mm 'V^' r'
'V
* .^X\ ?â â â . gt; j
'**f :va. â¢
i gt; ,, t t 4 'i
fi,\ 'â %-X *C gt; f.^4' ''tiJM' 't ': -'V ^VV- v* I
\ ^gt;Y^- T. .v-v ^ amp;amp;Ã-f 'ï * i - \ ? t V *} ^ . -v^
s. ^4)y. 'y
'amp;â * ^V'- -rC-'«
i ~ j»cr.4 -j:^- â ffl.'*/ A'- ' j5
â¢^- gt; v . gt;gt;â .£ , m kgt; ^ -T.^ % ^, - .-a
v!#* '.'vV ' â quot; V ' â â¢^â¢' lyrÃX'S -V
A? ^ t^é-yf^
'â ir-K - WX^ V ; r --x.'' . v è gt;^1; *quot; - '' ^ ^ - .
'â â ^â 'jJ^-ii.'A K.ZI: 'â ^',,h--JL-^ ri, ihMjk,
!-*^£ '-v '/t Y ^ ;A gt; .;'
j ^ / y- *'â gt; 'J 'â -Jcgt;gt;
V1, x: '*.amp;
*/â -- s ^ 'quot;; * * - m ft'
:; 'f ^ 4 ^ ? 'j * ^A ' gt;â¢â J
^ yt t y H ^ ^Vk- ^
, * « VVgt;^S -fv^ ⢠^ ^ 1 ^
r ï ^ fquot;â ,;,A. .gt; ^^ f ^r-'- ' X'-1 ^ZJ
w'^ . -f .^, . 1 T;, .â -,.⢠f % ^i. ^ ^ .J^n
, \ aii
^-3
Het H. Huisgezin van Nazareth
EN HET
CHRISTELIJK HUISGEZIN.
Eene Verzameling- van 25 Toespraken
zoowel ten gebruikc voor de Vergaderingen van lief Jïarlsöroederseliap der ip. jTamifie
als voor
«le Vercenlging- der Christelijke Huisgezinnen.
Met medewerking van andere priesters uitgegeven door
F. K. AICH,
Pastoor te BegemJnirg.
Uit het Hoogduitse!i vertaald door E. H. VAN DEE HEIJDE,
~ (-gt; n ~ -v Pastoor.
I
SrUiTMC 1
-iwiiu.iSb ||
a a r. m t N. Jj
KERKELIJK GOEDGEKEURD.
's-HERTOGENBOSCH, G. MOSMANS ZOON, Markt A. 14.
1897.
VOOR W OORD.
Doordat Loo XIII bij Apostolische Breve van den 14 Juni 1892 de Alyemeene H. Familie heeft opgericht, rust op de geestelijkheid de plicht, de geloovigen te onderrichten omtrent den aard, het doel en de inrichting dezer broederschap, alsmede om de christelijke huisgezinnen uit te noodigen, daarvan lid te worden. Dit grootsch werk, klaarblijkelijk het werk der Voorzienigheid, wordt juist nu ondernomen, omdat het een voortreffelijk middel is tot oplossing van het sociaal vraagstuk, dat tegenwoordig overal op den voorgrond staat en de geesten en gemoederen bezig houdt. Ook de verkondiger van het woord Gods moet het zijne bijdragen tot geleidelijke oplossing van dit vraagstuk, dat eigenlijk het vraagstuk is van het al- of niet in stand houden der christelijke maatschappij. Eene schoone gelegenheid daartoe biedt hem de instelling van-, en ijverige zorg voor deze godsdienstige vereeniging, daar zij de christelijke huisgezinnen er toe brengt, om het beeld van Nazareth's H. Huisgezin in zich weer te geven en daardoor in alle standen tevredenheid te brengen.
Aan den wensch om hulp in deze taak wordt hiermede voldaan, niettegenstaande de vele en groote moeielijkheden, welke het opleverde, omdat nog geen werk van dezen aard tot dusver bestond. De ondergeteekende waagt het dus, deze verzameling in het licht te geven, waarvan sommige uitvoerig bewerkte preken, andere slechts ontwerpen van preken zijn over de vrome Broederschap der H. Familie en over eenige onderwerpen, welke met het huisgezin in nauw verband staan.
Moge het hier aangebodene, hoe onvolmaakt en gebrekkig het ook zij, aan mijne ambtsbroeders nieuwe gezichtspunten verschaffen en doen ontwerpen ; â moge zoo hetgeen, met medehulp van anderen â waarvan ik hier met dankbaarheid gewag maak â voor een kleinen kring tot stand kwam, ook in wijderen kring bijdragen tot opwekking en herleving van den christelijken geest en tot meerdere eer der H. Familie,
J. M. J.
F. K. AICH.
Regensburg, lö Juni 1896.
_____is^S)*
hd h £ h £ igt;}i i?si i?si i?5i h sC ^gt;5^ h d h lt;6 igt;0cgt;?ic?öc?lt;üo;oc»sócgt;lt;ü0?0
* JCJCjCJC0*^0^?!!*! w
|ji-;^^^ . ............
I.
(Dvev be promc Dcrccnigtng tgt;er B. familie 3. 211 3.
(Door IParbocb, Kapelaan.)
Denm time et mandata ejus ohserva, hoc est enim omnis homo.
Vrees God en onderhond zijne geboden; want dit is de geheele mensch.
Prediker XIII, 13
rees God en onderhoud zijne geboden ; want »dit is de geheele menschquot; zijn de woorden, jwaarmede de wijze koning Salomon het Boek: »d e Predikerquot; eindigt, om al het daarin behandelde samen te vatten. Bovendien is het eene gewichtige vermaning, die in den tegenwoordigen tijd niet genoeg kan herhaald worden. Want geloof en godsdienstigheid, zedelijkheid en deugd nemen onder alle standen en leeftijden al meer en meer af. Het is, als hadde de booze geest zijn zaad uitgestrooid, dat nu weelderig opgroeit. Op alle manieren moet daartegen gewerkt worden. En wat kan nu nuttiger zijn, dan dat men aan de menschen de voorbeelden voorhoudt van die personen, die de vermaning van den wijzen koning hebben opgevolgd ? Maar waar zullen we een treffender voorbeeld van alle deugden en van godvreezend-heid vinden dan bij het H. Huisgezin van Nazareth, bij
Jesus, Maria en Jozef ? Gelijk de huisgezinnen zijn, zóó ook in den regel zij, die daaruit voortkomen. Als dan in de huisgezinnen een godsdienstige geest heerscht, dan is dit het beste tegenwicht tegen den onchristelijken geest, welke al meer en meer toeneemt. Zoo begreep het ook onze H. Vader Leo XIII, en daarom heeft hij, die beter dan iemand de kwalen en derzelver geneesmiddelen van onzen tijd kent, alle godsdienstige huisgezinnen uitgenoo-digd zich aan te sluiten bij de »Algemeene Vereeniging van christelijke huisgezinnen ter eere van het H. Huisgezin van Nazareth.quot; Laten wij dan heden beschouwen en overwegen
I het doel dezer vereeniging,
II de middelen ter bereiking van dat
doel; en
III de genade n, daaraan v e r b o n d e n.
Dat do Goddelijke Verlosser, die zelf in een huisgezin heeft geleefd, mijne woorden zegene, en uw hart en uwen wil bewege, opdat de leden dier vereeniging het besluit maken, zich al meer gelijkvormig te maken aan dat H. Huisgezin, en opdat nog velen tot deze aan God zoo welgevallige vereeniging toetreden.
Maria en Jozef, staat ook Gij ons bij door uwe voorspraak bij uwen goddelijken Zoon.
I.
