft dus zijn individueele kenteekenen. Hetzelfde geldt van de planten. Er is niet ééne plant, die volkomen gelijkt op een ander exemplaar van dezelfde soort of verscheidenheid. In het grootste dennenbosch zullen wij te vergeefs naar twee volkomen gelijke boomen zoeken. Geen enkel mosplantje uit honderdduizenden van dezelfde soort zal volkomen op een ander mosplantje gelijken.
80
MOZES OP DARWIN ?
Ieder onzer herkent bij het beschouwen van twee graanvelden op het eerste gezicht op welken akker tarwe (Triticum vulgare) en op welken spelt (Triticum spelta) groeit.
De kenteekenen, waardoor wij koren en spelt van elkaar onderscheiden, en die alle individuen van beide soorten bezitten, noemen wij soortkenteelienen; zij zijn meer of minder duurzaam, meer of minder standvastig en blijven van geslacht tot geslacht gedurende honderden ja duizenden jaren bestaan, maar op den tarweakker zelf met zijn millioenen halmen of aren zullen wij te vergeefs naar twee volkomen gelijke halmen of aren zoeken. Ook daar, evenals in een koren- of roggeveld, onderscheidt elk exemplaar zich van een ander door zijn verschillende individueele kenteekenen, die met elk geslacht veranderingen ondergaan.
Zelfs in een glas water, waarin honderden of duizenden mikrosko-pische kleine diertjes of plantjes leven, die aan het water een troebele kleur geven, zal de mikroskopist te vergeefs met zijn vergrootend toestel naar twee volkomen gelijke individuen zoeken. Zonder gevaar te loopen van de waarheid af te wijken, kunnen wij zeggen, dat er onder de nog levende planten of dieren geen twee worden aangetroffen die volkomen gelijk zijn, m. a. w.
alle levende wezens, menschen, dieren en planten zijn veranderlijk. Wij dienen er bij te voegen, dat de verschillen meestal zoo klein zijn, dat er een geoefend oog noodig is, om hen waar te nemen en een scherp onderscheidingsvermogen om zich van die afwijkingen een helder begrip te vormen. Een klein kind meent en beweert, dat alle schapen zoo op elkaar gelijken, dat men het eene met het andere zou verwisselen, terwijl de herder over een dergelijke bewering lacht.
Dio veranderlijkheid der organismen, door geen verstandig mensch betwist, is het eene feit, waarop Darwin's theorie gegrondvest is.
Een tweede feit is : de erfelijkheid der individueele kenteekenen.
Het volk zegt.: âde appel valt niet ver van den boomquot; of ook wel âzoo vader, zoo kindquot;. Daarmede constateert het spreekwoord een feit, dat voor de leer der afstamming van groote beteekenis is: het is het verschijnsel, dat eigenschappen en kenteekenen van de ouders zeer dikwijls op de nakomelingen overgedragen, door de laatste overgeërfd worden.
Van dat feit heeft de kunstmatige teelt, hebben zoowel de tuinbouwers als de veefokkers sedert eeuwen notitie genomen. Men heeft wilde dieren tam gemaakt en in den loop van talrijke geslachten de kleine veranderingen der enkele individuen door overerving sterker gemaakt. Men heeft nieuwe vormen, nieuwe rassen en verscheidenheden gekweekt, doordien men nauwkeurig op kleine afwijkingen acht sloeg, en de daarmede voorziene dieren óf tot voorttelen gebruikte of daarvan onthield, al naar gelang het doel dat men voor oogen had. Zoo zijn er sedert den tijd, dat men duiven begon te houden,, nieuwe duivenrassen ontstaan, die in hun rassenmerken zoover van hun stamouders, dé- klipduiven afstaan, dat men ze voor nieuwe soorten^ ja zelfs voor nieuwe geslachten zou kunnen houden.
81
6
MOZES OF DARWIN 1
De verschijnselen der overerving, die juist heden ten dage weer een onderwerp van de ijverigste nasporingen geworden zijn, hebben tot de z. g. natuurlijke overervingswetten geleid. Ik zal hier maar enkele dier wetten aanstippen, en wel die, waarvan de kennis voor een goed begrip van Darwin's leer noodzakelijk is.
Een eerste groep van dergelijke verschijnselen vindt in de wet der conservatiev© of behoudende overerving een uitdrukking. Oude, sedert vele geslachten bestaande kenteekenevi worden op de nakomelingen overgedragen. Het is een algemeen verschijnsel in het plantenen het dierenrijk, dat die kenteekenen, welke reeds door talrijke geslachten overgeërfd zijn, steeds het zekerst op het nieuwe geslacht overgaan. Zoo brengt de mensch op zijne kinderen sedert duizenden van jaren het vijftal vingers en teenen aan handen en voeten, den opgerichten gang, de naaktheid van het lichaam (met uitzondering van een paar plaatsen) het vermogen om te leeren spreken en zingen, de geschiktheid tot denken, phantaseeren, werktuigen te gebruiken enz. over. Even lang of misschien nog langer erft de vos aan-zijn nakomelingen zijn spitsen snuit, zijn lang behaarden staart en rooflust over. Eveneens erft onze eik op de nakomelingschap den ingekerf-den randl van zijn blad, de ruwe bast, d© eigenaardig© bekervrucht, de kleinheid en onoogelijkheid van zijn bloesem, even zoo zeker over als het sneeuwklokje zulks met zijn witte buigende bloemkroon van 6 blaadjes, met zijn 6 stampers en onderstandig vruchtbeginsel doet.
Een tweed© groep overervingsverschijnselen wordt door de wet der latente (gebonden) overerving gekarakteriseerd. Daarbij zien wij, dat sommige kenteekenen van het vaderlijke of moederlijke organism© niet direct op het naastvolgend geslacht, maar pas op d© kleinzonen of achterkleinzonen overgeërfd worden. De kenteekenen blijven onontwikkeld en niet waarneembaar, als het ware in gebonden toestand, gedurende een, twe© of meerdere geslachten, om eerst in een later geslacht, â schijnbaar plotseling â me©r volkomen ontwikkeld op te treden. Bij sommige planten en dieren treedt dat zoo regelmatig op, dat men daar van een geslachtenverwisseling spreekt, wier verschijnselen voorspeld kunnen worden; ook bij andere planten en dieren, waarbij dit laatste niet het geval is, zijn de voorbeelden van latente overerving toch tamelijk veelvuldig. Eveneens bij het menschelijk geslacht: een bepaalde geschiktheid of aanleg kan langen tijd in een familie voorterven om ©ogenschijnlijk in een nieuw geslacht, somtijds in twee, drie geslachten te verdwijnen, totdat di© schijnbaar verloren gegane kenteekenen bij kleinkinderen of achterkleinkinderen weer optreden en deze dan weer op hun groot - of voorouders gelijken. Een muzikaal talent wordt zeer dikwijls van grootvader of grootmoeder op de kleinkinderen overgeërfd, terwijl datzelfde talent bij de ouders schijnbaar verdwenen was, in werkelijkheid slechts sluimerde; datzelfde geldt van wiskunstigen aanleg, van den zin voor exact natuuronderzoek (zoo was Darwins grootvader een natuuronderzoeker van beteekenis, terwijl Darwins vader geenszins bijzonder uitmuntte, daarentegen was Charles Darwin nog grooter dan zijn grootvader Erasmus).Evenzoo erven gemoedsziekten van de
82
MOZES OF DARWIN 1
grootouders met voorbijgaan der ouders op de kinderen over. Iets dergelijks geldt voor den aanleg van tering, scrophuleusheid en andere ziekten. De geneesheer, die een teringlijder onder behandeling neemt, vraagt niet alleen naar de gezondheid der ouders van den zieke, maar ook naar de oorzaak van den dood der beide grootvaders en grootmoeders, daar hij den invloed der latente overerving kent.
Niet zelden worden kenteekenen van verschillenden aard gedurende een reeks van gedachten latent, d. w. z. zij worden in gebonden, uitwendig niet waar te nemen toestand, overgeërfd, zoodat zij geheel verloren schijnen gegaan te zijn, totdat zij plotseling weer voor den dag treden, en daarbij getuigenis afleggen, hoe de voorvaderen in het verleden er eenmaal uitzagen. Men noemt het plotseling weer optreden van schijnbaar verloren gegane kenteekenen: terugslag of atavismus.
De talrijke gevallen van atavismus in het planten- zoowel als in het dierenrijk behooren tot de belangwekkendste ])ewijzen der afstamming. Dikwijls wijzen dergelijke gevallen op een lageren trap van organisatie van zeer oude voorvaderen terug. Eenige voorbeelden mogen dit ophelderen
Onze paarden zijn eenhoevige dieren, d. w. z. zij hebben aan hun voeten maar één teen, waardoor zij zich van de herkauwende dieren (met 2 hoeven) en van de dikhuidige veelhoevige dieren onderscheiden. De voorvader van het paard liad aan eiken voet vijf teenen. In den tijd' van tallooze honderdduizenden jaren zijn in het vaderland (Noord-Amerika) dezer dieren uit de vijfteenige dieren, vierteenige en later drieteenige ontstaan. Uit het drieteenige dier ontstond de verdere verandering, het éénteenige paard, dat wij heden kennen. De overgangsvormen zijn als versteeningen in N.-Amerika ontdekt geworden en tegenwoordig weet elk beschaafd bezitter van paarden, dat hij een dier berijdt, welks voorvaderen oorspronkelijk 5, dan 4, later 3 teenen aan eiken poot hadden en dat door verstommeling van den eersten en van den derden teen en daarna door zeer sterke ontwikkeling van den middelsten teen uit een drieteenig dier een éénteenig ontwikkeld werd, m. a. w. dat de voorvaderen van het paard nooit alleen twee teenen bezaten, en dus de eenhoevige niet van de tweehoevige (herkauwende) dieren afstammen. Bij tijd en wijlen nu komen heden nog atavistische vormen te voorschijn, paarden met overtollige teenen aan hunne poot en, die dan net zoo gebouwd zijn als de pooten van de meerteenige voorvaderen uit het tertiaire tijdperk, toen onze Alpen zich uit de zee begonnen te verheffen en langzamerhand hun definitieven vorm aannamen.
Ook bij den mensch treden nu en dan verschijnselen van atavisme op, bijv. sterk ontwikkelde hoektandlen, die bovem de andere tanden uitsteken, zooals bij sommige apen. Groot opzien baren de bij tijd en wijlen terugkeerende behaarde menschen, wier geheele lichaam met een langharige vacht, zooals onze dierlijke voorvaderen gedragen moeten hebben, voorzien is. (Hier ter plaatse kan nog medegedeeld worden, wat bij mijn voordracht moest weggelaten worden, dat cr niet zelden gevallen voorkomen, waarin de, bij elke 3 tot 6 weken
83
MOZES OF DARWIN 1
oude mensclielijke kiem waar te nemen staart niet weer verdwijnt, maar zich met den mensch verder ontwikkelt en dan onder aan den ruggegraat een uitwendig waarneembare, meestal met een haarbos voorziene versiering vormt, die den âtreurigenquot; naam van het orgaan verdient, dat bij de gestaarte apen eveneens niet anders voorstelt dan de reehtstreeksclie verlenging van do wervelkolom over het achterste deel des lichaams. Vergelijk de hierop betrekking hebbende verhandeling van Dr C. Krause over ,,die schwanzartigen Bildungen beim Menschenquot; in het tiendie deel van: ,,Kosmosquot;.)
Zeer dikwijls komen die verschijnselen bij gekweekte planten en dieren voor. Het terugkeeren van veredelde dieren en planten tot den minder geliefden stamvorm noemt men âverwilderenquot;.
Bij de duivenrassen, die meer dan 2000 jaar lang aangefokt worden, en die, zooals te bewijzen, is van een enkelen stamvorm afgeleid zijn, treden nu en dan weer kenteekenen op, die den stamvaders eigen waren en eeuwen lang slechts latent overgeërfd waren, bijv: de donkere streep dwars over de veeren van staart en vleugel.
Ook bij paarden en ezels treden niet zelden donkere strepen haar op, die aan de gestreepte voorvaderen herinneren.
Ontelbaar zijn de voorbeelden van atavismus in het plantenrijk. Hier volgen eenige voorbeelden. Bij vele plantensoorten treft men in plaats van de tweeslachtige bloemen, zooals die anders bij de hoogere planten overheerschend zijn, slechts éénslachtige, mannelijke of vrouwelijke bloemen aan, bijv. bij netels, hennep, maïs, rietgrassen (carex), palmen, katjesdragers en sommige bontbloemige vormen, als de tweehuizige valeriaan (Valeriana dioïca). De opmerkzame beschouwer ontdekt bij die planten niet zelden, dat er in de mannelijke bloemen behalve de goed ontwikkelde meeldraden ook een rudimentair vruchtbeginsel is en dat er in de vrouwelijke bloemen behalve de normaal ontwikkelde vruchtbeginsels ook rudimentaire meeldraden voorhanden zijn. De rudimentaire organen zouden op zichzelf reeds bewijzen, dat die planten met eenslachtige bloemen van tweeslachtige afstammen. Hierbij komt nog, dat zich niet zelden tweeslachtige bloemen in plaats van de eenslachtige vertoon en; in werkelijkheid zijn dit dan atavistische verschijnselen, gevallen van terugkeer tot den stamvorm.
Bij vele gekleurde bloemen zijn de bloemblaadjes onregelmatig gevormd en hebben dan dikwijls een honigspoor. Nu en dan treft men planten aan, die in plaats van de onregelmatige bloem met boven en onderlip volkomen regelmatige bloemen vormen, waarbij dan elk gekleurd bloemblaadje op dezelfde wijze ontwikkeld is als de andere bloemblaadjes. Dergelijke vormingen worden waargenomen bij het gele vlasbekje (Linaria vulgaris), bij eenige soorten der Orchideeën, en bij vele andere planten.
De onregelmatige vorm van den bloesem keert dus nu en dan tot den regelmatigen vorm der stamouders terug.
Vai het grootste belang zijn echter de feiten van de progressieve of voortgaande overerving. Haar kenmerk is: dat ook individueel»
84
MOZES OF DARWIN?
JcenfeeJcenen, d.iv.z. pas verworven fcentcekenen en eigenschappen van jongen datum door de nakomelingen overgeërfd kunnen worden.
Zooals bekend is kan een mensch met gezonde oogen door groote en aanhoudende inspanning van het gezichtsorgaan bijziende worden. Als voorbeeld diene het volgende: een 15jarig© jongen met normale oogen, die plotseling van den veldarbeid op een hoogere burgerschool geplaatst werd, werd in hot korte tijdperk van April tol September 1859 sterk bijziend. Dat organisch gebrek is volgens mijn overtuiging een gevolg van de zondige schoolpraktijk; het is een angstwekkend bijna algemeen verschijnsel geworden â en dat uitsluitend door de school. Nu is het evenwel bekend, dat bijziendheid1 niet alleen verkregen maar ook overgeërfd kan worden. De ouders en grootouders van den löjarigen scholier waren hun leven lang normaal ziend geweest ; maar zijn kinderen zullen nog bijziender dan hij worden, want de praktijk op de hoogere burgerscholen is op de meeste plaatsen nog dezelfde als anno 1859.
Evenzoo is het gesteld met den aanleg voor tering. Die engel des doods van de moderne menschheid is de eigenlijke proletariërsziekte. Zij kan tengevolge van harden arbeid en slechte voeding door iedereen gekregen, maar blijkens de ervaring ook overgeërfd worden. In dit feit ligt een ernstige vermaning aan wetgevers en leiders der volkeren; want door de erfelijkheid stijgt de aanleg zoodanig, dat geheele familiën en geslachten uitsterven.
Verder is het bekend, dat de physiognomic, gelaatsuitdrukking, de lichaamsgrootte, de gevuldheid of de magerheid, de schoonheid en de leelijkheid van geslacht tot geslacht overgeërfd kunen worden.
Eveneens kunnen een geestelijke aanleg, zedelijke en onzedelijke neigingen van nieuweren oorsprong overgeërfd worden. Muzikale talenten werden langen tijd in sterke mate in de familie Bach, wiskunstige aanleg in de familie Bernoulli, talent voor taalonderzoek in de familie Schlegel, voor natuuronderzoek in de familiën De Can-dolle, Darwin, St. Hilaire, voor schilderkunst in de familie Kaulbach, voor veelschrijverij in de familie Dumas overgeërfd.
Ook zielsziekten, die overigens slechts de uitdrukking van stoffelijke veranderingen in de hersenen zijn, worden zeer gemakkelijk en dikwijls in een afschrikwekkende progressie overgeërfd.
Niet minder gemakkelijk worden hartstochten, als: drankmisbruik, speelzucht, aanleg voor liegen, afzetterij en dergelijke overgeërfd. De zucht tot diefstal, roof en moord wordt in vele gevallen zeker overgeërfd, zoodat er dikwijls met de beste opvoeding niets kan uitgewerkt worden.
Een sterk sprekend voorbeeld moge hier een plaats vinden :
Jean Chretien, een Franscliman, had drie zonen: Piet, Thomas en Johan Baptist.
De zoon van Piet werd wegens diefstal en moord tot levenslange tuchthuisstraf veroordeeld.
Thomas had twee zoons:
Frans, wegens moord tot dwangarbeid, en Martin, wegens moord ter dood veroordeeld.
85
MOZES OF DARWIN 1
De zoon van Martin stierf in Cayenne, waarheen hij wegens diefstal verbannen was.
Johan Baptist had een zoon,âJohan Frans, die met de dochter uit een brandstichtersfamilie huwde. Uit dat huwelijk ontsproten zeven kinderen:
Johan Frans (de jongere) stierf in de gevangenis, waarin hij wegens herhaalde diefstallen geraakt was.
Benoist, deed geen kwaad (hij stierf ten gevolge van een val).
F. . . ., bijgenaamd Clain, stierf op 25-jarigen leeftijd als een dief.
Marie-Reine, wegens diefstal in de gevangenis gebracht, stierf aldaar. Marie Rose eveneens.
Victor zat in het jaar 1870 nog in de gevangenis voor diefstal; of hij er levend uitgekomen is en toen een brave man geworden, hebben wij niet kunnen vernemen.
Victorine, die een zekeren Lemaire trouwde, is de moeder van een jongen, die wegens diefstal en moord ter dood veroordeeld werd.
Zoo tellen wij onder de zoons, kleinkinderen en achterkleinkinderen van een enkelen burger niet minder dan 10 individuen niet de zucht tot misdrijven, die hen in het verderf stort, met zedelijke gebreken, die drie, vier geslachten lang overgeërfd worden.
Van het bestaan der progressieve overerving is niemand vaster overtuigd dan de veefokker, de tuinman en de landbouwer, want alleen door de progressieve overerving is het mogelijk, nieuwe rassen en verscheidenheden te kweeken.
De heste fokdieren onderscheiden zich maar weinig van de goede dieren en toch bedingen zij een veel hoogeren prijs. Zoo is het gebeurd dat bijv. in den winter van '73 en ' 74 een fokstier van het Sim-menthaler ras voor niet minder dan 18000 frank verkocht werd. Wie zoo veel geld, het tienvoud van den gewonen prijs voor een enkel fokdier besteed^ die weet, dat de individueele en pas verworven ken-teekenen zich met groote waarschijnlijkheid op de nakomelingen zullen overplanten.
Inderdaad vergissen de fokkers zich zelden.
Een Engelsch renpaard. King Herod, won bij verschillende wedrennen de gezamenlijke som van vijf millioen frank en schonk aan niet minder dan 497 nakomelingen het leven; en al die laatste waren steeds de overwinnaars van andere paarden. Een ander renpaard, Eclipse, bracht 334 overwinnaars ter wereld.
De aangehaalde feiten brengen ons tot Het wêzen en de resultaten van de kunstmatige teeltkeus.
Hoe gelukt het den tuinman en den fokker nieuwe varieteiten te krijgen ? De mensch kan aan een dier of plant niets wezenlijks verande-
86
MOZES OF PAKWIS?
ren, het individu waartegenover hij zich bevindt is een uit de natuur ontstaan -weinig veranderlijk wezen.
Het in 't wild groeiende viooltje, dat de bloemkweeker van den akker haalt en in zijn tuin overplaatst, behoudt zijn door de natuur gegeven vorm. De vos, dien de jager in gevangenschap houdt, blijft een vos. Maar de mensch kan gedurende vele geslachten door een verstandige keuze bij het kweeken nieuwe rassen, nieuwe variëteiten telen.
De rationeele teelt is inderdaad eene, zij het ook niet moeielijk te leeren, kur.st; daarom spreekt men van een kunstmatige teeltkeus, die door den denkenden, zich zijn doel bewust zijnden tuinier of fokker uitgeoefend wordt.
Het wezen der kunstmatige teeltkeus berust eigenlijk op het volgende : onder vele gelijksoortige dieren of planten zoekt zich de kweeker enkele individuen uit, die hem voor de teelt het geschikst voorkomen^ Het zijn die individuen, die zich door een meer of minder groote afwijking van de andere individuen het gunstigst onderscheiden. Alleen die exemplaren gebruikt de kweeker ter voortplanting, terwijl hij al de andere individuen van de voortplanting uitsluit, uitroeit; zoo verkrijgt hij een tweede geslacht, waarmede hij op dezelfde wijze te werk gaat. Hetzelfde wordt bij de volgende geslachten herhaald, totdat het gewenschte verbeterde ras of varieteit meer of minder standvastig is geworden.
De tooverformule ter bereiking van een zeker gevolg bestaat daarin, dat men uit een aantal dieren of planten slechts de beste individuen ter voortplanting aanwendt; terwijl men alle minder gunstige individuen daarvan uitsluit.
Het kweeken is dus een voorttelen van het beste, het uitroeien van het minder goede.
Op die wijze is het den tuinman en dten landbouwer gelukt planten-verscheidenheden met grootere of kleinere, met dunne of dikke, zoete of bittere, drooge of sappige, vroegrijpe of late vruchten, met groote of met kleine bladen, arm of rijk aan bloemen, met langen of korten stengel, met dunne of meti dikke wortels te krijgen.
