mm
Vak 99
m
è
I
CATECHISlïïS,
VOOKAL TEgt;quot; DIENSTE TAN
'n] 'â p'
(è) 0 é
I i I
I
f 'a
6 ©
i
RELIGMEXJSE^
H 0 L. ï E K E ON DE B. Y/ ï J %. E B. S. §
JfiffMS. iÃÃfh
T 11 B I R G ,
Stoomdrukkerij van het ja, K. Jongens-Weeshuis. 1S91.
§
â mm-
84
Vak 99
r) / öi
Woord- en ZiiiyorldariM
O
VAX DEN'
CATECHISMUS,
VOORAL TEK DIEXSTE VAN
HELIOIJEXJSEIV
KATHOLIEKE 0ITDEEWUZERS.
81T? IJ O T H E r ^
C O v V K N TL' i
V[ E ( ; } ⢠, s ^ j ,
Ni S
ï I L I? U R ft ,
Stoomdrukkerij van liet R. K. Jongens-Weeslmis. 18 91.
IMPRIMATU R.
M. F. DE BEER, Sap.-Gen. et Dcc.
ad hoc delegatus.
Tilbuegi , -1 Junii 1891.
Â¥ O O awe Q amp; 33.
r-'jjlSyeze ,quot;Woord- en Zinverklaring van den Cate-â¢Xr-ïi''' chismusquot;, ui is ze , volgens titelblad , vervaar-digd vooral ten dienste van Keligieusen en Onderwijzers in bizondere katholieke scholen werkzaam, en bij deze hun opgedragen, maakt toch volstrekt geene aanspraak op eenige letterkundige waarde. Onder dit opzicht moet zij bepaald hunne toegeefelijkheid inroepen. â Ze is eenvoudig een richtsnoer , dat, naar wij raeenen , veilig kan gevolgd worden om leerlingen van eiken leeftijd , naar hunne bevattelijkheid, degelijk in de christelijke leering te onderrichten.
In gewone omstandigheden , behooren Religieusen en Onderwijzers , naar onze bescheiden meening, hunnen leerlingen allereerst te leeren de vragen en antwoorden van den Catechismus , in onderling verband , goed van buiten op te zeggen , en zich wijders tot de jf (Fooï'fZverklariiigquot; te bepalen.
Doch, om hierin niet te falen , moeten zij zeiven den zin der vragen en antwoorden grondig verstaan. Daarom voegden wij doorgaans âWoord- en Zinverklaringquot; samen.
Omdat vooral Religieusen, bv. , in Weeshuizen en Opvoedingsgestichten , niet zelden nog Catechismus moeten doen voor jongens en meisjes van zestien en meer jaren, helderden wij de voornaamste, de meest praktische punten veeltijds door bewijzen of toepassingen nader op.
Natuurlijk wordt het den Onderwijzers ter beoordeeling gelaten, welk deel der in deze handleiding verklaarde stof voor deze of gene klas hunner leerlingen geschikt is
't Gebeurt wel eens , dat men het les geven in den Catechismus minder hoog opneemt, als heel gemakkelijk beschouwt en dientengevolge tot deze les weinig of niet voorbereid overgaat.
Reeds de allereerste Vr. van den Catechismus toont, dat zoodanige opvatting niet de ware , zoodanige handelwijs geenszins aanbevelenswaardig is. Immers : Welke is dn allerzaligste , dus , de gewichtigste , de meest te waardeeren en te behartigen leering osder alle overige leegt;-ingen der .wereld? vLgt;e Christelijke Wring of de Catechismusquot;.
Dienovereenkomstig noemde Z. H. Paus Paulus V , in zijne Constitutie, d. d. 6 October 1607, Catechismus doen âeen heilzaam werk voor de zielen en geheel de
christenheid quot;
Daarom ook verleende Hij o. a. aan de schoolmeesters, welke op feestdagen hunnen leerlingen de Christelijke leering uitleggen , telkens zeven jaren aflaat, en indien zij op werkdagen in hunne school den Catechismus uitleggen , iederen keer , honderd dagen aflaat. Dezen aflaat, nl., van honderd dagen, verleende Hij ook aan degenen die een half uur den Catechismus bestudeeren, om hem aan te leeren of te onderwijzen. (Vgl. Recueil de Prières etc. ed. anni 1878, p. 395.)
't Wil ons schijnen , dat hieruit genoegzaam blijkt , dat de vrucht der onderrichting in de Christelijke leering veel afhangt van de zorg, welke Onderwijzers wijden om zich naar behooren voor hunne Catechismus' les voor te bereiden.
Moge Gods zegen op ons nederig werk rusten. Moge het de moeielijke taak der Onderwijzers eenigermate vergemakkelijken , iets bijbrengen tot heil en zaligheid der kinderen , zoo dierbaar aan .Tesus Goddelijk Hart!
Geloofd zij ,Tesus Christus in eemvigheid. Amen.
Dom. Quinquag. 1891.
OA-TEO-HISMU»
OF
I N L EI DIN G.
EERSTE LES.
Van de Christelijke Leering , en den Menseli.
1 Vraag. Welke is de allerzaligste leeriny onder * alle leeringen der wereld ?
Antwoord. De Christelijke leering of de Catechismus.
Catechismus wil zeggen: een lesrboek met vragen en antwoorden.
Het bepalend lidwoord de geplaatst voor het zelfstandig naamwoord Catechismus, duidt bepaald dat leerboek aan, hetwelk in vragen en antwoorden de Christelijke leering, de leering van Christus inhoudt.
De Christelijke leering of de Catechismus beteekent dus een en hetzelfde. Immers de Christelijke leering wil zeggen, de leer van Christus; de leer, die Christus aan Zijne leerlingen geleerd heeft.
Noemen we de Christelijke leering den Catechismus, dan wordt door deze benaming enkel nader aangeduid, dat de leer van Christus in dit leerboek in vragen en antwoorden is voorgesteld.
6
De Christelijke leering is en wordt de allerzaligste, d. i. de aIler(/e?HA'zaligste, onder alle leeringen der wereld genoemd, omdat zij alléén den raensch waarlijk volledig gelukkig kan maken voor tijd en eeuwigheid; tijdens zijn leven. voor zoover de mensch hier op aarde waar geluk kan genieten; en in eeuwigheid in den Hemel, waar Christus voor zijne getrouwe leerlingen volkomen geluk , volmaakte gelukzaligheid heeft bereid en beloofd.
quot;Wanneer iemand die geloof verdient, geloofwaardig is, ons zoide: âIk ken een kunstje , â en wil 't u leeren â waardoor ge zeker en gewis gelukkig, rijk, geacht.... kunt worden hier op aardequot;. Wat zouden wij ijverig zijn om die kunst aan te leeren. Maar hoeveel meer ijver moeten wij dan aanwenden om de kunst te leeren , waardoor we niet enkel in dit kortstondige leven, voor zoover 't hier op aarde mogelijk is , maar tevens in eeuwigheid rijk en gelukkig kunnen worden in den Hemel.
Die wetenschap leert ons de Christelijke leering of de Catechismus , die dus terecht de allerzaligste onder alle leeringen der wereld genoemd wordt.
2 V. Wat is de Christelijke leering of de Catechismus ?
A. Het kort begrip van hetgeen Christus geleerd heeft en alle menschen moeten weten en doeu om zalig te worden.
De Christelijke leering of de Catechismus is het kort begrip van hetgeen Christus geleerd heeft,..... d. w. z., de korte inhoud van..... In den Catechismus is in 't kort te samen gevat
hetgeen.....; met weinige woorden 't voornaamste gezegd van
al hetgeen Christus geleerd heeft, en alle menschen â grooten zoowel als kleinen ââ moeten weten en doen {weten alléén is niet genoeg) om zalig te worden.
7
3 V. Wie heeft die leer, dat is, de leer van Christus , het eerst op de wereld gebracht ?
A. Christus zelf.
4 V. Boor wie heeft Christus zijne leer in de wereld doen verspreiden ? d. i. naar verschillende vverelddeelen , landen en streken , in één woord : over de gansche aarde , doen heenbrengen , verkondigen.
A. Door de Apostelen en hunne opvolgers in de H. Kerk.
Apostelen , w. z., zendelingen (Missionarissen). De Apostelen zijn bepaald die zendelingen, welke Christus zelf heeft uitgekozen en gezonden om zijne leer over geheel de wereld , aan $ alle volkeren te verkondigen, met name de H. Petrus, Paulus,
Andreas, Jacobus, Joannes..... en hunne opvolgers, d. w. z.
de opvolgers der Apostelen.
Nu, de opvolgers dor Apostelen in de H. Kerk , zijn de Paus van Rome , en de Bisschoppen der H. Kerk in vereeni-ging met den Paus. (Zie 3de les 10de vraag.)
5 V. Hoe kan men de Christelijke leering of den Catechismus verdeelen ?
A. In vijf voorname deelen, waarvan het eerste ^ handelt over het Geloof; het tiveede owv Aq Hoop;
het derde over de Liefde ; het vierde over de HH. Sacramenten, en het vijfde over de Christelijke Rechtvaardigheid.
Waarom volgt dat zóo: eerst het geloof, dan de hoop enz.?
8
Omdat, als wij God, en Zjjne goddelijke eigenschappen t Zijne volmaaktheden, b. v. Zijne almacht, Zijne heiligheid en rechtvaardigheid , Zijne oneindige wijsheid en alwetendheid , Zijne oneindige goedheid en barmhartigheid door het geloof hebben leeren kennen, wij dan als het ware van zelf op Hem hopen, en Hem als het opperste goed in zich zei ven , en ons opperste goed zullen Æ hebben, beminnen.
Ware liefde moet zich toonen door de werken, door te doen wat degene, dien men zegt lief te hebben , van ons wil, of verlangt, in één woord: door te doen wat hem behaagt; èn door te laten wat hij ons verbiedt, of hem mishaagt.
Natuurlijk wordt dus in 't derde deel van den Catechismus, dat handelt over de goddelijke Liefde, ook gehandeld over de tien geboden Gods en de vijf geboden der H. Kerk, omdat we door deze te onderhouden , met der daad moeten toonen, dat we God wezenlijk en oprecht lief hebben.
Geheel natuurlijk handelt dus ook het vierde deel van den Catechismus over de H.H. Sacramenten, omdat we vooral in de H.H. Sacramenten de genaden , de hulp van Gods gratie , m. a. w., bovennatuurlijke kracht en sterkte vinden , die wij uit onze natuur, uit ons zeiven niet hebben, en ons toch noodzakelijk zijn om de geboden Gods naar behooren te onderhouden.
Onderhouden wij , geholpen door Gods gratie, Gods geboden naar behooren, dan komen wij van zelf tot de Christelijke Rechtvaardigheid , waarover de Catechismus handelt in het vijfde deel. Want dan zullen wij het kwade laten, of, wat hetzelfde is , do zonde vluchten, en het goede doen, de deugd beoefenen. Immers hierin juist bestaat de Christelijke volmaaktheid. (Zie 39ste les , 2de vraag.)
6 V. Wat is de mensch ?
A. Een redelijk schepsel Gods, bestaande uit eene onsterfelijke ziel en een sterfelijk lichaam.
9
De mensch is een schepsel Gods. Scheppen beteekent: iets voortbrengen uit niets, iets uit niets maken. Dat kan God alleen. Een schepsel beteekent dus , iets of iemand uit niets voortgebracht.
De mensch wordt dus een schepsel Gods genoemd , omdat hü naar de ziel door God geschapen, of, uit niets is voortgebracht. (Zie Sste les, 2de vraag.)
Hieruit volgt rechtstreeks, dat elke mensch van God afhankelijk is, aan God toebehoort.
Gij weet nu waarom de mensch een schepsel Gods genoemd wordt. Maar waarom is de mensch een redelijk schepsel Gods ? Omdat hij door God met rede of verstand , en vrijen wil begaafd is.
Met rede of verstand begaafd zijn , redo of verstand hebben wil zeggen: het goede, de deugd, van 't kwade, van de zonde kunnen onderscheiden.
Tusschen het goede en kwade kunnen kiezen , dat heet een vrijen wil hebben.
De mensch wordt dus een redelijk schepsel Gods genoemd, omdat hij, eenmaal tot het gebruik zijner rede, tot de jaren van verstand gekomen , het goede van het kwade, de deugd van de zonde kan onderscheiden , en het een kan doen en 't andere laten , éen van twee kan kiezen.
Door zijn verstand en zijn vrjjen wil is de mensch ver verheven boven de dieren , en overige schepselen Gods op aarde, b.v. zon, maan, sterren, planten, boomen, bloemen; kortom : boven alle overige dingen of zaken, die men in de wereld zien kan; want al die dingen zijn in hun oorsprong wel schepselen Gods, maar niet met rede en vrijen wil door God begaafde , doch redelooze schepselen G ods.
De mensch bestaat uit twee deeldn , uit eene onsterfelijke ziel, d. i. eene ziel die niet sterven kan , en een sterfelijk lichaam , d. w. z. een lichaam dat sterven kan , ja werkelijk eens sterven, van de ziel gescheiden, en in deelen ontbonden worden zal.
10
Waarom kan onze ziel niet sterven ? Omdat onze ziel een â¢geest is , die niet uit deelen bestaat, en dus ook niet in deelen â¢kan ontbonden worden. Welnu , sterven wil zeggen : in deelen ontbonden worden. Bijgevolg kan onze ziel niet sterven, omdat zij een geest is.
7 V. Welk is het waardigste deel van den mensch ? A. De ziel.
8 V. Waarom is de ziel het waardigste deel van den mensch ?
A. Omdat de ziel onsterfelijk is , en naar Gods beeld en gelijkenis is geschapen.
De ziel is dus, volgons den Catechismus, om twee redenen het waardigste deel van den mensch.
Ten 1ste omdat de ziel onsterfelijk is, en het lichaam sterfelijk. Wat die reden beteekent, weet ge al.
Ten üde omdat de ziel naar Gods beeld en gelijkenis is geschapen. âLaat ons den mensch âman en vrouwâ maken, scheppen naar ons beeld en gelijkenis. (Ges. I. 26 , 27.)
Om deze tweede reden goed te verstaan , diene eene kleine vergelijking.
Kinderen, als de Zuster (of de Frater) u leert schrijven, dan geeft zij (hij) u een voorbeeld, voorschrift, model, dat ge moet naschrijven. Doet ge dat, dan schrijft ge letters naar 't voorbeeld en de gelijkenis van degene, welke de Zuster op bord of . . . hoeft voorgeschreven.
Als een schilder iemands portret moet maken , dan tracht hij de trekken van diens aangezicht, voorhoofd , oogen , neus, mond, ooren, houding, in Ãen woord , diens beeld en gelijkenis, zooveel hij maar kan, trouw gelijkend af te schilderen , weer te geven.
Door deze vergelijkingen toe te passen, zult ge genoegzaam begrijpen wat het zeggen wil, dat de ziel het waardigste deel van den mensch is (ten 2de) : omdat zij naar Gods beeld en gelijkenis is geschapen. Dat wil nl. zeggen : dat onze ziel,
11
zooveel mogelijk een afbeeldsel, ja een evenbeeld van God is, veel gelijkenis heeft met God , goed op God gelijkt, staalt, gelijk men zegt: Kijk, dat kind staalt, gelijkt goed, of, juist op zijn vader of moeder.
Onze ziel kan niet volkomen, niet geheel en al op God stalen ; want God is oneindig volmaakt, oneindig in alle Zijne volmaaktheden. Eene schilderij , een beeld of portret van mensehen , hoe goed gelijkend , is altjjd veel minder dan degene, dien het in levenden lijve voorstelt. B.v. kan het portret van N. N. spreken?... Neen, maar toch zeggen we terecht: het portret gelijkt goed, juist, sprekend.
Zoo is 't nu ook met onze ziel in vergelijking met God. Onze ziel is niet en kan niet aan God gelijk zjjn, maar toch gelijkt ze goed op God. Dit ook alléén wordt beteekend als we zeggen, dat do ziel van don mensch naar Gods beeld en gelijkenis geschapen is.
Die gelijkenis bestaat voornamelijk hierin , dat
ten 1ste God een geest is en onze ziel ook een geest is. In zoover gelijkt dus onze ziel op God , dat èn God èn onze ziel een geest zijn. Maar tusschen God en de ziel van den mensch bestaat toch een groot , ja , een oneindig verschil. Immers, God is een ongeschapen geest (zie 5de les , 3de vraag) ; maar de ziel van den mensch is door God geschapen, uit niets voortgebracht, door God ingestort.
Ten 2do hierin, dat onze ziel door God met rede of verstand begaafd is, en ook God rede of verstand heeft, maar uit zich zeiven, en oneindig meer dan de ziel van eenig mensch , hoe geleerd en verstandig eenig mensch , b.v. Adam, Salomon en de Allerheiligste Maagd Maria, ook geweest zijn.
Ten 3de hierin , dat onze ziel een vrijen wil heeft en God ook, maar alweer met dit oneindig verschil, dat God, omdat Hij oneindig heilig is, niets kan willen en beloonen dan hetgeen goed is , en daarom ook het minste kwaad , de kleinste zonde moet verafschuwen en straffen, omdat Hij tevens oneindig rechtvaardig is.
Ten 4de hierin, dat, gelijk God is één in wezen en drie»
12
vuldig in Personen, ook onze ziel is één in wezen, drievuldig in krachten of vermogens, te weten: verstand, wil en geheugen,
{Heeft Uod ooi- geheugen ?)
Ten ode, hierin , dat gelijk God onsterfelijk is, ook de ziel van den raensch onsterfelijk is. Toch is er ook hij deze gelijkenis onzer ziel met God al wederom een oneindig verschil. God is van alle eeuwigheid en in eeuwigheid der eeuwen,, in zich zeiven gelukkig. Do ziel van den mensch is in den tijd geschapen, en alleen onsterfelijk in dien zin, dat ze eenmaal geschapen altoos zal blijven bestaan, nooit zal te niet gaan ; maar in de eeuwigheid ol wel gelukkig öf ongelukkig zijn zal , naar gelang de mensch het einde bereikt of niet bereikt, waarvoor hij door God geschapen is.
Deze vijf punten van gelijkenis tusschen God en de ziel van den mensch, toonen tegelijk duidelijk aan, dat de ziel het waardigste deel is van den mensch , veel waardiger dan zijn lichaam. Want juist hierdoor dat de mensch naar de ziel op de verklaarde wijze Gods beeld en gelijkenis is , is de ziel ver boven het lichaam verheven. Hieruit volgt, dat we voor het geluk onzer ziel ten minste zooveel, ja veel meer zorg moeten hebben , dan voor het geluk , het welzijn van ons lichaam , te meer, omdat, als we onze ziel zalig maken, ook ons lichaam eens in haar geluk zal deelen.
Wat doet men als van zelf voor 't behoud en welvaren van 't lichaam ?..... Doet minstens datzelfde voor uwe ziel.
9 V. Tot wat einde d. w. z. tot welk doel T of waarvoor is de mensch geschapen ?
A. Om iu dit leven God te dienen en Hem hierna eeuwig te aanschouwen.
Ten Iste, om in dit leven, dat we hier op aarde doorbrengen. God te dienen.
Maar wat is God dienen ?
Dat zult ge vanzelf verstaan , als ge maar nadenkt wat dienen , gaan dienen beteekent. Kent ge geene dienstboden ?
13
Hebben uwe ouders geen meid of knecht? Wat moeten die doen ? 't Geen hun heer of mevrouw, baas of vrouw wil dat ze doen, hun opleggen, gebieden. God dienen is dus Gods heiligen wil volbrengen, doen wat God van ons wil, en gelijk Hij het van ons wil gedaan hebben. Ku , wat God van den menseh wil gedaan hebben, heeft Hij geopenbaard , kenbaar gemaakt door zijne 10 geboden , de 5 geboden der H. Kerk , en de plichten eigen aan ieders staat.
Noem een gemakkelijk middel om door al onze werken God te dienen? 's Morgens de goede meening maken om alles tot eer van God te doen.
Ten 2de, is de mensch geschapen , om Hem, God, hierna, d. i. na dit leven , na onzen dood , eeuwig te aanschouwen , d. w. z. eeuwig, volmaakt gelukkig te zijn. Dienstboden dienen hunne meesters om op het einde des jaars hun loon, hunne huur te ontvangen. Welke belooning zal God geven aan degenen die Hem trouw dienen, Zijne geboden onderhouden ? Het opperste geluk, de eeuwige gelukzaligheid, bestaande in God , ons opperste Goed , te aanschouwen, te bezitten en te genieten. Hoe lang? Eeuwig, zonder eind. Ons leven hier op aarde duurt zoo kort. Dienen we dus God getrouw om ons laatste einde te bereiken, om God na dit leven, namaals eeuwig te aanschouwen.
10 V. Wat wordt er van den mensch vereischt, otn tot dat einde, d. i. het einde waarvoor de mensch geschapen is , te komen ? of, te geraken ?
A. Dat hij God kenne , God beminne, en Gods geboden tot het einde zijns levens getrouwelijk onderhoude.
Eerst staat er, dat hij God kenne, en dan, God beminne, omdat men niet kan beminnen wat men niet kent. Ongekend is onbemind.
14
Maar als wij nu uit den Catechismus God goed hebben leeren kennen als een ongeschapen geest, den Schepper, Heer en Bestierder van hemel en aarde, de fontein onzer zaligheid en ons opperste goed (5de les), dan zullen we, lettende op Zijne oneindige volmaaktheid in zichzelve, als zijnde een ongeschapen geest, en op Zijne grenzenlooze goedheid jegens ons als Schepper..... ook gemakkelijk inzien, dat we God bovenal moeten
beminnen, en die liefde toonen door Gods geboden tot het einde van ons leven getrouwelijk te onderhouden. Immers, âwie volhard zal hebben ten einde toe , die zal zalig worden.quot; (Matth. X. 22.) vEn hieraan weten wij, dat wij Hem (God) kennen , indien wij zijne geboden onderhouden. Wie zegt, dat hij Hem kent en Zijne geboden niet onderhoudt, die is een leugenaar, en in dezen is de waarheid niet; maar die Zijn woord, Zijne geboden, onderhoudt, in dezen is naar waarheid de liefde Gods volkomen geworden.quot; (I Joannes II. 3â5.) D. w. z. deze bemint God niet enkel met den mond, maar ook met het hart, met de daad, â dezes liefde tot God is volkomen , echte , ware , oprechte liefde , noodig om ons. einde te bereiken.
TWEEDE LES.
Van den Christen mensch en het Krnisteeken.
1 V. Wat is een Christen mensch ?
A, Een leerling van Jesus Christus , die , gedoopt zijnde , de zalige wet van Christus gelooft en belijdt in de ware Kerk.
Een Christen mensch is: Ten Iste, een leerling van Jesus-Christus.
15
Een leerling of discipel is iemand die geleerd of onderwezen wordt.
Een leerling van Jesus Christus is iemand die geleerd of onderwezen wordt in de leer van Christus.
Even gelijk men iemand, die bij de Fraters, of de Zusters, of den Meester ter school gaat, een leerling van de Fraters, Zusters of van den Meester noemt, zoo noemen wij ook iemand die in de leer van Jesus Christus onderwezen wordt,. een leerling van Jesus Christus.
Er staat bij , ten 2de, die gedoopt zijnde, omdat het eerste vereischte van een Christen is, dat hij gedoopt zij.
Ten 3de. De zalige wet van Christus, dat is de zalig-, gelukkig makende wet van Christus, die Christus geleerd heeft.
De zalige wet van Christus ten éde, gelooft, dat is: die wet met zijn verstand aanneemt, en ten 5de, belijdt, dat is : door zijne woorden en daden toont, dat hij dp zalige wet van Christus gelooft; m. a. w.: dat hij èn in zijn huiselijk , èn in zijn publiek leven zich naar Christus wet gedraagt.
Ten 6de. In de ware Kerk, dat wil zeggen, dat hij lidmaat van de Roomsch Katholieke Kerk moet zijn. Went deze alléén' is de ware Kerk door Christus ingesteld, gesticht.
2 V. Wat is de plicht van een Christen mensch ?
A. Dat hij de geboden van God onderhoude en zijn leven schikke naar de leering van Christus.
De plicht van een Christen mensch is , dat hij de gebodenvan God onderhoude ; dat wil zeggen: dat hij doe, wat de geboden Gods gebieden , en late wat zij verbieden , en dus zijn leven schikke , dat is plooie, inrichte, vorme naar de leering van Christus; dat hij zóó leve als Christus ons geleerd heeft.
3 V. Wat is het teelcen van een Christen mensch ? A, Het teeken van het heilig Kruis.
Een teeken is iets waaraan men iets anders kennen kan.
16
Bv. Als iemand een geweer op zijde heeft en eene weitasch aan, en één of twee honden bij zich . dan kan ik daaraan kennen , dat hij een jager is. Als iemand een doek om het hoofd heeft, dat hij tand- of hoofdpijn heeft.
Het teeken van een Christen mensch nu, dus datgene waaraan ik een Christen mensch kan kennen, is het teeken van het H. Kruis. Want als ik iemand een kruis zie maken, zie ik daaraan aanstonds , dat hij Christen is.
Hoeveel bef eekenissen heeft het woord kruis ?
Drie. Ten 1ste, het kruisteekon dat wij maken, als wij zeggen : in den naam des Vaders , enz.
Ten 2de, het kruisbeeld en
Ten 3de, alles wat ons hindert of doel lijden.
4 V. Wat zegt gij , als gij het teeken van het heilig Kruis maakt ?
A. In den naam des Vaders , en des Zoons , -en des Heiligen Geestes. Amen.
Als men het teeken van het H. Kruis maakt zegt men: In den naam des Vaders , enz.
In den naam wil zeggen: O H. Drievuldigheid, op uw -woord , omdat Gij het wilt, ter uwer eer.
Als men deze beteekenis kent, ziet men duidelijk, dat men, door vóór een werk het kruis te maken , dit werk daardoor aan God opoffert.
Het wil immers zeggen; ter uwer eer, wil ik dit werk â¢doen, op uw woord, omdat Gij het hebben wilt; dus om daardoor uwen heiligen wil te volbrengen.
Men ziet daaruit ook , dat het zeer nuttig is in bekoringen en moeielijkheden een kruis te maken.
Ter uwer eer, op uw woord, in uwen naam , wil ik dit lijden , wil ik tegen die bekoring strijd voeren, om U, o God, daardoor te verheerlijken, om uwen wil te volbrengen.
17
5 V. Welke mysteriën heteekenen wij in het maken van het heilig Kruis ?
A. Twee groote mysteriën van ons geloof, te â vveten: het mysterie der H. Drievuldigheid , en der verlossing van den mensch uit de slavernij des duivels.
Hoe heteekenen wij door het maken van het H. Kruis het mysterie der li. Drievuldigheid?
In God is eenheid en drievuldiglieid.
De eenheid van God bestaat in het ééne Goddelijke Wezen, en de drievuldigheid in de drie Goddelijke Personen.
De eenheid van Gods wezen of natuur drukken wij uit zeggende : In den naam, en niet; In de namen. In den naam is enkelvoud en slaat terug op het ééne Goddelijke Wezen, â¢en de drievuldigheid van Personen duiden wij aan, door er aanstonds op te laten volgen de drie Goddelijke Personen, zeggende : des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes. Wij voegen er het woordje en tusschen, om daardoor de onderscheidenheid der drie Goddelijke Personen aan te duiden.
Hoe heteekenen wij door het kruis de verlossing uit de slavernij des duivels ?
Ten 1ste, door het kruisteeken zelf, want door het kruis zijn wij verlost.
Ten 2de, door de wijze, waarop wij het kruis maken.
Als wij de hand van de hoogte naar de laagte , van het voorhoofd tot de borst trekken , heteekenen wij daardoor, dat Christus van den hemel op de aarde neergedaald, mensch geworden is. Als wij de hand van den linker naar den rechter schouder trekken , heteekenen wij daardoor, dat Christus ons van den staat van vervloeking en zonde , tot den staat van zegening en genade heeft overgebracht.
G V. Van trien hehhen wij het teelien van het heilig Kruis ?
C 2
18
A. Van onze voorouders tot de Apostelen toe ; ja van Christus zeiven , die door zijn kruis de wereld verlost heeft.
quot;Wij hebben het kruisteeken van onze voorouders tot de Apostelen toe, dat wil zeggen: onze ouders hebben het van hunne ouders of van onze grootouders geleerd, die weer van hunne ouders, enz.; totdat wij eindelijk , als wij zoo terug bleven gaan, bij de Apostelen zouden komen en bevinden , dat die allen het kruis reeds gemaakt hebben.
Eindelijk is het kruis van Christus zeiven afkomstig, die ons door Zijn kruis verlost heeft.
7 V. Wanneer behooren wij het terken rem hef H. Kruis te maliën ?
A. Als wij opstaan, eten en slapen gaan, en vóór al onze werken ; maar bijzonder als wij eenige kwelling of bekoring hebben.
Wanneer behooren wij, dat is: wanneer is het goed, past, voegt het, dat wij een kruis maken ?
Ten Iste, als wij opstaan en slapen gaan.
Waarom behooren wij dan een kruis te maken ?
Ten 1ste, omdat God het eerste en het laatste van den dag: wil hebben.
Ten 2de, om daardoor die groote waarheid te belijden , dat God ons eerste begin en laatste einde is.
Ten 3de, om den zegen en de bescherming van God af te smee-ken over al wat we over dag doen, en over onze nachtrust.
Ten Ilde, behooren wij voor en na het eten een kruis temaken.
Vóór het eten om Gods zegen over ons zeiven en de spijzen af te smeeken, opdat zij ons niet schaden naar het lichaam T en opdat wij er ook niet bij zondigen , en ook om het eten
19
aan God op te dragen , en het alzoo verdienstelijk te maken voor den hemel.
Na het eten , om God te danken voor de ons geschonken spijzen. â Hoe velen die ze moeten missen !
Ten lilde vóór al onze werken, om ze aan God op te dragen.
Ten IVde, bijzonder als -wij eenige kwelling of bekoring hebben.
Kwelling is alles wat ons hindert, moeilijk valt.
Bij eenige kwelling maken wij een kruis, om die kwelling aan God op te dragen, en om Gods bijstand af te smeeken , om ze geduldig te verdragen, en ze zoo verdienstelijk te maken voor don hemel.
Bekoringen zijn aanloksels tot zonden. Bij bekoring maken wij een kruis om daardoor Gods hulp af te smeeken , om de bekoring te overwinnen, of er van bevrijd te worden, en den duivel weg te jagen.
8 V. Wat voordeel doen wij met het maken van het teelxen van het heilig Kruin ?
A. Ten 1. Het Kruis dient ons tot eene openbare belijdenis van ons geloof; ten 2. liet is een kort gebed tot God ; ten 3. het jaagt van ons den duivel met al zijn bedrijf.
Ten 1ste. Het kruis is eene openbare belijdenis van ons geloof, wijl wij daardoor iedereen laten zien, dat wij Christen zijn.
Ten 2do het is een kort gebed tot God , zooals gezien is bij den uitleg van: In den naam. Bladz. 1G, 4e Vr.
Ten 3de het jaagt van ons den duivel. De duivel is zoo bang voor het kruis, omdat hij door het kruis overwonnen is.
Met al zijn bedrijf.
20
Een bedrijf is een ambacht, het werk, dat iemand uitoefent. Het bedrijf, het ambacht van den duivel nu is de menschen tot zonden te brengen.
Nota. God heeft de schande van het kruis tot eer gemaakt.
Vroeger was het kruis eene schande; de kruisdood de schandelijkste van alle straffen; maar sinds Jesus aan het kruis gestorven is , staat het kruis als een eereteeken op alle kerken, en prijkt het zelfs als zoodanig in de kronen van koningen en keizers en op de borst der dapperen.
Daardoor komt het, dat wij ons zoo moeielijk de schande van het kruis kunnen voorstellen.
21
EERSTE DEEL.
DERDE LES.
Van het Geloof.
§ 1.
1 V. Wat is het Geloof?
A. Eene deugd en gave Gods en een licht, waardoor de mensch vastelijk gelooft al wat God geopenbaard heeft en de H. Kerk voorhoudt te gelooven.
Gelooven is iets voor waar aannemen op het zeggen, of gezag van een ander.
Men onderscheidt mensehelijk en goddelijk geloof. Als eenig geloofwaardig mensch, bv. vader of moeder , ons iets vertelt , dat we niet van zelf begrijpen , of zelf niet gezien hebben, dan gelooven we dat met een mensehelijk geloof, op mensehelijk gezag. Als menschen ons iets zeggen , weten we niet altijd zeker, dat het waar is, wat ze ons vertellen; want ze kunnen of zelf bedrogen zijn of ons bedriegen. Maar al wat God ons door de n. Kerk laat zeggen , al wat God veropenbaard heeft, is waarheid, omdat God alwetend is, niet bedrogen kan worden, noch liegen of bedriegen.
Mijn verstand en mijne oogeti kunnen abuis hebben, terwijl mijn geloof, dat steunt op Gods waarachtigheid, zich niet vergissen kan.
Het geloof is eene deugd, omdat het ons genegen maakt om goed te doen. Eene deugd toch is eene genegenheid der ziel, door welke de mensch weldoet. (42e Les , le Vr.)
Tot welk goed maakt het geloof ons genegen ?
Om Gods waarachtigheid te vereeren.
22
Hoe vereeyen wij door het geloof Gods ivawachtigheid ?
Omdat wij dan die waarachtigheid stellen boven onze oogen , en ons verstand. quot;Wij begrijpen het niet en raeenen soms het tegenovergestelde te zien, en toch nemen wij niet aan , gelooven wij niet hetgeen wij zien , maar hetgeen God zegt. Bv. in het H. Sacrament des Altaars, zien mijne oogen niets dan brood, mijn verstand ziet daar ook niets anders ; ik kan niet begrijpen, dat daar iets anders is dan brood, en toch verwerp ik wat ik zie , en ik neem aan wat Grod mij zegt: namelijk, dat het geen brood, maar het Lichaam en Bloed van Christus is.
Ik stel dus Gods waarachtigheid boven hetgeen ik zie , en boven mijn verstand of begrip.
2 V. Waarom irordt het Geloof genoemd eene gave Gods?
A. Omdat het ons van God gegeven wordt zonder onze verdiensten , en wij liet uit ons zclven niet kunnen hebben.
Het geloof is eene gave Gods, omdat wij het onverdiend gekregen hebben. En al hadden wij er ook nog zooveel voorgedaan , zooals bv. sommige arme wilden , toch zou het eene gave blijven, omdat de schat des geloofs zoo groot is, dat hij nooit verdiend kan worden.
Denk u een kind , dat voor het breien van één kous honderd duizend gulden zou krijgen , dit kind heeft wel iets voor die honderd duizend gulden gedaan, maar toch zou men niet kunnen zeggen , dat het kind dat geld verdiend heeft. Het zou eene gift voor dat kind blijven.
3 V. Waarom wordt het Geloof genoemd een licht ?
A. Omdat het ons verstand verlicht, om de waarheden des Geloofs te kennen en te gelooven.
Het geloof is ook een licht, dat wil zeggen , dat door het
23
geloof ons vele dingen ter kennis komen , die wij door ons natuurlijk verstand niet zouden weten, of waar wij slechts zeer geringe kennis van zouden hebben.
Door ons verstand begrijpen wij wel iets van de waarheden des geloofs , doch het geloof maakt ons dat alles veel klaarder.
Ons verstand is als het ware een flauw nachtpitje , waardoor wij de zaken van God , de ziel en de eeuwigheid , zoo maar weinig begrijpen, gelijk wij bij een nachtpitje, ook maar ten halve de zaken zien , die zich in eene kamer bevinden; doch schijnt de volle zon in die kamer, dan zien wij alles duidelijk en klaar; zoo ook door het geloof.
Daardoor zien wij duidelijk en klaar de goddelijke zaken. Dat is voor ons als eene helderschijnende zon bij het nachtpitje van ons verstand.
Bv. Door ons natuurlijk verstand begrijpen wij heel goed dat wij verkeerd en kwaad doen, als wij zonden bedrijven, doch als wij diezelfde zonden met de oogen des geloofs beschouwen, als wij weten, dat wij door de zonden God het Opperste Goed beleedigen en bedroeven, dat wij door die zonden beroofd worden van het onuitsprekelijk geluk des hemels en de eeuwige hel verdiend hebben , dan zien wij oneindig beter de boosheid dier zonden in. Zoo is het met alle andere zaken gelegen.
quot;Wanneer wij nu door het licht des geloofs, die verschillende zaken beginnen te zien , is ons verstand ook bereid ze aan te nemen.
Dat wij vele zaken gelooven , die wij niet begrijpen, strijdt niet tegen ons gezond verstand , wijl wij alle dagen in de natuur zien bewaarheid, dat zaken, die wij niet begrijpen, toch heel goed waar kunnen zijn.
Dat er bv. van een klein pitje een groote boom kan komen , kunnen wij onmogelijk begrijpen , en toch zien wij, dat het gebeurt.
Wanneer hebben wij een goddelijk geloof?
Wij hebben een goddelijk geloof, als wij gelooven wat God zegt, en omdat God het zegt.
24
4 V. Wat moeten wij gelooven ? of, welk is het voorwerp van ons geloof?
A. Al wat God geopenbaard heeft en de H. Kerk voorhoudt te gelooven.
quot;Wat wil zeggen openharen ?
Openbaren wil zeggen : aan quot;t licht brengen, bekend maken, leeren. God is zoo goed geweest ons door zijne gezanten te leeren wat we moeten gelooven en doen om zalig te worden. Die leeringen , die God ons door zijne gezanten heeft doen verkondigen , bekend maken , worden: de Goddelijke openharing genoemd.
Br staat dat wij gelooven moeten, al wat God geopenbaard heeft en de H. Kerk ons voorhoudt te gelooven.
Waarom staat er bij en de II. Kerk ons voorhoudt te gelooven ?
Dat staat er bij , omdat de H. Kerk het middel is om de Goddelijke openbaring te kennen; omdat de H. Kerk ons zegt, wat God geopenbaard heeft.
Wien verstaat gij door de H. Kerk die ons voorhoudt hetgeen wij moeten gelooven ?
Den Paus van Rome en de Bisschoppen der H. Kerk in vereeniging met den Paus. (10 vr.)
5 V. Hoe moeten wij dat gelooven ?
A. Vastelijk.
6 V. Wat heteelcent dat: vastelijk gelooven ?
A. Zoo gelooven, dat men aan niet eene
waarheid van het Geloof in het minste twijfelt.
Vastelijk gelooven , dat is zoo zeker zijn , dat het waar is, dat wij er volstrekt niet aan twijfelen.
Wat is twijfelen ?
Denken : zou het wel waar zijn ?
Is twijfelen aan eene waarheid des Geloofs altijd zonde ?
Neen, het is dan alleen zonde, als- wij het vrijwillig doen.
25
7 V. Waarom moeten uij de waarheden des Geloofs vastelijk geloovèn ?
A. Omdat God de eeuwige waarheid is , die dezelve geopenbaard heeft.
Waarop steunt ons geloof?
Op Gods waarachtigheid.
Waarom moeten wij geloocen ?
Omdat God waarachtig, of omdat God de eeuwige waarheid is.
Welke is de beweegreden van ons geloof?
Gods waarachtigheid.
Nota. Men merke op dat de drie bovenstaande vragen en antwoorden , alle hetzelfde beteekenen, dat ze telkens alleen op eene
andere manier zijn uitgedrukt.
Wat wil het zeggen , dat God waarachtig of de eeuwige waarheid is ?
Dit wil zoggen; dat God niet kan liegen of bedrogen worden.
Waarom kan God niet liegen ?
Omdat Hij oneindig volmaakt is.
Waarom kan God niet bedrogen worden ?
Omdat Hij alwetend is.
Wat wil zeggen dat God alwetend is ?
Dat Hij alles weet.
8 A7. Waardoor weten wij met zekerheid hetgeen wij moeten geloocen ?
A. Door de leering der H. Kerk ; die niet kan falen in hetgeen zij ons voorhoudt te gelooven.
Wij weten met zekerheid hetgeen wij moeten gelooven, door de leering der Kerk , dat is : door de prediking en onderrichting der Kerk.
Wat wil zeggen , de Kerk kan niet falen in hetgeen zij ons voorhoudt te gelooven ?
Dit wil zeggen: dat de Kerk in geloofswaarheden geere abuis , het niet mis kan hebben.
26
9 V. Waarom kan de H. Kerk niet falen in hetgeen zij ons voorhoudt te gelooven ?
A. Omdat zij , volgens de beloften van Christus, altijd bestuurd wordt door den H. Geest, die de geest der waarheid is.
Waarom kan de H. Kerk (dat is, de Pausen Bisschoppen) in geloofspunten niet falen of divalen ?
Omdat zij, volgens de beloften van Christus, altijd bestuurd wordt door den H. Geest, die de Geest der waarheid is.
Met welke woorden heeft Christus dit beloofd ?
âIk zal den Vader bidden, en Hij zal u eenen anderen âHelper geven om in eeuwigheid bij u te blijven , den Geest âder waarheid. De Heilige Geest, dien de Vader in mijnen ânaam zenden zal, die zal u alles leeren, en u alles indachtig âmaken wat Ik u gezegd heb.quot; (Joan. XIV. 16. 26.)
Heeft Christus dat maar alléén aan de Apostelen beloofd , of betrof die voorzegging ook de opvolgers-der Apostelen, namelijk den Paus en de Bisschoppen ?
Die beloften deed Christus niet alleen aan de Apostelen maar ook aan de opvolgers der Apostelen , den Paus en de Bisschoppen. Hetgeen duidelijk blijkt uit de woorden : âHij âzal u een anderen Helper geven om in eeuwigheid bij u te âblijven.quot;
Christus wist heel goed , dat de Apostelen niet eeuwig op aarde zouden leven , en beloofde dus den H. Geest tevens aan hunne opvolgers.
10 V. Wien verstaat gij door de H. Kerk, die ons voorhoudt hetgeen wij moeten gelooven ?
A. Den Paus van Rome, en de Bisschoppen der H. Kerk in vereeniging met den Paus.
1
27
§ 2.
11. V. Wordt huiten de Katholkke Kerk ook het ware Geloof gevonden ?
A. Neen ; daar vindt men geen goddelijk Geloof, maar alleen een menschelijk goeddunken.
Buiten de Katholieke Kerk vindt men geen goddelijk geloof, maar alléén een menschelijk goeddunken.
Dat wil zeggen: Niet-Katholieken gelooven wat zij goedvinden , wat met hunne denk- en zienswijze overeenkomt , en de rest, die hun niet aanstaat, verworpen zij.
12 V. Kan rr niet meer dan één waar Geloof zijn ?
A. Geenszins; want gelijk er maar één God is, die de waarheden des Geloofs heeft geopenbaard , â¢en ééne H. Kerk , die ze voorhoudt, zoo kan er maar één waar Geloof zijn.
Er kan maar één waar geloof zijn, omdat er maar één God is, die de waarheden des geloofs heeft geopenbaard , en â¢er maar ééne ware Kerk is, die ze voorhoudt.
De uitleg van dat antwoord is deze :
De waarheid is maar één. Twee tegenstrijdige dingen kunnen nooit te gelijkertijd waar zijn.
Iets kan niet te gelijkertijd en onder 't zelfde opzicht licht en donker, zwart en wit, goed en kwaad zijn, enz., éen van â¢de twee kan maar waar zijn. God nu kan niets openbaren dan de waarheid, die maar één is; omdat Hij de eeuwige quot;waarheid is. En de Kerk kan niets anders voorhouden dan â de waarheid, die maar één is , omdat zij , volgens Christus beloften, onfeilbaar is ; bijgevolg moeten alle andere sekten valsch zijn. Want anders zou de waarheid niet meer één zijn, en te gelijkertijd twee dingen waar kunnen wezen.
28
13 V. Kan een ieder in zijn geloof niet zalig worden ?
A. Neen ; zonder het ééne ware Geloof is de zaligheid niet mogelijk.
14 V. Zullen de ketters om hunne dwaling dan zeker verloren gaan ?
A. Ja, als zij in hunne dwaling grootelijks schuldig zijn en daarin volharden.
Ofschoon zonder het ééne ware geloof de zaligheid niet mogelijk is, kunnen de ketters en protestanten nochtans zalig worden als zij :
Ten Iste ter goeder trouw dwalen.
Ten 2de de vier punten kennen.
Ten 3de goed gedoopt zijn , of het doopsel van begeerte hebben en
Ten 4de een volmaakt berouw hebben over hunne zonden.
15 V. Waardoor verliest men het Geloof?
A. Door eenige waarheid van het Geloof te verwerpen , of daaraan vrijwillig te twijfelen.
Men verliest het geloof, door slechts ééne waarheid van het geloof te verwerpen of daaraan vrijwillig te twijfelen, want als men dat doet , heeft men aan geen één punt meer een goddelijk geloof. quot;Want opdat ons geloof goddelijk zij , moeten wij gelooven, omdat God het zegt, en als men gelooft omdat God het zegt, zal men zoo wel het eene gelooven, als het andere, omdat God zoo wel het eene als het andere heeft gezegd.
Verwerpt men dus één punt, dan gelooft men ook de andere niet, omdat God het zegt, maar omdat men het goed vindt; want anders zou men ook, dat ééne punt wat men verwerpt, gelooven, wijl God dat even goed gezegd heeft.
29
§ 3.
16 V. Is het ook noodzakelijk, dat wij eeynye waarheden of stukken des Geloofs ireten ?
A. Ja; wij moeten eenige waarheden des Ge-ioofs weten uit noodzakelijkheid des middels , en «enige stukken des Geloofs uit noodzakelijkheid des gebods.
Wij zijn wel verplicht alles te gelooven, wat God veropenbaard heeft, maar niet, alles van buiten te weten.
Wij zijn verplicht van buiten te weten de vier punten uit noodzakelijkheid des middels , en eenige stukken uit noodzakelijkheid des gebods.
17 V. Wat wil het zeg (jen, dat men eenige waarheden moet weten uit noodzakelijkheid des middels ?
A. Dit wil zeggen , dat men niet kan zalig worden , als men , tot de jaren van verstand gekomen , die niet weet.
18 V. Welke waarheden moet men weten uitnood zakelijkheid des middels ?
A. Deze vier: ten 1. dat er één God is; ten 2. dat er drie onderscheidene Goddelijke Personen zijn , de Vader , de Zoon en de 11. Geest; ten 3. dat God de Zoon voor ons is mensch geworden en gestorven ; ten 4. dat God is loonei-van het goed en straffer van het kwaad.
De vier punten moeten wij weten uit noodzakelijkheid des middels. Dat wil zeggen : dat zulks een noodzakelijk middel is om zalig te kunnen worden, en wij zonder dat middel niet
30
kunnen zalig worden. Bijgevolg of het nu onze schuld of niet onze schuld is, dat wij ze niet kennen, wij kunnen toch niet in den hemel komen , even gelijk wij niet iu eene stad kunnen komen, als wij den weg niet weten, die er naar toe leidt, al is het dan ook zonder onze schuld; of gelijk wij niet in een huis kunnen komen , waar maar ééne deur aan is , als wij die deur niet weten, of wij er dan ook al niets aan doen kunnen , dat helpt niet, wij kunnen er toch niet inkomen , wijl die deur alléén het middel is om er binnen te gaan.
19 V. Wat wil het zeggen, dat men eenige stukken des Geloofs moet weten uit noodzakelijkheid des gehods ?
A. Dit wil zeggen, dat men op zware zonden verplicht is deze te weten , als men kan.
20 V. Welke stukken des Geloofs moet men weten uit noodzakelijkheid des gehods ?
A. Het Onze Vader, de twaalf artikelen des Geloofs , de tien geboden Gods , de vijf geboden der H. Kerk , de HH. Sacramenten bijzonder die men moet ontvangen, en ieder de plichten van zijnen staat.
De stukken uit noodzakelijkheid des gehods moeten wij weten, omdat wij door een gebod verplicht zijn die te kejjnen. Wij kunnen niet in den hemel komen , als wij die door onze schuld niet kennen, maar wel , als wij ze buiten onze schuld niet weten.
Een bepaald gebod verplicht slechts dan op zonde, als ik het onderhouden kan.
Het is daarmee als met een huis waaraan twee deuren zijn.
Het is mij verboden door de tweede deur binnen te gaan.
31
Ik kan dus wel door de tweede , ik mag er slechts niet door, omdat het mij verboden is.
Maar als ik nu zonder mijne schuld, die eerste deur niet weet, ik heb ze nooit gezien , en kan het dus niet helpen , dan zal er toch niemand zoo onbarmhartig zijn , om mij door die tweede deur niet binnen te willen laten. Zoo is het ook hier.
De kennis dier waarheden, is als de deur, waar langs wij door een gebod verplicht zijn binnen te gaan.
Doch weten wij die deur nu niet zonder onze schuld ; zijn wij nooit in de gelegenheid geweest, om die dingen te kunnen leeren, dan zal Ciod zoo onbarmhartig niet zjjn , en ons wel door de andere deur binnen laten.
21 V. Welk is het kort hegrip van hetcieen men moet gelooven ?
A. Het Symbolum des Greloofs van de Apostelen gemaakt, en in twaalf artikelen verdeeld.
Het kort begrip, dat is : de korte inhoud , of de korte samenvatting van alles wat wij moeten gelooven, is het Symbolum des Greloofs.
Symbolum wil zeggen : merk of kenteeken.
22 V. Zeg de twaalf artikelen des Geloofs.
A. 1. Ik geloof in God, den Vader almachtig, Schepper van hemel en aarde ;
2. En in Jesus Christus zijnen éénigen Zoon onzen Heer ;
3. Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de Maagd Maria ;
4. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus is gekruist, gestorven en begraven ;
32
5. Die is nedergedaald ter helle , den derden dag verrezen van de doodeu ;
6. Die is opgeklommen ten hemel, zit aan de rechterhand van God den Vader almachtig ;
7. Van daar zal Hij komen oordeelen de levenden en dood en.
8. Ik geloof in den Heiligen Geest ;
9. De Heilige Katholieke Kerk , Gemeenschap der Heiligen ;
10. Vergiffenis der zonden ;
11. Verrijzenis des vleesches ;
12. Het eeuwig leven. Amen.
Nota. Ik geloof God wil zeggen: Ik neem met mijn verstand aan , dat God bestaat, dat er een God is.
Ik geloof aan God wil zeggen, ik geloof alles wat Hij zegt; ik neem met zekerheid aan al wat God veropenbaard heeft, al wat Hij ons door de H. Kerk voorhoudt, omdat God waarachtig is, omdat God het gezegd heeft.
Ik geloof in God wil zeggen , ik neem met mijn verstand aan, dat Hij bestaat, waarachtig en mijn laatste einde is.
Dat God mijn laatste einde is wil zeggen : dat ik in God alleen mijn geluk kan vinden. Wij kunnen alleen in God, -en niet in al het aardsohe ons geluk vinden, omdat ons hart alléén voor God, en niet voor de aarde geschapen is.
33
VIERDE LES.
Van de H. Schriftuur en de Overlevering.
1 V. Waaruit heeft de H. Kerk alles icot zij ons voorhoudt te gelooven ?
A. Uit de goddelijke Openbaring , die vervat is in de H. Schriftuur en de Overleveringen.
Wij moeten gelooven al hetgeen God geopenbaard heeften â¢de H. Kerk ons voorhoudt te gelooven.
Maar may de 11. Kerk ons nu zoo maar zeygen : dit en dat moet ye gelooven ?
Neen. De H. Kerk moet het geloof (dat wil hier zeggen: de gezamerlijke waarheden, die elk Christenniensoli moet gelooven) halen uit de Goddelijke openbaring.
De Goddelijke openbaring is dus de bron , waaruit wij ons geloof putten, maar de Kerk is het middel, waardoor wij uit die bron moeten putten.
Wij hebben immers God zeiven nooit gezien of gesproken, en weten dus niet rechtstreeks, onmiddellijk van Hem zeiven, wat Hij geopenbaard heeft.
Maar God heeft dit aan de Kerk gezegd, aan de Apostelen, aan den H. Petrus, den eersten Paus, en aan de overige Apostelen , wier opvolgers de bisschoppen zijn.
De Kerk leert ons , wat God geopenbaard lieeft, en zij haalt dat uit de H. Schriftuur en de goddelijke Overlevering-, waarin de goddelijke openbaring vervat is, dat is: die de goddelijke openbaring behelst, inhoudt,â waarin de goddelijke openbaring te vinden is.
De H. Schriftuur is het geschreven en de goddelijke Overlevering het gesproken woord van God.
Overlevering wil zeggen ; dat het de een aan den andere gezegd , overgeleverd hoeft.
Wij moeten beiden, nl. de goddelijke Overleveringen en di H. Schriftuur even goed gelooven, omdat beide het woord Gods zijn.
C 3
34
T
2 V. Wat verstaat gij door de H. Schriftuur of den Bijhei ?
A. De boeken , zoowel van het Oude als van het Nieuwe Testament, die door ingeving en onder den bijzonderen bijstand van den Heiligen Geest t
geschreven zijn.
Wat verstaat gij door de H. Schriftuur of den Bijhei ?
of wat verstaat gij daardoor, als tn preek of catechismus gezegd wordt: de H. Schriftuur of de Bijbel leert deze of gene waarheid duidelijk?
Ik meen daarmee de boeken van het oude en nieuwe Testament, die enz.
De H. Schriftuur bestaat dus uit de boeken van het oude en nieuwe Testament.
Yan het oude Testament, dat is : die vóór, â en van het nieuwe Testament, dat is; die na Christus' geboorte geschreven zijn.
Die door ingevinrj van den Heiligen Geest geschreven zijn, d. w. z., dat de H. Geest aan de mannen, die de boeken der H.
Schrift geschreven hebben, alles heeft ingegeven wat Hij wilde dat ze schreven. Met andere woorden : dat Hij hun verstand verlichtte , en hunnen wil bewoog om alleen datgene te schrijven,
wat Hij wilde , dat ze in zijn naam zouden schrijven.
En onder den hijzonderen hijstand van den H. Geest geschreven zijn, d. w. z., dat de H. Geest hun bijzonder bijstond, hen bestuurde in het schrijven , zoodanig dat zo in geen enkel punt konden falen, dus niets dan de zuivere waarheid schreven.
3 V. Waaruit iveten wij , wélke hoeken een deel uitmaken van de H. Schriftuur ? gt;
A. Uit de leering der H. Kerk , die dezelve voor zoodanig aanneemt en aan ons voorstelt.
Welke boeken een deel van de Schriftuur uitmaken, weten â wij uit de leer der Kerk, die deze boeken voor zoodanig,
35
voorstelt, of ons zegt: dat deze en geen andere, boeken dor H. Schriftuur zijn.
Wanneer men niet weet of een boek werkelijk door dien persoon geschreven is, die men zegt dat het heeft gedaan, dan kan men niet beter doen , dan het 7tem zelf vragen.
Zoo ook kan niemand beter dan de H. Geest zelf ons zeggen , of een boek op zijne ingeving geschreven is of niet, en dit doet Hij , door den mond van de Kerk , (d. i. var. den Paus en de Bisschoppen) die als 't ware het orgaan of de spreekhoorn is , waardoor Hij spreekt.
Als de Kerk ons dus zegt: dat een boek de H. Schriftuur is kunnen wij ons niet vergissen, want God zelf spreekt door do Kerk.
4 V. Waaruit neet de H. Kerk, welke hoeken de H. Schriftuur zijn ?
A. Dit weet zij uit de goddelijke Overleveringen.
De Kerk zelf zegt ons ook zoo maar niet op gis, welke hoeken de Schriftuur zijn.
iieen, zij weet uit de goddelijke Overleveringen , welke boeken een deel van de Schriftuur zijn.
De Apostelen hebben door ingeving van den H. Geest verschillende waarheden ontvangen. Waarheden dus, die geopenbaard zijn. Onder deze waarheden nu kwam ook voor, welke boeken een deel van de Schriftuur zijn, en dus door den H. Geest ingegeven , of op zijne ingeving geschreven zijn.
5 V. Zijn de kettersche hijbeis ook de H. Schriftuur ?
A. Geenszins, dewijl zij op vele plaatsen verminkt eu vervalscht zijn.
Dat kettersche bijbels verminkt zijn , wil zeggen: dat er iets van de volle waarheid is afgedaan. Even als wij iemand
36
verminkt noemen, die een arm of been, of een ander lidmaat verloren heeft.
Dat ze vervalscht zijn , wil zeggen : dat er, wat den zin betreft, iets aan veranderd, door menschen bijgevoegd is.
6 V. Is het aan een ieder geoorloofd de H. Schriftuur te lezen ?
A. Neen; het is verboden die zonder verlof der geestelijke Overheid in eene der levende talen te lezen.
Het is verboden, do Schriftuur, zonder verlof in de levende talen , bv. in 't Hollandsch, Duitsch, enz. te lozen:
Tm 1ste omdat zij zeer duister, en daarom moeielijk te begrijpen is, en dus gevaarlijk voor ons kan zijn. (Volg-. V.)
Ten 2de omdat wij in gevaar zijn verkeerde of kettersche bijbels in handen te krijgen.
Ten 3de omdat de H. Kerk door haar verbod de dwaling der protestanten wil bestrijden, die zeggen: dat ieder de Schriftuur moet lezen.
7 V. Is de H. Schriftuur geheel klaar , soodaf een ieder dezelve goed lean verstaan f1
A. Neon; zij is op vele plaatsen zeer duister, en daarom is het voor ongeleerde menschen gevaarlijk die te lezen.
8 V. Moeten wij ook iets gelooven , dat in de H. Schriftuur niet geschreven staat ?
A. Ja , de goddelijke Overleveringen.
9 V. Wat zijn de goddelijke Overleveringen ?
A. Geopenbaarde waarheden , welke de Apos-
37
telen uit den mond van Christus zei ven of door ingeving van den H. Geest ontvangen en geleerd hebben en die als van hand tot hand tot ons gekomen zijn.
Xota. Hier volgen de 12 artikelen.
Het 1ste handelt over God den Vader en de Schepping.
Het 2de tot en met het Tde over God den Zoon en onze verlossing.
Het Sste tot en met het 10de over God den H. Geest en onze heiligmaking , en daarna volgen hrt. 11 en 12 de verrijzenis des vleesches en het eeuwig leven. Amen.
VIJFDE LES.
Van God,
1 V. Welk is het eerste artikel van het Symho-lum des Geloofs ?
A. Ik geloof in God , den Vader Almachtig y Schepper van hemel en aarde.
1L geloof in God dan Vader (ilniachtitj , wil zeggen :
Ik geloof, dat God bestaat, dat Hij waarachtig, mijn laatste einde is , en alles kan wat mogelijk is.
Dat er in de Godheid drie personen zijn , leeren we in de volgende les, alsook waarom God de Vader de eerste persoon van de H. Drievuldigheid is, en waarom God de Vader meer genoemd wordt almachtig dan God de Zoon of God de H. Geest.
En in de 7de les leeren wij, waarom God genoemd wordt almachtig, alsmede waardoor God zijne almacht het meest
38
getoond heeft, nl. door het scheppen van hemel en aarde. Daarom staat er bij : Ik geloof in God, den Vader almachtig, Schepper van hemel en aarde.
2 V. Is er meer dan één God ?
A. Noen, er is maar één God.
Dat er een God bestaat, blijkt duidelijk uit de natuur. Wij behoeven maar eens te vragen , waar b. v. de boomen en planten vandaan komen.
Van het zaad.
En dat zaad? AVeer van Midere boomen en planten , en zoo zouden wij terug kunnen gaan , tot dat wij aan de eerste boomen en planten kwamen, en dan nog blijven vragen: Wie heeft die gemaakt? Die koi.den er toch ook van ze//1 niet komen; en men zou noodzakelijk tot antwoord moeten krijgen: Dat heeft God gedaan. Want was er geen God geweest, dan hadden zij er van zelf moeten komen, en een klein kind begrijpt toch reeds , dat dit onmogelijk zou zijn.
Wat zou men verder zeggen van iemand, die ons vertelde, dat eene klok of horloge er van zelf gekomen was, en dat al die radertjes er van zelf ingekomen waren ? zou men hem niet voor gek verslijten ?
Maar kan men dan wel iemand voor wijs houden, die zoude zeggen , dat zon , maan en sterren, en de gansche natuur er van zelf gekomen zijn ; en dat dat alles juist zoo gekomen is, dat zomer en winter, dag en nacht, enz., alles geregeld op elkander volgt, dut al die duizenden en millioenen sterren hunnen geregelden loop hebben enz.
Uit dit alles blijkt dus duidelijk , dat er een Opperwezen , een God, een Schepper bestaat.
Dat er maar één God is, en kan zijn, blijkt hieruit, dat God het volmaakte wezen is.
Het volmaakte wezen kan maar één zijn. Want waren er twee, dan zou geen van twee meer het volmaakte wezen zijn.
39
3 V. Wat is God?
A. God is een ongeschapen geest, de Schepper, Heer en Bestierder van hemel en aarde, de fontein onzer zaligheid en ons opperste goed.
4 V. Waarom tvordt God genoemd ongeschapen?
A. Omdat God niet geschapen, maar van zich
zeiven , van alle eeuwigheid is.
5 V. Waarom wordt God genoemd een geest ?
A. Omdat God geen lichaam heeft.
6 V. Waarom wordt God genoemd Schepper'?
A. Omdat God alles gescbapen of uit niet voortgebracht heeft.
7 V. Waarom wordt God genoemd Heer?
A. Omdat aan God alles toebehoort.
Wij noemen iemand heer van iets , als hem die zaak toebehoort ; God behoort hemel en aarde toe, bijgevolg is Hij ook Heer van hemel en aarde.
8 V. Tf aar om wordt God genoemd, Bestierder Dan hemel en aarde ?
A. Omdat God alles beschikt en bestiert, zoodat er zonder den wil of de toelating van God niets geschiedt.
Bestieren is beschikken of regelen, wat er moet gebeuren, en hoe en wanneer, en met welke omstandigheden het dient te gebeuren ; dit nu doet God in den hemel en op aarde, en daarom wordt Hij bestierder van hemel en aarde genoemd.
9 V. Waarom wordt God genoemd de fontein onzer zaligheid ?
40
A. Omdat alles, wat ons ter zaligheid dienstig of noodig is , van God moet komeu.
Alen noemt God de fontein ouzo' zaligheid, omdat gelijk het water uit eene fontein komt, zoo ook alle genaden en alle middelen , die wij ter zaligheid noodig hebben, van God komen.
10 V. Waarom wordt God genoemd ons opperste goed ?
A. Omdat wij in het bezit van God alleen waarlijk gelukkig kunnen zijn.
God is ons opperste goed omdat wij alleen in zijn bezit waarlijk, d. w. hier z., volkomen, volmaakt gelukkig kunnen zijn; niet in 't bezit van eenig schepsel, hoe rijk , schoon en goed het ook moge zijn ; want alle schepselen samen zijn eindige, en dus noodzakelijk onvolmaakte wezens, waarin dus ook geen volmaakt geluk te vinden is; God, de bion van al wat goed en schoon is, het oneindig volmaakt wezen, kan alleen de zucht naar volmaakt geluk , die den mensch aangeboren is , bevredigen , verzadigen.
11 V. Waar is God ?
A. In den hemel, op de aarde en op alle plaatsen.
12 V. Weet God wat wij in het geheim doen ?
A. Ja , God weet en ziet alles , ook het binnenste van ons hart.
Gedenk Gods alziend oog, alomtegenwoordigheid!
40a
ZESDE LES.
Van de H. Drievuldi^lieitl.
1 V. Wat is de H. Drievuldigheid ?
A. God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest; drie onderscheidene Personen en maar één God.
2 V. Hoe kunnen drie onderscheidene Personen maar één God zijn ?
A. Omdat zij alle drie maar één en hetzelfde goddelijk wezen , of dezelfde goddelijke natuur hebben.
Uit de 2e V. der vorige Les hebben wij geleerd, dat er maar eén God is, ja, zjjn kan. Hier leeren wij, dat de éénheid Gods te verstaan is van zjjn goddelijke natuur, van zijn oneindig volmaakt wezen. In den eenig waren God is onder een ander opzicht, tevens drievuldigheid , nl., in personen. (Vgl. 2e Les , 5 V.)
Dat er in God drie onderscheidene personen zijn, God de Vader, God de Zoon en God de //. Geest, blijkt duidelijk uit het Symbolum des Geloofs. Want zeggen wij in het eerste artikel: Ik geloot in God , den Vader T in het tweede zoggen wij even uitdrukkelijk: En in Jesus Christus zijnen één ij/en Zoon , en in het achtste alweer even uitdrukkelijk : Ik yeloof in den H. Geest.
Beteekent dan het woord Drievuldigheid uit zijn aard: een wezen , dat, onder zeker opzicht, één , en tevens , onder ander opzicht, drievuldig is , dan is dit woord ârfc H. Drievuldigheidquot; zeer eigenaardig gekozen en niet recht in de H. Kerk algemeen aangenomen om belijdenis te doen , dat er in God zijn : dne onderscheidene Personen , alle drie waarachtig God, t. w., God de Yader, God de Zoon en God de H. Geest.
Omdat er hier dus sprake is van Gods drievuldigheid in
40amp;
Personen , is het overduidelijk dat bij het zelfstandig naamwoord ,Drievuldigheidquot; hier het bijvoegelijk naamwoord âHeiligequot;, volkomen op zijn plaats staat, er noodzakelijk bij behoort, want God is de heiligheid zelve , is de heilige bij uitnemendheid. Alzoo de H. Drievuldigheid is, m. a. w., door de H. Drievuldigheid wordt verstaan : God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest; duie onderscheidene Personen en maar ÃÃN God.
De drie goddelijke Personen zijn dus niet van elkander onderscheiden in hun wezen of natuur; tusschen God den Vader, den Zoon en den H. Geest is geen onderscheid in hun goddelijk wezen of natuur; want juist daarom kunnen de drie onderscheidene goddelijke Personen maar één God zijn, omdat zij alle drie maar één en hetzelfde Goddelijk wezen of eene en dezelfde goddelijke natuur hebben. Anders zouden zij niet maar één God, doch drie goden moeten zijn , wat onmogelijk is ; of wel zjj zouden niet waarlijk drie onder-schtidene goddelijke Personen zijn. En toch moeten wij uit noodzakelijkheid des middels weten en belijden ten le, dat er maar één God is : ten 2e, dat er drie onderscheidene goddelijke Personen zijn, de Vader, de Zoon en de H. Geest (3e Les 18 V.) Het onderscheid tusschen Vader, Zoon en H. Geest bestaat dus niet in hun goddelijke natuur, maar in hunne persoonlijkheid, zoodat de Vader niet de Zoon, de Zoon niet de Vader en de H. Geest niet de Vader of Zoon is. De drie Goddelijke Personen zijn hierin van elkander onderscheiden, dat de Vader niet is voortgebracht, van niemand voortkomt, maar van alle eeuwigheid van zicli zeiven is; dat God de Zoon van alle eeuwigheid uit den Vader geboren is , en de H. Geest van alle eeuwigheid uit den Vader én den Zoon voortkomt. (Vgl. 7â10 V.)
Do H. Drievuldigheid, één God in drie Personen, drie onderscheidene Personen en maar één God , is een geheim , een mysterie, dat wij niet kunnen begrijpen, dat verre hoven ons zwak verstand verheven is. quot;Wij moeten het hier op aarde vasteüjk gelooven , en 't is ook redelijk , dat wij het zonderden minsten twijfel gelooven, omdat God dit mysterie
40c
geopenbaard heeit, en de H. Kerk het ons voorhoudt te ge-looven. (Vgl. 3e Les § 1).
In dit leven kunnen wij uit de goddelijke openbaring, die vervat ia in de H. Schriftuur en de goddelijke overlevering (4e Les le V.) , bewijzen , en in den Hemel zullen wij zien , dat het waar is , maar zelfs daar, in den Hemel, zullen wij niet begrijpen hoe het is , omdat het hoven 's menschen verstand , begrip verheven is.
Hoe onnoozel stellen zich dus degenen aan, die , in hunne verwaandheid, durven zeggen : Wat I H. Drievuldigheid! Die strijdt tegen 's mensehen natuurlijk verstand. Eén God in drie goddelijke Personen! onzin. Want H. Drievuldigheid beteekent, dat in God één en drie hetzelfde is. Wat dient hierop geantwoord? Me dunkt, eenvoudig weg: 1°. Waarlijk, vriend, gij kraamt onzin uit. 2°. Gij verdraait de leer der H. Kerk. 3°. Gij beoordeelt iets, dat hoven uw verstand is en slaat er dus naar als een blinde naar een ei. Verstond Ge bet woord âDrievuldigheidquot; of âDrieëenheid'', dan zoudt Ge zoo niet raaskallen. Immers, gelijk wc reeds zeiden, beteekent âDrievuldigheidquot; een wezen, dat onder zeker opzicht, één, en onder een ander opzicht, drievuldig is. Dat is geen onzin. Daar ligt geen tegenspraak in. Dat wil niet zeggen, dat één en drie hetzelfde is. Onze ziel , bv. (of gelooft gij misschien ook niet aan 't bestaan uwer onstoffelijke, onsterfelijke ziel?... Ware het zoo, dan basta ! want met een redeloos wezen valt niet te redeneeren. Gelooft ge er aan, wat ik voor uwe eer en waardigheid als mensch moet veronderstellen , dan zet ik mijne vergelijking door en zeg: Onze ziel is maar één in wezen, maar in die ééne ziel zijn drie krachten , vermogens , te onderscheiden : verstand , geheugen cn wil. Onze ziel is dus in zeker opzicht één, nl., in haar wezen, en ouder ander opzicht, drievuldig , nl., in hare vermogens. Gelijkerwijze is God één in wezen of natuur, en drievuldig in Personen.
De H. Drievuldigheid, één God in drie Personen; drie onderscheidene Personen en maar één God, beteekent dus niet, dat een en drie in God hetzelfde is, gelijk gij daar
40rf
zooeven in uwo onkunde godslasterend durfde zeggen ; mnar beteekent eenvoudig, dat God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest drie onderscheidene Personen zijn; en maar één God, omdat zij â de drie goddelijke Personen â alle drie maar één en hetzelfde ondeelbaar, onafscheidelijk goddelijk wezen , of dezelfde goddelijke natuur hebben.
Alwie ook naar de eerste beginselen der inleiding tot de wijsbegeerte , der redeneerkunde , kent, weet, dat er geene tegenspraak , geen onzin in gelegen is aan een en hetzelfde wezen onder verschillend opzicht, verschillende eigenschappen toe te kennen.
Dus toont het gezond verstand , voorgelicht door het Geloof, duidelijk genoeg, dat or geen schijn van tegenspraak of ongerijmdheid gelegen is in do zuivere leer van don Catechismus en der H. Kerk, die voorhoudt, dat onder zeker opzicht in God den Vader, God den Zoon en God den H. Geest, eenheid bestaat, nl., in hun wezen of natuur, on tovons drievuldigheid, nl. , in hunne persoonlijkheid. Vriend, mag men, na deze eenvoudige verklaring , er wel bijvoegen : Als gij dus zelf niet voor een onwetende, ja onzinnige wilt aangezien worden door alwie ietwat degelijk onderlegd is in de christelijke leering , cn ook maar zijn gezond verstand raadpleegt, zou ik u radon nimmer meer te redeneeren over, of den spot te drijven met zaken die gij niet kout.
Wij verklaarden de lo en 2e V. dezer les ietwat breedvoeriger, omdat ze op zich zelve zoo belangrijk zijn en met oen al do overige Yr. dezor Les ophelderen.
3 V. Wie is de eerste Persoon ran cJe H. Drievuldigheid ?
A. God de Vader.
4 V. Waarom is God de Vader de eerste Persoon der H. Drievuldigheid ?
41
A. Omdat Hij het beginsel en de oorsprong van de twee andere goddelijke personen is.
Een beginsel, in 't algemeen genomen, is iets waaruit andere personen of zaken voortkomen, haar oorsprong hebben.
God de Vader is dus de eerste Persoon van de H. Drievuldigheid , omdat Hij van niemand voortkomt, maar van zich zeiven is (8e V.) , en het beginsel en de oorsprong van de twee andere goddelijke Personen is, nl. , van God den Zoon , en van God den H. Geest. (9e en 10e V.)
5 V. Is God de Vader ouder of meerder dan God de Zoon of God de H. Geest ?
A. Neen ; want gelijk de drie goddelijke Personen maar één en hetzelfde goddelijk wezen hebben , zoo zijn zij alle drie even oud of eeuwig even wijs en even machtig.
Xeen ; God de Vader is niet ouder of meerder dan God de Zoon of God do II. Geest; want, omdat de drie goddelijke Personen maar één en hetzelfde goddelijk wezen , dezelfde goddelijke natuur hebben (vgl. 2e V.) , daarom zijn zij ook alle drie even oud, d. w. h. z. , eeuwig of van eeuwigheid, even wijs en even machtig, in één woord: even volmaakt.
Dat de drie Goddelijke Personen even oud zijn, zonder begin of einde, zonder tijdsopvolging , even lang, van alle eeuwigheid bestaan hebben en in alle eeuwigheid bestaan zullen, wordt eenigzins begrijpelijk door de verklaring, welke de Godgeleerden geven van de wijze, waarop God de Zoon van God den Vader alleen voortkomt, en waarop God de H. Geest van God den Vader en God den Zoon te zamen , als van één en hetzelfde beginsel , voortkomt. God de Zoon komt van God den Vader voort door het verstand. God oneindig wijs als Hij is , kent zich zeiven , zijne oneindige volmaaktheden van alle eeuwigheid op volmaakte wijze. Welnu, de volmaakte en mede-zelfstandige kennis, die God de Vader van.
42
zichzelven heeft, is God de Zoon, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid. Maar hoelany kent God dquot; Vader zich zeiven ? Wij zeiden liet reeds: Van alle eeuwigheid tot in eeuwigheid; eeuwig. Dus is God de Zoon er ook eeuwig geweest, zoowel als God de Vader. God de H. Geest komt van God den Vader en van God den Zoon te zamen , voort door den wil, m. a. w., door de liefde. Immers God de Vader en God do Zoon beminnen elkander van alle eeuwigheid tot in alle eeuwigheid op volmaakte wijze , en die onderlinge oneindig volmaakte , mede-zelfstandige liefde dea Vaders en des Zoons is de H. Geest, de dorde Persoon der H. Drievuldigheid. Dus moet God de H. Geest er ook eeuwig geweest zijn. Dus , omdat de drie Goddelijke Personen maar één en hetzelfde goddelijk , oneindig volmaakt wezen hebben.
daarom zijn zij ook alle drie noodzakelijk even oud of eeuwig,
even wijs en machtig, enz. quot;Want wat hier gezegd wordt â van Gods eeuwigheid , wijsheid en macht, geldt eveneens van alle overige eigenschappen of volmaaktheden Gods.
6 V. Waarom ivordt God de Vader meer genoemd almachtig dan God de Zoon of God de H.
Geest ?
A. Niet, omdat Hij machtiger is , maar omdat Hem de Macht bijzonder wordt toegeschreveu,
gelijk de Wijsheid aan den Zoon en de Heiligheid aan den H. Geest.
God de Vader wordt in het symbolum des Geloofs alleen ,
maar niet uitsluitend, met uitsluiting der andere twee goddelijke Personen, en in de H. Schriftuur meer, d. w. z., meer- ⢠malen , en ook in het Symbolum des Geloofs (in art. 1 en 5) in denzelfden zin meer dan God de Zoon of God de H. Geest,
almachtig genoemd, niet omdat God de Vader machtiger is,
wezenlijk grooter macht heeft dan God de Zoon of God de H. Geest; immers omdat de drie goddelijke Personen maar -één en hetzelfde goddelijk wezen hebben , daarom zijn zij alle
43
drie even machtig. (5e V.) Maar God de Vader wordt meermalen dan God de Zoon of God de H. Geest genoemd almaclitig, omdat Hem, God den Vader, de macht bijzonder, om bijzondere eigenaardige reden, in de Christelijke Leering wordt toegeschreven.
En welke is die reden ? Dezelfde als waarom God de Vader de eerste Persoon der H. Drievuldigheid is, nl., omdat Hij het beginsel en de oorsprong van de twee andere goddelijke Personen is. Immers in het woord âbeginsel, oorsprongquot; ligt het denkbeeld van âmachtquot; uit zijn aard opgesloten. ( eV.)
In gelijken zin en om gelijke reden wordt in de Christelijke Leering de Wijsheid bijzonder toegeschreven aan God den Zoon, n.L, omdat Hij van God den Vader voortkomt door het verstand, en de Heiligheid aan God den H. Geest, omdat Hij van den Vader e» den Zoon voortkomt door de liefde ; omdat de H. Geest de oneindige volmaakte liefde is van den Vader en den Zoon , (5 V.) , in welke liefde Gods Heiligheid gelegen is , en waaruit ook onze heiligmaking voortkomt. (Vgl. 13e Les , 7e V.) Want krachtens die liefde bemint God al wat ook in ons goed, haat Hij al wat in ons kwaad is, en straft of beloont het naar verdienste.
De vier volgende V. zijn in de voorgaande genoegzaam verklaard.
7 V. Waarin zijn de drie goddelijke Personen van elkander onderscheiden ?
A. Hierin , dat de eene Persoon van den anderen voortkomt.
8 V. Van uien komt God de Vader voort ?
A. God de Vader komt niet voort, maar is van zich zeiven.
Vgl. 1 en 2 V. , waar de beteekenis uitgelegd is van drie osdrrschrideïfe Peusones, en 3e en 4e V.
44
9 V. Van wien komt God de Zoon voort ?
A. Van God den Vader alleen.
10 V. Van wien komt God den H. Geest voort ?'
A. Van God den Vader en van God den Zoon
te zamen.
Vgl. 5e V.
Nota. God de Vader wordt afgebeeld in de gedaante van* eenen ouden man, omdat Hij zich zoo aan den Profeet Daniël vertoond heeft.
God de Zoon als mensch, omdat Hjj tevens waarlijk mensch ia..
God de H. Geest in de gedaante eener duif of van vurige tongen , omdat Hij zich zoo bij deu doop van Christus en op hot Pinksterfeest vertoond heeft.
Van het begin der Kerk af is de Zondag en later de H, Drievuldigheids-Zondag, door de H. Kerk ter eere van de H, Drievuldigheid gevierd geworden. De voornaamste gebeden ter eere van de H. Drievuldigheid zjjn: Het Glorie zij den Vader, het Te Deum , het kruisteeken en de Litanie van de H. Drievuldigheid.
ZEVENDE LES.
Van de Seliepfting en de Engelen.
1 V. Waarom wordt God genoemd almachtig ?
A. Omdat Hij door zijnen wil alles kan maken
en te niet doen.
God kan alles wat mogelijk is, alles behalve zondigen; dit strijdt tegen zijne volmaaktheid. Vóór God hemel en aarde geschapen had, was er niets dan God alléén.
45
2 V. Waardoor heeft God zijne almacht het meent getoond ?
A. Door het scheppen of van uiet maken van hemel en aarde en al wat er is.
Door het scheppen van hemel en aarde, heeft God zijne almacht het meest getoond.
Dat wil zeggen: daardoor heeft Hij het meest laten zien, â¢dat Hij almachtig is.
3 V. Tot welk einde heeft God hemel en aarde geschapen ?
A. Tot zijne eigene verheerlijking en tot geluk zijner redelijke schepselen.
God heeft hemel en aarde geschapen tot zijne glorie. Als wij iets schoons zien , prijzen en eeren wij den maker ; zoo eeren wij ook God , als wij zijne werken zien.
Bv. Zien wij de ontzaglijke groote zon mot haren glans en stralen , dan zullen wij denken : hoe groot en schoon moet -God dan wel zijn !
(Zoo kan men over meer dingen uitweiden.)
God heeft zes dagen gebruikt om alles te scheppen , doch had ze niet noodig.
Dat God den 7den dag rustte, beteekent niet, dat Hij moede was, uitrustte , maar dat Hij alsdan ophield nieuwe soorten van schepselen voort te brengen.
ïer dankbare herinnering aan de schepping van hemel en aarde beval God in de Oude quot;Wet den Joden zich op den zevenden , den Sabbatdag , te onthouden van slaafsche werken, te rusten in dien zin , dat zij dien dag moesten heiligen door hem op bizondere wijze in zijn dienst door te brengen.
In do Kieuwe Wet is de Zondag, in plaats van den Sabbatdag tot hetzelfde doel voorgeschreven. (Ygl. 25e Les, le, 2e V.)
46
4 V. Hoevelerlei redelijke schepselen heeft God geschapen ?
A. Tweederlei; Engelen en meïischen. â
5. V. Waarvan en hoedanig heeft God de Engelen gewaakt ?
A. God heeft de Engelen gemaakt van niet en zeer gelukkig.
6 V. Hebben de Engelen een lichaam ?
A. Neen, zij zijn zuivere geesten geschapen.
God heeft de Engelen zuivere geesten geschapen.
Zuieere yeesten , d. w. z., dat zij geen lichaam hebben.
7 V. Zijn alle Engelen gelukkig gebleven ?
A. Neen, de hoovaardigen en ongchoorzamen zijn gedreven in den afgrond der hel.
8 V. Hoe worden de hoovaardigen en onejehoor-zame Engelen genoemd ?
A. Duivels of booze geesten.
Het is de zonde, die de kwade Engelen tot duivels heeft gemaakt. (Afschuw van de zonde). Zij kan ook ons ongelukkig en tot verworpelingen maken.
De zonde heeft ook millioenen menscben in de hel geworpen en tot verdoemden gemaakt.
9 V. Wat is de bediening der goede Engelen ?
A. God te dienen en te loven , en den mensch.
behulpzaam te zijn.
Engel beteekent: afgezant, bode , omdat God hen dikwijls gebruikt om boodschappen aan de menscben te doen, om hun Zijn wil bekend te maken.
17
Zij worden afgebeeld met vleugels, om de vaardigheid T te beteekenen , waarmede zij Gods wil volbrengen.
De Engelen worden afgebeeld in menschengedaante, omdat zij zich zoo vertoond hebben.
De Engel Gabriel heeft zich vertoond aan Maria. Michaël streed tegen de booze Engelen , en heeft zich vertoond op den berg Gargan. Raphael verscheen aan Tobias.
10 V. Zijn er eenuje Engelen, die ons bewaren ?
A. Ja, elke mensch heeft eenen Engel, die hem van het begin zijns levens bewaart.
11. V. Wat hulp verleent ons de Engelbewaarder ?
A. Ten 1ste, Hij beschermt ons tegen de booze vijanden ; ten 2de, draagt onze gebeden aan God op ; en ten 3de, staat onze ziel vooral in hot uiterste bij.
quot;W ij zijn onzen Engelbewaarder dankbaarheid , eerbied en vertrouwen verschuldigd.
Dankbaarheid voor zijne weldaden.
Eerbied voor zijne tegenwoordigheid.
Vertrouwen om zijne goedheid.
Uit eerbied voor hem nooit iets onbetamelijks doen.
Uit dankbaarheid dagelijks een klein gebedje tot hem richten , vooral : o Engel Gods, onz.
Hij bewaart ons naar ziel en lichaam.
AVij zien hieruit dan ook de zorg van God voor de menschen.
De aansporing tot het goede, die wij gevoelen , komt ook van den Engelbewaarder.
(Spreek hier verder over de negen koren der Engelen en hoe wij hen kunnen vereeren door de eerewacht van het H. Hart.)
48
ACHTSTE LES.
Van de schepping eu deu val van den iiieiiscli.
1 V. Wie zijn de eerste menschen geweest ? A. Adam en Eva.
o V. Waarvan heeft God den mensch gemaald ? 1. God heeft het lichaam van Adam gemaakt
van aarde en de ziel daarin gestort; maar he
lichaam van Eva van eene rib, genomen uit Adam. Adam beteeke.it: aardman. Die naam diende om hem
zijne nietigheid te herinneren. hübelverhaal
Era beteekent: Moeder der levenden, ^et b«belverhaal
van de schepping onzer stamouders verklaart de ie
antwoord.
De nieuwe Adam is Christus.
De nieuwe Eva 7 Maria.
3 Y. In rvelken staat naren Adam en Eva eer
zij zondigden ?
quot; A. In den staat van oorspronkelijke rechtvaardigheid.
Oorspronkelijke rechtvaardigheid ^teekent : die rechtvaardigheid die Adam had bij zijn oorsprong ot be0ii ,
4 v. Waarin bestond de oorspronMijh' rechtvaardigheid? .
A. ' In de heiligmakende gratie met eemge bijzondere voorrechten naar ziel en lichaam.
49
Eenige voorrechten , die Adam in den staat van oorspronkelijke rechtvaardigheid genoot, zijn ;
a. Naar de ziel :
Ten 1ste, een buitengewoon groot verstand. Nooit is er een geleerde geweest, die zulk een groot verstand bezat, als Adam; dit blijkt vooral daaruit, dat hij aan ieder dier zijnen eigenaardigen naam wist te geven.
Ten 2de, dat hun wil, die na de zonde tot het kwaad geneigd is, vóór de zonde tot het goede genegen was.
Ten 3de, een gemeenzaam verkeer met God.
h. Naar het lichaam :
Ten Iste, zij waren aan geen dood of ziekte onderworpen.
Ten 2de zij behoefden niet hard te werken , enz.
5 V. Zijn Adam en Era in den staat van oorspronkelijke rechtvaardigheid fjehleven ?
A. Neen â¢, zij zijn in de slavernij des duivels gevallen.
Zij zijn door de zonde in de slavernij des duivels gevallen.
(Uitleggen wat slaaf en slavernij is en dit toepassen.)
6 V. Hoe zijn zij in de slavernij des duivels gevallen ?
A. Door het. eten van de vrucht, welke God hun verboden had.
Eerst zag Eva nieuwsgierig do verboden vrucht aan. De dood der zonde komt langs de vensters der ziel binnen.
Toen ging zij met de listige slang, waarvan do duivel zich bediende om Eva te verleiden, praten en redenc-eren. Als wij de bekoring willen overwinnen, moeten wij niet met den duivel redeneeren , wijl hij veel meer verstand en ondervinding heeft dan wjj , en wij dan overwonnen zullen worden. Wij moeten de bekoring eenvoudig aanstonds verzetten.
Eva zondigde niet alleen zelve , maar verleidde ook Adam.
C 4
50
Zoo is het ook ons gewoonlijk niet genoeg, alléén te zondigen . wii verleiden ook anderen.
Adam had niet naar de verleiding moeten lu.steren, met
â¢moeten vreezen, Eva te mishagen.
Ook was de oorzaak van hun beider val , zucht naar vei-
heffing , hoogmoed.
7. V. Heeft Adam maar alleen gezondigd met
van die vrucht te eten ?
A. Neen ; alle mensclien hebben in Adam gezondigd , en zijn in de slavernij des duivels gevallen.
8 V. Hoe wordt die zonde genoemd , waardoor alle menschen in Adam gezondigd hebben?
A. Erfzonde.
9 V. Waarom wordt die zonde genoemd erfzonde ? A. Omdat alle menschen die van Adam erven.
Wii erven die zonde van Adam over; het is dus voor ons eeene dadelijke zonde , geene zonde , die wij door eige daad of eigen wil bedreven hebben. (Zie 39ste les 4de en
cjp -y _ 40ste les 1ste V.)
Maar wij erven allen die zonde van Adam over, omdat God onzen wil in den wil van onzen eersten vader Adam
^D^vü heggen: God had vastgesteld, dat als Adam gehoorzaam bleef, ook wij allen in den ze'fden ^o u lge^ staat van oorspronkelijke rechtvaardighe.d zouden gebo en worden , maar zondigde Adam , dat dan ook wö allen an den staat van zonde zouden geboren worden.
10 V. Is er niemand van de erfzonde bevrijd
qebleven? , lt;. i j.
A. Ja ; hot is een punt van ons geloof, dat de
51
H. Maagd Maria , door de verdiensten van Christus , daarvan is bewaard gebleven.
Om wille der voorziene verdiensten van Jesus Christus , werd Maria, die bestemd was om de Moeder des Verlossers te worden, in het eerste oogenblik barer ontvangenis door een eenig en bijzonder voorrecht voor de vlek der erfzonde behoed, daarvan vrjj bewaard.
Deze waarheid, door God geopenbaard, werd den Ssten December 1854 door de onfeilbare uitspraak van Zijne Heiligheid Faus Pius IX als eene door God geopenbaarde waarheid afgekondigd, en is dus een uitdrukkelijk punt van ons geloof.
Danken wij God dagelijks voor dit groote voorrecht Maria verleend. We kunnen dit doen door de drie wees gegroeten, die we dagelijks , 's morgens en 's avonds, ter bewaring onzer zuiverheid ter eere van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria bidden.
11 V. Ik de menscJi nog in den staat, tcaarin Adam hem gebracht heeft, of in de slavernij des duivels ?
A. Neen ; Christus heeft hem daaruit verlost.
NEGENDE LES.
Van de mcusclnvording van God den Zoon.
1 V. Welk is het tweede artikel van het Sym-bolum des Geloofs ?
A. En in Jesus Christus , zijnen éénigeu Zoon, onzen Heer.
Het tweede artikel ia : En in Jesus Christus zijnen eenigen Zoon onzen Heer. En ziet hier terug op de eerste woorden
52
Yan het symbolum ; Ik geloof, en beteekent dus: ik geloof ook in Jesus Christus, enz.
Jesus beteekent; Zaligmaker of Verlosser.
Deze naam komt Hem toe, omdat in Hem, en in niemand anders de zaligheid is, en Hij zijn volk verlost van hunne zonden.
Christus beteekent: gezalfde. In de oude wet, werden drie soorten van personen gezalfd: Koningen, Priesters en Profeten.
Christus nu was koning van hemel en aarde; â Priester volgens de orde van Melchisedecli (omdat deze brood en wijn offerde), en Profeet, omdat Hij zooveel voorzeggingen deed.
Ik geloof in Jesus Christus, wil zeggen : Ik neem met mijn verstand aan, dat Hij bestaat, waarachtig en mijn laatste einde is.
Zijnen slaat terug op God den Vader.
Eenifjen beteekent: dat God maar éénen Zoon heeft.
Onzen Heer beteekent: dat Hij Heer is van ons allen. Iemand is Heer van iets , als Hem eene zaak of persoon toebehoort. AVij behooren aan Christus ten 1ste als aan onzen Schepper. Ten 2de als aan onzen Verlosser; want Hij heeft ons gekocht en verlost door zijn dierbaar Bloed.
Christus is dus onze Heer, èn als onze Schepper, èn als onze Verlosser, en daarom wordt Hij ook meer genoemd Onze Heer dan God de Vader. (Zie 11de V.)
2 V. Wie is Jesus Christus ?
A. God de Zoon , de tweede Persoon der H. Drievuldigheid , mensch geworden.
3 V. Is Jesus Christus God of mensch ? A. Hij is God en meusch te zamen.
4 Y. Hoeveel naturen zijn er dus in Christus ? A. In Christus zijn twee naturen: de goddelijke natuur en de menschelijke natuur.
53
5 V. En hoeveel personen zijn er in Christus ? A. In Christus is slechts eeu persoon, te weteu :
de goddelijke Persoon.
De eene Persoon der H. Drievuldigheid is de andere niet. Dewijl dan alléén God de Zoon de tweede Persoon der H. Drievuldigheid , en niet God de Vader of God de H. Geest, de menschelijke natuur in Zijne Hem eigene persoonlijkheid heeft opgenomen , daarom ook is alléén Hij , en niet ook God de Vader of God de H. Geest, God en mensch te samen.
Christus is God en Hij is mensch , en daarom komt Hem het goddelijke en hot menschelijke toe.
Hij is onsterfelijk en sterfelijk , eeuwig en geboren , onlijdelijk en lijdelijk , enz. : het eerste als God , het tweede als mensch.
6 V. Hoe is God de Zoon mensch geworden ?
A. Hij heeft door eene bijzondere werking van
den H. Geest de menschelijke natuur aangenomen in den maagdelijken schoot van Maria.
Maria had gelofte van volmaakte en eeuwigdurende zuiverheid gedaan. Buiten twijfel dr .eg de H. Joseph, haar maagdelijke bruidegom , kennis van deze belofte.
Toen dan de Engel Gabriël Haar boodschapte: âZie, gij zult in uwen schoot ontvangen en ecnon Zoon baron en zijnen naam zult gij Jesus heetenquot;, onderzocht Maria naar de wijze waarop, zonder verlies harer maagdelijke zuiverheid, geschieden zou wat de Engel haar aankondigde.
âEn de Engel antwoordde en zoide tot haar: De Heilige Geest zal over U komen , en de kracht des Allerhoogsten zal U overschaduwenquot;. (Luc. 1: 30 â 36.) Door die woorden gaf de Engel haar en ons te verstaan, dat zij , door een wonder van Gods almacht , zonder toedoen eens mans, en zonder op te houden van maagd te zijn, moeder zou worden van Gods eenigen Zoon. Zóó is dan God de Zoon mensch ge-
54
worden door eene bijzondere werking van den H. Geest de menschelijke natuur aannemende in den maagdehjken schoot
van Maria. .
Christus heeft de menschelijke natuur aangenomen,
wil zeggen: Hü heeft ... «eU..» e. e.ne ziel aangenomen, zoo als de menschen hebben.
Christus is langer God dan mensch geweest, maar Hg zal het beide eeuwig blijven.
7 V. In welk artikel van het Sijmholum des
Geloof* belijden wij dit ?
A In het derde artikel, dat luidt ; Die ontvangen is van den H. Geest, geboren uit de Maagd
Maria.
Maria is dus op miraculeuze wijze de Moeder van Christus geworden volgens zijne menschelijke natuur.
8 V. is de H. Joseph de vader van Christus
geweest? .
A. Hij is de natuurlijke vader van Christus
niet geweest, maar alleen zijn voedstervader o bewaarder.
De H Joseph was niet de eigen of natuurlijke vader van Christus , maar alléén zijn voedstervader ot bewaarder.
Wij moeten Hem , naar het voorbeeld van Jesus en Man
86 De H. Joseph is het voorbeeld en de beschermer van alia
8t Doch wijl hij altijd voor het goddelijk Kind gezorgd , het gevoed en bewaird heeft, is hij bijzonder de patroon voor de kinderen en de ouders.
55
D V. Waar is Christus gehoren ?
A. In eenen stal te Bethlehem.
10 V. Wanneer houden wij de gedachtenis van de geboorte van Christus ?
A. Met Kerstmis.
Kerst is een oud woord afgeleid van Christus. Kerstmis is dus zooveel als Christusmis, de H. Mis, waarin we op het Kerstfeest de gedachtenis houden van Christus geboorte in den stal van Bethlehem.
11. V. Waarom wordt Christus meer genoemd onze Heer dan God de Vader ?
A. Omdat Hij ons en alle menschen niet alleen gelijk God de Vader heeft geschapen , maar ook , als wij verloren waren , door zijn bloed heeft gekocht en verlost. (Zie einde der 1ste V.)
TIENDE LES.
Van het lijden van Christus en de verlossing.
§ 1.
1 V. Waarom is God de Zoon mensch geworden ?
A. Om oas door zijn voorbeeld en zijne leer den weg naar den hemel te toonen , en om ons van de slavernij des duivels en den eeuwigen dood te verlossen.
Om de zonde van Adam had Ood besloten , was het zijn
56
wil, dat de mensch door lijden zijne zaligheid bewerken zou. God de Zoon is om twee redenen mensch geworden.
Ten Iste om ons den weg naar den hemel te toonen. Te toonen, dat wil zeggen: ons den weg naar den hemel te laten
zien, aan te wijzen.
Op twee manieren heeft Christus ons den weg naar don hemel getoond. Door zijn voorbeeld en door zijne leer o
zijn woord. , t u â¢
Dertig jaren hoofdzakelijk door zijn voorbeeld in het huisje
van Nazareth, en dit noemt men het verborgen leven, en drie jaren door zijn voorbeeld én woord of door zijn prediken , en dit noemt men het openbaar leven van Jesus.
Er zijn twee wegen naar do eeuwigheid, de breede weg of de weg van pleizier, en deze loopt op de hel uit, en de smalle weg of de weg van lijden, waarop Jesus ons is voorgegaan , en deze loopt naar den hemel, en buiten dien eenen smallen weg van lijden , of boetvaardigheid is er geen andere hoegenaamd , die naar den hemel leidt.
Zijn wij dus niet op dien weg, zoeken wij eenen anderen , dan kunnen wij niet in don hemel komen ; want als er maar één weg naar eene stad leidt, dan moeten wij noodzakelijk op dien eenen weg zijn, of wij kunnen er niet komen.
De weg, die men in zijne jeugd inslaat, bewandelt men gemeenlijk op lateren leeftijd, en gelijk men leeft, zoo stertt men
in den regel. . . ⢠⢠â
Lijden of kruis noemen wij alles wat onpleizieng is voor de natuur. Bv. Ik sta 's morgens niet graag op het eerste teeken op , ik gehoorzaam niet gaarne , bid niet gaarne eerbiedig enz. dat is dus allemaal een kruis voor mij. Doe ik het toch, dan bewandel ik den smallen weg naar den hemel; maar doe ik het niet en geef ik aan mijn lui en loom lichaam, mijne kwade natuur toe, dan kom ik allengs en onopgemerkt verder en verder op den breeden weg naar de hel.
Christus is ten 2de mensch geworden , om ons van de sla-vernij des duivels te verlossen.
2 Y. Kon de mensch zich zeiven niet verlossen ?
57
A. Neen ; want de mensch kon voor de zonde niet voldoen.
3 V. Waarom Icon de mensch voor de zonde niet voldoen ?
A. Omdat de zonde van eene oneindige boosheid is ; en dus moest de Persoon , die daarvoor voldoen en ons verlossen zou, ook van oneindige waardigheid zijn.
Verlossen kon zich de mensch zelf niet, omdat de boosheid der zonde oneindig is, wijl zij bedreven was tegen God, die Tan oneindige waarde is.
Een voorbeeld zal dit duidelijk maken.
Als een jongen een andoren jongen slaan of schelden zou, zou dit wel altijd eene beleediging zijn; maar zou hij dit een groot heer of vader of moeder doen , dan zou de beleediging of misdaad grooter worden , omdat de persoon , die hij deze beleediging aandeed , grooter waarde heeft.
Zou hij hetzelfde aan den koning of Paus doen , dan zou do beleediging nog al grooter zijn , omdat die personen nog al van grootere waarde zijn.
Maar geschiedt de beleediging tegen God , dan is zij van oneindige boosheid, omdat God van oneindige waarde is.
Men heeft bijgevolg ook eene oneindige schuld aan God te betalen.
Als men iemand 100 gulden schuldig is, kan men de schuld niet anders voldoen, dan door iets terug te geven, dat ook 100 gulden waard is ; als men 1000 gulden schuldig is , door iets terug te geven, dat ook duizend gulden waard is. En als men nu oneindige schuld heeft, kan men die niet voldoen, dan door iets terug te geven , dat ook oneindige waarde heeft.
Bijgevolg moeten wij ook aan God , bij Wien wij om onze zonden eene oneindige schuld hebben gemaakt, iets van oneindige waarde wedergeven , om deze schuld te herstellen.
58
Doch dit kunnen wij niet, wij eindige en nietige schepselen, die niets bezitten of doen kunnen wat oneindige waarde heeft.
Dat kon Ood alléén ; en daarom is God do Zoon raensch geworden, omdat alléén Hij , als God oneindig zijnde, aan God ook iets van oneindige waarde kon wedergeven.
4 V. Was Christus verplicht ons te verlossen ?
A. Neen; Hij heeft dit gedaan uit liefde voor
den mensch.
5 V. Waardoor heeft Christus ons verlost ?
A. Door zijn lijden en dood.
6 V. Wat heeft Christus geleden ?
A. Zijn geheel leven lang groote armoede en verdriet naar ziel en lichaam ; doch op den dag van zijn lijden zoo groote pijnen en smarten , dat nooit eenig mensch zoodanige verdragen heeft.
Christus leed armoede en verdriet: door armoede leed vooral zijn lichaam , door verdriet zijne ziel. Men verhale hier den kinderen in 't kort , wat pijnen en smarten Jesus in den hof van Olijven, en op Goeden Vrijdag geleden heeft, en spore hen aan om dikwijls , zeker Vrijdags , de oefening van den H. Kruisweg te doen, als eene der gemakkelijkste en heilzaamste wijzen om het lijden van Christus te overdenken.
7 V. Welken dood is Christus gestorven ?
A. Den dood des kruises.
8 V. In welk artikel van het Symbolum des Geloof s belijden wij het lijden en den dood van Christus ?
A. In het vierde artikel, dat luidt: Die geleden
59
heeft onder Pontius Pilatus, is gekruist, gestorven en hegraven.
In het 4de artikel van het symbolum des geloofs belijden wij het lijden en den dood van Christus. Het luidt : Die geleden heeft , enz.
Die ziet terug op Christus; dat Hij geleden heeft onder Pontius Pilatius wil zeggen: dat Hij geleden heeft ten tijde , dat Pontius Pilatus landvoogd van Judea was.
9 V. Volgens welke nutuur heeft Christus geleden en is Hij gestorven ?
A. Volgens zijne menschelijke natuur, want volgens zijne goddelijke natuur was Christus onlijdelijk en onsterfelijk.
§ 2.
lü V. Was het voor onze verlossing ook noodig, dat Christus zooveel leed en zulken dood stierf?
A. Neen ; Hij had ons met veel minder lijden kunnen verlossen ; maar Hij heeft daardoor ons zijne overgroote liefde willen toonen en voorbeelden van vele deugden willen geven.
Christus had om ons te verlossen , niet zoo veel behoeven te lijden , als Hij gedaan heeft, 't Minste en geringste dat Hij deed , een enkele zucht ware voldoende geweest om ons te verlossen ; want ook het minste en geringste dat Hij deed, was van oneindige waarde , wijl Hij God en mensch te samen is in één goddelijken persoon ; maar Hij heeft zoo veel willen lijden om ons te toonen , te laten zien , hoezeer Hij ons beminde. Had Hij niet zoo veel geleden, dan zou Hij ons toch evenveel bemind hebben, maar wij zouden het niet zoo goed
60
11 V. Voor wie is Christus gestorven ?
A. Voor alle mensdien.
12 Y. Zullen dan alle menschen zalig worden? A. Neen ; omdat niet alle menschen aan de
verdiensten van het lijden en den dood van Christus deelachtig worden.
13 V. Waardoor kan de mensch aan de verdiensten van Christus deelachtig worden?
A Door het ware geloof, door het waardig gebruik der heilige Sacramenten, door goede werken vooral van boetvaardigheid.
14 V. Waarom is het noodig, dat wij nog lijden en boetvaardigheid doen, aangezien Christus voor
ons voldaan heeft ? . ..
A Omdat het de wil van God is, dat wij door ons lijden en onze boetvaardigheid aan de verdiensten van Christus deelachtig worden.
61
Terdiensten deelachtig maken. Dat wil zeggen: wij moeten die middelen van zaligheid gebruiken om ons deel te krijgen van de overvloedige verdiensten, die Christus door zijn lijden verworven heeft; wij moeten die overvloedige voldoeningen en verdiensten door die genademiddelen op ons toepassen. Christus heeft overvloedige schatten van genaden voor ons verdiend, en als wij nu de boven genoemde zaken doen, staat Hij die schatten aan ons af, waardoor wij dan zalig en heilig worden. Hij kon ons die verdiensten wel toepassen , zonder dat wij er iets voor deden , maar God had besloten ons door lijden zalig te maken; Hij kon het dus wel, maar beeft het niet gewild.
15 V. Wanneer houdt de H. Kerk de gedach-tenis van het lijden en den dood van Christus ?
A. In de Goede week , bijzonder op Goeden Vrijdag.
ELFDE LES.
Van de Verrijzenis en Hemelvaart van Christus.
1 V. Welk is het vijfde artikel van het Si/m-holmn des Geloofs ?
A. Die is nedergedaald ter helle , den derden dag verrezen van de dooden.
Die ziet terug op Christus.
Nederdalen is naar de laagte gaan.
Verrijzen wil zeggen : naar de hoogte gaan.
Verrijzen van den dood wil zeggen: van den dood opstaan, herleven , opnieuw beginnen te leven om niet meer te sterven.
62
2 V Wat heeft Christus na zijnen dood gedaan ? A. Zijne ziel met de Godheid vereenigd is
nedergedaald ter helle.
3 V. Wat verstaat gij door de hel, tot welke de ziel van Christus is nedergedaald ?
A Eene onderaardsche plaats, het voorgeborgte der hel genaamd , waar zich de zielen bevonden der rechtvaardige afgestorvenen, die niets meei
te boeten hadden.
4 V. Waarom is Christus ter helle nedergedaald . A Om de zielen der heilige Oudvaders en
anderen, die in Gods liefde gestorven waren , te troosten en te verlossen.
Door rechtvaardige afgestorvenen worden hier verstaan, brave quot;(SS^hen ter helle neer, om hen te troosten daar, omdat de hemel Som-
verschijnen.
5 V. Wanneer is Christus verrezen 1 A. Op den derden dag van zijnen dood , dat is , des Zondags 's morgens.
jrr x r; r: ^7- ?â
dagen: den Vrijdag-avond en den Zondag-mov .
Christus had zijne vcrnjzeius v00quot;®sd ®ed quot;^pe! zijns âBreekt dezen tempel af (Uy spiaK
63
liehaams) , en in drie dagen zal ik hem oprichten.quot; (Joan. II. 19â22.)
Wij vinden in de natuur, bv. in de Lente, als alles wat te voren dood scheen, begint te herleven, een afbeeldsel van onze herleving en verrijzenis.
6 V. Waarom heeft Christus de vijf wouden in zijn verheerlijkt lichaam behouden ?
A. Om daarmede zijne verrijzenis te bevestigen, en om ze aan alle menschen in het oordeel en aan de zaligen in den hemel te toonen.
Christus heeft zijne vijf H. Wonden in zijn verheerlijkt lichaam behouden , om er zijne verrijzenis meê te hevestigen , dat wil zeggen: om door het laten zien van die wonden aan Thomas , en de overige Apostelen , hen te overtuigen, dat Hij dezelfde is, die voor ons aan het kruis gestorven was, W1jl Hij de wonden der nagelen en der lans nog bezat, en dat Hij nu leeft, en dus werkelijk verrezen was.
Ten andere heeft Hij ze ook behouden om ze aan alle menschen in het oordeel te toonen en wel aan de rechtvaardigen ten troost; aan de verdoemden tot beschaming, ten bewijze dat ze door eigen schuld verloren zijn gegaan. Want de heilige vijf wonden blijven getuigen wat Hij leed om ook hen zalig te maken, en dat zij al die liefdeblijken versmaad hebben. Eindelijk om ze aan de zaligen in den hemel te toonen.
Het geluk der zaligen in den hemel wordt verhoogd door het aanschouwen van de H. vijf wonden , die Christus in zijn verheerlijkt lichaam heeft willen behouden , omdat de wonden van zijne handen en voeten , en van zijn goddeljjk Hart, altoos brandend vun lielde, nu mede verheerlijkt zijn, en schitterend van licht en glorie het Hemelhof opluisteren ais zooveel zonnen, waarop als met onuitwischbare gouden letteren voortdurend te lezen staat: âZóó heeft God de wereld liefgehad.quot; Joan. Ill: 16.) Zie, zoozeer heb Ik u bemind!
64
7 V. Wanneer houdt de H. Kerk de gedachtenis der verrijzenis van Christus ?
A. Met het Hoogtijd van Pasclien.
8 V. Welk is het zesde artikel van het Sijmho-
lum des Geloof» ?
A. Die is opgeklommeu ten hemel , zit aan de rechterhand van God den A ader almachtig.
9 V Wanneer is Christus ten hemel geklommen? A. Y eer tig dagen na zijne verrijzenis.
10 V. Wat heeft Christus gedaan gedurende de veertig dagen, die Hij nog op de aarde gebleven is ?
A. Hij verscheen aan zijne Apostelen en sprak met hen over het rijk Gods.
Hoeveel beteekenissen heeft de uitdrukking : Het rijk Gods? Drie , ten late het rijk der hemelen.
Ten 2de het rijk Gods in onze harten, door de genade, want Christus zetelt dan in het hart, dat Hem toebehoort, als een koning op zijn troon, en de neigingen en hartstochten van den mensch, die Hem onderdanig is, zijn als het ware
zijne dienaars. â , , j i
Ten 3de het rijk dor Kerk, en dit rijk Gods bedoelen wij als wij zeggen : dat Christus met zijne Apostelen sprak over het rijk Gods.
11 V. Hoe is Christus ten hemel geklommen ? A. Zonder iemands hulp, door zijne eigene macht.
12 V. Wanneer houdt de H. Kerk de gedachtenis der hemelvaart van Christus ?
A. Veertig dagen na Paschen, op onzes Heeren
Hemelvaartdag.
65
13 V. Wat heteekenenen de woorden: Hij zit aan de rechterhand van God den Vader almachtig?
A. Dat Christus in de opperste rust en in de hoogste eer is bij God den Vader.
Door wellce (lezer woorden heteekeuen wij dat Christus is in de opperste rust ?
Door te zeggen : Hij zit.
Door welke , dat Hij is in de hoogste eer bij God don Vader ?
Door er bij te voegen : Hij zit aan de rechterhand van God den Vader almachtig.
Welle onderscheid is er tusschen de Hemelvaart van Christus en ran Maria ?
Dat Christus door zijne eigene macht ten Hemel opgeklommen is , en dat Maria ten hemel opgenomen is door de macht van God.
TWAALFDE LES.
Tan hot laatste Oordeel.
1 V. Welk is het zevende artikel van het Sym-bohtrn des Geloofs ?
A. Van daar zal Hij komen oordeelen de levenden en dooden.
Vandaar beieekent; van den hemel.
Hij wil zeggen : Jesus Christus.
Oordeden is enderzoeken of' iemand goed of kwaad gedaan heeft, dut bekend maken, en vervolgens hem loon of straf voor zijne daden toekennen. Geschieden deze zaken in het openbaar , dan is het een openhaar oordeel; geschieden zij in het geheim of in het bijzonder, dan is het een hijzonder oordeel.
C 5
66
2 V. Wanneer zal Christus komen oordeel en ? A, Op het einde der wereld , doch de dag is
onbekend.
3 V. Welke teekenen zullen het oordeel voorafgaan ? A. Ten 1. Eene geweldige vervolging, die
de Antichrist verwekken zal ; ten 2. verscheidene vreeselijke plagen; ten 3. een vuur, dat alles-zal verslinden.
De voorteekenen van het oordeel , dat is, de dingen , die vooraf zullen gaan, en aanduiden dat het oordeel nabij is , zijn onder andere deze :
Eene geweldige vervolging van den Antichrist.
Antichrist beteekent: tegen Christus , den tegenstander of vijand van Christus bij uitnemendheid.
Hij zal de Christenen vervolgen , achterna zitten, met geweld als 't ware dwingen, afstand van hun geloof te doen.
Niet zonder grond meent men , dat do Antichrist ean jood zal zijn uit den stam van Dan.
4 V. Hoe zal Christus ten oordeel komen ?
xV. In zijn menschelijk lichaam, zichtbaar en met groote heerlijkheid.
5 V. Wien zal Christus komen oordeelen ? A. Alle menschen , die ooit geleefd hebben.
6 V. Wie zijn de levenden, die Christus zal oord' elen ?
A. Degenen, die omtrent dien tijd zullen leven.
7 V. Zullen de dooden tot den laatsten dag zonder oordeel zijn ?
67
A. Neen ; ieder mensch wordt terstond na zijnen dood in het bijzonder geoordeeld ; maar op den laatsten dag zullen de lichamen en zielen te zamen in de tegenwoordigheid van alle men-schen geoordeeld worden.
Welk onderscheid is er tusschen het alyemeen en hijzonder oordeel ?
Ten 1ste, dat het bijzonder oordeel .aanstonds na den dood geschiedt, en het algemeen eerst op het einde der wereld.
Ten 2de, bij het bijzonder oordeel wordt alleen aan de ziel, bij het algemeen aan lichaam on aiel loon of straf toegekend.
Ten 3de, het bijzonder oordeel geschiedt alléén tusschen God en de ziel; het algemeen oordeel in de tegenwoordigheid van alle menschen.
8 V. Welk vonnis zal Christus in hef oordeel uitspreken ?
A. Hij zal de goede menschen met groote liefde tot zich roepen , en hun den hemel geven ; maar de boozen zal Hij met groote gramschap van zich naar de eeuwige verdoemenis jagen.
Gelijk men in zijne jeugd leeft, leeft men in den regel in latere jaren, en gelijk men leeft, sterft men gewoonlijk.
De dood is de weerklank van hot leven.
Een goed leven , een goede dood.
Een slecht leven , een slechte dood.
En van een goed of slecht loven of sterven hangt ook een gunstig of ongunstig- oordeel af.
Welke middelen kent gij om een genadig oordeel te hekomen ?
Ten 1ste zich zeiven goed oordeelen ; zich niet voor beter houden dan men is. Dit moet men vooral doen , in het gewetens-onderzoek dos avonds en bij de biecht.
Oordeelt u zeiven, en gij zult niet veroordeeld worden.
68
Ten 2de anderen niet veroordeelen, want met de maat waarmee wij uitmeten , wordt ons ook toegemeten.
Ten 3de barmhartig zijn jegens anderen, en goed voor armen en ongelukkigen. âZalig de barmhartigen want zij zullen barmhartigheid verwerven.quot;
DERTIENDE LES.
Van (»0(1 den Heiligen tieest.
1 V. Welk is het achtste artikel van het Sym-holum des Geloofs ?
A. Ik geloof iu den H. Geest.
Ik geloof in dm II. Geest wil zeggen ; Ik neem met mijn verstand aan dat do H. Geest bestaat, waarachtig is, en mijn laatste einde is.
2 V. Wat gelooft (jij van den Heiligen Geest ?
A. Dat Hij waarlijk God is , en de derde
Persoon van de Heilige Drievuldigheid.
3 V. Is de Heilige Geest minder dan de andere twee Personen ?
A. Geenszins; maar Hij is van één Wezen of ééne Natuur met God den Vader en God deu Zoon, en even wijs , machtig , eeuwig , enz.
De II. Geest is niet minder dan do andere twee Personen, omdat Hij dezelfde goddelijke natuur heeft, waaruit al Gods volmaaktheden voortkomen; bijgevolg moeten die van den H. Geest dezelfde zijn als van den Vader en den Zoon. (Uitgelogd in de les van de II. Drievuldigheid).
69
4 V. Wat eer moeten wij aan God tien Heiligen Geest bewijzen ?
A. De goddelijke en opperste eer.
Vraag1 en antwoord geven genoeg te verstaan, dat er meer dan één soort van godsdienstige vereering te onderscheiden is. quot;Wezenlijk verschilt de eer, die wij aan God moeten bewijzen, veel, ja hemelsbreed, oneindig van do eer, die we aan de Heiligen, Gods dienaren, en onder de Heiligen vóór alle anderen aan Maria, als de onbevlekte Maagd en Moeder Gods verschuldigd zijn.
Aan Maria bewijzen wij wel een hoogeren graad van eer dan aan de overige Heiligen , maar geenszins goddelijke eer of aanbidding. Goddelijke eer mogen en moeten we alléén aan God bewijzen. Nu , omdat de Heilige Geest wezenlijk God is, zoowel als God do Vader en God de Zoon, moeten wij ook aan God den Heiligen Geest de goddelijke eer bewijzen. Aan God den H. Geest moeten wij dus ook de opperste eer bewijzen , d. w. z. , de allerhoogste eer , de eer , welke wij aan geen enkel louter schepsel, zelfs niet aan Maria, der Moeder Gods, mogen bewijzen, maar alléén aan God, één in wezen, drievuldig in Persoon , aan God den Vader, den Zoon, en don II. Geest, den derden Persoon der H. Drievuldigheid.
5 V. Hoe heeft zich de H. Geest vertoond ?
A. Hij heeft zich vertoond bij den Doop van Christus in de gedaante eener duif, en op Pinksterdag in de gedaante van vurige tongen.
