ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

DOM BOSCO.

ocr page 5
ocr page 6

115'

£

DOM BOSCO,

De Apostel der Jeugd

IN ONZE NEGENTIENDE EEUW.

NAAR HET FRANSCH

door

J. VOSSEN, Priester,

Leeraar aan liet College van St. Truiden (België).

GULPEN, 1891.

Druk van M. Alberts en Zonen. — Uitgevers,

St. TRUIDEN, «ij Jos. Leenen , boekhandelaar,

's BOSCH,

hij M. Mosmans, Zoon, boekhandelaar.

ocr page 7

IMPRIMATUR. Liodii, I4a Martii 1891.

EIGENDOM.

M. HUTTEN.

VIC.-GEN.


ocr page 8

A.LV ZIJNE DOORLUCHTIGE HOOGWAARDIGHEID

MONSEKiXEL'R

DOUTRELOUX,

ÜISSCHOr VAX LUIK

MKT DIEPEN EERBIED OPGEDRAGEN

DOOK

J. VOSSEN,

I.KKRAAK AAN HK1 rdl. I. KCK TK

ST. TRTJIHDElSr,

ocr page 9
ocr page 10

Den Zttr JEerte. lieer Vossen. Professor acm het College run St. Tnddev.

HEER i 'R (tFESS O li,

L ic denken aan eene vertolin;/ in de Xedevlanilscln' taal van het Leven van Dom Bosco , vooral op ven ooyenhhk, dat zijne vrouw en verkleefde zonen, de Xalesiërs, in ons Umloui een dier ivees/mizen uaun up-richten, wier wonderhave wttsloi/en heel de wereld door hekend zgt;Jn, ffetuifft van mven Ijver voor de lt;llovie van trod en het heil der zielen. Door dezen mven arheld hebt gij terzelfder tijd ons hart, icaaraan de herinnering van dezen 11. I inventuis a l'aiilo onzer tijden zoo dierbaar is, en dat op het Weeshuis van den 11. do-hannes Tlerchnians zulk eene zoete hoop vextli/t voor het welzijn van een der belangrijkste en be/ioeftigste deelen can onzen herderstal, met innige blijdschap vervuld.

Ontvang er dus onzen dank en onze gelukwensvhen over. Moge het lezen van dit leven overvloedige vruchten van stichting voortbrengen, bijzonder door in de geesten f-de achting der liefdadigheid jegens de arme

ocr page 11

weezen, in den wil het voornemen om ze met edelmoe-diijheid uit te oefenen, en in de harten het onwcmkel-Ihuw vertrouwen te verlevendigen en te vermeerderen op ih' luisterrijke beloften van onzen yoddelijken Verlosser hen, die de zijnen, al waren het zelfs de klein sten, in zijnen naam zullen bijgestaan hebben.

Uw boek en zijnen schrijver zegenende en de be-scher riling ran 3 far ia-Bij stand, over beiden afroepende, xchenk ik u, Heer Professor, de verzekering mijner toegenegene verkleefdheid.

/. t l h . den ijiion October 1891.

Tfr

ocr page 12

VOORREDE.

God in zijne bannhartighcid vcrivckt op zijnen tijd wonderbare mannen, die de wereld in hare meest verborgene krankheden aangrijpen, haar bedorven hart reinigen en haren banddoozen geest vitoomen.

Zulk een man was Don Bosco.

Hij vei se heen in de maatschappij als een zoende r. Het diepgevallen Italië voelde zich door zijnen machtigen arm omkneld en moest zich gewillig een deel van zijne verkankerde ledematen laten uitsnijden. Het land, dat alleen de haat van roofzuchtige staatsmannen tegen Kerk en Paus nog schijnt staande te honden, lag gekluisterd aan de voeten van eenen eenvou-digen priester, wien beurtelings de eerbewijzingen van cenen minister en de giften van eencn koning werden aangeboden. Allen , ook zijne vijanden voelden zijn verbazend oveiwicht: hij was op aarde geboren en toch scheen hij uit den hemel gedaald; het was de zoon eener arme, verborgene weduwe en niettemin strooide hij de schatten dezer wereld met kwistige hand mt, als ware hij een koningstelg. Dom Bosco was een engel in niensehelijke gedaante.

ocr page 13

La ast gij ooit dc wondci bare opoffering van ccncn Franciscus Xaverius, overdacht gij ook de ontberingen, die hij verduurde, de anncede, de verlatenheid, die hij onderstond, hij alleen te midden dier afgodendienaars, en besehomvdet gij daarna dien zielenijver, welke zijn hart verteerde, die liefde, welke zijnen moed aanvuurde en hem wonderen van edelmoedigheid deed verrichten ?

Men staat verbaasd voor zulk eene edele verschijning op het tooneel dezer wereld.

En wai zeggen van eenen Vineentius a Paulo? Ziet gij hem daar langs de straat voortstrompelen, als het zuare, met zielen beladen, hij, de vriend der armen, alleen bekommerd voor het heil dier onnooze-len, welke de wereld wreedaardig van zich stoot en aan hun rampzalig lot overlaat. Kunt gij het medelijden meten, dat in zulk een teeder hart ligt opgesloten ?

Stelt naast deze twee schitterende beelden van edelmoedigheid het beminnelijke beeld van den zachtmoedige n Franciscus van Sales, volgt hem in zijne heldhaftige bestrijding der ketters, bewondert den glimlach op zijn gelaat, de zoetheid zijner woorden, dc hartelijkheid, de lieftalligheid zijner gesprekken, de minzaamheid en de liefde voor den ongelukkigen zondaar altijd en overal- en zegt mij, zou het mogelijk zijn, dat iemand diezelfde voetstappen kunne bewandelen, hem op dien hobbeligen weg der opoffering kunne inhalen , voorbijstreven ?

Slaat uwe blikken op Dom Bosco.

Wat baat het, dat zich de boo ze wereld tegen

ocr page 14

— Ill —

hem harnast, dat cr legers van bespotters en uitjou-tuers opdagen, om hem in zijne vaart tegen te houden! Wat baat het, dat zijne vrienden hein onmeedoogend aan zijn lot overlaten en hem hunne hulp ontzeggen, op een oogenblik, dat hij die hulp het meeste noodig heeft'. J Vrtt baat het, dat de wereldlijke overheid hem als een wild dier op de hielen zit en van schuilplaats tot schuilplaats verjaagt! Mat baat het, dat zelfs de geestelijkheid, aan wie zijn heldenwerk het meeste moest ter harte gaan, het zich ten plicht rekende, hem van de gemeenschap der menschheid af te zonderen, en hem in een krankzinnigengesticht zijne ver-waandheid te doen uitboeten!

Dit alles kon hem in zijne vlucht niet bereiken, want hij zweefde in den geest in die zalige oorden waar de engelen hun welbehagen scheppen en waar het leed en de kommer niet kunnen genaken. Of liever die ivederiL'aardigheden vuurden zijnen ijver aan, ontbrandden den gloed zijner ziel, en schonken hem nieuwe krachten, om naar zijn liefderijk doel te streven.

Ziet, Christenen, wat die held deed: ontelbare kinderen rukte hij uit de ellende, de onwetendheid, en de zonde, om ze tot eene eerbare loopbaan te verheffen — werkelijk ontelbaar mag men ze noemen, want hij stichtte meer dan twee honderd 'weeshuizen, die tegelijk colleges en quot;werkhuizen waren, en jaarlijks twintig tot vijf en twintig duizend Christenen aan de samenleving schenken — om deze stichtingen te besturen schiep hij twee Congregatiën, cêne voor mannen, eene andere voor vrouwen, en om deze te ondersteunen, eenen Derde Regel van eene verwonderlijke vrijgevig-

ocr page 15

— IV —

had; verder gaf hij nieuw leven aan het werven der geestelijkheid van Italië en vormde alleen meer dan zes duizend priesters; daarbij bouwde hij kerken en stichtte hij missiën, zonder de minste, natuurlijke hulpmiddelen. Dit is echter niet alles.

Onbegrijpelijk is het, dat de man, die als opvoeder der jeugd, tegelijk zijne kinderen moest vormen en in hunne behoeften voorzien, die als armoedige meester zich in den beginne verplicht zag den metselaar, den schoenmaker, den kleermaker te spelen, terwijl hij terzelfder tijd naar de Polenta zag, die op het vuur kookte, die als priester na den pastoor van Ars, misschien meer dan iemand zijner tijdgenooten biecht hoorde, dat zulk een man, nog tijd vond om een zestigtal boekdeelen te schrijven en zelf te drukken! Ziedaar het wonder, ziedaar Dom Bosco.

Bewonderen wij hem in zijnen strijd tegen den booze, doch buigen wij tevens neder voor Dengenen, die zulk eenen held ten aanschijn der hedendaagsche ^wereld als een spiegel zijner macht heeft ten toon gesteld.

ocr page 16

LEVEN

VAN

DOM BOSCO,

STICHTER VAN HET GENOOTSCHAP DER SALESIERS.

EERSTE HOOFDSTUK.

KINDSHEID VAN DOM BOSCO. - ZIJNE MOEDER,

VOORBEELD DER MOEDERS.

jom Johannes Eosco (i), de Apostel der lieufd, bracht zelf zijne jeugd-zeer zuiver door; het is waar, dat er nooit jeugd beter bewaard en beter opgeleid werd.

Zijn vader, Franciscus Bosco, was een eenvoudig landbouwer van Murialdo, gehucht van Chateau-neuf-d'Asti, in de provincie Turijn. Zijne moeder, met name Margaretha, was de dochter van Melchior Occhiena en van Domenica Bossone, landbouwers te Capriglio, gemeente Asti.

Daar, op de oostelijke helling der Alpen, in

(i) Dom beteekent in liet Italiaansch Dominus of Heer. Bosco beteekent bosch — de laatste o wordt bijna niet gehoord.

Dom bosco. i

jL

ocr page 17

een ruwen maar levenswekkenden dampkring, in tegenwoordigheid van den luister eener vrije en uitgestrekte natuur, vormde zich in hem dat stevig lichaamsgestel, die levendige eenigzins dichterlijke verbeelding, die krachtige wil, welke hem tot zoo groote zaken bekwaam maakte. Maar de opvatting zelve dier zaken, en de godsvrucht, het geloof, de liefde, die ze hem inboezemden, dit alles had hij zijne moeder te danken.

Margaretha Bosco, in haren eenvoud, was eene buitengewone vrouw; zij had een zeer alledaagsch onderwijs genoten, maar bezat veel oordeel en vooral een zeer oprecht en teeder godsdienstig gevoel. Op negen en twintigjarigen leeftijd bleef zij weduwe en wijdde zich heel en al aan de opvoeding harer drie zonen, van welke twee haar slechts door geboorte toebehoorden, terwijl de oudste, An-tonius uit het eerste huwelijk van Franciscus Bosco was voortgesproten; maar zij maakte geen onderscheid tusschen hen. De tweede heette Jozef.

Johannes de jongste, was den 15 Augustus 1815 geboren. Hij was nog geen twee jaar oud bij den dood van zijnen vader.

Het leven van Margaretha Bosco, is volgens de herinneringen en mededeelingen van Johannes, door een zijner leerlingen geschreven (1). Zij kan tot voorbeeld aan alle vrouwen dienen en de geschiedschrijver van den zoon is gelukkeg eenige trekken aan dien der moeder ter ontleendn.'

(1) Margherita Bosco, racconto edificante ed ameno pel sac. J.-B. Lemoyne. Torino, tipografia Salesiana. 1886.

ocr page 18

Johannes, zeer uitgelaten en nieuwsgierig, leefde buiten op het land, zooveel zijne moeder het hem toeliet. Vandaar dat hij groot vogelzoeker geworden was, niet om die diertjes te verdelgen, zooals vele on-beradene kleine herders doen, maar om ze te voeden, te beminnen, en te bestudeeren. Eens had hij een nestje vol schoone nachtegalen in de struiken ontdekt, en ging hij van tijd tot tijd zien, hoe de moeder hare kleinen eten bracht. Dat nest was zijne vreugde: hij zag de kleinen wassen en bespiedde den tijd, waarop zij veeren zouden hebben; maar zie, op een naburigen boom kwam zich een dikke vogel neerzetten, in welken hij aan zijnen kreet eenen koekoek herkende. De moeder dei-kleine nachtegalen zat op het nest. De koekoek zag ze, stortte zich op het kleine gezin terwijl hij zijne vleugelen uitspreidde, om niemand te laten ontsnappen, en na ze met bekslagen gedood te hebben, verslond hij ze alle en wierp beenderen en veeren buiten. Daarna zette hij zich zelf in het nest.

De kleine Johannes, achter eenen struik verborgen, was troosteloos over den moord van vogelen, die

o '

hij reeds als de zijne aanzag, maar de onbewege-lijkheid van den moordenaar gaf hem de gedachte in, van nog te wachten om te zien, wat hij doen zou. De koekoek had een ei in het nest celeed en

O O

broeide het uit, toen een andere roover bijkwam, eene kat, die zich op het nest wierp, den vogel bij het hoofd greep en hem in eenige happen opvrat.

Voldaan over deze snelle rechtspraak, ging de

ocr page 19

knaap zich verwijderen, toen een nieuw en bevallig schouwspel hem weerhield. Een nachtegaal, misschien de vader van het vermoorde gezin, komt aan, en zet zich deftig neder op het ééne ei, wat hij in het nest gevonden had. Hij broeide zoo lang en zoo goed, dat er een klein gedrocht uit te voorschijn kwam, zonder veeren, met een dikken bek en een ontsteld voorkomen. De nachtegaal bracht hem toch eten, als of het een der zijnen geweest was. Johannes verzuimde nooit 's avonds en 's morgens te gaan zien, wat er van beide kwam. Zoodra de kleine koekoek hem sterk genoeg scheen, nam hij hem , zette hem in de kooi en belastte zich zeiven met zijne toekomst, omdat hij hem eene soort van vadermoord wilde vermijden, want hem docht, dat hij zeer goed in staat was zijnen voedstervader te verslinden.

Maar deze vraatzuchtige en wreede gast was moeielijk te voeden. Johannes verwaarloosde hem, misschien door andere bezigheden afgetrokken. — En uw koekoek? vroeg hem de moeder. Hij liep er naar toe: het kleine monster was dood. Terwijl het de staken zijner kooi had willen stuk breken, was het met het hoofd er tusschen blijven steken. De knaap had er niet te veel spijt over: maar de moeder die geene gelegenheid liet voorbijgaan, om zijn hart te vormen, hield hem staande voor het lijk van den vogel en legde hem de zedeles uit van dit heel kleine treurspel: het hatelijke gedrag der moeder van den kleinen koekoek, de rechtvaardige kastijding, die gevolgd was, de onvoorzichtige en

ocr page 20

blinde teederheid van den nachtegaal, die een vreemd ei had uitgebroeid, en vooral de rampspoed van den armen kleine, erfgenaam van de kwade natuurdrift en de misdaad des vaders. Margaretha drukte vooral op den eerbied van iemand anders goed en op het geluk van goede ouders te hebben: „Gestolen goed gedijt nooit, zeide zij; en bijna altijd komen de kinderen van hen, die zich op zulke wijze verrijken, rampzalig aan hun einde. Gij kunt God bedanken, dat Hij u eenen vader gegeven heeft, die u geenen centiem heeft achtergelaten of hij was van hem.quot; — „Och, moeder, riep het kind uit, ik zal Hem vooral bedanken, mij eene moeder geschonken te hebben, van welke ik zoo schoone voorbeelden en zoo nuttige lessen ontvangen heb.quot; Kn het kind omhelsde zijne moeder, die zich op deze wijze voor al hare moeiten betaald gevoelde.

Een anderen keer had zich Johannes van eenen kerkuil meester gemaakt. Hij voedde hem op met al de zorg, die men kan uitdenken, in weerwil van zijne reeds talrijke teleurstellingen.

Hij komt uit den hof terug met eenen korf schoone kersen aan den arm. Hij biedt er den vogel ééne aan, die deze gulzig met steen en al doorslikt, terwijl hij met open bek en uitgerekten hals luid schreeuwend eene tweede vraagt. Dit verlangen werd dadelijk voldaan, maar de steenuil scheen onverzadelijk; Johannes voelde zich een weinig getergd : „Daar, zeide hij al lachende, neem maar, wij zullen eens zien, wie van ons tweeën het eerste

ocr page 21

moede zal zijnquot;. De kerkuil nam er zooveel, dat hij de oogen verdraaide en het hoofd schudde en eindelijk viel om nooit meer op te staan.

Johannes droeg het reeds stijve lijkje van den vogel naar zijne moeder.

„Zoo gaat het met de gulzigen, verklaarde de moeder. Niets leidt eerder tot een haastigen dood dan onmatigheid en gulzigheid.quot;

Nog eene levensbijzonderheid, om aan te too-nen, hoe die godvruchtige vrouw van de kleinste omstandigheden gebruik maakte om er nuttige lessen uit te trekken.

Het huis werd bewaakt door eenen grooten hond, van welken de kinderen veel hielden, maar die hen nog meer lief had en hun weldra het bewijs er van leverde. Eens dat Margaretha hem naar haar geboorteland had medegenomen, vroegen hare ouders hem haar. Zij liet hem hun over. Maar nauwelijks was zij aan de Becchi's (i) teruggekomen, of de hond kwam er insgelijks aan. Met neergebogen kop trad hij binnen, alsof hij begreep, dat hij ongehoorzaam geweest was; langzaam ging hij voort, terwijl hij nu eens bij dezen dan bij genen kwam, om naar gewoonte gestreeld te worden, en toen dit niet gebeurde, ging hij eindelijk treurig in een hoek nederhurken.

Weinige dagen daarna, kwamen de ouders van Margaretha zelf den hond wederom halen. Het dier liet zich wegleiden, maar nauwelijks, was het vrij,

(l) Zoo noemde men de plaats, waar zij woonde.

ocr page 22

ot het maakte er gebruik van om den weg naar de Kecchi's te hernemen. Een der jonge kinderen , die hem zag, liep met opgeheven stok naar hem toe. In plaats van te vluchten, legde de hond zich aan de voeten van dengenen, die hem bedreigde, dan wierp hij zich op den rug met de beenen in de lucht, en toonde door deze onderworpene houding, dat hij alle kastijding aannam, mits hij kon blijven.

Deze stomme maar welsprekende bede trof de kinderen tot in het diepste des harten. „Ziet, zeide hun de moeder, welk geduld, welke onderwerping, welke gehechtheid aan zijne meesters! En toch, het is slechts een dier, en wat heeft hij ons te vergelden? Eenige stukken brood, die hij ons rijkelijk door zijne diensten betaalt. Ach! hadden wij maar de helft van die getrouwheid jegens God, van wien wij alles hebben, niet alleen het voedsel, maar ook het bestaan, en deze vrije ziel, naar zijn beeld geschapen, die ons zoover boven de dieren verheft?quot;

De buitengewone goedheid van de weduwe üosco was geene zwakheid. Zij maakte zich niet boos, maar wist ook niet aan de grillen van een kind toe te geven. Op eenen zomerdag, dat Jozef en Johannes te zamen vol dorst binnenkwamen, gaf zij hun te drinken beginnende met Jozef, die de oudste was. Johannes was over deze soort van voorkeur gestoord en stiet het glas met de hand terug. „Zoo als gij wiltquot;, zei de moeder zonder aan te houden noch eene opmerking te maken, en zij nam den drank weg. Een weinig daarna, verhief Johannes vreesachtig de stem:

ocr page 23

~ 12 —

„— Welnu?

— Geef mij ook te drinken. —

— Ik meende, dat gij geenen dorst hadt.

— Och! jawel mama,.....Maar verschooning,

mama, verschooning!

— Goed zoo, mijn arm kind: ik heb in uw hart eene slechte drift gelezen, eene drift even slecht als valsch: houd ik niet veel van u allen ? Maar gij hebt er berouw over; het is goed: vraag vergiffenis aan God en denken wij er niet meer aanquot;.

Terzelfder tijd schonk zij hem te drinken, terwijl zij dezen kleinen dienst met eenen glimlach begeleidde.

De glimlach eener moeder, wie zal er de tee-derheid en de oneindige kracht van weergeven? Het is een balsem, die alle wonden geneest, welke de noodzakelijkheid van somtijds streng te zijn in het hart van het kind heeft aangebracht; het is eene zon, die het dikwijls pijnlijk zwoegen der opvoeding verzacht en vruchten doet dragen.

Toen wij klein waren, was hij onze vreugde en onze belooning, en al is hij dan ook in onzen ouderdom slechts eene herinnering, hij verwarmt ons nog als eene verdwaalde lentestraal in onzen winter; hij schenkt ons al het zoete en verkwikkende terug, wat het leven ons ooit kon aanbieden. De jonge Bosco's groeiden zoo op en werden rijp onder den glimlach hunner moeder.

Onder zekere opzichten echter was hunne opvoeding zeer ruw: Margaretha hield er aan mannen van hen te maken. Wie weet, zeide zij hun, of gij

ocr page 24

— 13 —

niet eens soldaat zult worden? Jongens moeten zich aan de vermoeienis en de ontberingen gewoon maken. En dan, zijn wij allen geen soldaten van Christus, altijd onder de wapenen, altijd in tegenwoordigheid van den vijand, en is hij, die niets kan verduren , in staat om in dezen onop-houdelijken strijd des levens te overwinnen? In den zomer wekte zij ze bij de opkomst der zon, en lang er vóór in den winter. Hun dag was verdeeld in gebed, arbeid en spel; maar er was geene minuut ledigheid. Zij herhaalde dat het leven te kort was, om er het minste gedeelte van te verliezen. Voor wat het eten en andere toegelatene geriefelijkheden betrof, dreef zij de strengheid tot de uiterste palen. Meer dan ééne moeder in onze tijden van vadsigheid zal er tegen opkomen, als wij hierbij voegen, dat de kleine Bosco's voor ontbijt en 's namiddags slechts droog brood aten en dat zij altijd op den blooten grond sliepen.

Toen Johannes naar het Seminarie ging, bracht hij er eene matras mede. Maar onder het verlof, deed zijne moeder ze hem oprollen en zorgvuldig in eene deken binden. „Gij zult ze wederom meenemen, als gij teruggaat, wijl het zoo moet, zeide zij, maar gij zult wel tijd genoeg hebben, om u aan de nuttelooze zachtheden gewoon te maken, aan die zachtheden , welke alle min of meer schadelijk zijn, als men zich er zonder kan bedienen.quot;

Zij duchtte voor geene buitenmatige vermoeienis van hunnen kant en gebruikte ze als helpers aan alle huiswerk en zelfs op het veld. Daardoor trachtte

ocr page 25

_ 14 _

zij hun kracht en sterkte te geven zoowel naar ziel als naar lichaam. Het huis lagquot; afgezonderd, heel alleen op de helling van eenen heuvel; wat hooger was een wijngaard; lager eene weide met boomen beplant, die afdaalde tot aan den weg, welke door een bosch liep. Te midden dezer half wilde streek, werden de kinderen gewoon anderen niet noodig te hebben, en niet gauw bang te zijn. Voor wat dit laatste betreft, hield er Dom Bosco later aan een nog al vermakelijk voorval te vertellen.

J De wijnoogst beloofde weinig , de druiven waren zeldzaam op de ranken en bijgevolg deden de eigenaars hun best om ze te behouden. Vrouw Margaretha met hare drie kinderen als verdedigers, was niet in staat de stroopers weg te houden en nog veel minder ze met geweld te verdrijven. En toch moest zij het doen, als zij haren oogst niet in iemand anders handen wilde zien verdwijnen. Zij had bemerkt, dat een vreemdeling rond den wijngaard zwierf en zich verborg, alsof hij de plaatsen bestudeerde. Zij giste eenig slecht inzicht en na hare zonen bijeengeroepen te hebben, zeide zij hun: „Dezen nacht zullen wij waken of ten minste zal ik waken, en op het eerste teeken, dat ik u zal geven, indien het noodig is, zult gij gereed staan om naar mij toe te loopen, terwijl gij zooveel gerucht maakt, als gij kunt.quot;

De kinderen wilden niet, dat zij alleen waakte en bleven bij haar op den grond in den wijngaard zitten. Het werd nacht. Toen het zoo wat een half uur duister en stil was, verscheen een schim op het

ocr page 26

— 15 —

pad, hij ging voort en boog zich tusschen de wijnstokken. De kinderen wilden naar hem toeloopen; met een gebaar hield de moeder ze terug, totdat het misdrijf begaan was: toen stond zij zelve op, ging bij den indringer, die reeds eene handvol trossen vasthield, en vroeg hem, wat hij daar deed, en hoe hij wel zoo blijmoedig voor eenige druiven zich kon blootstellen aan het gevaar van naar de hel te gaan. De man richtte zich recht, wijl hij zag, dat hij slechts met eene vrouw te doen had; doch Margaretha riep uit alle macht: ,,Houdt den dief! Houdt den dief.quot; En dadelijk weerklonk' die kreet: „Houdt den dief! Houdt den diefquot; op duizende plaatsen door den weerklank. De drie jongskens begeleidden hem met een helsch gedruis van spaden en tangen , die zij gereed gezet hadden; één hunner voegde zelfs er bij : ,,Daar is hij, daar, gendarmen, snijdt hem den pas af, Iaat hem niet weg.quot;

Bij dien hevigen uitval, waaraan hij zich niet verwachtte, liet de onthutste dief zijnen korf met druiven achter, sprong met het hoofd omlaag vooruit naar den tegenovergestelden kant, vanwaar hij dacht dat de gendarmen niet kwamen en tuimelde neer in de richting van het bosch met gevaar zich den hals te breken.

Toen hij verdwenen was, begon de moeder te lachen en zei aan hare kinderen: „Gij ziet, dat men geen geweren noodig heeft, om zich van dieven af te maken, zoozeer brengt hun slecht geweten hen in de war en jaagt hun angst aan.quot; Heel de kleine vroolijke bende lachte luidruchtig met haar

ocr page 27

— 10 —

mede, en vierde door bokkesprongen, hare gemakkelijke en koddige overwinning.

Eenigen tijd daarna hoorde men, dat de dief, voor andere misdrijven van dezelfde soort,-aieh-iiad doen veroordeele^i tot verschillende jaren gevangenis.

Margaretha maakte deze opmerking: „Hij heeft echter slechts zaken van minderen prijs gestolen zooals ; fruit, lijnwaad, geld. Ach! mijne kinderen, elk uwer bezit kostbaarder schatten. Wij hebben onze druiven te zamen gered, maar liever zou ik den heelen oogst met het land erbij willen verliezen, dan u de onschuld uwer zielen te zien ontrukken. Vreest vooral, vreest de dieven, die strikken spannen aan uwe deugd; mistrouwt uwe onervarenheid en hebt geene andere makkers dan die ik u toesta.quot;

De kinderen waren haar gehoorzaam en gingen nooit van huis af zonder hare toestemming. Meer dan eens moest zij ze verdedigen tegen eene andere soort kwaaddoeners, van welke zij hun gesproken had. De min of meer verwijderde huurlieden kwamen in de winteravonden in haren stal te zamen. Dit is de gewoonte op de bergen; zoo is het leven een Weinig minder eenzaam, een weinig minder wild: men ziet elkander en men hoort en vertelt allerlei nieuwigheden; de vrouwen spinnen, de mannen geven zich aan eene minder geraasmakende bezigheid over dan die van den dag; de jongelieden vermaken zich en allen sparen vuur en licht.

Vrouw Margaretha veraangenaamde dit verzet door menige goede gedachte, verhaalde eene geschiedenis uit het leven der heiligen, lette op, dat

ocr page 28

— 17 —

niets voorviel, wat tegenstrijdig was aan den godsdienst, aan de naastenliefde, aan de goede zeden. Zij eindigde altijd door het gebed. Welnu een avond, lieten zich twee jongelieden, reeds van eenen zekeren leeftijd, tot slechte gesprekken overgaan: zij vroeg hun of zij niets beters te doen hadden. „Zool wedervoer de stoutste, die om zijne onbeschoftheid bekend stond, mag men zich niet meer vermaken ? — Dat men zich vermake, ja, maar niet ten koste van de eerlijkheid. — Bah! gij zijt te angstvallig, moeder Bosco; wat wij zeggen, zeggen vele anderen. — En als anderen zich verdronken, gingt gij het dan ook doen ? drong de moeder des huisgezins met kracht aan; en als die leelijke zaken, waarin gij uw genoegen vindt u in de hel voeren, zal het dan eene groote verlichting voor u zijn, van u talrijk bijeen te zien.quot;

Bij het woord „helquot; lachte de jonge losbol op eene gemaakte wijze en begon binnensmonds een goddeloos liedje te zingen. Margaretha sprong op eens recht en op eenen toon, die hare ontroering liet blijken, gebood zij: „De deur uit, ik ben hier bij mij, de deur uit.quot; En toen de tw ee slechterikken nog niet gauw gehoorzaamden, beval zij aan eenen harer zonen, iemand hunner familie te halen. Weldra kwam de moeder van den eene, daarna de broeder van den andere. Vooreerst werd er een weinig gerucht gemaakt, maar eindelijk waren de twee onbeschofterikken verplicht te vertrekken. Margaretha stond hun nooit meer toe om 's avonds bij haar te komen.

ocr page 29

— -18 —

Maar hare geliefkoosde eigenschap, de meest to(

uitstekende deugd van die bewonderenswaardige wi

weduwe was die, welke eenmaal haren zoon Jo- on

hannes moest verheerlijken: de naastenliefde. Af- Ie

gelegen, maar toch kort aan den weg, zooals wij ne

gezegd hebben, werd het huis Bosco ieder oogen- lei

blik door voorbijgangers bezocht. Vrouw Margaretha le

leefde in betrekkelijken welstand; niet rijk en niet pl arm, genoeg om niemand noodig te hebben, maar

te weinig om rijkelijk te geven. Niettemin kon zij lii

nooit een stuk brood aan de armen, of een glas 01

wijn aan de zieken of zelfs een nachtverblijf aan de tquot;

laat aankomenden weigeren. Zeer dikwijls maakte b

zij den hooizolder open voor reizende kooplieden. si

Ik heb u slechts een hooibed aan te bieden, maar v ik bied u aan wat ik heb.

Zij behandelde ze als vrienden, en om er hun z

het bewijs van te leveren, noodigde zij hen uit, om s

het gebed met de kinderen te doen. Indien zij haar i

's anderendaags eene belooning aanboden, antwoordde c

zij dat zij geene herbergierster was en niets aan- 1

nam dan een „onze vader of wees gegroetquot; voor ;

haar en hare familie, of een beeldeken, indien de i leurder er bij zich had. Dan, onder voorwendsel van te kiezen, vergat zij nooit tot op den bodem van den reiszak te zoeken. Vond zij er iets onbetamelijks , dan was dat het geschenk, wat zij vor

derde, en zij verbrandde het dadelijk onder de oogen van den verwonderden en beschaamden koopman. Was het verdachte voorwerp een boek, dan hield zij het om het aan den pastoor van Murialdo te

ocr page 30

— 19 —

tüonen. Deze verwonderlijke vrouw kon niet lezen, wij stippen dit in het voorbijgaan aan, niet om de onwetendheid te verheerlijken, wijl zij ze al haar leven bij hare kinderen bestreed , maar om te too-nen, hoe het gezond verstand en de godsvrucht de leemten van het onderwijs volkomen kunnen aanvullen; terwijl er geen onderwijs in staat is, om in de plaats te staan van godsvrucht en gezond verstand.

Margaretha, evenals het grootste deel der dorpelingen van haren tijd, had den weerschok van de ongelukken der groote omwenteling gevoeld, daar de Fransche Republiek, waarvan Piemont deel maakte, bijna alle scholen had te niet gebracht door de stichtingen verbeurd te verklaren en de meesters te verdrijven.

Waren er marskramers, die vuile of goddelooze zaken bezaten, dan stonden zij beschaamd over hun schandelijk bedrijf, en meer dan één verbrandde ze uit eigen beweging om aan de weduwe pleizier te doen. Het is waar, dat deze soort van koopwaren bij hen minder algemeen was dan heden en dat zij ze slechts in kleine hoeveelheid bij zich hadden en nog verborgen in het overige van hun goed.

Dikwijls gebeurde het ook, dat vrouw Margaretha roovers herbergde. Hoe kon zij ze wegjagen? Dat ging zoo gemakkelijk niet. En dan, waren dat geene menschen, geene ongelukkigen, geene arme verdwaalden, die zij misschien tot betere gedachten zou kunnen brengen ? Werkelijk liet ze er meer dan één getroffen en half bekeerd heengaan. Wij weten niet of die bekeeringen aanhielden.

ocr page 31

Zelfs gebeurde het, dat zij gendarmen bij zich had, die van de roovers, welke zij zochten, slechts door eene eenvoudige schutting gescheiden waren. Zij verried ze niet, maar vermeed voortaan de heilige wetten der gastvrijheid op zoo een harde proef te stellen.

Met zulke schoone voorbeelden gedurig onder de oogen, kon het niet missen of de kleine Bosco's moesten dien schoonen ijver voor den dienst en de heiliging van den naaste liefkrijgen. De apostolische deugden ontwikkelden zich bij Johannes op eenen leeftijd, waarop men slechts denkt zich te vermaken. Hij speelde, maar het spel voor hem veranderde in apostelschap. In de winteravonden was. hij het, die eene preek van den pastoor las of opzeide voor hen, die niet ter kerke geweest waren. Men deed hem op eene tafel staan, om hem goed te zien en beter te hooren, en men had geene ooren genoeg om naar zijne predikingen, zijne geschiedenissen en zijne vertellingen te luisteren.

Toen hij wat grooter werd, was het iets anders. In de weiden boven de Hecchi's stond een pereboom, op korten afstand van eenen anderen boom. Johannes maakte eene koord aan beide vast, en op deze koord gaf hij zich aan lichaamsoefeningen over, waarin hij op eene niet alledaagsche wijze slaagde. Hij voltooide ze door behendigheidstoeren, die hij op de kermis gezien en goed bestudeerd had. Met deze voorbereiding maakte hij zich goochelaar en hansworst, wel te verstaan, zonder bij zijne moeder weg te gaan.

ocr page 32

— 21 —

Zijne makkers maakten eenen kring rondom hem in gezelschap van hunne ouders, want op allen leeftijd zijn er nieuwsgierigen. De gespannen koord en eene tafel met een groot tapijt bedekt trokken zeer de aandacht. De kleine Bosco met eene roede in de ééne hand, bekers in de andere, een breeden toovenaarshoed op het hoofd, kondigde wonderen aan ; dan alvorens de zitting te openen, begon hij een tientje van het rozenhoedje of een godvruchtig liedje, terwijl hij de toeschouwers uitnoodigde te antwoorden. De meesten volbrachten dit gewillig, velen zelfs met ijver; doch daar waren er altijd, die ongeduldig werden en deze inleiding meer dan nutteloos verklaarden. ,,\Vij zullen terugkomen, als de „onzevadersquot; gedaan zullen zijn, mompelden zij, terwijl zij juist deden, alsof zij weg wilden gaan. — Vertrekt maar, ik weerhoud u niet, riep hun de kleine inrichter van dit schouwspel toe; maar herinnert u, dat gij niet meer zult binnenkomen, als gij eenmaal buiten zijt.quot;

En met een gezagvol voorkomen toonde hij hun zijne broeders en andere vrienden, die belast waren het toezicht op de vergadering te houden en de uitvoering zijner hooge bevelen te volbrengen. Iedereen bleef.

Nadat het gebed of gezang geëindigd was, gaf zich de jonge koordedanser, die tevens goochelaar was, vrijen loop. Heen en weer gaan en dansen op de stijve koord, gevaarlijke sprongen doen, zich met de voeten aan den pereboom hangen en er zoo van afkomen, op de handen gaan met de beenen in de

DOM r.OSCO, 2

ocr page 33

— 22 —

lucht, waren toeren van buigzaamheid en kracht, die hem niets schenen te kosten. Een breeden voorschoot aandoen, en recht op eene tafel staande, muskaatnoten van den eenen beker in den anderen doen vliegen, eieren vermenigvuldigen, linten uitwerpen, hazelnoten uit de neus der aanschouwers trekken, hunne horlogies wegmoffelen en ze in den zak terugvinden van eenen medehelper, die natuurlijk verwonderd opzag en luide zijne onschuld bevestigde , dat alles deed het vermaak en de bewondering ten top stijgen. De toeschouwers konden hunne oogen niet gelooven; ofschoon de kleine Bosco de bekwaamheid niet bezat van zijnen naamgenoot, zwoer men toch dat hij toovenaar moest zijn. „In alle geval ben ik niet in aanraking met den duivel, wedervoer de toerspeler, en tot bewijs , eindigen wij zooals wij begonnen hebben, met het gebed.quot;

Vrouw Margaretha was de laatste niet om verbaasd te staan. Maar als eene voorzichtige en christelijke moeder, die weet, dat de grondslag van alle deugden de nederigheid is, onthield zij zich van haren zoon te ,vieren of hem in zijn bijzijn te prijzen , en liet zelfs geene gelegenheid voorbijgaan om hem aan te manen, van op zijne hoede te zijn tegen de min of meer baatzuchtige plichtplegingen, waaraan de wereld zoo kwistig is en verdubbelde zij hare bijzondere gebeden voor hem, gebeden vol hoop maar ook vol angst.

Eens dat Johannes eene zitting gaf onder den pereboom, en dat een groot getal personen met

ocr page 34

— 23 —

open mond hem toejuichten, bezag hem ook zijne moeder, die zich op zijde had gezet. Eene buurvrouw kwam binnen en haar naderende zeide zij: „Welnu, Margaretha ?quot; Margaretha, als uit eene diepe verstrooidheid ontwakende, hechtte hare blikken op die van hare aanspreekster en antwoordde haar met

vuur: „Mijn zoon, mijn zoon Johannes.....wat

meent gij, dat mijn zoon zal worden (i)?quot;

(i) Lemoyne, Margherita Bosco p. 81.

ocr page 35

5Ï

TWEEDE HOOFDSTUK.

DOM BOSCO TREEDT IN DE H. ORDEN.

e twee zonen van Margaretha, Jozef en Johannes, geleken elkander weinig.

Jozef, zachtmoedig en vreedzaam, had nooit aan een anderen stand gedacht dan aan dien van zijnen vader, en aan een ander leven, dan aan dat van het land. Johannes, integendeel, veel meer ondernemend, weetgierig, oplettend, navorschend, met een onmetelijk geheugen begiftigd, verslond, zoodra hij een weinig lezen kon, de boeken die hem onder de handen vielen en bleef gaarne langer in de stad, om nieuws te zien en te hooren. Het was gemakkelijk uit dezen aanleg te besluiten, dat hij voor eene meer bedrijvige en minder nederige loopbaan, dan die van zijnen broeder, geboren was.

Op eenen morgen aan het ontbijt, vertelde hij eenen droom, dien hij den vorigen nacht gehad had. „Ik was op eenen kleinen heuvel, zeide hij, en ik 7ag uit een nabijgelegen bosch eene menigte wilde dieren komen, die mij den grootsten schrik inboezemden; zij sprongen, knarsetandden, en verscheurden elkander. Eene geheimzinnige stem riep mij toe

ocr page 36

ze te weiden. Dadelijk nam ik eenen herderstaf, ik liét hem hun zien, zij zijn mij gevolgd en o wonder! ik had slechts eene kudde vreedzame schapen bij mij.quot;

De uitleggingen van het gezin over dien droom waren talrijk en verscheiden. Wat beteekende hij?

„Waarschijnlijk niets, merkte de moeder op; want het spreekwoord zegt: alle droom is bedrog.

— Pas op, riep Antonius, de oudste uit, die maar alleen broeder der twee andere was door hun gemeenschappelijken vader, en die acht of negen jaar ouder was dan zij, pas op van geen roover-hoofdman te worden!

— Waarom zoover zoeken? merkte Jozef bedaard op, gij zult eenvoudig eene kudde varkens moeten hoeden, of eene kudde schapen of alle twee, de eene na de andere: daar is niets verschrikkelijks of vreeselijks aan.

— Als er maar vooruitgang is, hernam Johannes met zijnen zoeten glimlach, als er maar vooruitgang is, en mijne varkens of wilde dieren maar in schapen veranderen, en niet mijne schapen in wilde dieren ! Doch ik heb vertrouwen (i).

(l) Dom Bosco heeft zich nooit klaar over dezen droom uitgedrukt, tenzij op het einde van zijn leven te Barcelona, waar hij verhaalde , dat de geheimzinnige stem die van de Moeder Gods-was, welke in herderin gekleed, hem den herderstaf had gegeven, en hem had aangekondigd, dat hetgeen hij zag, eens werkelijk zou voorvallen en dat hij dieren zou temmen; zij had hem zelfs gezegd, op wat wijze dit alles zou gebeuren. Dom Rua, aan wien hij dit mededeelde, maakte hem eene gewetenszaak van het stil-zwijgen , dat hij zoolang gehouden had en verkreeg, dat hij dit zou breken tot eer en roem der hemelsche herderin.

In dezelfde stad Barcelona, zeide Dom Bosco aan twee Fran-

ocr page 37

— 26 —

— Wees bereid, om alles te doen, wat de goede God van u verlangt, voegde de moeder als besluit er bij, en houd u wel stil; als het uur gekomen is, zal zijn wil zich openbarenquot;.

Maar bij haar zelve zeide zij: „Wie weet, of hij niet eenmaal priester zal worden?quot; En die gedachte, welke terzelfder tijd voor haar eene vreugde en.eene belooning was, verliet haar niet meer.

Het uur der openbaring van den wil Gods, waarvan zij gesproken had, moest zich niet lang meer laten wachten: ziehier in welke omstandigheden het zich aankondigde.

In Piemont zoowel als in Frankrijk verwekte God op dit tijdstip, een klein leger ijverige en welsprekende mannen, die zich het land verdeelden en het in alle richtingen doorliepen, om het voor den godsdienst te heroveren. In alle steden en bijna in alle dorpen, die een weinig belangrijk waren, hadden missiën plaats. De fijne heerkens hielden er den gek mede, de geheime genootschappen schreeuwden hard er tegen, zekere kortzichtige staatkundigen vreesden of veinsden den terugkeer te vreezen, naar den ouden leefregel, zooals men dat noemde; maar de moedige veldtocht tegen de godsdienstige on-

sche geestelijken (M. Griffon Stichter, en M. Rampon Bestierder van het landelijk weeshuis Sint-Isidorus, bij Bourg en Bresse): ,,Reeds van den ouderdom van tien of elf jaar, was ik besloten mij aan de weezen toe te wijden.quot; Deze woorden troffen hen zeer; een dergelijk ontwerp bij een eenvoudig kind des lands in zoo jeugdigen ouderdom, zou onuitlegbaar zijn, zonder een buitengewoon voorval zooals de verschijning, waarover wij zooeven spraken, en die het Leven van Margaretha Bos co, insgelijks doch met minder nauwgezetheid aanhaalt.

ocr page 38

verschilligheid en tegen de goddeloosheid ondernomen, werd niet tegengehouden. Zijne overwinningen waren wonderbaar; men zag er de hand der Voorzienigheid in. Hij knoopte de godsdienstige overleveringen der oude geslachten, die gereed stonden om te verdwijnen, aan die der nieuwe, aan welke de toekomst toebehoorde; hij herstelde grootendeels de zedelijke rampen, die de Fransche omwenteling en eene tien- of twaalfjarige onderbreking van den uiterlijken eeredienst en van alle openbaar godsdienstig onderwijs, veroorzaakt hadden; kortom, hij verlengde, misschien eene eeuw, van de twee kanten der Alpen en van den Rijn, het leven der christelijke beschaving, indien het waar is, dat deze beschaving moet bezwijken in den strijd, die zij te voeren heeft tegen de zoogezegde wijsbegeerte der vorige eeuw, dien strijd, waarvan onze kleinkinderen waarschijnlijk het einde niet zullen zien.

Kéne dezer missiën werd in April 1826 te But-tigliera gehouden. De vermaardheid van hen, die ze preekten, of zeggen wij beter, de aantrekkelijkheid der goddelijke genade en de bijzondere zegening, die het den hemel behaagde hun te schenken, lokten eene groote menigte toehoorders. Daar kwamen er van alle naburige gemeenten; 's avonds ging men bedaard naar huis terug, en onderhield zich over hetgeen men gehoord had.

Onder hen, die naar Murialdo wederkeerden, was de dienstdoende geestelijke van dit dorp, een goede grijsaard, Dom Calosso de Chieri genaamd, die niet geaarzeld had dien langen weg af te leg-

ocr page 39

gen, om het goede voorbeeld te geven en ook tot zijne persoonlijke stichting. Hij bemerkte eenen jongen knaap van middelmatige gestalte met gekruld haar, die zeer kalm en als in diepe overdenking verzonken, voortstapte. Hij riep hem naast zich en ondervroeg hem :

„Van welk gehucht, zijt gij ?

— Ik ben van de Becchi's, ik heet Johannes Bosco.

— En gij hebt ook zoo even de missionarissen gehoord? Indien gij thuis gebleven waart, zou uwe moeder u eene preek gehouden hebben, die beter onder uw bereik zou geweest zijn.

—■ Het is waar, mijne moeder houdt somtijds uitmuntende preeken, maar daarom zijn die der priesters toch niet van belang ontbloot.

— Gij spreekt, alsof gij ze verstondt; laat eens zien, wat hebt gij onthouden, van dat sermoon van heden? Als gij vier zinnen er van kunt herhalen, geef ik u vier cent.

— Ik ga het beproeven, mijnheer.quot;

En het kind begon het sermoon te ontwikkelen, dat handelde over het gevaar van zijne bekeering uit te stellen. Hij herhaalde achtereenvolgens de inleiding, de drie punten en het besluit, alles bijna woordelijk. De oude priester was verrukt en vroeg hem, waar hij al gekomen was met zijne studiën van spraakleer.

„De spraakleer? Ik ken ze slechts bij name; mijn oudere broeder Antonius wil niet, dat ik ze leere.

— En waarom dat ?

ocr page 40

1

— 29 —

— Hij zegt, dat dit verloren tijd is voor eenen landbouwer.

— En wat denkt gij daarover?

— Ik, indien ik kon studeeren, dat zou ik niet genoegen doen.

— Uw broeder heeft misschien gelijk, indien gij in het dorp moet blijven; een landbouwer, wiens verbeelding niet buiten de grenzen van zijn land dwaalt, is meer waard dan een ontevreden, hoogmoedig, gevallen landbouwer; de dorpelingen, die geen volledige studiën gedaan hebben, en die het begrip niet hebben, van hetgeen hun te kort schiet, zijn dikwijls de bitterste vijanden der maatschappij. Wie zal ons van de halfgeleerden verlossen ! Ook beware mij de hemel er éénen meer te maken!quot;

Johannes luisterde met verdriet naar die weinig aanmoedigende verklaringen.

„Dus, hernam hij, gij denkt zooals mijn oudere broeder, mijnheer pastoor?

— Dat zeg ik niet, mijn vriend, indien de hemel u eene bijzondere roeping had geschonken, ben ik zeker, dat uwe familie u daar niet zou van af houden.

Zeg mij eens, hebt gij al ooit gedacht aan het priesterschap ?

•— Ik heb eene gedachte, bevestigde Johannes; het is deze: indien ik genoeg onderrichting bezat, zou ik ze wel willen toewijden aan zoovele arme verlatene kinderen, die niet slecht zijn, maar die het worden, omdat niemand voor hen zorg draagt.quot;

ocr page 41

— 30 —

Deze laatste woorden en de besloten toon, waarvan zij doordrongen waren, troffen Dom Calosso zeer. Op de plaats van d en weg, waar zij van elkander scheiden moesten, ried hij Johannes aan van hem met zijne moeder, den volgenden Zondag, na de vesper te komen bezoeken.

Zoodra hij de weduwe Bosco op den bepaalden dag bemerkte, zeide hij haar: „Weet gij, dat gij eenen zoon hebt, met een wonderbaar geheugen? Gij moet hem laten studeeren.quot;

Men kwam overeen, dat hij zelf er zich mede zou belasten, zoodra de grove arbeid op het veld aan het kind een weinig vrijen tijd overliet.

De lessen begonnen in het midden van September 1826. Johannes legde zich met ijver er op toe. Ongelukkig waren zij niet van langen duur. Dom Calosso stierf plotseling in 1828. Na zijne les genomen te hebben, keerde Johannes bedaard naar de Becchi's terug, toen een persoon, die hem achterna gestuurd was, hem al loopende inhaalde en hem zeide, dat zijn meester plotseling ziek was gevallen en zijne hulp inriep. Hij liep er niet naartoe, hij vloog er heen. De oude pastoor was reeds zonder spraak en bijna buiten kennis; hij had eene beroerte. Hij deed eenige onverstaanbare teekenen aan zijnen leerling, dat was alles. Na twee dagen van doodstrijd, gaf hij den geest in de armen van den troosteloozen Johannes.

De dood van Dom Calosso vernietigde alle wenschen van den kleinen student en alle plannen door zijne moeder geliefkoosd. Antonius Bosco deed

ocr page 42

dit voorval voor een zichtbaar teeken van den god-delijken Wil doorgaan en hernieuwde zijn verzet. Johannes durfde zijne boeken niet meer opendoen tenzij in het geheim, en waarom zou hij ze opendoen? Daar was niemand meer, om hem uit te leggen , wat hij niet verstond.

Toch kon hij niet besluiten er van te scheiden. Toen Antonius deze hardnekkigheid bemerkte, klaagde hij er over aan de moeder; maar deze trok partij voor Johannes. „Zijn wij in staat om eenen nieuwen leeraar te vormen? hield hij aan; voordat Johannes aan het einde zijner studiën komt, zijn er jaren verloopen : en hoeveel geld kost dat? Wilt gij ons allen op straat zetten voor de verwezenlijking van eene onzinnige heerschzucht?

— De goddelijke Voorzienigheid zal ons ter hulp komen, verklaarde de moeder; Johannes is niet gemaakt voor hak of ploeg.quot;

Als Antonius die onzinnige heerschzucht, zooals hij het noemde, niet kon overwinnen, sprak hij van zijn aandeel van het hunne te scheiden en vorderde hij zijn deel in de nalatenschap zijns vaders. De moeder stemde er in toe; zij kon er zich overigens niet tegen verzetten. Antonius was één en twintig jaren oud. Deze bleef dan alleen in hetquot; huis, waar zijne broeders geboren waren. Jozef en Johannes betrokken een ander meer eenvoudig huis, waar hunne moeder met hen leefde van den leeftocht hunner deelen en van hetgeen haar als echtgenoote toekwam. De jonge student kon zonder verdere hindernis, naar het Latijn terugkeeren.

ocr page 43

— 32 —

Hij volgde vijf of zes jaar de openbare scholen van Chauteauneuf (Castelnuovo d' Asti) en van Chieri; wij zullen later zien, met welk gevolg, als wij zijne talrijke werken op te noemen hebben. Wetenschappen, letteren, kunstbegrip, alles maakte hij zich eigen met een opvallend gemak; maar aan geschiedenis, gewijde welsprekendheid en Schriftuur gaf hij de voorkeur; nooit verloor hij het doel uit het oog, dat hij zich voorstelde, en dat niet de voldoening was van eene ijdele nieuwsgierigheid, nog minder het verwerven van eene menschelijke vermaardheid; hij wilde nuttig zijn, zielen winnen voor de waarheid en de deugd. Heel zijn streven neigde naar dit verheven doelwit, dat waarlijk alléén de pogingen van eenen christen waardig is.

Te Chieri, verbleef hij bij een gezin, aan hetwelk zijne moeder hem had toevertrouwd mits een klein kostgeld. Van daar volgde hij de klassen van het college. Op dit tijdstip dacht hij in eene geestelijke orde te treden. Hij deelde dit plan of liever dit verlangen aan den pastoor der parochie mede er bijvoegende, dat hij de Franciskaner orde gekozen had. De pastoor waarschuwde de weduwe Bosco.

Dadelijk begaf deze zich naar Chieri en bood zich bij haren zoon aan, zooals altijd met den glimlach op het gelaat.

„Mijnheer pastoor heeft mij gezegd, dat gij u voorstelt naar het klooster te gaan; is het waar?

— Ja moeder, en ik geloof, dat gij er u niet zult tegen verzetten.

— Zeker niet; ik zal er mij niet tegen verzet-

ocr page 44

— 33 —

ten; ik heb het recht niet er mij tegen te verzetten. Mijnheer pastoor heeft mij gezegd dat ik het u kon afraden, wijl ik uwe hulp later misschien noodig zal hebben; maar ik wil niet, dat gij uwen geest zoo sterk met mij bezig houdt. Denk maar alleen aan het heil uwer ziel en tracht zooveel goed mogelijk te doen. Ik ben in eenen stand geboren, die nader grenst aan gebrek dan aan rijkdom; ik heb in armoede geleefd, en als het moet, zal ik er in sterven. Meent gij dat het uit hoogmoed is of uit baatzuchtige berekening, dat ik wenschte, dat de Heer één mijner kinderen voor het priesterschap gewaardigde uit te kiezen? Neen; indien gij rijk werdt, wat onmogelijk is, indien gij tot hooge geestelijke waardigheden opklomt, dunkt mij, dat ik nooit bij u den voet zou durven zetten, uit vrees van het deel der armen te verminderen.

Dit zijn mijne gevoelens; de uwe moeten er aan beantwoorden. Dat de keuze van eenen staat eene vraag zij tusschen God en u , maar dat mijne volstrekte belangeloosheid in deze omstandigheid geene oorzaak zij , om u te ontslaan van na te denken en te raadplegen. Mijnheer pastoor heeft mij ook gezegd, dat er weinig wereldlijke priesters zijn, die niet op een gegeven oogenblik gedacht hebben kloosterling te worden — juist zooals er vele godvruchtige jonge dochters zijn — ik weet het door ondervinding — die in hare verbeelding droomden van klooster en kloosterleven. Ga niet onachtzaam te werk, bid veel, en nog eens, vraag raad: ziedaar alles, wat ik u te zeggen had.quot;

ocr page 45

De jongeling omhelsde zijne moeder, terwijl hij God innerlijk bedankte hem van zijne kindsheid af, onder de hoede van eere zoo volmaakte vrouw geplaatst te hebben. Hij beloofde de zaken niet te overhaasten en raad te vragen aan Dom Cassasso, Bestierder en Leeraar van Zedelijke Godsgeleerdheid aan het Instituut van den Heiligen Franciscus van Sales, te Turijn.

„Gij kunt u tot geen beteren raadsman wenden, zeide de moeder, ik zal tevreden leven.quot;

Nadat Dom Cassasso de schoone ziel des jon-gelings, die zich aan hem opende, eenigen tijd bestudeerd had, raadde hij hem zijn voornemen af.

„Ga naar het Seminarie, zeide hij hem, voleindig stil uwe studiën; ik geloof niet, dat gij tot een ander leven geroepen zijt, dan tot dat der goede parochiepriesters.quot;

Johannnes gehoorzaamde met liefde. Toen de moeder dit nieuw en beslissend besluit vernam, toonde zij zich insgelijks voldaan, wijl haar eenig verlangen was Gods wil te vervullen.

Johannes Bosco deed het geestelijk gewaad voor den eersten keer aan, den dag van den Heiligen Michaël, den 29sten September 1835. Hij ontving het uit de handen van Michaël Antonius Cinzano, Kapelaan van Chateauneuf d' Asti, en den 3osten October trad hij in het Groot Seminarie te Turijn.

Van de zes jaren, die hij daar doorbracht, weet men niets, dan dat hij een der beste leerlingen was, welke dat gesticht ooit gevormd heeft. — Had hij met ijver de ongewijde letteren bestudeerd, grooter

ocr page 46

nog was zijn toeleg op de wijsbegeerte en de godsgeleerdheid, wetenschappen, die hem onmiddelijk voorbereidden tot de apostolische zending, naar welke hij zuchtte.

Eindelijk brak de plechtige dag aan, die zooveel pogingen moest bekronen. Johannes Bosco werd priester gewijd Zaterdag voor Drievuldigheidsdaggen 5dequot; Juni 1841. Wij zien er van afzijn geluk te malen en dat zijner moeder, welke dien dag rijkelijk beloond werd voor al hare ontberingen en al hare moeiten.

Des anderendaags beklom hij voor den eersten keer het autaar in de kerk van den H. Franciscus van Assisië, bijgestaan door Dom Cassasso. Men had hem aangezet zich bij deze gelegenheid naar zijn geboorteland te begeven, waar men sinds lang geene eerste mis meer gezien had. Maar hij verkoos ze te vieren zonder gerucht, in eene groote stad, juist omdat hij er bijna onbekend was. 's Maandags daarna , las hij mis in de kerk Delia Conso-lata, om de Heilige Maagd te bedanken voor de onnoemelijke gunsten, die zij voor hem verkregen had, en om zich onder hare bescherming te stellen.

Op Heilig-Sacramentsdag toonde hij zich eindelijk te Chateauneuf, zong er de hoogmis en droeg het Allerheiligste in den ommegang, die volgens gewoonte dien dag plaats had. 's Avonds noodigde de pastoor hem met zijne moeder, broeders en de voornaamste inwoners op het middagmaal. Iedereen nam deel aan de vreugde van de familie Bosco, die algemeen bemind werd.

ocr page 47

— .10 —

Maar toen Johannes als priester in de Becchi's binnenkwam, en hij de kamer terugvond waar hij, omtrent tien jaar oud, den droom der wilde dieren en der schapen gehad had, kon hij niet nalaten tranen te storten en te zeggen; „O! hoe wonderlijk zijn de besluiten der Voorzienigheid! God heeft werkelijk een arm kind van den grond opgeraapt, om het te plaatsen bij de hoofden van zijn volk. Nu blijft mij over, aan zijnen wil te beantwoorden door menschelijke dieren te temmen, want mij dunkt, dat Hij mij daartoe roept. Ik ben bereid. Heer, ik behoor u heel toe; doe met mij, wat u zal believen.quot;

Zijne moeder kwam hem een oogenblik vinden, om zich alleen met hem te onderhouden. „Nu zijt gij priester mijn dierbare zoon, nu zijt gij kort bij den Heer; maar, mijn kind, het begin van het apostelschap is het begin van het lijden. Dat zal morgen misschien nog niet zijn, maar toch weldra; uwe moeder vraagt voor u geene rust, maar wel moed.quot;

Welke verhevene wijsbegeerte ligt in deze woorden van eene eenvoudige boerin en wat sprak zij waarheid!

Johannes Bosco was toen in zijn vijf en twintigste jaar, en ging weldra zijn zes en twintigste beginnen.

ocr page 48

DERDE HOOFDSTUK.

EERSTE BEGINSELEN VAN HET WERK DER SALESIl'RS. DE WEDERWAARDIGHEDEN VAN EENEX STICHTER.

ij hebben reeds den naam van het Instituut van den Heiligen Franciscus van Assisië ontmoet, toen wij spraken over zijnen bestierder, Dom Cafifasso, den vriend en geestelijken leider van Dom Kosco. Dit Instituut was eene soort normaalschool of eene hoogeschool voor de jonge priesters van het bisdom Turijn. Men oefende er zich in het prediken, en men gaf er praktische voordrachten over de zedeleer als aanvulsel der godgeleerdheid en als onmiddelijke voorbereiding tot de heilige bedieningen.

Dom Bosco werd er natuurlijk toe getrokken door Dom Caffasso. In plaats van eene min of meer verwijderde plaats, die men hem aanbood, te aanvaarden, verkoos hij, zich aan de werken te hechten van den uitstekenden man, die al zijn vertrouwen bezat. Hij volgde hem in het bezoeken der gevangenissen en wat hij daar vooreerst zag, was als eene openbaring voor hem.

Het getal der opgeslotenen, hunne zedelijke ellende, en vooral de nog jeugdige leeftijd van

Dom liosco. 3

ocr page 49

— 38 —

velen, verwekte zijne verwondering en zijn medelijden. Hoe worden zoo vele jongelieden door de strengheid van het gerecht getroffen bijna voordat zij weten, wat eene wet is ? Zonder twijfel is de maatschappij verplicht zich te verdedigen door ze buiten staat te stellen van te benadeelen; maar indien zij nadeel toebrachten, was het dan wel hunne fout; zij, arme veriatenen, die niet wisten, wat hunne verkeerde neigingen kon beteugelen of op de rechte baan brengen? De gevangenis zond ze onverbeterd weg, en dikwijls slechter dan bij hunne aankomst en men toefde niet lang ze wederom te vatten, wederom aan de samenleving terug te geven en ze nog eens te grijpen; een noodlottige kring van een schadelijk en ongelukkig bestaan, dat niets kon breken, tenzij de dood, en somtijds de dood op het schavot. Dat verschrikkelijk vraagstuk maakte zich heel en gansch van den jongen priester meester. Hij dacht er den heelen dag aan, hij droomde er 's nachts van. Theoretisch was de oplossing duidelijk genoeg; om die kinderen te beletten den weg naar de gevangenis te nemen, moest hij ze doen gaan door de school en bijzonder door de kerk; het zou genoeg geweest zijn, hun de zedeleer uit te leggen, hun de vreeze Gods in te boezemen, kortom hun den smaak en de gewoonte van den arbeid te geven. Maar hoe er toe geraken, daar het juist kinderen waren, die geene familie of die alleen onverschillige of ondeugende ouders bezaten ?

Zoo tot de praktijk gebracht, verwikkelde zich het vraagstuk dermate, dat het onoplosbaar scheen.

ocr page 50

— no —

Het was te midden dezer bedroevende bekommernissen, dat onze held uit een klein voorval eenen onverwachten spoorslag ontving, die hem dwong zich aan het werk te stellen, in plaats van te beraadslagen , en, evenals de wijsgeer der oudheid, de mogelijkheid van de beweging, te bewijzen met voort te gaan.

Den 8sten December 1841 maakte hij zich in de sacristij van den H. Franciscus van Assisië gereed, om de mis te lezen, en deed hij zijn priesterlijk misgewaad aan toen hij een geschil hoorde, dat hem het hoofd deed omwenden. De koster berispte een onbekend kind , dat in deze plaats scheen verdwaald geloopen en weigerde de mis te dienen. „Ik kan niet, zei het kind. — Hoe! gij kunt niet? Wat komt gij dan hier doen? Ga weg, ik houd niet van bedelaars.quot; En hij stiet hem buiten, terwijl hij hem bij de schouders greep en zijne gezegden met eenige oorvegen bekrachtigde, om zijn vertrek te verhaasten.

„Waarom mishandelt gij hem ? zeide Johannes Bosco; gij hebt hem zelfs den tijd niet gegund om te verklaren, wat hij wilde. Roep hem terug, ik zal hem spreken, ik wil hem spreken.quot;

De koster, een weinig beschaamd, liep het kind achterna en haalde hem terug. Dom Bosco stelde hem gerust, streelde hem, en verzocht hem na de mis te wachten, en toen zij uit was, had hij een onderhoud met hem, dat hij zelf meermalen verteld heeft:

„Hoe heet gij, mijn jonge vriend?

ocr page 51

— Mijn naam is Barthelomeüs Garelli.

— Van waar zijt gij?

— Ik ben van Asti.

— Hebt gij ouders?

— Neen, mijn vader is dood.

— En uwe moeder?

— Ook dood.

— Hoe oud zijt gij?

— Vijftien jaar.

— Kunt gij lezen en schrijven?

— • Ik kan niets.

— Kent gij uwe gebeden?

-— Ik heb u gezegd, dat ik niets kan.

— Hoe! gij hebt uwe eerste Communie niet gedaan? Waarom gaat gij niet naar den Catechismus? iedereen wordt er in aangenomen......

— Dat is mogelijk, maar ik ben nu te groot; mijne makkers, die kleiner zijn en geleerder, zouden met mij lachen.

— En indien ik u den Catechismus leerde, alleen, hier zelfs, zoudt gij komen?

— Ja, met veel genoegen....... mits men mij

geene oorvegen geve ....

— O! wees gerust, niemand zal u mishandelen; gij zult mijn vriend zijn en slechts alleen met mij te doen hebben. Wanneer wilt gij beginnen?

— Wanneer het u zal believen.

— Misschien dezen avond?

— Dezen avond wil ik wel.

— En waarom niet dadelijk?

— Welnu dan, dadelijk.quot;

ocr page 52

De jonge priester was getroffen door deze buigzaamheid. Hij deed Garelii naast zich zitten en leerde hem, om te beginnen, het kruisteeken en de kennis van eenen God, Schepper van alle dingen.

Toen hij na een half uur zag, dat zijn leerling vermoeid was van het opletten, waaraan hij in zijn zwervend leven niet gewoon was, zond hij hem heen met de aanbeveling van goed terug te komen.

Garelii, voor wien zooveel goedheid geheel en al nieuw was, wachtte zich wel van aan de bijeenkomst te ontbreken. Niet alleen kwam hij terug, maar hij bracht ook zijne makkers mede. Minder dan twee maanden nadien, den 2den Februari 1842, telde de sacristij twintig leerlingen.

Zulk was het bescheiden begin van het Oratorium of Bedehuis, van den H. Franciscus van Sales. Dom Bosco koos deze benaming van bedehuis, omdat hij zijne lessen altijd begon en eindigde met het gebed, en hij zette het onder de bescherming van den H. Franciscus van Sales, om wel aan te toonen, dat de zachtmoedigheid, waardoor deze groote heilige uitblonk, de eerste plaats bekleedt in alles, wat men van plan is voor de jeugd te doen.

Na zijne kinderen in den catechismus onderwezen te hebben, hield zich Dom Bosco nog den heelen dag met hen bezig. Hij bezocht ze bij hunne ouders of meesters, bezorgde hun werk, verschafte hun plaatsen, en voortgaande wierf hij nieuwe hoorders bij; hij vond er in de vuile kamertjes, in de stegen en tot in de grachten der voorsteden. Des Zondags leidde hij ze zelf naar de diensten en liet ze spelen onder

ocr page 53

zijne oogen op eenige openbare plaats der stad. Zoo gingen twee jaar voorbij, gedurende welke hij nooit opgehouden had de lessen van het Instituut van den H. Franciscus van Assisië te volgen.

Maar het einde dezer lessen brak aan, en Dom Caffasso, zijn bestierder, verwittigde hem dat de geestelijke overheid hem meende eenen post toe te vertrouwen: „Welken post? vroeg de geloofsonder-wijzer der landloopers; heb ik er geenen, die duidelijk aangetoond is en voldoende om eenen mensch werk te geven? Indien ik mij van mijne arme kinderen verwijder, wie zal er dan zorg voor dragen?quot; Dom Caffasso voelde de volmaakte juistheid van deze opmerking. Hij vroeg en ontving voor zijnen jongen vriend eene plaats als almoezenier in een weldadigheidsgesticht of verbeteringshuis, opgericht door de markiezin van Barolo, en waarvan de priester Borelli bestierder was.

Deze Borelli of Borel, want hij was, van Fran-schen oorsprong, werd volgens Italiaansche gewoonte, gemeenlijk „de Godgeleerde Borelliquot; genoemd, omdat hij doctor in de Godgeleerdheid was. Zonder veel moeite trad hij de plannen bij van Dom Bosco en werd weldra een zijner boezemvrienden en zijner beste helpers.

Te zamen en met de toestemming van de markiezin van Barolo, beschikten zij in het verbeteringshuis, over twee geheel onafhankelijke, groote kamers, waarvan ééne in kapel werd veranderd. Het Bedehuis vereenigde er zich voor den eersten keer den S8'611 December 1844. Terwijl er Dom Bosco

ocr page 54

— 43 —

de communie aan de meesten zijner kinderen gaf, stortte hij tranen van geluk. Zijn werk ging vooruit.

Het ging zelfs te veel vooruit. De markiezin van Barolo verschrok voor het gerucht in haar goed, waarop men hare aandacht trok en over de moeie-lijkheden, die de late vergaderingen, door Dom Hosco en den godgeleerde Borelli onder den naam van avondschool ingesteld, konden veroorzaken. In Juli 1845, noodigde zij hen uit hun gedruisch elders te verplaatsen.

De twee vrienden waren als aan den grond genageld. „Maar waar zullen wij gaan ? riepen zij uit. Gaat, waar het u goed zal schijnen, wedervoer de markiezin, ik heb mijn heel huis noodig.quot;

Zij namen vooreerst hunne toevlucht tot God. In zijne tegenwoordigheid neergeknield begrepen zij, dat alle stichtingen, die Hij zegent, met het merk der beproeving geteekend zijn en dat de echte weg, de koninklijke weg, die naar Hem leidt, altijd de weg van het Kruis zal zijn.

Zij wendden zich dan tot Mgr. Franzoni, Aartsbisschop van Turijn. Deze, die het werk reeds kende en hoogschatte, stelde aan het gemeentebestuur voor, aan Dom Bosco het gebruik af te staan vooreerst van de kerk van St. Maarten, en dadelijk daarna van die van St. Pieter in de Boeien, maar slechts voor zekere uren van den dag en onder zekere voorwaarden. Het gemeentebestuur liet zich winnen door het belang, dat hem de avondklassen inboezemden.

Het werk werd dus gevestigd in eene groote

ocr page 55

- 44 —

voorplaats en in het koor van de kerk St. Pieter. Borelli zeide vroolijk, terwijl hij hielp verhuizen: „Mijne kinderen, de kooien kunnen niet schoon en dik worden, als men ze niet herplant; het is dus voor uw goed, dat men u hier verdreven heeft, en het is misschien de laatste keer niet.quot;

Hij bedroog zich niet, en hij had deze voorzegging kunnen doen, zonder profeet te zijn. Met immers van lokaal te veranderen , waren de leerlingen van Dom Bosco niet van karakter veranderd. Het kon niet anders of drie honderd kinderen, bijna allen merkwaardig door tuchteloosheid, drie honderd kleine wilden, die speelden, bokkesprongen maakten, schreeuwden op de koer en op de groote plaats der kerk, moesten het uitzicht van dat kwartier op eene onaangename wijze veranderen. Reeds 's anderendaags klaagden er de buren over. De pastoor, een bejaard en bedaard man, die misschien een weinig te veel bezorgd was voor zijn gemak, was de laatste niet om een verzoekschrift tegen de rust-stoorders te ondersteunen; zijne meid ging zelfs zoo ver, dat zij hen durfde uitmaken voor de „bloem van het gepeupel; flori di canaglia;quot; en toen men haar had bericht, dat Dom Bosco niets anders gedaan had dan gelachen met dezen overvloed van schoone bijstellingen vreesde zij niet hem zelf te gaan uitschelden, en hem de vuist onder den neus te duwen in het midden van zijne catechismusles.

De overste van Turijn was toen de markies van Cavour, vader van den graaf Camillus van Cavour, den beroemden Staatsman, wiens invloed zoo nood-

ocr page 56

— 45 —

lottig op Napoleon III was, en van den markies Gustaaf van Cavour, Bestierder van het zeer katholiek dagblad de Armonia. Hij liet zich door het verzoekschrift overhalen, en trok de gegeven toestemming terug. De mannen van die wijk merkten bij deze gelegenheid iets op, dat hen hevig trof. De oude priester, die het verzoekschrift geteekend had, viel 's anderendaags door eene beroerte getroffen, en zijne meid volgde hem twee dagen daarna in het graf.

De kinderen, verjaagd uit hunne schuilplaats, die nauwelijks den naam van legerplaats verdiend had, stroomden terug naar het verblijf van den goeden vader. Maar het was onmogelijk zich daar te vereenigen; zij zouden het niet kunnen volhouden , zelfs niet recht staande of de eene tegen den anderen gedrongen. Dom Kosco had gauw middel gevonden. Hij zag in, dat vóór alles het werk moest gered en de verspreiding der kinderen voorkomen worden! ,,Mijne vrienden, riep hij hun toe, het dak van den goeden God blijft ons over, niemand zal er ons het genot van weigeren. Dus onze eerstvolgende vergadering zal in de open lucht plaats hebben. Ik weet noch niet waar, maar ik zal het u zeggen; weest zonder vrees, daar is plaats genoeg?quot; En gedurende twee maanden, ging het Bedehuis op goed geluk af, en verdiende den naam, welken hem zijne benijders gaven: „een opraapsel van landloopers.quot; 's Morgens, op Zon- en feestdagen, vereenigden zich de kinderen, van hunnen kleinen voorraad voorzien, aan de deur van Dom Bosco; maar geven wij hier het woord aan eenen hunner.

ocr page 57

— 46 —

„In de vorige bijeenkomst had de goede vader, alvorens te scheiden, ons aangekondigd waar wij den volgenden Zondag wandelen zouden gaan. Hij toonde ons den weg aan , stelde het programma op, bepaalde het uur der bijeenkomst, gaf zijne vermaningen over de houding in de verschillende plaatsen, en wenschte, dat wij zoo talrijk mogelijk zouden zijn: „Indien gij eenen makker hebt. voegde hij er bij, noodigt hem van mijnen kant uit. Hoe meer volk, des te vroolijker feest.quot;

De toekomende wandeling was voor ons, gedurende eene heele week, een onuitputbaar onderwerp van gesprekken, zoowel in het werkhuis als in ons huisgezin. Onze ouders maakten er eebruik van om meer oplettendheid, meer gehoorzaamheid, meer ijver voor onze plichten en meer stilte van ons te vorderen, opdat wij ons niet op den gewenschten dag, de kastijding van eene opsluiting zouden op den hals halen. De voornaamste wandelingen, die zorgvuldig afgewisseld werden, hadden plaats naar den Berg der Capucijnen, Onze - Lieve - Vrouw der Velden, Pozzo di Strada, de Superga, doch zelden, en naar Onze - Lieve - Vrouw der Meren van Avigliana. Met welk geluk ging men vooruit! Dagen als die prentten zich in ons geheugen en gaven bijna eene richting aan ons leven; de godsvrucht, die er de hoofdstof van was, evenals de volmaakte blijdschap, die zij ons altijd aanbrachten, vervulden onze ziel met, ik weet niet, wat zuivers en grootsquot; (i) In

f

(l) iiollettino salesiano, Mei 1887.

ocr page 58

eene kerk van den omtrek gekomen, vroeg Dom Bosco de toestemming om mis te lezen, wat men hem nooit weigerde, en op een teeken, werd de vroolijke en geraasmakende bende ingetogen en zoo behoorlijk stil, dat alle toeschouwers van verwondering verbaasd stonden.

Daarna deed hij zijnen catechismus, en dan nam men het ontbijt. Tafels of tafellakens waren niet noodig; een grasperk of de rotsen dienden daarvoor; men kon ook heel goed vorken missen; wat den wijn betreft, de bronnen en beken lieten zelfs niet toe, dat men er aan dacht. Zij, die te veel hadden , gaven aan hen , die niet genoeg hadden; de goede vader vond altijd iets voor hen, die in het geheel niets hadden; het brood ontbrak somtijds, de vroolijkheid nooit en de eetlust nog minder.

Na dien broederlijken maaltijd ging de wandeling verder; men zong ergens de vespers, want het wandelende Bedehuis bezat reeds een schoon zanggezelschap, men kreeg eene tweede catechismusles, men bad het rozenhoedje al gaande, en als de zon achter de sneeuwachtige bergen van het Westen verdween, kwam men de stad in, dood van vermoeienis maar het geweten licht en het hart tevreden.

De kinderen die niet verder zagen, dan hunne neus lang was, verbeeldden zich , dat dit altijd zou duren; maar wat goed was voor den herfst, werd onuitvoerbaar in den winter, en Dom Bosco deelde de zorgeloosheid niet van zijne kweekelingen. Na lang zoeken, kon hij drie groote kamers huren bij eenen zekeren Moretta, bijna tegenover de plaats,

ocr page 59

— AS —

waar heden de kerk van Onze - Lieve - Vrouw van Bijstand gelegen is. Drie kamers, dat was weinig. Niettemin bracht men er den winter door, zoogoed als men kon. De stoffelijke moeielijkheden, waren liet op dat oogenblik niet, die den stichter van het Bedehuis van den H. Franciscus van Sales, of, zooals men reeds zeide, van het werk der Salesiërs, het meeste verontrustten.

De kiesche vraag van het overeenbrengen van zijn vrij apostelschap met de bedieningen der parochie werd ten zijnen opzichte op het tapijt gebracht. Al wil men ook tot een gemeen doel geraken, daar de middelen om te handelen dezelfde niet zijn, en ieders onthechting aan zijnen eigen roem en zijne persoonlijke opvattingen nooit volkomen is, kan men nooit vermijden te kwetsen en jaloerschen of naijverigen te maken. De menschen doen het werk Gods, maar zij doen het als menschen, en tot in de geschiedenis der apostelen, tot zelfs in de Heilige Boeken, zien wij eenen H. Pau-lus en zijnen makker, den H. Barnabas, genoodzaakt van elkander te scheiden, omdat zij opgehouden hadden elkander te verstaan.

De pastoors van Turijn klaagden dus aan het aartsbisdom over de grillige handelwijze en den weinig voorzichtigen ijver van den jongen priester Johannes Bosco. Hij ontnam de kinderen aan den catechismus der parochie; hij hield ze terug van het bijwonen der geregelde diensten, kortom, indien iedereen deed zooals hij, zouden de kerken der stad weldra ledig zijn.

ocr page 60

— 49 —

De Aartsbisschop deed den betichten vernieuwer bij zich komen en deze had geene moeite om zijn antwoord te doen aanvaarden. De kinderen, met welke hij zich bezighield, waren bijna allen vreemden, Savooiers, Lombarden of Zwitsers. Wat die van Turijn betrof, voordat zij naar den catechismus van het Bedehuis kwamen, gingen zij naar geenen. Indien zij ophielden te komen bidden en zich te onderrichten in die vereeniging, welke als onregelmatig aanzien werd, zou het dan zijn om het getal der geloovigen in de parochie te vergrooten? Voorzeker neen.

Deze laatste aanmerking was afdoende. Mgr. Franzoni stelde den jongen priester gerust en bedaarde de pastoors, die overigens niet lang daarna inzagen, in hoeverre de voordeden van dit nieuwe werk verheven waren boven zijne hindernissen.

Maar Dom Bosco was niet aan het einde van zijn kommer. Terwijl de geestelijke overheid hem zulke kostbare aanmoedigingen gaf, zeide hem de eigenaar der drie kamers, Moretta, onverwachts zijne huur op, en was hét werk nog eens op de straat.

Wat doen en wat worden? Niemand stemde toe het woelzieke en dikwijls weinig zuivere gespuis te herbergen, dat niet alléén door de meid van den pastoor van Sint Picter in de Boeien de „bloem van het gepeupelquot; genoemd werd. Dom Bosco klopte te vergeefs aan alle deuren.

Als hij dan geen huis kon huren, huurde hij eene weide.

Het was in de lente van 1846. Hij vestigde zich

ocr page 61

— 50 —

in de open lucht in de wijk van Valdocco, op den grond van een zekeren Defilippi, in een oord, nu door eene gieterij bezet. Daar vreesde, hij noch zijne kinderen zich aan de nieuwsgierigen ten toon te stellen, van welke zij zelfs niet door eenen muur, maar eenvoudig door eene haag waren gescheiden.

En waarlijk, het was een schoon schouwspel, in staat om de blikken der engelen en der men-schen te verlustigen. Op Zon- en feestdagen, van het aanbreken van den dag af, zag men den goeden vader op eenen grasheuvel gezeten, zijne kinderen één voor één, naast zich nemen, eenen arm rond hunnen hals slaan, en ze eenige minuten aan zijne knieën weerhouden, terwijl hij hunne biecht hoorde. Zij, die zich voorbereidden, hielden zich onbewegelijk, in de stilte van eene diepe ingetogenheid, aan den eenen kant van den grasheuvel; zij. die hunne dankzegging deden, aan den anderen kant. Hunne makkers speelden al wachtende eenige passen verder, maar vermeden de luidruchtige spelen , die de boetelingen zouden gestoord hebben. Op een van te voren bepaald uur stond de biechtvader uit zijnen eenvoudigen biechtstoel op; eene gebroken trompet en eene oude ruw gelapte trom gaven het teeken van vertrek naar de kerk, waar de mis van gemeenschap moest gelezen worden. Men ging er naar toe op twee rijen, in eene zedige houding, die van den vooruitgang getuigde, welken deze jonge, eertijds ongetemde gemoederen in de regeltucht en de deugd hadden bewerkstelligd. Na de mis, ging iedereen ontbijten. Verder kwam men

ocr page 62

den dag doorbrengen of wel met loopen en zich te vermaken in deze dichterlijke weide van Val-docco of wel met eene gemeenzame onderrichting te hooren van den goeden vader of den Godgeleerde Borelli, die daarvoor op eene voetbank stonden.

Wie zou het geloofd hebben? Deze grove en kinderlijke instellling, vond evenmin als de andere genade in de oogen zijner eerroovers. De eigenaar der weide, Defilippi, werd gewaarschuwd. Hij verklaarde, dat hij eene weide verhuurd had en geene publieke plaats, en zeide hem de huur op binnen de acht dagen.

Andere nieuwe beproevingen voegden zich bij deze, om den armen Dom Kosco te verpletteren. De burgerlijke overheid is in alle landen achterdochtig. Het gemeentebestuur van Turijn maakte geene uitzondering; het meende in deze verzamelingen, die echter slechts bij klaren dage en in het volle daglicht plaats hadden, de kiem te zien van ik weet niet welk geheim genootschap , dat min of meer tegenwerkte. De oude markies van Cavour, overste van Turijn, berispte streng den oprichter:

„Wat beteekenen toch die troepen landloopers, vroeg hij hem, die gij in de straten na u sleept?

— Dat zijn mijne kinderen, antwoordde de arme jonge priester; ik heb ze aangenomen.

— Aangenomen! in dit geval wensch ik u geen geluk met uwe familie. Gij verliest uwen tijd, mijn lieve Heer, uw te goed hart bedriegt u. Waar wilt gij toe geraken?

ocr page 63

— 52 —

— Christenen vormen, Heer Markies, die kleine deugnieten, die anders de gevangenissen zullen gaan bevolken, in eerlijke burgers veranderen.

— Maar gij zoudt ernstige hulpmiddelen moeten hebben; hebt gij er?

— Ik wacht er van de Voorzienigheid en misschien van u zeiven. Heer Markies, wanneer gij het nut van mijn werk zult ingezien hebben.

— Gij zult lang wachten, wedervoer de overste al lachende. Voor het oogenblik verwittig ik u, dat ik aan het aartsbisdom zal gaan vragen om orde aan die zaken te stellen.

— De Aartsbisschop keurt mij goed, Mijnheer Markies.

— Hij zal u niet altijd goedkeuren; eerlang zal hij u verbieden voort te gaan.

— O! dan. Heer Markies, zal ik mij onderwerpen , maar eerder niet.quot; De oude edelman besloot uit dit onderhoud, dat de godvruchtige droomer in het hoofd geraakt was.

Hij was de eenige niet, in wiens geest een dusdanig vermoeden opkwam. Dom Borelli, tot dan zoo trouw aan het werk, liet zich door de ontmoediging winnen. „Laten wij ons niet verzetten tegen de klaarblijkelijkheid, zeide hij aan zijnen jongen vriend. Het Bedehuis heeft geene schuilplaats meer; gij zult wel doen van het te ontbinden. Wanneer wij later misschien eenige hulpmiddelen hebben verzameld en de vooroordeelen bedaard zullen zijn, zullen wij het kunnen hervatten.

— Neen, riep Dom Bosco met kracht uit, de

ocr page 64

tegenkantingen, die wij ontmoeten, zijn geen bewijs, dat de onderneming slecht of voorbarig is; het is eerder het tegenovergestelde. Kent gij een enkel nuttig, waarlijk christelijk werk, dat bij zijne opkomst niet bestreden werd? Gij spreekt van ons voor betere tijden voor te behouden, maar wat worden tot dan die lieve kinderen, welke ons gansch hun hart geschonken hebben ? Zij zullen wassen, en de slechte invloed, de ledigheid, de ellende zullen hen wederom bederven. En dit zal onze fout zijn, omdat wij ze verlaten hebben? Neen de goddelijke Barmhartigheid heeft ze mij toegezonden; ik zal er geen van loslaten, versta dat goed: ik heb vertrouwen. Men wil mij niets verhuren, ik zal bouwen. Waarmede weet ik niet, maar ik zal bouwen ; ik heb het on-wederlegbaar vertrouwen, wat zeg ik, de zekerheid, dat eens, met de hulp van God en de bescherming van zijne Heilige Moeder, al deze kinderen en met hen vele andere, een eigen huis zullen hebben, eigene werkhuizen, eene eigene kerk en eigene leeraars. Wat ben ik, zwak en onbeduidend schepsel, om daartoe te geraken ? . . . Maar ik zal er toe komen, lieve meester, wij zullen er toe komen, indien gij wel wilt voortgaan met mij uwe hulp te verkenen. Indien gij ze mij weigert, welnu, dan zal ik alleen voortgaanquot;.

Terwijl hij zoo sprak, hief hij de handen ten hemel en wierpen zijne oogen bliksemstralen. Dom Eorelli voor alle antwoord , vergenoegde zich hem te omhelzen met eene teederheid, waaraan zich zooveel medelijden als bewondering paarde. Hij ging heel bewogen henen.

DOM ÜOSCO. 4

ocr page 65

— 54 —

De Markiezin van Barolo, was veel snediger in hare beoordeelingen, toen Dom Bosco, aangemaand om zich alleenlijk aan de bescheiden bedieningen, die hij nog in het verbeteringshuis behield, toe te wijden of ze te laten varen, dit laatste verkoos. Zij aarzelde niet meer hem zinneloos te gelooven, ja zelfs hem zoo te noemen. De kwaadwilligheid vergrootte dit gerucht, hetwelk de geestelijkheid der parochiën grootendeels bereidwillig aannam; twee geestelijken besloten zelfs een werk van naastenliefde te doen, en meenden een groot middel te moeten gebruiken, om den krankzinnige aan zijne ongerijmde onderneming te ontrukken.

Dit middel bestond in hem eenigen tijd in een krankzinnigengesticht op te sluiten. Alvorens hem te gaan halen, zorgden zij voor eene plaats; dan begaven zij zich naar hem toe en brachten het gesprek, met alle mogelijke oplettendheid en behendigheid op de stoutheid van zijne verbeelding. Dom Bosco werd vurig evenals met Borelli, en sprak in de voorafgaande beschrijving van zijne plannen, met meer juistheid en vuur dan ooit, alsof zij reeds bewerkstelligd waren; hij zette in den tegenwoordigen tijd en zelfs in den verleden tijd, hetgeen slechts in eene voorwaardelijke toekomst zou zijn: „Ziet hier, zeide hij, hier bevindt

zich zulke zaak, daar heb ik eene andere geplaatst.....quot;

De twee priesters wisselden droevige blikken. „Het is dus wel waar, de twijfel is niet meer mogelijk.quot; Dom Bosco bemerkte één hunner gebaren en raadde het doel van hun bezoek. Mij glimlachte er over

ocr page 66

bij zich zeiven, en hield zich op zijne hoede. Na een half uur ongeveer, stonden zijne bezoekers op en stelden hem eene kleine wandeling voor. Het weer was schoon, hun rijtuig wachtte hen aan de deur, men moest er van gebruik maken. Dom Bosco ging met hen naar beneden, en wachtte met de deur van het rijtuig open, dat zij het eerst binnentraden. „Na u, lieve vriend, zeiden de twee bezoekers. — Neen, heeren aan u de eer......, ik ken

mijn plicht; in plaats van er te kort aan te doen, zou ik liever willen buiten blijven.quot; Dit wellevendheidsgeschil duurde lang; eindelijk zei een der geestelijken, dat men zijnen wil maar moest volbrengen of dat men tot niets zou geraken. Hij ging binnen en trok zijnen makker mede.

De slimme Dom Bosco wachtte slechts hierop. Hij sloot gauw de koetsdeur dicht en riep tot den koetsier; „Vooruit en gauw, en wat men u ook zeggen moge, houd niet stil voordat gij zijt, gij weet wel waar.quot;

De koetsier, die reeds een c voord in dezen zin had, zweepte de paarden en voerde deze heeren op éénen keer, niettegenstaande hunne tegenkantingen, tot aan het krankzinnigengesticht. „Maar men heeft mij slechts eenen zieke aangekondigd, merkte de bestierder op; hoe komt het, dat men er mij twee zendt?quot; De zaak werd duidelijk, toen hij in die twee voorgewende zinneloozen dezelfde personen herkende, die zich met hem waren komen verstaan over de aangekondigde inbrenging. „En waar is de echte zieke toch?quot; hield de bestierder aan. De gefopte

ocr page 67

— 56 —

geestelijken trokken zich al lachende uit de zaak. „Ach! Mijnheer, hij is het, die ons er in gezet heeft, met of zonder woordspeling, zoo als gij wilt. Wij beginnen te gelooven, dat hij zoo zinneloos niet is als men beweert.quot;

De dag echter, waarop het Bedehuis voor den laatsten keer van de weide van Valdocco genoot, was aangekomen. Het was Palmzondag, den Squot;1611 April 1846, en Dom Bosco wist niet, waar hij met zijne aangenomen familie op Faaschdag vergadering ging houden.

De morgen van Palmzondag ging voorbij als de gewone Zondagen; Dom Bosco voerde zijne kinderen in bedevaart naar Onze-Lieve-Vrouw de la Cam-pagna, op twee mijlen afstand van ^Turijn.

Als zij onder het zingen van litanieën voorttrokken , kwam hem de kapelaan Dom Fulgentius, biechtvader van Karei Albert, te gemoet en zeide hem van goeden moed te hebben. „Zeker, ik verlang niet beter, antwoordde Dom Bosco, die wist dat de kapelaan met zijnen toestand bekend was; maar weet gij mij iets te zeggen, dat mij uit de verlegenheid kan trekken?

— Niets stelligs, eigenlijk gezegd, wedervoer de kapelaan; ik herhaal het u echter, heb goeden moed.quot;

Deze onzekere teekenen van belangstelling waren niet voldoende, om de beangstigdheid van Dom Bosco te doen verdwijnen. Lang bleef hij neergeknield voor de voeten der Madonna, en hij noodigde zijne kinderen dringend uit met hem te bidden.

ocr page 68

— 57 —

want hij moest eene groote, eene buitengewone genade vragen.

's Namiddags om twee ure, bevonden zij zich wederom op de weide. Zijne treurige houding van 's morgens, was niet veranderd. „ Vader gij zijt wel bleek, gij hebt geweend,quot; zeiden hem de kinderen, terwijl zij zich om hem heen drongen. Hij barste los in snikken en terwijl hij de naaste omhelsde, zeide hij; „O! mijne kinderen, mijne goede kinderen , indien de goede God ons niet ter hulpe komt, zijn wij gedwongen van elkander te scheiden.quot;

De kinderen waren insgelijks ter neer geslagen.

Hij wierp zich plat ter aarde en verzocht zijne kinderen met hem te bidden.

„Mijn God, mijn God, hebt gij ons verlaten? riep hij uit. Dat uw wil geschiede; maar kan het overeenkomstig met dezen heiligen wil zijn, dat deze arme weezen zonder schuilplaats zouden blijven.'

Dit treurig geroep, dat aan den kreet van Golgotha deed denken, weerklonk duidelijk in de verte; de spelen werden van alle kanten onderbroken ; eene doodelijke stilte heerschte op de weide. Op dit oogenblik kwam een man het hek binnen. Hij heette Pancratius Soave, en was door verschillende kinderen gekend. Hij ging recht naar den Pater:

„Men heeft mij verteld. Eerwaarde Heer, dat gij eene werkplaats zoekt.

— Juist dat niet, maar wel een Bedehuis, antwoordde de priester.

— Bedehuis of werkplaats, Eerwaarde, komt overeen uit voor mijnen medehelper Pinardi, mits

ocr page 69

men hem betale. Pinardi bezit eene prachtige loods. Hij wil ze verhuren; het is hem eens, of gij of een ander van de gelegenheid gebruik maakt. Wilt gij ze komen zien?quot;

Dom Bosco liet het zich geen tweemaal zeggen. Hij volgde Pancratius Soave.

De loods was ruim en omringd door eene nog al groote uitgestrektheid gronds, welke met haar te huren was; maar in welken erbarmeiijken toestand bevond zij zich! Daar de eigenaar ze tot daartoe slechts bestemd had om mutsaards te bergen, had hij ze niet onderhouden. De goten waren talrijk, het dak was op verscheidene plaatsen gescheurd; wat meer is, daar het zeer schuins lag, was het op de kanten nauwelijks één meter van den grond af.

Dom Bosco onderzocht het langen tijd; eindelijk met het hoofd schuddende zeide hij, dat het waarlijk te laag was; ofschoon zijne kinderen niet zeer groot waren, en hij zelf geen reus was, zouden zij zich toch nooit daaronder kunnen huisvesten.

Pinardi hield aan, en beloofde den grond zooveel op te hakken, als men wilde, opdat men gemakkelijk in de werkplaats zou kunnen binnengaan.

„In het Bedehuis, herhaalde Dom Bosco.

— Zooveel te beter, hernam de eigenaar; indien het een godvruchtig werk is, wat gij u voorstelt bij mij te vestigen, dat valt juist goed, ik ben zanger, ik bied u mijne hulp aan; ik heb ook eene zilveren lamp, ik zal ze u leenen; alleenlijk, als gij mijn gebouw in kapel verandert, behoud ik er twee zetels, één voor mijne vrouw en één voor mij.quot;

ocr page 70

V

— 59 —

Door deze kinderlijke dienstvaardigheid verleid, vroeg Dom Bosco, hoeveel de jaarlijksche prijs zou zijn.quot; 1 „Drie honderd frank, het is voor niets!

— Ik zal er it drie honderd twintig geven, maar op twee voorwaarden; wij zullen een huurcontract maken, en gij zult u belasten den grond cenen halven meter op te hakken voor aanstaanden Zondag.quot;

De eigenaar nam dit aan, de koop werd gesloten en Dom Bosco keerde vol vreugde naar de weide terug, waar hij zijn klein volk gelaten had.

„Wij zijn gered, mijne kinderen! In plaats van te scheiden van elkander, gaan wij een tehuis hebben. Laten wij den goeden God bedanken; zijne allerheiligste Moeder heeft onze gebeden van dezen « morgen verhoord; wij zullen elkander niet meer

l verlaten!quot;

De kinderen dansten van vreugde en konden zich niet meer inhouden. Toen men hun van verre de gekozene bouwplaats had gewezen, liepen zij uiteen om te gaan zien. Maar Dom Bosco hield ze tegen en wilde, dat zij eerst een rozenhoedje tot dankbetuiging zouden bidden; daarna kwamen zij allen te zamen die gelukzalige loods bezoeken, die hunne bewaarschool moest zijn en die het waarlijk, werd, daar zich op deze bouwplaats zelve heden het Bedehuis van den H. Franciscus van Sales verheft met alles, wat er van afhangt.

ocr page 71

VIERDE HOOFDSTUK.

DE AARTSBISSCHOP KRANZONI, DE MARKIES VAN CAVOUR, EN KONING KAREL ALBERT. ZIEKTE VAN DOM BOSCO.

inardi, door Pancratius Soave geholpen, wilde aan zijnen huurder stiptelijk woord houden. De inrichtingswerken van de loods zouden maanden hebben kunnen duren: zij waren op ééne week geëindigd. Het is waar, dat Dom Bosco de stelling niet verliet, en dat de sterkste van zijne kinderen het zich een geluk rekenden, de werklieden eene hand komen te helpen. De grond werd verlaagd en bévloerd, de muren met kalk besmeerd, het dak hersteld; kortom, het was eene in het oog springende hervorming, en Dom Bosco kon in den morgen van Paaschdag, den 12 April 1846, er bezit van nemen.

De zoo in der haast bereide kapel was slechts eene kamer van vijftien of zestien meter lang, op vijf of zes breed. De zoldering was er zoo laag, dat Mgr. Franzoni, toen hij er voor den eersten

ocr page 72

keer het Vormsel kwam toedienen, verplicht was zijnen mijter af te zetten om kunnen rond te gaan.

Dom Bosco zegende het nieuwe heiligdom, met de toestemming van den Aartsbisschop; daarna las hij mis, gaf de communie aan die zijner kinderen, welke in staat waren ze te ontvangen en deed aan allen eene korte aanspraak, die wel in verband was met de plechtigheid van den dag: „Alleluia! riep hij uit, verheerlijken wij den Heer, en verheugen wij ons; evenals Hij, hebben wij zoo even de folteringen der Goede Week onderstaan, maar de opstanding is gevolgd op de kruisiging, de blijgeestigheid op den rouw, Alleluia! mijne lieve kinderen , Alleluia!quot;

Men raadt met welke vervoering deze vreugdekreet, door de jonge en begeesterde vergadering, in den zang der gewijde hymnen, herhaald werd.

De, om zoo te zeggen, tooverachtige hervorming van de loods Pinardi en de inhuldiging van het nieuwe gesticht waren dadelijk het groot nieuws niet alleen van den Valdocco, maar van geheel Turijn. De nieuwsgierigen kwamen aangeloopen. Zij zagen, dat naast de kapel zich eene andere, meer bescheidene wijkplaats bevond, die echter vergroot kon worden, om de kinderen te herbergen, als het regende; dat er geene ruimte voor het spel in de open lucht daarnaast te kort schoot, dat de kinderen ook niet ontbraken, wijl er vijf honderd waren; dat Dom Eosco een goed opgesteld huurcon-trakt had voor verscheidene jaren, en niet minder geheel en al in orde was met het aartsbisdom,

ocr page 73

daar Mgr. Franzoni hem de toelating gaf niet alleen van in de kapel mis te lezen, maar van er te pree-ken, te biechten, en zelfs de paaschcommunie te geven, zooals in eene werkelijke parochie.

De openbare denkwijze was gauw omgekeerd; de jonge zinnelooze priester werd een heilige priester, een apostel, bijna een man van vernuft; en dit op éénen dag en zonder dat zijn werk beter werd dan te voren; maar het was gelukt. Zulke zijn de oor-deelen der menschen.

Het gemeentebestuur liet zich eindelijk ook overhalen. De oude Markies van Cavour had aanhoudende stappen gedaan bij het ^irtsbisdom, om eene vriendelijke en stille ontbinding te verkrijgen van die benden mascalzoni, door dien droomer Bosco, zooals hij zeide, langs de straten der stad gesleept. Zoo dikwijls hij hen tegenkwam, deed hun gezicht hem huiveren. Het gerucht der oprichting van een bepaald gesticht te hunnen gunste verbitterde hem uitermate. Daar hij niets van de geestelijke overheid had kunnen verkrijgen, nam hij voor het geweld te gebruiken, dat de burgerlijke wet hem in handen stelde. De zaak nochtans was te gewichtig om ze uit eigen beweging te behandelen; hij klaagde Dom Bosco en zijn hersenschim aan, bij den hoogen raad, de Ragioneria genaamd.

De vergadering werd in het aartsbisschoppelijk paleis gehouden, omdat de Aartsbisschop het recht had er bij tegenwoordig te zijn en nu ziek was. Bestatigen wij hier in het voorbijgaan, deze daad van 's graven edelmoedigheid en eerlijkheid. Een bur-

ocr page 74

— 63 —

gemeester zou in onze dagen de gelegenheid niet hebben laten voorbijgaan, om zitting te houden zonder den Aartsbisschop en zijne zoo lastige vermaningen of ten minste het neerleggen van een tegenstrijdig stembriefje behendig te ontgaan. Maar al bezat de onbuigzame grijsaard de koppigheid van het oude stelsel, hij had er ook de beleefdheid van.

Hij gaf zijne verbeelding vrijen loop in het uitleggen zijner grieven. Hij begreep niet, hoe de openbare meening zich zoo gemakkelijk vergenoegde met eene instelling, die niemand van hen, welke ze van kortbij gezien hadden, kon uitstaan. „De men-schen verzamelen, is ze bedervenquot;, heeft een groote schrijver gezegd; was de onvoorzichtigheid niet duidelijk genoeg, nu men met een opraapsel van jonge schooiers te doen had, die tot alle wanorde overhelden?