De vereeniging der H. Familie ontstond reeds in de 17e eeuw en heeft zich over alle landen van Europa en Amerika verbreid, dank zij de begunstiging der Pausen en van vele Bisschoppen. Nadat Pius IX deze vereeniging nadrukkelijk had aanbevolen, vaardigde Leo XIII den 14 Juni 1892 eene Breve uit, waarin hij dringend aanspoorde tot
9
deze vereeniging toe te treden, en waarbij hij nauwkeurig de wetten derzelve vaststelde. Het doel, dat deze vereeniging beoogt, is : de christelijke huisgezinnen aan de H. Familie van Nazareth toe te wijden, hen tot bijzondere vereering van dat H. Huisgezin op te wekken, hen tot navolging aan te sporen van de schitterende deugden, waarin de H. Familie allen christelijke standen, vooral echter den ambachts- en werkmansstand is voorgegaan. De H. Vader doet dit doel in zijne Breve duidelijk uitkomen, als hij zegt: gt;Het kan niemand ontgaan, dat het welzijn van afzonderlijke personen, zoowel als der samenleving afhangt van den toestand waarin het familieleven verkeert.
»Hoe dieper godsdienstighed en deugd wortel geschoten hebben in het huiselijk leven, hoe meer de ouders door woord en voorbeeld bij hunne kinderen aandringen, om Gods geboden trouw te onderhouden, zooveel te meer zal »ook de samenleving gezegend zijn. Het is toch van het meeste aanbelang, dat de huisgezinnen niet slechts op godsdienstigen grondslag zijn aangelegd, maar dat daarin de wil Gods nauwkeurig volbracht en de geest van gods-: dienstigheid en deugd gevoed en onderhouden worde. Als : dan ook in de volheid der tijden Gods raadsbesluit tot »verlossing van den mensch zou uitgevoerd worden, wilde de goddelijke Barmhartigheid dit werk hiermee beginnen, dat aan de wereld werd voorgehouden het toonbeeld van »een huisgezin, door Hem zelf opgericht, waar allen het
voorbeeld van alle en iedere deugd konden aanschouwen. «
Dusdanig was het H. Huisgezin van Nazareth, 'ii welks schoot, onder bescherming van de Allerheiligste Maagd »Maria en van Jozef, als Voedstervader, de Zou der gerechtigheid, Christus de Heer, schuil ging, alvorens Hij de «volkeren met Zijn licht verlichte.quot;
»Zonder twijfel bloeiden in dit heilig huisgezin liefde
â 10 â
»jegens elkander, heilige zeden, de beoefening der gods-»vrucht, in een woord, alles waardoor het huiselijk leven »versierd en geadeld moet worden; en dat in de hoogste »mate, opdat het een voorbeeld voor alle tijden zou zijn.
»Want het lag in het plan der Voorzieningheid, dat :gt;alle Christenen van welken stand ook tot de deugd zouden »worden aangezocht en aangenaamd door op te zien tot »het H. Huisgezin van Nazareth. Inderdaad, in Jozef, den :gt;H. Voedstervader hebben de huisvaders een schitterend -voorbeeld van vaderlijke waakzaamheid en voorzichtigheid; de moeders vinden in de allerzaligste Maagd en Moeder Gods Maria het uitstekendst voorbeeld van heilige liefde, zedigheid, zelfsverloochening en onwrikbaar geloof; aan de kinderen wilde de Zaligmaker het voorbeeld van gehoorzaamheid geven, doordat Hij zelf «onderdanigquot; was; opdat zij dit zouden bewonderen, hoogachten en navolgen.quot;
Aldus de Heilige Vader. Ja, mochten toch allen opzien naar het voorbeeld, in het Huisje van Nazareth gegeven! Hoe geheel anders zou het dan in de wereld uitzien! Ziet, hoe de H. Familie haar dagelijksch werk verricht. Zij begint en eindigt met bidden; de drie leden van het huisgezin werken, ieder aan zijne taak, ijverig en opgewekt; alle drie wederkeerig voor elkander en ter eere Gods, Wiens wil en welbehagen zij altijd voor oogen houden! Bemerkt wel, hoe zij de voorschriften der Wet, en evenzeer de verorderingen des Keizers in eere houden en nakomen. Daar kan iedere stand, elke leeftijd leeren, hoe men zijne plichten van staat moet volbrengen. Gij, huisvaders, ziet op tot Jozef; u, huismoeders, is Maria ten voorbeeld bij het verrichten van uw huiswerk en andere plichten van staat; aan u, kinderen en ondergeschikten is een verheven voorbeeld in Jezus geschonken.
In dit H. Huisgezin ziet gij allen hoe kostbaar en grootsch
de gehoorzaamheid is, de ootmoedigheid en de zuiverheid. Zijt gij werklieden: hier hebt gij nu een werkmans-gezin! Zijt gij rijk of arm, leer van dit H. Huisgezin, welke waarde de goederen dezer wereld hebben! Zij waren arm en toch tevreden en gelukkig. Zijt gij in vreugde; de echte, ware vreugde bezat dit H. Huisgezin. Wordt gij door lijden bezocht, leert van de H. Familie dat met onderwerping, geduld en vertrouwen dragen! Zoo kan het beschouwen der H. Familie voor ieder eene leerschool van deugden worden. »Als ik dit zag, nam ik het ter harte en heb mijne onder- â «richting uit dit voorbeeld getrokkenquot; moet een ieder het Boek der Spreuken 1) nazeggen. Wanneer hij beschouwt en overweegt het leven en de deugden van het H. Huisgezin Jezus, Maria en Jozef.
II.
Verheven voorzeker is het doel, dat de vereeniging der christelijke huisgezinnen nastreeft. Mochten toch alle huisgezinnen dezer parochie zich daarbij aansluiten. Om aanyenoinen te worden is noodig, dat het hoofd des gezins of iemand anders uit het gezin namens hem, zich bij den pastoor of diens gemachtigde vervoege, en zich met het geheele gezin in de registers der vereeniging late inschrijven.
De huisgezinnen kunnen zich dan afzonderlijk aan de H. Familie toewijden met het gebed, dat door den H. Vader daartoe is voorgeschreven; later kan ieder voor zich of kunnen allen samen dat nog eens doen in de Kerk, in tegenwoordigheid des pastoors of van diens gemachtigde.
De plichten welke de vereeniging haren leden oplegt, zijn weinige en zeer gemakkelijke te volbrengen. Men be-merke wel, dat deze evenmin als die van andere vereeni-
1) Spreukou XXIV, 32.
12 â
gingen op zonde verplichten. De middelen nu, om het doel, de vereering en navolging Her H. Familie, te bereiken, zijn de volgende.
a. In ieder huis moet eene beeltenis aanwezig zijn, waarop de H. Familie is voorgesteld: hetzij dat die voorstelling is genomen van de kribbe, op de vlucht naar Egypte, uit het Huisje van Nazareth bij het werk, hetzij de H. Familie op eenige andere waardige wijze is voorgesteld. Het beste is, die in dat vertrek van het huis te plaatsen, waar de leden van het huisgezin het meest zijn, of bijeenkomen om te bidden. Dikwijls moeten de huisgenooten tot deze beeltenis opzien, in de schaduw daarvan het grootste deel huns levens doorbrengen. Daarom dan ook moet het eene eereplaats innemen.