6. V. Welk is het voornaamste iterk van den H. Geest?
A. Dat Hij de ledematen der ware Kerk van Christus door de mededeeling zijner gratiën heilig maakt.
70
7 V. Waarom irordt onze heiligmaking aan den H. Geest hijzonder toegeschreven ?
A. Omdat Hij de Liefde is van den Vader en den Zoon , en uit Gods liefde onze heiligmaking voortkomt.
Om twee redenen wordt dus onze heiligmaking aan den H. Geest bijzonder toegeschreven.
Ten Iste , ondat Hij de Liefde is van den Vader en den Zoun. Immers reeds in de 6do Les, handelend over het mysterie der H. Drievuldigheid, leerden wij, dat God de H. Geest van God den Vader en van God den Zoon te zamen voortkomt door de oneindig volmaakte liefde, waarmee God de Yader en God do Zoon van alle eeuwigheid elkander beminnen , zóódat God de H. Geest de mede-zelfstandige Liefde is van God den Vader en God den Zoon.
Ten 2de , omdat uit Gods liefde onze heilig making voortkomt. Dat wij menschen van zondaren, als wij reeds waren bij onze geboorte ten gevolge der erfzonde, door het H. Sacrament des Doopsels geheiligd, en in den staat van heilig-makende gratie herschapen werden , en dat we, toen we tot gebruik van ons verstand gekomen, wellicht het ongeluk hadden door dadelijke zonde die heiligmakende gratie weer te verliezen , door eene goede Biecht in staat van gratie hersteld zjjn , en dus opnieuw geheiligd werden, het recht op het geluk der Heiligen in den hemel herkregen hebben â dat alles hebben we enkel en alleen aan Gods liefde te danken. Zeker zijn we voor die weldaad zoo goed aan God den Vader, en God den Zoon dank verschuldigd als aan God den H. Geest. Want God de Vader heeft de wereld zoo lief gehad , dat Hij ter haror verlossing en heiligmaking zijn eenigen Zoon ten beste gaf. (Joh. III. 16) En God de Zoon had alle menschen zoo lief, dat een ieder onzer het den H. Paulus mag nazeggen: Hij heeft mij liefgehad en zich zeiven voor mij geleverd. (Br. aan de Galat. II. 23.) Desniettemin wordt onze heiligmaking terecht aan den H. Geest bijzonder toege-
71
schreven, niet alleen omdat Hg de Liefde is van den Vader en den Zoon , maar ook omdat uit Gods liefde onze heiligmaking voortkomt, of, gelijk de H. Paulus dit uitdrukt: âdewijl Gods liefde uitgestort is in onze harten door den Heiligen Geest, die ons gegeven is. (Br. aan de Hom. V. 5.)
Nota. Niet allen krijgen evenveel genaden van den H. Geest; dit verschil hangt grootendeels af van onze medewerking met de genaden die Hij ons verleent.
De voornaamste beletselen tegen de gratiën van den H. Geest, zijn hoogmoed , onkuischheid en liefdeloosheid.
Wij moeten den H. Geest dikwijls aanroepen en om Zijne genaden bidden. De gebeden, waardoor wij den H. Geest bijzonder aanroepen, zijn vooral : het Veni Creator, Veni Sancte Spiritus, 7 wees gegroeten ter eere van de zeven gaven en 12 wees gegroeten ter eere van de 12 vruchten van den H. Geest.
VEERTIENDE LES.
Van de H. Kerk.
§ 1.
1 V. Welk is het negende artikel van het Symbol um des Geloofs?
Het 9de artikel luidt: De H. Katholieke Kerk , gemeenschap der heiligen.
Hier behoort weder vóór te staan : ik geloof, en wij krijgen dus : ik geloof de Katholieke Kerk, en niet: ik geloof in de Katholieke Kerk, omdat de Katholieke Kerk mijn laatste einde niet is zoo als God, maar slechts een middel om tot mijn laatste einde te komen. Ik geloof de H. Katholieke Kerk , w. z., ik neem met mijn verstand aan, dat dezelfde H. Kerk, die door Christus gesticht is, nog voortdurend bestaat.
72
2 V. Wat is de Heilige Kerk in liet algemeen ? A. De vereeniging van alle geloovigeu en zaligen onder Christus hun Opperhoofd.
Kerk boteekent: vereeniging.
Eene vereeniging zijn eenige personen , die onder één hoofd staan en hetzelfde doen en laten moeten. Zoo kan men de kloosters eene vereeniging noemen , de H. Familie , de Congregatie , broederschappen , enz.
Hoeveel beteekeuissen heeft het woord Kerk?
Drie: Ten 1ste het steenen gebouw waar de geloovigen bidden.
Ten 2de de Paus en Bisschoppen.
Ten 3de de vereeniging van alle geloovigen en zaligen onder Christus hun Opperhoofd.
3 V. Hoeveel deelen zijn er ran de Heilige Kerk? A. Drie: de strijdende Kerk op aarde , de lijdende Kerk in het vagevuur , en de zegepralende Kerk in den hemel.
Wanneer wij de Kerk nemen in de laatste beteekenis, dan wordt zij verdeeld in drie doelen: de strijdende Kerk op aarde, aldus genoemd, omdat wij nog strijden moeten: rTen Iste tegen den duivel die ons aanhoudend bekoort.
Ten 2de tegen de wereld , dat is, tegen de menschen , die volgens den geest der wereld leven , voor hun gemak en plei-zier, die maar praten van genieten en groot worden in de wereld , alsof wij alleen voor de aarde geschapen waren ; en die zeggen: dat het nog tijd genoeg is om te bidden, naaide kerk te gaan en God te dienen als men oud is; dat men jong zijnde genieten moet , dat men God in de pleizieren ook wel kan dienen.
Doch Christus zegt: niemand kan twee heeren dienen. quot;Wie God en der wereld te gelijk wil dienen , hij zal God vergeten , zijne plichten verwaarloozen en in zonden vallen.
73
Ten 3de moeten wij strijden tegen het vleesoh, onze eigen-bedorven natuur, ons eigen lichaam, dat ten koste van God, van onze ziel en van onze plichten , altijd zijn gemak en zijne voldoening zoekt.
Zoo moeten wij strijden om den hemel in te nemen.
Ten 2de de lijdende Kerk in het vagevuur, aldus genoemd omdat de zielen des vagevuurs daar lijden moeten , wijl zij hier niet wettig genoeg gestreden hebben. Zoo zal het ook met ons gaan , als we hier niet voor do overgeblevene schulden onzer zonden voldoen.
Ten 3de de zegevierende Kerk in den hemel, omdat de zaligen de zege, do overwinning, de kroon al behaald hebben.
4 V. Wie is het hoofd der H. Kerk ?
A. Het algemeen opperste en onzichtbare Hoofd der Heilige Kerk is Christus ; maar het zichtbare Hoofd der Heilige Kerk op aarde is de Paus van Kome.
5 V. Waarom noemt gij Christus het onzichtbare Hoofd der Heilige Kerk ?
A. Omdat Hij , sedert zijne hemelvaart, op aarde niet meer zichtbaar is.
6 V. Wat is de Heilige Kerk op aarde ?
A. De vereeniging van alle geloovige Christenen, die onder de gehoorzaamheid van den Paus van Rome de ware leer van Christus belijden.
Zoo als wij zagen , zijn vereenigingen menschen , die onder één hoofd staan en hetzelfde doen en laten moeten.
De Christenen nu zijn vereenigd door hetzelfde geloof, door dezelfde wetten , die de Kerk hun voorschrijft.
Zij staan ook allen onder één hoofd Christus , die op aarde vertegenwoordigd wordt door den Paus.
7
GeloovUje Christenen wil zeggen: Christenen, die alles
«-.f'1p~. J;.quot;;. *,4 4 «d'%rr° irraeS.
gehoorzamen, de ware leer van ChM, data-de^d feer die Christus geleerd heeft, yelooven met hun verstan
Ãâ¢â¢., e. beUjden, dat 1. do., ....d.» » -»k.n ook
uiterlijk toonen.
7 V. T-Frti is de Paus van Rome ? A. De Stedehouder van Christus zeiven op aarde en de wettige opvolger van den H. Petrus, op wien Christus Zijne Kerk gebouwd heett.
Dat de Paus de stedehouder van Christus is beteekent : Jd. L. ChrWa.' p.-.. vervangt , in pl.... v.n 01.n..us
quot;quot;D^'chritfop Petrus »5«. ^
, , , Kpl.k on het gezag van Petrus en zijne opvolgeis steunt als een huis op de grondslagen. Men ^t den Paus, Paus van Eome, omdat Hij tevens Bisschop van Rome is.
8 V. Wet zijn de Bisschoppen der H. Kerk? A. De Bisschoppen zijn de Prinsen der Heilige Kerk en bekleeden de plaats der Apostelen.
Bisschoppen noemt men Prinsen der Kerk , omdat zij in de Kerk de eerste plaats bekleeden na den Paus.
Het gaat daar meê als met de koninklijke ^16' worden allen prinsen en prinsessen genoemd, omdat zij n den konhiquot;' de eersten in het land zijn; zoo worden ook de Bisschoppen prinsen genoemd, omdat zij na den Paus de eersten in de Kerk zijn.
9 v. Wat zijn de Pastoors en Priesters in de Heilige Kerk ?
75
A. De Pastoors en Priesters zijn de ondergeschikte medehelpers der Bisschoppen vooral in het verkondigen van Gods woord en het toedienen der HH. Sacramenten.
§ 2.
10 V. Waaruit blijkt dat de Roomsch-Katholieke Kcrk de ware Kerk van Christus is ?
A. Hieruit, dat zij alléén de kenteekenen heeft, welke de Kerk van Christus hebben moet.
Alleen in de Roomsch Katholieke Kerk kunnen wij heilig' en zali^ worden. Maar daarom is het ook noodig dat die Kerk kenteekens bezit, waaraan wij haar kunnen kennen T opdat wij ons in een zoo gewichtig punt niet vergissen zouden.
Die kenteekens heeft Christus haar dan ook gegeven.
â¢-
11 V. Welke zijn deze kenteekenen ?
A. Onder anderen deze vier: ten 1ste dat zij één is ; ten 2de dat zij heilig is ; ten 3de dat zij katholiek is ; en ten 4de dat zij apostoliek is.
Onder anderen (dat wil zeggen : dat ei- nog meer zijn) deze vier:
Ten 1ste dat zij één is.
12 V. Waarin is de eenheid der H. Kerk yelegen ?
A. Dat zij onder één hoofd staat , en in alle
stukken des Geloofs ééne en dezelfde leer volgt.
Zij is één in hoofd, hetwelk Christus is, die op aarde vertegenwoordigd wordt door den Paus.
76
Ãén in leer. Zij leert altijd en overal hetzelfde; terwijl bij de protestanten, de esne dit, de andere dat loert.
Zij is ten 2do heilig.
13 V. Waarin bestaat het kenteeken, dat de Kerk heilig is ?
A. Dat hare leer en iusfcellingen heilig zijn ; doch voornamelijk dat zij Heiligen voortbrengt en wonderen en gaven bezit, waardoor hare heiligheid ten allen tijde bevestigd wordt.
Heilig in hare leer. Alles , wat zij leert is heilig, en brengt als wij het beoefenen , ook ons tot de heiligheid.
Dat wil zeggen, als wij doen wat do Kerk ons leert zullen wij zeker braaf en heilig worden. Zoo wederom met
bii de protestanten.
Zij loeren bv. dat mon zooveel kwaad kan doen a.s men .vil dat men toch in den hemel komt, als men maar yetoo/i.
Ook zeggen zij , dat wij niet behoeven te vasten of geene boetvaardigheid behoeven te doen , omdat Christus voor ons
voldaan heeft. . ,
Een ieder begrijpt , dat die leer niet heilig is , en .
deze leer opvolgt, wel verre van een heilig , een losband g
leven zou leiden. J7.
Ten anderen is de Kerk ook heilig in hare mstellmgen , dat is: hare feestdagen, plechtigheden cn gebruiken zijn allen
'^zlo' wederom niet bij de protestanten, fJ toc^ h®bbett vele feestdagen en plechtigheden , en 't gebruik der H. Biecht en andere Sacramenten afgeschaft.
Een zeer voornaam bewijs dat de Kerk hei ig , in gelegen: dat zij heiligen voortbrengt, dat allen, die volgens hare leer en instellingen leven, heilig woiden , e datquot; er in de H. Kerk altijd heiligen zijn geweest, wiei hei-licheid God door gaven en wonderen ten klaarste kenbaai oemaakt en bewezen heeft, terwijl de protestanten en andeie
77
sekten geen enkelen heilige kunnen aanhalen ; en eindelijk dat er alléén in de Katholieke Kerk voortdurend mirakelen geschieden, ten bewijze der heiligheid van erkende gelukzaligen en heiligen.
Zij is ten 3de ook katholiek of algemeen.
14 V. Waarom wordt de II. Kerk katholiek of algemeen genoemd ?
A. Omdat zij alle geloovigen bevat, die van Christus' tijd geweest zijn, en omdat zij verspreid is onder alle volken en in alle landen der wereld.
Zij is algemeen ten 1. wat den tijd aangaat.
Van Christus tijd af is zij er geweest.
Do protestanten en andere sekten , dagteekenen veel later. Ten 2de wat de plaats aangaat, zij is verspreid over de gan-sche wereld, de protestanten integendeel zijn slechts hier en daar op een klein hoekje van de aarde te vinden.
15 A . Waarom wordt de II. Kerk apostoliek genoemd ?
A. Omdat de Herders der Kerk door eene on-afgebrokene opvolging met de Apostelen verbonden zijn, en omdat de Kerk altijd dezelfde leer belijdt, welke de Apostelen verkondigd hebben.
Zij is ten 4de apostoliek , dat wil zeggen : het is dezelfde Kerk welke de Apostelen gegrondvest hebben ; zij heeft de zelfde leer , geloofswaarheden, gebruiken en instellingen die de Apostelen verkondigd en beoefend hebben.
Zij is ook apostoliek, omdat de herders der Kerk, de Pausen , door eene onafgebroken opvolging, met de Apostelen verbonden zijn.
Hot is er meê als mot een keten , waarvan alle schakels
78
aan elkander sluiten; als men by de eerste b°f^ *2ents. tot de laatste doorgaan, zonder dat er eene «pemng tussohen
Zoo ook als men bij den tegenwoord.gen Faus begmt ka men opklimmen tot aan Petrus toe , zonder dat er eene tu schenruimte is; als de eene Paus dood was, volgde een
6 de^protestanten integeudeel is er van Luther tot aan
Christus eene gaping van 15 eeuwe»- , Roomsche
De ware Kerk van Christus wordt b.j uitstek de Koomscne
Kerk genoemd, omdat reeds ^aar eerste zichtbaar O^pe^,
de H. Petrus, te Rome zijn zetel gevest.gd heeft' 611 f?.8
om worden ook wij Eoomschen genoemd ter onderscheid g
Z 7. Ji. nog .1. ChrKteuen o(
doorgaan , bv. de Orthodoxe Protestanten , Anglicanen ,
sen enz.
VIJFTIENDE LES.
Van de (iemeenscliap der Heiligen.
1 Y. Wat verstaat (jij door de gemeenschap der
V De gemeenschap van geestelijke goederen tusschen de ledematen der H. Kerk onderling en met Christus , hun Opperhoofd.
Door Heiliyen verstaan wij hier zoowel de geloovigen op aarde als de zielen in den hemel en in 't vagevuur.
Gemeenschap beteekent: iets gemeen of samen hebben. In gemeenschap doen , samendoen.
De gemeenschap der heiligen beteekent dus het samendoen
quot;gSLschap van geestelijke goederen, het samendoen in geestelijke goederen, als daar zijn sacrificiën, goede wei ken,
enz.
79
Onderling , dat is, onder elkander.
Dat samendoen in geestelijke goederen , is van veel meer waarde, dan het samendoen in compagnie doen in tijdelijke goederen, omdat de eerste veel meer waarde hebben.
Zij zijn er zoo ver boven verheven als do ziel boven het lichaam , de hemel boven de aarde, de eeuwigheid boven den tijd. Ja, ééne genade is meer waard dan alle schatten der wereld.
Dat samendoen in geestelijke goederen bestaat tusschen de lidmaten dor H. Kerk onderling, onder elkander, en met Christus hun Opperhoofd. Zij bestaat tusschen alle lidmaten van de lijdende , strijdende en zegepralende Kerk.
2 V. Welke gemeenschap hehhen bijzonder de ledematen der II. Kerk op aarde met elkander ?
A. Dat zij deelachtig worden aan alle Sacrificiën , openbare gebeden en goede werken, die in de H. Kerk geschieden.
De lidmaten der H. Kerk op aarde, doen met elkander samen, krijgen hun deel, ten 1ste in de H. Missen of Sacrificiën , die er opgedragen worden.
Ten 2de in de openbare gebeden, zooals Lof, Vespers en andere gebeden die op naam der H. Kerk geschieden bv. getijden van kloosterlingen er,z.
Ten 3de in al de goede werken die er in de H. Kerk over de gansche wereld door geschieden.
Wij krijgen dus allen ons deel in al de H. Missen , die er over geheel de wereld gedaan worden , of wij er bij tegenwoordig zijn of niet; maar natuurlijk meer als men er bij tegenwoordig is , en des te meer als wij er met groote godsvrucht tegenwoordig zijn.
Zoo ook krijgen wij ons deel aan de gebeden en goedo werken , en dat deel wordt afgemeten naar de grootte van ons geloof en onze liefde.
80
3 V. Wie zijn huiten de Gemeenschap der Heilige Kerk op aarde ?
A. De Heidenen , Turken , Joden , Ketters , Scheurmakers, en die in den Kerkelijken Ban zijn.
Buiten de gemeenschap der Kerk wil zoggen: van dat samendoen uitgesloten zijn.
Hiervan zijn uitgesloten de heidenen, dat is de ongeloo-vigen , die nooit gedoopt zijn, on de afgodendienaars.
Mahomedanen, die den \ alscheri profeet Mahomet voor hunnen stichter houden.
Zij wonen vooral in Turkije (daarom worden zij hier niet name Turken genoemd) on in Afrika.
De Joden , dat zijn menschon , die vroeger den waren godsdienst hadden , maar Christus niet als den beloofden Messias erkennen , en nog een anderen verwachten.
Zij verwachten oenen Messias, die hen groot zal maken volgens de wereld, en wilden Josus niet erkennen, omdat Hij arm was.
Ketters, dat zijn menschen, «die wel gedoopt zijn, maar hardnekkig oen gedeelte van de leer van Christus , wat hun niet aanstaat, verworpen, of verandoren, zooals de protestanten doen.
Scheurmakers, dat zijn menschen, die wel hot ware geloof hebben, maar zich niet aan don Paus willen onderwerpen.
Zij zijn als 't ware van de Kerk afgescheurd , zooals de Jansenisten, doch deze zijn er tegenwoordig ketters bij, omdat zij niet meer alles aannemen wat God veropenbaard heeft en de H. Kerk ons voorstelt om te geloovon. Eindelijk zijn nog van die gemeenschap uitgesloten, degenen, die in den Korkelijken ban zijn.
4 V. Wat is de Kerkelijke Ban of excommunicatie? A. Eene geestelijke straf der Heilige Kerk ,
waardoor de schuldige om zijne misdaad en hard-
81
nekkigheid van de gemeenschap der Heilige Kerk wordt uitgesloten.
Kerkelijke ban is eene geestelijke straf die op verschillende zonden staat bv. het mishandelen van Priesters en religieusen, het stelen van kerkelijke goederen enz., waardoor men van dat samendoen wordt uitgesloten , dus zijn deel van die geestelijke goederen niet meer krijgt.
5 V. Welke gemeenschap hebben wij met de zielen in het vagevuur ?
A. Dat zij door onze gebeden en goede werken geholpen worden.
ij doen met de lijdende Kerk , de zielen in het vagevuur «amen T door haar onze gebeden en goede werken toe te voegen en daardoor haar te helpen.
6 V. Welke gemeenschap hebben wij in dit leven met de Heiligen in den hemel?
A. Dat wij geholpen worden door hunne gebeden , en ook door de voldoeningen , die zij in dit leven volbracht hebben.
Wij doen samen met de zegepralende Kerk, de heiligen in den hemel , door dat wij geholpen worden , door hunne geboden en goede werken ; daarin deelen wij niet hen, doen wij met hen samen.
ij worden geholpen door de overvloedige voldoeningen der heiligen. De volgende verklaring zal dit duidelijk maken.
Ieder goed werk in staat van gratie en ter eere Gods gedaan levert drie vruchten op : het geeft verdienste , genade en voldoening
Ten 1ste. De verdienste voor den hemel kunnen wij nooit â¢aan iemand afstaan , die blijft voor ons alleen bewaard.
C G
.1
82
Ten 2de. De genade of het vecht om iets van God te verkrijgen, kunnen wij , als wij willen, voor ons zeiven behouden. Wij kunnen er eene goede eerste H. Communie voor vragen, of de overwinning onzer hartstochten , de eene of andere deugd, een zaligen levensstaat, een zaligen dood of iets anders , wat wij noodig hebben.
Maar wij kunnen die vrucht ook aan anderen afstaan , bv. aan de zondaars, door hunne bekeering er voor te vragen, aan de stervenden om voor hen een zaligen dood te verwerven enz.
Ten 3de geeft ieder goed werk voldoening , dat is, wij voldoen er mee voor onze zonden.
Doch er zijn veel heiligen geweest, die meer afgeboet hebben , dan ze schulden hadden, en wat er cp die manier van hunne voldoeningen overbleef, wat zij meer voldeden, dan zij betalen moesten, dat zijn hunne overvloedige voldoeningen, en deze worden bewaard in de schatkist der H. Kerk , en wij krijgen daar ons deel aan.
Het gaat daarmee als in een huisgezin.
Als vader meer geld verdient dan hij noodig heeft, om zijne schuld te betalen, dan gaat het overschot van dat geld in do kast, en de kinderen krijgen daar later hun deel van.
Zoo krijgen ook wij ons deel van hetgeen de heiligen meer voldaan hebben, dan zij schuldig waren. Vooral worden wij geholpen door de verdiensten en voldoeningen van Christus , want Christus had voor zich zeiven geen schuld, bijgevolg voor zich zeiven ook niets te boeten, niets te voldoen, en dus zijn alle Zijne voldoeningen voor ons. Christus kon bovendien ook voor ons verdienen. Kn daar de verdiensten van Christus oneindig zijn, worden de schatten der H. Kerk ook nooit uitgeput.
7 Y. Waardoor worden de voldoeningen der Heiligen ons toegevoegd ?
A. Door de Aflaten.
Vt'uai-door worden de voldoeningen der heiligen ons toegevoegd ? dat wil zeggen: waardoar krijgen wij ons deel aan die voldoeningen? of, wat moeten wij doen om er ons part van to krijgen ?
83
Wij krijgen er dus een deel van als wij aflaten verdienen. 8 V. TFat zijn Aflaten ?
A. Kwijtscheldingen der tijdelijke straffen, dio wij voor onze reeds vergevene zonden nog zouden moeten ondergaan.
Aflaten wil zeggen : er afdoen, er wat aflaten.
Aflaten zijn dus afdoeningen of kwijtscheldingen van tijde-lijke straffen; bv. als iemand eene rekening moet betalen, en men schrapt er drie of vier gulden van door, dan zijn er die afgedaan of afgelaten: zij zijn hern kwijtgescholden, en hij behoeft ze niet meer te betalen.
/00 ook: een kind heeft drie dagen straf, nu doet er do Meester twee af; die twee dagen zijn aan het kind kwijtgescholden , 't is als 't ware twee dagen aflaat voor dat kind.
Zoo doet ook God met ons, wanneer wij aflaten verdienen. Hij laat dan wat van onze straf af, scheldt er wat van kwijt.
Van welke straf doet God een gedeelte af, als wij een aflaat verdienen ?
Van onze tijdelijke straffen (niet van de eemrige, deze wordt met de zonde vergeven) die wij voor onze reeds vergevene zonden , nog zouden moeten ondergaan.
Dus van de tijdelijke straffen die nog zijn overgebleven, van de zonden , die ons al vergeven zijn.
De zonden zelf worden ons niet vergeven of kwijt gescholden door aflaten.
Die worden ons, als liet doodzonden zijn, door de biecht, en als men niet biechten kan, door een volmaakt berouw met den wil van te biechten , kwijtgescholden , of vergeven ; en do dagelijksohe zonden worden nog door vele andere middelen vergeven, bv. door de H. Mis, door een akte van berouw, of van liefde , door de H. Communie , door den zegan van een Bisschop, door den zegen welken de Priester voor de II. Communie uitspreekt enz.; er moet natuurlijk altijd berouw bij zijn.
Maar nadat de zonden vergeven zijn, blijven er meestal nog tijdelijko straffen over.
84
Dat er na het vergeven der zonden, soms tijdelijke straffen overblijven , zien wij duidelijk aan David.
Otod zond zijn Profeet tot hem , om te zeggen , dat hij gezondigd had, en aanstonds riep David met een berouwvol hart uit: peccavi! Ik heb gezondigd! Waarop de Profeet antwoordde: God heeft uwe zonden vergeven , uwe zonden weggenomen.
De eeuwige straf was hem dus vergeven, doch er bleven nog tijdelijke over, want de Profeet zeide : weet echter, koning , dat de straffende hand Gods niet meer uit uw huis wijken zal.
9 V. Wie geeft de aficden ?
A. De Paus van Rome, de Bisschoppen en sommige andere Oversten der H. Kerk , door de goddelijke macht, die zij over de schatten der H. Kerk ontvangen hebben.
De Paus en Bisschoppen hebben van God de macht ontvangen om aflaten te verleenen.
Zij hebben daarover dus eene goddelijke macht over de schatten der H. Kerk ontvangen.
10 V. Waaruit bestaan die schatten der H. Kerk?
A. Uit de oneindige verdiensten en voldoeningen van Christus en de overvloedige voldoeningen der Heiligen. (Zie 6de Vr.)
11 V. Waf moeten wij doen om de Af aten te-verdienen ?
A. Alles wat de Paus , de Bisschoppen of de andere Oversten der H. Kerk daartoe vereischen.
12 V. Wat wordt er (/ewoonlijh vereischt om cenen vollen aflaat te verdienen ?
85
A. Dat men waardiglijk biechte en communi-cere, en dat men bidde tot de intentie der H. Kerk.
Men onderscheidt tweoderlei soort var. nflaten , volle en gedeeltelijke.
Een volle aflaat is een aflaat, waardoor ons alle tijdelijke straffen ten volle worden kwijtgescholden.
Een gedeeltelijke aflaat is een aflaat, waardoor ons een gedeelte van de tijdelijke straffen wordt kwijtgescholden.
Wanneer wij eenen aflaat van 7 jaren , van 40 dagen enz. verdienen, dan boeten wij daarmee zooveel af voor onze zonden , als vroeger de eerste Christenen afboetten met zooveel jaren of dagen openbare boete te doen.
Men kan nooit eenen aflaat verdienen, of men moet de meening hebben om hem te ve dienen.
Het is echter genoeg, 's morgens de meening te maken, om alle aflaten van dien dag te verdienen.
Doen wij dat niet, dan doen wij ons zeiven veel schade, want er zijn vele werken, waaraan aflaten verbonden zijn, zonder dat wij het weten.
Hebben wij nu 's morgens de meening gemaakt om alle aflaten te verdienen, dan kunnen wij ze ook verdienen, maar hebben wij die meening in 't algemeen niet gemaakt, dan gaan zij voor ons verloren.
Er is dus noodig om eenen aflaat te verdienen : Ten 1ste dat men de meening heeft om hem te verdienen. Te7i 2de dat men volbrengt wat er voor vereischt wordt. Ten 3de wordt er gewoonlijk vereischt om een vollen aflaat te verdienen , dat men waardiglijk biechte en communiceere en bidde ter intentie der H. Kerk. Wij kunnen in staat van doodzonde misschien wel aflaten voor de geloovige zielen verdienen, maar zeker niet voor ons zeiven.
86
ZESTIENDE LES.
Vau de vergiffenis der zonden en de verrijzenis des vleesches.
1 Y. Welk is het tiende artikel van het Sym-holum des Geloof» ?
A. VergifPenis der zonden.
2 V. Wat belijden ivij door dit artikel ?
A. Dat er in de H. Kerk vergiffenis te bekomen is van alle zonden, hoe groot en zwaar die ook zijn.
Vergiffenis der zonden beteükent kwijtschelding der zonden. Er zijn geene zond-in, hoe groot en zwaar ook, of de H. Kerk heeft de macht ze te vergeven.
Soms gebeurt het, dat de Paus of de Bisschop de macht om sommige zonden te vergeven , zichzeiveu voorbehoudt.
Niet, omdat gewone Priesters, die niet kunnen vergeven ; svant indien de Paus of Bisschop het hun toestond , zouden ook zij het kunnen. Maar om daardoor meer afschrik voor die zonden in te boezemen.
3 V. Van wien heeft de H. Kerk de macht om de zonden te vergeven ?
A. Van Christus zeiven.
Eigenlijk komt de macht om zonden te vergeven alleen aan God toe.
Christus heeft die macht, omdat Hij God is, en Hij hoeft die macht wêer overgedaan aan de Kerk.
God heeft alléén de macht om de zonden te vergeven, omdat de zonde tegen God geschiedt.
Als men tegen den koning iets misdaan heeft, dan kan hij dit natuurlijk zelf vergeven , doch hij kan ook een van zijne hovelingen zenden en zeggen : Ga gij naar dien persoon en
87
schenk hem in mijnen naam vergiffenis. Dan heeft die hoveling de macht om dien mensch kwijtschelding van zijne fout en straf te geven , wijl de koning hem die macht gegeven heeft.
Zoo ook heeft Christus de macht om de zonden te vergeven, die Hij als God alléén bezat, aan de Priesters gegeven, toen Hij aan de Apostelen zeide: Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven, en wier zonden gij behoudt (niet vergeeft) hun zijn ze behouden , (niet vergeven.)
Wat gij ontbonden zult hebben op aarde, zal ook ontbonden zijn in den hemel. En wat enz.
Dat Jesus de macht heeft om de zonden te vergeven , heeft Hij in zjjn leven getoond, toen Hij aan den lamme van het Evangelie zeide: Uwe zonden worden u vergeven. Waarop de Karizeëen zeiden ; Wie is deze , dat Hij zonden vergeeft ? dat kan God alléén ; maar Jesus antwoordde: Wat is gemakkelijker, te zeggen: uwe zonden worden u vergeven , of: Sta op en wandel. âDoch opdat gijlieden moogt weten, dat de Zoon des menschen macht heeft op aarde om zonden te vergeven, sprak Hij tot den verlamden : Ik zeg u, sta op, neem uw bed op, en ga naar uw huis! En dadelijk stond hij op voor hunne oogen , nam het bed op , waarop hij gelegen had, en ging naar zijn huis , God verheerlijkendequot;. Zoo toonde dus Jesus, dat Hij even goed macht voor het eene als voor hot andere had , dat Hij zoo wel zonden vergeven , als zieken genezen kon.
4 V. Door wat middel wordt ons de erfzonde vergeven ?
A. Door het Doopsel.
5 V. Door wat middel worden ons de dagelijksche zonden vergeven ?
A. Door berouw, maar bijzonder door de Biecht.
De dagelijksche zonden worden vooral door de Biecht ver-
88
geven, doch zooals boven reeds gezegd is, ook door de H. Mis, den zegen eens Priesters, het gebruik van wijwater , enz.; doch er moet dan altijd, zooals ook reeds aangestipt is, berouw bij zijn.
quot;Wij moeten een grooten afschrik voor de dagelijkache zonden hebben.
Ten 1ste omdat wij er God, dien goeden Vader, door bedroeven , die ons zoo zeer bemind en zooveel voor ons gedaan heeft.
Ten 2de omdat onze ziel, die zoo schoon is , er door bevlekt wordt, en afschuwelijk en walgelijk in de oogen van God. Het gaat er mêe als met eene tafel, waaraan men eet en drinkt; als het gedaan is, liggen er broodkruimels, melk, koffie enz. op. Als men nu dat alles telkens maar liet liggen, zou die tafel ten laatste zoo vuil worden, dat men een walg zou hebben om er aan te zitten.
Zoo gaat het ook met onze ziel : als wij maar telkens da-gelijksche zonden bedrijven, en ze niet uitwisschen, dan wordt onze ziel zoo afschuwelijk en walgelijk in de oogen van God, dat Hij er eenen afkeer van begint te krijgen , en op het punt staat om ons uit te werpen (uit zijn Hart, uit zijne liefde, door toe te laten, dat wij in doodzonden vallen) gelijk wij uitspuwen wat ons walgt.
quot;Wij moeten na eene dagelijksche zonden bedreven te hebben, doen , wat moeder doet na het koffie drinken.
Moeder laat de tafel zoo niet liggen , maar veegt ze aanstonds met een doek af.
Zoo ook moeten wij doen, wij moeten onze ziel aanstonds schoon maken door het berouw (dat is onze doek ;) dan krijgt God er geen walg van.
Ten 3de kunnen wjj de grootte der dagelijksche zonden afmeten naar de verschrikkelijke pijnen , waardoor God ze in het vagevuur straft.
Op degelijke gronden houdt men, dat dit vuur een waar stoffelijk vuur is, gelijk aan het vuur der hel, uitgenomen dat het niet eeuwig duurt. Daarbij komt nog de tijdelijke pijn van schade, het voor eenigen tijd derven van Gods aan-
89
schijn. Tot die vreeslijke straffen veroordeelt God zijne kinderen , die Hij nochtans meer bemint dan eene moeder hare kinderen. En die straffen verdienen de dagelijksche zonden werkelijk; want God, rechtvaardig zijnde , kan ze niet méér straffen dan ze verdienen. Een kwaad, dat zulke verschrikkelijke straffen verdient, mag men zeker niet klein achten.
Als men telkens als men loog, ongehoorzaam was, oneerbiedig in het bidden en in de kerk , onachtzaam in het leeren en andere plichten, liefdeloos enz. eens een vinger in het vuur moest houden, dan zou men die zonden niet doen ; en toch krijgt men er in 't vagevuur voel meer straf voor; niet onze hand, maar geheel onze ziel moet in het vuur, en niet een halt uur, maar veel langer, en in een veel vreeslijker vuur dan dat der aarde.
Die redenen zijn wel geschikt om ons een grooten afschrik voor de dagelijksche zonden in te boezemen.
G V. Door wat middel worden ons de doodzonden vergeven ?
A. Na het Doopsel door do Priesterlijke macht in de Biecht, en ook door een volmaakt berouw.
Er staat, dat de zonden na het doopsel gedaan door de biecht vergeven worden, omdat de zonden vóór het doopsel gedaan , door het doopsel vergeven worden.
De grootte van de doodzonde kan men afmeten :
Ten 1ste aan de grootheid van God, die door de zonde beleedigd wordt. Hoe grooter de persoon is, die beleedigd wordt, hoe grooter de misdaad is. God is oneindig groot, dus is de misdaad ook oneindig groot.
Ten 2de kunnen wij hare grootheid afmeten aan de vreeslijke hel, de straf der doodzonde.
7 V. Welk is het elfde artikel van het Symholum des Geloofs ?
A. Verrijzenis des vleesches.
90
8 V. Wat is te zegfjen: Vcrrij/wnis dë® vIbosgIibs ? A. Dat de doode lichamen der menschen door Gods almacht uit de aarde weder zullen opstaan â¢en herleven.
Verrijzenis des vleesches; men denke hier dat er voor staat: ik geloof de verrijzenis des vleeschea. Verrijzenis beteekent : omboog komen, uit het graf weer levend opstaan.
Men zegt, verrijzenis des vleesches, dat is , der lichamen , en niet verrijzenis des menschen, want dan zouden wij lichaam en ziel meenen ; en de ziel kan niet verrijzen, omdat zij niet sterven kan, verrijzen is toch van den dood opstaan.
. 9 V. In wélke gesteltenis zullen de lichamen verrijzen ?
A. Ieder in zijn natuurlijk en volmaakt wezen, nochtans verschillend in hoedanigheid.
In welke gesteltenis zullende lichamen verrijzen beteekent: hoe zullen ze er uit zien , als zij verrijzen.
Ieder in zjjn natuurlijk wezen, dat is : ieder zal dan zijn eigen lichaam , vleesch, beenderen, handen , voeten, enz. terugkrijgen.
In zijn volmaakt wezen, dat wil zeggen: dat de gebreken die men hier aan zijn lichaam had , b. v. één arm of been , één oog of slechte oogen enz. dan niet meer bestaan zullen , maar wij een volmaakt lichaam zonder gebreken terug zullen krijgen.
Verschillend van hoedanigheid wil zeggen : dat ze echter niet ellen eender zullen zijn, maar van elkander in schoonheid en volmaaktheid zullen verschillen.
Die verrijzenis is niet zoo vreemd voor ons. Wij zien die als 't ware ook dikwijls in de natuur. De boomen en struiken, des winters dor en kaal, ja voor ons oog dood, verrijzen om zoo te zeggen in de lente ; zoo ook de bloemen, het koren en andere planten.
91
Insgelijks de zon : zij gaat 's avonds onder en 's morgens ven-ijst zij weer voor ons oog.
Het ontwaken uit den slaap is ook een afbeeldsel van de verrijzenis: dan schijnen wij als 't ware dood te zijn, en wakker wordende schijnen wij te herleven.
10 V. Hoedanig zullen de lichamen der zaligen verrijzen ?
A. Geheel klaar , scboon , bliakend, licht, fijn en onlijdelijk.
De lichamen der zaligen zullen Maar verrijzen, dat is: helder en doorzichtig, schoon en blinkend â¢,â licht, niet zwaar, zoodat ze zich zonder moeite of vermoeienis in een oogwenk kunnen begeven werwaarts de ziel verlangt. Fijn, dat is, dun, subtiel, zoodat ze geen behoefte meer zullen hebben aan voedsel, aan eten of drinken , en zij overal door kunnen , niets hen kan weerhouden. In die beteekenis zegt men ook : de lucht is fijn , omdat ze gemakkelijk door elke opening dringt, het licht is fijn, omdat het zelfs door glas dringt, enz.
Het zal dan met onze lichamen gaan zoo als nu met onze gedachten, die door niets tegengehouden kunnen worden , door geen muren , door niets.
Wij kunnen ons met o.ize gedachten duizend uren ver, ja de geheele wereld door verplaatsen ; zoo zal het dan met ons lichaam gaan.
Onlijdelijk, d. w. z., vrij van alle bederf, kwetsing, pijn en smart, zoodat ze niet meer kunnen lijden.
11 V. Hoedanig zullen de lichamen der verdoemden verrijzen ?
A. Duister , vuil, zwaar , grof en geheel gesteld om te lijden.
Duister : dat is donker , zwart, akelig.
92
Zwaar: dat is log, onaangenaam; wat zwaar is brandt: goed. (Zij moeten eeuwig branden.)
Grof. Wat grof is, is leelijk.
12 V. Wanneer zal die verrijzenis van alle menschen geschieden ?
A. Op den laatsten dag des oordeels.
quot;Waarom zal Christus nog een algemeen oordeel houden?
Ten 1ste. Om den smaad te herstellen, die Hem door Zijne rechters in Zijn lijden is aangedaan.
Ten 2de. Om het goede en kwade, dat hier verborgen bleef, bekend te maken, en naar verdiensten te loonen of te straffen.
Ten 3de. Om Zichzelven te rechtvaardigen, dat Hij hier de zondaars dikwijls voorspoed en de rechtvaardigen tegenspoed overzond, hetwelk sommige menschen onrechtvaardig, schijnt.
ZEVENTIENDE LES.
Van liet eemvige leven.
1 Y. Welk is het twaalfde artikel van het Sijm-bohnn des Geloofs ?
A. Het eeuwig leven.
Er moest weer voor staan : ik geloof het eeuwig leven-Ik geloof, dat er een eeuwig leven bestaat.
2. V. Wat belijden wij door dit artikel ? A. Dat er na dit leven nog een ander leven is , dat eeuwig zal duren.
Door het eeuwig leven verstaan wij vooral den hemel r
93
want ofschoon men in de hel ook wel eeuwig loeft, zou men dit nochtans eerder een eeuwigen dood kunnen noemen.
3 V. Waarheen gaan de zielen der overledene)) ?
A. Naar eene van deze drie plaatsen, te weten ;
naar den hemel , naar de hel of naar het vagevuur.
4 V. Welke zielen gaan naar den hemel ?
A. De zielen dergenen , die in de liefde Gods sterven , en niets meer te boeten of te zuiveren hebben.
5 V. Hoelang zal de zaligheid des hemels duren ?
A. Eeuwig.
Het geluk des hemels is zoo groot, dat wij het niet begrijpen kunnen, en ons hart is ook te klein , om al dat geluk in zich op te nemen ; daarom staat er in de H. Schrift: wij zullen ingaan in de vreugde des Heeren , en niet , de vreugde des Heeren zal in ons t/aan. Al dat geluk zal niet in ons kunnen gaan, wijl het te groot is, en wij het niet allemaal in ons buvatten kunnen. Even gelijk wij wel in een huis kunnen gaan , maar het huis niet in ons.
Wij zullen geheel van vreugde en geluk vervuld zijn , en dan zal er , om zoo te spreken, nog zoo voel van dat geluk overblijven , dat wij ons nog geheel in dat geluk bevinden en er van omringd zijn.
Geen oog , zegt de H. Paulus , heeft gezien , en geen oor heeft gehoord, en in geen menschenhart is opgekomen , irut God bereid, heeft voor die hem lief hebben.
Dat is , al hadden wij ai het schoone gezien, dat er ooit op de wereld bestaan heeft, dan hadden wij nog op verre na niets. van htt geluk des hemels gezien. En al hadden wij al het schoone muziek of den zang gehoord , die er gehoord is of gehoord zou kunnen worden , dan zou het in de verste verte toch niet bij het verrukkelijke muziek dos liemels halen ;
94
en al zou men duizend jaren besteden, om alle mogelijk geluk uit te denken , dan zou men toch het minste geluk des hemels niet bedacht hebben ; want dat geluk is zoo groot, dat het nooit in 's menschen gedachten kan opkomen. En dat geluk zal eemcuj duren, zonder dat wij be'ioeven te vreezen, dat het ons ooit ontnomen zal worden. De vreugde der wereld echter is kort en vergankelijk, en de gedachte, dat alle wereldsch plezier zoo spoedig een einde neemt, en niets van zich achter laat , (dan de spijt dat het voorbij is, en als het zondige vermaken waren , de straf) vergalt alle geluk , en verbittert de zoetste vreugde.
Behalve dat de doodzonde ons voor eeuwig uit den hemel sluit, zijn er nog twee zaken, die er ons voor eenen tijd uitsluiten, namelijk de dagelijksche zonden en de overgebleven straffen van dood- en dagelijksche zonden.
quot;Wij zien daar weer uit, hoe zeer de dagelijksche zonden aan God mishagen, en hoezeer wij er op bedacht moeten zijn, om ze vooral 's avonds door een oprecht berouw uit te wisschen.
6 V. Wat verstaat (jij door het vagevuur ?
A. Eene plaats , in welke de zielen der overledene rechtvaardigen door liet vuur en andere straffen van hunne schulden gezuiverd worden.
7 V. Welke zielen gaan naar het vagevuur ?
A. De zielen dergenen , die wel in de liefde Gods sterven, maar nog niet geheel voldaan hebben voor hunnen zonden.
Vagevuur beteekont: zuiveringsplaats.
Va'je\'\\\ir, tier/evuur: even als een doek het vuil afveegt, of zoo als het vuur als het ware den roest van hot ijzer voegt, zoo veegt het vagevuur de schuld-vlekken van do zielen der overledene rechtvaardigen. Door de zielen der overledene
95
rechtvaardigen worden hier â gelijk uit het zevende antwoord blijkt â verstaan: de zielen dergenen die wel in de liefde Gods gestorven zijn , maar bij hun dood nog niet geheel voldaan hebben voor hunne zonden.
De Catechismus voegt er bij , dat die ziolen daar door het vuur en andere straffen van hunne schulden gezuiverd worden.
Dat men dit vuur voor een waar , stoffelijk vuur dient te houden, is reeds bij de uitlegging van de 5de V. der vorige Les aangemerkt. Door dat vuur zullen de zielen der overledene rechtvaardigen op menige wonderbare wijze gepijnigd worden, zoodat door het vuur hier tevens de andere straffen schijnen aangeduid, waardoor die rechtvaardigen van hunne overgeblevene schulden gezuiverd worden.
Beteekent dus vagevuur, eene zuiveringsplaats, dan mag men deszelfs vuur ook een zuiverings- of zuiverend vuur noemen, dus ook in die hoedanigheid verschillend van 't vuur der hel.
Wij kunnen het vagevuur gemakkelijk ontgaan, als wij hier maar boete doen, en den tegenspoed en al het onaangename en lastige dat ons overkomt, maar tot boeting onzer zonden aannemen.
Onder die boete kunnen wij alles rekenen, wat wij niet gaarne doen. Bv. 's morgens ijverig opstaan, in school en kerk en catechismus stil zitten.
Het is zeer nuttig om 's morgens aan God te zeggen , dat men al het onaangename, wat ons overkomt, zooals: koude, hitte, honger, dorst, pijn enz. aanneemt tot boeting zijner zonden, dan zal men het gemakkelijker en met meer verdiensten lijden.
Tijdens dit leven is God barmhartig en kunnen wij met weinig veel bij Hem afdoen , hierna is Hij rechtvaardig en moet alles gestreng tot den laatsten penning betaald worden. Daarom moeten wij :
Ten Iste zorgen onze eigene zonden hier uit te boeten, en
Ten 2de medelijden hebben met de zielen in het vagevuur,, haar helpen door veel voor haar te bidden.
96
8 V. Hoe lang blijven de zielen in het vacjevuur ?
A. Tot zij door haar lijden aan do goddelijke
rechtvaardigheid voldaan hebben , cf door de hulp van anderen verlost worden.
Uit dit antwoord blijkt genoegzaam , dat do arme zieltjes in het vagevuur zelf alleen door haar lijden aan de goddelijke rechtvaardigheid kunnen voldoen , en er in moeten bljjven tot dat zij door haar lijden aan do goddelijke rechtvaardigheid voldaan hebben , als wij haar niet ter hulpe komen.
Reeds deze waarheid moest meer dan voldoende zijn om medelijden te hebben met die arme zielen, on ons op te wekken haar te verlossen.
Als we hier iemand in 't vuur zagen liggen, vooral iemand die ons dierbaar is , bv. vader of moeder, zuster of broeder , een weldoener of vriend, ja ook maar een onbekend mensch, zouden we hem niet uit het vuur redden, uit de vlammen verlossen , als we maar eenigzins konden ? Zeker. quot;Welnu , wij kunnen zonder eenig gevaar niet alleen , maar met groot voordeel voor ons zeiven , door velerlei en zeer gemakkelijke middelen de zielen uit het vagevuur verlossen of althans hare pijnen verkorten.
9 V. Boor welk middel kunnen de zielen uit het vagevuur verlost of hare pijnen verkort worden ?
A. Door de gebeden en goede werken der levenden , en bijzonder door de H. Offerande dei-Mis en het toevoegen van aflaten.
Do voornaamste middelen om haar te helpen zjjn : de H. Mis en de aflaten.
Voor welke zielen dienen wij het meeste te bidden ?
Ten 1ste voor die zielen, waaraan wij het meeste verplichting hebben, zooals; onze ouders, familie , weldoeners of degenen waarvan wij zolven de schuld zijn dat zij lijden, omdat wij hen tot de zonden gebracht hebben.
97
Ten 2de voor de meest vorlatene zielen.
Ten 3de voor de zielen die het naaste bij hare verlossing zijn.
quot;Wij mogen door do zielen des vagevuurs ook veel voor ons zeiven en de zondaars vragen. Zij kunnen niet voor zich, maar wel voor anderen bidden en verkrijgen.
Men veronderstelt ook dat zij weten wie haar verlost ; zij zullen dus zeker uit dankbaarheid voor ons bidden.
10 V. Wat is de hel?
A. Eene onderaardsche plaats van onbegrijpe-lijko pijnen en smarten , die God bereid heeft om de duivels en de verdoemden eeuwig te straften.
Eene onderaardsche plaats, d. w. z. , eene plaats onder de aarde , welke wij mot onze voeten betreden.
Van ouhegrijpelijhe pijnen en smarten, quot;VVelke pijnen en smarten de verdoemden in de hel lijden, leert do Catechismus in de laatste Les, 8ste Vraag.
Die God heretd heeft om de duivels en de verdoemden eemviq te straffen.
Overwege hier eenieder ter bevestiging van dit antwoord , en ter bevestiging in de heilzame vreeze Gods, het vonnis, dat Jezus tegen de verdoemden zal uitspreken: Gaat weq van mij, gij vervlochten! in het eeuwig vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen , dat is , zijne volgelingen , zijn aanhang , die in hun leven God door doodzonde hebben verlaten en don duivel aangehangen , en zonder oprechte boetvaardigheid , in staat van doodzonde gestorven zijn.
11 V. H aarheen gaan de zielen deryenen , dn' in staat van doodzonde sterven ?
A. Naar de hel.
n de 40ste Les v. S verzekert do Catechismus , dat eene
C 7
98
doodzonde gedaan te hebben genoeg is om naar de bel te gaan, als men er geene oprechte boetvaardigheid over doet. Zoo groot is dus de boosheid ook van slechts ééne enkele doodzonde, dat de ziel dergenen , die er in sterven, door God , den rechtvaardigen Rechter, moet verwezen worden naar de eeuwige straffen der hel.
En toch , hoevele Christenen maken er als niets uit, eene doodzonde te bedrijven. Hoevelen leven roekeloos in staat van doodzonde voort, zonder te bedenken dat ze elk oogen-blik in dien staat kunnen sterven!
Amen achter de twaalf artikelen beteekent: Het is zoo ; alles wat hier gezegd is, is waar.
Achter het Onze Vader beteekent amen: Het zij zoo; moge-alles zoo gebeuren , als wij hier gevraagd hebben.
99
TWEEDE DEEL.
ACHTTIENDE LES.
Van de Hooi) 611 ''et fiebcd.
1 V. Wat is de Hoop ?
A. Eeue deugd en gave Gods, door welke wij met eeu vast vertrouwen van God verwachten de eeuwige zaligheid en alles wat ons daartoe helpen kan.
De hoop komt uit het geloof voort.
Als wij Gods eigenschappen, vooral zijne almacht, goedheid en getrouwheid, docr het geloof hebben leeren kennen , dan volgt daar als van zelf uit, dat wij op Hem hopen zullen.
Hopen is vertrouwelijk iets goeds verwachten.
Verwachten wij nu vertrouwelijk ieta goeds van do inenschen, dan hebben wij eene menschelijke hoop; maar verwachten wij vertrouwelijk van God het eeuwig leven en al wat ons daartoe helpen kan , dan hebben wij een goddelijke hoop.
Wanneer wij nu en dan eens op God vertrouwen, dan hebben wij nog de goddelijke deugd van hoop niet. Dan verrichten wij alleen akten van die deugd. Maar wanneer die deugd zoo in ons ia , dat wij voortdureud in alle omstandigheden op God vertrouwen , dan is hot eene deugd in ons, omdat wij dan in onze ziel genegen zijn altijd op God te hopen.
(Zoo is het ook niet de andere deugden.)
De hoop ia eene deugd, omdat zij ons genegen maakt om goed, om wel te doen. Het goede waartoe zij ona genegen maakt, is ; Gods goedheid , almacht, en getrouwheid in zijne beloften te voreeren.
100
2 V. Waarom wordt de Hoop genoemd eene gave God* ?
A. Omdat zij ons van God gegeven wordt zonder onze verdiensten, en wij ze uit ons zeiven niet kunnen hebben.
3 V. Hoe wordt de Hoop verloren ?
A. Door wanhoop en vermetel vertrouwen.
De hoop wordt door wanhoop en soms door vermetel vertrouwen verloren , en ook door het geloof te verliezen , want als we het geloof verliezen , dan gelooven wij niet meer dat God waarachtig , goed en almachtig is , en kunnen dus ook niet op Hem hopen.
Wanhopen is niet of te weiniy hopen. Zoo iemand denkt : mijne zonden zijn te groot, God zal ze niet vergeven, hij twijfelt aan Gods goedheid, hij hoopt niet of te weinig.
Vermetel vertrouwen, waardoor de Hoop verloren wordt, is te veel hopen , bv. als iemand kwaad doet, omdat God goed is. Hij denkt: juist omdat Ood zoo goed is zal ik er maar vrij op aan zondigen; Hij is te good om mij met de hel te straffen.
4 V. Wat moeten wij van God hopen, of welk is het vooruetp onzer Hoop ?
A. De eeuwige zaligheid en al de middelen , die daartoe noodig zijn.
De eeuwige zaligheid zal bestaan in God te zien , te bezitten , te genieten. Waarom zal dat zien en aanschouwen van God ons gelnhhig maken ?
Als wij God zien dan kennen wij God; als wij Ood in den hemel kennen , dan beminnen wij God; als wij God in don hemel beminnen , schenkt Hij daarvoor zich zeiven aan ons , dus dan bezitten wij God ; en als wij God bezitten , dan go-
101
nieten we God en in God alle goed. Want in God is alle goed in de hoogste mate vereenigd ; God is hot opperste goed.
Het voorwerp onzer hoop , is dus God, en alles wat er noodty is om tot het bezit van God , tot de eeuwige zaligheid te geraken. De middelen ter zaligheid noodig zijn op de eerste plaats de heiligmakende genade, en de bijzondere genaden die God ons geeft. Verder het gebed en de H. Sacramenten, omdat wij daardoor de heiligmakende en bijzondere genade van God verkrijgen.
5 V. Hoe moeten icij dit van God hopen ? A. Met een vast vertrouwen.
Onze hoop moet vast zijn. Wij moeten niet twijfelen , of denken: zou God mij wol geven wat mij zalig is ? Alles wat ons zalig is geeft God mildelijk aan allen die er Hem om bidden gelijk het behoort. Men vrage dus dat alles met (jcloof, vastelijk geloovende aan, vertrouwende op Gods belofte, HH't twijfelende ; wciut die twijfelt, is 'j el ij li' accu eene zeegolf, die door den wind hetrogen en herwaarts en derwaarts geslingerd wordt. Hij meene dan niet, die mensch , dat hij iets van hetgeen hij zóó van God zou vragen , van den Heer ontvangen zul, juist omdat hij do middelen, die ter eeuwige zaligheid noodig zijn , niet met een vast vertrouwen van God hoopt. (Vgl. den Brief v. d. 11. Jakobus, I. 5.-7.)
6 V. Waarom moeten wij met een vast vertrouwen op God hopen ?
Welk is de beweegreden van onze Hoop, of, waarom moeten wij hopen ?
A. Omdat God is oneindig goed tot ons , almachtig en getrouw in zijne beloften.
Met andere woorden, hetzelfde: Waarop steunt onze Hoop! Op Gods goedheid , almacht en getrouwheid in zjjne beloften.
God kan ons dus den hemel geven , omdat Hij almachtig is. (Om dit te kunnen is macht noodig.)
102
Hij wil hem ons gevon, omdat Hij oneindig goed is jegens ons.
Hij zal hem ons geven, omdat Hij getrouw is in zijne beloften.
7 V. Welke middelen zijn er om te verh-ijcjen hetgeen wij hopen ?
A. Een godvruchtig leven , goede werken , en bijzonder het gebod.
De middelen om te verkrijgen hetgeen wij hopen , zijn in het algemeen :
Ten 1ste een godvruchtig leven.
Ten 2de goede werken.
Ten 3de vooral het gebed.
1°. Wie leidt een godvruchtig leven? Die de gewoonte heeft Gods heiligen wil in alles trouw te volbrengen. Nu wat God van ons wil, weten wij uit de tien geboden Gods , do vijf geboden der H. Kerk , en de plichten van onzen staat. Deze zijn voor alle menschen niet dezelfde. De plichten van een kind zijn vooral gehoorzaamheid , leerzaamheid en godsdienstigheid , zedig en kuischheid.
2°. Door goede werken worden hier verstaan alle werken , die wij, geholpen door Gods dadelijke gratie, met een bovennatuurlijk inzicht (d. i. ter cere Gods) verrichten. Als iemand niet in staat van gratie, maar in staat van doodzonde is, dan zijn zulke goede werken voor hem middelen om van God barmhartigheid en vergiffenis te bekomen ; doch als men ze in staat ran gratie verricht, zijn zij verdienstelijk voor den Hemel. Wie dit goed begrijpt, zal er uit besluiten: Ik zal zorgen om niet alleen bij al wat ik doe eene goede meening te hebben, het te doen ter eere Gods, maar ook om alles te doen in staat van gratie ; want dan wordt alles, ook wat op zich zelf nog zoo gering of onverschillig is (b. v. eten en drinken), mij tot verdienste aangerekend.
(Het voorbeeld van den kluizenaar, wiens voetstappen door den Engel geteld werden , aanhalen).
3°. Vooral het gebed.
103
8 V. Wat is het geheel ?
A. Eene samenspraak met God , waardoor wij de begeerte eu gevoelens van ons hart aan God te kennen geven.
Als wij bidden spreken we dus mot God zelven ! Reeds uit den aard van het gebed volgt dus de waardigheid van het gebed, en dat men altoos â gelijk op do 10de V. geantwoonl wordt â met groeten eerbied, aandacht en volharding moet bidden. Omdat God alom tegenwoordig is, en harten eu nieren doorschouwt, het binnenste van ons hart doorziet , kunnen wij overal bidden , met God spreken zonder dat anderen het zien of merken kunnen ; zonder teekenen of woorden te gebruiken , door alleen inwendig ons hart tot God te verheffen , de begeerte en gevoelens van ons hart aan God te kennen te geven. De heyeerten van ons hart wil hier zeggen, datgene wat we van God verlangen en hopen te verkrijgen. Veelsoortig zijn de gevJelens van ons hart die wij in 't gebed aan God kunnen te kennen geven, bv., gevoelens van geloof, hoop, liefde, berouw, dankbaarheid, ootmoedigheid, bereidvaardigheid om God voortaan beter en trouwer te dienen enz. enz.
9 Y. Waf is de reden, dat velen hidden en niet verkrijgen ?
A. Omdat zij niet bidden gelijk het behoort , of dingen begeeren , die hun schadelijk of min voordeelig zijn.
Er zijn dus twee redenen , waarom velen bidden en niet verkrijgen.
De eerste reden is: Omdat zij niet hidden gelijk het le-hoort. Hoe men moet bidden om te verkrijgen, leert het antwoord op de volgende , de 10de Y.
De tweede reden is : Omdat zij dingen hegeeren , die hun schadelijk of min voordeelig zijn. Deze reden wordt verklaard in de 11de V.
1(M
10 V. Hoe moet men bidden ?
A. Met grooten eerbied, aandacht on volharding.
Met eerbied bidden is uitwendig eene nette houding aannemen , zóó als het past aan een schepsel, dat spreekt met zijnen Soheppev. Eene nette houding', dus niet hangen, liggen, rondzien of draaien. Met aandacht bidden is denken: ivat men zegt en met Wien men spreekt. Met volharding bidden, dat is: blijven bidden, niet ophouden, God als het ware lastig vallen, tot dat men verhoord wordt.
11 V. Mag men alle dingen op dezelfde wijze hegeeren in het gehed ?
Geestelijke dingen , dat is, dingen die nuttig zijn voor de zaligheid onzer ziel, welke een geest is (on daarom geestelijke dingen genoemd worden) mag men onvoorwaardelijk begeeren, dat is, zonder voorwaarde ; daar behoeven wij niet bij te zeggen; als het ons zalig is, want die zijn ons zeker zalig. Maar tijdelijke dingen , dat is, die het lichamelijk, het tijdelijk leven, aangaan , zooals spijzen , kleederen , gezondheid , geld , goed, eer enz., moeten wij vragen op voorwaarde , dat ze ons zalig zijn, dat wil zeggen : dat die dingen ons helpen om zekerder in den hemel te komen, ten minste, dat ze daartoe geen beletsel zijn.
Hoort wat daarvan de II. Apostel Jakobus in hoofdzaak zegt: Wat gij aan tijdelijk goed voor u zeiven en de uwen behoeft, zou God u verleenen , indien gij er Hem om badt; maar gij bidt niet, of, ja, gij bidt, maar verkrijgt toch niet, omdat gij kwalijk hidt, omdat gij met eene verkeerde bedoeling bidt, omdat gij de tijdeljjke goederen, waar gij om bidt, in uwe heg eerlijkheden, tot voldoening van uwe verkeerde zinnelijke lusten wilt doorbrengen. (IV. 'i. 4.)
12 V. Wanneer behoort men te bidden?
A. 's Morgens als men opstaat, 's avonds als men slapen gaat, vóór en na het eten , bijzonder
105
als men in de kerk is, of eenige bekoring of moeielijkheid heeft.
Welk middel kent gij om altijd te hidden ?
Al wat wij doen , voor God doen en om zijnen wil te volbrengen. Dan is al ons werken bidden.
Hier bevele men den kinderen dringend aan het morgenen avondgebed trouw en goed te doen; men late ieder kind het morgen- en avondgebed van den Catechismus (bl. 78, 79) opzeggen.
Men prijze hun ook aan, eerbiedig te bidden vóór en na het eten, en bij voorkomende bekoringen of moeilijkheden aanstonds een schietgebed te doen, vooral de zoete namen van Jesus, Maria, Joseph aan te roepen.
105a
NEGENTIENDE LES.
Over het Onze Vader.
1 V. Welk is het waardigste en beste gebed ?
A. Het Gebed des Heeren of het Onze Vader.
Het waardigste en beste gebed is het Gebed des Heeren of het Onze Vader. Het heet: het gebed des Heeren, omdat het gemaakt is door Christus, die om bijzondere reden meer, d. w. z., meermalen dan God de Vader, Onze Heer genoemd wordt. (Vgl. 6 Les 6 V., en 9 Les 11 V.) Het gebed de» Heeren wordt ook het Onze Vader, in 't Latijn, Paternoster, genoemd, omdat het met die woorden begint
2 V. Waarom is het Onze Vader het waardigste en beste gebed ?
A. Omdat het van Christus den Oppersten Leermeester gemaakt is , en alles bevat, wat wij, naar ziel en lichaam noodig hebben.
Het Onze Vader is ten le, het waardigste, d. w. z., het eerbiedwaardigste gebed, het gebed dat boven alle andere gebeden onzen eerbied en onze hoogachting waardig is, verdient , omdat het gemaakt is, niet door een louter mensch, noch door een Engel, maar van, door Christus zeiven, die als God en mensch de Opperste Leermeester is , die het zelf aan Zijne Apostelelen, en in hen aan alle Christenen, zijne leerlingen, geleerd heeft.
105è
Het Onze Vader is ten 2e, het beste van alle overige gebeden, omdat het alles bevat, inhoudt, wat wij naar ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid noodig hebben om en hier en hiernamaals gelukkig te zijn.
Het Onze Vader is dus het beste gebed om zijn inhoud ^ het (vaardigste om zijn maker.
3 V. Zeg het Onze Vader.
A. Onze Vader , die in de hemelen zijt ;
1. Geheiligd zij Uw naam ;
2. Ons toekome Uw Rijk ;
3. Uw wil geschiedde op aarde als in den hemel;
4. Geef ons heden ons dagelijksch brood ;
5. En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren ;
6. En leid ons niet in bekoring ;
7. Maar verlos ons van den kwade. Amen.
Het Onze Vader bestaat uit eene inleiding, zeven vragen r en het slotwoordje : Amen , dat hier beteekent: Het zij zoo. (Vgl. bl. 98.)
Eene inleiding, in 't algemeen genomen, is iets dat de eigenlijk te behandelen zaak voorafgaat. Bv., als een kind aan vader of moeder een brief schrijft om iets te vragen, da» zet dat kind als inleiding voorop : âDierbare Vader en Moeder.'''
Heeft men iets van een eerbiedwaardig Heer te verzoeken, dan valt men zoo maar niet met de deur in 't huis, dan zegt men zoo maar niet plomp weg: Geef me, a. j. b., dit en dat, maar men maakt zijne inleiding, naar behooren , door Mr. beleefd te groeten, met twee woorden aan te spreken, en dus te zeggen , naar gelang van de waardigheid des persoons : Mr., Eerw. Hr., enz., wilt ge zoo goed zijn mij te geven, enz., mag ik verzoeken, enz.
106
Eischt reeds de burgerlijke beleefdheid , dat men zich van deze of soortgelijke inleiding bediene , als men iets van een eerbiedwaardig persoon te vragen heeft, dan begrijpt ge vanzelf, dat dit nog veel meer passend is, ja, vereischt wordt als wij, nietige schepselen, God komen bidden om alles, â wat wij naar ziel en lichaam noodig hebben.
quot;Wij mogen onzen Heer Jesus Christus wel dank zeggen , bedanken , dat Hij ons geleerd heeft op zoo vertrouwelijken voet Zjin hemelschen Vader aan te spreken, door in de inleiding van het gebed des Heere i te zeggen : Onze Vader, die in de hemelen zijt. Want al de redenen, waarom wij Ood Onzen Vader mogen noemen, zijn even zooveel bewijzen van zijne overgroote goedheid en liefde jegens ons.
4 V. Waarom noemen wij God Ou zen Vader?
A. Omdat Hij ons geschapen, van den eeuwigen dood verlost, door het Doopsel tot zijne kinderen aangenomen en voor ons de hemelsche erfenis bereid heeft.
Wij noemen God , éen in wezen , drievuldig in Personen, God den Vader , den Zoon en den H. Geest, onzen Vader om vier redenen: ten le, omdat Hij ons naar de ziel ffescJia-pen heeft. (Vgl. 1 Les, 6 V., 8 Les, 2 V.), Ten 2e, omdat Hij ons door de menschwording , het lijden en den dood van Jesus Christus van den eeuwigen dood, dien wij om de erfzonde of doodzonden verdiend hadden, verlost heeft. (Vgl. 8 Les, 7, 8, 11 V., en \0Les). Ten 3e, omdat Hij ons rfooi-Aei Doopsel tot Zijne kinderen aangenomen (30 Les 3 V. en 31 Les) en ten 4e, voor ons de hemelsche erfenis bereid heeft. Gelijk een vader zijne kinderen erfgenaam maakt van zijne goederen,
107
zoo ook heeft God ons erfgonameu van den hemel gemaakt, ons de hemeische erfenis bereid.
God laat ons ook den zoeten naam van Vader gebruiken , om ons tot vertrouwen op te wekken. Want als een kind iets aan zijn vader vraagt dat goed is, vertrouwt het verhoord te worden.
quot;Wij zeggen hier niet, mijn, maar onze Vader, omdat Christus ons wil leeren, dat wij broeders zijn, en voor elkander moeten bidden , en zoo de liefde beoefenen.
5 V. Waarom zegt gij: Die in do hemelen zijt?
A. Omdat God. ofschoon Hij alle plaatsen met
zijne tegenwoordigheid vervult , nochtans in den hemel zich zeiven in zijne heerlijkheid aan de Heiligen vertoont.
Er staat bij, die in de hemelen zijt, opdat wij onze gedachten van de aarde zouden aftrekken , en naar den hemel verheffen , waar God , onze Vader, woont , en waar dus ook ons vaderland is.
Nu volgen de 7 vragen, waarin alles vervat is, wat wij naar ziel en lichaam noodig hebben.
6 V. Wat verzoeken wij aan (xod , als wij zeggen : Geheiligd zij üw naam ?
A. Dat God van ons en van alle menschen rnoge gekend , gediend en geëerd worden.
7 V. Wat verzoeken wij, ah wij zeggen : Ons toekome uw Rijk ?
A. Dat God hier op aarde door zijne liefde in onze harten heersche , en dat wij na onzen dood deelachtig mogen worden aan zijn hemelsch rijk.
In de eerste vraag: Geheiligd zij Uw Naam , vragen wij alles , wat wjj noodig hebben , om tot ons laatste einde te
108
komen, tot het doel, waarvoor wij geschapen zijn , namelijk om in dit leven God te dienen en Hem hierna eeuwig te aanschouwen , en dus God kennen , God beminnen en Gods geboden tot het einde van ons leven getrouwelijk onderhoadon.
In de 2de vraag : Ons toekome uw rijk , vragen wij aan God dat Hij ons, nadat, wij Hem hier, zooals wij gevraagd hebben, gekend , bemind en zijne geboden onderhouden hebben , het loon voor onzen trouwen dienst geve, namelijk den hemel. Ook vragen wij Hem dat Hij moge heerschen in zijn rijk r het rijk onzer harten, en het rijk zijner kerk.
8 V. Wat vragen wij , zeyyemle : Uw wil geschiede op de aarde als in den hemel ?
A. Daardoor vrageu wij aan God de gratie , om ons in alles aan zijnen heiligen Wil te onderwerpen en dien te volbrengen , gelijk de Engelen in doen hemel doen.
In de derde vraag vragen wij God het middel om in den hemel te komen, namelijk: zijnen wil te volbrengen, en ook om in alles onderworpen te zijn aan, en tevreden met Gods wil. Wélk onderscheid is er in tevreden te zijn met, onderworpen te zijn aan Gods wil, en Gods wil volbrengen? Gods wil volbrengen is zijne geboden onderhouden. Tevreden niet en onderworpen zijn aan Gods wil, is tevreden zijn met alles , wat God doet en ons laat overkomen , daar niet over morren, pruttelen.
Men mag echter dien tegenzin wel (jevoelen, als men dan toch maar zeggen kan : Ja Heer, Gij wilt het, ik wil het ook. üw wil geschiede ! o Heer.
9 V. Wat is het dayelijksch hrood , dat wij van God verzoeken ?
A. Alles wat wij naar ziel en lichaam noodig hebben.
109
In de vierde vraag verzoeken wij alles , wat wij noodig hebben naar lichaam en ziel. Brood, kost, kleederen , alles wat wij behoeven voor 't lichaam. Voor de ziel Gods genade, de H. Sacramenten , vooral het hemelsch brood der H. Communie.
Door de woorden: Geef ons heden , ons clayelijksch brood, leert Christus ons , niet te zeer voor de toekomst bezorgd te wezen , en te blijven bidden.
Het dagelijksch brood van God verzoeken , is het gewone levensonderhoud , goen overtolligen rijkdom vragen; tevreden zijn als men den kost maar goed heeft.
10 V. W at verzoeken wij aan God , zeggende: Vergeef ons ouze schulden, gelijk wij vergeven onzen seliuldenaren ?
A. Dat God ons onze zonden en straffen vergeve , gelijk wij vergeving schenken aan hen, die iets tegen ons misdaan hebben.
In de 5de vraag bidden wij , dat God ons onze zonden vergeve, en de straffen, die wij om onze zonden verdiend hadden, kwijtschelde; maar het vervolg der vraag: yelyk wij vergeven ouzen seliuldenaren, geeft genoegzaam te kennen, dat, nis wij onzer, evennaaste , die ons eenig persoonlijk onrecht mocht hebben aangedaan, dit onrecht niet willen vergeven, ook wij niet op vergeving onzer zonden en schulden mogen rekenen. Onmiddelijk toch na zijne leerlingen het âOnze Vaderquot; geleerd te hebben , zeide Christus : want indien yij den menschen hunne misdrijven vergeeft, dan zal uw Hemel-sehe Vader u ook uwe zonden vergeven; maar indien gij den menschen niet vergeeft, dan zal ook uw Vader u uwe zonden en schulden niet vergeven. (Maïth. VI: 14, 15.)
Als wij dus anderen niet vergeven, dan vragen wij als 't ware dat God ook ons niet wille vergeven; als wij dus haat in ons hart dragen , roepen wij als door die woorden Oods straf over ons af.
110
11 V. Wat verzoeken wij , als wij zeyyen: En leid ons niet in bekoring ?
A. Dat God de bekoringen van duivel, wereld en vleesch van ons afwere, of ons de gratie geve om dezelven te overwinnen.
12. Van wat kwaad hegeeren wij verlost te worden, als wij hidden: Maar verlos ons van den kwade?
xV. Van alle kwaad , dat ons naar ziel of lichaam kan hinderen en ons tijdelijk of eeuwig geluk beletten.
In de 6de vraag , smeeken -wij vooral om sterkte om de bekoringen te overwinnen. (Bekoringen zijn aanloksels tot zonde.)
En in de 7de vraag bidden wij om bevrijding van alle kwaad.
TWINTIGSTE LES.
Over het Wees gegroet.
1 V. Waarom voegen wij gewoonlijk de Groe-tenis des Engels of het Wees gegroet hij het Gebed des Heeren ?
A. Om door de Heilige Maagd onze gebeden aan God op te dragen.
Dit gebed wordt âWees gegroetquot; genoemd, omdat het met die woorden begint. Het wordt âde Groetenis des Engels genoemd, omdat do Engel Gabriël het eerste deel van het Wees gegroet hoeft uitgesproken.
Ill
2 V. Zey het Wees gegroet,
A. Wees gegroet Maria, vol vau gratie, de Heer is met u, gezegend zijt gij boven alle vrouwen, en gezegend is de vrucht uws iichaams, Jezus. Heilige Maria , Moeder Gods , bid voor ons , zondaars , nu en in het uur van onzen dood. Amen.
Maria beteekent: Ster der zee. Zij wordt aldus genoemd , omdat Zij voor ons is , wat de zeester voor den zeeman is.
De zeeman, wil hij behouden aanlanden en alle klippen en gevaren vermijden, moet voortdurend zijn oog naar eene ster wenden ; zoo ook moeten wij, willen wij eens behouden in den hemel aanlanden, voortdurend ons oog op Maria richten; Ten 1ste om te zien hoe zij in deze en gene omstandigheid handelde ten einde haar voorbeeld na te volgen.
Ten 2de moeten wij ons oog naar Maria richten in alle omstandigheden van het leven , vooral in bekoringen en moeie-lijkheden om Hare hulp in te roepen en daardoor alle gevaren te boven te komen.
3 V. Wie heeft het Wees gegroet gemaakt?
A. De Engel Gabriël , die van God tot Maria
gezonden was, heeft het eerste deel uitgesproken; Elisabeth de nicht van Maria , het tweede deel ; en onze Moeder de H. Kerk , heeft er het derde deel bijgevoegd.
Wees gegroet Maria. Dat is de groet , dien de Engel aan Maria bracht, de goede dag, dien hij Haar zegde, wenschte. Ook wij moeten Haar dikwijls aldus groeten.
4 V. Waarom zegt gij van de Heilige Maagd, dat zij is vol van gratie eit gezegend boven alle vrouwen ?
112
A. Omdat zij overvloediger gratie van God ontvangen heeft dan eenig ander schepsel, en zij onder alle vrouwen uitverkoren is, om de Moeder Gods te zijn
Vol van genade wil zeggen : dat Maria van Gods genade zoo vol is, als nooit eenig schepsel geweest is. Ofschoon er wel meer heiligen vol van genade geweest zijn, had Maria toch eene grootere volheid van genaden, dan ooit eenig andere Heilige gehad heeft.
Het is daarmede als met een glas en een overgroot vat; beide kunnen vol zijn , maar het vat zal, als het vol is, veel meer inhouden dan een glas, al is dit ook tot den hodem vol. Zoo was het ook met Maria ten opzichte van de andere heiligen.
De Heer is met U met zijne genade, zijne hulp, met zijnen bijstand, met zijne liefde, met zijn welbehagen.
Gezegend , dat is lofwaardig en van God begunstigd, zijt gij hoven alle vrouwen.
Tot hiertoe zijn het de woorden van den Engel.
Elisabeth herhaalde de laatste woorden des Engels : Gezegend zijt gij boven alle vrouwen, en voegde er bij : en gezegend is de vrucht mvs lichaams.
Die woorden, welke voor Maria eene lofspraak waren, heeft Zij beantwoord door haar schoon Magnificat, waardoor Zij alle eer aan God toeschreef.
Doen wij in dergelijke gevallen naar 't voorbeeld van Maria. Ontkennen wij onze talenten niet, maar schrijven wij ze aan God toe.
De volgende woorden ; Jesus, H. Maria , Moeder Gods , enz., heeft de H. Kerk er bijgevoegd.
5 V. Waarom ivordt Maria genoemd Moedor Gods ?
A. Omdat zij is de Moeder van Jesus, die God is.
113
6 V. Waf hulp en bijstand kunnen wij van dr H. Maagd verwachten ?
A. Zij helpt ons iu dit leven met alles wat ons voordeelig is ; zij vertroost de zieken in hun uiterste , en helpt ons tot de eeuwige zaligheid.
Eerst noemt de H. Kerk haar Moeder Gods, en dan zegt zij; Bid voor ons, zondaars, om haar daard oor als 't ware te zeggen; aan ons zijt gjj die waardigheid verschuldigd. Omdat wij zondaars zijn is God mensch, en zijt Gij zijne Moeder geworden. Gij zjjt dus verplicht voor ons te bidden.
Bid dan ook voor ons , nu, in dit leven , dat zoo vol go-varen is, maar vooral in 't uur van onzen dood, in dat beslissend uur, waarvan eene gelukkige of ongelukkige eeuwigheid afhangt; sta ons dan vooral bij en breng ons in den hemel. Ja, als wij Maria zoo gedurende ons leven dikwijls aanroepen , zal Zij ons ook in dat gewichtig uur, waarin de duivel zijne aanvallen vermeerdert, getrouw bijstaan.
7 V, Hoe kunnen wij onze (jeheden aan onze Lieve Vrouw het aangenaamste maken ?
A. Door bij onze gebeden goede werken te voegen , en allermeest door hare deugden na te volgen.
8 V. Noem eenuje voorname (jeheden, die wij tot Onze Lieve Vrouw stieren.
A. Het quot;Wees gegroet, de Litanie van O. L. V. van Lorette , den Rozenkrans , enz.
Men late de kinderen afzonderlijk de mysteriën van den allerheiligsten Rozenkrans opzeggen, gelijk die voorkomen op bl. 77 van den Catechismus.
114
DERDE DEEL.
EEN EN TWINTIGSTE LES.
Over de Liefde.
1 V. Wat is de Liefde ?
A. Eenc deugd en gave Gods, door welke wij God bovenal beminnen en onzen evennaaste gelijk ons zei ven.
lomand liefde toedragen of beminnen is welwillend jegens iemand gezind zijn uit ware toegenegenheid.
Daaruit volgt, dat men bedroefd is, over hetgeen hem bedroeft, blij , verheugd om hetgeen hem verheugt, en dat wel uit ware toegenegenheid.
Wij hebben eene goddelijke liefde als wij welwillend jegens (jod gezind zijn, uit ware toegenegenheid. De goddelijke liefde zal dus maken , dat wij bedroefd zijn om hetgeen üod bedroeft, en wel op de eerste plaats over de zonde, waardoor Hij zoo dikwijls door ons en anderen beleedigd wordt; over de vervolging der H. Kerk enz.
Zij zal ook teweegbrengen, dat wij verheugd zijn over Gods eer, over den bloei der Katholieke Kerk, en scholen, en over al het goede , dat er ter bevordering van Gods glorie over de gansche aarde geschiedt.
Do liefde is eene deuyd , omdat zij ons genegen maakt om
wel te doen, en dat weldoen bestaat in alle Gods eigenschappen
(waarom wij Hem beminnen) te vereeren , en Hem te dienen en den naaste om God, want de liefde toont zich door werken. Alleen aan zijne werken kan men zien of iemand ons bemint. AYij moeten dan ook door werken onzo liefde aan God be-
115
wijzen, doen wat Hij van ons verlangt, ons voor Hem opofferen. Zoo ook moeten wij onzen naaste dooi' werken onze liefde toonen , hom helpen en bijstaan , waar wij kunnen.
Op het geloof en de hoop volgt de liefde, omdat als wij God door liet geloof kennen , door de hoop op zijne goedheid vertrouwen, wij Hom ook als van zeli' beminnen zullen. Er is niets van zooveel waarde als de liefde Gods. Daarom moeten wij liever alles zelfs ons leven verliezen, dan die liefde, wijl zij het grootste goed is, dat wij op aarde kunnen bezitten.
Vandaar dan ook, dat wij gelukkig kunnen zijn zonder geld, zonder goed, zonder vrienden, alleen door het bezit dier liefde; door de gedachte, dat Uod ons bemint en wij Hem liefhebben , en wij dus alle mogelijke goed van , en in God te verwachten hebben. En zonder die liefde zijn wij niet alle schatten, vermaken en vrienden dor wereld toch niet gelukkig.
(Spreken over liet schijngeluk en wezenlijk, ongeluk der zondaars.)
2 V. Waarom irordf de Liefde f/euoemd eem (jare. Gods ?
A. Omdat de Liefde ons van God gegeven wordt zonder onze verdiensten , en wij ze uit ons zeiven niet kunnen hebben.
Wij moeten God en onzen evennaaste beminnen. God moeten wij bovenal beminnen.
3 V. Wat in God heminnen hocenal ?
A. Hem zoo beminnen , dat wij liever alles zelfs het leven willen verliezen dan (lt;od met eene doodzonde vergrammen.
Bovenal dat is: boven geld en goed, boven vrienden en vermaken, zelfs meer dan , of boven ons levon.
116
En wij beminnen Hem boven al, als wij liever alles, zelfs ons leven verliszen , dan eene doodzonde te üoen.
Mijn God, ik hemin V bovenal! wil dus zeggen: Mijn God ik ben uit ware toegenegenheid zoo welwillend jegens U gezind , ik houd zooveel van U, dat ik liever alles, zelfs mijn leven zou willen verliezen, dan U met eene doodzonde te vergrammen.
4 V. Waarom moeten wij God bovenal beminnen? A. Omdat God het opperste goed in zich zeiven is.
Dat God het Opperste goed in zich zeiven is beteekont, dat God alle volmaaktheden in den hoogsten graad bezit.
Dat Hij dus niet alléén alles bezit wat maar schoon, rijk, goed, edel, enz. is , maar dat Hij dat alles bezit in de hoogste mate; dat zijne goedheid , barmhartigheid, schoonheid, liefde enz. niet grooter kunnen zijn.
Wij beminnen het goede, wij verlangen en zoeken het, daarom moeten wij God bovenal beminnen, omdat er geen grooter goed, dan Hij bestaat, en daarom moeten wij Hem het meest zoeken, en naar zijn bezit verlangen.
Het goede toch moet ons gelukkig maken , en al wat goed is , is in Hem te vinden.
Zoeken wij ons geluk in de menschen , in hunne goedheid, zachtmoedigheid , schoonheid , wijsheid , macht enz. Zij bezitten dat alles slechts in geringe mate , maar in God zijn al die dingen volmaakt. Hij bezit meer goedheid, zachtheid, lieftalligheid, schoonheid, wijsheid, liefde enz. dan alle schepselen te zamen. Al die bovenstaande eigenschappen nu, drukken wij uit, door God het Opperste goed in zichzelven te noemen. Onze liefde steunt dus op Gods opperste goedheid in zichzelven , of, wat hetzelfde is , op al zijne eigenschappen , die daardoor worden uitgedrukt, of daarin alle begrepen zijn. Beminnen wij God bovenal omdat Hij het opperste goed in zich zeiven is , dan is onze liefde tot God hier op aarde volmaakt. Beminnen wij God slechts om het
117
goede, dat wij reeds van Hem ontvangen hebben en nog hopen te verkrijgen, dan is onze liefde tot God wel eene goede, ware liefde, maar eene onvolmaakte liefde , omdat dan de beweegreden onzer liefde onvolmaakt is, namelijk: ons eigen welzijn, m. a. w., alleen omdat God oneindig goed is jeyens ons, niet omdat God oneindig goed is in zich zeiven.
5 V. Wat is ouzen evennaaste beminnen gelijk ons zeiven ?
A. Hem zoo beminnen, dat wij hem geen kwaad doen of willen, hetwelk wij zeiven niet willen lijden, en hem het goed gunnen en zoeken te bewijzen , dat wij aan ons zeiven wenschen.
Wij moeten ook onzen evennaaste beminnen, maar met eene ware liefde, waardoor wij hem gelukkig zoeken te maken voor de eeuwigheid; hem van de zonde, zijn wezenlijk ongeluk , terug houden , hem een goed voorbeeld geven enz. ; anders is alles, wat wij voor hem doen, geene ware liefde, en als wij hem tot zonde brengen, dragen wij hem eerder haat dan liefde toe, wijl wij hem dan in zijn grootste ongeluk storten. (Het onderscheid tusschen ware en valsche liefde door eenige voorbeelden ophelderen.)
6 V. Om u-elke reden moeten uij onzen even-nauste beminnen gelijk ons zeiven ?
A. Om God.
Wij moeten onzen naaste beminnen om God, dat wil zeggen: dat God het doel en de beweegreden der naastenliefde moet zijn.
Het doel, dat is : wij moeten onzen naaste beminnen opdat God door onzen naaste in dit en het andere leven verheerlijkt worde.
Den naaste van zonde afhouden, tot deugd aansporen, is inder-
118
daad zijn geluk betrachten, en dat moeten wij doen om daardooi-God te verheerlijken, om zoo zielen voor den hemel te winnen, die Hem daar voor eeuwig kunnen loven , danken, prijzen en beminnen.
Dat God de heiveegreden onzer naastenliefde zijn moet, wil zeggen: dat de reden, die ons bewegen moet onzen naaste te beminnen, moet zijn Gods opperste goedheid in zich zeiven, die over en over waard is door alle redelijke schepselen bemind en verheerlijkt te worden.
7 V. Wie zijn onze evennaasten 'ï
A. Alle redelijke schepselen, die met ons deel kunnen hebben in de hemelsche glorie.
Ten 1ste zijn onze evennaasten dus alle goede Engelen, alle Heiligen in den hemel, alle zielen in het vagevuur; omdat wij met hen deel kunnen hebben in de hemelsche glorie.
Ten 2de alle menschen, die nog op aarde leven ; niet alleen de rechtvaardigen en onze vrienden, maar ook de grootste zondaars, en onze grootste vijanden, ja zelfs de Heidenen, Turken, Joden, Ketters, Scheurmakers, en die in den geestelijken ban zijn; omdat zij zich nog bekeeren, en met ons deel kunnen hebben in de hemelsche glorie.
Alleen zijn dus de duivels en de verdoemden in de hel niet onze evennaasten, omdat ze voor eeuwig van de hemelsche glorie zijn uitgesloten, er niet meer op hopen knnnen, en dus zeker met ons er geen deel meer in kunnen hebben.
8 V. Waardoor wordt de Liefde verloren r' A. Door de doodzonde.
Ja, en door iedere, zelfs door ééne enkele doodzonde wordt de liefde Gods verloren. Dus als wij het ongeluk hebben eene doodzonde te bedrijven , verliezen we de liefde Gods ; maar daarom verliezen we meestal nog niet het geloof of de hoop; doch als we het geloof of de hoop verliezen, dan verliezen we ook van zelf de liefde; want dan doen wij
119
ceno doodzonde, en door iedere doodzonde wordt de lief'do verloren.
9 V. Waardoor wordt de Liefde vermeerderd? A. Door ieder goed werk , dat in staat van
gratie en ter eere Gods gedaan wordt.
Do liefde is als de zon , die altijd hooger klimt, tot d.«t zij des middags haar toppunt bereikt heeft. De liefde Gods zal eerst in den hemel haar toppunt bereiken. In dit leven wordt ze vermeerderd door ieder goed werk, dat in staat van gratie en ter eero Gods gedaan wordt. Die waarheid moet eenieder in zijn eigen welbegrepen belang aansporen om den staat van gratie , de liefde Gods met alle zorg te bewaren, zeker nooit of nimmer in staat van doodzonde voort te leven, en om eiken morgen al zijne werken aan God op te dragen. Want in staat van gratie en ter eere Gods gedaan, zijn al onze werken , ook de onverschilligste uit hun aard, als eten, drinken, spelen, slapen, verdienstig voor den hemel, en vermeerderen steeds in ons de liefde Gods.
Welnu , naarmate de liefde Gods in ons vermeerdert , toeneemt, vermeerderen ook onze verdiensten , en zullen we dus in den hemel een grooter loon , eene hoogere plaats krijgen , gedurende de geheele eeuwigheid een hoogeren graad van glorie en gelukzaligheid genieten.
Doen we dus het goede zoolang wij den tijd hebben!
10 \ . Well: is het korf begrip van hef (jee)! trij moeten doen , om de Liefde te behouden en te vermeerderen ?
A. De wet Gods in tien geboden verdeeld.
Wij moeten God onze liefde toonen door daden, door het onderhouden zijner geboden.
Wij kunnen Gods geboden niet onderhonden, dat is, doen wat zij gebieden, en laten wat ze verbieden, als wij die nist kennen.
120
Wij zijn dan ook uit noodzakelijkheid des gebods, op doodzonde verplicht, die niet alleen van buiten te kennen, maar ook in hoofdzaak te weten wat zij beteekenen. In ieder gebod wordt iets geboden en iets verboden. Sommige geboden zijn bevestigend uitgedrukt, dat is : zij zeggen ons rvat 10ij doen moeten, en verbieden dan daardoor van zelf het tegenovergestelde bv. het 3de gebod gebiedt den Zondag te heiligen, dus verbiedt het daardoor van zelf dien te onteeren. Andere geboden staan in de ontkennende wijze; zij zeggen ons, wat wij niet doen mogen. Zij verbieden ons iets en daardoor wordt ons wederom stilzwijgend het tegenovergestelde geboden, bv. het 7de gebod verbiedt ons te stelen ; dus gebiedt het ons van zelf eerlijk, rechtvaardig te zijn.
11 V. Wie heeft de tien geboden gegeven ? A. God zelf heeft die van het begin der wereld in de harten der menschen gegrift, daarna heeft Hij die , geschreven op twee steenen tafels , aan Mozes gegeven ; en Christus heeft die vernieuwd in het Nieuwe Testament.
Ten 1ste. God zelf heeft de tien geboden van het begin der wereld in de harten der menschen gegrift, d. w. z., dat iedjr mensch van nature , ingevolge van de wet der natuur, zonder eenige geschreven of mondeling afgekondigde wet, alleen door het licht van zijn natuurlijk verstand, van zijn gezonde rede kan en moet weten en beseffen, dat hij verplicht is de tien geboden Gods te onderhouden, en dat hij goed doet, als hij ze onderhoudt, kwaad, als hij een derzeive overtreedt. Dat weet, ja gevoelt ieder mensch genoeg in zijn eigen hart, zonder dat het hem gezegd wordt, uit de getuigenis van zijn geweten.
Ten 2de. Daarna, d. w. z., na den zoogenaamden staat dor natuur, heeft God de tien geboden, geschreven op twee steenen ta fels, aan Mozes gegeven, en op den berg Sinaï plechtig aan het volk van Israël afgekondigd. Op de eerste
121
tafel stonden de drie eerste geboden, die de plichten van godsdienstigheid voorschrijven , die we rechtstreeks jegens God tc vervullen hebben. Op de tweede tafel stonden de zeven laatste geboden , welke de plichten voorschrijven die we jegens onzen evennaaste en ons zeiven moeten onderhouden.
Ten 3de. Christus heeft de tien geboden vernieuwd iu het Nieuwe Testament, d. w. z., ze van de valsche uitleggingen der Farizeën en schriftgeleerden gezuiverd; ze door betere, verhevenere beloften en straffen bekrachtigd en der-zelven onderhouding door Zijne genaden gemakkelijker gemaakt.
12 V. Zetj de tien yehoden ?
A. 1. Ik ben de Heer uw God. Gij zult geene vreemde goden voor mijne oogen hebben. Gij zult u geene gesneden beelden maken. Gij zult die niet aanbidden of godsdienst aandoen.
2. Gij zult den Naam van den Heer uwen God niet ijdel gebruiken.
3. Wees gedachtig, dat gij den Sabbatdag heiligt.
4. Eer uwen vader en uwe moeder , opdat gij lang moogt leven op aarde.
5. Gij zult niet doodslaan.
6. Gij zult geen overspel doen.
7. Gij zult niet stelen.
8. Gij zult tegen uwen naaste geen valsche getuigenis geven.
9. Gij zult uws naasten huisvrouw niet be-geeren.
10. Gij zult zijn huis niet begeeren , noch zijn
122
land, nocli zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd , noch zijnen os , noch zijnen ezel , noch iets van alles wat hein toebehoort.
Men Jate ieder kind de tien geboden Gods ook opzeggen gelijk ze in rijmpjes staan op bl. 7G van den Catechismus.
TWEE EN TWINTIGSTE LES.
Van het eerste gebod.
1 V. Hoe luidt het eerste (jehod.
A. Ik ben de Heer uw God. Gij zult geeue vreemde goden voor mijne oogen hebben. Gij zult u geene gesneden beelden maken. Gij zult die niet aanbidden of godsdienst aandoen.
2 V. Wat cjebiedt het eerste gebod ?
A. Ãénen God alleen te erkennen , te aanbidden en te dienen.
Het eerste gebod gebiedt éénen God als God te erlcennen. Erkennen als God wil zeggen , aannemen dat Hij werkelijk God is.
Het gebiedt ons ook , God te aanhielden , dat ia, Hem te huldigen als den Heer van leven en dood, als het Opperwezen, van Wien wij afhankelijk zijn, en quot;Wien wij die afhankelijkheid ook in- en uitwendig , afzonderlijk en in 't openbaar , moeten toonen. Eindelijk God te dienen d. i. alle zijne geboden te onderhouden.
123
3 A . W elke ileiiyden worden ér vooral rerelschf om Gód heli oorlij k te eer en en te dienen ?
A. De goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde , en de deugd van godsdienstigheid.
ij erkennen, aanbidden en dienen God vooral door het geloof, de hoop , de liefde, en aanbidden Hem bijzonder door godsdienstigheid.
Dooi liet geloof eeren wij Hem , door Hem voor waarachtig te houden , en daarom alles met ons verstand aan te nemen wat Hjj ons zegt, of wij het begrijpen of' niet.
Door de hoop eeren wij zijne goddelijke goedheid, almacht en getrouwheid.
Door de liefde ai zijne eigenschappon of volmaaktheden, waarom wij Hem beminnen.
Door de godsdienstigheid, de verhevenste der zedelijke deugden , verstaat men in 't bijzonder die deugd , en die daden T waardoor we God als het levend , persoonlijk opperste en oneindig volmaakt wezen vereeren.
4 A . K (unieer behoort men eene aete ran geloof, hoop en liefde te venreklcen ?
A. len J. als men tot de jaren van verstand gekomen is; ten 2. bij het ontvangen der HH. Sa-ciameuten; feit 3. in sommige bekoringen tegen die deugden; ten 4, als meu in gevaar is van sterven, â Christelijke menschen doen het alle dagen.
In de vier gevallen door den Catechismus opgenoemd behoort men zeker, is liet minstens altoos passend en geraad-zaaiu , Ja, is men soms krachtens het eerste g'ebod op zonde verplicht, eenigerwij s, hetzij inwendig in zijn hart, hetzij tevens uitwendig met woorden of daden â eene acte van geloof, hoop en liefde te verwekken.
124
Ten late als men tot de jaren van verstand gekomen is. Dan is men op zonde verplicht, dan moet men op eene del gezegde wijze éénen God alleen erkennen, aanbidden en beminnen. Een ook maar gewoon goec' , braaf kind voldoet zoo lichtelijk aan dien plicht, bv. door dan eenig godsdienstig werk godvruchtig te verrichten 's morgens of 's avonds godvruchtig de actcn van geloof, hoop en liefde te bidden enz. Als ge niet stellig weet, dat ge dien plicht toen verzuimd hebt, kunt ge er gerust op zijn er aan voldaan te hebben.
Ten 2de bij het ontvanyeu der HII. Sacramenten. In het godvruchtig ontvangen der HH. Sacramenten zelf liggen acten van geloof, hoop en liefde opgesloten ; dus men verwekt dan ook die acten van zelf met de daad. Nogtans behoort men vooral in voorbereiding tot de H. Communie de gevoelens van geloof, hoop en liefde ook uitdrukkelijk in zich te verlevendigen , en als men te biechten gaat de acten van gelooi, hoop en liefde te verwekken. (Zie 23ste Les, 20ste vr.; 2öste Les, 27ste vr.)
Ten 3de in sommige iekoringen tegen die deugden. Men zou weer verplicht zijn deze acten van geloof, hoop en liefde te verwekken , wanneer, zonder dat te doen, eenige bekoring tegen die deugden niet te overwinnen zou zijn. Dit zal wel zeldzaam het geval zijn. Wat in 't bijzonder de bekoringen tegen het geloof aangaat , doet men het best van al, ze eenvoudig te verachten ; men doet den duivel te veel eer aan, als men zijne schijn- en leugenredenen zou willen weerleggen. Wil men in die bekoringen iets zeggen , dan zegge men ; ik geloof alles, wat God geopenbaard heeft en de H. Kerk mij voorhoudt te gelooven. Liever wil ik sterven, dan aan de minste waarheid des geloofs twijfelen, of: ik geloot, Heer! maar vermeerder mijn geloof.
Als de duivel ons tegen de hoop bekoort, kan men bv. zeggen. Al had ik nog duizendmaal meer gezondigd, zou ik nog dooide verdiensten van Christus de vergiffenis mijner zonden, en de eeuwige zaligheid hopen te verkrijgen. Ik heb den hemel niet verdiend, maar Jesus heeft hem voor mij verdiend.
Als wij aangezet worden om eene doodzonde te doen, kun-
125
nen wij zeggen: Liever, o mijn God, wil ik sterven dan uwe liefde door eene doodzonde verliezen.
Ten ide als men in gevaar is van sterven. Dan is 't ook weer plicht eene acte van geloof, hoop en liefde te verwekken. Maar als we het geluk hebben de laatste HH. Sacramenten in 't gevaar van sterven te ontvangen , dan voldoen we al weer van zelfs aan dien plicht door het ontvangen dier HH. Sacramenten ; en als we , gelijk we wenschen en hopen, dan het geluk hebben die HH. Sacramenten nog met volle kennis te kunnen ontvangen, dan zullen we ook graag en van geheeler harte die actens van geloof, hoop en liefde verwekken.
De Catechismus voegt er nog bij: Christelijke wenschen dooi het alle dagen , d. i. , bidden alle dagen , ten minste in het avondgebed de acten van geloof, hoop , liefde en vooral van berouw, gelijk die op blz. 76 en 77 in den Catechismus worden aangegeven.
Z. H. Paus Benedictus XIV heeft den 28 Jan. 1756 verleend a.) een vollen aflaat eens in elke maand , aan hen , die lederen dag de acten van geloof, hoop en liefde godvruchtig en van harte zullen verwekt hebben, op den dag waarop ze na met een goed berouw gebiecht, gecommuniceerd te hebben, bidden tot intentie van onze Moeder de H. Kerk.
b.) Een vollen aflaat in het uur des doods, en
c.) Een aflaat van 7 jaren en 7 maal 40 dagen (7 quadra-genen) eiken keer dat men die acten godvruchtig en van harte verwekt.
Wel eene krachtige opwekking om, gelijk Christelijke men-schen doen, alle dagen die acten te bidden.
5 V. Wdh' zonden yeschieden teyen het eerste gebod ?
A. Afgoderij , bijgeloovigheid , heiligschennis , en de zonden tegen het geloof, do hoop , en de liefde tot God.
126
Ten 1ste afgoderij , dat is van God afgaan, iets voor üod erkennen, wat geen God is.
Tegen het 1ste gebod strijdt: Ten 2de bijgeloovigUeid, dat is, nog iets bij ket geloof bij doen , of er bij gelooven, wat er niet bij hoort bv.: als ik een papier bij mij draag, dat de lengte van Christus heeft, dan zal ik geen ongelukken krijgen; als men den zoogenaamden brief van Keizer Karei bij zich draagt, dan zal men van 80 ongelukken bevrijd blijven enz.
Teti 3de heiligschennis. Wat heiligschennis is, en hoe-velerlei leert de 8ste vraag.
Verder strijden tegen het 1ste gebod de zonden tegen het geloof: Niet gelooven of vrijwillig twijfelen.
Tegen de hoop : niet of vermetel hopen.
Tegen de liefde, als men die niet verwekt wanneer men
er toe verplicht is. (zie 4 V.)
De zonde tegen het geloof strijdt tegen het 1ste gebod, omdat wij God dan niet meer als waarachtig en dus ook niet meer als God erkennen; want is Hij niet waarachtig dan ontbreekt Hem iets om God te zijn. Wij onttrekken Hem dan ons verstand. (Aldus kan men het ook uitleggen van de hoop en van de liefde , door de bijzondere beweegreden dier deugden in plaats van Gods waarachtigheid aan te halen).
6 V. Wanneer maalt men zich schuldig aan hijyelooviyheid of superstitie?
A. Als uien, om iets te weten of te bewerken, woorden of zaken bezigt , welke daartoe geene kracht hebben noch nit eigene natuur , noch van God , noch uit instelling der H. Kerk.
7 V. Is het gebruik van gewijde voorwerpen, als: gewijde kaarsen , palm , paternosters , scapulieren , medailles , enz. ook hijgeloovigheid ?
A. Geenszins ; omdat die voorwerpen kracht hebben uit de gebeden en zegeningen dor H. Kerk.
127
Men maakt zich schuldig aan bijgeloovighoid of superstitie: als men om iets te loeten, dat vü zeggen, om iets te weten te komen , bv., wie dit of dat gedaan heeft, of te bewerken, dat is, om iets gedaan te krijgen, bv. een zieke te genezen T. woorden of zaken bezigt, gebruikt, die daartoe geene kracht hebben, noch uit eigene natuur, noch van God, noch uit instelling der H. Kerk.
Planten en kruiden bv. lïebben kracht uit de natuur, en bijgevolg doet een dokter geen bijgeloovigheid , als hij kruiden gebruikt ter genezing van zieken.
De H. Sacramenten bv. hebben kracht van God. Als men dus gelooft, dat men door het ontvangen van het H. Oliesel beter zal worden van zijne ziekte, als het zalig is, is dit geene bijgeloovigheid.
Het is ook geene bijgeloovigheid , als men denkt, dat men door Maria bijzonder zal beschermd worden, als men haar scapulier of gewijde medailles draagt, omdat die voorwerpen kracht hebben uit do gebeden en zegeningen der Kerk. Maar wel zou men bijgeloovigheid doen, als men zou denken, zeker van de koorts genezen te worden, met driemaal om eenen boom te loopen; dit toch heeft geen kracht, uit eene der drie bovenstaande dingen. Bijgevolg kan men die kracht nergens anders zoeken , dan bij den duivel, en daarom strijdt bijgeloovigheid juist tegen het Iste gebod; wijl men bij don duivel cone kracht gaat zooken, die men niet in God erkent; en men moet dus denken , dat God niet almachtig is, en het ons niet geven kan, of wel, dat Hij niet oneindig goed is eu het ons niet geven wil ; anders toch zou men het niet bij den duivel gaan zoeken ; en als men Hem die eigenschappen ontkent, moet men Hem van zelf ook als God ontkennen.
8 V. Wat is heiligschennis ?
A. Het mishandelen of onteeren Vein heilige of Gode toegewijde personen , zaken of plaatsen.
Er is dus drieërlei heiligschennis:
Ten 1ste, hot schenden van heilige zaken , als kelken , ci-
128
boriën , vrijwillig de HH. Sacramenten onwaardig ontvangen enz.
Ten 2de door het schenden, onteeren of mishandelen van Gode toegewijde personen bv. Priesters, religieusen.
Ten 3de het schenden van heilige plaatsen b. v. de kerk.
DRIE EN TWINTIGSTE LES.
Van de yereering en aanroepingr der Heiligen, en Tan lt;le Beelden en Keliquiën.
1 V. Wat leert ons de H. Kerk wegens de rcr-eering en aanroeping der Heiligen ?
A. Dat het goed ea nuttig is de Heiligen te eeren en aan te roepen.
quot;Waarom is het yuecl, en waarom is het nuttiff, de heiligen te vereeren en aan te roepen?
Het is goed de heiligen te eeren en aan te roepen , omdat zij het verdienen. (Even gelijk het niet anders dan goed kan zijn iemand eer te geven, die ze werkelijk verdient.) Hot is nuttig omdat wij daardoor veel voor ons zeiven verkrijgen kunnen.
2 V. Strijdt het niet tegen, het eerste gebod, dat iv ij de Heiligen eeren en aanroepen ?
A. Geenszins; omdat wij de Heiligen niet eeren of aanroepen als goden, maar als vrienden en dienaars van God , die met ons en voor ons God bidden.
AVij eeren de Heiligen niet als goden, d. w. z., wij katholieken
129
ceren geen enkelen Heilige, zelfs Maria, de koningin van alle Heiligen niet, alsof we meenden dat zij wezenlijk goden â¢waren. We weten immers te goed, dat er maar één God is, «n zijn kan, en dat alle Heiligen, Maria zoowel als alle overigen, louter schepselen Gods zijn. En daarom ook bewijzen we zoo min aan Maria als aan een der overige Heiligen do goddelijkste of opperste eer, die Gode alleen toekomt; maar enkel de godsdienstige vereering, welke de Heiligen als vrien â den en dienaars van God verdienen, en Maria , als de onbevlekte Maagd en Moeder Gods, voor of boven alle overige Heiligen verdient.
Wij roepen de Heiligen ook niet aan als goden, d. w. z. alsof we hen aanzagen , hielden voor den oorsprong , of ook maar als gevers van eenig goed uit zich zeiven. Als heer en gever van alle goed erkennen we God alleen. We roepen dus de Heiligen niet aan als goden, maar alleen als vrienden en dienaars van God, die met ons en voor ons God hidden.
Dit alles blijkt duidelijk uit de verschillende manier, waarop we God en de Heiligen aanroepen. Als we God om iets bidden, zeggen we : Geef ons, ontferm U onzer enz. ; maar als we de Heiligen vereeven en aanroepen, zeggen we: Bidt voor ons, Herkrijgt ons van God, enz.
Het strijdt dus geenszins tegen het eerste gebod, dat wij Katholieken de Heiligen eeren en aanroepen ; want, gelijk wjj het, volgens de leer der Roomsch Katholieke Kerk, doen , is â¢er geen schijn van afgoderij , bijgeloovigheid , heiligschennis , of van zonde tegen het geloof, de hoop of de liefde in gelegen. Integendeel ons geloof, onze hoop en liefde wordt door de godsdienstige vereering en aanroeping der Heiligen verlevendigd en versterkt.
3 V. Wie behooren wij onder de Heiliyen vóór cdle anderen te vereeren en aan te roepen ?
A. De Heilige , Onbevlekte Maagd en Moeder Gods Maria.
C 9
130
Waarom behooren wij Maria onder al de Heiligen het hoogst Ie vereeren en het meest aan te roepen ?
Ten 1ste, omdat zij ah de Onbevlekte Maagd en Moeder Gods het waardigste schepsel is. Als dusdanig toch verdient zy voor of boven alle andere Heiligen door ons te worden vereerd en aangeroepen ; als dusdanig zijn wij haar een hoogeren graad' van godsdienstige vereering schuldig dan aan de overige Heiligen, die immers allen slechts vrienden en dienaars van God zjjn. (Vgl. 13 L. , 4 v., p. 69.)
Ten 2(li omdat zij alles voor ons van God verkrijgen kan.
Ten 3de behooren wij Maria onder alle Heiligen het hoogst en het meest te vereeren, omdat Jesus zelve ons er het voorbeeld van gegeven heeft.
4 V. Zondigen de Katholieken niet tegen het eerste gebod met het maliën van heelden ?
A. Geenszins ; want zij maken de beelden slecht» om God of zijne Heiligen te vereeren.
Beelden maken om die als God te vereeren , is afgoderij maar dit doen do Katholieken niet. Zij maken die beelden slechts om zich de Heiligen beter te kunnen voorstellen; even als men beter aan zijne vrienden kan denken , als men hun portret ziet.
Ook zeggen andersgezinden wel eons , dat God volstrektelijk verboden heeft beelden te maken, zeggende : Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken.
Men kan hierop antwoorden : Ten 1ste, dat het niet waar is, dat God volstrektelijk verboden heeft beelden te maken. Want de heilige boeken van Mozes verhalen, dat God zelf hevel gaf de beeltenis van een Cherubijn aan de twee zijden dor ark te plaatsen, en een koperen slang op te richten.
Ten 2de. Dat God zelf den zin dier woorden zoo verklaard hoeft, dat het alleen verboden is beelden te maken om die to aanbidden of godsdienst aan te doen. Want er volgt onmiddellijk op : gij zult die niet aanbidden noch godsdienst aandoen.
131
Alleen wordt er dus alle afgoderij en bijgeloovigheid door verboden, waaraan men zich bv. zou schuldig maken als men aan de beelden in zooverre te van hout, steen , koper enz. vervaardigd zijn , godsdienst zou bewijzen; maar dat doen wij Katholieken niet.
Ten 3de. Voor een oogenblik toegegeven, maar in 't geheel niet toegestemd, dat die woorden de beteekenis zouden hebben, waarin andersdenkenden ze ons tegenwerpen, dan zou hot verbod van beelden te maken nog maar enkel en alleen tijdens de oude Wet gegolden hebben, omdat de joden toen zoo tot afgoderij vervielen; maar dat gevaar bestaat voor ons niet meer. Het is daarmee alsof er in een huis een slechte persoon zou zijn , die ons tot zonde zou brengen; dan mogen wij daar niet komen, omdat dat huis dan eene gelegenheid tot zonde voor ons is, maar wanneer die persoon weg is, dan gerust; dan is dat gevaar voorbij , en niemand zal ons dat huis verbieden.
5 V. Is het kwaad de heelden te versieren, daarvoor licht te ontsteken of te hidden ?
A. Neen; want deze eer geschiedt niet aan de beelden , maar aan God of zijne Heiligen , die wij ons voorstellen bij het eeren der beelden.
Om dezelfde reden is het ook geen kwaad voor de beulden te knielen. Immers we knielen er niet voor om rechtstreeks aan beelden van hout of steen enz., eer te bewijzen, maar aan God of zijne Heiliyen , die wij ons voorstellen bij het eeren der heelden.
Knielen is uit zich zelf, uit zijn aard geen teeken van aanbidding , maar van allerlei soort van vereering. Als bv. Si-neosche heidensche kinderen knielen voor hunne ouders, meesters of andere overheidspersonen, is dat eene natuurlijke of burgerlijke eerbewijzing. Als wij Katholieken knielen, bv. voor de beeltenis van O. L. V. of van den H. Joseph enz., dan hebben we de mooning O. L. V., den II. Joseph enz., de godsdienstige
132
vereering te bewijzen, die we hun mogen en behooren te bewijzen. Knielen we voor het H. Sacrament, dan doen we dat om Jesus Christus, als God en mensch daarin onder de gedaante van brood tegenwoordig, te aanbidden , Hem de goddelijke eer te bewijzen. Het onderscheid bestaat dus niet in de kniebuiging, maar in de meening waarmee, en de waardigheid van den persoon, voor wien we knielen.
6 V. Wat noemen icij Reliquiën of Overblijfsels ?
A. Beenderen, kleederen en andere voorwerpen,
die de Zaligmaker en de Heiligen hebben achtergelaten of door hunne aanraking geheiligd.
Keliquiën zijn dingen die de Heiligen hebben nagelaten, bv. hunne kleederen, of die zij door hunne aanraking geheiligd hebben, bv. die zij in hun gebruik hebben gehad, bv. de pen, waarmede de H. Aloysius schreef.
Keliquie komt van het latijnsche woord reliquiae , overblijfsels.
7 V. Wat leert ons de H. Kerk wegens de lle-Viqxiièn ?
A. Dat het goed en nuttig is de Reliquiën der Heiligen te vereeren.
Waarom is het tjoed, en waarom is het nuttig de reliquieën der Heiligen te vereeren?
Het is goed, de reliquieën te vereeren , omdat die eer op de Heiligen terugkomt, en zij die eer verdienen.
Het is nuttig , omdat God er bijzondere gunsten door verleent , zooals genezingen enz.
(Opwekking van een doode , toen hij op het lijk van Eli-seus viel).
133
VIER EN TWINTIGSTE LES.
Van het tweede gebod.
1 V. Hoe luidt het tweede cjehod ?
A. Gij zult den Naam van den Heer uwen God niet ijdel gebruiken.
2 V. Wat (jebiedt het tweede gebod ?
A. Den naam van God hoog te achten en dien altijd met eerbied te gebruiken.
3 V. Wat verbiedt het tweede yebod ?
A. Alle oneer, die den Goddelijken Naam wordt aangedaan, vooral door godslastering, zondig zweren en breken van beloften.
Naam van God staat hier in de plaats van God.
Dit gebod is ontkennend uitgedrukt.
Wij kunnen vooral op drie manieren Gods ^ïaara onteeren :
Ten 1ste door godslastering; ten 2de door zondig zweren; ten 3de door breken van beloften.
4 V. Wat is godslastering ?
A. Een onteerend spreken van God, zijne Heiligen of van heilige zaken.
Dat kan op drie manieren geschieden ; ten 1ste door God iets toe te kennen wat Hij niet heeft. Bv. vrijwillig denken of zeggen : God is wreed , onbarmhartig.
Ten 2de door Hem iets te onttrekken, wat Hem toekomt. Bv. zeggen: God is niet aimachtig, niet alomtegenwoordig, niet eeuwig enz.
Ten 3de door spotsgewijze van Hem , of van zijne Heiligen of van heilige zaken te spreken.
131
a V. In (jodslasteriny (jroote sonde ?
A. Ja, eeue zeer groote zonde , die door God hier op aarde dikwijls gestraft vordt.
Werkelijke godslamp;steringen of vloeken zijn altijd doodzonde.
Er zijn dus geene kleine vloeken, maar wel bastaardvloeken of leelijke woorden, en deze zijn zeer gevaarlijk, omdat men daardoor soms het vloeken leert.
Godslastering is eene van die zonden , die zoo boosaardig zijn, dat God er niet mede wacht, om ze in het andere leven te straffen , zooals Hij anders gewoon is, maar dat Hij daar reeds dikwijls in dit leven mee begint.
6 V. Wat is eed doen of zweren ?
A. God, of iets wat God bijzonder aangaat, tot getuige nemen van hetgeen men zegt.
Ked doen of zweren is God, of iets wat God bijzonder aangaat, bv. onze ziel, het dierbaar Bloed, de H. Kerk , het Evangelie enz. tot getuige nemen van hetgeen men zegt.
God tot getuige nemen van hetgeen men zegt, wil zeggen : hetgeen ik hier zog is zoo waar , dat ik hoop , dat God mij straffen zal, als het niet waar is , wat ik zeg.
7 V. Is eed doen altijd zonde ?
A. Neen ; liet is zelfs goed, als de eed gedaan wordt met goed oordeel, rechtvaardigheid en waarheid ; doch het is zonde , als er eene van deze voorwaarden ontbreekt.
Om een goeden eed te doen , zijn er drie voorwaarden noodig; goed oordeel , rechtvaardigheid en waarheid. Als men met de noodige voorwaarden eed doet, is het goed en deugdelijk, omdat men door zulk een eed belijdt, dat God alles weet , en de onfeilbare waarheid is.
135
Om een eed niet goed, zonde te doen zijn , is het genoeg, 'dat er eene van die drie voorwaarden ontbreekt.
8 V. JVie zweren zonder joed oordeel ?
A. Die zonder wettige reden of lichtvaardig zweren.
Lichtvaardig eed doen, is eed doen , zonder dat er wettige reden voor bestaat.
Men heeft reden ora eed te doen, bv. als men voor de rechtbank onder eed getuigenis , of bij successie voor den kantonrechter een zuiveringseed moet afleggen, enz.
9 V. Wie zweren zonder rechtvaardigheid ?
A. Die iets met eed beloven, dat kwaad of verboden is; en deze eed mag niet gehouden worden.
Tegen de rechtvaardigheid zweren is een eed doen op iets lt;lat verboden is, bv. zich te wreken op zijnen vijand , nooit meer te zullen biechten enz. (Hen verhale het voorbeeld van Herodes.) 't Is duidelijk dat zulk een eed niet mag gehouden worden ; immers de eed kan niet verplichten , verbinden tot â iets wat kwaad of verboden is ; hij dus die zulk een eed zou gedaan hebben, is verplicht terstond van voornemen te veranderen.