De Aartsbisschop pleitte de tegenovergestelde zaak. De eerste vruchten van het werk waren uitmuntend; de eigenaars of naburen hadden het slechts verworpen uit liefde voor hunne persoonlijke rust en niet, omdat zij het slecht geoordeeld hadden, en men kon verzekerd zijn dat hij, voor God en de zielen aansprakelijk, het niet zonder bewaking noch toezicht zou laten; wat de gevaren van opstand betrof, het was de tijd niet om er van te spreken onder eenen vorst, zoo bemind als Karel-Albert.

In dit laatste punt bedroog zich de Aartsbisschop; doch dat was de oorzaak niet, waarom zijne redenen slechts weinig indruk maakten.

De leden der Vergadering, die allen leek waren,

ocr page 75

doch in het algemeen goede christenen, steunden liever de gemeenteoverheid, die zich tot daartoe bevredigend had getoond in de voorstellen, die zij gedaan had, dan welke de geestelijke overheid, van welke men niet de minste toegeving had kunnen verwerven. Men ging stemmen. De meerderheid was blijkbaar op het punt de sluiting van het Bedehuis vast te stellen, toen één der raadsleden, die tot dan slechts aandachtig had toegeluisterd , het woord vroeg. Het was de Minister van Financiën, Graaf Provana di Colleguo.

„Mijne Heeren, zegt hij, de Koning, onze meester heeft mij belast hem hier te vertegenwoordigen, en er zijne meening te verklaren. Zijne Majesteit heeft wijselijk en zonder gerucht een onderzoek ingesteld over de zaak, die ons bezighoudt. De uitslag is er volkomen gunstig van geweest. Zijne Majesteit zou dus met ongenoegen zien, dat men op welke wijze ook, den ijver van den priester Johannes Bosco tegenwerkte, mits, wel te verstaan, er geen onvoorziene wanorde ontsta, in welk geval Zijne Majesteit weet, dat hij op de wilskracht van den Burgemeester en andere bestierders van zijne goede stad Turijn kan tellen.quot;

Bij deze plichtpleging, die zij wel in deze plaats en in dezen vorm konden gemist hebben, bleven Burgemeester en bestuurders sprakeloos. De zitting werd geheven. Die goede koning Karel-AIbert bezat in eenen hoogen graad de kwalen van zijn ras; de heerschzucht en de sluwheid, maar hij had er ook de erfelijke hoedanigheden van: eene diepe

ocr page 76

godsvrucht, een ontembaren moed en eene oprechte liefde voor zijn volk; dien dag van harden strijd verzekerde hij de gerustheid aan Dom Bosco. Hij deed meer. Den eerstvolgenden Januari, zond hij hem drie honderd frank met deze onderteekening, met eigen hand geschreven; „Voor de kleine kod-digen van Dom Bosco: pci birichini cii Dom Bosco.quot;

Dom Bosco was van oordeel, dat het geheimhouden van zulken blijk der koninklijke gunst geheel en al misplaatst zou zijn. Hij toonde het briefje. Het gezicht van dit stuk papier had de kracht in zich de laatste tegenkantingen te doen vallen, en de goudstukken van den Opperheerscher trokken er eene menigte andere tot zich, die zich haastten om denzelfden weg te nemen, zoodra zij wisten, in welk goed gezelschap zij er zich zouden bevinden; in één woord, de geest van navolging en vleierij voleindigde, wat de geest van naastenliefde begonnen was.

Zelfs de Graaf van Cavour bedaarde. Hij had overigens nog slechts korten tijd te leven; maar toen hij ziek viel en zich te bed legde om niet meer op te staan, was het niet zonder recht gedaan te hebben aan Dom Bosco en zich met zijne mascalzo ni verzoend te hebben. Voegen wij er bij, dat hij ze had doen bespieden door de burgerwacht; deze agenten der gemeentepolitie hadden hem in hunne verslagen verklaard, dat er nooit spraak was van Staatkunde in het Bedehuis, en dat er niets voorviel, waar de stadsraad in persoon niet kon getuige bij zijn. De vrienden van het eerste uur, die een oogenblik van zwakheid en twijfel hadden, kwamen

ocr page 77

- 66 —

insgelijks naar den Valdocco terug. De Godgeleerde Barelli toonde er zich getrouwer dan ooit en nieuwe helpers, kostbare nieuwelingen, vergezelden hem er heen.

De Markiezin van Barolo, die besloten had Dom Bosco weg te zenden, stemde toe niets te overhaasten en hem nog in haar verbeteringshuis of toevluchtsoord te huisvesten tot het einde van Juli.

Het was dus met bedaarder geest en met eenen moed, stouter dan ooit, dat de stichter zijn werk vervolgde, voor anderen, maar niet voor hem zeiven onderbroken. Nu hij eene zekere en voldoende schuilplaats had, kon hij eene toekomst te gemoet gaan, waarin het hem mogelijk zou zijn, zijne kinderen de heele week te houden, in plaats van ze slechts des Zondags te ontvangen. Maar deze toekomst scheen nog zeer verwijderd. Voor het oogenblik hield hij zich bezig met zijne scholen te vermeerderen en in te richten. Waar hij het meeste behoefte aan had, waren vooreerst de bouwgronden, ckn de meesters.

Voor de werving dezer laatste, vond hij een vernuftig stelsel uit, dat zeer spaarzaam was en daarbij dubbel voordeelig. Ofschoon dit stelsel vooreerst de geheele uitbreiding, die het later had, niet kon ontvangen, is hier toch de plaats het uit te leggen, wijl het van dit tijdstip af werd uitgedacht.

Dom Bosco deed eene keus tusschen de jongelingen die den meesten aanleg toonden, hield zich bijzonder met hen bezig , leerde hun Itali-

ocr page 78

— 07 —

aansch, Fransch, rekenen, geschiedenis, en zelfs een weinig Latijn, maar op voorwaarde, dat zij zekere uren leerlingen en zekere andere op hunne beurt leermeesters zouden zijn, en hem in zijne taak zouden bijstaan. Dit wederzijdsch onderwijs schonk de grootste diensten aan het werk; het liet toe, dat er aan de geheele studiën een wonderlijke stoot gegeven werd. De leermeesterkens (maestrinij waren vooreerst slechts vier of vijf in getal; hun getal groeide snel aan, en hunne bekwaamheid insgelijks. Niets is beter om te leeren, dan te onderwijzen.

Op deze wijze had men weldra uitmuntende meesters, die slechts het onderhoud kostten, en die eene kweekschool van helpers en medewerkers voor het bestuur werden, en weldra ook eene vruchtbare mijn van roepen voor het priesterschap. Doch gaan wij de zaken niet vooruit.

De klassen gedurende de week, hadden nog alleen 's avonds plaats; 's Zondags hield men er ééne door den dag. De vrome inrichter klaagde bitter bij God, niet meer te vermogen; al de aalmoezen, naarmate zij kwamen, dikwijls zelfs, voordat hij ze ontving, gebruikte hij om ze te vermeerderen en uit te breiden. De menschelijke voorzichtigheid zou hem aangeraden hebben de uitgaven in evenredigheid met de inkomsten te brengen, maar de heiligen kennen de menschelijke voorzichtigheid niet. Dom Bosco stak zich in schulden, en kwam er niet meer uit.

De uitbreiding van het Bedehuis deed zich

ocr page 79

— 68 —

weldra tot buiten zijne omheining gevoelen. Op Zon- en feestdagen was de kapel niet alleen open voor de kinderen, maar voor alle personen, die aan de diensten wilden tegenwoordig zijn; de vermaardheid van Dom Bosco groeide immer aan; reeds was het opgepropt vol in zijnen catechismus of zijn zondagssermoon, en tot acht, negen uur 's avonds was zijn biechtstoel niet ledig.

Voegen wij hierbij, dat de wijk van den Val-docco, toen niet was hetgeen zij sedert geworden is, en dat zij eene zedelijke en stoffelijke gezondmaking hoogst noodig had. Kort bij het hek Pinardi was eene zeer slechte herberg, de Tuinierster (della Giar-dieniera) genaamd. Maar hoe de vermoeienissen en de buitengewone zelfopoffering van Dom Bosco afschilderen ! Aalmoezenier in het toevluchtsoord Ba-rolo, biechtvader, prediker, leeraar; alles was hij. Door den dag, was hij gansch voor zijne kinderen of het toevluchtsoord; 's nachts ontnam hij aan zijnen slaap, wat hij noodig had om zijne klas of onderrichtingen voor te bereiden of zijne briefwisseling te doen. Wat meer is, hij onderrichtte zich zeiven evenals zijne jonge maestrini. Daar de ondervinding hem geleerd had, dat de boeken, die hij gebruikte, niet voldoende en vol fouten waren, stond hij niet voor die ontzettende taak terug van ze te herzien, om ze nauwkeuriger, eenvoudiger en duidelijker te maken: men zag ze hem één voor één nagaan, ze volgens de bijzondere behoeften zijne leerlingen hergieten, en zoo eene heele boekerij van godsvrucht en opvoeding

ocr page 80

— 69 —

scheppen. Maar wij zullen een bijzonder hoofdstuk toewijden, aan dit aanzienlijk gedeelte van zijn zwoegen en van zijne vervaarlijke werkzaamheid.

Dit belette hem niet al degenen, die zich aanboden, zelfs vreemdelingen, in zijnen biechtstoel aan te nemen. De kinderen der broeders onder anderen, maakten gebruik ja misbruik van hem zonder eenige bescheidenheid. Toen zij op eenen Zondagmorgen in menigte aankwamen, om vóór de mis te biechten, kondigde men hun aan, dat Dom Bosco afwezig was, en eenige dagen rust genomen had bij den pastoor van Sassi, en dat hij zeker dien dag niet zou thuis komen.

De kinderen wisten niet juist, waar Sassi lag, het moest in de richting van den Po zijn. Zij gingen op weg, trokken den stroom over, maar begrepen weldra, dat het verder was dan zij gedacht hadden. Personen van meer gevorderden leeftijd zouden teruggekeerd zijn, en voor dezen keer andere biechtvaders gezocht hebben. Maar onze scholieren hadden eenen eersten stoot gekregen, zij gingen verder.

Tot overmaat van rampen, wilden zij den weg afkorten en namen binnenwegen, waarin zij verdoolden. Daarbij begon het nog te regenen; eindelijk kwamen zij aan, doornat, uitgehongerd en doodmoede. Bij dezen inval wilde de pastoor zijne deur sluiten; maar zij vroegen naar Dom Bosco, en Dom Bosco, die zijnen naam hoorde uitspreken, had den moed niet om zich te verbergen. „Wij komen te biechten, zeiden zij hem.

— Te biechten, zoo Iaat? Maar, gij zijt wel

Dom bosco.

ocr page 81

— 70 —

honderd man, het luidt voor de parochiemis, en het zal u onmogelijk zijn heden de H. Communie te ontvangen ; gij schijnt mij overigens afgemat: hebt gij wat eten medegebracht?quot;

De kinderen antwoordden, dat zij niet gemeend hadden, dat het zoo ver was, dat zij nuchter waren en niets medegebracht hadden. „In dat geval, beklaag ik mijnen armen vriend, den pastoor, zeide Dom Bosco lachend; ik kan de brooden niet vermenigvuldigen, en wil u ook niet in dezen toestand wegsturen.quot;

De pastoor riep de keukenmeid, die, bij het zien van zooveel gasten, de armen ten hemel hief, en verzekerde, dat er in de pastorij niet genoeg was, om aan elkeen vier happen te geven. Eindelijk gaf zij toe en ging alles halen, wat de bakkers aan brood konden vinden. Gedurende dezen tijd zette zich Dom Bosco in den biechtstoel: de pastoor deed hetzelfde, zoodra hij de mis geëindigd had. Daarna namen onze jonge onbezonnenen hunnen eersten maaltijd, op een uur, dat men gewoonlijk den tweeden neemt; ook kon deze maaltijd voor twee tellen: zij lieten geen kruimel meer over. Dom Kosco rekende het zich ten plicht ze hierover te berispen; maar hij deed dit met zoo weinig hardheid, dat hij ze, verrukt over hunnen misgreep, henenzond. „Nu zijn zij weer gereed om terug te komenquot;, bromde de nog altijd vergramde meid, die deze bovenmatige toegevendheid niet verstond.

Zij herbegonnen niet, maar dit voorval en andere bezoeken van Turijners, lieten Dom Bosco niet

ocr page 82

toe, al het mogelijke voordeel te trekken uit zijne korte rust te Sassi. Zijne gezondheid was hevig geschokt; vroeg of laat betaalt men alle overdaad, al was het ook in zelfopoffering of arbeid. Bij zijnen terugkeer te Turijn werd hij door eene borstverkoudheid aangegrepen en was verplicht naar bed te gaan.

Het was in Juli 1846. De ziekte scheen dadelijk buitengewoon erg; den achtsten dag, hadden de geneesheeren geene hoop meer.

De Godgeleerde Borelli, die aan het bed des zieken waakte, smeekte hem zijne genezing te vragen. „Indien gij ze vroegt, zeide hij hem, zou de goede God, dunkt mij, ze u niet kunnen weigeren: zooveel menschen hebben u noodig.quot;

— Mijn vriend, antwoordde Dom Bosco, men moet zich aan zijnen heiligen wil overgeven, niets meer.quot;

Borelli hield aan: „Neen, dat is niet voldoende, gij moet genezen voor het heil van uw klein volk; vraag aan God, dat Hij u geneze, ik smeek er u om.quot;

Alsdan door den aandrang der vriendschap overwonnen, fluisterde hij binnensmonds: „Heer, ik weiger den arbeid niet: non recuso laborcvt, genees mij, indien U zulks aangenaam is.

— Basta cosi, dit is genoeg, riep Borelli; nu ben ik gerustgesteld,''

Waarlijk 's anderendaags ondervond de zieke beterschap.

Bij deze gelegenheid zag hij, hoezeer hij bemind

ocr page 83

was. De toegangen tot zijne kamer, in het toevluchtsoord Barolo, waren altijd vol kinderen, die met tranen in de oogen, nieuws over hem kwamen vragen, en de gunst afsmeekten van hem te mogen bewaken, welke gunst aan eenige der grootste werd toegestaan. Het altaar der madonna Delia Con-solata was insgelijks belegerd door smeekelingen, die voor hunnen vader baden. Om zijne genezing te verkrijgen, deden de meesten beloften van boetvaardigheid en versterving en zoo strenge beloften, dat Dom Bosco, wien men dit gemeld had, zijn gezag moest gebruiken, om ze te veranderen en te verzachten.

Hoe heviger hunne vrees geweest was, des te grooter was hunne vreugde den eersten keer, dat zij hem in hun midden zagen. Tranen vloeiden er nog, maar het waren tranen van geluk. Dom Bosco mengde er de zijne bij; „O mijne vrienden, riep hij uit, terwijl hij het woord nam, na een gebed van dankbetuiging, in het openbaar, door den Godgeleerde Borelli in de kapel uitgesproken, o mijne lieve kinderen, het is God, dien wij moeten beminnen! Indien ik iets voor u gedaan heb, dan is Hij het, die er mij de middelen toe gegeven heeft. Ik behoor geheel aan Hem en geheel aan u, wijl hij mij de gezondheid wedergeeft; om Hem te dienen en om u te dienen uit liefde tot Hem, wil ik zelfs mijne laatste krachten gebruiken.quot;

Ofschoon hij de gezondheid gansch terugbekomen had, moest hij echter nog veel omzichtigheid gebruiken; doch hij was niet in staat om bedaard en

ocr page 84

kalm te zijn, zoolang hij zich voor zijne gewone taak bevond. De pastorij van Sassi was niet ver genoeg, hij had er de ondervinding van. De ge-neesheeren beslisten, dat hij zich aan de Becchi's moest gaan herstellen; geene behandeling zou tegen de geboortelucht en de moederlijke zorgen kunnen opwegen.

Hij vertrok met spijt, ofschoon de Godgeleerde Borelli zich belastte hem in het Bedehuis te vervangen, en ofschoon verscheidene vrienden, de Godgeleerde Vola, Dom Pacchiotti en nog anderen, hem beloofd hadden te waken, dat niets bij zijne afwezigheid te lijden had. Doch naarmate hij de Becchi's naderde, verdween zijne droefheid allengskens voor de vreugde van zijne moeder, alsook de kinderen van zijnen broeder Jozef, die hij nauwelijks kende, terug te zien.

Zijne aankomst in het land was een feest voor heel het dorp en de omstreken. Zijne persoonlijke vermaardheid begon zich te verspreiden; zij voegde zich bij de zeer rechtmatige genegenheid, waarmede iedereen de gastvrije en weldadige vrouw Marga-retha omringde.

Nu wij hierover spreken, dat men ons toelate nog een lotgeval te verhalen. De lotgevallen zijn talrijk in het leven van Dom Bosco, maar wij mee-nen er geen te moeten weglaten, omdat zij gewoonlijk iets groots en iets stichtends bevatten.

Op het einde van October 1841, het eerste jaar van zijn priesterschap, had Dom Bosco aangenomen zich van Turijn naar Lavriano te begeven, om eene

ocr page 85

lofrede over den H. Benignus uit te spreken. Hij ging er te paard 's morgens vroeg henen, daar hij een weinig voor de mis in de kerk wilde aankomen, waar hij het woord moest voeren. Maar terwijl hij door de vlakte van Casal-Borgone, tusschen Cinzano en Borsano, langs een versch gezaaid gierst-land voortdraafde, ging eensklaps eene vlucht mus-schen vóór zijn paard op; het dier verschrok, steigerde en rende over het veld heen. De ruiter deed zijn best, om zich goed te houden; doch de zadel draaide onder den buik in van het paard en Johannes viel met het hoofd op eenen hoop stee-nen. Gelukkig waren er getuigen bij dit voorval, een man kwam haastig met zijnen knecht aange-loopen. Hij vond den gekwetste bewusteloos, droeg hem naar zijn huis, legde hem in zijn eigen bed, en zeide hem toen Dom Bosco bij zijne zinnen kwam:

„Wees bedaard en heb niet de minste ongerustheid van u in iemand anders huis te zien; hier zal u niets ontbreken. Ik heb mijnen knecht gestuurd om den geneesheer te halen, en men brengt uw paard terug. Ik ben slechts een boer, maar. Goddank, niét in ellende. Hebt gij veel pijn?

— Dat God u beloone, zei Johannes, ik hoop, dat het niets zal zijn; misschien eene schouder uit de plaats, want ik voel daar eene nog al hevige pijn. Waar ben ik?

— Gij zijt op den heuvel van Bersano, bij Johannes Calosso , Brina bijgenaamd, uw toegenegen dienaar. Ik heb een weinig gereisd, en ik ook heb

ocr page 86

iemand anders hulp noodig gehad. Ach! er is mij al meer dan een ongeluk overkomen, als ik naar de jaarmarkten ging.

• — Zoo? Vertel mij dan eens iets, terwijl wij den geneesheer afwachten.

— O! ik hoef maar te kiezen; luister. Het is vier of vijf jaar geleden, dat ik omtrent in dezen tijd van het jaar, naar Asti gegaan was, om mijnen voorraad voor den winter te halen. Ik ging bij den terugkeer door de vlakte van Murialdo. Mijne merrie, die een weinig te veel op had, viel in eene sloot en bleef plat ter aarde neerliggen. Al mijne pogingen om haar op te richten, waren nutteloos. Het was nacht, geen maneschijn en het regende. Als ik niet meer wist wat doen, begon ik hulp te roepen; dit duurde niet lang, of men gaf mij van eene naburige woning antwoord: ik zag er mannen met lantaarnen uit komen en naarmate zij naderden, herkende ik eenen jongen, zeer jongen pastoor, met twee boeren, die niet ouder waren dan hij. Zij hielpen mij het dier ontladen, trokken het uit den modder, en brachten mij in hun huis, om er den nacht door te brengen. Ik was in zoo eenen hache-lijken toestand, dat ik het geluk van elkander te helpen zeker goed kon begrijpen.

— Werkelijk, merkte de gewonde op, men is zoo gemaakt, dat men dat geluk veel beter beseft, als men het ontvangt, dan als men het verschaft. Ga verder.

— De twee boeren en de pastoor waren gebroeders; terwijl zij zich met mijn dier bezighiel-

ocr page 87

— 70 —

den, warmde hunne moeder m'j eene soep, o! eene soep, zooals ik er nooit gehad heb. Dan gaf zij mij brood en fruit, al wat zij had, en maakte mij een bed gereed. O! wat brave vrouw, wat liefderijke en waardige vrouw! Als ik bij mijn vertrek haar wilde betalen, wilde zij geenen cent van mij aannemen: „Ik ben geene herbergierster, houd uw geld; wie weet, of het morgen niet aan onze beurt is, om u noodig te hebben ! O ! wat brave vrouw, wat brave vrouw 1quot;

Bij deze woorden, wendde de gewonde zijne oogen af, die tot daartoe oplettend op den verteller gevestigd waren.

„Zoo, gij weent? Vindt gij u erger?

— Neen mijn goede vriend, maar zou ik. kunnen onbewogen blijven? Gij spreekt den lof uit mijner moeder.

— Hoe! hoe! stamelde de openhartige landbouwer; maar dan zoudt gij zelf die kleine pastoor zijn? Gij zoudt één der drie jonge Bosco's zijn, die men gewoonlijk de Boschetti's noemde.

— Ja, ik zelf, mijn lieve vriend, en gij ziet, dat mijne moeder recht had uw geld te weigeren. Gij betaalt mij lang daarna, maar gij betaalt mij met woeker.quot;

Het is nutteloos de verrassing en de blijdschap van den goeden boer te beschrijven. Die Johannes Calosso Brina had eene vrouw, eene zuster en andere bloedverwanten, welke in hunne verbazing hem een werkelijk feestmaal aanrichtten. De wonde overigens werd licht bevonden; de geneesheer verklaarde,

ocr page 88

— 77 —

dat er geene breuk was, maar alleen eene sterke kneuzing. Na twee dagen, steeg Dom Bosco wederom te paard, en werd door Johannes Calosso vergezeld, met wien hij daarna altijd de vriendelijkste betrekkingen onderhield. Hij bracht ongeveer drie maanden aan de Becchi's door. Zijne gezondheid herstelde langzaam.

Te Turijn scheen de ziel van het opkomende-Bedehuis met hem verdwenen te zijn. Zijne jonge leerlingen schreven hem brief op brief, om te vragen hoe hij het maakte, en of zij hem weldra zouden terugzien. Daar de brieven hem niet gauw genoeg volgens hunnen zin terug brachten, zonden zij hem eene eerste afvaardiging, dan eene tweede en eene derde. De Becchi's liggen op een twintigtal mijlen afstand van Turijn; zij werden eene soort van bedevaartsplaats, die de ongeruste kinderen op hunne beurt bezochten. Een hunner zeide hem, toen hij afscheid van hem nam: „Gij zult bij ons terugkomen, of wij brengen het heele Bedehuis naar hier over.quot;

De weezen van het Bedehuis waren niet allen zonder familie; eenige leefden bij hunne ouders. Deze, getuigen van den gelukkigen invloed des goeden vaders, sidderden bij de gedachte van hem te moeten verliezen. Moeders deden de reis naaide Becchi's en kwamen vrouw Margaretha smee-ken dat zij den engelbewaarder harer haardsteden terug zou geven. Zij bekenden, dat hij zich veel, zeer veel leed aandeed, maar zij beloofden hem krachtiger bij te staan, dan zij tot daartoe gedaan hadden.

ocr page 89

— 78 —

„Indien hij geld noodig heeft, zeide ééne, zal ik den heelen winter spinnen, om er hem te verschaffen. — Ik, zeide eene andere, ik zal hem mijn linnen zelf geven. — En ik, eieren en eene hen,quot; voegde er eene derde bij. Dan hernamen alle drie te zamen : „Laat hem maar komen, dat hij geen vrees hebbe, niets zal hem ontbreken.quot; En daar hare aanzoeken met geen goeden uitslag schenen bekroond te zullen worden, begonnen zij te weenen.

Eindelijk liet zich vrouw Margaretha overreden. „Dat Gods wil geschiede! Men is niet op aarde om zijn gemak te nemen, maar om te werken en om zich zeiven en anderen zooveel mogelijk te heiligen !quot; En Dom Bosco voegde er bij; „Weest gerust, zegt aan uwe kinderen, dat ik bij hen zal zijn, voordat de bladeren gevallen zijn.quot;

ocr page 90

bijgevoegd hebben: meestendeels ontstaan zij dooiden invloed eener vrouw en ontspringen zij in het hart eener moeder; Dom Bosco is een der blijk-baarste voorbeelden, die de geschiedenis heeft opge-teekend.

Het Bulletijn der Salesiërs (Bollettino Salesiano) van Januari 1880 schrijft:

„Men vindt de vrouw terug in alle gebeurtenissen, die min of meer roemrijk zijn voor de arme menschheid en gunstig voor het heil der zielen. Het is niet noodig hier al de heldinnen in oogenschouw te nemen, die, door den goddelijken wil aangemoedigd, zoowel in de oude tijden, als onder de nieuwe wet, een voornaam deel bijdroegen tot het vervullen van eenig verheven feit; en wijl voor ons en in het algemeen voor de jeugd, de stichting van het Bede-

VIJFDE HOOFDSTUK.

ocr page 91

— 80 —

huis en het Internaat van den H. Franciscus van Sales, eene gebeurtenis van groot gewicht was, moeten wij aanstippen, hoeveel de vrouwen er toe bijdroegen.

„Droegen er toe bij, die moeders, welke met eene aanhoudende bezorgdheid, hare kinderen naar het Bedehuis stuurden; droegen er toe bij, die dame^, welke door hare giften, dat werk ondersteunden en bevestigden; droegen er toe bij, die kloosterzusters, welke dag en nacht, arbeidden aan de opvoeding der eertijds verlatene kinderen; maar onder alle andere is er eene vrouw, die er bijzonderlijk toe bijdroeg; eene vrouw, die het voorbeeld en den stoot gaf aan alle andere; eene vrouw, die het eerst op dezen gezegenden grond de banier der liefde plantte; eene vrouw, welke duizenden weezen te recht hunne moeder noemden; eene vrouw, die zich onbeschroomd aan het hoofd stelde der andere ontelbare vrouwen, welke haar volgden, haar volgen en haar tot het einde der eeuwen zullen volgen. Die vrouw was Margaretha Occhiena, weduwe Bosco.quot;

Dom Bosco had vast besloten, naar zijne kinderen van Turijn terug te gaan, zoodra hij zou kunnen. Maar in die halve eenzaamheid der Becchi's had hij nagedacht over verschillende moeielijkheden, waarover hij zich op de plaats zelve, niet goed rekenschap kon geven. Daar hij verplicht was geweest zijne kamer in het verbeteringshuis Barolo te verlaten, ging hij nu in het beluik Pinardi wonen, gansch alleen, naast eene slecht befaamde herberg.

ocr page 92

Wie zou voor zijn klein huishouden zorgen en hoe zou er gezorgd veor worden?

Eene onbeduidende bekommering wel is waar, voor hetgeen dit laatste betreft; maar zou eene meid, die langs half verlatene wegen moet gaan of wat erger is, langs half aangelegde straten, waar men de ondeugd met den elleboog stoot, niet aan vele onaangenaamheden blootgesteld zijn ?

Dom Hosco deelde zijne vooringenomenheid mede aan den pastoor van Chateauneuf d' Asti. „Gij hebt uwe moeder,quot; zeide hem de pastoor.

En daar Dom Rosco niet scheen te begrijpen, verklaarde zich de pastoor:

„Uwe moeder is krachtdadig en waardig genoeg, om aan iedereen eerbied in te boezemen; van den anderen kant is zij nog genoeg bijdehand, om een aanzienlijker huis dan het uwe te besturen. Neem uwe moeder met u.quot;

Dom Bosco wierp op, dat het hem zeer zou spijten indien zijne moeder zich aan een leven van ontberingen, moest onderwerpen en dat het hem nog veel meer zou kosten, haar eenigermate onder zijn beheer te stellen. Zijne moeder was voor hem evenals voor zijnen broeder Jozef, het voorwerp van eenen werkelijken eeredienst. Onder haar boersch uiterlijk en haar volslagene onwetendheid der men-schelijke letteren, hield zij schatten van teederheid en kennis verborgen, hetgeen overigens iedereen erkende. Hij, die tot hiertoe als onderdanige zoon, niets anders gedaan had, dan gehoorzamen, zou hij aan zulke moeder durven gebieden?

ocr page 93

„Ik kan mij voorstellen, hoe uw huiselijk leven zal zijn, als of ik het hier voor mij zag, wedervoer de pastoor zachtjes; bij u zal niemand gebieden, er zal een strijd zijn van gehoorzaamheid en van bedachtzame oplettendheid; de zoon ten opzichte der moeder, omdat zij moeder is; de moeder ten opzichte van den zoon, omdat hij priester is. Wees dus gerust. Denk insgelijks, dat niemand beter dan uwe moeder zal zorgen voor den zoon, wiens gezondheid veel omzichtigheid noodig heeft, en dat de priester meer dan éénen goeden ra^d, en meer dan ééne verhevene gedachte, die men te vergeefs aan eene doctores zou vragen, van vrouw Marga-retha ontvangen zal.

Dom Bosco was overtuigd; hij legde aan zijne moeder den onrustwekkenden toestand bloot, welken hem de hoofdstad ging aanbieden; de afgelegenheid van het beluik Pinardi, de slechte befaam-heid van heel den Valdocco, en behalve deze hindernissen, de noodzakelijkheid om iemand voor zijne stoffelijke zorgen bij zich te hebben. „Ach!

indien de Becchi's te Turijn waren!...... Maar

zou men den afstand niet kunnen verkorten, door naar Turijn over te brengen, wat ik het kostbaarst in de Becchi's heb, dat wil zeggen, mijne moeder?quot;

Vrouw Margaretha sprong plotseling recht: „de Becchi's verlaten, ik! onze bergen en den toren van onze kerk niet meer zien, mij van Jozef verwijderen, mijne kleinzonen verliezen, die zoete zielen welke zich begonnen te openen, als bloemen vol hoop! ach! Johannes, welk offer, welk offer gij mij

ocr page 94

— 83 —

vraagt! Nauwelijks waren deze eerste uitroepen van verbazing voorbij, of vrouw Margaretha begon na te denken en te bidden. Na eenige minuten stond zij op en zeide met kalmte en vastberadenheid, met de oogen vol tranen :

„Jozef en zijne kinderen houden zich goed; zij kunnen mij missen. Gij, Johannes, zijt ziek geweest en nog niet heel sterk; ik ga mijn pak gereed maken.quot;

De tijding van het aanstaande vertrek van de weduwe Bosco, was een groote rouw voor de familie en voor heel Murialdo. Jozef trachtte ze op haar voornemen doen terug te komen: hier zou haar niets te kort schieten, terwijl heur daar alles onbekend was, en er misschien ellende heerschte, en zekerlijk genoodzaakt zou zijn te arbeiden, zooals OMÊr dertig jaren, en, om alles te zeggen, als eene dienstbode. Nooit, op haren leeftijd zou zij zich ver van de Becchi's gewennen; de jonge boo-men alleen laten zich overplanten. ■—

En had hij zelf, en zijne kinderen verdiend, dat zij hen zoo verliet? Waren zij in hare oogen niet zooveel waard als die kleine deugnieten, in wier midden zij ging geworpen worden?

Het hart der teedere moeder was verbrijzeld, maar zij bleef herhalen, dat Jozef en de zijnen haar konden missen, terwijl Johannes haren bijstand noodig had. In de veronderstelling, dat zij zich in de groote stad niet kon gewennen, was het immer tijd genoeg, om terug te komen. Wat den arbeid betrof, nooit Goddank, had zij er angst voor gehad, en zij rekende al werkende goed te sterven.

ocr page 95

— 84 —

Op de vertoogen der rede liet Jozef te vergeefs de welsprekendheid der kinderlijke streelingen volgen. De moedige vrouw bleef onwankelbaar. Den 3dequot; November ontrukte zij zich aan de armen harer kleinkinderen, en sloeg met Johannes den weg in naar Turijn; Dom Bosco droeg zijn getijdenboek, een misboek en eenige schrijfboeken onder den arm ; vrouw Margaretha, eenen korf vol linnengoed, met eenige kleederen.

Zij reisden letterlijk op apostolische wijze, te voet, en onderhielden zich over zaken van den hemel.

Te Chieri hielden zij eenige uren halt, bij den Advocaat Vallimberti, wiens familie Dom Bosco zeer hoogschatte. Zij namen er eenige ververschin-gen, zetten zich wederom op weg, en kwamen 's avonds in de hoofdstad aan.

Als zij langs Rondeau, (of Rondo) een oord, niet ver van hunne nieuwe woning verwijderd, voor-bijgingen, deden zij eené gelukkige ontmoeting, die wij zeker niet onvermeld kunnen laten. Het was die van den Godgeleerde Vola, eenen zeer ijveri-gen priester van Turijn, welke dikwijls in het Bedehuis kwam.

Na de hartelijkste gelukwenschingen over de herk regen gezondheid, vroeg hun Vola, vanwaar zij wel kwamen, daar zij vol stof waren.

„Wij komen uit ons land.

— Van Murialdo, te voet?

— Maar ja, te voet, herhaalde Dom Bosco lachend, en wij hadden daar ernstige redenen voor.

ocr page 96

— 85 —

— Welke redenen?

Ten teeken van antwoord liet Dom Bosco, altijd lachend, duim over wijsvinger loepen; een stom gebarenspel, dat beteekende:

„Wat wilt gij? geen geld, geen rijtuig!

•— En nu waar gaat gij wonen?

— ■ In het beluik Pinardi.

— Is er eene kamer gereed?

— Ik geloof ja, men heeft de loods moeten verlengen.

— En meubels of voorraad?

— Gij wilt te veel weten, lieve vriend; ik zal, hoop ik, wel een mijner kinderen ontmoeten; en dan, hebben wij de Voorzienigheid niet?

— Dus, niemand verwacht u en gij zult niets gereed vinden! Ach! mijn arme Johannes Hosco, ik

heb medelijden met u.....en ik ben beschaamd

over u..... Indien ik durfde..... zie, ik heb

daar een voorwerp in mijn zak, dat volkomen nutteloos is, neem het aan.

—■ Hoe! uw zakuurwerk?

— Ik heb niet noodig te weten, hoe laat het is, om bij mij terug te keeren. Beter zou het zijn u geld te geven, doch ik heb dezelfele redenen om geen uit te geven , als gij om te voet te gaan.quot;

En de goede godgeleerde deed met den duim en den wijsvinger, hetzelfde beteekenisvol gebarenspel na, zoo even door Dom Bosco gedaan.

„Mijn zakuurwerk zal geld maken, niet veel helaas! Maar gij schijnt vermoeid, ik zal u niet meer ophouden.quot;

dom bosco. 6

ocr page 97

— 86 —

Hij had waar gezegd: 's anderendaags werd het zakuurwerk verkocht bij eenen horlogemaker en het weinige, dat men er van trok, voorzag aan de dringendste benoodigdheden.

Eenige stappen verder bevonden zich moeder en zoon voor hunne nieuwe woning. Zij bestond uit twee slaapkamers, waarvan ééne ook als keuken moest dienen. Het huisraad was samengesteld uit twee kleine bedden, twee banken, twee stoelen, eene kist, eene tafel, een ketel en vier borden.

Met den blik maakte vrouw Margaretha de lijst op van den inboedel dezer inbezittreding; zij vond ze een weinig kort. „Doch neen, zeide Dom Bosco, men heeft niets vergeten; aan alles, wat er werkelijk noodzakelijk is, is er gedacht; zie, moeder, wij hebben zelfs het overtollige, een zakuurwerk, ten minste voor dezen avond, want ik spreek morgen voor niets meer goed.quot;

Door de goede gezindheid van den zoon gewonnen, begon de moeder dan ook op hare beurt te zeggen;

„Ja, dat is het huishouden, wat ik noodig had. In de Becchi's moest ik onophoudelijk gebieden, opletten, schoonmaken, en onderhouden. Hier zal ik in twee stooten mijn heel werk afhebben. Zal ik wel genoeg vinden, om mij bezig te houden? Indien wij anders niets te doen hebben, zullen wij zingen.quot;

Verscheidene kinderen van het Bedehuis warea zich nieuwsgierig komen onder de vensters van het huis zetten, om Dom Bosco te zien. Eensklaps

ocr page 98

— 87 —

hoorden zij de stem van hunnen zoo verlangden meester, begeleid door die zijner moeder, eenen Ita-liaanschen lofzang aanheffen: Angio/etto del mi Dto.

De zang duurde meer dan een uur (i).

Om de waarheid te zeggen, was zijn toestand niet te schitterend. Dom Bosco, die het werk der markiezin van Barolo moest verlaten, ontving geene jaarwedde meer, terwijl zijne uitgaven altijd grooter werden. De metselaars, de huur, het dage-lijksch onderhoud van twee personen moest betaald worden. Wat zeg ik? dit cijfer, twee personen, was zeer dikwijls vermenigvuldigd met verschillende andere. Hoe kon men zoovele kinderen verstooten, die het voedsel der ziel kwamen halen, maar dat des lichaams niet hadden? Hoe eene kom soep weigeren aan dezen, een paar schoenen aan dien, eenige centen, om een boek of eene pen te koopen, aan eenen derden?

Dom Bosco liet verschillende karren hout, koren en aardappelen van de Becchi's komen; deze-voorraad duurde nauwelijks eenige maanden. Men was niets meer schuldig aan zijne moeder, en het geld schoot te kort, om inkoopen te doen.

Dan maakte hij het voornemen eenige stukken land en eenen wijngaard te verkoopen, die hem als eigendom toebehoorden. Vrouw Margaretha toonde zich nog edelmoediger; zij deed haren huwelijksuitzet komen, welken zij zorgvuldig tot daartoe ongeschonden bewaard had. Het waren rokken van

(i) G-B. Lemoyne, Margherita lgt;o.sco p. 114.

ocr page 99

— 88 —

sterke, on verslij tbare stof, die de moeders aan hare dochters vermaakten, daarbij eene groote hoeveelheid lijnwaad en, volgens het gebruik der landelijke huisgezinnen, eene lange gouden keten. Toen zij deze ter harer beschikking had, gebruikte zij hem gedeeltelijk aan de zeer arme sacristij van het Bedehuis, gedeeltelijk aan het onderhoud van haar bescheiden huishouden. Hare rokken werden in kazuifels, haar linnengoed in koorhemden, roketten, kelk- en altaardoeken veranderd; ieder voorwerp ging door de bekwame handen van ééne der da-meri, die het Bedehuis onder hare bescherming hadden genomen, van Mevrouw Margaretha Gastaldi, moeder van eenen kanunnik, die later aartsbisschop van Turijn werd. De prijs van het halssieraad diende, om boordsel en belegsel voor het autaar te koopen.

Hoe onthecht ze ook aan de ijdelheden dezer wereld was, kostte het de goede vrouw toch moeite, van deze kostbare overblijfselen harer jeugd te scheiden.. Eens, dat zij daarover sprak met Dom Lemoyne, die later haar leven schreef, vertrouwde zij hem het volgende toe: „Dikwijls had ik tranen in de oogen, als ik ze voor den laatsten keer bezag, maar als ik dan mijne zwakheid bespeurde, zeide ik: „Gaat dierbare herinneringen van mijnen echtgenoot en mijne ouders, gij kunt niet beter aan uw einde komen, dan op den rug der armen of op dien van de heilige Bruid van Christus.quot; En na deze akte van gelatenheid uitgesproken te hebben, voelde ik mij zoo tevreden, dat ik een goed deel

ocr page 100

— 89 —

uitzetten zou willen bezeten hebben, om ze tot hetzelfde gebruik aan te wenden.quot;

Door deze en dergelijke hulpmiddelen was Dom Bosco in staat, om van M. Pinardi vooreerst eene plaats te huren, die hij in sacristij herschiep, verder verscheidene kamers, die hij voor de zondag- en avondscholen gebruikte. In het begin zat hij zoo in het nauw, dat de klassen gelijktijdig plaats hadden in de keuken, in zijne kamer, in de sacristij, in het koor der kapel, achter het autaar, en tot in de schepen, indien men de leelijke, lage vleugelen van de oude loods met den naam van schepen mag bestempelen. Mocht, in het maken der klassen , de bouwkunst alleen ontbroken hebben! doch de stem van den eenen leeraar bedekte die van den anderen, en het zingen, het heen en weer gaan, het minste voorval, dat er plaats greep, stoorde al wat er gebeurde. De verschillende afdeelingen van scholieren liepen dadelijk ondereen; maar men kon het niet anders inrichten.

Verder, welke tegenstrijdigheid gedurende de Zon- en feestdagen, tusschen de kalmte der Becchi's en het gedruisch van een duizendtal kinderen: want reeds bereikte men dit getal! Hoe dikwijls zeide vrouw Margaretha aanharen zoon: „Toen ik slechts uwe twee broeders had, scheen mij mijn jong huisgezin reeds luidruchtig; waar is heden het getier, waarover ik mij beklaagde; en gave God, dat ik in mijne oude dagen, het hoofd niet meer verbrijzeld krijg, dan voorheen, toen ik jong en sterk was! Niet dat ik mij daarover wil beklagen, mijn

ocr page 101

— 90 —

goede Johannes; breng altijd nieuwe levenmakers bij; nooit zullen er te veel voor mij zijn, zoolang gij hun goed kunt doen!quot;

Gedurende de tien jaren, die zij nog leefde, gaf de moedige vrouw geen teeken van ernstige vermoeienis of van ongeduld. Eens zeide zij het Bedehuis te willen verlaten ter oorzake van voorvallen, zooals het Bulletijn van Maart 1881 er een verhaalt : „Na den veldtocht van 1848, kwam een onzer oude weezen, die heden huisvader is, en Dom Bosco eene zeer groote genegenheid toedraagt, naar het Bedehuis terug. Hij had kortelings in het regiment der Bersaglieri gediend, en natuurlijk noemden wij hem den Bersagliër. Dus, op ons aandringen en met de toestemming van Dom Bosco, kwam hij op het denkbeeld ons de wapenoefening te leeren, en vormde hij uit de flinkste van ons, eene kleine krijgsbende. Wij ontvingen van het Staatsbestuur twee honderd afgedankte geweren, wij vulden onze wapening aan met stokken, de Bersagliër bracht zijne trompet, en op weinig tijd beschikte ons Bedehuis over eene legerbende, wier krijgskundige bekwaamheid stout tegen die der schutterij kon opwegen. Onze jongelieden waren er verzot op, en hielden zich met niets anders meer bezig. Op alle plechtigheden was ons krijgsvolk in dienst, om de orde te handhaven, tot zelfs in de kapel, en deze oefeningen brachten niet weinig bij, om onze oude vrienden, die in het leger ingelijfd waren, tot ons terug te brengen.quot;

Mama Margaretha, (zoo noemden wij ze allen) als

ocr page 102

— 91 —

goede huishoudster, had zich achter op de speelplaats een klein beluik voorbehouden, waarin zij met eene teedere bezorgdheid peterselie, kervel, prei en wortelen, ja zelfs salie en muntekruid aankweekte. Welnu op eenen hoogen feestdag, ik weet niet meer welken, verzamelde de Bersagliër zijn leger, plaatste het in twee afdeelingen, en wilc'e de talrijke toeschouwers een spiegelgevecht laten zien. -Hij deelde de rollen uit en bepaalde, welke der twee legerafdeelingen voor de andere zou moeten wijken en voorwenden overwonnen te zijn. Het was aan de heg van den kleinen hof, dat men moest ophouden en de wapenen neerleggen.

Hij nam het opperbevel en gaf het teeken ten aanval: „Vooruit! vuur!quot; De twee krijgsbenden wierpen zich onder vreeselijk geschreeuw tegen elkander, gingen vooruit, achteruit, draaiden en keerden zich weer om, met houten geweer tegen houten geweer. Alleen de reuk van het buskruid en het gedruisch van het geweervuur ontbrak er aan; maar de vreugdekreten, de toejuichingen der toeschouwers, konden des noods dienen voor het weeklagen der gewonden en stervenden, en zelfs voor de losbrandingen van het geschut. Het ging er zoo hevig toe, dat de gewaande overwonnenen, hun wachtwoord vergetende, de overwinnaars aanrandden, en hen het hofje van mama Margaretha instieten. De haag werd omgeworpen en vertrapt; er waren echte gewonden en echte dooden: het was de prei en wortelen. De opperbevelhebber schreeuwde, stak de trompet, maar het gelach en het handengeklap der

ocr page 103

— 92 —

toeschouwers belette hem zich te doen verstaan. Als de twee vaandels zich wederom verhieven en zich broederlijk vereenigden , bleef er van dat vermaard hofje niets meer over dan de plaats.

„Alleen, mama Margarethajuichte niet toe, integendeel.

Bij het zien van de ramp, draaide zij zich naar haren zoon en zeide in Piëmonteesch plat (welke taal zij gebruikte, als zij kwaad gestemd was): „Varda, varda, Gioanin, loc'al a fait l'Bersalie, al a guasta me tout l'ort! hetgeen beteekent: Zie, zie, Johannes, wat de Bersagliër gedaan heeft! hij heeft mij den -geheelen hof bedorven!quot; Dom Bosco antwoordde haar met den glimlach op de lippen, insgelijks in het plat; „Mare, cosa veuli feie? A son giouvu! Moeder, wat wilt gij hun doen? Het zijn kinderen!quot; De Opperbevelhebber echter, die heel beschaamd was over zijn gering gezag, maakte duizenden verontschuldigingen. Eindelijk trok hij een zakje met gerstensuiker uit, en verzocht de moeder van Dom Bosco het aan de strijders, over-winnaars en overwonnenen uit te deelen.

Vrouw Margaretha deed, alsof er niets gebeurd was. Doch na eenen nieuwen guitestreek van dezelfde soort, trad zij in de kamer van haren zoon en zeide hem; „Hoor mij aan, Johannes, ik zal u in goed Italiaansch spreken; ik kan geen goed meer doen in dit huis. Gij ziet, hoe onverdraagzaam uwe kinderen zijn; ieder oogenblik zetten zij iets nieuws uit. Deze blijft in zijn loop aan mijne tafel hangen en werpt ze om met mijne nog vochtige wasch er

ocr page 104

bij, gene scheurt zijne broek, trekt zijn kiel in stukken, maakt gaten in zijne kousen, alsof hij het met opzet deed, zoodanig, dat ik werkelijk niet weet, van welken kant beginnen om ze te herstellen; en mijn hof, mijn arme hof! Wat heb ik opnieuw moeten planten! Waarlijk, ik kan het niet meer uithouden. Wees redelijk, Johannes, laat mij naar de Becchi's teruggaan, om er de weinige dagen, die mij nog te leven overblijven, in vrede door te brengen!quot;

Dom Bosco bezag zijne moeder strak, met ontroering en teederheid, en zonder iets te zeggen, toonde hij haar het kruisbeeld, dat aan den muur hing.

Margaretha begreep, en met de oogen vol tranen zeide zij: „Gij hebt gelijk, Johannes, gij hebt gelijk!quot;

^ En bedaard ging zij naar haar werk terug.

Men zag haar zelfs op hare beurt de verdedi-ging op zich nemen van deze onbezonnenen, die nog slecht aan de tucht gewend waren. Eens, dat één hunner de hennen door zijn geschreeuw verschrikte en er vermaak in vond , ze in eene naburige weide te jagen, liep Maria Occhiena, zuster van Margaretha, die zich aan het Bedehuis was komen vestigen om deze laatste te helpen , den kleinen bengel na en riep; „Wilt gij de hennen laten? Als gij ze niet terughaalt, zal ik u doen wegsturen!quot; Margaretha, die uitkwam, om naar de oorzaak van al dat leven te vernemen, zeide stil aan hare zuster : „Heb geduld, mijne goede Maria, ik zal hem bekijven; maar ziet gij niet, dat zij kwik in de aderen hebben?quot;

ocr page 105

— 94 —

Wij hebben twee medehelpsters van vrouw Mar-garetha genoemd: Maria Occhiena, tante van Dom Bosco, en Mevrouw Gastaldi. Zij waren de eenige niet. Andere verkleefde vrouwen vereenigden zich met de moeder van den heiligen priester en stonden ze met hare naalden bij, of wel brachten haar elken Zaterdag, haar linnengoed, geheel gewaschen, gestreken en gelapt. De bijzonderste was de moeder van Mgr. Franzoni, den luisterrijken Aartsbisschop van Turijn.

Hare bezoeken voltrokken, ten gunste van het Bedehuis, de verovering van de openbare meening van Turijn, die reeds zeer gunstig was, sedert men de eerste uitslagen van het werk gezien en de gevoelens van den koning gekend had.

Het gemeentebestuur zelf van Turijn, voor de klaarblijkelijkheid wijkende, legde de wapenen neer, ja deed nog meer. Het noemde een bijzondere Commissie, om de scholen van het Bedehuis na te zien. Deze commissie, verwonderd over de vorderingen bij jongelingen , die grootendeels, op de straatkeien opgeraapt en alles aan Dom Bosco verschuldigd waren, maakte er zulk een lofluidend verslag over, dat het gemeentebestuur eene jaar-lijksche toelage van drie honderd frank aan het Bedehuis meende te moeten verleenen.

Rond denzelfden tijd stond hem de Ridder Gonella, Bestierder van een Werk „Dc geleerde Bedelarijquot; eene som van duizend frank af, waarover hij naar believen kon beschikken.

De geestelijke Overheid verdubbelde insgelijks

ocr page 106

hare getuigenis van genegenheid. Toen de stichter van het Bedehuis het goed vond, van de voorbeel-digste onder hen in een bijzonder geestelijk genootschap, onder de bescherming van den heiligen Aloy-sius van Gonzaga te stellen, om zijne leerlingen in de godsvrucht en de deugd aan te moedigen, kwam de Aartsbisschop van Turijn de plechtigheid der inhuldiging, den ag8'™ Juni 1S47, voorzitten; hij maakte er gebruik van, om het H. Vormsel aan meer dan drie honderd jongelingen toe te dienen. De arme kapel van het beluik Pinardi had de eer, met den Aartsbisschop ook den pauselijken Nuntius en verscheidene groote personaadjes van het hof te ontvangen.

ocr page 107

ZESDE HOOEDSTUK.

STICHTING VAN HET INTERNAAT. HELDHAFTIGE EN TKEFFENDE HERINNERINGEN.

ot in 1847 kwamen de weezen slechts op Zon- en feestdagen of voor de avondscholen naar het Bedehuis, en keerden daarna weer naar hunne ouders terug, als zij een tehuis hadden. De vrucht der ontvangen onderrichtingen en de duur der goede voornemens waren bijgevolg zonderling blootgesteld; de buitengebleven makkers maakten zich door hunne spotternijen, wederom meester van hen, die zich hadden willen beteren. De slechte bejegeningen waren menigvuldig en, om zoo te zeggen, onvermijdbaar; één uur bedierf het werk van verscheidene weken. De patroons, bij welke zij leerden, waren ook niet allen aan te bevelen; dikwijls moest de goede vader zijne kinderen uit een verdacht huis wegnemen, om hen in een zekerder te plaatsen. Hij bezocht ze en liet ze bezoeken, ondervroeg ze over de gesprekken, die zij gehoord hadden, kortom, hij deed zijn best, om den slechten invloed

ocr page 108

— 97 —

te bestrijden. Maar het kwaad leert men beter aan dan af; zonder te tellen, dat deze soort van geheime politie, die Dom Bosco verplicht was in te stellen, zijne kieschheid kwetste, en dat hij zich eenen vijand maakte, zoo dikwijls hij een kind aan eenen patroon ontnam.

Uit al deze beschouwingen besloot hij, dat zijn Scheppingswerk niet volkomen afgedaan was, zoolang hij niet dag en nacht de kinderen onder zijne handen kon houden.

Hij begon met aan de behoeftigste eene soort van hooizolder aan te bieden , met versch stroo en eenen zak voor ieder, somtijds zelfs eene deken, om hen te beletten van onder den blooten hemel te gaan slapen. Deze eerste proef van algemeene slaapzaal werd nog al slecht beloond. Men moet werkelijk niet meenen, dat' de kleine landloopers allen goede jongens waren, en niets anders verlangden dan engelen te worden, en dat het ambt van temmer der beschaafde wilden, slechts goeden uitval en genot in zich bevat.

Eens, dat hij 's avonds van zijne zieken naar huis kwam, ontmoette hij aan den ingang van den Val-docco eene bende jonge losbollen, die bij het zien van een zwart kleed, zich eens goed ten zijnen koste wilden vermaken. Toen zij hem zagen, begonnen zij den weiluidenden kreet van den raaf na te bootsen, denzeifden in alle landen , en in alle landen aangenomen, als vereenigingskreet voor de beleedigers der priesters. Zonder zijne stappen te verhaasten of te vertragen, ging Dom Kosco

ocr page 109

— 08 —

recht naar de beleedigers, die zeer gauw van hun stuk waren door zijne bedaardheid en zijn buitengewoon goedhartig voorkomen. Men vormde eenen kring rondom hem.

„Beziet mij goed, zeide hij, heb ik dan het uitzicht van eenen menscheneter? Gij schijnt mij als eenen vijand te behandelen; welnu! ik, ik aanzie u slechts als vrienden.

— Indien gij onze vriend zijt, zeide de stoutste der bende, gaat gij het ons bewijzen, door te beginnen met een glas voor ons te betalen.quot;

En de anderen lachten.

Dom Bosco was niet ontsteld.

„Gaarne mijne vrienden, zeer gaarne; laat ons naar de herberg der Apen gaan, hier kort bij.quot;

En zij zetten zich allen samen aan tafel rond ééne flesch, daarna rond twee en drie. De herbergier keek verbaasd op; maar toen hij Dom Bosco, welken hij dikwijls zag voorbijgaan, herkend had, was hij niet verrast of ontsticht.

Als Dom Bosco zijne tafelmakkers half dronken zag, vroeg hij hun dat zij hem op hunne beurt, ook een klein pleizier zouden doen. „O! meer dan één Heer Pastoor. — Neen, één slechts. Dat gij den spot met mij schijnt te drijven, is mij nog al onverschillig; maar ik heb u hooren vloeken, God beleedigen: dat, dat is eene dwaasheid en eene ondankbaarheid, want de goede God is sterker dan gij, en gij hebt alles van Hem ontvangen. Belooft mij van het niet meer te doen!quot; Zij beloofden het hem allen en voegden er bij op zijne uitnoo-

ocr page 110

— 99 —

diging, dat zij hem Zondag in het luiis Pinardi zouden komen bezoeken.

„Het is nu nacht, merkte hij hij wijze van besluit op: gij zult wel doen van naar huis te gaan. — Ik heb geene woning, antwoordde de eene. — Ik ook niet, verklaarde een andere. Op een twintigtal, die -zij daar waren, kenden er tien of twaalf geen ander dak dan het gewelf des hemels en geen anderen vloer dan de keien der straat. „Waar slaapt gij dan? drong Dom Bosco aan. Soms onder of op de banken der wandelplaatsen, indien het jaargetijde dit toelaat; soms in een half opgebouwd huis, soms in een rijtuig, of naast de paarden, als de stalknechten goed gezind zijn; soms op de groote gemeenteslaapzaal; maar daarvoor moet men vier centen hebben!

— Arme kinderen! zuchtte Dom Bosco, luistert, naar hetgeen ik u voor dezen avond voorstel; dat zij, die een nachtverblijf en ouders hebben, bedaard naar huis terugkeeren; ik zal de anderen medenemen.quot;

De bende verdeelde zich dan in twee helften, van welke ééne zich van den kant der stad verwijderde, na eenige handdrukken met dien lieven priester gewisseld te hebben; de andere volgde hem naar den Valdocco.

Thuis gekomen, bracht hij ze op den hooizolder, waar men inklom door middel van eene ladder, gaf hun het noodige om zich half en half te dekken, en na een „Onze vaderquot; en „Wees gegroetquot; met hen gebeden te hebben, wenschte hij hun eenen goeden nacht; hij was verrukt over zijne goede ontmoeting,

ocr page 111

— 100 —

en overtuigd, dat hij het begin van zijn Internaat in handen had.

's Morgens vroeg ging hij ze roepen, om iedereen naar zijn dagelijksch werk te sturen. Hij kwam aan de ladder en hoorde niet het minste gerucht. „Wat zij slapen! dacht hij, de arme kinderen! is het niet jammer ze te wekken?quot; En hij wachtte nog met eenen voet op de ladder. Toen de stilte aanhield, besloot hij naar boven te gaan. Het nest was ledig, de trekvogels waren vroeger dan hij opgestaan ; zij waren weggevlogen en zakken en dekens met hen. Maar hetgeen Dom Bosco het meeste bedroefde, was de zekerheid, dat hij ze nooit meer, ten minste in het Bedehuis, zou terugzien. Hij zocht dus het middel tot het stichten van een verblijf, of gasthuis, dat wil zeggen, van een werkelijk Internaat; doch hij week terug voor de moeielijk-heden en uitgaven, toen op zekeren meiavond van 1847, gedurende eenen hevigen slagregen, terwijl zijne moeder en hij eindigden met eten, een groote jongen van een vijftiental jaren, doornat, aan de deur klopte, en een schuilplaats met een stuk brood vroeg.

Vrouw Margaretha bracht hem in de keuken, deed hem naast het vuur neerzitten en gaf hem alles, wat er van het bescheiden avondmaal overbleef.

Als hij wê! droog en hersteld was, bedankte hij hen, en alvorens afscheid te nemen, vertelde hij hun zijne levensgeschiedenis. „Ik ben wees, ik kom van Valsesia, en ik dien de metsers, als ik werk heb..

ocr page 112

— 101 —

Maar voor het oogenblik zoek ik er nog. Toen ik mijn land verliet, had ik drie frank, ik heb geen cent meer over.

— Hebt gij uwe eerste Communie gedaan? vroeg Dom Bosco met levendige belangstelling.

— Nog niet.

— Volgt gij den catechismus? Gaat gij somtijds te biechten?

— In mijne streek ging ik wel, maar hier ken ik niemand.quot;

Toen het kind deze woorden sprak, begon het te weenen. Het scheelde weinig, of vrouw Marga-retha deed mede.

„Indien ik wist, dat gij een eerlijke jongen waart, hernam Dom Bosco, zou ik misschien wel middel vinden, om u ergens te herbergen, maar anderen hebben mij mijne zakken en dekens weggenomen. . . .

— Heer Pastoor, zei het kind, ik ben arm, maar ik heb nooit gestolen.

— Indien gij wilt, Johannes, zullen wij hem houden, stelde vrouw Margaretha voor.

— En waar zullen wij hem leggen ?

— Hier bij mij in de keuken; ten minste zal hij hier de zakken van den hooizolder niet medenemen.

— Neen, maar wel uw ketel.

— Ik zal wel zorgen, dat zulks niet gebeurt.

— Welnu, het zij zoo, kom ons helpen, kleine.quot;

Zij gingen alle drie naar buiten, brachten planken binnen, die zij op een half dozijn brikken plaatsten , voegden daar stroo bij met eene deken, en het bed was klaar.

Don iiosco. 7

ocr page 113

Margaretha zorgde voor de veiligheid van den ketel, door de buitendeur ce sluiten. Toen Dom Bosco slapen ging, nam hij er den sleutel van mede.

Dit was de eerste slaapzaal van het Salesiaansch Toevluchtsoord, dat er heden meer dan veertig telt, waarop acht of negen honderd kinderen slapen, die anders vuur noch plaats zouden hebben.

Voordat vrouw Margaretha insliep, deed zij een klein sermoon aan haren gast, over de noodzakelijkheid van den arbeid en den godsdienst, en maande hem aan, zijn gebed te doen,

„Ik kan het niet goed meer.

— Zeg het mij na,quot; zeide zij. En zij begon langzaam het gebed te zeggen, terwijl zij na ieder woord ophield, opdat het kind het kon herhalen.

Zoo deed vrouw Margaretha alle avonden. Zonder het te weten, voerde zij op deze wijze een gebruik in, dat tot nu toe in al de Salesiaansche Huizen is bewaard gebleven. Na het gebed wenschte de Vader van het jonge huisgezin den goeden avond aan zijne talrijke kinderen, opdat ze, om zoo te zeggen , insliepen in heilige gedachten en heilzame voornemens voor den anderen dag.

Het kind toonde zich het vertrouwen waardig, dat men hem betoonde. Het kwam zijne maaltijden en zijn nachtverblijf in het Bedehuis nemen, vond werk, en bleef de gast van vrouw Margaretha tot in het begin van den winter..Dan ging het naar zijne streek terug, en men heeft niet meer van hem hoo-ren spieken.

ocr page 114

_ -103 —

Eene maand daarna, in Juni, kwam Dom Bosco 's avonds terug van de kerk van den H. Franciscus van Assisië. Als hij over de plaats Sint Maximus ging (welke later plaats of corso der koningin Mar-garetha genoemd werd) zag hij eenen jongen van ongeveer twaalf jaar met het hoofd tegen eenen olm leunen en overvloedige tranen storten. „Wat doet gij daar, en w aarom weent gij ? vroeg de goede priester, terwijl hij naar hem toeging.

— Ik ween, omdat ik niet weet wat doen; mijn vader is gestorven voordat ik hem kende, mijne arme moeder, die mij zoo lief had, is dezen morgen begraven. De eigenaar onzer kamer heeft mij buiten gezet en de weinige kleederen, gehouden, die wij hadden, omdat wij hem nog eenen termijn van de huur schuldig zijn.quot;

En het kind begon te weenen. Dom Bosco bedacht zich een oogenblik en zeide: „Kom met mij. '

— Met u? Maar ik ken u niet, Heer Pastoor.

— Kom maar, wij zullen kennis maken.quot;

Hij nam hem bij de hand en toen hij in tegenwoordigheid van vrouw Margaretha was, zeide hij: „Moeder, ziehier eenen nieuwen zoon, dien de goede God ons zendt.

— God zij geloofd! antwoordde de moeder.quot; Zij herinnerde zich zeker het spreekwoord: Naarmate God een ezeltje schept, laat Hij ook eene distel ontspringen.

Dit tweede kind plaatste men naderhand als klerk in een magazijn; het werd weldra door een derde gevolgd, daarna door een vierde, verder, in

ocr page 115

— 104 —

1848, door een twintigste en een dertigste. Vrouw Margaretha werd op deze wijze meer en meer „mama Margarethaquot; en eene echte kosthuisbestuurster, met dit verschil echter, dat het kostgeld door de openbare weldadigheid betaald werd.

Pinardi had nog eenige andere huurders, dan het Bedehuis en zijn aangroeiend gezin. Dom Bosco regelde zich zoodanig, dat hij ze allen bij den vervaltijd van hun huurcontract, achtereenvolgens kon vervangen. Zoo doende bezette hij het heele huis, in afwachting van het te kunnen koopen.

Doch hoe meer hij vergrootte, des te enger zat hij. De slaapplaats vooral was heel en al onvoldoende. Hij had dan het gelukkig denkbeeld van door den dag, alleen die gasten te ontvangen, welke den nacht te Turijn gingen doorbrengen; en opdat deze verordening aan een groot getal voor-deelig zou zijn , ontving hij ze bij groepen van vijftig, dat wil zeggen, vijftig kinderen liet hij van Zondag morgen tot Zaterdag avond aan zijne tafel toe;, de volgende week was het de beurt van vijftig andere.

De klassen, die alle dagen regelmatig plaats hadden , stegen dan wederom hooger, en men kon aan het Bedehuis verschillende ambachten beginnen om hun die aan te leeren, of ook om de uitgaven van het huis te verlichten. Dom Bosco vermeerderde de opleiding zijner Macstrini, door op de onderrichting der ambachten toe te passen, wat hij voor de onderrichting der school had uitgedacht: hij legde er zich op toe om door zijne weezen onder

ocr page 116

— 105 —

allerlei vormen aan anderen te doen schenken, wat zij van hem ontvingen. De eerste winsten van zijne leerlingen (schoenmakers, schrijnwerkers, metselaars enz.) werden voor de algemeene spijzing bestemd. Mama Margaretha was verrukt, als zij kon zeggen: „Dit geld is gewonnen door onze kinderen.quot; Maar men moest dadelijk, onder geldelijk opzicht, een tamelijk groot gedeelte aan de arbeiders afstaan, ten minste aan hen, die bestemd schenen, om zich eens in de wereld te gaan vestigen; en dit was het aanzienlijkste getal. Het Huis deelde met hen, in verhoudingen, die volgens den ouderdom en den graad van ieders bekwaamheid veranderden. Met alles te houden, zou het geene onrechtvaardigheid gepleegd hebben, wijl zij niets tenzij door hem wonnen; maar het zou ze ontmoedigd hebben. Het eigendomsrecht zal altijd voor het grootste deel der menschen de voornaamste prikkel tot den arbeid zijn, prikkel, minder machtig evenwel dan de liefde, die Dom Bosco en zijne moeder deed handelen. Welke aard-sche belooning zou in staat geweest zijn, om dien machtigen geest des arbeids bij hen te verwekken, waarvan zij zoo een schitterend voorbeeld gaven?

De Stichter van het Werk der Salesiërs rustte uit bij deze handwerken van de groote geestesspan-ning, die zijn bestuur'en vooral zijne letterkundige werken vereischten. Ook, verhaalt één zijner levensbeschrijvers, kon men hem zijne moeder zien helpen aan de grove huiswerken, aan het water putten, het vegen, hout zagen, vuur aansteken, snijboonen pellen, aardappelen schillen, en hij schaamde zich

ocr page 117

— 106 —

niet, als het noodig was, den voorschoot aan te trekken en zelf de Polenta te maken. Dien dag werd zij als buitengewoon smakelijk toegejuicht.

Eene broek snijden en zelfs naaien, was niet boven zijn vermogen, en de zaken, die hij somtijds voor de kinderen herstelde, waren zoo niet uiterst sierlijk, ten minste wonderlijk sterk.

De eetzaal was een der oorspronkelijkste. Iedereen zette zich neer, waar hij kon en zooals hij kon; de ééne op de speelplaats, op eenen steen of een stuk hout; de andere op den trap, en de kommen werden ledig gemaakt als bij tooverslag.

Eene bron van versch water ontsprong daar kortbij; zij verschafte eenen even heilzamen als overvloedigen drank.

Was de maaltijd geëindigd, dan wiesch iedereen zijne kom en zette haar in veiligheid; wat den lepel betrof, dit was zoo een kostbaar voorwerp, dat men hem in den zak hield, bij gemis aan eene lade, om er hem in te leggen.

Kleine speelplaats, nederige kamers! Wat hartelijke en zoete vreugde heerschte in dit arm huisgezin! Na het Bencdicitc had Dom Bosco de gewoonte van aan zijne dischgenooten te zeggen: „Goeden eetlustquot; en deze onnoozele aanbeveling werd onfeilbaar door eenen hevigen schaterlach ontvangen.

De uitmuntende Vader bezat in zijn geest en hart eenen on veranderlijken schat van jeugdige vroolijkheid. Niemand kon evenals hij de kinderen vermaken en hun belang inboezemen. Hij vertelde

ocr page 118

— 107 —

met eene lieftallige goedhartigheid, en zijn altijd fijne zet, was opmerkenswaardig om zijne juistheid en zijne wending. Ook waren de maaltijden, bij gemis aan krachtiger kruiderijen, altijd door hunne levendigheid en hunnen vroolijken gang gekenmerkt. (i)

De tafel van den meester was niet beter dan die der leerlingen: soep, brood en één schotel, zoodanig zelfs, dat niet één zijner medebroeders, na eenige dagen beproefd te hebben om met hem te leven, het kon uithouden; allen zochten eenen anderen leefregel. „Onze soep was de zijne,quot; verhalen zijne eerste leerlingen. Hij had verder ééne portie, maar zijne moeder, maakte ze hem op zijn bevel 's Zondags, en diende ze hem op zoowel aan middag- als aan avondmaal tot Donderdag avond; des Vrijdags 's morgens, maakte zij eene andere, eene magere, en zoo eindigde de week. Gewoonlijk was deze vermaarde schotel eene taart of pastei, en zij hoefde maar warm gemaakt, om gereed te zijn. Was zij een weinig garstig of somtijds een weinig beschimmeld, vooral des Zomers, Dom Bosco keek zoo nauw niet: hij beelde zich in, dat zijne moeder ze met een scheutje azijn had begoten, en hij at ze met niet minder eetlust op. (2)

Zijne eerste leerlingen herinneren zich heden nog met genoegen zijne goedhartigheid en lustigheid.

Eén hunner, die zich voorbereidde, om eene algemeene biecht te spreken, had zijne zonden op-

(1) Dokter Karei Despiney, Dom Bosco, p. 41.

(2) Bolletino Salesiano, 3e jaar.

ocr page 119

— -JOS —

geschreven. Was het uit al te strenge scherpzinnigheid, die ze hem vergrootte, of had hij er werkelijk zooveel bedreven ? Het feit is daar, dat hij een heel schrijfboek had vol geschreven. Tot overmaat van rampen, viel dat schrijfboek uit zijnen zak. Dan begon het arme kind te zoeken en te herzoeken, en in alle hoeken rond te tasten, en toen het niets vond, heete tranen te storten. Dom Bosco had het schrijfboek buiten iemands weet gevonden, toen men hem den kleinen ontroostbare aanbracht. „Wij weten niet, wat hij heeft; hij is troosteloos en wil niet zeggen waarom.

— Laat eens zien, mijn kleine Jacob, hield Dom Bosco met teederheid aan, hebt gij pijn? Heeft men u verdriet aangedaan ? Zouden uwe makkers u geslagen hebben?quot;

Terwijl hij hem deze vragen stelde, streelde hij hem als een vader, om den loop zijner tranen te stillen. Het kind veegde zijne tranen af en een weinig moed vattende, antwoordde het; „Ik heb mijne zonden verloren.quot;

Bij deze woorden, lachten al zijne makkers luidop, doch Dom Bosco, die dadelijk begrepen had, waarover het ging, voegde glimlachend er bij; „Gelukkig zijt gij uwe zonden verloren te hebben, en nog. gelukkiger , indien gij ze niet meer kunt terugvinden, omdat gij , van uwe zonden ontbloot, zeker naar het Paradijs zult gaan.quot; Maar de goede, kleine jongen hernam, daar hij vreesde, dat men hem niet verstaan had: „Ik heb het schrijfboek verloren waarin zij geschreven waren.quot;

Dan trok Dom Bosco het groote geheim uit

ocr page 120

— 109 —

zijnen zak en zeide: „Stel u gerust, mijn vriend, uwe zonden zijn in goede handen gevallen, hier zijn zij.quot; Bij het zien daarvan, klaarde het voorhoofd van onzen jongen bedroefde op, en zeide hij al glimlachende; „Indien ik geweten had, dat gij ze gevonden hadt, zou ik hebben beginnen te lachen, in plaats van te weenen, en als ik dezen avond ging biechten, zou ik u gezegd hebben: „Mijn vader, ik beschuldig mij van alle zonden, die gij gevonden hebt en thans in uw zak zitten.quot;

Somtijds moest hij zijne kinderen tegen hunne eigene familie beschermen. Ken hunner, mishandeld door zijnen vader, die hem sloeg, hem boven zijne krachten deed werken en hem zelfs wilde verbieden van naar het Bedehuis te gaan, kwam bij Dom Bosco eene schuilplaats zoeken; doch daar hij van nabij vervolgd werd, had hij den tijd niet om in het Muis te geraken, en klom op eenen moerbezieboom.

Nauwelijks bevindt hij er zich en is in de bladeren verscholen, of zijne ouders komen aan, gaan onder den boom door, zonder hem te bemerken, en eischen hem op gebiedenden toon van Dom Bosco terug. Deze kende ze, en hij zelf had het kind aangezet om zijne hulp in te roepen. Hij zeide aan de vergramde ouders, dat hun zoon niet bij hem was: „En toch moet hij er zijn. — Ik verzeker u, dat hij niet hier is en was hij er, dan hebt gij het recht nog niet om met geweld in iemand anders huis te dringen.

— Welnu, wij zullen naar de politie gaan, en wij zullen ons kind wel weten uit de handen der pastoors te trekken.

ocr page 121

— 110 —

— Ja, gaat er naar toe, naar de politie, ik zal er u heen volgen, en bekend maken, op welke onwaardige manier gij uwen zoon behandelt, en het gerecht zal u van alle zorg over hem ontslaan.quot;

Bij deze bedreiging, gingen de ouders henen, omdat zij zich schuldig voelden, en men zag ze niet meer terug.

Maar wat gebeurde er met het kind? Toen zijne twee vervolgers zich verwijderd hadden, ging Dom Bosco, mama Margaretha en verscheidene anderen naar den moerbezieboom; zij spoorden het kind aan om af te komen, riepen hem bij zijnen naam, maar te vergeefs. Het was reeds nacht en zeer koud, en de ongelukkige gaf geen teekcn van leven meer. Men keek aandachtiger naar boven, en in den maneschijn zag men hem onbewegelijk, stevig vastgeklampt aan eenige takken. Dom Bosco roept harder: „Kom af, mijn vriend, vrees niet, er is niemand meer hier, en als het noodig is, zullen wij u verdedigen.quot; Maar hij sprak tot den wind. Dan doorliep al de toeschouwers van dit tooneel eene koude rilling: men duchtte eenig ongeluk.

Dom Bosco deed zich aanstonds eene ladder aanbrengen, en met een hart bevend van vrees, klom hij den boom op. Hij nadert het kind, en vindt het heel verkleumd en van gevoel beroofd. Met de grootste voorzorgen raakt hij hem aan, schudt hem, roept hem; dan scheen het kind als uit eenen doodslaap te ontwaken. Meenende dat zijn vader nog achter hem was, begon het luid te schreeuwen. Het beet en spartelde met zulk

ocr page 122

geweld, dat het weinig scheelde of het viel van den boom af, en trok Dom Bosco in zijnen val mede. De goede priester hield zich met eene hand aan eenen sterken tak vast, en drukte met de andere den armen jongen vast tegen zich aan: „Wees niet bevreesd, mijn vriend, herhaalde hij, ik ben Dom Bosco; zie, ik draag het priesterkleed, zie mij in het aangezicht ; bedaar, en vooral bijt niet, want gij zoudt mij pijn doen.quot; In één woord, hij maakte dat hij het gevoel van bestaan in hem terugriep, en de kalmte in zijnen gejaagden geest herstelde. Bij zich zeiven gekomen, zuchtte de knaap diep, dan met de hulp van Dom Bosco, kwam bij van den boom af. Mama Margaretha ontving hem teeder-lijk, nam hem mede naar de keuken, versterkte hem door eene goede Minestra, en van dit oogen-blik af, was de wijkplaats van den H. Franciscus van Sales zijn huis, en Dom Bosco zijn vader.

Menschlievender dan de andere, zette hem Dom Bosco aan een ambacht in evenredigheid met zijne krachten; maar, toen hij bij hem veel geesten goeden aanleg had opgemerkt, liet hij hem studee-ren, en leerde hem zelf het Italiaansch, het Latijn en het harmonium; kortom , hij maakte er zijnen rechterarm van voor de feesten, waarbij men muziek gebruikte. Deze jongeling, die zijne studiën voleindigde in 1857, heeft de Heilige Orden ontvangen en de eer gehad de eerste priester van Dom Bosco te zijn. Hij trad in het Genootschap der Salesiërs, en is één van de meest onderscheidene leden der geestelijkheid van Turijn geworden.

ocr page 123

— 112 —

De voortdurende betrekkingen van den meester met de leerlingen en de alledaagsche bezigheden, waaraan men hem dikwijls betrapte, zouden, naar het schijnt, zijn gezag hebben moeten verminderen. Dit was echter het geval niet, omdat hij nooit met hen handelde als met zijne gelijken, en hij op zijnen tijd ook deftig kon zijn. Ken vader kan zich zonder vrees toegevend toonen, mits hij op afstand blijve, eveneens kan hij zich streng toonen en toch bemind worden, mits men wete, dat hij rechtvaardig is. De eerbied en toegenegenheid zijn zoo nauw met elkander verbonden, dat nooit de eene zonder de andere beslaat. Zonder liefde, hebben de kinderen slechts vrees en worden zij huichelachtig of menschenschuw; zonder eerbied, gaat hunne liefde in verachting over, en weten zij niet te gehoorzamen noch zich te overwinnen.

.lt; Dom Bosco verwierf tegelijkertijd den eerbied en de genegenheid door de dubbele drijfveer, die 'hij en zijne medewerkers onophoudelijk aan de kinderen voorstelden; * aan God behagen en den meester bevredigen. Dit.was eene dubbele roede, die voldoende was, om die kleine bende te besturen en ze doen recht te gaan. In tijd van nood, liet de hand van den herder nog eene derde zien : de mogelijkheid , om uit het Huis gesloten te worden. Het was zeer zeldzaam, dat voor deze laatste niet dadelijk alles wederom in orde was. Als men toch eindelijk gedwongen was, eene uitvoering te doen, dan verzette zich Dom Bosco tegen zijn eigen hart en toonde zich onbuigzaam. Eerder moest men een

ocr page 124

— 113 —

schurftachtig schaap opofferen, dan de heele kudde blootstellen.

Zekeren zondagavond, toen Dom Hosco zijne internen toegelaten had om hem na het gebed de hand te kussen, vergat hij er bij vergissing éénen. Het arme kind legde zich al weenende te bed; zijn gesnik duurde tot in het midden van den nacht; het was, om zoo te zeggen wanhopig. De bewaker stond op, om hem te vragen, wat hem scheelde. „Ach, zuchtte het kind, ik moet wel eenige grove fout bedreven hebben, daar de Vader niet wilde, dat ik hem de hand kuste.quot; De bewaker, bewogen, ging Dom Kosco wekken om hem te vertellen, wat er plaats had. De goede Vader kleedde zich in der haast aan, kwam op de slaapzaal, stelde het kind gerust, streelde hem, verzekerde hem, dat hij hem had overgeslagen, zonder hem bemerkt te hebben, en dat hij zelf laakbaar was, en vroeg hem vergiffenis. De zoete woorden bedaarden het kind; het kuste en herkuste de hand van Dom Bosco om zijne schade in te halen, en sliep gelukkig en glimlachend in.

Kén woord, één teeken, één blik van Dom hosco hadden op de leerlingen eene buitengewone, oogenblikkelijke uitwerking. Kens zoo, verhaalt één hunner, waren wij met vier honderd aan het loopent spelen, schreeuwen, toen Dom Bosco naar ons toekwam, om met ons te spreken. Nauwelijks had hij zijne hand opgeheven of alles hield op, geschreeuw en spel; in éénen oogslag waren wij rondom hem, allen onbeweeglijk, stil en oplettend. Ken soldaat, die ons gedurende eenige oogenblikken

ocr page 125

— 114 —

bezag, riep uit: „Ziedaar een pastoor, die met zulk afgericht leger, altijd zeker zou overwinnen, als hij veldheer was.quot;

De goedheid werd bij den Vader door het gezag vermeerderd; in de moeder, in mama Margaretha, was zij gansch doordrongen van teederheid. Als een kind eene berisping ontvangen had, meende Margaretha, dat men hem niet alleen zijnen wrok moest laten overdenken, en tenzij Dom Bosco haar had aanbevolen den schuldige in de afzondering te laten, zag men ze toeloopen, om den balsem in de wonde te gieten. „Wat hebt gij gedaan? zeide zij; zijn deze dan de vertroostingen, die men van u ontvangt? Wij zoeken slechts uw goed; waarom wilt gij ons niet helpen? Indien gij braaf waart, indien gij werktet, zouden wij gelukkig zijn, en gij met ons. Indien gij u zoo gedraagt op uwen leeftijd, en in een huis, waar gij slechts goede voorbeelden onder de oogen hebt, wat zult gij dan doen, als gij u later ver van hier zult bevinden? Waar zult gij gaan? Hoe zult gij aan uw einde komen? Arm kind!quot; Zij liet hem gansch bewogen staan en verwijderde zich, zelve ook bewogen. Andere keeren, maar zelden zonder de toelating van te voren gevraagd te hebben, hief zij de straf op, nam den schuldige mede naar de keuken, en zeide, terwijl zij hem eenen appel of een stuk kaas met brood in de hand stopte, want er waren geene lekkernijen in het Bedehuis; „Neem, Dom Bosco geeft u dit. Wat hij werkt, Dom Bosco! Wat hij zich moeite doet, dag en nacht, om zooveel volk te kunnen voeden. En

ocr page 126

— 115 —

gij, zijt gij niet beschaamd van hem voor allen dank verdriet aan te doen ? Wat hebt gij, hem reeds doen lijden! In zijne plaats zou ik zooveel geduld niet hebben.quot;

Het kind boog het hoofd, sprakeloos en beschaamd , of begon te weenen en gewoonlijk ging het vergiffenis aan Dom Bosco vragen.

„Maar de vergiffenis van Dom Hosco, is niet genoeg, vervolgde mama Margaretha; God dan ? Weet gij wel, wat God is. Hij de groote Weldoener, de opperste Meester? God ziet niet alleen uwe handelingen, maar ook uwe meest verborgene gedachten en misschien de slechte gevoelens, den toorn en de weerspannigheid, die u innerlijk kwelden, terwijl Dom Bosco u zijne verwijten deed, misschien het geringe verlangen, dat gij hebt om van gedrag te veranderen. Vraag Hem dus ook vergiffenis, aan dien goeden God, vraag ze hem uit den grond des harten.quot;

Dikwijls gebeurde het, dat zij hem iets te eten gereed maakte, als zij hem zulk een sermoon hield: „Maar, zeg het aan niemand, voegde zij er bij, gij zoudt mij beschaamd maken; men zou zeggen, dat ik uwe ondeugden aanmoedig, dat ik degenen bescherm, die het niet verdienen?.....Gij, wel is

waar, hebt het niet verdiend, maar gij zult het verdienen ; ik weet dat gij een goed hart hebt, en denk er goed aan: van nu af zal ik u overal van nabij volgen, en de oogen op u hebben!quot; En hoe kon zij degenen, die zich goed gedroegen, aanmoedigen en opwekken om nog beter te doen!

ocr page 127

— 116 —

„Bravo! zeide zij, kom bij mij, liefkind, gij zult onze troost zijn. Dom Bosco is zeer tevreden over u. Ook de goede God is tevreden: Hij zal u zegenen; welaan, omhels uwe mama Margaretha.quot; Indien het zoo aangemoedigd kind niet aan hare verwachting beantwoordde, of indien het bekeven kind in dezelfde fouten herviel, nam zij hem op zijde, en alsof zij aan zijne misslagen vooreerst niet had willen gelooven, zeide zij; „Is het wel waar, wat men mij gezegd heeft. Laat ons zachter spreken, ik wil niet, dat het iemand verneme, die het niet weet. Zie nu eens, hoe gij woord gehouden hebt, hoe gij mama Margaretha voor haar vertrouwen beloont. Indien gij mijn overste waart, indien gij in mijne plaats stondt, wat zoudt gij doen? Zoudt gij den moed niet verliezen, met zulk eenen onver-beterlijken deugniet als gij zijt? Welaan, oordeel u zelf, wat wilt gij, dat wij met u doen?quot;

De lezer gelieve deze kleine bijzonderheden te verontschuldigen; zij zijn de heele opvoeding.

In 1846 smaakte Dom Bosco en zijne moeder eene groote vreugde; vier der kinderen van het Bedehuis namen het priesterlijk gewaad aan. Zij waren de eerstelingen van die onmetelijke legerschaar van priesters, welke het Gesticht der Salesiërs eens moest vormen.

Heel blijde over deze eerste uitslagen, verdubbelde Dom Bosco in ijver, om nieuwelingen te vinden, en in vertrouwen op God , om in hun onderhoud te voorzien. Later heeft hij zelf te Parijs, in de kerk van Onze - Lieve - Vrouw

ocr page 128

— 117 —

der Overwinningen uitgelegd, wat toen zijn leven was;

„Als ik in mijne uitstappen door Turijn, eenen jongeling zonder middelen van bestaan ontmoette, stelde ik hem deze vraag: „Wilt gij werken? — Ja, antwoordde hij, maar ik weet niet, waar gaan? — Ik ga het u wijzen, zeide ik hem. — Men zal mij niet aannemen, wierp hij op, ik ben te slecht gekleed! — Kom maar, volg mij, men zal u kleeden.quot; En allen volgden mij met genoegen.

„Vrouwen uit de wereld, hielden zich werkelijk met het kleeden dezer arme kinderen bezig.

Rijke jongelingen, die aan ons Werk verkleefd waren, offerden een groot gedeelte van hunnen tijd op, om werk voor hen te vinden in de hoop, dat wij er hun later konden verschaffen in ons Huis. Zij richtten zich tot de nijverheidsmannen, tot de ma-gazijnoversten en plaatsten er een groot getal.

„Tusschen de opgenomen landloopers, waren er zeer groote en zeer onwetende, maar als zij zich in aanraking bevonden met heel jonge kinderen, die wij reeds onderwezen hadden, waren zij beschaamd over hunne onwetendheid. Zij volgden onze klassen met ijver, en zij kwamen ons weldra vragen, dat wij hen zouden biechten en hun de H. Communie toedienen.

„Ziedaar de heele geschiedenis van de stichting-onzer patroonschappen, die weldadigheidsgestichten, toevluchtsoorden, verbeteringshuizen of weeshuizen genoemd worden.quot;

8

DOM liOSCO.

ocr page 129

ZEVENDE HOOFDSTUK.

TWEE NIEUWE BEDEHUIZEN TE TURIJN. DOM IJOSCO EN DE WAADLANDERS.

et goed van den Valdocco evenwel werd al ;te eng: onmogelijk er nog één kind meer binnen te brengen, al was het dan nog zoo klein. Dom Bosco cn zijn getrouwe raadgever en medehelper, de Godgeleerde Borelli spraken er den ijvervollen Aartsbisschop Franzoni en zijne moeder over, en deze aarzelden niet hen tot het bouwen van een hulpgesticht aan te sporen.

De onderneming ging wel met eenige stoutheid gepaard, daar het eerste gesticht reeds zoo een zwaar onderhoud vorderde; altijd vol vertrouwen echter op de Voorzienigheid, zocht Dom Bosco een lokaal in de wijk, waar zich tegenwoordig de Plaats Victor-Emmanuël II bevindt, en waar men toen slechts half gebaande wegen, pakhuizen en bouwvallige woningen zag, bewoond door bleeksters, welke de nabijheid van den Pó daarheentrok. Hij vond wat hij hebben moest; maar de eigenares, zekere Mevrouw Vaglienti, vroeg zulk eenen hoo-gen huurprijs, dat Dom Bosco haar voorstel niet

ocr page 130

— 419 —

redelijk kon aannemen. De onderhandelingen duurden voort; zij zouden misschien tot niets geleid hebben zonder een voorval, dat eene rechtstreeksche tusschenkomst van de Voorzienigheid scheen, welke Dom Boseo zoo dikwijls inriep.

Gedurende een onderhoud tusschen hem en de koppige Mevrouw Vaglienti, die van niets wilde hooren, bedekte zich de hemel op eens, met dikke wolken; Mevrouw Vaglienti stak eene lamp aan; een hevige donderslag deed het huis daveren en doofde de lamp uit.

Sidderende, buiten haar zelve van angst, vergat de vrouw hare kronen, om slechts aan haar leven te denken. Zij viel op de knieën en riep: „Goede Vader, verkrijg van God, dat ik aan den bliksem ontsnappe, en ik zal alles doen, wat gij wilt. — Wees gerust, hernam Dom Rosco, ik ga God bidden, dat Hij u thans en altijd helpe.quot; De lamp werd wederom aangestoken, de donderslag herhaalde zich niet meer, en de akte werd volgens hel aanbod van den heiligen priester geteekend.

Het nieuwe Bedehuis werd Bedehuis van den H. Aloysins genoemd. Zijne inhuldiging had plaats onder het voorzitterschap van den Godgeleerde Bo-relli, den 8sten December 1847. Dit tijdstip van den 8sten December, is bcteckenïsvol in het werk der Salesiërs, omdat zooveel merkwaardige verjaardagen op deze wijze met één der voornaamste feesten samenvallen van hunne groote Beschermster, de Onbevlekte Maagd. (1)

(1) Den 8sten December 1S41 had Dom Bosco zijn eerste

I

ocr page 131

— 120 —

Aan het hoofd van deze Stichting zette hij nu eens dezen, dan eens genen van zijne vrienden der Turijnsche geestelijkheid; want, daar hij aan den Valdocco opgehouden was, kon hij ze niet persoonlijk besturen, en hij had nog geen priester van zijn Genootschap, die heel en al gevormd was, en over wien hij kon beschikken. Onder de priesters, die welwillend, eiken Zondag, hem hunne diensten kwamen verleenen om te biechten, de mis te lezen en de kinderen van het Bedehuis van den H. Aloy-sius te bewaken, haalt men den Godgeleerde Hya-cinthus Carpano aan, die er de eerste bestierder van was, verder de priesters Felix Rossi, Demonte, Leonardus Murialdo en Theodorus Scolari.

Ken derde Bedehuis, dat van den Engelbeivaar-dcr, werd achttien maanden daarna geopend, in de wijk Vanchiglia, die op dat tijdstip, ook de breede straten en de fraaie huizen niet bezat, welke ze later opluisterden.

De hand der goddelijke Voorzienigheid was des te zichtbaarder in eene zoo snelle uitbreiding van het werk der Salesiërs, daar de staatkundige omstandigheden op eens tegenstrijdig waren geworden.

De uitroeping van het Gemeenebest in Frankrijk had de omwenteling over heel Europa en bijzonderlijk over Italië doen losbarsten. Karel-Albert, die Oostenrijk verpletterd achtte tengevolge der op-

kind opgenomen; den Ssten December 1844, huldigde hij het Bedehuis in bij de markiezin van Barolo; den Ssten December 1847 opende hij het Bedehuis van den H. Aloysius.

ocr page 132

— 121 —

standen van Weenen, Hongarije, Milaan en Venetië, had de onvoorzichtigheid gehad, van hem den oorlog te verklaren, en de nog grootere van heel alleen dezen oorlog te vervolgen: „Italia fara da sequot; zeide hij; hij was daarin minder knap dan zijn zoon Victor Emmanuel, die zoovele overwinningen door de wapenen van anderen bewerkte. Te Novare overwonnen, moest Karel-Albert van den troon afstand doen. De nederlaag verbitterde de Piemonteesche harten; daar de Kerkelijke Staten tusschen diegene waren, waarvan men zich meende meester te maken, volgde de oorlog tegen de Kerk op dien tegen Oostenrijk; de opvolger van Karel-Albert wierp zich in de armen der Omwenteling en der Geheime Genootschappen; de Aartsbisschop van Turijn, Mgr. Franzoni, wiens apostolische onafhankelijkheid niet beviel, werd naar Lyon verbannen; kortom de Katholieke Werken verloren de gunst van den Staat. (I)

Dom Bosco was vaderlander, doch geen opstandeling; de laatste Hoofdstukken van zijne „Geschiedenis van Italiëquot; zijn er het bewijs van. In 1848 en 1849, werden een zeker getal van de oudsten zijner leerlingen soldaat: hij liet ze begaan en had het genoegen, ze bijna allen na den veldtocht terug te zien komen. Zij, die bleven en reeds zeer 'f nauw zaten, moesten nog korter naast elkander schuiven, om plaats te maken aan Seminaristen, die zeiven moesten

(1) Men zekle toen nog niet „Klerikale Werken;quot; dit woord werd slechts omtrent het jaar i860, door de Belgische vrijmetselaars uitgevonden.

ocr page 133

— 122 —

verhuizen voor de troepen, welke zoo talrijk waren, dat men niet meer wist, waar ze te herbergen. De koorts van den oorlog bracht alle hoofden in de war; men sprak van niets anders dan van oorlog; men droomde er van, zoowel op de schoolbanken, als op de straten en de schouwburgen. De studiën leden er door, en Dom Bosco was verplicht deel te nemen aan het vuur door het vormen van krijgsbenden en het verbeelden van veldslagen toe te laten, waarover wij reeds gesproken hebben.

Doch deze hinderpalen waren van korten duur. Hetgeen de meeste verwarring bracht in het vreedzaam en helder bestaan van Dom Bosco, die toen alleen door overmaat van bezigheden gestoord werd, was de inval van de bekeeringszuchtige Waadlanders.

Karel-Albert had de Waadlanders meenen vrij te maken en hun het recht te verkenen, van niet enkel ongehinderd hunnen godsdienst uit te oefenen maar ook van iemand anders godsdienst te bestrijden en het katholieke geweten te komen storen. Hunne handlangers stormden als een stortvloed van uit de diepte der valleien, waarin zij zoo lang afgezonderd leefden, en verspreidden zich in de bijzonderste Piemonteesche steden. Hunne herders, die men Poedels noemde, omdat zij Iwtü vollen baard droegen, tergden de katholieke priesters. Zij daagden ze uit door de Moedermaagd, de Mis, de Biecht, den Paus en de priesterlijke onthouding te beschimpen.

Daar zij hevig ingenomen waren tegen de leeringen , die zij niet kenden of die zij slecht kenden, verwachtten zij er zich aan, dat deze leeringen voor

ocr page 134

— 1Q3 —

hunne predikingen zouden ineenstorten, gelijk de muren van Jericho voor de bazuinen van Josuë. Maar hunne drift was gauw gestild. Zij wierpen niets omver, tenzij het reeds meer dan wankelend geloof van eenigen. Een klein getal verworpelingen, die het vaderlijk geloof slecht uitoefenden , gingen tot hen over om een voorwendsel te hebben van geen meer te volgen, en dat was alles. Dezelfde uitslagen moesten zich weldra in heel Italië herhalen. Met Protestantismus, na meer dan twintig jaren van volkomen vrijheid, is er toe gekomen katholieken van de Kerk los te maken, maar geen Protestanten te vormen. Hooren wij over dit punt Dom Bosco zeiven. „Wij vragen, of onder al degenen, die van het Katholicismus naar het Protestantismus zijn overgegaan, er zich één bevinde, één enkele, die deze verandering gedaan hebbe, om den dienst van God beter uit te oefenen, en om deugdzamer te worden ; men kan ons niets antwoorden, tenzij dat de katholieke afvalligen allen tot de minst god-vruchtigen en de meest losbandigen behooren. „Wij vragen insgelijks: Kunt gij ons eenen enkelen protestant toonen, die zich katholiek gemaakt heeft, zonder ernstigen voortgang in de deugd te willen doen? Men weet, dat die Protestant niet bestaat; dit is een bewijs, dat de ondeugd en het ongeloof naar het Protestantismus leiden, en de zuiverheid der zeden naar het Katholicismus.quot; (i)

Dom Bosco was een der ijverigste priesters van

i,I) Dom Bosco, II cattolico vel secoio, ijl 427.

ocr page 135

— 124 —

Turijn, om de uitdaging der Waadlandsche Predikanten aan te nemen. Hij stelde vlugschrift tegen vlugschrift en redevoering tegen redevoering. De titel voor zijn Werk uitgekozen scheen hem als eene goddelijke uitnoodiging en eene verplichting. Hij zeide aan een zijner vrienden; ,,Door mij en mijne kinderen onder de bescherming van den Heiligen Franciscus van Sales te stellen, had ik vooreerst slechts gedacht aan de spreekwoordelijke zachtmoedigheid van dezen grooten Heilige; ik wilde mij zonder ophouden in het geheugen roepen, dat, om bij de jeugd te slagen, men altijd het geduld van eenen vader moet hebben en het hart eener moeder, dat men altijd voorkomend moet zijn, altijd toegevend en welgezind. Maar ik meen heden in te zien, dat God mij roept, om onzen patroon onder een ander opzicht na te volgen, dat van den ijver om het Katholiek Geloof te verdedigen. De loopbaan van den zachtmoedigen Franciscus van Sales was een lange strijd tegen het Protestantismus; hij behoedde of verloste er zijn land, Savooie, van. Zoo ook roept mij God, om eene breede en onoverkomelijke gracht te graven tusschen de Italiaansche jeugd en de ketterij; anders zou ik slechts ten halve de leerling van den grooten Bisschop van Geneve zijn. Hij was apostel door zijne geschriften zoowel als door de heiligheid van zijn leven. Kon ik hem slechts in alles navolgen!quot;

De werkjes, die Dom Posco dan uitgaf, onder den titel van Raadgeving aan de Katholieken en Katholieke lezingen, werden tot twee honderd duizend

ocr page 136

— -125 —

afdruksels verkocht. De schrijver vereenigde ze in één boekdeel, en liet ze door den Kardinaal Anto-nelli, voor Pius IX brengen, die hem zijnen zegen en zijnen dank schonk voor deze uitstekende boekdeeltjes (volumetti). Het is ook rond denzelfden tijd, dat hij zijn werk van geestelijken penne-strijd uitgaf, getiteld De katholiek in de Wereld, waarin hij de Poedels en hunne aanhangers der bijbelsche genootschappen verpletterde.

In den geloofsstrijd hanteerde hij even meesterlijk de pen als het woord.

Men late hem ons nog eens aanhalen:

„Over eenige dagen, had ik het bezoek van oenen Protestantschen Predikant, wiens naam ik uit welvoegelijkheid zal verzwijgen. Na de gebruikelijke plichtplegingen, reikte hij mij een boek over, terwijl hij verscheidene malen zeide: „Ziedaar een goed boek! Hoe wijst het de laagheden der Roomsche Kerk met den vinger aan!quot; Ik opende het boek, het was van eenen zekeren Tri vier, en bevatte zonder overdrijving zooveel leugens als woorden. „Ziedaar beweringen, zeide ik, die bewezen moesten worden. Hoe! hernam mijn tegenspreker, is het geene laagheid, dat uw Paus zich doet aanbidden als eenen God,quot; en meer dan eenen God? Is het geene laagheid en eene afgoderij de beelden en de heiligen als zoovele goden te vereeren ? Is het geene laagheid de lezing van het Evangelie te verbieden?quot;

Bij deze overstrooming van quosque tandem, verzocht ik hem bedaard, mij in het boek, dat hij in de hand hield of in eenig ander, een enkel be-

ocr page 137

— 126 —

sluit der Pausen of Kerkvergaderingen te zoeken, één enkelen volzin der Heilige Vaders, die voorschrijft, al was het maar door ééne uitdrukking, éénc der drie gruwelen, waar hij mijne aandacht op trok. Hij keerde en herkeerde de bladzijden, doorliep de paragraven en hoofdstukken en zeide, toen hij niets vond: „Ik zal terugkomen en de teksten medebrengen. ■— Ja, ja, antwoordde ik, lees al de boeken der wereld, gedrukte of handschriften, en indien gij mij de hierboven gemelde aanhalingen, die als loo-pende munt bij u worden aangenomen, kunt bewijzen, zal ik afkondigen, dat gij gelijk hebt; zoo

niet.....Wat zoo niet? .... — Zoo niet, ben ik

in mijn recht om te beweren, dat het Protestantis-mus uit lasteringen bestaat.quot;

„Hij vertrok, en ik heb hem niet meer weergezien.quot; (i)

Men was in het algemeen verwonderd over de sterkte van redeneering en de overtuigingskracht van den goedigen Bosco , die tot dan wel als een heilige, maar niet als een godgeleerde en een schrijver bekend stond.

De predikanten die bij de volwassenen wanhoopten te gelukken, richtten zich tot de kindsheid; daar ook bevonden zij zich in tegenwoordigheid van den ontembaren sukkelaar, ofschoon zij, om hem te vermijden, zich onthouden hadden van het Bedehuis van den Valdocco aan te vallen, en hunne batterijen slechts tegen het Bijgesticht van den Hei-

(i) Dom Bosco, II cattolico nel secoio. bl. 431.

ocr page 138

— 127 —

ligen Aloysius hadden gericht. Ziehier, welke de krijgskunst was van deze nieuwe belegeraars.