Het moet alle bewoners van dat huis aanmanen, zich die deugden eigen te maken, waarin de H. Familie zoo heerlijk heeft uitgeblonken. Het moet den ouders aanmanen, hunne kinderen goed op te voeden; de kinderen tot gehoorzaamheid en onderdanigheid aan hunne ouders aansporen, alle huisgenooten wederzijdsche liefde leeren, tot eendracht en vrede opwekken. Dat beeld moet een zachten drang op u uitoefenen, om ijverig uwe godsdienstplichten te vervullen, dikwijls de H. H. Sacramenten te ontvangen, trouw de Zonen de heiligendagen te vieren, stipt te zijn in het naleven der Kerkelijke geboden. Dat beeld moet alles uit uw huis verdrijven, wat den Christen onwaardig is. Als gij u dan dikwerf voorstelt, dat de H. Familie van die beeltenis af op u nederziet, zoudt gij dan nog schelden of vloeken; twistziek, ongehoorzaam of eigenzinnig zijn; zoudt gij dan goddelooze of onkuische taal durven spreken; u aan onmatigheid of losbandigheid overgeven?
b. Dan nog moeten alle leden des gezins iederen avond, of op eeniger anderen meer geschikten tijd bij dit beeld
samenkomen, om gemeenschappelijk een gebed te doen. Geen gebed moet daarvoor gebruikt worden, dan dat, hetwelk door den H. Vader als dusdanig is goedgekeurd; ofschoon tot hetzelfde doel ook b. v. het avondgebed, het rozenhoedje zou kunnen dienen of het bekende schietgebed:
Jesus, Maria, Jozef, ik schenk u mijn hart en mijne ziel!
Jesus, Maria, Jozef, staat mij bij in mijnen doodstrijd!
Jesus, Maria, Jozef, laat mijne ziel in vrede rusten!
III.
Zou Gods mildsten zegen over u kunnen uitblijven, als gij u, gelijk de eerste christenen te Jerusalem deden, dikwijls vereenigt tot het gebed V Wanneer gij u vereenigt, gelijk dat eenmaal de H. Familie deed in hun onaanzienlijk huisje, om God te danken voor Zijne weldaden, voor Zijne bescherming naar lichaam en ziel, om Hem te loven en te bidden, dat Hij u bijsta in de moeielijkheden des levens en opdat gij moget volharden tot het einde ? Voorzeker niet. Het gemeenschappelijk gebed heeft dit vóór, dat het Jesus zelf in het huisgezin doet tegenwoordig zijn. Dat beloofde Hij, zeggende: »Waar twee of meer in mijnen naam vergaderd zijn, daar ben Ik in hun midden.quot; Als bij het gemeenschappelijk gebed de heldere stemmen dei-kinderen zich mengen met de diepe tonen der mannenstemmen van u, volwassenen ; als uwe handen aan den arbeid gewoon, zich tot bidden vouwen, evenals de teedere vingers uwer kinderen ; gelooft mij, dat is een schouwspel voor de hemelbewoners ; voor de Engelen en Heiligen, die zelve God loven en prijzen zonder ophouden; ja voor God zelf, bij Wien zulk gebed veel vermag.
Een huisgezin, dat zóó bidt, is een vaste burcht, tegen welke de duivel ceene macht heeft. De zee'en, welke deze
â 14 â
schoone gewoonte aanbrengt, reikt tot in de verre toekomst
Ouders, er komt een tijd, dat gij uwe kinderen niet meer bij u hebt en ze kunt leiden ; uwe kinderen moeten de wereld in, allerlei gevaren en verleidingen te gemoet. Al kunt gij niet meer aan hunne zijde zijn, ja, al zijt gij reeds lang gestorven, dan nog is de herinnering aan het godsdienstig leven en aan het gezamelijk gebed in het ouderlijk huis een krachtige steun tegen alle gevaren.
»Ouders,quot; vermaant een godvruchtig Bisschop, »ouders, »neemt de oude gewoonte weer aan van gezamenlijk te »bidden.quot; Het is een heilig gebruik. Het brengt zegen in uw huisgezin, uwe kinderen zullen zijn, wassen, en bloeien als jeugdige boomen, die langs waterstroomen geplant zijn; zij zullen toenemen in wijsheid en behagelijkheid bij God en de menschen.
Zietdaar, geliefde christenen, hoe gemakkelijk de plichten te vervullen zijn, welke het lidmaatschap der Alge-meene Heilige Familie oplegt, om het groote doel daarvan te bereiken. Hoevele genaden en zegeningen helpt zij verkrijgen ! Welke hoop verschaft zij gedurende het leven; waren troost bij en na den dood. Ik heb er reeds op gewezen, welk geestelijk nut deze vereeniging sticht, doordat zij van de leden deugd en zedelijkheid en alle goeds vordert en helpt bevorderen door de navolging der H. Familie. Dat alleen is reeds zegen en overvloedigen zegen, waarvan wij in de eeuwigheid den omvang zullen erkennen. Hier komt echter bij, dat de ingeschrevene huisgezinnen deel hebben aan alle aflaten en gunsten, welke de Pausen er aan geschonken hebben. Op den dag der inschrijving als lid of op dien der opdracht, en jaarlijks bij de vernieuwing der opdracht kan men een vollen aflaat verdienen, mits men de H. Sacramenten der Biecht en Communie ontvange en bidde tot intentie van den Paus. Op dezelfde voor-
â 15 â
waarden kan men insgelijks een vollen aflaat verdienen op sommige feesten, die betrekking hebben op de H. Familie ; iedere maand op een dag naar verkiezing, als men het »dagelijksch gebedquot; iederen dag der maand gestort heeft voor eene afbeelding der H. Familie ; alsnog in het uur des doods, als men dan rouwmoedig den H. Naam Jesus met den mond of, zoo dit niet mogelijk is, met het hart aanroept.
De inschrijvings-bewijzen geven tevens eene menigte gedeeltelijke aflaten aan, welke door de leden zijn te verdienen, welke alle even als de bovengenoemde volle aflaten kunnen toegevoegd worden aan de zielen des vagevuurs. Onnoodig zeker, u te wijzen op de groote waarde der aflaten. Daardoor kunnen wij onze schulden bij God, de tijdelijke straffen der zonden afdoen. Het langst leven op aarde en de strengste boetedoeningen zijn misschien niet toereikend, om die. uit te delgen. De Kerk komt ons echter te hulp door de aflaten, en deze vereeniging doet ons de gelegenheid aan de hand om er vele te verdienen, en dat niet voor ons zelve alleen. Wij kunnen die ook toevoegen aan de zielen in het vagevuur en daardoor haar helpen, om spoediger Gods aanschijn te aanschouwen. Welk verdienstelijk werk, dat Gods liefde en welgevallen, de liefde en dankbaarheid der verloste zielen ons verzekert, en rijke verdiensten ons doet gewinnen tot meerder en hooger loon in den hemel.
De H. Vader belooft zich milden zegen in onzen on-godsdienstigen tijd van de vereeniging der H. Familie. Luistert toch naar, en volgt Zijne herderlijke stem èn door u in de vereeniging te doen inschrijven èn door trouw uw lidmaatschap te vervullen. Deze vereeniging zal een krach-tigen boom zijn met liefelijke bloesems en kostelijke vruch-
â 16
ten. Zorgt daarom, dat in n, als bladeren en bloesems van dien boom, een krachtig leven is; want het moet u niet genoeg zijn op de registers ingeschreven te zijn : dan toch zoudt gij slechts dorre bladeren zijn, die de wind weldra verstrooit. Neen; gij moet levendige leden zijn, die de gemakkelijke verplichtingen trouw nakomt. Dan zult gij ook deelachtig worden aan hare zegeningen en alle deugden zullen er als vruchten aan groeien. Want Jesus Christus, verzekert de H. Vader, zal de noodige hulp der genade tot heiliging van het christelijke huisgezin, tot eendracht en liefde, tot geduld in tegenspoeden, tot opleving van tucht en zedelijkheid aan hen niet weigeren, die door de verdiensten zijner maagdelijke Moeder en van den H. Josef Hem daarom bidden ! Amen.
i
_âââ_^-a-c-^cXD^-S-^___
^\i/ ^ ^ ^y ^iamp;r
^/|f\ ^ ^ ^ ^/|?N //|^ //|K
'^rc\9Q^'^~gt; CT^
o
II.
Pc Pcrsoitcit ^cr 5. familie.
(t*oor 2licl].)
In semine tun benedicentnr nmnes fn-miliae terra.
hi mo zand zullen alle volkeren dei-aarde gezegend worden.
Handelingen III. 25.