10 V. Wie zondigen tegen de waarheid van den eed ?
A. Die eenen valschen eed doen of de verplichtingen van hunnen eed niet nakomen.
Valschen eed doen is iets met eed bevestigen, dat men weet niet waar te zijn , of waaraan men inderdaad twijfelt of het wel waar is , en toch als zeker waar bevestigt. Een valschen eed doen ook zij, die onder eed iets beloven wat ze op den oogenblik dat ze zweren niet voornemens zijn na te komen.
136
Doch zij die op den oogenblik dat ze iets onder eed beloofden, den wil hadden de verplichtingen van hunnen eed na te komen, maar later ze niet nakomen, doen wel geen vahchen eed , maar zondigen toch tegen de verplichting van hunnen eed, en zeker grootelijks, als do zaak, welke ze onder eed beloofd hebben, groot is.
11 V. Wat is breken van beloften ?
A. Niet volbrengen hetgeen men met genoegzame kennis en vrijen wil aan Grod of zijne Heiligen beloofd heeft.
Er staat in den Catechismus : hetgeen men met genoegzame kennis en vrijen wil beloofd heeft; omdat, als kennis of vrije wil ontbreken , men niet gehouden is zijne beloften na te komen.
Zijne beloften verbreken strijdt tegen het 2de gebod, omdat men dan trouweloos jegens God is.
13 V. Wat vereischt gewoonlijk de voorzichtigheid hij het doen van beloften ?
A. Dat men daarover eerst zijnen biechtvader raadplege.
Bij het doen van beloften is het goed zijnen Biechtvader te raadplegen, omdat er dikwijls moeielijkheden aan verbonden zijn , die men niet kent.
Welk onderscheid is er tusschen belofte en voornemen?
Belofte is iets onder verplichting van zonde op zich nemen.
Voornemen is ergens den goeden wil toe hebben om het te doen, zonder er zich op zonde toe te verbinden.
137
VIJF EN TWINTIGSTE LES.
Tan liet derde gebod.
1 V. Hoe luidt het derde gehod?
A. Wees gedachtig, dat gij den Sabbatdag heiligt.
Dat wil zoggen : denk er aan , dat gij u dien dag onthoudt van die werken , die u van de heiligheid kunnen aftrekken, en dat gij die werken oefent, die u tot de heiligheid brengen kunnen.
2 V. W(d (jehiedt het derde yehod ?
A. Deu Zondag, die aan God is toegewijd , behoorlijk te vieren.
quot;Wij vieren tegenwoordig den Zondag in plaats van den Sabbat- of Zaterdag, omdat Christus op dien dag verrezen, en de H. Geest over de Apostelen nedergedaald is.
Ook vieren wij den Zondag om niet met de Joden gelijk te zijn.
3 V. Zijn wij verplicht nog andere dagen he-halce den Zondag te vieren ?
A. Ja, volgens het eerste der kerkelijke geboden, ook nog de feestdagen, die van de H. Kerk zijn ingesteld.
4 V. Wat wordt er vereischt, om de Zon- en feestdagen ie vieren ?
A. Dat wij ons onthouden van alle werken, welke op die dagen verboden zijn, en ons begevert tot godsdienstigheid.
138
Ons onthouden van verboden werken wil zeggen: ze niet doen.
Ons begeven tot godsdienstigheid wil zeggen: ons er op toeleggen.
5 V. Welke Kerken zijn op de Zon- en feestdagen verhoden ?
A. Alle slaafsche werken en ambachten, koophandel en processen, ten ware de nood het anders vereischte.
Te)i 1ste zijn alsdan verboden slaafsche werken, dat is: werken , die v roeger de slaven deden, als spitten , zaaien , ploegen enz. , zoo ook ambachten: smeden, metselen enz.
Koophandel, markt en verkooping houden; echter is het niet verboden kleinigheden voor de huishouding te koopen , ofschoon brave menschen er zoo min mogelijk gebruik van maken.
Processen zijn dingen, die voor de rechtbank beslist moeten worden.
Al deze zaken zjjn ons verboden, omdat de Zondag aan God toegewijd is, en deze zaken ons juist van God aftrekken; want zijn wij daarmee bezig, dan zullen wij niet naar behooren met godsdienstige zaken bezig zijn.
Ten ware de nood het anders vereischte wil zeggen : als het niet anders kan, dan mag men zulke dingen wel doen , maar dan wil de Kerk toch in de meeste gevallen , dat wij verlof aan de geestelijken vragen.
6 V. Wat zijn u-ij verplicht te doen op Zonen feesiduyen ?
A. Ten minste Mis te hooren ; doch het betaamt , dat wij ook de preek , de Christelijke leering en andere kerkelijke diensten bijwonen.
139
Wij moeten ten mïxste Mis Jtooren , dat wil zegden, minder kan het niet.
Doch het helaamt, dat is; het past, het hooit zoo, dat men ook de preek, den catchismus, en andere kerkelijke diensten , vooral het Lof bijwone.
7 V. IVic zijn verplicht op Zon- en feestdagen Mis te hooren ?
A. Zij, die tot de jaren van verstand gekomen zijn en door geene ziekte of andere gewichtige reden belet worden.
Gewichtige , dat is , groote redenen kunnen ons alleen ontslaan van Mis te hooren, niet iedere kleinigheid. Bv. iemands huis staat in brand, dan behoeft hij niet naar de kerk te gaan en zijn liuis maar te lateu afbranden. Of er zou iemand gevaarlijk ziek zijn, en niemand buiten mij dien persoon kunnen of willen oppassen, dan zou ik bij hem mogen blijven.
Zoo ook is iemand ontslagen , die zelf zwaar ziek is.
8 V. Wanneer zondigt men tegen de verplichting van Mis te hooren ?
A. Ten 1. Als men zonder wettige reden de H. Mis geheel of gedeeltelijk verzuimt; ten 2. als men de H. Mis niet bijwoont , gelijk het behoort.
Als men des Zondags de geheele Mis of een merkelijk deel zonder reden verzuimt, of ze merkelijk oneerbiedig bijwoont, doet men doodzonde; een klein gedeelte , dagelijksohe zonde. Het kan om twee redenen een merkelijk deel zjjn :
Ten 1ste om de langdurigheid. Als men een langen tijd oneerbiedig is , of veel te Iaat komt, bv. na de offerande.
Ten 2de kan het een merkelijk deel zijn , om de waardigheid van het deel , dat men verzuimt, of waaronder men
140
oneerbiedig is, bv. men zou niet bij de Consecratie zijn, ofschoon deze maar een paar minuten duurt, of wat hetzelfde is,, daaronder vrijwillig uiterlijk oneerbiedig zijn, bv. praten of slapen. In deze gevallen maakt men zich aan groote zonde schuldig, men is dan op doodzonde verplicht eene andere Mis te hooren. Doet men dit, dan is men nog wel schuldig aan oneerbiedigheid , maar men is niet te kort gekomen aan de verplichting van Mis hooren.
Welke middelen kent gij, om in de kerk eerbiedig te zijn ?
Ten Iste , zoodra men er inkomt, denken : ik ben hier in Gods huis.
Ten 2de met eerbied wijwater nemen.
Ten 3de eerbiedig en zedig , zonder rondzien, naar zijne plaats gaan.
Ten 4de eerbiedig buigen voor het H. Sacrament.
Ten 5de op zijne plaats zittende, zich opnieuw in Gods tegenwoordigheid stellen.
Ten 6de de meening maken voor wie, of waarvoor men wil bidden.
ZES EN TWINTIGSTE LES.
Tan liet 'vierde gebod.
1 V. Hoe luidt het vierde yehod ?
A. Eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij. lang moogt leven op aarde.
2 V. Wie verstaan wij in het vierde yehod door vader en moeder ?
A. Onze ouders en alle oversten, zoo geestelijke als wereldlijke.
141
Op de eerste plaats onze ouders , aan wie wij naast God ons leven te danken hebben.
Op de tweede plaats stief- en pleeg-owAers,, voogden, die de zovg voor onze opvoeding op zich genomen hebben en de plaats onzer ouders innemen ; dus ook onderwijzers , de eerwaardige 1 raters of Zusters, die ons Katholiek onderwijs geven, te meer als zij tevens met onze geheele opvoeding, verzorging naar lichaam en ziel belast zijn , b.v. in eene Katholieke kostschool, in een weeshuis.
Verder alle oversten , zoo geestelijke als wereldlijke.
Geestelijke oversten zijn degenen welke over onze zielen staan, ons besturen in al hetgeen de eeuwige zaligheid onzer ziel aangaat ; dus in 't bizonder de Paus van Rome, onze Bisschop , onze Pastoor en andere Priesters, die met de zorg onzer zielen belast zijn.
Wereldlijke oversten zijn degenen die in wereldlijke zaken ons besturen, over ons staan, b.v. Zijne majesteit de Koning, de burgemeester enz.
3 V. Wat zijn wij volgens het vierde yehoil aan ome ouders verschuldigd ?
A. Liefde , eerbied, gehoorzaamheid eu behulpzaamheid.
Aan onze ouders zijn wij verschuldigd: Ten le, in- en uitwendige liefde, d. w, z., dat we welwillend jegens hen gezind moeten zijn uit ware toegenegenheid, en dit ook met woord en daad moeten toonen, vooral wanneer ze oud, gebrekkig worden, ja zelfs wanneer zij misslagen zouden begaan.
Ten 2e, eveneens in- en uitwendigen eerbied , d. w. z., dat wij hen altijd in ons hart moeten hoogschatten , en die hoogachting ook door woord en daad moeten toonen , wederom vooral wanneer zij oud of gebrekkig worden, ja zelfs wanneer ze foutsn of misslagen zouden begaan. quot;We mogen hun zeker met kinderlijken eerbied op die fouten wijzen, maar moeten hun ook nis we dat doen , en in alle omstandigheden beleefd
142
en bescheiden toespreken, hen altoos eerbiedig bejegenen T behandelen.
Ten 3e. Gehoorzaamh'id, d. w. z., dat wij gewillig en zonder tegenspraak alles moeten doen, wat zij ons gebieden, en laten wat zij verbieden, zoolang ze niets gebieden dat kwaad is. (zie 7de V.)
Ten 4e, Behulpzaamheid, d. w. z., dat wij onze ouders, als zij in geestelijken of tijdelijken nood verkeeren, moeten helpen zooveel wij kunnen.
4 V. Wie zondigen teyen de liefde, aan hunne ouders verschuldigd ?
A. Die hunne ouders haten, bedroeven of hun kwaad wenscheu.
Ten le, die hunne ouders haten, dat is, omdat zij hun niet genegen zijn, blij zijn, als het hun kwaad gaat, en integendeel droevig zijn als het hun goed gaat.
Ten '2e, bedroeven, hun verdriet aandoen, bv. door koppigheid, verzet, slecht gedrag enz.
Ten 3e, hun uiter harte gemeend kwaad toeivenschen.
5 V. Wie zondigen tegen den eerbied, aan hunne ouders verschuldigd ?
A. Die hunne ouders minachten, spijtig toespreken , bespotten of kwaad van hen zeggen.
Ten le, die hunne ouders in hun hart minachten of smadelijk verachten, of minachtend behandelen ; die uit minachting of trotschheid zich over hunne ouders schamen, ze niet willen erkennen, er geen omgang mee willen hebben.
Ten 2e, die hunne ouders spijtig, bits, kortaf, norsch, brutaal toespreken, scheldwoorden toevoegen, of scheldnamen geven , uitschelden.
Ten Ge, die hunne ouders bespotten, beschimpen, uitlachen, do tong tegen hen uitsteken enz.
143
Ten 4e die kicaad van hen zcgyen, spreken, bekend maken, of verdichten, hen lasteren.
6 V. Wie zondigen tegen de gehoorzaamheid, aan hunne ouders verschuldigd ?
A. Die de wettige geboden hunner ouders niet of slecht volbreno-en.
O
De Catechismus zegt: Die de wettige geboden enz.
Welnu, ouders en oversten kunnen hunne kinderen en onderdanen, bv. dienstboden, wettig gehieden, ten le, fa huiselijke orde te volgen, bv. in eten, drinken en kleeding ; om op een gesteld uur 's avonds t'huis te zijn , dit of dat werk te doen, dit of dat ambacht uit te oefenen.
Te)i 23, kunnen zij wettige geboden voorschrijven in al hetgeen de zedelijke opvoeding en het zielenheil hunner kinderen ot onderdanen betreft, bv. dat ze op tijd te biechten, naar het Lot gaan enz., en met geene verdachte kameraden omgaan, ot geene verboden of gevaarlijke gezelschappen of vermakelijkheden bijwonen.
Kindeven en onderdanen die deze en soortgelijke geboden hunner ouders of oversten niet, of slecht, d. w. z. ten halve, slordig, tegenpreutelend , morrend enz. volbrengen , zondigen tegen de gehoorzaamheid aan hunne ouders of oversten verschuldigd.
7 V. Moet men ook aan zijne ouders gehoorzamen, als zij iets gebieden , dat kwaad is ?
A. Neen ; dan mag men hun niet gehoorzamen.
Als het mocht gebeuren, dat ongodsdienstige ouders iets zonden gebieden dat kwaad is , bv. liegen , stelen , tot stelen helpen, Zondags zonder wettige reden geenJIis te hooren enz. dan mag men hun niet gehoorzamen , omdat ze geen recht hebben iets kwaads te gebieden , en dus hunne geboden dan zeker cniccttig, niet verplichtend zijn.
144
In do keuze van een staat des levens behoeven kinderen aan hunne ouders wel niet te gehoorzamen, omdat zij in deze keuze vrij , aan hen niet onderworpen zijn ; maar ze moeten hen in deze gewichtige aangelegenheid wel degelijk raadplegen, vooral als ze een huwelijk willen aangaan. De eerbied die kinderen aan hunne ouders verschuldigd zijn , vordert dat zij hun raad vragen, en bij tijds kennis geven van hun voornemen.
8 V. Wie zondigen tegen de behulpzaamheid , welke men aan zijne ouders moet bewijzen ?
A. Zij , die hen in hunnen geestelijken of lichamelijken uood niet bijstaan , als zij zulks kunnen.
AVij zondigen tegen de behulpzaamheid aan onze ouders verschuldigd, als wij hen niet helpen als wjj kunnen, ten le, in hunnen geestelijken nood, d. 1., als hunne ziel en zaligheid in blijkbaar gevaar verkeert, bv. als wij verzuimen voor hunne bekeering te bidden als ze ongodsdienstig leven ; als we geen zorg drogen dat ze, gevaarlijk ziek zijnde, bijtijds bediend worden; dat ze na hun dood een uitvaart krijgen volgens hun stand; als we hunne uiterste-wilsbeschikkingen niet uitvoeren enz.
Ten 2e, als we hun in hunnen lichamelijken nood , d. i. in hunnen nood naar het lichaam, in tijdelijke behoefte niet bijstaan, als we kunnen; bv. als we verzuimen hen op te passen, te bezoeken, van 't noodige te voorzien , den dokter te laten komen als ze ziek zijn; als we hen niet naar vermogen ondersteunen als ze zelf den kost niet meer kunnen verdienen, tot gebrek of armoede vervallen enz.
9 V. Waarom moeten wij onze ouders zoo zeer eeren en beminnen ?
A. Omdat ons alle goed naast God van hen komt , en zij ons in Gods plaats besturen.
J
145
Dua moeten wij, volgens dit antwoord van den Catechismus, om twee redenen onze ouders zoo zeer eeren en beminnen.
Ten 1ste, omdat ons alle goed in zijn oorsprong, naast God, van hen komt, het leven, de eerste verzorging enz. Daarom drukt de H. Schrift ons dien plicht van dankbaarheid zoo zeer op het hart, zeggende : âEer uwen vader uit yeheel uw hart, en vergeet de smarten uwer moeder niet. Bedenk, dat gij zonder hen niet zoudt geboren zijnquot;. Hoe kunt gjj hun vergelden wat zij u gaven? (Eed. VII. 29.30.)
Ten 2de, omdat zij ons in Gods plaats besturen, omdat zij Gods plaatsbekleeders zijn, en wij dus God zeiven in den persoon onzer ouders moeten eereu en beminnen. God toch is do oorsprong van alle vaderschap en gezag!
In de volgende vraag geelt de Catechismus eene 3de bo-â¢weegreden aau, om onze plichten jegens onze ouders toch trouw te vervullen , nl. dat God aan de onderhouding van dit gebod eene bepaalde, eene bijzondere belofte verbonden heeft.
10 V. Wat heeft God beloofd aan de hinderen , die hunne ouders eeren ?
A. Hier een lang en gelukkig leven, en hierna het eeuwig leven.
Hier, d. i., op aarde, een lang en gelukkig leven. Een kind dat dankbaar is voor het leven , dat het, naast God, van zijne ouders ontving, is waard dat het die gave lang geniete , dat het hier lang leve , en gelukkig. Dit bevestigt de H. Apostel Paulus zelf, zeggende: vEer uwen vader en uwe moeder, welk gebod het eerste is, waaraan eene bijzondere belofte verbonden is: opdat het u welga , en gij lang levet op narde, (Br. aan de Ephes. VI. 2. 3.)
Maar, zal wellicht iemand uwer denken: die en die was toch zoo braaf, had zijn vader en moeder zoo innig lief, en toch hebben ze zoo lang gesukkeld, en zijn zoo jong gestorven. Hoe is dan Gods belofte aan hen vervuld ?
Die belofte is voorwaardelijk: als een lang en gelukkig,
C 10
146
menschelijker wijze gesproken , een voorspoedig leven hun zalig is. Is voor sommige brave kinderen een lang en voorspoedig leven op aarde niet zalig , dan geeft God hun vroegtijdig het eeuwig leven , dat veel beter is dan het langste-en gelukkigste leven op aarde. Veronderstel, iemand heeft u een kwartje beloofd als ge goed oppast. Ge hebt goed opgepast, en nu geeft hij u in plaats van een kwartje een gouden tientje. Zult ge nog zeggen, dat die goede manzijne belofte niet heeft vervuld?
Bovendien leert de geschiedenis , en de dagelijksche ondervinding , dat kinderen die hunne ouders trouw eeren, meestal op aarde lang en gelukkig leven, op zichtbare wijze door God gezegend worden. Daarom geldt het spreekwoord onder de-menschen: dien braven zoon gaat het hier goed : geen wonder. hij heeft het aan zijn ouders verdiend. Hij was er zoo goed voor! En omgekeerd, van een ondeugenden, ontaarden zoon: 't gaat hem slecht : geen wonder : hij heeft het aan zijne ouders verdiend. âVervloekt zij hij â zoo lezen we in de H. Schrif-tuur â die zijnen vader en zijne moeder niet eert; en al het volk zal zeggen: Amenquot;, het zij zoo. (Dcut. XXVII. 16.)
Kinderen, eert dus uwen vader en uwe moeder al de dagen uws levens, opdat gij lang en gelukkig moogt leven op aarde, en hierna, na dit leven, in den hemel het eeuwig leven moogt verwerven. Amen.
ZEVEN EN TWINTIGSTE LES.
Van het vijfde , zesde en negende gebod.
1 V. Hoe luidt het vijfde gebod ?
A. Gij zult uiet doodslaan.
God verbiedt in het 5de gebod door te zeggen; gij zult niet doodslaan , niet alleen onwettigen vrijwilligen doodslag, maar ook alles wat tot doodslag leiden kan ; en niet alleen
147
alles waardoor we met de daad, maar ook slechts met woorden, ja enkel met den wil, ons zeiven of andere menschen onrechtvaardig benadeelen, vooral naar het lichaam. Dit blijkt meer duidelijk uit het rijmpje : âMet wil of met werken sla niemand dood.quot; Verder zal dit alles duidelijk worden door de verklaring der twee volgende vragen.
2 V. Wat verbiedt het vijfde gebod ?
A. Zich zelven of andere menschen, zonder wettige macht en reden , te dooden , te kwetsen of merkelijk te hinderen.
Het vijfde gebod verbiedt dus: ten 1ste zich, seleen te dooden, zelfmoord te bedrijven, bv., zich zelven moedwillig verdrinken, ophangen, doodschieten enz.
Ten 2de zich zelven zonde)' wettige reden te kwetsen, d. L, vrijwillig bezeeren, verwonden , van een of ander lidmaat be-rooven, verminken enz. Is zoo iets noodzakelijk, bv. hand of vinger af te snijden , om de overige ledematen te behouden, het leven te redden, dan strijdt zulks niet met het vijfde gebod, dan is 't geen kwaad, omdat er dan wettige reden bestaat in tijd van nood dat zelf te doen , en anders door een dokter te laten doen.
Ten 3de zich zelven zonder wettige reden merkelijk te hinderen in zijne gezondheid, in ons lichamelijk welzijn. Hij dus die zich zelven dikwijls overgeeft, bv. aan dronkenschap, on-kuischheid of losbandigheid, zondigt niet alleen tegen de deugd van matigheid en zuiverheid , maar tevens tegen het vijfde gebod, omdat hij zijne gezondheid, zijn leven door de gewoonte dier zonden merkelijk hindert.
Ten 4de verbiedt het vijfde gebod, andere menschen, zonder wettige macht en reden, te dooden, te kwetsen of merkelijk te hinderen.
God alleen is de heer van leven en dood. Hij alleen heeft uit zich zelven recht en macht over het leven van den mensch, zijn schepsel. Maar, wijl Hij er de heer van is, kan Hij dat
148
recht en die macht ook aan anderen meedeolen. En Hij heeft dat gedaan. Hij heeft aon de hooge wereldlijke machtbe-kleeders, aan Zijne Majesteit den Koning, en diens plaatsvervangers, bv. aan de rechters in strafzaken de macht verleend om groote booswichten tot de doodstraf te veroordeelen, ter dood te doen brengen.
Als dus de rechters over groote misdadigers de doodstraf uitspreken, zondigen zij geenszins tegen het vijfde gebod, omdat zij er wettige macht en reden toe hebben. Dit leert de H. Apostel Paulus nadrukkelijk, waar hij {in zijn Brief aan de Romeinen, XIII. 4) zegt: âBoet gij het kwade, zoo vrees! want dan hebt gij de straf der hooge wereldlijke overheid te vreezen. Want niet te vergeefs, als tot ijdele vertooning, tot bangmaking, draagt zij het zwaard, het zinnebeeld der straffende gerechtigheid, en bijzonder van de macht over leven en dood, maar om het te gebruiken, waar dit noodig is; want ook tot het bestraffen van den misdadiger is de overheid Gods dienares, eene wreekster om te straffen wie kwaad doet.quot;
Kinderen, weet wel, dat ook uwe ouders en hunne plaatsvervangers , eenigermate in die macht deelen; u dus gerust eenige lichamelijke straffen, des noods een goed pak slaag mogen geven, als gij ongehoorzaam, koppig, astrant, brutaal tegen hen zoudet zijn. Dooden , kwetsen, merkelijk hinderen mogen zij a zeker niet; want zoover strekt hunne macht zicli niet uit.
Alwie, zonder wettige macht en reden, zjjn evenmensch vrijwillig doodt, bv. door met een geweer op hem te schieten, met een knuppel of kei hem te slaan, met eene sabel of een mes te steken enz., of op eenige wijze hem merkelijk kwetst aan een zijner ledematen , of hem merkelijk hindert in zijne gezondheid, bv. mot vechten en slaan, doet metterdaad groote zonde tegen liet vijfde gebod.
Het volgend antwoord leert wanneer wij met woorden ot enkel met den wil tegen hot vijfde gebod zondigen.
3 V. Zondigen wij tegen het vijfde gebod slechts dan, als irij met de daad iemand hinderen ?
149
A. Neen ; maar ook als wij iemand vervloeken, hem kwaad wensehen , en gramschap , haat of nijd in het hart toedragen.
De Catechismus antwoordt: Neen ; d. w. z., dat wij tegen het vijfde gebod niet slechts dan zondigen, als wij met de daad iemand zonder wettige macht en reden dooden, kwetsen of merkelijk hinderen, maar ook ten Iste als wij iemand anders, andere menschen met woorden vervloeken, d. i., onder aanroeping van God of den duivel de eeuwige verdoemenis toewensehen. Zeker kunnen we ook tegen het vijfde gebod zondigen door enkel inwendig, alleen met den wil, van harte gemeend, een ander, of ook ons zeiven te vervloeken. Maar het antwoord van den Catechismus slaat voornamelijk, zoo niet uitsluitend op zonden, die we tegen het vijfde gebod uiterlijk door ivoorden tegen andere menschen kunnen bedrijven.
Ten 2de, ook als wij hem, onzen evenmensch kwaad wensehen, zonder daarbij God of den duivel nan te roepen, dat onze wensch vervuld worde. Daarin vooral bestaat het verschil tusschen iemand vervloeken, en hem kwaad wensehen. Iemand vervloeken is dus uit zijn aard nog erger dan hem louter kwaad wensehen.
Ten 3de geeft de Catechismus de voornaamste zonden aan die enkel met den wil tegen dit gebod kunnen bedreven worden , als hij zegt: en hem , onzen evenmensch , gramschap , haat of nijd in het hart toedragen.
Gramschap , d. i., de ongeregelde begeerte om wraak to nemen , m. a. w., om onzen evenmensch , door wien we be-leedigd zijn , of ons beleedigd achten, eveneens te hinderen , hem zijn beleediging betaald te zetten, kwaad met kwaad te vergelden.
Haat toedragen, d. i., boosaardig tegen onzen evenmenscli gezind zijn, hem kwaad gunnen, wensehen dat hij ongelukkig zij.
Nijd is eene ongeregelde droefheid over het geluk en den voorspoed van onzen evenmensch, omdat wij meenen, dat zijn geluk ons geluk vermindert.
Alle deze inwendige soorten van zonden strijden wel dege-
150
lijk tegen liet vijfde gebod; want wat men met de daad niet raag doen, zichzelven of andere menschen dooden , kwetsen of merkelijk hinderen, mag men ook niet willen met het hart, mag men ook niet toewenscber.
4 V. Wat leert ons Christus aan onze vijanden te doen ?
A. Hij leert ons alle ongelijk te vergeven , voor onze vijanden te bidden , en ook het kwaad met goed te vergelden.
Hij leert ons aan onze vijanden, d. i , aan degenen die ons kwaad doen of kwaad willen doen, ten 1ste alle persoonlijk ongel ijl' uit ter harte te vergeven, en ook uiterlijk te tooneu, dat wij hun geen afkeer , haat of wraak toedragen, en bijgevolg mogen we de gewone teekenen van vriendschap en beleefdheid, d. i. j zoodanige die wij aan allo menschen bewijzen, ook aan onze vijanden niet weigeren.
Ik zeide, a. dat we alle persoonlijk , maar niet, dat we alle zakelijk ongelijk moeten vergeven ; want als iemand ons onrechtvaardig benadeelt in onze zaken , in ons eigendom of in onzen goeden naam , mogen we schadevergoeding, eerherstelling vragen. 6. Dat we aan onze vijanden de geicone teekenen van vriendschap of beleefdheid niet mogen weigeren; maar niet, dat we op zichzelf op zonde verplicht zijn hun bijzondere teekenen van vriendschap te geven.
Ten 2de heeft Christus ons geleerd voor onze vijanden te hidden. Daartoe zijn we op zonde verplicht in dezen zin, dat we hen niet mogen uitsluiten uit die gebeden, waarin we voor alle menschen bidden, gelijk we doen in het Onze Vader, in het Weesgegroet en in meest alle andere gebeden.
Ten 3de, ooh het kwaad met goed vergelden. Wel is het een gebod: geen kwaad met kwaad te vergelden ; dat mogen we niet. Maar kwaad met goed te vergelden is op zichzelf ons niet op zonde geboden , evenmin als we op zonde gehouden zijn aan onze vijanden bijzondere teekenen van vriendschap
151
te bewijzen, of voor hen in 'fc bijzonder te bidden. Doch als raad heeft Christus ons dit alles ten zeerste aanbevolen , â en ook door zijn woord en voorbeeld geleerd. Zijn woord luidt (bij Matth. V. 43â48). âGij hebt gehooord dat er gezegd is; Gij zult uwen naaste lief hebben , en uwen vijand zll't gjj haten. Doch ik zeg u : hebt uwe vijanden lief, doet wel aan die u haten , en bidt voor hen die u vervolgen en belasteren , opdat gij kinderen , (zooveel mogelijk volmaakte navolgersquot;» moogt zijn van uwen Vader, die in den hemel is, die zijne zon doet opgaan over goeden en kwaden , en regenen doet over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. AVant indien gjj lief hebt die n liefhebben; wat loon zult gij gebben'r (Het antwoord op de vraag ia ontkennend: geen loon zult gij daarvoor hebben in den hemel.) Doen ook de tollenaars (groote zondaars) dat niet ? En indien gij uwe broeders alleen groet, wat doet gij voortreffelijks ? doen ook de Heidenen dat â niet? quot;Weest dan gij lieden volmaakt (in uwe liefde tot de mensohen, niet alleen uwe vrienden, maar ook uwe vijanden beminnende), gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is.quot;
ïot de beoefening dezer volmaakte liefde jegens onze vijanden spoorde Jezus ons nog krachtdadiger aan door Zijn voorbeeld. Bijna gedurende zijn geheel sterfelijk leven werd Hij vervolgd, beleedigd, belasterd, gehoond en eindelijk onrechtvaardig op de smadelijkste en smartelijkste wijze aan 't kruis genageld en dood gemarteld; Hij bezat de macht om zijne vijanden te straften gelijk ze verdienden. Maar neen. Hij had ook hen lief, deed wel aan die Hem haatten, en bad voor hen die Hem vervolgden en lasterden. âJezus zeide: Vader.' vergeef het hun! want zij weten niet wat zij doen! (Lmc. XXIII. Si.)
5 V. Hoe luidt het zesde gebod ?
A. Gij zult geen overspel doen.
6 V. Wat verbiedt het zesde gebod ?
A. Alle uitwendige zonden van onkuischheid
152
door woorden of werken , en het gebruik van oneerbare boeken , gezangen en beelden.
7 V. Hoe luidt het negende yehod ?
A. Gij zult uws naasten huisvrouw niet be-geeren.
8 V. Wat verbiedt het negende gehod ?
A. Alle inwendige zonden van onkuischheid door vrijwillige gedachten of begeerten.
9 V. Wat gebieden het zesde en negende gebod ?
A. De deugd van zuiverheid met zorg te bewaren.
10 V. Welke middelen zijn er om de onkuischheid. te vermijden en de zuiverheid te bewaren ?
A. Ten 1ste. Zich van overdaad onthouden; ten 2de het gezelschap van ongelijke en van losbandige personen schuwen ; ten 3de Gods tegenwoordigheid gedenken ; ten 4de de godsvrucht tot Onze Lieve Vrouw ; te)i 5de het dikwijls ontvangen der HH. Sacramenten.
Het 6de en 9de gebod zijn ontkennend uitgedrukt; het 6de gebod verbiedt alle uitwendige, het 9de alle inwendiye zonden van onkuischheid.
Men behoeft hiervan alleen dit aan de kinderen te zeggen: als zij ooit iets vrijwillig gedacht, gedaan, gesproken of gezongen hebben , waarover zij zich voor anderen zouden schamen, dat het dan goed is, dat zij er hunnen Biechtvader over spreken, en het hem zeggen : want, ofschoon het daarom altijd nog geen zonde is, is het toch goed, dat zij het hem zeggen.
Niet zelden zien kinderen iets wat louter onfatsoenlijk of minder zedig is, als wezenlijke onkuischheid aan. Al degenen
153
die met de opvoeding van kinderen belast zijn , moeten dus zorgen ze niet in eene valsche conscientie te brengen. Wat wezenlijk: onkuisch, en door het 6de of 9de gebod op doodzonde verboden is, geeft het antwoord van den Catechismus duidelijk genoeg te verstaan. Men wachte zich dus zorgvuldig desbetreffende tot bijzonderheden af te dalen , waardoor men kinderen kwaad zou kunnen leeren, dat zij niet kenden, waardoor men hun dus werkelijk ergernis zou kunnen geven !
De zuiverheid is de schoonste van alle deugden, wijl zij den mensch in zeker opzicht boven de Engelen verheft ; want deze zijn zonder inspanning, van hunne natuur zuiver, terwijl het de mensch slechts door strijd en moeite is. Daarom dan ook zijn wij, zoo lang wij leven, in gevaar die deugd te verliezen, want wij dragen dien schat in een broos vat, dat licht breekt, en op een glibberig pad, waarop men lichtelijk uitschuift. Hierdoor wordt ons aangeduid, dat wij voorzichtig moeten zijn vooral in onze oogen, om naar niets te zien, in onze ooren, om naar niets te hooien wat niet goed is, en trouw de middelen moeten gebruiken, in het 10de Antw. aangegeven, om de onkuischheid te vermijden en de zuiverheid te bewaren.
Welk verschil is er tusschen het Gele en dele gebod ?
Dat het 6de gebod de uitwendige, en het 9de gebod de in-u-endige zonden van onkuischheid verbiedt.
ACHT EN TWINTIGSTE LES.
Van liet zevende, achtste en tiende gebod.
1 V. Hoe luidt het zevende c/ebod ?
A. Gij zult niet stelen.
Het 7de gebod luidt: gij zult niet stelen, en is dus ontkennend uitgedrukt.
154
2 V. Wat verbiedt het zevende (jehod ?
A. Alle zonden , waardoor wij onzen naaste op eene onrechtvaardige wijze in zjjne tijdelijke goederen benadeelen.
Het zevende gebod verbiedt elk nadeel, dat we onzen naaste aandoen op eene onrechtvaardige wijze, d. w. z., op eenige wijze, die met de deugd van rechtvaardigheid strydt, en dus het strikt recht van onzen naaste schendt in zijne tijdelijke goederen, d. i. in de goederen der fortuin, bv., in geld, huis, huisraad , kleed , land , enz., dat hem toebehoort, dat zijn eigendom is.
Die goederen worden hier tijdelijke goederen genoemd, omdat ze maar eenen tijd duren , alleen hier op aarde , op deze wereld, wier gedaante voorbijgaat, in tegenstelling van de hemelsohe goederen , die in eeuwigheid bijblijven.
Hot zevende gebod verschilt dus in dit opzicht hierin van het vijfde en achtste gebod, dat het vijfde gebod ons verbiedt elk nadeel, dat we onzen naaste onrechtvaardig aandoen rechtstreeks naar zijn lichaam, in zijne gezondheid of in zijn leven â⢠het achtste, in zijne eer en faam, terwijl het zevende verbiedt hem onrechtvaardig in zijne tijdelijke goederen te benadeelen.
3 V. Hoe luidt het tiende yehod ?
A. Gjj zult uws naasten huis niet begeeren, noch zijn land, noch zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel , noch iets van alles wat hem toebehoort.
4 V. Wat verbiedt het tiende gebod ?
A. De begeerte tot stelen en om onzen naaste op eene andere onrechtvaardige wijze in zijne tij--delijke goederen te benadeelen.
De begeerte of den wil hebben tot stelen, of om onzen
â quot;i
155
naaste op eenige andere onrechtvaardige wijze in zijne tijdelijke goederen te benadeelen , is reeds kwaad , zonde, al zou men later niet in de gelegenheid zijn om te stelen wat men verlangde, of om zijnen naaste op eenige andere manier met der daad in zijne tijdelijke goederen te benadeelen. Want wat men niet metterdaad doen mag, mag men ook niet willen of begeeren.
Is er ook verschil tusschen het 7de en 10de gebod ?
Ja, voornamolijk tweeërlei. Ten 1ste, dat het 7de gebod de uitwendige zonden, en het 10de gebod de inwendige zonden van onrechtvaardigheid verbiedt.
Ten 2de, dat hij die enkel tegen het 1 Ode gebod gezondigd, zijnen naaste alleen door den wil of met de begeerte onrechtvaardig benadeeld heeft, niet gehouden is tot schadeherstelling. tot restitutie , waartoe hij die tegen het 7de gebod gezondigd heeft wel degelijk verplicht is. (Zie 8ste V.)
5 V. Noem eenkje zonden ran omâ ecldvacuy/igheid ?
A. Iemands goed stelen ot' helpen stelen , gestolen goed koopen ot' bewaren ; den arbeidsman zijn loon onthouden ; in processen of koopmanschappen bedrog of valschheid plegen.
Als voorbeelden van eenige zonden van onrechtvaardigheid, of, van eenige wijzen, waarop we onzen naaste onrechtvaardig in zijne tijdelijke goederen benadeelen , haalt de Catechismus hier aan to, 1ste, iemands goed stelen. Stelen is een tijdelijk goed, dat onzen naaste toebehoort, heimelijk, tegen zijn redelijken wil weghalen.
Tegen zijn redelijken wil, w. z. , dat de eigenaar er met reden op tegen is. Het zou dus geen stelen zijn, als iemand in den uitersten nood, om zich in 't leven te houden, heimelijk een stuk brood van zijn naaste wegnam; want niemand mag met reden, redelijkerwijs een stuk biood weigeren aan iemand, die in 't naaste gevaar is van honger te sterven.
De Catechismus neemt hier het woord stelen in algemeenen zin, zoodat hier door stelen met enkel diefstal, maar ook
156
roof te verstaan is. Rooven is iemand met geweld eenig tijdelijk goed afnemen. Roof is uit zijn aard eene grootere zonde dan enkele diefstal , omdat door roof den eigenaar behalve het nadeel in zijn tijdelijk goed , bovendien geweld en smaad worden aangedaan.
Ten 2de; Iemands goed helpen stelen. Door op eene of andere wijze in stelen of rooven te helpen, bv. door aanraden, beschermen, gebieden enz. (Zie 41ste Les V. 1. 2.), wordt men medeplichtig aan zonde van onrechtvaardigheid door een dief of roover bedreven.
In 't bijzonder ten 3de, gestolen yoed hoepen of' heivaren ., d. w. z., goed, dat men zeker weet of met reden denkt gestolen te zjjn , koopen of bewaren.
Waren er geen helers, dan waren er minder stelers.
Ten 4de: Den arbeidsman zijn verdiend loon onthouden, d. i., niet, of niet het volle loon, de volle huur betalen. Deze zonde van onrechtvaardigheid roept door hare groote boosheid Gods rechtvaardige wraak ook in deze wereld af. (Zie 41ste Les, 7de en 8ste V.) Doch zondigen werkgevers tegen de rechtvaardigheid door den arbeidsman zijn loon te onthouden, ook de werklieden zondigen tegen de rechtvaardigheid als ze dagdieven. â Ook al degenen die schulden maken die ze voorzien niet te zullen kunnen betalen, of die hunne schulden niet betalen ofschoon ze daartoe in staat zijn, zondigen tegen de rechtvaardigheid. Dezulken doen menig eerlijk man zuchten , die te goeder trouw met hen gehandeld heeft.
Ten ode, in processen of iMopmanschappenhedrog of valsch-heid plegen.
In processen, d. i., in zaken die voor 't gerechtshof, de rechtbank dienen , wordt bedrog of valschheid gebruikt bv. door valsche getuigenis aan te halen, de getuigen om te koopen, valsche handteekeningen of stukken te berde te brenger enz.
In koopmanschappen, d. i., in handelszaken, bij koop en verkoop , bedrijft men bedrog of valschheid bv. indien men Talsche of gemengde waren verkoopt als echte en zuivere,
157
dus tegen den prijs die echte en zuivere waar kost; wanneer men in maat, gewicht of getal den kooper bedriegt. Hoort wat de H. Schriftuur daarvan zegt : â Tweeërlei gewicht, tweeërlei maat, d. i., een valsch gewicht en eene valsche maat bij den inkoop; en een ander valsch gewicht en eene andere valsche maat bij den verkoop , heide zijn den Heer een gruwel?'' (B. der Spreuken, XX. 10.) âEene bedrieglijke weegschaal is den Heer een gruwel; maar een volkomen gewicht is hem liep' (T. a. p. XI. 1.)
6 V. Hoe luidt het achtste gehod ?
Gij zult tegen uwen naaste geen valsche getuigenis geven.
7 V. Wat verbiedt voornamelijk het nchtste yehod ? A. Valsche getuigenis , leugentaal, kwaadspreken , lasteren , van iemand lichtvaardig kwaad vermoeden of oordeelen.
Ten 1ste T alsche getuigenis , vooral welke men voor het gerecht tegen den naaste aflegt, d. i., door iets dat men weet of meent valsch, niet waar te zijn, toch als waar, of waaraan men twijfelt , toch als zeker waar te getuigen.
Ten 2de leugentaal* Liegen is tegen zijn gemoed spreken.
Men kan dus liegen, ofschoon men iets zegt dat waar is ; als men namelijk zelf denkt dat het niet waar is; en ook omgekeerd ; men kan iets vertellen, wat men denkt waar te zijn , ofschoon het niet zoo is; men liegt dan echter niet, want men spreekt dan niet tegen zijn gemoed, wijl men denkt, dat de zaak is gelijk men ze vertelt.
Onderwijzers behooren hunne leerlingen ter dege te vermanen nooit vrijwillig te jokken , te liegen, en kinderen , die het als uit gewoonte doen , eene geduchte straf te geven.
Om ze een rechtmatigen afschrik van elke vrijwillige leugen in te prenten kan dienen: a) dat elke vrijwillige leugen , zelfs om beterswil, d. w. z., om zich zeiven of onderen te
158
redden , eene verdiende straf te doen ontgaan , of uit scherts (tenzij de toehoorders genoegzaam kunnen verstaan , dat 't geen men vertelt zoo niet gemeend is, maar alleen verzonnen en gezegd is om ze eens te laten lachen), altijd, uit haar aard, eene dagelij ksche zonde is.
b.) Dat men door eene op zich zelve kleine leugen soms groote zonde kan bedrijven, nl., indien we kunnen en moeten voorzien, dat ze eene groote verergernis ten gevolge zal hebben , wat soms gebeurt, als men uit scherts wereldlijke , maar vooral geestelijke overheden door leugentaal bespottelijk maakt.
c.) Dat leugentaal spreken den mensch onteert , en eenig-zins gelijk maakt aan den duivel, die wanneer hij de leugen spreekt, spreekt uit hetgeen hem eigendommelijk toekomt want hij â de duivel â is van aard en in daad een leugenaar en de vader, de uitvinder der leugen (Zie 't Evang. van Joannes VIII. 44.)
Ten 3de en 4de verbiedt het 8ste gebod kwaadspreken r lasteren.
Welk verschil is er tusschen kwaadspreken en lasteren ?
Kwaadspreken is iets kwaads van iemand vertellen, dat wel waar, maar nog niet bekend, publiek is.
Lasteren is kwaad van iemand vertellen, dat niet waar is.
Ten 5de en 6de, van iemand lichtvaardig, d. i., zonder dat men er goede, voldoende of genoegzame reden toe heeft, kwaad vermoeden, d. i., wel niet voor zeker houden, maar toch vrijwillig veronderstellen; dus iemands deugd of goede hoedanigheid betwijfelen, bij zich zeiven in twijfel trekken; â of oor-deelen, d. i., het in zijn hart voor waar en zeker houden.
Met goede reden kwaad van iemand vermoeden of oordeelen is geene zonde. Bv. Als er in een winkel telkens iets weg zou zijn van datgene, waar niemand mee omgaat dan de bedienden, dan mag de winkelier gerust vermoeden, ja oordeelen, dat een zijner bedienden hem besteelt. Nog dient opgemerkt, dat invallende vermoedens of oordeelen geene zonde zijn, als we er niet vrijwillig in toestemmen, als de wil er geen deel aan neemt,, ze afkeurt, zoodra men bemerkt, dat ze lichtvaardig zijn.
159
8 V. JVaf moet hij doen , die zijnen naaste onrechtvaardig in zijne eer of tijdelijke goederen heeft beschadigd ?
A.. Hij is verplicht die schade , zoodra en zoo goed hij kan , te herstellen.
Hij, die zijnen naaste onrechtvaardig in zijne eer en faam, in een woord: in zijn goeden naam , of in zijne tijdelijke , of in zijne lichamelijke goederen beschadigd heeft, is verplicht restitutie te doec, d. w. z., het gestolene terug te geven, en do toegebrachte schade te herstellen als hij kan.
Als iemand zijnen naaste in een der drie opgenoemde goederen onrechtvaardig beschadigd heeft, is het niet genoeg dat hij die zonde van onrechtvaardigheid openhartig biechte, maar hij moet bovendien den ernstigen wil hebben om metterdaad restitutie te doen als hij kan, en zoodra, en zoo goed, d. i., zooveel hij redelijkerwijze kan. Indien zoo iemand geene restitutie wil doen als hij kan, en zoodra en zoo goed hij kan, kan hij ook geen waar berouw hebben over zijne zonde ; want dan gaat hij minttens met den wil voort in de zonde van onrechtvaardigheid, die hij vroeger metterdaad bedreven heeft. In dien zin zegt dan ook de H. Augustinus en het Kerkelijk Wetboek met hem : âAls hij, die andermans goed onrechtvaardig verkregen of het beschadigd heeft, het niet teruggeeft of de schade herstelt als hij kan, dan doet hij geene boetvaardigheid, maaibij veinst ze alleen : de zonde van onrechtvaardigheid wordt niet vergeven, tenzij men de onrechtvaardigheid zelve herstellequot;, althans met den wil, als men waarlijk anders niet kan, en ook metterdaad als men kan, en zoodra en zoo goed men kan.
Die wil, of, het voornemen om het onrechtvaardig verkregen goed of aangedane schade te herstellen, moet ernstig gemeend zijn, en zoo vast en sterk, dat men ook bereid is die middelen te gebruiken, welke noodig zijn om het aangedaan onrecht zoodra en zoo goed mogelijk te kunnen herstellen. Dus zoo iemand, en eveneens hij die schulden heeft, mag er zoo maar niet op aanleven, alsof hij niets te betalen of te herstellen had,
160
maar hij moet zich eenige ontbeeringen getroosten, 't sober aanleggen, bezuinigen, om zoodra en zoo goed mogelijk aan zijn plicht te kunnen voldoen.
De noodzakelijkheid en de moeilijkheid der restitutie moesten alleen redenen te over zijn om een ieder van alle vrijwillige onrechtvaardigheid af te schrikken, te weerhouden. We zien er uit, dat iemand die eene groote onrechtvaardigheid begaat, niets wint en veel verliest, minstens de rust van zijn geweten; komt zijne misdaad uit, schande , boete, gevangenis... hier , en, als hij geene ware boetvaardigheid doet, hierna de eeuwige straf der hel!
9 V. Aan tvien moet die herstelling geschieden ï A. Aan hem , die de schade geleden heeft, of aan zijne rechtverkrijgenden.
D. i., aan zijne erfgenamen.
NEGEN EN TWINTIGSTE LES.
Van de geboden der II. Kerk.
1 V. Zijn wij verplicht de geboden der H. Kerk te onderhouden ?
A. Ja , zoowel als de goddelijke geboden, omdat zij ons gegeven zijn door degenen, die ons in Gods plaats besturen.
Ja , d. w. z. dat we wel degelijk verplicht zijn de geboden der II. Kerk, d. i. van den Paus en van de Bisschoppen der H. Kerk in vereeniging met den Paus , te onderhouden , te
161
volbrengen, zoowel als de goddelijke geboden , d. w. z., evenzeer , evengoed als we, en onder dezelfde zonde , waarop we verplicht zijn de goddelijke geboden, de tien geboden Gods, te onderhouden.
Dus, als wij ook maar één gebod der H. Kerk , met genoegzame kennis en genoegzamen vrijen wil in eeno groote zaak overtreden, bv. op een geboden Heiligdag geen Mis hooren, op een Vrijdag of Zaterdag vleesch eten, doen we zoowel eene doodzonde f maken we ons zoowel aan de eeuwige straf der hel schuldig, als door één der tien geboden Gods volkomen vrijwillig in eenig merkelijk punt te overtreden.
De Catechismus geeft ons de reden duidelijk aan, waarom we verplicht zijn de geboden der H. Kerk zoowel te onderhouden als de goddelijke geboden. En die reden is: Omdat zij, d. i., de geboden der H. Kerk ons gegeven zijn door degenen , die ons in Gods plaats besturen, nl. door den Paus van Rome, en de Bisschoppen der H. Kerk in vereeniging met den Paus. Z. H. de Paus en de Bisschoppen , die in vereeniging zijn met den Paus van Rome, zijn door God zeiven, door Jesus Christus aangesteld als Zijne plaatsvervangers en gemachtigd om in Zijnen naam , aan hunne onderhoorige geboden te geven , wetten voor te schrijven.
De woorden, die Jesus desbetreffende tot Petrus en de overige Apostelen, en in hen tot hunne wettige opvolgers sprak , zijn zoo klaar en duidelijk mogelijk. vDie naar w hoort, hoort naar mij; en die u versmaadt, versmaadt mij, en die mij versmaadt, versmacidt hem, die mij gezonden heeftquot;. (Luc. X. 16.)
2 V. Hoeceel geboden der H. Kerk zijn er ? A. Voornamelijk vijf.
De Catechismus leert niet , dat er maar vijf geboden der H. Kerk zijn ; immers er zijn er veel meer; o. a. is het een Kerkelijk gebod , dat men, om waardig te communiceeren , nuchteren zij van des nachts 12 uren (33ste ics, 14de T.); dat een Katholiek geen huwelijk, dus ook geen verkeer,
C 11
162
mag aangaan met onkatholieken, bv. met een Protestant (38ste Les, 2de V.) enz. enz. Maar hij leert, dat er voornamelijk vijf geboden der H. Kerk zijn, dat de vijf volgende onder alle overige geboden der H. Kerk de voornaamste zijn. En die vijf geboden zijn de voornaamste, omdat ze alle christenen aangaan, en hunne voornaamste christelijke plichten bepalen.
3 V. Zeg de vijf geboden der H. Kerk.
A. 1. De geboden Heiligdagen zult gij vieren;
2. Dan ook Mis hooren met goede manieren ;
3. Geen geboden vastendagen zult gij breken ;
4. Gij zult ten minste eens 's jaars aan den Priester uwe Biecht spreken ;
5. En nutten omtrent Paschen het lichaam des Heeren.
Het eerste van de vijf geboden der H. Kerk luidt: De geboden Heiligdagen zult gij vieren, d. L, in eere houden, godsdienstig onderhouden.
4 V. Wat wordt in het eerste gebod verstaan door Heiligdagen ?
A. De feestdagen , die wij als Zondagen moeten vieren.
Het tweede gebod der H. Kerk bepaalt, dat we dan, d. i., op de feestdagen, die wij als Zondagen moeten vieren, ook, d. i., zoowel als op eiken Zondag, Mis moeten hooren met
yuede manieren.
5 V. Wat is Mis hooren met goede manieren ?
A. Mis hooren met eerbied en aandacht.
Ten Iste. met eerbied, d. i., zóó dat we door onze houding-
163
de inwendige hoogachting toonen , welke wij aan het H. Sacrificie der Mis verschuldigd zijn {zie Siste Les), en dus ten minste uiterlijk aan dien eerbied niet te kort blijven door bv. gedurende de H. Mis âte praten , te lachen , rond te zien, vrijwillig te slapen, eene ongodsdienstige houding aan te nemen enz.
Ten 2de, met aandacht. Onder de vereischte aandachtigheid wordt hier verstaan:
a) He algemeene intentie om God door het hooren of bijwonen der H. Mis te vereeren.
Om te voldoen aan 't gebod van Mis te hooren, is men niet verplicht die intentie, nl. om God te vereeren, uitdrukkelijk te maken; genoeg, dat men ze niet uitsluite. Zou iemand dit doen, en op een Zon- of Heiligdag niet uit eenige godsdienstige beweegreden, niet om God te vereeren , maar met geheel andere en tegenstrijdige bedoelingen naar de kerk gaan, bv. enkel en alleen om schoone kleederen der menschen te zien ; zeker, zoo iemand zou niet aan't gebod der H. Kerk voldoen. Maar anders ligt die intentie in de daad zelve opgesloten. Immers ieder katholiek mensch gaat op Zon- en Heiligdagen naar de kerk, omdat hij verplicht is Mis te hooren, en in dio daad ligt reeds de algemeene intentie opgesloten om God te vereeren; door om die reden de Mis bij te wonen, eert men God van zelf. Over die intentie behoeft men zich dus niet ongerust te maken , en nog minder over de intentie om door 't bijwonen van de IT. Mis aan 't gebod der H. Kerk te voldoen ; want deze intentie wordt niet eens vereischt.
b.) De eigenlijk gezegde aandacht of oplettendheid. Deze vordert , dat men gedurende de H. Mis zijne aandacht vestige 't zij op de II. Mis zelve, op hetgeen op het altaar plaats heeft, 't zij op hetgeen men bidt; in één woord : dat men zich onder do Mis althans met eenige godsdienstige gedachten bozig houde. Dus de aardacht, welke men bij het Mis hooren hebben moet, vordert, dat men niet vrijwillig, ook slechts inwendig , aan verstrooidheid toegeve door willens en wetens zich met andere wereldsche zaken bezig te houden , en zeker
164
op zijn allerminst, dat men zich aan geene uitwendige verstrooiing plichtig make door iets te doen wat met de inwendige aandaclitigheid onbestaanbaar is, als : praten , lachen slapen, enz. .
Als men iets van dien aard zou doen gedurende een merkelijk deel der H. Mis , of onder de voornaamste deelen der H. Mis , onder de Consecratie en de Nutting, zou men door de Mis, die men zoo uitwendig onaandachtig, en oneerbiedig tevens heeft bijgewoond, niet voldaan hebben aan 't gebod der H. Kerk. {Vergel. 25ste Les, 8ste V.)
Om enkel inwendige verstrooidheden, die men onder de H. Mis zou gehad hebben, denke men niet lichtelijk geen Mis te hebben gehoord, aan 't gebod der H. Kerk in hoofdzaak niet te hebben voldaan.
Dit wordt hier opgemerkt ter geruststelling van angstvallige zielen, en om te voorkomen, dat Religieuzen niet lichtvaardig, bv. tot een kind, dat onder de Mis van verplichting minder goed zou gebeden hebben, zeggen : âOndeugend kind, ge hebt geen Mis gehoordquot;. Doch niemand besluite uit de voorgaande bemerking, dat men zoo nauw niet behoeft te zien om Mis te hooren met goede manieren. quot;VVant, niet alleen op Zon- en Heiligdagen , maar ook door de week maakt men zich door elke wezenlijk vrijwillige verstrooidheid of oneerbiedigheid aan dagelijksche zonde schuldig, hier of hiernamaals in 't vagevuur te boeten.
6 V. Wat wordt in het derde gebod onder vastendagen begrepen ?
A. Ten Isto, de Vrijdagen en Zaterdagen, waarop het gebruik van vleesehspijzen verboden is ; ten 2de, de vastendagen , waarop vleesch en soms nog andore spijzen verboden zijn , en men slechts eenmaal daags eenen vollen maaltijd mag nemen ; ten 3de , St. Marcus en de Kruisdagen, waarop
165
men den geheelen dag vleesch moet derven en vasten tot den middag.
Het derde gebod der H. Kerk luidt: Geene geboden vastendagen zult gij breken, d. w. z., overtreden.
De H. Kerk onderscheidt drie soorten van vastendagen.
Tot de eerste soort behooren de Vrijdagen en Zaterdagen van elke week , waarop men geen vleesch raag eten, (tenzij Kerstmis op een dier twee dagen valt). Men noemt die dagen in één woord ontJwudingsdagen , opdat men zich op die dagen, krachtens het gebod der H. Kerk, moet onthouden van vleesch-spijzen. Onthoudt goed, dat het even groot kwaad is. Zaterdags vleesch te eten als Vrijdags.
De tweede soort zijn do eigenlijke of heele vastendagen:
Op die dagen zijn ten Iste, vleesch, en soms, bv. op Goeden Vrijdag, nog andere spijzen, nl., eieren, en zuivel, d. i. , room, melk, en wat men van melk maakt , zooals boter en kaas, verboden.
Op de eigenlijke vastendagen mag men ten 2de, maar ééns daags een vollen maaltijd nemen. De Catechismus zegt : een vollen maaltijd, om aan te duiden, dat men op die dagen 's avonds nog eene kleine versterking, collatie genoemd, nemen mag.
Ten 3de, moet op die dagen do volle maaltijd genomen worden omtrent den middag, Doch, als daarvoor eene billijke, goede reden bestaat, mag mon ook in den voormiddag de collatie, en den vollen maaltijd tegen den avond gebruiken.
Onthoudt ook dit goed , dat men op de eigenlijke vastendagen nooit vleesch en visch op eenen maaltijd mag gebruiken, zelfs niet op de Zondagen van de veertigdaagsche vasten.
De derde soort van vastendagen zijn St. Marcus (25 April) en de Kruisdagen, (de drie dagen vóór 's Heeren Hemelvaart) waarop men den geheelen dag vleesch moet derven, d. w. z., zich van vleesch moet onthouden, geen vleesch mag eten, en vasten tot den middag, d. i., in den voormiddag geen ontbijt mag nemen, geene boterham eten. Doch door eene bij-
166
zondere machtiging van Z. H. den Paus , (verleend 30 Oct. 1885) dispenseeren jaarlijks de Bisschoppen van Nederland in dit soort van vastendagen. Als die dispensatie wordt verleend, mag men dus op St. Marcus en de Kruisdagen 's morgens een ontbijt nemen , en vleesch eten, gelijk op dagen. die geen vasten- of onthoudings-dagen zijn.
7 V. Wie zijn verplicht, zich op de bepaalde dagen van vleesch en andere verboden spijzen te onthouden ?
A. Die tot de jaren van verstand gekomen, en door geene wettige reden hiervan verschoond zijn.
Dus kinderen die zeven jaren oud zijn, (want omtrent dien leeftijd komt men gewoonlijk tot de jaren van verstand), en door geen wettige reden hiervan verschoond zijn, zijn verplicht zich op de bepaalde dagen van vleesch en andere verboden spijzen te onthouden.
8 V. Wie zijn verplicht volkomen te vasten ?
A. Zij , die hun 21ste jaar voleind hebben , en niet door ziekte, zwaren arbeid, of andere wettige reden hiervan verschoond zijn.
De vraag beteekent: quot;Wie zijn verplicht het kerkelijk gebod van de eigenlijke vasten, volkomen , in zijn geheel, alle drie de deelen , waaruit de eigenlijke vasten bestaat, te onderhouden? â Het antwoord is genoegzaam duidelijk.
9 V. Wat voordeel geeft het vasten?
A. Het bedwingt onze kwade driften, verzoent de goddelijke gramschap en voldoet voor onze zonden.
Het vierde gebod der H. Kerk luidt: Gij zult ten minste eens 'sjaars aan den Priester uwe Biecht spreken.
167
10 V. Wanneer begint de verplichting van eens 's jaars te biechten ?
A. Als men tot de jaren van verstand gekomen is.
Dus gewoonlijk als men zeven jaar oud is. Men bemerke, â dat de H. Kerk in liet 4e gebod niet zegt i Gij zult eens ''s jaars, maar ten minste eens 's jaars aan den Priester uwe Biecht spreken ; want, al is het, dat de H. Kerk niet gebiedt meermalen 'sjaars te biechten, verlangt ze toch vurig dat men geregeld, bv. elke maand , het H. Sacrament der Biecht â waardig ontvange. Door eene ongeldige, slechte Biecht vol-â doet men niet aan 't 4de gebod der H. Kerk.
Het vijfde gebod der H. Kerk luidt: âEn nutten omtrent Paschen het lichaam des Heeren.quot; Hier moet blijkbaar uit het 4de gebod worden bijgevoegd, herhaald: âGij zult ten minste eens 's jaars nutten omtrent Paschen het lichaam des Heeren.quot;
11 V. Wat wordt in het vijfde gebod der H. Kerk bevolen ?
A. Dat zij , die tot de jaren van onderschei- ' ding gekomen en genoegzaam onderwezen zijn , ten minste eens 's jaars, in den Paaschtijd, waardig de H. Communie moeten ontvangen, in hunne eigene Parochie-kerk.
Men merke het verschil op tusschen de jaren van verstand en van onderscheiding.
Immers men komt veel eerder tot de jaren van verstand , lt;1. i., waarop men genoegzaam onderscheid kan maken tusschen zedelijk goed en kwaad, zóó zelfs dat men eene doodzonde kan bedrijven (reden, waarom dan reeds de verplichting begint van eens in den loop des jaars te biechten); kinderen komen, zeg ik, veel eerder tot de jaren van verstand dan vau
168
onderschekling, d. w. z., waarop zij genoegzaam onderscheid kunnen maken tusschen gewoon brood en het hemelsch brood, tusschen de stoffelijke spijs des lichaams en de geestelijke spijs onzer ziel, welkdanige het H. Saoramenc des Altaars is, als we het waardig in de H. Communie ontvangen. (33ste ies, 12 T.) De ondervinding leert , dat kinderen gewoonlijk niet voor hun tiende of elfde jaar genoegzaam verstaan , wat, en hoe eerbiedwaardig het H. Sacrament des Altaars is. Om dit genoegzaam te beseffen, moeten zij niet alleen tot de jaren van onderscheiding gekomen zijn, maar bovendien genoegzaam onderwezen zijn in de Christelijke Leer, in den Catechismus.
Alzoo , het 5de gebod der H. Kerk gebiedt, dat degenen , die tot de jaren van onderscheiding gekomen en genoegzaam onderwezen zijn bevonden, ten minste eens 'sjaars, omtrent Paschen, waardig de H. Communie moeten ontvangen in hun eigene parochiekerk.
De Paaschplicht heeft dus drie deelen , die ieder op zware-zonde verplichten.
Ten Iste, waardig communiceeren.
Ten 2de , dit doen in den paaschtijd.
Ten 3de , in zijne eigene parochielcerh.
Als men onwaardig communiceert, voldoet men niet aan zijn Paaschplicht.
Men doet ook zware zonde, als men niet communiceert in den Paaschtijd, zonder verlof (uitstel) van Biechtvader of Pastoor verkregen te hebben.
De Biechtvader kan verlof geven, als het gewetenszaken geldt; anders moet men het den Pastoor vragen.
Men doet ook nog groote zonde, als men zonder verlof van Bisschop of Pastoor, niet communiceert in zijne eigene â parochiekerk.
169
VIERDE DEEL.
DERTIGSTE LES.
Tan de HH, Sacramenten.
§ 1.
1 V. JVat is een Sacrament ?
A. Een uitwendig teeken , door Christus ingesteld , beteekeneude eene bijzondere gratie , die ons door hetzelve gegeven wordt.
Het woord Sacrament beteekent uit zijn aard , eene heilige zaak. Doch , door een van het begin dar H. Kerk algemeen aangenomen gebruik, beteekent het in 't bijzonder die uitwendige teekenen , welke Christus ingesteld heeft om zijne gratie aan de geloovigen mede te deelen.
Uit het antwoord van den Catechismus leeren wij , dat er vier dingen voor een Sacrament der Nieuwe Wet noodig zijn.
Ten 1ste , een uitwendig teeken. Reeds vroeger (2de Les , 3de V.), leerden wij wat een teehen is , nl. iets waaraan men iets anders kennen kan. Een uitwendig teeken is een teeken, dat onder één of meer onzer vijf zintuigen valt, bv. dat we kunnen zien of hooren enz.
Ten 2de, dat uitwendig teeken moet door Christus zijn ingesteld.
Ten 3de , dat uitwendig teeken moet eene bijzondere gratie' beteekenen. Bijzondere gratie is de gratie, die aan elk Sacrament eigen is.
Ten 4de , het moet ook die gratie geven.
170
Waardoor wordt een Sacrament voltrokken ?
Door stof, vorm en bedienaar.
De stof is de zaak of handeling, welke onder het bereik der zintuigen valt, bv. bij het Doopsel de afwassching met water.
De vorm zijn de woorden, die de stof maken tot stof van het Sacrament.
De hediepaar is degene die het Sacrament toedient.
2 V. Hoeveel Sacramenten zijn er ?
A. Zeven.
3 V. Zeg de zeven Sacramenten ?
A. Het Doopsel , het Vormsel, het H. Sacrament des Altaars, de Biecht, het H. Oliesel, het Priesterschap , en het Huwelijk.
Door die zeven Sacramenten heeft Christus willen voorzien in alle geestelijke hehoeften van den mensch.
De mensch heeft tweeërlei leven, een natuurlijk en een geestelijk leven. Wat nu noodig is voor het natuurlijke leven, is ook noodig voor het leven onzer ziel, het geestelijk leven , en dat alles geven haar de H. Sacramenten.
Om natuurlijk te leven, moet men geboren worden.
Het Doopsel geeft het geestelijk leven aan onze ziel, het zuivert ons van de erfzonde, waardoor onze ziel geestelijk dood was. Door het doopsel worden wij geestelijker wijze herboren, worden wij kinderen van God, komen wij in zijne liefde , en dus begint daardoor ook ons geestelijk leven. Bij de geboorte is men nog zeer zwak , en moet men kracht krijgen om op te groeien. Dit nu geschiedt geestelijker wijze door het H. Vormsel.
Om zijn leven te onderhouden, heeft de mensch voedsel noodig. Zoo ook hebben wij voedsel noodig om het geestelijk leven onzer ziel te onderhouden, en dit voedsel is vooral het H. Sacrament des Altaars, de H. Communie.
Doch niemand is zoo sterk , of hij is van tijd tot tijd toch
171
â¢wel eens aan ziekte onderworpen en heeft dan geneesmiddelen noodig. Zoo ook in het geestelijk leven. Die geneesmiddelen zijn de H. Biecht en het H. Oliesel, terwijl het Priesterschap dient om de geloovigen te besturen en te geleiden op den â¢weg der zaligheid , en het Huwelijk aan behoorlijk getrouwden gratie geeft om kinderen tot Gods eer te verkrijgen en op te voeden, en zoo de H. Kerk steeds van nieuwe onderdanen te voorzien.
Dat Christus juist deze zeven Sacramenten heeft ingesteld, is dus een tastbaar bewijs van Zijne wijsheid en goedheid jegens ons.
4 V. Waaruit tref en wij, dat er zeven Sacramenten zijn , niet meer en niet minder ?
A. Uit de gedurige leer en overlevering der H. Kerk.
5 V. Wie heeft de Sacramenten ingesteld ?
A. Christus zelf.
Christus zelf heeft de H. Sacramenten ingesteld, en ook «iemand dan Hij kon het doen , omdat geen enkel schepsel , maar slechts God alléén aan uitwendige teekens gratie kan Jiechten.
6 V. Tot welk einde heeft Christus de Sacramenten ingesteld ?
A. Tot heiligmaking en zaligheid der menschen.
God heeft de H. Sacramenten ingesteld , tot heiligmaking en zaligheid der menschen, d. w. z., om daardoor de men-iSchen tot de heiligheid en zaligheid te brengen, en dit nu â doen de Sacramenten door de gratie , die zij geven.
Die gratie maakt den mensch heilig, en door de heiligheid Ikomt men tot de zaligheid.
172
7. V. Wat gratiën worden ons gegeven door de Sacramenten ?
A. De heiligmakende gratie of de vermeerdering der heiligmakende gratie , ea bijzondere dadelijke gratiën.
De heiligmakende gratie maakt den mensch heilig; de vermberdering nog heiliger , en de bijzondere dadelijke gratie verlicht zijn verstand om het goede te kennen, en geeft hem sterkte om het te doen.
8 V. Wat is de heiligmakende gratie ?
A. Eene bovennatuurlijke gaaf, van God ingestort, waardoor onze ziel schoon en aan God aangenaam is , en van God bemind wordt.
De heiligmakende gratie is eene bovennatuurlijke gaaf,, d. w. z., eene gaaf, welke de natuurlijke krachten van den mensch te boven gaat, den mensch van nature , uit zijn aard niet eigen is , niet toebehoort, maar die God in de ziel stort, d. i., eene gaaf, die van God komt; eene gaaf dus, die den mensch verheft, veredelt en voor hem het beginsel is van zijn geestelijk leven. Eene gaaf, waardoor onze ziel schoon, en aan God aangenaam is (zoodat God er zijn -welbehagen' en genoegen in vindt), en van God bemind wordt als zijn kind.
Ons kindschap verschilt van dat van Jesus Christus, omdat wij slechts aangenomen kinderen Gods worden , en Jesus Christus de eigen Zoon van God is.
De vermeerdering der heiligmakende gratie maakt den mensch nog schooner , steeds aangenamer enz.
9 V. Wat zijn de bijzondere dadelijke gratiën , wélke de Sacramenten geven ?
A. Bovennatuurlijke hulpmiddelen, die ons ter gelegener tijd door God gegeven worden , om het einde van elk Sacrament te bereiken.
173
De bijzondere dadelijke gratiën, welke de Sacramenten geven , zijn bovennatuurlijke hulpmiddelen d. w. z., middelen, welke de natuur, de natuurlijke krachten van den mensch te boven gaan; middelen , welke den mensch van natuur, uit zijn aard niet heeft, maar hem door God geschonken worden, en hem helpen ter zaligheid.
Die hulpmiddelen bestaan in verlichtingen van het verstand , en opwekkingen en versterkingen van den wil.
Het verstand wordt er door verlicht om de zaken volgens God , volgens het Geloof in te zien en te beoordeelen ; en de wil wordt er door versterkt om te doen of te laten , wat het verstand door de dadelijke gratie voorgelicht, goed- of afkeurt.
Die hulpmiddeleu worden ons ter gelegener tijd door God gegeven, d. w. z., dat wij ze dan krijgen, als wij ze noodig hebben.
Wij krijgen dus die bijzondere dadelijke gratiën niet aanstonds als wij het Sacrament ontvangen ; dan krijgen wij er alleen recht of aanspraak op.
De heiligmakende genade of de vermeerdering der heilig-makende gratie krijgen wij aanstonds, als wij een Sacrament waardig ontvangen; maar de dadelijke gratiën, welke aan elk Sacrament in 't bijzonder eigen zijn, dan eerst als wij ze noodig hebben om deze of gene goede daad , dit of dat goed werk te verrichten, waartoe Christus elk Sacrament in 't bijzonder heeft ingesteld, of, gelijk de Cathechismns zegt, om het einde van elk Sacrament te hereiken.
Men ziet hieruit, waarom de dadelijke gratiën, welke de Sacramenten geven , dadelijke gratiën worden genoemd ; tevens waarom ze ook wel werkende, en voorbijgaande gratiën genoemd worden. Immers ze worden ons ter gelegener tijd door God gegeven om deze of gene goede daad, dit oi dat goed iverh te verrichten , waartoe het Sacrament, dat we ontvangen hebben , door Christus is ingesteld. Als dus de Catechismus zegt, dat wij b. v. door de H. Communie of het H. Sacrament des Altaars bijzondere kracht en gratie krijgen om de deugd te beoefenen en de zonde te vluchten (SBe Les, 16e Y.), dan is dit zoo te verstaan , dat onze ziel door de H. Communie
174
versterkt wordt om deze en gene bepaalde deugd met meer vaardigheid en ijver te beoefenen , dit of dat gevaar van zonde naarstiger te vermijden , deze of gene bekoring krachtdadiger te overwinnen, enz. Wijl nu eike daad uiteraard voorbijgaande is , worden de dadelijke gratiën welke de Sacramenten geven, ook zeer juist voorhijgaande gratiën genoemd. Dus ook in dit opzicht verschillen de bijzondere dadelijke gratiën van de heiligmakende gratie ; want deze blijft in ons, zoolang wij ze niet door eene doodzonde verliezen t zoolang we zuiver zijn van doodzonde.
10 V. Waaruit hebben de Sacramenten de kracht om ons gratiën mede te deelen ?
A. Uit de verdiensten en de instelling van Christus.
De Sacramenten hebben de kracht om ons gratiën mede te deelen uit de verdiensten en instelling van Christus, d. w. z., Christus heeft voor ons die gratie verdiend, en Hij geeft ze ons vooral door middel van de Sacramenten.
11 V. Krijgen alle menschen, die de Sacramenten ontvangen , deze gratiën ?
A. Neen; niet zij, die de Sacramenten zonder de vereischte gesteltenis ontvangen.
12 V. Is het groot kwaad de Sacramenten zonder de vereischte gesteltenis te ontvangen ?
A. Ja, het is eene groote zonde van heiligschennis.
Zij , die de Sacramenten vrijwillig zorder de vereischte gesteltenis ontvangen, d. i. , zonder die gesteltenis waarin zij zijn moeten, om de Sacramenten waardig te ontvangen r
175
krijgen die gratiën niet, maar zij doen eeno groote zonde van heiligschennis, omdat zij willens en wetens eene heilige zaak schenden.
Wélke Sacramenten geven de heilig makende gratie en welke de vermeerdering der heilig makende gratie ?
Het Doopsel geeft in den regel de heiligmakende gratie, omdat men zoolang men niet gedoopt is, besmet is met de erfzonde, die eene doodzonde is. (Dan alleen zou het Doopsel de vermeerdering der heiligmakende gratie geven , als iemand vóór het ontvangen van het H. Sacrament des Doopsels,, het Doopsel van begeerte al ontvangen had.)
De Biecht geeft de heiligmakende gratie, als men in staat van doodzonde te biechten gaat, en de vermeerdering, als men sinds zijne laatste goede biecht niets dan dagelijksche zonden te biechten heeft, omdat men dan alreeds in staat van gratie is.
De Sacramenten der levenden geven alle de vermeerdering der heiligmakende gratie, omdat wij de heiligmakende gratie reeds moeten hebben, vóór wij die Sacramenten ontvangen mogen.
Het H. Sacrament des Oliesels geeft, ingeval men niet biechten kan, door een onvolmaakt berouw met den wil van te biechten, vergiffenis van de doodzonden. In die omstandigheid krijgen wij dus ook door dat Sacrament de heiligmakende gratie.
§ 2.
13 V. Hoe worden de Sacramenten verdeeld ? A. Li Sacramenten der dooden en Sacramenten der levenden.
De Sacramenten worden verdeeld ten 1ste, in Sacramenten dor levenden en Sacramenten der dooden.
Tot 2de, in Sacramenten, die men maar eens, en Sacra-
176
inenten die men meermalen in het leven ontvangen mag. {Zie V. 21.)
Tm 3de, in Sacramenten van noodzakelijkheid, d. i., die men verplicht is te ontvangen, en Sacramenten van vrije verkiezing; deze zijn: het Priesterschap en het Huwelijk , omdat men vrij is in de keuze van een levensstaat; dus, om â verondersteld wat hier verder bij verondersteld moet worden â het H. Priesterschap, of het H. Sacrament des Huwelijks al of niet te ontvangen.
14 V. Wélke zijn de Sacramenten der dooden?
A. Het Doopsel en de Biecht.
15 V. Welke zijn de Sacramenten der levenden ?
A. Deze vijf: het Vormsel, het H. Sacrament
des Altaars , het H. Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk.
16 V. Waarom worden het Doopsel en de Biecht genoemd Sacramenten der dooden ?
A. Omdat zij vooral zijn ingesteld, om aan hen , die geestelijk dood of in doodzonde zijn , de heiligmakende gratie mede te deelen.
Het H. Doopsel en de H. Biecht zijn vooral ingesteld voor die in staat van doodzonde zijn.
Vooral staat er bij , omdat zij wel bijzonder voor dezulke zijn ingesteld, doch niet alléén voor hen, maar ook voor degenen die reeds in staat van gratie zijn.
Men kan namelijk ook te biechten gaan , als men in staat van gratie is , en dan krijgt men de vermeerdering der heiligmakende gratie , omdat men dan de eerste heiligmakende gratie reeds heeft.
17 V. In welken staat mag men dus deze Sacramenten ontvangen ?
177
A. Men marj die ontvangen in staat van doodzonde.
Er staat; men mag de Sacramenten der dooden in staat van doodzonde ontvangen, maar niet, dat men ze in staat van doodzonde ontvangen moet; men mag ze ook gerust in staat van gratie ontvangen.
18 V. Waarom worden de andere vijf genoemd Sacramenten der levenden ?
A. Omdat zij zijn ingesteld om in hen, die het geestelijk leven dei- ziel of de heiligmakende gratie bezitten , deze gratie te vermeerderen.
19 V. In welken staat moet men dus deze Sacramenten ontvangen ?
A. Men moet die ontvangen in staat van gratie.
Bij de Sacramenten der levenden staat: men moet die in staat van gratie ontvangen , omdat men , als men deze wetens en willens in staat van doodzonde ontvangt, eene groote zonde van heiligscliennis zou bedrijven. (Vgl. 11de en 12do V.)
20 Y. Wanneer is men in staat van graf ie ?
A. Als men zuiver is van doodzonde.
Men kan in twee gevallen zuiver van doodzonde zijn : ten 1ste , als men er geene gedaan heeft, en ten 2do, als zij door eene goede biecht vergeven zijn.
21 V. Mogen alle Sacramenten meermalen in het leven ontvangen worden ?
A. Neen; het Doopsel , het Vormsel en het Priesterschap mogen en kunnen slechts eenmaal ontvangen worden.
C 12
178
Heeft iemand eenmaal geldig het Doopsel, of het Vormsel, of het Priesterschap ontvangen, dan mag en kan hij geen dezer drie Sacramenten andermaal , opnieuw ontvangen, zelfs niet al hadde hij ze onwaardig ontvangen.
22 V. Waarom mogen en hunnen die slechts eenmaal ontvangen worden ?
A. Omdat zij een eeuwigdurend geestelijk merk-teeken in de ziel prenten.
Het Doopsel, Vormsel en Priesterschap mogen en kunnen slechts eenmaal ontvangen worden , omdat zij een eeuwigdurend geestelijk merkteeken in de ziel prenten.
Een merkteeken in 't algemeen is een teeken, waaraan men merken, onderscheiden kan wien iemand toebehoort , of wat hij is , of wat eene zaak bv. een vaatje of kistje , enz. enz. inhoudt.
Door het merkteeken, dat het Doopsel , het Vormsel en het Priesterschap in de ziel prenten, worden de Christenen, de lidmaten van Christus Kerk op aarde , dus , in dit leven, in drie klassen onderscheiden; nl., ten le, in eerstbeginnende leerlingen van Jesus Christus en van de H. Kerk. Zoodanigen zijn aldegenen die geldig gedoopt zijn. Immers door het Doopsel des waters wordt men het eerst een Christenmensch, lidmaat van Christus Kerk op aarde, en in zooverre bekwaam om de andere H. Sacramenten te ontvangen. (Vgl. 2de Les 1ste V.; 14de Les 6de V. ; 31ste Les 2de V.)
Ten 2e, in meer gevormde , geoefende , gevorderde , ontwikkelde leerlingen van Jesus Christus en zijner H. Kerk. Dezulken zijn aldegenen die door het H. Vormsel tot soldaten van Jesus Christus en van de H. Kerk zijn aangenomen. Immers door het geldig ontvangen van het 11. Vormsel krijgt men do macht, en neemt men den dubbelen plicht op zich, ols trouw soldaat van Christus en zijner H. Kerk, hot Geloof standvastig te belijden.
179
Ten 3de , in vohnaahte, volleerde leerlingen van Jesus Chrislus en zijner H. Kerk , nl., degenen die door het geldig ontvangen van het Priesterschap gewijd zijn tot dienaren van Christus, ministers van den Koning der Koningen , en ait-deelers van Gods geheimen, met name, der H. Sacramenten.
In het andere leven zal men aan het teeken , dat deze drie Sacramenten in de ziel prenten , kunnen merken, onderscheiden of iemand een of meerdere dezer Sacramenten ontvangen heeft of niet, en dus bv. iemand die geldig gedoopt is, kunnen onderscheiden van een heiden of jood; ieimmd , die geldig is gevormd , van degenen die het H. Vormsel niet ontvangen hebben, enz.
De verschillende merkteokens, welke deze drie Sacramenten in de ziel prenten, hebben twee hoedanigheden gemeen. Immers de Catechismus zegt, dat die Sacramenten daarom slechts eenmaal mogen en kunnen ontvangen worden, omdat zij een eeuwigdurend geestelijk merkteeken in de ziel prenten.
Het wordt een eeuwigdurend merkteeken genoemd , omdat het eenmaal ingeprent, niet alleen gedurende dit leven, maar zeker ook gedurende de gehcele eeuwigheid blijft bestaan.
Eenmaal ingeprent, kan het niet meer uitgewischt, verloren , verminderd of vermeerderd worden ; het is en blijft altijd hetzelfde. Vraagt ge mij nu : Waarom kan het merkteeken , dat deze drie Sacramenten in de ziel prenten, niet uitgewischt, verloren , verminderd of vermeerderd worden ? Dan antwoord ik u : de hoofdreden hiervan is , omdat Christus , de insteller der H. Sacramenten, het zóó gewild heeft.
Wijders duidt deze hoedanigheid genoegzaam aan, dat deze drie Sacramenten slechts eenmaal mogen en kuunen ontvangen worden. â Uit deze hoedanigheid is 't verder blijkbaar, dat het merkteeken, hetwelk deze drie Sacramenten inprenten, veel verschilt van de gratiën, die ze, waardig ontvangen, geven ; immers deze gratiën kunnen oenraaal ontvangen, verloren , verminderd en vermeerderd worden.
Maar waarom wordt het een geestelijk merkteeken genoemd ? Omdat het, even gelijk onze ziel, waarin het geprent wordt,
180
op zichzelve niet onder bereik valt van 's menschen zintuigen, op do wereld onzichtbaar is , niet kan gezien worden , en omdat ook deszelfs uitwerkselen van geestelijken aard zijn. Die uitwerkselen duidden we boven reeds aan, toen we zeiden : door 't Doopsel worden we lidmaten, door 't Vormsel soldaten , door 't Priesterschap ministers van Christus en der H. Kerk.
23 V. Waartoe zal dat merldeeken in het andere leven dienen ?
A. Aan de gelukzaligen tot meerdere eer en glorie , en aan de verdoemden tot grootere straf en schande.
Die merkteekens zullen aan de gelnVzaligen tot grootere eer en glorie dienen. Wij zullen dit eenigszins begrijpen, als we bedenken , dat hot op de wereld mannen van verdiensten tot grootere eer strekt, als hun van wege Paus of Koning een ondersoheidingsteeken , een ordeteeken te beurt valt, als zij bv. tot ridder of commandeur benoemd worden. Maar aan de verdoemden zullen die merkteekens tot grootere straf en schande dienen. Even gelijk liet een veel grootere schande is voor een edelman, ophot schavot te sterven, dan voor een bedelaar; zoo zal hot ook voor een Christen, die met een of meer dier kostbare merkteekens verrijkt en met zoovele edele gaven versierd is geweest, eene veel grootere straf en schande zijn, dat hij , niettegenstaande dat alles, nog zoo'n zondig leven geleid heeft, en verdient hij daarom ook meer vernederd en gestraft te worden , dan heidenen en joden.
24 V. Waartoe dienen de ceremoniën, met trelhe de Sacramenten uorden toegediend?
A. Om de Sacramenten met grooteren eerbied
181
toe te dienen, en derzelver kracht beter voor oogen te stellen.
De ceremoniën of plechtigheden, door de H. Kerk voorgeschreven bij de toediening der H. Sacramenten , dienen ten 1ste, om de Sacramenten met grooteren eerbied toe te dienen, dan het geval zou zijn, als ze enkel en alleen, gelijk in tijd van nood , werden toegediend op die wijze, welke tot het wezen, tot de geldigheid der Sacramenten vereischt wordt, en ten 2de, om derzelver kracht heter voor oogen te stellen: om ons de kracht, de uitwerkselen der H. Sacramenten beter te doen inzien, meer duidelijk te maken.
Vragen , die nuttig bij elk Sacrament gedaan worden.
Is het een Sacrament der dooden of der levenden ?
Waarom ?
Omdat het in staat van gratie moet, of in staat van doodzonde may ontvangen worden , of het antwoord uit den Catechismus.
Mag men dat Sacrament maar eens of meermalen, ontvangen?
Waarom ?
Waarom is het een Sacrament ?
Omdat het er do vier kenteekens van heeft.
Bewijs dat het een Sacrament is ?
Men late de kinderen dan het uitwendig teeken opnoemen Men zegge welke bijzondere gratie het beteekent, en ook inderdaad geeft, en dat het dus ook door Christus moet zijn ingesteld.
Geeft dit Sacrament de heilig makende gratie of de vermeerdering der heilig makende (j rat ie? Waarom? Welke dadelijke gratie geeft het ?
Wanneer krijgen wij die ? Wat krijgen tv ij op deze gratie, zoodra wij het Sacrament ontvangeti ?
Bij de meeste Sacramenten kan men nuttig stof, vorm en bedienaar vragen.
182
Er zijn drie verschillende gesteltenissen , waarin men de Sacramenten kan ontvangen.
Ten 1ste , eene gesteltenis , die noodig is om ze geldig te ontvangen. Bv. om geldig de Biecht te ontvangen, moet men gedoopt zijn.
Ten 2de , eene gesteltenis om de Sacramenten vaardig te ontvangen. Bv. om waardig te communiceeren , moet men zuiver zijn van doodzonde, en nuchter van 's nachts twaalf uren.
Te)i 3de, eene gesteltenis om de H. Sacramenten met veel vrucht te ontvangen; men zal ze met te meer vrucht ontvangen naar mate men er zich beter toe voorbereidt.
EEN EN DERTIGSTE LES.
Van liet l)oo)iseI.
1 V. Wat is het Doopsel ?
A. Het eerste en noodzakelijkste Sacrament, in hetwelk door de uitwendige afwassching en aanroeping der H. Drievuldigheid de mensch gezuiverd wordt van alle zonden en schulden.
Het Doopsel des waters is oen Sacrament, omdat het d â vier vereischten heeft, die tot het wezen van een Sacrament noodig zijn. Het uitwendig teeken is de afwassching en de aanroeping der H. Drievuldigheid. â Die uitwendige afwassching onder de aanroeping der H. Drievuldigheid heteehent de inwendige zuivering der ziel van alle zonden en schulden, en dus meteen het leven der heiligmakende gratie, en het recht op de dadelijke gratiën aan dit Sacrament eigen. â Dat uitwendig teeken geeft die gratie ook door zich zelf, en bijgevolg moet het ook door Christus zijn ingesteld.
183
2 V. Waarom wordt het Doopsel genoemd het eerste Sacrament ?
A. Omdat het Doopsel de deur en de ingang is tot de H. Kerk en tot de andere Sacramenten.
Het Sacrament des doopsels wordt de deur en de ingang genoemd tot de H. Kerk en tot de andere Sacramenten , omdat , evenals men om in een huis te gaan eerst door de deur moet, men ook zoo door het Doopsel in de H. Kerk moet komen , d. w. z., lidmaat der H. Kerk moet worden , en bekwaam gemaakt om de andere H. Sacramenten te kunnen of te mogen ontvangen.
3 V. Waarom is het Doopsel het noodzakelijkste Sacrament ?
A. Omdat men zonder Doopsel niet kan zalig worden.
Het Doopsel is het noodzakelijkste Sccrament, omdat niemand kan zalig worden, d. w. z., in den Hemel komen, het Rijk Gods, den Hemel ingaan, zonder doopsel, d. w. z., zonder het Doopsel des waters metterdaad, of althans door begeerte , of in zijn bloed, door den martelaarsdood te ondergaan , ontvangen te hebben.
Jesus' antwoord aan Nikodemus : r Voorwaar, voortvaar, zeg ik u : Zoo iemand niet herhoren ivordt uit water en den H. Geest, hij kan het rijk Gods niet ingaan,quot; {Joan. III. 5) moet ongetwijfeld van het H, Sacrament des Doopsels verstaan worden, maar zóó, dat het doopsel des bloeds en het doopsel van begeerte, als middelen om in den Hemel te kunnen komen, er niet door worden uitgesloten.
4 V. Waarom kan men zonder Doopsel niet zalig worden P
184
A. Omdat men besmet is met de erfzonde , die alleen door het Doopsel vergeven wordt.
De zin dezer vraag is blijkbaar: Waarom kan men zonder het ontvangen van één dezer drieërlei Doopsels niet zalig worden ? En de zin van het antwoord is eveneens : Omdat de erfzonde alleen door het ontvangen van één dezer drieërlij doopsels vergeven wordt. Dat de twee vorige vragen en antwoorden in dien zin te verstaan zijn , blijkt duidelijk uit de volgende vraag, en het antwoord dat de Catechismus daarop geelt.
5 V. Hoevelerlei Doopsels moet men echter onderscheiden ?
A. Driederlei: het Doopsel des waters of het Sacrament des Doopsels , het Doopsel des bloeds en het Doopsel van begeerte.
6 V. Zijn het Doopsel des bloeds en het Doopsel van begeerte ook Sacramenten ?
A. Geenszins ; maar voor niet gedoopten zijn het middelen , om vergiffenis te krijgen van de zonden, als zij niet in de gelegenheid zijn van het H. Sacrament des Doopsels te ontvangen.
Het doopsel des bloeds en het doopsel van begeerte zijn geenszins Sacramenten; want ze missen de vereischten die tot het wezen van een Sacrament gevorderd worden. Het doopsel van begeerte kan zonder eenig uitwendig teeken, zonder dat er uitwendig iets van te merken is, alleen door oprechte begeerte des harten ontvangen worden, 't Spreekt van zelf, dat ook het doopsel des bloeds geen Sacrament is. 't Is handtastbaar, dat Christus den marteldood niet als een Sacrament heeft ingesteld. Want die wreede dood , een ware
185
moordaanslag, wordt den geloovige door een gruweldaad van wege een vervolger des Geloofs aangedaan op ingeving van den duivel.
Het doopsel des bloeds en het doopsel van begeerte zijn dus geenszins Sacramenten ; maar het zijn voor degenen , die niet in de gelegenheid zijn van het II. Sacrament des Doopsels te ontvangen, middelen, hulpmiddelen , middelen in den nood, om vergiffenis te krijgen van de zonden , nl., van de erfzonde (3â5 en 13 V.) en ook van alle dadelijke zonden, die ze mochten bedreven hebben, en dus middelen in den nood om zalig te worden , in den Hemel te komen.
7 V. Waarin bestaat het Boopnel des bloeds ? A. Hierin: dat iemand, die niet gedoopt is, voor het geloof in Christus den martelaarsdood sterft.
Het doopsel des bloeds bestaat hierin, dat iemand, 't zij nog niet, of reeds tot do jaren van verstand gekomen, die niet gedoopt is, d. i., die het H. Sacrament des Doopsels niet ontvangen heeft, voor het geloof in Christus den martelaarsdood sterft. quot;Van kleins kinderen wordt niets anders , niets meer vereischt. Denk hier aan de Onnoozele Kinderen , op bevel van koning Herodes om Christus' wil ter dood gebracht. (Matth, II. 16â18.) Zij , die tot de jaren van verstand gekomen zijn , moeten bovendien een onvohnaaht berouw hebben over hunne dadelijke zonden, en, indien zij het Sacrament des Doopsels kennen , en denken aan 't gebod om dit Sacrament te ontvangen , moeten zij ook den iiitdrukkelijken wil hebben om het te ontvangen als ze daartoe in de gelegenheid waren ; buiten de gemaakte veronderstelling is die uitdrukkelijke begeerte niet noodig, maar het berouw genoeg, omdat daarin reeds stilzwijgend de wil is opgesloten om alles te doen , wat God van hen vraagt, en bijgevolg ook de wil om het Sacrament des Doopsels te ontvangen, indien zij het kenden , en in de gelegenheid waren, het metterdaad te ontvangen. In die gesteltenis den martelaarsdood stervende-
186
komen zij zeker in den Hemel. âWie zijn leven zal verloren hebben om mijnentwil, zegt Christus, zal het eeuwig leven vinden. (Matth. X 39.)
8 V. Wanneer ontvangt iemand het Doopsel van begeerte ?
A. Als hij eeu volmaakt berouw heeft over zijne zonden met de begeerte van gedoopt te worden.
Iemand , die tot de jaren van verstand gekomen is, en het H. Sacrament des Doopsels niet ontvangen heeft, ontvangt het Doopsel van begeerte, als hij een volmaakt berouw heeft over zijne zonden met de uitdrukkelijke of stilzwijgend in het berouw reeds opgeslotene begeerte om het Doopsel des waters te ontvangen, als hij daartoe in de gelegenheid komt.
Waarom wordt hier gezegd: Iemand die tot de jaren van verstand gekomen is ?
Kunnen kleine kinderen dan het doopsel van begeerte niet Ontvangen ?
Kent ge ook iemand, die door het doopsel van begeerte vergiffenis heeft gekregen van alle zijne zonden ?
Men verhale hier de geschiedenis van Cornelius, een hei-densch hoofdman {Handel, der Apost., X hoofdst.)
Moest Cornelius en zijn huisgezin toch nog het Doopsel des waters ontvangen ?
Waarom? Het antwoord op de 2de V. van deze Catechismus-les houdt de reden in.
Zou Cornelius dan niet dadelijk, na door het doopsel van begeerte van zijne zonden gezuiverd te zijn , het H, Sacrament des Vormsels hebben mogen ontvangen, of te communie hebben mogen gaan ?
Waarom niet?
9 V. Wie is de bedienaar van het Sacrament des Doopsels ?
187
A. De gewone bedienaar is de Priester , maar in tijd van nood mag en moet een ieder doopen.
De Catecliismus verstaat door den gewonen bedienaar van bet Sacrament des Doopsels hem, wiens ambt het is, in gewone omstandigheden, d. i., buiten tijd van nood, en op gewone wijze, d. i., met de ceremoniën door de H. Kerk voorgesohreveri, het Doopsel toe te dienen.
En wie is nu die gewone bedienaar?
De Catechismus antwoordt: de Priester, nl., volgens de â wetten der H. Kerk , do pastoor der parochie , of een zijner medehelpers , plaatsvervangers , kapelaans.
Wie is dus, volgens den Catechismus, de buitengewone bedienaar run het Sacrament des Doopsels ?
't Blijkt duidelijk uit het tweede lid of gedeelte van het antwoord, dat de Catechismus geeft, zeggende: âmaar in tijd van nood mag en moet eenieder doopen.quot;
In tijd van nood , d. w. z. , als er gevaar bestaat, als men met reden vreest, dat iemand, vooral een kind, zonder het Doopsel dos waters zou sterven , indien men moest wachten totdat een Priester het Doopsel zou kunnen toedienen. In zulk een nood mag en moet eenieder doopen , d. w. z. , ieder mensch, man of vrouw, braaf of slecht, Roomseh of niet Eoomscb , ketter of ongoloovige.
Dat in tjjd van nood een ieder mag doopen, is een nieuw bewijs van Gods goedheid en wijsheid. Hjj heeft dit gewild, om het ontvangen van het noodzakelijkste Sacrament zoo gemakkelijk mogelijk te maken.
Omdat in tijd van nood eenieder moet doopen , moet ook eenieder , die in de noodzakelijkheid kan komen het Doopsel toe te dienen, goed weten waternoodig is om in tijd van nood geldig te doopen. Eenieder lette dus goed op de drie volgende vragen.
10 V. Waarmede moet men doopen ?
A. Met waarachtig en natuurlijk water.
188
Op straffe dat anders het Doopsel zeker ongeldig , van nul en geener waarde zoude zijn , of althans niet zeker geldig , dus twijfelachtig wezen zou, moet men doopen met ivaar uchtUj water, d. w. z., met waar, echt, wezenlijk water.
Doch: Welk water is waarachtig, waar, echt, wézenlijk water ?
De Catechismus verklaart , legt ons dit nader uit, door er bytevoegen: Met waarachtig en natuurlijk water, d. w. z., met water zooals de natuur zelve het geeft, of dat algemeen onder den naam van water bekend is, algemeen den naam van gewoon water draagt , in strengen zin water genoemd wordt, als daar is , bv. putwater , pompwater , regenwater , bron- of fonteinwater, rivierwater, zeewater enz.
Dus mag men nooit doopen bv. met wijn, melk, olie, bloed, speeksel, slijm , zweet, tranen, sterke koffie, thee, sterk bier , enz ; want zulk doopsel zou zeker ongeldig, nul en van geener waarde zijn, omdat al deze vochten of vloeistoffen zeker geen waarachtig en natuurlijk water zijn , noch genoemd worden. â Bij gebrek aan zeker waar en natuurlijk water , zou men in dringenden nood onder voorwaarden , onder conditie mogen en moeten doopen met eene of andere vloeistof, die met eenigen grond nog waar en natuurlijk water kan genoemd, als zoodanig kan beschouwd , gehouden worden, bv. met slap bier, slappe koffie, thee, half gesmolten ijs of sneeuw enz. Natuurlijk zou iemand die met zulk eene twijfelachtig geldige stof gedoopt is, zoodra mogelijk, zoo gauw men zeker wezenlijk water bij de hand had , opnieuw onder conditie moeten gedoopt worden. â Overigens komt het er voor de geldigheid van het Doopsel niet op aan , doet het er niets aan af, is 't onverschillig, of men doopt met koud, lauw of waim water, met gewijd of ongewijd water; mits men maar doope met waarachtig en natuurlijk water, is 't Doopsel in dit opzicht zeker geldig.
11 V. Welke woorden moet men spreken bij het doopsel ?
189
A. Deze: Ik doop u in den Naam des Vaders, en des Zoons , en des Heiligen Geestes.
Van de woorden , die men moet spreken bij het doopen , t. vr.: Deze : Ik doop U in den Naam den Vaders , en des Zoons, en des H. Geestes, mag geen enkel, zelfs niet het voorzetsel in, of, het voegwoord en , veranderd, weggelaten of verplaatst worden , of het Doopsel zou alweer zeker ongeldig, of minstens twijfelachtig zijn. Zou men echter, gelijk men hij het maken van het teeken van het heilig kruis gewoon is, er hebben bijgevoegd: Amen; daarom zou het doopsel niettemin geldig en goed zijn , als men bij het doopen deze woorden maar behoorlijk uitgesproken heeft: Ih doop U in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.
12 V. Hoe moet men dus doopen?
A. Dezelfde persoon moet de woorden spreken en te gelijker tijd liet water doen vloeien op liet koofd van den doopeling , als zulks kan , en anders op een ander lidmaat.
Ten 1ste , moet dus één en dezelfde persoon deze woorden spreken: âIk doop TJ in den naam des Vaders , en des Zoons, en des Heiligen Geestes,quot; en
Ten 2de, tegelijkertijd, dat hij die woorden uitspreekt, op denzelfden tijd waarop hij die woorden spreekt, het water doen vloeien. Zou hij eerst de woorden spreken, en dan ook maar zoolang wachten met het water te doen vloeien dat men in dien tusschentijd één Onze Vader kan uitbidden, dan zou hot Doopsel ongeldig zijn. Eveneens, als hij eerst het water liet vlooien, en dan weer zoolang zou wachten met het uitspreken der woorden.
_ l'en 3de, âHet water doen vloeien.quot; Hij moet derhalve zooveel water gebruiken, dat men kunne zeggen : âer hoeft oenige ware afwassching plaats gehad'', en wel
190
Ten 4de, Als zulks kan op het hoofd, hot voorhoofd of den schedel can den doopeling, d. i., van dengene die gedoopt wordt, en
Ten 5de, anders op een ander lidmaat, bv. op hand of voet, borst, rug, schouder enz. In zulk geval doopt men het edelste lidmaat, d. w. z., datgene hetwelk het dichtst bij het hoofd is ; dus de schouder of borst als zulks kan, anders hand of voet.
Men ontlioude goed, dat het water moet vloeien op het hoofd van den doopeling, als zulks kan; want is de afwas-sching geschied op eenig ander lidmaat, dan is het Doopsel altijd min of meer twijfelachtig , en moet daarom , als er gelegenheid toe is, onder voorwaarde terstond herhaald worden op het hoofd.
Omdat kleine kinderen zonder het doopsel des waters niet zalig kunnen worden, niet in den hemel kunnen komen (tenzij ze voor het geloof in Christus den martelaarsdood stierven), en derhalve dit punt van overgroot belang ia, sommen wij hier ten 1ste, de voornaamste gevallen op, waarin het Doopsel zeker ongeldig, ten 2de, wel niet zeker ongeldig, maar toch twijfelachtig is; ten 3de, wat tot een geldig Doopsel niet vereischt wordt, en stellen ten 4de, eene reeks vragen, uit wier beantwoording zal blijken, of de kinderen de voorafgegane onderrichting genoegzaam begrepen hebben of niet.
i. Wanneer is het Doopsel zeker ongeldig ?
Ten 1ste , Als men niet doopt met waarachtig en natuurlijk water.
Ten 2de, Als het water niet vloeit over don doopeling.
Ten 3de, Als men niet voluit zegt: Ik doop u in den naam des Vaders, en des Zoons , en des Heiligen Geestes,
Ten 4de , Als de afwasschhig niet geschiedt door denzelfden persoon , die de woorden spreekt.
Ten 5de, Als men vóór of na het uitspreken der woorden zoolang met de afwassching wacht, dat men tusschonboide één Ome Vader kan bidden.
191
II. Wanneer is het Doopsel wel niet zeker ongeldig, maar toch TWIJFELACHTIG ?
Ten 1ste, Als het water niet zeker waarachtig en natuurlijk water is; bv., om de vermenging roet bloed , ens.
Ten 2de , Als het water niet onmiddelijk over de huid vloeit; maar, bv., alleen de haren des hoofds geraakt zou hebben.
Ten 3de, Als het Doopsel niet wordt toegediend op het hoofd; immers, al is het niet zeker dat een Doopsel, op een ander deel des lichaams toegediend , ongeldig is. â het is en blijft toch twijfelachtig, als het hoofd zelf niet gedoopt is.
Ten 4de, Als hij of zij , die in tijd van nood een kind gedoopt heeft, zelf twijfelt of niet zeker weet, dat hij alles wat tot een geldig Doopsel zeker of misschien vereischt wordt, goed onderhouden, gedaan heeft; bv., omdat ze in de ge-gevene omstandigheden niet goed bij hun stukken wi ren, dus bij gebrek aan tegenwoordigheid van geest.
III. Wat wordt tot een geldig Doopsel xiet vereischt?
Daartoe is niet noodig : Ten 1ste, dat het water gewijd zij.
Ten 2de , Dat men driemaal wassche; eens is genoeg.
Ten 3de, Dat men het water toepasse bij wijze van krui steeken.
Ten 4de , Dat men het met de hand doe; men kan zich van iets, bv., van een lepel of een kopje bedienen , om het water over het hoofd van den doopeling te gieten.
Ten 5de , Dat men bij twijfelachtige gevallen eenige conditie of voorwaarde uitdrukke. Zeker is het voor gewone menschen, voor Iteken genoeg, dat ze bij twijfelachtige gevallen deze algemeene conditie maken: Als gij gedoopt kunt worden, of, nog korter: Als ik kan, dan doop ik u in den naam des Vaders, en des Zoons , en des Heiligen Geestes.
IV. Vragen. Veronderstel :
Ten 1ste, Gij spreekt de woorden uit, terwijl ik te tegelijkertijd het water doe vloeien op het hoofd van een kind, dat in tijd van nood moet gedoopt worden. Is dit Doopsel
192
geldig ? Zoo neen, waarom niet ? Heden geven met de woorden van den Catechismus.
Ten 2de , Ik spreek eerst de woorden uit, en waelit twee, drie minuten vooraleer ik de afwassching doe. Is dat Doopsel geldig? Waarom antwoordt ge: ja , of neen.
Ten 3da , Ik kon een fabrieksarbeider, NB., een jood , die tusschen eene machine zat, en in dien nood zich wilde be-keeren, niet op zijn hoofd doopen, maar wel op zijn voet of hand. Mocht en moest ik hem daarop in dit geval doopen ? Waarom? Moest ik er noodzakelijk eenige conditie bij uitdrukken om het Doopsel geldig toe te dienen ? Welke conditie is bij twijfelachtige gevallen voor gewone menschen altijd genoeg ?
Ten 4de , Later kon ik dien man nog op zijn borst, of rug, of schouders doopen. Mocht en moest ik in dit geval het doopsel herhalen ? Zeker.
Ten 5de, Eindelijk kon ik hem op zijn hoofd doopen. Mocht en moest ik nogmaals het doopsel herhalen? En waarom ? Onder, of, zonder conditie ?
Ten 6de , In tijd van nood heb ik iemand gedoopt; maar sloeg door de haast het persoonlijk voornaamwoord u over, of het voegwoordje en ook voor dat ik zegde : des Heiligen Geestes. Want zie , als ik het kruisteeken maak, dan zeg ik door overhaasting of onoplettendheid ook dikwijls enkel. In den naam des Vaders, Zoons, Heiligen Geestes, Amen. Heb ik het Doopsel zóó zeker goed toegediend ? Moet ik het opnieuw doen ?
Ten 7de, Als ik do woorden overigens goed had uitgesproken en tegelijkertijd iemand op het hoofd met zeker waarachtig en natuurlijk water had afgewasschen , maar bij vergissing , gelijk bij het kruismaken, er het woordje, Amen, hadde bijgevoegdquot;: Zou ik het Doopsel dan niet mogen herhalen ? Waarom niet ?
Ten 8ste , Iemand geeft een kind dat in gevaar van sterven is, om het te doopen, met wijwater een kruisje op voorhoofd , borst , linker en rechter schouder, zeggende : In den naam des Vaders , en des Zoons, en des II. Geestes, maar
193
zegt er niet bij: Ik doop U. â Is dat kind geldig gedoopt ?
Waarom niet? Deed het voor de geldigheid er iets aan af, â¢dat het water gewijd was ? Is getvijd water daartoe noodig ?
Ten 9de. Iemand komt op de Pastorie zeggen: Mr. Pastoor, ik heb in tijd van uitersten nood een kind moeten â¢doopen, maar kon in der haast geen water krijgen ; daarom heb ik eerst mijne vingers met speeksel, en een beetje melk , dat op tafel stond, vochtig gemaakt, en daarmee het hoofd van 't kind afgewasschen. Dat ik tegelijker tijd de woorden goed heb uitgesproken weet ik zeker. Voor alle zekerheid heb ik het kind nog eens gedoopt met een half kopje slap theewater, dat ook op tafel stond, maar dat ik eerst niet gezien had, en daarna stierf het dadelijk. Mr. Pastoor, wat zegt U er van ? Was het eerste doopsel geldig, of zeker ongeldig? Waarom? Radde ik dat te voren geweten èn opgemerkt, zou ik het dan met speeksei. of melk niet hebben mogen probeeren ? Is er nog kans dat het kind toch nog in den Hemel is ? Waarom ? enz. enz.
13 V. Wat verkrijgt men door het Doopsel? A. Vergiffenis van de erfzonde, en van alle voorgaande zonden , en ook van de straffen , die men door de zonden verdiend heeft.
Door het Doopsel verkrijgt men ten Iste, vergiffenis der erfzonde, en
Ten 2de, vergiffenis van alle voorgaande zonden , d. w. z., van alle dadelijke zonden, 't zij doodzonden of dagelijksche zonden, welke iemand , reeds tot de jaren van verstand gekomen. zou bedreven hebben vóór dat hij hot Doopsel ont-ving, mits hij bij den H. Doop een onvolmaakt berouw heeft over zijne zonden; want zonder berouw kannen dadelijke zonden nooit vergeven worden.
En ten 3de ook vergiffenis van de straffen, die men door de zonden verdiend heeft, d. w. z. , kwijtschelding van al de straften, die men verdiend heeft door de zonden , trelke door â¢het Doopsel vergeven zijn.
C 13
194
' Voor zoover er sprake was van dadelijke zonden en straffen daardoor verdiend, is dit natuurlijk alleen te verstaan van degenen, die het Doopsel eerst ontvangen na tot de jaren van verstand gekomen te zijn. Immers, kinderen die nog niet tot de jaren van verstand , tot het gebruik hunner rede gekomen zijn, kunnen geen onderscheid' noch keus maken tusschen zedelijk goed of kwaad, tusschen deugd en zonde. (Vgl. 1 L. 6de V. bl. 9.) Zulke kinderen kunnen zich dus aan geene dadelijke zonden plichtig gemaakt, noch daarvoor straffen verdiend hebben. Daarom weten wij ook zeker, dat zulke kinderen regelrecht naar den Hemel gaan, als ze zóó komen te sterven, mits ze zeker geldig gedoopt zijn. Doch van degenen , die tot de jaren van verstand gekomen waren toen zij gedoopt werden en daarop on-middelijk stierven, weten we dat niet zóó zeker ; 't hangt er van af of ze ook waarlijk een onvolmaakt berouw hebben gehad niet alleen over alle doodzonden, maar ook over elke, zelfs de kleinste dagehjksche zonde, waaraan zij zich vóór het Doopsel hadden schuldig gemaakt. Want waren ze zonder waar berouw ook over maar óene dagelijksche zonde , die ze vóór het Doopsel bedreven hadden , gestorven, dan moeten ze de tijdelijke straf, daarvoor verschuldigd, eerst nog in 't vagevuur af boeten.
quot;Wil men op de vraag van den Catechismus: Wat verkrijgt men door het Doopsel ? nog meer volledig antwoorden dan het de Catechismus zelf Uier doet, dan kan men uit andere lessen van den Catechismus, voor meer ontwikkelde kinderen er bijvoegen:
Ten 4de, een eeuwigdurend geestelijk merkteeken. (Zie 30ste Les, V. 21â23.)
Ten 5de , de instorting der heiligraakende gratie. (Zie 30ste Les, V. 7.)
Ten 6de, het recht op de dadelijke gratiën aan het H. Sacrament des Doopsels eigen, of, gelijk de Catechismus t. a. p., 9de V., zegt, bovennatuurlijke hulpmiddelen , die ons ter gelegener tijd door God gegeven worden, om het einde van het H. Sacrament des Doopsels te bereiken.
195
Ten 7de, de eerste instorting der drie goddelijke deugden. (428te Les, 5 V.) en van alle andere bovennatuurlijke zedelijke deugden.
Ten Sste , de inlijving in het geestelijk lichaam van Christus , welk geestelijk lichaam de H. Kerk is. (Zie 31ste Les, 2de V., en 2de Les, 1 ste V.)
Eindelijk , ten 9de, de geschiktheid om de andere Sacramenten geldig te kunnen ontvangen. (31ste Les, 2de V.)
Immers hoe luidt het antwoord van den Catechismus op de vragen: Wat is een Christen mensch ? Een leerling van J. C., die, gedoopt zijnde. â En: Waarom wordt het Doopsel genoemd het eerste Sacrament? Omdat het Doopsel de deur en de ingang is tot de H. Kerk en tot de andere Sacramenten.
14 V. Waaraan hebt gij door den mond van Peter en Meter verzaakt, toen gij gedoopt werdt ?
A. Aan den duivel, aan al zijne werken en aan al zijne ijdelheden.
In deze vraag komen vooral twee woorden voor , welke ge misschien niet verstaat , nl. Peter en Meter. Want waarom de Catechismus in die vraag zegt: Waaraan hebt gij door den mond van Peter en Meter verzaakt, toon gij gedoopt werdt, begrijpt ge van zelfs. Immers , toen gij als kind gedoopt werdt, kondt ge zelf nog niet praten , noch de verplichtingen begrijpen , die ge door het ontvangen van het H. Sacrament des Doopsels op u naamt. Daarom staat er: Waaraan hebt gij toen door den mond van Peter en Meter verzaakt ? â Maar wat beteekenen nu die twee vreemde woorden : Peter en Meter ? Werkelijk, 't zijn twee vreemde woorden, afgeleid van de Latijnsche woorden : Pater , Patrimes (vader) en Mater, Matrina (moeder), maar ter onderscheiding van onzen eigen , natuurlijken vader en moeder , beteekenen die woorden hier onzen vader en moeder in geestelijken zin , m. a. w., degenen, die ons ten doop gehouden hebben, en dus in zoover bij onze geestelijke geboorte, of hergeboorte voor ons de plaats der ouders innamen.
196
Nu zult ge de vraag genoegzaam begrijpen. We hebben dus enkel het antwoord nog in 't kort te verklaren. Het luidt dat gij toen gij gedoopt werdt, verzaakt, hebt aan den duivel, aan al zijne werken, d. w. z., aan alle booze werken, zonden waartoe de duivel den menseh bekoort, aanzet, en aan al zijne ijdelheden, d. w. z., aan alle ijdelijke vertooningen , schijngoederen dezer wereld, lichtzinnige pleizieren , wereldsche vermaken en voldoeningen, waardoor de duivel ons van den dienst van God, van het goede tracht aftehouden, en tot zijn dienst, tot de zonde te verleiden, bv. door be-driegelijke voorstelling van 't genot en geluk, dat zou te vinden zijn in ongeregelden , verboden wellust des vleesches in te volgen, in 't opeenstapelen van schatten en rijkdommen, in te pronken met schoone kleederen, in 't bijwonen van gevaarlijke partijen, vermakelijkheden enz. enz.
15 V. Welke is de plicht van Peter en Meter? A. Te zorgen dat hun petekind godsdienstig worde opgevoed en zijne doopbeloften nakome.
Op de eerste plaats zijn de ouders zeiven verplicht te zorgen dat hunne kinderen godsdienstig worden opgevoed, en hunne doopbeloften nakomen. Doch wanneer ouders of voogden de katholieke opvoeding hunner kinderen zouden verzuimen , of hun best niet doen, dat hunne kinderen, eenmaal grooter geworden , hunne christelijke plichten , naar behooren, waarnemen een waar christelijk leven leiden, dan zeker is het de plicht van Peter en Meter ten 1ste, te zorgen dat hun petekind godsdienstig worde opgevoed ; dus , als 't eenigszms mon-elijk is, worde onderwezen in eene katholieke school, waarin niet enkel kundigheden geleerd worden , die voor het maatschappelijk burgerlijk leven dienstig zijn , als bv lezen schrijven, rekenen, enz. enz., maar tevens onderricht wordt gegeven in alles wat tot een waar christelijk en godsdienstig leven behoort.
Ten 2de, dat hun Petekind zijne doopbeloften nakome , d. w. z.,quot; God waarlijk diene, de geboden Gods en der
197
H. Kerk, en de plichten van zijn staat als een waar Christen mensch onderhoude, en door een echt christelijke levenwijze Terzake aan den duivel, en al zijne werken en al zijne ijdelheden.
Dat Peter en Meter daartoe waarlijk verplicht zijn, blijkt duidelijk genoeg uit het ambt zelve, dat zij bij den plechtig en doop van hun petekind wetens en willens op zich genomen hebben, nl. het ambt van doopborgen of van eene geestelijke, eene heilige voogdijschap. Door het ambt van Peter of Meter vrijwillig te aanvaarden, zijn ze voor God en de H. Kerk als doopborgen voor hun petekind opgetreden ; als geestelijke voogden hebben zij, in naam van hun petekind, voor God en de H. Kerk verklaard, bereid te zijn God alleen te dienen , en den duivel verzaakt, om het eeuwig leven te bekomen. Dus zijn zij , ten minste als ouders of voogden, door de burgerlijke wet aangesteld , hun plicht niet doen, wel degelijk ambtshalve verplicht, naar best vermogen , te zorgen dat hun petekind godsdienstig worde opgevoed en zijne doopbeloften nakome.
Nota. Wij zijn God voor de genade van het H. Doopsel groote dankbaarheid verschuldigd.
Hoe zal men God voor die genade het gemakkelijkst en het best zijn dank betuigen ?
Ten le, door woorden, uit een dankbaar hart voortkomende, bv. «.) door eiken morgen en avond te dien einde godvruchtig het kruisteeken te maken, zeggende: In den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Amen. Immers, in den naam des Vaders , enz. zijn we gedoopt. Die aanroeping der H. Drievuldigheid doen we toch eiken morgen en avond bij het begin en einde van het morgen-en avondgebed. quot;We kunnen ons dus op die wijze gemakkelijk van den plicht van dankbaarheid voor de genade des H. Doopsels eiken dag kwijten. â b.) Door Zondags onder de H. Mis of het Lof te dien einde ten minste eens godvruchtig te zeggen : âGlorie zij den Vader, den Zoon en don H. Geestquot; â c.) Door op onzen verjaardag onze doopbeloften te vernieuwen. Men kan zulks op zeer eenvoudige wijze doen, bv. door aandachtig
198
en godvruchtig de twaalf artikelen des Geloofs , de akten Tan Geloof, Hoop, Liefde en Berouw, de tien geboden Gods en vijf geboden der H. Kerk te bidden , of wel door het volgend of soortgelijk gebed: âIk N N (doopnaam en van noemen) verzaak op nieuw van geheeler harte aan den duivel, aan al zijne werken, d. i., aan alle zonden , e aan al zijne ijdelheden, d. i., aan al zijne aanloksels tot zonde. Ik wil mijnen Heer en God , J. C. alleen dienen, zijne geboden onderhouden. Voor Hem alleen wil ik leven en sterven. In den naam des Yaders , en des Zoons, en des H. Geestes. Amen H. Maria, moeder Gods, H. Joseph, H. Enge e-waarder, mijn H. Patroon, bidt voor mij nu en in het uur
van mijnen dood. Amen.'