Door de rationeele teelt zijn bijna wonderen tot stand gebracht. Eenige voorbeelden mogen hier volgen. Prof. Hoffmann uit Gieszen, kreeg na eenige geslachten uit het wild' groeiend viooltje met bloemen van 6 millimeter middellijn een verscheidenheid, waarvan de bloemen 4 maal grooter â 24 millimeter in doorsnede waren. Het gewicht der in Engeland met grooten ijver aangekweekte kruisbessen is tengevolge van een rationeele teelt gedurende een: eeuw lang'meer dan 10 maal grooter geworden. De enkele schotsche roos werd vol en gaf na 9 a 10 jaar acht goede variteiten. Het suikergehalte der beetwortels werd sedert hun cultuur in Frankrijk verdubbeld. Het rijpen der erwten werd 21 dagen vervroegd. Door kunstmatige teelt verkreeg men uit de zure peer en uit den oneetbaren wilden appel duizenden verscheidenheden van goede tafelappelen en peren.
Op dergelijke wijze als de tuinman gaat de fokker te werk; hij kiest uit de vele individuen van een jong geslacht reeds de schoonste
87
MOZES OF DARWIN?
of meest produktieve uit, terwijl de overige van de voortplanting uitgesloten worden. Zoo worden bijv. in Saksen de ter voortplanting bestemde schapen, driemaal onderzocht voordat zij ter voortplanting toegelaten worden; onder de lammeren wordt slechts acht geslagen op die, welke de fijnste, door middel van een vergrootglas gemeten, wol hebben. Die gunstig gevormde individuen worden van een merk voorzien, om na afloop van een jaar ten tweeden male met de loep betreffende de fijnheid hunner wol onderzocht te worden. Bij dit tweede onderzoek worden wederom slechts de beste dieren uitgekozen en voor de derde en laatste onderzoeking bewaard, waarbij dan de laatste keuze der fokdieren plaats vindt; alle niet goedgekeurde schapen blijven van de voortplanting uitgesloten.
Op die wijze kreeg men schapen, wier wol twaalf maal dunner en fijner dan die van de andere schapen is. Aldus wordt door kunstmatige teelt door den mensch, die steeds een bepaald doel najaagt, in den loop van vele geslachten kleine veranderingen steeds zekerder overgeërfd en sterk ontwikkeld.
Ten slotte ontstaan er groote afwijkingen, die zoo kenmerkend schijnen, dat men er nu eindelijk in twijfel over geraken zou, hoe de oorspronkelijke stamvorm er uitgezien had. Dat was bijv. ten tijde van Darwin met de duiven het geval. Darwin, die zelf jaren lang de meest verschillende duivenrassen kweekte, was de eerste, die onom-stootelijk heeft bewezen, dat alle duivenrassen van een enkele soort afstammen, terwijl vroeger velen de meening toegedaan waren, dat de duiven van verschillende wilde soorten afgeleid waren.
Terwijl er geen twijfel bestaat, dat de verschillende paardenrassen, zoowel het plompe karrepaard als de vlugge Engelsche renner, de kleire ponny zoowel als de statige, vurige Arabier van eenzelfden stam gesproten zijn, is men in sommige andere gevallen niet zeker, of de verschillende rassen van een soort of wel van verschillende wilde soorten afstammen; zoo bijv. de honden en runder-rassen.
De strijd over dergelijke vragen bewijst slechts, dat de verandering der planten en dieren na lange tijdperken inderdaad verbazend groote verschillen opgeleverd heeft. Waar is het, wat Darwin zegt, dat de mensch door kunstmatige teeltkeus wonderen verrichten kan, zoodra een plant of dier maar eenmaal begonnen is te veranderen. De Engelsche fokkers hebben het in dit opzicht zoover gebracht, dat zij groote weddenschappen aangaan en dat zij nieuwe rassen kunnen dicteeren. Een specialiteit in varkens verkondigde de stelling, dat de pooten van die dieren de minst geschikte organen ter vetvorming zijn; men moest daarom rassen met zoo klein mogelijke pooten kweeken. Na verloop van enkele jaren verschenen de Engelsche fokkers met nieuwe rassen van varkens, wier beenen nauwelijks meer in staat waren het dikke lichaam te dragen.
Het doel der kunstmatige teelt is zeer verschillend; meestal bereikt men het doel dan slechts zeker, wanneer men maar één doelwit, de verbetering van een kenteeken in het oog houdt. Het is bijna ondenkbaar, het runderras zoodanig te verbeteren, dat do koeien gelijktijdig verbazend veel melk geven, veel arbeid verrichten
88
*
MOZES OP DARWIN? 89
en tegelijk een vet lichaam zouden vormen. Alles kan men niet in eens bereiken; dikwijls sluit de verbetering van een ras in de eene richting een verbetering in de andere uit. Een juist inzicht in die verhoudingen heeft daarom tot vorming van verschillende rassen geleid. Door kunstmatige teeltkeus kreeg men kort- en langbeenigo honden, veel en weinig melkgevende koeien, grof en fijnwollige schapen, kort en langharige huisdieren van verschillende soorten, postduiven, die snel vliegen, en tuimelaars, die niet ver vliegen, maar bijna loodrecht in de lucht stijgen, om daarna duikelend op aarde terug te komen. Er zijn zware en lichte duivenrassen; een duif van de zwaarste klas weegt vijfmaal meer dan een van het lichtste ras.
Ik vestig hier nog in 't bizonder de aandacht op de omstandigheid, dat de fokker of kweeker des te sneller zijn doel bereikt, naarmate hem een (jrooter aantal dieren en ylanten ter beschikking staan. Dat laat zich gemakkelijk begrijpen: hoe grooter keus, des te groo-ter de waarschijnlijkheid, dat onder vele individuen eenige exemplaren voorkomen, die den fokker bevallen en hem de moeite waard schijnen, voor fokdieren te gebruiken. Armoedige streken brengen bezwaarlijk een verbeterd schapen- of koeienras tot stand.
Een uitstekend hondenfokker antwoordde op de vraag, hoe hij zoo snel aan de beste rasdieren kwam; âIk fok veel honden en ik hang er veel op.quot;
Hoe sterker het uitroeiingsproces is, des te sneller zal het beoogde doel bereikt worden.
Wij komen nu tot de hoogst belangrijke vraag:
Worden er in de vrije natuur â zonder het ingrijpen van den kweehenden, voor doel en oogmerk uitkiezenden mensch â ook nieuwe rassen en nieuwe varieteiten gevormd?
Darwin geeft met zijn geniale leer van de natuurlijke teeltkeus in den strijd om het bestaan op die vraag een bevestigend antwoord. Die leer berust alleen op het
groote vermenigrvuldigringsvermogen der levende wezens.
Elke plant, elk dier en ieder mensch heeft, zooals bekend is, een beperkten levensduur. Daarna wordt het organismus een prooi van den dood : de atomen, die het lichaam samenstelden, gaan van elkander er verstrooien zich, om ergens elders in de eeuwig voortbrengende en eeuwig veer vernielende natuur een werkkring te vindén. quot;Vele denkende menschen klagen over de noodzakelijkheid van den dood, zonder te bedenken, dat wij allen, die thans leven en vroolijk het licht genieten, er niet zouden zijn, wanneer er geen dood bestond.
De dood is het einde van het individu, maar hij is tegelijk een groote weldaad voor het geheel. Zonder dood geen vooruitgang, en vooruitgang is leven; zoo is de dood van het individu de voorwaarde voor het leven der soort.
mozes of darwin 1
Wie in de natuur een moeder ziet, kan onmogelijk den dood vree-zen-
In haar is het leven slechts mogelijk door den dood. Zoodra de beweging in ons organisme slechts machine-achtig in de oude scharnieren herhaald wordt, wanneer de geschiktheid tot verdere variatie begint te verdwijnen, wanneer wij stilstaan, hebben wij het recht op het leven reeds verloren. De verschillende verschijnselen der buitenwereld maken ons benauwd en angstig, wij raken in tegenspraak met het almachtige leven en zullen bij een juiste erkenning der wetten van het heelal zonder spijt daarin berusten.
Ons leven is een deel van de eeuwigheid van het geheel, ons eigen zijn maar een klein deel van het eeuwig zijnde al; evenmin als dat verloren kan gaan, zal ook ons bestaan ten opzichte van het geheel totaal verloren zijn. Dat moet ons doen berusten, als de schaduw des doods over ons levenspad glijdt:
Ewige Natur! Zu dir halte meine Seele treul
Was ich bin, das gabst du mir,
Und du giebst es ewig neu.
Mehr nicht will ich sein als du; â
Lasz mich auch in dir vergeh'n!
Schenke mir von deiner Ruh'
Und von deinem Auferstehn.
(Baltzer.)
De natuur is levend, omdat zij in eeuwige beweging verkeert. De vormen, die zij schept, zijn verschijnselen, die zich wederkeerig verdringen en aflossen. Evenals de vallende steen de wet der zwaarte volgt, zoo zijn ook worden en vergaan slechts noodzakelijke verschijnselen van de wetten der natuur. De geboorte heeft noodzakelijk den dood ten gevolge, even als de dood op zijn beurt' de noodzakelijkheid van het worden in zich bevat.
Aan, die noodzakelijkheid van het worden wordt in de levende natuur uitdrukking gegeven door het vermogen ter vermenigvuldiging der organismen, dat zoo'n reusachtige bron van ontstaan vormt, dat wij er ons meestal nauwelijks een juiste voorstelling van kunnen maken.
Alle organismen hebben met elkaar gemeen, dat zij groeien en zich, na een zekere grootte bereikt te hebben, vermenigvuldigen. Bij de laagste wezens bestaat de vermenigvuldiging in een deeling, een vervallen in twee deelen van gelijke waarde, die zich als individuen verder ontwikkelen en op hun beurt door deeling vermenigvuldigen. Van enkele splijtzwammen is het bewezen, dat zij zich onder gunstige omstandigheden, wat voedsel betreft, en onder de vereischte temperatuur, alle tjwintig minuten verdubbelen kunnen, zoodat een enkele splijtzwam in een uur tot 8 individuen vermeerderd is, waarvan de nakomelingen zich na twee uren tot 64, na vier tot 4096, na acht uur tot over de 16 millioen en na 16 uur tot ongeveer 281 billioen individuen vermeerderen kunnen. De zwammen der aardappelziekte, der valsche meeldauw van de druif, en van de
90
MOZES OF DARWIN?
roest in het koren vermeerderen zich zoo snel, dat binnen enkele weken door een enkele zieke plant de oogst van geheele landen vernield kan worden. Mijn adsistent, Dr. Overton, die in den zomer van 1888 de wijze van voortplanten, van de sierlijke, kleine kogelplantjes (Volvox minor) nauwkeurig onderzocht, heeft berekend, dat dit organisme, hetwelk door een onderzoeker tot de dieren, door den anderen tot de planten gerekend wordt, zich binnen 30 dagen tot 60 millioen vermeerderen kan.
Een enkel blad van de mannelijke schildvaren kan ongeveer li millioen ter kieming geschikte voortplantingslichamen vormen, zoo-dat een krachtige varen in een enkelen zomer verscheidene millioenen kiemen voor nieuwe planten voortbrengt.
Zoo groot is het vermogen ter vermenigvuldiging bij de hoogere planten niet en toch is het aantal der jaarlijks nieuw gevormde zaden grooter dan wij denken; zoo kan bijv. een middelgroot exemplaar van het zwarte bilsenkruid (Hyoscyamus niger) niet minder dan 10000 rijpe zaden vormen. Een groote pereboom kan blijkens de ervaring twintig dubbele centenaars rijpe peren opbrengen, waarvan er gemiddeld 14 in een kilo gaan. Het aantal rijpe vruchten bedraagt dus circa 28000; elke rijpe peer kan 10 ter kieming geschikte zaden bevatten, zoodat bij zoo'n opbrengst het aantal rijpe zaden van een enkelen boom meer dan een kwart millioen bedraagt.
Wat een aantal zaden levert een enkele eik, de beuk, de linde, de den, de els, de esch, de jeneverbes, de paardenbloem, de klaproos, de distel!
Waarheen wij den blik ook wenden, steeds zien wij, dat er in het plantenrijk honderd, of duizend of een millioen maal meer kiemen gevormd worden dan er levende planten bestaan.
En evenzoo is het in de dierenwereld gesteld.
Sommige mikroskopisch kleine diertjes vermeerderen zich zoo snel, dat in één dag de nakomelingschap van een enkel dier honderdduizenden en millioenen bedragen kan.
Van den spoelworm (een in den darm van kleine kinderen dikwijls voorkomende ingewandsworm) is het bekend, dat een enkel exemplaar over de 60 millioen eieren kan leggen. De kabeljauw kan 3 tot 5 millioen ter ontwikkeling geschikte eieren voortbrengen. Een karper legt 200.000, een haring 40000 eieren. De hooger georganiseerde dieren brengen veel minder eieren voort ; zoo legt de struis-vegel jaarlijks slechts 12 tot 20 eieren. Indien zich echter de jongen ongehinderd uit die eieren ontwikkelen konden en die vermeerdering slechts enkele geslachten kon plaats vinden, dan zouden de struisvogels weldra de geheele aarde bedekken.
Vele zoogdieren zijn eveneens zoo vruchtbaar, dat zij dikwijls tengevolge van hunne snelle vermeerdering tot de grootste landplagen worden. Ik herinner o. a. aan de ramp der veldmuizen. De konijnen zijn nog altijd zoo vruchtbaar, dat een fokker binnen een jaar tijds van 10 fokdieren 800 tot 1000 kreeg. Die dieren werden doordekoio-nisten ook in Australië ingevoerd en ze hebben zich daar, in vrijheid losgelaten, tot een groote landplaag vermeerderd, zoodat de autori-
91
MOZES OF DARWIN?
teiten prijzen uitloven voor de vernietiging van die dieren, en er alleen in Nieuw Zuid-Wales van '83 tot '88 meer dan 9 millioen gulden voor dat doel is uitgegeven.
Het menschelijk geslacht vermenigvuldigt' zich. blijkens de ervaring langzaam, langzamer dan onder gunstige voorwaarden geschieden kon. Wanneer alle gezonde, volwassen menschen huwden â⢠dat velen zulks niet doen is een teeken van abnormale sociale ver» houdingen en gedeeltelijk ook van het verval der zeden â en er in elk huwelijk maar vier gezonde kinderen verwekt werden, die dan op hun beurt' zouden trouwen, dan zou het menschelijk geslacht bij toereikende middelen van bestaan alle 25 a 30 jaar verdubbelen, in 50 jaar verviervoudigen, enz. Dat zulks niet geschiedt, bewijst niet, dat het niet geschieden kan, maar alleen, dat er bij de vermeerdering storende faktoren werkzaam zijn, waarvan het onderzoek thans buiten onze taak ligt.
Wanneer wij de resultaten van de vorige beschouwing samen vatten, dan blijkt dat :
De natuur alle levende wezens met zoo'n vermogen ter vermenigvuldiging heeft toegerust, dat â ook wanneer slechts een klein deel der ter ontwikkeling geschikte kiemen tot wasdom geraakt â de aarde van schepsels wemelen moet.
Uit de verkwisting bij de voortbrenging van nieuwe kiemen ontstaat echter met ijzeren noodzakelijkheid
de strijd om het bestaan.
âStrijd om het bestaanquot;, wie kent die strijdleus niet!
Wij allen hebben haar vernomen en de meesten onzer hebben haar reeds duizendmaal uitgesproken â die pijnlijke strijdleus onzer eeuw.
Darwin heeft het woord bekend gemaakt. Velen wilden zijn waarheid niet erkennen en vonden het woord niet passend, ongeschikt, niet doeltreffend: â zij moeten dan op fluweel gelegen en eiken dag uitstekend gegeten hebben, zij moeten als planten eener broeikast een weelderige atmospheer ingeademd en in zoet nietsdoen verzonken, over de heerlijkheid van het zijn gepeinsd hebben; maar zij moeten slecht waargenomen, niets ervaren en niets gedacht hebben â die gelukkige ongelukkigen, die den strijd om het bestaan ontkennen, omdat zij dien niet zelf bespeurd hebben. â Zullen wij hen benijden 1 In geenen deel©! gezegend, die voortstuwende kracht in het leven van natuur en mensch! gezegend zij die steeds tot voortgaan prikkelende kracht, die dreigend en aansporend steeds op elk individu werkt, totdat dit alles doet wat het kan, en daardoor medewerkt aan het ontwikkelingsproces van het geheel.
De strijd om het bestaan â wie dien niet uit eigen ervaring kent, is nog geen mensch, is armzaliger dan een bedelaar â al zit hij ook op den hoogsten troon.
Leven is strijden, â wie niet te strijden heeft, kan onmogelijk van het leven een goed begrip hebben.
92
MOZES OF DARWIN1?
De strijd om het bestaan is zoo verschillend en verschijnt onder zoo onderscheidene vormen, dat het inderdaad ernstig nadenken ver. eischt, hem overal te herkennen. Het duidelijkst treedt zijn tragisch geweld te voorschijn, waar twee door geboorte gelijke strijders met hun leven tot inzet om den prijs van het zijn worstelen; waar twee kampen om een plaats, die slechts één verkrijgen kan, terwijl de ander ondergaat.
In zulke gevallen is de strijd gewoonlijk bloedig en eindigt met den dood van den overwonnene. In Amerika streden geruimen tijd en strijden heden nog twee strijders van gelijke geboorte om de heerschap}) ij over den grond en de jachtterreinen, die de Indianen in bezit hadden, maar waarop tegenwoordig meer en meer door de blanken aanspraak gemaakt wordt. Daar slaat de akkerbebouwende Kaïn, de blanke, zijn Nomadischen broeder Abel, den van de jacht en veeteelt levenden Roodhuid, dood. Het christendom van het bleek-gezicht was niet bij machte, den modernen âcultuurmenschquot; tot het ethische standpunt te verheffen, dat de aartsvader Abraham eens tegenover zijn broeder Loth innam; âzoo gij de linkerhand kiest, zoo zal ik ter rechterhand gaan, en zoo gij de rechterhand, zoo zal ik ter linkerhand gaan.quot; â (Gen. 13:9.)
Tijdens de volksverhuizing streden geheele volkeren achtereenvolgens in bloedigen kamp den, strijd om het bestaan.
De aziatische en half-aziatische barbaarschheid zal in de naaste toekomst met brutaal geweld de westersche beschaving en overbeschaving tot een strijd om het bestaan uitdagen, en daar brutaal, geweld en numerieke overmacht aan de eene zijde en brutale macht en geraffineerde krijgskunst aan de andere zullen staan, is het te voorzien, dat de strijd een grootere zal zijn, dan de wereldgeschiedenis ooit aanschouwd heeft. Geen mensch kan met zekerheid voorspellen, of de aziatische wals zegevierend over de Europeesche beschaving zal rollen of niet. Slechts één ding is zeker, nl. dat de menschheid er nog ver van verwijderd is, menschelijk te denken en menschelijk te handelen.
Even als de volkeren elkaar in den strijd om het bestaan verscheuren, hebben, van het ontstaan van het leven af, op onze planeet plantengeslacht tegen plantengeslacht, diersoort tegen diersoort elkander onderling bestreden.
In alle stilte wordt de strijd om het bestaan in de 'plantenwereld gestreden.
Waar in de vrije natuur een plaatsje openkomt, waar een plant te gronde gaat, staan duizenden sollicitanten voor de vacante plaats gereed, want de natuur schept duizend maal meer levensvatbare kiemen, dan tot aanvulling der ledige plaatsen, ten gevolge van het afsterven van oude planten, vereischt wordt. Op de zonnige plaatsen i:'. het bosch ziet ge den slanken, honderdjarigen den staan, die jaarlijks duizenden ter kieming geschikte zaden op de aarde uitstrooit. Vele van die zaden ontkiemen reeds tijdens het leven van den grooten boom; maar eerst; als deze afsterft, hetzij tengevolge van een storm, hetzij door den bijl van den mensch, kan een zijner
93
1I0ZE3 OF DARWIN?
kinderen zich machtig ontwikkelen. En honderden zijner kinderen strijden onder elkaar en met andere planten om die eene plaats, om hun bestaan.
Welke ran die duizenden sollicitanten zal het winnen! Iedere schooljongen zal het ons ten antwoord geven: zeker niet de zwakste, maar de sterkste en die in de gunstigst© omstandigheden verkeert .Eerst strijden vele der ontspruitende kiemen om dd plaats der oude planten. Jaarlijks zullen er op die plaats strijders vallen â natuurlijk de zwakste. Langzamerhand dunt het aantal concurrenten; maar de kracht van den strijd zal zoolang werkzaam zijn, tot er nog slechts één over zal zijn en alle andere overwonnen zal hebben.
In het stille, schaduwrijke woud, waar de adem des levens nauwelijks in staat is het blad aan een boom te bewegen, waar de natuur schijnbaar in een paradijsachtigen vrede droomend schept en scheppend droomt, terwijl de verzengende zonnestralen over het open veld strijken â in het stille woud met zijn Zondagsrust, sterven elke minuut duizend planten en kiemen in den strijd om het bestaan. De planten strijden om den grond, waarin zij heur wortels drijven, zij strijden om het water, dat zich in den grond bevindt, zij strijden om lucht en licht â en wie opmerkzaam toeziet, neemt in het stille rijk der plantenwereld overal ontelbare verschijnselen van den strijd om het bestaan waar, de strijd die overal verbetert-, overal uitroeit, overal tot inspanning van alle krachten en tot verdere ontwikkeling van een nuttigen aanleg dwingt, dus overal tegelijk vernielt en verbetert.
Ook in de dierenwereld is de strijd om het bestaan niet altijd bloedig, niet altijd geruchtmakend, maar daarom toch niet minder vernielend. De hongerdood, waardoor milliarden van dieren ten onder gaan, is maar het einde van een bizonderen vorm van den strijd. Een gelukkig instinct, een grooter verstand of een ander gunstig kenmerk van dergelijken aard kan het een of ander dier voor den hongerdood bewaren, terwijl duizend van zijn broeders een ellendi-gen dood sterven.
Hieruit blijkt duidelijk, dat zich in de vrije natuur â zonder de inwerking van een denkend of voor een einddoel scheppend wezen â-een schifting, een keuze doet gelden.