â ij die in onzen veelbewogen en onzekeren tijd een blik werpt op de toestanden der maatschappij, j zal met schrik ontwaren, hoe overal wanorde en omverwerping heerschen en hoe allen steun en stok aan het menschdom dreigt te ontvallen. Zorgwekkende teekenen zijn overal te zien. Oprechtheid en trouw, die twee grondslagen van het leven der menschen, zijn aan het wankelen; nederigheid, waarop alle deugden rusten, schijnt verdwenen; de christelijke naastenliefde, die den naast, voor een broeder aanziet en in den armen, Jesus Christus in persoon, is verkoeld; daarentegen treden haat en nijd meer op den voorgrond; vooral heerscht ontevredenheid en het verlangen naar verbeterde toestanden, zonder dat men echter het oprechte streven daarnaar koestert of de geschikte middelen daartoe wil gebruiken; nijd en losbandigheid verbreken de heiligste banden, waarmede de mensch aan God verbonden is. Meer dan voor eenigen anderen tijd is van onzen tijd ieder woord waar, dat de Verlosser bij den Evangelist
2
cr.
- 18 â
Mattheus (X, 34.) spreekt: »Meent niet, dat Ik gekomen »ben, om vrede op aarde te brengen. Ik ben niet gekomen, »om vrede, maar om het zwaard te brengen. Want Ik ben »gekomen om den menseh te scheiden van zijnen vader, âde dochter van hare moeder, en de schoondochter van »hare schoonmoeder. En des menschen vijanden zullen zijne huisgenooten zijn.quot; Het is niet te ontkennen, dat de maatschappelijke ellende tegenwoordig daarheen voert, omdat oneenigheid en beroering in dien kring is binnengedrongen welke de wortel en de grondslag is der maatschappij; omdat ook daar niet meer de juiste verhouding bestaat, waaide grootste eensgezindheid moest heerschen; daar gaat het naar toe door de velerlei verkeerdheden van onzen tijd, omdat er verwijdering bestaat tusschen vader en zoon, tusschen moeder en dochter; in één woord, omdat ook de christelijke huisgezinnen veelzijds op verkeerde wegen zijn.
Hij kon zich onsterfelijke verdiensten verwerven, die het x geneesmiddel aangaf tegen de gevaarvolle kwalen van onzen tijd;â en die wijs genoeg was om een middel tegen de tegenwoordige onheilen uit te vinden ; â en die macht en aanzien bezat, om het met goed gevolg aan te wenden. »God »heeft alle dingen geschapen, opdat zij wezen zouden en »Hij maakte de volkeren der aarde geneesbaar.quot; (Wijsheid I, 14.) Dit heeft hij ingezien, die daar gesteld is tot een teeken van betere dagen, de gezalfde des Heeren, die nu bijna twintig jaren als »een licht aan den hemelquot; staat aan het hoofd der Kerk, onze Paus Leo XIII. Hij heeft de kwaal der maatschappij onderkend en tegelijk het middel aangeboden, dat het kwaad in den wortel aantast, toen hij de vereeniging der H. Familie in het leven riep. Door deze vereeniging toch zullen godsdienstigheid en het christelijk leven wederom opbloeien in de huisgezinnen, en door deze in de maatschappij.
19 â
Zoo gaan wij eene betere toekomst tegemoet. Daarom mag van Leo XIII en van deze zijne stichting het woord der belofte gezegd worden, dat eens God tot Abraham, en later Petrus tot de Joden richtte : »In uw zaad zullen alle ^huisgezinnen der aarde gezegend worden.quot; Vóór twee duizend jaren is de vernieuwing der wereld uitgegaan van de H. Familie, en haar beeld is het gepaste middel, om ook de kwalen van onzen tijd te heelen.
Mocht dat goed begrepen en ter harte genomen worden ! Wij, geliefde hoorders, willen ons gaarne en dikwijls hiermee bezighouden, en heden onze aandacht wijden aan die heilige personen, die de H. Familie uitmaken : aan den goddelijken, aanbiddelijken persoon onzes Verlossers en op de beide door Hem gekozen personen, die met Hem door dit aardsche leven wandelden: Maria en Jozef.
Beginnen wij in hunne H. Namen deze onderrichting.
I.
Onder de personen der H. Familie bekleedt Hij voorzeker de eerste plaats, om Wien het huisgezin van Nazareth terecht en bij voorkeur gt; de H. Familiequot; wordt genoemd : Jesus de Zoon Gods, en tegelijk de Zoon der H. Maagd Maria.
Jesus treedt hier voor ons op als Zoon, met evenveel recht is Hij echter vader; werkelijk toch is Hij het, tot wien wij op Gods bevel bidden: »Onze Vader die in de Hemelen zijt.quot; Als onderdaan, als stipt gehoorzaam kind aanschouwen wij Hem hier, terwijl Hij, zooals het geloof ons leert, de Heer is, het hoofd des gezins ; Hij is het, die door zijn almachtig woord alles torst; Hij is de voornaamste Persoon der H. Familie.
Jesus Christus is slechts één, waarachtig goddelijk Per-
â 20 â
soon. Nestorius, de aartsketter, durfde leeren, dat in Christus twee personen waren, een goddelijke en een mensche-lijke; dat Maria den menschelijken persoon alleen gebaard had en dus niet Moeder van God kon genoemd worden. Daartegen kwam de geloofsovertuiging der geheele Kerk in verzet; de leer van Nestorius werd op de Algemeene Kerkvergadering van Ephese (431) veroordeeld, en als de ware leer geldt nog heden ten dage : »gelijk de redelijke »ziel en het vleesch slechts één mensch uitmaken, zoo ook »is slechts één Christus God en mensch.quot; (Geloofsbelijdenis van Athanasius.)
Geliefde christenen, verlevendigen wij ons geloof aan deze groote waarheid, die onzen godsdienst tot een god-delijken stempelt, en onze menschelijke natuur zoozeer verheft en adelt! Christus, de Heer, onze beminnelijke Verlosser is God en mensch, doch niet van elkander gescheiden, maar vereenigd in één goddelijken persoon. Hetgeen Christus dus gedaan heeft is goddelijk werk, wat Hij geofferd heeft is van oneindige waarde, en goddelijk is ook het woord, dat Hij heeft verkondigd. Belijden wij dan ootmoedig met Petrus: »Gij zijt Christus, de Zoon van den levenden God.quot; (Joan. I, 14.) In de Evangeliën is over Hem zoo belangwekkend en overtuigend geschreven, dat wij kunnen zeggen hem gezien te hebben, wel niet lichamelijk, maar toch zóó, als leefde en werkte Hij onder ons. Ja, wij hebben Hem gezien en zien Hem nog met de oogen des geloofs dezen goddelijken Persoon, »vol van genade en waarheid.quot;
Om de wereld naar dat goddelijk voorbeeld te hervormen is het opzien naar Hem geschikt, want Jesus' leer en voorbeeld zijn altijd bij machte om te redden en zalig te maken wat verloren was; Jesus is Verlosser en Zaligmaker voor alle menschen en ten allen tijde ; Hij is voor allen de
21 â
weg ten heil, de waarheid ter voorlichting, het leven om van den ondergang te redden. Discite a me : »leert van Mijquot; (Matt. XI, 29.) is tot ons gezegd evenzeer als tot de tijdge-nooten van Jesus ; â »exemplum dedi vobisquot;: gt;Ik heb n »een voorbeeld gegevenquot;; en dat voorbeeld hebben de men-schen van den tegenwoordigen tijd evenzeer na te volgen als de leerlingen des Heeren.
