^XIX SCHI hi£
INSTITUUT DE VOGYS
voor kt: 'ands'b taal-en LE : , . :DE AAN de KIJKSUNiV£RSlTfilT TE UTRECHT
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0855 3103
HET OEZIN
VAN
BAAS VAï OMMEBM
(VOOR DERTIG JAREN)
DOOR
H. J. SCHIMMEL.
DERDE DRUK.
SCHIEDAM,
H. A. M. ROELANTS.
I.
Jonkheer Meester Henrick Reaal zou 's avonds laat op den huize Spaarnwou aankomen met zijne gemalin, geboren Baronesse Gieten van Hulkensteyn. De tuinbaas had een dag te voren, het â officieel gesproken â verblijdend bericht ontvangen van 's Jonkheers aanstaande overkomst, en dat in der haast aan de werklieden medegedeeld, die het op hun beurt verder in het dorp vertelden, waar de tijding met een gemengde aandoening van vrees en ont-zach vernomen werd. Die aandoening was wel te verklaren. Jonkheer Meester Henrick Reaal was president van Hoofd-Ingelanden; en wat het kollege van Hoofd-Ingelanden te beteekenen had, nu dertig jaren geleden, in een dorp, dat zijn ontstaan te danken bad aan een ontginning, in de zeventiende eeuw ondernomen door een zevental Amsterdamsche patriciërs wier nakomelingen er nog hunne landgoederen hadden, kunnen maar alleen uit de historie en uit de herinnering van wie toen begonnen te leven blijken. Niet ten onrechte, zoo meesmuilde men, had Jakob Bakker, op het oogenblik dat dit verhaal aanvangt, reeds een man van zeventig jaren, maar altijd nog stokstijf staande, zonder naar zijn pet te grijpen, als het rijtuig van een der heeren Hoofd-Ingelanden voorbij rolde, ze in '93 Hoofddwingelanden genoemd in een pro-klamatie, die hij 's avonds, in de stilte van het achterhuis opgesteld en vervolgens in het holst van den nacht aan het gemeente-aanplakbord gehecht had, welk stuk in heel veel opzichten aan de proklamatiën der Fransche Jakobijnen deed denken, en eindigde met de woorden: »Weg met de aristokraten, die pest van het land!quot; De inhoud van dat stuk, hoewel de toenmalige Schout het dadelijk door den veldwachter had laten afscheuren, wtis toch in het geheugen der dorpelingen blijven hangen, van den aanzienlijksten tot den geringsten, van den Burgemeester af tot Hein den looper toe: en voor een fijn opmerker had het een diepe be-teekenis, dat de Burgemeester Jakob Bakker in het naar huis gaan altijd met eenige warmte de hand drukte en hij zelfs met een zweem
BAAS VAN OMMEREN.
HET GEZIN VAK BAAS VAN OMMEREN.
van eerbied naar 's mans woorden luisterde, hoewel hij een hevi-gen afkeer had van republikeinen en dóór en dóór Vader-Willems-gezind was.
«Mijnheer! mijnheer Reaal komt van avond buiten, heb ik gehoord. Heeft Mijnheer nog iets te zeggen?quot; dus sprak de Veldwachter tot den Burgemeester, en deze haalde driftiger dan gewoonlijk aan de goudsche pijp en blies wel driemaal achtereen dikke rookwolken uit.
«Niets, Freeriks, niets,quot; luidde het antwoord. Maar den langen domoor, die wat gauw zich had omgekeerd, terug roepende, vroeg hij: «Heb je op de aschkuilen gelet en op de slooten? Zijn die behoorlijk uitgehaald? Want nu zullen wij spoedig schouw hebben.quot;
»Heb je 't gehoord? Mijnheer Reaal komt van avond,quot; zoo had het Meester in de ooren geklonken, die tevens Koster van de kerk was. Deze, als tot den polder behaorende, stond mede onder het bestuur der Hoofd-Ingelanden. Meesters gelaat was gewoonlijk asch-kleurig; het was maar eens met een lichtrood schijnsel overtogen geworden en wel toen hij, door zijn vader gedwongen, aanzoek had gedaan om de hand zijner tegenwoordige vrouw, en deze maar dadelijk »jaquot; zei. Welnu, dat verschijnsel deed zich weder voor; terwijl het hem was of er een pijl in zijn hart drong. »'t Is gelukkig voor de Gemeente,quot; zei hij echter overluid, en door dit te kunnen en te durven zeggen, bewees hij zijn zelfbeheersching en staatsmanswijsheid beide.
Met zekerheid kon worden getuigd, dat er slechts één was, die uit den grond zijns harten Mijnheer en Mevrouw Reaal verwelkomde. Dat was de Dokter, een reeds grijs geworden aeskulaap, met hart en ziel der oude leer toegedaan, dat het menschelijk organisme niets anders dan een machine was, welke door den werktuigkundige, hier de dokter, vermaakt, vervormd, zelfs hervormd kon worden. Mevrouw Reaal was eene veelbelovende disci-pelinne, weshalve er van haar kant een vertrouwen bestond, dat den Dokter, die tevens een apotheek had, het genoegen verschafte, om tegen het najaar eenige bladzijden uit zijn rekeningboek te kunnen overschrijven en eenige kolommen cijfers optellen, wier totaal, niet na eenige jaren, zooals bij de inwoners meest het geval was, maar reeds na eenige dagen in zilver werd gekonverteerd.
Werd er in het dorp over Mijnheer Reaal eigenlijk nog meer gesproken dan gedacht, op Spaarnwou had juist het omgekeerde plaats. Baas van Ommeren, die reeds tien jaar in Mijnheers dienst was, terwijl de vorige bazen het niet langer dan hoogstens drie jaar hadden kunnen uithouden, had den gantschen dag zonder bijna te spreken heen en weêr geloopen. nu in de keuken van het heerenhuis, dan in de zaal en de eetkamer, vervolgens op het voorplein, waar hij overal met ijskoude kalmte toezag en schikte.
2
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Dat die kalmte hem veel kostte, getuigden misschien de zweetdruppels, die hem, hoewel het reeds najaar en in het geheel niet warm was, op het voorhoofd paerelden. Zijn vrouw zag hem ten minste over haar kleinen knijpbril met eenige ongerustheid aan, maar vroeg naar niets en waagde geen enkele opmerking. Slechts toen de Baas zich had verwijderd en haar zoon Kornelis, een drieëntwintig-jarig jonkman met zwart hair en donkere oogen, haar veelbeteekenend aanzag, schudde zij het hoofd en legde den vinger op den mond. Toen echter Klara, haar dochter, die wel een viertal jaren jonger was dan haar zoon, van haar naaiwerk opzag en met oogen, die van vreugde blonken, uitriep: »Moê, nu krijgen wij toch weêr leven op de plaats!quot; verbrak Kornelis het zwijgen door haar toe te bijten, dat zij voor dienstbode in de wieg was gelegd. Klara zweeg, maar voelde haar oogen vochtig worden, minder om de woorden, waarvan zij den zin niet ten volle begreep, dan wel om den bijtenden toon, waarop zij gesproken werden. Zij knipte ze echter spoedig droog toen Vader binnen kwam om te eten.
»Ik hoop, dat het Mevrouw in den Haag goed zal gedaan hebben,quot; sprak hij, om toch iets te zeggen en tevens zijn geringen eetlust te verbergen, terwijl Moeder nog wel zijn lievelingskostjen had opgedischt.
»Was zij er maar gebleven!quot; mompelde Kornelis, de waarschuwing niet achtende, die Moeder hem onder de tafel gaf, in den vorm van een trapjen op den voet.
»Ik mag lijden, Kornelis, dat de kwade humeuren van vroeger niet wéér beginnen,quot; voegde de baas hem op hoog ernstigen toon te gemoet. »Ik wil dien hoogmoed niet; Dominee sprak mij daar laatst nog hoofdschuddend over.quot;
»'t Is met dien ook: doe naar mijn woorden, maar niet...quot;
»Zwijg; over ieder durft ge een oordeel vellen, notarisklerk, die nog niet eens zijn kleêren verdient!quot;
»ik had het als tuinknecht al lang kunnen doen, dat is zeker; maar het zouden er ook kleéren naar zijn quot;
»Durf je diiar op komen? Herinner me niet, dat ik zwak genoeg geweest ben om toe te geven en je niet, zooals Mijnheer wou, gedwongen heb om te worden wat onze stand meêbrengt. Je hadt me kunnen opvolgen, als ik het hoofd eens neêr kom te leggen en nu ... . Als je moeder eens weêuw wordt, wat dan ? .... wat dan?quot;
»Vader, vader!quot; lispelde zijn vrouw, die altijd tranen in de oogen voelde opwellen, als haar man van haar weduwenstaat sprak, en dat gebeurde altijd als hij in een gedrukte stemming verkeerde.
»Het kan immers gebeuren, vrouw! en naar de orde der natuur moet het gebeuren, want ik ben ouder.... En dan nog geen
3
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
vrede, zelfs in zijn eigen huis te hebben, geen steun bij zijn kinderen, dat maakt iemant oud vóór zyn tijd!quot;
Het lieve, blonde kopjen van Klara keek op; de zachtblauwe oogen vestigden zich eerst met iets dat naar verwijt zweemde op haar broeder en toen op haar vader.
»Ik kan geen tuinknecht wezen!quot; riep Kornelis, terwijl hij de stalen vork wegwierp. »Mijn eetlust is alweêr voorbij. Ik wil niet dansen naar de pijpen van Mijnheer. Het heeft me al leed genoeg gedaan, dat u het doet, dat u zelfs de steenen opslikt, die hij u te verduwen geeft.quot;
»En ik wil nu dat je het doet; in mijn huis wil ik toch de baas wezen. Mijnheer wil het ook, kwajongen!quot;
«Een goede reden voor u om het óok te willen,quot; bromde Kornelis. »Dat ü geen andere wil durft hebben, kan ik wel begrijpen, ma.ir ik verkeer. Goddank, nog niet in hetzelfde geval!quot;
Deze woorden hadden een uitwerking, die ieder vreemde wel verbaasd zou hebben. Vader werd doodsbleek, boog een oogenblik het hoofd, prevelde eenige onverstaanbare woorden en ijlde het vertrek uit. .. Kornelis stond daarbij de angst op het gezicht. Hij was als een toovenaar, die geesten had opgeroepen, welke hen;, te sterk waren en die hij niet weêr kon weg bannen. Moeder-weende, en Klara boog het hoofd op haar schouder.
»God, wat deed ik!quot; fluisterde de verschrikte jongeling; en plotseling een besluit nemende, vloog hij het vertrek uit en zijn vader achterna. Hij zocht lang, en toen hij hem eindelijk vond, kalm zijn bevelen gevend, maar met een stem, die minder vast klonk dan zoo even, hoorde hij meteen een rijtuig de ophaalbrug, die naar de buitenplaats leidde, oprollen, en zag hij een elektri-schen schok door allen leden varen, een schok, die ook hem scheen te bereiken, maar met gants verschillende uitkomst. De ginder wachtenden schaarden zich ordelijk in een rij aan den voet der arduinsteenen stoep en ontblootten zich het hoofd: hij daarentegen drukte zich de pet dieper in de oogen, keerde zich om en vluchtte de plaats in.
»Dag, Baas!quot; klonk het met een hoofdknikjen uit het rijtuig, dat nu stil hield. Van den bok en de achterbank sprongen twee vrouwelijke domestieken met van de kou blauw gekleurde gezichten. De palfrenier had mede den grond aangeraakt; het portier werd opengeslagen, de trede neergelaten: Mijnheer daalde neder en vervolgens Mevrouw met Nelly, een allerliefst leeuwtjen, onder den arm. half verscholen onder de slippen van een omslagdoek. â Mijnheer en Mevrouw Reaal waren op hun landgoed aangekomen.
4
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
II.
Kornelis zocht de eenzaamheid, terwijl het in zijn binnenst stormde. Het was niet voor het eerst, dat hij zioh tegen zijn vader verzette, dat bij diens handelwijze afkeurde. Toch was hij geen slechte zoon, en vader noch moeder beschouwden hem als zoodanig. Er was zelfs een tijd geweest, dat hij beider hoogsten trots had uitgemaakt, en zoodra men hem zag en nauwkeurig beschouwde, kon men dat begrijpen. De natuur had hem met uiterlijk schoon bedeeld. Zijne trekken waren wel niet regelmatig, maar de uitdrukking van het geheel deed niet alleen die onregelmatigheid vergeten, maar haar zelfs prijzen. Er was een tijd geweest, dat hij, een krullebol van tien jaren, in een sierlijken bokkenwagen rondreed en de lust van alle moeders in den omtrek was. Toen reeds kenmerkte hij zich door een zekere onafhankelijkheid en zelfstandigheid, hetgeen in die dagen echter door zijn vader eer aangemoedigd dan tegengewerkt werd. Maar welke verandering ook om hem heen sedert dien tijd! Hij herinnerde het zich nog zeer goed â en de verbeelding wist het verleden met haar fraaiste en bontste verwen te tooien â dat hij met vader â¬n moeder en het kleine zusjen een optrek bewoonde in de nabijheid van Haarlem; dat de tuinen, waarin zijn vader de fijnste bollen teelde, bijna niet te overzien waren; datj de stal een tweetal fiere en schuimende paarden, een geel verlakt tentwagentjen en een sierlijke barouchette herbergde; dat een der meest ontwikkelde tuinknechts dikwijls dienst deed als koetsier of palfrenier, ja zelfs als huisknecht de gasten aan den welvoorzienen disch bediende; dat zijn vader het hoofd hoog droeg en moeder dikwerf beknorde over hare burgerlijke manieren en hare onderdanigheid. Maar hij herinnerde zich ook â en daarbij kromp het hart hem nog in een van wee, balde de vuist zich nog van toorn â dat in die feeënschepping de vijand verscheen, in de gedaante van een advokaat; dat op diens bevel al dat schoon als met een tooverslag was verdwenen; dat de paarden, de rijtuigen, tot zelfs zijn twee melkwitte bokken werden geveild en door een vreemde, wiens vette en valsche gelaatstrekken hij nooit vergeten zou, werden weggevoerd ; dat hij met vader, moeder en zusjen op een zwarten regen-achtigen herfstavond het geliefde, bevallige, maar nu geplunderde huis verliet, om binnen Haarlem in een achterstraat den nacht door te brengen, en den volgenden dag naar het dorp te vertrekken, waar hij nu reeds twaalf jaar getuige was geweest van vaders schande. »Bankroetierszoon!quot; hadden de jongens hem eenmaal op school toegeroepen, toen hij met hen in twist geraakt, twee of drie hunner de volle laag gegeven en de rest had doen deinzen. Doods-
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMREEN.
bleek was hij thuis gekomen; zijn moeder had hij niets gevraagd. Hoe kon hij dat ook doen ? Indien het eens wuar ware geweest â en hij vermoedde dat het zoo was â dan had hij zijn moeder misschien van schaamte doen blozen, en dat door zijn schuld! Maar zijn vader had hij het gevraagd, en zijn vader had hem op den gewonen, kalmen toon geandwoord, dat 's Heeren hand zwaar op hem had gerust; dat hel ongeluk hem achtervolgd en de krediteuren hem van alles hadden beroofd; dat hij in den schimp der schooljeugd den vinger Gods zag, daar het noodig was, dat ook hij, Kornelis, nederig leerde worden en zich schikken naar den stand, waarin hij nu verkeerde. Niemant, en zijn vader wel het minst, begreep welk een strijd er op dat oogenblik in 'sjongeiings binnenst gestreden werd; welk een krisis er plaats had! Zijn ⢠^er was een bankroetier, en de schande, aan dien naam verbonden, daalde neder op zijn hoofd en op dat van moeder en zuster. In plaats dat hein dit neerdrukte, dat dit hem het hoofd deed buigen, voedde het zijn hooghartigheid. De maatschappij had ongelijk, de schuldigen met de onschuldigen te strafien. Was het waarlijk eene beproeving en kastijding Gods geweest, zoo als zijn vader het deed voorkomen, dan hadden de menschen geen recht om zelfs den bankroetier, hoe veel minder de geheel onschuldige kinderen, te minachten. De smaad, den zijnen overkomen, verzachtte alzoo zijn gemoed niet, maar bracht het veeleer in opstand; elk bijtend woord van zijn gelijken deed hem in toorn ontbranden, elk betoon van onverschilligheid â en de zoon van den tuinbaas kon toch niet op onderscheiding aanspraak maken â verbitterde en kwetste hem. Mijnheer Reaal was een hoog en trotsch man jegens iedereen en niet het minst jegens hen, die van hem afhingen. Was het wonder, dat het gezin van den tuinbaas het ondervond en dat Kornelis dit nog meer in opstand bracht? Somwijlen gevoelde hij een soort van eerbied voor zijn Vader, die in kennis de meesten, ja bijna allen van zijn tegen-woordigen stand verre te boven ging, die zelfs meer bleek te weten dan Mijnheer; maar als hij dan Vaders onderdanigheid en volgzaamheid buitenshuis bespeurde, als hij zag hoe hij den schouder boog onder elk juk, hem opgelegd, dan ging die eerbied onder in een gevoel van schaamte, dat niet zelden er een van afkeer teweegbracht. De jeugd had gants andere oo^en als de vóór den tijd afgestreden man. Wat deze christelijken oodmoed en onderwerping noemde, achtte gene laakbare zwakheid, en zoo kwam het dat vader en zoon in den laatsten tijd steeds vijandig tegenover elkaar hadden gestaan.
Deze verhouding werd het eerst merkbaar, toen er een beroep voor Kornelis moest worden gekozen. De oude Adam, dien Vader buitenshuis afgestorven heette te zijn, deed zich binnenshuis soms
6
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
nog gelden. Vader deelde zijn zoon vrij koel, en als of het een afgedane zaak gold, mede, dat bij besloten en dit met Mijnheer overlegd had, hem in zijn beroep op te leiden.
Kornelis weigerde en bleef weigeren. Hij wilde niet dat plantenleven, dat altijd sober, afhankelijk bestaan; hij wou geld verdienen
om eenmaal.....te kannen betalen wie nog niet betaald waren.
Hij overwon, en werd op het kantoor van den notaris geplaatst, aanvankelijk zonder salaris, maar met het uitzicht van tot het notarisambt opgeleid te zullen worden. Het bleef vader eerf doorn in het oog, zoo als straks weder bleek, toen zijn zoon alle zelfbeheer-sching verloren en hem de vroeger ondergane schande verweten had. O, Kornelis had een afschuw van zich zeiven, dat hij dit had kunnen doen. Alsof hij zich zeiven wilde ontvluchten, zoo rende hij de paden langs, de heidevelden over, altijd verder, altijd sneller!
»De bankroetierszoon had het den bankroetier toch niet moeten verwijten!quot; zoo riep hij zich toe, terwijl hem het zweet langs het aangezicht gudste. »Ik ben een deugniet! ik moet ver weg... ik kan het niet zien hoe vader zich verlaagt .... Op dit oogenblik is hij zeker bezig Mijnheers rok te borstelen of achter de keukenmeid te staan.quot;
»Goejen avond! goejen avond!quot; hoorde hij zich eensklaps aanroepen. Hij schrikte als uit een droom wakker, maar herkende spoedig de stem. »Wat loop je hard! Wees maar niet bang, het konijn komt niet los als het eenmaal in den strik is.quot;
»Zoo als de waard is vertrouwt hij zijn gasten!quot; gaf Kornelis spits ten andwoord. »Ik zon je raden, Hein! maar naar huis te gaan; want hij is terug en de koddebeier doet weêr bei zijn oogen open.quot;
»Ik heb het gehoord! Gelukkig dat ik het gister avond al wist: ik had dus den nacht op hem vooruit. Jongens, wat heb ik ze nog geraakt! »Hij stak een duim en twee vingers op, welke beeldspraak voor Kornelis geen verborgenheid was, daar hij er duidelijk uit begreep, dat Hein een haas en twee konijnen machtig was geworden. «Het mooiste van de grap is, dat hij ze zelf zal eten.... nu hij is er het naaste toe, zij komen van zijn eigen grond,quot; vervolgde Hein, het eene oog olijk dichtknijpende, wat zijn gewoonte was, als hij een of ander heldenfeit had volbracht. »Ik ben er zelf meê aan de keuken geweest en je vader betaalde ze met een zeeuw.... wat hij daarbij dacht ging mij niet aan. 'k Had in geen twee en vijftig dagen zooveel bij mekaar gezien.quot;
»En wat zei je Grietje?quot;
»Je begrijpt... die wou ik niet wennen aan zooveel zilver; ze mocht me weêr wat te rojaal worden.''
»Dus dat geld weêr verkwanseld, Hein? En thuis is er honger!
7
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Je vrouw is vel en been en je kinderen hangen de lompen aan het lijf! je bent een slechte vent, een aartsschelm!quot;
«Precies wat Dominee laatst zei, maar die haalde er nog den bijbel bij .... Geloof maar alles wat daarin staat, dan kun je ook gelooven, dat de raven je brood brengen, als je het zelf niet halen kunt. Griet gelooft er aan; nou, ze heeft de okkasie om te zien of het waar is.quot; En Hein lachte om de aardigheid, die Kornelis zeer deed.
»Ik wist dat je een grappemaker waart, maar ik dacht je toch niet zoo door en door bedorven,quot; klonk het scherp, terwijl de jonkman een beweging maakte om een zijpad in te slaan.
»Jelui hebt allemaal goed praten; als de buik vol is, vraagt je maag niets en kun je je kop goed gebruiken. Het gaat zoo makkelijk van onzen lieven Heer te praten, als hij jelui alle dagen met een gebraden kip of een stuk spek tegenkomt.quot; Kornelis kon zich niet weerhouden even te glimlachen, wat Hein zeer gauw opmerkte. »Maar als je je lijf met sjouwen en slenderen verteert en je maagzak hangt zoo miserabel slap en je wordt dan op een bijbeltekst onthaald in plaats van op een boterham, dan laat je ze kwezelen, maar je vloekt in je zelf. Jij schijnt evenwel ook niet veel plezier in je leven te hebben,quot; dus besloot hij, den jonkman zijdelings aanziende, die blijkbaar met zijn gedachten ergens anders was.
»Ik heb ten minste geen vrouw en kinderen thuis, dien ik het brood onthoud.quot;
»Dat's waar, jongen! dat heb je op me vooruit. Lieve God, als je een meid vraagt, dan ziet zij er fleurig uit en komt ze met een ferme kast ondergoed en misschien nog wel met oud zilver in je huis, maar na tien jaren . .. dan heb je de ellende; het wijf ziet er oud uit.. . .quot;
»En dat durf jij zeggen? dat is toch wat héél erg!quot;
»'t Is ook erg dat ik het zeg; maar je moet maar denken dat ik krek doe als Dominee; die spreekt ook wel eens een waarheid, al komt hij die zelf niet na .. . Je moet toch zeggen dat ik het goed met je meen door je te waarschuwen. Stoot jij je niet aan den steen waar ik me aan gestooten heb; adie, hoor!quot;
»Waar ga je heen?quot; vroeg Kornelis, verrast over het plotseling besluit des anderen, om een zijweg in te slaan.
)gt;Ik heb nog een loop te doen voor Stufken en een verren loop ook, mijn laatsten voor deze week. Met mijn zeeuw en mijn twee kwartjens, die ik ga verdienen, kan ik best een paar dagen sabbath houden. Jij gaat ook wel naar Stufken, maar ik neem een anderen weg om je niet te hinderen.quot;
Waarom bloosde Kornelis zoo diep en keerde hij het gelaat beschaamd af? Hein zag hem met het gewone oogknikjen aan en
8
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
waagde het de morsige hand op 's jonkmans schouder te leggen en hem in het oor te bijten: »Ik stroop, maar jij ook, maat! en als jij er zooveel meê verdient als ik zonder dat de koddebeier je te na komt, dan ben je even knap als ik. Nu, dat wensch ik je.quot; Zonder wedergroet af te wachten, sloeg Hein het zijpad in onder het neuriën van het toen nog zoo patriottiesch lied, dat de Noord-Nederlandsche harten reeds duizendmaal in vlam had gezet;
Wie joeg den vijand op de vlucht, Chassé!
terwijl hij den naam van den heden ten dage schier vergeten held, den naam, die in den laatsten regel van het koepiet viermaal herhaald werd, zoo vervaarlijk uitschreeuwde, dat de kraaien, die op het bouwland haar avondmaal genoten, er bang van werden en krassend opvlogen. Hij lachte en maakte zich vrolijk over den invloed, dien hij op het stelend geboefte had uitgeoefend.
Kornelis bleef nog een oogenblik op de plek, waar de andere hem verlaten had, staan. De ondeugende facie van den looper en strooper met dien schranderen, schalken, maar toch niet te vertrouwen, oogblik scheen nog voor hem te staan. Hij zag de fijne lippen van dien grooten mond zich noij spottend saamtrekken; tij voelde nog de ongewasschen hand, die uit de versleten, hier en daar verscheurde, maar nergens gestopte of verstelde, mouw te voorschijn kwam, op zijn schouder drukken en hoorde nog de woorden: »Ik ben een strooper, maar gij ook!quot;
»Ik wil met dien vent niets meer te doen hebben,quot; mompelde hij en ging daarop verder in dezelfde richting als hij reeds had ingeslagen, terwijl hij zich zeiven maar niet kon diets maken, dat hij tegenover dien armzaligen Hein de meerdere was geweest.
III.
Jakob Stufken, nu sedert tien jaren Mijnheer Jakob Stuf ken, bewoonde een allerliefst huis aan den straatweg even buiten het dorp. Het grensde van achter aan de zanderij van Mijnheer Reaal en maakte vroeger zelfs een deel van de bezittingen der familie uit, tot dat Mijnheers vader aan een zijner meest bevoorrechte dienstboden, voor wie hij in zijn palfrenier een echtgenoot had uitgekozen, den grond in altoosdurende erfpacht afstond en daarop een aardig burgerhuisjen liet zetten. Naar het verhaal der dorpelingen was dat huwelijk niet zeer gelukkig geweest en dat wel, zooals men meesmuilde, door den huwelijkszegen, dien de echt-
9
HUT GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
genoot te groot vond, niettegenstaande de oude Mijnheer Reaal alles deed om dien zegen dragelijk te maken. Na eenige jaren van onmin en achteruitgang, kwam de huizing, zeer verarmd en uitgewoond, in veiling, en werd zij tot veler verbazing door Jakob Stufken gekocht, die voor meer dan de opbrengst schuldeischer bleek te zijn, en alzoo met gesloten beurs, zooals het heet, betaalde. Jakob Stufken, grondeigenaar! Hij was voor weinig jaren nog timmermansknecht geweest op een dagloon van tachtig centen. Wel was hij met een nicht van de rijke Vrouw Moes getrouwd, die kinderloos was en Nichtjen eenmaal niet vergeten zou. maar hij kon van dien kant nog niets bekomen hebben, daar de rijke Tante â die twee boerderijen had en wel tien bunders veengrond behalve hare eigen bleekerij en erf, daarbij nog een stal met tien blaarkoppen en twee zwarte paarden â tot die soort van rijken behoorde, die zich niet ontkleeden voor ze naar bed gaan. Vanwaar kwam Jakob Stufken dan aan het geld? Vijfhonderd gulden had het in veiling gebrachte huis en erf toch gegolden. Men verdiepte zich in gissingen. Wel wisten eenigen te vertellen, dat Jakob al op de schoolbanken veel had gehouden van ruilen, verruilen en weêr inruilen, koopen en verkoopen en voorschieten op pand; dat hij als timmermansknecht in zijn vrijen tijd nog wel wat aan negotie had gedaan; maar om meer dan vijfhonderd gulden aan den nu onteigenden palfrenier te hebben kunnen leenen, moest er meer gebeurd zijn dan men wel wist. Had hij in de loterij gespeeld en gewonnen? Er waren er, die dadelijk een huur-briefjen kochten van Levi, die snuisterijen ventte en loterijbrief-jens meteen. De verbazing zou echter nog klimmen. Jakob Stufken werd, korten tijd na den gedanen koop, zelf baas en ging in zijn eigen huis wonen. «Hoogmoed komt voor den val,quot; zei Meester, en de Notaris, die niet minder belezenheid wou toonen, antwoordde; »Duren is een groote stad.quot; En hoe hield Jakob zich onder al dat gemompel, al de kwetsende nieuwsgierigheid, die zich als belangstelling, al de bijtende jaloezie, die zich als vriendschap voordeed? Hij bleef dezelfde: nederig, onderdanig, voorkomend als vroeger; ja, bij wijlen nog vriendelijker en onderdaniger, en andwoordde, als de belangstelling en de warme vriendschap zóo ver gingen, om hem naar de bron van zijn vermogen te vragen, dat hij altijd gewoon geweest was niets weg te gooien en zelfs op te rapen wat anderen hadden afgedankt. »Zuinigheid en overleg, lieve vriend! Vraag het maar aan mijn Betjen, hoe zuinig wij altijd waren.quot;
En al bad hij binnenshuis ook even rijk geleefd als de Burgemeester, Betjen zou hem niet hebben tegengesproken; want zij zweeg altijd en was blijkbaar de leer toegedaan, »dat het een goed spreker moet zijn die een zwijger overwint.quot; Bleeke Betjen
10
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
11
ging altijd stil voor zich heen haar weg: in de week altijd bezig en Zondags den straatweg op en neérdrentelende met haar eenig kind, een meisjen met kastanjebruin hair, bruine schitterende oogjens, met een kleurtjen als een bellefleurtjen en een iet wat opgewipt neusjen, wat aan het geheele wezen iets schranders gaf. In hare kleeding weersprak zij ten minste het beweren haars echt-genoots niet; want anders dan een donker katoentjen van een schelling de el zag men haar nooit dragen, en zelfs in dien japon ging zij naar de nieuwe eigen woning verhuizen. Dat Tante in het geheim haar wat toestopte, kon niet worden aangenomen, daar Tante aan ieder, die het maar hooren wou verzekerde, dat zij Bei, niet meer zag en wat blij was haar zuur gezicht niet meer te zien, wat evenwel Nicht niet voordeelig zou wezen. Tante was, als zoovele rijke kinderlooze Tantes, er niet afkeerig van. de erfenis in het verschiet te doen blinken voor het oog van allen, die er op wachtten, en daardoor als absolute Monarch alle Neven en Nichten, ja zelfs de nakomelingen en spruiten van deze te be-heerschen. Maar Bet, die in hetzelfde dorp woonde en Tante zoo dikwjjls kon zien als zij maar wilde, bekommerde er zich niet om en ging haar eigen weg. »Ik wil er ook niet meer komen,quot; zei Tante en stuurde om den Notaris, die voor den tienden maal haar testament kwam veranderen, toen het in het dorp ruchtbaar werd, dat Jaab Stuf ken het gekochte huis ging verbouwen en men het bevallig lusthof met verandah en prachtige bloemen uit de onaanzienlijke burgerwoning verrijzen zag. Of Stufken zelf ook zijne bezoeken bij Tante verdubbelde, haar overlaadde met bewijzen van tedere verknochtheid, haar aanbood de door haar bewoonde blee-kerij te verbouwen, haar een bloemruiker bracht van zijn verandah, zyn vrouw verontschuldigde om voortdurende ongesteldheid, en eindelijk openbaarde, dat hij zijn lieve Betjen reeds jaren achtereen tot een bezoek bij Tante had trachten over te halen, het baatte niets om Tante te bewegen den Notaris ten elfden male voor een testamentsverandering bij zich te laten komen. »Ik heb haar nog al opgevoed; ze is nog wel uit mijn huis getrouwd; ze is vernoemd naar mijn mans grootemoê; ik mocht haar dus wel het liefste, dat mag ik nu wel zeggen; maar Jaap, zeg aan je Vrouw: wat geschreven staat blijft geschreven, je begrijpt me, wil ik hopen?quot; Jaap boog met ontbloot hoofd, plooide zijn mond tot een zoeten glimlach, schudde Tantes warme hand in de zijne, die altijd eenigszins klam was, wenschte Tante een goeden dag, en bad haar zich toch in acht te nemen en de bleekerij, waar zij zooveel kou opdeed, aan kant te doen. Hij ging heen, maar keerde zich aan het buitenhek, om, in de hoop het gezicht van Tante nog eens te kunnen zien en haar dan nog eens goedig toe te knikken. »Of ik je begrijp!quot; bromde hij toen hij weder op den
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
publieken weg was. »Dat ik Bet daar ook niet toe krijgen kan! Vrouwenkuren, kattennaturen! Als het dikke wijt maarzoo lang leeft, als Hrt overige van den zin bleef in zijn keel steken.
En toen Stuf ken m«t zijn huis en tuin klaar was en er reeds van begon te spreken, een stal te bouwen voor koeien of paarden â dat. liet hjj in het midden â werd hij geroepen een geheel ander'* woning gereed te laten maken; het was de laatste woning voor zijne vrouw Betjen was stiller en stiller geworden en had op zekeren avond tot haar man gezegd, dat zij Tante gaarne zou willen zien, maar dat ze te zwak was om naar haar toe te gaan. Tante werd dit gemeld en zij kwam met het onwrikbare voornemen om de ondankbare duchtig de les te lezen; evenwel voelde zij het eerste woord van verwijt op haar lippen besterven. toen zij op den gladhouten stoel met trijpen zitting, voor het vierkant ledikant met chitsen gordijnen, plaats nam. Wat Betjen baar toen meei toegefluisterd dan toegesproken had, bleek een verbazende uitwerking op Tante gehad te hebben, want deze drukte de uitgeteerde hand der verzwakte Nicht zachtkens in haar grove vuist, boog zich voorover en kuste haar waarlijk â wat het heele dorp voor eene onmogelijkheid zou hebben uitge-krett-n. daar het niet hekend was, dat Vrouw Moes ooit een dergelijk betoon van hartelijkheid gegeven had. Toen Betjen, het kind dat zij had opgevoed, geheel had uitgesproken en vermoeid in de kussens terugzonk, had Tante met verrassende rustigheid de gordijnen dichtgeslagen en, wat no^ meer verbazen mocht, na de dikke vetleêren schoenen uitgetrokken te hebben, op haar kousen zich verwijderd. In het vrolijk en elegant gemeubeld huisvertrek gekomen, voor welks nieuwerwetsch huisraad zij geen enkel woord van bewondering veil had, had zij de zesjarige Lize in haar arm genomen en vriendelijk toegeknikt, maar op den straatweg staande had zij huis en hof met een grimmigen blik aangezien en, daarbij alleen denkende aan den eigenaar, half luid gemompeld; »Jaap Stuf ken. wat geschreven staat, blijft geschreven!quot;
Betjen sliep spoedig in de aarde en Baas Stufken liet zich schijnbaar niet meer aan Tante gelegen liggen. Toch zorgde hij er voor. dat Lüe van tijd lot tijd naar haar toe werd gebracht, van welken tocht zij altijd met velerlei lekkernij terugkeerde, hetgeen hem blijkbaar aangenaam stemde. »Een druppel holt wel een s:een uit,'' zei hij, zich vergenoegd in de handen wrijvend; en met dubbelen ijver ging hij aan den arbeid op het nette kantoortjen aan de schrijftafel met de verschillende laden en kastjens. Niemant, die dat heiligdom betreden had, waagde het meer den bewoner Baas of Jaap te noemen: het was dan ook sedert maanden reeds Mijnheer. De timmermansknecht was architekt, houthandelaar, kassier en agent geworden eener groote maatschappij, die, in een der
12
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
hoofdsteden van ons land gevestigd, zich ten doel stelde handel,, landbouw en industrie door voorschotten te steunen en te helpen ontwikkelen. Uit den achterhoek zelfs der provincie daagde men op, om hem te spreken, en niemant, die voor den eersten maal hem ontmoette, ging ongetroost heen. Wie echter voor den tweeden of derden maal zijn kantoor betrad, verliet het minder opgeruimd, en wie het later nog meei malen bezocht, vertrok wel eens bleek en met de tanden knarsend. Maar in welke gemoedsstemming men ook kwam of ging. Mijnheer Stufken bleef dezelfde: zoet glimlachend, kalm en beleefd. Voor Lize, zijn eenig kindr was hij een teêr vader. Als hij bij haar kwam en haar liefkoosde, dan verdween de zoete glimlach, die hem op het kuntoor vergezelde, en kwam er een geheel andere trek, maar die ook een glimlach heeten mocht, op zijn gelaat; dan trilde zijn stem en verloor zij den kouden, killen toon, die op het kantoor steeds gehoord werd en kwam er iets warms voor in de plaath. En Lize, die in de eerste weken na Moeders dood. Vader met een soort van vrees bejegend had, gewende zich spoedig aan hem, leerde hem liefhebben en zijn goedheid op prijs stellen. Naarmate het beeld der Moeder in de nevelen van het verleden verdween, kwam dat baars Vaders dichterbij: naarmate de enkele woorden, die haar van haar Moeder in het geheugen waren blijven hangen, flauwer echo vonden in haar binnenste, waardeerde zij de liefkozingen haars Vaders meer. Niet dat zij de lieve, teére, bleeke Moeder ver-vergeten had â welk kind kan dat ook? â zij bleef aan haar denken met diepen weemoed in het hiirt; zij bleef aan haar denken, maar meer en meer als een engel Gods. als eene gezaligde, die voor den troon van den Alziende en Algoede onvermengde vreugde smaakte. Op de aarde, waar zij woonde en leefde, was de innig betreurde echter nint meer, en de plaats, daar opengelaten, kon alleen door haar Vader worden ingenomen.
Tot een lief, maar wel wat bedoiven jonge dochter was zij opgegroeid. Rijke bruine lokken omgolfden haar gezichtjen, waarvan de blanke teint nog verhoogd werd door het zachte rozenrood, dat zich op de mollige koon verspreidde. De wenkbrauwen waren zuiver geboogd, maar trokken minder de aandacht, omdat de glinsterende lichtblauwe oogen in de naliijbeid waren en de onverdeelde opmerkzaamheid voor zicli eischten In die schoone kijkers lag spot, ondeugende spot, maar ook gulle vreugde, kwade luim, maar ook tedere vriendschap en sympatie, zweefden donkere wolken, maar straalde ook bij wijlen het reinste licht, zacht als dat der maan, warm als dat der zon. Er lag bevalligheid in al liaar bewegingen en toch ook eenvoud en ongekunsteldheid, hetgeen te meer bewondering mocht wekken, daar men haar niet meer zoo geheel onkundig van zich zelve gelooven kon. Bij Lize was vrien-
13
HET GEZIN VAK BAAS VAN OMMEREN.
â delijkheid voor iedereen, maar ook speelzieke ironie voor sommigen, bijtend sarcasme voor enkelen, die het waagden op haar vader laag neer te zien of zich een onbescheiden vraag veroorloofden ten aanzien harer vroeg gestorven Moeder, en de verhouding van deze tot genen.
Het was of zij geboren was in het barège waarin zij op zekeren Zondagmorgen gekleed was toen zij naar de kerk ging; het was â of reeds haar grootmoeder gewoon was geweest een c/iale te dragen zooals zij er een om had, en haar moeder haar les had kunnen geven in het dragen van een parasol, zoo als de kleine hand, met licht zijden handschoen gedekt â 't was wat warm voor glacé â met een gemakkelijkheid en zwier over den hoed van rose gros de Naples deed zweven, als gold het een veer, door het zuidewindtjen gekust en speelziek bewogen. Had zij gehoord wat bij haar voorbijgaan de burgemeestersvrouw aan de wederhelft van den notaris influisterde, en deze weder met algeheele instemming des harten â aan de domineesvrouw overbracht, zij zou de fijne roode lippen geopend hebben om een scherp woord door te laten, en al de booze machten, die in haar binnenste schuilden, ter hulp hebben geroepen. Had zij daarentegen den blik bespeurd, waarmede Kor-nelis van Ommeren haar van ter zijde en nog eens van ter zijde had aangestaard, het zachte rozenrood der koon ware misschien purper geworden; want zij had Kornelis van Ommeren opgemerkt, zelfs toen hij haar dat misschien nog niet had gedaan. Zij had â ook, nu de Engelsche, Fransche en Duitsche privaatlessen niet meer behoefden ontvangen te worden, zooveel ledigen tijd, want Vader verkoos niet, dat de blanke handtjes rood zouden worden; zij had reeds zoo menigen roman gelezen â Vader wilde, dat ze zich in vreemde talen zou blijven oefenen en hoe kon zij dat beter doen dan door dergelijke lektuur? â en zij had de natuurlijke schranderheid van haar Vader geërfd. Zij wist dat Kornelis er goed uitzag, voor zoover een jongen er goed kan uitzien, en tevens â een nog gevaarlijker wetenschap! â dat zij zelve een â schoonheid was, ten minste in de schatting van haar Vader, die het haar menigmaal zei, en dien zij, op dat punt ten minste, volkomen geloofde. Toch vond zij het wel wat vrijpostig, dat Kornelis haar eens groette, en zéér vrijpostig dat hij haar op den weg naar haar woning inhaalde en haar waagde aan te spreken. Zij vond zijn gedrag vreemd, maar toch niet beleedigend; zij stond hem daarom vriendelijk ten andwoord en keek hem met de glinsterende oogen in de zwarte kijkers, waarin zij werkelijk vuur meende te zien glimmen. Hij begon echter al heel spoedig over het water te spreken: den grooten vijver achter haar huis, waarin veel visch zat; toen over het visschen en jagen in het algemeen, vervolgens over het visschen bijzonder in dien vijver,
14
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
waartoe hij gaarne verlof zou krijgen â en dat gesprek verveelde en beleedigde haar zonder dat zij wist waarom. Zij vatte na die ontmoeting juist geen hoogen dunk op van 's jonkmans snuggerheid en begon het zelfs jammer te vinden, dat aan zulk een knaap die beelderige oogen en dtt mooie hair waren ten deel gevallen. Toch vroeg zij haar Vader de vrije visscherij in de beek voor den zoon van den Baas op Spaarnwou en deelde zij Kornelis met eenige blijdschap het verkregen verlof mede, toen hij voorbij ging met de bus onder den arm, die de notarieele akten in zich sloot, welke hij in het nabijgelegen stadtjen op het registratie-kantoor moest bezorgen. «Hartelijk dank, Juffrouw Lize!quot; had hij toen gezegd en haar de hand gereikt, die zij â 't had haar een oogenblik later genoeg berouwd â met de hare waarlijk had aangeraakt.
»Juffer Lize heeft hij gezegd,quot; prevelde zij in zich zelve, toen hij reeds verre uit het gezicht was; »hij kent dan toch zijn plaats;quot; maar ze zei dat op een toon, die verre van tevreden was; en wéér begon zij het jammer te vinden, dat zoo'n jongen maar .. .. zoo'n jongen was.
In haar verandah neergezeten nam zij »Het zwervende meisjequot; ter hand; sloeg dien roman in drie deelen op en verkneukelde zich van genot bij de oratiën van Harleigh en nog meer bij de bloemrijke dissertatiën van Lord Mortimer en de dolverliefde blikken van Ireton en de schoonheid van de arme zwerfster, die zoo schoon was, dat de wreede, trotsche Mrs. Maples en de ruwe, hoovaardige Mrs. Ireton verbleekten en de gantsche fashionable waereld van het Londen van voor vijftig jaren zich neerboog en in een eerbiedig zwijgen hulde bracht. Daar kwam haar Vader buiten, juist toen haar belangstelling ten top was gestegen en een licht rood waas zich over haar gezichtjen had gespreid. »Is dat boek zoo mooi, dan ga ik het ook eens lezen,quot; zei hij, en dat klonk vrij trotsch, want, wat zijne gaven, of kundigheden ook waren, in vreemde talen, ja zelfs in zijn eigen taal had hij het nog niet ver gebracht.
«Wel, Papaatje, u hebt wel wat anders te doen,quot; hernam zij, juist niet aangenaam aangedaan door de gedachte, dat Papa hetzelfde zou lezen. Haar waereld toch was een geheel andere dan die van haar vader, en tusschen die beiden was een even groot verschil als tusschen het kantoor en haar zitkamer. »Maar wat ziet u toch den weg langs! Verwacht u iets?quot;
»Ik had een boodschap naar W., en de jonge van Ommeren gaat Dingsdags altijd dien weg op ... Ik had hem iets meé willen geven... Een aardige, goede jongen, en vlug ook! Misschien dat ik hem nog op mijn kantoor neem.''
»Als u kunt, doe dat. Papaatje! De Baas, zijn vader, heeft
15
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
het niet breed, en veel verdient de jongen bij den Notaris zskci* met. '
Papaatje, die beider onderbond straks zeer goed gezien bad, bad zijn tweeledig doel bereikt. Hij bad een zeker plannetjen in zgn zaken, waarvoor bij Kornelis zeer goed gebruiken kon, en wist meteen boe zijn Lize over den jonkman dacbt. Van dien kant dreigde geenerlei gevaar en kon de jonkman zelfs behoorlijk worden voorbereid, opdat bij zich met de gedachte, van in Mijnheer Stufkens dienst te treden, gemeenzaam kon maken.
»Zie eens,quot; riep Lize, »boe beelderig!quot; Meteen wees zij op een elegant rijtuigjen met een bit bespannen, dat inet^ groote snelheid den staatweg langs rolde en voor de villa «Nooit gedacht van Mijnheer Stuf ken stilhield. Een burgerman sprong er uit en bleef met ontbloot hoofd voor beiden staan.
»Welnu, hoe bevalt je je hitten wagen?quot; vroeg Papa aan Lize, wie het werkelijk duizelde, en die thands begreep, dat een barer idealen vervuld was geworden. Zij wierp zich in de armen van haar vader, met tranen van vreugde in de oogen. Hoe goed, hoe lief van u! Duizendmaal, duizendmaal dank, allerliefst Papaatje!
»Je klaagde me zoo dikwijls over je eenzaamheid en datje geen enkel vriendinnetjen had!quot; hernam hij blijde.
Maar wat was de oorzaak, dat de gelukkige vader zyn geluk niet genieten kon? Er trok een wolk over zijn gelaat heen en zijn arm scheen zijn kind in hare liefkozingen te stuiten. Daar naderde Tante Moes, met een zwaar voorwerp in een bagelwitten doek gebonden aan baar arm en een groenen reiszak in de band, het vuurrood aangezicht en het voorhoofd met paerels zweet bedekt.
«Tante, wil u niet binnenkomen?quot; vroeg Stuf ken. »Gauw, Lize, loop naar Tante en vraag of ze niet wat rusten wil.quot; Maar Tante schudde ontkennend en zeide, toen zij na die herhaalde uitnoodiging wel spreken moest: »Dankje wel,Mij nheer Stuiken, dank je wel, jongejufvrouw Stufken!quot; en dat op een toon, waarin de Notaris zeer goed de bekende woorden; wat geschrevea is blijft geschreven,quot; bad kunnen lezen. ) -j -r â¢
»Wat wij Tante toch voor kwaads hebben gedaan?quot; zeide Lize, haar vader aanziende, die de schouders ophaalde, terwijl hij, uitwendig geheel kalm maar van binnen ziedend van toorn, den man, die het wagentjen had gebracht, een kwartjen tot fooi gaf, wat dezen niet scheen meê te vallen en brommen deed; »Die haltblanks heeren! Schriel, verdoemd schriel!quot; _ ⢠j n-
Ja, een half blanks heer, zooals de charakterestieke uitdrukking luidde, was en bleef Stufken, boe hij 's Zondags ook zijn blozend quot;â elaat met den wit kastoren hoed versierde, en de korte, dikke, door den vroegeren arbeid uitgezette, banden in een paar lichtkleurige glacé handschoenen wrong. Een paar flikkerende oogen,
16
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
waaruit de soort scherpzinnigheid, die men sluwheid heet, lichtte, was de eenige illustratie van het voor het overige zeer gewoon gelaat en moest den boerschrooden tint, de grove wangbeenderen en breede kin vergoelijken, 't Is mogelijk, dat zijn vroegere gelijken hem een knappen jongen hadden genoemd; maar de kring, waar hij zich thands ingedrongen had, noemde hem, altijd achter zijn rug, »een burgerman op zijn zondagsch.quot;
jgt;Wat Tante toch tegen mij heeft, of liever tegen Papa?quot; vroeg Lize zich zelve af, toen zij weêr alleen zat. Tegen haar was de goede vrouw dikwijls vriendelijk geweest, maar die partijdige genegenheid kon den wrevel niet doen bedaren, die zich thands van haar meester maakte. »Laat haar doen wat ze niet laten kan. Haar geld begeer ik niet, en het zal ook wat wezen! Ik ga nooit wéér naar haar toe! Wie weet, of ze al niet lang gedacht heeft, dat ik op haar geld aasde!quot; Maar hoe onverschillig ze ook wilde schijnen, ze was het toch niet. Telkens en telkens dacht zij aan de dikke burgervrouw, wier eenvoudige kleêren de hare als beschimpten. »Gierig en zeker door woeker haar geld bijeen geschraapt!quot; klonk het in haar binnenste. Hoe geheel anders als de edele figuren, die zij aan de hand van zoo menig romanschrijver had leeren kennen!
Daar zij geen enkele vriendin op het dorp had, en haar moeder, zooals die in haar herinnering leefde en in die der oude getrouwe dienstbode, haar ideaal was gebleven van vrouwelijke volkomenheid, was van lieverlede de maatstaf, waarmede zij de werkelijkheid mat, een ongewone en weinig passende geworden, terwijl de soort van vergoding van de zijde baars vaders er niet toe had bijgedragen haar juister te doen oordeelen.
De gedachte aan haar tante en de raadselachtige handelwijze van deze, deed haar scherper dan ooit de vierschaar spannen over de verhouding van het geheele dorp tot haar en haren vader. Zij waren rijk, leefden op een goeden voet, beter zelfs dan Burgemeester, Notaris of Dokter, en toch werden ze alleen van tijd tot tijd, en dan geheel alleen, door den Notaris gevraagd, van wien het bekend was dat hij veel geld aan haar vader verdiende. Zou men den nederigen stand, waarin haar vader was opgevoed, nog niet vergeten hebben, en ook haar daarom minachten? Gaf dan niet een vlekkelooze handel en wandel voor God en menschen den hoogsten adelbrief? Leerde Dominee dat niet altijd op de kate-chisatie, ofschoon hij wel eens blijk had gegeven, nog een anderen adelbrief, als aanbeveling bij de menschen ten minste, te kennen? Was er dan op haar of haar vader iets aan te merken? Haar vader dronk éen glaasjen bitter voor het eten en de Notaris dronk er, zooals men zei, veel meer. Haar vader was altijd vriendelijk en tot hulp gereed, en de Burgemeester kon dikwijls vloeken,
BAAS VAN OMMEREN. '2
17
HET GEZÃN VAN BAAS VAN OMMEREN.
dat het iemant in de ooren suizelde. Haar vader ging 's zondags tweemaal naar de kerk, sloeg 's winters geen woensdagavond over, als Dominee een vervolgstof behandelde, zooals het laatste jaar, toen hij het heele boek Job verklaarde, en ging viermaal 's jaars aan het nachtmaal. En de Dokter? Die kwam nooit in de kerk als bij het doopen van een zijner kinderen. En toch, die allen zagen met minachting op haar en haar vader neör! Wat gaf haar dien hittewagen en de pracht daar binnen? Hoe gaarne zou zij wezen als de armste, maar dan in vrede en liefde leven met de men-schen. O, aan vrede en liefde had zij behoefte! Niemant, die het dartele, speelzieke kind dat kon aanzien! Niemant die vermoedde, dat haar luchthartigheid diepen ernst verborg, dat de aard harer moeder verscholen lag onder de vormen, die een gesoigneerde opvoeding haar gegeven had. »Ik zal het Kornelis vragen, als ik hem weer eens ontmoet,quot; mompelde zij, en dat voornemen getuigde van haar toenemende vertrouwelijkheid mét en tevens van haar vermeerderd vertrouwen in hem. Zij hadden elkaar dan ook dikwijls gesproken; en in hun onderhoud was hij altijd linksch, soms lomp â zij noemde het: koddig uit bloóheid â en zij dartel, soms plaagziek geweest. Toch scheen beiden de aangeknoopte kennis te bevallen, daar Kornelis hartstochtelijker hengelaar bleek te zijn dan ooit, en zij in de laatste dagen werkelijk Draffoleerdequot; van de heldere beek; en daarom was het niet vreemd, dat zij op zekeren avond met belangstelling naar eenige naderende voetstappen luisterde en teleurgesteld zich afwendde, toen zij Hein den looper voor het hek zag staan.
IV.
Zonderlinger vent dan Hein de looper was er in den omtrek niet bekend. Altijd vrolijk en met grappige streken, hoewel hij armer was dan de armste! Men zei dat hij uit een groote stad kwam, waar hij in een goed doen had gezeten, en een winkel gehad had, maar dat hij later tooneelspeler was geworden. Tooneel-speler! Men rilde er van. Men wist heel goed wat een tollenaar in Jezus' tijd was geweest, en minder nog moest een tooneelspeler wezen. De rechtzinnige lui noemden het tooneel het voorportaal van de hel en Dominee haalde, als hij van de schouwburg sprak, de schouders op en maakte dezelfde beweging met de lippen als waarmeê hij de woorden; »Satanas, ga achter mij,quot; uitsprak. Als een waereldling hem had wagen toe te fluisteren: »Zoo'n tooneelspeler staat u het naast,quot; dan had een beroerte wellicht
18
HET GEZIN VAN BAA.S VAN OMMEREN.
19
Let gevolg kunnen zijn. Wist men ook niet goed wat eigenlijk een tooneelspeler was, men was daarom te meer overtuigd het zeer goed te weten, en het recht te hebben Hein met minachting aan te zien en te bejegenen; en jammer was het, dat Hein in zijn doen en laten aan zoodanig gevoel maar al te veel voedsel gaf. Hij had een vrouw en wel zeven kinderen; maar hij deed alsof hij nog vrijgezel was, en liet het zilvei-geld, als hjj het een enkelen keer had, uit zijn zak dansen met een gömakkelijkheid en een gratie, die hem al de wilde jongelui uit den omtrek tot vrienden maakte. Heins kinderen leden gebrek, maar hij ook. Kon men het â de kinderen heel goed aanzien, hein niet. Vrolijk, altijd opgeruimd, lachte hij bij een dronk water, zoowel als bij een glas klare, had hy plezier in zijn leven bij een groven bal met stroop en een drooge korst roggebrood, dat een of ander schoolkind op den weg had laten vallen. Er waren soms oogenblikken in zijn leven, dat hij zelfs zoo'n korst een kostbare vondst achtte en gulzig verslond, zonder er aan te denken dat er in de waereld waren, die het nog meer dan hij behoefden. Hij werd boodschapper voor de lui en liep soms vier uur heen en vier uur weêrom voor een kwartjen, en hoe goedkoop de aardappelen ook waren, hij kon met dat loon zijn eigen grage maag, hoeveel minder de nog grager magen van vrouw en kroost, niet vullen. Dominee had eens zijn liut bezocht en verstomd gestaan over al de ellende. Hij had dadelijk voor dekens, voor turf en voedsel gezorgd, had Hein duchtig de les gelezen, en, wat nog beter was, hem bij zich in den tuin hout laten zagen, had hem bij dezen en genen aanbevolen, waar hij óok hout bad gezaagd, maar hem eindelijk wel moeten laten glippen, omdat hij met dien zondaar niet terecht kon komen, zooals hij zich uitdrukte, beter dan hij zelf wel dacht. Niemant ook kon met dien man terecht komen, die als een werktuig den arbeid verrichtte, dien men hem opdroeg; als een werktuig, dat dadelijk stilstond als de menschlievendheid het niet opwond, en als de menschlievendheid zelve niet opgewonden wordt, dan zal zij het anderen niet lang en niet dikwijls doen. »Hein!quot; zei eens een dikke, welgedane boer, wien de pap, die iederen avond werd voor-gediend, de oogen uitkeek, »van aalmoezen heb je nu lang genoeg geleefd, 'k Ben bang voor de vorst, en 'k heb nog een bult knollen in den grond; help ze mij rooien voor tien stuivers per dag en den kost.quot; »Goed, baas!quot; klonk het andwoord, maar den volgenden morgen kwam Hein niet. Hij had ook nog een schelling in zijn zak. Twee dagen later kwam hij tegen den middag aanzakken, maar dien morgen was de vorst ingevallen en den vorigen avond was de laatste knol binnengekomen. »Te laat, luie vlegel!quot; bulderde de boer. »Geef me dan maar wat voor mijn goeje intentie,quot; andwoordde Hein, terwijl hij zijn hand ophield; maar hij haastta
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
zich om weg te komen, toen de ander, die de scherts al zeer misplaatst vond, naar den werfhond ging, om hem van den halsband los te maken.
Sinds dien tijd was alle hoop op tijdelijke goederen voor Hein verdwenen en zou hij misschien van honger zijn omgekomen, als de zijnen niet onverwachts in Klara van Ommeren een trouwe hulp hadden gevonden. Maar hoe onvermoeid de kleine ook van het hare meêdeelde, toch kon de hulp, die zij aanbracht, slechts-een flauwen lichtstraal werpen in zijn nacht. Dageraad werd het eerst toen hij Mijnheer Stufken leerde kennen. Deze, die hem nooit had aangezien, tikte hem op zekeren winterochtend, dat het vinnig koud was en de ijskegels aan afdak en raam schitterden, binnen. Het was alsof Hein duizelig werd, toen hij in het goed verwarmd kantoor kwam, en of zijn beenen met duizend lancetten doorstoken werden, toen ze door de linnen broek â de eenige-bedekking tegen den feilen noordoosten wind â de hitte van het haardvuur gewaar werden.
»Hein, kan je lezen en schrijven?quot; was de eerste vraag.
»Meer dan me lief is,quot; was het andwoord. «Hadden ze me dat niet laten leeren, dan had ik beter knollen kunnen rooien of het heilig cederhout zagen van Dominee. Men moet maar niet te geleerd zijn in de waereld.quot;
»Ik geloof dat je een rechte gauwdief bent.quot;
»Dan ben ik toch iets: de meesten zijn niets!quot; En Hein draaide welbehagelijk om den warmen haard en kon bijna van dien vriend, die hem op dit oogenblik de liefste op de geheele waereld wasr niet scheiden. Mijnheer Stuf ken wenkte hem echter nader te treden, zelfs naast hem, en zei, hem zeer welwillend maar toch met een eigenaardig glimlachjen op een stuk papier wijzend: »Ik zal toch iets meer van je maken dan je zelf zegt te zijn; zet hier je naam maar eens.quot;
»Ja, maar .. . .quot;
»Wat blief je?quot; In Stuf kens oogen lag de vraag of Hein zoo onbeschaamd zou wezen te eischen dat hem de inhoud van het papier bekend zou worden gemaakt, waaronder hij zijn naam moest zetten. Dat scheen echter Heins bedoeling niet te wezen; want hij vervolgde, de vuurroode knokkels van zijn verkleumde handen zoo ferm wrijvende, dat ze kraakten: »Ieder letter kost je een stuiver.quot;
»Als ik iemant wel wil doen, zie ik niet op een stuiver.quot;
Hein schreef en zou bij zijn naam ook dien van zijn geboorteplaats en van zijn tegenwoordig domicilie hebben vermeld, indien de ander hem niet had weerhouden. Hij hield Heins rechterhand vast, onder het zeggen: «Ik geloof waarachtig, dat je de namen van je vader en grootvader ook nog wel er bij zoudt willen zet-
20
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
'ten .... Je bent niet dom en ik geloof je nog wel meer te kunnen gebruiken.quot;
Toen Hein weêr in de buitenlucht kwam, was hij tien stuivers rijker.
Er ging sedert geen dag voorbij, dat hij niet een boodschap voor Mijnheer Stuf'ken doen of op diens kantoor zijn naam moest zetten. Hein was er op bedacht, een deel dier onverwachtte inkomsten ten bate van de toekomst aan te wenden en had voor bet eerst de zelfbeheersching om te sparen. Van de opgelegde penningen kocht hij den daaropvolgenden zomer een geweer, en van dat oogenblik af werd hij een geducht strooper en kon hij, aan zijn zucht tot algeheele vrijheid den teugel vierend, in eenige onvoorziene uitgaven en onverwacht opkomende behoeften voorzien.
Het was dus niets ongewoons, hem 's avonds laat nog aan het quot;kantoor van Mijnheer Stufken te zien. Zoo als gewoonlijk ging hij ook op den bewusten avond de welbekende deur door, met een licht hoofdknikjen en ditmaal met een veelheteekenenden glimlach bovendien, Lize voorbij, die hem met geen enkelen groet verwaardigde.
Haar gezichtjen nam echter weldra een geheel andere uitdrukking aan, toen een oogenblik later Kornelis op den straatweg zichtbaar werd. Snel opende zjj haar werkdoosjen; zij scheen zeer verbaasd toen de jongen vlak voor het hek tegenover haar zijn pet afnam en haar goeden avond wenschte.
»Ik ga mijn dobbers zetten.quot;
»Goed, veel geluk!quot;
â »Ik dacht, dat je er bij woudt wezen.quot;
»Heb ik je dat gezegd?quot;
»Dat niet; toch dacht ik het.quot;
Lize kreeg een kleur bij de misschien zeer waarheidlievende maar niet weinig linksche woorden; zij voelde dat zij boos werd. Zij had echter de onvoorzichtigheid Kornelis aan te zien, wiens â¢donkere oogen meer nog dan gewoonlijk schitterden, wiens lippen trilden. Haar boosheid verdween; zij stiet haar werkdoosjen van zich af, zette haar hoed op en was in een oogwenk Kornelis op zijde gezweefd. »Ik weet dat ik je plezier doe met meê te gaan .... kom!quot;
In een oogenblik waren zij in het kreupelhout verdwenen. Zwijgend gingen zij een minuut naast elkaar. De stilte scheen Lize vooral onverdragelijk, zoodat ze, levendig als altijd, de kleine hand op Kornelis' schouder lel en hem vroeg wat hij had. En toen werd zijn tong als ontboeid en vertelde hij haar alles wat hij gedaan en gedacht had: dat hij van zich zeiven een afschuw had, omdat hij zijn vader beleedigd had en dat hij zich een slechten zoon noemde.
21
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
iDenk je je dan nog altijd een kind?quot; kon zij zich niet weerhouden te vragen, en een zweem van ergernis was in den toon barer stem onmiskenbaar. »Kornelis, je bent geen kind meer!quot; Er lag iets zoo koddig-vermanends en meesterachtigs in de wijze-waarop zij die woorden uitsprak, dat zelfs een minder onschuldige dan Kornelis er geen onvoorzichtige uitlegging aan had kunnen geven.
»Wat is eigentlijk een bankroetier?quot; vroeg zij dadelijk daarop' met eenige drift, »je noemdet je vader zoo . . .
»Dat is iemant, die zijn schulden niet betalen kan en zijn schuldeiscbers moet laten al wat bij bezit.quot;
»Dat is erg; ik zou liever dood dan bankroetier wezen,quot; zeï Lize op beslissenden toon.
»Stil. stil! bij is toch mijn vader, mijn goede vader!quot; fluisterde hij schaamrood.
»Als ik jou was zou ik van naam veranderen; dat kan wel, als de Koning bet wil, zooals ik ergens gelezen heb. Neen, neen, Kornelis! trek het je zoo niet aan,quot; riep zij, zich zelve in de rede vallende, uit, toen zij 's jonkmans hoofd op de borst zinken, maar zijn vuist daarbij zag ballen. »Als je vader er diep berouw over heeft, beteekent het niets. Mijn lieve moeder zei altijd, zooals oude Kaatjen mij vertelt, dat een enkele traan meer kan weg-wisschen dan eene geheele zee, en je vader heeft diep berouw zooals je zelf vertelt. ..
5gt;Ja, zóóveel berouw, dat hij het voor zich te voornaam houdt mensch te wezen. Neen, ik kan het niet langer verdragen! Ik moet heen, ver van hier!quot;
Lize voelde zich pijnlijk aangedaan. Neen, dat had zij niet bedoeld, toen zij met de haar aangeboren fierheid een tot betalen onmachtig man zoo heftig veroordeelde. Zonder dat zij er zich bepaald rekenschap van kon geven, veranderde zij geheel van gevoelen en voerde zij hem te gemoet, terwijl de oogjens blonken van geestdrift: »Als ik een man was dan zou ik het slagveld nooit ontvlieden; maar trouw blijven aan de mijnen en naast de mijnen: vluchten zou ik nooit.quot;
Spreek ik dan van vluchten?quot; vroeg de jonkman met het diepst zijner welluidende stem. »Als ik er van spreek weg te gaan,, dan is 't alleen, omdat ik geld, veel geld wil verdienen om daar-meê vaders schuldei?chers af te betalen; hier kan ik niet vooruitkomen . . ..quot;
«Waarom niet? Vader kan veel, dat weet je. Hij sprak er laatst van, je op zijn kantoor te nemen.....quot;
Kornelis zag haar van ter zijde schuw aan. Onwillekeurig ging-hij een stap ter zijde, zoodat zijn arm niet meer zooals daar straks den haren raakte.
22
HET GEZIN' VAN BAAS VAN OMMEEEN.
sik dacht dat mijn bericlit je juist niet stil zou hebben gemaakt,quot; vervolgde zij eenigzins spijtig; terwijl haar echter het hart als in de keel bonsde en zij zelfs vreesde, dat Kornelis iets andwoorden zou. Was ook deze door de leugentaal der onbekende vijanden aangedaan? Zou ook Kornelis haar vader niet de achting toedragen, die ieder hem verschuldigd was? Toen het stilzwijgen wat lang duurde, wou zij echter tot eiken prijs zijn stem hooren. Met echte meisjensdrift greep zij hem in den arm en riep ze gejaagd: »Andwoord dan toch, wat hebt gij tegen mijn goeden Papa? Wat zeggen zij wel van Papa op het dorp?quot;
De vraag, die dan toch eenmaal gedaan moest worden, was eindelijk uitgesproken.
»Niets kwaads .... en is het iets kwaads dan geeft de afgunst het zeker in. Mocht ik óok worden als je vader! Door eigen arbeid is hij de man geworden, niet waar, door eigen arbeid?quot;
»Ja, ja, door eigen arbeid; waarom herbaal je dat woord, Kornelis? Ik wil geen enkel woord meer met je spreken, als je me niet eerlijk vertelt wat ze daar ginder van mijn goeden besten vader durven zeggen. Denk je niet dat ik het gemerkt heb? Denk je niet dat het me zeer heeft gedaan?quot; Hare oogleden waren rood; hij zag het, hoewel zij het kopjen haastig afwendde.
»Zeg, wat je hoordet, Kornelis!quot; lispelde zij, terwijl ze hem vertrouwelijk de hand op den schouder legde en hem in de oogen keek.
Wat doorstroomde Kornelis bij die woorden! Wat elektrieke vonk lichtte langs iederen zenuwdraad! Hij had meermalen hetzelfde gevoel bespeurd als hij naast haar ging en zij het oog, dat voor hem zoo diep en tevens zoo klaar was, op hem richtte; maar nog nimmer met zulk een kracht als thands. Het was een gevoel, dat hem week maakte en tevens krachtig; dat hem alles vergeten en hem tevens zijn persoonlijkheid zoo machtig herinneren deed; een gevoel, dat hem zich zeiven zoo klein en te gelijk zoo groot deed toeschijnen.... »Lize!quot; stamelde hij, «niets dan laster, nijd van kleine zielen, rijk is je vader .. ..quot;
Hij meende: in zijn dochter, maar hij eindigde den zin niet, dien Lize aanvulde, geheel anders dan hij bedoelde.
jgt;En wagen ze te zeggen, dat Pa zijn rijkdom niet door arbeid verkreeg?quot; vroeg zij bijna fluisterend en Kornelis aanstarend met doodsbleek gelaat, zoo bleek als de sylphide in het licht der maan.
»Als ik dat van iemant eens hoorde!quot; riep Kornelis uit, en die uitroep, nog meer de uitdrukking waarmeé die plaats had, getuigde dat hij zich in het geheel niet meer een jongen gevoelde. »Ze zeggen, Lize! dat je Papa heeft gespekuleerd.quot;
»Nu, dat's een handel als ieder ander!quot; riep Lize uit, blijkbaar
23
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
van een zwaren last ontheven. »Nu begrijp ik alles. Pa heeft meer verstand dan al de Hoofdingelanden en de Ingelanden samen. Hij maakte er gebruik van, kocht grond, die niemant of weinige wilden hebben en wist dien weêr met voordeel te verkoopen. De domooren! spekuleeren! en ze lachte met verruimd gemoed.
«Ik heb eens gelezen van Kolumbus, dien ze voor een too-venaar hielden, omdat hij een maansverduistering voorspelde, en hij was toch geen toovenaar, maar een man, die meer wist dan zijn tijdgenooten,quot; zeide Kornelis, wien het niet alleen om hem heen, maar ook in zijn binnenste buitengemeen licht was geworden.
»Juist, en als Pa, die door ons dorp ook voor een toovenaar gehouden wordt, je op zijn kantoor een plaats wil geven, dan is dat zeker, omdat hij meer in je ziet dan een gewoon man; dan heeft hij het goed met je voor. Misschien neemt hij je wel op in zijn zaken, en als je dan veel geld verdient, dan betaal je eerst de schulden van je vader.. ..quot;
»En dan?quot; lispelde Kornelis, »en dan?quot; prevelde hij nog zachter. Hij boog het hoofd naar haar toe; hij trilde van hoofd tot voeten. Het was of de maan glimlachte, of het water in de beek zacht jubelde, of het lover van het geboomte, waarom- een schemerschijn van zilver lag heengespreid, hem toewuifde. »En dan, Liae?quot;
Hand in hand stonden zij een oogenblik tot zijn lippen haar fluweelzachte wang aanraakte.
»Goejen avond, vergeet je dobbers niet!quot; klonk het eensklaps uit het geboomte. Het was Heins stem.
De bekoring was eensklaps verbroken. Lize was verdwenen, Kornelis stond alleen. Neen, niet alleen; Feeën omzweefden hem, in azuren gewaad, met gouden vleugelen gewiekt en boden hem nektar en ambrozijn. Heerlijke heilige stond, waarin de eerste liefde ontwaakt! Nooit wordt ge door bet menschenkind vergeten; steeds zijt gij hem een herinnering van hooger leven, te midden van het drijven en woelen in lagere lucht!
V.
Jonkheer Keaal had den ochtend de eer bewezen zijn oogen te ontsluiten en te zien welk weêr hij gaf. Het onderzoek scheen niet tot een zeer gunstige uitkomst geleid te hebben, want een norsche trek vertoonde zich op het anders niet leelijk gelaat. De lijnen toch waren fijn en regelmatig, de oogen donkerblauw en klaar, de neus klein en recht, de mond klein, maar met wel wat dikke lippen bezoomd, de gevulde wang versierd met een rijken
24
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
haard, van dezelfde kastanjebruine kleur als het nog weelderig hoofdhair. Zijn echtgenote had zich nog niet verroerd, en hij gebruikte alle mogelijke voorzorgen om haar rust, nu de zijne geëindigd was, niet te verstoren. Aandoenlijke tederheid! Maaide blik, dien hij op haar wierp, de woorden, die hij prevelde toen hij ten bedde uitstapte, waren met die onderstelde tederheid wel eenigermate in strijd. Het klagend geluid, dat weldra uit het groote ledikant, dat de Jonkheer juist verlaten had, opsteeg, deed hem blijkbaar zeer onaangenaam aan; bij fronsde de zware wenkbrauwen en mompelde: ^Begint bet alweêr?quot; Overluid voegde hij er echter bij: »Constance, al wakker?quot;
«Zeg liever: nój wakker.quot;
Er volgde geen andwoord van de zij baars gemaals.
»Geen oog dicht gedaan!quot; zoo klonk het weêr klagend, «het is nu de zesde nacht.... den zevenden kom ik niet door.quot;
Nóg geen andwoord, en Mevrouw zag door een reet van het damasten gordijn, dat haar beer gemaal geenerlei fyziek beletsel had om baar toe te spreken.
»Lucht..! Lucht..! Henrick, dat fleschjen spiritus ..! Je mccomhe!quot; klonk het plotseling.
Henrick verloor zijn tegenwoordigheid van geest en greep in der haast een der vele fleschjens, die den vorigen avond op het toilet waren neergezet. Hij nam een eierlepeltjen en diende het haar ten volle toe.
* Assassin.1quot; riep zij met luide stem en eene beweging van het â diepste afgrijzen. In plaats van spiritus nitri daleis had hij haar »geest van hartshoornquot; toegediend. Met een echt Hollandschen vloek keerde hij zich om, toen hij zijne dwaling bemerkte, en trok driftig aan het schelkoord, zóo driftig dat de kamenier de trappen opstormde, achtervolgd door de hijgende Nelly, het weldoorvoede hondtjen, dat den nood zijner weldoenster scheen begrepen te hebben en bijna kreunend den drempel der slaapkamer overwipte. Betsy, de kamenier, bad dit met Baas van Ommeren gemeen, dat zij veel langer dan iemant harer voorgangsters in deze dienst was gebleven; voor het overige echter was zij van hem geheel verschillend. Zij had niets van de onderdanigheid, die genen kenmerkte, niets van de bescheiden manieren, die bij genen de onderdanigheid zoo dikwijls pijnlijk maakte aan te zien. Reeds op middelbaren leeftijd bij Mevrouw in dienst gekomen, hetgeen zonder antecedent was, daar er altijd jonge kameniers waren aangenomen, was zij reeds in haar tweede jeugd eer leelijk dan mooi te noemen geweest, en in de twaalf jaar dat zij Mevrouw bad verzorgd, gekleed en gekapt, was ze er waarlijk niet knapper op geworden. Vreemd was het, maar dit scheen eene aanbeveling te meer te zijn geweest, want zonder haar heer gemaal te raadplegen,
25
HET GEZIN VAN' BAAS VAN OMMEREN.
had Mevrouw Betsy dadelijk aangenomen. Keken de vroegere kameniers dikwijls zeer vriendelijk en koket uit het elegante mutsjen, dat wel eens een paar rijke oorbellen te zien gaf, Betsy had van den beginne af aan een stemmig, eenigen zeiden zelfs zuur, gezicht gehad; vreemd was het weêr, dat dit Mevrouw niet alleen niet scheen te ergeren, maar zelfs te bevallen, zoodat zij zelfs de onbegrijpelijke zwakheid had gehad haar nieuwe kamenier van kleinodiën te voorzien, die deze echter nimmer droeg.
»Wat is hier gebeurd?quot; vroeg Betsy verschrikt; maar er was vooralsnog niemant die andwoord kon geven. Mijnheer was toch na zijn laatste prouesse naar zijn boekenkamer geijld, om zijn toillet ten einde te brengen. »Daar hebben wij het al weêr,quot; vervolgde zij, toen zij een blik op de half stervende Mevrouw had geworpen, die den mond al stuiptrekkende bewoog. »Gister op het rijtuig wéér kou opgedaan! Ik heb het wel gedacht! Waarom niet in stad gebleven?quot;
»Ik moest meé,quot; kreunde de andere.
sU moest niet, u wildet.quot;
j.Mijnheer ging hierheen. Ik mag hem hier niet alleen laten; geef mij dan toch een glas water.quot;
»Koud water? Dat zou wezen om de kramp nog meer op te wekken.quot;
»Ik wil een glas water,quot; zeide Mevrouw met een krachtige stem; »gauw, Betsy!quot;
»Een kop sterke thee, op het oogenblik; zie nog wat te rusten, arme stakkert!quot; hernam Betsy, terwijl zij met haar hand het voorhoofd van haar Mevrouw strookte. Dit laatste woord deed Mevrouw van allen tegenstand afzien. Zij zou de slappe thee van Betsy â de sterke had deze zelve reeds genoten â drinken; zij zou trachten te rusten, al wist ze ook dat het niet gaan zou. Om echter haar gehoorzaamheid op den rechten prijs te doen stellen, fluisterde zij met zwakke stem; »Eusten, ik? Als ik dat eens kon. Betsy!quot;
»Ja, een tobbert is u, maar ze zijn er niet het slechtst aan toe, die de Heer kastijdt. Ik zal straks een boodschap sturen naar Dokter Winkel.quot;
»Doe dat, Betsy! en laat me gauw een kop thee geven; mijn mond is als verschroeid en mijn tong ... .quot;
»Jawel: juist zooals laatst; de oude kwaal weêr.quot;
Mevrouw, die zeer goed wist dat het niet de oude kwaal was en ook niet gewoon was eenig vergrijp haars echtgenoots jegens haar begaan voor Betsy te bewimpelen, zweeg nochtans; zij waagde het niet de getrouwe van dwaling te overtuigen. Volle vijf minuten had zij nog te wachten, eer de thee binnen kwam, en zij de rust ging zoeken, die haar ditmaal ten minste in ruime mate gewerd-
26
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Tegen elf uur sloop de trouwe Betsy weêr naar boven, en hief zij een tip van het damasten bedgordijn op. »Slaapt Mevrouw nog?quot; vroeg zij zacht, zich over het bed heenbuigend.
Toen er nog geen andwoord kwam, herhaalde zij de vraag met luider stem, en sloeg zjj tevens een deel van de overvloedige dekens terug, waarna de slapende een beweging maakte en eindelijk een diepe zucht loosde.
»De dokter wacht bier naast,'' zeide Betsy op haar gewonen eenigzins brommenden toon.
»Laat hem binnenkomen.
»Maar de kamer is gebleven zooals Mijnheer haar verliet. Mevrouw begi-ijpt dus ....quot;
»Maak haar dan in orde, Betsy!quot;
»Dat kan niet. Mevrouw weet hoe het er uitziet als Mijnheer ergens knorrig van daan loopt.quot;
^Moii Dieu! Mon Dieu!quot; jammerde Mevrouw, een poging doende om op te rijzen. »Mijn oogleden zijn als lood zoo zwaar,quot; voegde zij er bij.
»Zal ik Winkel dan maar wegzenden?quot;
»Hoe kun je zoo iets proponeeren! Denk je dan dat ik hem voor mijn genoegen doe halen Vquot; vroeg Mevrouw ditmaal vrij bits. Maar hoe verbolgen ook door Betsies tegenstand en koude onverschilligheid, toch gehoorzaamde zij. Zij verliet het bed en zocht, waggelend en half door Betsy ondersteund, een stoel.
»Waar is Mijnheer?quot; vroeg zij, door den hoop kleedingstukken,. ordeloos over den grond gestrooid, en nog andere verward dooreen liggende voorwerpen den verdwenen echtgenoot herinnerd.
«Mijnheer dejeuneerde in de bibliotheek en ging toen de plaats in.quot;
»Welken kant op?quot;
«Mevrouw!quot;
Beiden zagen elkander een oogenblik aan.
Toen gene haar vraag herhaalde, andwoordde Betsy; »Naar-den kant van den moestuin.quot;
«Alleen?quot;
«Met den baas.quot;
Het scheen dat de laatste mededeeling Mevrouw gerust stelde. Kaar stem, in de laatste oogenblikken bijna forsch en snerpend, werd weder flauw en bijna toonloos. Het morgentoilet was gereed. Betsy had het kort weten te maken door eenige chdles over het profond negligé heen te werpen en leidde Mevrouw het aangrenzend vertrek in, waar Dokter Winkel reeds tweemaal had berekend hoeveel vizites hij in den tijd, dat hij anti-chambreerde, had kunnen maken. Met een vriendelijk hoofdknikjen werd hi} verwelkomd.
27
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Ik zie met leedwezen, Mevrouw! dat uw pozitie in den Haag â weinig verbeterd is. Hebt ge uw tinktuur, uw pillen en uw drop-peltjens trouw blijven gebruiken?quot;
»Dokter Sanders, die, zoo als gij weet door Mijnheer sterk wordt geprotegeerd, gaf mij andere medicijnen.quot; De dokter zette een gezicht alsof hij zeide; Wij behoeven nu niet meer naar de oorzaak dezer ongesteldheid te zoeken. »Hij verbood mij, mij warm te kleeden,quot; vervolgde Mevrouw, sen ried mij aan, den aanstaanden zomer zeebaden te gaan gebruiken. Toen hij het woord baden noemde, voelde ik een frisson; sedert dat oogenblik ben ik -koortsig.quot;
De dokter knikte met het hoofd, als wou hij zeggen: dat kan ik mij zeer goed begrijpen. »En hoe gevoelt gij u thands ?quot; vroeg hij, nadat hij zich gemakkelijk in zijn leunstoel had neergevlijd, â wel wetende dat hij nu veel en lang zou hebben aan te hooren.
quot;Abattue, Dokter! Soms is 't me of me het hart zal springen «n voel ik een hevige pijn in de hersens; slapen doe ik niet meer. Die lange nachten I Afgemat ga ik naar bed, maar nauwelijks ben ik neergelegen of de foltering begint. Het is alsof de booze geest in mijn arm hoofd begint te hameren. Ik keer mij om en om en door al mijn leden schiet de pijn; van rusten is geen spraak meer. 1t Is alsof mijn lenden mij niet meer kunnen steunen, zoodat ik geloof, dat ik een begin heb van ruggetering en ik mij al eens den rug met olie en geest van hartshoorn heb laten inwrijven. Dat geeft dan nog soul/igement.'quot;
«Zenuwen, Mevrouw! zenuwen, waarvoor mijn droppeltjens . ...quot;
»Een oogenblik. Dokter! wij zijn er nog niet.... Ook mijn borst begint aangedaan te worden. Mijn ademhaling is dikwijls benauwd vooral bij die hartkloppingen; eetlust heb ik niet. Betsy, zie eens of Mijnheer ook al teruggekomen is; zoo ja, verzoek hem dan boven te komen.quot;
»Een katharrale aandoening, waarvoor de tinktuur, die ik u voorschreef . ..
»Gij weet nog niet alles, Dokter! .... Als ik gegeten heb, ben ik doodsbenauwd, en toch moet ik eten, want mijn krachten begeven mij.... Ik wil wel slerven als ik het maar vooraf weet; ik kan mij dan voorbereiden .... De Heer zij dank, wel heb :.k vrede met mijn konsciëntie, maar toch is het mij of de genade mij nog niet overvloedig genoeg geschonken is ....! Maar daarover kunt gij niet oordeelen. Ge zijt een ongeloovige, een atheïst, zooals alle geleerden. Gij hebt mijn pols nog niet gevoeld, acht ge dat niet noodig?quot;
De dokter maakte het vergrijp goed, verzekerde dat zij zeer zwak was, waarbij Mevrouw flauw glimlachte, daarmeê te kennen gevende dat dit geen verzekering behoefde, en beloofde Iraar
28
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
andere medicijnen, die wellicht dadelijk eenige verliclitiDg zouden aanbrengen.
»Maar wat scheelt mij eigentlijk, Dokter?quot;
iEen hartkwaal, Mevrouw!''
»En straks noemdet gij het zenuwen en katharrale aandoeningen ? Maar een hartkwaal is het, dat voel ik.quot;
»'t Is een mixtum compositum.quot;
»Zoo, dat kan het wezen. Een hartkwaal eindigt meest met een plotselingen dood, niet waar?quot;
»Ik zou mij zeer vergissen als de uwe een dergelijk einde nam. Wij zijn er te vroeg bij geweest, om de kwaal vorderingen te-laten maken. Ge zult u nog lang mat blijven gevoelen; ge moet alle gemoedsbewegingen vlieden, maar een gepaste afleiding is. zeer nuttig.quot;
»Goede, nuttige lektuur?...quot;
^Zeer gepast.quot;
»Ik ben nu bezig aan: Le royaume da Ciel.quot;
»Pardon, mevrouw! natuurkundige studie is u niet aan te-bevelen.quot;
jgt; Dokter!... . Het boekjen is door monsieur Estrambin, pasteur-a Laussanne, geschreven. De vrome man waarschuwt juist tegen alle natuurkundige studie, tenzij ze op den bijbel steunt. Dokter, gij verzorgt mijn lichaam, mocht ik geroepen zijn voor uw ziel te zorgen! Ik vrees dat die óok ziek is!quot;
»Altijd ondersteld, dat ze bestaat, Mevrouw!quot;
igt;Horrible, must horrible! Lees het heerlijke boek van Estrambin~ Ik heb nog andere werken: Lathéiste mourant bij voorbeeld; mijn bibliotheek staat voor u open.quot;
»Ik ben u zeer verplicht, Mevrouw!quot;
3gt;Ik wenschte. Dokter! dat gij er gebruik van maaktet .... Ik sta er op.quot;
iMag ik dan morgen om een uwer boeken zenden?quot;
»Vandaag nog; laat uw knecht, als hij mij de nieuwe medicijnen brengt, er op wachten. ... Gij stuurt ze toch gauw!quot;
»Oogenblikkelijk; ik ga recht door naar huis. Zooals ik gezegd heb, Mevrouw, afleiding is noodig; een kleine wandeling bij voorbeeld. Luchtverversching, mids de wind goed zij, is allerheilzaamst.quot;
»Wat is de beste wind voor mij?quot;
«Natuurlijk Zuiden- of Westenwind; vandaag is de wind Noord en eer guur dan zoel; dus ....
»Dus van daag moet ik thuis blijven. Als ik uitga, moet ik dan beginnen in den wind of van den wind af te loopen?quot;
»Het laatste.quot; Dit zeggende stond hij op en keek op zijn horloge.
»Hoe lang mag mijn wandeling op zijn langst duren?quot;
29
30 HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Dat hangt van omstandigheden af; gij naoogt u niet vermoeien, Mevrouw! Zooals gezegd is, de medicijnen zal ik u dadelijk zenden; van daag blijft gij in huis, morgen hoop ik u weör te komen bezoeken.quot;
Daar kwam Betsy binnen, ditmaal echter met een hoogroode kleur. Zij boog zich tot Mevrouw over en fluisterde haar aan het oor, dat Mijnheer, met een pakjen in de hand, hetzelfde, dat zij den vorigen dag in het rijtuig zoo zorgvuldig had zien neerleggen, geheel alleen de tuinmanswoning was binnen gestapt. Alsof plotseling een reuzenkracht in de verslapte zenuwen was gevaren, hief Mevrouw zich op en gebood zij, met zulk een krachtige stem als de Dokter niet gehoopt had van haar te zullen hooren, haar hoed en dikste chdles te halen. Met een gants niet vriendelijk hoofdknikjen ontsloeg zij den Aeskulaap, die reeds op den drempel der deur stond. Buiten gekomen wendde hij in de laan, die naar het buitenhek voerde, even het hoofd om en zag tot zijn verbazing, dat Mevrouw, zijn voorschriften geheel ontrouw, zich in den Noordenwind naar buiten waagde en met driftigen tred den weg naar het huis van van Ommeren insloeg.
»Morgen koorts en quinine!quot; prevelde hij.
Werkelijk was Mijnheer een bezoek gaan afleggen in de nederige quot;woning. In den groenen korten jas met bronskleurige knoopen en opstaanden kraag â zijn meest geliefd kleedingstuk â en zijn bamboezen rotting in de hand, was hij de plaats ingegaan. Hij had er den Baas nog niet gevonden, maar een der tuinknechts, die zich dadelijk bij zijn nadering het hoofd ontblootten en ook met ongedekten hoofde bleven staan zoolang hij met hen sprak, uitgezonden om den Baas te zoeken. Toen deze kwam, keek Mijnheer hem een oogenblik streng aan, en zeide toen: »Ik schijn het je te hebben afgewonnen in vroeg opstaan.quot;
»Ik was achter in de plaats. Mijnheer!quot; antwoordde de Baas, wiens kale kruin reeds ontbloot werd, toen Mijnheer in de verte zichtbaar was.
»Als ik buiten ben, wensch ik je in mijn nabijheid.quot;
»Ik zal er voor zorgen. Mijnheer!quot;
»De paden zijn slecht geschoffeld, Baas! Bij de oranjerie is niet geharkt; dat moet niet meer gebeuren. Ik betaal genoeg arbeidsloon.quot;
»Acht gulden veertig cents minder dan vroeger. Mijnheer! Ik heb Jan en Klaas moeten weg zenden.quot;
»Had je die luiaards dan nog langer willen houden? Je hebt mijn belangen te behartigen. Laat dadelijk schoffelen en harken en kom dan bij me in de oranjerie.quot;
De Baas haastte zich het ontvangen bevel te gehoorzamen â en stond al zeer spoedig, maar dan ook bijna buiten adem,
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
achter den rug van Mijnheer, die heden ochtend al zeer lastig was.
»De ramen open, mijn oranje-bootnen in de open lacht? Het is Noordenwind ....quot;
fVijf en zestig graden Fahrenheit, Mijnheer! De versche lucht moet er doorspelen.quot;
»Maar ik wil niet hebben dat ze weêr sterven zooals verleden jaar, en dit zijn juist de oudsten; ik heb die zelf nog geplant. Men heeft mij wel gezegd, dat je er weinig verstand van hebt.quot;
Baas van Ommeren zette een oogenblik de pet op en werd rood. Wat hij ook had prijsgegeven, zijn gevoel van eigenwaarde op het punt van botanie nog niet. Toch behield hij de kracht zich te beheerschen, en, zich weder het hoofd ontdekkende, sloot hij, in de eene hand zijn pet houdende, met de andere de ramen.
»Wat doe je daar?quot; vroeg Mijnheer verbaasd. «Als je 't met me eens bent, waarom heb je de ramen dan straks opengezet? Doe je dat dan willens en wetens, om de boomen te doen sterven? Om me anderen te doen koopen? Ja, zoo zijn jelui allen.quot;'
«Mijnheer!quot; zeide de Baas, en ditmaal trilde de toorn in zijn stem, sgt;het is uw eigendom; ik doe zooals u kommandeert; waren het mijn boomen, ik zou anders handelen.quot;
»Maar het is je plicht om mijn eigendom te behandelen of het je eigen goed was.quot;
»Verkiest Mijnheer de ramen open of dicht te hebben?quot; vroeg de Baas bedaard, die het maar beter vond Mijnheers laatste gezegde niet te beandwoorden.
»Open, maar niet zoo wijd als jij ze gezet hebt. Wacht mij bij de vinkenbaan, om me daar het hout aan te wijzen dat ik dezen winter kan laten hakken.quot;
Mijnheer wendde zich toen af en ging, na zich door den huisknecht een pakjen te hebben doen geven, op de tuinmanswoning af, die hij zonder waarschuwing binnentrad.
De van Ommerens hadden dan ook geen waarschuwing noodig. Zij wisten toch, dat als Mijnheer buiten was, een bezoek te ieder uur gewacht kon worden. Vrouw van Ommeren had, door Klara geholpen, den gantschen morgen geschrobd en gewreven en kon dus nu gerust op het houten zoldertjen, dat in het midden van het vertrek de plaats aanwees waar het huisgezin zat, aan de witgeschuurde klaptafel, met de wollen kous in de hand, eenig bezoek afwachten. Klara had haar best japonnetjen aangetrokken en zag er opgewekt en vrolijk uit. Zij was zoo gezond en verblijdde zich over de levendigheid, die op de anders zoo eenzame plaats aanstaande was. »Een allerliefst bekjen, die Klara!quot; mompelden de jongens dikwijls in het dorp, als ze Zondags naar de kerk ging, en ze had tliands haar Zondagskleêren aan. De uit-
31
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
drukking van haar gelaat was zacht, ja had zelfs iets weemoedigs; de blauwe oogen keken zoo rein, het lieve mondtjen lachte zoo onschuldig, dat de vermetelste jongen in het dorp bijna kleurde als hij haar aanzag. De betoovering, die van haar uitging, was zoo volkomen, omdat uit iederen blik harer oogen, uit iedere beweging harer leden en uit iederen toon harer stem zoo duidelijk bleek, dat zij zelve onkundig was van de macht, die van haar uitging. Wat zij voor Vader en Moeder was wist niemant. Zij stelde zich nooit op den voorgrond: integendeel, zij hield zich altijd schuil. Zij was vooral Vaders lieveling, die in haar zijn natuurlijke bondgenote zag, en bij vvien soms de zelfzuchtig» wensch opkwam, dat Klara vóór zijn dood nooit een jonkman mocht ontmoeten, die haar liefde inboezemde; want zonder dat vriendelijk oogenpaar, die liefelijke stem hield hij het in huis met Zoon en Vrouw niet uit. Mevrouw had voor jaren er eens van gesproken, om zijn dochter, als zij wat ouder was, bij zich aan huis te nemen en er eene goede kamenier van te maken. Hij had niet gewaagd te weigeren, maar hij had toch gebeefd van angst. Gelukkig, dat Mevrouw, toen zij Klara, als meisjen ontwikkeld, terug zag, geen woord meer van dat voornemen gerept en later er nooit meer op gezinspeeld had.
Mijnheer, die anders niet gewoon was zijn kostbaren tijd te besteden aan hetgeen niet rechtstreeks met hem zeiven in betrekking stond, had Klara toch dikwerf en lang beschouwd en haar met welgevallen zien opwassen. Hij had haar als kind van twaalf jaar eens in de groote laan, die naar het huis voerde, staande gehouden en haar vriendelijk gevraagd naar hare vorderingen in het lezen en schrijven, â een eer waarbij het kind de knieën knikken en het hart had voelen bonzen. Zij had dat oogenblik nooit vergeten. Zij had wel in den grond willen wegzinken van angst, maar een oogenblik later, toen zij weêr alleen was, het wel luide aan de geheele waereld willen verkondigen, welk een eer haar was te beurt gevallen en hoe vriendelijk Mijnheer toch wel kon zijn. Zij had het met een soort van jubel aan Moeder en Vader verteld, toen zij te huis was gekomen, en deze hadden om de kinderlijke opgewondenheid geglimlacht en vervolgens het voorval vergeten. Zij hadden dit laatste waarschijnlijk niet gedaan, als Klara hun er bij had kunnen vertellen, dat Mijnheer alle moeite had gedaan om haar, gedurende zijn kort gesprek, de neergeslagen oogleden te doen opheffen. Sedert dien tijd scheen Mijnheer de kleine evenwel vergeten te zijn, tot hij dezen zomer haar alleen had vinden zitten aan de beek in de achterplaats, op de bank onder den prachtigen bruinen beuk. Het onderhoud, dat toen had plaats gehad, was nog korter dan vroeger geweest, maar had op Klara denzelfden invloed uitgeoefend. Bij den ongewoon
32
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
vleienden toon van Mijnheers stem had zij echter de blauwe oogen tot hem opgeheven, waarop Mijnheer haar iets zeer aangenaams had gezegd, iets wat zij van haar vriendinnetjens op het dorp nog nooit had gehoord. Zoo dikwijls Mijnheer haar sinds dien tijd ontmoette, en dat gebeurde veel meer dan vroeger, had hij een vriendelijken groet en een vriendelijk woord voor haar over, en in de laatste weken vóór zijn vertrek naar den Haag was hij van tijd tot tijd de tuinmanswoning binnengetreden om er, zooals hij zeide â hij, die anders nimmer eenige reden gaf van zijne daden â na te gaan, welke reparaties er tegen den winter noodig mochten zijn, daar hij niet wenschte den Baas vochtig te laten wonen. Als Kornelis bij die herhaalde bezoeken te huis was geweest, dan had hij zeker uitgesproken wat Vader noch Moeder in het oog scheen gevallen te zijn, en zijne verwondering betuigd, dat Mijnheer nooit kwam of Klara moest thuis zijn. Dat deze Mijnheer anders beschouwde dan haar tijdgenoten kon dus geen verwondering baren; dat zij van lieverlede den moed toonde, hem in het, naar 't haar toescheen, schoon en vriendelijk gelaat te zien, evenmin. Toen zij hem op den morgen, waarvan wij straks gewaagden, zag binnentreden, stond zij dadelijk op en ging hem zelfs een voetstap te gemoet; terwijl Moeder bedeesd een linksche buiging maakte en zich gevoelde of een onzichtbare hand haar gestaag naar de plek dreef, waar zij niet wezen wilde en een onzichtbaar gewicht haar zwaar op de tong woog.
»Zoo, Moeder, al zoo vroeg op den stoel?quot; zei hij vriendelgk. Niet te min klonk het haar als een verwijt in de ooren waarom zij zich gereed maakte zich te verontschuldigen ; maar de onzichtbare hand deed haar tegen de klaptafel aanbonzen en het even onzichtbare gewicht belette haar een verstaanbaren klank uit te brengen. Gelukkig dat Mijnheer het niet bespem-de, daar hij na die eerste woorden zich dadelijk tot Klara gewend en deze met een glimlach had verzekerd, dat zij er gezonder uitzag dan ooit te voren.
jgt;Ik ben ook altijd wel geweest. Mijnheer! U ook?quot; voegde zij er bij, tot schrik harer moeder, die deze vraag zoo vermetel vond, dat zij niet anders dacht, of Mijnheer zou zonder te spreken zich hebben omgekeerd.
Hoe geheel anders viel het uit! »Ja, lief kind, ik ben ook altijd heel wel geweest. Als ik hier ben voel ik mij wel twintig jaar jonger en zou ik weêr plezier krijgen om op den hit te rijden, die hier op stal stond, toen ik even oud was als je dochter nu, vrouw van Ommeren!quot;
»En hoe vaart Mevrouw ?quot; vroeg vrouw van Ommeren thands, die nu het voorbeeld van haar dochter veilig meende te kunnen volgen, om óok een vraag te doen. Voor de familie begon zij
BAAS VAN OMMEREN. 3
33
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
werkelijk iets te gevoelen wat naar hartelijke belangstelling zweemde. Mijnheers gelaat betrok plotseling; iedere trek, die er een vriendelijke uitdrukking aan gegeven had, verdween, en voor de verschrikte tuinmansvrouw, die eensklaps haar eigen nietigheid in de hoogste mate gevoelde, stond de koude, hooghartige Mijnheer Reaal. Hij knikte even, terwijl hij den stoel met vaders kussen naar zich toetrok en, na er dit te hebben afgenomen, op de matten zitting plaats nam.
«Vertel mij eens, Klara,zijn de Burgemeestersdochters je vrien-dinnetjens?quot; vroeg hij, zonder verder acht te slaan op de ontstelde moeder, die nu hare zelfbeheersching geheel en al verloren had, in hare verwarring Mijnheer den rug toekeerde en op de rechtbank eenige schotels aanvatte alsof zij ze wasschen wilde.
»Neen, mijnheer!quot; antwoordde Klara eenigzins bedeesd, »de dochters van den Burgemeester zijn juffrouwen.quot;
»En jij bent ook een jufier zou ik meenen. Als je anders gekleed waart zou je kunnen komen waar die verlepte bloemen zich niet moesten wagen. Vrouw, waarom kleed je Klara niet beter?quot;
»Mijnheer .... in onzen stand .... alles is al zoo duur en de Baas verdient niet veel.quot;
»Meer dan eenige tuinbaas.. . Dat volk is toch nooit tevreden,quot; mompelde hij. »Waarom je zoon als een beer te kleeden en je dochter weinig beter dan een dienstbode? Die jongen loopt in zijn verderf; maar van hém wil ik niet meer spreken; aan hém is toch niets meer te doen. Dus, mijn kind! je ouders hebben geen geld om je beter te kleeden? Mevrouw maakte er mij onlangs attent op, dat je er anders verdiendet uit te zien. Vóór ze hier naar toe ging kocht ze iets voor je. Ze was van morgen eenigs-zins ongesteld, anders had ze het zelve komen brengen. Zie eens hier!quot; En nu maakte hij het pakjen open, dat een zwart zijden japon bleek te bevatten.
«Zijde, werkelijk zijde!quot; juichte Klara in haar hart; terwijl Moeder zich omkeerde en, niet bekomen van hare verbazing, met den rug tegen de rechtbank bleef aangeleund.
«Mijnheer.... te veel.... te mooi!quot; stamelde zij; «dat mag ons Klaartje niet dragen,quot; voegde zij er bijna angstig bij.
«Aanstaanden zondag moet je het in de kerk aan hebben, dan kan Mevrouw zien hoe goed zij haar cadeau heeft gekozen. Een paar gouden oorbellen zijn in het verschiet,quot; voegde hij er, alleen voor Klara verstaanbaar, bij.
«De lieve Mevrouw, die wel aan mij wou denken!quot; stamelde Klara, terwijl haar gelaat met een zacht rood werd getint, welke uiting van erkentelijkheid Mijnheer zóózeer aandeed, dat hij naar haar handtjen greep en dat drukte.
Daar ging de deur met drift open en stond Mevrouw, bijna
34
HET GEZIN VAK BAAS VAN OMMEREN.
als een egyptische mummie gewikkeld in doeken en chdles, op â den drempel. »A.h zoo!quot; klonk het met heesche stem; »ik zocht je, en wist je te vinden.quot;
»Mevrouw, ik moet u wel bedanken . ..quot; stamelde Klara.
»Hebt ge een oogenblik voor mij?quot; vroeg Mevrouw haar echtgenoot, terwijl de anderen, als niet aanwezig, met geen blik of groet werden verwaardigd.
tgt;A vos ordres, ma chère!quot;
Hij bood haar den arm en leidde haar naar buiten, Moeder en Dochter in de heftigste gemoedsbeweging achterlatende. Gene kwam het eerst tot bezinning; zij nam het zijden kleed op en borg het in haar latafel met de woorden: »Kind, dat kleedtjen trek je nooit aanquot;!
VI.
Mijnheer en Mevrouw Reaal gingen eenige sekonden naast elkander zonder een woord te wisselen. De adem van Mevrouw ging ongeregeld, en een herhaald kuchjen werd vernomen, terwijl de eerst driftige stap langzamerhand trager werd.
»Welnu?quot; schenen de oogen van Henrick Reaal te vragen, terwijl hij ze op zijn wederhelft richtte.
»Wat was dat voor een kleedtjen?quot; vroeg Mevrouw eindelijk met gesmoorde stem.
»Dat was een cadeau van mij aan het meisjen, dat minder dan armelijk gekleed gaat.''
»Voor haar stand passend. Maar al ware dit zoo niet, het kan nooit passend zijn, dat gij voor haar toilet zorgt.quot;
«Constance!quot;
» Henrick!quot;
»Een kind van achttien jaren!quot;
Mevrouw lachte zenuwachtig, waarna zij er scherp op liet volgen: »Hoe naïef!quot;
Of Mijnheer haar ook met een onbewegelijk gelaat een poos bleef aanstaren en daardoor een kalmte als van de reinste onschuld te kennen gaf. Mevrouw scheen haar argwaan maar niet op te geven. De reden van haar verstoktheid vond zij blijkbaar in het verleden, want zij fluisterde meer dan dat zij sprak: »Ik heb niets vergeten, Henrick! al heb ik ook veel vergeven!quot;
»Thands hebt gij mij niets te vergeven,quot; hernam Mijnheer zoo bedaard mogelijk, hoewel het in zijn binnenste kookte. Hij voelde zich zoo verbazend klein naast die ingebakerde vrouw, en Mijn-
35
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
heer Eeaal kon niet dulden, dat men hem in zijn eigen oog van het voetstuk, waarop hij te midden zijner tijdgenoten dacht te staan, deed afklimmen.
»Ik hoop het.. . ook om uwentwil. Beloof mij die tuinmanswoning te mijden.quot;
»Is het dat? Ik beloof het u. Maar, Constance, ik zou je waarlijk raden naar binnen te gaan; de wind is vandaag te scherp,quot; zeide hij, terwijl hij stilstond en een beweging maakte om een zijlaan in te slaan, die van het huis afleidde.
»Waar wilt gij heen?quot; vroeg ze vol argwaan.