Onder de talrijke strijders om het bestaan overwint steeds de sterkste, d. i. die het best voor de omstandigheden is toegerust; alle zwakkere, minder goed toegeruste wezens delven vroeg of laat het onderspit; zij worden in den onmeedoogenden strijd om het bestaan uitgeroeid.
Dat is de natuurlyke teeltkeus.
Wanneer wij ons nu herinneren, hoe alle levende wezens meer of minder veranderen en hoe kleine veranderingen zeer dikwijls overgeërfd worden, dan begrijpen we zonder nadere toelichting, dat door de natuurlijke teeltkeus, door een natuurlijke schifting even goed
94
i
MOZES OP DARWIN 1
nieuwe rassen en varieteiten gevormd nor den als bij de kunstmatige.
De overwinning in den strijd om het bestaan hangt dikwijls van een haarfijn verschil af, maar door progressieve overerving neemt dat kleine verschil in grootte toe, totdat na vele geslachten het verschil zoo groot geworden is, dat wij van rassen, soort en geslacht spreken.
Een voorbeeld uit de dierenwereld moge dat ophelderen:
Laat ons veronderstellen, dat een zeker aantal roofvogels, die zich met kleine zoogdieren voeden, uit een landstreek naar een andere verdreven worden, waar slechts spaarzaam voedsel voor hen voorhanden is en dat uit zeer kleine dieren bijv. muizen bestaat. Die verhuizende vogels bezitten de gewoonte om in de lucht zwevend naar hun buit uit te zien. Nu is het duidelijk, dat in de nieuwe streek, waar de buit uit kleiner dieren bestaat dan vroeger in het oude vaderland, de roofvogels, die een scherper oog dan hun andere hongerige broeders hebben, een voordeel boven deze zullen bezitten. Zij zijn met behulp van hunne scherpere oogen in staat voldoend voedsel te vinden, terwijl de vogels met minder scherpen blik verhongeren en zonder nakomelingschap sterven zullen. Wanneer nu de overlevende vogels, die hun overwinning in den strijd om het bestaan aan hun scherpere oogen verschuldigd zijn, een nieuw geslacht voortbrengen, dan zullen er onder de jongen reeds meer procent met betere oogen toegerust zijn, dan in het vorige geslacht; maar steeds zullen er nog jonge vogels voorkomen, die slechts goedfe oogen bezitten. Ook in dat geslacht zullen de individuen, die de beste oogen hebben, het meeste voedsel vinden en daarom ook de krachtigste en meeste nakomelingen achterlaten. De natuurlijke teeltkeus zal ook in de volgende geslachten de beste oogen bevoordeelen en de minder scherpe achterstellen. In die streek zal dus een scherpziende vogelsoort ontstaan en door natuurlijke scliifting zal â zonder den invloed van een bezield wezen â de oude vorm in een nieuwen veranderd zijn. Van den laatsten zegt men, dat hij zich den nieuwen omstandigheden aangepast heeft.
In de plantenwereld vindt de onderzoeker duizenden voorbeelden van aanpassing tengevolge der natuurlijke teeltkeus, waar uiterst kleine verschillen bij den strijd den doorslag gegeven hebben. Ik herinner hier aan de voorbeelden van de verhoudingen tusschen bloemen en insecten; uit zeer eenvoudig bloeiende planten zijn langzamerhand gewassen met prachtig gekleurde of heerlijk riekende bloemen ontstaan, omdat zij des te zekerder door insecten, die de bestuiving veroorzaakten, bezocht werden, naarmate de bloemen mooier of welriekender waren, of meer honig afzonderden. De kleurenpracht der bloemen is niet het werk van een naar een doel werkenden schepper, maar het product van een natuurlijke schifting.
Over die bijna wonderbaar te noemen inrichtingen der bloemen,
95
MOZES OF DARWIN?
om de bestuiving door vreemde bloemen!) te begunstigen, en over de door den strijd om het bestaan veroorzaakte natuurlijke teeltkeus der bloeiende planten zijn boeken vol geschreven en elke week brengt nieuwe verhandelingen over bizondere gevallen van aanpassing en over de betrekking tusschen bloemen en insecten. Eerst thans is de plantkundige in staat het liefdesgeheim van elke bloem te doorgronden en bij de aankweeking nuttig toe te passen. Ongezocht doet men daarbij dikwijls nieuwe ervaringen op, die tot grooten stof-felijken zegen voeren. Een enkel voorbeeld daarvan zal ik hier vermelden : het is proefondervindelijk bewezen, dat de ooftboomen (appelen, peren, enz.) in den bloeitijd niet alleen mooi zonnig weer, maar ook het bezoek van bijen en hommels behoeven^ ten einde rijkelijk vruchten op te leveren. Wanneer er in een streek te weinig bijen en hommels zijn, om in korten tijd al de bloesems te bezoeken, heeft men minder ooft, dan wanneer die insecten in voldoend aantal voorhanden zijn. De toepassing ligt voor de hand: bevorder in ooft-kweekende streken de bijenteelt niet ter wille van het zoete gewin, maar nog meer ter wille van het belang der kweekers; want een enkele bij, die ter rechter tijd de appelbloesems bezoekt, zal oorzaak zijn, dat er zich honderden appels ontwikkelen, waar zonder hun honig-zoekend bedrijf geen enkele vrucht ontstaan zou.
In den strijd om het bestaan, door natuurlijke uitlezing zijn de prachtig gekleurde bloemen langzaam geteeld geworden. Millioenen planten zijn zonder nakomelingen ten onder gegaan, omdat zij in het verwerven van de gunst der insecten bij andere planten van haar gesla cht achterbleven.
De natuurlijke uitlezing is begrijpelijkerwijze ook voor het men-schelijk geslacht noodig.
Huim 2000 jaar lang heeft men de joden door allerlei denkbare uitzonderingswetten onderdrukt ; men heeft ze in alle landen verstrooid, van hun vaderland beroofd en dikwijls vogelvrij verklaard; men heeft hen nu en dan bloedig vervolgd en het leven zoo zuur gemaakt, als Christenen in staat zijn te doen. Daarbij hebben zij, die de macht ter onderdrukking bezaten, over het hoofd gezien, dat zij zelf de Nemesis van een natuurwet behulpzaam waren.
De onderdrukkers en vervolgers zijn er zelf de schuld aan, dat het verachte Joodsche volk heden ten dage alle andere rassen geestelijk overtreft; gene hebben door hun gruwelijk optreden tegen de kinderen Israels de natuurlijke teeltkeus in den zwaren strijd om het bestaan verscherpt. In dien strijd en onder de vervolgingen van verschillenden aard zijn onder de verstrooide nakomelingen van Jacob de meest ongunstig toegeruste, de eenvoudigste individuen uitgeroeid geworden, doordien zij onder dergelijke ongewisse omstandigheden van vermenigvuldigen uitgesloten, zonder nakomelingen stierven. Ik ken geen treffender voorbeeld uit de geschiedenis der menschheid, dat beter tegen een stelselmatige onderdrukking van
1) Hieronder wordt verstaan, dat de vrouwelijke deelen (de stampers) niet bevrucht worden door het stuifmeel, afkomstig van de mannelijke deelen (meeldraden) der zelfde bloem maar van die eener andere bloem.
96
MOZES OF DARWIN?
heel© volksklassen waarschuwt, dan hier het geval is. Wie rechtvaardig wil oordeelen, moet erkennen, dat de overwegende invloed der Joden in den laatsten tijd een noodzakelijk gevolg van vroegere oorzaken is.
Een ander voorbeeld van den invloed der natuurlijke teeltkeus op de natuurkundige verschillen: Het is bekend, dat in vele heete landen, voornamelijk in moerasachtig© streken, gevaarlijke koortsen, ^gele, intermediaire) heerschen, die zelfs ten deele een verder voort-dringen van het blank© ras verhinderen. Des ondanks hebben d© Europeanen getracht naar vele van dergelijke streken te emigreeren. Hoiuderden emigranten zijn door de koortsen overwonnen, terwijl andere daaraan weerstand boden. Die koortsen worden veroorzaakt door mikroskopische klein© zwammen, die bij het opdrogen uit den moerassigen bodem opstijgen, door den mensch ingeademd worden en door de longen in het bloed geraken. Wanneer die zwammen zich in het menschelijk bloed voeden en vermenigvuldigen kunnen, loopt de mensch gevaar een slachtoffer van de koorts te worden. â Nu is geconstateerd, dat de zwarte en roode rassen tegen de besmetting meer beveiligd zijn dan de blanken. Eveneens zijn er onder de laatst© enkelen, die er minder aanleg voor hebben dan anderen.
Het is e venwel duidelijk, dat de mikroskopische zwammen van genoemde koortsen, alle daar wonende menschen op dezelfde wijze bedreigen, want deze ademen dezelfde lucht in. Maar door het ziek worden en sterven worden voornamelijk die menschen uitgeroeid, in wier bloed de zwammen zich thuis gevoelen en vermenigvuldigen, terwijl de andere menschen, wier bloed minder voor de mikroskopische indringers geschikt is, er goed afkomen, gedijen en hun weerstandsvermogen op hun nakomelingen overerven.
Wij allen worden eiken dag door dergelijke zwammen bedreigd, die in ons gezonde bloed geraken. Vele dier kleine organismen hebben de geschiktheid zich in het bloed van slechtgevoede personen t© vermeerderen en hen in het verderf te storten. De zwakke individuen van ons geslacht worden daarom steeds door den dood bedreigd'. Dat wij nog ademen en ons in gezondheid verheugen, bewijst niet dat wij nooit verderfelijke besmettelijke zwammen ingeademd hebben, maar dat wij genoeg weerstandsvermogen bezaten om zegevierend uit den strijd te komen. Men zegt dan, dat ons lichaam zich naar de gegeven omstandigheden geschikt of aangepast heeft; duizenden anderen, die met ons geboren werden en naast ons opgroeiden, ontbrak het vermogen tot aanpassing en werden vóór ons uitgeroeid.
De beschouwing van de natuurlijke teeltkeus in den strijd om het bestaan leidt ons tot de conclusie: al de voortreffelijke inrichtingen, die wij aan de levende planten, aan het levende dier en den mensch bewonderen, zijn aanpassingen, die zich gedurende ontelbare geslachten bij het veranderen der organismen ouder den voortdurend verkzamen invloed der natuurlijke teeltkeus ontwikkeld hebben.
De natuur heeft millioenen verschillende veranderingen geschapen, zij heeft met milliarden levende wezens proeven genomen; maar de natuurlijke teeltkeus heeft alleen op de beste veranderingen acht
97
MOZBS OP DARWIN?
geslagen,deze door erving vermeerderd en na een reeks geslachten zoo vastgelegd, dat het den indruk kan geven, alsof zij van een eeuwigen duur waren.
Zoo is alles, wat thans leeft en kruipt, vliegt en zwemt het heste. van alles, dat onder de bestaande omstandigheden ontstaan kon.
In de vrije natuur heeft het betere het goede verdrongen.
Daarin ligt het middelpunt der nieuwe wereldbeschouwing.
Daarin ligt het brandpunt van de natuurerkenning.
Daarin ligt echter ook de brandstof, die het geheele gebouw der oude wereldbeschouwing in een hoop puin doet verkeeren. Daarin ligt het doodvonnis van de oude doelmatigheidsleer, de teleologie, volgens welke alles zoo heerlijk en wijs ingericht was, omdat hetdOor een op een mensch gelijkenden volgens doel en plannen formeerenden Schepper in het leven geroepen was.
Wij kunnen die oude, kinderlijke doelmatigheidsleer missen; wij moeten haar verzaken, want in de eeuwig bewegende stof ligt haar eigen scheppend'e kracht, in welke in te grijpen geen bovennatuurlijk wezen aanleiding en macht kan hebben. Alles wat bestaat, is, zooals het is, omdat het niet anders kon worden; het is natuurlijk geworden, niet goddelijk gewild; want ware dit laatste het geval dan moest de heele levende natuur volmaakter zijn, dan zij nu is. Want vele organismen zijn nu nog gebrekkig uitgerust en hun nakomelingen zullen zich verder ontwikkelen moeten, willen zij niet geheel van het wereldtooneel verdwijnen.
Wij zien het: het beginsel der natuurlijke teeltkeus is geen mysterie, geen geheimzinnig, geen bezield, geen zelfbewust, geen met een doel en volgens plannen, bewerkend, scheppend wezen. Veeleer is het een samenstelling van bekende natuurlijke factoren.
De hedendaagsche onderzoeker kan met recht zeggen: geeft mij een stukje levend plasma, dat niet eens den naam van dier of plant verdient, maar dat de geschiktheid bezit stoffen van buiten op te nemen, te groeien en zich in twee deelen te verdoelen, die zich op hun beurt; weer zóó gedragen, geeft mij een stukje plasma, dat maar weinig, o zoo weinig veranderbaar is en â wij zullen de heele levende schepping copieeren. ^
Maar de tegenstanders van Darwin's leer brengen hiertegen in: âWel verklaart Darwin door de natuurlijke teeltkeus het ontstaan van het volmaakte uit het onvolmaakte en eenvoudige; maar het ontstaan van het eerste leven verklaart hij nietquot; Dat is zoo ! â Maar wij zeggen op onze beurt, dat het nog geenszins bewezen is
1) De strijdbare wachters van het geloof hebben zich in hunne te^en schriften verschrikkelijk ontdaan gehouden over dezen zin. Hoe naïf ze doen! Maar dikwijls is het zeer voordeelig zich dommer te houden dan men werkelijk is. Niettemin laat ik den zin, woord voor woord staan.
Archimedes gebruikte een ander stout beeld: âGeef mij een steunpunt in de ruimte en ik til den tiemel met de aarde op.quot; Beeldspraak is altijd gevaarlijk: onlangs gebruikte ik de dichterlijke uitdrukking: âdemonische krachtenquot; â en onmiddellijk valt mij de demonische domheid op 't lijf met de beschuldiging, dat ik aan heksen en duivelen geloof. Voorgewende domheid met een scheutje boosaardigheid, dat is het echte!
98
M0ZE3 OF DARWIN?
dat het onmogelijk is uit âdoodequot; stoften, levend plasma te vormen.
Men vrage aan de hedendaagsclie chemici, physici en physiologen, of de wetenschap reden heeft er aan te twijfelen, eens uit âdoodequot; stoffen levend plasma te zien ontstaan.
Wij zijn nog pas in het begin van het natuuronderzoek en hebben er nauwelijks een voorgevoel van, wat de volgende eeuw aan wetenschappelijke ontdekkingen brengen zal.
Wij naderen het slot van onze beschouwing. In het kort zullen wij het worden van den mensch gedenken.
Ongetwijfeld is de natuurlijke teeltkeus in den strijd om het bestaan ook bij de ontwikkeling van ons eigen geslacht als voornaamste factor werkzaam geweest evenals bij het ontstaan uit dierlijke voorvaderen. Maar toen was het niet een teeltkeus in den zin van een begunstiging van lichaamskracht, maar een uitlezing in de richting van intellectueéle en zedelijke ontwikkeling. De tijdgenooten van den primitieven mensch, die nog half dier, half god was, waren verscheurende dieren en machtige monsters, waarmede hij zwaren strijd te voeren had; maar de mensch behaalde de overwinning dank zijne ontwikkeling van het verstand eni der sociale neigingen en deugden. Het ruwe geweld en de lichaamskrachten moesten meer en meer voor het verstand wijken. Het egoisme â die oorspronkelijke drijfkracht tot behoud van het individu, de eigenliefde van den éénling â werd meer en meer door de neiging tot bevordering van het geheel, tot behoud van gezin of stam, beteugeld en binnen zekere perken gehouden. In de plaats van het overmachtige dierlijke egois-mus trad meer en meer het altruisinus, de zorg voor anderen op.
Zoo staan wij heden ten dage nog midden in de ontwikkeling van het menschelijk geslacht. In dé kennis van ons verleden vinden wij de gegevens voor de toekomst. De ruwe strijd om het bestaan neemt meer en meer den vorm van een edelen wedijver in de verdere ontwikkeling van verstand en menschelijkheid aan. En waar het tegenovergestelde schijnt plaats te vinden, waar lompe kracht en ruw geweld als hoogste drijfvecren in het werk gesteld worden, vinden wij de betreurenswaardige neigingen tot een teruggaande of atavistische ontwikkeling, en reactionnairen teruggang naar de vroegere ontwikkelingstoestanden onzer vaderen, die dichter dan wij bij dc dierlijke voorvaderen stonden. Dergelijke veranderingen kunnen slechts voorbijgaand zijn; want
Aufwarts geht der Menschheit Gang;
Ob sich der Pfad auch krümmt und wind'et ;
Ja, ob er auch jahrhundertlang In dunkle Abgrundtiefen schwindet:
Nach oben wieder reiszt sie doch der Drang.
(Graf von Schach.)
Daarbij willen wij niet vergeten, dat de menschheid als een geheel nooit ofte nimmer voortdurend achteruit kan gaan. Enkele gedeel-
99
MOZES OF DARWIN?
ten, heele volken en natiën mogen stil staan of zelfs als een rem het rad van den gezamenlijken vooruitgang vertragen, het geheel beweegt zich toch in voorwaartsche richting, al moest het rad zijn rem ook verpletteren. Daarbij komt de gezamenlijke vooruitgang in ontwikkeling ieder individu ten goede, hoe dikwijls het tegendeel ook het geval schijnt te zijn. Het zijn ijdele drogredenen en onverstand, wanneer er beweerd wordt, dat het Darwinisme de heiliging van een aristocratische staatkunde, een verheerlijking van standen- en klas-senbevoorrechtiiig is, dat de leer van de teeltkeus in den strijd om het bestaan noodzakelijk tot goedkeuring van een aristokratische differentieering leidt. Het tegendeel is waar, en uit het beginsel der natuurlijke teeltkeus, zooals die door Darwin opgesteld is, vloeien alles behalve aristocratische gevolgen. Dat wil ik hier nog uiteenzetten.
Niemand zal het betwisten, dat dè wetenschappelijke en indus-trieele vooruitgang van onzen tijd op den arbeid van de intelligentste en vindingrijkste koppen berust. De laatsten worden evenwel niet alleen uit de huizen en paleizen der âbovenste tienduizendquot; gerecru-teerd, maar meestal uit de arbeidende klasse, waaronder de natuur voortdurend nieuwe talenten ontkiemen laat, terwijl in hoogere kringen menig genie in overdaad ten onder gaat. Verstandige staatslieden zijn reeds gaan inzien, dat het intellect der burgers de kostbaarste schat van een staat vormt en dat het allen burgers ten goede komt, wanneer elk uitstekend talent â onverschillig of het in de armste hut of in het rijkste paleis is geboren, â door opvoeding en onderwijs tot volkomen ontwikkeling gebracht wordt. Hoe grooter de keuze, des te zekerder de uitslag, des te sneller de vooruitgang in de richting van het betere, het volmaakte.
Wie dat inziet â en het is waarlijk niet moeielijk in te zien, wat ieder ervaren tuinman en rationeele fokker sind's onheugelijke tijden tot richtsnoer bij zijn werken genomen heeft â wie dat inziet, kan nimmer willen, dat het grootste deel van het arbeidende volk van het recht verstoken zou blijven, om zijn knappe zoons te laten studee-ren, omdat het hun daartoe aan middelen ontbreekt; wie dat beginsel der teeltkeus goed begrepen heeft, zal dadelijk tot het besluit komen: alle zorgvuldigheid bij opvoeding en opleiding, alle scholen zonder onderscheid en alle leermiddelen ter bevordering van de ontwikkeling der ontkiemende talenten â behooren aan de door de natuur (niet door geboorte !) meest begunstigden zonder aanzien van stand en geslacht.
Dat hebben de gezaghebbende opvoedingslichamen van het kanton Zürich reeds voor lange jaren â nog ten tijde van den genialen opvoedkundige Sieber â goed ingezien, toen zij ruime toelagen aan arme of onvermogende talentvolle scholieren verzekerden. Zoo heeft de staat Zürich in het jaar 1888 niet minder dan 29000 frank voor toelagen aan talentvolle leerlingen van de kweekschool voor onderwijzers te Küsnacht uitbetaald. Dat is zeker niet de uiting van een aristokratische politiek, maar de toepassing van Darwin's beginsel der teeltkeus op de demokratische staathuishouding van een volk;
100
MOZES OF DARWIN 1
dat is het uitvloeisel van de overtuiging, dat de vooruitgang des te overvloediger en zekerder is, naarmate het contingent, waaruit de hoofdarbeiders gerekruteerd worden, grooter is.
Nog is in die richting niet alles bereikt, waar tot heil van het geheel naar gestreefdl moet worden. De meeste geneesheeren en rechtsgeleerden worden heden nog alleen uit. de vermogende klassen gere» kruteerd, omdat die studiën van langen duur en zeer kostbaar zijn. Het geestelijk niveau en wetenschappelijk gehalte van den geneeskundigen stand zal sterk stijgen, wanneer de meest talentvolle jongens uit het geheele volk van staatswege in staat gesteld zijn, op elk gebied van het weten en kunnen te wedijveren.
Eerst wanneer alle wereldburgers ongehinderd met hunne talenten en gaven om het hoogste kunnen dingen, eerst dan zijn wij zeker, dat het geheel der door de natuur geschapem geestelijke krachten, zijn juiste gebruik en oefening vindt op den weg van een zegenrijken vooruitgang, die ontwijfelbaar ten slotte allen ten goede moet komen.
Met de vraag âMozes of Darwin?quot; ben ik begonnen. Sta mij toe dat ik met een tegenstelling van die twee machtige genieën eindig.
De Mozaïsche scheppingsgeschiedenis, zooals zij nu nog in de meeste lagere scholen van Europa, onderwezen wordt, is een theorie der vertwijfeling; zij plaatst in den beginne een volmaakt van zonden rein menschenpaar, wiens gezamenlijke nakomelingen tengevolge van den zondeval weerstandsloos ontaarden. Die leer heeft de wetenschap tegen zich.
Daarentegen is de leer der afstamming de theorie der gestadige ontwikkeling, de leer van. het voortschrijden van het onvolmaakte tot het volmaakte.
Zij is bewezen en geen enkel bekend feit is er mede in strijd. Zij bevat de belofte van een beteren toestand, zij is de leer der bemoediging en bezit een onschatbare opvocdkimdige kracht.