Christus is het heerlijkste voorbeeld van alle deugden Ootmoed moet de grondslag van alle deugden zijn: in Jesus zien wij het volmaakste toonbeeld van ootmoedigheid, en van Hem vernemen wij de vermaning: leert van Mij, »dat Ik zachtmoedig van harte ben.quot; (Matt. XI, 29.); de wijsheid van Jesus maakt alle listen zijner vijanden ten schande, en Hij leert ieder: gt;-Zijt listig als de slangen en »eenvoudig als de duivenquot; (Matth. X, 16.) Zijn maatstaf is: gerechtigheid. Zóó had de Psalmist het van Hem voorzegd, »de rechtvaardigheid zal uitspruiten in zijne dagen en «overvloed van vredequot; (ps. LXXI, 7.); matigheid is Hem eigen: gaf Hij der wereld niet het voorbeeld van een veertigdaagschen vaste ? In Hem bewonderen wij sterkte, gelijk Hij door den Profeet (Is. IX, 9.) als »de sterke Godquot; was aangekondigd.
Zietdaar, Gel. Christenen, de eerste, de heiligste Persoon der H. Familie: Jesus Christus, den in eeuwigheid geprezen Zoon van God ! Hij is het, die met alle reden tot zijne leerlingen kon zeggen : «vertrouwt. Ik heb de wereld over- v wonnen.quot; (Joan. XVI, 33). Hij ook heeft de macht, om de kwalen dor tegenwoordige wereld weg te nemen, als maar de wereld Hem erkent en aanneemt; boven alles, als de huisgezinnen Hem eene plaats inruimen. »Waar twee »of meer in Mijnen Naam vergaderd zijn, daar ben Ik in »hun midden,quot; zegt Hij. Ziet nu in het Huisje van Nazareth de letterlijke vervulling dezer woorden: Jesus te mid-
22 â
den dei- heiligste personen Maria en Jozef! Ook gij, Christenen, zijt leden van een huisgezin ; als uw huisgezin in den naam van Jesus altijd vergaderd is, dan zal ook Hij altijd in uw midden zijn. Zorgt dan daarvoor, dat gij het geloof aan Jesus steeds behoudt en doet toenemen, dat steeds geleefd wordt naar Zijne leer en Zijn voorbeeld. Welke plaats gij ook in het huisgezin bekleedt, hetzij als overheid of onderdaan, breng het uwe bij, opdat uw huisgezin oprecht christelijk zij of worde, eene afspiegeling van het Huisgezin van Nazareth, een heilig huisgezin.
Na dezen aanbiddelijken en goddelijken Persoon Jesus, laten we nu beschouwen de beide personen, die met Hem waren ; allereerst Zijne heilige, glorierijke Moeder Maria.
II.
»Quae est istaquot;? »wie is dezequot;? vraagt de Zanger van »het Hooglied (VI, 9.) »wie is zij, die daar als het opko-»mend morgenrood te voorschijn treedt, schoon als de maan, «uitgelezen als de de zon, schrikwekkend als een geordend krijgslegerquot;? De H. Kerk maakte die woorden tot de hare, om ze op Maria toe te passen. Maria is inderdaad gelijk aan het opgaand morgenrood, en verkondigt eene betere toekomst. Zij, die in het nederige huisje van Nazareth als eene vrome moeder en vrouw het huishouden bestiert, die daar werkt, zorgt en bidt: wie is zij? Zij, die zich Moeder Gods kan noemen, die Jesiis voedt, kleedt en opvoedt: wie is zij ? stel u, christelijke wereld, deze vragen! en dan: beschouw en overweeg! Het is de tweede persoon der H. Familie, het is Maria, de Maagd, die wij begroeten als ^de Moeder des Scheppers, des Verlossers,quot; als de zuiverste, wijste der maagden,quot; als de spiegel der rechtvaardigheid, de Moeder van barmhartigheid; zij is de verkorene boven
23
duizenden, de onvergelijkelijke, de éénling van haar geslacht, de gezegende, de genadevolle.
Verre van ons, dat wij aan Maria goddelijke eer zouden bewijzen. Wel wrijven ons de Protestanten lasterlijk aan, dat wij Maria tot eene godin maken; ieder Katholiek weet, dat zulks niet waar is. Maria is mensch, een schepsel Gods; maar onder al het geschapene neemt Zij de eerste plaats in. Hoe hoog de Heiligen in genade en waardigheid zijn verheven; geen zoo hoog als Maria, want »zijquot;, schrijft de H. â¢Alphonsus, »zij alleen kan zeggen: Christus is mijn zoonquot;; zij is met zoovele genaden en voorrechten begiftigd als aan geen ander zijn geschonken; zij ook alleen kan door Hare voorspraak alles verkrijgen; zij beschikt bij God over een invloed en eene macht als geen Engel of Heilige.
Maria is Moeder van God; welke waardigheid is hoo-ger? Eéne slechts: de goddelijke. Maria was en is Maagd vóór, bij en na de geboorte van Jesus: wie is hierin aan Haar gelijk? Zondeloos is Zij en de genadenvolle. Millioenen hebben de zonde bestreden en overwonnen; Maria echter is op wonderbare wijze van den beginne af bewaard gebleven voor de zonde en van elke genegenheid tot de zonde. Onder de vrome en brave menschen zijn er vele, die weinige en kleinere zonden slechts bedreven hebben; toch hebben zij allen onder de erfzonde gezucht; Maria echter is door een éénig voorrecht van de smet der erfzonde vrij gebleven.
Behalve dit is aan Maria nog een grooter voorrecht te beurt gevallen, gelijk aan geen Heilige. Terwijl de lichamen der Heiligen verrot en vergaan zijn, leert de Katholieke overlevering, dat Maria aanstonds na Haren dood met lichaam en ziel is opgenomen ten Hemel. Quae est ista ? vraag ik nog eens; wie is zij ? zij is die uitverkorene vrouw, die den kop der helleslang zou verpletteren (Schepp. III, 15.); de loot uit Jesse's wortel, die roemvollen bloei en ^
â 24 â
goddelijke vrucht gaf; zij is de Maagd der Profeten, die ontvangen en baren zou den Emmanuel d. i. God met onsquot;. Zij is der wereld ten toonbeeld gesteld, opdat zij ten voorbeeld zou dienen aan de wereld. »Gum essen parvula placui Altissimoquot; legt de Kerk in de Kerkelijke getijden Maria in den mond: toen ik klein was, behaagde ik den Allerhoog-sten. Zou zij ook ons niet bevallen deze Moeder van God, onovertroffen in waardigheid, onvergelijkelijk in deugd, aan macht en invloed zoo groot? Ja, brengen wij Haar gaarne den tol onzer vereering, bewondering en gebeden. Alle huisgezinnen moeten zich onder Hare hoede stellen, bijzonder echter die leden, welke gelijk Maria, de plaats van moeder daar bekleeden; Hare heerlijke deugden moeten in alle huisgezinnen uitblinken: Hare zuiverheid. Haar ijver voor het gebed. Hare liefde tot den arbeid. Hare vredelievendheid, huiselijkheid en ingetogenheid. Haar voorbeeld zal de menschelijke samenleving op betere wegen voeren; op den dag, dat de menschen zich aan de Allerheiligste Maagd toewijden zal werkelijk een heilvoorspellend morgenrood van eene betere toekomst aangebroken zijn.
Wenden wij ons nu tot den derden persoon van deze drieéénheid in het Huisje van Nazareth: tot den H. Jozef.
III.
Als er sprake is van den derden persoon der H. Familie, als gehandeld wordt over den H. Jozef, die bij Christus de plaats van vader, bij de H. Maagd die van bruidegom innam; dan is het zeker dat wij spreken over een man van hooge waardigheid en groote heiligheid. Het zou toch ongerijmd zijn aan te nemen, dat aan een niet-heilige de heilige verbintenis met Jesus en Maria vereerd werd; of ook te onderstellen, dat het een man van gewone heiligheid was.