»Naar Beerensteyn.quot;
»Ik voel dat er een heftige koorts in aantocht is, misschien de laatste .... Gij zult zeker diep in den rouw gaan, Henrick, en dat moogt ge dan ook wel, vooral als de rouw niet anders dan knaging uwer Consciëntie beteekenen moet. De Heer alleen weet wat ik lijd .... Ujd door u . ... Lang zult ge toch niet uitblijven? Als ik erger word, zult ge toch wel een uur bij mij willen blijven? Als ik maar weet dat ge 't niet doet, dan zal ik Neef Aernout verzoeken over te komen.quot;
»Lieve Constance, hoe in eens zoo somber? Als ge u erger voelt, blijf ik hier en ga ik niet naar Beerensteyn.quot;
Hij voegde zich weder naast haar en betrad den steenen trap, die naar de hoofddeur der heerehuizing leidde. Betsy was toevallig in de vestibule bezig, de daar geplaatste kostbare planten, te ordenen en te reinigen; zij ijlde blijkbaar verrast haar Mevrouw te gemoet met een doek, dien zij altijd bij de hand had, wierp haar dien om en ondersteunde haar bij het opklimmen van den wenteltrap, terwijl Mijnheer, met zijn figuur verlegen, achteraan kwam. Deze bleef, hoewel hij zich overbodig gevoelde, op de slaapkamer, tot dat Mevrouw, die werkelijk klappertandde, te bed was gebracht, en sloop toen naar zijn boekenkamer, waar hij aan de ingehouden drift den vrijen teugel vierde. De muts nam hij van het hoofd en slingerde hij eenige ellen het vertrek in; den stoel, die het eerst onder zijn bereik kwam, wierp bij omver; de deuren zijner boekenkasten sloeg hij open en dicht. Hij had weder de nederlaag geleden tegenover zijne ziekelijke, reeds sedert jaren stervende, vrouw; hij voelde zich beleedigd, omdat Constance hem weder doorschouwd had en hem, zoo zwak als ze was, overheerschte!
«Altijd die Aernout, die vervloekte Aernout!quot; mompelde hij, terwijl hij met de fraai gevormde hand zoo hevig op de tafel sloeg, dat de slaperige Staatskoerant van de jaren 1834 en '35 er werkelijk van opsprong en het stof van maanden â een lijkwade, die wij haar heden ten dage zoo gaarne gunnen â van zich schudde.
Neef Aernout was de naaste bloedverwant zijner rijke vrouw,, en hij was buiten gemeenschap van goederen gehuwd!
36
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Juist toen zijn drift het toppunt had bereikt, werd de deur geopend, liet Betsy haar onbehagelijk gezicht zien en klonk het van haar dunne, schier bloedelooze lippen: «Mevrouw heeft een berstende hoofdpijn. Mijnheer!quot;
»Va-t'-en serpent!quot; zeide hij met vonkelende oogen; maar het laatste woord werd veel zachter uitgesproken dan het eerste. Betsy had waarschijnlijk geen enkel woord gehoord, daar zij, na hare mededeeling, dadelijk verdwenen was. Zij had echter haar doel bereikt, want Mijnheer was plotseling stil geworden, hoewel die stilte in geenen deele het gevolg was van meerdere gemoedskalmte. Zoo mogelijk stormde het nog heftiger dan straks in zijn binnenste, maar hij wachtte er zich toch voor, iets daarvan naar buiten te doen blijken. Betsy, »de uitgedroogde vijg,quot; zooals hij haar, behalve in haar bijzijn, altijd noemde, werd gehoorzaamd, de hoofdpijn zijner vrouw ontzien.
Daar werd Mijnheer Nakooper van Beerensteyn aangediend; een verrassing en een verlossing tevens, want Mijnheer Keaal begon zich van lieverlede als een levend begravene te gevoelen, daar hij niet waagde uit te gaan en zijn eigen huis hem een kerker toescheen. Bovendien had hij met Mijnheer Nakooper verschillende zaken te behandelen, en deed dit bezoek hem in een sfeer verplaatsen, waarin hij zich vrij gevoelde, ten minste ontheven van de keten, die het huiselijk leven hem aanbond. De aangediende was mede lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, gekozen door den landelijken stand, terwijl Eeaal het was door de ridderschap der provincie. Dit teekende reeds eenigzins beider pozitie. Mijnheer Reaal behoorde reeds sedert drie geslachten tot eene regeeringsfamilie; Mijnheer Nakooper had van drie geslachten alleen geld geürfd. Zooals het gerucht wilde, had zelfs zijn grootvader tot Gods uitverkoren volk behoord en zich Nathan Abraham geteekend. De vader van den tegenwoordigen eigenaar van Beerensteyn had daar als geslachtsnaam het karakteristieke woord Kooper bijgevoegd, waaruit, na herhaalde gelukkige geldoperaties onder het koningschap van Louis, door de samensmelting van de eerste letters van den voornaam met den aangenomen geslachtsnaam, de tegenwoordige familienaam Nakooper was geboren.
Een aanzienlijk grondbezit in de provincie had het oog der kiezers â men leefde nog in den tijd der getrapte verkiezingen â en der stemgerechtigde burgers, die alleen kiezers verkozen â op hem doen slaan, en het mocht gezegd worden, dat niemant de gedane keuze wraakte, daar hij voor Mijnheer Reaal niet onderdeed in verkleefdheid aan Vader Willem en in bewondering voor het financiëel beleid van Zijne Excellentie, den toenmaligen Minister â van Financiën. Beide Heeren, zoo al geen boezemvrienden dan toch vrienden, verhieven eens in ieder zittingjaar hun stem en spraken
37
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
dan een redevoering uit, bij wier lezing de Burgemeester den duivel der jaloezy in zijn binnenste voelde ontwaken, en, meermalen bedenkelijk het hoofd schuddend, meesmuilde: »Hoe komen zij er aanlquot; welke uitroep door niemant beter dan zeker jong. advokaat uit de hoofdstad beandwoord had kunnen worden.
»Ga zitten, Emile!quot; riep Reaal den gast toe, terwijl hij hem. gul de hand reikte.
Emile, een man van vijftig jaren, was in vele opzichten het tegenovergestelde van Reaal: lang en mager had hij bij den eerste» oogopslag kunnen gelden voor een leider der oppozitie. Zijn beenig gelaat, zijn puntige neus, zijn scherp oog en zijn vroeger ravenzwart, maar thands reeds grijzend, hair gaven aan het geheel iets-hards; de dunne lippen om den fijnen mond konden doorgaan voor het orgaan der scherpste kritiek; terwijl het bruingeel der gelaatskleur blijk gaf van een Oostersche afkomst, maar, getemperd door den invloed van het klimaat en het kruisen met een Wes-tersch ras, ook kon worden beschouwd als het eigenaardig attribuut van een geduchten sjoZee/ilijder. Waar zijn temperament hem. ook voor mocht hebben bestemd, de omstandigheden, waaronder hij verkeerde, en die hij, als een bij uitstek praktische natuur, in geenen deele bekampte, hadden hem doen plaats nemen in de-breede rij van Groot Edel Mogende Heeren, die reeds goedkeurden vóór nog eenlg wetsontwerp was ingediend. Ja, als zeloot onder de zeloten, was hij, die tegenover het Huis van Oranje wel ietshad goed te maken, daar hij in der tijd de waardigheid van Kamerheer bij Koning Louis had bekleed, gereed in Vader Willem al de hoedanigheden te erkennen, die zelfs een Hofmaarschalk of Opper-Kamerheer in dienst dien Vorst hadden moeten ontzeggen. Steeds-was â een staal geheugen is het kenmerk van ons Vorstenhuis â voor Mijnheer Nakooper de onderscheiding uitgebleven, die Mijnheer Reaal reeds lang ten deel was gevallen, namelijk: de ridderorde van den Nederlandschen Leeuw; eene onderscheiding, die hem tot buitengewoon verdienstelijk sterveling zou hebben verheven, zoo als het dan ook nog in onze dagen troostrijk is te ontwaren hoevele buitengewoon verdienstelijke mannen ons klein Vaderland bezit. Evenwel was Mijnheer Nakooper in den laatsten tijd ten Hove genoodigd en had Z. M. hem de eer aangedaan zich minzaam met hem te onderhouden, toen hij, in de volle Staten-Ver-gadering opgerezen en vergeten dat hij zijn jaarlijksche reden reeds gehouden had, Z. M. en Hoogstdeszelfs Minister van Financiën als een der meest zuinige en zich zelf verloochenende beheerders der Nederlandsche schatkist roemde, en den tijd voorspelde, dat het lieve Vaderland, dat tachtig jaren tegen Spanje met Oranje streed en met Oranje zuchtte en leed, dat den veertienden Lodewijk weerstaan had en verdreven en na den val van d' aartsgeweldenaar
38
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
aan d' oude' Oranjestam verbonden was gebleven, nochtans zijn. roemrijkst tijdperk in de tegenwoordige Vaderlijke regeering zou vinden; welke speech, in het officiëele blad in extenso meêgedeeld, nog heden ten dage de aandacht trekt boven al de toen gehouden speeches der meerderheid.
En niettegenstaande dut alles werd hij niet opgenomen onder de getrouwen, waartoe Mijnheer Reaal behoorde! werd hij zelfs door dezen somtijds gewantrouwd. Het bleek ook thands. Toen de zoo intiem als Emile aangesprokene zich gereed maakte over zaken te spreken, zette Mijnheer Reaal zijn gezicht in een zeer officieële plooi en hield hij als waarschuwing voor den ander een uitbundige lofreden op de laatste redevoering Zijner Excellentie, die hem vóór had doen stemmen, terwijl hij voornemens was geweest ditmaal werkelijk het tegendeel te doen.
De waarschuwing bleek weinig te baten; want de ander, wiens dunne lippen trilden, merkte schijnbaar koeltjens aan, dat hij niet wist wie meer te beklagen was geweest ; de Minister, die de reden hield, of de leden, die haar moesten aanhooren.
Reaal sprong op. Wat dien ochtend gebeurd was stemde hem reeds niet kalm; de scherpe kritiek, daar in zijn bijzijn geoefend, voedde den nauw bedwongen wrevel op nieuw.
»Toch werd het onderwerp met algemeene stemmen aangenomen,quot; zeide hij zoo stekelig als maar mogelijk was.
»Een koncessie aan de noodzakelijkheid! Maar het is nu misschien niet de geschikte tijd om daarover met u te spreken;quot; vervolgde Nakooper even glimlachend, wat Reaal zelfs tot in de vingertoppen tintelen deed. »Hebt gij de dorpsbegrooting al ontvangen? Niet? 't Is toch daarvoor al meer dan tijd.quot;
»Ge weet toch even goed als ik, dat het hier den slakkengang gaat.quot;
»Het behoort toch zoo niet.quot;
»Maar, wat duivel! zorg gij er dan voor, als gij dat zoo begrijpt; alles wordt mij aangebracht, ik alleen kan toch niet alles doen.quot;
»Niet alles, maar toch meer dan een van ons allen. Hierheen gaande zag ik niet éen der reglementen van den polder opgevolgd, geen aschkuil geleegd, geen paden afgestoken, geen kuilen geslecht! Gij zjjt onze president... .quot;
»Ja, maar....quot; viel Reaal eenigzins gevleid in.
»Ik deel alleen mijn gevoelen meé: aan u de beslissing. Als gij den Burgemeester mocht gaan spreken, dan zou ik hem toch ook onder handen nemen, over den post: onvoorziene uitgaven. Daartegen moet toch een post: onvoorziene ontvangsten staan; dit blijft nog altijd mijn gevoelen.quot;
j' Gij hebt gelijk. Maar wat bedoeldet gij straks met een koncessie aan de noodzakelijkheid?quot;
39
HEÃ GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Ja, ik sta bijna altijd alleen en begrijp dus eene vrucbtelooze oppozitie te moeten voeren. Ik weet bovendien dat ik weinig invloed heb. Op u daarentegen houdt aller oog zich gevestigd. Ik heb eenige berekeningen bij mij gestoken, waaruit overtuigend blijkt, dat onze fmanciün in een deerlijken toestand verkeeren.quot;
))En uw laatste redevoering, waar Zijne Majesteit zelve met hoogen lof van gewaagde, stelde juist het tegendeel in het licht!quot;
»Nu ja, een redevoering...! We behooren ook geen boerenkinkels te wezen als wij bij elkaar zijn. Het volk, dat onze redevoeringen leest, behoeft niet wakker gemaakt te worden; het kanailje kan al lastig genoeg wezen. En heeft Zijne Majesteit zich verwaardigd .....?quot;
»Wel zeker, tegen mij sprak Hoogstdezelve er van. Jammer dat gij kamerheer bij Louis zijt geweest, want anders ...quot;
» Welnu?quot;
»Zoudt gij Kidder van den Leeuw zijn geworden.quot;
sik benijd u niets van dien aard,quot; zei Nakooper van Beeren-steyn zoo onverschillig mogelijk, hoewel hij een blik richtte op Reaals huisjas, waarop, even als op alle andere jassen en rokken, het befaamde en door duizenden bij duizenden begeerde lintjen was vastgehecht.
»Zure druiven!quot; mompelde Reaal, wien nog te rechter tijd de fabel van Lafontaine inviel, om aan zijn verkropte ergernis een passenden vorm en daardoor afleiding te geven.
»Ik meen Zijne Majesteit beter te kunnen dienen dan door hem te vleien. Vleien met woorden is soms noodig: men moet zich niet onmogelijk maken; maar met de daad moet men de waarheid verkondigen. Wij zijn het onzen eed als leden der Staten-Generaal verplicht. Zie hier de cijfers .. . het te kort bedraagt werkelijk ....quot;
»Jawel, jawel, ik ben geen boekhouder of winkelier.quot;
»Van harte toegestemd; men moet ook meer wezen dan dat om deze cijfers te begrijpen; en alleen een politieke fijnheid, die ik echter niet prijzen zou, kan een man als Keaal doen verklaren, dat hij ze niet begrijpt.quot;
Reaal schikte nader en volgde de aanwijzing van zijn vriend, dien hij ver van zich verwijderd wenschte.
Telkens als hij het oog wendde van dat geel, bleek gelaat, dat bij eiken zenuwtrek den gehaten Semitischen type vertoonde, verscheen hem het zacht engelachtig kopjen eener jonge deerne, spiegelde hij zich in een paar vriendelijke oogen en hoorde hij een zilveren stem. Bij die cijfers, waarvan hij waarlijk niets begreep en waarvan het begrijpen hem ook niet zeer fashionable toescheen, overviel hem een soort van heimwee, een soort van verlangen naar een ander gezelschap als dat van die dorre, magere figuur,
40
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
die thands naast hem gezeten was. Hij wilde, hij moest zich van hem ontslaan, en het gemakkelijkste middel daartoe was: hem gelijk te geven.
»Gij sluit u dus bij mij aan?quot;
Reaal knikte toestemmend.
»Gij zijt het dus met mij eens, dat de Minister moet aftreden?quot;
»Ja, maar .... ja, maar .... geen onvoorzichtigheid.quot;
«Volstrekt niet; teeken maar deze memorie met mij.quot;
»Neen, dat doe ik liefst niet.... Ik ben met den Minister te wel, om ... .quot;
»In zijn plaats Minister te worden?quot; vroeg Nakooper bijna fluisterend aan zijn oor.
»Wat zegt ge? ... Minister?quot; en Keaals oogen sperden zich wijd open; de breede borst scheen te zwellen, de gewone kapiteinshouding werd bijna tot generaalspostuur verheven. »En gij dan?quot;
»Ik blijf in de Kamer om u te ondersteunen, of vergenoeg me met het Direkteurschap van de Marine.quot;
»'t Is waar, je bent vroeger een groot reeder geweest.quot;
»Juist; zooals je grootvader een steun was van de Amsterdam-sche wisselbank. Teeken dus deze memorie.quot;
»En dan?quot;
»Doe ik die Zijner Majesteit aanbieden, na nog door een tiental anderen geteekend te zijn.quot;
»Laat die voorgaan, Etuile!quot; zei Reaal op zijn gemoedelijk-sten toon.
»Toch niet. Amice! Zij zullen ü alleen volgen. Uw naam geldt de halve Kamer. Gij hebt het oor Zijner Majesteit.quot;
»Dat mag waar zijn, maar Zijne Majesteit heeft zijne eigen inzichten.quot;
»Ja, maar het land behoort die ook te hebben, en een tolk om ze te verkondigen.quot;
»Mi)n God, Emile! je bent republikein.quot;
»Wees maar niet bang. Je kijkt me aan of je een duivelsstaart aan me ziet. Teekent ge of teekent ge niet?quot;
»Maar ik moet toch eerst lezen.quot;
»Goed, lees dan.quot;
«Maar nu niet; ik ben er thands niet toe geschikt.... Ik moet er over nadenken en de zaak van alle kanten beschouwen. Het is toch een gewichtig stuk! Oppozitie tegen Zijne Majesteit! Dring mij derhalve zoo niet. Ik wil vrij zijn, ik wil vrij kiezen.quot; Reaal wond zich op tot drift. De ander, die zijn vriend kende, begreep dat alle aandrang voor 't oogenblik overbodig was, en hij zijn waardigen bondgenoot, dien hij zoo gaarne de kastanjes in het vuur gunde, misschien achterdochtig zou maken. Hij verzekerde dus, dat hij nooit een andere bedoeling had gehad, dan een
41
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
man van de beteekenis van Reaal geheel aan eigen inspiratie over te laten. Hij wilde de memorie gaarne op Spaarnwou achterlaten, maar wenschte de verzekering te ontvangen, dat niemaut van het gewichtig dokument kennis zou ontvangen. Reaal beloofde dit op zijn woord van eerlijk man. »Niemant, hoor, Amice!quot; zeide Nakooper, zijn hand, aan een van wier vingers een briliant van groote waarde schitterde, vertrouwelijk op die zijns vriends leggende.
Reaal bleef, toen hij weêr alleen was, geruimen tijd voor zijn schrijftafel zitten met de memorie geheel geopend, maar toch ongelezen voor zich. Er werd een heftige strijd in zijn binnenste gevoerd: een strijd, dien ieder te strijden heeft bij wien de vermogens en krachten in omgekeerde verhouding staan tot de eerzucht. Zich aan de spits der oppozitie te stellen tegen Zijne Majesteit, dat zou hij doen, wiens livereibedienden aan den hoed de Oranjekokarde droegen ....! Maar een minister-portefeuille ...! â neen, het uitzicht op het bezit van zulk een voorwerp was hem niet zoo verlokkend â- maar een ministerkostuum met alle apen dependenties, een minister plaats aan de zijde Zijner Majesteit, het kommando over honderd ambtenaren was er door te koopenf Maar dan toch oppozitie te maken, maar dan toch het eerst die memorie te teekenen en zeker verplicht te zijn haar inhoud te verdedigen! Een gevoel van angst greep hem aan. Hij sloeg een oog op de cijfers en berekeningen, die nog altoos voor hem lagen en hem als schenen uit te dagen en toe te roepen: Gij kunt het toch niet begrijpen. Hij sloeg een oog op zijn levensgroot portret dat tegenover hem aan den wand was opgehangen en hoorde een stem in zijn binnenst fluisteren: «Minister Reaal!quot; Hij begon te lezen, het was hem duister; hij his door, het begon hem te duizelen. Kansbilletten, Amortisatie-syndicaat, Geheime fondsen. Konversie, Administratiekantoren, Certificaten, Schatkistbons!... hij kon niet meer, hij wierp de memorie van zich. »Men moet een smous of een van Tets wezen, om zoo iets te verstaan,quot; bromde hij, en juist geen zegenwensch werd vriend Nakooper nagezonden. Hij had dien vent nooit vertrouwd : hij had hem altijd gemeden. Minister zou hij door hem kunnen worden, als maar het onmogelijke mogelijk werd. Een booze geest te meer was in hem gevaren. Hij zou zijn mandaat als kamerlid neerleggen; hij zou zich metter woon op Spaarnwou vestigen, daar zijn landen ontginnen, een stil leven leiden; â maar aan den haard, dien hij in zijn verbeelding zoo vrolijk zag branden, lag op een sofa een bleeke vrouw neer, in doeken gewikkeld, met tal van medicijnfleschjens op een guéridon voor zich .... Bah!
Terwijl zijn brein allerlei voorstellingen vormde, zagen de oogen het raam uit. Plotseling kwam er een keer in zijn gedachtenreeks;: daar buiten liep het tuinmanskind, de meest volkomen tegen-
42
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
stelling met het laatst aangestaarde beeld. Het rijke bloed der Eeaals begon te zieden. Onwillekeurig had hij naar zijn hoed gegrepen en was hij naar buiten gesneld, maar nauw was hij op het voorplein gekomen, betoomd met de fijnste gewassen uit het Zuiden, of hij voelde een onzichtbaar oog op zich rusten. Als daartoe gedwongen wendde hij het hoofd even om. Hij bedroog zich niet. Betsy stond weêr in de vestibule en keek hem na. Een krachtige vloek ontsnapte hem; de bamboesrotting met gouden knop trilde in zijn hand; hij wilde tóch volvoeren wat hij zich voorgenomen had; hij wilde links af den weg inslaan, dien Klara. was opgegaan, maar die brutale oogen bleven maar altijd op
hem gevestigd, en---- hij ging rechts de plaats af en het,
dorp in.
VIL
Jonkheer Henrick Eeaal was in een zeer slechte luim. De bodevan Hoofd-ingelanden, tevens de veldwachter der Gemeente, ondervond dit het eerst. De man had eerst zijn plicht jegens den Burgemeester trachten te vervullen, was toen naar huis gehold om zich het insigne als bode aan te binden en vervolgens naar Spaarn-wou gestapt, om de orders van den Voorzitter van Hoofd-ingelanden te vragen. Op den snerpendsten toon werd hem zijn late komst verweten en werd hij bedreigd met ontzetting uit al zijn ambten, indien het ooit weêr gebeurde. Hij was zeker bij den Schout geweest â een titel, dien de Burgemeester soms kreeg uit minachting; voor het jaar drie en negentig had men geen Burgemeesters, maar alleen Schouten ten platten lande â maar hij zou voortaan bij hem het eerst komen. De veldwachter-bode, voortaan bode-veldwachter, stond als een zoutpilaar met den hoed in de hand. »Is er nog iets van UEd. orders?quot; prevelde hij. Hij kreeg geen andwoord, en toen hij de uit eerbied neergeslagen oogleden eindelijk opsloeg, zag hij zich tot zijn blijde verrassing alleen en Mijnheer Eeaal reeds aan het einde der laan. De schoolmeester-koster was de tweede, die tot zijn schrik dien dag met Mijnheer Reaals gemoedsstemming kennis maakte. Hij was onder schooltijd, zooals gewoonlijk, het uurwerk van den kerktoren gaan. opwinden en met zijn eigen horloge â in meer dan éen opzicht meende hij het recht te hebben den tijd, ten minste op zijn dorp, te regelen â gelijk gaan zetten. Van dien nuttigen arbeid terug-keerende, ontmoette hij Mijnheer, die voor hem bleef stilstaan met zijn gouden repetitiehorloge in de hand.
45
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Hoe laat hebt gij 't, Meester?quot;
»Tieii uur, Mijnheer!quot;
»Hoe laat begint de school?quot;
»Om negen uur, Mijnheer!quot;
»Waarom ben je dan niet in school?quot;
»Ik moest...
»Dat's niet waar; je kunt om half negen de kerkklok opwinden.quot; Daar sloeg juist de klok. »En 't is nog verkeerd ook; heet je dat gelijk zetten? Zie, zóo laat is het!quot; en hij hield hem met streng gelaat zijn eigen horloge voor. »Niet eens den juisten tijd te weten!quot;
Alsof Mijnheer Eeaal dien wist!
»Wil ik dan teruggaan om . .. .?quot;
»Het zal wel dienen; maar van het schoolverzuim zal kennis worden gegeven.quot;
Meesters gouwenaar was uitgegaan en het zilveren dopjen was zoek. Terwijl hij er schaamrood naar zocht in het mulle zand, ging Mijnheer verder.
Den burgemeester gold zijn bezoek; den burgemeester, die volgens oud gebruik, met den notaris de verdiensten deelde, welke de vrij aanzienlijke houtveilingen op de buitenplaatsen 's winters afwierpen. De man kon van zijn twee honderd dertig gulden wedde met zijn talrijk gezin anders niet bestaan, al had hij enkele Eussen en Oostenrijkers â ze stonden toen nog pari, eilacy! â in zijn ijzeren geldkist. De man had in der tijd zoo graag het sekretaris-sehap bij zijn ambt gevoegd gezien, om daardoor zijn jaarlijksch inkomen met nog honderd gulden te vermeerderen; maar nauwelijks veertien dagen in funktie, had hij Mijnheer met den hoed op het hoofd durven toespreken. Wat wonder, dat het vurig begeerde ambt aan een ander gegeven werd, toen de vroegere titularis stierf? Een driftige schel kondigde Mijnheers komst aan; een knaap van dertien jaar â 's burgemeesters zoon en assistent â deed open met kloppend hart, want ook hij bevroedde wien hij voor zicli zou zien. Het »Pa is niet tbuisquot; bestierf op zijn lippen, toen hij Mijnheer zonder spreken binnen zag stappen en zijn weg vervolgen tot in het kantoor, waar Pa bezig was de laatste hand aan de gemeentebegrooting te leggen en er over te peinzen, of hij niet den post: jaarwedde van Burgemeester en Sekretaris, wêer met de tweehonderd gulden zou verhoogen, die het kollegie van Hoofd-ingelanden verleden jaar had geschrapt. De man was dus zeer vredelievend gezind tegenover den Voorzitter van genoemd kollegie, en niettemin begon hem het bloed weder te bruischen en viel een der hoog opstaande halsboorden door het gedurig heen «n wéér draaien van het hoofd in z^ijm.
»En ik zegje, Burgemeester! dat de begrooting nog deze week
44
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
moet ingediend zijn. 't Is of hier alles den slakkengang gaat. Allen, tot veldwachter en schoolmeester toe, komen te laat. Straks struikelde ik bijna over de gaten in de paden. Van avond kunnen wij den hals breken over de balken en planken, die langs en op den openbaren weg liggen.quot;
»Dee je het maar!quot; klonk het in het diepst van 's burgemeesters verbolgen gemoed, maar naar buiten deed hij niets van dien wenseh bespeuren. Alleen bleef hij Mijnheer onbewegelijk aanstaren zonder eenige verwarring te doen blijken. Dat was al genoeg om den ander nog toorniger te stemmen.
»Mag ik andwoord verzoeken?quot; vroeg Mijnheer scherp.
»De begrooting zal deze week nog ingediend worden. De Raad wenscht aan Heeren Hoofd-ingelanden ea Gedeputeerde Staten dit jaar weder den in het vorige geschrapten post voor te dragen.quot;
»We moeten dien weêr schrappen. De Gemeente kan niet meer opbrengen dan zij reeds doet; ik zie ook geen noodzakelijkheid tot verhooging.quot;
«Maar ik wel!quot; hernam de Burgemeester met een weemoedig glimlachjen.
Mijnheer Keaal begreep niet den humor, die in die woorden en dat glimlachjen verholen was; maar zag er alleen verschil van meening in, juist wat hij nooit, en heden wel het minst, verdragen kon. »Een goed financier weet uitgaven naar inkomsten te regelen. Er zijn honderd kleinigheden waarop een Gemeente ea een partikulier kan bezuinigen als daartoe maar ernstig de wil bestaat.quot;
De burgemeester, die een zeer prikkelbaar gestel, en zoo als meestal het fatsoen, dat maar weinig inet geld gesteund wordt, een teder gevoel van eer bezat, voelde zich vernederd; hij dacht echter nog bij tijds aan vrouw, kroost en houtveiling, en .... zweeg.
»Mocht er een andere geest in de gemeentehuishouding komenquot; â het was een Tweede-Kamersreden â »dan zouden Hoofd-ingelanden wellicht tot eenige persoonlijke konsideratiën genegen zijn.quot; Den burgemeester scheen die speldenprik midden door het hart te gaan. »Onze bode, uw veldwachter komt telkens weêr te laat; de meester windt de klok op onder schooltijd; dat zijn misbruiken die geweerd moeten worden.quot; De laatste zinsneé was weêr aan een Tweede-Kamers-oratie ontleend. »Je bent aan de begrooting bezig. Let wel op, dat we geen onvoorziene uitgaven meer goedkeuren, tenzij ze gedekt zijn door een gelijken post: onvoorziene ontvangsten.quot;
»Wat blieft u?quot; zei de burgemeester, thands met een sarkas-tiesch lachjen de lange pijp weêr opnemend, die hij bij Mijnheers binnentreden uit deferentie had neergelegd. «Onvoorziene ontvangsten? Daar heb ik nooit van gehoord. Mijnheer! Er kunnen
45-
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
uitgaven opkomen, die onvoorzien zijn; er kunnen ontvangsten uitblijven, waarop gerekend was, maar onvoorziene ontvangsten blijven mij een raadsel. Van welken aard zijn de door u bedoelde, Mijnheer? Ik wil graag door u voorgelicht worden.quot;
»Onnoodige moeite!quot; hernam Mijnheer met een gebaar, dat wel eenige verlegenheid te kennen gaf. »VVrj wenschen het alzoo.quot;
»En wij kunnen tot ons leedwezen aan dien wensch niet voldoen. Wil uw kollegie nochtans een diergelijken post, dan moge het, bij de opzending der begrooting aan Heeren Gedeputeerde Staten, daarvan doen blijken. Wij willen de aanmerking dezer laatsten, die niet uit kan blijven, liefst niet verdienen.quot;
»En dat spreekt van de financiën van het land met een assurantie, die je bij de lezing van de Staats-Koerant het hoofd doet ontblooten, en heeft niet eens de kennis van een boekhoudersleerling!quot; prevelde de burgemeester toen hij alleen was, en zich nog niet in staat gevoelde om de pen weêr op te nemen.
Jakob Bakker kwam hem in de gedachte, en een warm gevoel van sympathie bezielde hem wéér voor den ouden patriot uit den gouden tijd van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Toch was het bezoek van Mijnheer Reaal niet vergeefs geweest. De veldwachter ontving een scherpe berisping. De schoolmeester een nog grie-vender, en die beiden toonden door hun gedrukte stemming en de grootere gestrengheid, waarmeé elk hunner in zijn sfeer van de hun verleende macbt gebruik maakte, dat de booze geest van het dorp weêr in het spel was.
Wie daarvan ook bewust waren, Vrouw Moes nog niet. Zij had met eenig verlangen naar de komst van Mijnheer Reaal uitgezien en heden reeds meer dan eens met zich overlegd of zij haar witte muts met groote moezen en haar wit katoentjen met gekleurde bloemen uit de kast zou halen, om alzoo, op haar zon-dagsch uitgedost, de laan van Spaarnwou op te gaan. Zij had het echter steeds uitgesteld, niet omdat zij tegen een dei-gelijken gang opzag â Vrouw Moes zag nergens anders tegen op dan tegen de geestelijke overheden in de lucht, waarvan de Apostel getuigt â maar omdat zij het weêr ontzachelijk druk had met haar bleekerij. Het was alsof de naburige stad aan niemant anders dan aan het dikke schommeltjen, zoo als eenigen haar betitelden, de wasch toe-verti'ou wen wilde, en al had zij ook reeds een groot aantal vrienden in haar zak, zoo als zij haar geld placht te noemen, er was nog altijd ruimte voor meer. Wie na haar kwam mocht er anders over denken, maar zij dacht zoo en deed er naar. Wat blijde verrassing dus, toen een der meiden naar bet bleekveld holde, waar Vrouw Moes bezig was een gedeelte van het haar toevertrouwde lijnwaad na te tellen, en haar meê kwam deelen dat »ie er aankwam, maar er sagrijnig uitzag.quot;
46
HET GEZIN VAX BAAS TAN OMMEREN.
»'t Eerste heb ik alleen maar te weten,quot; hernam zij, waarna ze met al de rustigheid, die zelfbewuste kracht bezit, de roode handen droogde en de mouwen om de even roode armen naar omlaag stroopte. Op haar woord van ^Mijnheer!quot; bleef de in diep gepeins voortwandelende even staan, waarna hij met een licht hoofdknikjen Vrouw Moes goêdag zei. Het zou volkomen in strijd met de tradities van zijn huis zijn geweest, indien hij een individu van den stand en het gehalte van die vrouw met strengheid of barschheid had bejegend. Zoo lang zij in haar stand bleef en daarbij van hem afhankelijk, oordeelden Mijnheer en diens gelijken het veel verstandiger den toon van vaderlijke honhommie aan te slaan, ten einde dat gedeelte van het volk, hetwelk een forsche stem en nog forscher vuisten had, te vriend te houden. Na het lichte hoofdknikjen volgde dan ook een betrekkelijk vriendelijk woord. Vrouw Moes gaf echter op het een noch op het ander acht, en begon met gekruiste armen â een houding, die zij in kalme oogenblikken gewoonlijk aannam â hem haar wenschen voor te dragen. Zij had uitbreiding van terrein noodig en vlak tegenover haar eigendom lag een stuk open grond, dat aan den polder toebehoorde; zij wenschte dit in erfpacht te hebben. »De Heeren hebben maar te bepalen voor hoeveel jaren en hoeveel geld. Me dunkt, dat het voor negen en negentig jaar wel gegeven kan worden en dat drie gulden per bunder goed betaald zou wezen. Zie je, Mijnheer! ik heb er al wat op gerekend dat ik 't krijgen zou. De Heeren zijn er toch, om ons plezier te doen, en de polder is er om die er in wonen, 'k Heb daarom Leendert 't maar laten opnemen om er een schuur te zetten, een vehemente goeje schuur, die wel een zak guldens kosten zal. Ik kon 't wel met een armoejige doen, maar dat zou me verveeld hebben er op te kijken, en waarvoor ook . .. ? Kinderen heb ik niet, maar wel neefjens en nichtjens, krek als Mijnheer, en ik weet niet hoe Mijnheer er over denkt, maar ik vind het miserabel tuig. Nou, Mijnheer! dat's afgesproken, hè? Voor negen en negentig jaar en een rjjksdaalder erfpacht. ..quot;
»Neen, Vrouwtjen, daar komt niets van. De polder staat geen grond meer af,quot; viel Mijnheer haar eindelijk in de reden. Mijnheer, die, hoe goedgezind ook aanvankelijk, geen Reaal moest geweest zijn, om de eigenmachtige daden van Vrouw Moes met kalmte te hebben kunnen verdragen.
»En waarom niet? De grond is toch om bebouwd te worden, dat heeft onze Lieve Heer zoo gewild.quot;
»Heeren Hoofd-Ingelanden hebben anders besloten,quot; zei Mijnheer met gewicht. Had hij gemeend met die woorden en dien toon het dikke vrouwmensch overbluft te hebben, dan had hij zich misrekend.
47
48 HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»üat's een reden van een wanreden, neemt Uwé me niet kwalijk. De Heeren hebben 't besloten, dat wil ik wel gelooven; maar of de Heeren 't hadden mogen doen, dat's een andere vraag. Ik kon wel tegen den ontvanger zeggen, dat ik besloten had, geen belasting te betalen, 't Zou me waarachtig opbreken als de hond de worst. ...quot;
»Geen verdere praatjens meer. 't Blijft er bij; die grond wordt niet in erfpacht uitgegeven.quot;
»Maar waarom dan niet? 'k Ben voor goeden praat niet doof; maar wat Dwé nou zegt is een dooddoener, zooals wij 't zouden noemen, en aan zoo'n dooddoener had ik van jongs af een hekel. Nakooper van Beerensteyn sprak er anders over. Hij had er niets tegen, zei hij, als er van Spaarnwou maar geen verzet kwam, en waarachtig bij zag het goed in. Maar hij heeft toch óok nog een stem, zou 'k meenen,quot; riep Vrouw Moes, die hoe langer hoe luider was gaan spreken, naar mate zij hoop verloor.
Zij had dan ook reden om alle hoop prijs te geven.
»Nu je zoo begint heb je niets meer te verwachten. Je bleekerij is voor een gedeelte ook op poldergrond. De landmeter zei me laatst, dat je bij den opbouw je een paar roe hebt toegeëigend. Je ziet mij er naar uit, dat je langzamerhand, als wij je lieten begaan, den heelen polder inpakken zoudt bij een roe te gelijk. Dergelijke lui moet men voet bij stuk zetten. Ik raad je aan, niet te luid te spreken, want anders zullen wij dezen grond â en hij wees op het bleekveld met zijn smaragd groene en zuiver afgeschoren grassprieten â eens doen nameten. Dag, Vrouw!''
»Wel verdraaid!quot; bromde zij overluid, terwijl ze nog een oogen-blik bleef wachten of hij ook het hoofd omkeeren en even zou blijven stilstaan. Toen hare verwachting echter vergeefs bleek te zijn, bleven de armen niet langer gekruist, maar zette zij ze in de zijde. »Wel verdraaid, dat is me nog nooit gebeurd! Zoo'n mal traktatie! Maar hooger wil ik het zoeken. Ho, Gerritbaas!quot; riep zij een voorbijganger, een barer buren, toe, »heb je ooit gehoord van den wildeman, die menschen vrat? daar loopt er een. Ja waarachtig, een menschenplaag is hij. Jelui hebt wel gelijk hem zoo te noemen. Begrijp eens! hij wil me dien grond niet geven; hij vroeg niet eens geld; bad hij me zes gulden gevraagd, ik had er niets tegen gehad; maar hij zei maar lompweg; je krijgt er niets van. Maar hooger zal ik het zoeken, of mijn naam is geen Moes!quot;
Dag, Tante!quot; klonk een zachte, heldere stem, en tot haar niet geringe verbazing stond Lize voor haar, in een licht neteldoeksch kleedtjen met een gouden ferronnière voor het blanke voorhoofd, wit zijden handschoentjes aan de handen en een parasol van groene zijde met bloemen geborduurd boven het hoofd. De stroom van
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
woorden, die naar alle regelen van Tantes natuur nog had moeten volgen, werd eensklaps gestremd. Het was alsof een plotselinge schrik haar beving, want zonder een enkelen klank te geven, wenkte zij het kind haar naar binnen te volgen.
Inmiddels was Mijnheer een goed eind weegs voortgewandeld en de heide genaderd, die achter de verschillende buitenplaatsen zich uren ver in het rond uitstrekte; maar wier gebied van lieverlede inkromp, hier door boschaanplanting, ginds door ontginning tot bouwland. Hij had reeds de bevallige villa van Mijnheer Stufken in het gezicht en stond een wijl verwonderd de nieuwe verandering, aan gebouw en tuin aangebracht, te beschouwen. Daar werd plotseling een pet afgenomen en diep gebogen, 't Was Stufken zelf, die van uit een prieel Mijnheer Eeaal had ontwaard en te voorschijn was gekomen om blijk te geven van zijn onderdanigheid. Mijnheer Reaal wendde het hoofd af en ging verder, na even met de hand zijn hoed te hebben aangeraakt.
aHoe komt al dat kanaille toch aan geld en goed?quot; vroeg hij zich af, en die vraag was het uitgangspunt voor eene wijsgeerige beschouwing over de wanverhouding der moderne maatschappij, waarin mannen, wier vaders de laagste ambachten hadden uitgeoefend, equipage durfden houden en zoo menig wandelend kind van patricische ouders in het voorbijrennen met slijk bespatteden. Sinds de Fransche Revolutie scheen alles te onderste boven gekeerd te blijven. Zelfs Zijne Majesteit, wier gezonde en der goede traditie getrouwe aspiraties hij echter kende, was dikwijls gedwongen zich in de rijen der vrijdenkers, der liberalisten te scharen. Telkens verhief zich het gemeen en eischte meer, en telkens was men zwak genoeg om voor den onbescheiden aandrang te deinzen, ja te buigen. Dat zou anders zijn als mannen van zijn richting en zjjn gehalte aan het roer stonden, als hij minister was! En weder schoot het voorstel van den langen, mageren van Beeren-steyn hem te binnen. Heilzaam was de afleiding, die aan zijne gedachten geschonken werd door den zoon van zijn tuinbaas, Kor-nelis, die juist den hoek omsloeg en hem te-gemoet liep. Dat dit laatste echter geenszins in des jonkmans bedoeling lag, bewees zijn weifelende houding en de hooge kleur, die zijn gelaat aannam, toen hij Mijnheer bespeurde. Deze wilde den balsturigen knaap, zooals meestal, zonder hem op te merken voorbijgaan, maar eene invallende gedachte weêrhield hem. » Waar ga je zoo driftig heen ?quot; vroeg hij op een toon, dien hij zelf al zeer goedaardig vond, maar die den ander even onaangenaam was als altijd.
5gt;Naar 't kantoor. Mijnheer!quot;
»Dat's toch dezen kant niet uit.quot;
49
»In de volgende week is Mijnheer Stufken mijn patroon,quot; hernam Kornelis, terwijl hij de pet in de hand draaide en kreukte;
4
BAAS VAN OMMEREN.
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
want hoe hij ook de onderdanigheid van zijn vader veroordeelde, telkens als hij zelf tegenover Mijnheer stond, ontblootte ook hij zich het hoofd, wat hij zich later wel verweet, maar toch nooit waagde na te laten.
»Wat ga je daar uitvoeren?quot;
«Bankier worden.quot;
«Bankroetier meen je ... . Ik moet er je vader over spreken. Ik nam me wel voor, het nooit weêr te doen; want je toondet je van jongs af dwars; maar ik stel toch belang in je. Ik zie wel kans je bij de sekretarie te A. geplaatst te krijgen, daar kun je vooruit komen, tot je zooveel verdient dat je je vader tot steun kunt wezen.quot;
»Ik wou door me zeiven komen waar ik wezen moet,quot; klonk het van 'sjongelings lippen. De ergernis gaf hem moed en lel hem deze vermetele woorden in den mond.
»Je blijft wat je altijd geweest bent,quot; beet Mijnheer hem toe, »Het begint me te vervelen ondankbaren wel te doen, en het zou kunnen gebeuren, dat ik mijn handen van jelui allen aftrok. Zie jij dan voor vader en moeder te zorgen, kwaje jongen!quot; Zijn voornemen om bedaard te blijven en Kornelis' vertrouwen te veroveren, om ten minste een goeden indruk op den broeder van Klara teweeg te brengen, was prijs gegeven; de drift had hem weder overheerd. Hij keerde zich om en liep door.
Eindelijk was hij op de plaats zijner bestemming gekomen, waar de baas hem reeds sedert een paar uur wachtte. Deze, die daar ontboden was, had het avond, ja nacht kunnen zien worden, zonder dat hij zijn post zou hebben verlaten. Zonder een enkel woord te spreken wenkte Mijnheer hem te volgen, en beiden â de baas natuurlijk een paar schreden achter â gingen de bosschen langs, die gekapt zouden worden, en eindelijk de zanderij in. Daar was bezigheid en leven. Verscheiden bokken â een soort van kleine vaartuigen â lagen daar om zand in te nemen, dat kosteloos werd verstrekt. Daglooners waren bezig het afgezande gedeelte te bewerken of op de hoogten, die niet verlaagd of geslecht zouden worden, den grond verscheiden voeten diep om te spitten, ten einde die geschikt te maken voor het inboeten van eikenstekken. Mijnheer had een nieuw plan gevormd, waaraan hij thands uitvoering wilde geven. Hij wees de hoofdlijnen er van aan, bepaalde het aanleggen van nieuwe bosschen, van wei- en bouwland en het stichten eener boerderij.
Hij vergat de doorleefde ellende, hij vergat zijn rechtmatige grieven, hij vergat zelfs den tijd. Voor hij het in de verste verte geloofde was het etenstijd geworden â dat wil zeggen, zijn etenstijd; die van den baas was reeds lang voorbij â en met een bijna vergenoegd gelaat zei hij tot den baas, dat zijn
50
HEÃ GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
maag bem naar huis dreef, maar dat hij morgen terug zou iomen.
Had Mijnheer Eeaal maar altijd bezigheden gevonden, die ge-â evenredigd waren aan zijn krachten, er ware uit »de menschen-plaagquot; misschien een echte filantroop gegroeid!
VIII.
Lize bad het dan nogmaals beproefd Tante Moes te naderen. Eij had zich zelve zoo dikwijls beloofd het nooit weêr te zullen beproeven ; zij had in haar binnenste zulk een afkeer van die lompe, dikke vleeschmassa voelen opkomen, dat een poging als zij â nu deed wel bevreemding mocht wekken. Zij, bij wie dit het geval mocht zijn, kenden haar niet. Lize was dikwerf voor den -oppervlakkigen beschouwer een raadsel en een mengsel van tegenstrijdigheden. Alleen de oude Ka vond dat niet, en was van meening, dat het kind altijd gelijk had, even als Onze Lieve Heer, die het 's morgens liet dauwen en 's avonds regenen, die nu een heerlijken zonnestraal gaf en een oogenblik later een zwarte donderwolk den hemel liet bedekken. Lize kon dikwijls stampvoeten van drift, wanneer zij door een in lompen gehulden bedelaar werd aangehouden en nageloopen, die haar een tal van rampen opdischte, waarvan hem niet éen had getroffen, maar kon, na hem grauwend weggejaagd te hebben, hem achterna ijlen en, in plaats van den stuiver, die zij gewoon was te geven, hem een dubbeltjen in de hand duwen. Lize kon weigeren haar ongelijk, waarvan zij overtuigd was, te erkennen, kon dagen lang mokken, tot zij eensklaps â de tegenpartij naderde en nederig om verschooning bad. Zij kon een overhaast besluit nemen, maar er dikwijls later over nadenken, daarop terugkomen, een ander nemen en dit dadelijk uitvoeren. Zoo had zij eerst zich te vreden getoond met de mededeeling van Kornelis wat haars vaders verhouding tot het dorp betrof en had ze zijne verzekeringen als zeer gegrond aangenomen; bij nadenken echter had hare scherpzinnigheid 's jonkmans redeneering niet bevredigend gevonden en dit niet aan zijne onoprechtheid, maar aan zijne onbekendheid met de ware toedracht der zaak toegeschreven. De eenige, die haar oprecht en met kennis van zaken zou willen en kunnen inlichten, was de gehate Tante Moes. Zij kon zich een ruwe ontvangst voorspellen, maar ook de waarheid vernemen; en dat zij niet schroomde het eerste zich te laten welgevallen om het laatste deelachtig te worden, getuigde reeds van â een niet geringea moed. Hoe zij 't aan zou leggen om de
51
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
waarheid te vernemen zonder er blijkbaar naar te vragen, zonder dat haar belasterde vader aan de pijlspitsen van Tantes redeneeringen bloot werd gesteld, wist zij nog niet. Zij gevoelde echter van Tante meer te zullen kunnen verdragen dan van de burgemeestersdochters, en een heftigen uitval van gene minder te achten dan een spotziek glimlachen en den zoeten toon van dezen.
Nu zij het besluit genomen had, waartoe zij 's morgens nog gedacht had nooit te zullen komen, voerde zij het ijlings uit. Zij was er van overtuigd goed te handelen, haar vader, op wien geen smet kon kleven, veel beter te kunnen verdedigen, als zij wist wat de laster verzon, en ving dus vol goeden moed de reis aan. Zij bereikte, zoo als we weten, de bleekerij, op wier grijs geverwd hek de woorden. »Zelden rustquot; geschilderd stonden, op geen gunstig tijdstip en voelde werkelijk het hart honzen, toen zij zoo stilzwijgend naar het pronkvertrek van Tante gewezen werd.
Het pronkvertrek van Tante! Zij was er nog nooit in geweest en men kwam er dan ook niet in dan op ongewone tijden en op gants bijzondere wijze. Alsof het heilige grond ware, moest ieder met ontschoeide voeten op de blinkend gewreven matten binnen komen of, indien het jaargetijde daarvoor te bar was, met de schoenen, waarover alsdan de kousen waren neergestroopt. Daar stond links tegen den met lichtblauwen kalk aangestreken wand een groot eikenhouten kabinet, welks uitwendige gedaante veel op die der meesteresse geleek, daar de drie middenladen onder de met groote deuren gesloten kast een buik vormden, die wel een vergelijking met Tantes schoot kon doorstaan. Daar tegenover stond een latafel,1^ mede van echt eikenhout, overdekt met een hagelwit servet, waarop een trekpot én eenige zwaar vergulde kopjens en schoteltjens met de hartelijkste deviezen en van den meest verscheiden vorm en grootte, â het waren dan ook »pre-zentenquot; van verschillende personen, op verschillende tijden en alleen maar tot pronk daar neergezet: want Vrouw Moes had kunnen bezweeren dat nooit een druppel thee of koffie kop of schotel had besmet. Boven die latafel hing een spiegel, van onder op twee vergulde knoppen rustend en ver naar voren overbuigend, zoodat men zich daarin ten voeten uit kon zien, maar dan toch altijd in een houding, die tot ons geluk de werkelijkheid niemam onzer schonk. Een vierkante inschuiftafel van mahoniehout met wasdoek op het blad, en zes stoelen met trijpen zitting en een rug, die alleen een gebochelde gemak zou kunnen aanbrengen, voltooiden het ameublement. We vergissen ons. Een kooi met een kakelenden papegaai voor het venster, dat voor de nieuwsgierige blikken bedekt was met neteldoeksche schuifgordijntjens, hangende aan een platte, geel koperen roê; twee geel koperen kandelaars, dragende een smeerkaars van zes in een pond; vier schilderijen
52
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
aan den wand, voorstellende: den slag bij Waterloo, twee schipbreuken en een portret van den Veldmaarschalk benevens een schoonschrift van het jgt;Onze Vaderquot; in zwart lijstjen; op de tafel een glas met goudvisschen, die bij eiken schreeuw van den papegaai van schrik met den azende n bek tegen den doorzichtigen wand van hun kerker aanstieten, â dit alles hebben wij het xecht niet voorbij te gaan. De schoorsteen was vergeten of de bouwmeester had dat voorwerp opzettelijk verwijderd gehouden, omdat hij begreep, dat in zulk een vertrek de kunstwarmte, die met damp en smook gepaard gaat, tóch niet geduld zou worden.
Tante was vooruit gedribbeld, toen zij met Lize in huis was â aangekomen, welke laatste haar zomerkleedtjen bijeen had moeten houden, om het niet in gevaarlijke aanraking te doen komen met â¢een stampblok of de met zeepsop bevlekte armen der meiden. Op â¢den drempel liet Tante haar dikke schoenen staan en zag zij met innerlijke voldoening, dat Lize ook haar net schoeisel van het kleine, welgevormde, voetjen losstrikte; een daad, die haar welwillend stemde en die bewees dat Nichtjen de orde in dit huis nog kende en er eerbied voor had.
»6a zitten, kind!quot; klonk het dan ook vriendelijk, ten minste veel innemender dan Lize het verwacht had. »Je Moeder heeft hier dikwijls de stof afgenomen; 't was een ordelijk kind. Zul je zwijgen lorre?quot; Het geschreeuw werd zelfs voor haar gehoor te â schel en te schril, zoodat ze over de kooi een doek wierp, Lize â daarbij lachende aanziende met de woorden: »die kan er wat meê! INu, wat heb je? Zeker iets van belang, anders had je, dunkt me, je niet uit je mooie kamers hierheen, waar 't maar een burgerhuis is, gewaagd. En zoo loopend, niet met den hittewagen?quot; De toon was van lieverlede veranderd en van welwillend stekelig geworden.
»Tante Moes, ik heb u iets te vragen, heel in 't geheim. Belooft u me de volle waarheid te zeggen?quot;
igt;Dat heeft me nog niemant hoeven te vragen. Als je me kendet, maar je kent me niet, en hoe zou je ook als je me nooit spreekt,
â en hoe zou je me spreken als je me nooit ziet.....Je moeder
was anders.quot;
»Ik heb toch gehoord. Tante, dat Moeder u óok weinig bezocht.quot;
»Dat deê ze ook en dat zul jij toch wel niet in haar misprijzen, â denk ik. 't Was voordeeliger voor haar geweest als ze me wél bezocht had; maar dat's tot daarentoe. Op haar sterfbed heeft ze xne de reden gezeid. 't Was wel geen reden, maar ik heb 't er maar voor aangenomen. Juist had ze bij me moeten komen om haar arm hart eens lucht te geven en 'er loeris van een man eens toe te takelen zooals hij 't verdiende.quot;
gt;Tante!quot; fluisterde Lize, terwijl haar oogen vlamden. Zij be-
53
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
dwong zich echter en vervolgde zoo bedaard mogelijk: »U vergeet, dat u tot zijn dochter spreekt.quot;
Dat scheen ook werkelijk het geval; want Tante was onthutst, en door den toon van Lizes stem getroffen. »Waarom het dan ook op te halen?quot; vroeg zij ruw, als om haar gemoedsbeweging te beter te verbergen. »Je woudt de volle waarheid hooren! En je-kunt dat niet! Liever dan maar van den pronk in je huis gesproken.quot;
»Wat is mij die pronk! Liever zou ik hier wonen, als ik daardoor de angst die mij kwelt.....quot;
»'t Is hier, dunkt me, ook nog geen stal,quot; merkte Tante vinnig aan.
»U hebt zulk een achterdocht tegen mij, dat u in elk woord den toeleg ziet om u te kwetsen. Is 't alleen m ij n schuld, dat ik de Tante mijner lieve Moeder zoo weinig zie ? Moet ik niet altijd spot hooren als ik haar tracht te naderen, spot over den rijkdom, van mijn vader, spot over de weelde van mijn toilet. Vader keurt het niet alleen goed, maar moedigt me zelfs aan zoo'n toilet te dragen. Ik zou niets liever zien dan dat u voor mij werdt wat u voor Moeder geweest waart.quot; Tante schudde ontkennend met het hoofd, de lippen op elkaar geklemd, zeker uit vrees van weêr te kwetsen als ze sprak; en kwetsen wou ze het kind niet, dat toch aan alles onschuldig was en er zoo lief uitzag: juist de oogblik van Bet in haar goeden tijd, ofschoon die haar kijkers niet zoo kon laten glinsteren en flikkeren. »'k Heb van Moeder nooit andere dan uw lof gehoord. Zij zeide me, wat ik mij nog heel goed herinner, dat ik u altijd lief moest hebben ...
»Kwam je dat na?quot;
»Zoo goed als ik kon. U wildet nooit bij ons komen.quot;
)gt;God bewaar me! neen. 'k Was bang je vloerkleeden en je-stoelen te beschadigen.... En dan, kind, ik wou dat je een anderen vader hadt.quot;
»Als dat de volle waarheid is, dan..! Maar ik moet het weten,quot; fluisterde zij.
»Ik kon nooit dat gefleem en geflikflooi velen. Toen hij in zijn, bombazijnen broek en bonte boezeroen mijn Bet vrijde, toen kreeg ik al den kriegel als ik de punt van zijn neus zag. Maar ik mag niet vergeten dat jij zijn kind bent, heb je me straks gezeid en-dat wil ik ook niet vergeten. Spreek dan over iets anders en vertel me nu toch eigenlijk wat je me te zeggen hebt.quot;
»Juist dit. Tante!quot; viel Lize in, terwijl ze met bevende hand haar fijnen neusdoek naar het schaamrood gelaat bracht. Zij begreep na eerst hoe valsch haar pozitie was, welk een schande zij haar vader aandeed; hoe zij zijn naam prijs gaf door bij eene bijkans vreemde het verleden van haar vader te gaan uitvorschen.
54
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Dus kom je vragen wat je vader eigenlijk is? Hoe hij je moeder heeft behandeld? Wou je dat weten?quot; Tante was zoo weinig kiesch. Zij voorkwam niets; zij kwam niet te gemoet; zij omwoelde geen enkele dorenspits.
igt;Vader is altijd zoo goed voor mij. Hij voorkomt zelfs mijn wenschen; hjj werkt voor mij, voor mij alleen en heeft geen grooter genot dan mij genoegen te doen. Maar ik heb meenen te zien, dat niet allen hem zóo waardeeren als ik hem lief heb. Ik heb meenen te bespeuren, dat men hem in 't dorp niet op de handen draagt. Kleeft er dan eenige smet op hem? Zeg me de waarheid. Tante, maar is 't mogelijk, niet zoo ten volle, niet zoo in éen forsch woord.quot;
Tante zag haar zoo vriendelijk aan als maar mogelijk was. De ruwe schors bedekte zulk een êele kern. Daar was iets weeks in die lompe figuur verborgen, iets echt vrouwelijks, wat de aanhankelijkheid harer dienstboden, de belangstelling harer vrienden en bekenden verklaarde.
»Waarom juist mg zoo iets te vragen, kind? Ik zie je vader misschien door een bril met gekleurde glazen. Hij nam me mijn Bet weg; hij stal me een tijd lang haar hart; ja, dat heeft hij gedaan, al kwam hij ook een enkele maal met zijn fleemerige tong mij het tegendeel bezweeren. Je moeder was niet gelukkig met hem. Ze waren misschien niet voor elkaar geschikt.quot;
»Waarom niet?quot;
»Waarom niet? Waarom niet? Weet ik alles? Je moeder was een stille ziel en hij wou altijd hooger op. Je moeder hield er van, om ieder het zijne te geven en nóg wat.
»Hield Vader daar dan niet van?quot;
»Wel zeker, wel zeker! Hij houdt er van, mids hijzelf een goed deel vooruit krijgt. Begrepen?quot;
»Neen. Me dunkt dat men eerlijk of oneerlijk is; er is geen derde.quot;
»Zoo. Ja, jij bent zoo goed onderwezen dat ik niet tegen je op kan. Daar heb je Louw Kroon: de man is Afgescheiden; dat neem ik hem niet kwalijk; als ik jonger was en wat meer tijd voor me zelve had om Datheens psalmen te lezen, dan werd ik het misschien ook, want onze Dominee, 't mag een goed kalf van een vent wezen, maar in de leer is hij verduiveld licht. Wat ik ook zeggen wou! Louw is een nauwgezet man. Toen ik laatst kofïi bij hem dronk, liet ik een cent op den grond vallen en een uur later had ik hem bij me, om me het verloren schaap te huis te brengen. Eerlijk, hé ? Maar als ik hem een varkenskot laat maken sta ik er den heelen tijd bij, want anders zou ik bang wezen dat hij al zijn vermolmd hout bij elkaar zou zoeken, om het me later tegen best wagenschot te laten betalen. Dat noemen we hier:
55
HET GEZIN VAN BAAS TAN OMMEREN.
een dief in zijn nering wezen. Och ja, ieder is een dief in zijn nering.quot;
»Neen, Tante, neen; u toch niet.quot;
jgt;Ik ben misschien niet beter dan de rest.quot;
jgt;En vader zou 't ook zijn? Op wat wijs? Vader geeft honderden geld.
»Juist; maar de percenten die bij rekent, hé?quot;
)gt;U rekent toch óok winst.quot;
»Wel zeker, maar van de winsten die ik reken gaan de men-schen niet om zeep.quot;
ïVan Vaders winst dan wel? Tante, ik bid u er om, spreek toch duidelijker! Kan u feiten noemen? Wien maakte Vader dan ongelukkig ?''
»Je moeder door zijn eeuwige gelddorst, en de geldgierigheid is de wortel van alle kwaad. Ze wou niet over hem klagen en daarom kwam ze nooit meer bij me. Ze had het ook moeten doen! Ik zou haar duchtig de ooren hebben gewasschen; want ze nam hem tegen mijn zin. Bet, zei ik nog 's morgens toen ze 's middags trouwen zou, Bet, zie nog van den duitendief af. Maar ze wilde niet. Nou, dat heb ik je al meer verteld en van herhalingen hoü ik niet.quot;
»Dus dat was 't wat moeder van vader verwijderd hield? Verschil in zienswijs kan 't verklaren. Wat Moeder gelddorst noemde was misschien maar alleen eerzucht. Moeder was een lieve, nederige ziel, rein en eenvoudig van hart....quot;
«Ja dat was ze!quot; riep Tante. »Wat jij je tong toch tot je dienst hebt! Wat je ook van je moeder hebt, dat heb je van je vader!quot;
»En is dat alles wat u Vader te verwijten hebt?quot;
»Alles? 't Is dunkt me genoeg. Vraag maar eens Piet Bijltjens van de Meent en dan nog zoo'n boer van 't Zand, hier twee uur van daan. Hij heeft die stumperts voortgeholpen; ja van den wal in den sloot. Ze loopen nou allebei te bedelen en je vader heeft hun boerderij en hun koeien; tot de kleinste big hebben ze hem moeten geven. Ze hebben me nog verteld, dat hij hun laatste hemd uit de kast wou halen; 't was grof als vglengoed; toch had hij 't willen nemen uit puur plezier om ze te plagen, want voor zijn eigen had hij de vodden niet noodig. Maar gelukkig kwam er een groote hans uit stad, een sinjeur, die de macht had, en die zei: hou je klauwen daar van af, roofdier! de hemden aan den armen stakkert....quot;
sDat is niet waar; dat kan niet waar wezen!quot; riep Lize uit, terwijl baar een duizeling aangreep en het haar was of villa en hittewagen en Kornelis met haar ronddraaiden.
»Denk je dat ik lieg? Wat ze me ook na kunnen houen, liegen
56
HET GEZIN TAN BAAS VAN OMMEREN.
niet. Ik had het eerst willen zwijgen, maar je keert me 't binnenst buiten met je eeuwig vragen en twijfelen. Geloof je me niet ? Vraag het dan aan Drosthagen, hier schuins tegenover! Vraag het aan Jan Vogel, die wel tien jaar Diaken en nu Ouder-ling is.quot;
»Maar hoe weet u dat alles?quot;
»Ik heb het van heele goede zij.quot;
»Van een lastertong, die 't de anderen ook verteld heeft. Alles is logen, alles laster, alles nijd!quot; Lize was opgestaan en stampte met het kleine voetjen en met de punt van haar pai-asol op den vloer.
»Nou dan, ik heb het van den notaris, die mijn testament heeft gemaakt; versta je, mijn laatste testament, mijn allerlaatste, waar menigeen vreemd van zal opkijken. En Drosthagen en Jan Vogel hebben het van Hein den looper, die alles weet, hoort en ziet â¢door zijn eeuwig rondzwerven.quot;
»Die twee, die aan vader zooveel geld verdienen?quot; ... Schande, schande! En u, die toch Tante over ons is, spreekt er over alsof het u genoegen doet, zegt het voort zonder eerst zelve onderzoek gedaan te hebben. Als u je kat 's morgens dood vond en een van je dienstboden zei, dat deze of gene buurman haar vergeven had, dan zoudt u dat niet gelooven, maar zelve gaan onderzoeken. Maar â dat was ook een kat, het nuttig huisdier, dat ongedierte wegvangt; hier betreft het maar een man, die meer verstand durft hebben â¢dan al de nullen van het dorp; en dat wordt dadelijk geloofd, nagepraat en aangevuld. Ieder voegt er een korreltjen bij, misschien nog wel met een stichtelijke zucht en een godzalige tronie, totdat de molshoop een berg is geworden. Foei, Tante, ik had dat van u niet gedacht!quot;
gt;Zul je me dan óok eens aan 't woord laten komen? Heer in den Hemel, je mond schijnt niet grooter dan een stuivertje, maar mijn grootste tobbe houdt niet zooveel water als dat mondtjen woorden in.quot;
»Ik dank u. Tante! ik heb u laten praten en weet nu genoeg.quot;
gt;Heb je me laten praten? Heb je me uitgehoord en gooi je me nou weg als een uitgedrukte citroen? Maar je weet nog lang niet alles; ik heb me ingehouden omdat ik je een zwak ding dacht, een bedorven kind, maar dan toch een kind. Je weet lang niet alles, maar ik zal jou vertellen.....quot;
»Alles wat Hein de looper en de Notaris u bij het maken van uw testament hebben wijs gemaakt, omdat ze wel wisten hoe u het meeste plezier te doen? Ik dank u. Tante! vertel me nu niets meer, zoo niet om mijnentwil, dan toch om den wil van Moeders nagedachtenis!quot;
»Kind, kind!quot; riep Vrouw Moes, die thands, wat nog nooit het geval was geweest, behoefte gevoelde zich te verdedigen. »Zoo'a
57
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
schepseltjen, zoo'n peulschil!quot; prevelde zij, toen ze, naar buiten geloopen, het kind met gezwinden pas den publieken weg langs zag loopen. »Ze heeft me laten praten; ze heeft me een kleur aangejaagd. Wel, verdraaid! Tóch een aardig ding en meer mans dan Bet... . Zou ik haar ? Neen, wat geschreven is blijft geschreven, 't Is een ijdeltuit!quot;
Maar Tante, welke schimpwoorden zij ook voor Lize in voorraad had, was ditmaal boozer op zich zelve dan op haar en kon 't maar niet kwalijk nemen, dat »het kleine dingquot; voor haar vader zoo vinnig had »gekemphaand.quot;
IX.
»Dat kleed trek je nooit aan,quot; had Moeder tot Klara gezegd, en deze had het niet gewaagd naar het waarom te vragen. Dit laatste verheugde baas van Ommeren, toen hij het gebeurde vernam ; want hij achtte het een teeken, dat ook Klara gewaarschuwd was, dat haar eenvoud thans door de kennis zou worden beheerscht. Hij zelf was sedert dien morgen gejaagd en rusteloos. Nu eens was hij zoo weemoedig gestemd, dat hem plotseling de tranen in de oogen kwamen bij het opbinden van een wingert-rank of het zuiveren van een rozenknop; dan weder nam hij een uitdagende houding aan en keerde hij zich tegen het heerenhuis en prevelde een bedreiging, welke hem zeiven vrees aanjoeg, daar hij angstig om zich heen zag of er ook iemant in de nabijheid was. Veel langer dan vroeger werd er in het slaapvertrek der echtelingen gefluisterd: er werd beraadslaagd over hetgeen men te doen had. Vader was er voor, dat aan Klara de geheele waarheid wierd medegedeeld, dat haar het bestaan van gevaren wierd ontvouwd, welke zij zeker nog niet vermoedde; Moeder daarentegen bestreed die zienswijze met alle kracht en geloofde juist, dat de onschuld van hun kind het best verdedigd zou worden door hare onbekendheid met het gevaar. Beiden waren het echter daarin eens, dat Klara Mijnheer niet meer ontmoeten moest. Hoe dit echter te voorkomen? Door Mijnheer te kennen te geven, dat men zijn plannen doorzag, beweerde Moeder. Wie zou Mijnheer daarvan doen blijken? Wel, daartoe was de vader het naast. »Onmogelijk,quot; zuchtte deze. Het zou hun het bestaan kosten. Mijnheer, dien men toch niet overtuigen kon, dien nog geen enkel feit ten laste kon worden gelegd, zou zich â en te recht! â grievend beleedigd achten. Beter ware het Klara te verwijderen. Van haar te scheiden! Daaraan had Moeder nog niet gedacht en
58
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
kon zij maar niet haar goedkeuring geven. Hoe zij zich ook omen omwendde, ze kon den slaap niet vatten, zij, die anders »in een ommezientjenquot; indommelde. Klara zou uit het huis gaan! Maar 't was niet noodig; 't was welhaast winter en dan ging Mijnheer weêr naar den Haag om er te bleven. »Gave God, dat hij er begraven werd!quot; bad Moeder, wreed zelfzuchtig in haar angst. Vader, die altoos van het kind zoo veel heette te houden, had er het eerst van gesproken om haar weg te zenden.... Was dat liefde?
Zij was onrechtvaardig. Hij had er wel is waar het eerst van gesproken, maar met een bloedend hart. Hij begreep, dat het zon-netjen in zijn huis voor hem onder zou gaan, maar hij stelde toch de rust, de toekomst van zijn kind boven zijn smart. Nu zijn vrouw hem niet ondersteunde, was hij zeer bereid zijn plan op te geven, zoodat hij zwijgen bleef op de vraag, waar hij Klara dan wel heen zou willen zenden. Maar welk verschil van meening er ook bleef bestaan, op éen punt waren zij 't eens, dat Kor-nelis van alles onkundig moest worden gelaten.
En Klara zelve? Zij vroeg niet meer naar het kleedtjen, dat. Mijnheer haar namens Mevrouw overhandigd had. Zij had het dol graag gedragen als Mevrouw haar bij dat laatste bezoek maar even vriendelijk had aangezien. Maar dat had ze niet gedaan. Integendeel: hare oogen hadden gevonkeld van drift. Waarom? Had Mijnheer Mevrouw misschien wel gedwongen haar dat geschenk te maken? Ja, zóo zou het zich hebben toegedragen. Mijnheer was altijd zoo goed voor haar geweest. Hoe vader ook zuchtte,, hoe Kornelis ook bulderde. Mijnheer was zoo kwaad niet; en zoo hij zich soms heerschzuchtig, trotsch en bijtend betoonde, dan was dat Mevrouws schuld, daar die altijd ziekelijk en gemelijk was. »Wat Mijnheer toch een verdrietig leven moet lijden!quot; zoo peinsde zij nog een paar dagen na diens laatste bezoek, gedurende welken tijd zij door moeder met allerlei naaiwerk was gekweld geworden en van de buitenlucht afgehouden. Zij had Mijnheer Nakooper zien uitgaan en had die beiden benijd, want de haar opgedragen taak was nog niet afgewerkt. Des te verrassender klonk haar daarom de uitnoodiging van Moeder, of zij zich niet zou willen vertreden; 't was zulk goed weêr, en ze zou misschien wel eens naar oude Griet willen vernemen, die, toen zij het laatst bij haar geweest was, hard ziek bleek, terwijl Hein er niet aan dacht bij vrouw en kinderen te blijven. Weldra was zij dan ook op weg naar het armelijk hutjen, dat aan den buitenzoom van het dorp tegen de heide stond; een eenzame plek, arme, maar ook goedkoope grond voor een daalder 'sjaars in erfpacht uitgegeven. Vóór Klara den tocht aanging was zij even den kelder ingewipt, en wat zij daar gedaan had zou de doek alleen kunnen doen gissen, dien zij zich. had omgeslagen en die het pakjen onder den arm verborg.
5»
HET GEZIN VAN BAAS TAN OMMEUEN.
Daar klonk een vrolijke kreet, toen ze in het gezicht van het huisjen kwam. Een paar kinderen gingen naar haar toe, zoo veel â de lompen, waarmeê ze bedekt waren en die hen achterna sleepten, het gedoogden.
Een armelijke stulp, ten deele van hout, ten deele van plaggen â opgetrokken, welke laatste nog hier en daar moesten dienen om â de breuken in het hout te stoppen! Door herhaalde windvlagen, die zich vooral op die plek moesten doen gevoelen, was de hut uit haar vroegeren loodrechten stand verschoven en stond nu schuins op de broze grondvesten. De deur en vensterkozijnen bleken niet te passen; de ruiten, waarvan er niet éen heel was, waren met papier dichtgeplakt geweest, maar het papier was losgeraakt, zoodat de buitenlucht vrijelijk naar binnen viel. Op dit oogenblik scheen dat de bewoners niet te hinderen, daar ook de â deur nog wijd en waag openstond. Tegen den post leunden een paar jongens, die wat ouder schenen dan de kleinen, die Klara te gemoet waren geijld.
Er behoorde moed toe, om die havelooze kinderen niet uit der. weg te gaan en het niet minder haveloos huisjen binnen te treden. Op den vloer hadden eenmaal roode bakken gelegen; thands was het meerendeel gebroken en werd het mulle zand, waarop de stulp gebouwd was, allerwege zichtbaar. In een hoek lagen eenige bossen onzuiver stroo, in een ander stond een half gesloopte bedsteê, met katoenen lappen tot gordijnen. Een stoel zonder rug en een zonder zitting, een houten tafel met twee gezonde en twee doodzieke pooten, een ijzeren waterketel en een blaaspijp, ziedaar al het huisraad. Armoede, die zelfs geen deernis wekte, maar alleen walging! Naast de bedsteé zat op een half verbrande stoof een meisjen, het oudste kind van Hein en Grietjen, half te slapen, terwijl uit de bedsteê een zacht kreunen opsteeg. Klara trad binnen en streelde de verwarde lokken van het dommelend kind, terwijl de andere vier kleinen al hare bewegingen nieuwsgierig nagingen en alleen het zwijgen afbraken, toen er een drieponds roggebrood, een tiental eieren en een kan melk uit den doek van Klara te voorschijn kwamen. Een zacht gefluister gaf te kennen, dat een en ander hartelijk welkom was.
»Hoe gaat het, Moeder?quot; vroeg Klara zacht, terwijl zij even Let hoofd naar omlaag boog, maar het snel weêr afwendde.
»Naar Gods welbehagen!'' andwoordde een schelle stem. Een geel bleek gelaat en een hairbos werd zichtbaar. Dat gelaat had eenmaal schoon geheeten; thands was het ontvleescht en droeg het den tint, die armoede en ontbering kenmerkt. Toen het gebrek de wang had doen bleeken, het malsch van kin en hals doen verdroegen, de weleer mollige lijnen doen verscherpen, was er Tan het vroeger aantrekkelijks niets overgebleven, zoodat de onder-
â¢60
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
61
stelling niet gewaagd was, dat het mooi van Grietjen nooit anders-dan een zinnelijk charakter had gedragen. Het ongeluk had haar,, in plaats van tot handelen te prikkelen, het hoofd doen buigen en de hand in den schoot doen leggen, waaruit kon worden afgeleid, dat de zedelijke kracht in haar nooit groot was geweest. Toen Hein haar huwde heette zij Jufvrouw en behoorde zij tot dien tweeslachtigen stand, die de rechterhand reikt aan de dienstboden der hoogere klassen en de linker aan den kleinen winkelier. Zij had haar man nooit kunnen geven wat hem ontbrak; zij had hem door haar voorbeeld nooit vlijt en spaarzaamheid geleerd; zij had met een gullen lach en een van tevredenheid blozend gezicht met hem aan smulpartijtjens aangezeten, terwijl het beiden beter had gevoegd het zwaarste werk niet te schuwen, om het steeds aangroeiend heir van schuldeischers te kunnen bevredigen. Toen eindelijk de slag gevallen was, die niemant behalve het echtpaar onverwacht kwam, toen het faillissement volgde en daarop een reeks van ongekende jammeren, toen vond zij alleen troott in de verlammende berusting, die de zoogenoemde f fijnheidquot; aanbracht, eene berusting, wier aard genoegzaam werd toegelicht in het andwoord wat ze straks Klara gaf. »Het ging haar naar Gods welbehagen,quot; â een fatalisme, dat de haveloosheid barer eigen persoon, die harer kinderen en harer woning, vergoelijken moest. Wat er te harent nog goeds werd gevonden was een geschenk dier weldoende Klara. Hoe jong echter de geschenken ook waren, ze werden in die stulp als met een tooverslag met al de gebreken van den ouderdom behebt. De kinderen hadden hun schoeisel of kleêren in weinige dagen gescheurd of half onbruikbaar gemaakt; de moeder de wollen deken, die haar eenig deksel uitmaakte, hier doen verkleuren, ginds doen rafelen, elders glad doen scheeren, als heugde haar reeds zoo vele maanden als het nu maar dagen waren. Klara zag dit alles even goed, maar geloofde nog den tijd niet gekomen om daarvan te reppen. »Ze waren ook zoo arm en zoo ellendig!quot; en bij dat laatste woord dacht ze aan het hoofd des gezins, die de hoofdoorzaak was, dat de armoede de ellende tot gezellinne had. Hein was weder niet thuis. Een fijn gevoel, als alleen uit een rein hart haar oorsprong kan nemen, deed haar zijn naam verzwijgen. Grietjen begon echter zelve van hem te spreken. »De luiaart! de waereldling!quot; was weêr aan het «dwalen en verdwalen.quot; Zij was »te lam om een lid te verroeren,quot; en de kinderen, â »ze konden een zegen wezen, maar ook dikwijls eene beproeving van den Heer,quot; â waren voor haar geen hulp. 't Is waar, »de schapenquot; hadden van daag nog niet veel over de lippen gehad: zij zelve mocht God den Heer danken, dat ze geen honger had, maar alleen dorst, en water was uit de beek te krijgen als'er maar een was om te scheppen.
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEKEN.
»Hein heeft tegenwoordig druk werk, Moeder!quot;' zei Klara met haar zilveren stem, en de kinderen, die zulk een geluid niet gewoon waren, traden weêr wat dichter bij en grepen, zelfs met een lach op 't gezicht, naar de dikke sneê roggebrood, die Klara hun reikte. »Ga buiten maar wat spelen en laat Moeder wat in de â¢stilte, hoor!quot;
En de balsturige kleinen, die hier een beproeving van den Heer werden genoemd, gehoorzaamden, speelden daar buiten en kibbelden niet. De maag was gevuld en een zachte stem had hen in â het oor geklonken. Wat feestdag I
»Als je wat beter bent moest je, dunkt me, de kinderen naar school toe brengen,quot; zei Klara. »Voor het schoolgeld hoef je niet te zorgen; ik zal Mijnheer wel een goed woord voor je doen.quot;
Grietjen knikte toestemmend: het vooruitzicht van eenige uren van den dag van het geschrei en geschreeuw van haar kroost ontheven te zijn, was haar verblijdend.
»Wat zeit de dokter?quot;
»Hij haalt de schouders op, en dat's nog het best wat de Baaisdienaar doen kan,quot; andwoordde Griet, die erkende, nooit eenigen raad van den zondaar te hebben opgevolgd. De man der wetenschap had zindelijkheid en herhaalde luchtverversching als de noodzakelijkste middelen tot herstel aangeprezen en Griet had daarbij het hare gedacht. God was almachtig en had haar leven in Zijn band, en dat leven zou niet verlengd worden, omdat ze wat water gebruikte en den grond stofte of een raam openzette; wat het laatste betrof, dat behoefde niet voorgeschreven te worden, want het stond bijna altijd open, daar Hein, naar 't scheen, niet leven kon zonder tocht. Hein! . .. Dat zij dien man ooit genomen had was een kastijding van den Heer geweest. «Altijd weêr die Hein!quot; dacht Klara. Grietjen blééf over hem spreken en ging zelfs zóóver, van te wenschen, dat hij als koloniaal maar dienst mocht nemen. Er was geen godsvrucht in dien man. Ais zij zich voor den Heer veroodmoedigde dan lachte hij, als zij verbrijzeld was van harte, dan floot hij een soldatendeun. De kinderen maakte hij nog wilder, en als zij tuchtigde ging bi] met hen spelen. Zij had zich eens aan hem bezondigd door hem met haar handen aan te raken, maar God had haar toen verlaten; haar konsciëntie had haar echter reeds lang vrijgesproken, want Hein was een groot zondaar. En zoo ging het voort, tot haar lippen te droog werden om langer te spreken. Klara maakte er gebruik van om op te staan. Zij had weinig troost te brengen ; zij kon alleen stoffelijke hulp verleenen; zij vond geen sleutel op dat gemoed en meer ervarenen en ontwikkelden dan zij, hadden dien evenmin kunnen vinden.
â¬2
HET GEZIN VAN BAA.S VAN OMMEREN.
Klara keerde terug, slechts flauw gedankt voor hare deelneming; want Griet meende, dat het kind niet gekomen zou zijn als de Heers het niet in haar hart had gelegd; zij keerde, maar niet voor zij de kinderen naar de beek gebracht en ze daar gereinigd had. Toen zij ze verlaten had en het boseh was ingegaan, hoorde zij een der meisjens schreien en den oudsten jongen haar naroepen, â of ze wel eens weêrom zou komen, waarop zij met haar vriendelijkste stem bevestigend andwoordde.
Langs den nieuwen aanleg, waar ieder den mond vol van had, zou zij naar huis keeren. Zij zag en bewonderde die en sloeg toen een pad door het kreupelhout in, dat naar »de plaatsquot; leidde. Niet lang had ze nog geloopen of ze hoorde voetstappen achter zich. Zou Vader er aankomen. Vader, die iederen dag naar het nieuwe werk ging zien? Zij wachtte een oogenblik en bleef omzien, tot. . . Mijnheer zichtbaar werd. Ze voelde het bloed eensklaps naar de wangen vloeien, en zonder te bedenken of zij ook â¬en lompheid beging, keerde zij zich om en ging haastig voort. Maar Mijnheer ging veel sneller dan zij; hij kwam haar dus nader en nader, en was haar weldra op zij.
tgt; W aar ging de wandeling heen, liefkind?quot; vroeg hij vriendelijk.
Daar rees de gedachte bij haar op, dat zij voor Grietjen, of liever voor de kinderen van deze, nuttig kon zijn. Zij hief de eerst neergeslagen oogen op en zag hem met hare zachte blauwe kijkers onbevangen aan, terwijl zij van de ellende vertelde, die zij bad aangestaard.
»Die vrouw lijdt misschien aan een besmettelijke ziekte; je hadt daar niet heen moeten gaan,'' hernam Mijnheer eenigzins strak. jgt;Je moogt je niet in gevaar stellen voor zoo'n schepsel.''
Klara teekende in haar binnenste protest aan tegen deze woorden, maar waagde het niet daarvan te doen blijken. Ze gaarde al haar moed bijeen en zeide schoorvoetend; »De kinderen groeien in het wild op; er is geen geld om ze school te doen gaan.quot;
»En je zoudt graag zien, dat ik daarvoor zorgde? Zeg maar vrij uit wat je meent.quot;
Nu dan, ja. Mijnheer! Ik dacht dadelijk aan u, en ik wist wel, dat Mijnheer geen goede daad weigeren zou.quot;
»En je hebt goed gedacht, liefkind!quot; andwoordde Mijnheer, terwijl hij de rechterhand op haar schouder lei en haar met een zoeten glimlach in de oogen keek. »Ik zal het schoolgeld voor de kinderen betalen; meer nog...quot;
»Ja, de kinderen moeten eerst nog kleêren hebben,quot; merkte Klara met blozende wangen en schitterende oogen aan. Zij vond Mijnheer waarlijk goed en groot.
»Die zullen we beiden hun bezorgen. Ik geef het geld en jjj koopt. We zullen ons die vagebonden eens wat aantrekken! Ook
63
HET GEZIN TAN BAAS VAN OMMEREN.
den strooper wil ik om uwentwil in den eersten tijd niet door de koddebeiers laten oppakken.quot;
»Hein oppakken? Neen, Mijnheer, doe dat toch niet!quot;
»Ge zijt een goed, lief kind, het liefste kind uit het dorp. Eu weet je wel, dat je er allerliefst uitziet?quot; Hij boog zich tot haar over, bief met den vinger baar mollige kin even omboog en drukte toen een kus op baar rozenroode lippen. Zij was stom van ontzetting en kon alleen bet woord: Mijnbeer!1' uitbrengen. In den toon barer stem trilde geen toorn, maar iets weemoedigs.
»Je bent toch niet boos op mij, Klara?quot; vroeg hij zoo rond, zoo gul, bijna zoo argloos, dat zij zich een centenaarslast voelde afnemen. Zij beandwoordde echter de vraag niet en was dankbaar dat hij die niet herhaalde, want dan bad ze wel andwoord moeten geven, en kwaad kon zij toch niet zijn. Die vreeselijke Mijnbeer Ãeaal was voor baar zoo goed en toonde zich zoo zeer tot helpen bereid!
»Weet je wat, Klara, we zullen je protégés voor goed helpen. Stuur den man maar eens aan de keuken, daar zal hij wel werk kunnen vinden. Ik zal hem een daalder 's weeks toeleggen. En. dit is voor de kinderen!quot; Hij haalde zijn beurs voor den dag en gaf haar twee gouden tientjes.
sA-ls ik ze maar niet verlies!'' zei ze zóo beangst, dat Mijnbeer het uitschaterde van lachen, vooral toen zij het goud vast in de band drukte en telkens zag, of zij 't nog wel bad. Gouden, tientjes! Zij had wel gehoord dat ze bestonden, maar ze nog nooit gezien.
»Je denkt wel aan anderen, maar niet aan je zelve. Weet je wel, dat je voor juffer in de wieg bent gelegd? Trouw toch nooit met zoo'n dorpsprengel! Of heb je er al een in je hart genomen?quot;
Evert, den timmermansknecht, een vrolijken, gezonden jongen van vier en twintig jaren, werd een geweldige stoot toegebracht, 't Was vreemd, maar zij herinnerde zich eerst nu, dat zijn handen, grof en zijn voeten lomp waren.
De wandelaars waren aan den vijver gekomen, waarop het heerenhuis van achter uitzag. De blinden waren dicht; aan die zijde van het buis lagen ook de slaapkamers. Mijnbeer was nog r iet voornemens van zijn gezellin te scheiden, en bleef voortgaan met op haar jeugdige fantazie te werken. Daar werd een der blinden opengestooten en ging er werkelijk een schok door zijn leden. Betsy, de vrouwelijke Cerberus, stak haar gebaat gelaat door het venster om de blinden vast te maken, bemerkte Mijnheer en groette zeer eerbiedig.
Met een licht hoofdknikjen en een flauw; »dag, lief kind!quot; wendde Mijnheer zich af naar den kant der oranjerie.
64
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Klara vond het afscheid wel wat onverwacht, maar stoorde zich daaraan niet. Zij was gestreeld door de eer, haar te beurt gevallen, en verwonderde er zich over, dat ze zoo weinig beschroomd was geweest, dat ze zoo gemeenzaam met Mijnheer had durven praten, voor wien vader zoo bang was. Mijnheer was een goed man; Mijnheer was een vriendelijk, een lief man. Wat anderen nu ook mochten zeggen, zij kende Mijnheer zooals hij werkelijk was. Zij had haar naaiwerk weêr opgenomen en werkte zonder op te zien ijverig door; maar haar gedachten zwierven wijd in 't rond, nu eens aan den heidekant, dan weder naar de school, waar Heins kinderen net gekleed uitkwamen. Zij nam de twee tientjens voorzichtig uit haar knipjen, bekeek ze en berekende meteen hoe ze wel te besteden waren.
»Kind, wat glinstert daar in je hand ? vroeg Moeder verbaasd. Na een oogenblik aarzelens â een oogenblik slechts â vertelde zij haar wedervaren. Van den ontvangen kus repte zij echter niet. Moeder mocht eens denken, dat zij er zich iets op zou laten voorstaan. »En nu, Moedertjen!quot; dus besloot ze, »nu moet ik eveu met u overleggen wat we voor die tientjes zullen koopen. Ik kan u wel zeggen, dat de kinderen aan alles gebrek hebben. Ik kan me nu best begrijpen, dat Hein zijn huis ontloopt.quot;
Moeder was bij het verhaal bleek geworden. Kreet bij kreet kwam haar op de lippen, maar zij bedwong zich nog bij tijds. Zij gaf voor te luisteren, terwijl zij de turven terecht lel in het haardvuur, maar zij luisterde niet; zij was met haar eigene gedachten bezig. Hij had goud aan haar kind gegeven; hij had met haar kind gewandeld, en dat kind zag er zoo beelderig lief uit, waarvan zij zich nog eens vergewiste door even het hoofd om te draaien en Klaia aan te zien, wier gezichtjen zoo bezield was, terwijl zij haar verhaal deed en aan het heil van 's vagebonds kinderen dacht. »Wat te doen?quot; prevelde zij in den hoogsten angst.
Eer zij 't vermoeden kon werd zij in staat gesteld op die vraag te andwoorden. De klink der buitendeur ging op, en Betsy, de kamenier, trad biniien. Een zeer ongewoon bezoek! Betsy bezocht de tuinmanswoning uiterst zelden. Slechts als de familie ging vertrekken kwam zij een haastig bezoek afleggen. Zou haar komst ook thands een afscheid beduiden? Moeder herademde. Betsy boezemde al de domestieken meer vrees dan vriendschap in. Ieder wist, dat zij Mevrouw beheerschte, en daar deze het in vele opzichten Mijnheer deed, was Betsy de regeerende mogendheid, wat aan de dienenden niet aangenaam was. Als men dienen moet, dan liever een Koning dan een Minister, liever een Minister dan een klerk. Op Spaarnwou, even als in het dorp, werd zij toch met een soort van ontzach bejegend; geen wonder alzoo, dat Moeder
DAAS VAN OlIMtRli.V. 5
65
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
zich haastte haar een stoel aan te bieden en dat Klara haar werk staakte en opstond.
Geen woord van de door Klara gedane wandeling, geen woord van hetgeen zij, uit het raam liggende, gezien had! Zij kwam eigenlijk om den baas te vragen of hij ook beste muskadellen rijp had, daar Mevrouw daar zoo erg naar verlangde. Dat arme schepsel was weêr hard ziek; zij had zware koortsen gekregen sedert zij zich laatst naar buiten had gewaagd en bij hen was geweest. Dat had ze toen wel moeten doen, omdat ze van oordeel was, dat Mijnheer aan haar de zorg voor Klara moest overlaten. Mijnheer toch oordeelde als een man, â hier trok Betsy minachtend de dunne bovenlip op â over een meisjen meestal oordeelt en derhalve averechts verkeerd. Mevrouw wilde zich Klara aantrekken. Zij wilde er een knappe jonge dochter van maken, die eenmaal eer zou doen aan haar eigen huishouden, en dit zou toch wel al in 't verschiet liggen, niet waar? Zij zag Klara daarbij zóo doordringend aan, dat deze onwillekeurig bloosde, wat Betsy tot een blik van verstandhouding met Moeder bewoog.
»Hoe lief Vader en Moeder ook voor je zijn, mijn kind! en boe ordelijk het hier ook toegaat, toch is 't niet goed het ouderlijke huis tot eenige leerkamer te gebruiken. Ik weet het bij ondervinding. Toen ik achttien jaar was, moest ik onder de menschen: ik vond het eerst hard maar later een voorrecht. Ik werd er door wat ik ben,quot; dus besloot ze niet zonder trots.
»'t Is juist wat de baas en ik willen,quot; viel Moeder in, waarbij Klara groote oogen opzette.
»Zoo, dat noem ik verstandig,quot; andwoordde Betsy vriendelijk, terwijl haar geel bleeke tint daarbij helderder scheen te worden. »Hoe oud is Klara?quot;
«Achttien jaar.quot;
»Dan is 't meer dan tijd.quot;
»Maar we zien geen kans haar een goede dienst te bezorgen. We kennen zoo niemant, en op het dorp is er zelden iets goeds open.quot;
»Op het dorp! Het hoogste loon is veertig gulden. Neen, daar is 't kind te goed voor. Ze moet dadelijk in een goede dienst: eerst als linnenmeid met het vooruitzicht van kamenier te worden.quot;
sJa, maar om zóo iets te vinden!quot; riepen moeder en dochter als uit éen mond.
»Wil ik er Mevrouw eens over spreken?quot; en toen dit met een blijd ja door Moeder beandwoord werd, nam het gesprek een andere wending en gewaagde men van Mevrouws voortdurend lijden en van het groot diner, dat Mevrouw eerstdaags geven zou, omdat zij dat moest. Kort daarna stond Betsy op, en, na nog eens aan
66
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
gt;de zoete muskadellen herinnerd te hebben, ging ze heen, door Moeder in haar hart gezegend, door Klara met een gemengd gevoel van erkentelijkheid en wrevel herdacht. En Heins kinderen dan? dus peinsde zij. En het geld van Mijnheer, wien zij beloofd had in alles te raadplegen ? Maar dan ook veel leeren en voor eigen onderhoud zorgen! Deze laatste gedachte overstemde alle andere.
Had zij Vader kunnen hooren, toen hij 's avonds met Moeder â alleen was, dan had ze alle bezwaren tegen haar vertrek wel moeten prijs geven, maar tevens moeten gelooven, hem reeds lang tot last te zijn geweest; want zyn blijdschap was uitbundig. Als Mevrouw nu maar iets goeds vond, niet in het dorp, maar in de â¢omstreken, en dan daarvan niets door zeker iemant liet gissen! En toen Betsy na een viertal dagen nogmaals een bezoek bracht en meédeelde, dat er een goede dienst gevonden was bij Mevrouw de Douairière van Wulven op Stoutenburg, vier uur rijdens ver, en daarbij Moeder toefluisterde, dat Mevrouw altijd liefst in 't verborgen wel deed en alzoo van deze haar rekommandatie niet gaarne jegens wien ook gerept zag, toen was Vaders laatste wensch vervuld.
Klara werd gevraagd, of het haar niet aangenaam zou zijn, quot;vóór zij in haar dienst ging, die zooals het heette, nog niet ge-quot;vonden was, haar oude tante te A te bezoeken, wat zij warm be-quot;vestigend beandwoordde. Kornelis, die zijn zusjen dus weinig meer spreken zou, kon geheel buiten het geheim blijven. Moeder beefde reeds op het denkbeeld, dat hij iets van Mijnheers bedoelingen gegist zou hebben. Alles ging echter naar wensch. Klara ging naar haar tante en ontving daar twee dagen na haar aankomst van Vader een brief, de tijding inhoudende, dat moeder haar in â den loop der week zou komen halen om haar naar de goede dienst te brengen, welke Mevrouw gevonden had, en dat haar goed reeds naar Stoutenburg was opgezonden. De meerdere reiskosten, welke het gevolg waren van Klaraas bezoek aan haar tante, getroostte het zuinig echtpaar zich gaarne om de gantsche zaak geheim te houden. En dat men reden had om het laatste te wenschen, bewees het onderhoud, dat Mijnheer eenige dagen na Klaraas vertrek met den Baas hield.
»Is je dochter niet wet. Baas?quot; had hij in het voorbijgaan en schijnbaar zeer koeltjens en onverschillig gevraagd.
»Zij is bij mijn vrouws zuster. Mijnheer!quot; had de Baas geand-woord.
»Waarom te liegen?quot; had het kort en scherp geklonken.
De Baas was bijna van schrik verstomd; want de gangen van zijn lief kind schenen nagegaan te zijn.
67
HET GEZIN VAX BAAS VAN OMMEREN.
X.
quot;Verscheidene dagen na het bezoek, dat Lize op Zeldenrust hacj gebracht, zat Mijnheer Stuf ken weder op zijn kantoor â een klein,, vierkant kamertjen, dat van buiten bereikt kon worden door drie-trappen bezijden liet huis op te klimmen. Het kantoortjen lag duamp; hooger dan het huisvertrek, dat aan de andere zijde der hoofddeur gevonden werd. Het kon mede van binnen door den huisgang bereikt worden; want in dien gang kwam een deur uit, die toegang gaf tot een donker portaal, aan welks eind men even zoo veel trappen als buiten had op te klimmen. Mijnheer Stufken had-voor niets zoo veel angst als voor vocht; daarom had hij het verblijf, waar hij het grootste deel van zijn leven sleet, zoo hoog boven den beganen grond optrekken. Waarom hij van buiten een bijzonderen opgang en van binnen dat portaal had laten maken-was voor allen een raadsel. Hij had er echter twee goede redenen voor: de een werd gezegd, de andere verzwegen. Hij wou in zijn huis de vaak beslijkte voeten zijner bezoekers niet zien, dat zei hij overluid; hij wou die bezoekers niet door ieder gezien en hun gesprek niet beluisterd hebben, wat zonder portaal aan de bin-renzijde licht het geval had kunnen zijn, dit dacht hij, maar zei hij niet.
In het midden van het kamertjen, dat niet eens behangen was, stond een dubbele, mahoniehout geschilderde lessenaar, waaraan aan éene zijde een opstaande klep was bevestigd, zoodat iemant, die de deur inkwam, onmogelijk kon zien wat er op den lessenaar voorviel. Twee leêren krukken en een matten stoel waren de eenige zitplaatsen. Een stevige houten balie, vlak langs den lessenaar heenloopende, verdeelde bet kantoor in twee ongelijke deelen, terwijl een deurtjen, met een knip gesloten, den bezoeker, aan gene zijde staande, tot het heiligdom van den patroon den toegang kon geven. Onder den lessenaar stond een ijzeren geldkist, waaraan een slot, dat met een grooten sleutel, die Stufken altijd bij zich droeg, gesloten werd. Een koekkoek hing aan den wand, vlak tegenover Mijnheers zitplaats, terwijl de kruk aan de overzijde, vroeger altijd ledig, sedert eenige dagen door Kornelis van Ommeren ingenomen werd. Op dit oogenblik was die plaats onbezet, daalde jonge klerk niet voor tien uur prezent behoefde te wezen, ofschoon de patroon gewoonlijk reeds om acht uur in de werkplaats zat.
't Sloeg daar juist negen. Mijnheer Stufken, in een zwarten rok, die erg draadschijnend was en waarvan de linker mouw als inktlap werd gebezigd, in een korten nanking pantalon met lage schoenen, een hagelwitten doek om den hals, een vêeren pen
6B
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
â¢achter de ooren, lag op zijn kniën onder den lessenaar in de open geldkist te gluren. Hij had den ijzeren bóut van de buitendeur nog niet laten vallen, zoodat hij geene verrassing behoeide te vreezen.
Hij had een blauw linnen zakjen, dat door een zijden koord toegeschoven werd, in de hand. Hij opende het behoedzaam en telde met innig welbehagen de gouden tientjens. Met de meeste tederheid werd het zakjen weder neórgelegd en met gewichtige voorzichtigheid een rood lederen portefeuille aangevat en geopend. Verschillende bankbilletten lieten hun rood en wit zien en twee van zestig gulden, werden er uit genomen, even als twee zakken met zilvergeld. Hoewel hij ze niet noodig bleek te hebben, roerde liij even de papieren aan, die in een anderen hoek der kist opgestapeld lagen en grossen van hypotheken en bewijzen van eigendom bleken te zijn. Een wit lachjen kwam over zijn blozend en bloemzoet gelaat. »Ik ben er gekomen,quot; prevelde hij. »Ik zei 't â¢wel altijd: als de eerste vijf en twintig duizend er maar eerst zijn, dan komen de tweede op een drafjen. Een nieuwen straatweg willen ze aan den tolakker aanleggen. Gaat je gang, Alijnbeeren! Veertienhonderd gulden het bunder, hoor je, zoo goed als een duit een duit. Ze hebben den grond noodig. Laat zien, voor hoeveel heb ik dien gekoclit? De Bank liet exekuteeren. Ja, waratje, voor drie honderd het bunder. Van daag komt Brinks, misschien ook Bos. 'k Zal 't geld maar vast klaar leggen.quot; Hij dook heel voorzichtig van onder den lessenaar van daan. Hij had zich toch eens gestooten en was er de man niet naar om het voor den tweeden maal te doen. Wat hij dien dag rekende noodig te zullen hebben werd in den lessenaar geborgen, waarna de geldkist dicht viel.
Er lagen verschillende brieven vóór hem, maar eer hij den inhoud ging overwegen bepeinsde hij een zaak, die hem reeds eenige dagen vervuld had. Er zoude een groote boerderij, een uur of vijf verder op, in veiling komen, en die boerderij paalde aan eenige bezittingen van Mijnheer Reaal. Als hij die eens voor een kwart ton uit de hand machtig kon worden en met vijftig per-â¢cent winst aan Reaal weêr kon afzetten! Er kleefden eenige lastige servituten op de goederen van Mijnheer Reaal ten behoeve van den eigenaar van bovenbedoelde boerderij. Werd deze door Reaal gekocht, dan vervielen ze natuurlijk; het goed was dus voor nie-maut zoo veel waard als voor dien rijken Hans. Hij had er Hein eens naar toegezonden en hem laten rondneuzen. Be kaerel was -onbetaalbaar goed te werk gegaan; want hij had te weten kunnen komen, dat de tegen A'oordige eigenaar met schulden overladen was en dringend kontanten noodig had. Hij, die onder de hand â een bod deed, kon er op rekenen een genegen oor te vinden.
69
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Dertig duizend gulden waren de panden bepaald waard. ZóoveeE kontanten had hij niet en zou hij er ook niet in willen steken,, al had hij ze ook gehad; want voor de loopende zaken had hij geld noodig, hoezeer hij ook door de opulente Landbouwbank,. wier agent hij was, krachtig werd gesteund. Hij had een plan-netjen, een aardig plannetjen, en als dat gelukte, dan behoefde hij nooit weêr een tweede van dergelijken aard te verzinnen. Hoe echter met Reaal in aanraking te komen? Met den stormmarscb een vesting bij daglicht tegen te trekken, daar hield hij niet van; bij nacht een post om te trekken, waarvan de wacht omgekocht was, dat lag meer in zijn aard.
Nog was hij bezig daarover te peinzen, toen er aan de binnendeur zacht werd geklopt. Hoe beseheiden het geluid ook ware, toch deed het hem opschrikken en eenigzins verward »binnenquot; roepen. Het was Lize, die, zoo als gewoonlijk, hem zijn kop koffi bracht; zij zelve was gewoon thee te drinken.
«Maakte ik u aan het schrikken, Vader?quot; vroeg ze, maar met. strak gelaat en onderzoekend oog.
»Wel neen, lief! Waarom ook?quot;
»Hier op kantoor misschien . ...quot;
»Ik vat je niet; zet daar den kop maar neer.quot;
»Hoort ü al dat geld. Vader?quot; vroeg ze, op de zakken wijzende,, die hij klaar had gelegd.
»Wel zeker; een ander mans geld zou hier toch niet liggen. Lize, wat ben je vreemd! Je bent niet wel, kind! Je hebt de-laatste dagen te veel thuis gezeten. Is de trek van den hittewagen ook al wéér af! Ik zie er je in het geheel niet meer mee rijden.quot;
»Ik ben wéér in mijn leesperiode.quot; Zij bleef eenige oogenblikken staan zonder te spreken; 't was of ze nadacht over iets, dat ze-nog niet in woorden kon uitbrengen. Stuf ken kreeg het benauwd; de atmosfeer werd hem op eens drukkend, zóo drukkend dat hij naar de buitendeur trad en die ontsloot. Nog altijd bleef ze zwijgen. Tot eiken prijs wou hij haar doen spreken, en zonder zich af te vragen of hij een goede snaar aanroerde, begon hij eensklaps van Kornelis te spreken. De jongen maakte het heel goed; hij schreef een goede hand; hij had een goed oog op de zaken; hij wou leeren en zou vooruit komen. »Over een paar jaar kan ik rentenieren en dan krijgt hij de zaak, ten zij,quot; vervolgde hij, haar lachend aanziende, »ten zij ik tegen dien tijd een schoonzoon heb â kleur maar niet, Li!quot;
»U moet toch veel geld verdiend hebben. Vader!quot; zei ze straks
»Dat heb ik ook, kind! Ik ben wél gezegend, en dat werd ik zeker, omdat ik zoo'n lief kind heb!quot;
»Dus u wilt toch, dat ik van dat geld gebruik maak?quot; vroeg
70
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
ze, hem in de oogen starend. Hij knikte toestemmend, hij kon niet spreken. »Ik dank u. Vaderlief! .... Ik heb nog niet eens een morgenzoen van u gehad.quot; Zij kuste hem en ijlde toen vrolijk heen, Stufken in de grootste verbazing achterlatende.
»Ze wil zeker juweelen hangers en een speld hebben. Nu, als 't plannetjen gelukt dan kan het er toe komen.quot;
Hij boog zich over zijn brieven heen en wijdde aan deze al zijn aandacht. Het hanteeren van de pen was hem nooit vlug afgegaan; zijn vingers schenen de daartoe vereischte lenigheid te missen. Kornelis, die een goede hand schreef, kwam hem dus daarin goed te stade. Den inhoud van een brief te overzien, het andwoord daarop te koncepiüeren kostte Stuf ken geen moeite, en daar hij geen onderwijs genoeg genoten had, om zijne grove feilen tegen spelling, zinbouw en logika te bemerken, bleef hij, niettegenstaande zijn klerk hem ook daarin van goede dienst had kunnen zijn, met »het stellen zijner brievenquot; voortgaan. Toen Kornelis binnen kwam en zijn patroon vriendelijk, zelfs met eenige vrolijkheid groette, lagen er dan ook reeds verscheidene brieven klaar, om door hem te worden overgeschreven.
»Hoe gaat het thuis, maatjen?quot; vroeg de patroon.
sZoo als gisteren en eergisteren en de vorige week,'' klonk het verdrietig. »Vader blijft brommig. Moeder gedrukt sedert Klaraas vertrek.
igt;VVaar is die naar toe?quot;
»Het zeggen is naar een tante van ons. Ik mocht haar niet brengen. Ik weet niet wat er achter schuilt. Ik ben blij als ik hier tegenover u zit; 't is een heel andere waereld. Ik zie hier geen lakeien, maar vrije boeren; ik hoor hier geen titels, maar geld klinken!quot;
»Ja, jongen, en geld maakt je vrij, onafhankelijk! Ik heb veel procedures, sommaties en insinuaties in mijn leven gehad; ik heb veel moeten schuiven en schaven, maar eindelijk ben ik dan toch de man geworden, die voer Reaal noch Nakooper behoeft op te staan. Willen ze me niet zien; dan zie ik ze ook niet. Als Ingeland van den polder zit ik in de kerk aan hun kant, en hoor ik hen in het zakjen een gulden gooien, dan gooi ik er twee in, om Eeaal rood van kwaadheid te zien worden, 't Is een heerlijk gevoel te kunnen weldoen en niemant naar de oogen behoeven te zien.quot;
»Dat is 't, Mijnheer! Maar niet ieder kan wat ü kunt. Ik ten minste zal 't zoo ver niet brengen.quot;
«Misschien wel, als je mijn lessen volgt. Vroeg uit de veêren, altijd bij 't werk, mijn jongen! Vlug in 't rekenen, scherp in 't zien of alles wel haaks is, en dan boven alles: eerlijk, altijd eerlijk! Eerlijkheid duurt het langst, zegt het spreekwoord en 't is waar.