Hier hoop en belofte !
Ginds ontmoediging en vertwijfeling!
De keuze is aan U!
Een elftal jaren geleden heb ik in Uwe vereeniging hier in Zürich het Darwinisme in, een reeks openbare voordrachten ter sprake gebracht. Dat gij mij ook dit maal met zulke dankbare opmerkzaamheid aangehoord hebt, zal mij aanmoedigen, na verloop van 11 jaar weder tot U te komen.
Dan zullen wij nog eens over Mozes en Darwin spreken.
Wij zullen dan het jaar 1900 na Christus hebben.
101
IV.
EEN SlOTfOOED Mï TEGE1SÃMBEKS EI ÃE1E1EN ÃAN EE AFSTMliGSLEEE.
,,Iii Seelen, die das Le])en aushalten, Und Mitleid ül»en und menschlich walten, Mit vereinten Waffen. wiiken und schaffen Ti otz Holin und Spott:
,,Da ist Gott!quot;
(Fr. Vischer.)
Toen ik in de vorige Septembermaand (1888) op een zonnigen voormiddag met versoheiden© geestverwanten van Traunsee ter bedevaart naar het graf van mijn innig vereerden leeraar Fr. Vischer ging â hij ligt op het kerkhof te (imünden begraven â gonsden de bijen en vlogen de vlinders boven de graven, en op het graf van dien onvergetelijken doode, die tot aan het einde van zijn le\en een wakkere, dappere, machtige strijder voor geestesvrijheid en waarheid gebleven is, wiegden zich in de warme herfstlucht de teere bloemen, door een liefderijke hand daar geplant; en in de nabijheid wenkten talrijke grafteekens : zwarte, sombere kruizen als symbolen van het martelaarschap van groote denkers en tegelijk als symbolen \an een zwaar aardsch lijden, wat geen sterveling bespaard wordt. â Daar herinnert iemand aan Vischers heerlijke woorden : ,,In Seelen, die das Leben aushalten, und Mitleid üben und menschlich walten, nut vereinten Waffen wirken und schaffen, trotz Hohn und Spott; da ist Gott!quot;
Ja, zoo is het! Wat hebben vele der talrijk© leerlingen en vereerders van den grooten aesthetieus en vriend der waarheid zich aan die woorden gelaafd en er den moed uit geschept, om bij den zwaren strijd dapper vol te houden â âtrots hoon en spot,,. â Dat woord bezit een troostende kracht; ik ondervond het zoo goed, toen ei zich onlangs zoo'n groot geschreeuw en gejammer over de voordrachten, die de lezer hier in druk ziet, verhief.
De wijze, waarop er in de pers tegen de behandeling van de vraag âMozes of Darwin?quot; gestreden en geraasd is, ontheft mij van elke
MOZES OF DARWIN?
verplichting, om tegen enkele der vele tegenstanders een lans te breken. Vele dapperen onder de krijgers der reactie versmaadden liet om slechts bij hetgeen werkelijk gebeurd en gesproken is te blijven staan, en gaven er de voorkeur aan om deze voordrachten door middel van grove en fijne leugens, toedichtingen van verschillenden aard, woordverdraaiingen en uit hun verband gerukte zinnen in dis-crediet te brengen. Die wijze van strijden heeft mij geenszins verrast ; zij is bij de algemeene verleugening en karakterloosheid van een groot deel der woordvoerders in conservatieve en liberaliseerende politieke dagbladen zoo sterk in gebruik gekomen, dat we verbazend naïf moesten zijn, wanneer ons dat bevreemdde. Voor eerlijke tegenstanders nemen wij den hoed af; met de anderen te strijden zou onwaardig zijn. Ik kan mij er dus toe beperken, een woord tot hen te richten, die in beginsel van een andere wereldbeschouwing uitgaan. Een der eerbiedwaardigste van dlie tegenstanders is de âWelt-überblickerquot; in het âNidwaldner Volksblattquot; â de katholieke gees-telijke von Ah, een overtuigd katholiek en tegelijk een vriend van de volksschool, die zich door de bevordering van het onderwijs in het kanton Unterwalden groote verdiensten verworven heeft. Hij polemiseert tegen mijn voordracht reeds om den titel âMozes of Darwinquot; en zegt woordelijk:
,,Mit Verlaub und ersichtlich venvahren wir uns gegen diese Zusammenstellung, als ob Moses wie ein neidischer Professor dem Darwin gegenüberstehe. Was in den Büchern Mosis über die Erschaffung der Welt und des Mensehen er-zalilt wird, das ist nicht die Erfindung eines Gelelirten, das ist nicht die Le.hre Mosis â das ist das Wort und die. Cffenharung Gottes selber. Da lassen wir nicht markten und nicht nörgeln; in der heiligen Schrift verehren und glauben wir das Wort Gottes ; wir, nicht nur ultramontane Hetzkaplane, nicht nur Pabst und Bischöfe, sondern aucb Protestanten und Anglikaner, Juden, überhaupt die ganza gebildete Welt (?) und die Kritik von Jahrtausenden hat diesen unerschütterlichen Glauben zu einem unermeszlichen Meer augeschwelt, zu einem Meer von Glauben und Vereh-ruüg, zu einem Meer, das ein paar gelehrte Z we if Ier mit ihren hungrigen Löffeln nog lange nicht ausschöpfen werden. â Wo kamen wir hin mit diesem neuen Kirchenvater Darwin und Comp. ?quot;
103
Wat de goede heer pastoor verder van den strijd om het bestaan zegt, is bijna roerendl verschrikkelijk. Ja, als de Darwinisten werkelijk leerden, wat pastoor von Ah ons verkeerd toedicht, ja, dat kon menigeen ontzetten. Maar dat is het geval niet! Hij moet nu zelf maar een dezer voordrachten inzien en dan een oordeel vellen. Ik wil hem, ,,te goeder trouwquot; een exemplaar afstaan. 1)
1
Dat is ook geschied; de heer pastoor heeft er mij niet eens voor bedankt.
mozes op darwin?
Wanneer pastoor von Ah een vriend der waarheid is â en dat moet hij wel zijn, daar hij inderdaad het volk liefheeft â moet hij bij gelegenheid eens het fraaie werk van zijn geestelijken collega A. Wysard âEin G-ang durclis Alte Testamentquot; (Zurich bei Ceasar Schmidt, 1877) ter hand nemen en zonder vooringenomenheid! doorlezein. Wanneer hij dan nog in staat is, zich aan ons Darwinisten te ergeren, omdat wij niet meer aan de scheppingsgeschiedenis van Mozes gelooven â nu, dan is er eenvoudig niets aan zijn kwaal te doen. Dan zeggen wij hem: de roomsche kerk heeft zich toch naar de Copemicaansche waarheid moeten schikken en zij heeft er zich naar geschikt, niettegenstaande het haar moedelijk viel; want de roomsche kerk heeft wegens die waarheid G-iordano Bruno levend verbrand en over die dwaling en over die zonde schaamt zij zich heden nog. 1) Diezelfde roomsche kerk moet en zal zich ookr naar de afstammingswaarheid schikken, tenzij zij zich eigenzinnig door de voortschrijdende cultuur en wetenschap ten onder wil laten brengen. â Wij zijn niet âeen paarquot; maar wij tellen honderdduizenden â ons kan het overigens onverschillig zijn,welk standpunt de roomsche kerk tegenover de resultaten, van het onderzoek der natuur wil innemen; want wij zullen, ondanks vloeken en tergen, rustig in onze laboratoria en buiten in het vrije veld voortgaan met arbeiden. Wij hebben toch gezien, dat al de weerstand van de kerk niet in staat was de ontdekking van Amerika tegen te gaan. De geschiedenis meldt, dat de Spaansche geestelijkheid; lm denkbeeld van den bolvorm der aarde en het voornemen van Columbus, om de aarde om te zeilen, voor ongodsdienstig en kettersch verklaarde. De kerkvergadering te Salamanca gaf den wakkeren Genuees, toen hij, om Amerika te ontdekken, de gevaarlijke zeereis ondernam, in plaats van heilwenschen den vreeselijksten banvloek op reis mede, omdat de boeken van Mozes, de psalmen, de prophe-ten, de evangelisten, de brieven en de geschriften der kerkvaders tegen dat voornemen getuigden. Welk voordeel heeft die banvloek der kerk verschaft, welke schade der wetenschap berokkend? Amerika is toch ontdekt geworden en thans eten wij in Zwitserland â zelfs in de liefelijke dalen van Unterwalden â Amerikaansch brood! Zie, waarde heer pastoor, de kerk dwaalt steeds en nóg eens weer, als zij meent in haar eigenbelang den vooruitgang der menschelijke gedachte en den arbeid van ernstige zeevaarders en de logica der onderzoekers in miscrediet te moeten brengen, want de wetenschap gaat steeds verder, zij staat niet stil, maar ontwikkelt zich steeds
404
1
De kerk heeft levend doen verbranden: Arnold v. Bresciai anno 1155 te Rome; Johannes Husz, 1415teConstanz; Savonarola» 23 Mei 1498 te Florence; Michael Servet, 23 Oct, 1553 te Genève; Giordano Bruno, 17 Febr. 1600 te Rome; Vanini, 9 Febr. 1619 te Toulouse. Bovendien nog eenige honderdduizenden ketters en ketterschen, heksen en heksenmeesters, die in de barbaarsche eeuwen van blinden godsdienstigen vervolgingswaanzin in de verschillende landen der heilige Christenheid op den brandstapel ter meerdere eere Gods vermoord zijn.
[Omtrent Michael Servet en Bruno, zie men de uitvoerige levensbeschrijvingen door de Vereeniging De Dageraad uitgegeven. Even leerzaam zijn de âvijf en twintig bewijzen voor de christelijke waarheid,quot; te verkrijgen bij den uitgever dezes. yert.]
MOZES OF DARWIN 1
105
meer en meer en zal, zoolang1 er menschen zijn, niefc meer rusten. Zij is de grootste macht op aarde geworden, omdat zij den mensch de heerschappij over de natuur verschaft heeft, omdat zij gelukzaligheid aanbrengt â en wel hier hij ons leven, en niet hiernamaals, in de eeuwigheid'. Zelfs de kerk versmaadde het niet, van de weldaden te genieten, die de verketterde natuuronderzoeker op de tafel des levens neerlegde. Weldra zullen electrische gloeilichten op uwe altaren en in de âeeuwigequot; lampen hun schitterend licht verspreiden. Ge hebt van den paus machtiging gekregen, per telephoon de biecht van een stervende af te nemen en per telephoon absolutie to geven. Ketters hebben den telephoon uitgevonden; natuurkundigen a la Galilei en Volta waren het, die de electriciteit in dienst van den mensch brachten. Zie, waarde heer pastoor, de kerk heeft dikwijls tegen de wetenschap en tegen de heilige natuur gezondigd. Het is hoog tijd, dat zij haar strakheid aflegt en eindelijk begint verdraagzaam te worden. Geen braaf Katholiek zal voortaan willen, dat men zijn naaste om zijn wetenschap en zijn ongeloof pijnigen, op het rooster braden of aan den paal verbranden gaat. Wie in onze dagen nog woeden wilde op de1 wijze van enkele heetgebakerde ultramontanen van de âOstschweizquot; en van eenige plaatselijke blaadjes van het katholieke deel van Zwitserland, zou zich slechts voor eeuwig bla-meeren en aan den gerecht vaardigden spot van alle medeburgers prijs geven; 1) want hij zou daardoor tot een lageren trap van ontwikkeling terugkeeren toen het dierlijke nog de overhand op het menschelijke had. In den terugslag (atavismus) is geen heil maar verderf te vinden; dat leeren de eeuwige natuurwetten, en dat moet gij bedenken, waarde menschenvriend! aanpassen of ten ondergaan, dat is het alternatief voor elke menschelijke richting!
Ik weet zeer goed, dat er onder de roomsch-katholieke clerus verlichte denkers, ja zelfs vrijdenkers zijn, die niet meer aan de doode letter der overlevering blijven hangen, maar den geest des tijds en den vooruitgang der menschelijke gedachten begrepen hebben. Maar velen van hen missen den moed openlijk te zeggen, wat zij door diep gepeins gevonden hebben, omdat zij meenen, dat het blinde geloof goed genoeg is voor het âgemeene volkquot;. Zij hebben te weinig vertrouwen in het bevattingsvermogen en het zedelijke gehalte van het volk en denken ongeveer zoo als Virchow = âwetenschappelijke waarheden ! â dat is goed! voor de geleerden en beschaafden â gelooven en niet weten is echter goed voor het volk!quot; â Dat is een verkeerde rekening; want het volk is niet alleen intelligenter, maar ook zedelijk veel beter dan die heeren gelooven. En dat volk wordt toch on-
1
Het is ook bepaald onbegrijpelijk, hoe diezelfde heer pastoor von Ah in den zomer van 1894 zoo volkomen dwaas te werk kon gaan, toen hij in het âNidwaldner Voiksblattquot; den waanzin der anarchistische gruweldaden op den kerfstok der wetenschappen sneed. De goede heer was er niet mee tevreden, dat men na den moord op Carnot slechts 200 anarchisten te Parijs gevangen nam, men had ook me'een 200 professoren achter slot moeten brengen. Waarom dan maar niet in dezelfde moeite alle hoogleeraren in de gevangenis geworpen en dan aile hoogescholen gesloten ?! â Maar, eilacy, dat zou zelfs niet meer helpen!
MOZES OF DARWIN?
derricht, zelfs wanneer alle professoren der wereld het versmaden in arbeidersvergaderingen, hefc eene of andere groote vraagstuk ter sprake t© brengen. Wanneer echter het verstandige volk steeds zien moet,dat men het met steenen wil spijzigen en steeds aan den band van onwetendheid rondleiden, dan keert het den priesters eenvoudig den rug toe. Dat is zeer natuurlijk en. billijk ook; want de arbeider heeft even zoo goed aanspraak op waarheid als de niet-arbeidende mensch, neen, hij heeft er zelfs een grooter recht op, omdat ook de wetenschappelijke waarheid het product van den menschelijken geest, van arbeid is.
Wat ik in het voorafgaande meer speciaal tot den weleerwaarden pastoor von Ah gezegd heb, geldt ook voor velen zijner beroepsgenoo-ten; dat mag bij gelegenheid dus ook wel eens overwogen worden door protestantsche herders en luthersche schoolbesturen; want met een paar vrome machtspreuken kan men zich niet meer afmaken van onze brandende schoolvraag, zooals ik haar in mijne voordrachten tot een voorwerp van openlijke discussie gemaakt heb. Zelfs Dr. Eberhard Dennert, leeraar aan het Evang. Pedagogium te Godesberg am/Rhein, die den 9 Oct. 1889 in een groote vergadering te Essen der confessioneele scholen een voordracht hield tegen mijn brochure, kan de zegepraal der afstammingsleer niet meer tegenhouden. Die leer laat zich niet meer loochenen; daarentegen maken zulke geloofshelden zich slechts belachelijk, als hij aan 't eind van zijn met onwaarheid doorspekte rede pathetisch uitroept:
,.Mozes of Darwin?quot; zoo luidt Dodel's vraag. Ik antwoord : geen van beiden, maar dele vende God, Schep per van Hemel en aarde.
Is dat nu een antwoord op deze vraag: âMoet in de openbare volksschool nog steeds de onhoudbaar geworden wonderscheppings-leer uit den Bijbel of de wetenschappelijk gevestigde ontwikkelingsleer onderwezen wordten? âDat is immers de zin van mijn strijdvraag? â De heer Dr. Dennert gaat daarbij niet geheel eerlijk te werk, wanneer hij wil, dat noch Mozes noch Darwin in de school wordt onderwezen, maar âDe levende God, Schepper van Hemel en Aardequot;.
106
Is dan die, âlevende Godquot; niet de Jehova Elohim van den joodschen voorganger Mozes? â Ja, niet waar !! â Dus dan toch voor âMozesquot; ! Waarde dokter, geen goochelarij asjeblieft 1)
1
Van denzelfden Dr. Dennert is kort geleden een ander vlugschrift verschenen, waarover ik gevoegelijk tot de orde van den dag kan overgaan. Ik weet precies, wat ik zeg, als ik dit jongste product van zijn religieus fanatisme een uiting van de belachelijkste bekrompenheid noem. Slechts een enkel staaltje ter illustreering. Dennert schrijft b.v. op bl. 20, reg. v. o. woordelijk; «Hackel is in de wetenschap een dood manquot;. Daarmede is toch alles aangegeven, wat noodig is om 's mans geestestoestand te leeren kennen. De duizenden geleerden uit alle werelddeelen, die Hackel in Feb. 94 op zijn 60en verjaardag gevierd hebben, zullen waarschijnlijk vragen wat men van duitsche onderwijzerskweekscholen verwachten mag, als er zulke lichtontstekers voorganger zijn. O, alles, alles is nog tot in het hart toe ziek!
MOZES OF DARWIN?
Van al de tegenstanders der afstammingsleer, die zich naar aanleiding der voordracht âMozes of Darwin?quot; in postuur plaatsten, hebben de protestansche dompers zich het belachelijkst gedragen. Een stroom van allerlei smaadredenen1 golfde naar mij toe: traktaatjes en lafhartige ongeteekende brieven, spotverzen en krantenartikelen voi gif en logen, stroomden uit alle streken van ons dierbaar vaderland, maar voornamelijk uit het aan dompers rijke kanton Bern te voorschijn. Weldra was er geen viervoetig dier meer te vinden, welks naam mij arme, niet naar het hoofd geslingerd was. Ik dach^ aan het pinksterfeest en vroeg mij af: is dkit de geest Gods, die boven uwe hoofden zweeft, als gij zulke gedachten in Uwe hersens uitbroeit, gelijk er in uwe âBlatter n für die christliche Schulequot; het Organ des evangelischen Schuivereins der Schwéiz onder redactie van Howald, leeraar aan de kweekschool te Bern afgedrukt worden 1 Hier volgt een monstertje van dien âzoeten wijn
,,W enn die An- und Nachbeter der materialistisch Dar-winistisch-Hackerschen. Deszendenz-Hypothese ihren Un-sinn still für sich behielten, so würden wir denken: Ei, nun, anderen Verrückten musz man ihre fixe Idee aucli lassen (sic!); mögen sie ihren Stammbaum auf Mops oder Kater, Schwein oder Affe zurückfüliren oder nach ilirer Art im Uischlamm wühlen, das ist ihre eigene Sache.quot;
(Bliltter für die christl. Schule 1889, pag. 58.)
De christelijke schrijver van die teer gevoelde, maar wat stijl betreft zeer gebrekkige regels, rekent zich zelf zooals uit den woordengang van die heilige rede blijkt, tot do âverrücktenquot; met ,,fixe Ideequot; behepte. Ik wensch hem geluk met die juiste zelfkennis van een leeraar en bedank mijnerzijds door de mededeeling van de volgende veel-beteekenende feiten :
Zooals het nu te Godesberg staat, zoo is het ook met het gros der kweekscholen in Duitschland, Oostenrijk (gedeeltelijk ook in Zwitserland) gelegen. Men leze slechts het jongst verschenen werk bij Thiele in Leipzig-Wurzen: »Der VoIKsschullehrer ein Paria, der modernen Gesellschaftquot;. Dat is een cultuurbeeld van het einde onzer eeuw, dat de onderwijzers van over 50 jaren met dezelfde verbazing en verontwaardiging zullen lezen als wij nu kennis namen van het âLeiden und Freuden eines Schulmeisters,quot; de realistische beschrijving door J'eremias Godthelff van ongeloofelijke toestanden van 60 jaar geleden. De onderwijzers-kweekscholen hebben hun tijd gehad; zoo moet het oordeel der volksonderwijzers zijn, wanneer zij zien hoe erbarmelijk zich een leeraar voor de geheele wereld ten toon stelt.
Uit den geest echter, die nog aan vele luthersche kweekscholen heerscht, grijnst meer dan ooit ons toe het spook van middeleemosche onverdraagzaamheid en vervolgingsiooede. De orthodox-luthersche geestelijkheid is wraakgieriger geworden dan de roomsche geestelijkheid ooit geweest is. Men durft wel is waar tegenwoordig geen brandstapels meer op te richten om de levenden te roosteren, doch met groot talent past men nu den maatregel toe van honger en eerroof. De paap, die krachtens zijn macht een armen schoolmeester aan den dijk zet en hem met al de zijnen aan den honger prijs geeft, is niet beter dan welk der wreedste inquisiteurs ook uit vorige eeuwen. Honger is langzame dood.
107
MOZES OF DABWIN!
1) De âBlatter für die christliche Schulequot; heeten het âOrgan des Evangelischen Sohulvereins der Schweizquot;, waartoe ook de leeraren van het âEvangelischen Seminarium m Un-terstrasz (Zurich) behooren. _ â . tt ,
2) ian het âEvangelische Lehrersemmar m Unterstrasz is sedert een 15 tal jaren een degelijke natuuronderzoeker als leeraar in de natuurwetenschappen werkzaam, die, naar bekend is, van de waarheid der afstammingsleer overtuigd is, en daarvan voor zijne leerlingen eu collegaas geen geheim
maakt. i ⢠i vgt;
3) Den vromen directeur van die kweekschool is net De-kend, dat bedoelde leeraar van de waarheid der afstammingsleer overtuigd was en nog is; des ondanks liet hij het hoogst belangrijke onderwijs aan hem over.
Wat ze(rt gij daarvan, gij Zionswacliters der âBlatter für dio christliche Schule?quot; Onder uwe eigen lieden zijn Danvinisten en toch raust gij als bezetenen tegen het Darwinisme. Geeft gij u niet af met tweeerlei boekhouden! met enkel boekhouden voor de âkinderen dezer wereldquot; waar het debet der wetenschap tegenover het credit van het geloof geplaatst wordt en een met diMel boekhouden voor u, de âheiligen.quot; Meent gij over anderen te mogen richten en den staf te breken, terwijl gij zelf in misdaden zwemt? Dat. is valsch spelen ! Wij zien u in de kaart en laten dit spel evenmin gelden, als dat, waarin huichelarij en onwaarheid den boventoon voeren.