- 25 â
Groot en verheven is de waardigheid van den H. Jozef; behalve Maria, is hij den Zoon Gods het naast. In verhevene woorden verheerlijkt de Kerk deze waardigheid: :gt;de Heer heeft hem gesteld tot heer over zijn hnis en als vorst »over al zijne bezittingenquot;. Wat hooge waardigheid ! Gesteld zijn over dat huis, hetwelk de H. Familie herbergt; welke waardigheid van hem, die in zekeren zin gerechtigd is vaderlijke rechten over den Verlosser uit te oefenen, die met Hem onder een dak wonen, aan dezelfde tafel eten, met Hem werken, vertrouwelijk met Hem omgaan mag! Dit eervol voorrecht van den H. Jozef vergelijkt de Kerk bij dat der zaligen des Hemels, en zegt: een zalige dood voert alle andere menschen tot God, en na den zegepalm behaald te hebben, neemt hen de eeuwige heerlijkheid op; Gij echter zijt door wonderbare beschikking gelukkiger; gelijk de zaligen, zóó zijt gij reeds bij uw leven in het bezit van God.quot; Ook als bruidegom van Maria is de H. Jozef groot en verheven. De H. Schrift noemt hem bij de vermelding dei-geslachtlijst van Jesus : »virum Mariaequot;, »den man van Mariaquot;. (Matt. I, 16). De H. Bernardus maakt hier de volgende bemerking: »Jozef was de man van Maria, dat zegt genoeg. - Wilt gij weten of Jozefs waardigheid aanzienlijk was; dan »zeg ik u: »Jozef was de man van Mariaquot;; vraagt gij naar »zijne heiligheid en deugd; dan herhaal ik: »hij was de »man van Mariaquot;, dat zegt alles.quot;
De heiligheid van Jozef, den uitverkoren voedstervader van Jesus, licht dezelfde Heilige nog nader toe: »geen »twijfel kan er zijn, of die Jozef, de verloofde van Jesus' »Moeder, een trouwe en wijze dienaar was. Een wijze en »trouwe dienaar, zeg ik, dien de Heer aangesteld heeft tot »troost Zijner Moeder, tot opvoeder zijner menschheid, tot »eenigen en trouwsten medeuitvoerder Zijner raadsbeslui-»ten op aarde. Bovendien is hij uit het huis van David. Ja
â 26 â
»waarlijk, hij stamt van David af; hij is wel waarachtig »vaii koninklijken bloede die Jozef; edel dus van geboorte, »maar nog edeler van hart. Hij was David's zoon, zeg ik, gt;niet echter naar hot lichaam alleen, maar nog meer in ge-doof, heiligheid en vroomheid.quot; Welke loftuiting uit den mond eens Heiligen! Doch wat blijven wij staan bij den lof van een Heilige, waar de H. Geest zelf zoo schitterend getuigenis van den H. Jozef geeft! Weinigen zijn zij, die in de woorden der H. Schrift Min lof verkondigd vinden. Onder die weinigen is Jozef de voornaamste. »Joseph au-»tem, cum esset justusquot; lezen wij daar:»Jozef echter, dewijl hij een rechtvaardige was. (Matt. I, 19.) Wat wilt gij meer, »Gel. Chr. dan dit getuigenis V Rechtvaardigquot; was Jozef, zóó, als God wil, dat de menschen zijn, zóó, dat de Alwetende en Rechtvaardige God niets berispelijks in hem ontdekt-Is aldus de verheven persoon van Jozef niet alleszins geschikt, om der wereld als een toonbeeld voorgesteld te worden? »Jozef nu was een rechtvaardigequot;; mocht dit eervol getuigschrift van ieder afzonderlijk en van de geheele wereld kunnen gegeven worden! Mocht dit eervol woord vooral kunnen gezegd worden van de velen die bij hunne huisgezinnen de plaats van Jozef, die van huisvader innemen. De huisvader moet het huisgezin voorgaan; hij heeft het in zijne macht, invloed uit te oefenen op het geheele gezin, en het rechtvaardig voor God te doen zijn. Mocht een ieder den H. Jozef zich ten voorbeeld stellen, om een andere Jozef voor zijn huisgezin te worden. Dan kon op ieder toegepast worden, wat de Kerk van don H. Jozef zegt: Zalig de man, die bevonden is zonder vlek te zijn, die »goud of zilver niet najaagt, noch zijn vertrouwen vestigt ;?op geld of schatten. Wie is dezulke, en wij zullen hem prij-»zen? want hij heeft wonderlijke dingen in zijn leven ge-»daanquot;. (Eccli. XXXI, 8, 9.)
27 â
Drie verheven beelden zijn ons, Gel. Chr. heden ter beschouwing voorgebonden : drie Personen, even groot en verheven als heilig, zoodat zij onze beschouwing, vereering en navolging ten volle waardig zijn. Xiet dan met eerbied en ontzag boort de christen die namen uitspreken : Jesus, Maria en Jozef. Jesus, de God-Mensch, de Zoon Gods beeft de wereld van de zonde en van den eeuwigen dood verlost. Zijne leer en zijn voorbeeld zal ook nu nog verlossend op de wereld werken, als de menschen naar Zijne stem willen luisteren, op Zijn voorbeeld letten.
Maria, getuigt de H. Bernardus, is nooit te vergeefs aangeroepen ; zij is altijd de »Hulpe der Christenenquot; geweest en zal bet ook nog zijn voor allen die baar betronw-vol aanroepen. De H. Jozef, bet hoofd der H. Familie, zal het niet beneden zich achten de behoeder en beschermer te zijn van bet menschdom, van het groote, door Christus vrijgekochte huisgezin, als zijne hulp en bescherming wordt gevraagd. Waarlijk, deze drie Personen, tot helpers en voorbeelden der wereld aangewezen, en door de menschen aangeroepen, beschouwd en nagevolgd, zij geven onzen H. Vader Leo wel gegronde reden, alle hoop te stellen op de vereeniging der H. Familie. Dat de menschen en de huisgezinnen zich toch hervormen naar deze voorbeelden, opdat de kwalen van onzen tijd weggenomen worden en één groot, heilig gezin op aarde ontsta. Brengen wij. Gel. Chr. daartoe het onze bij, opdat deze godsdienstige vereeniging hare wortels diep in de maatschappij vestige, zóó dat zij ook gewaardeerd en bemind zij bij hen, die nog ongevoelig en onverschillig voor haar zijn. Laten wij zorgen, steeds ijverige en waardige leden der vereeniging te zijn. Jesus, Maria en Jozef zullen het ons beloonen. Amen.
III.
Pc ao^smiicht tot £7. familie cait HasarctK
(^oor ^licb.)
^^oen de Jood Nathanaël, de latere Apostel Bar-
,4 Nazareth potest aliquid boni esse ? Kan er van Nazareth iets goeds komen?
I tholomeus, hoorde dat Jesus van Nazareth voor I den Messias gehouden werd, deed hij aan Philip-pus, die hem dit mededeelde, de vraag: A Nazareth potest alquid boni esse? Kan er van Nazareth iets goeds komen ? (Joan. I, 46.) Het stadje Nazareth en de geheele provincie Galilea, waarin Nazareth gelegen was, waren bij de Joden geminacht.
De bevolking ging door voor ruw en onbeschaafd, te wier midden vele Heidenen woonden ; en deze omstandigheid was een gruwel in de oogen van de ware Israelieten, die ijver hadden voor de Wet des Heeren. Bij deze algemeen aangenomen zienswijze kunnen wij het aan Nathanaël niet misduiden, dat hij aanvankelijk twijfelde en niet wilde gelooven, dat de verwachte Verlosser, die het rijk van Israël moest komen herstellen, afkomstig zou zijn uit Galilea en nog wel uit een zoo onbeduidend plaatsje als. Nazareth was. Toen hij later overtuigd was, dat die Jesus van Nazareth het verborgene wist en wonderen wrochtte.
twijfelde hij niet meer, toen werd hij Diens trouwe volgeling ; en tot Apostel verkoren, bezegelde hij met den held-haftigsten dood zijn geloof aan den goddelijken Meester.