Des Zondags zetten zich eenigen hunner langs de verscheidene wegen, die aan het Bedehuis van den H. Aloysius uitkwamen, bespiedden de kinderen, die er heen gingen, knoopten een gesprek met hen aan, en trachtten ze er nu eens door vleierij, dan weer door spotternij van terug te houden. Een schoon ingebonden boek of des noods een stuk geld, zette hunne welsprekendheid kracht bij.

Een klein getal dezer kinderen, misschien zestig op drie of vier honderd, lieten zich misleiden. Zij brachten het geld naar huis, of gingen het in de herberg verteren. Eenige volgden de predikanten in eene groote zaal, waar men hevig uitvoer tegen het Papismus, tegen de uitbuiting van den mensch door den mensch, en in het bijzonder door zekere priesters, die de kinderen tot zich trekken om ze te verdierlijken en er zich renten van te maken.

Wat het uitgedeeld schoon boek betrof, dit was een schandelijk smaadschrift over de Biecht.

Opmerkenswaardig was het, dat bijna allen, die zich hadden laten verleiden, 's avonds wederom aan het Bedehuis terugkwamen en het boek afgaven aan den Bestierder, den Godgeleerde Carpano, die reeds over de zaak ingelicht was door de verslagen van hunne meer standvastig geblevene makkers.

Dom Carpano legde allen het doel en de sluwheid der ketters uit en deed hen beloven, van voortaan door te gaan zonder ze te aanhooren. Als bewijs van hunne gehoorzaamheid en hunne

ocr page 139

— 128 —

goede voornemens voor de toekomst, legden de jongelingen mutsaards op elkander, plaatsten er de kettersche boeken boven op, en maakten er een aardig vlammetje van. Maar de Godgeleerde Car-pano ging er aan Dom Eosco kennis van geven, en daar beiden voorzagen, dat de aanval hernieuwd zou worden, spraken zij elkander af voor den volgenden Zondag.

Volwassen leerlingen hielden zich aan de kruiswegen, om hunne jongere makkers te beschermen. Zij hadden bevel gekregen geene redekaveling met hen aan te gaan, doch eenvoudig te waken, dat zich niemand liet inpalmen, en dat zich allen rechtstreeks en zonder toeven, naar het Bedehuis zouden begeven. Eenigen echter konden zich niet weerhouden, om de Poedels voor „gewetenskoopliedenquot; en hunne aanhangers voor „soldaten van vijftien stuiverquot; uit te maken. Dit had eene soort van krakeel ten gevolge, dat echter niets beduidde. Maar toen den volgenden Zondag, de Poedels en hunne bezoldigde vrienden zagen, dat het afgesproken werk was van door te gaan, zonder naar hen te luisteren, en dat het wachtwoord, door den Godgeleerde Carpano gegeven, stiptelijk door de kinderen opgevolgd werd, bestormden zij het Bedehuis met steenen. Dan raapten de sterkste jongelingen den schoot vol keien, deden eenen uitval en dreven de lafaards op de vlucht.

De politie werd gewaarschuwd; maar, hetzij uit medeplichtigheid, hetzij uit nalatigheid in dien beroerden tijd, zij belette niet, dat zulke woeste aan-

ocr page 140

vallen hernieuwd werden. Terwijl op zekeren Zondag Dom Carpano en Dom Borelli bezig waren hun priesterlijk gewaad aan te trekken om den zegen te geven, lostte men twee pistoolschoten op hen door een venster, dat op den weg uitzag. De kogels vlogen plat tegen den muur. Jongelingen sprongen de moordenaars achterna: zij konden ze niet inhalen; maar toen dit feit in Turijn bekend was, verplichtte het verontwaardigde volk de politie een weinig beter haren dienst te doen in deze afgelegen wijk van den Po, en de wanordelijkheden herbegonnen niet meer. De Poedels, lieten Dom Carpano met rust, van toen zij niet meer op de straffeloosheid konden rekenen.

Zij wendden hunne pogingen nu tegen dengenen , welken zij als het hoofd van den tegenstand aanzagen. Zij hadden Dom Bosco niet kunnen overreden: zij beproefden hem om te koopen of angst aan te jagen.

Op eenen Zondag van Januari 1854, nog al laat in den avond, vroegen twee onbekenden, om Dom Bosco te spreken. Hun verdacht voorkomen en het reeds gevorderd uur wekten wantrouwen onder de jongelingen van het Bedehuis; daarom hielden zij wacht aan de deur van hunnen welbeminden Bestierder.

Ziehier de samenspraak, die zij hoorden en één hunner verteld heeft:

De oudste der twee onbekenden (men heeft later vernomen, dat het een Waadlandsche Predikant was) begon Dom Bosco te vleien.

ocr page 141

— 130 —

r Dc predikant. Gij hebt eene zeer groote en zeer lt; zeldzame gave van de natuur ontvangen, Heer Godgeleerde, die, van u door het volk doen lezen en te verstaan; zou het geen wijze trek van u zijn, dit zoo kostbaar talent aan zaken van meer praktisch nut te gebruiken, zooals aan den handel, aan de kunsten en wetenschappen ?

Dom Bosco. Waarlijk, Heeren, in de mate mijner krachten, heb ik gedaan, wat ik meende, dat mijn plicht was. Mijne verscheidene uitgaven zijn wel onthaald geworden, hetgeen schijnt te bewijzen, dat zij niet nutteloos geweest zijn.

Dc predikant. Verschooning, Heer, zij zouden nog veel beter onthaald zijn geworden, indien zij iedereen belang konden inboezemen, bijvoorbeeld indien het verhandelingen waren over natuurkunde of geschiedenis.

Dom Bosco. Meent gij dat, Heeren?

De predikant. Werkelijk, want uwe „Katholieke Lezingenquot; rollen over versleten en afgezaagde stoffen.

Dom Bosco. Het is waar, dat de onderwerpen, die ik er in behandel, dikwijls door beroemde schrijvers behandeld werden; maar hunne infolio's vol geleerdheid waren voor de geleerden geschreven, en niet voor het volk, aan hetwelk integendeel deze werkjes zeer goed passen, omdat hun eenige verdienste de duidelijkheid en eenvoudigheid is.

Dc predikant. Maar deze werken zijn in het geheel niet winstgevend voor u, wij weten het zeer goed; indien gij ze omwisselt tegen die, welke wij u willen aanraden, zult gij er een zeer aanzienlijk

ocr page 142

— 131 —

en onmiddelijk profijt uit trekken, tot groot voordeel van dit zoo bewonderenswaardig Instituut, dat uw hoofdwerk zal blijven. Zie, indien gij onze raadgevingen wilt volgen, hier is een eerste geschenk, dat men mij belast heeft u aan te bieden, (het waren vier duizend frank in bankbriefjes) en dit zal het laatste niet zijn.

Dom Bosco. En waarom wilt gij mij zooveel geld geven?

De predikant. Om de kosten te dekken der waarlijk nuttige werken, die wij u vragen, en om hulp te verkenen aan uw Instituut.

Dom Bosco. Gij zult het mij niet kwalijk nemen, Heeren, als ik uw geschenk weiger; voor het oogen-blik kan ik mij met geen ander werk bezighouden, dan met het opstellen van mijne Katholieke Lezingen.

De predikant. Wij herhalen u, dat dit een nut-telooze arbeid is.

Dom Bosco. Maar in der waarheid, Heeren, welk belang hebt gij daarbij? Moet gij daarover oor-deelen?

De predikant. Gij hebt zonder twijfel de kracht en de gevolgen van zulk eene weigering niet berekend, Heer Godgeleerde, zij zal een groot nadeel aan uw Instituut berokkenen en zou uw eigen persoon aan zekere onaangenaamheden kunnen blootstellen, aan zekere gevaren........

Dom Bosco. Genoeg, Heeren, ik begrijp u.........

maar ik verklaar u kortaf, dat ik niemand vrees, om de waarheid te verdedigen. Door priester der

ocr page 143

— 132 —

Katholieke Kerk te worden, heb ik mij toegewijd aan het welzijn der zielen en in het bijzonder aan het heil der jeugd. Met dit doel ben ik begonnen te schrijven, en reken ik dit voort te zetten.

•— Gij doet slecht, en gij tart ons, riepen de twee boosaardige personnages uit met eene van gramschap trillende stem. Wie weet, wat u zal overkomen? Als gij buiten uw huis gaat, zijt gij dan zeker er binnen te komen?quot;

De ellendigen spraken op zulk eenen dreigenden toon, dat de jongelingen, die op wacht stonden, zachtjes aan de deur rammelden, en ze een weinig openden, om aan te toonen, dat er wakers gereed stonden, die op het eerste teeken zouden bijspringen. Maar Dom liosco antwoordde ernstig en kalm, zonder de minste ontroering te laten blijken: „Men ziet wel dat gij, Heeren, niet weet, wat een katholieke priester is; anders zoudt gij u niet tot zulke bedreigingen verlagen. Welk kwaad kan de dood ons berokkenen, wanneer hij het benijdenswaardigste en het roemrijkste lot voor ons kan wezen?quot;

Bij deze woorden, schenen de twee Waadlan-ders zoo woedend, dat zij eene beweging naar voren deden, als om de hand op hunnen tegenstander te leggen.

Dom Eosco stond op, plaatste zijnen stoel tus-schen hen en zich zeiven en zeide hun koel: „Indien gij geweld wilt gebruiken, dan zal ik u dadelijk bewijzen, dat het duur kost de woning van eenen vrijen burger te schenden; maar neen, een priester moest slechts zijne kracht zoeken in het

ocr page 144

— 133 —

geduld en de kwijtschelding; doch, dit spel moet ophouden.quot; Daarna opende hij de deur zoo breed mogelijk en toen hij daar den jongen Ruzzetti bemerkte, zeide hij hem: „Breng deze Heeren tot aan het buitenste portaal, want zij kennen het Redehuis niet, dunkt mij, zij zouden zich kunnen vergissen.quot; (i)

(i) Dom Bosco, door Albert du Boys, 1)1. 76. Dom bosco.

9

ocr page 145

m w

ACHTSTE HOOFDSTUK.

AANSLAGEN OP HET LEVEN VAN DOM BOSCO. IL GRIGIO.

ij den wrok der ketterij, voegde zich nog die der ontucht, welke vóór het bestaan van het gesticht der Salesiërs in den Valdocco ongehinderd tierde, en door Dom Bosco stap voor stap werd verdreven. Daarom was het leven van dien goeden Vader niet meer in veiligheid.

Toen hij eens den catechismus in zijne kapel uitlegde , werd een geweerschot door een openstaand venster op hem gelost. De kogel vloog tusschen arm en borst door, verscheurde den toog, en verpletterde zich tegen den muur. De verschrikte jongelingen sprongen in wanorde recht; de sterkste wilden den moordenaar achterna loopen. Dom Bosco bedaarde hen en zeide, terwijl hij zijnen toog bezag: ,,Ach! arme Toog, gij betaalt voor mij! Ik ben er waarlijk troosteloos over, want gij zijt mijneenige!quot;

Eene andere maal wierp zich een uitzinnige op hem met een overgroot slachtmes in de hand. Dom Bosco had slechts den tijd, om in zijne kamer te

ocr page 146

— 135 —

vluchten en de deur op slot te zetten. De moordenaar bleef daar lang zijne prooi beloeren. De jon-eelineren van het Bedehuis wilden hem met steenen

ö O

en stokken doen opbreken, maar vrouw Margaretha deed beter: zij ging de gendarmen halen, die eindelijk na twee lange uren aankwamen. De boosdoener werd in de gevangenis gebracht, maar 's anderendaags losgelaten, onder voorwendsel, dat Dom Kosco hem vergiffenis had geschonken. Zeker, het was zoo; doch met te vergeven, had de heilige priester de zwakheid niet gehad, om kwijtschelding der straf te vragen. „Ik vergeef als christen, had hij gezegd; maar als burger en gestichtsoverste roep ik de bescherming in der wetten van mijn land.quot; De overheidspersoon, waarschijnlijk een vleier van dat onmensch, deed, alsof hij de onderscheiding niet vatte.

Een vriend van Dom Bosco, die hierover ingelicht was, ging den moordenaar opzoeken en vroeg hem, welke reden hij had om Dom Bosco te willen dooden. „Geene, antwoordde hij, tenzij de tachtig frank, die men mij gegeven heeft! ■— Tachtig frank, om eenen mensch te dooden! En indien ik er u honderd zestig gaf, om hem gerust te laten? — Dat zou juist het dubbel zijn, hernam de roover, die goed tellen kon; in dit geval, zou ik hem des noods verdedigen.quot;

Het verdrag werd gesloten; doch zulk een voorval toont ons, hoe schandelijk de gerustheid der burgers moet gekocht worden in een land, waar geene gerechtigheid heerscht.

ocr page 147

— 136 —

Men raadt de ongerustheid van vrouw Margaretha, iedere maal, dat haar zoon buiten was en op zich liet wachten. Zij liet hem niet meer uitgaan, zonder van twee of drie zijner jongelingen vergezeld te zijn. Deze wilden zich wapenen; Dom Bosco stond dit echter nooit toe: „Het is niet door geweerschoten, dat wij die soort van overwinningen behalen, welke wij zoeken, zeide hij; houden wij aan het woord van den Meester: „Als men u op de rechterwang slaat, bied de linker aan, en geef nog uwen mantel over aan hem, die u uw onderkleed wegneemt.quot;

Maar de liefde sluit de voorzichtigheid niet uit. Daar het Bedehuis te midden der weiden gelegen was, en het overal geen omheiningsmuur bezat, liet vrouw Margaretha een ijzeren barreeltje aan den voet van den trap maken, om den doorgang te sluiten, die over het balkon in de kamer van Dom Bosco uitkwam. Zij deed zelfs haren anderen zoon Jozef van Chateauneuf ter bescherming komen van den al te liefderijken Johannes, die in weerwil harer vermaningen en smeekingen, altijd uitging en niet kon weigeren, als men hem riep.

Eens 's avonds belt men aan het Bedehuis, en smeekt men Dom Bosco om eene zieke te komen biechten, die op haar einde lag. De goede priester vertrekt, doch Margaretha daet teeken aan vier leerlingen van hem te volgen.

Het was eene sombere nacht. De kleine troep komt voor een huis van armzalig uitzicht. Twee dei-jongens blijven buiten; de twee andere gaan naar

ocr page 148

boven; maar Dom Bosco verplicht hen om aan de deur der kamer te blijven staan. Hij gaat alleen binnen, nadert het bed, en bemerkt dat zij voor eene stervende, eene nog al frische gelaatskleur heeft. Hij begon met ze te ondervragen, toen plotseling de kaars, die de kamer verlichtte, uitging; de plaats was in duisternis gedompeld. Dom Bosco verzoekt, dat men de kaars weder aansteke; tot antwoord, ontvangt hij eenen stokslag, die gelukkig op den schouder afschampt. Zonder zijne tegenwoordigheid van geest te verliezen, vat hij eenen stoel, dekt er zich het hoofd mede, en zoekt al tastende de deur, waardoor hij binnengekomen is; gedurende dezen tijd, regenen de slagen, die bestemd waren om hem den schedel te klooven, als hagel op zijnen inderhaast gemaakten helm. Maar plotseling wordt de deur met geweld opengerukt; de twee jongelingen, die ook stokken hadden, redden hunnen Vader uit het gedrang, en de aanvallers zagen van verdere vervolging af.

In de straat werd Dom Bosco gewaar, dat zijne hand vochtig was. Ik heb toch geen nat aangeraakt, dacht hij. Het was bloed, dat uit zijnen linkerduim liep, die half was afgeslagen , toen hij den stoel, welke hem zoo goed verdedigd had, boven zijn hoofd hield. Hij had deze wonde slechts, maar droeg er langen tijd het litteeken van.

Hier treffen wij één dezer wonderbare feiten aan, welke ons tot de bijbelsche tijden of tot in het hart der Middeleeuwen terugvoeren. Men heeft de beren opgeteekend, die den profeet Elisëus

ocr page 149

— 138 —

wreekten, de leeuwen, die den heiligen Paulus, den Eremijt, en de heilige Maria1, ' , be

groeven, den getemden wolf, dien de heilige Fran-ciscus van Assisië „mijnen broeder wolf' noemde; daarnaast zal men den geheimzinnigen hond kunnen zetten, den beschermer van Dom Bosco.

Van waar kwam hij, en welke was zijn meester? Niemand heeft het geweten, en Dom Bosco niet beter dan de anderen, maar hij verscheen op het oogenblik van gevaar, alsof hij uit de aarde opkwam, en verdween gewoonlijk daarna. Om niets te overdrijven of te verkleinen, ontkenen wij het verhaal aan eenen der leerlingen van Dom Bosco, M. Ruz-zetti, medehelper der Salesiërs en Opziener der werkplaatsen van kunsten en ambachten. Deze ver-haler is een getrouwe ooggetuige. In zijne jeugd, gaf hij bijna zijn leven voor zijnen meester en weldoener. Hij weerde eene pistool af, die op Dom Bosco gericht was, en ontving in zijne plaats eenen kogel, die hem den wijsvinger en een gedeelte van den duim der rechterhand wegrukte; het is zelfs waarschijnlijk, dat hij, zonder dit roemrijk voorval, dat hem ongeschikt maakte om Mis te lezen, in den geestelijken staat zou getreden zijn.

„Dom Bosco, zegt hij, kwam somtijds op een reeds gevorderd uur van den avond uit Turijn terug, hetzij omdat hij daar bij eenen zieke werd opgehouden, hetzij omdat hij een door de ketters verleid huisgezin, op den goeden weg wilde terugbrengen. Zondar dan aan zijne persoonlijke veiligheid te denken, zette hij zich zelfs in de somberste

ocr page 150

— 139 —

nachten opweg, om naar den Valdocco af te komen. Het terrein, dat hij moest doortrekken, en heden met fabrieken omzet en door gas verlicht is, was toen ongelijk, van modderpoelen doorsneden en hier en daar door dichte hagen omringd, waarin de boosdoeners zich gemakkelijk konden verbergen.

Welnu, eens dat hij zich, niet zonder eenig slecht voorgevoel, heel alleen naar zijn verblijf richtte, zag hij eenen grooten hond voor zich aankomen. Vooreerst werd hij bevreesd en wantrouwig; maar toen hij bemerkt had, dat het arme dier met den staart kwispelde en hem slechts wilde streelen, liet hij het bij zich komen, en streelde het op zijne beurt. Het trouwe dier vergezelde hem tot aan de deur van het Bedehuis, zonder er te willen binnengaan. Eiken keer, dat Dom Bosco sedert dien zich verlaatte en met den dag niet thuis kwam, zag hij. van den eenen of anderen kant, den Grijze, II Gn-gio, want dit was de kleur van dezen buitengemeen grooten hond, bij zich komen. Als vrouw Marga-retha ongerust werd over het uitblijven van haren zoon, zond zij hem dikwijls eenen jongeling van het Bedehuis te gemoet; ik heb dit ook gedaan en herinner mij, hem meermalen aan de zijde van zijnen viervoetigen bewaker aangetroffen te hebben.

„II Grigio heeft, naar ik weet, Dom Bosco drie malen het leven gered.

„Op eenen zeer mistigen en duisteren winteravond, daalde Dom Bosco, om zijnen weg te verkorten, regelrecht van de Consolata naar het Instituut Cottolengo af. Op een zeker punt van den

ocr page 151

— 140 —

weg bemerkte hij, dat twee mannen niet ver vóór hem gingen, en hunne voetstappen volgens de zijne regelden. Hij begreep, dat zij met slechte inzichten bezield waren; ook richtte hij zich naar een huis, om ei eene schuilplaats te zoeken. Hij had er den tijd niet toe; één der twee mannen wierp hem plotseling eenen mantel over he.t aangezicht. Dom Bosco wilde om hulp roepen; men stopte hem den mond met eenen neusdoek. Onze arme Bestierder dacht zich veiloren, toen men op eens een vreeselijk gehuil hoorde, dat minder geleek op het geblaf van eenen hond dan op het gebrul van eenen woedenden beer. Het was de Grijze. Hij wierp zich op eenen dezer roovers, en dwong hem zich op zijne hoede te houden, daarna sprong hij op den anderen, beet hem hevig en stiet hem neer. Dan hield hij zich onbeweeglijk, terwijl hij voortging met dof te brommen.

„Op dit oogenblik, vroegen de twee ellendelingen, op hunne beurt met schrik bevangen, genade en riepen uit: „Maar roep toch uwen hond terug, roep hem op het snelste terug.! — Ik zal hem terugroepen, antwoordde Dom Bosco, die zich van zijnen mondbal ontdaan had, doch op voorwaarde, dat gij uwen weg gaat en mij den mijnen laat vervolgen. — Ja, wij gaan henen maar wederhoud uwen hond.

„Dan riep Dom Bosco 11 Grigio terug; en hij bleef aan zijne zijde, terwijl de twee bandieten zoo haastig mogelijk opkraamden........quot;

„Toen hij eenen anderen avond over de Plaats

ocr page 152

— 141 —

Sint Maximus terugkeerde, ging een moordenaar achter hem door, en loste vlak bij hem twee pistoolschoten. Daar de sluipmoordenaar Dom Bosco gemist had, wilde hij zich op hem werpen, en hem op eene andere wijze afmaken; maar op datzelfde oogenblik kwam II Grigio aan, greep den moordenaar van achteren vast, en zette hem op de vlucht.quot;

„Bij eene andere gelegenheid, verdedigde hem U Grigio tegen eenen nog meer geduchten aanval, dien van eene werkelijke bende sluipmoordenaars. Het was duisternacht; Dom Bosco ging over de Plaats Milaan, welke heden de Plaats Emmanuel Philibert heet; eensklaps bemerkte hij, dat hij gevolgd was door eenen man, met eenen buitenge-meenen rotting gewapend; hij verdubbelde den pas in de hoop van het Bedehuis te bereiken, zonder dat men hem konde inhalen. Nauwelijks begon hij te dalen, of hij werd in de vlakte verscheidene andere boosdoeners gewaar. Dan wachtte hij op dengenen, die achter hem was, en stiet hem zoo vlug en behendig met den elleboog tegen de borst, dat de ongelukkige voor dood neerviel en eenen wanhoopskreet slaakte. Maar zijne makkers schaarden zich rond Dom Bosco en bedreigden hem met hunne stokken. Op dat oogenblik kwam de trouwe Grigio te voorschijn, zette zich al blaffende en huilende aan de zijde van zijnen beschermeling, en bewoog zich met zulke woede, dat die ellendelingen vreesden in stukken gereten te worden; zij vroegen Dom Bosco, dat hij het dier zou bedaren, en ver-

ocr page 153

— 142 —

dwenen, één voor één, in de duisternis. Dom Bosco werd door zijnen bewaker tot aan de deur van het Bedehuis begeleid.

„Doch ziehier een heel verschillend feit, dat eene soort van wonderbare, innerlijke aanschouwing-in dit zonderling dier, schijnt te openbaren. Eens had Dom Bosco, tegen zijne gewoonte, te Turijn eene gewichtige boodschap door den dag vergeten te doen, en maakte hij zich gereed, om bij den avond zijne vergetenis te herstellen. Mama Marga-retha zocht hem dit af te raden; hij echter poogde haar gerust te stellen, nam zijnen hoed, opende de deur, en wilde uitgaan, toen hij 11 Grigio in zijne geheele lengte op den drempel vond liggen.quot;

„O! des te beter, riep hij, in plaats van alleen zullen wij met tweeën zijn, en in staat om ons te verdedigen.' Ln hij toonde hem den weg naar de straat. Maar II Grigio verstond het zoo niet; hij verroerde zich geen vingerbreed, en liet eene soort van halfgesmoord gegrom hooren. Tweemaal trachtte Dom Bosco langs hem door te gaan, en tweemaal belette hem de hond den drempel der deur te overschrijden.

„De goede Margaretha riep dan uit; „Gij ziet wel, mijn zoon, dat de hond redelijker is dan gij; indien gij niet naar mij luistert, luister naar hen). Toen de hond weigerde plaats te maken, en herhaalde malen bromde, ging Dom Bosco eindelijk-naar zijne kamer terug. Ken kwartier daarna, kwam hem een der buren verwittigen, van zich in acht te nemen, daar men in den omtrek drie of vier man-

ocr page 154

— 143 —

nen had zien ronddwalen, die het uitzicht hadden van ware bandieten, en iets slechts beraamden.

„Zekeren avond nam Dom Bosco met zijne moeder en eenige priesters het avondmaal, als II Grigio, aan de speelplaats van het Bedehuis binnenkwam; eenige kinderen, die zich daar vermaakten, wilden hem met steenen wegjagen. Ik, die hem kende, zegt M. Ruzzetti, ik riep uit: Doet hem geen kwaad, het is de hond van Dom Bosco. Bij deze woorden, kwamen allen naderbij, omringden hem, streelden hem wel duizendmaal, en brachten hem eindelijk in de eetzaal. Nadat II Grigio daar vooreerst eenen blik op de tafel geworpen had, gaat hij er rond om, en zet zich heel vroolijk bij Dom Bosco, die hem een weinig vleesch en brood aanbiedt. Hij weigert alles, als om te toonen, dat zijne verknochtheid geheel en al onbaatzuchtig was.

„Maar, wat wilt gij dan toch? vroeg Dom Bosco.

„De hond antwoordde hem, door met de ooren te schudden en den staart te bewegen. Terzelfder-tijd zette hij zijne kin op tafel, en aanzag hem met een blik van voldoening en met de uitdrukking van eerbiedige verkleefdheid; daarna ging hij uit, langs waar hij binnen gekomen was, en verdween voor altijd van het Bedehuis, zonder dat men wist, van waar hij kwam, of waar hij heen gegaan was.

Zijne zending was geëindigd.

„Men zag hem echter een dertigtal jaren later, nog eens terug, of ten minste men meende hem te zien. Het was 's avonds, den 12 Februari 1883. Dom Bosco, begaf zich met Dom Durando, een

ocr page 155

— 144 —

zijner priesters, naar het gesticht, dat de Salesiërs te Vintimilla, in de voorsteden, bezitten. Daar zijne aankomst niet aangekondigd was, verwachtte hem niemand. De twee reizigers ondernamen alleen dien nog al langen weg, welken geen van beiden kende, en wat meer is, welke ingezakt was door den regen. In het midden van den weg overviel hen de nacht. Zij verdwaalden. Dom Bosco gleed in eene soort van modderpoel, waarvan het water hem tot aan de knieën reikte.

„Ach! riep hij uit, had ik mijnen Grigio nu!quot;

Deze wensch of deze spijt was nauwelijks uitgedrukt, of er verscheen een overgroote hond. Dom Durando verschrok en riep:

„Neem u in acht. Vader, neem u in acht.quot;

„Maar Dom Bosco streelde het dier, dat den staart bewoog en vol vreugde om hem sprong. „Men zou zeggen dat het Grigio is! .... Maar, waarlijk, ja, dezelfde groote, dezelfde kleur, hij is het, of een andere, die op hem gelijkt, misschien zijn zoon. Welaan, als gij waarlijk degene zijt, welken ik meen, gaat gij ons hier uittrekken, mijn oude Grigio, mijn trouwe bewaker.quot;

„De hond werpt zich, alsof hij begrepen had, in eene zekere richting en komt daarna terug, om te zien of men hem volgt. Dom Kosco aarzelt niet: hij gaat naar dien kant uit. Zijn makker neemt dezelfde richting, doch met minder zekerheid. Weldra komen zij aan de deur van het huis, dat zij zoeken. Zij bellen, men opent hun; het dier treedt met hen binnen, en blijft eenigen tijd om de tafel, waarop

ocr page 156

— 145 —

het avondmaal stond, rondloopen, doch weigerde zooals altijd, alles, wat men hem aanbood. „Wilt gij niets aannemen, keer dan naar het oord terug, vanwaar gij gekomen zijt, maar vergeet niet van te voren de dischgenooten beleefd te groeten!quot; De hond gehoorzaamde, gelijk voorheen, stuurde een lieftallig teeken met den kop tot ieder, en verdween.quot; (i)

(l) Uittreksel uit eenen brief van den Weleerw. Aumenir, Pastoor te Farges, bij Baugij, (Cher) aan wien Dom Bosco zelf dit verhaal den 6 September 1887, gedaan heeft.

ocr page 157

NEGENDE HOOFDSTUK.

AANWERVINGEN EN GEBOUWEN. — DE CHOLERA. DOM KOSCO EN DE AFGEVALLEN PRIESTER DE SANCTIS. DOM BOSCO EN RATAZZI. DRIE HONDERD GEVANGENEN OP-WANDELING ZONDER GENDARMEN.

om Bosco was sedert 1846 huurder van het goed Pinardi, en werd er veel eerder en veel gemakkelijker eigenaar van, dan hij gehoopt had. Men had Pinardi verscheidene malen ondervraagd , aan welke voorwaarden hij toestemde te verkoopen: hij vorderde tachtig duizend frank. Op zekeren Zondag van Februari 1851, kwam hij zelf den Bestierder van het Bedehuis opzoeken en vroeg hem, wat hij er voor aanbood.

„Zeker geen tachtig duizend frank, antwoordde Dom Bosco; dat zou een weinig te overdreven zijn.

— Hoeveel dan?

•— Uw gebouw is tusschen zes en acht en twintig duizend frank waard; ik geef er u dertig duizend voor, dat is alles, wat ik doen kan.quot;

Daar het verschil nog vijftig duizend frank be-

ocr page 158

— 147 —

droeg, scheen men elkander nog minder dan ooit te zullen verstaan. Maar plotseling veranderde Pi-nardi van gevoelen.

„Dertig duizend frank, dat is voor niets.....

Gij zult er wel vijf honderd bijvoegen, als fooi voor mijne vrouw?

— Goed, nog vijfhonderd frank als fooi.

— En gij zult in gereed geld betalen?

— Ik zal binnen de veertien dagen in gereed geld betalen.

— Welnu, riep Pinardi uit, terwijl hij zijne hand uitstak, de koop is gesloten; die zijne belofte niet houdt, zal honderd duizend frank aan den anderen betalen.

— Ik neem het aan, wedervoer Dom Bosco, die de toegestokene hand in de zijne vatte.quot; En deze moeielijke onderhandeling, waar men vijf jaren lang mede sukkelde, werd zoo op eenige minuten afge-rraikt.

Er bleef nog ééne moeielijkheid: Dom Bosco had de 30,500 frank niet.

Maar Nauwelijks was Pinardi buiten het huis, of Dom Cassasso, de geestelijke vader van Dom Bosco, bracht tien duizend frank van de gravin Casazzi als gift aan het Bedehuis.

's Anderendaags, kwam zekere Pater Rosminia-nus Dom Bosco raadplegen over de plaatsing van eene som van 20 duizend frank, die hem werd toevertrouwd.

„Ik houd ze, zeide Dom Bosco; de plaatsing bij mij, zal dubbelen intrest opbrengen: vooreerst

ocr page 159

_ 148 —

dengenen, welken ik u jaarlijks zal betalen, en dan dengenen, welke de Goddelijke Voorzienigheid u zal betalen, en geloof mij, deze zal honderd percent opbrengen.quot;

Pater Rosminianus, die last had gekregen zoowel een goed werk als eene goede winstberekening te doen, liet zich overreden. Met zich overigens tot Dom Bosco te wenden, had hij zich wel aan een voorstel van dit slag kunnen verwachten.

Er bleven nu nog 500 frank en de kosten. De bankier Cotta nam ze voor zijne rekening.

Eene tweede zaak, minder gewichtig onder geldelijk dan onder zedelijk opzicht, werd weinig tijd daarna geregeld.

Dom Bosco kocht de herberg Delia Giardiniera, wier nabijheid hem gedurende zoo lange jaren verhinderd had gerust te slapen. Hij voegde ze bij het Bedehuis.

Toen zijne moeder hem hare voldoening uitdrukte, omdat zij eindelijk van de slechte voorbeelden en den walm der ondeugd, welken dit huis uitwasemde, bevrijd was, zeide de onvermoeibare apostel: „Moeder, wij gaan nu het huis des gebeds en der deugd herbouwen; de loods Pinardi is heel en al onvoldoende, ja, gansch onwaardig, nu wij beter kunnen: ik wil dus eene schoone kerk bouwen, en ze onder de bescherming van den H. Franciscus van Sales stellen.

— Waar zult gij het geld halen? vroeg de goede Margaretha : gij weet wel, dat wij niets hebben daft.....schulden.

ocr page 160

— 149 —

— Moeder, luister eens naar mij. Als gij geld hadt, zoudt gij er mij dan geven ?

— Zeker, ik heb het u genoeg bewezen, mijn arme Johannes.

— Welnu, moeder, veronderstelt gij, dat de goede God minder edelmoedig is dan gij, of dat Hem de middelen ontbreken ?

— Gij hebt altijd recht, mijn goede Johannes, zeide de moeder. Wij gaan bidden en de onschuldige zielen, welke de goede God onder onze hoede gesteld heeft, doen medebidden. Als wij ten slotte onvoorzichtig zijn, dan is het uit liefde tot Hem!quot;

Er was niet meer onvoorzichtigheid voor deze dan voor de andere ondernemingen. De eerste steen werd den 21 Juli gelegd, en de wijding had het volgende jaar, den 20sten Juni 1852, plaats.

Op den vooravond van den dag, die voor het Bedehuis een plechtige en gedenkwaardige dag was, kondigde Dom Bosco zijne moeder een nieuw ontwerp aan: „Nu wij eenen tempel voor den Heer hebben opgericht, zullen wij er eenen bouwen voor de heilige Naastenliefde; ik wil depuinen vervangen, waarin onze kinderen wriemelen, evenals ik de loods vervangen heb, waar de goddelijke diensten bij regentijd in plasten.quot;

En hij begon, kortbij de nieuwe kerk, een uitgestrekt gebouw met twee verdiepingen, zonder inbegrip van het benedenhuis en de kelders: „Het geld zal ons niet te kort schieten, herhaalde hij aan zijne moeder: een priester, die overvloedig uitgeeft voor God en de armen, ontvangt ook over-

DOM BOSCO. 10

ocr page 161

— 150 —

vloedig; hij wordt het kanaal van de aalmoezen der geloovigen en gij weet, dat naarmate een kanaal zich aan eenen kant ledigt, het zich aan den anderen wederom vult.quot;

En werkelijk, de meest onverwachte hulpmiddelen vloeiden toe. Tot zelfs de nieuwe koning Victor-Emanuël, tot zelfs de nederige en vrome Jozef Bosco, iedereen zond hem zijn offer.

Niet tevreden met alle jaren aan zijnen broeder en zijne moeder, een gedeelte van zijnen oogst over te laten, ging Jozef nog aalmoezen voor hen vragen bij zijne bloedverwanten en landgenooten. Hij ontving met dienstvaardigheid de kinderen, die Dom Bosco somtijds naar de Becchi's geleidde, om hun een weinig vacantie te laten nemen, en naijverig om de gastvrije overleveringen van het huis te bewaren, wilde hij nooit iets aannemen om zijne uitgaven te dekken.

Toen hij eens langs het Bedehuis van Turijn gekomen was, met het inzicht om twee kalveren op de markt te Moncalieri te gaan koopen, en hij de armoede zag, die er heerschte, ledigde hij zijne beurs in de handen van zijnen broeder en zeide;

„Ziedaar, drie honderd frank; het spijt mij, dat ik u niet meer kan aanbieden.

— En gij dan? vroeg Dom Bosco.

— Ik hoef zoo gauw niet te zijn; ik zal mijne kalveren later koopen.quot;

Dom Bosco omhelsde hem met tranen van dankbaarheid

„Ik neem het aan, hernam hij maar enkel als leening.

ocr page 162

— Neen, neen, wedervoer Jozef, gij hebt zoo al genoeg schulden. Uwe kinderen zullen een gebed voor de mijne doen, en dan zal ik mij meer dan terugbetaald achten.quot;

En hij gedoogde niet, dat men hem nog over deze som sprak.

Dom Bosco had een geheel bijzonder vertrouwen in het gebed der kindsheid; er ging geen dag voorbij, zonder dat hij de talrijke weldoeners aan de leerlingen van het Bedehuis aanbeval; ook wist men dit wel.

Eens dat de rekening van den bakker zeer hoog stond, zoo hoog zelfs, dat hij niet meer op krediet wilde leveren, kwam de graaf R. van Agliano aan het Bedehuis gebeden vragen voor zijne echtgenoote, die gevaarlijk ziek was. Terzelfder tijd stelde hij Dom Bosco eene som ter hand, die juist de helft was, van hetgeen men den bakker schuldig was.

Men raadt met welken ijver de kinderen en hun goede meester begonnen te bidden. Drie dagen gingen voorbij; de graaf van Agliano verscheen wederom: „Dank, Vader, duizendmaal dank!

— Maar, riep Dom Bosco uit, mij dunkt, dat het eerder mijn plicht is, om u te bedanken.

— Vader, hernam de graaf, mijne vrouw bevond zich beter, sedert den dag, dat gij en de uwen voor haar hebt gebeden; heden staan de geneeshee-ren voor hare genezing in.quot;

Hij gaf Dom Bosco eene som gelijk aan de eerste, en de bakker werd, zonder verder uitstel, heel en al betaald.

ocr page 163

— 152 —

De Bewaarschool of het Internaat, naast de nieuwe Kerk, was bijna voltrokken, en reeds gedeeltelijk bewoond, toen in den nacht van den 2dequot; op den 3den December 1852, ten gevolge van hevige slagregens, het heele gebouw instortte. Mama Margaretha was de eerste, die ontwaakte door het gedruisch der steenen, welke losgingen. Inderhaast gekleed, kwam zij op de plaats der ramp aan. De kinderen, liepen half naakt, en meestendeels slechts in de dekens van hun bed gewikkeld, in wanorde naar buiten, terwijl ?ij angstkreten uitstieten. Een vluchtte over de speelplaats en viel in eenen modderpoel, een ander zocht eene schuilplaats onder de naburige moerbezieboomen, een derde schuilde bij de kerk, en kromde zich al rillende ineen aan den voet van het altaar. Hunne kreten waren slechts onderbroken door het nieuwe gekraak van muren, die op den grond stortten. Met mannelijken moed, verzamelde Margaretha al dat kleine radelooze volk, verdeelde het op haar best in het oude gebouw en bleef den heelen nacht te been, als een veldheer op het slagveld. Dom Bosco, die reeds zijn leven blootgesteld had met de puinen te doorloopen, om te zien, of er geen kind onder gebleven was, en die er nog wilde terugkeeren, hield zij , om zoo te zeggen, met geweld terug, en zij deed haar gezag van moeder gelden, om hem te verplichten van bij haar te blijven.

Er was overigens geen slachtoffer. Men was er van af, met opnieuw en dit maal steviger te bouwen.

Doch het was in de landsziekte van 1854, dat

ocr page 164

— 153 -gt;

de onverschrokkenheid van moeder en zoon zoodanig uitblonk, dat zij de bewondering der naijve-rigen afperste en de vijanden ontwapende.

De Aziatische cholera deed eenen inval in Italië, in de maand Augustus van dat jaar. Hare verwoestingen in Piemont en Ligurië hadden een verpletterend aanzien. De stad Genua telde vijftig slachtoffers per dag, gedurende meer dan twee maanden.

Te Turijn was de ontsteltenis zoo groot, dat alle winkels gesloten werden en alle handel werd opgeheven. Eene dwaling vermeerde nog den schrik onder het volk; men meende, dat de ziekte besmettelijk was, en onder de armen was men overtuigd, dat de geneesheeren de zieken doodden, door hun eenen vergiftigen drank, welken men Acquctta noemde, doen te drinken, om hunnen dood te verhaasten en degenen, welke nog niet aangetast waren, te vrijwaren. De rijken vluchtten naar de bergen. De geesel volgde ze daar en breidde zonder ophouden den kring zijner vernielingen uit. Als in de verlatene huizen eenige zieke gebleven was, gaf hij den geest zonder hulp. Men vond zelfs geene grafmakers meer, om de lijken weg te voeren. De meest beproefde wijk was die van den Valdocco. Alle huisgezinnen, rondom het Bedehuis waren min of meer ontvolkt , ja zelfs waren er eenige heel en al uitgestorven. Dom Bosco hield zich vooreerst met de behoedmiddelen, tegen de cholera bezig. Hij liet het heele huis van boven tot onder schoon vegen en de muren van binnen en buiten over-

ocr page 165

— 154 —

pleisteren, hij gaf beter dagelij ksch eten en vreesde niet zich hiertoe eene merkelijke vermeerdering van uitgaven op te leggen. Hij beijverde zich vooral om zijn geweten en dat van zijn klein volk te zuiveren, en zoo op alle voorval voorbereid te zijn. Voor het heilig Sacrament des Altaars neergeknield, gaf hij zich ten offer: „Gij hebt gezegd, Heer, dat de goede herder zijn leven geeft voor zijne schapen; gij zelf hebt er het voorbeeld van gegeven. Ik ben de herder, neem mijn offer aan, doch spaar mijne schapen.quot;

Indien dit gebed verhoord werd, dan was het gelukkig slechts in het laatste gedeelte. Maar zoolang de geesel duurde, bemerkte men in heel het Bedehuis eene verdubbeling van vurigheid.

Op de voorzorgmaatregelen en op de gevoelens van onderwerping volgde de rechtstreeksche strijd; hij was heldhaftig.

Toen de gasthuizen onvoldoende bleken, richtte het gemeentebestuur van Turijn ziekenhuizen op. Dom Bosco nam met dienstvaardigheid het bestuur van dat van den Valdocco aan. Hij richtte eenen vurigen oproep tot zijne jongelingen. „Ziedaar het oogenblik, zeide hij, om aan den evennaaste de weldaden terug te geven, die gij van hem ontvangen hebt. Waar zoudt gij zijn, ten minste de meesten onder u, zonder de christelijke naastenliefde? Welke toekomst zoudt gij voor uwe oogen gezien hebben ten opzichte van God en de menschen? De gelegenheid biedt zich aan, om zelfopoffering voor zelfopoffering te geven; komt mij helpen in het redden van die zieken, welke van allen verlaten zijn, zooals

ocr page 166

velen onder u het eertijds waren, en indien iemand in deze uitoefening van naastenliefde moet bezwijken, welk geluk, o mijne kinderen! Sterven voor God, of voor den evennaaste om aan God te behagen, is dit niet sterven als martelaar, met de zekerheid van den palm der onsterfelijkheid te behalen?quot;

's Avonds reeds stelden zich veertig jongelingen te zijner beschikking. Er bood zich een grooter getal aan, maar de sterkste werden alleen aangenomen.

Dom Bosco gaf hun zijne onderrichtingen, opdat zij niet alleen de geneesheeren des lichaams, maar ook die der ziel zouden vervangen, terwijl men de aankomst van den geneesheer en den priester afwachtte, en gedurende vier maanden zag men deze jonge ziekenoppassers zich vermenigvuldigen zoowel in het ziekenhuis als in de bijzondere woningen. Hij zelf was tegelijk overal; God alleen wist en schreef het getal der zieken op, die hij met Kerk en maatschappij verzoende, en dat der stervenden, aan wie hij de deur des hemels opende. Des nachts wierp hij zich heel gekleed te bed, evenals zijn waardige medehelper Dom Galvagno, om op den eersten roep gereed te zijn en het gebeurde, dat hij vier maal in dezelfde nacht geroepen werd. (i)

Zonder het Bedehuis te verlaten, was mama Margaretha ook tusschen de strijdenden. Ieder oogen-blik belde men aan hare deur om hulp te vragen;

(i) Het betaamt hierbij te voegen, dat de parochiale geestelijkheid ook den grootsten ijver ten toon spreidde. Zooals ook de Dominikanen, de Oblaten, enz.

ocr page 167

— 156 —

nu eens was het een adres van eenen zieke, waar men op aandrong; dan waren het weezen, welke men aanbracht of kwam aanbevelen, of wel waren liet arme lieden, voor welke de jonge ziekenoppassers van het Bedehuis, tafeldoeken, lakens of hemden kwamen halen. Mama Margaretha ging in hare kleerkamer, en zij gaf, zoolang zij iets had. De geesel woedde nog altijd voort, toen zij en de haren reeds geen linnengoed meer bezaten , tenzij wat zij droegen of wat op hun bed lag. Eindelijk gaf zij de tafellakens weg. „Neem maar, zeide zij aan den ziekenoppasser, die het laatste ontving, ik heb mij zoolang in het begin van de stichting er zonder bediend, dat ik mij nog er zonder kan bedienen; kunnen wij het hout, waarop wij eten, versieren en kleeden, als de armen, de leden van Jezus - Christus, ontbloot en naakt zijn?quot;

Zij deed meer; zij gaf zelfs de altaardoeken, zelfs de amicten, waarvan men zich bediende, om Mis te lezen; maar voor deze gift vroeg zij de toelating van haren zoon, die ze haar zonder aarzelen toestond.

Men kan de landsziekten aan de wilde dieren vergelijken, welke op degenen springen, die hun den rug toedraaien, en voor degenen terugwijken, die recht op hen aangaan. Onder zoovele slachtoffers te Turijn, door de cholera van 1854 weggerukt , was er geen aan het Bedehuis. De eenige persoon, die een oogenblik getroffen scheen, was Dom Bosco zelf.

Hij verzorgde zich in zijne kamer, zonder iemand

ocr page 168

te willen beangstigen of te storen, wreef zich goed, beval zich aan God, en sliep in , verwarmd en vol zweet. Men vernam slechts 's anderendaags, welk gevaar hij geloopen had. Ken Te Dcmn van dankbetuiging werd den H. Franciscus van Sales gezongen, den 8sten December, op eenen dag, gedenkwaardig voor heel de Kerk, wijl op dezen dag de groote paus Pius IX, te Rome, te midden van twee honderd bisschoppen, het godvruchtig aannemen der Onbevlekte Ontvangenis, als geloofspunt uitriep. Dom Bosco hield eene hartroerende toespraak, die de aanwezigen vervoerde. Zijne welsprekendheid was eenvoudig, zonder blijkbare gezochtheid, maar van hechte en gezonde leerstellingen voorzien; zij drong tot het hart door, omdat zij uit het hart kwam; hoe zou men niet door de aandoening, die hij het eerst zoo levendig gevoelde, overmeesterd geweest zijn. Als hij op den preekstoel verscheen, voelde men zich bewogen alleen door hem te zien; zijn uitzicht van goedheid en heiligheid was reeds eene prediking, voordat hij den mond geopend had. Ook kwam men meer en meer naar de geestelijke feesten van het Bedehuis, en kwam men er vooral om hem te zien en te hooren. Kr hadden omgangen plaats, door hem bestuurd, welke door de heele stad gevolgd worden. Op éénen dezer bemerkte men de twee Cavours, zonen van wijlen den markies, maar die zijne vooroordeelen tegen het werk der Sale-siërs niet geërfd hadden. Zij volgden beiden godvruchtig, terwijl zij in de ééne hand eene kaars hielden en in de andere II Giovauc Provcduto, eene

ocr page 169

— 158 —

verzameling van godvruchtige gebeden, onlangs door Dom Bosco uitgegeven. Deze houding verwonderde niemand bij den oudsten, want de markies Gustaaf van Cavour hield nooit op het voorbeeld van alle christelijke deugden te geven; maar wel was er stof om zich over zooveel godsvrucht te verwonderen bij den jongsten, dien behendigen en geduchten samenzweerder, den graaf Camillus, welke toen reeds met de Italiaansche opstandelingen en keizer Napoleon III samenwerkte, om de vier hoeken van Europa in vuur en vlam te zetten. Het betaamt echter, zelfs aan de geschiedenis, zich voor onbezonnen beoordeelingen te wachten. God alleen is rechter. Hij alleen doorgrondt het geweten, waarvan de geschiedenis slechts het uiterlijke beschouwt, en zeer dikwijls misschien, ziet Hij maar verkeerde gevolgtrekkingen , of ten hoogste zwak- en lafheden , in die afgronden van menschelijke tegenstrijdigheden , die ons huichelarijen toeschijnen.

Dom Bosco erfde twintig weezen bij, die zijn klein volk kwamen vergrooten.

Omtrent denzelfden tijd had hij dc gelegenheid, om met den meest befaamden Waadlandschen Predikant, andere kennissen aan te knoopen, dan die van den pennestrijd over de Leer, welke hij met zooveel kracht, zoowel met de pen als met zijne voordrachten, tegen hem had volgehouden.

Toen de gewezen priester Lodewijk de Sanctis, die van de katholieke Kerk afviel, van zijne bedieningen van Waadlandschen Predikant werd afgezet door het Comiték dc ccizuaardige Tafel genaamd.

ocr page 170

— 159 —

dat wil zeggen, door het Hooge Bestuur der Waad-landsche Kerk, schreef hem Dom Bosco eenen brief, waarin hij zeide:

Mijnheer,

„Sinds eenigen tijd was ik van plan u te schrijven, om u mijn levendig verlangen te doen kennen, van u te spreken en u alles aan te bieden, wat een oprechte vriend aan zijnen vriend kan aanbieden. Mijne vriendschap voor u is voortgesproten uit het aandachtig lezen uwer boeken; ik meende er eene werkelijke ongerustheid in den grond van uw hart en uwen geest in te ontdekken.

„Nu verneem ik door zekere dagbladartikels, dat gij in oneenigheid zijt met de Waadlanders; ik kom u dus uitnoodigen, om bij mij te komen, wanneer gij het goed zult vinden. En om wat te doen ? Om te doen, wat de Heer u zal inboezemen. Gij zult eene kamer te uwer beschikking hebben, gij zult mijne nederige tafel deelen en wij zullen te zamen het voedsel des lichaams en der ziel nemen. Het spreekt van zelf, dat gij niets te betalen hebt.

„Ik ben gelukkig u uit den grond van mijn hart deze gevoelens van vriendschap te kunnen uitdrukken. Indien gij kunt weten, hoe oprecht gemeend mijne vriendschap voor u is, zult gij mijne voorstellen aannemen, of ten minste, zult gij de gevoelens, die ze mij deden neerschrijven begrijpen, en er aan beantwoorden.

„Moge de goede God mijn verlangen begunstigen en van ons één enkel hart en ééne enkele ziel

ocr page 171

— KJO —

maken, voor dien Meester, welke degenen naar waarde zal betoonen, die Hem gedurende hun leven zullen gediend hebben!

„Ik ben. Mijnheer, uw oprechte vriend in Jezus-Christus.

Johannes Bosco, priester.

„Turijn, Valdocco, 17 November 1854.quot;

De brief roerde den armen de Sanctis tot in de uiterste plooien van zijn hart. 's Anderendaags antwoordde hij:

„Mijnheer.

„Gij zoudt nooit kunnen Opdenken, welk uitwerksel uw zoo vriendelijke brief van gisteren op mij heeft te weeg gebracht. Zooveel edelmoedigheid en zooveel vriendelijkheid had ik nooit meenen aan te treffen in eenen man, die mij openlijk vijandig was. Onder ons hoeven wij het niet te bewimpelen: gij bestrijdt mijne grondbeginselen, zooals ik de uwe bestrijd; maar tegelijkertijd geeft gij mij een bewijs van oprechte liefde, door mij de hand te reiken in tijden van hartzeer. Gij bewijst daardoor, dat gij de praktijk verstaat van die christelijke naastenliefde, welke anderen zoo goed in verhevene beschouwingen weten te prediken.

„Ik neem uwe vriendschap aan als eene kostbare gift......Voor zeer talrijke redenen, ben ik

nog niet in staat uw edelmoedig aanbod aan te nemen; maar de diepe indruk, dien het op mij gemaakt heeft, zal er moeielijk uitgewischt worden.

ocr page 172

— 1(51 —

„In afwachting, bidden wij voor elkander, opdat

God ons vereenige......

Van de zeer talrijke redenen, waarvoor de Sanctis de gastvrijheid van Dom Bosco niet kon aannemen, was de voornaamste, dat hij met verbreking zijner geloften, gehuwd was. Dom Bosco smeekte te vergeefs; de vrouw, welke den ongelukkige weerhield , schijnt het sterkste gebleven te zijn. De afgedwaalde vergenoegde zich met in zijn dagblad „Hit Evangdischc Liclif te schrijven: „Terwijl de Waadlanders 1VL de Sanctis op de wijze behandelden, welke iedereen weet, doet hem de katholieke priester Johannes Bosco eenen brief vol vriendelijkheid en liefde geworden, en noodigt hij hem uit zijne tafel en woning met hem te komen deelen. Eer, aan wien eere toekomt!quot;

Sedert dien heeft men insgelijks opgemerkt, in de scheuring der Oud- Katholieken en in het pogen tot vorming eener katholieke Volkskerk te Geneve, dat in het algemeen, diegene der afvallige priesters, welke geweigerd hébben heiligschendende huwelijken aan te gaan, in den schaapstal zijn teruggekeerd,, als het uur der ontgoocheling was aangebroken, terwijl de andere in de dwaling volhard hebben. Ken priester, die afvallig wordt, luistert altijd of naar den hoogmoed des geestes, of naar de wanorde der zinnen. Zoolang deze laatste geene afdoende en onherroepelijke bekrachtiging heeft gekregen, b^ staat er strijd in het hart des ongelukkigen en kan men hopen.

Maar de edelmoedigheid van Dom Bosco jegens

ocr page 173

— 162 —

eenen zijner meest befaamde vijanden, die in het ongeluk gevallen was, bedaarde eindelijk den toorn tegen hem. Sinds dien dag hielden de ketters op hunne toevlucht tot stoffelijke dwangmiddelen te nemen; zij bepaalden zich bij de wapenen van den pennestrijd, die onbeduidend waren tegen zulk eenen geleerden en godvruchtigen man.

Zekeren Zondag van hetzelfde jaar, hield Dom Bosco, zooals gewoonlijk in volle kerk zijnen catechismus. Daar de toehoorders reeds eene zekere ontwikkeling hadden, bepaalde hij zich niet bij het uitleggen van de geloofspunten of Zedeleer, maar week dikwijls uit op het gebied der geschiedenis. Hij sprak juist over de vervolgers der Kerk, toen een kleine jongen opstond en verzocht om eene vraag te mogen stellen. Op een bevestigend teeken van den geloofsonderwijzer, drukte zich het kind ongeveer in deze termen uit; „Indien Trajanus eene onrechtvaardigheid bedreven heeft door den heiligen Paus Clemens in ballingschap te sturen, wat moeten wij dan over óns Bestuur denken, dat onzen Aartsbisschop Mgr. Franzoni verbannen heeft.quot;

De vraag was gewaagd; het kind in zijne onnoo-zelheid, had niet gedacht aan het gevaar der staatkundige toepassingen, vooral in tegenwoordigheid van talrijke toehoorders, die niet aan het Huis toebehoorden. Dom Bosco trok er zich uit met zijne bekende rechtschapenheid en eenvoudigheid.

„Mijn vriend, antwoordde hij. Trajanus beging eene onrechtvaardigheid; al degenen, die de Kerk vervolgen, begaan eene onrechtvaardigheid en wat

ocr page 174

— 103 —

meer is, eene onvoorzichtigheid, daar de gehoorzaamheid aan God en zijne wetten de hechtste steun is voor de gehoorzaamheid aan de prinsen en men-schelijke wetten; ziedaar het vraagstuk. Bewaren wij echter de toepassing op de tegenwoordige tijden voor de catechismussen, die honderd jaren hierna zullen plaats hebben, als het tegenwoordige onder het gebied der geschiedenis zal gevallen zijn; stellen wij ons thans tevreden, met het gezag te eerbiedigen, onder welken vorm het zich aanbiede, onder burgerlijken of geestelijken. ^

— Maar, hield het kind aan, indien gij de Aartsbisschop waart?

— Ik ben de Aartsbisschop niet, en gij ook niet, mijn kleine vriend; in afwachting van het te worden, houd u onder de klas met uwe lessen en onder den speeltijd met uwe knikkers bezig.quot;

De besliste toon, waarop dit antwoord gegeven werd, was een bevel en liet geene tegenspraak toe. Men moest het voorval uitgemaakt denken.

Doch het was niet uitgemaakt. Toen Dom Bosco uit de kapel ging, sprak hem een onbekende van hooge gestalte en uitgelezen manieren op de speelplaats aan:

„Duld, dat ik u gelukwensche. Heer Kapelaan, over de behendige en tegelijk krachtige wijze, waarop gij u uit die zaak getrokken hebt. Men had mij uw onderwijs als oproerig en in gedurigen opstand tegen het Bestuur van den koning voorgesteld, ik zie, dat er niets van waar is.

— Gij zijt mij dus komen bespieden ? vroeg Dom Bosco.

ocr page 175

— 164 —

— Misschien.

— Maar zoudt gij mij dan niet willen zeggen, Mijnheer, aan wien ik de eer heb te spreken.

— Ik ben Urbaan Ratazzi, Voorzitter van den Ministerraad.

-—- Hoe! riep Dom Bosco in het Piemonteesch uit, welken tongval hij evenals zijne moeder dikwijls gebruikte, Coul gran Ros taf! die groote Ratazzi!

— Hij zelf, hernam zijn tusschenspreker, die natuurlijk gevleid was over deze ongekunstelde getuigenis van bewondering; maar nog eens, ik ben blij van mij ten uwen opzichte niet met een eenvoudig politieverslag tevreden gesteld te hebben, en gij hebt niets van mijnen kant te vreezen.

— Ik bedank u. Heer Minister, over de eer, die mij te beurt is gevallen, van u, zonder het te weten, den Catechismus te hebben gegeven , zeide Dom Bosco al lachende:

Uwe Excellentie zou buiten mate goed voor mij zijn, indien zij mij toestond er nog een woord bij te voegen.

— Spreek.

— Ik heb gezegd, dat de hechtste steun voor den eerbied der burgerlijke wetten, de eerbied is voor de goddelijke wetten; dat uwe Excellentie het zich herinnere. Heer Minister.quot;

Ratazzi bleef nadenken; dan hernam hij op los-schen toon:

„De handelwijze van den Aartsbisschop beviel mij niet, maar ik ben wel tevreden, dat zijne uitdrijving niet onder mijn ministerie heeft plaats gehad;

ocr page 176

— 165 —

ik vertrouw u dit toe, Heer Bosco, om u te too-nen, dat ik uwe achting- waardeer.quot; De Minister en de Stichter van het Bedehuis verlengden het onder-houd gedurende meer dan één uur. Ratazzi vroeg om het Huis na te zien, en deed talrijke vragen naar het doel, de middelen en de hulpbronnen van het werk. Hij verwijderde zich zeer voldaan, zoo zeer zelfs, dat hij er de openbare verdediger van werd, zoolang hij aan het bewind was, en er de voorspreker van bleef, toen hij het ministerie verlaten had.

Deze vriendelijke samenspraak tusschen twee mannen, die elkander zoo slecht geleken, was de laatste niet. De Priester wilde den Minister volkomen overtuigen van de uitstekendheid zijner handelwijze, en hem doen beloven, dat hij ze in alle gevangenissen, waar zich jongelingen bevonden, zoude toepassen. „Ja, hield hij aan, leggen wij er ons op toe, om de misdaad meer te voorkomen dan te bedwingen; dat zal meer menschelijk zijn en minder duur. Iedereen vindt bij zijne geboorte de kiem van alle ondeugden en ook van alle deugden in zijn hart; het is de opvoeding, die de goede natuurdrift moet ontwikkelen en de slechte verstikken. Hechten wij ons aan het kind; het weeke was behoudt den indruk, dien men hem geeft; de nog tengere heester richt zich weder gemakkelijk op; wachten wij niet, totdat hij boom geworden is: dan zal men hem eerder breken dan buigen. Men spreekt over opvoeding; men moet eene godsdienstige opvoeding hebben; het onderwijs alleen is een geneesmiddel, dat het kwaad verergert, daar het

Dom bosco. • i

ocr page 177

— 1G6 —

de macht vermeerdert, om nadeel toe te brengen, zonder den lust daartoe te verminderen. Meent gij, Heer Minister, dat een man, die een klaar denkbeeld heeft over plicht, een man, goed doordrongen van de alom tegenwoordigheid van God, aan Wien niets ontsnapt en Die al onze handelingen aanteekent om ze te straffen of te beloonen, een man, insgelijks door de praktijk gevormd, om dien God te beminnen, om in Hem zoowel eenen vader als eenen rechter te zien, om de andere menschen te beminnen, omdat God het zoo beveelt en wij allen broeders zijn; een man, gewoon aan zich zeiven te overwinnen en zonder ophouden tegen zijne verkeerde driften te strijden , meent gij, dat zulk een man in de ondeugd zou kunnen vallen, of indien hij er in valt, dat hij zich goed daarin zou bevinden en er niet zou zceken^uit te geraken. Maakt Christenen, Heer Minister, en gij zult burgers hebben, die gemakkelijk te besturen zijn, en indien het mogelijk was, hetgeen wat wij nooit zullen bekomen, indien alle menschen goede Christenen waren, dan zoudt gij rechters en gevangenissen, en zelfs politie en bestendige legers kunnen afschaffen.quot; De Minister wierp op, dat er onverbeterlijke karakters zijn.

„Misschien, antwoordde de Priester; ik ben er niet ten volle van overtuigd; in alle geval, zelfs voor de slechtste karakters, kan men beternis verkrijgen. Zie eens de kinderen , met welke ik mij bezighoud; zij zijn waarlijk niet gekozen in het puik der samenleving; welnu, negentig op de honderd, ondergaan eene heilzame hervorming, ajs zij bij

ocr page 178

tijds aangenomen zijn, voordat zij de slechte gewoonten hebben aangeleerd. De tien andere bieden weerstand ; ik scheid er mij van met een bedroefd hart, maar ofschoon ik ze wegstuur, blijf ik nog overtuigd, dat zij iets van mijn onderwijs medenemen. Ja, zij zullen wroegingen hebben in hunne wanorde, en zij zullen hunne misdaden betreuren, al was het slechts op dat onvermijdbaar uur, dat hen, en ons, even goed als zij. Heer Minister, voor de opperste vierschaar zal sturen.quot;

Deze redenen maakten levendigen indruk op Ratazzi. Hij beloofde aan Dom Bosco dat hij , zijn leerstelsel in de gevangenissen en verbeteringshuizen zou doen aannemen. Het Bullet ju der Sale si as, dat ons deze bezonderheden geeft, voegt er bij, dat, als hij zijne belofte niet geheel nakwam, dit was uit gebrek aan den noodigen moed, om zijne eigene overtuigingen duidelijk uit te leggen en te verdedigen.

Maar hij gaf den Stichter van het Werk der Salesiërs eene openbare en zeer bijzondere getuigenis van zijn welwillend vertrouwen.

In Mei 1855 predikte Dom Bosco aan de gevangenen der voornaamste gevangenis van Turijn, de Algemeenc genaamd, eene retraite van acht dagen , die de bewonderenswaardigste vruchten opleverde. Meer dan drie honderd man op vier honderd naderden tot de heilige Sacramenten met al de blijken van de oprechtste godsvrucht. De diep getroffen prediker, vroeg zich af, wat hij wel doen kon, om zijne lieve boetelingen te beloonen. Hij ging den Bestierder der gevangenis vinden en stelde hem

ocr page 179

— 168 —

voor, vaft aan allen, die hunne retraite gedaan hadden, gedurende éénen dag de vrijheid weer te geven.

De Bestierder kon zijne ooren niet gelooven;

„Gedurende éénen dag de vrijheid! riep hij uit; dadelijk volle vrijheid schenken, zou op hetzelfde neerkomen. Eens buiten, zou geen mijner leelijke vogels meer in de kooi terugvliegen; om ze te achterhalen , zou men al de soldaten van het koninkrijk-te velde moeten zetten.

— Stel u gerust, zeide Dom Bosco, ik ken ze, ik weet hoe ze aan te vatten , ik zal eenen oproep doen tot hunne eergevoelens, tot hun geweten, en zonder gendarmen noodig te hebben, zal geen enkele het gezelschap verlaten.quot;

De eer van kleine dieven, het geweten van moordenaars: Dom Bosco was zinneloos!

De Bestierder haalde de schouders op en wilde niets meer hooren. Hij gaf nochtans het smeekschrift van Dom Bosco af. Zijne verbaasdheid verdubbelde, toen het smeekschrift bij hem terugkwam met het woord: aangenomen gevolgd door de hand-teekening van Ratazzi.

Hij liep naar het ministerie, om alle verantwoordelijkheid van zich af te wijzen. De Minister, even zinneloos als de andere, zeide hem, dat het slechts eene proefneming was.

Gedurende dezen tijd voerde Dom Bosco het woord tot zijne vervaarlijke bende. Hij vatte hen aan bij de gevoelens, waarover hij gesproken had; allen zwoeren, dat zij niets zouden doen om te ontsnappen; de grootsten verklaarden, dat zij zich be-

ocr page 180

— 169 —

lastten met diegenen te kastijden, welke aan dezen eed zouden te kort blijven.

's Anderendaags, in een heerlijk zomerweder, ' had het vertrek na de mis plaats. Verscheidene hon

derden gevangenen trokken door de straten van Turijn, in goede orde blijmoedig en vrij onder de wacht van éénen man.

Dom Bosco leidde ze in de koninklijke tuinen van Stupinigi. De tocht was lang; de jonge, schoon verstijfde beenen vonden hem echter veel te kort; de buitenlucht is zoo zoet, de wandeling door de velden zoo aangenaam, als men er langen tijd van beroofd is geweest!

Daar Dom Bosco een weinig vermoeid scheen van het gaan, gingen zij gedienstig om hem heen-staan, ontlastten eenen ezel van den voorraad, dien hij droeg en zij nu zelf op hunne schouders namen, en heschen den goeden Vader op het dier. Zij losten elkander af, om beurtelings den toom vast te houden en op hun gemak dengenen te aanschouwen, aan wien zij dien gelukkigen dag te danken hadden.

's Avonds zagen de onthutste Turijners hen afgemat, doch gelaten en voltallig terugkomen. Niet één bleef aan den oproep te kort.

Dom Bosco rekende het zich ten plicht, den Minis-^ ter te bedanken en hem over alles rekenschap te geven.

„Inderdaad, zeide hem de Minister, bij u apostel van God, is er eene zedelijke kracht grooter dan alle stoffelijke, waarover wij beschikken. Gij kunt de harten overreden en temmen; wij, wij kunnen het niet, dit is een voorbehouden gebied.quot;

i

^ --

ocr page 181

TIENDE HOOFDSTUK.

DOM BOSCO VERLIEST ZIJNE MOEDER. LAATSTE HERINNERINGEN OVER DEZE ONOVERTREFBARE VROUW.

e nieuwe gebouwen van het Internaat werden van hunne puinen opgeheven, en voleindigd in het begin van den winter van 1856. Men had er eene dringende behoefte aan, maar de versch-heid der muren liet nog niet toe, ze onmiddelijk zonder gevaar te bewonen. Wat doen ? Ongeduldig om verscheidene kinderen aan te nemen, die hem aangeboden waren en die nog lange maanden in de ellende en verlatenheid gingen doorbrengen, als hij ze niet aannam, vroeg Dom Bosco aan de nijverheid, hetgeen de natuur hem te lang zou hebben doen verbeiden; hij deed groote komforen in de nieuwe kamers plaatsen en stookte dag en nacht met open venster, totdat de vochtigheid verdwenen was. De bewerking lukte zoo goed, dat het huis op het einde van November bewoonbaar werd en dadelijk honderd vijftig inwoners ontving.

Alles was vreugde, arbeid, eensgezindheid in die werkplaatsen, die slaapzalen, die schoone kerk.

ocr page 182

— 171 —

als bij tooverslag uit de aarde opgekomen, en waarboven Gods zegen zoo zichtbaar zweefde. De dankbaarheid vloeide over in het hart van Dom Bosco en niets zou er aan zijn geluk ontbroken hebben, indien de verzwakte gezondheid van zijne welbeminde en heilige moeder geenen sluier van or Tastbarende droefheid over heel het huis hadde geworpen.

„Ach! zeide de goede vrouw, terwijl zij de komforen hielp aansteken om het versche metselwerk te droogen, die groote gangen zijn niet voor de arme oude ; zij zijn te schoon !quot;

De harten van hen, die deze woorden hoorden, krimpten in een bij de eenige gedachte van mama Mar-garetha te verliezen, tegelijk met die enge en nederige kamertjes, waar men zoo geprangd, doch ook zoo godvruchtig en zoo gelukkig geweest was. Alvorens zich te verwijderen, bleven de grooten liefdevol stilstaan, om nog eens een of ander dier inwendige tooneelen, waaruit zij voordeel hadden getrokken, zonder ze genoeg te waardeeren, te aanschouwen en ze zich goed in het geheugen te prenten. Door den dag was mama Margaretha aan het werk, en bad zij zonder ophouden met het ééne oog op de wasch of het middagmaal en het andere op het kleine volk, dat zeer dienstvaardig was, maar ook zeer hinderend en zeer onhandig, en altijd om haar heen wriemelde: „Gij daar, neem een mes, gij gaat die groensels schoonmaken; Onze vader, die in de hemelen zijt; en gij, haal hout, loop; geheiligd zij inu naam; dan, door het venster naar

ocr page 183

— 172 —

beneden ziende: nu is mijn lijnwaad op den grond; wie gaat het mij oprapen? Ons toekomc uw njk. Ha! dat zijt gij, kleine; hang uw hemd nog eens uit! Meent gij dat ik niets anders meer te doen heb, dan uwe kleederen te verstellen ? Uzv wil gr-sc/iicde.... Gaat gij eens zien, of Dom Kosco teruggekomen is; hij doet te veel, de lieve man..... gij

weet echter...... gij moet u niet ergeren over

mijne onbezonnen woorden, mijne kinderen; als het

voor God is, doet men nooit te veel......op aarde

als in den hemel.

Daarna was het tijd voor het middagmaal: vrouw Margaretha, in eenen breeden voorschoot gestoken en een grooten lepel in de hand, deelde de soep uit aan al die uitgehongerden, welke hunne kom toestaken en slechts zelden zeiden: genoeg. Om te eten, gingen de kinderen zich hier en daar op de speelplaats neerzetten (toen was er nog geene eetzaal) dan brachten zij beurtelings hunne kom, goed aan de bron gewasschen, terug, en ontving elk in ruiling een dik stuk brood. In een nevenvenster zag men Dom Bosco met appels verschijnen. „Voor mij! voor mij!quot; riepen de kinderen, die in menigte toeliepen: en Dom Bosco ernstig en statig: „Voor de braafsten! Heer N..... welke zijn dezen morgen de braafste geweest?quot; De bewaker wees er drie of vier, min of meer aan, want het getal appelen, op de schotel van Dom Bosco, was niet onbeperkt; de gelukkigen bedankten, terwijl zij er gretig in beten ; de min goed bedeelden stelden zich met hun brood tevreden, en allen zetten zich aan het spel.

ocr page 184

— 173 —

Eindelijk, het derde tafereel, dat men kon betitelen: Dc Avond. Margaretha lapt eene broek in de keuken. Naast haar staat eene kleine tafel, waarop een lampje is aangestoken, een kleine jongen leert schrijven en trekt strepen; andere studeeren met de ellebogen op de tafel, het hoofd tusschen de handen en de oogen nu eens op hunne boeken gevestigd, dan naar omhoog om stilletjes van buiten op te zeggen; achteraan in de kamer doet een muziekliefhebber eene viool krijschen; Dom Bosco zit vreedzaam naast het vuur, waarop de Polenta zachtjes kookt, en leest zijne getijden of voleindigt het lappen van een paar schoenen; op eens stopt hij zich al huiverende de ooren, dan zich keerende naar den vioolspeler, die eene valsche noot gespeeld heeft, staat hij recht, neemt den grooten lepel uit den ketel, en, met dezen uitgedachten maatstok de maat slaande, brengt hij den verdwaalden muzikant op het rechte pad der welluidendheid terug. Nederige, doch bewonderenswaardige tooneelen, indien men nagaat, dat die kinderen, welke op deze wijze het familieleven genoten, niets waren, door hunne geboorte, voor den vader en voor de moeder, die hun dat leven schonken en het hun zoo zoet maakten, en dat deze vader en deze moeder geen plicht door de natuur opgelegd, jegens hen te vervullen hadden.

In plaats van te veranderen, legde zich de weduwe Bosco in hare kamer te bed, en verzocht dringend haie twee zonen en hare klein-kinderen. Johannes haastte zich Jozef te verwittigen.

ocr page 185

— 174 —

Zij onderhield zich met allen te zamen en met ieder afzonderlijk, om hun hare laatste verlangens te kennen te geven. Zij maande Jozef aan, om zijne kinderen wel op te voeden, zonder ze uit den nede- **

rigen rang hunner voorouders te doen gaan, tenzij hij buitengewonen aanleg voor de studiën bij hen gewaar werd. „De ellende heeft hare bekoringen,

zeide zij hem, maar de rijkdom heeft er andere, die veel gevaarlijker zijn; ik wensch mijne kleinkinderen mijn eigen lot: op hun gemak leven, maar door het werk; ik wensch hun vooral, dat zij den vrede en de eensgezindheid onder elkander bewaren; zij zullen ze bewaren, indien zij zeiven in goede verstandhouding met Gods wetten blijven.quot;

Aan Johannes deed zij aanbevelingen van zulk eenen aard, dat hij er verbaasd over stond; hij meende zijne moeder te kennen, maar hij had geen zoo fijnen en doordringenden geest van opmerking-bij haar vermoed; „Mijn goede Johannes, zeide zij,

ik ga u spreken als in de Biecht, maar gij zijt thans eene overheid en zooals alle overheden omringd door de vleierij en in gevaar van slechts de aangename waarheden te kennen. Heb groot vertrouwen in hen, die met u in den wijngaard des Heeren arbeiden, maar laat hen de «jlorie van God niet uit het oog verliezen. Denk, dat er verschei-denen in plaats van Gods glorie, hunne eigene glorie zoeken. Veracht den glans en de sierlijkheid in uwe werken, heb voor leidster de wezenlijke, de werkelijke armoede. Velen beminnen de armoede bij name, maar niet in werkelijkheid, of b:j de kn-

ocr page 186

deren en niet bij zich zeiven; al wordt uwe familie grooter, zij moet arm, zij moet nederig blijven en de voorkeur niet aan zich zelve geven boven andere geestelijke familiën; ieder harer leden moet altijd gereed zijn, om plaats te maken voor al wie aan zijne zijde op den breeden weg der naastenliefde wil gaan, want daar is plaats voor allen. Zoolang dit zoo is, zal God hen zegenen.quot; Hier trad zij in vertrouwelijke en nauwkeuriger bijzonderheden. Dan voegde zij er bij:

„Het is voor mij een groote troost de laatste H. Sacramenten van onzen Godsdienst uit de handen van één mijner kinderen te ontvangen, en tevens te zien, dat door het Huis zoovele jonge geestelijken den toog dragen, en dat zelfs priesters uwe kinderen en ook een weinig de mijne zijn. Ik beveel mij in hun aller gebeden aan, en indien de goede God zich gewaardigt, mij in zijne barmhartigheid op te nemen, zal mama Margaretha daarboven niemand vergeten.quot;

Dom Kosco bracht haar de laatste H. Teerspijze, gaf haar het H. Oliesel en verliet haar niet meer. Zijne droefheid was zoo hevig, dat Jozef meer moed scheen te hebben dan hij.

„Vaartwel, zeide zij nog, vaartwel, mijne kinderen; omhelst mij voor den laatsten keer; weent toch zoo niet; herinnert u, dat de arbeid en het lijden het lot van hierbeneden zijn. Ga henen, Johannes, gehoorzaam aan uwe moeder.quot;

Dom Bosco aarzelde weg te gaan. Margaretha deed een licht teeken van ontevredenheid, hief dan

ocr page 187

— 176 —

hare blikken ten hemel, alsof zij had willen zeggen: „Gij lijdt en gij doet rntj lijden.quot;

Hij gehoorzaamde en ging, verstikt, om zoo te zeggen, in de snikken, zich aan de voeten van zijn kruisbeeld laten neervallen.

Hij liet bij de stervende den Godgeleerde Johannes Borelli, Maria-Anna Occhiena en Mejufvrouw Johanna Maria Rua.

Om drie ure 's morgens hoorde hij de voetstappen van Jozef, die zijne kamer naderde. Welnu? vroeg hij. Jozef wees naar den hemel, en Johannes begreep, dat zijne moeder zich nu daarboven bevond.

Hij nam den jongen Jozef Ruzzetti met zich en ging de Mis der Dooden lezen in de onderaardsche kapel van het heiligdom Delia Consolata. Dit gebeurde den 2 5sten November 1856. De uitvaart was nederig, maar nooit zag men er ééne zoo treurig en zoo aandoenlijk. De drie Huizen der Salesiërs van Turijn bevonden er zich voltallig. Deze vrouw, die men naar hare laatste aardsche woonplaats bracht, was de moeder der vijftien of zestien honderd kinderen , welke haar vergezelden.

Om de juiste grenzen van ons verhaal niet - te overschrijden, zouden wij misschien hier afscheid moeten nemen van dit zoete aandenken. Wij zullen het niet doen, zonder nog eerst eenige herinneringen over haar verzameld te hebben: herinneringen onbeduidend in zich zeiven, maar die trekken waren van een groot hart; en zou de minste trek des harten niet veel kostbaarder zijn, dan een trek des geestes of zelfs des vernufts? De armoede, die zij

ocr page 188

— 177 —

haren zoon aanbeval, bleef hare gezelllin tot aan het einde haars levens; de overvloed, die op zekere dagen den gewonen stand der kinderen begon te verheffen, bestond niet voor haar. Dikwijls gebeurde het, dat zij bezoeken kreeg; men kwam den zoon niet zien, zonder de moeder te groeten. Men vond ze in hare keuken of kamer, terwijl de stoelen vol lijnwaad lagen, dat moest gestreken of hersteld worden; zij riep een kind te harer hulp en na de noodige stoelen gereed gemaakt te hebben, deed zij, altijd wel gestemd, hare bezoekers neerzitten en onderhield zich met de meeste bevalligheid der wereld met hen, ofschoon het somtijds de eerste personages der stad of van den Staat waren. Zij bracht hun een tegenbezoek in hunne paleizen, en verontschuldigde zich over hare eenvoudigheid; „Wij zijn arm,quot; zeide zij, en daar zij in weerwil hiervan, altijd zeer zuiver was, werd de uitlegging altijd goed aangenomen.

Zij bezat slechts eenen mantel, waarvan men, onmogelijk de oorspronkelijke kleur kon raden. Dom Bosco smeekte haar om uit liefde tot hem eenen nieuwen te koopen.

„Ba! vindt gij, dat mij die mantel niet goed staat? Zie eens, er is geen vlek op.

-— Neen, moeder, hij is niet passend meer: wij zullen ons eenige dagen wat voedsel aftrekken; maar ik wil volstrekt, dat gij eenen nieuwen mantel krijgt. Welaan, hoeveel zou hij wel kosten?

— Twintig frank.

— Hier zijn ze!

ocr page 189

— 178 —

Margaretha trok naar haar werk. Kene week ging voorbij, gevolgd door eene tweede, de nieuwe mantel verscheen niet.

— „En die mantel, moeder?

— Gij hebt gelijk, Johannes, maar hoe kan men aankoopen doen, als men geen cènt bezit?

— Kn de twintig frank?

-— Weg, mijn lieve Johannes, weg, zonder dat ik ze heb kunnen wederhouden. Wij hadden eene kleine rekening bij den kruidenier staan; dan ontbrak dezen eene cravat en had die geene schoenen meer. O! het schoeisel brengt de huismoeders ten onder!

— Moeder ik laat u het gesprek niet op iets anders brengen. Gij hebt wel gedaan met die schoenen te koopen, maar gij- moet eenen mantel hebben , het gaat er over mijne eer.

— Indien gij uwe eer op het spel zet, zullen wij het ten uitvoer moeten brengen, mijn goede Johannes.

— Moeder, ziehier een ander stuk van twintig frank.

— Wees gerust, wees gerust!quot;

En evenals den eersten keer, ging het stuk de kleerkamer in der weezen.

Ten tijde van de cholera, en ook uit achting voor de jonge geestelijken, die reeds in de Heilige Orden waren, liet Dom Bosco geregeld één of twee schotels meer voor middagmaal opdienen; mama Margaretha bereidde ze, maar raakte er niet aan, tenzij om de saus te proeven en te zien of er niets

ocr page 190

— 179 —

te kort schoot. Zij bleef zich met Polenta voeden en met eene Pcpcrone of eenen ajuin en brood. „Wij zijn arm,quot; was haar eeuwig referein.

Een bisschop bood haar eens, een snuifje aan en zeide: „Neem maar, dit zal u het hoofd losmaken.

— Dank u, Monseigneur; dat is niets een snuifje; maar de gewoonte! Hoe zou ik doen, als ik mij aan eene dergelijke gewoonte overgaf?

— Hoe gij doen zoudt? Dit is heel eenvoudig, houd mijne snuifdoos.quot;

De snuifdoos was van zilver; Margaretha was verplicht ze aan te nemen, maar zij veranderde weldra in kousen.

Bij haren dood vond men in haar kamertje geen spoor van hetgeen men geriefelijk of gemakkelijk voor het leven noemt. De vrouwen, die haar begroeven, hadden Dom Bosco de toelating gevraagd, om hare kleederen als aandenken te bewaren. Zij bedrogen zich; mama Margaretha had geene kleerkast meer.

Zij lag in haar eenig kleed gewikkeld in de zerk. In hare beurs vond men twaalf frank, welke Dom Bosco haar ter hand gesteld had, om eene muts te koopen; zij had den tijd niet, om over die som te beschikken.

Maar voornamelijk om troost te schenken , om twisten te slechten, om den moed aan te wakkeren, in één woord als moeder, had de weduwe Bosco haar gelijke niet; in het huisgezin der Salesiërs, kan men niet nalaten met onvergelijkelijke trekken van haar in het geheugen te roepen.

ocr page 191

— 180 —

Bemerkte zij een ziek of droefgeestig kind, dan had zij geene rust, voordat zij hem verkwikt had, of de glimlach op zijne lippen was teruggekomen. Kwam men haar onderbreken in het dringendste van haren arbeid of haar gebed, dan hield zij op met bidden, doch niet met werken en oplettend, ofschoon altijd arbeidend, verleende zij gehoor, beloofde de gevraagde tusschenkomst, gaf eene korte vermaning en zond niemand terug, zonder hem opgewekt en vertroost te hebben.

De leerjongens bleven 's winters dikwijls zeer laat in de stad bij hunne patroons werken. De ledige plaatsen op de banken bij het zuinig avondmaal teekende zij aan. „Arme kinderen! zeide zij, dat zij ten minste hunne soep warm vinden, als zij binnenkomen!quot; En zij had den moed niet vóór hen slapen te gaan; zij wachtte hen tot op het meest gevorderde uur, en hield het vuur aan voor hen en hunne soep, doch vergat haar zelve heel en al. Als zij eindelijk binnenkwamen, had zij altijd iets ter zijde gelegd, om ze te verwarmen of te onthalen, ofschoon de regel op dit tijdstip voorschreef, dat de leerjongens zich zeiven van alles voorzien moesten , behalve van brood en soep, met het geld, dat Dom Bosco hun elke week gaf.

's Zondags, na de vesper, bood zich dikwijls een der kleine kinderen aan den ingang der keuken aan.

„Wat wilt gij hebben, kleine?

— Geef mij een korstje, mama Margaretha?

— Hoe? Hebt gij dezen namiddag geene boterham gehad ?

ocr page 192

— 181 —

— Ja, maar ik heb nog zoo''oenen honger.

— Arme kleine, daar, neem, maar zeg het niet aan de anderen, want anders komen zij mij alles wegplunderen, en laten zij de stukken brood op de speelplaats vallen.

— Ik beloof u van niets te zeggen, mama!quot;

Het liep met zijne korst de speelplaats op. Daar

zijne makkers hem zagen eten en zij zeiven gedaan hadden, vroegen zij hem, van waar dat brood kwam.

Het kind antwoordde bijna altijd met den mond vol, zonder de minste gewetenstwijfeling, om niet te zeggen met fierheid; „Het is mama Margaretha.....quot;

En de heele bende liep naar de keuken, en men kon niet weigeren.

Den volgenden Zondag, kwam hetzelfde kind weer terugvragen.

„Gij, antwoordde mama Margaretha, ik verlies u niet uit het oog. Verleden week hebt gij aan iedereen de korst, die ik u gegeven had, gaan laten zien, en hebt gij mij in moeielijkheden gebracht: er is geen brood genoeg meer gebleven voor het avondmaal. Heden zult gij niets krijgen.

— Verschooning, mama, maar kon ik dan liegen ? Zij ondervroegen mij; ik moest wel de waarheid zeggen.

— Gij hebt gelijk, kleine, gij hebt gelijk, men moet nooit liegen.quot;

En terwijl zij dit zeide, sneed zij het verwachte brood af.

Onder de wat oudere kinderen, die hunne La-tijnsche studiën deden, was de bescheidenheid ook

DOM liOSCO. 12

ocr page 193

— -182 —

niet meer aan de orde van den dag. Één hunner, die zijn brood in de hand genomen had, ging mama Margaretha slim en met eenen vleienden glimlach op het gelaat aanspreken.

„Niets anders? zeide hij.

— Ik geloof stellig, dat het wel genoeg is, antwoordde zij; dat God u altijd zoo iets geve!quot;

De guit begon zónder weg te gaan, zijn brood te eten en bij den derden beet, zeide hij; „Dat gaat niet door, mama.

— En waarom niet?

— Het is te droog;

— Ga het natmaken aan de fontein.quot;

Maar de andere wachtte zich wel van plaats te veranderen.

„Een stuk kaas zou het zoo goed doen afglijden, mama; dat ongelukkig stuk brood doet mij stikken!

— Kom, kom, lekkerbek, bekoor mij niet, of ik neem den bezem!

— Och! mama, hernam de jonge schelm op eenen half geërgerden half klagenden toon; och! mama Iquot;

En mama liet eindelijk haar stuk kaas los.

Vrouw Margaretha was in hare eerste jaren, om zoo te zeggen, de ziel van het Werk der Salesiërs. Dom Bosco was elk oogenblik bezig met de gevangenis en hospitalen af te loopen, met missiën te doen, retraites of novenen te houden, en geld bijeen te halen. Vroeg men zich af, hoe hij zoovele zaken kon nagaan, niet minder was men verwon-

ocr page 194

— 183 —

derd, dat niets, binnen het Bedehuis, van zijne afwezigheid scheen te lijden, en dat de orde, de geregeldheid er altijd heerschte. Mama Margaretha was er; hare bedrijvigheid, hare goedheid, de zuiverheid van haar oordeel waren zooveel waard als een bestuur, en voorzagen aan alles. Zij gaf eene oplossing, ten minste eene voorloopige, aan allerlei moeielijkheden, ontving de bezoeken, handelde met de overheden, kocht, verkocht, bewaakte; kortom zij had het oog op alles.

Als haar zoon dan binnenkwam, ging zij hem te gemoet. Oordeelde zij hem met iets vooringenomen, dan zeide zij hem niets en stelde tot later uit, om hem rekenschap te geven over alles, wat er gedurende zijne afwezigheid gebeurd was. Zag zij hem integendeel blij en gerust, dan legde zij hem alles duidelijk en nauwkeurig uit; daarna keerde zij naar hare keuken terug.

Gelukkige moeder, van zulk eenen zoon, maar ook gelukkige zoon, van zulk eene moeder gehad te hebben! Men weet niet, wien van beiden men het meest moet bewonderen. Het past nochtans hierbij te voegen, dat mama Margaretha, op het einde van haar leven minder noodzakelijk werd, en dat haar verlies van te voren hersteld was.

Dadelijk, toen hij kon, had Dom Bosco eenige zijner kinderen tot den huiselijken arbeid gevormd, daar zij hun woord gegeven hadden om hem niet te verlaten, en toch het noodzakelijk onderricht of de bijzondere roeping tot het priesterschap niet hadden; hij belastte hen met de keuken, de linnen-

ocr page 195

- 184 —

kamer, den tuinbouw, den deurdienst, en zoo werden zij de kern van eene klas of soort geestelijke Medehelpers, belast om hunne medebroeders, in den geestesarbeid verslonden, in het tijdelijke bij te staan. Hunne medebroeders, zeggen wij, want zij zijn tot dezelfde geloften, tot dezelfde gunsten van het alge-gemeen, geestelijk leven toegelaten; alleenlijk hebben de eenen eene soort van bediening, verschillend van die der anderen; het is Martha en Maria, die elk op hare wijze den Heer dienen, en toch beiden aangenaam zijn aan zijne oogen.

Er bestaat geene geestelijke orde of geen genootschap, dat zulke hulpbroeders of leekezusters niet bezit. De handenarbeid, reeds edel door zich zeiven, is bij hen nog door zijn voorwerp verheven. Bewonderenswaardige zaak! De evangelische volmaaktheid bewerkt de volkomen volmaaktheid onder alle mogelijke vormen; indien de wereld, die zoo over broederlijkheid spreekt tusschen werklieden en burgers, het volmaakste voorbeeld wilde zien, dat er van de ineensmelting dezer klassen bestaat, moest zij het in de kloosters gaan bestudeeren.

Dom Bosco vormde ook bestierders en leeraars, die gelijk stonden aan de leekebroeders. Op het tijdstip, dat hij de kostbare medewerking van zijne moeder verloor, was hij in staat zich zeiven op alle wijzen te voldoen. Het opkomende Instituut deed aanwervingen in zich zeiven, en bereikte zoo eene volledige onafhankelijkheid.

ocr page 196

ELFDE HOOFDSTUK.

ONZE LIEVE VROUW VAN BIJSTAND. WONDERBARE GENEZINGEN.

iets van hetgeen de H. Kerk ons aanbiedt als voorwerp onzer vereering of als voedsel onzer godvruchtigheid, was vreemd aan Dom Bosco; men bemerkte echter bij hem eene bijzondere godsvrucht tot den H. Franciscus van Sales, toonbeeld der apostolische zachtmoedigheid, tot den H. Aloy-sius van Gonzaga, patroon der jeugd, en boven alles tot de Allerheiligste Moeder van God, aangeroepen onder den naam van Bijstand der Christenen, Auxi-lium Christianorum, of Onze - Lieve - Vrouw van Bijstand.

De vereering der H. Maagd onder dezen titel is zoo oud als het Christendom, maar het woord zelf dagteekent slechts van een klein getal eeuwen. Zijne ofiïcieele bekrachtiging is aan drie der voornaamste voorvallen van de geschiedenis der Kerk in de hedendaagsche tijden verbonden.

In 1571 vernietigde de Christene vloot, in de

ocr page 197

— 186 —

golf van Lepanto, op den kreet van ,, Vwa Maria!''' de Turksche vloot, die Italië en Illyrië bedreigde; zoo verbrijzelde zij op zee de invallen van het Ma-hometismus, en de H. Paus Pius V, die, vóór de aankomst van eenigen bode, deze schitterende overwinning door openbaring gekend had, voegde uit erkentelijkheid bij de litanieën van de H. Moeder Gods, de aanroeping van Bijstand der Christenen, Auxilium Christianonan.

In 1683, werd Oostenrijk door een nieuwen inval van het Mahometismus, overstroomd. De stad Weenen ging bezwijken; zij werd bevrijd door den Poolschen held, Johannes Sobicsky, die vooruitstormde in den naam en onder den Standaard van

- f

de H. Maagd. Toen werd het eerste Broederschap onder de benaming van Onze - Lieve - Vrouw van Bijstand, ingesteld.

Eindelijk had Paus Pius VII, de gevangene van Napoleon, beloofd een feest onder dezelfde benaming in te stellen, indien hij zijne vrijheid weder-kreeg. Als hij den 24sten Mei 1814 Rome zegevierend was binnengetreden, stelde hij dit feest op den 246ten Mei van elk jaar.

De godsvrucht tot Onze - Lieve - Vrouw van Bijstand was te Turijn aan het volk eigen. Om ze nog meer uit te breiden, besloot Dom Bosco haar eene grootsche kerk toe te wijden, in deze wijk van den Valdocco, die eiken dag meer inwoners ontving, en waarvoor de kapel van den H. Franciscus van Sales niet groot genoeg meer was. Was het geene dwaasheid, zich met een nieuw en zoo gewichtig gebouw

ocr page 198

— 187 —

te belasten, in eenen tijd, dat zijne weeshuizen Hoeverre van voltooid waren?

Paus Pius IX, die zeer goed in staat was, om Dom Bosco te begrijpen en even waardig om hem bij te staan, oordeelde zoo niet. Hij zond zijnen zegen tot den bouwer, met zijn obool: vijf li'niderd frank.

Dom Bosco zette zich aan het werk. De eerste steen werd gelegd den 27sten April 1865, door den Prins Amedeeüs van Savooie, gewezen koning van Spanje en broeder van koning Humbert; deze godvruchtige prins heeft altijd veel belangstelling voor het werk der Salesiërs getoond.

Men arbeidde iets langer dan drie jaren.

Waar en hoe vond Dom Bosco de middelen? Hier ziet men klaar en duidelijk de tusschenkomst van de koningin des hemels en begint voor Dom Bosco de vermaardheid van Wonderdoener.

Deed hij werkelijk mirakelen, of om juister te spreken, deed God mirakelen op zijn gebed? Het behoort slechts aan de overheid der Kerk, hierover uitspraak te doen, en wij zullen ons wachten op haar oordeel inbreuk te maken, zelfs indien wij aannemen , dat zij eens het proces der zaligverklaring •van onzen held zou instellen. Maar id feit is zeker, en wij stippen het aan als geschiedschrijver, die over den schijn oordeelt, zonder hem eene bovennatuurlijke kracht toe te schrijven: Dom Bosco scheen meermalen de hand der Goddelijke Voorzienigheid open te breken, door Maria - Bijstand in te roepen ten gunste zoowel van de lichamelijke als

ocr page 199

— d88 —

geestelijke behoeften van hen, voor welke hij hare tusschenkomst afsmeekte.

Na het leggen van den eersten steen der nieuwe kerk, bleven hem nog veertig centiemen in kast, daar de vijf honderd frank van Pius IX, de gift van den prins Amedeeüs en daarbij vele andere voor het aanwerven van den grond uitgegeven waren. Hij ging niettemin voort; de arbeiders werkten op crediet, maar na verloop van veertien dagen eischten verscheidene hun loon. Zij konden niet meer wachten. Dom Bosco was hun een duizendtal frank voor deze veertien dagen schuldig.

Hij herinnerde zich , dat eene zieke mevrouw hem gezegd had, dat zij tot alle opofferingen besloten was, als zij hare gezondheid wederkreeg! Hij ging naar haar toe en vroeg haar, of zij altijd in dezelfde gesteltenissen was. „Zonder twijfel, antwoordde de vrouw; wat zou ik niet geven, om uit mijn bed te gaan en eenige stappen in mijne kamer te maken!

— Heb vertrouwen, Mevrouw; en laten wij te zamen eene novene doen aan Onze - Lieve - Vrouw van Bijstand.

— Ik zal er twee, vier deen, en zooveel als gij wilt.

— ■ Goed, beginnen wij met ééne; gij zult eiken avond het Onze Vader, het Wees gegroet, het Glorie zij den Vader en het Hees gegroet Koningin, bidden; ik zal mij met u vereenigen; wat meer is, ingeval gij genezen zoudt zijn, zult gij eene gift beloven aan de kerk van Onze - Lieve - Vrouw van

ocr page 200

— 189 —

Bijstand, die thans in den Valdocco in aanbouw is.quot; Den achtsten dag der novene ging hij niet zonder angst naar den uitslag vragen.

De meid, die hem opendeed, riep uit: „Maar, weet gij dan niet, wat er gebeurd is? Mevrouw is genezen; zij is reeds tweemaal uitgegaan.quot;

De meesteres kwam heel verheugd bijgeloopen en bevestigde de goede tijding: „Ja, Vader, ik ben genezen; ik ben reeds de H. Maagd gaan bedanken, en ziehier de kleine gift, die ik voor uwe kerk van den Valdocco had gereed gemaakt; het is de eerste, maar het zal de laatste niet zijn.quot;

En zij stelde hem een rolletje van duizend frank ter hand, juist de som, die hij zoo hoogst noodig had.

Eenigen tijd daarna ging hij een bezoek brengen aan den baron Cotta, Commandeur en Senator des rijks; hij vond hem op zijn bed uitgestrekt liggen.

„Ach! Vader, zeide hem de baron, het is gedaan, ik zie het wel; dezen avond zal ik niet meer van deze wereld zijn!

— En wat zoudt gij doen, zeide de priester, indien Onze - Lieve - Vrouw van Bijstand u genas,

— Indien zij mij genas, zou ik voor hare kerk gedurende zes maanden, twee duizend frank per maand geven!

— Welnu! ik keer naar het Bedehuis terug, ik ga al mijn volk aan het bidden zetten. Heb goeden moed!quot;

Drie dagen daarna, was Dom Bosco in zijne kamer, toen men hem eenen bezoeker aankondigde.

ocr page 201

— 190 —

Het was baron Cotta, volkomen genezen die zijne eerste storting voor Onze - Lieve - Vrouw van Bijstand kwam doen.

Dokter Despiney haalt nog twee wondere feiten aan, welke tot dit tijdstip teruggebracht worden.

Den i6den November 1866, toen Dom Bosco de herbouwing van zijn Internaat voleindigde en flink aan zijne kerk van Onze - Lieve - Vrouw van Bijstand liet werken, had hij vier duizend frank, vóór den avond noodig; hij bezat geen cent.

Van 's morgens af was Dom Rua, prefect van het Bedehuis van den H. Franciscus van Sales, en eenige andere medewerkers, reeds te been. Om elf ure brachten zij duizend frank, maar waren stellig overtuigd, dat langer zoeken een louter tijdverlies zou zijn en men niets meer zou vinden.

Toen zij gedaan hadden met rekening over hunne uitstappen te geven, en Dom Bosco bedrukt aanschouwden, deed deze met den glimlach op de lippen opmerken, dat het uur van het middagmaal naderde. „Na het middagmaal de ernstige zakenquot; voegde hij er vrolijk bij. Iedereen volgde hem. Een uur later, nam hij zijnen hoed en richtte zich naar de Nieuwe - Poort. Hij verliet zich op het toeval, of liever op de Voorzienigheid. Een knecht in livrei, die zich voor een schoon huis bevond, hield hem staande en verzocht -hem, om naar boven te gaan. Dom Bosco kende het huis niet. Hij ging binnen en bevond zich in tegenwoordigheid van eenen man van zekeren leeftijd, die neerlag en veel scheen te lijden.

ocr page 202

- 15)1 —

„Ach! Vader, zeide hem deze man, gij zoudt mij weder te been moeten helpen!

— Ik zou het insgelijks verlangen, antwoordde Dom Bosco. Zijt gij al lang ziek ?

— In drie jaar heb ik het bed niet verlaten, mijn Vader. Ik kan geene beweging maken en de geneesheeren geven mij geene hoop meer. Ach! kont gij mij genezen, uwe werken zouden er niets bij verliezen!

— Waarlijkf Dat zou wonder goed uitvallen: mijne werken hebben voor dezen avond eene som van drie duizend frank noodig.quot;

De zieke riep uit: „Als het nog drie honderd frank waren, maar drie duizend.......

— Handelen wij er niet meer over, zeide hem de priester, en na nog over eenige beuzelarijen gesproken te hebben, deed hij, alsof hij ging vertrekken.

— Maar, Vader, mijne genezing dan!

— Mijn beste Heer, ik heb de macht niet, om u te genezen. God heeft voorzeker die macht; maar als men op hem afdingt.............

— Ja maar, Vader, drie duizend frank ook!.....

-— Ik houd niet meer aan.quot;

En hij stond weer recht.

„Welnu dan. Vader, verkrijg mij een weinig verlichting, dan zal ik van nu af tot op het einde des jaars de drie duizend frank trachten bijeen te brengen-

— Op het einde des jaars ? Maar heb ik u niet gezegd, dat ik ze dezen avond moet hebben ?