Dus ook bij de âEvangelischenquot; dezelfde praktijk: boven waarheid, beneden dwaling! En dan zou men nog willen zeggen, dat het nog geen tijd is, zulke dingen openbaar te maken!
Met deze liieraan onmiddellijk voorafgaande regelen heb ik in liet leger der âEvangelisclienquot; groote beroering ver-wekt. Als men op liet kreupelhout klopt, dan komt er zoo iets voor den dag. Zoo ook in dit geval: Tusschen den 2en en den 3en druk dezer brochure verschenen er uit dit leger, onafhankelijk van elkander, twee tegengeschriften, het eene onder den titel van ,,Antidodelquot; door Dr. G. Beek, leeraar in de natuurwetenschappen aan het gymnasium te Bern, het andere onder den titel ,,Mozes of Darwin' door Dr. Dennert (den lezer reeds bekend). Een bescheiden voorloo-per van deze geschriften gaf Jozef Diebolder, onderwijzer in de natuurkunde aan de katholieke burgerschool te St. Gallen. Heeft het laatstgenoemde geschrift zelfs niet een warme aanbeveling gehad en was het niet bij machte om ook maar één onderwijzer in geestdrift te brengen, de beide eerstgenoemde zijn volkomen machteloos om iemand, wien ook, weer te bekeeren tot de Evangelische geloofsartikelen. Diebolder was naif genoeg om te bekennen, ,,dat hij geen nieuwe gezichtspunten kon aanbiedenquot; ; daardoor wist de lezer vooruit, dat hij slechts frisch opgewarmde, reeds lang kracht- en nutteloos gebleken argumenten tegen de afstam-
108
MOZES OF DARWIN?
iniLgsleer te slikken zou krijgen. Het totale fiasco dezer brochure werd daarmede verzekerd.
Wat nu het pamflet van Dr. Beek, den ,,Antidodelquot; betreft, dat zoo hoog geprezen is onder de Zwitsersche vromen, dit is juist het zwakste van alle verschenen verweeren. In wetenschappelijke waarde staat het ver beneden Diebolder's brochure; daarbij is het zoozeer het werk van een lon^pen vlegel (hij gooit met âMaul, Humbug, Domkoppenquot;, met de barones Vetsera â de Dokter heeft de Mémoires van deze dame zeker wel gelezen â met ,,Schwindel, Miethlingen, W ölfenquot;, met ,,Geflunkerquot;, e.d.), ik herhaal: van een vlegel, dat een fatsoenlijk man ,ook al was hij werkelijk gewend om in zijn hemdsmouwen te vechten, met zoo'n botten tegenstander niets te doen zou willen hebben. Dat ontslaat mij van de verplichting om hier breedvoerig er op in te gaan. Ik wil slechts een kenmerkend bedrog uit deze brochure aanhalen:
Dr. Beek werpt zich als St. George voor het Mozaïsch hijhei geloof in het zadel van zijn strijdros en vecht als een dolleman met allerlei sofisterij tegen de afstammingsleer. Dat wan ten minste zijne, hem door de vromen verstrekte, v)p-dracht. Dus hij zal Mozes redden! en nu luistere men mee verbazing en ontzag: hij beproeft zijn Mozes tot een profeet van de afstammingsleer te maken. Mozes een Darwinist in den ruimsten zin des woords. Wat ik u bidden mag, heer Dokter, maar zijt ge daar niet jammerlijk op een Jeelijk pad geraakt!? Mozes een Darwinist! Dat is hoog-komisch! Maar het staat zoo te lezen in Dr. Beck's brochure op bl. 15 en 16, waar deze trouwelooze wachter Sion's zich toe de volgende concessie waagt:
âIch zaudere keinen Augenhlick, zu gestehen, dass die Lthre von der Entwickelung der heutigen Natur aus höchst einfachen Anfdngen auch ,,meine feste TJeherzeugxingquot; ist und dass ich in diesem Sinne den groszartigen Arheiten Darwin's vieine unheschrdnkte Bewunderung zolle. Aber noch viel melir als Darwin's Werk gilt diese Bewunderung dem alten, ehrwürdigen Bericht Mosis, der zu einer Zeit ver-faszt warde, wo noch die gesammte Natur wissenschaft in den Windelen lag und der im Groszen* xjnd Ganzen* schon* die Hauptzüge der Entwicklun'o ünserer heutigen* Natur enthalt.quot; *)
l) De vertaling luidt als volgt. Om de curiositeit gaven we ook het origineel van het citaat. [Vertaler.]
^Ik aarzel geen oogenblik te erkennen, dal de leer van de ontwikkeling der natuur uit hoogst eenvoudige grondtypen ook mijn vaste overtuiging is, en dat ik in dezen zin voor den grootschen arbeid van Darwin onvoorwaardelijke bewondering gevoel. Maar déze bewondering koester ik in nog hooger mate voor het oude, eerwaardige Mozaisch verhaal, dat in een tijd vervaardigd werd, toen de gezamenlijke natuurwetenschappen nog in de windselen lagen, en dat in ruive trekken reeds de hoofdlijnen van de ontwikkeling onzer huidige natuur aangeeftquot;
109
MOZES OF DARWIN 1
Bijgevolg Mozea zal nog de ontdekker en de profeet der afstammingsleer worden! ? Ik breng den Doktor lüer ter heilzame overweging slechts 2 verzen uit het Evangelie van Lucas (Hfst. 20 vs. 60 en 61) in de herinnering: âMaar Petrus zeide: Mensch! ik weet niet wat gij zegt. En terstond, als hij nog sprak, kraaide de haan. En de Heer zich omheerende, zag Petrus aan j en Petrus werd indachtig des woords des Heeren, hoe hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij mij driemaal verloochenen.quot;
Dat is dus hun krijgslist? Omdat gij, brave geloovigen, de afstammingsleer niet meer vernietigen kunt en toch met allo macht aan Mozes wilt vasthouden, zoo beproeft ge nu zelfs om het Darwinisme in den Bijbel te brengen, zooals die kon. preus. gymn. directeur Dr. Karl Fischer in zijne âBijbelsche Psychologie, Biologie en Pedagogiequot;. Of is dit âMozaïsch Darwinismequot; van Dr. Beek alleen een snufje voor de âontwikkeldequot; vromen, terwijl de arme, de onontwikkelde, de onkundige geloovigen, den bijbel woordelijk moeten gelooven en de kinderen dus nog steeds de wondersprookjes slikken moeten? Slechts zoo krijgt het werkje van Beek een beteekenis. Maar dan is het een bedrog jegens het geloovige volk. Derhalve óf onzin óf een bedriegelijke schijnbeweging ! Het een of het ander, Heer Doktor! Wie zich, gelijk Dr. Beek, op den bodem der Ontwikkeling sleer plaatst, kan noch mag zich tot een verdediger van Mozes opwerpen. Hoe rijmt zich toch ontwikkeling en afstamming met den âaardkluitquot; Adam? Daar helpt geen sofisterij. Wie in waarheid aanhanger der afstammingsleer is, is tegen het Mozaisch scheppingsverhaal en de menschwording uit aardkluiten; wie echter dat laatste te goeder trouw aanhangt, kan zich niet een vriend van Darwin noemen. Het kwaad straft zich trouwens zelf, voor wie tegelijk de rol van verdediger des geloofs en die van Darwinist wil spelen. De bedriegerij is te doorzichtig.
Nu nog wat anders.
Dr. Beek veroorlooft zich de tastbare onwaarheid mij van verachting voor den bijbel te betichten. Het tegendeel is waar. Al geloofde ik ook sinds vijf en twintig jaar lang met alles, wat er in den bijbel staat, zoo is hij mij toch een geliefd boek gebleven om zijn talrijke wijze spreuken en dichterlijke schoonheden, een boek, waarin ik vaak gaarne lees, ook al zal ik het niet meer den kinderen en den zwakken van geest in de handen geven. Inderdaad is de Bijbel zoo vol interessante tegenstrijdigheden,1) dat ieder, van welke richting ook, er verzen uit kan aanhalen in zijn belang, en niet maar alleen de werkelijke menschenvriend, maar ook de
Zie âTegenstrijdige teksten uit den Bijbelquot; uitgegeven door de Vereeniging Be Dageraad.
410
M0ZE3 OF DARWIN?
slavenhouder; niet alleen de spiritualist, maar ook de materialist (bjjv. : ,,Maar een man sterft als hij verzwakt is en do mensch geeft den geest, waar is hij dan? De wateren verloopen uit in een meer en eene rivier droogt uit en verdort. Alzoo ligt de mensch neder en staat niet op ; totdat «Ie hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hunnen slaap opgewekt worden. Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Job 14 vs. 10, 11, 12, 14). 2) Juist die verbazende hoeveelheid van geestesrichtingen, die in den Bijbei aan het woord zijn, maken dit boek voor alle tijden niet alleen zeer interessant, maar onder omstandigheden ook zeer nuttig. Dat wij niet alles gelooven kunnen, wat in de ,,Heilige Scliriftquot; geschreven staat, moeten de vromen zelfs toegeven; zij immers gelooven absoluut niet de aangehaalde verzen uit Job?!
Dr. Beek en zijne huichelachtige vrienden ergeren zich over mijn beweren, dat ,,religiequot; onafhankelijk is van eenige leer of geloofsartikel. Ik heb juist vaak bevonden dat zij, die zoo prat gaan op hun rechtzinnigheid in het geloof en als de farizeër aan de hoeken der straten zich zeiven roemen, juist het minst van allen religie bezitten. Het is gelijk Fr. Th. V i s c h e r zeide :
,,Millioenen zielen, die nooit eenige innerlijke aanschouwing van het oneindige gehad hebben, noch ooit iets gevoeld van de verheven tragedie des levens, gelden in eigen en anderer oogen voor religieus, omdat zij ,,geloovenquot;. Deze noodlottige begripsverwarring is een algemeen vooroordeel geworden en heeft de macht verworven. Daardoor Z'j'i er duizenden gefolterd, verbrand, gekruisigd, geworgdj, verkracht, verminkt, de oogen uitgestoken, levend begraven, doodgestoken, gespietst, vergiftigdâer is geen denkbare beestachtige wreedheid, die door geloovige vervolgingswoede
niet tot volmaking is gebracht en toegepast.---Neen,
neen! Geloof en religie zijn twee en het eerste heeft de laatste onnoemelijk meer kwaad dan goeds gesticht.quot; â Hoort gij het, Dr. Beek? â ,,Wat,quot; zegt Vischer verder, ,,wij zouden het geloof weer opwekken?quot; â âNiets ervan, weg met het geloof, opdat de eeligie herleve.quot; (Auch Einer. Aus dem Tagebuch).
Zoo is het. Weg met het geloof, dan kan de religie leven. Wat wij den volke willen bieden in ruil voor het verouderde, slechte goed is meer kennis en ware ontwikkeling en minder geloof.
Dat het zoover komen zal en komen moet, is duidelijk, niettegenstaande Mozes nog steeds onder een of ander masker in het schoolonderwijs zijn wonderengeloof voortzet en nog wel eenigen tijd voortzetten zal.
De lezer zal zeker wel inzien, na deze uiteenzettingen,
Meer hierover vindt men in Dageraad 17 jaarg. bl. 534.
Ill
MOZES OF DARWIN ?
dat ik er niet over denk om op de ,, Tvetenschappelij ke'' bestrijdingen van Dr. Beck in te gaan. Evenmin op het andere gescbrift van den reeds meermalen aangeiiaalden Dr. D e n-nert, die aan het einde in deze komische jammerklacht losbarst: âHet konsekwent doorgevoerde Darwinisme voert tot de revolutie en de sociaal-democratie en zoo tot een zedelijk nihilisme!quot; O mijn beste profetische jongen! Daarvan kwamen toch niet de anderhalf millioen sociaal-democratische stemmen op 20 Februari 1890. Het is belachelijk aan het Darwinisme te willen wijten, dat tegenwoordig van alle partijen de sociaal-democratische de sterkste is en dat het socialisme in Frankrijk, Belgie en Italië zulke onverwachte vorderingen maakt. Het socialisme wortelt niet in het Darwinisme, maar in het weer ontwaakte bewustzijn van menschenwaarde en in het ontwakend altruïsme van allen, wien de Nazarener nader staat dan aan eenig leeraar van een evangelische onderwijzers-kweekschool.
De onderwijzers van de lagere school worden er echter aan herinnerd, dat het een slechte handeling is, iets voor heilig uit te geven, wat de wetenschap voor dwaling erkend heeft. Een oud en zeer geleerd man uit Zurich, een verdienstelijke strijder voor recht en waarheid, verhaalde mij onlangs het volgende. Het gebeurde op een avond in een gezelschap, waar de geschiedkundige nasporingen en de sage van Wilhelm Teil ter sprake kwamen. Een paar eenvoudige burgers wilden niet begrijpen, dat de geschiedenis van Teil niet waar, maar slechts een dichterlijke sage is. Men twistte er lang en breed over, totdat ten slotte toch, het kritiesch onderzoek zegevierde.
Toen stond een brave Zwitser van hoogen leeftijd op en wendde zich met de volgende woorden tot den verhaler: âLuister eens, wat ik over die geschiedenis te zeggen heb â wanneer het waar is, zooals de onderzoekers thans bewezen hebben, dat de geschiedenis van Teil, slechts een onbewezen mythe, slechts een schoone legende zonder feitelijken achtergrond is: dan was mijn ondenvijzer of een eerlooze bedrieger en leugenaar of â een domoor.quot;
De moraal van die gebeurtenis is ook van toepassing op de vraag âMozes of Darwin?quot; â wat zullen over eenige jaren de duizenden en honderdduizenden leerlingen zeggen, als zij vernemen, dat men hun in de volksschool bekende verdichtsels als onaantastbare waarheid opgedischt heeft, ofschoon de onderwijzers sedert 20â30 jaar zeer goed weten kondeni, hoe het met die waarheden gesteld was ? â zal het niet juist van de zijde der leerlingen, die wegens hun verstand d'en leeraar het liefst waren, eens uitgesproken worden quot;⢠âkom, blijf me met de bewering van een vooruitgang in het schoolwezen van het lijf â onderwijzers en schoolboeken staan nog in de middeleeuwen â hun zout is echter bitter geworden!quot; quot;Wee hem, die liegt! â Wie zich aan de waarheidsliefde der jeugd vergrijpt, wordt door diezelfde jeugd â als zij volwassen is â met verachting op het gezicht geslagen.
112
MOZES OF DARWIN?
De leugen loopt op den langen duur steeds op het tegenovergestelde van haar doel uit.
En nu ten slotte een liefelijk beeld.
Tengevolge van mijn voordrachten, die in de kringen van arbeiders en burgers zoo vriendelijk en met sympathie opgenomen werden, ontstond er alom in den lande een hoogst komische Dodeljacht, waarbij die dompers van het Bemerland zelfs de stokebranden van de ultramontaansche fractie der eerwaardige abdij van St. Gallen in niet-sierlijkheid van strijdenquot;overtroffen. Ondertusschen werd ook de ijver der vooruitgangs-gezinde protestantsche geestelijkheid wakker, en op Zondag den 17n Maart 1889 werden door de âVerein für freies Christenthumquot; allen, die nader bekend wilden worden met het âDarwinisme en socialisme, in het licht der christelijke wereldbeschouwingquot; tot het bijwonen van een voordracht uitgenoodigd. Het volk stroomde in menigte toe, zoodat er ook hier weer plaatsgebrek was. In een fraaie rede toonde de spreker = Dr. K. Furrer, predikant van de St. Pieter in Zurich, aan, hoe de âVerein für freies Christenthumquot;, waartoe een groot aantal protestantsche geestelijken behooren, den moed bezat zich ten opzichte van de beide groote vragen van d'en dag, het Darwinisme en het Socialisme, te gedragen. Allen, die het genoegen hadden die voordracht te hooren, kunnen zonder voorbehoud verklaren, dat de gehouden rede den spreker als een wakker en dapper man doet kennen. ^ De geleerde Palestina-reiziger en Ooster-sche onderzoeker toonde aan, dat de scheppingsgeschiedenis van Mozes als het product van een dichterlijk begaafde, oostersche phantasie beschouwd moet worden, die nooit het doel gehad kan hebben, in het zesdaagsche scheppingswerk een onaantastbaar dogma vast te stellen, dat men steeds aan de onderzoekingen der wetenschap in den weg moest leggen. Het verdichtsel wilde oorspronkelijk niets anders dan een gedicht zijn. Tegenover het Darwinisme kan het Mozaïsche verhaal van de schepping der wereld geenszins op wetenschappelijke geloofwaardigheid aanspraak maken. Daarna ging de spreker tot de uiteenzetting van de scheppingstheorie van Kant-La place over, toonde aan, hoe men ook de leer van één of meer zondvloeden had moeten laten vallen, en hoe eindelijk door Darwin en diens school, de leer der afstamming, der ontwikkeling overwonnen had. Met vrijmoedigheid en zonder voorbehoud prees do redenaar het grootsche, verheffende denkbeeld van een voortgaande ontwikkeling, van het opklimmen van het eenvoudige tot het meer samengestelde, van het onvolmaakte tot het volmaakte, prees den strijd om het bestaan als drijfveer in het organisme der levende natuur, de keuze van het beste naast den ondergang van het minder goede; de redenaar prees in geestdriftvolle woorden en heilige ontevredenheid met het tot nu toe bereikte, het streven in voor-
1) De voordracht van Dr. K. Furrer is na den eersten druk van myn boekje bij Albert Muller te Zürich verschenen, onder den titel van: âDar-winismus und Sozialismus lm Lichte der christlichen Weltanschauung.quot; In het voorbericht zegt de schrijver woordelijk: âMeer dan alle ontdekkingen en uitvindingen is de sociale beweging de roem onzer eeuw.quot; Ziedaar een moedig woord en dat in den mond eens geestelijken.
113
8
MOZES OP DARWIN 1
â¢waartsche richting, in de richting naar het betere en vond rijkelijk troost en toeverlaat voor de verdere ontwikkeling in het leven van natuur en mensch. Even sympathetisch als teni opzichte van het Darwinisme plaatste de redenaar zich tegenover het socialisme, waarvan de drijfkracht onbaatzuchtige liefde en het verlangen naar gerechtigheid is en ook blijven moet. Naar het inzicht van den spreker heeft het christendom geen reden zich vijandig tegenover de beide groote denkbeelden van onzen tijd te plaatsen.
Zoo sprak een christelijk theoloog! Ik denk dat, als alle dienaren van het evangelie zóó dachten en onomwonden daarvan getuigenis gaven, het er in de christenwereld wat liefelijker dan thans zou uitzien. Hier in Zürich hebben wij dus een groep verlichte geestelijken, die in der daad de verlossende gedachte der ontwikkelingsleer begrepen hebben en den moed bezitten, dat uit te spreken. !)
En die theologen van het âVerein für freies Christenthumquot; zullen zeker wel zoo logisch en rechtvaardig zijn, bij de eerstvolgende gelegenheid mede te helpen de Mozaïsche scheppingsleer als dogma, uit de leerboeken der lagere school te doen verdwijnen. Het is niet voldoende te constateeren, dat die geschiedenis slechts een schoon verdichtsel, maar geen absolute waarheid is en haar dan toch weer als âgeopenbaardequot; waarheid in de leerboeken der lagere school te laten afdrukken. Voor het onderwijzen van mythologie is er in onze volksschool tijdl noch aanleiding.
Laat ons meer tijd besteden a^n de leer van het werkelijke, niet verdichte, van de feitelijke en niet slechts gedroomde dingen!
Uit de kennis der waarheid groeit de deugd.
Dit werkje is begonnen met de bestrijding van een eeuwenoxide dwaling; het moet met de afwijzing van een jongere, een nieuwe dwaling eindigen. Herhaalde malen is niet alleen door de Kerkelijke tegenstanders, maar ook door de weetgierige aanhangers der Darwinistische leer er op gewezen, dat deze leer den armen, den ongeluk-kigen geen troost vermag te bieden; de leer van Christus is toch veel troostrijker, waaruit zou voortvloeien, dat men het arme volk zijn geloof niet âontroovenquot; mag, omdat wij geen vergoeding voor het verlies kunnen schenken. Zelfs citaten uit dien Bijbel worden te dien hoofde tegen ons in het veld gevoerd'.
Hij zal de ellendigen des volks rigten, hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen (Psalm 72 vs. 4).
,,Komt allen tot mij, die belast zijt en beladen en ik zal u troost geven.quot;
1) De schrijver van dit boekje is weliswaar door de zoogenoemde Hervormingstheologen al heel verschillend getracteerd. Terwijl de geestelijken dezer soort in de stad Zürich in hun tegenstander den man van overtuiging respecteeren en billijkheid betrachten, beijveren hun richtingsgenooten op het platteland zich om den tamelijk onhandelbaren Darwinist met spot te overladen of om hem in hunne souvereine alwetendheid genadiglijk af te maken. Als ik dorst dan zou ik zeggen; âGodquot; beter 'tl
414
MOZES OF DARWIN 1
Al deze beloften van een religie, die menschenliefde tot basis beweert te hebben, zijn sedert 2000 jaar nog niet vervuld.
Nu begint het menschdom tot het inzicht to komen dat âhet ongelukkige volkquot; zelf zijn recht veroveren moet, en de âmachtigste dezer aardequot; scheen in zijn tijd reeds voldoende begrepen te hebben, dat de arme een recht op hulp heeft.
Dat is één der vormen van het menschelijk bewustzijn, zooals die langs natuurlijken weg ontstaan en gegroeid is uit den strijd onzer dagen. Uit het Christendom, dat tot een geloofszaak was ontaard, is een nieuwe Wereldgodsdienst in de harten des volks opgeloken en met de almacht van een onbedwingbare natuurkracht heeft zich dit idee ontwikkeld in den geest des tijds, dat geluk voor allen â en wel hier op aarde en niet eerst in een hiernamaals â mogelijk is, naar welk geluksideaal voor allen nu ook met alle kracht en middelen moet gestreefd worden.
En het beloofde land is reeds in 't zicht! De menschelijkheid zal zegevieren over het dierlijk egoïsme. De geheele maatschappij zal eenmaal eensgezind zijn' in den alles verwinnenden wil om zich zelf te verlossen â en wanneer zij dat wil, dan zal zij ook haar eigen verlosser zijn.