Wij, Gel. Chr., hebben geene reden, om te denken of te spreken gelijk Nathanaël. Wij weten, dat ons alle goeds van Nazareth is toegekomen : het geluk der wereld ; wij weten, dat de eeuwige, ondoorgrondelijke Godheid, die het zwakke kiest om het sterke te beschamen, het stadje Nazareth uitkoos, om van daaruit de hervorming der wereld door het christendom te beginnen. Daar, te Nazareth had de grootste gebeurtenis plaats, die buiten den hemel ooit plaats had: de geheimnisvolle menschwording van den Zoon Gods; daar daalde, na de boodschap des Engels het Eeuwig Woord neer in den schoot van Maria ; daar bracht Jesus het grootste deel van Zijn leven op aarde met Maria en Jozef door. Derwaarts, naar Nazareth, de bakermat van Jesus, het schouwtooneel van Zijne goddelijke en mensche-lijke werkzaamheid, naar Nazareth waren ten allen tijde de oogen van alle geloovigen gericht. Daarop heeft ook onlangs het opperhoofd der Kerk, Paus Leo XIII, alle trouwe christenen den blik doen vestigen, om in de beschouwing van de H. Familie een krachtdadig geneesmiddel voor den zieken toestand der huidige wereld aan te wijzen. Wij, gel. chr. willen volgaarne gehoor geven aan de stem van onzen Opperherder, en de godsvrucht tot de H. Familie van Nazareth ijverig beoefenen ; te meer, omdat deze heilige gods-vruchtoefening op zich zelve alreeds waardig is met ijver betracht te worden, dewijl zij steunt op billijke redenen en groote voordeden en overvloedigen zegen belooft aan hen, die ze beoefenen. Met andere woorden
I. Z ij is b i 11 ij k en rechtvaardig.
II. Z ij is zeer z e g e n r ij k.
Deze twee denkbeelden moeten ons seneaen maken en
30
aanzetten om aan de uitnoodiging van den H. Vader te beantwoorden, van met vernieuwden ijver ons op de navolging der H. Familie toe te leggen.
Deze overweging bracht er mij toe, heden dit onderwerp ter eere der H. Familie te behandelen. Dat de zegen van Jesns Christus en de voorspraak van Maria en Jozef ons vergezelle.
I.
De godsvrucht tot de H. Familie van Kazareth is gegrond en daarom billijk. Het moet werkelijk moeilijk zijn, hiertegen grondige bezwaren te maken ; het is echter gemakkelijk degelijke redenen aan te geven, waarom de vereering der H. Familie billijk, ja zelfs plichtmatig is. Laten wij te dien einde beschouwen het voorwerp dezer godsvrucht, de H. Familie zelve, en tevens de christelijke beoefening daarvan. Beiden bevestigen hetgeen wij beweren.
Het woord van den H. Paulus : »eere, wien eere toekomt,quot; is eene gevestigde waarheid geworden, die door ieder wordt aangenomen. De Apostel der Heidenen schrijft aan de Romeinen (XIII, 7.): »geeft aan ieder, wat gij hem schuldig zijt: schatting, aan wien schatting; belasting, aan »wien belasting, ontzag, eer, aan wien eer toekomt.quot; Wien nu komt meer eer toe dan aan de H. Familie van Nazareth? Wij hebben de Peronen van dit H. Huisgezin: Jesus, Maria en Jozef, reeds van nabij leeren kennen. Zijn het niet Personen, die alle eer o verwaardig zijn? De beschouwing dier Personen heeft ons bewondering afgedwongen, en ons met eerbied voor hen vervuld. Jesus, de goddelijke Persoon, ontvangt van Zijn hemelschen Vader het getuigenis : ;; Deze is mijn welbeminde Zoon, in Wien Ik mijn welbehagen heb.quot; Moeten wij hieruit niet terecht besluiten, dat Hij,
â 31
even als de Vader, alle verheerlijking en aanbidding waardig is ?
Met den Apostel willen wij Hem ten allen tijd onze hulde brengen: »Ipsi honor et gloria in saeculaquot;: »Hem zij eer en lof in eeuwigheid.quot; (Rom. XVI, 27.)
Is Maria, Jesus' Moeder, niet evenzeer alle eer waardig? Zij bekleedt eene plaats, als welke geene door Engelen of Heiligen wordt ingenomen ; en daarom wordt zij, volgens de redelijke leer der Kerk, geëerd op eene bijzondere wijze boven de andere Heiligen. Prijzen wij dan dikwijls Maria en begroeten wij Haar dikwijls eerbiedig met de bij de Kerk gebruikelijke iwoorden : als de beminnelijke en wonderlijke, als de eer- en lofwaardige Maagd. En den H. Jozef hebben wij leeren kennen in zijne overgroote waardigheid van Voedstervader des Zaligmakers, van plaatsbekleeder, in zekeren zin, des Hemelschen Vaders, als den verheven »Man van Maria.quot; Kan één Heilige meer aanspraak hebben op onze vereering dan de H. Jozef, dien de Koning des hemels wilde eeren, doordat Hij hem eenigermate Zijne vaderlijke rechten op Zijn Zoon overgaf.
Zijn aldus de personen der H. Familie, ieder op zich zelve alle vereering waardig ; waarom zou dit dan niet het geval zijn met het H. Huisgezin te zamen genomen; van die heilige vereeniging, die door Gods raadsbesluit en door Gods wijsheid werd ingesteld? van dien gelukkigen kring van Personen, waarvan God zelf in menschelijke gedaante het middelpunt is ; van dien door God ingestelden en gezegenden bond, die van eeuwen voorbestemd was, om Gods plannen ten uitvoer te brengen ? Hoe zal ik naar waarde dit Huisgezin prijzen ? Is het niet het voorwerp van Gods welbehagen; het vereenigings- het brandpunt dier stralen, waarmede de Zon der goddelijke liefde het aardrijk wilde beschijnen ; is het niet het begin van den
â 32 â
weg, die ten heil voert; het uitgangspunt en de bron dei-goddelijke waarheid; de wieg van het christendom, het toonbeeld van een rein leven op aarde, van de innigste de zuiverste liefde, welke ooit menschenharten jegens God konden koesteren ? Reeds hebben wij de H. Familie om hare drie Personen genoemd »eene heilige Drieéénheid op gt; aarde.quot; Inderdaad, zij stelt dien heiligen, door den Aller-hoogsten gesloten bond voor, waarvan de Personen op aarde het trouwste afbeeldsel zijn, van die der goddelijke Drieéénheid in den hemel, waarbij niets kan vergeleken worden. Hoe gegrond en billijk dus, Gel. Chr., is de godsvrucht tot deze H. Familie, waarvan de leden zoo nabij Gods troon zijn, van die heilige vereeniging, waaruit do Zoon des Allerhoogsten sproot, en waarvan Hij deel uitmaakte !
De godsvrucht tot de H. Familie is geheiligd en proefhoudend gebleken door de voortdurende beoefening. Is de vraag, wanneer deze godsvrucht in de Kerk is ingevoerd, niet vermetel en oneerbiedig jegens deze heiligste Personen? Kan deze godsvrucht jonger zijn dan de Kerk zelve, die met het H. Huisgezin begonnen is, en is zij niet altijd in de Kerk beoefend ?
Wanneer is men begonnen, Jesus Christus te vereeren of liever te aanbidden? Toen Hij in do wereld kwam, schrijft de Apostel in zijn Brief aan de Hebreeën (Hebr. 1,6.) toen werd den Engelen bevolen, te doen wat bij den Psalmist geschreven staat: »Et adorent Eum omnes Angeli ejusquot; »alle Engelen zullen Hem aanbidden.quot; Hoe getrouw do Engelen dit bevel volbrachten, blijkt wel uit hunne lofzangen, waarmede zij den Verlosser der wereld bij diens geboorte in Betlehem's stal aankondigden. Pieeds vóór Zij no geboorte aanbaden Hem Maria en Jozef; daarna wedijverden de herders en Wijzen met elkander in Hem te aanbid-
â 33 -
den, Hem hunne hulde te brengen; en deze vereering en Inildebetooning nam steeds meer en meer toe, bleef duren; â mocht zij al meer van dag tot dag toenemen! »Sit nomen Domini benedietum ex hoc nunc et usque in saecu-lumquot; De naam des Heeren zij gezegend van nu af tot in eeuwigheid ! (Ps. CXII, 2.)