— Dezen avond, dezen avond.....Ik heb ze

ocr page 203

niet bij mij, ik zou iemand naar de Bank moeten sturen, en dat eischt rechtsvormen.

— Ga er dan zelf naar toe, lieve Heer, dan zullen er minder rechtsvormen zijn.

— Gij gekscheert. Vader, heb ik u niet gezegd, dat ik sedert drie jaren niet meer uit het bed opgestaan ben?

— Niets is onmogelijk aan God ; laten wij ons beroepen op Maria - Bijstand.quot;

Dom Bosco deed alle personen des huizes samenkomen, ten getale van dertig, wat bewijst, dat de drie duizend frank niet boven het geldelijk vermogen van den zieke waren. Hij zeide een gebed op, waarmede iedereen zich vereenigde, daarna beval hij, dat men den zieke zou kleeden. De dienaars riepen uit:

„Mijnheer kleeden! Maar sedert drie jaar maakt Mijnheer geen gebruik meer van zijne kleederen; wij weten niet meer, waar zij zijn.

— Dat men er ga koopen, zeide de zieke met ongeduld, maar dat men aan den Vader gehoorzame.quot;

Gedurende dit tooneel kwam de geneesheer binnen; hij meent, dat zijn zieke het hoofd verloren heeft, en smeekt hem zich niet te verroeren.

De kleederen echter zijn gevonden, de zieke heeft ze aangetrokken, hij wandelt met groote stappen tot verbazing van den geneesheer en van iedereen, door de kamer. Hij gebiedt, dat men aanspanne, en in afwachting doet hij eten brengen. Sedert langen tijd had hij zooveel eetlust niet meer gevoeld.

ocr page 204

Goed versterkt, gaat hij den trap af, terwijl hij alle hulp weigert, stijgt in het rijtuig en gaat op de Bank de gevraagde som halen, die de laatste niet was, waarmede hij het Werk begiftigde.

„Ik ben heel en al genezen, herhaalde hij zonder ophouden.

— Gij doet uwe kronen uit de Bank komen, en Onze - Lieve - Vrouw van Bijstand doet u uit het bed komen,quot; zeide al lachende de heilige priester.

Op elfhonderd duizend frank ongeveer, dat het gebouw kostte, werden er achthonderd vijftig duizend uit dankbetuiging voor verkregen gunsten gegeven.

De plechtige wijding had den I9aen Juni 1868 plaats. De feesten, die bij deze gelegenheid gevierd werden, duurden eene heele week en trokken eenen overgrooten toeloop volks uit het Noorden van Italië. Pius IX had eenen vollen aflaat verleend.

Sedert dien is het heiligdom van onze - Lieve -Vrouw van Bijstand, eene bedevaartplaats en een oord van bijzondere godsvrucht geworden, zooals die van Lourdes, Kevelaar, Scherpenheuvel, Onze-Lieve - Vrouw der Overwinningen, en zoovele andere, waar de koningin des hemels behagen schept hare genaden uit te deelen. De muren verdwijnen er onder de ex - voto's.

Op eenen Zaterdag van Mei van het volgende jaar 1869 trad er eene jonge dochter binnen, die de oogen met eenen dikken, zwarten hoofdband bedekt had. Zij was sedert bijna twee jaar blind en kon zich niet behelpen; hare tante en eene andere vrouw

ocr page 205

— 194 —

vergezelden haar; zij heette Maria Stardero en was uit het dorp Vinovo.

Na voor het altaar der Heilige Maagd gebeden te hebben, vroeg zij om Dom Bosco te spreken, die haar in de sacristij ontving, haar aandachtig onderzocht en uitleg vroeg over hare ziekte.

„Ik heb alle mogelijke geneesmiddelen gebruikt; zij hebben mijne kwaal verergerd, de geneesheeren willen er mij geene meer geven.

— Neem dezen hoofddoek weg, gebood Dom Bosco, en hij plaatste de jonge dochter bij een wel verlicht venster: „Ziet gij het licht van dit venster? Zeg mij, waar staat het?

— Wee mij ongelukkige ! ik zie in het geheel niets.

— Zoudt gij willen zien?

— Of ik zou willen! Ik ben eenearme dochter, ik heb mijne oogen noodig, om mijn brood te verdienen; mijn God, wat ben ik toch ongelukkig!quot;

Zij brak in tranen los.

„Als de Goede God u het gezicht terugschonk, zoudt gij het gebruiken, om Hem te dienen of om Hem te vergrammen?

— Hoe kunt gij twijfelen, mijn Vader?......

om God te bedanken en te zegenen, zou mijn heel leven niet voldoende zijn.

■—- Welnu, ween niet meer, maar heb vertrouwen op Maria - Bijstand; om uwe genezing te verkrijgen , hoeft zij slechts te willen. Ja, ik hoop, dat zij medelijden over u hebbe.quot;

Hij wachtte een oogenblik met spreken; daarna hernam hij:

ocr page 206

— 195 —

„Tot glorie van God en de Allerzaligste Maagd Maria, noem het voorwerp, dat ik in de hand houd.quot;

De jonge dochter deed een krachtige poging met de oogen in de richting, die haar aangewezen was. Eensklaps riep zij uit:

„Ik.....ik.....ik zie !

— Wat ziet gij ?

— Eene medal ie.

* — Van wien?

— Van de H. Maagd.

— En op den anderen kant der medalie?

— Van dezen kant een bejaard man met eenen lelietak in de hand: Sint Jozef.

— O Heilige Madona! riep de tante, gij ziet dus ?

— Maar ja, ik zie; dank u, dank u, goede Maagd, ik zie!quot;

Op dit oogenblik reikt zij met de hand, om de medalie te nemen, maar deze valt en rolt in eenen duisteren hoek der sacristij.

De tante bukt zich, om ze op te rapen; Dom Bosco verzet er zich tegen. „Laat, laat haar begaan, men zal nu weten, of zij werkelijk het gezicht heeft teruggekregen.quot;

De jonge dochter vindt de medalie en raapt ze op. Dan, als door ijlhoofdigheid aangegrepen, begon zij vreugdekreten te uiten en zonder verder nog iets aan iemand te zeggen, zonder zelfs te denken aan God te bedanken, loopt zij weg en herneemt den weg van Vinovo, gevolgd door hare tante en door de andere vrouw.

ocr page 207

— 196 —

Maar zij kwam weer even spoedig terug, om de H. Moeder Gods dank te zeggen, en eene kleine gift, in evenredigheid met haar vermogen, te schenken, voor de kerk van Onze - Lieve - Vrouw van Bijstand. Sedert dien tijd heeft zij niet meer aan de oogen geleden en is haar gezicht volmaakt gebleven.

Nog een zonderling feit; de tante, die met haar gekomen was, werd terzelfder tijd bevrijd van eene hevige zinkingpijn aan den rechterschouder, die sedert lang duurde en haar ongeschikt maakte voor den veldarbeid. ( i)

Ofschoon Dom Eosco vermeed over deze gebeurtenissen te spreken, verspreidde er zich toch het gerucht van door heel Italië. Van Genua tot Venetië en van Milaan tot Palermo, werden de feiten, die wij zooeven aanhaalden, uitgelegd, vergroot en somtijds verminkt.

Een geneesheer sprak eens Dom Bosco aan, in het Bedehuis van den H. Franciscus van Sales.

„Men zegt, Vader, dat gij alle soorten van ziekten geneest.

— Ik; in het geheel niet.

— Men heeft het mij verzekerd, en men heeft mij de namen der personen en de soort van ziekten aangehaald.

— Men bedriegt zich, Heer Doctoor, en is het niet over de oorzaak, dan is het over de feiten. Vele personen komen hier genaden afsmeeken door

(i) Eom Bosco door D'' Karei Despiney, bl. 92.

ocr page 208

tusschenkomst van Onze - Lieve - Vrouw van Bijstand. Indien zij ze verkrijgen, dan ben ik daar voor niets in, zij zijn die aan de H. Maagd verschuldigd. En gij weet, Doctoor, dat de H. Maagd zeer machtig is.quot; De geneesheer schudde het hoofd: „Vooreerst, zeide hij, ik geloof niet aan mirakelen. Ik zou gelooven, als de Heilige Maagd' een voor mij wilde doen, maar....

„Waarom die maar, Doctoor? Indien gij het geloof en de nederigheid des harten hadt, zooals de anderen, zoudt gij zoo goed als zij kunnen genezen worden. Zeg mij, welke uwe ziekte is.quot;

De geneesheer vertelde, dat hij aan de vallende ziekte leed, die sedert een jaar meer en meer toenam, en dat hij niet meer kon uitgaan zonder vergezeld te zijn, uit vrees van een ongeval.

„Welnu zeide de priester, gij moet vooreerst uw geweten zuiveren; zet u daar, ik ga u biechten.

— Mij biechten , mij ?

— En waarom niet ? Zoudt gij zonder zonden zijn ?

— O ! daarom ! Vader..... maar ik geloof niet aan

de biecht, noch aan het gebed, noch aan de H. Maagd, noch zelfs aan God, niet meer dan aan de mirakelen.

— Zet u toch maar neer, beste Heer; dat kan u geen kwaad doen, en al was het maar door uwe nederige houding, gij zult de genaden, die gij noo-dig hebt, over u doen nederdalen. De dokter liet zich overhalen; de priester verzocht hem de woorden van het kruisteeken met hem uit te spreken.

De doctoor was verwonderd ze nog in zijn geheugen terug te vinden; het was veertig jaar geleden,

ocr page 209

— 198 —

dat hij ze niet meer had opgezegd. Daarna luisterde hij naar den priester, voelde zich diep getroffen, bad met hem, weende, beloofde voortaan een geregeld leven te leiden, en eindigde met zich heel en al te bekeeren. Na de biecht, omhelsde hem Dom J^osco en zeide:

„Daar zijt gij genezen van uwe grootste kwaal, waaraan gij niet dacht; ik hoop, dat de andere, die ii hier heeft gebracht, insgelijks verdwenen is; indien deze hoop zich bevestigd, zult gij Onze - Lieve-Vrouw van Bijstand bedanken, en niet den armen priester Johannes Bosco, die slechts een zondaar is, y.ooals gij.quot;

De geneesheer heeft sedert dien nooit den min-.sten aanstoot van zijne kwaal gevoeld.

En dikwijls is hij Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand komen bedanken voor de genezing van zijn lichaam, en de nog kostbaarder genezing van zijne ziel. (i)

ocr page 210

■« jXLjamp;L.ifrLJtLJft. Jte .itt rït ria jrt jn ïït -rkt.

%

4

___

p^ntfr ■

~%)(S' W Tyr'TyT'Tvr'ïy?' ï^f quot;Xy3r quot;TyfTjCfquot;

TWAALFDE HOOFDSTUK.

LEVENS VAN EENIGE LEERLINGEN VAN DOM BOSCO ÜOOr HEM ZELVEN VERHAALD.

Mffl5j|et groot, zedelijk gebouw, dat Dom Bosco de wereld heeft overgelaten groeide aan, naarmate de steenen van zijne stoffelijke gebouwen uit den grond opkwamen, en men werd gewaar, dat het de eerste opvattingen van den Stichter verre overtrof. Vooreerst had men slechts gedacht de kindsheid aan de regeltucht te gewennen, men kwam er echter toe, verscheidene gewichtige heden-daagsche vraagstukken praktisch te stellen en op te lossen; de arbeidsvereeniging, om aan de jeugd den strijd voor het bestaan (the struggle for live, zooals de Engelschen zeggen) te vergemakkelijken; het verminderen van den maatschappelijken haat; het aamverven van geestelijken in eene onverschillige en materialistische eeuw; en niet tevreden met alles gezond en levendig te maken, wat dit werelddeel aanraakt, zal Dom Bosco weldra zijne beschavende werking tot over de zeeën doen gevoelen.

ocr page 211

— 200 —

Bij het verlaten der lagere school of tegelijk met haar, volgen de kinderen, in de huizen der Salesiërs, ofwel cene vakschool van kunsten en ambachten, of wel leergangen van letterkundig en wetenschappelijk onderricht. Iedereen kiest of laat zich leiden in zijne keuze, volgens zijne bijzondere neiging.

Evenals hij nijverheidsscholen in de steden schiep, zoo stichtte hij landbouwscholen op den buiten. Zijne werking als inwijder tot den arbeid was bijgevolg algemeen.

Maar, met welke bijzondere zorg bewaakte hij den aanleg der kinderen! Zijne weeshuizen waren als zoovele boomkweekerijen, waarin hij elk jaar uitgelezen boomen koos, om ze in een meer verheven midden over te planten. Van de lagere school deed hij ze naar het college of gymnasium van klassiek onderwijs gaan, en van daar, als het mogelijk was, naar het groot Seminarie. Hij legde er zich op toe, elke roeping te begunstigen, zonder ooit dwang te gebruiken. En hoe kon hij in die ongelijkheid van natuurlijke gaven, door iedereen de meest mogelijke vruchten doen voortbrengen ! Zijn oogslag en zijn overwicht waren onder dit opzicht misschien de merkwaardigste zijner uitstekende hoedanigheden, als leermeester der jeugd.

Geven wij hem het woord, en bepalen wij ons met de eerste bladzijden van een zijner geschriften te vertalen:

„Op eenen herfstavond, kwam ik van Sommariva del Kosco terug; te Cormanjola gekomen, moest ik gedurende een uur den trein voor Turijn afwachten.

ocr page 212

— 201 —

Zeven ure sloeg; het weder was nevelachtig; een dikke mist loste zich in fijnen regen op; ook liet de duisterheid niet toe, iemand op eeneh meter afstand te herkennen. De sombere lichten van het station wierpen eenen bleeken glans van zich, die kort bij de lantaarnen in de duisternissen verging. Maar dit hield de vermakelijkheden niet tegen van eene bende kinderen, die door hun geschreeuw de aandacht trokken, of liever de ooren der toeschouwers radbraakten. De kreten van: wacht, vat hem, loop, houd dien aan, mis dien anderen niet, dienden om het geduld der reizigers te beproeven.

„Te midden van dit geschreeuw, klonk ééne stem veel klaarder dan de andere, en steeg hooger, alsof zij ze alle wilde overheerschen; zij was als de stem van eenen hoofdman; de makkers herhaalden hare bevelen, en volgden ze met strenge stiptheid.

„Ik gevoelde een vurig verlangen om dengenen te kennen, die met zooveel gezag en spoed, eene zekere orde in zulk een rumoer kon stellen. Op het oogenblik, dat allen rondom hun opperhoofd vereenigd zijn, werp ik mij in twee sprongen tus-schen hen.

Allen vluchten ontsteld. Kén alleen blijft, keert zich naar mij toe, en schijnt, met de vuisten op de heupen, mij het hoofd te bieden.

„Wie zijt gij, gij, die ons spel onderbreekt?

— Ik ben een vriend.

—■ En wat wilt gij met mij doen?

— Als gij het oorloofdet, zou ik wel aan uw verzet willen deelnemen.

ocr page 213

— 202 —

-— Maar wie zijt gij dan? Ik ken u niet.

— Ik herhaal het u, ik ben een vriend, die begeert zich met u en uwe makkers te vermaken. En gij, wie zijt gij?

— Ik, zeide hij met eene zwaarklinkende stem, ik ben Michacl AI agon, inrichter van vermakelijkheden.quot;

Gedurende deze samenspraak, kwamen de kinderen, die uit schrik waren weggeloopen, allengs-kens terug, en vormden eenen kring rondom ons. Na eenige vreedzame en alledaagsche woorden tot eenige hunner, richtte ik mij opnieuw tot Magon:

„Mijn lieve Magon, hoe oud zijt gij?

— Ik ben dertien jaar oud.

— Gaat gij reeds te biechten?

— Ja, ja.quot;

En hij schoot in eenen schaterlach uit.

„Hebt gij uwe eerste Communie gedaan?

— Ja, ik heb ze gedaan.

—- Hebt gij eenig ambacht geleerd?

— Ik heb het ambacht van den nietsdoener (farniente) geleerd:

— Dat ambacht zal u niet ver brengen......

Gaat gij op school?

— Ik heb de derde klas der lagere school afgemaakt.

— Hebt gij uwen vader nog?

— Neen, mijn vader is dood.

— En uwe moeder dan?

— Mijne moeder werkt bij anderen in dienst, en doet al wat zij kan, om ons brood te geven, aan

ocr page 214

— 203 —

mij en aan mijne broeders, die haar onophoudelijk groote spijt aandoen.

— Anne moeder! Maar wat wilt gij dan doen voor de toekomst?

— Ik zal wel iets moeten doen, maar ik weet niet wat.quot;

Deze openhartigheid in het spreken en hierbij deze duidelijke en nauwkeurige wijze van uitdrukking, deden mij eene hevige smart gevoelen van hem zoo verlaten te zien. Mij docht, dat men veel goeds van dezen jongen zou kunnen verkrijgen, indien dat vuur en die natuurlijke ondernemingszin bewerkt konden worden.

„Mijn lieve Magon, hernam ik, het leven van landlooper is niet voor u gemaakt. Zoudt gij een ambacht willen leeren of uwe studiën willen voortzetten ?

— Waaromniet! antwoordde hij bewogen; gij zegt de waarheid, het leven, dat ik leid, past mij niet. Verscheidene mijner makkers zijn reeds in de gevangenis; zulk buitenkansje wacht mij een dezer dagen , ik ben er bang voor; maar wat is er aan te doen? Mijn vader is dood, mijne moeder is arm; ik heb niemand, om mij te helpen.

— Welnu, mijn vriend, doe dezen avond een gebed tot God, gij weet „Onze Vader, die in dc hemelen .zift.quot; Doe het uit den grond des harten en schep moed; Hij zal zorg dragen voor u, evenals voor mij en voor allen.quot;

Op dit oogenblik liet de bel van het station hare laatste klanken hooren en moest ik zonder

ocr page 215

- 204 —

uitstel vertrekken. „Neem deze medalie, zeide ik nog aan mijnen nieuwen vriend, neem ze en ga morgen Dom Arricio, den kapelaan dezer parochie bezoeken; zeg hem, dat de priester, die u dezqjj!medalie gegeven heeft, inlichtingen over uw gedrag^xyenscht te ontvangen.quot;

Hij nam de medalie met eerbied aan, terwijl hij mij met vragen overlaadde: Maar, wie zijt gij? Uit welke streek? Kent u Dom Arricio?

„Ik antwoordde hem niet; de trein floot; ik stapte er binnen voor Turijn.

Zijn verlangen echter om dien priester te kennen, was zoo vurig, dat hij zich dadelijk naar Dom Arricio begaf, zonder den volgenden dag af te wachten. De kapelaan begreep, over wien en over wat het ging en 's anderendaags stuurde hij mij eenen brief tamp;e, waarin hij mij nauwkeurig bevestigde, al wat mijn kleine veldheer mij over zich zeiven en zijne familie had medegedeeld, (i)

Men raadt het overige. Dom Kosco deed hem in het Bedehuis van den H. Franciscus van Sales komen. „Ik zal u nemen, zeide hij hem, maar op voorwaarde, dat gij mijn huis niet het onderste boven zet.

— O! vrees niets, ik zal u geen verdriet aandoen. Beproef het maar eens, en gij zult zien!

— Daar het zoo met u gesteld is, en gij het goede voornemen gemaakt hebt, gehoorzaam en

(i) Cenno biografico sul giovanetlo Michele Magone, allievo deli' Oratorio di Santo - Francesco di Sales, pel sac. Giovanni Posco.

ocr page 216

— 205 —

werkzaam te worden, houd ik u hier. Maar, zeg mij eens, wat verkiest gij, een ambacht te leeren of u op de studiën toe te leggen?

— Ik zal alles doen, wat gij zult willen, maar indien gij mij laat kiezen, zal ik u bekennen, dat ik veel van de studiën houd.

— Kn als gij studeert, wat zoudt gij dan van zin zijn te doen op het einde van uwe klassen.

— Als een kleine deugniet zooals ik, een bandiet (un birbante).....zeide hij met gebogen hoofd.

— Welnu, ga verder.

— Als een deugniet zooals ik, zeg ik, nog goed genoeg worden kan, om pastoor te zijn, een goed pastoor zooals gij.....

— Wij zullen zien, mijn vriend, wij zullen zien, wat men kan maken van eenen birbante van goeden wil. Gij gaat u vast besloten aan het werk zetten en wij zullen later onderzoeken, mits gij u goed gedraagt, of de goede God u werkelijk tot dien heiligen staat roept.quot;

Men gaf hem als bijzonderen makker, of gelijk men in het Bedehuis zegt, als engelbewaarder, eenen uitstekenden kameraad, die in de spelen, aan het werk of in de kerk, hem zorgvuldig wees en ijverig aanmoedigde, en dadelijk zijn vertrouwen won.

Wij zouden hier gaarne volgens den bewerker van zijne hervorming tot het einde willen verhalen, hoe deze hervorming geschiedde.

quot;Hij was heel droevig geworden, zegt Dom Hosco; de glimlach speelde niet meer om zijne lippen; terwijl zijne kameraden zich met hart en ziel

ocr page 217

— '206 —

aan de uitspanning overgaven, trok hij zich dikwijls in eenigen hoek terug om te denken, te overwegen en soms te weenen. Ik hield hem van nabij in het oog; toen mij het oogenblik scheen gekomen, liet ik hem roepen en zeide hem:

„Mijn lieve Magon, ik zou verlangen, dat gij mij een genoegen deedt, maar ik zou niet willen, dat gij weigerdet.

— Spreek maar, antwoordde hij haastig, spreek maar, gij kunt mij alles vragen, en ik zal het bereidwillig voor ii doen.

Het zou noodig zijn, dat gij mij een oogenblik meester liet over uw hart; ja, open het mij, mijn lief kind, dat ik er de oorzaak van dat verdriet kunne is lezen, dat u ondermijnt en dat mij bedroeft.

— Het is waar, dat verdriet.... O! Vader, ik ben wanhopig.quot;

Ken snik brak hem de woorden af, en hij begon overvloedige tranen te storten. Ik liet hem uitweenen. Daarna hernam ik, op eenen schertsenden toon:

„Hoe! ziedaar nu dien veldheer Michael Matron.

o ~

opperhoofd van heel de bende van Carmanjola! Wat veldheer zijt gij toch! Gij, die zoo goed ter tale zijt, gij weet niet uit te drukken, wat gij op het hart hebt!

— Ik weet niet, waar beginnen.......

— Zeg mij een enkel woord; ik zal zelf verder gaan.

— Ziehier: ik heb het geweten heel in de war.

ocr page 218

— 207 —

— Het is genoeg, mijn lief kind, ik heb alles verstaan. Het was noodig voor mij, dat gij die eerste woorden uitspraakt, opdat ik het overige kon

zeggen.....quot; En de goede Vader deed hem eene

goede biecht spreken, die voor het kind , het ver-deelingspunt werd tusschen zijn voorgaand en een heel nieuw leven.

De kleine birbante werd een volkomen toonbeeld van de deugden der kinderen.

Nog eene aanhaling:

„Ik had hem met anderen in vacantie medegenomen naar de Becchi's.

Welnu, eens dat zij zich in het bosch vermaakten, en als verslonden waren, eenigen met kampernoelies te zoeken, anderen met kastanjes af te werpen of met bladeren opeen te hoopen, verdween Magon zonder gerucht. Ken zijner kameraden werd het gewaar en volgde hem uit vrees, dat hij ergens pijn had. Michaël, die zich heel alleen dacht, trad het huis in, zeide niets aan niemand en ging recht naar de kapel. Degene, die hem van verre vergezeld had, vond hem heel alleen, aan de voeten van het Allerheiligste Sacrament geknield, en in de stille overweging verzonken.

„Als men hem nadien ondervroeg over de beweegreden, die hem aanzette om zich zoo af te zonderen, antwoorde hij; Ik ben te zeer bang in de zonde te hervallen; daarom ga ik Jezus in zijn H. Sacrament smeeken, om mij kracht en volharding te schenken.

„Een ander maal, gedurende hetzelfde verlof.

ocr page 219

— 208 —

hoorde ik 's nachts weenen, terwijl iedereen sliep. Ik zet mij zachtjes aan het venster, en ik zie in eenen hoek der schuur, een kind, dat in de lucht ziet en dat snikt en zucht. Het was Magon. Ik roep hem; „Zijt gij ziek, Magon?

„Hij was heel beschaamd en ontsteld; want hij meende alleen te zijn. Hij wist niet, wat antwoorden. Maar toen ik de vraag vernieuwd had, antwoordde hij nauwkeurig het volgende;

„Ik ween, terwijl ik de maan bewonder, die sedert zooveel eeuwen geregeld weder verschijnt, om de duisternissen te verlichten, zonder ooit aan de bevelen van den Schepper ongehoorzaam te zijn; terwijl ik, die redelijk ben , zoo dikwijls ongehoorzaam geweest ben, en schoon nog zoo jong, op duizenderlei manieren mijnen God beleedigd heb.

„Hij deze woorden, herbegon hij te weenen. Ik troostte hem, stelde hem gerust, moedigde hem aan, en hij ging zijnen onderbroken slaap hernemen. Maar ik bewonderde in eenen jongeling van nauwelijks veertien jaar, zoo verhevene overwegingen en een zoo teeder geweten.quot;(i)

Zoo wist Dom Bosco de zielen te winnen en te verheffen.

Hadde de jonge Magon geleefd, hij zou heden een der uitstekendste mannen zijn der Italiaansche geestelijkheid, die er zoovele telt.

Wij bekennen het rondborstig: wij wilden hier ophouden, voor hetgeen dit kind betreft, doch bij

(i) Cenno biografico sul giovanetto Michele Magone, bl. 59.

ocr page 220

— 2oy —

het herlezen van het verhaal zijns doods, kunnen wij niet aan de voldoening wcderstaan, om het zoo stichtende boek van Dom Eosco, nog eens open te slaan.

„Eensklaps riep hij mij bij mijnen naam en zeide: „Wij zijn er, kom mij ter hulp.

— Wees bedaard, antwoordde ik hem, ik zal u niet verlaten, voordat gij bij God, den Heer, in het Paradijs zult zijn. Maar wijl gij denkt op het punt te zijn , om uit deze wereld te vertrekken, wilt gij dan geen laatste vaarwel aan uwe moeder zeggen?

— Neen, antwoordde hij, ik wil haar geen zoo groote smart veroorzaken.

— Laat gij mij ten minste geene boodschap voor haar over ?

— Ja, vraag aan mijne moeder, dat zij mij al het verdriet vergeve, dat ik haar gedurende mijn leven heb aangedaan; ik heb er berouw over. Zeg haar, dat ik veel van haar houd, dat zij moed scheppe .... dat ik haar ga wachten in den hemel.quot;

„Deze woorden deden alle omstanders weenen. Ik hield mijne eigene tranen tegen, om hem in zijne laatste oogenbükken met goede gedachten bezig te houden. Van tijd tot tijd stelde ik hem dus eenige vragen:

„Wat zal ik van uwen kant aan uwe kameraden zeggen ?

— Dat zij altijd goede biechten spreken.

— • Welk is het werk dat u bo\ en alle andere op dit oogenblik het meeste genoegen schenkt?

— Hetgeen mij op dit oogenblik het meeste

ocr page 221

— 210 —

troost, is het weinige, dat ik ter eere der H. Maagd gedaan heb. O! Maria; Maria, wat is het goed als uw dienaar te sterven! Daar is nochtans nog eene zaak, Vader, die mij verontrust. Als mijne ziel bij haar scheiden van mijn lichaam de eeuwigheid zal gaan intreden, wat zal ik dan moeten doen? Aan wien mij wenden?

— Vrees niets, zeide ik hem, Maria zal u voor den Oppersten Rechter vergezellen; laat haar voor alles zorgen. Maar alvorens u te laten vertrekken, zou ik u eene boodschap willen medegeven.

— Doe het maar, ik zal mijn best doen, om te gehoorzamen.

— Wanneer gij in het Paradijs zult zijn, en gij de H. Maagd Maria zult gezien hebben, bied haar dan mijne nederige en eerbiedige groetenissen aan en die vah allen, welke hier wonen. Bid haar ons te zegenen; dat zij ons zoodanig onder hare bescherming beware, dat niet één van hen, die in dit huis zijn, of die er de Goddelijke Voorzienigheid in zal plaatsen, voor de eeuwigheid verloren ga.

— Ik zal uwe boodschap doen. Vader; hebt gij geene andere meer?

— Voor het oogenblik niet; rust nu.quot; (i)

Kan men een grooter en oprechter geloof uitdenken, dan hetgeen deze samenspraak tusschen twee uitverkorenen te kennen geeft.

De levensbeschrijving van den jongen Domini-cns Soavc, door denzelfden schrijver, is niet minder

(l) Michel Magnne, bl. 70.

ocr page 222

stichtend en geeft geen geringer denkbeeld over den geest, die er in het godvruchtig Bedehuis van den H. Franciscus van Sales heerschte. Wij vertalen altijd: ■.

„Na de verklaring van het geloofspunt der Onbevlekte Ontvangenis wilde Dominicus die herinnering onder ons op eene levendwekkende wijze vereeuwigen. Tot dit doel, koos hij verscheidene zijner kameraden uit, om zich bij hem te voegen tot het vormen eener vereeniging, welke den verhevenen titel droeg, dien de Kerk aan de Koningin des hemels zoo even had toegekend. Hij maakte een reglement, dat de Bestierder goedkeurde en de volgende voorwaarden bevatte;

,,De beloften der verbondenen zullen geene kracht van geloften hebben ; zij zullen zelfs niet verplichten op straf van eenige zonde, en geene nieuwe praktijk kan er aan toegevoegd worden, zonder de goedkeuring van den Bestierder.

„In de vergaderingen, die eens per week plaats hebben, zal men eene uitwendige akte van liefde aantoonen om te doen, zooals de kerk te vegen, den catechismus aan de kinderen te geven, hulp te verkenen aan de ongelukkigen enz.

„De communiën zullen op zulke wijze verdeeld worden, dat er eiken dag eenige zullen plaats hebben.

„Het hoofddoel van de vereeniging is de voortplanting van de godsvrucht tot het Allerheiligste Sacrament en de H. Maagd.quot;

„Dominicus was een der ijverigste leden: hij gedroeg zich als doctor in de bijeenkomsten, door

ocr page 223

212

de leerlingen zelven gehouden en voorgezeten. Verscheidene zijner vrienden volgden zijne voetstappen na; daar zij echter nog leven, schijnt het mij voorzichtig, ze niet te noemen. Ik zal alleen spreken over Johannes Massaglia, Catnilltis Gavio en Joscf Bongiovanni, omdat deze drie reeds de eeuwige belooning ontvangen hebben.

„Gavio bleef slechts twee maanden bij ons, maar dit kort tijdsverloop was voldoende, om eene onuit-wischbare gedachtenis van zijne heiligheid achter te laten. Hij was met een buitengewoon talent begaafd voor schilder- en beeldhouwkunst, zoo zelfs dat de gemeenteraad van Turijn besloot hem ter hulp te komen, opdat hij zijne kunststudiën kon voortzetten.

„In het Eedehuis gekomen, bracht hij zijnen speeltijd door met na te zien, hoe de anderen zich vermaakten; dit deed hij misschien ter oorzake van zijn ziekelijk gestel, of ook om zijne verwijdering van het vaderlijk huis. Dominicus bemerkte dit en kwam dadelijk bij hem.

„Welnu, vriend, speelt gij niet wat mede?

■— Neen , maar uwe spelen geven mij zooveel verzet, alsof ik er aan deelnam.

— Hoe oud zijt gij?

— Vijftien jaar.

•— Gij schijnt treurig! zoudt gij ergens pijn hebben ?

— Ja, ik heb eene ziekte gehad, die mij tot op den rand van het graf gebracht heeft, en ik ben nog niet volkomen hersteld.

— - Gij zoudt zonder twijfel willen genezen?

ocr page 224

— 213 —

— Dat juist niet; ik verkies mij aan den wil van God te onderwerpen.

Die woorden verheugden zeer den goeden Do-minicus, welke op deze wijze voortging:

„Hij, die vóór alles den wil van God zoekt, is op den weg der heiligheid. Gij wilt dus een heilige worden?

— Dit is mijn vurigste verlangen.

— Zooveel te beter; het getal mijner vrienden gaat aangroeien. Van heden af zult gij aan onze goede werken en aan onze oefeningen van godsvrucht deelnemen.

— Zeer gaarne, wat moet ik doen ?

— Ik ga het u in twee woorden zeggen; onze eerste zorg is, de zonde als de pest te vermijden, want zij ontneemt de genade van God en den vrede des harten, verder trachten wij nauwkeurig onze plichten te vervullen en altijd tevreden te zijn. Ziehier eenen grondregel, dien gij in practijk zult moeten stellen, om in den geest van onze vereeni-ging te treden: Scrvitc Domino in lactitia: dient den Meer in blijgeestigheid,

„Dit gesprek was een balsem, die de ziel van Gavio binnendrong en ze heel en al versterkte. Hij werd de vriend van Dominicus en de navolger zijner deugden; maar de ziekte, wier kiem hij in zich droeg, verscheen wederom na twee maanden. Alle pogingen der geneesheeren, als ook de meest verkleefde zorgen , konden er niet meester over worden. (i).....quot;

(i) Cenno sul giovanne Domenico Soive etc. pel sac. Giov; nni Bosco, bl. 71.

DOM BOSCO. i 4

ocr page 225

__ 2! 4 —

,,De deugd van Dominicus Soave bereikte eenen verheven graad, zoo vei heven zelfs, dat hij niet bovennatuurlijke mededeelingen van God begunstigd scheen. Dom Kosco haalt er voorbeelden van aan. De verkleefdheid van dezen jongen apostel aan den Stoel van den Heiligen Petrus was bewonderenswaardig.

Hij onderhield zich gaarne over den Opperpriester, terwijl hij verschillende keeren verzekerde, dat hij hem verlangde te zien alvorens te sterven, om hem belangrijke zaken mede te deelen. Ik ondervroeg hem onder dit opzicht; hij antwoordde: ,,Ik zou aan den Paus willen zeggen, dat hij te midden zijner wederwaardigheden, zich heel bijzonderlijk met Engeland moet bezighouden, omdat God in dit koninkrijk eene groote zegepraal voor zijne Kerk bereid heeft.

— Waarop zijn uwe woorden gegrond?

— Ziehier, maar spreek er aan niemand over, men zou mij uitlachen. Zekeren morgen dat ik mijne dankzegging na de communie deed, werd ik door eene zeer sterke verstrooiing overvallen. Ik meende eene uitgestrekte vlakte te zien vol menschen, met dikke nevelen omgeven. Zij gingen als verdwaalden, die niet weten, waar hunne voeten te zetten. Eene stem zeide mij: Dit land is Engeland. Ik ging vra-quot;en stellen, toen Pius IX verscheen, zooals men

O ' '

hem op zijne schilderijen voorstelt. Hij was statig gekleed en hield eene toorts van schitterend licht in de hand. Naarmate hij voortging, zag men de duisternissen verdwijnen, en zij hervormden zich

ocr page 226

— 215 —

niet meer achter liem, zoodanig, dat de onmetelijke menigte in het licht bleef, als in vollen dag. De stem zeide mij nog: Deze toorts is de katholieke Godsdienst, die Engeland moet verlichten.quot;

Toen Dom Bosco in 1858 te Rome was, deelde hij deze bijzonderheden aan den Opperpriester mede, die ze met belangstelling aanhoorde en verklaarde er niet over verwonderd te zijn. Werkelijk had hij juist de katholieke Kerk in hare rangopvolging in Engeland hersteld, en vernam hij eiken dag eenige nieuwe bekeering in dit edel land, dat eertijds het land der heiligen was en het wederom zal worden.

Dom Bosco verhaalt verder andere geestvervoeringen van den jongen Dominicus. Als men in zijne tegenwoordigheid over den hemel sprak, was dit genoeg, om hem buiten zich zeiven te brengen; zijne kameraden vingen hem op in hunne armen. Daarna was hij er zoo vernederd en zoo beschaamd over, dat hij zich niet meer met hen wilde vermaken en alleen zocht te wandelen. „Wat wilt gij, zeide hij, ik ben door verstooidheden overvallen, ik vergeet elk oogenblik, waar ik mij bevind, en ik zou geene zaken over mij willen zeggen, die met mij zouden doen lachen.quot;

„Hij trad eens al loopende mijne kamer binnen, gaat Dom Bosco verder: „Kom, Vader, kom gauw; er is een goed werk te doen!

— Waar wilt gij mij leiden? vroeg ik hem.

— Gauw, gauw, antwoordde hij. Ik aarzelde nog; maar toen ik hem zoo bewogen en ongeduldig zag, stemde ik toe hem te volgen; ik had ove-

ocr page 227

— 216 —

rigens reeds de gewichtigheid van dergelijke aanzoeken ondervonden.

„Hij voerde mij opvolgentlijk door verschillende straten, zonder op te houden of te spreken; ik volgde hem zoo haastig mogelijk. Eindelijk ging hij een huis binnen, klom tot de derde verdieping, en deed de bel weerklinken al zeggende: „Daar moet gij binnengaan, Vader,quot; en hij vertrok oogenblik-kelijk.

„Men opent:

„Och! gauw, zegt mij eene vrouw, gauw, anders zal het te laat zijn. Mijn man heeft het ongeluk gehad van protestant te worden, hij heeft er berouw over, en vraagt de genade om in het katholiek geloof te sterven.quot;

„Ik naderde den zieke, die met angst wachtte. Ik verzoende hem met de Kerk en gaf hem de absolutie. Als dit op het gauwste gedaan was, trad de pastoor der parochie binnen, dien het gezin van den zieke had doen halen; maar nauwelijks begon deze hem de laatste heilige Sacramenten toe te dienen en was hij aan de eerste zalving gekomen, of reeds had hij slechts een lijk onder zijne oogen.

„Ik wilde weten, hoe Dominicus dezen stervende ontdekt had. In plaats van mij te antwoorden , bezag hij mij met een pijnlijk gelaat en begon te weenen, zoodat ik hem er niet meer over sprak.

Na den dood van Dominicus Soave, werden talrijke genezingen of buitengewone genaden door zijne voorspraak verkregen. Dom Bosco haalt er een tiental aan, op het einde van zijne levensbe-

ocr page 228

— 217 —

schrijvingen (i); maar hij laat ze door deze voorzichtige verklaring volgen, die wij ons op onze beurt toeëigenen, en slechts gaan neerschrijven met den naam van Soave in dien van Dom Bosco te veranderen ;

„Aan alles, wat hier ten opzichte van Dom Bosco gezegd is, wil de schrijver geen ander gezag toekennen, dan dat van een geschiedkundig verhaal. Hij stelt alles onder het oordeel der H. Kerk, waarvan hij fier is zich een onderdanig kind te noemen.quot;

(i) Cenno bi. 87,

ocr page 229

DERTIENDE HOOFDSTUK.

DOM BOSCO SCHRIJVER. DOM BOSCO DRUKKKR.

mtrent hetzelfde tijdstip, tusschen 1845 en i860, gaf Dom Bosco de meeste zijner werken uit. Waar vond hij de middelen en de kracht, om zoovele zaken te omvatten en eenigermate verscheidene gelijktijdige loopbanen te vervullen, waarvan elke voldoende zou geweest zijn, om eenen gewonen mensch bezig te houden ? Dit is het geheim van zijn geloof; de wel verdeelde tijd wordt vccrkrachtig en het geloof, volgens het woord van den Meester, vervoert de bergen.

Dom Bosco heeft kort bij de honderd groote en kleine boekdeelen vervaardigd, en heeft er een nog grooter getal ingegeven, zonder ze te onderteekenen. Alle hellen over naar eenzelfde doel: de uitbreiding van het rijk van Christus in de zielen, en bijna alle streven er naar door een zelfde middel, de opvoeding der jeugd.

De hoedanigheden, die zij gemeen hebben, zijn de duidelijkheid, de scherpzinnigheid en de zalving.

ocr page 230

Dat men hem de schitterende volzinnen eener Rhetorica, die de bewondering beoogt, niet vrage, hij is er niet bezorgd om; hij zoekt alleen goed verstaan te worden , te onderrichten, te overtuigen en te overreden. Geen zin om indruk te maken, geene nuttelooze afwijking uit zijn ondenv'p, weinig en altijd korte beschrijvingen , veel samenspraken, veel voorbeelden met bewijzen ondermengd, kortom eene volkomene verachting van hetgeen men noemt „de kunst om de kunst;quot; maar ter vergoeding, een krachtvolle ofschoon in het algemeen korte zin, eenvoudige doch altijd vloeiende, altijd welluidende uitdrukkingen, eene wel aaneengeschakelde verhandeling, een helder verhaal en somtijds, zonder gezocht te zijn, die sterke en gezonde welsprekendheid, welke uit de kracht der overtuigingen voortspruit, en naar het hart gaat, omdat zij van het hart komt: ziedaar Dom Bosco met de pen in de hand.

Ken zijner leerlingen heeft hem ons met liefde en nauwkeurigheid afgeschilderd ;

„Ik voel mij gansch bewogen, als ik mij die schoone jaren herinner, gedurende welke onze welbeminde Vader ons met zijne ongemeene eenvoudigheid vertelde over de ongehoorde moeite, die hij zich in zijne jeugd gegeven had, om zich op de bloemen der Rhetorica, de afgeronde volzinnen en de schoone wendingen toe te leggen, en daarna over de pogingen, die hij moest aanwenden, over den strijd, dien hij met zich zeiven moest voeren, om anders te doen en tot dien eenvoudigen , oprechten

ocr page 231

— 220 —

en toch altijd nauwkeurigen vorm te komen, welke zijne woorden en geschriften zoo beminnelijk maakt.

„Ik herinner mij, hetgeen hij ons vertelde over zijne Kerkelijke Geschiedenis en zijne eerbiedwaardige moeder, die wel met eenen grooten katholieken godsdienstzin begaafd, doch heel en al onwetend was op het gebied van letterkunde. Om zijn werk voor iedereen verstaanbaar te maken, las hij het haar voor, en herzag en vei beterde het volgens hare raadgevingen. Het gebeurde hem dikwijls, dat hij geheele hoofdstukken moest hermaken, zonder rekening te houden van zijne vermoeidheid. Zijn eenig verlangen was, zonder de kunst in hare be-scheidene schoonheid te verachten, van goed verstaan te worden.quot; (i)

De geschriften van Dom Bosco kunnen in vier soorten verdeeld worden'

Werken van Godsvrucht;

Werken van Godsdienstige Verhandeling;

Verhalen voor de Jeugd;

Classieke Leergangen.

Wij zouden ze alle niet kunnen ontleden, zelfs niet in het kort, zonder de perken van dit verhaal te overschrijden. Wij zullen echter de voornaamste aanhalen, want anders zou men Dom Bosco niet heel en al kennen.

Zijne voornaamste werken van godsvrucht zijn:

// Giovane proveduto, in het Nederlandsch: De Jongeling onderwezen in het vervullen zijner Plichten.

(i) Les idéés de Dom Bosco sur 1'instruction et l'éducation, par Francois Cerruti, hl. 42.

ocr page 232

— 221 —

Dc Jonge Dochter, ondaivczen in Jict vervullen harer Plichten;

De Christen volgens den Geest van den H. Vincent ins a Paulo;

De Sleutel van het Paradijs in de handen der goede Christenen ;

Het Vade - inccum, of Gewichtige Raadgevingen 'voor de Zaligheid;

Morgen - en Avondgebeden met andere Oefeningen;

Practische Wijze om het H. Misoffer bij te wonen ;

Het Jubdaeum, zijne Instelling en verscheidene Oefeningen voor het Bezoek der kerken.

Dc zes Zondagen en de Novene ter cere van den H. Aloysius van Gonzaga.

Maand van Maria.

Leven van den H. Jozef.

Verschijning der H. Maagd te Salette enz. enz.

Bij de werken van godsdienstige verhandeling' of uitleggingen der Leer zullen wij aanhalen :

De Katholiek in de Wereld of Gemeenzaam Onderhoud van een Vader met zijne Kinderen.

Grondslagen van di n Katholieken Godsdienst.

De Katholieke Kerk en hare Rangopvolging.

Onderhoud van cenen Advocaat en van cenen Pastoor over de Biecht.

Tivee Gesprekken tusschen twee Pro testa n tsehe Ministers en cenen Katholieken Priester over het Vagevuur.

Maximinus, of Ontmoeting van cenen Jongeling met eenen Protestantschen Minister op het Capitool.

Maria - Bijstand. Geschiedenis van hare Vereering. enz. enz.

ocr page 233

— 'i-22 —

Verscheidene dezer uitgaven werden tot honderd duizenden exemplaren verkocht en het goed, dat zij stichtten, is onberekenbaar.

De verhalen voor de jeugd bestemd, zijn misschien het meest uitgelezen gedeelte der letterkundige werken van Dom Bosco. Onze lezers kennen er reeds twee van door uittreksels; Dc Levensbeschrijving van Dominicns Soave en die van Michaël Magon. Hij schreef er verscheidene andere, alle vol bevalligheid en stichting;

Levensbesehrijviiig van den jongen Antonius Colle.

Levensbesehnjving van den jongen I.odewijk Co-mollo.

Korte Besehrijvingen over verseheidene Salesi-aansche Medebroeders.

Levensbesehrijvingen van den jongen Franeisens Besueco, of de kleine Herder der Alpen.

Leven van Maria der Engelen, Carmelitesse.

Korte beschrijving over J)om Cassasso enz.

Hij maakte ook geschiedenissen of verhalen van loutere verbeelding, bestemd om als schetsen voor het onderwijs der deugd te dienen en deze te doen beminnen. Frankrijk heeft voor de jeugd van alle landen een groot getal verzamelingen van dit slag gegeven, van Berquin af tot aan Mevrouw de gravin van Segur; Engeland is fier op de kleine romans van miss Edgeworth; Duitschland op die van den kanunnik Schmidt; Nederland bezit den Familiekring; Italië, dank aan de pen van Dom Bosco, kan voortaan de vergelijking met de andere geletterde volkeren onderstaan. Petrus oj dc Macht

ocr page 234

223

van ccnc Goede Opvoeding is onbetwistbaar een voorbeeld van deze soort.

Men vindt hetzelfde belang en men ademt denzelfden geur van practisch gezond verstand en van zoete gewaarwordingen in de andere zedelijke en godsdienstige geschriften van Dom Bosco:

Angelina of de Wee ze der Apennijnen;

Severinus of Lotgevallen van een Kind der Alpen ;

Vertellingen en Nieuwigheden (Novelle e Raconti);

Valentijn of de Verhinderde Roeping, enz.

Dom Bosco heeft zelfs twee kleine treurspelen voor scholieren samengesteld: Het Huis der Fortuin, en, T.odewijk of Twist tussehen eenen Advoeaat en twee Protestantse/ie Ministers;

Tussehen zijne classieke uitgaven bevinden zich;

Leergang 'can Vereenvoudigde Rekenkunst;

Gewjde Geschiedenis ten gebruike der Scholen;

Gemakkelijke Wijze om de Gewijde Geschiedenis te leer en ;

Kerkelijke Geschiedenis ten gebruike der Jeugd;

Geschiedenis van Italië, sedert zijne eerste 11 e-woners tot op onze dagen.

In de verschillende gestichten der Salesiërs aangenomen, zijn deze leergangen natuurlijk tot een aanzienlijk getal uitgaven geklommen; maar zij verdienen hunnen bijval.

Dc Geschiedenis van Italië-—meer dan 500 bladzijden in Octavo, met dicht ineengedrongen drukletter — is niet zooals vele andere, een geraamte zonder leven, eene verwarde opeenstapeli^i^- van feiten, datums en eigennamen, of een pleidooi tegen

ocr page 235

— 224 —

eene staatkundige partij. Zij is een duidelijk, scherpzinnig, beknopt verslag der gebeurtenissen: zij verwerpt de onzekere gissingen en bijzaken, die slechts ter verwarring dienen, en die men een leerling niet moest doen onthouden, daar men van te voren weet, dat hij ze toch zal vergeten; zij streeft er naar, om den gang van den menschelijken geest en dien van de omwentelingen der Staten zonder omwegen aan te duiden, en om de geleerden, de zeden en gewoonten, de schrijvers, de weldoeners of geesels der menschheid, tegelijk met de koningen en de veldheeren te doen kennen; eindelijk, zonder ooit diegenen uit het oog te verliezen, voor wie ze bestemd is, laat zij aan de bijzondere werken alles, wat voor de jeugd een onderwerp van bewondering of bepleiting zou kunnen zijn; maar er is eene orde van feiten, die zij op meer eigenaardige manier ophemelt, die namelijk, welke kunnen aansporen tot de liefde der waarheid, der deugd en des vaderlands.

Voor hetgeen de geloofwaardigheid betreft, zegt Dom Bosco in zijne voorrede, kan ik den lezer bevestigen, dat ik geen zin heb opgesteld, zonder hem met de meest in aanzien staande schrijvers te vergelijken en zooveel mogelijk, met de tijdgenooten of die ten minste omtrent ten tijde der gewichtige gebeurtenissen geleefd hebben. Ik heb mij ook de moeite niet gespaard, om al de hedendaagsche Itali-aansche geschiedschrijvers met zorg te lezen, en uit elkeen te trekken, hetgeen mij voor mijn ontwerp scheen te passen.quot;

ocr page 236

— 2-25 —

Nikolaas Tommasco, een bevoegd rechter, gaf over de GcscJiicdcnis van Italic van Dom Eosco eene lofspraak zonder voorbehoud: „De priester Bosco, zegt hij, heeft in een betrekkelijk klein boekdeel heel onze geschiedenis samengevat; hij weet de feiten uit te kiezen en ze in een zeer schitterend

daglicht te stellen.......In het verhalen van eene

zoo groote menigte zaken, bewaart hij orde en duidelijkheid, hetgeen de jonge geesten eene gelukkige helderheid bijzet. Om boeken te maken, die voor de jeugd bestemd zijn, is zekerlijk de ondervinding van het onderwijs niet voldoende, maar zij is eene machtige hulp; zij voltooit de andere hoedanigheden , die voor dezen moeielijken arbeid ver-eischt worden.

Van kinderen zoovele staatsmannen willen maken, en hen op beslissende wijze leeren spreken overliet lot der keizerrijken, en over de omstandigheden, die aan dezen of genen hoofdman eenen geregelden veldslag deden verliezen, dit is louter schoolvosserij, die niet altijd onschuldig is, omdat zij onervaren geesten gewent te oordeelen volgens het woord van anderen over zaken, die zij niet kunnen verstaan en hun op deze wijze een valsch geweten geeft, zonder hen te vormen om de bewijsstukken der geschiedenis op de practijk van het alledaagsche leven bezadigd toe te passen. Zien wij integendeel niet de groote geschiedschrijvers, de groote dichters der oudheid, er behagen in scheppen om den openbaren man te hervormen en in hem den bijzonderen man af te schilderen, zoodat zij in den prins en den burger, den

ocr page 237

— 2tgt;0 —

vader, den zoon of den broeder aanschouwen? Vandaar de onvergelijkelijke schoonheid der oude dichterlijke of geschiedkundige werken. Vele hedendaag-sche schrijvers, leveren in hunne geschriften, in plaats van deze verstandige en nuttige toepassing, het bewijs van een of andere beschouwing, welke zij van het begin tot het einde volgen, en naar welke zij de feiten en hunne oorzaken buigen en wringen; zij toonen zich op deze wijze onophoudelijk zeiven in hun ontwerp, terwijl zij in hunne stijfhoofdigheid slechts eenen kant der waarheid laten zien, en onder verschillende vormen dezelfdé zaak tot verzadigings toe herhalen ; het zijn vertalers noch schilders, maar lastige woordenpralers. Zij worden niet gewaar, dat de geschiedenis, evenals de heele natuur, eene groote gelijkenis is, door God aan de menschen voorgesteld, en dat zij het Goddelijk plan onvruchtbaar maken en ellendig doen mislukken, door ze tot één voorstel te vernauwen.....

Dom Bosco had een der eerste exemplaren van de Geschiedenis van Italië aan den Minister van Openbaar Onderwijs, M. Staura opgezonden. Na ernstig onderzoek was de Minister zoo voldaan over het werk, dat hij het voor de openbare scholen deed aannemen, en aan den nederigen schrijver eenen prijs van duizend frank ter hand stelde. Toen later de oorlog tegen de godsdienstige gedachten heviger werd, wilde een andere Minister, M. Amari, eenige zinsneden doen wijzigen: „Sedert uwe eerste uitgaaf, zeide hij aan Dom Bosco, heeft er eene verandering in de denkbeelden.plaats gehad; waarom zou zij niet in

ocr page 238

_ 2'27 _

uw boek weerschijn vinden? Gij kent het spreekwoord: iederen keer, dat het gevogelte opgediend wordt, moet er eene nieuwe saus bij zijn.

— Voor het gevogelte, stem ik toe, antwoordde Dom Bosco, maar het is niet geoorloofd de geschiedkundige feiten zoo toe te bereiden. De geschiedenis is altijd dezelfde; het ware kan nooit valsch worden, niet beter dan het witte, zwart zou kunnen zijn.quot; Hij weigerde zijn werk te hermaken, om ik weet niet wat onzekers en onbepaalds te leveren, hetgeen men verlangde; maar hij verloor de openbare scholen als klanten.

Dezelfde hoedanigheden van beoordeelaar en schrijver vindt men in de Gewijde Geschiedenis van Dom Hosco en in zijne Kerkelijke Geschiedenis, die beide volgens dezelfde methode en afmetingen opgevat zijn.

Het laatste dezer werken is in achtereenvolgende stukken uitgegeven, in tijdrekenkundige orde, onder de titels van; Leven vein den H. Petrus; Leven van den H. 1'aulus; Leven der //. Pausen Li-mis, Cletus en Clemens, enz. enz. (zoo zijn er een twintigtal boekdeelen van lootot 250 bladzijden elk) Leven van den li. ALartinus, Bisschop van Fours , Leven 'van den H. Pancratins enz. tot zelfs eene verzameling van feiten en levensbijzonderheden over Pius IX, en de geschiedenis der verkiezing van Leo XIII tot het opperpriesterschap. Door hun onderwerp , weidden deze verschillende geschriften zoowel uit op het gebied van de verdediging der Kerk en van het geestelijk leven, als op dat van de

ocr page 239

— 228 —

eigenlijk gezegde geschiedenis. Op zijnen weg grijpt de schrijver zonder vrees de rneest verspreide opwerpingen tegen de Kerk aan; en werpt ze ten gronde. Zoo heeft hij als bijvoegsel aan het einde van het Leven van den H. Petrus eene heldere verhandeling geplaatst, die een toonbeeld is van hoffelijke maar ineengedrongene en onwederlegbare redekaveling, over de komst van den H. Petrus te Rome, welke sedert eenigen tijd door zekere Protestanten betwist werd.

De voorrede van ditzelfde werk is eene geloofsbelijdenis, waarin zich de heele ziel van den schrijver in hare hartroerende onschuld veropenbaart; wij weerstaan niet aan het genoegen, ze hier neer te schrijver:

„Wie een gesloten paleis wil binnentreden, om er bezit van te nemen, moet het eerste bezorgd zijn, van zich te verstaan met dengenen, die de sleutels bewaart.

„Ongelukkig hij, die zich op een vaartuig in zee bevindt, en niet in de gunst is van den stuurman!

„Ongelukkig het schaap, d:it ver van den herder ronddwaalt, en naar zijne stem weigert te luisteren!

„Gij hebt een paleis, beminde Lezer, naar welks bezit gij moet haken; maar in afwachting vaart gij op eene onstuimige zee, gedurig in gevaar u op de klippen te verbrijzelen; om nog eene andere vergelijking te gebruiken, gij zijt een schaap, dat dwaalt te midden van weiden, waarvan eenige vergiftigd zijn, dat blootgesteld is in de afgronden te vallen, en door roofzuchtige wolven bespied wordt.

ocr page 240

— 229 —

„Ach ja, gij moet dengenen gunstig voor u stemmen, wien de sleutelen des hemels werden ter bewaring gegeven, gij moet uw leven aan den groo-ten Stuurman van het Vaartuig van Christus, aan den Noë van het Nieuwe Testament toevertrouwen, gij moet u kortbij denzelfden Herder der Kerk aansluiten, die alleen u in de gezonde weiden, in veiligheid tegen de gevaren, zal leiden.

„Welnu, de portier van het rijk des hemels, de quot;roote stuurman en de herder der menschen, is de

o

H. Petrus, Prins der Apostelen, die zijne bedieningen uitoefent in den persoon van den Opperpriester, zijnen opvolger. Hij opent, hij sluit, bestuurt de Kerk en leidt de zielen ter zaligheid.

„Beklaag u dus niet. Vrome Lezer, het korte leven, dat ik u aanbied, te doorloopen ; leer Petrus kennen, zijne opperheerschappij van eer en van rechtsmacht te eerbiedigen, en de stem van den herder te onderscheiden, te beminnen en te volgen. Wie met Petrus is, is met God, wandelt in het licht en snelt ten eeuwigen leven. Wie niet met Petrus is, is tegen God, gaat struikelen in de duisternissen en stort zich in het verderf. In één woord daar, waar Petrus is, is het leven; daar, waar Petrus niet is, is de dood.quot;

Om de openbaarmaking zijner werken en weldra die der werken zijner leerlingen een weinig minder te doen kosten, legde zich Dom Bosco, zoodra hij kon, er op toe ze zelf te drukken. De drukkunst, die stoffelijke arbeid, doch de zeer machtige hefboom van ons tijdvak voor geest en zeden, was zijn geliefkoosd bedrijf. De werkhuizen van den Valdocco

Dom kosco. 15

ocr page 241

— 230 —

bevatten allengskens, al wat er tot de vervaardiging van een boek noodig is: bereiding van papier, vervaar-diging van drukletters, welke volkomen afgewerkt onder de handen der kinderen van de werkplaats, uitkwamen, opstel en verbetering; het drukken door middel van schoone werktuigen, voor welker volmaaktheid er niets gespaard was, werkplaatsen voor de innaaiing, de inbinding en de vergulding. Dit alles werd onderhouden en gevoed door eenen ruimen boekwinkel, waarin de schoonste boeken pronkten over kerkgebruik, de classieke werken uitgegeven of heruitgegeven door Dom Bosco of door zijn toedoen, en de nuttigste Italiaansche en Fran-sche uitgaven. Deze drukkerijen - boekwinkels werden later in bijna alle huizen der Salesiërs ingevoerd. De voornaamste papiermakerij werd te Mathi, kortbij Turijn, gevestigd. Vernield door het springen van eenen ketel, is zij wederom heel en al en in groo-ter afmetingen, eenige jaren vóór den dood van den heiligen Stichter, opgebouwd.

In 1884 zond hij naar de groote tentoonstelling van Turijn, eene volledige samenstelling der drukkunstnijverheid, waarvan een bezoeker in de volgende termen spreekt:

„Gij hebt daar vereenigd en in werking, gij raakt en omvat met éénen blik, alle takken van nijverheid, die op het boek betrekking hebben, van de papiermaking af tot aan den boekwinkel, doortrekkende door de druklettersgieterij, de drukkerij en het inbinden; niets ontbreekt aan dit geheel en alles volgt elkander op in logische orde.

ocr page 242

- 231 —

„Rechts in eenen breeden vergaarbak , ziet gij den deeg, bestemd om in papier veranderd te worden door een modelwerktuig, kortelings volgens den laatsten vooruitgang der wetenschap vervaardigd; aan uwe linkerhand bevindt zich de boekwinkel, waaraan gij een boek kunt bestellen, dat gemaakt moet worden met denzelfden deeg, die het oogen-blik afwacht, om in het werktuig rond te loopen, en zich in papier te hervormen.

„Doet eene korte wandeling; volgt dezen deeg, die vooreerst in eene baksteenen kuip valt, waarin hij geschokt wordt, om goed met zeer zuiver water vermengd te worden; volgt hem, als hij vloeibaar en witachtig geworden is, op de verschillende teemsen , die hem van het water afscheiden; dan, door doeken zonder einde ondersteund, ziet hem eindelijk onder de groote rolzuilen doorgaan, die hem samenpersen, hem droogen en hem in een buigzaam en vasthoudend papier veranderen, hetgeen men onder uwe oogen in stukken snijdt, om het weldra als blad zonder vlek aan de jonge drukkers over te geven. Deze hebben reeds de drukplaat samengesteld uit drukletters, kort naast hen door hunne kameraden der druklettersgieterij vervaardigd; zij leggen het blad onder de werking der pers en geven het aan den binder over, die het vouwt, het aan zijne gelijken met eenen hechten naad vereenigt, kortom, er een boek van vormt met marokijnen (Spaansch lederen) band en het overgeeft aan den vergulder; deze overhandigt eindelijk aan den boekhandelaar een prachtig boekdeel op snêê verguld

ocr page 243

— 232 —

en met de bevalligste gouden strepen kunstig versierd.

„Toen drukte men eene heerlijke uitgaaf van Fa-biola met veel en zeer fijn graveerwerk, welks uitvoering niets te wenschen overliet. Ik stond verbaasd; dit aanlokkelijk geheel, deze verrukkelijke samenstelling van het werk, en de snelle en spaarzame vervaardiging, die zij toelaat te verkrijgen, zonder iets aan de volmaaktheid van de voortbrengsels te ontnemen, is zonder eenigen twijfel het belangrijkste en nuttigste, dat ik op de tentoonstelling van Turijn gezien heb; dit zal mijne schoonste, misschien zelfs mijne eenige herinnering zijn.quot;(i)

Wij maken hier inbreuk op de tijdrekenkundige orde, — hetgeen onvermijdbaar is, indien men de orde der zaken wil bewaren — en melden eene der laatste scheppingen van Dom Bosco, die van den Bollctino Salesimw, Bulletijn der Salesiërs, eene maan-delijksche uitgaaf, die hij in 1878 in het Italiaansch begon, en die ook in het Fransch verscheen te beginnen van 1879, en in het Spaansch te beginnen van 1886. Deze uitgave was noodzakelijk geworden om de verscheidene Salesiaansche huizen onder elkander te verbinden, toen zij zich, als het ware, over heel de aarde vermenigvuldigd en verspreid hadden. Hij had voor kenspreuk:

„Hij onderwees het volk en gaf uit, hetgeen hij gemaakt had .... Hij zocht nuttige woorden op, en schreef redevoeringen vol rechtschapenheid en waar-

(i) Bulletijn der Salesiërs, December 1SS4.

ocr page 244

— 233 —

heid. De woorden der wijzen zijn als angels en als diep ingeslagen nagels, omdat de eenige herder ze ons door den raad en de wijsheid der meesters gegeven heeft. (Eccl. XII, 9, 10, 11.)

„Het gevaar, Zeer Heilige Vader, is geheel en al in de verspreiding van schandelijke spotschriften gelegen; voor dit onmetelijk kwaad zie ik maar één geneesmiddel: de stichting van eene katholieke drukkerij, onder de bescherming van den Heiligen Stoel geplaatst; op deze wijze laten onze antwoorden zich niet wachten, en kunnen wij met voordeel in het strijdperk treden, om met stelligen bijval op de uitdagingen van de voorstanders der dwaling te antwoorden.quot; (H. Franciscus van Sales.)

„Hij zou zich geenszins bedriegen, die voornamelijk aan de slechte drukpers de buitensporigheid der ondeugd en den erbarmelijken staat van zaken toeschrijft, waarin wij tegenwoordig verkeeren. Nu echter het gebruik overal de pers eenigermate noodzakelijk heeft gemaakt, moeten de katholieke schrijvers zich met alle kracht er op toeleggen, om ze tot heil der maatschappij te doen dienen.quot; (Leo XIII.)

„Het tijdschrift, aan de geregelde overheid der Kerk onderworpen, en met den geest van Jezus-Christus bezield, wordt eene onmetelijke macht; het verlicht, en ondersteunt de waarheid, ontmaskert de dwaling, redt en beschaaft; het kan een verheven apostelschap worden.quot; (Kardinaal Alimonda.)

Deze teksten zijn eene heerlijke aanmoediging voor al degenen, die zich aan den dienst der waarheid in de tijdschriften, naar het voorbeeld van Dom

ocr page 245

— 234 —

Bosco, hebben toegewijd. Zij hebben niet altijd zooals hij, de uitgebreidheid van kennis, de fijnheid en zekerheid van redekunst, of de bevalligheid en schilderachtigheid van taal; mochten zij ten minste de verkleefdheid, de onderdanigheid, de liefde en die zedigheid bezitten, welke zoo goed aan eene loopbaan past, waarin men van te voren weet, dat men tot niets zal geraken , noch tot de gunst der vorsten, noch tot de achting der menigte! Die loopbaan leidt ten hemel, dit moet voldoende zijn.

Maar het is roemrijk en zoet voor de dagbladschrijvers en drukkers of voor de katholieke uitgevers, medebroeders, als Dom Bosco, gehad te hebben.

ocr page 246

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

HOE OOM UOSCO DE OPVOEDING VERSTOND. VOORKOMEND EN BETEUGELEND STELSEL. - DE WIL

MOET GEVORMD WORDEN. — GOD OVERAL.

en late ons nog eens toe, in dit en liet volgende hoofdstuk, de verklaring der feiten te staken, om aan die der leeringen stil te houden; indien de bladzijden, die men lezen gaat, de meest wegslepende van deze geschiedenis niet zijn, dan zullen zij toch de minst leerrijke en, voor eenen ernstigen geest, de minst belangrijke niet wezen.

Het heele opvoedingsplan van Dom Bosco berust op de christelijke naastenliefde. De korte doch bewonderenswaardige onderrichtingen over het voorkomend stelsel, die hij vooraan op het reglement van zijne verscheidene huizen zette, getuigen tegelijk van de teederheid zijns harten en van zijne volmaakte kennis des kinds.

Er zijn twee stelsels, zegt hij , het voorkomend en het beteugelend. Het beteugelend stelsel bestaat in het doen kennen der wet aan hen, die zij moeten

ocr page 247

— 236 —

nakomen, daarna in ze te bewaken, om de overtreders te straffen. In dit stelsel moet de vertegenwoordiger van het gezag, zelden doch altijd streng verschijnen: alle gemeenzaamheid is hem ontzegd. Dit is het gemakkelijkste en het minst bezwaarlijke stelsel; het past aan den soldatendienst, en in het algemeen aan het besturen van volwassen personen, die in staat zijn, om de wetten te kennen en ze niet uit het oog te verliezen.

Heel verschillend, bijna tegenovergesteld, is het voorkomend stelsel. Het begint insgelijks met de wet te doen kennen, maar het tracht daarna zoo stiptelijk en met zooveel liefde dengenen te bewaken , die ze moet nakomen, dat men hem, om zoo te zeggen, in de onmogelijkheid plaatst, om er tegen te misdoen, en men hem zelfs de begeerte daarvoor ontneemt, indien hij het zou kunnen. Dit stelsel steunt heel en al op de rede, den godsdienst en de genegenheid. Dit is het edelste en het rechtvaardigste, maar het vordert ook de meeste opoffering van den kant der overheid. Het past vooral aan de jeugd, omdat zij natuurlijkerwijze zoo onbestendig is, dat zij elk oogenblik én wet én kastijding vergeet , hetgeen eigenlijk recht geeft op meer toegevendheid , en ook omdat men veel beter aan de liefde dan aan de vrees gehoorzaamt.

Volgens Dom Bosco moet de opvoeder, eerder een vader, een raadsman en een vriend zijn dan een meester. Zijn doel is het kind over te halen, om hem met zijne eigene krachten, tot zijne verbetering bij te staan. Zoo zal men tegen het kwaad ingaan,

ocr page 248

— 237 —

en het niet tot rijpheid laten komen; opkomende hartstochten, die door natuurlijke neiging den bree-den weg der ondeugd zouden volgen, zal men leiden en op het enge pad der deugd vestigen: men zal de verzuimenissen voorkomen, om ze niet hoeven te straffen.

Maar welke oneindige zachtheid, en welk onveranderlijk geduld worden dan noodzakelijk in den meester! Welke waakzame, onophoudelijk wakkere oplettendheid! De practijk van het voorkomend stelsel vordert de stipte vervulling van het woord van den H. Paulus; „De liefde is goed en geduldig; zij lijdt alles, zij hoopt alles, zij verdraagt alles.quot;

De opvoeder moet zonder omzichtigheid met zijne kinderen zijn, hun zijnen tijd en zijn hart schenken, hen voorgaan, hen bijstaan, hen overal volgen, door zich zeiven of door anderen, die zoo zeker en zoo verkleefd zijn als hij, en hen nooit alleen of zonder bezigheid laten. Op deze wijze zouden zelfs degenen, die met ergerlijke gewoonten zouden aangekomen zijn, deze moeielijk aan hunne kameraden kunnen mededeelen; de gelegenheid zou hun ontbreken.

Dom Bosco ging zoover, dat hij de bewaking voor de oogen van hen, die er het voorwerp van waren, zooveel mogelijk bedekte.

De meesters, die bij hem, de speeltijden, de werkplaatsen of studiën bestuurden, droegen den naam niet van bewakers of toezieners maar dien van helpers. Gedurende den speeltijd vermaken zij zich met de kinderen, en verdeelen zich zoodanig bij de verschillende groepen, dat hun niets ontsnapt.

ocr page 249

— 238 -

Verre van ons zij de gedachte van aan Dom Bosco de eer dezer uitvinding toe te kennen. Zij bestond vóór de Salesiërs, bij de Jezuiëten, bij de Broeders der christelijke scholen en in het algemeen in alle gestichten der geestelijkheid; het is aan haar, dat deze huizen hun bestaan te danken hebben; men vindt er zelfs min of meer onsamenhangende sporen van in de lyceums, gymnasiums en colleges van den Staat, waar veel welmeenende leermeesters het gebrekkig stelsel, dat alles aan het onderricht opoffert, pogen te verbeteren; doch gelukkig voor het vrij onderwijs, raakt dat gebrek den wortel en is het onverbeterlijk. Indien de staatscolleges, welke dank aan de hulpmiddelen van den openbaren schat, voor hunne leermeesters eene bijzondere voorbereiding en eene gevrijwaarde loopbaan alleen kunnen aanbieden, hierbij de gave van opvoeding konden voegen, zouden al hunne mededingers in weinige jaren verdwijnen. Hoe het ook zij, niemand vóór Dom Bosco, had het voorkomende stelsel zoo goed bepaald, en niemand heeft het beter in het werk gesteld.

Thans gaan wij zijne uitdrukkelijke voorschriften overschrijven betreffende de straffen:

„Straft zoo min mogelijk; indien er volstrekt moet gestraft worden, tracht u dan vooreerst te doen beminnen, alvorens u te doen vreezen; de ontzegging van een blijk van welwillendheid, zal eene kastijding worden, maar eene kastijding, die de nastreving opwekt, den moed doet herleven en niet verlaagt.

„Bij jongelingen is straf, alles wat men als zoo-

ocr page 250

— 239 —

danig geeft. Men heeft opgemerkt, dat een minder liefderijke blik op eenigen meer uithaalt, dan een kaakslag. Het prijzen, wanneer eene zaak goed gedaan is, het laken in het tegenovergestelde geval, zijn reeds eene belooning en eene kastijding.

„Dat de verklaringen en kastijdingen, behalve in zeer zeldzame gevallen, niet in het openbaar gegeven worden, maar afzonderlijk, ver van de makkers, en dat men de grootste voorzichtigheid en het grootste geduld gebruike, om met behulp van rede en godsdienst, den leerling zijn ongelijk te doen inzien. Somtijds schijnen de leerlingen geenen haat meer over opgelegde straffen te dragen, maar al wie ze van nabij heeft nagespeurd, weet goed, hoe bitter hun nagevoel is, vooral indien de straffen hunne eigenliefde treffen ; zij vergeten de zware straffen door hunne ouders, maar zelden die door hunne meesters opgelegd; men zag er, in hunnen ouden dag wraak nemen over zekere, zelfs billijke kastijdingen, die zij zich in de klassen op den hals haalden. Integendeel de meester, die den leerling wijselijk en vriendelijk verwittigt, wekt zijne erkentelijkheid op; het is geen meester meer in zijne oogen, het is een vriend, die hem heeft willen verbeteren en behoeden voor straf, oneer en alle soort van onaangenaamheden.

„Heel en al moet er verboden worden, van te slaan, op welke manier het ook zij, in eene pijnlijke houding op de knieën te zetten, bij de ooren te trekken en andere dergelijke zaken; vooreerst, omdat deze straffen door de burgerlijke wet beteugeld

ocr page 251

— 240 —

worden, en ook omdat zij de kinderen vergrammen en hunne karakters verlagen, (i)

„Dat de bestierder de regels goed bekend make, evenals de belooningen en de straffen, die ze doen eerbiedigen, opdat de leerling, zich nooit kunne verontschuldigen door te zeggen: ik wist het niet.

„Sedert veertig jaren, dat ik dit stelsel tracht in practijk te stellen (Dom Bosco schreef in 1877) herinner ik mij niet uitdrukkelijke straffen gegeven te hebben , en met Gods genade heb ik altijd verkregen, niet alleen wat de plicht vereischte, maar hetgeen ik eenvoudig verlangde, en nog wel met

kinderen, over welke men scheen te wanhopen.....

Ik heb er gezien, die over hunne fouten en over de billijkheid der straffen zoo getroffen waren, dat zij ze vroegen.quot;

Maar de zachtmoedigheid en het geduld zijn nog niet genoeg, om het zoo moeielijke werk der opvoeding goed ten einde te brengen. Indien deze deugden voldoende waren, zou dan elke moeder

(1) Wij bekennen, dat Dom Bosco in dit verbod van te slaan ons een weinig te zeer uitsluitend schijnt; er zijn kinderen, die men op zekeren leeftijd slechts door gewaarwordingen van dien aard kan verbeteren, daar zij nog geene rede en dikwijls weinig gevoelen hebben. De natuurlijke pijn is het middel, het eenige middel om ze tot het zedelijk leedwezen te brengen. Is het beter ze te laten varen dan ze te verwittigen op de eenige plaats, waar zij gevoelig zijn? Zal men ze laten omkomen, inplaats van ze met de roede op te richten? De H. Schriftuur is verre van ons zulken raad te geven.

Doch over het verschil tusschen de recht.treeksche bewaarders van het vaderlijk gezag en hunne gemachtigJen, zegt Dom Bosco de stipte waarheid. Hetgeen een kind van zijnen vader of zijne moeder zal aannemen, zal het gewoonlijk verwerpen, als het van een en meester komt.

ocr page 252

— 241 —

geene heiligen gevormd hebben? De aantrekkelijkheid van het spel en het verstandig prikkelen van de nieuwsgierigheid der kinderen, zijn insgelijks nuttige, zelfs noodzakelijke middelen, en de stichter van het Instituut der Salesiërs zette ze op den eersten rang zijner aanbevelingen:

„Dat men ruime vrijheid schenke, schrijft hij, om te loopen, te springen, te schreeuwen en zich te vermaken. De lichaamsoefenkunst, de muziek, de voordrachtskunst, het tooneel, de wandeling, al deze zaken onderhouden de gezondheid van ziel en lichaam; dat men zich alleenlijk wachte, dat de aard dier uitspanningen, de personen en de gesprekken, die er gevoerd ip worden, geen gevaar opleveren. Ik herhaal met den H. Philippus van Neri, dien grooten vriend der jeugd: „Doet, wat gij wilt, dit is mij hetzelfde, mits gij niet zondigt.quot;

Deze verscheidene middelen van opvoeding zijn slechts eene bijzaak. Het spel belet het kind aan het kwaad te denken of er zich aan over te geven; het ontneemt hem den vrijen tijd om te kijven, kwaad te spreken , en naar vele zaken te zuchten, die niet voor zijnen ouderdom of voor zijnen tegenwoordi-gen staat zijn; maar het is niet voldoende, om zijn hart te vormen, en hem den smaak en de gewoonte der deugd te schenken.

Deze smaak en gewoonte zijn het hoofddoel, het eerst te bereiken doel; maar zij ontstaan niet in de vermakelijkheden en genoegens, verre vau daar, het is in den arbeid en in de krachtinspanning, dat zij zich vormen; het is door de vrijwillige en on-

ocr page 253

— 242

ophoudelijke opoffering van de slechte neigingen der natuur, dat zij aangroeien en zich versterken. Misschien is er wel de vrede van geweten, de voldoening van zijnen plicht gedaan te hebben, de verruk-king over het behalen eener zedelijke overwinning; dit alles bevat een zeer zoet genot en eene aanmoediging. die wij zeker niet miskennen; maar dit genot is fijn en weinig genaakbaar voor heel jonge kinderen. Eene zaak blijft zeker: dat de deugd van offers leeft, dat eene straal op haar voorhoofd schittert: de warme straal van den moed. Indien de overwinning over de luiheid des lichaams en den opstand des geestes beslissend wordt, dan is alles gewonnen; het leven van den mensch zal deze wonderbare vouw, dezen indruk, bewaren, die gelijkt op den stempel der eer, en welken men het karakter noemt. Het karakter, dat wil zeggen, de moeielijke getrouwheid aan alle plichten en alle heilige zaken, in één woord, de deugd, ontlast van alle mengsel, zuiver van alle verdenking en van alle krachteloosheid, rein als het metaal, dat uit den smeltkroes komt. Er is altijd opoffering noodig in de harding van het karakter, merkt een groote schrijver van dien tijd op, evenals er altijd vuur noodig is in de harding van het staal: het is deze smartelijke harding, die er eene zoo groote zaak van maakt, zoo groot waarlijk, dat als men van eenen mensch gezegd heeft: hij heeft karakter! men van hem den schoonsten, maar ook den zeldzaamsten lof heeft uitgesproken (1)quot;

(i) L'abbé Buathier, le sacrifice clans la vie chrétienne bl. 320. (De opofiering in het christelijke leven )

ocr page 254

— 243 —

In een zijner werken heeft Dom Bosco de oorzaken dezer algemeene verflauwing der karakters bestudeerd. Hij toont ze aan met eene aangrijpende duidelijkheid;

„De verkeerde opvoeding der kinderen, zegt hij, spruit voort uit onwetendheid, of liever uit ikzucht en slecht begrepene teederheid.

„Men zoekt van het kind te genieten in plaats van zich voor hem op te offeren. Wat eene oprechte doch bekrompene en onberadene genegenheid in hare onbewuste zelfzucht, aan dien zoo teeder, maar zoo blind beminden zoon vraagt, is bovenal eene zegepraal voor de eigenliefde, en een feestelijke maaltijd voor de zinnelijkheid. Men schept er behagen in, om op de vroegtijdige talenten van het kleine wonder overal te pronken. Men drinkt gretig de loftuitingen, die hem geschonken worden; men prijst hem tot in zijne tegenwoordigheid; zonder zelfs de snelle vorderingen gewaar te worden van zijne opkomende ijdelheid, die zich weldra in eene verwaandheid en genoegzaamheid en in eenen hoogmoed zal veranderen, welke onverdragelijk worden.

„Men verlustigt zich en berust in de liefderijke betoogingen van de genegenheid des kinds. Men is heel en al verdiept in het beschouwen van zijne kinderlijke bevalligheden. Men ontvangt en verwekt zijne fleemerijen, zooals men zou doen met de streelingen van een jong hondje, men vleit hem evenals dit dier; als hij vervelend is en weigert te gehoorzamen of stil te blijven, kastijdt men hem knorrend en toornig. Men wil dat hij zeer lieftallig zij, zeer goed afgericht, en zeer geleerd, en dat is alles . . ..

ocr page 255

— 244 —

„Welke onvoorzichtigheid en welke dwaling! Eene vroegtijdige ontwikkeling van het verstand is het gelukkige en gemakkelijke voorrecht van alle kinderen, met welke groote personen gewaardigen zich bezig te houden; doch de aard en de onderlinge afhankelijkheid onzer eigenschappen mag men zeker niet uit het oog verliezen. Ongelukkig voor het kind, indien men de eigenschap van kennen en gevoelen, welke men door eene zoo betreurenswaardige als algemeene verwarring, voor de eigenschap van beminnen houdt, alleen in hem poogt te ontwikkelen, en indien men integendeel geheel en al de eerste eigenschap, den wil verwaarloost, die nochtans de eenige bron is der echte en zuivere liefde, en waar de zinnelijkheid slechts een bedriegelijkbeeld van is.

„Houden zich deze dwaze ouders somtijds met dezen armen wil bezig, dan is het niet, om hem door het herhaald oefenen van kleine akten van deugd, die men gemakkelijk van de gelukkige gesteltenissen des kinds verkrijgt, te regelen en te versterken, integendeel, onder voorwendsel, dat zijne oproerige natuur noodzakelijk moet getemd worden, trachten zij den wil door hevige middelen te bedwingen, en slagen er slechts in hem te vernietigen, in plaats van hem weder op te richten.

„Door deze noodlottige dwaling storen zij de overeenkomst, die er in de gelijkstandige ontwikkeling van de machten onzer ziel moet heerschen, en verwringen de zeer fijne werktuigen, die aan hunne onervaren handen zijn toevertrouwd.

ocr page 256

— 245 —

„Het verstand en de gevoeligheid, door deze geweldige vorming o/erprikkeld, trekken alle krachten der ziel tot zich; zij verzwelgen heel haar leven. Weldra hebben zij eene buitengewone rijpheid en daarbij de uitnemendste maar ook gevaarlijkste kiesch-heid verkregen.

„Het kind begrijpt vlug, zijne verbeelding is vurig en levendig; zijn geheugen is getrouwen schildert zonder moeite en met eene angstvallige nauwgezetheid, de minste bijzonderheden; zijne gevoeligheid verrukt allen, die hem naderen.

„Maar welk beklagenswaardig gemis aan evenwicht! Al deze schitterende hoedanigheden bedekken nauwelijks de schandelijkste onbekwaamheid, en de onbegrijpelijkste zwakheid. Het kind en later helaas ! de jongeling, door de vlugheid zijner opvattingen medegesleept, weet niet gevolgelijk te denken of te handelen; hem ontbreekt het heel en al aan gezond verstand, aan zuiver en zeker oordeel, aan gematigheid, in één woord aan practischen geest.

„Gaat in hem geene orde of geregelde wijze van handelen zoeken. Hij mengt alles door elkander, hij verwart alles in zijne redeneering, evenals in zijn gedrag. Hij ontstelt u door plotselinge en onstuimige uitvallen en door vreemde tegenstrijdigheden. Gisteren, bevestigde hy u met geestdrift eene onderstelde waarheid ; morgen zal hij met dezelfde on-wederstaanbare overtuiging, juist het tegenovergestelde volhouden. Zijne rede, door de zwakheid van zijnen wil verduisterd, laat hem niet toe ernstig door zich zei ven te denken. Hij ontvangt al zijne oordeelen

DOM BOSCO I 6

ocr page 257

— 246 —

van anderen, of van uitwendige omstandigheden, en neemt ze alleen aan, omdat zij zijne verbeelding verleid of zijne gevoeligheid gestreeld hebben, dezelfde lichtzinnigheid dcet ze hem daarna weer laten varen: zij hebben opgehouden te behagen of andere meer schitterende beschouwingen hebben dit beweeglijk verstand betooverd.

„Daar hij te gejaagd is, om klaar op den bodem zijner ziel te lezen, kent hij er slechts de oppervlakte van, dat wil zeggen, de voorbijgaande ontroeringen. Vol drift om alle bewegingen dezer oppervlakte te vatten, meent hij onbeschroomd alles te willen, wat hij schijnt goed te keuren; daar hij onbekwaam is, om aan zich zeiven te wederstaan, brengt hij alles met spoed ten uitvoer .... Anders handelen zou hem een gemis van openhartigheid toeschijnen, hij wil zich uiterlijk toonen, zooals hij innerlijk is; indien hij zijne hartstochten temde, zou hij zich inbeelden, eene schijnheilige handeling te doen. Terwijl hij alzoo meent te willen, wat hij niet wil, meent hij niet te willen, wat hij wil. De deugd verleidt hem; wijl zij echter aan de lafheid zijner natuur tegenstrijdig is, neemt hij dezen inwendigen tegenstand voor eenen tegenovergestelden wil; bedrogen door zijne eigene onnoozelheid, wanhoopt hij te kunnen gelooven of willen, wat hij in zijn binnenste gelooft en wil.....

„Komt het er op aan te beslissen of hij wel of niet eene gewichtige handeling moet doen, dan ondervraagt hij het orakel, dat wil zeggen ; zijne dwaze gevoeligheid, in plaats van deze zaak in haar zelve

ocr page 258

— 247 —

te bestudeeren en, er de beweegredenen, de omstandigheden of het doel van te onderzoeken.

„Met zijne indrukken heei en al bezig, vraagt hij zich aiquot;: „Wat dunkt mij?quot; En hij handelt of onthoudt zich volgens de geneigdheid of den afkeer, die hij in zijn hart meent te onderscheiden. Dat noemt hij nadenken! Indien hij zich bedrogen heeft, wacht u van het hem te verwijten: hij heeft het op zijn best, op zijne manier, gedaan. „Ik heb mijn geweten moeten volgen, zegt hij u, ik was te goeder trouw.quot;

„Indien hij later in moeielijke omstandigheden een bewijs moet leveren van karakter, wacht op niets van zijnen kant. Al is hij tot de hevigste gemoedsbewegingen bekwaam, hij is ook aan de zonderlingste zwakheden onderhevig. Het geweld en de hardnekkigheid zullen de eenige uitingen zijn van eenen zwakken wil, en gij zult ze altijd verkeerd uitgeoefend vinden.

„Zullen de hoedanigheden des harten tegen al deze gebreken opwegen ? Zal de zoo beoefende gevoeligheid van dit jonge hart het teederste en het minnendste der harten gevormd hebben?

„Helaas! hier zal men dezelfde leemte en hetzelfde gebrek aan samenhang, als in het verstand aantreffen. De jongeling wordt gemakkelijk tot liefde ontvlamd, maar even vlug rukt hij zich wederom los. Zijn hart is evenals zijn geweten, eene onstuimige zee, beurtelings door de tegenstrijdigste stroo-men opgezweept.

„Zonder stellig slecht te zijn, heeft hij geene

ocr page 259

— 248 —

andere wet dan zijne grillen. Hij heeft nooit vrienden kunnen behouden, omdat hij te hunnen opzichte zich nooit de on vergeef lij kste vrijpostigheden heeft kunnen ontzeggen: eene pijnlijke zinspeling, eene verachtende ongemanierdheid, eenen kwetsen-den steek, een beleedigend en ongegrond vermoeden, eene onbeschofte kuur! En hij verwondert zich, dat de miskende vriendschap, gekrenkt in hetgeen zij het kieschte had, zich van hem terugtrekt! Arm onvolmaakt wezen, dat zich beklaagt van nooit begrepen te zijn!

„Driftigheid en onstandvastigheid, ziedaar de hoofdtrekken van dit karakter. Men heeft eenen mensch willen vormen, doch men is er slechts in gelukt, een verstandig en minnend, maar zwak en onredelijk wezen , een verbeterd dier, voort te brengen.quot; (i)

De aanhaling is een weinig lang; maar kent gij in de boeken der luisterrijkste zedenleeraars vele ontledingen van het menschelijk hart, zoo fijn en zoo verstandig als deze overwegingen van den goe-digen Bosco ? Het zijn zaken, die wij naast alle kleine bedden, in de kamers van alle jonge moeders, zouden willen geschreven zien.

Het hoofdwerk is dus den wil te vormen, en het karakter te harden. Maar hoe het levendmakend vuur aansteken, om die zedelijke harding te bewerkstelligen? Waar de indringende en sterke beweegkracht vinden, die den wil van het kind zal

(i) Loven van Loclewijk-Fleurij-Antonius Colle, door Dom Bosco, bl. 23 tot 31.

ocr page 260

— 249 —

doordringen, en hem, ondanks alle hinderpalen, met dien van den meester zal doen medewerken, om hem zuiver, oprecht, werkzaam, edelmoedig te maken, in één woord, om in hem den wezenlijk deugd-zamen mensch, den man van karakter te vormen? Een beroemd wijsgeer heeft mennen voor antwoord te geven: „In het onderricht zit alles; het onderricht is voldoende voor de opvoeding; een onderwezen man is noodzakelijk een eerlijk man.quot;

Deze leerspreuk heeft in onze dagen fortuin gemaakt. Zij is door de hedendaagsche maatschappij aangenomen, en zij heeft de school zonder God gesticht, onder den naam van onzijdige school, ofschoon de onzijdigheid in dergelijke stof zoo hersenschimmig is, als het de onzijdigheid zou zijn tusschen het bevestigen of ontkennen der algemeene zwaartekracht, in een leergang van wereldbeschrijving.

Zekerlijk verstoot Dom Kosco het onderricht niet, zelfs niet als kostbare helper in den arbeid dei-zedelijke vorming. liet onderricht staat in de huizen der Salesiërs en in alle andere geestelijke huizen in eere; het is er voorgeschreven en men geeft het, te beginnen aan het alphabet tot aan de letterkunde, de wetenschappen en de wijsbegeerte. Dom Bosco heeft daartoe vernuftig afgekorte leerwijzen, die de aandacht der ambtelijke opvoedkundigen verdienen te trekken. Hij wil het daarbij practisch en persoonlijk, en is gelukkiger dan de lyceums en gymnasiums van den Staat, of de colleges der Jezuïeten, waar de ouders hunne kinderen zenden om ze, met of zonder

ocr page 261

— 250 —

aanleg, aan de middelbare studiën toe te wijden; hij immers kan kiezen, omdat hij zelf het hoofd van zijn huisgezin is. Elke leerling, wordt er grondig bestudeerd, en volgens zijne bekwaamheid, nu eens voor de hoogere letterkundige of wetenschappelijke studiën, dan voor het uitoefenen der kunsten, of eenvoudig voor een ambacht bestemd. Hij denkt insgelijks, dat het onderricht afwisselend en moeielijk zijn moet; in de kerkelijke plechtigheden en openbare vereenigingen, vraagt hij aan de kunsten, zooals wij reeds zeiden, en bijzonder aan de muziek, niet alleen hare betooverende zachtheid en hare machtige verheffing, maar ook haren glans en luister. Dit alles vormt een volkomen geheel.

En toch, als gij aanhoudt bij Dom Bosco en hem vraagt: „Meester, gij, die zoowel in de opvoeding geluktet, is dit hier uw middel? Kan men zich bepalen bij het onderricht? — Neen, zal hij zeggen, het onderricht is slechts eene bijzaak, evenals de spelen; de kennis maakt den man niet, want zij raakt niet rechtstreeks zijn hart; de kennis maakt den mensch machtiger in de oefening van het goed of het kwaad; de kennis is een wapen, onverschillig in zich zelf, dat zooveel waard is als het hart vermag, evenals het zwaard dezelfde waarde heeft als de hand, die het vasthoudt; maar de kennis schept den moed noch de gewoonte der deugd.quot;

Dit is ook helaas! het antwoord van de ondervinding, ten spijt van de hedendaagsche vooringenomenheid, die voorbij zal gaan, maar slechts te

ocr page 262

lang zal geduurd hebben voor de gerustheid dei-beschaafde maatschappijen. De statistiek der strafbaarheid, sedert de instelling van de school zonder God, belast zich, de stoutmoedige verwaandheden van nieuwigheidsinvoerders, die de overleveringen van het menschelijk geslacht verstooten, op dit punt te kortwieken.

Maar welk is dan het geheim van Dom Bosco? Hij heeft het lang en breed in zijnen regel:

„Dikwijls biechten cn commnniceeren, alle dagen mis hoor en, ziedaar de zuilen, die het heele gebouw der opvoeding moeten ondersteunen.quot;

En werkelijk in de huizen der Salesiërs, zijn er eiken dag een zeker getal communiën en gedurende de gemeenschapsmis, bevindt zich gedurig één of verscheidene Paters ter beschikking van hen, die willen te biechten gaan. Dom Bosco zelf was een onvermoeibare biechtvader. Hij schepte behagen in het biechten; hij wijdde een ontelbaar getal uren en dagen aan de biecht. Hoe schoon was het, hem in de jaarlijksche geestelijke afzonderingen te zien, als hij zijne kinderen, priesters, geestelijken en leeken volgens de gewesten vereenigde ? Allen gingen gaarne te biechten bij den Vader, en hij was, van den morgen tot den avond, ter beschikking van iedereen. Zijn biechtstoel was een gewone stoel, achteraan in eenen gang geplaatst; daarnaast een klein bankje voor den boeteling, en dan de armen, en de borst van den heilige als steun: hoe legde elk zijn geweten gemakkelijk bloot op zijn hart! gt;

ocr page 263

— 252 —

Bij het uitleggen van deze ongekunstelde, maar klare leerspreuk van Dom Bosco: „Dikwijls biechten en communiceeren, alle dagen mis hoeren,quot; zeide onlangs een w elsprekend redenaar bij eene plechtige gelegenheid:

„O moeders, is het niet waar, dat uw blik, in weerwil zijner toegevendheid, meer dan eens gebeefd heeft, als gij bij uwe kinderen het spoor ont-dektet van te duchten neigingen, die krachtig genoeg waren, om de beste voornemens te vernietigen? Is het niet waar, dat gij meer dan eens in hunne ziel dat woord der Heilige Boeken gelezen hebt; „Dc mensch is von zijne jeugd af tot het kwaad aangedreven?quot; En deze helling zal hem heel zijn leven tot zich trekken, gij weet het, wij weten het allen. Wee! mij ongelukkige, riep de H. Paulus uit, ik zie het goed, ik wil het, en in zijne plaats doe ik het kwaad, dat ik niet zou willen.quot;

Elke ziel, aan hare aangeboren krachten overgelaten, herhaalt dc klachten van den Apostel, indien de hoogmoed haar ten minste niet ingeeft, hare zwakheden te rechtvaardigen door ze tot wetten te verheffen. Ons hart is een zieke, die in zich zeiven het geneesmiddel niet heeft. In Jezus alléén bevindt zich de verkwikkende balsem; ook vraagt Dom Bosco aan de ^genade, door eene aanhoudende godsvrucht, hare doordringende kracht en hare heilzame, bestendige en noodzakelijke werking, om bij zijne kinderen de krachteloosheden, die onze zwakheden aankleven, te herstellen en te voorkomen en om in hen terzelfder tijd den eerlijken burger, den

ocr page 264

— 253 —

trouwen vriend, het verkleefde hoofd des huisgezins en den erfgenaam der hemelen voor te bereiden; daarin bestaat zijne groote veerkracht.

„En niets is zoo gemakkelijk, gij zijt er getuige van in de huizen der Salesiërs, niets zoo oprecht, als het vrijwillig aanvaarden van die godvruchtige oefeningen bij de leerlingen. Zij geven zich gaarne aan het gebed over, scharen zich van zelf met ijver rondom het altaar, en verlichten dikwijls hun geweten aan de voeten van eenen biechtvader. De ziel van den jongeling, die van nature christelijk is, opent zich eveneens voor dc waarheid en voor de genade, als de plant voor de zon en den dauw.......

„Hebt gij ooit opgemerkt, welke wederkeerige aantrekkelijkheid de kloosterling en het kind uitoefenen? Ziet hen te zamen, in eenen hoek van de klas of van den hof. Ondanks het verschil tusschen de livrei van het klooster en die der wereld, ondanks het grijze voorhoofd van den eenen en de blonde haren van den anderen, is er in den grond niets gelijkvormigers, dan die twee wezens, welke eiken dag aan denzelfden arbeid zijn toegewijd, aan denzelfden regel onderworpen, de eene uit keuze, de andere uit noodzakelijkheid: beiden zonder vrijheid, zonder aanwezig vermogen, zonder hun eigen meesterschap; elk slechts zijn hart hebbende, maar de eene door den anderen aangetrokken, deze door de behoefte van te geven, die door de behoefte van te ontvangen.

„En wat een gezag zet het voorbeeld aan deze gemoedsovereenstemming bij in den kloosterling! In-

j

ocr page 265

dien eenige tegenstand onstaat, zal hij zeggen; „Hoe zoo, mijn vriend, kunt gij op uwen ouderdom den tijd van den arbeid, van de onderwerping, van de zachtmoedigheid reeds te lang vinden, maar.......quot;

Dit is voldoende; het zien alleen van dien meester, gedurende lange jaren onder het juk van den plicht zoo liefdevol gebukt, heeft er aan den jongeling de rechten en de schoonheid van doen gevoelen; alle geschil houdt op, of liever er is geen geschil in die christelijke haardsteden, waar het voorbeeld dei-deugden bij de oversten alles met eenen dampkring van geregeldheid, van vrede en geluk omgeeft. Gezegende huizen! De jongeling komt er uit te voorschijn, gewapend voor den strijd des levens, geweekt door eene lange inzijpeling, in het eenige metaal, dat in staat is de karakters te vormen: in de getrouwheid aan den plicht ten prijze van opoffering; en hoe wrang voor hen het bestaan ook zij, hij zal voortgaan, tot het einde ondersteund door dien man-nelijken en versterkenden geur van den Kruisberg, die zijne jongelingschap met lange teugen heeft ingeademd , naast de knieën en het hart van deze levende kruisbeelden.quot; (i)

Een leerling van Dom Bosco, verhaalt het volgende :

„Niet lang geleden bezocht een Minister der koningin van Engeland een Instituut van Turijn (hier bedoelt men natuurlijk een Instituut van Salesiërs). Hij werd in eene ruime zaal geleid, waar vijf hon-

(l) Redevoering, uitgesproken door Mgr. Mourey, bij de inhuldiging der kerk van het H. Hart, den 15^00 Mei i887.

ocr page 266

I

— 255 —

derd jongens bezig waren met studeeren. De bezoeker was verbaasd over hunne volmaakte stilzwijgendheid en over hunne werkzame oplettendheid, en nog wel zonder toezieners. Zijne verbaasdheid nam toe, toen men hem zeide, dat er somtijds een heel jaar verliep, zonder dat de orde gestoord werd en men eene straf moest opleggen. „Is het mogelijk? Kn hoe doet gij? vroeg hij; en terzelfder tijd keerde hij zich tot zijnen geheimschrijver, en belastte hem het antwoord aan te teekenen.

„Mijlord, zeide de bestierder, wij bezitten een middel, dat niet bij u van toepassing is.

— Hoe dat?

— Dit is een geheim, aan de katholieken alleen veropenbaard.

■— Gij schertst. Eerwaarde Pater; mij dunkt nochtans , dat mijne vraag ernstig is.....

-— Mijn antwoord is het ook, Mijlord, en wijl gij volstrekt er aan houdt, dat ik mij verklare, ziehier mijn geheim, in onzen regel uitgedrukt: dikwijls biechten en comtnuniceeren, alle dagen mis hooren: alles, wel te verstaan, met oprechtheid en ijver.

— Gij hebt recht, Eerwaarde Pater, deze drie middelen van opvoeding zijn buiten ons bereik. Maar

^ kunnen zij niet door andere vervangen worden ?

— Ja, Mijlord, bij dezen door den stok, de gevangenis; bij dien door de altijd beklagenswaardige ontwikkeling van den hoogmoed en het eigenbelang ! maar meestendeels, ten minste hier, bij kinderen van deze soort, door de uitsluiting.

-— Dat is vreemd, vreemd! riep de Britsche

ocr page 267

i

— 25G —

Staatsman uit; mis of stok! Ik zal dat te Londen vertellen. (1)quot;

Wij hebben reeds getoond, welke opmerkzame studie Dom Eosco onophoudelijk maakte van de bekwaamheden en de verschillende roepingen. Op dit punt was hij van eene scherpzinnigheid, die gemakkelijker te bewonderen dan na te volgen was,

want deze tweede gave van zien, raakte bij hem aan het bovennatuurlijke.

Hoe dikwijls hebben Dom Ronchail, Mgr. Cag-liero en anderen verhaald, dat hun Dom Bosco hunne roeping openbaarde, die zij zeiven nog niet kenden! Men vertelde dit somtijds voor Dom Bosco, en de Vader glimlachte, terwijl de zonen van vreugde weenden.