71
HET GEZIN VAX BAAS VAN OMMEREN.
Ik beb er me altijd goed bij bevonden. Hoe oud ben je, Kornelis? Meerderjarig, hé!quot;
sin de vorige maand het geworden, Mijnheer!quot;
»Juist, dat dacht ik wel. Daar heb ik op gewacht om je bij me te nemen, 'k Zal een man van je maken. Ik denk niet lang meer...quot;
^Mijnheer, in de kracht van uw laven, en nog zoo gezond! Waarom die zwarte gedachten?quot; zei Kornelis met gevoel.
»Je begrijpt me verkeerd; aan opstappen denk ik nog niet. Lieve God, neen, ik hoop nog verscheiden jaren van mijn geld ple/.ier te hebben! Ik denk er aan, de zaken te kwiteeren; want ze hebben haar zwarte zij ook. Ondankbaar zijn de menschen. Als je ze geld geeft noemen ze je een engel, als je 't terug vraagt dan ben je een kwelduivel. Uiterst zelden worden je diensten erkend. Maar je konsciëntie, weet je, daar moet je 't loon bij zoeken, en daar vind ik bet dan ook. In de volgende week zal ik je naar de stad meé nemen, om je aan de Bank te represen-teeren. 't Is goed voor 't vervolg, dat ze je kennen, als ik er eens niet meer ben. Een mooie relatie, die geld aanbrengt, mids je bonnet handelt. Je moet van tijd tot tijd wel wat slikken, maar dat doe je met plezier, want er zit goud om de pil.quot; Stufken lachte daarbij zoo olijk, dat Kornelis ook lachen moest, hoewel hij een oogenblik later dien lach toch niet aardig kon vinden. Li/.e had gelukkig niets van Papa als zij lachte.
sKijk, mijn jongen! hier heb je eenige brieven over te schrijven. Dit zijn maar gewone aanmaningen om rente te betalen. Een van de onwilligsten heb ik de duimschroeven wat aangezet. Maar deze brief moet heel netjens en precies overgeschreven worden; die is aan de Bank en uit het hart geschreven. Lees me eens een deel er van voor, dan kan ik meteen oordeelen of je 't begrijpt.quot;
Stufken liep hoog met zijn epistel. Met een echte auteursijdel-beid wilde hij zijn goed gekozen wooi'den, zijn fikschen zinbouw nog eens hoeren.
Kornelis begon: » Wel Edel Gestrengen! Met smartgevoel noteerde den inhoud van OEd. Gestr. gecerde laatste hahinetschrijven. Mijn iveinige akJcurates draagt de schuld van het verlies op de goederen Banter, zoo schrijven UKd Gest. en wat JJEd. Gest. daarbij vermelden als zou ik daarbij ÃEd. Gest. belangen uit hot oog hebben verloren en het hypotheek U hebben voorgesteld om mij zelf te dekken vervult me smartelijk. Waar is 't, dat ik Banter gelden geschoten heb, maar dat 's lang geleden en toen ik U eerst hypotheek op 't goed bezorgde ivas ik al lang gekwiteerd. Een. nieuwe lastering dus bij al de vorigen. Maar de ondervinding zal het gordijn verschuiven dat de laster ophing en de zon van mijn onschuld zal briliant doorkomen . ..quot;
72
HET GEZIN VAfJ BAAS VAN OMMEREN.
»He?quot; zei Stuf ken met voldoening.
ïBij de tweede lezing zal 't me wel duidelijker worden,quot; hernam Kornelis, meer waar dan voorzichtig.
»Ga voort!quot; beval de patroon. »Die notarieele stijl moet er nog i)ij je uit. Die omhaal van woorden zonder zin!quot;
» . . . de zon van mijn onschuld zal briliant doorkomen. Wespen knagen meest aan de beste vruchten. Mochten UEd. Gest. nog na al het boven gestipuleerde twijfelen, dan verzoeke eerbiedig aanwijzing van een vertrouwd persoon, met denwelken ik op mijn kosten al de verhypothekeerde panden zal hertaxeeren.quot;
»'k Mag lijen dat ik hem niet weêr zooveel champagne zal â¢Loeven in te gieten om hem op de hoogte te brengen, als den vorigen dwarskijker,quot; zei Stuf ken binnensmonds.
.... welke kosten mij evenwel gelieven te restanreeren als het blijkt â ik gelijk heb waar ik zeker ran ben. Redenen waarom ik mij vervrije UEd. Gest. te verzoeken mij als eerherstelling een blijk van protectie te geven en mij in rang te verhoogen. Als adjunkt-direkteur voor deze provincie zou ik UEd. Gestrenge magnifieke diensten kunien bewijzen zonder verhooging van kommissie of eeuig loon. De titel alleen zou mij tegen mijn gewetenlooze 'naters in deze streken als een schild bedekken, gewetenlooze lasteraars, die 't met de eerlijkheid, de banier die ik zwaaiend omhoog draag en altoos dragen zal, zoo nauw niet nemen . . .
sHé?quot; zeide Stufken nogmaals. »Je leest het nog al goed. 't Zal indruk maken bij de Heeren.quot;
»Maar wat is er dan toch gebeurd?quot;
»Niets dat je aangaat, mijn jongen! Leer dat van mij: je moet alleen ondervragen als je zelf patroon bent. Je wordt er toch niet kwaad om, dat ik je dit zoo zeg? Ga voort!quot;
»Hierbij twee aanvragen om hijpotheek: allersoliedst. Ik stel UEd. Gest. voor den vroegeren taxateur te ontslaan en in deszelfs plaats te benoemen den Heer Hendrikas van Oven, een allerknapst... .quot;
» Welnu?quot;
»Mijnheer, is dat onze Hein ?quot;
»Ja, wat zou dat?quot;
t'Die man taxateur?quot;
jgt;Daar heb je wéér dat laffe vooroordeel. Hein is knap, de knapste misschien op éen na van het geheele dorp. Verder. Nu komt de omschrijving. Aart Boelens vraagt vijfduizend gulden en Harmen Guyt tienduizend.
»Zijn dat de boeren, die u de geleende duizend gulden gisteren niet terug konden geven ?quot;
j.Ja.quot;
»Die zeien dat ze dood arm waren?quot;
«Precies: maar ik weet er meer van dan zij. Zij hebben respec-
73
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
tivelijk meer dan voor tien en twintigduizend gulden aan grond; de taxatie zullen we er bg doen. 'k Ben 't land verleden week met Hein wezen zien. Geloof toch die praatjens van armoê etgt; ellende niet als je met een debiteur te doen bebt. Nu het slot.quot;
» Verzoeke de lieer en alleronderdanigst mij weer te crediteeren voor de somma van /311,50 zijnde oninbare rente van C. Zoet, en voor /748,973 voor mijn bemoeiingen in zake proces contra J. Schure. .. .,r
»Maar Zoet vertelt aan al wie het maar hooren willen dat hij alles betaald heeft?quot;
»Ja, mijn jongen! als je maar altijd gelooft watje debiteur zeit, dan eindig je niet zooals ik zal eindigen. Hij heeft geen cent betaald en 't kapitaal is er bij den exekutorialen verkoop zijner goederen maar effentjens uitgekomen, dat zeg i k, en dat 's genoeg.quot;
Die laatste woorden gingen vergezeld van het fronzen der borstelige wenkbrauwen en een trek om den neus, die het gelaat alle uitdrukking van zoete vriendelijkheid ontnam. Op den vorigen toon voegde hij er echter bij: »Kornelis, mijn jongen, nu aan 't werk! Er is nog veel te doen.quot;
Kornelis' pen vloog over 't papier. Na eenige minuten keek hij echter den patroon nog eens aan.
»Heb je me iets te vragen?quot; vroeg deze.
»Ik zou u haast vergeten te zeggen, dat ik ook een aanvraag heb. Klaas Spit, hier aan de smidsbrug, heeft behoefte aan geld.quot;
jgt;Hier in 't dorp zet ik nooit geld uit; dat was altijd zoo mijn principe. Ik houd niet van zure gezichten om mij heen!quot;
De toon waarop dit gezegd werd, sneed alle verder onderhoud af. Ook kreeg de patroon weldra bezoek. Een paar boeren uit den achterhoek der provincie kwamen het hun toegezegde geld ontvangen. Ze waren zeer vriendelijk toen ze 't geld hoorden rammelen, maar ze vertrokken het grof, vleezig gelaat, toen hun een aanzienlijk bedrag voor rente en kosten werd gekort. «Tegen hoeveel parcent het wel was?quot; »Tegen vijf maar. Een hunner haalde een stuk krijt voor den dag en ging zonder verlof te vragen op de deur een som maken. »'t Is wel dartien parcent hoor je, en doar boven nog. Wou je ons beet nemen? Mis, man!quot; Met een zoet glimlachjen lei Stufken zijn hand op den schouder des sprekers-en voerde hem met een engelachtige zachtmoedigheid te gemoet: »Beste maat, als je een varken mest en je gaat het markten, reken je dan alleen den draf, dien je het beest gegeven hebt, of ook je zorg, je moeiten etcetera, zooals wij geleerden zeggen? Zoo is 't hier. Ik heb geschreven, gerekend, en weêr geschreven; twee zegels betaald en wel vijf portoos, dan bovendien mijn risico, summa summarum is dat.. . lieve hemel I ik heb me vergist; er
74
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN. quot;quot; 75-
komt nog twee gulden vijftig cents bg. Als je me lang ophoudt, moet ik je een dubbele vakatie rekenen.quot;
«Afzetter!quot; bromde de een, terwijl de tweede, die nog niets had gezegd, zijn maat een duw in de ribben gaf, wat als aanbeveling gold om nog meer te zeggen.
ïWat prevel je? Liever hou ik mijn geld in de kist, daar leit het nog sekuurder. Ik dring het je niet op, maats! Niet ofquot; graag!quot;
De maats moesten wel berusten; want den volgenden dag hadden ze te betalen. En dat wist Stufken, die, voor hoe langen tijd te voren ook tot hulp aangezocht, den laatsten dag had aangewezen om hun die te bewijzen. Brommend en grommend en de deur met geweld achter zich dicht slaande gingen zij heen.
Stufken zag Kornelis van ter zijde onderzoekend aan, maar niets verried op 's jonkmans gelaat eenige bevreemding.
»Die boeren, 't is een miserabel slach van volk!quot; merkte de patroon aan. »'t Is ook voor 't laatst dat ik ze help op zoo'n eenvoudig briefjen. Ze begrijpen niet hoeveel ik waag.quot;
»'t Is waar. Mijnheer! u waagt uw geld,quot; zei Kornelis, die op een notariskantoor opgeleid, juist niet schrok van hooge rekeningen of van klachten van de zijde der debiteuren. En daar betrof het zelfs nooit gelden, die zonder waarborg werden uitgezet.
Stuf kens foergon kwam voor: het rijtuig waarmeê hij zijn gewone rondreizen deed. Hij gaf Kornelis nog eenige instrukties,. telde hem het geld voor, dat nog dien dag uitbetaald moest worden, meldde hem, dat Hein nog aan 't kantoor zou komen om eenige gedane taxaties te teekenen en trad toen naar buiten. Juist wou hij opstappen toen Hein met den gewonen bedaarden stap,, die echter bij Stufkens verschijnen een sukkeldrafjen werd, aan kwam zetten. Stufken bleef staan.
»Ik had je gister avond verwacht.quot;
»Ik kwam in den nacht weérom. quot;t Is een ongemakkelijke kuier.. Als er voortaan eens een rijtuig af kon! Zij, daarginder in stad,, betalen het immers toch?
Stufken fronsde weder de wenkbrauwen.
3gt;Je wordt dom; Hein, en ik kan alleen slimmerts gebruiken.quot;'
»Dat weet ik nog niet,quot; zei Hein onbeschaamd. »De jongen daar aan den lessenaar is juist geen slimmert. Een beetjen dom, dat's toch ook wel makkelijk, hé? Maar gekheid op zij! 'k Ben er geweest en 't is net als we dachten; 't goed is uit de hand te koop, maar geld bij de visch.quot;
»Kom van avond bij me, dan zullen we dit nader bepraten.quot;
»Wat ik nog zeggen wou. Ik ben voor 't eerst van mijn leven geschrokken: 'k dacht waarachtig aan een geestverschijning. Klaar van Ommeren, je weet wel, die engel van een meid, liep daar-
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
in den omtrek; en ze zeien dat ze naar een tante in A was. Ik sprak haar aan, maar ik kon 't er niet uit krijgen wat ze daar deed en hoe ze daar kwam. Ik denk er het mijne van....quot;
»Spreek er niemant van, hoor je! 't Zou haar ongeluk kunnen wezen. Geen woord vooral tegen haar broêr. Tot van avond!quot; riep Mijnheer en reed weg; terwijl hij er óok het zijne van dacht en dit feit in verband bracht met anderen, wat aanleiding gaf tot verschillende overleggingen en eindelijk tot een bepaald plan, Letwelk de scherpzinnigheid van Stufkens brein eer aandeed.
Hij was nog geen uur ver en nauwelijks de straatweg af en een zandweg ingeslagen, toen bij een scherp fluitjen hoorde. Aan weêrskanten van den weg lagen uitgestrekte sparrebosschen en in 't verschiet lag de schier onbegrensde bruine heide met baar â¢duizenden en duizenden bloemekens. 't Was oen prachtige dag! De zachte lichttonen spelden reeds iets herfstachtigs. Een blauwachtige wasem lag over het landschap uitgespreid. Een verfris-schend koeltjen suisde over de vlakte en ruischte melodiesch dooide welriekende toppen der sparren. Alles leefde en genoot. De mier zette den arbeid vlijtig voort, maar poosde toch van tijd tot tijd, als om den warmen zonnestraal te langer te genieten; de bommel dommelde om de heidebloemen in wedstrijd met boter-vlieg en glazenmaker; ginds doken de boenders uit de heidesprieten of schoten langs de stammen en wortels der sparren heen, verder kraste de kraai en tjilpten musch en vink. Verheffend leven der natuur, met uwe lichtefïekten en harmoniën; gij zijt als het bad, waarin de lauwe geest des menschen zich verfrischt en nieuwe krachten gaart!
Nogmaals dat schelle fluitjen! Stufken, in zijn grootsche plannen verdiept, had niets gezien, niets gehoord. Maar eensklaps voer er een huivering door zijn leden! Dat fluitjen gold niet gindsche woudduif, die straks nog zoo vrolijk klapwiekte' door het sparre-loof, en thands trilde op de twijg, daar zij den havik bespeurde, boven haar drijvend in het zwerk! Hij had daar ginds in het bosch een verdachte beweging opgemerkt, en een stem in zijn binnenste fluisterde hem reeds jaren lang toe, dat hij vijanden moest hebben, dat de bedreigingen, zoo dikwijls aangehoord, wel â eens vervuld konden worden.
Ten derden male een fluitjen.
Daar rende een schamel gekleed man rechts, en een tiental schreden verder, een tweede het bosch links uit. Hij bedroog zich niet: het was Steven Brinks, een stoere vent, die aan den bedelstaf was gebracht: en hij, die ginder stond was Koel Harms, wiens huis Stuf ken verleden week liet verkoopen en die daarop den kop in den wind gestoken en vrouw en kinderen verlaten had. De stem in zijn binnenste liet hem geen oogenblik twijfelen aan
76
HET GEZIN VAN BAAS VA-N OMMEREN. 77
de bedoeling dier twee vagebonden. »'t Wordt je dag, Jakob-Stufken,quot; fluisterde zij. «Alléén tegen twee! Het paard is vlug-genoeg, maar de foergon is een lompe zware kast, de zandweg daarbij mul. Ontkomen kun je niet, ouwe jongen! Heb je moed?quot; Oogenschijnlijk niet, want zijn handen beefden en lieten de leidsels glippsn. Hij voelde naar zijn zakken: instinktmatig het eerst naar den rechter, waar hij altijd zijn geld borg, en toen naar den linker, wa:ir hij een scherp mes droeg. Het laatste haalde hij te voorschijn en nam het in de hand, die hem evenwel bijna haar dienst weigerde.
«Halt, beurzensniier! riep Koel, terwijl hij het paard bij den toom greep. »Nou zullen we jou ereis villen. Hier Steven, hier! Haal jij het beest maar uit den wagen; ik hou den knol.quot;
«Mannen, vergrijpt je niet! maak je niet ongelukkig! 't Is krimineel.quot;
«Wis en bl.....s is het dat! Hier Steven, zeg ik je; sta dan
toch recht op je poten.quot;
Een lichtstraal in Stuf kens nacht! De ander scheen smoordronken.
«Villen zullen we je!quot; riep Roel, die naar Stuf kens schatting veel te weinig gedronken had. «Villen als een ouwe bonk; maar zóo een slaan we eerst de harsens in, maar jou niet; levend villen we je, zoo als je ons gedaan hebt; klim uit, zeg ik je!quot;
Stufkens kracht zetelde in het brein, niet in de armen, en hoewel een der beide onverlaten de beschikking miste over zijn volle spierkracht, toch was de ander alleen reeds een overmacht. Hoewel er aan elke hairspits een zweetdruppel scheen te hangen, hoewel zijn hart als in éen kromp en het bloed door die spierbeweging als naar zijn hoofd opspoot en het denken schier belette, toch bewaarde hem het instinkt van het zelfbehoud *voor een flauwte of een toeval. Hij gaf het paard een geweldigen zweepslag; het stijgerde, vastgehouden door de ijzeren vuist van Roel. die daarbij echter al zijn kracht behoefde, zoodat hij, nog altijd wachtende op den dralenden en zwaaiende bondgenoot, zijn bedreiging om Stufken uit het rijtuig te halen niet kon volvoeren. Stufken had middelerwijl zijn beurs geopend. «Geld zul je ten minste niet bij me vinden, gauwdieven!quot; en dit zeggende wierp hij Steven een viertal zeeuvven te gemoet, die daarop aanviel, en aan den tegenovergestelden kant een handvol guldens, achtentwintigen en dertiend'halven. De verzoeking was ook voor Roel te sterk. «De beurzensnijerquot; kon hem toch niet ontsnappen en het geld mochten ze straks eens niet terug vinden. Roel ging dus ook aan het zoeken, maar sneed eerst de strengen los. Zonder het te bevroeden bezorgde de domme boer zich zeiven daardoor de nederlaag. Snel als een gedachte vloog Stufken uit het rijtuig, deed
4
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
hij het paard, door het een paar stappen voorwaards te laten doen, uit het lemoen treden en wierp zich toen op den rug van den viervoet, waarna hij dien met het hecht van het mes zoo gevoelig tusschen de ooren op het hoofd sloeg, dat het dier in woedenden â draf en weldra in galop voortging. Stuf ken was uit hun handen gered! Het koude zweet paerelde hem op voorhoofd en rug. Dat nooit weêr! Hij zou zich een paar pistolen aanschaffen, want zulke vijf minuten wilde hij nimmer weêr doorleven. Hij rilde van top tot teen, rende het eerste boerenerf, dat hij bereikte, op en vroeg stamelend om een glas water. Dat hij er om vroeg, dat hij 't glas klappertandend leêg dronk, verbaasde de boerenmeid, die hem kende, niet â de sinjeur had zeker »den duvelquot; op weg ontmoet â maar dat hij de bewezen dienst met een gulden, den laatsten dien hij bij zich had, betaalde, dat deed haar ontstellen en vreezen, dat hij gek geworden was. Ze zette dan ook het hek wijd open en sloeg een kruis, toen hij omwendde en in aller ijl weêr verder reed.
XI.
Kornelis was alleen op 't kantoor achter gebleven. Hein was â even bij hem gekomen, om de gereed liggende stukken te teekenen, maar bleek ditmaal wars van een praatjen. Hoe Kornelis hem daartoe ook verlokte, door van de jacht te spreken, Hein bleef koel en koud, en wendde overgroote vermoeidheid voor om maar weg te komen, want eens aan 't praten, zou hij niet kunnen binnenhouden wat hem nu al op de tong lag, en van zijne ontmoeting met Klara hebben gesproken. Het speet hem zelfs, dat hij er tegen Stufken van gerept had, vooral nu deze hem het zwijgen had opgelegd, hetgeen een teeken was, dat er iets heel bijzonders achter stak. Kon Hein van iemant houden, dan zeker deed hij het van dat meisjen, dat voor hem en de zijnen een weldoenster was en bleef, op een gants andere wijze als al de andere, veel rijkere weldoeners op het dorp.
Kornelis was dus weder alleen. Hij had den weisprekenden brief voor de Bank, een instelling waarvan hij zich maar geen begrip kon vormen, overgeschreven en zat zich nu te vervelen. Hij daalde van zijn kruk neêr en trad voor het venster, dat op straat uitzag en was zoo verdiept in het beschouwen der kropen ringduiven zijner Lize, dat hij de binnendeur niet hoorde open gaan en het meisje niet bespeurde voor ze haar hand op zijn schouder gelegd had. Een kreet van blijdschap ontsnapte hem, en
78
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
haar hand ruste in de zijne. Op dit uur toch was ze altijd onzichtbaar. De patroon was uit, zijn werk af. Welk genot! Zij scheen zijn gedachten in zijn blikken te lezen, maar niet in zijn verrukking te deelen. Met een deftigheid, die voor hem alleen kluchtig was, en eene geheimzinnigheid, die hem niet ernstig gemeend voorkwam, vroeg zij hem of Vader uit was, en op zijn bevestigend and woord, waar hij naartoe was gegaan.
»Dat zegt de patroon mij nooit.quot;
»Anders alles? Alleen dat niet?quot;
Kornelis begreep er niets van en begon nu waarlijk aan haar â ernst te gelooven. Hij waagde het dan ook niet, haar een kus te geven, wat hij anders zich al heel gauw veroorloofde; want onbe-grijpelijk was het, welken omkeer de liefde in hem had te weeg gebracht. De vroeger zoo bloode knaap, die geen meisjen waagde aan te zien, was vrij geworden en maakte zich soms zelfs aan »stoutighedenquot; schuldig.
»Toe, laat me eens zien, waar je aan bezig bent!quot; zei ze.
Kornelis wees glimlachend op de dartele duiven.
»Geen kinderachtigheden!quot; riep Lize uit, terwijl haar voetjen trippelde van drift.
»Wat heb je toch? wat zou je aan mijn werk zien?quot;
sDat is mijn zaak.quot;
»Neen, de mijne, lieve meid!quot;
quot;Je waart bezig die brieven te schrijven?quot; vroeg ze, terwijl ze naar zijn lessenaar trad.
Kornelis was er echter eer dan zij, en hield zijn hand voor haar oogen, terwijl hij schertsend deklameerde:
Kom vrij op mjjn kantoor en kijk in alle hoeken,
Maar handen uit de kast en oogen uit de boeken.
Was die scherts dan zoo kwetsend, dat zij een toorn wettigde als Lize thans blijken deed? Het gezichtjen werd vuurrood, de oogen flikkerden en vonkelden en haar stem beefde, toen ze zei: »Ik wil het. De dochter van den patroon zal hier toch wel meer te zeggen hebben, dan de bediende!quot;
»Neen 1quot; zei Kornelis vast. »Toen u vader mij aannam, stelde hij als eerste voorwaarde, dat ik hoorend doof en ziende blind zou zijn. Ik ben op een notariskantoor geweest; daar was zwijgen plicht: hier niet minder.quot;
»Tegenover een vreemde, niet tegenover mij.quot;
»Als uw vader zoo oordeelde, dan hadt ge niet noodig mij te vragen wat ik niet doen mag.quot;
»Dus ik mag dien brief niet lezen?quot;
«Misschien wel; vraag het straks uw vader, als hij terugkomt.quot;
79
80 HET QEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
40
»Stijfkop! Dwingeland! fk heb me wel in je vergist. Ik zal óok hoerend doof en ziende blind voor-je worden; maar ik was doof toen ik dacht te hooren, en blind toen ik meende te zien.'v
jgt;Ik hoop van neen, lieve, beste Lize!quot;
Zij trok haar hand terug. »Wilt ge doen wat ik vraag?quot; en ze zag hem daarbij onheilspellend aan.
»Neen!quot;
»Dan heb ik je niets meer te vragen en jij mij ook niet.quot; Zij ijlde heen eer hij haar weerhouden kon. Hij bleet juist niet in de aangenaamste stemming achter. Hij had gehandeld, zoo als hij meende te moeten doen, en toch .... liep hij, na een oogenblik nadenkens, het kantoor af en den tuin in. Hij moest Lize terug zien; hij moest haar drift tot bedaren trachten te brengen! Hij kon niet leven met de gedachte dat zij boos op hem was.
JMt de bloemperken aangekomen, had hij geen oog voor de roode eiflronte gerhaniums, voor de verbenaas en de prachtige mosch-rozen, die Lize gekweekt had. Hij sloop voort, de duiven met â geen blik verwaardigend, die naar hem toe wandelden; want was hij geen' goede bekende? Hij vertrapte bijna de kuikens en liep . gevaar de woede der beangstigde klokhen op voelbare wijze te bespeuren. Hij sloeg op dat alles geen acht, want bij den vijver stond Lize, een strooien hoed met breeden rand achteloos op het hoofd, waar de weelderige krullen langs speelden. Wat zag ze er beelderig uit! Haar boezem zwoegde en deed haar chemisette golven. Ook Kornelis' borst zwoegde; toch waagde hij het niet, wat hij voor een uur gedaan zou hebben, haar een kus op den schouder te drukken; hij fluisterde alleen haar naam.
Zij keek even om en verwijderde zich zonder een woord te spreken. Zij riep Azor, een jonge patrijshond, die op haar aan kwam stormen, uitgelaten van blijdschap, dat er met hem gespeeld zou worden. Het wildste spel scheen ook haar niet wild genoeg. Wolken van stof stegen omhoog; vlek bij, vlek werd op het licht zomerkleedtjen merkbaar; maar er school valschheid in het spel van de zijde der gebiedster. In plaats van een stukjen hout werd een kiezelsteen in den vijver geworpen, waarnaar de arme Azor niet kon duiken. Vaak gebood Lize te zoeken; het dier zwom rond en rond en keek haar met de goedige bruine oogen bijnE. verlegen aan en maakte zich gereed naar den wal te zwemmen. Lize werd driftig en wenkte Azor met de hand, waarin zij haar borduurwerk hield, bij welk driftig gebaar haar echter het werk ontsnapte en in het water viel. Het werd dadelijk door den speel-schen Azor in den bek genomen, waarna hij er verder meê zwom. Al haar roepen baatte niet, om den geplaagden gunsteling terug te doen keeren. Azor zwom verder en verder, liet bij wijlen zijn buit op het water drijven om dien een oogenblik later weèr op
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
te nemen. Lize was buiten zich zelve. Ten tweede male een nederlaag! En deze trof haar zoo gevoelig, omdat er een eerste was voorafgegaan, en hij, die haar die had toegebracht, er getuige van was.
»Ik zal je laten doodschieten, kwaadaardig beest!'' riep ze.
»'t Is een bedorven kind,quot; zei Kornelis veelbeteekenend. Hij had al dien tijd het spel aangezien, verlegen met zijn houding, daar hij niet terug wou keeren en niet nader treden dorst.
Zij mat hem met de oogen.
»Ik wil mijn werk terug hebben; ik wil!quot; Zij wierp haar hoed weg en was voornemens in het water te springen, maar Kornelis was haar voor. Hij waadde zoo haastig hij kon door het gelukkig niet diepe water, lokte de verbaasde hond door eenige vriendelijke woorden tot zich en ontnam hem het borduurwerk, dat hij Lize toereikte, waarna hij zich zonder een enkel woord verwijderde.
»Kornelis!quot; hoorde hij achter zich op halfbiddenden toon. Hij scheen niet te hooren en schreed voort. »Kornelis, zie mij aan..! Kornelis... ik heb ongelijk!quot; werd eindelijk met moeite gestameld.
De jonkman stond in een oogwenk naast haar.
»Dadelijk verkleeden! Ik had dat niet gedacht, niet gewild,quot; zeide ze hijgend.
»Niet gedacht? dat's mogelijk; maar niet gewild..? bedorven kind!quot; vroeg hij zacht aan haar oor.
»Je weet ook niet wat hier omgaat,quot; prevelde zij, op haar voorhoofd wijzende.
In den besten pantalon van den patroon kwam Kornelis, stralende van vreugde, want hij was overwinnaar gebleven, weldra weder beneden. 5gt;Wat hebt ge toch, lieve?quot; vroeg hij, na zich een liefkozing veroorloofd te hebben, waaraan zij zich ditmaal niet onttrok.
»Jij hebt je geheimen op 't kantoor, ik heb ze hier,quot; zei ze met een glimlachjen, dat echter niet blijde was.
»Dat staat niet gelijk; de geheimen daar zijn niet mijn geheimen.quot;
»Zoo is 't ook met de mijne. Maar denken we daaraan niet! Kaatjen!quot; riep ze de dienstbode toe, die naar het werkhok wou gaan. »Azor heb ik aan jufvrouw Koosjen beloofd. Laat hem van avond daarheen brengen, of doe het zelve, want er zal wel een goede fooi op overschieten.quot;
Kornelis keek haar scherp in de oogen, waarop zij de hare neersloeg. Had zij voor hém ook gebogen, op de ongehoorzame hond bleef haar wrok rusten.
81
»Laat Azor hier blijven, ik houd veel van het tamme en goedaardige beest,quot; zei Kornelis.
6
BAAS VAN OMMEREN.
HET GEZIN VAN BAA.S VAN OMMEllEN.
Het lot van Azor was verzekerd; de hond zou blijven; Lize zou 't nu niet wagen hem weg te zenden.
»Je hebt tegen vader toch met geen enkel woord van onze ... genegenheid gerept?quot; vroeg zij na een poos. »Doe 't toch om Godsquot; wil niet! Je heele toekomst hangt daarvan af. Hij heeft, geloof ik, andere plannen, die hem echter niet zullen gelukken. Neen, Vader zal me niet laten doen wat ik niet wil ...quot;
»Maar hij denkt er ook niet aan, Lize! Geloof me, je vader is heel goed voor me, is erg met me ingenomen, al verdien ik dat nog niet. Hij is toch een edel, goed, braaf man.quot;
»Niet waar? ja, dat wist ik wel, toen ...
»0 je doelt nog op zeker gesprek. Om je de waarheid te zeggen was ik toen nog onder den invloed van de leugenaars op het dorp, meer dan ik het nog wel wou laten merken. Nu ik hem evenwel heb leeren kennen, nu zou ik hem tegen ieder willen verdedigen. Ik moet je iets heel in 't geheim toevertrouwen. Je vader denkt er aan, spoedig van zijn rente te gaan leven en zijn zaak aan mij over te laten. En dan . ...quot;
Zoo snapten ze voort: Kornelis vol goeden moeds voor de toekomst; Lize, eerst bedenkelijk het hoofd schuddende, maar weldra, onder den invloed van Kornelis' vast vertrouwen, haar vrees prijs gevend en met hem droomend van het morgen, dat hun in dit huis misschien zou doen samenwonen, in dezen tuin, in gindsch prielil dweepen van geluk en van liefde!
jgt;Maar zeg toch niets aan Vader, voor ik hem gesproken heb. Beloof me dat! Je weet niet, Kornelis, wat last je me van het hart genomen hebt. Ik wil nu niet eens meer je kantoorgeheimen kennen. Tante Moes lasterde even als allen . ..quot;
Daar kwam oude Kaatjen Kornelis vertellen, dat er een heerschap al wel een kwartier aan de kantoorschei getrokken had en eindelijk vrij boos was weggeloopen. In 't heengaan had hij haar toegeroepen, dat de foergon van den »baasquot; â de oude getrouwe lietquot; zich dien titel in de hitte van haar verhaal ontvallen â een uur hier van daan onderst boven gekeerd en »heelemaal gere-nueerdquot; was gevonden' het leêren dek was aan stukken gesneden en de grond vertoonde sporen van een hevige worsteling. Lize beefde en werd doodsbleek. Kornelis bleef een oogenblik nadenken , toen ging hij naar het kantoor met de woorden: »Ik ga dat zelf onderzoeken. Waar is Mijnheers rijtuig gevonden ?quot;
De oude gaf een nauwkeuriger aanduiding dan straks en Kornelis was een oogenblik later op weg, hoe Lize, die voor hem allerlei gevaren vreesde, er zich ook tegen verzet had.
»Beste, lieve man!quot; fluisterde zij, terwijl ze hem nazag en hem twee, drie kushandtjens toewierp. Zij prees het zelfs in hem, dat hij voor hare vermaningen om thuis te blijven doof bleek te zijn.
82
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
â¢dat hij zijn eigen weg volgde, dat hij haar straks weerstaan en overwonnen had. Zij had hem onwillekeurig x.manquot; genoemd; voor weinige weken was hij haar nog een jongen geweest, en voelde zij zich ... de voogdesse. Hoe hij zich ontwikkeld had, en, zoo als zij meende, door haar! Maar weldra keerden haar gedachten zich van hem af en vestigden zich op haar vader. Wat was er gebeurd? Een aanval? Door wie? Waarom? De rust, die Kor-nelis haar gegeven had, maakte weêr plaats voor onrust. Dat de â argwaan, eenmaal ontwaakt, zoo moeilijk weêr in slaap kan worden gesust!
Daar werd de hoefslag van een paard gehoord! Zij ijlde naar bet koepeltjen, dat op den straatweg uitzag. Ben blijde kreet ontsnapte haar! Haar vader hield voor het huis stil, ongedeerd, gezond, geheel als vroeger!
»Vader! beste vader!quot; riep zij uit, en schreiend wierp zij zich in zijn armen.
Moest een dergelijke ontvangst hem aanvankelijk vreemd voorkomen, ze werd hem weldra verklaarbaar, toen hij bemerkte dat de aanval van Koel en Steven hier reeds bekend was geworden.
»Ze reppen zich toch wel voor havik en ekster te spelen,quot; bromde bij, terwijl hij het hoofdtjen van zijn eenig kind aan zijn borst drukte en streelde.
»Vader, waarom vielen ze u aan? Hadt ge iemant kwaad gedaan?quot;
Stuf ken rilde bij die vraag; zijn lippen trilden, zijn oogleden bewogen zich stuipachtig.
»Vader, ze hebben gezegd, dat u de menschen het hunne ont-â naamt, van dek en goed beroofdet, dat wij hier in overvloed leven van het geld van anderen! Vader, dat is immers niet waar? Ik zou geen droppel van uw wijn, geen kruimel van uw brood meer lusten; ik zou liever dienstbode worden, zoo als Moeder was..
De overspanning had haar den moed gegeven, die haar in de laatste dagen steeds ontbroken had.
»Kind, wie heeft je dien verfoeielijken laster....? Kind, de domme eenden hier weten niet wat zaken zijn!quot;
»Hebt ge menschen te kort gedaan, Vader?quot; vroeg ze, zich in baar volle lengte opheffende.
Zij zag hem strak aan. Haar blik drong hem in de oogen; een duizeling greep hein aan, maar hij riep al zijn wilskracht bijeen. Hij voelde, dat het hier het liefste, het hoogste: bet behoud van de liefde zijns kinds, gold. »Nooit, Lize! ik zweer het je. Wie vertelde je die vervloekte logens? Kornelis toch niet?quot;
»Hij niet; integendeel, hij zou voor u door het vuur gaan,quot; haastte zij zich te zeggen, toen zij een ongewoon licht in Vaders oogen zag bij het noemen van 'sjongelings naam. »Ik dank u, lief.
83
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
lief Vadertjen, dat ik nu de waarheid weet! Nu kan ik het hoofd weêr omhoog heffen, nu gaan we straks het dorp doorwandelen en vizites maken, en een rit doen met, mijn hittewagen, de bleekerij van Vrouw Moes, den winkel van Drosthagen voorbij . .
»Dus die dikke pad is weêr in 't spel!quot; mompelde Stuf ken.
Ze gingen echter dien dag geen vizites maken, niet door het dorp rijden: want Stufken had zware hoofdpijn en lel zich neer in zijn slaapkamer, waarvan hij de deur achter zich sloot.
XI.
Mijnheer Stufken was buitengemeen vroeg opgestaan, na den vorigen avond nog zeer laat aan Lize te hebben opgegeven wat zij den volgenden ochtend te tien ure voor hem had klaar te leggen, 't Was niets minder dan zijn zondagspak: zwart laken rok met breede panden en even breeden kraag, die het achterhoofd raakte, wijde lange pantalon, wit piqué vest, gebloemde das met keurigen strik en hoogen opstaanden boord. Lizes oogen hadden verwondering uitgedrukt, maar geen vraag was over haar lippen gekomen.
Den volgenden morgen echter was zij minder bescheiden geweest, toen vader, die om zeven uur reeds was opgestaan, te tien ure op zijn slaapkamer nog bezig was zich te kleeden en haar verzocht boven te komen, om hem aan den gesp van zijn stropdas te helpen. »Waar gaat u toch heen?quot; waagde zij eindelijk te vragen.
»Een vizite maken aan Reaal, kind! Ik word op Spaarnwou om half twaalf verwacht.quot; Op het laatste woord werd gedrukt.
Lize zou geen Stufkens bloed in de aderen gehad hebben, zoo haar die tijding koel had gelaten. Haar oogen glinsterden; zij wou wel dat het geheels dorp het wist, dat haar vader met Mijnheer Reaal zaken deed. Haar hoogmoed zou nog meer voedsel ontvangen, want Vader voegde aan zijn laatste gezegde nog ter loops toe: »Reaal had bij mij belet gevraagd, maar je begrijpt. . . men moet beleefd wezen.quot; Ze stemde dat toe: maar ze had toch haar hittewagen er voor willen geven, als Vader Mijnheer Reaal te zijnent had laten komen. Hoe meer de dorpsbewoners haar vader hadden zoeken te verkleinen, met des te koortsachtiger drift wenschte zij hem eer en aanzien toe. Vader begreep dat, en nog veel meer. In het hai-t van zijn kind moest de worm van de achterdocht gedood worden en daarom vertelde hij niet de geheele waarheid en maakte hij zich zelfs ten deele aan een logen schuldig..
84
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Mijnheer Reaal had nooit belet bij hem gevraagd; hij daarentegen â wel bij Mijnheer Reaal en ten andwoord bekomen, dat hij precies te half twaalf uur zou worden afgewacht.
»Is nu alles in orde?quot; vroeg hij, zich behagelijk voor den spiegel plaatsend, zoo als Lize vóór haar gang naar de kerk zou doen. waar ze zeker was Kornelis te zien, en van voren, van ter zijde en zoo veel als maar mogelijk was, zich van achteren toekijkend.
»Heel netjens,quot; zei Lize, »maar....quot;
»Welnu, maar?quot;
»Ik zie u altijd liever in uw daagsche pak. Mijnheer Reaal en Mijnheer Nakooper houden er, geloof ik, in 't geheel geen zondagspak op na.quot;
»Je ziet ze niet in stad of aan 't hof; hier denken ze alles te mogen doen.quot;
»En u dan?quot;
Jakob Stufken glimlachte zeer genadig, schudde het hoofd en prevelde, terwijl hij haar een tikjen op de wang gaf: ))Nóg niet, kind! maar 't zal wel komen.quot;
De zwarte kastoren hoed werd geschuierd en opgezet, 't Sloeg elf uur en Stufken was klaar. Hij stapte deftig naar beneden, zijn zwarte glacé handschoenen aan de dikke hand wringend, tegen welke gymnastische bewegingen ze niet bestand bleken te zijn, zoodat Lize naar boven holde om een ander maar reeds afgedankt paar te halen. Dit had de vuurproef doorgestaan en kon dus dienst doen, ofschoon breuk bij breuk, door Lizes naald zoo goed mogelijk hersteld, van den hardnekkig gevoerden strijd getuigde. Vader was reeds op den drempel van de buitendeur, toen Lize met haar flakon hem achterna ijlde en verscheiden druppels op den rood zijden foulard met geele bloemen goot, waarvan een der tippen uit den achter rokzak steken bleef.
Mijnheer Jakob Stufken was op weg. Zoo kalm en rustig als houding en gelaat deed vermoeden, was 't in zijn binnenst toch niet. Hij zag de smidse van het dorp in 't verschiet en de vrolijke knechts, die van spotternij en van grappen hielden. Hij hield zoo veel mogelijk den waterkant en dacht op die wijze onopgemerkt te zullen kunnen voorbjigaan.
Illuzie! Het gedruisch in de smidse hield op. Onwillekeurig wendde Stufken het hoofd: daar lagen een half dozijn zwart gesmookte koppen het raam uit te kijken.
»Paaschpronk! Paaschpronk!quot; hoorde hij schreeuwen en meteen voelde hij een week voorwerp van ter zijde tegen zijn lichten stropdas aankletsen./Uitbundig gelach achter hem! Er kwamen gedachten van bloed en moord in Stuf kens binnenste op! Daar hoorde hij een woedend blaffen achter zich: zij hitsten den grooten werf-
85
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
hond van den smid tegen hem aan, en hg was doodelijk bang: voor groote honden! Hij versnelde zijn pas, maar voelde meteen naar zijn rokspanden. 't Was juist bij tijds; want de groote werf-hond, wiens schranderheid algemeen bekend was, hapte waarachtig naar de tip van den zijden foulard, die zichtbaar was gebleven. Stufken had nog even den tijd het bedreigde voorwerp in den zak te bergen en daarbij de tegenwoordigheid van geest of liever de geestkracht, om den hond, die hij wel met duizend naalden had willen doorpriemen, een vleiend woord toe te spreken. De hond droop af. Maar nu werd hij eerst het onheil gewaar, dat zijn fraaien das weervaren was.
Een rotte appel had das, vest en hemd met zijn onreinheid besmet. Had hij de geheele verwoesting kunnen overzien, hij zou teruggekeerd zijn, niettegenstaande Reaal hem wachtte. De Notaris-meesmuilde wel vreemd, toen hij hem tegenkwam, maar werd dadelijk afgeleid en op gants andere gedachten gebracht, toen Stufken hem mededeelde een hypotheek voor hem te hebben,, groot dertig duizend gulden, en men zag meer vlekken op men-schelijke individuus dan zulke hypotheken op een Notariskantoor.
»Maar. beste vriend! ouwe kondities, hoor! Alles voor het halfjen,quot; zeide Stufken bij het afscheid.
Als nu de lieve schooljeugd nog maar niet op haar terugtocht naar huis was! Hij haalde zijn gouden repetitiehorloge uit den zak; 't was kwartier over elven; de school was dus nog aan. Ongedeerd ging hij dan ook de gonzende bijenkorf voorbij, waar edeler honig werd verzameld dan de schoonste bloemkelk in zich bevat, en eindelijk de brug over der trotsche buitenplaats. Daar, achter een boschjen van bloemhout verscholen, gunde zy zich eenige verademing en gebruikte hij den kostbaren foulard tot vaagdoek. Hoe hij echter ook veegde, hij kon den onaangenamen reuk niet verjagen. »In Gods naam dan!quot; prevelde hij. »Die beroerde prengels! Aangeven zal ik ze! Mij dus te molesteeren!quot; Hij trad, evenwel met een kloppend hart, de steenen trappen onder het balkon op en trok aan de schel. Hij had al den tijd, zich te herinneren, hoe hij in vroeger jaren zelf aan die vestibule als timmermansknecht had gewerkt, en zich daarbij te goed te doen aan het bewustzijn zijner tegenwoordige grootheid, want de domestieken waren niet gewoon met spoed te openen. Mocht men in een burgerhuishouden van een tegenovergesteld gevoelen zijn, in een deftig gezin als dat van de Reaals was spoed in dergelijke gevallen een gruwel. Stufken had reeds twee minuten gestaan ea nog kwam er niemant. Zou hij nogmaals schellen? Maar dit paste hier niet Weder ging een minuut voorbij. Daar zag hij een livrijknecht naderen, maar deze ging, na een blik op den bezoeker terug, en riep een mindere â niemant anders dan Hein, die juist
86
HKT GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
van het schoenenpoetsen was afgeroepen en zich haastte de glazen buitendeur te openen.
»TJ hier?.... Begrepen!quot; fluisterde Hein met een blik van verstandhouding.
»Ik wensch Mijnheer Reaal te spreken. Mijnheer wacht me. Je hebt toch niet gebabbeld, Hein?quot;
i.Dat kun je begrijpen! Hier drupt het stuivers en bij u regent het zesthalven. Geen vrees, hoor!quot; hernam Hein in de gauwigheid, terwijl hij met zijn volle stem de begeerte van Mijnheer Stufken verkondigde, wat de bovenkeukenmeid aanleiding gaf tegen de eerste linnenmeid te zeggen, terwijl zij de ooren dicht hield, dat dergelijk volk toch niet in dergelijke buizen hoorde, maar veeleer in een stal. Het gevolg van Heins tusschenkomst was toch zooals Stufken dat wenschte, want de eerste huisknecht liep de met tapijten bedekte trappen op en kwam na vijf minuten â gedurende welken tijd Stuf ken op de vloermat had moeten vertoeven â beneden met de boodschap: U kunt boven komen,quot; terwijl op zijn gezicht daarby te lezen stond; »waardeer het, dat ik zelf je dat kom zeggen.quot; Hij wees met een vinger naar boven, voegde in der haast er bij; Ȏen hoog, links omdraaien en dan rechts de tweede deurquot; en verdween.
»Jawel,quot; bromde Stufken. »Denkt de kaerel misschien dat ik niet weet wat een eerste »etasequot; beduidt?
Hij was boven en liep voort. Hij was in een gang waarop verschillende deuren uitkwamen. Hij was het links omdraaien vergeten en had alleen onthouden dat hij de tweede deur rechts moest openen. Van bescheiden aankloppen, ook al werd men verwacht, had hij nog niet gehoord; derhalve deed hij de deur, die hij voor de rechte hield, maar in eens open. De kreet, die hem daarbij uit het vertrek toeklonk, deed hem echter op den drempel schier verstijven.
tMon dieu! au secourshoorde hij roepen, terwijl hij in een witte wolk een bleeke vrouw uit een grooten leunstoel opvliegen en een andere vrouwelijke gedaante uit een hoek naar hem toe zag schieten. Sneller dan hij binnen was gekomen, was hij weêr buiten, na de deur achter zich dicht gesmeten te hebben. Daar klonken verschillende schellen achter hem, op zijde, vóór hem; er was beneden een verward geluid, een steeds aangroeiend ge-druisch van stemmen en voetstappen. Hij voelde dat hij kippenvel kreeg. Vervloekte geschiedenis! Hij was bij Mevrouw geweest in plaats van bij Mijnheer, een vergissing, die hier al zeer misplaatst was. Toch begreep hij in veiligheid te moeten zijn. eer de bedienden naar boven stormden. Hij besloot nu in allerijl al de deuren te openen, die in den gang uitkwamen; hij koos de dichtstbij zijnde tot een proef uit. Met een ruk draaide hij de
87
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
kruk om en voor hij het zelf nog wel wist, stond hij voor Mijnheer.
»Wat is dat?quot; klonk het hoog, zeer hoog ja ontzachelijk hoog. »Wat gebeurt hier toch?quot;
»Ik .... was .... verdwaald .... het huis is ook zoo groot,quot; stamelde Stufken, die in zijn schrik en verwarring zijn voornemen, om zich over niets verwonderd te toonen en niets te bewonderen, dadelijk prijs gaf.
»Men wacht tot er binnen wordt geroepen,quot; zoo luidde de tweede straffe opmerking.
»Ja wel, maar.... verexkuseer me duizendmaal, Mijnheer! ik geloof, dat ik Mevrouw in haar morgenjapon, of iets anders....quot;
»Genoeg; je bent dus nu te recht,quot; zei Mijnheer, terwijl hij majestueus met de hand wenkte. Hij ging in de voltaire zitten. »Welnu? Je wildet me spreken? 'k Moet je zeggen dat ik niet veel tijd heb.....quot;
»'k Zal kort wezen. Mijnheer! Mijnheer weet dat ik Ingeland ben.quot;
»Ja wel. Als je land op erfpacht noodig hebt, dan deedt je een vergeefsche reis. Hoofdingelanden geven geen land op erfpacht meer uit.quot;
»'k Heb er van gehoord! De Heeren hadden kostelijk gelijk dat brutale wijf eens te recht gezet te hebben. Dat vrouwmensch durft maar alles vragen. Ik heb de Heeren »prefektquot; gelijk gegeven. Ze heeft woorden durven zeggen, waarvan ik proces-verbaal zou hebben opgemaakt, als ik Burgemeester was geweest.quot;
»De Burgemeester is pas herbenoemd; er is dus van een nieuwen geen kwestie,quot; viel Mijnheer in, die een oogenblik dacht dat hij een kandidaat voor dat ambt voor zich zag. Hoofdingelanden hadden het recht van voordracht.
»Ik vervrije me daarvoor dan ook nu nog niet mij aan te bevelen,quot; hernam Stuf ken met een diepe buiging. »Wel bejammer ik het, dat de Heeren hier niet door een beteren schout gediend worden, 't Kon hier beter gaan dan het gaat.quot;
»Ik kan begrijpen dat je dat denkt. Je hebt in 't dorp al zoo vele ambachten gehad, niet waar?quot;
»Om u te dienen. Mijnheer! Maar ik wilde u over geheel iets anders spreken,quot; zei Stufken, die nu maar van de dorpszaken afscheid wou nemen. »Ik heb mij vervrijd hier te komen om te spreken .... over .... Mijnheers belangen.quot;
»Zoo!quot; Mijnheer mat hem van het hoofd tot de voeten. »En wat denk je wel dat mijn belangen zijn?quot;
»In deze: het bezit van de hofstede Langelaan, met haar veertig bunders best toegemaakt wei- en teelland en stalling voor zeventig stuks vee,quot; andwoordde Stufken, die nu op vasten bodem, het
88
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
terrein zijner zaken, stond. »Die hofstede paalt aan de uwe, heeft een overweg over de uwe en het recht, het hooi over Mijnheers landerijen weg te rijden. Daarbij komt nog, dat Mijnheer door verkeerde voorlichting van zijn rentmeester een deel zijner nieuwe boerderij heeft gebouwd op een stuk grond, waarvan de helft aan lt;Je hofstede Langelaan behoort, 'k Heb 't bij den hypotheekbewaarder wezen nazien, Mijnheer!quot;
«Waar bemoei jij je al niet mee!quot; riep Mijnheer driftig uit. 't Is meestal dom driftig te worden, maar hier was het dat in hooge mate. 't Wa,s dan ook het eerste genoegelijke oogenblik dat Stufken van daaij beleefde.
»Ik kom in Mijnheers belang immers hier, zooals ik zei. Jongens!quot; en hier kneep hij het eene oog dicht, »'t moet heel wat waard wezen die hofsteê te bezitten. Wilt u koopen? Er is gelegenheid.quot;
»Gelegenheid ? De kaerel, die er op woont is een kwast.quot;
»Ja, maar kwasten krijgt men onder de knie als er geldgebrek is.quot;
»18 er dat?quot;
Stufken haalde een paar vuile gezegelde papiertjens uit zijn brieventasch; twee promesses, te zamen groot vijf en twintig honderd gulden, behoorlijk van nonbetaling geprotesteerd.
»En de vent zette altijd zoo'n hooge borst.quot;
»'t Zijn altijd niet de sterksten die dat doen,quot; zei Stuf ken, wien het daarbij heerlijk te moede was, want hij kon den trot-schen banjert tegenover hem eens een bakerspeldenprik geven.
»Hij vroeg een bespottelijken prijs.quot;
»Dus je hebt er al op geboden,quot; dacht Stuf ken.
»Hij maakte misbruik van zijn pozitie.quot;
»Dus je weet dat zijn pozitie nog al sterk is,quot; dacht Stufken. »Hoeveel vroeg hij dan wel?quot; waagde hij luid te vragen.
»Vijftig duizend gulden en dan nog een lijfrente.quot;
»Niet onaardig. Voor vijftig duizend kunt u van mij koopen zonder lijfrente.quot;
»Dank je.quot;
»Als Mijnheer 't niet doet, dan moet Mijnheers nieuwe boerderij afgebroken worden.quot;
»Ik zal weten wat mij te doen staat en laat mij niet voorschrijven hoe ik te handelen heb.quot;
»Tóch wel. Het kadaster wijst het aan. Mijnheer heeft zich laten beet nemen; Mijnheer heeft gebouwd op een ander mans grond.quot;
»Dat gaat je niet aan, dunkt me, zoo lang die grond een ander behoort.quot;
5gt;Als ik wil dan is die grond mijn,quot; terwijl Stufken dit zei
89
90 HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
klopte hij op zijn rood leêren portefeuille, waarin onder meer d'©' bewuste twee promesses verborgen waren.
Mijnheer bleef een oogenblik den gewezen timmermansknecht^ die, als heerenploert verkleed, voor hem stond, met verbazing; aanstaren.
Stufken vervolgde: »Die man en zijn goed zijn mijn zoodra ik het wil. Ik heb den vogel in de kooi, den doffer in den til. Toert niemant hem helpen wou heb ik hem geholpen .... op goed vertrouwen .... zonder waarborg .... onder praesumtie van eerlijkheid, niet vreezende eenige malversatie of impudentie.quot;
»Tegen hoeveel percent?quot; vroeg Mijnheer ontzachelijk hoog.
»Dat is de kwestie niet. Ik heb hem geholpen en dat had Mijnheer niet gedaan. Die man is mijn; want hij kan me mijn geld niet teruggeven, en dat is malhonnet.quot;
»Waarop je gerekend en gehoopt hebt, schacheraar lquot; riep Mijnheer ten hoogste verbitterd.
Het bloed vloog Stuf ken naar het hoofd; zijn lippen beefden en een zonderlinge glimlach gleed over zijn gelaat. »Ik schacher in vast, een ander in roerend goed: ik in boerderijen, een ander in vlee sch.quot;
»Je hebt nu, geloof ik, begrepen dat ons gesprek kan eindigen,'* viel Mijnheer in met eenigzins trillende stem.
»Neen, dat heb ik niet begrepen,quot; hernam de ander, die hoe-langer hoe stoutmoediger werd. »Dus Mijnheer wil 't niet koopen voor vijftig duizend? welige landouwen, stinkend, als ik het zoozeggen mag, van vettigheid?quot;
»Neen, ik zeg je, neen!quot; Meteen greep Mijnheer het schelkoord en schelde.
»Als ik nu eens eigenaar van Langelaan was geworden.... uit de hand'tquot;
»De man heeft dadelijk geld noodig, zeide je immers zelf, zeker meer dan je baar in de kist hebt. Green grootspraak met me!quot;
Stufken hoorde een haastigen stap op den trap, zeker die van den huisknecht, die vernemen kwam wat Mijnheers begeeren was. Hij had nog maar weinige oogenblikken, maar hij zou ze gebruiken.
»'t Is waar ook, ik heb u nog de groetenis te doen van een lief kind, dat om zekere reden hier van daan is gezonden. Van Klara van Ommeren,quot; zeide hij koel, maar met gedempte stem.
j»Wat is dat?quot; vroeg Mijnheer snel; maar bedaarder, zelfs onverschillig vervolgde hij: »Zij is hier in de buurt, niet waar? â 't Hoeft niet, Hendrik!quot; klonk het tot den knecht, die brommend terugging. »Hoe maakt het lieve kind het? Ik verloor haar sinds een paar weken uit het oog. Waar is ze?quot;
»Onder den koop van de hofstee is het and woord begrepen.quot;
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»'t Is wel; 'k heb thands meer dan genoeg van die onbeschofte manieren. Wat scheelt bet mij waar dat kind zich bevindt!quot;
»Een mooie meid, een lief bekjen! Komaan, Mijnbeer, zoo'n paar oogen beeft je zeker wel eens meer geld gekost; 't zat in de heele familie. Acht en veertig duizend.. .
3gt;Ik verzoek je been te gaan.quot;
»Toeb niet zonder bod. Mijnbeer Reaal! Ik wil eens wijzer wezen dan je zelf. U wilt de boerderij koopen en mooi Klaartjen zien.quot;
»Nu dan, vijf en dertig duizend gulden.quot;
»Dat 's dertien duizend te weinig.quot;
y'k Zal me eens bedenken en bet goed laten opnemen. Het meisjen is.....?quot;
»Zoodra wij het eens zijn over het goed, zijn we 't over 't meisjen ook â ik geef u vier en twintig uur bedenktijd.quot; Stufken greep zijn hoed, streek dien glad, maakte een bespottelijke strijkaadje en keerde zicb naar de deur.
»Ik kom op tot veertig duizend.quot;
»Dat's acht duizend te weinig.quot;
»Loop naar den Satan!quot;
«Onderdanige dienaar!quot; zei Stufken, werkelijk zeer onderdanig en verdween.
Als Stufken heel onderdanig was, dan voelde hij zich tevreden gestemd. Hij bad dan ook reden dat te zijn. Reaal begreep zeer goed, dat bem de hofsteê paste. Hij zou nu zeker achter Stuf ken om met den eigenaar willen onderbandelen, maar dit zou niet gaan, want Stufken was werkelijk reeds kooper geworden voor vijt en dertig duizend gulden en zou binnen weinige dagen betalen. Hoe zou bij echter zoo dadelijk aan bet geld komen? Wat hij bezat was in goederen en in voorschotten vastgelegd. Maar dat alles had bet schrandere brein reeds vooraf overwogen en bij zou zich het noodige fonds verschaffen, zooals hij zich dit reeds meermalen, maar nooit op zulk een grootsche schaal, verschaft had. Die Kornelis was een kostbare aanwinst: bij en Hein maakten een schoon geheel uit. Kornelis stelde een blind vertrouwen in zijn patroon en bad bem werkelijk lief. Stufken moest ook zeggen, dat hij 't aan den jongen verdiende en nam zich voor, bem niet Kermis tien gulden als gratifikatie toe te leggen. Als de jongen zich nu goed hield kreeg hij misschien wel meer.
Thuis gekomen was bij meer dan gewoon vriendelijk jegens hem. Deze. daardoor aangemoedigd leidde het gesprek op Lize. »Nu of nooit!quot; dacht bij. de waarschuwing van het meisjen vergeten of haar niet het gewicht toekennende dat ze zeker wel verdiende. Hij noemde haar naam. Waarom was die naam Stufken dit oogenblik een wanklank? Hij herinnerde zich eensklaps de
91
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
dochter van Baas van Ommeren, een kind, nagenoeg van den leeftijd van zijn kind ! .. .
»U heeft me beloofd me vooi-t te helpen. Mijnheer!quot;
jgt;Zeker, maar gehoorzaamheid en eerlijkheid in alles, mijn jongen!quot;
»In alles. Mijnheer! Ik heb dus vooruitzicht...quot;
»Op een aandeel in mijn zaak, op mijn geheele zaak, maatjen, als ... als ik geen schoonzoon krijg die me aanstaat.quot;
»Als ik ... die schoonzoon eens mocht worden ...quot;
»He?quot; De verrassing was zoo groot, dat hij zijn zelfbeheer-sching bijna verloor. Maar hij herstelde zich; want aan Kornelis' kleur en ontsteltenis merkte hij, dat het hier meer dan een jongelingsdroom gold, dat hier eene werkelijke genegenheid bestond, die misschien, ja zeker, reeds beandwoord werd. Uilskuiken die hij was! Dat hij daarvan niet eer iets bespeurd had!
»Ei zoo! En Lize .... ? Ze weet er nog niets van?quot;
»Alles, Mijnheer!quot;
»Zoo zoo. Ik zal er over denken, mijn jongen! Ik heb niets tegen je, dat weet je wel, maar 't is een zaak van gewicht. Wacht nog wat, hoor! Zeg Lize niet, dat je met me gesproken hebt. Ik zal eens zien of je dat zwijgen en dus een geheim kunt bewaren. En nu, maatjen, heb ik een aardig werk voor je. Je kent Jakob Iwema, ook wel genaamd Steven Iwema, landbouwer te H?quot;
«Heel goed, Mijnheer! Maar ik wist niet dat hij ook Steven schreef.quot;
»Die man heeft dertig mille noodig.''
»Dat wil ik wel gelooven; onze Hein ook,quot; zeide Kornelis. ^Bespottelijk!quot;
»Hij heeft veertig bunders best weiland liggen in de provincie Utrecht,quot; hernam Stufken strak. «Beredder jij eens dat zaakjen waar wat voor je op overschiet. Laat je ouden patroon een pro-kuratie op jou opmaken en Iwema doen overkomen om te teekenen; vóór dat Jakob, ook genaamd Steven, dat echter doet, wil ik hem nog wel eens spreken, 't Is de eerste zaak, die je op touw zet. Er zullen er meer volgen. Je ziet wel, dat ik het goed met je voor heb.quot;
Kornelis knikte bevestigend en haastte zich, eenigzins beschaamd omdat hij weder zoo verkeerd had geoordeeld, naar den Notaris, wien hij de gewichtige akte opgaf. De oude vos â als zoodanig wou hij gaarne gelden en liet hij zich betitelen, wat niet anders dan gunstig op zijn praktijk kon inwerken â gaf hem te kennen, dat hij Steven Iwema niet kende en dus twee getuigen noodig had om de identiteit van Jakob en Steven te bewijzen. Die twee getuigen waren dadelijk gevonden en zouden Kornelis en Hein zijn. De aanvraag, om het belangrijk voorschot tegen hypo-
92
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
thekair onderpand, werd dienzelfden dag door Kornelis ingezonden aan de Landbouwbank met de taxatie, door Hein als deskundige geteekend, die ten dien einde zich naar de provincie U. had begeven en daarvoor twee dagen reis- en verblijfkosten berekende, waarvan een verklaring in behoorleken vorm door hem geteekend was; welk stuk door Stuf ken, zonder dat Kornelis het bemerkte, in het koevert werd gestoken met een briefjen tot aanbeveling, daar hij. Stuf ken, Steven Iwema voor een »uiterst soliedquot; man hield, »van welke mededeeling,quot; zooals hij schreef, »zonder mijn prejudicie gelief gebruik te maken.quot;
Op grond der uitgebrachte taxatie en der gunstige aanbeveling werd het voorschot verleend. Voor dat Iwema naar den Notaris ging om de notarieele volmacht op Kornelis te doen opmaken â welk stuk noodig heette omdat de oude man zoo zelden van huis kon en zoo moeielijk schreef en dus in 't vervolg de noodige wissels liever door een gevolmachtigde geteekend zag â kwam hij naar Stufkens wensch op diens kantoor. Wat daar onder vier oogen fluisterend behandeld werd, bleef altoos een geheim. Toen zij scheidden en Stufken den oude de handen drukte, zeide gene op innig zoeten toon: »Je noemt je ook wel Steven, hoor! Je hebt geen titels van eigendom, maar hebt je veertig bunders al meer dan dertig jaren rustig bezeten, hoor!quot;
»Bestig; en wanneer mijn vijf zeeuwen?quot;
»Als je straks weêrom komt, na de prokuratie geteekend te hebben. Ik zal je nog wel eens meer kunnen emplojeeren.quot;
sMijnheer heit maar te kommandeeren.quot;
»Dag, beste vriend! stoot je hoofd niet. 't Is hier in 't portaal nog al donker,quot; klonk het den ouden boer vleiend toe, terwijl Stufken hem binnen door uitliet, 't Was of de boer uit het woonhuis kwam en voor Mijnheers keuken was geraadpleegd.
Binnen acht dagen kwam er een aangeteekende brief met dertig duizend gulden aan bankbilletten. »Teeken dit even, mijn jongen!quot; zei de patroon tot Kornelis, die juist in het drukst van zijn werk was. 't Was een kwitantie, waarbij de jonkman verklaarde als gemachtigde van Steven Iwema bovenvermelde somma uit handen van den Heer Stufken als Agent der Landbouwbank ontvangen te hebben, en de jonkman, die voor zijn patroon en aanstaanden schoonvader wel door een vuur had willen loopen, teekende zonder te lezen.
Twee dagen later had Stuf ken de koopsom van Langelaan betaald.
Mijnheer Reaal had middelerwijl ook niet stil gezeten. Toen hij van de tegenwoordigheid van den gemeenen man bevrijd was, bleef hij eenige oogenblikken in gepeins neerzitten. Waar Klara zich bevond had de schacheraar niet willen ontdekken; maar wat
93
94 HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
licht ging hem plotseling op! De vent was zeker naar de streek gegaan, waar Langelaan lag; hij had daar het kind gezien en in die streek woonde de Douairière van Wulven, een verwante zijner vrouw. Zijn tedere wederhelft was zeker meé in 't spel en had het wild daar doen schuilen. Beminnelijke zorg! Hij liet inspannen â en toen hij weêr thuis kwam had hij zekerheid aangaande twee feiten: Stuf ken was hem te gauw geweest en had Langelaan zoo goed als gekocht en Klara was domestieke bij de Douairière. 1t Was in den namiddag van dien dag, dat hij Baas van Ommeren verbaasd en beangst had door hem van logen te beschuldigen.
XII.
vMon ami, weet ge ook boe de wind is?quot; vroeg Mevrouw Reaal aan haar echtvriend bij het dejeuner dat zij, het eerste sinds haar terugkomst op Spaarnwou, met haar tegenwoordigheid vereerde. Zij had haar profond négligé waarin zij meest rondwandelde, afgelegd en voor een betrekkelijk zeer elegant morgen toilet verwisseld. De anders zoo lijdende trek op haar gelaat had plaats gemaakt voor een, welke van opgeruimdheid getuigde, en niets zou dit oogenblik haar langdurige krankheid herinnerd hebben, zoo niet een sterke lucht van spiritus van haar was uitgegaan, terwijl zij de boven vermelde vraag deed en zich naar de voltaire haars echtgenoots heenboog.
»Vlak noord,quot; zeide Reaal, die wel verrast was, maar daarbij een voorgevoel had van een terugkeerende tederheid, waarvan hij de reden meende te kunnen bevroeden. Zij dacht het sohoone tuinmanskind voor goed verwijderd, en hij, die baar geheim ontdekt had, voelde dit oogenblik geen rancune meer tegen de oorzaak dier verwijdering.
»Het haantjen aan den windwijzer wees toch van morgen anders en mijn pijnen zijn van daag te dragen. De dokter heeft mij goei geraden: kamergymnastiek had ik noodig. Ge zult het misschien wel vreemd hebben gevonden, dat ik de laatste dagen ieder half uur de kamer zesmaal op en neêr liep.quot;
Mijnheer had niets vreemd gevonden, want hij had niets opgemerkt ; toch knikte hij toestemmend. »Dat geschiedde op 's dokters raad. Was de man maar niet zoo'n materialist, Henrick!quot;
»Is hij dat?quot;
»quot;t Is waar, ge hebt een gezondheid, die door niets gedeerd wordt, en als hij om mijnentwil hier is, spreekt gij hem nooit.quot;
»Een dokter hoort alleen bij de zieke. Er gaat meest zoo'n
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
â odeur van medicijnen van hem uit, dat ik ten minste hém wel ontwijken moet. Is hij zoo'n materialist?
Als men Mijnheer gevraagd had wat dat eigenlijk was, dan zou hij misschien gebelgd zijn geworden en niets hebben geand-woord wat voor Mijnheers waardigheid zeker nog het best ware geweest.
»Naar den onverschilligen toon te oordeelen, waarop ge dit zegt, zou ik moeten gelooven dat ge dat zoo zwaar niet tilt. Henrick, merkt ge er dan niets van, wat vreeselijke tijden wij beleven, hoe het ongeloof toeneemt? In Duitschland fluistert men reeds dat het Christendom een mythe is. Juist zoo als in Noachs dagen. Wij zullen toch, naar ik van den Heere bid, in de arke der behoudenis kunnen worden opgenomen eer de sluizen des hemels â¬n van den afgrond worden geopend.quot;
»Een plezierig déjeuner!quot; dacht Mijnbeer, die waarlijk over geloof en ongeloof nog weinig had nagedacht, maar het eerste niet benijdbaar achtte, indien ten minste dat, wat zijn echtgenote bezat, het geloof heette. Natuurlijk bleef die gedachte in het; diepste diep zijns harten verscholen. »Lieve, geef me nog een kop thee! Ik heb nog eenige stukken voor de Tweede Kamer na te zien.quot;
Mevrouw perste de fijne lippen saam en zuchtte. Mijnheer had die zucht gehoord en wilde weêr goedmaken wat hij door zijne onverschilligheid bedorven had. »Constance,quot; zei hij met werkelijke bonhommie, »al is die dokter ook een materialist, hij is toch knap, want ik zag je in langen tijd niet zoo rayonaant.quot;
fRayonnant? naar de ziel misschien, Henrick! maar naar het lichaam waarlijk niet. Het laatste begeer ik ook niet meer. Het lichaam is niet meer dan het leemen vat, dat de essence in zich sluit. Het vat moge broos zijn, toch heb ik de vaste zekerheid voor mijne konsciëntie dat de essence een welbehagelijke reuke is voor den Heer.quot;
Mijnheer stond op. Eigenlijk viel er met zijn vrouw niet te diskoereeren, en 't was jammer voor haar en ook voor hem, dat hij gelijk had.
»Weet ge echter wat me zoo rayonnant, naar uwe opvatting, doet uitzien?quot; vervolgde zij met een lichte toonnuance, toen ze haar echtgenoot zag opstaan. »De Heer gaf mij de gelegenheid om nuttig te zijn. Ik ben het zoo weinig: mijn zwakte laat het meest niet toe. Hebt ge niet den vroegeren strooper in ons huis gezien ? Hein de looper wordt hij genoemd: een groot zondaar, maar die om den wille van zijn vrouw en kinderen genade dient te vinden in onze oogen.quot;
»Hebt gij dien in dienst genomen? Ik herinner mij dien man.quot;'
»Henrick, het deed mij goed te hooren, dat gij óok in stilte wel deedt, of ten minste het wildet doen.quot;
95
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEKEN.
3gt;Wat meent ge?quot;
»Ik heb uw geheim geraden; de goede Betsy vertelde mij alles.quot;
»Die goede Betsy!quot; zei hij met eenige ergernis in zijn stem. »Ik wilde je juist verzoeken, Constance! dat schepsel de dienst op te zeggen. Ze stookt tweedracht tusschen man en vrouw; ze ziet telkens voorbij dat ik de heer des huizes ben.quot;
x.Henrick, zij heeft mij juist de ware reden verteld van uw hei-haalden gang naar de zanderij; hoe dat loszinnige kind van onzen tuinbaas niet meer dan je hand was in het uitreiken van aalmoesen aan de arme verlaten vrouw van dat losbandig schepsel, dat nu 's morgens ons brood eet. Vindt ge, dat dit tweedracht stoken is?quot; vroeg zij met bevende stem.
Wat was dat? Mijnheer schemerde het voor de oogen. Had de kamenier dat verteld? Had zij werkelijk den argwaan zijner vrouw op die wijze doen bedaren? Daar stak zeker weêr wat achter! De listige slang zou niet voor niets zich telkens in een hinderlaag hebben gelegd! Nu kon hij niet op hare verwijdering aandringen; want deed bij dat, dan zou hij zelf te kennen geven dat zijn betrekking tot dit kind een andere was.
sToch vind ik het meer dan ongepast, dat dus mijn gangen worden nagegaan,quot; zei hij strak en scherp.
»Betsy verried een geheim uit christenplicht; want de doodzieke vrouw moest gelaafd, de kinderen der woestijn verzorgd en opgevoed worden. Na het vertrek van dat meisjen heeft haar moeder namens u dekking en kleêren gegeven; maar dat's niet alles, dat's niet het meeste. Die kinderen kennen God noch zijn gebod. Ik zal daarin voorzien, ik alleen kan dat, Henrick!quot;
»Dat is goed, zeer goed! Dat zal je meteen wat afleiding geven.quot;
Afleiding, alleen afleiding? Neen, de klove tusschen de beide echtelingen was nog niet gedempt, kon het misschien nooit worden. Zij was er overtuigd van, en Betsy versterkte haar daarin, dat het hier een roeping Gods gold om moeder te zijn van die verwaarloosde kleinen. Zij zou niet alleen geld geven, om de naaktheid der armoede te bedekken, om den feilen prikkel van der. honger te verstompen; zij zou opvoeden, onderwijzen door woord en daad, door leering en voorbeeld, en Henrick beschouwde dat alleen als een afleiding, zooals een jacht- of vischpartij voor hem was! Het was of weder een ijskoude wind over de ontbijttafel heengleed Mevrouw zag naar de welbekende chdle om. Mijnheer naar de deur, die hij reeds achter zich dicht geslagen wenschte. Constance bemerkte het. Zij aarzelde een oogenblik, maar trad toen op hem toe, vatte zijn hand, keek hem in de oogen, trok hem naar zich toe en drukte hem een kus op de lippen. »Henrick, vergeef mequot; fluisterde zij, »ik heb u ditmaaal verkeerd be-
96
HET GEZIN VAN BAAS TAN OMMEREN.
oordeeld. Zeg, mon ami! willen we onze buurtjens niet eens zien? Je houdt van diners. Wij recepieerden nog niet.quot;
kHeel goed, Constance! Schik dat zooals je dat het best vindt. Reeds van te voren alles geapproeveerd. Adieu! Hebt ge ook lust straks te gaan toeren? Laat dan maar inspannen! Adieu!quot;
Weg was hij en hij dankte er al de goden van den Olympus voor. Nooit had hij zulk een zedelijke nederlaag geleden; nooit was hij zoo bevreesd geweest voor de blikken zijner vrouw. Zij had hem ditmaal verkeerd beoordeeld en hem met hare jaloezy vervolgd, zoo zeide ze. Zij wilde vrede, zij wilde het verleden vergeten; zij had behoefte aan hem. Zou hij niet den tweeden stap doen, nu zij den eersten deed? 't Was toch een goede vrouw! Goed? Ja, dat was ze, maar erg vervelend ook. Altijd ziek en zwak, en hij was zoo gezond en sterk! Bovendien had zij zijne genegenheid niet noodig, daar zij immers in den Heere leefde? Al te met drogredenen, die hij zich opdrong en waarvan hij toch zelf de weinige waarde erkende! Hij kon het in de eenzaamheid van de boekenkamer niet loochenen, dat zij hem was nader getreden, dat zij liefde vroeg . . . Daar trad weder het heerlijk kopjen van dat lieve jonge frissche kind voor zijn oogen, de betooverende zachte oogblik, daar hoorde hij haar zilverreine stem! Hij trachtte die verschijning te verwijderen; hij wilde haar nu niet zien en hooren. Dat was reeds een begin van terugkeerende zedelijke kracht. Maar ook in dien strijd zou hij de nederlaag lijden. Wat was de oorzaak, zoo peinsde hij, dat Constance zich straks zoo gosdig toonde? Werkelijke genegenheid? Bah! Zij dacht haar doel bereikt; zij dacht het schoone kind voor goed verwijderd; zij hield zich overtuigd dat hij het spoor van het kostelijk wild voor goed verloren had! En nu gaf zij als vergoeding haar tee mende zedespreuken en haar bleeke liefde in den Heere! Haar wil was geschied en nu was zij goed geluimd.
Intrige tegen intrige! Naar buiten was nu de vrede hersteld en dat mocht wat hem betrof zoo blijven.
Hoe weinig begreep hij zijn vrouw in dezen oogenblik!
Een zucht ontglipte haar toen hij verdwenen was. Zij voelde zich verstooten, niet met de spitse woorden van den toorn, die bedaren kon en alsdan berouw gevoelen, maar met de kilte der onverschilligheid, en onverschilligheid is de dood voor tederheid en liefde.
97
Zij gevoelde thands, dat ze voor haar echtgenoot nooit veel was geweest. Zij wilde bekennen, dat de oorzaak daarvan niet alleen aan hem was te wijten. Meer nog: zij wilde daarvan belijdenis doen; zij wilde herstellen, en de wil daartoe reinigde haar in eigen oog van menigerlei vlek. Zij had Eeaal lief. Zij had hem altijd liefgehad, niettegenstaande de vele overtredingen zijner echtelijke verplichtingen; en de droefheid, ja de ergernis daarover had
7
BAAS VAN OMMEREN.
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
haar de steile rechtzinnigheid en de medische fakulteit in de armen gevoerd. Gekwetste trots deed haar verkwikking zoeken aan dezelfde bron, waaraan de onontwikkelde en onbeschaafde Griet in haar zedelijke armoede zich trachtte te laven. Kon zij voor haren echtgenoot niet alles zijn dan zou zjj 't voor haren God pogen te worden, onder wiens bijzonder toezicht zij zich van lieverlede gesteld waande te zijn. Kon het anders dat zij een dergelijke toevlucht zocht? Ware haar echt gezegend geworden, zij zou in de vervulling harer moederplichten niet alleen gezonden arbeid maar ook loutering hebben gevonden. Kinderen .. .! Hoe dikwerf had haar een aêmachtig verlangen naar zulk een zegen vervuld! Kinderen, die het beeld des vaders droegen en wier ontvankelijk gemoed zij de edelste indrukken mocht schenken; kinderen, wien zij meer dan het bloed van haar bloed, het vleesch van haar vleesch, wien zij den geest van haar geest geven, wien zij zich zelve ten offer mocht brengen! Een traan trilde haar in het oog en drupte op de fletsche wang neer. Al haar schatten voor een kind, zoo als die havelooze vrouw in de heidekeet er zoo vele had! Arm, maar dan moeder, dan misschien bemind door haar echtgenoot; het scheen haar dit oogenblik een zaligheid toe, de voorwaarde voor het eigenlijke leven! De goede Betsy! Deze wist wat angel haar in het hart stak en had haar die kinderen toegevoerd. Betsy had haar een bevredigende verklaring gegeven van de sympathie, die er tusschen Reaal en dat kind bestond: 't was ditmaal geen schuldige hartstocht geweest, maar de samenspanning van een kind en een gedesoeuvreerd man, die nobele aspiraties had. Maar wat dat kind en die man niet konden doen, dat zou zij vermogen. Zij zou moeder zijn over die kleinen; zij zou ze verwarmen, koesteren en opkweeken. In die richting lag haar toekomst, lag wellicht nog het geluk.
De dokter kwam en vond haar tot zjjn niet geringe verbazing niet klagend of mat; hoorde geenerlei klachten over eigen lichamelijke zwakheid, geenerlei verzekering van eigen geestelijke kracht. Zij vroeg geen nieuwe medicijnen, geen hygienische voorschriften; zij weidde niet uit over hare bevindingen en wierp geen orthodox peillood uit in zijn heterodoxe ziel. Zij sprak veel meer over anderen. Zij zond hem naar de hut van Hein den looper en vroeg zijn voorlichting hoe het best verder met dat huisgezin ware te handelen. In zijn bijzijn vroeg zij om hoed en doek, en tegelijk met hem daalde zij den wenteltrap af zonder zich aan de mahoniehouten leuning te steunen.
»Die wordt gezond,quot; mompelde de dokter, toen hij den weg naar het dorp en zij dien naar de heide had ingeslagen. »Die wordt gezond of... nog zieker dan zij ooit is geweest.quot;
98
HET GEZIN TAN BAAS VAN OMMEREN.
XIII.
Er was diner op Spaarnwou. Tal van waskaarsen brandden in de vestibule en spreidden een betooverend zacht licht over de fijne tropische gewassen, welke daar met smaak stonden gerangschikt. Koetsier en palfrenier, dienst doende als huisbedienden, hielpen de twee lakeien keur van spijzen aandragen. Allen waren in groot tenu; rok en broek van geel laken met scharlakenroode biezen geboord, vest van dezelfde roode kleur, terwijl aan den hoed van ieder hunner een kam van de zuiverste oranjekleur was vast ge-â hecht. Jozua had eens voor het gantsche huis Israëls betuigd: Wat mij en mijn huis betreft wij zullen den Heer dienen, Jonkheer Reaal deed niet minder wat de dynastie betrof, die hij, zonder het te weten, de grootste ondienst bewees door de domste eeredienst.
In de groote zaal, door drie ramen uitziende op de vijvers van de achterplaats, zaten de gasten vriendschappelijk bijeen. Allen, het behoeft eigenlijk geen vermelding, behoorden tot de coterie van het geslacht Keaal en alzoo tot de eerste geslachten van Holland wat patricische geboorte betreft: geslachten, die het recht hadden Mijnheer Nakooper van Beerensteyn als een soort van indringer te beschouwen en als zoodanig niet meer dan te dulden.
Gastheer en gastvrouw recipieerden op hun buiten en vervielen niet in den wansmaak der rijk geworden parvenuus, die hun landhuizen opsmukten en overlaadden met meubels, welke alleen in de zaal van het stadshuis behoorden. Een zeer eenvoudig koehairen kleed dekte den vloer, een even eenvoudig papieren behangsel den wand. Op den schoorsteenmantel stond een ouderwetsche witmarmeren pendule, met verguld koper versierd en door een glazen stolp voor stof beveiligd; aan weêrszij daarvan stond echter nu, in plaats van de ouderwetsche bouquet onder stolp, een zilveren luchter, elk met drie waskaarsen. Het verder ameublement was met een en ander niet in strijd. Het bestond uit een divan, waarvan de mollige, maar met gewoon meubelchits overtrokken, kussens tot rusten verlokten; uit een zwaar eikenhouten buffet, zooals in de 17e eeuw de machtigste onzer burgerkoningen bezaten en waarop thands een overvloed van zilveren lepels en vorken, van messen met zilveren hechten, roemers en kelken van het fijnste glas zich bevonden; uit een tafel van hetzelfde deugdzame hout, op gedraaide en sierlijk gebeeldhouwde poten, maar thands uitgetrokken en door ingeschoven bladen verlengd en met het fijnste damast bedekt, waarover een zijdeachtig waas lag gespreid; en eindelijk uit eenige stoelen van peerenboomhout met gevlochten matten zittingen.
99
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Er was een tijd geweest, dat de Reaals zich geschaamd zouden hebben het blauw porcelein, dat ze in overvloed bezaten, aan hu a disch te gebruiken. Sedert echter later de bourgeoisie, zoo als de koopman en winkelier of kargadoor wel heeten mochten, het saxiesch of fransch porcelein begon te gebruiken en zich van het blauw chineesche of japansche had ontdaan, sedert de engelsche aristokratie tegelijk met de zeventiende-eeuwsche meubels ook het zeventiende-eeuwsche aardewerk en porcelein tot immer stijgende prijzen opkocht, was het eenmaal verachte ook in Reaals oogen in waarde toegenomen en sierde het weêr zijn disch, zoo als het dit-gedaan had in de dagen zijns overgrootvaders. Stonden er slechts twee lampen â die uitvinding heugde ook nog maar weinige jaren â op de tafel, het zachte licht dat ze verspreidden werd vermeerderd door eeu zestal zilveren kandelaars, die hoewel de maker meer naar degelijkheid dan naar sierlijkheid had gestreefd, tusschen het blauw porcelein een goed effect maakten. Het menu, bevatte geen lange reeks van onbekende spijzen. De fransche kok was niet te hulp geroepen, maar wel de echt hollandsche keukenmeid, die hare jarenlange ervaring had geraadpleegd en de bruikbaarheid van deze bewees door hare sappige vleeschen en malsche groenten. Wat het dessert beloofde liet nu reeds het middenstuk gissen: een uit gevlochten zilverdraad gevormd mandtjen op zilveren voet en waarin onder het weelderigste groen de fijnste vruchten half wegscholen.
Hoewel de genoodigden reeds eenigen tijd gezeten waren en de cantemerle reeds meer dan eens door hen was geproefd, hoewel alle bijna aan elkaar geparenteerd of van zeer nabij bekend waren was het gesprek verre van algemeen of luid. Als men in die dagen zulk een diner onder de bourgeoisie had bijgewoond, dan zou men de gasten reeds van verre blijken hebben kunnen hooren geven van hunne aanwezigheid. De bon ton verbood echter alle luidruchtigheid, alle ronde scherts, die tot een gullen, zij het ook schellen, lach zou nopen, en de bon ton, dat teringachtig kind der beschaving, dat echter een goed hart heeft en der zwakheid het eerst hulpe biedt, handelde daardoor in het welbegrepen belang der meerderheid. Als men vaak sprak, kon men ook vele dwaasheden zeggen, als men schertst misschien niet geestig zijn, en door te zwijgen of niet meer te zeggen dan de wellevendheid voorschreef, waren dergelijke gevaren te vermijden. Maar de bon ton, die tevens matigheid predikte, was toch in deze ure onmachtig om de cantemerle niet goed te vinden, en het purperen nat, dat een dergelijken naam tot aanbeveling had, bevatte een kracht, die het keurslijf der konventie soms deed uitbuigen tot los springens toe. Eenige anders fletsche oogen begonnen een uitdrukking aan te nemen, eenige bleeke wangen te blozen.
100
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEKEN.
Aan de rechterzij van den gastheer zat Mevrouw van Reede, wier port de reine zelfs aan tafel de aandacht trok. 't Was nog â een schoone vrouw met allerliefste oogen, die zich soms met een zweem van ironie naar Mijnheer Reaal en haar gebuur rechts wendde: Mijnheer van Eerzeele, lid van Gedeputeerde Staten en tevens ridder van verschillende orden, die hij aan het Ministerie Tan Buitenlandsche Zaken, aan welks hoofd hij een tijd lang ad interim gestaan had, had »opgedaanquot;. Mevrouw van Reede had als jong meisjen in de onmiddellijke nabijheid van de gemalin van Prins Willem V geleefd, kon allerliefst en, wat minder in den smaak viel, somtijds allerondeugendst vertellen van het hof des laatsten Stadhouders, maar vond ditmaal bij Mijnheer Reaal, die buitengewoon stil was, weinig gehoor en bij Mijnheer van Eerzeele in 't Igeheel niet. Laatstgenoemde trok dadelijk de aandacht door zijn voorkomen. Verbeeld u: een langwerpig gelaat, waarvan de onderkaak, waar ze uitloopt in de kin, vooruit steekt, â¢eene groote neus, die dezelfde richting als de bewuste kin volgt, vervolgens een min of meer naar achter wijkend voorhoofd, dat echter halverwege gedekt wordt door een pruik met honderde krullen, een paar blauw grijze zwevende oogen en een paar dikke lippen, die een grooten mond omzoomen, 't Is een man van groote â ondervinding. Hij trok met den Stadhouder naar Engeland, kwam met diens zoon, den tegenwoordigen Koning terug en werd een â der eerste ridders van de orde van den Nederlandschen leeuw, â een orde, ingesteld, zooals de aanhef van het Besluit luidt, om buitengewone diensten of buitengewone verdiensten te be-loonen. Het gerucht wilde dat hij in beide termen viel, ofschoon -dit altijd maar een gerucht bleef.
Verder kon nog opgemerkt worden : Freule Dubling van Keyen-torst, die naar lichaam en geest het meest met Mevrouw Reaal â sympathizeerde en op een klein buiten woonde, zóo klein en armelijk, dat Jakob Stufken het altoos 't adellijk kippenhok roemde, 't Was nog nooit gezien, dat zij de deftige burgers van liet dorp had gegroet. Voor de armen echter was zij zeer voorkomend en voor hare pairs werkelijk een lief, hulpvaardig schepsel, wat te meer in haar te prijzen was, omdat zij zelve zoo veel liefde en hulp behoefde, terwijl hare naaste familie haar wel het laatste in goed berekende hoeveelheid schonk, maar zeker het eerste _grootendeels onthield. Zij was zelfs schamel gekleed; maar al had haar half wollen, half katoenen kleedtjen uit rijker grondstof bestaan, ze zou Mevrouw Reaal en de meeste der aanwezigen er niet meer lief en welkom om geweest zijn. Zij was van goede familie en behoefde dus geen vermogen, om zich onder de goede families te doen opnemen.
Verder op was Jonkheer Kluyt van Ruyterburch gezeten: een
101
102 HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
|
man van middelbaren leeftijd, met fraai krullend hair en fijn besneden gelaat, dat bijna in blankheid van teint met het allerliefste-kopjen aan het benedeneind der tafel: Freule Adrienne van Arkel, kon wedijveren. Jammer van den man, dat hij zich zijner welgemaaktheid zoo bewust en overtuigd was en dat de vorm zijner handen de beste Grieksthe modellen nabij kwam. Door zijn vrouw â een geboren Jufvrouw van Oosterloo â was hij zeer vermogend'
en, wat meer zegt, ook gelukkig vader van zes zoons en driedochters : â een aantal, dat door de meeste hunner bekenden en-vrienden wel wat bourgeois werd gevonden, met uitzondering alleen van Mevrouw Reaal, die in haar binnenste zulk een zegen niet te-rijk noemde. Hij had vroeger zaken gedaan of liever hij had, toen hij huwde, de handelszaken van zijn schoonvader helpen liquideeren, daar hij gaarne met schoonpapa instemde, dat de groothandel van vroeger tijden niet meer bestond of bestaan kon eigt;
men de familietradities veel beter getrouw kon blijven, door de »affairesquot; aan anderen over te laten en op de lauweren, door een-vroeger geslacht vergaard, te rusten. Het eenig ambt dat hij had willen aannemen was dat van lid van den Raad der hoofdstad en dat alleen met het oog op de toekomst zijner zonen.
Naast hem zat Mevrouw Nakooper. In haar prachtig ravenzwart hair schitterden een paar diamanten spelden en een kam bezaaid met kleine brilianten in zilv'er gekast. Een zware gouden keten t
omgaf in veelvoudige slingers haar zwanenhals. Zij was de eenige,
die zich met zulke kostbare kleinodiën getooid en het violetkleurig satijn barer robe geen te rijke stof geacht had voor deze partij op bet land. Haar fiere bijna uitdagende houding deed de aandiicht te meer op haar vestigen, en waarlijk de beschouwer werd beloond.
Schoon reeds den zomer haars levens ingetreden, behield zij den frisschen tint der jeugd en dankte zij aan den middelbaren leeftijd hare ronde mollige lijnen. Zij was echter een krizis nabij; want,
zoo de voorschriften van haar medischen raadsman niet mochten baten, dan zou zij gevaar loopen den nu nog zacht rooden tint der wang te zien verdonkeren tot purperwordens toe. Wat vooral viel te bewonderen was de Oostersche type, zoo sprekend uit het donker schitterend en fluweelen oog, uit de ronding der kin, uit de onberispelijke snede en ietwat sensueele volheid der purperen lippen. Oostersche type! Mevrouw had hare prachtige lokken, hare nog prachtiger oogen gaarne willen ruilen voor de aschblonde krullen en waterige blikken van Freule Dubling, en Mijnheer *
Nakooper zou er haar te liever om gehad hebben, want ze zou hem dan minder aan de afkomst van beider grootouders hebben-doen denken! Ware hij tegenwoordig geweest, ware hij niet reeds-een viertal dagen geleden naar s' Hage opontboden â Eugenie had het zeer eenvoudig gemeld, maar daarom niettemin bij Mijn-
HET GEZIN VAK BAAS VAN OMMEREN.
heer Reaal een angstig voorgevoel opgewekt â hij zou zijn echtgenote wellicht geraden hebben slechts een bloem in de zwarte lokken te vlechten, ten einde op het buitenverblijf der Reaals niet boven allen uit te schitteren. Zij had dan bij haar binnentreden zeker den bewonderenden glimlach der gastvrouw voorkomen en, wat nog pijnlijker was, den schuinschen blik van Mevrouw van Reede, een blik, die misschien in vroeger dagen den Erfstadhouder had doen verstommen als hij bezig was, zooals wel eens gebeurde, zich te verpraten. Vriendelijk, zeer vriendelijk was men jegens haar, veel vriendelijker dan de anderen jegens elkaar, maar Eugenie, wie Dokter Gall den bobbel der scherpzinnigheid niet ontzegd zou hebben, vond zich daardoor eer gekwetst dan gestreeld. De arme rijke! Zij had slechts éen geslacht, dat zij ter hulpe kon roepen, en de anderen een reeks van portretten, waaronder zelfs geen naam gesteld behoefde te worden om te worden gekend en gehuldigd.
Gaan wij de beide Nimrods voorbij en de twee Dianaas, die aan hunne zijden ratelen: goedronde edellieden, eerlijke en eerbare dames, wien het leven weinig strijds kostte en die al de verplichtingen nakwamen, hun in den kring waarin zij verkeeren opgelegd. Beide heeren zijn leden van de Ridderschap der Provincie en als zoodanig kiezers van leden van de Staten-Generaal en zei ven aanstaande leden dier hooge vergadering, daar hun een plaats bij een eerstvolgende vakature is beloofd. Zij zullen het niet euvel duiden, dat men hen voorbijgaat met een beleefde buiging en dien langen mageren Heer met sneeuwwit hair, zware wenkbrauwen en eenigzins geel bleeken gelaatstint nadert; want ook zij gevoelen zich dikwijls gedwongen, met een schuwen blik tot hem op te zien en voor hem te zwijgen, hoewel zijne opmerkingen en vragen meestal slechts in monosyllaben bestaan, 't Is Meester Up van Ilpensteyn, een gewezen vriend van Gijsbert Karei van Hogen-dorp, in wiens beschouwingen en meeningen hij veeltijds deelde, met behoud echter van eigen zelfstandigheid; hetgeen hem door den hoogstaanden vriend, bij wien het gevoel van eigenwaarde zeer ontwikkeld was. zóo hoog werd aangerekend, dat de intimiteit eerst lauwe vriendschap en vervolgens koude achting werd. Hij was vermaagschapt aan de eerste geslachten des lands en herhaaldelijk waren hem door Zijne Majesteit de hoogste ambten aangeboden. Hij had ze echter altijd met den diepsten eerbied geweigerd, omdat hij niet geschapen was voor het door Zijne Majesteit gevolgd wordend regeeringssysteem en hij den moed of de energie miste, om zijne overtuiging te prediken en bij den tijdgenoot ingang te doen vinden. Hij was dus niets meer dan advokaat, zelfs niet eens praktizeerend, daar zijn fortuin hem van den last onthief te arbeiden. Zijn gelaat teekende voornaamheid, scherpzinnigheid en
103
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
gezondheid, en had verdiend vereeuwigd te worden op het doek van een onzer oud-hollandsche meesters, wien hij mede als type had kunnen gelden voor een lid der Vroedschappen uit de roemrijkste tijden onzer Republiek.
De gastvrouw had uitnemende takt getoond, toen zij den alom gevreesden advokaat de jonge Adrienne tot dame had geschonken. Zij bevroedde, dat elke andere naast dien scherpen ironischen geleerde zich misplaatst zou hebben gevoeld en dat bij voorbeeld Freule Dubling misschien den blanc-mangé, waarvan zij zoo veel hield, onaangeroerd zou hebben laten voorbijgaan, indien zij zulk een cavalier ten andwoord had moeten staan. De jeugd, de frissche onbedorven jeugd zou een goede compagnonne of zoo het gevorderd werd, een waardige antagoniste van den misantLroop kunnen zijn, en waarlijk dit bleek ook werkelijk zoo. Meester Gerard lip nam zeer weinig notitie van de gastvrouw en haar dames, in 't geheel niet van Mijnheer Reaal, maar des te meer van Adrienne, wier levendige reparties, wier bruyante paradoxen, wier beminnelijke vrijmoedigheid, uit naïveteit geboren, hem aantrokken. Natuurlijk was het gesprek begonnen met het heden, het heden der schoone achttienjarige, waarin de hoofdfiguur de nieuwste van Parijs ontvangen mode moest zijn. In eenige monosyllaben werd door Meester lip les hautes nouveautés geridikulizeerd, waarop Adriennes andwoord was; niet een verdediging van de door haar gehuldigde Godin, maar wel een aanval op de Godheid, door meester lip in zijn jonkheid zeker aangebeden. De mode van het jaar '10 verdiende juist niet in het jaar '35 nagevolgd te worden en de tailles des guêpes van het heden behoefden zich niet te schamen voor de tailles des Grêcques uit Meester Ups bloeitijd.
»Toch stond het VImpératrice Josephine zeer goed,quot; merkte de op zijn beurt aangevallene glimlachend aan, terwijl hij een vluch-tigen blik sloeg op de taille de guêpe naast hem.
*VImpératrice, soit! Maar denkt u Freule Dubling....quot; Hij reikte haar juist de fransche moutarde aan, waarop zij het oog had gevestigd, terwijl hij aanmerkte dat ze als altijd juist oordeelde en dat de tegenwoordige mode plus complaisant voor allen was dan de vroegere. Op die wijze ging het eenigen tijd door. Men hupte van het grastapeet der mode naar het bloembed van kunst en literatuur, maar vond er elkaar niet. Wat de achttienjarige niet wist te waardeeren, stelde Meester lip zeer hoog, wat deze bewonderde, kende gene niet. Byron, Victor Hugo noch Lamartine bestonden voor den man, die het niet der moeite waard achtte met zijn tijd meê te leven, die, onvoldaan met het heden en niet krachtig genoeg in geloof, om op een toekomst voor zijn volk te hopen, zich in zijn verleden, zijn bloeitijd, als verschanst had, en in de periode, voorafgaande aan de fransche revolutie en gedurende deze.
104
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEBEN.
zoo veel groots had leeren kennen, dat hij er gelukkig het pyg-maëische der laatste twintig jaren om vergeten kon.
»Victor Hugo mag ik niet lezen,quot; zoo viel Adrienne in, na een fijne kritiek van Meester lip op Genlis en Cottin, wier zwakheden hij niet verborg, maar wier literair charakter hij met de meeste fijnheid ontleedde, fijner zelfs dan hij tegenover de antagoniste behoefde. »Victor Hugo mag ik niet lezen.quot;
»Een goede reden om al zijn werken van buiten geleerd te hebben .. .
»Maar Byron wel. Sedert ik hem ken, houd ik veel van vaerzen. Wat gloed! Wat heerlijke beelden! Wat leven! Wat originaliteit!quot;
»Een wildzang'!quot; mompelde de ander. «Nergens is het plantenleven rijker dan in het Urwald, waar de bijl van de beschaving nog niet geflikkerd heeft. Toch hou ik niet van »Urwalderquot;.
Er viel aan geen overeenstemming tusschen die beide te denken, toch bleven ze voort praten en schertsen. Zoo geheel geïzoleerd â werd hun gesprek gehouden, dat zij niets of weinig vernomen hadden van dat der dischgenoten.
»Ik verwacht Emile nog van avond terug,quot; had Mevrouw Nakooper eenige oogenblikken vroeger tot den gastheer gezegd. »Is het bij tijds dan zal hij zeker nog van de uitnoodiging, die ik voor hem achterliet, gebruik maken.quot;
»'t Zal ons zeer aangenaam zijn. Hij heeft op zijn reis slecht weêr getroffen. Gelukkig, wie in de laatste dagen thuis kon blijven!quot;
»Juist, maar Emile kon niet. 't Was op bevel Zijner Majesteit zelve .... Ik geloof zelfs dat een eigenhandig schrijven . ...quot;
«Waarlijk, Mevrouw!quot; viel van Eerzeele in. «Weinigen slechts van Zijner Majesteits onderdanen weervaart die eer!quot; Men kon er uit afleiden, dat spreker tot die weinigen behoorde.
«Reaal, ik maak je mijn kompliment,quot; zeide een der Nimrods, â¢op den wijn doelende, waarvan hij met langzame teugen een glas leêgde.
»Ik weet niet, Agatha! hoe je vader er over denkt,quot; zeide de andere Nimrod met zijn forsche stem tot zijn uiterst tengere gebure, «maar ik noem het indigne dat het Domein op die wijze handelt. Ik kan me niet begrijpen, dat Reaal zich er niet tegen aankant. Een woord van hem en de minister zou zich wel bedenken.quot;
«Wat bedoelt ge?quot; vroeg de gastheer.
«Er is bijna geen jachtveld meer! Alles wordt in erfpacht uitgegeven of verkocht. Het plezier gaat van buiten af.quot;
«Men wil het klimaat veranderen. Jonker!quot; merkte Meester lip â aan. «Men wil de heiden bepooten en met hout doen bewassen. Zoo als je weet. Reaal! oefenen bosschen een grooten invloed op
105
HET GEZIN VAN BAAS VAX OMMEREN.
de atmosfeer uit. Nu. hoe de verandering ook uitvalle, 't kan geen verslimmering zijn.quot;
»Vindt ge den tegenwoordigen toestand dan zóo slecht, vriend lip?quot; vroeg van Eerzeele, die slechts half had geluisterd.
»Hij zou niet zóo slecht wezen, als er maar niet zoo vele waren die hem zóo goed vonden!quot; Een vinnige zet in het gezelschap van zulke warme voorstanders van het tegenwoordig regeeringsbeginsel van vaderlijk landsbestuur en kinderlijk vertrouwen.
»lip houdt altijd nog veel van paradoxen.quot; hernam van Eerzeelfr met een pijnlijken trek op het gelaat. »Ik geloof in mijn veel bewogen leven verschillende toestanden gekend te hebben en ik begeer geen verandering in den bestaanden.quot;
))Dat wil ik aannemen. Er zijn lieden, die uit den aard der zaak konservatief moeten zijn,quot; zei Meester lip.
«Natuurlijk, dat men zoekt te konserveeren als men iets heeft,quot; viel Jonkheer Kluyt ter kwader ure in.
»Juist, juist!quot; knikte Hp hem toe met een ironiesch glim-lachjen, en dat laatste deed Kluyt eerst recht begrijpen, dat hij een bévue had begaan.
De Nimrods waren geheel van het jachtveld afgeslagen en begrepen er niet meer op te kunnen komen. Zij waren daarom te eer bereid zoo galant te zijn, om met schijnbaar ongestoorde aandacht te luisteren naar de genealogische reeksen, die eene der Dianaas hun voorhield, ten bewijze dat de Reaals nog aan haar waren geparenteerd. Eigenlijk bleken allen, op Meester lip en-Mevrouw Nakooper na, aan elkaar vermaagschapt. Het gesprek weid van lieverlede iets algemeener. De politiek dier dagen werd besproken, om meer nog dan heden aanleiding te geven tot bitterheid. Dreigde men echter, meest door de soms bitse kritiek van. Meester lip daartoe verlokt, tot personaliteiten af te dalen, dan wist Mevrouw van Reede door een enkel woord de strijdenden tot wapenstilstand te bewegen en het voorbeeld te geven van ware hoofschheid, van echte aristokratie. Zij trachtte het gesprek op het meer neutrale gebied van de kunst of literatuur dier dagen, zoowel gewijde als ongewijde, te leiden, en werd, wat de zoogenoemde stichtelijke lektuur betrof, trouw bijgestaan door de gastvrouw en Freule Dubling; terwijl ze zelve met den haar eigen takt zicti van een eigen oordeel wist te blijven onthouden en daardoor haar niet meer dan hoogst oppervlakkige literaire kennis wist te verbergen. 't Viel haar niet moeielijker dan elders, dan in de kringen der hofstad. Niet een, die een meer dan oppervlakkigen blik had geslagen op de gedachtenstroomingen in de naburige rijken, aan welke alleen zij nog éenige aandacht schonken. Niet éen toch, die vermoedde of het der moeite waard achtte te vermoeden, dat er binnen de enge grenzen van het vaderland eenig leven, voor het
106
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEEEN.
minst eenige beweging in het rijk der schoonheid bestond. Alleen zij, die zich de fransche overheersching herinnerden, gedachten nog flauw de tijden, dat de landtaal in de goede kringen â alleen uit politiek verzet â aanhangers, en een gedicht: de Hollandsche natie, naar men meende van zekeren Tollens, lezers en hoorders vond. Mevrouw Nakooper was de eenige, die een hollandsch werk van zekeren van Lennep in eigendom bezat, en daarvan het eerst, met lof gewaagde: het was »het dorp aan de grenzen,quot; het blijspel, dat zoo veel opgang had gemaakt en waarin de auteur, zooals later meermalen, den gedachtengang zijns volks had weten te volgen.