Ten 'e 't best door daden ; a) voornamelijk door een waar
christelijk' leven te leiden. 6.) Door lid te worden van de
Broederschappen der H. Kindsheid en van den H. Franeiscus
Xaverius, en , als men kan , wekelijks een Vs, en - /3 cent
van zijne snoepcenten daarvoor te sparen, en dagelijks ter
eere der H. Kindsheid te bidden een Wees gegroet met aet
trebedje ⢠H. Maagd Maria bid voor ons en voor de arme,
ongeloovige kindertjes!-^ tot voortplanting des Geloofs een
Onze Vader en Wees gegroet met het schietgebedje . H. Fi an-
ciscus Xaverius, hid voor ons, opdat wijde beloften van
Christus waardig worden. , . .
Nota 2 De stof van het H. Sacrament des Doopsels is. de afwassching met water; de vorm zijn de woorden zede-lijker wijze gelijktijdig met die afwassching uit te spieken , en de gewone bedienaar is de Priester ; in tijd van nood , eenieder , iedereen.
twee en dertigste les.
Van liet Yormsel.
1 V. Waf is het Vormsel ?
A. Een Sacrament, dat door den Bisschop wordt toegediend aan degenen, die gedoopt zijn, in het-
199
quot;welk door de handoplegging, de zalving en heilige â woorden gratie en sterkte wordt gegeven om het geloof standvastig te belijden.
I. Het Vormsel is een Sacrament-, want het heeft de vier kenteekens, welke tot het wezen van een Sacrament der nieuwe quot;Wet vereischt worden.
Ten le, Een uitwendig teeken, nl., de handoplegging , de zalving en heilige woorden, welke men hoort, voelt of ziet. Door die handoplegging, zalving en heilige woorden wordt ten 2e, eene bizondere gratie heteekend , en ten 3e, ook gegeven ; bijgevolg ten 4e, moet dit uitwendig teeken door Christus zelve zijn ingesteld. Het Vormsel is dus een waarachtig Sacrament.
II. Wie is de bedienaar van dit Sacrament ?
Dat leert de Catechismus in het vervolg van het antwoord, zeggende:
Een Sacrament, dat door den Bisschcp wordt toegediend.
De gewone bedienaar is dus de Bisschop. Een Bisschop heeft, krachtens zijne wijding, de macht het H. Vormsel toe te dienen , en overtreft in dit opzicht al degenen, die enkel het priesterschap ontvangen hebben , enkel priester gewijd zijn. Een Priester kan of mag, krachtens zijne wijding, of het ambt, dat hij bekleedt, hoe verheven dit ook zij, het H. Vormsel niet toedienen. Hij kanen mag het alleen dan, als hij daartoe van Z. H. den Paus van Rome machtiging ontvangt. Z. H. â¢de Paus verleent aan een Priester die machtiging- niet dan in buitengewone omstandigheden, en dus moet een Priester slechts â¢de buitengewone bedienaar van het H. Sacrament des Vormsels genoemd worden.
III. Aan ivie kan het Vormsel geldig worden toegediend ?
Deze vraag beantwoordt de Catechismus door de volgende
â woorden : aan degenen, die gedoopt zijn. Iemand, die het Doopsel des waters of het Sacrament des Doopsels niet ontvangen heeft, kan of mag het H. Vormsel niet ontvangen.
200
Waarom niet ?... Waarom wordt het Doopsel genoemd het eerste Sacrament?
Maar aan al degenen, die geldig gedoopt zijn, kan ook het. H. Vormsel geldig worden toegediend. Dus ook aan degenen^ die nog niet tot de jaren van verstand gekomen zijn. Ja r ware het H. Vormsel, even gelijk het Doopsel noodzakelijk uit noodzakelijkheid des middels , dan zouden zelfs de kleinste kinderen het Vormsel ook moeten ontvangen, temeer , omdat ze, eenmaal geldig gedoopt, het ook van zelf waardig, nl. in stcat van gratie, zouden ontvangen. (Zie 3e V.)
Doch , het ontvangen van het H. Vormsel is niet noodzakelijk uit noodzakelijkheid des middels, maar enkel uit noodzakelijkheid des gebods, dat alleen degenen verplicht, die tot de jaren gekomen zijn door de geestelijke overheid bepaald, waarop men het Vormsel moet ontvangen als men daartoo gelegenheid heeft. (2e V.) Dus, dat gebod verplicht zeker geen kleine kinderen , die nog niet tot de jaren van verstand gekomen zijn. (Vgl. 3e Les, 16â20 V.)
Kinderen, in het antwoord op de le V. dezer Les: Wat is het Vormsel ? ligt meer opgesloten dan ge wellicht van den beginne gedacht hadt. We leerden er reeds uit, I., dat het H. Vormsel een waar Sacrament is der nieuwe Wet; II. Wie deszelfs gewone bedienaar is, en III. aan wie het geldig kan. worden toegediend. Maar bovendien kunnen we er nog uit leereu, welke de stof, en de vorm is van dit Sacrament, en eindelijk , welke gratie er bijzonder aan eigen is.
IV. Welke is dan de stop van het H. Vormsel ?
De Catechismus geeft het antwoord op deze vroag door to zeggen : in hetwelk , d. w. z., in welk Sacrament, nl. het Vormsel, door de handoplegging , de zalving. Door die twee woorden : de handoplegging en zalving , geeft de Catechismus genoeg te verstaan, dat de handoplegging en zalving bij het toedienen van het Vormsel tegelijkertijd gebeuren , en samen de volledige stof van het Vormsel uitmaken. Onder de handoplegging zalft de Bisschop het voorhoofd van den vormeling. Waarmeê? Met Chrisma (zalve bij uitnemendheid), vervaar-
201
digd uit Olijfolie, gemengd met balsem, door den Bisschop op Witten Donderdag gewijd.
V. Welk is de vorm van dit Sacrament ? of, wat hetzelfde beteekent: Welke woorden spreekt de Bisschop onder de handoplegging en zalving ?
Deze : N., ik teeken u met het teeken des H. Kruises, en vorm u met het Chrisma des heils. In den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. A men.quot; Daarna geeft hij den gevormde een zachten kaakslag, zeggende: Vrede zij met u, om hem indachtig te maken, dat hij bereid moet zijn voor Christus en het geloof smaad en vervolging te verdragen.
VI. Welke gratie wordt hijzonder door het waardig ontvangen van het H. Vormsel gegeven ?
Gratie en sterkte om het geloof standvastig te belijden.
Die woorden gratie en sterkte beteekenen versterkende gratie, of, gratie , die bijzondere sterkte geeft om het geloof standvastig te belijden. (Zie verder 4e V.)
2 Y. Wanneer moet men het Vormsel ontvangen? A. Als men tot de jaren gekomen is door de geestelijke Overheid bepaald , en men daartoe de gelegenheid heeft.
Men moet, d. w. z, in gewone omstandigheden is men, uit noodzakelijkheid des geboda van Christus en der H. Kerk, op doodzonde verplicht, het Vormsel te ontvangen, als de twee volgende conditiën samengaan, ten 1ste, als men tot de jaren gekomen is door de geestelijke overheid bepaald.
quot;Welnu , als regel is door onze geestelijke overheid bepaald dat men zijne eerste H. Communie gedaan hebbe, en dus, niet enkel tot de jaren van verstand, maar van onderscheiding gekomen zij, (Vgl. 3de Les, 17 V.; 25ste Les, 1 V.; 2$ Les, 7de , 10de en 11de V.) en derhalve in staat om met behoorlijke kennis en voorbereiding dit Sacrament mat veel vrucht te ontvangen. (Zie einde SOste Les.)
202
Ten 2de, dat men daartoe, nl., om het H. Vormsel te ontvangen , de geschikte gelegenheid beeft. Nu , die heeft men als de Bisschop in onze, of eene naburige parochie komt vormen. Zij dus die, zonder wettige reden, alsdan zouden weigeren , of moedwillig verwaarloozen het Vormsel te ontvangen, zouden zich aan eene groote zonde schuldig maken.
3 V. Wat wordt er vereischt om het Vormsel waardig te ontvangen ?
A. Dat men gedoopt zij en zuiver van doodzonde.
Om het Vormsel waardig te hunnen ontvangen , wordt ten Iste, vereischt, dat men gedoopt zij. Immers iemand, die het H. Sacrament des Doopsels niet ontvangen heeft , zou het Vormsel zeker niet mogen ontvangen.
Ten 2de, dat men zuiver zij van doodzonde, want het Vormsel is een Sacrament der levenden. (BOste Les, 15 \ , 19 V.) Dus alwie willens en wetens dit Sacrament in staat van doodzonde ontvangt, zou eene groote zonde van heiligschennis bedrijven. (Zie 30ste Les , 12de V.)
Deze reden alleen zij voldoende toch te zorgen dat ge het H. Vormsel waardig, zuiver van doodzonde, in staat van gratie ontvangt. Die reden dringt te meer, omdat, als men eenmaal dit Sacrament geldig, ware het ook nog zoo on-waardig, ontvangen heeft, het niet opnieuw kan of mag ontvangen , omdat het, even als het Doopsel, een eeuwigdurend geestelijk merkteeken in de ziel prent. (Zie 30ste Les, 21 en 22 V.)
quot;Wie het onwaardig mocht hebben ontvangen, herstelle alles, zoodra en zooveel mogelijk, door eene goede Biecht.
4 V. JVaf gratie verkrijgen ivij door het Vormsel ? A. De vermeerdering der heiligmakende gratie,
203
en bijzondere dadelijke gratiën om het geloof standvastig te belijden.
quot;Wij verkrijgen door het waardig ontvangen van het Vormsel ten late, vermeerdering der heiUgmakende gratie-, immers het is een Sacrament der levenden. (Zie 30 Les 18 V.) En, ten 2e, bijzondere dadelijke gratiën om het geloof standvastig te helijden, d. w. z., openlijk, ook onder bespotting van anders-gezinden of naam-katholieken, voor onze plichten als Roomsch-katholieken uit te komen, die onbeschroomd te onderhouden op Zon- en Feestdagen , Vasten- en Onthoudingsdagen , enz. ; in één woord, in alle omstandigheden en gezelschappen ons niet te schamen metterdaad te toonen , te laten blijken , dat we soldaten zijn van Jezus' Kerk, die voor hunne overtuiging durven uitkomen, zich aan geen menschelijk opzicht storen, maar ridderlijk voor hun God en Koning optreden.
Het recht op die bijzondere dadelijke gratiën, ontvangt men dadelijk als men het II. Vormsel waardig ontvangt. Werkelijk ontvangt men die gratiën, mits men er intusschen geen beletsel aan hebbe gesteld, of dit beletsel door eene goede Biecht weer hebbe opgeheven , ter gelegener tijd, als men er behoefte aan heeft. (Zie 30e Les 9 V.)
De bijzondere dadelijke gratiën welke aan dat Sacrament, waardig ontvangen, eigenaardig door Christus verbonden zijn, doen ons tevens begrijpen, waarom dit Sacrament H. Vormsel genoemd wordt. Vormsel (onze voorvaders zeiden Vermsel) komt van een Latijnsch woord, dat bevestiging, versterking beteekent. In de plaats daarvan had men ook kunnen zeggen vroomsel, d. i. iets, dat vroom, sterk en standvastig maakt. En dat doet het H. Vormsel: 't maakt den christen sterk om het geloof standvastig te belijden. âZij â dus spreekt de Eomeinsche Catechismus â die door den Doop Christenen geworden zijn, zijn als pasyehoren kinderen teer en zwak; door het Chrisma des Vormsels nu worden zij tegen alle aanvechtingen van het rleesch , van de wereld en van den duivel gesterkt; hun hart wordt in het geloof bevestigd, om den naam van onzen Heer J. C. te belijden en te verheerlijken.'quot;
202
Ten 2de, dat men daartoe, nl., om het H. Vormsel te ontvangen , de geschikte gelegenheid heeft. Nu , die heeft men als de Bisschop in onze, of eene naburige parochie komt vormen. Zij dus die, zonder wettige reden, alsdan zouden weigeren , of moedwillig verwaarloozen het Vormsel te ontvangen, zouden zich aan eene groote zonde schuldig maken.
3 V. Wat wordt er vereischt om het Vormsel waardig te ontvangen ?
A. Dat men gedoopt zij en zuiver van doodzonde.
Om het Vormsel waardig te kunnen ontvangen, wordt ten late, vereischt, dat men gedoopt zij. Immers iemand , die het H. Sacrament des Doopsels niet ontvangen heeft, zou het Vormsel zeker niet mogen ontvangen.
Ten 2de, dat men zuiver zij van doodzonde, want het Vormsel is een Sacrament der levenden. (30ste Les, 15 V , 19 V.) Dus alwie willens en wetens dit Sacrament in staat van doodzonde ontvangt, zou eene groote zonde van heiligschennis bedrijven. (Zie 30ste Les, 12de V.)
Deze reden alleen zij voldoende toch te zorgen dat ge het H. Vormsel waardig, zuiver van doodzonde, in staat van gratie ontvangt. Die reden dringt te meer, omdat, als men eenmaal dit Sacrament geldig, ware het ook nog zoo on-ivaardig, ontvangen heeft, het niet opnieuw kan of mag ontvangen , omdat het, even als het Doopsel, een eeuwigdurend geestelijk merkteeken in de ziel prent. (Zie 30ste Les, 21 en 22 V.)
Wie het onwaardig mocht hebben ontvangen, herstelle alles, zoodra en zooveel mogelijk , door eene goede Biecht.
4 Y. Wat gratie verkrijgen icij door het Vormsel? A. De vermeerdering der heiligmakende gratie,
203
en bijzondere dadelijke gratiën om het geloof standvastig te belijden.
Wij verkrijgen door het waardig ontvangen van het Vormsel ten Iste, vermeerdering der heiligmakende gratie-, immers het is een Sacrament der levenden. (Zie 30 Les 18 V.) En, ten 2e, bijzondere dadelijke gratiën om het geloof standvastig te belijden, d. w. z., openlijk, ook onder bespotting van anders-gezinden of naam-katholieken, voor onze plichten als Roomsch-katholieken uit te komen, die onbeschroomd te onderhouden op Zon- en Feestdagen , Vasten- en Onthoudingsdagen , enz.; in één woord, in alle omstandigheden en gezelschappen ons niet te schamen metterdaad te toonen , te laten blijken , dat we soldaten sijn van Jezus' Kerk, die voor hunne overtuiging durven uitkomen , zich aan geen menschelijk opzicht storen, maar ridderlijk voor hun God en Koning optreden.
Het recht op die bijzondere dadelijke gratiën, ontvangt men dadelijk als men het II. Vormsel waardig ontvangt. Werkelijk ontvangt men die gratiën , mits men er intusschen geen beletsel aan hebbe gesteld, of dit beletsel door eene goede Biecht weer hebbe opgeheven , ter gelegener tijd, als men er behoefte aan heeft. (Zie 30e Les 9 V.)
De bijzondere dadelijke gratiën welke aan dat Sacrament, waardig ontvangen, eigenaardig door Christus verbonden zijn, doen ons tevens begrijpen, waarom dit Sacrament H. Vormsel genoemd wordt. Vormsel (onze voorvaders zeiden Vermseï) komt van een Latijnsch woord, dat bevestiging, versterking beteekent. In de plaats daarvan had men ook kunnen zeggen vroomsel, d. i. iets, dat vroom, sterk en standvastig maakt. En dat doet het H. Vormsel: 't maakt den christen sterk om het geloof standvastig te belijden. âZij â dus spreekt de Eomeinsche Catechismus â die door den Doop Christenen geworden zijn, zijn als pasgeboren kinderen teer en zwak ; door het Chrisma des Vormsels nu worden zij tegen alle aanvechtingen van het vleesch , van de wereld en van den duivel gesterkt; hun hart wordt in het geloof bevestigd., om den-naam van onzen Heer J. C. te belijden en te verheerlijken.quot;
204
5 V. Welke zijn de gaven van den H. Geest, die men in het Vormsel ontvangt ?
A. Deze zeven: wijsheid, verstand, raad, sterkte, wetenschap , godsvrucht en de vrees des Heeren.
Deze zeven voortreffelijke gaven , worden bijzonder gaven van den H. Geest genoemd , om dezelfde reden , waarom onze heiligmaking bijzonder aan den H. Geest wordt toegeschreven , nl. , omdat Hij de Liefde is van den Vader en den Zoon, en uit Gods liefde onze heiligmaking voortkomt. (13e Les 6 en 7 Y.)
Ze zijn dus gaven niet enkel van den H. Geest, maar zoowel van God den Vader en van God den Zoon , als van God den H. Geest; in één woord , gaven van de H. Drievuldigheid. {6e Les 1 en 5 V.) Ze zijn loutere gaven, omdat God ze ons geeft zonder dat wij ze verdiend hebben.â Maar in welken zin vraagt de Catechismus: Welke zijn de gaven van den H. Geest , die men in het Vormsel ontvangt ?
Niet in dien zin , alsof men deze gaven het eerst in het Vormsel ontvangt. Neen. Immers de zeven gaven van den H. Geest staan in innig verband met de heiligmakende gratie; met deze worden ons die gaven, even gelijk de goddelijke deugden , in het Doopsel het eerst ingestort. (Vgl. 30 Les, 8 V., en 42 Les , 5 V.)
Maar in dien zin, dat die gaven in het H. Vormsel, tegelijk met de vermeerdering der heiligmakende gratie , welke wij er door verkrijgen (Zie 4 V. dezer Les), ook in ons vermeerderd worden.
Zeker zult ge verder wenschen te weten; Wat dan toch die zeven gaven van den H. Geest in :t algemeen zijn ? Kinderen , ze zijn, gelijk de zedelijke deugden bovennatuurlijke genegenheden der ziel tot het goede, met dit verschil, dat de zedelijke deugden, uit haar aard, ons enkel genegen maken en opwekken tot geivone goede werken, terwijl de zeven gaven van den H. Geest uit heur aard ons geschikt maken en aansporen tot meer huitengewone, voortreffelijke goede werken. (Vgl. 42 Les, 1 , 2,9 V.)
205
Eindelijk zult ge vragen: Wat door ieder dier zeven gaven in H hijzonder verstaan wordt? Wat de gave der â wijsheid is, of in ons uitwerkt ? enz.
1. De gave van wijsheid helpt ons om de hemelsche goederen boven de aardsche te achten en te betrachten.
2. De gave van verstand helpt ona om de waarheden des geloofs dieper te begrijpen, er inniger van doordrongen te zijn , en er naar te handelen, te leven.
3. De gave van raad helpt ons om in twijfelachtige voorvallen des levens datgene te kiezen wat het meest strekt tot glorie van God en de zaligheid onzer ziel.
4. De gave van sterkte helpt ons om de moeielijkheden , die zich op den weg der zalig- en volmaaktheid voordoen, edelmoedig te overwinnen.
5. De gave der wetenschap helpt ons om gestadiglijk het goede van het kwade te onderscheiden, het goede te betrachten , het kwaad te verachten.
6. De gave van godsvrucht doet ons God met vaardigheid dienen, alle zijne geboden onderhouden.
7. De gave van de vreeze des Heeren vervult ons met eene kinderlijke vreeze om God door eenige dood- of opzettelijk bedreven dagelijksche zonde te vergrammen, ja zelfs, om dien oneindig goeden Vader door eene vrijwillige onvolmaaktheid te mishagen.
6 V. Waarom geeft men ons in het Doopsel en Vormsel namen van Heiligen ?
A. Opdat wij de deugden dier Heiligen zouden navolgen en door lien beschermd en geholpen worden.
Men geeft ons dus in het Doopsel en Vormsel uit tweeërlei inzicht, met tweeërlei doel, namen van Heiligen. Ten le, opdat wij ten minste de voornaamste deugden dier Heiligen , wier namen ons in het Doopsel en Vormsel gegeven zijn,
206
van verre, en met inachtneming van de bijzondere plichten van onzen staat, zouden navolgen, en, opdat wij ten 2e, door hen , door onze Patroonheiligen , naar lichaam en ziel, bij leven en sterven beschermd en geholpen zouden worden.
Vandaar dat de Catechismus zelf eenieder aanbeveelt dagelijks en in 't Morgen- en in 't Avondgebed de hulp van zijn Patroon of zijne Patrones af te smeeken.
H. N...., mijn Patroon {of Patrones), hid voor ons.
DRIE EN DERTIGSTE LES.
Yan liet H. Sacrament des Altaars.
§ 1-
1 V. IVelk is het waardigste der zeven HH. Sacramenten ?
A. Het H. Sacrament des Altaars.
Dit Sacrament wordt het H. Sacrament des Altaars genoemd , omdat het op het Altaar tot stand gebracht, voltrokken en bewaard wordt. Het wordt het heilig Sacrament genoemd bij uitnemendheid, d. w, z,, het heiligste Sacrament, kortaf: âhet Allerheiligstequot;, omdat in dit Sacrament de oorsprong van alle heiligheid, de gever van alle gratiën zelf tegenwoordig is. Om diezelfde reden is het Sacrament des Altaars ook het toaardigste der Zeven H. H. Sacramenten.
2 V. Wat is het H. Sacrament des Altaars ?
A. Een Sacrament, in hetwelk onder de gedaante van brood en wijn Christus zelf tegenwoordig is.
Het H. Sacrament des Altaars, is een waarachtig Sacrament der luouwe quot;VVet; want het heeft er de vier kenteekens van;
207
Ten le, een uitwendig teeken, t. w., de gedaanten van brood en wijn ; ten 2e, dat uitwendig teeken heteehent eane bijzondere gratie, die, ten 3e, ons door hetzelve gegeven wordt, en dus moet bet, ten 4e, door Christus zijn ingesteld.
Genoeg, de vier kenteekens hier zonder meer, te hebben aangegeven. Want elk wordt in 't bijzonder in 't vervolg der Les nader aangewezen.
Het uitwendig teeken van dit Sacrament wordt nader verklaard in de 5e V. dezer Les. Klaarblijkelijk beteekenen de gedaanten van brood en wijn, dat dit Sacrament, waardig ontvangen , eene waarachtige spijs onzer ziel is , alzoo, dat aan dit Sacrament eene bijzondere gratie eigen is , gelijk in de 10e V. wordt aangeduid , en in bijzonderheden wordt uitgelegd in de 12e â 15e V. â Die bijzondere gratie dient tot vermeerdering en instandhouding van het bovennatnurlijk, geestelijk leven onzer ziel , nl. om te beter de deugd te beoefenen en de zonde te vluchten. Dat ons die gratiën door dit Sacrament, waardig ontvangen , metterdaad gegeven worden , leert de 16e V. uitdrukkelijk. Dat Christus dit Sacrament werkelijk heeft ingesteld, bevestigt de Catechismus overduidelijk , door ons in de 9e en 10e V. te leeren: Wanneer, en tot wat einde Christus dit Sacrament heeft ingesteld.
In zijn kort antwoord op de vraag: Wat is het H. Sacrament des Altaars? geeft de Catechismus de vier vermelde kenteekens van een waar Sacrament der Nieuwe Wet ook genoegzaam aan. Want het luidt: Een Sacrament, in hetwelk otulev de gedaante van brood en wijn. Ziedaar het uitwendig teeken. Dat dit uitwendig teeken door Christus is ingesteld en eene bijzondere gratie beteekent, die ons door hetzelve gegeven wordt , ligt duidelijk in de volgende woorden opgesloten : Christus , de insteller van al de Sacramenten der Nieuwe Wet, de oorsprong en gever van alle gratiën , zelf tegenwoordig is. In dit Sacrament is dus Christus, de bron aller genaden , zelf in persoon tegenwoordig. In de overige Sacramenten is Hij zelf niet tegenwoordig, maar enkel door de kracht zijner gratie. Dus het II. Sacrament des Altaars is, en wordt met recht en goede reden het waardigste, het
208
heiligste der Zeven H.H. Sacramenten genoemd. Dit zal ons nog duidelijker blijken, als we het antwoord op de 3e V. goed verstaan.
3 V. Hoe is Christus in dit H. Sacrament tegenwoordig ?
A. Met zijne Godheid en menschheid, met ziel en lichaam, gelijk Hij verheerlijkt in den hemel is.
Jezus Christus zelf is in dit Sacrament waarlijk, wezenlijk «n zelfstandig tegenwoordig.
Om dit punt van ons H. Geloof te beter te verstaan, is 't zaak ons uit de 9e Les nog eens goed te herinneren: Wie
Jezus Christus is ? NI.! God de Zoon , de tweede Persoon der H. Drievuldigheid, rnenseh geworden ; God en mensch te zutnen , zóódat er dus in Christus zijn twee naturen: de goddelijke natuur en de menschelijke natuur. En hoeveel personen zijn er in Christus ? In Christus is slechts één Persoon, te weten: de Goddelijke Persoon. (2â5 V. t. a. p.)
Nu, zóó, gelijk we dadr Christus hebben leeren kennen , is Hij zelf in dit Sacrament tegenwoordig: t. w. , met zijne Godheid en menschheid , als God en mensch te samen , met die ziel en dat lichaam , welke Hij bij Zijne menschwording door eenc bijzondere werking van den H. Geest in den maagdelijken schoot van Maria heeft aangenomen (vgl. 9e Les 6e V.), doch, zelfs volgens zijne menschelijke natuur, nu niet meer, gelijk vroeger, lijdelijk en sterfelijk (vgl. 10e Les 9e Y.), maar gelijk Hij, sinds Zijne Verrijzenis en Hemelvaart, verheerlijkt in den hemel is, begaafd met de vier hoedanigheden waarmee de lichamen der zaligen zullen verrijzen, nl. , met klaarheid, snelheid , fijnheid of subtiliteit, en onlijdelijkheid (vgl. 16e Les, 10e V.); dus gelijk Hij nu zit aan de rechterhand van God den vader almachtig, d. w. z., in de opperste rust is en in de hoogste eer bij God den vader. (He Les, 13e V.)
209
Alwie dit antwoord goed begrepen heeft, kan vanzelf ook â deze vraag beantwoorden :
Hoe is Christus in dit Sacrament tegenwoordig, levend of niet levend, geheel of gedeeltelijk? Immers moet zonder twijfel op die vraag geantwoord worden : âChristus is er geheel en levend tegenwoordig, met vleesch en bloed, met ziel en lichaam, met mensohheid en Godheid, gelijk Hij verheerlijkt leeft in â¢den hemel,quot; nogtans met dit hoofdverschil, dat Hij inden hemel in zijne natuurlijke gedaante is , en zichtbaar voor de gelukzaligen, terwijl Hij in het H. Sacrament des Altaars onder de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig is, en wij Hem niet kunner. zien.
4 V. Wanneer komt Christus in dit II. Sacrament teyemvoordiy ?
A. In het H. Sacrificie der Mis, als de Priester de woorden van de H. Consecratie spreekt.
Die vraag en dit antwoord komen op hetzelfde neer als â de 4e V. en A. der volgende Les: Hoe, d. w. hier z., door welk middel, of waardoor, komt Christus in de Mis tegenwoordig ?
A. Door de woorden van de H. Consecratie, die de Priester â spreekt, worden het brood en de wijn veranderd in het lichaam en bloed van Christus.
Alzoo, Christus komt in het H. Sacrament des Altaars tegenwoordig in het H. Sacrificie der Mis als de Priester de ivoorden spreekt van de II. Consecratie, dat wil letterlijk zeggen; de woorden van inzegening, heiliging; maar werkelijk w. d. z.: de woorden, welke eene zelfstandigheidsverandering teweegbrengen, uitwerken. Want, door de woorden van de H. Consecratie , die de Priester, in het midden van de Mis , in den persoon van Christus, even almachtig als God de Vader (vgl. 6e Les , 6e V.), spreekt, wordt de geheele zelfstandigheid van brood en wijn veranderd in het waarachtig
C U
210
lichaam en bloed van Christus, onafscheidelijk vereenigd met zijne Godheid en menschhoid, gelijk Hij nu verheerlijkt in den hemel is.
5 V. Is er in dit Sacrament ook geen brood of wijn aanwezig ?
A. Geenszins; maar slechts de gedaante of schijn van brood en wijn.
In het H. Sacrament des Altaars is geenszins, volstrekt, hoegenaamd geen waar brood of wijn aanwezig, tegenwoordig. Immers het brood en de wijn . welke de Priester opdraagt, als hij na het Evangelie den kelk ontdekt heeft, worden dooide woorden van de H. Consecratie, die de Priester spreekt in het midden van de Mis, even voordat de H. Hostie en de kelk worden opgeheven , veranderd in het lichaam en bloed van Christus. (Vgl. 34 Les, 7 en 8 Y.) Dus bij de H. Consecratie houdt de zelfstandigheid van brood en wijn op , en blijven alleen de gedaanten van brood en wijn over. Daarom zegt do Catechismus , dat in dit Sacrament tegelijk met Christus lichaam en bloed geenszins ooh waar, wezenlijk brood of wijn aanwezig is, maar slechts de gedaante, d. w. z., de kleur, smaak, reuk, uiterlijke vorm enz. van brood en wijn; of, m. a. w. , dat na de consecratie alleen de schijn van brood en wijn in dit Sacrament overgebleven en zichtbaar is.
Ook na de consecratie schijnt het nog wel brood en wijn te zijn, is er voor het uiterlijke niets aan veranderd; het lijkt nog brood en wijn te zijn , men zou zeggen, dat het nog brood en wijn is ; en toch is het geen brood of wijn meer, maar het waarachtige lichaam en bloed van Christus. Du» is er in het Sacrament des Altaars geenszins ook brood of wijn aanwezig, tegenwoordig, maar slechts de gedaante of schijn van brood en wijn. Doch onder iedere dier gedaanten, onder den schijn èn van brood èn van wijn , is Christus zelf geheel tegenwoordig ; ja zelfs, als de gedaante van brood of wijn verdeeld wordt, is Christus onder elk deel van brood of wijn gohe31 tegenwoordig. Dit leeren ons de twee volgende vragen.
211
6 V. Is onder iedere gedaante Christus geheel tegenwoordig ?
A. Ja ; onder iedere gedaante.
Ja, Christus is yeheel tegenwoordig' onder iedere gedaante, d. w. z., en onder de gedaante van brood, èn onder de gedaante van wijn. Bijgevolg ontvangen de geloovigen, die te communie gaan onder ééne gedaante , onder de gedaante van brood, uitteraard, of, uit de natuur der zaak , evenveel nis de Priester, die in de H. Mis het lichaam en bloed van Christus onder de gedaante èn van brood èn van wijn nuttigt, eet en drinkt; want Christus is onder iedere gedaante r/eheel tegenwoordig. Dus, nog eens gezegd: de geloovigen ontvangen onder de gedaante van brood, even goed Christus geheel als de Priester. Meer dan den gelieelen Christus kan men toch niet ontvangen.
7 V. Als de gedaante van brood of wijn verdeeld wordt, onder welk deel is Christus dan tegen-woordig P
A. Dan is Christus onder elk deel geheel tegenwoordig.
Om dit antwoord goed te begrijpen, let wel op de woorden dezer vraag; Als de gedaante van brood of wijn verdeeld wordt, onder welk deel is Christus dan tegenwoordig ?
Verdeeld worden slaat alleen op de gedaante van brood of wijn ; geenszins op Christus zeiven ; want al is Christus in dit Sacrament onder de gedaanten van brood en wijn wezenlijk tegenwoordig , zijn toch de gedaanten van brood of wijn geenszins de gedaanten van Christus zeiven. Na zijne verrijzenis kan Christus niet meer sterven , niet meer verdeeld worden ; zijn lichaam niet meer van zijne ziel gescheiden worden. Derhalve slaat verdeeld worden alleen op de gedaanten van brood en wjjn, en is Christies onder elk deel, waarin de gedaante van brood of wijn verdeeld wordt, geheel tegenwoordig.
212
Uit deze waarheid volgt ten 1ste, dat, als de Priester eene H. Hostie moet verdeelen, omdat er meer communican -ten dan H. Hostiën voorhanden zijn , hij die slechts een gedeelte eener H. Hostie ontvangt, evenveel krijgt als hij die eene geheele H. Hostie ontvangt; want als de gedaanten van brood of wijn verdeeld zijn, dan is Christus onder elh zichtbaar deel, hoe klein ook , geheel tegemvoordig.
Hieruit volgt ten 2e, de reden, waarom de Priester op het einde der H. Mis , na de nutting, zelfs de kleinste deeltjes die na de consecratie van de H. Hostie mochten afgevallen zijn, met zooveel zorg verzamelt. Hij doet dit zoo nauwlettend juist omdat Christus onder elk zichtbaar deel, hoe klein ook, geheel tegenwoordig is.
Maar , hoelang wel blijft Christus onder de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig ?
Zoolang de gedaanten van brood en wijn aanwezig zijn, blijven voortduren; met a. w., tot dat de gedaanten van brood en wijn, als ze wezenlijk gewoon brood of wijn waren, verteerd, vergaan , verdwenen zouden zijn. Als de gedaanten van brood of wijn verdwenen zijn i ophouden te bestaan, is ook Christus in dit Sacrament niet langer tegenwoordig, omdat er dan geen uitwendig teeken meer is, en bijgevolg ook niet meer het Sacrament dos Altaars. quot;Want: Wat is een Sacrament in 't algemeen? (30e Les, le V.) En in 't bijzonder: Wat is het H. Sacrament des Altaars? (2e V. dezer Les.)
8 V. Welke eer zijn wij aan het H. Sacrament des Altaars schuldig ?
A. Dezelfde eer, die wij aan Christus moeten bewijzen, te weten : de Goddelijke eer en aanbidding.
quot;Wij zijn aan het H. Sacrament des Altaars dezelfde in- en uitwendige eer schuldig , verplicht te bewijzen , die wij aan Christus, waarachtig God en mensch te samen in één god-
213
delijken Persoon, moeten bewijzen, te weten: de Goddelijke eer, de eer , waardoor wij Hem als God erkennen, de eer, die bij uitnemendheid aanbidding genoemd wordt. (Vgl. 23e Les, 5e Y.) Immers het H. Sacrament des Altaars is een Sacrament, in hetwelk onder de gedaante van brood en wijn Christus zelf tegenwoordig is, met zijne Godheid enmensoh-heid, met ziel en lichaam, gelijk Hij verheerlijkt in den hemel is. (V. 2 en 3 dezer Les.)
9 .V. Wanneer heeft Christus dit Sacrament ingesteld ?
A. lu het laatste avondmaal , op den avond vóór zijn lijden.
Christus heeft dit Sacrament ingesteld in het laatste aoond-tnaal. Hoort in hoofdzaak het verhaal van de H. Evangelisten Mattheus (XIV. 26 â â 28), Marcus (XIV. 22 â 24), Lucas (XXII 19 â 20.) Terwijl Jesus en zijne twaalf Apostelen , na het Paaschlam gegeten te hebben , nog aan den maaltijd zaten, ânam Jesus het brood, en zegende, en brak, en gaf het aan zijne leerlingen, en zeide: Xeemt en eet, dit is mijn lichaam. En Hij nam den kelk, en dankte, en gaf hun dien , zeggende : Drinkt allen daaruit; want dit is mijn bloed des Nieuwen Testaments, dat voor velen zal vergoten worden tot vergeving der zonden.quot; âDoet dit tot mijne gedachtenis.quot;
Vraagt u ooit iemand : Waarom gelooft, en belijdt de H. Katholieke Kerk , dat in het H. Sacrament des Altaars het lichaam en bloed van Jesus tegenwoordig zijn ? dan luidt uw allesafdoend antwoord: Omdat Jesus, do Zoon Gods, de eeuwige waarheid zelf gezegd heeft: Dit is Mijn lichaam â dit is Mijn bloed.
En vraag ik u ieder in 't bijzonder: Kind, waarom gelooft gij vastelijk, dat Jesus Christus zelf met zijne Godheid en menschheid, met ziel en lichaam , gelijk Hij verheerlijkt in den hemel is, in het H. Sacrament des Altaars tegen-
214
woordig ia, dan zult ge me allen eenparig antwoorden: Omdat, Jpsus Christus, de Zoon Gods , de eeuwige waarheid , hetzelf geopenbaard heeft, en da H. Kerk het ons voorhoudt te gelooven. (Tgl. 3e Les, 4 â 10 V.)
Christus heeft dit Sacrament ingesteld in het laatste avondmaal , op den avond vóór zijn lijden. Op deze tijdsomstandigheid wijst de H. Paulus, in zijn I. Brief aan de Korinthiers (XI 23 â 26) met nadruk , zeggende âWant ik, ik heb (door onmiddellijke openbaring) van den Heer ontvangen , 't geen ik u ook (bij monde) heb overgegeven (geleerd), dat de Heere Jesus, in den nacht, waarin Hij (door Judas verrade-lijk in de handen van zijne vijanden) geleverd werd , brood nam, en gedankt hebbende liet brak en zeide: Neemt en eet, dit is mijn lichaam , dat voor u geleverd zal worden ; doet dit tot mijne gedachtenis ! Desgelijks ook den kelk , nadat Hij den maaltijd genomen had , zeggende: Deze kelk is het Nieuwe Testament in mijn bloed; doet dit, zoo dikwijls gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis. Want zoo dikwijls gij dit brood zult eten, en den kelk drinken, zult gij den dood des Heeren verkondigen , totdat Hij komtquot; als Rechter over levenden en dooden aan het einde der wereld.
Uit die woorden is gemakkelijk af te leiden, tot wat einde Christus dit Sacrament heeft ingesteld.
10 V. Tot wat einde heeft Christus dit Sacrament ingesteld ?
A. Ten 1. Tot gedachtenis van zijn liefde en H, lijden ; ten 2. tot eene waarachtige spijs onzer ziel; ten 3. tot een gedurig Sacrificie der Nieuwe Wet.
Christus heeft dit Sacrament ingesteld ten 1ste, tot gedachtenis van zijne liefde en zijn H. lijden. Als vrienden voor langen tijd, of voor eeuwig, van elkaar afscheid nemen , zijn ze gewoon aan hunne dierbaren iets ter gedachtenis, ter
215
herinnering achter te laten. Wat het ook zij, 't moet beteekenen: âVergeet mij niet. Gedenk mijner.'' Als een dierbare rader of moeder den dood nabij zijn, laten ze aan hunne kinderen nog een laatste gedachtenis na: een prentje , kruisbeeldje, pater n os ter , hun portret, of wat dan ook. 't Zij in zich zelve ook nog zoo onbeduidend , van nog zoo weinig waarde, voor welgeaarde kinderen is en blijft dit aandenken , op het sterfbed van vader of moeder ontvangen , zóó dierbaar , dat ze het aan geen prijs , voor geen zilver of goud zouden willen omruilen, afstaan, juist omdat het hun als een voortdurende gedachtenis der liefde , die hunne ouders hun toedroegen, is achtergelaten.
Kinderen , door deze vergelijking zult ge genoeg verstaan hebben wat de Catechismus eigenlijk bedoelt als hij zegt: Christus heeft dit Sacrament ingesteld ten 1ste, tot gedachtenis van zijne liefde. Maar de grootheid van dit liefdeblijk kunnen wij menschen niet volkomen begrijpen. Grooter kon het niet zijn. quot;Want vgt;at liet Hij ons door het instellen van dit H, Sacrament tot gedachtenis zijner liefde na ? Zich zeiven, met zijne Godheid en menschheid, met ziel en lichaam, gelijk Hij verheerlijkt in den hemel is. (2e en 3e V.)
Het tijdstip, waarop Christus het Sacrament des Altaars instelde , levert een bewijs te meer , dat dit Sacrament waarlijk een onovertrefbaar blijk en aandenken is van zijne liefde, en tevens van zijn H. lijden. Immers, wanneer heeft Christus dit Sacrament ingesteld ? In het laatste avondmaal (op Witten Donderdag), op den avond vóór zijn lijden , op den avond die den dag van zijn lijden (goeden Vrijdag) voorafging. (Vgl. 10e Les, 6e V.)
Dus als op hetzelfde oogenblik, dat Parizeën, Schriftgeleerden en Oversten der Joden en Judas , zijn trouwelooze Apostel, samenspanden , om Hem gevangen te nemen, en den dood des kruizes te doen ondergaan, liet Jesus, als een stervende vader, bij testament, bij uiterste wilbeschikking , ons , zijne veelgeliefde kinderen , dit Sacrament na, tot voortdurende gedachtenis van zijne onovertroffen liefde, en van zijn H. lijden, dat kort na de instelling van dit Sacrament begon in
216
't hofke van Olijven , en eerst eindigde op den Calvarieberg met de voltrekking van het bloedig sacrificie des kruises. De woorden , die Christus na de instelling van het H. Sacrament des Altaars sprak: Doet dit te mijner gedachtenis, geven dus, onder meer, duidelijk te verstaan, dat Christus dit Sacrament heeft ingesteld, ten 1ste, Tot gedachtenis van zijn liefde en H. lijden. Doch Christus heeft dit Sacrament niet enkel ingesteld tot gedachtenis van zijn liefde en H. lijden , maar bovendien ten 2de, tot eene waarachtige spijs: onzer ziel; en ten 3de, tot een gedurig sacrificie der Nieuwe Wet.
Deze twee doeleinden behoeven we hier niet nader te verklaren , omdat de Catechismus zelf in § 2 dezer Les ons leert wanneer het H. Sacrament des Altaars eene waarachtige spijs onzer ziel is, en geheel de volgende Les handelt over de H. Mis, het gedurig sacrificie der Nieuwe quot;Wet.
Maar wel geven deze en de volgende vr., benevens de volgende § en Les, geschikte aanleiding om op twee andere belangrijke leerpunten te wijzen, t. w., ten 1ste, dat dit H. Sacrament ook daardoor de andere Sacramenten ver overtreft (Vgl. V. 2), dat het niet gelijk de overige. Sacramenten enkel uit eene voorbijgaande handeling bestaat, niet enkel in het ontvangen of opdragen van Jesus lichaam en bloed, m. a. w., niet enkel in de H. Communie en het H. Misoffer , maar iets blijvends is. Immers Christus is, volgens de onfeilbare leer der H. Kerk, na de H. Consecratie in dit Sacrament niet enkel tegenwoordig op het oogenblik dat wij Hem metterdaad in de H. Communie ontvangen , maar ook te voren, d. i., vóór dat wij Hem in de H. Communie ontvangen , en daarna in de H. Hostiën, die na de uitdeeling der H. Communie bewaard worden, overblijven. Uit dit punt des geloofs volgt rechtstreeks, dat wij. Jesus' liefde en lijden bijzonder behooren te overdenken , als wij Jesus , verblijvende , rustende in het H. Sacrament de» Altaars, aanbidden.
Ten 2e, dat het geheim van Christus' liefde, het Al-teargeheimenis, alweer ter onderscheiding van de andere H. Sacramenten, kan en moet beschouwd worden onder tweeërlei
217
opzicht: nl. als Sacrament én als Sacrificie der Kieuwe Wet. 't Is een Sacrament der Nieuwe Wet, in zooverre het onmiddellijk tot heiligmaking en zaligheid der menschen door Christus is ingesteld. {Vyl. 30e Les, 6e V.) 't Is een gedurig sacriflcio der Nieuwe Wet, in zooverre het door Christus is ingesteld, om zijn Hemelschen Vader te erkennen als den Heer van leven en dood , om aan de H. Drievuldigheid een slachtoffer op te dragen, dat tevens een dank- en zoen- en smeeleoS%v is, en dus alle doeleinden der verschillende offeranden der Oude Wet in zich vereenigt. (Vgl. 12 V. dor volgende Les.)
11 V. Wanneer hehooren wij dus bijzonder de liefde en hel lijden van Jesus te overdenken ?
k. Ten 1. Als wij Jesus in het H. Sacrament des Altaars aanbidden ; ten 2. als wij het H. Sacrament in de H. Communie ontvangen ; ten 3. als wij het H. Misoffer bijwonen.
Overeenkomstig het drievoudig doeleinde, waartoe Christus dit Sacrament heeft ingesteld, hehooren wij, is 't voor ons een plicht van wederliefde, dat wij bijzonder de liefde en het lijden van Jesus overdenken, ten le, A Is wij Jesus in het H. Sacrament des Altaars aanbidden, d. w. z., de Goddelijke eer bewijzen, dezelfde eer, die wij aan zijn Goddelijken Persoon verschuldigd zijn (8e V.) En dit behooren wij, zoover onze plichten van staat het toelaten, als brave Christenen ten minste te doen door eiken Zon- en Feestdag hét H. Lof bij te wonen. Bovendien vooral tijdens het 40 - urengehed, en op Witten Donderdag en op de andere dagen waarop het M. Sacrament in processie omgedragen, of ter aanbidding uitgesteld en het âTe Deumquot; gezongen wordt; ja wij behooren dagelijks Jesus althans een kort bezoek te brengen in het H. Sacrament des Altaars , of indien onze plichten van staat dit niet toelaten, althans ééns per dag onder ons werk , en zoo dikwijls
218
wij voorbij eene K. K. kerk komen, in den geest van aanbidding, ter gedachtenis aan de liefde en het lijden van Jesus dit schoone schietgebed te herhalen: Geloofd zij J. C. in het H. Sacrament des Altaars.
Ten 2e, behooren wij bijzonder de liefde en het lijden van Jesus te overdenken, als wij het H, Sacrament in de H. Communie ontvangen.
En ten 3e , als wij het H. Misoffer hijwonen. Immers én op de H. Communie, én op het H. Misoffer slaat de aanmaning van Christus: âDoet dit tot mijne gedachtenis,\ m. a. w. , zoo dikwijls gij te communie gaat , of het H. Misoffer bijwoont, overdenkt de liefde, die ik u door het instellen van het H. Sacrament des Altaars en als Sacrament, én als Sacrificie bewezen heb ; overdenkt én bij de H. Communie én gedurende het H. Sacrificie der Mis het lijden, dat Ik uit liefde tot u heb doorstaan, en gij zult door die overdenking , overweging worden opgewekt om Mij wederkeerig â¢bovenal lief te hebben en te mijner liefde ook uwe kruisjes .geduldig te dragen.
§ 2.
Van de H. Communie.
12 V. Wanneer is het H. Sacrament des Altaars .eene waarachtige spijs onzer ziel ?
A. Als wij Het waardig in de H. CommuDie ontvangen.
Het H. Sacrament des Altaars is eene waarachtige spijs onzer ziel (zie 16e V.), als wij Het waardig (zie 14e V.) in de H. Communie ontvangen. H. Communie w. z. heilige jvereeniging. Het H. Sacrament des Altaars waardig ontvangen wordt de H. Communie genoemd , omdat het ons op zoo
219
heilig en innig mogelijke wijze met Christus vereenigt. De H. Communie ontvangen , communiceeren w. dus z. , met Christus zeiven vereenigd worden, het lichaam en bloed van Christus ontvangen. Want
13 V. Als men de H. Communie ontvangt, wat ontvangt men dan ?
A. Het waarachtig lichaam eu bloed vau Christus , â Christus zeiven.
(Zie 2 â 7 V.)
Omdat men, als men de H. Communie ontvangt, Christus zeiven ontvangt , zegt men dikwijls kort en bondig , dat men in de H. Communie âOns Heerquot; ontvangt, en wordt het H. Sacrament des Altaars ook dikwijls âOns Heer'''' genoemd.
14 V. Wat wordt er vereischt om waardig te communiceeren ?
A. rTen 1. dat men zij zuiver van doodzonde, en ten 2. nuchteren van des nachts 12 uren.
Er zijn dus twee vereischten om waardig te communiceeren (Vgl. 30e Les, bl. 182). Het eerste betreft de ziel, het tweede het lichaam.
Ten 1ste, wordt vereischt dat onze ziel zuiver zij van doodzonde , in staat van gratie; want het H. Sacrament des Altaars is een van de Sacramenten der levenden , die men in staat van gratie moet ontvangen. (30e Les, 15, 19, 20 V.) Dus mag niemand, die zich bewust is, die zeker weet, na zijne laatste goede Biecht, eene doodzonde gedaan te hebben, te Communie gaan , zonder te voren zich van de bedrevene doodzonde door eene goede Biecht gezuiverd te hebben. Dit leert de H. Apostel Paulus, en de kerkvergadering van Trente nadrukkelijk. De H. Paulus verkondigt ons desbetreffende
220
het gebod van Christus zeiven , dus een goddelijk gebod, waar hij zegt (le Br. aan de Korinth. XI hfdst. 28 v.) : âDoch, om niet onwaardigUjk te Communie te gaan, beproeve de mensch zich zeiven, en zóó , d. i. , als hij, na die zelfbeproeving , zich niet bewust is, na zijne laatste goede Biecht, aan eene doodzonde plichtig te zijn, ete hij van dat geconsacreerd brood, en drinlce van den kelk.quot; Maar als hij zich bewust is , zeker weet sinds zijne laatste goede Biecht, eene doodzonde bedreven te hebben, moet hij, alvorens te communie te gaan , eerst zijn geweten door eene goede biecht zuiveren.
In dien zin legt de algemee-ie Kerkvergadering van ïrcnte de zelfbeproeving, waarvan de H. Paulus hier spreekt, duidelijk uit. In de XIII zitting , hfdst. VII en Canon XI , zegt het H. Concilie; âDe kerkelijke gewoonte, (overlevering), verklaart, dat deze beproeving noodzakelijk is , dat niemand die zich van eene doodzonde bewust is , hoezeer hij daarover ook berouw meene te hebben , zonder te voren bet H. Sacrament der Biecht ontvangen te hebben, tot de H. Communie mag naderen.''
Krachtens Goddelijk en Kerkelijk gebod moet dus eenieder, die weet dat hij zich, na zijne laatste goede Biecht, aan eene doodzonde heeft schuldig gemaakt, eerst te biechten gaan, vooraleer tot de H. Tafel te naderen.
Om waardig te communiceeren wordt ten 2e, vereischt, dat men , buiten gevaar van sterven, dus in den gewonen regel, nuchteren zij van des nachts 12 uren.
Dit vereischte is niet, gelijk het vorige, door een goddelijk gebod voorgeschreven. Immers : Wanneer heeft Christus dit Sacrament ingesteld? 9 Antw. Waren de Apostelen nog nuchteren toen Christus hun de H. Communie uitreikte ? 't Is dus geen goddelijk, maar een kerkelijk gebod. Zijn wij verplicht dat gebod der H. Kerk te onderhouden ? Waarom ? (39e Les , le V.)
Het gebod van in gewone omstandigheden (15e V.) nuchteren te communiceeren verplicht uit zijn aard op doodzonde en kent geen kleinheid noch van tijd, noch van stof.
Geen kleinheid van tijd. Zoodra de klok des nachts 12.
221
â uren begint te spelen of te slaan is 't middernacht , is de communiedag begonnen. Dus hij die bij den eersten slag der klok spijs of drank in den mond, op de tong zou hebben, mag die spijs of dien drank niet doorhalen , maar moet ze uitspuwen of hij is ontnuchterd, zoodai hij dien dag niet mag te communie gaan.
Geen kleinheid van stof. Om dit goed te verstaan , dient vooropgesteld, wat door natuurlijk nuchteren zijn verstaan -wordt, nl. , dat men van des nachts 12 uren niets, hoe weinig ook, van buiten den mond, bij wijze van spijs of drank vrijwillig of onvrijwillig doorhale, doorslikke , mits hetgeen wordt doorgehaald uit zijn aard door de maag verteerd , veranderd kan worden.
Vermeld beginsel zegt, ten le : âNiets, hoe weinig ooh,\ Dus kleinheid van stof komt hier niet in aanmerking, niet te pas.
Eén kruimel brood , één druppel water of medicijn, bij wijze van spijs of drank genuttigd , ontnuchteren. Men moet dus het natuurlijk nuchteren zijn, dat, in den gewonen regel, dooide H. Kerk vereischt wordt om waardig te cominuniceeren , goed onderscheiden van het nog nuchteren zijn op eigenlijke of heele vastendagen. Op die dagen mogen zij die er toegehouden zijn, 'smorgens of door den dag, buiten het middagmaal en de collatie, geene boterham eten (29e Les, 6 en 8 V. bl. 165) ; maar wel een kopje koffie of thee drinken (want drank breekt de kerkelijke vasten niet). Als men dat zou gedaan hebben , zou men , zonder twijfel, natuurlijk ontnuchterd zijn en dien dag niet te communie mogen gaan. Nog-tans treft men wel eens zulke eenvoudige of weinig onder-wezene christen-menschen aan, die, als de Priester hun âOns Heerquot; thuis brengt, omdat ze , alhoewel niet in gevaar van sterven , niet in de kerk kunnen komen, en hun vraagt: âGe zijt immers nog nuchteren ?quot; antwoorden: Ja, mijnheer, want ik heb nog niets gegeten , maar slechts een slokje water, een kopje koffie gedronken , omdat ik zoo hoesten moest!....
In voornoemd beginsel werd ten 2e, gezegd: dat men .... A propos: Hoe luidt het beginsel ook ? Juist geantwoord. Dat men van des nachts 12 ure, ten le, niets, hoe weinig
222
ook, ten 2de, van buiten den mond... doorhale. Du» als iemand speeksel of eenig overblijfsel van 't geen hij 's avonds gegeten heeft, dat hem tusschen de tander. is blijven zitten , of eenig bloed of ander vocht dat uit tandvleesoh, tong, wang, hoofd, maag of long, van binnen in den mond komt, zou doorhalen, is hij daarom niet ontnuchterd. Maar iemand, die eenig vocht van buiten , bv., uit oog of neus in den mond zou krijgen en doorhalen, zou niet meer natuurlijk nuchter zijn, en daarom dien dag niet te communie mogen gaan. Insgelijks zou hij niet meer nuchter zijn , die 's avonds bij het slapen gaan , bv. een stuk drop in den mond nam , en dit zachtjes gesmolten, na middernacht zou hebben dooige-haald ; want zoo iets wordt beschouwd als een 's avonds begonnen en na 12 uren voortgezet gebruik van spijs of drank. Ten 3e, werd gezegd: bij wijze van spijs of drank, ter onderscheiding van 'tgeen men bij wijze van ademhaling doorslikt. Dus is men niet meer nuchter als men iets op die wijze doorhaalt, dat men moet zeggen: ik heb iets, hoe weinig ook, gegeten of gedronken, 't Doet er niets toe of zulks vrijwillig of onvrijwillig , wetens en willens , of zonder erg, onbedacht, onbewust, bv. in den slaap gebeurd zij. Herinnert u 't zoo even aangehaald geval van doorgehaald drop. Integenstelling, komt het 'doorhalen van iets niet onder den naam van eten of drinken, maar van doorhalen bij wijze van ademhaling, dan ontnuchtert het ook met. Bv., terwijl iemand 's morgens zijn mond spoelt, ol bij regen of sneeuw naar de kerk gaat, mengt zich een druppel gewoon of sneeuwwater met het speeksel, dat in zijn mond aanwezig is ; ademhalend slikt hij dat mengsel door, hij is daarom niet ontnuchterd , mag nog gerust te communie gaan. Eindelijk wordt ten 4e, gezegd: Mits hetgeen ivordt doorgehaald xdt zijn aard door de maag verteerd, veranderd kan worden. Dus zou iemand ontnuchterd zijn, die bv. een linnen draad, een stukje papier, krijt of was doorgeslikt heeft; want die zaken zijn verteerbaar. Doch niet ontnuchterd zou hij wezen, die bv. een zijden of wollen draad, een haarspier heeft doorgeslikt,, omdat deze zaken als niet verteerbaar gehouden worden.
223
15 V. May men ooit communiceren zonder dat men nuchter en is ?
A. Ja , als men in gevaar is van sterven.
Als iemand in gevaar van sterven communiceert, maar toch niet zóó ziek is dat hij gelijktijdig het H. Oliesel moet ontvangen, dan zegt men: hij wordt ten halve bediend. De H. Communie in gevaar van sterven ontvangen wordt dikwijls de H. Beis- of Teerspijze genoemd, omdat ze voor de zieken dient tot teer- of reispenning , m. a. w., ter versterking om de reis naar de eeuwigheid goed te eindigen. Als het gevaar van sterven voortduurt, mag men, zonder nuchteren te zijn, de H. Communie als Teerspijze meermalen ontvangen.
Als de Priester iemand te huis âOns Heerquot; brengt , zorge men: ten le, dat de kamer van den zieke zindelijk zij , en een witte doek worde uitgespreid over de borst van den zieke. Ten 2e, dat eene tafel klaar sta, met een witten doek gedekt, zoo mogelijk aan het voeteneinde van het ziekbed. En op die tafel: a.) een kruisbeeld met twee brandende waskaarsen; i.) wijwater met een palmtakje ; c.) een kopje-of glas schoon water.
16 V. PFat verkrijgen wij door de H. Communnie ? A. Ten 1. De vermeerdering der heiligmakende
gratie ; ten 2. bijzondere kracht en gratie om de deugd te beoefenen en de zonde te vluchten.
Door het waardig ontvangen der H. Communie verkrijgen wij ten le, de vermeerdering der heiligmakende gratie. Immers het H. Sacrament des Altaars is een Sacrament der levenden. (Vgl. 30 Les 7e, löe, 18 â 20 V.), en, als wij het waardig in de H. Communie ontvangen, eene waarachtige spijs onzer ziel (vgl. 12e V. dezer Les), tot welk einde het ook door Christus is ingesteld. (10e V.)
224
Het H. Sacrament des Altaars , waardig in de H. Communie ontvangen, is en wordt genoemd eene waarachtige spijs onzer ziel, omdat het , ten aanzien van het geestelijk leven orzer ziel, dezelfde uitwerksels voortbrengt, die stoffelijke spijs en drank betrekkelijk het lichamelijk leven veroorzaken. En welke zijn wel de voorname uitwerksels rati stoffelijke spijs en drank ten opzichte van het lichamelijk leven? Bij ondervinding kan elk uwer, die gezond is, 't antwoord geven. Stoffelijke spijs en drank vermeerderen, onderhouden , herstellen de natuurlijke, lichamelijke levenskrachten en hun gebruik zelf heeft meestal een zeker natuurlijk, door God zeiven er aan verbonden, gevoel van smakelijkheid, behagelijkheid , voldoening, tevredenheid tengevolge. Welnu, de H. Thomas van Aquine loert het uitdrukkelijk, dat alles werkt ook dit Sacrament uit ten opzichte van het geestelijk leven onzer ziel. Meer zelfs dan ecnig ander Sacrament der levenden vermeerdert het uit zijn aard de bovennatuurlijke levenskrachten onzer ziel. Immers door de H. Communie waardig ontvangen, verkrijgen wij ten le, vermeerdering der heiligmakende gratie, die het geestelijk leven onzer ziel is. Ten 2e, bijzondere kracht en gratie om de deugd te beoefenen en de zonde te vluchten.
Die woorden; kracht en gratie beteekenen ook hier bijzonder krachtige gratie, eene gratie, die bijzonder kracht geeft om de deugd te beoefenen en de zonde te vluchten. (Vgl. 32e Les le V., onder VI). Door die woorden worden dus de bijzondere dadelijke gratiën aangeduid, welke de H. Communie, waardig ontvangen, geeft. Het recht daarop verkrijgeu â¢we aanstonds zoodra we waardig communiceeren ; maar inderdaad worden ze ons door God gegeven ter gelegener tijd, als Wij ze noodig hebben om deze of gene bepaalde deugd met meer vaardigheid en ijver te beoefenen. De H. Communie on-derhoudt dus tevens het geestelijk leven onzer ziel, door haar ter gelegener tijd bijzonder krachtige gratie te verleenen om de deugd te beoefenen, en de zonde, dit of dat bepaald gevaar van zoude naarstig te vluchten , deze of gene bekoring krachtdadig te verzetten, te overwinnen. (Vgl. bl. 173, 174.)
225
Bovendien herstelt de H. Communie de krachten , welke onze ziel door eenige dagelijksche zonden zou verloren hebben. Hoort hoe de Vaders van het Concilie van Trente (Xllle Zitt., He Hfdst.) voornoemde uitwerkselen van dit Sacrament leeren : âOnze Verlosser â zoo leeren zij â heeft gewild dat dit Sacrament ontvangen worde als enne. geestelijke zielenspijs, waardoor gevoed en versterkt worden zij die leven door het leven van Hem, die gezegd heeft (nl. Christus zelf): Die mij eet (die mijn vleesch en bloed waardig nuttigt) , hij zal leven om mij (d. i., door mij het bovennatuurlijk leven zjjner ziel hebben en onderhouden) ; en als een geneesmiddel, waardoor wij vergiffenis krijgen van dagelijksche zonden, en van doodzonden worden vrijbewaard.quot; Voorts verschaft het nuttigen dier geestelijke spijs , van dat hemelsch manna, aan onze ziel niet zelden een gevoel van geestelijke behagelijkheid, «enegeestelijke opbeuring,en vervult haar met eene eigenaardige vreugde, met eene geestelijke zoetheid en vrede, die alle begrip te boven gaat. Die zoetheid is echter dikwjjls niet gevoelig, niet alleen omdat men er beletsel tegenstelt door vrijwillige nalatigheid , onverschilligheid, traagheid in de voorbereiding of dankzegging, of door gehechtheid aan eenige dagelijksche zonde, vooral van zinnelijkheid of liefdeloosheid; maar ook omdat God zelfs de braafste zielen die vertroosting niet zelden onttrekt tot beproeving en loutering harer liefde , of om haar nederig te doen blijven en meer en meer in de deugd van ootmoed te bevestigen. Ten slotte geven de H. Vaders van het Concilie van Trente nog als eigenaardig uitwerksel der H. Communie aan, dat âChristus gewild heeft dat dit Sacrament het onderpand zijn zou van onze toekomstige g'orie , en voortdurende gelukzaligheid.''''
Om ons aan die heilzame uitwerkselen der H. Communie ie herinneren wordt in 't begin van 't Lof zoo dikwijls gezongen : O Sacrum convivium âO Heilige maaltijd , waarin Christus genuttigd , zijn lijden herdacht, de ziel met gratie vervuld on ons een onderpand der toekomstige glorie gegeven wordt.quot;
Hot H. Sacrament des Altaars is dus âhet leven voor de
C 15
226
goedenquot;, d. i., voor hen die het waardig in de H. Communie ontvangen , maar âde dood voor de boozenquot;, d. i., voor hen, die wetens en willens in staat van doodzonde te communie gaan. Dit leert de
17 V. Ontvangen deze gratiën ook zij, die in staat van doodzonde ie Communie gaan ?
A. Neen ; zij bedrijven integendeel eene groote doodzonde van heiligschennis.
Zij die wetens en willens in staat van doodzonde te communie durven gaan, ontvangen de vermelde gratiën niet, maar zij bedrijven integendeel eene groote doodzonde van heiligschennis, (Vgl. 22e Les 8e V.); zij maken zich âschuldig aan het lichaam en bloed des Heerenquot;. âDie onwaardiglijk eet en drinkt (te communie gaat), hij eet en drinkt zich een oordeel (d. i., hij haalt zich, door zijne onwaardige nuttiging van het lichaam en bloed des Heeren, een strafvonnis van den Heer, het strafvonnis der eeuwige verdoemenis op den hals), omdat hij het lichaam des Heeren niet onderscheidt van eene gewone spijs; omdat hij met zijn besmet geweten aan 's Heeren tafel gaat aanzitten als ware zij niet waardiger dan zijne dagelijksche spijstafel, den eerbied vergetende, dien hij aan het lichaam des Heeren verschuldigd is. Daarom (omdat velen onder de Korinthische Christenen onwaardig te communie gingen) zijn er onder ulieden vele ziehelijken en kranken , en ontslapen (sterven) er velenquot;. (Ie Br. aan de Kor. XI 27 â 30.)
18 V. Wanneer is men verplicht de II. Communie te ontvangen ?
A. Ten 1. Volgens het gebod der H. Kerk ten minste eens 's jaars , omtrent Paschen ; ten 2. als men in gevaar is van sterven ; doch godvree-
227
zende Christenen doen het gewoonlijk alle maanden of op de hooge feestdagen.
De Catechismus geeft twee tijdsbepalingen aan, waarop men op doodzonde verplicht is de H. Communie waardig te ontvangen. Ten le , volgens het vijfde gebod der H. Kerk, ten minste eens 's jaars, omtrent Paschen. (Zie 29e Les, 11 V. bl. 167 en 168.) Ten 2e, volgens goddelijk gebod, als men in gevaar is van sterven, 't zij ten gevolge van eene ernstige ziekte, 't zij ter oorzake van eene levensgevaarlijke operatie, die men moet ondergaan, of reis, die men moet ondernemen, enz.
Doch, voegt de Catechismus er bij, godvreezende Christenen-doen het gewoonlijk alle maanden of op de hooge feestdagen.
De gewoonte, welke godvreezende Christenen zich tot regel stellen om zooveel mogelijk op den eersten Zondag van elke maand ter vereering van het H. Hart van Jesus , of op een anderen Zondag van elke maand te Communie te gaan, is alle christenen ten hoogste aanbevelenswaardig. (Men leze Inleid, tot een godvruchtig leven, van den H. Franc, de Sales, 2e d., 20 en 21 hfdst.)
19 V. Hoe lang behoort men vóór en na de H. Communie zich met geestelijke oefeningen hezig te houden ?
A. Ten minste een kwartier uurs.
Indien iemand te voren weet, dat hij de eer zal hebben een groot personage aan huis te mogen ontvangen , is een kwartier uurs niet te veel, ja, niet genoeg, om alles tot diens waardige ontvangst in orde te brengen. quot;Welnu, als we de H. Communie ontvangen, hebben we de eer en het geluk Christus zeiven te ontvangen. Men behoort zich dus ten minste een kwartier nuts vóór de H. Communie met geestelijke oefeningen bezig te houden, om Jesus, op eene Zijner goddelijke Majesteit eenigszins waardige wijze, in ons
228
hart te ontvangen. (Wat hier door geestelijke oefeningen verstaan wordt, en met welke geestelijke oefeningen men zich het best tot de H. Communie bereidt leert de 20ste V.)
Hier mogen we uit het zoo even gezegde reeds besluiten dat zü die nauwelijks in de kerk gekomen, dadelijk zonder behoorlijke voorbereiding, te Communie gaan , door die handelwijze gegronde reden geven tot het vermoeden dat zij met beseffen wat het is : te Communie gaan !
Desgelijks behoort men ten minste een kwartier uur na de H. Commuuie zich met geestelijke oefeningen bezig te houden. (Met welke het best leert de 2le V.)
Dat kwartiertje wel besteed is zoo kostbaar, zoo heilzaam! 't Is de aangename tijd, de genade-tijd bij uitnemendheid. Want, gelijk de H. Teresia zegt, rust Jesus na de H. Communie in ons hart als op een troon van barmhartigheid , om ons Zijne gratiën mede te deelen , zeggende: Wat wilt gij , dat ik ii doe ?
Die Christenen handelen dus zeer onbetamelijk, oneerbiedig en ongodsdienstig, welke dadelijk na de H. Communie de kerk verlaten. Ook zij toonen door deze hunne handelwijs niet te beseffen , dat Jesus na de H, Communie zoolang in ons hart tegenwoordig blijft tot dat de uitwendige gedaante van brood verdwenen is. (Vgl. 7e Y.)
De H. Philippus Nerius bemerkte eens dat zeker persoon aanstonds uit de kerk ging, nadat hij te Communie was geweest. Philippus zond onmiddellijk twee misdienaars, ieder met eene brandende lantaren in de hand, om den aangeduide persoon te vergezellen. Deze hierover grootelijks verwonderd, vraagt aan de misdienaars: Wat beteekent dit? Zij antwoorden : de Priester Philippus heeft het ons bevolen. Daarop gaat hij naar de kerk terug en vraagt aan Philippus, wat dit toch beteekenen moest? De heilige antwoordde met do meeste bescheiden- en vriendelijkheid: âAls het H. Sacrament over straat gedragen wordt, is het altijd vergezeld van koster en misdienaar, die ieder eene brandende lantaren dragen ; mij dunkt, dat hetzelfde blijk van eerbied ook moet gegeven worden rondom dengene, die het H. Sacrament op straat in
229
zijn hart draagt.1' De man zag nu zijne verregaande oneerbiedigheid in, knielde rouwvol voor het altaar neder om Jesus zijn plicht van dankbaarheid en aanbidding te bewijzen.
20 V. Met welke oefeningen zal men zich het beste tot de H. Communie bereiden ?
A. Ten 1. Met een vurig verlangen tot de H. Communie op te wekken ; ten 2. met de gevoelens van geloof; hoop , liefde , berouw en ootmoedigheid in zich te verlevendigen.
In de vorige vraag hebben we geleerd, dat men zich ten minste een kwartier uurs voor en na de H. Communie behoort bezig te houden met geestelijke oefeningen. In deze vraag leeren we met welke geestelijke oefeningen men zich het beste zal bezig houden vóór, â in de volgende vraag, na de H. Communie.
Om den zin der vorige, van deze en de volgende vraag te beter te begrijpen , is het zaak hier te verklaren , wat het zeggen wil , zich met geestelijke oefeningen bezig te houden , wat de Catechismus hier door geestelijke oefeningen verstaat.
Blijkbaar, oefeningen van onzen geest, van onze ziel; oefe-ningen, welke, onder den bijstand van Gods genade, ons verstand en onze wil verrichten ; akten, welke onze geest, ons hart verwekt en betrekking hebben op iets wat uit zijn aard tot heil ouzei' ziel strekt , ter onderscheiding van louter lichamelijke oefeningen , bv. gaan , staan , eten, drinken enz. en ter uitsluiting van die oefeningen, welke louter of voornamelijk wereldsche, tijdelijke zaken betreffen , tijdelijke belangen bevorderen, als daar bv. zijn: studeeren, handeldrijven enz.
^Nu is de vraag; Met welke geestelijke oefeningen men zich het best tot het ontvangen der H. Communie zal voorbereiden? En het antwoord luidt, ten le, met een vurig verlangen in zich op te wekken om Jesus in de U. Communie te ontvangen. Wie, die eenigszins beseft wat eer
230
en geluk het is, Jeaus in zijn hart te mogen ontvangen , zal niet vurig verlangen om aen dat geluk en die eer deelachtig te worden? Jesus toch is onze God en Heer, onze Koning, onze liefderijke Verlosser, onza Leermeester, onze Geneesheer, onze toekomstige Rechter.... En Hij gewaardigt zich tot ons te komen, zich zeiven, met Godheid en mensc heid, met ziel en lichaam, gelijk Hij verheerlijkt in den hemel is, geheel aan ons te schenken met al zijne gratiën en verdiensten, om in ons de heiligmakende gratie te vermeerderen, om ons krachtdadige gratie te verleenen om de deugd te beoefenen en de zonde zorgvuldiger te vluchten, om ons, die vermoeid en beladen zijn, te verkwikken! Hij komt tot ons in de H. Communie, niet om ons te veroordeelen , te vonnissen , maar om ons zalig te maken ! Hij geeft ons zijn ei-en vleesch en bloed tot onderpand der toekomstige glorie en gelukzaligheid (Vgl. 16 V.), die Hij voor ons verdiend en bereid heeft. Wie, ik vraag het nog eens, die eemgszins hierover nadenkt, zal niet een vurig verlangen in zich opgewekt gevoelen om 't geluk en de eer te hebben Jesus, zoodra mogelijk , waardig in de H. Communie te ontvangen ? Ja alwie dat geluk en die eer eenigszins beseft, zal, minstens reeds daags te voren , 's avonds bij het slapen gaan en 's morgens bij 't eerste ontwaken, een vurig verlangen tot de H Communie in zich opwekken en verzuchten ; Kom, Heere Jesus, kom, en toef niet langer. âGelijk een (afgejaagd en vermoeid) hert naar waterbronnen smacht , zoo smacht mijne ziel naar U , o God !quot; (Psalm XLI. 2.)
Ten 2e , met de gevoelens van geloof, hoop, liefde , berouw en ootmoedigheid in zich verlevendigen.
De gevoelens a.) van geloof. Geholpen door de zachte werking van Gods genade bidt men vóór de Communie als vanzelf: Jesus, ik geloof vastelijk, dat Gij in dit H. Sacrament waarlijk, wezenlijk en zelfstandig tegenwoordig zijt. Dit geloof en belijd ik omdat Gij de eeuwige waarheid zijt, die zelf veropenbaard, gezegd hebt: Dit is mijn lichaam. âKiets is waarachtiger dan dit woord der b aarheid.quot; Ik geloof het, Heere, kom mijn ongeloof te hulp!
231
m. a. w., verstoot mij niet om mijn klein geloof! quot;Wat â¢er nog aan mijn geloof ontbreken mocht , o Heer, vul Gij dat aan : Kom mijn ongeloof te hulp ! {Marc. IX. 23.) Met uwe Apostelen bid ik u Heer â Vermeerder ons het geloof.quot; {Luc. XVII. 5.)
6.) De gevoelens van hoop zullen door het verlevendigd geloof tevens als vanzelf verlevendigd worden.
Jesus mijn God en Heer, â zoo zal een innig geloovige .zijne hoop uiten â Gij gebiedt mij met een vast vertrouwen van U te hopen de eeuwige zaligheid en alle middelen, die mij daartoe noodig zijn, omdat Gij zijt oneindig goed tot ons, almachtig en getrouw in uwe beloften. (Vgl. 18eies, 4â6 V., â en 22ste Les, 2â4 V.)
Jesus, daarom juist durf ik , hoe nietig en gebrekkig ik â ook uit mijzelven ben, toch vol vertrouwen te Communie gaan. Want Gij zelf hebt gewild , dat de H. Communie voor ons zijn zou âhet onderpand van onze toekomstige glorie en eeuwige zaligheidquot;. (Vgl. 16e V.) Juist omdat ik zoo gebrekkig, zoo arm aan deugden en zoo vol fouten, zoo zwak en krank ben, kom ik tot U , mijn goddelijke geneesheer, die tot uw groot avondmaal ook armen , lammen , blinden en kreupelen deed uitnoodigen , (vgl. Luc. XIV: 21), en zelf gezegd hebt: homt tot mij, allen die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken. (Matth. XI: 28.) Juist omdat Gij, o mijn God, in dit Sacrament zelf tegenwoordig zijt, Gjj de bron aller gratiën , de gever aller Imlymiddelen, die mij noodig zijn om eeuwig zalig te worden, durf ik met vast vertrouwen U in de H. Communie ontvangen; want grooter blijk, dat Gij oneindig goed zijt tot ons, kondet Gij â alhoewel de goedheid zelve zijnde â ons toch niet geven, dan door U zeiven aan ons tot spijs en drank onzer ziel te geven. Juist omdat de behoeften mijner ziel zoo groot zijn, nader ik met grooter vertrouwen tot XI omdat Gij almachtig zijt. quot;Want juist daarom âHeere, indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.quot; (Matth. VIII: 2.) Mag ik heden, en zoo dikwijls ik nog het geluk zal hebben te Communie te gaan, 1) altoos waardig ontvangen, dan ben ik zeker, dat Gij U ook getrouw zult toonen in uwe
232
beloften : Die (waardig) mijn vleesch eet, en mijn hloed drinkt, heeft het eeuwige leven, en ik zal hem opwekken ten jongste» dage:'1 (Joan. VI: 55.) In die zoete hoop, o Jesus ! nader ik tot ü , en zeg het David met vast vertrouwen na: âDe Heet- is mijne kracht, en mijne toevlucht en mijn redder. Mijn God is mijn helper, en op Hem stel ik mijn vertrouwen:' (Pk. XVII. v. 3.) âOp U, o Heer, vertrouw ik; laat mij nooit beschaamd wordend (Pa. XXX. v. 2.)
c.) De gevoelens van liefde. Om deze in ons bij de voorbereiding tot de H. Communie te verlevendigen , is 't voldoende te herdenken, dat Jesus dit Sacrament heeft ingesteld tot gedachtenis van zijne onuitputtelijke liefde en H. lijden (10e V.) Grooter blijk zijner liefde toch kon Hij ons niet geven. Jesus, mijn God, en Heer, - zoo zal dus eene geloovige en vertrouwvolle ziel als vanzelf van geheeler harte zeggen: âJesus, mijn God , ik bemin U bovenalquot;, uit geheel mijn hart , niet alleen omdat Gij oneindig goed zijt jegens ons, maar veel meer omdat Gij het opperste goed , oneindig volmaakt zijt in U zeiven , en desniettemin U in eigen persoon aan mij schenkt in de H. Communie. Omdat Gij over en over waard zijt door alle redelijke schepselen bemind en verheerlijkt te worden (vgl. bl. 118), wensch ik , dat alle menschen U beminnen , en zal ik in't vervolg mijnen evennaaste beminnen gelijk mij zeiven om ü. Heer, Gij weet het, aan dit mv gebod bij uitnemendheid, (vgl. Joan. XV. 12.) ben'ik vroeger zoo dikwijls, tengevolge van mijne eigenliefde, hoovaardigheid , gemakzucht enz., op velerlei wijze tekort gebleven. Maar na U heden in de H. Communie genuttigd te hebben , zal ik bepaald die en die liefdeloosheid te zorgvuldiger vermijden. Dewijl door een iegelijk onzer één en hetzelfde brood , nl. uw lichaam onder de gedaante van brood, genuttigd wordt, daarom zullen wij , ofschoon velen, en verschillend van karakter, zienswijze enz., eensgezind zijn, één zijn in liefde , allen wij die deel hebben aan het ééne brood. (Ygl. I Br. aan de Korinth, X. 16. 17.)
d,) De gevoelens van berouw,
Jesus , mijn Heer en mijn God , het is mij uit den grond
233
van mijn hart leed, dat ik uwe goddelijke Majesteit en goedheid , die ik nu bovenal bemin , zoo dikwijls en op zoo velerlei wijze vergramd heb door mijne zonden. âMijn Jeau» barmhartigheid!'' Vergeef mij alle dood- en dagelijkachc zonden, die ik bedreven heb door gedachten, woorden en werken; al wat ik tegen U misdaan heb door ongehoorzaamheid, ongeduldigheid, onoprechtheid, oneerbiedigheid, verstrooidheid in 't gebed , door het verzuimen van de plichten van mijn staat, door mijne achteloosheid in de voorbereiding en dankzegging bij het ontvangen der H. Sacramenten, met name der H. Biecht en Communie. Deze en alle zonden van geheel mijn leven haat en verzaak ik uit liefde tot U, en ik maak een vast voornemen van voortaan vooral die en die zonde niet meer te bedrijven, en derzelver gelegenheid te schuwen, en liever te sterven dan U nog door eene doodzonde te vergrammen , ja Heer, dan met voorbedachtzaamheid , opzettelijk U nog door eene dagelijksche zonde te bedroeven. Amen, het zij zoo. Ach, Heer, geef mij vandaag in de H. Communie toch krachtige gratie om de zonde voortaan standvastig te vluchten en de deugd te beoefenen (16e V.) , om U go-trouw te blijven, om U uit geheel mijn hart te beminnen tot in den dood.
e.) Gevoelens van ootmoedigheid. O mijn Heer en mijn-God, denk ik ook maar een oogenblik na over uwe goddelijke-Majesteit en oneindige heiligheid, en mijne nietigheid en boosheid, dan moet ik erkennen niet eens waardig te wezen voor uwe Majesteit te verschijnen , veel minder ü zeiven in de H. Communie te ontvangen. Goedertieren en barmhartige Jesus , indien ik alléén op mijne eigene nietigheid, ondank-baarbeid en boosheid lette, zou ik het nimmer durven wagen U , mijn God , in mijn hart te ontvangen ; maar voorgelicht door het geloof en gesterkt door de hoop op uwe oneindige goedheid jegens ons, en nu althans ü beminnend bovenal, en innig bedroefd over al mijne zonden, werp ik mij met een vermorzeld en verootmoedigd hart, dat Gij , o God , niet zult versmaden, in de armen uwer grenzelooze barmhartigheid , en neem rouw- en betrouwvol mijne toevlucht tot Uvr
234
goddelijk Hart zelve! Jesus met verootmoedigd hart klop ik tot driemaal toe op mijne borst, en herhaal met den hoofdman des Evangelies âHeere! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt(Malth. VIII: 8.) , â doch met den Priester, den bedienaar van uw H. Sacrament, voeg ik er vol vertrouwen bij : âmaar spreek slechts één woord en mijne ziel zal gezond worden.quot;
21 V. Met welke oefeningen zal mm den tijd na de H. Communie het beste doorbrengen ?
A. Ten 1. Met Jesus te loven en te danken; en ten 2. met Hem gratie te verzoeken , in het bijzonder die gratie , welke men het meeste noo-dig heeft.
Na de H. Communie ontvangen te hebben is 't geraden den Priester na te bidden: âHet lichaam van onzen Heer J. C. beware mijne ziel ten eeuwige leven. Amenquot;. Wijders, om op uwe plaats teruggekeerd niet terstond uw kerkboek in handen te nemen, maar in eerbiedige houding neergeknield, met uw eigene woorden, d. i., die uw eigen hart u ingeeft, ter goeder trouw, ten Iste, Jesus te loven en te danken, bv. door op hartelijke wijze te zeggen : âU, o God ! loven wij.quot; Mijn Jesus, zijt welkom, ik dank U, dat Gij U gewaardigd hebt in mijn hart te komen. God de Zoon, menschgeworden, rust in mijn hart ! wat eene onbegrijpelijke goedheid ! Jesus , ik loof U, ik aanbid U .. . Mijne ziel verheft den Heer, en mijn geest verheugt zich over God , mijnen Zaligmaker ! omdat Hij nederzag op de geringheid van zijn dienstknecht (of dienstmaagd.) G roote dingen heeft Hij aan mij gedaan, de machtige, en heilig is zijn naam!... Heilig, heilig, heilig, is de God der Heerscharen!... Lof en eer zij den Vader, en den Zoon en den H. Geest! Geloofd zij Jesus Christus in het Allerheiligste Sacrament!... â Wat zal ik den Heer vergelden voor al de weldaden, die Hij mij bewezen heeft.quot;
235
lt;Ps. CXV: v. 12.) Dewijl ik niet in staat ben mijnen Heer en God naar waarde te loven en te danken, bid ik U, Allerheiligste Moeder Gods Maria, H. Joseph, H. Engelbewaarder, H. Patronen, vereenigt U met mij en helpt mij God loven en danken , vult gij aan wat aan mijn dankzegging ontbreekt.
Goedertieren .Tesus als blijk mijner dankbaarheid vraagt Gij vooral de liefde van mijn hart. âSchenk Mij, mijn zoon uiv hart, â zoo spreekt Gij mij inwendig toe â en laat uwe oogen letten op mijne wegenquot; (Prov. XXIII: 26.)
Jesus! ik schenk U mijn hart en mijne liefde. âLaat niet toe, dat ik van U geseheiden worde (door eene doodzonde). Voor den boozen vijand bescherm mij. â In het uur van mijnen dood , roep mij. â En laat mij tot [J komen. â Opdat ik U met uwe Heiligen love. â In de eeuwen der eeuwen. Amen.quot;
Sa op deze of soortgelijke wijze. gelijk het hart ingeeft, Jesus geloofd en gedankt te hebben , zal men den kostbaren tijd na de H. Communie het best doorbrengen ten 2e, met Jesus gratie te verzoeken, in het bijzonder die gratie , welke men het meeste noodig heeft.
Geen geschikter, gdlegener tijd is er om Jesus gratie te verzoeken dan na de H. Communie, terwijl Hij zelf in ons hart tegenwoordig is juist om ons in zjjne liefde te versterken , en ons bijzondere kracht en gratie te verleenen, om de deugd te beoefenen en de zonden te vluchten. (16 en 19 V.) Vraagt dus met kinderlijk vertrouwen en in eenvoudigheid des harte, al wat ter zaligheid noodig en dienstig is. Vraagt veel en rij zult veel verkrijgen. Schroomt niet tot bijzonderheden , kleinigheden zelfs af te dalen. Begint met de grootste gratiën te vragen , die ge het meeste noodig hebt, als daar zijn, een levendig geloof, een vast vertrouwen, eene vurige liefde. Heere Jesus ! âdoe mij steeds meer in II gelooven, op TJ hopen , U beminnen.quot; Vraagt meerdere kennis van Gods oneindige volmaaktheid en uwe eigene ellenden. Heere Jesus! âdat ik U kenne, dat ik mij zeiven kenne ; dat ik niets anders begeere dan ü ; dat ik mij bate , dat ik U be-minne, en alles doe om ü.quot; Vraagt de gave der volharding
236
in het goede ten einde toe. Vraagt de overwinning van deze of gene bepaalde drift, bijzonder van uwe hoofddrift, bv. t hoovaardigheid, zinnelijkheid... Vraagt de:;e of gene bepaalde deugd, als de nederigheid, zuiverheid, gehoorzaamheid...
Gij raoogt ook tijdelyke dingen vragen voor zoover zij u dienstig zijn ter zaligheid (vgl. Les 18 , Vquot;. 11.) Dus moogfc ge vragen bevrijd te worden van deze of gene droefenis, pijn, ziekte, van die en die bekoringen, van dien bepaalden tegenspoed... -âMijn Vader , indien het mogelijk is, laat deze Icelk mij voorbijgaan; nogtans niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij.quot; (Matth. XXVI. 39.) Niet mijn wil, maar de uwe geschiede ! {Luc. XXII. 43.) Vraagt maar veel, en veel zult ge verkrijgen niet enkel voor u zeiven, maar ook voor anderen. Bidt Jesus dus na de H. Communie ook voor uwe ouders, broeders en zusters, voor hen aan vrien gij verplichtingen hebt of die u dierbaar zijn, met name voor de vrijheid en de verheffing van onze Moeder de H. Kerk; voor Z. H. den Paus, voor Z. D. H. den Bisschop van ons Bisdom , voor alle Priesters, vooral voor uwen Biechtvader en degenen die u in den godsdienst onderwijzen ; bidt voor de bekeering der zondaren en ongeloovigen ; voor hen die heden zullen sterven , en eindelijk voor de zielen in het vagevuur. Vergeet niet op die arme zielen een aflaat toetepassen. Bidt te dien einde ten minste het bekende gebed : âO goede en lieve Jesusquot;.... met 5 Onze Vaders tot intentie van Z. H. den Paus. Als ge het naar behooren doet, kunt ge er eene ziel raeê uit het vagevuur verlossen! Die ziel zal dan in den Hemel met en. voor u Jesus loven en danken en Hem in het bijzonder die gratie verzoeken, welke gjj het meeste noodig hebt om ook eeuwig zalig te worden, in den Hemel te komen. Amen.
237
VIER EN DERTIGSTE LES.
Van het H. Sacrificie der Mis.
1 V. Hoevelerlei is het H. Sacrificie der Nieuwe Wet?
A. Tweederlei: liet bloedig Sacrificie des Kruises, en het onbloedig Sacrificie der Mis.
Het woord sacrificie beteekent een offer.
Een sacrificie, in den eigenlijken zin van het woord , is : de opdracht Yan eene uitwendige zaak , die met zekere vernietiging of verandering , door een wettigen bedienaar aan God gedaan wordt , om Hem als Opperheer te erkennen, en onze algeheele afhankelijkheid te betuigen.
Ten allen tijde, van den beginne der wereld, onder de Wet der natuur , en meer bepaald onder de quot;Wet van Mozes of de Oude Wet, zijn Gode velerlei offers opgedragen, die, volgens voorzegging van den profeet Malachias (I. 10. 11.), afgeschaft zouden worden en vervangen door een nieuw onbevlekt offer, dat van den opgang tot aan den ondergang der zon , op alle plaatsen aan God zou worden opgedragen.
Dat onbevlekte offer der Nieuwe Wet, is Jesus zelf, die zich eens aan het kruis heeft geslachtofferd , en nog voortdurend onder de gedaanten van brood en wijn dat kruis-offer vernieuwt.
Daarom onderscheidt men tweeërlei Sacrificie der Nieuwe Wet of der AVet van Christus: het bloedig sacrificie des kruises, en het onblordig sacrificie der Mis. Dit tweeërlei sacrificie der Nieuwe Wet is echter in /ioo/ifeaafc één en hetzelfde sacrificie, en wordt slechts tweeërlei onderscheiden , omdat de wijze verschilt waarop het sacrificie des kruises eenmaal voor altijd is, en het sacrificie der Mis voortdurend wordt opgedragen, en ook omdat de uitwerkinrj van beide sacrificiën verschillend ia: door het bloedig sacrificie des kruises werd voor de
238
zonden van alle menschen voldaan; door het onbloedige sacrificie der Mis worden die voldoening en de verdiensten van het kruisoffer op den mensch toegepast. Een en ander zal meer duidelijk worden uit het vervolg dezer Les.
2 V. Welk is het bloedig Sacrificie des Kruises ? A. Datgene welk Christus op den berg van
Calvarië aan het kruis heeft opgedragen, stortende zijn bloed en stervende voor alle menschen.
Het bloedig sacrificie des kruises is dat sacrificie, hetwelk Christus zelf, in eigen persoon , als lijdelijk en sterfelijk mensch (vgl. 10e Les, 9e V.), op Golgotha, ojp den berg van Calvarië, d. i., sc/terfdplaats, of, plaats der doodshoofden, in de nabijheid van Jerusalem gelegen, aan het kruis, (ziedaar de reden waarom dit sacrificie het sacrificie des kruises genoemd wordt), eens voor altijd heeft opgedragen, stortende zijn bloed, dat van oneindige waarde is, âwaarvan een druppel de geheele wereld van alle boosheid kan zuiveren.quot; Omdat Christus dit sacrificie opdragende zijn goddelijk bloed gestort heeft, wordt dit sacrificie het bloedig sacrificie der Nieuwe Wet genoemd. Christus heeft dit sacrificie opgedragen , stortende zijn bloed en stervende voor alle menschen, d. i., ter overvloedige voldoening voor de zonden van alle menschen, alzoo ter verlossing van alle menschen uit de slavernij des duivels en van den eeuwigen dood. (Vgl. 10e Les , le, 5e, lie, V.)
Wie heeft het bloedig sacrificie des kruises opgedragen ? Hoe dikwijls? Tot wat einde? Waarom wordt dit sacrificie het sacrificie des kruises genoemd? â Waarom het bloedig sacrificie der Nieuwe Wet?
3 V. Wat is het Sacrificie der Mis ?
A. Het onbloedig Sacrificie der Nieuwe Wet, in hetwelk het lichaam en bloed van Christus ,
239
onder de gedaante van brood en wijn , aan God den Vader wordt opgeofferd.
Het sacrificie der Mis is het onbloedig sacrificie der Nieuwe Wet, in hetwelk, niet, gelijk in de Oude quot;Wet, het bloed van stieren en bokken en andere offerdieren, maar het lichaam en hloed van Christus, dus Christus zelf, als raensch , doch nu niet meer, geljjk in het bloedig Bacrificie des kruises, als lijdelijk en sterfelijk mensch , zichtbaar en in zijne natuurlijke gedaante, maar, gelijk Hij verheerlijkt in den hemel is, voor ons menschen onzichtbaar, en niet in zijne natuurlijke gedaante, maar onder de gedaanten van brood en wijn, aan God den Vader , en God den Zoon, en God den Heiligen Geest , drie onderscheidene Personen en maar één God, in één woord: aan de H. Drievuldigheid wordt opgeofferd. (Vgl. 6e Les le V.)
Dat een eigenlijk gezegd sacrificie aan God alleen kan en mag opgedragen worden, is klaar en duidelijk voor eenieder , die den aard, vooral het hoofddoel van een eigenlijk gezegd sacrificie goed begrepen heeft. (Vgl. V. 1.) Dus kan of mag ook het H. Sacrificie der Mis niet aan eenig schepsel, bv. niet aan den H. Petrus of Paulus, zelfs niet aan de Allerheiligste Moeder Gods, Maria, worden opgeofferd, maar alleen aan God. Doch wel mag het H. Sacrificie der Mis worden opgedragen , en is inderdaad van ouds in de H. Kerk opgedragen aan God ter eere en ter gedachtenis der Heiligen, om God te danken voor de hun verleende glorie, en om voor ons de voorspraak in te roepen dier Heiligen in den hemel , wier gedachtenis we houden op aarde. (Zie Cone, van Trente, XXIIen zitt., hfdst. III.)
4 Y. Hoe komt Christus in de Mis tegenwoordig? A. Door de woorden van de H. Consecratie, die de Priester spreekt, worden het brood en de wijn veranderd in het lichaam en bloed van Christus.
Dit antwoord is genoegzaam verklaard in de 4e V. dei-vorige Les.
240
Hier dient het ten bewijze , dat in het H. sacrificie der TJis waarlijk eene zoodanige verandering der offerande , d. w. hier z., der geofferde zaak, plaats hesft als welke tot het â wezen van een waar sacrificie -^reischt wordt , maar ook voldoende is, nl. eene zoodanige dat de offerande voor hare natuurlijke besteraming onbruikbaar wordt. Immers uit kracht van de woorden der H. Consecratie, die de Priester in het midden van de Mis spreekt, wordt alleen het hrood veranderd in het lichaam van Christus, en alleen de wijn in Zijn bloed. Bijgevolg worden krachtens de ivoorden der H. Consecratie het levend en verheerlijkt lichaam en bloed van Christus voorgesteld onder de gedaante van brood en wijn. Krachtens de woorden van de H. Consecratie komt Christus â¢dus in de Mis tegenwoordig onder de gedaanten van twee levenlooze zaken , en beroofd van zijn eigen uiterlijk vooiko-.men, van de uitwendige gedaante van zijn levend enverheei-lijkt lichaam en bloed, als waren deze op nieuw van elkaar gescheiden , als ware Christus werkelijk andermaal gestorven.
Ik zeg: âals waren Christus' lichaam en bloed op nieuw van elkaar gescheiden; als ware Christus werkelijk andei-jnaal gestorven.'' Want we weten reeds uit de ie V. der vorige Les, dat Christus sedert zijne verrijzenis onlijdelijk en onsterfelijk is, niet meer lijden of sterven lean. Dus dat zijn bloed niet meer van zijn lichaam kan gescheiden worden, en dat derhalve, zoodra door de woorden van do H. Consecratie, die de Priester in het midden van de H. Mis spreekt, Christus lichaam tegenwoordig komt, ook zijn bloed aanwezig is , ja , Christus geheel en levend, met vleesch en bloed, niet ziel en lichaam , met menschheid en Godheid, gelijk Hij verheerlijkt leeft in den Hemel. (Vgl. vorige Les'ie V.)
Uit hetgeen we hier leerden zult ge gemakkelijk de reden begrijpen waarom het H. sacrificie der Mis het onbloedig sacrificie der Nieuwe Wet genoemd wordt. NI., omdat Christus in de H. Mis niet werkelijk zijn bloed stort en sterft voor alle menschen, gelijk in het bloedig sacrificie des kruises (2e V.), maar op eene geheimzinnige , geestelijke wijze , t. w., door de kracht der woorden van de II. Consecratie , die daarom het zwaard des woords geheeten worden.
241
ó V. IVie heeft de eerste Mis gedaan ? A. Christus zelf in het laatste avondmaal , en na Hem de HH. Apostelen.
Christus zelf heeft in het laatste avondmaal , terwijl Hij het H. Sacrament des Altaars instelde (vorige Les, 9o V.) , tevens de eerste Mis gedaan; want Hij heeft toen door het woord zijner almacht het brood en den wijn veranderd in zijn lichaam en bloed , en zich aldus aan zijn hemelschen Vader op onbloedige wjjze geslachtofferd.
Na Christus' Hemelvaart en de nederdaling van den H. Geest op Pinksterdag , hebben de HH. Apostelen en hunne â¢wettigo opvolgers in het Priesterschap, voortdurend de H. Mis gedaan, ingevolge de macht hun door Christus verleend, en het bevel hun gegeven. Immers in het laatste avondmaal heeft Christus zijne Apostelen tot Priesters van het onbloedig offer der Nieuwe Wet aangesteld, en hun en hunne wettige opvolgers bevolen te doen wat Hij zelf gedaan had , zegger.de : Doet dit tot mijne gedachtenis. Doet dit , wat Ik zelf nu gedaan heb , nl., het brood veranderd in mijn lichaam , en den wijn in mijn bloed, aldus mij zeiven onder de gedaanten van brood en wijn aan mijn Hemelschen Vader opofferende, doet gij dit insgelijks , en wel tot mijne gedachtenis , d. i., om de gedachtenis te vieren van mijn lijden en dood aan het kruis , en om de oneindige verdiensten van het bloedige sacrificie, dat Ik aan 't kruis ga opdragen aan alle menschen toe te voegen, op alle menschen ter hunner verlossing en heiligmaking toe te passen. Doet dit tot mijne gedachtenis tot aan de voleinding der eeuwen. Want zoo dikwijls gij dit brood zult eten , en den kelk drinken , zult gij door die daad zelve, nl. door de waarachtige vertegenwoordiging van tmjn bloedig kruis-offer , mijn dood aankondigen , totdat Ik als rechter over levenden en dooden aan het einde der wereld wederfcom. Zóó, in dien zin heeft de H. Kerk die woorden van Christus onzen Heer altijd verstaan en geleerd. {Zie Cone. v. Trente, t. a. p., hfdst. I en Canon II.)
C 16
242
6 V. Wie offert aan God het H. Sacrificie der Mis op ?
A. Christus zelf is de Toornaamste offeraar, en de Priester is zijn dienaar in het offeren.
Christus zelf, als mensch, is de voornaamste offeraar; want krachtens zijne instelling komt Hij door de woorden der 1L Consecratie onder de gedaanten van brood en wijn in het Misoffer tegenwoordig, en wordt aldus aan God den Vader opgeofferd.
En de Priester is zijn dienaar, zijn plaatsbekleeder, zijn medehelper in het offeren. Immers bij de H. Consecratie spreekt de Priester niet in zijn eigen naam, maar in den naam van Christus ; bij de H. Consecratie gebruikt de Priester-niet zijn eigene woorden, maar de woorden van Christus dezelfde woorden , welke Christus in het laatste avondmaal, gesproken heeft, zeggende: Dit is mijn lichaam. Dit is mijn bloed. Overduidelijk niet het lichaam cn bloed van den Priester, maar van Christus zei ven , wiens wettige dienaar de Priester is in het offeren.
7 V. Welke zijn de voornaamste deel en van de Mis? A. Deze drie : de Offerande van brood en wijn T de Consecratie en de Nutting.
De Catechismus geeft in zijn antwoord deze drie: de-Offerande van brood en wijn , de Consecratie en de Nutting , als de voornaamste deelen van de Mis aan , omdat Christus zelf in de eerste Mis, welke Hij in het laatste avondmaal gedaan heeft (5e Y.), deze drie handelingen in eigen persoon verricht heeft. Jesus nam van het ongedeesemd brood , dat op tafel stond, en zegende het. Hij nam den kelk met wijn, en dankte. (Vgl. Matth. XXVI. 26. 27.)
Ziedaar de offerande, d. w. hier z., de opoffering van brood cn wijn, over welke Christus een lof- en dankgebed sprak
243
om ze Gode toe te wijden. Daarna brak Hij het brood , en gaf het aan zijne leerlingen , en zeide (de woorden sprekende van de H. Consecratie) : Neemt en eet, dit is mijn lichaam. Desgelijks gaf Hij hun den kelk, zeggende: Drinkt allen daaruit; want dit is mijn bloed, des Nieuwen Testaments, dat voor velen zal vergoten worden tot vergeving der zonden.quot; Ziedaar het tweede deel, de Consecratie , en het derde : de Nutting, d. i., het eten en drinken van Jesus lichaam en bloed, aangeduid door Christus woorden: Neemt en eet, Drinkt allen daaruit.
Dus omdat de eerste Mis , die Christus zelf in het laatste avondmaal gedaan heeft, uit deze drie deelen bestond, nl. de Offerande, de Consecratie en de Nutting, noemt de Catechismus ze met recht de voornaamste deelen van de Mis. Maar, let wel op : de Catechismus zegt niet dat deze deelen alle drie even voornaam zijn. Zeker is de Offerande, de opoffering van brood en wijn een niet zoo voornaf ra deel der H. Mis als de Consecratie of de Nutting. De Offerande, waardoor het brood en de wjjn aan God worden toegewijd , behoort zeker niet tot het wezen van het H. Sacrificie der Mis. Het H. Sacrificie der Mis toch bestaat niet in de opoffering van brood en wijn, maar in de opdracht van het lichaam en bloed van Christus, die eerst door de woorden van de H. Consecratie op het altaar tegenwoordig komt , en onder de gedaante van brood en wijn aan God den Vader wordt opgeofferd. (3e en 4e V. dezer Les.)
Het allervoornaamste deel der H. Mis is de Consecratie. Onder dit deel der H. Mis heeft de geheimvolle verandering plaats van brood en wijn in Christus' lichaam en bloed. In deze verandering bestaat eigenlijk, zooals reeds vroeger verklaard werd (in het antwoord op de 3e en 4e V. dezer Les), het wezen van het H. Misoffer. Immers krachtens de woorden der H. Consecratie wordt Christus als opnieuw geslachtofferd. De Consecratie is derhalve het allervoornaarasto deel der H. Mis, ook in dien zin, dat zonder Consecratie geen Misoffer bestaat. Hieruit zult ge vanzelf begrijpen , dat er op goeden Vrijdag eigenlijk geene Mis gedaan wordt; want dan wordt
244
de H. Hostie, die op Witten Donderdag geconsacreerd is, enkel genuttigd. Op Goeden Vrijdag houdt de H. Kerk al hare aandacht alleen gevestigd op het bloedig sacrificie des kruises, hetwelk Christus op dien dag uit loutere liefde jegens ons op dsn berg van Calvarië heeft opgedragen, stortende zijn bloed en stervende voor alle mensohen. {2e V. dezer Les.)
Behoort de Nuttiging al niet tot het wezen der H. Mis, dan behoort ze toch zeker voor den Priester, die de H. Mis doet, tot voltooiing en voltrekking van het H. Misoffer , en is derhalve zeker een voltooiend , volmakend deel van de Mis, niet zoo voornaam als de Consecratie, stellig voornamer dan de Offerande.
Behalve deze drie voornaamste deelen van de Mis, de Offerande van brood en wijn, de Consecratie en de Nutting, heeft de H. Kerk er nog verschillende andere deelen, bv. Confiteor, Epistel, Evangelie, Credo, Prcefatie, Pater Noster, enz., en bovendien ceremoniën bygevoegd tot gedachtenis en afbeelding van het lijden en den dood van Christus. (Zie 13e Y.) Ook bij deze doelen moeten we, om op Zon- en feestdagen geheel aan het gebod der H. Kerk te voldoen , tegenwoordig zijn (vgl. 25e Les , 8e V.)
Ku we weten welke de drie voornaamste deelen van de H. Mis zijn, moeten we nog leeren, wanneer elk dier voornaamste deelen geschiedt onder de H. Mis, gelijk deze , volgens voorschrift der H. Kerk wordt opgedragen.
Daarom vraagt de Catechismus
8 V. Wanneer geschiedt de Offerande van brood en wijn ?
A. Na het Evangelie, als de Priester den kelk ontdekt heeft.
De opoffering van brood en wijn geschiedt na het Evangelie, als de Priester den kelk ontdekt heeft. Eerst diaagt de Priester het brood aan God op. Daarna schenkt hij wijn in den kelk en mengt dien met een weinig water. De Priester doet die mengeling van wijn met een weinig water voorna-
3^
melijk om drie redenen. Ten Iste, omdat men gelooft dat Christus zelf in het laatste avondmaal dit ook gedaan heeft; immers , 't was bij de joden gebruikelijk den paasehbeker met wijn en een weinig water te vullen. Ten 2de , om door die mengeling het geheim te herdenken en te vereeren, dat de H. Joannes als ooggetuige ons verhaalt, zeggende: âeen van de krijgsknechten opende Zijne (Jesus') zijde niet eene speer, en terstond kwam daar bloed en water uit.quot; (XIX. 34.) Ten 3de, om aan te duiden, dat de geloovige volkeren, die, volgens do openbaring van den H. Joannes (XVII. 15), door het water worden afgebeeld, vereenigd zijn met Christus hun Opperhoofd. (Zie Cone. v. Trente, t. a. p. , hfdst. VII.)
't Is raadzaam bij de Offerande met den Priester te bidden, dat God met welgevallen die offerande moge aannemen, opdat zij ons en alle Christenen zoowel den overledenen , als den levenden , tot heil moge verstrekken.
9 V. Wanneer geschiedt de Consecratie? A. lu het midden van de Mis, even voordat de H. Hostie en de Kelk worden opgeheven.
De Consecratie geschiedt in het midden van de Mis, en wordt aangekondigd door een bijzonder teeken der bel. Hoe wordt er hij de Consecratie yebeld ?... De Consecratie geschiedt even voordat de II. Hostie en den kelk worden opgeheven. Het woord II. Hostie beteekent H. slachtoffer. De H. Hostie is hier de gedaante van brood, waaronder Christus tegenwoordig is. Zij wordt zoo genoemd omdat zij onzen Heer Jesus Christus als een waar en eigenlijk gezegd slachtoffer voorstelt. De opgeheven kelk houdt het waarachtig bloed van Christus in. Dus zijn wij aan de H. Hostie en den ge-consacreerden kelk de goddelijke eer en aanbidding verschuldigd, want Christus zelf is er in tegenwoordig. (Vorige Les 8e V.) Daarom is het geraadzaam bij de opheffing der H. Hostie te bidden : âLam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U mijner,'' âAllerzoetste Jesus, wees voor
246
mij niet Rechter, maar Zaligmakerquot; (50 dagen aflaat, Pius IX, 11 Augustus 1851.) âJesus , mijn God, ik bemin ü boven al! (50 dagen aflaat, Pius IX , 7 Mei 1S54.)
En bij de opheffing van het H. Bloed: âHemelsohe Vadei , ik bied U het allerkostbaarste bloed van Jeaus Christus aan , tot voldoening voor mijne zonden en voor de behoeften der H. Kerk.quot; (100 dagen afloat, Pius VII, 22 Sept. 1817.)
10 V. Wanneer geschiedt de Nutting ? A. Op hot einde der Mis, als de Priester het lichaam en bloed van Christus nuttigt.
Bij het âDoniine non sum DiynuJ' âHeer ik ben niet waardig wordt driemaal gebeld ten teeken dat daarna de Nutting volgt. Dus betaamt het, gelijk de Catechismus in het volgend antwoord nadrukkelijk zegt, dat men geknield blijve tot na de Nutting , en niet opsta of ga zitten onmiddelijk na het: Domine non sum Diffuus ; want eerst daarna begint de Nutting, en eindigt eerst als de Priester de kelk zuivert; als, gelijk men gewoonlijk zegt; ten tweedemale wijn geschonken wordt. Terwijl de Priester het lichaam en bloed van Christus nuttigt, is het een ieder ten zeerste aan te bevelen geestelijker wijze te communiceeren.
De geestelijke Communie bestaat, volgens den H. Thomas van Aquine, in een vurig verlangen om Jesus in het H. Sacrament des Altaars werkelijk te ontvangen , en Hem in den geest met een hart vol liefde te omhelzen, als hadde men Hem nu werkelijk ontvangen. De II. Kerkvergadering van Trente (Zitt. XIII, hfdst. YIII) leert, dat zij die met een levendig geloof, hetwelk door de liefde werkt, het Sacrament des Altaars, alleen geestelijker wijze ontvangen, toch deszelfs vrucht en nut, d. i., heilzame uitwerking, ondervindenquot;.
Angstvallige zielen , die altoos vreezen in staat van doodzonde te zijn, worden niet zelden van de heilzame oefening der geestelijke communie afgeschrikt en weerhouden, denkend, dat ze zich aan 't gevaar bloot stellen op heiligschennende wijze
247
â eene geestelijke communie te doen. Dat ze zich gerust stellen. Die vreeze alleen toch getuigt te over dat ze voor niets ter wereld Jesus in staat van doodzonde zouden willen ontvangen, en niets vuriger verlangen dan in staat van gratie te zijn, â om Jesus waardig in de H. Communie ie kunnen ontvangen. âDat â zegt de H. Alphonsus â âdan niemand, die voortgang wil maken in de liefde tot Jesus Christus, nalate de geestelijke Communie te doen, ten minste zoo dikwijls hij het H. Sacrament bezoekt, of de H. Mis bijwoont.'' Men kan de geestelijke communie op deze of soortgelijke wijze doen. Bv. door uitterharte te zeggen : âO mijn Jesus, ik geloof, dat Gij in het H. Sacrament des Altaars tegenwoordig zijt. Ik bemin U bovenal, en ik verlang U in mijne ziel te ontvangen. Maar â¢dewijl ik dit thans niet werkelijk doen kan , zoo smeek ik L', ^ten minste op eene geestelijke wijze in mijn hart te komen. Zie, ik omhels TJ , als hadde ik ü reeds werkelijk ontvangen en vereenig mij geheel en al met U ; laat niet toe, dat ik ooit van U gescheiden worde.'' Of korter : âIk geloof, lieve Jesus, â dat Gij in het Allerheiligste Sacrament tegenwoordig zijt. Ik bemin U, en verlang mij met U te vereenigen , kom dan in mijn hart; ik omhels U, o verlaat mij nooit meer.'' (Bezoeken bij J. C. door den II. Alphonsus Maria du Ligtwrio.)
11 V. Hoe moet men de H. Mis hijwonen ? A. Met grooten eerbied en aandacht; en het betaamt dat men geknield blijve van de Sanctus i:ot na de Nutting.
Men moet de H. Mis bijwonen met grooten eerbied en aandacht. quot;Wat dit beteekent is uitgelegd op de 5e V. dor 29e Les, bl. 162â164. Dat men met eerbied en aandacht de H. Mis moet bijwonen , volgt vanzelf uit de waardigheid van het H. Sacrificie der Mis. De Kerkvergadering van Trente noemt het in waarheid âhet allerheiligste sacrificiequot; (T. a. p. hfdst. IV.) En in haar Besluit aangaande hetgeen men in het vieren der H. Mis dient te onderhouden of te vermijden,
248
zegt zij nadrukkelijk : âIndien we noodzakelijk moeten bekennen , dat door de Christen-geloovigen geen enkel ander zoo heilig en goddelijk werk kan ver) iclit worden, als het ontzagwekkend gelieini , waarin die levendmakende Offerande, door welke wij met God den Vader verzoend zijn , op het altaar dagelijks door de Priesters wordt opgedragen; dan blijkt het ook genoegzaam , dat alle zorg en vlijt dient aangewend, opdat dit geheimvol sacrificie met de meest mogelijke inwendige zuiver- en reinheid des harte, en uiterlijke blijken van godsvrucht en eerbied verricht worde'', en dus ook door de geloovigen met grooten eerbied en aandacht worde bijgewoond.
Van de betamelijkheid , dat men geknield blrjve vooreerst vnu d⬠Sanctus ten minste tot aan het Pater nostev 1 en van het Domine non sum dignus tot na de Nutting , zal wel eenieder overtuigd zijn die bedenkt, dat na de SdHCtus de Canon begint. Het woord Canon beteekent regel, en daardoor verstaan we hier zekere bepaalde gebeden, welke bij vasten regel vóór en na de H. Consecratie tot aan het Pater noste) den Priester zijn voorgeschreven. De Canon bestaat eensdeels uit de eigene woorden van onzen Heer Jesus Christus, en voorts uit de overleveringen der Apostelen en de godvruchtige instellingen van heilige Opperpriesters (vgl. Cone. v. Trente t. a. p. hfdst. IV.), en is dus reeds om die reden bijzonderen eerbied en aandacht waardig , maar vooral omdat onder den. Canon de consecratie geschiedt, welke het voornaamste deel is der H. Mis (7e en 9e V.) Zij die gedurende de Consecratie zich niet eens gewaardigen de knie te buigen en Jesus dan geknield eerbiedig te aanbidden , toonen openbaar hun gebrek aan godsdienstzin.
Na het Domine non sum dignus geschiedt de Nutting, 't Betaamt dat men dit voltooiend , volmakend deel van het H. Sacrificie der Mis, geknield bijwone. (7e en 10e V.)
12 V. Wat kunnen ivij door het H. Sacrificie der Mis verkrijgen ?
249
A. Vergiffenis van onze zonden en al wat wij van God begeeren, voor ons zeiven en voor anderen, en ook voor de zielen in het vagevuur.
De Catechiömus spreekt alleen van de uitwerkselen van het H. Sacrificie der Mis ten opzichte van ons menschen welke uitwerkselen men in één woord de vruchten van het H. Misoffer noemt, nl. in zoover het waarlijk een zoen- en smeekoffer is. Doch bovendien is het sacrificie der Mis ten opzichte van God ten lo, een waar slachtoffer, door hetwelk Christus zelf aan God den Vader de allervolmaaktste akte doet van aanbidding j aan de goddelijke Majesteit eene grootere eer bewijst dan alle Engelen en Heiligen te samen , ja de Allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria, en de H. Joseph Godo kunnen brengen; kortom, eene hulde en eerbetooning zoo groot als Gode toekomt, nl. van oneindige waarde , als gebracht door den God-mensch, Jesus-Christus zeiven. Ten 2e een dankoffer, en wel de allerwaardigste en volmaakste dankzegging voor alle van God. ontvangene weldaden , welke denkbaar is; omdat ze Gods waardigheid evenaart. Want Jesus zelf. God de Zoon, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid , mensch geworden, brengt, terwijl Hij zich zeiven in het H. Sacrificie der Mis aan God den Vader opoffert, Hem voor alle genaden en weldaden ons verleend, eene dankzegging van oneindige waarde,, dus de grootst mogelijke dankbetuiging.
Het H. Sacrificie der Mis wordt dus tot vierderlei doeleinde den hemelschtn Vader opgedragen. Ten le, als offer van aanbidding om Gods opperste heerschappij te erkennen , en onze algeheele afhankelijkheid van Hem te betuigen, (le V.)
Ten 2de , als dankoffer voor alle ontvangene genaden en weldaden.
Ten 3de , als zoenoffer, en ten 4do, als smeekoffer. Dus zijn de uitwerkselen van het H. Sacrificie der H. Mis ook vierderlei. Doch de vruchten eigenlijk maar tweeërlei. Deze moeten we nu met den Catechismus nader verklaren.