Maar het was niet ongestraft, dat degenen, welke Dom Bosco als geroepen aanduidde, zich voor den wil des hemels verborgen. In 1884 kwam eene dame van den Turijnschen adel, vergezeld van haren jong- •

sten zoon, hem bezoeken. Dom Bosco vroeg haar,

wat zij van hem en hare andere kinderen rekende te maken.

„De oudste, zeide de dame, zal de diplomatische loopbaan volgen, evenals zijn vader. De tweede zal in het leger gaan. Wat den derden betreft......

— De derde, dat is deze, onderbrak haar Dom Bosco, terwijl hij het kind liefkoosde; wij zullen er eenen priester van maken, en eenen goeden priester, indien het God belieft.......en gij-, Mevrouw.quot;

(i) La Gioventü e Dom Bosco pel sac. Domenico Giordani bl. 75.

ocr page 268

— 257 —

De moeder scheen aan den grond genageld, en bleef een oogenblik sprakeloos; dan riep zij eensklaps in eene wilde beradenheid uit. „Priester, nooit! dat hij liever sterve!quot;

De heilige grijsaard beproefde haar reden te doen verstaan. Is het niet ondankbaar en dwaas van zijne kinderen aan God te betwisten, aan God, van Wien wij ze ontvangen hebben? De ongelukkige moeder wilde niets hooren, herhaalde de afschuwelijke verwensching, en ging hevig bewogen naar huis.

Acht dagen daarna verscheen zij wederom, gansch bevende dezen keer en in tranen badende: „Help ons, Dom Bosco, zeide zij, help ons, want mijn jongste zoon gaat sterven!quot;

Men komt in de kamer van het kind; men vindt er geneesheeren, ter beraadslaging vereenigd, zij kennen de kwaal niet, die den kleinen stervende • wegrukt.

Deze heeft alles gehoord. Hij roept zijne moeder, en zegt haar met zwakke, maar duidelijke stem, terwijl hij Dom Hosco bij de hand neemt: „Moeder, herinner u, wat gij bij dezen Heer gezegd hebt: „Priester, nooit! dat hij liever sterve!quot; Daarvan is het, dat ik sterf, moeder: de goede God neemt mij ondanks u......

Dom Bosco kon de arme vrouw slechts aanmanen de harde beproeving aan te nemen. Het kind stierf weinige uren daarna.

ocr page 269

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

HOE DOM BOSCO HET ONDERWIJS VERSTOND. NATURA-LISMUS EN CHRISTIAN! SM US. VERKREGEN UITSLAGEN.

et onderwijs voor Dom Bosco , was nog de opvoeding, want door geleerden te maken, het slechts er op gemunt, mannen te vormen, godsdienst was de overal tegenwoordige ziel, die het lichaam der studiën levend maakte, en in alle deelen van het onderwijs zijne warmte en zijne kracht verspreidde. Daaruit volgt overeenkomstig het reglement, dat hij aan zijne leeraars gaf, dat de taal, de voorbeelden, de schetsen of opstelonder-werpen altijd eenigen zedelijken of godsdienstigen grondregel of eenig denkbeeld daarvan moesten bevatten, omdat zij het hart verheffen, door den geest te ontwikkelen. Als men de jeugd onderwijst, is het niet genoeg, van de nietigheid der onafhankelijke zedeleer af te kondigen, men moet ze ook niet in practijk stellen. In onze dagen, men zal het nooit genoeg zeggen, is de school bijna overal door eene

ocr page 270

— 259 —

kwaal aangetast, die des te verderfelijker is, daar men ze dikwijls niet kent; deze kwaal is liet natu-ralismus of anders gezegd: het herrezen heidendom.

De stichter van het Bedehuis der Salesiërs legde er zich op toe, om van de klassen der eerstbegin-nenden af tot de hoogste afdeelingen, van het kleine leesboek af tot aan de lessen voor den preekstoel, die zware en loome lucht, welke ons omgeeft, ons drukt en ons verstikt, te verdrijven; hij nam niet aan, dat men terugging naar de tijden van vóór de Verlossing.

Hij of ook Ignatius van Loyola, of Joannes Baptista de la Salle, of zelfs de goede Rollin begreep die zoogezegde zaaklessen niet, welke het kind slechts stoffelijke, om niet te zeggen, dierlijke gedachten geven, en hem vernederen, in plaats van hem te verheffen, onder voorwendsel van hem met de voorwerpen eigen te maken. Op kleederen, voedsel, drank en alles, wat men raken en gevoelen kan, ziedaar waarop men zijn jong verstand vestigt, ziedaar waarover men hem met zwaardrukkende, en gewoonlijk voorbarige denkbeelden overlaadt. Wat echter betreft hem den Schepper in de schepping te toonen, hem Christus, de H. Maagd, en de Heiligen te leeren kennen, daar is geen spraak van. Opent de kleine boekjes , de spelboekjes zelfs , welke die moordlustige opvoedingsleer in de handen dezer onschuldige schepsels stelt, en gij zult zien, dat het naturalismus ze onteert tot in de bewaarschool, die heerlijke schepping der christelijke naastenliefde, waarvan de Staat zich meestermaakt, om ze onder

ocr page 271

— 260 —

den naam van kinderschool te misvormen. Doorloopt de reglementen, die deze instellingen besturen; leest aandachtig de spreuken, de voorbeelden, de dichtstukken, de kleine fabels, om het geheugen te versieren : niets zult gij vinden, dat het bereik dei-zinnen te boven gaat, niets dat die jonge ziel geschikt maakt, om de liefelijke schoonheden van den godsdienst te smaken, of ze bereidt tot den ruwen worstelstrijd des levens.

Men zal misschien zeggen, dat de catechismus-lessen en de mondelijke gebeden dit zullen aanvullen. Maar vooreerst, deze gebeden en catechismus-lessen hebben overal niet plaats; dan, waar zij plaats hebben, zijn ze van kant gezet als bijzaken, die men kan missen, want de godsdienst maakt geen deel van het programma. O! wat zal er geworden van die arme kleine wezens, welke zoo ontkleurd en verslenst zijn bij het eerste ontluiken van hun verstand? Welke edelmoedige gevoelens, welke mannelijke gewoonten kunnen er ontkiemen in dezen dampkring, geheel van positivismus en ikzucht doortrokken? Ziedaar de misdaad, de groote misdaad der vrijmetselaarsloges: zij hebben zich van het onderwijs meester gemaakt om het te vernielen, en hunne verlagende drukking doet zich gevoelen tot in de vrije scholen, welke zij met hun programma vasthouden. Dom Bosco gebruikte al zijne krachtdadigheid, om overal tegen hen in te werken, te beginnen met de lagere klassen.

Deze tegenwerking zette hij in de middelbare en hoogere leergangen voort. Hij kon bijvoorbeeld

ocr page 272

— 261 —

die verhandelingen niet lijden, welke de wetenschap onder het volk trachten te brengen, die romans en aangename keuvelarijen, welke alle in hunne kortzichtigheid en laagheid, een gemeen en eenig doel schijnen na te jagen: aan de jeugd namelijk de natuur in hare uiterste verborgenheden bloot te leggen, zonder haar toe te laten het Groote Wezen gewaar te worden, dat alles gemaakt heeft en alles door zijne alomtegenwoordigheid bezielt. Vele zelfs christelijke huisgezinnen laten zich beetnemen door dit onderwijs der loochening van God, wien men met opzet hier uitgelaten heeft. „In die boeken hebben wij geen enkel woord tegen God gevonden,quot; zegt men, om zich gerust te stellen. Zoo is het, maar in die boeken is er alles, alles behalve God. En gij hoopt, dat uwe kinderen uit eigen beweging deze onmetelijke leemte zullen aanvullen, dat zij God dan nog overal zullen zien, als men hen gewend zal hebben. Hem nergens te zien, en de christelijke vorming in hen zal afgebroken zijn? Welke verblindheid ! Men zou het niet mogelijk achten, indien men er niet dagelijks de droeve getuige van was. De aandacht van Dom Hosco viel natuurlijk ook op het vraagstuk van de letterkunde der classieken. Ken zijner leerlingen. Dom Franciscus Cerruti, heeft Dom Bosco's denkwijze over dit punt kenbaar gemaakt in twee brieven, welke verdienen ontleed te worden.

Als uitgangspunt dient immer hetzelfde grondbeginsel; mannen. Christenen, en tegelijkertijd humanisten of geleerden te maken.

Dom bosco i 7

ocr page 273

__ 202 —

Het vormen van een hart is een moeielijk en langdurig werk. Evenals een glas goede wijn een vat azijn niet zou kunnen veranderen, zoo zouden twee uren godsdienstig onderwijs per week, geene krachtige overtuigingen en verhevene deugden kunnen inboezemen. Maar evenals een glas azijn voldoende is, om een vat goeden wijn te bederven, zoo kan een half uur slechte lezing of verleidend gesprek eene onschuldige ziel bederven, en ze voor altijd van den goeden weg afbrengen, üe jongeling moet een aanhoudend onderwijs hebben, waarover Gods wet werkelijk is uitgestort, en waarmede zich geen ander tegenstrijdig bestanddeel vermengt. Ook wilde Dom Bosco, dat men vastberaden alle aan geloof of zeden verderfelijke schrijvers van kant zette, of als zij gedeeltelijk wegens de volmaaktheid van vorm ingang vonden, dat zij ten minste nauwkeurig gezuiverd en voorzichtig door den leeraar verklaard werden. In deze orde van gedachten aarzelde hij niet tot de practijk der eerste christenen terug te komen, en zonder genade de heele godenleer te verwerpen.

„Helaas! riep hij eens uit, hoeveel jonge geesten, van welke men alles kon verwachten, zijn door de mythologie in het verderf gestort.quot; En, als hij eens tot zijne leeraars sprak, die rond hem vergaderd waren, voegde hij er bij; „Geen opstellen, geen vertalingen, geen voorbeelden uit de mythologie! Schande aan de mythologie! De natuur in hare maagdelijke schoonheid, het leven in zijne ware werkelijkheid, de geschiedenis in hare onsterfelijke bladzijden, bieden

ocr page 274

— 263 —

den leeraar een wijd onderwerp van beelden, van vergelijkingen, mits hij de alledaagsclie plaatsen verlate, en zich een weinig aan persoonlijken arbeid overgeve.quot; Vooral prees hij dezen persoonlijken arbeid aan: „Welke zou de waarde van ons christianismus zijn, indien wij bijvoorbeeld, bij het uitleggen van Horatius, den afgod der humanisten, ons tevreden stelden met bij dien schrijver, de sierlijkheid van taal en zelfs eenige goede leerspreuken of grondstellingen te doen uitkomen, en hem niet veroordeelden, zooals hij het verdient, als hij zijne zangen met vuiligheden vervult, en zich zoodanig verlaagt, dat hij er fier op is, een blinkend vet varken van de kudde van Epicurus te zijn. Horatius kan aan de arme jeugd een onherstelbaar kwaad veroorzaken, indien hij niet goed of slechts met weinig voorzorgen, wordt uitgelegd.quot;

Wat de christelijke classieken betreft, verre van hen op den achtergrond te schuiven, gaf hij hun de eereplaats.

„Ik wil wel, zeide hij, dat men het Dc Officiis van Cicero uitlegge, zooveel men verlangt, maar ik vorder, dat men ook het Dc Officiis van den H. Am-brosius uitlegge; zoo zal de christelijke zedeleer van den eenen de heidensche zedeleer van den anderen verbeteren of aanvullen. De werken van Cicero zijn niet te verachten, en de H. Carolus Boromeüs zelf stelt aan de jonge seminaristen de redevoeringen Pro Arc J da en Pro Marccllo voor; maar hij wil, dat men tegelijkertijd de Rhetorica van den H. Cypria-nus leze en verklare, opdat de jongeling niet alleenlijk

ocr page 275

— 204 —

de bekoorlijkheden van den stijl, het geschitter der beelden en de welluidendheid der klanken verwerve, maar ook op zijne hoede zij tegen de kunst van bedriegen, tegen de vleierij en de leugen, waar de redenaar van het heidensche Rome een te zeer beruchte meester in is: bedriegen is aan niemand toegelaten, zelfs nog niet aan de advocaten.quot; (i)

Een ander maal, den 15 April 1885, riep hij uit, toen hij over die katholieken sprak, welke dit maar bij name en heden zoo talrijk zijn: „Neen, mijn vriend, neen nooit zal eene drie kwart heidensche opvoeding ons ware en oprechte christenen kunnen schenken. Ik heb gestreden (en dit zeide hij op eenen toon van diepe droefheid) ik heb heel mijn leven geworsteld tegen die dwaling, welke bestaat in het opvoeden van jonge christenen als heidenen. Tot dit doel heb ik eene dubbele uitgave ondernomen, die der ongewijde classieken; herzien en verbeterd, welke het meest gebruikt worden voor de klassen, en ook die der christelijke classieken; onder deze laatsten heb ik bij voorkeur hen gekozen, wier stijl beknopt en sierlijk is, en wier heiligheid en zuiverheid van leer het naturalismus, dat bij de eersten over boord stroomt, kunnen verbeteren en verminderen. Aan de christelijke schrijvers de hun toebehoorende plaats teruggeven, de heidensche zoo min mogelijk beleedigend maken, ziedaar hetgeen ik gedurig beoogd heb in de werken, die ik ondernomen heb, in alle vermaningen en raadgevin-

^1) Cerutti, les Idees de Dom Bosco sur l'enseignement hl. 9, (De gedachten van Dom Bosco over het onderwijs.j

ocr page 276

gen, die ik met luider stemme of schriftelijk aan de bestierders, leeraars en bewakers van het godvruchtig gezelschap der Salesiörs, gegeven heb. En nu, uitgeput van vermoeidheid en ouderdom, verscheid ik gelaten van deze wereld, doch wel bedroefd, van eene hervorming niet begrepen en bewerkstelligd te hebben gezien, waaraan ik mijne beste krachten had toegewijd, en zonder welke wij nooit, ik herhaal het, eene wel gevormde, oprechte en geheel katholieke jeugd zullen bezitten.quot; (i)

Deze klacht van eenen heilige, die tegelijk een geletterde was, treft ons hevig. Zonder het berucht geschil, waaraan Pius IX door zijne encycliek Inter niultiplices van den 2isten Maart 1853, op gebiedende wijze een einde stelde, te willen doen herleven, kan men zich niet onthouden te erkennen, dat weinig in deze orde van gedachten gedaan is, en dat men in dit weinige zelfs niet volhard heeft.

Het is waar, dat de hervorming even moeielijk als wenschelijk was. De vrijheid van onderwijs, in onze eeuw van zoogezegde vrijheid, bestaat slechts voor de Engelschen en Belgen; overal elders waakt de Staat, als een jaloersche draak, aan de deuren van alle loopbanen, waar de studiën aan uitkomen. In Frankrijk zijn de katholieken nog al gemakkelijk en toegevend; zij stellen zich tevreden, met de vrijheid van het personeel, terwijl zij vergeten, dat deze slechts eene valstrik is, zonder de vrijheid van leerwijze en van programma. Zij hebben het recht

(l) Cerutti, les Idéés de Dom Bosco sur l'enseignement hl. 9. (De gedachten van Dom Bosco over het onderwijs.)

ocr page 277

— 260 —

onder de strenge bewaking van den Staat, om de gedachten van den Staat, hetScepticismus van den Staat te onderwijzen, en zij meenen vrij te zijn!

Hoe het ook zij, de zelfs beperkte proefneming, op het aandringen van Dom Bosco gedaan, en de gelukkige uitslagen der Salesiaansche Colleges, bewijzen , dat zijne leerwijze de goede is. Het is niet zonder reden, dat Leo XIH, in zijn encycliek Im-mortale Dei, de geloovigen aanzet van op hunne hoede te zijn tegen het naturalismus en rationalis-mus, die hij tegenstrijdig verklaart aan de zuiverheid van het geloof.

Dat de ongewijde classieken, in hetgeen zij wezenlijk goed hebben, tot inleiding dienen voor de christelijke classieken; dat het natuurlijk schoone van gene zijne volmaking vinde in het natuurlijk schoone van deze; dat de buitengewone kundigheden der eene zich voegen bij de schitterende uit-boezemingen der andere; zoo zal men in die jonge zielen de eenheid, en in de kunsten en letteren dien innigen samenhang brengen tusschen de natuurlijke en bovennatuurlijke orde, welke toch geheel één zijn in hare verscheidenheid. Op deze eenheid rust niet alleen de opvoeding maar ook het geheele christelijke gebouw.

Hier zouden wij de wijsgeerige en godgeleerde studiën moeten onderzoeken, maar een uittreksel van het algemeen reglement zal ons over dit punt beter inlichten dan alle verklaringen :

§ XII. Over de Studiën. 1° De priesters en alle leden van het gezelschap, die zich in de kerkelijke

ocr page 278

— '267 —

geestelijkheid willen inlijven, zullen zich gedurende twee jaren op de studie der wijsbegeerte, en gedurende vier achtereenvolgende op die der geestelijke wetenschappen toeleggen.

2° Vooral zullen zij uit al de krachten van hun verstand bestudeeren de H. Schriftuur, de Kerkelijke Geschiedenis, de uitlegging over geloofspunten en zedenleer, de bespiegelende Godgeleerdheid, evenals ook de boeken en verhandelingen, die gemaakt zijn, om de jeugd in die verhevene stoffen onderricht te geven.

3° Onze eerste meester zal de H. Thomas zijn en daarna de meest beroemde schrijvers, die den catechismus of de katholieke leering hebben uitgelegd ......

Indien men nu den boom naar zijne vruchten wil oordeelen, zoo ducht de leerwijze der Salesiërs de vergelijking met geene andere, zelfs niet ten opzichte der louter menschelijke uitslagen. Het is eene wondere zaak, doch alleenlijk voor oppervlakkige geesten, dat de poging om burgers voor den hemel te vormen nog het beste middel is, om er voor de aarde te vormen.

Het getal uitstekende mannen, uit de school van Dom Bosco, is reeds aanzienlijk, ofschoon het meeste deel zijner kinderen slechts beginnelingen zijn in het leven. Dat der doctors, die hij met goed gevolg aan de verscheidene Italiaansche hoogescholen heeft aangeboden, is niet te tellen. Dom Rua, Dom Le-moynne. Dom Cerauti, Dom Durando, Mgr. Cag-liero, hebben als schrijvers of toonzetters, post gevat

ocr page 279

- 268 —

onder het getal der gevierden van hun land. Vele anderen zijn of zullen de eer der bisschoppelijke waardigheid in de twee werelden zijn.

Doch niet alleen in de letteren en de priesterschap heeft de groote opvoeder der landloopers schitterende leerlingen hoog verheven; hij bezit er aan de balie, in den handel, in de landbouwkunde, in alle loopbanen.

Eens ging hij, van zijnen geheimschrijver vergezeld, te Rome den Corso over, toen hij door eenen kolonel in uniform werd aangesproken, die hem vroeg, of hij Dom Bosco niet was.

„Waartoe die vraag? antwoordde deze.

Ik vraag u, of gij Dom Bosco zijt.

— Nog zou ik moeten weten........

— Kortom, Eerwaarde Heer, zijt gij Dom Bosco, ja of neen? o

— Welnu ja, ik ben degene, welken gij genoemd hebt.quot;

Dom Bosco had redenen, om niet geheel gerust te zijn over de oorzaken van zulke uitvorsching, die daarbij op barsche wijze 'gedaan werd. Maar nauwelijks had hij zijnen naam bekend of de kolonel wierp zich midden op de straat, aan zijne voeten neder, nam zijne handen vast en omhelsde ze.

„Kolonel, sta op, wat doet gij?

— O! mijn Vader, goede Vader, herkent gij dan uw kind niet meer, dien kleinen wees, eenen zoodanigen, welken gij bij den dood zijner ouders hebt aangenomen? Wat zou hij zonder u geworden zijn? Ik meende, dat ik u herkende, maar ik was er niet zeker van.......

ocr page 280

— 209 —

— Zoo, dat is goed, jongen, zei Dom Bosco al glimlachende en gaf hem een klap. Gij zijt verbazend veranderd sedert onze eerste ontmoeting.

— Ik heb trachten eer te doen aa« mijn aangenomen vader. Toen ik u verliet, heb ik dienst genomen ; gij hadt mij laten leeren, gij hadt mij voor

de regeltucht en den arbeid gevormd, en.......

nu ben ik kolonel.quot;

De kolonel wilde Dom Bosco niet verlaten, zonder de belofte van hem ontvangen te hebben, dat hij 's anderendaags bij hem zou komen middagmalen. Dan stelde hij hem zijne vrouw en drie schoone kinderen voor , en allen te zamen zeiden zij dank aan Onze - Lieve - Vrouw van Bijstand, die het werk van den Valdocco gezegend heeft.

Maar de schoonste loftuiting over de opvoeding van Dom Bosco, de schoonste bekrachtiging van de uitmuntendheid zijner leerwijze, is in het volgende feit gelegen:

Bij den dood van den heiligen stichter, was nog geen zijner leerlingen, voor misdaden of overtredingen van het algemcene recht, door de rechtbanken veroordeeld.

Dit feit heeft misschien op het oogenblik, dat wij schrijven, opgehouden waar te zijn ; in alle geval zou het niet lang kunnen blijven bestaan; de zuiverste bronnen vatten modder, door zich van haren oorsprong te verw ijderen, door zich te verbreeden en stroomen te worden. De familie der Salesiërs heeft opgehouden eene beperkte en uitgekozene familie te zijn: elk jaar doet zij het ontzaglijk getal

ocr page 281

— '270 —

van tusschen de twintig' en dertig duizend kinderen,

wier vorming voleindigd is, in de maatschappij binnenstroomen , zonder de verscheidene honderden te tellen, die slechts de eerste beginselen dier vorming konden ontvangen.

Het weergaloos voorrecht zal dus ophouden, als het reeds niet opgehouden heeft.

Maar is het niet wondert)aar, dat die menigte menschen, welke in het algemeen door hunne geboorte voor de gevangenis en den schandpaal waren voorbestemd, gedurende veertig jaren vlekkeloos, gebleven zijn voor het gerecht van hun land?

■

i

A

ocr page 282

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

DOM BOSCO EN DE GRAAF VAN CAVOUK. HET WERK DER SALESIËRS VERSPREIDT ZICH BUITEN TURIJN.

Ra 3« ndien de oorlog van 1848 en de haat der Waadlanders Dom Bosco zwarigheden op den hals hadden gehaald, berokkenden de oorlog van 1859 en de Piemonteesche staatkunde, die men wilde verbloemen door ze iulijvingsstaatkunde te noemen, er hem niet minder. Eerst waren ze met zoete vergoedingen gemengd: het Bedehuis van den H. Fran-ciscus van Sales ontving verscheidene kinderen van arme huisgezinnen, wier hoofden onder de wapenen geroepen werden; het werd ook eene vereenigings-plaats voor de Fransche soldaten, die te Turijn verbleven. Daar Dom Bosco degenen, die hem bezochten, allervriendelijkst onthaalde, en hij eene zaal met boeken , pennen, inkt en zelfs leeraars van Italiaansch en rekenkunde te hunner beschikking stelde, zag men na eenige dagen tijd, als een ommegang van roode broeken naar den Valdocco afdalen, zoodra de vrije tijd gekomen was. Verscheidene honderden;

ocr page 283

— 272 —

dezer dapperen naderden tot de H. Sacramenten; de Paters hielden er dikwijls van aan hunne tafel terug, zoodat op. het einde het getal dergenen, die Dom Bosco en Dom Rua persoonlijk kenden, zoo aanzienlijk werd, dat deze laatste niet meer in de straten konden verschijnen, zonder door de Fransche soldaten aangesproken te worden.

De veldslagen van Magenta en Solferino hadden vele weezen gemaakt. Het Bedehuis was het laatste niet, om dit op een gevoelige wijze gewaar te worden; iederen avond schoof men de bedden der kinderen een weinig nader bij , om voor de nieuw aangekomenen plaats te maken. Koning Victor Emmanuel zond twee lichte ondersteuningen, eerst 250 frank, daarna 200 frank. Maar toen men vernam, dat Dom Bosco aan Pius IX geschreven had, om hem te midden der bitterheden, waarmede men hem drenkte, te troosten, veranderden eensklaps de gezindheden.

Dom Bosco hield deze briefwisseling in het geheel niet geheim; in de Katholieke Lezingen der maand April i860, gaf hij zelf het pauselijk antwoord uit, dat op deze wijze eindigde:

----- Ga voort, welbeminde zoon, met de werken, die gij tot glorie van God en tot nut der H. Kerk ondernomen hebt. Verdraag de wederwaardigheden, als God er u zendt, welke hunne zwaarwichtigheid ook zij, en verduur grootmoedig de beproevingen der tijden, welke wij beleven.

„Onze hoop berust in God, die ons door de bescherming van de Koningin des hemels en de

ocr page 284

— 273 —

Oppervorstin der aarde, de allerheiligste Moeder Gods en Onbevlekte Maagd Maria, uit deze uiterste kwalen zal verlossen en zijne zoo diep bedroefde Kerk zal troosten, door haar de overwinning over hare vijanden te schenken. Wij twijfelen niet, of gij, zeer geliefde zoon, en uwe kinderen, zult altijd voortgaan met hiervoor en tevens, om eene werkzame hulp voor onze zwakheid te verkrijgen , dienzelfden God met eene altijd aangroeiende vurigheid te bidden en te smeeken.quot;

Dadelijk ging het Bedehuis voor den zetel van den tegenstand door, en zijn bestierder voor eenen te duchten samenzweerder. Ue meest beuzelachtige onderzoeken werden in het huis gedaan, en de lis-tigste toezichten in de klassen, om een voorwendsel te vinden tot sluiting van het gesticht. Dom Bosco onthaalde de verscheidene onderzoekers met zijne lieftalligheid, maar tevens met zijne gewone standvastigheid, en weigerde hun iets te laten zien, indien zij hem geene in orde zijnde machtigingen vertoonden; hij wilde zelfs hunne schriftelijke verslagen niet teekenen, indien ze niet in tegenspraak met hem waren opgesteld; maar in tusschentijd, toonde hij zulke inschikkelijke en schrandere menschlievend-heid, dat hij er verscheidene overhaalde, om terug te komen biechten.

Toen men van hem eischte, dat hij de eenige, ge-slotene lade zou opendoen, vroeg hij daarvan ontslagen te worden, daar het den goecten naam en de achting van het huis gold, zeide hij. Deze aarzeling deed natuurlijk hunne nieuwsgierigheid stijgen. De

ocr page 285

— 274 —

polietiemannen, vijf in getal, maakten zich gereed om het meubelstuk te verbrijzelen. Dom Bosco opende; allen verdrongen elkander angstig rond de kostbare lade, want zij verwachtten ziek eindelijk asm datgene te zien verschijnen, wat zij het hoofdbewijs der misdaad noemden; reeds staken zij de handen vooruit, om het niet te laten ontsnappen. Hun overste, de advocaat Tua, grijpt een pak papier; zijn aangezicht blinkt; hij schijnt te zeggen: „Wij houden het vast, ziedaar, !quot; hij begint met luider stem te lezen, om door iedereen verstaan te ■worden: „Brood verschaft aan Dom Bosco door den bakker Magra, verschuldigd; 7,800 frank.

„O! dit is niet belangrijk voor den Staat, merkt hij op, terwijl hij het blad op zijde legt, en er een ander uittrekt: „Leder, verschaft voor het schoen-werkhuis van Dom Bosco, verschuldigd: 2,150 fr. daarna een ander: „Olie verschaft aan Dom Bosco: 1,500. fr.quot;

Hij wilde ophouden; doch Dom Bosco verzocht hem om verder te gaan, opdat hij zou kunnen zien, dat, al gaf hij uit, dit niet was om buskruid en kogels te koopen: „Gij moet begrijpen, voegde hij er bij, dat ik mij niet haastte, om u mijne schulden te •openbaren; nu gij ze kent, verzoek ik u ze op uw verslag aan te teekenen; misschien zal dit aan het Staatsbestuur of aan eenige goede ziel de gedachte ingeven, van mij ééne dezer rekeningen te betalen.quot;

Men doorsnuffelde alles van in de kelder tot op den zolder; men kon slechts het oorspronkelijke der bulle van Pius IX vatten, maar men liet ze

ocr page 286

— '275 —

liggen, want zij was zonder waarde, daar de vertaling reeds van het volk gekend was.

De vijanden der Salesiërs waren niet gelukkiger met de kinderen, in hunne veelvoudige ondervragingen, waaraan geene school of werkplaats ontsnapte. Aan eenen leerling der vierde vroeg de ridder Gatti, of hij Victor Emmanuel kende. De leerling antwoordde, dat hij hem nooit gezien had, maar wel wist, dat zoodanig de naam was van den opperheerscher. Dan riep de opziener uit met eene uiterlijk geveinsde, diepe verachting: „Ken bedorven souverein, die de Kerk vervolgt, de kloosterlingen verjaagt en de verbonden, die hij gesloten heeft, niet nakomt; is dit niet waar, jongeling?

— Mijnheer, antwoordde deze laatste, ik kan u niet antwoorden, dit behoort niet tot de geschiedenis, die wij bestudeeren.

— Indien gij het niet in de geschiedenis geleerd hebt, hebt gij het ten minste hooren zeggen.

— Mijnheer, onze leermeesters hebben ons nooit over den koning gesproken tenzij eens, toen hij ziek was; Dom Bosco zeide ons dan, van voor hem te bidden, en ik heb het uit geheel mijn hart gedaan.

— Maar kortom, mijn jonge vriend, zij, die den godsdienst vervolgen, zijn schurken; welnu de koning vervolgt den godsdienst, bijgevolg is hij een schurk.

— Ik weet niet, Mijnheer, of gij, die geleerder zijt dan ik, in staat zoudt zijn, om die redeneering te bewijzen: wat mij betreft, ik heb, bijvoorbeeld, hier nooit door iemand hooren zeggen, dat de ko-

ocr page 287

— 27Ü —

ning een schurk is; Dom Bosco spreekt niet dan met eerbied in zijne Geschiedenis van Italic, over den koning en zijne voorouders.quot;

M. Ratazzi, die wist, waaraan zich te houden, was toen eenvoudig afgevaardigde en kon noch wilde iets doen, om het Staatsbestuur in te lichten. De Minister van Binnenlandsche zaken was M. Farini, en d» Voorzitter van den Raad en Minister van Buitenlandsche Zaken, de graaf Camillus van Cavour. Dom Bosco kende ze beiden; het was. echter niet zonder moeite, dat hij bij hem geraakte. De ridder Spaventa, algemeen geheimschrijver voor de Binnenlandsche zaken, liet hem gansche halvedagen in de voorkamer zitten, zonder hem te willen hooren. Dom Bosco hield aan, en eindigde met den kwaden wil te vermoeien.

Farini onthaalde hem vooreerst op de gedienstigste wijze; hij drukte hem de hand, herinnerde hem, dat hij hem te Stresa bij den Zeer Eerwaarden Rosmini gezien had, en wenschte hem, in den naam van het Staatsbestuur, geluk over al het goed, dat hij aan de arme jeugd deed.

„Ik kom juist die jeugd aan uwe zorgen toevertrouwen, Heer Minister, zeide Dom Bosco; uwe zaakgelastigden maken het mij onmogelijk, om voort te gaan, met haar te voeden en op te leiden; ik kom mij van dezen last in uwe armen ontdoen.''

Farini zocht hem dadelijk gerust te stellen: „Zoo-lang gij u slechts met arme kinderen hebt beziggehouden , zijt gij, Zeer Eerwaarde , de gunsteling van het Staatsbestuur geweest; maar van den dag

ocr page 288

— '277 —

af, dat gij het terrein der menschlievendheid voor dat der staatkunde hebt verlaten, hebben wij ons op onze hoede tegen u gesteld en uwe handelwijzen moeten bewaken.

— Hoe, riep Dom Bosco uit, ik, die mij zoo zorcrvuldie onthoud van de staatkunde! Ik ben uiterst

o o

nieuwsgierig om te weten, welke feiten u deden ge-looven ......

-— Zeer Eerwaarde, ik ga mij met dezelfde openhartigheid verklaren, welke ik wensch, dat gij op uwe beurt met mij gebruiket. De artikels, die gij in het dagblad 1'Armonia schrijft , de tegenwerkende vereenigingen, die men bij u houdt, uwe briefwisselingen met Mgr. Franzoni, met den kardinaal Antonelli, met alle vijanden van den Staat, ziedaar de feiten, die onze aandacht ten uwen opzichte hebben opgewekt.quot;

Dom Bosco bepleitte deze verwijten één voor één. Na als burger zijn recht, om in de dagbladen te schrijven, bevestigd te hebben , bevestigde hij tevens, dat hij in geen, tenzij in het zijne schreef, in de Katholieke Lezingen.

— Gij kunt ontkennen, zooveel als gij wilt, wedervoer de Minister, maar het is bewezen, dat een goed deel van de artikels der Armonia uit de pen van Dom Bosco komen.

— Ik wacht met vertrouwen op de bewijzen, waarover gij spreekt. Heer Minister.

—• Zoudt gij willen zeggen, dat zij niet bestaan, en dat ik een leugenaar en lasteraar ben?quot;

De woordenwisseling nam op deze wijze van den

DOM BOSCO 'S

ocr page 289

— 278 —

kant van den Minister eene zeer bittere wending. Hij werd driftig, bedreigde zijnen tegenspreker met de gevangenis, en heette hem zinneloos, zeer verre van te denken , dat hij zelf, drie jaren later, in een zinneloozengesticht opgesloten, moest sterven. De kalmte en de aanvalligheid der antwoorden van Dom Bosco brachten hem eindelijk heel buiten zich zeiven. Hij stond op en begon met gejaagdheid rond de kamer te wandelen, zonder hem nog het woord toe te sturen. Eensklaps gaat eene deur open, en men zag den eersten Minister, den graaf van Cavour, met lachend gelaat en zich de handen wrijvend, binnenkomen.

„Wat is er, vroeg hij, alsof hij van niets wist. O! Het Is Dom Bosco , die lieve Dom Bosco, die geëerde Dom Bosco! Laat ons achting voor hem hebben, en alles met hem in der minne regelen. Wat mij betreft, ik heb Dom Bosco altijd bemind.quot;

Terwijl hij zoo sprak, nam hij Dom Bosco bij de hand en deed hem neerzitten. Aan het inkomen van Cavour en aan zijne toegenegene woorden, zag de priester, dat zijne zaak gelukkig zou afloopen; niet omdat Cavour meer dan Farini in de staatkunde thuis wasj deze twee uitgeleerde samenzweerders stonden op gelijken voet; maar Cavour was onvergelijkelijk beter ingelicht, over hetgeen het Bedehuis betrof. Dom Bosco hernam dan weer gerustgesteld :

„Heer Graaf, het huis van den Valdocco, dat Uwe Excellentie zoo dikwijls bezocht heeft, en zoo dikwijls door zijne loftuitingen en zijne weldaden heeft

ocr page 290

— 279 —

aangemoedigd, wil men vernietigen. Ik zal gedwongen zijn, om die arme kinderen terug te werpen in de straten, waaruit ik ze heb opgeraapt. Men heeft mij overste van oproermakers geheeten, men heeft mij aan huiszoekingen en aan zwarigheden onderworpen, men heeft mij in het openbaar onteerd, tot groot nadeel van mijn Instituut, dat de christelijke naastenliefde tot hiertoe om reden van zijnen goeden naam heeft onderhouden. Daar is meer: de zedenleer, de godsdienst, de H. Sacramenten zijn door de zaakgelastigden van het Staatsbestuur in het belachelijke getrokken, in tegenwoordigheid van kinderen, aan wie daardoor ergernis gegeven is. Dit alles, dunkt mij , kan slechts met de toestemming van Uwe Excellentie bevolen zijn. In alle geval, dergelijke feiten kunnen niet lang aan het volk onbekend blijven, en God zal er vroeg of laat weten wraak over te nemen.

— Een weinig kalmte, hernam Cavour, een weinig kalmte, lieve Dom Bosco, wees overtuigd, dat geen onzer u kwaad zoekt te doen. Gij en ik, wij zijn altijd twee vrienden geweest, en ik wil, dat wij het blijven. Ten andere, gij zijt bedrogen geworden, lieve Dom Bosco, en zekere personen hebben misbruik van uw goed hart gemaakt, om u eene politiek te doen voeren, die tot treurige gevolgen leidt.

— Welke politiek en welke gevolgen? De katholieke priester heeft geene andere politiek, dan die van het Evangelie, en hij vreest geene gevolgen, van welke soort ook. De Ministers echter houden mij voor schuldig, en zij roepen mij als zoodanig op de

ocr page 291

— 280 —

vier hoeken der wereld uit, zonder een enkel bewijs voor den dag te brengen.

— Daar gij mij wilt verplichten te spreken, hernam Cavour, zal ik spreken. Ik zeg u dus onbewimpeld, dat de geest, die gedurende eenigen tijd in u en uwe instelling heerscht, tegenstrijdig is met de politiek van het Staatsbestuur. Ziehier mijne redeneering: Gij zijt met den Paus, het Staatsbcstuur is tegen den Paus; dus gij zijt tegen het Staatsbestuur. Er is geen middel, om aan deze gevolgtrekking te ontsnappen.

■— En toch. Heer Graaf, zal ik aan uw syllo-gismus ontsnappen. Vooreerst zou ik kunnen zeggen, dat, als ik met den Paus ben en het Staatsbestuur zich tegen den Paus gezet heeft, hieruit niet volgt, dat ik mij tegen het Staatsbestuur gezet heb, maar veel eerder, dat het Staatsbestuur zich tegen mij gezet heeft; maar laten wij die spitsvondigheden achterwege. Ziehier, wat ik wil antwoorden: inzake van godsdienst, ben ik met den Paus en als goede katholiek, wil ik met den Paus tot den dood blijven, doch dit belet mij geenszins, goede burger te zijn, omdat ik mij op geene wijze met de staatkunde inlaat, en niets tegen het Staatsbestuur doe. Twintig jaren ben ik hier te Turijn geweest; ik heb geschreven, ik heb gesproken, ik heb gehandeld onder de •oogen van het publiek; ik daag, hetzelfde wien uit, mij éénen regel, één woord, ééne daad aan te halen , die mij den blaam der staatkundige overheden zou kunnen op den hals halen. Als het anders is, dat men dan bewijzen bijbrenge, en als ik schuldig

ocr page 292

— 281 —

ben, dat men mij straffe, ik stem er in toe. Maalais ik onschuldig ben, dat men mij clan in vrede aan mijn werk late arbeiden.

-— Gij hebt goed zeggen, Eerwaarde Heer, zeide Farini, maar gij zult mij nooit wijsmaken, dat gij onze gedachten, de gedachten van het Staatsbestuur deelt.

— Hoe zoo! Heer Minister, zou men in eenen tijd van zoo groote vrijheid van gevoelens, aan eenen burger onaangenaamheden willen veroorzaken, omdat hij, in het verborgenste van zijn geweten, denkt, wat hij goedvindt? Zou men de dwingelandij zoo ver willen drijven, dat men zelfs gedachten wil opleggen? Kan een mensch niet in zijn binnenste denken, dat iemand slecht handelt, en toch er niets van laten uitschijnen, hetzij, omdat hem dat niet aangaat, hetzij, omdat alle tegenstand van zijnen kant nutteloos, misschien zelfs gevaarlijk zou zijn? Welnu, welke ook mijne bijzondere meening zij over het gedrag van het Staatsbestuur, voor zekere zaken van thans, ik herhaal het, noch buiten noch binnen mijn verblijf, heb ik ooit iets gezegd of gedaan van dien aard, dat er de minste reden in bestond, om mij als eenen vijand des vaderlands te behandelen. De overheden kunnen niets meer vorderen. En toch, doe ik nog meer. Excellentie, daar ik in mijn huis honderden arme en verlatene kinderen opneem. Zoo werk ik rechtstreeks met u mede, om het getal der ijverige, onderwezene en eerlijke burgers te vermeerderen , door dat der landloopers en lediggangers te verminderen. Ziedaar, welke mijne politiek is, en ik ken geene andere.quot;

ocr page 293

— 282 —

De twee Ministers konden zich niet onthouden van Dom Bosco's antwoord zeer goed te vinden, en des te beter, daar het door de feiten bevestigd was. Doch Cavour, die zich op zijnen godsdienst en de kennis van het Evangelie beroemde, stelde, als goede drogredenaar, die hij was, deze andere sluitrede aan Dom Bosco voor.

„Laat zien. Dom Bosco, zonder eenigen twijfel gelooft gij aan het Evangelie, welnu het Evangelie zegt dat hij, die met Jezus-Christus is, niet met de wereld kan zijn. Indien gij dus met den Paus en bijgevolg met Jezus-Christus zijt, kunt gij niet met het staatsbestuur zijn. Sit scrmo v es ter: est, est; non non. Laten wij openhartig zijn: of met God of met den duivel.

— Volgens deze redeneering, Heer Graaf, antwoordde Dom Bosco, schijnt gij te willen doen gelooven, dat het Staatsbestuur niet alleen tegen den Paus, maar ook tegen het Evangelie en tegen Jezus-Christus zeiven is. Wat mij betreft, ik heb moeite mij te overtuigen, dat de graaf van Cavour en de commandeur Farini tot zulk eene buitensporige goddeloosheid gekomen zijn, dat zij aan dien godsdienst verzaakt hebben, waarin zij geboren en opgevoed zijn, en jegens welken zij zich in hunne woorden zoowel als in hunne geschriften, dikwijls vol eerbied en bewondering getoond hebben. Maar, wat er ook van zij, het Evangelie zelf, dat uwe Excellentie zooeven aanhaalde, antwoordt juist aan de moeielijkheid; Geeft aan den keizer, wat aan den keizer, en aan God, wat aan God toebehoort. De on-

ocr page 294

— 28:j —

derdaan van eenen Staat, welke deze ook zij, kan dus goedf katholiek zijn, vereenigd blijven met Jezus-Christus, de gevoelens van den Paus deelen, goed doen aan zijne gelijken; en terzelfder tijd, met den keizer zijn, dat wil zeggen, de wetten van het Staatsbestuur opvolgen, behalve in het geval, dat men daden van hem zou vorderen, tegenstrijdig aan de wet van God.

— Doch zou de Evangelische leerspreuk: est, est; non non, eenen katholiek niet verplichten van openhartig te verklaren, onder welk vaandel hij wil plaats nemen, vóór Jezus-Christus of tegen hem ?

— Als priester, ben ik in staat de spreuk van het Evangelie, die gij mij aanhaalt, aan uwe Excellentie uit te leggen. Deze woorden hebben niets met de staatkunde uit te staan: zij beteekenen, dat, al is het geoorloofd een eed te doen tot plechtige bevestiging der waarheid, men er slechts dan gebruik moet van maken, als de noodzakelijkheid het ver-eischt. Zij beteekenen, dat voor een man van eer, het eenvoudig bevestigen of ontkennen eener zaak, voldoende is, zonder dat er een eed moet gedaan worden.

— Goed, ik begrijp u, besloot M. van Cavour, en ik wil, dat van nu af alles gedaan zij, en men u in vrede late. Doch voorzichtig, beminde Heer, voorzichtig, want wij leven in moeielijke tijden, en ik raad u aan, van u voor zekere vrienden te wachten, die u heimelijk verraden.quot;

De twee Ministers stonden toen op en drukten beiden de hand aan Dom Bosco, die bedaard henenging.

ocr page 295

— 284 —

De Staatkunde der regeering werd evenwel niet gewijzigd, en nooit vond hij de toegenegenheid dei-oude dagen terug. Zaer dikwijls nog kwamen de afgezanten van het ministerie van Openbaar Onderwijs de klassen van den Valdocco door hunne nazoekingen storen. Doch men had er de behoedzaamheid gehad , zich aan alle bijzondere examens te onderwerpen, welke de jaloersche bewaking van den Staat sedert eenigen tijd vereischte. Dom Bosco was de eerste, om onder dit opzicht een voorbeeld te geven, dat weldra gevolgd werd door de bisschoppen, die zich niet, bij gebrek aan diploma's, van het recht om te onderwijzen, uitgesloten wilden zien.

Toen in het begin van het schooljaar 1860-61, aan Mgt;,r Franzoni, bericht werd, dat het klein seminarie van Giaveno, bijna geene leerlingen meer had, en dus op het punt was van gesloten en door de schatkist ingeslokt te worden, smeekte hij Dom Bosco, van uit zijne verre ballingschap, te beproeven om het wederom te doen opkomen. Nauwelijks was men in het aartsbisdom van Turijn daarover ingelicht , of er ontstond een toevloed van vragen tot aanname. Van de eerste maanden af, was het gesticht gered, zoowel voor de goede houding als voor het getal der leerlingen, dat dadelijk over de twee honderd steeg. Doch voornamelijk, te beginnen met 1865, ging de uitbreiding van het Werk van Dom Bosco met reuzenschreden vooruit. In 1858 verbleef hij eenige dagen te Rome, om al zijne ontwerpen aan Paus Pius IX te onderwerpen en

ocr page 296

— 285 —

een beroemd huis , dat veel op de zijne geleek, het weldadigheidsgesticht of weeshuis Tata-Giovanni, waarin Pius IX gedurende vier jaar aalmoezenier gt; geweest was, te bestudeeren. In 1863 opende hij-

een werkelijk college te Mirabel, in Montferrat; een tweede te Lanzo in 1864, en de volgende jaren meerdere volkomene Bedehuizen op verscheidene punten van Italië, te Alassio, Magliano, Randozzo en Sicilië, te Varese, Val-Salice aan de poorten van Turijn, en te Trente in Tyrol. Thans bezat hij ge-noeg gevormde onderhoorigen, die eene vroegtijdige ondervinding aan de drieschte stoutheid van hunnen leeftijd paarden, om bijna alle vragen in te willigen, die tot hem gericht werden.

o

1

(

ocr page 297

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

HEÏ WERKHUIS DER SALESIKRS.

ij hebben de school der Salesiërs beschreven; iom nu een volledig denkbeeld te geven van het Werk, dat zich allengskens tot aan de overzijde der zeeën gaat uitstrekken, blijft ons het werkhuis der Salesiërs ter beschrijving over. De tijdorde zou misschien vorderen, dat wij de groote stichtingen afwachtten van Marseille, Rijssel, Parijs, Barcelona, Montevideo en Buenos-Ayres, die slechts later plaats hadden; wijl echter die van Turijn, het zinnebeeld der andere, reeds in volle kracht is, kunnen wij hieruit afleiden, wat het geheel zijn zal.

Kloosterlingen, die in den handenarbeid onderwijs geven en het werk leeren heiligen, is geene nieuwigheid in de Kerk. Dom Bosco en zijne zonen zetten slechts de groote overlevering der Benedik-tijnen en der monniken van alle eeuwen voort; maaide onze had meer dan ééne harer voorgangsters noodig, dat zij tot haar .voordeel hervat werd, ter genezing van eene harer grootste gebreken, de ont-christelijking der arbeidende klassen.

ocr page 298

— 287 —

Geen schouwspel is bewonderenswaardiger, dan dat der werkplaatsen van kunsten en ambachten in de huizen der Salesiërs, en die aanhoudende arbeid der uitgestrekte werkstad, waar men slechts het ge-druisch der werktuigen verneemt, te midden van een vrijwillig, doch stipt stilzwijgen. Ziehier een uittreksel der reglementen, welke haar Dom Bosco gaf:

„Het uur van opstaan is half vijf in den zomer, vijf ure in den winter; het bewakingspersoneel is altijd een half uur vroeger te been. De dag begint met het gemeenschappelijk gebed en de mis. Juist om zeven ure, ontvangen de leerjongens in stilte hun ontbijt, en begeven zich onmiddelijk zonder gerucht, elk naar zijne bijzondere werkplaats.

Daar moeten zij puntelijk gehoorzamen aan den bewaker en den meestergast. Ieder moet in zijne werkplaats blijven, en niemand kan zonder oorlof in die van iemand anders gaan. De bewaker en meestergast zijn bijna altijd kloosterlingen.

Het stilzwijgen is verplichtend, tenzij in uitersten nood. Iedereen moet zich herinneren, dat de mensch voor den arbeid geboren is.

Niemand mag de werkplaats verlaten, zonder zijne gereedschappen in orde gezet te hebben.quot;

Doch de volgende beschrijving, door eenen ooggetuige gemaakt, zal nog beter uitleggen, wat de werkplaats der Salesiërs is. liet is een brief, weinigen tijd vóór den dood van Dom Bosco geschreven, die het werk in al zijne gekregen uitbreidingen afschildert; men zal ons de langheid der aanhaling ter oorzake van hare belangrijkheid vergeven.

ocr page 299

— 288 —

„Ik beken, mijn lieve vriend, dat ik niet zonder zekere vooroordeelen was, toen ik den drempel overschreed van het voornaamste gesticht der Sale-siërs te Turijn. Daar ik dikwijls had hooren herhalen , dat Dom Eosco een zeer heilige man was, had ik mij ingebeeld een zeer godvruchtig en zeer kalm klooster te gaan zien, eene soort van christelijke oase, waarvan de gelukkige bewoners, zorgvuldig voor de brandende winden van buiten behoed, slecht zouden voorbereid zijn voor de hevige worstelingen des levens.

„Als gids gaf men mij eenen jongen Franschen Pater, die mij het gesticht op even belangwekkende als vriendelijke wijze liet zien.

„Bij mijn eerste binnentreden in de werkplaatsen, moest ik bekennen, dat ik mij heel en al bedrogen had. Ik bevond mij inderdaad, in eene nijverheidsschool op buitengewoon practische en verstandige wijze ingericht. Niets riep er ongetwijfeld onze modelontginningen in het geheugen, die dikwijls ino-,dellen zijn van de ontginning der publieke penningen. De onontbeerlijke grootsche voorgevel was er in het geheel niet. Geene uniformen, geene knoopen, geene met boordsel omzoomde petten, geen de minste herinnering aan de kazerne. Als men nader toezag, waren zekere broeken, meen ik, zelfs een weinig te breed, en andere ietwat te kort, om als het eigendom van hen, die ze droegen, te kunnen aanzien worden.

„Doch de algemeene houding was volkomen welvoegelij k.

ocr page 300

— 289 —

Voor wat de werkzalen betreft, had men zonder twijfel het geld der schatplichtigen of der actiehouders niet met volle handen geschept, om het onder de baksteenen en den kalk te begraven en iets groots voort te brengen, maar het geheel had hetpractisch kenmerk dier wel bestuurde werkhuizen, welke zich trapsgewijze hebben uitgebreid, en waarin men goede zaken gemaakt heeft.

Er waren werkplaatsen van schoenmakers, kleermakers, schrijnwerkers, smeden, bakkers en eindelijk van boekdrukkers geheel voltallig, met inbegrip van het gieten der drukletters, het inbinden enz. Het Instituut bezit zelfs te Mathi eene groote papierfabriek, om zijn papierverbruik te kunnen onderhouden. Drie groote machinen van elk tien paardenkracht verschaffen de beweegkracht aan de drukkerijen en ontelbare werkmachinen. Dit alles is volkomen in orde. Zoo zijn er overal, waar men vuur noodig heeft gaskomforen bereid, de bakkerij heeft eene werktuiglijke moelie, en de onmetelijke bakoven dient te gelijkertijd als wannteleider, daar de hitte, welke hij verliest, de kerk warm houdt. Ik heb er grootelijks spijt over, dat de weinige tijd, waarover ik kon beschikken, mij niet toeliet, al deze instel-( lingen in hare bijzonderheden te onderzoeken.

„Bij het doorloopen dier ruime en talrijke werkplaatsen, kon ik niet nalaten mijne verrassing aan mijnen dienstvaardigen geleider te betoonen, daar ik mij in een echt werkhuis bevond, en niet alleenlijk in een godvruchtig toevluchtsoord. Hij begon har-» telijk te lachen en antwoordde: „De roemzucht van

ocr page 301

290 _

ons Instituut ligt in het geheel niet in het vormen van godvrüchtigen, maar eenvoudig van goede, stevige christenen en werklieden, die bekwaam zijn en tevreden met hun lot. Zeker zoeken wij vóór alles het heil van de ziel dier jongelingen, maar terzelfder tijd beoogen wij een maatschappelijk doel.

„Ik verzocht hem, en ook een zijner landgenoo-ten, die zich bij ons gevoegd had, om mij eenige bijzonderheden te geven over de aangewende middelen, tot het verkrijgen dier wonderbare uitslagen, waarvan ik getuige was. Ik vernam van deze hee-ren, dat het grondbeginsel van het werk van Dom Bosco de afwezigheid van allen dwang was.

Ofschoon het reglement, bij voorbeeld, aanraadt alle maanden tot de H. Sacramenten te naderen, blijven de leerlingen toch vrij deze aanbeveling niet of wel na te komen. Zij kunnen het Instituut verlaten , indien zij er zich niet gewennen, doch weg-loopen gebeurt zeer zelden.

„De regeltucht, die mij zoo moeielijk scheen te doen naleven in een midden, waarin er overvloed bestaat van weerspannige bestanddeelen, wordt er bewonderenswaardig gehandhaafd zonder eenig dwangmiddel , alleenlijk door godsdienstigen invloed en zedelijk gezag.

„De leerjongens zijn ongeveer drie honderd vijftig in getal. Men neemt ze van den ouderdom van elf of twaalf jaar aan, en gewoonlijk hebben zij hunne leerjaren op zeventienjarigen leeftijd voltooid. Dan verlaten zij het huis, om zich als werklieden te verpanden, en leven in het algemeen in de beste ver-

ocr page 302

— 291 —

standhouding met hunne oude meesters. Een zeker getal blijven, totdat zij loten of huwen. Anderen nog willen niet meer weggaan, en vormen eene soort van derden regel.

„Het kostgeld is hoogstens vijftien frank per maand, maar het vermindert, naarmate het verschafte werk winstgevender is.

Overigens betaalt een vierde deel der leergasten deze geringe vergoeding; de andere zijn weezen, door hunne ouders achtergelaten of op hunne aanvraag aangenomen. Op mijne vraag, of de jongelingen, die veroordeeld werden, om in een verbeteringshuis opgenomen te worden, hier ook aangenomen worden, werd mij ontkennend geantwoord, omdat dit tegenstrijdig is aan het beginsel van vrijheid, dat in deze instelling heerscht.

„De jongelingen ontvangen vier stuiver voor hunnen Zondag, maar bij hun vertrek stelt men hun het derde deel van hun loon als spaargeld ter hand, hetgeen gemiddeld honderd vijftig frank per jaar beloopt. Ziedaar dien droom van de deelhebbing des werkmans aan de winsten, dien droom, door onze hedendaagsche Staathuishoudkundigen zoo geliefkoosd, onder zijnen meest practischen vorm bewerkstelligd.

/„De duur van den arbeid is hoogstens, negen i uren per dag. Naast het onderricht over het ambacht, ontvangen de jongelingen alle dagen lessen van geloofsleer, van teekenen, van handel, van Fransch en daarbij een degelijk Italiaansch lager onderwijs. De kunstleer wordt er in het algemeen gegeven door

ocr page 303

— 292 —

oudleerlingen Capi cfartc genoemd. De Paters, van wie ieder het toezicht over eene werkplaats heeft, hoeven zich in niets met dit onderwijs in te laten.

„Ik had bijna vergeten te zeggen, dat er naast de nijverheidsschool, eene kostschool bestaat, die ongeveer 400 leerlingen telt, welke eenen volledi-gen leergang van classieke studiën volgen. Dit is eene soort van klein seminarie, daar ongeveer een vierde deel dier jongelieden in het Geestelijk Genootschap en in de H. Orden treden. Het kostgeld is slechts 20 frank per maand, maar het drie vierde deel betaalt niets. Alles bijeen bevat het huis ongeveer een duizendtal personen. Men begrijpt zonder moeite, aan welke lasten een zoo aanzienlijk-gesticht het hoofd moet bieden, en men vraagt zich af, hoe het zich kan staande houden. Zonder twijfel voorzien er de liefdegiften gedeeltelijk aan, doch de inrichting van dit werk is zoo verstandig, en het wordt met zooveel zorg bestuurd, dat het groo-tendeels van zijne eigene hulpmiddelen kan leven. De werkplaatsen zijn gewoonlijk goed van werk voorzien; de werkplaats voor de boekdrukkunst in het bijzonder met hare bijplaatsen, heeft gewoonlijk, zeide men mij, hare voortbrengsels voor vijftien maanden, van te voren verzekerd.

„Ik heb alle soorten van nijverheidsgestichten in zoowat alle landen bezocht, doch nooit, ik moet het bekennen, heb ik werklieden gezien, die eenen beteren indruk op mij maakten, dan die jongelingen.

„Zij arbeidden met al den ijver van hunnen leef-

ocr page 304

— 293 —

tijd en hunnen aard, en tevens met eene vroolijke bedaardheid en veel handigheid. Men zag, dat zij hart voor het werk hadden. In het werkhuis der smeden heb ik voornamelijk eenen jongeling opgemerkt, die zijnen hamer met zooveel geluk hanteerde, dat ik er groote spijt over had geen kunstenaar te zijn; ik zou geen beter model willen gehad hebben voor eenen Vulcano infante.

„Vooral heb ik mij in de werkplaats der boekdrukkunst opgehouden. God beware mij van twist te zoeken met de drukkers van sommige dagbladen, doch ik kan niet nalaten te denken, dat hunne jonge medebroeders van Turijn hun onder menig opzicht steekjes zouden kunnen zetten.

„En wat goede uitspanningen dat kleine arbeidersvolk'nam, als het werk gemoedelijk was voleindigd! Wat vroolijke kaatsbalpartijen, wat levendig geloop! De goede Paters stroopten hunne mouwen op en voegden er zich met vuur bij; men zou hen voor de oudere broeders van een huisgezin gehouden hebben. Dit alles gebeurde met volle vrijheid van wendingen en toch was het niet ongeregeld. Die kinderen des volks zouden in hetzelfde welk college niet misplaatst geweest zijn. Van tijd tot tijd onttrok zich de een of andere aan de luidruchtige spelen, om een kort gebed te gaan storten in de kerk, die aan de speelplaats uitkwam, en het was waarlijk hartroerend te zien, met welke vurigheid zij deze vrijwillige handeling van godsvrucht deden.

„Het is onmogelijk van niet getroffen te zijn door de goede houding, die de uitstekende Sale-

quot;Dom r.osco 19

ocr page 305

— 294 —

siaansche Paters, aan deze zoowat overal opgeraapte kinderen hebben weten te geven. Zij zijn er in gelukt, hun zelfs die aangeboren neiging der Italianen voor drinkgeld te ontnemen. Ziehier eene zeer karakterschetsende bijzonderheid: als ik eenige aan-koopen gedaan had in den boekwinkel, die met vermakelijken ernst en ijver door drie vijftienjarige jongelingen gehouden werd, had ik vele moeite gehad hun voor de zondagsbussen eenige stuivers te doen aannemen, welke zij mij volstrekt wilden doen terugnemen.

„Ik zou u niet kunnen zeggen, in hoeverre de betrekkingen tusschen jongelingen en meesters tevens eerbiedig en gemeend waren; het is waarlijk iets vaderlijks. Zij zijn overigens heel trotsch op hunne Paters. Toen ik aan den knaap, die mij binnenbracht, (want de deftige deurwaarder ontbreekt hier heel eh al) gevraagd had, of de overste ook Fransch sprak, antwoordde hij mij met eenen hoogmoedigen doch heel aardigen zet; Uat geloof ik: hij spreekt tutte le linguc (alle talen.)

„Als ik die jongelingen zoo gelukkig en zoo wel bereid zag, om nuttige lidmaten van de groote menschenfamilie te worden, vroeg ik mij zeiven af hoevele hunner, zonder deze bewonderenswaardige instelling, niet de prooi der ondeugd en der misdaad zouden geworden zijn, en de rangen reeds niet zouden verbreed hebben van die heden zoo talrijke opstandelingen, welke vinden, dat hun deel slecht gemaakt is, en dat het moet hermaakt worden.

„De domme en ontzenuwde menigte heeft voor

ocr page 306

— 295 —

die nederige kloosterlingen, welke niet hart en ziel dat verheven hervormingswerk aankleven, slechts onverschilligheid, minachting en onrechtvaardigheid over, terwijl diezelfde menigte goud en toejuichingen biedt aan die letterkundigen, welke geest en hart bederven, als zij in het schuim des volks gaan wroeten, om er alle gemeenheden van in hunne vuile geschriften schaamteloos uit te stallen. Ik dacht dan op die monniken terug, welke, dertien eeuwen geleden, de menschheid redden op een tijdstip, dat alle spoor van beschaving door de bloedige golven der barbaarsche invallen scheen te zijn weggespoeld.

„De abdijen van Gallic en Germanië beschaafden onze vaderen door het gebed en den arbeid, evenals Dom Bosco dit doet voor die wilden onzer he-dendaagsche groote steden, wier bloeddorstige neigingen ons de Commune van Parijs heeft blootgelegd. Men mag zich gerust afvragen, of de ruwe kinderen des wouds halstarriger waren voor verzedelijkenden invloed, dan de straatloopers onzer hoofdsteden.

„ O ra ct lahorn, deze was overal en altijd de zinspreuk van hun christelijk geloof en hunne christelijke naastenliefde. Ja, de Kerk is eene moeder, doch eene altijd jonge, altijd vruchtbare moeder, vooral voor de onterfden der wereld.quot; (i)

Zij is het, die dan den jongen werkman leert, dat hij een mensch is en geen dier, dat hij recht heeft op het eeuwig erfdeel, hetwelk Jezus-Christus,

(i) Gazette de Liège, 5 Januari 1883,

ocr page 307

— 296 —

door zijn bloed voor hem gewonnen heeft, en bijgevolg ook op de achting der andere menschen zijne broeders of liever zijne gelijken, wat zeg ik, werkelijk zijne minderen in waarde, welke hun rijkdom ook zij, indien zij minder godvruchtig zijn dan hij. Het christelijke werkhuis zal de vorm zijn, waar werklieden uit zullen te voorschijn komen naar het zinnebeeld van Jezus, den Werkman, die, ofschoon Zoon van God en zelf God, zich toch leerling maakte en makker van eenen handwerksman, en in plaats van een deftig en onderscheiden bedrijf een ruw ambacht koos, dat de handen eeltig maakt.

Dom Bosco in zijne werkhuizen; M. Harmel in het zijne; graaf de Mun in de katholieke kringen; Mgr. Doutreloux in zijne congressen, en in het al-gemeene alle christenen, die zich met werkmanszaken bezighouden, zijn de eenige ernstige tegenstanders van het Socialismus; ook is het zoogenaamd christelijk Socialismus onverzoenbaar met het andere. Van den afloop des grooten veldslags, die tusschen hen geleverd wordt, hangt de toekomst af der he-dendaagsche maatschappij.

Indien de Kerk zegepraalt, zal er orde, vrede, broederlijkheid, zoowel als vrijheid en gelijkheid heerschen, in de mate, waarin die schitterende hersenschimmen in deze wereld te bewerkstelligen zijn: zoo arbeiden de engelen, de boden van God en onze bewaarders; zoo loopen zij rond met vroolijken spoed, zonder dat iets hunne beschermende tegenwoordigheid voor ons verraadt. Indien de overwinning aan het godloochenend Socialismus blijft, zal

ocr page 308

— 297 —

er nog moeten gearbeid worden, want men kan niet leven zonder voedsel en zonder kleederen; doch men zal arbeiden onder den geesel der noodzakelijkheid en knarsetandend, zooals men in de hel rondwoelt en helaas! ook in een groot deel der hedendaag-sche werkhuizen.

ocr page 309

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

DOOD VAN JOZEF BOSCO. VERSCHEIDENE PLEIZIER-REISJES NAAr DE BECCHl's.

ens kwam Jozef, de broeder van Dom Rosco, _| onvoorziens het Bedehuis in.

„Waarom dit onverwacht bezoek? vroeg Dom Bosco, terwijl hij hem zooals altijd met open armen te gemoet ging.

— Ik kom eene rekening te Turijn effenen, want ik weet niet, waarom ik zulk vurig verlangen in mij gevoel, om mijne tijdelijke zaken en mijn geweten in orde te stellen.quot;

Dom Bosco wilde hem eenige dagen bij zich houden ; doch hij hield er volsterkt aan, naar de Bec-chi's terug te keeren. Eenigen tijd daarna kwam hij alweer.

„Hoe, zijt gij dat! vroeg zijn broeder; is er dan iets nieuws te huis ?

— O! neen; ik ben gekomen, om u eenen raad te vragen. Ik ben in twijfel. Gij weet, dat ik borg gebleven ben voor iemand. Als ik leef, is het goed

ocr page 310

— 299 —

en zal ik betalen, ingeval die andere niet zou betalen; maar als ik sterf?

— Als gij sterft, is alles gedaan; dan betale de overblijvende, merkte Dom Bosco al glimlachende op.

— Maar ik zou geene schade willen doen aan den schuldeischer, die zich op mijn handteeken verlaten heeft, en anders niet zou geleend hebben.

— Wees gerust, als de ontleener zich op den vervaltijd niet kon afmaken, en gij niet daar waart om hem te vervangen, zal ik er zijn; in tijd van nood, stel ik mij verantwoordelijk.

— Dank u, dank u, zeide Jozef, nu ben ik tevreden.quot;

Nadat die waardige zoon van vrouw Margaretha deze voldoening aan zijn kiesch geweten gegeven had, kwam hij in volle gezondheid naar huis terug, en stelde zijne zaken in orde, alsof hem zijn aanstaande dood veropenbaard was.

Hij werd werkelijk onverwachts door eene kwaal aangegrepen, die hem in weinige uren tot het uiterste bracht. Dom Bosco snelde naar de Becchi's en verstrekte zijnen broeder de teederste zorgen. Alles was nutteloos. In de maand Januari 1863 ging Jozef Bosco in heiligen vrede uit de armen van zijnen welbeminden broeder in die van God over.

Na deze laatste wreede scheiding hield Johannes echter niet op, de Becchi's te blijven bezoeken. Zijne neven waren er nog. Hij regelde het met hen, om zoo dikwijls hij het goedvond, met zooveel kinderen hij meebrengen wilde, naar de Becchi's te komen, en elk jaar kwam hij te Cha-

ocr page 311

— 300 —

teauneuf d' Asti met een talrijk en luidruchtig gezelschap, het feest van den H. Rozenkrans vieren.

Hij vond vrouw Margaretha met haren korf aan den arm, niet meer zooals eertijds aan zijne zijde op den weg, hij hoorde haar niet meer met zich redekavelen over het geluk van God te beminnen of over de middelen om dien vroolijken troep te herbergen; hij zag haar niet meer, zoodra men den met muren omlijsten weg voorbij was en het eenzame pad bereikt had, het rozenhoedje uithalen en met luider stemme den rozenkrans beginnen, waarop allen gezamenlijk antwoordden.

Doch hij verlustigde zich haar in zijn geheugen terug te zien, en voorbij te gaan, waar zij voorbijgegaan was, nog meer bezorgd om de sporen van hare deugden, dan die harer voetstappen na te volgen in die nederige woning, waar zij hem die opvoeding des harten verstrekt had, welke hij thans aan anderen poogde mede te deelen.

Hij hield gewoonlijk halfweg te Chieri bij zijne vrienden halt, hetzij bij ridder Marcus Gonella, hetzij bij kanunnik Calosso, hetzij bij advocaat Gallimberti, wier gastvrije huizen altijd met genoegen geopend werden voor de leerlingen van het Bedehuis, ofschoon zij om hunnen vreeselijken eetlust befaamd waren.

Dikwijls maakte Dom Bosco van de gelegenheid gebruik om een zijner kinderen, dat hij verlangde te doen spreken, al voortstappende ter zijde te nemen. Het is op dezen weg, dat hij het hart van den jongen Michaël Magon door en door leerde kennen; hij zegt in de levensbeschrijving, waarover wij reeds spraken;

ocr page 312

— 301 —

„De deugd, die ik bij dit kouten in hem ontdekte, ging mijne verwachting te boven. Hij drukte mij liefderijk de hand, en terwijl hij mij met oogen vol tranen aanzag, zeide hij: „Ik weet niet, hoe u mijne erkentelijkheid betoonen, voor de groote liefde, waarmede gij mij bij u opgenomen hebt. . .

De regen verraste ons onderwee; wij kwamen doornat te Chieri aan; doch de uitstekende ridder Marcus Gonella nam ons op met zijne gewone goedheid, en gaf ons alles, wat hij bezat in kleederen en mondbehoeften ; hij gedroeg zich als groot heer; wat ons betreft, wij beantwoordden ook, evenals gewoonlijk, aan de ruimte zijner edelmoedigheid, door die van onzen eetlust.quot;

De nederige kamer, waarin Johannes Bosco geboren was, en zijne eerste levensjaren verliepen, was, verre van schooner te worden, in eenen volkomen staat van verval gebleven. Zij diende, misschien dient zij nog heden, om er de ploeggereedschappen en werktuigen in te plaatsen.

De bezoekers vernachtten in het huis van Jozef, dat schuins daar tegenover lag. Daar kroop men zoo min slechts mogelijk bijeen. Maar de familie had eene minder armzalige plaats voor den Goeden God bezorgd: men had inderdaad eene kleine kapel opgericht onder den naam van den Rozenkrans. Dom Bosco preekte er zelf eene novene aan eenige jonge uitverkorenen, maar slechts gedurende de jaren, dat hij genoeg vrijen tijd had, om negen dagen op den buiten te gaan doorbrengen.

Hooren wij de indrukken der leerlingen na die

ocr page 313

— 302 —

van den meester; wij hebben er eenen weerklank van gevonden in een verhaal, dat in het Bullctijn der Salcsicrs ingelascht werd;

„De vacantie-uitstap naar de Becchi's, de novene van den H. Rozenkrans, welke groote vreugde voor hart en geest!

„Dom Kosco duchtte het gaan zoo min, als toen hij eenvoudig student te Chieri en te Turijn was. Er kon geene spraak zijn, dit begrijpt men, van iedereen in den omnibus zijnen intrek te doen nemen. Wij gingen dus te voet met den goeden Vader aan het hoofd, zonder ons om hem en zijne vermoeidheid te bekreunen. Men ging door ,Chieri, Riva en Buttigliera d'Asti: ziedaar onze spoorweg-lijn van toen.

„Men vertrok om half negen of negen ure van Turijn. Bijna altijd hield men stil, om het middagmaal te nemen te Chieri, waar talrijke vrienden van Dom Bosco zich verheugden de gastvrijheid aan deze kleine karavaan te schenken. Wij herinneren ons, dat eenige boezemvrienden, die den dag en het uur van onze aankomst kenden, ons te gemoet kwamen.

„Om er slechts eenen aan te halen onder hen, die wij uit dankbaarheid niet uit het oog verliezen, zullen wij kanunnik Calosso noemen.

^ „Deze eerbiedwaardige geestelijke heeft altijd de grootste genegenheid voor Dom Bosco gehad: hij beminde hem teeder, want de uitstekende hoedanigheden van dat kind, zijn geestelijken zoon gedurende zijne collegejaren te Chieri, hadden hem hevig getroffen.

ocr page 314

— 303 —

„Hoe gelukkig waren zij, die in de eerste rangen geplaatst, Dom Bosco vergezelden! Zeker, dat geluk, door iedereen nochtans begeerd, verwekte geene lage jaloerschheid, waarvan wij Goddank slechts den naam kenden; alleen zouden wij onze plaats in den bevoorrechten stoet gewenscht hebben, zonder dat de anderen hunne plaats verloren.

„De tocht was werkelijk lang, als men het goed nagaat, doch dit was een onzer geringste bekommernissen: wij hadden immers in ons midden iemand, die hem kon verkorten. Dom Bosco was toen bezig met zijne Geschiedenis van Italië te schrijven. Ons onderwijzen en daarbij ons belang inboezemen, was voor hem slechts een spel; gij moest eens zien, welke aantrekkelijkheid de verhalen van alle slag, die ophalingen van het verleden, en die aangrijpende dadelijkheden der hedendaagsche gebeurtenissen, onder zijn woord aannamen.

„Later was de Kerkelijke Geschiedenis zijn geliefkoosd onderwerp. Dikwijls sprak hij met ons in Pie-monteesch dialckt, en zijne schilderingen van de wederwaardigheden dér Kerk stelden de schatten eener wonderbare geleerdheid in het licht.

„Het verhaal der feiten, de opmerkingen, welke zij hem ingaven, en boven alles, die beminnelijke ongedwongenheid, welke zijne minste woorden opsierde, alles drukte zich zonder moeite in onze ziel, en die lieve herinneringen hebben wij nog onuitroeibaar en diep in onze harten gegrift.

„Gedurende dien tijd stapte men voort, zonder aan de langheid van den weg te denken: iedereen

ocr page 315

— 304 —

vergat zijne vermoeidheid. Men bemerkte niets, tenzij het verrukkende onderhoud van onzen Vader en leidsman.

„Ook de oude pastoor van Chateauneuf d'Asti, die Dom Bosco had zien opwassen, snelde toe den dag van het feest van den Rozenkrans; hij kwam naar de Becchi's met een groot getal zijner parochianen, hij zong de mis, nam het bescheiden middagmaal van Dom Bosco aan, en eischte dan, dat de Vader met zijn gezin hem 's anderendaags voltallig een bezoek ging brengen. Om aan zulk een vriendelijk gebod gehoor te geven, begon men zich rond negen ure in bew eging te stellen.

„Men had reeds gewetensvol ontbeten, doch het

njf lt;-' f •

scheelde weinig, of men herbegon, donder zich veel te laten smeeken. Mijnheer Pastoor had zich verontschuldigd van ons slechts een weinig polenta te kunnen aanbieden. Voor ons was het eene vreugde, een feest, een gejubel, dat onze herinneringen en onze droomen vervulde gedurende twaalf vreeselijk lange maanden, dat verzeker ik u.

„O! polenta! Hoe doet gij ons nog watertanden na zooveel jaren !.....

„Doch waar eenen ketel vinden, waar eenen oven, waar vooral armen krachtig genoeg, om dien ver-schrikkelijken hoop meel passend te behandelen, en hem op het gewenschte punt te brengen?

„Want, weet goed, dat wij met meer dan honderd man waren. En geen nuttelooze monden: ieder telde wel voor drie.

„Terwijl de vlammen dwarrelend langs den eer-

ocr page 316

— 305 —

biedwaardigea ketel liepen en het water deden koken, zaten wij, de uitgenoodigden, op goed geluk af, hier en daar op de binnenplaats het verlangde uur af te wachten.

„Om geenen tijd te verliezen, deelden de eenen de borden, de anderen de vorken en glazen rond, nog anderen namen eenen voorsmaak van het feestmaal, door den lekkeren geur der spijzen in te ademen, wier koking de heele binnenplaats deed ruiken. Het was een schilderachtig heen-en weergaan, bevallig om te zien.

„De ernstigsten en de grootsten hadden verhevener bezigheden. Mijnheer Pastoor hield veel van kerkzang; wij hadden er een bewijs van in de schoone kerkmuziek, door hem opgericht.

„Onze eerste Bisschop-Missionnaris Mgr. Cagliero begon zijne kunstloopbaan onder den Zeer Eerwaarden Cinzano.

„Als wij dan aankwamen, moesten wij muziek maken , en goede, gewijde, classieke muziek. Doch men eindigde altijd met het lied, zoo geliefd aan het Piemonteesche volk; Groet aan dc Polenta. Daarna begaf zich iedereen naar zijnen post, om de gelukzalige portie van den leekebroeder te ontvangen.

„In eenen kring geplaatst, en op eenen zelf ge-maakten stoel gezeten, — op hoopen steenen, of langs den muur geplaatste balken deden wij het feestmaal eer aan.

„Welke stilte, welke ingetogenheid, zou ik haast zeggen, bij dit heimelijk gesprek met de polenta! Kr was bijna stof genoeg, om er gesticht door te worden......

ocr page 317

— 300 —

„Na de vaderlandsche, door overlevering voortgeplante en eenigermate door het gebruik gewettigde spijze, na de grootste tegenhoudingsschotel, die er bestond, diende men behalve versch brood eene spijslijst, waarvan de beschrijving hier volgt: kaas, koud gezoden rundvleesch, eieren en honig. En al deze goede zaken verdwenen als door tooverij.

„Als wij neergezeten waren, nam Dom Bosco met de oudsten van zijn talrijk aangenomen gezin, aan de tafel plaats van Mijnheer Pastoor, welke dien dag, om zijnen gastheer te eeren, alle priesters dei-naburige parochiën op het middagmaal verzocht had.

„In een zeer verspreid werkje, dat door het volk werd onthaald, zooals al hetgeen, wat van Dom Bosco kwam, vindt men een gedeelte van onzen uitstap verhaald.

„Wij willen spreken over de levensbeschrijving van den jongen Michael Magon......

„Het verblijf aan de Becchi's was niet verloren voor de godsvrucht en de stichting, verre van daar. 's Avonds op een uur, dat de bezigheden niemand meer op het veld terughielden, kwam deze goede bevolking heel talrijk naar ons toe. De kleine kapel kon nooit alle geloovigen bevatten; het grootste gedeelte stond buiten in volmaakte ingetogenheid.

„Na het bidden van den rozenkrans, het zingen der litanieën en de zegening met het Allerheiligste, begaf zich iedereen op een nog zeer betamelijk uur naar huis,

„Dom Bosco verlangde inderdaad, en heeft nooit

ocr page 318

— 307 —

opgehouden aan te bevelen, dat niemand zich te beklagen had over den langen duur der plechtigheden. Deze novene en dit feest brachten er velen toe te communiceeren, hetgeen zij met Paschen verzuimd hadden, en werden het uitgangspunt van een vast besloten christelijk leven.

„Voor den inderhaast gevormden herder was dit zonder twijfel zware arbeid : maar ook welke schoone oogst van zielen, en wat werden die vermoeienissen ^ goed betaald! Niets ontbrak er, zelfs niet de dankbaarheid dier goede landlieden.

„Door den dag was het studie: men studeerde Latijn, Italiaansch en zelfs Fransch. De leeraar, dit spreekt van zelf, was altijd Dom Bosco, ten minste in de eerste tijden; en wij kunnen verzekeren, dat wij tevreden of liever verrukt over hem waren.

„Om te onderwijzen, had hij eene manier voor zich alleen, met vernuftige kunstgrepen, die in de weerspannigste hoofden de moeielijkste regels letterlijk graveerden. Heel weinig oplettendheid was voldoende, om met een wonderbaar gemak, in dat ongelukkig Latijn, den zin te vatten, welken onze persoonlijke pogingen nog duisterder schenen te maken.

„Onze meester betuigde eene werkelijke hulde aan den H. Hieronymus. Voor hem, kon die schrijver op gelijke lijn met Cicero geplaatst worden, zooals hij gaarne herhaalde. De eenige bladzijden, die wij uit zijne Uitgekozene Brieven vertaalden, schenen ons inderdaad bewonderenswaardig. Nog langen tyd daarna, als de plichten van onzen staat ons al de

1

ocr page 319

— 308 —

wereldsche classieken onder de oogen brachten, deed eene aanlokkelijke herinnering, waarin ons hart in groote mate deelde, de noodzakelijkheid in ons ontstaan , om dit zoo schoon, zoo machtig en zoo afgewerkt Latijn te herlezen, wiens zoetluidendheden den Christen Cicero veropanbaren.

„Somtijds doen wij ook uittochten naar de om-liggende dorpen, naar Capriglio, bijvoorbeeld, naar Mondonio of Tassei ano; doch men kwam denzelfden dag naar de Becchi's terug.

De eigenlijke wandelingen, die wij met den luisterrijken titel van uitstapjes versierden, hadden slechts plaats na het feest van den H. Rozenkrans.

„Op den vooravond der plechtigheid, kwamen de muzikanten en koraalzangers van Turijn met de studenten en leergasten, alles bijeen honderd en dikwijls honderd vijftig vrienden, ons afhalen;

„Men zette zich te zamen op weg: doch daar iedereen denzelfden ouderdom noch dezelfde beenen had, kwam deze vroeger, die later aan, en was het middelste gedeelte altijd het kleinste, zoodat men op het einde van den dag nog hier en daar op den weg de luidruchtige karavaan gewaar werd, welke door haar gezang en haar vroolijk trompetgeschal , dat van vallei tot vallei weergalmde, de blijdschap onderhield en de hcrzameling blies.

„Doch deze roep werd niet door allen gehoord, en meer dan eens was het nacht, voordat de achterblijvers aankwamen. Verscheidencn zelfs, vooral in het begin, die met een leven in aanraking gebracht waren, waarin het onvoorziene eene zoo groote

ocr page 320

— 309 —

plaats bekleedde, landden juist 's anderendaags 's morgens aan.

„Wat schaterlach onthaalde dan die ridders van den blooten hemel! Welke vroolijkheid verschafte ons hun diep ongelukkig uiterlijk! Met welk een arglistig medelijden drukte men op het treurig-kod-dige hunner lotgevallen! Wij moeten hier oprecht bekennen, dat wij in de eerste tijden, menig maal aan verscheidene personen werkelijke verrassingen hebben bezorgd. Wij meenden ten stelligste, dat iedereen Dom Bosco moest kennen en bijgevolg ook zijne zonen, omdat wij zeiven hem kenden. Indien het dus gebeurde, dat wij op eenige pachthoeve binnentraden, om den weg te vragen, zeide men ons: Waar gaat gij, lieve kinderen? En wij, over zulke vraag heel verwonderd: Maar wij gaan naar Dom Bosco! Wij komen van het Bedehuis van Tjirijn, en wij gaan hem voor het feest van den H. Rozenkrans vinden! Beminnelijke leeftijd! Wat waren wij eenvoudig en openhartig! Wij konden niet begrijpen, dat de naam van Dom Bosco niet tot onze tegensprekers gekomen was, en wij stonden verslagen, als men er bijvoegde, dat die naam geen bekend, nabij of afgelegen land beteekende. Wij hebben echter altijd en bij allen een uitmuntend onthaal en eene waarlijk aartsvaderlijke welwillendheid aangetroffen.

„Wij kunnen niet zonder ontroering aan de heel bijzondere zorgen denken, die wij somtijds in de nederigste woningen ontvingen. De moeders, die het geheim dier kiesche oplettendheden ontvingen, zullen ons zonder moeite begrijpen. Zoo moest men

DOM LOSCO. 20

ocr page 321

— 310 —

zich een weinig ophouden, ten minste zoolang, dat men een oogenblik uitrustte, en eene met hartelijke edelmoedigheid aangebodene versterking nam, alvorens zich wederom op reis te begeven.

„En dan kwam men ons den weg wijzen, als wij hem toevallig verloren hadden; men bood zich zelfs aan, om ons te vergezellen, om ons het tijd-vei lies te besparen, en ons de dikwijls vervelende en altijd vermoeiende omwegen te doen vermijden.

„Men wachtte, totdat de heele bende bijeen was, om Dom Bosco te gaan groeten. Met welk geluk herzagen hem de nieuw aangekomenen, te midden der vóór hen aangekomene vrienden! Iedereen was er op uit, om de voorvallen dier aardige onderneming te vertellen. En hij, levend voorbeeld der naastenliefde, luisterde naar al dit kleine volk, dat te gelijk sprak, en duldde al glimlachende deze bovenmatige kwellingen. Men deed een klein avondmaal brengen; men had het overigens noodig evenals rust, en daarna.....het stroo op, het stroo op!

„Om niets te vergeten, moet ik zeggen, dat ver-scheidenen reeds aan tafel een slaapje aantrokken. Het geduld van Dom Bosco was grenzeloos, en hij trok er alle voordeel uit. Een lieve kleine, die, zonder twijfel betrouwde op het wel bekende Italiaansche spreekwoord, geen dtuang aan tafel of in het bed, en de gewoonte had, zelfs in zijnen slaap, schoppen te geven, deelde er zekeren avond eenige nog al harde uit aan den goeden Pater. Daar deze handelwijze ons wat te zeer gemeenzaam scheen, wilden wij den onvrij willigen aanvaller wekken; maar Dom

ocr page 322

— 311 —

Bosco gaf bevel hem te laten begaan, terwijl hij herhaalde, dat: „Hij die slaapt, niet zondigt.quot;

„Een woord nog over het middel, om dat wispelturig en door den slaap benauwd volk te herbergen. Ik heb vroeger gezegd, dat Dom Bosco een arm huisje had, dat geenen anderen naam verdiende en nog niet verdient.

Kwalijkgezinde mannen verzinden sedert dien tijd louter laster en andere, misschien nog slechtere, vertelden dit verder.

„Dom Bosco zou voor zich zeiven en voor zijnen broeder, dien kostbaren medehelper, welke te vroeg aan aller genegenheid ontrukt werd, zou, zeg ik, een heerlijk huis, een waarlijk kasteel, dat niet slecht op een vorstelijk paleis geleek, gebouwd hebben.

„Dat men het toch eens voor altijd wete: Dom Bosco, die kerken tot in Patagonië heeft doen oprichten, verlangde zeker zijn arm geboortegehucht met eene kleine kapel te begiftigen, en er eenen priester metterwoon te vestigen, doch de vrees, om aan de oogen van het minder goedgunstig publiek, door te gaan, als deelde hij weldaden zonder mate aan zijne familie uit, heeft hem altijd teruggehouden.

„Bijgevolg zijn de zaken niet meer gevorderd, dan over vijf en dertig jaren en misschien nog .... Doch wie weet de toekomst.

„Hoe het ook zij, ingekaakt als een tonnetje ansjovissen,' waren wij juist niet heel en al op ons gemak: maar men was er goed, en niemand dacht er aan, iets beters te droomen. Toen de goede Jozef

ocr page 323

— 312 —

Bosco nog leefde, was hij het, die de stroobusselen uitspreidde over den vloer der bovenste verdieping, eenen zolder, die slaapzaal werd. Als de avond dan aangekomen was, ontving ieder een laken, dat goed rook naar de wasch, en dan, van onze toezieners vergezeld, kropen wij naar de aangeduide plaats. De andere kamers des huizes ontvingen ook talrijke gasten, en weldra hadden wij een bed gevonden, wel misschien niet te mollig, nog minder van veeren, doch in alle geval, uitmuntend, en waarmede wij genoeg hadden, dat verzeker ik u.

„Wij woonden waarlijk zeer zonderlinge zaken bij. Zulkeen, bijvoorbeeld, die des avonds zich op den hooizolder te slapen had gelegd, ontwaakte heel eenvoudig in den stal. De persoon, over wien wij spreken, die gewoon was zich gedurende den slaap heen en weer te wentelen, en dezen keer geene soort van boord aan zijn bed vond, draaide en draaide nog eens, totdat hij, aan het valluik gekomen, waardoor men het hooi afwerpt, pardaf! naar beneden tuimelde.

„Gij gaat denken, dat hij zich zeer gedaan heeft, niet waar-, dat zijn buurman, door de kreten van den armen gewonde gewekt, te zijner hulpe snelt? In het geheel niet. De kleine nachtreiziger, onder-gekomen houdt natuurlijk stil — hurkt zoo goed mogelijk op zijn nieuw bed neer, en gaat voort met gemoedelijk te slapen. Men raadt zijne verrassing 's morgens bij zijn ontwaken. Zich 's avonds op het hooi te ruste leggen, en zich 's morgens op stroo uitgestrekt vinden tusschen andere makkers, wat raadsel is dat

ocr page 324

— nia -

dan toch? Degene, die onzen woelzieken sukkelaar bijna op zijnen rug had gekregen, gaf dan de verlangde uitlegging. Een andere dier nachtwandelaars verstoutte zich, om tot tusschen de pooten der koeien te gaan rollen: deze verschrikt deden luchtsprongen, die even vermakelijk als gevaarlijk waren voor al dit kleine volk. Doch die zaken waren zeldzaam; na het avondgebed, heerschte er gewoonlijk, op tijd van een oogenblik, eene diepe stilte, en vond men 's morgens iedereen op zijnen post.

„Van tijd tot tijd evenwel, sprak een kind te midden zijner ingeslapene makkers geknield, nog een woordje tot God, en al degenen, welke in den loop van den nacht eene minuut wakker werden, vergaten nooit deze stichtende oefening. Welken grooten en krachtigen geest des gebeds had men toen!

„Was de morgen van het feest aangebroken, dan had elkeen zijne taak: de kerk, de muziek en het tooneel hielden iedereen bezig. Want wij hadden een tooneel, om die goede menschen, aan wie de steedsche vermakelijkheden bijna onbekend waren, een weinig op te vroolijken. Vooreerst ontving men de heilige Communie en nog wel iedereen; alle bijzonderheden van het feest, binnen en buiten, rustten op Dom Bosco. Vóór de kapel zette men het orkest. In den beginne brachten wij een klein hartnoninm van Turijn mede, dat weldra door de instrumentale muziek vervangen werd.

„Men aanhoorde ons met genoegen; eenigen drukten zelfs hunne verwondering uit. Zichtbaar

ocr page 325

— 314 —

was in alle geval het verrukt uitzicht dier brave lieden, welke geduld genoeg hadden, om tot een nog al ver gevorderd uur van den nacht op den kleinen heuvel door te brengen. De geloovigen van Chateauneuf d'Asti, parochie van Dom Bosco, waar hij het H. Doopsel ontving, maakten het grootste gedeelte uit dier menigte, ondanks de drie of vier mijlen, die de Becchi's van Chateauneuf verwijderen. En dan kwam de sluiting: het oplaten van luchtbollen, het werpen van vuurpijlen en kunstraderen, vormden op dit uur en oord een betoove-rend schouwspel, tot daartoe in die streken onbekend.

„De bewoners der omliggende heuvelen genoten als in eene halfronde zaal, den liefelijken aanblik van ons feest; vreugdevuren, hier en daar op de hoogten aangestoken, en kreten, die de wind ons overbracht, bewezen het zeer goed.

„O! heerlijke avondstonden, gij behoeft eene andere pen om u te beschrijven! Doch ik daag de meest bedrevene uit, zelfs maar half te zeggen, hoe vol geestdrift en vroolijkheid ons hart was.quot; (i)

Dom Bosco maakte ook van de vacantie gebruik, om zijn land te doen kennen, en, waarom het er niet bijvoegen, om het te doen beminnen.

De liefde tot het vaderland is een natuurlijk gevoelen, dat niets onwettelijks in zich bevat. Hij deed dan uitstapjes met zijne leerlingen naar de naburige dorpen, en overal, waar men eene kerk, een dorp

(l) Bulletijn der Salesiërs, Mei, Juli en Augustus 1887.

ocr page 326

— 315 —

of ook een gezichtspunt tegenkwam, liet hij hun dit zien, en gaf hun over ieder onderwerp de belangwekkendste bijzonderheden.

........Zoo waren wij in den Vcszolano, waar

onze beminnelijke en geachte geleider ons op het gras rondom zich deed neerzitten, en ons eene plaatselijke legende over Karei den Groote verhaalde......

en te Albugnano.... Doch zeg, waar zou wel Al-hugnano liggen?

„Indien gij de oogen werpt op eene gewone kaart van Italië, zijt gij zeker, dat gij het er niet op zult vinden; en toch, dit is bijna eene onrechtvaardigheid , ten opzichte van dezen liefelijken hoek gronds.

„Zijne ligging kan niet aangenamer zijn: een door de zon beschenen heuvel, een weinig ten Noorden van Chateauneuf d' Asti, die het hoofd moet opheffen, om zijnen hoog geplaatsten buurman te groeten.

„In die tijden waren de wegen nog hobbelig, en 's winters moest er de beklimming nog al moeie-lijk van zijn. Op dit oogenblik hebben bruggen en dammen de hellingen van Albugnano in orde gesteld; en al is het niet in het bereik van iedereen , om zich het genoegen van het prachtig algezicht, dat men op den top geniet, te verschaffen, toch is die onderneming een kinderspel geworden.

„In dien tijd had het dorp zijne wallen en zijne burcht, welke de mannen van Asti sloopten, na er den markies van Montferrat uit verdreven te hebben.

„Al voortgaande, hoorde de zwerm leerlingen

ocr page 327

middag luiden: dadelijk was iedereen op de knieën, om het Angchis te bidden.

„Die zaak scheen ons heel eenvoudig; daar kon geene spraak zijn van menschelijk opzicht; en de nog al warme streelingen eener schoone herfstzon scheelden ons heel weinig. Deze godvruchtige daad, in volle veld verricht door een groot getal kinderen, die te midden hunner uitspanningen verrast werden, trok niettemin de aandacht der landbouwers, die vóór de deur hunner hoeven staande, of in de Wijngaarden verspreid, ons met een zichtbare verwondering aanschouwden.

„Op het aanhouden van Dom Bosco, vergezelde ons de Pastoor op de hoogvlakte, vanwaar men de blikken over een groot gedeelte van Piëmont kon laten weiden; van dezen sterretoren is het, dat de uitmuntende priester den rampspoedigen veldslag van Nov arc in 1849 had bijgewoond: hij kon bijna de kanonschoten tellen. Kenige jongelingen der parochie bevonden zich tusschen de strijders: allen zijn zonder slag of stoot naar het dorp teruggekeerd, doch welke angst voor de moeders, terwijl het kanon in de verte bulderde! Kik schot scheen haar in het hart te treffen; zij meenden op het slagveld te zijn, en hare kinderen zien te vallen en te sneuvelen....... Om aan deze uitgekreten menigte eeni-

gen vrede te verschaffen, wekte de waardige Pastoor haar op tot vertrouwen op God en de H. Maagd, door den rozenkrans te doen bidden; en als dan de smart dier arme vrouwen meer en meer hartverscheurend werd, vereenigde hij ze in de kerk, waar

ocr page 328

- 317 —

hij den zegen gaf met het Allerheiligste. Het geween en gesnik hield niet op, maar een weinig gelatenheid en hoop drong de harten binnen.

„Dit verhaal bracht ons op het tooneel van het gevecht, waarover wij reeds hadden hooren spreken. Een onzer muzikanten, welken wij den Bersagliör gedoopt hadden, had die dagen van vernieling gezien ; het gevecht, waarbij hij tegenwoordig was geweest, was het bevoorrecht onderwerp zijner gesprekken. (1)quot;

Zoo is het, dat een vader zijne kinderen kan opvroolijken door hunne krachten en gezondheid tevens te ontwikkelen , en dat een meester zijne leerlingen kan vermaken, door hen tevens te onderwijzen.

i) Bulletijn der Salesiers, November 1886 en Februari 1887.

ocr page 329

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

MARIA MAZARELLO; STICHTING VAN HET GENOOTSCHAP VAN MARIA - BIJSTAND.

et werk der Salesiërs was nu volledig voor de mannelijke jeugd; het omvatte een lager, middelbaar en hooger onderwijs, en theoretische en practische leergangen voor kunsten en ambachten. Opdat echter het apostelschap niets te wenschen overliet, ontbrak er nog eene rij soortgelijke instellingen ten gunste der vrouwelijke jeugd, die niet minder dan de andere in de laagste standen der huidige maatschappij verlaten, niet minder aan de bekoringen der ellende was blootgesteld.

Mama Margaretha had zeer dikwijls kleine meisjes over straat zien rondloopen, en het betreurd ze niet kunnen mede te nemen. Maar men kan alles niet in eens ondernemen. Zij drukte hare spijt daarover aan haren zoon uit, die de verlangde oplossing aan God opdroeg, en naar middelen zocht, zonder te weten, van waar of hoe zij konden komen.

Zij kwamen van eene arme en eenvoudige boe-

ocr page 330

— 319 —

rin der Alpen, die veel geleek op de heldhaftige moeder van Dom Bosco.

Maria Mazarello werd in 1837 in het dal van Mornese geboren. Harejongste zuster, Felicitasgenaamd, welke zich later kloosterlinge bij haar maakte, heeft hare gemeenschappelijke kindsheid in het Bnllctijn der Sale sier s verteld (1); wij laten hier dit verhaal volgen.

Hare ouders en voornamelijk haar vader, een man van zeldzame deugd, wist hare oogen en ooren van alles, wat die jeugdige onschuld kon storen, te vrijwaren, en toch nam hij ze mede naar kermissen en markten, waar hij hare hulp dikwijls noodig had.

Maria was in den leeftijd van vijftien of zestien jaar, een zeer zachtaardige en godvruchtige, jonge dochter, maar tevens bedachtzaam, onverschrokken en krachtig. Toen haar vader ziekelijk geworden was, verving zij hem voor de besturing van het buitenwerk, terwijl zij aan hare zuster de zorgen van het huishouden overliet. Zij legde zich dan toe op den landbouw, en winter en zomer met zulken ijver, dat de vader, die haar slechts met zijne raadgevingen kon bijstaan, verplicht was haar te doen bedaren. „Doe dan toch wat langzamer, zeide hij haar; als gij zoo voortgaat, zal ik op het laatste geene werklieden meer voor ons kunnen vinden: gij zoudt ze door uw voorbeeld allen op de tanden doen bijten, want zij zijn beschaamd, van minder te doen dan een meisje.quot; Maria beloofde het, dooide vurigheid van haren moed medegesleept, hield zij maar half woord.

(1) Nummer van December i88i.

ocr page 331

— ;ifiO —

Zij was zeventien jaar oud, toen haar pastoor. Dom Pestorino, de jonge dochters zijner parochie in eene congregatie , van de Onbevlekte Maagd Maria genaamd, vereenigd had. Zij zou er de eerste overste van geworden zijn, doch eenige harer medegezellinnen wierpen op, dat zij nog zoo buitengewoon jong was. Dom Pestorino vond hier geen beletsel in, aangezien hare zeldzame rijpheid, maar hij liet eene andere kiezen, aan welke Maria de eerste zich bereidwillig onderwierp, als aan eene afgevaardigde van God. De verplichtingen, door het reglement der Onbevlekte Maagd Maria opgelegd, waren niet zeer streng, zij lieten de leden der congregatie aan hare huiselijke bezigheden; ook veranderden de jonge zusters Mazarello niets aan hare gewoonten. Maria arbeidde altijd op het veld, en als zij in de herfst- of winteravonden binnenkwam, zette zij zich met ijver aan het naaldwerk, waarin zij uitmuntte; zoo ging er op eenen heelen dag geene enkele minuut verloren.

In de Goede Week, hield zij zich 's morgens en 's namiddags eenige oogenblikken vrij, voor het lezen van de getijden der H. Maagd en voor godsdienstige overwegingen, doch zij verlengde haar avondwerk des te meer, om op deze wijze den tijd te vergoeden, welke zij aan hare geestelijke rust, zooals zij het noemde, gebruikt had.

In haren tooi vermeed zij zelfs op Zon- en feestdagen, alles, wat te zeer in het oog vallend was, want, toen zij ^ens blinkende schoenen had ontvangen, wilde zij ze niet dragen, zoolang er de glans niet van afgedaan was. Haar opschik was hare zui-

ocr page 332

verheid, hare eenvoudigheid, haar goede luim en hare goedaardigheid.

Eene harer tantes had de typhuskoorts en was van alle hulp verstoken. Maria biedt zich aan, om haar te verzorgen; zij bracht verscheidene dagen en verscheidene nachten aan haar ziekbed door. Doch zij zelve kreeg weldra die ziekte, en kwam tot aan den rand van het graf.

Als zij meende op het punt te zijn van te sterven , gaf zij zoo eene groote vreugde te kennen en had zulke hevige gemoedsbewegingen naar den hemel, dat men haar voor eenen engel zou genomen hebben. Men kwam haar zien, om zich door het schouwspel harer deugden te stichten, of somtijds ook uit nieuwsgierigheid. Een harer geburen, die aan dit laatste gevoelen had toegegeven, werd er liefderijk door haar over berispt; hij was zoo getroffen door hare woorden, en nog meer door hare voorbeelden, dat hij tot de reeds lang achtergelatene uitoefening zijner godsdienstige plichten terugkwam.

Maria kreeg eindelijk de gezondheid terug, maar niet de krachten, die haar vóór die zware ziekte onderscheidden. De veldarbeid werd haar te moeielijk.