Wie de verschillende gesprekken als onzijdige had mogen aan-hooren, zou niet alleen het gehalte der verkondigde meeningen en gevelde vonnissen niet hoog hebben aangeslagen, maar tevens verrast zijn geworden door de waarlijk Babylonische spraakverwarring, die er mede gepaard ging. Geaffekteerd, zelfs gebroken Hollandsch, zwitsersch, fransch en engelsch met een zeer verdachten tongval werd door elkaar gebutst. Had die onzichtbare hoorder tot de jongeren van dagen en de deftige bourgeoisie behoord, hij zou voor de toekomst van zijn vaderland hebben gevreesd. Of neen: hij zou veeleer het bewustzijn van eigen kracht hebben voelen toenemen en de overtuiging bevestigen, dat het zwaartepunt van het gezach zich eerlang zou moeten verplaatsen. De onvruchtbare kritiek van Mr. Ilp, die op het gister steunde of eigenlijk eer een bloote negatie was en wel afbreken maar niet opbouwen kon â een geslacht, dat ten onzent nog in het geheel niet uitgestorven is â de tradities der oude regeeringsfamilies, hier in velerlei schakeering aanwezig, zouden de ontwikkeling der nieuwe toestanden juist verhaasten. De aristokratie was veroordeeld den heerscherstaf aan de bourgeoisie over te geven en mocht zich zelfs niet vleien met een traan van sympathie bij haar nederlaag.
XIV.
De dames waren om de theetafel geschaard, waar Mevrouw de geurige pekko in de fijne blauw porceleinen kopjens goot. De heeren genoten in de eetzaal een cigaar, met uitzondering van Mr. Ilp, wien de gastheer een goudsche pijp had doen geven. Met een fiesch Lafitte voor zich schikten de heeren dichter bij elkander. Ieder voelde zich minder geserreerd en tot intimiteit geneigd. Hier en daar werd gefluisterd en veelbeteekenend ge-
107
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
glimlacht, terwijl Mr. lip, onuitputtelijk in anekdotes uit den tijd van het ancien régime, soms tot een niet altijd kieschen lach noopte en Mijnheer van Eerzeele, door zijn steeds belangrijke voorvallen uit zijn amhtenaarsleven onder het tegenwoordig bewind, nieuwe luisteraars vond.
Eensklaps zag men den gastheer den blik van den kring af en naar de deur heenwenden. Men had wel de wielen van een rijtuig hooren kletteren over het schulpzand, dat de paden nabij het huis bedekte, maar de gastheer was de eenige, die daar zulk een gewicht aan hechtte. Mr. Ilp sloeg er nu echter ook acht op en fluisterde met een ondeugenden lach Reaal in het oor: »Een Dulcinea, die te vroeg of te laat komt. ..!quot;
»Ik herinner mij,quot; zeide van Eerzeele die alleen het laatste woord gehoord had, »dat Koning Louis eens verrast werd aan het dessert door een gast, die de uitnoodiging vergeten was, maar toch ..
»Precies wat mij met Burgemeester van de Pol gebeurd is ... Neen . .. laat me dat eens vertellen, Reaal!quot; dus begon Kluyt levendig, wat sterk afstak bij de houterigheid, die hem tot dusverre had gekenmerkt. Het bleef echter bij den aanhef, daar de goede man, even als in den Raad der Stad, zoo als men wel eens fluisterde â de vergaderingen waren toen nog niet openbaar â geen hoorders vond. De anderen toch schenen allen door de uitdrukking van 's gastheers gelaat geboeid. Dat de wang gloeide vond men juist niet vreemd, maar wel dat het oog bijna vlamde en de lip trilde, toen er een voetstap in de vestibule werd gehoord, een voetstap, door Reaal alleen herkend. Een oogenblik later trad Nakooper binnen.
tgt;Mille fois pardon!'''' riep hij uit. Reaal beide handen toestekende, die het voldoende vond, er slechts een te vatten. »Ik kom pas van de reis en hoorde, thuis gekomen, waar mijne vrouw was en welke uitnoodiging zij voor mij achterliet. Ik kon niet nalaten er aan te voldoen, daar ik weet welkom te zijn.quot; Hij boog even in het rond en ging toen op Mr. Ilp af, dien hij in geen jaren ontmoet had en aan wien hij zich in vele opzichten verplicht gevoelde.
De gastheer had hem maar flauw welkom geheeten en hem een glas wijn geprezenteerd.
jgt;Superber, Nakooper!quot; knikte Kluyt hem knipoogend toe.
»En Kluyts kennis wordt zeer geroemd,quot; mompelde Ilp, »in den wijn altijd,quot; werd er zoo zacht bijgevoegd, dat alleen de naaste buur die woorden verstond.
Kluyt dankte met de oogen; hij kon het niet met de lippen doen, daar deze zich juist weder in het purperen druivennat doopten.
108
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
j We hoorden van je vrouw, dat je naar den Haag waart opontboden,quot; zei van Eerzeele. gt;Toch niets kwaads?quot;
»Ik hoop waarlijk van neen,quot; andwoordde Nakooper met een geheimzinnig lachjen. «Goede wijn. Reaal! uitstekend. Ik heb van dat merk, dat meer dan twintig jaren in mijn kelder ligt.quot;
»Ik heb er nog, die een eeuw heugt,quot; hernam Reaal kortaf.
»Zorg toch dat die niet langer ligt,quot; viel lip in. «Zulke oude wijn wordt licht zuur.quot;
»Ik moet je mijn excuses nog maken. Reaal! over mijn stilzwijgen op je laatste missive met de door je geteekende memorie. Ik zond die op en wachtte het andwoord, of liever, verwachtte, dat het andwoord u zou toegezonden worden. Begrijp dus hoe ik verrast werd door het opontbod Zijner Majesteit.quot;
»Dat is mij tweemaal gebeurd,quot; zei van Eerzeele. sEens door Koning Louis en eens ...quot;
«Waarachtig, 'twas tweemaal te veel,quot; viel Kluyt in, waarna hij het uitschaterde.
Morne silence! Die goede Kluyt kon dan ook nooit succès hebben.
«Ik zei straks, dat ik uit dat opontbod niets kwaads voor den lande hoopte; want Zijne Majesteit benoemde mij tot Staatsraad in buitengewone dienst,quot; zei Nakooper, die het nu maar geraden vond de laatst door Kluyt gesproken woorden te doen vergeten.
Van Eerzeele reikte den nieuwen Staatsraad de hand, met de woorden: »Een onderscheiding, waar menigeen zijn ridderkruis voor zou willen ruilen. Maar wat zie ik, gedekoreerd ook ?quot;
Waarlijk, wat men nog niet had kunnen opmerken, daar Nakooper nog geen tijd had gehad zich van zijn overjas te ontdoen, zag men nu. Het lintjen stak in het knoopsgat. Nogmaals stak van Eerzeele hem de hand toe, er bijvoegende: »Niet waar, het kleedt goed?quot;
»Twee onderscheidingen! â et le prix?quot; vroeg lip, terwijl de kleine grijze oogen vonkelden.
»Voor een half uur van openhartigheid,quot; zei Nakooper met volmaakte bonhommie. »Niet waar, Reaal? Van achter beschouwd was 't niet meer dan openhartigheid; het had echter even goed vermetelheid kunnen zijn.quot;
«Dus Reaal is meê in 't geheim? quot;zei lip op half vragenden toon.
«In 't geheim? Neen. Nakooper bewaarde dat voor zich zei ven. Een traditie in zijne familie zeker!quot; zei Reaal, wiens lippen blauwwit waren en wiens stem trilde.
»Ik begrijp er niets van; en gij?quot; vroeg Kluyt aan lip en de anderen.
«Niets is toch eenvoudiger. Ik had het willen zwijgen. Reaal,
109
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
maar je halve woorden en zeer remarquable opmerking dwingen me wel te zeggen, wat trouwens ook geen staatsgeheim is. Reaal en sommige zijner politieke vrienden teekenden met mij een memorie van grieven tegen eenige maatregelen van bestuur. Het behaagde Zijner Majesteit genadiglijk er kennis van te nemen, en ...quot;
»U voor die openhartigheid en voor de volgende, die nog komen mochten, maar die men onnoodig achtte, te beloonen, niet waar?quot; yei lip.
»Die uitlegging is geheel de uwe,quot; hernam Nakooper kortaf. gt;Zijne Majesteit had de goedheid zich zeer naar je te informeeren. Reaal!quot;
»Zeer veel eer!quot; klonk het andwoord op den gewonen toon. »Maar wat dunkt je, Mijnheeren, als we de dames een kop thee gingen vragen?quot;
Men stond dadelijk op en was bereid te volgen.
»'t Was of je vrouw een voorgevoel had van de onderscheiding, je te beurt gevallen,quot; merkte lip glimlachend aan, terwijl hij Nakooper onderden arm nam en naar den salon meêvoerde. Nakooper was zoo voorzichtig, niet naar het waarom te vragen, zoo dat de ander zelf de verklaring geven moest. »Zij was de reine van het feest, amice! Ik had altijd hooren vertellen dat er prachtige diamanten in je familie waren, maar ik wist toch niet, dat ze er zóo vele bezat.quot;
Nakooper beet zich op de lippen. Grootvader Izaak Nathan had in vele artikelen gehandeld en daaronder ook in diamanten. Maar wat Grootvader met al zijne schranderheid niet had kunnen meester worden, was hém gelukt. Hij had een hooge pozitie ingenomen en naderde meer en meer het doel. Voor hem en zijn geslacht de toekomst, voor hen, daar achter hem, alleen het verleden!
Adrienne had aan de Heeren vreemde dingen kunnen vertellen. Zij had door haar levendigheid Mevrouw van Reede geboeid en Freule Dubling een weinigjen geërgerd; zij had Mevrouw Nakooper een paar malen met eenige verlegenheid het hoofd doen omwenden en een gesprek met Mevrouw Reaal doen aanknoopen, die dit met een waarlijk zeer vleiende voorkomendheid beandwoord bad, welke voorkomendheid echter den schijn had alsof de gastvrouw haar in «en eenigzins gedwongen pozitie dacht en de behulpzame hand wilde reiken om haar daaruit te verlossen.
Het gesprek was van lieverlede onder het bestuur der gastvrouw gekomen, die daarvan gebruik maakte, om de ellende barer beschermelingen aan den heikant te doen kennen.
«Reaal heeft den man 's morgens werk gegeven bij ons aan huis en ik ben voornemens de kinderen naar school te zenden. Ik heb den Dokter gezegd, naar de zieke vrouw te gaan zien. 't Is een vrouw, die lang gedwaald heeft, maar zich heeft bekeerd, en
110
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
harer ziele zaligheid alleen van de genade haars Gods verwacht.quot;
»Die man?quot; zeide Freule Dubling, even nadenkend. »Kan ik hem straks voor den stal hebben gezien toen ik hier heen reed?quot;
»Wel mogelijk; hij is van avond hier; hij kan helpen en nog wat voor de arme kleinen meênemen.quot;
»Dan is het dezelfde, dien ik zoo dikwijls het hek van dien woekeraar zie ingaan. Constance, wees voorzichtig! De dienst van dien man is de dienst Mammons.quot;
»Kent ge de mooie dochter van Baas Stuiken?quot; vroeg Adrienne.
»Wel zeker. Ik zie haar dikwijls en grande tenue mijn huis voorbij huppelen, soms wel in gezelschap van je tuinbaas jongen, Oonstance! Ik weet van 't kind geen kwaad; alleen zou ik het beter vinden, dat ze in den stand bleef waarin God de Heer haar plaatste. A propos, Constance, de dochter van je baas zag ik in geen weken in de kerk.quot;
»Ze is niet meer hier. Ze heeft een goede dienst gevonden,quot; zei Mevrouw Reaal snel.
»En dat andere hoovaardige kind...?quot; begon Freule Dubling weder.
»Maar, lieve Freule, is dat meisjen van Stuf ken hoovaardig?quot;
»Moeilijk is het de boovaardij te herkennen,quot; viel Mevrouw van Reede in. «Dikwijls hult zij zich in het kleed harer antipode: den deemoed.quot;
Was het hier óok zoo? Mevrouw van Reede vroeg dat niet; misschien wel omdat zij die vraag reeds voldoende beandwoord zag door het plotseling zwggen van Freule Dubling.
Het onderhoud werd afgebroken door het binnentreden van den eersten huisknecht, die op een zilveren blaadtjen Mevrouw eenige brieven, door den postbode juist gebracht, aanbood. Mevrouw keek even de adressen na. Een der brieven behield ze, daar ze de hand harer vriendin Douairière van Wulven herkende. Zij vroeg verlof dien even in te zien daar die van een intime was, die reeds eenigen tijd zich onwel had gevoeld. Natuurlijk werd dat verlof verleend. De anderen zetteden het gesprek voort, om de lezende te meer vrijheid te geven. Alleen Mevrouw van Reede zag onder het spreken van tijd tot tijd naar Constance om, daar zij haar bleek zag worden. De brief bevatte ook een tijding, die Mevrouw Reaal in hooge mate deed ontstellen, minder om hetgeen hij inhield, dan om hetgeen hij liet gissen. De Douairière meldde toch, dat Klara, de zoo aan-bevolene Klara, van den beginne af moeielijkheden in haar hu:s had gebracht en in plaats van met opgeruimdheid het haar opgedragen werk aan te vatten, in de eenzaamheid had zitten te pruilen en eindelijk na eenige scènes impudeminent van naar huis te keeren gesproken had. Zij had haar laten gaan. Verder werd,
111
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
na eenig nieuws uit den omtrek besproken te hebben, als ter loops aangestipt, dat ze met genoegen Constances beterschap van Reaal had vernomen, toen deze voor weinige dagen haar een bezoek had gebracht, maar het zoo druk had gehad, dat hij slechts eenigo oogenblikken had kunnen vertoeven. Toch had zij hem eerst tegen de schemering heen zien rijden. Zij hoopte maar, dat hij zonder tegenspoed â want de avond was donker geweest, en hij had aan zijn rijtuig geen lantaarn gehad â thuis zou gekomen zijn.
Welk een tijding 1 Klara was bij haar ouders niet terug gekomen en Reaal was daar geweest zonder haar er iets van verteld te hebben. Zij herinnerde zich nog zeer goed zijn late terugkomst, zijn haastig vertrek naar zijn kamer, zijn afgebroken woorden, die toen alleen van verbolgenheid jegens Stufken getuigden, omdat deze hem bedrogen heette te hebben en de boerderij naast de zijne had gekocht. Een vreeselijk vermoeden rees in haar op. Het laatst gehouden vertrouwelijk mondgesprek met Reaal kwam haar te binnen. Zjj had hem de hand willen reiken; zij had hem in haar hart vrijgepleit van schuld; zij had gevoeld, dat hij en hij alleen haar verzoenen kon met de blinkende armoede rondom haar,
en die man had haar in dat heilig oogenblik van toenadering.....
bedrogen!
»Een glas water, lieve!quot; fluisterde zij Mevrouw van Reede toe, terwijl haar alles voor de oogen danste. De toegesprokene was haar reeds voorgekomen en reikte haar het verlangde toe; want de verandering op Constances gelaat had haar reeds onder het lezen getroffen.
»Wat is er? Wat is er?quot; riepen toen anderen.
»Is er iets bij de van Wulvens?quot; vroeg Freule Dubling. »Weér een beproeving voor die veel beproefden?quot;
»Toch gieen bezwaar van .... toch geen geldelijke zaken?'' vroeg Mevrouw Nakooper.
»Misschien nóg gewichtiger!quot; riep Adrienne, de laatste spreekster van ter zijde aanziende.
»'t Is hier nog al benauwd en ge zijt pas hersteld! Willen we even in den gang wat frissche lucht scheppen?quot; zei Mevrouw van Reede.
»'t Is, Goddank, voorbij!quot; klonk het eindelijk. »'t Is niels, ik
voel me weêr beter___Nog een glas water, lieve!quot; fluisterde
Constance Mevrouw van Reede toe. Toch was het voorbij. Constance, die zoo zwak was tegenover haar dokter, bleek sterk te zijn, waar de convenances het dringend geboden. Niet te min was het lijden, dat zij verkropte, veel grooter dan de smarten, welke vroeger wel eens het huis in rep en roer hadden gebracht. Zij was zelfs de eerste, die het afgebroken gesprek aanknoopte en met een glimlach op het bleek gelaat het speelziek vernuft van
112
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Adrienne uitlokte of toejuichte; alleen was er iets weeks in den toon barer stem.
Gelukkig, dat de Heeren binnentraden en aan de spanning, welke niettegenstaande de zelfbeheersching van de gastvrouw bleef bestaan, een einde maakte. Mijnheer Nakooper was de lustigheid zelve, Mr. lip de courtoisie in eigen persoon. Keaal bestierf echter de glimlach op de lippen, dien hij zich opgelegd had te vertoonen zoodra hij den drempel van den salon betrad, toen hij den blik zijner echtgenote ontmoette. Hij begreep alles, toen hij de brieven op den gueridon zag liggen en daaruit kon afleiden dat de post was aangekomen; hij begreep alles en het getuigde zeer tegen hem dat hij het deed.
Spoedig sprak men van vertrekken, toen de aankomst van het eerste équipage werd bericht. Freule Dubling, die het laatst wou blijven, die op een tête a tête hoopte en dus het aanbod verwachtte om met het rijtuig der Reaals te worden thuis gebracht, haastte zich het voorstel van Mevrouw van Reede te accepteeren om met haar mede te rijden, toen gastheer noch gastvrouw haar eenige propozitie deden. Zij voelde zich wel eenigzints gekrenkt. Zij, die zoo goed te troosten wist, wat haar tallooze malen door haar armen verzekerd was geworden, zij moest een der eersten zijn die vertrokken. De kus, dien zij Constance op de wang drukte, was er echter niet minder hartelijk om. Nakooper en echtgenote volgden, gene had het ontzachelijk warm en liet zich den overjas op den arm hangen, waardoor het ridderlint Eeaal tot het einde toe in het oog bleef schitteren. Ilp was den geheelen avond niet zoo beminnenswaardig geweest als toen hij bij het afscheid boog. Zulk een buiging had van Eerzeele, die reeds zooveel gezien had, nooit zien maken; zij hoorde ook thuis aan het hof van Lodewijk XV en dezen had van Eerzeele nooit gediend.
Toen allen vertrokken waren en nog vóór Mijnheer zijn vrouw een woord had kunnen toespreken, riep deze haar trouwe kamenier. Zij had een hevige hoofdpijn, zóo hevig dat ze Henrick, die haar deelnemend wilde naderen, met een flauw knikjen voorbij ging. Het was haar afscheidsgroet, en hij begreep, dat het dat was. Bij de vestibule ontmoette zij een lakei. »Hendrik,quot; klonk het raat, »zorg dat de arme man van den heikant wat meê krijgt; hij heeft zeker honger.quot;
sDaar heeft hij al wel voor gezorgd,quot; bromde Hendrik onhoorbaar.
113
Mevrouw klom langzaam en met moeite den wenteltrap op. Het deed haar goed, in deze oogenblikken van zielepijn en lichaamssmart, nog aan haar naasten te hebben kunnen denken. Zij gevoelde waar er troost gevonden kon worden voor het gewonde hart.
8
BAAS VAN OMMEREN.
HET GEZIN VAN HAAS VAN OMMEREN.
In gants andere stemming bleef Reaal acliter. Hij uitte een echt nationalen vloek. Hg noemde Nakoopev een vuilen intrigant, een weerhaan, een joodschen schacheraar, Constance een zottin, een steenen beeld, waaraan hij was vastgeklonken. Hij haatte haar met een feilen haat, te feller, omdat op den bodem van zijn hart zich een gevoel verhief van eerbied voor de stomme smart der beleedigde, van minachting voor zich zei ven.
»Ba!quot; prevelde hij eindelijk, alsof hij met een onzichtbaar persoon in strijd was geweest, en diens argumenten voor goed wilde ontzenuwen. »'t Is hier een hospitaal en ik ben gezond! Ik wil...!quot; Wat hij wilde waagde hij in de eenzaamheid zelfs niette fluisteren. Hij stak een cigaar op en ging zich op het voorplein vertreden; maar 't was hem daar te donker, terwijl het hem binnen te licht was. Hij liet zich wijn brengen, maar deze smaakte hem niet. Onrustig liep hij heen en weder tot zijn oog viel op de brieven, waarvan hij er een opende: 't was die van zijn rentmeester, die hem wonderlijke dingen meldde aangaande dien gemeenen Stufken, op wien hij gebeten was als op weinigen. Die man had valschheid gepleegd; die man zou vervolgd worden. Deed de Officier van Justitie het niet, dan zou hij het doen. Dat was een arbeid van gewicht; dat gaf aanleiding tot overdenken; en het zalig gevoel, dat hij macht kon uitoefenen op een ander, deed hem vergeten dat er macht werd geoefend op hem, dat hij de slaaf was van een verlagenden hartstocht.
Hoe geheel anders was het dit oogenblik aan den heikant! 't Was er donker, zoo als altijd na het verdwijnen van het groote licht, dat om niet werd geschonken. Griete-moê lag nog altijd in dezelfde enge ruimte, maar onder nieuwe wollen dekens en in een nieuw, maar reeds hier en daar bemorst jak. De kinderen sliepen als rozen op het maar karig neergestrooide stroo in een hoek van de hut. 't Was de eerste nacht, dat ze een andere dekking hadden dan de lompen die zij over dag droegen. Slechts een zacht kreunen en gezond snorken brak de stilte af, tot dat de klink der deur opging en Hein met een grooten rooden pot, waar een doek om geknoopt was, binnen trad. Wat er spoedig leven en beweging om hem heen zou wezen! Hij veegde zich het zweet van het voorhoofd; hij had het zeer warm, het was of er een gloeihitte uit zijn binnenste opsteeg. Hg was vrolijk, nog vrolijker en opgewondener dan gewoonlijk. Op zijn wandeling van het heerenhuis naar de hut had hij eerst geneuried en vervolgens luidkeels de geestigste liedjens gezongen, 't Was hem een oogenblik geweest, of hij op den bast van den grooten eikenboom in eenige cijfers het nummer van zijn loterijbriefjen gelezen had en daaronder het getal 100.000
Ja, hij had eindelijk den steen der wijzen gevonden. De centen
114
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
had hij tot zesthalven, en de zesthalven tot guldens gespaard om â een tiende lot in de staatsloterij te kunnen koopen. Een dwaas, â die door te werken rijk wou worden; daar moest een gelukjen bij komen! En als bij de honderd duizend trok dan zouden Griet en de kleuters alle avonden getrakteerd worden als van avond; â dan zouden ze hem nog bedanken, dat hij ze honger had laten lijden en zijn zuur bespaard geld aan een lot had besteed.
»Slaap jelui al?quot; riep hij vrolijk. Hij vergat dat er een zieke lag en dat het al tien uur was. »Er uit, kleuters! Griet, smul je meê?quot;
»Ben je daar? Was je de heele nacht maar weggebleven!quot; klonk het snerpend uit de bedsteê.
»Grom maar niet, ouwe bromtol!quot; hernam Hein, terwijl hij bezig was vuur te slaan en een der eindtjens kaars op te steken, â die hij uit zijn broekzak had gehaald, waarbij het hem echter geweldig in de ooren suisde.
»Zou ik niet, dagdief? Ik had gedacht, dat je dienst hadt genomen naar Oostinje. 't Zou een uitkomst wezen, en een mond, een groote mond minder! O mijn hoofd! mijn hoofd! God almachtig, mijn hoofd!quot;
De kinderen waren wakker geworden en stonden eerst verbaasd, maar weldra erg in hun schik Vader aan te zien, voor wien ze nooit bang waren als voor Moeder. Weldra werd er ook uit de bedsteê een hoofd zichtbaar en een paar van de koorts gloeiende oogen. De meegebrachte roode pot was geopend; daarin lagen in chaotische verwarring de meest vreemdsoortige lekkernijen. De hlanc-mangé lag vermengd met rumgelei, gember met chokolaadtjens, de poot van een kalkoen met bessenvla, een stuk ossenhaas en ham met kweeperengelei, een hoen met appelentaart en dit alles rijkelijk besaust met room. Champagne, Bordeaux en Portwijn.
»Eet maar, kleuters! ik ben er al dik van! Als er gebeurt wat ik denk, dan worden we nog rijk. Griet, wil je eens meê-happen ? Niet of graag, hoor! Net als vroeger in stad! Proef nou dat eens!quot; en hij reikte haar op de vlakke hand een goed deel van de rumgelei, die als een berg uit den zondvloed vim gistende â stoften omhoog stak. Griet nam het aan en vond het smakelijk. Ze had een schreeuwenden honger. De goede Mevrouw van Spaarn-wou had haar beschuit met melk doen brengen, maar dat stond niet in den maag zooals dit. Nog een hapjen, nog een teug van het gemengde vocht. Toen een stuk vleesch, toen ham, toen nog een teug. 't Was of ze beter werd. De kiemen hadden het middelerwijl niet onder zich gelaten en spijsden en drenkten zich als voor een woestijnsreize. Hein smaakte een ongekend genot. Zoo veel stilte, dat moreel gevolg van tevredenheid, had hij in jaren niet onder de zijnen genoten. »Griet!quot; riep hij, zich vrolijk in de
115
het gezix van baas van ommeren.
handen wrijvende, »ik zal je wat vertellen: ik heb een lot in de loterij; rijk worden we; ik zag straks mijn nommer.quot;
»Spelen ook!quot; zei Griet, maar minder luid en schril dan straks. »Laat me slapen en de kinderen ook! Ik word ijl in mijn hoofd van dat gewawel. Water, Water!quot; Aan haar wensch werd voldaan. Zij werd rustig. De kinderen zochten hun rustplaats weêr op, en Hein viel slaapdronken op den eenigen maar kranken stoel, dien hij zooveel mogelijk tegen den muur recht en vast zette.
Of hij lang had geslapen wist hij niet; maar 't kon niet lang wezen, want 't was nog geen ochtend, toen hij eensklaps wakker werd door een val. Het oudste kind had hem reeds eenige minuten lang aan de hand getrokken en zoodoende zijn evenwicht doen verliezen. De kaars was bijna opgebrand en verspreidde niet meer dan een flauw licht in het rond. Des te akeliger was de aanblik! Daar lagen of zaten de kinderen met blauwwit gelaat. Het klamme zweet stond hen op het voorhoofd. De beleedigde natuur wreekte zich. Maar nog erger en veel ernstiger scheen de strijd in gind-sche bedstede! Mei wijd opengespalkte oogen en mond lag daalde zieke; de dekens werden snel bewogen, zoo hijgde het lichaam. Hein behoefde verscheidene minuten eer hij tot bezinning was gekomen. »Mijn God! Mijn God!quot; was zijn angstkreet en hij vloog het eerst naar zijn kinderen.
Een gevoel van pijn teisterde hem de borst. Hij streelde de kleinen, hij steunde en troostte ze, hij bracht ze in de koude nachtlucht en ging versch water scheppen.
«Moeder is erg boos!quot; riep eensklaps bet oudste kind, dat het eerst weêrquot; bijgekomen was. »Vader, Moeder wil opstaan. Help, help! Vader, Vader!quot;
Hein ijlde weêr naar binnen, 't Was Griets laatste krachtsinspanning geweest. Het hoofd rusttte halverwege op de bedde-plank.
»Griet jen, Moeder!quot; stamerde Hein, die nu eerst de waarheid vermoedde, toen hij het in de stuip vertrokken gelaat zijner vrouw beschouwde. »0 God, 't is mijn schuld!quot; en hij lel het hoofd neer en begroef zijn gezicht in de dekens.
»Moeder is heel stil!quot; zei een der kinderen tot den dokter, die in de vroegte voorbij kwam en even aanwipte.
»Zoo, blonde krullebol!quot; klonk het vriendelijk.
Het kind had gelijk. Moeder lag heel stil; Moeder was dcod.
116
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN,
XV.
Vrouw van Ommeren had treurige dagen doorleefd sedert het vertrek van Klara, en haar man nog meer, daar deze het zich niet meer ontveinsde dat het lieve kind zijn oogappel was. De hoogmoedige zoon stond te ver van hem af in het beoordeelen van personen en zaken, dan dat vertrouwelijke gedachtenwisseling mogelijk of gewenscht was. De grondtoon van beider gemoed stemde hoe langer hoe minder, stemde zelfs zóo weinig, dat de baas in een onbewaakt oogenblik zich soms afvroeg: Is Kornelis wel mijn zoon? Had zijn vrouw zulk een vraag gehoord, zij zou hem hebben toegefluisterd: »Toen hij geboren werd waart gij zoo als hij nu is. Ik zeg het je niet als een verwijt, beste man! I k oordeel niet; ik weet, dat hij geen veertien dagen weg zou zijn en maar ééns schrijven.quot;
Dat had Klara gedaan. Ze had maar eens geschreven! En bij het afscheid hing zij aan Moeders hals en schreide zoo bitter en beloofde zij nooit het huis te zullen vergelen en altijd te denken dat Vader, Moeder en Kornelis bij haar waren. Een kort briefjen had alleen haar aankomst in het groote huis gemeld en dat zij een net eigen slaapkamertjen had gekregen. Mevrouw heel vriendelijk, en Lizette, de boven-linnenmeid, de voorkomenheid zelve voor haar was. Ze had altijd veel van de «grootheidquot; gehouden en vond het dus we! plezierig, dat haar eerste dienst zulk een dienst was. Zij vroeg verder of Kornelis zich niet erg boos op haar toonde, omdat ze was gaan dienen, en of hij met zijn trotsch hartjen nog wel aan haar dacht. Zij had Moeder haar eenden en vooral de kiekens aanbevolen en ook Hein en diens gezin, waar Mijnheer zoo engelachtig goed voor was geweest. Wat Kornelis ook mocht zeggen. Mijnheer was een goed, was een groot man, dien zij heel graag eens zou willen zien in den prachtigen, met goud geborduurden rok, die, zoo als Hendrik haar eens verteld had, door hem alle dagen aan het hof werd gedragen.
Vader hadden de oogen geschemerd tot aan deze laatste zinsnede, bij welke zijn gelaat betrok: hetgeen moeder, die door haar knijpbrilletjen hem bij de lezing bleef aanstaren, in 't geheel niet vreemd vond.
En na dien brief, waarop de ouders in een lang epistel dadelijk geandwoord hadden, taal noch teeken! Het ergste was, dat beiden de innerlijke onrust voor elkaar trachtten te verbergen en voor Kornelis eene blijmoedigheid moesten voorwenden, die verre van hen was; want de jongen was ziedend van toorn geworden, toen hij Klaraas ware bestemming eindelijk vernomen had. Zijn zuster linnenmeid, terwijl hij bezig was de familie weêr naar de hoogte
117
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
terug te brengen, waarvan zij eenige jaren geleden was neergedaald. Wat zou de patroon wel zeggen! De laatste had hem al eens laten merken, dat hij tegen zijn persoon in het geheel niets had, maar wel iets, ja zelfs heel veel tegen zijn stand. Het geheim dat hij zoo lang jegens zijn ouders had bewaard, werd nu ontdekt. Hij was in stilte geëngageerd met Lize en hij stond op het punt deelgenoot te worden in Stufkens zaak.
»Tot geen van beiden geven we ooit ons konsent,quot; zeide Vader.
»En waarom niet?quot; vroeg Kornelis scherp.
»Arm, maar eerlijk, voegt niet bij rijk, maar gemeen.quot;
»Vader, dat is gelogen! Als mijnheer Stuf ken zei: de broer van een dienstbod voegt niet als mijn schoonzoon, dan had hij gelijk. En wie weet wien ik nog tot schoonbroer krijg. Misschien nog wel een staljongen, op zijn hoogst een palfrenier.quot;
»Gave God dat het zoo ware! hernam Vader. »Waar gelijk zich paart aan gelijk, daar is geluk te wachten. Zeker zal Klara geen verbintenis aanknoopen zonder haar ouders daarin te kennen. Waar dat niet gebeurt, is geen eerlijkheid, versta je, Kornelis?quot;
Of Kornelis hem verstond! Het gelaat was bloedrood geworden, de lippen trilden, de oogen vonkelden en hij schudde den krulkop.
3Geen eerlijkheid?quot; Hij staarde zijn vader veelbeteekenend aan. Hij wou er nog iets bijvoegen; de woorden wrongen zich uit de keel en beefden op zijn lippen, maar hij liet ze er niet over glippen. Hij had eens door te spreken zijn vader en ook zich zeiven ten bloede gewond en had zich voorgenomen het nooit weder te doen. De ure der verzoeking had geslagen, maar hij bleef trouw aan het kloek besluit.
»Kind, kind!quot; fluisterde Moeder hem toe, toen ze alleen met hem was. »Onze Lieve Heer zal je straffen voor je lichtvaardig oordeelen. Denk je, dat we uit vrije beweging ons lief kind weg hebben gezonden? Als er hier op de plaats eens voetangels en, klemmen werden gevonden ? ...quot;
»Wat! Zou een of andere liverijknecht...?quot;
»Neen, neen, kind! Vraag me niet meer.''
»Dus de fielt schuilt niet onder de lakeien ? Vader zou die ook niet vreezen. ü hebt het zelve straks gehoord, dat zulk slach Vaders slach is. Dus hooger dreigt het kwaad.... dus hij misschien, die reeds zoo menig eerlijk kind .... ? Hij durft Klara aanzien! God in den hemel, ik ben in staat het hem te vragen, en dan .. .!quot;
»Kind! wilt ge dan ons allen tot een ongeluk wezen?quot; vroeg Moeder, die met die eene vraag hem een verborgenheid ontsluierde. Allen was hij op het punt een ongeluk te worden;
118
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN'.
velen was hij 't misschien reeds lang geweest; éen zeker reeds zeer lang!
Hij wikkelde zich uit de armen zijner moeder los en snikte; »God, wat ben ik rampzalig!quot;
»Niet zoo, niet zoo, miin jongen! Och, ik wou, datje andere ouders had gehad: voorname, rijke!quot;
Kornelis vloog op haar toe en kuste haar. »Toch geen andere moeder zou ik me wenschen, lieve, beste, eerlijke, brave moeder!quot;
»Wel een anderen vader?quot;
Hij was heen geijld en zij bleef met haar smart alleen.
Wéér verliepen er eenige dagen. »Ze zal ziek wezen,quot; fluisterde Moeder, maar haar man was weêr van een andere opinie. »Als dat zoo was zou een ander wel schrijven.quot;
Toch ging hij rechtstreeks naar Mijnheer en vroeg hem een verlof van twee dagen. Het werd hem geweigerd, kortaf geweigerd: hij kon niet gemist worden. Hij groette even onderdanig als gewoonlijk toen hij heen ging, maar er was toch iets in zijn binnenste, wat tot opstand aanzette.
»Moeder, neem morgen een plaats in de diligence en ga het kind bezoeken. Ik hou het niet langer uit,quot; zei hij.
Maar dienzelfden middag kwam er tijding.
De brief, dien de postbode voor het raam aan een uitgestrekte trillende hand toereikte, droeg een adres, dat niet van Klaraas hand was.
s-Erg ziek, heel erg?quot; vroeg Moeder, tegen haar man aangeleund, die den brief bijna met zijn bevende handen niet had kunnen openen, maar nu die geopend was den inhoud als met een oogopslag overzag. »Zeg de waarheid. Erg ziek?quot;
» Erger.quot;
»Dood, dood?quot;
»Nóg erger!quot; klonk het met holle stem, en beiden ontzonk de grond. Ze zouden neergezegen zijn, zoo hij zich niet aan het vensterkozijn had vastgehouden.
«Nog erger? Is zij ... ?quot;
»Spoorloos verdwenen. De linnenmeid schrijft, dat het haar verwondert, geen aanwijzing ontvangen te hebben, hoe het goed van Klara te verzenden. Zij zou toch wel al eenige dagen thuis zijn! »'t Eekommandeert niet, als men zoo zijn dienst verlaat... Dat had Mevrouw Reaal niet aan haar verdiend, en Mijnheer ook niet, die haar nog namens Mevrouw is komen bezoeken.quot; Ze is weg... in zijn handen, Moeder! in zijn handen! en de man, die nog nooit zijn tranen had laten zien, liet ze nu langs de bleeke wang neer biggelen!
In zijn handen! O 't was een vreeselijke gedachte, zóo kwet-
119
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
send, dat de verontwaardiging hem aan den verpletterenden invloed zijner zielesnaart ontrukte.
»Vrouw, niet jij, maar ik ga morgen onderzoek doen. Aan Kor-nelis geen woord!quot; sprak de weder bedachtzame. »Neen, zóo duivelsch slecht zal Mijnheer toch niet wezen.quot;
Moeder kon niet meer. Als het toonbeeld der wanhoop zat zij op haar gewone plaats neer. De oogen waren rood gezwollen; haar hoofd bonsde, maar zij voelde het niet; zij dacht alleen aan haar kind, haar reine engel, die zij niet half genoeg had lief gehad, die zij onkundig van het kwaad de wijde wereld had doen ingaan. Haar kind, met schande overdekt, maar toch niet zondig; want dat had zij bij een Alwetend God wel durven bezweeren, dat haar kind niet den weg der zonde was opgedwaald.
Zij had reeds uren zitten te peinzen, toen Kornelis thuis kwam. Zijn tred was haastiger dan ooit; zijn gelaat drukte meer vreugde uit dan gewoonlijk, maar zij merkte er niets van.
»Moe!quot; klonk het reeds in de verte, «Mijnheer Stufken heeft woord gehouden. Mijn salaris is met tweehonderd gulden verhoogd, en het volgende jaar kom ik in de zaak. Lize is in de wolken. Wij hebben elkaar ook zoo lief! 't Zal nu wel publiek mogen worden.quot;
Moeder had niets verstaan. Zij bleef voor zich staren en vaagde instinktmatig met de koude hand langs het voorhoofd. Hij bespeurde nu eerst in welken toestand zij verkeerde. Hij trad op haar toe en dwong haar hem aan te zien. »Wat is er gebeurd? Tijding van Klara? Moeder, u jaagt mij den doodsangst op het lijf!quot;
»Weg, zij is weg... nergens te vinden!quot; snikte Moeder, die niet meer aan de vermaning van haar man, om er niets van te zeggen, dacht.
»Weggeloopen! Zij? Vrijwillig weggeloopen! Dat is onmogelijk ! Daarvoor ken ik haar te goed. Of. .. zij was altijd anders als wij. Zij zag geen kwaad waar wij het wel zagen. Weg?quot; Hij voelde het eerste oogenblik niets dan smart, dan medelijden, dan een innig verlangen naar haar terugkeer. Hij was doodsbleek geworden en dacht niet meer aan zijn geluk. Maar weldra overheerde hem een andere aandoening. De ontwaakte argwaan jegens den gehaten meester zijns vaders ontving nieuw voedsel. Hij dacht aan de gevolgen: aan de schande zijner zuster, een schande, die op allen zou overgaan. Zijn fierheid was grievend gekwetst. Hij schreide niet, hjj balde de vuist; hij ijlde het vertrek uit, naaide plaats waar Vaders geladen geweer hing en vloog de plaats in. Zijn vader mocht ook deze heleediging kunnen verkroppen, hij niet; hij zou Klara, hij zou allen wreken. Onberaden drift, waaronder toch zooveel adel school!
120
HET GEZIN VAN HAAS VAN OMMEREN.
Ware hem de door; zijner zuster aangezegd, hij zou in tranen zijn uitgebarsten, hij zou hebben geleden, maar gezwegen en berust; maar nu de schande hem en de zijnen dreigde, nu zijn eergevoel, zoo overprikkeld door de valsche verhoudingen waarin hij zich bevond, was beleedigd, nu kende hij geen droefheid, maar alleen wrok, maar alleen verlangen om den schuldige te vernietigen, die de zijnen zoo nameloos ongelukkig had gemaakt.
Hij rende altijd voort. Wist hij dan den beleediger te vinden, en zoo hij hem gevonden had, van schuld te overtuigen? Hij vroeg het zich niet af. Hij rende voort, maar voelde eensklaps een schok door zijn leden, toen hij bij het omslaan van een bocht zich vlak tegenover Mijnheer bevond, die den schoonen namiddag genoot onder het rocken eener keurige havannah.
»Waar gaat dat heen, knaap? Je zult toch niet op mijn eigen plaats durven jagen?quot;
»Ja, jagen, maar niet op mooie meisjens!quot; klonk het gesmoord. »Bloed wil ik zien... bloed!quot; en hij nam het geweer op, om op Mijnheer aan te leggen.
»Dat is geen speelgoed voor jongens van jou kaliber,quot; hernam Mijnheer, terwijl hij hem het wapen ontrukte en hem vervolgens met een doorborenden blik aanzag, een blik, die Kornelis werkelijk de koude in het bloed joeg. »Ga dadelijk naar je ouders en ik spaar je het rasphuis.quot; Met een hoogheid als Kornelis nog nooit in hem had opgemerkt, schreed Mijnheer voort; met een lafheid, als waartoe hij zich zelf niet in staat had geacht, bleef hij den hoogen man nastaren.
Was er dan toch iets, dat den patriciër van den burgerman scheidde ? Neen, dat was het niet. Het was alleen lafheid, die hem de neerlaag had doen lijden. Hij bedekte zich van schaamte het gelaat met de handen. Hij wou dat het donker om hem heen was; want het scheen hem toe of iedere boom, iedere heester hem toeriep ; lafaart!quot; of dat woord op de groote bladen van de waterplanten der beek geschreven stond en de dorpsklok het hem toedreunde in haar metalen sprake.
*Jij ook al gedrukt alsof je een molensteen op de borst ligt?quot; zoo klonk de welbekende stem van Hein in zijn nabijheid. »'k Heb onzen Napoleon zoo op 't oogenblik met je vaders geweer voorbij zien gaan. Zou hij ook strooper gaan worden? Neen, neen, dat is de oude Adam weêr, en dien wil ik ónder houen tot hij gestikt is. Wat is er toch gebeurd? Euzie gehad met Stufken? Maar die heeft je noodig zooals hij mij noodig heeft, 'k Heb een vast besluit genomen om hém niet meer noodig te hebben. Ik wil geen schurkentaxaties meer doen. Jongen, dat gezicht van mijn Griet vergeet ik zoo licht niet! Zoo in eens mors dood! En ik heb zoo almachtig veel op mijn kerfstok. Neen, ik wil met dien smeerlap
121
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
niets meer te doen hebben. Mijn kleuters zijn bezorgd. Waarachtig! dat heb ik aan je engel van een zuster te danken! Waar is ze toch? Stufken zei, dat ik er niet tegen je van reppen mocht, maar ik maak me vrij van dien geldhaai.quot;
«Weet je waar ze is? .... En Mijnheer Stufken wist ook____?quot;
vroeg Kornelis plotseling het zwijgen afbrekend en Hein bij den schouder grijpend.
»Weet jij 't dan niet? Bij de van Wulvens op Stoutenburg. Ik zag haar daar een veertien dagen geleden, toen ik Langelaan ging opnemen.quot;
»Maar daar is ze niet meer.quot;
!gt; Wel verd ....quot; riep Hein, terwijl hij zich met de hand voor het voorhoofd sloeg.
«Waarom heb je me voor veertien dagen niet gezegd, dat ze daar was?quot;
»Stuf ken wou het niet hebben. En kon ik dan denken, dat de eigen broêr het niet wist? 't Was toch met medeweten van je ouders dat ze ging? Zoo, dat dacht ik ook wel. Maar daar schuilt meer achter; zeker weêr een schurkenstreek van den. patroon.quot;
»Hein, matig je! Ik wil geen kwaad hooren van mijn besten vriend.quot;
»God bewaar je, jongen, als Stufken je beste vriend is, dan wordt je nog overste in de hel. Maar daar zit wat achter. Je ouders hadden zeker reden geheim te houden waar ze was; en als ik haar niet kasueel gezien had, dan had ik het Stufken niet kunnen vertellen en als ik het dien niet verteld had, dan had die het niet kunnen overbrieven. Ja, daar zit 'em de knoop! Het eenig schepsel, dat me wel deed, dat me óok als mensch beschouwde, heb ik misschien ongelukkig gemaakt. Jongen, gebruik je verstand en denk eens goed door! Wat kan de reden zijn, dat je ouders haar hebben weggestuurd?quot;
»Ga weg â dadelijk! Jij bent mijn duivel; je zoudt mij doen gelooven dat er niemant meer deugt!quot; riep Kornelis, terwijl hij haastig de vlucht nam. Hein was een lasteraar. Onmogelijk, dat zijn patroon, de vader zijner Lize, zulk een rol gespeeld zou hebben, en toch, juist in de laatste veertien dagen had de patroon met Mijnheer zaken willen doen. Kornelis kon niet meer met zic'a /.elven alleen zijn; overal was hij 't behalve bij Lize. Der waards ging hij. De steeds veerkrachtige geest, het fiere, edel gemoed van dat meisjen wist hem te verstaan zoo als geen ander, wist hem te sterken en te troosten, hem te verheffen boven het alledaagsche, dat alles in het ouderlijke huis kenmerkte.
Hij had zijn moeder alleen achtergelaten. Niet lang echter duurde haar eenzaamheid. Behoedzaam werd weinig tijds na Kor-
122
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
nelis' vertrek de klink der deur opgeheven, behoedzaam een blozend gelaat, omlijst met dik, stijf hair, naar binnen gestoken en spiedden een paar goedige oogen naar binnen.
»Mag ik binnen komen?quot; fluisterde een stem.
Moeder keerde met haar gedachten tot de werkelijkheid terug. »Dag, Evert! dag, jongen!quot; en de roode brandende oogen werden weder met heete tranen gevuld. Het verraste haar zelve; zij had niet gedacht meer te kunnen schreien. »Kom je weer vragen naar mijn lievert, jongen?quot;
Wat de jongen niet had wagen te doen, toen Klara nog thuis was, had hij gewaagd sedert zij was vertrokken. De bloode jongen had een zwaren strijd te strjjden gehad, eer hij zijn eerste bezoek had durven brengen, 't Was nieuwsgierigheid, had hij gezegd in zijn verwarring, in plaats van het met den waren naam: vurige belangstelling, tedere liefde, te bestempelen. Maar Moeder had niet noodig naar zijn woorden te luisteren. Zij kende zijn hart, en daarom had ze hem vriendelijk te woord gestaan en hem toen verteld, dat Klara voor haar best in een grooteluis dienst was gegaan, eenige uren hier van daan, en vervolgens bekend, ciat het haar in het huis zoo leêg was, wat hij. Evert, wel zou kunnen begrijpen, bij welke woorden Evert zoo rood werd als een paradijsappel. Zij had niet opgehouden hem van Klara te vertellen en zij merkte wel, dat de jongen haar woorden met de ooren als indronk. Hoe de vraag ook op zijn lippen brandde, waar Klara toch eigenlijk diende, toch waagde hij het niet haar te doen. Geheel van Klara-lief vervuld was hij heengegaan en een paar dagen daarna teruggekomen, om weder naar haar te vernemen. Ditmaal moest de-tijding al heel ongunstig luiden. Den vorigen dag kon er nog van ziekte sprake zijn, maar nu moest Moeder mededeelen, dat haar kind verdwenen was. Zij had gedacht, dat het Evert zou gaan als haar, dat hij uitgebarsten zou zijn in tranen, maar hij bleef bedaard en zeide alleen: »Dan toch niet doodziek. Goddank!quot;
»Maar dit is toch veel erger. Evert!quot;
»Met je permissie, vrouw van Ommeren, dat vind ik niet. Wat er gebeurd is mag onze Lieve Heer weten, maar Klara zal niets doen wat kwaad is. Daar wil ik mijn rechterhand wel op geven.quot;
Eh die rechterhand was hem veel waard; daarmeê moest hij zijn zeven gulden 's weeks verdienen.
't Was Moeder een troost zoo als nog niemant haar gegeven had. Zij keek hem in bet gevuld en eenigzins bolrond gelaat, dat rechtschapenheid en eenvoud uitdrukte.
»Ja, dat's waar, jongen! Zij is in Gods hand, en ze is braaf, door en door braaf.quot;
»Dat zou 'k naeenen ... Ik heb goeje beenen,quot; zei hij met
123
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
eenigzins schorre stem. »Ik zal haar wel vinden, als ik maar eerst weet waar zij het laatst geweest is.quot;
»'t Hoeft niet jongen, daar is al voor gezorgd! Geef me een hand, Evert! Ik zal 't nooit vergeten, hoor! Kom eens gauw weCrom. Och, het doet zoo goed, als anderen met je méégaan op den beproevingsweg.quot;
XVI.
Terwijl de haren in doodsangst verkeerden, zat Klara op een stoel met paardenhairen zitting aan het venster, de hand op het kozijn geleund, uit te zien naar het gewoel, dat op gindsche brug lieerschte, welke even voor haar zichtbaar was als zij het hoofdtjen zoo ver mogelijk tegen het glas terugboog. Het klein, onaanzienlijk huis, d^t haar huisvesting bood, was een van de reeks woningen, welke het uitzicht hadden op een vaart en eenige aan de overzijde daarvan liggende schuren. De straat, die tot gindsche brug voerde, vormde een rechten hoek met dit afgelegen grachtjen en was zoo levendig als dit stil en ledig was. Van buiten beschouwd geleek dat huis op alle anderen in de naaste omgeving, maar var binnen zou ten minste éen verdieping zeker de verbazing dei-naaste buren hebben opgewekt, als het hun gegeven ware een blik naar binnen te mogen slaan. Voor hen zou het meubilair, hoewel niet meer dan eenvoudig, toch burgerdeftig geweest zijn en hun gunstig oordeel zou door de tegenwoordige bewoonster bevestigd zijn geworden. Klara toch had niets dan bewondering gekend, toen zij op den eersten morgen, in het donzen bed ontwakende, de chitsen gordijnen had weggeschoven, het zonlicht dooide vensters had zien schijnen op de gladhouten vierkanten klaptafel, op den spiegel met vergulden lijst, op de gladhouten stoelen, op de gouden pendule en op de sofa met twee kussens. Haar mollig voetjen drukte geen vloer met matten belegd, maar met een zacht tapijt. Welk een weelde! In een klein kamertjen ter zijde vond zij een waschtafel, een kapspiegel en verschillende fleschjens, waarvan zij den inhoud niet kon gissen, geurige doorzichtige zeep en niet minder geurige pommade. Maar dat was te veel voor haar, al zou ze ook goevernante en daardoor jufvrouw worden, zoo als in der tijd de zusters van haar vader en moeder waren geweest.
Die toekomstige standsverhooging moest haar hierzijn verklaren. Toen wij haar daar aan het venster bespiedden, mochten wij een oogenblik meenen, dat haar aandacht het straatgewoel daar ginds
124
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
gold; bij een nadere beschouwing zou het blijken, dat haar gedachten gants iets anders betroffen. Hoe veelbewogen waren de dagen geweest, sedert haar vertrek uit het ouderlijke huis! Als een verstandige dochter had zij begrepen, dat haar vertrek plicht was, dat ze niet altijd op vaders verdiensten teeren, dat moeders huishouding haar niet genoeg leeren kon. Toch beklemde haar een angstig gevoel, toen zij het hooge huis naderde, dat haar een leeren oefenschool wezen zou. Mevrouw van Wulven ontving haar vriendelijk. De domestieken waren wel niet stug, maar deden haar toch gevoelen hoe groote klove hen van haar, het eenvoudige dorpskind, dat weinig beter dan een boerin was, scheidde. In die groote keuken voelde zij zich eerst recht verlaten en tevens dienstbaar, daar zij den eersten avond reeds, weinige uren na haar aankomst, al de domestieken bedienen en de voor haar nog zoo vreemde kasten en kisten bezoeken moest. »'t Zou wel beter worden,quot; dacht ze, en »alle beginselen zijn moeielijk,quot; zoo fluisterde ze zich toe. Mevrouw bleef allerliefst voor haar. Het maakte haar wel verlegen, dat zrj haar altoos zoo strak aankeek en met de oogen volgde, maar geen enkel hard woord werd haar toegevoegd, hoe wel ze begreep menig vergrijp te begaan. Mevrouw begon na eenige dagen zelfs prijs op haar gezelschap te stellen en liet haar werken onder haar opzicht. Dit verdroot de bovenlinnenmeid, en van dat oogenblik begon het kabaal den grond onder hare voeten te ondermijnen.
De kunsten der fijnste diplomatie werden in het werk gesteld. De »halve jufvrouwquot; moest uit den zadel gelicht; der femelaarster, die Mevrouw naar den mond zocht te praten, haar plicht op gevoelige wijze onder het oog worden gebracht. Als de bovenlinnenmeid hare rechten niet wist te handhaven, dan was het met alle hierarchie gedaan en zou de keukenmeid de orders van de boven-werkmeid, deze weêr die van hare tijdelijke assistenten moeten verdragen. Aan de keukentafel regende het dan ook schimpscheuten, die niet altijd fijn waren. In het benedenhuis klom het aantal bevelen aan de nieuw aangekomene, bevelen, die, uit vrees voor twist, een tijd lang zonder morren werden opgevolgd. Toen men dat bespeurde nam de bedil- en heerschzucht toe. De toestand werd voor het arme kind ondragelijk. Slechts 's avonds â en reeds vroeg in den avond was het »of haar 't hart in 't lijf sliepquot; â mocht zij haar bedsteé opzoeken en daar aan Vader, Moeder en Kornelis denken en den naam van Mijnheer heel zachtjens uitspreken, schreien tot haar de oogleden zwollen, overdenken wat haar te doen stond, en eindelijk inslapen om weêr met een pak op het hart te ontwaken.
Toen zij weêr eens met Mevrouw alleen was en deze weêr naar Vader en Moeder, naar Mevrouw en Mijnheer Reaal vroeg, en,
/
125
HET GEZIN VAN BAAS VAN' OMMERENquot;.
wat reeds meermalen gebeurd was, er onderzoek naar deed of Mijnbeer door zijn onderboorigen nog al bemind werd, waarop zij naar waarheid andwoordde, dat bij voor haar altijd zeer goed geweest was, verstoutte zij zich. Mevrouw deelgenoot te maken van bare ervaringen. Mevrouw besloot daarop bet dienend personeel een les te geven en Klara voor goed tot hare gunsteling te verklaren. Deze ontving verlof met de kleinste kinderen een wandeling te doen en dat iederen dag bij mooi weêr te herhalen. »Je bent dat leven in huis niet gewend,quot; zei Mevrouw zeer goedig; »de buitenlucht zal je kleur wel weêr terug doen komen.quot; Maar dat gunstbewijs, boe duidelijk ook, verergerde haar toestand niet weinig. Men mompelde beneden van niets minder dan van verraad, van spionneering: men gaf haar steeds vinnige zetten en verklaarde haar eindelijk voor dood! Wat moest Klara doen? »Haar tanden laten zien!quot; zei de keukenprinses. »Jelui moest het mij in den beginne eens gebakken hebben, ik zou je .. .vervolgde een ander, die echter een van de felste plaaggeesten was en bleef voor bet weerloos schaap, dat alleen in den eersten buisknecht een beschermer vond. Maar liever een vijand meer dan zulk een beschermer; want in ieder donker hoekjen stond hij haar op te wachten en vroeg hij of zocht hij een belooning te verkrijgen voor de onhandige en ongevraagde hulp. Klara was ten einde raad en begon een brief aan haar moeder.
Voor zij dien echter geëindigd had, waren de omstandigheden geheel gewijzigd. Op een barer wandelingen ontmoette zjj Mijnheer. Meer dan zij dacht, straalde haar de blijdschap de oogen uit bij die verschijning, en zulk een uitdrukking op het lieve, iets bleeke, maar daardoor fijner gelaat stemde Mijnheer nog vriendelijker. Zij dacht er niet aan de hand terug te trekken, die bij in de zijne hield en drukte. Zij kon in de op haar gevestigde oogen niets anders lezen dan belangstellende vriendschap. Zij klaagde hem haar nood. Hij gaf haar in alles gelijk en noemde haar tegenwoordige betrekking een vernedering. Zij was tot beter geroepen. Hij had geen kinderen en was vermogend; bij zou baar een andere toekomst openen als zij het wilde en haar ouders bet toestonden. Hij sprak er van baar naar een kostschool te zenden, haar te laten onderwijzen. Zij had nooit naar booger gestreefd; zij bad zelfs alle hoogheid voor baar zelve geschuwd zoolang zij in betrekkelijke onafhankelijkheid en welvaart bad geleefd, maar na de ervaring der laatste dagen zuchtte zij toch bij het woord: dienstbaarheid. Mijnheer schilderde de toekomst zóo verleidelijk â een goevernante behoorde eigenlijk tot de familie; een kostschool-bouderes kon in baar ouderdom stil leven, als ze niet vóór dien tijd door een kostschoolhouder ten huwelijk was gevraagd ââ dat Klara ten laatste beleed Mijnheers steun gaarne te willen aannemen.
126
1£ET GEZIN VAN HAAS VAN OMMEREN.
indien haar ouders dat ten minste goed vonden. Zelfs erkende zij gaarne door Mijnheer, die altijd zoo goed voor haar geweest was, geprotegeerd te worden. Zij vroeg of ze Mijnheer een brief voor haar ouders mocht meêgeven en Mevrouw van Wulven de dienst opzeggen zou. Het laatste vond hij goed, het eerste overbodig; want hij zou zelf haar ouders gaan spreken. Na weinige dagen bracht hij haar reeds het verlof en deelde hij Mevrouw de Douairière van Wulven mede, dat haar linnenmeisjen, die een point de mire scheen van de domestieken, binnen weinige dagen van wege hare ouders zou worden afgehaald. Dat gebeurde ook. Op zekeren dag hield er een vigelante stil voor Jufvrouw van Ommeren, bij welken titel een schaterlach het onderhuis rondliep. Mevrouw, die hoofdschuddend de eerste aanzegging van Elaraas vertrek had ontvangen en daarop veel minder welwillend jegens haar gestemd scheen, bleek werkelijk gebelgd, toen er uitvoering gegeven werd aan het aangekondigde voornemen van Klara, om tusschen tijds te vertrekken. Zij trok zich geheel terug en liet het ondankbare kind begaan. Het rijtuig bleek veel te klein om Klaraas goed te bergen, zoodat zij verzocht, dat nog een paar dagen daar te mogen laten, en daarover van huis uit te doen beschikken. Zij stapte vervolgens, door niemant dan door den eersten huisknecht uitgelaten, die haar met een blik vol beteekenis het handtjen drukte, het rijtuig in, dat haar naar U. moest brengen, van waar zij dan met de diligence voornemens was verder te reizen.
Een heerlijk gevoel, het gevoel van den gevangene, die de kerkermuren verlaat, doorstroomde haar. Zij vermeide zich in den aanblik van het landschap, dat zij in een sukkeldrafjen doorreed. Nu keek zij door het eene dan door het andere raampjen: ze had wel meê willen tjilpen met de musschen, die het tripplend paard niet dan op het uiterste oogenblik van den weg opjoeg.
Zij was vrij. Zij keerde naar het ouderlijk huis terug, en als zi; dat op nieuw verliet, dan zou het zijn om zich voor hooger te vormen en broêr Eornelis meer gelijk te worden. Hoe kort zij ook van Vader en Moeder was gescheiden geweest, zij hunkerde nu naar het oogenblik beiden weêr te zien. Met blijdschap reed zij dan ook de stadspoort binnen, en met overdreven haast zocht zij de bagage, welke zij meêgenomen had, bijeen, lang voor dat zij de pleisterplaats der diligence in het gezicht kreeg. Het scheen ook wel of zij zich in den weg deerlijk had vergist, of dat baai-ongeduld de sekonden tot minuten deed uitbreiden, want nog altijd zocht haar starend oog het kantoor der onderneming te vergeefs. Eensklaps hield het rijtuig stil, schelde de voerman aan een haar geheel onbekend huis en opende het portier. »Verkeerd, vriend!quot; zeide Klara met heesche stem. »Niet verkeerd,quot; hernam de toegesprokene, en tot bewijs daarvan nam hij de doos en de
127
het gezin van baas van ommeren.
paraplui van de bank en reikte hij ze de burgerjufvrouw toe, die met een glimlach op de lippen Klara wenkte binnen te treden. Mijnheer Reaal was gister nog even daar geweest met de boodschap, dat Klaraas ouders de reis naar huis onnoodig tijd- en geldverlies vonden, daar het kostschool waarop ze door Mijnheers goedheid geplaatst zou worden, in deze stad was gevestigd. Het werd Klara bij die boodschap zonderling te moede. In haar hart rees er een aanklacht tegen haar ouders op en beschuldigde zij ze van koelheid. Had zij, die zoo zeer naar hen verlangde, geen recht te vermoeden, dat Vader en Moeder het evenzeer naar haar deden ? Maar neen, zulk een beschuldiging was zeker onrechtvaardig. Er lag iets anders in hunne handelwijze. Zij wist, hoe doortastend Mijnheer was en hoe Vader hem in alles gehoorzaamde. Vader en Moeder keurden zeker den gedanen stap af, maar waagden het niet Mijnheer tegen te werken. Hoe goed Mijnheer het ook met haar voorhad, op zulk een wijze wou zij toch niet beschermd en voortgeholpen worden.
Haar blijdschap had plotseling plaats gemaakt voor onrast en angst. Zij antwoordde ter nauwernood Jufvrouw Bosker, zooals die zich noemde, weigerde alles wat haar tot verkwikking werd aangeboden en vroeg alleen pen, inkt en rust. Zij werd naar haar kamer geleid, waar zij zich zoo eenzaam en verlaten gevoelde, dat ze in tranen losborst. Jufvrouw Bosker, die zoo iets wel vermoedde, liet haar gelukkig eenigen tijd alleen. Toen het begon te schemeren bracht zij een lamp boven en liet zij de gordijnen vallen en zette vervolgens een glas rookende punch klaar.
»Drink dat maar eens uit, lieve meid! dat zal je goed doen; probaat voor schele hoofdpijn en zoo voorts. Zoo, heb je een brief geschreven? Dadelijk zal ik dien op den post laten bezorgen, â dadelijk, hoor, mijn kind! Ik kom straks nog eens naar je kijken.quot;
De brief, aan Baas van Ommeren geadresseerd, gleed in Jufvrouw Boskers zijzak, waar hij eenige dagen verbleef. Gelukkig evenwel, dat Klara dit niet vermoeden kon. Na geschreven te hebben was ze rustiger geworden. Zij had in haar brief gevraagd naar huis te mogen komen en rekende uit binnen hoe veel tijds zij andwoord zou kunnen ontvangen. Haar brief zou morgen avond op Spaarnwou aankomen; Moeder zou niet rusten en Vader ook niet voor hij beandwoord en met de eerste gelegenheid, die er den volgenden dag zoude zijn, verzonden werd, zoodat zij overmorgen tegen den avond daarvan in het bezit zou kunnen komen. Een korten tijd dus nog gewacht! Neen, een langen tijd! Hoe zou zij die dagen â hoeveel uren waren het wel? â hier in dit vreemde huis, in die vreemde stad doorbrengen? Daarover zom ze morgen denken, want nu vielen haar de oogen bijna dicht. Toen Jufvrouw Bosker binnenkwam, om haar een tweede glaasjen tegen
128
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
de schele hoofdpijn en daaraan verwante kwalen te brengen en te vragen of ze ook een slaatjen met een eitjen of een koud karbo-naadtjen wou hebben, zag zij niets meer, maar hoorde zij des te duidelijker de diepe ademhaling der slapende.
»Hij schijnt die boerin op zijn eigen plaats opgedaan te hebben,quot; mompelde zij, terwijl ze Klara, wier wangen thans zacht rood waren gekleurd, een oogenblik in 't gezicht staarde. »Hni, hm,quot; vervolgde zij, »hij heeft er betere gehad,quot; bij welke woorden zij het hoofd omwendde naar de plaats waar de spiegel hing.
Jufvrouw Bosker was, naar de beschouwing van hare bekenden, nog een goed stuk van een vrouw. Als het te pas kwam â en het kwam heel dikwijls te pas â vertelde zij van de gevaren, welke hare jeugd bedreigd hadden, omdat ze er zoo goed had uitgezien. Zij wist groote namen te noemen, bij wier vermelding er een ironische trek op haar gelaat te voorschijn kwam. Ze was toen rijzig en slank geweest, wel wat té rijzig en slank zoo als ze met een vertrouwelijken blik erkende. Nu was zij dan ook het tegendeel geworden en vonden eenige harer fatsoenlijkste kennissen, zoo als de bakkerin van den hoek en de modiste uit de naaste straat, haar wel wat al te »rood.quot; Als Klara een oordeel had moeten spreken dan had zij, hoe weinig ze ook van afkeuren hield, toch moeten bekennen, dat de Jufvrouw, die zoo »erg vriendelijk voor haar was,quot; een zeer gemengden indruk op haar maakte. Ze had misschien gezegd: »In de kleêren van een jufvrouw doet ze me toch niet aan een jufvrouw denken; hoe prachtig haar oorhangers en halsketen ook zijn, hoe kostelijk ook de ringen aan de dikke stompe vingers, toch geloof ik niet dat ze van goede familie is, en hoe voorkomend en minzaam ze ook tegen mij zich voordoet, geloof ik toch, dat ze mij geen goed hart toedraagt.quot;
Tot haar verdriet had Klara al den tijd om Jufvrouw Bosker te leeren kennen. Zij kon geen andwoord verwachten dan over drie dagen, al hoopte ze ook tegen beter weten aan op vroegere tijding. Gedrukt en door niets af te leiden, zagen wij haar aan het venster zitten en even als zij het straatgewoel zag zonder te zien, hoorde zij de praatjens van Jufvrouw Bosker zonder te hooren. Smakelijk was het eten en de drank, die haar werd voorgezet, maar niets smaakte haar. Op de vraag wat haar toch eigenlijk scheelde, moest zij het andwoord schuldig blijven. Zij had het heimwee; zij verlangde naar huis en dit waagde zij niet Jufvrouw Bosker te bekennen, die, zoo als ze zelve verteld had, reeds op haar zestiende jaar het brood voor anderen verdiende.
129
»Wie een mooi bakkesjen heeft, hoeft waarachtig geen honger te lijden en kan best door de waereld komen,quot; verkondigde zij met een zekerheid, die alleen vrucht van eigen ervaring kon zijn.
9
BAAS VAN OMMEREN.
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»0f het »lievertjenquot; ook eens wou wandelen?quot; klonk het later op den dag, en toen Klara toestemmend andwoordde, maar zeer bescheiden er bijvoegde, dat ze voor verdwalen niet bang was en op de hei wel eens heele dagen alleen gezworven en altijd den weg terug had gevonden, verklaarde Jufvrouw Bosker, dat ze dat voor geen geld zou toelaten en 't niet zou kunnen verandwoorden tegenover Mijnheer, die veel, o zoo veel! van haar hield. »Een rijke mosjeu, kindlief! maar dat zal je ook wel weten. Maak gebruik van de situazie en denk aan de magere jaren, terwijl je in de vette bent.quot;
Klara begreep niets van de les: het ware misschien beter geweest, indien ze die had begrepen.
De wandeling gaf haar afleiding. De winkels bevatteden zoo veel schoons en de modiste, Jufvrouw Boskers vriendin, liet haar zoo veel moois zien, dat ze geen meisjen had moeten zijn om voor dat alles ongevoelig te blijven. Toen zij echter begreep, dat al dat moois voor haar was uitgezocht, dat die zijden robes, die fijne kanten, die prachtige fichus, waarvan zij het bestaan zelfs niet vermoedde, voor haar waren bestemd, toen schrok ze en vroeg wie dat alles betalen zou.
»Wel, olijkert! Hij____dat begrijp je toch wel.quot;
»Maar op het kostschool kan ik dat alles toch niet dragen.quot;
»Op het school, waar jij naar toe gaat, wel, mijn lievertjen! Hou je toch maar niet al te dom! dat zou hem op den duur vervelen.quot;
Klara sprak niet meer tegen, omdat ze bezig was een poging te doen, om al het onverklaarbare te begrijpen. Wat het was wist ze niet, maar ze kreeg een soort van afschuw van die Jufvrouw, wier geheele wezen haar kwetste. Nog twee dagen met dat vriendelijk mensch te moeten leven scheen haar een marteling. Als Mijnheer vóór dien tijd eens in de stad kwam, dan zou ze verzoeken met hem meê terug te mogen rijden. Deze laatste gedachte bracht haar tot de vraag: of Mijnheer dikwijls in de stad kwam? waarop de andere een schaterlach deed hooren en eindelijk de woorden: Dikwijls genoeg om lastig te wezen. Zie je, je vrijheid, zei ik altjjd maar, is óok veel waard, en dan zoo'n kijk in de pot...! Of je me begrijpt!quot;
Den volgenden middag kwam Mijnheer onaangemeld de kamer binnen, terwijl zij op de sofa zat, welke zij echter nog niet recht »aandurfdequot; en waarvan ze slechts een klein plekjen had ingenomen. Ze sprong op van vreugde en zag den afstand voorbij, die er tusschen Mijnheer en haar bestond, want ze vloog hem in de geopende armen, zoo als ze haar goeden vader zou hebben gedaan, indien die voor had gestaan. Hij ging op de sofa bij haar zitten en zette er zijn liefkozing voort.
130
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Mijnheer!quot; fluisterde het kind, terugschrikkend en van de sofa opstaande, met een hoogen blos. »ü is toch niet boos op me, dat ik u . . .. 't was de vreugde u weêr te zien .... iemant lt;lie me kent, die vader. Moeder en Kornelis kent .... Brengt u een brief? Och, ik wou zoo graag naar huis eer ik naar het kostschool ga.quot;
»Gekheid, gekheid!quot;' schertste Mijnheer, die echter de blikken van het lieve kind niet scheen te kunnen verdragen. Ze scheen â¢de oogen eener gazelle te hebben,
»Maar waarom mag ik dan niet naar huis komen? Heb ik kwaad gedaan? Waarin?quot;
»Jij kwaad doen? Je bent een engel. Word je wel goed bediend? Is die vrouw beneden je ook lastig? Ja? Jaag haar dan maar dadelijk weg.quot;
«Jufvrouw Bosker? wegjagen? Ik?quot;
â » Wel zeker, je bent hier de baas. Alles wat hier is en nog veel meer, wat hier nog niet is maar er zal komen, behoort aan mijn lief duifjen, als het me lief heeft.quot;
»Och, wat is u goed voor me! Waaraan heb ik dat toch verdiend?.... Maar zijn ze allen wel. Mijnheer, op Spaarnwou? Wanneer hebt u Vader het laatst gezien? Vader was toch wel, en Moeder en Kornelis?quot;
»Heel wel, heel wel: dat zei ik je immers al?quot;
»En mjjn kamertjen houden ze toch voor mij open? En hoe maakt Hein het. Mijnheer? U weet wel, die arme stakkert? Ik heb altijd volgehouden dat er een goed hart in hem school... en zijn vrouw.... is die beter?quot;
«Die is gelukkig dood; maar kom dan toch naast me zitten.quot;
«Hé, Mijnheer!.... De arme Griet dood? En de kinderen?quot;
«Bezorgd.quot;
«Zeker door n. Ik was wel bang dat zij 't niet lang meer zou maken. En is alles nog zoo als het was toen ik heenging? Heeft mijn cochin-china al kuikens? Ze was aan 't broeien toen ik heenging en ik zei nog tegen manken Gerrit, dat hij alles moest klaarzetten zoo als ik dat deê toen ik thuis was.quot; Hier welde er een traan in het oog. «Maar waarom mag ik niet even thuiskomen? '
«Dat heb ik je immers al meermalen gezegd,quot; hernam Mijnheer ongeduldig. «Hier is je school.quot;
«Brengt u me er dan van daag nog naar toe?quot; bad zij en de kleine handtjes werden daarbij gevouwen.
«Verdoemde naïveteit!'' bromde Mijnheer. «Morgen kun je er ontvangen worden.quot;
Zij klapte in de handen. »Bn dan blijf ik daar nacht en dag, niet waar, Mijnheer? Dan kom ik hier niet weêr? En dan in de vakantie kom ik over, en dan . .. mag ik wel het eerst iemant
131
JIKT GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
gaan bedanken, van wie ik in 't geheel nog niet gesproken heb en jegens wie ik heel ondankbaar ben geweest. Mevrouw rekom-mandeerde me toch bij Mevrouw van Wulven, dat weet ik nu eeist. Wat zal de goede Mevrouw wel van me denken? Of weet Mevrouw, dat u zoo goed is, mij hier op te zoeken?quot;
»C'est insupportable!''' bromde Mijnheer, die zijn hoed greep, en zonder een woord te spreken de deur opentrok en haar met geweld achter zich dicht sloeg. Op den trap ontmoette hij Jufvrouw Bosker, die niet wist hoe hare verlegenheid te verbergen, daar zij op een plaats werd verrast waar ze niet behoorde. Ze had geluisterd en begreep, dat dit in hare tegenwoordige betrekking een hoofdzonde was.
»Ik blijf niet eten!quot; grauwde hij haar toe. »Dwing haar je lief gezelschap niet op. Je wordt oud en bent niet meer te gebruiken . .. .quot;
»Ik hou me aan 't zelfde komplementquot; snauwde de Jufvrouw, toen ze de deur achter hem had dichtgeslagen. »Wel, nou komaan! de kip is den haan de baas gebleven .... ha, ha, ha!quot; en ze schaterde het uit!
Klara stond eenige minuten als verplet. Had zij woorden gesproken die baar niet voegden? Had zij Mijnheer beleedigd? Hii had haar voor het eerst bejegend zooals hij het anderen dikwerf had gedaan. Zij was verschrokken, en toch. . . zij voelde zich verruimd. Vooral in het laatste oogenblik was zij bang voor hem geworden. Hoe had hij haar aangezien! Hij vond haar zeker erg laf, en dat was ze ook. Als hij nu maar niet in zijn drift de kostschool afzei.... want dan zou ze blijven wat ze was: een dom, laf kind!
XVII.
Vrouw Moes stond altijd vroeg op. Zij was een hartstochtelijk verdedigster van het spreekwoord, dat de morgenstond goud in den mond had en week, ook in dat gevoelen, af van hare onder-hoorigen, die den vroegen ochtend heel anders beschouwden en met een soort van smachtend verlangen naar den Zondag uitzagen, op den morgen van welken dag het hanengekraai ze nog niet ten bedde vond uitgesprongen. Het was thands Maandag en dan was «de vrouwquot; nog vroeger dan anders in de weer. Die dag was dan ook allen een ergernis. De rustdag was achter den rug en de werkdagen begonnen, terwijl jgt;de vrouwquot; alsof ze bevreesd wasr dat haar eigen gewrichten en die barer dienstboden door de ge-
132
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
â¢noten rust mochten verroest zijn, een dubbele beweging van zich zelve en van al de anderen eischte. »Hoe het mensch het uithoudt!quot; zuchtte een der roodwangige schoonen. »'t Is of ze Zondags paardevleesch schaft,quot; bromde een tweede. »'t Is haar eigen binnenst dat 'er tormenteert, prevelde de meest liefdelooze. »Ze heeft toch nog al wat meê te slepen,quot; meende de scherpzinnigste. â 't Mocht vóór haar getuigen, dat de vrouwelijke vierschaar dezen morgen geen ernstiger grieven had aan te voeren, en dat, hoe gezwollen de oogleden ook van den slaap waren, de blikken over het houten horretjen voor de ramen naar buiten gluurden, waar het nog schemerde, om naar den volkswagen uit te zien en de aankomst van dezen aan »de vrouwquot; te melden. Deze was bezig in haar kabinet nog wat te schikken, eenige papieren, die rekeningen bleken te zijn, op orde te leggen en in haar diepen wijden zak onder den paarsch chitsen rok te bergen. Haar groen katoenen parapluie met koperen punt en ring lag netjens opgeplooid op de tafel; haar groen saaien reistasch met haar zwarten strooien hoed, waarvan de breede luifel opgewipt was, daarnaast. Zij hoopte in â¢de stad veel geld te beuren. Het was een aardig sommetjen wat zij te goed had, maar ze wist bij ondervinding, dat er juist op de rijke lui niet veel te rekenen viel, zoodat ze blij zou zijn als ze maar de helft van het haar komende binnen kreeg. Ze dronk haastig «en kom warme koffi leêg en trakteerde zich op een wit balletjen, wikkelde een paar stoere boterammen met ham in een oude krant, voegde dit pakjen bij hare rekeningen in den bewusten grooten zak â¢en wachtte nu, op alles gewapend, de dingen, die komen zouden, af.
«Een fiksch stoer vrouwmensch!quot; zoo als haar gelijken zeiden. Was zij ook de zestig al lang voorbij, het gevleescht en blozend gelaat met de glinsterende wel wat brutale oogen, den grooten mond en de bolronde kin, waaronder zich een tweede had gevormd, stond recht en vast op den krachtigen hals. Er was iets zelfstandigs, in houding en gebaar, in loop en draai, iets krachtigs, zelfs iets ruws, maar wat toch plezier deed te zien.
»Zij wist wat ze deed,quot; dacht ieder die haar aanzag, en wat nog beter was: »zij deed wat ze moestquot; werd er door eenigen, en nog wel door wie haar het best kenden, bijgevoegd.
Daar toeterde de voerman van den volkswagen; een der meiden holde naar binnen om het naderen van het rijtuig te melden.
5gt;Denk je dat ik doof ben?quot; was de eenige belooning der bode, die, zonder zich om het weinig malsche woord te bekreunen, reiszak en parapluie greep en daarmeê naar buiten holde, het bruggetjen over tot aan den rijweg, die nog altijd op bestrating wachtte.
«Trui!quot; klonk het op den drempel van het waschhuis, »de wasch van van Vlijmen van daag op het veld, hoor je! â Trijn,
133
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
de armen uit de mouwen en het goed van van Boetselaar in de kuip! Niet met de zeep geklodderd waar je een handtjen van hebt â denk dat ze een hal ven stuiver is opgeslagen. En jij, Louw!quot; nu werd de knecht aangekeken, die gauw zijn zwartgebrand »mond-warmertjenquot; in zijn vestzak duwde en daarbij de vonken om zich heen strooide, »tot twaalven aan het stampblok en dan naar de boerderij; er moet mest gereden worden; voor den avond zorg je dat alles binnen is, versta je? Ik geloof waarachtig dat je nog slaapt. Wrijf je oogen uit!quot;
»Ja, Vrouw!quot; klonk het met een onderdrukten geeuw.
»Jelui weet het, dat ik je toch zie al ben ik hier niet. Ik denk aan jeluis baai â echt brabantsch breng ik jelui meê, en je moogt. van middag je hart eens ophalen aan spekpannekoeken.quot;
sBest, Vrouw!quot;
De trede was neergelaten. »Sukkel toch weêr niet zoo als laatst.. Kees! Leg er nou toch eens goed de zweep op!quot; beet ze den voerman toe, die haar naar boven hielp. »Ja wel!quot; hernam deze,, i als ik er maar geen tweede van je kaliber krijg, zal het met de zweetvossen wel gaan.quot;
»A1 ben ik er niet, toch zie ik jelui,quot; had »de vrouwquot; gezegd, en alsof de dienstboden van de waarheid dier verzekering overtuigd waren, werkten zij vlijtig voort. Er was een tijd geweest,, dat men de waarschuwing niet achtte en den dag-afwezig-zijn der Vrouw als een feest- en rustdag had beschouwd. Hoe vrolijker die dag was doorgebracht, des te meer weën had de avond gebaard-Alsof de vrouw werkelijk in hun midden onzichtbaar had rond-gezweefd, wist zij bij haar terugkomst rechtvaardig te straffen. y't Was of ze den duivel bij den staart hield,quot; meesmuilde men ten hoogste verschrokken. Hoe olijk ze ook meenden te zijn, de vrouw was nog olijker geweest en had baas Drosthagens oogen en ooren voor een dag in pacht genomen met belofte van weder-keerig dienstbetoon.
Vrij gerust zat dan ook Vrouw Moes in den wagen, die weldra gevuld werd door hare konkurrenten, allen bleekers, die met hetzelfde doel naar de stad togen, en door eenige hooger staande inwoners van het dorp. Het gesprek was eerst slepend en werd voorafgegaan door eenige krachtige geeuwpartijen van de zijde dei-meer beschaafden, voor wie de herfstmorgen wel het minst bekoorlijks had. Men was de laan ingeslagen en langs den straatweg de villa van Mijnheer Stufken genaderd, waarvan de blinden alle nog waren gesloten, hetgeen een ironische glimlach op Vrouw Moes' gelaat te voorschijn riep. «Slaap maar, moordenaar van mijn Bet!quot; dacht ze, »eens zal je waaktijd wel komen, want onze Lieve Heer is rechtvaardig.quot;
»Die zal ook niet veel rusttijd hebben al laat hij de blinden
134
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
dicht,quot; hoorde zij achter zich mompelen. Zij luisterde scherp toe. »Heb je er nog niet van gehoord? 't Moeten schavotzaken zijn.quot; Zij rilde. De man van haar Bet, de vader van de ijdeltuit, die ze toch niet haten kon, met vingers nagewezen en de ijdeltuit zelve met schande te zien overhoopt! »Hij moet niet meer of minder dan zich het goed van een ander toegeëigend en daarop geld hebben opgenomen. Het rechte weet ik nog niet, maar zóo veel is zeker, dat de Notaris laatst bleek is geworden toen hij een brief kreeg, dichtgemaakt met een kachet van rood lak, waarin afgedrukt stond: Officier van Justitie. Of er nog meer in betrokken zijn ? Daar heb ik nog niet van gehoord. Maar 't moet een schoelje zijn, die Stufken!quot;
»De duivel is niet zoo zwart als hij er uitziet,quot; merkte Vrouw Moes aan, terwijl hare lippen trilden. Ze kon den man van haar lieve Bet niet zoo maar hooien uitschelden, zonder er een hartig woordtjen van te zeggen. Een woekeraar, een schaeheraar, een uitzuiger van weéuwen en wezen, zou zij hem altijd blijven noemen, maar dat anderen hem evenzoo heetten, dat kon ze niet verkroppen.
»'t Is waar ook, 't is Uwees neef!quot; zeide de vorige spreker vrij bits.
»Dat doet er niets toe,quot; hernam zij een hoog roode kleur ki-ijgend. »Neef of niet Neef, maar als je er een zoo hoort uitluchten en degeen die het doet voegt er bij, dat hg het rechte niet weet, dan vind ik dat afgerazend flauw ! . . . Die kan je in je zak steken,quot; bromde ze, terwijl ze een verbolgen blik op den onvoorzichtige wierp, die wat achterwaards week en liefst niet in een woordenstrijd met die athlete gewikkeld werd. Maar Vrouw Moes had er nog niet genoeg van. Zonder er aan te denken, dat ze verschrikkelijk inkonsequent was en zich zelve tot leugenaarster naakte, had ze nu eenmaal de partij van Stufken opgenomen en een vreesachtigen babbelaar afgestraft. Ze zou hem nog meer slaag geven. Zij trok dan ook van leer en beweerde luid, dat ze veel liever met een woekeraar dan met een lasteraar in gezelschap was. «Weet je wat een lasteraar is, Heerschap? Een, die je vriendelijk vraagt op een kom koffi en in plaats van suiker je op rattenkruit trakteert! Wel bekom het je! Wel verplicht voor je gul onthaal! Maar als je thuis komt, voel je al de werking en je weet niet waar het vandaan komt. Je kunt er niets aan doen, en je bent er om koud eer je er om denkt, 'k Wou dat ik ze allemaal onder den voet kon krijgen evenals de slakken op mijn bleekveld. Ja, dat wou ik,quot; en ze scheen de daad bij den wil te voegen en trapte met den voet, die in een stevigen en dik gezoolden schoen zat, op de teenen van haar buurman, een vromen bleeker en ouderling van de Afgescheiden Gemeente, op wiens gelaat altijd
135
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
de pijnen der kruisiging te lezen waren, maar toch nooit zoo sterk als thands. Nooit had hij er ook zoo veel reden voor gehad, want de pijn die hij voelde was heftig. Het aangeraakt lichaamsdeel was dan ook niet gezond en had een zeer kwetsbare plek, die door den voet van het dolle vrouwmenseh grievend beleedigd was.
»Neem me niet kwalijk, 'k Geloof, dat ik je heb aangeraakt!quot;' hoorde hij haar nog zeggen.
Hij had al zijn tegenwoordigheid van geest noodig, om niet een krachtigen vloek te doen hooren, zooals hij dien in zijn onbekeerden staat wel eens had doen klinken. xOch, 't is niets, niet erg,quot; kon de brave man, eerst na eenige sekonden echter, uitbrengen. Hij schoof evenwel wat op zij en borg zijn voeten bij den buur aan den anderen kant.
»Die was raak zonder dat ik 't wist! Nou, ik gun 't den kwezel!quot; dacht de onverzoenlijke Vrouw Moes, die voor eenige dagen nog aan Lize had doen hooren, dat ze door Datheens psalmen misschien ook nog vroom zou kunnen worden.
»Ze moet nog ziek wezen,quot; werd er na eenige oogenblikken van algemeen zwijgen uit een anderen hoek gehoord en wel vaa den kant waar van der Molen, meester timmerman, zat. »Eveit is gek van sagrijn. Hij was altijd dol op de meid, die hij toch niet zou krijgen, zei ik altijd. Van Ommeren is een goeje sul en zijn vrouw insgelijks, maar de jongen, weet je, de jongen is krek een verkleede prins. Je weet wie die vrijt? Nou, je begrijpt me!quot; dus besloot de man, de twee laatste zinsneden bijna met een wegstervende stem uitbrengende, daar hij nog ter rechter tijd bedacht, dat Stuf kens dochter zeker ook onder de slagpennen van Vrouw Moes een plaats zou vinden.
»En ze weten niet eens waar ze is, heb ik me laten vertellen,quot; dus begon een ander.
Van der Molen knikte met een uitdrukking op zijn gelaat alsof hij wou zeggen: »Ik wil de zegsman niet wezen, maar wat je zegt is de heilige waarheid.quot;
«Spreek jelui van de zuster van dien half blanks heer?quot; vroeg Vrouw Moes. »'t Moet een goed schaap wezen, maar daar is alles meê gezeid. Die van Ommeren is geen knip voor zijn neus waavd. Hij Iaat zich koejeneeren door dien Reaal, dat mij de vingors jeuken, 't Moet niet eens met zijn goedvinden geweest zijn dat het kind heentrok. Zoo'n ezel en zoo'n wezel! Wat zeg jij er van, Smallenburg ?quot; vroeg zij den bewusten ouderling der Afgescheiden gemeente, die de waereld dezen morgen al voor zeer »bedurvenquot; hield en nog geen oogenblik van vrede met zich zei ven en zijn gezelschap had gehad,
»Die veel praat doet kwaad. Vrouw!quot; zeide hij, strak voor zich ziende.
136
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»En die altoos zwijgt, die krijgt,quot; vervolgde zij met zoo veel ironie en met zulk een welsprekend gebaar met de hand, dat liet gezelschap in lachen uitborst. Het was ook van algemeene bekendheid, dat Smallenburg een gierigaard was en druk bezig gt;te potten.quot;
Zonder te begrijpen dat de kwezel haar toch een nutte les had gegeven, die, ter rechter tijd opgevolgd, haar voor grove afdwalingen had kunnen behoeden, zette zij het afgebroken thema voort. »Ik heb het me nooit kunnen begrijpen hoe die van Ommeren zoo laf kon wezen. Misschien dat het hem nog altijd op zijn konscientie drukt, dat hij zijn schulden niet heeft kunnen betalen. Als dat zoo is doet het hem waarachtig nog eer aan.quot; Zij dacht ook aan het doel harer reis en hoopte dat al haar klanten op dat punt een even teêre konscientie mochten toonen te bezitten. »Maar hij had er nooit den schrik onder. Zijn kinderen deden maar wat ze wilden; daarom is de jongen ook een doordraaier, die tot nie ts deugt en staat de deern â een goed schaap anders! â zoo vreem d in de waereld te kijken. Zoo, dus weet men niet eens waar ze is? 't Is waarachtig al heel erg. Ze zag er voor haar doen nog al goed uit. God weet het, of ze niet geschaakt is. 't Zou me niet verwonderen! zoo'n schepseltjen kan niet van zich afslaan! Ik zeg het maar bij manier van spreken, vat je?quot; beet ze den ouderling-toe, die bij dat »van zich afslaanquot; voorzichtig op zij week.
»Denk om het rattenkruit in de koffi,quot; mompelde de passagier achter haar, maar zoo binnensmonds, dat zij de waarschuwing niet hoorde.
»Ik zou er je meer van kunnen zeggen,quot; stond alweer op het gezicht van den eerzamen timmermansbaas te lezen.
«Nou, van der Molen, jij weet ook meer dan je zeggen wilt,quot; riep Vrouw Moes hem toe.
yDat weet ik ook,quot; was er in den hoofdknik te lezen, welke op die woorden volgde.
»Dan is ze weg, geschaakt misschien door zoo'n liederlijken kwant.. . ! Dat manvolk brouwt toch wat kwaad! God weet of hij er niet het meest van weet, want hij was altijd een rare klant; geen kornet kon hij met vrede laten.quot; Het ging zelfs de vermetelheid van Vrouw Moes te boven cm den persoon, dien zij bedoelde, te noemen. De timmerman begreep haar echter dadelijk en knikte weder toestemmend met een zeer geheimzinnig lachjen op het gelaat.
»Ieder denkt er het zijne van,quot; zeide hij eindelijk met halve stem. »Mijn knecht Evert knaagt het aan vleesch en botten. En of ik al zeg: je hadt de meid toch niet gekregen, ze is als Jufvrouw geboren en ze wil als Mevrouw sterven, 't helpt me geen zier; hij jankt maar voort.quot;
137
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Zoo, was zij dan ook, even als haar broêr, van het hondtjen gebeten? Die vervloekte hoogmoed heeft er al menigeen den nek omgedraaid.quot;
»Juist, Vrouw! De Heere wederstaat den hoovaardige maaiden nederige geeft hij genade. De duivel van den hoogmoed is een geweldige Belzebub. Je hoort hem nooit achter je aan komen en hij is in je gevaren eer je het weet. Welgelukzalig hij....quot;
» Willen jelui ook uitstappen ?quot; vroeg de voerman door het portier, »we zijn halfweg.quot;
De ouderling was zijn preek kwijt, Vrouw Moes haar parapluie, zonder welke ze zich nooit verplaatste.
O gruwel! de voet van Smallenburg had weerwraak genomen en drukte den met ijzeren spijkers beslagen zool op het steeds zoo zorgvuldig bewaard kleinood.
ȕil je voet op, man! 't Is waarachtig schande!quot; riep ze met werkelijken angst.
Na eenige sekonden was de wagen leêg en stonden de passagiers voor het butfet van de dorpsherberg. De ouderling scheen eenige oogenblikken te weifelen, maar vroeg eindelijk op zachten toon: »een glaasjen klare!quot; Hij wtis er niet op verdacht, dat het vromv-mensch achter hem stond. Hij werd het eerst gewaar, toen haar scherpe stem langs zijn ooren floot: »Pas op, Jan, denk aan je onbekeerden staat!quot;
't Was een nijdig woord, want Smallenburg was vroeger een ijverig vereerder der spiritualia geweest en had oogenblikken gehad, dat hij geen brandewijn van jenever, zelfs geen boom van een kind onderscheiden kon.
»'t Is voor de kilte des morgens. Vrouw!quot; andwoordde hij in zijn konfuzie. Hij had niets of geheel iets anders moeten zeggen, dat begreep hij later zeer goed.
De anderen gebruikten allen een glaasjen klare of brandewijn met suiker, behalve de timmermansbaas, die zijn kleintjen mineraal water vroeg en daarbij de waardin strak aanzag. Niemant vermoedde, dat het bierglas dat hem werd toegereikt jenever inhield; het was een geheim tusschen hem en de Jufvrouw. Vrouw Moes, de eenige vrouw uit het gezelschap, vroeg een kom koffi en at daarbij haar brood, de nijdige blikken niet achtend die de waard op haar sloeg; zijn tafel toch was als beladen met broodtjens met kaas en rookvleesch.
»Als de vrienden maar willen!quot; riep de voerman om een hoekjen. Vrouw Moes dronk haastig haar kom leêg en klom het eerst, in de eene hand haar parapluie, in de andere een deel van de drie duims dikke boteram, den wagen in. »Je moet me afzetten eer je aan de stad komt. Kees! Ik moet op den buitensingel wezen bij de poort. Je hebt toch geen jenever gedronken? Je ziet er me
138
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
zoo koud uit, jongen! Daar heb je een dubbeltjen, koop gauw een kom warme koffi. Vraag maar een dubbele portie suiker, want mij hebben ze maar een halve gegeven, die schrielhansen !'*
Kees was dankbaar en genoot zijn koffi. Het scheen hem goed gedaan te hebben, want hij blies op zijn trompet dat de vensterruiten der herberg dreunden. Over de magere zweetrossen werd de zweep gelegd. »Wat men toch voor een dubbeltjen op zijn tijd gegeven niet gedaan kan krijgen!quot; dacht Vrouw Moes. Het was haar laatste gedachte, want weldra was ze ingedommeld en liet aan de anderen het praten over, waarvan dan ook druk gebruik werd gemaakt.
Onrechtvaardig was ze tegenover zich zelve, toen ze zich diets wou maken, dat alleen berekening haar de weldaad aan Kees had doen bewijzen. Maar zoo was ze. Ze reikte menigeen wat liefs en wat goeds, maar dat geschiedde in het grootste geheim en dikwijls al grommend, alsof 't haar afgedwongen was. En als het soms openbaar was geworden wat ze gedaan had, dan liet ze zich nog ontvallen, dat men de armen te vrind moest houden, als men iets in de wereld bezat dat vernield kon worden.
»Een hard wijf, die het in haar laatste uur benauwd zal hebben,quot; mompelde dan ook menigeen.
Men was de stad nabij gekomen en nog sliep Vrouw Moes voort. Er was een algemeene op- en inpakking. Jan Smallenburg had reeds een paar malen aan zijn langen jas getrokken, waarvan een slip â hoe dat kwam wist niemant â tusschen de in den schoot saamgevouwen handen van Vrouw Moes was vastgeraakt. Zeker had de dommelende onbewust naar warmte gezocht en toen een tip van het buitengewoon lange kleedingstuk tot zich getrokken. Het had Jan in het laatste half uur niet weinig verdroten r vooral omdat de andere reizigers zijn toestand bespeurden. Menige glimlach, menige oogknip joeg hem het zweet op het lage voorhoofd. Hij, Jan Smallenburg, op zulk eene wijze geketend aan een vrouw!
»Als ik je verzoeken mag...quot; vroeg Jan eindelijk, toen men het doel der reis bijna bereikt had; hij voegde thands de daad bij het woord en tikte even op haar schouder. Vrouw Moes zat in eens overeind, zag naar de jasslip die over haar schoot was gehaaid en keek toen den ander met een paar bliksemende oogen aan, daar ze in de meening verkeerde, dat Jan zich eenige familiariteit gedurende haar slaap had veroorloofd. Het geheele gezelschap schaterde het uit, wat Jan nog meer in verwarring en hem in Vrouw Moes' oogen nog meer in verdenking bracht.
«Wel, ouwe grappenmaker!quot; borst ze uit. »Dacht je aan een zusjen in den Heere ? ...quot;
»Een moeder. .. . misschien!quot; hernam hij. De kwaadheid en de
139
HET GEZIN VAN BAAS VAX OMMEREN.
ergernis deden hem een wapen vinden. De lachers waren nu op zijn zijde; hij was gered.
De voerman redde Vrouw Moes. Gedachtig aan haar verlangen, hield hij op de aangeduide plaats stil en hielp zijn dikke weldoenster met pak en zak de trede af. »Om vijf uur precies afrijden, Kees! Niet weêr als de vorige keer, toen je om half zes nog voor den ^gouden leeuwquot; liept te lanterfanten.quot;
Ze ging haar weg. Ze was stijf van het zitten geworden en vond een loopjen al zeer genoegelijk. Daar sloeg een der klokken acht uur. 't Was nog vroeg en bij de »stads luilakkenquot; kon zij op zijn vroegst om half tien aankomen. Zij behoefde zich dus niet te reppen en drentelde den buitensingel op, met het voornemen de volgende poort in te gaan. Uit haar zak haalde zij een strook papier, waarop haar verschillende boodschappen vermeld stonden. Ze was verdiept in de zaken, zoodat ze de klagende stem niet hoorde, welke zich achter haar uit het kreupelhout verhief. «Vrouw... Moes I ...quot; klonk het thands echter, even klagend maar iets luider. Zij keek om, en daar stond, halfweg in het boschjen verscholen ... ja wat stond daar eigenlijk? Zij kon het later nooit vertellen wat ze op dat oogenblik meende te zien. De sterke vrouw moest zich op haar parapluie steunen. Een wit bestorven meisjenskopjen, waarover een met slijk en vuil bevlekte witte doek was heen gebonden, lange krullende maar verwarde hairen weiden van lieverlede zichtbaar, en toen een jakjen van paarsch katcen waarvan het ondergedeelte schuil ging in â het leek wel â een deken, maar zoo bemorst en gescheurd, dat het Vrouw Moes bij den aanblik wee werd.
»Kind!quot; Zij had eindelijk haar spraak herkregen, toen ze bemerkte met geen meermin te doen te hebben. »Klaar van Ommeren ... ben jij het?quot;
«God zij dank! God zij dank!quot; riep het kind, haar met de armen omklemmende. «Een bekend gezicht van mijn lief... lief dorp! God zij dank!quot; en de juichtoon ging over in een hevig snikken.
»Waar kom je van daan? Heer in den hemel, op bloote voeten, en dat in het najaar, zoo vroeg in den morgen! Waar kom je van daan?quot;
Ze had het bibberend en verkleumde kind op de bank neergezet en de deken om haar voetjens heengeslagen, die even bemorst waren als al de andere; de linker voet bloedde bovendien aan den zool. Vrouw Moes vroeg in de eerste oogenblikken niet meer, maar handelde. Ze trok haar saaietten kousen uit, waaronder nog wollen verborgen waren trok ze aan de marmerkoude voeten der kleine. Het kind scheen er geen besef van te hebben; zij snikte maar en riep dan weêr: »God dank! Vrouw Moes!quot;
140
HET GEZINquot; VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Zie zoo! Nu niet langer gehuild, maar zuiver opgebiecht,quot; zei ze. »Waar kom je van daan, en hoe ben je gekomen waar je van daan komt.quot;
»Daar ginder... den heejen langen nacht... Och God! het was de Booze .... geen engel.quot;
Ze zweeg en sloeg de handen voor het gezicht. Vrouw Moes met haar gezond verstand begreep, dat er thands wel iets anders te doen was dan langer naar het gebeurde te vragen. Ze voelde het hart ineen krimpen bij het gezicht van zoo veel ellende; al ware het ook verdiende ellende, ze zou en ze moest helpen. Maar hoe? Ze zag niemant in de nabijheid. Zij gluurde door het hout heen en bemerkte een bouwvallige woning en schuur. De deur dezer laatste stond open en bleek de bergplaats te zijn van turf en hout en eenige gereedschappen. Zij let het kind voorzichtig op de bank neer, wikkelde haar in de deken en bereikte langs een kleinen omweg het huis, dat ze straks gezien had. Toen zij den klink had opgelicht stond zij voor een schamel gekleede vrouw, die, dadelijk nadat ze met een enkel woord van het gevonden kind had gesproken, heftig uitviel en van de diefegge sprak, die ze in haar schuur verborgen gevonden en van daar had verjaagd.
»Ze mag zijn wat ze wil, maar ze heeft hulp noodig en gauw ook ! hernam Vrouw Moes strak.
»Breng het schepsel naar het gasthuis.quot;
«Brengen, brengen! Je hebt goed praten. Weetje wat? Kom met me ineê en laten wij het wurm hier naar toe brengen; ze moet warmte en rust hebben. Kom dan toch meê; ik zal betalen, ik ken dat kind!quot; Het laatste kwam wel wat laat, maar het kwam toch. Alle schroom was nu bij de andere geweken en weldra lag Klara op een stroobed onder een paar dikke dekens met een warme kruik aan haar voeten. Of zij sliep? Vrouw Moes, die een tjjd lang over haar heen lag gebogen, wist het nog niet. Of zij lag te sterven? O, als dat gebeurde, hier in dat vreemde huis, zonder dat een van hare betrekkingen er bij was, het zou verschrikkelijk wezen! »Arm wurm!quot; prevelde zij, waarnaar zij haar een kus op het voorhoofd gaf.
»Weg, weg!quot; fluisterde het kind met de beide handen van zich afslaande.
Zij sliep niet; zij lag niet te sterven, maar zij scheen te ijlen.
Vrouw Moes liet zich aanwijzen waar een meester woonde.
Zij keerde met den dokter, die hoofdschuddend de patiënt beschouwde en op de vraag of hij 't geval voor ernstig hield, and-woordde, dat het in allen gevalle bedenkelijk was.
«Daarvoor had ik je niet behoeven te halen,quot; dacht Vrouw Moesgt; die geen den minsten eerbied voor de wetenschap had. »Kan ze naar haar ouders vervoerd worden, een stijve twee uur rijdens?'quot;
141
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN'.
»Als 't niet erger wordt, ja.quot;
De zenuwen waren erg geschokt. Voor het oogenblik viel er niet veel van te zeggen. Hij zou een caimans sturen. Vrouw Moes trok haar knipjen en drukte hem een zesthalf in de hand ; 't was â goed uitgerekend â precies zoo veel als ze gewoon was voor iedere vizite van den dorpskwakzalver, bij een harer dienstboden, te betalen. De dokter liet het geldstuk vallen en ging heen zonder iets meer te zeggen. »Nog grootsch ook!quot; bromde zij, terwijl ze 't opraapte en weêr bij zich stak.
Zij wachtte den beloofden drank af, welke eindelijk door een jongen werd gebracht, die in last bad om niets af te geven voor hij een gulden ontving. »Zie zoo,quot; zeide ze toen zij het geld betaald had, »nou is die kiezentrekker van straks meteen betaald. Zie wat te slapen, Klaartjen! ik kom dadelijk weêrom.quot;
»Niet heengaan, want dan komt hij en pakt me meê,quot; zei Klara angstig.
»Gekheid, slapen moet je, hoor!quot; hernam Vrouw Moes met eenige verheffing van stem. »Maak haar wat koffi klaar, het zal de stakkert goed doen. Ik moet mijn boodschappen nog doen en kom over een uur of drie weör. Mijn goed laat ik hier!quot; zei ze tot de vrouw, die haar wantrouwend aanstaarde. Als ze Vrouw Moes gekend had, dan zou ze alles in orde hebben gevonden, toen de paraplu ie niet meêgenomen werd en tegen een ouden zwakken stoel bleef aangeleund. »Daar heb je drie gulden, koop er wat ondergoed voor, want ik wil het schepseltjen straks meenemen.quot;
Het geschokt vertrouwen was hersteld; Vrouw Moes kon gerust heengaan.
Deze had dikwijls in haar leven voor heete vuren gestaan, maar het vuur, waar ze nu voor stond, zengde haar toch bijna. Zij had medelijden met het arme schaap, maar nog veel meer met de ouders. Dat Klara den verkeerden weg was opgegaan, leed geen twijfel, maar, wat duivel! ze had ook alleen gestaan en hoe weinigen kunnen dat! Haar ouders waren sullen met geen aasjen zelfsttan-digheid, maar, wat duivel! er waren er maar zoo weinigen, die wisten wat ze moesten en een beetjen respekt voor zich zeiven hadden!
Ze wist nog niet wat ze doen zou, maar 't zou baar onder haar boodschappen wel invallen. En zoo was het ook! Toen ze »half lamquot; de laatste stoep was afgedaald, toen ze »half zoeserigquot; van al dat »gekemphaanquot; en ^geharrewarquot; over verloren gegane broeken en servetten, lakens en sloopen, die allemaal spiksplinternieuw heetten te zijn, volgens het getuigenis der verbolgen eigenaressen, weêr de frissche lucht inademde en niettegenstaande de verschillende latingen, die zij zich om des lieven vredes wille, echter niet
142
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
zonder heftigen tegenstand, had laten welgevallen, haar geldbuidel had voelen zwellen, toen wist ze wat ze doen moest en dan ook doen zou. Ze ging naar Kees in de »Koode Leeuwquot; om hem aan te zeggen, dat hij haar terugplaats verkoopen kon als hij er een liefhebber voor vond, want dat ze niet met hem weêrom zou rijden. »Waarom niet?quot; had hij de stoutmoedigheid te vragen, waarop het and woord klonk, dat dit haar zaak was en niet de zijne.