De Catechismus zegt, dat wij door het H. Sacrificie der
250
Mis kunnen verkrijgen ten 1ste , vergiffenis van onze zonden. Mo ar hoo is dit te verstaan? Behoeft men dan om vergiffenis van doodzonden te bekomen, niet meer te biechten of een volmaakt berouw te hebben met den wil van te biechten ? Kan men zonder berouw, alleen door de H. Mis bij te wonen, vergiffenis verkrijgen van dagelijksche zonden? Kinderen, gij weet wel beter. Ge hebt het reeds in de 16e -Les, 5e en 6e V. geleerd. Hoe te verstaan is, dat wij door het H. Sacrificie der Mis , als zoenoffer, vergiffenis van onze zonden kunnen verkrijgen , heeft de H. Kerk , in 't Concilie van Trente vergaderd, met onfeilbare zekerheid verklaard. Genoemde H. Kerkvergadering leert desaangaande vooreerst, dat Christus het zichtbaar onbloedig sacrificie der H. Mis heeft ingesteld , opdat het heilzaam uitwerksel van het bloedig sacrificie des kruises , dat Hij eens voor altijd ter voldoening voor de zonden van alle menschen heeft opgedragen (2e V.), voortdurend op ons zou worden toegepast tot vergiffenis der zonden , die wij dagelijks bedrijven. (ï. a. p., hfdst. I.) Nog duidelijker verklaart genoemde Kerkvergadering den zin van het antwoord dat den Catechismus geeft, in het II htdst., waar ze zegt: âEn dewijl in dit goddelijk sacrificie, dat in de Mis wordt opgedragen, diezelfde Christus tegenwoordig komt, en onbloedig wordt opgedragen, welke zich zeiven op het altaar des Kruises eens op bloedige wijze heeft geslachtofferd; leert deze heilige kerkvergadering , dat het H. Sacrificie der Mis waarlijk een zoenoffer is ... Immers door deszelfs opoffering wordt God de Heer verzoend, en verleent ons de GRATIE en DE GAVE V AS BOETVAARDIGHEID, waardoor Hij zelfs buitengewoon groote misdaden en zonden vergeeft1'
Klaar en duidelijk is dus het antwoord van den Catechismus itiet in dien zin te verstaan als of we door het bijwonen der H. Mis onmiddellijk vergiffenis onzer zonden verkrijgen, maar alleen middellijk, d. w. z., das we er de gratie en de gave van een oprecht berouw door kunnen verkrijgen , en door middel van een waar berouw vergiffenis van onze dagelijksche zonden, en door middel van een volmaakt berouw, of een onvolmaakt berouw met de Biecht
251
vergiffenis van de grootste zonden , waaraan we ons zouden aebben schuldig gemaakt. Geen beter of krachtiger middel dus , om zich tot eene goede Biecht voor te bereiden, dan het H. Sacrificie der Mis te voren godvruchtig bij te wonen.
Ten 2de, kunnen wij door het H. Sacrificie der Mis als smeekoffti}' verkrijgen al wat tvij van God hegeeven voor ons zeiven , bv. , dadelijke gratie om ons oprecht te bekeeren, eene waardige eerste H. Communie te doen, om in de deugd voortgang te maken en te volharden, vermindering of afwering van tijdelijke straffen , vermindering of overwinning van bekoringen; zegen in onze tijdelijke zaken, welslagen in onze bedieningen , ondernemingen , een zaligen levenstaat, eindelijk een zaligen dood enz. enz., in één woord , al wat ons naar ziel en lichaam, voor tjjd en eeuwigheid zalig is. quot;Wij kunnen door het H. Sacrificie der Mis ook veel verkrijgen voor anderen, mits ze er maar geen beletsel tegen stellen. Bijzonder is het geraden 't H. Misoffer dikwijls cp te dragen voor de bekeering der zondaren en ongeloovigen , voor de stervenden; voor onzo geestelijke en wereldlijke overheid, en allen die ons dierbaar zijn. Eindelijk kunnen wij bijzonder door liet H, Sacrificie der Mis de zielen uit het vagevuur verlossen of hare pijnen verkorten. (17e Les , 9e V.), en daarom zegt de Catechismus ten slotte, dat we door het H. Sacrificie der Mis ooh voor de zielen in het vagevuur kunnen verkrijgen al wat wij van God voor haar begeeren. De Kerkvergadering van Trente bevestigt dit alles nadrukkelijk. âImmersquot;, zoo luidt t. a. p. hare leer, âhet is een en hetzelfde slachtoffer, en nu dezelfde Offeraar door de bediening der Priesters , die zich zeiven toen aan het kruis heeft opgedragen, terwijl alleen de wijze van offeren verschillend is. De vruchten van dat bloedig offer ontvangt men zeer rijkelijk door dit onbloedig sacrificie. Reden waarom het niet alleen voor de zonden , straffen, voldoeningen en andere behoeften van levende chris â tenen, maar ook voor de overledenen, die in Christus' liefde gestorven, maar nog niet geheel van hunne schulden gezuiverd zijn (vgl. 17e Les, 6e, 7e en 9e V.), volgens overlevering der Apostelen , te recht wordt opgedragen.quot;
252
13 V. Waartoe dienen de ceremoniën , die in de Mis yeirnikt u ar den ?
A. Tot gedachtenis en afbeelding van het lijden en den dood van Christus.
De ceremoniën of plechtigheden, die in de Mis gebruikt worden zijn gedeeltelijk door Christus zeiven ingesteld (vgl. 7e V.), en gedeeltelijk door de Apostelen en de H. Kerk (3e Lis, 10e V.) voorgeschreven, opdat, gelijk het Concilia van Trente leert (t. a. p. hfdst. IV.) , ten le , het allerheiligste sacrificie waardig en eerbiedig zou worden opgedragen en bijgewoond. Ten 2e , om de eerbiedwaardigheid en grootheid van dit sacrificie voor ro^en te stellen , en ten 3e , om do geloovigon door die zichtbar e teekenen van godsdienstigheid en godsvrucht op te wekken tot overweging of beschouwing van de groote geheim?n , die in het sacrificie verborgen zijn. Zij dienen dus , gelijk de Catechismus zegt , tot gedachtenis en afbeelding van het lijden en den dood van Christus.
Hoe en de Misgewaden , en de gebeden en handelingen van den Priester dienen tot gedachtenis en afbeelding van het lijden en dood van Christus, wordt in vele kerkboeken, o.a. , in het âHandboekje der Aartsbroederschap de Eerewacht van het H. Hart van Jesusquot;, genoegzaam aangegeven, om zelfs op do volmaakst mogelijke, en meest voordeelige wijze het H. Misoffer bij te wonen , nl. door gedurende de H. Mis het lijden en den dood van Christus te gedenken en te overwegen. Immers dusdoende beantwoordt men het best aan het inzicht van Christus, die het onbloedig sacrificie der Mis heeft ingesteld, opdat het tot aan de voleinding der eeuwen eene voortdurende herinnering, gedachtenis en toepassing zou wezen van het bloedig sacrificie , dat Hij eens voor altijd aan 't kruis heeft opgedragen, stortende zijn bloed en stervende voor alle menschen. (2e V.)
Dit zijn inzicht heeft Christus zelf ons verklaard, toen Hij r bij de instelling van het H. Sacrament des Altaars , tot zijne
253
leerlingen zeide : Doet dit tot mijne gedachtenis , d. i., om â de gedachtenis te vieren van mijn lijden en dood.
Het sacrificie der Mis is derhalve â gij zult het nu , na de verklaring van geheel deze lea gemakkelijk begrijpen â eene gedachtenis en voorstelling van het bloedig sacrificie des kruises , doch zóó , dat het tegelijkertijd ook zelf een wezenlijk en waarachtig sacrificie is. Herinnert u wat een sacrificie in den eigenlijken zin van het woord is, nl. , ten Ie de opdracht van eene uitwendige zaak, die ten 2e met zekere vernietiging of verandering T ten 3e door eene wettigen bedienaar , ten 4e aan God gedaan wordt, ten 5e om Hem als Opperheer te erkennen , en onze algeheele afhankelijkheid te betuigen. (Ie V.) Vraagt u nu maar e^ns stuk voorstuk af, of al die vereischten tot een waarachtig sacrificie in het H. Misoffer gevonden worden, en uw natuurlijk verstand, door het II. Geloof voorgelicht, zal u antwoorden: Ja. Want inde H. Mis wordt ten le , Christus opgedragen onder de uitwendig zichtbare gedaante van brood en wijn. (3e V.) Ten 2e , is krachtens de woorden der H. Consecratie , onder de gedaante van brood alleen Christus' lichaam, en onder de gedaante van wijn alleen zijn bloed tegenwoordig. Dus ondergaat Christus in de H. Mis eene zoodanige geestelijke verandering als tot het wezen van een waarachtig sacrificie vereischt, maar ook voldoende is. (4e V.)
Ten 3de, is Christus, dien zijn hemelsche Vader zelf tot opperpriester der Nieuwe Wet, naar de orde van Melcbisedech, verheven heeft (vgl. Brief van de Hebreëers, V. 4â6), klaarblijkelijk de wettige bedienaar van het H. Sacrificie der Mis , ja de voornaamste offeraar, en de geldig gewijde Priester is slechts, maar toch ook werkelijk zijn wettige dienaar in het offeren, want door zijne medewerking, doordien hij de woorden van de H. Consecratie uitspreekt, komt Christus in de Mis tegenwoordig, en worden het brood en de wijn veranderd in het lichaam en bloed van Christus (4 en 6 V.)
Ten 4de, wordt het H. Misoffer alleen aan God, één in wezen , drievuldig in Persoon opgedragen , en ten 5de, met het hoofddoel, om Gods opperheerschappij te erkennen , en â¢onze algeheele afhankelijkheid te betuigen.
254
Dus zijn in het H. Misofler alle vereischten tot een waaien eigenlijk gezegd Sacrificie aanwezig. Dus is de H. Mis wezenlijk en waarachtig een Sacrificie der Nieuwe Wet, en eene herhaalde waarachtige vertegenwoordiging van het bloedig Sacrificie des kruises, aan wiens oneindige verdiensten we door het onbloedig Sacrificie der H. Mis voortdurend deelachtig worden.
Beijvert u dus dagelijks, zooveel het uwe plichten van staat toelaten, de H. Mis eerbiedig en aandachtig bij lt;e wonen, al moet gij er u ook al eenige opoffering, bv. van uwe nachtrust, door 's morgens wat vroeger op te staan, enz. om getroosten. De heilzame vruchten en uitwerkselen van het H. Sacrificie der Mis (12e V.) loonen en vergoeden die opoffering honderdvoudig.
VIJF EN DERTIGSTE LES.
Yan de Biecht.
§ I-
1 V. Wat is de Biecht ?
A. Een Sacrament, in hetwelk door de Pries-lijke macht de zonden, die na het Docpsel gedaan zijn , vergeven worden.
De Biecht is waarlijk en eigenlijk een Sacrament der Nieuwe Wet. Want ze is ten 1ste, een uitwendig teeken, dat van den 'kant des biechtelings, d. w. z., des zondaars, die dit Sacrament met de vereischte gesteltenis, waardig ontvangt , bestaat in de belijdenis zijner zonden , vergezeld van een oprecht berouw over de bedrevene zonden met het vaste voor-
255
nemen van niet meer te zondigen, on van don ernstigen wil, de penitentie , d. vv. hier /., de werken van boetvaardigheid cl voldoening te volbrengen, welke de Biechtvader oplegt. En van den kant des Biechtvaders bestaat het uitwendig teekon der Biecht in de woorden van de absolutie , d. i., van vrijspreking, kwijtschelding, ontslag der bedreven zonden. (5, 8, 23, 34 V.) De woorden der H. absolutie luiden: Ik ontsla u van uwe zonden in den naam des Vaders, e« des Zoons, en des H. Geestes. Amen.
Ten 2de, beteekent dat uitwendig toeken eone bijzondere gratie, nl. behalve de vergiffenis der zonden, bijzondere dadelijke gratie om niet meer in de zonden te vallen, die ons ten 3de, ook door hetzelve gegeven tcordt (3o V.), zoodat het ten 4do, door Christus moet ingesteld zijn. (30 Les , 1 V.)
2 V. Wanneer heeft Christus het Sacrament der Biecht ingesteld ?
A. Op den dag zijner verrijzenis.
Hoort hoe de H. Evangelist Joannes (XX. 19,â23.) ons de instelling van het H. Sacrament der Biecht verhaalt. Toen het dan avond was op dien dag, d. i., op den dag van Jesus' verrijzenis, en de deuren van het huis waar de leerlingen vergaderd waren, gesloten waren uit vrees voor de Joden, â kwam Jesus en stond in hot midden, en zeide tot hen: Vrede zij u! En.. . Hij zeide wederom tot hen: Vrede zij u I Gelijk do Vader mjj gezonden heeft, zoo zende ook ik u. Als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest, wier zonden gij vergeven zult, dien worden zij vergeven , en wier zonden gij zult houden, dien zijn zij gehouden.quot; De algomeene en onfeilbare kerkvergadering van Trente leert ons, dat die woorden dos Zaligmakers moeten verstaan worden van de macht aan de Apostelen en hunne wettige opvolgers verleend om de zonden te vergeven on te houden in het Sacrament van boetvaardigheid of penitentie , gelijk de Biecht ook go-
256
noemd wordt, opdat wij in de Biecht penitentie, boetvaardigheid doen over onze zonden.
âEensgezind hebben alle kerkvaders altijd begrepen , dat door dit zoo merkwaardig feit (de zoo even vermelde zending der Apostelen en de mededeeling van den H. Geest), en dooide zoo duidelijke woorden (nl. wier zonden gij vergeven zult, enz.), aan de Apostelen en hunne wettige opvolgers de macht is medegedeeld om de zonden te vergeven en te houden , om de geloovigen, die na het Doopsel (in doodzonde) gevallen zijn , in en door het Sacrament van boetvaardigheid wederom met God te verzoenen.quot; (XIV. Zitt., hfdst. I. en Can. III.)
Door deze leer van het Concilie van Trente is tevens de zin verklaard van die woorden , waardoor de Catechismus in zijn antwoord op de le V.: âquot;Wat is de Biecht?quot; den aard van dit Sacrament nader omschrijft, er bijvoegende: Een sacrament, in hetivelk door de Priesterlijke macht de zonden, die na het Doopsel gedaan zijn vergeven ivorden.
Er blijkt immers duidelijk uit, dat Christus de macht om zonden te vergeven , welke Hij uit eigen kracht bezat, en door een wonderwerk, een mirakel, nl. door eenen verlamde enkel door hem toetespreken oogenblikkelijk van zijne verlamming te genezen, bewezen heeft op aarde te bezitten. (Matt. IX, 2â8 , Marc. II. 12, Luc. V, 18â26) ; dat Christus, zeg ik, die macht heeft medegedeeld aan zijne Apostelen en hunne wettige opvolgers, door wien we hier te verstaan hebben geldig gewijde en wettig tot Biechtvaders aangestelde Priesters. Immers het onfeilbaar Concilie van Trente leert uitdrukkelijk, dat enkel de Priesters de bedienaars zijn van dit Sacrament. (T. a. p., hfdst. VI en Can. X.)
Zeker konden de Apostelen niet uit eigen macht zonden -vergeven , evenmin als hunne opvolgers , de Priesters , dit kunnen. God alleen kan uit eigen macht de zonden vergeven. Doch Hij kan, juist omdat Hij God , almachtig is, de macht om in zijn naam en op zijn gezag zonden te vergeven mededeelen aan wien Hij goedvindt. quot;Welnu , Christus , God de Zoon, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid, God en mensch te samen heeft werkelijk die macht aan zijne Apostelen
257
â¢en hunne wettige opvolgers medegedeeld, toen Hij op den â dag zijner xerrijzenia tot zijne Apostelen , en in hunnen persoon , tot hunne wettige opvolgers zeide: âGelijk de Vader mij gezonden heeft, zoo zende ik ook u. Ontvangt den H. Geest; wier zonden gij vergeven zult, dien worden zij vergeven ; en wier zenden gij zult houden, dien zijn zij gehouden.quot;
In het H. Sacrament der Biecht worden dus de zonden vergeven door de Priesterlijke macht, d. w. z., door de goddelijke macht welke Christus als God bezit en aan de Priesters in hunne wijding mededeelt, zoo nogtans dat zij , om van â die macht geldig gebruik te kunnen maken, in zijn naam , op zijn gezag moeten worden aangesteld om biecht te hoeren. lt;Vgl. 14e Les, 7e en 8e V.; 16e Les, 3e V.; 37e£es,3eV.)
Maar, welke zonden kunnen door de Biecht vergeven worden?
Allo d idelijke zonden, hoe groot en zwaar en talrijk die â¢ook zijn (16e Les, 2 V., 40e Les, 1 V.), die na het Doopsel begaan zijn. Want van de erfzonde, en de dadelijke zonden , â die vóór het ontvangen van het H. Doopsel bedreven zijn , krijgt men vergiffenis door of krachtens het H. Sacrament â¢des Doopsels. (16e Les, 4 V. , 31e Les, 13 V.)
3 V. Wat verkrijgen tv ij door de Biecht ? A. Ten 1. Vergiffenis der zonden ; ten 2. minstens kwijtschelding der eeuwige straffen; ten 3. bijzondere dadelijke gratiën om niet meer in de zonde te vallen.
Door eene goede Biecht verkrijgen wij ten 1ste, vergiffenis â der zonden , na het doopel bedreven , hoe groot en zwaar en menigvuldig ze ook zijn. (Vgl. 16e Les, 2 V.) Ontvangen we het H. Sacrament der Biecht in staat van doodzonde, â in welken staat het mag ontvangen worden; want het is eon Sacrament der dooden (vgl. 30e Les, 14, 16 en 17 Y.); â dan krijgen we tegelijk met de vergiffenis der doodzonde, de heiligmakende gratie terug. Ontvangen we het H. Sacrament â¢der Biecht in staat van gratie, enkel schuldig aan eenige
C 17
258
dayelijksche zonden, dan verkrijgen wij door eene goede Biecht tegelijk met do vergiffenis dier dagelijksche zonden , vermeerdering der heiligmakende gratie; want het H. Sacrament dei-Biecht mag wel, maar moet volstrekt niet in staat van doodzonde ontvangen worden ; in staat van gratie goed ontvangen, geeft het vet meerdering der heiligmakende gratie. (Vgl. 30ste Les , 16 , 17 V.)
Ten 2de , verkrijgen wij door eene goede Biecht , minstens kwijtschelding der eeuwige straffen van de hel , dor eeuwige pijn van schade en gevoel, welke de verdoemden in de bel lijden (vgl. 45e Les, 8 V.), en waaraan ons ook maar eene doodzonde schuldig maakt , waartoe ons ook maar ééne doodzonde brengt, (vgl. 40e Les, 7 en 8 Y.) , als wij het ongeluk zouden hebben in dien staat te sterven. (17e Les, 11 V.)
De Catechismus zegt, dat we door eene goede Biecht minstens kwjjtschelding verkrijgen van de eeuwige straffen dor hel, omdat we door eene goede Biecht bovendien kwijtschelding verkrijgen van een gedeelte der tijdelijke straffen, die wij voor onze vergevene zonden hier of hiernamaals in het vagevuur zouden moeten ondergaan. Doch tegelijk met-de vergiffenis der zonden en de kwijtschelding der eeuwige straften , krijgt men niet altijd geheele kwijtschelding van alle tijdelijke straffen, maar dikwijls blijven er voor de vergevene dood- en dagelijksche zonden eenige tijdelijke stra-fen over, welke wij hier door goede werken, of hiernamaals in het vagevuur door lijden moeten af- en uitboeten.
Die geloofswaarheid leert ons bet Concilie van Trente uitdrukkelijk (T. a. p., hfdst. Y1II en Can. XII, XIII en XV.) Die waarheid blijkt ook genoegzaam uit do geschiedenis van Mozos en Aiiron , van David enz.
Mozes en Aaron twijfelen een oogenblik of zij , gelijk God hun bevolen had, door do rots toe te spreken , er water uit zouden kunnen doen ontspringen : âZullen wij bij machte wezen voor u, weerspannigen en ongeloovigen ! water uit deze rots te doen ontspringen
God vergaf hun hunne zonde, maar legde beiden de uitsluiting uit het beloofde land als tijdelijke straf op. âOmdat
259
gij mij niet geloofd hebt , zóó dat gij mij heilig (getrouw in mijne beloften) deedt blijken voor de kinderen Israels, zult gij dit volk het beloofde land , dat ik hun geven zal , niet binnenvoeren.quot; (B. der Getallen, XX 8â12 ;XXVI1, 12 â 14.)
David viel in twee groote zonden: overspel en doodslag. God vaardigde den profeet Xathan tot hem af, om hem zijne euveldaden onder het oog te brengen. Rouwmoedig bekende David : âIk heb togen den Heer gezondigdquot;, wcarop Nathan antwoordde; âDe Heer heeft ook uwe zonde weggenomen'' maar niettemin liet de rechtvaardige God versdiiHondo tijde-Ijjke straffen over hem komen, o. a. , de dood van zijn zoon, het kind van Betlisabee, de opstand van Absalon enz. enz. David verdroeg ze met onderwerping, en deed boete gedurende zijn geheele loven. {Ile Boek der koningen, XII.)
Dikwijls blijven er dus voor de vergevene zonden tijdelijke straffen over.
Ten 3de , verkrijgen wij door eene goede Biecht ter gelegener tijd bijzondere dadelijke gratiën om niet meer in de zonden te vallen.
4. V. Wanneer is men verplicht te biechten ?
A. Ten 1. Volgens het gebod dor H. Kerk ten minste eens 's jaars ; ten 2. als men in gevaar is van sterven ; ten 3. als men in doodzonde gevallen is, mag men niet lang nitstollen ; en godvreezende Christenen doen het gewoonlijk alle maanden of met de hooge feestdagen.
Men is verplicht te biechten ten 1ste, volgens het vierde gebod der H. Kerk ten minste eens 'sjaars. (Vgl. 298te Les, 10de V.) Ten 2de, volgens goddelijk gebod, als men in gevaar is van sterven, 't zij ten gevolge van ernstige ziekte, 't zij ter oorzake van eene levensgevaarlijke operatie, die men moet ondergaan, of van eene reis, die men moet ondernemen enz. {Vgl. 33e Les, ISde V.). Ten 3de, als men in doodzonde gevallen
260
is , mag men , om verschillende redenen, niet lang uitstellen te biechten te gaan. Als eerste en onzerzijds dringendste reden om, als men in doodzonde gevallen is, zoo spoedig mogelijk te biechten te gaan, geldt deza waarheid : Ik kan elk oogenblik sterven, ook als ik er het minste aan denk , of het verwacht. En sterf ik in staat van doodzonde , waarin ik nu ben, dan ga ik voor eeuwig naar de hel. (Vgl. 17de Les, 11de V.; iOste Les, 7de en 8ste V.; 45ste Les, 4de V.)
Om ons van die waarheid te doordringen , deed God zelf in het Boelc Ecclesiasticus (V 8,9) schrijven : âDraal niet met u tot den Heer te bekeeren , en stel het niet uit van dag tot dag, want zijne gramschap zal plotseling komen , en op den dag der wrake zal Hij u verderven.quot; In gelijken zin schreef ook de H. Paus Gregorius de Groote: âGod, die den boetvaardige vergiffenis belooft , belooft den zondaar den dag van morgen niet.quot;
Een tweede beweegreden, om zoo spoedig mogelijk door eene goede biecht weder in staat van gratie hersteld te worden, is, dat men in staat van doodzonde niets kan verdienen voor don hemel. (Vgl. 40e Les , 6e V.; 43e Les, 7e en Se V.)
Eene derde reden is , dat als men niet zoodra mogelijk uit den staat van doodzonde opstaat, zoo lichtelijk van ééne in meerdere zonden valt. Dit leert eene droevige ondervinding. Daarop steunende zegt de zoo even aangehaalde Paus Gregorius : âEene zonde, die niet spoedig door boetvaardigheid wordt uitgedelgd , trekt door eigen gewicht tot eene andere zondequot;.
Als vierde reden dient dat het niet past, dat wij kinderen Gods ook nog zoo korten tijd in vijandschap met God onzen Vader zouden voortleven.
Kinderen , overweegt deze redenen ernstig , en 't zal bij u vaststaan; zou ik ooit het ongeluk hebben in doodzonde te vallen , dan ga ik zoodra mogelijk te biechten.
Maakt het vaste voornemen om , gelijk godvreezende Christenen doen getvoonlijk alle maanden of met de hooge feestdagen te biechten te gaan (Vgl. 33e Les, 18e V.)
261
5 V. Hoeceel deelen ivorden tot de Biecht ver-elscht van den kant des Biechteling^?
A. Drie; het berouw, de belijdenis en de voldoening.
Reeds in de le V. dezer Les is uitgelegd wat die woorden :
van den kant des biechtelings, beteekenen.
6 V. Welk is het noodzakelijkste deel van de Biecht ?
A. Het berouw.
7 V. Waarom is het heroïne het noodzakelijkste ?
A. Omdat zonder berouw nooit zonden kunnen
vergeven worden.
liet berouw is het noodzakelijkste deel van de Biecht, omdat zonder hcrouw nooit dadelijke zonden , zoomin dage-lijksche als doodzonden , kunnen vergeven worden. Wel kan men soms vergiffenis der zonden krijgen zonder belijdenis van zijnezonden te doen aan den Biechtvader, bv. indien men getroffen door een beroerte van 't gebruik der spraak en andere zintuigen beroofd wordt. Ook kan men zonder voldoening vergiffenis der zonden krijgen, bv. indien men onmiddellijk na de absolutie sterft, 't gebruik der rede verliest, enz. Maar zonder berouw kan men nooit vergiffenis van zijne zonden krijgen; zonder berouw kan men nooit van eenige dadelijke zonde vergiffenis bekomen. Waarom niet? Omdat God, dien men door die zonde beleedigt, vergramt, vastgesteld heeft nooit eenige dadelijke zonde te vergeven , zonder dat men ze ver-foeie, er bedroefd over zij, en het vaste voornemen hebbe ze niet meer te bedrijven. Het gezond , natuurlijk verstand, de rede zelve, zegt ons, dat God met recht berouw eischt over de zonden tegen Hem bedreven ; ze zonder berouw te recht niet vergeeft noch in , noch buiten de Biecht. Veronderstel , een kind heeft zijne ouders beleedigd , is hun ongehoor-
262
zaani geweest. Het komt bij vader en moeder vergiffenis vragen, maar antwoordt op hunne vraag : Kind , hebt gij er spijt van, en zult ge het niet meer doen ? Neon, ik heb er geen spijt van , en zal 't bij de eerste gelegenheid de beste weer doen.
Kinderen , ik vraag het u , zal zulk kind vergiffenis krijgen van vader en moeder? Blijkbaar, noen. God is een goedertieren en barmhartige Vader jegens eiken berouwhebbenden zondaar, maar te recht vergeeft Hij nooit dadelijke zonden zonder waar berouw van den kant dos zondaars. Het berouw is dus het noodziikelijksto deel ook van de Biecht , omdat zonder herouw nooit dadelijke zonden kunnen vergeven worden. Eenieder zij dus bij liet ontvangen van het H. Sacrament der Biecht bovenal bezorgd een waar berouw te verwekken over zijne zonden.
§ 2.
Van het Berouw.
8 V. Wed is het heroïne ?
A. Eene droefheid des harten en eene verfoeiing van de bedrevene zonden , door dewelke men God vergramd heeft , met het vas^e voornemen van niet meer te zondigen.
Het waar berouw is eene droefheid des harten , d. w. z., eene droefheid , die, een leedwezen, dat uii het hart, uit den wil, uit het geestelijk deel van den mensch, nl., uit zijne ziel voortkomt. (Ter verduidelijking kan men hier vragen, wat is de mensch ? uit hoeveel deelen bestaat de mensch ? Vgl. Ie Les 6e V.) Dus, ten le is, gelijk 9 V. en A. leert, het tot een waar herouw niet genoeg enkel met den mond te zeggen, dat men zijne zonden betreurt en verfoeit. Want het herouw moet uit het hart voortkomen , moet hartelijk, oprecht gemeend zijn. Dus is, ten 2e, tot een waar berouw eene
263
enkel zinnelijke , gevoelige droefheid, die alleen uit het zinnelijk , gevoelig doel van den mensch voortkomt, ook niet genoeg. quot;Want het waar berouw is uiteraard eene droefheid der ziel; eene droefheid, die uit do ziel, den geest, het hart van den mensch voortkomt, in één woord : eene geestelijke droefheid. Dikwjjls werkt deze droefheid ook wel op de zinnen, met name op het gevoel van den mensch, â¢en dan gaat de geestelijke droefheid met de zinnelijke, gevoelige samen. Doch niet zelden is de ware droefheid enkel geestelyk , niet gevoelig; omdat het zinnelijke deel van den mensch niet altijd met het geestelijke naêegaat, overeenstemt. Enkel geestelijke droefheid is daarom tot een waar berouw voldoende; zinnelijke, gevoelige is er niet toe noodzakelijk , en alleen er niet genoeg toe.
Het ware berouw is verder eene verfoeiing, d. w. z., een zoodanige haat, afkeerighoid van de bedrevone zonden, dat men zou wenschen ze niet bedreven , niet gedaan te hebben. Het waar berouw is eene droefheid des harten en eene verfoeiing van de bedrevene zonden, d. \v. z. , van alle dadelijke zonden, door dewelke men God vergramd heeft.
Tot een waar berouw is behalve die droefheid des harten en die verfoeiing van do bedrevene zonden , nog noodzakelijk het vaste voornemen van niet meer te zondigen. Immers zonder het vaste voornemen om geene doodzonde moer te bedrijven, kan voornoemde droefheid des harten en verfoeiing van de bedrevene zonden niet werkelijk bestaan. Want in waarheid kan men niet zeggen , dat iemand bedroefd is over zijne zonden , ze haat en verfoeit , als hij ten minste op het oogenblik, dat hij do 11. Absolutie ontvangt, het vasta voornemen niet heeft van niet meer te zondigen , d. w. ten minste z. , geene doodzonde meer te bedrijven. Eveneens kan men in waarheid niet zeggen dat iemand, die sinds zijne laatste goede biecht enkel aan dagelijksche zonden schuldig is , een goed berouw heeft over zijne zonden , indien hij bij het ontvangen der H. Absolutie , niet vast voornemens is ten minste één soort van dagelijksche zonden , waarvan hij zich in de H. Biecht beschuldigt, niet meer op die wijze te bedrijven. (Vgl. lie V.)
264
Een waar berouw bestaat dus uit twee deelen. Ten le, uïfe eene droefheid over, en verfoeiing vnn de bedreven zonden,, en ten 2e, uit een vast voornemen van niet raeor te zondigen. Omdat de droefheid over of de verfoeiing van do bedreven zonden , het hoofdbestanddeel, het wezen van een waar berouw uitmaakt , wordt dit eerste deel van 't berouw gewoonlijk kortaf Berouw genoemd, enkel en alleen ter onder;chei-ding, geenszins ter uitsluiting van het tweede deel van het berouw , nl. het voornemen; want ook het goed voornemen is tot een waar berouw noodzakelijk.
Beide deelen, nl. én berouw én voornemen moeten zekere eigenschappen of hoedanigheden hebben om hetzij in of buiten de biecht, tot vergiffenis der zonden te dienen.
Welke hoedanigheden moet het berouw hebben , m. a. w.: Hoedanig most het berouw zijn om vergiffenis van de be-drevene zonden te krijgen ?
Ten le, moet het berouw inwendig, hartelijk , uiter harte-gemeend zijn ; want tot een waar berouw is het niet genoog alleen met den mond te zeggen , dat men zijne zonden betreurt en verfoeit, alleen met den mond eene akte van berouw op te zeggen , of uit een kerkboek te lezen , of alleen uitwendige teekens van berouw te geven.
9 Ar. Is tot een icaar berouw yenoey met den mond te zeg (jen , dat men zijne zonden betreurt en verfoeit ?
A. Neen; het berouw moet uit het hart voort-komen.
Ten 2e , moet het berouw bovennatuurlijk zijn én in zijne beweegredenen én in zijn oorsprong of beginsel.
Dit le^rt ons de Catechismus in de 10e en 15e V.
Dat het berouw bovennatuurlijk moet zijn in zijne heiveeg-reden leert de 10e V. duidelijk. Immers die luidt:
265
10 V. Kan men volstaan met een natuurlijk berouw , bij voorbeeld : omdat men voor zijne zonden van zijne ouders gestraft is? of, omdat men door zijne zonden zijne gezondheid benadeeld, geld en goed , eer en faam verloren heeft ?
A. Neen; men moet bedroefd zijn om eene beweegreden , die door het geloof gekend wordt, bij voorbeeld : omdat men door zijne zonden God vergramd heeft.
Wat wil het dus zeggen, dat men over zijne zonden bedroefd moet zijn om oeno bocennatuurlijke beweegreden? m. a. w., dat het berouw bovennatuurlijk moet zijn in zijne betoeeyreden?
D. w. z., dat men over zijne zonden bedroefd moot zijn om eene beweegreden, die door het geloof, en dus niet enkel door het natuurlijk verstand , gekend wordt.
Geef een voorbeeld van eene bovennatuurlijke beweegreden.
Een algemeen voorbeeld van zoodanige beweegreden haalt de Catechismus zelf hier aan , zeggende: bijvoorbeeld : omdat men door zijne zonden God vergramd heeft. Meer bijzondere bovennatuurlijke beweegredenen van berouw geeft de Catechismus op in de 17â19e V.
Dat het berouw ook bovennatuurlijk moet zijn in zijn oorsprong of beginsel leert de 15e V., luidend: kan men een berouw uit zich zei.vEN , d. i., uit eigen natuurlijke krachten , hebben ?
A. Neen , het beuouw is eene gave Gods ; het gaat onze natuurlijke krachten, de natuurlijke vermogens van onze ziel en van ons lichaam te boven ; we hebben er dus Gods hulp, Gods gratie toe noodig; 't is een gave Gods, die we door medewerking met Gods voorkomende gratie, en door gebed moeten verkrijgen.
Wij moeten dus, zoo dikwijls wij te biechten gaan, om een goed berouw bidden. Doen we zulks, dan mogen we ook gerust zijn , dat God ons gebed eiken keer verhooren, ons-
266
telkens een waar berouw geven zal; want zijne barmhartigheid is zonder einde, en Hij verlangt den dood des zondaars niet, maar dat hij zich belceere en leve.
Hot berouw is dus bovennatuurlijk als bet uit de gratie â Gods voortkomt, en verwekt wordt om eene beweegreden , die door het geloof gekend wordt.
Ten 3e, moet het berouw algemeen zijn , d. w. z. , het moet zich minstens uitstrekken tot alle doodzonden, welke men biechten moet.
In dien zin antwoordt de Catechismus op de
11 V. Over welke zonden moet men her ome hebben ?
A. Ten minste over alle doodzonden, waaraan men plichtig is.
Dus is het berouw niet goed, geen waar berouw , als men â wel bedroefd is over eenige , maar niet over alle doodzonden, waaraan men sinds zijne laatste goede Biecht plichtig is.
Waarom is tot een waar berouw noodig dat men bedroefd zij over alle doodzonden , waaraan men plichtig is ?
Ten le, Omdat de beweegreden, om dewelke men over ééne doodzonde moet bedroefd zijn , ook bestaat voor alle andere , bv. omdat men er God grootelijks door vergramd heeft, het recht â¢op den hemel er door verloren , de eeuwige straffen der hel er door verdiend heeft, enz.
Ten 2e, moet het berouw algemeen zijn, omdat ééne doodzonde niet zonder alle andere vergeven wordt; men kan immers niet tegelijkertijd in staat van gratie en in staat van -doodzonde, in vriendschap en vijandschap met God zijn. Zoolang dus iemand ook maar aan ééne doodzonde gehecht blijft, de naaste gelegenheid van ééne soort doodzonden niet wil vermijden, over eene sooit van doodzonden geen berouw -heeft, kan hij ook van alle overige , waaraan hij plichtig is, geene vergiffenis van God verkrijgen.
Onder dit opzicht bestaat er een groot verschil tusschen
267
dood- en clagelijksclte zonden, waaraan men plichtig is. Want men kan vergiffenis krijgen van éene soort dagelijksche zonden , -waarover men een waar berouw heeft , bv. van eene opzettelijke leugen, zonder dat men tegelijkertijd bedroefd ds over minder vrijwillige leugens , of andere soorten van dagelijksche zonden, die men bedreven heeft, bv. van ongehoorzaamheid , oneerbiedigheid in de kerk, enz.
Om dit verschil aan te duiden voegt de Catechismus in zijn antwoord op de lie Y.: Over welke zonden moet men berouw hebben ? opzettelijk er bij ; Ten minste over alle doodzonden , waaraan men plichtig is. Immers, hoe wenschtlijk hot ook zij , dat men berouw hebbe over alle dagelijksche zonden, waaraan men plichtig is en zich in de Biecht beschuldigt, is dit toch niet noodzakelijk , omdat ééne soort dagelijksche monden kan vergeven worden zonder de andere.
Ten 4e , moet het berouw ook nog zijn hove/.al, d. w. z., dat men ten minste elke doodzonde als het grootste kwaad â¢dermate verfoeie, dat men liever alles , zelfs het leven zou willen verliezen dan God nog met eene doodzonde vergrammen.
Van deze vierde eigenschap , hoedanigheid , tot een waar berouw noodig, zoowel als de drie vorige, spreekt de Catechismus hier niet uitdrukkelijk, maar elders genoegzaam duidelijk, al. in de 21e Les, 3e V. Daar reeds leerden we wat het is God beminnen bovenal. KI. Hem zoo beminnen, dat wij liever alles, zelfs het leven willen verliezen dan God met eene doodzonde vergrammen. En aan het einde van do akte van Berouw, welke de Catechismus bi. 77 aangeeft, betuigen we nadrukkelijk; ik maak een vast voornemen liever te sterven dan U te vergrammen door eene doodzonde.
Een waar berouw moet dus vier eigenschappen of hoedanigheden hebben. Het moot zjjn ten le , inwendig, hartelijk ; ten 2e, bovennatuurlijk én in zijne beweegreden én in zijn oorsprong of beginsel; ten 3e , algemeen, en ten -le, bovenal.
Nu we weten welke hoedanigheden een goed berouw hebben moet, moeten we verder loeren welke hoedanigheden tot een goed voornemen , het tweede deel van een waar berouw , noodig zijn. Dit leert ons de Catechismus in de drie volgende vragen.
268
12 V. Hoedanig moet het voornemen zijn van niet meer te zondigen ?
A. Zoo vast en sterk , dat men ook bereid is die middelen te gebruiken , welke noodig zijn om de zonden te schuwen.
Dus moet het voornomen van niet meer te zoncliyen, d. w. z. , niet meer eeno doodzonde te bedrijven, ten le, vast zijn r d. w. z. , dat men den vasten , ernstig, oprecht gemeenden wil moet hebben geenc doodzonde meer te beirijven.
Ten 2e, sterk, d. w. z., krachtdadig, werkzaam, zoodat men meewerkt met do gratie Gods om niet meer in doodzonde te hervallen, en dus ook bereid is die middelen te gebruiken^ welke noodig zijn om de zonden te schuwen , d. w. z., niet meer te bedrijven, er niet meer in te hervallen. Als hoofdmiddelen om de zonden te schuwen zijn ons door Jesus zeiven aanbevolen: Waakzaamheid en gebed. âWaakt en hidt dat gij niet in bekoring komtquot;. (Matth. XXVI. 41.) Waakzaamheid over de neigingen van ons hart r over onze zintuigen. Inzonderheid drukt Jpsus zelf ons op het hart de naaste gelegenheid van doodzor\Aamp; te vermijden . aftebreken, wat het ons ook moge kosten. âIk zeg u â zoo luidt in deze zijn albeslissend woord â indien uw rechteroog u ergert, ruk het uit , en werp het van u; want het is beter voor u , dat één uwer leden verloren ga r dan dat geheel uw lichaam in de hel geworpen worde. En indien uwe rechterhand u ergert, houw haar af, en werp haar van u ; want het is beter vcor u , dat één uwer leden verloren ga, dan dat geheel uw lichaam ter helle ga.quot; {MatiJi. V. 29. 30.) Deze woorden van Jesus mogen zeker niet letterlijk worden opgevat , maar moeten in dezen zin verstaan worden; Wat u eene naaste gelegenheid tot zondigen is, moet ge volstrekt vermijden , al was het u ook nog zoo dienstig en nog zoo lief.
Ten 3e , moet het voornemen van niet meer te zondigen algemeen zijn \ zijn voorwerp en algemeen van tijd; m. a. w. ,
269
het moet zich uitstrekken tot alle doodzonden en tot geheel â den tijd , den duur van ons leven.
Dit blijkt duidelijk uit de twee volgende vragen,
13 V. Welke zonden moet men noodzakelijk voornemen te schuiven ?
A. Teu minste alle doodzonden.
De Catechismus zegt wederom (vgl. V. 11.): Ten minste alle doodzonden; omdat het zeker 'wenschelijk is, dat men het vaste voornemen make ook alle vrijwillige, voorbedachte dagehjksche zonden te vermijden.
14 V. Voor hoelang moet men voornemen die te schuiven ?
A. Voor altijd.
Een goed voornemen moet dus drie hoedanigheden hebben, nl. zijn ten le, vast, ten 2e, sterk en ten 3e, algemeen in zijn voorwerp en algemeen van tijd.
Tot een goed berouw zijn dus vier, tot een goed voornemen drie hoedanigheden noodig. Indien slechts ééne der opgenoemde hoedanigheden aan het berouw of het voornemen ontbreekt , is het berouw niet goed , niet voldoende om er vergiffenis van zijne zonden door te verkrijgen. Bijgevolg kan het berouw , als bestaande uit droefheid over en verfoeiing â der bedrevene zonden met het voornemen niet meer te zondigen , uit zevenderlei gebrek niet goed zijn , nl. ten le, als het niet inwendig , hartelijk gemeend is; ten 2e , als het niet bovennatuurlijk is , enz. Doch deze waarheid moet welmee-nende christenen volstrekt niet beangstigen. Een ieder, die rechtzinnig , welgemeend , ter goeder trouw, na zich behoorlijk te hebben voorbereid, gelijk geleerd wordt in de 4e § dezer Les, zijne biecht gesproken heeft en zóó nog spreekt, mag volkomen gerust zijn , dat hij het H. Sacrament der Biecht met een goed berouw ontvangen heeft en nog ontvangt.
270
15 V. Kan men een berouw uit zich zeiven hebben ?
A. Neen ; het berouw is eene gave Gods.
Met vrucht kan men kinderen opmerkzaam maken , dat alle hoedanigheden ot eigenschappen van een goed berouw in de akte van Berouw worden aangeduid.
Om hun dit duidelijk te maken, late men eerst een kind de akte van Berouw opzeggen , en vrago daarna: Welke woorden duiden in deze akte aan , dat het berouw a.) imven-diy , uit er harte gemeend moet zijn ?
Ãeze : âMijn Heer en mijn God, het is mij uit den grond van mijn hart leed.'quot;
b.) Bovennatuurlijk in zijne beweegreden ?
âdat ik uwe goddelijke Majesteit en goedheid, die ik bovenal bemin , vergramd heb door mijne zonden , ik haat en verzaak die uit liefde tot Uquot;. In deze woorden ligt zelfs de beweegreden , waaruit een volmaakt berouw voorkomt, opgesloten. Immers een volmaakt berouw komt voort uit liefde tot God als het opperste goed in zich zeiven. (17e V.) quot;Welnu Godsmajesteit en goedheid beteekent hier hetzelfde als : God het opperste goed in zich zei ven.
c.) Algemeen ? âHet is mij uit den grond van mijn hart leed , dat ik U mijn Heer en mijn God vergramd heb door mijne zonden , d. w. z., ten minste zijn mij alle doodzonden, die ik bedreven heb , van harte leed.
d.) Bovenal ? âHet is mij uit den grond van mijn hart leed dat ik uwe goddelijke goedheid , die ik bovenal bemin vergramd heb en ik maak een vast voornemen liever te sterven dan U te vergrammen.quot;
Ziedaar de vier eigenschappen noodig tot een goed berouw,, beschouwd als droefheid over, en verfoeiing van de bedreven, zonden.
Dat men een berouw, hetwelk de vier voornoemde hoedanigheden in zich vereenigt, niet uit zich zeiven hebben kan, spreekt vanzelf; zulk een berouw gaat ontegenspre-
271
kelijk onze natuurlijke krachten te boven , en moet ons dus door God gegeven worden; 't is eene gave Gods. Het is dus zoo klaarblijkelijk, dat het berouw ook bovennatuurlijk zjjn moet in zijn oorsprong of beginsel , dat deze hoedanigheid in de akte van Berouw niet eens behoefde uitgedrukt te worden.
Welke moorden duiden in de akte van Berouw aan, dat het voornemen moet zijn a.) vast? âIk maak een vast voornemen.quot;
h.) sterk? âde gelegenheden te schuwen, en liever te sterven dan U te vergrammen.quot;
c.) Algemeen van tijd, en in zijn voorwerp ? âvan voortaan niet meer te zondigen,quot; ten minste geene doodzonde meer te bedrijven.
16 V. Hoe velerlei is het berouw? A. Tweederlei; liet volmaakt berouw en het onvolmaakt berouw.
Omdat zoowel het onvolmaakt als het volmaakt berouw uit twee deolen bestaat, en beiden de zelfde hoedanigheden moeten hebben , kan men met vrucht vragen :
Uit hoeveel deelen bestaat het volmaakt berouw ?
En uit hoeveel deelen het onvolmaakt berouw ?
Welke hoedanigheden moet het volmaakt , welke liet onvolmaakt berouw hebben?
Op beide vragen past hetzelfde antwoord.
Het verschil tusschen volmaakt en onvolmaakt berouw bestaat ten le, in de beweegreden, waarom men over zijne zonden bedroefd is; ten 2e, in de uitwerking aan het volmaakt boven het onvolmaakt berouw eigen, en ten 3e, in het soort berouw dat tot eene goede Biecht noodzakelijk of wenschelijk is. Een onvolmaakt berouw is er toe noodzakelijk,, liet volmaakt wenschelijk en te betrachten.
Dit alles leeren ons V. 17 â 20.
272
17 V. Wat is het volmaakt berouw?
A. Dat voortkomt uit liefde tot God als het opperste goed in zich zei ven.
Volmaakt is het berouw, dat voortkomt uit volmaakte liefde tot God als het opperste goed in zich zeiven. (Vgl. 21 Les , 3e en ie V.) Men heeft dus een volmaakt berouw , indien men bedroefd is over zijne zonden, en ze verfoeit met het voornemen niet meer te zondigen, omdat men God , het opperste goed in zich zeiven, er door beleedigd, vergramd heelt. Zulk een berouw hadden, bv., David (vgl. 3e V.), Maria Magdalene , de H. Apostel Petrus , de goede moordenaar.
18 V. Wat is het onvolmaakt berouw?
A. Dat vooral voortkomt uit eene andere bovennatuurlijke beweegreden.
Gelet op het vorige antwoord, had men kunnen verwachten, dat de Catechismus op de vraag; Wat is het onvolmaakt berouw? zou hebben geantwoord: Onvolmaakt is het berouw, dat alleen of vooral voortkomt uit eene onvolmaakte liefde tot God als oneindig goed jegens o)is. (Vgl. 21e Les, 4e V.)
Het antwoord, dat de Catechismus geeft: Onvolmaakt is het berouw, dat vooral voortkomt uit eene andere horenna-tuurlijke betveegreden, komt wel op hetzelfde neer als het verwachtte; maar zegt uitdrukkelijk meer, dan het voorgacnde.
Immers uit dit antwoord van den Catechismus blijkt ten le, dat het onvolmaakt berouw ook uit eene bovennatuurlijke beweegreden moet voortkomen; dat het onvolmaakt zoowel als het volmaakt berouw , bovennatuurlijk moet zijn in zijne beweegreden. (Vgl. 10e V.)
Ten 2e , dat het verschil tusschen het onvolmaakt en volmaakt berouw voornamelijk bestaat in de beweegreden, waarom men over zijne zonden bedroefd is. Heeft men een volmaakt berouw , dan is men over zijne zonden bedroefd omdat men lt;5od het opperste goed in zichzelf en er door vergramd heeft.
273
i(17e V.) Heeft men een onvolmaakt berouw, dan is de beweegreden , waarom men over zijne zonden bedroefd is, ze verfoeit met het vaste voornemen niet meer te zondigen, eene â andere, niet slechts minder volmaakte, maar in vergelijking met de beweegreden, waaruit het volmaakt berouw voortkomt, bepaald onvolmaakte beweegreden. Do beweegreden, waaruit het volmaakt berouw voortkomt, is enkel en alleen deze: omdat men God als het opperste goed in zichzelven door zijne -zonden vergramd heeft. Beweegredenen, waaruit een onvolmaakt berouw kan voortkomen, zijn er meerdere, verschillende. Daarom zegt de Catechismus verder:
19 Y. Noem eenige van die bovennatuurlijke bewee;/redenen.
A. Het verlangen naar den Hemel, â de vrees der straffen , die de zonden bij God verdienen.
De V. is op deze wijze aan te vullen:
Noem eenige van die andere bovennatuurlijke beweegredenen dan de beweegreden, waaruit het volmaakt berouw voortkomt.
Uit het A. volgt dat men een onvolmaakt berouw heeft ais men over zijne zonden bedroefd is omdat men door zijne dood-â¢zonden het recht op den hemel verloren en de straffen der hel verdiend heeft; omdat men door zijne dagelijksche zonden tijdelijke straffen bij God verdiend heeft, hier of hiernamaals te ondergaan.
De twee door -den Catechismus hier aangehaalde beweegredenen van berouw en andere soortgelijke, bv., de afschuwelijkheid der zonden om de ondankbaarheid, het verzet, â¢den opstand tegen God, die er in liggen opgesloten; het lijden, dat Jesus uit liefde tot ons er om heeft onderstaan , â enz., zijn blijkbaar natuurlijke beweegredenen; want
zij worden door het geloof gekend (10e V.) Ontegenzeggelijk zijn ze ook minder volmaakt dan de beweegreden , waaruit het volmaakt berouw voortkomt, ja, in vergelijking met deze beweegreden zjjn ze bepaald onvolmaakt te heeten. Immers, als
C 18
274
zoodanig, komen ze niet voort uit eene volmaakte liefde tot God als het opperste goed in zichzelven, maar uit eene onvolmaakte liefde tot God als oneindig goed jegens ons, m. a. w., in zoover God onze gelukzaligheid uitmaakt, de fontein onzer zaligheid , en ons opperste goed is (5e Les , 9e en 10e V.} Derhalve is het berouw, dat vooral, voornamelijk voortkomt uit eene andere bovennatuurlijke beweegreden, dan de liefde tot God als het opperste goed in zichzelven, ook uit zijrt aard zelf onvolmaakt. Uit het bijwoord vooral hetwelk in het antwoord op de 18e V. voorkomt : onvolmaakt is het berouw âdat vooral voortkomt uit eene andere bovennatuurlijke beweegredenquot;, blijkt ten 3e (zie ie» le en ten 2e, 18e V.), dat, wanneer ons berouw vooral, voornamelijk voortkomt uit eene andere bovennatuurlijke beweegreden dan de liefde tot God als het opperste goed in zichzelven, ons berouw onvolmaakt is en blijft; doch, wel kan men door eene onvolmaakte beweegreden van berouw tot de volmaakte opklimmen , komen. Wanneer eene onvolmaakte beweegreden met de volmaakte samengaat, is het berouw inderdaad volmaakt. Het volmaakt berouw toch sluit onvolmaakte beweegredenen van berouw volstrekt niet uit. Meestal zelfs zijn deze juist als zoovele trappen om tot het volmaakt berouw op te klimmen, te geraken. Inzonderheid is de liefde door Jesua ons betoond in zijn lijden, om onze zonden onderstaan, eene naaste overgang tot berouw uit liefde tot God als het opperste goed in zichzelven.
Zonder zoo nauw acht te geven op de woorden van den Catechismus, kan het hoofdverschil tusschen volmaakt en onvolmaakt berouw worden uitgelegd door te zeggen: Is de beweegreden van het berouw, dat we hebben over onze zonden, Gods oneindige volmaaktheid of goedheid in zich zeiven, dan is ons berouw volmaakt, even gelijk onze liefde tot God hier op aarde volmaakt is, als we God beminnen omdat Hij het opperste goed in zichzelven is. quot;Want volmaakt is het berouw, dat voortkomt uit liefde tot God als het opperste goed in zichzelven. (17e V.)
Is de beweegreden van berouw over onze zonden alleen
275
of vooral Gods oneindige goedheid jegens ons, dan is ons berouw onvolmaakt, even gelijk onze liefde tot God onvolmaakt is, als we Hem vooral of alleen beminnen omdat Hij oneindig goed is jegens ons. (Vgl. 21e Les , 4e V.)
Bemoedigend, troostrijk is het reeds voor ons zwakke mensohen, dat eike waarlijk bovennatuurlijke beweegreden van berouw voldoende is om met de Bieeht vergiffenis onzer zonden te verkrijgen. Immers door elke wezenlijk bovennatuurlijke beweegreden van berouw wordt de zondaar waarachtig afkeerig van zijne zonden en keert, met hoop op vergeving, door eene ten minste beginnende liefde tot God terug, van wien hij zich door zijne zonden afgewend of verwijderd had.
Het eerste en voornaamste verschil tusschen volmaakt en onvolmaakt berouw bestaat dus in de beweegreden, waaruit ze voortkomen.
Het tweede verschil bestaat in de uitwerking aan het volmaakt boven het onvolmaakt berouw eigen, en het derde in het soort berouw , dat tot eene goede Biecht noodzakelijk is, of gewenscht mag heeten.
Het tiveede verschil wordt duidelijk uit de
20 V. Wat kracht heeft het volmaakt berouw meer dan het onvolmaakt berouw ?
A. Dat het volmaakt berouw de zonden vergeeft zonder de Biecht. en het onvolmaakt berouw met de Biecht.
Geeft wel acht op dit antwoord; want de Catechismus zegt in. volle waarheid : dat het volmaakt Berouw de zonden vergeeft zonder de Biecht, maar hij leert geenszins, dat wij , zonder den wil te hebben om te biechten als we kunnen, vergiffenis van eenige doodzonde kunnen verkrijgen. Daarom zou hij grovelijk dwalen , die zou denken: ik zal die doodzonde maar niet biechten ; ik zal er maar een volmaakt berouw over verwekken ; dan wordt ze toch vergeven. Geheel deze redeneering is zoo valsch mogelijk. Immers wij kunnen
276
geen volmaakt berouw verwekken zonder den wil te hebben van te biechten, als we kunnen. Want het volmaakt berouw komt voort uit liefde tot God als het opperste goed in zich zeiven. (17e V.) Het volmaakt berouw vereischt dus ten minste dat men alles wil doen wat God op doodzonde gebiedt. quot;Welnu, Christus, waarachtig God, gebiedt, wil op doodzonde , dat wij alle doodzonden , die we na het Doopsel gedaan hebben, eens biechten, als we kunnen. (Vgl. 32e V.)
Derhalve kunnen wij zonder den wil te hebben van te biechten als we kunnen, niet alleen geen volmaakt, maar zelfs geen onvolmaakt berouw hebben over onze zonden , en dus zonder dien wil er geene vergiffenis van bekomen. Daarom leert dan ook de Kerkvergadering van Trente nadrukkelijk. (T. a. p. hfdst. IV.) âDie verzoening echter moet niet worden toegeschreven aan het berouw zelve , zonder den wil van het H. Sacrament der Biecht te ontvangen, welke wil in een volmaakt berouw ligt opgesloten.quot; Dus is de wil van te biechten, althans zoover deze in het volmaakt berouw stilzwijgend is opgesloten, (vgl. 31e Les, 7e V.) noodzakelijk om een volmaakt berouw te kunnen hebben.
Dit blijkt te over uit de twee volgende vragen.
21 V. Als men in gevaar is van sterven en niet lean biechten , lean men dan vergiffenis krijgen van zijne doodzonden ?
A. Ja, door een volmaakt berouw met den wil van te biechten.
22 V. Moet men dan de doodzonden , die door een volmaakt berouw vergeven zijn , nog biechten ?
A. Ja , als men zulks kan.
De hoofdreden hiervan is , dat Christus wil, dat alle doodzonden , die na het Doopsel gedaan zijn , eens gebiecht worden. (32e V.)
Het derde verschil tusschen volmaakt en onvolmaakt berouw wordt opgehelderd door het tweede lid van het ant-
211
woord op de 20e V., nl. , dat het onvolmaakt berouw de zonden vergeeft met de Biecht.
Tot het waardig ontvangen van het H. Sacrament der Biecht is een onvolmaakt berouw noodzakelijk, maar tevens voldoende.
Het volmaakt berouw is er niet toe noodzakelijk, maar zeker gewenscht. Immers, ontvangt men het H. Sacrament der Biecht met een volmaakt berouw, dan krijgt men door dit Sacrament vermeerdering der heiligmakende gratie, en meerdere kwijtschelding van tijdelijke straffen. (Vgl. 3e V.)
Trachten we dus , zoo dikwijls we te biechten gaan , een volmaakt berouw te verwekken. Overwegen we te dien einde de dankbaarheid die we den algoeden God schuldig zijn, maar door onze zonden miskend hebben ; overwegen we vooral het lijden van onzen Heer en God Jesus Christus , en we zullen door Gods genade geholpen , gemakkelijk tot esn volmaakt berouw komen.
Wonen we te dien einde eerbiedig en aandachtig do H. Mis bjj, of doen wij den Kruisweg in voorbereiding tot de H. Biecht. Laten onze omstandigheden dit niet toe , bidden we dan God maar op eenige andere wijze vurig en vertrouwvol om een volmaakt berouw, en God zal in zijne oneindige barmhartigheid ons gebed verhooren. Immers Hij verlangt niets meer dan dat wij Hem volmaakt, uit geheel ons hart liefhebben en beminnen.
Mochten we ooit, over dag of des nachts, het ongeluk hebben eene doodzonde te bedrijven , verzuimen we dan toch niet, aanstonds, 's morgens bij het opstaan, of 's avonds voor het slapen gaan, een akte van volmaakt berouw te bidden , om in staat van doodzonde niet door den dood overvallen te worden; maken we dan dadelijk het besluit om zoodra mogelijk te biechten te gaan. (Vgl. 4e V.)
Nota. Inleiding tot § 3.
Van den kant des biechtelings worden er, gelijk we uit de 5e V. dezer Les leerden , drie doelen tot de Biecht ver-eischt; het berouw , de belijdenis en de voldoening.
Een waar berouw en rechtzinnige belijdenis zijn wezenlijke deelen van het H. Sacrament der Biecht, behooren tot deszelfs
278
â wezen. De voldoening is uit haar aard een voltooiend, volmakend deel der H. Biecht , doch een wezenlijk deel in zoover men op den oogenblik der H. Absolutie den wil moet hebben de penitentie te volbrengen , welke de Biechtvader heeft opgelegd. Want zonder dien wil, kan men geen waar berouw hebben over alle doodzonden, waaraan men plichtig is. Inde Biecht zelve den ivil hebben zijne penitentie niet te volbrengen , is eene doodzonde. Immers dien wil sluit den wil in het Sacrament dor Biecht van zijn voltooiend, volmakend deel te berooven , het Sacrament der Biecht als verminkt te ontvangen ; iets wat blijkbaar eene onteering van dat Sacrament zijn zou. Dus , indien men dien boozen wil bij de Biecht zou hebben, kan men ook geen algemeen berouw, dus geen waar berouw hebben over zijne zonden.
Handelde de 2o § over het Berouw, de volgende handelt over de Belijdenis en Voldoening.
§ 3.
Yan de Belijdenis en de Voldoeimig.
23 V. Wat is de belijdenis ?
A. Eene droevige bekentenis van zijne zonden aan den Biechtvader , om er de absolutie van te ontvangen.
De Belijdenis is ten le, eene droevige bekentenis, d. w. z., eene rouwmoedige aanklacht of beschuldiging van zijne zonden met het inzicht om er de absolutie van te ontvangen.
Men kan er de absolutie niet van ontvangen zonder berouw. (Ygl. 7e Vk) Dus moet op zijn minst genomen de bekentenis althans op den oogenblik, waarop men de absolutie ontvangt, met een waar berouw vereenigd worden , gepaard gaan. (Vgl. 8e V.) Zijne zonden louter verhalen , ze vertellen als eene geschiedenis waarin men vooral lang en breed doet uitkomen hoezeer men door dezen of genen miskend is, dat men dooide hevigheid der bekoring of door deze of gene omstandigheid
279
tot de zonde vervoerd is enz. lijkt dus weinig of niet op de droevige bekentenis van zijne zonden, waaruit de Belijdenis, ten le, bestaat. (Zie verder 43e V.) De Belijdenis is eene droevige belijdenis ten 2e , van zijne eigene zonden, d. w. z., van de zonden, die we zelf bedreven hebben, of, die wel door anderen bedreven zijn, maar ons mede aangerekend worden, omdat wij tot dezelve op eenige wijze geholpen hebben , bv. door aanraden , beschermen , gebieden enz. (Zie 41e Les, le en 2e V.)
Overigens mag men in de biecht een ander niet beschuldigen , de zonden van een ander niet vertellen ; want de biecht is slechts eene beschuldiging van zich zeiven. (Zie 45e V.)
De Belijdenis is eene droevige bekentenis van zijne zonden aan den Biechtvader, ten 3e, om er de absolutie van te ontvangen. Indien men dus enkel en alleen in den biechtstoel gaat om van den Biechtvader in deze of gene aangelegenheid raad in te winnen , of om getroost, opgebeurd te worden in eene of andere droevige omstandigheid waarin men zich bevindt, dan is dergelijke vertrouwelijke openbaring geene eigenlijke gezegde Biecht of Belijdenis.
De voornaamste, allernoodzakelijkste hoedanigheid der Belijdenis is , dat ze rechtzinnig zij. Immers is de Belijdenis rechtzinnig, dan zal ze vanzelf nederig en oprecht (43e V.), «n , zooveel noodig, volledig zijn. In hoeverre de Belijdenis volledig moet zijn , leert de volgende vraag.
24 V. Welke zonden moet men biechten, belijden ? A. Alle doodzonden, aan welke men zich na een naarstig onderzoek van geweten plichtig bevindt, en die men nog niet goed gebiecht heeft.
Om het II. Sacrament der Biecht waardig te ontvangen, moet men alle doodzonden biechten, ten le, aan welke men zich na een naarstig onderzoek van geweten plichtig bevindt.
Welk of hoedanig onderzoek van geweten , van conscientie wordt er dus tot eene goede Biecht vereischt ?
280
Een naarstig onderzoek, een zorgvuldig nadenken. (Vgl. 39eV.)-
Hoedanige, hoe groote naarstigheid of zorg moet men aan het onderzoek zijner conscientie besteden ?
Geene angstvallige, maar eene redelijke zorg, d. i., zoodanige naarstigheid als een wijs , verstandig mensch in het onderzoeken, nagaan van eene zaak van gewicht gewoon is aan te wenden; dus moer bepaald : zoodanige zorg als, met inachtneming van ieders staat en toestand, zonder te veel moeite of inspanniuf, voldoende is om zich alle doodzonden te herinneren, die men belijden moet.
Hieruit volgt, dat niet allen verplicht zijn even veel zorg en tijd aan het onderzoek van conscientie te besteden.
Zoodanig onderzoek stelt zeker hij niet in, die er zoo maar terloops , voor evenveel over heen gaat , die naar 't getal of de soort zijner zonden als in 't vollehonderd heenslaat. Zulk onderzoek is zorgeloos , in plaats van zorgvuldig en naarstig»
Waarvan hangt het af, of iemand korter of langer zijne conscientie moet of behoort te onderzoeken ?
Voornamelijk van deze drie omstandigheden: ten le, of het kort of lang geloden is dat men het H. Sacrament dei-Biecht waardig ontvangen heeft, te biechten is geweest.
Ten 2e , of men intusschon tijd zich aan geene, weinig of vele doodzonden heeft schuldig gemaakt.
Ten 3e, of men een geregeld godsdienstig leven leidt, en eiken avond, gelijk de Catechismus in 't Avondgebed aanwijst, zijn geweten onderzoekt, overdenkt hoe men dezen dag heeft doorgebracht, of wel aan dat christelijk gebruik te kort blijft.
Hoe men in voorbereiding tot de Biecht het best zijn geweten onderzoekt, wordt gezegd in 't A. op de 39e V.
Het antwoord op de 24e V.: quot;Welke zonden moet men biechten ? volmaakt de Catechismus door er, ten 2e, bij te voegen : en die (nl. alle doodzonden , die) men nog niet goed gebiecht heeft. Want, die men ééns goed gebiecht heeft, ia men uitteraard niet verplicht andermaal te belijden ; eenmaal volledig en rechtstreeks door de Biecht vergeven, moet men ze niet meer, is men niet meer verplicht ze opnieuw te biechten.
281
Nogians is het heilzaam en raadzaam zich er opnieuw van te beschuldigen , zijn berouw er over te vernieuwen, en op nieuw er de H. Absolutie over te ontvangen omdat men door de herhaalde Absolutie vollediger kwijtschelding krijgt van de tijdelijke straffen , die er van overbleven, en door het vernieuwd berouw en herhaalde Belijdenis meer gevestigd wordt in den haat en afschuw der zonden , en eindelijk omdat men dusdoende zeker waardig de H. Absolutie ontvangt , als men sinds zijne laatste goede Biecht, alleen dagelijksche zonden te biechten heeft. (33e V.) De Catechismus antwoordde : Alle doodzonden , en vraagt nu verder
25 V. Moet men dagelijksche zonden ook biechten ? A. Dit is uict noodzakelijk, maar zeer voordeelig.
Het is niet noodzakelijk dat men dagelijksche zonden ook biechte ; want ten Ie , Christus heeft dit niet als gebod opgelegd , en ten 2e, kan men door vele andere middelen er vergiffenis van verkrijgen. (Vgl. Conc. v. ïrente, t. a. p., hfdst. V. , en 16e Les , öe V.)
Maar het is zeer voordeeliy , nuttig en heilzaam , dat men dagelijksche zonden ook biechte.
Waarom is het voordeelig dagelijksche zonden te biechten ?
Om verscheidene redenen. Vooral omdat men door de Biecht, ten le, er zekerder en vollediger vergiffenis van verkrijgt. (Vgl. 16e Les, 5e V.)
Ten 2e , ook meerdere kwijtschelding van tijdelijke straffen.
Ten 3e, overvloediger dadelijke gratiën om er niet meer, gelijk vroeger , in te hervallen.
Ten 4e , omdat het in sommige gevallen, bijzonder betrekkelijk het tweede, vijfde , zesde, zevende en negende gebod moeielijk is dagelijksche zonden van doodzonden te onderscheiden , te bepalen of deze en gene overtredingen dier geboden slechts dagelijksche of wezenlijk doodzonden zijn.
Ten 5e, opdat de Biechtvader beter over den staat onzer conscientie kunne oordeelen, onze hoofdfout aanwijzen, en waarschuwen tegen die soorten van dagelijksche zonden , die.
282
«it haar aard ons gereed maken tot meerderen val, gelijk quot;bijzonder het geval is met gewoonte van liegen, met dieverijen, met zinnelijkheid , enz.
26 V. Hoe moet men zijne zonden biechten ? A. Met getal en omstandigheden.
Vraag en antwoord slaan duidelijk alleen op rfoorfzonden. quot;Want 't is geen moet, niet noodzakelijk , dat men dagelijk-flche zonden ook biechte ; dus is het zeker niet noodzakelijk, â dat men deze met getal of omstandigheden belijde. Maar, evenals het zeer voordeelig is dagelijkEche zonden ook te biechten, is het ook heilzaam ze met getal te biechten, en met die omstandigheden, waaruit de Biechtvader den waren staat â onzer conscientie beter en beter kan leeren kennen; alle overige behoort men achterwege te laten. Ter nadere toelichting zij vooral Eeligieusen de lezing en herlezing aanbe-â volen van hfdst. XIX, 2e d. der Inleid, tot een godvruchtig leven van den H. Franciscus de Sales.
In de twee volgende vragen leert de Catechismus, wat het zeggen wil biechten met getal en omstandigheden.
27 V. Wat is biechten met getal ?
A. Zeggen, hoe dikwijls men de zonde van dezelfde soort gedaan heeft, of meent gedaan te hebben.
Biechten met getal is, zeggen , hoe dikwijls men de zonde van dezelfde soort gedaan heeft, bv., hoe dikwijls men zeker weet een grooten vloek, onkuischheid gedaan te hebben enz. Indien men, na een naarstig onderzoek van geweten, het juiste getal niet kan bepalen , dan is het genoeg te zeggen hoe dikwijls men meent die zelfde zonde bedreven te hebben, bv. drie of vijfmaal enz. en er bij te voegen minder of meer. Kan men, bv. tengevolge van eene gewoonte van indezelfde .zonden te hervallen, het getal zelfs niet ten naaste bij behalen door bijvoeging van : zoo dikwijls min of meer, dan
283
is het genoeg te zeggen, hoe dikwijls men eiken dag , of elke week , of maand , in welke omstandigheden vooral, men gewoonlijk die zonden bedreef.
28 V. Welke omstandigheden moet men bij de zonden voegen ?
A. Die omstandigheden, welke de zonden merkelijk veranderen.
Dus zeker, ten le, die omstandigheden, welke op haar eigen eene nieuwe doodzonde van anderen aard uitmaken. Bv. , iemand steelt kerkelijk goed van zooveel waarde, dat de diefstal op zichzelven eene doodzonde is tegen hot zevende gebod. (28e Les, le en 5e V.) Immers de omstandigheid, dat het gestolen goed kerkelijk goed is, verandert de zonde van diefstal merkelijk , en maakt op haar eigen een nieuwe doodzonde van anderen aaid uit. Van welken aard? Van eene heiligschennis, grootelijk strijdig tegen het eerste gebod, en wel bepaald van zakelijke heiligschennis. (22e Les 8e V.) Een kind vergeet zijn plicht jegens vader of moeder zoo verregaande , dat het hun in zijn hart een groot kwaad , bv. den dood, toewensoht. Zulk ontaard kind voldoet niet met te biechten, dat het iemand, wezenlijk gemeend, een groot kwaad heeft toegewenscht, maar moet er bijzeggen , dat het vader of moeder groot kwaad heeft toegewenscht. Deze omstandigheid toch verandert de doodzonde, welke verondersteld kind tegen het vijfde gebod bedreef (27e Les, 3c V.), merkelijk , en maakt op haar eigen eene nieuwe soort doodzonde uit, nl., tegen het vierde gebod. (26e Les, 4e V.) Gelijksoortige reden geldt, indien iemand eene doodzonde bedrijft tegen de heilige deugd van zuiverheid met bloed- of aanverwanten.
Ten 2e, die omstandigheden , welke van eene dagelijksche zonde eene doodzonde maken. Daarom zou bv. iemand, die op Zon- of feestdagen onder een merkelijk deel van de IJ. Mis uiterlijk oneerbiedig is geweest, niet volstaan met te biechten ; ik heb op een werkdag niet goed de H. Mis bijgewoond. quot;Want de omstandigheid van tijd verandert in dit geval de
281
zonde merkelijk. Op werkdag was die oneerbiedigheid eene dagelijksche zonde, maar op Zon- en feestdagen, waarop men verplicht is de H. Mis bij te wonen , gelijk het behoort (25e Les , 8e V.), met goede manieren (29e Les, 5e V.), is die oneerbiedigheid oene doodzonde. Daarom zou ook iemand, die als uit scherts, zich eene lichtzinnige uitdrukking of vrijheid zou veroorloven , maar met het inzicht, de bedoeling, om een ander tot groote zonde tegen de heilige deugd te verleiden , over te halen, grootelijks zondigen. Want, verondersteld , dat die zegs- of handelwijze op ziohzelve beschouwd , maar eene dagelijksehe zonde zij , is ze toch eene doodzonde om de booze bedoeling, het slechte inzicht, waaruit die zegs-of handelwijze voortkwam.
Alle doodzonden , die men nog niet goed gebiecht heeft r moet men biechten met yetal , ett die omstandigheden , welke de zonden merkelijk veranderen, omdat men anders niet alle doodzonden zou belijden , welke, volgens Christus' gebod in de H. Biecht moeten beleden worden , om er vergiffenis van te verkrijgen.
29 V. Is het (jrool lacaad vrijwillig , hij voorbeeld : uit schaamte, eene doodzonde in de Biecht te verzwijgen ?
A. Ja, het is eeue groote doodzonde van heiligsclienuis ; en men krijgt geene vergiffenis van de zonden , die men gebiecht heeft.
Vrijwillig, bv., uit schaamte of uit eene andere soortgelijke beweegreden , ééne doodzonde in de Biecht te verzwijgen , of zóó te bewimpelen, te verontschuldigen , dat de Biechtvader ze als eene dagelijksche zonde moet opnemen, beoordeelen, bv. , omdat men zegt deze of gene uitteraard grootelijks zondige daad, half slapend, zonder volkomen toestemming te hebben bedreven, terwijl men ze toch met genoegzaam bewustzijn , geheel vrijwillig bedreven heeft, â is eene groote doodzonde van heiligschennis. Immers men onteert op dit
285
â wijze het H. Sacrament der Biecht, ontegenzeglijk eene heilige zaak (22e Les, 8e V.), en men krijgt gee.ne vergiffenis van de zonden, die men overigena goed gebiecht heeft, juister gezegd , goed zou gebiecht hebben. Want blijkbaar ontbreekt in dit geval én het waar berouw (vgl. lie Y.), én de allernoodzakelijkste hoedanigheid der Belijdenis, de rechtzinnig- en volledigheid. (23e V.)
30 V. Wat moet hij doen, die eene doodzonde vrijwillig verzwegen heeft ?
A. Hij moet ten 1. de zonden biechten, welke hij verzwegen heeft; ten 2. de heiligschenisseu belijden , waaraan hij schuldig mocht zijn ; en ten 3. zich opnieuw beschuldigen van alle doodzonden, welke nog niet in eene goede Biecht beleden zijn.
Die door den duivel misleid, vrijwillig eene doodzonde verzwegen heeft, moet, ten le, de zonden biechten, welke hij verzwegen heeft, bv. van onkuischheid , onrechtvaardigheid , of welke andere ook.
Ten 2e, moet hij de heilig schennissen belijden , waaraan hij schuldig mocht zijn, ja is, zoo dikwijls hij met bewustzijn van zijne onwaardigheid do H. Absolutie, de H. Communie ontvangt. Hij dient er ook acht op te geven of hij soms in dien toestand het H. Vormsel, of in gevaar van sterven het H. Oliesel ontvangen heeft, of hij bediend is geweest. Want aan zoovele heiligschennissen zou hij schuldig zijn.
En, ten 3e, moet hij zich opnieuw beschuldigen van alle doodzonden, welke nog niet in eene goede Biecht beleden zijn. Want van degene , weike hij in eene slechte Biecht beleden heeft, kreeg hij geene vergiffenis. (29e V.) En toch moet men om er vergiffenis van te krijgen, volgens Christus gebod, alle doodzonden , die men na het Doopsel gedaan heeft, eens goed biechten. (Vgl. 32e Antw.)
Zoo iemand behoort er ook op te letten of hij soms den paaschtüd in dien toestand heeft doorgebracht; want zoo ja,
286
dan heeft iuj niet aan zijn paaschplicht voldaan. (Vgl. 29e Les, lie V.) Uit al hetgeen hij doen moet, die eene doodzonde vrijwillig verzwegen heeft, ligt de gevolgtrekking voor de hand , dat het veel gemakkelijker is altijd rechtzinnig te biechten , dan ooit vrijwillig eene óoodzonde te verzwijgen ; â want, wil men niet naar de hel gaan, dan moet men de verzwegen zonde toch eens biechten, en geheel den nasleep van dien : de heiligschennissen, enz. Bovendien is deze eenmaal bedreven heiligschennis, zoolang als ze niet hersteld is , voor den schuldige eene voortdurende foltering de knagende worm van zijn geweten laat hem rust noch vrede. Die het ongeluk mocht hebben zich in zulken droevigen toestand te bevinden, herstelle toch spoedig zijne slechte Biecht; roepe Maria, de Moeder van Barmhartigheid , met vertrouwen aan. Zij , de hoop der hopeloozen , zal hem moed verkrijgen om alles rechtzinnig te belijden , en de Biechtvader zal hem met open armen ontvangen, hem in alles te hulp komen, als de ongelukkige maar dadelijk zegt: Eerw. Vader, ik heb den vorigen keer, of sinds zoolang niet goed gebiecht, eene doodzonde vrijwillig verzwegen.... Geen grooter troost voor een Biechtvader , dan het geluk te hebben een verloren schaap weer tot Jesus te kunnen terugbrengen. âIk zeg u : evenzoo (gelijk een herder zich verheugt, als hij een verloren schaap heeft wedergevonden), evenzóó zal er in den hemel, (bij de Engelen Gods) blijdschap zijn over éénen zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die geene bekeering noodig hebben.quot; (Vgl. Luc. XV. 1. 10.)
Kinderen , mocht iemand uwer vóór , bij , of na zijne eerste H. Communie het ongeluk gehad hebben vrijwillig eene doodzonde te verzwijgen, hij bidde eens een hartelijk âWees gegroetquot;, en herstelle zoodra mogelijk zijne heiligschennis. Blijde zal hij zijn, als dit pak van zijn hart af is !
In deze vraag was er spraak van eene doodzonde, die men vrijwillig verzwegen heeft.
De volgende vraag handelt over onvrijwillig vergeten doodzonde , en luidt :
287
31 V. Is de Biecht goed, waarin men onschuldig' eene doodzonde vergeet ?
A. Ja, zulke biecht is goed ; en men krijgt ook vergiffenis van de zonde , die men onschuldig vergeten heeft.
TiUlke Biecht, waarin mm onschuldig eene doodzonde vergeet te belijden , is goed , en men krijgt ook , krachtens het H. Sacrament der Biecht, wel niet rechtstreeks maar zijdelings , vergiffenis van de zonde, die men onschuldig vergeten heeft te belijden.
32 V. Moet men die vergetene doodzonde nog biechten , als men ze later indachtig wordt ?
A. Ja , waut Christus wil, dat alle doodzonden, die na het Doopsel gedaan zijn, eens gebiecht worden.
Als men die vergetene doodzonde indachtig wordt vóór de H. Communie , dan is het geraden, als men goedschiks, zonder merkelijk bezwaar kan , tot den Biechtvader terug te keeren, m. a. w., die vergetene doodzonde vóór de H. Communie te belijden, en er de H. Absolutie over te ontvangen. Maar, als men dat niet gevoegelijk kan , er geen geschikte gelegenheid toe heeft, dan mag men toch gerust te Communie gaan ; want men heeft, krachtens zijne goede Biecht, ook vergiffenis gekregen van die doodzonde , welke men onschuldig vergeten had. Dan is 't voldoende, dat men die vergeten doodzonde in de eerst volgende Biecht belijde, en er rechtstreeks de H. Absolutie over ontvange.
33 V. Waarop moet men hijzonder acht geven, als men alleen dagelijksche zonden te biechten heeft ?
A. Dat men niet zonder een oprecht berouw en voornemen het H. Sacrament der Biecht mag ontvangen , en daarom is het raadzaam alsdan
288
â over eene reeds vergevene doodzonde zijn berouw te vernieuwen , en die er bij te voegen.
Als men sinds zijne laatste goede Biecht alleen dagelijk-sche zonden te biechten heeft, is het zeker zaak er bijzonder acht op te geven, er op bedacht te zijn , er op te letten, dat men het H. Sacrament der Biecht niet mag ontvangen zonder een oprecht berouw over , en voornemen van ten minste «éne der dagelijksche zonden, waarvan men zich beschuldigt, met meer op die wijze, als vroeger, te bedrijven. Want als men het H. Sacrament der Biecht zou ontvangen zonder waar berouw over en voornemen van ten minste ééne der dagelijksche zonden, waarvan men zich beschuldigt, niet meer op die wijze, als vroeger, te bedrijven, zou men zich aan eene heiligschennis plichtig maken, en dus in staat van gratie den biechtstoel ingaan , en in staat van doodzonde er uitkomen. En daarom, d. w. z., om zeker dit gevaar te voorkomen , zeker waardig de H. Absolutie te ontvangen, is het raadzaam alsdan, d. w. z., ten minste als men sinds zijne laatste goede Biecht,' alleen dagelijksche zonden te biechten heeft, over eene reeds vergevene doodzonde, vóór dat men den Biechtstoel ingaat of ten minste vóór of tijdens de H. Absolutie, zijn beromv te vernieuwen en die vergevene doodzonde te voegen hij de dagelijksche zonden, waarvan men zich beschuldigd heeft. (Vgl. 24e Y.) Die reeds vergevene doodzonde behoeft men niet meer met getal en omstandigheden te biechten; 't is genoeg, dat men zegge : bovendien beschuldig ik mij van de zonden, die ik vroeger, bv., tegen de heilige deugd van kuisch-heid , bedreven heb.
Is men zoo gelukkig, dat men zich niet bewust is ooit eene doodzonde bedreven te hebben, dan is het geraadzaam bij de dagelijksche zonden, die men gewoonlijk bedrijft, er eene soort bij te voegen, die men vroeger bedreven, en waarover men op lateren leeftijd meer zeker berouw heeft, bv., van ongehoorzaamheid aan vader en moeder, van oneerbiedigheid in 't gebed, van leugentaal enz.
289
34 V. Wat is men nocj verplicht te doen , als men de absolutie ontvangen heeft ?
A. Men moet de penitentie of voldoening volbrengen , welke de Biechtvader heeft opgelegd.
Na met een vaar berouw en rechtzinnige belijdenis de H. Absolutie ontvangen te hebben, is men nog verplicht, tor voltrekking van het H. Sacrament der Biecht (vgl. inleiding tot § 3) de penitentie of voldoening , bv. het gebed , aalmoes of ander goed werk, te volbrengen, welke de Biechtvader heeft opgelegd.
35 V. Waartoe dient de penitentie ?
A. Ten 1. Om eenigzins te voldoen voor de tijdelijke straffen der zonden ; ten 2. als een hulpmiddel tegen het hervallen in de zouden.
De Catechismus zegt, dat de penitentie dient ten le, om eenigzins te voldoen voor de tijdelijke straffen der vergeven zonden. Immers door eene goede Biecht verkrijgt men wol kwijtschelding der eeuwige, straffen, en bovendien van een gedeelte der tijdelijke straffen , maar niet altijd van alle tijdelijke straffen; dikwijls, doorgaans zelfs blijven er voorde vergevene dood- en dagelijksche zonden eenige tijdelijke straffen over. (Ygl. 3e V.) De penitentie dient om eenigzins voor die overblijvende tijdelijke straffen te voldoen, niet enkel in zoover zij uit een of ander goed werk bestaat, maar vooral in zoover zij , uit kracht van de instelling van Christus , een volmakend deel is van het Sacrament der Biecht, dat, gelijk al de andere Sacramenten, de gratie geeft die 't beteekent. (3eV.)
Dewijl echter de Biechtvader om de menschelijke zwakheid gewoon is slechts eene betrekkelijk geringe boete op te leggen, en de penitentie dus in den regel veel te klein, te gemakkelijk is om daardoor voor alle overblijvende straffen te vol-
C 19
290
doen , zegt de Catechismus, dat ze dient om eenigzins te voldoen voor de overblijvende tijdelijke straffen der vergeven zonden. Wij behooren ons dus «iet te bepalen bij de penitentie, welke de Biechtvader oplegt, maar trachten om ook nog door andere goede werken voor onze tijdelijke straffen te voldoen, en wel vooral door het godvruchtig bijwonen der H. Mis (34e Les, 12e V.), het verdienen van aflaten (15o Les, 7â12e V.), door geestelijke of lichamelijke werken van barmhartigheid , door vasten of versterving van zichzelven, door de moeielijkheden aan ons werk en onzen staat eigen, door ziekten, kruisjes en tegenspoeden, die God ons overzendt, geduldig te verdragen, â't Isquot;, zegt de H. Kerkvergadering van Trente, âeen zeer groot blijk van Gods liefde, dat wij door de tijdelijke kastijdingen door God ons aangedaan en geduldig door ons verdragen , bij God den Yader door de verdiensten van Jesus Christus kunnen voldoen. (Zitt. XIV, hfdst. IX en Can. XIII.)
Ten 2e, dient de penitentie als een hulpmiddel tegen het hervallen in de zonden, wederom niet enkel in zooverre zij uit haar aard een goed werk is, maar vooral in zoover ze een volmakend deel is van het H. Sacrament der Biecht, en als zoodanig ten minste bijzonder dadelijke gratiën geeft om niet meer zoo gemakkelijk in zonde te vallen. (4e V.)
36 V. Wanneer moet men zijne penitentie vol-hrengen ?
A. Op den bepaalden tijd ; en als er geen tijd bepaald is , zoodra mogelijk.
Men moet zijne penitentie volbrengen op den tijd door den Biechtvader bepaald, en, als hij geen tijd bepaald heeft, zoodra goedschiks mogelijk.
Als men zich niet herinnert, welke boete of penitentie de Biechtvader heeft opgelegd , moet men ze navragen , zoodra dit gevoegelijk kan geschieden.
291
§ 4.
Van de manier Tan biechten.
37 V. Wat behoort men te onderhouden, als men te biecht (iaat ?
A. Ten 1. Men moet God bedanken, dat Hij ons in de zonden niet heeft laten sterven ; ten 2. den 11. Geest om gratie bidden ; ten 3. zijn geweten onderzoeken; ten 4. de akten van geloof, hoop, liefde en vooral van berouw verwekken; ten 5. zijne zonden biechten ; ten 6. de penitentie volbrengen.
Men zal vanzelf opmerken, dat gevraagd wordt: Wat men behoort te onderhouden, als men te biecht gaat ? en geantwoord wordt wat men moet doen, als men te biechten gaat. â Tusschen moeten en hehooren bestaat hier een groot verschil. Men moet onderhouden al wat noodzakelijk is om het H. Sacrament der Biecht geldig en waardig te ontvangen. Dus moet men alle doodzonden, aan welke men zich na een naarstig onderzoek van geweten plichtig bewndt, en die men nog niet goed gebiecht heeft, rechtzinnig belijden, er een waar berouw over hebben , en dus ook den wil zijne penitentie te volbrengen. (Vgl. 2 en 3.)
quot;Wat men behoort te onderhouden als men te biecht gaat, dient om het Sacrament der Biecht met meer vrucht te ontvangen. (Vgl. bl. 182.)
Zoo bv., ten le , moet, d. w. z. , behoort men als men te biecht gaat, God te bedanken, dat Hij ons in de zonden niet heeft laten sterven.
Zeker behoort men God voor die weldaad te bedanken; want uit loutere goedheid geeft Hij ons de gelegenheid door eene goede Biecht de eeuwige straffen der hel afteweren en do tijdelijke straffen van het vagevuur te verkorten. Men kan
292
die dankzegging doen door uitterharte de verzuchting te bidden, die in het Avondgebed wordt aangegeven: âMijn Heer en mijn God , ik bedank U voor alle weldaden , bijzonderlijk dat Gij mij (sinds mijne laatste Biecht in 't leven)
bewaard hebt.quot;
Doch , hoe passend en rechtmatig die dankzegging ook zij, wordt ze toch zeker niet vereischt om het H. Sacrament der Biecht geldig en waardig, maar alleen om het met te meer vrucht te ontvangen.
Ten 2e, moeten we, den H. Geest om gratie hulden.
38 V. Welke gratie moeten wij den H. Geest verzoeken ?
A. De gratie om de zouden te kennen; er een oprecht berouw over te hebben, en ze goed te biechten.
Als we te biechten gaan behooren wij den H. Geest op eene of andere wijze te verzoeken , ten le, de gratie om de zonden, waaraan we schuldig zijn, te hennen; immers onze e.gen-liofde, of andere hartstocht is niet zelden oorzaak, dat we onze zonden niet erkennen , inzien.
Tm 9e, moeten wij de gratie vragen om een oprecht be-rouw over onze zonden te hebben-, want dit kunnen we niet uit ons zeiven hebben. (15e \.)
Ten 3e , de gratie om minstens alle doodzondeu goed, rechtzinnig , met getal en omstandigheden te biechten (24, 26 en 28e V.), en geen enkele doodzonde vrijwillig uit schaamte te
verzwijgen. , , . i
Om -den kinderen bevattelijk te maken, dat men ook
daartoe de gratie van den H. Geest noodig heeft, kan het volgend verhaal dienen, waaruit blijkt hoezeer de duivel er op uit is den Biechteling te verleiden om eene of andere doodzonde uit scbaarate te verzwijgen.
Een godvruchtig priester zag, terwijl hij op zekere plaats
293
missie gaf, en het volk in dichte massa bij den biechtstoel zat, een menigte duivels onder hen rondloopen.
Hij smeekte God hem bekend te maken , wat die duivels daar deden ; en na het hun zeiven gevraagd te hebben, kreeg hij ten antwoord, dat zij restitutie deden , terug gaven wat zij gestolen hadden , nl. de schaamte, die zij de menschen vóór het bedrijven der zonden hadden ontnomen , door hun in te blazen : 't Is zoo erg niet, enz.; maar nu terug gaven, opdat zij zich schamen zouden ze te biechten , als zijnde zoo afschuwelijk , enz.
Om de drie vermelde gratiën van den H. Geest aftesmeeken, kan men zich eenvoudig bedienen van het gebed, dat de Catechismus in 't Avondgebed aangeeft: âKora, o Heilige Geest, verlicht mijn verstand om mijne zonden te kennen, en geef mij do genade van een oprecht berouw over dezelvequot;, en de genade ze goed te biechten.
Tot 3e, moet men , als men te biechten gaat, zijn geweten onderzoeken.
39 V. Hoe onderzoekt men hebbest zijn geweten?
A. Als men met zorg nadenkt, welke en hoe-vele zonden men bedreven heeft tegen de geboden Gods , tegen de geboden der H. Kerk , en tegen de plichten van zijnen staat; alsmede op welke plaatsen men geweest is , en met welke personen men verkeerd heeft.
Als men met zorg (Vgl. 24e V.} nadenkt, welke (t. a. p.) en hoevele (27e en 28e V.) zonden men bedreven heeft tegen de geboden Gods, tegen de geboden der II. Kerk , en tegen de plichten van zijnen staat. Kinderen behooren zich in dit opzicht vooral te onderzoeken omtrent de godsdienstigheid (le Gebod, 22e Les, 3e V.; 3e Gebod, 25e Les, Se V.; 29e Les, 5e V.); omtrent den eerbied aan vader en moeder , en oversten verschuldigd , daaronder begrepen, de leerzaam-
294
beid, ijver en vlijt in de school, en in de godsdienstige onderrichting in de Kerk. (4e Gebod, 26e Les). Verder omtrent de liefderijkheid in den omgang met andere kinderen, en bovenal omtrent de zedigheid, het sieraad der jeugd , (5e, 6e en 9e Gebod, 276 Les). In deze deugden zijn immers voor kinderen de plichten van hunnen staat voornamelijk vervat, opgesloten. Niemand mag de enkel inwendige zonden, bv. tegen de heilige deugd beschouwen als behoefde men die met te biechten. Een ieder behoort bijzonder acht te geven op zijne hoofdfout.
Als hulpmiddel om zich zijne zonden te herinneren beveelt de Catechismus ten slotte aan , na te denken op welke plaatsen men geweest is , misschien verboden , verdachtte , eenzame, gevaarlijke plaatsen, en wat daar is voorgevallen; en met welke personen men verkeerd, omgegaan, gespeeld heeft; misschien met makkers , wier gezelschap ouders of oversten ons bevolen hadden te vermijden.
Ten 4e, moet men , als men te biechten gaat , de akten van geloof, hoop , liefde en vooral van berouw verwekken ,
Zeker is het geen âmoetquot; de akten van geloof, hoop en liefde voor de Biecht uitdrukkelijk te verwekken ; want door het godvruchtig ontvangen van het H. Sacrament der Biecht worden die akten vanzelf verwekt; nogtans behoort, is het geraden , betaamt het, dat men , in voorbereiding tot de H. Biecht de gevoelens van geloof, hoop en liefde in zich ver-levendige. (Vgl. 22e Les, 4e V. bl. 124.) Eene ware akte van berouw is tot het waardig ontvangen van het H. Sacrament der Biecht noodzakelijk. Immers het berouw is het noodzakelijkste deel, dat van den kant des Biechtelings tot eene goede Biecht vereischt wordt. (5e â 7e V.
40 Y. Hoe zal men zich wet Gods gratie het lest tot berouw opwekken ?
A. Door na te denken ten 1. dat men door de zonden den hemel verloren en de hel verdiend
295
heeft; ten 2. dat Jesus , om de zonden te boeten, de vreeselijkste pijnen en den smartelijksten dood heeft ondergaan ; en ten 3. dat men door de zonden God , het opperste goed , heeft beleedigd.
In de vraag zegt de Catechismus : Hoe zal men zich met Gods gratie het best tot berouw opwekken, omdat het berouw eene gave Gods is, en wij het niet uit ons zeiven kunnen hebben, maar zeker zullen verkrijgen als we met Gods voorkomende gratie meewerken, en er welgemeend, te goeder trouw om bidden. (Vgl. 15e V.)
Dusdoende zal men zich het best tot een waar berouw op-vrekken , ten le, door na te denken dat men door de zonden den hemel verloren en de hel verdiend heeft.
Door ivelke soort van zonden verliest men het recht op den hemel en verdient men de eeuwige straffen der hel ?
Door elke doodzonde. (Vgl. 40e Les ,6 â 8 V.)
Welk soort van berouw , volmaakt of onvolmaakt, wordt â door deze beweegreden aangeduid ?
Een onvolmaakt berouw. (Vgl. 18e en 19e V.)
Is het berouw , dat alleen of vooral uit deze of soortgelijke beweegreden voortkomt, voldoende om vergiffenis van eenige â doodzonden te verkrijgen zonder de Biecht?
Neen.
Met de Biecht ?
Ja. (Vgl. 20e V.)
Men zal zich met Gods gratie het best tot berouw opwekken door na te denken ten 2e, dat Jesus , om de zonden te hoeten , de vreeselijkste pijnen en den smartelijksten dood heeft â ondergaan.
Wat heeft Jesus uit liefde voor ons , om voor onze zonden te voldoen, geleden , en xvélken dood is Hij ten dien einde gestorven ?
A. 10e Les, 4 â 7e V.
296
quot;Welk soort van berouw, volmaakt of onvolmaakt, wordt door deze beweegreden aangeduid ?
A. Als zoodanig , d. w. z., als die beweegreden ons alleen of vooral tot berouw opwekt, omdat Jesus ons door zijn lijden en dood het bewijs beeft gegeven van zijne oneindige goedheid jegens ons en wij dus alleen of vooral daarom bedroefd zijn over onze zonden, omdat we door onze zonden Jesus zooveel lij-dun en zulken smartelijken dood veroorzaakt hebben, dan is ons berouw nog maar onvolmaakt; want het komt dan slachts voort uit eene onvolmaakte liefde tot God.
Doch door die beweegreden komt men met Gods gratie r als vanzelf tot een volmaakt berouw , zoodat men Jesus, die vrijwillig uit loutere liefde tot ons , zooveel wilde lijden en zoo smartelijken dood ondergaan, tevens bemint en over zijne-zonden bedroefd is om zijne oneindige goedheid in zichzelven. (Vgl. 19e en 22e T.)
Geldt ook deze beweegreden van berouw gelijk de vorige T alleen voor doodzonden 't
Neen, zoowel voor dagelijksche , als voor doodzonden. Men zal zich met Gods gratie het beat tot berouw opwekken , door na te denken ten 3e, dat men door de zonden God het opperste goed in zich zeiven , heeft heleediyd.
Welk soort van berouw wordt door deze beweegreden aangeduid ?
Blijkbaar , het volmaakt berouw dat voortkomt uit liefde tot God als het opperste goed in zich zeiven. (17e V.)
Ten 5e, moet men zijne zonden biechten, d. w. z., ten minste alle doodzonden , met getal en omstandigheden, aan â¢welke men zich na een naarstig onderzoek van geweten plichtig bevindt, en die men nog niet goed gebiecht heeft.
(Vgl. 24e_28e V.) Hoe men zich van zijne zonden moet of
behoort te beschuldigen, leert de 43e V. nog meer in 't bijzonder ; ten 6de , moet men de penitentie volbrengen, welke de Biechtvader heeft opgelegd (34e Y.), en op den tijd , dien hij mocht bepaald hebben. (36e V.)
297
41 V. Wat doet men het eerst in den hiecJitstoel ?
A. Men vraagt den zegen , zeggende : Vader ,
yélief mij den zegen te (/even ; en daarna zegt men de voorbiecht.
De vraag: âVader gelief mij den zegen te geveiiquot;, beantwoordt de Biechtvader door het volgend gebed : _Ih Heer zij in uw hart en op uwe lippen om uwe zonden waardig te celijden. In den naam des Vaders, en des Zoons en des-Heiligen Geestes. Amenquot;.
42 V. Zeg de voorbiecht ?
A. Ik belijd mijne schuld voor God almachtig, voor de H. Maagd Maria , voor alle Heiligen en u T ader, dat ik zeer gezondigd lieb door gedachten, woorden en werken ; het is mijne schuld, mijne allergrootste schuld, mijne laatste biecht is geweest.... bv. sinds acht, veertien dagen, eene maand, enz.
43 V. Hoe zult gij u van uwe zonden beschuldigen ?
A. Met nederigheid en oprechtheid, beginnende
met de grootste zonden , uit vrees van dezelve te vergeten of uit schaamte te verzwijgen.
Als vanzelf zal men zich met nederigheid van zijne zondert beschuldigen, indien men zijne schuld, zijne allergrootste schuld erkent en beseft. Inderdaad zijn we, als zondaren r schuldigen ; reeds om eene dagelijksche zonde schuldig aan tijdelijke straffen , om eene doodzonde aan de eeuwige straften der hel. Bedenkt men verder, dat men door eene goede, oprechte Biecht van die schuld en straffen kwijtschelding kan verkrijgen , dan zal men blij te moede zich ook met alle oprechtheid van zijne zonden beschuldigen. Hoe oprecht en volledig zou iemand die de doodstraf verdiend had, zijne'
298
â schuld voor 't Gerecht belijden, indien hij zeker wibt dat hij daardoor zijne in vrijheidstelling en vergiffenis van zijne misdaad kon verkrijgen ! 'Voor een wereldsch Gerechtshof is dit niet het geval, maar wel in de Biecht.
De Catechismus geeft een goedan raad om zich met op-rechtheid van zijne zonden te beschuldigen, nl. te beginnen met de grootste zonden , uit vrees van dezelve te vergeten of uit schaamte te verzwijgen.
Verder stelt de Catechismus drie waarheden ter overweging voor, die, wel overwogen, ons zeker moed en sterkte zullen geven om alle valsche schaamte, welke de duivel zou trachtten in te boezemen , edelmoedig te overwinnen.
44 V. Wat moet (jij denken om alle schaamte te overwinnen ?
A. Ten 1. Dat de Biecht een eeuwig geheim is ; ten 2. dat de Biechtvader de plaats bekleedt A'an Jesus Christus, die vol liefde is jegens de zondaars ; ten 3. dat het beter is zijne zonden in het geheim te belijden , dan in eeuwigheid er over .beschaamd te moeten zijn.
Ten le, dat de Biecht een eeuwig, altijd, ook na den dood van den Biechteling, voortdurend geheim is. Een geheim, dat minstens reeds grootendeels uit kracht van de wet der natuur, en zeker volledig uit kracht der goddelijke en kerkelijke wet den Biechtvader op doodzonde verplicht nooit of nimmer en in geen enkel denkbaar geval, zonder geheel vrijwillige toestemming des Biechtelings , ook maar eene dagelijksche zonde â¢uit de Biecht te openbaren , of van de Biecht ten nadeele van den Biechteling gebruik te maken. quot;Ware er ook zijn ^igen leven, of het heil ééner ziel, ja zelfs het heil der maatschappij, of een hoe groot ook denkbaar belang mede bemoeid, in betrokken, nooit of nimmer mag de Biechtvader, .zonder geheel vrijwillige toestemming des Biechtelings , het
299
in de Biecht toevertrouwde geheim openbaren, of er eenig gebruik van makon ten nadeele van het H. Sacrament der Biecht in 't algemeen , of in 't bijzonder ten nadeele van den Biechteling.
Niemand ter wereld, zelfs de Paus van Rome kan in die wet, om hoe zwaarwichtige redenen ook, nooit of nimmer dispenseeren.
Jesus Christus, de insteller van het H. Sacrament der Biecht, waakt blijkbaar zelve over de onschendbaarheid van het geheim der Biecht. Want geen enkel geval dat geschiedkundige waarde heeft, kan aangehaald worden, waarin een Priester ooit dit geheim verbroken heeft. Sinds ruim 18 eeuwen zijn er in elke eeuw afvallige Priesters geweest; Priesters, die tot ketterij of zedeloosheid zijn vervallen; anderen die krankzinnig zijn geworden , maar sinds 18 eeuwen is er geen enkele aantewijzen, die het geheim der Biecht heeft geschonden. Dat feit teekent! Duidt klaarblijkelijk den vinger Gods aan. Te meer, wijl we mogen wijzen op den roemrijken martelaar van 't geheim der Biecht , den H. Joannes Nepomucenus. Alle beloften en bedreigingen van den eervergeten koning quot;VYencelaus telde hij als niets , en onderging liever een wreeden dood dan het geheim der Biecht te verbreken (men loze zijne geschiedenis in de Levens der Heiligen op 16 Mei.)
't Is wijders opmerkenswaardig, dat het God behaagd heeft de tong van dezen martelaar van bederf te vrijwaren, om door dit wonder de onschendbaarheid van het geheim der Biecht ook op die wijze zichtbaar te bevestigen.
Om alle schaamte te overwinnen, dient dus ten le te gedenken , dat de Biecht een eeuwig geheim is.
Ten 2e, dat de Biechtvader de plaats bekleedt, de plaats-bekleeder is van Jesus Christus, die vol liefde is jegens de zondaars.
Openlijk betuigde Jesus tijdens zijn openbaar leven : âIk ben niet gekomen om rechtvaardigen , maar om zondaars te roepenquot; tot bekeering {Matth. IX. 13.) Zelfs na zijne heerlijke verrijzenis gaf Hij aan rouwmoedige zondaars zijne
300
t
grootste liefdeblijken, o. a. aan Maria Mogdalona, en aan Petrus die Hem nog zoo kort te voren zoo smadelijk miskend, verloochend had. quot;Welnu , Christus wil, dat zijne plaatsbe-kleedcrs , de Priesters, in den Biechtstoel dezelfde gevoelens van liefde en medelijden, welke zijn goddelijk Hart vervullen, toonen jegens den zondaar, die rechtzinnig zijne zonden belijdt. Indien we dus onze zonden , hoe zwaar en menigvuldig ze ook mochten wezen, maar oprecht belijden , zal de Bieohtvadei' ons niet bekijven , er ons niet te minder om achten , of later er scheef om aanzien , dat mag hij niet maar juist om onze oprechtheid in het belijden onzer zonden ons te hooger schatten, omdat we hem door de rechtzinnige belijdenis onzer zonden een blijk van vertrouwen geven, maar nog meer, omdat, hoe oprechter en rechtzinniger wij onze biecht spreken , hij te meer zeker is , dat de zonden , vjm welke hij ons in naam van God ontslaat, vergeving schenkt, ook werkelijk vergeven zijn in den hemel, en wij dus , hoe schuldig we ook waren toon we den Biechtstoel ingingen, na eene rechtzinnige en rouwmoedige belijdenis, in vriendschap met God hersteld , den Biechtstoel zijn uitgegaan. Voor een Priester is er geen grooter voldoening denkbaar. Alle schaamte om den Biechtvader rechtzinnig de zonden te belijden , waaraan men mocht schuldig zijn ia dus onredelijk. Mochten de twee verklaarde waarheden voor iemand nog niet voldoende zijn om allo schaamte te overwinnen, hij bedenke dan nog ien 3e, dat het heter is zijne zonden in het geheim aan één Priester, wien ook, te belijden , dan op den alge-meenen oordeelsdag in tegenwoordigheid van alle menscben, met name die en die, welke ons gekend hebben, m eeuwigheid er over hcschaaind te moeten zijn. Immers, wil men niet zeker voor eeuwig naar de hel gaan , dan moet men de doodzonden , welke men na een naarstig onderzoek van geweten indachtig is, ééns oprecht, rechtzinnig belijden. (Vgl. 30e V.)
45 V. Mag men in de hiecht ooJc een ander he~ schuldigen ?
301
A. Neen; want de biecht is slechts eene beschuldiging van zich zeiven.
Keen, in de Biecht raag men een ander niet beseliuldigen, mag men niet zeggen: die en die heeft dat gedaan. Want de biecht of belijdenis is slechts eene beschuldiging van zich zeiven, eene droevige bekentenis van zijne zonden , niet van die van een ander.
46 V. Mag men in de biecht den persoon noemen met weihen men gezondigd heeft , of die aan de zonde medeplichtig is ?
A. Neen ; men moet slechts die hoedanigheden zeggen , welke de zonde merkelijk veranderen.
Neen ; men mag in de biecht den persoon , met welke men gezondigd heeft , of die aan de zonde medeplichtig is niet met zijn naam noemen; dus mag men bv. niet zeggen: ik heb leelijk gespeeld met die en die.... of, iets weggehaald op raad of met medehulp van die en die. Doch die hoedanigheden van den persoon , met welken men gezondigd heeft, of die aan de zonde medeplichtig is, tvelke de zonde merkelijk veranderen, moet men wel degelijk zeggen, maar ook slechts , d. w. z., alleen die hoedanigheden , welke de zonden, die men met een ander bedreven heeft, merkelijk veranderen. Dit is bv. bet geval, indien men tegen het Ge Gebod misdaan heeft met een gehuwd persoon , of met iemand van onze familie , of met wien men in hetzelfde huis woont, in dezelfde kamer slaapt, op den zelfden winkel werkt enz. Immers, die hoedanigheden van familie , blood- of aanverwantschap, van getrouwd persoon veranderen de zonden tegen het 6e Gebod merkelijk. En de hoedanigheid of omstandigheid, dat de persoon, met welken men gezondigd heeft, of die ons tot zonde aanzocht bij ons inwoont , enz. , is dikwijls oorzaak van eene naaste gelegenheid van doodzonden , welke om die omstandigheid merkelijk gevaarlijker is.
302
47 V. Wat moet, d. w. z. , behoort men te
doen, na al zijne zonden gebiecht te hebben ?
A. De nabiecht zeggen.
48 V. Zeg de nabiecht ?
A. Van deze en al mijne zonden , die ik niet indachtig ben , belijd ik mijne schuld; ik bid God om vergiffenis door de verdiensten van Christus , en U, Vader, om eene zalige penitentie en absolutie , indien ik het waardig ben.
49 V. Hoe moet men zich gedragen, als d$ Biechtvader oordeelt, dat men de absolutie niet waardig is ?
A. Dan moet men zich aan zijn oordeel nederig onderwerpen.
Immers niet de Biechteling zelf, maar de Biechtvadei is door Christus als rechter aangesteld om te oordeelen of de Biechteling de absolutie waardig is of niet. De Biechteling moet zich dus in deze zaak nederig aan het oordeel des Biechtvaders onderwerpen, te meer omdat de Biechtvader in het geven of uitstellen , en desnoods weigeren der H. absolutie niet naar eigene willekeur mag te werk gaan, maar op doodzonde verplicht is zijn oordeel te vormen naar de voorschriften der H. Kerk , die in naam van Christus verklaard heeft aan welke zondaars de H. absolutie niet mag gegeven worden.
50 V. Mag de Biechtvader de absolutie geven aan iemand , die naar zijn oordeel de absolutie niet waardig is ?
A. Neen ; bij zou dan zelf groote zonde doen.
Neen; de Biechtvader mag de absolutie niet geven aan
303
iemand, die naar zijn oordeel ze niet waardig is. Zou hij wetens en willens ze toch aan zoo iemand geven, dan zou hij zelf een groote zonde, eene doodzonde doen, eene groote heiligschennis bedrijven.
Volgens verklaring der H. Kerk mag de Biechtvader de absolutie niet geven ten le, aan hen die geene teekenen van berouw geven.
Ten 2e, aan diegenen, welke haat en vijandschap niet willen afleggen.
Ten 3o, aan diegenen welke het onrecht, dat ze aangedaan hebben, niet willen herstellen , er geen restitutie van willen doen, als zij kunnen.
Ten ia , aan diegenen , welke de naaste gelegenheid niet willen verlaten , of
Ten 5e , op eenige andere wijze de zonden niet willen laten, m. a. w., hunne levenswijze niet willen verbeteren. .
Ten 6e, aan diegenen, welke publieke, openbare ergernis gegeven hebben, en deze nog niet publiek hersteld, weggenomen hebben , zooveel ze kunnen.
De reden , waarom de Biechtvader in deze en soortgelijke gevallen de absolutie niet mag geven, is duidelijk deze, dat al deze en soortgelijke Biechtelingen geen waar berouw of goed voornemen hebben, en dus het H. Sacrament der Biecht niet waardig kunnen ontvangen, vooraleer zij zich oprecht bekeeren.
51 V. Wat zult gij doen, als de Biechtvader , na u vermaand te hebben , de H- Absolutie geeft ?
A. Dan zal ik nogmaals eene acte van berouw verwekken.
Als de Biechteling de beschuldiging zijner zonden geëindigd en de nabiecht gezegd heeft, geeft hem de Biechtvader gewoonlijk eenige vermaningen om hem meer tot berouw, en tot trouw gebruik der middelen om de zonden in 't vervolg te vermijden , en in oprechte deugd vooruittegaan op te wek-
304
ken. Terwijl de Biechtvader, nadien, de H. Absolutie geeft, behoort men altoos nogmaals eene akte van Berouw te ver-wekken ^ en soms moet men zulks doen. De Catechismus zegt: nogmaals , omdat hij veronderstelt, dat men het reeda gedaan hebbe alvorens den Biechtstoel in te gaan. Want onder 't geen men behoort of moet onderhouden , als men te biechten gaat, heeft hij aangegeven ten -Ie, de akten van geloof, hoop, liefde en vooral van herouw verwekken. (37). Men moet minstens op den oogenblik, waarop men de H. Absolutie ontvangt, een waar berouw hebben. (Ygl. 7e Y.)
52 V. Wat behoort men te doen , zoodra men uit den biechtstoel komt ?
A. Men moet God loveu en bedanken , omdat Hij ons genadiglijk de zonden vergeven beeft, en de goede voornemens vernieuwen van nooit meer te zondigen.
De kerk uitgaan zoodra men uit den biechtstoel komt, is zeker ongepast. XJit plicht van dankbaarheid moet men zoodra men uit den biechtstoel komt, eerst God loven en he-danken , omdat Hij ons genadiglijk de zonden vergeven heeft. Te dien einde bidde men het: Glorie zij den Vader, den Zoon en den H. Geest, het âTe Deumquot;, âU o God loven wijquot; of ten minste een hartelijk âOnze Vaderquot; en âWeesgegroetquot;. Daarna volbrenge men zijne penitentie, indien de Biechtvader geen anderen tijd bepaald heeft (3Ge quot;V.) en vernieuwe men de goede voornemens van nooit meer grootelijks te zondigen, eene doodzonde te bedrijven, en zich van zijne dage-lijksche zonden te beteren.
305
;ZES EN DERTIGSTE LES.
Tan het H. Oliesel.
1 V. Waf is het H. Oliesel ?
A. Een Sacrament, in hetwelk door de H. Zalving en het gebed des Priesters de zieken in hunne .ziekte en hunnen uitersten nood verlicht en geholpen worden.
Het H. Oliesel is een waar Sacrament der Nieuwe Wet. quot;Want het is ten le, een uitwendig teeken. Immers 't is een ^Sacrament, in hetwelk door de zichtbare H. Zalving met 'olijfolie en het hoorbaar gehed des Priesters de zieken enz.
Omdat de stof van dit Sacrament bestaat in de zalving met â¢dlijfoZie, door den Bisschop op Witten Donderdag gewijd, wordt dit Sacrament het H. Oliesel genoemd. Het wordt â ook dikwijls het laatste Oliesel genoemd in vergelijking met de H. Olie, waarmede wij in het H. Sacrament des ©oopsels, en 'ten tweede maal in het H. Sacrament des Vormsels gezalfd worden.
Het gebed, hetwelk de Priester, de wettige bedienaar van dit Sacrament, tijdens de zalving der vijf zintuigen: oogen, â¢ooren , neus, mond en voeten spreekt, luidt aldus : âDoor deze heilige zalving , en zijne allergoedertierenste barmhartigheid vergeve u de Heer al wat gij misdaan hebt door het gezicht, het gehoor , enz.
Het eerste kenmerk van een Sacrament der Nieuwe Wet ia dus blijkbaar in het H. Oliesel aanwezig , nl. een uitwendig teeken. Dat dit uitwendig teeken ten 2e, ook eene bijzondere gratie beteekent, blijkt reeds uit de stof van dit Sacrament, welke bestaat in de zalving met olijfolie, door â¢den Bisschop gewijd. Immers de zalving met olijfolie is een
C 20
306
natuurlijk middel om pijnen, smarten te verzachten , wonden te heelen , te genezen , zwakke ledematen te versterken enz.
Dat ten 3e , de bijzondere gratie, welke de H. Zalving met olie door den Bisschop gewijd, beteekent, ons ook door dezelve gegeven wordt, blijkt uit den vorm van dit Sacrament, d. w. z., uit de zoo even aangehaalde woorden , welke do-Priester bij de toediening van dit Sacrament spreekt, en nog^ duidelijker uit het antwoord op de 5e V.
Ten 4e , moet dus voornoemd uitwendig teeken door Christus zijn ingesteld; anders kon het die bijzondere gratiën of voordeden niet geven, welke er aan verbonden zijn, en hier, in het antwoord op de le V. dezer Les in het algemeen
worden aangeduid door de woorden : Een Sacrament in hetwelk door de H. Zalving en het gebed des Priesters (h zieken in hunne ziekte en hunnen uitersten , laatsten nood verlicht en geholpen worden. Die voordeeion worden in het antwoord op de 5e V. in H bijzonder vermeld en verklaard. Dat Christus inderdaad het laatste Oliesel als een waar en eigenlijk Sacrament der Nieuwe Wet heeft ingesteld, weten we bovendien met de zekerheid des Geloofs uit de onfeilbare leering der H Kerk. De H. Kerk heeft die waarheid, welke zij ons te'gelooven voorhoudt, uit de goddelijke openbaring, die vervat is in de H. Schriftuur en de goddelijke overlevering, (quot;Vgl. 3e Les , 8e V., 4e Les , le, 8e en 9e V.)
Ten bewijze hoort de leering van het H. Concilie van Trente. {Zilt. XIV. Over het laatste Oliesel, hfdst. I en Canon I.) âDe H. Zalving der zieken is als een waar en eigenlijk gezegd Sacrament der Nieuwe Wet door Christus onzen'Heer ingesteld,... en als zoodanig door den H. Apostel Jacobus den geloovigen aanbevolen , en openlijk bekend gemaakt , afgekondigd. Is iemand onder u ziek â zegt hij in het Vc hfdst. v. 14 en 15 van zijn Brief â hij hale de priesters der kerk, en dat zij over hern bidden , hem met olie zalvende in den naam des Heeren, en het gebed des geloofs zal den zieken behouden, en de Heer zal hem opbeuren; ei? indien hij in zonden is , zij zullen hem vergeven worden.quot; Door deze woorden, gelijk die de H. Kerk volgens goddelijke-
307
overlevering der Apostelen, van hand tot hand aangenomen , altoos verstaan heeft, leert de H. Apostel Jacobus de stof, den vorm , den eigen bedienaar, en het uitwerksel van dit heilzaam Sacrament. Immers de H. Kerk begreep, verstondt uit die woorden, dat de stof van dit Sacrament is: olie door den Bisschop gewijd; want de zichtbare zalving met olie duidt zeer eigenaardig de gratie van den H. Geest aan, waardoor de ziel des zieken onzichtbaar gezalfd , -(vcrliclit, versterkt, opgebeurd) wordt. En dat de vorm van dit Sacrament bestaat in deze woorden: âDoor deze heilige zalvingquot; enz. als boven (bl. 305)
Omdat de H. Jacobus allereerst zegt: vIs iemand onder u ziekquot; vraagt de Catechismus in zijne
2 V. Aan welke zieken moet het H. Oliesel worden toegediend ?
A. Aan de zieken , die tot de jaren van verstand gekomen zijn, en in gevaar zijn van sterven.
Uit dit antwoord blijkt ten le, dat men tot de jaren van verstand moet gekomen zijn , om dit Sacrament te kunnen , dus te meer om het te moeten ontvangen. In den regel kan of mag dus dit Sacrament niet worden toegediend aan kinderen beneden do zeven jaren , en zeker niet aan krankzinnigen , zinneloozen , die nooit het gebruik hunner rede gehad hebben.