Dan ondernam zij met de toestemming harer ouders, en volgens den raad van Dom Pestorino, haren bestierder, het handwerk van naaister, waarin zij meesterlijk gelukte, want zij was handig en had er lust toe. Zij ging dagelijks bij hare geburen werken, en kwam slechts 's avond naar de ouderlijke woning terug. Later huurde zij een of twee kamers, kort bij de parochiekerk. Daar vereenigde

ocr page 333

— 322 —

zij in hare vrije oogenblikken eenige jonge dochters uit het dorp, welke zij aan hare godvruchtige lezingen en hare bezoeken van het H. Sacrament liet deelnemen. Dikwijls zag men haar, omringd van hare medegezellinnen, voor den God van liefde ne-dergeknield. Zij verlengde gewoonlijk haren arbeid tot laat in den nacht, om 's morgens vrij te zijn voor hare godvruchtigheden.

Als dochter der Onbevlekte Maagd Maria volgde zij alle voorschriften van het reglement, dat haar was opgelegd. Maar zij wilde iets meer doen. Zij stelde een bede- en werkhuis in, waarin zij aan de kleine meisjes uit het dorp leerde naaien, en haar tevens in de eerste beginselen van den godsdienst onderrichtte.

God moest haar weldra een ruimer veld te ontginnen en een rijkeren oogst te bewerken geven.

Daar Dom Pestorino in tusschentijd, de gelegenheid had gehad, om Dom Bosco te spreken en het Genootschap van den H. Franciscus van Sales te bezoeken, kwam hij op het denkbeeld, van zich er bij aan te sluiten, om zoo doende, hetgeen hij in het dal van Mornese gesticht had, te versterken en duurzamer te maken. Hij ging dus Dom Bosco wederom vinden, smeekte hem, om aangenomen te worden, trad in zijn Instituut, en werd er een der ijverigste leden van. Zijn inzicht was om in het hartje van zijne landstreek eene school van kleine jongens op te richten. Doch de Voorzienigheid wilde, dat onoverkomelijke hinderpalen dit ontwerp deden mislukken, en dat Dom Bosco, voortaan zijn overste.

ocr page 334

-- 323 —

op aanzoek van den Bisschop van Acqui, een opvoedingshuis voor meisjes verkoos te stichten.

Maria Mazarello werd belast met het bestuur van dit huis.

Doch daartoe moest de Regel der Dochters van de Onbevlekte Maagd Maria der vallei Mornese gewijzigd worden; dit werd gedaan met algemeene toestemming, en na ernstige onderhandelingen tus-schen den Bisschop van Acqui, in wiens bisdom zich de vallei bevond, en Dom Bosco, bijgestaan door de raadgevingen van Dom Pestorino.

De nieuwe Congregatie werd dus een genootschap, gelijkstandig en zooveel mogelijk eenzelvig met het Instituut der Salesiërs, dat reeds door vijf en twintig jaren ondervinding op de proef was gesteld. Hetgeen het eene was voor de jongens, ging het andere voor de meisjes worden.

Dom Bosco stelde in de plaats van de benaming van Onbevlekte Maagd Maria, die van Maria-Bijstand, welke eigenlijk denzelfden zin had, doch beter beantwoordde aan de overleveringen, reeds in zijne werken in gebruik gekomen, en het voordeel had, van door geene andere Congregatie gedragen te worden.

Maria Mazarello was de eerste overste.

Den 5don Augustus 1872, op het feest van Onze - Lieve - Vrouw ter Sneeuw ontvingen Maria en hare medegezellinnen het kloosterkleed uit de handen van den Bisschop van Acqui; zij spraken de drie geloften uit van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid. Eene onuitsprekelijke vreugde overstroomde haar hart. Zij waren vol vertrouwen op

ocr page 335

— 324 —

de kennissen en de heiligheid van eenen bestierder, aan wien God die merkwaardige en zeer goed zichtbare gave had medegedeeld, van alles, wat hij aanraakte, te heiligen en vruchtbaar te maken. Haar vertrouwen moest weldra gerechtvaardigd worden en met eene volheid, welke zij verre waren van voorzien te hebben.

Wij moeten echter bekennen, dat Maria Maza-rello in hare bedieningen van overste, eenen moed en eene opoffering aan den dag legde, die haren leidsman waardig waren. Zij en hare dochters waren zeer arm. Als etenstijd gekomen was, hadden zij somtijds niets, om vuur aan te steken en de polenta te maken. Dan ging Maria doode takken bijeenrapen, na er de toelating van aan den eigenaar van het naburig woud gevraagd te hebben; zij zelve bracht mutsaarden op hare schouders naar huis. Goede huurlieden gaven haar peulvruchten en een weinig meel van Turksch koorn. De ouders harer leerlingen brachten er ook, en als dan het uur daar was, zette men zich aan tafel. De maaltijd was wel zuinig; de schotels, de borden, alles ontbrak, behalve de eetlust en de hartelijkheid; hier werd dat nederig begin van den Valdocco herhaald, en verre van zich te bedroeven, bedankte Dom Bosco er de goddelijke Goedheid over. Geene klacht, geen gemor, zelfs geene ongerustheid bestond onder de nieuwe kloosterlingen. Ach! dacht de heilige stichter, indien mijne moeder daar was, hoe zou haar die onverschrokken armoede behagen en hoe zou ze gelukkig zijn van een harer vurigste verlangens verwezenlijkt te zien!

ocr page 336

— 325 —

Daar de bouw des huizes niet afgewerkt was, voelde Maria de kracht harer eerste jonkheid herleven; zij kruidde het zand en bracht de steenen naderbij, om de taak der metselaars te verhaasten. Hare vurigheid sleepte hare gezellinnen mede, en allen volgden de overste na.

Wanneer zij daarna heel bezweet binnen kwam, dacht zij slechts aan zich zelve, na zich met hare gezellinnen beziggehouden te hebben; zij deed haar van lijnwaad veranderen, en gaf haar iets heets te drinken. Dank aan hare voorzorgen, waren er gedurende dezen tijd van beproeving, geen ziekten of onpasselijkheden in haar geestelijk gezin.

Dom Eosco echter vreesde, dat haar onervaren ijver buitensporig zou worden. Hij besloot dus de nieuwe kloosterlingen door andere tot het kloosterleven te doen inwijden, en richtte zich tot de overste van het klooster van Sint Anna, te Turijn. Deze koos twee der regelmatigste en wijste zusters uit, aan welke zij deze belangrijke zending toevertrouwde. Het jonge personeel van Maria-Bijstand maakte van deze lessen gebruik, doch geene maakte ze zich volmaakter eigen, dan Maria Mazarello.

Het klooster van het dal Mornese ontving zijne onherroepelijke samenstelling den 14 Juni 1874, door de benoeming van eene Medehelpster, eene Assistente en eene boekhoudster. Maria Mazarello werd in den titel en de bedieningen van overste bevestigd.

Eene stichting van dezen aard en deze belangrijkheid, was evenwel eene te zeer gewichtige zaak, dan dat Dom Bosco ze door zich zeiven vol-

Dom uosco. 21

ocr page 337

— 326 —

eindigde, zonder ze den Opperpriester in kennis te leggen.

Hij toonde overigens voor Pius IX persoonlijk, eene grenzelooze bewondering en verkleefdheid, en sedert de ijzeren wegen de reizen vergemakkelijkt hadden, aarzelde hij niet dikwijls zijne raadgevingen en zijnen zegen te gaan inroepen. Deze toegenegenheid en achting werd door Pius IX wel beantwoord. Eens, dat een zieke den H. Vader verzocht, om hem te genezen, zeide hij al glimlachende: „Indien gij een mirakel verlangt, wend u dan tot Dom Bosco, eenen priester in Turijn; hij verricht mirakelen van naastenliefde, en het zou mij niet verwonderen, als hij er ook andere deed.quot;

Toen Pius IX geraadpleegd werd over de stichting van het dal Mornese, vroeg hij, om zich te bedenken. Eenige dagen daarna zeide hij, dat het nieuw Instituut tot de allergrootste glorie van God en het allergrootste voordeel der zielen opgericht was. „Onze goede Meester heeft u nog eens tot zijn werktuig uitgekozen, zeide hij aan Dom Bosco; bedanken wij hem nederig, verliezen wij nooit onze onmacht en onze nietigheid uit het oog, en schrijven wij alles, dit met het overige, aan zijne barmhartigheidtoe; doch ik ben overtuigd, dat de Zusters van Maria-Bijstand aan de opvoeding der meisjes dezelfde diensten zullen bewijzen , als de Paters en Salesiaansche Broeders aan die der jongens bewijzen.quot;

Toen de stichter eene zekere ongerustheid over de moeielijkheid der betrekkingen tusschen de twee Congregatiën had laten blijken, zeide Pius IX: „Wat

ocr page 338

i

— 327 —

dit betreft, geene aarzeling; de zusters moeten onder uwe bescherming en afhankelijkheid en onder de afhankelijkheid van uwe opvolgers blijven, indien het werk bestemd is, om voort te duren, zooals ik denk. Dat zij ten uwen opzichte zijn, hetgeen de Zusters van Liefde tegenover den H. Vincentius a Paulo waren en nog zijn voor den algemeenen Overste der Lazaristen; dan zal alles op zijn beste gaan.quot; Het is volgens deze grondbeginselen, dat de verordeningen van Maria-Bijstand eindelijk werden opgesteld.

Toen Maria Mazarello nog jong in 1884 stierf, liet zij met hare faam van heilige, eene krachtig gezette geestelijke orde achter, die reeds zoo gewaardeerd was, dat de snelheid van hare uitbreidingen eenen stichter zou verschrikt hebben, die minder dan Dom Bosco gewoon was het bovennatuurlijke als de natuurlijkste zaak der wereld te beschouwen.

Het eerste huis der Dochters van Maria-Bijstand werd slechts geheel en al in orde gezet in het midden van 1874. Tien jaren daarna, in 1884, telde men er meer dan dertig in Italië, Frankrijk en Amerika, De van te voren bestaande gestichten der Salesiërs begunstigden deze uitbreiding; elke stad, waar een Bedehuis voor de jongens in werking was, wenschte natuurlijk eene dergelijke stichting voor de meisjes. De zoo spoedige uitbreiding der Congregatie blijft er niet minder opvallend voor; wij gelooven niet, dat er ooit een voorbeeld van bestaan hebbe. Maria Mazarello had te Mornese slechts dertien kloosterlingen; bij haren dood, acht jaar daarna, telde zij er meer dan twee honderd vijftig. De

i

__M

ocr page 339

— 328 —

tweede schepping van Dom Bosco schijnt de eerste in vruchtbaarheid niet- te evenaren, maar zelfs te overtreffen.

Beide zullen leven tot eer van den godsdienst en tot geluk van de menschheid, zoolang zij doordrongen blijven van den geest van Dom Bosco.

Stippen wij hier, in het voorbijgaan, eene andere blijdschap aan, welke de H. Stichter rond hetzelfde tijdstip smaakte. Den 22slen Mei 1873 werd de patroon, welken hij had uitgekozen, de H. Fran-ciscus van Sales, door Pius IX onder het getal der Kerkvaders geplaatst, en zijn landgenoot en toonbeeld, de kanunnik Jozef-Benedictus Cottolengo, eerwaardig verklaard. Dit was een dubbel feest voor den Valdocco, want, die wondervolle scheppingen van Cottolengo en van Bosco hadden in dezelfde vallei, kort bij elkandereenen aanvang genomen. (1)

(1) De Valdocco, (Vallis occisorum) het Dal der Dood en geraamd, ter oorzake der marteling van de Heiligen Adventeur en Octavus, zou heden wel verdienen Het Dal de?' Liefde genoemd te worden. De kanunnik Cottolengo heeft er, zonder eenige hulpmiddelen , een klein Toevluchtsoord gesticht, dat zich allengskens m ruime hospitalen herschiep, onder de bescherming van den H. Vin-centius a Paulo. Hij stierf den 30sten April 1*842, op het oogen-blik, dat Dom Bosco de grondvesten zijner eigene werken stichte. Men zou gezegd hebben, dat het goddelijk vuur , dat den eerste bezielde, in plaats van naar den hemel te stijgen , in de ziel van den tweede overging, om er nog meer te schitteren.

Wij zien niet, dat de twee heilige personen bijzondere betrekkingen met elkander gehad hebben; doch zeker is het, dat zij gemeenschappelijke vrienden hadden zooals: Mgr Gastaldi, de Godgeleerde Vola, de markiezin van Barolo, Mgr Franzoni, de groote Paus Pius IX, en zelfs Koning Karel-Albert.

ocr page 340

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

PIUS IX KEURT DEN KEGEL DEK SALESliÓRS GOED. EERSTE STICHTINGEN IN ZUID-AMERIKA.

e regels en verordeningen van het Gezelschap van den H. Franciscus van Sales werden plechtig goedgekeurd, bij Decreet van den Opperherder, op den derden April 1874; die der Congregatie van Maria-Bijstand, weinig tijd daarna.

Volgens den tekst der eerste paragraaf, wil het vrome Gezelschap der Salesiërs, „dat al zijne leden, in hun streven naar de christelijke volmaaktheid, zich aan de geestelijke en lichamelijke werken van naastenliefde jegens de kinderen en jongelingen heel en al overgeven, en zich aan de opvoeding van jonge geestelijken toewijden.... Het Gezelschap zal vooral alle arme en verlatene kinderen opnemen. Het is samengesteld uit priesters, geestelijken en leeken.quot;

De gelofte van zuiverheid is er dezelfde, als in alle godsdienstige gezelschappen; die van gehoorzaamheid insgelijks, behalve in eenige zaken; doch die van armoede is minder volkomen, dan bij de Franciscanen, de Dominicanen en de Jezuïeten. Zij

ocr page 341

— 330 —

heeft maar alleen betrekking op het bestuur, niet op het eigendom van ieders goederen.

„De geestelijken en priesters, zelfs, wanneer zij geloften gedaan hebben, kunnen hun erfdeel en hunne renten bewaren, doch zij kunnen ze niet besturen of van de inkomsten genieten, tenzij volgens den wil van den Rector.

„Het bestuur der erfdeelen, der renten en van alles, wat er in het Gezelschap gebracht wordt, behoort aan den algemeenen Overste, die ze door zich zeiven of door anderen zal besturen; en zoolang er één Salesiër in de Congregatie blijft, zal deze zelfde Overste de jaarlijksche inkomsten beuren.

„Al de priesters overhandigen hem zelfs hunne honorariums der missen. Al de Salesiërs, hetzij priesters, hetzij geestelijken of leeken, doen eveneens met het geld, dat zij onder den titel van gift, of onder

welken anderen titel zullen ontvangen.....

„Indien iemand uit het gezelschap treedt, kan hij geene inkomsten of geene afrekening vorderen voor het bestuur van zijne goederen gedurende den tijd, welken hij er zal in doorgebracht hebben; hij zal

alleen zijn recht van eigendom terugkrijgen.....quot;

De verordeningen behelzen nog „dat de leden van het vrome Gezelschap der Salesiërs tot scheidsrechter en eersten overste den Opperpriester zullen hebben, aan wien zij op alle tijden en plaatsen getrouw en onderworpen blijven; en dat zij insgelijks onderworpen zullen zijn aan den bisschop van het bisdom,

waarin quot;zij hunne verblijfplaats zullen hebben.....quot;

De algemeene overste heeft het beheer over het

■k

ocr page 342

— 331 —

heele Gezelschap; hij kan zijne woonplaats vestigen in dat huis van het Gezelschap, wat hij wil uitkiezen .....; doch, voor hetgeen de onroerende goederen

betreft, heeft hij het vermogen niet ze te verkoopen, zonder de toestemming van het algemeen kapittel — Alle drie jaren legt hij een verslag der akten en van den Staat des Gezelschaps aan den Paus voor.

De algemeene Overste wordt voor twaalf jaar gekozen. Hij zal kunnen herkozen worden, doch dan zal hij de sleutels van het bestuur niet houden, alvorens door den Heiligen Stoel goedgekeurd te zijn.

Het algemeen kapittel is samengesteld; ten iste uit den algemeenen Overste, welken men gewoonlijk liever Oppcrrcctor(rettor maggiore) noemt; ten 2tle uit den Assistent, welken men ook Prefect noemt; ten 3dc uit den geestelijken bestierder, welken men bij de Salesiërs den Geloofsondcnvijzer noemt; ten 4'le uit den Sc/iatbcwaardcr of Econoom; ten Sde uit drie gekozen raadsleden.

Allen, behalve de algemeene overste, zijn voor zes jaar gekozen.

De prefect of assistent is belast den Opperrec-tor te verwittigen, indien het gebeurde, dat hij aan zijne plichten te kort schoot; hij vervangt hem voor-loopig, indien hij komt te sterven.

Een der drie assistenten, bijzonder door den Op-perrector gemachtigd, draagt zorg voor hetgeen de studiën van het heele Gezelschap betreft; men noemt hem den algemeenen Prefect der studiën.

Elk huis heeft insgelijks eenen rector, eenen

ocr page 343

— 332 —

prefect of assistent, die gewoonlijk terzelfder tijd de bedieningen van schatbewaarder vervult, eenen ge-loofsondenvijzer en een getal raadsleden, evenredig aan de gewichtigheid van het gesticht. Elk nieuw huis moet ten minste zes Salesiërs als leden tellen.

Voor de stichtingen moet men vooral de toestemming hebben van den bisschop uit het bisdom, waarin het huis staat geopend te worden.

„Overigens moet men in dergelijk geval met omzichtigheid te werk gaan, uit vrees van door het openen dezer huizen of het aannemen van het bestuur van huizen of colleges, iets te doen tegen de wetten van het land.

„De eerste geloften verbinden slechts voor drie jaar. Zijn deze drie jaren verloopen, dan heeft het nieuwe lid, na de toestemming van het kapittel gekregen te hebben, het vermogen, om ze voor drie jaren te hernieuwen of eeuwigdurende geloften te doen .... Het Gezelschap is slechts streng verbonden jegens degenen, die geloften gedaan hebben.

„Het immer werkzame leven, het hoofddoel der Congregatie, verhindert hare leden zich dikwijls voor godvruchtige oefeningen te vereenigen. Dat allen dit vergoeden door wederzijdsche goede voorbeelden en het vervullen van alle christelijke plichten.

De leden zullen hun best doen, om alle dagen mis te lezen, ofindienzij niet priester zijn, er tegenwoordig in te zijn. Eiken morgen bovendien, gebruiken zij ten minste een half uur voor de overweging, bidden een gedeelte van den rozenkrans en moeten zich eenen zekeren tijd voor godvruchtige lezingen voorbehouden.

ocr page 344

— 333 —

Zij gaan alle acht dagen te biechten, vasten des Vrijdags, doen op het laatste der maand de „oefe-niiig, gekend onder den naam van; oefening van den goeden dood, terwijl elkeen zijne geestelijke en tijdelijke zaken in orde stelle, alsof hij van deze aarde moest vertrekken en de eeuwigheid binnentredenquot; en hebben elk jaar eene retraite van zes of tien dagen.

„Ziehier twee zaken, die elke Salesiër bijzonder moet ter harte nemen: ten iste Dat iedereen vermijde van zich over te geven aan hetzelfde welke gewoonten, al waren ze ook onverschillig; ten 2'k' dat iedereen zijne kleederen, zijn bed en zijne cel zuiver en in goeden staat houde. De opschik van eenen kloosterling is de heiligheid van zijn leven.

„Dat iedereen gereed zij, als de noodzakelijkheid het vordert, moedig de hitte, de koude; den honger, den dorst, den zwaren arbeid en de verachting der menschen te verdragen, telkens, als dit kan dienen tot de allergrootste glorie van God, tot het geestelijk nut van den evennaaste en tot heil van zijn eigene ziel.quot;

Zulke zijn in grove trekken en zeer onvolmaakt geschetst, de verordeningen van het Gezelschap der Salesiërs.

Het schijnt, dat de Opperpriester niet zonder moeielijkheid de verzachting aannam, aan de gelofte van armoede aangebracht; doch er bestonden reeds vroegere gevallen van dien aard ; de leden van het Bedehuis van den H. Philippus van Neri, en van den kardinaal van Berullis, de Maristen, de Lazaristen, de Broeders der christelijke scholen, de

ocr page 345

— 334 —

Zusters van den H. Vincentius a Paulo, berooven zich ook niet van het bloote eigendom hunner goederen.

Dom Rua werd als prefect van het nieuwe Gezelschap gekozen d. w. z. als assistent van den al-gemeenen Overste. Niemand was beter in staat, om dien roemvollen, doch zwaren last waardiglijk te dragen, welken de stevige schouders van den heiligen stichter en eersten Opperrector niet zonder vermoeidheid droegen, (i)

Nauwelijks had Dom Bosco zijne erkentelijkheid aan Pius IX uitgesproken, of hij moest nog eens naar Rome reizen, om hem een nieuw ontwerp voor te leggen.

Verscheidene verre gewesten smeekten hem nieuwe weeshuizen en colleges te stichten. Moest hij aannemen, en vooral welk land moest hij kiezen? Want het getal der medewerkers, over welke hij kon beschikken, was niet onbeperkt.

De Commandeur Gazollo, consul der Argen-tijnsche Republiek te Savone, die het college der Salesiërs te Varese bezocht had, kwam er zoo verbaasd over terug, dat hij niet meer rustte, voordat hij een dergelijk in zijn eigen land, aan den anderen kant van den Atlantischen Oceaan, had doen

(l) Dom Rua is werkelijk van dezelfde familie als Dom Bosco; zijn gelaat is dat van eenen heilige, met ik weet niet wat doorschijnends in de trekken, engelachtigs in den aanblik en hemels in den glimlach.

De Kardinaal Alimonda, Aartsbisschop van Turijn, zeide, bij het heengaan, na Dom Rua bezocht te hebben: „Nu kan Dom Bosco sterven; er is iemand, om hem hier beneden te vervangen.quot;

ocr page 346

— 335 —

oprichten. Zijne medeburgers, door hem overgehaald, vereenigden hunne aanzoeken bij het zijne. Een priester, geboortig uit Modena, Dom Pietro Ceccarelli, pastoor der belangrijke stad St. Nicolaas, de eerste der Republiek na Buenos-Ayres, schreef aan Dom Bosco:

„Het huis, dat ik bewoon, mijnen huisraad, en mijn crediet leg ik voor u neer. Zeer Eerwaarde Pater, en stel het ter beschikking van uwe Paters Salesiërs, welke ik voortaan als mijne welbeminde broeders wil aanschouwen.quot;

Pius IX aarzelde niet: „Ik weet niet, zeide hij, of het Instituut eens talrijk genoeg zal zijn, om de vragen in te willigen, die uit Indië, Australië en Afrika komen; doch het moet op een punt beginnen, en dit punt moet in Zuid-Amerika zijn.quot;

Hij had verscheidene redenen voor deze keuze. Vooreerst was Zuid-Amerika sedert de Opheffing der Jezuïeten een weinig verwaarloosd geworden; de omwentelingen en burgeroorlogen hadden er eene diepe onwetendheid en eene groote verbastering der zeden te weeg gebracht, zonder er nochtans het geloof uit te dooven; het was van het uiterste gewicht, van niet meer uit te stellen, om die schoone landstreken aan de geheime genootschappen en de godsdienstige onverschilligheid te ontrukken; later zou het kwaad kunnen onherstelbaar worden.

Daarenboven had Pius IX eene bijzondere voorliefde voor Chili en Peru, waar hij, als jonge priester, verscheidene jaren in de hoedanigheid van secretaris uit het nuntiusambt, had doorgebracht. Wat

ocr page 347

_ 336 —

eindelijk van een beslissend gewicht moest zijn op het hart van Pius IX en Dcm Bosco, beiden Italianen, was het aanzienlijk getal van hunne land-genooten, op de kusten van la Plata en langs den Atlantischen Oceaan van Zuid-Amerika gevestigd.

Eertijds vorderden de Engelschen, de Spanjaarden, de Portugeezen, de Hollanders en de Fran-schen alleen het voorrecht, om die verre min of meer verlatene landstreken te bevolken. Terwijl in onze eeuw, de uitwijking van Frankrijk en Holland bijna te niet gaat, hebben zich drie nieuwe rassen op hunne beurt volkplanters gemaakt: Duitschland, Ierland en Italië.

De Duitscher wijkt gewoonlijk uit, om aan de verpletterende lasten van den Pruisischen dienstplicht te ontsnappen; de Ier en Italiaan vluchten de ellende. De Duitscher schaart zich langs den Missouri bijeen, de Ier verspreidt zich een weinig overal, en helpt overal, ofschoon tegen zijnen zin, het Fn-gelsch bestanddeel versterken, dat zoo er toe komt de heele wereld te beheerschen; de Italiaan begeeft zich in het Zuid-Oosten van Zuid-Amerika.

De verleidende beloften van welwaart, die de Italiaansche eenheid voor hare verwezenlijking kwistig uitdeelde, hebben zich in zulk eene vermeerdering van belastingen opgelost, dat de landbouwer in zekere provinciën, zelfs niet genoeg inoogst, om dc staatskas te betalen. Hij ontmoedigt zich bij dit ondankbaar zwoegen, verlaat zijn land en komt in Frankrijk arbeiden, ofwel trekt naar den overkant van den Oceaan.

ocr page 348

— 337 —

De statistieken bewijzen in de laatste dertig jaren, een totaal van 1,219,172 uitwijkelingen in de Argentijnsche Republiek, een half millioen, in die van Uruguay (of Oostelijk Kanda), evenveel in Brazilië, en een weinig meer dan honderd duizend in Paraguay. Een goed derde dezer nieuw aangekome-nen zijn Italianen.

^ De onmetelijke stad Buenos-Ayres, grooter nog dan Amsterdam of Brussel, schijnt sedert eenige jaren , heel met Italianen bevolkt. Zij hebben er zich van den kleinhandel meester gemaakt, en in de straten ziet men geene andere kooplieden, rondleurders of boodschaploopers dan Italianen.

Zij zijn het ook, die de stedelijke gebouwen oprichten en (evenals in Frankrijk), de meeste werken aan den ijzeren weg uitvoeren. Gedurende vier maanden des jaars, gaan zij de dorpen af, en maaien of dorschen het graan; is deze arbeid gedaan, dan stroomen zij terug naar de steden, terwijl zij zoeken te leven, zonder het geld aan te roeren, dat zij gedurende dit korte uitstapje gewonnen hebben, en hunne middelen van bestaan zoeken met allerlei kleine ambachten.

Een groot getal, de eerstaangekomenen, bijna allen geboortig uit het noorden van Italië, hebben zich op den bodem gevestigd, zonder inzicht om weder te keeren. Zij hebben een groot deel van den bloeienden akkerbouw der provincie Santa-Fé geschapen. De Genueezen, los bachichos, zooals men ze noemt, hebben bijna de riviervaart opgekocht. O! hoe rijk zouden de Zuid-Amerikaansche Repu-

ocr page 349

blieken zijn, indien zij twintig jaar zonder omwentelingen konden leven! Doch komen wij tot ons onderwerp terug.

Dom Bosco hield zich zonder talmen bezig met het in orde stellen zijner eerste oversturing van zendelingen. Zij bestond uit tien priesters of Salesiaan-sche hulpbroeders en vijftien zusters van Maria-Bijstand. Hij stelde ze onder het bestuur van eenen zijner meest beminde leerlingen, Dom Cagliero, die evenals hij te Chateauneuf d'Asti geboren, in 1851 op dertienjarigen leeftijd in het Bedehuis van den H. Franciscus van Sales was getreden, om het niet meer te verlaten. Hij gaf hem als helper Dom Fagnano, Prefect aan het college van Farnese.

Allen te zamen, van den commandeur Gazollo vergezeld, begaven zich naar Rome, om den pauselijken zegen over hunne onderneming af te smeeken.

Pius IX ontving hen, den isten November 1875. Met die vaderlijke taal en die liefelijke goedhartigheid, welke hem aan Dom Bosco deed gelijken, en zich zoo goed aan dat edel voorkomen paarde, zeide hij hun: „Hier is die arme grijsaard, welken gij wachtet;quot; en als hij zich toen naar Dom Cagliero wendde, welken hij in bijzonder verhoor onderhouden had: „Stel mij al uwe reisgenooten voor, dat ik hun mijne spijt uitdrukke, van niet te kunnen doen, zooals zij. Waar rekent gij u vooreerst te begeven? — In de Argentijnsche Republiek. — Fen schoon land! zeide Pius IX; gij zult nog verder gaan, gij zult naar Chili gaan, waar ik eertijds verbleven heb, en waarvan ik zulke zoete herinneringen

ocr page 350

— 339 —

bewaard heb; dit is de eenige Amerikaansche republiek, welke geene omwentelingen maakt; ook is haar eene soort van oppermacht voorbehouden. Gij zult verder gaan, en misschien zult gij het evangelie verkondigen aan die zoo mistrouwige en onbehandelbare wilden van Patagonië, de eenigen, welke de oude Jezuïeten niet konden temmen, want zij aten hunne zendelingen op. Hebt moed en betrouwen! Gij zijt vazen vol goed zaad. Weet het uit te strooien met onderscheiding en met ijver; de oogst zal overvloedig zijn en zal de laatste jaren van mijn gekweld Hoogepriesterschap vertroosten.quot;

Hij richtte tot elk liefdevolle woorden van bijzondere toegenegenheid, en verwekte in hen zulke geestdrift, dat zij allen brandden van verlangen, om hun leven voor de voortplanting des geloofs te geven.

Te Turijn teruggekomen, vierden zij plechtig het feest van den H. Martinus, dat den dag vóór hun vertrek inviel. De Aartsbisschop Gastaldi ontving ze in zijn bijzonder oratorium, en gaf hun uit den grond des harten zijnen zegen, terwijl hij hun van te voren bedankte, over hetgeen zij gingen doen voor zoovele Piemonteezen, op die verre kusten verbannen.

Na de vesper beklom Dom Bosco het gestoelte en hield de afscheidsrede.

De kerk was stampvol; eene soort van electri-sche rilling scheen van den redenaar af te dalen en zich aan de toehoorders mede te deelen. Hij eindigde alzoo:

ocr page 351

— 340 —

,',Gaat dan, mijne lieve zonen in den H. Fran-ciscus van Sales, en na de zegeningen van den opvolger van Petrus, het hoofd der Apostelen, na dien van onzen eerbiedvvaardigen Aartsbisschop, gedoogt , dat mijne zwakke handen u ook zegenen. Katholieken, vergeet den Vader der heele Kerk, den Paus niet; Salesiërs, behoudt overal de gedachtenis aan de leden der familie, waarvan gij u stoffelijk scheidt, en aan uwen Vader, die er u in ontvangen heeft; onze harten zullen u volgen, laat ons eene plaats innemen in de uwe.quot;

Terwijl de redenaar deze laatste woorden uitsprak, verzwakte zijne stem, verstikt als zij was, door de ontroering en de tranen; hij was verplicht van het gestoelte af te treden.

De Salesiërs begonnen hunne zending op het schip, dat hen wegvoerde. Het schip de Savooie, zooals alle zeeschepen derzelfde bestemming, was vol Italiaansche, Spaansche of Baskisch-Fransche landverhuizers. Dom Cagliero gaf hun geestelijke onderrichtingen in de drie talen; de missionnarissen lazen mis op het bovendek in eene daartoe opgerichte kapel; de bevelhebber, de officieren en de meeste passagiers woonden ze ten minste des Zondags bij. Onder de zeven honderd passagiers van de Savooie, veroorloofde zich niet een enkele te vloeken, noch zelfs te spotten of onbetamelijk te spreken. Den 7den December, liepen zij te Rio de Janeiro, de hoofdstad van Brazilië,, binnen.

De Aartsbisschop, welken de missionnarissen zich haastten een bezoek te brengen, toonde zich inden

ocr page 352

— 341 —

beginne een weinig koud en zichtbaar wantrouwig. Zooals hij het later verklaarde, kwam dit voort uit de wreede onaangenaamheden, welke hem slechte^ uit Europa overgekomen , priesters hadden aangedaan. Maar als hij vernam, dat hij te doen had met de leden van eene nieuwe congregatie, die goedgekeurd was en onder de bescherming van Pi us IX stond, veranderde hij van houding. Hij overlaadde ze met voorkomendheid en goedheid, deed hun ververschingen opdienen, deelde hun boeken, prenten, en lichtteekeningen uit, en hield hen drie uren bij zich, terwijl hij zijne bisschoppelijke droefheden in hunnen boezem uitstortte.

Zijne uitgestrekte, vreemdsoortige hoofdstad , waarin men iets van alle volkeren bijeenvond, gaf hem geene godsdienstige vertroostingen; het overige van zijn bisdom nog minder. In dit bisdom, waren bij de twee honderd parochiën, en bij de twee mil-lioen menschcn zonder priester. Zijne geestelijkheid was bijna te niet gegaan, en kwam niet bij: zijn groot Seminarie gaf hem jaarlijks slechts vijf of zes priesters. De briefwisselaar van de Unit a cattolica, getuige van deze samenspraak, zeide, dat de goede prelaat alle teekenen gaf van de levendigste droefheid; „Hij trok zich bijna de haren uit, hief de oogen ten hemel, en sloeg ze vol tranen op ons neder. Het zedenbederf had de grondslagen zijner Kerk aangetast.quot;

„Indien ik ten minste een goeden priester in elke parochie had, voegde hij er bij, dan zouden zij, die op het uur des doods wilden te biechten

DOM BOSCO. 22

ocr page 353

— 342 —

gaan , het kunnen doen, doch nu.....Ach! wat

goed zou mij uw overste doen, indien hij mij eenige dozijnen of liever eenige honderden Salesiërs zond! Wat een schat voor mijne onderhoorigen! Zij zouden voor mij welbeminde zonen zijn!quot;

De zendelingen gingen henen, smartvol aangedaan over het geklaag van den uitmuntenden kerkvoogd: dit voorzeide hun, dat het hun aan werk niet zou ontbreken.

Te Montevideo, hoofdstad van Uruguay, waar zij wederom stilhielden, vertelde hun een zekere Franciscus Brun, dat zijne vier zonen studiën deden of gingen doen aan het college van Dom Bosco, te Val-Salice, kort bij Turijn. „Welke harde noodzakelijkheid , ze zoover te sturen! zeide hij, zullen wij nooit een college van Salesiërs hier zelf hebben?quot; Deze wensch moest niet lang meer op zijne verwezenlijking laten wachten.

Eindelijk landden zij te Buenos-Ayres, den 14 December, aan. Meer dan twee honderd Italianen, van welke er eenige opgevoed geweest waren aan het Bedehuis van den H. Franciscus van Sales te Turijn, wachtten hen bij hunne ontscheping af, en begeleidden hen tot aan de verblijfplaats, die hun was voorbereid. Daar waren de missionnarissen verwonderd en bijna beschaamd, den Aartsbisschop Mgr. Frederik Aneyros te vinden, die in zijn ongeduld, om hen te zien, hen te gemoet gekomen was, en hen als oude vrienden omhelsde.

Op zijn aandringen, waren zij verplicht de bediening aan te nemen van de parochiekerk Madre

ocr page 354

de Miscricordia, sedert dien kerk der Italianen genoemd (in het Spaansch: Iglesia de los Jtalianos). Dom Cagliero vestigde er zich persoonlijk, terwijl hij als kapelaan, Dom Baccino bij zich hield, en als organist en rekenplichtige Dom Belmonte, die niet priester was. De zeven anderen, onder het bestuur van Dom Jozef Fagnano, zetten hunnen weg voort, en gingen het college van Sint Nicolaas de los Arroyos stichten.

Dit college werd den 20s,en Maart 1876 ingehuldigd, door den Aartsbisschop van Kuenos-Ayres •Mi--per-soon en door Dom Fagnano, die een geleide medebracht van Zusters van Maria-Bijstand, om een hospitaal te bedienen. Twee maanden daarna, telde het college reeds honderd vijftig leerlingen. En wat nog opmerkenswaardiger is, zeven dezer leerlingen vroegen sedert het eerste jaar, dat hunne studiën bijzonderlijk naar het priesterschap gericht wesÜamp;h

Dom Bosco deed sedert dien bijna elk jaar, eene nieuwe overzending van Salesiërs en Zusters van Bijstand. Buenos-Ayres werd voor hen, in de nieuwe wereld, wat Turijn in de oude geweest was: een middenpunt, dat naar alle kanten stralen wierp.

De beschaafde bevolkingen van Zuid-Amerika, allen van Latijnsch ras (Spanjaarden, Portugeezen, Italianen) hebben een diep katholiek gevoelen, doch zijn ongelooflijk onwetend in de geloofsonderrichtin-gen, en deze onwetendheid is aan onstuimige hartstochten gepaard.

„Weinig of geene godsdienstige oefeningen bijgevolg, verhaalt een missionnaris, of, als er zijn.

ocr page 355

— 344 —

weten degenen , welke ze opvolgen , er het juiste voorwerp niet van. De goede wil ontbreekt er in liet algemeen niet; zij drenken zich met het woord Gods, gelijk een verdroogd terrein gedurende eenen brandenden zomer met regen. Toen verscheidene Italiaansche jongelingen, van zestien tot achttien jaar, rondom ons gekomen waren om te weten, wat dat was: Salcsü'rs, deden wij hun de eenvoudigste vragen uit den Catechismus; zij konden er niet op antwoorden. Wij verzochten hen het kruisteeken te maken: zij ^«V.agen ons verwonderd^ daar zij niet wisten, wat dat zeggen wilde. Ik gaf aan eenen der grootste een kruisbeeld; hij vroeg mij, welke heilige dit was......Wij zijn voor het oogenblik met tienen , doch waren wij met honderd, waren wij met duizend, het zou nog niet genoeg zijn.quot;

De predikingen en het onderwijs der kinderen van Dom Bosco droegen zoo snelle vruchten, dat zij weldra te Buenos-Ayres twee noviciaten konden oprichten, één voor de mannen, en één voor de vrouwen. En wat niemand vóór hunne aankomst had kunnen gelooven, zij vonden nieuwe kloosterlingen, terwijl terzelfder tijd het Seminarie van Montevideo en andere zich onder hun bestuur nog met studenten in godgeleerdheid bevolkten.

ocr page 356

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

MEDEHELPERS EN MEDEHELPSTERS, ÖF DERDE REGEL DER SALES1ËRS. - MERKWAARDIGE GRATIËN.

en vraagstuk, dat zich meer dan eens aan den geest onzer lezers heeft moeten voordoen, is het volgende:

Hoe is het mogelijk, dat het stichten van zooveel huizen, het onderhoud'van zooveel leeraren en leerlingen, de missiën van Amerika, die alleen fabelachtige sommen verslinden, en voor welke de geldelijke toelagen van het Werk der Voortplanting des geloofs verre zijn van te voldoen; hoe is het mogelijk, dat zoovele ondernemingen, die onze verbeelding doen schrikken, hebben kunnen bestaan en nog immer voortbestaan?

Het Instituut der Salesiërs had bij den dood van zijnen stichter, misschien voor geen tienduizend frank inkomsten , en geene vaste toelage van eenen Staat of eene financieele maatschappij. En toch boden zich eiken dag de hulpmiddelen aan, zonder ooit te ontbreken , om in alle behoeften te voorzien.

ocr page 357

— 346 —

Als onze goddelijke Zaligmaker in het Laatste Avondmaal zijne leerlingen ondervroeg, zeide hij hun; „Toen ik u zender zak, zonder beurs en zonder schoeisel heb uitgezonden, heeft u toen iets iè kort geschoten? Zij antwoordden: „Niets (i).quot;

De Salesiërs kunnen op gelijke wijze antwoorden, en hebben dezelfde reden om te betrouwen, als de apostelen; het woord van Onzen Lieven Heer is voor hen een zekere waarborg, dat alle hinderpaal uit den weg zal geruimd worden:

„Aanschouwt de vogelen des hemels; zij maaien noch zaaien en bassen'niet opeen in hufinc'lecflacya'; doch uw hemelsche Vader voedt hen; zijt gij niet veel meer dan zij ?

„Ziet de leliën der velden, ziet hoe zij groeien; zij arbeiden of spinnen niet. Welnu, ik zeg u, dat Salomon, in al zijne glorie, nooit gekleed is geweest, evenals eene van haar.

„Indien God het gras des velds, dat heden is en morgen in den oven wordt geworpen, op zulke wijze kleedt, hoeveel meer u, mannen van weinig geloof?

„Verontrust u dus niet, met te zeggen : Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden. Uw Vader weet, dat Gij het noodig hebt. Zoekt vooreerst het rijk van God en zijne gerechtigheid, en het overige zal u als overmaat toegeworpen worden.quot; (2)

Voor wie het geloof bezit, voor wie ap deze

(1) JjUC. XXII.

(2) Mat. VI.

ocr page 358

— 347 —

woorden van eene ware goddelijke teederheid lt;^6een waar goddelijk gezag berust^ wordt het mensche-lijk onoplosbaar vraagstuk gemakkelijk, om uit te leggen, Het is overigens een algemeen en dagelijksch vraagstuk,/dat niet ophoudt zijne oplossing prac-tisch en onder onze oogen te ontvangei}''; het is het vraagstuk van den Opperpriester, die, van zijn erfdeel beroofd, niettemin het hoofd biedt aan alle hoogstnoodige verplichtingen ; het vraagstuk van het onderhoud der missicn^dat van het bestaan aller kloosterorden, scholen en in het algemeen, aller katholieke werken. Wie zal zeggen, hoevele millioenen er jaarlijksch noodig zijn voor al deze werken ? God alleen weet het. Doch Hij kent de noodwendigheden, en Hij zendt de millioenen op hunnen tijd. Indien men minder gewoon was aan dit altijddurend mirakel, zou men er verslagen over staan, evenals over het grootste aller mirakelen.

Uom Bosco is een der mannen, die het meeste van de naastenliefde verkregen hebben, omdat hij een van hen is, die hun volste vertrouwen, op het woord van den Meester gesteld hebben; „Verontrust u niet, met te zeggen; Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons

kleeden?.....Zoekt vooreerst het rijk van God en

zijne gerechtigheid.....quot;

Het betrouwen echter sluit de voorzorgen niet

uit.

Dom Bosco had nauwelijks de vreesbarende uitbreiding, welke zijne verscheidene werken namen, ingezien, of hij hield zich bezig met de liefdegiften,

ocr page 359

— 348 —

waardoor zij gevoed werden, te regelen, en, om zoo te zeggen, van kanalen te voorzien.

Hij stichtte een nieuw Werk, dat in zekere mate, het leven aan alle andere verzekerde; wij willen spreken van het Werk der Medehelpers en Medehelpsters der Salesiërs.

Dit werk begon door de damen van Turijn, die de kleederen der kinderen van den Valdocco kwamen bleeken en herstellen, en door het reglement, dat aan hare daden van loutere barmhartigheid gegeven werd.

Dit reglement, verscheidene keeren herwerkt, naarmate aangroeiende noodwendigheden eene meer uitgestrekte ondervinding gaven, werd eindelijk afgemaakt, en bepaaldelijk aan den Heiligen Stoel onderworpen in 1874.

De Medewerkers en Medewerksters werden de derde groote stichting van Dom l-Josco; de eerste was die der Broeders van den H. Franciscus van Sales, de tweede die der Zusters van Maria-Bijstand.

Pius ÏX bevredigde zich niet, met de instelling goed te keuren; hij wilde zelf op de lijst ingeschreven zijn, en stond aan de leden alle aflaten toe, welke de leden der meest bevoorrechte Derde Regels, bijzonder, die van den H. Franciscus van Assise, kunnen winnen. Ken pauselijke brief van den 9den Mei 1876 bevat het volgende;

„Daar zich een godvruchtig genootschap van ge-loovigen onder den naam van Genootschap of Vcr-ecniging der Salesiaansehe Medehelpers kerkwettelijk heeft samengesteld (zooals men ons heeft laten we-

ocr page 360

— 349 —

ten) en daar zijne leden zich voorstellen, buiten de uitoefening van verschillende godvruchtige en liefdadige werken, eene bijzondere zorg te dragen voor arme en verlatene jongelieden, verleenen wij,-om het genoemd genootschap dagelijks meer en meer te doen groeien, en vertrouwende op de barmhartigheid van God almachtig en op het gezag van de gelukzaligen Petrus en Paulus, zijne apostelen ,~ aan alle geloovigen van beider geslacht, die hunnen naam aan deze maatschappij gegeven hebben of zullen geven, een vollen aflaat op het oogenblik van hunnen dood, mits zij werkelijk rouwmoedig en voorzien zijn van de H. Sacramenten der Biecht en des Autaars, of indien zij verhinderd waren deze te ontvangen, ten minste met een oprecht leedwezen godvruchtig den naam van Jezus aanroepen, als zij kunnen, mondelings, zoo niet met het hart, en den dood van Gods hand aannemen ten teeken van boetvaardigheid, en als de kastijding der zonde.

„Wij verleenen insgelijks, in 's Heeren barmhartigheid, een anderen vollen aflaat en de kwijtschelding van al hunne zonden aan deze zelfde deelge-nooten, welken aflaat zij eens per maand kunnen winnen, op welken dag zij willen, op voorwaarde, dat zij oprecht rouwmoedig, te biechten gaan en de H. Communie in eenige kerk of eenig openbaar bedehuis ontvangen, en daarna godvruchtig deze zelfde kerk of ditzelfde bedehuis bezoekend, er tot God vurige gebeden sturen voor de eensgezindheid der christelijke vorsten, voor de uitroeiing der ketterijen, voor de bekeering der zondaars en voor de

ocr page 361

— 350 —

verheffiing van onze Moeder de H. Kerk. Deze aflaat kan ook toegepast worden op de zielen des Vagevuurs.

Wijl wij daarenboven aan de bovengenoemde deel-genooten een teeken onzer bijzondere welwillendheid willen geven, verleenen wij hun al de aflaten zoowel volle als gedeeltelijke, welke de derde-ordelin-gen van den H. Franciscus van Assise kunnen winnen, en uit ons apostelijk gezag staan wij hun toe, dat zij vrij en zonder zonde op de feesten van den H. Franciscus van Sales en in alle kerken der Sale-siërs, al de aflaten kunnen ontvangen, welke de derde-ordelingen kunnen winnen op de feesten en in de kerken van den H. Franciscus van Assise, mits zij stiptelijk de werken van godsvrucht vervullen , welke er tot het verkrijgen dezer aflaten zijn voor opgelegd. Kn dit alles, ondanks elke tegenkanting, is voortaan ten eeuwigen dage van kracht____quot;

Om recht te hebben op deze gunsten en deel te hebben in alle goede werken, welke de kinderen van Dom Bosco verrichten, zijn de voorwaarden van zich te doen inschrijven, (hetgeen men van den ouderdom van zestien jaren kan) van eiken dag, een Onze Vader en een IVres gegroet ter eere van den H. Franciscus van Sales te bidden, volgens het inzicht van den Opperpriester, van dikwijls tot de H. Sacramenten te naderen, van elke maand, ten ware volkomen beletsel, de oefening van de Goede Dood te doen, en eindelijk, van als goede christenen te leven.

De Medewerkers en Medewerksters moeten ook de verlatene kinderen ondersteunen, de geestelijke

ocr page 362

roepingen begunstigen, zich met het verspreiden van goede lezingen bezighouden, en ieder volgens zijn vermogen, moet de werken der Salesiërs bevoordee-ligen, hetzij door eene maandelijksche of ten minste jaarlijksche gift te doen, hetzij door giften en aalmoezen in te zamelen. De kloosterlingen aanzien hen als broeders in Jezus-Christus, en richten zich ieder maal tot hen, als hunne hulp noodzakelijk is. (i)

Toen Leo XIII, de waardige opvolger van Pius IX, in 1878 het bestuur der algemeene Kerk overnam, zeide hij aan Dom Bosco: „Pius IX is uw vriend geweest, ik wil het zoowel zijn, als hij; hij was onder het getal uwer Medewerkers opgeschreven, ik eisch de eer, van het eerste op de lijst te staan. Om hem zijne welwillendheid goed te doen uitschijnen, noemde hij den kardinaal Laurentius Nina „Beschermcr van het godvruchtig Gezelschap der Salesiërs.quot;

Dom Bosco richtte alle jaren aan zijne samen-werkers , door middel van het Bulletijn, eenen brief of een verslag, bestemd om rekenschap te geven over de werken van het voorgaande jaar, en den ijver wederom te verlevendigen.

„In den naam des hemels, die uwe belooning moet zijn, schreef hij eens, in den naam dezer arme kleine wezens, welke u de hand niet kunnen reiken,

(I) De personen, die volkomener inlichtingen zouden verlangen, zullen ze vinden bij het bestuur van de Medewerkers der Salesiërs, op de plaats Maria-Bijstand, te Turijn en in alle gestichten van Salesiërs,

ocr page 363

— 352 —

in den naam van den Christus, die eene eeuwigheid van geluk beloofd heeft aan hen, welke hunne benauwdheid zuilen verlichten, vergeet het werk niet, dat wij ondernomen hebben , en verliest nooit uwe jonge beschermelingen uit het oog! Indien gij voor hen alles doet, wat in uw vermogen is, indien gij zelfs de grenzen overschrijdt, van hetgeen uwe middelen u toelaten te doen, er blijft u nog dat over, van ons aan de liefderijke personen aan te bevelen, welke gij kent; maakt ons nieuwe medewerkers, spreekt dikwijls van het goed, dat er voor hen zeiven en voor de maatschappij uit kan voortvloeien. Vormt eene soort van bondgenootschap, die den vooruitgang zal tegenhouden der volksmenning, der onzedelijkheid en van het afschuwelijk schandaal eener losbandige jeugd, die met groote stappen naar de godloochening voortgaat. En, wanneer gij alles zult gedaan hebben, wat de liefde tot den Godsdienst aan edelmoedige zielen ingeeft, weest dan verzekerd, dat er u dan nog eenig goed te doen overblijft.quot;

In eenen anderen brief, bij het verklaren dezer woorden onzes Heeren; Maakt u vrienden met de onrechtvaardige rijkdommen, opdat zij u in de eeuwige woningen ontvangen, zeide hij ;

„Deze vrienden zullen de talrijke kinderen zijn, aan het verderf ontrukt en door uwe menschlievend-heid gered; het zullen de bekeerde christenen en heidenen zijn; hei zullen de kleine kinderen dei-gedoopte ongeloovigen zijn, die kleine engelen van het paradijs zijn geworden; het zullen de vaders en

ocr page 364

- 353 —

moeders van zoovele kinderen zijn, die op den weg der deugd en in hunne armen zijn teruggebracht in den hemel; het zullen de engelbewaarders zijn van al die zielen, welke reeds toegelaten zijn, of latei-door uwe zorgen in hun gezelschap zullen komen ; het zullen de heiligen beider kunne zijn, die zich zullen verheugen, bij het zien vermeerderen, dank aan u, van het getal hunner broeders en zusters, eindelijk, deze vrienden zullen de gelukzalige Maagd, God de Vader, de Zoon en Heilige Geest zijn, welke gij op deze aarde beter zult hebben doen kennen, beminnen en verheerlijken.quot;

Men zou evenwel de menschelijke zwakheid slecht kennen, indien men alleenlijk aan de zuivere mensch-lievendheid, ten minste in den beginne, dien wecU ijver toeschreef, welke er ontstond, in zake van opofferingen en geest van toewijding, tusschen Dom Eosco en zijne Medewerkers. De uitnemende, gewoonlijk geestelijke, somtijds tijdelijke genaden, waarmede het den hemel behaagde, de weldoeners der Salesiërs te begunstigen, droegen er ook wel een goed deel toe bij. Hoevele christenen inderdaad, onthouden zich van rijkelijk te geven, uit vrees van zeiven gebrek te lijden! Zij vergeten dit orakel van den H. Geest: „Hij, die medelijden heeft met den arme, leent aan den Heer op intrest; hij, die aan den arme geeft, zal niet in gebrek vallen.quot;

Wij moeten hier nog eenige trekken aanhalen, die buiten het gewone treden. Wij zijn verre van ze alle te kennen, en ook zijn er, die wij kennen, doch moeten weglaten, om niet eentonig te worden.

ocr page 365

Men haalt, bijvoorbeeld, de genezing aan van eene jufvrouw Cantono Ceva, uit de omstreken van Turijn; die van eenen lamme, in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand te Turijn, den 4den Juni 1874; die van twee bijna blinde meisjes uit Fe-nestrelle; die van de vrouw eens officiers, welke in zijne vreugde. Dom Bosco een gouden armband bracht, den 24 Mei 1878; die van Mevrouw Paul-Noël le Mire, dochter van le Mire, uitLyon; doch de schrijver is verplicht de te zeer gelijkvormige verhalen te vermijden.

Dom Bosco zocht zich eens 12,000 frank te verschaffen, waarvan hij geen cent had. Na zich met vruchteloos zoeken vermoeid te hebben, gaat hij op goed geluk af de buitenlucht inademen.

•Nauwelijks heeft hij eenige schreden gedaan, of daar spreekt hem eene vrouw aan; „Hoe! zijt gij hier! Mijn meester, die op zijn uiterste ligt, is ontroostbaar, dat hij u niet ziet; men zeide, dat gij afwezig waart.

— Breng mij bij uwen meester.quot;

Hij komt aan, vindt den zieke te bed, aan eene hevige koorts ten prooi, en spoort hem reeds in den beginne aan, om vertrouwen te hebben.

Men heeft dikwijls opgemerkt, dat hij de gewoonte had,.zoo over het vertrouwen te spreken, als hij het voorgevoel van eene genezing had, indien hij integendeel eene noodlottige ontknooping voorzag, spoorde hij aan tot gelatenheid. Ook lette men zeer op den zin zijner woorden, om er een besluit uit te trekken.

ocr page 366

— 355 —

De zieke, door zijne tegenwoordigheid versterkt, gevoelde zich dadelijk beter. Na verloop van een halfuur, stond hij op, en bracht Dom Bosco 12,000 frank; het waren er geen 11,000 noch 13,000, die de heilige man zocht: het was juist de som, door den genezen zieke aangebracht.

Sint-Petrus van Arena (in 't Italiaansch: San Pier d' Arena of Sanpierdarena) is eene nog al aanzienlijke stad der golf van Genua, waar de godsdienst niet zeer bloeiend was, vóór de aankomst van Dom Bosco. Een enkel pastoor bediende er eene parochie van 30,000 zielen; de kerk was bijna verlaten; daarentegen waren daar drie vrijmetselaarsloges.

De vrouw van eenen bediende van den ijzeren-weg, moeder van vijf kinderen, viel ziek en werd door de geneesheeren opgegeven. De pastoor bood zich aan. „Ik wil niets van den pastoor weten, zeide zij; indien ik te biechten ging, zou het bij Dom Bosco zijn, doch bij geenen anderen priester.quot; De man, wien het biechten weinig scheelde, wilde haar niet tegenwerken, daar hij overigens veronderstelde, dat Dom Bosco zich niet zoude bekreunen om eene vrouw, die op zestig uren afstand van zijne verblijfplaats moest gebiecht worden.

Doch bij de eerste waarschuwing, snelde Dom Bosco toe.

De zieke werd eene eerste verlichting gewaar, alleen door hem in hare kamer zien te komen. Hij maande ze aan, op Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand te vertrouwen en biechtte haar. „Voor de H. Communie, zeide hij, zullen wij beter op ons gemak

ocr page 367

— 356 —

zijn in de kerk. Ik denk hier verscheidene dagen te blijven; ik ga eene mis lezen, en mijne kinderen voor u doen bidden ; kom dus één dezer dagen, en ik zal u de H. Communie geven.quot;

Deze woorden hadden op den man het uitwerksel van eene zeer misplaatste schertsing. „Ziet gij niet, dat deze vrouw op het sterven ligt?quot; riep hij verontwaardigd uit.

Zonder te ontroeren, herhaalde Dom Bosco, dat Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand alles kan, en indien gij ze met ons wildet bidden, voegde hij er bij, zouden wij misschien uwe genezing met die van uwe vrouw verkrijgen.

■— De mijne? Maar ik, ik ben niet ziek!quot;

In plaats van te antwoorden, zette zich Dom Bosco op de knieën, en bad een Onze Vader, een IVces gegroet en een Wees gegroet Koningin. De man zette zich bijna werktuiglijk ook op de knieën.

„Deze gebeden zullen heel regelmatig tot Kerstmis moeten gedaan wordenquot;, beval hem de goede priester aan (nl^ft was den 6den December 1872); hij ging henen, na eene medalie om den hals der zieke gehangen te hebben, en er eene door den man te hebben doen aannemen.

Weinige dagen daarna, was de bediende 's morgens vroeg in de kerk met zijne genezen vrouw, die de H. Communie uit de handen van Dom Bosco ontving.

„Ik wacht met betrouwen op de tweede genezing,quot; zeide de heilige man zachtjes. De echtgenoot begreep dit, ging te biechten en werd een onverschrokken en vurig Christen.

ocr page 368

— 357 —

De stad werd in diepe opschudding gebracht door het gerucht van dit dubbel wonder. Schitterende bekeeringen hadden plaats, de kerk hield op leeg te zijn; de pastoor was verplicht drie hulpkapelaans te vragen.

Dom Bosco verwijderde zich niet, zonder eene stichting na zich achter te laten. Men bood hem een huis aan; hij nam het aan, en bouwde er eene groote en schoone kerk naast. Heden arbeiden een dozijn Salesiaansche priesters met goed gevolg tot hervorming van Sanpierdarena, vooral door de opvoeding der jeugd.

Een rijke markies zeide eens aan Dom Bosco : „Ik wilde iets voor u doen. Vader; doch juist kondigt men mij het verlies van eene som van 20,000 frank aan, waarop ik rekende.

— En wat zoudt gij doen, als gij de som terug-kreegt, vroeg Dom Bosco?

— Ik zou er u de helft van geven; maar waartoe mij in woorden edelmoedig te toonen? Mijn zaakwaarnemer is zeer behendig en in het geheel geen schrikaanjager; niemand van ons zal ooit een centiem van die 20,000 frank krijgen.

—■ Wie weet? Heer markies, het is voor mijne kinderen, ik ga ze voor uwe schuldvordering doen bidden.quot;

Eenige dagen daarna zond de markies 5,000 frank naar het Bedehuis;

„Ziehier de helft, van hetgeen ik dezen morgen ontvangen heb, en in het geheel niet verwachtte; indien het overige komt, zullen wij nog deelen.quot;

Dom bosco. 23

ocr page 369

— 358 —

Het overige kwam, en de markies bracht alles eerlijk ten uitvoer.

Een generaal, die te Turijn verbleef en op het slechtste was, vroeg om Dom Bosco te zien. Deze kwam, biechtte hem en noodigde hem uit, tot groote verrassing van familie en geneesheeren, om den tweeden dag daarna, den 24sten Mei, op het feest van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand, de H. Communie te komen ontvangen.

's Anderendaags den 23sten, verslechtte de staat van den generaal; de dood scheen te naken. Men liep naar den Valdocco, om acht ure 's avonds.

Dom Bosco had dezen heelen dag, die de dag vóór een groot feest was, in den biechtstoel doorgebracht; hij had zelfs niet gedaan, en was door vele kinderen omringd, die hunne beurt afwachtten.

„Gauw, gauw. Vader, kom, en mochten wij niet te laat komen!quot;

Dom Bosco wees naar zijne kinderen en verklaarde, dat hij ze niet kon wegzenden.

„Dan zullen wij eenen anderen priester gaan halen. Vader, om het H. Oliesel te geven.

— Neen, gij zult aan den generaal zeggen, van

mij te wachten, om te sterven...... indien hij

sterven moet; dat hij Maria-Bijstand inroepe en geduld neme; zoo gauw ik gedaan heb, zal ik komen.quot;

En hij ging voort tot elf ure. Toen begaf hij zich naar de eetzaal; doch men wederhield hem: men wachtte hem aan de deur met een rijtuig.

„Ik wil wel, deed hij opmerken; doch ik heb

ocr page 370

— 359 —

niets genomen sedert^ründdag, en morgen vroeg om vijf ure, moet ik naar den biechtstoel terugkeeren, en mis lezen. Indien ik nu niets neem, zal het te laat zijn......

— Kom maar, Vader, thuis zult gij alles vinden, wat gij noodig hebt.quot;

Men stapt in het rijtuig, en zoodra Dom Eosco bij den generaal verschijnt, zeide men;

„Ach , Vader, als gij nog maar op tijd gekomen zijt!

— Menschen van weinig geloof! Twijfelt gij, dat Maria-Bijstand, als zij het verlangt, den generaal in staat kan stellen, om morgen in hare kerk de H. Communie te komen ontvangen, zooals ik het u aangekondigd heb? Het is kort bij middernacht; geeft mij iets te eten, ik bid er u om.quot;

Hij zette zich aan tafel met zijne gewone kalmte. Als het licht avondmaal was afgeloopen, trad hij in de kamer van den zieke, en vond hem in eenen staat van verstramming en onbeweeglijkheid, welke zijne omgeving voor een voorteeken des doods hield.

Hij vroeg het rijtuig wederom en vertrok.

Wat den generaal betrof, hij sliep heel eenvoudig.

Zeer vroeg 's anderendaags riep deze zijnen zoon :

„Help mij mijne kleederen aantrekken; ik ben met Dom Bosco overeengekomen, dat hij mij de de H. Communie zal geven in zijne kerk van Maria-Bijstand.

— Maar, zegt de zoon, nooit zult gij kunnen.....

— Help mij, zeg ik u, ik heb het zoo vastgesteld met Dom Bosco.quot;

ocr page 371

— 360 —

Deze deed zijn misgewaad aan, om mis te lezen, toen de generaal in de sacristij verscheen. Hij zag er zoo afgemat uit, dat Dom Bosco hem in den beginne niet herkende en hem vroeg, wat hij verlangde.

„Ik verlang te biechten, alvorens de H. Communie onder uwe mis te ontvangen, zooals wij overeengekomen zijn.

— Overeengekomen! Maar wie zijt gij dan?____

O ! geloofd zij de almachtige Moeder van God, de generaal, die gisteren avond zoo vol haast was, om

te sterven.....Maar gij hebt geene nieuwe Biecht

noodig, gij hebt er voorgisteren eene gesproken.

— Verschooning, Vader, ik heb aan uw woord getwijfeld, ik wil vergiffenis over deze zonde hebben.quot;

Dom Bosco bevredigde hem, gaf hem de H. Communie en de generaal ging volkomen gezond naar huis.

~ Ziehier nu de geschiedenis van eene der meest laatkomende roepingen.

De graaf Cayo van Gilctta, gewezen Piëmonteesch afgevaardigde, was drie en zestig jaar oud. Daar hij weduwenaar was en zijnen zoon uitgehuwelijkt had, dacht hij half en half in de H. Orden te treden, en bad Dom Bosco om een beslissend antwoord, hetgeen niet kwam.

Den 23sten Mei 1877, den dag vóór het feest van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand, wachtte hij in de voorkamer van Dom Bosco. Deze voorkamer ■was vol bezoekers; iedereen ging door op zijne beurt.

ocr page 372

— 3(il —

en die van den graaf was daar, toen zijne aandacht viel op eene vrouw ven den buiten, die evenals hij wachtte en op hare knieën een klein meisje hield van tien jaar, verlamd door kramptrekkingen, niet in staat om recht te staan of neer te zitten, en dat elk oogenblik als eene logge massa afgleed.

„Wilt gij Dom Bosco spreken, vroeg de graaf aan de boerin?

— Ja, mijnheer, doch ik zie wel, dat het niet voor heden meer is, ook ga ik henen; mijn kind kan het niet meer uithouden.

— Ik sta u mijne beurt af, zeide de graaf. En terwijl hij een vurig gebed ten hemel stuurde, voegde hij er innerlijk bij: „Indien ik dit kind genezen zie uitkomen, zal dit voor mij een teeken zijn, dat God mij roept, en ik zal niet meer aarzelen.quot;

Dom Bosco opende half de deur; de moeder trad binnen, terwijl zij het kind ondersteunde, en de deur werd wederom gesloten.

„De arme kleine schijnt fel ziek te zijn, zeide de heilige priester; hoe is haar naam?

— Josephina Longhi.

— Heb goede hoop, beste vrouw; tracht het kind op de knieën te doen zitten, ik ga de hulp van Maria-Bijstand over haar inroepen. Doe haar het kruisteeken maken.....Neen, niet met de linkerhand, doch met de rechter.

— Zij kan zich niet van hare rechterhand bedienen , merkte de moeder op.

— Laat ze maar eens beproeven; welaan, kleine, hef uwen arm op, breng de hand aan het voor-

ocr page 373

— 362 —

hoofd, juist zoo, daarna op de borst.... bravo, nu aan den linkerschouder, dan aan den rechter. Dat is heel goed, maar gij hebt de woorden niet uitgesproken; zeg met mij: „In den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Amen.quot;

En onder de oogen der moeder, die meende te droomen, gehoorzaamde het kreupele en sedert eene maand stomme kind, gedwee en begon daarna uit te roepen: „De H. Maagd heeft mij genezen, mama.quot;

En als de moeder hem hoorde spreken, weende zij van vreugde.

„Thans komt het er op aan, de H. Maagd te* bedanken, vervolgde Dom Bosco: bidden wij het Wees gegroet.quot;

Josephina Longhi sprak dit gebed met duidelijke stem en met veel godsvrucht uit; doch dit was nog niet alles; er bleef te onderzoeken, of zij kon rechtstaan en gaan zonder ondersteund te worden-Dom Bosco verzoekt haar door de kamer te wandelen; zij gaat er verscheidene malen rond met eenen lossen en zeer zekeren stap. In één woord, de genezing was volkomen, en zij was op de wonderbaarste wijze gebeurd. Op dit oogenblik kon het gelukkige meisje de aandrift der erkentelijkheid, welke haar hart overstroomde, niet meer wederhouden, zij opent de deur der voorkamer, vertoont zich aan de personen, die haar eenige minuten te voren met zooveel moeite hadden zien voortsukkelen, mank en stom, en dan zeide zij met eene vrijmoedigheid, boven haren leeftijd, en op eenen toon, die ingegeven scheen:

„Bedankt met mij de H. Moeder Gods, Mijne

ocr page 374

- 363 —

Heeren; hare barmhartigheid heeft mij genezen. Ziet: ik beweeg de hand, ik ga; ik heb geene pijn meer.quot;

Dit schouwspel en deze woorden brachten eene onbeschrijfelijke ontroering te weeg. Allen omringden het jonge kind; de een weende, de andere bad, een derde riep uit; „O groote God! O! Maria. O! welk mirakel! O gelukkig meisje!quot;

Dom Bosco zelf was er zoo door aangedaan, dat hij van het hoofd tot de voeten beefde. Na gedurende eenige oogenblikken het voorwerp der bewondering en der vreugde van iedereen geweest te zijn, ging het meisje met hare moeder uit de kamer van Dom Bosco; beiden begaven zich wederom voor het altaar van Maria-Bijstand, en bedankten Haar meer door hare tranen dan door hare woorden over de verkregen gunst.

De graaf had het teeken, dat hij verlangde. „De H. Maagd heeft gesproken, zeide hij, ik word Salesiër.quot; Hij trad in het noviciaat en bewees als priester, uitstekende diensten tot den 4del1 October 1882, dag, waarop God hem tot zich riep.

Wat de jonge Josephina Longhi betreft, zij ook is lid van het Salesiaansch gezin geworden, en nog wel, als dochter van Maria-Bijstand.

Eindigen wij door eenen nog meer buitengewo-nen trek, welken Mgr. Marcel Spinola y Maestre, Bisschop van Milo, aanhaalt. Wij vertalen uit het Spaansch :

Een jongeling, die, ofschoon aan het Bedehuis van den H. Franciscus van Sales godvruchtig opgevoed , het ongeluk had van het geloof te verlie-

ocr page 375

— 364 —

zen, was aan zijn stervensuur te Rome, en weigerde hardnekkig zijne biecht te spreken. Dom Bosco werd er over verwittigd. Het treurig nieuws kwam hem te Florence ter oore. Zonder het minste oponthoud, begaf hij zicli op reis naar Rome, doch hij kwam laat aan, en toen hij de kamer van den zieke binnentrad, was deze niet meer.

Men begrijpt de beangstigdheid der familie, die zich afvroeg, of zijn oude meester op tijd zou komen, terwijl de zieke tegen zijne kwaal worstelde, en evengoed verstaat men de troosteloosheid, die op die angstigheid volgde, toen iedereen inzag, dat er niets meer te doen was. Alleen Dom Bosco behield zijne kalmte. „Laat mij alleen, zeide hij aan hen, die hem omringden, en na met vurigheid gebeden te hebben, draaide hij zich naar den overledene, en riep driemaal op eenen gebiedenden toon:

sta op!quot;

De doode stond op, sprak zijne biecht, en ontving de H. Communie in tegenwoordigheid van zijne verstomde ouders en huurlieden. Nadat deze laatste daad voleindigd was, omhelsde Dom Bosco zijnen ouden leerling teeder en zeide hem: „Gij zijt in staat van genade, mijn kind, gij houdt den hemel open; wilt gij er naar toe gaan, of bij ons blijven?

— Ik wil naar den hemel gaan,quot; antwoordde de jongeling. En hij liet het hoofd neervallen: hij was wederom een lijk. (i)

(l) Dom Bosco y su obra, por e! obispo de Milo, bl, 47.

ocr page 376

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DOM ISOSCO IN HET ZUIDEN VAN FRANKRIJK. LEVENSBIJZONDERHEDEN.

e goede uitslag, die voor alle werken der menschen een machtige prikkel is, bracht elk jaar nieuwe aanmoedigingen aan het Instituut van den H. Franciscus van Sales. Terwijl het zendelingen zond aan den overkant van den oceaan, was het terzelfder tijd over de Fransch-Italiaansche grens getrokken. Tusschen het kustland der golf van Genua, reeds met gestichten van Salesiërs als bezaaid, en dat der golf van Marseille, was de afstand te gering, om niet weldra overschreden te worden.

De aardige stad Nice was de eerste op Fransch grondgebied welke gastvrijheid aan de Salesiërs schonk. Monseigneur Sola, Advocaat Michel, en de baron Héraut ondernamen de zaak. Men huurde drie kamers, en men begon zoo armoedig als aan den Valdocco. Dom Ronchail werd uit het college van Alassio met zeven frank op zak gezonden voor de stichting; twee jaar daarna, kocht men het bui-

ocr page 377

--- 366 —

tengoed Gauthier, dat het Patroonschap Sint Petrus werd, zoo genoemd wegens den voornaam van den Bisschop.

De aanvang van dit eerste Bedehuis werd overigens aangemoedigd door de gemeentelijke overheid.

Een honderdtal kinderen vonden er plaats na verloop van weinig tijd, de werkplaatsen van kunsten en ambachten arbeidden er als aan den Valdocco, en de drukkerij van Sint Petrus van Nice, waaruit zedert 1879, de Fransche uitgave van het Bnllctijn kwam, kan de zuster en de mededingster van de Salesiaansche drukkerij van Turijn genoemd worden.

De tweede stichting had te Marseille plaats. Dom Bosco verlangde in deze zeemoederstad een optrekje te hebben voor zijne overzendingen naar Buenos-Ayres. Hij richtte zich tot Ms1' Place, alsdan Bisschop van Marseille, die onmiddelijk aandrong, op iets beters dan een eenvoudig optrekje. Marseille bekleedt inderdaad eene schoone plaats in de jaarboeken van de katholieke schoolontwikkeling, doch daar, evenals in alle groote steden, vertoonen de statistieken der volharding vreesbarende cijfers. Wat worden bijvoorbeeld, die legioenen van kinderen, welke van hun zesde tot hun dertiende of veertiende jaar, de katholieke scholen bezoeken, die op zoo groote kosten door de liefdadigheid ondersteund worden? Den dag na hunne eerste communie, worden zij in den onmetelijken kolk verslonden der werkplaatsen, die door geheime genootschappen verkankerd zijn. Allen zijn, wel is waar, niet onmiddelijk onttrokken aan den heilzamen invloed, welke

ocr page 378

— 307 —

den dag te voren nog voldoende was, om hun te herinneren, dat zij menschen zijn en eene ziel hebben. De werken van volharding door den Z. Eerwaarden Johannes Jozef Allemand gesticht, dat der Jonge Leergasten, door een hoog zeeofficier, den Bevelhebber van Lyon, dat der Weezen van de cholera, door den Kanunnik Vitagliano, dit alles heeft eene zekere uitwerking; daar echter deze werking slechts bij poozen plaats heeft, zijn de uitslagen altijd maar gedeeltelijk. De groote hoop, kan men zeggen, vergeet alles, tot zelfs den weg, die naar de kerk der eerste communie leidt, (i) Zoo was Dom Bosco niet voldaan, (zooals hij het dikwijls herhaalde) ondanks de vertroostende uitslagen, in de wekelijksche bijeenkomsten der weide verkregen, en was hij niet bewust een ernstig werk verricht te hebben , dan den dag, waarop eindelijk werkplaatsen bij hem gesticht werden; want toen was er geen enkel oogenblik meer, waarin de jonge werkman niet rechtstreeks onder zijn vaderlijk toezicht stond.

Op het aandringen van M. Clemens Guiol, Pastoor van Sint Jozef, en die zijns broeders (2), bood een groep vurige katholieken Dom Bosco een huis aan, in de straat Beaujour. De Salesiërs namen er den 2 Juli 1878 bezit van. De nieuwe verblijfplaats ontving den naam yan Bedehuis Sint Leo, ter eere van den Paus Leo XIII.

(1) Dom Bosco et I'Oratoire St.Léon , a Marseille, par l'abbé L. Mendre, bl. 36,

(2) Overleden als Rector der katholieke Faculteiten van Lyon.

ocr page 379

— 368 —

Drie dagen na de stichting van het Bedehuis Sint Leo te Marseille, namen Dom Perrot en andere leerlingen van Dom Bosco, door Mgr. Terris, Bisschop van Fréjus en Toulon geroepen, het bestuur in handen van het Landelijk Weeshuis van Navarre, naast de Crau d' Hyères.

Dom Bosco bezocht Marseille in persoon in de maand Januari, Nice en het domein van Navarre in de maand Februari 1879. Bij dit laatste bezoek herinnerde zich Dom Perrot eenen droom, die van over drie jaar dagteekende, en dien wij niet moeten weglaten.

Sedert langen tijd, deed Dom Bosco eenen zijner geestelijken in eene aanpalende kamer slapen. Eens 's nachts hoorde hem deze buurman hardop spreken ; „Hebt gij slecht geslapen, Vader? vroeg hij hem 's anderendaags.

— Ja, antwoordde Dom Bosco, ik heb eenen droom gehad; ik was op den buiten te midden van kinderen, van welke eenige speelden, andere den grond bewerkten, doch geen hunner sprak Italiaansch. Als bewakers hadden zij priesters van den H. Fran-ciscus van Sales; dit huis was dus het onze; doch waar kan het wel liggen ?quot;

Denzelfden dag ontving Dom Bosco eene eerste inlichting over de beteekenis van dezen droom: de post bracht hem de eerste voorstellen van Mgr. Terris, betreffende Navarre.

Wanneer echter de kinderen, onder leiding van Dom Perrot, hem tot aan de grenzen van het goed te gemoet kwamen, was hij getroffen door het uit-

ocr page 380

— 369 —

zicht van het terrein en de gebouwen, en zeide, na ze met groote aandacht onderzocht te hebben:

ijk herken dit oord; het is dat, waarover ik gedroomd heb.quot;

Dom Perrot had hem reeds over dezen droom hooren spreken, en had er zelfs de omstandigheden van aangeteekend, op het oogenblik, dat hij had plaats gehad.

„Herkent gij dit huis, dit landschap. Vader?

— Zonder eenige aarzeling, zeide hem Dom Bosco; ik herken zelfs de stem van het kind, dat zoo even zong; want het zong ook in mijnen droom.quot;

En tot besluit, riep hij uit: „Geloofd zij Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand.quot;

Te Nice vereenigde hij de Medewerkers en Medewerksters van den H. Franciscus van Sales, en legde hun zijne laatste aanstaande ondernemingen bloot;

„Dit patroonschap van Sint Petrus, waar wij vereenigd zijn, zeide hij, moest hoog noodzakelijk vergroot worden, om meer kinderen te ontvangen; maar vooral moet er eene kerk gebouwd worden; deze kapel is slechts voorloopig; men heeft zich van twee zalen bediend, om ze te maken, dit is in het geheel niet betamelijk.

„Weest niet bevreesd, mijne lieve Medewerkers, bij de gedachte van tegelijk kerk en huis te bouwen. Ik zal u bekennen, dat ik op het oogenblik te Turijn hetzelfde bezig ben te doen. In een der laatste bezoeken, die ik het geluk had aan den groo-tcn Paus Pius IX te doen, sprak ik hem over den

ocr page 381

— 370 —

tempel en de scholen, welke de Protestanten te Turijn hebben opgericht, en over de pogingen, welke zij verdubbelen, om er de kinderen des volks naar toe te trekken.

„Pius IX antwoordde mij met drift: Gij moet het geneesmiddel bij de kwaal zetten : laat eene kerk en een verblijf bouwen, zoo kort mogelijk naast dien tempel en die scholen der Protestanten,quot;

„Ik was reeds overladen van ondernemingen en schulden, en toch heb ik geen oogenblik aarzeling gehad. Ik zette mij aan het werk, en thans zijn de werken zoodanig vooruitgegaan, dat binnen één of ten hoogste twee jaar, met de genade Gods, alles zal voleindigd zijn.

„De kerk zal toegewijd zijn aan Sint Johannes den Evangelist, die de patroon was van Pius IX, en zij zal een gedenkteeken zijn, opgericht te zijner gedachtenis, wijl hij het was, die er de oprichting van heeft voorgesteld, die het eerste eene som daartoe gaf, en die altijd onze beschermer geweest is.

„Laat mij toe hier nog eenige woorden bij te voegen, die u zeker genoegen zullen doen. Den laat-sten keer, dat ik het geluk had mij bij zijne Heiligheid Leo XIII aan te bieden, zeide hij mij: „El-ken keer, dat gij aan de Salesiaansche Medewerkers zult spreken, zult gij hun zeggen, dat ik hen uit ganscher harte zegen, dat het doel van het Genootschap bestaat, in het verhinderen van den ondergang der jeugd, en dat zij slechts een hart en ééne ziel vormen, om u bij te staan in het bereiken van het doel, dat zich de Congregatie van den H. Francis-cus van Sales voorstelt.quot;

ocr page 382

— 371 —

„Indien gij evenwel meer algemeene nieuwigheden verlangt over onze gemeenschappelijke pogingen, zal ik u zeggen, dat op het oogenblik, dat ik tot u spreek, wij meer dan tachtig huizen bezitten, en dat er verscheidene andere gaan geopend worden. Het getal kinderen, die wij verzorgen, bereikt bij de veertig duizend, bestuurd door ongeveer zes honderd Salesiaansche Paters of Broeders, en onderhouden door vijftien duizend Medewerkers of Medewerksters van den H. Franciscus van Sales.quot;

Dom Bosco kwam het volgende jaar in Frankrijk terug. Hij bracht de maand Februari te Marseille door. Het Bedehuis Sint Leo was, zoolang hij er zich bevond, het voorwerp van eene werkelijke bedevaart. Om een denkbeeld van dezen toevloed van bezoekers te geven, verhaalde het dagblad Le Citoycn van den 2isten Februari 1880, zullen wij zeggen, dat Donderdag, ten twee ure, op het oogenblik, dat wij ons aan de deur der kamer van Dom Bosco aanboden, eene dame ons bekende , dat zij daar van acht ure 's morgens hare beurt stond af te wachten.quot;

Ziehier een ander feit, dat nog van die werking op de zielen getuigt. De almoezenier van een hospitaal verhaalt ons, dat bij het bezoeken van eene zaal zieken, de zuster hem er eenen van verre wees, wiens toe'stand zeer bedenkelijk was, doch wiens gesteltenissen allerslechtst waren: „Ga er niet heen. Vader: hij zou u slecht ontvangen.quot; De almoezenier hield geen rekening van deze waarschuwing; hij naderde. De zieke draaide het hoofd om met

ocr page 383

— 372 —

eene uitdrukking van haat. Een kind, zijn zoon zeker, stond naast het bed. De priester legde dezen vriendschappelijk de hand op het hoofd, en bood hem eene medalie aan: „Dit is eene medalie van Dom Bosco, mijn kind. Hang ze om den hals.quot; Dan verwijderde hij zich. Kenige oogenblikken daarna, roept hem de zuster terug: „Kom gauw. Vader; de zieke vraagt naar u.quot; En inderdaad, bij den naam van Dom Bosco, had zich de arme ontroerd gevoeld. Eene verwijderde herinnering was in zijnen geest ontwaakt; hij had den heilige eertijds gekend; dit zoet en eerbiedwaardig gelaat kwam voor zijne oogen terug, rakelde de sedert lang uitgedoofde goede gedachten wederom op, en deed de vooroor-deelen, door een bandeloos leven opeengestapeld, heel en al verdwijnen. Hij biechtte en ontving de H. Communie. Alvorens te sterven, beval hij den priester zijnen zoon aan, en ontsliep daarna kalm, rouwmoedig en vol hoop op Gods barmhartigheid.

Voegen wij erbij, dat het kind, in een der weeshuizen van Dom Bosco geplaatst, zich vol godsvrucht en goede gevoelens toont, en vooral vol erkentelijkheid voor den beschermer, aan wien zijn stervende vader hem toevertrouwd heeft, en wiens aanhoudende zorgen en toegenegenheid altijd over hem waken.

Vergeten wij ook dit lief gezegde niet:

Op zijnen doortocht door Nice in 1880, ver-eenigde Dom Bosco zijne Medewerkers en Medewerksters in de nederige kamer, welke tot kapel aan het Patroonschap Sint Petrus diende.

ocr page 384

— 373 —

Ondanks de engte van het lokaal, was de vergadering talrijk en schitterend; de goede Pater ging op het einde zelf met de schotel rond voor zijne kinderen.

Een heer had juist een goudstuk gelegd. „Dat God het u teruggeve!quot; zeide Dom Bosco met klare stem. „O ! als het zoo is, dat Hij mij dan wat meer teruggevc.quot; En de gever legde een tweede goudstuk op de schotel. De ophaling beliep 750 frank.

Ziehier, hoe zich Dom Bosco in zijnen omzendbrief van Januari 1881 , uitdrukt over den vooruitgang van zijne werken in Frankrijk;

„Verscheidene onzer huizen hebben in 1880 zoodanige uitbreiding genomen, dat het getal onzer leerlingen er verdubbeld van is.

„Ik zal in het bijzonder melding maken van de Landbouwkolonie van Navarre bij Frejus. Het lokaal is er vergroot van....... Te Saint Cyr, bij Toulon, hebben wij na groote moeielijkheden, eene andere Landbouwkolonie voor verlatene meisjes kunnen stichten. De Zusters van Maria-Bijstand zijn er de bestiersters van; zij vormen hare leerlingen tot de lagere grondkennissen, tot de huiselijke werken, tot het bebouwen der tuinen en zelfs der velden, volgens haren ouderdom en hare krachten.

„Het Weeshuis van Nice heeft eene merkelijke vermeerdering gekregen.

„De noodzakelijkheid heeft ons verplicht, het Bedehuis Sint Leo, te Marseille op buitengewone wijze uit te breiden. Dank aan de nieuwe gebouwen, hebben wij het getal leerlingen kunnen verdriedubbelen.

DOM ÜOSCO, 24

ocr page 385

— 374 —

Eene nieuwe Landbouwkolonie is juist gesticht in het land van Mogliano, tusschen Venetië en Trevitië......quot;

Dom Bosco ging tot in 1886 voort, met zijne gestichten van het Zuiden van Frankrijk, alsook de voornaamste weldoeners van zijn werk te Menton, Monaco, Nice, Cannes, Toulon en Marseille te bezoeken. Dat winterklimaat paste goed aan zijne gezondheid, die reeds eenige omzichtigheid begon te eischen.

Sedert dien inderdaad, trok hij een weinig aan een been, had hij het aderspat, en leed hij zoodanig aan de oogen, dat hij door den Opperherder ontslagen was, om zijne getijden te lezen.

Doch andere redenen riepen hem: het waren de dringende behoeften, de onmetelijke en onverzadigbare behoeften van stichtingen, die voor inkomsten slechts de openbare liefdadigheidsgiften hadden.

De doortocht van Dom Bosco was voor elke harer het oogénblik van den oogst; ziehier, welk leven de ware dienaar van God ■ en der verlatene kinderen leidde:

Hij stond om zeven ure op, eindigde zijne mis om acht ure, nam gauw zijn ontbijt en begaf zich naar zijne kamer, regelmatig door talrijke bezoekers belegerd. Hij ontving tot middag, kwam middagmalen , en hernam zijne zittingen van één uur tot acht ure 's avonds, tenzij hij zich naar de stad begaf. Hij nam het avondmaal te zamen met de anderen, altijd vroolijk, altijd lieftallig, en zonder de gelegenheid te venvaarloozen van een goed woord te plaatsen.

ocr page 386

— 375 —

Op eene bijeenkomst, sprak men hem over zijne mirakelen: „Neen, zeide hij, Dom Bosco doet geene mirakelen; doch ik beken, dat God er behagen in geschept heeft, somtijds de edelmoedigheid van de weldoeners der werken van Dom Bosco, zichtbaar te beloonen; hij laat ze overigens nooit, nooit zonder belooning.quot;

In twee penseeltrekken:-„Voegt de oenvoudig-heid van den H. Vincentius a Paulo, bij de hartelijke vriendelijkheid van den H. Franciscus van Sales,— zegt ons een zijner toenmalige makkers,- en gij zult het portret van Dom Bosco hebben.quot;

Te Nice, in de spreekzaal van een oude vrouwenhuis, niet ver van het station gelegen, stelde men hem eens een kind van zeven jaar voor, dat nooit zonder krukken had kunnen gaan. Het was de zoon van eenen statieoverste of onderoverste. Toen Dom Bosco uit de kapel kwam, waarin hij mis gelezen had, smeekte de moeder den heiligen priester, haar zijnen zegen te geven. „Den zegen van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand, heel gaarne, antwoordde Dom Bosco.quot; En onmiddelijk nadat hij dezen zegen gegeven had, vergezeld van eene lief-koozing op de wang van het kind, ging hij tot aan het uiteinde van de spreekzaal, en gebood aan het kind, van naar hem toe te komen: „Kom, mijn kleine vriend, dgch zonder krukkenlaat ze vallen, daar, hetjugeëa bang! En gij, laat hém begaan, geef Wèm

de hand niet.quot; Het kind aarzelde; de moeder, sid-

. Y '

derend van ontroering, moedigde hem aan; vol schrik

en vrees stapt het voort, en kwam tot bij Dom Bosco,

ocr page 387

— 376 —

heel alleen en zonder steun, hetgeen het tot dan nooit had kunnen doen. Dom Bosco gebiedt dan zijne krukken terug gaan te halen: het kind gaat er loopend naar toe; vandaar snelt het den weg der statie op, en gaat met zekeren pas over hem heen, terwijl ^ met zijne krukken in het rond zwaaide, tot groote verwondering der voorbijgangers, en terwijl de moeder h^h heel bleek en wankelend volgde, al roepende; „Dit is mijn kind, dit is een mirakel van Dom Bosco.quot;

Dom Ronchail was getuige van dit feit, evenals verscheidene kloosterzusters en damen, welke wachtten, om Dom Bosco te spreken.

Een ander maal, altijd te Nice en in hetzelfde jaar, was Dom Bosco mis gaan lezen bij de Urse-linnen, boven in de stad. Toen hij terugging, kwam hij het klooster der Zusters van het Allerheiligste Sacrament voorbij. Dom Bosco hield stil, om de Overste te zien, die ziek en sedert vier of vijf jaar bedlegerig was. Dom Ronchail, bestierder van het Weeshuis, wilde het hem beletten, door bij te brengen, dat het tijd was, om het middagmaal te nemen.

„Neen, zeide hij, wanneer het zieken geldt, heeft het middagmaal geen bepaald uur.quot; Hij nadert het bed en vraagt haar: „Hebt gij het geloof, waarde Zuster?quot; — Verwonderd, zei de kloosterlinge: „Maar, ik geloof van ja. Vader. — Welnu, waarde Zuster, voor wie het geloof heeft, is alles mogelijk. Eene beleefdheid is eene andere waard; ik breng u een bezoek, gij zult er mij een moeten terugbrengen. Ach! Mocht God dat willen, Vader! Doch wan-

ocr page 388

— 377 —

neer? — Dezen avond nog; hoe eerder eene daad van wellevendheid verricht wordt, hoe verdienstelijker zij is.quot; En na deze woorden, groet hij en gaat henen.

In den namiddag begaf hij zich naar het bisdom, in gezelschap van dengenen, welke ons dit feit verhaald heeft, (i) Bij het uitgaan, toen zij op de kaai gekomen waren op een punt, van waar men het Patroonschap Sint Petrus kon bemerken, vroeg Dom Bosco aan zijnen makker; „Zeg, vriend, gij hebt betere oogen dan ik, bemerkt gij niets voor ons huis? — Niets, Vader — Geen rijtuig, dat stil houdt? — Neen, niets. — Dat is wonder, voegde er Dom Bosco bij, alsof hij tot zich zeiven sprak; zij zal nog niet gekomen zijn.quot;

Vijf en twintig passen verder, bleef hij staan: „Zie nog eens: het moet er zijn: — Wat? — Het rijtuig, en ziet gij er geene kloosterzuster uitstappen?quot;

Zijn makker ontwaarde werkelijk twee kloosterzusters, die uit een rijtuig stonden; ééne harer was de overste van het Allerheiligste Sacrament.

Zijn makker vernam slechts later, bij het avondeten, het bezoek, dat Dom Bosco aan de overste 's middags gebracht had. Men sprak er aan tafel van: allen kwamen overeen, dat de onverwachte genezing bovennatuurlijk was. Dom Bosco stelde zich tevreden met te zeggen: „Gij ziet, mijne vrienden, hoe goed de goede God is.quot;

Na het avondeten, hield men zich met de brief-

(i) M. J. Ru Hand , priester, thans Leeraar aan de Providence agricole van Seillon, bij Bourg, toen aan het patroonschap Sint Petrus. Een zeer groot gedeelte van dit hoofdstuk , is naar zijne herinneringen opgesteld.

ocr page 389

— 378 —

wisseling bezig. Dom Bosco ontving eene macht brieven, tot honderd en meer per dag. Hij hield er aan op alle te antwoorden; daarvoor had hij twee geheimschrijvers, eenen Italiaan en eenen Fransch-man. Hij las gewoonlijk niet zelf, maar hij liet zich rekenschap geven, wees het te geven antwoord aan, deed zich 's anderendaags het antwoord voorlezen, en teekende. Daar zag men de geheimen van eene menigte familiën, iedereen sprak er met open hart, als aan eenen biechtvader; van alles was er: roepen te bepalen, tijdelijke ondernemingen ontworpen of mislukt, genezingen te verkrijgen, zoo groot was het vertrouwen van eene menigte menschen der meest verscheidene standen, over alle uitdrukbare soorten van zaken.

Dom Bosco ging om elf ure slapen.

M. Harmei, broeder van den bestierder der fabriek van Val-des-Bois, bevond zich te Nice in Maart 1880. Hij onthaalde alle kinderen van het patroonschap Sint Petrus op een goed middagmaal, waarop de Salesiaansche leeraars en Dom Bosco natuurlijk uitgenoodigd werden.

Alvorens zich aan tafel te zetten, onderhield zich M. Michel, een ander uitstekend katholiek, die wel gekend is om zijnen ijver voor alle goede werken, met Dom Bosco, welke hem zijne bedroefdheid uitdrukte, van nog geene passende kapel voor het patroonschap te hebben kunnen bouwen. Hij had wel een plan, dat hem zijn bouwkundige M. Levrot zoo even had overhandigd, doch het ontwerp komt tot dertig duizend frank.

ocr page 390

— 379 —

„Dertig duizend frank, ik twijfel, dat gij ze op het oogenblik te Nice zult vinden. Wij hebben dezen winter zooveel liefdadigheidssermonen gehad, zooveel rondhalingen , zooveel loterijen.....

— Toch zou ik ze vandaag moeten hebben; hield Dom Bosco aan; ik ben beschaamd Onzen Lieven Heer zoo slecht gehuisd te zien.quot;

M. Michel zei niets meer tegen; het sloeg twaalf ure; men zette zich aan tafel.

Bij het nagerecht, stond de notaris van het huis, M. Sajetto recht, en zeide: „Ik kondig u aan. Eerwaarde Pater, dat gij dertig duizend frank bij mij kunt komen halen; een liefdadig persoon heeft ze mij dezen morgen voor u ter hand gesteld.quot;

„Geloofdzij Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand!quot; riep Dom Bosco uit, terwijl hij de oogen ten hemel hief, en de handen te zamen vouwde.

Wat M. Michel betreft, hij stond verslagen, toen hij de juiste som, door Dom Bosco een half uur te voren geëischt, zoo zag aankomen.

Een anderen keer, nam Dom Bosco nog eens het middagmaal met M. Harmei, doch in het Patroonschap Sint Petrus; het was den i9den Maart, feest van den Bestierder Dom Ronchail, die Jozef heette. Men sprak over het aankoopen van het noodige tuig voor eene drukkerij. Dom Bosco verklaarde tien duizend frank noodig te hebben. Niets meer dan dat, zeide de notaris, en trok een stuk papier met potlood uit den zak; wij zijn hier met tienen, zonder de eerwaarde paters te tellen; ik open eene onderschrijving, en ik schrijf mij voor duizend frank boven

ocr page 391

— 380 —

aan.quot; Dit zeggende, gaf hij het blad aan M. Harmei , die voor eene gelijke som inschreef. De acht andere dischgenooten deden hetzelfde. De tien duizend frank waren gevonden.

Dom Bosco had een onbegrensd vertrouwen in de Goddelijke Voorzienigheid. Sprekende met hem en Dom Ronchail, vroeg hem M. Harmei, welke voorwaarden hij vorderde, om een gesticht op te richten.

„Twee, niet meer.

— En welke. Herwaarde Vader?

— Vooreerst, dat de stichting noodzakelijk of grootelijks nuttig zij; ten tweede, dat men een bekwamen bestierder vinde.

— Zeer wel; doch de stoffelijke kant?

— God voorziet er altijd in, mijne lieve heer; vraag aan Dom Ronchail, welk kapitaal ik hem gegeven heb, toen ik hem naar Nice zond.quot;

Dom Ronchail glimlachte, doch de groote nij-veraar scheen nog te aarzelen.

„Gij begrijpt niet, lieve heer? Welnu, antwoord mij: Zijn de kinderen, verlaten van de menschen, ja of neen, de kinderen van God en van de Voorzienigheid?

— Ik neem dat aan. Eerwaarde Vader.

— Indien gij dit aanneemt, wilt gij dan, dat de goede God een slechte vader, en de Voorzienigheid, eene slechte moeder zij?quot;

M. Harmei, met verwondering geslagen, vond niets meer tegen te zeggen, (i)

(i) Dom Bosco schijnt overigens aan zijne kinderen én zijn vertrouwen én zijne macht om den hemel eenigermate te dwingen

ocr page 392

— 381 —

Het volgende voorval had bij Turijn plaats. Bij het terugkomen van een uitstapje, ging Dom Bosco door een klein bosch. Het was bij het vallen van den avond en het oord was afgelegen. Een gewapende man werpt zich op hem, en vraagt hem de beurs of het leven.

„Eene beurs heb ik niet, antwoordde de arme priester, en het leven is mij door God gegeven, en Hij alleen heeft het recht, om het terug te nemen.

— Welaan, pastoor, niet zooveel gepraat; de beurs, of wel ik sla.quot;

Op dit oogenblik, herkende Dom Bosco in zijnen

van haar te rechtvaardigen, te hebben overgegeven. Dom Ronchail had somtijds verschrikkelijke hoofdpijn, als hij den vervaldag zag aankomen van eenen wissel en zijne kist hol klonk. Eenen morgen, onder anderen, trad de Z. E. Rulland bij hem binnen, om nieuws over hem te vernemen, want hij lag van den dag te voren te bed.

„Neem een mijner kaartjes op mijne schrijftafel, zeide hij, en geef mij alles, wat noodig is, om te schrijven.quot;

Hij schreef eenige regels, zette er een adres op en zeide: „Zend iemand dit wegdragen, en doe onze kinderen bidden; ik heb eenen wissel van twee duizend frank vóór middag te betalen, en ik heb geen cent! Mocht God ons de schande sparen, dat men mijn hand-teeken niet aan neme.quot;

Een uur daarna bracht hem M. Rulland het antwoord terug:

„Ziehier, om uwe hoofdpijn te genezen; ik durf hopen, dat de vader der weezen er goed rekenschap van houden zal.quot;

Twee briefjes van duizend frank vergezelden de kaart van haar, welke de kinderen gaarne „de goede mamaquot; noemden.

Een ander maal, wachtte dezelfde Dom Ronchail eenen wissel van twaalfhonderd frank, binnen de veertien dagen. Gedurende het middagmaal bracht de koetsier van een huurrijtuig, hem eenen verzegelden omslag, een briefje van honderd frank bevattende, dat in een klein vierkantig stuk papier was gestoken, en slechts deze melding droeg: „Bid voor mij.quot; En gedurende twaalf achtereenvolgende dagen, vernieuwde zich datzelfde feit op hetzelfde uur; eiken keer was het een andere bode, doch altijd dezelfde som en de drie zelfde woorden van het briefje, zonder handteekening. Men heeft nooit dezen zonderlingen naamlooze gekend.

ocr page 393

— 382 —

aanrander eenen oudgevangene, welken hij eertijds in den catechismus had onderwezen in de gevangenis van Turijn.

„Zoo, dat zijt gij! zeide hij, terwijl hij hem bij zijnen naam noemde; gij moet bekennen, dat gij uwe beloften slecht houdt, en gij een leelijk ambacht uitoefent. Ik had zooveel betrouwen in u , en ziedaar nu!quot;

De dief had insgelijks ingezien, met wien hij te doen had, en hij boog heel verlegen het hoofd;

„Indien ik geweten had, dat gij het waart. Vader, kunt gij wel denken, dat ik u zeker gansch gerust gelaten had.

— Dat is niet genoeg, mijn kind, gij moet volkomen van leven veranderen. Gij valt de goddelijke Goedheid lastig, en pas op, indien gij niet gauw boetvaardigheid doet, dat gij den tijd nog hebt, om u op uw stervensuur nog te bekeeren.

— Zeker zal ik van leven veranderen, Vader, ik beloof het u.

— Gij zult u moeten biechten.

— Ik zal het doen.

— En wanneer?

— O! weldra.

— Doe het dan dadelijk, dat is zekerder; zet u daar mijn kind.quot;

En na zich op eenen dikken steen neergezet te hebben, wijst hem Dom Bosco eene plaats aan zijne voeten.

Na eenige aarzeling, zet de andere zich op de knieën. Dom Bosco legt hem eenen arm om den

ocr page 394

— 383 —

hals, evenals eertijds, en terwijl hij hem aan zijn hart drukt, hoort hij de bekentenis zijner fouten.

Daarna omhelsde hij hem, gaf hem eene medalie van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand en het weinige geld, dat hij op zich droeg. Eindelijk vertrekt hij in gezelschap van zijnen dief, die hem tot aan de poorten der stad brengt, en die in het vervolg een zeer goed mensch werd.

Wij hebben reeds de gave van vooruitzicht aangestipt, welke Dom Bosco bezat. Eens verhaalde hij aan zijne medebroeders, dat hij gedroomd had over een kind, dat hij niet kende, maar dat aan het Bedehuis moest zijn. Hij beschreef het; men zocht op de speelplaats, en men bracht een kind aan, dat aan de gegeven beschrijving beantwoordde. Dom Bosco begon inwendig te bidden en te overpeinzen, streelde het kind en zeide, nadat hij hem naar zijne spelen teruggezonden had; „Dit kind heeft de oefening van den goeden dood niet gemaakt. Bereid hem voor; er is geen tijd meer te verliezen.quot;

De geloofsonderwijzer nam de aanbeveling ernstig op. Het kind ging te biechten en tot de H. Tafel, 's Avonds zelfs, moest het zich na een onge-lukkigen val, te bed leggen, verloor snel zijn bewustzijn, en stierf.