Vervolgens huurde zij een kiereboe voor de helft van den aanvankelijk gevraagden prijs, gaf op waar zij het rijtuig over een uur wachtte en sloeg toen den weg naar den buitensingel in.
XVIII.
Het was eerst tegen den avond, dat Vrouw Moes tot groote verbazing der haren uit den kiereboe stapte, die vlak aan de bleekerij stil hield. De verbazing steeg niet weinig, toen zij den knecht en een der sterkste meiden riep, om naar buiten te komen en haar een handtjen te helpen. De knecht werd echter weder teruggezonden en een tweede assistente van het vrouwelijk geslacht ontboden, daar »de vrouwquot; bij nader inzien het beter vond alleen de hulp harer eigene sekse in te roepen. De verbazing klom ten top, ja werd bijna ontzetting, toen er een half verstijfde gedaante naar binnen werd gedragen en op het bed van »de vrouwquot; nedergelegd. Een doek bedekte het gelaat, zoodat men niet zien kon wie het was en of er nog »asemquot; in was. Daarna sloot »de vrouwquot; de deur van haar kamer dicht.
Het was een vreeselijke reis geweest. Vrouw Moes, voor wie de zweetvossen van Kees altijd te traag gingen, had die wel harddravers mogen noemen in vergelijking met den ouden bonk, die het kranke rijtuig voortzeulde. En had het laatste nog maar goede veêren gehad! Daar dit niet bet geval was, schommelde het voertuig geweldig en sag Vrouw Moes op het gelaat van bet kind, dat meer op haar schoot dan op de bank lag, een pijnlijken trek verschijnen. De kranke lag zwijgend met gesloten oogen en deed alleen van tijd tot tijd een zacht gekreun hooren. Toen zij in het rijtuig werd gebracht was zij wild geweest. Zij had met teekenen van den hevigsten angst gebeden, om niet weêr naar Mijnheer gebracht te worden, gebeden om naar Vader en Moeder te gaan zóo innig, zóo roerend, dat Vrouw Moes de groote zilte droppels langs de wangen gleden. »Ja wel, stumpertjen, je gaat naar Vader en Moeder; ik breng je naar Spaarnwou!quot; maar bij het laatste
143
HEÃ GEZIN VAN' BAAS VAN OMMEREN.
woord had zij geroepen, dat daar de Booze huisde, en ze liever hier maar wou sterven. Door uitputting van krachten was zij van lieverlede stil geworden en langen tijd stil gebleven. Toen men echter een uur had voortgesukkeld trachtte Vrouw Moes, die de toedracht der zaak tamelijk wel meende te begrijpen en Klara, meer als slachtoffer dan als schuldige leerde beschouwen, haar aan 't spreken te krijgen. jgt;Vertel me nu eens, mijn kind!quot; zoo begon ze, haar grove stem verzachtend, zoodat ze zelfs vleiend en streelend klonk, »voel je pijn?quot; Na een herhaling dier vraag knikte het kind bevestigend en lispelde zij, »dat ze sterven ging en dit heel goed was.quot; »Maar wat is er dan gebeurd? Kun je me dat niet vertellen?quot; Het kind andwoordde niet anders dan Moeder!quot; en begon weder hevig te schreien.
Vrouw Moes herhaalde de poging niet meer en bleef er zich toe bepalen haar kranke zoo veel mogelijk de schokken van het rijtuig te verzachten. Een hartelijk: »We zijn er!quot; liet ze hooien, toen zij eindelijk voor haar huis stil hield; een nog hartelijker woord liet ze hooren, toen zij het kind in haar eigen ledikant zag liggen, en de oogen â die goedige oogen! â met een pijnlijk glimlachjen op het blauwe en ingezonken gelaat op zich gevestigd zag. Zij voelde toen iets wat ze nog nooit had gevoeld. Was het moederweelde? Dan werd ze wel gestraft voor haar vroegere onbekookte uitvallen tegen al die »maltenterige mallemoêrtjens, die wel meenden dat onze Lieve Heer met zijn engelen in een wieg waren neergedaald.quot;
Het kind was dus niet krankzinnig! »Was zij 't maar!quot; dacht zij een oogenblik later, toen ze haar wéér hoorde snikken. Wat te doen? In de eerste plaats: »iets verwarmends en opfleurendsquot; in den vorm van een kom koffi â een drank dien zij voor een soort van levenselixer hield. Terwijl het heulsap gereed werd gemaakt, zat ze over het verdere te peinzen. Zoolang ze in den wagen zat, scheen haar alles licht en helder, maar hier stikdonker toe. Zij begreep zeer goed, dat alle opschudding vermeden maar ook, dat er geneeskundige hulp verleend en de ouders geroepen moesten worden. Hoe het een met het ander te verbinden ? Aan haar tweestrijd werd echter spoediger dan zij 't verwachtte een einde gemaakt. Daar werd haar door een reet der deur toegefluisterd, dat de jongen van den baas van Reaal in het voorhuis stond en »de vrouwquot; wenschte te spreken. Dit scheen een vingerwijzing des hemels. In andere omstandigheden zou zulk een bezoek haar wrevel hebben opgewekt, maar thands was het welkom. In de pronkkamer ontving ze Kornelis. Deze had den kiereboe ontmoet en den voerman gevraagd of hij ook naar ü ging, in welk geval Kornelis hem een pakjen had meê te geven. Dit bleek het geval te zijn. De voerman, die van verlangen brandde zijn ge-
144
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
lieirazinnigen tocht aan iemant te vertellen en, even als velen dier dagen, onder den indruk verkeerde van die ontzettende lotgevallen van Casper Hauser, â eene geschiedenis, die hem en duizenden met hem in den lande had doen huiveren, â vertelde den jonkman al heel spoedig, niet alleen wat hij wist, maar ook wat hij dacht te weten, ja zelfs te kunnen gissen, 't Werd Kor-nelis daarbij zonderling te moede. Dat hij dadelijk aan Klara dacht, van wie zijn Vader op zijn ontdekkingsreize niets was gewaar geworden, en alleen veel ongunstigs had vernomen van de domestieken van Mevrouw van Wulven en ten laatste van Mevrouw zelve, was natuurlijk. Dat hij dadelijk tot een persoonlijk onderzoek besloot zonder Vader of Moeder te raadplegen, getuigde voor zijn zelfstandigheid en doorzicht. Zijn vermoeden werd spoedig zekerheid. Vrouw Moes vertelde hem alles omstandig. Hij meende veel meer te begrijpen dan ze hem zeggen kon, en weigerde kortaf, toen zij hem voorstelde Klara te gaan zien. Hij zou naar zijn ouders gaan en dan naar den dokter. Vrouw Moes voelde een bijna onwederstaanbare neiging om den »onverschilligenquot; jongen een gevoelig bewijs harer ergernis en verontwaardiging te geven, maar toen hij, voor hij de kamer uitging zich omkeerde, haar beide handen vatte, haar in de oogen keek met zijn fiere, mooie kijkers en haar, eer zij 't verhinderen kon, een zoen op de wangen drukte en met gebroken stem: xdank, dank voor hetgeen je voor haar deedt,quot; stamerde, toen was ze verheugd de eerste aandrift weerstaan te hebben en geneigd, hem van alle »grootschheidquot; vrij te spreken. »Ieder heeft zijn manier van zien,quot; sprak zij, en met dat te erkennen sprak ze hem bijna van schuld vrij.
Vader en Moeder hadden echter ook hun manier van zien. 't Was, dacht haar, nog geen half uur na 's jonkmans vertrek, dat die beiden, door hun zoon gevolgd, de bleekerij intraden. Vrouw van Ommeren kon men wel in haar tranen wasschen; in van Ommerens oogen echter schemerde geen enkele traan. Bijna spierwit waren zijn lippen, maar de toon, waarop hij sprak, was bedaard, zelfs vast. Kornelis, die achter hen aan ging, had de pet diep in de oogen gedrukt en hield den zakdoek voor het gelaat, alsof een hevige kiespijn hem kwelde. Hij schaamde zich. Hij verborg zijn gezicht, toen hij in het licht kwam. De schuld zijner ellendige zuster drukte ook op hem, op zijn toekomst, hij had geen eerlijken naam meer: hij kon Lize niet meer met opgeheven hoofde naderen: hij bracht ook schande over haar. ..! O, ware hij nooit geboren, of mocht hij plotseling sterven!
145
Aandoenlijk tafereel, toen Moeder over haar kind heenboog, Vader een van Klaraas handen zocht te vatten en Kornelis met ingehouden snikken zich achter het ledikant verborgen hield, maar zich toch niet weerhouden kon, door een reet der bedgordijnen
10
BAAS VAN OMMEREN'.
146 HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
naar binnen te gluren, terwijl de kranke met flauwe stem stamerde: »Nu kan ik sterven.quot; Na het uitspreken dier woorden trok zij echter haar hand uit die haars Vaders en bedekte zij zich het gelaat met een tip van het beddelaken.
»Niet sterven, leven, lief kind !quot; snikte Moeder.
»Laat haar leven, als 't haar niet tot last moet geworden zijn!quot; bad Vader, het brandend oog omhoog gericht.
Vrouw Moes achtte het oogenblik gekomen, om een woordtjen meê te spreken en die »malle gevoeligheid, die ook haar beet hadquot; met geweld te verdrijven. »Laat het wurm nu eens van den schrik bekomen. Alles zal zich wel schikken â ze moet rusten en zweeten; want ze zal zoo'n bult kou hebben opgedaan, dat ze wel een vierentwintig uur in kokend zeepsop mocht rondzwab-beren.quot;
»Kun je ons vertellen wat er gebeurd is?quot; vroeg Vader aan Klaraas oor.
Ȉ alleen!quot; fluisterde zij Moeder toe, die ze tot zich trok. ȟ alleen kan ik 't zeggen â waar is Kornelis?quot;
Maar Kornelis kwam niet te voorschijn. Hij kon niet vergeven wat zij hem had aangedaan. Al ware zij niet zoo schuldig als de omstandigheden het deden voorkomen, toch had ze lichtvaardig gehandeld, toch kleefde er een onuitwischbare vlek op haar goeden naam. Neen, hij zou blijven waar hij stond: hij wou niet veroor-deelen, maar ook niet vrijspreken. Klara. die 's broeders tegenwoordigheid vermoedde, vroeg nogmaals naar hem en toen er geen andwoord volgde, bedekte zij met de bleeke hand haar gezichtjen en bleef eenige minuten zoo liggen. Vader was teruggetreden. Moeder bleef over haar heen gebogen en hoorde het dikwerf afgebroken verhaal ten einde toe aan. Hoe het haar schokte, getuigde het ledikant, dat bij wijlen schudde. Het was dan ook een treffend en de moederborst verscheurend verhaal. Schoon de schuldige met den naam Mijnheer werd aangeduid, begreep Moeder zeer goed wie er meê bedoeld werd; toen haar werd toegefluisterd, hoe den vorigen avond 's verleiders tweede bezoek aan haar kind werd gebracht, hoe dat kind uit den droom der onnoozelheid werd wakker geschud en zij als booze leerde verafschuwen wien zij als verheven mensch had gemeend te moeten eeren; hoe zij door een list van Jufvrouw Bosker had kunnen vluchten, maar in haar verbijstering was weggevloden zoo als ze, haastig en ter dood toe verschrikt, ten bedde was uitgesprongen en toen een halven nacht had omgedwaald in de afgelegenste hoeken der groote stad, tot ze in een schuur zich kon verbergen, waaruit zij tegen den morgenstond als diefegge werd verjaagd, toen voelde Moeder een zielepijn als zij nog nooit te voren had gevoeld. Toen ze alles, alles wist, viel er echter een druppel vreugde in den vollen beker der smart.
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Haar Klaartjen was rein; de wereld mocht haar verooi'deelen, voor God was zij onbevlekt. Moeders gelaat moest die gedachte hebben uitgedrukt; want van Ommeren, die haar uit de verte onafgebroken was blijven aanstaren, zei bijna juichend: »Ik wist het wel, ik wist het wel!quot;
Het binnentreden van den dokter maakte aan aller spanning â een einde. Hij toonde geen verrassing; hij zat een tijdlang stil, den pols der kranke in zijn hand, terwijl allen, zelfs de inconsequente Vrouw Moes, die met den kwakzalver nooit iets te doen wou hebben, met een gevoel van angst de uitdrukking op 's dokters gelaat bespiedde. Hij schreef een recept, beloofde den volgenden morgen vroeg terug te zullen komen, beval stilte, maar tevens waakzaamheid aan, bepaalde dat slechts éen persoon in de kamer mocht blijven en vertrok zonder iets meer te zeggen.
»Zoo zijn ze!quot; borst Vrouw Moes uit. »Ik kan net zoo goed mijn knecht hier laten komen. Die maakt je altijd aan 't zweeten van disperacie. Maar hij heeft gezegd, dat er maar éen hier zou Wijven, en dat zal Moeder wel willen wezen. Of ben je moê van 't sagrijn ? dan zal ik 't wel doen.quot;
Het andwoord luidde zoo als ze wel verwacht had: Moeder bleef en Vader en Zoon vertrokken; de laatste echter niet voor â¢dat Vrouw Moes hem in het oor had gefluisterd: »er is maar éen beest dat ik niet kan zetten en dat is de paauw, die denkt altijd maar aan zijn eigen.quot;
Toen Vader en Zoon aan de tuinmanswoning waren gekomen, zagen zij nog licht branden in Mijnheers boekenkamer. Beiden hadden het opgemerkt.
»Ook daar zal onrust wezen,quot; fluisterde Vader.
d Ware het voor het laatst dat ik er zijn licht zag branden,quot; zei Kornelis, terwijl hij Vader krampachtig in den arm neep. Alsof deze bevreesd was, nog meer dergelijke woorden te zullen vernemen, wier onheilspellende zin hem niet verborgen was, sloop hij in allerijl het donkere verlaten huis binnen. Alles was er kil: het vuur was uitgegaan, en met groote moeite werd er een kaars gevonden en aangestoken.
Er was onrust daar boven in het hooge huis, zoo als de Baas vermoedde. Mijnheer Reaal had sedert weken geen rust gekend. De hartstocht, die hem verteerde en steeds op verzadiging wachtte, nam steeds in heftigheid toe, en beheerschte hem zóo zeer, dat de brief, voor een paar dagen uit 's Hage ontvangen, waarin hem in heusche bewoordingen, waarvan hij echter den scherpen zin begreep, de wenschelijkheid te kennen werd gegeven dat door hem zijn ontslag wierd verzocht als Z. M. Kamerheer, hem maar zeer weinig had aangedaan. In dien brief werd verzekerd, dat het â¢ontslag hem op zijn verzoek eervol zou worden verleend: dit
147
-HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
14S
sloot in, â goed tusschen de regels gelezen! â dat het hem, als-hij den wenk niet mocht opvolgen, niet eervol gegeven zou worden. Wat een dergelijke ongenade veroorzaakt had kon hij zeer goed begrijpen. Hetgeen Mijnheer Nakooper, een lid der wordende oppozitie, eer en gunst verschafte, werd hem, het hoofd der immer getrouwe en gemoedelijk ja-knikkenden, als afval aangerekend. Die brief droeg er toe bij, om hem, voor het oogenblik althans, afkeerig te maken van den hofkring en het politieke leven, dat in die dagen bijna éen was. Zonder veel leedgevoel, maar toch met een onoverwinbaren wrevel jegens den rijk geworden jood, zoo als hij Nakooper sedert den bewusten feestavond betitelde, had hij den brief geschreven, houdende zijn verzoek om ontslag. Maar na het schrijven van dien brief had hij nog een andere neerlaag geleden, een neerlaag, die hij niet vergeten, waarin hij niet berusten kon. Zijne begeerte was van lieverlede een razernij geworden, die elke stem van verstand en zedelijkheid overschreeuwde. Hij riep het zich wel toe, dat het hier een laaghartigen aanval gold, dat hij hier geene reputation perdue tot eene nieuwe afdwaling verzocht, maar een rein, onschuldig kind van eer en naam be-rooven en een eerlijk, van hem afhankelijk, gezin ten gronde wou richten; maar de stem van den steeds onbevredigden hartstocht klonk luider. Heerschzuchtig van aard, gewoon in zijn kring als koning te gebieden, gevoelde hij door tegenstand tot onverzettelijkheid aangespoord te worden. Een kind uit het volk had hem weerstaan, had hem weten te ontsnappen en vervulde. God wist waar, de lucht met haar jammerklachten. Dat die verachte Bosker in het spel was geweest, dat die hem een oogenblik vóór de overwinning met opzet naar beneden had gelokt, om de weerlooze duif te laten ontsnappen, bevroedde hij niet; en al had hij 't gedaan, het gebeurde ware er niet van aard door veranderd. Indien hij eenige achting voor zijne echtgenote had gekoesterd, indien deze, minder verloren in hare aetherische sfeeren, vleesch en bloed beter gekend en naar waarde had geschat, dan zou ze de eenige geweest zijn, die een verkwikkend koeltjen had kunnen doen suizen over den gloed in zijn binnenste. Maar Constance had zich in de laatste dagen hoe langer hoe meer teruggetrokken, had kennis gemaakt met een nieuw godzalig man, die prachtig fransch sprak, en meende de heiligste moederplichten te vervullen door de kleine vagebonden te vertroetelen! Hij was alzoo alleen met zich zei ven, overal alleen met zjjn overprikkelde verbeelding. Arbeid, een arbeid, die onder zijn bereik viel en dus zijn geheele ziel zou innemen, had hem kunnen redden. Hij beproefde het; hij lei zich de plannen zijner nieuwe ontginning voor; hij opende de brieven van zijn rentmeester, het exploit van den deurwaarder, waarin ten verzoeke van Jakob Stufken de afbraak werd geëischt van
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN. 149
â¢een deel zijner boerderij, maar overal verscheen hem Klara. Over â¢de kaart zweefde haar gestalte en zelfs uit het gerechtelijk stuk van den vermetelen deugniet lonkten de prachtig blauwe oogen, die zooveel beloofden. Hij wierp alles weg en stapte bij herhaling heen en weêr. Zijn voeten werden moede van het gaan en zijn hoofd bonsde. Eindelijk moest hij de wandeling staken en zeeg hij op de sofa neer, waar hij den volgenden morgen mat en verkleumd tot zijue niet geringe verbazing ontwaakte.
Daar buiten werd op hetzelfde oogen blik een niet minder felle «trijd gestreden. Als de beide van Ommerens niet zoo geheel vervuld waren geweest met hun leed, dan zouden zij wellicht op het voorplein, dat zij bij het naar huis gaan langs gingen, Hein den looper hebben zien staan. Sedert de raadselachtige woorden, door hem met Kornelis gewisseld, had deze hem niet weder ontmoet, maar die woorden gaven toen reeds te kennen, welk een achterdocht er in zijn binnenste ontstaan was en tot welk een wrok die kon leiden. Hein had sedert den patroon gepolst; Hein, die overal rondliep, had reeds Klaraas terugkomst vernomen. Het een werd met het ander in verband gebracht en zoo was Hein langs zijn eigen weg op het spoor gekomen van het gebeurde. Klara was rampzalig, ongelukkig gevvorden door zijn schuld. Hij had haar verblijf aan den verachtelijken babbelaar gemeld, dien hij nóg zijn patroon noemde, maar van wien hij eerstdaags voor goed dacht le scheiden, daar hij 't zich zeiven telkens herhaalde, dat hij een nieuw leven wou beginnen. Zonderling wezen! Er school verstand in dien man en een scherpzinnigheid, die hem boven het meeren-deel zijner gelijken en meerderen verhief, en toch had ze hem niet behoed vóór, had ze hem zelfs geleid tót de diepste ellende. Maar die scherpzinnigheid werd ook te niet gedaan door een volslagen gebrek aan doorzettende kracht, een gevolg van de heerschappij zijner verbeelding over zijn oordeel. De natuur scheen hem tot lt;trtiste te hebben voorbestemd, maar hem daarbij den wil te hebben onthouden, om over de vijandige omstandigheden te zegepralen. Hij had steeds zijne luimen gevolgd â ingevingen had hij het vroeger genoemd, maar thands gebruikte hij, de waarheid â¢meer nabij, het andere woord. Afkeerig van allen gezetten arbeid, had hij de vogels nagebootst in hunne vrijheid. Geprikkeld door het voorbeeld van anderen, die zonder arbeid, alleen door het spel,
rijk waren geworden, had hij niet gedacht aan de waarheid, dat alleen arbeid en spaarzaamheid tot welvaart kunnen voeren. Hij had op geluk gehoopt, gehoopt â zelfs toen hij niet meer hopen kon. Altijd luchthartig, had hij de zijnen, als ze brood en dekking vroegen, met een kwinkslag beandwoord, had hij ze willen troosten en voeden met dezelfde droombeelden, die hem meestal vervrolijkten **11 bemoedigden. Maar aan het doodbed zijner vrouw waren hem /
-
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
de schellen als van de oogen gevallen. Hij had een oogenblik van diepen ernst gekend; hij was voor het eerst tot zich zeiven ingekeerd en had toen een leêgte gevonden, die hem schrik aanjoeg. Hij had altijd zijn naasten laag geschat; hij zag ze »in de kaartquot; zoo als-hij zei en bespeurde, dat ieder een masker droeg, terwijl hij ernaar streefde zich te doen kennen zoo als hij was. Een echter had hij leeren achten en lief hebben. Klara van Ommeren was hem in den nood te hulp gekomen, niet zoo als Dominee dat gewoon, was te doen: met een lange zedepreek, die hem verveelde; niet zoo als de Burgemeester het zou gedaan hebben, als hij ooit iets-aan weldoen deed, met een nederbuigende genade, die beleedigde; maar zoo als een Engel, indien er van dat slach van wezens bestonden, liefdebewijzen zoude uitdealen, uit liefde, zonder aanspraak op belooning. Als dat kind hem aanzag, dan had hij wel eens gekleurd, als zij tot hem sprak, dan had hij altijd geluisterd; en juist haar had hij ongelukkig gemaakt. Misschien had hij eenige weken geleden anders over zijne handelwijze geoordeeld, misschien dat hij met zijn gewone luchthartigheid zich zeiven van schuld zou hebben vrijgesproken of zelfs niet aan het bestaan van eenige schuld gedacht, maar nü, wroetend in zijn verleden, ontevreden met zijn heden, scheen hij er zelfs behagen in te scheppen eene beschuldiging jegens zich zeiven te kunnen inbrengen.
Ja, hij had 3gt;den schavuitquot; van het heerenhuis, een persoonlijkheid die hem van nature moest tegenstaan, den weg tot Klara gebaand ; hij had hem geholpen. Die man was ieder tot last. Verderver van de onschuld, was hij de plaag zijner vrouw, die in weldoen Klara geleek, al liep er ook soms iets van Dominee onder.
Het was of de tijd, dat Hein op zijn wandeling zich nog een rooskleurige toekomst, zijn Griet in zijde gekleed, zijn kinderen in de fijnste lekkernijen happend, denken kon, dat hg de voorwaarde tot zijne toekomstige heerlijkheid, in een cijfer uitgedrukt^ voor zich heen had bespeurd, reeds lang in den nacht van zijn verleden bedolven lag. Op zijn tegenwoordige wandeling was hij met gants andere beelden vervuld. Zijn vernuft, soms verscherpt tot ironie, had plaats gemaakt voor somberheid. Zijn monomanie â en dat hij daaraan reeds vroeger leed, had de kundige psycholoog reeds lang kunnen opmerken â had zich thands aan een ander objekt gehecht. Vele waren zijn zonden, maar hij zou ze kunnen delgen door een daad van moed, een daad van gerechtigheid. Toen hij zich zeiven goed meende begrepen te hebben, was het hem een behoefte, hoewel het donker was, het heerenhuis te naderen; was het hem een groote blijdschap daar licht te bespeuren en juist in de kamer waar, zoo als hij wist, de geweldenaar zich ophield. Hij had er behoefte aan. het voorwerp van zijn wraak, van zijn haat, te zien; het middel tot de verzoening met zich zeiven niet slechts
150
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
zich te denken, maar ook aan te staren, en dat kon hij door naar dat licht op te zien, naar die gordijnen waarover van tijd tot tijd de schaduw eener menschelijke gedaante heengleed.
»De wetten die ze gemaakt hebben kunnen je niet grijpen, maar ongestraft zul je toch niet blijven, dat hoort God me zeggen !quot; zei hij met gesmoorde stem; en als verruimd van gemoed sloop hij terug naar zijn eenzame woning, waar. Goddank! zijn kinderen niet meer sliepen, maar hij alleen.
XIX.
Een paar dagen waren verloopen. De dokter schudde minder bedenkelijk het hoofd, maar bleef rust aanbevelen. Vrouw Moes begon weder luider te spreken en vaster den voet te zetten op vloer en trap. Moeder had zich een oogenblik durven verwijderen, om haar man op te zoeken, die, vreemd genoeg! niets van zich booren liet. Het was op baar wandeling of al de bewoners van bet dorp in het voorbijgaan haar aanstaarden en over haar en de baren spraken. Dominee had haar zien aankomen en holde het Lekjen der pastorie uit om haar nadere bijzonderheden te vragen; den Burgemeester zag ze een oogenblik later met Dominee praten; de veldwachter knikte haar veel beteekenend goeden dag, en de vrouw van den rijken kuiper trad haar haastig in den weg, greep haar handen, drukte ze krachtig, riep, dat ze alles begreep en dat het jammer was, dat er geen recht zou te krijgen wezen, tegen zoo'n sinjeur. Moeder scheen er nog erg door geschokt te zijn, toen ze bij haar man aankwam en dezen haar bevinding mededeelde. Spoedig werden echter haar gedachten door hetgeen hij baar andwoordde afgeleid. Ze vond haar man alleen in het halfdonker huisvertrek: hij was nog niet buiten zijn woning getreden; bij had dus nog geen last van de buitenwaereld gehad, maar des te meer van zijn eigen gedachten en gewaarwordingen. Hij was bezig een strijd te strijden, als waartoe zeker niemant hem in staat had geacht. De steeds vreesachtige, de door het ongeluk schijnbaar gebroken man had er aan gedacht, zich op te richten uit zijn jaren lang gebogen houding. Wat wonder echter, dat bij telkens terugdeinsde voor het nemen van een besluit! Toch had de gevoerde strijd reeds zóo veel zelfstandigheid in hem gewekt, dat hij geen kracht van buiten meer behoefde, dat hij voor het eerst sedert de catastrophe, die zijn toekomst had vernietigd, geen behoefte had met zijn vrouw te raadplegen. Hij zou handelen zoo als zijn geweten het hem ingaf; hij zou uit zich zeiven de reuzen-
151
HET GEZIN VAN BAA.S VAN OMMEREN.
kracht putten, die hij behoefde om na twee dagen worstelens te overwinnen.
».Ta, ik wil 't wel gelooven, Moeder! dat 't heele dorp aan ons denkt en over ons spreekt. Ik kan me begrijpen, dat bet je was of de straatklinkers je tegen bet voorhoofd sprongen ... 't Is mij al dien tijd geweest of ik stikken zou als ik de buitenlucht ging inademen. Maar boe is 't met Klara?quot;
Het andwoord klonk bemoedigend. Het kind had dikwijls heldere oogenblikken en dan bad ze, het was hartbrekend om aan te booren, om niet weêr naar Spaarnwou gevoerd te worden, daar zou ze niet kunnen wonen; ze was er gelukkig geweest.
«Mietje!quot; hernam hij, en slechts in zeer plechtige oogenblikken noemde hij baar bij den voornaam, »het kind sprak waarheid. Ik heb er lang over nagedacht. Je gaat wéér terug naar Vrouw Moes; ik kom straks bij je. We zijn hier wel een langen tijd gelukkig geweest, niet waar, beste vrouw?quot; en bij trok haar tot zich. De altoos bedaarde man schreide.
»Wat heb je. Kees? Wat wil je?quot;
»Niets wat je niet goed zult vinden. Vraag me nu niet meer. Geef men den sleutel van het kabinet en ga dan naar ons kind terug; ze heeft je meer noodig dan ik.quot;
Moeder gaf hoofdschuddend toe en liet haar man alleen. Deze trok zijn beste pak aan en trad naar de voordeur; alles aan hem beefde. Den sleutel kon de trillende hand bijna niet in het buiten-slot steken of er uitnemen. Daar stond bij in de koele herfstlucht, schichtig omziende of er ook iemant in de nabijheid was. ^Ze kan nooit weer bier terug komen. Het kind voelt als altoos fijn. Het moet, bet zal.quot; Hij had den laatsten angst overwonnen en trad met vasten stap het bekende voorplein over naar de hoofddeur van het heerenhuis, waar bij, als of het een bezoek gold dat bij den heer des huizes te brengen had, aanschelde.
Het was ook een bezoek en wel aan Mijnheer. Hendrik riep hem uit het onderhuis toe, dat hij maar, zooals gewoonlijk, dooide keuken naar boven zou gaan, maar bij schudde ontkennend en wilde de vestibule door.
»Mag ik ÃEd. aandienen ook?quot; vroeg de lakei spottend.
»Dat hoeft niet: ik ken den weg.quot;
Een zacht tikken werd aan een der deuren in den bovengang gehoord; een barsch «binnen!quot; volgde, en Baas van Ommeren stond tegenover Mijnheer Reaal.
«Jij ... ? hier?quot; riep de laatste verbaasd.
»Ja, Mijnbeer Reaal!quot; luidde het andwoord op kalmen toon. Dat voegen van den geslachtsnaam bij het woord Mijnheer was al iets zeer bijzonders.
»Nu?quot; vroeg Mijnbeer gehaast. »Is er wéér iets gebroken aan
152
HET GEZIN VAN BAAS VAX OMMEREN.
de broeiramen? Of neen, daar pas je nog al goed op.quot; zoo viel hij zich zeiven in de reden. Hij prees zijn tuinbaas; dat was mede al iets zeer bijzonders.
»Er is niets gebroken van hetgeen gemaakt of hersteld kan worden,quot; hernam de Baas, terwijl hij Mijnheer daarbij strak in de oogen staarde. Deze wendde de zijne af. Zoo de Baas nog een oogenblik aan Mijnheers onschuld had kunnen gelooven, hij zou thands de overtuiging van het tegendeel hebben erlangd.
Mijnheer Reaal zweeg.
»Mijnheer,quot; zoo ging de Baas voort, »mijn arm kind is aan den rand van het graf, en ik kan niet bidden dat ze gespaard mag blijven... Haar goede naam is verloren â het eenige wat ze had. Ze was rein als een engel en ze is het thands niet meer, onze vreugde, onze troost â en dien hadden we dikwijls noodig â is weg, en dat alles door u.quot;
»Ze zal beter worden: de dokter geeft moed; ik weet het zeker.quot;
»Haar leven zal misschien behouden worden, maar wat ge haar ontnaamt, is meer dan het leven. Ge hebt gruwzaam gehandeld, Mijnheer Reaal!quot;
Het bloed vloog Mijnheer naar het hoofd. Hij ontving een berisping; hij verdroeg haar zelfs niet van zijn meerderen. Toch kon, toch durfde hij niet boos worden.
»Ge zijt verkeerd onderricht. Spaar me je verdere verwijten; ik heb het goed met haar voor.quot;
»Goed met haar voor? Ge hebt een kind, dat weerloos tegen de zonde was, omdat ze die niet kende, door logen en bedrog meêgetrooud; ge hebt een eerlijk kind van eerlijke ouders â nog wel uwe dienstbaren! â met schande overdekt. Goed met haar voor! Daar ginder in Amerika moge de meester met zijn slavin dus handelen en er zich op beroemen, dat hij het met zijn slachtoffer goed voor heeft; â Goddank, hier zijn we allen vrij. vrij om laag en gemeen te noemen wat laag en gemeen is -â en wat gij deedt, Mijnheer Reaal, was laag en gemeen!quot;
»Baas, vergeet niet waar je staat.quot;
»Ik vergeet het geen oogenblik. Mijnheer, en dat neem ik mij zeiven kwalijk. Ik mag geen schimp stellen tegen schimp, geen beleediging tegen beleediging, want ik heb jaren lang uw brood gegeten, ware het ook tranenbrood.quot;
»Baas Iquot; hernam Mijnheer, nog even zacht, want hem trof de waardigheid van den schamelen burger, »ik had het kind lief, waarlijk lief! Als er iets misdreven is, dan zal ik het goedmaken. Op mijn kosten kunt gij haar naar een kostschool zenden. Ik belast mij met hare toekomst, maar dan moet ik haar terugzien, haar kunnen zeggen dat ik haar lief heb ....quot;
153
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Een getrouwd man!quot; riep de ander met een verbazen, dat aan afschuw grensde.
«Getrouwd? Nu ja getrouwd! Je dochter is mooi en te goed om doinestique te worden. Zij zal niet ongelukkig worden, maar gelukkig. Geld, ik zal het haar geven, genoeg voor haar zelve, genoeg voor nog anderen. Ik zal je releveeren. Baas! Ik weet wat je vroeger geweest zijt en dat ben je nog dit oogenblik â een fatsoenlijk man. Ik zal je releveeren, maar ik moet haar weêrzien.quot;
»Nooitquot; riep van Ommeren, terwijl hij nader trad en zich in zijne volle lengte oprichtte. Zijn oogen bliksemden. »Ik dacht straks nog, dat ik te scherp was door van laag- en gemeenheid te reppen ; maar nu ge den Vader er van spreekt zijn kind te koopen, nu geloof ik dat ik nog te zwak ben geweest. Ik heb het mij zeiven te wijten dat ik zoo iets moet aanhooren. Ik kroop voor u als een worm. God vergeve mij die lafheid om den wille van mijn gezin! Ik heb voor u gebogen, en den laagsten tuinknecht had ik hooger moeten stellen dan u. Ik word lomp en ik wilde het toch niet wezen. Ik ben hier alleen gekomen, om u aan te zeggen, dat ik uw dienst nog dezen dag verlaat.quot;
»Baas . . . 't maakt opschudding, Baas!quot;
»Ik heb geen opschudding meer te vreezen; ik heb niets meer te verliezen ... Toch zou ik niet graag in uw plaats willen zijn.quot;
Hij keerde zich om en ging de kamer uit. Mijnheer bewoog de lippen, maar er kwam geen geluid; hij strekte de armen uit als om van Ommeren terug te houden, maar die armen bereikten hem niet meer. Hij voelde zich verslagen, vernederd, en genoodzaakt de zedelijke meerderheid van ten minste éen inensch te erkennen en te huldigen.
»Ik wil niet dat hij gaat!quot; riep hy. »De gek, zonder een cent in den zak op zijn leeftijd de wijde waereld in! Toch is hij er toe in staat! Zijn trotsche jongen zal er hem toe dwingen! Ha, in dien jongen kan ik hem treffen! Neen, dat is duivelsch!quot; zeide hij met een wegstervende stem.
Toch dacht hij het volgend oogenblik daaraan nogmaals. Het verzet van van Ommeren, de kracht waarvan deze blijk gaf, schreef hij toe aan den invloed van Kornelis, en zoo deze onschadelijk was gemaakt, dan moest de Baas van hem weder afhankelijk worden, dan zou hij dat kind terugzien; want haar vergeten, dat zou, dat kón hij niet. En die trotsche knaap had zich schuldig gemaakt aan oplichterij! Zijn rentmeester, wien hij last had gegeven alle stukken bijeen te verzamelen, waaruit Stufkens knoeierij kon blijken, had hem eenige bescheiden doen toekomen, waaruit niet Stufkens schuld â en dit was jammer genoeg! â maar die van den zoon van zijn tuinbaas bleek. Om den wille van Klara had hij er aan gedacht, de geheele zaak te sussen en zich zelfs tot een schikking
154
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
met den schacheraar te verlagen, maar nu ... geen toeget'elijk-heid!
Hij liet inspannen â hij wilde niet te voet door het dorp gaan-Hij reed naar den Burgemeester en bracht daar dingen aan, die zijn Edel-Achtbare deed ontstellen en een aanklacht noopte op te stellen aan den Heer Officier van Justitie.
XX.
iXeen, lieveling, niet zoo gedrukt wezen! Niet zoo het hoofd laten hangen! Je kent me niet. Zoudt ge denken dat de schande van je ongelukkige zuster mij zou doen veranderen?quot; fluisterde Lize, terwijl haar fijne hand in Kornelis' lokken woelde. Beiden waren op de sofa in de huiskamer neergezeten en gunden zich een heerlijk tête a tête, terwijl de heer des huizes afwezig was. Deze bleef zijn voornemen, om niets te willen weten en niets te willen zien van de verhouding tusschen de twee jonge lieden getrouw. Kornelis had Lize erkend, over zijne liefde met haar vader gesproken te hebben, en Lize, altijd zoo oppermachtig, zoo zeker van de genegenheid haars vaders, had het niet gewaagd jegens dezen up haar liefde voor Kornelis zelfs te doelen. De Patroon was echter even gunstig over zijn klerk blijven denken, had hem zelfs eene buitengewone belooning toegekend, gaf de verzekering dat hij nog altijd gezind was zijn zaak aan zeker iemant over te doen, daar hij â 't was tegen Lize alleen dat hij een dergelijke konfidentie maakte â er burgerlijk warmpjens inzat en slechts wachtte op den verkoop van zijn landgoed Langelaan, dat hij wel had moeten inkoopen van den vorigen eigenaar, die in vreeselijke financieele zorgen zat en dadelijk hulp behoefde. Lize, die het onopgesmukte verhaal werkelijk trof en die reeds voor lang de vroeger opgevatte achterdocht had prijs gegeven, Lize, die hoe langer hoe minder met het dorp zich bemoeide en van de bewoners als lasterzieke tongen een afkeer had opgevat, had haar Vader voor de bewezen goede daad een kus op de lippen gedrukt en hem aangespoord aan zijn voornemen toch spoedig gevolg te geven en dan van woonplaats te veranderen. »We moeten heel ver hier vandaan gaan,quot; had ze gezegd, welke woorden op haar Vader blijkbaar geen genoeglijken indruk maakten. Misschien was het oogenblik gunstig geweest om van hare genegenheid te spreken. Zij had Kornelis* naam ook op de lippen gehad, maar een onverklaarbare schroom had haar bevangen. Tegen een Moeder had ze zeer goed kunnen en willen zeggen wat haar op de tong brandde, maar tegen.
155
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Vader... neen, dat ging niet, welk hachjen zij ook ware. Daar kwam de tijding van Klaraas ongeval. Kornelis, zoo bleek als een doode, bad het gernebt bevestigd. Zoo er een een afschuw had van bet gebeurde, zoo een de schande gevoelde, dan was hij het! De Patroon trachtte hem tot bedaren te brengen door de opmerking, dat bet gebeurde juist niet ongehoord was en mooie, maar arme, meisjens altijd meer te lijden hadden dan leelijke en rijke: dat die Eeaal wat op zijn geweten bad, maar nu gedwongen moest worden »op te dokkenquot;; woorden, die Kornelis beurtelings rood en bleek deden worden. Voor het eerst zag bij vlekken op het kleed van den Patroon, vond hij de woorden van Hein den looper, eenige dagen geleden tot hem gesproken, minder logenachtig; en om zijn wrevel te kunnen bedwingen gaf hij een wending aan het gesprek en begon hij over »de zakenquot; te spreken. Weinige oogenblikkeu later mocht hij troost gaan zoeken waar hij dien zoo dikwijls gevonden had; maar, als onder den indruk der laatste door Stufken geuite woorden, gaf hij Lize niet onduidelijk te kennen dar bij aan den voortduur barer liefde twijfelde. Daarop voigde bet bekende antwoord. Alsof hij haar verloren, maar op nieuw had gevonden, was hij zijn verrukking nauw meester.
»Ik wil je zuster gaan zien; ik wil in haar droefheid gaan dee-len. Ze is wel te beklagen, Kornelis! Beklaag jij haar niet?quot;
»Ja,quot; hernam hij even kleurend, »dat doe ik; maar met baai-wonen kan ik toch niet meer. Lize, ik heb den hoogen deugniet willen doodschieten; ik durfde echter niet, toen ik den baan had moeten overtrekken!quot;
»Mjjn God! en hij klaagde je aan wegens moord?quot;
»Neen, dat niet! Maar het ergste is te wachten, want ik sta voor mij zeiven niet in. Lize, dank, lieve beste, voor je trouw ! Ze wordt wel beproefd; want als je vader niet spoedig zijn belofte nakomt en mijn pozitie verbetert. .! Mijn vader heeft niets; hij is thands zonder eenig bestaan; ik mag hem niet langer tot last zijn.quot;
»Wij moeten spoedig bandelen.quot; zei ze met een houding van gewicht, die in ieder ander oogenblik komiescb geweest zou zijn. »Vader moet zijn belofte nakomen, of wat nog beter is, je met zich nemen naar een andere plaats. Wij ook moeten van hier. Ik zal geen vrede kennen voor ik alleen vreemde gezichten rondom mij zie. Vader zeide mij nog zeer onlangs, dat we heel goed zonder die zaak kunnen leven. Ge behoeft die niet voort te zetten als ik met je getrouwd ben.quot;
»GetrouwdIquot; fluisterde hjj. Zijn donker gelaat verhelderde zich. »Getrouwd! altijd bij je! Vader en Moeder bezorgd en . .. zij ook I 't Zou heerlijk wezen, een hemel op aarde! Een eigen huishouden hebben! O, ik zou goed voor je wezen, lief engeltjen! Ik zou je wenschen willen raden om ze te kunnen voorkomen.quot;
156
HET GEZIN VAX BAAS VAN OMMEREN.
sKleine tyran, denk aan den vijver!quot; viel Lize lachend in. Maaide droom was te schoon om niet voortgezet te worden, zoo dat ze vervolgde: »En dan ga ik je Engelsch leeren en jij mij rekenen. Wil je wel gelooven dat ik de tafel van vermenigvuldiging niet ken Vquot;
»Gelukkig, dat je ook niet noodig hebt die te kennen, anders zou je die beter kennen dan wie ook; want mijn klein vrouwtjen heeft een kopjen als weinigen. Ik hou het dan ook voor zeker, dat ik onder de pantoffel kom.quot;
»Denk maar aan dien morgen met Azor, ondeugd! Je hebt me sedert je lessen niet gespaard en ik ben een goede scholier geweest.quot;
»Wat ik een kind was toen ik je leerde kennen!quot;
»Maar wat je gauw een heer der schepping bent geworden.quot;
»Aan wien heb ik het te danken?quot;
»Aan je Napoleons aard.quot;
»Aan mijn verstandig wijfjen. Maar, Lize, nu nog eens ernstig over de toekomst gedacht! Zou je vader genegen zijn spoedig zijn zaken te kwiteeren'? Al wou hij het ook, ik begeer niet langer zijn opvolger te wezen.quot;
»Zoo!quot; viel zij eensklaps ernstig in. Zij dacht een oogenblik na. gt;'Ik zal met Vader spreken. Laat hij gaan rentenieren.quot;
»Maar dat kan ik toch niet. Ik ben op een notariskantoor geweest.quot;
»Juist, je wordt notaris.quot;
»Maar daar gaan zeker nog wel tien jaar meê heen.quot;
»Wat zou dat? Kandidaat-notaris is ook een titel.quot;
»Dat 's zeker; maar meer ook niet.quot;
»Dat hoeft ook niet. Dat 's nu uitgemaakt: je wordt kandidaat-notaris en Vader geeft ons zoo veel dat we stil kunnen leven.quot;
»Door een ander onderhouden te worden!quot;
»Door je vader! Je bent toch een hoogmoedige jongen! Veel hebben we niet noodig en Vader is 't een plezier mij plezier te doen. Met hoeveel zouden we wel rond kunnen komen ? Je begrijpt dat ik geen hit noodig heb. Zou vijftien honderd gulden genoeg wezen, als Vader de huur van ons huisjen betaalt? Maar het moet een huis met een tuin wezen, hoor je. En de tuin moet zoo groot zijn, dat ik mijn volière meê kan nemen. Ook wou ik een kamer over hebben om aan kant te houden, en jij moet er ook een hebben voor je boeken, of neen, die zou je in onze huiskamer kunnen bergen, want ik zou niet kunnen uitstaan dat je je opsloot zonder mij, al was het maar om met je boeken te konverzeeren. Ik moet je bij deze bekennen, dat ik gruwelijk jaloersch ben.quot;
sik zal je er nooit reden toe geven!quot; zei Kornelis, terwijl hij in vervoering haar een kus op de roode en thands tot een ondeu-genden glimlach geplooide lippen drukte.
157
IIF.T GEZIN VANquot; BAAS VAX OMMEREN'.
Heerlijke oogenblikken, die beiden thands doorleefden!
»Jufvrouw,'' riep de oude dienstbode, »daar heb je den Schout, een boer en twee dienders!quot;
»Wat is dat?quot; vroeg Lize, die eensklaps wit bestierf. «Zou hij je aangeklaagd hebben?quot; fluisterde zij den geliefde toe.
«Onmogelijk; hij heeft geen bewijzen.quot;
De Burgemeester, gevolgd door den persoon die als boer was aangediend, trad binnen.
»Neem me niet kwalijk, Jufvrouw Stufken, dat ik je een ongevraagd bezoek kom geven. Is je vader thuis?quot;
Gold dit vreemde bezoek haar vader? Ze was eenigzins gerustgesteld: haar vader kon met de Justitie niets uit te staan hebben. Haar waan werd echter spoedig verstoord. Kornelis had geand-woord, dat hij even zou gaan zien of Mijnheer thuis was gekomen, maar werd door den Burgemeester weerhouden door de vrij barscbe uitnoodiging om niet uit de kamer te gaan.
»We kunnen ook in Stufkens afzijn het onderzoek beginnen/' vervolgde hij, zich tot den boer wendende. «Kornelis van Ommeren, kent gij dezen man?quot;
»Neen, Mijnheer! ik heb hem nooit gezien.quot;
»Zoo. Ge zijt de gemachtigde geweest van Steven Iwema?quot;
»Ja, Mijnheer! ik ben dat nog!quot;
»'t Is om te barsten!quot; riep de boer uit.
»Ge waart gemachtigd door Steven Iwema, om op diens goederen een som van dertig duizend gulden te negotieeren?quot;
»Juist, Mijnheer!quot;
De boer maakte een driftig gebaar, maar werd door den Burgemeester weêrhouden te spreken, daar deze vervolgde: »Die goederen zijn door Hein den looper getaxeerd?quot;
»Dat weet ik niet zeker. De patroon verzendt altoos zelf de verklaringen aangaande taxatie .. . .quot;
»Maar ge erkent dan toch in voornoemde kwaliteit de dertig duizend gulden voor je lastgever, Steven Iwema, ontvangen :e hebben?quot;
»Neen, Mijnheer! Ik ontving dat geld niet, maar de Patroon. Voor hem behandelde ik die zaak. 't Was mijn eerste en ik meen alles nog al goed behandeld te hebben . ..quot;
»Hier is je kwitantie: vertel geen onwaarheid!quot;
»Mijn kwitantie?quot; stamelde de jonkman, trillend als een espenblad. Hij las het stukjen papier, dat de Burgemeester hem voorhield. Het was door Hein geschreven en droeg Kornelis' handteekening. Ja, waarlijk, het stond daar: ontvangen in kwaliteit van gemachtigde van Steven Iwema, uit handen den Wel Edelen Heer Stufken, de som van dertig duizend gulden . ..quot;
»Niet waar?quot; vroeg de Burgemeester, die zich een oogenblik
158
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN,
»in kwaliteitquot; verlustigde in de verwarring, welke Kornelis thands blijken deed. »Niet waar, die dertig duizend gulden hebt ge, min de lage renten en de kleiae kommissie, die hier gewoonlijk gerekend worden, uitgekeerd aan je lastgever, Steven Iwema, den man, die daar tegenover je staatVquot;
»Is .... dat.... Steven Iwema?quot; vroeg Kornelis bijna toonloos.
Lize werd van den aanvang af door een angstig voorgevoel beklemd. De woorden, die den Burgemeester straks aangaande haar Vader ontvallen waren, drongen als pijlspitsen in haar hart.
«Onmogelijk!quot; vervolgde Kornelis, terwijl hij met beide handen zijn hoofd vasthield en als wezenloos voor zich uitstaarde. Hij wilde de verwarde gedachten vatten, die in zijn brein oprezen, en ze ordenen, maar hij was er niet toe in staat. «Ellendige dief!quot; hoorde hij zich toeroepen. Het was Steven Iwema, die zoo sprak en nog veel meer zeide wat hij niet verstond, maar wat Lize een kreet van ontzetting ontlokte.
»'t Is niet waar, man! wat je zegt.. ..quot; riep ze den boer met vonkelend oog toe.
»Mijn God, mijn God; ook dat nog Iquot; zuchtte de jonkman. Hij zou neergeslagen zijn, indien de Burgemeester zelf hem niet opgevangen en op de sofa had neergelegd.
»Ik begrijp er niets van. Mijnheer! zei Lize, die den eersten schok weerstaan en nu haar kracht terug had gevonden. »Wordt Kornelis verdacht van diefstal? Je kent hem toch ook, Burgemeester ! Kunt ge aan zijn schuld gelooven?quot;
»Neen; ik geloof niet aan zijn schuld.quot;
«Goddank, dan is hij veilig!quot;
De ander schudde met een zweem van misnoegen zijn hoofd.
«Alles getuigt tegen hem. De ware schuldige zal wellicht niet te bereiken zijn. De jonkman draagt de verantwoordelijkheid dei-daad en een ander maakt zich meester van het voordeel dat zij afwerpt.quot;
«Ben ander, een ander?quot; vroeg Lize, terwijl zij 's Burgemeesters hand in de hare neep.
«Moed, mijn kind, moed!quot; hernam de Burgemeester bewogen, «'t Moest eenmaal zoo ver komen; slechts die het naastbij stond kon dit het minst begrijpen.quot;
«Neen, neen!quot; riep Lize met verheffing van stem en als met geweld een vijand van zich afschuddend, die zich aan haar hechtte. «Is die man de beschuldiger of is 't Mijnheer Eeaal?quot;
«Reaal heeft me ten minste gewaarschuwd, waar ik hem dankbaar voor ben,quot; borst Steven Iwema los; en hoe de Burgemeester hem ook wenkte te zwijgen, vervolgde hij bijna schreeuwend: «'t Is dan ook God geklaagd! 's Avonds naar bed te gaan als een welgesteld man en 's morgens wakker te worden als een bedurven.
159
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
.Mijn boerderij, waar nog nooit een kusting op gelegen heeft, te belasten! God zal me liefhebben, wat een schurk! Neen, Schout, daar weet jij niets van. »Ons Genoegenquot; heit mijn grootvaar al gekocht, vrij en frank, en daarop staat nu een kusting van dertig duizend gulden, waar ik geen oortjen van in mijn zak stak! God zal me liefhebben, maar dat's toch wat kras! Als ik aan Keaal geen hoekjen had willen verkoopen en deze het in de boeken had laten nazien ol alles wel vrij was, had ik de fieltenstreek mijn leven lang niet ontdekt. Maar de kusting zal er af! Zoo'n schelm! Dat 's je vrijer, hé? En de ander is je vader, hé? Nou, 't is een goed nest. ...quot;
»Burgemeester, laat hem zwijgen!quot; bad Kornelis, die zijn spraak herkregen had. »Lieve, beste Lize, hoor niet naar den plompen boei'. Mijn arme Vader en Moeder! Ik ben klaar. Burgemeester, neem me maar meê, 'k wil alles bekennen; ja, ik deed het; roep de dienders, maar laten ze me niet de boeien aan leggen!quot;
Lize kon niet spreken, maar drukte hem ten aanzien van allen een kus op het voorhoofd en sloeg hare handen om zijn hals. Zij begreep alles. Zij wist nog wel niet hoe alles zich had toegedrager, maar zij begreep toch, dat Kornelis zich voor haar vader wilde opofferen.
Daar werd getikt. Een der gerechtsdienaars stak het hoofd door een reet der deur en knipte met de oogen. Zijn Superieur begreep hem; Stufken was in aantocht. Een oogenblik bleef de Burgemeester in gepeins staan. Wat hij gezien en gehoord had bevestigde ten volle het vroeger donker vermoeden, dat er voor een onschuldige een strik was gespannen. Dat de aanklacht van Reaal was uitgegaan, verhoogde zijn medelijden voor den jonkman, die, hoewel onschuldig, nochtans door den rechter zou moeten veroordeeld worden, tenzij het gepleegd bedrog uit de papieren van Stufken mocht kunnen blijken, wat bij diens geslepenheid niet te wachten was. Hij had innig mededoogen met het reeds zoo geslagen huisgezin, welks geluk â het was reeds algemeen bekend â door den dwingeland van Spaarnwou was verwoest. En nu ook den zoon bedreigd met een onteerend vonnis! Zijn besluit was genomen. Hij zou helpen zoo veel hij kon, meer dan hij m o c h t.
»Wij gaan allen naar het kantoor van je vaderen zullen daar wel een kwartier werk hebben, mijn kind!quot; fluisterde hij Lize in het oor. »Begrepen?quot; vroeg hij nog zachter maar met nadruk, waarna hij Iwema wenkte hem te volgen, die eerst wilde tegenstreven, maar dadelijk toegaf, toen hij vernam, dat Stufken terug was en men diens papieren verzegelen ging.
»Kornelis!quot; zuchtte Lize, »vlucht, eer het te laat is. Wat ik heb zal ik je geven .... van avond als 't donker is ... . in den achtertuin ....quot;
160
HF,Ã GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN,
»Ik kan niet, Lize! Vlucht met je vader!quot;
»D i e zal naar de wet geen schuld hebben .. . Ook zou een vlucht zijn schuld bewijzen. Mijn God, ik sta tusschen mijn schuldigen vader en mijn onschuldigen man! Maar ge zijt nog niet mijn man en hij is mijn vader! .... Als je me ooit lief hebt gehad, vlucht dan, lieve, beste vriend! O, je bent nog veel beter dan ik dacht. Maar vlucht, ik bid je er om op mijn kniën !quot;
»Ik ga .... ik ga .... Als ik in de gevangenis kom ben ik toch van je gescheiden.quot;
»We worden nooit gescheiden. Als 't donker is .... om acht uur ... vaarwel, vaarwel!quot; Zij hing om zijn hals, maar stiet hem plotseling van zich af. Zij zweefde hem vooruit, den achtergang door en opende de tuindeur. »Daar is niemant; ge zijt vrij; hou je goed schuil.... tot van avond Iquot;
Zij bleef hem niet nastaren, maar liep snel naar de huiskamer terug, wierp zich voor een stoel op de kniën en boog het hoofdtjen néér. Er werd geen woord, maar alleen een zacht genok gehoord ; maar daarin lag haar gebed tot den Onzienlijke verholen, om kracht naar kruis, om voorlichting hoe te handelen in de warreling van plichten haar opgelegd. Zij was eindelijk tot kalmte gekomen. Er hadden krachten in haar binnenste gesluimerd, die thands ontwaakten : het verwende kind der weelde was een vrouw geworden, die haren edelsten zusteren niets toegaf in zelfopoffering en in die bewonderenswaardige kracht van lijdelijken weerstand, die buigt, maar niet breekt, die in de neerlaag aan de zege blijft gelooven en werkelijk ook menige nederlaag in zegepraal verkeeren doet.
XXI.
Weinig tijds na het gebeurde in Stufkens woning â 't zal omstreeks vier uur in den namiddag geweest zijn â schelde Mevrouw Reaal haar kamenier Betsy. Ze was zenuwachtig geworden na een bezoek, dat Ereule Dubiicg haar gebracht had. Zij had zich tot taak gesteld al de kleéren van hare beschermelingen zelve te naaien en was sedert eenige dagen daarmeê bezig, wat van gunstigen invloed was geweest op haar algemeenen ziektetoestand. Een aangename verkwikking bleef niettemin het bezoek van den dokter, op wiens eindelijke bekeering zij nog hoop bleef voeden. Vreemd mocht het oppervlakkig schijnen, dat zij de ongodisterij van den aeskulaap beter kon verdragen dan het kerkelijke liberalisme van den Predikant, wiens laodicaesche gezindheid haar dikwijls tot onchristelijken toorn verlokte. Maar het ligt in do
BAAS VAX OMMEREN. H
161
UET GEZIN VAN HAAS VAN OMMEREN,
menschelijke natuur de kontrasten te verdragen en dikwerf tegen eene kleine schakeering in verzet te komen.
Het bezoek barer vriendin Dubling had dezelfde uitwerking op bare stemming gehad als een koude luchtstroom gewoonlijk op een warmen oefent: de blauwe hemel werd plotselings met dikke wolken bedekt. Wat bijna ieder op het dorp wist of vermoedde, was Mevrouw Reaal onbekend gebleven en werd haar door genoemde vriendin, wel met alle mogelijke voorzichtigheid en reserves, maar toch volledig, medegedeeld.
Dat zij Henrick Reaal toch nog lief had! Dat zijn herhaalde ontrouw haar by voortduring zoo diep griefde! Door redeneering was zij tot het besluit gekomen, dat hare belangstelling in Henrick alleen plichtsgevoel, alleen de tederheid eener christelijke kons-ciëntie tot oorzaak had. Als mensch was Henrick haar onverschillig geworden. Van hartstochtelijke liefde naar het vleesch was zij â de Heere werd er voor gedankt! â gereinigd! En zie, zoo als meestal, voedde zij zich met illuzies, en was zij menschelijker dan zij zich zelve had gedacht. Neen, ze had dien man werkelijk nóg lief! Ze zou hersteld kunnen worden door zijne liefde, want ze werd nog doodelijk gekwetst door zijne afdwalingen; en haar droefheid ove:; hem ging gepaard met een gevoel van haat jegens het voorwerp zijner onreine en onwettige genegenheid.
Betsy begreep alles na de eerste woorden, die zij van haar meeste-resse vernam. Niemant kende haar ook zoo volkomen en wist zoo verstandig te troosten. Geen klacht over Mevrouws ongeluk, geen enkele beschuldiging jegens den zondaar! Zij hoorde in stilte Mevrouws grieven aan en wendde vervolgens het gesprek op de kinderen, in wier nieuwe behoeften Mevrouw nog had te voorzien. Zij sprak zoo kalm. Hare woorden vloten als olie in de woedende golven. Eensklaps echter scheen een nevel over haar altijd zoo effen gelaat heen te trekken. Niettegenstaande haar grootezelfbeheerscbing, in welke deugd zij zich jaren geoefend had, zou een hoorderes, die minder met zich zelve vervuld was dan Mevrouw, ontwaard hebben, dat haar een rilling door de leden voer. Met moeite tilde Betsy de loodzwaar geworden voeten op, om nader aan het venster te treden, dat op de achterplaats uitzag, en, met den rug er naar toe gekeerd, te blijven staan, alsof zij het uitzicht belemmeren wilde. Mevrouw kon, van haar stoel even oprijzend, door dit venster naar buiten zien, en ze mocht niet ontwaren wat daar omging en Betsies scherp oog reeds voor eenige oogenblikken had bespeurd.
»Wat hebt ge, Betsy?quot; vroeg Mevrouw eindelijk, die toch iels vreemds aan haar bespeurde.
»Ik wilde u van deze zij in 't gezicht zien om te weten of u er werkelijk van daag zoo goed uitziet. De dokter heeft gelijk: u neemt in krachten toe,quot;
162
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Ik hoop het.. . . ik heb ook krachten noodig, goede Betsy!quot; hernam Mevrouw, die zich toch maar niet aan het denkbeeld van «en alledaagsche kracht te bezitten kon gewennen en een zwakheid, als naar haar meening haar eigen was, meer voor het noodzakelijk attribuut eener uitverkorene hield. gt;Ik heb ook krachten noodig.quot; zoo luidde haar laatste woorden en Betsy bevestigde dat met grooten nadruk.
Terzelfder tijde werd beider aandacht ingenomen door een verward gedruisch van stemmen, van voetstappen in den benedengang en van den zwai'en tred van dikke voetzolen op een der trappen.
»Wat is dat?quot; vroeg Mevrouw. »Pennitteeren zich de domes-tieken ....?quot;
»Ik ga naar beneden,quot; zei Betsy, die bg die woorden reeds in â¢den gang stond. Na de deur achter zich dicht getrokken te hebben, bleef ze daar als aan den grond genageld staan. Zij durfde niet gaan, al wist ze ook wat ze beneden zou zien. Daar holde haar Hendrik te gemoet met doodsbleek gelaat en stoppelend hair. Van verre wenkte zij hem toe, te blijven waar hij was, en om hem daartoe te noodzaken, ijlde zij hem te gemoet. »In de kleine zijkamer,quot; fluisterde zij haastig. »Spreek toch zacht!quot; voegde zij er bij, hoewel niemant iets deed hooren. Zij bevond zich in de vestibule, waar de twee tuinknechts stonden, die ze straks door het venster had zien aankomen, altijd nog den last torsend, dien zij niet waagden neer te leggen en waaraan niemant der aanwezigen nog een plaats had durven aanwijzen, 't Was een huiveringwekkend schouwspel! Al de domestieken waren uit het onderhuis naar boven geijld. Een deel stond echter op den benedentrap en gluurde met angst op het gelaat naar hetgeen die werklui aanbrachten. Een ander deel stond in de vestibule, maar als wassenbeelden: roerloos, stom, marmerwit. En waarlijk, de algemeene schrik was gewettigd! Het lichaam, dat die beiden droegen en over welks gelaat het grove buis van een hunner lag heengespreid, was dat van Mijnheer Reaal. Betsy vroeg niets, zeide niets, maar wenkte die twee haar te volgen, en weldra lag het lijk op de sofa der blauwe kamer neer. Ja, het was wel een lijk. Toen het buis met het diepst ontzach door een der arbeiders werd opgeheven, was er geen twijfel meer aan.
In het achterhoofd was een diepe wonde; de gestollen bloedlaag was nog versch, zoodat het leven nog niet lang geleden gevloden was.
»De dokter, de Burgemeester!quot; zeide Betsy met heeschu stem. »Mevrouw weet nog van niets; dus voorzichtig!quot; vervolgde zij, waarna zij den trap naar boven, met nog loomer Ired dan ze dien straks was afgedaald, beklom.
tWat was het toch?quot; vroeg Mevrouw.
»Een kleine twist! De keukenmeid was reeds lang met het eten
163
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
klaar en werd knorrig op Mijnheer, die weêr zoo lang uitblijft. Ze herinnerde zich nog de reprimande van gister en voorzag er van daag weêr eene. Ze heeft eigenlijk gelijk: Mijnheer blijft van daag al héél lang uit.quot;
En zoo ging zij voort, voet voor voet. Mijnheer had in de laatste dagen een hooge kleur gehad; dat was nooit een goed teeken en vooral niet bij Mijnheer, die zoo volbloedig was. Men hoorde veel van beroerten . ...quot;
»Ge weet meer dan ge zeggen wilt!quot; riep Mevrouw plotselings uit, terwijl ze uit haar leunstoel oprees.
«Mijnheer is niet wel geworden ... .quot;
»Hij is dood!quot; hernam Mevrouw met schrille stem.
Een oogenblik van stilte volgde. Mevrouw kon en Betsy wilde niet spreken. »Dood!quot; klonk het eindelijk met holle stem. «Dood! Waar, waar gevonden?quot;
»Bij de zanderij, geloof ik.quot;
»Ik wil hem zien... dadelijk!quot;
»Nog niet. Mevrouw! Ik bid u, blijf!quot;
Maar Mevrouw gaf ditmaal geen gehoor aan de bede barer getrouwe. Zij ijlde de kamer uit, weldra door Betsy gevolgd, die haar in de vestibule op zij kwam en toen de afgesloten deur ontsloot. De wond was bedekt; slechts een enkele bloedvlek werd op het gelaat bespeurd. Mevrouw zeeg bij de sofa neer. «Verloren, voor ik u mocht vinden!quot; riep zij uit, waarna een vloed van tranen den brandenden oogen ontsprong. Het was der weduwe of zij verplaatst was in den lentetijd barer liefde, of al de ontrouw, al de koel- en hardheid vergeten was en die bleeke, verstijfde lippen geen andere woorden dan van tederheid hadden doen hooren.
»Ik heb u lief gehad en toch niet gelukkig gemaakt,quot; zoo lispelde zij na een poos van heilige stilte. »Ik heb veel misdreven; de Heere God zij mij genadig en ook u!quot; Zij bad en Betsy vouwde meê de handen en bad voor beiden, maar het meest toch voor haar.
En daar buiten in de bezige menschenwaereld werd de doode ook herdacht, maar niet in den gebede. Het oordeel daar uitgesproken werd niet door de liefde verzacht.
»Toch óok niet meer dan een brok stof, zoo'n groote banjer!quot; meesmuilde een der werklui.
«Trappen zal hij ons niet meer. 't quot;Wordt nou zijn beurt, als 't ten minste rechtvaardig toegaat,quot; luidde het andwoord.
»Ik zou wel kunnen aanwijzen wie ons van den dwingeland verloste,quot; fluisterde een derde.
»De jongen, die hem laatst met het geweer achterna heeft ge-loopen, heeft hem in 't eind weten te raken, vierkant in zijn hersens. Maar ik wil er de zegsman niet van wezen,quot; hoorde men verder.
164
HEÃ GEZIN VAX BAAS VAX OMMEREN.
»Vreeselijk! zulk eeu einde!quot; zeide Meester, wien de knecht, naar den Burgemeester gaande, het gebeurde vertelde. Toch haalde hij, al heel spoedig van den schrik bekomen, diep adem en ging hij met lichten tred de nieuw gestopte pijp aan het komfoortjen in de huiskamer opsteken. Hij dampte met een soort van onbeschaamdheid, terwijl hij het hoofd achterover boog en het heelal als met een uitdagenden blik beschouwde. Hij voelde zich voor het eerst sedert jaren vrij en wist zich in staat van die vrijheid gebruik te maken.
»Een gruwelijke misdaad!quot; riep de Burgemeester uit, toen de livrijknecht zijn last had vervuld. »De Justitie zal den dader weten op te sporen. â Wie had kunnen denken dat de verlossing zoo spoedig zou aanbreken!quot; zeide hij een oogenblik later tot zijn echtgenote. »Ik kan raden wie de dader is. . . Ongelukkig huisgezin Iquot; De laatste woorden werden binnen 's monds gesproken, en schoon zijn lieve vrouw hem zeide niet goed verstaan te hebben, hij herhaalde ze niet. De man der wet kende zijn plicht. Hij kende geen vrouw en geen medelijden, zoo als hij meermalen in krimi-neele zaken met een zweem van trots beweerde. Nauw teruggekeerd van Stufkens woning, maakte hij zich gereed naar Spaarnwou te gaan.
XXII.
Wij gaan op den afgelegden weg een paar schreden terug. De verzegeling en het verhoor op Stufkens kantoor was afgeloopen. Stuf ken was kalm als altijd gebleven, had de Justitie met de meeste voorkomenheid en Steven Iwema zelfs met hartelijke deelneming bejegend. Op alle vragen had hij met den meesten eenvoud geandvvoord, zonder eenige weifeling, zonder eenigen schijn zelfs van zich te verdedigen en anderen te bezwaren. Met den meesten lof sprak hij van zjjn klerk Kornelis van Ommeren, die altjjd zoo vol ambitie was geweest en naar zijn meening steeds het groote doel, dat de jongeling zich voorstelde: zich uit zijn nederigen stand te verheffen, voor oogen had gehouden. Hij mocht en kon niet oordeelen. Hij kon geen steen werpen op een gevallene. Hij moest in alle nederigheid zeggen, dat wie stond wel mocht toezien niet te vallen, want hij wist bij ondervinding, dat de honger een scherp zwaard en de ambitie een sterke prikkel was. Hij zelf erkende met allen oodmoed en in oprechtheid zich schuldig aan een groot misdrijf: â bij welke woorden Burgemeester en aanklager beide de ooren spitsten â hij had te licht vertrouwd. Hij
165
164: HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
klaar en werd knorrig op Mijnheer, die weêr zoo lang uitblijft. Ze herinnerde zich nog de reprimande van gister en voorzag er van daag weêr eene. Ze heeft eigenlijk gelijk: Mijnheer blijft van daag al héél lang uit.quot;
En zoo ging zij voort, voet voor voet. Mijnheer had in de laatste dagen een hooge kleur gehad; dat was nooit een goed teeken en vooral niet bij Mijnbeer, die zoo volbloedig was. Men hoorde veel van beroerten . . ..quot;
»Ge weet meer dan ge zeggen wilt!quot; riep Mevrouw plotselings uit, terwijl ze uit haar leunstoel oprees.
»Mijnheer is niet wel geworden ... .quot;
»Hij is dood!quot; hernam Mevrouw met schrille stem.
Een oogenblik van stilte volgde. Mevrouw kon en Betsy wilde niet spreken. »Dood!quot; klonk het eindelijk met holle stem. »Doodl: Waar, waar gevonden?quot;
»Bij de zanderij, geloof ik.quot;
»Ik wil hem zien .. . dadelijk!quot;
»Nog niet, Mevrouw! Ik bid u, blijf!quot;
Maar Mevrouw gaf ditmaal geen gehoor aan de bede harer getrouwe. Zij ijlde de kamer uit, weldra door Betsy gevolgd, die haar in de vestibule op zij kwam en toen de afgesloten deur ontsloot. De wond was bedekt; slechts een enkele bloedvlek werd op het gelaat bespeurd. Mevrouw zeeg bij de sofa neer. »Verloren, vóór ik u mocht vinden!quot; riep zij uit, waarna een vloed van tranen den brandenden oogen ontsprong. Het was der weduwe of zij verplaatst was in den lentetijd harer liefde, of al de ontrouw, al de koel- en hardheid vergeten was en die bleeke, verstijfde lippen geen andere woorden dan van tederheid hadden doen hoeren.
»Ik heb u lief gehad en toch niet gelukkig gemaakt,quot; zoo lispelde zij na een poos van heilige stilte, ilk heb veel misdreven; de Heere God zij mij genadig en ook u!quot; Zij bad en Betsy vouwde meê de handen en bad voor beiden, maar het meest toch voor haar.
En daar buiten in de bezige menschenwaereld werd de doods ook herdacht, maar niet in den gebede. Het oordeel daar uitgesproken werd niet door de liefde verzacht.
»Toch óok niet meer dan een brok stof, zoo'n groote banjer!quot; meesmuilde een der werklui.
«Trappen zal hij ons niet meer. 't Wordt nou zijn beurt, als 't ten minste rechtvaardig toegaat,quot; luidde het andwoord.
»Ik zou wel kunnen aanwijzen wie ons van den dwingeland verloste,quot; fluisterde een derde.
»De jongen, die hem laatst met bet geweer achterna heeft ge-loopen, heeft hem in 't eind weten te raken, vierkant in zijn hersens. Maar ik wil er de zegsman niet van wezen,quot; hoorde men verder.
HET GEZIN' VAX BAAS VAX OMMEREX.
»Vreeselijk! zulk een einde!quot; zeide Meester, wien de knecht, nuar den Burgemeester gaande, het gebeurde vertelde. Toch haalde hij, al heel spoedig van den schrik bekomen, diep adem en ging hij met lichten tred de nieuw gestopte pijp aan het komfoortjen in de huiskamer opsteken. Hij dampte met een soort van onbeschaamdheid, terwijl hij het hoofd achterover boog en het heelal als met een uitdagenden blik beschouwde. Hij voelde zich voor het eerst sedert jaren vrij en wist zich in staat van die vrijheid gebruik te maken.
«Een gruwelijke misdaad!quot; riep de Burgemeester uit, toen de livrijknecht zijn last had vervuld. »De Justitie zul den dader weten op te sporen. â Wie had kunnen denken dat de verlossing zoo spoedig zou aanbreken!quot; zeide hij een oogenblik later tot zijn echtgenote. »Ik kan raden wie de dader is.. . Ongelukkig huisgezin!quot; De laatste woorden werden binnen 's monds gesproken, en schoon zijn lieve vrouw hem zeide niet goed verstaan te hebben, hij herhaalde ze niet. De man der wet kende zijn plicht. Hij kende geen vrouw en geen medelijden, zoo als hij meermalen in krimi-neele zaken met een zweem van trots beweerde. Xauw teruggekeerd van Stufkens woning, maakte hij zich gereed naar Spaarnwou te gaan.
XXII.
Wij gaan op den afgelegden weg een paar schreden terug. De verzegeling en het verhoor op Stufkens kantoor was afgeloopen. Stuf ken was kalm als altijd gebleven, had de Justitie met de meeste voorkomenheid en Steven Iwema zelfs met hartelijke deelneming bejegend. Op alle vragen had hij met den meesten eenvoud geandwoord, zonder eenige weifeling, zonder eenigen schijn zelfs van zich te verdedigen en anderen te bezwaren. Met den meesten lof sprak hij van zijn klerk Kornelis van Ommeren, die altijd zoo vol ambitie was geweest en naar zijn meening steeds het groote doel, dat de jongeling zich voorstelde; zich uit zijn nederigen stand te verheffen, voor oogen had gehouden. Hij mocht en kon niet oordeelen. Hij kon geen steen werpen op een gevallene. Hij moest in alle nederigheid zeggen, dat wie stond wel mocht toezien niet te vallen, want hij wist bij ondervinding, dat de honger een scherp zwaard en de ambitie een sterke prikkel was. Hij zelf erkende met allen oodmoed en in oprechtheid zich schuldig aan een groot misdrijf; â bij welke woorden Burgemeester en aanklager beide de ooren spitsten â hij had te licht vertrouwd. Hij
165
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
was met lichtvaardigheid te werk gegaan en had daardoor wellicht aanleiding gegeven tot een zware misdaad. Maar hij had den jonkman ook zoo hoog geschat; hij had hem als een zoon behandeld, als zijn eigen kind vertrouwd en daarvoor moest hij zwaar boeten ; want het verlies dat die brave man â op Steven wijzende â leed, woog hem zwaar.
»Ik zal er geen zesthalf bij verliezen,quot; riep Steven, »waarachtig niet! Wie er geld op mijn goed zonder mijn permissie geschoten heeft, die is zijn duiten kwijt.quot;
»Ja, dat kan wel wezen, beste maat! Maar de Bank verliest haar geld, en dat brandt mij op het hart.quot;
»Is dat waar?quot; fluisterde de Burgemeester, die, ondanks zijn straks nog onwrikbare overtuiging, aan het wankelen was gebracht. »Is dat waar, Stufken? Maak dan de zaak in orde. Je bent rijk; de jongen kan het onder je leiding óok worden.quot;
»Dertig duizend gulden! Burgemeester, denk je dat ik het maar voor het grijpen heb ? Als 't nog drie duizend was ... en de aanklacht werd ingetrokken .... en deze brave man kon zich met de Bank verstaan!quot;
sik moet mijn boerderij vrij hebben; de rest gaat me niet aan,quot; schreeuwde Steven, hoe langer hoe boozer.
»En de Officier zou de aanklacht alleen kunnen laten vallen als er dadelijk aan den rechtmatigen eisch van dien man werd voldaan,quot; zeide de Burgemeester plechtig.
»De arme jongen moet dan de gevolgen dragen van zijn onbezonnenheid,quot; zuchtte Stuf ken.
«Onbezonnenheid? Misbruik van vertrouwen!quot; verbeterde de Burgemeester. »Een wanbedrijf waarop krimineele straf is gesteld.quot;
»Kan ik het niet afmaken, dan bewaar ik liever het geld, dat ik voor hem wou verliezen, tot hij weêr vrij komt. Ik wil hem graag redden, maar wat er van mjj gevraagd wordt is me onmogelijk.quot;
»Zijt ge er dan zeker van, dat ge zelf buiten schot zijt?quot; vroeg de Burgemeester op zijn strengsten toon.
Een lichte huivering liep er door Stufkens leden. Hij sloeg de oogen een oogenblik neer voor den starren blik van den man der wet.
ȟe Justitie handele met mij zooals ze zal meenen te behooren. Ik ben mij van geen schuld bewust. Moet ik u volgen?quot; vroeg hij kalm, hoewel inwendig alles beefde.
»Nog is er tegen u geen bevel tot inhechtenisneming uitgevaardigd. Ge staat echter onder toezicht der Policie quot;
»Dan ben ik wel bewaard!quot; hernam Stufken, zelfs met een zweem van ironie.
Hij liet de Heeren uit. De gerechtsdienaars, die al dien tijd
166
HKT GEZIN VAN BAAS VAX OMMEREN.
op wacht hadden gestaan, rapporteerden, dat Kornelis van Ommeren niet meer in de kamer was. Het huis werd door hen volgens ontvangen orders van voren bewaakt, maar niet van achteren; de arrestant zou dus alle kans hebben gehad te ontvluchten. De Burgemeester toonde zich ten hoogste verbolgen en dreigde met het opmaken van proces-verbaal tegen de weinig waakzame dienaars, die binnen 's monds prevelden, dat bun dan maar betere orders gegeven hadden moeten zijn.
Zoodra de lastige gasten, die hij met de nederigste buigingen tot aan de buitendeur geleidde, na een herhaalde huiszoeking vertrokken waren, haalde Stuf'ken diep adem. Er kwam een soort van een glimlach op zijn gelaat. Hij was gereed zich in de handen te wrijven, maar de gedachte, die hem reeds bij het verhoor met eenigen angst had vervuld, rees dit oogenblik weder bij hem op. Eenige paerels koud zweet begonnen op zijn voorhoofd te glinsteren; hij wischte ze niet af. »Waar ik dat gelaten heb?quot; vroeg hij zich zei ven, terwijl hij zeker voor den tienden keev al de zakken van jas en broek onderzocht. Hij rende weder naar het kantoor: hij zocht in, óp en ónder de lessenaar, haalde alle kasten en laden uit, zelfs de meest geheime. Flauw herinnerde hij zich dien ochtend het gewichtige dokument ergens te hebben neergelegd; hij had het in handen gehad, dat was zeker. Dwaas die hij was, dat hij het papiertjen niet had verscheurd, zoo als hij altijd deed wanneer het stukken van eenigzins »interessantenquot; aard betrof. Maar hier gold het een kwitantie van uitbetaalde gelden, en het zat in zijn natuur dergelijke snippers papier nooit te verscheuren. Hij had nog wel kwitanties van twintig jaar geleden, want.. . men kon nooit weten! Ware hij maar in dit geval van zijne gewoonte afgeweken, want het verlorene en innig begeerde was een kwitantie van Jakob Iwema, zich ook noemende Steven, geschreven aan boord van de stoomboot op Londen, waarbij hij erkende vijfhonderd gulden volgens overeenkomst van den Wel Ed. Achtbaren Heer Jakob Stufken ontvangen te hebben. Dat stuk kon tegen hem getuigen, indien het eens in verkeerde handen kwam. Beroerde zaak! Alles was zoo goed overlegd! Hij kon buiten schot blijven, en het was de mooiste zaak die hij nog ondernomen had. Hij kon nu op zijn lauweren rusten; want Jakob was al lang op zee, op reis naar Amerika! En nu bracht dat stuk hem in gevaar!
Ja, lauweren had hij zich gegaard, maar er scholen toch doornen onder. Hij had sedert weken geen gerusten slaap gekend en den onnoozelen jongen op zjjn kantoor, dien hij was beginnen te haten, niet meer durven aanzien. Zijn hoofd had hem soms wonderlijk gegloeid en zijn geheugen â dat altijd zoo krachtig orgaan, dat hem zulke groote diensten had bewezen â dreigde hem soms te begeven. Zijn kind, zijn lieve Lize, had hem menigmaal doen
167
IIEÃ GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
schrikken, alleen maar door haar stap of geluid, 't Zat in de lucht die hij hier inademde; 't lag aan de vunzigheid van het kantoor, aan de vocht, die het zware geboomte in den omtrek aanbracht. Lize wou óok hier van daan; Lize had zeker hetzelfde, en voor haar leefde hij immers en zwoegde en vergaderde hij zijn lauweren .. .! Maar waar dat papier toch gebleven was? Hij hield met beide handen zijn hoofd vast, want het was of het zou barsten. Hij wou en zou zich herinneren waar en wanneer hij het 't laatst in handen had gehad. Daar viel een lichtstraal in zijn duisternis. Hij had het werkelijk van morgen gehad; hij had het daar voor zich bij andere papieren neergelegd; toen was hij geroepen; vervolgens was er gestofd, geveegd, geboend â die ellendige schoonmaaksters, die alles t' onderst boven keeren, die vuile papieren, al waren het ook coupons, in een snippermand stoppen! Hi.i haalde dezen naar zich toe; er was geen enkele snipper in; de mand was leeg gemaakt. Goddank, er bestond ten minste kans dat de kwitantie vernietigd was! Hij veegde met zijn hand het klamme voorhoofd af en stapte oogenschijnlijk kalm naar het huisvertrek, om zijn Lize te ontmoeten en zoo mogelijk te troosten: want hij had uit de woorden der gerechtsdienaars begrepen, dat de jongen weinig tijds geleden bij haar geweest en van daar gevlucht was.
Zijn hart bonsde, zijn adem stokte, toen hij op den drempel stond. »Kom, zoo'n vrijer zal ze wel vergeten; ze had hem tóch niet gekregen,quot; mompelde hij, waarna hij binnen trad. Het was er doodstil; toch was Lize daar. Ze zat op de sofa, het hoofdtjen op haar hand geleund, de oogen op den grond gevestigd, de lippen zich snel bewegende, als of ze tot zich zelve sprak. Hij wou en zou spreken, haar aanspreken.
»Kindlief!quot; begon hij eindelijk op zijn vrolijksten toon, »heb je van morgen ook laten schoonmaken?quot; Lize wendde het hoofd naar hem toe, maar andwoordde niet. jgt;Weet je ook, of de schoonmaakster den papiermand heeft geleegd? Ik mis iets, van geen waarde voor den vinder, maar dat bij andere papieren van veel waarde behoort. Weet je er iets van, kindlief?quot;
Lize keerde het hoofd van hem af en huiverde.
»Wat heb je, lief, lief kind?quot; had hij de vermetelheid te vragen, terwijl hij haar naderde, om haar hand te nemen en haar een kus te geven, zoo als hij dikwijls behoefte had te doen.
»Neen, niet dichter bij!quot; kreet zij, als in doodsangst van haar zitplaats oprijzende en terug deinzende. »En het is mijn vader!quot; voegde zij er bij, in snikken uitbarstend. Maar ze droogde weldra haar tranen en hernam de heerschappij over zich zelve. Niet te vergeefs had zij het laatste uur in eenzaamheid doorgebracht. »Ik weet alles. Het gantsche dorp had gelijk, toen het mij den nek
168
HET GEZIN VAX BAAS VAX OMMEREN.
toekeerde. Ik leefde van der jeugd af van gestolen geld ; ik at bet brood, waaraan de tranen kleefden van armen en ellendigen â ik ben het kind van een dief!quot;
»Lize!quot; riep hij uit. Het was of alles met bem draaide. »Kind, is dat bet loon voor mijn liefde? Verdenk je je vader...?quot;
»Ik verdenk niet meer, ik weet. Kornelis was een kind in bet booze, mijn vader was er in volleerd. H ij zal schuldig beten, en gij onschuldig; hij zal boeten en gij zult gelukkig wezen. Neen, niet gelukkig, ten minste niet door en met mij. Ik heb veel aan Moeder gedacbt in de laatste oogenblikken; geheel anders als vroeger; Moeder was geen zwakke, maar een sterke, een groote vrouw, zij was te eerlijk om uw naam te blijven dragen. Ik kan dien naam niet afschudden, maar wel het onrechtvaardig verkregen goed. Ik wil niets meer van bet uwe; ik wil niet meer uw brood eten, niet meer onder uw dak wonen. 0 God! oneerlijk zijn, het is bet laagste, het gemeenste!quot; en bij deze woorden verborg zij het gelaat in de handen.
«Lize, de schijn misleidt je.quot;
»Logen behoort bij den diefstal.. . Alles is mij helder geworden! Verontschuldig u niet meer; want ik zie uw konsciëntie spreken . ..quot; Werkelijk was bet zoo. De oogen puilden hem uit de kassen; bij snakte naar zijn adem.
»Kind! kind! Mijn kind!quot; hoorde zij hem stameren.
Zij weifelde een oogenblik; een oogenblik slechts. Zij voelde de weekheid, welke zij voor goed gebannen dacht, haar hart binnen sluipen. Zij vatte de band, die naar baar werd uitgestoken; zij steunde den waggelende en leidde hem naar den naast bijstaanden stoel.
»Dood me niet, Lize! Lieve Lize! Mijn hoop, mijn troost, mijn trots, mijn schat!quot; suisde het van zijn lippen.
ȟw schat? Geef dan den anderen schat, den onrechtvaardig verkregenen, terug. Poog te herstellen wat misdreven is. Laat Kornelis niet onrechtvaardig vervolgd worden! Betaal wat ge door bem ontvingt, wat ge anderen ontnaamt, en alles is vergeven, en alles wil ik vergeten. Vader!quot;
»Arm wezen, kaal als Job. ..? Mijn zuur gewonnen geld weggeven ....?quot;
»Wél zuur gewonnen!quot;
»Neen, dat kan ik niet. Ik heb het verdiend, met angsten en beven verdiend, met angsten en beven bewaard, voor mijn kind, voor mijn Lize.quot;
»Maar ik begeer het niet. Ge hebt me veel laten leeren â ik wil er gebruik van maken. Ik wil werken voor bet brood; ik wil werken voor u, maar geef dat geld terug. Vader!quot;
«Armwezen en oud! Afhankelijk en ellendig! Neen, kind! vraag mij alles, maar niet dat!quot;
169
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Dus moet de onschuldige ... ? dus moet Kornelis . .. ?quot;
»Vloek over den deugniet, die mij het hart van mijn kind ontstal, die de dochter tegen haar vader opzette! Al was het alleen daarom, spring ik niet voor hem in de bres.quot;
Hoe bigde was hij een grond van beschuldiging tegen den jonkman gevonden te hebben. Ja, hoe meer hij er over nadacht hoe rechtvaardiger hij zijn handelwijze vond. Op Lize maakten de laatste woorden een tegenovergestelde uitwerking. Met haar hoog gevoel van recht en billijkheid gruwde zij van zulk eene ongerechtigheid. Hoe was het mogelijk, dat zij zoo lang met haar vader geleefd had en hem nu eerst leerde kennen!
»U wilt Kornelis dus niet redden ? De reeds zoo rampzalige familie niet sparen?quot;
»In een reeds gescheurd kleed ziet men een scheur meer of minder niet.quot;
»Vader, Vader! ... Dan zal ik u aanklagen. Ja, ik zal het doen, ik moet het doen.quot;
«Aanklagen? Waarvan?quot; vroeg hij koud en scherp. Als een bliksemstraal schoot de gedachte door zijn brein, dat zij het papier gevonden had wat hij zocht.
jgt;Moet ik het herhalen? Het geld, waarvoor Kornelis vervolgd wordt, hebt gij genoten, en door misbruik te maken van zijn vertrouwen liet gij hém er voor teekenen,quot; zeide zij met klem, terwijl ze hem strak aan staarde.
«Bewijzen, bewijzen!quot; riep hij met holle stem.
»Die zal ik bijbrengen voor den rechter.quot;
»Heb je dan ... die kwitantie? Lize, kind! geef me die weêrom . .. O God, mijn hoofd scheurt! Je zult je vader vermoorden. Is dat je godsdienst? Lize, geef me dat papier...!quot; Hij was van den stoel afgegleden, kromp aan haar voeten in een en bleef daar liggen, roerloos, bleek! Lizes kracht was gebroken. Zij had een afschuw van zich zelve; haar zegepraal was de grootste nederlaag. Zij had haar vader vertreden en haar geliefde toch niet gered. Zij kón dezen niet redden; zij kon haar vader niet aanklagen, al had zij ook diens schuld kunnen bewijzen, al ware zij ook in het bezit van dat geheimzinnig papier geweest, waarop hij in zijn radeloosheid had gedoeld. Toen ze straks er van gesproken had, tegen heir, te zullen getuigen, toen was het een bedreiging, haar in de hitte des toorns ontsnapt, maar een ijdele bedreiging, daar zij geen andere bewijzen, dan haar eigen overtuiging, kon bijbrengen.
Zij richtte hem op; zij sprak tot hem, maar hij andwoordde niet; zij drukte de koude, klamme hand, die zij in de hare hield: geen spierbeweging verried, dat het was opgemerkt. Medelijden, innig medelijden verving den vroegeren afschuw. Zij knielde bij hem neer; hare armen omknelden den geslagen man; zij bedekte het
170
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
â vertrokken gelaat met hare kussen en sprak weêr met innigheid den vadernaam uit.
Alles te vergeefs, hij hoorde niet.
«Vergeving, vergeving! Vader! ik zal zwijgen.quot;
»Dat papier... ik had het van morgen ... ik wil het hebben, hoor je. Die vervloekte schoonmaaksters!quot; prevelde hij ten laatste, terwijl hij, door haar ondersteund, zich oprichtte, om weêr geheel krachteloos op de sofa neer te zijgen. Hij ijlde. Nu eens vreesde hij voor inbraak, dan weêr voor brand. Om hulp riep hij, niet voor zich zeiven, niet voor zijn kind, maar voor zijn geld en zijn papieren in de ijzeren kist.
Toen Lize in haar zak tastte, om den sleutel van de kast te zoeken, waarin zij eenige medicijnen had geborgen, voelde zij een gekreukt papier. Zij herinnerde zich, het dien morgen op het kantoor op den grond te hebben zien liggen. Het was zeker dooiden tocht van den lessenaar afgewaaid. Ze was opgevoed in de vreeze der snippers en zou er nooit éen verscheuren; daarom had ze ook dat stuk bij zich gestoken, met het voornemen het gevondene haar vader terug te geven. Zij had het bij al de gebeurtenissen van dien dag vergeten, en thands las ze . .. Ja, het was zeker het papier, dat haar vader begeerde. Zou zij het verscheuren en haar vader voor elk gevaar vrijwaren? En Kornelis dan? Zij rilde als in felle koorts. Zij borg de kwitantie van zekeren Jakob Iwema in haar schrijfkassette en stak den sleutel bij zich.
XXIII.
Kornelis was den tuin doorgerend, alsof hij zich achtervolgd dacht. Hij was Lize, Moeder, alles vergeten: hij dacht aan zelfbehoud. Hij rende voort langs ongebaande wegen, spiedde schichtig om zich heen, wrong zich door het dichtste kreupelhout heen en zeeg daar, als omstrengeld door eenige gebogen takken, op den vochtigen grond neer, in een bad van zweet. Daar lag hij een balf uur, een uur, twee uur misschien; hij leefde, maar hij wist het niet; hij dacht, maar hij begreep zjjn eigen gedachten niet, tot dat er plotseling klaarheid kwam in zijn verwarde denkbeelden.
»Bedrogen ... ! beticht van oplichterij, van diefstal .. .! schandelijk bedrogen door dien man! God, dood mij,.ik smeek u, dood mij, of geef mij den moed het zelf te doen!quot;
Hij voelde een feilen haat tegen al het geschapene. Hij vloekte het uur van zijn geboorte. Hij had het goede, het edele gewild, en was neergeveld in zyn strijd. Hij had eerlijkheid boven alles
171
HET GEZIN' VAK DAAS VAN OMMEREN.
gesteld, de zonde, in welken scboonschijnenden vorm zij hem ook tegen was getreden, steeds trachten te ontmaskeren en te straften, en zijn naam was geschandvlekt en de schijn ten minste eener misdaad rustte op hem. Het was om krankzinnig te worden! Dat hij het mocht worden en hij nimmer wéér mocht keeren tot de kennis der werkelijkheid! Op de overspanning volgde echter weldra uitputting; op de woeste kracht diepen weemoed, op den heftigen toorn stille droefheid. Vader en Moeder en Klara waren reeds zoo ongelukkig. In plaats van hen tot steun te kunnen zijn, bracht hij hen een nieuwe vernedering aan; in plaats van voor hen te werken, dwaalde hij nu als vagebond om en moest hij het land verlaten, om in den vreemde de onteerende straf, die hem wachtte, te ontgaan. Want hij overzag nu het gantsche weefsel van list en bedrog, dat de giftige spin had gesponnen en waarin een armzalig insekt als hij gevangen werd. Alle voorzorgen waren genomen; alles was reeds sedert weken vooruit berekend. Daarom nam de oude schurk hem op het kantoor. Hij moest een knecht hebben, die blindelings gehoorzaamde; hij had zulk een kreatuur in hem en in Hein gevonden. Neen, er was geen ontkomen aan de hinderlaag. En die hinderlaag was gelegd door den vader van haar, die hij lief bad boven alles. Lizes beeld trad voor zijn geest en bracht rust in den baaiert der woedende hartstochten. Lize, zijn Lize zou . .. ? Neen, weg met dat denkbeeld! Neen, zij bedroog niet; neen, zij was geen duivel in de gedaante van een engel des lichts â zij was wel wat ze scheen; zijn weldoende engel, zijn gids, zijn geliefde, zijn vrouw! Zij werd het middelpunt zijner gedachten. De smart werd minder snerpend en de wanhoop ging langzaam over in onderworpenheid. Lize predikte hem berusting, maar zij predikte hem ook werkzaamheid. Hij moest bedacht zijn op zelfbehoud; want het merkteeken der schande, zoo als de kerker den boetende op het gelaat drukt, moest hij nimmer dragen, of... hij zou verloren gaan!
Hij moest vluchten en dan .... dat wist God alleen. Hij moest zich van Lize afscheuren, hij moest alleen omdwalen, tot dat hij haar kon doen weten: »kom tot mij en deel met mij het eerlijk gewonnen brood . .
Daar ritselde het in het bosch. Een vogel, een haas misschien. De schemering was in aantocht en het wild zocht zeker zijn nachtleger op. Het werd tijd naar Lize te gaan om afscheid te nemen. O God, welk een gang! Was 't niet beter om zonder zulk een vaarwel heen te sluipen? Vader, Moeder noch Klara waagde aij onder de oogen te komen. Moest hij dan van hen scheiden zonder een enkel woord? Die brave vader, wiens zielenadel hij nu eerst begrijpen kon, die tedere, lieve, beste moeder, wier trots hij was, die hem nog wel niet zou veroordeelen, maar toch tegenover de
172
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
waereld zijn naam niet meer zou durven noemen! En dan Klam, die hij zoo streng had beoordeeld, aan wier onschuld hij wel moest gelooven, maar die hij als misdaad toerekende, dat ze den schijn van schuld op zicli geladen had! Maar niet langer gepeinsd, niet larger in eigen boezem gewroet! Hij moest voort, hij moest handelen, want daar blonk reeds een ster. Ieder uur toevens maakte zijn vlucht moeielijker, bracht de Justitie meer macht over hem aan. Hij vermande zicli en zette de half verstijfde ledematen in beweging. Met veel moeite wond hij zich door het dichte hout heen, telkens schichtig om zich heen ziende bij het vallen van zoo menig dorrend blad, telkens trillend bij het geluid zijner voetstappen of der takken, die hij om- of ter zijde boog.
Hij naderde den binnenweg; hij zag de grijze streep, zooals het mulle zandspoor in de schemering zich vertoonde, maar ook een menschelijke gedaante. .. Aan den rand van het bosch stond ze, onbewegelijk. Het koude zweet brak hem uit. Zou hij daar opgewacht worden door het Gerecht? Hij stond stil en gluurde voor zich uit. Afgrijselijk! Een paar loerende oogen ontmoetten de zijne. Er lag vuur in dien blik, verlangen om zich van hem meester te maken! Hij keerde zich om en wilde wéér bet bosch in; maar daar bewoog zich die gestalte; zij verwijderde zich met een kreet van angst en in aller ijl. Hij had ruim zoo veel schrik aangejaagd als de onbekende hem. Kornelis schudde alle vrees af en drong naar den zandweg door en herkende in den vluchteling zijn vriend Hein. Hij riep hem aan en bracht hem tot staan. Hein was toch ook in de zaak tegen Jakob Iwema betrokken. Hein had het goed eens anderen getaxeerd, had mede getuigd, dat die vreemde boer heette, zoo als Stuf ken wilde dat hij heten zou.
»Wat wil je van me? Laat me gaan! Ik heb mijn dag goed besteed, zóo goed, dat Griet, als ze niet verder weg is dan de maan, er pleizier van kan hebben ... De bom is gebarsten.....quot;
»Hein, we zijn bedrogen door Stuf ken . .. aangeklaagd .. .quot;
«Vervloekte logen! Niemant kan 't gezien hebben als Griet, en gehoord als je engel van een zus alleen. Laat me gaan, jongen! Ik mocht je wel lijen, maar sedert je de brave meid nog een steen op het hoofd gooide â Vrouw Moes zei 't me â haat ik je. Heb je hooren schieten ? Een dubbel schot, en toen . .. 't was akelig, jongen, maar het moest... Onze lieve Heer heeft het gewild!quot;
»Hein, ben je gek geworden?quot; riep Kornelis, in de hoogste verbazing. »Ben je weêr aan het stroopen geweest?quot;
»Ik?quot; en die vraag klonk gejaagd. »Ik stroop niet meer; ik ben een ander mensch geworden, weet je dat dan nog niet? Ik ben den heelen dag voor Stufken naar Wervershof geweest om land op te nemen. Dat kan ik bezweren, en de tolleman ook, aan het hek bij den overlaat, je weet wel, een half uur boven Stoopmeer;
173
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
daar heb ik nog een glas bier gedronken â klare neem ik niet meer en loterrjbriefjens ook niet â en de vent zei nog ..
»Goed, goed! Waarom hou je me op? Ik heb haast. Je hebt me niet gezien, als ze naar me mochten vragen ...quot;
»Precies hetzelfde wat ik je ook zeggen wou. Ik heb je niet aangeroepen, want ik heb óok haast en ik wil niet, dat je me gezien hebt. Wat deé je daar in 't bosch? Jij bent ook veel veranderd, want je wilt hebben dat ik lieg. Nu, een logen om bestwil is geen zonde. Je hebt mij niet gezien en ik jou niet, begrepen?quot;
Kornelis knikte toestemmend; hij kon niet spreken. De ruwe opmerking van Hein had hem door hare waarheid getroffen. Ja, hij was veel veranderd: hij moest bidden, niet gevolgd te worden.
»Hein, ben je straks nog aan 't kantoor geweest?quot;
» Waarom ?quot;
»Heb je ook nog dienders gezien in den omtrek?quot;
»Wat meen je daarmeé?quot; vroeg Hein barsch, zelfs dreigend.
»Wat kijk je me vreemd aan? Jij ook al? Denk je dan maar dadelijk dat het waar is, als je ergens van beschuldigd wordt?quot; hernam Kornelis gedrukt.
»Ik wil niets meer hooren; de duivel zit in je. Laat hij niet aan mij komen, of we gaan aan 't worstelen, en ik wil dat niet; ik wil je geen kwaad doen, bij God! neen, maar maak dan toch dat je weg komt.quot; En met die zonderlinge woorden keerde Hein zich om en rende voort, den weg langs en het eerste zijpad in.
Kornelis wreef met de hand over het voorhoofd.
»Wat is dat?quot; vroeg hij zich af. De laatste woorden, door Hein tot hem op Spaarnwou gesproken, kwamen hem voor den geest; maar het bracht hem niet verder dan tot de gissing, dat Heins verstand sedert den dood zijner vrouw gekrenkt was.
Behoedzaam trad hij voort. Hij reikhalsde er naar Lize te zien en beefde toch voor dat wederzien; het zou een vaarwel zijn, voor altijd misschien. En dan zou zij hem vergeten 1 Ondragelijk denkbeeld! Neen, hij was van besluit veranderd: hij zou niet vluchten. Door te blijven liep hij nog de kans van de waarheid ontdekt te zien; de rechter zou schijn van werkelijkheid weten te onderscheider.. Door heen te gaan erkende hij zich schuldig. Hij was straks zeker nog onder den invloed der kinderachtigste vrees geweest, toen hij tot die vlucht besloot.
Hij was aan het doel van zijn tocht: hij stond in den welbekenden tuin en werd reeds opgewacht. Hij vergiste zich niet: de witte gedaante, die hij door het bloemhout heen bespeurde, was wel zijn lieve Lize, die de gure avondlucht voor hem trotseerde. Hij sloot haar in de armen en voelde haar hoofdtjen aan zijn borst rusten.
«Eindelijk, eindelijk!quot; nokte zij.
174
HET GEZIN VAK BAAS VAN OMMEREN'.
»Heb je dan lang op mij gewacht, beste? En dat in de kille herfstlucht!quot;
»Ik heb niets gevoeld, maar ik dacht.... je weet wel, wat ik vreezen moest. Daar, lieve, beste man! Daar is wat ik bespaarde van het huishoudgeld: 't is óok geld, waar de woeker aan kleeft, maar het gebruik, dat jij er van maken zult, zal de smet doen verdwijnen.quot;
»Neen, Lize, behoud het! Ik ga niet.quot;
Lize trilde. Het starrenlicht, dat een matten weerschijn op het lief gelaat lel, deed de bleekheid er van nog meer uitkomen. »Groote God, hij wil blijven!quot; riep zij uit.
»Ik zou door mijn vlucht juist voedsel geven aan de achterdocht. De schijn is tegen mij, maar de rechter zal bij nader onderzoek den ware schuldige wel leeren kennen.''
«Dat is mijn vader!quot; fluisterde zij zacht, op onbeschrijfelijk weemoedigen toon.
Als of dit nog niet bij hem was opgekomen, als ol hij nog niet had kunnen gissen, dat Lize tusschen hem en haar vader stond, huiverde hij van ontzetting en bespeurde hij eensklaps wat offer van hem gevergd werd, wat offer hij brengen moest.
»Gruwzaam! Gruwzaam! Ik moet den onschuldige bidden zich schuldig te verklaren, om den schuldige te redden. Ik kan misschien bewijzen dat gij onschuldig zijt, en ik moet zwijgen; door u te redden, klaag ik mijn Vader aan.quot;
»Dus van u scheiden! Dus in den vreemde als balling rond dolen, zonder maag, zonder vriend. ...! spoedig vergeten door allen â misschien ook door u . ..quot;
»Kornelis!quot; nokte zij zacht.
»Ge noemt me je man, en de Schrift zegt, dat de vrouw moeder en vader verlaten moet om haar man te volgen ... Vlucht met mij en ik zegen wat geschied is ...! Ik zal werken, zoo lang ik hoofd en hand gebruiken kan.quot;
»Kornelis, de ongelukkige ginder is schuldig, oud en ellendig; gij zijt jong en hebt een rein geweten. Ik mag hem niet verlaten, zoo lang hij lijdt zoo als nu. Maar, bij den Alwetende en Algoede, van wien de sterren boven onze hoofden getuigen, zweer ik u trouw ! Ik ben maar een zwakke vrouw, Kornelis, verzwaar dus mijn strijd niet! Als gij aanhoudt, dan volg ik, dan verlaat ik mijn ouden, door allen geschuwden vader; dan vertreed ik mijn plicht en vang den zwerftocht met u aan, dan offer ik mijn goeden naam op uit liefde voor u, maar het ware een booze daad!quot;
»Neen, neen! Vergeef mijn zelfzucht. Wij moeten scheiden. God, zegen haar en sterk ons beiden! Hemelsche Vader, maak haallast licht en laat mij haar ééns terug zien?quot; Hij drukte hartstochtelijk een kus op haar lippen en rende toen heen. Een kreet
175
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
ontsnapte haar; zij breidde de armen uit, als om hem nogmaals te omhelzen; zij poogde zijn naam te stameren, maar haar stem stikte in hare tranen. Hij was heen, voor altijd heen; zij had haar grootsten schat verloren; zij had hem in balllingschap gezonden; zij, koud, ongevoelig wezen, had van hem gevergd, wat hij, de fiere man, het moeielijkst geven kon: zijn eerlijken naam. Zoo hij nóg terug keerde, dan zou ze met hem gaan en alles prijs geven.
Maar hij kwam niet terug. Hij had het woord van afscheid uitgesproken en aan verderen tweestrijd een einde gemaakt.