Ten 2e , blijkt uit dat antwoord , dat men , om dit Sacrament geldig te kunnen ontvangen , bovendien met grond moet kunnen geacht worden in gevaar te zijn van sterven , en wel tengevolge van eenige zware, gevaarlijke ziekte. Dus kan dit Sacrament niet geldig worden toegediend aan die niet door ziekte, maar hv. door schipbreuk of oorlog aan het gevaar van sterven is blootgesteld. Wordt echter iemand dientengevolge doodsgevaarhjk gewond , zeker dan kan en moet, zoo mogelijk , hem het H. Oliesel worden toegediend.
308
3 V. Hoe dikwijls mag men het H. Oliesel ontvangen ?
A. Maar ééns in dezelfde ziekte ; doch indien het doodsgevaar geheel geweken was en later terugkeerde, zou het andermaal moeten toegediend worden.
Men mag het II. Oliesel maar ééns in dezelfde, doodsge-vaarljjko, ziekte ontvangen; dus maar ééns in één en hetzelfde gevaar van sterven. Doch indien dezelfde ziekte blijft bestaan, maar het doodsgevaar, het gevaar binnen kort tengevolge dierzelfde ziekte te sterven , geheel getveken teas en later terugkeerde, zou het H. Oliesel andermaal moeten toegediend worden. Dit gebeurt niet zelden bij teringlijders. Hunne eigenlijke ziekte wordt zelden of nooit geheel beter, maar wel wijkt dikwijls het doodsgevaar, waarin ze door een hevigen toeval nu en dan verkeeren.
4 V. In welken staat moet men het H. Oliesel ontvangen ?
A. In staat van gratie.
Men moet het H. Oliesel in staat van gratie ontvangen, omdat het voornamelijk een Sacrament der levenden is (30e Les , 15e V.), d. w. z., omdat net vooral is ingesteld om in de zieken, die de heiligmakende gratie reeds bezitten, deze gratie te vermeerderen. (Vgl. 30e Les, 18â20 V.)
Doch omdat het H. Oliesel voor zieken een aanvullings-middel is van het H. Sacrament der Biecht en eene voltooiing van geheel het chi'istelijk leven , heeft het in sommige omstandigheden ook do kracht om doodzonden te vergeven, de heiligmakende gratie te verleenen, gelijk nader zal blijken uit de verklaring van het vierde voordeel welke het geeft.
309
5 V. IFat bijzonder voordeel geeft het H. Oliesel ? A. Ten 1. Het verlicht de zieken ; ten 2. het vermindert de bekoringen ; ten 3. het vergeeft de dagelijksche zonden; ten 4. het neemt de doodzonden weg , die men alsdan niet in staat is te biechten; ten 5. het helpt de zieken tot de gezondheid , als het hun zalig is.
De Catechismus noemt vijf bijzondere voordeelen op , die het H. Oliesel geeft. Ten le, het verlicht de zieken, d. w. z., beurt hen op , âdoor een groot vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid in hen op te wekken , waardoor ondersteund zij de ongemakken en pijnen der ziekte lichter verdragenquot;. (Conc. v, Trente , t. a. p. , hfdst. II.)
Ten 2e, het vermindert de bekoringen , in dien zin, dat het de overblijfselen der zonden vermindert , nl. de geneigdheid tot het aardsche en tot de zonde, de gevoelloosheid voor het hemelscho, en de uit beide deze gevolgen der zonde voortkomende ongeregelde vreeze voor den dood, en dat het de ziel der zieken versterkt, haar bijzondere dadelijke gratie en kracht geeft om gemakkelijker aan de bekoringen des duivels te weerstaan.quot;
Ten 3e, het vergeeft de dagelijksche zonden, waarover men een onvolmaakt berouw heeft.
Ten 4e, het neemt de doodzonden weg , m. a. w. , vergeeft de doodzonden, geeft vergiffenis van de doodzonden, die men alsdan, d. w. z. , die men onmiddellijk vóór of bij het ontvangen van het H. Oliesel niet in slaat is, niet eens door eenig teeken te geven, kan biechten, mits men er een onvolmaakt berouw over hebbe , of ten minste gehad hebbe, zóó dat het rog voortduurt. Dus is om door het H. Oliesel vergiffenis der zonden te bekomen, gelijk tot de Biecht, een onvolmaakt berouw noodzakelijk. (35e Les, 20e V.)
Let wel op, dat de Catechismus zegt: âHet H. Oliesel neemt de doodzonden weg, die men alsdan niet in is staat
310
te biechten. Want kan men ze dan biechten, ook maar door eenig teeken te geven , dan moet men ze ook biechten. De reden is bekend uit het antwoord op de 32e V. der vorige Les. Intusschen bljjkt Gods grooto barmhartigheid uit dit 4e voordeel des H. Oliesels overduidelijk. Want omdat het H. Oliesel met een onvolmaakt berouw ontvangen de doodzonden wegneemt, die men in gevaar van sterven niet in staat is te biechten, is dit Sacrament in menige gevallen het eenig reddingsmiddel voor den stervenden zondaar. Bv. iemand krijgt plotseling eene beroerte, of stort nedor ten gevolge van eene hartkwaal, die hem van 't gebruik zijner zintuigen berooft, zoodat hij niet eens door teekens de doodzonde biechten kan, waaraan hij schuldig is. Door met een onvolmaakt berouw het H. Oliesel te ontvangen , krijgt hij vergiffenis van zijne zonden, kwijtschelding van de straffen der hel, de heiligmakende gratie, het recht op den hemel! Meer nog. Iemand wordt in staat van doodzonde krankzinnig. Van het gebruik zijner rede beroofd kan hij natuurlijk niet biechten, noch een berouw verwekken. Maar gelukkig heeft hij te voren , 's avonds vóór 't slapen gaan of 's morgens bij het opstaan, volgens christelijk gebruik , eene akte van berouw gebeden. Zijn berouw was, zoo veronderstellen we, onvolmaakt. Dat berouw wordt geacht voort te duren. In stervens gevaar ontvangt zoo iemand het H. Oliesel, en door dit Sacrament, dat voor hem de Biecht aanvult, vervangt , krijgt hij vergiffenis der doodzonden , welke hij , ingevolge zijner kwaal, niet in staat is te biechten; door het H. Oliesel komt hij in den hemel! Uit de twee aangehaalde gevallen moet ge met mij besluiten, hoe grootelijks dit 4e voordeel van het H. Oliesel te waardeeren is , nl., dat het de doodzonden wegneemt, die men alsdan niet in staat is te biechten, mits men er een onvolmaakt berouw over hebbe. Uit de noodzakelijkheid van deze conditie of voorwaarde, dat men over zijne zonden een onvolmaakt berouw hebbe, moet ge met mij verder afleiden, hoe dringend het geraden, aan te bevelen is, minstens iedere avond eene akte van berouw over onze zonden te verwekken , om indien we onverwachts van 't gebruik onzer zintuigen, of zelfs van ons verstand beroofd
311
â¢werden, gelijk zoovelen overkomt, nog door middfl van het H. Oliesel vergiffenis onzer zonden te verkrjjgen, in den hemel te komen.
Ten 5e, helpt het H. Oliesel de zieken tot de gezondheid, als het hun zalig is. Dus het H. Oliesel, bij tijds ontvangen, werkt uit zijn aard mede tot herstel der gezondheid, als het den zieken zalig is. Dus is dit uitwerksel (herstel der gezondheid) , hetwelk de H. Jacobus aanduidt, zeggende : En het gebed des Geloofs zal hem (den zieke) hehoudenquot; (in 't leven houden), voorwaardelijk te verstaan , nl., onder conditie, dat een langer leven hem zalig is. Is hem dit zalig, dan zal het waardig ontvangen van het H. Oliesel met de natuurlijke geneesmiddelen, als op gewone wijze meewerken â¢tot herstel zijner gezondheid.
Ik zeg: dan zal... als op gewone wijze meewerken... om aan te duiden, dat het uitwerksel van dat H. Sacrament ook in dit opzicht wel altijd hovennataurlijk is, maar zelden miraculeus. Het is dus onzinnig, dwaas, het ontvangen van liet H. Oliesel zoo lang uit te stellen , dat de genezing van den zieke blijkbaar als een mirakel zou moeten beschouwd worden. Hieruit blijkt duidelijk hoe weinig kennis van de waarheden des geloofs, hoe weinig begrip van den Catechismus degenen hebben, die al maar bang zijn, dat, wordt hunnen dierbaren het H. Oliesel toegediend, ze dan zeker zullen sterven , en daarom het uiterste oogenblik afwachten. Juist het omgekeerde is waar. Ontvangt een ernstig zieke bijtijds, terwijl hjj nog in 't volle gebruik is zijner rede en zintuigen , dat H. Sacrament, dan zal hij, als een langer leven, de gezondheid hem zalig is , ook krachtens dit Sacrament te eerder herstellen.
De vijf opgenoemde voordeelen, heilzame uitwerkingen van dit Sacrament moeten voor een ieder even zoovele aansporingen zijn om dagelijks tenminste een Wees gegroetje te bidden ter cere van den H. Joseph, en van de H. Barbara , patrones van een zaligen dood , om door hunne voorspraak het geluk te verwerven in zijn uiterste waardig en met volle kennis het H. Oliesel te ontvangen.
312
6 V. Wat behoort men te doen, als men het JI. Oliesel ontvangen heeft ?
Ten 1. God te bedanken; ten 2. zich geheel aan den goddelijken wil te onderwerpen ; ten 3.. zich met godvruchtige gedachten bezig te houden ten 4. zich te wachten van wereldsche bekommernissen , en vooral van zonde.
Als men het H. Oliesel ontvangen heeft, behoort men ten ler veel meer met het hart dan met den mond God te bedanken voor de groote voordeelen door dit Sacrament ontvangen.
Ten 2e , behoort men zich geheel aan den goddelijken wil' te onderwerpen. Immers volkomen onderwerping aan , tevredenheid met Gods heiligen wil betaamt ons schepselen Gods,, die geheel van Hem , den Heer van leven en dood afhankelijk zijn. Die tevredenheid met Gods heilige beschikking is-voorts een krachtig middel om de ongerrakken dor ziekte tamp; verzachten, ze met geduld te verduren. âGeduldig zijn lijden-verdragen, is volmaakter dan alle overige werkenquot; zegt de H. Bonaventura. Geen wonder dus, dat die tevredenheid met Gods wil zoo groote verdiensten aanbrengt voor den Hemel, en de straffen des vagevuurs zooveel vermindert, verkort. âGeene boete of penitentie, zegt de H. Alphonsus de-Ligorio is Gode meer welgevallig, aangenaam dan ter voldoening zijner zonden den dood bereidwillig (uit Gods vaderhand , die alles ten onzen beste beschikt) aan te nemen , eru geen akte is volmaakter dan den dood aan te nemen om den wil Gods te volbrengen.quot; {Prax. Cfessarii, cap. XI n. 246 , 250.)
Ziekenverpleegsters is het derhalve aanbevolen hun vaD tijd tot tijd voor te zeggen : Onze Vader, die in de hemelen zijt, uw wil geschiede op aarde , als in den hemel''. ..Mijn. Vader ! indien het mogelijk is , laat deze kelk mij voorbijgaan r nogtans niet gelijk ik wil , maar gelijk gij!quot; (Matth. XXVI. 39.) âDat de allerrechtvaardigste, allerhoogste en allerbe-
313
minlijkste wil Oods in alles volbracht, geprezen en in eeuwigâ heid hoog verheven worde. Amen.'1 (100 dagen aflaat verleend door Pius VII 19 Mei 1818.).
Ten 3e, behoort men zich met soortgelijke godvruchtige gedachten, als reeds zijn aangegeven, hezig te houden. Om zich gemakkelijker met godvruchtige gedachten bezig te houden is het geraden bij herhaling een blik te slaan op de beeltenis van de Koningin des Hemels , O. L. V. , Moeder van Barmhartigheid ; van Jesus, uit liefde voor ons, en tot boeting onzer zonden onder de felste smarten aan het kruis gestorven ! Door het godvruchtig aanschouwen van het kruisbeeld, zullen de gevoelens van geloof, hoop, liefde en berouw gemakkelijk in den zieke verlevendigd worden, vooral indien eene liefdevolle pleegzuster die akten op gepaste wijze, kort en bondig den zieke voorzegt.
Ten 4e , behoort men zich te wachten van wereldsche be-kommernissen over geld en goed, familiebetrekkingen enz. ; maar vooral behoort men na de volle bediening (vgl. 33e Les, 15e V.), zich te wachten van zonde. En toch valt men tengevolge der ziekte zoo lichtelijk in eenige zonde, vooral van ongeduld, enz. Daarom is het geraden, zoo dikwijls een Priester ons bezoekt, zich van die fout, en in 't algemeen van deze of gene zonde, vroeger bedreven , te beschuldigen , en er telkens de H. Absolutie over te ontvangen. quot;Want door de herhaalde H. Absolutie worden we niet alleen meer en meer gesterkt om niet meer in de zonde te vallen, maar krijgen tevens meer en meer kwijtschelding der tijdelijke straffen, die na de vergeving der zonden veeltijds overblijven. (Vgl. 35e hes, 3e V.) De H. Absolutie bij herhaling waardig ontvangen, kort dus de straf van 't Vagevuur telkens meer en meer af.
Om ons van de straffen des Vagevuurs geheel te ontslaan, geeft de Priester, na de toediening van het H. Oliesel, de generale absolutie , ook den Apostolischen zegen genoemd, omdat de Priester die generale absolutie verleent krachtens machtiging van den Apostolischen Stoel van Petrus, of Zijne Heiligheid den Paus, die aan dien zegen een vollen aflaat
314
verleend heeft. Om dien aflaat in zijne volheid te verdienen, jnoot men ten le, eene akte van liefde en heroutv verwekken.
Ten 2e, den zoeten nnam Jesus, als men kan met den mond, anders met het //art aanroepen.
Ten 3e, bereid zijn, om de ongemakken en pijnen der ziekte , ja, als het God belieft, den dood zeiven geduldig te .ondergaan, tot boeting zijner zonden, in vereeniging met het lijden en den dood , die Jesus uit liefde voor ons heeft doorstaan.
ZEVEN EN DERTIGSTE LES.
Van liet Priesterschap.
1 V. Wat is het Priesterschap ?
A. Een Sacrament, door hetwelk de Bedienaars van de H. Kerk macht en gratie ontvangen, om hun ambt behoorlijk te bedienen.
Het Priesterschap is een waar en eigenlijk gezegd Sacrament der Nieuwe quot;Wet. Want het 13 :
a.) Een uiUventluj teeken, dat bestaat in de oplegging der handen en de heilige woorden van den Bisschop, welke de bedienaar is van dit Sacrament.
b.) Door dit uitwendig teeken wordt niet alleen eene bijzondere gratie beteekend , maar c.) ook medegedeeld. Daarom zegt de Catechismus: Het Priesterschap is een Sacrament, door hetwelk de Bedienaars van de H. Kerk, d. w. z., degenen die door den Bisschop tot heil der zielen bijzonder aan den dienst van God en van de H. Kerk worden toegewijd, geestelijke macht en recht tot bijzondere dadelijke gratie ontvangen om hun ambt, verschillend naar gelang der verschillende H. Orden, (vgl. 2e V.) behoorlijk te bedienen. Behalve
315
de bijzondere dadelijke gratie geeft, hot H. Priesterschap , waardig ontvangen uit zijn aard de vermeerdering der heilig-makende gratie, en prent, ook maar geldig ontvangen , een «eeuwigdurend geestelijk morkteeken in de ziel.
Wilk soort van Sacrament is hot Priesterschap ? (30e Les, 13e en 15e V.)
In welken staat moet dit Sacrament ontvangen worden? j(t9e V.)
Mag het meermalen in het leven ontvangen worden ?
Waarom niet? (21e en 22e V.)
d.) Het Priesterschap moet dus door Christus zijn ingesteld , wijl God alleen bij machte is afin een uitwendig teeken .gratiën te verbinden.
2 V. Wat moet het Priesterschap , d. i. , het ontvangen van het Priesterschap (de Priesterwijding) voorafgaan ?
A. De kruinschering of tonsuur , de vier kleinere orden , en de orden van Subdiaken en Diaken.
Ten le, de kruinschering of tonsuur. Doze is geeno orde, maar slechts eene kerkelijke plechtigheid, waardoor men in den geestelijken staat wordt opgenomen, dua van gewone geloovigen, leeken wordt onderscheiden, en tot het â ontvangen der H. Wijdingen wordt voorbereid.
Ten 2e, de vier kleinere of mindere orden nl. die van .a.) deurhewnarder der kerk , b.) lezer van hot woord Gods , c.) duivelbeziveerder, en d.) Misdienaar.
Deze vier orden geven de macht om vorschillende godsdienstige handelingen , welke door de benamingen dor vier kleinere Orden genoegzaam worden aangeduid, ambtshalve te verrichten. Ze worden k leinere of mindere Orden genoemd , oxiet alsof zij op zichzelve ais klein te beschouwen zijn, geringe waarde hebben , maar in vergelijking met de grootere
316
Orden van Suh-, d. i., onderdiaken en Diaken welke ten 3eT het ontvangen van het Priesterschap moeten voorafgaan. Het Subdiaconaat, Diaconaat en het Priesterschap worden, in vergelijking met de vier opgenoemde kleinere of mindere-orden, grootere of meerdere orden genoemd , omdat degenen , die de wijding van Subdiaken , Diaken of Priester ontvangen hebben, meer van nabij medewerken tot het opdragen van het H. Sacrificie der Mis , dan degenen welke enkel de kleinere orden ontvangen hebben. In dit opzicht, nl. wat de minder of meer rechtstreeksche medewerking tot het opdragen van het H. Sacrificie der Mis betreft, bestaat tusschen Subdiaken , Diaken en Priester nog een groot verschil, gelijk uit het 3e Antw. zal blijken.
Omdat reeds een Subdiaken meer van nabij tot het plechtig opdragen van het H. Sacrificie der Mis medewerkt, legt de H. Kerk aan degenen, die deze grootere orden, na njp beraad T ontvangen, de verplichting op in eeuwige zuiverheid te leven, en dagelijks de kerkelijke getijden naar behooren te bidden.
De Subdiaken mag in oene Mis met drie Heeren, den Epistel zingen , den wijn schenken , den kelk reinigen enz. De Diaken mag het Evangelie, en Ite Missa est zingen, het , Allerheiligstequot; vasthouden, het den Priester in de hand geven enz.
3 V. Welke macht voornamelijk hebhen de Priesters meer dan de andere bedienaars der H. Kerk ?
A. De macht om in Christus' naam de zonden te vergeven, en door hun woord het brood en den wijn te veranderen in het lichaam en bloed van Christus.
3 V.....dan de andere Bedienaars der H. Kerk, d. w.
z., dan degenen welke alleen de kleinere orden , of de grootere orden van Subdiaken en Diaken hebben ontvangen ?
A. De macht, ten le , om in Christus' naam de zonden te vergeven in het H. Sacrament der Biecht, (vgl. 35e Les,
317
le V.) Ten 2e, om door hun woord het brood en den wijn te veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus. (Vgl. 33e en 34e Les, 4e V.)
4 V. Wat zijn de geloovigen aan de Priesters â verschuldigd ?
A. Grooten eerbied en vertrouwen.
De geloovigen zijn aan de Priesters verschuldigd : ten le, grooten eerbied om hunne overgroote waardigheid als plaats-bekleeders van Jesus Christus, en uitdeelers van Zijne geheimen.
Ten 2e, groot vertrouwen. En om natuurlijke, en om bovennatuurlijke reden verdienen de Priesters, dat de geloovigen groot vertrouwen in hen stellen.
Als natuurlijke reden geldt, dat de Priesters van hunne jeugd af moeten studeeren en na de voorbereidende, letterkundige en wijsgeerige studiën te hebben afgedaan , door bekwame en ondervindingrijke leermeesters onderwezen worden in alles wat den geloovigen ter zaligheid heilzaam of schadelijk is. Eens in bediening moeten de Priesters voortstudeeren, â en doen zelve veelzijdige ondervinding op. Vertrouwt men terecht zijne lichamelijke en tijdelijke belangen aan genees-lieeren, notarissen of advocaten, dan verdienen de Priesters natuurlijkerwijs met niet minder recht een groot vertrouwen van den kant der geloovigen in alles wat het geestelijk belang hunner zielen aangaat, te meer wijl de Priesters volgens hunnen staat vol ijver moeten zijn voor het heil der zielen , en door hunne H. Wijding bijzondere gratiën ontvangen om hun ambt behoorlijk te bedienen. (Vgl. le V.) Deze twee aangestipte bovennatuurlijke redenen bewijzen genoegzaam, â dat de geloovigen aan de Priesters groot vertrouwen verschuldigd zijn.
De geloovigen moeten den Priesters dat vertrouwen toonen door hun rechtzinnig hunne zonden te belijden, en door hunne raadgevingen en vermaningen welwillend aan te nemen, en .trouw na te komen.
318
Zoodra gij bemerkt, dat iemand met wien ge omgaat, of een boek , courant of schrift dat ge leest, op Priesters en-geestelijken smaalt, er kwaad van zegt, er den spot meê-drijft, houdt u dan verzekerd, dat die persoon of dat geschrift niet deugt; vermijdt zulke personen , leest zulke geschriften niet, indien gij zelf niet slecht, bedorven wilt worden.
5 V. Behooren tcij God om yoede Priesters te hidden ?
A. Ja, bijzonder op de quaterfcemper-dagen T waarop gewoonlijk de Priesters gewijd worden.
Ja, wij behooren God om goede Priesters te bidden, d. i. , om Priesters , die met een apostolischen geest vorvuld zijn ; die-mannen zijn van gebed en studie , blakend van ijver voor de glorie Gods en het heil der zielen , die niet hun eigenbaat zoeken , maar alleen, of minstens bovenal de glorie God» en de zaligheid der hun toevertrouwden betrachten, en daarom zonder aanzien des persoons , met apostolische vrijmoedigheid, gepaard aan bescheidenheid, hun desnoods ook openlijk hunne zonden en misdaden onder het oog durven brengen. Die plicht rust zwaar op den Priester. Reeds in het Oude Testament schreef God zijn profeet Isaias nadrukkelijk voor (Jifdst. LVIII v. 1.): âRoep zonder ophouden, verhef uwe stem als eene bazuin , en verkondig mijn volk hunne misdaden , en aan het huis van Jacob zijne zondenquot;. In het Nieuwe Testament, bezweert do groote Apostel zijn leerling Timotheus, en in diens persoon alle Priesters, âvoor God en Jesus Christus, die levenden en dooden zal oordeelen bi) zijne komst in zijn koningrijk, predik het woord, houd aan, gelegen of niet gelegen , wederleg, smeek , bestraf in alle langmoedigheid en leering. quot;Want daar zal een tijd zijn , dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen , maar met ooren-jeukte bevangen , zich leeraars naar hunne lusten in menigte zullen aanschaften en hun gehoor zullen zij afwenden van de waarheid en zich keeren tot fabels. Maar gij , wee»
319
waakzaam , .... doe het werk van een Evangelist, vervul uwe bedieningquot;. (II ad Tim. IV. 1 â 5.)
Zóó hunne bediening vervullen vordert van de Priesters veel deugd, moed en zelfopoffering. Hieruit volgt, dat men het hun niet kwalijk moet nemen , wanneer zij, wel verre van ons naar den mond te praten , ons te vleien , door ten koste of ten nadeele onzer zaligheid de ware leer des Evangelies als te verminken , integendeel ons ridderlijk de volle waarheid zeggen , ons onze zonden en misdaden openbaren , en er ons over berispen en bestraffen. Door dit te doen gelijk het voor een goed Priester plicht is , worden wij op den weg des verderfs, die ter helle leidt, tegengehouden, voor ons eeuwig ongeluk behoed , en op den weg des hemels teruggebracht. Het is dus voor een ieder, en voor geheel eene Parochie een zegen goede Priesters te hebben. Hieruit volgt verder zonneklaar , dat wij God om goede Priesters behooren te bidden, en wel bijzonder op de Quatertemper-dagen , d. w. z., op drie vastendagen in eene week. Woensdag, Vrijdagen Zaterdag, bij elk der vier jaargetijden , winter, lente, zomer, herfst, waarop gewoonlijk de Priesters gewijd worden. In ons Bisdom heeft de groote wijding plaats op Quatertemper-Zaterdag na Pinksteren.
ACHT EN DEETIGSÃE LES.
Van het Huwelijk.
1 Y. Wat is het Huwelijk ?
A. Een Sacrament, waardoor man en vrouw wettig verbonden worden , en gratie ontvangen om de plichten van den huwelijken staat behoorlijk te vervullen.
Voor kinderen kan eene zeer korte verklaring dezer Les
320
volstaan. Heilzaam is het zeker hun in te prenten , dat het Huwelijk van het begin der wereld eene goddelijke instelling is geweest, en dat onze goddelijke quot;Verlosser de natuurlijke echtverbintenis voor gedoopten tot de waardigheid van een Sacrament der Nieuwe Wet heeft verheven. Daarom leert â¢de Catechismus : Het huwelijk is een waar en eigenlijk gezegd Sacrament der Nieuwe quot;Wet.
a.) Het uitwendig teeken van dit Sacrament is de duidelijke , door woorden of teekenen , voor den eigen Pasmoor en twee getuigen (3e V.) , afgelegde verklaring van bruidegom en bruid, dat zij eene echtverbintenis met elkander aangaan, elkaar voor man en vrouw nemen, of, gelijk de Catechismus zegt: Een Sacrament waardoor man en vrouw wettig voor God en de H. Kerk verbonden worden door den huwelijksband.
h.) Dat uitwendig teeken beteekent, en r.) geeft eene bijzondere gratie, nl. de gratie om de plichten van den huwelijken staat behoorlijk te vervullen. Dit leert de Catechismus uitdrukkelijk, zeggende: Het huwelijk is een sacrament waardoor man en vrouw gratie ontvangen om de plichten van den huwelijken staat behoorlijk te vervullen. (Zie meer in 't bijzonder, 5e V.)
d.) Het is dus door Christus ingesteld; want God alleen kan aan het uitwendige teeken gratiën verbinden.
2 V. Mag het Huwelijk van een ieder en met een ieder ivorden aangegaan ?
A. Neen ; â¢want niet van degenen , noch met degenen , die belofte van zuiverheid gedaan hebben; noch van noch met zekere geestelijke personen , noch met onkatholieken , noch met degenen , aan welke men vermaagschapt is of ten aanzien van â welke men door eenig ander huwelijks-beletsel is verhinderd.
321
Katholieken mogen het huwelijk niet aangaan met onka-ttholiekon, bv. Protestanten. De H. Kerk heeft immer de gemengde huwelijken afgekeurd en gestrengelijk verboden, â¢omdat daaruit dikwerf twist, onmin , onverschilligheid voor â¢den godsdienst, ja soms geloofsverzaking ontstaan, en omdat tengevolge van zulk huwelijk de katholieke opvoedii'g der kinderen gewoonlijk gebrekkig is, niet zelden geheel ver-â¢vvaarloosd wordt.
Heeft iemand tegen het gebod der H. Kerk een gemengd huwelijk aangegaan, dan mag hij niet openbaar tot de H. Sacramenten worden toegelaten dan nadat den Bisschop een stuk zij verstrekt, onderteekend door de katholieke partij en dezer Pastoor en twee getuigen, waarin ze getuigen, dat â¢de katholiek berouw heeft over zijne zonde, bedreven door overtreding van het verbod der Kerk , en dat hij rechtzinnig belooft;
«.) naar vermogen, de bekeering van de onkatholieke wederhelft te bewerken, (m. a. w. , zich wil beijveren den onkatholiek door stichtend voorbeeld, gebed en gepaste vermaning, langs den weg der overtuiging, tot de ware Kerk quot;te brengen);
b.) dat hij zorg zal dragen, zooveel mogeljjk, dat alle kinderen in den katholieken godsdienst worden opgevoed ;
c.) dat bij do aan de geloovigen gegeveno ergernis zal herstellen. (Vgl. Coll. Epist. T. II. p. 3amp;-1.)
3 V. Voor wien moet het Huwelijk worden aangegaan ?
A. Het moet geschieden voor den eigen Pastoor of voor eenen Priester , door den Pastoor gemachtigd en voor twee getuigen.
De overeenkomst, die voor den ambtenaar van den burgerlijken stand wordt aangegaan, m. a. w., het trouwen op het stad- of raadhuis is voor katholieken geene huwelijksverbintenis, geen
C 21
322
sacrament, maar enkel de aflegging van zekere verklaringen, en onderhouding van zekere formaliteiten, die door de burgerlijke overheid zijn voorgeschreven.
4 V. In welken staat moet het H. Sacrament des Huwelijht ontvangen worden ?
A. In staat van gratie.
Waarom moet het H. Sacrament des Huwelijks in staat van gratie ontvangen worden ?
Geeft dit Sacrament aan hen , die het waardig ontvangen r de eerste heiligmakende gratie, of de vermeerdering der heiligmakende gratie? (30e Les, 7e, 15e, 18e â 20 V.)
5 V. Welke bijzondere gratiën geeft het H. Sacrament des Huwelijks ?
A. Ten 1. Om kinderen tot Gods eer te ver-krjjgen en op te voeden ; ten 2. om in liefde en vrede te leven ; ten 3. om de verdere lasten en plichten van den huwelijken staat naar behooren te dragen.
Krijgen ook zij , die het Sacrament de^ Huwelijks wetens-en willens in staat van doodzonde ontvangen, deze gratiën ?
Neen; omdat zij het zonder de vereischte gesteltenis ontvangen. Daarom doen zij eene groote zonde van heiligschennis. (30e Les, 11e, 12e V.)
Is er voor hen , die heiligschennenderwijs dit sacrament zouden ontvangen hebben, geen middel meer over om weêr hersteld te worden in de heiligmakende gratie en om het recht te krijgen op voornoemde dadelijke gratiën , die hun in de« huwelijken staat toch zoo noodig zijn ?
Zeker kunnen die ongelukkigen door eene goede Biecht weer hersteld worden in de heiligmakende gratie, en op goedoni
323
grond mag gezegd, dat zij door eene goede Biecht tevens het recht krijgen op de bijzondere dadelijke gratiën van het H, Sacrament des Huwelijks.
6 V. Kan het IJ meelij h ontbonden worden ?
A. Neen ; tenzij door den dood.
7 V. Welke is de beste weg tot een gelukkig Huwelijk ?
A. Een braaf en zuiver leven van zijne jeugd af, eene eerbare verkeering met toestemming zijner ouders begonnen, het gebed en het dikwijls ontvangen der HH. Sacramenten.
Kinderen , gij weet nog niet tot welken levensstaat God u geroepen heeft. De Catechismus geeft in zijn antwoord vier middelen aan om tot een gelukkig Huwelijk te geraken. Drie dezer middelen zijn in elk geval heilzaam om een zaligen levensstaat te kiezen: «.) een braaf en zuiver, kuisch leven van zijne jeugd af; b.) het gebed, en c.) het dikwijls waardig ontvangen der HH. Sacramenten van Biecht en Communie, ten minste om de maand of op de hooge feestdagen. (33e Les, 18e V. ; 35e Les, 4e V.)
324
VIJFDE DEEL.
Van de Christelijke Rechtvaardigheid.
NEGEN EN DERTIGSTE LES.
Van «le zonde.
De Christelijke leering kan men gevoegelijk verdeelen in vijf voorname dooien 1 waarvan het eerste handelt over liet Geloof; het tweede over de Hoop; het derde over de Liefde; het vierde over de HH. Sacramenten , en het vijfde over de Christelijke Rechtvaardigheid. (Vgl. Ie Les, 5e V.)
De Catechismus handelt dus in zijn vijfde deel over d^ Christelijke Rechtvaardigheid , en leert allereerst waarin deze niet enkel bestaat; vervolgens waarin ze bestaat, m. a. w., wat er toe vereischt wordt. of hoeveel deelen ze heeft T en legt de twee deelen. waaruit ze bestaat, nl. in de zonden te vluchten en de deugd te oefenen, ieder in t bijzonder uit.
Immers de 39e tot en met de 41e £es handelt over de zonden. De 42eâ44e Les handelen over de deugden en goede werken. Eindelijk handelt de 45e, de laatste Les, over de vier uitersten des mensclien, met name over hel en hemel, die het loon of de straf zijn van de beoefende of verwaarloosde Christelijke Rechtvaardigheid. Na den dood toch zullen we in het oordeel tor helle verwezen worden, indien we de Christelijke Keohtvaardigheid niet beoefend hebben , doch den hemel tot loon krijgen , indien we in de beoefening der Christelijke Eechtvaardigheid sterven.
Het zou eene grove dwaling zijn te meenen , dat de Christelijke Keohtvaardigheid enkel bestaat in het ware geloof, m. a. w., dat liet ware geloof alléén, zonder de werken des
325
geloofs, voor degenen die tot de jaren van verstand gekomen zijn , genoeg is om in den hemel te komen. Die dwaalleer bestrijdt de Catechismus in do le V. dezer Lus , luidend :
1 V. Is het ware yeloof nllétn yemey om ia deji hemel te komen ?
A. Neen ; men moet ook de Christelijke Rechtvaardigheid onderhouden.
Neen , het ware geloof alléén, zonder goede werken is voor degenen , die tot de jaren van verstand gekomen zijn , niet genoeg om in den hemel te komen. In de 16e eeuw leerde Maarten Luther , dat het ware geloof alléén genoeg is om in den hemel te komen. Maar die leer is valsch, is eene ketterij. Dit blijkt , gezwegen van andere bewijsgronden, reeds genoegzaam uit het antwoord, dat Christus gaf aan den jongeling, die Hem vroeg: âGoede Meester! wat goeds zal ik doen, opdat ik het eeuwige (zalige) leven hebbe. Wat moet ik doen, om het eeuwige leven te verkrijgen?quot; Indien de vermelde leering van Luther waar was, had Christus moeten antwoorden : Geloof maar ; dat is genoeg om het eeuwige leven te verkrijgen , om in den hemel te komen. Doch , wijl die leering valsch is , kon Christus, de eeuwige waarheid , die niet liegen of bedriegen kan, dit antwoord niet geven. Welk antwoord gaf Hij dan? Dit: âIndien gij tot het leven wilt ingaan, onderhoud de gebodenquot;, (MiUth. X I X 16. 17.; Marc. X. v. 17 eu volg.), m. a. w., vlucht de zonden en beoefjn de deugd; onderhoud de Christelijke Rechtvaardigheid. Want om in den hemel te komen is het ware geloof alléén niet genoeg, maar moet men ook de Christelijke BecUtvaardigheid onderhouden. Deze bestaat in het onderhouden der geboden, en heeft twee deelen. Dit leert het antwoord op de
2 V. Hoe:eel deelen heeft de Christelijke liecht-vaardigheid ?
326
A. Twee deeleu , te weten : het kwaad laten en liet goed doen , of de zonden vluchten en de deugd oefenen.
Dit antwoord is het woord van God zeiven , en dus onfeilbaar. Reeds door den mond van den Psalmist David sprak God: âKomt, kinderen, hoort mij aan; ik zal u de vreeze des Heeren leeren , d. i., datgene wat tot godvreezendheid en in de Nieuwe Wet tot de Christelijke Rechtvaardigheid , vereischt wordt. Wie is de mensch, die hiernamaals het (eeuwig zalig) leven wil, en (hier op aarde , tijdens zijn sterfelijk leven) goede dagen wenscht te zien ?quot; Het antwoord luidt : Om hier, zooveel mogelijk, gelukkig te zijn, en hiernamaals in den hemel te komen: âWijk af van het kwade en doe het goede. (Psalm XXXIII. v. 12â15.) De Prins der Apostelen , de H. Petrus, herhaalt , onder ingeving van den H. Geest, dit zelfde woord, waar hij in zijn len Brief, hfdst. III. v. 10 11. schrijft: âWie het (eeuwige) leven wil liefhebben , en goede dagen zien ,.... hij wijke af van het kwade , en doe het goede.quot;
Het kwaad laten, niet doen , de zonden vluchten, vermijden, niet bedrijven , is dus het eerste deel der Christelijke Rechtvaardigheid. Dit deel legt de Catechismus ook het eerst uit, en vraagt gevolgelijk
B V. Wat is de zonde?
A. Eeno overtreding vau de wet Gods.
Zonde , gelijk wij ze hier verstaan , is eene vrijwillige over-treding van de Wet Gods. De Wet Gods is voor allen uitgedrukt in de tien geboden. (21e Les, 10eâ 12e V.); in de vijf geboden der H. Kerk (29e Les), en voor ieder in de plichten van zijnen staat. De vrijwillige overtreding van één dezer geboden of plichten , is eene eigenlijk gezegde dadelijke zonde.
Ik zeg: eene dadelijke zonde, omdat de Catechismus in de
327
â volgende vragen, deze soort van zonde nadrukkelijk onderscheidt â¢van de erfzonde , de tweede soort van zonden, waarin de zonde in het algemeen verdeeld wordt. Immers de 4e V. luidt:
4 V. Hoevelerlei is de zonde ?
A. Tweederlei: erfzonde en dadelijke zonde.
5 V. Wat is de erfzonde?
A. De zonde , welke alle mensehen van onzen â¢eersten vader Adam overerven.
De erfzonde is de zonde, welke- alle menschen, uitgenomen â de Allerheiligste Maagd en Moeder Oods Maria (8e Les, 7e â 10e V.) van onzen eersten vader Adam overerven, en daarom ter onderscheiding van de zonden , welke wij door â eigen wil, door eigene daad bedrijven, erfzonde genoemd â¢wordt.
De zonde, welke in ons menschen, als afstammelingen van â onzen eersten vader Adam, in hare gevolgen erfzonde genoemd wordt , heeft Adam , de stamvader aller menschen, van geheel het mensehelijk geslacht, met de daad bedreven â door van de verboden vrucht te eten. (8e Les , 6e V.) Persoonlijk deed Adam daardoor eene eigenlijk gezegde dadelijke zonde. Door zijn eigen wil toch en door zijn eigene daad beging hij eene overtreding van de Vret Gods (3e V.); want â¢God had hem persoonlijk, en wel als stamvader van het mensehelijk geslacht , op stellige wijze verboden te eten van â den boom der kennis van goed en kwaad.
Door die wet, dat gebod Gods te overtreden deed Adam zelfs eene doodzonde , omdat God hem die wet uit een (/roof. â¢doel, groot inzicht had voorgeschreven , nl. ter erkenning van zijne opperste heerschappij , en 's menschen afhankelijkheid.
Door die doodzonde van ongehoorzaamheid heeft Adam zich-zelven en ons , zijne nakomelingen , onnoemelijk veel en groot kwaad gedaan.
328
Zichzelven. Want willen wij katholiek zijn, dan moeten we belijden , dat Adam door die zonde aanstonds de heiligheid en rechtvaardigheid, (den staat van de heiligmakende-gratie), waarin hij geplaatst was, verloren heeft, en de gramschap en verontwaardiging Gods heeft ingeloopen, en daarom aan den dood , waarmee God hem te voren bedreigd had , is onderworpen , en met de onderworpenheid aan den dood in de slavernij des duivels gevallen is (8e Les, 6e V.), en dus naar lichaam en ziel in slechteren toestand is veranderd. (Vgl. het Besluit der Algera. Kerkv. van Trente over de erfzonde , 5e Zitt., n. 1.)
Xiet enkel zich zeiven , maar ook ons, zijne nakomelingen, heeft Adam door zijne zonde van ongehoorzaamheid veel en groot kwaad gedaan , gelijk uit het antwoord op de 6e V. zal blijken.
Men denkt en vraagt wel eens: Is dat wel lief, wel mooi van O. L. Heer, dat Hij ons om de zonde van onzen eersten vader Adam aan zooveel en groot kwaad onderworpen heeft? Immers, wij menschen hebben die zonde niet zelf, persoonlijk bedreven , niet door eigen wil begaan , en toch moeten we er zooveel om lijden.
Kinderen , 't is waar, wij hebben die zonde niet zelf gedaan ; en daarom is de erfzonde in ons ook geene eigenlijk gezegde, dadelijke zonde, geene vrijwillige overtreding van de wet Gods; maar een zondifje toestand, een zondige staatr en wel een staat van doodzonde , welken wij door a fstamming van onzen eersten vader Adam overerven , omdat God, de almachtige Heer, onzen wil in den wil van onzen eersten vader Adam had opgesloten. (Vgl. 8e Les , 9e V. en het Conc. v. Trente , t. a. p., n. 2 en 3.)
Dat God onzen wil in dien van Adam vrij hon opsluiten ,. is klaar en duidelijk doordien God de almachtige Heer en Meester is van al zijne schepselen.
Dat Hij door werkelijk ons aller wil in dien van Adam te besluiten, niet alleen niets onbillijks deed, maar daardoor en met Adam en met ons zeer mooi en lijfderijk handelde r zal eene gelijkenis eenigszins ophelderen, begrijpelijk maken.
329
Een koning zegt tot een zijner onderdanen : Ziedaar, zonder dat ge uwerzijds er eenige aanspraak op kunt maken, schenk ik u uit eigen beweging dat heerlijke landgoed als uw eigendom , zóó dat gij het bij uw sterven in vollen eigendom aan uwe kinderen kunt overmaken, nalaten ; doch onder dezeconditie, voorwaarde, dat gij op dit erfgoed nooit of nimmer vrijen toegang geeft aan mijn en tevens uwen gezworen vijand ; want hij beoogt niets anders dan mijner heerschappij afbreuk te doen, en u met uwe nakomelingen ongelukkig te maken, aan allerlei rampen naar lichaam en ziel te onderwerpen.
Overtreedt (/ij dit mijn verbod, dan verbeurt, verliest ge oogenblikkeljjk , op staanden voet mijne vriendschap , en alle recht op dit landgoed niet enkel voor u zeiven , maar tevens voor uwe kinderen en kleinkinderen tot in het verste nageslacht. Doch onderhoudt yij deze allezins billijke voorwaarde, dan zullen ook alle uwe afstammelingen in uw geluk deelen, mits ieder hunner persoonlijk de gestelde voorwaarde na-kome , nl. dat ze met mijn en hunnen aartsvijand niet tegen mij samenspannen. Kinderen, oordeelt zelf. quot;Wat dunkt u? Handelde die koning mooi en liefderijk met dien onderdaan en allen diens kinderen , en kleinkinderen ?
Ongetwijfeld zult ge zeggen : Ja , hij behandelde dien onderdaan en diens nakomelingen overmooi en liefderijk. Die koning bewees dien onderdaan en diens kinderen waarlijk eene vorstelijke welwillendheid en mildheid.
Kinderen, ge hebt gelijk. Immers do gestelde conditie was zoo gemakkelijk te onderhouden ; erkentelijkheid en trouw aan zijn Heer en weldoener verschuldigd, ja alleen reeds zijn eigen belang en het welzijn zijner kinderen haddon hem als moeten noodzaken die licht te onderhouden voorwaarde stipt na te komen. Maar ondanks dat alles overtreedt hun vader moedwillig en koelbloedig de gestelde voorwaarde ; hij herbergt zijnen en zijnes Heeren gezworen vijand, spant met Item als bondgenoot samen tegen zijn wettigen vorst, die hem en zijnen nakomelingen zoo genadig bevoorrecht had !
Kinderen , ik zeg andermaal : Oordeelt zelf. Verdient die
330
ontrouwe, oproerige onderdaan niet volgens alle recht en billijkheid, dat hij , en om zijne overgroote schuld en trouweloosheid, tevens al zijne kinderen de vriendschap van dien goeden koning verliezen, zich zijne gramschap en welverdiende straf op den hals halen ?
Wederom zult gij zeggen: Ja, het is billijk en rechtmatig, dat om de overgroote ondankbaarheid en ontrouw van hun vader ook zij, kinderen , van dien snooden vader, beroofd worden van de voorrechten ook hun door dien liefderijken vorst beschoren , mits hun vader een op zich zelf zoo klein gebod niet moedwillig hadde overtreden, en hadde hij het onderhouden, ook zij op hunne beurt er niet aan te kort bleven.
Kinderen , de toepassing dezer gelijkenis ligt voor de hand. God is die koning.
Die bevoorrechte onderdaan was onze eerste of stamvader Adam.
Wij en alle menschen zijn zijne nakomelingen.
Allerliefderijkst handelde God en met Adam en met ons, door onzen eersten vader Adam tevens ons welzijn toe te vertrouwen, als in de hand te geven , te meer doordien hij zijn eigen en ons geluk op zoo gemakkelijk te onderhouden voorwaarde kon verzekeren , nl. door zich te onthouden van de vruchten van één enkelen boom , terwijl hij naar hartelust eten mocht â¢van de keurige vruchten van al de overige boomen , die zich in 't aardsch paradijs bevonden. Dewijl echter onze eerste vader Adam dit op zichzelf zoo klein gebod moedwillig heeft overtreden, is het ook billijk, dat wij allen van'na/ure, door onze afstamming van Adam , als âkinderen van gramschap^ in den schoot onzer moeder ontvangen worden, (vgl. Brief aan de Ephes. II. 3.), beroofd van de voorrechten, louter uit liefde Adam verleend en ook ons beschoren , indien hij niet van de verboden vrucht gegeten hadde!
Rechtmatig dus heeft God niet slechts onzen eersten vader Adam, maar om diens zonde ook alle zijne nakomelingen van de oorspronkelijke rechtvaardigheid, en de daaraan verbonden voorrechten beroofd.
Door deze toepassing der aangehaalde vergelijking zult ge
331
de volgende vraag en het daarop passend antwoord te gemakkelijker verstaan.
(i V. Wat kwaad doet ons de erfzonde ?
A. Zij beueemt ons de oorspronkelijke rechtvaardigheid , en maakt ons onbekwaam om de glorie des hemels te genieten.
Door de vraag: quot;Wat kwaad doet ons de erfzonde? wijst de Catechismus genoegzaam duidelijk op dit punt van ons H. Geloof: dat Adam's overtreding van de wet Gods, in één â woord: dat Adam's eigenlijk gezegde zonde niet enkel hem heeft geschaad , maar tenens geheel zijner nakomelingschap, aan alle menschen kwaad heeft gedaan. (Vgl. de leer van liet Cone. v. Trente , t. a. p. n. 2.)
Let wel op , dat de Catechismus in zijn antwoord zegt, dat â¢de erfzonde ook ons tweëerlei kwaad doet. quot;Want ten le, zij beneemt ons de oorspronkelijke rechtvaardigheid, die gelijk ge weet, bestond in de heiligmakende gratie met eenige bijzondere voorrechten naar ziel en lichaam. (8e Les , 4e V.)
Pie rechtvaardigheid wordt de oorspronkelijke rechtvaardigheid geheeten , omdat Adam allerwaarschijnlijkst in den staat van heiligmakende gratie geschapen is, en zeker hij zijn oorsprong door Gods goedheid in dien staat geplaatst, en tegelijk begiftigd is met eenige bijzondere voorrechten naar ziel en lichaam.
Door zijne zonde van ongehoorzaamheid heeft Adam persoonlijk de heiligmakende gratie en alle bijzondere voorrechten naar ziel en lichaam , welke God in zijne oneindige goedheid aan den staat dor oorspronkelijke rechtvaardigheid geschonken had , verloren. (Vgl. 5e V.) Om en door die zonde, welke â¢wij van onzen eersten vader Adam overerven , zijn ook wij, van het eerste oogenblik onzer ontvangenis , beroofd van de â¢oorspronkelijke rechtvaardigheid. Want het eerste kwaad, lt;iat ons de erfzonde doet, is dat zij ons de oorspronkelijke rechtvaardigheid beneemt.
332
Zeker, ook na Adam's val, behoudt de raenBcbz.jn natuurlijk verstand en vrijen wil ; maar door en om Adam s zonde welke wij bij onze ontvangenis overerven, zyn ook wy, zoowel als Adam, niet alleen beroofd van alle bovennatuuryke ga Gods , maar tevens gekwetst in onze natuurlijke ziels- en chaamsvermogens. Ingevolge der erfzonde is «.) ons verstar, verduisterd; 6.) doet zich de begeerlijkheid des vleesehes ge voelen en is o.) onze wil in plaats van tot het goede , tot kwaad'geneigd van der jeugd af; d.) zyn wij onderworp an aan de lasten, de ongemakken, de wederwaardigheden dezeslevens, en eindelijk aan den dood. , * 1 m Kinderen, oordeelt nogmaals zelf, is 't niet waar, daAdam zichzelven en ons , door zijne zonde van ongehooizaamheid onnoemelijk veel en groot kwaad heeft gedaan . Equot; «at n g het ergste is, de erf/.onde maakt ons ten ie, onbekwaam zoolang we er mede besmet zijn, ^ glorie lt;les Snels te yenietl , die bestaat in Gods aanschijn te aanschouwen (4oe
TjfS 9e V.)
Vit tweede kwaad, dat ons de erfzonde doet, ^ het eerste. Immers, doordien de erfzonde ons de ooispionke-liike rechtvaardigheid beneemt, en ons allereerst berooft van d
lielligmakende W»
met het verlies der heiligmakende gratie ook het kindschap
Gods en het recht op den hemel verhezen.
Besmet met de erfzonde kunnen we niet zal.g worden, met in den hemel komen. (Vgl. 31e Les, 4e V)
Hoort hoe de Algemeene Kerkvergadering van Trente (t a n n 2.ï de kwade gevolgen, welke de erfzonde voor ons heeft in naam van God omschrijft. âIndien iemand - zoo luidt hare onfeilbare uitspraak - beweert, dat Adam s ovei-treding hem alleen , en niet zijner nakomelingschap geschaad, heeft (kwaad heeft gedaan); en dat hij de heiligheid en .echt-vaardigheid , welke hij van God ontvangen had, maar verlo.en
heeft alleen voor zich zeiven , en niet tegelijk ook voor ons-verloren heeft; of dat hij besmet door de zonde van ong -hoorzaamheid , enkel den (lichamelijkeu) dood en lichamelijke straffen op geheel het menscheüjk geslacht heeft overgebracht.
333
â¢maar niet tevens de zoude , die de dood der ziel is; hij zij in den ban; omdat hij den Apostel tegenspreekt , waar hij zegt {Brief aan de Rom. V. 12.) : âDoor éénen inensch (Adam) is de zonde in deze wereld gekomen , en door de zonde de dood; â en aldus is de dood op alle menschen â overgegaan, dewijl allen (in Adam) gezondigd hebben.''
Kinderen , uit deze kwade gevolgen dei erfzonde zult ge te beter begrijpen hoe groote weldaad ons Christus bewezen heeft door het instellen van het H. Doopsel, omdat de erfzonde alleen door het Doopsel vergeven wordt. (31e Les, â 3 â 5 V.
Bedanken we God toch dikwijls , dat Jesus Christus, louter uit liefde jegens ons, door zijn lijden en dood ons uit de slavernij des duivels verlost, en aanstonds na onze geboorte door het H. Sacrament des Doopsels ons vergiffenis der erfzonde geschonken en in het recht op den hemel hersteld heeft ((vgl. 8e Les, lie V., en verder 9e, 10e en 31e Les.)
VEERTIGSTE LES.
Van de dadelijke zonde.
1 V. Wat is cene dadelijke zonde?
A. Eeue zoude, die wij door eigen daad of eigen wil bedrijven.
De Catechismus zegt: Eene dadelijke zonde is eene zonde, die wij door eigen daad.... bedrijven. Ziedaar de reden, waarom deze soort van zonde, dadelijke zonde genoemd wordt, ter onderscheiding nl. van de erfzonde , die wij niet door eigen daad bedreven hebben. (Vgl. vorige Les , 4e en 5e V.)
De Catechismus voegt er bij : of door eigen wil bedrijven. Deze woorden voegt de Catechismus er om twee redenen bij.
334
Ten le , opdat een ieder wete, dat men ook enkel door dei» wil enkel inwendig, door vrijwillig behagen te nemen toe te stemmen in eene kwade gedachte , en door enkel inwendig, in zijn hart iets kwaads te begeeren , te willen, te verlangen, eene dadelijke zonde kan bedrijven. Immers wezenlijk iets kwaads willen, er behagen in nemen , er mee instemmen â zich er in verlustigen, of begeeren iets kwaads te doen alsmeê pleizier hebben dat men het vroeger gedaan heett,. is zoowel eene daad als eene uiterlijke daad. Men moet du» de dadelijke zonden allereerst onderscheiden m wendige zonden. Wie dus zou denken: ja , ik heb dat kwaad,, bv., iets wat het 6e gebod verbiedt, wel willen doen, oi in de voorstelling van iets van dien aard volkomen toegestemd ; er behagen in genomen; maar het toch niet metterdaad bedreven , niet uitwendig gedaan; dus heb ik er oo geene zonde , zeker geene doodzonde door bedreven , zou zich , bepaald in dit geval, grootelijks bedriegen. Want tegen de kuischheid kan men ook enkel inwendig grootelijks zondigen. Immers het 9e gebod verbiedt alle zonden van onkuiscl.heid door vrijwillige gedachten of begeerten. (27e Les, 6e en 8e V .)
De Catechismus voegt er die woorden : oi foor eigen wil ten 2e bij , om van den anderen kant ook eenieder duidelijk te maken, dat zonder toestemming van den eigen wil er geene dadelijke zonde kan bestaan. Bv. in den slaap doe ik me de daad iets wat uit zijn aard groot kwaad zou wezen, indien ik bet volkomen wakker, ook enkel met den wil zou bedrijven; maar nu is 't gebeurd geheel zonder mijn wil, of wakker zijnde, geheel tegen mijn wil, dan is die daalt;1 °° geene eigenlijk gezegde dadelijke zonde. Want eene dadelijke zonde is eene zonde, die mij door eigen daad uitwendig met toestemming van onzen eigen wil, of enkel inwendig
door eigen wil, in één woord: vrijwillig bedrijven. _
Dat men dadelijke zonde alléén inwendig , en in- en uitwendig kan bedrijven , blijkt nog duidelijker uit de
2 V. Op hoeveel manieren geschiedt de dadelijke zonde ?
335
A. Op vijf manieren : door woorden, werken gedachte , begeerte en verzuimenis.
De dadelijke zonde geschiedt op vijf manieren, waarvan de twee eerste manieren voorbeelden zijn van wezenlijke ult~ wendige dadelijke zonde; de twee volgende van enkel inwendige dadelijke zonde, terwijl de vijfde manier of enkel* inwendige of tevens uitwendige dadelijke zonde wezen kan.
De dadelijke zonde geschiedt ten le, door woorden, bv., door godslastering (vgl. 24e Les, 4e V.), door onkuische gesprekken , gezangen of liedjes, (27e Les, 6e V.); door valsche getuigenis, leugentaal, kwaad spreken of lasteren, (28e Les, 7e V.)
Ten 2e , door werken, bv. door zonder wettige reden slaatsche werken te verrichten op Zon- en feestdagen (25e Les,. 5e V.), door zonder wettige macht en reden iemand te dooden , kwetsen of merkelijk te hinderen; door onkuische werken met zich zeiven of met anderen (27e Les, 2e en 6e V.);. door iemands goed te stelen , enz. {Les 28 , 5e V.); door op onthoudingsdagen zonder dispensatie of wettige reden vleescb te eten. (29e Les, 6e â 8e V.)
Ten 3e, door vrijwillige gedachte, bv. van onkuischheid. (27e l^es, 8e V.)
Ten 4e , door begeerte, bv. om eenig onkuisch werk te doen, (t. a. p.), door begeerte tot stelen of om onzen kaaste op eene andere onrechtvaardige wijze in zijne tijdelijke goederen te be-nadeelen. (28e Les , 4e V.)
Ten 5e, door verzuimenis. We merkten reeds op, dat men door verzuimenis ofwel enkel inwendig of tevens uitwendig dadelijke zonde kan bedrijven. Zoo, bv., bedrijft men enkel inwendig eene dadelijke zonde als men verzuimt eene opgemerkte gedachte van onzuiverheid , of verstrooiende gedachten tijdens het gebed, behoorlijk te verzetten. Men zondigt tevens uitwendig, bv., als men op Zon- of Feestdag moedwillig de H. Mis verzuimt (25e Les, 6e â 8e V. ; 29e Les, 4e en 5e V.) ; door niet te straffen , niet te beletten , niet over te diagen, als men daartoe verplicht is {ilc Les, 2o V.) enz. enz.
336
Behalve in- en uitwendige dadelijke zonde , wordt de dadelijke zonde in 't algemeen nog tweeërlei onderscheiden.
3 V. Hoevelerlei is de dadelijke zonde ?
A. Tweederlei : doodzonde en dagehjksohe zonde.
4 V. Wat is doodzonde ?
A. Eene zonde, zoo strijdende tegen de wet Groda , dat zij ons berooft van de goddelijke liefde, die het leven onzer ziel is.
Doodzonde is eene zonde , zóó erg strijdende tegen de wet Gods, m. a. w., eene zoo groote overtreding van de wet Gods â (39e Les, 3e V.), dat zij ons berooft van de goddelijke liefde, van de vriendschap Gods, of, van de heiligmakende gratie (30e Les, 8e V.) die het bovennatuurlijk leven onzer ziel is. Eene doodzonde doodt dus onze ziel geestelijker wijze en maakt ons den eeuwigen dood , der eeuwige verdoemenis, m. a. w., aan de eeuwige straffen der hel schuldig (7e en 8e \ .)
Juist omdat de doodzonde ons berooft van het bovennatuurlijk leven onzer ziel, wordt dit soort van zonde doodzonde genoemd.
Kinderen, om dit goed te verstaan , moet gij weten , dat onze ziel een tweevoudig leven heeft. Het eene is natuurlijk, en bestaat iu het denken en willen. Het andere is bovennatuurlijk, en bestaat in de liefde of vriendschap Gods, welke we door de heiligmakende gratie waardig worden. Dooide heiligmakende gratie toch is onze ziel schoon en aan God aangenaam en wordt ze van God bemind. (30e Les, 8e V.)
De doodzonde neemt het natuurlijke leven der ziel met weg, maar berooft haar van het bovennatuurlijke leven; want door' de doodzonde wordt de liefde Gods verloren. (21e Les, 8e V. en deze Les 6e V.) Wijl echter, zoolang we natuurlijker wijze leven, het kwaad dat ons de doodzonde doet
. (ge _ ge V.) , nog herstelbaar is, kan men de doodzonde
ook met recht eene doodgevaarlijke ziekte noemen, althans ze daarbij vergelijken.
337
5 V. Wanneer is eene zomh doodzonde ? A. Als zij gedaan wordt met genoegzame kennis «n genoegzaam vrijen wil , en grootelijks strijdt tegen de eer van God of het welzijn van onzen naaste.
Opdat eene zonde f/ooc/zemde zij , moeten dus drie voor-waaiden, zaken samen gaan. Teu le, moet zij gedaan worden â met genoegzame kennis. Ten 28 met genoegzaam vrijen u il, â en ten 3e , grootelijks strijden tegen de eer ran God of het welzijn van onzen naaste.
Om den aard eener eigenlijk gezegde zonde (39e Les, 4e V.), â¢en vooral het verschil tusschen doodzonde en dagelijksche zonde eenigszins duidelijk te maken , moet ik u bijna elk woord der drie opgenoemde voorwaarden , welke tot eene â¢doodzonde vereischt worden, stuk voor stuk verklaren.
In de vorige Les (4e V.) zeiden we reeds, dat eene eigenlijk gezegde zonde is; eene vrijwillige overtreding van de wet Gods. Maar nu is de vraag; quot;Wat wil dat zeggen; eero vrijwillige overtreding van de wet Gods? of, m. a. w., wanneer is eene overtreding der wet Gods vrijwillig ?
A. Eene overtreding der wet Gods is vrijwillig , als zij wetens en willens geschiedt. Dus , opdat eene overtreding der wet Gods vrijwillig , eene eigenlijk gezegde zonde zij , moet die overtreding ten le, wetens, d. i., met kennis en voorlie-dachtzaamheid , en teji 2e, willens, d. i., niet vrije toestemming -van den wil geschieden.
Kennis en voorhedaclUzaamheid bestaan daarin , dat men op liet oogenblik waarop men de wet Gods overtreedt, wete of ten minste eenigzins inzie, erg er in hebbe, dat men tegen â¢de wet Gods handelt, iets ongeoorloofds , kwaad doet.
Hieruit volgt, dat iemand , die eene wet Gods overtreedt, zonder te weten of er eenigszins aan te denken, dat zijne handeling, zijne daad tegen de wet Gods strijdt, ongeoorloofd, kwaad, zonde is, zich niet aan eene eigenlijk gezegde zondo
C 22
338
plichtig maakt, tenzij zijne onwetendheid en onbedachtzaam-lieid zelve schuldig is. Bv. een kind zou een vloek gezegdr uitgesproken hebben, maar toen het dien uitsprak , volstrekt niet geweten hebben, dat het een wezenlijke vloek was; dat kind zou geene eigenliik gezegde zonde bedreven' hebben ; want het eerste vereischte tot eene eigenlijk gezegde zonde, kennis, was er in 't geheel niet, ontbrak geheel; en de onwetendheid van dat kind mag in dit geval gerust a s niet schuldig beschouwd worden.
Maar moet dan dat kind, als het op meer gevorderden, leeftijd weet, dat de woorden , die het vroeger uitgesproken heeft, een wezenlijke vloek waren, zich in de H. biec i niet beschuldigen , wezenlijk te hebben gevloekt, eene goi s-lastering te hebben bedreven ?
A. Neen, want op het oogenblik waarop het die woorden uitsprak, wist het volstrekt niet, dat ze een vloek waien,. en zijne onwetendheid was op zich zelve niet schuldig. De later opgedane kennis dat die woorden wezenlijk een vloek zijn , verandert de daad niet, die het vroegei in onschul i3e onwetendheid bedreef.
Een ander voorbeeld. Een kind van zeven , acht, negen jaren heeft eens leelijk , vuil, onzedig, onkuisch gespte t met een of meerdere van zijne broertjes ot zusjes , nee jes of nichtjes; het wist heel goed, dat dit onzuiver spel groot kwaad, grootelijks ongeoorloofd was; maar het wist volstrekt niet, dat de omstandigheid van bloedverwantschap de zonde van onzuiverheid merkelijk verandert. Zeker moest het zich in de Biecht beschuldigen , eens een vuil spel te hebben gedaan. Maar moet het nu , als het later, uit de 28e V. der 35e Les begrijpt, dat die omstandigheid van bloedverwantschap de zonde van onkuischheid merkelijk verandert, die omstandigheid ook nog biechten , er bijvoegen ?
A. Neen ; want aan die omstandigheid heeft het zich niet schuldig gemaakt, omdat het kind op het .oogenblik, dat het die zonde bedreef, volstrekt niet wist dat die om-
339
standigheid zijne zonde merkelijk veranderde. Die onwetendheid kan zeker bij zulk kind onschuldig zijn.
Nog een voorbeeld, nl. van onschuldige onbedachtzamiiheid.
Iemand weet zeer goed, dat hij Vrijdags of Zaterdags of op vastendagen geen vleescli mag eten. In de zekere meening, dat het Donderdag is in plaats van Vrijdag, eet zoo iemand op \ njdag vleesch bij zijn ontbijt , of terwijl hij er in 't geheel geen erg in heeft, dat het van daag, bv. daags vóór het leest van St. Petrus en Paulus , enz. , vastendag is, eet hij vleesch bij zjjn boterham. Een ander ziet dat, en zegt: maar, jongen, weet ge wel dat ge van daag geen vleesch moogt eten ; want het is Vrijdag, of vastendag. Hij kan gerust antwoorden : Ik heb er geene zonde door gedaan: want ik meende ter goeder trouw stellig, dat het Donderdag was, ot dacht er in 't geheel niet aan , dat het van daag vastendag was. Nu ge het zegt; herinner ik me wel, dat het Zondag is afgeroepen , maar ik had er op het oogenllik in 't geheel geen erg in.
Lena overtreding der wet (iods, die men niet wetens, d. i, tengevolge van onschuldige onwetendheid of onbedachtzaamheid zou bedreven hebben , is dus geene eigenlijk gezegde zonde. Want, opdat eene overtreding van de wet Gods cyijivillig zij , wordt ten le, vereischt, dat ze begaan zij met kennis on voorbedaclitzaamheid, tenzij de onwetendheid of onbedachtzaamheid zelve schuldig is.
tre zult verder vragen : Wanneer is onwetendheid of onbedachtzaamheid schuhlitj ?
A. In 't algemeen gesproken, onwetendheid schuldig , als men eene wet niet kent, welke men , gelet op alle om-standigheden, kon on moest kennen. Eveneens is onhedacht-zaamheid schuldig , als men, rekening gehouden met alle omstandigheden, er erg in kon en Jfoesi hebben, dat men door deze of geene oorzaak tc stellen of niet weg te nemen, iets kwaads ?al doen.
Jleer in 't bijzonder is onwetendheid schuldig als mon eeno wet niet kent, overtreedt , omdat men do gewone middelen
340
verzuimd heeft om ze te kennen, nog meer, als men eene wet niet kennen teil, ofschoon men verplicht was haar te kennen. Evenzoo is onachtzaamheid schuldii/, als men zich, bv. , door een boozen hartstocht laat verblinden , door eene kwade gewoonte tot onbedachte handelingen laat meeslepen, of als men, onverschillig voor het kwaad en zonder zich te bekommeren of iets geoorloofd of verboden zij , zijne lusten opvolgt.
Bv., iemand verzuimt moedwillig dikwijls de christelijke leering bij te wonen, of gaat, als deze of de preek Zondags begint, de kerk uit; dientengevolge kent hij de stukken des Geloot», die hij uit noodzakelijkheid des gebods moest kennen , met meer (vgl. 3e Les, 19e en 20e V.); aan de overtredingen der wet Gods welke hij dientengevolge bedrijft, is hij wel degelijk schuldig. Zoo iemand kan zich niet vrijspreken van zonde om zijne onwetendheid ; want hij heeft zelf schuldige ooizaak van zijne onwetendheid gesteld ; de onwetendheid, waarin hij de overtreding beging , is zelve schuldig.
Om ook een voorbeeld aan te halen van schuldige onbedachtzaamheid , denkt u iemand , die een gewoonte aangenomen heeft van vloeken, enz. ; dientengevolge vloekt zoo iemand als onopgemerkt, zonder er erg in te hebben, als iets hem niet naar zijn zin gaat , als hij driftig wordt. Blijkbaai is zoo iemand zelf schuld van zijne onbedachtzaamheid , en is hij wel degelijk plichtig aan de zonden , welke hij dientengevolge bedrijft, al wederom omdat zijne onbedachtzaamheid zelve schuldig is in en door de schuldige oorzaak, die liij er toe gesteld heeft.
Opdat dus eena overtreding der wet Gods eene eigenlijk gezegde zonde zij moet ze ten le, wetens, d. i., met kennis en voorbedachtzaamheid geschieden.
Wijders , opdat eene zonde rfoorfzonde zij , moet ze ten le, bovendien met yenoeyzame kennis gedaan worden.
AVnt wil liet zeggen , dat eene zonde om eene doodzonde te zijn, met yenoeyzame kennis moet gedaan zijn? D. w. z., dat ze moet bedreven zijn met vol verstand, met volle kennis van het kwaad.
341
Maar, icauneer dient men het er voor te houden, dat eene zonde met vol verstand , met volle kennis van het kwaad T in één woed, met genoegzame kennis bedreven is?
A. Als men op den oogenblik , waarop men eene zonde bedreef te volle wist, of, ten minste stellig meende, dat de zonde, welke men bedreef, eene zware, groote zonde was, eene zonde, waarvoor men naar de hel zou gaan, indien men er in kwam te sterven. Deze kennis van hot kwaad is yenocy-zttani om wezenlijk voor God aan eene doodzonde schuldig ,, plichtig te zijn. Doch ontbreekt die volle kennis, heeft men eene wel uit haar aard zware zonde gedaan, maar niet met vol verstand, hv., nog half slapende, dus niet met volkomen bewustzijn , dan is do zonde , dio men in dien toestand bedreven moolit hebben, reeds bij gebrek aan genoegzame kennis, geene doodzonde, ons niet geheel, volkomen toerekenbaar.
Ten 2e, moet eene overtreding der wet Gods om eene eigenlijk gezegde zonde te zijn gedaan worden, willens, d. i., met vrijen wil. 's Menschen wil toch heeft bij de voorstelling van eenig kwaad , vrije keuze om er in toe te stemmen of niet. Stemt hij er in toe, dan doet hij kwaad, zondigt hij , al ware het ook , dat, hetgeen hij stellig meent kwaad, zonde te zijn, uitteraard geene zonde, of althans geene zware zonde is.
Waarom ? Omdat hy wezenlijk iets wil dat hij stellig meent door Gods wet verboden te zijn; dus omdat hij in zijn hart in een vermeend kwaad toestemt ; omdat hij kwaad , zonde wil doen. quot;Welnu, wie kwaad wil doen, doet betook, zondigt, al is hetgeen hij wil doen uitteraard geene zonde, of althans geene doodzonde; want de wil is de voorname oorzaak der zonde , zóózelfs dat men alleen door kwaad te willen doen , groote zonde kan bedrijven.
Eenige voorbeelden ter opheldering van het gezegde :
A.) Iemand meent zeker en gewis, dat het van daag 'Vrijdag is, terwijl het nog maar Donderdag is. Toch eet
f
342
hij moedwillig vleesch. Vleesch eten op een gewonen Donderdag is geen kwaad, maar hij meent stellig dat het Viijdag is, zondigt dus, en wel gi-ootelijks ; hij doet cene doodzonde, zoowel als iemand die op Vrijdag tegen het gebod der H. Kerk vleesch eet. Waarom ? Omdat hij op Vrijdag â al is ''t ook maar Donderdag â vleesch n-il eten, dus de wet Gods wil overtreden.
B.) Een kind heeft thuis eens in den winkel een dubbeltje uit de lade gestolen. Het meende zeker en gewis daardoor eene doodzonde te bedrijven, ofschoon het uitteranrd zoo niet is.
Het kind meent dus ook, dat het dien diefstal moet biechten, ofschoon deze uit zijn aard slechts eene dagelijksche zonde is. En toch durft het er zich niet van te beschuldigen. Zulk kind zondigt tegen zijne conscientie; is reeds plichtig aan twee , gaat het zoo te communie, aan drie doodzonden. De eerste doodzonde bedreef het, omdat het op don oogenblik , waarop het een dubbeltje wegnam , stellig meende , dat een dubbeltje stelen , doodzonde is. De tweede, door uit schaamte zijne vermeende doodzonde te verzwijgen in de Biecht. De derde, door in zulken staat te communie te gaan.
Opdat eene zonde willens bedreven, doodzonde zij, moet ze bovendien, of ten 2e, met /jenoeyzamen vrijen wil,d. w. z., met volle toestemming van den wil gedaan worden.
Onder dit opzicht bestaat vooral tweeërlei valsch begrip. Sommigen nl. meenen , dat men , oin eene doodzonde te bedrijven , uitdrukkelijk den wil , de intentie moet hebben, -God grootelijks te beleedigen. Die intentie is zeker niet noodig om werkelijk bij God aan eene doodzonde schuldig te ziju. Wat zoudt ge zeggen van iemand , die u arm of been stuk slaat, en ter verontschuldiging zegt: Ik had toch de meening, de intentie niet u zwaar te beleedigen, te kwetsen, te hinderen? Ongetwijfeld zoudt ge antwoorden : jnaar ge hebt het toch werkelijk, metterdaad wetens en â¢willens , met genoegzame kennis en vrijen wil gedaan. Dat is al erg genoeg. Juist geantwoord. Iets met genoegzame kennis en genoegzamen vrijen wil doen wat uitteraard doodzonde is , is voldoende om wezenlijk aan doodzonde voor God
343
jjlichtig te zijn, al heeft men den uitdrukkelijken wil, of intentie niet God grootelijks te boleedigen.
Anderen meenen zich van doodzonde te mogen vrijspreken, omdat ze een groot kwaad niet van harte wilden of toelieten, ja zelfs liever niet zouden gedaan of toegelaten hebben, maar toch deden of toelieten bv., uit menschelijk opzicht, of om â de vriendschap of gunst van dezen of genen niet te verliezen, â¢om niet als een âfijnequot; uitgelachen te worden enz. Dezulken paaien hunne conscientie veeltijds door de gedachte : Ik was â er niet meê gediend; dus heb ik die zonde niet bedreven met genoegzamen vrijen wil, vereischt om eene doodzonde te zijn.
Blijkbaar eene list en drogreden van den duivel. Pilatus zou Jesus veel liever hebben losgelaten dan ten dood veroordeeld ; hij erkende Jesus' onschuld openlijk; maar uit vrees van de vriendschap en gunst van keizer Tiberius te verliezen, â waar de Joden hem bang voor maakten , gaf hij Hem aan 't Joodsche volk en de Opperpriesters over om, door bediening der Romeinsche soldaten , gekruisigd te worden. (Vgl. Joannes XIX. 12 â 16.) Kunt ge Pilatus op dien grond, om â die reden van een onrechtvaardig vonnis , van doodzonde vrijspreken ? Zeker niet; want hij sprak dit onrechtvaardig vonnis met genoegzame kennis en met genoegzamen vrijen â wil uit. Bn daarom baatte het hem in 't oog van God niets dat hij vcor de oogen des volks zich de handen wiesch, zeggende; âIk, ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige! Gijlieden moogt toezienquot;. {Matth. XXVII. 24.) Voorzeker zij, de Joden, moesten toezien, hoe zwaar ze zich aan het bloed des Heeren schuldig maakten, meer nog dan Pilatus; want zij hadden hem tot dit onrechtvaardig vonnis aangezet , ja het hem als afgeperst. Niettemin was Pilatus medeplichtig aan den Gods-moord , omdat hij , hoewel ongaarne, en met weerzin, toch werkelijk met genoegzamen vrijen wil liet doodvonnis over Jesus uitsprak. Ook Pilatus dus deed buiten twijfel eene groote doodzonde door uit vrees voor de Joden , uit vrees van de vriendschap des keizers te verliezen, Jesus werkelijk tot den kruisdood te veroordeelen. (Vgl. de
31é
â verhandel, van Jen H.August, over Ps. LXIII. v. 2., of-Kow. Brevier, Goede Vnjd. 6e Les.) Uit dat voorbeeld blijkt overduidelijk , dat men zich voor den rechterstoel van O. L. Heer niet van doodzonde raag vrijspreken op voorwendsel, dat men eenig groot kwaad niet met genoegzamen vrijen wil gedaan of toegelaten heeft, omdat men het ongaarne , mot weerzin , r.iaar ten slotte toch werkelijk gedaan of toegelaten, er in toegestemd heeft. In deze en soortgelijke gevallen is zeker genoegzame vrije wil aanwezig opdat eene zonde uit dien hoofde doodzonde zij. â Doch ontbreekt die genoegzame vrije wil , bestaat er maar eene half vrijwillige toestemming , dan zou eene overtreding der wet Gods reeds daarom alleen geene-doodzonde, maar enkel eene dagelijksche zonde zijn. Zoo, bv., is iemand , die in een bekoring tegen de zuiverheid niet ten volle toestemt, maar ze met eenige traagheid of eenig verzuim bestrijdt, verzet, niet aan eene doodzonde, maar slechts aan eene dagelijksche zonde schuldig , omdat hij er niet met genoegzamen vrijen wil in heeft toegestemd, en de zonde hem dus niet volkomen, geheel toerekenbaar is.
Opdat eene zonde doodzonde zij , moet ze niet enkel raet genoegzame kennis en genoegzamen vrijen wil gedaan worden,, maar ten 3e, ook yrootelijks strijden tegen de eer van Godi of het welzijn van onzen naaste.
Onder onzen naaste moeten wij hier ook, ja, allereerst, vooral ons zeiven verstaan; wij moeten immers onze evennaaste beminnen gelijk ons zeiven. (Vgl. 21e Les , le, 5eâ7e V.) Bijgevolg mogen wij allereerst ons zeiven geen kwaad doen of willen. Doen of willen wij dus iets , dat grootelijks strijdt tegen ons eigen welzijn , dan maken we ons ook plichtig aan eene doodzonde, zoowel als we eene doodzonde bedrijven indien we iets doen of willen wat grootelijks strijdt tegen het welzijn van onzen naaste, of tegen de eer van God.
Wanneer eene zonde grootelijks strijdt tegen de eer van God' is in vele gevallen uit den aard der zaak zelve klaar en duidelijk. Zoo, bv., begrijpt iedereen vanzelf, dat het ont-eeren der H. Sacramenten , (le Gebod, 22e Les , 8 V.), godslastering, een valschen eed doen {24e Les, 4e, 5e, 10e Y.) enz..
345
grootehjks strijden tegen de eer , die wij God schuldig zijn. Eveneens ia het in vele gevallen klaarblijkelijk , dat deze of gene zonde grootelijks strijdt tegen het welzijn ran onzen naaste, bv. , iemand doodslaan, merkelijk kwetsen of hinderen, ofbe-nadeelen in zijne tijdelijke goederen , lasteren enz. (27e Les, en 2Se Les, 2e en 7e V.).
Desgelijks strijdt de gewoonte van dronkenschap , van on-kuische werken te doen met zich zeiven blijkbaar yroote-Ijlcs tegen ons eigen welzijn. In deze en soortgelijke gevallen is eeno zonde doodzonde, omdat de overtreding der Wet Grods groot is in zichzelve. Bovendien kan eene zaak of daad, die op zichzelve niet groot is , derhalve uit haar aard slechts eene dagelijksche zonde is , om bijkomende omstandigheden eeno doodzonde worden, bv. , als men in geweten oordeelt, dat zekere dagelijksche zonde, bv. eens een dubbeltje stelen,, doodzonde is, en ze toch bedrijft, er toch toe overgaat (vgl. bl. 342) ; als men eene dagelijksche zonde doet, om daardoor tot groot kwaad te komen , bv. , wanneer men iemand vleit, om hem tot onzuiverheid te verleiden; als men dikwijls esne kleinigheid steelt, valschheid gebruikt in maat of gewicht, om langzamerhand eene groote som machtig te worden , enz.
In vele gevallen is 't ook klaar en duidelijk genoeg, dat de zaak in haar zelve klein is , niet grootelijks strijdt tegen de eer van God , noch tegen het welzijn van ons zeiven of van onzen naaste. Zoo , bv. , onder het gebed of in do Kerk een weinig, of enkele oogenblikken oneerbiedig zijn; zich een weinig kwaad, driftig maken; eene kleire leugen doen om beterswil; een beetje ongehoorzaam zijn aan ouders of oversten , enz. , is blijkbaar geene doodzonde maar alleen eene dagelijksche zonde, omdat de zaak klein is. (Vgl. 10e V.)
Overigens is het dikwijls zeer moeilijk juist te bepalen of eene zaak in zich zelve klein, dus eene dagelijksche zonde is,, of wel groot, en dus eene doodzonde uitmaakt. â Wellicht,. zegt de H. Augustinus, zijn wij hierover in het duister, opdat wij met des te meer zorg alle zonden zouden vermijden.''''
346
(j V. Wat verliezen wij door de doodzonde ? A. Ten 1. De goddelijke liefde ; ten 2. de verdiensten van onze goede werken ; ten 3. de hemel-sche glorie.
Door de doodzonde verliezen wij tegt;i lo, do goddelijke liefde, de heiligmakcnde gratie (4e V.) Immers doodzonde is eene zonde zóó strijdende tegen de Wet Grods, dat zij ons berooft van de goddelijke liefde , dat we er de goddelijke liefde door verliezen. (4e V. en 21e Les, 8e V.) Iemand die door ééne doodzonde reeds de goddelijke liefde verloren heeft, en in staat van doodzonde eene tweede of meerdere doodzonden bedrijft, wordt door iedere nieuwe doodzonde meer en meer van de goddelijke liefde beroofd; want iedere doodzonde be--rooft ons uit haar aard van de goddelijke liefde.
Door de doodzonde verliezen wij ten 2e , de verdienste» van onze goede werken, welke we vroeger in staat van gratie gedaan hebben. v-dls, zoo spreekt God door den mond van zijn profeet Ezechiel (XVIII. 24.), de rechtvaardiye zich afkeert van zijne gerechtigheid , en kwaad doet.... zal hij dan nog bovennatuurlijker wijze leven?'''' Neen; want hij heeft de goddelijke liefde verloren , die het bovennatuurlijke leven onzer ziel is. (4e V.) Op zoo iemand is van toepassing wat de H. Joannes schrijft in zijne Openbaring III. 1. -nik ken uwe werken, ik weet, dat gij den naam hebt dat gij geeste-lijkerwijze leeft, en gij zijt inderdaad geestelijk doodquot; om uwen zondigen levenswandel.
Alle â zoo gaat de profeet Ezechiel voort â zijne gerechtigheden , goede werken, welke zoo iemand vroeger in staat van gratie gedaan had, zullen niet meer in herinnering komen.' Zoolang hij in staat van doodzonde blijft , komen de ver-â diensten der goede werken , die hij vroeger in staat van gratie verrichtte, niet meer in rekening; geven geen recht meer op belooning in den hemel. De goede werken, die de zondaar in staat van doodzonde doet, zijn zeker niet vruchteloos ; ja, zij zijn zelfs voor den zondaar het gewone raiddel om tot
347
tiekoering te komen; doch voor do goede weiken in staat -van doodzonde verricht, kan men geene verdiensten , geen recht op belooning in den hemel verkrijgen; 't zjjn en blijven â doode werken, die ntet kunnen, herleven, omdat zij nooit levende, het eeuwig leven verdienende werken geweest zijn. Want om door onze goede werken den hemel te verdienen is de eerste vereischte, dat wij ze verrichten in staat van (j rat ie. (Vgl. 43e Les, 7e en 8e V.) Maar de verdiensten der goede werken die in staat van gratie gedaan zijn , herleven als de doodzonde vergeven wordt; want zij werden door do doodzonde â¢niet vernietigd, of voor altjjd gedood, maar enkel gedurende den tijd, dat men in staat van doodzonde bljjft; wordt de doodzonde vergeven , waardoor wij de verdiensten onzer goede werken, in staat van gratie verricht, verloren , dan worden â die goede werken weer levend , ze herleven.
Ten 3e , verliezen wij door de doodzonde het recht op de Jiemelsclte glorie.
7 V. Waartoe bremjt ons de doodzonde ? A. Tot eene schandelijke slavernij des duivels «n de eeuwige straften der hel.
De doodzonde brengt ons ten le, tot eene schandelijke slavernij des duivels.
Volgens de wetten van liet heidendom werden zij slaven, die den titel van vrije kinderen huns vaders misten, of verloren hadden. quot;Welnu door de doodzonde verliezen wij de goddelijke liefde , de heiligmakende gratie , waardoor we aangenomen kinderen Gods waren. (4e en 6e V.) âEn indien kinderen , dan ooi- erfgenamen , en wel erfgenamen van God, tn mede-erfgenamen van Christus. {Brief aan de Rom. VIII. 17.) Doordien dus de doodzonde ons berooft van de godde-Ijjke liefde , maakt ze ons gevolglijk van vrije kinderen Gods tot slaven , die er nog erger aan toe zijn als de zwarten in Afrika; brengt ze ons in dit leven tot eene schandelijke slavernij des duivels. De slavernij des duivels ia schandelijk,
348
omdat het voor een redelijk schepsel Gods, bijzonder voor een christenmensch, die door het H. Doopsel tot den allerhoog-sten adel van kind Gods verheven is , eene schsnde , ja de hoogst denkbare schande, is door de doodzonde verlaagd te worden tot slaaf des duivels, den gezworen vijand van God en den raensch.
De doodzonde brengt ons ten quot;ie, na den dood tot de eeuwige straffen der hel. (45e Les , Se V.)
8 V. Hoeceel doodzonden moeten wij gedaan hebben om naar de hel te (jaan ?
A. Ãéne doodzonde is genoeg.
De duivels zijn een sprekend bewijs der waarheid, dat eene doodzonde gedaan te hebben, genoeg is om naar de hel te gaan. Zij bedreven ééne doodzonde van hoovaardigheid ot ongehoorzaamheid, en zonder ontferming werden ze op staan-den voet door den rechtvaardigen God ter helle gedoemd. Wat moet dus ook maar ééne doodzonde een groot kwaad zijn, eene overgroote boosheid in zich besluiten; want de rechtvaardige God kan ze niet zwaarder straffen dan ze verdient. Met wat zorg moeten wij dus waken en bidden om niet in de bekoring te vallen , en mochten wij het ongeluk hebben eene doodzonde te bedrijven, er dan toch ten spoedigste met waar berouw , en door eene goede Biecht uit op te staan, om in staat van doodzonde niet door den dood overvallen, en tot de eeuwige straffen der hel veroordeeld te worden. â 11 ant, zegt de H. Apostel Petrus, 2e Br. II. 4., indien God Engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft , vicictr hen in den afgrond heeft nedergetrokken en aan de handen der hel heeft overgeleverd...., dan zal hij voorzeker ook den onboet-vaardigen zondaar niet sparen, die in zijne zonde, ook maai in staat van ééne doodzonde, sterft! (Vgl. 17e Les, lie V.)
9 V. Wat is dayelijksche sonde ?
349
A. Eene zonde , zoo strijdende tegen de wet 'Gods , dat zij de goddelijke liefde niet wegneemt.
Dagelijksche zonde is dus ten Is, eene «race, eigenlijk gezegde zonde, eene vrijwillige overtreding van de wet Gods , (39e Lea, 3e V.); want zij strijdt tegen de wet Gods, d. w. z., togen een of ander der geboden Gods, of dor II. Kerk of van eenige andere wettige overheid.
Te» 2e, verschilt dus dagelijksche zonde in haar aard van â doodzonde. Immers hoe strijdt dagelijksche zonde tegen de wet Gods ? Zóó , dat zij de goddelijke liefde niet wegneemt , terwijl doodzonde zoo strjjdt tegen de wet Gods , dat zij ons berooft van de goddelijke liefde, die hot leven onzer ziel is. (4e V.)
God is oen goede Vader voor zijne kinderen. In zijne goedheid zegt Hij hun zijne vriendschap niet op voor uit haar aard kleine, of niet volkomen vrijwillige overtredingen zijner wet. God kent ons maaksel. Hij kent veel , ja oneindig beter â¢dan wij zeiven, de krankheid, de zwakheid onzer natuur, gewond door de erfzonde (vorige Les, 5e en 6e V.) quot;Welnu , omdat zelfs de heiligste , de braafste menschen, ten gevolge â¢der menschelijke zwakheid , in dit sterfelijk leven bijna â dagelijks in eene of andere kleine zonde vallen, welke de . goddelijke liefde niet wegneemt, niet doet verliezen , worden â deze zonden dagelijksche zonden genoemd.
10 V. Wanneer is etne zonde dagelijksche zonde ? A. Als zjj zonder genoegzame kennis of zonder genoegzaam vrijen wil gedaan wordt , of als de .zaak klein is.
Eene zonde is dagelijksche zonde , als zij gedaan wordt of .ten le, zonder die genoegzame kennis, of ten 2e zonder 'lieu genoeg zanten vrijen wil, welke vereisoht wordt om eene doodzonde te zijn , al ware ook de zaak op zich zelve of in hare ⢠omstandigheden groot, of ten 3e, als de zaak én op zich .zelve , én in hare omstandigheden klein is.
350
Dit alles is klaar en duidelijk voor alwie de verklaring der 5e V. begrepen heeft.
11 V. Wat kwaad dom ons de dayelijksche zonden ?
A. Ten 1. Zij dóén ons in de liefde Gods verflauwen ; ten 2. zij maken ons gereed tot meerderen val ; ten 3. zij verbinden ons tot tijdelijke straffen.
De dagelijksche zonden doen ons een drievoudiy kwaad d. i., schade of' nadeel. Ten le, zij dooi ons in de liefde Gods wel verflauwen, maar verminderen die niet; want verminderden ze in ons de goddelijke liefde of de heiliginakende gratie rechtstreeks , dan zouden vele dagelijksche zonden ten laatste eene doodzonde uitmaken, ons van de goddelijke liefde berooven, ons de goddelijke liefde doen verliezen. En dat is toch niet zoo. Immers juist het hoofdverschil tusschen dood- en dagelijksche zonde is , dat de dagelijksche zonde de goddelijke liefde niet wegneemt, maar ons alleen in do lietdo Gods doet verflauwen.
En hoe doen vooral geheel vrijwillige dagelijksche zonden' ons in de liefde Gods verflauwen?
A. Door den overvloed van dadelijke gratiën in ons te verminderen.
Diensvolgens doen ze de levendigheid, de vurigheid van de goddelijke liefde in ons verflauwen ; doen ze de vriendschap tusschen ons en God verkoelen, gelijk de vriendschap tusschen vrienden verflauwt, als de een den andere in kleinigheden misdoet, weinig oplettendheid, dienstwilligheid betoont enz., en zóó zijn ze middellijk oorzaak, dat we door onze goede werken en het ontvangen der HU. Sacramenten weinig in de heiligmakende gratie toenemen*, en minder dadelijke gratiën ontvangen.
Ten 2c , zij malrn ons gereed tot meerderen val, d. w. z. .
351
vrijwillig bedruven dagelijksehe zonden , vooral waaraan men gehecht is, waarvan men zich niet wil beteren , bereiden ons voor om in meerdere en zwaardere , meer voorbedachte dagelijksehe zonden te vallen , en eindeljjk in doodzonde.
En hoe doen ze ons dat kwaad ?
Rechtstreeks an middellijk. Middellijk door de dadelijke gratiën te verminderen. Deze toch dienen om ons de deugd te doen oefenen en ons de zondo te doen vluchten. Welnu , krijgen we ter oorzake van de dagelijksehe zonden, vooral die we met voorbedachten rade bedrijven, minder dadelijke gratiën, minder hulp en bijstand van God om de zonden te vermijden, dan zullen we blijkbaar te gereeder in dagelijksehe, ten laatste in doodzonde vervallen , hoemeer dagelijksehe zonden ons in de liefde Gods doen verflauwen.
Hechtstreeks, doordien ze do neiging fot het kwaad steeds meer en meer in ons doen toenemen. Zoo zal, bv., iemand die geheel vrijwillig herhaaldelijk de wet Gods in eene kleine zaak overtreedt, of ten halve toestemt in iets wat grootelijks met de wet Gods strijdt, moeilijker aan grootere , hevigere bekoringen weerstaan , ook omdat de kwade begeerlijkheid steeds toeneemt hoe meer men ze involgt.
't Is er meê gelijk met kleine lichamelijke gebreken of ziekten, die men verwaarloost. Deze verminderen langzamerhand de lichaamskrachten, verzwakken, ondermijnen allengs de gezondheid eu zijn niet zelden de aanleidende oorzaak van eene ernstige ziekte, ja van den dood. Hoevelen sterven tengevolge van eene verwaarloosde verkoudheid ! Geheel vrijwillige dagelijksehe zonden, vooral tegen liet le, 6e en Te gebod , verslappen dagelijks het geestelijk leven der ziel , en zijn niet zelden oorzaak dat eene ziel kwijnt , tot schuldige lauwheid en traagheid in don dienst van God , en eindelijk tot doodzonde vervalt!
Voorzeker ernstige reden voor eenieder te zorgen zich geene gewoonte van eenige dagelijksehe zonde temaken. Vrijwillige dagelijksehe zonden niet tellen, als niets beschouwen, versmaden, leidt ten verderven. âDie het Urine versmaadl, rjoaf allcnr/sl-ens ten gronde.quot; (Kcdi. XIX. ].) .,Æ)/lt;⢠cjetronn-
352
het (jevinye onrechtvaardig is,
rechtvaardig. (Luc. XVI. 10.)
ÃVn 3e, zy t dagelij ksche zonden,
lijke straffe. , hier op aarde , of hiernamaals in het vage
te ondergaan, uitteboeten.
Kinderen, bij hel einde dezer Les mil
te^â
(4e V.) ierwijl dagelijksche zonde eene ,, p
strijdende tegen do wet Gods, maar zoo , dat. zij t o âo liefde niet wegneemt. (9e V.)
Ten 2e, betrekkelijk de verei9chte .oorW-a«^^ Opdat ee
ontbreekt is eene zonde slechts dagelijksche -nde (10 )
7V» 3e betrekkelijk beider uitwerkselen. «â¢) Uooi doodzonde'verliezen we de goddelijke liefde van onze goede werken; de dagelijksche zonde doen ons in de liefde Gods verflauwen.
6.) De doodzonde brengt ons tot de eeuwige s J-
maals maar een tijd duren , ie j einde zijn , eeuwig duren.
353
EEN EN VEERTIGSTE LES.
Van de verschillende soorlen van dadelijke zonde in het bijzonder.
Uit de vorige les weten wij, dat de dadelijke zonde, in 't â algemee)i, tweeërlei is : doodzonde en dagelijksche zonde. (3e V.)
In deze les onderscheidt do Catechismus vier bijzondere â soorten van dadelijke zonden.
Immers er zijn ten ie , dadelijke zonden die wij zelf niet â¢doen, maar die wij een ander helpen doen. Deze soort van zonden wordt vreemde zonden genoemd, en daarover handelt de le en 2e V. dezer les.
Ten 2e, zijn eenige dadelijke zonden, uit haar aard, hoofdbron van vele andere zonden. Deze soort van zonden noemt men hoofdzonden. (3e en 4e V.)
Ten 3e, bevatten sommige zonden eene eigenaardige boosheid en afschuwelijkheid. Tot deze soort behooren de zonden, â¢welke men noemt zonden tegen den H. Geest (5e en Ge V.), en de wraakroepende zonden (7e en 8e V.)
Deze vier onderdeelen van dadelijke zonden worden in deze les in 't bijzonder verklaard.
1 V. Wat zijn vreemde zonden ?
A. Zouden, die wel door anderen bedreven, maar ons mede aangerekend worden, omdat wij tot dezelve op eenige wijze geholpen hebben.
De Catechismus leert ons in dit antwoord omtrent de vreemde zonden , drie dingen, drie zaken of punten.
Ten le , dat de vreemde zonden , ware, wezenlijke zonden zijn. Immers op de vraag : ïï'at zijn vreemde zonden ? luidt hot eerste gedeelte van het antwoord: Zonden, d. w. z., wezenlijke, ware zonden, vrijwillige overtredir.gen van de wet Gods (39e Les, 3e V.)
C 23
354
Ten 2e, wat de vreemde zonden eigenaardig hebben, wat aan die zonden eigen is, en waardoor ze wezenlijk verschillen van de erfzonde en van de zonden, die wij persoonlijk , zelt bedrijven.
Oelijk uit het tweede gedeelte van het antwoord van den Catechismus blijkt hebben vreemde zonden dit eigenaardig,, dat ze, u-el door anderen bedreven, maar nochtans door Godi ons mede aan- of toegerekend worden.
Ten 3e, geeft het antwoord van den Catechismus in zijn' derde gedeelte de reden op, waarom de vreemde zonden, alhoewel door anderen bedreven , ons nochtans mede aangerekendl worden , nl., omdat wij tol dezelve op eenige wijze geholpen, heihen.
Vrennd beteekent hetzelfde als: niet eigen, maar van eeiv ander.
Vreemde zonden zijn dus zonden van anderen , of, gelijk, de Catechismus het uitdrukt , zonden , die wel door anderen-bedreven worden , maar waaraan wij medeplichtig zijn, omdat wij tot dezelve op eenige manier geholpen hebben.
Uit deze verklaring van den aard van vreemde zonden zultr ge gemakkelijk begrijpen hoe, of, waarin vreemde zonden, wezenlijk verschillen van de erfzonde, en van onze eigenezonden.
Vreemde zonden verschillen hierin van de erfzonde , dat we deze, nl. de erfzonde, niet door eigen daad of wil bedreven-
hebben. (39e Les, 5 V.)
Yroemde zonden verschillen van onze eigene zonden , van do zonden, die wij zelf, persoonlijk bedrijven, hierin , dat we vreemde zonden niet door ons zeiven, maar door anderen bedrijven. Toch zijn vreemde zonden in dien zin onze dadelijke zonden, dat wij tot dezelve door eigen daad, door eigen wil, op eenige wijze, nl., door vrijwillige gedachte-of begeerte , woorden of werken , of door verzuimenis helpen,, medewerken. (40o Les , le en 2e V.)
(tp negen wijzen, manieren kan men tot de zonden van-anderen helpen, medewerken, ra. a. w., schuldige oorzaak zijn dat anderen zonden bedrijven, die ons juist om onzo
355
moileliulp mede aan ge rek end worden. De zes eersfe manieren geschieden door woorden of werken; de drie laatste door verzuimenis.
Welke zijn nu die manieren , of, m. a. w.:
2 V. Hot (fedellieden de vreemde zonden ï A. Door aanraden, beschermen , gebieden , prijzen , mededeelen , behagen nemen, niet straften, niet beletten , niet overdragen.
Telt maar op nwo vingers uit en gij zult bevinden , dat do Catechismus werkeljjk neg en manieren opsomt, waarop men zich a-rin vreemde zonden kan plichtig , schuldig maken.
Ten Ie, door aanraden, d. w. z., door in een ander do genegenheid tot het bedrijven eener zonde op te wekken , of hem te versterken in zijn reeds opgevat voornemen, plan om deze of gene zonde te bedrijven , bv., door hem voortestellen wat voordeel, pleizier hij in die zonde zal vinden ; â â hoe gemakkelijk hij die zonde op deze of gene wyze , door deze of gene middelen kan bedrijven zonder betrapt te worden enz. Verder door een ander door bidden en smeeken, door vleierij of beloften tot eenige zonde aan te sporen, bv., tot onkuischheid, tot stelen of andere onrechtvaardigheid, tot het bijwonen van gevaarlijke of slechte gezelschappen, tot het lezen of verspreiden van ongodsdienstige of slechte boeken, couranten, enz.
Ten 2e, door beschermen , d. w. z., door iemand door woord, schrift of daad te verdedigen tegen degenen , die hem van zonde willen weerhouden, of door hem in 't bedrijven zelf dor zonde te beschermen. Op die wijze maken zich aan vreemde zonden schuldig , bv., de zoogenaamde advokaten van kwade zaken, die wetens en willens onrechtvaardige zaken verdedigen. Ook zij , die terwijl een ander steelt, op wacht gaan staan , opdat hij niet in handen der politie valle.
Ten Se, door (jehieden, d. w. z. , door ten eigon bate misbruik te maken van zjjn gezag, zijne macht, of zijnen invloed om een ander tot kwaad , tot zonde overtehalcn. Op
356
die wijze zondigde David, toen hij Joas,zijn veldoversten gebood, bevel gaf TJrias, wiens dood hij wenschte, vooraan in de gelederen te plaatsen, waar de strijd het hevigste is, en hem dan in den steek te laten , opdat hij getroffen worde , omkome , sneuvele. Daarom dan ook sprak God door den mond van zijn profeet Nathan tot David: âUrias hebt GIJ vermoord door het zwaard, hem doen omkomen door het zwaard der zonen Ammom.quot; (2e Boek der Koning. XI. 14.
15.; XII. 9.) i. iJ*
Op die wijze maken zich ook aan vreemde zonden schuldig,
bv. ouders , die dermate hun plicht vergeten , dat ze hunne
kinderen gebieden te stelen , of eenig ander kwaad te doen.
In zulk geval mogen kinderen hun met gehoorzamen. (Vgl.
26e Les 7c V.) Eveneens maken zich aan vreemde zonden
plichtig' bazen of meesters, die hunne onderdanen zouden
gebieden op Zon- en feestdagen verboden werk te verrichten,
of hun gedaan geven als ze het niet doen, enz.
Ten 4e, door prijzen, d. w. z., door de zonden van anderen goed te keuren , toetejuichen, of omgekeerd de deugd ot de deugdzamen als zoodanig in 't bespottelijke te trekken, belachelijk te maken.
Op die wijze maken zij zich aan vreemde zonden schuldig, die iemand aansporen over eene beleediging of vernedering wraak te nemen, er om te vechten, bv., door te zeggen: gij zijt een lafaard, als ge dat verdraagt! Eveneens zij die, bv., een ongehoorzaam , weerbarstig kind toejuichen door tezeg-gen: hravo! ge hebt groot gelijk dat ge u met laat drillen. Verder zij die oprecht godsdienstige menschen uitlachen als onnoozelen , kleingeestigen , zwakhoofden ! enz.
Ten 5e, door mededeelen, d. \v. z., door mede te weiden in eene zondige daad van een ander, bv., door iemands goed te helpen stelen , of iemand op eenige andere onrechtvaaidige wijze in zijne lichamelijke goederen te kwetsen.
Saulus (zoo werd de H. Paulus genoemd voor zijne bekee-rinc) werkte op die wijze mede tot de steeniging van don H. Stephanus, doordien hij de bovenkleederen der getuigen der steenigers in bewaring nam. {Hand. der Apost. 57.)
357
Door mededeelen wordt hier ook nog verstaan met een dief of bedrieger gestolen goed dooien, zijn deel of part krijgen in eenig onrechtvaardig goed.
'len 6e, door behagen nemen, d. w. hiorz, , n.) door uiter-lijk, nl., door woorden, lachen of andere dergeljjke teekenen , invloed uit te oefenen op het kwaad van een ander, bv. door vrijwillig te iachen met achterklap , onkuische gesprekken , enz. Op die wijze had Saulus behagen aan den moord van den H. Stephanus. (T. a. p. v. 59.)
6.) Door als kiezer zijne stem te geven aan , te stemmen voor iemand, die van de kwade partij is, bv., een erkende liberaal , of door zijne stem iets wat kwaad of gevaarlijk is goed te keuren , bv., het houden van ongodsdienstige of onzedelijke voorstellingen , comediestukken enz.
Ten 7e, door niet straffen , of te berispen, als men daartoe niet enkel uit liefde , maar tevens uit hoofde van zijn staat of ambt, of van eene overeenkomst of contract gehouden , verplicht is, en dezen plicht vrijwillig verzuimt. Deze twee dingen moeten samengaan om zich door niet te straffen aan vreemde zonden schuldig te maken. Xiet zelden maken zich op die wijze ouders en oversten schuldig aan de zonden , die hunne kinderen en onderhoorigon bedrijven. Want als zij weten, dat deze met elkaar een slechten omgang hebben , of op andere wijze zich aan zonden overgeven, zijn zij krachtens hun staat streng verplicht hen naar behooren te bestrallen. Verzuimen zij dien plicht , dan zijn zij medeschuldig aan de zonde welke hunne kinderen of onderdanen dientengevolge bedrijven. De H. Schrift levert desbetreffende een schrikwekkend voorbeeld. De opperpriester Heli was voor zichzelven een oude, zeer brave man; maar beide zijne zonen waren groote boosdoeners, deugnieten. Heli hoorde alle gruweldaden , welke zijne zonen bedreven ; hij berispte ze deswege , maar niet naar behooren, en daarom deed God hem door een profeet , en andermaal door den jeugdige Samuël de vreeselijkste straffjn aankondigen , welke hem en zijne familie treffen zouden, ^oindat hij wint dat zijne, zonen
358
schandalig leefden, en hen niet bestrafte. {Ie Boek der Koning. II. on III. hfdst. v. 13.)
Ten 8e , door niet beletten. Op deze wijze maken zij zich aan vreemde zonden schuldig, die krachtens hunnen staat, hun ambt , of tengevolge van eene overeenkomst, een contract, verplicht zijn te beletten, te voorkomen, dat hunne onderdanen deze of gene bepaalde zonde bedrijven t oi zich aan 't naaste gevaar blootstellen van ze te bedrijven , en aan deze verplichting vrijwillig te kort blijven. Dus misdoen op deze wijze ouders en oversten, die, zooveel zij kunnen , hunne kinderen en onderdanen niet verwijderd houden van gevaarlijke bijeenkomsten ; die niet ernstig en naarstig toezien , waken tegen een ontijdig, eenzaam verkeer, enz.
Ten 9e, door niet overdragen , d. w. z. , door zonden van een ander , welke ergernis of kwade gevolgen veroorzaken , niet bekend te maken aan degenen, die ze kunnen en moeten beletten , omdat zij daartoe uit plicht van staat of eenige verbintenis gehouden zijn, gelijk met ouders en oversten het geval is.
Op die manier maakt men zich aan vreemde zonden plichtig als men, bv., weet. dat een medehuisgenoot, een medeleerling, zonden doet, die uit haar aard rechtstreeks er toe leiden om andere huisgenooten of scholieren zedelijk te bederven, en dien ergernisgever aan de bevoegde oversten niet bekend maakt, niet overdrai gt.
Immers als lidmaat van een huisgezin , van eene school of een gesticht , is men verplicht voor deszelfs algemeen welzijn zorg te dragen, bederf er uit te weren, zoo goed als men kan.
ïen slotte bemerke men n.) dat vreemde zonden , dagelijk-sche of doodzonden kunnen zijn. (Vgl. vorige .Les, 5e en 10e V.)
h.) Dat, als men zich op eene der opgenoemde wijze heeft medeplichtig gemaakt aan eene vreemde zonde, die eene doodzonde is, het dan niet genoeg is zich in de Biecht te beschuldigen door in 't algemeen te zeggen, dat men tot rfoofüzonde door een ander bedreven op eenige manier geholpen heeft. Want men moet in dit geval daarenboven zeggen, tot
359
m-elke doodzonde men geholpen hoeft. Want door enkel â te verzuimen te straffen, beletten of overdragen , als wij er, â volgens de gegevene verklaring, toe gehouden zjjn, maken -wij ons , zoowel als door aanraden , beschermen , gebieden , prijzen , mededealen , behagen nemen , medeplichtig aan alle â¢die zonden , welke anderen tengevolge van ons aanraden , of â verzuimen bedrijven , ten minste voor zoover wij die eenigs-zins hebben voorzien. De reden , waarom wij die doodzonden in de Biecht moeten verklaren , is , dat men eens alle doodzonden moet biechten, aan welke men zich , na een naarstig onderzoek van geweten , plichtig bevindt. (Vgl. 35e Les, 24e en 32e V.) Welnu , doodzonden , die wel door anderen bedreven zijn, maar waartoe wij op eenige opgenoemde wjjze geholpen hebben , hebben wij meegedaan; tvij zijn er medeplichtig aan , en moeten ze dus zoowel in 't bijzonder belijden, ^als de doodzonden die we persoonlijk bedreven hebben.
3 V. Welke zonden noemt men hoofdzonden ? A. Die zonden, welke gelijk oorsprong eu ibeginsel zijn van vele andere zonden.
In dit antwoord leert ons de Catechismus welke zonden hoofdzonden genoemd worden en waarom. Hoofdzonden, zegt de â¢Catechismus , noemt men die zonden, welke gelijk, d. w. z., als 't ware of, bij vergelijking, in figuurlijken zin gesproken, oorsprong, hoofdbron zijn, waaruit vele andere zonden voortvloeien, â en beginsel, oorzaak, waaruit vele andere zonden voortkomen. Ze worden dus //oo/tfzonden genoemd, omdat ze ons, indien â¢we er aan toegeven, uit haar aard tot vele andere zonden aanzetten , aandrijven.
Hebt ge dit antwoord goed begrepen , dan behoef ik u miet meer te zeggen, dat de hoofdzonden zóó niet genoemd worden, alsof, of omdat zij de zwaarste zijn van alle zonden. Neen; uit haar aard zijn, bv., godslastering en vrijwillige doodslag grootere, zwaardere zonden dan de hoofdzonden.
Hebt ge het antwoord van den Catechismus goed verstaan
360
dan zalt ge tevens begrepen hebben , dat de hoofdzonden zóamp; ook niet genoemd worden, alsof, of omdat ze altijd doodzonden zijn. Neen. De hoofdzonden zijn , gelijk de overige overtredingen der wet Gods , dan alleen doodzonden, als ze gedaan worden met genoegzame kennis en genoegzamen vrijen wil r en yrootelijks strijden tegen de eet' van God of ons eigen welzijn of dat can onzen naaste. (Vorige Les, 5e V.)
De hoofdzonden zijn zeer dikwijls, en sommige uit haar aard slechts dagelijksche zonden, bv. , toegeven aan eene kleine hoovaardigheid , eigenliefde , afgunst , gramschap , gulzigheid, enz. Dus niet in die beteekenissen of om die redenen, maav omdat iedere hoofdzonde, oorsprong en beginsel is van vele andere zonden , worden ze ieder afzonderlijk , en alle samen, genomen, te recht hoofdzonden genoemd.
4 V. Hoeveel hoofdzonden zijn er ?
A. Zeven : hoovaardigheid, gierigheid, onkuisch-heid, nijdigheid, gulzigheid, gramschap en traagheid.
De eerste hoofdzonde , de hoovaardigheid is eene ongeregelde zucht naar eigen voortreffelijkheid. Aan deze zonde maakt men zich schuldig wanneer men zich hooger acht, schat, dan men is. Dit geschiedt vooral op vier manieren : a.) wanneer men datgene, wat men is of heeft niet aan God , maar aan-zichzelven toeschrijft. In dat geval acht men zich blijkbaar hooger dan men inderdaad is, dewijl we alles wat we zijn en bezitten , van God ontvangen hebben.
b.) Als men wel erkent hetgeen men is en al wat men bezit van God ontvangen te hebben, maar die gaven aan zijne eigeneverdiensten toeschrijft, als waren deze de oorzaak waarom men die gaven ontving. Door zoo te handelen of te oordeelen Bchat men zich alweer hooger dan men waarlijk is , dewijl wij én het natuurlijk én het bovennatuurlijk leven zonder onze eerdiensten van God ontvangen. Deze twee soorten van-hoovaardigheid zijn uit geheel haar aard doodzonden, want ze sluiten eene zekere ketterij in ; immers op de eerste manier mis- ja ontkent men , dat God de gever is van alle
361
goed, en op de tweede manier, dat Hij de vrije gever is van alle goed, die in zjjne souvereine majesteit aan niemand iets verschuldigd is. Vooral op hoc vaardigen van dien aard slaat de berisping van den H. Paulus : , JVal hebt gij , dat ye niet van God ontcangen hebt ? En zoo gij het van Hem ontvangen hebt, wat beroemt gij u dan alsof ge het niet ontvangen had? alsof ge het aan u zeiven, aan uwe eigene verdiensten te danken hadt ? (I Br. aan de Korinth. IV. 7. 8.)
c.) Wanneer men zich goede hoedanigheden toeschrijft, welke men niet heeft, of die men heeft, overschat, vergroot, overdrijft. Onnoodig nader te verklaren , dat men zich op die wijze hooger schat dan men wezenlijk is. Zóó zondigt zelfs uiterlijk alwie door weelde , door luxe in zijn huishouden , door kleederpraclit, door spreek- of handelwijze zich boven zijn staat verheft.
d.) Als men om afkomst, fortuin, natuurlijke begaafdheden , talenten van lichaam of ziel , of om zijne uit hun aard deugdelijke werken met versmading of minachting op anderen neerziet.
Zoodanig was de farizeër gezind ten overstaan van den tollenaar. In de verwaandheid zjjns harte hield hij zich zeiven voor rechtvaardig, en zag uit de hoogte met verachting op anderen, met name op den oot- en rouwmoedigen tollenaar neder. (Vgl. Luc. XVIII. 9 â 14.)
Wie toch onderscheidt u ? mag men aan zulke hoovaardigen vragen : Wie verklaart u voor uitnemender dan anderen ? Is het niet enkel uwe eigenliefde, of het bedriegelijk oordeel van men-schen , die alleen het uiterlijke zien ? Gesteld, ge hebt waarlijk meer talenten dan anderen , dan past wederom de vraag : II ie toch onderscheidt u van anderen door meerdere gaven , en verheft u boven hen? Is het niet God? en wat hebt ge, dat ge niet van Hom ontvangen hebt? En zoo ge het ontvangen hebt, ivat beroemt, verheft ge u dan boven anderen , alsof ge ook die meeidere talenten niet ontvangen hadt van God, die, in zijne souvereine majesteit, uit louter goedheid aan een iegelijk toedeelt gelijk Hij wil. {I Br. aan de Korinth.) Hun die zich, gelijk de Farizeeën op hunne deugd laten voorstaan , zij de
S62
^uitspraak van Christus herinnerd: âGij zijt het, die n zeiven rechtvaardigt voor de menschen , maar God K-ent uwe harten ; want uat hoog in aanzien is onder de menschen, wat den menschen uitmuntend toeschijnt en prijzenswaardig, is dikwerf een gruwel voor God. (Luc. XVI. 15.) Hij, die roemt, wie roemen wil, hij roeme niet op zichzelven , maar op derh Heer, aan wien hij alles te danken heeft; want niet hij die in plaats van op den Heer te roemen , op zichzelven roemt en zoodoende zichzelven prijst, is een beproefde , lofwaardig , maar hij, dien God prijst, die is inderdaad prijzenswaardig. (II Br. aan de Korinth. X. 17. 18.)
Tengevolge der erfzonde zijn alle Adam's kinderen min of meer tot hoogmoed geneigd , ja er mee behebt. Daarom is het zaak de kwaadaardigheid dezer hoofdzonde meer uitvoerig aan te toonen. Doch om die reden is het tevens gelukkig, dat de twee laatste meer gewone soorten van hoovaardigheid, op zichzelve beschouwd , gewoonlijk maar dageljjksche zonden zijn. Als hoofdzonde leidt de hoovaardigheid rechtstreeks tot ijdele glorie, die bestaat in de ongeregelde zucht om eigene grootheid, voortreffelijkheid aan anderen bekend te maken, te doen blijken. Door middel der ijdele glorie, leidt â de hoovaardigheid verder tot ongehoorzaamheid , zooal niet van de daad en van den wil, zoodat men de bevelen of voorschriften zijner oversten niet, of niet gewillig nakomt, dan toch tot ongehoorzaamheid van 't verstand , waardoor men de voorschriften der oversten beknibbelt, er over redeneert, als niet doelmatig, niet practisch, te veel eischend , enz. â Tot pocherij , tot snoeverij , tot grootspraak over afkomst, rijkdom , geleerdheid, bekwaam- en ervarenheid in dit en dat, in één woord , tot praalzucht en ijdele vertooning, enz. â Tot geveinsdheid, door zich anders voor te doen, als men gezind is, door zijne gebreken niet te willen erkennen, voor zichzelven te vergoelijken, ze dus ook niet te willen belijden, ja , te ontkennen, er om te liegen zelfs in de H. Biecht. â Tot twist en tweespalt, tot hardnekkigheid enz. enz.; soms tot onrechtvaardigheid ; men wil groot doen , en maakt daarom groote schulden , die men kan en moet voorzien niet of
363
niot op tijd te kunnen betalen ; op deze manier aan hoovaardig-heid toegeven is zeker doodzonde. (Vgl. bl. 15(i.) Van alle deze, en nog van veel meer andere zonden is de hoovaardigheid,
⢠de vrijwillig ingevolgie ongeregelde zucht naar eigen groot-:heid, oirsprong en beginsel. Wezenlijke hoovaardigheid wordt dus terecht onder de hoofdzonden gerekend.
Men moet echter hoovaardigheid goed onderscheiden van het besef en gevoel van wezenlijke eigenwaarde, van de waardoering en ophouding van zijn rechtmatig verkregen staat en ;stand. Deze zucht is op zichzelve «ïW geene zonde,
maar zelfs eene deugd , en het mag dus niet als hoovaardij worden beschouwd of beoordeeld, als men, volgens zijn rechtmatig verkregen staat , wil geëerbiedigd , geëerd en gehoorzaamd worden , en dienovereenkomstig, zoover eigen fortuin of bezoldiging toelaat, zijne levenswijze regelt, inricht.