Toen Dom Bosco in 1878 op reis ging, kondigde hij vertrouwelijk aan, dat hij bij zijnen terugkeer vijf kinderen minder zou vinden. Hij gaf hunne namen, die in volle zitting zorgvuldig op een toe-gezegeld stuk papier geschreven werden, en beval hun aan, ze goed voor te bereiden.

ocr page 395

— 384 —

Gedurende zijne afwezigheid, bezweken er inderdaad vier dier kinderen aan verschillende ziekten. Het vijfde bleef, frisch en gezond, toen men den terugkeer van den Pater aankondigde, met den laatsten trein van den dag. God zij dank, dachten eenige Salesiërs, die van de voorzegging af wisten, dezen keer heeft zich Dom Bosco bedrogen. Hij had vijf sterfgevallen aangekondigd, en het zijn er maar vier geweest.

Doch denzelfden avond viel het kind ziek. Men had slechts den tijd, om hem de laatste heilige Sacramenten toe te dienen. Het gaf den geest op het oogenblik, dat Dom Bosco aan de statie kwam.

De Paters, die de voorzegging hadden opgeschreven, openden het toegezegeld briefje, en vonden er de namen in der vijf kinderen, in dezelfde orde opgeteekend, waarin zij bezweken waren, (i)

(i) Dom Bosco, parle Docteur Despiney, bl. 321, uitgave van 1888.

ocr page 396

■Jtli f»t_ f^._,j^_ g-L p-t

IR JXI .

p^sxr'ïxf^sff Pï TXFTXr^rquot;

SkLt gt;

, p •wrw i^r a.

; vfF ? txf^siff wijirw

DRIE EN TWINTIGSTE HOOEDSTUK.

MISSIËN VAN PATAGONIË. — DE KERK VAN SINT JOHANNES DEN EVANGELIST TE TURIJN.

p de zuidelijke landengte van het door Chri-

_jstoffel Columbus ontdekte vasteland, bestaat

er eene uitgestrekte landstreek, nog slecht door de Europeanen onderzocht, koud en van een zeer streng klimaat, dóéh wier jaargetijden heel tegengesteld zijn aan de onze; de zon schittert er van den noordkant en de ijskoude winden komen uit het zuiden; De winter woedt er van Maart tot September, en de heel korte Zomer verwarmt er de zeldzame inwoners slechts, gedurende de vier maanden November, December, Januari en Februari. Het is Pata-gonië.

Zooals heel Amerika, is het in twee ongelijke deelen verdeeld door de bergketen der Andes, eene verlenging der rotsachtige gebergten, die van Noord tot Zuid, van het eene tot het andere uiteinde van het onmetelijke vasteland loopen. Het westelijk gedeelte, tusschen de bergen en quot;den Oceaan, is verreweg het smaltste. Het oostelijk gedeelte, dat zich

ocr page 397

— 386 —

tot aan den Atlantischen Oceaan uitstrekt, biedt de meest verscheidene gezichten aan, die evenwel de meest aangename niet zijn; van den kant der berg-ketenp reusachtige, eeuwig met sneeuw bedekte toppen , dichte en donkere wouden, en steile bijna onbegaanbare voetpaden; van den kant van den Atlantischen Oceaan, uitgestrekte weiden, Pampas genaamd, doch veel minder vruchtbaar dan de pampas der Argentijnsche Republiek, die door eene warmere zon gevoed worden; zoutachtige meren, met zout overdekte velden, geene heuvelen, geene oneffenheid van het terrein; groote kronkelende stroomen, die slechts moeielijk bevaarbaar zijn; in één woord, mets dat den blik des menschen verheugt. De bedroevende indruk is nog levendiger, als men, meer ten Zuiden, de zeeëngte van Magellan overtrekkend, aan het Vuurland gekomen is, hetwelk een groot eiland is en zoo genoemd wordt, niet om zijne hitte, daar het ijs hem bijna onbewoonbaar maakt, doch om zijne vuurbergen.

Patagonië bezit geene steden, welke dezen naam verdienen, maar men ontmoet hier of daar legeringen van rondzwervers (Talderias, in het Spaansch) die bestaan uit eenige woningen, welke het midden houden tusschen de tent van den Arabier en de hut van den Afrikaanschen neger. Vellen van wilde honden (Jinanacos) die, op staken gespannen zijn, dienen voor daken en muren aan deze beweegbare verblijfplaatsen. Daar te midden van eenen dikken, stinkenden rook, leven de huisgezinnen in eene soort van verwarde vermenging. In plaats van tabak, rookt

ocr page 398

— 387 —

de Patagoniër ossen- of paardendrek, welke dieren zich in de Pampas wonderlijk vermenigvuldigden, sedert de Spanjaarden er eenige in vrijheid gelaten hebben. Hij is groot jager en van hooge gestalte, ofschoon niet altijd reus, zooals hem de eerste navorschers beschreven: hij eet veel meer dan wij, en leidt een ledig, eentonig en beestachtig leven, tusschen zijne jachten en oorlogen in.

De vermenging van het Spaansch bloed met dat der inboorlingen, heeft eene bijzondere soort gevormd, de Gauchos, eene samengestelde bevolking, welke aan de Indianen hunne wapenen, den lazo en den bol as, en aan de Spanjaarden het paard ontleenden. Dit ras scheen als middelaar te kunnen dienen, tusschen de wilden en de beschaafden; dat is in het geheel het geval niet geweest; de Patagoniër toont zich even halstarrig aan alle toenadering met de Argentijnen en de Chiliërs, als zijne voorouders dit deden met het staatsbestuur van Madrid; hij heeft altijd denzelfden afschuw voor de gebruiken en den godsdienst der Europeanen.

Dom Bosco zag zijne kloeke zendelingen, die onophoudelijk versterkt werden door opeenvolgende afzendingen, zich verder en verder van Buenos-Ayres, hun algemeen kwartier, over Uruguay uitstrekken, waar zij zich te Montevideo, te Villa-Colombo, te Paysandu, en te Las Piedras, en over Brazilië, waar zij zich te Rio de Janeiro en te Nichteroy vestigden. Doch hoe noodzakelijk en vruchtdragend deze volksplantingen in die rijke en beschaafde landen voor de zielen ook waren, schenen zij hem toch minder

ocr page 399

— 388 —

in evenredigheid met den apostolischen ijver, dan de bittere woestenijen. Ook nam hij in 1878, bereidwillig het voorstel van Mgr. Aneyro, Aartsbisschop van Buenos-Ayres aan, om den Rio-Negro over te steken en het geloof aan de Patagoniërs te gaan verkondigen.

Op zijn bevel zond Dom Fagnano, die reeds te Carmen de Patagones, op de grenzen van de Ar-gentijnsche Republiek en het onafhankelijk Patagonië gevestigd was , Dom Costamagna en eenige andere Salesiërs, met Zusters van Maria-Bijstand; eene eerste proef in de Pampas nemen. Mgr. Espinoza, grootvicaris van den Aartsbisschop vergezelde hen. De verzending liep gelukkig af, behalve voor twee zusters, die zich van de anderen afscheidden en te midden van eenen stam wilden vielen, welke in oorlog tegen de Argentijnsche Republiek waren. Ofschoon deze wilden als menscheneters befaamd waren, deden zij haar geen leed, doch wilden ze alleenlijk bij zich houden. In hare ballingschap, stonden zij echter zooveel angst uit, dat zij zes maanden na hare verlossing, aan de gevolgen van hare ontberingen en haar lijden moesten sterven.

Patagonië was, voor de laatste jaren van Dom Bosco, zijn bevoorrecht arbeidsland. Hij schreef aan zijne Medewerkers, in den omzendbrief van den jsten Januari 1880:

„Het roemrijkste veld, dat de goddelijke Voorzienigheid thans aan uwe liefde aanbiedt, is dat van het onmetelijk Patagonië. Tot hiertoe hadden de arbeiders van het Evangelie niet in de afgelegen

ocr page 400

— 389 —

gewesten kunnen binnendringen; doch de tijd der barmhartigheid schijnt gekomen. Mgr. Aneyro, Aartsbisschop van Buenos-Ayres, te zamen met het Staatsbestuur van het land, zet ons vurig aan, om deze zoo kostbare missie aan te nemen; en ik, ik heb toegestemd, vol vertrouwen op uwe edelmoedigheid. De eerste poging, die moeielijk en gevaarlijk was, is ons volkomen gelukt: vijf honderd inboorlingen werden in den schaapstal van den oppersten herder, door het ontvangen van het H. Doopsel, teruggebracht.

„Van de boorden van den Rio-Negro af, in de richting van het zuiden dezer onmetelijke woestijnen, bevinden zich zes koloniën, eene soort van dorpen of gehuchten, op eenen afstand van verscheidene dagreizen. In de aanstaande maand Maart, een weinig vroeger of later, zullen de Salesiërs en onze kloosterzusters in die landen scholen gaan openen. Patagones zal het nieuwe middelpunt zijn, vanwaar zich onze evangelische werklieden in de onbekende streken zullen werpen.quot;

Deze ontwerpen werden niet zonder moeielijk-heden ten uitvoer gebracht, het gemis aan geldelijke hulpmiddelen was ééne der grootste; Dom Bosco drukte zich op deze wijze uit, in zijnen omzendbrief van 1881 ;

„Ziedaar twee jaren, dat wij geene nieuwe verzending naar Zuid-Amerika hebben kunnen doen, om onze medebroeders en onze Zusters van Maria-Bijstand ter hulp te komen; de geldelijke middelen ontbraken ons. Na echter over de noodzakelijkheid

Dom bosco. 25

ocr page 401

— 390 —

en gewichtigheid der ontberingen te hebben beraadslaagd, hebben wij op uwe medewerking gerekend, welgeliefde Medebroeders, en hebben wij besloten , eene zending van twaalf Paters .of Broeders en acht Zusters te doen. De eene aitffati den 22sten Januari, de andere den 3den Februari vertrekken....

„De landbouw heeft eene heel bijzondere uitbreiding in onze Patagonische stichtingen genomen; wij hebben kerken opgericht, scholen geopend, woningen voor de pastoors en onderwijzers gebouwd, en zelfs weldadigheidsgestichten voor de Indianen, die langs de twee oevers van den Rio-Negro rondzwerven.

„Deze wilden toonen zich zeer gehoorzaam aan de stem der liefde en der waarheid ; zij verlangen vurig^om de kunsten en ambachten te kennen doch, vooral om den landbouw, nog onbekend aan deze zwervende volksstammen ^ aan te leeren.quot;

Generaal Roca, President van de Argentijnsche Republiek, schonk blijkbaar zijnen steun aan Dom Bosco; de volgende briefis er het bewijs van;

„Buenos-Ayres, 20 December 1880.

„.-la/i den Zeer Eerwaarden Pater Dom Bosco, van het Bedehuis van den H. Francisens van Sales, te Turijn.

„Zeer Eerwaarde Pater,

„Ik heb uwen brief van 10 November ontvangen, en aanvaard bereidwillig alle achtbare gevoelens, welke hij bevatte. Gij kunt verzekerd zijn, dat de missiën in de Pampas en Patagonië, altijd voor onze

ocr page 402

— 391 —

Republiek, de plaats zullen innemen, welke ondernemingen van beschaving verdienen, en dat uwe kloosterlingen altijd met het ontzag behandeld zullen worden, dat zij zich tot heden van den kant der burgerlijke en staatkundige overheden des lands hebben waardig gemaakt.

„Terwijl ik de hulp uwer gebeden vurig inroep, om den moeielijken last van het staatsbestuur te kunnen torschen, groet ik u met bijzonderen eerbied en met achting.

„Uw zoon, Roca, „ Voorzitter der Republiekquot;

De geestelijke overheden van hunnen kant, verwaarloosden niets, om de Salesiërs bij te staan. De bisschop van Sint Sebastianus de Rio Janeiro, Dom Pedro Maria de la Cerda, richtte in 1883 eenen herderlijken brief tot zijne onderhoorigen, waarin hij vol geestdrift den lof uitspreekt van Dom Bosco en zijne werken.

In November 1883 eindelijk, schiep het hof van Rome, na de voorstellen van Dom Bosco in aanmerking genomen te hebben, twee geestelijke provinciën in Patagonië. Het Noorden en het midden van het land vormden een apostolisch Vicariaat, en het Zuiden, met het Vuurland en de naburige eilanden vereenigd, werd eene apostolische Prefectuur.

Terzelfder tijd koos Zijne Heiligheid als apostolisch Provicaris, Dom Johannes Cagliero, Doctor in de Godgeleerdheid, aan wien hij de bisschoppelijke waardigheid verleende, en als apostolisch Prefect

ocr page 403

— 392 —

Dom Fagnano, beiden kinderen van het Salesiaan-sche Bedehuis.

Mgr. Johannes Cagliero is zelfs een der eerste onder deze kinderen. Te Chateauneuf d' Asti, evenals Dom Bosco, geboren, was hij reeds volwassen, toen deze de grondslagen van het Gezelschap legde; spoedig vervoegde hij zich bij hem, en sedert dien, heeft hij niet opgehouden een zijner beste medehelpers, alsook zijn troost en zijn roem te zijn.

Hij kwam naar Europa terug, om de bisschopswijding te ontvangen en den Opperherder te bedanken. In het afscheidsverhoor, dat hem Leo XIII toestond, zeidè hij, bij het verklaren van den toestand der werken van Dom Bosco en van zijn Gezelschap in Zuid-Amerika: „Wij zijn tegenwoordig met twee honderd Salesiërs, zoowel kloosterlingen als kloosterzusters, in deze uitgestrekte streken; wij bewonen zeventien huizen en twintig statiën.

— Dat zijn zeer schoone beginsels, zeide Leo XIII met eenen zucht, maar wat beteekent dat voor zoo uitgestrekte benoodigdheden? Doch wij hebben vertrouwen op uwen ijver en op dien van uwen vader Bosco; gij zult u daarbij niet houden; de missiën der Salesiërs in Zuid-Amerika zijn eene der dierbaarste verwachtingen van de algemeene Kerk.quot;

Wij hebben reeds gesproken over het bouwen der kerk van Sint Johannes den Evangelist, ter gedachtenis aan Pius IX te Turijn begonnen, op de plaats Victor-Emmanuël II, kortbij den Waadland-schen tempel. Het gemis aan geldmiddelen, gevoegd aan de uitbreiding der oorspronkelijke plannen, ver-

ocr page 404

— 393 —

traagde er de volvoering van tot in 1882; dan had men niet alleen eenen heerlijken tempel, maar naast hem een nieuw huis, een weeshuis met scholen en werkplaatsen, kortom een volkomen Bedehuis, zooals ze Dom Bosco verstond.

Een schoon standbeeld van Pius IX, in wit marmer van Cavarre, dat men te danken had aan den beitel van Franciscus Confalonieri uit Milaan, werd er in opgericht. Volgens het opschrift, dat op het voetstuk geplaatst is, moest het dienen als „ge-denkteeken van liefde en erkentelijkheid der Sa-lesiërs en* hunner medewerkers jegens eenen opperherder, die zich altijd eenen vader voor hen toonde.quot;

Dom Bosco was zoo gelukkig over de voltooiing der kerk van Sint Johannes den Evangelist, dat hij door eenen bijzonderen omzendbrief aan zijne medewerkers, den datum van hare wijding aankondigde, die op den 23slen October gevestigd was.

„Volgens het oordeel der meest onderscheidene kunstenaren, zeide hij, is deze kerk een der meest volmaakte en sierlijke praalgebouwen, welke de stad van het H. Sacrament en der H. Moeder Gods Maria verrijken.

„Thans moeten wij onzen Lieven Heer bedanken, dat Hij ons op zoo vele manieren geholpen heeft, om de verscheidene en ontelbare moeielijkhe-den te overkomen, die wij aangetroffen hebben, om

dit praalgebouw, toW zijne glorie op te richten......

Ik zou willen, dat al onze medewerkers, niet alleen van Turijn, maar ook van heel Italië en van dean-

ocr page 405

— 394 —

dere volkeren, bij de plechtigheden der wijding-

konden tegenwoordig zijn........

„Vragen wij aan den zoeten Heer, dat Hij zich ge-waardige, deze nieuwe kerk onder zijne almachtige bescherming te nemen, en met een oog van welwillendheid en liefde degenen moge aanzien, die er hun hart

aan den voet der altaren komen uitstorten.......

„Ik, van mijnen kant, zal nooit ophouden, mijne gebeden met die der Salesiërs en der aan hunne zorgen toevertrouwde kinderen en jongelingen te vereenigen, opdat God onze weldoeners beloone, en over u, over uwe ouders en over uwe vrienden, de beste zegeningen in dit leven uitstorte, en u in het andere eene gloriekroon verleene, volgens de goddelijke beloften der H. Schriftuur:

„Mijne barmhartigheid zal ik met onttrekken aan hein, die eenen tempel te mijner eer zal oprichten, en ik zal zijnen troon in het eeuwig koninkrijk vestigen : Misericordiam ine am non auferam ab eo; et stabiham thronuni regni ejus usque in seinpitemuin.''

„Gelieft, mijne Heeren, mij den machtigen steun uwer edelmoedige naastenliefde te blijven gunnen voor de talrijke werken, welke Gods goedheid mij onder de handen gegeven heeft. Daardoor zullen wij te zamen een weinig goed kunnen doen aan onzen evennaaste, en vooral aan de arme verlatene jeugd; in afwachting heb ik de eer mij te noemen, met de gevoelens der allerdiepste erkentelijkheid, „Uwen zeer nederigen dienaar,

„Johannes Bosco, Salesiaansch priester.quot; „Turijn, den i5den October, 1882.quot;

ocr page 406

— 395 —

Een post-scriptum duidde aan, dat er voor de kosten van den bouw en de versieringen, eene som van vijf en veertig duizend frank te dekken overbleef. Deze schuld werd deels geëffend door de geloovigen, die zich naar het feest der inhuldiging begaven, deels door eene bedevaart van 600 Fran-schen, die bij hunne terugkomst van Rome zich te Turijn ophielden, om Dom Bosco te zien en te hooren en zijnen zegen te ontvangen.

ocr page 407

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DOM IIOSCO TE PAKIJS, TE AVIGNON, LVON, RIJSEL EN DIJON.

n 1882 strekte Dom Bosco den kring zijner uitstappen in Frankrijk een weinig verder uit. Hij begaf zich naar Toulouse, Brignoles en Valencia, en schreef overal nieuwe medewerkers in.

Te Brignoles deed hij eene bekeering bij eene eenvoudige ophaling. Na zelf met zijne beurs dooide rangen der menigte de kerk te zijn rondgegaan, kwam hij buiten op de groote plaats, waar volgens het gebruik een groot getal menschen stonden. Hij naderde eenen werkman; doch deze wees hem door een weigerend gebaar af. Toen zeide Dom quot;Bosco met eenen liefderijken glimlach op de lippen: „Dank u, vriend.quot; De man, verwonderd en getroffen, stak de hand in den zak, trok er eenen cent uit, en legde hem in de beurs. „O! dank u nogmaals; ik, op mijne beurt, moet u ook iets geven. Hebt gij eene vrouw? — Ja, Eerwaarde. —Welnu, geef haar deze medalie. Hebt gij eene dochter? Hier is ook

ocr page 408

— 397 —

eene voor haar. Zeg haar van ze om den hals te doen, dat zal haar en u geluk brengen.quot; Dom Bosco verwijderde zich, de man hield hem echter terug. „Zeg, Eerwaarde, ik heb ook nog eene oude moeder; zij zal jaloersch zijn. -—- O! ja: welnu, ziedaar nog eene

medalie.....Maar, (en hij glimlachte schalks) nu

ik u drie medaliën gegeven heb, dunkt mij, dat het zeer rechtvaardig zou zijn, dat gij mij ook iets gaaft.quot; De werkman zocht in zijnen zak. „O! het is geen geld, dat ik u vraag; gij hebt er mij reeds gegeven. Maar, welaan, vriend, hebt gij uwen Pa-schen gehouden? — Neen, Eerwaarde Heer, sedert langen tijd niet meer. — Welnu, houd hem dit jaar; beloof het mij.quot; De man beloofde het, met zulke uitdrukking in de stem, zegt ons een ooggetuige, dat zij borg bleef voor de getrouwheid in het houden zijner belofte.

Het jaar der groote reizen in Frankrijk was 1883. Dom Bosco voelde zijne gezondheid verzwakken ; hij wilde van zijne laatste krachten gebruik maken.

Van Nice en Marseille kwam hij den 3den April te Avignon, en bracht twee dagen en twee nachten door bij M. Michel, handelaar. Dit nieuws liep als eene streep buskruid door de stad. Het huis Michel werd als het ware, door de menigte belegerd; het magazijn, waarin alle verkooping geschorst was, het binnenplein, de zaal en de kamers werden bemachtigd; doch in deze bemachtiging heerschte zulk eene bedaardheid, zulk eene ingetogenheid, dat zij eene soort van eerbiedigheid te kennen gaven, welke de heilige priester alleen niet gewaar

ocr page 409

— 398 —

werd. M. Michel volgde hem overal, en had werk genoeg, met hem te beschermen, aangezien hij zeer zwak was; ook noemde Dom Bosco zijnen gastheer „mijnen engelbewaarderquot; en den jongen Willem Michel „mijn koorkind,quot; omdat hij hem de mis diende. Ondanks deze bewaking, durfde men zelfs stukken van zijnen toog afsnijden, om ze als reliquieën te bewaren. Hij bemerkte dit, en terwijl hij zich omkeerde met de goedhartigheid, die hem kenmerkte, zeide hij: „Men snijdt mijnen toog in stukken, als het ten minste nog was, om er mij eenen nieuwen te geven!quot;

Te Lyon, waar hij eene week doorbracht bij zijnen vriend, Mgr. Guiol, Rector der Katholieke Hoogeschool, ging hij vooreerst naar Onze-Lieve-Vrouw van Fourvière. Den zevenden, gaf hij er den zegen bij de avondoefening, daarna buiten op de groote plaats, aan eene menigte geloovigen, die niet binnen de kapel konden komen. Mgr. Guiol, De Z. E. Desgeorges, Overste der zendelingen van Sint Ireneeüs, Dom Pothier, Benediktijn, en de alge-meene Overste der Congregatie van Sint Sulpicius, woonden deze plechtigheid bij.

Lyon is de wieg en bakermat der goede werken. Verscheidene stichtingen van dezelfde soort, als die van Dom Bosco, zijn er hem voorgegaan; men kent, om de voornaamste slechts te noemen, het werk der geloofsonderwijzingen van den Prado, gesticht door den Z. E. Chevrier, zaliger gedachtenis, de werkwijk van den Z. E. Rambaud; het weeshuis van Oullins, door den Z. E. Rey; in dezelfde streek.

ocr page 410

— 399 —

te Couzon-sur-Saóne, het toevluchtsoord van Sint Leonard, door den Z. E. Villon, en te Bourg de Landbouvvvoorzienigheid van Sint Isidorus, door den Z. E. Griffon.

Dom Bosco bezocht het Patroonschap van Onze-Lieve- Vrouw der Guillotière (Cremieuxstraat, 13). Daar bevond zich eene christelijke werkplaats voor leerjongens, opgericht naar het model der werkhuizen van den Valdocco, door den Z. E. Boisard, die te Turijn het toonbeeld, dat hij noodig had, was gaan zoeken.

Na het verslag van den Z. E. Boisard, stond Dom Bosco op, en zeide vooreerst:

„De kinderen zijn de geneugten van God.quot;' Daarna toonde hij de noodzakelijkheid aan, van de kindsheid in dien staat van deugd te handhaven, welke hun het goddelijk welbehagen verwerft. En van het geestelijk oogpunt naar het maatschappelijk overgaande, zeide hij nog: „Indien de jeugd slecht is, zal de maatschappij slecht zijn. Om de maatschappij dus te redden, moeten wij de jeugd vrijwaren. Weet gij. Mijne Heeren, waarin het heil der maatschappij gelegen is? Het is in uwe zakken gelegen. Die kinderen, welke het patroonschap, welke de werkhuizen opnemen, hebben uwe hulp noodig, zij wachten op uwe aalmoes. Indien gij ze verstoot, indien gij ze aan de bandelooze leerstellingen ten prooi laat, zullen zij eens die goederen komen vragen, welke gij hun heden weigert; zij zullen ze u vragen, niet met den hoed in de hand, maar met het mes op de keel, en misschien zullen zij met uw geld uw leven eischen.quot;

ocr page 411

— 400 —

Dom Bosco eindigde zeggende: ,,De liefdadigheid der inwoners van Lyon strekt zich tot aan de werken van Turijn uit: zij kan dus aan de werken van Lyon niet ontbreken. Laat mij van hier vertrekken, mijne Heeren, met de overtuiging, dat de onderneming van den Z. E. Boisard, die zoo goed begonnen is, voortga en vorderingen make, en dat de bescherming der brave lieden hem even min te kort schiete, als de zegen van God. (l)quot;

Van Lyon begaf hij zich op weg naar Parijs.

Parijs is een Babyion, eene stad van weelde en lichtzinnigheden, van dwaasheid en verderf: niemand ter wereld is dit onbekend. Maar Parijs is ook een Jeruzalem, eene stad van gebed en arbeid, van opoffering en menschlievendheid; onder dit tweede uitzicht, is Parijs slechts door hen gekend, die het bewoond hebben en er tot op den bodem hebben zoeken door te dringen.

De hoofdstad der omwenteling en der mode, het middelpunt van alle geheime genootschappen, is onbetwistbaar Parijs, doch het middelpunt van den tegenstand aan de oplossende werking dezer zelfde genootschappen, de stad, die in weerwil aller hinderpalen, de bouwing der Basiliek van het H. Hart voortzet, en die elk jaar steen bij steen en cent bij cent, haar millioenen als vrijwillige bijdrage aanbrengt, de stad der voordrachten van den H. Vin-centius a Paulo en der Zusters van Liefde, is insgelijks Parijs. Eene eenige stad, waarin de tegenspraak

(l) Ij'Echo de Fourviêre, van den 21 April 1883.

ocr page 412

— 401 —

overal langs de tegenspraak voortstapt, waar het goed en het kwaad door elkander dwarrelen, zonder elkander te raken, bijna zonder elkander te zien, onmetelijk is het midden zoo waarin beide zich bewegen. Men kan jaren te Parijs verblijven, zonder iets anders te zien, dan magazijnen en drankhuizen, dagbladen en schouwspelen ; doch er zijn menschen, en zelfs zijn er vele, die er zoo verslonden leven in de boekerijen, de kerken, het huisgezin ,en de goede werken, dat het gedruisch der wandelplaatsen nauwelijks tot hen geraakt. Zoo bewegen zich op dezelfde plaats, een volk van visschen en een volk van vogelen, het eene boven het andere, zonder dat de bewoner der wateren den bewoner der lucht ontmoet, of dat de bewoner der lucht zich bezig-' houdt, met hetgeen er onder de wateren gebeurt.

Het christelijk Parijs ontroert bij het nieuws der aankomst van den Italiaanschen Vincentius a Paulo; men bevredigde zich niet, met hem te volgen; overal, waar men veronderstelde, waar men ried, dat hij moest gaan, stroomden de geloovigen toe, wachtten zij lange uren en stortten zij zich neer, onder de zegeningen van den man Gods, met eene geestdrift, waarvan niets het zoete en statige schouwspel zou kunnen weergeven. De stoot deelde zich aan het wulpsche Parijs mede, aan dat, wat eiken morgen, evenals het oude Athene, opstaat, terwijl het zich afvraagt: ,,Wat nieuws is er?quot;

Wat nieuws? Een wonderdoener, een heilige, is dit geen ongemeen nieuws te Parijs, in het midden der negentiende eeuw ?

ocr page 413

402

En het spottend en twijfelzuchtige volk, vooreerst medegesleept door de nieuwsgierigheid, daarna door de verrassing en door, ik weet niet, welke onwederstaanbare ontroering, boog op zijne beurt voor den man van God. Vóór zijn verschijnen, veinsde men te glimlachen; men was eerbiedig bij zijne tegenwoordigheid, men verliet hem slechts met een gevoelen van diepe hoogachting, of liever van verslagenheid en teederheid, die eene ontwaking was van het ingeslapen geloof, en een krachtdadig verzet tegen de snoeverijen der godloochening. Indien hier een zoo ongewijde term op zijne plaats stond, zouden wij zeggen, dat Dom Bosco gedurende twee weken „de leeuw van den dagquot; was.

Vanwaar kwam hij? waar was hij? wat deed hij? Veertien dagen van te voren was zijn naam nauwelijks gekend; thans spreekt de menigte er geenen anderen meer uit.

Dom Bosco gaf zich eenigermate aan hen over, terwijl hij iedereen aanhoorde, in iedereen belang stelde en op iedereen de genaden van O. L. V. van Bijstand afriep. Hij sprak tot elk in het bijzonder, alsof er niemand anders op aarde bestond. Men bewonderde zijne kalmte, die afstak tegen de haastigheid en het gewoel der menigte, welke hem zocht; men verwonderde zich, bij het zien van zulken een-voudigen man, met een vroolijk en meer zacht dan streng uiterlijk, met eenen meer diepen dan leven-digen blik, terwijl men wist, dat deze man mirakelen deed. Eenigen vroegen, of die mirakelen wel bewezen waren, of men er niets moest van afdoen.

ocr page 414

— 403 —

Er was ten minste een in het oogspringend mirakel, een dagelijks en gedurig mirakeldat van de verwonderlijke uitbreiding en het standhouden van het werk der Salesiërs.

„Ik heb hem niet gezien in zijne weeshuizen, te midden van de priesters, die hij gevormd heeft, schreef een toeschouwer, maar ik heb hem gezien op zijnen doortocht door het volk, dat zijn woord wegvoert, dat zich aan zijne voeten werpt, hem de handen kust en zich onder zijnen zegen neerbuigt; doch, hetgeen de schoonheid van dezen zegetocht uitmaakt, is de zedigheid van hem, die er het voorwerp van is.

„Men ziet, dat hij er niets van voor zich neemt, en alles aan God en aan de H. Maagd overdraagt. Hij is de zoon van een landman, hij is het gebleven ; hij beoogt geen begoochelingen. De pastoor van Ars had de H. Philomena; hij heeft O. L. V. van Bijstand, en aan haar schrijft hij alle wonderen toe, die door hem verwezenlijkt zijn.

„Hij gaat voort, terwijl hij goed doet en zich aan allen overgeeft, zonder keuae of voorliefde. Men neemt hem, men leidt hem. Orafjeenige dagen, geraakten twee knaapjes te Sint-Thomas Villeneuve, met' tusschen de beenen der omstaanders door te kruipen quot;tot bij hem, en namen elk eene hand, terwijl zij hem al lachende aanzagen. De goede priester stuurde hen glimlachend eenige woorden toe, en liet hen meester over zijne handen, die de kinderen fier waren vast te houden, zonder dat hij beproefde zich van hen los te maken. Dom Bosco luisterde

ocr page 415

— 404 —

toch naar degenen, welke zich aanboden en antwoordde hun, ofschoon hij als gevangen tusschen deze twee knaapjes bleef, die hem niet wilden verlaten; eindelijk moesten de ouders komen, om vrijheid van bewegingen te verleenen aan den goeden priester, die niet dacht aan weerstand te bieden, zelfs niet aan kinderen.quot; (i)

Een der eerste dagen werd besloten, dat hij op een zeker Hpn faa-1 in een huis van de

ontvangen. Iedereen

nam zijne plaats; men had nummers; doch, lang voor het aangeduide uur, waren de zalen overweldigd en de trappen en binnenplaats vol. Zij, die geene nummers konden krijgen, hoopten ten minste den man Gods op zijnen doortocht te zien, en zijnen zegen te ontvangen. Men wachtte uren en uren. Men bad het rozenhoedje en andere gebeden ; want Dom Bosco, die zich liet brengen, was nooit stipt op tijd. Men moet het bekennen, door zijne buitenmatige toegeeflijkheid, offerde hij dikwijls het algemeen belang aan dat van den eerst gekomenen op, en deze vlottende dagelijksche bezigheden, deden, zoo niet hem, dan ten minste anderen veel tijd verliezen. Doch het volkomene in de volmaaktheid is niet van deze wereld, en niemand durfde hem eene zoo schoone onvolmaaktheid verwijten. Integendeel, in het langdurig wachten toonde het volk ons een treffend schouwspel. Het was werkelijk in den dampkring van God; het was verduldig, het wist toe te

(i) Léon Aubineau, Dom Bosco n Paris, bl. 41.

ocr page 416

— 405 —

geven, en het liet tusschen en vóór hem de zieken doorgaan, die men in grooten getalen aanvoerde.

Eens kwam er onverwachts een grijsaard, die Dom Bosco verlangde te spreken en hem bij een stervend kind wilde leiden. Daar stonden menschen, die gedurende verscheidene dagen, uren en uren hadden doorgebracht, om hunne beurt af te wachten, en die eindelijk het doel hunner verlangens meenden te treffen. Allen vergaten zich voor de droefheid van den grijsaard, allen juichten toe, als zij hem Dom Bosco zagen medeleiden, en brachten verheugd hunne eigene begeerten ten offer, door aan zich zeiven te weigeren,~ van den brandenden dorst,quot;* die hen verteerde, te voldoen. Men zegt, dat het kind genezen is géworden; er zijn redenen genoeg, om dit te hopen, ik kan het nochtans niet bevestigen. (i) De predikingen van Dom Bosco te Parijs waren talrijk; zij begonnen met de kerk van O. L. V. der Overwinningen7quot;Onze Lieve Vrouw van Bijstand was zeker haar eerste bezoek schuldig aan O. L. V Toevlucht der Zondaren. Het was Zaterdag. Dom Bosco las de wekelijksche mis van het Aartsbroederschap; daarna legde hij in zuiver Fransch, doch met zeer gekenmerkten Italiaanschen tongval, het doel zijHeiwerken uit, en deed eenen oproep aan de liefdadigheid. Hetzelfde onderwerp behandelde hij in zijne preek van den volgenden dag, onder de vesper, in de Magdalenakerk , waar zijne rondhaling bij de tienduizend frank opbracht, in Sint Sulpicius, des

(l) Léon Aubineau, Dom TJosco d Paris, hl 17. DOM BOSCO. 26

ocr page 417

— 406 —

Woensdags, den tweeden Mei, waar zij er zes duizend opbracht en in Sint Clotilde, 's anderendaags, waar zij insgelijks winstgevend was. De ruime schepen waren opgepropt vol. De vruchtbare redenaar drukte zich met kalmte, eenvoudigheid en zoetheid uit; hij had niet noodig zijne rede voor te bereiden: zijn thema veranderde niet; hij kon slechts spreken van datgene, waarvan zijn hart vol was: van zijne kinderen.

Hij woonde de vergadering bij van het Werk der Landbouwweeshuizen bij de Lazaristen, in de Sèvrestraat, of liever hij zat deze vergadering voor; zij had een privaat karakter en er was minder belemmering, doch zulk eene praal, dat er de zedigheid van den goeden priester, ietwat door verontrust werd: hij zag zich daar omringd door de grootste namen van Frankrijk, die de comiteiten van bescherming der Landbouwweeshuizen samenstellen, en was gezeten aan de zijde van Mgr. Dufougerais, Voorzitter der H. Kindsheid. Doch hij herstelde zich zeer gauw en verbond met al de fijnheid der Italianen, het werk, dat hem heel en al bezighield, aan dat, wat zijne toehoorders had samengebracht.

„Uw werk gelijkt zoodanig op het mijne, zeide hij, dat ik bij den eersten oogslag geen onderscheid tusschen hen zie; doch als ik beschouw, hetgeen mij hier omringt, weet ik niet meer, hoe ze overeen te brengen. Het mijne is dat der armoede, der onwetendheid en der ellende, het uwe schijnt mij gesteund op onderscheiding, wetenschap en rijkdom.

Om zoo schoone en groote werken goed ten einde

ocr page 418

— 407 —

te brengen, zijn er, wel is waar, twee zaken noodig: van den eenen kant de rijkdom, die heeft, om te geven en die geeft; van den anderen kant de armoede, die ontvangt met erkentelijkheid.

„De rijkdom schittert ten overvloede uit en van alle kanten in deze groote stad Parijs; ik vind hem ook in uw werk, Heeren, doch daar stort hij zich in de armoede uit. Deze laatste was en zal ons eenig aandeel blijven, dit weet gij, Monseigneur; gij hebt de stad Turijn eenige malen met uwe tegenwoordigheid vereerd, en dit is eene gunst, waar wij altijd de herinnering van zullen bewaren.quot;

Na deze vleiende inleiding, sprak hij zooals altijd over zijne weezen en maande alle toehoorders aan, het goede voorbeeld te geven en zich met eenen groeienden ijver bezig te houden met het vrijwaren der jeugd, de hoop van het schoone en edele Frankrijk.

Dom Bosco bracht daarna eenige dagen in de Noorderdepartementen door. Hij vond er overal eene geestdriftige ontvangst, doch nergens meer dan te Rijssel, die schatrijke stichteres van Werken, welke aan de aandrift der Franschen, den practischen zin en de taaiheid der Vlamingen paart, en welke zich zoo stout, sedert vijftien jaren, aan het hoofd der katholieke beweging geplaatst heeft.

De Rijsselsche onderschrijvingen lieten aan Dom Eosco toe zich met een weeshuis te belasten, in 1870 door de baronnes Seguier gesticht. Dit weeshuis werd het Bedehuis Sint-Gabriël (O. L. Vrouwstraat) , hetwelk in 1887 reeds honderd zestig leer-

ocr page 419

— 408 —

gasten telde, van welke kanunnik Lasné de reden van bestaan heeft uitgelegd:

„Sedert bij de twee honderd jaren, bevonden zich ten gevolge van eene vreeselijke beroering de werklieden, die eertijds te zamen vereenigd en door de wijze reglementen der gilde ondersteund waren, afgezonderd en ten prooi aan de hebzucht der patroons geleverd. De handlangers van het Socialis-mus hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt, om het venijn van den haat tegen het gezag in de arbeidende klassen in te enten; vooral legden zij er zich op toe, den arme van de katholieke Kerk te scheiden, welke als eene teedere moeder, aan zijne opvoeding had voorgezeten en zijne vrijmaking verkregen had. De vrij geworden werkman heeft zich tegen zijne weldoenster gekeerd. De gevoelens van afkeer, welke men hem inboezemt, worden onophoudelijk aangewakkerd door vijandige dagbladen, die noch voor de leugen noch voor den laster te-rugstaan, wanneer het er op aan komt, den godsdienst of zijne bedienaars in achting te doen verliezen. En waarom? Omdat het socialismus door ondervinding weet, dat zijne verkeerde leerstellingen geen meer te duchten tegenstander hebben, dan het christelijk onderwijs, en dat zij nooit de bovenhand kunnen krijgen in de zielen, verlicht door de klaarheid van het Evangelie.

„Wat is er uit dezen staat van zaken voortgesproten voor de jonge leergasten ? Een onmetelijk gevaar voor hun geloof en hunne zeden. De geest van ongeloof en onzedelijkheid heerscht inderdaad in het

ocr page 420

meestendeel der werkhuizen. Te vergeefs beproeven de beste patroons tegen dezen betreurenswaardige!! staat van zaken in te werken; zij verkrijgen misschien eene zekere uitwendige orde, doch de geesten, door de slechte leeringen verkankerd, zijn er slechts meer haatdragend door en meer tot den opstand aangezet.

„Dom Bosco bracht het geneesmiddel aan......

Vóór zijne aankomst en vóór de instelling zijner medewerkers, had men eene proef gedaan met de verkleefde medewerking der Zusters van Liefde. Doch deze proef, welke slechts tot het tijdstip der eerste communie op de weezen invloed had, kon tot niets leiden : want bij het begin hunner leerjaren, zijn deze jonge weezen verplicht, zich in de verschillende werkhuizen, waar hun bijzondere aanleg hen toe aanzette, te verdeelen, en verloren er weldra, al wat zij gedurende hunne eerste jaren verworven hadden.

„Alles is van aanblik veranderd sedert het stichten van Salesiaansche werkhuizen. Hier hebben de leerjaren geen gevaar meer, en de hand vormt zich voor den arbeid, terwijl zich het hart vormt voor de deugdquot; (i).....

Daarna verscheen hij wederom te Parijs, hield er zich op, om verscheidene beloften te vervullen, die hij bij zijn eersten doortocht niet had kunnen ten uitvoer brengen, en bezocht nog eenige kerken: Sint-Augustinus, Sint-Pieter van den Dikken-Steen, Sint-Margaretha, in de volkrijke wijken van Popin-

(i) Redevoering uitgesproken in het weeshuis van Sint Gabriël (La Vraie France, de Lille, 5 September 1887).

ocr page 421

— 410 —

court en de la Roquette; in deze wijken is het, dat hij een Bedehuis begeerde te stichten.

In Sint-Augustinus, hield hij eene onderrichting over de plichten der katholieken jegens de jeugd, waarvan de aanvang hier volgt:

„Onze goddelijke Zaligmaker is op de aarde nedergedaald, om het menschelijk geslacht te redden, en hij heeft bewijzen van zijne liefde en zijne goedheid jegens alle menschen gegeven. Doch de jeugd, is, om zoo te zeggen, het bevoorrechte voorwerp zijner teederheid geweest. Hij liet de kleine kinderen tot zich naderen, hij bedreigde hen, die ergernis geven aan de jeugd, gelijk hij nooit voor eenige misdaad bedreigde; eindelijk heeft hij gewild, dat de Heilige Boeken, door hunne eenvoudigheid en duidelijkheid, onder het bereik zouden zijn der kinderen en des

volks, hetwelk een groot kind is........quot;

In Sint-Pieter van den Dikken-Steen, bevond zich Dom Bosco in tegenwoordigheid van kardinaal Lavigerie, die zich zeiven wilde belasten hem aan de geloovigen aan te bevelen. ,

„Sedert ik de tegenwoordigheid van den Ita-liaanschen heiligen Vincentius a Paulo te Parijs vernomen heb, had ik slechts een verlangen, zeide de kardinaal, dat, van hem in eene onzer kerken te ontmoeten en zijne werken aan de Fransche edelmoedigheid aan te bevelen. Die werken heb ik zien beginnen te Turijn, zich vervolgens over Frankrijk zien uitbreiden , en als een verbindingsteeken van liefdadigheid en vrede tusschen de twee natiën worden.

ocr page 422

— 411 —

„Daar ik zelf in Tunis, waar de Italianen de meerderheid der katholieke bevolking uitmaken, geroepen ben eene dergelijke bediening te doen, ben ik gelukkig, zeer geliefde Broeders, u de groote gedachte van den apostel Paulus te herinneren, te weten, dat wij slechts een zelfde lichaam vormen, waarvan alle leden elkander moeten helpen. Dat doet gij, Zeer Eerwaarde Pater, als gij als Italiaansch priester, de weezen van Frankrijk opneemt en ze opvoedt; dat zoek ik in Tunis te doen, waar ik, Fransch priester, de kinderen van Italië als mijne zonen bemin.

„Gij zult dit werk van toenadering en vrede voltrekken, zeer geliefde Broeders, door dezen nederi-gen en verkleefden priester ter hulp te komen. Bij zijnen terugkeer naar zijn vaderland, moet hij kunnen zeggen, dat Frankrijk altijd getrouw blijft aan zijne groote zending van beschermster van alwie lijdt zonder onderscheid van grenzen.quot;

De uitstekende hersteller van den bisschoppelij-ken zetel van Carthago, ook apostel en met Dom Bosco en de pausen Pius IX en Leo XIII een der grootste figuren van onze eeuw, sprak dan eene heerlijke lofrede uit over de liefdadigheid en na voor Dbm Bosco aangedrongen te hebben, begon hij bij Dom Bosco zelf aan te dringen:

„Ik bewoon een land, waar de H. Vincentius a Paulo van Frankrijk, eertijds met geweld heenge-sleept en gedurende twee jaren in de slavernij gedompeld werd. Heden heeft Tunis eenen nieuwen H. Vincentius a Paulo noodig, die er heengeleid wordt niet door het geweld, maar door de liefde.

ocr page 423

— 412 —

Die heilige Vincentius a Paulo zijt gij, zeer geliefde Pater; met uw half Italiaansch, half Fransch geestelijk gezin, zult gij beter dan iemand anders het werk van verzoening en vrede vervullen, dat ons allernoodzakelijkst is.

„Uwe plaats is er heel en al aangeduid. Tot hiertoe zijn het de Italiaansche familiën, die bijna alleen het Kuropeesch gedeelte uitmaken van dit groot verlaten land, voortaan onder de edelmoedige bescherming van Frankrijk geplaatst. Deze familiën, wier herder ik ben, zijn zeer dikwijls, voorbarig gedund en van hunne hoofden beroofd, evenals al degene, welke hun vaderland verlaten. Wij zouden al die weezen moeten kunnen opnemen en zelfs alle kinderen, die eenen noodzakelijken steun missen. Ik doe eenen oproep aan uwe liefdadigheid, vader der Italiaansche weezen. Zij heeft reeds aan dien van Europa en Amerika beantwoord; ziehier Afrika, dat haar zijne verlatene kinderen aanbiedt. Uw hart is groot genoeg, om ze allen te bevatten. Zend hun uwe zonen. Uwe zonen zullen hen tegelijk in de welluidende taal van hun geboorteland als in die van Frankrijk toespreken. Wij zullen ze te zamen beminnen; te zamen zullen zij Goden Frankrijk lee-ren zegenen.

„En gij, zeer geliefde broeders, gij zult heden uwe aalmoezen tot bij die handen brengen, welke u toegestoken worden. Herinnert u, dat gij twee even geheiligde zaken gaat dienen: die der liefdadigheid en die des vaderlands.quot;

Dom Bosco kon aan dezen oproep geenen weer-

ocr page 424

— 413 —

stand bieden. Hij verzette zich tegen de loftuitingen die hem werden toegezwaaid, maar hij beloofde zijne medehulp: „Ja, zeide hij, het edelmoedige en groote Fransche volk, het volk, dat men den ridder der kerk en der menschheid heeft kunnen noemen, kon zich niet te vergeefs tot mijn hart wenden. Als het mijne kinderen vordert, om mijne Italiaansche landgenooten ter hulp te komen, heb ik twee redenen in plaats van ééne om er hem te geven.quot; En hij beloofde een gedeelte der aalmoezen, die hij zoo overvloediglijk in Frankrijk ontvangen had, voor Tunis te gebruiken, (i)

Ontleenen wij nog eens aan Leo Aubineau het verhaal van een bezoek van Dom Bosco te Parijs.

Oude betrekkingen, bijzondere genaden, onder anderen eene genezing, hadden Dom Bosco sedert lang met den boekhandelaar Josse, der Sèvresstraat in betrekking gesteld. Deze laatse vereenigde bij zich de jufvrouwen van Sint Sulpicius, die rondhalingen deden, en in de handen van den heiligen priester eene collecte van meer dan zes duizend frank hadden uitgestort. Dom Bosco, die niets kon weigeren, had beloofd haar te komen bedanken. De vergadering moest geheim blijven, men vestigde ze om twee ure.

Men weet alles te Parijs; sedert middag waren de vertrekken van den boekhandelaar overweldigd, het binnenplein was bezet, overal belemmering. Men

(l) Wij hebben alle reden om te denken, dat deze belofte, door Dom Bosco gedaan, verwezenlijkt zal worden, indien zij het op dit oogenblik niet reeds is.

ocr page 425

— 414 —

nam geduld, zooals men kon. De man Gods kwam slechts om half zeven. Het rijtuig, dat hem brengen moest en hem was komen halen, wachtte hem van sedert vijf ure 's namiddags. De straat was zoo opgepropt vol, dat het onmogelijk zou geweest zijn, om er nog in te gaan of over de stoep te loopen; men liet het rijtuig op het binnenplein, dat ook reeds vol was, doch waar men zich nog meer opeenhoopte. De menigte volgde het rijtuig. Het uur was daar, dat de werklieden hunnen arbeid verlieten; zij hielden stil, godvruchtig en nieuwsgierig, en al degene, welke zich eenen doortocht konden banen, mengden zich aan de menigte.

Men deed Dom Bosco opmerken, dat hij in dit binnenplein reeds sedert vijf ure geduldig verwacht werd, dat evenwel de magazijnen en vertrekken vol menschen waren, die hem insgelijks wachtten , dat hij nauwelijks één uur overhad, om aan iedereen te schenken, en dat het hem onmogelijk was aan elkeen te spreken. „Dan richtte hij van op den tred des rijtuigs eenige stichtende woorden aan de vijf of zes honderd personen, die de binnenplaats bezet hielden. Men luistert naar hem in wonderbare stilzwijgendheid en met diepgevoelde godsvrucht. Alle mannen waren ontdekt en toen hij aankondigde, dat hij den zegen ging geven, knielden allen neder, en maakten eerbiedig het H. Kruisteeken. Niemand van hen, die bij dezen zegen door Dom Bosco aan de opeengehoopte menigte op het binnenplein van n0 3 1 in de Sèvresstraat tegenwoordig waren, zal er ooit het schouwspel van vergeten. Het was de gemeen-

ocr page 426

— 415 —

schap der heiligen. AI dat volk in de werklivrei of onder den rijkdom der kleederen, mannen, kinderen, groote damen, werklieden, werkvrouwen, al dat volk was Christen, deed eene akte van geloof aan God, van eerbied en hoogachting aan de heiligheid.

Anderhalf uur later trad Dom Bosco uit het verblijf van M. Josse, waar hij, zoo niet lang en breed aan iedereen gesproken, dan ten minste bijna iedereen verduldig aanhoord had en in eteH klet had geantwoord. 'v'' ' ^

Toen hij echter het rijtuig wilde naderen, dat hem wachtte, vond hij op het binnenplein evenveel volk, als er vóór zijne aankomst was. Men had hem gewacht, men wierp zich op hem aan, iedereen wilde hem de hand kussen, en een voorwerp van godsvrucht, een rozenhoedje of medalie doen aanraken. Dan hebben wij hetzelfde schouwspel gehad als in Sint Sulpicius en in andere kerken.

Daar moest dezelfde manier van handelen gebruikt worden, om de eenige noodige stappen te kunnen doen. Een man ging vóór den apostel der liefdadigheid, om de menigte van elkander af te scheiden en er door heen te dringen, terwijl twee andere, hem van beide kanten beschermden tegen de haastigheid en de driftigheid van die vurige en godvruchtige mannen, welke zijne handen vastgrepen, ze kusten en ze elkander als om strijd betwistten; eindelijk volgde er eene andere, die den stroom tegenhield, welke zich wilde hervormen, om zich wederom 'op den man Gods te storten. In het rijtuig gestegen, gaf hij eenen laatsten zegen, en

ocr page 427

— 416 —

toen het rijtuig zich in beweging zette, barstte de tot dan ingetogen menigte in luide vivats los. Zij staken zakdoeken, petten en hoeden in de lucht en wuifden er mede. Het ad muitos annos van het christenvolk was in aller harten.

Deze betooging, welke wij gezien en bijgewoond hebben in een huis van de Sèvresstraat, vernieuwde zich eiken dag in de verschillende wijken van de stad, en zij vergezelde Dom Bosco, den 26sten Mei, tot op de werf van het station van Lyon. De heilige priester ging naar Turijn terugkeeren. Hy had het uur van zijn vertrek niet aangekondigd, hij had zich niet binnen het station opgehouden, hij was er snel de zalen van doorgegaan, en had plaats genomen in het voor hem bestemde rijtuig, voordat zijn geheimschrijver de reiskaartjes aan het winket gehaald had. Rond het rijtuig niettemin, waar hij ingegaan was, vormde zich een kleine groep, die zeer gauw-ieders opmerkzaamheid tot zich trok. Zouden er velen geweest zijn, die den naam niet kenden, welken men zeide aan hen, die om inlichtingen vroegen? Men verwonderde zich over de dienstvaardigheid, welke men aan den dag legde rond dezen priester, met zijne eenvoudige manier van handelen, wien niets voor de oogen van het publiek verhief. Zijn lachend gelaat, waarop eene zedige goedhartigheid aan eene uitgelezene kieschheid gepaard, te lezen stond, legde het geheim niet uit, en er moest wel geantwoord worden aan de nieuwsgierigen, die te zeer aandrongen, dat die goede man een mirakeldoener was. Dat kon eenigen verwonderen; doch volgens de aanmer-

ocr page 428

— 417 —

king van cenen geleerden kerkvoogd, heeft het mirakel voor den hedendaagschen geestestoestand in Frankrijk, niets dat aan de menigte afkeer inboezemt of ze kan mishagen. Toen de trein zich in beweging zette, werden de hoofden ontdekt, en werd Dom Bosco bijna door alle aanwezigen eerbiedig gegroet (i).

Maar het beste, dat hij overliet, hetgeen blijft en zal blijven van zijn doortocht te Parijs, is het Bedehuis van Sint-Petrus, op den heuvel van Me-nilmontant. Dit gesticht bestond reeds. Door den Z. E. Pisani opgericht en daarna aan de Broeders van den H. Vincentius a Paulo toevertrouwd, zag het zich plotseling in de verlegenheid gebracht, door moeielijkheden van inwendige orde. Dom Bosco stond voor geene opoffering terug, om het staande te houden. Toen Mgr. Gay, Bisschop van Anthedon, er in Juni 1887 een standbeeld kwam oprichten van Maria-Bijstand, dat men aan den beitel van David van Angers te danken had en de reis naar Turijn had doen maken, om door Dom Bosco gezegend terug te komen, vond de Opziener der Salesiaansche huizen in Frankrijk, Dom Albera, dat het Bedehuis van Menilmontant reeds één der bloeiendste was, en misschien de beste toekomst te gemoet zag.

Bij zijnen terugkeer, hield Dom Bosco te Dyon stil en bracht drie dagen door bij den markies van Saint-Seine. Daar als overal, w^rd hij omringd en

(1) Léon Aubincau, Dom Bosco a Paris.

ocr page 429

— 418 —

belegerd; het was met honderd, honderd vijftig personen, dat men in elk huis wachtte, waarin hij zich begaf.

Een ooggetuige schrijft ons:

„Men heeft hem te Dyon niets buitengewoons zien doen. De Carmelitessen hadden hem zeer gaarne gehad in de hoop, dat hij hare zieke overste zoude genezen; de overste werd niet genezen. Men herinnert zich alleen, dat hij na het vieren van zijne eerste mis in den Carmel zeide, terwijl hij drie honderd frank toonde, die hij juist ontvangen had: „Het is eene dame, die deze som beloofd had, indien zij eene zekere genade verkreeg, en zij heeft ze verkregen.quot; Als hij terugkwam van de uitstapjes, die hij een weinig overal deed, gaf hij bij zijn uittreden uit het rijtuig, zilver, goud, papieren geld, alles ondereen aan Mevrouw de markiezin van Saint-Seine, zeggende: „Gelief mij dit te bewaren.quot; Zijne eenvoudigheid, zijne goedheid zijn niet uit te drukken; men kan zeggen, dat eene kracht van hem uitging, eene kracht, die de harten tot zich trok; men zag mannen, die ofschoon van te voren tegen hem ingenomen, zich bekeerd vonden alleen door hem te bezien, zij wilden hem niet meer verlaten; tot tranen toe bewogen, erkenden zij hunne verandering.

„Bij zijne aankomst, vroeg men hem, hoe men hem moest noemen: Eerwaarde Heer, Eerwaarde Pater? „Noemt mij Dom Bosco, zeide hij, en als gij er aan houdt iets bij te voegen, zegt; arme Dom Bosco!quot; Doch hoe beminde hij zijne medebroeders en in het bijzonder, hoe achtte hij Dom Rual Toen

ocr page 430

— 419 —

deze laatste zich kwam bij hem voegen, zeide hij den dag vóór zijne aankomst: „Morgen zal Dom Rua hier zijn; gij moet hem goed bezien, en hem goed bestudeeren, want dat is een heilige!quot;

Dom Bosco werd ook, gedurende den Zomer van 1883, aan het lijdensbed van den graaf van Chambord, te Frohsdorf in Oostenrijk geroepen. De doorluchtige zieke, welken de dagbladen reeds dood waanden, werd bij dit bezoek zulk eene verlichting gewaar, dat men hem genezen meende. Ongelukkig was dit slechts eene voorbijgaande beternis; de geheimzinnige oorzaken, die de ziekte bewerkt hadden, en die de geschiedenis misschien eens zal openbaren , ontvingen weldra eene nieuwe verergering, welke ditmaal de noodlottige oplossing te weeg bracht, zoo verlangd door de geheime genootschappen. Doch het gerucht der genezing stoorde het woelzieke Europa, dat zich in Italië op Dom Bosco zocht te wreken. Men strooide de laagste lasteringen tegen zijn Instituut van Turijn uit; wij hebben niet noodig hier bij te voegen, dat de eerlooze wanordelijkheden, waarover men sprak, slechts in de verbeelding bestonden van de dagbladschrijvers, die dit rijk aankleven.

ocr page 431

vijf ?:n twintigste hoofdstuk.

DE KERK VAN HET H. HART TE ROME. DOM UOSCO IN SPANJE. ■— DE AARDBEVING IN L1GURIË.

et jaar 1884 werd voor Dom Bosco gekenmerkt door eene zware ziekte, die de hevigste ontsteltenis te weeg bracht. Hij liet in het Bulletijn der Salesiërs van December de volgende nota inlasschen;

„Dom Bosco bedankt uit den grond zijns harten, zijne welbeminde Medewerkers voor de openbare en bijzondere gebeden, welke zij in hunne menschlie-vendheid tot God voor zijne genezing hebben willen richten en doen richten.

„Deze gebeden zijn verhoord geworden. Dank aan hen heeft hij een gedeelte zijner oude bezigheden kunnen hernemen. Als blijk zijner erkentelijkheid, heeft hij den 2lste'1 November 11., op het feest der Opdracht van de H. Maagd Maria, de heilige mis gelezen voor aldegenen, welke hem met hunne gebeden hebben willen bijstaan.

„Hij houdt niet op met al zijne kinderen, dei Heer te bidden,van al zijne Medewerkers te zegenen , hen met alle soorten van voorspoed te over-

ocr page 432

— 421 —

laden, en in onze zoo moeielijke en zoo beproefde tijden, alle soort van ongenaden ver van hen en van hunne huisgezinnen af te houden.quot;

Het bijzondere werk, dat hem het meeste op dit tijdstip bezighield, was de oprichting van eene nieuwe basiliek.

De kerken te Rome schijnen niet te ontbreken; dit zou waar zijn, indien de vereenigingspunten van het volk zich niet verplaatsten.

Eene bevolking van vijftien duizend zielen, op den Esquilijnschen berg, bevond zich zonder betamelijk gebouw voor de parochiale diensten. Een weinig vóór zijnen dood bemerkte Pius IX deze leemte, en dacht ze te vullen. Hij sprak er aan den ker-kenbouwer van, welke reeds die van Maria-Bijstand en verscheidene andere voleindigd had, en op het oogenblik aan die van Sint Johannes den Evangelist te Turijn arbeidde. „Gij moest ééne meer te Rome maken, zeide hij, zij zal de bekroning van uwe loopbaan zijn, en om er zekerder de medewerking der Voorzienigheid op te trekken, zullen wij ze onder de benaming van het H. Hart plaatsen.quot;

Dom Bosco sidderde vooreerst bij de gedachte van eenen nieuwen, zoo zwaren last op zich te nemen. De stichting en het onderhoud van zijne bewaarscholen en werkhuizen, die dan tot bij de tachtig beliepen, en de missiën van Zuid-Amerika verslonden reeds fabelachtige sommen, welke van nature waren, om iedereen af te schrikken, die slechts op het men-scheiijk vernuft gerekend zou hebben, om ze te vinden.

Wat meer is, opdat het nieuw praalgebouw de

dom losco. 27

ocr page 433

— 422 —

eeuwige stad waardig zou zijn, zou het millioenen kosten en de opperherder, die zelf niets anders had, om te bestaan, dan de liefdadigheid zijner kinderen, was niet in staat eene machtige bijdrage te verleenen.

Pius IX kocht het terrein, doch kwam in dien tusschentijd te sterven. Zijn opvolger kon geen ander blijk van welwillendheid, of geen beter getuigenis van vertrouwen geven, dan hem de machtiging voor dezen nieuwen bouw te bevestigen en te vernieuwen.

Dom Bosco had niets aan Leo XIII te weige- , ren. Na zijne blikken ten hemel gericht te hebben, begon hij Italië, Frankrijk en weldra Spanje te doorloopen.

Aan hen, die zich over zoo een stout, zoo een roekeloos ontwerp verwonderden, gaf hij altijd hetzelfde antwoord: „Vertrouwen! vertrouwen! De H. Maagd heeft al onze werken onder hare bescher-ming genomen.quot; En niet alleen, nam hij het oorspronkelijk ontwerp aan, maar hij vergrootte het nog, en kocht gronden aan om een Salesiaansch Bedehuis te stichten.

En de geloovigen beantwoordden aan zijnen roep. Ondanks het geldgebrek van den H. Stoel, was Leo XIII toch de eerste, om het voorbeeld te geven. Kardinaal Alimonda, Aartsbisschop van Turijn, richtte zich tot heel Italië, dat in edelmoedigheid wedijverde, om de noodige middelen aan den H. Vader te zenden.

De werken duurden zes jaar en kostten bij. de drie millioen; doch weldra kon de Eeuwige Stad van den Esquilijnschen berg het aangroeiend gebouw zien oprijzen, dat allengskens van torens voorzien werd. De stijl is die der zestiende eeuw, waaraan

ocr page 434

— 423 —

Bramante zijnen naam gehecht heeft; het plan is gegeven door den graaf Franciscus Vespignani, Roomschen bouwkundige, wien zijn medebroeder en landgenoot, M. Valentijn Grazzioli, op luisterrijke wijze heeft bijgestaan. Het geheel is zeer indrukwekkend.

De deuren komen van Turijn en zijn het werk der kinderen van het Bedehuis, (i)

(l) De koepel, stout, bevallig en majestueus, stelt een door Monti wonderbaar behandeld onderwerp voor, de verheerlijking van het H. Hart. De Heiland toont zijn Hart, met vlammen omringd, aan Margaretha Alacoque en aan Catharina van Racconigi; de twee maagden, met blinkend aangezicht, aanschou vven het in verrukking.

De schilderingen zijn van Caraselli en Monti, de mozaïeken van Perozzi. Het hoofdaltaar is uit Californisch marmer.

Van de eerst geplaatste zijaltaren, komt het eene, eene gift van den Prins Torlonia, van een afgebroken heiligdom uit de Porta-Piastraat, en heeft het andere toebehoord aan de kerk der Cento J)reti te Ponte Sisto, welk gebouw ook heeft moeten verdwijnen.

Een Latijnsch opschrift, goedgekeurd door Zijne Heiligheid Leo XIII, aan wiens stijl het door zijne sierlijkheid doet denken, prijkt op den boog boven de deur van het praalgebouw. Het zal aan de toekomende geslachten toonen, dat deze grootsche tempel, door Pius IX begonnen, gebouwd is door cïe Salesiërs door middel van de aalmoezen der vrienden van het H. Hart; een bijzonder woord zegt ons, dat men dien boog boven de deur aan Leo XIII te danken heefl, welke voor dit werk door den penning der katholieke godsvrucht geholpen werd.

Ziehier overigens den tekst van dit opschrift:

TEM PLUM SACROSANCTI CORDIS JESU A no IX PONT-MAX SOLO EMPTO INCHOATUM SODALES SALESIANI CULTORUM EJUSDEM ST. CORDIS STUDIO ET CONLATIONE ERIGENDUM MUNIFICENTIA LEONIS XIII ET NOVIS PIORUM SUIJSIDIIS PRONTE ADSTRUCTA CULTUQUE ADDITO PER FICIEN I)UM CUR AR U NT ANNO CH. M DCCC LXXXVII

Van binnen rechts, aan den ingang, verheft zich op een schoon

ocr page 435

_ 424 —

Het monument was nochtans niet volkomen afgewerkt; de voorgevel wachtte nog op zijne standbeelden, en verscheidene binnenkapellen op hare altaars, toen men het inhuldigde. Men had kunnen wachten; maar Dom Bosco was ongeduldig, om aan de geestelijke diensten te voorzien van deze wijk, die zonder ophouden aangroeide, en vooral hield hij er grootelijks aan, de inhuldiging met het priesterlijk jubelfeest van Leo XIII te doen samenvallen, en aan den hoogwaarden grijsaard van het Vati-kaan dit feestgeschenk aan te bieden, dat de eersteling zou zijn van alle andere giften, welke uit alle oorden van het heelal zouden aangebracht worden.

De inhuldiging van het orgel had den I2den en ijtion ]y[e; 1387 plaats. Den I4'lequot; wijdde de kar-dinaal-Vicaris plechtig de kerk van het H. Hart, in tegenwoordigheid van Dom Bosco en een groot getal uitgenoodigden, want het was onmogelijk geweest, om iedereen aan te nemen. De mis werd gezongen door Dom Dalmazzo, pastoor van de nieuwe parochie.

Bij deze gelegenheid verleende Leo XIII een

voetstuk het standbeeld van Pius IX, dat men aan den beitel van Confalonieri uit Milaan te danken heeft.

De groote Paus, die in de linkerhand een perkament houdt en de rechter opgeheven om te zegenen, schijnt zijne vlucht naar den hemel te nemen; deze gelukkige houding en de engelachtige glimlach , die het gelaat opheldert, geven iets aangrijpends aan het werk; zij doen aan de levendig stralende beeltenis denken van den pastoor van Ars, door M. Emilianus Cabuchet en aan die van den Gelukzalige De la Salie, door denzelfden beeldhouwer, die in Fran-rijk, op dit tijdstip , de groote vertolker der heiligheid is in brons en marmer. Zal hij ons niet eensdaags het standbeeld van Dom Bosco schenken ?

ocr page 436

— 425 —

lang verhoor aan Dom Bosco en Dom Rua, en betuigde hun al zijne erkentelijkheid, in den naam der stad Rome en der algemeene Kerk.

Om hetgeen de kerk van het H. Hart betreft, niet te onderbreken, hebben wij eene voorgaande gebeurtenis uitgesteld, namelijk: de reis van Dom Bosco naar Spanje.

Het was den 8s,on April 1886, dat hij te Barcelona aankwam, hij bleef er tot den 8sten Mei: „Ach! zeide hij, ziedaar de eerste en laatste maal, dat ik Spanje bezoek; ik houd er nochtans veel van; het is het moederland onzer missiën!quot;

Van de maand December 1880 af, had hij bij het algemeen kapittel Dom Johannes Branda, toen aan het huis van Turijn gehecht, doen roepen, om hem met eene zending naar Spanje te belasten. „Het geldt een college te Utrera, bij Sevilla, te stichten, zeide hij; gij gaat er u heen begeven, maar het zal niet voor jaren zijn; op zijnen tijd, zult gij eenen brief van eene zeer rijke dame uit Barcelona ontvangen, zij zal vragen, om een huis voor Salesiërs in die stad te stichten; en dat huis zal tot eene groote bestemming geroepen zijn.quot;

Dom Branda vertrok in Januari 1881 uit Turijn met een personeel van vijf andere Salesiërs en vergezeld van Dom Cagliero, heden apostolisch vicaris van Patagonië. Hij bleef slechts een jaar te Utrera en werd daarna naar Malaga gezonden, om het weeshuis van Sint-Bartholomaeüs in te richten, wiens bestierder juist door eene ongeneesbare ziekte getroffen was. Dom Branda herstelde het en deed

ocr page 437

— 426 —

het zelfs aangroeien; maar de Salesiërs konden het niet behouden uit gebrek aan personeel.

In de maand September 1882, kwam een brief uit Barcelona te Malaga, geteekend door eene dame, zeer bekend én door haar fortuin en door hare milddadigheid, Mejufvrouw de weduwe Serra. Deze dame bood twintig duizend douros, met andere woorden, honderd duizend frank aan, opdat het gezelschap van den H. Franciscus van Sales iets deed ten gunste der verlatene en arme jeugd van Barcelona.

Dom Branda was door dezen brief getroffen. Voor zelfs alles gelezen te hebben, herinnerde hij zich de voorzegging van Dom Bosco; doch zijne verbaasdheid verdubbelde, toen hij aan het hand-teeken kwam.

In zijn antwoord aan Mevrouw Serra, verhaalde hij, wat Dom Bosco had aangekondigd, en voegde er bij: „Misschien zoudt gij die persoon zijn. Mevrouw.quot; De edelmoedige geefster hernieuwde haar voorstel rechtstreeks te Turijn, en haar aanbod werd des te liever aangenomen, daar men het Bedehuis van Malaga ging verlaten.

Men kocht dus, op het einde van 1883, het huis van Sarria. Dom Branda, in overeenstemming met Dom Bosco, liet de onontbeerlijke werken doen, om het gebouw naar zijne nieuwe bestemming te voegen, en Mgr de bisschop van Barcelona gewaardigde zich den eersten steen te leggen van eene nederige, voorloopige kapel, die nog bestaat.

Het gesticht werd den isten Maart 1884 geopend. Dien dag, ontving het vijf kinderen. Op het einde

ocr page 438

— 427 —

van het jaar telde het er dertig. Thans (i) bevat het huis honderd vijftig personen, met inbegrip van het besturend personeel; verder komen er ongeveer twee honderd vijftig jongelingen door den dag of 's avonds, de lagere klassen voor volwassenen volgen, en de Paters Salesiërs besturen in Barcelona eenen kring, die ongeveer twee honderd leden telt.

De Apostel der Liefde kon niet anders dan goed ontvangen worden door den katholieken grond van Spanje. Alle burgerlijke en geestelijke overheden van Barcelona kwamen hem een bezoek brengen, de ayutamicnto stelde zijne lijfwacht te paard te zijner beschikking, om de orde te handhaven in de menigte, die niet ophield het gesticht te omringen.

Dom Bosco was reeds buitengewoon zwak; zijne wilskracht alleen ondersteunde hem. Hij ging slechts op eenen stok geleund, en als hij er geenen had, kon hij slechts voort door zijne armen als een balanceerstok op den rug bijeen te houden; doch hij scheen zijne krachten te hernemen voor de mis, welke hij met eene engelachtige godsvrucht las, doch gauw en als een man vol bezigheden. De bezoekers kwamen altijd de eene na den anderen; men deed niets dan voor de zegeningen van den heilige doorgaan , tenzij voor gewichtige zaken, en zelfs voor zulke zaken, kon hij geen langer onderhoud, dan een van twintig minuten, verdragen.

Eens dat hij eenige stappen in den hof deed met Dom Branda en Dom Rua, die hem naar

(i) 25 April 1888.

ocr page 439

— 428 —

Spanje vergezeld hadden, wees hij hun met den vinger een groot naburig stuk land. „Koop dit terrein, zeide hij aan Dom Branda, het zal voor uwen hof dienen, want uw tegenwoordige hof moet met gebouwen bezet worden. — Maar ik heb geen geld, merkte Dom Branda op. — Twijfelt gij aan de Voorzienigheid? Ik zeg u, dat dit terrein moet gekocht worden, en het zal zijn.quot;

Terwijl hij daarna zijnen vinger naar eenen aan-palenden hof richtte, zeide hij; „Koop ook dit nog; gij zult er een huis van Maria-Bijstand plaatsen; men zal er zich met arme meisjes bezighouden, en men zal er kloosterzusters voor de missiën vormen.

— Dat is onmogelijk, wedervoer Dom Branda; de eigenaar er van is een zeer rijk man, die veel van dit eigendom houdt, en hij zou het niet voor veertig duizend douros (twee honderd duizend frank) afstaan.

— Al hadt gij geen cent, koop het, want het is de uitdrukkelijke wil van de H. Maagd, dat er hier een huis voor onze zusters en voor onze missiën zij. Gij zult overigens zien, hoe de moeielijk-heden verdwijnen.quot;

Verbaasd, dat hij dit zoo ronduit bevestigde smeekte hem Dom Rua, van wat. duidelijker te willen spreken.

Dan verhaalde hij, dat in den nacht van den io,lcquot; op den 11 'Iequot; Maart van ditzelfde jaar, dat wil zeggen, een der eerste nachten, die zijne aankomst volgden, hem de H. Maagd verschenen was. „Zij was in herderinnenkleedij, zooals ik ze eens zag,

ocr page 440

— 429 —

toen ik nog kind was en toen zij mij vele zaken aankondigde, die ik sedert dan voor de arme weezen van Turijn gedaan heb......; kortom, zij heeft

mij den koop van dezen hof hier en het stichten van een huis voor kloosterzusters bevolen.quot;

De uitslag zou weldra die woorden bewaarheiden. De eigenaar van het terrein verkocht, ofschoon niet zonder moeite. — Wat den eigenaar van den hof of het buitengoed betreft, hij antwoordde, dat hij zijne villa niet zou afstaan voor zooveel goud, als hij zwaar was. Kenige dagen daarna stierf hij; zijn erfgenaam hield ook veel van dat goed; doch ingelicht over de bestemming, welke men hem wilde geven, haastte hij zich het aan zeer voordeelige voorwaarden den Salesiërs af te staan, van welke hij een der edelmoedigste medewerkers gebleven is. Zoo kocht Dom Branda aan beide kanten, en sedert de maand November 1886, traden er de klooster-y.usters van O. L. V. van Bijstand reeds in het bezit van. Zij hebben reeds een klein college en een noviciaat.

Met huis der jongelingen heeft werkplaatsen voor schrijnwerk, ebbenhoutwerk, beeldhouwkunst, schoenmakerij, boekbinderij, boekdrukkunst en letterplaat-drukkunst, als ook eene muziekschool voor zang en speeltuigmuziek.

Bij zijn henengaan uit Spanje, liet Dom Bosco meer dan in eenig ander land de faam van wonderdoener achter, want nergens anders, zag men op zoo weinig tijd zooveel wondervolle genaden, door hem verkregen. Wij zullen er drie van aanhalen,

ocr page 441

— 430 —

terwijl wij woordelijk in zijn welsprekend droogquot; verslag, het uittreksel van het huisdagblad hier zullen neerschrijven, dat Dom Branda zelf ons heeft willen mededeelen:

„Sarria-Barcelona 28 April 1886.

„Rosa Tarrogona y Dore, dochter van wijlen Jozef en Seraphina, dertig jaar oud, uit het dorp Pons, bisdom Urgel, sedert drie jaar ziek aan een been ten gevolge van eenen val, is na vergeefsche pogingen van geneesheeren en heelmeesters, om haar te genezen, Dom Kosco komen bezoeken. Het was eene soort van bedevaart; meer dan vijftig personen van hetzelfde bisdom bevonden zich bij haar. Rosa ging op twee vrouwen, hare gezellinnen, geleund en hield zich zelfs met dezen steun nauwelijks recht. Om zes ure 's avonds, ontving zij den zegen van Dom Bosco in de spreekzaal van het huis. Toen zij uitgegaan en nauwelijks den trap af was, bevond zij zich eensklaps genezen aan de deur, die op de binnenplaats van het gesticht uitkwam. Zij kwam onmiddelijk terug, gevolgd door hare gezellinnen, om Dom Bosco en de H. Maagd over de ontvangen genaden te bedanken.quot;

„Sarria-Barceluna 30 April 1886.

„Domingo Medina y Pujol, zoon van Jozef en Celestina, uit Barcelona (Creuvuurstraat, n0 22, vierde verdieping) veertien jaar oud, aangetast door den kanker aan eenen vinger der rechterhand; geene verzorging lukte; de afzetting van den vinger en waarschijnlijk van de hand werd besloten, is tegenwoordig geweest aan de mis van Dom Bosco, heeft

ocr page 442

— 431 —

zijnen zegen gekregen; den volgenden dag, bevond zich zijn vinger volkomen gezond en genezen.

„Sarria-Barcelona, 5 Mei 1886.

„Stephania Marty y Debernose, uit Gracia bij Barcelona (Forrenti di la Ollastraat n0 290) had sedert achttien jaar eene zenuwziekte, die haar niets toeliet te doen, zelfs niet haar huishouden; wilde Dom Bosco bezoeken, vond tegenkanting bij haren man, die niet zeer godvruchtig was, koos een oogen-blik, dat hij uitgegaan was, nam een rijtuig en kwam aan, toen Dom Bosco de mis begon; woonde ze met godsvrucht bij , ontving zijnen zegen en werd oogenblikkelijk genezen. Per rijtuig gekomen, vertrok zij te voet, zonder zelfs Dom Bosco te bedanken, maar heel in de war en vol vrees, over hetgeen haar man zeggen zou.

„Den istun Juni zijn zij beiden te zamen Dom Bosco gaan bedanken. De man was van gedachten veranderd; eene geestelijke genade was op hem nedergedaald, terwijl de vrouw eene stoffelijke genade ontving.quot;

Eene verschrikkelijke ramp, die door niets kon voorzien of vermeden worden, teisterde in 1887 de huizen der Salesiërs in Italië. Dom Bosco was verplicht eenen omzendbrief aan zijne medewerkers te sturen, waarin hij zeide:

„Den 23stequot; Februari, is eene aardbeving op één oogenblik bijna gansche landen komen vernielen. De schade is onmetelijk en de slachtoffers talrijk, vooral in Ligurië.

„Voor hetgeen ons betreft, moet ik vóór alles.

ocr page 443

— 432 —

en met de ziel vol erkentelijkheid jegens God, u verklaren, dat wij geen ongeval van personen te betreuren hebben. Salesiërs, kloosterzusters en kinderen van al onze huizen, zijn gered; geene dooden, noch gewonden, noch kneuzingen.

„Maar op eenige deelen van het kustland, te Varazzo, te Alassio, Bordighera heeft men verscheidene nachten onder tenten op de speelplaatsen en in de hoven moeten doorbrengen; hoe zou men zich inderdaad hebben durven wagen in huizen, die

elk oogenblik konden instorten?......

„De schade is aanzienlijk: de voorgevel der kerk van het college van Alassio is bouwvallig; het huis van Vallecrosia, bij Bordighera is zoodanig geschokt geweest, dat men het heeft moeten ontruimen, daarna de openbare scholen en de kostschool der meisjes moeten sluiten, en terzelfder tijd een deel der kinderen naar hunne familiën terugzenden, terwijl men hen, die weezen waren of wier huizen ingestort

waren, naar Nice van Montferrat stuurde........

„Hoe het aanleggen, om zooveel rampen te herstellen ?...... Ik kan geene werken achterlaten, die

ons veel geld en oneindige vermoeienissen gekost hebben. Er moet aan de reis en herstellingskosten, zooals ook aan het onderhoud der kinderen, die geene bewaarscholen meer 'hebben, voorzien worden. Indien ik nog gezond was, zou ik zelf u gaan de hand toereiken; ik heb niettemin het stellig vertrouwen, de noodige hulpmiddelen van uwe liefdadigheid te verkrijgen.quot;

Hij zelf was de eerste, om het voorbeeld dezer

ocr page 444

— 433 —

liefdadigheid te geven zonder, te tellen. Hij nam twintig wees geworden meisjes en even zooveel jongens aan.

Hij deed insgelijks deze opmerking, dat verscheidene zijner medewerkers, die de beproefde streek bewoonden, als bij mirakel behoed geweest waren. Daar zie ik het bewijs in, zeide hij, van eene bescherming des hemels, dien ik nooit in fout heb gevonden; God heeft zooveel manieren, om dikwijls, zonder dat men het vermoedt, het honderdvoudige te geven, dat hij in het Evangelie belooft, aan ahvie te zijner liefde eene aalmoes geeft.quot;

En hij eindigde met zijn gewoon refrein; ,,Bedanken wij O. L. V. van Bijstand en vragen wij haar van ons altijd met haren moederlijken mantel te dekken.quot;

Niettegenstaande zijne zwakheid, kon hij aan het verlangen niet wederstaan, van zelf hulp gaan in te roepen, zonder nochtans verder te gaan dan Genua, dat de ijzerenwegen eenigermate in den omtrek van Turijn gezet hebben. Hij toonde er zich den 2isten April 1887 inde ruime basiliek van Saint-Sire. Als hij door zijne voornaamste medewerkers uit Genua en eenige zijner kloosterlingen omringd verscheen, stond de heele vergadering met eerbied recht, een deelnemend gefluister liep tot in het diepste der schepen en alle oogen zochten den heiligen grijsaard, die langzaam en moeielijk zijne plaats bereikte, om de liefdadigheidspreek te hooren. De Aartsbisschop kwam zich naast hem zetten.

De predikant Mgr. Omedeeüs Zorini had zijn onderwerp gansch aangeduid: van den eenen kant

ocr page 445

— 434 —

de rampen der aardbeving, van den anderen den lof der liefdadigheid, verpersoonlijkt vóór hem in den Stichter van het Bedehuis, en ook dien van apostolischen ijver, verpersoonlijkt in den Aartsbisschop van Genua, die zoo dikwijls op de bres stond voor waarheid en rechtvaardigheid. Mgr. Omedeeüs was welsprekend; in tegenwoordigheid van dubbel zulk een stichtend schouwspel, waren de vrome toehoorders edelmoedig, en konden de Salesiaansche huizen der kustlanden hunne puinen herstellen.

Als Dom Bosco wilde uitgaan, vormde de menigte , tot dan door de plechtigheden teruggehouden, eenen engen kring rondom hem, welke kring zich met hem verplaatste en welken men niet wilde breken. Iedereen wilde hem zien, hem aanraken, nog eens met hem spreken. Hij zette één uur, om in de sacristij te geraken.

Men legt zich deze geestdriftige hoogachting uit, zegt een dagblad, waaraan wij deze bijzonderheden ontleenen; kort bij ons te Sampierdarena, oefent een der Salesiaansche huizen zulk eenen christelij-ken invloed uit, dat wij alleen door het schouwspel, dat het ons aanbiedt, het werk van Dom Bosco zouden liefhebben en bewonderen, dan zelfs, als wij er den Stichter niet van kenden, (i)

Hoe meer echter Dom Bosco zijn einde naderde, des te meer werd het bovennatuurlijke, eenigermate zijn wezenlijk element.

Den islen Januari 1886, eenige weken , voordat hij zich naar Spanje op weg begaf, zeide hij bij het (1) Le Citadino, van Genua, 22 April 1887.

ocr page 446

ontvangen der twintig leerlingen van de vierde en vijfde klas uit het Bedehuis van Turijn; „Ik zou u wel willen beloonen, want gij zijt de vreugde van mijn huis.quot;

Toen hij bij die woorden een klein zakje bemerkte, dat nooten bevatte, voegde hij er bij, in den zak puttende, en er eene handvol aan zijnen buurman van gevende:

„Zie zoo, het is wel weinig!

— En er zal voor iedereen niet genoeg zijnquot;, dacht de scholier bij het ontvangen van het geschenk.

Doch tot algemeene verbazing, duurde de uit-deeling voort, en ontving ieder zooveel nooten, als zijne twee handen konden bevatten.

Toen eindelijk iedereen voorzien was, deed men den beminnelijken uitdeeler opmerken, dat drie of vier leerlingen afwezig waren.

„Het zou niet rechtvaardig zijn, dat men ze vergat,quot; hernam Dom Bosco.

Hij stak de handen wederom naar den zak in, en trok er nog het deel voor de afwezigen uit.

Toen men hem wederom over dit feit sprak, bekende hij, dat hem dergelijke zaak gebeurd was met kastanjes in den tijd, dat hij somtijds zelf de keuken voor zijne kinderen deed. Dan, na een oogenblik, voegde hij er met ernstig gelaat bij:

„Een ander maal waren er slecht drie hostiën in het Ciborium; ik heb toch de H. Communie aan alk-personen kunnen geven, die zich aan de H. Tafel

aangeboden hebben...... en daar waren er vele. (i)

(l) Despiney hl. 375, uitgave van 1888.

ocr page 447

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

LAATSTE BEZOEKEN AAN DOM DOSCO. LAATSTE OMZENDBRIEF EX LAATSTE STICHTINGEN. DE SALESIKKS TE LUIK.

[laatste van Dom Bosco buiten Turijn.

Een der laatste, zoo niet het laatste binnen Turijn, was zijn bezoek aan het gasthuis Sogno, waar hem negen honderd werklieden wachtten der katholieke kringen van Noordelijk Frankrijk, die zich in bedevaart naar Rome begaven, en het geluk hadden afgesmeekt van hem te mogen zien.

Dom Bosco stapte er heen op de armen van quot;M-. Leo Harniel en Dom Rua geleund. Bijna bij eiken stap ,hield hij stil om te zeggen, meer met de oogen dan met de stem, hoe gelukkig hij was, oude vrienden terug te vinden; de aandoening, zoowel als de zwakheid braken hem de woorden af. Toen men hem verwittigde, dat de zaal ze allen niet had kunnen bevatten, zette hij zich buiten neer vóór de deur van het gebouw.

ocr page 448

— 437 —

Als na eenige minuten rust, alle pelgrims rondom Dom Bosco vereenigd waren, zegende hij ze uit gansch zijne ziel met hunne afwezige huisgezinnen, en, wijl hij zich daarna te zeer vermoeid en bewogen gevoelde, belastte hij Dom Rua het woord in zijne plaats te nemen.

Dom Rua bedankte en wenschte Frankrijk, het ware Frankrijk, aan wiens hermaking ook Dom Bosco arbeidde, van harte geluk. „Aan dit Frankrijk , zeide hij, heeft hij en zijne werken veel te danken. Hij zou wel willen, dat de kreet, die in het diepste van zijn hart is, tot op zijne lippen mocht stijgen: Leve Frankrijk! Dit is hem niet toegelaten; doch hetgeen hem niemand zal kunnen verbieden, is van hem tot God te sturen met eene aandrift van erkentelijkheid en bijzondere genegenheid.quot;

Na deze aanspraak kwam elk der pelgrims vóór Dom Bosco en kuste hem de hand; men zette zich op de knieën, om eene medalie van Maria-Bijstand van hem te ontvangen. Gedurende dit treffend voorbijtrekken , dat drie kwartiers duurde, hield de eerbiedwaardige grijsaard niet op, met de beste wenschen te vormen: „Dat de H. Maagd u bescherme en u in het Paradijs geleide!,, en sprak hij aan priesters: „Dat God u toesta. Hem vele zielen te schenken!quot; Een pelgrim uit Chartres vertelde hem, dat hij Dom Bellamy kende en zeer hoogschatte. Dom Bosco hield dengenen, welke dezen naam uitgesproken had met de hand terug, en zeide hem : „Maar indien Bellamy uw vriend is, zijt gij ook den mijnen , omdat ik ook veel van hem houd.quot;

DOM DOSCO. 2S

ocr page 449

— 438 —

Om tot zelfs de mogelijkheid van hetzelfde welke betooging te benemen, had het gemeentebestuur weelderig de politie ten toon gespreid, die wegens liet ernstige en de goede houding der Turijnsche bevolking nutteloos was: er was dus zeer weinig volk op den Valentino. Een geval werd zeer opgemerkt, namelijk, dat mannen der politie juist zooals de anderen deden en kwamen knielen, om eene medalie te ontvangen.

Toen Dom Bosco naar het Bedehuis terugkeerde, herinnerde hij zich met een levendig gevoel van erkentelijkheid, de kleinste bijzonderheden van dit tooneel; hij gebood, dat men ze aan de Medewerkers zou mededeelen in de Bulletijns, uitgegeven in verschillende talen; „Wij kunnen zeggen, voegde het Bulletijn er bij, dat Dom Bosco op dezen avond talrijke bewijzen van eene spreekwoordelijk geworden edelmoedigheid ontvangen heeft. Overal dient men te weten, welke eene lange en lichtende streep van geloof de Fransche bedevaarten achterlaten.quot;

Een berichtgever van een Belgisch dagblad, heeft het bezoek verhaald, dat hij in December 1887 aan Dom Bosco deed.

„Om tot bij hem te geraken, moest ik vooreerst ontelbare trappen opgaan, en daar onder het dak, trad ik eene zeer bescheiden kamer binnen. Ik bemerkte er echter twee prachtige schilderijen met de pen, die getuigen, dat, als het Instituut voor doel heeft, ambachtslieden te vormen, men er ook kunstenaars in aantreft. Ik bevond mij in te-'genwoordigheid der voornaamste Medewerkers van

ocr page 450

— 439 —

den Stichter, eenen, den Zeer Kerwaarden Dom Rua, zijnen algemeenen plaatsvervanger, een anderen, den Eerwaarden Dom Durando, zijnen assistent. In den eersten, die nog jong is, erkent men op het eerste gezicht eenen werker, de andere, met zijn stichtend voorkomen, doet denken aan de uitgemergelde trekken van den H. Vincentius a Paulo.

Daar de voorkamer vol bezoekers was, een mengelmoes van alle klassen der maatschappij, had Dom Durando de dienstvaardigheid mij in zijne cel te laten gaan. Toen ik er binnenkwam, was ik getroffen bij het zien van zulke volkomene naaktheid. Vele armen wonen schooner en zijn beter gemeubeld, dan deze uitstekende kloosterling, en ik dacht bij mij zeiven, dat de algcmecne staf der Salesicrs zich met het huisje eener nachtwacht tevreden stelde. De uitdrukking is zonder twijfel weinig eerbiedig, doch zulk is de indruk, dien ik op dit oogenblik gevoelde. Ziedaar, hoe de oversten van die kloosterorden leven, wier fabelachtige rijkdommen en legendarische hebzucht een onuitputbaar thema verschaffen aan de praalzieken der kamers en der drankhuizen. Werkzamer dan handwerkers, armer dan de armen zeiven, kunnen zij dit woord van den apostel herhalen: „Goud en zilver heb ik niet, maar, wat ik heb, geef ik u! sta recht en ga.quot;

„Eindelijk ging ik het geluk smaken van Dom Rosco te kunnen aanspreken. Het hart sloeg mij een weinig sneller, dan bij het naderen der grooten dezer wereld, omdat ik wist, dat ik mij in tegenwoordigheid van een dier mannen ging bevinden, welke het

ocr page 451

— 440 —

God behaagt op zekere oogenblikken te verwekken, om te toonen, wat de heiligen zijn en kunnen.

De heiligheid! — hoeveel verlichte mannen doet dit woord glimlachen!

En toch zelfs onder menschelijk oogpunt, hebben de heiligen eene hoofdrol in het leven der volkeren gespeeld. Wie zou, bijvoorbeeld, durven zeggen, dat de maatschappelijke invloed van eenen H. Vin-centius a Paulo niet anders diep, niet anders behendig en vooral niet anders gelukkig geweest is, dan die van eenen Richelieu of van eenen Mazarin ? Wie zou durven zeggen, dat de door de Voorzienigheid geschikte ondernemingsgeest van Dom Bosco in het netelig maatschappelijk vraagstuk, ge ene overhoopte oplossingen zal aanbrengen, indien hij veralgemeend kan worden.

Terwijl ik deze overwegingen maakte, was het mijne beurt, om binnen te gaan. Ik wierp eenen rappen oogslag rond de kamer, die zoo arm, ik zou bijna zeggen, zoo ellendig mogelijk gemeubeld was, en ik bemerkte met ontroering een eerbiedwaardigen grijsaard, die op eenen versleten canapé gezeten en door den ouderdom en de zwoegingen van een lang apostelschap was terneergebogen.

Zijne afnemende krachten lieten hem zelfs niet toe zich recht te houden, hij richtte het hoofd op, en ik kon zijne oogen zien, die wat gesluierd, doch nog vol verstandige goedheid waren. Dom Bosco spreekt volkomen goed Fransch; wel was hij langzaam en liet eene zekere gedwongenheid uitschijnen, maar hij drukte zich met eene opmerkenswaardige

ocr page 452

— 441 —

juistheid uit. Zijn onthaal vond ik christelijk, eenvoudig, en tevens waardig en hartelijk. Hetgeen mij zeer diep trof, was, van bij eenen grijsaard, die op sterven lag, en onophoudelijk door nieuwe bezoekers werd lastig gevallen, eene zoo liefderijke en zoo ware belangstelling aan te treffen jegens hen, die hem naderen.

Hoe werd zijn hart bewogen, als hij mij sprak over den Bisschop van Luik en over zijnen vurigen ijver voor de maatschappelijke werken. Bij Dom Bosco heeft het zwaard de scheede versleten, maar wat wilskracht huist er nog in dit zwak lichaam. Op welk eenen toon van diepgevoeld leedwezen betreurde hij zijne zwakheid, die hem niet meer toeliet, om zich krachtdadig aan het bestier zijner ontelbare werken toe te wijden. En toch wie heeft meer dan hij het recht, om het loflied van den heiligen grijsaard Simeon aan te heffen: Nunc dimittis scrvutn fmnit in pacc? De bescheidenheid dwong mij ongelukkiglijk gauwer, dan ik gewenscht had, deze hartroerende samenspraak te verkorten met eenen man, wien God zichtbaar met zijnen zegel geteekend heeft, en die, misschien binnen weinige dagen, die luisterrijke belooningen gaat ontvangen, beloofd aan hen, welke den goeden strijd gestreden hebben!

Laat mij toe aan allen uwer lezers, die zich naar Italië begeven, het bezoek van het Instituut der via Cottolengo dringend aan te bevelen. Zij zullen er ontroerd, verrukt en nadenkend van terugkomen en met innige overtuiging herhalen: „Daar is de waarheid, daar is het leven, daar is de oplossing van die

ocr page 453

— -442 —

vreesbarende maatschappelijke vraagstukken, welke de sfinx der negentiende eeuw aan de staatsmannen en denkers stelt — want er staat geschreven: „Zoekt vooreerst het rijk Gods, en het overige zal u als overmaat geschonken worden.quot;

„J. B. (i).quot;

Reeds sedert lang scheen het bestaan van den heiligen aartsvader slechts aan een draadje vast te houden. In 1884 had doctoor Gombal, van Mont-pellier, hem gedurende een gansch uur nauwkeurig onderzocht, en zijn onderzoek met deze verklaring geëindigd: „M-éa--is' vrij wonderbare zaken over Dom Bosco te verhalen. Voor mij, is dit het grootste wonder, dat hij nog kan leven, zoo versleten is hij. Hij gelijkt op een kleed, dat niet meer aaneenhoudt, omdat het veel gedragen is, en dat men zorgvuldig in eene kas zou moeten wegsluiten, indien men het nog eenigen tijd wil bewaren.quot;

In weerwil dezer buitenmatige zwakheid, gaf hij zich zonder verpoozing aan de ontelbare bezorgdheden over, die hem zijne werken oplegden. Ontwerpen vormen, en ze met eenen ongemeen zekeren oogslag afbakenen, met eene bovenmenschelijke volharding alle beraadslagingen van het kapittel bijwonen, alle brieven, die eiken dag zoo talrijk aankwamen, lezen en met een enkel woord aanbevelen, ze somtijds eigenhandig beantwoorden, het rechtstreeksch bestuur van het godvruchtig Gezelschap der Sale-siërs behouden, zich eindelijk de ziel van alles too-

(1) Gazette de Liège. Bijvoegsel van den 5^en Januari 1887.

ocr page 454

— 443 -

nen, zulk is het wonder, dat de Vader aan zijne kinderen tot aan den eindpaal zijns levens aanbood.

Zijn geheugen was taai en getrouw gebleven, zooals in de schoonste dagen zijner jeugd; het was genoeg den naam van eenen persoon, met wien hij in betrekking geweest was, of van één zijner huizen vóór hem uit te spreken ; onmiddelijk vond hij de minste bijzonderheden, betreffende dien persoon, en den juisten toestand der zaken van dat huis.

Wij meenen hier heel en al zijnen laatsten omzendbrief aan zijne Medewerkers en Medewerksters te moeten mededeelen. Hij is lang, maar hij bepaalt, kortbij, den toestand van het Gezelschap der Sale-siërs, bij het overlijden van zijnen stichter; wat meer is, hij zit vol van hetgeen de toekomst den geest van Dom Bosco zal noemen, van ijver, liefde en zachtmoedigheid, den H. Franciscus van Sales met den H. Vincentius a Paulo, zooals wij reeds gezegd hebben ; wij vertrouwen, dat men hem kort zal vinden:

BRIEF VAN DOM liOSCO AAN DE SALESIAANSCHE MEDEWEKKERS.

„Edelmoedige en Zeer Geliefde Medewerkers,

„Mijne wankelende gezondheid laat mij niet toe u zooveel te schrijven, als mijn hart het wenscht; maar ik kan niet besluiten, u dit jaar nog, den brief niet te doen geworden, door het reglement voorgeschreven, om mij een weinig met u te onderhouden ; zijt gij de weldoeners mijner kinderen niet, en zijt gij het niet, die met onvermoeibare liefdadigheid de

ocr page 455

— 444 —

Werken ondersteunt, welke door God aan het vroom Gezelschap der Salesiërs zijn toevertrouwd ? En wat moet ik u zeggen? Vooreerst, zal ik u uitnoodigen, om ten minste één Onsc vader, IVcrs gegroet, en Heer geef hun de eeuwige rust met mij te bidden voor meer dan duizend Medewerkers en Medewerksters, die in den loop van dit jaar, dat gaat eindigen, tot God zijn teruggekeerd. Ik zal u vragen den Heer, met mij te bedanken, dat Hij onder zoovele slachtoffers van den dood, de goedheid gehad heeft, ons te sparen en ons een nieuw jaar te laten aanschouwen. Verheugen wij ons te zamen, vol van eene heilige blijdschap, over de tallooze goede werken , welke wij met de hulp van boven voor het heil der zielen en het welzijn der maatschappij hebben kunnen ten uitvoer brengen. Verneemt eindelijk, dat, hetgeen nog te doen blijft, zich schijnt te vermenigvuldigen, naarmate onze pogingen vergroo-ten, dat wil zeggen, dat rede en godsdienst een meer volkomen goeden wil, edelmoediger opofferingen en eene aanzienlijker hoeveelheid van krachtdadige liei-dadigheid, van ons vorderen.

KORT OVERZICHT DER VOORNAAMSTE WERKEN GEDURENDE HET JAAR 1887 VERRICHT.

„Het Bullet ju der Salesiërs heeft u, volgens dat ze vervuld werden, de voornaamste werken doen kennen, waaraan wij het jaar, dat juist geëindigd is, hebben besteed; ik meen niettemin, dat het nuttig is, ze onder uwe oogen in eene lijst te vereenigen, om u een overzicht van het geheel te geven.

ocr page 456

— 445 —

„Het eerste en voornaamste werk, is de wijding der kerk van het H. Hart van Jezus te Rome. De luister der gewijde kerkgebruiken, de tegenwoordigheid van talrijke kerkvoogden en leden van het Heilig Collegie, de keuze van classieke muziek, niets schoot bij deze plechtige inhuldiging te kort; doch, hetgeen mij de grootste vreugde veroorzaakt heeft, is de volkomene voldoening van Onzen Heiligen Vader, den Paus Leo XTII, die mij van het begin van zijn roemvol opperherderschap, de zorg, om dit monument te stichten, had toevertrouwd.

„Te Vallecrosia, bij Bordighera, heeft men de schade hersteld, die aan het huis van Maria-Bijstand, door de aardbeving van den 23 Februari 11. veroorzaakt werd.

„Men heeft het geheele gebouw, dat, om zoo te zeggen, bijna niet te bewonen was, van de grondvesten af moeten herbeginnen; de slaapzalen, de klassen en de toren der kerk, hebben ernstige en lange herstellingen vereischt: het gebouw zal den iS^6quot; December voor den eeredienst kunnen gebruikt worden. Te Mathi (bij Turijn) heeft men in de papierfabriek belangrijke werken uitgevoerd, die de pa-piermaking van 1,500 tot 4,000 kilo per dag zullen doen stijgen, deze vermeerdering van voortbrenging, die toelaat den verkoopprijs te verlagen, zal eene hulp voor de katholieke pers zijn.