Hoe kan dan een verstandig man bevreesd zijn voor de konsekwen-ties van het Darwinisme ? Naar onze meening zal slechts het volgende geschieden: Met de practische toepassing van het beginsel der natuurlijke teeltkeus op het volksleven zullen, vele tot nog toe onderdrukt gebleven edele natuurgaven in vrije ontwikkeling en zegenrijke werking komen, zoodat de geheele maatschappij in eens overvloed zal kennen en tegen allen nood verzekerd zijn. Wetenschap en kunst, techniek en arbeidswijze zullen zich zoo volmaken, dat geen mensch meer noodig zal hebben, om zich half dood te werken, ten einde zich ia h^t leven te kunnen houden. Ieder zal zich gelukkig achten zijn arbeidsaandeel te kunnen verrichten en de ongelukkigen en on-bekwamen tot den arbeid zullen naar de grondstellingen van het altruïsme zonder zorgen hun tijd uitleven. De ongelukkigen met lichaams- of zielsgebreken zullen bovendien veel geringer in aantal zijn, daar tuchthuisstraf zou opgelegd worden aan ieder, die in dronkenschap of met erfelijke kwalen behept een menschenkiem het leven schonk.*)
Zeker! Het darwinisme zal slechts een verheffenden invloed op het menschelijk geslacht hebben. Wie het anders inziet, heeft het darwinisme niet begrepen.
1) Deze alinea heeft heel wat hoofdschudden veroorzaakt. Ik zie echter niet in, waarom ? â De ondervinding leert in duizend voorbeelden, dat tal van ziekten door overerving van de ouders op de kinderen overgaan, zoodat deze schepselen van den wieg tot het graf een leven leiden, ellendiger dan de dood. Wijze lieden, die met zulke kwalen behept zijn, zullen uit vrijen wil zelf van een nakomelingschap atzien en eenmaal zal ons geslacht inzien, dat onder zulke omstandigheden het verwekken van een menschen-leven een misdaad is, waarvoor in den regel echter niet de misdadiger maar zijn onschuldige nakomeling de straf te dragen heeft. Dit is zoo'n tastbare onrechtvaardigheid, dat het menschdom in een hooger stadium van ontwikkeling haar zeker zal opheffen.
115
V.
Ã1JF JAIEN OP DE RiDBEIS.
Dit geschrift verscheen in Maart 1889 voor het eerst in het duitsch. Binnen het jaar volgden de tweede en de derde druk.
In Oct. 1891 werd de vierde duitsche druk uitgegeven, die in Nov. '94 geheel was uitverkocht.
Do Vereeniging de Dageraad bezorgde een hollandsche vertaling, (waarvan deze de tweede, vermeerderde uitgave is. Vert.)
In 1892 verscheen een fransche vertaling door den heer Ch. Fnl-pius, Président de la Société des Libres-Penseurs de la ville de Geneve, onder den titel van âMnïse ou DarwinV' Trois conférences populaires, offertes aux réflexions de tous ceux qui eherehent la vérité par Dr. A. Dodel (Paris, C. Eeinwald amp; Cie. 1892).
Ter zelfder tijd verscheen eeno engelsche vertaling, uitgegeven door de Truth Seeker Company (28. Lafayette Place) te New-York, onder den titel: âMoses or Darwin f' A school problem for all friends of truth and progress by Arnold Dodel, Ph. D. etc. translated from the third German edition with, preface etc. by F. W. Dodel.
Binnen weinige jaren dus heeft dit boekje de reis om de aarde gemaakt. Zijn tocht ving in het schilderachtige Alpenland aan, doorkruiste vervolgens alle duitsche landen, daarna de hollandsche laagvlakten en het wijnrijk© Frankrijk en waagde zich op den atlanti-schen Oceaan. Toen begon het zijn reis door de Vereenigde Staten tot aan de Stille Zuidzee en de Andes in het Zuiden. Den aequator overtrekkend bereikte het de maagdelijke wouden van Brazilië, waar }iet de zeer interessante kennis maakte met Jezuitische nederzettingen en vrijdenkende oerwoud-bewoners; het reisde ook oostwaarts, kwam in den Kaukasus, overschreed dat bergland en trok door gansch Azië tot in het verre oosten, waar het gemoedelijke tweespraak hield met vrienden van Boeddha, steeds rusteloos doorwandelend als Ahaa-verus, overal het leven zoekend en overal rijk opborrelend leven vindend.
Verwoede vijanden stonden den reiziger vaak naar het leven; onophoudelijk moest hij zich te weer stellen om onverschrokken zich.
MOZES OF DARWIN 1
tegen struikroovers te verdedigen. Thans echter zijn z'n vrienden in alle landen zoo talrijk geworden, dat hij geen vrees meer behoeft te koesteren. Hutten, armzalige hutten, doch ook schitterend© paleizen hebben hem gastvrijheid geboden en verder zal hij reizen naar alle richtingen om allen uit te vragen, die in den nood des levens en de ellende van huichelarij en onwaarheid van tijd tot tijd naar de verlossende waarheid smachtend uitzien.
Een vredesgezant wil hij zijn; een âkampvechterquot; noemt hij zich echter. Onze aarde was reeds lang genoeg do woonplaats van dwaling en onverdraagzaamheid. Eens echter zal slechts waarheid en verdraagzaamheid haar bewonen. Tot zoolang moet iedere gezant des Vredes een strijder zijn; want waar zij elkander in den weg treden : Waarheid eenerzijds, dwaling anderzijds â daar is lucht, licht noch ruimte voor heide en â de strijd ontbrandt. Evenals in onze dagen in duizenden echo's wordt herhaald: âOorlog aan den oorlog!quot; zoo moet meer en meer weerklinken de wapenkreet: âOorlog aan de dwaling, voor alles oorlog tegen de huichelarij !quot;
De uitgave van dit geschrift heeft voor den schrijver zeer verschillende gevolgen gehad. De vertegenwoordigers der dwaling beijverden zich zoo spoedig mogelijk een behoorlijk aantal verweerschriften op de markt te gooien.
Hoeveel van zulke âwederleggingenquot; mijner ketterij tot op heden verschenen zijn, weet ik niet, daar ik niet alle onder de oogen. kreeg.
Een van beteekenis kon mij niet ontgaan, omdat mijne godsdienstige tegenstanders er nauwgezet voor zorgden, dat mij telkens anoniem werd medegedeeld, waar en wanneer weer uit hun rijen een drakendboder met het schild des heiligen geloofs in het krijt was getreden, om voor den honderdsten, voor den duizendsten keer met het vlammend zwaard des Heeren het Darwinisme te dooden. Het zou mij èen waar genot geweest zijn, indien er onder die allen ook maar een geweest was, die van een wetenschappelijk standpunt verdiende bestreden te worden. Dat was echter bij niemand het geval, hoezeer ieder ook de houding aannam van met het Darwinisme nü maar eens voor goed af te rekenen. Het ware zonde van de drukinkt, wanneer wij dien tegenstandei's een beantwoording wilden geven, bv. dien sukkel van een dokter, dien DominéC. R. Vietor te Keulen sprekende invoert ter beantwoording van de vraag: âWaren wij apen?quot; Die dokter is natuurlijk een gefingeerd! persoon, die den strijdhamer van het paapje zwaait en daarbij zulk een onbegrijpelijk gemis aan kennis van natuurwetenschappelijke onderwerpen verraadt, dlat hij voor een doctoraal examen met glans zakken zou.
In mijn latere voordrachten en studiën, die onder den titel van âAusLeben und Wissenschaftquot; bij Dietz te Stuttgart, zijn uitgegeven heb ik den theologen in alle welwillendheid den raad gegeven, dat zij de natuurwetenschappelijke studiën aan de hoogescholen verplicht zou-
117
M0ZE3 OF DARWIN?
den doen stellen voor de theologische studenten. Hun stand zou daardoor in aanzien belangrijk stijgen; dan raakten zij ook in staat om bij gelegenheid een goed woord me© te spreken over de kennis van werkelijke zaken, niet alleen over geloofszaken. Ik vrees, dat de hee-ren theologen mijn raad niet zullen opvolgen, omdat de meesten van hen van meening zijn, dat men niet twee hoeren tegelijk kan dienen. Een ding is zeker; veel eerder dan de lutheraansche geestelijken zullen de clericalen der roomsch-katholieke kerk, vooraan de Jezui' ten, zich in het bezit stellen van natuurwetenschappelijke waarheden en van de kennis der natuurwetten langs den weg van eigen onderzoek. De teekenen zijn er voor; ik behoef er niet in 't bijzonder op te wijzen. De katholieke kerk zal langer haar macht weten te behouden dan de luthersche.
Nu zijn er, wel is waar, onder de protestantsche theologen niet weinige heldere koppen, die het versmaden om nog langer uitsluitend met het wapen des geloofs tegen de natuurwetenschap en tegen de groote sociale bewegingen te strijden. Hun positie is echter niet benijdenswaard en schrikt de meerderheid hunner vakgenooten meer af, dan dat ze aangemoedigd worden. Het zal niet anders worden voordat het brandendste vraagstuk van alle, de economische kwestie, is opgelost. Dan echer zullen die namen van den, wakkeren Savar/e^ van een Dr. R. Schramm (Domprediker te Bremen), van Dr. K. Fur-rer, theologisch professor te Zürich, van Theodor v. Wachter e. a., als de namen der grootste idealisten uit hun stand vergeten zijn, omdat de pionniers van den vooruitgang in den regel slechts zoolang bekend zijn, als zij actief bezig zijn en nog voor anderen de kastanjes uit het vuur halen.
Het rad van den vooruitgang rolt in elk geval sneller voort dan ooit te voren. De wetenschap arbeidt in opene, niet meer voor profane blikken gesloten werkplaatsen. Zij wordt steeds meer gedemocratiseerd. Men is begonnen met voor 't geheele volk den sluier der wetenschap te laten vallen. Daardoor â juist daardoor is de wetenschap de eerste macht in de wereld geworden. Zij heeft in het arbeidende volk haar vasten steun gevonden. De dagbladpers noteert elke ontdekking en maakt deze winst spoedig tot gemeengoed van alle lezers en denkers. Diezelfde pers geeft ook verslag van den strijd tus-schen geloof en wetenschap, zoo goed als van de tegenstellingen tus-schen rijkdom en armoede.
Dat heb ik tot mijne groote vreugde mogen ervaren naar aanleiding van de verschijning van dit boekje. Alle trappen in de kleurenschaal onzer pers hebben in dezen strijd voor of tegen Mozes hun vertegenwoordiger afgevaardigd. Hun aantal loopt in de honderden; ik kan noch mag ze allen met namen noemen. De meeste jubelden invroolijke geestdrift; andere weeklaagden over al het kwaad, dat ik met mijn boekje stichtte; weder andere schuimbekten van ijver voor het zielenheil, tot eindelijk dat heil alle perken te buiten ging.
Zoo vond dit boekje een buitengewone verspreiding. Tot op heden zijn er ruim 14000 exemplaren in de duitsche taal van hand tot hand gegaan. Dat het vlijtig gelezen werd bewijzen de rondzend-lijsten van
418
MOZES OF DARWIN?
vereenigings-bibliotheeken en leesclubs, bewijzen die vele in leder gebonden exempl., die van huis tot huis gingen, bewijzen verder de talrijke uitnoodigingen om hier of daar verdere voordrachten te houden, waaraan ik echter uit gebrek aan tijd niet voldoen kon.
Uit de paar honderd brieven, mij toegezonden, in zake de vraag'⢠âMozes of Darwin 1quot; gaarde ik een rijken oogst van mededeelingen over zeer belangwekkende feiten, die een scherp licht werpen op den geest onzer tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen. Straks zal ik bij wijze van proef een bloemlezing geven. De meerderheid dezer brieven zijn afkomstig van vrienden der waarheid1, die ik niet persoonlijk ken, wier levensomstandigheden mij dus volkomen onbekend zijn. Zij kwamen uit alle oorden der wereld aan mijn adres, zoodat ik onmogelijk tijd kon vinden, om op eiken brief te antwoorden. Ik bepaal mij er toe op deze plaats, allen met dezelfde warmte te danken, waarmede zij zich in goed vertrouwen tot mij gewend hebben. De opmerkzame lezer van dit hoofdstuk zal met mij de troostrijke waarneming doen, dat het idealisme, hetwelk alleen bij machte is ons te verheffen boven het lijden en den wrarboel van het heden, tot in die hoogten, vanwaar wij een blik kunnen werpen in een betere toekomst voor het yeheele volk â dat dit idealisme in spijt van al het proza van onzen tijd niet verzwakt doch integendeel tot een rijk, opgewekt leven weder ontwaakt is. Wat wij, die niet meer gelooven, de eigenlijke religie noemen in den zin van Fried. Th.Vischer, d. i.de religie zonder geloofsartikelen â is niet langer een holle klank, maar een bloemrijk veld geworden, waarop de verheven gedachten van menschenliefde, van solidariteit, van geestelijke vrijheid, van zucht tot weten, ontsproten en opschieten naar den dageraadshemel na den middeleeuwschen donkeren nacht des geloofs. Wel ligt de zware dauw van dezen langen nacht nog op de hoogten en in de dalen van het wijde land; nachtvlinders fladderen nog over de velden dezer gedachtenwereld â en motten zonder tal volbrengen nog hun lichtschuw werk in den natten grond; dóch de herauten van den morgen zijn reeds lang ontwaakt: het geroep van den merel dringt ver door over het met nevel bedekte veld; de leeuwerik is zijn jubelzang begonnen en allerwegen begint het nieuwe leven te ontwaken. De geloofsartikelen trekken zich als lichtschuwe uilen terug in het donkere woud van bijgeloof en onkunde. Daar zullen zij sterven, terwijl al wat leven heeft zich naar het licht zal kee-ren en het hoogwoud voor altijd verlaten. Het geloof zal als synoniem met onkunde vergaan in de zonnewarmte der kennis.
Het idealisme heeft zich van het leege hiernamaals teruggetrokken op het inhoud-rijke âhierbeneden,quot; Het wil zich aan werkelijken arbeid, aan practische dingen wijden. Het spant de paarden voor den ploeg, opdat zij diepe, geheel omgewoelde voren trekken, waarin het de zaden voor een betere toekomst strooien mag. Heerlijke arbeid, die een rijken oogst belooft, waarover niemand klagen zal, want er zullen rappe handen in overvloed zijn om den oogst in schuren en kelders te bergen
Dat het zoo zijn zal, dat kunnen we lezen uit de teekenen des tijds en uit de gebeurtenissen op het veld der menschelijke gedachten en het menschelijk willen.
119
MOZES OP DARWIN?
Volgen nu eenige hlotïnen van dezen vroegen morgen. 1)
1. ,,Deze Strijd om het bestaan is het nu, die het leven vooruit gebracht heeft tot op de schepping van den mensch, en de mensch met duizend en nog eens duizend banden aan de natuur gebonden, is uit denzelfden schoot der natuur ontsproten als alle overige schepselen.
Ik zou niet' weten wat wij (theologen) van een religieus standpunt af tegen zulk een opvatting in te brengen hebben. Zouden wij ons integendeel niet verheugen, wanneer des menschen geest steeds dieper doordringt in dat geheimnisvolle onafzienbare leven der natuur, de werkende krachten daarin meer en meer begrijpt en het groote, oneindige heelal in zijn onbeschrijfelijken samenhang doorziet?
Kunnen wy ook op de menschen de afstammingsleer toepassen? Wij zeggen uit volle overtuiging: ja.--
Daarom gelooven wij, dat er eenmaal een tijd zal komen, waarin een gelukkig geslacht de aarde zal bewonen; onze namen zal het dan vergeten zijn, maar wanneer het ten volle gelukkig in zijn bestaan en in den vollen zonneschijn va.i liefde en vrede op aarde wandelt, dan zal het een dankbaren groet zenden aan de namenlooze scharen, die (voor hem) den harden strijd gestreden hebben.quot; (De spreker bedoelt lüer den tegenwoordigen strijd om de sociale rechtvaardigheid.)
D r. K. F u r r e r, theologisch professor te Zurich, (in zijn voordracht over Darwinisme en socialisme in het licht der Christelijke wereldbeschouwing.)
2 ,,In gansch Israel en de geloovige Christenwereld â van Dan tot Bersaba â een groot geweeklaag over deze verschrikkelijke vraag; ,,Mozes of Darwin?quot;
Wie een gezwel uitsnijdt, krijgt heel wat gejammers to hooren. Men kan geen linnen wasschen zonder het nat to maken. De leugen moet niet aangepakt worden met glacé-handschoenen, maar met een zekere mate van vinnig.»
120
1
In deze bloemlezing geef ik slechts weinig citaten uit de ongeveer 200 toezendingen, die mij gedurende 5^ jaar in zake Mozes of Darwin geworden zijn.
Deze brieven zijn afkomstig uit de meest onderscheidene volksklassen; de schrijvers zijn arbeiders, volksonderwijzers, leeraars aan hoogere burgerscholen en kweekscholen, professoren van gymnasia en universiteiten, natuuronderzoekers en geleerden, auteurs en kunstenaars, ingenieurs, spoor- en staatsbeambten van alle rangen tot de ministers toe, artsen en apothekers, veeartsen, edellieden met gravenkronen, gravinnen en baronessen, een 70 jarige doktores en een 79jarige hoogleeraar, jonge gymnasiasten en gestrafte kweekscholieren, advocaten en kopersnijders, partijleiders en geestelijken, theologie-professoren en onderzoekings-reizlgers, inspecteurs en schoolautoriteiten, renteniers en groot-financiers, officieren bij liet Leger, fabrieksarbeiders en opzichters â allerlei denkers van allerlei belijdenis. Inderdaad, bewijzen te over, dat er zeer velen zijn, die een levendig aandeel nemen aan de oplossing van onze strijdvraag.
MOZES OF DARWIN?
heid, dat het haar groen en geel wordt. Want de leugen is schaamteloos en listig als een echte huiskat; haar flu-weelen pootjes zijn zeer net en schijnen heel zuiver te zijn â 't is loutere onschuld die haar fijne haartjes uitstralen ; maar daaronder verschuilen zich de spitse nagels. Wee u, wanneer ge den poot niet vast aangrijpt; vijf bloedige schrammen zullen het loon1 zijn voor uwe eigene zachtheid.quot;
Een leerling van Gottfried Keller.
3. Prof. G. de Mortillet â eea autoriteit op het gebied van voorhistorische onderzoekingen â zegt in zijn geschrift over de Her-vornnng der leerboekenquot;:
,,In alle onze schoolboeken voor lager onderwijs, en ook \elo voor het middelbaar onderwijs worden leerstellingen gevonden, die juist het tegendeel inhouden van wat met zooveel succes op de leerstoelen van het hooger onderwijs geleerd wordt.
De professoren der faculteiten zijn zeker gedwongen hunnen studenten vóór alles te zeggen: ,,Wilt gij van onze voorlezingen nut trekken, begint dan met alles te vergeten wat men u in de school en ook op het gymnasium geleerd heeft.quot;
(Door Prof. G. v. Mortillet zelf medegedeeld.)
Dus ook aan de andere zijde van den Jura: hoven waarheid van onderen dwaling!
In het schoolorganisme van denzelfden staat, derzelfde regeering: onder dwaling, hoven waarheid'!
Overal hetzelfde verscnijnsel, zoo in Gallië als in Germanië 1
quot;Wat zou men wel van een huisvader zeggen, die â rijkgezegend in onmondige en in volwassen kinderen â de jonge knapen en meisjes met inspanning van al hun krachten noodzaakte, steenen in de vlietende beek te wei-pen, terwijl zijne volwassen zonen en dochters dezelfde steenen weer uit de opgestuwde en modderig geworden beek moesten zoeken, teneinde het water weer vrijen loop te banen ? Zou zulk een huisvader niet rijp geacht worden om onder curateele te staan â om verpleegd te worden in een gesticht voor,,geesteszwakken.quot; 1 â
Gelijkerwijze handelt echter de Staat, die in zijn schoolorganisme tweeërlei bazis handhaaft: Onderaan de opvoeding tot dwaling, huichelarij en geestelijke knechtschap, bovenaan daarentegen de opvoeding tot waarheid en geestelijke vrijheid.
Wie heeft het recht zich te beklagen over de verdeeldheid en de leugen in alle maatschappelijke verhoudingen, als de Staat zelf, in hoogst eigen persoon tweëerlei moraal in praktijk brengt! Panama en Panamino â zijn de vruchten van zulk een stam.
4. De stem van een onderwijzer:
,,Blijf er voor strijden â dat alle. onderwijzers eene universitaire opleiding mogen verwerven! Yoor het laatste idee
121
â¢122 MOZES OF DARWIN?
rnag ik aanspraak maken op de prioriteit. Over de noodzakelijkheid en de mogelijkheid van uitvoering zou ik heel vat kunnen mededeelen; ik durf het helaas nog niet doen, iets daarop betrekking hebbende te publiceeren â die ellendige bureaucratische schoolpolitie!
5. De voorzitter van een arheiders-vereeniging:
,,Herhaaldelijk hoor ik de opmerking, dat dit boek in elk gezin aanwezig moest zijn.quot;
6. Een geestelijk heer van de R. K. kerk zond mij een gedrukt© circulaire met den eisch, dat ik mij abonneeren zou op een te Neurenberg verschijnend blad: âArmenseelenblatt.quot; No. 1 was als proefnummer bijgelegd en noemt zich een maandschrift tot troost en tot verlichting der lijdende zielen in het vagevuur.quot; Het dateert van 1 Juli 1889 en constateert het volgende :
Onzen tijd alleen bleef het voorbehouden, God zelf aan te tasten. En dit duivelsche pogen wordt volgehouden â twijfel en goddeloosheid hangen in de lucht. Hoe talrijker de abonnenten, hoe talrijker ook de gebeden voor onze afgestorvenen.quot;
Wij echter zeggen, dat de twijfel de heraut der waarheid is.
De wetenschap zegent den twijfel; want hij alleen is de prikkel tot onderzoek.
De Kerk vervloekt den twijfel; want hij is de gevaarlijkste vijand voor het geloof. â Zullen deze uitersten elkander ooit naderen?