De ticeede hoofdzonde, gierigheid, is eene ongeregelde zucht om tijdelijk goed te verkrijgen of te bewaren. De zucht en â¢de begeerte om geld en andere aardsche goederen te verkrijgen â¬n te bewaren, in zooverre die noodzakelijk of nuttig zijn om volgens staat en stand te leven, is overeenkomstig de gezonde rede , en is dus geer. gierigheid : maar wel , als we ze boven dien regel, boven die maat begeeren ; want dan is de zucht naar tijdelijk goed ongeregeld, on- of hovoi-matig. Die ongeregelde zucht leidt uit haar aard tot vele andere zonden, vooral tot hardvochtiglieid jegens den arme, tot bedrog in woorden en werken, tot ontrouw, ja, verraad, zooals blijkt uit Judas, die uit geldzucht zijn goddelijken Meester voor dertig zilverlingen (eene som van ongeveer veertig gulden) aan^ de Opperpriesters der Joden overleverde. (Vgl. Matth. XXVI. 14. enz.) Al is gierigheid uit haar aard
⢠slechts eene dagelijksche zonde, ingevolgd voert ze allengs toch dikwijls tot de grootste gruwelen. Ook deze waaiheid blijkt uit de geschiedenis van Judas, den Iskariother, die Jesus verraden heeft. In dien zin zegt het boek, genaamd Kcclesiasticus ; âNiets is hoozer dan een geldzuchtig niensch. Niets is snooder dan de vrekheid; icant zulk een niensch .heeft zelfs zijne ziel veil. (X. v. 9. 10.)
364
De derde hoofdzonde, onkuischheid, is e.em ongeregelde zucht naar vleeschelijke wellusten. Onkuischheid ingevolgd leidt tot vele andere zonden , vooral tot ongehoorzaamheid aan de bevelen van ouders en oversten om den omgang met die en die slechte makkers te vermijden, deze of gene gevaarlijke bijeenkomsten, voorstellingen niet bij te wonon, enz. enz. â Tot veinzerij, list en bedrog, en niet zelden tot heilig-schendende Biechten en Communiën, bij gebrek aan rechtzinnigheid in quot;t belijden dezer zonde , of bij gebrek aan het vaste voornemen om de naaste gelegenheid dier zonde te vermijden, of dorzelver gewoonte te verbeteren. â Tot verblind- en hardnekkigheid en eindelijk tot onboetvaardigheid , soms tot zeltmoord.
De cierde hoofdzonde, nijdigheid, is verdriet over het geluk can den naaste opgenomen, aangezien, beschouwd als ons eigen ongeluk, of als verkleinde het geluk van den naaste ons eigen geluk. (Vgl. 27e Les, 3e V. bl. 149.)
Nijdigheid , jaloerscliheid , jaloezie ontstaat vooral tusschen degenen, die met elkaar eenigermate in bekwaamheid , in waardigheid , of vooruitzichten om tot deze of gene waardigheid of bediening te komen , meenen gelijk te staan. \ ooral voor kinderen, die door naijver tot plichtbetrachting moeten worden aangespoord, kan 't zjjn nut hebben , 't verschil aan te stippen tusschen nijdigheid en welgeordenden naijver. Deze toch bestaat in de zucht en het streven om degenen , die ons in kennis of deugd overtreffen , te evenaren , aan hun gelijk te worden, ja, zoo mogelijk, hen nog te overtreffen, niet omdat wij het geluk , het goede, dat we in onze metgezellen bespeuren benijden als ons eigen ongeluk, of beschouwen als verkleining van ons geluk , maar omdat wij , door hunnen voorrang in wetenschap of deugd , beter inzien wat ons ontbreekt , hoever wij , bij hen vergeleken , ten achteren staan , en daardoor aangemoedigd worden om beter ons best te doen hen in te halen, ja, zoo mogelijk, vóór te komen. Zoodanige naijver is goed en prijzenswaardig.
Nijdigheid is uit haar aard altijd kwaad, en verleidt den-gene, die er aan toegeeft, tot vele andere zonden, vooral tot.
365
vreugde over des naasten tegenspoed; tot kwaadsprokendheid, laster , oorblazerij , (die vrienden tegen elkaar inneemt) haat , soms zelfs tot moord. Uit nijd toch heeft Caïn zijn broeder Abel gedood; uit nijd hebben de zonen van Jacob hunnen broeder Joseph verkocht ; uit nijd stond Saül David naar het leven; uit nijd leverden de Fariseën en Schriftgeleerden Jcsus, den Messias , den Verlosser, ten dood.
De vijfde hoofdzonde, gulzigheid, is de ongeregelde zucht vaar spijs en drank. Die zucht is vooral dan ongeregeld, als men de behoorlijke maat in eten of drinken te buiten gaat, overdaad doet. Die maat is voor allen niet dezelfde, maar moet naar ieders gestel en omstandigheden beoordeeld worden. quot;Wat te veel, wat overdaad is voor A. , kan voor B. niet te veel, ja niet eens voldoende zijn. De eene mensch heeft meer , de ander minder spijs of drank noodig tot instandhouding zijner gezondheid, ter vernieuwing zijner werkkrachten; allen kunnen ook niet evenveel spijs of drank zonder hinder verdragen; zelfs kan voor één en denzelfden persoon de hoeveelheid spijs of drank, die hem in deze en gene omstandigheden volstrekt niet hindert, bezwaart, benevelt of bedwelmt, in andere omstandigheden hinderlijk, te veel, overdaad voor hem zijn. Om dus in 't bijzonder te bepalen of iemand aan ongeregelde zucht naar spijs of drank hebbe toegegeven, m. a. w. , of iemand de behoorlijke maat, d. w. z., die maat, welke zijner gezondheid noodig of nuttig is, hebbe te buiten gegaan, overschreden , moet men met alle omstandigheden van dien persoon in 't bijzonder rekening houden.
Intusschen blijft het, in 't algemeen gesproken, waar, dat men zich vooral dan aan gulzigheid schuldig maakt , als men willens en wetens te veel eet of drinkt, d. i., meer dan voor de instandhouding of bevordering der gezondheid dienstig is.
Uit ingevolgde gulzigheid komen vele andere zonden voort, bv. , snoeplust , welke dikwijls tot leugentaal en diefstal voert; onbetamelijkheid in gesprekken, gezangen of gebaren ; â verzuimenis zijner plichten van staat of godsdienstigheid, vooral echter dronkenschap , die den mensch tijdelijk berooft van het gebruik der kostbare gave van zijn verstand, hem
366
gelijk maakt aan het uier, armoede en ellende en niet zeldeiï het eeuwig ongeluk na zich sleept.
De zesde hoofdzonde, f/run,schap, is de onyeregelde zucht naar wraakneming. (Vgl. 27e Les, 3e V. bl. 149.) Zij leidt tot vele andere zonden, bv., tot twist, beschimpingen, vei-wenschingen, verwondingen, doodslag, vijandschap, godslasteringen enz. . ... .7
Eiidelijk de zevende hoofdzonde, traagheid, is droefheid ui verdriet in goddelijk goed , d. w. z. , in geestelijke zaken ol oefeningen; m. a. w. , in hetgeen God of de zaligheid aangaat dus in datgene wat den dienst van God betreft, en dat wel om de moeite, welke daarmede gepaaid gaat. Geestelijke traagheid of lauwheid ingevolgd heeft vele andere zonden tengevolge, bv het verwaarloozen of voor evenveel verrichten van godsdienstplichten , (morgen-, avond-gebed, de H. Mis, leci ec Communie); afkeer, wrevel tegen degenen d'e tiafe
tot ijver in don Godsdienst opwekken ; uitgestortheid des harte,, dat afleiding en verstrooiing zoekt in zinnelijkheden ; raoecle-loosheid, lafhartigheid, mis- en wantrouwen van, ot omgekeerd vermetel vertrouwen op Gods goedheid.
5 V. Welke zonchn noemt men zonden tegen-
den H. Geest?
A. Zonden , die slechts uit boosheid geschieden,, en bijzonder strijden tegen de goddelijke barmhartigheid , en daarom zeer zelden vergeven worden.
Zonden tegen den H. Geest noemt men die dadelijke zonden,, welke de twee volgende eigenschappen in zich veieemgen:
Ten le , dat ze slechts , enkel, uit hoosheid , d. w. z., niet onder den invloed van kwade driften en der daaruit voortvloeiende zwakheid van den wil, maar enkel uit boosaardigen. wil geschieden, d. i., uit oen wil, die , alleen uit vrije ver-kiezino- in de boosheid der zonde toestemt, behagen neemt.
Ten 2e, dat ze bijzonder strijden tegen de goddelijke harm-hartigheid.
367
Do Catechismus zegt: en bijzonder, d. i. , niet op gewone wijze , niet gelijk sommige andere zonden , middellijk, maar op geheel bijzondere manier, eigenaardige wijze, nl., rechtstreeks strijden tegen de god lelijke barmhartigheid.
Deze eigenschap Gods wordt hier uitdrukkelijk vermeld,. niet in dien zin alsof alle zonden tegen den H. Geest, rechtstreeks enkel en alleen strjjden tegen Gods barmhartigheid ,. in zoover deze, volgens onze manier van spreken, onderscheiden is van Gods overige eigenschappen ; vermetel vertrouwen toch strjjdt rechtstreeks tegen Gods rechtvaardigheid; eene welbekende waarheid des geloofs bestrijden , strijdt rechtstreeks tegen Gods waarachtigheid, enz.; maar omdat de meeste en ten laatste, ir slotsom , alle zes (zie volg. V.) rechtstreeks strijden tegen Gods barmhartigheid. Immers, het tweede ver-eischte om zonden in waarheid zonden tegen den H. Geest te kunnen noemen , nl. , dat ze bijzonder strijden tegen de goddelijke barmhartigheid , w. z., dat ze bestaan in het verachten, verwerpen , verstoeten van de middelen , waardoor de goddelijke barmhartigheid, m. a. w.. God in zijne oneindige barmhartigheid ons vergittenis onzer zonden schenken, en de eeuwige gelukzaligheid wil doen verdienen. Uit den aard, de natuur zelve dier zonden volgt dan ook, dat ze zeer zelden vergeven worden.
Waarom worden ze zeer zelden vergeven ?
Om twee redenen , welke de Catechismus in zijne bepaling dier zonden duidelijk aangeeft: a). Omdat ze slechts uit boosheid geschieden , en dus geene enkele reden van verontschuldiging inhouden, bevatten, en vooral b.), omdat zo bijzonder strijden tegen de goddelijke barmhartigheid. Dat wil immers zeggen: omdat ze vooral bestaan in eene moedwillige ver-worping der goddelijke barmhartigheid, m. a. w., der middelen, die noodzakelijk zijn om vergeving van zonden te bekomen , en den hemel te verdienen , en die God in zijne barmhartigheid den menschen van goeden wil altoos wil verleencn. Doch wie tegen den H. Geest zondigt is, zoolang hij in die gezindheid, in die stemming blijft, in dian toestand verkeert, rechtstreeks in opstand tegen God zeiven , en onvatbaar voor ver-
368
geving. De laatste woorden van het antwoord van den Catechismus : âen daarom zeer zelden vergeven wordenquot;, beteekenen das niet, dat God aan degenen , die boos genoeg zouden geweest zijn deze zonden te bedrijven , geene vergiffenis of maar zeer zelden vergeving wil schenken, als zij de vereischte voorwaarden om vergiffenis te bekomen, willen volbrengen. Neen; honderd en duizend maal , neen ; want als de mensch, ware het ook slechts op het laatste oogenblik van zijn leven, de gestelde voorwaarden om vergiffenis zijner zonden en de eeuwige zaligheid te verkrijgen , oprecht wil volbrengen, dan weigert God in zijne grenzelooze barmhartigheid nooit vergiffenis te schenken , de middelen te verleenen ter zaligheid noodig.
De reden dus waarom de zonden tegen den H. Geest zeer zelden vergeven worden is ook niet daarin gelegen , dat God zijner H. Kerk de middelen heeft laten ontbreken om die zonden te vergeven. Immers in de H. Kerk is er vergiffenis te bekomen van alle zonden, hoe (/root in getal en hoe zwaar in boosheid , die ook zijn. (16e Les , 2e en 6e V.) Maar de schuld daarvan ligt enkel in de boosheid dergenen , die zich aan die zonde plichtig maken; hierin nl., dat zij er zeer zelden oprechte boetvaardigheid over willen doen, juist omdat zij de middelen om ware boetvaardigheid te doen, verachten, verwerpen en verstooten.
Nu ge weet welke zonden men noemt zonden tegen den H. Geest, nl., die zonden, die slechts uit boosheid geschieden, en bijzonder strijden tegen de goddelijke barmhartigheid, en daarom zeer zelden vergeven worden , kan het ook nog zijn nut hebben er op te wijzen, waarom men dat soort van zonden â Lonamp;en noemt tegen den TI, Oeest? Vanzelf zult ge uitliet hier t. p. en elders in don Catechismus geleerde wel begrepen hebben, dat deze zonden eveneens en evenzeer tegen God den Vader en tegen God den Zoon strijden als tegen God den H. Geest. Want ze geschieden rechtstreeks tegen de goddelijke barmhartigheid, dus tegen God zeiven. Ja, deze zonden strijden eveneens en evenzeer tegen God den Vader, en togen God den Zoon als tegen God den H. Geest, omdat de drie
369
â goddelijke Personen alle drie maar één en hetzelfde goddelijk wezen of dezelfde goddelijke natuur hebben , (6e Leg, 2e V.) cn daarom ook alle drie zoowel als even oud of eeuwig, even â wijs en even machtig , (t. a. p. 5 V.) ook even oneindig heilig zijn en de zonde oneindig haten. Kogtans worden aan ieder â¢der drie onderscheidene goddelijke Personen eenige eigenschappen meer bijzonder toegeschreven , nl. God den Vader de-macht, God den Zoon de wijsheid, en aan God den H. Geest de heiligheid, d. i., onze heiligmaking (t. a. p., 6e V.). Immers het voornaamste werk van den H. Geest is, dat Hij de lidmaten der ware Kerk van Christus door de mededeeling zijner gratiën heilig maakt. En onze heiligmaking wordt aan den H. Geest bijzonder toegeschreven omdat Hij de Liefde is van den Vader en den Zoon, en uit Gods liefde onze heiligmaking voortkomt. (13e Les, 6e en 7e V.) Welnu, juist omdat onze heiligmaking, of de middelen ter zaligheid den H. Geest bijzonder worden toegeschreven, worden de zonden, waardoor men die middelen slechts uit boosheid verwerpt, bijzonder zonden tegen den H. Geest genoemd.
6 V. Welke zijn de zonden tecjen den H. Geest P
A. Deze zes : 1. aau Gods genade wanhopen ; 2. vermetel, dat is , zonder deugd op Gods barmhartigheid vertrouwen ; 3. eene wel bekende waarheid des geloofs bestrijden ; 4. de deugd en genadegunsten zijns naasten benijden ; 5. hardnekkig zijn in de boosheid ; 6. verachten het berouw of de boetvaardigheid.
De zonden tegen den H. Geest zijn deze zes: 1. Aan Gods genade wanhopen, d. w. z., de eeuwige zaligheid en de middelen, die daartoe noodig zijn , van God niet willen verzoeken en verwachten. (Vgl. 18e Les, 3e V.) De wanhoop strijdt tegen het eerste gebod. (Vgl. 22e Les, öe V.) Let wel op , dat de Catechismus hier niet enkel zegt : wanhopen, maar aan Gods
C 24
370
yenade wanhopen, om te kennen te geven, dat niet alle wanhoop eene zonde is togen den H. Geest. Zoo, bv. , iamp; wanhoop , die enkel voortkomt uit kleinmoedigheid en traagheid , die het bewerken der zaligheid als iets zoo moeilijk en lastig voorstelt, dat men zulks voor ziohzelven als onmogelijk beschouwt, geene zonde tegen den H. Geest, omdat zoodanige wanhoop ten Ie , niet enkel uit kwaden wil . maai uit eene drift voortkomt , te weten , uit gebrek aan moed en uit traagheid, en ten 2e , omdat ze niet rechtstreeks Gods barmhartigheid , m. a. w. , de middelen ter zaligheid, die God ons in zijne barmhartigheid beloofd heeft , verwerpt.
De woorden van den Catechismus : âaan Gods genade tean-hopenquot;, beteekenen in hunnen natuurlijken zin, dat, als zonde-tegen den H. Geest alléén die wanhoop te beschouwen is. welke rechtstreeks voortkomt uit wantrouwen aan Gods almacht, goedheid en getrouwheid in zijne beloften ; waardoor men met opzet weigert de eeuwige zaligheid en alles wat ons daartoe helpen kan, vooral de vergiffenis zijner zonden, of de heilig-makende gratie, en dadelijke gratiën, die ter zaligheid noodig zjjn , van God te verzoeken en te verwachten ; in één woord: waardoor men de middelen ter zaligheid, die God in zijne barmhartigheid ons belootd heelt, bepaald verstoot en veiweipt.
Als betreurenswaardige voorbeelden dezer zonde doen zicli in de H. Schrift vooral Caïn en do Apostel Judas voor.
2. Vermetel, d. i., zonder deuyd op Gods barmhartigheid vertrouwen, w. z., zonder Gods geboden te willen onderhouden , zonder eene doodzonde, welke die ook zij , te willen vermijden, of zonder er boetvaardigheid over te willen doen , toch van God vergiffenis zijner zonden , de eeuwige zaligheid verwachten. (Vgl. 18e Les , 3e V.). Aan deze zonde tegen den H. Geest maken zij zich plichtig , die koelbloedig en moedwillig instaat van doodzonde voortleven, en nog tan s. voor zeker houden , dat God in zijne barmhartigheid hen niet met de hel straffen zal.
3. Eene welbekende waarheid des gelonfs bestrijden. Ook maar e'cne waarheid des geloofs, d. w. z., eene waarheid die God geopenbaard heeft en do II, Kerk voorhoudt te goloo-ven
371
(Se Les, le en â¢lo V.), en die men ah zoodanig u-el kent, m. a. w, , die men zekei' weet , dat dooi' de H. Kerk als geloofswaarheid wordt voorgesteld , voorgehouden , hardnekkig bestrijden, om ze als valscli ot' ten minste als twijleiachtig te doen doorgaan , is de derde zonde tegen den li. Geest.
Een droevig voorbeeld dier zonde gaven die Joden , welke getuigen waren van de mirakelen, die Christus deed ten bewijze Zijner Godheid, waardoor ze zeker moesten zijn van do goddelijkheid zijner leer, maar toch Hem en Zijne leer hardnekkig verwierpen en bestreden. Aan deze zonden maken zich ook die ketters plichtig , welke het Koomseh Katholiek Geloof, of ook slechts ééne waarheid des geloofs bestrijden.
De Catechismus zegt: Eene welbekende waarheid des geloofs bestrijden, is eene zonde tegen den H. Geest, cpdat niemand meene, dat hij aan deze boosheid plichtig is, die eene andere welbekende waarheid stokstijf loochent, tegenspreekt , en bestrijdt door tegen zjjne overtuiging, tegen beter weten in, schijnredenen aan te halen ter bevestiging van zjjne leugen. Bv.: Iemand weet zeker dat zijn vriend dit of dat gedaan heeft; hij liegt bij kris en kras , dat zijn vriend liet niet gedaan heeft ; houdt zulks hardnekkig vol , en haalt bewijzen aan waaruit schijnt te volgen, dat zijn vriend het werkelijk niet gedaan heeft. Zóó liegen is , gelijk liet spreekwoord zegt, liegen als een ketter, maar toch is het geenszins eene zonde tegen den II. Geest, omdat men geene welbekende waarheid des geloofs bestrijdt.
4. De deugd en de genadegunsten zijns naasten benijden is de vierde zonde tegen don II. Geest.
Ze bestaat hierin, dat men zijnen evennaaste benijdt dat hij wezenlijk deugdzaam i;;, of zich oprecht bekeerd heeft en nu deugdzaam leeft , en dientengevolge Gode welgevallig is, door God bemind en met genaden, gratiën begunstigd wordt, zoodat men door die zonde ook de genadegunsten zijns naasten benijdt. Zoo benijdde Caïn zijnen broeder Abe!, omdat God met welbehagen nederzag op de offerande van Abel, die ze mot een deugdzaam hart had opgedragen. {Boel.- der Schcpp. IV, 1âö.) Zoo zondigden de Joden, welke hardnekkig
372
â
verbitterd en afgunstig waren over de roeping der Heidenen a
tot het geloof in Christus. Zoo zondigen nog die goddeloozen, JJ
â welke spijtig en wrokkig de bekeering der Heidenen in j w
Afrika enz., van Protestanten in Engeland enz., de godsdien- vi
stigheid van onze goede bevolking aanzien, en door allerlei A middelen trachten tegen te gaan. Hunne zonde komt voort
als uit haat jegens God , en geschiedt dus enkel uit boosheid, v
en strijdt rechtstreeks tegen Gods barmhartigheid; is dus we- ! u
zenlijk eene zonde tegen den H. Geest. Van die zonde moet g
men dus goed onderscheiden den nijd, of de afgunst waaraan n
iemand zou toegeven , omdat zijn naaste hem in deugdzaam- d
heid of genadegunsten overtreft. Immers deze zonde komt ^ z
niet enkel uit boosheid, maar uit de drift van ijdele glorie , i
van hoovaardigheid voort, en strijdt niet rechtstreeks tegen i:
Gods barmhartigheid , aangezien hij die aan dezen nijd toe- t; geeft, Gods genadegaven of gunsten niet op zich zelve ver
smaadt , maar zijn' naaste alleen misgunt, dat hij hem in â deugd en genadegaven overtreft.
5. Hardnehkig zijn in de hoosheid , w. z., enkel uit boos- ;
heid, kwaadwilligheid de middelen ter bekeering hdstarrig 1
verwerpen. Dus ondanks alle middelen, waardoor God in lt;
zijne oneindige barmhartigheid den zondaar tot bekeering i
aanmaant, bv. door knagingen van geweten, van con- l
scientie, door vermaningen van zijne geestelijke oversten of van ouders, welmeenende vrienden enz., ook al door plotselijke sterfgevallen onder familieleden of bekenden , enz. enz. , toch maar, niet alleen moedwillig in zonden voortleven , maar bovendien al die aanmaningen tot bekeering eenvoudig weg verachten, er zich hardnekkig tegen verzetten, is hardnekkig zijn in de hoosheid. Zóó zondigden de Joden, die alle vermaningen welke God hun door woorden en wonderdaden gegeven had, verwierpen, en de Profeten vervolgden, die God tot hen afzond, gelijk de eerste martelaar , de H. Stephanus,
hun in alle waarheid onder het oog bracht, zeggende: Hard-nekkigen en onhesnedenen van hart en van oorenaltijd wederstaat gij den H. Geest: gelijk uwe vaderen , alzoo ook gij.
W/en van de Profeten hehhen uwe vaderen niet vervolgd ? Ju,
373
en gedood hebben zij hen , die de homst voorzegden van den ReeMmardige, wiens verraders en moordenaars gij na ge-worden zijt ; gij, die de wet hebt ontvangen onder hesch il-lcing van Engelen, en haar niet onderhouden hebt! (Handel, der Apust. VII. 51â53).
Er bestaat dus een groot onderscheid tusschen zulke booswichten en degenen, die, ongelukkig genoeg , in hunne zonden uit zwakheid of tengevolge der lievigheid hunner driften, wel gedurig hervallen , ja, er als moedwillig in voortgaan , maar toch de aanmaningen tot bekeering- niet verachten , doch ze enkel niet opvolgen , niet nakomen. Zeker zijn ook zoodanige zondaars, groote zondaars; blijkbaar verkeeren zij in groot gevaar voor eeuwig verloren te gaan; doch zij zijn nog niet schuldig aan de zonde tegen den H. Geest, die bestaat in hardnekkig zijn in de boosheid.
6. Verachten het berouw of de boetvaardigheid, w. z. , opzettelijk het voorneman maken geene boetvaardigheid te doen over zijne zonden , zelfs niet in het uur van zijnen dood , en zelfs dan het berouw, zonder hetwelk nooit zonden kunnen vergeven worden (35e Les, 7e V.), te verachten, moedwillig te versmaden, te vorstooten. Zóó zondigen vooral degenen die de verbintenis aangaan van zelfs op hun sterfbed de Heilige Sacramenten te weigeren (de solidairen).
Zij , die niet met opzet, maar slechts uit zwakheid van wil om aan hunne driften weerstand te bieden , in zonde voortleven zelfs tot op hun sterfbed toe , zijn daarom nog niet aan deze zonde tegen den H. Geest schuldig; want ze doen wel geene oprechte boetvaardigheid , maar zij verachten ze toch niet; ze gaan wel in hunne zonde voort, maar toch niet enkel uit boosheid. Zij doen dus geene zonde tegen den H. Geest. (Vgl. 5e V.)
7 V. Waarom worden sommige zonden yenoemd wraahrovpende zonden ?
A. Omdat zij door hare groote boosheid Gods rechtvaardige wraak ook in deze wereld afroepen.
374
Sommige zonden, {welke , leert liet volgend Antw.) worden wraahroepende zonden genoemd , onulut zij door hare eigenaardig f/roote boosheid , Gods reclifvuardic/e tvraak , strai , niet nlleen in de andere wereld, in de eeuwigheid, in de hel nfeischen , als ze niet door oprechte boetvaardigheid vergeven zijn , maar ook in deze wereld afroepen. Dit doen zij door do boosheid, die haar eigen is, altijd en aanstonds als ze bedreven worden; maar in zijne oneindige wijsheid straft God die zouden in deze wereld niet altoos of aanstonds, maar alleen van tijd tot tijd, dan nl. , wanneer oene voorbeeldige straf noodig is om ook anderen van 't bedrijven dier zonden af te schrikken, te weerhouden.
8 V. Welke zijn de wraakroepende zonden ? A. Deze vier: l. vrijwillige doodslag; 2. on-kuischheid tegen de natuur; 3. verdrukking van armen , weduwen en weezen ; 4. achterhouden het loon der werklieden.
De wraakroepende zonden zijn deze vier:
1. Vrijwillige doodslag, die bestaat in een ander, zonder wettige macht en reden, vrijwillig te dooden, op wat wijze dit ook geschiede. (Vgl. 27e Les, 2e V. over het vijfde gebod.) Dat deze zonde eene wraakroepende zonde is blijkt duidelijk uit de woorden, welke God sprak tot Caïn, die den eersten vrijwilligen doodslag heeft bedreven: â Wat hebt gij gedaan ? de stem van het bloed uws broeders roept tot mij van de aardequot; om rechtvaardige wraak. Om het menschdom door een schrikwekkend voorbeeld van dien gruwel te weerhouden, strafte God Caïn zichtbaar. âDaarom zult gij vervloekt zijn op de aarde , welke haren mond geopend en uws broeders bloed uit uwe hand heeft opgevangen. Als gij ze bebouwt, zal zij u hare vruchten niet geven: onrustig en voortvluchtig zult gij zijn op aarde.quot; {Boek der Schepp. IV. 10â 12.)
2. Onkulschheld tegen de natuur. Daardoor worden ver-
375
staan die onkuische werken , welke niet alleen door het zesde gebod (27e Les, 6e V.) en de natuurlijke rede verboden zijn, maar bovendien strijden tegen de natuurlijke bestemming der ledematen of krachten van 's mensohen lichaam.
De geschiedenis der goddelooze inwoners van Sodoma en Gromorrha bewijst te over, dat deze zonde wraak roept bij den Hoer. Immers , omdat zij zich aan deze hemeltergende zonde overgaven, sprak de Heer tot zijn vriend Abraham : â liet geroep (om wrake) van Sodoma en Gomorrha is vernieiiiy-mildigd, en hunne misdaad is bovenmate zwaar.quot; (Boek der Schepp. XVIII. 20.) En aan den rechtvaardigen Loth verkondigden 'sHeoren Engelen do vreesselijke straf, welke den inwoners dezer steden boven 't hoofd hing : â Want wij zullen deze plaats verdelgen , omdat haar geroep zeer hoog gestegen is voor den Heer, die o)is gezonden heeft om ze te verdelgenquot;. En werkehj k werden deze steden door zwavel en vuur verdelgd. {T. a. p. XIX. v. 13 en volgende.)
3. Verdrukking ran armen, weduwen en weezen.
Verdrukking van armen , weduwen en weezen, \v. hier z., krenking hunner rechten; armen, weduwen of weezen in hunne rechten krenken , bv. , door hen onrechtvaardig te bo-rooven van hetgeen ze nog bezitten ; door van hunnen ongeluk-kigen toestand gebruik te maken om hen tot zonde te verleiden, amen of weduwen als te noodzaken om hunne kinderen naar godsdienstlooze scholen te sturen , enz. onz. De H. Schriftuur â verzekert dat deze zonde waarlijk eene wraakroepende zonde is. In het tweede Boek van Mozes, {het hoek des Uitgangs XXII. 22 â 24) vroeg God het mededoogen van zijn uitverkoren volk Israël voor armen, weduwen eu weezen , en zeide op gebiedenden toon : üe weduwe en den wees zult gij niet henadeelen. Als gij hun onrecht aandoet, zidlen zij tot Mij roepen, en Ik zal hun geroep hoor en, en mijne ivoede (Ik in mijne woede) z/d verontwaardigd worden , en zal u door het zwaard verdelgen, en uwe vrouwen zidlen weduwen en uwe kinderen weezen ivorden.quot; Het Boek Ecclesiasticus bevestigt zulks niet minder â duidelijk. In het XXYe hfdst. v. 15 â 19 toch staat geschreven : vDc Heer is de Hechter, en iemands aanzien
376
geldt niet bij Hem. Hij is niet partijdig tegen den arme, en Hij verhoort het gebed des onderdrukten. Het smeekeii van een ouderloos kind versmaadt Hij .liet, noch de weduwcrouwT als zij zuchtend tot Hem klaagt. Vloeien de tranen der weduwen niet af van hare wangen, en schreit zij niet tegen hen, din ze haar doet storten? Ja, van hare wangen af stijgen ze op ten hemel en de Heer, die haar aanhoort, schept geen behagen in hare tranenquot;, d. w. z., zal, door de daad toonen, dat die tranen Hem mishagen , en dengenen die ze doet vloeien vroeg of laat zichtbaar straffen.
4. Achterhouden, d. i., niet betalen, of niet geheel, of niet cp verplichten tijd betalen het verdiende loon der werklieden , dienstboden enz. De H. Apostel Jacobus zegt in zijn Brief, V. 4,. met duidelijke woorden, dat dit eene wraakroepende zonde is. vZie, het loon der arbeiders... dat door u is achtergehouden, schreeuwt, roept tot God om wraak, en hun geschrei, het geschrei van uwe verongelijkte werklieden, is tot de oor ere van den Heer der heirscharen, der Engelenscharen gekomen.
TWEE EX VEERTIGSTE LES.
Van de Christelijke Deugden.
De Christelijke Rechtvaardigheid heeft twee deelen, te weten : het kwaad laten en het goed te doen , of de zonden vluchten en de deugd oefenen. (39e Les, 2e V.)
Het eerste deel der Christelijke Rechtvaardigheid is in de drie vorige lessen uitgelegd. In deze en de twee volgende lessen handelt de Catechismus over het tweede deel, nl., over het goed doen , of de deugd oefenen , en vraagt eerst in 't algemeen.
377
1 V. JFat is eene deuyd ?
A. Eene genegenheid der ziel , door welke de-mensch wel doet.
Tot het wezen, den aard eener deugd worden dus drie dingen vereisclit; 1., eene genegenheid; 2., eene genegenheid der ziel; 3., eene genegenheid dor ziol , door welke de mensch wéldoet.
Eene deugd is dus eene genegenheid , d. w. z. , eene bijblijvende , voortdurende neiging , stemming, gezindheid , bereidvaardigheid der ziel, d. i. , der vermogens van de ziel, nl, , van het verstand en den wil , ja hier ook der zinnelijke begeerlijkheid in zoover deze aan het verstand en den wil moet onderworpen zijn ; door icelke genegenheid der ziel de mensch wel, d. i., goed, eenig goed werk doet, zoo dikwerf de gelegenheid er zich toe aanbiedt.
Hebt ge deze korte verklaring van het wezen eener deugd goed begrepen , dan kunt ge de volgende vragen gemakkelijk beantwoorden. Die vragen zelve zullen u nog een meer helder begrip geven van den aard eener deugd.
Is het al eene deugd als , bv. , iemand zoo in H voorhij-gaan zich geneigd gevoelt om dit of dat goed werk te doen ?
^een ; want de deugd bestaat niet in eene vluchtige, voorbijgaande , slechts eenige oogenblikken durende neiging van den wil tot het goede; maar is eene bijblijvende, voortdurende genegenheid der ziel , door welke de mensch wel doet.
Maar, als nu iemand werkelijk iets goeds, een goed werk duet, dan is dat goed werk toch zeker wel eene deugd. Dunkt u dat ook niet ?
Is een ; een goed werk is geene deugd , ten le , omdat het geene genegenheid der ziel is , maar het gevolg, het uitwerksel , de vrucht eener goede genegenheid. Ten 2e, omdat een goed werk in eene enkele handeling , daad , akte kan bestaan , die altijd , hoe dikwijls ook herhaald, voorbijgaande is, terwijl eene deugd eene voortdurende genegenheid der ziel is, door welke de mensch wel doet, zoo dikwerf de gelegenheid daartoe voorkomt.
378
Is er dus onderscheid tussolien deiiycl en oefeningen of akten van deugd ?
Ja ; want deugd is de voortdurende wil of genegenheid tot het goede; oefeningen of akten van deugd zijn slechts voorbijgaande goede of deugdzame werken , waarover de Catechismus in de twee volgende lessen spreekt. Herhaalde oefeningen of akten van deugd versterken de genegenheid der ziel, door welke de raensch weldoet.
Is dan misschien de behendigheid, vaardigheid om dit of dat, uit zijn aard , goed werk te verrichten , deze of gene, uit haar aard , goede bediening waar te nemen , eene deugd ?
Keen; die behendigheid is op zich zelve blijkbaar geene deugd; want ze is geene genegenheid der ziel, maar eene geschiktheid van het lichaam tot deze of gene bediening, tot dit of dat ambt.
Hetzelfde geldt van eene genegenheid en vatbaarheid om iets te leeren , van schranderheid van verstand , ja zelfs van eene door langdurige oefening verkregen kunst of wetenschap. Op zichzelve zijn deze geene deugd ; want alhoewel ze eene hoedanigheid, eene genegenheid der ziel ten grondslag hebben, kunnen ze den raensch niet enkel ten goede , maar ook ten kwade, tot zonde dienen , terwijl de deugd eene genegenheid der ziel is, door welke de mensch niet enkel wel, goed kan doen , maar wel, goed doet, wezenlijk genegen en bereid is om goed te doen , als de gelegenheid zich aanbiedt.
Maar noem dan eens eene wezenlijke deugd !
AVezenlijke deugden zijn in menigte op te noemen. Zoo is bv., gehoorzaamheid wezenlijk eene deugd ; want zij is eene genegenheid en wel bepaald eene genegenheid der ziel, welke genegenheid ons menschen bereidvaardig maakt om wel te doen , nl. , om te doen al wat onze wettige oversten ons gebieden , opleggen , voorschrijven.
V. en Antw. slaan op eene deugd in 't algemeen , zoowel op louter natuurlijke , als op bovennatuurlijke of christelijke deugden.
't Spreekt echter van zelfs, dat de Catechismus of de
379
Christelijke leering , als zijnde het kort begrip van hetgeen Christus geleerd heeft en allo mensehen moeten weten en â¢doen out zalig te worden (Xe Les, le en 2e V.), zijn antwoord op do V. : â Wat is eene Jeugd ?quot; alleen wil verstaan hebben van, en toepast op bovennatuurlijke, wezenlijk Christelijke deugden. Want louter natuurlijk goed doen , louter natuurlijke deugd oefenen , bv., iemand ergens mee heipon alleen of voornamelijk omdat ik hein volgens mijne natuur genegen ben ; een armen man eone aalmoes geven alleen of voornamelijk , omdat ik niet kan zien , kan uitstaan , dat hij zulk gebrek lijdt, enz. , is geene beoefening der deugd, die Christus ons geleerd heeft, die ons kan zalig maken (iets natuurlijks kan immers geen bovennatuurlijk uitwerksel hebben) ; louter natuurlijk goed doen , louter natuurlijke deugd oefenen, gelijk zelfs de Heidenen en ongoloovigen soms doen, is geen deel der Christelijke Rechtvaardigheid, d. i., der Rechtvaardigheid, welke Christus ons door zijn woord en voorbeeld geloerd heeft, en welke wij moeten beoefenen om den hemel te verdienen, hiernamaals eeuwig zalig te worden. (Vgl. 44e Les le en 2e V.) Geen wonder dus dat de Catechismus hier niet eens rept, met geen enkel woord spreekt van de verdeoling der deugden in natuurlijke eu hocennatuurlijke deugden (vgl. 4e V.), maar alleen vraagt: hoevelerlei bovennatuurUjke deugden er zijn , m. a. w. , hoe de Christelijke deugden in 't algemeen verdeeld worden ?
2 V. Hoevelerlei bovennatuurlijke , Christelijke deugden zijn er ?
A. Tweederlei ; goddelijke en zedelijke deugden.
Welke de goddelijke deugden zijn , en waarom ze zoo genoemd worden , leeren de twee volgende vragen. De 9e V. leert waarom do andere deugden zedelijke deugden genoemd worden.
3 V. Welke zijn de goddelijhe deugden ?
380
A. Deze drie ; liet geloof, de hoop en de liefde.
Wat het geloof, de hoop en de liefde is, weet ge reeds uit de 3e, ISe en 21e Les.
4 V. Waarom worden deze deugden genoemd goddelijke deugden ?
A. Omdat zj] van God worden ingestort, en ons onmiddellijk met God bezig houden.
Deze drie, het geloof, de hoop en de liefde worden goddelijke deugden genoemd niet zoozeer en zeker niet alléén, omdat zij van, d. i, door God worden ingestort. Want om deze eerste reden, nl., om haar rjoddelijken oorsprong, mogen het geloof, de hoop en de liefde wel goddelijke deugden genoemd worden ; maar die reden is toch de voornaamste niet , waarom deze deugden goddelijke deugden genoemd worden ; zelfs zou deze reden alléén , niet voldoende zijn om ze in waarheid goddelijke deugden te mogen noemen. quot;Want dat zij van God worden ingestort, is wol een vereischte om ze in waarheid bovennatuurlijke , en dus ook goddelijke deugden te kunnen heeten ; immers bovennatuurlijke deugden zijn tweeërlei : goddelijke en zedelijke deugden (2e V.) ; maar 't is geene eigenschap die der goddelijke deugden alleen eigen is, deze wezenlijk van de zedelijke deugden onderscheidc. Ai.le bovennatuurlijke , waarlijk Christelijke deugden toch, worden door God ingestort, of ze zijn geene wezenlijk bovennatuurlijke , echt christelijke deugden , maar reeds bij gebreke van die bijzondere instorting Gods, slechts natuurlijke deugden, d.i., natuurlijk aangeborene of door herhaalde oefening verkregene genegenheden of begaafdheden der ziel , door welke de mensch eenig natuurlijk goed werk kan doen. (Vgl. Ie V. en 4e Les. 2e V.) Bovennatuurlijke deugden integendeel zijn deugden , die al onze natuurlijke krachten te boven gaan, die wij uit ons zeiven niet kunnen hebben, maar die ons louter door üods goedheid ingestort, gegeven worden. Alzoo niet
381
lt;le eerste, maar de tweede reden , welke de Catechismus aangeeft , waarom deze drie: het geloof, de hoop en de liefde, goddelijke deugden genoemd worden , nl. omdat zij ons onmiddellijk met God hezhj houden , is eigenlijk het bepaald kenmerk, dat de drie goddelijke deugden van de bovennatuurlijk zedelijke deugden onderscheidt.
Maar, wat nu beteekent die eigenschap, welke de goddelijke wezenlijk van de zedelijke deugden onderscheidt, nl., lt;3nt zij ons onmiddellijk met God leziy houden?
D. w. z. , dat zij op God en op God alleen betrekking hebben; m. a. w. , dat de goede werken , waartoe die drie deugden ons genegen maken , God in zich zeiven beschouwd, ja God alléén én tot voorwerp én tot heweeyreden hebben.
Het voorwerp wordt aangeduid door de vraag : Wut P De heweegreden door de vraag; Tfraaroni ? Dus reist alleieerstde vraag: IVat moeten ivij' gelooven ?
Al wat God geopenbaard heeft. (Vgl. 3e Les , 4e V.)
Waarom moeten wij dat alles vastelijk gelooven ?
Omdat God de eeuwige waarheid is. (T. a. p. Te V.)
ïïfltf moeten wjj van God hope» ?
De eeuwige zaligheid en alle middelen die daartoe noodig zijn. (18e Les , 4e V.)
Maar, waarin bestaat de eeuwige zaligheid, of, m. a. w., wat is het grootste geluk der zaligen ?
A. Gods aanschijn te aanschouwen en in God alle goed te genieten. (45e Les , 9e V.)
We hopen dus God zeiven in den hemel eeuwig te aanschouwen , te bezitten , te genieten.
En waarom moeten wij met een vast vertrouwen op God hopen f
A. Omdat God is oneindig goed tot ons, almachtig en getrouw in zijne beloften. (18e Les, Ge V.)
Wat is de Liefde ?
A. Eene deugd en gave Gods, door welke wij God bovenal ibeminnen en onzen evennaaste gelijk ons zeiven. (21e Les, le Y.)
382
Wie moeten dus het coorweiy onzer liefde zijn , en hoe ?
A. God bovenal en onze evennaasten gelijk ons zelve.
Waarom moeten wij God bovenal beminnen?
A. Omdat God het opperste goed in zich zeiven is. (T. a. p. 4e V.)
O/n welke reden, waarom moeten wij onzen evennaaste beminnen gelijk ons zeiven?
A. Om God, d. w. z., omdat God de liefde van alb redelijke schepselen overwaardig is. (T. a. p. 60 V.) Dus cn voorwerp én beweegreden van 't geloof, van de hoop en de liefde is onmiddellijk, rechtstreeks God. Dus hot kenteeken waardoor men de goddelijke van du zedelijke deugden onderscheidt, bestaat waarlijk hierin, dat do drie goddelijke deugden ons on-middelljk met God hezig houden, terwijl de zedelijke deugden God slechts middelijk tot voorwerp of beweegreden hebben, ons slechts middellijk met God bozig houden. (Zie verder 9e en 10e V.) De hoofdreden dus, waarom deze drie: het geloof, de hoop en de liefde , goddelijke deugden worden genoemd , is, dat uitsluitend deze deugden ons onwiddellijk met God hezig houden.
5 V. Wanneer worden de goddelijke deugden (eu meteen allo andere bovennatuni-lijke gaven en zedelijke deugden; vgl. bl. 195 on 204) den mensch het eerst (den eersten keer) ingestort ?
A. In liet Doopsel.
Als iemand na het Doopsel de goddelijke liefde, de heilig-makende gratie door eene doodzonde verliest, verliest hij tegelijk do gaven van den H. Geest en de zedelijke deugden (maar daarom niet het geloof noch de hoop); krijgt hij door hot waardig ontvangen van het H. Sacrament der Biecht of door een volmaakt berouw weer vergiffenis van zijne doodzonde, dan wordt hij in de heiligmakende gratie, in de goddelijke liefde hersteld en worden hem meteen de zedelijke deugden en de-gaven van den H. Geest opnieuw ingestort.
383
ö V. Welk is de eerste (niet in waardigheid of vooi-treffelijkheid (vgl. Se V.), maar in wording, of in volgorde, in de rij) der goddelijke (en van alle bovennatuurlijke) deugden ?
A Het geloof.
Ja , het geloof is de eerste of het begin van alle bovennatuurlijke , zoowel zedelijke als goddelijke deugden , in dien zin, dat het geloof alle bovennatuurlijke deugden voorafgaat, en zonder het geloof, noch de hoop, noch de liefde, ja geen enkele wezenlijk bovennatuurlijke deugd kan bestaan. (Vgl. 4e V.)
7 V. Waarom wordt het yeloof (jenoemd de eerste der goddelijke (en alle overige bovennatuurlijke) deiigde)i ?
A. Omdat het geloof de wortel eu do grondslas:
' O O
is van alle andere deugden.
Het geloof wordt dus do eerste der goddelijke eu aller overige bovennatuurlijke deugden genoemd, omdat het geloof ten le, in figuurlijken zin , lnj wijze van vergelijking gesproken , th; tcortil is vent alle andere bovennatuurlijke deugden. Gelijk de wortel aan eene plant of aan een boom leven, groei en bloeikracht geeft, die hij zelf uit den grond trekt; en gelijk de wortel medewerkt tot het voortbrengen van allerlei bloemen, gewassen en vruchten; zóó werkt het geloof, dat zelf voortkomt uit loutere gave of gratie Gods, met Gods genade samen, mede tot het voortbrengen van alle akten van hoop, van liefde en van alle andere bovennatuurlijke deugden.
Het geloof loert ons God kennen als oneindig goed jegens ons , almachtig on getrouw in zijne beloften, en is zoodoende do wortel , waaruit en waardoor do hoop leeft, groeit en bloeit. Hot geloof leert ons God kennen als oneindig goed in zich zeiven dus als al onze liefde waardig, ui is zoodoende
382
Wie moeten dus het eoorwerp onzer liefde zijn , en hoe ?
A. God bovenal en onze evennaasten gelijk ons zelve.
Waarom moeten wij God bovenal beminnen?
A. Omdat God liet opperste goed in zich zeiven is. (T. a.. p. 4e V.)
Om welke reden, waarom moeten wij onzen evennaaste beminnen gelijk ons zeiven?
A. Om God, d. w. z., omdat God de liefde van alle redelijke schepselen overwaardig is. (T. a. p. 60 V.) Dus én voorwerp én beweegreden van 't geloof, van do hoop en de liefde is onmiddellijk, rechtstreeks God. Dus hot kenteeken waardoor men de goddelijke van do zedelijke deugden onderscheidt, bestaat waarlijk hierin, dat do drie goddelijke deugden ons on-middeUijh met God bezie/ houden, terwijl de zedelijke deugden God slechts middelijk tot voorwerp of beweegreden hebben, ons slechts middellijk met God bezig houden. (Zie verder 9e en 10e Y.) De hoofdreden dus, waarom deze drie: hot geloot, do hoop en de liefde , goddelijke deugden worden genoemd , is, dac uitsluitend deze deugden ons onmiddellijk met God heziy houden.
a V. Wanneer ivoyden de goddelijke deugden (en meteen alle andere bovennatiuu'lijke gaven en zedelijke deugden ; vgl. bl. 195 en 204) den mensch het eerst (den eersten keer) ingestort ?
A. In het Doopsel.
Als iemand na het Doopsel de goddelijke liefde, de heilig-makende gratie door eene doodzonde verliest, verliest hij tegelijk do gaven van den H. Geest en de zedelijke deugden (maar daarom niet het geloof noch do hoop); krijgt hij door het waardig ontvangen van het H. Sacrament der Biecht of door een volmaakt berouw weêr vergiffenis van zijne doodzonde , dan wordt hij in de heiligmakende gratie, in de goddelijke liefde hersteld en worden hem meteen de zedelijke deugden en de gaven van den H. Geest opnieuw ingestort.
383
G V. Welk is de eerste (niet in waardigheid of voortreffelijkheid (vgl. Se Y.), maar in wording, of in volgorde, in de rij) der godddijke (en van alle bovennatuurlijke) deugden
A. Het geloof.
Ja , liet geloof is do cersto ot' het hef/in van allo bovenna-tuurlyko, zoowel zedelijke als goddelijke deugden, in dien zin, dat het geloof allo bovennatuurlijke deugden voorafgaat, en zonder het geloof, noch de hoop, noch de liefde, ja geen enkele wezenlijk bovennatuurlijke deugd kan bestaan. (Vgl. 4e V.)
7 V. Waarom wordt het (jdonf (jenoemd de eersfe der goddelijke (en alle overige bovennatuurlijke) deugden ?
A. Omdat het geloof de wortel en do grondslag is van alle andore deugden.
Hot geloof wordt dus do eerste der goddelijke en aller overige bovennatuurlijko deugden genoemd, omdat liet geloof ten le, in figuurlijken zin, bij wijze van vergelijking gesproken, de icortcl is van alle andere bovennatuurlijke deugden. Gelijk de wortel aan eene plant of aan een boom leven, groei en bloeikracht geeft, die hij zelf uit den grond trekt; en gelijk de wortel medewerkt tot het voortbrengen van allerlei bloemen, gewassen en vruchten; zóó werkt het geloof, dat zelf voortkomt uit loutere gave of gratie Oods, met Gods genade samen , mede tot het voortbrengen van alle akten van hoop, van liefde en van alle andere bovennatuurlijke deugden.
Het geloof leert ons God kennen als oneindig goed jegens ons , almachtig en getrouw in zijne beloften, on is zoodoende de wortel, waaruit en waardoor do hoop leeft, groeit en bloeit. Het geloot leert ons God kennen als oneindig goed in zich zeiven dus als al onze liefde waardig, ui is zoodoende
384
do wortel, waaruit en waardoor de liefde leeft en allerlei slag van goede werken voortbrengt, te meer en te heerlijker naar mate het geloof dieper wortel heeft geschoten in 's men-schen hart.
Leeren wij , dat hot geloof de wortel is van alle andere bovennatuurlijke deugden, dan is dit blijkbaar te verstaan van een levend geloof, dat door de liefde werkzaam is (vgl. Brief aan de Galatiërs V. 6.) ; want een dood geloof, d. w. z., een geloof, waaraan het leven der liefde en der goede werken ontbreekt, dat zich niet toont door do werken dos geloofs , kan evenmin de wortel van alle andere deugden genoemd â worden , als oen doode wortel leven of groei of bloeikracht kan geven aan eono plant of aan een boom. Want evenals het lichaam zonder yeest, van de ziel gescheiden , dood is, lt;tlzoo is ook het geloof zonder de werken des geloofs doodquot; en derhalve onvermogend om ons voor God te rechtvaardigen en ter eeuwige zaligheid te geleiden. (Vgl. den Brief van den H. Jac. , hfdst. II. 14â26, en 39e Les, le V.)
Het geloof wordt de eerste der goddelijke en van alle andere bovennatuurlijke deugden genoemd, niet alleen omdat het de wortel , maar wederom bij wijze van vergelijking gesproken , ten :2e, ook de grondslag is van alle andere deugden.
Op don grondslag, op het fondament rusten alle overige doelen van een gebouw, van een huis. Gelijkerwijzo steunen alle andere bovennatuurlijke deugden op hot geloof, als op haar grondslag zonder wolkon ze niet kunnen bestaan, gelijk natuurlijker wijze ook oen huis niet kan staande blijven zonder grondslag of fondament. quot;Wijders, gelijk oen huis, dat een dwaas man op liet zand , op oen lossen grondslag bouwt, spoedig instort, en zeker bij oen stormweder geheel en al invalt; gelijkerwijze verliest men in dit leven alle andore .bovennatuurlijke deugden, indien hour grondslag, het geloof, instort, verloren wordt. Integendeel, gelijk een huis, dat een verstandig man op de steenrots, op een solioden, stevigen grondslag bouwt, tegen regen , wind en storm bestand is, en hoog, tot twee en meer verdiepingen kan opgetrokken worden, zonder in te vallen (vgl. Matth. VII. 2-1â27.) ;
385
gelijkerwijs zijn ook allo andere deugden, als ze op oen levend geloof in Christus, die de steenrots is, gegrondvest zijn, be-â stand tegen de stormen der bekoringen , en kunnen en zullen flteeds hooger en hooger zich ten hemel verheffen, in volmaaktheid toenemen
Kinderen, deze eenvoudige waarheid , nl. , dat het geloof de wortel en de grondslag is van allo andere bovennatuurlijke deugden, en daarom terecht de eerste aller deugden genoemd wordt, moet u meer en meer overtuigen hoeveel â er aan gelegen is , dat ge van der jeugd af in eene katholieke school uw onderwijs, uwe opvoeding geniet. Immers in een katholieke school gaan âgeloof en wetenschapquot; hand aan hand samen, als twee vriendinnen , die met elkaar niet in strijd kunnen komen, omdat ze beide uit één oorsprong, uit God, de eenige bron van alle, zoowel natuurlijke als bovennatuurlijke, waarheid voortkomen. In eene naar den â¢eisch en het verlangen der katholieke Kerk ingerichte school staat zeker het geloof op den voorgrond ; wordt allereerst en allermeest de kennis der Christeljjke leering noodzakelijk geacht, omdat de Christelijke leering of de Catechismus het kort begrip is van hetgeen Christus geleerd heeft en alle menschen moeten weten en doen om zalig te worden ; edoch de wetenschap wordt er volstrekt niet geminacht of verwaarloosd , maar door het geloof veredeld en dienstbaar gemaakt tot 's menschen waar geluk.
Op de openbare scholen , althans waarin kinderen van ver-schillenden godsdienst, bv., ook Protestanten , zijn , mogen alléén zoogenaamde âboven geloofsleer verhevenquot;, eigenlijk gozegd, alleen ânatuurlijkequot; deugden worden geleerd, â¢die ook een heiden kan beoefenen; terwijl, gelijk we reeds zeiden , het hoofddoel eener katholieke school, van de laagste tot de hoogste , is en blijft, den mensch degelijk te vormen tot beoefening van bovennatuurlijke deugd, tot geloof, hoop â en liefde, en alle zedeljjke deugden, ter wier beoefening de katholieke echool alle wetenschappen weet dienstbaar te (naken.
âNatuurlijkequot; deugden zijn uit haar aard niet vermogend
C 25
386
u hier, ook to midden van allerlei ontbering en tegenspoedT tevreden, gelukkig te doen zijn, en nog veel minder om u hiernamaals aan 't eeuwig geluk des hemels deelachtig te maken.
Kinderen, beseft toch wel, van hoeveel belang het is degeliik onderwezen te zijn in de Christelijke leering, de leer der K. Katholieke Kerk grondig te kennen. Hebt ge die kennis opgedaan , dan mogen stormen loeien ; sterk door het geloof, den wortel en grondslag aller andere deugden, zult ge uw geloof ook in het openbaar leven standvastelijk belijden, door 't beoefenen en bevorderen van allerlei goede werken edelmoedig voor 't geloof uitkomen , en hooger en hooger in deugd stijgen ; maar verwaarloost ge nu den Catechismus grondig te leeren , dan zult ge kleingeloovigen , zwakken in het geloof zijn en bjj den minsten storm , dien het ongeloof heden op allerlei wijze verwekt, zeer lichtelijk in uw geloof, dus tot in den grondslag van uw bovennatuurlijk leven , kunnen geschokt worden ; dan zult ge lichtelijk de plichten en werken des geloofs allengs veronachtzamen , verzuimen, en zoodoende van zonde tot zonde vervallen , ja ten leste gevaar loopen bet geloof zelf te verliezen , en daarmee tevens alle andere bovennatuurlijke deugden , waarvan het geloot de wortel en de grondslag is , en daarom de eerste der goddelijke en zedelijke deugden genoemd wordt.
8 V. Welke is de voornaamste der goddelijke deny den ?
A. De liefde ; want zonder de liefde kan nocli het geloof, nocli de hoop , noch eenige andere deugd ons ter zaligheid helpen.
De voornaamste, de waardigste, de voortreffelijkste der goddelijke en zedelijke deugden is de liefde. De Catechismus geeft als bewijs of reden dezer waarheid aan: de onontbeerlijkheid of volstrekte noodzakelijklieid der liefde om zalig te wor-
387
den, in den hemel te komen. â Want, zegt hij, zonder de Liefde kan noch het geloof, noch de hoo/j, noch eenige andere deiKjd ons ter zaligheid helpen. Dat wil niet zeggen, dat het geloof, de hoop en andere deugden zonder de liefde, dus voor iemand , die in staat van doodzonde is , vruchteloos , nutteloos zijn ter zaligheid. Verre van dien ; want de beoefening van het geloof, vtin de hoop en van andere goede werktn is voor den zondaar het gewone middel om tot bekeering, en door bekeering ter zaligheid, in den hemel te komen. (Vgl. volg. Les 8e Y.) Maar d. w. z., dat zonder de liefde noch het geloof, noch de hoop, noch eenige andere deugd ons aan de eeuwige zaligheid kan helpen, ons in den hemel kan brengen. (Vgl. volg. ics 10e V.)
9 V. Waarom worden de andere (alle andere, niet goddelijke) deugden genoemd zedelijke deugden ?
A. Omdat zij de zeden der menschen volgens het Evangelie ea de rede ten goede regelen.
Uit de 2e V. weten we reeds dat er tweeërlei bovennatuurlijke deugden zijn : goddelijke en zedelijke deugden. Uit do 4e V. leerden we ook do eigenlijke reden waarom deze drie : het geloof, de hoop en de liefde, goddelijke deugden genoemd worden, en waardoor zo eigenlijk van de zedelijke deugden onderscheiden worden , nl. , doordien ze ons onmiddellijk met God bezig houden; God zeiven onmiddellijk ón tot voorwerp én tot beweegreden hebben.
Hier leeren wij nu waarom alle andere deugden zedelijke deugden genoemd worden , en waarom deze wezenlijk van de drie goddelijke deugden verschillen. Allo andere deugden worden zedelijke deugden genoemd, omdat zij de zedks , d. w. z., het zedelijk gedrag, de bijzondere en openbare of maatschappelijke levenswijze der menschen volgens het Evangelie en de rede, d. w. hier met andere woorden z., volgens de Christelijke leering, en volgens 's menschen natuurlijk gezond verstand, tot goede, d. i., tot beoefening van liet goede , van do deugd , regelen. De zedelijke deugden regelen
388
dus onze zeden, geheel ons zedelijk gedrag zóó , gelijk het Gode behagelijk is; want ze regelen het tm goede , tot beoefening der deugd, die God, ki-achtens zijne heiligheid, welgevallig , aungenaaiu is, en zijn moet, niet anders dan behagelijk zyn kan.
Het wezenlijk verschil tusschen zedelijke en goddelijke deugden bestaat hierin , dat het onmiddellijk voorwerp der zedelijke deugden niet is God zelf, maar de zedelijke verplichting , die 't zij jegens God , 't zij jegens ons zeiven of onzen naaste op ons rust. Ook is de onmiddullijkc beweegreden der zedelijke deugden niet noodzakelijk God zelf, maar nu eens de achting voor de wet, die onze zeden ten goede regelt; dan weer de schoonheid, voortreffelijkheid en heilzame vruchten eenor beoefende zedelijke deugd, of wel de hatelijkheid en heillooze gevolgen der tegenovergestelde ondeugd.
De wet, die onze zeden ten goede regelen moet , is het H. Evangelie en de natuurlijke rede. De Catechismus zegt immers, dat zedelijke deugden zoo genoemd worden, omdat zij de zeden der menschen volgens het Evangelie en de rede ten goede regelen.
Het woord Evangelie is van Griekschen oorsprong, en heeft velerlei beteekenissen. Gelijk we reeds zeiden , betee-kent het hier de leer van Christus. De Catechismus is het kort begrip van hetgeen Christus geleerd heeft; dus de korte inhoud van het Evangelie.
Kinderen, hieruit kan en moet u opnieuw de noodzakelijkheid blijken om den Catechismus toch door en door te loeren kennen , omdat Ge uw zedelijk gedrag allereerst moet regelen, inrichten volgens het H. Evangelie.
Tevens moeten wij ons gedrag regelen volgens de rede , d. w. z., volgens de uitspraak van ons natuurlijk gezond verstand. Ons verstand heet gezond als het niet door eenige ongeregelde drift, vooral niet door eigenliefde, zinnelijkheid, eigenbaat of hebzucht ziekelijk aangedaan, beneveld , verduisterd wordt, maar frisch en onpartijdig zijn oordeel uitspreekt.
Vragen wij ons dus vóór al ons doen en laten, kalm en
389
ernstig af: Wat zegt mijn gezond daarvan? Om geheel onpartijdig op die vraag te antwoorden, doen we het best de vraag zóó te stellen; quot;Wat zou ik antwoorden, als een ander, voor wien ik noch voor, noch tegen ingenomen ben, mij raadpleegde en vroeg: quot;Wat dunkt u, vriend! moet, mag ik, past, betaamt het, en is 't raadzaam, dat ik in dit geval dit of dat doe, of niet ? Handelen wij volgens het antwoord, dat we op ons sterfbed een ander zouden wenschen te hebben gegeven. Intusschen moet de leer van Christus het H. Evangelie altijd onze eerste en laatste of hoogste gedragsregel wezen.
quot;Wij moeten ons dus altijd allereerst afvragen: quot;Wat leert de Catechismus daarvan ? Gebiedt, of verbiedt de leer van Christus, het H. Evangelie, blijkbaar dit of dat waar tussehen ik te kiezen heb , dan moet ik, zonder verdere bedenking, doen wat het H. Evangelie gebiedt, laten wat het verbiedt, wil ik ook maar redelijk handelen ; want dan stemt de gezonde rede noodzakelijk duidelijk met het Evangelie in. Komt ons oordeel, onze opvatting, onze opinie , meening niet met de leer des Evangelies overeen , dan moeten wij volgens het Evangelie handelen ; want dan is ons oordeel , onze opinie zeker niet de uitspraak van do gezonde rede, van het gezond verstand. Immers tussehen het II. Evangelie en de rede kan evenmin strijd bestaan als tussehen âhet geloof en de wetenschapquot; (vgl. 7e V.), omdat ze beide van één en denzelfden God voortkomen. quot;Wij moeten dus in elk geval allereerst luisteren naar, geltoor-zamea aan degenen, die Christus zelf heeft aangesteld om ons zijne leer te verklaren en op onze levenswijze toe te passen, nl., den Paus van Rome , en de Bisschoppen der H. Kerk in vereeniging met den Paus. (Vgl. 3e Les, 10e V.)
Jesus Christus immers heeft de leerende Kerk juist tot dat einde ingesteld, opdat zij altijd zichtbaar, altjjd levend en sprekend , te allen tijde Zijne leer onvervalscht en on-verminkt, in volle waarheid aan alle volkeren zou verkondigen en onfeilbaar verklaren.
Wij moeten dus ook luisteren en handelen naar de leer en de vermaningen van de Pastoors en Priesters, die door Vj. D. H. den Bisschop der Diocees gezonden worden als
390
onze onmiddellijke leeraars in zake van geloof en zeden , en zijn gezag bij ons vertegenwoordiger!.
10 V. Welke zijn onder de zedelijke deitfjdett de kardinale of hoofddeugden ?
A. Deze vier: de voorzichtigheid , de rechtvaardigheid , d» sterkte en de matigheid.
Onder liet groot aantal zedelijke deugden zijn er vier, waarop al de overige steunen, en geheel het zedelijk leven van den raensch als 't ware rust. Die vier worden daarom terecht kardinale of /(oo/wdcugden genoemd. Kardinale komt van het Latijnsch woord : car do , d. w. z. , deurhengsel. Dewijl de beweging eener deur van het hengsel afhangt , be-teekent dat woord verder: alles , waarvan de beweging en de bewerking eener zaak voornamelijk afhangt , het hoofd-punt, de hoofdzaak, de spil waar alles op en om draait. quot;Welnu van deze vier zedelijke deugden : de voorzichtigheid, de rechtvaardigheid , de sterkte en de matigheid, hangt de beoefening van alle overige zedelijke deugden hoofdzakelijk af; geheel het zedelijk leven van den mensch rust als het ware op deze vier deugden, en beweegt, draait er zich op en om, gelijk eene deur op hare hengsels. Deze vier worden dus terecht kardinale of /(oofrfdeugden genoemd.
Maar, waarin bestaat nu ieder dier deugden?
1. De Christelijke voorzichtigheid bestaat in de genegenheid der ziel, waardoor do christen mensch, rekening houdend met de omstandigheden waarin hij zich bevindt, kent wat hij doen of vermijden , laten moet om waarlijk wel te doen , m. a. w. , het goede te doen, wat God in dc gegevene omstandigheden van hem eischt , of verlangt.
Die Christelijke voorzichtigheid wordt de menner, de voerman , de bestuurster der deugden genoemd, omdat zij alle andere deugden leert het juiste midden te houden tusschen datgene, wat, gelet op de omstandigheden waarin men zich
391
bevindt, te veel of te weinig (exces of defect) ia. Omdat de âdeugd in 't raiddenquot; bestaat, zegt de H. Bernardus zeer waar: âNeem de voorzichtigheid weg , en de deugd is ge ene deugd meer.quot;
2. De rechtvaardigheid, als kardinale of hoofddeugd beschouwd, dus wel te onderscheiden van de Christelijke rechtvaardigheid gelijk die verstaan wordt in de le en 2e V. der 39e Les, bestaat in de genegenheid der ziel een ieder zijn recht te doen wedervaren ; aan een ieder te geven wat hem uit rechtvaardigheid toekomt.
3. De sterkte bestaat in de genegenheid der ziel, waardoor de menscb vastberaden is voor de belijdenis van Christus en der christelijke waarheid , m. a. w. , voor de beoefening der deugd, moeielijkheden te verduren, gevaren te ondergaan; dus daardoor zich niet laat afschrikken, weerhouden van het trouw nakomen zijner plichten.
4. De matigheid bestaat in de genegenheid der ziel, waardoor wij alle ongeregelde neigingen en begeerten tot vermaken , genietingen en wellusten bedwingen , en met name den smaak en het gevoel binnen de door Gods wet voorgeschreven, .gestelde maat houden.
DRIE EN VEERTIGSTE LES.
Van de goede werken.
In de voorgaande les hebben wij geleerd , dat eene deugd is : Eene genegenheid der ziel, door welke de mensch wel, d. i., goed , goede werken doet.
Alhoewel die beschrijving eener deugd zoowel louter natuurlijke als bovennatuurlijke deugden omvat, begrepen we toch genoeg , dat de Catechismus ze maar alléén van hoven-natuurlijhe, waarlijk christelijke deugden wilde verstaan
392
hebben. Wij leidden dit hieruit af, dat de Catechismus hetzelfde is als de christelijke leering, m. a. w., het kort begrip-is van hetgeen Christus geleerd heeft en alle mensohen moeten weten en doen om zalig te worden. Om die zelfde reden zult ge vanzelf ook genoeg begrijpen, dat het opschrift dezer les : Van de goede werken , eveneens enkol te verstaan is van hovennatuurlijke , waarlijk christelijke goede werken , welke de vruchten of uitwerkselen zijn van bovennatuurlijke, waarlijk christelijke deugden. (Vgl. Ie en 4e V. der vorige Les.)
De le V. dezer les handelt over de verplichting van bovennatuurlijke goede werken te doen om zalig te worden.
1 V. Is men verplicht cjoede werken te doen ? A. Ja; wij moeten daardoor onzen roep tot den hemel verzekeren.
Kinderen, vanzelf begrijpt ge, dat in deze V. door het woordje: men. âTa men verplicht goede werken te doen ? alléén degenen bedoeld worden, die tot het gebruik van hun verstand gekomen zijn. Immers kleine kinderen, die nog niet tot de jaren van verstand gekomen zijn , kunnen nog geene eigenlijk gezegde goede werken doen. Dus kunnen zij ook niet verplicht zijn goede werken te doen ; want niemand is tot het onmogelijke verplicht; gehouden tot hetgeen hij waarlijk niet kan.
Om het verschil tusschen deugden en goede of deugdelijk© werken nog meer te doen uitkomen. (Vgl. le V. der vorigfr Les), kan men hier meer ontwikkelde leerlingen met vrucht vragen: Kunnen kinderen beneden de zeven jaren deugden hebben , bezitten ?
Mocht soms een kind hierop antwoorden: Neen-, kinderen van dien leeftijd kunnen nog geene deugd hebben; want, eene deugd is eene genegenheid der ziel, door welke de mensch wol, d. i., (gelijk in de vorige les is uitgelegd,) eenig goed werk doet. quot;Welnu, goede werken doen, kunnen zij nog niet; want ze zjjn nog niet tot de jaren van verstand
393
gekomen. Dus kunnen zij ook geene deugd hebben. Dan-dient opnieuw opgemerkt, dat die woorden : âdoor welke de mensch wel doetquot;, wel beteekenen, dat eene deugd uit haar aard niet kan leiden tot kwaad, tot zonde doen (vgl. bi. 378) ; maar dat die woorden niet willen zeggen , dat men, om eene deugd te hebben, te bezitten, ze ook reeds moet kunnen beoefenen, m. a. w., reeds goede werken moet kunnen doen. Hebben en doen verschilt hier veel. Dit zult ge gemakkelijk begrijpen als ge u maar eens afvraagt : Hebben kleine kinderen ook verstand ? Ja, maar nog niet het gebruik van hun verstand. Gelijkerwijze hebben ook de kleinste Christenkinderen bovennatuurlijke deugden, maar zij kunnen zi nog niet beoefenen. Om in den hemel to komen, moeten ook zij bovennatuurlijke deugden hebben, die hun dan ook door het Doopsel worden ingestort. Maar eerst later, wanneer ze tot het gebruik van hun verstand gekomen zijn, kunnen zij die deugden beoefenen , in oefening brengen.
Het antwoord op de Vr. gesteld, gelijk ze nu verklaard is, nl.: Zijn degenen die tot de jaren van verstand gekomen zijn, verplicht goede werken te doen? is zonder twijfel: Ja. En de reden van dit beslist antwoord is : want, wij , die verondersteld worden tot do jaren van verstand gekomen te zjjn , moeten daardoor , d. i., door goede werken onzen roep, onze roeping tot den hemel verzekeren, zeker maken. Wij zijn geschapen om God in dit leven te dienen door zijne geboden te onderhouden , m. a. w., door goede werken te doen , en , tot loon van dien dienst, Hem hierna in den hemel eeuwig te aanschouwen. (Ie Les , 9e V.) Dit is het naaste en laatste einde, waartoe wg op de wereld zjjn. quot;Wjj zijn dus bestemd voor, geroepen tot den hemel. Die roeping moeten wjj zoker maken door goede werken te doen. Door het beoefenen der deugden, welke aan onzen roep en staat in de wereld eigenaardig verbonden zijn (vgl. de 2e V.), moeten wij ons den ingang in den hemel verzekeren. âDaarom â zoo vermaant ons het Hoofd der Apostelen , de H. Petrus , in zijn 2e Br. Hfdst. I, v. 10, 11 â âDaarom, broeders! beijvert u temeer,, om door goede werken uwe roeping (tot den hemel) en'
394
verkiezing (tot de eeuwige zaligheid) zeker te maken ; want indien gij deze dingen doet, de deugden beoefent, welke uw staat op de wereld meebrengt) zult gij nimmer (grootelijks, zwaar) zondigen ; want zóó (doende) zal u rijkelijk de ingang â verleend worden in het eeuwig koninkrijk van onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus.'' Dus, 't staat vast: wij zijn verplicht goede werken te doen; want, wij moeten daardoor onzen roep tot den hemel verzekeren.
Let wel, in de lo V. wordt nog maar in H algemeen gezegd, dat wij goede werken moeten doen om in den hemel te komen. De 2e V. leert verder, dat niet alle mensehen dezelfde goede werken moeten doen, en welke goede werken dan («to' meet doen om in den hemel te komen.
2 V. Moeten alle menschen dezelfde yoede tcerl-en doen ?
A. Neen ; maar ieder moet die doen volgens zijnen roep en staat.
Door roep ia hier allereerst te verstaan de staat, waarin ieder mensch door Gods voorzienigheid op deze wereld ge-.plaatst is. Daarom voegt de Catechismus in zijn antwoord die twee woorden, hier als van gelijke beteekenis genomen, samen: Neen; alle menschen moeten niet dezelfde goede werken doen ; maar ieder moet die , nl., goede werken, doer, volgens zijnen ROEP EX, d. i. volgens zijnen staat. â
In die beteekenis kunnen de verschillende roepingen ot' . staten in 't algemeen tweeërlei onderscheiden worden: de geestelijke en wereldlijke staat. Tot den geestelijken staat behooren Priesters en Religieusen , Kloosterlingen, 't Spreekt vanzelf, dat deze andere en meer goede werken moeten doen om in den hemel te komen den leeken, dan menschen die in -den wereldlijken staat leven.
In den wereldlijken staat is onder dit opzicht nog een groot onderscheid te maken, hv., tusschen gehuwden en ongehuwden; . tusschen oversten en onderdanen. Ouders , bv., moeten weer
A â H'-atiM.i.- - ;aSilÃlfeC :*f: '^S ?'â¢
395
andei e deugden beoefenen dan kinderen; bazen en heereri, andere dan dienstboden , enz. enz.
Het woord : roep , dat de Catechismus hier gebruikt , zeggende : ieder moet goede werken doen volgens zijnen roep , kan ook nog in ruimeren zin opgenomen worden voor heroep. Beroepen zijn er honderden en meer verschillende in de wereld. De een is van beroep advokaat, een ander doktor , een derde koopman , een vierde ambachtsman , een vijfde soldaat, enz. Blijkbaar moet een advokaat sommige andere deugden beoefenen , goede werken doen dan eer. dukter, koopman enz. Intusschen moet ieder die doen volgens zijnen roep en staaf, lt;1. w. z. , volgens den roep en staat, waarin ieder in het bijzonder door Gods voorzienigheid geplaatst is.
Indien iemand eenig goed werk doet, zij het ook uit zijn aard nog zoo deugdelijk , bv. , uren en uren achtereen godvruchtig bidden in de kerk of thuis, maar dat niet met zijnen roep of staat overeenkomt, waardoor zoo iemand eenigen, welken plicht ook van zijnen roep of staat zou verzuimen , dan zou dat werk voor hem in 't bijzonder zelfs geen GOED werk meer mogen genoemd worden ; dan zou het niet lt;le beoefening eener deugd , maar eener ondeugd worden; want dan doet zoo iemand het niet meer volgens, maar tegen. de plichten van zijnen roep of staat. Bijgevolg zou, bv. , eene dienstbode of dochter des huizes , die op bepaalden tijd 's morgens huiswerk moet verrichten, geene ware deugd meer beoefenen door langer dan vergund, toegestaan is in de kerk ie blijven bidden , enz.
3 Y. Welke zijn de voornaamste ijoeile tcerken ? A. Deze drie , waaronder alle goede werken begrepen zijn , te weten : hielden , vasten en aalmoezen geven.
Dat onder deze drie soorten van goede werken , te weten : bidden, vasten en aalmoezen geven, alle goede werken be-lt;/repen zijn , w. z., dat alle overige goede werken in één
396
dézer drie soorten van goede werken liggen opgesloten , tot één dezer drie soorten behooren, kunnen teruggebracht worden..
4 V. Wat wordt hier verstaan door bidden ? A. Alle werken van godsdienstigheid.
Door bidden worden hier verstaan alle werken van gods' dienstigheid, d. w. z. , van die deugd , van die genegenheid der ziel, waardoor de m^nsch aan God den dienst betoont, die Hem, als het opperst, oneindig volmaakt Wezen, toekomt. (Vgl. 22e Les, 3e V.)
Ge weet nu wat Je deugd van godsdienstigheid is. Maar de Catechismus zegt verder , dat door bidden hier alle werken van godsdienstigheid verstaan worden, d. w. z., niet enkel dat soort van goede werken , welke de deugd van godsdienstigheid uit haar aard rechtstreeks voortbrengt , maar ook dat soort van goede werken welke wel onmiddellijk uit eenige andere deugd voortkomen, maar door de deugd van godsdienstigheid tevens tot den dienst, tot meerdere eer en glorie Gods gericht, gestierd worden.
Kinderen , om u dit eenigzins duidelijk te maken , noem ik u eenige goede werken op, waartoe de deugd van godsdienstigheid ons rechtstreeks aanspoort. Zoodanige goede werken zijn, bv., 's morgens en 's avonds , vóór en na het eten bidden ; de H. Mis , het Lof en andere godsdienstoefeningen bijwonen ; met goed oordeel, rechtvaardigheid en waarheid , eed doen; na rijp beraad en overleg beloften doen (vgl. 24e Les , Ge â 12e V.) ; medewerken tot instandhouding , voortplanting , opluistering van den godsdienst, bv., door trouw de kleine bijdragen te offeren voor de Broederschap van den St. Pieterspenning, voor 't Genootschap van den H. Fran-ciscus Xaverius, der H. Kindsheid , enz.; door werkend of honorair lid te worden van de âVereeniging van het Allerh. Sacramentquot;, of door op eenige andere wijze , naar vermogen, bij te dragen tot het bouwen, herstellen of versieren van kerken , kloosters , enz.
Als algemeen voorbeeld van goede werken, die niet on-
397
middellijk uit de deugd van godsdienstigheid , maar uit eeno andere deugd voortkomen , doch welke tevens door de deugd van godsdienstigheid tot meerdere glorie Gods gericht worden , kunnen hier gelden : alle goede werken, welke men door den dag tot eer en glorie Gods, doet gelijk de Catechismus ons dit leert in het Morgengebed : âIk draag u op alle de goede werken, die ik dezen dog zal verrichten. Ik wil die doen tot uwe eer en gloriequot;.
Bidden is in korte woorden gezegd : zijn hart tot God verheffen. (Vgl. 18e Les, 8e V.) Welnu door alle werken, â die rechtstreeks uit de deugd van godsdienstigheid voortkomen, of door (l'ze deugd tot Gods meerder eer en glorie gestierd worden, verheffen wij ons hart tot God, bidden we dus. In dien zin zeide reeds de H. Augustinus: âDoe wel wat ge doet, en ge hebt God gebedenquot;. Te recht leert dus do Catechismus dat hier door bidden alle werken van godsdienstigheid verstaan worden.
5 V. Wat wordt verstaan door vasten ? A. Alle versterving van zich zeiven.
Vrijwillig, tegen onze natuurlijke neiging in, iets Ijjden , â doen of laten , dat noemen wij ons zeiven versterven; omdat wij daardoor den ouden mensch , de ongeregeldheid onzer bedorven natuur, langzaam doen afsterven, van levenskracht berooven.
Als ge het antwoord van den Catechismus: Door vasten wordt hier verstaan alle versterving van zich zelven, aandachtig nagaat, dan zal het u duidelijk worden, dat versterving van zich zeiven allereerst tweeërlei te onderscheiden is , nl. inwendige of geestelijke , en uitwendige of lichamelijke versterving. Immers ieder mensch, bestaat uit twee deelen , uit ziel en lichaam. (Vgl. Ie Les, 6e V.) Weiger ik iets aan â de natuurlijke neigingen mijner ziel, ga ik in iets mijn eigen wil af, onderdruk ik mijne eigenliefde, dan versterf ik mij zeiven inwendig , naar den geest; dan beoefen ik eene geestelijke versterving. Ontzeg ik iets aan de zintuigen mijns
398
lichaaras, aan mijne oogen , aan mjjne tong in 't spreken aan mijn smaak in eten of drinken , aan mijn reuk , gehoor ot' gevoel, dan versterf ik mij uitwendig, naar het lichaam ; dan doe ik eene lichamelijke versterving.
Dewijl nu hetgeen ik aan de neigingen mijner ziel of aan de zintuigen mijns lichaaras weiger, eene geoorloofde, onschuldige , of wel eene verboden , althans voor mij gevaarlijke zaak wezen kan , die mij aan 't naaste gevaar van zonde blootstelt, zoo volgt natuurlijker wijze, dat de versterving van zich zeiven, onderdeeld , verder onderscheiden moet worden in noodzakelijke en enkel geraden versterving. Welnu alle versterving van zich zelven, alle, 't zij in- of uitwendige, noodzakelijke of geraden , ter vrije keuze gelaten versterving, wordt hier te recht door vasten verstaan. Immers vasten r volgens het derde gebod der H. Kerk : âGeene geboden vastendagen zult gij brekenquot;, w. z. , op onthoudingsAamp;gamp;a zich onthouden van vleeschspijzen, en op eigenlijk gezegde vasten-dagen bovendien maar eenmaal daags, omtrent den middag een vollen maaltijd nemen. (Vgl. 29e Les, 6e â Se V.)
Dat vasten valt den zinnelijken mensch natuurlijk min of meer zwaar; 'tkost hem opoffering, en daarom doet men hot over 't algemeen niet graag. Maar juist omdat ook alle anderfs versterving van zich zelven don mensch moeite , opoffering kost, wordt alle en iedere versterving van zich zelven mot recht onder vasten verstaan.
Kinderen make men dit antwoord bevattelijk door een of ander voorbeeld , dat op hun leeftijd te pas komt. Bv. ge zoudt nu graag gaan spelen; deze of gene snoeperij gebruiken. Ge voelt er u sterk toe aangezet, als toe gedrongen. Maar ge bedwingt uw snoeplust, uwe speelzucht. Kinderen, dat kostte u moeite , strijd. Ge hebt dairdoor versterving van ii zelve beoefend, minstens geestelijker wijze gevast.
6 V. Wat wordt verstaan door het yeven van aalmoezen ?
399
A. Alle werken van liefde en barmhartigheid' jegens den naaste.
Dat alle werken van christelijke liefde of barmhartigheid, 't zij geestelijke, 't zij lichamelijke, met recht hier verstaan worden door het yeven van aalmoezen , is als van zelf duidelijk. quot;Want in christelijken zin beteekent eene aalmoes: âelke weldaad , die wij oenen behoeftigen ter liefde Gods bewijzen.quot; Dus juist hetzelfde als werken van christelijke liefde en barmhartigheid jegens den naaste. (Vgl. volgende Les, V. 1 en 2). Hoevelerlei werken van barmhartigheid men kan onderscheiden; hoeveel en welke geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid er zijn, zullen we uit de 3e â 6e V. der volgende Les leeren.
7 V. Hoe (d. w. hier z. , in welken staat en tot welk einde , doel , met welke intentie) moeten wij onze yoede werken verrichten om daardoor den hemel te verdienen ?
A. In staat van gratie en ter eere Gods.
Hier wordt gevraagd , hoe wij bovennatuurlijk goede werken moeten verrichten om er den hemel door te verdienen ; ra. a. w. , wanneer zulke goede werken in e If/ oil ij h gezegden zin, in stvenyen zin verdienstelijk zijn voor den hemel ?
Ik zeg : in eigenlijk gezegden of strengen zin verdienstelijk zijn voor den hemel. Want veidienstelijke werken kunnen in tweëerlei zin verstaan worden ; in eigenlijk en oneigenlijk gezegden , in strengen en ruimen zin. Immers goede werken kunnen op twee manieren verdienstelijk zijn, nl., ofwel uit rechtvaardigheid of getrouwheid, of wel uit betamelijkheid, Eischt de rechtvaardigheid of getrouwheid, dat er loon voor betaald wordt , dan zijn zij in eigenlijk gezegden , in strengen zin , kortom , eigenlijk gezegd verdienstelijke goede werken. Vordert enkel de hetamelijlcheid, is het slechts betamelijk , dat er loon voor gegeven worde, dan zijp. het geen
400
-eigenlijk gezegde verdienstelijke werken, maar worden zoo .alleen in ruimen zin genoemd.
Om de gestolde vraag volledig te verklaren , moet ik nog opmerken, dat onder de uitdrukking : âom daardoor den hemel -te verdienen'', hier ook verstaan wordt: de vermeerdering -der heiligmakende gratie , het eeuwig leven , en, indien men nochtans in staat van gratie sterft, de bekoming van het eeuwig leven , en ook de vermeerdering der hemelsche glorie. (Vgl. het Cone. v. Trente, Zitt. VI. Can. 32.)
Ku is dan de vraag: Hoe moeten wij onze bovennatuurlijk goede werken verrichten, om er den hemel in strengen zin door te verdienen ?
Om door onze goede werken den hemel in strengen zin te verdienen, moeten wij ze verrichten , ten le, in staat van gratie.
Wanneer is men in staat van gratie ?
A. 30e Les, 20e V.
Alzoo de eerste voorwaarde om door onze goede werken den hemel te verdienen, is, dat wij ze verrichten zuiver van doodzonde, in staat van gratie.
Hoort wat Jesus zelf ten bewijze van dien zegt bij Joann. XV : âIk ben de ware wijnstok , gij zijt de ranken. Gelijk de rank geene vrucht kan dragen uit zishzelve , indien zij niet aan den wijnstok blijft, zoo ook gij niet, indien gij niet blijft in mij (indien gij niet met mij vereenigd blijft door de liefde , de heiligmakende gratie.) Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Die in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht... Blijft in mijne liefde. Indien gij mijne geboden onderhoudt, zult gij in mijne liefde blijven. Dit heb ik tot u gesproken , opdat uwe blijdschap volkomen worde.' Woar-lijk dit woord van Jesus moet de bljjdschap van eiken christen-â¢mensch, die in staat van gratie leeft, volkomen maken. Immers we leeren er wel allereerst uit, dat wij, om door onze goede werken den hemel te verdienen, ze in staat van gratie moeten verrichten, maar ten andere, dat al wie door de liefde in Jesus blijft, veel vruchten draagt, m. a. w., dat alwie in staat van gratie leeft, door elk, ook het minste,
401
geringste, kleinste goed werk, ja zelfs door een uit zijn aard onverschillig werk, verdiensten verzamelt voor den hemel, mits hij zijn werk niet enkel of vooral doe uit een natuurlijk, of uit een verkeerd inzicht, maar ien 2e te.r eere Gods. Wat dit beteekent en hoe wij onze goede werken ter eere Gods moeten verrichten om er den hemel door te verdienen , â¢zullen we bij de 9e Y. nader uitleggen.
8 V. Zijn dan de goede werken , die de zondaar â in staat van doodzonde doet , vruchteloos ?
A. Neen; maar met de hulp der goddelijke gratie zijn zij voor den zondaar het gewone middel om tot bekeering te komen.
De Catechismus stelt deze V. blijkbaar met het oog op het â eerste vereischte om door goede werken den hemel te verdienen, nl., dat ze verricht worden in staat van gratie.
Duidelijk bljjkt zulks uit den vorm zeiven , waarin de Catechismus deze V, stelt, nl. , bij wijze van gevolgtrekking: Zijn das , omdat wij onze goede werken in staat van gratie moeten verrichten , om daardoor den hemel te verdienen, de goede werken die de zondaar in staat van doodzonde doet, vruchteloos , d. w. z., geheel vruchteloos, nutteloos ter zaligheid ?
Het ware antwoord is: Neen; goede werken , die de zondaar, d. w. hier z. , alwie in staat van doodzonde is, met de hulp der goddelijke gratie , d. w. hier z., met de hulp der dadelijke gratie doet,(vgl. lOeV.), zijn voor den zondaar niet alleen niet geheel vruchteloos ter zaligheid, maar zelfs het gewone, en dus in den regel het noodzakelijke middel om tot bekeering te komen, om een oprecht berouw te verkrijgen, eene goede biecht te spreken, en daardoor vergiffenis zijner zonden te bekomen, in de heiligmakende gratie en het recht op don hemel hersteld te worden.
Door goede werken, als daar zijn bidden, vasten, aal-
C 26
402
moezen geven , die iemand in staat van doodzonde doet, verdient hij zeker den hemel niet; hij heeft er geene belooning-in den hemel voor te wachten; het zijn en blijven doode werken, die niet kunnen herleven , omdat zij nooit geleefd1 hebben (Vgl. 40e Les, 6e V.)
Doch zij zijn het gewone en dus in den regel het noodzakelijke middel om tot bekeering te komen. Zeker de almachtige-en oneindig barmhartige God kan een' zondaar, die er met eens aan denkt om goede werken te doen , maar nog steeds op kwaad doen zint, bedacht is, op buitengewone, wijze door een mirakel zijner genade op eens bekeeren. De H. Paulus is er een voorbeeld van. âSaulus , nog steeds bedreiging en moord ademende tegen de leerlingen des Heerenquot; wordt, nabij de stad Damaskus gekomen , om aldaar de christenen-te vervolgen , door Jesus , die hem verschijnt, op eens totr inkeer gebracht, en van een vervolger in een Apostel herschapen! (Men leze Hand. der Apost. IX hoofdst.)
Maar 't zou toch wel allervermetelst zijn te durven hopen,, dat God voor iemand onzer , die in staat van doodzonde is r een mirakel zal doen , gelijkerwijze als voor den H. Paulus.
En toch tracht de duivel , die van aard oen leugenaar eii van den beginne der wereld een zielenmoorder is , (vgl. Joan. VIII. 44.), den zondaar tot zulk vermetel vertrouwen te brengen. Te dien einde verdraait hij den zin van het ware antwoord van den Catechismus, en redeneert, op de hem eigenaardige, sluwe en arglistige wijze, als volgt: Ge zijt: nu toch eenmaal in staat van doodzonde ; of ge al bidt, vast, aalmoezen geeft, ge kunt er toch den hemel niet door verdienen; 't baat u niet. Dus maak het u maar niet lastig-, laat de goede werken maar achterwega. Ge kunt ook zonder deze toch wel tot bekeering komen !
O kinderen , wat eene dooreenmengeling van waarheid en
bedrog !
Waar is het, dat ge , zoolang ge in staat van doodzondezij t , door geen enkel goed werk, hoe groot en heldhaftig het op zichzelf zijn zou , den hemel kunt verdienen. In zeer beperkten zin , onder eene voorwaarde , die allerwaarschijnlijkst,
403
niet zal vervuld worden, en wier vervulling in 't geheel niet van u zeiven afhangt, is 't ook nog waar, dat ge zonder goede werken te doen , toch tot bekeering kunt komen , nl., indien het God belieft voor u een mirakel te doen.
Kinderen hebt ge aandachtig op de gemaakte voorwaarde gelet, dan zult ge tevens het velerlei bedrog hebben ingezien, dat in Satan's redeneering ligt opgesloten. Immers hij trachtte ten le, u over te halen goede werken voortaan maar achterwege te laten, omdat ge in staat van doodzonde er den hemel toch niet door verdienen kunt; en ten 2e omdat ge zonder goede werken te doen , toch wel tot bekeering kunt komen.. En ten 3e, wil hij u door deze schijnredenen eigenlijk wijs maken , dat het maar van u zeiven afhangt tot bekeering te komen , u te bekeeren al of niet; dus, dat ge ten leste u wel zult bekeeren. Om u met deze vermetele hoop te paaien verzweeg de valschaard opzettelijk de voorwaarde, de conditie, wier vervulling noodzakelijk is, en toch gelijk we reeds zeiden, niet van u zei ven afhangt maar alleen van God, te weten , dat hot Grode behage voor u een mirakel te doen ! Dat het God inderdaad zal believen een mirakel te doen voor u , zondaar, die in staat van doodzonde, dus in vijandschap met Hem zijt, en zoo weinig of geen prijs er op stelt om wederom in zijne vriendschap hersteld te worden , dat ge u , op inblazing des duivels, niet eens de moeite wilt getroosten goede werken te doen, is zeker onwaarschijnlijk. Dat weet de duivel ook wel. Hij is genoegzaam zeker, dat, indien ge de goede werken achterwege laat, ge waarlijk niet tot bekeering zult komen. Maar daarom is het hem, den gezworen vijand uwer zaligheid, juist te doen. Want ook hij weet, dat ge, indien ge u niet bekeert, onfeilbaar zeker voor eeuwig met hem ter helle gedoemd wordt.
Kinderen, om dit onherstelbaar ongeluk te voorkomen, geett toch nimmer gehoor aan de valsche inblazingen van batan. Laat u nooit door dien aartsleugenaar wijs maken, dat de goede werken , die ge in staat van doodzonde doet, u niets baten , geheel vruchteloos voor u zijn ter zaligheid. 3Iaar houdt u altijd diep doordrongen van dit zuiver ware
404
antwoord der Christelijke leering: Neen; goede werken zijn voor iemand, die in staat van doodzonde is , niet alleen niet geheel vruchteloos ; maar met de hulp dT goddelijke gratie zijn zij voor den zondaar het gewone middel om tot heheering en door bekeering ter eeuwige zaligheid te komen.
Kinderen , uit dit volkomen waar antwoord van den Catechismus , moet ge dus besluiten , dat, indien ge ooit het ongeluk zoudt hebben eene doodzonde te bedrijven , in staat van doodzonde te zijn , gij u te meer â meer zelfs dan een rechtvaardige, die in staat van gratie, zuiver van doodzonde i3 â op het doen van goede werken moet toeleggen om door middel van dien tot bekeering te komen , in staat van gratie, en in het recht op den hemel hersteld te worden.
Gods barmhartigheid zij lof en dank , dat wij , na het ongeluk gehad te hebben eene doodzonde te bedrijven , door het doen van goede werken , waartoe bovendien zijne vóórkomende gratie ons aanspoort, opwekt, niet alleen tot bekeering kunnen komen, maar zeker mogen vertrouwen er toe te zullen komen ; want nog eens zij het herhaald: de goede werken, die de zondaar in staat van doodzonde doet, zijn voor hem het gewone middel om tot bekeering te komen.
9 V. Is het noodig , dat men hij elk goed werk denkt, dat men het ter eere Gods doet ?
A. Neen; het is voldoende, dat men des morgens eene goede meening maakt , en die van tijd tot tijd vernieuwt.
Deze vraag dient ter verklaring van het tweede vereischte om door onze goede werken den hemel, in strengen zin , te verdienen, nl., dat wij ze moeten verrichten ten le in staat van gratie, en ten 2e ter eere Gods.
Wat wil dat zeggen: onze goede werken doen ter eere Gods ? AVat dit zeggen wil, kau men op verschillende wijzen uitdrukken; in hoofdzaak echter komen alle die zegswijzen
405
of uitdrukkingen op hetzelfde neer. Onze goede werken doen ter eere Gods, w. z. , al ons doen en Inton stieren tot ver-heerlijking Gods; alle onze handelingen bezielen door de deugd van godsdienstigheid (vgl. 4o V.) : alles doen ten dienste van God; uit liefde Gods (vgl. volg. Les le on 2e V.); alles doen in den naam van onzen Heer Jesus Christus, om Gods wil of verlangen te volbrengen, om aan God te behagen; â kortom : met eene goede meening, eene zuivere intentie. Dat wij onze goede werken moeten verrichten ter eere Gods om er den hemel door te verdienen, om er verdiensten voor den hemel door te verzamelen , om er bij God recht op belooning door te verwerven, duidt reeds hot gezond verstand, 's men-schen ratuurlijke rede, genoegzaam aan , en de goddelijke openbaring , de christelijke lee;i?ig bevestigt zulks nadrukkelijk.
Het getuigenis van het gezond verstand zult ge het gemakkelijkst begrijpen door eene vergelijking. Bv. uw vader heeft een werkman gehuurd om voor 1 gulden daags voor hem, ten zijnen dienste , dit of dat werk te verrichten. In plaats nu van , volgens accoord, vandaag voor uw vader te werken , gaat de man voor een ander of voor zich zeiven werken. Toch komt hij 's avonds bij uw vader om zijn loon, zijn gulden vragen. Wat denkt ge, dat hij ten antwoord zal krijgen? Op zijn allerzachtst: maar vriend, ge hebt niet voor mij gewerkt, dus hebt ge van mij ook geen loon te wachten!
Gelijkerwijze zal het ons gaan in het oordeel Gods, indien wij onze goede werken niet ter eere Gods doen, maar enkel of voornamelijk voor ons zeiven, alleen of vooral uit ijdelheid, om boven andere uittemunten, tot zelfverheffing, tot eigen voldoening, tot voldoening onzer eigenliefde enz. ; ze alleen of voornamelijk doen voor de menschen , om door de menschen, onze oversten , gelijken of onderdanen, gezien , geacht en geprezen te worden. In dat geval hebben wij er bij God geen loon voor te wachten. Dit leert ons Jesus Christus, onze toekomstige Rechter, allernadrukkelijkst. vZiet toe, zegt Hij, bij Matth.'VX., âdat gij uwe gerechtigheid, uwe goede werken niet doet voor de menschen, voor het oog van de menschen, om van hen
406
gezien, door hen geacht en geprezen te worden; anderszins, indien gij ze daarom alleen of voornamelijk doet, zult gij geen loon hebben bij uwen Voder die in den hemel is.' (v.1.) Christus zelf past dit beginsel vervolgens toe op de drie voornaamste goede werken , waaronder alle overige begrepen zijn , te weten : bidden, vasten en aalmoezen geven. (Vgl. 3e V.) Immers, op de aangehaalde woorden laat Hij onmiddellijk volgen. Wanneer gij dan eene aalmoes geeft , bazuin het niet voor u uit, gelijk de sehijnheiligen in de Synagogen en op de straten doen , om door de menschen geëerd te teerden ; voorwaar zeg ik u : zij hebben hun loon al ontvangenquot; (v.2.), d. w. z., zij hebben hun loon al weg; zij ontvingen wat ze zochten: eer bij de menschen; en daarmede is hunne verdienste op. â En wanneer gij bidt zult gij niet zijn gelijk de schijnheiligen, die er behagen in scheppen, om in de Synagogen , en staande aan de hoeken der straten te bidden , om van de menschen gezien te worden , voorwaar zeg ik u : zij hebben hun loon al ontvangen, (v. 5.) En wanneer gij vast, toont dan geen treurig, somber gezicht, gelijk de schijnheiligen doen ; ivant zij tnismaken hunne aangezichten , opdat het aan de menschen zou blijken dat zij vasten , voorwaar zeg ik ii: zij hebben hun loon al ontvangen, (v. 16.)
Kinderen, duidelijker, nadrukkelijker kan het toch wel niet geleerd worden dan het hier O. L. H. , Jesus Christus, de eeuwige waarheid, zelf doet, dat de verdienstelijkheid dei-goede werken verloren gaat, wanneer zij alleen of voornamelijk natuurlijk zelfbehagen of zelfverheffing, of wel eer en achting der menschen tot drijfveer of doel hebben. Doen wij ze dus alleen of voornamelijk uit zulke beweegreden of met zulk doel , dan hebben wij er geen loon voor te wachten bij onzen Vader, die in den hemel is , hoe voortreffelijk , ja heldhaftig ze ook uit hun aard zouden zijn. De reden hiervan is, omdat een uit zijn aard ook nog zoo goed werk door zoodanig ongeregeld, verkeerd, kwaad doeleinde zelf geheel en al kwaad, in plaats van een deugdelijk , een zondig werk wordt, en dus niet ter eere Gods kan gestierd worden , geen loon kan waardig zijn, geen loon, maar straf verdient.
407
Wij moeten derhalve nauwlettend acht geven op de bedoelingen van ons hart, opdat nooit eenig verkeerd inzicht â de eenige of voorname drijfveer, eenig of voornaam doel van onze werken worde. Verder moeten wij zorg dragen bij al ons doen en laten minstens voornamelijk de eer Gods teu doel te hebben; alle onze werken althans voornamelijk ter eere â¢Gods te doen. Komt er dan , gelijk uit menschelijke zwakheid lichtelijk kan gebeuren, soms een inzicht of eene beweeg-ieden bij , die uit ter aard eene dagelijksche zonde is , of sluipt zoodanige omstandigheid tusschen het goede werk, dat we met geheel zuivere raeening ter eere Gods hadden begonnen; zeker dan verliezen wij tot straf van dat bijkomend minder goed doel, van die bijkomende min zuivei'e beweegreden , ot van die tusscliengeslopen omstandigheid wel een gedeelte der verdiensten, maar , God dank, verliezen we niet geheel de verdiensten, niet alle verdiensten van het goed werk , dat we op die wijze verrichten , omdat dat werk dan â¢onder zedelijk opzicht als tweeledig wordt, goed en kwaad tegelijkertijd, maar in hoofdzaak toch een wezenlijk deugdzaam , en dus verdienstelijk werk blijft.
Waarlijk die loering houdt rekening met 's menschen zwak-lieid, en biedt godvruchtige menschen troost en bemoediging bij het verrichten van goede werken. Hoe zelden toch is en Wij ft daarbij onze meening geheel en al zuiver , louter en alleen op God gericht? ]5v., iemand wil waarlijk ter eere , uit liefde Gods eene aalmoes geven; maar nu wordt ze hem publiek op straat, of bij inteekeningslijst, gevraagd ; hij geeft ze wel met eene goede meening ter eere Gods , maar doordien 't publiek het ziet of verneemt, komt er zoo lichtelijk wat ijdele glorie bij , die hem tevens beweegt /ijne aalmoes te geven , misschien zelf wat ruimer dan hij anders zou gedaan hebben. Om die bijkomende beweegreden van ijdele glorie verliest hij een gedeelte der verdiensten, beloofd aan â¢eene aalmoes zuiver ter liefde Gods gegeven.
Om de bekoring van ijdele glorie, die bij het openbaar verrichten van goede werken zoo lichtelijk opkomt, afteweeren, ja ten goede te keeren , in eene akte van deugd te verkeeren,
408
make men beslist de meening om alle goede werken , die tot het. openbaar en gewoon leven van een godvreezend christenmensch behoorcn, te doen volgens deze les des Heeren : Schijne uw licht voorde menschen, opdat zij uwe goede iverken zien en uitgt;en Fa-der verheerlijken, die in den hemel is. (Matth. V. hfdst. v. 16.)
quot;Wijl dit allerbelangrijkst punt nooit te duidelijk kan gemaakt worden, nog een ander voorbeeld. Iemand begint met zuivere meening, louter ter eere Gods eenig goed werk; 't gelukt hem , hij slaagt bijzonder, hij zingt in de kerk of Congregatie dat het een lust is , wonder schoon ; hij bidt godvruchtig en stichtend den H. Kruisweg , woont zóó de H. Mis bij , gaat zóó te communie enz., enz.; intusschen bekruipt hem eene gedachte van ijdele glorie, van zelfbehagen, en. hij geeft daaraan toe. Hij verliest een gedeelte van de verdiensten aan die goede werken toegezegd, maar verliest ze niet geheel en al; verdient nog een goed , ik zou meenen, 't grootste deel der belooning aan zulke voortreffelijk goede werken door God toegtkend.
Biedt deze op degelijke gronden steunende meening der Godgeleerden den braven Christen reeds troost en bemoediging , niet minder de stellig zekere waarheid dat men door elh werk, dat men in staat van gratie en ter eere Gods doet, hoe gering, klein, onbeduidend, ja onverschillig het uit zijn aard ook wezen kan , telkens een hoogeren graad van heiligma-kende gratie, en dus ook vermeerdering der heraelsche glorie kan verdienen. Ter bevestiging dier waarheid schreef de H.. Apostel Paulus, door ingeving en onder bijzonderen bijstand van den H. Geest (vgl. 4e Les, 2e V.) aan de geloovigen van Korinthe, (I Br., X. 31) : âHetzij gij dan eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij iets anders doet, doet alles tot eer van Godquot;. En aan de Kolossers (III. 17): Al wat gij doet in woord of in werk, doet het alles in den naam van den Heere Jesns Christiis,\ die zelf betuigd , beloofd heeft, dat alwie (in staat van gratie) slechts een beker, een glas koud water aan één van de geringsten zijner leerlingen in zijn naam , te zijner eer , zal te drinken gegeven hebben zijn looni niet zal missen. (Vgl. Matth. X. 42 , Mare. IX. 40.)
409
Allerlei slag van goede werken kunnen dus verdienstelijk zijn voor den hemel. Met name «.) die we doen moeten omi Gods heiligen wil , Gods geboden te onderhouden; want, bij Matth. XIX. 17, wordt dit als noodzakelijke voorwaarde gesteld om den hemel te verdienen: âIndien gij tot het leven wilt ingaan onderhoud de gebodenquot;. Deze waarheid is bijzonder troostvol voor al wie in de wereld hard moet werken om voor zich en de zijnen den kost te verdienen. Mits men zjjn werk volgens plicht van staat , doe omdat God het wil, doet men het vanzelf ter eere Gods. Bij 't begin der verklaring van de 9e V. zeiden we immers reeds , dat een goed werk doen om Gods wil te volbrengen , omdat God het wilr hetzelfde beteekent, op hetzelfde neerkomt als het doen ter eere Gods. Omdat eenvoudige menschen iets ter eere Gods doen , niet zelden verstaan van iets doen om niet, voor niets, gratis, zonder geldelijke winst, belooning , uitsluitend uit liefde Gods, is het tot hunne onderrichting en bemoediging niet overbodig bepaald op te merken, dat men tegelijk voor zijn kost, zijne tijdelijke zaak , affaire , kan werken én ter eere Gods dus dat men, door 't werk , dat men, volgens plicht van staat, toch doen moet tegeljjk verdienen kan voor het tijdelijke én het eeuwige leven, voor den hemel. Soortgelijke bemerking is dikwerf ook noodig en heilzaam om zieken of beproefden tot geduld en onderwerping aan Gods heiligen wil en beschikking op te wekken, en daardoor hun lijden en kruis grootelijks verdienstelijk te doen worden voor den hemel. Immers , dikwijls hoort men dezulken de bedenking maken 1 âIk moet het wel lijden... anders zou ik het niet doen... ik heb er dus ook geen verdiensten van.quot; Passend kan men hun antwoorden : Met onderscheid : Lijdt ge de ongemakken uwer kwaal, uw kruis geheel tegen wil en dank, mokkend en morrend tegen uwe verplegers, tegen geheel uwe omgeving, misschien als tegen God zeiven; â ja, dan zult ge er zeker weinig , ik moet zelfs toegeven, geen verdiensten van hebben, maar door uwe ontevredenheid dit alleen winnen, dat gij er uw kruis en lijden veel door verzwaart. Daarom maak vai» den nood eene deugd, 't Is nu eenmaal zóó, God heeft u.
410
die wederwaardigheid , die ziekte overgezonden, de beproeving die u kwelt, minstens toegelaten. Neem zo met onderwerping uit zijne vaderhand aan , draag ze zooveel mogelijk met geduld, ter eere , uit liefde Gods, omdat God het wil, en ge zult er groote verdiensten door vergaderen voor den hemel. Och ja, slaakt ge dan door de hevigheid der pijnen al eens eene klacht, zijt ge al eens zwaarmoedig, niet goed gestemd, wat lastig ; om die bijkomende omstandigheid verliest ge toch zeker niet alle verdiensten van uw lijden ter eere Gods verduurd. (Vgl. bl. 407) Kunnen goede werken , die men moet doen om Gods geboden te onderhouden, verdienstelijk zijn voor den hemel , te meer die goede werken , welke God wel van ons verlangt, maar ons niet bij gebod heeft opgelegd, waartoe Hij ons in 't algemeen niet onder zonde verplicht , maar door zijn voorbeeld en woord dringend uitnoodigt, aanspoort. Bv., om ter eere Gods, uit liefde Gods, kwaad mot goed te vergelden, bijzonder voor onze vijanden te bidden, enz. enz. (vgl. bl. 150, 151), vooral om de Evanyelischeraden bij uitnemendheid, te beoefenen , te weten : de vrijwillige armoede , eeuwige zuiverheid en volkomen gehoorzaamheid.
b.) Ja zelfs kunnen die handelingen welka uit haar aard onverschillig zijn , of welke men van natuur graag doet, verdienstelijk zjjn, bv. eten, drinken, spelen, eene passende uitspanning of rust nemen , slapen enz. enz. Immers wij hoorden den grooten Apostel Paulus uitdrukkelijk zeggen: Hetzij gij dan eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij iets anders doet , doet alles tot eer van God.quot; Alzoo kunnen allerlei slag van goede werken verdienstelijk zijn voor den hemel , mits wij ze doen in staat van gratie en ter eere Gods.
Maar hoe nu moeten we onze goede werken ter eere Gods verrichten ? Is het noodig, vraagt hier de Catechismus, dat men bij elk goed werk denkt, dat men het ter eere Gods doet ?
Hij antwoordt: Neen; om onze goede wei-ken ter eere Gods te verrichten, is het niet noodzakelijk, dat men bij elk goed werk, dat men gaat verrichten, er aan denkt, in zijn hart de meening maakt of uitdrukkelijk zegt, dat men het ter -eere Gods doet.
411
Om al de goede werken , die men door den dag doet, ter eere Gods te verrichten, is het voldoende dat men des morgens eene goede meening maakt alle handelingen van den dag, gedachten, woorden en werken, al zijn doen en laten , lief en leed ter eerc Gods te verrichten.
Kinderen , bidt daarom dagelijks in uw Morgengebed met bijzondere aandacht, van harte gemeend : âMijn Heer en mijn God , ik draag U op alle de goede werken, die ik dezen dag zal verrichten. Ik teil die doen tot uwe eer en glorie , tot zaligheid mijner ziel en om de aflaten te verdienen, die daaraan zijn toegevoegd.quot;
Al wat men krachtens , onder den invloed , ingevolge van zulke goede meening doet, doet men metterdaad ter eere Gods, al denkt men ook niet bepaald moer op God , terwijl men zijn werk verricht.
Hierdoor vervalt van zelf de bedenking , welke men god-vreezende, brave menschen soms hoort maken : âIk heb tjjdens mijn werk bijna niet meer op O. L. H. gedacht. Ik had het zoo druk met mijne bezigheden , dat ik aan O. L. H. nauwelijks of niet eens meer gedacht heb. Dus ik zal met al mijne drukten nog weinig of niets verdiend hebben voor den hemel''.
Immers, op dat bezwaar dient met den Catechismus geantwoord : Ja wel, gij zult wel iets , zelfs veel verdiend hebben, want, het is voldoende, dat men des morgens eene goede meening maakt. Een werkman, die om zijn loon komt, vraagt men niet of hij tijdens het werk op zijn lastgever gedacht heeft, maar wel degelijk of hij trouw voor zijn heer en meester gewerkt heeft. Gelijkerwijs is de hoofdvraag, waarop het hier neerkomt, niet zoozeer of men tijdens zijn werk al of niet op God gedacht heeft, maar of men trouw voor God gewerkt heeft, ter eere Gods gedaan heeft wat men, ieder volgens zijn staat, door den dag naar omstandigheden of naar ⢠dagorde te doen had. Zoo ja, dan heeft men voor alles, wat men in staat van gratie, en krachtens de goede meening des ,morgens gemaakt, verricht heeft . veel en aroot loon in den
412
hemel te wachten , al heeft men tijdens zijn werk niet uitdrukkelijk aan God gedacht.
Want, nog eens, om onze goede werken ter eere Gods te doen, is het voldoende dat men des morgens de goede meening maakt alles ter core Gods te doen. Doch, wijl hier sprake is van den dienst Gods, die en in zichzelven het opperste goed en tevens ons opporste goed is (vgl. 5e Les , 3e V.), is het onbetwistbaar zeker billijk, rechtmatig, geraden en heilzaam, dat wij door den dag tijdens ons werk dikwijls aan Hem denken, herhaaldelijk onze werken tot zijne eer en glorie opdragen. In dien zin voegt dan ook de Catechismus aan de reeds meermalen aangehaalde woorden : het is voldoende om alle goede werken van den dag ter eere Gods te doen, dat men des morgens die goede meening maakt, nog deze slotwoorden toe : en die meening van tijd tot 'tijd vernieuwt. Ontwijfelbaar zeker is het reeds alleen om de aangehaalde redenen, nl. , om Gods majesteit, oneindige volmaaktheid in zichzelven , en goedheid jegens ons , rechtmatig, heilzaam en geraden van tijd tot tijd die goede meening te vernieuwen; maar nog meer om reden onzer eigene zwakheid en bedorven neigingen. Hoe lichtelijk toch en hoe dikwerf gaat, als gevolg onzer eigenliefde en hoovaardigheid, met die goede meening , een minder zuiver inzicht, de nevenbedoeling gepaard , om van de menschen gezien, geacht, geprezen te worden. Blijft ook deze nevenbedoeling al buiten spel , hoe lichtelijk en hoe dikwerf komt dan nog na een goed geslaagd werk , ijdel zelfbehagen een gedeelte onzer verdiensten stelen.
Derhalve , om ons voor dit onheil , die schade te behoeden, gewaakt tegen de bedorven neigingen van ons hart , dikwijls door den dag, bv., bij elk goed werk dat men begint, of om het uur bij het slaan der klok , die goede meening vernieuwd : Alles ter eere Gods. Dat is zoo moeielijk niet al» het schijnen kan. Om die goede meening des morgens gemaakt door den dag te vernieuwen, is het genoeg, bv. , vóór elk werk dat men begint, godvruchtig een kruisteeken te maken : In den naam des Vaders.... Daardoor toch geeft men zelfs uitdrukkelijk te kennen, dat men dit werk wil
413
â¢doen ter eere Gods. Ora zijne goede meening tijdens zijn werk te hernieuwen zijn korte schietgebeden ook allernuttigst. Bv.: Mijn Heer en mijn God , alles ter uwer meerdere eer en glorie! Mijn Jesus, alles in vereeniging met de intentiën van â¢uw goddelijk Hart! van 't onbevlekt hart van Maria! enz. , enz., al naar Gods gratie ons bij verschillende omstandigheden ingeeft. Men kan op dio wijze met veel vrucht zijne goede werken tegelijk tot verschillende intentiën opdragen. Dit blijkt re'ids uit de vroeger aangehaalde woorden van het Morgengebed: Mijn Heer en mijn God , ik draag ü op alle de goede werken, die ik dezen dag zal verrichten. Ik wil â die doen tot uwe eer en glorie , tot zaligheid mijner ziel en â om de aflaten te verdienen, die daaraan zijn toegevoegdquot;. quot;Waarlijk het is heilzaam zijne goede werken tot verschillende intentiën op te dragen.
Uit de levens en nagelaten schriften der Heiligen blijkt duidelijk, dat zij gewoon waren op die wijze hunne goede werken ter eere Gods te verrichten ; dat zij bij die algemeene meening tegelijk verschillende andere bijzondere intenties voegden, bv. , voor de vrijheid en verheffing van onze Moeder de H. Kerk, voor de bekeering der zondaren en ongeloovigen , tot volharding der rechtvaardigen , om voortgang te doen in de volmaaktheid, om van deze of gene ramp bevrijd te worden, deze of gene genade te verkrijgen voor zichzelven of voor anderen, of om God voor verleende weldaden te danken, enz. enz. Dusdoende volgden de Heiligen het voorbeeld van Christus zeiven. Christus getuigde van zichzelven als mensch : âIA- zoek mijne eer, mijne glorie niet.quot; âIk doe altijd wat Hem, God den Vader, behagelijk isquot;. {Joan. VIII. 29. 50.) Vanaf zijne menschwording tot aan zijn dood aan het kruis â deed Hij alles tot meerdere eer en glorie van zijn hemelschen Vader, bepaald om de opperheerschappij en majesteit zijns Vaders te erkennen ; om zijn Vader te danken voor alle voorrechten , genaden en weldaden hem als mensch en ter zijner wille aan alle menschen geschonken en tot aan de voltooiing der eeuwen nog te schenken ; tot voldoening voor de zonden lt;van ieder mensch; en eindelijk om steeds nieuwe weldaden
414
van allerlei aard , die het heil der menschen kunnen bevorderen , af te sraeeken. Jesus Christus stierde dus al zijne werken tot dezelfde vier verheven doeleinden, waartoe Hij ééns zichzelven heeft geslachtofferd aan het kruis , en nog dagelijks, onder de gedaante van brood en wijn, aan God den Vader opoffert. (Vgl. bl. 249.)
Streeft er na , om, in navolging van onzen goddelijken Zaligmaker, altijd te doen wat onzen Vader, die in de hemelen is, behaagt. Zoekt nimmer door uwe goede werken uwe eigene glorie, maar doet altoos alles , wat gjj doet, ter eere Grods, tot alle intentiën , voor welke Jesus zich heeft opgeofferd aan het kruis en zich als elk oogenblik van den dag aan zijn Hemelschen Vader opdraagt op het altaar in alle deeien der wereld.
Kinderen, prent de verklaring van dit allerbelangrijkst punt der christelijke leer diep in uw hart. Uwe eerste en voorname zorg zij , en blijve altoos , uwe werken , in staat van gratie en ter eere Gods te verrichten. â Dusdoende verheugt en verblijdt U! omdat uw loon groot is in den Hemel. (Mafth. v. 12.) Gij moogt dan den H. Paulus nazeggen.quot; Voorts is mij weggelegd de hroon der gerechtigheid , (d. i. de gerechtigde, de wel verdiende kroon des eeuwigen levens) welke de Heer, de rechtvaardige Hechter mij ten dien dage geven zal. (2e Br. aan Timoth. IV. 8.) â Want God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten en de liefde , die gij roor zijnen naam hebt getoond. {Br. aan da Hehr. VI. 10.) Verricht dus alle uwe goede werken in staat van gratie en ter eere Gods, dan verdient gij den hemel gemakkeljjk; dan komt ge zeker, en hoog in den Hemel; want gij verdient door elk werk , zoo verricht, telkens vermeerdering der heiligmakende gratie en der hemelsche glorie.
10 V. Kan de mensch uit eigen kracht goede werken doen , die hem ter zaligheid dienen ?
A. Neen ; hij heeft daartoe de hulp der god-
415
delijke gratie noodig , zonder welke hij niets goeds ter zaligheid kan verrichten.