„Te Catane (Sicilië), hebben wij een eigendom. Villa Piccioni genaamd, aangekocht. Het bevat ongeveer 8,000 meter grond, en een klein huisje, dat zal moeten plaats maken voor een ruim ge-

ocr page 457

— 44G —

bouw, een Bedehuis en eene ambachtsschool. De milde liefdadigheid der edele stad zal ons niet ontbreken; dit is het werktuig, dat de Voorzienigheid zal gebruiken , om eene bewaarschool te openen voor de kinderen des volks, welke men én het middel zal leeren, om hun brood eerlijk te verdienen én het geheim, om eenmaal de steun hunner familiën en eerbare burgers te worden. De stad zal de eerste zijn, om de gelukkige gevolgen dezer instelling te gevoelen. Te Marseille hebben wij ook een belangrijken aankoop van land moeten doen, om het Oratorium van S. Leo, dat niet voldoende meer was, te vergrooten; wij zullen bijgevolg weldra den troost hebben, van een grooter getal kinderen te kunnen aannemen. Dezelfde maatregelen werden genomen, om eene nieuwe uitbreiding te geven aan de huizen van Parijs en Rijssel, voor Frankrijk; van Utrera (Sevilla) en van Sarria-Barcelona, voor Spanje; eindelijk van Faënza en Florence, voor Italië.

„Te Trente (Tyrol) heeft , de dienstwilligheid van Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid den Prins-bisschop, de belangrijke ondersteuning van den eersten overheidspersoon der stad, en de medewerking van talrijke geestelijken en leeken, die allen aan de liefdadigheidswerken verkleefd zijn, ons toegelaten, eene stichting, het bestuur van een weeshuis, aan te nemen. De binnenkomst der Salesiërs in Oostenrijk , opent den weg tot nieuwe gestichten, die de Voorzienigheid en de ijver der katholieken niet zullen nalaten, hoop ik, in groot getal door dit uitgestrekt rijk te vermenigvuldigen. Te Londen zijn wij

ocr page 458

door de milde godsvrucht eener dame, aan het hoofd eener school geplaatst, waar zich ongeveer twee honderd leerlingen, jongens en meisjes verdringen; daarenboven heeft Mgr Southwark aan de Salesiërs het bestuur eener parochie van 30,000 zielen toevertrouwd, die bijna heel protestansch is; ik hoop, dat de tijd ons talrijke bekeeringen zal aanbrengen. (1)

Het is mijn plicht, aan mijne medewerkers te laten weten, dat de werklieden des heils, door hen ondersteund, niets venvaarloozen, om God de grootste glorie te verschaffen.

„In verschillende landen, hebben de burgerlijke overheden hun de schoonste bewijzen van hoogachting geschonken.

„Te Catane (Sicilië) en te S. Nicolaas de los Arroyos, in de Argentijnsche Republiek, heeft hun de cholera de kostbare vertroosting verschaft, om geestelijke en tijdelijke hulp aan de slachtoffers van dien geesel te brengen; en de aardbeving, welke Ligurië en bijzonderlijk de kleine stad Diano-Marina geteisterd heeft, vond ze op den post der opofferingen. In deze beide omstandigheden, hebben zij een heel bijzondere zorg voor de weezen gedragen. Om u alles, zelfs in het kort, aan te duiden, wat de Goddelijke Voorzienigheid en de katholieke liefdadigheid ons hebben toegelaten in Amerika te doen, gedurende het thans afgeloopen jaar, zou ik zeker te langdradig worden. Buiten de missiën, waarover ik u ook een woord ga zeggen, hebben de Salesiërs

(1) De katholieken, in het boven gemeld cijfer begrepen, zijn niet zeer talrijk, nauwelijks 2,000,

ocr page 459

— 448 —

te Conception in Chili eene ambachtsschool geopend, en verblijfplaatsen ingericht te Punta-Arenas (Chili), te Chol-Malal en te Guardia-Pringles in Patagonië (Argentijnsche Republiek).

Op al deze posten en nog op andere plaatsen, heeft men kapellen gebouwd, die groot genoeg zijn, om tot onderrichting der ongeloovigen te dienen, en om terzelfder tijd den eeredienst te verzekeren.

„Vele huizen, vooral de Oratoriums en de ambachtsscholen hebben aanzienlijke vergrootingen ontvangen, waardoor vele honderden kinderen een schuiloord gevonden hebben; om slechts van de voornaamste te spreken, zal ik Patagones noemen en Viedna op de oevers van den Rio-Negro, Paysandu in Uruguay, en Sint Paulus de Nictheroy in Brazilië. De missiën zijn niet verwaarloosd geworden. Mgr. Cag-liero, apostolisch vicaris van Noordelijk Middel-Pa-tagonië, en Mgr. Fagnano, apostolisch prefect van Zuidelijk Patagonië, zijn beiden vooruitgegaan, de eene tot aan de bergengten der Cordilliers, de andere tot in het Vuurland, ten prijzevan ongehoorde vermoeienissen, en te midden van de grootste gevaren, doch met groote en vertroostende uitslagen.

„De missionarissen hebben inderdaad het geluk gehad van het zaad van Gods woord in den schoot van eenen onterfden grond te zaaien; zij hebben onbekende stammen ontdekt, hunne zeden bestudeerd, en dank aan het inrichten van statiën ter verkondiging van het evangelie, wonderbare overwinningen voor de beschaving voorbereid door het geloof, dat nog niemand aan die arme zielen gebracht had. Ik

ocr page 460

— 449 —

kan tot geen ander onderwerp overgaan, zonder aan mijne welbeminde Medewerkers mijne levendigste dankbetuigingen voor hunne onuitputbare liefdadigheid aan te bieden. Nog niet lang geleden, heb ik eenen oproep aan hunne edelmoedigheid ten gunste der Salesiaansche missiën moeten doen, gedwongen als ik was, door eene bijzonder dringende noodzakelijkheid : het is zoet voor mij te erkennen, dat mijne stem verhoord is geworden; de hulp, die mij gebracht wordt, verheugt mij in den Heer, omdat zij mij het middel schenkt, om voort te gaan met de zoo rasch mogelijke uitbreiding van het evangelie in de meest afgelegen landstreken.

„Nauwelijks eenige dagen geleden, stevende eene zending van acht Salesiërs naar Quito, hoofdstad der Republiek van den Evenaar. Hunne eerste zorg zal zijn om klassen te openen, en werkhuizen voor de kinderen in te stellen; doch het zal niet lang duren, of zij brengen het licht des geloofs aan duizenden arme Indianen, die aan den voet der Andes leven en de weldaden der christelijke beschaving nog niet kennen.

„Eindelijk ben ik gelukkig u aan te kondigen , dat het godvruchtig Gezelschap, waarvan gij op zoo waardige wijze deelmaakt, het laatste niet z:il zijn, om mede te werken, aan het schouwspel, dat de katholieke wereld aanbiedt; wij ook voelen die zalige en kinderlijke vreugde, welke alle harten vervult, bij het naderen van het priesterlijk jubelfeest van Leo XIII, en wij hebben ze in de mate onzer nederige krachten zoeken uit te drukken.

ocr page 461

— 450 —

„Al onze huizen van Europa en Amerika, en zelfs onze lieve neophyten, hebben van uit het diepste van Patagonië, talrijke kostbare voorwerpen bijeenverzameld ; de Salesiaansche Bisschop zal ze zelf aan de voeten van den verheven troon van den al-gemeenen Vader der geloovigen neerleggen, met de hulde van onze diepe hoogachting voor zijne deugden, van onze onwankelbare verkleefdheid aan zijn geheiligden persoon, en van onze levendigste blijdschap, in tegenwoordigheid der heerlijkheid van zijn gouden jubelfeest.

NIEUWE HUIZEN EN WERKEN DER DOCHTERS VAN MARIA-BIJSTAND.

„Onze Zusters, die Dochters van Maria-Bijstand genoemd worden, hebben ook de vertroosting gesmaakt, van hunne werken uit te breiden ten gunste der kinderen van het ander geslacht. Zij hebben het bestuur genomen van bewaarscholen, hebben scholen, werkhuizen en patroonschappen op acht plaatsen geopend. In Italië, te Gattinara, Torre di Baio, Parigliano, Pecetto, Torinese en Mathi.

„Te Moncrivello en te Novare hebben twee liefdadige en ijverige Medewerksters aan de zusters twee ruime gebouwen bezorgd, die weldra gereed zullen zijn, om talrijke leerlingen te ontvangen.

In Uruguay (Amerika) heeft eene adellijke familie van Montevideo een volkomen gesticht te Paysandu opgericht; verscheidene honderden meisjes bezoeken reeds het Patroonschap van 's Zondags, en het externaat.

ocr page 462

_ 451 —

„De huizen der Zusters van Buenos-Ayres en Patagones zijn grooter gemaakt; in dit laatste heeft men zelfs eenige kinderen uit het Vuurland opgenomen, men heeft ze onderwezen en daarna gedoopt, om aan God de eerstelingen van die ongelukkige volkstammen van de uiterste uiteinden der wereld aan te bieden.

„Te Bronte (Sicilië) hebben onze zusters zich aan het bed der choleralijders ten beste gegeven, eenige hebben niet geaarzeld, zich uit liefde tot Jezus-Christus in het Pesthuis te vestigen, om de slachtoffers van den geesel gemakkelijker te kunnen verzorgen.

„Ik heb slechts terloops de voornaamste werken aangeduid, die verricht zijn door hen, aan wie gij de middelen- verschaft, om door het heil der zielen tot Gods glorie te arbeiden; daar het Bulletjn er u alle bijzonderheden van gegeven heeft, heb ik gemeend er niet op moeten aan te dringen; daarbij haast ik mij u over een ander werk te spreken, dat ons het toekomend jaar bijzonder ter harte moet gaan. Deze, misschien een weinig snelle oogslag over ons zwoegen, zal u toch toelaten den overvloed der vruchten te zien, door uwe liefdadigheid voortgebracht. Tijdelijke hulp, opvoeding en onderrichting geschonken aan eene menigte kinderen van beider kunne, die om de een of andere reden opgenomen werden in de Bedehuizen, ambachtsscholen, zondagpatroonschappen, werkhuizen, dagelijksche en wekelijksche klassen, kerken en kapellen-; talrijke bekeeringen van ongeloovigen, aan wie de missionaris tot in de

ocr page 463

— 452 —

minst bezochte landen, de christelijke beschaving is gaan brengen; het geloof, bewaard bij zoovele katholieken van Europa en Amerika vooral, waar elk jaar de stortvloed der uitwijking honderd duizenden arme lieden aanbrengt, die hun hemelsch erfdeel altijd wagen en dikwijls verliezen, om hier beneden hun welzijn te vinden; indien gij bij dezen luisterrijken uitslag het onberekenbaar goed voegt, dat bewerkt wordt door het onophoudelijke en veelvuldig uitgeven van goede boeken van alle slag, welke ille van aard zijn, om den geest van geloof aan te wakkeren en de godsvrucht te voeden , dan zult gij een algemeen, doch zeer onvolkomen denkbeeld hebben van de vruchten uwer aalmoezen. Na God, den Bewerker van alle goed, dankt het Gezelschap der Salesiërs aan u de groote blijdschap, van het heil der zielen bewerkt te hebben. Wij vergeten het niet, weest daar verzekerd van, en wij vragen aanhoudend den Heer, dat hij zich ge-waardige uwe dagelijksche opofferingen ten gunste onzer kinderen, wier zichtbare voorzienigheid gij zijt, in overvloedige zegeningen op u te doen terugvallen.

WERKEN BESTEMD VOOR HET JAAR l888.

„De ondernemingen, die ik gedurende den loop van dit beginnend jaar, aan uwe liefdadigheid zou moeten aanbevelen, zijn talrijk en gewichtig; doch er is eene, die mij op bijzondere wijze ter harte gaat.

De geloovigen kunnen thans van de kerk van het H. Hart van Jezus te Rome genieten; zij kunnen

ocr page 464

— 453 —

er het woord Gods hooren, er de heilige Sacramenten ontvangen, er eindelijk alle hulp in vinden, om het christelijk leven in zich te onderhouden en te vermeerderen. Dat is veel, zonder twijfel, maar dat is niet alles.

„Onze Heilige Vader Leo XIII verlangt het Bedehuis, waaraan men begonnen heeft om een geheel te vormen met de Salesiaansche kerk, volgens de reeds geregelde verhoudingen, voltooid te zien. Het gesticht kan minstens vijf honderd leerlingen bevatten, die de kleine kinderen van Palestina zullen verbeelden, welke zich om den aanbiddelijken persoon van Jezus kwamen vereenigen, om als deze gezegend, onderwezen, op den weg der deugd geleid en voor den hemel gevormd te worden.

„De omstandigheden vorderen dit werk dringend. Rome telt bij duizenden de kinderen, die'uit de stad geboortig of een weinig van alle kanten komend, door de armoede, den staat van verlatenheid of de hinderlagen der slechten, aan de grootste gevaren naar ziel en lichaam zijn blootgesteld. Vele hunner geven zich aan de ledigheid over en groeien op in de ondeugd, omdat zij nergens een vast schuiloord hebben, en na hunne eerste jaren in de boosheid te hebben doorgebracht, zijn zij eindelijk in twist en tweespalt met het gerecht, en gaan in de gevangenissen hun leven eindigen. Andere, ook talrijk, die van verscheidene punten aangeloopen kwamen , om werk te zoeken, troosten zich over hun niet slagen in eene schandelijke werkeloosheid; me-degesleept, als zij zijn door slechte gezelschappen,

Düll lïOSCO. 29

ocr page 465

verliezen zij zelfs den godsdienst, die zijn middelpunt in de Eeuwige Stad heeft, vanwaar hij de verlevendigende warmte zijner weldoende stralen over de heele wereld verspreidt. Welk een ongeluk, dat een arm kind, aan zijn geloof en zeden juist in dat Rome schipbreuk moet lijden, wat door den plaatsvervanger van Jezus Christus, de volkeren heeft verlicht en nog verlicht, heeft geheiligd, en nog voortgaat met heiligen.

Indien rampspoeden van dezen aard eene wreede smart aan den Paus veroorzaken, als zij op hetzelfde welk punt der Kerk voorvallen, dan zullen zij hem zeker diep bedroeven, als zij voortdurend onder zijne oogen, herhaald worden, zonder dat hij ze kan voorkomen of bestrijden, vooral, wanneer de slachtoffers kinderen zijn, van nature lichtzinnig en onbedreven, die evenwel de hoop zijn van Kerk en maatschappij.

„Welnu, het is in onze macht, van eenen heil-zamen balsem aan te brengen voor die wonde, aan het hart van Rome toegebracht; wij kunnen door dezelfde daad, talrijke kinderen redden, den moed van den Opperpriester versterken en het Hart van Jezus troosten: gij hebt wellicht geraden, dat de oprichting van het ontworpen Bedehuis, het middel zal zijn, om deze menigvuldige uitslagen te verschaffen. Na de woorden van den Paus, mag hier niet meer aan getwijfeld worden; welnu de ijverige Opperherder heeft zich gewaardigt mij over dit onderwerp zijn uitdrukkelijk voornemen te zeggen, in het bijzonder verhoor, dat ik het geluk had in Mei 11. te verkrijgen •

ocr page 466

„Zijne Heiligheid had met genoegen de inhuldiging van de kerk van het H. Hart vernomen. Nadat de H. Vader mij gelast had, de Salesiërs en Medewerkers, die tot de heilige en moeielijke onderneming hadden bijgedragen, te bedanken, voegde hij er bij:

„Zet u nu aan het werk, om het reeds begonnen Bedehuis te voleindigen, opdat wij den troost zouden genieten, er zooveel mogelijk kinderen te vereenigen en te redden, door hun goede christenen en eerlijke burgers leeren te worden. Tot dit doel zegen ik u en allen, die u ter hulp zullen komen.quot;

„Deze woorden van den plaatsvervanger van Je-zus-Christus zijn in het diepste mijns harten gegrift, en ik haast mij, ze aan uwe overwegingen over te geven.

„Het zou werkelijk uwen ijver waardig zijn, van in 1887-1888 de luisterrijke jubelfeesten van Leo XIII te vereeren, door^de voornaamste werken, die hij bij het beklimmen van den troon van Petrus, u heeft toevertrouwd, tot een goed uiteinde te brengen. Het eerste is voleindigd en wij hebben het door de plechtige wijding der kerk van het H. Hart, den 4 Mei 1887, aan den Opperherder aangeboden; dit was als eene inhuldiging van zijn priesterjubelfeest, en thans verwekt het nieuw heilig praalgebomv, onder zoovele wonderen van Rome, de bewondering der pelgrims, die er van alle kanten des aardbols komen heengesneld. Welken zoeten troost zou uwe liefdadigheid u verschaffen, indien wij op het einde van

ocr page 467

— 456 —

het jaar, dat begint, dit gouden jubilaeum waardiglijk konden bekronen en aan den H. Vaderzeggen; „De bewaarschool, welke gij zoo vurig verlangdet, staat gereed, om kinderen te redden; verscheidene honderden dier lieve kleinen hebben er reeds eene beschuttende schuilplaats gevonden; kort bij u, en als onder de schaduw van uwen herderlijken Stoel, zullen zij opgroeien, tot ware zonen der Kerk en tot goede burgers, met de degelijkste waarborgen van zedelijkheid, en voorbereid op alle worstelingen des levens.

BESLUIT. — VIER HERINNERINGEN.

„Om te eindigen, wil ik u vier gedachten bij wijze van herinnering achterlaten. Eerstens merk ik op, dat een huis, waar de aalmoes in eere is, aan de zee gelijkt. De zon heeft goed door de uitwaseming eene aanzienlijke schatting van haar af te vorderen: hare onmetelijkheid is daardoor niet verminderd; het is, omdat deze wolken, vol water geladen, zich oplossen in regen, in sneeuw of ijs, en na onder deze verschillende vormen de aarde besproeid en vruchtbaar gemaakt te hebben, zich haasten, om onder den vorm van stroomen, in den schoot van den oceaan terug te keeren.

„Dit is het juiste beeld, van hetgeen aan eenen persoon of eene familie gebeurt, die zijne goederen of slechts het overvloedige opoffert, om de glorie van God en het heil van den naaste te verschaffen.

„Al was de aalmoes van elkeen slechts een druppel; met zoovele andere vereenigd, vormt zij eene

ocr page 468

— 457 —

wolk, die zich oplost in eenen regen van weldaden over eindelooze tegenspoeden, over geloovigen en ongeloovigen, over kinderen, in gevaar van bedorven te worden, over huisgezinnen en bevolkingen , over de heele menschelijke maatschappij. En die weldaden zijn nooit verloren. Zij, die ze ontvangen, zijn er erkentelijk voor in hun gebed, en dit gebed heeft eene bijzondere kracht, om genaden te verkrijgen; wat meer is, de godsdienstige en zedelijke opvoeding, welke zij dank aan die veelvuldige aalmoezen genieten, vormt hen tot de deugd; daar zij in een goed midden opwassen, zullen zij later zonder moeite in hun openbaar en bijzonder leven, toonbeelden zijn van eendracht en vrede; landbouw, nijverheid en handel trekken voordeel uit deze verandering; de schelmstukken, de vechtpartijen, de opstanden verminderen, en zonder dat de burger er zich, om zoo te zeggen, aan verwacht, gevoelt hij de gelukkige uitwerkselen van dezen staat van zaken, en ziet in zijn huis, overvloedig en veilig, het honderdvoudige, van hetgeen hij aan de werken van godsdienst en liefdadigheid had toegewijd.

De eerste herinnering kan dus met den volgenden vorm omkleed worden : Indien zoij werkelijk zorg willen dragen voor onze geestelijke en tijdelijke belangen , trachten wij dan vooral Gods belangen te verzorgen, en verschaffen wij door de aalmoes, het tijdelijk zvelzijn van den evennaaste.

„De tweede herinnering verschaft mij de gelegenheid u in het geheugen te roepen, dat men in het algemeen de gewoonte heeft, als men eene ge-

ocr page 469

— 458 —

nade door de voorspraak van de H. Maagd of eenige andere heiligen wil verkrijgen, van bijna eenesoort van ultimatum te stellen: „Indien mij deze genade wordt toegestaan, zal ik zulke aalmoes doen, zulk offer brengen.quot;

Deze zeer geoorloofde handelwijze, kan gebruikt worden; ik meen evenwel, dat zij niet van aard is, om dadelijk en met zekerheid de goddelijke gunsten te verkrijgen, die vooral, welke ons het meeste ter harte liggen. Het algemeene merkteeken van eene zoo gedane vraag, is een wantrouwen tegenover God, de PT. Maagd en de aangeroepen heiligen. Het zou verkieslijker en van meer kracht zijn, datgene van te voren te geven, wat wij slechts na het verkrijgen der gevraagde genade zouden willen aanbieden.

Van tevoren geven is een goed werk verrichten, dat eene bijzondere macht heeft op het hart van God, omdat het vruchtbaar gemaakt is door het geloof en het vertrouwen op Hem. Van te voren geven is God, de H. Maagd en de Heiligen eenigermate dwingen, om niet in edelmoedigheid achter ons te blijven'; die ons aan hunne opperste goedheid en hunne kostbare voorspraak als overgelaten hebben. Van te voren geven is de vervulling der woorden van Christus verschaffen : „ Geeft en er zal n gegeven zuorden: date et dabitur vobts.quot; Zooals men ziet, zegt Christus niet; „Belooft te geven en men zal u geven, maar wel: Geeft, gij lieden, en daarna zal men u geven.quot; De ondervinding toont ons, dat dit middel buitengewoon krachtdadig is, om de meest uitgelezen genaden te verkrijgen; ik heb er mij duizende keeren

ocr page 470

— 450 —

van kunnen overtuigen. Ziehier dus de tweede herinnering : Indien gij ccnc genade gemakkelijker wilt verkrijgen, doet vooreerst de genade, d. i. geeft aalmoezen aan de anderen , voordat God of de H. Maagd u verhoord hebbe. Date et dabitur vol?is.

Derdens onthoudt wel, dat de wet der aalnTpcs ten gunste van den godsdienst en den evennaaste, niet alleen een raad is, waarvan wij ons kunnen ontslaan, zonder schade te doen aan onze ziel, maai dat het ook een werkelijk en streng bevel is, bevat in de geboden der goddelijke wet; -4e- eene vorderen dat wij God eeren en Hem beminnen , de andere maken ons de liefde van den evennaaste ten plicht. De raad wordt eenvoudig gegeven van alies te verlaten , wat men bezit, zooals de verschillende kloosterlingen doen, die zich tot de vrijwillige armoede verplichten ; doch er bestaat een gebod, dat verplicht het overvloedige zijner bezittingen weg te geven, volgens deze zinsnede van de H. Schriftuur; Qnod supeiest, date eleemosynam. En het is om het niet opvolgen van dit bevel, dat Jezus op den dag des oordeels, aan de verdoemden zal zeggen: „Gaat weg van mij, vermaledijden, in het eeuwige vuur. — En waarom? — Omdat gij geene aalmoes gegeven hebt, aan wie ze noodig had.quot; Om het overvloedige zijner goederen niet aan den armen Eazarus geschonken té hebben, werd de rijke vrek in de hel begraven, volgens het woord van Christus: Mortuus est dives et sepidtns in inferno. En de H. Apostel Jacobus verklaart, dat zij, van wie de armen niets ontvangen, een dood geloof hebben, zonder nut voor het eeuwig heil.

ocr page 471

— 460 —

Dezelfde Apostel voegt er bij, dat de zuivere en onbevlekte godsdienst bestaat, in het voorzien aan de behoeften der weduwen en weezen d. i. in het nakomen der geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid. Al deze zinsneden, evenals ook de andere woorden van den H. Geest over hetzelfde onderwerp, bewijzen klaarblijkelijk, dat het niet geven van aalmoezen volgens zijne middelen, de handelwijze is van eenen christen, die dit slechts bij name is, van eenen man, die op den dag des oordeels het doodvonnis tegen zich zal hooren uitspreken, van eenen man, aan wien de andere verdiensten, die hij zal hebben, niets zullen baten; evenals de onbarmhartige rijke, zal hij God zonder barmhartigheid voor zich vinden.

Gij hebt de derde herinnering begrepen: Door middel der werken van liefdadigheid, sluiten wij de poorten der hel onder onze voeten, en openen wij die van het Paradijs.

Eindelijk moet ik u zeggen, dat mijne gezondheid zichtbaar wegkwijnt. Ik gevoel, dat ik u ga verlaten en ik voorzie, dat de dag aanstaande is, waarop ik mijne schatting aan den dood zal moeten betalen en ten grave dalen. Indien mijne vooruitzichten bewaarheid worden en deze brief de laatste moet zijn, dien gij van mij zult ontvangen, ziehier de laatste herinnering, die ik u nalaat: Ik beveel alle werken, welke God gedurende hij de vijftig jaar, .zich heeft gewaardigtt mij toe te vei trouwen, aan uwe liefdadigheid aan; ik beveel u de ehristelijke opvoeding der jeugd aan, de geestelijke roepingen en de

ocr page 472

— 461 —

verre missiën, doch ik beveel u ook aan, en dit op eene heel bijzondere wijze, de sorg der arme en verlatene kinderen , die altijd het dierbaarste deel voor mijn hart op deze tvereld waren, en die dooi' de verdiensten van Onzen Heer Jezus- Christus, mijne kroon en mijne vreugde, hoop ik, in den hemel zullen zijn.

„En thans blijft mij niets meer over, tenzij God te aanroepen, dat Hij zich gewaardige zijne kostbaarste zegeningen over u en de uwen en over uwe belangen uit te storten; indien mijn gebed verhoord wordt, zult gij een gelukkig leven leiden, vol verdiensten , hetwelk op den dag, door God vastgesteld, door den dood der rechtvaardigen zal bekroond worden.

„Tot dit einde vereenigen de Salesiërs en al de kinderen onzer huizen, alle dagen hunne gebeden met de mijne: en door de voorspraak van Maria-Bijstand en van den H. Franciscus van Sales, hebben wij de stellige en zoete hoop, van ons allen in de gelukzalige eeuwigheid vereenigd terug te vinden.

„Toont u insgelijks liefdadig, door op uwe beurt voor mij te bidden, die mij met de diepste erkentelijkheid noem , Zeer Geliefde Medewerkers, uwen zeer nederigen en verkleefden dienaar

„Johannes Bosco, priester.

„Turijn, den 8 December, 1887.quot;

Na de stichtingen , (te Rome, in Engeland, in Oostenrijk, aan den Evenaar), waarvan zijn laatste omzendbrief melding maakt, had Dom Bosco het

ocr page 473

— 462 —

genoegen er eenige andere in te huldigen, die de bekroning waren van zijne loopbaan.

Te Val-Salice, waar hij reeds een college had, voegde hij in 1887, een Seminarie bij voor de bui-tenlandsche missiën , en gaf den 24s,en November, met eigen handen, «.doch in de kerk van Maria-Bijstand te Turijn, het geestelijk gewaad aan drie leerlingen van dat Seminarie, aan eenen Fransch-man, eenen Pool en eenen Engelschman, en aan den Prins Augustus Czartorisky, erfgenaam van een der grootste huizen van Europa. De plechtigheid was indrukwekkend, ofschoon kardinaal Alimonda, die ze moest voorzitten, wegens ziekte verhinderd was.

Het was een plechtig oogenblik, toen Dom Eosco na het zingen van het Vaii Creator, rechtstaande, met eene zwakke, maar nog klare stem, het cxuat vos Donnnus veterem Jwinincin cinn actihus si/is uitsprak: dat (!e Heer u van den ouden mensch en van zijne slechte daden ontdoe; en toen de jonge apostelen na elkander, den toog kwamen aandoen, door Dom Bosco gezegend. De omstaanders konden hunne levendige ontroering niet wederhouden, en de kinderen van het Bedehuis, zagen zich reeds in eene min of meer verwijderde toekomst, tot dezelfde apostolische glorie geroepen.

In Frankrijk belastte zich het godvruchtig Gezelschap der Salesiërs, in de maand Januari 1888, met het landbouvvweeshuis van Gevigney (Opper-Saóne), dat eene gift was van den M. Willemot, oud-voorzitter van den algemeenen raad van dit departement. Na het overkomen van vele moeielijk-

ocr page 474

— 4G3 —

heden, werd er den li November 1887, tusschen hem en Dom Albéra, overste van het Salesiaansch Bedehuis te Marseille, alsook met Dom Rua, in den naam van Dom Bosco, een verdrag gesloten, dat met zijne verlangens overeenkwam.

De kloosterzusters van Maria-Bijstand stichtten ook rond hetzelfde tijdstip, te Guines, bij Calais, een huis voor meisjes.

Mgr. Doutreloux, Bisschop van Luik, drong sinds lang aan op een gesticht van Salesiërs voor zijne bisschoppelijke stad. Eindelijk werd zijne vraag aanhoord en de achtste Mei 1890 was de gelukkige dag, waarop de plechtige wijding plants had van den eersten steen van het eerste Salesiaansch Gesticht en van de eerste kerk van O. L. V. van Bijstand in België.

„Een schitterende Mei-zon verlichtte op dien dag de oude bisschopsstad van Luik, wier zuidelijk gedeelte, meer bepaaldelijk de wijk Laveu geheeten, in feestdos prijkte; de arbeidersbevolking, wier getal sinds eenige jaren sterk is toegenomen, had als om strijd straten en gevels met veelkleurige wimpels en vlaggen en nationale vaandels versierd.

„Op de plaats zelve, waar zich eerlang het Salesiaansch Gesticht onder den naam van Instituut van den H. Joannes Berchmans en de kerk van O. L. V. van Bijstand zullen verheffen, had men een sierlijk altaar opgericht, waarop Z. doorl. Hoogwaardigheid de Bisschop het H. Misoffer zou opdragen. Het beeld van den H. Johannes Berchmans, patroon van het gesticht, prijkte er tusschen de palmstruiken en

ocr page 475

_ 464 —

laurierboomen met de wapens van Z. Heil. den Paus, van Z. Excellentie den Pauselijken Nuntius, die de plechtigheid der steenzegening moest waarnemen, van Z. Hoogwaardigheid den Bisschop van Luik en van de Congregatie van Dom Bosco. Kene ontzaglijke volksmenigte vulde de afgesloten plaats en de omliggende straten; tot op de daken der huizen zag men werklieden. En toch liep alles zonder de minste storing af, dank zij vooral aan de talrijke commissarissen, die onder het geleide van M. Max Doreye de orde handhaafden.

„Te io uur kwam Z. Excellentie de Nuntius en Z. Hoogw. de Bisschop van Luik, met de leden van het kapittel der Kathedraal, eene talrijke geestelijkheid, de leden van den fabrieksraad der parochie, van het Pauselijk Comiteit en van het inrichtings-comiteit, in de kerk der H. Veronica aan, waar, na het zingen van het Vcni Creator, de eerbiedwaardige opvolger van Dom Bosco, Dom Rua, den kansel beklom, om in 't kort het werk van zijnen meester en vader. Dom Bosco, te doen kennen, alsook de heerlijke vruchten, welke zijne stichtingen tot dusverre hebben opgeleverd. Arm aan aardsche goederen, maar rijk aan geloof en deugd, wijdde de edelmoedige priester zich ten eenenmale aan de opvoeding van arme, verlatene kinderen, wier getal van lieverlede toenam, en die, dank aan den edelen menschenvriend, tot nuttige leden der maatschappij, tot brave christenen opgroeiden; thans zijn de gestichten der Salesiërs in vele landen opgericht en duizenden en duizenden danken aan Dom Bosco

ocr page 476

— -465 —

hun eerlijk bestaan, hunne geleerdheid, ja, hun eeuwig geluk. Om aan de menigvuldige, van dag tot dag aangroeiende behoeften zijner Gestichten te voldoen, om zijne werking uit te breiden, stichtte Dom Bosco de Congregatie der Salesiaansche priesters, die weldra allerwege verlangd werden; onmogelijk werd het alle vragen bevredigend te beantwoorden.

„Juist als de Algemeene Overste, toen reeds ziek en uitgeput, in zijne kerk van O. L. V. van Bijstand te Turijn, zijnen zegen aan eenige missionarissen gegeven had, welke naar Ecuador vertrokken (6 December 1S87), kwam Zijne Hoogw. de Bisschop van Luik hem eene belofte herinneren, welke Dom Bosco hem vier jaren vroeger gedaan had en diensvolgens eenige priesters voor eene Stichting in België, meer bepaaldelijk te Luik, vragen. De redenen, door Z. Hoogwaardigheid gegeven, waren zoo beslissend, zijne bede was zoo dringend, dat Dom Bosco, diep bewogen het voorstel gereedelijk zou aangenomen hebben, hadde hij meer priesters te zijner beschikking gehad; maar met de missionarissen van Elcuador vertrok al wat men, voor het oogenblik althans, kon afstaan en de Raad, door Dom Bosco vergaderd, antwoordde eenparig, dat het onmogelijk was de vraag van Z. Hoogw. in te willigen. Monseigneur verloor den moed niet en begaf zich naar de kerk van O. L. V. van Bijstand ; lang en vurig was zijn gebed: het werd ten volle verhoord, 's Anderendaags , na eene nieuwe vergadering van den Raad, aan welks leden Dom Bosco de zaak, als een door Onze Lieve Vrouw verlangd werk in vurige be-

ocr page 477

— 466 —

woordingen voorstelde, werd de stichting aangenomen , en zoodra de gebouwen gereed zullen zijn en oenige weezen aangenomen, zullen ook de volgelingen van den heiligen priester naar ons vaderland komen, om er de weldaden hunner offervaardigheid en hunner zeldzame opvoedingsmethode te verspreiden.

„Na de aanspraak van Dom Rua, toog de stoet, voorafgegaan door de muziek, naar de ruime plaats, waar binnenkort de muren zullen verrijzen van de beide gebouwen, wier plan werd opgemaakt dooiden ervaren volksvertegenwoordiger van Maaseyck, den Weledel hooggel. Heer Helleputte, hoogleeraar.

„Waarlijk een grootsch, indrukmakend schouwspel, toen Z. doorl. Hoogw., bijgestaan door zijne beide Grootvicarissen, het altaar betrad, om er de heilige Geheimenissen te voltrekken, en toen, op het oogenblik der Consecratie, vóór die ingetogen en geknielde menigte, de Heiland op de door Hem gekozen plaats tegenwoordig was. Vuriger stegen toen de gebeden ten hemel, terwijl het geschut donderde, de schetterende tonen der trompetten over de omliggende heuvelen weergalmden en het Zangkoor het Sac ris Solemnüs aanhief.

„Toen het Heilig Misoffer ten einde was, begon de plechtige en aandoenlijke wijding van den eersten steen, die door eenige theologanten uit het Seminarie gedragen werd; Z. Excellentie de Pauselijke Nuntius verrichtte de inzegening, waarna de geestelijkheid den steen tot op de plaats begeleidde, waar hij moest neergelegd worden en ten eeuwigen dage berusten.

ocr page 478

— 407 —

„Dan trad de gevierde kanselredenaar, Mgr. Cartuy-vels, Vice-Rector der Leuvensche Hoogeschool, vóór het altaar en sprak er met eene heldere en ver klinkende stem eene heerlijke redevoering uit, om nogmaals aller aandacht te vestigen op het nut, dat het werk van Dom Bosco overal oplevert, en dit Instituut meer bepaaldelijk onder de nijvere bevolking van deze stad en van het vaderland zou stichten. Naar aanleiding van de woorden der H. Schrift; Et lapis istc ent vobis in tcstimoniuin .... ct vocavit nomen loei illius, Lapis aejutorii,quot; deze steen zal u ten getuigenis (der Goddelijke weldaad) strekken,.... en de plaats, ivaar hij gelegd werd, zal Steen van bijstand genoemd worden,quot; (i) wees hij op de menigvuldige weldaden door de Salesiaansche priesters aan de kinderen des werkmans en door hen aan de samenleving bewezen en deed vooral eenen oproep op aller harten, om deze in een machtig dankgebed te vereenigen jegens God, den Gever van alle goed, den Stichter en Beschermer, zonder wiens hulp niets gedijt en door wiens zegen de grootste, de heerlijkste dingen tot stand komen. Aan Hem op de eerste plaats, de eer dezer heil- en roemvolle onderneming! aan Hem onzen innigsten dank! Moge zijn zegen voortdurend berusten op het werk, dat te zijner eer ondernomen werd, over den doorluch-tigen Kerkvoogd, die er krachtdadig de hand aan sloeg, over de edele zonen van Dom Kosco, over al de weldoeners, die van nu af aan zoo mild-

(l) Boek Josuë XXIV en I Koningen VII.

ocr page 479

— 468 —

dadig tot bestrijding der zware kosten hebben bijgedragen.

„Na den zegen van Z. Excell., keerde de stoet naar de Sint Veronicakerk weder, en ging de onafzienbare menigte langzaam uiteen, diep getroffen door de hartroerende plechtigheid, waarvan zij getuige was. (i).

In Engelasd eindelijk werd het ontworpen huis te Londen gesticht, in de wijk Battersea, te midden van werkmansvolk, grootendeels uit Ieren bestaande. Deze stichting heeft den naam van Huis van het H. Hart van Jezus; zij beslaat de plaats, waar eertijds de tuin van Thomas Morus, den luisterrijken kanselier-martelaar, stond.

Dom Bosco bewaakte en bestuurde dit alles, met zijnen genisten en zoeten blik, van uit zijn klein vertrek in het Bedehuis van den H. Francis-cus van Sales, zijn eerste huis. Zijne woning, die uit twee enge, nauwelijks gemeubelde kamers en uit eene wachtzaal bestond, ging open op eene kleine gaanderij. Daar deed hij nog eenige stappen, aan den arm van eenen zijner priesters, sinds zijne verzwakte beenen hem hunnen dienst weigerden. Nu eens vermaakte hij zich met de kinderen toe te lachen, welke op eene der speelplaatsen rondliepen, op welke zijne kamer uitzicht gaf, dan weer met op de kaarten, die aan den muur hingen, de onvermoeibare vorderingen te meten van zijne missionarissen en zijne verschillende stichtingen, weldra

(i) De Salesius-Bode, 17 Mei 1890.

ocr page 480

over de heele wereld verspreid. Hij zelf beschouwde zich als een geduldig werktuig tusschen de handen der Voorzienigheid: „Het is Maria-Bijstand, die werkt door Dom Bosco, herhaalde hij dikwijls: zonder haar zou Dom Bosco een onbekend priester zijn, in de laatste Piemonteesche parochie begraven.quot;

Zijne nederigheid had iets ongekunstelds en geleek niet op die van anderen. Als men hem over zekere buitengewone gunsten ondervroeg, waarvan hij het voorwerp geweest was, bijvoorbeeld over II Grigio, den beroemden hond, bevestigde hij de feiten zonder grootspraak, maar ook zonder valsche schaamte, zonder gezochtheid of behaagzucht. Hij duldde, dat bij zijn leven, niet alleen zijne kindsheid en het bewonderenswaardige leven zijner moeder werd geschreven en openbaar gemaakt, maar ook eenige zijner persoonlijke mirakelen. Men heeft er dikwijls over verwonderd gestaan, men heeft zelfs daar een onderwerp van ergernis in gevonden; men heeft zich afgevraagd, of hij oprecht nederig was. Het was, omdat men zijne uiterste eenvoudigheid slecht kende.

Eens zeide hij aan een zijner medeleerlingen: „Mijn lieve vriend, indien God een kleineren, zwakkeren, en vooral nietigeren priester gevonden had, zou hij hem gewis met dit werk belast hebben. Wat mij betreft, ik zou ergens in een arm berggehucht moeten dienst doen; dat is alles, wat ik verdien.quot;

30

DOM IIOSCO.

ocr page 481

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DOOD VAN DOM BOSCO.

eer dan één rouw was Dom Bosco als eene verwittiging voorafgegaan. De beste zijner vrienden uit de wereld, buiten zijne kinderen, gingen hem eenige maanden of slechts eenige dagen vóór in het graf.

Vooreerst was het de luisterrijke priester Jacobus Margotti, Bestierder der Armonia, de Lodewijk Veuillot van Italië, (i)

(l) Dom Bosco ontmoette geen getiouweren vriend noch on-verschrokkener verdediger, dan M. Margotti. In i860, toen het Bedehuis vereerd werd met de vervolgingen van staatswege , was het Margotti, die, zelf heviger nagejaagd dan iemand anders, zijne eigene gevaren vergat, om raad en aanmoediging aan den Valdocco te brengen. Men leest in Vet Bullelijn der Salcsiërs \a.n Juni 1S87: „De katholieke pers van alle landen draagt rouw over den Z. E. Margotti: zij heeft de wijsheid en de standvastigheid geprezen van dien bevoegden, overtuigden en weisprekenden kampvechter voor godsdienst en rechten, voor Paus en Vaderland; zij heeft in hartroerende bewoordingen de veertig jaren zwoegens geschetst , welke dezen bewonderenswaardigen priester met glorie overdekt hebben en aan de Kerk, evenals aan de burgerlijke maatschappij, onmetelijke weldaden verschaft hebben. Voor ons was hij een weldoener; wij zijn er verre af, dit te vergeten.

ocr page 482

— 471 —

Daarna was het de Parijzer uitgever Josse, die het geluk had den 24sten December 1887 te sterven, bij zijn uitkomen uit den biechtstoel, eindelijk, den 3isten Januari, was het M. Colle de la Farlède, wiens jongste zoon Lodewijk-Fleury-Antonius, Dom Bosco als levensbeschrijver had.

Dom Bosco beweende hen, en trok er voor zich zeiven, wij zullen niet zeggen, de somberste, want de dood verschrikte hem niet, maar toch de levendigste voorgevoelens uit. „Haast u, zeide hij aan zijnen schatbewaarder, haast u een stuk grond voor mijn graf aan te vragen.quot; Om dit dikwijls hernieuwd verlangen in te willigen, trad men in onderhandeling met het gemeentebestuur van Turijn; wijl men ze echter op de lange baan schoof, voegde er Dom Bosco op eenen schertsenden toon bij; „Indien gij

„Als hij meende, dat een bezoek een weinig blijdschap aan den reeds lijdenden Dom Bosco kon aanbrengen, snelde M. Margotti toe, ondanks zijne eigene kwalen, en bracht bij zijnen vriend oogenblikken door, waarin hij de eenige niet was, die zich geluk-kig gevoelde. Paaschmaandag is de laatste dier dagen geweest, die hem ons meer deden beminnen, omdat wij hem beter leerden kennen.

„Hij kwam naar het Bedehuis en sprak langen tijd vertrouwelijk met Dom Bosco, terwijl hij hem voor den duizendsten keer, zijne medewerking, zijne hulpmiddelen, zijnen invloed opnieuw aanbood, en zich in één woord, heel en al tot de beschikking van onzen Vader stelde. En toen hij vernam, dat Dom Bosco zich naar Rome begaf voor de wijding der Kerk van het II. Hart, wilde hij, die, in den loop zijns levens, als een man van karakter, altijd tot daden overging, eene laatste aalmoes aan dat Werk schenken, hetgeen hij uit al zijn vermogen met eenen ijver vol beminnelijke verassingen ondersteund had.

„Hij omhelsde Dom Bosco en wenschte hem eenen spoedigen en gelukkigen terugkeer , zonder te gissen, dat dit vaarwel het laatste was. Hij stierf den óden Mei, op het feest van den H. Joannes ante portam Latinam, hetgeen het feest der drukkers en ook een weinig der dagbladschrijvers is.

ocr page 483

— 472 —

u niet beter spoedt, zal ik mij in uwe kamer laten dragen, als ik dood ben.quot;

Het was op zijn herhaald aandringen, dat men de wijding der kerk van het H. Hart te Rome in de maand Mei 1887 voorstelde. Zij, die hem den weinig gevorderden staat der werken opwierpen, en hem baden de plechtigheid tot het volgende jaar uit te stellen, kregen altijd hetzelfde antwoord: „Ik weet dit alles, maar ik wil de kerk gewijd zien; indien men uitstelt, zal ik ze niet zien.quot;

Somtijds sprak men in zijne tegenwoordigheid over zijn priesterjubelfeest in 1891; maar dan zeide hij aan zijne boezemvrienden: „Gij zijt in dwaling.quot; Aan eene uitstekende weldoenster van zijne weezen, die den dood nabij was, en hem aan hare legerstede had doen roepen, zeide hij; „Ach! Mevrouw de gravin , gij moet twee vette kalveren slachten voor mijn jubilaeum; dit hadden wij te zamen besloten; gaat gij aan uw gegeven woord te kort doen? Doch, stel u gerust, ik heb het recht niet van u te berispen, dat gij aan deze feestelijke samenkomst ontbreekt, want ik van mijnen kant zal er niet getrouwer in zijn, dan gij.quot;

Toen hij zich eindelijk in de maand November 1887, aan de sponde van eenen zijner priesters bevond, die zwaar ziek en reeds bediend was, gebood hij hem betrouwen te hebben: „Uwe beurt is nog niet gekomen, het is iemand anders, die uwe plaats moet innemen.quot; En inderdaad hij genas en de zieke, die daarna het eerste in het huis stierf, was Dom Bosco zelf.

Eene nog merkwaardige omstandigheid was deze;

ocr page 484

— 473 —

daar zijn bed weinig gemakkelijk was voor de ziekenoppassers, legde men hem in het bed zelf, waarin de stervende priester lag, welken hij was komen troosten. Hij kon zijne plaats niet volkomener ingenomen hebben.

Buiten woorden van dit slag, wier beteekenis meestendeels ontsnapte, en niet dan naderhand begrepen werd, boezemde de gedurige vermindering zijner krachten de meest gegronde vrees in.

Den 6Jen December vertrokken de Salesiaansche Missionarissen, door de Republiek van den Evenaar gevraagd, tot hunne verre bestemming. Dom Bosco wilde in de kerk gaan, om de plechtigheden van het afscheid voor te zitten.

Door zijnen geheimschrijver Dom Viglietti en door den Z. E. Festa ondersteund, nam hij in het heiligdom plaats, gedurende het sermoon van Dom Bonetti. Al de aanwezigen stonden recht, om hem te zien. Doch, toen de lieve reizigers voor hem waren doorgegaan, om hem de hand te kussen, was hij op het punt van te vallen, ging de speelplaats door te midden der toejuichingen van de kinderen, en trad zijne kamer wankelende binnen.

's Anderendaags bracht hem de aankomst van Mgr. Cagliero uit Patagonic, eene groote vertroosting. Dom Bosco ontving hem al weenende in zijne armen, en dadelijk vatte hij het denkbeeld op, van de oudste zijner kinderen uit het Bedehuis, die de verschillende bezigheden, waaronder zij verdeeld waren, vooreenigen tijd konden verlaten, eenen laat-sten keer te vereenigen.

ocr page 485

— 474 —

Hij liet Dom Cerutti, Dom Branda en Dom Albera roepen. Terwijl hij ze wachtte of naarmate zij aankwamen, scheen hij te verjongen; hij schertste over zijne smarten, en (amp;ls hij^over zijnen rug sprak, die meer en meer krom werd, (herhaalde hij deze verzen van een Piemonteesch liedje:

O schina, póvra schina,

T' as fini de porté bascina.

Sedert verscheidene jaren, lieten hem zijne ziekelijkheden niet meer toe alle dagen 's morgens biecht te hooren, zooals hij het gedurende eene halve eeuw gedaan had, doch hij hield er nog aan, den avond van Woensdag en Zaterdag aan deze bediening, die werkelijk de zijne was, toe te wijden. Na den pastoor van Ars, heeft misschien niemand in onze dagen zooveel gebiecht, als hij. Den i-d*quot;1 December, boden zich een dertigtal boetelingen, meestendeels uit de hoogere klassen en begeerig, om hunne roeping te kennen, in zijne voorkamer aan. De Z. E. Festa, tweede geheimschrijver van Dom Bosco, wilde ze verwijderen, doch, nadat Dom Bosco een oogenblik met zich zeiven had raad gehouden, riep hij uit. „Laat ze binnen komen; het is de laatste keer.quot; Hij biechtte ze en werkelijk, het waren de laatste biechten, die hij hoorde. Den 20sten December wilde hij nog uitgaan, men droeg hem in zijnen leunstoel tot aan een rijtuig, waarin zich Dom Viglietti, zijn eerste geheimschrijver, en Dom Bo-netti, aan zijne zijden plaatsten. Voor de kerk van O. L. Vrouw, deed een onbekende het rijtuig stilhou-

ocr page 486

— 475 —

den. Het was een brave man van Pignerol, die Dom Bosco volstrekt wilde spreken. Nauwelijks had hem de eerbiedwaardige grijsaard opgemerkt, of hij herkende in hem een zijner eerste kinderen, een van hen, die hij, bij het aanvangen van zijn weeshuis, had opgenomen.

„Wel, vroeg hij hem, hoe staan uwe zaken?

— Nu eens goed, dan eens slecht, antwoordde de boer, maar ik tracht altijd een waardige zoon van Dom Bosco te zijn — Bravo, ik bedank u, God zal u beloonen, bid voor uwen ouden vader.quot; En hij zond hem weg, na hem het heil zijner ziel aanbevolen te hebben. Daarna keerde hij zich tot zijn geheimschrijver en zeide: „Zoodra wij thuis terug gekeerd zijn, denk er aan, Viglietti, deze woorden te schrijven, welke voor allen zijn zullen: Dat de oversten der Salesiërs altijd hunne minderen en vooral, de dienstboden, met goedheid behandelen.quot; Men bezwoer hem aan God zijne genezing te vragen, maar hij wilde er nooit in toestemmen. „Gij herinnert u, zeide hij, wat ik u dikwijls herhaald heb, toen ik nog gezond was, de eenige opoffering, die ik aan het uur van mijnen dood te doen heb, zal zijn, van u te verlaten.quot; Toen hem eens een zijner oudleerlingen van zeer ver met zijnen jongen zoon was komen bezoeken, zeide Dom Bosco, Dom Rua aan het oor: „Zij zijn niet rijk, gij zult hun beiden de reis in mijnen naam betalen.quot;

Wij hebben reeds aangestipt, met welke volheid hij zich aan zijne vrienden en toesprekers overgaf: elk bezat hem zoo goed, dat hij hem zonder ver-

ocr page 487

— 476 —

deeldheid meende te bezitten. Een zijner kinderen zeide vol ontroering, na een onderhoud, dat hij gedurende zijne laatste ziekte met hem had: „Ik ben het dus, ik zie het nu, ik ben het, wien de goede Vader het meest beminde. — God weet het! antwoordde hem een ander Salesiër, doch ik van mijnen kant heb redenen, om te denken, dat ik het ben.quot; P^n al de andere tegenwoordige medebroeders bekenden, dat iedereen voor zich aan eene dergelijke voorkeur had kunnen gelooven. Dat was van den kant van Dom Bosco niet berekend, noch op huichelachtige wijze overdreven; de vaderliefde alleen, had bij hem eene zeldzame ontwikkeling. De vaderliefde, de onbaatzuchtigste liefde, en bijgevolg de volmaaktste, die op aarde bestaat, is een trouwe weerschijn van de algemeene liefde des Scheppers. Evenals de Schepper over elke zaak in het bijzonder waakt, zonder het heelal in zijn geheel uit het oog te verliezen, zoo ook heeft de vaderliefde het zoete voorrecht, dat onder de kinderen, volgens de schoone uitdrukking eens dichters, er ieder zijn deel van heeft en allen ze geheel bezitten. Als een vader of eene moeder één hunner kinderen beschouwen, is het dat, wat zij verkiezen, maar indien hunne oogen of gedachten zich aan een ander hechten, heeft dit dadelijk hun hart veroverd. Een wondervolle macht van samendrukking en uitweiding, die gelijktijdig is in God en opeenvolgend in den mensch, zoodat de vaderliefde de volmaaktste is voor de menschheid!

Tot groote verrassing der geneesheeren, had er

ocr page 488

— 477 —

den i516,1 Januari 1888 evenwel eene betering plaats in den staat des zieken; zijne kinderen schepten wederom adem. Mgr.Cagliero vroeg de toelating, om zich naar Nice-in-Montferrat voor de plechtigheid eener habijtneming te begeven. „Ga, antwoordde hem Dom Bosco, doch kom terug, en houd u niet op.quot; Een oogenblik daarna, zegt hij aan zijnen geheimschrijver: „Herinnert gij u, dierbare Viglietti, waarom ik u bij het eerste vertrek van Cagliero naar Amerika, niet met hem heb laten vertrekken?quot;

Dom Viglietti antwoordde door tranen. „Goed, goed, hernam Dom Bosco, ik zie, dat gij het u herinnert, want ik heb het u sinds dien tijd aangekondigd: Gij zijt het, die mij de oogen moet sluiten.quot;

De heele stad Turijn, of om beter te zeggen, gansch het katholiek heelal, hervatte hoop met de kinderen van Dom Bosco. Mgr. Cagliero, die na veertien dagen van zijne reis terug was, drong met Dom Branda op eene nieuwe toelating aan, hij verlangde naar de feesten van Rome te gaan. „Neen, wacht nog, antwoordde Dom Bosco; wacht tot aan het feest van den H. Franciscus van Sales; dan zal u iemand anders gebieden.quot;

De Kardinaal Alimonda, die verscheidene malen persoonlijk kwam, de Hertog van Norfolk, de Aartsbisschop van Mechelen, de Aartsbisschop van Keulen, de Bisschop van Trier, de Aartsbisschop van Parijs , een zeker getal zijner vrienden uit Pie-mont en vreemde pelgrims, die zich naar Rome begaven of er terug van kwamen, verkregen achter-

ocr page 489

— 478 —

eenvolgens de gunst, om tot den eerbiedwaardigen zieke te naderen. Aan den Aartsbisschop van Parijs, vroeg hij dringend den zegen. Mgr. Richard gaf aan dit verlangen gehoor, doch wierp zich dadelijk zelf op de knieën, om die van den Vader der weezen te ontvangen.

„Ja, zeide Dom Bosco, ik zegen Uwe Hoogwaardigheid en ik zegen Parijs.

—• En ik, riep de heilige Aartsbisschop uit, ik zal aan Parijs zeggen, dat ik den zegen van Dom Bosco medebreng.quot;

Doch de geneesheeren hadden nooit de begoocheling der Salesiërs gedeeld. Doctoor Fissore schreef: „Dom Bosco is verloren. Hij heeft eene hartlong-ziekte; de lever is aangetast, het ruggemerg is zoodanig samengeloopen, dat het eene verlamming in de onderste ledematen zal te weeg brengen. Deze ziekte heeft geene rechtstreeksche oorzaak; zij is het uitwerksel van een bestaan, door den arbeid versleten; de lamp gaat uit bij gemis aan olie.quot;

Den 25 Januari, den dag na het bezoek van den Aartsbisschop van Parijs, viel Dom Bosco, in eene tusschenpoozende ijlhoofdigheid of liever in eene diepe sluimering. Maar men hoorde hem dikwijls met liefde eenig kort gebed uitspreken of den naam stamelen van het een of ander zijner kinderen of van de weldoeners zijner werken. Den 27sten sprak men rondom zijn bed over het opschrift op het graf van zijnen waardigen vriend, den Graaf Colle de la Farlède, te plaatsen. Dom Rua stelde dezen tekst voor: Orphano tu ais ad;ntor: Gij zult de steun der

ocr page 490

— 479 —

weezen zijn. Mgr. Cagliero zou verkozen hebben: Bcatus qm intelligit super egenum ct paupcrcm: Gelukkig, wie den arme en verlatene weet te helpen! Dom Bosco, die geene acht op het onderhoud scheen te geven, opent de oogen en liet, woord voor woord, eene spreuk hooren, nog schooner dan alle andere, en die zoo juist zijn eigen leven en het heele Werk der Salesiërs afschildert: „Gij zult er op griffen, zeide hij; Pater incus ct mater inca dcreliquerunt me, Do-minus ante ui assumpsit me: Mijn vader en mijne moeder hebben mij achtergelaten, doch de Heer heeft mij opgenomen.quot;

Den 29sler' Januari, op het feest van den H. Fran-ciscus van Sales, ontving hij de laatste H. Teerspijze. Gedurende verscheidene uren, hief hij de armen dikwijls ten hemel, al zeggende: „Fiat voluntas tua : Dat uw wil geschiede.quot; Daar echter de verlamming allengskens de rechterzijde aangreep, deed hij met den linkerarm zijne akte van gelatenheid voort, en toen hij heel en al de spraak verloren had, zag men hem gedurende den volgenden dag en die nacht, de weinige krachten, welke hem overbleven, gebruiken aan het oplichten van zijnen linkerarm ; deze stomme opoffering was een diep stichtend schouwspel.

Dinsdag, den 3 istenJanuari, rond twee ure, trad hij den doodstrijd in. Jozef Ruzetti riep in allerhaast de oversten terug, die zeer laat van bij hem waren weggegaan. Weldra bevonden zich in de kamer van den stervende, om zoo te zeggen, meer personen, dan zij er bevatten kon; priesters, geestelijken, keken presten zich, rond het bed, op de knieën bijeen

ocr page 491

— 480 —

Doch hier zouden wij niet beter kunnen doen, dan het Bullctijn der Sale siers eenvoudig af te schrijven:

„Bij de aankomst van Mgr. Cagliero, gaf hem Dom Rua de stool over en ging aan de rechterzijde van Dom Bosco. Terwijl hij zich dan tot aan het oor van den welbeminden Vader gebogen hield, zeide hij hem, met eene door tranen verstikte stem: „Wij zijn daar, wij, uwe kinderen. Wij bidden u ons alle leed te vergeven, dat wij u hebben kunnen veroorzaken: ten teeken van vergiffenis en vaderlijke welwillendheid, geef ons nog eenmaal uwen zegen. Ik zal u de hand geleiden en de formule uitspreken.quot;

„Welk een hartverscheurend en ontroerend too-neel! Alle hoofden buigen tot aan den grond en Dom Rua, alle krachten verzamelende, welke hem de angst van het oogenblik overliet, spreekt de woorden van den zegen uit, terwijl hij terzelfder tijd de reeds verlamde hand van Dom Bosco opheft, om de bescherming van O. L. V. van Bijstand over de aanwezige Salesiërs en over alle andere, die op alle punten des aardbols verspreid zijn, in te roepen.

„Om drie ure, ontving men van Rome het volgende bericht; „De H. Vader geeft uit ganse hei-harte den apostolischen zegen aan den zwaar zieken Dom Bosco. -- Kardinaal Rampolla.quot;

„Monseigneur had reeds het „ Proficiscerequot; gelezen.

„Om half vijf klept in de kerk van O. L. V. van Bijstand het Angelus, dat alle omstanders rond het bed bidden. Daarna zegt Dom Bonetti den eer-waardigen zieke een schietgebed voor, dat hij de vorige dagen menigmaal herhaald had : — Leve Maria!

ocr page 492

— 481 —

Eensklaps hield het zwakke gereutel op, dat sedert anderhalf uur duurde, en voor een oogenblik werd de ademhaling regelmatig en kalm. Het oogenblik was wel kort; dat laatste ademtochtje verzwond: — Dom Bosco sterft! — riep Dom Belmonte. Zij, die door vermoeidheid op eenen stoel gevallen waren, liepen aanstonds bij: Mgr. Cagliero, zeide het laatste gebed: Jezus, Maria, Jozef, ik geef u mijn hart,

mijne ziel en mijn leven!.....Jezus, Maria, Jozef,

staat mij bij in den doodstrijd!.....Jezus, Maria,

Jozef, dat ik met u in vrede sterve! De stervende slaakte drie nauw hoorbare zuchten: Dom Bosco was dood: hij telde 72 jaren, 5 maanden en veertien dagen.

Het uurwerk wees kwartier vóór vijf. Dom Rua, die dan het woord nam, vond in zijne kinderlijke hoogachting voor Dom Bosco de kracht, om aan de omstanders, in eenige afgebrokene woorden, de verhevene leeringen te toonen van dien dood, welke zoodanig leven bekroonde. Op zijne beurt hief Mgr. Cagliero met insgelijks onzekere stem, het Sicbvc-nitc, sancti Dei aan, zegende daarna het eerbiedwaardig overschot, terwijl hij voor de ziel, die het zooeven verliet, de eeuwige rust vroeg. Hij deed zijne stool dan den overledene aan, aan wien men de handen samenvouwde, om er het kruisbeeld, waarop zich de lippen van den stervende zoo dikwijls en met eene onuitsprekelijke vurigheid geplaatst hadden, te doen vasthouden.

„Het „Dc profundi*,quot; geknield gebeden, was slechts een lange snik.

ocr page 493

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

LIJKPLECHÏIGHEDEN VAN DOM BOSCO.

et lichaam werd heel den voormiddag in het |bed gelaten, waar hij den geest in gegeven had; daarna werd het gewasschen en gekleed, met de hulp der ziekenoppassers door Enria, een der eerste kinderen van Dom Bosco en sedert lang op bijzondere wijze aan zijnen persoon gehecht. Een photograaf en een schilder kregen de toelating, om de trekken van den overledene te nemen; dit was alles, wat de oversten wilden toestaan; de gedachte alleen van een afgietsel van dit eerbiedwaardig lichaam te nemen, scheen hun eene ontheiliging toe. Dezelfde kieschheid maakte, dat zij zich tegen eene balseming verzetten. Een der geneesheeren zeide: „Ik ken Dom Bosco sedert langen tijd: zijn lichaam boezemt mij zulken eerbied in, dat ik den moed niet zou gevoelen, het te ontheiligen.quot;

De stad Turijn, over deze smartvolle gebeurtenis onderricht, was onder een pijnlijken en diepen indruk. Vele magazijnen werden reeds 's morgens gesloten; zij droegen het volgende opschrift: „Geslo-

ocr page 494

— 483 —

ten, wegens het afsterven van Dom Bosco.quot; De menigte belegerde de deur van het Bedehuis en vroeg dringend de overblijfsels van den man Gods te aanschouwen. Vooreerst kon men slechts het personeel des huizes binnenlaten, 'daarna de Zusters van Maria-Bijstand en een klein getal bekende personen. Het lichaam, dat een violet misgewaad droeg, eene bonnet op het hoofd en een kruisbeeld tus-schen de samengevouwen handen had, werd in eenen leunstoel geplaatst, onderaan in de galerij, die achter de bijzondere kapel van Dom Bosco gelegen was. Als men deze kapel binnentrad, kon men dooide twee geopende vleugeldeuren, achteraan in de galerij, den overledene met den rug tegen het venster, dat op de kerk van den H. Franciscus van Sales uitzag, geplaatst zien. Zijne trekken Waren geenszins veranderd, en zonder de bleekheid van aangezicht en handen, die afstak tegen het violet der kazuifel, zou men Dom Bosco in slaap en door een hemelsch-visioen verrukt gewaand hebben. Deze begoocheling ondervonden niet alleen zijne kinderen, alle bezoekers deelden ze; onwillekeurig ging men op de teenen, om hem niet te wekken, terwijl men vóór hem kwam knielen, om eenen kus van teedere hoogachting op die blanke hand te drukken, welke zoo dikwijls opgeheven werd, om te zegenen.

Dom Michaël Rua, plaatsvervanger en opvolger van Dom Bosco, die zijne smart door zijn plichtgevoel beheerschte, had reeds de treurige tijding aan den Opperherder, aan den kardinaal Alimonda en aan de verschillende Salesiaansche huizen geseind.

ocr page 495

— 484 —

Bij het ontvangen van het bericht, hief Leo XIII de oogen ten hemel en riep uit: „Dom Bosco è un santo, un santo, un santo !quot;(i)

Dom Rua stelde daarna eenen doodbrief op, die-bestemd was voor de Salesiaansche Medewerkers en die niet voldoende was voor allen, ofschoon er tot 53,000 afdruksels (2) van getrokken werden. Deze omzendbrief eindigde alzoo:

„Met de hulp en de raadgevingen mijner Medebroeders, ben ik van te voren zeker, dat het godvruchtig Gezelschap van den H. Franciscus van Sales, door Gods arm ondersteund, sterk door de bescherming van Maria-Bijstand en de edelmoedige liefdadigheid der Salesiaansche Medewerkers, de Werken zal voortgaan te verrichten, door zijnen eerbiedwaar-digen en betreurden Stichter geschapen, en in het bijzonder, de christelijke opvoeding der arme en verlatene jeugd en de missiën in de ongeloovige landen. Salesiërs, Dochters van O. L. V. van Bijstand, Medewerkers, dierbare kinderen, aan onze zorgen toevertrouwd, wij hebben onzen goeden Vader niet meer in ons midden, doch wij zullen hem terugvinden in den hemel, indien wij zijne raadgevingen in practijk stellen en getrouw zijne voetstappen navolgen.''

De binnengalerfj was evenwel te eng, om de bezoekers te bevatten. De kerk zelve van den H. Franciscus van Sales, was nauwelijks voldoende; maar

(1) Dom Bosco is een heilige, een heilige, een heilige!quot;

(2) 32,000 voor Italië, 13,000 voor Frankrijk, 8,000 voor de landen, waar de Spaansche taal gesproken wordt.

ocr page 496

— 485 —

het was de eerste, die hij gebouwd had; als wieg van het godvruchtig Gezelschap, verving zij de ellendige loods, waar hij zijn apostelschap van volksopvoeding begonnen had; kon men een ander oord uitkiezen, om er de laatste hulde des volks aan den vriend der verlatene kinderen te ontvangen. Hoe welsprekend was de preek van dien armen priester, die ingeslapen was in den slaap der werklieden, welke aan de vermoeidheid bezwijken, aan den avond van een leven, door de liefdadigheid vóór zijn tijd versleten. Kon men dit zoet en versterkend schouwspel alleen voor eenige bevoorrechten bewaren.

Het lichaam werd dus den isten Februari 'smor-gens in het heiligdom der kerk van den H. Fran-ciscus Salesius overgebracht.

Terwijl de overbrenging plaats had, woonde de communauteit in de groote kerk van Maria-Bijstand eene plechtige requiemmis bij, die voorafgegaan was van den rozenkrans en godvruchtig bekroond werd door eene algemeene communie.

Op het einde dezer plechtigheid, liet men de kinderen en werklieden van het Bedehuis de eerbiedwaardige overblijfsels van hunnen weldoener gaan bezoeken. De dag begon aan te breken, doch de zwarte rouwversieringen onderhielden eene halve donkerheid, die tot ingetogenheid zou gestemd hebben, indien men de noodzakelijkheid van te bidden niet van zelf ingezien had.

Op het autaar, onder draperieën verborgen, verhief zich een groot kruis, de eenige hoop van den welbeminden overledene, die als in de schaduw van Dom uüsco. 31

ocr page 497

— 48Ü —

het werktuig van ons heil gezeten was. Rondom hem brandden talrijke kaarsen; haar zacht licht liet dat gezegend aangezicht zien, waarop na dertig uren, de dood zijnen indruk nog niet gezet had.

De kinderen verdrongen zich wederom in de te enge kapel. Door hunne tranen heen, zochten zij dat dierbare beeld te ontwaren, hetwelk daar vóór hen, eenige treden hooger dan zij, in het heiligdom geplaatst was. Dom Bosco rust in de houding van iemand, die slaapt, het hoofd een weinig links gebogen, met kalme, geruste, bijna glimlachende trekken, met de oogen half open, doch naar hel kruisbeeld gericht, dat hij godvruchtig tusschen zijne gevouwen handen drukt. — Onze Vader! Hij was onze Vader! herhaalden die duizende gebrokene harten in eenen zelfden smartvollen kreet, en allen treurden bij het gezicht van dat gestoelte, van dat autaar, van dien biechtstoel, welke hij gedurende zooveel jaren bekleedde, en waar hij niet meer zou verschijnen. Doch in weerwil van dit alles, was de rouw met, ik weet niet, welke inwendige blijgeestigheid vermengd. De gebeden, voor Dom Bosco begonnen , namen onwillekeurig eene andere richting en veranderden in gebeden, tot hem gericht. De kerk van Sint Franciscus Salesius werd rond acht ure 's morgens voor het publiek geopend. De groote stad stelde zich heel en al in beweging, om het stoffelijk overschot van den aartsvader te komen groeten. De Koningin-Margarethaplaats en die van den Valdocco gaven doortocht aan eene onmetelijke en ingetogene menigte. De plaats Maria-Bijstand was

ocr page 498

— 487 —

vol prachtkoetsen. Eene menigte dagbladverkoopers riepen en verdeelden bij duizenden de Unit a Catto-lica en de Corricrc nazionalc, beide vol bijzonderheden over den overledene en met zijn portret opgeluisterd. Men schat op veertig duizend het getal vreemdelingen, die in de kleine kerk van den H. Franciscus Salesius gedurende den dag van Woensdag, het lijk voorbijtrokken.

De voorzorgen, die genomen werden, om de orde te handhaven, laten toe te gelooven, dat dit cijfer niet overdreven is. De gebieder Voli, Burgemeester van Turijn, had als vooruitziend overheidspersoon , sterke afdeelingen politieagenten ter beschikking van Dom Rua gesteld, zoowel voor de binnenplaatsen, als voor de toegangen van het huis.

Rond den leunstoel, waarin Dom Bosco het laatste bezoek ontving van het volk, dat hij zoozeer bemind had, stonden de Paters Salesiërs, de priesterschap van Turijn en de priesters van het gasthuis Cottolengo, aan wie het alleen toegelaten was, lang te blijven staan en neer te knielen. Er waren ook eenige banken gerangschikt voor de veteranen van het Bedehuis, van welke er verscheidene van verre kwamen en die zich niet konden onttrekken aan deze kinderlijke en laatste samenkomst met dengenen, aan wien zij alles te danken hadden.

Men deed hem medaliën en rozenkransen aanraken; eene godvruchtige en kiesche hand liet onder de kazuifel een offer voor zijne weezen vallen, dat in een papier gewikkeld was en dit opschrift droeg: „Welbeminde Dom Bosco, bid voor mijquot;

ocr page 499

— AS8 —

Doch onder de verkregen genaden is er ééne, waar wij melding van moeten maken, (i)

De zuster Adelina Marchesi, kloosterlinge van Maria-Bijstand, (Bedehuis Sint Angela via Cotto-lengo, 33, te Turijn) was sedert eenigen tijd geheel blind, ten gevolge van een aanstoot van zwarte staar. De geneesheeren oordeelden, dat de ziekte ongeneeslijk was.

Adelina Marchesi liet zich naar de kapel brengen, waar Dom Bosco rustte, in de kerk van den H. F ranciscus Salesius. Toen zij er aankwam, was zij verwonderd vooreerst lichten en daarna tusschen deze den uiterlijken vorm in het algemeen, en allengskens eenige trekken van den overledene te onderscheiden. Hierdoor verstout, vatte zij, ofschoon men haar wilde wederhouden, de rechterhand van het eerbiedwaardige lijk, die ze lenig en buigbaar vond, en bracht ze aan de oogen; op hetzelfde oogenblik kreeg zij haar volle gezicht terug.

Zij zond den persoon weg, welke haar gebracht had en bleef, zoolang als men het haar toeliet, God en zijnen gelukzaligen dienaar bedanken, daarna keerde zij alleen terug. Hare oogen zijn sedert dien volkomen gezond en klaar.

Om negen ure 's avonds, nadat de vreemdelingen weggegaan waren, begaven zich alle kinderen van het Bedehuis bij het dierbare laatste overschot, om het avondgebed te doen. Toen het geëindigd was, richtte Dom Francesia aan de altijd geknielde

fi) Zij is bevestigd in eenen brief, van den 12 April, van Zuster Theresia, Overste des kloosters van Maria-Bijstand, te Turijn.

ocr page 500

— 489 —

toehoorders eenige woorden, die meesters en kinderen tot in des harten gingen treffen;

„Ziet gij daar, voor u , onzen welbeminden Vader , met die indrukwekkende kalmte, met dien glimlach, op de lippen. Men zou zeggen, dat hij u nog wil toespreken en gij wacht bijna, dat hij opsta en voor den laatsten keer den doordringenden

klank dezer zoo geliefde stemme doe hooren......

Maar neen; het is gedaan! Hij kan u die heilige onderrichtingen niet meer herhalen, die hij u zoo dikwijls gaf. En ik ben het, die u deze laatste herinnering moet overbrengen.

Doch waaraan kan ik u herinneren in dit heiligdom , waarin Dom Bosco zich voor u geslachtofferd heeft, tenzij aan het laatste woord, dat hij ons voor u heeft achtergelaten: „Zegt aan mijne kinderen, dat ik ze allen zvacht tn het Paradijs.quot;

Gedurende deze wel korte aanspraak, scheen Dom Bosco, helder in zijnen dood, nog eens zijne rond zich vereenigde familie te zegenen.

Men had moeite, om de kinderen op hunne slaapzalen te brengen: onbeweeglijk schenen zij naar niets meer te luisteren, en konden zij niet besluiten, dien Zoo goeden Vader te verlaten, welken zij hier beneden niet meer zouden wederzien.

Salesiaansche priesters en Medewerkers brachten den nacht in de lichtkapel door.

Den 2Jen Februari, bij het krieken van den dag werd het lichaam, in misgewaad gedost, in drie zerken gelegd; de eerste, waarin hij rust, is van zink, met vlokzijde gestopt; de tweede, die de eerste om-

ocr page 501

— 490 —

slaat, is van lood en de derde, die alles omvat, is van eikenhout, met schroeven, groepen en versieringen, in verguld brons. Op het deksel prijkt een breed kruis.

Men sloot ze niet onmiddellijk, om de Oversten der Bedehuizen van Frankrijk te wachten.

De mis van uitvaart werd in de kerk van Maria-Bijstand gezongen. Van 's morgens vroeg werd het plein Koningin-Margaretha, door eene aanzienlijke menigte doorkruist, die zich naar de kerk begaf. In de straat Cottolengo hadden de ordebewakers, de politieagenten en gendarmen de handen vol met dien vloed van volk, welke zichtbaar vermeerderde, tegen te houden en om zoo te zeggen, af te dammen. De rijtuigen konden niet meer vooruit. Aan de deur van het Bedehuis, gelukten er de gendarmen slechts met groote moeite in, eenen doortocht te banen voor de vrienden, voor de Medewerkers en de Medewerksters van den overledene.

De plaatsen, die voor deze in de kerk bestemd waren, werden reeds van 's morgens vroeg bezet gevonden; rondom het praalbed waren de Dochters van Maria-Bijstand geschaard ; stoelen waren er voorbehouden voor eenige uitgenoodigden van onderscheiding. Maar buiten, op het plein, bleven een groot aantal vreemdelingen in reisgewaad rechtstaan, het waren Fransche, Zwitsersche of lersche pelgrims, van welke eenigen zich naar Rome begaven en anderen er van terugkwamen, na aan de jubelfeesten tegenwoordig geweest te zijn, doch welke allen hunnen reisweg veranderd hadden, om de

ocr page 502

— 491 —

laatste eerbetoogingen, die men aan Dom Bosco bewees, bij te wonen. De stilte was algemeen , en er heerschte eene diepe ingetogenheid; alleen vernam men een verward, nauwelijks waar te nemen gemompel van den kant der straat, waardoor het verlangen van heel het volk te kennen gegeven werd, om zich aan die betooning van kinderlijke liefde aan te sluiten.

Een weinig na negen ure, kondigde een nog verwijderd psalmgezang de aankomst van het lichaam aan. Weldra werd er eene zijdeur geopend en men zag de geestelijken verschijnen, die de zerk van hunnen vader droegen of vergezelden. Onder hen bevonden zich drie pastoors van parochiën uit Turijn, alle drie kinderen van Dom Kosco (i) en verscheidene kanunniken, insgelijks door hem opgevoed. Toen de deur wederom gesloten werd, stak men in eenen oogwenk, ontelbare toortsen aan, versierd met de wapenen van het Gezelschap der Salesiërs en met kronen beladen; eene lange rij koorknapen kwam uit de sacristij te voorschijn; de godgewijde bedienaars volgden langzaam en de mis begen. Zij werd door Mgr. Cagliero niet alleen opgedragen, maar ook getoonzet, en zij, die ze met tranen in de stem zongen, waren allen kinderen van den hoog-geachten Vader; het was een werkelijk familiefeest, die zegepralende rouw, waarin de hoop en de hemelsche vreugde de smart van eene aardsche

fi) De Godgeleerde Reviglio, pastoor van Sint-Auqustinus; Piano, pastoor der Grande Madre di Dio en Muriano, pastoor van Sint-Theresia.

ocr page 503

scheiding van slechts één oogenblik, te boven kwamen.

Om twee ure, alvorens de zerk te soldeeren, werd het volgende proces-verbaal, na er eerst met luider stemme lezing van gegeven te hebben, in eene glazen flesch gezegeld, en onder de voeten van den overledene neerofelesrd:

o o

„De ondergeteekenden verzekeren, dat in deze zerk het stoffelijk overschot rust van Dom Johannes Bosco, priester. Stichter van de Congregatie van den H. Franciscus Salesius, van de Dochters van Maria-Bijstand en van de Salesiaansche Medewerkers. Hij werd te Castelnuovo d'Asti den 15 Augustus 181 5 van Franciscus en Margaretha Occhiena geboren, en stierf van eene langzame vertering van het ruggemerg, zooals het blijkt uit het bulletijn van zijn afsterven, aan den Burgemeester afgegeven en onderteekend door den behandelenden geneesheer, den doctoor Albertotti, den 3 isten Januari 1888, om kwartier voor vijf ure 's morgens, eenige minuten na het Angelus, dat als de stem scheen der Maagd van Bijstand, welke hem naar den hemel riep, op het einde van het negende jaar van het roemrijk pausschap van den zeer wijzen Paus Leo XIII, onder het bisschopschap van zijn Eminentie den kardinaal Alimonda, Aartsbisschop van Turijn, en onder de regeering van Humbert I van Savooie, onzen souverein.

„De geschiedenis zal de liefdadigheid verhalen en den wonderbaren ijver, de verscheidene stichtingen, de grootheid en heldhaftigheid van zijne deug-

ocr page 504

— 493 —

den, het heele leven van dien doorluchtigen overledene en den openbaren rouw, door zijnen dood veroorzaakt.

„Het lijk is bekleed met den toog en een violet misgewaad, als om de mis te gaan doen.

„De zerk bevat, behalve het perkament en insgelijks in een glazen koker gezegeld, drie medaliën van O. L. V. van Bijstand en eene andere medalie, als gedachtenis aan het priesterjubelfeest van Leo XIII.

„Godvruchtige overblijfsels, voorwerpen van zoo een smartvol leed, en besproeid met zoovele tranen, rust in vrede tot aan den dag, waarop de trompet des engels u ook zal roepen tot de eeuwige glorie; dat de ziel, die u bezielde, over ons wake van uit de luisterrijkheden der hemelen, waar wij de zoete overtuiging hebben, dat zij reeds gelukkig is in God en in Maria, welke zij met eene zoo groote liefde beminde en in welke zij altijd het onwrikbaarste vertrouwen had.quot;

„Turijn, 2 Januari 1888.quot;

(Hier volgen lt;1c /landteekens van de doctoors Albertotti en Bestente, en van verscheidene Oversten van het Salesiaanseh Genootschap.)

Voor den laatsten keer konden de eenige personen , die bij de treurige plechtigheid toegelaten werden, de trekken van dien welbeminden Vader aanschouwen en eenen kus op die gezegende, nog altijd lenige hand, drukken; daarna werd het deksel gesoldeerd.

ocr page 505

— 494 —

Het is onder de kerk van O. L. V. van Bijstand en in eenen met opzet bereiden gratkelder, dat de kinderen van Dom Bosco zijn heilig laatste overschot hadden meenen te bewaren. Doch de edelmoedigheid en godvruchtige overleveringen van het Huis van Savooie hebben schipbreuk geleden te |

midden van de staatkundige heerschzucht, en de koning van Italië heeft niet meer ten opzichte der antichristelijke omwenteling, zijne bondgenoote, de fiere onafhankelijkheid van den kleinen koning van Sardinië.

De toelating werd gevraagd; de staat weigerde ,

met eene uitdrukking van oprecht, zonder twijfel,

doch onverbiddelijk leedwezen.

De keuze van het kapittel der Salesiërs viel dan op het huis Val-Salice, kortbij Turijn, waarin Dom \

Bosco zijn Seminarie voor vreemde missiën gevestigd had. Ofschoon Val-Salice heel en al buiten de omheining van Turijn is, werd de goede wil van het staatsbestuur nog door zulk eene reeks van aarzelingen tegengehouden, dat men het oogenblik reeds begon te voorzien, waarop de stoffelijke overblijfselen van het luisterrijkste der kinderen van het huidige Piëmont, naar een ander huis, doch buiten Italië, gebracht zouden worden.

Zoodra de mogelijkheid van een zulkdanig ont- ^

werp bekend werd, deed het vooruitzicht van het uitwerksel, dat eene zoo onverwachte verbanning op de vaderlandsliefde van het nog geloovige volk zou kunnen te weeg brengen, de tegenkantingen vallen; de toelating van de ter aardebestelling werd voor Val-Salice afgegeven.

1'

ocr page 506

— 495

Daar echter de grafkelder niet onmiddellijk gereed was, moest het lichaam weer in de kerk teruggebracht worden ; de optocht der begrafenis kwam dus naar zijn uitgangspunt weder.

Hij zette zich om half vier op weg. De omstanders werden door de dagbladen op honderd of honderd en tien duizend man geschat, en men kan aannemen, dat dit cijfer niet boven de werkelijkheid was: op eene lengte van twee kilometer, ging de rouwtocht gedurig tusschen twee breede rijen van bewogen toeschouwers voorbij, allen in eene zoo eerbiedige houding, als de engte der plaats aan iedereen toeliet; de ruime lanen waren opgepropt van het volk; de boomen waren er van voorzien, en de vensters en huizen waren er mede belast, tot zelfs de daken. Men weet, dat in Italië de balkons, die eenen binnengang vervangen, zelfs in de kleinste woningen aangebracht zijn en bij gelegenheid in zeer gemakkelijke zitplaatsen veranderd worden, ter bezichtiging van alle buitentooneelen.

De meisjes der lagere en hoogere klassen van Maria-Bijstand gingen voorop; daarna kwamen de jongens en jongelingen der zondagpatroonschappen, verder de leerlingen van het Bedehuis van den H. Franciscus van Sales en van den H. Johannes den Evangelist, in klassen en werkplaatsen verdeeld, achter hen de oud-leerlingen van Dom Bosco: leeraars en ambachtslieden, letterkundigen en advocaten, overheidspersonen en militairen, nijverheidsmannen en eenvoudige werklieden, allen stapten naast elkander voort en liepen door elkander, als in den

ocr page 507

— 496 —

tijd hunner jeugd, terwijl zij die heilige en duurzame liefde terugvonden van de dagen hunner christelijke opvoeding, van die schoone dagen, welke zij aan hunnen vader en hun aller opvoeder te danken hadden.

Men kon zonder ontroering niet zien, hoe die duizenden kinderen van Dom Bosco, meestendeels jongelingen, doch eenigen reeds met vergrijsde haren , een volkomen stilzwijgen behielden en allen ontdekt vooruitgingen, niettegenstaande de koude, en allen baden of hunne herinneringen bij zich zeiven overdachten. Onder hen, die den leeftijd bereikt hadden, waarin de droomen der toekomst ophouden, en men meer in het verledene dan in het tegenwoordige begeert te leven, stapte meer dan één nog in den geest, op den weg der Becchi's in gezelschap van den beminnelijken en onvermoeibaren Vader, of wel zag zich vóór hem , om eene les op te zeggen, uit liefde geleerd en om hem genoegen te doen, of wel nog voelde hij zich aan zijne borst gedrukt, terwijl hij in den biechtstoel zijn hart in dat van hem uitstortte.

Alle leden der geestelijkheid en der kloosterorden van Turijn en omstreken, die konden komen, het Groot-Seminarie, alle katholieke Werken, een onmetelijk getal Medewerkers en Medewerksters volgden de zerk. Deze werd door acht Salesiërs gedragen en door drie bisschoppen onmiddellijk voorafgegaan : Mgr. Cagliero, Mgr. Leto, Bisschop van Samarië en Mgr. Bertagna, Hulpbisschop van den kardinaal van Turijn. Op het zwart laken, dat de

ocr page 508

berrie bedekte, had men het misgewaad en de twee gouden medalicn gerangschikt, door het Genootschap van Aardrijkskunde van Lyon en door de Academie van Barcelona aan den Apostel der Jeugd toegekend.

Naarmate het eerbiedwaardig stoffelijk overschot voorbijging , vielen velen op de knieën, doch allen bogen neer met ontdekten hoofde en herhaalden den uitroep van Leo XIII; „Dom Kosco, un santo! un santo! Dom Bosco, een heilige! een heilige!quot;

Het bewindvoerend Italië was slechts vertegenwoordigd door de uitkraming der politie, doch de armen waren er in overvloed, en geene liefdadigheidsinstelling van het volk ontbrak aan deze zoo groote rouwplechtigheid.

Was het wel een rouwstoet? Was het eerder geen zegetocht ? Dit woord alleen geeft den algemeenen indruk behoorlijk te kennen. Zonder twijfel, ging men aan de aarde, aan de stilte en misschien vroeg of laat aan de vergetelheid, de sterfelijke ledematen teruggeven van den man, die Dom Dosco was; doch die man leefde meer dan ooit in de hoogachting der menigte; hij leefde vooral in de instellingen, uit zijne groote ziel geboren, en moest de menigte de gedachtenis van hem verliezen, moesten zijne instellingen zelfs eens vergaan. God vergeet hem niet; God had hem beloond en zal hem voor altijd beloonen; die man had dus het uiterste doel van het menschelijk bestaan bereikt en het leven in zijne volheid bewerkstelligd; hij had God bemind en gediend, hij zou Hem eeuwig bezitten. Zulke

ocr page 509

— 498 —

waren de min of meer verwarde of liever de min of meer duidelijke gevoelens, die al de indrukken der toeschouwers bevatten. Deze lijkplechtigheden waren eigenlijk de zegetocht der heiligheid.

Het volk zag dit op bijzonder levendige wijze , toen men het Gasthuis Cottolengo voorbijging. Daar bevat eene nis, in den voorgevel aangebracht, een zeer schoone groep, die de wondervolle daden schetst van dien anderen vriend der armen, welke deland-en tijdgenoot en één der toonbeelden van Dom Kosco geweest was.

Rechtstaande werpt Cottolengo eenen blik van teeder medelijden op eenen grijsaard en een kind , beiden ziekelijk en naast hem geknield in de houding van smeekelingen, doch deze blik komt niet uit enkel menschlievende teederheid; de Eerbiedwaardige , die ééne hand aan de twee ongeluk-kigen toereikt, toont hun met de andereden hemel, waar zij, die op christelijke wijze lijden, hunne plaats verzekerd vinden.

Gansch onder deze nis, ziet men twee vensters, die eene zaal voor zieke kinderen verlichten.

Op het oogenblik, dat de zerk juist voor het standbeeld van Cottolengo stilhield, vulden zich de vensters met aardige hoofdjes, welke zich tegen elkander duwden en zich bewogen, om naar de oorzaak van dien ongewonen toevloed van volk te vernemen.

Het leven, dat dit tafereel van onuitsprekelijke lieftalligheid verspreidde, scheen in het marmer over te gaan en het in beweging te zetten; men meende

ocr page 510

Cottolengo den hemel aan Dom Bosco te zien wijzen, en Dom Bosco van onder uit zijne zerk te hoo-ren antwoorden: „Ja, glorie aan God! Wij hebben hem veel bemind, gij en ik, en wij hebben onze gelijken veel bemind uit liefde tot Hem. Glorie aan Hem alleen! Hij bestaat alleen!quot;

De intrede in de kerk werd in de volmaakste orde volbracht. De agenten hoefden slechts een tee-ken te geven, en onmiddelijk gehoorzaamde men, en daar de menigte gewoonlijk zoo gedwee niet is, betuigden zij er luide hunne verrassing over.

Reeds bij het uit de kerk komen, was de menigte , zoodra zij de zerk bemerkt had, vooruitge-stormd, om hare gevoelens van godvruchtige hoogachting beter te kunnen voldoen. Een enkel woord der wachten overmeesterde die overijling, dien spoed.

Toen het Absolve gezongen was, gaf het volk een stichtend voorbeeld van zijn diep geloof. Allen liepen vooruit, om de zerk te kussen, zooals men eene heilige zaak kust. Op één oogenblik waren de kransen verdwenen. Zij, die geene bloem hadden kunnen krijgen, maakten zich gereed om het baarkleed in stukken te trekken, indien geen in der haast gevormde ordedienst én het baarkleed én de insgelijks bedreigde zerk beschermd had.

De kostbare zerk bleef nog twee dagen, alvorens in het graf gelegd te worden. Zij verliet het Bedehuis voor goed, den 4'len Februari 's avonds rond vijf ure. Dom Rua overdekte ze met kussen .en tranen, terwijl men ze in den lijkwagen schoof.

In het rijtuig, waarvan zich Dom Bosco op wan-

ocr page 511

— 500 —

deling in zijne laatste levensjaren bediende, namen met Dom Rua, ook Mgr. Cagliero, Dom Sala en Dom Bonetti plaats. Van Turijn tot Val-Salice, bad men het rozenhoedje.

In het Seminarie der missieën aangekomen, bracht men de zerk de galerij binnen, die aan de kapel uitkomt. De scholastieken en de leeraren des huizes, stonden van beide kanten op rij met eene kaars in de hand, en acht hunner droegen de berrie in de kerk, waar Mgr. Cagliero het Absolve zong, omniddelijk gevolgd, van de Getijden der Dooden, door de honderd twintig Scholastieken van het Seminarie uitgevoerd.

Dom Sala, schatbewaarder van het Gezelschap, deed drie zijden linten buiten om de zerk; elk werd met twee wassen zegels vastgehecht, die den stempel van het godvruchtig Gezelschap van den H. Franciscus Salesius droegen.

Gedurende dezen tijd eindigde men het gereedmaken van den grafkelder, op im20 van den grond af aangebracht, in den vollen muur van den dubbelen trap, die de groote speelplaats met het bovendeel der kapel verbindt. Dom Cerutti, Dom Lazzero, de Algemeene Overste der Dochters van Maria-Bijstand, van twee harer kloosterzusters vergezeld, en een zeker getal Salesiaansche Medebroeders van Turijn gekomen, voegden zich bij den stoet, die heel het klooster doortrok, alvorens vóór de grafstede stil te houden.

Mgr. Cagliero zegende ze, hernieuwde daarna het Absolve en Dom Bosco nam bezit van zijne laatste woonplaats.

ocr page 512

Eindelijk sloten de werklieden in tegenwoordigheid van meer dan honderd dertig personen, den grafkelder niet eenen steen, die een weinig naar binnen gezet is, om plaats tc laten voor eene marmeren plaat, welke bestemd is, om een opschrift te dragen, (i)

Het oogenblik, waarop de zerk aan de blikken verdween, was hartverscheurend.

Het graf noch de gekozen plaatsing beantwoordt aan de wenschen der Salesiërs; doch het is de afwezigheid niet van uiterlijken praal, die het glorierijk zal beletten te worden, vooral, indien het aan Maria-Bijstand behaagt, zooals men reeds verhaalt, aan de overblijfsels van haren dienaar de gunsten te blijven verleenen, waarmede zij hem in zijn leven rijkelijk bedeelde. (2)

Overigens maakt men zich met kinderlijke godsvrucht gereed, .om in dit bevoorrecht oord, iets minder voorloopigs en minder bedroevends te vervaardigen.

(1) Men kan zich per rijtuig van Turijn naar Val-Salice begeven. Van het station is de weg een kwartier uurs en van het Bedehuis, dertig minuten lang. De vreemdelingen worden alle dagen toegelaten, om het graf van Dom Bosco te bezoeken.

(2) Het Bulletijn der Salesiërs van Mei 18S8 spreekt van buitengewone genaden, door de voorspraak van Dom Bosco na zijnen dood verkregen; zij zijn aan het onderzoek der Kerk voorbehouden, zegt het: het haalt alleenlijk eenen brief van Mgr. Franciscus Zambi, Apostolisch Prefect van Opper-Egypte aan, waar de wonderbare genezing in verhaald wordt van eene Coptische, katholieke vrouw, den 23Sten Februari 1888. Ziehier een uittreksel uit dezen brief, gedagteekend van Longsor, den iaden Maart:

„Guta Abd Mariam, 25 jaren oud en reeds moeder van drie kinderen, op het einde van Januari 1888, door eene sterke koorts en eene longziekte aangetast, had het gehoor en de spraak verlo-

DOM BOSCO. 32

ocr page 513

— 502 —

Thans moeten ook wij u verlaten, wij, die u van de wieg af tot aan den drempel der eeuwigheid volgden, doch wij zullen u niet verlaten, gelukkige Dom Bosco, zonder u dankgezegd te hebben over de stichtingen, welke uw leven aan ieder onzer geschonken heeft.

O! gelukkige Dom Bosco! gelukkige geloovige, die in onze eeuw van geloofsverzaking, het vurige en eenvoudige geloof der apostolische tijden opwek-tet; gelukkige minnaar van het Goddelijk Liefdesacrament, die het aanhoudend gebruik der H. Sacramenten, als de grondslag der opvoeding steldet; gelukkige schrijver, wiens arbeidzame pen geene lijn maalde, die niet was tot glorie der waarheid; gelukkige temmer van wilden — helaas ! in onze dagen

ren.....Het doodklokgelui klonk voor haar, den 21 sten Februari;

Pater Athanasius, die haar berecht had, las de gebeden van de aanbeveling der ziel, toen hij eene gelukkige ingeving had: hij riep over de jonge moeder de hulp in van Maria-Bijstand, door de voorspraak van haren dienaar Dom Bosco en verplichtte zich, indien hij de gevraagde hulp verkreeg, ze tot glorie van de eene en den andere openbaar te maken.

„Toen Pater Athanasius mij bij zijnen terugkeer aan huis zijne ingeving had medegedeeld, bekrachtigde ik zijnen wensch en ver-

eenigde mijne gebeden met de zijne.....

Daar ik evenwel naar Kéné moest vertrekken, namen wij alle noodige maatregelen voor de begrafenis, ingeval de zieke mocht bezwijken gedurende mijne afwezigheid, die twee dagen duurde.

„In den ochtend van den 22Sten) vond Pater Athanasius Guta Abd Mariam in eenen staat, die geene hoop meer scheen over te laten. Hij legde haar een beeldje op het hoofd, dat Dom Bosco voorstelde en liet het liggen. Welnu, van dit oogenblik af, werd de zieke eene zoowel snelle als onuitlegbare beternis gewaar; in weinige dagen was zij heel gezond.

„Wij zijn overtuigd. Pater Athanasius en ik, van den bovennatuurlijken aard dezer genezing en het is, om onze wenschen te vervullen, dat wij de bekendmaking van dezen brief aanvragen.quot;

ocr page 514

zijn het de weerspannigsten niet, die in de woestijnen ronddwalen; gelukkige inwijder van de roeping van priesters, kloosterlingen en kloosterzusters; gelukkige vader van ontelbare kinderen, die gij tot de genade voortbracht en die zonder u verloren waren; was er ooit eene beter gevulde loopbaan, of die nuttiger was aan de menschheid en benijdenswaardiger dan de uwe?

Hij, voor Wien gij tempels bouwdet, heeft u alle deuren en vensters wagenwijd opengezet; doch hier beneden zullen wetenschap en liefdadigheid, waar gij zoovele verblijfplaatsen voor oprichtet, uwe gedachtenis bewaren; de nakomelingschap zal u eerbetooningen bewijzen, waaraan gij niet dacht; uw naam zal als eene aanmoediging blijven voor uwe nederige Medewerkers en als een oproep, voor alwie naar uw voorbeeld zich aan het woord des Meesters zal willen houden: „Zoekt vooreerst het rijk van God en zijne gerechtigheid, en het overige zal n als overmaat toegeworpen ivordeu!'

ocr page 515
ocr page 516

INHOUD.

Voorrede

Hoofdstuk 1. — Kindsheid van Dom Kosco. — Zijne moeder, voorbeeld der moeders ...... 5

Hoofdstuk II. — Dom Kosco treedt in de H. Orden . 24 TI oofdstuk III. — Eerste beginselen van het Werk der Sa-

lesiërs — De wederwaardigheden van eenen Stichter . 37 Hoofdstuk IV. — De Aartsbisschop Franzoni, de Markies van Cavour en Koning Karei-Albert. — Ziekte van Dom Bosco .......... 60

Hoofdstuk V. — De weduwe Bosco komt haren zoon bijstaan. — Lotgevallen . . . . . . «79 Hoofdstuk VI, — Stichtingen van het Internaat. — Heldhaftige en treffende herinneringen ..... 96

Hoofdstuk VII. — Twee nieuwe Bedehuizen te Turijn. —

Dom Bosco en de Waadlanders . . . . .118 Hoofdstuk VIII. — Aanslagen op het leven van Dom

Bosco. — // Grigij . . . . . . .134 Hoofdstuk IX. — Aanwervingen en gebouwen. — De cholera. — Dom Bósco en de afgevallen priester de Sanctis. — Dom Bosco en Ratazzi. — Drie honderd gevangenen op wandeling zonder gendarmen . . . .146 Hoofdstuk X. — Dom Bosco verliest zijne moeder. —

Laatste herinneringen over deze onovertrefbare vrouw .. 170 Hoofdstuk XI. —Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand. — Wonderbare genezingen. . . . . . . .185

ocr page 517

— 506 —

1 ioOFDSTUK XII. — Levens van eenige leerlingen van Dom

Bosco door hem zeiven .verhaald . . . • • '99 Hoofdstuk XIII. — Dom Bösco schrijver. — Dom Bosco

drukker; .' ' . . . • • • * .218 Hoofdstuk XIV. — Hoe Dom Bosco de opvoeding verstond — Voorkomend en beteugelend stelsel. De wil moet gevormd worden. — God overal . . . • 2^5 Hoofdstuk XV. — Hoe Dom Bosco het onderwijs verstond. — Naturalismus en Christianismus. — Verkregen

uitslagen . . • , • • • • quot; ' Hoofdstuk XVI. — Dom Bosco en de graaf van Cavour. —

Het werk der Salesiërs verspreidt zich buiten Turijn . 271 Hoofdstuk XVII. — Het werkhuis der Salesiërs . . 286 Hoofdstuk XVIII. — Dood van Jozef Bosco. — Verscheidene pleizierreisjes naar de Becchi's .... 29^ Hoofdstuk XIX. — Maria Mazarello; stichting van het gezelschap van Maria-Bijstand . . . . • • o1 ^ Hoofdstuk XX. — Pius IX keurt den regel der Salesiërs

goed, — Eerste stichtingen in Zuid-Amerika . . . 329 Hoofdstuk XXI. — Medehelpers en Medehelpsters of

Derde Regel der Salesiërs. — Merkwaardige gratiën . 345 Hoofdstuk XXII. — Dom Bosco in het Zuiden van Frankrijk. — Levensbijzonderheden . . . . • 3^5 Hoofdstuk XXIII. — Missiën van Patagonië. — De kerk

van Sint Johannes den Evangelist te Turijn . . . 385 Hoofdstuk XXIV. — Dom Bosco te Parijs, Avignon, Lyon,

Rijssel, Dyon.......' ^

Hoofdstuk XXV. — De kerk van het H. Hart te Rome .

— Dom Bosco in Spanje. — De aardbeving in Ligurië. 42° Hoofdstuk XXVI. — Laatste bezoeken van Dom Bosco. — Laatste omzendbrief en laatste Stichtingen. — De Salesiërs te Luik. .......'

Hoofdstuk XXVII. — Dood van Dom Bosco . . .47° Hoofdstuk XXVIH. — Lijkplechtigheden van Dom Bosco. 482

ocr page 518
ocr page 519
ocr page 520
ocr page 521