Zij stond als versteend; tranen had zij niet meer, woorden, gedachten evenmin. De koude avondwind speelde met haar lokken, zij merkte het niet; hoefgetrappel had in haar nabijheid op den straatweg geklonken, zij hoorde het niet. Daar sprak een ruwe mansstem haar toe. Het was, of' zij wakker schrikte. Een marechaussee stond voor de heining, die den tuin van den publieken weg afsloot, en vroeg haar wie hier straks geweest was. Het was een strikvraag. De brigadier, die slechts zelden hier in den omtrek kruiste, had in de verte een persoon meenen te zien, en het meisjen, dat daar in de avondlucht stond, zeker omdat ze een onderhoud met iemand gehad had, scheen hem aan te duiden, dat die persoon dezelfde was, dien zij opspoorden.
»Wien zoekt ge?quot; sprak Lize op haar beurt, terwijl zij de hand aan haar hart bracht, als om het bonzen er van tegen te gaan.
»Den moordenaar van Mijnheer Keaal.quot;
»Is die vermoord?quot;
»'t Schijnt je erg te ontstellen, juffer! Ge weet meer dan ge bekennen wilt. Wie is hier geweest?quot;
»Niemant!quot; en zij klappertandde bij het uitspreken van dat woord,
»Gij zijt de dochter uit dit huis? En op het kantoor hier was zekere Kornelis van Ommeren bediende! Die is hier geweest en juist dien zoeken wij.quot;
»Hem, hem? Hij is ver weg... Voor een uur of drie was hij hier.quot;
»Dat zijn versche voetstappen hier in het zand.quot;
»Zoo als ik zeg: van middag te drie uur is hij hier geweest en langs den dorpsweg heen gegaan.quot;
»We zullen juist den anderen kant nemen.quot;
De marechausse's raadpleegden met elkander, waarvan het gevolg was, dat zij, na haar toegeroepen te hebben, dat ze nader van hen hooren zou, in allerijl ien weg insloegen, dien Kornelis was langs geijld.
Lize wist niet of zij goed had gehoord, of zij in de werkelijkheid leefde, of niet alles een bange droom was. Mijnheer Reaal vermoord! Kornelis daarvan beticht! Had dan alles tegen hem.
176
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Srtilingezworen ? Hij zou die daad evenmin gepleegd hebben als die andere, en toch ... hij had reeds eens de hand tegen den vervolger zijner zuster opgeheven, en van middag â in de razernij dei-wanhoop ... Neen, Kornelis kon dat niet gedaan hebben; maar God gave, dat hij mocht ontkomen, want nu werd er jacht op hem gemaakt als op een stuk wild. Haar ontstelde verbeelding tooverde haar het misvormde lichaam van den verslagene voor den geest. Achter gindschen boom loerde de moordenaar en in de toppen der boomen ruischte de wind haar het woord moord van alle zijden toe. Met een kreet van schrik en ontzetting vluchtte zij heen, haar woning binnen, waar de oude dienstbode bij de plotselinge verschijning aan een geest dacht. »Een wandelend lijk, zoo als juffer dien avond leek, had ze nog nooit geziendit was haar indruk geweest, zoo als ze later nog dikwijls vertelde.
XXIV.
Ter zelfder tijd knapte het vuurtjen en straalde het lamplicht vrolijk in de huiskamer van Vrouw Moes. Het was er prettig en gezellig in het anders eenzaam en kil vertrek. Sedert van Ommeren met vrouw en kinderen daar hun intrek hadden genomen, waren alle kamers der bleekerij bewoond en het beste zelfs gebruikt geworden. Vrouw Moes was van gierig spilziek geworden, zei de buurt, maar 't was niet waar. Vrouw Moes was nooit gierig geweest, maar altijd zuinig, en dat kwam haar nu te stade, nu zij het bespaarde met een blijmoedigheid, die de weldaad eerst haar echt gehalte gaf, wegschonk. Vrouw Moes, die zoo haastig oordeelde en daarom zoo dikwijls op haar oordeel terug moest komen, had dit ook ten aanzien van Baas van Ommeren moeten doen. Was die man met «karnemelk in plaats van bloed in de aarenquot; haar antipathie geweest, ze had geen woorden genoeg, om dienzelfden man te prijzen na zijn laatste moedige daad tegenover Mijnheer Reaal. Alleen was ze van oordeel, dat de Baas te zachtzinnig was te werk gegaan en den volbloed-zondaar een les had moeten geven, die hij geestelijk noch lichamelijk ooit had kunnen vergeten. Nu, 't was gebeurd ... maar ze had er wel bij geweest willen zijn, om den Baas een handtjen te helpen.
»Dat doet een mensch nog eens goed, dat er in Gods waereld niet allemaal flauwerts rondloopen. Dat zal je goed doen, Klaar, dat je vader gedurfd heeft. Kom, het hoofd nu naar boven! Je vader was nooit een hachjen, en dat hij nu de hand uit de mouw heeft gestoken, bewijst dat hij veranderd is, en als zoo'n
HAAS VAX OMMEREN'. 12
177
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
man verandert, dan is 't voor goed, hoor je â ik ken mijn volk.quot;
En ze had ditmaal volkomen gelijk. De bleeke Klara, die sedert een paar dagen weêr wat op mocht zitten, schudde wel weemoedig met het hoofd en wantrouwde den glimlach, die op Moeders wang was verschenen bij vrouw Moes' woorden, maar Baas van Ommeren was werkelijk een ander man geworden. Nu hjj de kracht in zich zeiven had gevonden, om de zware boei, die hij jaren lang had getorst, te verbreken, had hij zich waarlijk vrij gemaakt. Zonder dat hij het nu nog vermoedde, was de sfeer, waarin hij de laatste dagen had geademd, de weldadigste geweest voor den groei van wat er in zijn binnenste ontkiemde. Naast Vrouw Moes toch was hij begonnen zich er over te verwonderen, dat hij zich niet eer had losgemaakt, niet eer alle krachten had ingespannen, om langs een anderen weg, dan die der egyptische dienstbaarheid, het brood voor zich en de zijnen te winnen. »Wie A zegt, moet B zeggen en tot Z toe gaan,quot; had Vrouw Moes gezegd, en de Baas had er naar gehandeld. Hij was iederen dag er op uit geweest, en had iederen avond familieraad gehouden, in welken de gastvrouw zich telkens als presidente gelden deed. En eindelijk was hij geslaagd. Met van vreugde stralende oogen â zijn vrouw verklaarde, dat ze hem zelfs op zijn trouwdag niet zoo gezien had â was hij dien middag thuis gekomen.
»Niets los laten voor de heele boel bij mekaar is,quot; had Vrouw Moes gezegd. »Van avond trakteer ik op een extra keteltjen. Chokolaat is er na den dood van Govert zaliger niet in huis geweest, maar van avond komt zij er in; en Klaar moet een kom-metjen meê lepperen en die verliefde Kloris ook â waar zit me de jongen? Ik heb hem den heelen dag niet gezien. Onder ons gezeid en gebleven, als ik een jongen was en zoo'n deern aan den arm had, dan zou ik ook zoo samperloenig wezen, want je moet zeggen, mijn nicht is een preutsch ding, maar een allerliefst bekjen ook.quot;
De laatste woorden moesten als troost gelden voor de ouders over het ditmaal ongewoon lang wegblijven van hun zoon. De ketel met chokolade dampte op de tafel en vijf kommen stonden er om heen geschaard, die, hoewel van het grootste kaliber, nochtans tot den ketel mochten opzien als de kiekens van éen dag tot de van moederweelde trotsche klokhen.
»Baas, jij voor het vuur! Het manvolk is kouelijk van nature,quot; zei ze knipoogend tot Moeder. »Daar zat Govert zaliger ook altijd, en dan liet hij mij maar begaan.quot;
Het had er altijd den schijn van, dat ze hem maar dikwijls aan het haardvuur had neergezet, «om zelve vrij te mogen begaan.quot;
178
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEliEN.
«Moeder, een kooltjen? En jij, jong ding met je bevroren bloed in je lijf, ook iets kneuterigs onder je?quot;
Geen wonder, dat het vrouwelijk personeel niet tot het haardvuur behoefde te naderen, want het haardvuur was tot haar gekomen en gloeide meer onder de voeten dan de haardplaat het onder die van den Baas deed. Van Ommeren, in zoo verre ongelijk aan Govert zaliger, merkte het op en deed daarvan glimlachend blijken, waarop Vrouw Moes, die zich nog nooit door een man-nenverstand had laten vangen, ten andwoord gaf, dat het kooltjen in den stoof niet was om te verwarmen, maar om het zweet te doen opdroogen, dat een dag «hard sjouwensquot; naar buiten had gejaagd. »Maar dat's tot daarentoe,quot; vervolgde zij; »ieder grijpt nu maar naar zijn komnietjen en dan gaat de Baas vertellen. Eerst moet ik de vlegels daar in de keuken in 't humeur houden; je krijgt anders van 't luie volkjen niets gedaan.quot;
Een groote spoelkom werd met het kokende, donkere vocht gevuld, een schep bijna zwarte suiker er in rond gewoeld. Trui kwam op den forschen roep binnen en verdween weder met den dampenden kom en een van vreugde stralend gelaat. Ze had »die bruinigheidquot; nooit geproefd, maar ze wist, dat de Burgemeester zoo iets op Nieuwejaarsmorgen aan de leden van den Raad schonk, als die hem kwamen feliciteeren.
»Nu zal Vadertjen beginnen,quot; zei de welluidende stem van Klara, die ongemerkt van haar stoel was opgerezen en achter de beide vrouwen om, haar vader om den hals was gevallen. Zij had gezien, dat hij in de laatste oogenblikken niets anders had gedaan, dan op den leêgen stoel tegenover hem te staren: de plaats voor Kornelis bestemd.
»Hij zal wel komen, Vader! Over hem hoeft u niet bezorgd te wezen.quot;
»Wat's dat? Stil weggeslopen? Begint het ouwe leventjen weêr? vroeg Vrouw Moes in volle scherts; maar ze kwetste met het laatste woord diep. Klara werd eerst vuurrood en toen marmerwit, en schoof, als een diefegge, beschroomd naar haar stoel terug. De tranen stonden Moeder in de oogen; deze nam de kleine, smalle hand haars kinds in de hare. »Onze goede, brave gastvrouw zei het alleen uit scherts, lief kind!quot;
»En men schertst alleen met wat men zelf niet voor ernstig houdt,quot; voegde de Baas er bij.
»God bewaar me, lief kind, wat denk je wel van me? Ik wou liever die volle ketel kokende chokolaat zoo maar naar binnen gooien, dan je zeer doen. Kom, kom, dat komt van je ziekte: 't is zenuwzwakte. Nog een kommetjen maar en wat hrjlikmaker er bij . .. Hijlikmaker, nou je weet wel! Je weet toch wel wat een hijlik is?quot;
Tegen haar van een huwelijk te spreken! Och, de goede vrouw
179
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
wist niet wat fijnheid, wat een zielewonde was, en hoe die te verbinden. Maar goed was ze, door en door goed.
»U moet er maar niet op letten. Juist, 't is zenuwzwakte. Ik weet toch wel, dat u me niet zeer hebt willen doen,quot; zei Klara met zoo'n lieven blik, dat het Vrouw Moes tot aan de teenen doorging. In zich zelve dacht Klara er echter bij: »Als deze, die zoo goed en lief is, zonder het te willen mij bij het eerste onbewaakte woord mijn verleden herinnert, hoe zal dan de waereld daar buiten wel handelen?quot; en die gedachte deed haar rillen.
Moeder was middelerwijl op den leêgen stoel tegenover haar man gaan zitten, onder voorgeven, dat zij van avond het vuurtjen goed gebruiken kon.
»Nu, dan moet de jongen straks maar naast zijn zus plaats nemen,quot; zei vrouw Moes, die al wéér wat sprak, wat beter gezwegen was. »Hjj blijft al heel lang weg,quot; vervolgde ze, met den moed der wanhoop van iemant, die begrijpt iets verkeerds gezegd te hebben, zonder juist te weten waarom, en wel hoopt wéér alles goed te zullen maken door maar recht op den man af te gaan.
»Hij zal bij zijn patroon veel werk hebben,quot; antwoordde de Baas, om zich heen ziende.
»'t Moet 't laatste werk wezen dat hij voor zoo'n patroon doet. 'k Wou liever, dat de jongen zin had in de bleekerij, en als Lize dan wou ... Maar zoo'n opgespelde kapel... verbeeld je, die aan de kuip!quot; en ze schaterde het uit. »Komt, weest jelui toch ook vrolijk en kijkt me niet zoo zuur! 't Moet alles terecht komen, en nu de Baas heeft wat hij zocht, nu kan de jongen, al wou hij ook, niet hier blijven; hij moet met jelui meé. Vertel nu, Baas! en al de muizenissen gaan in eens weg.quot;
De Baas vertelde, maar niet zoo als hij 't 's middags had kunnen en willen doen: vrolijk en opgewekt. Hij had een huisjen gehuurd, op een kwartier afstands van de hoofdstad, een huisjen met besten moesgrond. Hij zou groenten teelen en die in de stad ter markt brengen. Vrouw en dochter zouden hem helpen.
»'t Zal vroeg dag en laat nacht voor ons wezen, maar met Gods hulp en een gezond lijf zullen we er komen.quot;
»Amen!quot; zei Moeder.
igt;üat's heerlijk! Hier van daan en toch buiten!quot; riep Klara. » Moeder en ik nemen de doperwten voor onze rekening en de spergie-boonen, en als het er af kan, dan een klein, een heel klein plekjen gronds voor een bloembed. Kan dat, Vader, kan dat?quot;
»Hoor me dat tjilpen eens! 't Lijkt wel een vink,quot; zei Vrouw Moes.
Vader knikte haar glimlachend toe; er viel weder een zonne-straaltjen in zijn duisternis.
»En hebben we een ruim uitzicht? En zien we op water en weiland? Toch niet te veel boomen, wel?quot;
180
HET GEZIK VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Neen, waarlijk niet. Hoe zou het anders met je doperwten en je spergieboonen gaan, clijke tuinierster? Maar bloemen zul je hebben; Moeder haar heliotropen en jij je raoschrozen; daar heb ik voor gezorgd.quot;
»En is er een goede kamer voor u en moeder?quot;
»Beneden hebben we er twee en een keuken, en boven nog twee en een zolder.quot;
»Maar, Vadertjen, dat is een paleis! Hoeveel is de huur dan wel ?quot;
»Zes honderd gulden, met den grond.quot;
Moeder en dochter keken elkaar aan, stom van verbazing.
»De eerste drie maanden zijn betaald.quot;
»Maar, vader!quot; klonk het uit beider mond.
»En den knecht, die er vroeger werkte, heb ik ook ingehuurd voor zes gulden in de week.quot;
»Man, heb je je niet in te veel zorgen gestoken? Van onze tien gulden 's weeks konden we niet overhouden, en de winter staat voor de deur.quot;
«Daarom staat er ook weinig meer op den grond dan boerenkool,quot; hernam hij, zich blijkbaar in het verbazen van vrouw en kind vermeiend. Hadden die twee Vrouw Moes maar eens aangezien, dan hadden zij 't raadsel wellicht opgelost gevonden; want die zat maar in zich zelve te lachen en de handen in den schoot te wrijven, alsof zij ze van schier onuitwischbare smetten wou zuiveren.
Het vermoeden, dat er een weldoende fee in het spel was en hoe die heette, kwam het eerst bij Klara op. Plotseling rees ze van haar stoel en nam zij Vrouw Moes' dikke, roode handen en drukte die, terwijl ze fluisterde: »Ge zijt toch een engel, ons van den lieven God gezonden!quot;
»Kind, spreek toch zoo niet! Wat heb je toch in je stem? 't is krek of ik ons orgel hoor als het zacht speelt op goeden Vrijdag. Niet meer van die praatjens!quot; vervolgde ze. »Ik heb het je Vader maar geleend, en intrest moet hij me ook betalen: ik geef nooit iets voor niets, dat moest je al weten.quot;
Vader, Moeder noch Klara lieten zich door die woorden misleiden. Vrouw Moes wilde niet eens bedankt worden; niettemin was elks hart van erkentelijkheid vervuld.
»En de kleuters, die jij zooveel goed hebt gedaan, maken het wel,quot; hernam ze op haar gewonen toon. De loop harer gedachten was te volgen. »De vrouw van dien Holofernes ... hm! hm! nu ja, ik kan van mijn hart geen moordkuil maken â ik meen maar, die vrouw was waarachtig een betere Moeder dan de eigen was. Ja, ja, 't is meer gezien : een vrouw zonder kinderen heeft soms de beste moederschoot. God, ja, als ik.... nu, dat doet er niet toe.quot; Ze stond haastig op, om de kommetjens nog eens te vullen,
181
HET GEZIN VAN BAAS VAX OMMEREN.
maar deed iets wat ze nog zelden had gedaan en anderen niet vergeven zou hebben â ze morste op de tafel.
»Vrouw!quot; zoo riep Trui, die juist nu, en dus ter kwader ure, naar binnen stoof, »heb je den bonk gehoord op de voordeur?quot; De toegesprokene trok de wenkbrauwen saam, maar Trui gaf ditmaal om de bekende teekenen van het naderend onweêr geen zier. In éen adem vertelde ze, dat er een steen, met een papier er omv tegen de voordeur was geworpen, en dat zij, naar buiten geloopen, een zwarte gedaante, wel tien voet hoog, had zien wegvliegen. Het gevondene voorwerp reikte zij over. Op het papier stond van buiten met potlood gekrabbeld: »Aan Baas van Ommeren,quot; en van binnen, bijna onleesbaar: »Vaarwel, Vader, lieve, beste Moeder? Klara, vergeving!quot;
»Er is een ongeluk gebeurd!quot; prevelde van Ommeren. Vrouw-Moes wist ditmaal geen woord te zeggen. Allen zagen elkaar verslagen aan; Klara, de nog zoo zwakke Klara, zeeg achterover in haar kussen.
»Ik ga naar Stufken,quot; zei van Ommeren besloten. »Ik moet alles weten; daar zit een schelmerij achter.quot;
x.Die verdoemde deugniet!quot; bromde Vrouw Moes.
»Een misverstand! Misschien een twist met jufvrouw Stuf ken,quot; zei Moeder. »Kornelis is armer nog dan voor veertien dagen____quot;
»En daarom zou ze hem den bons hebben gegeven? Waarachtig niet! Daartoe ten ik haar te goed; wat je ook van haar zeggen kunt, dat niet! Ze is niet laf; waarachtig, het tegendeel, hoor je!quot;
»Klara, vergeving!quot; las Vader nogmaals. »Hij moet zich schuldig weten of onschuldig veroordeeld... Mijn jongen! Myn eenigen zoon!quot; voegde hij er op een toon bij, die Vrouw Moes, als ze minder ontsteld ware geweest, weêr bij het bewuste orgel zou hebben vergeleken.
«Paardenvolk!quot; schreeuwde Trui, de kamer weêr binnenstormend. »De Schout is er ook, en die vraagt jelui allemaal te spreken, quot;t Heele dorp is op de been!quot;
»Genoeg! Te veel al! Ik kom. Blijft me hier maar wachten,quot; zei ze tot haar gasten, waarna ze het hoofd der gemeentelijke policie tegemoet ijlde, welke magistraat in de twintig jaren van zijn ambtelijke loopbaan nog geen tiende deel van de moeiten en beslommeringen had ondervonden als deze éene dag hem bracht. Van hem hoorde zij in 't kort de vreeselijke geschiedenis. Kor-nelis van Ommeren, reeds beticht van misbruik van vertrouwen, van oneerlijkheid, werd nu verdacht â 't was reeds meer dan een bloot verdenken â Mijnheer Reaal dien namiddag te hebben doodgeschoten. Hij had den verslagene reeds eens met zijns Vaders geweer bedreigd, en dat zelfde geweer was nu in het bosch bi) het lijk gevonden. De misdaad scheen niet alleen uit wraakzucht
182
HF.T GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
geschied te zijn, want het prachtig repetitiehorlogie, dat de ver-slagene altijd bij zich droeg, was niet bij hem gevonden.
Vrouw Moes, die zelden iets akelig vond, had toch van een moord een afgrijzen. In den Nieuwspost â het eenige blad dat onder haar gelijken gelezen werd â had ze soms van zulk een daad gewag vinden gemaakt, 't Was altijd echter ver af gebeurd, maar nu, zoo dicht bij, op het dorp, 't was om te rillen!
»Niemant verwijdere zich,quot; beval de Burgemeester, die ditmaal al de uitgangen liet bezetten, »wij moeten een huiszoeking doen.quot;
);Bij mij? Zoek je bij mij een moordenaar? Schout, denk je dan ... ? 'k Heb dien Reaal nooit mogen lijden, 't was een izegrim van een vent, maar denk je dan, dat ik met een moordenaar in een huis zou willen wezen?quot;
«Maak mij mijn taak niet nog moeielijker dan ze al is,quot; hernam de Burgemeester plechtig. »Ik moet huiszoeking bevelen. De naaste bloedverwanten van den schuldige, ik wil zeggen: van den vermoedelijk schuldige, wonen immers hier?quot;
«Ik wou dat ze op de Mokerhei zaten!quot; bromde Vrouw Moes. tNeen, lieve God! neen, zij kunnen 't niet helpen en ze zijn zoo door en door miserabel. In Gods naam dan, zoekt waar je zoeken wilt, maar niet in Klaartjens kamer.quot;
»Daar juist het eerst,quot; beval de Burgemeester. Vrouw Moes ondervond wat ze nooit had denken te ondervinden: ze was niet meer baas in haar eigen huis.
Een half uur later trad de Burgemeester weêr naar buiten, met een steen en een stuk papier in de hand, dat hij den verpletterden vader uit de hand had gerukt; en toen klonk het: «Brigadier, het spoor is gevonden; de verdachte is hier geweest. Hem van nacht geen rust gelaten! vóór den ochtend moet hij in de boeien zijn!quot;
XXV.
Het was een heerlijke Oktoberdag. De nevelen, die des morgens het uitspansel bedekt hadden, waren weg gevaagd en de zon goot haar gloed op bosch en beemde, welke ze als in een bad van vloeiend goud doopte. De eiken praalden nog in vollen dosch, maar de beuken en iepen toonden reeds menig geelend blad; de sparren groenden, maar de linde- en kastanjeboomen hadden het vroeger zoo rijke lover reeds bijna geheel afgeschud. De kleurschakeering in de Spaarn-wouder bosschen werd er door verhoogd, 't Was, hoe efï'en de hemel
183
HET GEZIN VAX BAAS VAN OMMEREN.
ook ware, hoe rijk het licht ook tintelde op grasspriet en boom-twrjg, of er een grijs-blauwe wadem in den dampkring hing, een wadem, die een toon van liefelijken weemoed over alles heenspreidde. Verrukkelijke herfstdag, die niet alleen tot genieten, maar ook tot heiligen ernst stemt! De natuur gelijkt dan de teringzieke, wier einde nabij is, maar die een schitterend oog en frisschen blos vertoont, vroeger kenteekenen van lust en gezondheid, maar nu de voorboden van een langen, langen winternacht. Een herfstdag! Voor wie slechts hooren wil fluistert er een onbeschrijfelijk zachte stem in het rond. Wie haar verstaat, voelt zich het hart vertederd, voelt aandoeningen oprijzen, die boven het alledaagsche streven verheffen, voelt een smachtend verlangen ontkiemen, dat de zichtbare sfeer niet bevredigen kan.
Gevoelde ook zij, die daar ginder langs de bloemperken langzaam voortschreed, nederig gegroet door wie zich op haar pad bevonden, den invloed van hetgeen haar omgaf? Zij was in diepen rouw gehuld en voor haar gelaat wuifde een dichte, zwarte sluier. Hef dat krip op, treurende weduwe, en blik vrij in het rond! Het gebod der mode behoeft hier niet gehoorzaamd te worden, daar het gemoed hier geene behoefte moet kennen tot afsluiting en afzondering van de buitenwaereld. De stem, die van rondom u toezuist, zal niet in strijd zijn met den weemoed uws harten!
Mevrouw Reaal hoorde niet. Voor haar sprak de natuur geen sylbe; voor haar ruischten slechts de vleugelen der fantazie, die haar beloofden voort te dragen naar een sfeer, waarvan de zichtbare waereld geene afschaduwing kon heten!
Zij was alleen gebleven met haar smart. Kan er ook troost toelichten uit den gouden zonnestraal, kan het getjilp en gefluit in het nog geurende hout, het gonzen en dommelen in de reine lucht tot blijmoedige hope stemmen, daar het de vermoeide gedachte keert van dood en ondergang, â Mevrouw Reaal ontving dien troost, genoot die verheffing niet. Zij kon dat niet; want zich af te sluiten van het leven buiten zich, achtte zij plicht, en wat daarin opofferends mocht schuilen, achtte zij een boete tot verzoening, een middel tot hoogere heiliging.
Jammervolle dagen had ze doorleefd, sedert den geweldigen dood haars gemaals! Betsy alleen, de schrandere Betsy, die Mevrouws woorden ried, nog eer ze gesproken werden, was bij en om haar geweest. Neen, toch was zij de eenige niet geweest. Ook de kinderen, die Moeder en Vader dierven, had ze bij zich geduld. De aanblik der jeugd had haar echter niet blijder, het bewustzijn, dat ze nog gewichtige plichten te vervullen had, haar niet hooger gestemd. Het stameren der jongsten, het gesnap der ouderen had haar geen afleiding kunnen geven, want in haar tegenwoordigheid scheen de jeugd haar aard te verloochenen, was de vrolijkheid in
184
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
bedeesdheid, de speelsche dartelheid in vreeze overgegaan. »Neein ze van mij, ik heb geen lust in dezelve!quot; had ze gefluisterd, en dat woord deed, naar het bleek, het schijnbaar gedoofde leven in de kleinen wéér ontwaken, want kraaiend en stoeiend, speelend en dartelend ging het troepjen met Betsy de trappen af. Wat het zonlicht en de dauwdrup is voor de bloem, is het liefderijk hart voor het kind, en Mevrouw Eeaal had slechts mededoogen, maar geen liefde te bieden.
Geen liefde? O, toen ze, vermast van schrik, naast het lijk haars echtgenoots neerstortte en zich beklaagde hem verloren te hebben vóór ze hem gevonden had, toen scheen ze er niet verre af te zijn de heiligste aandoening van het menschelijk gemoed te kennen, toen trilde er in den toon harer stem iets warms, dat aan het ontstaan van een nieuw leven niet wanhopen deed. Ze had God den Heere willen verzoeken. Ze had in dien oogenblik een wonder van Zijn Almacht willen afbidden, opdat die verstijfde mond nog een enkel woord spreken, dat starre oog nog een enkelen blik op haar vesten mocht! Het hart had toen gesproken, maar latei-hernam het verstand, of wat zij daarmee bedoelde, zijn recht. Daar rukte haar kennis aan met den hoogmoed, het ompantserd geloof met de gehelmde hope. Zij schreide bitter: het was om hém, dien zij het eerst lief had gehad, maar die haar van zich had gestooten; het was om hém, die meer en meer van den rechten weg gedwaald, steeds kronkelende zijpaden had ingeslagen en te midden zijner zonden opontboden, geopenbaard moest worden voor den rechterstoel Christi. Zulk een sterven was een straffe des Gerechten! Soms dook het verre verleden nog eens voor haar op; soms zag zij hem in al zijn mannelijke schoonheid haar de hand bieden, zag zij hem zich tot haar overbuigen, voelde zij den bruigomskus op hare lippen tintelen en was zij gereed, de armen naar dat liefelijk beeld uit te breiden; maar meest stond het gister vóór haar: het lijk, het koude beeld met de wijd geopende oogen, zonder dat er een blik in leefde. Zij had gelijk: zij had veel te vergeven, â een gantsch leven was door hem verwoest; maar indien ze had kunnen bekennen, dat ook zij vergiffenis behoefde, dat ook zij over een men-schenleven de schaduwen des doods had helpen uitspreiden, dan zou ze op hoogeren vrede hebben te hopen dan nu, dan zou ze een paar sporten zijn opgeklommen op den ladder, die zich in de wolken verliest en waar langs de engelen opklimmen en nederdalen.
Afgemeten bleef zij voortgaan. Het was de eerste maal dat zij haar grootsche woning verliet, de eerste maal, dat zij als weduwe naar buiten trad. Mevrouw Nakooper en Freule Dubling waren bij het eerste bericht van het voorgevallene toegesneld. Gene vernam, dat Mevrouw nog niet recipieerde en was vertrokken met het vaste voornemen, om zich nooit weder aan eenig verwijt van dien
185
HET GEZIN VAK BAAS VAN OMMEREN.
aard bloot te stellen. Freule Dubling was echter wel toegelaten: zij had met Constance gebeden, maar toch niet met die kracht, als den Heere bij het richten van zulk een zondaar welbehagelijk moest zijn. Van het Hof had zij een kondoleantiebrief ontvangen. Bij haren bgbel had zij dien nedergelegd, en beiden werden dagelijks ter hand genomen en gaven na herlezing moed en troost. Heden had zij zich voorgenomen de eerste bedevaart te doen naar het graf des verslagenen. Vóór het doen van dien tocht had zij den dokter geraadpleegd, die haar, met een zweem van ironie, had medegedeeld, dat hij dat niet gevaarlijk vond, â door welke gereede toestemming al de argumenten vervielen, die zij bij een weigering, welke zij verwacht had, had willen aanvoeren.
Ze had door tusschenkomst van den Burgemeester, die schier iederen dag zijn opwachting op Spaarnwou was komen maken, van den Gouverneur der Provincie verlof bekomen, om haar gemaal op »de plaatsquot; te doen begraven, en wel op dezelfde plek waar hij gevonden was. Daar zou een monument worden opgericht van zwart met arabesken van wit marmer en daarin gebeitelde vergulde letters, vermeldende de titels van den doode, de dagtee-kening van zijn geboorte en van een toepasselijke bijbeltext, omtrent welken zij nog in het onzekere was. Op dit oogenblik wees de omgewoelde aarde nog maar alleen het graf aan. Toch zou ze, zich daar bevindende, meer onder den invloed van het gebeurde zich kunnen terugdenken, zou ze zich nog beter kunnen verood-moedigen dan onder het gebed van Dominee Stins, die, op haar dringend en herhaald verzoek, bij de open lijkkist, in het bijzijn van al de domestieken, op zijn manier, dat is flauw en waterig, gesproken had.
Ze was den vijver langs gegaan en naderde het bosch, waar een pad zich doorheen kronkelde. Daar stond een oude tuinknecht te schoffelen. Zijn hair was zilverwit, zijn hoofd op de ingevallen borst gezonken; toch lag de blos der gezondheid op het zachtzinnig gelaat en glansden de bruine oogen. Hij nam, even als al de anderen, zijn pet eerbiedig af en had reeds zijn kort, zwart gerookt pijpjen, dat sedert Mijnheers dood als met een tooverslag uit aller vestzakken gekomen was, weggeborgen, toen hij Mevrouw in de verte had zien aankomen. Deze bleef met den gewonen statigen stap voortgaan, zonder hem aan te zien of zijn groet te beand woorden.
»God sterke u!quot; fluisterde hij, en de wind bewoog de sneeuwwitte hairen en deed ze wuiven langs het gerimpelde, door weêr en wind gebruinde en verweerde gelaat.
Mevrouw Reaal stond onwillekeurig stil.
»Ik hoop niet, dat ik Mevrouw affronteer, maar ik heb zoo'n diep medelijden. Ik ging ook in het zwart. Mevrouw! 't Is al
186
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
zeuventien jaar geleden, maar het heugt me nog als de dag van gisteren.quot;
»Men vergeet dat nooit-, goede man!quot; zei Mevrouw met eenig-zins trillende stem.
»'t Was mijn vrouw, mijn goede, trouwe Leentje.quot; Toen ze leefde noemde hij haar altijd Leen, maar na haar dood had hij dat nooit meer van zich kunnen verkrijgen. »'k Was twintig jaar met haar getrouwd, en 't was niet alle dagen mooi weêr geweest, maar ze hielp me er altijd goed door. En als je dan oud bent geworden dan heb je mekaar nog meer noodig en juist toen moest ik haar missen.quot;
«Je denkt dus nog dikwijls aan je vrouw? Dat 's braaf, goede man!quot;
»Ja, dat doe ik. Leentjen is niet vergeten en ik hoop gauw bij haar te wezen. Mevrouw gaat zeker naar het graf? Ik weet niet meer waar mijn Leentje leit, want ze is van de diakenie begraven, maar dat doet er niet toe waar het lijf is weggestopt, dat toch maar stof is. Leentjen, mijn Leentjen, zit nog bij me aan tafel, op haar stoel vlak voor me, en ze pikt nog altijd den grootsten aardappel voor me uit den schotel. .. Toch zal ik blij wezen als ik bij haar kom, en dat zal wel gauw gebeuren.quot;
»Die gelooven haasten niet!quot; zei Mevrouw, terwijl ze hem een /.eeuw in de hand stopte. Zij gevoelde niet den minsten haast om bij haar man te komen en had dus het gevorderd geloof. »De Heei-e zal u niet verlaten in de benauwdheid!quot; voegde zij er bij, waarna zij voortschreed; geroerd, maar ook over zich zeiven te vreden: ze had een goede daad gedaan.
Ze had den ouden man rheumatische pijnen kunnen besparen, als ze hem verlof had gegeven zijn pet op te zetten, terwijl hij met haar sprak. Dat ze dit niet had gedaan verweet hij haar niet, maar dat ze hem dat groote geldstuk had gegeven, juist op dit oogenblik, vond hij . .. ja, hoe zou hij het noemen?. .. niet aangenaam voor zijn gevoel. Hij was maar een arme afgewerkte stumpert, die ook van de diakenie begraven zou moeten worden en dus een zeeuw heel goed gebruiken kon. Als die hem Zaterdags avonds door den nieuwen tuinbaas in de hand was gestopt, dan had hij wel willen neuriën van plezier, maar nu hij met Mevrouw zoo als mensch tot mensch had gesproken, neen, nu had hij het stuk geld maar liever niet gekregen.
Daar lag het graf van Henrick. Te midden van eenige cypressen, die daar reeds geplant waren, zou het monument verrijzen. Zij knielde op den omgewoelden grond, boog het hoofd en vouwde de handen. Zij bad: om genade voor hem, dien zij had willen naderen, maar die haar had verstooten; om kracht voor haar, om steeds krachtiger bevestiging van haar allerheiligst geloof aan de
187
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
borgtochtelijke genade door de zoenverdiensten haais Gods en Zaligmakers.
In haar gebed verzonken had zij den voetstap niet geboord van Dominee Stins, die aan het heerenhuis had vernomen, dat Mevrouwde plaats was ingeslagen, maar met den uitdrukkelijken last, om niemant baar te laten volgen! Die last mocht ieder, behalve hem betreffen, dacht Dominee, die in de goede dagen maar zelden op Spaarnwou was gezien, maar sedert de kwade waren aangebroken meermalen daar ongeroepen was verschenen. En toch. Dominee hield er anders_ wel van, ook in goede dagen op een patricische buitenplaats te verschijnen, want bij al de achtingswaardige eigenschappen van hoofd en hart â een zinrijke onderscheiding, zoo als men in 't jaar '38 nog geloofde â had bij een oog, niet alleen voor grootheid naar God, maar ook naar de waereld. Mijnheel' Reaal scheen dus ook hem geïmponeerd te hebben, zoo als hij 't ieder op het dorp had gedaan.
Zoo als hij daar in eenigzins eerbiedige houding achter de biddende stond, was hij een meer aandachtige beschouwing wei waard. Bij den eersten oogopslag erkennen wij in hem den mar van goede afkomst. De gemakkelijkheid zijner bewegingen, geheel vrij van aanmatiging maar ook van beschroomdheid, bewijst het reeds bij den eersten aanblik. Gewoonlijk draagt hij den preekrok dier dagen, zonder kraag en met éen rij knoopen, een korten laken' broek, aan de knie vastgemaakt door een paar stalen gespjens, zwart zijden kousen en lage schoenen aan den welge-vormden kuit en voet. Op dit oogenblik wordt veel van dat deftig officieel kostuum door een sluitende overjas bedekt, die bijna den enkel raakt. Een driekante hoed siert zijn hoofd; werkelijk, hij siert hem. Al was het gelaat niet schoon, al was het voorhoofd buitengewoon laag, de neus in het midden bijna rechthoekig gebogen, de mond groot, toch maakte het geheel een gunstigen en vooral deftigen indruk. Dominee was bemiddeld, zelfs zeer bemiddeld, wat zijn deftige leefwijze, zijn deftige kennissen, zijn verlangen naar deftigen omgang, en zijn overtuiging van in het dorp eigenlijk nummer éen te zijn, volkomen verklaarde, zoo al niet wettigde. Maar gaf hem dit aanspraak op de meest welwillende gezindheid van de bewoners der buitenplaatsen en de aanzienlijkste ingezetenen, het maakte de klove, die hem van den minderen man scheidde, te wijder. De bedeelden ontzagen hem, maar de kleine burger, die in rang op hen volgden, voedden een bitteren haat jegens den waereldling, die, aan het nietig slijk verslaafd, een afgod maakte van zijn buik, met tollenaren at en dronk en een Christendom predikte zonder kracht of heerlijkheid.
Wat wonder dat de beweging door eenigen, ijverende voor de leer der Dordsche vaderen, begonnen, menigen aanhanger in het
188
HET GEZIN' VAN BAAS VAN OMMEREN.
dorp telde en dat hun aantal gaandeweg toenam. De goede brave man! Hij genoot veel zegen in dit ondermaansche, dat hij maar geen tranendal kon vinden, maar in de laatste tijden had hij toch benauwde dagen gekend, dagen, dat bij inkeerde tot zich zeiven en zich veroodmoedigde voor God, of, van heiligen ijver aangegrepen en overtuigd van de reinheid zijner bedoelingen, van den predikstoel de afgedwaalde schapen van zijn stal, de zoogenaamde Afgescheidenen, hekelde, ja soms geeselde. Toch was hij liberaal, hetgeen in '38 gants iets anders beteekende als heden; liberaal, zoo als men er onder de mannen van het gezach dier dagen bij dozijnen telde; liberaal voor wie dachten zoo als men zelf deed. Dominee Stins was liberaal en toch dreef hij den Burgemeester, die op dit punt wat heel gematigd was, tot strengheid aan, waar 't het uiteenjagen betrof van de onwettige bijeenkomsten der Afgescheidenen, die soms zich op schuiten vereenigden en in het midden van stroom of rivier psalmzongen tot groote ergernis van de dienaren der gerechtigheid, die hulpeloos aan den oever stonden. En diezelfde man, die in zijn drift soms een Spaacsche ketterjager dreigde te worden, nam de partij op van Ds. Spijker, een Amsterdamsch prediker, toen ter tijd herhaaldelijk aangeklaagd van ongeloof en heterodoxie, en schreide bittere tranen bij het verhaal van de verongelijkingen, Mr. I. da Costa aangedaan, wegens diens steile rechtzinnige overtuigingen, overtuigingen, die in zoo menig opzicht met die der door hem vervolgde Afgescheidenen overeen kwamen. Van waar die inkonsequentie? Och, de mensch Stins was goed, was veel beter dan de Dominee. Zonder het te weten en zeker zonder het te willen predikte hij, voor wie hem aandachtig gadesloegen, de kettersche stelling, dat de godsdienst niet van leerstellingen afhangt maar alleen zetelt in de reinheid des harten, en in de liefde tot den naaste.
Nog altijd stond hij achter de biddende. Wel verre van met haar in te stemmen gaf hij blijk van ongeduld, want een tip van zijn overjas werd in de hoogte geheven en in elkaar gefrommeld, wat â het gantsche dorp wist het â van drift, ja van toorn getuigde. Eindelijk rees Mevrouw Eeaal op: hij kuchte. Zij zag verrast om, maar liet blijdschap noch ongenoegen blijken over het niet opvolgen harer bevelen.
»Ik heb u nog te danken, Dominee! voor het gebed, dat ge den laatsten Zondag in de Gemeente voor mij opzondt. Freule Dubling deelde het mij mede,quot; zeide zij afgemeten.
»Ik gevoelde dat ge kracht zoudt behoeven onder deze beproeving.quot;
»Ik hoop altijd er vastelijk overtuigd van te blijven dat de Heer kastijdt die Hij lief heeft. ... Ik bid voor hém. Dominee!quot; zeide zij geroerd, op de versche groeve wijzend.
189
HEÃ GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Hij staat niet meer onder onze wet. Voorbeden voor afgestorvenen hebben de wijze hervormers . ..
»Twisten wij thands niet!quot; hernam Mevrouw, terwijl de hand een afwijzend gebaar maakte.
»Niets is verder van mij,quot; andwoordde Dominee met eenige drift. »Ik kan echter niet prijzen wat ik niet christelijk acht; dat verbiedt mij de ernst van mijn ambt.quot;
»Er zijn velerlei behoeften, niet alle kan Dominee naar het blijkt begrijpen,quot; zei Mevrouw, en de zachte toon, waarop zij die woorden uitbracht, moest de scherpte er van temperen. Naar het Dominee toescheen werden hem de Afgescheidenen, die hêtes noires van zijn bediening, herinnerd. Dat prikkelde hem; hoewel met de beste bedoelingen hier gekomen, voelde hij zich ten strijde opgewekt.
»Is het u eene behoefte,quot; dus vroeg hij, terwijl hij naast haar voortwandelde, »juist op de plaats waar het overschot des ver-scheidenen ligt een gebed te stamelen? Kan de bede niet innig zijn in de binnenkamer, waar slechts Gods oog u ziet? Moet het herdenken van den dierbare, dien ge verloren hebt, zulk een stoffelijke aanleiding hebben. Mevrouw?quot;
»Neen!quot; en ze vestigde een doordringenden blik op den vermetele, die den vinger op de wonde durfde leggen in een oogen-blik als dit. »Maar als ik op gindsche plek het krachtigst de boete gedenk, zou ik dan niet geroepen zijn er te verwijlen, om daardoor te beter te kunnen vergeven?quot;
Wat dieper menschenkennis, wat fijner ontwikkeling, wat degelijker wetenschap, en Dominee Stins zou den sleutel op dat gemoed hebben gevonden! De dwalingen der grove menigte wist hij te bestrijden, die der fijn beschaafden wist hij niet altijd te onderscheiden, veel minder te overwinnen.
»En ge hebt veel te vergeven. Ik begrijp u. Mevrouw!quot; Waarom er niet bij te voegen, als het waar was dat hij haar begreep: maar moet ook ü niet veel vergeven worden? Waarom dat gemoed, steeds nog zoo hoogmoedig en roemende in eigen gerechtigheid, niet van kleinheid en zonde overtuigd? Waarom niet te wonden, ten einde later te kunnen zalven als het kwaad verwijderd was?
»Ik had veel te vergeven!quot; verbeterde zij; »want ik heb vergeven. De straf, die hem werd opgelegd om te midden zijner zonden te worden weggenomen zonder gelegenheid tot bekeering, is zwaar ... verpletterend.quot;
» Sterfbed-bekeeringen zijn meestal leugen-bekeeringen!quot; prevelde Dominee, die geen enkel punt van aanraking met die weduwe meer gevoelde. »Heeft hij dan ten einde toe volhard in hetgeen hij misdeed?quot; vroeg hij luider.
Zij kon de eerste opmerking gehoord hebben, en was dat zoo.
190
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
dan verklaarde dit de bitttere hoogheid van haar andwoord: »Waar de wonde niet wordt getoond zoeke de wondheeler niet.quot;
»Geen nieuwsgierigheid drijft mij, Mevrouw!quot; viel Dominee driftig in, terwijl de hand wöer een tip van den overjas greep en zenuwachtig heen en wéér woelde; »maar alleen belangstelling in een arm, diep rampzalig huisgezin, dat, helaas! in het lot van den overledene zeer is betrokken. Toen ik straks de plaats opkwam zag ik aan de tuiumanswoning timmeren ...quot;
»Niet timmeren, maar afbreken. Die woning wil ik niet meer zien.quot;
»Omdat.... Mevrouw?quot;
«Dominee zal toch wel niet onkundiger zijn dan zijn gantsche gemeente? Zelfs het huis waar het gezin woonde moet mij geen herinnering meer zijn.quot;
»Wordt dan het arme kind, dat zelfs haar goeden naam verloren heeft, niet meer herdacht?quot;
»Dat kind is de oorzaak van al de ellenden mijn huis overkomen. Dat kind brengt een naam op ieders lippen, die den meesten daarvoor te hoog moest zijn,quot; viel Mevrouw in, met meer hartstocht dan zij nog had doen blijken.
quot;»Dat kind is het slachtoffer van een misdadige liefde â maar toch altijd van liefde,quot; hernam Dominee vast.
»Liefde?quot; Zij lel de hand aan het hart. Zou die deerne werkelijk een aandoening hebben opgewekt, die zij nooit had kunnen doen ontstaan? Neen, dat denkbeeld was onverdragelijk. Daarom zei ze scherp: »Verontreinig dien naam niet, Dominee!quot;
»Ik kan geen ander woord bezigen zonder een doode te veroor-deelen. Wat ook het roersel geweest moge zijn, een onschuldige is het slachtoffer geworden eener schuldige daad.quot;
»Een onschuldige? De tijd der Clarisses is voorbij. Dat meisjen is niet onschuldig.quot;
jgt;Hoe nu? Zij is als onder uw oogen opgegroeid: nederig, zachtmoedig, godsdienstig; en ge kunt haar verdenken ... ?quot;
»Zij ontweek het gevaar niet, dat haar dreigde; zij was als zoo velen van haar stand. Wie niet hoog staat kan niet laag vallen, en valt men, dan is 't nog altijd op het dons van den rijkdom.quot;
»Ge dwaalt. Mevrouw! Klara ontweek het gevaar niet, alleen omdat zij 't niet kende. Zij was te onschuldig om het kwaad te kunnen onderscheiden, dat haar van zulk een kant dreigde. De waereld, die haar niet kent, die de omstandigheden niet beoor-deelen kan, mag haar een oogenblik verdenken, maar gij, Mevrouw! moogt dat niet. Ongelukkig kind, en toch weêr zoo gelukkig in het bewustzijn barer onschuld! Ik heb haar bezocht. Zij zat naast baar Vader, die in éen nacht grijs is geworden, naast haar moeder,
191
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
die wel tien jaar verouderde: toch was ze sterk en bemoedigd. Hadt ge daar in mijn plaats mogen staan, ge hadt niet alleen medelijden, maar ook eerbied gevoeld! Ge hadt niet langer veroordeeld, Mevrouw!quot;
»Ge zijt een goed man! Het is uw plicht zoo te spreken. Wat Baas van Ommeren deed was goed gedaan, en om zijnentwil alleen verzoek ik u hem en zijn gezin in 't geheim geldelijk te ondersteunen. Wilt ge u daarmee belasten?quot;
»De ondersteuning door u bedoeld is onnoodig. Mevrouw! Eeeds een ander heeft daarvoor gezorgd. Maar een veel meer afdoende hulp kunt ge bewijzen, en om die te verwerven heb ik de vrijheid genomen mij tot u te wenden. De zoon van van Ommeren is gevlucht. Zoo hij het land nog niet heeft verlaten, dan loopt hij gevaar in de handen van het Gerecht te komen, als beticht van een dubbel misdrijf.quot;
»Niet verder, Dominee! Spreek niet van dien jongen boosdoener, die het teeken van hetgeen hij eenmaal zou worden van kindsbeen af op het voorhoofd droeg.quot;
»Mevrouw!.... Welk bewijs wordt tegen hem aangevoerd? Dat geweer? De Burgemeester zeide me, dat het de laatste dagen vóór het ongeval in het onderhuis uwer woning stond geborgen. In dien tijd was de Baas met zijn gezin reeds van de plaats vertrokken. Bovendien kwam de jonkman nooit aan uw huis en was hij op den bewusten dag al den tijd aan zijn kantoor geweest quot;
»Genoeg. Hij had eens de belachelijke vermetelheid Mijnheer met datzelfde geweer te dreigen. Alles wat vooraf is gegaan en de inborst van dien jongen is mij een bewijs van zijn schuld. Een voorbeeld moet er gesteld worden. Libertinage heerscht er overal. Ongeloof en revolutie ondermijnen den grond waarop wij gaan, dank de hoog geroemde verlichting onzer dagen, waartoe onze Kerk, helaas! niet weinig bijdraagt. Een voorbeeld moet er gesteld worden of het wordt tijd dat wij ten lande uitwijken, wij, die Land en Kerk hebben groot gemaakt. Ik wil niet zijn bloed. Hij is gevlucht, een bewijs te meer van zijn schuld. Laat hem ontsnappen, maallaat hij zich nimmer wéér hier vertoonen.quot;
»Dat vonnis is erger dan een doodvonnis. Uw getuigenis zal voorzeker gevraagd worden; het zal veel vermogend zijn ...quot;
«Ik hoop het. Ge hebt me toch niet willen bewegen een getuigenis af te leggen tegen mijn konscientie ?quot;
»Zeker niet. Mevrouw! Maar een getuigenis kan naar waarheid zijn en toch getint worden door vergevende liefde ..
»Zoo zijt gij, mannen van het nieuwe licht!quot; zeide Mevrouw met eenige verheffing van stem, terwijl een donker rood haar bleeke wangen een oogenblik tintte. »Altijd de vergevende liefde op de lippen, alsof de Heere God ook niet de Alreine is, die geen
192
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
zonde kan zien!quot; Zij wikkelde zich dieper in haar chdle; zij meende den invloed der herfstlucht weêr te gevoelen. »Dit zwak afgetobd lichaam geeft mij een wenk, dien ik niet voorbij mag zien.Dominee, er blijft een klove tusschen mij en u; wij zullen elkaar niet kunnen naderen; toch dank ik u voor uw bezoek.quot;
Zij waren het heerenhuis nabij gekomen, toen zij stil hield. Dominee begreep den wenk en bracht de hand aan den hoed.
»Verre zij het van mij u te oordeelen; maar uwe richting, Mevrouw! ligt in den Booze!quot; zei hij, terwijl zijne lippen beefden van drift.
»Ik acht het geen zonde, maar zelfs plicht u te oordeelen; nochthans hebt gij van mij zulk een vonnis over uwe richting niet gehoord.quot;
't Was voor den driftigen man om alle zelfbeheersching te verliezen; die vrouw scheidde nog met de fierheid der overwinnende.
»Toch blijf ik erkentelijk voor uw bezoek,quot; vervolgde zij, nog eer hij andwoorden kon. »Zoo van Ommeren ooit in geldelijke verlegenheid geraakt, deel het mij dan meê! Alleen in dat geval sta ik toe, dat zjjn naam mij genoemd worde!quot;
»Vergun mij nog éen vraag, Mevrouw!quot; hernam Dominee zich tot kalmte dwingend. »De kinderen, die ge tot u naamt, zult ge die ten uwent doen verblijven? Ik acht het beter...quot;
»Ik begrijp wat ge zeggen wilt en voorkwam uwe wenschen. Ze moeten in hun stand worden groot gebracht, zij het ook onder mijn opzicht. Ik heb reeds een godvruchtig man daarover gesproken en zal die kinderen besteden bij .. . Smallenburg.quot;
Dat was een Afgescheidene, nog wel de ons bekende ouderling der kwezelende gemeente. Dat was te veel; dat was een kinnebaksslag aan Dominee toegebracht. Zonder een enkel woord te spreken groette hij beleefd, zelfs onderdanig en stormde hij de plaats af. Wee den katechizant, dien hij straatschendend tegenkwam! Morrend ging de bedelaar van de pastorie weg, want Dominee handelde dien gantschen dag volgens de voorschriften, die de staathuishoudkunde in die dagen nog slechts aan weinigen in den lande gaf, en onthield den onbekenden proletariërs zijn anders ruime giften.
Dienzelfden avond had er op den huize Spaarnwou eene oefening plaats. Freule Dubling werd er het eerst aangemeld; de meeste families der omliggende buitenplaatsen volgden. Een kweekeling uit een naburig dorp, ervaren in het heilig snarenspel, ging op het huisorgel voor. Allen waren eendrachtig bijeen, psalmzingende en lovende God voor de groote dingen aan hen gedaan en roemende in hunnen Zaligmaker, door wien zij de genadegifte hadden des eeuwigen levens.
193
Er werd gekollekteerd voor de uitbreiding van het Christendom
13
BAAS VAN OMMEREN.
|
194 HET GEZIN VAN onder de Heidenen en menige geestelijk leven der gevers. |
BAAS VAN OMMEREN. ruime gave getuigde van het rijke |
XXVI.
De winter maakte zijn nadering bekend. Het had 's nachts licht gevroren, maar tegen den morgen was de dooi wéér ingevallen en verhief zich dezelfde mist, die reeds den vorigen dag de zon had verduisterd en den dag in een vale schemering had doen ver-keeren. 't Was buiten koud, vinnig koud. Geen voetganger werd op den dijk bespeurd, die den voor twee eeuwen drooggemaakten en thands zoo vruchtbaren polder omzoomde ; geen menschelijk wezen werd bespeurd zelfs in de nabijheid der huizen en boerderijen, die hier en daar aan den voet van den dijk stonden en van achter uitkwamen op de schier onafzienbare weilanden of op de wel afzienbare, maar toch uitgebreide welige moezerijen.
Als het oog zich op een dezer laatste vestte en op éen punt al de kracht der gezichtszenuw vereenigde, dan kon het daar in den grijzen mist een donker voorwerp hebben zien bewegen, en dichter bij een menschelijke gedaante uit het grijze grauw zien opdoemen. Een muts met astrakan omzoomd dekte het hoofd, een blauw baaien boezeroen zijn borst, een dikke bombazijnen broek het overige; klompen met hooi gevuld moesten de voeten warm houden, maar de arbeid moest het voornaamste doen. Toch bleek deze daartoe onmachtig; want telkens werd het werk gestaakt en de armen met kracht over elkaar geslagen, zeker om ze voor verstijving te bewaren. Dit scheen in het ruim, maar wel wat vervallen en verlaten huis, dat naast de moezerij lag waar de man arbeidde, opgemerkt te zijn, want een bleek meisjenskopjen met blonde hairen waagde zich over de onderdeur, en met een zilverhelder stemmetjen werd er geroepen, dat vaderlief binnen moest komen. De spruitjens kon Jan straks wel plukken als hij uit de stad terug kwam.
»Hij doet het me te ruw, Klare! Maar blijf toch niet in de mist staan, het kan je ziek maken. Vraag of Moeder de koffi zet; ik kom dadelijk en kan wel wat warms verdragen.quot;
Na eenige minuten kwam hij binnen, echter niet voor dat hij tegen de klinkerts van het straatjen voor het huis de klompen had afgeschrobd en ontdaan van de vette klei, die er aan kleefde.
»'t Is toch beste grond, waar wat van te halen is. Als ik leef en het voorjaar komt, dan... eet Vrouw Moes eöle erwtjens!quot; mompelde hij, terwijl hij naar binnen trad. De wangen gloeiden, de oogen stonden helder en keken vriendelijk; het hoofd, welks
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN',
dik hair van den mist was doorweekt, stond recht op de schouders en de gang was als van iemant, die weet wat hij wil. 't Was er lekker, daar binnen 1 Een kacbeltjen, dat voor verschillende doeleinden kon dienen, dat warmte verspreidde, dat van boven een «pening had waar de waterketel in sloot, die al heel spoedig raasde, dat op de lange plat breede pijp in al de geneuchten van een fornuis met verscbillende stookgaten voorzag, snorde Vader van Ommeren tegen; niet minder welkom was de vierkante tafel, waarop het bruine vocht dampte.
«Moeder, ik wil er wel wat bij: een stuk roode wijt bij voorbeeld; die morgenlucht maakt graag,quot; zeide hij zich in de blauw roode handen wrijvend. »Maar hoe? Wat scheelt er aan? Ik dacht al van morgen vroeg, dat het niet al te best met je was. En jij ook, Klara?
»Weet je wel van daag ...? Och, manlief, ik ben er niet boos om dat je 't vergeten hebt; je werkt en zwoegt maar als een ander nog slaapt in een leeftijd, dat een ander zijn rust neemt...quot;
Van Ommeren sloeg zich met de hand voor het voorhoofd, terwijl Klara hem om den hals viel.
»Zijn verjaardag!quot; zei hij met gesmoorde stem, en alle opgeruimdheid was van dat straks nog zoo blijmoedig gelaat verdwenen.
Zijn geboortedag! Heden voor vier en twintig jaar was er vreugde in hun huis geweest, had hij zijn eerstgeborene op de beide armen omhoog geheven met een dankbaren blik tot God daarboven, had hij van uit de smaakvol gestoffeerde kraamkamer neer gezien in den tuin, die des zomers een ware bloemhof was, en op den stal waar de bruintjens hinnikten. Zijn geboortedag na vier en twintig jaren vergeten! 't Ging hem als een priem door het hart. »Vrouw, kind! denkt toch niet dat ik hem vergeten ben! Mijn jongen, mijn eenige jongen, dien ik meer liefhad, op wien ik trotscher was dan ik wel liet blijken .. .quot;
»Als u niet alles voor ons deedt, zoodat wij maar stil zitten, dan zoudt u wel de eerste geweest zijn die aan Kornelis gedacht had,quot; zeide Klara troostend.
«Wij hebben het hier warm ... en hij .. .quot; meer kon Moeder riet uitbrengen.
Wie wist waar haar lieveling zwierf, bibberend en verkleumd, hongerend en dorstend, door niemant gekend, door niemant met een enkel woord van genegenheid getroost en gesterkt! Het moederhart dreigde te bersten ...
«Vrouw!quot; fluisterde van Ommeren haar aanziende en haar aan zijn trouwe borst trekkende, » niet dus! Ik weet wat er in je omgaat, maar ik geloof, dat de goede God den beker niet zal doen over-loopen. 't Is of het mij wordt toegeroepen: 'hij is ontkomen; hij Igdt geen gebrek, Zie, toen eens Klaartjen uit ons oog was ver-
195
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
dwenen, toen schreiden wij beiden als een paar kinderen, maar toen onze jongen, beticht van het schandelijkste, ja schijnbaar overtuigd van het laagste, als een dier werd nagezet, toen hielden wij ons goed, niet waar. Vrouw? Weet je hoe dat kwam? Omdat we in de smart, die wij geleden hadden, ons zeiven hadden leeren kennen, en in het diepste diep van ons zeiven daar woont God! Maar dat ik zijn verjaardag vergeten kon, dat vergeef ik mij zeiven niet.quot;
»Engel van een man!quot; nokte zijne vrouw terwijl ze haar tranen droogde. »Wel wist ik dat je goed, maar toch niet dat je zoo groot, zoo edel waart!quot;
»Kom, Vadertjen! aangeschoven en gebruikt wat ik klaar heb gemaakt!quot; en met een triomfantelijken blik schoof zij hem het dampende kommetjen en de dikke snede roode wijt toe.
Het was maar een schamel vertrek. De vloer was van roode bakken, die hier en daar deerlijk gebarsten waren, de muren ruw gepleisterd, de vierkante tafel op het houten zoldertjen, de stoelen met matten zittingen, de groen saaien gordijnen voor het raam, de spijskast waarop eenige pullen stonden, de Friesche hangklok, â alles was jaren lang gebruikt en was er bij het verhuizen niet beter op geworden. En toch dat alles was met het eenvoudig huisraad, dat in Vaders en Moeders en Klaraas slaapvertrek stond, het eenige wat zij hadden overgehouden. Moeder had ten huize van Vrouw Moes stijf en strak volgehouden, dat zij wezenlijk meubels te veel had en er daarom eenige verkoopen wou. Vrouw Moes begreep heel goed, dat het »goeje menschquot; dat alleen maar beweerde, omdat ze wat eigen geld in handen wou hebben, en daar ze vond dat men licht al heel gauw te veel leende en daardoor wat al te verkwistend maakte, had zij er geen enkel woord tegen gezegd. Er was dus boêlhuis gehouden en allen hadden Moeders inzicht geprezen, daar het voorschot van hun vriendin spoedig was opgeteerd na het vooruit betalen van drie maanden huur en het afzonderen van het weekloon van Jan den knecht. Maar hoe schamel het ook daar binnen er uitzag, hoe weinig licht door het venster en door het kozijntjen boven de deur ook naar binnen viel, toch straalde de gloed der gezelligheid reeds op den drempel den bezoeker tegen, toch was er iets nameloos prettigs, iets verheffends en vertederends tevens; want onzichtbaar zweefde de engel der liefde over de groep heen en deed haar wiekslag hooren tot in het tikken der klok en het snorren van den ouden kachel.
't Was of de man, die daar juist binnentrad, dat begreep. Zonder kloppen of tikken had hij den klink der deur opgeheven en was hij naar binnen gestapt; bij de deur was hij echter blijven staan na zijn «goejen morgen samen!quot;
196
â
HET GEZIN VAN BAAS VAX OMMEREN,
»Hein, jij hier!quot; riep Klara uit, naar hem toesnellend en beide zijn handen vattend. »Breng je nieuws van hém?quot;
Alsof ieder den loop van haar gedachten had kunnen volgen, alsof ieder kon weten dat daar binnen in dat huisjen ieders gedachten zich alleen om Kornelis bewogen, was Klara wel eeniger-mate teleurgesteld, toen Hein haar eerst met oogen, die van verrukking flonkerden, en toen vragend bleef aanzien. Eindelijk scheen hij toch te begrijpen wat er bedoeld werd; maar de trek van wrevel, die er zich toen op zijn gelaat vertoonde, was voor haar nog meer teleurstellend.
»Ik kom jelui maar eens opzoeken .... ik moest voor den vrek naar de stad .... en voorbij gaan kon ik niet.quot;
»Dus van Kornelis is erquot;quot;nog niets nieuws ?quot; vroeg van Ommeren.
»Die zal 'em gepoetst hebben, en dat is maar goed ook.quot;
»Maar je begint toch ook niet te gelooven .... ?quot;
»Dat hij de Bank oplichtte....? Wel waarachtig niet. De duiten zijn door dien schelm opgestoken, maar die is de duivel te leep af. Jongens, jongens, het gaat er zoo heet toe op het kan-toortjen! 't Wriemelt er van deurwaarders en advokaten, maar hij is hun allemaal te leep.quot;
»Is de moordenaar al ontdekt?quot;
Hein liep een rilling door het lijf. Hij voelde dat het erg koud was; hij voelde het in zijn brein opkomen en de kilte voortkruipen tot in de holligheid van zijn hart.
»Heb je ook iets warms, Klaartjen-lief?quot; en zijn tanden klapperden.
»Je weet tocli dat ze Kornelis beschuldigen! Niet alleen van moord, maar ook van diefstal van een gouden horologie?quot; zeide Moeder schoorvoetend. »Toen je den laatsten keer hier waart zei je dat het niet waar was, maar we weten nu zeker dat zij 't blijven doen.quot;
»Och kom! Dwaasheid, ouwe wijvenpraat! »Daarom is hg niet gevlucht, waarachtig niet! 't Was om het andere; en in zijn plaats was ik ook heengegaan. Mij kunnen ze niets doen. Ik heb getuigd voor den Notaris wat ik meende te weten, en 't is uitgekomen dat ik het niet wist. Dat kan de beste gebeuren . . . Maar hij is dan toch dood, de dwingeland! Zijn vrouw is verlost en jij bent gewroken, lief kind!quot; En alsof hij alleen was en in zich zeiven sprak ging hij voor zich heen starend voort; »Ja, zij heeft het eerst een mensch in mij gezien, en me niet als een stuk vuil verschopt .... zij heeft een ander mensch van me gemaakt.... ja wel, ik heb den ouden Adam uitgeschud...quot;
Klara had zich eerst verlegen afgekeerd, vervolgens zich gedwongen gevoeld te andwoorden, maar Vader en Moeder knikten haar veelbeteekenend toe. Het was weêr het oude met den armen
197
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
verloopen man, die op éen punt maalde; die zoo welwillend voor ben en zeker voor zich zeiven zeer ellendig was, wat uitwendig reeds zeer goed aan hem te bespeuren was. De oogen toch lagen diep in het hoofd; het hair hing ongekamd verward langs het gelaat, dat grauw wit was geworden en waarvan het vleesch als was afgenepen. Was het met opzet of door overmaat van slordigheid, dat een deel van het verbleekte hair over het voorhoofd hing en daar bijna de borstelige wenkbrauw raakte, wat aan het anders niet domme wezen een uitdrukking van wezenloosheid en tevens van woestheid gaf?
»Hoe gaat het je hier, Klaartjen?quot; vroeg hij, zich eensklaps tot het meisjen wendende. »Niet vet, hè? Met Vader en Moeder hard werken, niet waar?quot; Meteen zag hij in het rond alsof hij het huisraad taxeerde.
»We kunnen en we willen werken, Hein! Wees gedankt voor je belangstelling,quot; zeide van Ommeren eenigzins strak. »Maar om op het onderwerp van straks terug te komen, blijft Stufken Kor-nelis beschuldigen? Durft hij volhouden...?quot;
»Wat durft de schoft niet!quot;
»Als men iemants brood eet dan dient men te zwijgen als men niet prijzen kan,quot; viel Moeder hoog ernstig in.
»Dat moet waar wezen wat je daar zegt, want ik heb 't al dikwijls van me zelf daar binnen gehoord. Ik wil ook niet meer zijn brood eten en daarom kom ik hier. Wil je me in je dienst nemen. Baas? Je knecht kost je zes gulden: geef mij den kost en een daalder in de week. Je knikt van neen? Zeker omdat je denkt dat ik een luiaard ben. Ja, dat hebben ze me altijd gezeid, zoo lang, dat ik zelf begonnen ben het te gelooven en lui te worden. Maar hier wil ik werken als een paard. Hier wil ik met je zorgen zoo als Klaartjen in mijn ellende voor mij gezorgd heeft. Och, neem me. Baas! Ik kan daar niet meer blijven; ik kan niet meer zoo alleen voortsukkelen en daar ginter ben ik heelemaal alleen.....quot;
»En je kinderen dan?quot; vroeg Klara.
»Ze kennen me niet meer, of als ze mij herkennen zijn ze bang voor me sedert ze in dat huis zijn geweest, 't Is of ik in de lucht een vijand heb die overal rondgaat bij klein en groot om me te verderven â en ik ben toch een ander mensch geworden. Neem me uit medelijden, Baas! Hier zal ik rust hebben. Och, spreek voor mij een woordtjen, Klaartjen, zoo als je zoo dikwijls aan de bedsteê van Griet deed.quot;
»Daar houdt een rijtuig stil; 't is voor ons!quot; zei Moeder, die opgestaan was om op' baars mans besluit aangaande Hein geen ongunstigen invloed uit te oefenen.
»Zie eens, kind! is dat niet jufvrouw Stuf ken ?quot;
198
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Het was zoo. Op het hooren van dien naam was Hein naar de deur gegaan. »Zij mag me hier niet zien!quot; riep hij zelfs angstig uit en oogenschijnlijk zijn dringend verzoek van straks vergetende. ïLaat me gaan! Kan ik niet achter uit? Ze mag me niet zien, dat kribbig kraaienjong!quot;
Klara wenkte hem haar te volgen en liet hem door het achterhuis vertrekken.
Lize trad binnen. Ja, waarlijk, zij was het! Maar zoo de groene voile niet opgeslagen ware geweest, dan zou men de nuffige, fiere dochter van Mijnheer Stufken niet herkend hebben. In plaats van het anders zoo rijk en bevallig toilet droeg zij thands een wollen kleedtjen van donkere kleur, tot aan den hals gesloten en zonder eenig versiersel. Zeer gewoon bont dekte haar hals en op den strooien hoed was alleen zoo veel lint gehecht als strikt noodzakelijk was. Alleen de glacé handschoenen verhieven haar boven het meisjen uit den burgerstand, maar ze dagteekenden blijkbaar reeds uit een betrekkelijk ver verleden. Het gezichtjen echter, thands bleek en ernstig, had toch geen van zijn aristrokratiscbe lijnen verloren, evenmin als houding en gang, het teeken van beschaving en opvoeding.
»Ik zie dat ik eindelijk terecht ben. Mag ik een oogenblik binnen komen, Mijnheer?quot; vroeg ze vriendelijk, zelfs nederig.
»Zeker, zeker!quot; zeide Moeder, toen Vader niet dadelijk and-woordde en Klara, zoo als ze bij den aanblik van vreemde men-schen altijd deed, naar den achtergrond week met afgewend gelaat. Toch beschouwde geen van allen Lize met tegenzin. Zij was immers de geliefde van hun verloren lieveling ? Zij scheen even als zij te treuren; misschien wel om z ij n gemis!
»Wij hebben geen anderen stoel!quot; zet van Ommeren zacht, terwijl hij haar een zitplaats aanbood.
»En waarom zoudt ge me ook een andei'en geven?quot; vroeg zij, terwijl ze de oogleden opsloeg en de fluweelen blik als in tranen schemerde. »Ik ben er reeds dankbaar voor, dat ge me ontvangen wilt.quot;
Het ijs was gebroken. Vader kwam nader; Moeder drukte de haar toegestoken hand; Klara waagde een stap dichter bij.
»Waarom zouden we u niet ontvangen? Ik geloof toch dat gemeenschappelijke droefheid tot elkaar brengt.quot; Lize knikte toestemmend; maar eer ze verder ging en de reden van haar bezoek verklaarde, trad zij op de schuchtere Klara toe en nam haar hand in de hare. De vrouw had de vrouw begrepen.
»Wilt ge me een zuster zijn?quot; klonk het vleiend aan Klaraas oor.
»Juffer!....quot;
»Lize, Kornelis' bruid. We hebben op éen dorp geleefd en elkaar niet gekend, maar de droefheid brengt tot elkaar zoo als uw Vader
199
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
zoo juist opmerkte. Je hebt veel op me vooruit: u vervolgt de laster, maar mij...!quot; Zij hield even op, om het trillen harer stem niet te zeer te doen gissen. »Nu, Klara, zuster van Kornelis, wilt ge myn zuster zijn?quot;
»0, God, wat zijt ge toch goed voor mij!quot; juichte het meisjen, terwijl ze Lizes beide handen vatte en haar in vervoering kuste. »Ik zag vroeger altijd tegen u op! En nu komt gij zelf mij vragen of ik wil zijn wat ik wel altijd had willen wezen!quot;
»En nu moet ik u allen een goede tijding brengen. Ik heb een brief van Kornelis, uit Frankrijk: hij is in veiligheid.quot;
»Goddank!quot; klonk het van aller lippen.
Zij ontvouwde den brief. Zij sloeg over wat alleen haar betrof, haar liefde en de mildheid van haar gift in het laatste oogenblik, die veel meer bedroeg dan hij behoefde, om in het land zijner ballingschap niet dadelijk het gebrek ten prooi te zijn. Zij las echter voor wat hij over zijn ontkomen schreef, hoe dikwerf hij gevaar had geloopen om ontdekt te worden en met welk een vreugde hij in België in een spoorwegrijtuig als op de vleugelen van den storm aan zijn vervolgers werd ontvoerd.
»In Frankrijk? Dat land van oproer en geweld, waar niemant zijn taal spreekt, en zonder geld!quot; zeide Moeder.
»Fransch verstaat hij en geld heeft hij ook,quot; hernam Lize.
»Hoe komt hij daaraan?quot; vroeg van Ommeren met ongewone strengheid. Toch niet ... ?quot;
»Man, je denkt toch niet, dat Kornelis...?quot;
Maar eer Moeder den volzin ten einde kon brengen viel Lize in: »Bij het afscheid reikte ik hem wat ik had, wat ik had overgespaard . .. voor ons huishouden. Ik had wel gewenscht dat hij ander geld had ontvangen . .
»Wat uit üw hand komt moet zegen brengen. Hoe is 't mogelijk dat gij de dochter zijt van .. .! Op dien dag was hij bij u, zeidet gij. Wanneer verliet hij u?quot; vroeg van Ommeren, veel ruimer ademhalend dan een oogenblik te voren.
»Te drie uur, om te acht uur terug te komen.quot;
»En om vijf uur werd de moord gepleegd,quot; prevelde hij.
»Hij is aan die misdaad even onschuldig als aan die andere,quot; zeide Lize met kracht. »Toen hij afscheid van mij nam, wist hij evenmin als ik van die daad. Hij is niet daarom gevlucht, maar alleen om .. . dat valsch hypotheek. Het uur van afscheid was bang. Indien ik toen van die andere beschuldiging geweten had, het vaarwel zou mij lichter zijn geweest, want dan had ik hem niet moeten prijsgeven om den wille van mijn ... vader.quot;
»Ik begrijp wat strijd je te strijden hadt, mijn kind,quot; zei van Ommeren.
»Maar ge kunt zijn onschuld zeker bewijzen, niet waar?quot; vroeg
200
HEÃ GEZIN VAN BAAS VAN OMMERENquot;.
Moeder. »Hij ontving dat geld niet. Welnu, bewijs dat, en dan . .
xgt;En dan? vroeg Lize met bevende lippen. »Dan zou de dochter haar eigen Vader overleveren. Bovendien zou hij nu toch niet kunnen terugkeeren.quot;
»Ge hebt wèl gehandeld,quot; hernam van Ommeren. Zijn vrouw kon dat nog niet beamen; de moederliefde is soms zelfzuchtig.
»Dus hij kan niet terugkeeren; dus ik zal hem op aarde niet weerzien! 'k Heb hem niet eens een laatsten kus kunnen geven. Als ik hem nog maar eens in de oogen mocht zien, die lieve, verstandige oogen! O God! mijn beste, brave jongen!quot; jammerde zij. Ze werd weêr zwak, zwak als in het eerste oogenblik toen de slag gevallen was.
»Niet terugzien? 't Is mijn hoop, 't is de eenige band, die mij nog aan het leven hecht!quot; riep Lize. »Indien het niet zoo ware, dan zijt ge beiden gelukkiger dan ik.quot; En ze voegde er bij, toen ze Moeders vragenden blik op zich gevestigd zag: »want ge zijt zooveel ouder.quot;
Klara had zich niet in het gesprek gemengd, waarvan haar echter geen woord ontging. Zij was bezig geweest met Lize het verblijf in dit huis zoo dragelijk mogelijk te maken, door haar stoof van vuur te voorzien en in den rug van den stoel waarop zij zat Vaders kussen te leggen. Zij stond nu stil voor de kleine, smakelooze prenten, die aan de blauwwitte muren hingen en de geschiedenis van den verloren zoon voorstelde, en schonk haar aandacht vooral aan het laatste tafereel van die aandoenlijke gelijkenis, waar de verlorene in de armen zijns vaders is teruggekeerd.
»Ja, Klara, gij hebt gelijk! Gij weeklaagt niet, maar gij gelooft!quot; riep Lize uit.
Er werd kalmer gesproken over 't geen allen te doen stond. Men kon Kornelis nóg niet schrijven, daar hij geen adres had opgegeven. Daarin was men het echter eens, dat hij nimmer door hen zou ervaren, van welke vreeselijke misdaad en laaghartigen roof hij bovendien werd verdacht. De dader zou niet onbekend blijven: de Justitie zou hem weten op te sporen en in dat geval zou hem ten minste dat leed worden bespaard. Veel verlicht en getroost, al was aller horizon even donker gebleven, stapte Lize weder in haar rijtuig, uitgeleid door allen, die den sneeuwstorm niet achtten, welke in het laatste half uur was losgebroken en den namiddag bijna in nacht had doen verkeeren.
»Durft ge in zulk weêr alleen rijden?quot; vroeg Klara.
»Wel zeker, bang zusjen! Gelijkmatig weêr kon ik nooit lijden! Maar ik word daarvoor wel gestraft!quot; riep zij weemoedig glimlachend, terwijl zij haar hoed nog bij tijds vastgreep, daar die anders door den rukwind zou weggeslingerd zijn.
201
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Komt ge spoedig weérom?quot; vroeg Vrouw van Ommeren aan baar oor. »Heel gauw, hoor! Laat ik je mijn dikken omslagdoek halen, kind!quot;
»Niet noodig . .. niet noodig ... Ik ben van binnen en van buiten verwarmd,quot; zei Lize, »inaar in het huis waar ik heenga, is het ijzig koud,quot; voegde zij er fluisterend bij.
Het rijtuig rolde weg. Van Ommeren bleef het een oogenblik nastaren en zag het gedurig op den dijk heen en weêr zweepen bij eiken rukwind. «Moedig kind! Welk een schat had de jongen gevonden en heeft hij verloren!quot;
Het was allen of de nacht was ingevallen, ofschoon het toch niets donkerder was geworden, 't Was of de koude was toegenomen, en toch brandde de kachel even fel. Maar het licht en de warmte keerden terug, toen zij de liefelijke verschijning bespraken en daarbij bedachten, dat ze weder een warm en rein hart hadden gevonden. Neen, zij waren niet verlaten; te midden van sneeuw en ijs bloeiden nog voor hen Alpenrozen, ontloken in de reinste lucht!
Neen, zij waren niet verlaten, hoewel de armoede steeds dichter naar hun drempel schreed. Daar werd weinige dagen later, weder door een vreemde hand, de klink der deur opgelicht; daar stond Evert op den drempel, bedremmeld en verlegen, zoo als hij ziüh op een smirnaasch tapijt gevoelen zou. De goede Evert, wien de wangen bloosden van gezondheid, wiens oog blinken kon van levenslust, wiens lach kon klinken als zuiver metaal, stond daar in een steenen beeld veranderd. Moeder had hem niet gezien, sedert hij op Spaarnwou naar Klaartjen was komen vernemen. Zij had menigmaal aan hem gedacht en daarbij het denkbeeld niet terug kunnen dringen, dat hij niet beter was dan de anderen, dat zijn liefde onder deed voor het vooroordeel, en ze had zich geërgerd, juist omdat ze hem zoo hoog had gesteld. Onrechtvaardig had ze geoordeeld. Evert had nooit van uiterlijk vertoon gehouden; luidruchtige droefheid was hem steeds een gruwel geweest, vriendschap en liefde, van de daken verkondigd, evenzeer. Wat hij geleden had te midden van zijn kameraden wist niemant en zou ook niemant weten. Van alle zijden trof, toen de eerste woede op den dwingeland bekceld was, bet vernederend vonnis zijn lieveling. Niemant viel den waren schuldige meer aan, dien hij wel uit het schitterende equipage had willen scheuren zoo dikwijls dat, door allen nederig gegroet, voorbijreed. Maar hoe heftig en algemeen ook de aanval op Klara ware wier val men eenstemmig aan lichtzinnigheid en eerzucht toeschreef en wier schuld door den rechtvaardigen God aan het geheele gezin werd bezocht, geen enkel oogenblik werd zijn geloof aan haar onschuld geschokt. Hij had eer willen gelooven, dat hij een dronkaard was, dat hij alle avonden in den kroeg het geld zat te verteeren, dat hij sedert maanden in bet linnen zakje onder zijn stroomatras had
202
HET GEZIN VAX BAAS VAN OMMEREN.
bewaard, dan dat Klara uit vrije beweging den grooten Mijnheer zou zijn gevolgd. Niet dat hij durfde hopen, dat de gedachte aan hem haar voor alle verleiding zou hebben gevrijwaard; maar haar eigen rein hart zou haai; beste schild zijn geweest en zou haar alle verleiding hebben doen wederstaan. lederen avond was hij trouw naar haar gaan vernemen aan de bleekerij en was hij, eerst met vreeze, weldra met telkens vaster hope, teruggekeerd, na een dei-dienstboden gesproken te hebben. Lastig wou hij niet zijn en daarom niet binnen komen en Vrouw Moes misschien afhouden van haar liefdewerk. Maar Klara had eens moeten hooren hoe hij zijn beschroomdheid had overwonnen, toen zij met haar ouders vertrokken was; hoe hij toen stout naar binnen was getreden en Vrouw Moes had ondervraagd, haar letterlijk had geëxamineerd, zoodat ze op het punt was boos te worden en reeds een heftig woord op de lippen had. Ze bedacht echter nog ter rechter tijde, dat er een goede reden voor 's jonkmans nieuwsgierigheid kon bestaan, en een gulle lach joeg hem de vlammen op het aangezicht.
Dagen van innerlijken strijd waren voorafgegaan eer hij de reis, die hij thands volbracht had, waagde te ondernemen. Maar nu stond hij op den drempel en was hij besloten den stap te doen, die voor zijn geheele leven beslissend zou zijn.
Daar stond hij. Hij had zich den stap dien hij deed altijd zwaar voorgesteld; maar toch niet zwaar genoeg, zoo als hem thands bleek. Hij had zich op de wandeling wel honderdmaal overhoord ; en de van buiten geleerde woorden waren vergeten toen hij ze noodig had. Gelukkig ! Van Ommeren en zijn vrouw hadden het vertrek verlaten. Hoe en wanneer? dat wist hij niet, want hij had ze niet zien vertrekken; waarom? dat begreep hij. Hij was met Klara alleen, die met de eene hand op den rug van een stoel leunde en het hangend gezichtjen half van hem had afgekeerd.
»Klara!quot; zuisde het zacht. Waarom waren de Baas en zijn vrouw niet gebleven? Hij had ze nu toch maar liever naast haar gezien! Hij had dan zeker beter kunnen spreken. »Je hebt me immers niet heelemaal vergeten?quot; vroeg hij zacht. »Ik ben maar een knecht met zeven gulden in de week.quot;
Klara wendde het hoofdtjen om en zag hem even schuw aan.
»Ben ik ooit grootsch geweest, dan strafte Onze Lieve Heer mij wel,quot; lispelde zij.
«Neen, nooit! Zoo bedoelde ik 't ook niet.quot; Hij waagde een stap nader; nóg een, weder een en hij stond bij den stoel waarop zij nog altijd leunde.
»Klara, zou je mijn vrouw willen worden ?quot; vroeg hij aan haar oor, maar zoo bevend, dat ze de woorden ter nauwernood verstaan kon. Hij schrikte. Hij zei 't zoo plomp in eens en hij had het
203
HET GEZIN VAN BAAS VAX OMMEREN,
juist zoo mooi kunnen zeggen, als hij had kunnen spreken zoo als hij 't voornemens was geweest.
Klara rilde, maar sprak geen woord. Eindelijk keek ze op en bracht ze met moeite uit: »Dat's nobel van je; je verdient de liefste. Evert!quot;
»Dan verdien ik jou, Klara!quot;
»Mij?quot; En zij sprak die woorden met minachting uit. »Je offert je op; maar ik mag dat niet toelaten.quot;
»Ik offer me op? Als ik je man mag worden, ja dan offer ik me op om ... gelukkig te worden ... om ... Ik kan 't niet zeggen, Klara, wat ik voor je voel ... ik dorst het nooit uitbrengen, maar op de katechizatie al .. . weet je 't nog? toen ik de Profeten niet wist op te noemen, zooals ze in 't vraagboekjen stonden en jij ze me influisterdet, toen dacht ik al: dat moet mijn vrouw worden. Maar ik dorst je niet aankijken zoo lang je broêr er was. Och, word niet boos, dat ik zoo over hem spreek ... Maar lief had ik je al jaren en werken wil ik â vijf schoft en meer, als ik je maar krijg.quot;
»Weet je .... weet je dan niet... ?quot; vroeg Klara, maar ze kon 't niet van zich verkrijgen, verder te gaan.
't Hoefde ook niet, want hij viel haastig in: »'k Heb niets te weten dan of je me liefhebt.quot;
»Is 't dan niet uit medelijden dat je hier komt en zoo tot mij spreekt?quot;
ȟit medelijden? En ik kom hier om je een gunst, om je mijn geluk te vragen.quot;
»Evert!quot; en haar stem was klaar geworden en uit haar oogen verdween de wemelende traandrup. »Ãvert, ik mocht je altijd graag zien, ik vroeg me nooit af, waarom? Ik was een dom kind, maar ik ben verstandiger geworden .. .. o God! op een gruwzame wijs! Maar ik begrijp nu eerst, dat een vrouw Moeder en Vader kan verlaten en haar man volgen. Ik weet evenwel niet of je jezelven niet bedriegt. .. Beproef je. Evert, of het wel meer is dan medelijden met de vernederde speelnote.... Laat eenkren tijd verloopen . . .quot;
»En dan?quot;
»Zal ik andwoorden. Evert!quot;
Hoedanig dat andwoord zou zijn, was hem niet twijfelachtig, nu hij haar zacht blauw oog met een blik op zich gevestigd zag, die hem deed trillen.
»Je hebt me al geandwoord!quot; fluisterde hij, terwijl alle bloóheid verdween; want hij vatte beide handtjens en trok Klara naar zich toe en drukte haar een kus op de lippen.
»Bravo!quot; klonk er een stem achter hen. »Zoo heb ik mijn Mietjen ook gevrijd en gekregen, en ik dank er nog Onzen Lieven Heer voor.quot;
204
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Moeder en Vader waren al heel onbescheiden geweest: zij hadden geluisterd.
XXVII.
Op de drukten, welke de ontdekking van het door Stufken gepleegd bedrog voorafgingen en vergezelden, volgde een doodsche stilte. Stufken heette hersteld en zat iederen dag wéér op zijn kantoor, maar met bleeke, ingevallen kaken, terwijl van tijd tot tijd zich een hoog roode vlek onder de oogen vertoonde. Zijn gang was waggelend, maar zijn oogen schitterden meer dan gewoonlijk. Hij sprak weinig tot zijn huisgenoten en schuwde zijn kind, dat ook hem ontweek en slechts het allernoodzakelijkste met hem besprak. Hij bemerkte niet, of scheen niet te bemerken, dat Lize haar kleeding vereenvoudigd en al wat naar weelde zweemde had afgelegd, dat zij zich zelden meer buiten en in het geheel niet meer in het dorp vertoonde. Stil, stil als het graf was het om hem heen, en die stilte was hem onverdragelijk, hoewel hij haar niet durfde verbreken. Toen hij nog te bed lag en te zwak scheen om op te staan, toen de dokter Lize erkende, dat het ergste te vreezen was en daarbij op het voorhoofd wees, had een brief, met een groot lak gesloten, den zieke plotselings de schijnbaar verloren krachten hergeven en den dokter geheel in het ongelijk gesteld. Stuf ken was eensklaps weêr de man van zaken geworden; hij was opgestaan en naar het kantoor gewaggeld. Lize, die achter bet ledekant gezeten was, had zich terug getrokken. Zij kon vermoeden, wat die krachtsinspanning van den kranke veroorzaakte; want ze had in het lak van den brief den stempel van de Land-bouwbank afgedrukt gezien. Er zou rekenschap en verandwoording worden gevraagd en daartoe had haar Vader zeker wel al zijn scherpzinnigheid noodig. Geen oogenblik echter kwam bij haar de gedachte meer op, dat hij van den ingeslagen weg nog terug keeren en, in de engte gedreven, het gepleegde wanbedrijf, zij 't ook uit vrees voor vervolging of niet eervol ontslag, door teruggave der geroofde gelden zou doen vergeten,
Haar vermoeden was allezins juist. Op het kantoor gekomen begon Stufken eerst de grendels der buitendeur en het slot der geldkist te onderzoeken. Alles was in orde. Met bevende vingeren haalde hij den grooten sleutel uit den zak. De slapen van zijn hoofd bonsden, want hij kon hem in het slot niet omdraaien. Zijn zwakte was daarvan echter schuld; na een herhaalde inspanning gelukte het hem toch. Hij lachte; die lach klonk hem zei ven akelig
205
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
toe. Hij opende het deksel der kist en tastte met de bevende vingeren op de zakken met gouden tientjens; liet geluid van het edele metaal verkwikte hem. »Ze zullen er niet aan komen,quot; prevelde hij, en alsof hij vreesde dat er iemant achter hem zou staan, die over zijn schouder heen een greep zou wagen, sloeg hij in dei-haast het deksel dicht, dat langs het voorover gebukte voorhoofd schoof en een deel er van schaafde en ontvelde. De pijn en de warme druppels, die hij langs de wenkbrauwen voelde neersijpelen, deed hein de hand aan het voorhoofd brengen. gt;Dat's een lating: dat zal me goed doen . .. 't Is daar binnen zoo gloeiend warm. Bloed maar, bloed maar!quot; mompelde hij en met iederen droppel, die wegvloot, meende hij verlichting te zullen vinden. Toch verbond hij de wonde, die hem verhinderde te arbeiden.
Een gewichtige arbeid wachtte hem.
Hij zocht zijn kruk op, maar vergiste zich en zette zich neer op die van zijn vroegeren bediende. Hij rilde en glimlachte te gelijk. »Nu, die zal me niet meer in den weg loopen. Zoolang Reaal niet weör opstaat, komt die niet weêrom. Voor hem betalen!quot; en hij schaterde, waarbij hij weêr angstig omzag, daar 't hem voorkwam dat een ander het deed. Eindelijk zat hij op zijn eigen plaats. Er lagen verschillende brieven. Hij beschouwde de adressen, maaide meeste kwamen van kaal geplukte vinken, die zeker een deel hunner veêren terug vorderden. Ongelezen verscheurde hij ze en smeet hij ze in de snippermand.
»Ik wil nu gaan rentenieren,quot; zei hij, voor zich starend op het blad papier, waarop hij nog den laatsten morgen had uitgerekend wat hij bezat, met inbegrip van de laatst buit gemaakte gelden, en wat hij zou kunnen bezitten als hij nog tien jaar rente op rente stapelde.
sNog éen jaartjen als dit en dan doe ik 't,quot; vervolgde hij. »Er is nog plaats in de kist.quot; Daar viel zijn oog op den brief met het groote lak. Hij had dien vergeten : zijn geheugen was nog zoo zwak. Zijn vingeren kromden zich om het papier, dat weldra open voor hem lag. «Rekening en verandwoording! Verregaande verwaarlozing onzer belangen, zoo niet erger! Ontslag! Gerechtelijke vei-volgirg!quot; las hij, en telkens speelde er een glimlach om zijne lippen, terwijl de roode vlekken onder zijn oogen weêr zichtbaar werden. » Wel, wel, worden ze eindelijk wakker! Maar te laat, hoor! Mondtjen dicht!quot; prevelde hij verschrikt. »Nog éen jaar met de wolven in het bosch gehuild . ..! het geld is zoo zoet, zoo erg zoet...!quot;
Zijn toorn, in den aanvang door den strengen toon van dien brief opgewekt, verdween allengs.
«Altijd zacht wezen tegen je superieuren!quot; dus begon hij weêr, en hij nam de pen op, doopte die in den inktkoker, peinsde een oogenblik en lag haar weder neer.
203
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Hij kon niet geregeld denken. Hij dwong er zich toe, bedekte de oogen met de handen, om niets te zien wat hem kon afleiden; 't was te vergeefs; hij üwam niet verder dan tot; »Wel Edel Gestrenge, Hoog Edele Eeeren Superieuren!quot; Het warrelde hem in het hoofd.
Zinsneden als de volgende schreef hij met telkens grooter tus-schenpozen neder: «Verstijfd van schrik ontvinge UE. Gestrenges van den löden,quot; »het monster van den laster,quot; »het gordijn mijner onschuld,quot; «bedroevende oneerlijkheid van een dien ik als een zoon troetelde,quot; »niet alleen een oplichter maar een moordenaar,quot; »alles maar om het lieve geld!quot; »de geldgierigheid de wortel van alle kwaad,quot; »vreeze alevel dat er weinig van UE. Gestrenges geld terecht zal komen,quot; «Notaris lichtvaardig,quot; »de meeste uit de buurt niet te vertrouwen,quot; «eigenlijk dieventroep, ^brigands,quot; «nadere bevelen wachten,quot; «altoos blijven; gehoorzame, onderdanige en tot wederdienst genegen dienaar.quot;
Het ging dien dag niet; misschien zou 't den volgenden beter gaan. Zoo ging het eenige dagen achter elkander, en altijd bleef de brief onbeandwoord. Er verscheen geen enkel klient; toch maakte hij iederen morgen zijn kas op, liet door zijn vingeren de tientjens glijden, waarvan hij maar niet afstappen kon, al had hij zich ook honderd malen gezegd, dat het veel beter was dat geld, even als al het andere, rentegevend uit te zetten. Maar wie en wat was tegenwoordig te vertrouwen? Het eenig menschelijk schepsel dat hij sprak was Hein, en ook Hein vertrouwde hij niet. Hein was ook in die «smerigequot; zaak betrokken, en als hij hem zijn afscheid gaf dan handelde hij voor het oog van de waereld rechtvaardig en tevens in het belang van zijn beurs, want de slungel, die hem zoo brutaal begon aan te zien, deed niets meer en had ook uitgediend.
Weinige dagen na het uitstapjen zijner dochter naar het gezin van van Ommeren, van welk uitstapjen hij niets gewaar was geworden, zat hij 's morgens weêr op de gewone plaats. Als gewoonlijk stak Hein het hoofd door een kier van de buitendeur en vroeg, of er ook wat te zeggen was. Stufken had niet gezien, dat Hein het dien morgen reeds herhaalde malen gedaan en naar binnen had gegluurd, maar weder even behoedzaam als hij gekomen was terug was gegaan. Nu meldde hij zich echter aan.
«Niets te zeggen!quot; grauwde Stuf ken, die weêr in de geldkist grabbelde. «Ja, toch iets!quot; vervolgde hij, het deksel sluitende, den sleutel bij zich stekende en tevens zich achter den lessenaar plaatsend, welke hem van Hein scheidde, die «impertinent familiaarquot; met de beide elbogen er op leunde en hem strak aankeek.
«Wat dan'? Gauw er meê voor den dag!quot; scheen de brutale oogblik hem toe te voegen.
207
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Ik wou je zeggen..Stufken streek met de hand over het voorhoofd. »Kun je schreven? Een brief, dien ik je voor zal zeggen.quot;
»Dank je. 't Is misschien een kwitantie. Begrepen?quot;
»Schelm!quot; schreeuwde Stuf ken, zich aan den lessenaar vastklampend om niet te vallen. Waar was zijn zelfbeheersching? Waar was de goêlijke glimlach, die altijd zichtbaar werd als hij beschimpt werd?
»Schelm?quot; vroeg de ander, het woord uitrekkend en hem nog scherper in de oogen starend. »Wel, Patroon! geef je nu je eigen naam óok al weg? Dat's scheutig, erg scheutig!quot;
»Weg! Ik wil je niet meer zien. Morgen is de week om: dus vijf dagen loon zal ik je geven. Ik zal baas blijven in mijn eigen huis. Tot mijn looper toe in opstand, in vervloekten opstand! Marsch, zeg ik je, marsch 1 mijn deur uit! Denk je, dat ik niet weet, hoe jij en die jongen Steven Iwema en mij een kool hebben gestoofd? Denk je, dat mijn reputatie mij niets waard is? Ik ben geen vagebond .... Word weer wat je geweest bent!quot;
»Neen, dat niet! God dank, dat niet! 'k Heb den ouden Adam uitgeschud; werken wil ik en nog meer!quot; hernam Hein, die bij al die beschuldigingen, hoe grof en gelogen ze ook waren, in plaats van nog toorniger dan hij reeds was, kalmer was geworden. Hij had order het aanhooren wel de vuisten gebald en den afstand gemeten, die hem van het gedrocht tegenover hem scheidde, maar tevens uitgeroepen: »Hein, je bent omgekeerd: toon je veranderd; 't is je tijd nog niet.quot; Wat hij dan ook na de injuries van den patroon deed hooren, verbaasde dezen zóo zeer, dat hij hem met open mond een oogenblik bleef aangapen en toen op een gants anderen toon vroeg; »Wat zeg je?quot;
»Ja, sla maar toe! Geesel me maar! Heb ik het nu niet verdiend, dan toch vroeger. Moet ik hier van daan, dan zal ik gaan, maar de volle week zal ik uitdienen, al betaal je me maar vijf dagen. Ik heb Jufvrouw Lize beloofd nog wat voor haar te doen.quot;
s Heeft mijn dochter...?quot; 't Was of hij zich eerst moest herinneren een dochter te hebben. Een pijnlijke trek kwam op zijn gelaat; de roode plek verdween en maakte plaats voor een doodelijk bleek. »Heeft die gezeid, dat je zoudt blijven? Dan vind ik dat goed... maar in de keuken, niet hier; ik heb je hier niet meer noodig.quot;
»Zeker omdat je den buit al binnen denkt te hebben,quot; mompelde Hein; maar luid voer hij voort: «Jufvrouw Lize heeft me juist gezeid in de nabijheid van het kantoor te doen, wat ik voor haar te doen heb: ik mocht je niet lang alleen laten en van tijd tot tijd eens komen zien.quot;
»Goed, lief kind!quot; prevelde Stufken, die voor het eerst sedert
208
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
weken een gewaarwording van vreugde en een verheffende aandoening gevoelde.
»Ze was bang dat je weêr een beroerte mocht krijgen,quot; zei Hein zoo koud mogelijk onder 't heengaan. »'t Blijft dus afgesproken. Adie!quot;
Een beroerte! Wéér een beroerte! Dus had hij er reeds een gehad . . .! En voor niets was hij banger dan voor zoo iets, dat je in eens weg nam, midden uit je werk, voor je open geldkist misschien, zonder dat je die kon sluiten, er. eens uitrusten en berekenen wat je zoo al hadt verdiend! Ocb, lieve God, hij stond bloot aan een beroerte! Het draaide voor zijn oogen: hij kon niet meer zien: zijn hoofd dreigde te bersten, dat kwam omdat hij »sujet was aan beroerten!quot; Kon hij werkelijk nog zien; nog denken? Dat waren zijn handen, zijn vingers, waar nog een metaalgeur aan kleefde; daar stond zijn kist.. . Als bij hier eens een beroerte kreeg, alleen, en de deur stond open, dan kon hij bestolen worden; daar lag zoo veel baar geld. Als hij dit ten minste meé nam. Maar waar naar toe? Op zijn slaapkamer, waar de meid iederen morgen kwam, en die was in 't geheel niet te vertrouwen? In zijn huiskamer? Daar woonde zijn Lize, dis niets om geld gaf, of 't moest wezen om het dien jongen te geven, dien hij zich zoo goed van den hals had geschoven. Waar dan naar toe? In den tuin die zakken begraven en dan op een stuk papier aanteekenen waar de schat lag, om het niet te vergeten en dan dat papier bij zich dragen, altoos bij zich dragen, tot dat een beroerte . .. Afschuwlijk, dat hij dat woord maar niet vergeten kon, dat het hem in de ooren gondsde . ..! 't Was of hij neer zou slaan. Maar neen : hij zat voor zijn kist; hij wist, dat hij haar opensloot, dat hij de zakjens voor zich zag, daar vlak voor zich .. .
»Baas! baas!quot; riep Hein, het kantoor instuivend, »daar zijn de dienders om je te halen ! Rep je. Jufvrouw Lize zal je wegstoppen ... Daar, neem je sleutel nieê!quot; En toen Stuf ken onmachtig bleek op te staan, hielp hij hem en leidde hem, door de deur, die naar het huis voerde, het kantoor af. Stufken stond in den gang, met den grooten sleutel in zijn hand geklemd, vlak tegen over Tante Moes, wie het scherpe woord, dat ze op de lippen bad, bestierf bij den aanblik van den vrek, die met stoppelend hair en vermagerde gelaatstrekken vror haar stond.
«Dienders!quot; stamerde bij tegen den deurpost leunende.
»Wat prevel je daar? Dat's zeker je kwaad geweten. Je houdt mij toch al-te-met niet voor een diender? Ik heb een appeltjen met je te schillen, man! Volg me naar je huiskamer!quot;
209
De daad bij het woord voegende ging ze hem voor. De dikke voetzool kletterde op het marmer van den gang en de koperen punt der bekende parapluis sloeg de maat bij eiken voetstap. Hoe
â¢14
BAAS VAN' OMMEREN'.
HET GEZIN* VAN BAAS VAX OMMEREN.
zwak klonk daarbij de tred van den heer des huizes, die, nog niet geheel van zijn schrik bekomen en niet in staat het gebeurde geheel te overzien, haar schoorvoetende volgde.
Lize zat volgens de gewoonte der laatste weken in het midden van het vertrek aan de ronde mahoniehouten tafel te werken. De gordijnen waren neergelaten. Vroeger waren ze altijd hoog opgetrokken en zat zij bij voorkeur vlak aan het venster aan een elegant werktafeltjen.
»'t Is of hier een doode aan huis is,quot; zei Tante Moes na de eerste begroeting, die echter verre van hartelijk was.
Lize bleef zwijgen.
»Je bent er ook niet fleuriger op geworden,quot; vervolgde zij, Lizes zeer eenvoudig kleed en bleek gelaat beschouwend.
»U weet misschien niet dat Vader erg ziek is geweest,quot; klonk het and woord.
»Is dat de eenige reden, kind?quot; Toen ze geenerlei andwoord ontving vervolgde ze: »Of ik van die ziekte wist! Al was ik stokdoof geweest, toch had het kleinste kind van het dorp het mij wel toegeschreeuwd. Maar dat's tot daar aan toe. Ik heb gewacht tot je Vader weêr wat op zijn verhaal was om hier te komen . .. maar, gul ge/.eid, de man valt me niet meê.quot;
»Ga toch zitten, Tante-lief!quot; zei Stufken op den zoeten toon waarop hij altijd gewoon was geweest met zijn erftante te spreken, 't Scheen wel te bewijzen dat hij veel beter was dan Tante dacht.
»Neen, dank je! zitten ga ik niet, voor we 't met mekaar eens zijn. Jakob, wat denk je met het geld te doen, dat je arme klerk heet gestolen te hebben ?''
»Wat blief je, Tante? Dat's aardig, dat's héél aardig! Wilt u niets gebruiken? Een glaasjen persiko, Tantelief?quot;
»Je weet wel. dat ik nooit iets bij je gebruikt heb, en God dank! dat ik het niet deed. Ik heb in de laatste jaren zelden me over je drempel gewaagd, want, vat je, ik voelde dat ik er niet hoorde.quot;
Stufken had zijn likeurkeldertjen gekregen, een glaasjen voi geschonken en dat in éen teug geledigd.
»En dat ik nu kom, is waarachtig geen blijk van omkeer in mijn ziel, maar wel een blijk, dat ik me nog herinner, dat mijn goeje Bet je vrouw is geweest. Dat kan zij daar,quot; op Lize wijzende, »getuigen, dat ik mijn Bet niet vergeten ben. Je bent var. mijn familie, al draag je, God dank! mijn naam niet... Ik heb medelijden met dat kind en met haar lief; en al vind ik ook, df.t haar grootschheid een goeden deuk verdient, zij kan 't niet helpen wat hier gebeurd is.quot;
»Tante, ik vermoed wat u hier komt doen. Maar wat ik u bidden mag, zeg later wat u te zeggen hebt.quot; zei Lize die haar een donkeren blik toewierp.
210
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Stufken, die zeker vergeten was dat bij reeds »een glaasjen'' had gehad, vulde een tweede en sloeg het gulzig naar binnen.
fKom me niet meer met die princessenmanieren aan boord!quot; hernam Tante, haar stem sterk uitzettend. »Ik moet nü zeggen wat ik te zeggen heb. Jakob, het kan het laatst wezen dat we elkaar spreken ; ik ben oud en jij bent wrak; je hebt al een waarschuwing van Onzen Lieven Heer gehad; spoedig sta je misschien voor Zijn rechterstoel. Lieg niet: jij hebt dat geld opgestoken waar de jongen op wordt aangezien. Geef het terug, verkoop je boêl en trek hier van daan ... Broodsgebrek zul jij en je kind niet lijden: daar zal ik voor zorgen.quot;
»Tante, we willen uwe aalmoezen niet!quot; zei Lize op vasten toon. »Hoewel geslagen, zijn wij nog niet gebroken. Uw taal is kwetsend voor Vader. Ik mag, ik wil haar niet aanhooren .. . Denkt ge dan, dat Vader . . . ?quot;
»Een dief is? Wis en waarachtig denk ik dat; en ook dat de heler zoo goed is als de steler; vat je?quot;
»U hebt door uw handelwijze jegens ons het recht verloren hier als boetgezante op te treden,quot; hernam Lize met trillende lippen en tranen in haar stem. »Ik wil gelooven, dat ge met een goed doel gekomen zijt, maar zoo als altijd bederft ge uw zaak door overdrijving.quot;
»Heb ik van mijn leven! Waarachtig de toon en de manieren van de tooneelprinces van de laatste kermis, je weet wel, toen jij met je Vader op den eersten rang zat,quot; hernam de onverbiddelijke, die hoe langer hoe meer verbitterd werd, daar zij in het kind van haar Bet een bondgenote had gedacht aan te treffen. Het gerucht had toch gegaan, dat Lize tegen haar Vader was opgestaan en zich van hem had afgekeerd. En nu moest ze juist den grootsten tegenstand van dien kant ondervinden en dat op een wijze, die haar van aanvallende schier verweerende deed worden. »Maar ik heb eigenlijk niets met je te doen: jij bent, vat je, een verwend kind, dat wat minder lekkers en wat meer straf had moeten krijgen. Zoo er een is, dan ben jij gewaarschuwd. Ik heb het je voorspeld wat hier gebeuren zou, maar altijd trotsch er tegen in. Ja, trotsch . ..!quot; of ze echter op het gelaat van Lize iets bespeurde, wat haar op het denkbeeld van het tegendeel bracht, ze hield plotseling op en voelde iets, wat naar een ander gevoel dan verbolgenheid zweemde. Zoo als het kind daar voor haar stond deed ze haar aan haar Betjen denken.