7. Een zeer hekend geleerde en auteur, die op zijn onderzoekings-reizen tien maal den Equator is overschreden =
,,Mozes of Darwin?quot; een heerlijk boek, dat mij en duizenden anderen zoo in het hart heeft gegrepen, dat ik u mijn hulde moet bieden. Ik heb in Afrika nog menschen aangetroffen, die zelfs, volwassen, nog met den voet voorwerpen van den grond kunnen optillen en zoo eenigermate nog voortleven met de gewoonten der vierhandigen.
Doch ook in Europa ben ik, steeds waarnemend, in aanraking gekomen met alle maatschappelijke kringen der meest onderscheiden naties, en daar ik mijn kennis niet alleen uit boeken heb geput, maar myne eigen ervaringen tot een overtuiging en deze overtuiging tot een gewetenszaak liet ontwikkelen, zoo deed het mij buitengewoon weldadig aan, dat ook gij deze, tot nog toe bloot wetenschappelijk behandelde, vraag tot een ethische verhieft en ons volk, der gansche menschheid de vraag voorgelegd hebt, of men dt waarheid wilde huldigen dan wel willens en wetens in de leugen volhardend
8. Een schoolhoofd (uitstekend theoloog):
,,Dat is ook mijn meening, die u waarschijnlijk van te n eer waarde zal zijn, nu zij die van een theoloog is, die vaak op den kansel stond, maar die door de studie van
MOZES OF DARWIN?
den bijbel en der zinnebeelden, door het lezen van natuurwetenschappelijke werken, zoover gekomen is, den kansel voor eeuwig vaarwel te zeggen en om als schoolhoofd met minder tractement, doch met meer gemoedsvrcde den strijd om het bestaan te aanvaarden. â Mijn eigenlijke collega's zien in mij een aartsketter of meenen ten minste dat in mij te moeten zien, daax het beslist voordeeliger en winstgevender is.
Het zou mij mijn betrekking kosten, wilde ik openlijk cóó voor mijn gevoelens uitkomen, als ik eigenlijk verplicht hen.
Nog zijn de aanhangers van een lichtgeloovige leer de machthebbers.
Ik ben u van harte dankbaar, dat gij de plaats van den strijd naar de zoo veel begeerde volksschool verlegd hebt.quot;
Dezelfde klacht, dat onderwijzer en geestelijke hun ambt en dus hun brood zouden verliezen, wanneer zij naar hun innigste overtuiging onderwijs of leering- wilden geven â diezelfde klacht werd in dozijnen van brieven herhaald. Ik dwaal zeker niet bizonder, als ik aanneem, dat duizenden van duitsche, zwitsersche en oostenrijk-sche onderwijzers âMozes of Darwinquot; gelezen hebben, en in hun hart den schrijver bijvielen. Ze mochten het echter niet wagen uithoofde hunner afhankelijkheid aan hun instemming uitdrukking te geven. Niemand zeker zal hun daarvoor den eersten steen werpen; want het is een ontzettend offer in onze dagen uit zijn ambt en onder het hongerend geestes-proletariaat geworpen te worden. Alle schuld valt op het door en door schadelijke en onzedelijke regeeringssysteem. quot;Wie de macht heeft, schrijft de wetten voor.
9. Een instituteur in het hooge noorden schrijft aan zijn vriend in het schoone zuiden :
,,Iri mijn avonduren lees ik nu met mijne vrouw het strijdschrift âMozes of Darwin?quot; Het is zeer boeiend en schoon geschreven. A\ meen ik reeds sinds lang op het standpunt van den schryver te staan, lees ik toch zijn boek met de grootste belangstelling.quot;
10. Een denker in werhmanshiel (Katholiek):
123
,,Zeer juist is het, wat gij op pag. 48 zegt, ') dat het namelijk zeer natuurlijk is, wanneer een volwassen mensch er achter komt, dat hij door mannen, die hem steeds achting en eerbied inboezemden, belogen en bedrogen werd, dut hij dan eenvoudig alles over boord gooit. Ja, daardoor zijn duizenden in de onderste klassen tot den uitroep gekomen : Houdt op met uw moraal, het is toch alles bedrog! 't Valt ons allen, die in de overgangsperiode van de oude tot de nieuwe levensbeschouwing verkeeren, wel is waar zwaar, om ons plotseling in alles goed in te denken. Dwaasheid ware het echter, om nog verder het erkend valsche
1) Zie pag. 51 dezer vertaling.
MOZES OP DARWIN 1
te blijven gelooven, alleen omdat wij er nog niets beters voor in de plaats hebben.quot;
âNog niets beters er voor in de plaats 1quot; De wetenden, die tot erkenning zijn gekomen^ de geleerden hebben deze plaatsvervanging echter reeds lang gevonden. Aan hen ligt het nu, om aan het volk in den mimsten zin des woords, een rijke vergoeding voor het ontvallende geloof in de plaats te bieden. Waarheid en werkelijke kennis zijn meer dan een gelijkwaardig tegenwicht voor dwaling, sprookjes en geloofsartikelen.
11. Een onderwijzer.
In de ,,Pedagogische Vereenigingquot; werd een zoogenoemde aankondigingslezing gehouden over ,,Mozes of Darwin?quot;. In spijt der tamheid van deze lezing is de dienares der Clericale partij, ,,Das Vaterlandquot;, over ons uitgevaren. De goede zaak is er echter geenszins door geschaad, integendeel bij gebaat. Als bibliothecaris heb ik de opmerking kunnen maken, dat er geen boek meer getrokken is dan ,,Mozes of Darwin?quot;
12. Een ander onderwijzer uit een heel ander land:
âJa, ja! De volksschool biedt steenen voor brood ! Verschrikkelijke gedachte, niets dan Mozes!
Den onderwijzers ook natuurlijk slechts eteenen voor brood: in de kweekscholen alles liever dan natuurwetenschappen. Mozes en de profeten, de richteren en de koningen, allen van buiten; maar geen spoor van aansporing tot natuuronderzoek! En dan moeten wij, schoolmeesters, met onze leerlingen uitstapjes maken, om te laten zien, dat Wfl zeiven â de schoolmeesters â van de levende als van de doode natuur ook zoo goed als niets weten. O, dat is diep beschamend, is bitter en verbitterend Iquot;
13. Nog een onderwijzer'.
Voor 't overige is bij de vertaling van het boek de overtuiging nog vaster in mij geworden, dat wij, schoolmeestertjes, zeer weinig knnnen weten, en dat brandt mij op het hart. Ik ben daarom vast besloten naar Italië te gaan en daar wat verder te studeeren.quot;
14. Een apotheker'-
In uw geschrift hebt gij onder do geestelijken, die zich onvervaard aan de zijde van Darwin stelden, verzuimd op to nemen den voormaligen stadsprediker te Friedrichshafen, dan tegenwoordigen opperhofprediker Dr. Schmid van deu koning van Wurtemberg. Reeds in 1886 gaf hjj 'n brochure uit; Darwin's Theorie und ihre Beziehung zu Philosoplüe, Sitte und] Moral, waarin hij tot de slotsom komt, dat Darwinisme en religie heel goed samen kunnen gaan.quot;
,, ,,Weg met het geloof, opdat de religie kunne leven!quot;
124
MOZES OF DARWIN 1
15. Een zeer geloovige kweehschoolleeraar:
,,Gij bemerkt dus, dat er niet slechts een ontwikkeling bestaat van het geloof tot Darwinisme, maar ook omgekeerd van Darwinisme tot geloof.quot;
Zonder twijfel, waarde dokter, er zijn in de natuur en in het men-schenleven twee soorten van ontwikkeling': een progressieve» een voortschrijdende, aan wie de toekomst behoort., en een regressieve, teruggaande', die den kreeftengang gaat en óf ten ondergang óf tot het parasietendom voert.
Voorbeelden zijn leerzaam: De voorvaderen der luizen en vlooien waren behoorlijk gevleugelde insecten, die zich vrij en onafhankelijk konden bewegen. Hunne nakomelingen hebben het gemakkelijker gevonden, de vleugels niet meer te gebruiken en deze vliegorganen zijn daardoor achteruitgegaan en eindelijk verstommeld. Heel langzamerhand. zijn uit achtenswaardige vliegers zulke laagstaande parasieten van het soort der luizen en springende vlooien door regressieve ontwikkeling ontstaan. Andere diersoorten zijn bij zoo'n levens- en ontwikkelingswijze jammerlijk te gronde gegaan» Dat is het, mijn waarde1!
16. Een groot-financier (millionair) :
,,Het heeft mij verbaasd, dat onze zaligheidsagenten geen flinker kerel dan die ,,Antidoder' in het vuur hebben weten to brengen.quot;
17. Een hoog staatsambtenaar :
,,Den schrijver van âAntidodelquot; hebt gij behoorlijk afgemaakt.quot;
18. Een dichter:
,,Het dilemma is zwaar: Wat is van beide het beet're? De helle der wijzen hier, het Eden der dwazen daar.quot;
19. Een advocaat en gevierd werkmansvriend:
.,De nieuwe wereldbeschouwing moet voor alles zegepralen, dan eerst zal ook de zaak der arbeiders triomfeeren/'
20. Een ernstig zoeker:
,,Ofschoon reeds sedert jaren geheel eens met de hoofddenkbeelden uit uw werk, vind ik eindelijk daardoor den draad tot eenig geheel. Een kardinale kwestie vind ik echter niet bevredigend in uwe geschriften behandeld. Deze namelijk : Mot zal de waarheid op de schooljeugd werken ?
Bestaat er een vorm, waarin zij den kinderen kan aangeboden worden, zonder verderfelijk' te werken? Kan men de ,.misleiding ten goedequot; (Lessing's Nathan) ontbeeren? Zelfs Mozes, die naar ik meen, toch geheel ingewijd was in de geheimen der Egyptische priesters, schonk zijn volk een nieuwe leer, die ook weder op een bedrog steunde. De volkeren stonden weliswaar toen op een veel lageren trap van ontwikkeling dan de tegenwoordige Europeanen. Gelooft gij
125
MOZES OP DARWIN?
cchter, dat deze laatste werkelijk reeds rijp voor de waarheid zijn?quot;
Daarop behoef ik slechts dit te antwoorden: Wanneer ik het volk, in den ruimen zin des woords, niet voor waardig en rijp genoeg gehouden had,dan had ik mijne gezamenlijke voordrachten niet buiten de Universiteit gehouden en was dit strijdschrift ook niet gedrukt geworden tot een ergernis voor de gelooviger, en in de oogen der heer-schenden eene âdwaasheid.quot;
Inderdaad is het volk rijp genoeg om den honing der waarheid te verdragen. Dat heeft een rijke ervaring mij geleerd, nadat ik meer dan twintig jaren in den geest van Waarheid aan allen heb gewerkt-Wee hunner, die het volk de waarheid onthouden, zij zullen in hunne eigen leugen vergaan.
21. Een professor in de theologie.
,,üw tegenstander heeft mij een huurling in het geestelijke ambt genoemd, omdat ik met het Darwinisme instem. Het is een even weerzinwekkende als gemakkelijke wijze van strijden, als men zijn tegenstander persoonlijk tot een slecht mensch maakt, om hem bij voorbaat de sympathie der goeden te ontrooven. Hij redekavelt van den zwendel, dien men met groote tijdruimten (in de ontwikkelingsgeschiedenis der dieren- en plantenwereld) drijft. Deze opmerking vind ik buitengewoon bekrompen. Wat beteekenen dan toch duizenden van jaren tegenover de eeuwigheid! Het getuigt van beraad en nadenken groote tijdruimten aan te nemen, lichtzinnigheid neemt slechts kleine tijdperken aan. Doch ook de religieuse wereldbeschouwing kan volle bevrediging vinden in het eerste geval. Dat de ontwikkeling door millioenen van jaren naar een einddoel streeft, dat haar van den beginne af als innerlijke drijfkracht kenmerkte, heeft voor mij iets, dat den grootsten eerbied opwekt.
Uw welsprekend geschrift is met een warm hart, doch ook met sterk theologischen ijver geschreven. Ik schat üwe moedige en welwillende inzichten hoog, ik eer uw gloeienden ijver tot verbreiding der waarheid, hoe vaak ik ook in onder-deelen van u afwijk. Gij wilt het volk tot een practisch dealisme opvoeden ; ik beschouw dat ook als mijn levenstaak.quot;
22. Een schoolman en schrijver van -pedagogische werken:
Wij hebben in ons pedagogisch handboek gepoogd, dat tot eeu systeem uit te werken, wat gij in uwe brochure ,,Mozes of Darwin?quot; verlangdet. Uit licht te begrijpen oorzaken heeft dit echter in Duitschland nog weinig verbreiding gevonden.quot;
Men kan hetzelfde geld geen tweemaal uitgeven: eens voor het militarisme en dan nog eens ter verbetering der onder wij zers-tracte-menten. Als de volksonderwijzers in Duitschland niet eens het loon
126
MOZES OP DARWIN?
kunnen halen van een bekwamen fabrieksarbeider: vanwaar moeten zij dan de middelen krijgen om goede boeken te koopen 1
Met den lichamelijken honger doodt men den geestelijken honger! De regeering kent die physiologische waarheid maar al te goed
23. Een inspecteur der gymnasia (in de fransche cantons):
,,Het wordt hoog tijd om de waarheid der nieuwe idee (Afstamming) uit het gebied van het honger ondenvijs over te brengen naar de breede vlakte der volksschool. Ge hebt met den pakkenden titel ,,Mozes of Darwinquot; de kloof tus-Echen hooger en lager onderwijs uitstekend gekarakteriseerd. Deze kloof, in de allereerste plaats kwetsend, moet noodlottig worden, daar het misdadig is, als de Staat halsstarrig voortgaat eeni stelsel van besliste dwalingen verder te sanctionneeren. Terecht verheft ge uw stem luide tegen hot onrecht door den Staat begaan, waar het in de volksschool juist datgene laat leeren, wat in de hoogeschool ontkend wordt.
Wij mogen echter niet uit het oog verliezen, dat in zaken van onderwijs de Staat (beter gezegd, de Regeering) gebonden is door den graad van algemeene verstandelijke ontwikkeling zijner burgers. Dat is een moeielijk uit den weg te ruimen hinderpaal. De Staat kan niet in het leerplan doen opnemen, wat niet reeds de goedkeuring door den volksgeest verworven heeft.
In dezen tijd de ontwikkelings-idee op de volksschool te willen doen onderwijzen ware een overijld, ontijdig, onrijp verlangen, ten minste in onze inspectie. De menschen zijn er hier nog niet op voorbereid, het onderwijzend personeel, op weinige uitzonderingen na, nog niet op de hoogte dezer taak en het schooltoezicht zelf â nog onder den sterken invloed der geestelijkheid â zou de eerste zijn om oppositie, ja zelfs schandaal, te maken.
De regeeringen konden niettemin den gang naar het betere bespoedigen, wanneer zij voor een betere opleiding der onderwijzers zorg droegen. Bij u, te Zurich, is een goede kweekschool; dat is wijd en zijd bekend en wij benijden er u, Zürichers, om; maar hier. . .. kunnen wij geen vergelijking treffen. In alles, wat de natuurwetenschappen betreft, heerscht op onze onderwijzers-kweekscholen noij de erbarmelijkste sleur. Toen ik voor eenige jaren een tipje van den sluier oplichtte, oogstte ik slechts den haat der onderwijzers.quot;
Uit het schrijven van een gymnasiaal-inspecteur blijkt het volgende = Het volksonderwijs berust op een stelsel van erkende dwalingen. De oorzaak dezer dwalingen is het geloof aan Mozes en de profeten, dus de geestelijkheid. Deze beheerscht de school en is de gids der openbare meening. De regeering moet met die openbare meening
127
MOZES OP DARWIN?
rekening houden, zelfs daar waar zij een erkende dwaling huldigt. Dus hoe te helpen? Dat is onmogelijk. Laat ons dus maar allen voort-liegen/
Maar dat is toch het zuiverste tegendeel van moraal!
Onwrikbare onzedelijkheid veroorzaakt verrotting en bederf.
Uit dezen cirkel van leugens is geen andere uitgang dan deze: men hakke den gordiaanschen knoop door en âscheide de School van de Kerkl
Slechts de âverwereldlijkingquot; der school kan verandering brengen.
24. Een arbeider:
âOntvang den hartelijken dank van een armen arbeider, dat gij het, door de uitgave van uwe voordrachten, mogelijk hebt gemaakt, ze ook onder het bereik te brengen van hen, wien het niet vergund was ze uit uwen mond te hooren. Ik put uit uw boek meer troost dan mijne streng-katholieke ouders en broeders uit de bijbelsche geschiedenis en andere ontspanningslectuur.''
25. Een fotograaf:
âNog nooit in mijn leven heb ik een boek met meer belangstelling en grooter bevrediging gelezen dan ,,Mozes of Daiwin?quot;.
26. Een rentenier:
,,Juist de Deken Sch..., die ook een lans in den strijd tegen u velde, gelooft âpersoonlijkquot; nizt aarv de onsterfelijkheid der ziel, hoe vaak hij ook in tegengestelden zin van den kansel af gepreekt moge hebben, wat ik u verzekeren kan.quot;
27. Een burgerschool-onderwijzer:
De schrijver deelt mede, dat hij op de kweekschool geen behoorlijk onderricht in de natuur-wetenschappen had ontvangen, en eerst, nadat hij de inrichting had verlaten, door eigen studie zich wat kennis op dat gebied verschaft heeft. Nu is hij in staat zijn leerlingen in de levende natuur te voeren, naar de weide, den vijver, in het bosch om hen daar eenig begrip van en lust voor de studie der natuur te verschaffen. Hij besluit als volgt *â¢
âTegenwoordig sta ik hier te lande met deze manier van onderwijzen nog geheel alleen. De oudere collega's schudden 't hoofde de jongere begraven zich in de wetenschappelijke pedagogie en stellen er een eer in, zoo weinig mogelijk van de natuurwetenschappen te weten en om dan niettemin op het examen voor de hoofdakte een hoog cijfer te behalen, op| grond waarvan ze later een goede carrière hopen te maken.quot;
128
MOZES OF DARWIN?
28. De meeste verbazing heeft het bij mij verwekt, dat. A ntisemicten tot de meening zijn kunnen komen, dat de lens : âMozes of Darwin1?quot; koren op hun molen kon zijn. Op een goeden dag kwam er een gesloten brief te Zurich â postmerk Hallo a. S. â die in plaats van liet zegel dit motto droeg: âDe sociale vraag is in het wezenlijke de Jodenvraag, de rest is bedrog.quot; (Glagau.)
Inwendig bevatte de (anonieme) brief twee exemplaren van het volgende gedicht-
,,0 Herr gieb uns den Moses wieder,
Damit er seine Glauhenshrüder Hinführe ins gelobte Land !
Gieb, dass das Meer sich wieder theile Und dass die liohe Wassersaule Feststeh' wie eine Felsenwand!
Wenn dann in dieser Wasserrinne Die ganze Jüdenschaft isti drinne:
Dann mach', o Herr, die Klappe zu,
Und alle Volker haben Ruh' 1quot;
Ik heb daar verder niets aan toe te voegen dan dit'-
De verzen zijn goed, de inhoud is slecht.
29. Een student van een Universiteit uit West-Zwitserland:
De schrijver verhaalt zijne ervaringen op een der allervroomste
duitsche gymnasia. Uit ondervinding meldt' hij dan ook in volkomen goede trouw:
,,De gymnasiale leeraren dulden de kerkelijke voogdij en moeten zich in het der wetenschap vijandige fanatisme der dominés schikken, moeten er aan meedoen, niettegenstaande zij weten, dat elkd intelligente en zelfstandig denkende leerling hen leert verachten, omdat zij niet voor hun eigen hetere overtuiging dorsten staan, maar zich alles lieten gezeggen, wat der kerk en der schoolpolitie goed dacht. Dikwijls hield ik mijn ooren dicht, als onze wiskundigen voor den aanvang van het lesuur de vrome gebeden voorlazen. Hoe kan er ook van vruchtdragend onderwijs sprake zijn, als het onderwijs voorgedragen wordt door een man, met wien de leerling als vrij mensch niet aan één tafel mocht zitten, daar deze man op het verwijt van gezindte-loosheid de oogea moest nedcrslaan!quot;
30. Een onderwijzer en schrijver:
,.Nu heb ik duidelijk leeren inzien, dat mijn natuurwe-tenschappelijk onderricht in de voorbereidende klasse niets anders was â vergeef mij de uitdrukking â dan een geestelijke moord! Op de kweekschool was het niet veel beter. 0, kreeg ik dien kostbaren, verloren tijd weder terug!quot;
31. Een staatsamhtenaar:
âIk heb nog steeds niet kunnen leeren, anders te spreken dan ik denk. Op de onderwijzerskweekschool te *** vroeg
129
MOZES OF DARWIN?
mijl directeur mij eens â en dat vel in een vertrouwelijk gesprek â hoe ik eigenlijk stond tegenover de heilige schrift. Ik was zoo onbedachtzaam mijne meening zonder eenige terughouding voluit te zeggen. Mijn verder verblijf op de kweeksohcol werd eindulijk geheel onmogelijk, toen den directeur een mijner uitlatingen over het onderscheid tusschen cja student en een kweekeling werd overgebriefd. De volgende weinige woorden : ,, ,,S tudenten zijn vrije jongeren der wetenschap, die door hun kennis de wereld eenmaal zullen beheerschen, terwijl aspirant-onderwijzers in Duitschland opgeleid worden om later door onwetende grondbezitters en heerschzuchtige geestelijken getyranniseerd te worden en om geschikt te zijn tot het africhten van kleinzielige, onderdanige en vrome burgersquot;quot; brachten mij geheel ten val.quot;
32. Een opzichter over vele arbeider sim liet buitenland): Vooreerst vele klachten over het povere schoolonderwijs, dat hem
als kind uit het volk te beurt is gevallen :
,,Niets van wat ik had ontvangen bleek de moeite waard vai het behouden dan lezen, schrijven en rekenen. Al het andere, vóór alles religie en geschiedenis, ging als waarde-looze rommel over boord. Ik was belogen en bedrogen. Toen ik den mannelijken leeftijd bereikte, kwam er een tijd van zoeken naar waarheid; door hier en daar wat uit te sparen kou ik mij een kleine bibliotheek aanschaffen. Overdag steeds in touw met zwaren arbeid, las ik halve, ja dikwijls geheele nachten door, zoekende naar wat men waarheid noemt. Dat is gelukkig niet nutteloos geweest.