In deze vruag is sprake van goede werken, die den inensch-eeniger wijze ter zaligheid dienen. Ora alle misverstand te voorkomen, merk ik hier allereerst op, dat die woorden; goede werken, die ons oenigerwijze ter zaligheid dienen, niet hetzelfde beteekenen als die waarmee het A. op de 8e V. der vorige les eindigt. Die V. luidde: quot;Welke is de voornaamste der goddelijke deugden ? En het A. De liefde ; want zonder de liefde kan noch het geloof, noch de hoop , noch eenige andere deugd o»s ter zaligheid helpen. Immers dit beteekent: ons inderdf.ad in den hemel brengen, den hemel werkelijk doen bekomen.
Verder bemerke men, dat er in de 7o V. dezer Les spraak was van goede werken, waardoor wij den hemel in strengen zin verdienen als een loon. Die twee verschillende uitdrukkingen , welke de Catechismus gebruikt in de 7e en de 10e V. , geven genoegzaam te kennen , dat er een groot verschil bestaat tusschen die goede werken , waardoor wij den hemel eigenlijk gezegd kunnen verdienen en de goede werken, die ons ter zaligheid kunnen dienen. Dat groot verschil bestaat van onzen kant voornamelijk daarin, dat wij , om door onze goede werken in strengen zin den hemel te kunnen verdienen, ze moeten verrichten in staat van gratie, in 't bezit der heilig makende gratie , der liefde Gods, zuiver van-doodzonde. Dit is geen vcreisehte ora goede werken te kunnen doen , die ons ter zaligheid dienen. Ook iemand die in staat van doodzonde is , kan met de hulp der dadelijke gratie Gods goede werken doen , die hem ter zaligheid dienstig zijn. Ja , uit de Se V. leerden wij , dat zulke goede werken voelden zondaar het gewone middel zjjn om tot bekeering, en door bekeering ter zaligheid te komen. Hier is nu de vraag of de mensch uit eigen kracht, zonder de hulp der dadelijke gratie Gods , alléén door zjjne natuurlijke krachten, goede u-erken kan doen, die hem ter zaligheid dienen? En het antwoordt luidt beslist: Neen ; uit eigen kracht kan de mensch
416
geen enkel goed werk doen, dat hem ter zaligheid dient. Hij, de mensch , iedereen, rechtvaardige en zondaar, in staat van gratie of van doodzonde, heeft daartoe, d. w. z., om goede werken te doen, die hem ter zaligheid dienen, de hulp der goddelijke gratie, d. w. h. z., de hulp der dadelijke gratie, d. i., een bovennatuurlijk hulpmiddel , dat God hem ter gelegener tijd geeft (vgl. 30e Les, 9e V.) noodig , zonder welke dadelijke gratie Gods hij niets goeds tek zaligheid kan verrichten.
Dat de Catechismus door de woorden: de hulp der goddelijke gratie hier niet de heilig makende gratie , maar de dadelijke gratie bedoelt en verstaan wil hebben, blijkt duidelijk uit de vooropgestelde bemerking. Immers de rechtvaardige heeft de heiligmakende gratie reeds; en de zondaar kan ook zonder deze gratie te bezitten goede werken doen , die he)ii ter zaligheid dienen; daartoe is de heiligmakende gratie noodig, maar de dadelijke gratie voldoende, maar ook noodzakelijk voor eenieder ; niemand , noch rechtvaardige , noch zondaar, kan zonder de hulp der dadelijke gratie uit eigen natuurlijke kracht eenig goed werk doen , dat hem ter zaligheid dienstig is.
Het is bepaald een punt van ons H. Geloof, dat de dadelijke gratie volstrekt, absoluut noodig, noodzakelijk is tot alle goede werken , die ons ter zaligheid dienen. De rede, 's men-schen natuurlijk gezond verstand, leert duidelijk genoeg, dat louter natuurlijke krachten geen bovennatuurlijk uitwerksel kunnen voortbrengen. Welnu de zaligheid waartoe we geschapen zijn, welke ons laatste doeleinde is, bestaat wezenlijk in God hiernamaals eeuwig in den hemel te aanschouwen. (Ie Les, 9c V.) Het grootste geluk der zaligen is , Gods aanschijn te aanschouwen en in Gods aanschijn te aanschouwen alle goed te genieten. (Vgl. 45e Les, 9e V.)
Die zaligheid is klaarblijkelijk van geheel bovennatuurlyken aard. Dat is zoo waar , dat we ons hier op aarde van die gelukzaligheid door ons natuurlijk verstand, ook voorgelicht door het geloof, geen volkomen denkbeeld kuunen vormen. Immers er staat geschreven (le Br. aan de Korinth. II. 9.)
417
T,Geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord , en in geen tnenschen hart is opgekomen, wat God hiernamaals bereid heeft mor die hem (hier tijdens hun leven) liefhebhenquot; en die liefde toonen door zijne geboden tot het einde huns levens getrouwelijk te onderhouden. (Vgl. Ie Les, 1 ne V.) De gelukzaligheid des hemels is dus dermate bovennatuurlijk, dat ze zelfs alle menschelijk verstand te boven gaat. 't Is derhalve geen wonder, maar geheel natuurlijker wijs begrijpeljjk , dat wij uit eigen natuurlijke kracht geene goede werken kunnen doen , die ons ter zaligheid dienen. Want louter natuurlijke krachten kunnen geen enkel, niet het kleinste bovennatuurlijke uitwerksel voortbrengen. Dus knn de niensch uit eigen kracht, alleen door zijne natuurljjke krachten , geen goed -werk doen , dat hem dient ter zaligheid , die zoo geheel eu al bovennatuurlijk is, 's menschen natuurlijke krachten te boven gaat. De goddelijke openbaring bevestigt die uitspraak â¢der gezonde rede volkomen. Immers ia de H. Schriftuur en â de goddelijke overleveringen heeft God duidelijk geopenbaard, dat wij menschen, uit eigen natuurlijke krachten geene goede werken kunnen doen , die ons ter zaligheid dienen, maar daavtoa de hulp zijner dadelijke gratie noodig hebben. Hoort wat, ten bewijze dier waarheid , Jezus zelf zegt (Joann. XV. 5.) âZonder mij, uit u zeiven, uit eigen kracht, zonder de hulp mijner dadelijke gratie, kunt gij volstrekt xiets doenquot;, dat u ter zaligheid dienstig is. 't Spreekt van zelf dat de leering van den H. Apostel Paulus volkomen overeenstemt met de zoo even aangehaalde uitspraak van zijnen en onzen Heer Jesus Christus. De H. Apostel Paulus verklaart ons dan ook enkel en alleen, dat dit woord des Heeren : âZoiuhr Mij kunt gij niets doenquot; of, gelijk de Catechismus zegt : niets goeds ter zedigheid verrichten , te verstaan is in zoo algemeen mogelijken zin, zóó dat we uit eigen kracht niet eens iets kunnen denken, noch minder willen, en noch minder ten uitvoer brengen, dat ons ter zaligheid dienen kan.
Om u te inniger van deze groote waarheid te overtuigen , haal ik St. Paulus' eigen woorden aan : Niet, zegt hij , in zijn 2c» Br. aan de Korinth., III. 5., dat wij van ogt;is
C 27
418
zeleen bekwaam zijn iets te bedenken als uit ons zeivenquot;, dat ter iemands zaligheid dienen kan. Neen ; uit ons zei ven r d. i., krachtens onze menschelijke natuur , uit eigen natuurlijke krachten zijn wij daartoe niet bekwaam , niet m staat; maar onze bekwaamheid is uit God, die ons door de hulp zijner dadelijke gratie daartoe bekwaam maakt. In zijn Br. aan de Philip. , II. 13. verklaart de Apostel nog meer uitdrukkelijk : Het is God die door de hulp zijner dadelijke gratie in u uitwerkt én het willen én het volbreng enquot;, het doen van het goede dat dienstig is ter zaligheid, om zijne goedwillig-heid te toonen , uit zuivere en vrije goedwilligheid van zijnen kant, wijl wij van onzen kant, uit eigen natuurlijke kracht, niets, geen enkel goed werk kunnen doen, dat ons tor eeuwige zaligheid dienstig is.
Dat ook de rechtvaardige, iemand die in staat van gratie is, die de hoiligmakende gratie bezit, bovendien de hulp der dadelijke gratie noodig heeft om goede werken te doen, die hem ter zaligheid dienen, is wel geen punt van ons H, Gelooi', maar toch eene waarheid, zóó algemeen door de Godgeleerden erkend, aangenomen , dat wij ons aan vermetelheid zouden schuldig maken door ze te loochenen of in twijfel te trekken; eene leering dus , die elk rechtzinnig katholiek voor zeker en onbetwijfelbaar houdt. En dat doet hij op deugdelijke gronden. Want vooreerst de Schriftuur-teksten , zoo even aangehaald, ten bewijze dat de mensch de hulp der dadelijke gratie Gods noodig heeft om goede werken te doen , die hem ter zaligheid dienen, zonderen van die noodzakelijkheid den rechtvaardige , iemand die in staat van gratie is , volstrekt niet uit. Christus toch sprak die woorden, welke wc aanstonds aanhaalden : âZonder Mij kunt gij niets doenquot;, tot zijne Apostelen , die, behalve Judas, allen in staat van gratie waren. Eveneens slaan de aangehaalde woorden van den H. Paulus: âNiet dat wij van ons zeiven.... maar onze bekwaamheid is uit Godquot; rechtstreeks op hem zeiven en zijne mcdeapostelen. En let daar wel op, Paulus schreef die woorden na de nederdaling van den H. Geest over de Apostelen ; dus toen deze reeds in de heiligmakende gratie bevestigd
419
waven. Dus , hebben wij, hoe rechtvaardig, hoe heilig we ook mochten zijn , zeker de hulp der dadelijke gratie Gods noodig, om eenig goed werk te verrichten, dat ons ter zaligheid dienen kan.
De groote Kerkleeraar, de H. Augustinus maakt die waarheid door eene gelijkenis voor 's menschen gezond verstand begrijpelijk. âGelijk, zegt hij, het lichamelijk oog, hoe gezond ook, zonder de inwerking van het licht niet zien kan ; zóó kan de rechtvaardige niet goed leven, tenzij God hem helpe door het licht der gerechtigheid.quot;
Zelfs de rechtvaardige mensch kan dus niet uit eigen kracht goede werken doen , die hem ter zaligheid dienen ; maar hij heeft daartoe de hulp der dadelijke gratie noodig, zonder welke hij niets goeds ter zaligheid kan verrichten.
11 V. Waarnit hebben onze goede werken de kracht om den hemel te verdienen ?
A. Uit de verdiensten van Christus en de goddelijke beloften.
Onze goede werken hebben de kracht om den hemel in strengen zin des woords te verdienen, ten Ie uit de verdiensten van Christus, en ten 2e uit de goddelijke beloften. Ik zeg: m strengen zin , want V. en A. duiden genoegzaam aan, dat hier eigenlijk gezegde verdienstelijke goede werken bedoeld worden, te verstaan zijn. Immers deze V. eindigt met dezelfde woorden als de 7 V., waarin verklaard wordt : Hoe wij onze goede werken moeten verrichten om daardoor den hemel te verdienen. Daar was sprake van den hemel verdienen in strengen zin. Dus ook hier, waar gevraagd wordt : quot;Waaruit onze goede werken de kracht hebben om den hemel te verdienen ? Immers volkomen dezelfde woorden moeien natuurlijkerwijs ook in een en denzelfden zin verstaan worden. Dat de Catechismus hier waarlijk goede werken op het oog heeft waardoor wij den hemel in strengen zin verdienen, blijkt te meer doordien hij er in zijn A. bijvoegt , en uit de goddelijke
420
beloften; want hadde God voor onze goede werken, die wij in staat van gratie en ter zijner eere doen, ons hier op aarde de vermeerdering der heiligmakende gratie, hiernamaals het eeuwig leven, en, indien we nochtans in staat van gratie sterven, de bekoming des eeuwigen levens, en ook de vermeerder hemelsche glorie (vgl. 7 Y.) »iet beloofd, dan konden wij in strengen zin, krachlens Gods rechtvaardigheid of getrouwheid in zijne beloften, â we zullen het aanstonds bewijzen _ zelfs voor die goede werken geen recht op den hemel doen gelden, rechtens er geene aanspraak op maken.
Uit V. en A. blijkt dus genoeg, dat hier eigenlijk alleen gehandeld wordt over die goede werken , waardoor wij den hemel in strengen zin kunnen verdienen.
Uit V. en A. blijkt verder, dat die goede werken cle kracht, de waarde om den hemel te verdienen , allereerst hebben uit de verdiensten van Christus.
Maar al slaan nu V. en A. hier rechtstreeks slechts op die goede werken, waardoor we den hemel in strengen zin kunnen verdienen, is het toch niet minder waar , dat ook de overige goede werken, die ons eenigenvijze ter zaligheid dienen, met name die waardoor we in ruimen zin, gelet op de betamelijkheid (vgl. 7e V.), iets voor ons zeiven of voor anderen kunnen verdienen, ja zelfs die, waardoor we voor ons zeiven of voor anderen louter ten gevolge van Gods barmhartigheid iets kunnen verkrijgen dat ons of anderen ter zaligheid dienstig is, eveneens hunne kracht daartoe hebben nit de verdiensten van Christus.
Zonder de verdiensten van Christus waren wij , na den val van Adam, waardoor wij in de slavernij des duivels gevallen, en van nature kinderen van Gods gramschap geworden zijn , (vgl. Se Les, 7â9 V.) niet instaat, methekvnuxm eenig hoven-natuurlijk goed werk te verrichten. Maar Christus heeft door zijn lijden en dood ons uit de slavernij des duivels verlost (vgl. 'lüe Les, 5e V.), en voor ons de heiligmakende gratie en alle dadelijke gratiën verdiend, gratiën , die ons bovennatuurlijke krachten geven om bovennatuurlijk goede werken te doen; bovennatuurlijk goede werken, niet enkel die ons
421
eeniger wijze ter zaligheid dienen, maar ook die ons recht geven op de hemelsche belooning. Dus alle onze goede werken hebben de kracht om ons ter zaligheid te dienen , of den hemel in strengen zin te verdienen, allereerst uit de oerdieiisten van Christus, onzen Zaligmaker. Immers alles, wat ons ter zaligheid dienstig of noodig is, moet van God komen, (vgl. 5e Les 9 V.) en wordt ons gegeven om de verdiensten van Christus.
Onze goede werken hebben de kracht om den hemel in strengen zin te verdienen , ten 2e , uit de goddelijke beloften. Ontbreekt deze tweede oorzaak , waaruit onze goede werken de kracht hebben om er in strengen zin den hemel door te verdienen, dan kunnen we er toch nog wel in ruimen zin iets door verdienen , of verkrijgen, dat ons of anderen ter zaligheid dienstig is , omdat ze reeds ter oorzake van de verdiensten van Christus eenig bovennatuurlijk loon waardig zijn; maar zonder de goddelijke beloften zouden zelfs die goede werken , welke v. ij in staat van gratie en ter eere Gods verrichten, de kracht niet hebben om bepaald den hemel in strengen zin te verdienen. Waarom niet ? De reden, die het zoo even toegezegd bewijs inhoudt, is, kort en bondig, deze: Omdat God, onze Schepper en Heer, enkel en alleen dan verplicht kan zijn ons een bepaald loon te geven, als Hij zelf zich door belofte daartoe wil verbinden , wil verplichten. Welnu , dat heeft Hij gedaan, en daarom , nl., omdat God ons voor die goede werken, welke wij in staat van gratie en ter Zijner eer verrichten , bepaald den hemel als loon beloofd heeft, hebben zoodanige goede werken ook waarlijk uit de goddelijke beloften de kracht om den hemel in strengen zin te verdienen ; want âbelofte maakt schuld.quot; Die wezenlijk, en wel als loon, iets belooft, is verplicht â zij dan ook al niet uit rechtvaardigheid, zeker uit getrouwheid â het beloofde loon te geven, te betalen. Welnu, ik herhaal en bewijs het u ; God heeft ons voor zoodanige goede werken bepaald den hemel beloofd.
Zijn eigen geschreven woord , de H. Schriftuur, verklaard, uitgelegd door de goddelijke overlevering, dient ons tot waar-
422
borg. Immers reeds in het Oude Testament heeft God aan Abraham en diens geloovige nakomelingen beloofd : Ik zelf zat uw overgroot loon zijn , {Boek der Schep]). XV. 1). In het Nieuwe Testament heeft Goü die belofte herhaald, o. a.T door zijn Apostel Jacobus, waar deze schrijft (hfdst. I. v. 12.) : âZalig de man, die de beproeving doorstaat! Want hij zal de kroon des levens, d. i. , de kroon die in het eeuwig zalige leven bestaat, ontvangen, de kroon, die God beloofd heeft aan die hem liefhebbenquot;, aan allen die in zijne liefde ter zijner eer doen wat zij te doen hebben , en in zijne liefde sterven.
VIER EN VEERTIGSTE LES.
Van de werken van Christelijke Baimharüglieid.
1 V. Wat zijn werken van Christelijke Barmhartigheid ?
A. Werken, waardoor wij onzen naaste in zijnen nood uit liefde Gods bijstaan.
Werken van christelijke barmhartigheid zijn werken, waardoor wij onzen naaste, in zijnen nood, uit liefde Gods, bijstaan, helpen , ondersteunen.
Tot goed begrip van dit A. dient allereerst verklaard te worden: Wie hier door onzen naaste te verstaan zijn. Om kinderen dit aan het verstand te brengen, kan men eerst de 7e V. der 21e Les herhalen. Wie zijn onzen evennaasten ?
A. Alle redelijke schepselen, die met ons deel kunnen hebben in de hemelsche glorie.
En verder vragen; Zijn de Heiligen in den Hemel ook onze naasten? Zoo ja, worden dezen dan in dit A. van den Catechismus ook onder onze naasten verstaan? Waarom niet? Blijkbaar, neen, omdat de Heiligen in den Hemel
423
in God alle goed genieten (45e Les, 9e V.) ; dus niet in nood, aan geen nood hoegenaamd , onderworpen zijn; derhalve /i/er ook niet onder onze naasten bedoeld, begrepen zijn ; want er staat: werken , waardoor wij onzen naaste in zijnen nood bijstaan. â Wat denkt ge van de geloovige zielen in het vagevuur? Zijn deze hier onder onze naasten te verstaan? en zoo ja, Waarom ? Zeker, omdat deze in nood zijn , en wij levenden haar helpen kunnen. Immers zij moeten in het vagevuur blijven, totdat zij door haat- lijden aan de goddelijke rechtvaardigheid voldaan hebben, of door de hulp van anderen , door de gebeden en goede werken der levenden , verlost â worden, (vgl. löe Les, 5 T., 17e Les, 8, 9, V.)
Kinderen, nu kunt ge vanzelf gemakkelijk de V. beant-â woorden: Wie hier door onze naasten bedoeld zijn, verstaan â worden? NI., Alle redelijke schepselen, die wij in hunnen nood, hetzij naar ziel of lichaam , (3e V.), kunnen bijstaan.
Wat het zeggen wil: Onzen naaste in zijnen nood uit liefde Gods bijstaan, verklaart de Catechismus zelf in zijn 2e Antwoord.
2 V. Waarom zeyt gij uit liefde Gods ? A. Omdat de werken van barmhartigheid, dio alleen uit een menschelijk inzicht gedaan worden , geene werken van Christelijke Barmhartigheid zijn,' «n geene verdiensten voor don hemel hebben.
Dat werken van barmhartigheid, die alleen of voornamelijk uit een menschelijk, d. w. z., natuurlijk inzicht, niet ter «ere of uit liefde Gods gedaan worden, geen werken mn' Christelijke barmhartigheid zijn , en dus geene verdiensten voor den hemel hebhen, volgt zonneklaar uit het begrip van «ene bovennatuurlijke deugd, (vgl. 42e Les, le en 4e V.), en uit de wijze waarop , de kracht waardoor wij onze goede werken kunnen en moeten doen , opdat zij ons ter zaligheid dienen, om er den hemel door te verdienen. (Vgl. 43e Les, 7, 9, 10 en 11 V.)
424
3 V. Hoevelerlei werken van barmhartigheid kan men onderscheiden ?
A. ïweederlei; geestelijke en lichamelijke.
Men kan tweeërlei werken van Christelijke barmhartigheid onderscheiden op grond van tweeërlei nood, waarin onze naaste kan verkeeren, nl., in nood naar zijne ziel of zaligheid, en d. i. geestelijke nood , of in nood naar zijn lichaam r en d. i. lichamelijke nood.
4 V. Welke zijn de verhevenste werken van barmhartigheid , de geestelijke of de lichamelijke ?
A. De geestelijke zijn zoo veel verhevener dan de lichamelijke, als de ziel in waardigheid het lichaam overtreft.
Welnu , hoeveel de ziel in waardigheid het lichaam overtreft , m. a. w., waarom de ziel het waardigste deel is van den mensch, hebben we reeds breedvoerig uitgelegd in de-8 V. der le Les.
5. V. Hoeveel en welke geestelijke werken van barmhartigheid zijn er ?
A. Zeven: 1. de zondaars bestraffen ; 2. de onwetenden leeren ; 3. voor de zaligheid zijnamp; naasten bidden ; 4. den twijfelachtigen goeden raad geven ; 5. de bedroefden vertroosten ; 6. het ongelijk geduldig lijden ; en 7. hetgeen tegen ons misdaan is, vergeven.
Er zijn zeven geestelijke werken van barmhartigheid;
1. De zondaars bestraffen , d. w. z., onzen naaste, die kenbaar in zonde gevallen is , naar plicht en vermogen, door gepaste straf of vermaning, tot inkeer, tot bekeering trachten
425
te brengen , of onzen naaste die kenbaar in gevaar is van in zonde te vallen, op dezelfde wijze er van trachten te weerhouden.
Daartoe zijn vooral ouders, meesters , oversten en degenen, die met zielzorg belast zijn , krachtens hun ambt verplicht.
2. De onwetenden leeren, d. w. z., dogenen die in het Geloof, in den Catechismus niet genoeg onderwezen zijn r leeren wat zij moeten weten en doen om zalig te worden.
De christelijke leering of de Catechismus is juist daarom voor iedereen , zoowel oud als jong, de noodzakelijkste leering onder alle leeringen der wereld, omdat zij het kort begrip is van hetgeen Christus geleerd heeft en alle menschen moeten weten en doen om zalig te worden (le Les, le en 2e V.). Ook deze plicht, nl., om te zorgen, dat hunne ondergeschikten behoorlijk in de christeljjke leering onderwezen zijn, berust vooral op ouders , meesters, oversten en zielzorgers.
3. Voor de zaligheid zijns naasten bidden, w. m. a. w. z.r bidden voor de volharding der rechtvaardigen, voor de bekeering der zondaren, voor de verlossing der geloovige zielen uit het vagevuur (vgl. le V.) Tot dat einde zijne goede werken, en de voldoeningen daaraan verbonden aan God opdragen, of de aflaten, die men er voor zichzelven door kon verdienen, op de geloovige zielen toepassen, is een groot werk van geestelijke barmhartigheid.
4. Den twijfelachtig en goeden raad geven, d. w. z., onzen naasten, die twijfelt, niet goed weet wat hij in deze of gene omstandigheid moet of behoort te doen, b.v., om een gevaar van zonde te vermijden, of er zich aan te onttrekken, om deze of gene bekoringen te overwinnen, om zich deze of gene deugd eigen te maken , om een zaligen levensstaat te kiezen enz., enz., goeden raad geven.
5. De bedroefden vertroosten, d. w. z. , degenen , die ten gevolge van tegenspoed, kruisen of beproevingen van wat aard ook , b.v., van ziekte , van sterfgeval of van onaangenaamheden in de familie enz. , enz., bedroefd zijn troosten, opbeuren, moed inspreken door hen te wijzen op Gods alwijze en vaderlijke voorzienigheid, die alles ten
426
goede doet gedijen voor degenen die Hem liefhebben, die op Hem vertrouwen, en diensvolgeus hen opwekken om al wat hun reden tot droefenis gaf. gelaten uit Grods vaderhand aan te nemen , edelmoedig tot boeting hunner zonden te verduren, op te offeren voor den hemel, waar God alle tranen van de oogen zijner getrouwen zal afwissehen, en de dood niet meer zal zijn , noch rouw, noch geschrei , noch smart; want daar zal niets meer zijn van al hetgeen ons hier tot droefheid stemde: want de eerste dingen, de dingen dezes levens, zijn voorbijgegaan, (vgl. Boek der Openb. XXI. 4).
6. Het ongelijl; , dat ons in de samenleving door wien ook wordt aangedaan , geduldig lijden , elkanders lasten dragende, om zoodoende de wet van Christus , de wet der liefde , te vervullen. (Ygl. Br. aan de Galat. VI. 2).
7. Hetgeen tegen ons persoonlijk misdaan is , uitter harte vergeven, en dit ook toonen. (Vgl. 27e Les, 4 V.)
6 V. Hoereel en welke lichamelijke werken van Barmhartigheid zijn er ?
A. Zeven: 1. de hongerigen spijzen; 2. de dorstigen laven ; 3. de naakten kleeden ; 4. de vreemdelingen herbergen ; 5. de zieken bezoeken ; 6. de gevangenen verlossen; en 7. de dooden begraven.
Er zijn ook zeven lichamelijke werken van barmhartigheid.
1. De hongerigen , d. i., degenen, die gebrek hebben aan voedsel, die honger moeten lijden omdat ze niet te eten hebben , spijzen , van spijs , voedsel voorzien , hun het noodige eten geven.
2. De dorstigen laven , d. w. z., aan degenen, die dorst lijden, door dorst gekwollen worden hetzij ten gevolge van armoede of ziekte, den hun passenden drank verschaffen.
3. De naakten kleeden , d. i., degenen , die niet genoeg
427
kleeren hebben om behoorlijk onder de menschen te kunnen Terschijnen, om op straat te komen , of om zich tegen koude te beschutten, van de noodige kleederen en deksel voorzien. Kinderen, waardeert toeh het voorrecht, dat ge op katholieke scholen geniet. Immers de Fraters en Zusters, bij wie ge school gaat, oefenen jegens u niet enkel alle geestelijke, maar ook, zooveel zij maar kunnen, lichamelijke werken van barmhartigheid.
Om degenen onder u , die er behoefte aan hebben , vooral in den winter , voedsel , en kleeding te kunnen verschaffen, gaan zij voor u bij de rijke lui bedelen, zij koopen kleeren voor u aan, en maken die klaar , om ze u bij de prijsuitdeeling als belooning van betoonde vlijt en getrouwheid in 't school komen , enz., uittedeelen.
4. De vreemdelingen herbergen, w. zeker niet zeggen, zoo maar ieder vreemdeling, die aanbelt, in eigen huis logies geven , of in een herberg, logement of hotel bestellen. Moest dit werk van barmhartigheid, in dien zin worden opgenomen, dan zou men, vooral tegenwoordig, dikwijls deerlijk bedrogen en bestolen worden. In dien zin is dan ook het liefdewerk : Vreemdelingen herbergen , volstrekt niet te verstaan ; maar het wil zeggen aan vreemdelingen, die van de noodige bescheiden , van zeker geldige aanbevelingsbrieven van Z. H. den Paus en van den Bisschop van het Diocees voorzien zijn, zooveel noodig, logies en verdere benoodigdheden verschaffen.
5. De zieken bezoeken , zieken , w. h. z., alle hulpbehoevenden , 't zij rijken of armen in hun nood bijstaan. Dus ook weezen, doofstommen , blinden enz. , hulp verleenen , verplegen , want zieken bezoeken , is hier zoo algemeen mogelijk te verstaan , in den zin van hulpbehoevenden eenigen lichamelijken dienst bewijzen.
6. De gevangenen verlossen , wil niet zeggen , degenen die door een rechtvaardig vonnis in do gevangenis zitten daaruit verlossen ; maar hen die om het Geloof, om de rechtvaardigheid vervolging lijden , onrechtvaardig mot gevangenis , verbanning, enz. gestraft worden, door alle ten dienste staande
428
wettige middelen trachten te verdedigen , te beschermen, van hunne straf te verlossen.
En 7. De clooden berjracen , onder dit werk van barmhartigheid is begrepen al wat tot eene passende begrafenis van een overledene behoort, als, bv., hem eerbaar afleggen, in de kist leggen , bewaken , naar do kerk dragen , den lijk» dienst en lijkstoet bijwonen enz.
Hoe aangenaam Gode dit liefdewerk is, hoeveel het bijdraagt ter verliooring onzer gebeden , blijkt uit de geschiedenis van Tobias. De engel Raphael tooh zeide tot Tobias : âIk openbaar u de waarheid , en verberg u de geheimenis niet. Toen gij met tranen badt, en de dooden begroeft, en uw eten liet staan, en de dooden overdag in uw huis verborgt, en des nachts begroeft, toen bracht ik uw gebed voor den Heer. (Tob. XII. 11, 12.)
7 V. Is men in geweten verplicht aan arme menschen aalmoezen te geven ?
A. Ja; vooniamelijk als zij in uitersten of grooten nood zijn en wy hen helpen kunnen.
De zin der gestelde V. is : Of men in geweten , d. w. z.T op zonde, krachtens het gebod der naastenliefde , verplicht, gehouden is aan arme menschen aalmoezen te geven en wanneer vooral?
Om het A. goed te begrijpen , moet ge weten, dat de nood van arme menschen , drieërlei onderscheiden wordt; nl. gewone, groote, en uiterste nood.
Door gexvonen nood wordt verstaan die nood, waarin arme menschen altijd of bijna altijd , dus gewoonlijk verkeeren.
Groot wordt hun nood genoemd, wanneer met grond te vreezen is, dat, indien ze niet geholpen , niet ondersteund worden, zij zwaar ziek zullen worden, of in hun stand groo-telijks achteruit zullen gaan, of in hun goeden naam , in hunne faam grootelij ks zullen lijden.
429
In den uitersten nood verkeeren arme menschen, dan, ^wanneer zjj blijkbaar in 't gevaar zouden verkeeren van gebrek om te komen, te sterven, indien hun geen hulp verleend werd.
Nu ge weet, wat door den drieërlei nood dor armen te -verstaan is, zult ge gemakkelijk den zin van het A., dat de Catechismus hier geeft, begrijpen.
Ja, men is soms in geweten verplicht aan arme mensehen, aalmoezen te geven , lichamelijke weiken van barmhartigheid te bewijzen. Immers, zoo redeneert de H. Thomas van Aquine : âNiemand wordt om hot achterlaten , het niet doen van iets, waartoe hij niet door een gebod verplicht, gehouden is, door God gestraft, met de eeuwige straf. Welnu, het blijkt uit het XXV hfdst. van Matth., (vgl. 8 v.) , dat sommigen om hek verzuimen van aalmoezen door Christus, den Rechter van levenden en dooden, ter helle zullen verwezen worden. Dus is men soms wel degelijk in geweten, op doodzonde verplicht aan arme mensehen aalmoezen te geven. In 't algemeen gesproken, is men uit naastenliefde verplicht aan arme mensehen aalmoezen te geven zelfs in hunne qe-tvoneu nood , maar voornamelijk , vooral als zij in uitersten of (jrooten nood zijn, en wij hen helpen kunnen. In alle geval moeten dus deze twee voorwaarden samen gaan , opdat men streng genomen verplicht zij aan arme mensehen aalmoeien te geven, nl., dat zij in nood zijn en wij hen helpen kunnen.
Doch de vraag daar gelaten ; Wanneer men streng genomen verplicht is aan arme mensehen aalmoezen te geven, moet de beschrijving van het laatste oordeel ieder welgeaard, goed gezind christen krachtig aansporen gulhartig en blijmoedig werken van barmhartigheid te beoefenen jegens den naaste. Dit bevestigd ons de laatste vraag dezer les.
8 V. Wat moet ons bijzondei- aansporen de werken van barmhartigheid te beoefenen ?
A. Dat Christus in het oordeel zal zeggen, dat
430
alles wat wij aan onzen evennaaste gedaan hebben7 aan Hem is gedaan ; en alles wat wij aan onzen evennaaste hebben geweigerd, aan Hem is geweigerd.
Hoort wat, volgens den H. Evangelist Mattheus (XXV. v. 34, 46.), Christus in het laatste oordeel aan de rechtvaardigen, en aan de verdoemden zeggen zal: âAlsdan zal de Koning (der eeuwen) zeggen tot hen , die aan zijne rechterzijde zullen zijn: Komt, gij gezegenden mijns Vaders t neemt bezit van het koningrijk , dat voor u (als eene belooning voor uwe werken) bereid is vanaf de grondvesting der wereld. Want ik had honger, en gij gaaft mij te eten;' ik had dorst, en gij gaaft mij te drinken; ik was een vreemdeling, en gij naamt mij op; ik was naakt, en gij bedektet mij; krank, en gij bezocht mij; ik was in de gevangenis , en gij kwaamt tot mij.quot; âAlsdan, zoo gaat de H. Evangelist voort, zullen de rechtvaardigen hem antwoorden, zeggende : Heere ! wanneer zagen wij u hongerig, en spijsden ii ; dorstig, en laafden u ? En wanneer zagen wij u als vreemdeling, en namen u op; of naakt en bedekten u ? Of wanneer zagen wij u krank of in de gevangenis, en kwamen tot U
Kinderen, wellicht daoht ook gij bij u zeiven toen ge-hoordet, dat Christus zal zeggen : Ik was krank, ziek, en gij bezocht mij; ik had honger, en gij gaaft mij te eten, enz. is Christus dan bij ons ziek, hongerig of dorstig ? enz.. Neen ; niet in eigen persoon , maar in den persoon van arme en kranke menschen, die Hij Zijne broeders gelieft te noemen. Alle goed , wat wij aan hen doen , rekent Christus aan zich-zelven gedaan., d. w. z., beloont Hij als aan Hem zeiven gedaan. Immers, âde Koning antwoordende, zal tot hen (de rechtvaardigen) zeggen: Voorwaar zeg ik u : voor zooveel gij dit aan één van deze mijne geringste broeders gedaan- hebt, deedt gij het aan mijquot;.
quot;Welk eene boven alles machtige drangreden om ons tot het beoefenen der werken van barmhartigheid jegens onzen naaste aan te sporen, daar wij uit den mond des Goddelijken
431
Rechters zullen hooren : Wat gij uit liefde Goi's aan éénen van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, dat hebt gij Mij gedaan! Ik zal het u loonen, als haddet gij het aan Mij gedaan.
, Alsdan zal hij zeggen ook tot hen, die aan zijne linkerzijde zullen zijn: Gaat weg van mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen. IFnnf ik had honger, en gjj gaaft mij niet te eten ; ik had dorst, en gij gaaft mij niet te drinken; ik was een vreemdeling, en gij naamt mij niet op ; naakt, en gjj bedektet mij niet; krank en in de gevangenis, en gij bezocht mij niet. Dan zullen ook zij Hem antwoorden en zeggen : Heere! wanneer zagen wij U hongerig, of dorstig, of als vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en dienden U niet? Alsdan zal hij hun antwoorden , zeggende : Voorwaar zeg ik u : voor zooveel gij dit niet gedaan heht aan één van deze geringsten, deedt ge het ook niet aan mij. En dezen zullen gaan in de eeuwige straffe, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.quot;
Bizonder mott ons dus aansporen de werken van barmhartigheid, naar vermogen, gulhartig te beoefenen , dat Christus in het laatste oordeel zal zeggen, dat alles wat wij ter liefde Gods aan onzen evennaaste in diens nood gedaan hebben, aan Hem is gedaan ; en alles wat wij aan onzen evennaaste hebben geweigerd, d. i., niet hebben gegeven, terwijl we hem toch zelfs in zijn gewonen nood goedschiks konden helpen, en voornamelijk als wij in zijn grooten of uitersten nood uit liefde verplicht waren hem te helpen, dit hartvochtig geweigerd hebben, aan Hem is geweigerd. Onze eeuwige gelukzaligheid of v'erdoemenis kan dus van het al of niet beoefenen der werken van barmhartigheid afhangen. Immers Christus stelt hier den ganschen omvang der plichten, die wij als christenen, als zijne leerlingen te vervullen hebben, om de eeuwige straf der hel te ontgaan on tot de eeuwige zaligheid te geraken, zelfs zóó voor, als hing ons eeuwig geluk ecnig, alleen af van het beoefenen of verzuimen der lichamelijke werken van barmhartigheid.
't Spreekt vanzelf, dat Jesus de beoefening zoowel als de
432
â¢veronachtzaming dier werken hier enkel als tot een voorbeeld stelt der overige plichten , die wij als christenen te vervullen hebben om zalig te worden. Intusschen blijkt uit die voorstelling overduidelijk, dat Jezus, onze Goddelijke Wetgever en toekomstige Rechter, het beoefenen der werken van barmhartigheid bizonder hoog schat, en dus onze eeuwige zaligheid of verdoemenis grootelijks afhangt van het beoefenen of veronnachtzamen dier werken. Volgen wij dus allerminst de vermaningen, welke reeds in 't Oud Testament, vóór de wet van Christus, de oude Tobias zijn zoon in dezer voege gaf: âGeef aalmoezen vtm hetgeen gij bezit en wend uw aanschijn niet af van eenigen arme: immers dusdoende zal 't geschieden , dat ook des Heeren aangezicht zicli niet van u zal ufkeeren. Wees barmhartig, (beoefen de werken van barmhartigheid) zooveel als in uwe macht is (naar vermogen). Hebt gij veel, geef rijkelijk; hebt gij weinig, beijver u ook dan van dat weinige graag iets mede te deelen. Want dusdoende vergadert gij u een heerlijk loon tegen den dag des noods. Want de aalmoes verlost (middellijk) van alle zonde, en van den (eeuwigen) dood , en zal de ziel niet laten gaan in de (eeuwige) duisternissen (der hel). De aalmoes zai een groot vertrouwen geven bij de Allerhoogsten God aan allen , die ze hebben uitgereiktquot;. {.Tob. IV. 7 -12.) Jesus zelf toch heeft gezegd; âZalig zijn de barmhartigen! want zij zullen barmhartigheid verwerven. yMatth. V. 7.)
VIJF EN VEERTIGSTE LES.
Van de vier uitersten des inenschen.
1 V. Wat is het beste middel om in ons den haat der zonde en de liefde der deugd te verwekken ?
A. Een aandachtig overdenken der uitersten van den mensch.
433
Het beste, meest krachtige, afdoende middel om in ons den haat, den afschuw, den afkeer der zonde, en de liefde der deugd te verwekken, op te wekken en opgewekt steeds levend te houden en metterdaad te toonen, en dus, om gesterkt lt;loor dat middel, de Christelijke Rechtvaardigheid te onderhouden, de zonden te vluchten en de deugd te oefenen (39e Les, le en 2e V.) , is eoi aandachtig overdenken der uitersten van den mensch.
Door uiterste van den mensch verstaat men al hetgeen den mensch bjj het eindigen van zijn natuurlijk loven overkomt , en hem daarna te wachten staat.
2 V. Hoeveel en welke uitersten ran den mensch .zijn er ?
A. Vier : de dood , het oordeel, de hel en de hemelsche glorie.
Lr zijn vier uitersten van den mensch in alge)neen genomen ; maar voor ieder mensch in 7 bijzonder beschouwd , zijn er maar drie. Dat blijkt uit de 3e V.
Er zijn vier uitersten van den mensch in 't algemeen genomen.
le weten: 1. De dood, die bestaat in de scheiding der ziel van het lichaam. Door die scheiding wordt de mensch van zijn natuurlijk leven beroofd. (Vgl. le Les, 6e V., bldz. 9.)
2. Het oordeel, zoowel het bijzonder als het algemeen of laatste oordeel. (Vgl. 12e Les)
3. De hel, d. i., de onderaardsche plaats waarin de duivels en de verdoemden eeuwig gestraft worden. (Vgl. 17e Les, 10e V.)
4. De hemelsche glorie, d. i., de Hemel, of de plaats waar de gelukzaligen God van aanschijn tot aanschijn aanschouwen , en in God alle goed genieten (9e V.) Onder dit uiterste is, zoolang deze wereld bestaat, ook de inleidingsplaats tot den Hemel te verstaan , nl., hot vagevuur, (Vgl. 17e Les , 6e V.)
C 28
432
veronachtzaming dier werken hier enkel als tot een voorbeeld stelt der overige plichten , die wij als christenen te vervullen hebben om zalig te worden. Intusschen blijkt uit die voorstelling overduidelijk, dat Jezus, onze Goddelijke quot;Wetgever en toekomstige Rechter, het beoefenen der werken van barmhartigheid bizonder hoog schat, en dus onze eeuwige zaligheid of verdoemenis grootelijks afhangt van het beoefenen of veronnachtzamen dier werken. Volgen wij dus allerminst de vermaningen, welke reeds in 't Oud Testament, vóór de wet van Christus, de oude Tobias zijn zoon in dezer voege gaf: âGeef aalmoezen vnn hetgeen gij bezit en wend uw aanschijn niet af van eenigen arme: immers dusdoende zal 't geschieden, dat ook des Heeren aangezicht zich niet van u zal afkeeren. Wees barmhartig, (beoefen de werken van barmhartigheid) zooveel als in uwe macht is (naar vermogen). Hebt gij veel, geef rijkelijk; hebt gij weinig, beijver u ook dan van dat weinige graag iets mede te deelen. quot;Want dusdoende vergadert gij u een heerlijk loon tegen den dag dea noods. Want de aalmoes verlost (middellijk) van alle zonde, en van den (eeuwigen) dood , en zal de ziel niet laten gaan in de (eeuwige) duisternissen (der hel). De aalmoes zal een groot vertrouwen geven bij de Allerhoogsten God aan allen , die ze hebben uitgereiktquot;. (Tob, IV. 7 â12.) Jesus zelf toch heeft gezegd: âZalig zijn de barmhartigen! want zij zullen barmhartigheid verwerven. (Matth. V. 7.)
YIJF EN VEERTIGSTE LES.
Van de vier uitersten des menschen.
1 V. Wat is het beste middel om in ons den haat der zonde en de liefde der denyd te verwekken ?
A. Een aandachtig overdenken der uitersten van den mensch.
433
Het beste, meest krachtige, afdoende middel om in ons den haat, den afschuw, den afkeer der zonde, en de liefde der deugd te verwehken , op te wekken en opgewekt steeds levend te houden en metterdaad te toonen, en dus, om gesterkt lt;loor dat middel, de Christelijke Rechtvaardigheid te onderhouden, de zonden te vluchten en de deugd te oefenen (39e Les, le en 2e A''.) , is een aandachtiy overdenken der uiters'en van den mensch.
Door uiterste van den mensch verstaat men al hetgeen â den mensch bij het eindigen van zijn natuurlijk leven overkomt , en hem daarna te wachten staat.
2 V. Hoeveel eu welke uitersten ran den mensch zijn er ?
A. Vier : de dood , het oordeel, do hol eu de hemelsche glorie.
Er zijn vier uitersten van den mensch in 't algemeen genomen ; maar voor ieder mensch in 7 bijzonder beschouwd , zijn er maar drie. Dat blijkt uit de 3e V.
Er zijn vier uitersten van den mensch in 't algemeen ga-nomen.
Te weten; 1. De dood, die bestaat in de scheiding der ziel van het lichaam. Door die scheiding wordt de mensch van zijn natuurlijk leven beroofd. (Vgl. ie Les, 6e V., bldz. 9.)
2. Het oordeel, zoowel het hijzonder als het algemeen of laatste oordeel. (Vgl. 12e Les)
3. De hel, d. i., de onderaardsche plaats waarin de duivels en de verdoemden eeuwig gestraft worden. (Vgl. 17e Les 10e V.)
4. De hemelsche glorie, d. i., de Hemel, of de plaats waar de gelukzaligen God van aanschjju tot aanschijn aanschouwen , en in God alle goed genieten (9e V.) Onder dit uiterste is, zoolang deze wereld bestaat, ook de inleidingsplaats tot den Hemel te verstaan, nl., hot vaaevuur. (Vgl 17e Les , 6e V.)
C 28
434
3 V. Voor wie zijn de vie)' uitersten ?
A. De dood en het oordeel voor alle menschen ; de hel voor die in doodzonde sterven, en de hemel voor die in staat van gratie sterven.
Op deze V. maakt de Catechismus in zijn A. een juist onderscheid. Immers hij zegt: De dood én het oordeel, deze twee uitersten , zijn voor alle menschen zonder onderscheid van persoon , stand of staat.
Het is den menschen voor regel gesteld éénmaal te sterven , en daarna het oordeel, zegt de H. Apostel Paulus {Br. aan de Hehr. IX. 27.)
Maar tusschen de twee anderi uitersten , tusschen hel en hemel, maakt do Catechismus voor den tnensch in 't bijzonder beschouwd, onderscheid, naar gelang van den staat van doodzonde of den staat van gratie , waarin een ieder sterft.
De hel is voor die ook maar in ééne dadelijke doodzonde sterven. (Vgl. 17e Les, lie V. en 40e Les, 7o en 8e V.) En de hemd is voor die in staat van gratie sterven. Dit antwoord is hier volkomen juist, omdat alwie in staat van gratie sterft, zeker in den Hemel komt.
Maar men kan nog op twee manieren in staat van gratie sterven; nl. , zóó , dat men na zijn dood niets meer te boeten of te zuiveren heeft, of wel zóó , dat men nog niet geheel voldaan heeft voor zijne zonden. De zielen der eersten gaan recht naar den Hemel; der tweeden eerst naar het vagevuur. (Vgl. 17e Les , . 4e en 7e Y.) Door den Hemel is dus hier ook het vagevuur te verstaan, als inleidings-, overgangsplaats tot den Hemel. fV gl. 2e V.)
Uit het 3e A. van den Catechismus volgt ook duidelijk en klaar, dat van de vier uitersten, die den mensch in 't algemeen genomen beschoren zijn , er ieder mensch in 't bijzonder maar drie te wachten staan; t. w. , de dood en het oordeel, en verder één van de twee: of de hel, of' de hemel. (Vgl. 2o V.)
AlLeslissend of: de hel, of de hemel! En dat voor eeuwig I
435
Eeuwig in den liem^l of eeuwig in de liel. Geen wonder, dat zelfs de grootste Heiligen bij het ernstig nadenken over dit uiterste van ieder menscli in 't bijzonder, door heilzame vrees werden aangegrepen.
Ãe H. Ambrosius , in de 4e eeuw bisschop van Milaan on een der groote Kerkleeraren , wekte den haat der zonde en de liefde der deugd voortdurend in zich op , door do ernstige overweging, en toepassing op zichzelven van dit uiterste des menschen: hel of heinel is voor eeuwig mijn lot!
Zijn grondspreuk was: , Ik sta tusschen twee eeuwigheden ! Eene van beide han ilc niet ontgaan?quot;1 Dus , ik zal met Gods gratie, koste wat het kosto, tijdens dit kortstondig loven, de zonde vluchten en de deugd oefenen , om de eeuwige straffen der hol te ontgaan, en mij liet eeuwig loon en geluk des Hemels te verzekeren.
Als ook wij zóó, aandachtig onze uitersten : dood , oordeel, hel of hemelsche glorie overdenken, dan zullen ook wij ondervindon , dat dit het beste middel is om in ons den haat der zonde en de liefde der deugd te vestigen , de zonde te ' vluchten en de deugd te oefenen. Immers de II. Geest zegt zelf: Denk ix al wat gij doet op uwe uiterstes en gij zult in eeuwigheid niet (grooteljjks) zondigen:' {Eccl. VII. 40.) Maar daaraan hapert liet bij ons. Denken wij nu en dan al eens op de uitersten van den mensch, we doen het meestal zoo maar als in 't voorbijgaan, vluchtig en onoplettend, als onnadenkend, zonder ernstig onze eigen uitersten te overwegen ; zonder ter harte te nemen , dat dood en oordeel ook ons â en wellicht spoediger dan we verwachten â zullen overkomen en dat of hel of hemel ons k t zal zijn in eeuwigheid ! Spreekt men. naar aanleiding van een of ander treffend sterfgeval , al eens over den dood, over de kortheid en onzekerheid van s menschen leven, 't geschiedt meestal zeer oppervlakkig, en t meest in betrekking tot het tijdelijk belang der overblijven-den. 't Heet dan veeltijds: Hebt go hot gehoord: Mr. of Mevrouw die en die is overleden. Xu ja: âEen gelukkige doode. O. L. H. hebbe de ziel, zij der ziel genadig!quot; Of: âWat oen verlies!quot; âWat con droevig lijk!quot; Bekleedde de
436
overledene een ambt, een post, dan wordt deze al dadelijk aan derden toegedacht. âDat is een baantje voor die of die. Den eenen zijn dood, is des anderen zijn broodquot; enz. enz. 't Spreekt vanzelf , dat zoodanig oppervlakkig denken of spreken over 't uiterste van den mensch, luttel of geene vrucht ter zaligheid vooitbrengt. Ora er werkelijk profijt, voordeel mee te doen , moeten wij onze uitersten aandachtig, nauwlettend in zijne bijzonderheden ovr.fdenken , overwegen , betrachten, nagaan, op onze levenswijze toepassen en ze als voortdurend, gestadig voor oogen houden. Immers de H. Geest zegt: Denk in al wat gij doet op uw uiterste!....
â âJa maar, als men voortdurend op dood, oordeel, hel of hemel dacht, dan was 't in de wereld geen leven !quot;
â Met onderscheid: geen leven voor zonden, en vermaken, pleizieren , die uit hun aard gevaarlijk zijn , tot zonde leiden. Dat geef ik toe. ISIaar hoe zult ge zelf daar over denken op uw sterfbed , in het oordeel en , als gij er geene oprechte boetvaardigheid over gedaan hebt, in de hel ? Te laat en te vergeefs zal het u dan berouwen zulk leven geleid te hebben....
Geen leven ? Als of niet juist het oefenen der deugd het leven van den mensch reeds op deze wereld, zooveel mogelijk gelukkig en aangenaam maakte! (Vgl. Ie ies le V.) âDe godsvrucht is tot alles nuttig, dewijl zij de beloften heeft van dit leven en van het toekomstige. Een waarachtig woord is dit (wat ik daar zeide van het tweevoudig heil , geluk aan de godsvrucht verbonden) en alle aanneming waardig, (I. ) waardig geloovig aangenomen te worden , kortom geloofwaardig (le Bi', aan Tim. IV: 8. 9.) Dat woord gelooft men wel in 't afgetrokkene, in bespiegeling, doch met de werken verloochent men het zoo menigmaal, ja meestal. Waarom? quot;Welk is de hoofdreden dezer tegenspraak tusschen ons geloof en gedrag ? Men ivil niet aandachtig over zijn uitersten denken, omdat men anders veel in zijn levenswijze zou moeten verbeteren; zijne godsdienstplichten beter onderhouden ; zijne booze driften, de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen, heb- en geld-
437
zucht, en hoovaardij des levens bedwingen.... Voor een wereldling, die slechts zint op genot en pleizier in lt;7/7 leven, is het aandenken van zijn uiterste onaangenaam, akelig, bitter. Dit zegt de H. Geest zelf: âO Dood! bitter is uw aandenken voor den mensch , die rustig leeft in het bezit zijner goederen; voor den man die zonder (bekommerende) zorgen is en wel slaagt in alles, en wien het nog aan eetlust niet ontbreektquot; , die daarbij gezond is en het leven nog kan genieten. {Eccli XLI: 1. 2.) Doch, wat baat het de gedachte aan zijn uiterste, aan dood, oordeel, hel of hemel, van zich te verwijderen ? Het nadert toch met elk uur, dat slaat; het overkomt ons zeker eens en gemeenlijk op het uur, dat men er hot minst aan denkt (vgl. 4o V.) 't Is dus laf zijn uiterste niet te durven, dwaas en rampzalig het niet bij tjjds te willen voorzien.
âHoe gelukkig en wijs, zegt Thomas van Kempen, is hij , die nu zoo tracht te zijn in zijn leven , als hij wenscht bevonden te worden bij zijn dood ! â Gelukkig hij, die het uur zijns doods steeds voor ougen heeft en zich dagelijks tot sterven bereidt. Denk des morgens, dat gij den avond niet zult halen; en is de avond daar, durf u den morgen niet beloven. Wees dus altoos bereid, en leef zóó, dat de dood ü nimmer onvoorbereid vinde.quot; (Men leze Nao. v. Christus I Boek hfdst. XXIII.) âZie in alle zaken op het einde , en hoe gij voor den strengen rechter staan zult, wien niets verborgen is. (2. ct. p. hfdst. XXIV.) Nemen wij die wijze raadgevingen ter harte. Vrage een ieder onzer zich dikwijls af: Hoe is 't met mij gesteld? Als de dood me heden overviel,
welk vonnis stond me dan in het oordeel te wachten _ hel
of hemel? en nemen wij onze voorzorgen. Derwjjze aandachtig zijn uiterste overdenken, is het beste middel om de christelijke rechtvaardigheid te onderhouden , en daardoor hier op aarde gelukkig, vroolijk, tevreden te leven en te sterven, en hiernamaals zich een genadig oordeel, en gelukzalige eeuwigheid te verzekeren. Deuk dus in al wat (jij doet, op uw uiterste. De dood , het oordeel en de hel zullen u weerhouden in de bekoring tot zonde toe to stemmen. Dood, oordeel en de
438
hemel zullen u bemoedigen om de deugd ijverig te betrachten, om ijverig het goede te doen, zoolang gij er den tijd toe hebt.
In het vervolg dezer les handelt de Catechismus meer in 't bijzonder over ieder der vier uitersten.
4 V. Wat moeten wij van den dood gelooven ? A. Dat allo menschen eenmaal zullen sterven, en dat de dood ons kan overkomen , als wij liet minst er aan denken.
Wij moeten dus twee punten aangnande den dood gsloovig aannemen, gelooven, omdat God ze veropenbaard heeft.
J. Dat alle menschen eenmaal zullen sterven. Immers wij hoorden den H. Paulus reeds verklaren : Het is den menschen voor regel gesteld eenmaal te sterren. (Vgl. 3e V.)
2. Dat de dood ons kan overkomen , als wij het minst er aan denken.
Dit punt wordt èn als met zooveel woorden, èn in geljj-kenisson en parabelen herhaaldelijk in de H. Schriftuur voorgesteld. Zoo staat er, bv., geschreven in het Boek genaamd De Prediker IX; v. 12: âDe mensch kent zijn levens-einde niet; maar gelijk de vissollen gevangen worden met den angel , en de vogelen met den strik , zoo worden de menschen gevangen ten tijde des onheils, van het stervensuur wanneer hun dit plotseling overvalt.quot; In het Nieuwe Testament betuigen en Jesus en de Apostelen menigmaal, dat do dood zal komen als een diefin den nacht, onverwacht, als men er niet aan denkt. â Uoevelen â bemerkt daarop Thomas van Kempen, t. a. p. XXXIII hfdst. n. 7. â Hoevelen zijn bedrogen, en onverwacht uit het lichaam gerukt!quot; Waarlijk, zelfs onder degenen, die tengevolge eener ziekte sterven , worden velen bedrogen of bedriegen zichzelven betrekkelijk het gevaar van hun toestand, ontvangen de laatste H. Sacramenten zonder te denken , dat ze voor hen inderdaad de laatste zijn , en sterven zonder den dood verwacht te hebben.
439
5 V. Wat zal ons in hst uur des doods het meest beangstigen ?
A. De zonden en Gods rechtvaardig oordeel.
Alzoo twee zaken zullen ons in het uur des doods het meest beangstigen, angstig, bang maken, met schrik en angst vervullen, nl., ten le, de zonde, en ten 2e, Gods rechlraar-dig oordeel.
Omtrent de le oorzaak van vrees en angst in het stervensuur, kan men met vrucht wijzen op een liit des duivels, en op het raiddel om deze oorzaak van vreeze te voorkomen.
De list des duivels bestaat hierin dat hij ons nu, terwijl we jong en goed gezond zijn, de zonden als klein en onbeduidend voorstelt, en er toe aanlokt onder voorwendsel dat iedereen die doet ; desnoods zal hij ten bewijze van dien wel een Heilige aanhalen, bv. den H. Augustinus....; verder, dat men er af is met ze te biechten en wij dit in alle geval later, als we oud zijn geworden, nog doen kunnen enz. Doch in het uur des doods draait hij de kaart om, en stelt al de boosheid in de zonden opgesloten , zoo groot en afschuwelijk voor, al» konde de zieke, de stervende er geeue vergiffenis meer van krijgen, als mocht hij in zijn uiterste niet meer op Gods oneindige barmhartigheid hopen en vei trouwen.
Het zekere middel om de eerstvermelde en grootste oorzaak van vrees in het uur des doods te voorkomen , is: nu de zonden zorgvuldig, als het eenige wezenlijk kwaad dat ons troffen kan, te vermijden, te vluchten; onnoodig te zeggen, dat ze ons dan op ons sterfbed niet kunnen beangstigen. Hebben we ongelukkig zonden, en misschien vele en zware zonden bedreven, dan is het middel om alle angstvallige vreeze of wantrouwen weg te nemen, ze altoos oprecht en met een waar borouw â¢en vast voornemen in de H. Biecht te belijden. Want de H. Apostel Joannes zegt nadrukkelijk (le Br., I: 9.) â indien wij (zóó) onze zonden belijden, is God getrouw en rechtvaardig om ons onze zonden te vergeven , en ons van alle ongerechtigheid te reinigen.quot;
440
Van den kant van God bestaat er dus geen de minste reden om te twijfelen of Hij onze zonden vergeven heeft of zal vergeven , hoe menigvuldig en zwaar ze ook mogen geweest zijn, indien wjj ze maar met de nocdige gesteltenia in do H. Biecht eenmaal beleden hebben of belijden; want Hij is getrouw in het vervullen Zijner belofte , waardoor Hij aan de boetvaardigen , die hunne zonden belijden, om de oneindige verdiensten van Christus, vergiffenis heeft beloofd. Getrouw ja , en rechtvaardig; want het behoort tot Gods rechtvaardigheid Zijne gedane beloften te vervullen, na te komen. Ik herhaal het: van den kant van God mogen , ja moeten wij dus volkomen, zelfs met de zekerheid des geloofa, gerust zijn , dat Hij ons onze zonden vergeven heeft, of zal vergeven , indien wij ze maar met de nocdige gesteltenis beleden hebben of belijden.
Doch juist omdat niemand, zonder bijzondere openbaring Gods, met de zekerheid des geloofs weet, dat hij zijne zonden met de vereischte gesteltenis beleden heeft, begrijpt ge van zelf, dat ten 2e, Gods rechtvaardig oordeel voor een ieder , die ooit pene doodzonde bedreven heeft, eene gegronde reden is van angst en vreeze in het uur zijns doods. Immers de H. Schriftuur zegt zelve (Eccltes IX 1â10) nde mensch, zelf» de rechtvaardige en deugdzame mensch, weet niet met de zekerheid des geloofs of hij liefde of haat verdient''1, of hij al of niet in Gods liefde, in staat van gratie hersteld zij. Dat blijft voor hem in veiklaarden zin onzeker, totdat hij voor Gods rechtvaaidig oordeel staat, en daar zijn eindvonnis hoort : Kom , gezegende mijns Vaders ..., of wel: Ga weg van mij , gij vervloekte... (Vgl. vorige Les 8 V.)
Intusschen , hoe vreeswekkend deze waarheid uit haar aard zelfs voor een deugdzaam mensch zij , hij weet tevens , dat er voor alwie zijne zonden welgemeend beleden heeft of belijdt, overvol doende reden bestaat zich niet angstvallig ongerust te maken. Hij weet dat hij zich gerust mag verlaten op het beslist oordeel zijns Biechtvaders. Immers deze is door God zeiven anngesteld om hier in Zijne plaats te oordeelen. Derhalve mag alwie zijne zonden rechtzinnig en rouwmoedig aan
441
den Biechtvader beleden heeft, gerust Gods oordeel te gemoet zien. Als onze Biechtvader ons zegt: Wees gerust; uwe zonden zijn u vergeven; go moogt geene generale Biecht meer spreken, ge moogt op dit of dat punt niet meer terugkomen, dit of dat geval niet meer in 't bizonder herhalen , dan moeten wij, willen we ah christelijke menschen redelijk te werk gaan, ons aan zjjn oordeel onderwerpen, gehoorzamen. Zou onze Biechtvader zich in zijn oordeel ook vergissen , dan zal hij zelf rekening en verantwoording van zijne uitspraak moeten afleggen voor Gods rechterstoel; maar wij kunnen door aan onzen Biechtvader te gehoorzamen niet misdoen ; mits wij gehoorzamen , behoeven we Gods oordeel zelfs dan niet te vreezen; want Gods oordsel is zeker recht-vaardig. God zal of kan niemand ter helle doemen , die in eenvoudigheid des harten gehoorzaamd heeft aan zjjn Biechtvader , aan wiens oordeel wij ons, volgens Gods eigene verordening, nederig moeten onderwerpen. Indien, zegt de H. H. Alphonsus de Liguorio, Jesus Christus u op den dag des oordeels rekenschap zou vragen over hetgeen gij uit gehoorzaamheid aan uwen zielbestierder gedaan hebt, zeg Hem dan : Heer, ik heb het gedaan om, zooals Gij mij bevolen hebt, aan uwen plaatshekleeder te gehoorzamen , en Jesus Christus zal u niet kunnen teroordeelen. (Vgl. 35 Les, 1, 2, 49 en 50 V.).
6 V. Wat zal ons in het uur des doods het meest vertroosten ?
A. Gods barmhartigheid , de verdieusteu van Christus , en een goed geweten.
In het uur des doods zullen ons drie zaken het meest vertroosten : Ten le, Gods barmhartigheid, die gedurende 's menschen leven op aarde zonder einde , grenzeloos is, en zelfs aan de grootste zondaars verlangt vergiffenis te schenken.
Denkt hier aan David, Manasses, aan den verloren Zoon aan Petrus en Paulus, aan Magdalena, aan den goeden moor-
442
dcnaar, enz. enz.; verzucht met den tollenaar : âHeer wees mij zondaar genadig!quot; âMijn Jesus, barmhartigheid!quot;
Ten 2e, de verdiensten van Christus , die van oneindige â waarde en overvloedig zijn, zoo dat één druppel van zijn goddelijk bloed geheel de wereld van alle boosheid kan reinigen.
En ten 3e, goed geweten , d. w. z., de getuigenis van â onze consciëntie, dat we onze zonden ter goeder trouw , wel of goed gemeend rouwmoedig en rechtzinnig gebiecht hebben, en aan onze overige verplichtingen hebben voldaan. Deswege mag men zich veilig aan het oordeel zijns Biechtvaders houden. Indien deze ons gerust stelt , behoett men niet angstig te zijn , dat men zich zeiven misleidt of bedriegt. De gehoorzaamheid is de zekere weg ten hemel. (Vgl. vorige Y.) âTracht nu zoo te leven, dat ge in het uur des doods veelmeer moogt blijde zijn , dan vreezen. Dan zal een zuiver en goed geweten meer vreugde verschaffen , dan eene geleerde wijsbegeerte , â dan aardsche schatten, â dan alle vvereldsche vermaken.quot; (Thom. van Kemp., t. a. p., hfdst. XXIII en XXIY. n. 6 )
7 V. Wat maakt het oordeel vreeselijk ? A. Ten 1. Dat een ieder daar zal moeten te quot;voorschijn komen ; ten 2. dat de rechter onbewegelijk zal zijn ; en ten 3. het vonnis onherroepelijk.
Drie zaken vooral maken het oordeel vreeselyk.
Ten le, dat een ieder daar, d. w. z., in het laatste oordeel zal moeten te voorschijn komen , d. i., voor Gods oordeel zal moeten verschijnen. (Vgl. r2e Les, 5 \.) âAllen toch zullen wij ten oordeel staan voor den rechterstoel van Christusquot;. (Br. aan de Bom. XIV, 11.) Iedereen, ook vader en moeder, zuster en broeder, en allen die ons gekend hebben zullen dus mot ons ten oordeel verschijnen, en op den oordeelsdag iille kwaad hooren, dat we ooit gedaan â en niet goed gebiecht, door geene goede Biecht zouden hersteld hebben. De herin-
443
nering; aan deze waarheid is een krachtig middel om alle schaamte bij de Biecht te overwinnen. (Vgl. 35e Les, 44e T., bl. 300.)
T'')t 2e, dat de Hechter , Je3U3 Christus , (vgl. 12e Les, le V.), die nu tijdens dit leven, voor een ieder ook voor lt;len grootsten zondaar, grcnzenloos barmhartig is , en alwie Hem rouwmoedig om vergeving1 smeekt in genade ontvangt, dan nl., als âde dag van gramschapquot; voor eenieder in 't bizonder onmiddellijk na zijn dood, en voor allen gezamenlijk in den laatsten oordeelsdag is aangebroken , onhewegelljk zal zijn , d. w. z. , zich niet meer tot barmhartigheid zal laten bewegen, noch door bidden en smeeken van den zondaar, die ten oordeel staat , noch door de voorspraak van anderen, zelfs niet van Maria , de Moeder van Barmhartigheid voor allen die vóór hun dood hare alvermogende voorspraak inroepen; want de tijd zoowel van boetvaardigheid als van barmhartigheid eindigt voor den zondaar met den dood. Er zal geen tijd meer voor zijn, (vgl. Openh. v. d. 11. Joan. X. G.) Maar dan zal het strafgerecht, Gods strenge rechtvaardigheid zich alleen doen gelden. Dat God ons deze waarheid te voren heeft bekend gemaakt, is een nieuw bewijs van zijne over-groote barmhartigheid opzichtens eiken zondaar, en voor iedereen eene opwekking on dringende aanmaning' te meer om toch bij tijds de middelen aan te wenden om een genadig oordeel te bekomen. (Vgl. bl. 67.)
Men zou zeggen dat Thomas van Kempen dit punt heeft willen uitleggen , toen hij schreef (ï. a. p., hfdst. XXIV, n. 1.) âZie in alle zaken op het einde , en boo gij voor den strengen Hechter staan zult , wien niets verborgen is : die door geschenken niet bevredigd wordt, noch verontschuldigingen aanneemt, maar zal oordoelen volgens hetgeen recht is.
âO allerongelukkigste en dwaze zondaar! Wat zult gij antwoorden aan God , die al uw kwaad kent: gij , die soms het aanschijn vreest van een toornig mensch ?
âWaarom draagt gij geen zorg voor u zolven tegen den oordeelsdag , waarop niemand door een ander zal kunnen veront-
444
schuldigd of verdedigd worden ; maar een ieder zich zeiven genoeg tot last zal zijn ?
âNu is uw moeite vruchtbar.v. uw geween aanneembaar, uw zuchten verhoorbaar , en strekt uw berouw tot voldoening en zuivering.quot;
En ten 3e, dat het vonnis onherroepelijk zal zijn, d i., onveranderlijk , zonder hooger appèl, of hoop op gratie voor den verdoemde. Hier dient do V. herhaald:
Welk vonnis zal Christus in het oordeel uitspreken ?
Hij zal de goede menschen , d. i., degenen, die in staat van gratie gestorven zijn, met groote liefde tot zich roepen : Komt gij gezegenden mijns Vaders , en hun den hemel geven. Bezit het Koningrijk, dat.....; mnar de boozen, d. i., degenen,
die in staat van doodzonde gestorven zijn, zal Hij met groote gramschap van zich naar de eeuwige verdoemenis jagen : Gaat
weg van mij, gij vervloekten, in het eenwig vuur.....(Vgl.
12e en 44e Les, 8e V.)
Christus, de alwetende, rechtvaardige rechter, zal een van die twee vonnissen over een ieder onzer, over mij , over u..... in het oordeel uitspreken. Eenmaal uitgesproken , valt er nieta meer aan te veranderen, is er niets meer aan te doen; want het vonnis zal onherroepelijk zijn.
Vreeselijk vonnis, di t over mijne eeuwigheid beslist! Eeuwig gelukkig of eeuwig ongelukkig. âAllerzoetste Jesus, wees voor mü niet Rechter, maar Zaligmaker!quot; âMijn Jesus, barmhartigheid !quot;
8 V. Wat zullen de verdoemden in de hel lijden ? A. Ten 1. De onbegrijpelijk zware berooving van het Goddelijk aanschijn; ten 2. de knaging van het geweten ; ten 3. het derven van al hetgeen hen eenigszins zou kunnen troosten ; ten 4. den brand van het smartelijk en ouuitbluschbaar vuur ; en ten 5. bovenal de ellendige eeuwigheid.
445
In dit A, noemt de Catechismus vijf straffen op, welke de verdoemden , d. i. , degenen , die in staat van eene dadelijke â¢doodzonde gestorven zijn, in de hol zullen lijden.
Ten le de onhegrijpelijk zware beroovhig van het Goddelijk aanschijn, d. w. z., dj berooving van God aanschijn tot aanschijn, gelijk Hij is, te mogen aanschouwen. In dit aanschouwen van Gods aanschijn bestaat het grootste geluk der zaligen (9e V.) De berooving van dit onbegrijpelijk groot geluk is de grootte straf der verdoemden in de hel. Daarom ook wordt deze straf ter onderscheiding van de vier volgende, bij uitnemendheid de pijn ran schade genoemd , d. w. z., van berooving, het verlies van het hoogste geluk, het niet bereiken maar verstoken blijven van het einddoel , waartoe God ons menschen geschapen heeft , nl. , om Hem hierna eeuwig te aanschouwen (le Les , 9 Y.), en in dit aanschouwen Gods alle goed te genieten. Die berooving van het Goddelijk aanschijn noemt de Catechismus terecht eene onbegrijpelijk zware, omdat zij ons menschehjk begrip of verstand hier op aarde te boven gaat. Wij kunnen hier op aarde de zwaarte dier straf niet begrijpen. Met behulp van deze of gene vergelijking kunnen wij ons eenig , altijd onvolmaakt, denkbeeld vormen van de zwaarte dier straf; ze begrijpen kunnen we in dit leven niet. Hooren we, bv., Absalom, den ontaarden zoon van David, na ondergane ballingschap in Gessur, tot Joab zeggen; A!\ aarom ben ik uit Gessur teruggekomen ? Het was mij beter , dragelijker daar te verblijven, dan hier het aanschijn van mijn Koning en Yader langer te moeten derven. Ik bid u dus : Zorg er voor, dat ik des Konings aanschijn moge zien ! Zoo niet â dat hij mij dan liever doe ter dood brengen, doe sterven. (Vgl. 2e B. der Kon. XIV.)
Uit deze geschiedenis kunnen wij nu wel met grond besluiten: viel het Absalom zoo zwaar beroofd te zijn van het aanschijn van zijn vader David; â dan moet het den verdoemde', in de hel onvergelijkelijk veel en nogmaals, en altijd veel meer zwaar vallen voor eeuwig beroofd te zijn van het Goddelijk aanschijn ! Maar verder kunnen wij liet niet brengen , omdat voor ons menschen hier op aarde het
446
niet aanschouwen van Gods aanschijn louter een gemis, en geene berooving is. Zeg een blind geborene : Hoe verrukkend is toch de aanschouwing der natuur in ai hare kleuren en schakeeringen. Hij begrijpt er niets van. Zeg hetzelfde aan iemand, die op rijpen leeftijd blind is geworden , van 't gebruik zijner oogen beroofd is. Hij zal weeklagend antwoorden : ja, maar dat genot kan ik nimmer meer genieten! Hij zal gelijk Tobias , de grootte en zwaarte van de berooving van 't gebruik zijner oogen gevoelen en beseften. âquot;Wat vreugde kan mij overkomen die in duisternis zit, en het licht des hemels niet zie?quot; (Tob. V. 12.)
Gelijkerwijs is het gestold met de verdoemden ; na het oordeel erkennen en gevoelen zij duidelijk, dat zij bestemd waren om God van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen, en in God alle goed te genieten; zij verlangen ten sterkste God door het licht der glorie te zien, smachten naar die bron van volkomen geluk; maar door eigen schuld zijn zij er voor eeuwig van beroofd. âGaat wey van mij , gij vervloekten nooit of nimmer zult gij mijn zaligmakend aanschijn genieten ! Alzoo do eerste en gtootste straf, welke de verdoemden in de hel lijden , is de voor ons onhegrijpelijk zware herooviny van het Goddelijk aanschijn.
Behalve de pijn van schade lijden do verdoemden in de hel nog de pijn van ffecoel. Deze pijn wordt door de drie volgende straffen nader verklaard. Want
Ten 2e, lijden de verdoemden, in de hel de knaging van het geweten , m. a. w., de zelfverwijting , dat zij zoo gemakkelijk hadden kunnen gelukzalig worden, en nu door eigen schuld verloren , rampzalig zijn. Door die knaging dos gewetens worden de verdoemden in de hel onophoudelijk, voortdurend gefolterd. Immers van die knaging is, volgens den H. Thomas van Aquino, in figuurlijken zin te verstaan wat bij Jen H. Evangelist Marcus (IX, 45) geschreven staat: daar sterft hun worm niet. Hoe kwellend die knaging wezen zal is af to leiden uit het V hfdst. van het Boek der wijsheid , waar het onderscheid beschreven wordt tusschen het lot der rechtvaardigen , en het lot dor goddeloozen onmiddellijk nadat
447
Christus liet onherroepelijk vonnis in het oordeel over beiden zal geveld, uitgesproken hebben. âAlsdan, â zoo lezen wij onder meer t. a. p. - zullen de gerechtigen met groote vrijmoedigheid daar staan tegenover degenen die hen verdrukten, en die hunne werken (al wat zij gedaan en ondergaan hebben om tot de eeuwige gelukzaligheid te geraken) verijdeldenquot;, d. w, z.. als ij del en dwaas uitkreten, (v. 1) âGorouwhebbende (enkel om de verdiende straf} en van zielsbenauwdheid zuchtende , zullen zij (die goddelooze spotters) onder zich (tot elkander) zeggen : Dezen zijn het, die wij eertijds uitlachten en tot een vocrwerp maakten van ons spotlied, (v. 3.) Wij dwazen , wij hielden hunnen leverswandel voor uitzinnigheid, en hun uiteinde zonder eer (v. 4.) Zie eens , hoe zij thans gerekend worden onder de kinderen Gods, en hoe hun lot onder de heiligen is ! ;v. 5.) Wij waren dan afgedwaald van den weg der waarheid (van den eenen waren weg tot geluk en zaligheid, nl. , den weg van godsdienst en deugd) , en het licht der gerechtigheid bestraalde ons niet (wij verkeerden door onze eigen schuld in do duisternissen der ongerechtigheid) , en de zon des verstands ging niet voor ons op. (v. 6.) Wij hebben ons afgemat op dcu weg der ongerechtigheid en des verderfs en moeilijke wogen bewandeld , maar den weg des Heeren (die ons door den Heer onzen Ood was voorgeschreven , nl. , den weg van godsdienst en deugd) hebben wij (praktisch) niet gekend (niet bewandeld v. 7.) Wat nut deed ons die hoogmoed, of wolk voordeel bracht ons liet pochen op onzen rijkdom aan ? (v. 8.) Voorbijgegaan is dat alles (al onze grootspraak, rijkdom, vermaak, genieting der wereld enz.) âvoorbijgegaan als eene schaduwquot; (v. 9) Kortstondig is 't \ orblijden,
Eeuwig het lijden.
Ten 3e, derven de verdoemden in de hel al hetgeen hen eenirjzins zou kunnen troosten , d. w. z., zijn beroofd van allen troost. Zij kunnen zelfs bij God geen troost meer vinden. God is de rader der erbarmingen, en de God van alle vertroosting. (Vgl.2e Br. aan de Korinth. I, 3.), maar niet voor de verdoomdon. Eenmaal voor altoos heeft Hij hen gevloekt, voor hen geen
448
barmhartigheid meer, geene vertroosting; zij ondergaan de gestrengheid Zijner rechtvaardigheid en welverdiende wrake. Bijgevolg kunnen de verdoemden in do hel ook geen troost meer vinden hij Maria, âde troosteres der bedruktenquot; , noch bij eenig ander Heilige of zalige, niet eens bjj degenen , die vroeger met hen in de nauwste betrekking stonden door bloed of aanverwantschap of welken band van liefde ook. Want â¢de zaligen erkennen de rechtvaardigheid van het eens voor altijd over de verdoemden gevelde vonnis , waardoor deze geen deel meer met hen kunnen hebben in de hemelsche glorie, en dus hunne evennaasten ook niet meer zijn, (vgl. 21e Les, 7e V.) Derhalve kunnen de verdoemden ook van wege de zaligen geen troost meer verwachten, 't Behoeft niet eens aangetoond, dat de duivelen hunne slachtoffers geenzins troosten, maar voor hen oorzaak zijn van meerdere folteringen. Van hunne medeverdoemden kunnen zij evenmin eenigen troost verwachten , en wel allerminst van degenen , die hier op de wereld voor hunne vrienden doorgingen , omdat ze onder don valschen naam van vriendschap in hunne zonden deelnamen ; want, bespotten , verwensclien en vervloeken de verdoemden in de hel zich onderling, dan zeker wel allermeest degenen, die de oorzaak, de schuld zijn van hun eeuwig verderf, die hun het kwaad geleerd , er toe verleid , overgehaald hebben.
Wee dus bizonder den ergenisgever ! .. .. Zelfs die troostreden , welke men een verstokten zondaar wel eens hoort aanhalen: âals ik om dio zonde van onkuischheid enz., naar de hel ga, dan zal ik er toch niet alleen zjjnquot;, is dus zoo valsch mogelijk , en 't eenig antwoord dat iemand verdient, die zich hier met die gedachte troost, is : des te erger voor u. Dit blijkt bovendien uit het soort van menschen die het rijk Gods (den Hemel) niet zullen bezitten, maar naar de hel gaan. âOf weet gij niet â mag men zoo iemand in navolging van den H. Paulus I Kor. VI. 0. 10. vragen â dat onrechtvaar-digen het rijk Gods niet zullen erven? Misleidt u niet.quot; Want verder zullen tot uw gezelschap behooren : âonkuischen , afgodendienaars, overspelers, wellustelingen, ontuchtigen, dieven, gierigaards, dronkaards , kwaadsprekers, roofzuchtigenquot;; god-
449
lasteraars, heiligschenners enz. enz. Kortom: de laagste en gemeenste klas van mensehen die er onder zedelijk opzicht bestaan hebben of zullen bestaan. Zulk gezelschap dient blijkbaar niet tot troost.
Maar blijft dan den verdoemden in de hel die troost niet â over, dat ze hun wil en lusten kunnen involgen, voldoen ? Neen. Ook dien troost, als het involgen van eigen wil, of het voldoen zijner lusten , ooit den naam van waren troost verdient, moeten ze derven. quot;Want al wat zij verlangen wordt hun geweigerd, en in elk hunner zintuigen, waarvan zij tijdens hun leven misbruik hebben gemaakt, worden ze gestraft en gefolterd. Hier mag gelden hetgeen geschreven staat in 't Boek der WijshHd, XI. 17, r(hU Dien gestraft wordt waardoor men yezondvjd heeftquot;. De verdoemden in de hel lijden dus ten 3e het derven van al hetgeen hen eenii/s-ins zou hunnen troosten.
De verdoemden in de hel lijden ten 4e den brand van het smartelijk en onuithluschhaar vuur.
Het vuur der hel is een waarachtig stoffelijk vuur. Eenparig toch verstaan de katholieke Godgeleerden de volgende â en andere soortgelijke woorden van Christus : âGaat weg van mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuurquot; enz. in letterlijken zin van waar en stoffelijk vuur. Alhoewel de H. Kerk ons deze leering niet als een punt van ons H. Geloof voorstelt, moeten wij ze nogtans als eene stellige en onbetwistbare waarheid aannemen , dewijl zij in de H. Kerk algemeen aangenomen wordt. Degenen die deze waarheid hardnekkig .zouden loochenen , dus beweren, dat in de hel geen wair vuur is, maar dat het woord: vuur, in figuurlijken zin te verstaan is om aan te duiden , dat de straffen der hel verschrikkelijk groot zijn, mogen niet geabsolveerd worden; hun mag de Biechtvader de H. Absolutie niet geven. Zóó heeft de H. Poenitentiarie te Rome beslist 30 April 1890.
De almachtige God heeft aan hot vuur der hel bizondere hoedanigheden gegeven, welke noodig zijn tot het einde waartoe Hij het bestemd heeft. O. a. dat het onstoffelijke wezens kan pijnigen ; immers het is bereid voor den duivel
C 29
450
en zjne engelen, die geschapen zijn als zuivere geesten , die geen lichaam hebben (7e Les, 6e V.) Reeds hieruit kan men afleiden, dat het ook de zielen der verdoemden vóór den laatsten oordeelsdag, van hunne lichamen gescheiden, als werktuig van Gods wraak kan pijnigen, folteren. Verder is het eene eigenaardigheid van het vuur der helle, dat het zijne brandstof, de verdoemden , vreeselijk brandt, maar niet verteert, niet verbrandt, en onuitbluschbaar is, niet kan uitgedoofd of gebluscht worden. In dien zin leert dan ook de Catechismus, dat de verdoemden in de hel ten 4e lijden den brand van het smartelijk pijnigend en onuithluschbaar vuur. (Vgl. Marc. IX 45.)
En ten 5e , bovenal de ellendige eeuwigheid. â In eeuwigheid , zonder einde , voortdurend, altijd, altoos , zonder eenige hoop of vooruitzicht op verlossing, de uitgelegde pijnen van schade en gevoel ondergaan, is het toppunt van ellende I Grootcre ellende is niet denkbaar! Daarom zegt de Catechismus zeer terecht: Bovenal de ellendige eeuwigheid! als zeide hij m. n. w.: het ellendigste van al wat de verdoemden in de hel zullen lijden is, dat de pijn van schade en van het eeuwige vuur nimmer of nooit zal eindigen, ja zelfs niet verminderd of onderbroken worden. Na honderd, na duizend, na honderd duizend, na millioenen , na duizend millioenen jaren zal dit hun lijden nog altoos en immer even groot zijn als op den eersten oogenblik , waarop ze in de hel neerstortten. Bovenal ellendige eeuwigheid in de hel!
Al wie met eenigen ernst de vijf hier opgenoemde giraffen der hel heeft overwogen, zal met mij wel moeten besluiten: Wat is eene doodzonde dan toch een ontzettend kwaad 1 Wat overgroote boosheid ligt er in opgesloten, doordien een uit zijn aard goede, barmhartige God, krachtens zijne heiligheid en rechtvaardigheid , alwie ook maar instaat van ééne doodzonde sterft, tot die ellendige eeuwigheid moet verwijzen!
Alwie, terwijl hij die straffen met mij naging, in zijn hart moet getuigen : Ik ben nu in staat van doodzonde, moet verder, als hij nog eenig geloof heeft en zijn gezond verstand gebruikt.
451
het vaste besluit maken om toch dadelijk een volmaakt berouw af te smeeken , en zoodra mogelijk eene goede Biecht te sproken, waardoor wij vergiffenis der zonden, en minstens kwijtschelding der eeuwige straffen verkrijgen, (Vgl. 35e Les, 3e en 20e â 23e V.) in het recht op den Hemel, in de zoete hoop op het geluk der zaligen hersteld worden.
9 V. Wat is het grootste f/eluk der zaligen ? A. Gods aanschijn te aanschouwen en in God alle goed te genieten.
Door de vraag : Wat is het grootste geluk der zaligen ? wil de Catechismus ons te verstaan geven , waarin de hemel-sche glorie, het geluk des hemels wezenlijk bestaat ; welk geluk alle Engelen, Heiligen en zaligen gemeen hebben. En zijn antwoord luidt: Het grootste, m. a. w. , het wezenlijk geluk der zaligen bestaat in Gods aanschijn te aanschouwen, d. w. z., in God door het licht der glorie te zien van aanschijn tot aanschijn (I Br. aan de Kor. XIII. 12) gelijk Hij is in zich zeiven ; in Gods wezen te aanschouwen en God te zien in al zijne volmaaktheden (I Br. v. d. H. Joan. III. 2.) en dus in God alle goed te genieten, alle goed te bezitten wat ons hert begeeren , wat ons volkomen gelukkig maken, verzadigen kan. âHeerequot;, zegt David, (Ps. XVI. v. 15.) âdoor gerechtigheid zal ik voor uw aanschijn verschijnen, verzadigd worden , als uwe heerlijkheid zich vertoonen zalquot;.
De woorden en de zin van dit Antw. van den Catechismus zijn duidelijk genoeg ; maar de zaak er door aangeduid: het wezenlijk geluk der zaligen, gaat alle menschelijk verstand op aarde verre te boven.
Het is er mede gelegen, gelijk er geschreven staat (Isa. LXIV. 4., Ie Br. aan de Kor. II, 9:) âGeen oog heeft gezien, en geen oor heeft gehoord, en in geen menschenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor die Hem lief hebbenquot;. âZeer geliefden ! zegt in gelijken zin de H. Apostel Joannes (T. a. p.), nu, in dit leven, zijn wij alreeds waarlijk aango-
452
nomen kinderen Gods, en waf wij , eenmaal , in liet andere leven zijn zullen , m. a. w., de onbegrijpelijke gelukzaligheid, die ons voorbereid is in den hemel , indien wij ons hier als kinderen Gods gedragen, is nog niet openhaar f/eworden \ Inmiddels âweten wij uit de kennis, welke het geloof ons geeft, dat, wanneer het openbaar zal zijn, wij gelijkvormig zullen zijn aan Hein , wiens rechtgeaarde kinderen wij ons op aarde toonden; dat wij op God zullen gelijken in gelukzaligheid; dat wij in Zijn volmaakt geluk zullen deelen, wij Hem door het licht der glorie zullen zien gelijk Hij isquot; in zich zelven, in al zijne goddelijke schoonheid en andere volmaaktheden , die alle mogelijk , denkbaar goed in zich bevatten, en dua zullen we in dit aanschouwen Gods ook eeuwig alle goed genieten.
Maar, vraagt wellicht iemand uwer: Wat wil dat zeggen: God door het licht der glorie zien ?
Op die vraag antwoord ik ten le. Niemand ter wereld kan mot volkomen zekerheid zeggen, wat het boteekent: God door het licht dor glorie aanschouwen , zien. Dit antwoord is een onmiddelijk gevolg van hetgeen we zoo even zeiden, en door de woorden van de HH. Apostelen Paulus en Joannes bewezen; nl., dat het wezenlijk geluk der zaligen alle menschelijk begrip op aarde te boven gaat. Zeide diensvolgens de groote H. Augustinus te recht: âHet is gemakkelijker te zeggen, wat in den hemel niet is , dan wat daar wel isquot;, dan antwoord ik op de gestelde vraag:
Ten 2e. God zien door het licht der glorie wil niet zeggen, «) Gods aanschijn aanschouwen met de oog en des lichaams, met onze lichamelijke oogen. Want God is een ongeschapen geest (5e Les , 3e V.) , en kan dus door geen stoffelijke oogen gezien worden, evenzoo min als de Engelen die zuivere maar geschapen geesten zijn (7e Les, 6e V.), of 's menschen ziel, die ook een geschapen geest is. (le Les , 8 V.)
Bovendien , als onze lichamelijke oogen noodig waren om God in den hemel te zien , dan zouden wij Hem niet kunnen aanschouwen vóór den laatsten dag des oordeels , waarop de verrijzenis des vleesches, of van alle menschen zal geschieden.
T
M
453
(16e Les , 12e Vr.) Immers dan eerst zullen wij onze oogen terug ontvangen. En toch weten wij door het Geloof, dat de zielen dergenen , die in de liefde Gods sterven , en niets meer te boeten of te zuiveren hebben , onmiddellijk naar den hemel gaan, Gods aanschijn aanschouwen. (17e Les, 4e V.).
ft.) God zien door het licht der glorie wil niet zeggen, Hem zien alleen door de natuurlijke krachten van ons eer-stand , of, gelijk men wel eens zegt, met de oogen van ons natuurlijk gezond verstand. Hier op aarde kunnen wij door het licht onzer rede of van ons natuurlijk gezond verstand het bestaan van God en eenige Zijner eigenschappen kennen, om zoo te zeggen, God zien in Zijne werken. Zijne schepselen ; maar de natuurlijke krachten des verstands alleen zijn volstrekt onvoldoende , onbekwaam om God van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen , Hem te zien gelijk Hij is in zich zeiven. Bloot natuurlijke krachten kunnen het bovennntiiur-lijk Wezen Gods niet aanschouwen.
c.) God zien door het licht der glorie, Gods aanschijn aanschouwen, gelijk de zaligen in den hemel , wil niet zeggen , God zien door de oogen des Geloofs. Door het licht des Geloofs kennen en zien we God zeker veel beter, meer van nabij dan alleen door de oogen des verstands. Immers het Geloof worit een licht genoemd omdat het ons natuurlijk verstand verlicht om de waarheden des Geloofs, God zeiven en het Goddelijke, al wat door God geopenbaard is, te kennen en zoo vast te gelooven alsof wij het met onze oogen zagen, ja nog vaster, omdat ons gezicht or.s kan bedriegen, maar het ware Geloof nooit of nimmer, (Vgl. Se Les , 3e en 7e V.)
De H. Paulus zelve leert ons , dat er oen overgroot verschil bestaat tussohen God zien in dit loven door de oogen des Geloofs en God zien gelijk de zaligen Hem aanschouwen in den hemel. Thans, zegt hij, zien wij God en het Goddelijke als door een spiegel, eigenlijk door een venster, in een raadsel, d. w. z., flauw en duister, maar dan , nl., als wij in den hemel komen, zuilen wij God klaar en duidelijk zien van aanschijn tot aanschijn , gelijk Hij is in zich zei ver., en
454
Hem kennen in zóó ver een geschapen verstand het oneindig Wezen Gods kan kennen.
quot;Werd op de 3e V. van de 3e Les (bl. 23) het licht des geloofs eene helderachijnende zon genoemd in vergelijking met het flauw licht des verstands , gelijkend naar het licht van een nachtpitje; dan moeten wij nu het licht des geloofs in vergelijking van het licht der glorie een flauw, duister, nevelachtig lamplicht noemen , gelijk aan dat der maan of eener opkomende zon , en het licht der glorie een helderschijnende raiddr-gzon , die door haar licht allen nevel wegneemt en alles door haar gloed verwarmt.
Vraagt ge nu verder: Maar wat wil het dan wel zeggen: God door het licht der glorie aanschouwen ? Wat is toch dat licht der t/loiie? dan moet ik mijn eerste Antw. herhalen. Ifiemand ter wereld kan het u met volkomen zekerheid zeggen. Want het heeft Gode niet behaagd ons dit te openbaren. Hij heeft die kennis en het genot van Hem door dat licht te zien gelijk Hij is in zich zeiven , den zaligen in den hemel voorbehouden.
Ik weet dus niet beter te doen dan ten 3e te antwoorden : Yolgens de meening van den grootsten der Godgeleerden, van den H. Thomas van Aquine , is het licht der glorie eene geschapene hoedanigheid , eene bovennatuurlijk verstandelijke kracht, die God het vorstand der zaligen voor eeuwig instort , en die hen in staat stelt, bekwaam maakt God metterdaad van aanschijn tot aanschijn te zien , zijn goddelijk Wezen te aanschouwen gelijk het in zich zeiven is.
Hopen we eenmaal, in het andere leven te ondervinden wat het zeggen wil : God door het licht der glorie eeuwig te aanschouwen , en in God , door dat licht aanschouwd, alle goed te genieten. vAlu'ie , zegt de H. Joannes t. a. p. v. 3 , deze hoop op Hem, op Gods goedheid jegens ons, zijne kinderen op zijne almacht en getrouwheid in zijne beloften gegrond heeft, die heiligt zich'''' volgens het voorbeeld en de leering van Christus. M. a. w., alwie deze hope heeft, en ze eenmaal verwezenlijkt wil zien , moet bijgevolg zorgvuldig de zonden vluchten , en ijverig de deugd oefenen, in één
455
woord: de christelijke Rechtvaardiglieid onderliouden. (Vgl. 39e Les, le en 2e V.)
Omdat het geloof een vaste grond is van dingen die vooral in het andere leven te hopen zijn, een bewijs voor zaken die in dit leven niet gezien worden (Vgl. Br. aan de Hehr. XI. 1.), zullen Geloof en Hoop in den hemel ophouden, vervangen â¢worden door Gods aanschijn te aanschouwen en in God alle goed te gemeten. Wat de zaligen door het licht der glorie zien , behoeven zij niet meer te gelooven ; het opperste goed, dat zij door het licht der gloiie voor eeuwig bezitten, behoeven zij niet meer te hopen; maar de liefde vervalt nooit. En ook daarom is do liefde de voornaamste der drie goddelijke deugden (Vgl. 42e Les, 8e V.) Omdat de zaligen in den hemel door het licht der glorie God zien in al zijne schoonheid en volmaaktheid en dus in God alle goed genieten, beminnen zij Hem ook noodzakelijker wijs Men zou eerder zich nabij een onmetelijk vuur kunnen plaatsen zonder deszelfs hitte te gevoelen, dan God zien , zooals Hij is in zich zeiven, zonder door de goddelijke liefde ontvlamd te worden. Bijgevolg is de liefde, waarmede do zaligen God beminnen, eene noodzakelijke daad ; d. i., eene daad , waarvan zii zich niet kunnen onthouden , zooals wij , gebrekkige stervelingen, dit hier op aarde kunnen doen. quot;Want wij zien God slechts, zooals Hij zich in do schepselen en door het flauw, duister licht des Geloofs, aan ons vertoont, en met deze onvolmaakte kennis kunnen wij onze liefdo aan God onthouden, Gode onze liefde weigeren of onttrekken, onze liefde aan de schepselen wijden, of ze als tusschen God en eenig schepsel verdeelen. Niet alleen kunnen, maar helaas ! doen wij dit maar al te zeer, en al te dikwijls , niettegenstaande liet licht des geloofs, gevoegd bij het licht des verstands , ons zoovele en krachtige beweegredenen aangeeft om God bovenal en onze evennaasten en alle schepselen om God te beminnen, lief te hebben. Zoo is het niet in den Hemel! Daar zien de gelukzaligen God door het licht der glorie van aanschijn tot aanschijn, gelijk Hij is in zich zeiven , en omdat zij Hem daar zien gelijk Hij is, genieten ze in Hem alle goed, en kunnen of willen zij
456
niet anders dan Hem met volmaakte liefde beminnen , zoolang God God zal zijn , in eeuwigheid, zonder einde.
Alzoo , het grootste, het wezenlijk geluk aller zaligen is : door het licht der glorie Gods quot;Wezen onmiddellijk te aanschouwen, in God alle goed te bezitten, te genieten, en God eindeloos te beminnen, zonder vrees nog ooit door eenige zonde zijne liefde te verliezen of daarin ooit te verflauwen l
Trachten wij hier steeds meer en meer in de kennis Goda toe te nemen; beminnen wij God bovenal, en allen en alle» om God; toonen wij die liefde door Gods geboden tot het einde onzes levens getrouwelijk te onderhouden, en wij zullen het laatste einde bereiken , waartoe wij geschapen zijn , nl. f om God hierna eeuwig te aanschouwen, te bezitten en te beminnen; (Vgl. Ie Les, 9e en 10e V.) wij zullen in het grootste geluk der zaligen deelen : Gods aanschijn aanschouwen en in Cod alle goed genieten. God immers wordt ons opperste goed genoemd, omdat wij in het bezit van Qodr alleen volkomen gelukkig kunnen zijn. (5e Les, 10e V.)
10 V. Zallen alle zaligen in heerlijkheid en alle verdoemden in straf gelijk zijn ?
A. Neen; maar ieder zal naar verdiensten verheerlijkt of gestraft worden.
De laatste V. van den Catechismus moet duidelijkheidshalve in twee deelen gesplitst worden.
I. Zullen alle zaligen in heerlijkheid gelijk zijn? M. a.w. : Is de zaligende aanschouwing Gods niet in allen gelijk ? Zullen alle zaligen door het licht der glorie God niet even klaar en duidelijk aanschouwen? Zullen allen in God te aanschouwen niet in gelijke mate , evenveel alle goed genieten f
A. Neen. Het is een punt van ons H. Geloof, dat in den Hemel een ieder, die, tot de jaren van verstand gekomen in de liefde Gods gestorven is, naar zijne persoonlijke verdiensten, die hij tijdens zijn leven door de hulp der goddelijke genade vergaderd heeft, zal verheerlijkt, beloond worden.
457
Alle zaligen, ook de kleine kinderen, die, na het Doopsel ontvangen te hebben, gestorven zijn vóór dat ze tot de jaren van verstand gekomen waren, zullen wel door het licht der glorie Gods aanschijn aanschouwen, en in God alle goed genieten , maar zij, die na het gebruik hunner rede gestorven zijn, zullen niet allen gelijkerwijs , niet allen even klaar en duidelijk Gods aanschijn aanschouwen , niet allen in dezelfde maat of graad in de zaligende aanschouwing deelen ; maar ieder zal naar zjjne verdiensten verheerlijkt worden. Zegt uw gezond verstand , door het Geloof voorgelicht, niet overluid , dat, bv., de H. Maagd en Moeder Gods Maria , de H. Joseph, de H. Joannes Evangelist, de leerling, dien Jesus lief had, de H. Aloysius ... door hunne uitstekende heiligheid, verdiend hebben in heerlijkheid verre verheven te zijn , bv., boven den goeden moordenaar? dat zij verdiend hebben de zaligende aanschouwing Gods meer innig te genieten, Gods Wezen door het licht der glorie veel klaarder en duidelijker te zien , en in hooger mate in God alle goed te genieten, dan die zaligen, welke in hun leven weinig goede werken beoefend hebben , misschien eerst op hun sterfbed rechtzinnig bekeerd zijn ? Wat de rede in deze als billijk en rechtmatig aanduidt, bevestigt het Geloof. In zijne afscheidsrede tot zijne leerlingen, zeide Jesus: â/« het huis mijns Vaders zijn vele woningen'''' (Joan. XIV. 2.)
Waarom sprak Jesus die woorden? De H. Augustinus en de H. Paus Gregorius de Groote antwoorden: Omdat de eene heiliger is dan de andere; omdat niet allen even veel verdiensten vergaderen op aarde , en dus ook niet allen een even groot loon verdienen in den hemel. Dus juist om ons te leeren , dat in den Hemel ieder naar verdiensten zal verheerlijkt worden. Immers het valt niet te betwijfelen , dat de rechtvaardige Rechter van levenden cn dooden een iegelijk zal vergelden naar zijne werken. Want de Zoon des men-sohen zal komen in de heerlijkheid zijns vaders met zijne engelen, en dan zal Hij een iegelijk vergelden naar zijne werken. (Matth. XVI, 27).
Alle zaligen zullen dus niet gelijk zijn in heerlijkheid en
458
gelukzaligheid naar de ziel , en derhalve ook niet naar het lichaam. Hoort hoe de H. Paulus ons dit punt door eene gelijkenis opheldert. âEene andere, zegt hij (I Br. aan de Kor. XY. 41 en 42), is de heerljjkheid der zon, eene andere de heerlijkheid der maan , en eene andere de heerlijkheid der sterrenquot;, die ook wederom in glans en luister van elkander onderscheiden zijn ; âWant de eene ster verschilt in heerlijkheid van de andere. Zoo is het ook met di verrijzenis der doodenquot;.
Maar, zal wellicht iemand vragen , acht gevend op eene kwaal, die op deze wereld algemeen heerscht in alle standen der maatschappij , zelfs tusschen broeders en zusters van een en hetzelfde huisgezin , â maar, zullen dun de zaligen , omdat zij niet allen in heerlijkheid gelijk zijn, elkaar niet benijden? Zal de groote verscheidenheid in heerlijkheid onder do zaligen geene afgunst verwekken ?
Ik antwoord beslist: Neen. Want 1°. kon er in den Hemel tusschen de zaligen afgunst bestaan, dan was de Hemel de Hemel niet meer; dan was de Hemel niet meer de plaats waarin voor eeuwig alle goed huisvest en waaruit alle kwaad voor eeuwig is buiten gesloten. Dan zou in den Hemel eigenlijk niemand gelukkig kunnen zijn; want de laagsten zouden het geluk benijden van hen die een weinig hooger in heerlijkheid verheven zijn; deze zouden op hunne beurt afgunstig zijn op het geluk van hoogeren, en zoo in opklimmende rei tot de hoogsten toe , terwijl de hoogsten het geluk der H. Waagd zouden benijden!... De ongerijmdheid, onzinnigheid, dwaasheid, waartoe men moet vervallen, indien men ook maar de mogelijkheid aannam, dat er in den Hemel tusschen de gelukzaligen afgunst kan bestaan, geeft reeds een voldoend antwoord op de gestelde vraag, en eene afdoende reden om mot zekerheid te verklaren : In den Hemel bestaat, ja kan geene afgunst bestaan tusschen de zaligen onderling, hoe quot;verschillend of onderscheiden zij ook zijn in heerlijkheid. Want
2°. Iedereen weet, dat hij beloond en verheerlijkt is naar zijne persoonlijke verdiensten.
Iedereen is daarom in den Hemel met zijn eigen graad van
459
glorie of heerlijkheid volkomen tevreden , omdat deze overeenkomt met zijne verdiensten, juist volgens de maat zijner verdiensten is en dus juist voor hem past. De H. Augustinus heldert ons dit door eene aller naïefste vergelijking op. Het is daarmede, zegt hij , als met een grooten man en een kleine jongen, die beiden een pak van hetzelfde kostbare laken dragen. Het pak is voor beiden naar hun genoegen juist van pas gemaakt. De kleine jongen is niet afgunstig, noch ongelukkig , omdat voor den grooten man meer laken gebruikt is dan voor hem en hij zou voorzeker met hem niet van pak willen ruilen. Zoo is het ook in den Hemel. Iedereen is daar tevreden met zijn eigen graad van glorie, omdat deze juist voor hem past. Ja niet slechts zijn de laagsfen zonder afgunst, en volkomen tevreden met hun graad van glorie , maar zij verheugen zich zelfs over den hoogeren trap van glorie welken anderen bereikten. Want zij zien, dat degenen, die de glorie dos Hemels in hoogeren graad genieten , dien verdiend hebben door de deugd en goede werken op aarde volmaakter te beoefenen dan zij het deden, en God dus een ieder naar verdiensten verheerlijkt.
De hier verklaarde quot;waarheid , dat niet alle zaligen in heerlijkheid gelijk zullen zijn, maar ieder hunner naar verdiensten verheerlijkt zal worden , moet een ieder onzer opwekken om met allen ernst en ijver de christelijke Rechtvaardigheid te beoefenen, en ai wat ieder in zijn staat dagelijks te verrichten heeft, te heiligen , verdienstelijk te maken door dit alles te doen in staat van gratie, en ter eere Gods, met eene zuivere meening. Dit toch is een eenvoudig , voor allen en een ieder passend, zeker middel om hoog in den Hemel te komen. (Vgl. 4Ão Les , V. 7 en 9.)
II. Zullen , zoo luidt het tweede gedeelte der laatste Vr., alle verdoemden in straf gelijk zijn ?
Ook op dit gedeelte der V. moet beslist geantwoord worden : Neen ; want het is ook eene bepaalde geloofswaarheid , dat de strat van alle verdoemden niet gelijk, niet even groot is. Ieder verdoemde zal naar verdiensten , naar gelang hij verdiend heeft, naar de grootte , de minder of meerdere boosheid.
460
en naar de hoeveelheid, het getal der doodzonden, die hi}; zelf bedreven , of waartoe hij anderen op eenige wijze geholpe» heeft, gestraft worden.
Dat het billijk is, dat de rechtvaardigheid Gods eischt, dat ieder verdoemde naar verdiensten gestraft worde, getuigt en da rede en de Christelijke leering eenstemmig.
^De Zoon des meiischen, de Rechter van levenden en doodenr de looner van het goed , en straffer van het kwaad , zal een iegelijk vergelden naar zijne werken. (Matth. XVI , 27.)
S L O T W OOR D.
Bij al mee iderken (jedmik mee uitersten , en in eeuwigheid zult gij niet zondigen. Ecclci. VII. 40.
Denk dikwijls aan het uur van uw dood, waarmede op aarde alles voor u eindigt. Denk dikwijls aan het rechtvaardig en onherroepelijk vonnis, dat J. C. , de Zoon Gods , in het oordeel eenmaal over u zal uitspreken. Denk dikwijls aan de onbegrijpelijk zware en veelvuldige straffen der hél. Denk dikwijls aan de hemelsche glorie, aan de onbegrijpelijk groote, alle begrip te boven gaande gelukzaligheid, u van Godswege in den Hemel bereid voor alle eeuwigheid ! En in eeuwigheid zult gij niet zondigen , maar met geheeler ziele u beijveren om in den Hemel een hoogen graad van glorie en heerlijkheid te bereiken. Amen.
461
MORGENGEBED.
Akte van aanbidding en godsdienstigheid.
Mijn Heer. Ik ben uw dienaar of uwe dienares. Ik moet ü dus dienen. Gij zjjt mijn Heer en Meester.
En mijn God. Ongeschapen Geest , mjjn eerste begin en mijn laatste einde; in U alléén kan ik gélukkig zijn, in U alleen ware rust en vrede vinden.
Ik- aanbid U. Ik erken U als Heer en Meester van alles.
Opperste majesteit. D. i.: Gij zijt de volmaaktste koninklijke macht, de opperheerschappij. Ik erken U als den koning der koningen en den Heer van alles wat er bestaat.
Akte van dankzegging.
Ik bedank U voor alle weldaden. De weldaden , die ik van 'J ontvang, zijn te menigvuldig, o mijn God, om ze afzonderlijk op te noemen , daarom bedank ik U voor alle , maar toch bijzonder dat Gij mij dezen nacht heiraard hebt. Dank dus, o mijn God, dat Gij in uwe goedheid en liefde eenen Engel aan mijne zijde hebt geplaatst, om mij met zijne liefdevolle zorgen en waakzaamheid te omringen, en mij â¢voor alle ongelukken naar ziel en lichaam te bewaren.
Opdracht.
Ik offer U op mijne ziel en mijn lichaam en al wat ik bezit. Mijn Heer en mijn God, zie hier mijne ziel en mijn lichaam, en alles wat ik heb en bezit; doe er mee , wat Gij wilt, beschik er over zooals Gij zult goedvinden, behandel mij hard of zacht, geef of ontneem mij wat Ge goedvindt, zend mij droefheid of vreugde over , vóór- of tegenspoed, ik ben er tevreden mee, alles o Heer, wat Gij wilt, is mij goed.
Ik draai/ U op alle goede werken , die ik dezen day zal verrichten. Niet alleen alles , wat ik heb en ben, maar ook alles, wat ik doen zal, draag ik aan U op, mijn God. Wat
462
zijt Ge goed, dat Ge ook datgene wat ik uit plicht van staat, om den kost te verdienen, toch doen moet , wilt aannemen als alleen voor ü gedaan.
Ik wil die doen tot uive eer en glorie , tot zaligheid mijner ziel. Ja, mijn Jesus, ik wil werken om U te vereeren, uwe glorie te verhoogen , en mijne ziel te verrijken voor de eeuwigheid.
Ik maak de intentie om al de aflaten te verdienen, waaraan ik kan deelachtig worden. (Dit staat er bij, omdat men geene aflaten kan verdienen , of men moet de meening hebben om ze te verdienen. En omdat wij vele aflaten kunnen verdienen , die wij niet eens kennen, maken wij in eens de meening om ze alle te verdienen. Vgl. \aLes, 11 en 12 Y.)
Voornemen.
Ik wil liever duizendmaal sterven dan U te vergrammen. Ja, mijn Jesus, sterven , duizendmaal sterven , liever dan IJ door eene doodzonde te bedroeven , liever dan uw Goddelijk Hart, dat mij zoo teeder bemint, leed aan te doon. Doch dat voornemen moet werkdadig zijn, d. w. z. : men moet de middelen gebruiken, die noodig zijn, om dat voornemen ten uitvoer te brengen; en het voorname middel daartoe is het gebed, waardoor men Gods hulp afsmeekt. Daarom laat men er op volgen :
Akte van verzoek.
Barmhartige God, geef mij de genade om dit voornemen wel te volbrengen. Maar niet steunend alleen op ons eigen gebed, denkende, dat dit niet vurig genoeg is, en wij niet waardig zijn om verhoord te worden, roepen wij in alle nederigheid de voorspraak in van onze lieve Moeder Maria , van den H. Jozef en onzen Engelbewaarder en Patronen en eindelijk van alle Engelen en Heiligen van het hemelsch hof zeggende:
H. Maria, Moeder Gods , bid voor ons.
if. Jozef, bid voor ons.
H. Engelbewaarder, bid voor ons.
463
IIJI. Patronen of Patronessen N. N., bidt voor ons.
Alle Engelen en Gods lieve heiligen , bidt voor ons.
Men roept bijzonder den bijstand zijner Patronen of beschermers in, omdat deze ons in het doopsel door den Priester in naam der Kerk gegeven zijn om ons bijzonder te beschermen en te helpen. (Vgl. 32e Les , 6e V.)
Eindelijk bidt men: Dat de Heer ons gelieve te zegenen tegen alle kwaad te beschermen, en tot het eeuwig leven te geleiden; en dat de zielen der geloovigen door Gods barmhartigheid in vrede rusten. Amen.
Men begint en eindigt met het maken van het teeken des H. Kruises. (Vgl. 2e Les, 7e V.)
Waarom vooral betaamt het een christen mensch '« morgens te bidden ?
Ten 1ste, om daardoor die groote waarheid te belijden, dat God ons eerste begin en ons laatste einde is.
Ten 2de , om God de eerstelingen van iederen dag op te dragen.
Ten 3de , om van God den zegen over onze werken en bevrijding van zonden af te smeeken.
Ten 4de, om zoo al onze werken verdienstelijk te maken.
AVONDGEBED.
Het begin is hetzelfde als van het morgengebed.
God zal ons eens over al onze gedachten , woorden en werken oordeelen , en om dat oordeel gunstig te maken, moeten wij eerst ons zeiven goed oordeelen in het gewetensonderzoek ; doch om dat goed te doen, hebben wij Gods genaden noodig en hierom verzoeken wij zeggende ; Kom, o H. Geest, verlicht mijn verstand om mijne zonden te kennen , en geef mij de genade van een oprecht berouw over dezelve. (Vgl. 45e Les, 7e V.)
De genade, die men hier vraagt is eene genade van licht en van droefheid.
464
Licht om zijne zonden te kennen , droefheid, om ze door berouw uit te wisschen.
Door de zuivering der ziel v:in de zonde wordt de mensch heilig, daarom vraagt men die genade aan den H. Geest, wijl aan Hem de heiligheid bijzonder wordt toegeschreven (Vgl. 6e Les, 6e V., 13e Les, 6e en 7e V.)
Als men zijn geweten onderzocht heeft, bidt men de akten van
geloof, hoop , liefde en vooral van berouw. Het berouw is als de doek waarmede men de vlekken of fouten, die men in hot onderzoek gezien heeft, weer van zijne ziel afveegt.
Als men nu God om vergeving gevraagd en een goed voornemen gemaakt heeft van do bedrevene fouten niet meer te doen, roept men weder de hulp in van Maria enz. zooals 's morgens.
Waarom is het voordeelig zijne consciëntie, zijn (jeweten iederen avond te onderzoeken ?
Ten le , om een genadig oordeel te verwerven.
Ten 2e, omdat wij dan gemakkelijker ons geweten bij de Biecht kunnen onderzoeken.
Ten 3e , omdat het een zeer krachtig middel is ter verbetering zijner fouten.
Aanmerking. Het voornemen dat men in liet morgen- en avondgebed maakt om in het algemeen alle zonden te vermijden, zal men met vrucht in het bijzonder op zijne hoofdfout toepassen: Die fout, waarin ik het meest verval, zal ik vandaag en morgen met Gods gratie vermijden.
Geloofd zij Jesus Christus In eeuwigheid. Amen.
VERBETERIIVGEIN7.
BI. 8. Aan het einde der uitlegging van do 5e V. in plaats van volmaaktheid, lees: rechtvaardigheid.
, 49. Laatste regel âverleiddequot; lees; âgaf ook Adam van de vrucht van den verboden boom; Adam at er van. en werd dusdoende deelgenoot van hare overtreding. (Vgl. B. der Schep. III. en I. Br. aan Timoth. II. 14. âEn Adam werd niet verleid,quot; enz.
â 84. 9e V., 2e regel, âdaaroverquot;, lees: âdus daardoor, tevensquot; , enz.
â 97. lie V. laatste regel ânquot; lees: âInquot;.
â 101. 4e V. âen de bijzonderequot; lees: âdadelijke genaden.quot;
â 104. lie V., Het overgeslagen antwoord van den Catechismus, luidt: Neen; want geestelijke dingen mag men onvoorwaardelijk begeeren , maar tijdelijke dingen voor zoo ver zij dienstig zijn ter zaligheid.
â 110. lie V. âdezelvenquot; lees: âdezelve''.
â 124. Ten 2e (23e, 25e Les\ lees: 33e, 35e Les.)
â 129. 2e V. âgoddelijkstequot; lees: âgoddelijke''.
â 139. 8e V. âzequot; valle weg.
â 165. Men noemt die dagen in één woord : onthoudings-dagen , âopdatquot; lees: âomdatquot;.
â 213. 9e V. âluidtquot; lees : âluidequot;.
â 256. Ie regel âopdatquot; lees: âomdatquot;
â 268. Laatste regel ânquot; âinquot;.
â 272. 18e V., als het verwachtte, maar zegt uitdrukkelijk meer dan het voorgaande. Lees : als, maar zegt uitdrukkelijk meer dan het antwoord, dat men, gelet op de vorige V., had kunnen verwachten.
â 275. 20e V., om kinderen do valschheid dezer redeneering duidelijker te doen inzien , zegge men eenvoudig: Vriend , ge zegt: âIk zal die doodzonde maar niet biechten ; ik zal er maar een volmaakt berouw over verwekken ; dan wordt ze toch ver-
geven.quot; Doch dat gaat zóó maar niet. quot;Want te.ti le, gij kunt uit u zeiven lt;jcen berouw hebben (vgl. 5e V.) Dus kunt gij zeker zóó maar niet naar believen zeggen: Ik zal er maar een volmaakt berouw over verwekken.quot; Ten 2e, indien ge die doodzonde niet wilt biechten nis ge kunt, kunt gij er niet eens een onvolmaakt berouw over hebben of verwekken. quot;Want zoowel tot het onvolmaakt als tot het volmaakt berouw wordt vereischt, dat men alles wil doen enz.
278. âImmers dien wilquot; lees; âImmers die wil sluit den wil in.quot;
280. 13e regel: âZoodanigquot; lees: âEen naarstig.quot;
291. 37 V. â(vgl. 2 en 3)quot; â(vgl. § 2, 3)quot;.
307. 2e V. Ten 2e, âaan diequot; lees: âaan iemand diequot;
312. 6e V. âZiekenverpleegstersquot; lees: âVerplegers van ziekenquot;.
334. 7e regel van onder : âmijquot; , lees ; âwijquot;.
346. 6e V. Door de doodzonde verliezen wij ten 2e, de
eerdiensten van onze goede werken , welke wij vroeger in staat van gratie gedaan hebben , âof nu in staat van doodzonde doen.quot;
347. 7e regel van boven : âdequot; lees: âhetquot;.
383. 7e V., (en van alle overige bovennatuurlijke) deugden ?
416. 17e regel. âDaartoe is de heiligmakende gratie noo-dig.quot; Lees : âdaartoe is de heiligmakende gratie niet noodig.quot;
420. 5e regel: âvermeerquot; lees : âvermeerderingquot;.
430. 6e regel: âAlsd nquot; lees : âAlsdanquot;.
431. 4e regel van onder , âals hing ons eeuwig gelukquot;
(lees er bij) âof ongelukquot;.
432. 8e regel âallerminstquot; lees; âop zijn allermir.stquot; of
âten minste.quot;
432. 22e regel âbij dequot; lees âbij denquot;
I
I
' 3