Stuf ken had een derde glaasjen leeg gedronken. De doffe oogen begonnen te glimmen, de bleeke, ingezonken wangen te gloeien. Zijn blik, die dien van Tante eerst schuwde, zocht dien thands op.
»Wat wou je van me? Zeg het nog eens!quot; zei hij. zelfs op een toon van gezach.
211
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Tante zette zich schrap, op haar parapluie geleund, wier punt ditmaal door het dikke vloerkleed heendrong. »Wat ik van je wou? Dat je ééns in je leven een eerlijke daad deedt; niet omdat je dat als christen verplicht bent te doen â zóo ver zal je wel niet komen, maar omdat je op het kantjen van je graf staat. Geef al het geroofde geld weérom. Alles! Voor honger zal ik je bewaren. Doe je 't niet, dan krijg je geen rooden duit van wat ik verdiend heb, hoor je, verdiend.quot;
5gt;Dat weet ik al lang, ellendig vrouwmensch! en mijn liefkind ook, die je niet waai-d bent aan te zien. Lize, geef me een zoen! Je hebt briliant voor me gesproken, en ik dacht nog al dat je boos op me waart.quot;
Hij trad op haar toe, maar Lize scheen het niet te bemerken en keerde zich af. Stufken vatte die beweging verkeerd op en dacht dat zij schreide, schreide om Tantes beleedigende woorden. Dat maakte hem werkelijk woedend: met gebalde vuist trad hij op Tante toe.
»Uit mijn huis!quot; brulde hij. »Kom er nooit weer in, opgeblazen boerin, dikke pad, of zonder een nieuw testament ga je de kist in! Weg, zeg ik je!quot;
Vrouw Moes bleef hem onverschrokken aanstaren en deed geen stap achteruit. Alleen aan het trillen van haar parapluie kon men haar innerlijke woede of vrees bespeuren. Stufken ziedde van toorn. Hij hief de hand op, maar deinsde terug toen Lize zich tusschen hem en Tante inschoof. »Vader!quot; klonk het zacht, maar zoo onbeschrijfelijk smartelijk en daardoor zoo verwijtend, dat hij sidderde.
»Tante, verlaat dit huis des ongeluks, er ligt een vloek op! Begraaf u niet met ons onder het puin!quot; vervolgde zij, terwijl zij haar bij de hand nam en haar den gang door tot aan de buitendeur toe geleidde. Tante liet haar begaan. Verbazing, vrees en toorn kampten in haar binnenste om den voorrang. Het regende: zij merkte het niet en hield haar parapluie opgevouwen in haar hand. Het was guur: het was haar te benauwd onder den doek. Zij verwenschte Stufken, zij verwensohte Lize: maar de laatste verwensching nam zij, na een kwartier gewandeld te hebben, terug.
»Wel verdraaid!quot; mompelde zij, met haar druipende parapluie, die zij als wandelstok was blijven gebruiken, in een der plassen stampend. »Zoo behandeld te wezen en toch ongelijk te hebben! Want, bij mijn ziel, dat heb ik jegens haar!quot;
Lize bleef na Tantes vertrek tegen den deurpost eenige oogen-blikken aanleunen. Daar binnen hooi'de zij haar Vader nog tieren: het was of hij Tantes heengaan niet bemerkt had en hij dat - vrouwmenschquot; nog tegenover zich meende te zien. Zij ijlde naar binnen. Hij liep met driftige schreden heen en wéér, de vuisten gebald, het gelaat gezwollen, de oogen schier bloedrood. Bij haar
212
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
binnentreden scheen de storm eensklaps aan band gelegd; de woeste uitdrukking van het gelaat werd verzacht.
»Je hebt je goed gehouden, beste meid! We willen het geld van dat dolle vrouwmensch niet. We hebben geld genoeg, meer nog dan je wel denkt, kind! Stil leven gaan we; heel plezierig. Hier van daan! niemant moet ons kennen ... en dan gaan we rijtuig houden ...quot; Hij hield op, daartoe genoodzaakt door den strakken blik van zijn kind.
»Wat die vrouw zeide was waarheid. Vader! Ik ben nu met u alleen en mag vrij uitspreken. Wat zij eischt. heb ook ik geëischt â met meer recht evenwel dan zij. U hebt niet naar mij geluisterd. Welnu, thands zult ge 't moeten doen. Ik wil niet meer uw brood eten, want er kleeft roof en bloed aan. Voor het leven, het rampzalig leven, dank ik u niet, maar wel voor de opvoeding die ge mij liet geven. Die opvoeding zal mij in staat stellen in mijn onderhoud te voorzien.quot;
»Mij alleen laten? Zou je ... ?quot;
»Ja, Vader, ik ben vast besloten.quot;
»Dien jongen achterna? Maar dat zul je niet. Je thuis krijgen zoo als die kinkel zijn deern thuis kreeg!quot;
»Vader, er zijn woorden, die zelfs het kind haar vader niet vergeeft! Niet meer, niet verder!quot;
»Maar ik ben hier toch de baas, zou 'k meenen.quot;
«Daarom wil ik hier niet blijven. Laat mij gaan, ik bid er u om. Hier voel ik, dat ik toch niet lang meer zou leven. Hier verga ik van schaamte en schande. Laat me dus gaan, als ge niet van uw geld scheiden kunt.quot;
»Van mijn geld scheiden? Het heeft den timmermansknecht tot een heer gemaakt.quot;
»Neen. het heeft den eerlijken ambachtsman het kostelijkste doen verliezen, wat de minste zelfs nog bezitten kan. Dring niet verdei-, Vader! Ik ben vast besloten; ik wil van hier en ga morgen van u . ..quot;
Stufken had nogmaals een feilen strijd te strijden. Hij moest kiezen tusschen zijn kind en zijn goud, het met zoo veel moeite en opoffering van alle rust bijeengegaarde goud! Hij kon niet kiezen; hij wilde het éen behouden en het ander niet prijs geven. Hij voelde de overspanning, die hem in de laatste oogenblikken zoo veel schijnkracht gegeven had, plaats maken voor afmatting. Hij moest zich haasten een besluit te nemen.
«Fratsen, grillen van een meisjen, dat te veel gelezen heeft! Je blijft hier; al zou ik je ook opsluiten, ik wil niet, dat je van hier gaat.quot; Hij keerde zich om en verliet ijlings de kanier, daar hem eensklaps in de gedachte kwam, hoe hij zijn kantoor verlaten had. Wel had hij nog altijd den sleutel van de geldkist in de
213
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
hand, maar *111) kon zich maar niet herinneren, die gesloten te hebben! »Jakob, hou je kras! Alles komt terecht. Als je je geld maar houdt, laat je alles naar je pijpen dansen!quot; fluisterde hij, den gang doorgaande, zich zeiven toe.
Lize bleef alleen achter in de donkere kamer; zij stond in de pijnlijkste overlegging verdiept. Zij gevoelde zich zoo diep ellendig. Ware het niet om Kornelis, ze zou gaarne de rust in het graf hebben gezocht. Daar trof een schrille kreet haar oor'. Zij rilde; het dofte geluid van iets dat neerplofte volgde; toen was alles stil geworden. Een angstig voorgevoel deed haar naar het kantoor ijlen. Het had haar niet bedrogen. Daar lag haar vader, het schuim op den mond, de hand krampachtig uitgestrekt naar de open geldkist, het gelaat verwrongen. Haar eerste gedachte was, dat haar verzet dat toeval had veroorzaakt, maar de houding van den neergestorte deed dit vreeselijk vermoeden te niet. De vingers van de hand, welke in de kist lag, waren gekromd als hadden zij iets willen grijpen. De kist had open moeten staan, toen hij op zijn kantoor was teruggekeerd; want tusschen zijn heengaan uit de kamer en dien vreeselijken gil lagen slechts eenige sekonden.
Zij riep om hulp, daar zij niet alleen, wat zij eerst maar te vergeefs beproefde, den gevallene kon oprichten. Hein. dien zij het noodigst keurde, was niet te vinden, hoewel de oude dienstbode verklaarde, dat ze hem nog geen tien minuten geleden bij de deur van het kantoor bezig had gezien met poetsen. Wat aet vreemdst was: Hein werd sedert dien dag niet meer gezien, hetgeen echter eerst weken later door Lize werd opgemerkt, daar de bemoeiingen van allerlei aard haar onverdeelde aandacht voor gants andere dingen vorderden.
De dokter zag zeer ernstig toen hij een blik op den bewuste-looze geslagen had. Bij zijn tweede bezoek bleef hij lang, zeer lang zwijgen en blikte toen Lize met een zweem van medelijden aan. De dood zou hier een verlossing zijn en hij weigerde te komen. Het dadelijk levensgevaar was geweken, maar de hersenen waren gekrenkt. Spoedig bleek het, dat de dokter juist had geoordeeld. Stufken ontwaakte uit zijn bewusteloozen toestand, maar herkreeg toch zijn zelfbewustzijn niet: hij was krankzinnig. Mocht hij soms voor een oogenblik helder schijnen, in een volgend gaf hij bewijs van volslagen verbijstering en kon Lize hem in een hoek der kamer vinden met de handen plukkend aan het vloerkleed, in zijn verbeelding bezig met graven en begraven in den grond. Bij wijlen overviel haar een huivering bij den aanblik van dat vervallen, zelfs ingekrompen gelaat, bij het waarnemen van den zwervenden blik dier oogen.
»Neen, arme, ongelukkige Vader, ik zal u niet verlaten!quot; zeide zij snikkend zich over hem heenbuigend en het koude voorhoofd
214
HET GEZINquot; VAN BAAS VAN OMMEREN.
kussend, terwijl hij zoo pijnlijk laebte, dat het haar door merg en been ging. »Misschien.quot; zoo klonk het in haar binnenste. »heeft mijn verzet toch het toeval veroorzaakt en ben ik de schuldige!'' Vurig bad zij God, die gedachte uit haar brein te verbannen en haar kracht te geven, ten einde zich aan de verpleging van den armen rijke te wijden, die in de geheele waereld slechtséene beschermster bezat. Want wie zou zich om Jakob Stuf ken nog bekreunen? Hoe daar buiten over hem gedacht werd, had Tante Moes bewezen. Gelukkig, dat Lize hier niet langer behoefde te wonen en den steun van geen der dorpelingen noodig had. Wat er krachtigs in haar lag had zich van lieverlede ontwikkeld en van onreine bestand-deelen gezuiverd. De halstarrigheid van het bedorven kind was standvastigheid geworden, de luimen en grillen, vroeger het gevolg van een nimmer weerstreefden wil, waren thands onder de heerschappij gebracht van het oordeelend verstand en het zedelijk gevoel. De liefde had vele bloemen in dat hart doen ontkiemen en bloeien; de rampspoed wiedde er vele woekerplanten, die er vroeger tierden, uit.
Haar fierheid zou alle hulp van buiten, alle beklag hebben doen afwijzen, indien haar die ware aangeboden. Dat niemant zich om haar bekommerde smartte haar dus niet. Zij stond alleen met den geslagene, en zij was blijde alleen te staan. Toen de dokter haar na eenige aarzeling bekende, dat de waanzin van haar Vader, in den vorm zoo als die zich bij hem vertoonde, voor ongeneeslijk moest gehouden worden, was haar besluit genomen. Hij scheen dat te gissen en vroeg haar, of het werkelijk haar voornemen was, zich met de verzorging van den zieke te belasten.
»Zeker!quot; klonk het and woord.
»Onmogelijk. Uw jong leven kan beter besteed worden.quot;
»Beter dan aan de verpleging van een vader?quot;
»Ziekelijk gevoel! De Wetenschap alleen kan zulke exemplaren van ons geslacht de zorg verstrekken, die zij behoeven, veel beter dan de kinderliefde. Geen ijveren zonder verstand, daarvoor staat gij te hoog! In een gesticht voor krankzinnigen wordt beter gezorgd, dan gij dat kunt doen. Er kunnen oogenblikken komen van razernij, waarin pogingen tot moord en zelfmoord niet zeldzaam zijn. Kunt gij die beletten, en zoo niet, wie zou dan de oorzaak zijn van eenig ongeluk ? Gij zult er over denken,quot; voer hij zachter voort, »en ge zult mijn raad volgen.quot;
Zij dacht er over na. Zij gevoelde zeer goed, dat haar geen andere band dan die van het medelijden aan haar vader verbond, die zoo velen rampzalig had gemaakt. O, als zij zeker was dat de Wetenschap ditmaal niet dwaalde, nu zij hem voor ongeneeslijk hield, zij zou dat stuk papier kunnen toonen, zij zou een nieuw onderzoek kunnen uitlokken, Kornelis onschuldig doen verklaren ... I Onschuldig? En
215
IIEï GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
dan die moord? En dan, zoo de Wetenschap eens wéér werd gelogenstraft en God weder bewees, dat bij Hem alle dingen mogelijk zijn? Neen, neen, dat bewijs kon nog niet getoond worden. Maaiden ongelukkigen vader zou zij toch bij zich houden, voor hem zou zij werken . .! En haar voornemen was, om zich te voegen bij liet gezin, dat haar hulp, haar troost óok behoefde, en beide op beter gronden dan haar vader inroepen kon. Zou die krankzinnige in dat gezin niet een blijvend verwijt zijn? Zou zijn aanblik niet ieder oogenblik van het leven vergallen ? Neen, zij moest den raad van den dokter niet geheel verwerpen: zij moest nog eens wikken en overwegen.
»Dief, dief!quot; schreeuwde de waanzinnige, die zich voor den grooten spiegel had geplaatst, en daarin zich zeiven zag weerkaatst. Hij greep naar een naastbijstaande stoof, nam die op en wierp haar in het glas, waarop hij weêr lachte en juichte en in de handen klapte bij de woorden: »Ik heb hem geraakt, ik heb hem geraakt.quot;
Lize weifelde niet meer: zij was besloten.
Zij verzocht den Notaris bij zich te komen en deze bracht haar in betrekking met een rechtsgeleerde. Jakob Stufken werd onder kurateele gesteld. Daar bij den dood harer moeder geenerlei verrekening had plaats gehad, mocht Lize aanspraak maken op de helft van hetgeen haar vader bleek te bezitten. Het huis en andere onroerende goederen, benevens de hypotheken werden verkocht. Aan de Bank, die zulk een gevoelig en tot nog toe ongedekt verlies door haren Agent had geleden, werd op zekeren dag het gantsche bedrag ter hand gesteld, namens iemant, die onbekend wenschte te blijven. Het vonnis tegen Kornelis van Ommeren kon evenwel niet vernietigd worden, daar de voortvluchtige bij verstek was veroordeeld en het nog niet bewezen kon worden, dat het wanbedrijf door een ander gepleegd was.
De helft van de bezittingen van Stufken verbleef aan dezen en werd bestemd om hem een plaats in een der beste gestichten te bezorgen. Van de andere helft werd de Bank betaald, terwijl net resteerende aan de diakenie werd ter hand gesteld met de bepaling, dat die som aan haar zou vervallen, indien ze niet binnen tien jaren door hen, die bewezen daarop aanspraak te kunnen maken, werd opgevorderd. De renten evenwel zouden reeds dadelijk door de diakenie genoten en gebruikt kunnen worden.
De Notaris, met wien deze regeling was overlegd en besproken, kon niet nalaten bet moedige meisjen, dat zoo vast besloten hare beschikkingen had medegedeeld, te bewonderen en haar daarvan te doen blijken.
»Wij hebben u allen ongelijk aangedaan. Wij hebben u den hittewagen en het sierlijk huis benijd, en ge waart een vierspan en een buitenplaats, grooter dan Spaarnwou, waard geweest,quot;
216
HET GEZIN VAX BAAS VAX OJIMEREX.
zeide hij; en waarlijk, zijne hulde was niet het gevolg van de erkentelijkheid voor de goed betaalde diensten, die van hem gevorderd waren geworden. Het was een droog, maar een eerlijk man. Maar hoe eerlijk ook, toch had hij Lize pogen te bewegen, een deel van haars vaders vermogen voor zich te behouden, en-wel zóo veel, als zij voor haar eigen onderhoud strikt noodig had.
»Geen overdrijving, lief kind! ook in het goede,quot; betoogde hij.
Zij bleef echter onverzettelijk in haar besluit en behield niets dan wat haar zelve door geschenk of besparing toekwam. Zij had slechts éen verzoek aan hem, en dat was, om geen woord van hetgeen tusschen hen beiden was overlegd en verricht naar buiten te doen uitlekken. »Het zou mij zeer doen, indien ik door het dorp werd geprezen omdat ik eerlijk wil zijn . . . Men zou er toe in staat zijn. Mijnheer, en nog wel denken mij door zulk een lof, die zeker verbazing insloot, te vereeren !quot;
Op een heerlijken Aprilmorgen â de zon koesterde zoo moederlijk de zwellende knoppen; het zoele windtjen streek zoo bevruchtend over beemde en bosch, dat het geel-bruin winterkleed voor de smaragdgroene lente-wade gereed was te verwisselen; de vogels orgelden en kwinkeleerden in het wasemend hout en schenen elkaar te nooden tot den algemeenen hoogtijd, die aanstaande was â op zulk een heerlijken morgen, als het menschenkind een nieuw leven in zich voelt ontwaken, als een gevoel van reine weelde den boezem doorstroomt en de aderen doorgloeit, schreed Lize door huis en hof, dat binnen weinige uren door vreemden zou worden betreden, In gintsch kamertje had zij als kind gespeeld; in dat ledekant meende zij zich haar kranke moeder te herinneren, die de magere hand naar haar had uitgestrekt. Hier op de sofa had zij, van school gekomen, dikwijls zitten peinzen en droomen en onbestemde begeerten voelen opkomen en stof voor gene, bevrediging voor deze gezocht in de beste voortbrengselen van hare tijdgenoten op het gebied der fantazie. Uitliet gintsche venster had zij het hart voelen bonzen bij den eersten schuwen blik op den schuchteren jonkman, en had zij latei-een blik niet hem gewisseld van de innigste verstandhouding. Daar was het kantoor geweest, waar fi ij gezeten had. Met kloppend hart en blozend gelaat ging zij de deur voorbij. Dat vertrek zou zij niet bezoeken; geen weemoedig-aangename, geen verheffende aandoening kon daar worden opgewekt. Liever een laatst vaarwel aan den tuin gebracht! Haar oogen schemerden van tranen, toen zij dien nog eens rondliep. Bij ieder bloembed bleef zij staan, want zij had het aangelegd; bij den kastanjeboom hield zij op, want dien had ze geplant en in zijn schors las ze haar naam, door een teder geliefde hand er in gesneden. Zij zag of ze alleen was en kuste toen die plek. »Het ga u jaren en jaren wel; beschaauvv
217
HET GEZIN VAX BAAS VAN OMMEREN.
met uw takken nog menig gelukkige!quot; nokte zij. Zij hield stil quot;bij den vijver, waar het fiere, ongetemde hart de eerste les had ontvangen, zij wuifde met de hand als ten afscheid. Zij stond op de plek, waar zij hem vaarwel had gekust, en ze zocht er nog naar de indrukselen van zijn voetstap. Het was, of hij daar nog voor haar stond. Ze breidde de armen uit om hem te omhelzen. Xog een blik van hem, nog eens het geluid zijner stem, en ze zou willen heengaan naar hare lieve moeder en deze vragen, of het kind wel even stil en onderworpen had geleden als zij. IJdele wensch ! Hij was verre weg; misschien zou zij hem nimmer weerzien. »Laat mij die hoop nooit ontnomen worden. Vader in den hemel!quot; bad zij innig, en zich met geweld ontscheurend aan de waereld van het verleden, ijlde zij terug naar het huis, waar de oude dienstbode, in haar zondagspak, luid schreiend, haar opwachtte.
»Jongejufvrouw,quot; bracht de oude met moeite uit, »hard ben je nooit voor mij geweest, al kon ik op het lest niet meer zoo vlug voort... Je bent lief opgegroeid. Als kind noemden ze je een bengel, maar nu .. . onze Lieve Heer hoort het me zeggen, een . .
Lize sloot haar den mond met een kus en drukte haar meteen wat in de hand: het was haar eigen bloedkoralen halssnoer met gouden slot. »Tot gedachtenis. .. aan ons beiden; dag, goede, trouwe . .!quot; Ze snelde heen, terwijl de »goede, trouwequot; het bijna uitgierde, daar zij meende, nu haar droefheid niet meer te kunnen en ook niet te mogen temperen. Lize stapte in het wachtende rijtuig en sloot de oogen. Drie uur later was zij aan het doel; de woning van van Ommeren, waar zij door den Baas en diens vrouw met open armen ontvangen werd.
»Vader, Moeder!quot; riep ze uit, »hier hebt ge mij! Uw vreugden zullen mijn vreugden, uw smarten mijn smarten zijn.quot;
»Ge zult ons een dochter wezen in plaats van ons Klaartjen, die door Evert is meê gevoerd. Aan ons hart, lief kind!quot;
Hein keek om het huis heen en snelde, toen hij gewaarwerd wat er bij de voordeur plaats had, bleek als een doode den tuin in.
XXVIII.
Op de vleugelen der fantazie bewegen wij ons voort en doorleven in een oogenblik een zestal jaren. Het is weder lente geworden na een bangen, somberen, strengen winter, waarvan de strengheid vooral in de huizen der armen ondragelijk werd geacht. Zoo was het ook geweest in de woning van van Ommeren. Door
218
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
harden en gestadigen arbeid werd er het stuksken brood verdiend, dat wel voor hongeren behoedde, maar in geenerlei eisdi dei-vroeger gekende welvaart, welke toch reeds voor de van Ommerens zoo bescheiden was, kon doen voorzien. Vooral moest dit het geval zijn met Lize Stufken, die niet alleen welvaart maar zelfs weelde gekend had; en toch was zij de eenige geweest, die nooit den moed had verloren. Baas van Ommeren was oud geworden; toch lag de blos der gezondheid op zijn gelaat. Moeder gebruikte reeds lang een bril en kon door de hulp van dezen de grootste drukletters nog grif Jezen. Het sneeuwwit hair, dat van voren uit het mutsjen te voorschiin kwam, omlijstte bet mager, maar toch nog gezond gelaat, waarover een tint van weemoed lag, zooals de herfstzon kan spreiden over het landschap. O, het kan zielver-tederend en tevens verheffend zijn, de aanblik van een oude van dagen, die den strijd gestreden en onder alle moeite en pijn de liefde behouden heeft; bet is of een engel Gods de lippen aangeraakt en op het voorhoofd den stempel der uitverkorenen heeft gedrukt ! Als moeder haar man, na een dag van moeielijken arbeid, verwelkomde, dan was het of der vermoeide pees de verloren veerkracht hergeven werd ; als ze het Lize deed, na een dag les gevens in de stad, dan lag er in haar blik een hemel en stortte zij de volheid harer liefde op de aangenomen dochter uit. Aangenomen dochter? Neen, Lize was haar eigen kind; en zij wist niet wie zij meer lief had, haar Klaartjen, de gelukkige moeder van een viertal bloeiende kleinen, de vrouw van den aannemer Evert van Vulpen, die sinds twee jaren in de nabuurschap was komen wonen, of haar Lize. Gene had man en kroost, deze had haar alleen. En dan: deze was de lieveling van haar oogappel, den afwezigen dien zjj nog vóór haar dood hoopte weêr te zien. »Maar dan moet hij spoedig terugkeeren!quot; dacht ze dikwijls heel stil; want haar krachten verminderden, en zoo heel lang zou ze God op aarde voor het leven niet meer kunnen danken met al zijn weelden, die zoo veel weeën, en al zijn weeën die zoo veel weelden bevatten.
Lize beandwoordde de liefde, die haar zoo ruimschoots geboden werd. Van het eerste oogenblik dat ze dat huis had betreden, had er het zonnetjen geschenen. Hoe zwaar de druk ook geweest ware, haar blijmoedigheid had zich niet verloochend. Van Ommeren had zijn schrik niet ontveinsd, toen Lize bekende, niets aan te brengen, dan hetgeen er in hoofd en hart school; maar de man erkende spoedig zijn verkeerd oordeel, want zonder dat «zondagskindquot;, zoo als hij Lize weldra noemde, zouden zij niet alles zoo te boven gekomen zijn.
Verplaatsen we ons in het bekende vertrek, vroeger met roede bakken bevloerd en op welks blauw gewitten muur het oog zoo kil afstiet. Welk een verandering! De oude meubels zijn gebleven.
219
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
maar hun ouderdom, hoezeer nog toegenomen, wordt bedekt dooide wonderkunsten van een fijnen smaak en een onuitputtelijk vernuft. Hier is een vaasjen geplaatst met geurige bloemen; de voet verbergt een niet te heelen breuk in het hagelwit servet, dat het hoektaieltjen dekt; ginder prijken eenige snuisterijen, die zoo hoog op de latafel uitkomen, dat zij den barst in den spiegel, die er achter hangt, aan het oog onttrekken. Verder hangt een wollen kleed, onlangs grijs gevervvd â een kleur, die de vlekken het best verbergt â over de klaptafel, die zoo wrak is in blad en poot, en ze schijnt onder haar dekkleed wel een meubel, dat in een nieuwmodischen salon nog goede diensten zou kunnen bewijzen. De vroegere aan een koperen roê geregen gordijntjes zjjn vermaakt en zijn nu hanggordijnen, halverwege opgenomen in een zijden lint, dat in een koperen kram hangt, welke zich achter een juist van pas aangebrachten strik verschuilt. De vloer is met een tapijt bedekt, waarvan de ouderdomsgebreken grootendeels door een karpet van koehair voor iedere kritiek verborgen blijven; in éen woord: het vertrek van den ambachtsman is met luttel kosten, maar door veel schrander beleid, verkeerd in de goede huiskamer van een fatsoenlijk burger, een vertrek, waarin de huisgoden gaarne vertoeven.
Maar wie de tooverfee eerst recht in haar werken wilde bewonderen, trad naar buiten den tuin in. Voor jaren reeds was de ruimte vóór het huis tot aan den voet van den dijk door een paar linde-boomen ingenomen en lag het gedeelte van den grond braak, dat niet door een groote winddeur was bedekt; thands was die plek een bloemtuin, waar zorgvuldig verpleegde stamrozen een bed van gerhaniums omzoomden, en een rhododendrum des zomers de meest verscheiden gekleurde fuchsiaas voor den noordenwind beschutteden. In plaats van den lindeboom plantte Lize een kastanje, die reeds trossen roode bloesems vertoonde en om welks nog tengeren stam een ronde bank was geplaatst, die, naar zij hoopte, nog eenmaal door Vader en Moeder bezeten zal worden als het lover een bladerendak welfde. Ter zijde van het huis ligt de moestuin, en al houdt daar haar gebied ook op en begint dat van den baas en zijn tuinknecht, Hein, toch schijnt zij er ook eenigen invloed geoefend te hebben, want ook daar schijnt het streven merkbaar, om aan het nuttige het aangename te verbinden.
Het is Woensdag middag! Hein is bezig in den tuin te wieden, wat hem ook al niet zoo gemakkelijk meer afgaat als den eersten dag na zijn in-dienst-treden. Zijn rug is gebogen, zijn pet dekt een groenachtige pruik, die vroeger zeker aan een anderen schedel haar koesterende warmte gaf; want zij sluit niet goed om de zijne, en dreigt bij elke windvlaag of lichaamsbeweging te verschuiven. Zijn gelaat heeft de jolige plooi van vroeger geheel verloren; en dat de bruin-gele wang, die hij naar den kant van het huis toe-
220
HET GEZIN VAX BAAS VAN OMMEREN.
keert, zich niet meer ingevallen voordoet kan toegescbreven worden aan de tabakspruim, die aan die zijde tot bet genot van bet oogenblik bijdraagt. Hij zingt, maar bet is niet meer bet lustige vaak scboone lied van vroeger: bet schijnt wel een psalm, dat met weinig toonschakeering, maar met een trillende stem wordt opgedreund.
Daar binnen is bet stil. De Baas en zijn vrouw doen hun middag-dutjen en Lize is naar baar kamer gegaan, waar zij in den zomer den beerlijken Woensdag en Zaturdag namiddag doorbrengt. Dan neemt zij algebeele vrijheid; dan schrijft ze haar dagboek of brieven aan den eenig geliefden, of leest en herleest de van hem ontvangene. Wat netheid, wat sierlijkheid zelfs, niettegenstaande de sobere stoft'eering! In den boek is de bedstede. Tusschen de twee vensters, die het uitzicht geven over de onafzienbare groene weiden, met hare myriaden madeliefjens en boterbloemen en baar honderde loeiende en grazende bewoners, staat het tafeltjen, waaraan zij neerzit met een dik schrijfboek voor zich. Schuins achter baar, tegen den wand, met fijnen witten kalk bestreken, staat een sierlijke commode en daarop een tabakskomfoor. Vreemd voorwerp in dat vertrek! Maar de verwondering maakt plaats voor een gants andere aandoening, indien men vroeger dat voorwerp steeds door Jakob Stufken gebruikt heeft gezien in zijn huiskamer, als bij met zijn eenig kind keuvelde, en men begrijpt dat het hier een aandenken betreft, dat den man, die haar vader was, in zijn beste oogenblikken in herinnering brengt. Aan den anderen kant staat een eenvoudig houten boekenrek, waarvoor groen saaien gordijnen hangen.
Een der vensters staat open. Malsche geuren zweven naar binnen, tegelyk met den gonzenden hommel. Een nieuw leven stroomt baai-te gemoet, en toch blijft het hoofdtjen op de blanke hand geleund en welt er een traan in het zielvol oog, die zwaarder en zwaarder wordt en ten laatste langs de wang neerglijdt. Hier mag ze zijn zoo als ze werkelijk is. Hier is bet heiligdom, waar ze alleen is. met zich zelve, met baar verleden en met haar blieven man.quot; Hier mag ze vrijelijk de vertwijfeling barer ziel uitstorten in droeve klacht en vurige bede; wamp;nt beneden moet zij het anker zijn, waaraan Vader en Moeder zich vasthechten; ginder in de stad de leermees-teresse, die sterk behoort te zijn tegenover de zwakheden, die zij leiden en stevigen moet. De tijd had zijn merk ook op haar vroeger zoo aanvallig gelaat geplaatst; de doorleefde zielestrijd evenzeer; maar wat gene aan friscbheid ontnomen bad, had deze in kracht en waardigheid terug geschonken. Was de teint minder doorzichtig, de blos der wang verdwenen, de vormen minder tenger, het werd meer dan vergoed door de onbeschrijfelijke lieftalligheid en zedelijke waardigheid, welke van het geheele wezen uitging. Wat echter geenerlei verandering had ondergaan, het waren bare lokken, die
221
UF.Ã GF./IX VAX BAAS VAN OMMEREN.
nog altijd in rijke krullen neergolfden en van achter in bedwang werden gehouden alleen door een ronden schildpadden kam.
Gluren wij over den blanken en ge vulden schouder heen, die zijn bevallige vormen gissen laat onder de chemisette, welke thands niet door een nijdigen doek of mantille verborgen wordt, in het opengeslagen boek en doorleven wij met haar eenige oogenblikken van liet verleden.
«Januari 183 9,quot; zoo lezen wij, eerst met onvaste hand, latei-met krachtiger gevormde letters geschreven. sJa, ik zal zijn wensch opvolgen, mijn gedachten opschrijven, mijn leven en dat onzer dierbaren op het papier herdenken, en niet minder hem, die mijn leven, mijn adem is .. . Zoo verre van ons ... ! In Algiers! Dienst genomen by het vreemdenlegioen! Hij, die den vogel zijn vrijheid in de oneindige ruimte, den machtige der aarde zijne onafhankelijkheid benijdde, hij, in het keurslijf der discipline gekneld! Hoe ik met hem heb gevreesd en gewanhoopt te midden dier groote stad, toen het laatste muntstuk was verteerd en hij nergens een plaatsing kon vinden! Wat te doen zoo de gelegenheid tot arbeiden hem eens gesloten bleef? De laaghartigste misdaad is zeker het aanranden van eens anders eigendom â het leven als de parasiet op de plant â maar als de honger drijft, dan strekt de hand zich uit en begaat de zonde, terwijl het hart nog rein blijft. Niet alzoo oordeelt de Wet. Hij weet het, hij, die vluchten moest om anderer schuld. Al was hij in het heetst der verzoeking bezweken, ik zou hem niet hebben veroordeeld; want de diefstal, dien ik verfoei en nooit vergeef, is de roof om den roof, den roof onder de schaduw der Wet: de koopman, die zijn klant bedriegt, de advokaat, die zijn kliënt plundert, de geldschieter die . . . Waar laat mijn bekrompen vrouwenverstand zich al niet mee in! Och. wij menschenkinderen roemen op oorspronkelijkheid en zelfstandigheid, en we zijn niet anders dan kopiisten; wij ontleenen niet alleen ons oordeel van buiten, maar zelfs onze gedachten. Ik ben er het levend bewijs van. De kring, waarin ik leef, wijst mijn gedachten niet alleen haar loop aan, maar doet ze zelfs ontstaan. Ik wou, dat ik het vergeten kon, Kornelis! ik wou dat er éen schakel uit mijn levensketen gebroken werd. Maar dat kan niet, want de eene schalm is er immers om den anderen? Is dat waar, dan zou ook mijn vader. . . :Laat ik dien naam in het dagboek, dat ik nog eens in Kornelis' handen wensch, niet weder neerschrijven!
Hoe gelukkig, dat hij dat Hótel der Invaliden voorbijkwam! Ik kan mij voorstellen, hoe hij zijn ellende bij dat schouwspel vergat. Ik Toelde het hart sneller kloppen, toen ik zijn brief las. Die oude strijders van den grooten Keizer! Maar is er geen groot onderscheid tusschen de soldaten van het fransche leger en die van het vreemdenlegioen? Zijn beschrijving van de kazerne bij zijn
222
HET GEZIN1 VAN BAAS VAN OMMEREN. 223
eerste intrede doet mij dat wel denken. Welk een samenraapsel! Zoo zijn lieve moeder wist, met welk een uitvaagsel haar zoon verkeerde, ik geloof, dat haar vast vertrouwen op beter tijden wel diep geschokt zou worden. Onder dieven en moordenaars te leven en daartoe gedwongen te zijn door...! Ik geloof niet. dat, zoo lang mijn hart klopt, de worm zal ophouden er aan te knagen.
Ik heb zijn ouders â thands ook de mijne â bezocht. Welk een zielevrede over hunne woning! Tante Moes heeft ze geldelijk ondersteund, ofschoon volgens haar gewoonte karig! Ik kan en mag niets geven, want al wat zich in het huis bevindt, waarin ik nu nog woon, beschouw ik als het eigendom eens anderen. Dat hij zijn moeder heeft aangebeden, kan ik mij begrijpen. Toen ik haar zag. toen ik haar hoorde spreken, toen sprong mijn hart in mij op. Dus zou mijn moeder gesproken, dus zou ze mij aangezien hebben! Klara heeft meer van haar moeder dan Kornelis. Dezelfde oogopslag, dezelfde zachte stem! Er ligt iets zoo reins in haar geheele wezen, dat het mij in het eerste oogenblik was, of ik een stralenkrans om haar blond kopjen zou zien glinsteren. Zij is geschapen voor den engen huiselijken kring. Zij moet, dunkt mij, zoo veel liefde kunnen geven en er behoefte aan hebben dat te toonen. In een veel bewogen leven moet zij ondergaan. De zonde moet haar, dunkt me, doen sterven, zoo als mijn lieve moeder door haar gestorven is. Tedere, edele verschijningen, ge zijt als de fijne bloemen, die zoo dikwijls door den killen noorde-wind verschrompelen en vergaan .. .!
Juni 188 9. Hoe ik zijn laatsten brief verslond! Ik las dien in den kring der onzen voor; der onzen: want ik woon nu bij hen. Vader waagde niet op te zien bij de lezing; Moeders blik voelde ik echter op mij rusten. De moederliefde geloofde, nog eer zij gehoord had, alleen goeds. Of Klara alles wel begreep durf ik niet verzekeren. Evert zat naast haar, met wien zij voor een paar maanden is getrouwd. Onder welk een tuchtroede moet Kornelis zich krommen! Ik begrijp dat dit hem tot wanhoop voerde, hem, die de vrijheid het hoogste goed achtte en mij zelfs dwong, in de heerlijke dagen van weleer, de lijster, die ik in de kooi bewaarde, de vrijheid te hergeven. »Een uur te laat in het kamp terug en men wordt als deserteur behandeld!quot; Maar Kornelis erkent toch, dat de orde anders onmogelijk gehandhaafd zou kunnen worden onder zulk een saam geraapte bende, die de wet der zedelijkheid niet gehoorzaamt en alleen door vrees wordt geregeerd. O, indien het kwaad, dat hem omringt, ook eens hém besmette! Weg met die gedachte, zoo vernederend voor hem! De eik raakt met zijn wortels het vuilste slijk en nochtans breidt hij de kruin uit in het gouden zonnelicht.
HET GEZIN VAX BAAS VAN OMMEREN.
Lieve, beste man! laat bet leven u toch niet tot last worden: geloot' dat bet mijne nog zwaarder te torsen is. Ik bad óok een boog gevoel van eigenwaarde en moet tbands voor bet scbatnel stuksken brood werken; ook ik ken en gehoorzaam de strengste tucbt, al wordt mij die niet herinnerd door de afgehouwen hoofden van ongehoorzame en gevonnisde kameraden.
Ik ben naar mijn eerste les geweest. Het beeft moeite gekost de eerste discipel te verkrijgen. Eindelijk is bet mij gelukt door een aanbeveling van Dominee Stins. De goede man! In mijn vrijen tijd zal ik iets voor hem maken. Hij heeft zulk eene behoefte aan erkentelijkheid, zeker omdat ze hem zoo dikwerf wordt onthouden. Toch is bet dwaas naar erkentelijkheid te staan. Zou het niet bet bewijs zijn, dat bet roersel der goede daad niet geheel zuiver is van egoïsme ? Is dat dwaas, nog dwazer ben ik, die zoo weinig van mij zelve begrijp en mij vermeet anderen te oordeelen. Laat ik op mij zelve toezien! Er schuilt zoo veel bitters in mij, dat bet me een genot wordt, mij tegenover mijn naaste te stellen en het schoonschijnend masker af te rukken, dat elk zich voorbindt. En als bet mij gelukte, wat dan? Zou ik het aangenaam vinden te grillen en gruwen van de ezelsooren, de tijgerblikken of de varkenssnuiten, die er zichtbaar werden ?
Mevrouw van Ittersums oudste dochter is mijn leerling sedert twee weken. Het is een schatrijke familie. Mevrouw is gekleed zoo als ik mij de Koningin denk, of liever zoo als we Mevrouw Nakooper wel eens hebben zien uitrijden naar een diner. Zij imponeert evenwel minder dan Mevrouw Reaal. Ik moet bekennen, dat ik op de vloermat van het onderhuis stond te beven bij mijn eerste vizite en dat ik bijna niet wist te andwoorden, toen ik in de zijkamer werd gelaten. Of de korporaal Kornelis bij de eerste exercitie zoo scherp inspekteerde en of bij daarbij ferm uit de oogen dorst bljjven zien ? Het eerste gebeurde mij, maar bet tweede niet; want ik telde de bloemen van bet vloerkleed en kon het juiste getal maar niet vinden.
Vader kwam me op den terugweg tegen. De goede man kon mijn thuiskomst niet afwachten, en toen ik hem ontmoette, toen ... maar dat vertel ik niet; de beste man bederft me. Als hij me beter leert kennen zal het wel anders worden; want ik beu een bedorven kind, niet waar, Kornelis? Al schrijvende word ik blijder gestemd; terwijl ik aan mijn dierbaren afwezige denk,, opent zich een waereld van geluk.
Hoe geheel veranderd is Hein de looper! Altijd in zich zeiven gekeerd, blijft hij aan den arbeid, hij, voor wien ledigheid vroeger het hoogste genot was. Het bevreemdde mij niet weinig hem bier aan buis te ontmoeten. Hij werkt als tuinknecht en is Vader van veel dienst. Onbeschrijfelijk, hoe gedwee hij voor Klara is! Altijd
224
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
volgen zijn oogen haar. Nooit komt er meer een grof woord over zijne lippen. Alleen toen hij Evert voor het eerst bij Klara zag, moet hij den ouden Adam weör vertoond hebben. Hij wilde Evert de deur uitwerpen. Op den dag van het trouwen was hij afwezig! Eerst sedert een paar weken spreekt hij mij toe, zonder mij echter nog aan te zien. Toen ik hier mijn intrek nam, zag ik hem wegvluchten. Ik vroeg niets, ik begreep alles. De keel werd mij als toegenepen .... dat verleden, dat verleden!
Oktober 183 9. Nog geen brief ontvangen! Zijn laatste is reeds twee maanden oud! Ik weet dat gevaren van allerlei aard hem omringen. Indien hij eens gesneuveld ware! O mijn God, houd die gedachte van mij verwijderd, want de arm zou verlammen, het brein verdooven, en beiden behoef ik zoo zeer! In zijn laatsten schreef hij echter, dat hij het land dieper ging intrekken, om den vijand op te zoeken en dat hij er naar verlangde. Wreede, zelfzuchtige man, die zich wenscht te onderscheiden en daarbij niet bedenkt, dat hij het leven eener vrouw op het spel zet; want ik gevoel het, dat alle kracht mij ontbreken zou, indien ik niet meer kon hopen hem terug te zien.
Gister flikkerden de starren aan den hemel na een stormachtigen dag. Menig ongelukkige heft de oogen naar het starrenheir en bewondert de almacht en de liefde van den Schepper, die zoovele millioenen waerelden met haar talloze schepselen in het aanzijn riep. Ik kan in die hulde niet deelen. Al wat leven heeft lijdt en de millioenen waerelden zijn dus met lijden vervuld. God is onbegrijpelijk, maar Hij is de liefde niet!
Is dat de vrucht uwer leering, goede Dominee? Neen, gij gaaft er geen aanleiding toe, al blijken mij nu uwe bewijzen voor de liefde Gods en de hooge roeping van het menschenkind zoo wrak en zoo krank. En als dat eens de eenige bewijzen waren! Gij spraakt van liefde, en mijn levenservaring spreekt dat tegen; gij spraakt van een eeuwig vaderland, en al wat óm en in mij spreekt, getuigt van verandering en vergaan. Wat een begin had, heeft een einde. Heb ik geen begin gekend...? Vragen, altoos vragen en nimmer een andwoord! Ik wil niet meer denken, want het denken vernietigt mij .. .!
Gelukkig, dat Moeder juist op dit oogenblik de gerimpelde hand op mijn hoofd lei en haar zachte stem mij toefluisterde: »Deiik je aan je moeder, Lize? Haar gemis kan niemant je vergoeden, dat is waar. Of,quot; vervolgde ze, toen ze mijn strak gelaat bespeurde, »hebt ge berouw van hetgeen ge straks deedt? Toch vind ik de daad edel en goed ..
225
Lieve Moeder, die mij door God gezonden is om de verlorene te vervangen nu ik haar het meest ontbeerde, U te vinden was toch een liefderijke bestiering van God!
15
BAAS VAN OMMEREN.
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Neen, van die daad heb ik geen berouw. Ik zal het niet licht vergeten, hoe Hein straks naar binnen stoof, luid roepende, dat hg al gravende in een van de bedden der moezerij op een grooten schat had gestooten. Vader, gevolgd door Moeder en mij, snelden naar buiten. Daar wees Hein met een van vreugde stralend gelaat op een zak, half verteerd van vocht, en door een van de vele versleten plekken schitterde ons het goud tegen. Alle gouden tientjens! Ik strekte onwillekeurig de hand uit, maar Hein onderschepte haar haastig en voegde mij op een onbekend ruwen toon toe, dat de schat niet mij behoorde.
»Hij behoort geen van ons allen,quot; voerde ik hem streng te gemoet. »Lees die letters op die zakjens: -T. S. Die zakjens heb ik eens moeten merken. Hein, hoe komt dat geld, dat uit de kist van mijn vader werd gemist, hier?quot;
»Waarom vraag je dat aan mij?quot; vroeg hij dreigend op mij aandringend.
»Ik wil dat geld niet,quot; zeide Vader, het onderzoekend oog nu op mij, dan op Hein vestend.
«Waarom niet. Baas? Ben je dan rijk, Baas? Hebben we dan niet genoeg te doen om iets in de maag te krijgen en heeft Elara dan zooveel als zij?quot; bij welk laatste woord hij op mij wees. »Maar neen, Klara heeft het nu niet meer noodig, want voor haar zorgt immers die sukkel van een Evert?quot;
Vader nam het zakjen op. Ik volgde met eenige vrees zijn bewegingen. Hij woog het goud op de hand ... en er was geen halve gulden in huis! »Oud wezen en armoed lijden...quot; mompelde hij.
tgt;Met vreugde in het hart is veel,quot; vulde Moeder aan.
»Den eigenaar van den grond zou in ieder geval de helft toekomen, altijd ondersteld dat de schat niet iemant anders toekwam .. begon Vader weêr. »Op dat geld ligt misschien een smet, en toch .. .quot; het zakjen liet hij zinken zoodat ik het grijpen kon; ik wierp het in de naastbij zijnde sloot.
Hein brulde eerbt van woede; toen hoorde ik hem klappertanden. Vader zag ik het hoofd van schaamte buigen: alsof hij een kastijding ontvangen had sloop hij weg. Moeder drukte mij de hand en volgde haar man, zoodat ik met Hein alleen overbleef. Ik trad op hem toe: zijne knieën knikten. «Gij hebt dat geld genomen . .. gestolen! Waarom?quot;
»Om . .. haar ...quot; stamerde hij.
»Waarom bracht ge 't haar dan niet?quot;
»Zij heeft immers niets meer van mij noodig: zij heeft immers een man ? dien vervloekten knecht. ..!quot;
Akelig was het zijn gelaat te zien hij dezen uitroep! Zijn tanden knarsten! Maar die uitdrukking veranderde, toen een nieuwe gedachte oprees. In de oogen schemerden toen tranen. Zijn stem
226
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
was gebroken toen hij uitriep: »Och, ik had haar gelukkig willen 2ien, de eenige die mij voor een mensch aanzag toen ik er zelf â aan begon te twijfelen ..
» Zij is gelukkig, Hein ; zoo gelukkig als een vrouw worden kan.quot;
»Met dien wandelenden kruiwagen?quot;
»Stil, hij is een eerlijk man; en al ware hij niet meer, dan nog is hij meer dan gij. Verstaat ge?... Ge zijt dus de oorzaak van den waanzin mijns vaders!quot;
»Ik ben een werktuig Gods. Gestolen geld mag niet gedijen in de hand van den dief.quot;
»Ge hebt er dit oogenblik het bewijs van gezien,quot; hernam ik streng. »Gij, een werktuig Gods!quot;
»Ja, en daar kan ik je meer van vertellen, maar je zult het nooit van me hooren. Armoed lijden ze hier dezen winter en dat's m ij n schuld niet. Maar ik zal de tientjens opvisschen en er den vader van Klaartjen een nieuw wammes voor koopen en voor hem de huur betalen, die al voor drie maanden om was. Waarachtig, ik had nog een beste kunnen worden als zij maar niet heen was gegaan. Waarom deed ik wat ik deed? Voor niets... voor niets! Toch wil ik hier blijven en niet naar Evert gaan, want dan gebeurde er een ongeluk.quot;
«Rampzalige, hadt ge dan het oog durven slaan op...?quot;
»Weet ik het? Ik ben wél een werktuig Gods! Dat's de duivel die zeit dat ik het niet ben. Weg van mij, Satan!quot; schreeuwde hij mij toe, terwijl hij de sloot oversprong en het weiland oprende. Ik vermoedde sinds lang dat de man krankzinnig was; maar ik vrees tevens, dat er in dat hart diepten zijn, die nog door niemant zijn gepeild.
Den geheelen nacht is hij afwezig gebleven; zelfs op dit oogenblik is hij nog niet terug.
Deed ik wel dat geld af te wijzen? Was het niet te hoogmoedig de onverwachte hulp te weigeren, niet alleen voor mij, maar ook voor hen die mij dierbaar zijn? Neen, ik zwoer, het geld, door woeker bijeengegaard, niet te zullen aanraken. Ik zwoer door eigen arbeid mijn brood te zullen verdienen en ik wil dien eed houden. Eerlijke arbeid, zij het ook de afmattendste, verheft en versterkt.
Met meer moed ga ik morgen weêr het Danaïdenvat vullen; het verwende en vertroetelde kind van Mama van Ittersum onderwijzen, die mij gelijk blijft stellen met hare dienstboden en mij verbiedt het welig onkruid in het hart harer lievelinge te wieden; zeker om het genoegen te hebben, in een kwade luim, mij het bestaan van dat onkruid te verwijten!
Augustus 1840. Zeker ondervond geen postbode een blijder onthaal dan de onze, toen hij den laatsten brief van hém bracht. Zoo als wij allen vermoedden was het te velde trekken van het
227
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
bataillon, waartoe hij behoorde, de oorzaak van zijn stilzwijgen. Kornelis reeds tweemaal in het vuur! »Ik was bang, Lize!' dus. schrijft hij, »toen de gelederen zich aansloten in het gezicht van den woedenden vijand, die drie maal sterker dan wij op ons aanstormde. Ik rilde en miste bijna het besef om mijn eerste patroon af te bijten. Ik dacht aan u; ik zag u naast mij staan, niet schreiend of rillend, maar met vlammend oog, terwijl uw vinger naar den vijand wees en een heldere stem mij toeriep: »Doe uw plicht, zoo als ik den mijnen doe!quot; Ja, dat staat er, ik heb die regels gelezen en herlezen ; ik heb ze gekust. Hij stelt mij hoog; hij vergeet mij niet!
Hij is op den vijand ingestormd naast zijn kameraden, van wie menigeen in een bloeddoop zich zuiverde van vroegere smetten. Hij bleef ongedeerd, hoewel de moed overmoed werd en hij den vijand niet meer telde. Na het einde van den strijd werd hij Onder-officier.
Ik ben trotsch op hem, en Vader, die vroeger den soldatenstand niet mocht lijden, nam toch zijn muts af toen hij de benoeming vernam. Dat Vader hem die eer bewees is meer dan het geroffel der trommen, toen de kommandanu Kornelis voor het front liet komen en hem de hand reikte. »Als we hem nu los konden koopen!quot; zei Vader, mij veelbeteekenend aanziende; en op zijn kast wijzende, voegde hij er gesmoord aan toe: »Hein vischte de meeste op, wel zestig stuks ... Ik voelde dat ik bloedrood werd. »En dan?quot; fluisterde ik. »De schim van den vermoorde staat nog tusschen hem en ons. Ook zou ik dit geld niet graag voor hem gebruikt zien ...quot; Weinig tijds nadat wij het weigerden, kreeg ik een tweede discipel. Als het zoo voortgaat, worden we door arbeid nog rijk! En dan gaan we tot hem!
)gt;Hij zal mij de oogen niet komen sluiten!quot; prevelde Moeder.
»Zeker niet; hij zal ze open vinden als hij terug komt,quot; hernam ik.
»Zouden wij 't Tante Moes niet mededeelen?quot;
»Doe het, lieve Moeder! maar nood haar niet hier te komer. en spreekt haar niet van mij. Uit eigen beweging moet ze mij 'naderen en mij vergeving vragen. Zij heeft mij diep gekwetst.quot;
»Nog onverzoend?quot; vroeg Vader.
»Neen. Zoo ze mijn hulp slechts behoefde, dan zou het tegendeel blijken; maar tegenover Tante moet men zich niet kleiner maken dan men is .. . uit voorzichtigheid, weet ge? Wat laag bij den grond is, wordt nog al spoedig door haar voetzool getrapt.quot;
Vader heeft mij verzekerd alles aan de armen gegeven te hebben. Hij streed en overwon.
Januari 1841. Nog huiver ik bij de herinnering! Moeder lag voor het eerst in een gerusten slaap na dagen en nachten geijld
228
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
te hebben. Een zware ziekte overviel haar en wij vreesden hei ergste. Een man te zien schreien is hartverscheurend! En welke tranen! Hij wou vóór haar gaan; hij wou niet alleen achterblijven! zoo nokte Vader op den rand van het ledikant. «Niets bindt zoo vast als de rampspoed!quot; hoorde ik hem getuigen, en het roode oog zocht door de zoldering te dringen en den Heer ook van den â dood te verbidden.
Huwelijksliefde, hoe rein, hoe verheffend is ze! Hoe weinig zelfzucht kent ze! Geeft ze niet een flauwen omtrek aan het ideaal, dat de besten onzer voor oogen zweeft: te leven voor anderen en het i k te doen ondergaan in het w ij ?
Zij was behouden, de lieve! Ik mocht bij haar waken; ik mocht haar wenschen gissen en ze dan zoo mogelijk voorkomen. Het was een koude winternacht. Het vroor fel en ons kacheltjen, dat ik met al zijn gelapte breuken liefheb, snorde vrolijk.
Het was zoo stil, dat men den geregelden ademtocht der kranke, â¢dat men bijna het vallen van de donzen sneeuwvlok hooren kon. Daar brak op eens een zonderling geluid de stilte af. Het was of er iets langs het hout van trap of vloer schoof. Het geluid kwam dichter bij. De klink der deur werd opgeheven, en Hein, half ontkleed, stond op den drempel. Hoe angstwekkend! Die witte gestalte, flauw verlicht door het nachtlichtjen op de tafel, de oogen gesloten, den mond wijd geopend, met hijgende borst! Dat vertrek was vroeger door Klara bewoond geweest, dit kwam dadelijk bij mij op toen ik hem gewaar werd. De schrik boeide mij aan mijn stoel. Hein schreed langzaam voort, zich de handen wringend, en hield eindelijk stil bij de tafel, waar hij Klara zeker het laatst had zien zitten. »Klaartjen!quot; hoorde ik hem met holle stem uitbrengen, telkens door hijgen afgebroken, «je moet me niet verlaten ... je bent mijn goede engel ... ik heb je gewroken . . . maar zeg het aan niemant, hoor je! aan niemant. .. want als ze 't wisten ... dan kwamen de bloedhonden op me af.. . Daar ligt hij . .. daar ligt hij . . . bij bloedde als een os . . . Wat een sterke vent!... Neem den slungel niet!... ik wil voor je werken... ik ben niet lui meer .. . Griet in de maan knikt me van verre toe, dat ik 't niet meer ben, en roept er bij dat je een engel bent.. . Klaartjen ... ik heb het voor jou gedaan ... de duivel is er jaloersch van en pijnigt mij er voor. .. maar 't was voor jou . ..quot; Hij ging zitten, wachtte een poos en fluisterde toen: »Je zult het niet oververtellen, wel?quot; en een zweem van een glimlach verhelderde het strak gelaat. »Adie ! . ..quot; fluisterde hij. Hij lei den vinger op de lippen en verdween.
Wat was dat? Mijn hoofd gloeide! Reeds lang had ik bemerkt, dat hem iets op het geweten brandde. Maar wat kan dat zijn? De diefstal bij mijn vader? Maar hij had bloed gezien. .. De man
229
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
is krankzinnig; ik hecht te veel gewicht aan zijn woorden. Zag hij zijn overleden vrouw niet in de maan ? Het vreemd ge-druisch, dat ik menigen nacht in huis meende te hooren, wordt mij nu verklaard. Hein was zeker reeds sedert lang slaapwandelaar.
September 1841. Zoo ik niet reeds lang trotsch op Kor-nelis ware, ik zou het nu geworden zijn. Gedekoreerd met het legioen van eer! Hij, ridder! Maar ik had wel gedacht dat hij zich zou onderscheiden! Hij was reeds hier een diamant van het zuiverste water; hij moest alleen geslepen worden, zei Vader laatst. Welnu, hij werd het door het ongeluk, dat hij even mannelijk bestreed als den barbaarschen vijand, door de strenge tucht waarvoor hij boog zonder iets van zijn zelfstandigheid te verliezen. En aan welk een tucht onderwierp hij zich! Van het aanbreken van den dag tot het ondergaan der zon wachtte iedere lichaamsbeweging een kommando! Zelfs het oog mocht zich niet wenden zonder verlof. En dit gold hem, wien de vrije natuur, de bruine heide van ons schoon dorp nog te eng scheen, hem, die zich van der jeugd aankantte tegen elk gezach!
En nu ridder! Hier te lande heeft men er ook. Ik herinner mij Mijnheer Reaal met een lintjen in het knoopsgat gezien te hebben en Mijnheer Nakooper eens met een schitterend kruis in zijn rijtuig van Soestdijk te hebben zien terugkeeren, waar de Koning zich ophield. Of die twee ook zoo veel voor hun kruis gedaan hebben als mijn lieve man? Want deze zal het wel meer dan verdiend hebben. Ik zou durven wedden, dat hij 't zijn Kolonel wel zal hebben afgedwongen door zijn gedrag. Hij schreef dat natuurlijk niet.
Aan den avond van den heeten dag en in het kamp van den vijand stonden zij in 't gelid, dat erg gedund was; verstijfd en versteend. Daar roffelden wéér de trommen en klonk het kommando, dat Kornelis voor het front riep. »Wil je wel gelooven,quot; schreef hij, ïdat het koude zweet mij uitbrak en ik me liever onder tien bedouïnen bevonden had! Zou mij straf wachten, zou ik ten spot worden van mijn kameraden, die mij met het grootste genoegen krom gesloten in de ijzers zouden willen zien? Verbeeld u mijn verrukking! De kommandant deelde mij mede dat ik gedekoreerd was. Vive la France! Ik heb nu de streepen, en als het me een beetjen meêloopt, dan kan ik de epauletten krijgen; dan kan ik overplaatsing vragen naar een ander corps, want dit vreemdenlegioen is erger dan een zwijnstal. En dan kan ik . . . Lize vragen, of ze mij lief genoeg heeft om haar vaderland te verlaten, totdat ik gezuiverd zal zijn van alle smet en mijn lief moedertjen en mijn braven vader kan komen bezoeken . ..quot;
Hij vraagt nooit naar de oorzaak zijner ballingschap, naar mijn
230
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
vader... 't Is een kiescliheid, die mij een vennkkenden blik in zijn hart doet slaan!
Hij is ridder...! Hij wordt te groot voor mij, arme huisonderwijzeres, die iederen ochtend en iederen avond mijn weinigjen kennis tot den hoogst mogelijken prijs tracht te verkoopen om de lieve oudtjens wat minder onbezorgd te doen leven. Hij waagt zijn leven, en ik ... ? ik erger mij in treurige oogenblikken aan de domheid van mama en kinderen of lach er om na de ontvangst van een brief van mijn lieven man. Alle dagen dezelfde ervaring! Grofheid van de onbeschaafden, impertinentie van de meer ontwikkelden. Zondebok te zijn van klein en groot voor een gulden in het uur! Het is . .. niets in vergelijking met hetgeen Kor-nelis doet, die zijn leven waagt, die tegen de lansen en bajon-netten instormt zoo als ik tegen de rukwinden en den regenslag !
Wat heerlijk avondtjen daar buiten na de lezing van dien brief! Met de moezerij gaat het reeds lang slecht, en zoo Hein niet zoo goedkoop zijn diensten verhuurde, zouden wij reeds lang verhuisd moeten zijn; want hoe krachtig Vader zich ook houdt, hij kan niet meer zoo als hij wil. Gelukkig, dat ik er nog twee lessen bij kreeg! De beide oudtjens kunnen nu het glaasje» wijn krijgen wat de Dokter hun voorschreef. Maar dien avond moest het feest zijn! Ik zond Hein naar Klara en Evert. Zij brachten hun oudsten zoon meê, hun Kornelis, mijn lieveling, die me al kent en zijn roode tong uitsteekt als hij me ziet en zijn niet minder roode mollige vingertjes aan zijn neusjen wil brengen... De olijkert, ik geloof dat hij me voor den gek houdt! Nu, hij mag het doen. Vader zat naast Moeder onder den kastanjeboom; Klara en haaiman tegenover hen tusschen twee bloembedden in. Geen wolkjen aan den hemel! De vogels hupten om ons heen of zongen hun avondlied in de toppen der boomen; in de weiden scheerden de zwartbonten het welige gras of lagen schilderachtig gegroept in welbehagelijke rust de opgegailrde spijze te herkauwen.
Het oog van Klara heeft nog dezelfde reine uitdrukking. Zij is vrouw en moeder, maar blijft voor ons nog een kind. Hoe goed is het, dat haar horizon zich bepalen kan tot de grenzen van haar huis! Hoe veel ergernis, hoeveel smart wordt haar bespaard! Toch â ik gevoel het â begeer ik niet haar plaats.
»Een kop geurige thee stond voor ieder onzer, zelfs voor Hein, wien ook een stoel was aangewezen, maar die rust noch duur scheen te kennen. Ik zag hem een paar malen veel beteekenend aan, en hij verbleekte. Zou hij zich bewust zijn van de slaapwandeling? Ik moest den brief van Kornelis nogmaals lezen. Ik zag Klara trillen bij al dat wapengerucht, maar haar oogen toch schitteren bij het verhaal van Kornelis' verheffing. »Hij was voor iets groots bestemd,quot;
231
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
zeide zij, haar man aanziende, die strak voor zich bleef zien. »Hein, je mocht hem ook graag lijden; wat zeg je er van?quot;
»Waarom komt hij niet hier en helpt zijn vader? Alles is nu toch betaald!quot; bromde Hein, met het oog op Evert gevest.
»All es niet, en dat weet je even goed als ik,quot; hernam ik. »Maar daaraan thands niet gedacht! Als men zelf niet in staat is feest te vieren, dan bederve men het ten minste niet voor anderen . . Hein begreep den wenk en sloop naar den moestuin.
Vader had weêr zijn pet bij de lezing afgenomen. Zijn gelaat en dat van moeder werd door de ondergaande zon verguld. Innige dankbaarheid drukte hun geheele wezen uit.
Wij waren vrolijk gestemd: wij schertsten en ik mocht kleinen Kornelis in slaap wiegen en slapende houden, wat, zoo als zijn moeder getuigde, haar zelve maar zelden gelukte.
Toen ik het echtpaar een eind weegs uitgeleide had gedaan en terugkeerde, zag ik Hein op den dijk staan; hij scheen mij op te wachten.
» Wat meende je. Juffer Vquot; vroeg hij barsch. »Welke schuld is nog niet betaald?quot;
»Een bloedschuld. Er was iemant, die als een os bloedde...quot;
»Wie zeit dat? Wie spreekt daar?quot; bracht hij met holle stem uit, terwijl hij om zich heen zag. »Ben jij 't weer. Satan?quot; en hij sloeg met zijn vuist voor zich uit.
Ik ijlde verschrokken naar binnen. Ik weet niet wat mij bewoog hem zijn woorden te herinneren, maar mijn donker vermoeden is versterkt...
Augustus 1842. Voor ik ditmaal mijn maandelijksch bezoek aan den armen krankzinnige bracht, werd ik naar het gesticht opontboden. Toen ik daar het laatst was, zag ik hem, mijn vader naar het vleesch, uitgeteerd en een schaduw van wat hij vroeger was, in den tuin neergehurkt en bezig zijn geel koperen penningen door de lange magere vingers te doen glijden. Wat was de glimlach ijzingwekkend, waarmeê hij zijn schatten telde en overtelde! Wat was zijn angst pijnlijk, toen hij mij in zijn nabijheid opmerkte en als een wild dier zijn buit in den grond poogde te begraven ! Hij kende mij niet. In den beginne meende ik nog te bespeuren, dat hij zich mij, zij het ook slechts flauw, herinnerde, maar spoedig verloor ik dien waan. Hij kent zich zeiven niet, hoe zou hij het dan mij doen?
Nu stond ik voor zijn ziekbed, dat zijn stervenssponde zou zijn. De ure zijner verlossing had geslagen ... Had hij nog een oogen-blik slechts tot bewustzijn terug mogen keeren! Had slechts een vonk onder de assche mogen glimmen! Maar het is toch beter zoo. Dat oogenblik had een marteling voor hem moeten zijn! De aanklacht had de liefde gewisselijk overstemd. Het is beter zoo.
232
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Ik heb zijn oogen gesloten en een kus gedrukt op bet marmeren voorboofd. Wel te rusten. Vader! Dat ge 't mij onmogelijk hebt gemaakt uwe nagedachtenis te eeren, dat kan ik u nauw vergeven ... Al bet andere is met u begraven, doodarme schatrijke man!
Moeder, mocht bet waar zijn, wat de edelsten onzer gelooven, dat er een voortbestaan is in boogere sfeer, ontvang dan zijn ziele in ontferming en mocht uwe zich zelve opofferende liefde zwaarder gewicht zijn in de weegschaal der eeuwige gerechtigheid dan zijn gelddorst . ..!
November 184 3. Stil vloeide ons leven been als de beek, die zich naar de rivier spoedt om zich in deze op te lossen. De stormen, die er in boogere lucht woedden en de toppen der woudreuzen teisterden, kringden zelfs bij ons de oppervlakte niet. Wat verscheelt ons ook het tegenwoordige? Wij leven in de toekomst. Wij leven slechts bij hem, die verre is, hij hem, die zijn eerzucht bevredigd vindt en thans de epauletten draagt. O mocht ik hem zien ! Had ik hem mogen verplegen toen bij bloedend neerlag aan de wonde, die hem zijn bevordering schonk. Hij nam een batterij van den vijand! »'t Was onder zeer gunstige omstandigheden,quot; schreef bij, alsof hij bet heldenfeit verkleinen wou.
Dat verlangen, dat bijna niet te toornen verlangen naar hem, het verscheurt mij de borst! Vader en Moeder te doen berusten en dat zelve niet te kunnen, het valt zwaar! lederen dag naar een brief uit te zien en toch te vreezen, dat de postbode weder zulk een hooge port komt vragen, bet is een marteling!
Hein is de eenige, die afleiding brengt in ons eentonig leven. Maar welk een afleiding! Ik geloof soms minder aan zijn krankzinnigheid dan aan het gewicht eener schuld, die hem drukt, ieder oogenblik dringt zich de gedachte bij mij op: als hij eens stierf en het geheim met zich in het graf nam ...!
Februari 18 44. Gelukkig is de misdaad voorkomen! Ik was gister bij Klara. Zij liet rnij dringend verzoeken bij haar te komen, daar Evert naar een aanbesteding was gegaan en eerst laat terug zou keeren. Zij was bang alleen te blijven! Kind! Maar toen ik bij baar was bekende zij me, met tranen en beven, dat Hein bijna iederen dag om haar woning dwaalde en er in Everts afzijn binnentrad; dat bij laatst zoo wild, zoo omstuimig was geweest en haar omhelsd en gekust had. Zij bad het Evert niet durven bekennen en toch zou ze hem willen waarschuwen, want Hein bad de vreeselijkste bedreigingen jegens hem geuit. Ik poogde haar op te beuren door alles voor te stellen als een gevolg van zijn ontsteld brein, maar terwijl ik bezig was zag ik haar doodsbleek worden en haar stoel terug schuiven. »Hoor, dat is zijn stap,quot; fluisterde zij. Ik vernam alleen bet gieren van den wind en bet
233
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
plassen van den regen. Het was buiten stikdonker. »Niet binnen laten,quot; zei Klara; »de grendel is op de deur!quot; Daar vloog mij een vreeselijke gedachte door het brein: Evert zou weldra in donker teragkeeren. Was het waar, dat Hein buiten stond, dan wachtte bij den ander op. Het voornemen van den krankzinnige moest verijdeld worden. Ik wist niet of Klara het begreep; zoo zij het niet deed, wilde ik haar angsten niet vermeerderen. Ik greep naar hoed en doek.
»Ge zult toch niet heengaan Vquot; zei ze op biddenden toon.
»Ik ga zien of hij er werkelijk is,quot; hernam ik en trad naar de buitendeur, waar ik echter aarzelend staan bleef'.
»Waag u niet. Ik durf niet alleen hier blijven en niet meé gaan ook!quot; andwoordde zij; maar met een blik op de wieg barer kinderen voegde zij er aan toe: »Neen ik blijf hier: ik was kinderachtig. Als ge iets wilt, dan doet ge 't, wat men ook zegge,quot; dus besloot ze, in haar schrik mij woorden toevoegende, die ze zeker anders niet had doen hooren. Ik was te veel vervuld met de gedachte aan het gevaar dat Evert liep, om dat oogenblik ever haar opmerking na te denken. De buitendeur openen, in wier nabijheid de krankzinnige zijn slachtoffer opwachtte, waagde ik óok niet. Kornelis, die thands de epauletten draagt, zal mij wel heel laf vinden, zoo hij het hoort. Ik ging naar het achterhuis en opende de deur, die toegang gaf tot het erf, dat het huis aan drie kanten omsloot. Van den weg kon men door een klein hekjen, dat altijd aanstond, op het erf komen; dien weg sloeg ik in. Ik sloop den muur van het huis langs, opende behoedzaam het hekjen en waagde mij op de gele klinkerts, waarmeê de grond tegen het voorhuis aan bestraat was. De wind loeide; donkere wolken joegen door het uitspansel; het water van de rivier klotste tegen den oever en strooide zijn vlokken schuim op den dijk. Daar scheurde eensklaps het wolkgordijn en werd de maan, door een doorschij-nenden nevel omfloersd, zichtbaar. Zij wierp een zwak en onheilspellend licht over Everts woning en op de plek waar de winddeur knarste en wiegelde. Daar achter stond een menschelijke gedaante. Klaraas oor was werkelijk scherper dan het mijne geweest. Het was Hein, met een dikken knuppel in de hand, strak voor zich uitziende naar den rijweg, langs welken hij zeker den vijand verwachtte. Zonder misschien te weten wat ik deed, trad ik haastig op hem af. Ik geloof, dat ik het woord moordenaar uitsprak toen ik voor hem stond. Hij had den knuppel op kunnen heffen en mij het hoofd verbrijzelen, mij, die hij haat zoo als hg Klara lief heeft. Hij deed het niet; integendeel, met een kreet, die mij het bloed in de aderen stollen deed, vlood hij weg. »Satan, Satan!quot; hoorde ik hem, maar in de verte, uitroepen. Evert was ditmaal gered ! Toen ik weder in de kamer trad bij Klara, zag ik deze aan de
234
HET GEZIN VAX BAAS VAN OMMEREN. 235
wiegjens haver kinderen staan, met een vastberadenheid die zeer afstak bij mijn gevoel van uitputting.
»Het was niets, zusjen!quot; zei ik met moeite, »de wind heeft mij buiten adem gebracht. Zeg maar niets aan Evert, want die zou ons uitlachen.quot;
Klara glimlachte pijnlijk. Of ze me wel geloofde weet ik niet: â dj reikte mij een glas water. »Onze Hein is, geloof ik, toch wel krankzinnig. Als we zooveel konden missen om hem in een goed gesticht te doen verplegen?quot; zeide zij half vragend.
»Vader kan hem niet missen,quot; hernam ik.
Het was waar; maar bovendien was 't zeker, dat we hem niet dan voor rekening van anderen zouden kunnen doen verplegen. Ook zou ik niet gaarne van hem willen scheiden voor ik hem zijn geheim ontlokt heb. »Ik zal hem in de eerste weken 's avonds thuis houden en hem verbieden je woning te betreden. Hij haat mij, maar hij vreest mij ook. Laat Evert hem uit den weg blijven!quot;
»En gij â zijt gij dan niet bang voor een krankzinnige...?quot;
»Neen, want voor hem ben ik Satan, en voor niemant is hij zoo bang. Anders een goed teeken, maar hier...!quot;
Hoe Klara en Evert, die weldra binnentrad, er ook op aandrongen dat de laatste mij naar huis zou brengen, ik weigerde. Toen ik thuis kwam hoorde ik dat Hein, hoe ook voor het avondeten geroepen, geweigerd had binnen te komen.
»De oude geschiedenis!quot; zei Vader. »Hij is bezig naar verborgen schatten te graven, en met stormachtig weêr vindt men ze bet eerst, zoo als hij zegt. Onze goede Hein is, geloof ik, aan 't malen; maar we moeten dat maar voorbijzien: hij is zoo goed en trouw voor ons.quot;
April 184 5. Meer dan zes jaren zijn reeds verloopen. Ze waren zoo lang en toch, nu ik terug zie, zoo kort. Langer dan ooit te voren wachtten wij op tijding. Er was weder tot een expeditie besloten, en als deze gelukkig is volbracht, dan kan hij zijn eervol ontslag nemen of verzoeken om overplaatsing. En dan ? Moet ik, kan ik Vader en Moeder verlaten? Mag ik hem nog langer de waarheid verzwijgen dat hij nimmer terug kan keeren? Vreemd, hij moet van den dood mijns vaders, van de repudiatie van diens boedel, van de betaling aller schulden, van de vrijspraak wegens gepleegd misbruik van vertrouwen gehoord hebben, want hij beknorde ons allen hem daarvan niets te hebben gemeld. Tus-schen de regels door meende ik zelfs eenige achterdocht te lezen. Alsof ik zijn terugkeer niet wenschte! Alsof mijn leven niet met het zijne verbonden is! Alsof ik niet adem in hem! Alsof mij het hart niet soms dreigt te bersten als het geduld zich spant in het gareel, waarin het sedert zes jaren geslagen is, en het anker der
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
hoop los woelt uit den weeken grond! Arm, geteisterd hart, boe ge zijt beproefd en gewond! Goudgetinte idealen mijner jeugd, hoe ge zijt beengetogen, vluchtend voor den killen ademtocht van de werkelijkheid! Ik beb gedaan, wat ik meende plicht te zijn, en soms is het mij of dat een beter loon verdiende dan mij gewerd. Word schaamrood, Lize, waar bleef uw kinderlijk geloof? Gij hebt gedaan wat gij behoordet te doen; waar is uw recht op belooning ? Ik ben ook weder zoo zwak, en dat in deze heerlijke ure, nu de lente van verjongingen van de heerlijkste weelden getuigt. Zijt ge mismoedig, omdat ge een paar uwer discipelen hebt verloren, wier weinige ontwikkeling natuurlijk aan u werd geweten? Soms was er slechts eenige kleine zilveren munt in huis, en dan kwam er eensklaps voorziening in den nood. Het hoofd uit het open venster gestoken I â daar wiegelen duizenden en duizenden madelieven de nederige en toch schoone knopjens! daar fluit de meerle en tjilpt de vink, daar is alles vol hoop ... tot zelfs mijn goed, lief, oud moedertjen, die onder den kastanje met den knipbril op den neus haar aardappels zit te schillen met een psalm op de lippen en den hemel in 't hart!...
Wij staken de lezing, want de pen, die zoo snel over het papier heengleed, werd neergelegd. Lize trad aan het raam en stak het hoofdjen naar buiten en liet den traan, die er in het zielvol oog schemerde, opdroogen door het zachte westen-windjen, dat de geuren van het jonge groen meê voerde. Zij keek werkelijk op het moedertjen neer, die onder den liefelijken boom zat, maar niet meer alleen was, want tegenover haar stond de welbekende postbode.
»Een brief, een brief Moeder ?quot; vroeg zij vrolijk.
»Tien cents... best gepast... dag, Moedertjen!quot; zei de bode.
Haar hoop was verdwenen. Het kon geen brief van Algiers zijn. Toch ijlde zij naar beneden. Wat bevende letters op het adres! Toch meende zij de hand te herkennen. De brief was van Tante Moes, door haar zelve geschreven, maar met moeite. Tante riep haar tot zich, dadelijk! Wat was er wel gebeurd?
XXIX.
»Als je je nog herinnert dat je een oud-tante hebt, kom dan dadelijk. Als het hoogmoedsduiveltjen, dat nu zes jaar lang alleen het woord gehad heeft, ten laatste eens zwijgen wil, dan zie ik je
236
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEKEN.
van avond aan de bleekerij. Ik wil met je afrekenen. Je tante; Aleida Moes!quot;
Dus las Lize nog eens, toen ze in het wagentjen zat, dat haar op een sukkeldrafjen naar het dorp zou brengen. Vreemd! Was dat Tante Moes, die deze regels geschreven had ? De letters dansten bijna op het papier; vroeger waren ze groot, wel slecht gevormdgt; maar toch dik en vast. Zij sprak thands van het »duiveltjenquot; en weleer haatte zij alle verkleinwoorden. Lize begreep, dat er veel veranderd moest zijn in of óm die vrouw, die, als uit éen stuk gegoten, altijd onveranderlijk scheen.
Na een rit van twee en een half uur ontwaarde zij de hooge boomen, in wier schaduw het dorp als wegschool. Zij vroeg den koetsier, niet den straatweg te volgen maar een zijweg in te slaan, die langs de heide achter het dorp heen liep. Op de hoogte der bleekerij aangekomen stapte zij uit. Door het kreupelhout liep een pad, dat haar de bleekerij van achteren kon doen bereiken. Zij. was eerst van zins dat in te slaan, maar na eenig nadenken sloeg zij een breeden weg in, die op den heirweg uitkwam en haar in het front der bleekerij deed aankomen. Het welbekende bleekveld langs gaande, zag zij voor het meerendeel de oude gezichten; tot Louw toe â evenwel wat stijver en langzamer, daar hij door rheumatiek scheen aangedaan â zag ze aan 't werk. Toch ging het er niet ais gewoonlijk toe, want er klonk geen lustig lied bij den arbeid; er werd zelfs niet gepraat. Zij sloeg het oude hek-jen â wrak als vroeger, hoewel nieuw opgeverwd â open en trad in het voorhuis.
5Waar is Tante?quot; vroeg zij een der meiden met een vriendelijk knikjen.
jWel, Heere mijn tijd! eindelijk komt... de juffer,quot; dus vervolgde ze eenigszins aarzelend, »hier naar toe.quot; De spreekster vond zeker de zeer eenvoudig gekleede Lize den titel, die zij haar ten laatste evenwel toekende, niet ten volle waard. »De vrouw is miserabel slap; ze laat dan erg armoejig de veeren hangen, hoor! Heeft ze je geroepen?quot; vroeg ze zachter aan Lizes oor.
jgt;Ik had in lang niets van haar gehoord, en kom haar nu eens bezoeken,quot; hernam Lize, die nog wel zoo veel van Tantes gezindheid wist, om niet aan te nemen, dat de ontvangen brief door de schrijfster in oogenblikken van zwakheid zou worden afgekeurd.
»Tk wou ook zeggen!quot; hernam de meid. »Als ze je geroepen bad dan was 't al heel erg, want dat leit zoo niet in haar humeur. Maar ik weet waarachtig niet, of ze je zal willen zien. Ze heeft erg den dikkert aan je gekregen, sedert... je weet wel. ..quot;
jDien me aan!quot; zei Lize gebiedend, zelfs zóo gebiedend, dat de meid een paar stappen achteruit deed en haar verbaasd aanzag.
»Wel Heere mijn tijd!quot; dus begon zij weêr.
237
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Heb je me verstaan Vquot; vroeg Lize, maar ditmaal vriendelijk. Zij gaf er blijk van niet terug te keeren zoo als zij was heen gegaan.
»Ik weet niet of hij er nog is. Ze hebben wat lang met mekaar aan 't mallen geweest. Je weet wel: hij was nooit dik, maar nu is hij dunner dan de dunste takkebos uit de schelft, en je begrijpt, dat de vrouw nooit dikke bossen liet maken.quot;
»Maar wie bedoel je dan toch?quot;
»Wel, de Notaris, wie anders ? Ik geloof, dat je je vingers ook niet blauw zult tellen aan de vrouws duiten, 's Jongens, 'sjongens! 't is groot geworden met haar mans familie ... daar heb je den scheele .. . een spullebaas hebben ze me verteld ...quot;
»Ik weet; de muziekmeester Stevens; maar dat gaat me niet aan. Zeg aan Tante, dat ik er ben of ik ga regelrecht door.quot;
»Dat zul je wel laten. Het mensch kreeg het nog op haar zenuwen. Of denkt je, dat ze nog evenveel mans is als vroeger? God vergeef me de zonde, 't mocht wat! Ik hou het er voor, dat ze haar dood over haar eigen zeivers gebracht heeft en ze zich uit gierigheid heeft laten uitteeren.quot;
»Ik wil die praatjens niet langer hooren. Foei, je moest je schamen kwaad te spreken van . ..quot;
»Ik zeg niet, dat wij niet volop gehad hebben. Wij kregen altijd meer dan wij lustten; als 't anders was waren we waarachtig geen dag gebleven, want ze weet je het vleesch van de schonken te houden.quot;
»Dus was ze voor zich zelve . ..quot;
»Gierig, vrekkig; daar was je vader nog maar een kind bij. 'k Geloof, dat ze in de laatste zesd'half jaar geen half lood spelden gebruikt heeft. Wij kregen spek en zij at beenen, zóo lang tot ze zeivers een beenenhoop is . .. 'k wou niet graag ...quot;
Eensklaps hield de babbelaarster op en keek zij, wier onbeschaamdheid op het gelaat te lezen stond, verlegen, zelfs verschrikt om. »Ze roept, heb je 't niet gehoord?quot; Weg rende zij, maar voor de kamerdeur bleef zij staan, waar zij behoedzaam aanklopte.
Een oogenblik later kwam ze terug en wenkte Lize reeds van verre. »Je moogt binnen komen. Liever jij dan ik, want ze is in een bui, o zoo plezierig! Spreek haar in Gods naam toch niet tegen, want dan besterft zij 't nog.quot;
De laatste woorden bedekten een menigte vroeger gesprokene en duidden aan, dat er in het ruwe hart werkelijk deelneming school. Lize merkte het op en erkende het door haar vriendelijk toe te knikken, zóo vriendelijk, dat het der andere den wensch ontlokte: »ik hoop, dat het je lukken zal daar binnen; die scheele is toch maar een spullebaas en niet eens van haar bloed.quot;
238
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Een andere beweegreden dan eigenbelang kon men hier niet van haar verwachten, dacht Lize, die de fijne lippen bij die gedachte samentrok.
Zij trad binnen. Het was schemerdonker in Tantes slaapkamer. In een hoek stond de hooge bedstede, slechts door een trapjen bereikbaar. Tante zat op haar gewonen stoel aan de tafel. Zij had Lizes stem meenen op te merken en was toen opgestaan. Niemant had haar ooit overdag in bed gezien; dat gaf ook een schijn van zwakheid; dat zou ook reden tot beklag geven, en ze wou nooit beklaagd worden. De kamer zag er geheel uit als vroeger. Het portret van haar man zaliger, het was een borststuk â het gelaat en profil â dat vroeger boven de chiffonnière hing, was verplaatst, en wel in dier voege, dat het van het hoofdeinde uit de bedstede te zien was. Tante zat bij Lizes binnentreden met den rug naar het venster, en toch viel bij den eersten aanblik reeds de groote verandering op te merken, die er in 't geheele wezen had plaats gegrepen. De vroeger gezette vrouw scheen ingekrompen en als verdroogd; het gezicht was verkleurd, de wangen ingevallen, zoodat de grove beenderen sterk uitkwamen. De hand, die Lize werd toegestoken, was gerimpeld en vertoonde opgezwollen blauwe aderen. De stem klonk even krachtig en gebiedend als vroeger.
»Ben je daar? Wel zoo; ik moet je laten roepen; ik moest de minste wezen, anders was de jufvrouw zeker nog wat weg gebleven ... Oh!quot; klonk het heel zacht, terwijl ze de hand onwillekeurig in de lendenstreek bracht.
Lize ijlde naar de bedstede en haalde een kussen, wat zij in den rug van den stoel vlijde; daarna knielde zij naast Tante neer, nam hare hand en kuste die.
»Wat doe je,quot; zei Tante verrast, maar in den toon harer stem lag geene berisping.
Lize andwoordde nog niet: zij schreide en wilde het niet laten blijken. Tante had werkelijk een afschuw van tranen. Eindelijk zei ze met afgewend gelaat en zoo kalm mogelijk; »Vergeef het mij, Tantelief, dat ik zoo lang weg bleef; maar na hetgeen er is voorgevallen kon ik niet de eerste wezen.quot;
»Niet de minste, wil je zeggen. Mijn Bet had anders gehandeld. Hoe kom je er toch aan? Maar ik geloof waarachtig, dat je eer mijn kind dan het hare bent. Zij streelde Lizes lokken; maar of ze dat bewjjs van tederheid dadelijk wou doen vergeten, veranderde zij eensklaps van toon en zei ze: »Dat vrije leventjen ginder bevalt je zeker heel goed. Les geef je, ja wel, op stoel en stoof leer je ze lezen. Onze meester moet er ten minste nog bij loopen.
»Ik hoop, dat hij 't beter moge doen dan ik.quot;
»Doe je 't dan niet goed? Waarom het dan gedaan? Ik heb
239
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
een hekel aan al dat ploeteren en morsen zonder dat er iets schoon wordt. Me dunkt, dat het toch in je aard lag alles goed te doen wat je eenmaal wildet.... Je hebt van Ommeren en zijn vrouw lief, hè?quot;
»Als mijn eigen ouders â als mijn moeder,quot; verbeterde Lize.
»Wel zeker; zeg maar, dat je nooit iemant zoo lief hebt gehad. Alsof je boven den grond nog geen eigen familie hadt!quot;
»Had ik die, Tante?quot; vroeg Lize, haar schitterende oogen op haar vestend.
»Krijg een stoel en ga tegen over me zitten; straks komt de koorts weêr en dan kan ik niet meer zoo duidelijk verstaan of spreken. Je bent ouder geworden,quot; vervolgde ze, Lize met de oogen volgende, »en ik hoop: wijzer; maar neen, dat weet ik. Kind, wat je met je Vaders geld hebt gedaan, zou ik in jou plaats ook gedaan hebben, 't Is er uit en geen woord meer daar over!quot; Zij hield op; haar gezichtszenuwen bewogen zich stuipachtig. Met de bevende en koude hand voer zij over de oogen. »Hoe vind je dat ik er uitzie, Lize?quot;
»Niet goed. Tante! Wat zegt de Dokter?quot;
»Die kan niets zeggen, want die heeft me niet gezien.quot;
»Hoe nu? Zelfs geen dokter! Is u ook uitwendig veranderd, inwendig schijnt u nog dezelfde.quot;
«Dat hoop ik ook. Ik mag lijen, dat ik naar onzen lieven Heer toe ga, zoo als ik van hem gegaan ben. Ieder heeft daaromtrent zijn eigen overtuiging.quot;
»Maar toch, een dokter moet u laten roepen.quot;
«Kwakzalvers! Als de veer gebroken is loopt de klok niet meer. Nu, het werd tijd dat de mijne versleet; 'k heb waarachtig geen reden van klagen. Hoor eens, Lies! je lijkt sprekend op Bet; al het Stufkensachtige is er af. Goddank! Ik heb je een tijdlang stil laten loopen, maar je ontging me niet: waarachtig niet! Ik weet, hoe je je gedragen hebt; 't ging nog al wel. Daarom heb ik niet laten staan wat er stond. Ik zwoer wel, dat er geen jota aan veranderd zou worden, maar dat was niet goed. Een mensch rnoet nooit te grootsch zijn om zijn ongelijk te erkennen. Ik heb daarom den notaris laten komen .. ..quot;
»En Dominee Stins?quot;
»Als ik den Dokter niet noodig heb, dan heb ik 't den Dominee ook niet. Wat zou de man voor me doen? Me in den Hemel bidden? Onze lieve Heer is toch geen mensch, dien men kan bepraten. Mij vrij maken van zonden? Dat's tusschen onzen lieven Heer en mij, zou 'k denken. Maar omdat dat zoo is, hebben we er niet over te praten.quot; Zij hield op en kon niet langer verbergen dat zij huiverde.
»Wil ik u ook naar bed helpen?quot; vroeg Lize.
2-1:0
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Ik zal 't zeggen als ik dat wil, andwoordde zij eenigzins scherp. »Koep Louw! 't Is negen uur en ik hoor ze nog op 't veld. Alles moet binnen wezen om dezen tijd. 't Loopt toch in 't honderd als ik er niet bij ben.quot;
Louw kwam en kreeg een straffe berisping. Hij wou zich ver-andwoorden, maar kreeg bevel te zwijgen, daar hij sprekende toch onwaarheid zei. »Breng me een glas versch water en laat dan iedereen de kooi opzoeken. Morgen een half uur vroeger bij de werken, hoor, lobbes! Al leg ik hier, toch hoor ik de klok wel slaan, en van morgen was 't wel een half uur te laat. Die slungel is nu al tien jaar bij me; dat moet je niet vergeten, Lies! als ik weg ben. En nu, kind! je moogt van nacht hier blijven, maar morgen ga je vroeg weêr weg.quot; Lize schudde van neen. »Ik wil niet hebben dat je verzuimt. De ouden ginder hebben het meeste recht op je.quot;
»Neen, neen. Tantelief!quot; riep Lize, de armen om haar hals slaande. «Neen, hier behoor ik nu, en ik verlaat u niet voor ge beter zijt.quot;
»Dat zal wel eer wezen dan je denkt,quot; hernam Tante, ongemeen week. »Maar maak nu dat je 'de kamer uitkomt. Ik ben altijd gewoon alleen naar bed te gaan.quot;
Lize deed alsof ze 't niet had gehoord. Ze sloeg de bedsteé-gordijnen open, schudde de kussens en ontdeed Tante van haar gebloemd chitsen schoudermantel.
»Lies, ik zei je ..
»Mag ik u dan nooit helpen? En ik lijk zoo veel op uw Bet; die zult ge toch wel eens gekleed en verkleed hebben.quot;
sDikwijls, dikwijls, kind! O, die tijd!quot; zeide zij met een zucht, die echter nog bij tijds gesmoord werd. »Ga dan in Gods naam je gang; jij bent er ook het naaste toe â met Stevens. .. van mijn mans familie ... een glas water. Lies! daar heb je'em weêr ... 't Is de koorts, maar mijn laatste, hoor!quot;
Het kostte veel inspanning om de zwakke vrouw, die toch nog zoo sterk was, te bedde te brengen; vooral dat trapjen baarde Lize angst en zorg. »Waarom ook niet uw ledikant gebruikt?quot; vroeg zij eenigzins verwijtend.
»Wel zeker, dat's in de mode; het beste maar opgebruiken, dat zie je aan de boelhuizen ... Lies, je hebt mijn kussens goed geschud. Nu nog een glas water en laat me dan maar stil liggen! Hang mijn mans portret wat hooger en ga jij er dan onder zitten; juist, zoo!quot; Ze bleef een oogenblik Lize met welgevallen aanzien. Spoedig echter veranderde de uitdrukking harer oogen; deze begonnen te schitteren: de koortsgloed lichtte en straalde er uit. »Aan 't werk, dagdieven!quot; riep ze met een zwakke stem, niettegenstaande zij die zoo veel mogelijk trachtte uit te zetten. »Ik
BAAS VAM OMMEREN. dB
241
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
ben toch blij, dat ik bet hem geschreven heb, Lies! Hij weet wat braaf kind je bent, hoe kloek jij je gehouden hebt. Waarom mocht bij je vaders dood niet weten en dat je alles betaald hebt?quot; Ze zweeg weör een poos. Toen begon ze zachtkens met bevende stem een psalm te zingen.
Lize hield het niet langer uit. Zij voelde Tantes hoofd branden; zij ging naar voren om een doek te zoeken en frisch water en vond daar Louw en een paar der oudste meiden nog opzitten.
»Verklap ons niet,quot; zei Louw. »Ze wil nooit hebben, dat we wakker blijven, maar daar heeft ze toch niets over te zeggen. We willen niet slapen zoolang ze zoo hard ziek is.quot;
»Haal den Dokter!quot; zei Lize.
»Dat kun je begrijpen!quot; viel Trui in. »Die is hier het eerst en het laatst voor zes jaar geweest; je weet wel... bij die malle historie met den boeman van Spaarnwou.quot;
»Ik neem alle verandwoordelrjkheid op mij,quot; hernam Lize. ».Het is noodig dat de Dokter komt.quot;
»Maar hij zal niet komen; hij is er de man niet naar, om zoo maar in eens uit de veêren te springen, en dat voor de vrouw, die hem altijd in het hair zat.quot;
«Genoeg! Ga hem halen.quot;
Dat korte woord en de beslissende toon, waarop het gesproken werd, maakte alle tegenwerpingen onmogelijk, 't Was of ze »de Vrouwquot; in verjongden vorm voor zich zagen.
»Nou, die weet meer dan ze zeggen wil,quot; fluisterden de achter-blij venden, toen Lize zich verwijderd had. »Ze krijgt de duiten, hoor! Ze is op 'er tijd gekomen. Of je me begrijpt!quot;
Maar het scheen of de Dokter de straks over hem gesproken woorden in allen deele bevestigen wou; want hij kwam niet. Het was reeds drie uur in den morgen en nog zat Lize met Tante alleen, die steeds onrustiger en benauwder werd. Het verleden scheen haar in de grilligste vormen voorbij te trekken. Nu eens was 't haar man, dan haar Bet, die haar bezochten; ginder wenkte Jakob Stufken, die ze de volle waarheid zei; toen traden ai de Mevrouwen op den voorgrond, wier wasschen zjj geredderd, wier goed zij dikwijls weggemaakt en dubbel betaald had. 't Was een eindelooze twist. Eindelijk werd zij bedaarder en dauwde een schijnbaar weldadig zweet op het voorhoofd. Lize vatte het ten minste zoodanig op en voedde hoop, niettegenstaande Tante dien nacht herhaaldelijk aan haar man en haar Bet had verzekerd, heel gauw bij hen te zullen zijn.
«Opstaan... afscheid nemen!quot; zeide zij bij het aanlichten van den dag; en hoe Lize, die haar nog niet goed bij het hoofd dacht, haar ook op andere gedachten wilde brengen, zij bleef er op staan en richtte zich ook ten laatste aan de beddek wast in de hoogte.
242
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Ik wil opstaan,quot; zei ze. «Zijn de meiden op? Niet? En 't is al over zessen. Eoep ze, Lies! Ik wil ze zien, om mij te overtuigen dat ze op zijn. Zoolang ik er nog ben, zullen ze naar mijn pijpen dansen.quot;
Weinige oogenblikken later zat zij in haar stoel, door Lize gesteund, daar ze anders gevaar had geloopen neer te vallen. Al de dienstboden stonden om haar heen met neergeslagen oogen, sommigen zelfs met een punt van het sergie-boezelaar voor het gezicht.
»Zoo, dan toch op!quot; zeide zij. »Ik wou jelui voor het laatst zien. Je hebt me gediend ... 't was er dikwijls naar ... maar toch gediend... Heb je wat op me te zeggen? Zeg het dan hardop, dat zijquot; â op Lize wijzende â »het hoort.quot;
jgt;Je waart een goeje vrouw voor ons,quot; stotterde Louw.
»Lieg niet; 't woord goed hoort er niet bij.. . Wees in je volgenden dienst wat meer bij de hand. Werk meer en praat minder. Loop niet als achter een kruiwagen met den slaap in je oogen en blijf eerlijk en trouw; want dat was je, man! En wat heb jelui nog .. . ? Gauw, of 't is te laat!quot;
»Je was miserabel sikkeneurig, maar er komt er geen, die het je verbetert. Je hebt me de hand uit de mouw leeren steken. Je was best voor ons, al was je hard,quot; dus luidde het getuigenis van Trui, dat door allen beaamd werd door een stommen hoofdknik of een luid snikken.
5Lies, denk aan de arme stumperts!quot; fluisterde de zieke heel zacht. Zij bleef een oogenblik voor zich uitstaren, terwijl haar vingers aan de deken plukten, die haar dekte. »Benauwd, Lies! Jou wil ik 't wel zeggen,quot; stamerde zij. »Bid voor me, hardop! Het Onze Vader, dat's kort en krachtig. Lies!quot;
En Lize, de beide armen om Tante geslagen, wier hoofd tegen haar boezem rustte, verhief haar zilverheldere stem en bad langzaam, de oogen omhoog geheven. Alle aanwezigen bogen het hoofd en vouwden de roede, ruwe handen; sommigen prevelden de bekende woorden meê. Toen Lize de bede: »üw koninkrijk kome,quot; uitsprak, voelde zij Tantes hoofd loodzwaar worden, en bij het: »vergeef ons onze schulden,quot; voelde zij een zachten druk van Tantes vingeren: maar toen zij het »Amenquot; uitsprak was alles voorbij, was Tante ontslapen.
Geen van allen sprak, hoewel ieder wist dat de dood gekomen was. Weinige hunner hadden ooit een lijk durven zien : toch bleven zij staan. »De Vrouwquot; heerschte nog over hen na haar dood.
Lize sloot Tante de oogen en drukte een kus op het nog klamme voorhoofd: »Ge waart altijd waar; dat van uw kracht op mij nederdale, edele ziel!quot;
De voetstap eens vreemden werd op den drempel gehoord.
243
HET GEZIS VAN BA.AS ViX OMMEREN.
De Dokter trad binnen. Tot na haar dood toe nam Tante Moes een loopjen met de Wetenschap: de geneesmeester stond voor een lijk.
»Te laat!quot; zeide hij verrast.
^Misschien vroeg genoeg,quot; hernam Lize koel. »Ik had uw hulp gevraagd, niet zij!quot;
Eeeds denzelfden dag bezocht haar de Notaris. Deze gaf haar mededeeling van Tantes laatste testament. »Zij maakte er vele,quot; zei de man met een eigenaardigen glimlach; vooral toen ze nog betrekkelijk jong was, veranderde zij dikwijls 's avonds wat ze 's morgens gewild had. Haar laatste uiterste wil is evenwel vijf jaar oud; het werd opgemaakt éen dag nadat ge van uws vaders boedel afstand hadt gedaan. Begrijpt ge?quot;
Lize knikte bevestigend; zij kon niet spreken en wilde het onderhoud afbreken.
«Neen, ik moet u alles zeggen; 't is noodig om te weten hoe ge te handelen hebt. Bij den dood haars mans heeft zij, hoewel onverplicht, daar zij algeheels erfgename was, een inventaris gemaakt. Daaruit bleek, dat beider vermogen op zestig duizend gulden begroot kon worden. Sedert dien tijd heeft ze zuinig geleefd, vooral in de laatste zes jaren, zoodat haar vermogen thands het dubbele bedragen zal. Wat zij sedert haars mans dood bespaard en verdiend heeft, krijgt gij geheel, en van bet andere de helft. Zij hield niets van haar neef Stevens, maar zij meendt, dat deze recht op de helft had van hetgeen haar man had nagelaten. Stevens was de volle neef van haar man, gij waart slechts haar achternicht. Een vreemde stelling, maar de goede vrouw was zonderling.quot;
«Genoeg! Meer dan genoeg! Ik had Tante niet lief om haar geld, Mijnheer!quot;
»Nog iets,quot; vervolgde hij op denzelfden toon, een toon, dien hij altijd bij »de zakenquot; aansloeg. «Mejufvrouw Moes heeft nog bepaald, dat de bleekerij niet door u mocht worden voortgezet, maar dat de woning u toebehooren en bij scheiding toebedeeld moest worden indien ge dat wenschtet.quot;
»Ik begrijp haar. Ik mocht haar eens willen opvolgen, meenende iu haar geest te handelen, en ben er niet toe geschikt. Zij dacht me nog gehecht aan mijn geboorteplaats en .. . dat ben ik ook, hoeveel er hier ook gebeurd zij, dat mij nóg. .. pijn doet. .
«Ten slotte,quot; zoo vatte de Notaris, die zich al het vroeger gebeurde nog maar flauw herinnerde, weêr het woord op, «benoemde ze u tot exekutrice van haar uitersten wil en droeg ze u op, allen te gedenken die haar bedienden, en daarbij in aanmerking te nemen, dat »wij allen struikelen in velequot;, zoodat de talrijke tekortkomingen barer dienstbaren ditmaal niet te nauwkeurig in rekening
244
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
moesten worden gebracht. Wat gij hun wildet toeleggen moest echter uit uw aandeel in hare nalatenschap worden betaald.quot;
»Lieve, beste Tante! De schel was alleen ruw, de kern was â¬Ãªl. Hoe kiesch! Mij tot weldoen in staat te stellen!quot;
»Hm, hm! Begrijpt ge 't zoo?quot; meesmuilde de Notaris. »'t Kan wezen; ik stelde die bepaling op rekening harer vele zonderlingheden.quot;
»Is 't ook noodig, dat de boedel verzegeld worde?quot; vroeg Lize; »want ik wenschte hier te blijven tot Tante begraven is.quot;
»Daar heeft de overledene op mijn raad voor gezorgd. Dominee heeft de prokuratie van Stevens en die zal u wel spoedig bezoeken. Mij dunkt, dat er geen trouwer bewaakster kon zijn dan Mejuf-vrouw Stufken. Bovendien zijt ge exekutrice.quot;
»Ik geloof, dat ik nu alles weet wat ik te weten heb,quot; zeide Lize, waarna de notaris naar zijn hoed greep. Lize scheen echter nog iets op het hart te hebben, wat moeielijk over de lippen kon komen, en ook de Notaris scheen in hetzelfde geval te verkeeren, zoodat hij zijn hoed weêr neerzette en even knikte.
» Veel zal er in dezen boedel voor een Notaris niet te doen zijn,quot; dus begon hij. »Beide erfgenamen zijn meerderjarig. Alleen memorie van successie, inventaris, scheiding, en . .. misschien verkoop van eenige der vaste goederen. Mijnheer Stevens gaf wel eens blijken mij te wantrouwen, omdat hij geloofde dat ik te veel op uw hand was. Dat was en ben ik ook, maar in alle billijkheid. Hij liep in de laatste dagen veel naar kollega Willems, te U. Ik hoop echter, dat ik op uw afdoende stem mag rekenen waar het de keuze van een Notaris betreft. Ik maakte het testament, en kollega Willems, hoewel een knap Notaris, is een intrigant.. .quot;
»Ik heb zeker niets tegen u. Mijnheer! Dat is u toch gebleken bij de vereffening van mijns vaders boedel,'' zei Lize, eenigzins vreemd. »Maar stappen wij van dat onderwerp af. Nauwelijks sluit Tante de oogen ..
«Zeer juist. Het is ook anders mijn gewoonte niet, om zoo gauw na het overlijden ... ik wacht altijd eerst zes weken, om de wonde wat te doen sluiten ... maar er kan hier periculum in mom zijn, zoo als wij rechtsgeleerden dat noemen. U neemt het me toch niet kwalijk? Mijn naam als Notaris...quot;
»Mijnheer!quot; begon Lize met zachte stem en zich tot hem over buigende, »is de moordenaar van Mijnheer Reaal nog niet ontdekt?quot;
»Ontdekt! Hm, hm! Niet gevat, dat's zeker. Och, laat ons daarover zwijgen, lieve juffer! Het moet u pijn doen, en ik wil daarvan niet de oorzaak zijn, vooral nu niet, nu ge reeds zoo geschokt zijt.quot; De Notaris was veel hartelijker dan straks. Hij was een goed, braaf man, maar hij had ook zijn zwakke zijde. Was 't wel te verwonderen, dat hij, na Lizes verzekering hem als Notaris
245
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
te zullen voorstaan, iets meer dan gewoon voor het lieve kind gevoelde ?
sik zie niet tegen wat pijn op, Mijnheer! Arbeid vereelt, en ge gelooft toch wel dat ik in de laatste zes jaar gearbeid heb? Wordt Kornelis van Ommeren nog altijd voor den schuldige gehouden ?quot;â
»Hij is door zijn onberaden vlucht wederspannig aan de wet verklaard. Dat vonnis verjaart nooit,quot; fluisterde hg met bewogen stem en droef gelaat. »Maar de andere beschuldiging is te niet gedaan door uwe edelaardige handelwijze. Die zaak is uit; dat kan ik u verzekeren.quot;
»En indien Mijnheer van Ommeren,quot; met een zweem van hoogheid sprak zij dat woord Mijnheer uit, »hier terug keerde?quot;
»Laat hij 't niet wagen . . .! Om den wille zijner beide ouders â zij leven immers nog? â moet hij niet terugkeeren.quot; Hij was. zeker vergeten, dat hij tot iemant sprak, die nog nauwer aan den jonkman verbonden was dan vader en moeder. Hij was ook sedert zes jaren in zoo vele zaken gemoeid geweest, dat hij onmogelijk deze, waarin hij eigenlijk niet betrokken was, had kunnen onthouden.