Een katholiek volksonderwijzer zeide mij iets van uw boek ,,Mozes of Darwin?quot; Hij was vol geestdrift voor deze kwestie en noemde de oplossing grootsch. Deze onderwijzer en nog zoo menig ander leert nu in de school juist het tegendeel van wat zijn overtuiging is. Ik laakte tegenover dieu onderwijzer ook nog de wijze, waarop in de volksschool de geschiedenis, in 't bijzonder de vaderlandsche, als een (jrooie. leugen aan 't kind wordt onderwezen. Hij stemde 't mij toe, maar de onderwijzers waren verplicht den kinderen slechts de lichtzijden der roemvolle heerlijkheden te doen kennen, en de schaduwzijden of misdadigheden ervan te verzwijgen. Ik veroorloofde mij een zoodanige opvoeding totaal mislukt te noemen. De onderwijzer antwoordde echter, dat het volkomen juist was, maar dat elk mensch na het verlaten der school dan maar zelf moest zien, in welke richting hij verder wilde gaan! Zoo gaat het nu! 1quot;
33. Ingersoll. (Vereenigde Staten, Amerika):
,,In het geheele land is er vast geen enkele school (op eeu zeldzame uitzondering na) waarin een ontdekte nieuwe
130
MOZES OP DARWIN 1
waarheid een inderdaad welkome gast is. Zoodra een oi'derwijzer zich vermeet, de goddelijkheid van den bijbel te loochenen, wordt hij gewoonlijk ontslagen; â hij moet zich voor elke waarheid hoeden, die niet op de eene of andere manier met het bijgeloof der heilige boeken in overeenstemming is te brengen. Alleen dat, wat bekend is, moest in de school onderwezen worden. De school is het brood des levens voor het volk en het moest niet geduld worden, dat zij door de verdorrende hand van het bijgeloof werd aangeraakt.quot;
,,De Dwalingen van Mozesquot;, pag. 21â22.
131
Eenige lezers dezer brochure â vrienden zoowel als tegenstanders â hebben zich aan den titel gestooten. De godvruchtige en bovendien zeer achtenswaardige heer Pastoor von Ah in het schoone Unter-waldnerland maakte er zich erg boos over, dat ik den wereldlijken geleerde Darwin tegenover den godsman Mazes gesteld heb, die toch, als het orgaan eener goddelijke openbaring, niet niet een gewonen sterveling kon vergeleken worden. Dit geloof aan de goddelijke openbaring is bij Katholieken als bij Protestanten, bij Anglicanen als bij Joden : âtot een onmetelijke zee aangezwollen, die een paar geleerde twijfelaars met hun hongerige lepels nog in lange niet zullen uitputten. â Waar moesten wij terecht komen met dezen nieuwen kerkvader Darwin amp; Co. T
De bijbel zelf leert ons, dat Mozes in Egyptische wijsheid opgevoed, dus in de geheimen der heidensche wetenschap was ingewijd. Die heidensche wetenschap is de bazis van alle mozaïsche geschriften. In bijna alle boeken van het oude Testament treffen wij heidensche, zelfs kras-barbaarsche voorstellingen aan; zij ademen nogdenbloed-walm van den hcidenschen afgodsdienst, een walm, die zelfs afkomstig was van altaren, waarop levende menschen onder het mes van den offeraar vielen. De schrijver, of beter de schrijvers, der boeken-Mozes waren ook als auteurs kinderen van hun tijd. Wij maken hun daarvan geen verwijt, doch wel durven wij zeggen, zonder veel tegenspraak te vreezen, dat, indien Mozes nu als zuigeling in een met biezen begroeid beekje van ons land werd neergelegd, en daar door de dochter van een braven land-amman, (de hoogste ambtenaar in het kanton), of van een godvreezenden dominé gevonden werd, door haar werd opgevoed en op de hoogste scholen onzer heidensche moderne wetenschap in de geheimenissen van Natuur- en Wereldleven was ingewijd ; dan zou dezelfde Mozes geen ander scheppingsverhaal schrijven als er nu, bij den stand der huidige wetenschap, geschreven kan worden. Ieder zal dat inzien, die den schrijver of de schrijvers van het mozaïsche scheppingsverbaal kan waardeeren en schatten naar hun intel-
MOZES OF DARWIN?
ligentie en geestelijke vermogens. Wat de heeren theologen nu reeds een paar duizend jaren lang voor de âopenbaring Godsquot; uitgeven, is werkelijk niets anders dan ééne uiting van den menschelijken geest, die in alle tijden steeds onvermoeid naar het wezen der dingen en gebeurtenissen vorschte.
Dante schreef zijne âGoddelijke comediequot; krachtens dezelfde openbaring, als Mozes zijne boeken schreef. Deze âGoddelijke comediequot;' waarvoor onze beste dichters nog altijd als voor een heilig boek met eerbiedige verbazing staan, is toch gebleken zuiver menschelijke arbeid te zijn, trots de genialiteit en de grootschheid van opvatting, waarvan het blijk geeft. (Gelijk bekend is, zat Dante nog diep in de Ptolomeïsche wereldbeschouwing verzonken.)
Galilei was evengoed orgaan eener âGoddelijke openbaringquot; als Mozes of Dante. De kerk begon echter met Galilei's âopenbaringquot; te verloochenen, sleepte den ongelukkige voor het âHeilig officiequot; te Rome en dwong hem de waarheid â in onze oogen de goddelijke â af te zweren, om naderhand toch diezelfde openbaring te erkennen. Toenmaals heeft de kerk bijzonder gedwaald, wat de waardeering van werkelijk goddelijke openbaring betreft.
Lamarck en Darwin waren evengoed organen dfir âgoddelijke openbaringquot; als Mozes, Christus, Dante, Galilei, Isaac Newton, Spinoza en Kant. De wetenschap kent geen ander verschil dan een graadverschil, en taxeert de verdienste van een enkeling slechts naar de hoeveelheid en de beteekenis zijns arbeids in den zin der voortschrijdende ontwikkeling. Als de kerk halsstarrig blijft doorgaan tegenover alle groote waarheden op natuur-wetenschappelijk gebied de âgoddelijkequot; dwalingen van hunne op zich zelf staande borgen te stellen, dan benadeelt zij nauwelijks meer den gang der Wetenschap, dan benadeelt zij uitsluitend zich zelf, en haar aanzien in de harten des volks. Zoover zijn wij reeds gekomen!
De wetenschap gaat ten aanzien der Kerk eenvoudig tot de orde van den dag over en deze dagorde schrijft nauwgezetten arbeid in het verdier onderzoeken voor. Den arbeid behoort de toekomst. Hij is leven !
De âpaar geleerde twijfelaars met hunne hongerige lepelsquot; gelijk de pastoor von Ah de Darwinisten gelieft te noemen, die paar geleerde twijfelaars zijn in't allerminst hongerig naar den roem, die den kerkvaders wordt gewijd. Naar roem te hongeren viel Darwin in 't geheel niet in. Hij was integendeel de bescheidenste aller geleerden, die ooit op aarde gevorscht en gedacht hebben. Hij wees zelfs verdiensten af,die hem werkelijk toekwamen, en arbeidde onafgebroken in zijn kluizenaarswoning te Down-Beckenham, vrij van eiken wensch naar roem of eer voor God of voor de menschen, slechts bezield door dien eenen machtigen drang, de ontwikkeling der levende natuur te doorzien en het groote wordingsraadsel te leeren oplossen.Naar den roem van kerkvaders of dergelijken te streven âmet hongerige lepelsquot; kan alleen ijdelen narren of kortzichtigen egoïsten invallen. De stille arbeid van den wijze draagt zijn loon in zich zelf: het is die innerlijke â niet schreeuwende en naar erkenning azende bevrediging,
133
MOZES OP DARWIN 1
die voortvloeit uit alle verdere ontwikkeling van menschelijk denken en weten.
Den vrienden mijner brochure echter, die meenen, dat de titel te persoonlijk er uitziet en te veel autoriteitsgeloof aanwakkert, merk ik dit op: De beide tegenstellingen â bijbelgeloof en natuurwetenschap, bovennatuurlijke schepping der wereld eenerzijds en natuurlijke scheppingsleer anderzijds â vinden hun sterkst sprekende uitdrukking in de beide namen Mazes en Darwin.
De hebreeuwsche godsdienststichter Mozes, of wie hij ook mag geweest zijn, die onder dezen naam verstaan moet worden, was en is nog de machtigste vertegenwoordiger van de duizenden jaren oude dwaalleer en op zijn leer van den zondeval bazeert het orthodoxe christendom.
Darwin's naam is daarentegen de andere naam voor het zegevierend beginsel der afstammingsleer, die wel is waar reeds bestond voor Darwin er was, zooals het mozaïsch scheppingsverhaal in het wezenlijke der zaak reeds bestond voor Mozes leefde.
De eene naam is dus van gelijke beteekenis als het afgestorven oude, de andere naam beteekent de overwinning van het nieuwe. Korter en sprekender zijn de beide tegenstellingen niet uit te drukken. Dat is zeker door de vijftig of honderdduizend lezers van mijn boekje wel erkend.
Laat den titel dus zoo blijven, opdat de zaak verder slage.
Een grootere steen des aanstoots ligt voor alle geloovigen in de leer der natuurlijke teeltkeus, omdat daardoor een met rede begaafde schepper overbodig is geworden. Al wat in de natuur geschiedt vindt naar natuurlijke wetten plaats binnen het ijzeren raam der physische noodwendigheid van werking en oorzaak, grond en gevolg. Dat staat iederen natuuronderzoeker klaar voor oogen en het beangstigt ons in geen opzicht; het heeft ons integendeel vrijgemaakt en ons in die mate versterkt, dat wij tegenover elk natuurverschijnsel onze zielsrust bewaren kunnen.
Vele theologen beginnen tegenwoordig tegenover de afstammingsleer min of meer verstrekkende concessies te doen; ze ontkennen ook niet meer den strijd om het bestaan en het feit eener natuurlijke teeltkeus, doch zij kunnen zich nog niet los maken van de stelling eens verstandelijken Scheppers.
De rector van de Züricher hoogeschool, de theologie-professor Dr. Kesselring, een zeer geleerd en zeer verdraagzaam onderwijzer der studenten, tevens een warm vriend van het strijdende proletariaat, die het niet beneden zich heeft gerekend om in den kritieken tijd (1892) moedig voor de opgewonden arbeiders op te treden, heeft bij gelegenheid van het stichtingsfeest onzer hoogeschool onomwonden erkend, dat de natuurwetenschap onvermoede gevolgen aanteekenen mag. Volgens Kesselring mogen ook de theologen zich daarover verheugen ; doch natuurwetenschap noch wijsbegeerte, geen enkele wetenschap zal ooit bij machte zijn om het bestaan van een redelijk oerwezen, dat de grond van alle bestaan is, weg te bewijzen. âHoe zou het redelooze het redelijke kunnen voortbrengen
134
M0ZE3 OP DARWIN t
Evenzoo argumeiiteei't Prof. Dr. K. Furrer d© moedige geestelijke te Zurich, die zich in zijn voordracht over ,,Darwinismus und Sozia-lismus im Lichte der christlichen Weltanschauungquot; onomwonden aan de zijde der voortschrijdende ontwikkeling schaart: âOp den top van het geheele natuurproces en den natuurstrijd staat de mensch.
Onze afkomst moge nu zijn, wat ze wil, een feit blijft het, dat wij menschen zijn met eigenschappen, die ons hoog boven het zuiver dierlijke bestaan verheffen, dal wij een innerlijken prikkel ten vooruitgang in ons bespeuren, dat wij niet bij een gegeven doel kunnen stilstaan, doch verder streven moeten, omdat de trek en het verlangen naar het oneindige onverwoestbaar in ons hart woont. Dat is de trots der nienscliheid, dit idealisme, die heilige ontevredenheid met het bestaande, wie in lichten glans een hooger, verhevener doel voor oogen rweeft. Bijgevolg, menschen met zulke eigenschappen vormen den sluitsteen van dit ontzettende natuurproces â zouden wij dan niet gerechtigd zijn tot het geloof, dat deze geheele reusachtige beweging is uitgegaan van een oerkracht, die toch iets verwants moest hebben met den menschelijken geest? Want anders ware de mensch met zijn Eede, zijn hooger streven, zijn eigenaardig hoog geestesleven niet mogelijk; in het gevolg kan zich toch niet openbaren, wat niet reeds in de oorzaak lag? Wederom vraag ik:mogen wij niet gelooven, dat die wereld-oerkracht, die het wereldproces voortdreef, Wijsheid, Rede heet?
Is het niet een weldadige gedachte, dat die laatste oorzaak niet het blinde, ruw© geweld maar de rede is, waarvan onze eigene rede slechts een zwakke afspiegeling is?quot;
Ziethier het standpunt door de helderziende theologen ingenomen. Het valt niet te loochenen, dat voor de gewone beschouwing van dingen en feiten dit standpunt veel aanlokkends heeft, een redelijken, denkenden eni scheppenden producent aan te nemen. De kunstige machine veronderstelt reeds een verstandigen, zich zijn doel bewusten machinemaker. Geen schilderij, geen beeldhouwwerk, geen kunstwerk zonder een scheppenden kunstenaar. Deze zienswijs is volkomen juist en natuurlijk, daar zij berust op ervaringen, betreffende den samenhang tusschen oorzaak en uitwerking.
Deze beschouwing is echter zuiver menschelijk. Zoodra zij toegepast wordt op de verschijnselen in het natuurleven, in het heelal, dan blijkt zij voor de oogen der wetenschap niet houdbaar. De astronomie, misschien de meest gevorderde van alle wetenschappen heeft, ter verklaring der gebeurtenissen in het wereldruim, volstrekt geen behoefte aan een wereldorde instellende âredequot;, aan een âeeuwige wijsheidquot;. Zij kan letterlijk zeggen: ik heb den sterrenhemel doorzocht en de banen der hemellichamen gemeten ; ik heb de zon op de weegschaal gelegd en het gewicht der planeten gewogen; ik heb in de grondelooze diepten van het heelal naar een wijze, naar een haar doel bewuste Wereld-rede gezocht â doch heb geen God gevonden, slechts bewegelijke stof, die sedert een eeuwigheid haar wetten in zich draagt, bewegende stof zonder rede en zonder wijsheid, geschikt en krachtig genoeg, in haar eenvoudig bestaan uit eigen kracht zich
135
MOZES OF DARWIN?
te veranderen en voorbijgaand schijnbaar redelijke, doch. ook veel âredeloozequot; dingen te scheppen.
Zoo heeft de natuuronderzoeker de geheele natuur leeren beschouwen. Wat bestaat, draagt de wetten zijner verdere ontwikkeling in zich en heeft geenszins een vrij willende Wereld-rede noodig. Laat ons voor 't oogenblik eens aannemen, dat er werkelijk een hoogere Wereldrede bestaat, die alles wat in natuur en menschenleven geschiedt, leidt. Overal om ons heen zien wij nu den strijd om het bestaan, die alleen nog maar ontkend kan worden door een schaap, dat bij een volle krib zijn redeloosheid als 't hoogste goed beschouwt. In den overal en altijd durenden strijd om het bestaan gaan duizenden levende kiemen te gronde, terwijl slechts een kiem ter ontwikkeling komt. Dat is alles wetenschappelijk bewezen, wat zelfs door een kind kan worden verstaan.
Derhalve duizenden en millioenen kiemen zijn aan een langzame of plotselinge vernietiging prijsgegeven, terwijl één kiem zich zegerijk ontwikkelt. Nu zegt de bijbel; velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren.
Bij de aanneming van een alwijze, algoede, rechtvaardige, alwetende Wereld-rede komen wij vanzelf tot de gruwelijke predestinatie leer (leer der voorbeschikking) tot de leer der ^e?i«^e-keuze, zooals zij het scherpst geformuleerd is, door den Geneefscheriquot; hervormer Kalvijn en het bloedigst is bespot door Voltaire. Ik breng hier nu nogmaals de argumentatie van Voltaire in de herinnering mijner tijdgenooten, daar ik vrees, dat het in de toekomst onze theologen nog eens mocht invallen, zich op het standpunt van Kalvijn te plaatsen.
Voltaire vertelt in zijn artikel over de genade-\\.e,\\ze (,,de Heer kiest de zijnenquot;) verschenen in de Dictionnaire philosophique, de volgende leerzame geschiedenis'â¢
â Keizer Mulei Ismaël van Marokko had, naar de faam luidt, 1500 zonen. Wat zoudt gij nu zeggen, als een Maraboet (een mohammg-daansche paap) van den berg Atlas af u vertelde, dat de wijze en goede Ismaël eens zijn heele familie ten eten had genoodigd en tegen het einde van den maaltijd toen als volgt had gesproken:
,, âIk hen Mulei Ismaël en heb u tot mijn heerlijkheid geschayen (Jesaja 43 vs. 7) want ik hen zeer heerlijk. Ik heb u allen teeder lief en draag zorg voor u, gelijk een hen haar kiekens onder hare vleugelen bijeenvergadert (Matth. 23 vs. 37.) Ik heb besloten, dat een mijner jongere zonen het Koninkrijk Talifet zal bekomen en een ander Marokko ten eeuwigen dage bezitten zal.Wat echter mijn andere kinderen, 1498 in getal, betreft: de eene helft er van zal geradbraakt en de andere helft verbrand worden. (Vergelijk Matth. 22 vs. 14 en Romeinen 9 vs. 12â24); want ik hen de Heer (Levit. 19 vs. 37) Mulei Ismaël.quot;quot;
âZonder twijfel zoudt gij den maraboet, die u dit op de mouw spelde, voor een ongeneeslijk krankzinnige houden, wien de afrikaansche zon de hersenen verbran 1de. Als nu echter 3000â4000 maraboeta,
43G
MOZES OF DARWIN?
die zich op uwe kosten vetmesten, u dezelfde historie telkens en telkens weer voorkauwden, wat zoudt gij dan doen 1 Zoudt gij dan niet in verzoeking komen hen bij brood en water te laten vasten, totdat zij weer bij verstand waren gekomen?quot;
Het is klaar, dat deze genade-leer een leer der bloedigste ongerechtigheid beduidt. Zoo lijkt zij ons echter toe, alleen in 't geval, dat wij een vrij uillende Wereld-rede aannemen. Stellen wij echter in de plaats van een bewust scheppende oerkracht van het heelal, de ijzeren wet der beweging voor alle met kracht begaafde stof, dan verdwijnen alle onrechtvaardigheid en alle willekeurige gruwzaamheid! voor onze oogen, alle redeloosheid en onbarmhartigheid. Wij houden op te .jammeren, omdat wij weten.
Zoodra wij het beginsel der natuurlijketeeltkeus inden strijd om het bestaan als den machtigsten beeldhouwer in de levende natuur erkennen, is er voor een met rede begaafde oerkracht geen plaats meer. Het totaal van alles, wat wij natuur noemen, is noodwendig zoo geworden, niet gewild, nijet met een vooropgezet doel in de wereld gebracht, maar is de tegenwoordige phase van het in voortdurende beweging en verandering verkeerende heelal. Wat in de oogen der menschelijlce rede als iets redeloos en onrechtvaardigs moet schijnen, is noch redeloos, noch onrechtvaardig, is noodzakelijk, onvermijdelijk.
])e verspreiding van een zoo groot aantal levende kiemen daar, waar van millioenen kiemen slechts één de bestaansvoorwaarden kan vinden, waar dus van 1000000 niet minder dan 999999 jammerlijk verloren moeten gaan â de geweldige verspillingquot; van eitjes, zaadlichaampjes, van sporen en stuifmeelkorreltjcs kan slechts bij een vooropgestelde hoogere gerechtigheid als gruwzame liefdeloosheid worden aangemerkt, als een barbaarschheid a la Mulei Ismaël.
Voor den Darwinist is die verkwisting niet iets redelijks maar iets noodzakelijks. De natuur-noodwendigheid is noch redelijk noch redeloos, barmhartig noch onbarmhartig, liefdevol noch afgrijselijke hatelijkheid ; ze is niet iets menschelijks, ze is een inherente eigenschap van het wezen des heelals.
De gewone burger steekt bij de beschouwing van de natuur en het heelal in het gunstigst,e geval nog altijd in zijn menschelijke huid, die doorgaans van zijn vroegste kindsheid af met allerlei âbovennatuurlijkequot; gcloofstincturen is ingesmeerd en tot een zeer taai leder is gelooid, en dat uiterst moeielijk het zeer bewegelijke wezen der natuurwetenschap doorlaat.
De wetenschap heeft het geloof aan qen, scheppende oerkracht, aan een Wereld-rede of de âeeuwige ideequot; (Plato) moeten laten varen. Zij erkent in al wat geschiedt slechts den stroom der bewjeging eener eeuwige stof, die sedert alle eeuwigheden rejeds in de oneindige ruimte met hare zelfde tegenwoordige eigenschappen bestond en ook in alle komende eeuwigheden zal bestaan, omdat de ervaring heeft pjeloerd dat geen atoom der stof noch het geringste deeltje harer kracht kan vernietigd worden.
Menig lezer vraagt zich allicht af, hoe wij dan staan tegenover den dbod. Daarover spreek ik op een andere plaats, waar het raadsel des
137
mozes op darwin?
levens en des doods het ondenverp zal zijn (zie âAus Leben nnd Wissenschaftquot; afl. 3 en 4). *) Hier slechts dit:
Als wij moede zijn van den arbeid, dan worde de droomlooze slaap onze verlosser.
Mag: die kurze Spanne Zeit Bald verflossen sein !
Ein Gefühl der Seligkeit Wiegt die Zweifel ein.
War in ihrem Morffenschein Mir die Er de schön:
Will ich in das ew'ge Sein Gern verloren gehn.
(Baltzer.)
1) Bovendien vindt de lezer -vrijdenker een troostvolle, sterkende beschouwing over den dood in Dageraad xv^en jg. pag. 537. (vert.)
138
: '%
/