Lize had de hand aan het hart gelegd, maar sprak geen woord meer, zoodat de Notaris thands gerust zijn hoed in de hand kon nemen en na een zeer beleefden groet vertrekken.
»Een hongerende vond in de woestijn een lederen zak. Hij opende dien begeerig: hij dacht dadels te vinden en vond stofgoud... En teleurgesteld weende hij bittere tranen!quot; prevelde Lize toen ze alleen was.
»Wel, wel! Zoo spoedig afgeloopen! En op haar stoel gestorven? Daarin herken ik de Vrouw! Zonder hulp van den Dokter; ja, dat kan ik denken; zonder mij te laten roepen . . . dat had ik anders gewenscht!quot; zoo klonk in de nabijheid de luide stem van den drukken dominee Stins, die van Louw en Trui het verhaal van Tantes dood had vernomen, maar dat telkens afbrak door /.ijn uitroepen. »En waar is het lieve kind? Hier naast? Ik ga dadelijk bij haar. Waarom niet? Als de Notaris er geweest is, dan is 't meer dan tijd dat ik naar binnen ga... Dag, kind! dag, lief juffertjen!quot; riep hij haar op den drempel reeds toe. »Je hebt een kostelijke Tante verloren: de aarde heeft een goed, braaf mensch minder, maar de hemel een engel meer, naar ik hoop en vertrouw; wel was Tante niet kerksch, en ik had dat anders gewenscht, maar ze was een christin in haar handel en wandel. Waar is het, dat ze haar klanten beter van buiten kende dan de boeken van Oud en Nieuw Testament, maar waar ze helpen kon, liet zij 't niet na, en de armen beschouwde ze altijd als een levende herinnering aan den Heer! Wat al te forsch was ze in haar woorden en menigmaal heb ik de ooren moeten toe houden, en dat kon ik, omdat
246
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
mijn oog veel zag wat mij goed deed. En daarom ben ik vast overtuigd, dat de Alwetende, die de harten kent en de nieren proeft, de liefde zal doen pleiten tegen de gerechtigheid en haar de genade zal doen deelachtig worden, die er is in Christus. Amen, Amen!... En nu onze wereldsche zaken! Wij zijn toch niet van de leer dergenen, die altijd met het oog ten hemel staren, â altijd als ze denken gezien te worden, anders draaien zij de kijkers wel ter deeg in het rond, die Farizeën! â wij zijn, herzeg ik, niet van de leer dergenen, die de stotfelijke goederen gering schatten, meenende Gode daartneê dienst te doen â de dwazen! alsof ook die gaven niet van Hem afdalen! En daarom zullen wij hen, die, helaas! in deze goede gemeente in aantal toenemen â sedert je vertrek, lief kind! hebben ze zelfs een kerk gebouwd, waaruit hun neusgezang me dikwijls in mijn pastorie hindert..
Dominee was aan de afgescheidenen, en, op dat punt gekomen, alle andere zaken vergeten. Daar Lize zweeg en den stroom zijner woorden niet keerde, mocht zij hopen, de stof eindelijk geheel te zien uitgeput. Zij had geduld. Terwijl zij op zijn gelaat staarde, waar langs de dikke, grijze hairen heenvielen. dacht zij aan den tijd, dat hij haar onderwees in al wat goed en liefelijk was. Daar was zoo veel menschelijks in hem, zoo veel goedigs in zijn ketter-jagerij, zoo veel eerlijks in zijn oordeel en vooroordeel, zoo veel teders zelfs in zijn afkeuringen en berispingen, in éen woord, zoo veel echt godsdienstigs in den geheelen man, dat ze hem liet uitbulderen, in zich zelve overtuigd dat, zoo hij plotseling eens de macht ontving om zijn verpletterende vonnissen uit te voeren, hij de eerste zou zijn om ze te verscheuren, den door hem veroordeelde op te richten en hem zelfs den broederkus te geven.
XXX.
Het was even zes maanden geleden, dat we Dominee in de bleekerij van wijlen Vrouw Moes verlieten. In dien tusschentijd was hij, als gewoonlijk, overkropt geweest met bezigheden van allerlei aard, waarbij de bereddering van den boedel der »waardige zuster,quot; die de Gemeente ook nog met een legaat bedacht had, niet onder den minst vermoeienden arbeid geteld moest worden. Eigenlijk was zijn taak afgedaan, zoodra Stevens, de bij het overlijden afwezige erfgenaam, op kwam dagen, en deze had daarmeê juist niet lang gewacht. Maar Dominee gevoelde zoo levendig, dat hij Lize en den anderen erfgenaam nuttig kon zijn, zelfs alle opkomende wolken, die aan den hemel der erfenissen
247
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
niet zeldzaam zijn, door zijn raad en vermaning zou kunnen verdrijven, dat hij bijkans geen dag verzuimde aan het kantoor van den Notaris of aan het sterfhuis eens aan te wippen, hier iets vragend, daar iets in overweging gevende, ginds op mogelijke bezwaren wijzend. De Notaris was daaronder het meest gelaten; want na zulk een kortstondig bezoek nam hij telkens, met zijn eigen-aardigen glimlach, zijn Agenda op en teekende daarin een vakatie ten laste des boedels aan, hetgeen het gevolg had, dat Dominee, die alle geschillen zocht te voorkomen, de middellijke oorzaak was van een hooggaanden twist tusschen den Notaris en Stevens, die de ontvangen rekening onderzocht had en een twintigtal der vakaties a een gulden twintig cents per stuk wilde schrappen.
Maar eindelijk was dan toch alles afgeloopen en was Lize, die herhaaldelijk tusschen het dorp en van Ommerens warmoezerij heen en weêr gereisd had, voor goed naar laatstgemelde terug gekeerd. Al de dienstboden waren met een dankbaar hart afgetrokken en de bleekerij was voorloopig gesloten. De helft der overige vaste goederen was aan Lize toebedeeld en tevens eenige goede hypotheken, zoodat Dominee volle recht had lachend tot den voerman te zeggen, toen bij haar in het rijtuig had geholpen: »Voorzichtig rijden, Kees! want je neemt heel wat zakkeu guldens meê.quot;
Hij zelf mocht de voldoening smaken van Stevens een onge-frankeerden brief van dankbetuiging en van Lize, als blijk barer erkentelijkheid, een kostbaar gebonden exemplaar van van der Palms Bijbelvertaling te ontvangen, alsmede van baar te verstaan, dat zij tot de haren was terug gekeerd, maar zich voor een verre reis gereed maakte. Vóór zij die echter ondernam, zou ze Dominee komen verzoeken, als administrateur van haar vermogen op te treden. Weêr een allergewichtigste arbeid die hem wachtte!
»Hoe kunt ge dat alles bijhouden ?quot; vroeg dan ook Cornelie, zijn altoos zwakke echtgenote.
»Wij krijgen kracht naar kruis en verstand naar arbeid,quot; gaf hij wel wat pedant ten andwoord, waarna hij zich ijlings naar de kerk begaf, ten einde de daar reeds verzamelde jeugd, die tot zelfs in Dominees huiskamer tuigenis van haar aanwezen gaf, te kate-chizeeren.
»De bengels!quot; riep hij gebelgd uit. »Ik zal ze dat verfoeielijk misbaar, dat heidensch geweld wel verleeren. 't Is waaratje of ze kettersche kinderen zijn. De belhamel is zeker weêr Jakob van den Berg.quot;
Diens grootouders waren Afgescheidenen!
gt;Wacht, wild gespuis!1' schreeuwde Dominee al van ver met zulk een stentorstem, dat de lieve jeugd, behoorlijk gewaarschuwd, wel een gemeente van jonge heiligen geleek, toen hij binnen kwam. Er was een eerbiedig zwijgen, dat Dominee al wat ontwapende.
248
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Toch lag er nog onweêr in zijn oogen, maar het was een aftrekkend onweCr. Hij sloeg het vraagboekjen na het gewone gebed open, en zag dat hij gebleven was aan den doortocht der kinderen Israëls door de Eoode Zee. De zwerftocht in de woestijn moest nu behandeld worden, 't Was een zijner meest geliefkoosde onderwerpen, en als hij wilde vertelde hij uitmuntend, vooral voor jeugdige ooren en onbevangen harten. Hij was ook in de hoogste mate plastiesch in zijn voorstellingen. Zijn driekante hoed stelde den berg Sinaï voor; alles wat daar omheen lag was woestijn. Daar ginder â hij wees naar de zij waar de kinderen zaten â lag het land van Amalek en Midian â de lieve jeugd had het ditmaal dubbel en dwars verdiend om voor onbesnedenen door te gaan â en heel in de verte het land van Kanailn, overvloeiende van melk en honig, waarvoor hij als zichtbaar teeken den preêk-stoel nam. Nu begon de tocht der hondderdduizenden met de lichtwolk voorop als wegwijzer. De honderd kinderen zaten allen ademloos, eenigen zelfs met een hoogrooden blos van opgewektheid te luisteren. Dominee glimlachte even en knikte dezen en genen toe. Hij had niet gehoord, dat de zijdeur achter hem geopend en er iemant was binnengetreden, zoodat hij werkelijk schrikte toen hij een stem achter zich hoorde en hem meteen iets in de hand werd geduwd.
«Mevrouw zei, dat ik het Dominee dadelijk zou brengen,quot; zei Aagt, de werkmeid.
»Ik wil hier niet gestoord worden!quot; riep Dominee gramstorig.
«Mevrouw is er erg van geschrokken.quot;
»Toch niet heel erg? Geef hier! Een brief?quot;
»Ja, en Mevrouw laat vragen, of we daar vier en twintig stuivers voor moeten betalen? Daar staat op, dat Dominee minister is, zeit Mevrouw.quot;
Hij las; Monsieur Stins, Ministre protestant. Hij brak den brief open en bedacht niet, dat hij daardoor al dadelijk vier en twintig stuivers schuldig werd. Hij begreep den inhoud niet recht, maar maakte er toch zooveel uit op, dat hem een belangrijke, maar zeer treurige tijding gewerd.
«Moet ik .. ?quot; vroeg Aagt, die nog altijd achter Dominee stond, maar verlegen werd tegenover al die jongens, waarvan de meesten baar een langen neus maakten en de bespottelijkste gezichten trokken. «Moet ik .. . ?quot; begon zij nogmaals.
«Wel ja, wel ja, ik kom. Ik dacht, dat je al vertrokken waart. Kinderen, we zullen het van daag hierbij laten!quot; Hij kon daartoe te eer besluiten, daar hij juist genaderd was aan een zeer scabreus punt: de dans der kinderen Israels om het gouden kalf, een feit, dat hij altijd moeite had te vergoélijken en toch zoo graag ver-
249
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
goêlijken wilde, want hij hield veel van de kinderen Israëls: dat wil zeggen, van die uit het Oude Testament.
Hij spoedde zich naar de pastorie, in de linkerhand een pand van zijn jas, in de rechter den geopenden brief. Deze kwam uit Algiers en was geschreven uit een plaats, wier naam hij moeite had uit te spreken. De brief was geteekend door zekeren heer Lionet, lieutenant-colonel du 87e. Zijn jeugdige vriend le capitaine Omère â die franschen zijn toch naambedervers, want Dominee kwam niet dan na herhaalde lezing en na de zaak in haar onderling verband beschouwd te hebben, tot de zekerheid, dat hier Kornelis van Ommeren bedoeld werd â lag te sterven. De fransche hoofd-ofiicier schreef toch, zoo als Dominee, voor wien de letters dansten, en in zijn driftige haast hier en daar een regel overslaande, las, onder meer het volgende: »Ik vervul een treurigen plicht. De achting, die le gros garqon mij inboezemde, doet mij de pen opvatten. In zijn vele batailles gespaard, ligt hij nu neer, reddeloos getroffen door den geduchten schutter, dien men cholera heet. Sterven moeten wij allen, wie kunnen dat beter weten dan wij ? en als le gros garqon een blauwe boon in hart of hersens gekregen had, dan had ik hem adieu gezegd en daarmeê uit. Maar op een brits te liggen krimpen en als een oud wijf te kermen, dat's meer dan ik le bon Diea vergeven kan ...quot;
Hier poosde Dominee een oogenblik en haalde diep adem.
»Dat's een heiden!quot; zuchtte hij. »Welk een lichtvaardigheid! En dat was de vriend van Kornelis!quot; Hij vervolgde: »Ik weet niet of deze brief ooit aan zijn adres zal komen, want ik geloof niet dat er een post is, die tot aan de Noordpool gaat, maar toen ik le pauvre Omère van morgen in de ziekentent bezocht en van den chirurgijn-majoor vernam, dat alles vóór den middag met hem gedaan zou wezen, toen ik den goeden jongen eenige klanken hoorde uitbrengen en zijn reeds gebroken oog zag staren op een ring aan zijn vinger, toen begreep ik quit y avait une histoire intime. Ik opende zijn portefeuille ... ik vond brieven in een onbekende taal en op een lijstjen eenige namen, waaronder de uwe, bij wien hij zijn eerste kommunie schijnt gedaan te hebben. Aan zijn ouders begreep ik niet rechtstreeks te moeten schrijven; want al heelt men jaren achtereen in 't open veld doorgebracht en menig vv.ilen bedouïn en kabyl in het zand doen bijten, toch weet men nog wel wat een vader of een moeder is. Eh bien... brisons la dessus!quot;
»De vent valt me toch nog meê,quot; mompelde Dominee, die middelerwijl op zijn studeerkamer was aangekomen. »Dat Eh bien is weer fransche slag, maar die man des bloeds heeft toch sentiment.quot;
»Den ring, dien ik van zijn blauw verstijfden vinger trok, voeg
250
HET GEZIN VAN BAAS VAX OMMEREN.
ik hierbij. »Lucie!quot; geloof ik dat de jongen prevelde terwijl ik het deed; zeker de naam de la belle inconnue.quot;
â » Lucie! Lucie! Daar heb ik weer tekstkritiek bij noodig,quot; bromde Dominee. «Maar de konjektuur is makkelijk: Lucie dat is: Lize. Wat zijn die franschen toch oppervlakkig!quot;
»3fe respects aan haar, indien ge haar mocht kunnen uitvinden . .. Daar knettert weêr het geweervuur en hoor ik in de verte het Allah-geschreeuw. Wij moeten weêr aan den dans! Ik slaap misschien nog eer dan mijn vriend Omère. En avant, toujours en avant
»Een Hottentot heeft nog meer geloof!quot; zuchtte Dominee.
»Een heet vuurtjen zal 't geven; tien tegen een. Maar, mon brave, ik schat uw tocht naar de ouders en het liefjen van Omère nog zwaarder dan de mijne.quot;
»Daar heeft hij gelijk in. 't Is tóch een christen,quot; riep Dominee verzoend uit. »Arme Kornelis, maar hij heeft den strijd gestreden! Neen, arme Lize, arme ouders!quot;
Het was doodstil in de pastorie, 't Was ook de dag, dat Dominee na de katechizatie gewoon was zijn preek voor Zondagmorgen te beginnen. Van de kindermeid af tot aan Mevrouw toe gehoorzaamde ieder het consigne voor dien dag: stilte, door niets gestoorde stilte.
De keukenmeid deed haar krakende schoenen, de werkmeid haar klompen uit en liepen op haar kousen. De kinderen gingen met de Gouvernante uit wandelen of, bij regen, in het tuinhuis spelen en leeren. Mevrouw nam de gelegenheid waar om de breuken te boeten, door het wilde volkjen in bijna ieder kleeding-stuk aangebracht. Zelfs de enkele huismuis, die de groote kater nog gespaard scheen te hebben, waagde het dien dag niet dat gedeelte van den zolder te bezoeken, dat over de studeerkamer heen liep. Mevrouw, die Dominee in de verte met den geopenden brief had zien aankomen, maar wetende wat dag het was, had het niet gewaagd hem tegen te treden, om hare nieuwsgierigheid â en de goede vrouw was nieuwsgierig van aard â bevredigd te zien. Misschien kon die geheimzinnige brief, welks inhoud zij echter vóór den avond wel zou weten, Dominee de aanleiding geven tot een tekst, en een tekst was voor een preek, zoo als haar echtgenoot verzekerde, wat de wortel was voor een boom. Die teksten, die teksten! Dominee kon er dan dikwijls danig om verlegen zijn.
»'t Was dus doodstil geworden, toen Dominee, door het achterhuis binnen gekomen, langzaam den trap opgeklommen en de studeerkamer was ingegaan, waarvan hij de deur, niet zoo als gewoonlijk, geweldig achter zich toegeslagen, maar, zeker in gedachten, aan had laten staan.
Daar klonk eensklaps op het portaal zijn luide stem, die een
251
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
der dienstboden riep, om dadelijk bij van Nes een rijtuig te bestellen. »Hij moet dadelijk voorkomen, dadelijk, hoor, Aagjen!quot; klonk en weergalmde het door het huis.
Dominee had een besluit genomen en was gewoon er dadelijk uitvoering aan te geven. Zijn echtgenote trilde beneden, toen zij die stoornis in het stille huis vernam en nog meer toen zij hoorde, welk een last er gegeven werd. Een en ander moest met dien brief in verband staan. Schoorvoetend klom zij naar boven, waar zij tot haar verbazing de deur der kamer waag en wijd open vond staan en Stins met groote stappen op en neer zag wandelen.
»Een heet vuurtjen zal 't geven. Vechten, tien tegen een!quot; mompelde hij.
»Lieve hemel, wat hoor ik! Stins, op uw leeftijd! Denk eens, uw ambt! Vechten, lieve man? Een man en vader!quot; riep Cor-nelie uit.
»Wat ik te doen heb is nog zwaarder dan dat,quot; hernam hij. »'t Is zoo als de snorbaard zegt, zeker zoo'n vechtersbaas als we in onze jeugd in het leger van Napoleon gezien hebben! Hou me niet op. Vrouw! Is Aagjen nog niet heen?quot; en meteen zag hij het raam uit, dat het uitzicht gaf op den weg. Daar liep de lange werkmeid op haar gemak te kuieren.
)gt;Maar wat is er dan toch ?quot; vroeg Cornelie.
»Wat er is? Kornelis van Ommeren is heel ver hier van daan aan de cholera gestorven.quot;
Cornelie haalde ruimer adem: zij had zich iets ergers voorgesteld, iets wat haar van meer nabij betrof.
»Heb ik van mijn leven!quot; riep Dominee eensklaps uit, terwijl hij voor het raam stond te stampvoeten. »Daar staat me die Aagt op haar gemak een praatjen te houen en ik heb zoo'n haast om vóór den nacht weêr thuis te zijn. Stuur haar de andere meid achterna!quot;
»Maar die is bezig . ..quot;
Hij had reeds het raam opgeschoven en stak het hoofd er door heen. De kracht van Dominees stem was bekend, en eenige rechtzinnige kerkeraadsleden wilden beweren, dat hij voornamelijk daaraan het beroep te danken had gehad: maar wat hij nu aan kracht ontwikkelde ging al het vroegere ver te boven. Het was maar éen lange uitroep van den naam Aagt, maar bij dien roep stovea uit den kastanjeboom, die ter zijde stond van het venster, de duiven, vinken en musschen weg, kortom al het gevogelte dat er in huisde, staakte de timmerman, die in de buurt aan het werk was, zijn arbeid, keek de Notaris 'over het chasinet van het kantoorraam en draaide de schuldige, tot over de ooren kleurende, zich om.
»Stins, Stins!quot; klonk het achter hem. «Dat geeft weêr gepraat. Laat dan maar liever de keukenmeid ..
252
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN. 233
»Niet meer noodig. Ze maakt beenen, de babbelaarster! Ze holt waratje! Nu, dat heb ik haar niet gezegd... maar 't is haar konscientie.quot;
»Moet ge niet eerst wat eten?quot;
»Neen, als ik terug kom. 't Is een zware tocht, vrouw! Die goede luidtjens! Ik moet een jobsbode wezen ... Een zware tocht! Toch had ik niet gewild, dat die aan een ander ware opgedragen. Ik hoop te kunnen troosten, maar nóg zie ik niet in, hoe ik het 't best zal aanvangen. Maar de Heer zal het mij wel op de lippen leggen ...quot; en zoo ging het voort, soms gebukt onder het gewicht zijner tijding, soms bemoedigd door de kracht, welke hem zijn geloof schonk, weinig andwoordend op de bezwaren zijner gade, die hem wilde bewegen de reis tot morgen uit te stellen en middelerwijl de zaak goed te overleggen.
Daar stond de foergon voor en de hijgende werkmeid er achter.
»Denk er ten minste aan wat klein geld voor de tollen meê te nemen,quot; zeide Cornelie, die allen verderen tegenstand opgaf. Een kwartier later draafde het rijtuig reeds het dorp uit, met twee personen, waarvan de een een open brief in de hand hield, dien bij nogmaals doorliep.
XXXI.
In het huis, dat Dominee te gemoet snelde, had de welvaart haar intrek genomen, hetgeen reeds van buiten kon worden bespeurd. De moezerij was verdwenen en had plaats gemaakt voor de fijnste bloemen en heesters. Het vroeger vervallen huis had van boven tot beneden een nieuw kleed ontvangen, en bij het venster van de slaapkamer der oudtjens hing een sierlijke vogelkooi met een helder fluitende lijster. Daar binnen waren de bakken verdwenen en vervangen door een planken vloer, waarover een nieuw kleed lag. De meubels, waaraan de oudtjens gehecht waren, stonden er nog, maar hersteld en opgeknapt, en om de tafel prijkten twee gemakkelijke leunstoelen met zachte kussens, waarop Moeder niet dan na herhaalden aandrang waagde neer te zitten, maar die zij, eenmaal bezeten, heerlijk vond. »Lize is rijk en ze is ons kind geworden,quot; had van Ommeren tot zijn vrouw gezegd, »het zou haar verdriet doen als we niet aannamen wat ze ons biedt. Nu is 't eerlijk geld. Voor de moezerij word ik ook te oud en is Hein te slaperig. Alles was toch op het lieve kind neergekomen en op Klaartjen, wier man genoeg heeft aan zijn eigen gezin.quot;
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Nooit hadden ze Lize zoo gezien als toen ze haar erfenis meè had gebracht en de akte van scheiding en de eigendomsbewijzen der toebedeelde vaste goederen en de grossen harer hypotheken vertoonde. Nu was er een goede oude dag aanstaande; nu moesten Vader en Moeder eens kiezen wat zij het liefste hadden. Dat was voor beiden een benauwd oogenblik geweest. Hunne behoeften waren zoo gering en daarin was steeds door Lize zoo ruim voorzien. Van Ommeren had daarom zijn vrouw en deze weêr genen aangekeken.
5gt;Ik hield altijd veel van een lijster,quot; zeide ^ïoeder eindelijk schoorvoetend en wel een beetje kleurend.
»Ik veel van kaktussen,quot; bracht hij stotterend uit, »maar Hein zal ze bederven.quot;
»Geen nood; daar zal ik wel voor zorgen. Hein is wel voor niets meer geschikt, toch moet hij niet heengaan, vooral nu niet. Wie weet of ik niet een lange reis dien te ondernemen,quot; zeide Lize.
»Ons verlaten? Ons kind ons verlaten!quot; riepen beiden verschrikt uit.
«Hij is haast vrij!quot; fluisterde zij. »Ik heb dit geld zoo lief, omdat het u van zorgen ontheft en mij hém hergeeft. Maar geen woord daarvan in Heins bijzijn. Hij is in geen dagen te gebruiken, indien we Kornelis' naam maar noemen.....quot;
Blijde en tevreden gingen de dagen voorbij. De lijster floot in de kooi, de bloemen geurden in den tuin; de oudtjens voelden zich als verjongd bij de rust, die hun geschonken werd. Hein deed veel minder werk dan vroeger, maar behoefde daarvoor denzelfden tijd en vroeg naar niets en verwonderde zich over niets. De man was stiller en stiller geworden. Hij sprak meer tot zich-zelven dan tot anderen en vloog op Lizes wenken. Hij kon lomp en wrevelig zijn jegens de oudtjens, maar was altijd zelfs onderdanig voor Lize. En deze ... ? Zij had zich van den arbeid ontheven, die haar zoo zwaar viel; zij had haar scholieren uit den deftigen stand bedankt, maar in de plaats daarvan eenige uit de buurt aangenomen: een paar schrandere, maar wilde jongens met ferme bruine kijkers en roode wangen, â discipels, wien zij kosteloos onderwijs gaf. Hier geen mamaas, die haar bedilden en partij trokken voor de leerling tegen de onderwijzeres, zooah ze zoo dikwijls had moeten ondervinden; hier geen burgertrots, die veel kwetsender is dan de hooghartigheid van den geboren edelman. Zij was vrij en mocht van haar kennis â de vrucht van ijverige en gezette studie â en van de opgedane levenservaring gebruik maken zooals zij dat het best en voordeeligst achtte. En in haar vrije uren, als ze niet met Vader diens fijne gewassen bewonderde of met Moeder over Klara en de vier kleinen sprak, mocht zij
254
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
genieten op haar kamer, die bevallig en smaakvol gemeubeld was en met een sierlijke boekenkast prijkte, gevuld met hare lievelings-uuteurs. Soms, dikwijls zat ze, plotseling het rijk der idealen waarin zij vertoefd had verlatende, in gepeins verzonken, terwijl een weemoedige trek zich op haar gelaat vertoonde. Het was als ze niet meer vermocht te stameren: »die gelooven haasten niet!quot; Het was alsof de toekomst voor haar in donkere wolken schuil ging en het anker der hoop haar dreigde te begeven.
Zoo was het echter op dezen Oktoberdag niet. Een maand geleden had zij weder een brief ontvangen, waarin Kornelis op een aanstaande vereeniging had gedoeld. Duidelijk waren zijne woorden niet geweest! Hij was als kapitein overgeplaatst bij de linietroepen en kon over een paar maanden verlof aanvragen! Eerst moest er echter nog een kampanje gemaakt worden, van weinig beteekenis evenwel. Het gerucht ging, dat de streek, die zij door zouden trekken, ongezond was, maar zijn lichaam was door ontbering en vermoeienis gehard en even als zijn wil gedisciplineerd. Meermalen waren epidemiën langs hem heen gegaan zonder hem te deeren. In zijn volgende zou hij opgeven waar hem brieven konden geadresseerd worden. »We zijn de overwinning nabij, liefste!quot; zoo was hij geëindigd. »Er is in zegepraal verkeerd wat wij als een verpletterende nederlaag beschouwden. Tot spoedig weerzien alzoo, vaarwel!quot; Zij had nu den brief weder voor zich, en haar oogen glinsterden en haar boezem zwoegde van blijde verwachting. Voor de honderdste maal misschien telde zij op wat zij voor de reis naar Parijs of zelfs Marseille noodig zou hebben, want ze was besloten, zoodra de toegezegde brief met het beloofde adres was aangekomen, hem te zullen schrijven dat zij hem te gemoet ging reizen. O dat wederzien! De gedachte er aan deed haar trillen van vreugde, deed haar verbleeken van aandoening! Zij zag op en bespeurde op den weg een welbekende gedaante. Het was Klara, de rjjke moeder, maar wie de aureool der maagdelijke reinheid nog altijd scheen te omzweven. Het glanzig blonde hair golfde nog steeds in rijke krullen langs de slapen neêr en gehoorzaamde schier onwillig den band, waarin het op het achterhoofd bevestigd was. Er lag een hemel in die oogen, zoo scheen het ten minste Lize toe, als zij in oogenblikken van neerslachtigheid er in staren mocht. Ook voor Klaraas gezin was de zon van voorspoed opgegaan; want Evert, die eerst in het klein was begonnen, had ter rechter tijde bijstand van Lize ontvangen. Geen geld werd ooit beter uitgezet. De banden, die Evert beknelden, werden losgemaakt; de energie en de kunde, die er in hem scholen, mochten vrij de vleugelen uitslaan. Het zorgvolle gister was vergeten en een zonnige toekomst lachte hem toe.
»Wat lieve verrassing!quot; juichte Lize Klara tegen. »Hebt ge
255
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEEEN.
Kornelis of mijn naamgenoot niet meê gebracht? Dat is jammer, bang Moedertjen! Wat is 't? Moê van de wandeling?quot;
»Ja, wel wat!quot; klonk het andwoord. »Alles is hier toch wel?quot;
jgt; Zeker. Vader en Moeder doen hun middagdutjen. 't Is een lust om hen ieder in hun stoel te zien liggen. Moeder durft eerst sedert kort het trijp der zitting aan. Het voornemen was er een hoes overheen te trekken, maar ik weigerde er iets aan te doen; toen moest ze 't wel opgeven.quot;
«Pas op, Lize! we hooren alles!quot; riep Vader, die wakker was geworden.
«Allebei al wakker!quot; zeide Klara werkelijk beangst.
ïWel, wel Klaralief!quot; riep Vader, sdat's braaf van je. Ik en je Moederquot; â voor twintig jaren zou hij het woordjen ik de tweede plaats hebben gegeven â «hadden al afgesproken je morgen te gaan bezoeken. Heeft Lize je al meê gedeeld wat ze met de bleekerij van Tante wil doen? Dominee Stins moet in den arm genomen, en als de oudste jongen van Hein goed oppast, dan wordt hij er in gezet. Een goed plannetjen, hè? Lize is het waard rijk te wezen, hè? Ja dat is ze!quot;
«Werkelijk goed verzonnen!quot; zeide Klara, maar het was Laar aan te zien, dat ze niet wist wat ze zeide. Zij was op den eersten den besten stoel neergevallen en rilde.
«Kind, je bent niet wel,quot; merkte Moeder bezorgd aan.
«Of er is iets wat haar beknelt,quot; viel Lize haar strak aanstarend in.
«Ik ben wel wat ontsteld,quot; zeide ze met een flauw glimlaehjen. «Een verre neef van Evert, die in de Oost was en op zijn terugreis stond, is plotseling ziek geworden ....quot;
«Een neef? Welke neef? ik hoorde nooit, dat hij een neef had in de Oost,quot; zei Vader.
«'t Was dan ook een verre neef....quot;
«En je trekt je dat zoo aan?quot; viel Lize in, terwijl haar oog onbewegelijk op haar bleef rusten.
«Ja, om de bijzondere omstandigheden .... Maar je hebt gelijk, het is dwaas om het zich zoo aan te trekken; ik denk dat ik geschrokken ben; 't viel Evert ook zoo plotseling op het lijf. Daar kwam een brief. Evert dacht hem al op het schip en nu hoorde hij op eens dat zijn neef dood was. ..quot;
«Wat heeft hem gescheeld?quot; vroeg Moeder.
«Hij kreeg de cholera.quot;
«Dat vind ik vreeselijk!quot; vervolgde Moeder. «Ik ben voor geen ziekte zoo bang. Ik herinner mij nog als den dag van gisteren het jaar '35. We moesten alle een zeemleêren lap op de maag dragen, en de Burgemeester liet op last van onzen Koning aanzeggen wat we in huis moesten hebben. Maar, kindlief, denken we daar niet
256
IIKT GEZIN VAX BAAS VAX OMMEREN.
meer aan! Als men er bang voor is kan men bem krijgen, en de Oost is zoo ver bier van daan.quot;
»Ik moet je toch min nieuwen kaktas laten zien!quot; zei Vader, baar bij de band nemend.
»De cholera kan wéér in aantocht zijn. Ik las, dat bij in Egypte zich reeds vertoond had, en in Algiers ook .... zegt Evert,quot; merkte Klara huiverend aan.
Lize neep den batisten zal.Jotk in de trillende vingeren. jgt;Waar las hij dat?quot; vroeg ze met heucbe stem.
jgt;Je schrikt er ook vr.H; niet waar? Juist zoo als ik. De ziekte van dien neel' deed ons dadelijk denken aan onzen . . ..quot;
»God bescherme hou1! God ^ij ons genadig!quot; riep Lize doodsbleek uit. »Nu kan ik begrijpen dat ge ontsteld waart, Klara! Toch l.ad ik gewild dat ge 't hadt kunnen zwijgen. Mijn rust is verdwenen.quot;
«Gekheid! Gekheid!quot; voerde Vader haar te gemoet. » We hebben voor heeter vuren gestaan en zijn niet gezengd .... Kom, ik moet haar toch mijn kaktus laten zien .... Klara beeft er verstand van, nog wel zoo veel als onze Lize.quot;
Hij troonde beiden meê en hield de deur, die in den gang uitkwam, open. Maar eensklaps deed hij een stap terug, want daar stond werkelijk Dominee Stins, dien hij in jaren niet gezien bad, voor hem.
Dominee zag het eerst het betrokken gelaat van Lize, toen de verwondering op dat van den ouden man, een aandoening, die bij voor schrik hield.
»Ja, ge kondet me wel verwachten, niet waar ? In bet klaaghuis kan ik nuttig zijn .... en de vertroostingen onzer heilige Godsdienst. . . .quot;
«Dominee!quot; riep Klara, maar baar waarschuwing kwam te laat. Door Lizes brein schoot een vreeselijke gedachte. Zij lei beide banden op Dominees schouder, alsof ze zich aan zijn forsche gestalte wilde steunen. Haar oogen stonden star, haar wangen waren albastwit, haar lippen beefden en met gesmoorde stem grauwde ze hem toe: »Zeg alles, zeg het vreeselijkst; zeg dat hij dood is, gestorven aan de cholera!quot;
»Lize!quot; riepen Vader en Moeder; en gene haar handen vattend voegde er bij: »Kind, kom tot u zelve! Kijk niet zoo vreeselijk! werp die gedachte van u; ze doodt ons allen.quot;
257
»Is het waar of niet waar, Dominee?quot; vroeg Lize gebiedend. Zij trilde zóo hevig, dat ze den verslagen man schudden deed, die nu eerst de gevolgen zijner overijling in al hun omvang overzien kon. Wat zou hij andwoorden? Liegen kon en mocht hij niet; de waarheid zeggen waagde bij evenmin. Hij bad gedacht zijne maatregelen zoo goed genomen te hebben. De bedaarde Klara, die bovendien als echtgenote en moeder zoo vele andere tedere ban-
17
BAAS VAN OMMEREN.
iikt gezin van haas van ommeren.
den kende, zou het best geschikt zijn de haren vool- te bereiden. Tot zoo ver had hij goed gezien. Klara had zich uitnemend van haar taak gekweten, maar was minder ver gevorderd dan hij het zich in zijn drift had kunnen voorstellen. Toen hij besloot zelf eens poolshoogte te nemen en den schrik op de gelaatstrekken bespeurde van hen, die hij het eerst ontmoette, dacht hij dat de wonde geslagen was en hij bij tijds kwam om haar te zalven. Vreeselijke teleurstelling! Hij was de oorzaak dat er geschiedde wat hij had willen voorkomen. De plotselinge schrik kon doodelijk zijn! Zijn hart kromp ineen; het zweet dauwde op zijn voorhoofd; en nog altijd staarden die donkere oogen van het half wezenlooze meisjen hem aan; nog altijd voelde hij de trillingen van haar lichaam; nog altijd hoorde hij dezelfde rauwe stem hem vragen; »Is het waar of niet?quot;
»Het is waar!quot; klonk het dof van zijn lippen. »Lize, kind! denk aan de ouders ... zij moeten zoo niet op eens . .
»Dus dood! dood!quot; riep zij op een toon, dien Dominee nooit vergeten zou; en ze sloeg aan zijn voeten neer.
De oude vrouw zat als bewusteloos voor zich te staren, haaiman naast haar met het hoofd op de ingevallen borst. Dikke tranen druppelden langs de bleeke wangen.
»Wij zullen wel gauw weör bij hem zijn,quot; Ãuisterde hij tot zijn vrouw, die niets hoorde, niets verstond, »maar onze Lize, vrouw, die nog zoo jong is ...!quot;
»Mijn jongen, mijn eenige, dood!quot; stamelde ook zij eindelijk en borst in tranen uit.
»Goddank!quot; fluisterde Klara, »ze kan schreien!quot; en het hoofd van het oude moedertjen vleide zij zacht aan haar boezem. Zij. die zelve Moeder was, kon gevoelen wat er geleden werd. Indien zij eens een harer kinderen moest afstaan .. .! veel liever bracht zij zich zelve ten offer!
Lize had de oogen weêr opgeslagen, dank zij de hulp, haar door Dominee verleend, die haar geen oogenblik verlaten had en zoo veel mogelijk trachtte goed te maken wat bedorven was... ook door hem. Toen zij haar bewustzijn herkreeg, lachte zij hem eerst vriendelijk toe, stamelde zij haar dank, en bestrafte zij zich zelve over hare zwakheid. »Het zal hier wat warm zijn geweest,quot; zei ze. Maar de herinnering keerde spoedig terug en toen sloeg zij beide handen aan het hoofd en bleef ze dat vasthouden als ware ze bevreesd het te verliezen. «Vertel mij alles. .. zoo scherp mogelijk. Misschien verlies ik er mijn verstand door! Dat zou de grootste zegen zijn; maar omdat bet dit zou wezen, zal het mij wel niet worden gegeven.quot;
»Kind, niet aldus! Wat ge in de ure der benauwdheid zegt, zal de Heer u niet toerekenen, maar ..
258
HET GEZIN' VAX BAAS VAN OMMEREN'.
»6een troost... geen stichtelijke toespraken .... geen slaapdrank, die me zoo lang reeds deed dommelen! Vertel mij alles'.quot;'
Dominee gaf haar den brief. Ze dwong zich te begrijpen; dat het baar gelukte, getuigde voor haar geestkracht. Zij herlas wat zij gelezen had.
»Waar is die ring?quot;
Dominee reikte haar dien toe. Zij kuste bet kleinood hartstochtelijk.
»Die ring zal met mg begraven worden, 't Is wreed, 't is wreed!quot; fluisterde zij een oogenblik later. »Dat ik ademde, het was voor hem; dat ik arbeidde, dat ik de kracht, die in me was, ontwikkelde, de zwakheid van dit hart overheerschte, het was voor hem. De aarde was mij woest en ledig, maar ik zag het niet; want ik stond slechts naar éen plek te staren, naar het verre verschiet van waar hij komen moest. Zoo stond ik jaren, jaren lang. .! en 't was vergeefs . . . En men zegt, dat de rede een gave Gods is!quot;
»Dat is ze, en het lijden is ook een gave Gods!quot; viel Dominee in.
»Gij kunt het prediken, oude man! Ge ontvingt misschien zelden die gave, en zoo ja, dan kuut ge er toch niet dikwijls meer meO gezegend worden, want ge zijt oud. Niets meer!quot; gebood ze, toen ze hem gereed zag tot spreken. Zij nam den brief weder ter hand. »Die brief is bijna vier weken oud ... en vermeldt niet dat hij gestorven is!quot; riep ze eensklaps, terwijl een hoog roode klem-plotseling het marmerwit van haar wangen verdrong. »Vader, Moeder! daar staat niet in dat hij dood is, wel dat hij erg. heel ziek is . . .quot;
»Juist, Lize!quot; hernam Dominee, langzaam en met nadruk. »Wat ge daar zegt heb ik ook gedacht. Maar die brief is vier weken oud en door geen ander gevolgd. Vlei u niet; ik mag niet toelaten dat ge 't doet. Het tweede ontwaken zou nog vreeselijker zijn dan het eerste.quot;
En daar in den hoek der kamer stond een lange gedaante, onbeweeglijk luisterend. Van onder de lange sluike hairen, die over de wenkbrauwen vielen, flikkerden een paar gloeiende oogen. Het was Hein, die, onbemerkt binnen gekomen, alles had aangehoord en Dominee naar buiten volgde, toen deze de wanhoop in diepe droefheid verkeerd zag. Het was veel later geworden dan hij verwacht had. Vrouw en kinderen zouden ongerust zijn, maar hij dacht daaraan niet. Spijs noch drank had hij genoten: hy gevoelde het niet; innig medelijden vervulde hem. Hij bad dikwerf men-scbelijke ellende en smart van nabij aangestaard, maar zelden toch waar ze zóo veel adel der ziel, zóo veel zedelijke reinheid kwetste en dreigde te vernietigen. Hij beloofde spoedig terug te komen.
259
HET GEZIN VAN BAAS VAK OMMEREN.
De eenige, die hem daartoe aanmoedigde, was Klara, die als een troostende engel rondzweefde, en Vader, Moeder en Lize woorden toefluisterde, die als balsem neerdrnppelden in de schrijnende wonde.
Gereed het rijtuig in te stappen, voelde Dominee zich op den schouder tikken. Hij keek verschrikt om.
»Een goeje fooi voor je boodschap!quot; zei Hein, terwijl hij hem iets in de hand stopte wat later een goud tientjen bleek te zijn. »De Satan is dood!quot; riep hij het rijtuig nog achterna; en Dominee kon niet nalaten te huiveren bij den schaterlach, die deze woorden vergezelde.
XXXII.
De strenge winter was weder voorbij. Het lauwe zuidenwindtjen verjoeg de koude en streek koesterend over de aarde. Het was zondag. Een heilige rust lag over het liefelijk dorp, dat zich weder verschool in het groenend geboomte. Wie ooit een zondagmorgen op het land genoot, kent den verheffenden indruk, die zich van ieders gemoed meester maakt. In de smidse is het vuur uitgedoofd en elke werkplaats is ledig. Door de reine lucht komt het eerste klokgeluid, en tot uit de nederigste woning treedt de dorpeling in zijn netste kleeding te voorschijn. Het is of de stemmen der natuur luider spreken, naarmate die der menschenwaereld zachter fluisteren; de zwaluw uit haar nest onder het rieten dak, de vink en lijster van de groene twijg of de heg van geurenden meidoorn, de bij en de myriaden insekten in de heldere en zoele lucht.
De schoolmeester, tevens koster, vergrijsd, maar toch met hooger opgeheven hoofde dan toen wij hem het laatst zagen, want Mijnheer Reaal had gelukkig geen opvolger in het schrikbewind gehad, trad, nadat het eerste klokgelui verstomd was, naar de Pastorie en kwam er het gezangbriefjen halen, alsmede de opgave »van dat gedeelte van Gods heilig woordquot; dat de aandacht der C4emeente zou bezig houden vóór Dominee op stoel kwam. De Burgemeester gluurde nog en profond négligé door een reet van het gordijn, dat de vensters zijner slaapkamer afsloot, naar buiten, zag dat het mooi weêr was en bestelde zijn best laken rok en broek en zijn fijn overhemd met jabot. De veldwachter was reeds in aantocht, om bij den Burgemeester de huwelijksafkondigingen te halen, die na afloop der morgen-godsdienstoefening bij het hek van het kerkhof aan een nieuwsgierige menigte zouden worden
260
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN'.
meégedeeld. Ditmaal had hij nog iets bijzonders te brengen wat in geen maanden het geval was geweest; een grooten brief, met een rood lak verzegeld, waarin afgedrukt stond: Parket van den Officier van Justitie.
Op zijn wandeling naar het huis van zijn superieur had hij slechts een heer ontmoet, die van den kant van het naburig stadtjen langzaam het dorp doorwandelde en telkens stilhield als om de woningen, die hij voorbij ging, op te nemen en gewaar te worden wie er zich in bevonden. Die handelwijze had zijn aandacht getrokken, meer echter nog het voorkomen des vreemden. Diens gelaat was bruin en verbrand, maar droeg nog het merk van vroegere schoonheid, hoewel een diep litteeken schuins over het voorhoofd liep en de linkerwenkbrauw doorsneed. Een dikke moustache sierde de bovenlip; een stoute blik lag in het oog, dat vrij in het rond blikte. Een fijn laken jasjen en pantalon van lichte zomerstof kleedde hem los en bevallig, en het roode lintjen in het knoopsgat aan de linkerzij boezemde hem een grooten eerbied in. Hij gaf dat dan ook in een nederigen groet te kennen, welke slechts even werd beandwoord door den vreemden Heer â zeker een logé van een der buitenplaatsen â die juist al zijn aandacht wijdde aan het huis van den notaris.
»Ik iieb dien banjert meer gezien!quot; meesnmilde de handhaver des vredes en het oog der dorpspolicie, terwijl hij verder schreed. Een oogenblik later was hij evenwel de ontmoeting voor de bezigheden van zijn gewichtig ambt vergeten.
Een half uur geleden zouden wij dien vreemde hebben kunnen zien stilhouden bij het buiten, dat de rijksontvanger bewoonde, maar vroeger behoord had aan Jakob Stufken, onzaliger gedach-tenisse! Hij, die het in openbare veiling kocht, had zich gehaast met de minst mogelijke kosten de grootst mogelijke veranderingen aan te brengen, opdat de vroegere gedaante geheel verdwijnen mocht. Het kantoor van Stuf ken was weggebroken, en in de plaats daarvan was een verandah aangelegd, begroeid met kamperfoelie en rozen. De vreemde had zich voor het hek geplaatst en huis en tuin, vooral den laatsten, nauwkeurig gageslagen. Zijn borst zwoegde; de moustache trilde; zijn hand greep een der stijlen van het hek vast. Eenige jonge meisjens stonden in de verandah te midden der ontluikende bloemen; een van haar had zich een krans van madelieven geregen en op het aanvallig blonde kopjen geplaatst. De vroeger gevloekte grond scheen weder gewijd en geheiligd.
Hij zag naar den vijver: een paar zwanen dreven trotsch op het helder water en netteden zich de blanke pluimen en veêren. Hij zag naar den achtertuin, waar weleer een kreupelbosch had gestaan: het was weggehakt en vervangen door een rek en
261
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
baar, zeker voor de gymnastische oefeningen der jongens bestemd.
Hij ging met loome schreden verder, telkens omziende alsof hij van dat huis niet scheiden kon. Hij sloeg de laan in, die naar de kerkbuurt, leidde; maar keerde, in plaats van rechts te wenden, links af naar dat gedeelte van het dorp waar de bleekerrjen lagen. Hij hield stil voor de woning, waar eens Vrouw Moes gewerkt en geheerscht had. Zij was gesloten; alles zag er echter zoo goed en onderhouden uit, alsof de deur nog den vorigen dag geopend ware geweest. Een paar voorbijgangers vertelden hem, dat alles reeds meer dan een jaar leêg stond en aan Lies Stufken behoorde. De vreemde wendde zich haastig om en verwijderde zich na den berichtgever even bedankt te hebben. Toen keerde hij op zijn schreden terug, liep de kerkbuurt door, waar de veldwachter hem, zoo als we straks opmerkten, ontmoette, en een oogenblik latei-de schoolmeester, dien hij scherp aankeek en groette, waarop deze wel wat beschaamd mede zijn hoed afnam en op den drempel zijner woning hem nog na bleef kijken, in de hoop zich te kunnen herinneren waar hij dat gelaat meer had kunnen zien.
»Misschien een ouder broeder van Jonker Aernout... 't Is een ridder! hm! hm! Ik zal hem onder de preek eens goed opnemen.quot;
Zeker zou Meester dadelijk op het rechte spoor zijn gebracht, indien hij den vreemde ware gevolgd. Deze toch ging eenige minuten den dorpsweg langs, maar sloeg toen rechts af, de laan in, welke naar het hek en de brug van Spaarnwou voerde. Eenige schreden voorbij die brug bleef hij weder staan. Hij staarde voor zich uit, stamerde eenige woorden en bracht toen de hand aan de roode oogen. Hij stond tegenover een plek, waar voor ruim zes jaren een tuinmanswoning had gestaan, maar nu een door gevlochten ijzerdraad afgesloten ruimte werd bespeurd, waarin eenige eenden kwaakten en een dozijn kippen kakelden. De laatste waren op dit oogenblik al zeer onrustig en schenen naar het hok de domme koppen te wenden. De klep, die 's nachts den toegf.ng daarvan afsloot, was echter neêrgelaten, wat de hooggaande ergernis scheen op te wekken van den armen gevangene, die door een kielden gekamden kop had weten heen te werken en, half geguillotineerd, zijn vrouwenschaar toelonkte, die als arme weeuwtjens, naar een nieuw huwelijk uitziende, rondspanseerden. Ja, de haan was zeker op hoog bevel opgesloten; en zoo het stomme dier zijn tong tot zijn dienst had gehad, dan zou hij geweeklaagd hebben, dat dit iederen Zondagmorgen gebeurde.
De vreemde scheen zulk een mededeeling niet noodig te hebben, om de toedracht der zaak te begrijpen. Hij glimlachte en deed het nogmaals, toen hij de witte bordtjens gewaar werd, die, op
262
HET GEZIN VAX BAAS VAN OMMEREN.
korte staken geplaatst, hier en daar \iit de bloemperken voor het stille doodsehe huis te voorschijn kwamen. Op een der naastbij-zijnde las hij: »Breed is de weg, die ten verderve leidt,quot; op een volgend: »wij allen moeten geopenbaard worden...quot; het slotwoord, met dikker letters geschilderd, was: «verdoemenis.quot; Die dikkere letters zag hij nog op verschillende plaatsen, waaruit hij afleidde, dat er nog dikwijls datzelfde woord te lezen was.
Geen levend schepsel bewoog zich op de plaats, behalve de straks aangeduide tweepotige. Niemant scheen behoefte te gevoelen om de heerlijke geiaren in te ademen, de kunstige weefsels der planten te bewonderen, te deelen in de vreugden, die der gantsche natuur als ontstroomden. Ja, toch! daar opende zich de deur van gindsche woning ter linkerzijde van het heerenhuis, waar vroeger de oranjerie had gelegen, maar thands de tuinbaas verblijf hield. Een man en vrouw, in stemmig zwart gekleed, kwamen te voorschijn, een dik kerkboek onder den arm. Beiden staarden strak voor zich en gingen met statigen tred naar de keuken en bleven daar met ter aarde geslagen oogen wachten. Spoedig daarop reed een ouderwetsche koets voor en kwam Mevrouw Keaal te voorschijn aan den arm van een mede in het zwart gekleed man met hooge witte das en breede bef. De steek op het hoofd, de korte broek, de lage schoenen met groote gespen bewezen, dat hij een dienaar was des Godde-lijken Woords, en zijn stug, strak gelaat getuigde, dat hij er een heeten mocht van de hemelschgezinde soort. Op dit paar volgde â ja, waarlijk! hij was het wel, maar hoe veranderd of liever hoe geheel omgekeerd! â Jonker Aernout van Heerdt, de vroeger zoo jolige wilde Jonker, dien Mijnheer I?eaal slechts met weerzin bij zich zag, omdat die Jonker hem herinnerde dat Mevrouw een vermogen bezat waarover zij de vrije beschikking had en waarop Neef Aernout niet ten onrechte begeerige blikken moest slaan. Neef Aernout had zich ter goeder ure bekeerd! Alle vuur was zijn oogen, alle levendigheid naar het scheen zijn lichaam ontweken. Stokstijf schreed hij voorwaards, voetjen voor voetjen achter Tante en den godzaligen Dominee, die, helaas! weêuwenaar was. Neef Aernout kende zeker ook nog oogenblikken van benauwdheid, niet altijd te verklaren uit de worsteling van stof met geest, van aarde met hemel. Als de douairière Reaal eens goed mocht vinden kracht te zoeken naar lichaam en geest bij Zijn Weleerwaarde, dan . .. zou de zon misschien te schijnen hebben over een onrechtvaardige te meer, over een afgedwaalde, die het enge pad der deugd was afgeweken en den breeden weg des verderfs, waarop hij zich vroeger bevond, wéér was langs gesneld .. .! En dezulken hollen dan het meest! ...
Het drietal was in het rijtuig geklommen, waarvan de raampjens gesloten waren. De Baas klom op den bok; zijn vrouw in
263
HET GEZIN VAX BAAS VAN OMMEREN.
den bak, en stapvoets trokken de zwarte dikke paarden hun vracht voort over de brug en langs de laan, tot dat zij, op den straatweg gekomen, in een draf werden gebracht en in een richting, tegenovergesteld aan die der dorpskerk, voortsnelden.
jgt;A.rme Dominee Stins! zoudt ge eindelijk tot rust zijn gekomen of werpt ge uw granaten nog altijd onder de afgedwaalde schapen?quot;
Deze opmerking ging bij den vreemde van een glimlach vergezeld.
»Dus nog altijd hetzelfde!quot; prevelde hij. »Voor die vrouw was alzoo geen herstel. Maar hém zag ik niet. Zou hij gestorven zijn? Het zou me leed doen. Ik ben zijn schuldenaar en ik kan nu betalen. Vreemd, dat ik hier eerst gewaar word .... !quot;
Daar huppelden een paar kinderen van de boerderij, die aan den anderen kant der laan lag. In zijn nabijheid gekomen, bleven zij staan en hem met eenigen schroom aanstaren. De jongste dook achter den oudsten weg, toen de vreemdeling zich tot hen wendde.
»Zeg eens, krullebol....!'
»Zoo hiet ik niet!quot; klonk hel andwoord.
»Goed uit de borst gesproken! Maar hoe ook je naam is doet er niet toe; Jaap of Lammert zeker niet. Zeg me eens, is Mijnheer Reaal dood?quot;
»Hé? of 'ie dood is .... ?quot; Hij zette een paar groote oogen op en volgde zijn kleinen broêr, die het bij de eerste woorden des vreemden reeds op een loopen had gezet. Vóór hij echter de werf opging tot voorbij het hondenhok, keek hij nog even om en schreeuwde: »Dood als een pier, hoor! Vermoord!quot;
De vreemde trad onwillekeurig een stap achteruit. Misschien door een strooper of arbeider! De kleine groote man, dus te vallen! Wat sarkasme in zulk een dood!
Nogmaals vond hij het vreemd, dat hem daarvan niets bekend was geworden. Zou die misdaad dan nog niet lang geleden hebben plaats gehad ? Met die vraag en nog vele andere, welke bij hem oprezen, hield hij zich bezig terwijl hij de gestaakte wandeling hervatte. Als teruggevoerd naar het verre verleden, schreed hij, gevoelloos voor het heden, voort, de blikken niet bespeurend, het gemompel niet vernemend van de talrijke schaar, die zich naaide kerk begaf en hem tegen kwam. Eindelijk had hij het eind van het dorp bereikt, waar een sierlijk open wagentjen hem wachtte. Het was het zijne. Het had hem zeker aan het begin van het dorp afgezet en den kortsten weg over de heide genomen.
»Heb je lang hier gestaan?quot; vroeg hij, wiens vreemd accent dadelijk den buitenlander verried, den koetsier.
»Een dik kwartiertjen.quot;
264
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Dan heb je harder gereden dan je mocht. Juist om half tien hadt je hier moeten zijn; dat was 't consigne. Rij op. Binnen de drie uur moet ik er wezen. Om half een dus...quot;
»Ja wel, Mijnheer! â Dat 's er zeiier een van Harderwijk,quot; prevelde hij binnen 's monds.
Toen hij een half uur gereden had hield de voerman de paarden in.
»Wat begin je?quot; klonk het vrij barsch.
jgt;'k Wou ze wat water laten geven.quot;
«Doorrijden !quot;
»Ja maar, de bij-de-handsche . . ..quot;
«Doorrijden.quot;
De voerman keek hem van ter zijde aan, bracht toen de hand aan zijn muts en reed door, maar met steeds afnemende snelheid.
«Harder rijden!quot; klonk bet.
«Maar de van-de-handsche is zoo lam in 'er achterpoten . ..quot;
«Leg er de zweep op of ik neem de leidsels.quot;
«Neen, dat niet!quot; bromde de voerman half luid, terwijl hij de beide bruintjes weêr wat aanzette.
«Zoo'n gang moet je houden, versta je?quot;
Of hij hem verstond! Hij was juist voor geen kleintjen vervaard, maar voor den vreemden sinjeur, zoo'n Indischen Blankofficier als hij nu reed, was hij bang. Waarom, wist hij niet. Maar dat kommandeerde zoo maar, zonder er een knoop op te leggen en op een toon, waar je maar niets tegen in te brengen hadt.
Weêr een half uur was voorbij gegaan.
«Mooi weertjen, Mijnheer!quot; dus begon de voerman eindelijk, wien het voordurend zwijgen benauwde, te meer daar er weêr een stalling in 't verschiet lag.
«Zijn we half weg?quot; vroeg de ander, zonder op 's voermans welwillende opmerking acht te slaan.
«Ja, méér dan half weg. Mijnheer 1quot;
«Voer daar dan je paarden en je zelf ook.quot;
«De vent is rojaal!quot; 't Was een waarheidlievende bekentenis van dien voerman, toen hij weêr de reis was aangevangen en twee kommen koffi en een dikke sneö tarwebrood met kaas genoten had. Weder meer op zijn gemak, keerde hij zich op den bok ter halver vvege om en zei hij op zijn vriendelijksten toon:
«Groeizaam weertjen, Mijnheer!quot;
«Kijk naar je paarden!quot;
Hij waagde het niet meer een gesprek aan te knoopen. Wat voor een menscheneter voerde hij wel achter zich meê! Hij keek kwansuis naar een der achterwielen en wierp toen meteen een blik op den vreemden snoeshaan. Deze zat te kijken in een erg verkreukeld stuk papier: het leek wel een brief. En, waarachtig! bij bracht de hand aan de borst en zuchtte.
265
HET GEZIN VAK BAAS VAN OMMEREN'.
Een kwartier uur later, gedurende welken tijd hij nogmaals geheel van opinie veranderd en ten aanzien van den persoon, dien hij reed, veel zachter gestemd was, hoorde hij eensklaps: »Halt! Is dit niet de dijk van de Diemenneer?quot;
»Gossie mijne, is me dat aan schrikken maken! Ja wel. Mijnheer ! dat's de dijk en binnen een half uur zijn we waar we wezen moeten.quot;
»We zijn er al. Je kunt terug-rijden. Daar heb je je vracht en dat's een fooi, niet voor jou, maar voor je paarden.quot;
»Hu, ha, ha! dat's grappig van Mijnheer, üag. Mijnheer! Ctc-zondheid. Mijnheer!quot; Hij had een gulden gekregen en maar op de helft gerekend.
»Dag, slaapmuts! Pas op, dat je niet vergeet adem te halen: quot;t zou jammer wezen van het soort als jij de laatste waart.quot;
»Hu, hé, hé! dat 's grappig!quot; Hij had gedraaid en reed stapvoets terug. »Ik heb mijn gulden. Kraai nou maar zoo veel als je wilt!quot; bromde hij, vooral verbolgen, om dat woord van slaapmuts.
De vreemde stond een oogenblik stil. Hij vouwde nogmaals den brief open, dien hij strak reeds gelezen en herlezen had. Het papier was reeds zeer oud. »Klara is verhuisd,quot; zoo las hij, »en woont nu verder dan wij van de stad op een heel lief buiten; we hebben het »de Hoopquot; genoemd. Wij wonen altijd nog....quot;
Hij wist genoeg en wandelde verder. Hij had geen oog voor het vergezicht over de lachende landouwen, voor de heerlijke licht-ettekten, voor de boeiers en booten, met de gebolde zeilen de breede rivier aan zijn linkerhand doorsnijdend. Hij leefde in zich zeiven en had geen behoefte aan indrukken van de buitenwaereld. Hij was heftig bewogen, vooral toen hij op zeker ijzeren hek in vergulde letters het woord : » Hoopquot; las en hij voor een der vensters van het bevallige huis een jonge blonde vrouw zag zitten. »Klara! Klara!quot; riep hij onwillekeurig, maar hij bedwong zich. »Neen niet alzoo! Ze verwachten me nog niet. Ik beef nu terug voor de verrassing, waarvan ik me zoo veel had voorgesteld. Neen, ik moet bedaard wezen en ik zal het ook zijn.quot;
Na een kwartier loopens was hij een net huis genaderd, omgeven van een prachtigen bloementuin. Alles getuigde daar van welvaart, netheid en smaak. De nieuwe verf glansde hem tegen. De jaloeziën waren neergelaten aan de voorzijde; het raam echter dat het uitzicht had op den weg, dien hij langs had gewandeld, stond open, zeker om de geuren, die van de malsche weide opstegen, den toegang te gunnen. Boven dit raam vertoonde zich nog een kleiner. De hagelwitte neteldoeksche gordijnen, die ei-voor hingen, waren een weinig weg geschoven en op de vensterbank stonden eenige vreemde gewassen in weelderigen bladerendos.
260
HET GEZIN VAX BAAS VANquot; OMMEREN.
Zijn hart bonsde. Zijn oog wilde begeerig naar binnen staren en waagde het toch niet. Hij stiet het hek open, maar draalde voort te gaan. In het priëel. dat links van hem lag, stond een man eenige takken van den reeds uitbottenden eschdoorn op te binden. Hij keek dien man strak aan, dien man met de ingevallen wangen, de holle koortsige oogen, het wilde ordelooze valsche hair. Was dat Hein, oude Hein? Plotseling stiet die man een wilden kreet nit en sprong hij over de naast bij zijnde sloot. In de verte meende hij nog den uitroep: »Satan! Satan!quot; te hooren.
»Hij is gek geworden en wordt zeker uit barmhartigheid hier verpleegd,quot; mompelde hij. Vreemd was- 't, maar hij, die den dood wTel honderd malen onder de oogen had gezien zonder dat een zenuw bij hem trilde, hij huiverde thands voor de nog gesloten huisdeur. Met bevende hand trok hij aan de schel, en toen hij haar hoorde overgaan had hij wel terug willen treden. »Wat doodsche stilte!quot; prevelde hij. »Zoo ik eens te laat kwam! Barmhartige God, niet alzoo, niet alzoo!quot;
»Woont hier niet... Baas van Ommeren?quot; vroeg hij stotterend het stil maar net gekleed dienstmeisjen, dat hem vragend bleef aanstaren, toen hij eenige sekonden zwijgend tegenover haar bleef staan.
«Mijnheer en de Jufvrouw zijn in de stad naar de kerk; over een half uurtjen zullen ze wel thuis wezen. Wie kan ik zeggen dat er geweest is?quot;
»Ik meen den Baas en zijn vrouw.quot;
»Die ken ik niet. Wil u de jonge jufvrouw ook spreken? Die is thuis.quot;
»De jonge jufvrouw? Jufvrouw Stuf ken meen je?quot;
»Die ken ik niet en weet ik ook hier niet te wonen .. . Wie kan ik zeggen . . . ?quot; dus begon ze wéér.
»Vraag dan aan de dame, die thuis is, of er ook belet is voor... de naam doet niets ter zake; de dame kent dien toch niet.quot;
»Geheel vreemden worden nog niet toegelaten sedert het sterfgeval in de familie.quot;
»Wat? Sterfgeval? Wie is er gestorven? Gauw, gauw!quot;
Het meisjen, dat eerst kort in deze dienst was, zag hem verbaasd aan; blijkbaar voelde zij zich niet op haar gemak.
».De eenige zoon, zoo als ik me heb laten vertellen, maar het rechte weet ik er niet van. 't Is hier een klaaghuis, Mijnheer! Och, ik heb zoo'n meêlij, vooral met de jonge jufvrouw. De anderen zijn zoo oud dat ze al wat suf zijn. Maar als men nog jong is en niet tot de familie behoort, dan wordt het je soms wat al te zwart . . . Maar wie kan ik zeggen . . . ?quot;
»Dood? Dus kwam hier het bericht van zijn dood?quot; Hij bleef een oogenblik als versteend staan.
267
HET GEZIN' VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Was 't dan toch geen deugniet, die eenige zoon?quot; vroeg het meisjen met nog zachter stem. »Ik dacht, dat ze allemaal zoo huilden, omdat hij in zijn zonden gestorven was. Een, die onder dienst ging en zijn vader en moeder verliet, moest, zoo dacht me ..
»Dien Mijnheer Jansen aan!quot; viel de ander haar in de rede, en dat op een toon die geen tegenspraak meer toeliet.
»Als u dan maar in de zijkamer blieft te gaan ...quot;
Hij trad binnen; het was er half donker. Toen zijn oog eenig-zins aan de duisternis gewend was geraakt, zag hij om zich heen, zonder nog de plek te verlaten waar hij stond. Hij voelde zich als op heiligen grond. Hier leefden zij, die hem het dierbaarst op aarde waren, en hadden zij zeker dikwijls over hem gesproken, over hem, dien zij nu gestorven dachten. Daar zag hij twee leunstoelen naast elkaar staan met losse donzen kussens op de zitting gelegd. Zijn oogen schemerden van tranen. Hij wist niet meer wat hij deed, maar hij vond zich een oogenblik later geknield vooreen der stoelen en het aangezicht in het daarop liggend kussen gedrukt. Een naderende voetstap deed hem opspringen, hij had .il zijn geestkracht noodig; hij moest kalm zijn. Gelukkig, dat maar een half licht hem omgaf. Hij week zoo diep mogelijk in het vertrek terug en wachtte de naderende af, de naderende, die het ideaal van zijn leven, de engel was, die hem in den felsten rampspoed oogenblikken van zaligheid had bereid ; die hem de kracht had verleend tot den strijd en hem had blijven doen gelooven aan rechtvaardigheid en liefde, zónder welk geloof het arme menschen-kind niets, mét welk geloof het alles bezit. Daar naderde Lize Stuf ken in diepen rouw gehuld over hem, dien zij lief had blijven hebben als voor jaren. Haar in den arm gesneld, haar honderd en honderd malen gekust en al wat aan dankbare liefde leefde en heerschte in zijn borst aan haar lippen uitgea lemd ... !
Maar de vreugde kan dooden, dit voelde hij zelf dit oogenblik en hij was zooveel krachtiger! Hij bleef daarom staan waar hij stond en stamelde nauw hoorbaar en met een Fransch accent; »Jufvrouw Stufken, als ik goed heb gehoord?quot;
Het geluid dier stem scheen haar te ontroeren. Een zachte rilling doorliep haar. Zij knikte even met het hoofd en fluisterde toen: Mijnheer Jansen . .. ?quot;
»Ik hoor dat hier zware rouw wordt gedragen,quot; vervolgde hij.
»Laat het anderen niet tot last zijn. Mijnheer! Mag ik weten wat ons de eer van uw bezoek verschaft?quot;
sik ben voor weinige dagen uit Algiers hier aangekomen .. .quot;
»Komt ge ... ? Komt ge ons de laatste groeten brengen . .. ?quot; meer vermocht ze niet. Zij bracht den zakdoek aan de oogen en weende zacht. De ander was zijn aandoeningen schier niet meester.
268
][ET GEZIN VAX BAAS VAN OMMEREN.
Zijn lippen bewogen zich als om te spreken, maar de woorden stikten hem in de keel. Gelukkig, dat het donker was, anders had hij zich moeten verraden!
sWas zijn sterven zacht?quot; vroeg ze op onbeschrijfelijk weemoedigen toon. »Maar niet dat wou ik weten. Hij is niet dood voor mij. Hij sterft niet voor dat ik gestorven ben ... Vergeef mij. Mijnheer! ik dacht dat ik krachtiger was geworden onder de kastijdende roede. Ik heb het recht niet u lastig te zijn met een droefheid, die ge zeker niet begrijpen kunt.quot;
»Slechts hij, die niet weet wat lijden is, kan uw droefheid niet begrijpen: geen menschenkind alzoo! Bovendien; ik was zijn vriend; ik mag getuigen: zijn beste vriend. Er rees geen gedachte bij hem op, die ik niet kende. Ik behoef er alzoo niet bij te voegen, dat ik de eer heb u te kennen . .
»Hij was dapper, niet waar? Hij was een edele ziel, niet waar? Al liet groots wat in den jonkman sluimerde heeft zich in den man ontwikkeld... Ik ontving den ring terug, dien hij zeker altijd aan den vinger droeg .. . ?quot;
»Altijd. In het gevecht was die ring zijn talisman, in de tent een herinnering aan het reinst en het heiligst, zijn wapen tegen de zonde. â de eenige band, die hem aan het leven hechtte, zijn geloof, zijn hoop en zijn liefde. ..quot;
»l)ie stem...! die woorden...! Waar dwaal ik heen! 't Is waanzin ... O mijn God, behoed mij voor waanzin!quot; riep zij uit, het gelaat met de handen bedekkende.
De vreemde trad nader bij; hij strekte de armen uit, maar hij liet ze weêr vallen; bij moest zich nog beheerschen, hij wischte zich het klamme voorhoofd af.
«Mijnheer . .. dien ring ontving ik niet van u,quot; hernam Lize weder kalm geworden. »Waart ge dan niet aan zijn sterfbed?quot;
«Neen. Heeft Kolonel Lionnet dien ring gezonden?quot;
»Ja, met een brief.quot;
»Hij was ook een van Kornelis' vrienden. Weinige uren latei-sneuvelde hij. Ware hij niet gesneuveld, dan zou hij dien ring niet gezonden, misschien ook den brief niet geschreven hebben... Hij schreef u immers den dood van .. . ?quot;
»Hij schreef niet mij, maar iemant wiens naam in de portefeuille van den stervende gevonden werd .. .quot;
»Ik begrijp nu de toedracht. . . Ook mij bezocht de cholera even als honderden mijner kameraden . ..quot;
»Gij hadt het voorrecht te herstellen. Mijnbeer! Wél een voorrecht! Het viel zeker weinigen ten deel.quot;
^Betrekkelyk velen. Toen de Kolonel naar het slagveld vertrok was Kornelis . ..quot;
»Ik bid u, noem hem niet zoo als ik hem noemde â of neen,
269
HET GEZIN VAN HAAS VAN OMMEREN,
Mijnheer! vergeef mij deze woorden; gij waart immers zijn beste vriend. Ge hebt hem later dan de Kolonel gezien,?quot;
»Ja, en loen leefde hij nog, toen sloeg hij de oogen op, toen zocht hij zijn ring, maar niemant wist wie hem daarvan beroofd had. Zijn oppasser was in het laatste half uur mede, door de ziekte aangetast, weggedragen ... De dokter vond hem beter.quot;
»Tóch bedroog zich de Wetenschap. Men noemt dat Wetenschap!quot; zeide zij bitter.
»De Wetenschap bedroog zich niet.quot;
»Mijn God! Heb ik goed gehoord? Ze bedroog zich niet? O, ge meent: dat oogenblik niet, maar. .. later toen .. .quot;
»Bleek ze overwonnen te hebben . ..quot;
Lize stond voor hem, stokstijf, zonder zich te kunnen bewegen. Eindelijk werden de woorden hoorbaar, die reeds lang op de lippen zweefden. »Hij stierf niet...? Hij stierf niet? Hij leeft?quot;
De vreemde nam haar hand in de zijne en fluisterde: »Ja, hij leeft!quot;
»Groote God, wees gedankt voor dit uur van zaligheid!quot; riep zij uit op de knieën neêrgezegen aan den voet des vreemden, die dit niet langer meer zou wezen, want hij vatte beide hare handen, keek haar in de oogen, hief haar op, en met gebroken stem suisde het van zijn lippen: »Lize!quot;
Een kreet, die de dienstbode deed opschrikken, een kreet, waarin de blijdschap in éen oogenblik de droefheid van maanden te niet deed, een kreet, waarin de geschiedenis lag van een menschen-leven, ontglipte haar, en in de armen van den teêr beminde, aan de trouwe borst van den doodgewaande, rustte zij sprakeloos van geluk.
»Had ik dat kunnen vermoeden, ik zou u die weken van zielewee hebben bespaard,quot; zeide Kornelis eindelijk, toen hij het gebruik zijner stem en zij de vatbaarheid tot hooren herkregen had. «Toen ik mijn bewustzijn hervond, toen ik gered was, wilde ik u en Vader en Moeder niet beangstigen door van mijn ziekte te reppen. Bovendien had ik mijn ontslag gevraagd en gekregen en was ik vast besloten bij volkomen herstel even snel als een brief het zou kunnen doen, naar u toe te reizen . .. Maar laat mij nu de blinden openzetten, laat mij u zien.quot;
Zij had er nog niet aan gedacht. Hem te zien was niet haar eerste behoefte. Zij kende hem immers? Zij had zijn beeld altijd voor het oog des geestes zien verschijnen. Hij toonde ook daarin een man te zijn, hij wilde aanschouwen.
Het vriendelijk zonlicht bestraalde beiden. Ja, in haar schitterende oogen lag een waereld van liefde, in haar minnelijk aanschijn lag nog de scherpzinnigheid van vroeger, maar thands verzacht door het lijden. Maar dat was hij niet! Dat was wel zijn
270
HET GEZIN VAX HAAS VAX OMMEREN.
type, maar ontwikkeld, maar oneindig schooner: de jonkman was een forscli man geworden. Wat dat oog helder en rustig op haai neerblikte, wat dat gebruind gelaat een bewustzijn van kracht te kennen gaf, wat die houding een fierheid en zelfstandigheid, dat breede diepe litteeken op het voorhoofd een heldenmoed, en toch die trillende lippen, die vochtige wimpers een tederheid openbaarden, die haar noopten om zich vaster aan hem te klemmen en haar met de innigheid harer gantsche ziel de woorden ontlokten: »Ge waart mijn hoop, ge zijt mijn kracht.quot;
En hij had den arm om haar heen geslagen en het was of hij met éen spierbeweging haar van den grond had kunnen opheffen! Hij deed het echter niet: hij boog zich veeleer neer en lispelde haar toe; »Zelfs in de verte waart ge mij nabij en stondt ge als schutsengel naast mij! Ons leven zal voortaan éen zijn â op aarde zal er voor ons nog maar éene scheiding zijn, en die, hopen we, is nog verre.quot;
Wat deed haar huiveren? Wat deed haar verbleeken?
»Heeft men u herkend?quot; vroeg ze angstig.
»Ik weet het niet. Van morgen ging ik ons dorp door; het was een bedevaart.quot;
«Onvoorzichtige!quot;
»Waarom? Denkt ge dat Mijnheer Reaal! indien hij nog op aarde rondwandelde, mij vrees zou aanjagen?quot;
»Dus ge weet, dat hij .. .quot;
«Vermoord is, ja wel. Je moet me straks de bijzonderheden eens vertellen. De tijding deed me aan. Maar dunkt je niet, dat onze oudtjens lang uit blijven ?quot;
»Hebt ge uw naam ergens genoemd?quot;
»Ik behoef me immers dien niet meer te schamen? »Majoor van Ommeren, ridder van het Legioen van eer!quot; klonk het aan de grenzen bij het vertoonen van mijn paspoort. Ge hadt moeten zien, Lize, hoe de eerste landgenoot, dien ik sedert jaren onder de oogen kreeg, voor mij aansloeg. Ge waart misschien trotsch op mij geworden,quot; zei hij lachend.
»Ik ben het reeds lang geweest. Maar dien naam te noemen ... ! Dat ik u ooit verzweeg . ..!quot;
»Daar is Klara!quot; riep Kornelis, ijlings van het venster terugtredend.
»Zij mag je nog niet zien. Ze zou het besterven even als Vader en Moeder. Tegen de smart zijn ze gehard geworden, tegen de vreugde nog niet. Spoedig, Kornelis, in den alkoof!quot; en ze wenkte hem naar de deur, die op den achtergrond der kamer zichtbaar was en tot de slaapkamer der oudtjens leidde. Hij moest glimlachen bij haar gebiedenden blik. »'t Is of ik Lize aan den vijver zie, stoeiende met Azor,quot; zeide hij schertsende, maar tevens gehoorzamend.
271
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Toen werd mijn genegenheid eerst liefde,quot; fluisterde zij, hem kussende en daarna de deur toeslaande. Het oog bleef nog een wijl' op den alkoof gevestigd met een uitdrukking van tederheid. Zij bracht de hand aan het hart en de gedachte vloog haar door het brein; »Neen, zoo als ik hem lief heb, kan hij 't mij niet doen!quot; en ze wierp herhaalde kushanden n^iar den kant waar zij wist dat hij was.
De andere deur ging open: Klara stond in diepen rouw op den drempel. Zij hijgde; zij was zoo ontroerd of zoo afgemat, dat ze op den eersten stoel onder haar bereik neerzeeg.
»Wat is er? Wat hebt ge?quot; vroeg Lize. «Vader of Moeder is toch niets overkomen?quot;
»Neen, dat is 't niet. Maar, o Lize, ik heb zijn evenbeeld gezien ... op den weg. Ik dacht dat ook gij dat zien zoudt en ter dood toe schrikken en wou u niet alleen laten. Daar komt Hein mij te gemoet met gebalde vuisten! Hij greep mij aan en sch re ruwde mij toe, terwijl de oogen hem in het hoofd rolden: !gt;»de duivel is los; ik ga naar Griet toe; jij wilt me toch niet hebben. Ik heb hem gezien met den bliksem in het oog en een mes in zijn hand!quot;quot;
»Je weet immers dat hij krankzinnig is!quot; hernam Lize bedaard. »Maar 't is lief van je, dat je me niet alleen wildet laten nu je dacht dat ik geschrokken zou zijn. Altijd aan een ander te denken Iquot;
»Maar hebt gij dan niets gezien? Wat zijt ge bedaard! Maar dat ben je toch eigenlijk niet. ...quot; merkte Klara aan, haar van ter zijde aanziende.
»Met bedaard? Waarom niet? Om die geestverschijning?quot; vroeg ze met een glimlach.
»Je kunt nog schertsen? Lize...!quot; Ze waagde er niet bij te voegen wat ze meende. »Je moet rust nemen; je bent niet bedaard; je bent óok erg geschrokken.quot;
»Ik heb bezoek gehad!quot; zei ze zoo onverschillig mogelijk.
»Bezoek? En je zegt dat...?quot;
»Drink een glas water, Klara! Wacht ik zal je eens bedienen;'' en ze greep de karaf en zocht een glas in het buffet, maar haalde een trekpot te voorschijn zonder het te bemerken, want zij schonk daar het water in.
Klara trad op haar toe. »Er is u iets overkomen. Ge wilt altijd krachtig zijn, altijd je beheerscben . ..quot;
»Bebalve in het oogenblik van den strijd, Klara! Herinner mij diit liever om mij nederigheid te leeren. Toen ons zijn dood werd aangezegd, toen waart gij krachtig.quot;
»Hoe vreemd spreekt ge! Ben je dan werkelijk bedaard? Welk bezoek hebt ge gehad? Andwoord me spoedig om te voorkomen
272
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
dat ik je onrecht doe. Ik geloof, dat gees verdriet, maar wel de vreugde je zoo vreemd maakt.quot;
»Dat is ook zoo. Ik ben onzen dierbare herinnerd. Ik heb veel â van hem gehoord wat mij zalig aandoet.quot;
»Arme! Alles is dus overspanning!quot; prevelde Klara.
»'t Was of ik hem daar voor mij zag ... in bloeiende gezondheid ... of hij weer met mij sprak en mij beleed me nooit vergeten te hebben; mij, noch u, noch Vader en Moeder.quot; Lize hield plotseling op; zij glimlachte blijde, maar dadelijk daarop borst zij in tranen los.
»Arme, lieve zuster!quot; lispelde Klara, met haar altoos nog zoo zachte, bijna kinderlijke stem. «Zouden wij dan allen door dezelfde verschijning . .. ? Maar dat kan toch niet...quot;
»'t Was zijn vriend, zijn beste vriend . .. Och, ik jaag u doodsangst aan en ik wilde u allen schrik besparen ... Goede tijding ! Hij leeft! Hij leeft!quot;
Klara staarde haar sprakeloos aan. Zij wilde haar dit woord naspreken, maar ze kon niet.
Daar werd aan de huisdeur gescheld; het waren de beide oudtjens, die uit de kerk kwamen.
»Dan was hij het dien ik zag? Dan is hij hier?quot;
»Ja . .. daar!quot; en zij wees naar de deur, die naar den alkoof voerde, maar lei toen met een smeekenden blik den vinger op de lippen.
Vader en Moeder traden met loomen tred binnen. Och, zij hadden ook den laatsten zwaren slag verdragen zonder verbrijzeld te worden, maar het grijze hoofd was er toch dieper door gebogen, de schouder was er meer door gekromd. De geloovige ouderdom kan eer berusten dan de levensvolle jeugd, 't Komt zeker, omdat gene zich van het stoffelijke terug trekt en zich voorbereidt tot den grooten overgang, daartoe gesterkt door de overtuiging, welke zich bij het klimmen der jaren hoe langer hoe vaster wortelt: »Hier beneden is 't niet!quot; 't Komt, omdat zelfs voor het menschelijk oog, dat slechts zulk een enge ruimte overziet, de klove, die hen van dierbare afgestorvenen scheidt, hoe langer hoe kleiner wordt, en het deemoedig hart weet te stamelen: «Misschien morgen reeds, o Heer! maar niet gelijk wij willen, maar zooals Gij wilt.quot;
Waarlijk, er lag zelfs een bljjde glans op beider verbleekt en gerimpeld gelaat, zoo als ze daar nog arm in arm binnen traden; en die blijde glans werd nog verhoogd, toen hun oog viel op de beide kinderen, die hen schenen op te wachten. Zoo iets hen nog aan het leven bond, het waren Lize en Klara, die beiden door hun liefde gelijkelijk werden omvat.
273
Lize had zich meester gemaakt van Moeders dikken bijbel met zilveren slot, onder welks gewicht de goede sloof werkelijk gebukt ging.
18
HAAS VAX OMMEREX.
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Zoo bij elkaür, wel dat is goed!quot; riep Vader. »Dat 's lief van je, Klaartjenl onze Lize niet alleen te laten. Nu, krijg ik niet eens een zoen van jelui beiden? Kijk eens. Moeder, 't is of ze gekibbeld hebben. Klaartjen, wat scheelt je, kind? Snikkend? Nog zoo bitter bedroefd? Hadt je maar de preek bijgewoond, niet waar. Moeder?. .. Maai', mijn kind, mijn kind!quot; riep hij nogmaals, toen hij zag hoe Klara vergeefsche moeite deed om haar tranen te stelpen.
En Lize, die zoo vreemd lachte, die waarlijk een harer heerlijkste liederen neuriede, die zij maar alleen in den besten tijd, toen ze nog hoopte, liet hooren!
Moeder keek de beide kinderen aan en schudde het hoofd.
«Vader, Moeder!quot; zei Lize, terwijl ze voor de oudtjens ging staan, die thands in den makkelijken leunstoel zaten uit te blazen. »Klara is geschrokken en ik ook. Er zijn op nieuw herinneringen opgewekt, smartelijke herinneringen, die toch heerlijk zijn! We wisten zoo niets van Kornelis .. . van zijn dood of begrafenis, niet eens bijzonderheden van zijn ziekte. En nu is er onder kerktjjd iemant geweest, die hem goed had gekend ... die tot in het laatste oogenblik . . .quot;
»Zoo, zoo!quot; zeide Vader voor zich heen stavende, »van onzen Kornelis vertelde hij .. . van onzen lieven zoon ...! Och, wat is het hart toch weerbarstig!quot; zuchtte de man, die straks zoo getroost was en nu weder de wonde of het litteeken der wonden voelde snerpen.
Moeder had de oude knokelige hand aan het hart gebracht; het was of dat hart, even als in de schrikkelijke ure des lijdens, zich in haar boezem omkeerde.
» Waar wilt ge heen. Moeder?quot; riep Lize angstig, toen ze haar naar den alkoof zag gaan. Zij nam haar bij de hand en dwong haar bijna terug te treden.
»Ik wou voor Klaartje wat gaan halen; haar zenuwen zijn erg in de war. En dan,quot; voegde zij er zachter bij, »ik denk het liefst aan Kornelis als ik geheel alleen ben!quot;
»Neen, Moedertjen, neen! nu moet ge aan hem denken, terwijl we allen bij u zijn... 't Was een forsch man geworden. Een diepe wonde kreeg hij in het voorhoofd; hij was de dapperste van het gantsche bataillon; hij was sterk als zijn tamboermajoor. .. . en toen kwam de ziekte; maar hij had zijn lichaam altijd gespaard; hij was een voorbeeldig soldaat geweest... en toen de ziekte, de vreeselijke ziekte kwam . .. toen stierven er honderden om hem heen, die hij nog oppaste . .
»Ja, zoo was hij, een edel lief hart! Zoo heb ik hem altijd gekend!quot; zeide Moeder zacht schreiend, terwijl Vader bij dien klemtoon op het woordtjen ik het hoofd dieper boog en de hand voor de oogen bracht.
274
HET GEZIN VAN BAAS VAX OMMEREN.
»En toen kreeg hij ook de ziekte . .
»Lize, niet zoo ganw; je gaat te snel of te langzaam!quot; riep Klara op angstigen toon. Ze kon het niet langer uithouden. Zij waagde het niet de oudtjens aan Ie zien, en de katastrofe, die aanstaande was, bij te wonen. Zij ijlde heen, den gang in, waar Lize haar eerst heen en weêr hoorde loopen, maar toen de deur openen, die van dien kant tot den alkoof leidde. Zij vernam een flauwen kreet: Klara lag in de armen van haar broeder.
»Wat heeft het kind toch?quot; schenen de verwonderde blikken der ouders te vragen.
»Wij wisten immers dat hij de ziekte kreeg!quot; merkte Vader zacht verwijtend aan... »Een andermaal meer, Lize!quot;
»Neen, Vader! wat ik weet, weet u nog niet. Hij is aan die ziekte niet gestorven.quot;
»Dan door een kogel misschien ...quot;
»Men vreesde wel dat hij sterven zou; men dacht zelfs, dat hij te sterven lag, toen de Kolonel van zijn bed heen ging ... en die Kolonel was een uur later gesneuveld en kon dus zijn brief niet terug nemen, die ons zoo schrikken deed ... die ons in den rouw deed gaan; want, quot;Vader! is 't niet waar? had Dominee dien brief niet ontvangen, dan waren we niet in den rouw gegaan.quot;
«Kind ! ... Wat bazel je toch!quot; zei Moeder.
»De Kolonel kon zijn brief niet terug nemen, zeg je? Had hij het dan moeten doen als hij niet gesneuveld was? En Kornelis zou niet aan die ziekte gestorven zijn? Wat meen je, Lize?quot; vroeg Vader opstaande en haar in de oogen ziende.
»Dat die vriend hem nog wel veertien dagen na het oogenblik, waarop de Kolonel ons Kornelis' naderend einde berichtte, gezond heeft ontmoet...quot;
»En dat stemt je tot vrolijkheid, kind? Och, de tijd wanneer hij stierf doet er toch niet toe; veertien dagen vroeger of later, aan de cholera of aan een kogel...quot;
»Als we hem tóch moeten missen,quot; vervolgde Moeder.
»Het doet er wél toe. Als de Kolonel heeft gedwaald, welk bewijs hebben we dan dat Kornelis dood is?quot; vroeg Lize met trillende stem, maar toch met zóo veel nadruk en met zóo veel beteekenis, dat dit nieuwe gezichtspunt hen wel treffen moest.
»Dat's waar, dat's waar!quot; riep Vader.
»Man, wees bedaard! Hebt ge nog niet leeren berusten, lieve man?quot;
»Maar hoort ge dan niet wat ze zegt? Begrijpt ge 't dan niet? Die vriend gelooft zelf niet aan Kornelis' dood, en van daar dat onze Lize zoo vrolijk neuriede, want zij gelooft er ook niet meer aan ...quot;
»?Teen, ik geloof niet meer aan zijn dood; ik geloof aan zijn
275
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
leven; ik geloof aan zijn terugkeer! Zijn beste vriend zal het u zelf vertellen, dat hij bijna zeker weet dat hij leeft!quot;
Er was een oogenblik van plechtige stilte. Vader en Moeder hadden de oogen gesloten, maar elkanders handen gevat.
»Zijn beste vriend is hier ...quot;
»Hier, hier?quot; riep Vader uit, de oogen om zich heen slaande. »Spoedig, spoedig, Lize! breng ons bij hem!quot;
»En die vriend zegt zelfs, dat Kornelis óok spoedig hier komen zal. ..quot;
»Kornelis is hier al!quot; juichte Moeder, die de redeneering straks niet zoo goed als haar man vatte, maar nu veel sneller de waarheid voorgevoelde dan hij.
»Ja, hij zal binnen weinige minuten hier wezen!quot; zeide Lize, die zich weder aan de tafel moest steunen. »Goddank, het is voorbij! Ze leven .. . ! de vreugde heeft hen niet gedood!quot;
»Hij wacht misschien daar ginder ... in den alkoof... ik mocht straks er niet in .. . Man, ik kan niet alleen gaan ... ik durf niet.. . maar arm in arm .. . !quot;
Daar werd de deur geopend, die reeds lang op een kier had gestaan . . . daar trad een snorbaard met uitgestrekte armen op den drempel ... daar . ..!
Vader noch Moeder wisten later te vertellen wat er gebeurd was; maar toen ze weêr wisten op aarde te zijn, toen voelden ze zich door een paar krachtige armen omklemd en zagen ze aan hun voeten Lize en Klara neergeknield en hoorden zij, hier en daar nog afgebroken door een enkelen snik, Lizes schoone stem het heerlijk jubellied zingen, waarmeê ze Vader verrast en vertroost had op diens laatsten verjaardag.
»Jongen, mijn jongen !quot; zei Moeder eindelijk.
»Officier en ridder; wat was ik blind!quot; riep Vader.
»Tusschen u beiden moet ik inzitten, dat wil mijn vrouwtjen ook zoo, niet waar?quot; hernam Kornelis met bevende stem.
Daar zaten ze nu allen hereenigd neêr om de tafel, waar het mokka-vocht weldra geurde, en op het fijn damast servet de wit porceleinen broodmand prijkte met keur van broodtjens en beschuit.
»Ik vertel van avond en niet eer, Moedertjen !quot; riep Kornelis, in andwoord op eenige vragen, die de vrouwelijke en moederlijke nieuwsgierigheid verrieden. »Alleen moet ik u mededeelen, dat we in de volgende week een bruid aan huis krijgen, ten minste als u beiden het goed vindt dat uw zoon met zijn Lize huvvt... Ik leerde gehoorzaamheid, Vader!quot; dus besloot hij zacht, terwijl hij diens hand drukte.
Wat had Lize? Ze werd doodsbleek. Wat hadden al de anderen? Ze werden onrustig en wisselden blikken van verstandhouding.
276
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Het was of een gedachte hen plotseling beheerschte, en die gedachte was, naar Kornelis' meening, geen blijde.
»Wat hebt ge toch?quot; vroeg hij eindelijk.
Er werd gescheld. Moeder beefde zoo, dat ze de koffi uit haar kopjen in haar schoot stortte, en was zoo verlegen, dat ze 't begane misdrijf niet eens bemerkte. Lize stond met moeite op om te zien wie zich daar aanmeldde. Kornelis dacht werkelijk een oogeablik, dat de vreugde van het wederzien aller brein had aangedaan. Hij volgde Lize naar het venster en sloeg nog bij tijds zijn arm om haar midden, daar zij anders neergeslagen zou zijn. Hij zelf had ook een oogenblik van schrik, want voor de deur stonden een drietal gerechtsdienaars met Hein in het midden. Zou de laatste iets misdadigs hebben gedaan? Het and woord op die vraag zou spoedig gegeven kunnen worden, want een oogenblik later hield een vigilante stil, waar de Burgemeester van hun vroegere woonplaats uit stapte met een heer, die later een Griffier van Policie bleek te zijn. Beiden traden met Hein, die door een paar agenten gevolgd werd, binnen. Hein klappertandde en hield de oogen gesloten.
»Dag, Burgemeester!quot; riep Kornelis vrolijk, terwijl hij hem de hand reikte. »Ik trachtte u van morgen nog te zien, maar het gelukte mij niet; en ik had haast zoo als ge begrijpen kunt. Ik heb u nog te danken voor .. . mijne vrijheid. Herinnert ge u dat nog wel?quot;
»Het heeft mij genoeg berouwd... en ik kom hier, om goed te maken wat ik eenmaal jegens de Wet heb misdreven,quot; klonk het koele andwoord. Toch fluisterde hij zijn medgezel in het oor met een van aandoening bevende stem: »Maak het kort ... ! Deel bier niet mede, dat ik het oog der policie van daag opende.quot;
De Griffier had bij zijn binnentreden een beleefde buiging gemaakt en den armen ouden luidtjens een enkel woord van bemoediging toegevoegd. Ze blikten hem ook aan, alsof ze vreesden door hem gehaald te zullen worden.
Na 's Burgemeesters woorden trad hij echter op Kornelis af.
»Zijt ge Kornelis van Ommeren, voor zes en een half jaar het land ontvlucht onder verdenking van moord?quot;
»Wat? Van moord? Ik? Op wien?quot;
»Zijt ge werkelijk die jonkman? Gij, mijnheer?quot; vroeg de Griffier met verbazing, terwijl hij het oog gevest hield op het ridderlint in het knoopsgat.
277
»Ja, ik ben Kornelis van Ommeren. Vader, Moeder, Lize, wat scheelt u allen? Dreigt u eenig gevaar, ik zal u allen weten te beschermen. Maar zeg me dan toch wat dit alles te beteekenen heeft? Zijt gij gek of ben ik het? Hein, hoe kom je in handen van de policie? Als ex-strooper toch niet?quot;
18*
HAAS VAN OMMEREN.
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
»Dat's de Satan. De Burgemeester heeft gelijk â pakt hem! houdt hem vast!'' mompelde Hein, zich half achter den rug van een der policie-agenten verschuillend.
«Mijnheer de Burgemeester had dan gelijk, toen hij der Policie mededeelde, dat Kornelis van Ommeren, die aan de Belgische grenzen zijn paspoort vertoonde, zich over U* had gewaagd naaide hoofdstad. Die man, dien wij ontmoetten, bevestigde het mede. Het doet me leed, Mijnheer, dat dit waarheid is, want ik moet u verzoeken ons te volgen.quot;
tgt; Maar waarom ?quot;
»Ge kunt dat niet vermoeden? Ge zijt wederspannig aan de Wet verklaard. Er zijn gewichtige bezwaren tegen u ingebracht; de schijn getuigt tegen u. Maar Zijn Majesteit kan een schuldige gratie schenken, die zich sedert zijn misdrijf zoo goed heeft gedragen.quot;
»Waarvan word ik dan toch beschuldigd? Van moord zeidet ge straks, geloof ik; maar dat is onzin. Ik ben nog geen vier en twintig uur op vaderlandschen grond.quot;
»Ge ligt onder verdenking van Mijnheer Reaal vermoord te hebben,quot; fluisterde Lize hem in het oor. »We hebben u dat altijd verzwegen. Vergeving, vergeving!quot;'
»Ik zou Reaal vermoord hebben? Ik?quot; Hij trad van ontzetting een paar stappen achteruit; hij werd doodsbleek.
gt;Zal ik een rijtuig voor doen komen. Mijnheer?quot; vroeg de Griffier.
»Neen, neen! Van daag nog niet! Och, laat hem tot van avond hier! We hebben hem pas terug!quot; snikte het oude moedertjen, hem met haar armen omslingerend.
»Neem mij meê!quot; riep eensklaps de oude Vader. »Ik zal het u bekennen â ik vermoordde Mijnheer Reaal, en ik had er reden voor, meer dan hij.quot;
»Griet, gooi een steen uit de maan! Een zwaren, een heelen zwaren, hoor!quot; mompelde Hein.
Lize herkreeg plotseling al haar geestkracht. Zij ging naar KI ara toe, nam haar bij de hand, wenkte een der policie-agenten, achter wien Hein zich steeds verborgen hield, terug te treden en trad toen voor Hein, dien zij doordringend aanstaarde. Met krachtige stem, in wier toon een bedreiging lag, zeide zij: »Zie haar aan!quot;
Hein sperde de oogen met moeite open en deed wat hem bevolen was.
«Herhaal nu voor haar aangezicht wat ge straks aan de Policie hebt durven vertellen. Waag het te herhalen, dat Mijnheer Reaal door Kornelis werd vermoord.quot;
»Ik vertelde het niet, maar de Burgemeester. Griet, Griet, doe wat ik je gezegd heb! Een steen op mijn kokende hersens, gauw!quot; riep Hein in doodsangst.
278
HET GEZIN VAX BAAS VAN OMMEREN.
))6ij zijt de moordenaar!quot;
»Ja, ja, ik ben 't. Laat me nu los, Satan, laat me nu los!''
»Eindelijk heb ik hem dan de waarheid ontlokt. Ik vermoedde het reeds sedert maanden, maar ik wist hem niet tot bekentenis te dwingen.quot;
»Maar... dat is nog niet voldoende, om Mijnheer... de bekentenis van een krankzinnige ... !quot; zeide de Griffier verlegen.
»En toch... en toch!quot; prevelde de Burgemeester. »Wat licht gaat mij daar op! Goede God, indien ik eens valschelijk beschuldigd had . ..!quot;
»Het horloge van den vermoorde werd vermist. Hein, waar hebt ge het gouden horloge van Mijnheer Reaal verborgen?quot; vroeg Lize, het oog onafgewend op Hein gevestigd, die als dooreen onzichtbare macht, welke van het meisjen uitging, beheerscht werd.
»Bij den wingert, hier om den hoek. Graaf er maar naar! .. . Graaf er maar dadelijk naar! God zij dank, Satan is weg! Hij heeft me eindelijk los gelaten. Voer me maar meé; ik zal alles bekennen. Ik schoot hem dood met het geweer van den Baas omdat hij diens dochter verleid had .. . Voert me maar meê .. .! Ik ben wel duizend pond lichter, want de Booze zit me niet meer op de borst! Die jongen weet van niets.quot;
»Ik geef u mijn woord van eer,quot; zeide Kornelis, »dat ik mij niet van hier zal verwijderen en op het eerste oponthoud voor de rechtbank verschijnen zal.quot;
De gerechtsdienaar, die met den Burgemeester zich een oogen-blik te voren verwijderd had, trad weder binnen en overhandigde den Griffier een klomp aard, dat echter weldra bleek een gouden voorwerp te bevatten.
»Ik kan verklaren, dat dit het horloge van Mijnheer Reaal is,quot; zeide de Burgemeester zenuwachtig. ^Mijnheer van Ommeren,quot; vervolgde hij tot Kornelis, »ik deed u onrecht.. . vergeef mij . .. de schijn was tegen u . ..quot;
»Ge meendet uw plicht te doen. Mijnheer! Ik blijf u altijd nog erkenteljjk.quot; Hij schudde 's mans hand hartelijk.
De Griffier boog. Het rijtuig was voorgekomen, waarin hij met den Burgemeester en Hein stapte.
»Thands zijt ge waarlijk mijn, waarlijk ons!quot; juichte Lize, die echter na die woorden haar overspanning verloor en ineen zeeg.
»Krachtige, groote ziel! Moet ik u dan alles danken?quot; suisde het van Kornelis, lippen.
279
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN.
Drie weken later waren zij vereenigd, om niet dan door den dood van elkaar gescheiden te worden. Het was een feest, dat in engen kring werd gevierd; want gedurende de bruidsdagen bleek van de krachten der oude luidtjens te veel gevergd te zijn. quot;Vader en Moeder hadden zich sterk betoond tot zij alles van de heldendaden huns zoons wisten, maar toen begonnen ze stil te worden en afgetrokken; ze sliepen soms den hal ven dag.
»Het is het verstoorde evenwicht dat het rustpunt zoekt. De slaap zal hen verkwikken,quot; meende de bruigom.
»Het is uitputting na te groote inspanning. Och, dat ze ons huwelijk nog beleven mochten!quot; fluisterde de bruid.
Die bede werd verhoord. Ze waren meê naar de kerk opgegaan, waar het huwelijk werd ingezegend van Majoor Kornelis van Ommeren en Mejufvrouw Lize Stufken.
De jonggehuwden deden een klein uitstapjen en vertoefden een halven dag op Zelden-rust, dat ze feestelijk uitgedoscht zagen, dank Everts en Klaraas zorg. Toen ze er afstapten vonden ze er Dominee Slins met den geheelen Kerkeraad.
»Er zijn groote dingen aan u geschied, dies zijn wij verblijd!quot; zeide Zijn Weleerwaarde.
Kornelis nam hem ter zijde. Hij drukte hem de hand, maar blies hem toch in het oor: »Ik hoop nog wel eens voor uw preekstoel te staan; noem dan niet den naam van de doopeling voor ge het naambriefjen ontvangt. Ge mocht n anders eens vergissen en een meisjen doopen, terwijl het een jongen was . . .quot;
«Dus je denkt je hier te vestigen?quot; klonk het luid, te luider omdat er eenige verlegenheid verborgen moest worden. »Dat is braaf. Een goede aanwinst voor de Gemeente! â Zeg eens, vrindtjen ! in Algiers hoordet ge weinig van het separatisme, wel?quot;
In het volgend voorjaar vestigden zij zich werkelijk in het dorp op het veranderde Zeldenrust, dat thands als heerenhuis was ingericht. De vroegere bleekvelden werden bloemtuin, het koude, tochtige huis, een woning vol comfort, waar Notaris en Burgemeester en vooral Dominee gaarne kwamen en geboeid werden niet alleen door het geluk der echtelingen, maar ook door het verhaal van de vlucht en den zwerftocht van den tuinbaaszoon.
De oude luidtjens waren niet meê gekomen. Ze werden op een wintermorgen rustig slapend gevonden naast elkaar, maar 't was de slaap die geen ontwaken kent. Gelukkig einde .. . ! Zij hadden niets meer te vragen, niets meer te wenschen op'aarde; op beider bleek en strak aangezicht lag dan ook een liefelijke schijn â de glimlach der dankbaarheid!
Een paar jaren mochten voorbij zijn gegaan en een kinderlach werd in een der vertrekken gehoord, toen de postbode aan hel huis van den landontginner en wethouder van Ommeren een brief
280
HET GEZIN VAN BAAS VAN OMMEREN. 281
uit Leeuwarden bracht aan het adres van Lize Stufken. Hij was van Hein, die daar zijn straf, â het minimum dat de Wet eischte â moest doorbrengen. »Griet is me van nacht verschenen,quot; zoo schreef hij bijna onleesbaar â »Ik weet wat dat beteekent: ze keek me voor het eerst vriendelijk aan. Wel* te rusten â tot in dei-eeuwigheid!quot;
Het sierlijk rijtuigjen van zwager Evert kwam voor de deur. Een luid welkom werd gehoord. Kornelis liep met zijn naamgenoot â den oudsten zijner zuster â op den arm weg en Klara kon niet afblijven van Lizes eersteling, die op den arm der Moeder kraaide van plezier.
Eenige oogenblikken later stonden Kornelis en Lize hand in hand in den sierlijken bloemhof. Ze zwegen en voelden zich omringd van hunne dierbare afgestorvenen, waaronder Tante Moes het eerst herkenbaar was. Het verleden zweefde hen voorbij. Zij beleefden het nogmaals, niet om op nieuw te treuren, maar om te juichen. Kornelis drukte zijn wijfjen aan het hart en fluisterde haar toe: we konden nooit zoo gelukkig zijn geworden als wij niet zoo diep ellendig waren geweest. Het is waar wat ik ergens gelezen heb: »wat wij verkrijgen, wij moeten het in ons zeiven veroveren. De strijd kost dikwijls ons hartebloed; maar met dit te geven, geven wij ook leven aan nieuwe kiemen.quot;
»Toch danken wij een hooger Wezen voor den zegen op onzen strijd, niet waar?quot; lispelde Lize. »Niet te hooghartig, beste, beste man!quot;
lt;:x; -«
' ;j
i
i
â â
I
: .-v-, â .::. v;;
.
â . â¢;;â¢aaa«Hterffr3t^tB?-ii;SB- 3*H35H«WtsS3Â¥ «â 'quot;y j'-ji :fc?'-3^quot;'rr^?h a^iUwSiiK
gL^p»^g;g^^pR
â quot;--1 gt;--quot;v .quot;*,« f -C; ⢠'Zii'rf-.^ ⢠2 ^ ^ ^ is»»*,iS^jiS