Wanneer is men begonnen, Maria te vereeren, van welken tijd dagteekent de godsvrucht tot de Moeder Gods? Beter is, te vragen: wanneer was er in de Kerk een tijd, dat de godsvrucht tot Maria buiten werking was ? De Allerzaligste en Gezegende geeft zelve ons het begin aan van Hare vereering toen zij, op zoo geheimvolle wijze Moeder Gods geworden, in vervoering uitriep : gt;Ecce enim ex hoe beatam me dicent omnes generationesquot; : Zie van nu af zullen alle geslachten mij zalig noemen.quot; (Luc. I, 48.) De voortdurende lofprijzingen der Heiligen; de feesten ter eere van Maria, zoo oud als de Kerk ; het onwrikbaar vertrouwen der geloovigen op Maria; hunne steeds durende en toenemende godsvrucht tot Maria bewijzen, dat Zij die woorden heeft gesproken, voorgelicht door den H. Geest.
Wat nu de godsvrucht tot den H. Jozef aangaat, moet men zeggen, dat de kerkelijke, openbare, de officieele vereering eerst aan latere tijden is voorbehouden. Zóó, b. v. dagteekent de algemeene viering van zijn feestdag slechts van 1622. Dit laat echter niet af, dat de vereering van den H. Voedstervader zoo oud is als do Kerk. De H. Jozef behoort tot het H. Huisgezin, en waar in de H. Schrift sprake is van de H. Familie, daar vinden wij Jozef naast Jesus en Maria. Bij de stichting van het H. Huisgezin maakt de Engel van hem melding : »Daar de Moeder van Jesus,
Maria, verloofd was aan Jozefquot;..... (Matt. 1,18.) Daarmede is
de plaats en tegelijk de vereerenswaardigheid van den H. Jozef voor alle tijden aangegeven. De H. Vaders verheffen
3
- 34 â
zijne waardigheid, verheerlijken zijn schuldeloos leven ; en al zijn de bewijzen voor de voortdurende vereering van den H. Jozef niet zoo talrijk, het ontbreekt toch niet aan aetuigenissen omtrent diens vereering. Bekend is de lof,
O O
door den H. Bernardus aan Jozef gegeven, en heden nog weten wij welke schoone woorden de geleerde H. Theresia aan hem wijdde.
Doch waarom is het noodig te betoogen, dat de Personen der H. Familie, ieder op zich, voortdurend zijn vereerd geworden? Hierom alleen. Gel. dir., omdat de vereering der Leden van de H. Familie afzonderlijk, in zich besluit de vereering dier H. Familie zelve, en omdat de vereering der H. Familie bestaat in de vereering der Personen. Als gij de zon en haar schitterend licht bewondert, dan geldt uwe bewondering ook de sterren, die haar licht van de zon ontvangen; en als gij de sterren verheerlijkt, dan verheerlijkt gij ook de zon, als die haar den glans en de schittering verschaft. Zoo is het ook hiermede gelegen. Aanbidt gij Jesus, de Mensch geworden God, dan straalt van Hem ook roem en eer af op Maria en Jozef, met ien Hij één huisgezin uitmaakte; en vereert gij Maria en Jozef, dan looft gij te gelijk den geheelen familiekring, waarvan de Verlosser het Hoofd is. Overeenkomstig dit handelt ook de Kerk. Zij viert de verjaardagen der Geboorte en der Kindsheid van Jesus als de eigenlijke feesten der H. Familie. Als zij met Kerstmis tot de Kribbe des Heeren nadert, gedenkt zij niet alleen den Zaligmaker, maar ook Maria en Jozef (Evangelie van de le en 2e Kerstmis); en wanneer zij een feest van Maria of Jozef viert, dan is hare bedoeling daarmede, eerst vooral Jesus te eeren, om en door Wien deze beiden alle eer waardig zijn. De christelijke kunst van alle eeuwen leert niet anders, doordat zij met vóórliefde onderwerpen uit de Kindsheid en jeugd van Jesus deed vervaardigen.
â 35 â
Ook daarin zal men Hen steeds bijeen vinden: Jesus,maar steeds in zijn gezelschap Maria en Jozef.
Beoefent dan ijverig, Gel. Chr., de godsvrucht tot de H. Familie van Nazareth, die allezins rechtmatig is, gelijk gij ziet; dan zult gij ook deel hebben aan den daaraan geschonken zegen; want deze godsvrucht is zegenrijk, gelijk wij verder zullen zien.
II.
Zeer troostrijk is de leer van onzen heiligen godsdienst, dat ieder goed werk, in staat van genade verricht, aangenaam is aan God en eeuwig loon waardig. gt;De Heer zal ieder naar zijne werken vergeldenquot;. (Rom. 11. 6.) Deze waarheid is vreeselijk voor de goddeloozen, maar niet minder troostelijk voor de braven. Deze kan zeggen: ieder goed werk, iedere oefening van godsvrucht is aan God aangenaam, wordt door Hem in genade aangenomen en met eeuwig loon vergolden. Velen en veelvoudig zijn de gods-vruchtoefeningen, welke geloof en godsdienstzin hebben uitgevonden, en aan allen schenkt God zijne genade en zijn zegen. Onder alle godsvruchtoefeningen neemt zeker eene der eerste, zoo niet de eerste plaats in die, waarover wij heden spreken: de godsvrucht tot het H. Huisgezin van Nazareth. Deze godsvrucht is rijk aan zegen en genade en verwerft hun, die ze beoefenen, in bijzondere mate, Gods genade en welbehagen: meer dan andere godsvruchtoefeningen verschaft zij de vaste hoop op hulp en bijstand in de vele omstandigheden des levens, en op verhooring onzer gebeden en smeekingen.
De H. Familie van Nazareth vereeren is, aan die heilige Personen eer geven, die door den Allerhoogsten zelf in genaden zijn bevoorrecht en die nu in den hemel uitblinken in eer en glorie.
36 â
Dit H. Huisgezin werd waardig gekeurd het Eeuwig Woord uit den schoot des hemelschen Vadei'S te ontvangen en te herbergen. Met welk welbehagen moet het oog des Eeuwigen op hen gerust hebben ; wat schatten]van genaden en zegeningen geschonken aan hen, aan wie Hij zijn eeni-gen Zoon had gegeven. Herhaaldelijk zond Hij zijnen engel naar het H. Huisgezin; zóózeer, om menschelijkerwijze te spreken, ging Hem hun lot ter harte. Dit alles nu: de liefde en zorg van God voor die heilige bewoners van dat huisje te Nazareth; de waardigheid en heiligheid dier Personen afzonderlijk, het groot geheim van Christus' Menschwording met alle omstandigheden, die er mede vergezeld gingen, die dat geheim voorafgingen en er op volgden; â dit alles is het, wat dankbaar beschouwd en overwogen wordt door hem, die godsvrucht heeft tot de H. Familie. Wat kan den hemelschen Vader meer aangenaam zijn? Wat kan aan Jesus meer vreugde verschaffen dan het dankbaar herdenken van al wat Hij gedaan, gebeden, gewaakt, gewerkt, uitgestaan heeft tijdens Zijn verblijf in het Huisje van Nazareth, waar Hij werkelijk is geworden Emmanuel, d. i. God met ons? En ongetwijfeld moeten wij er bijvoegen: wat zal Jesus liever hebben, dan dat Maria en Jozef geeërd en geprezen worden; deze, zijne meest beminde en onafscheidelijke gezellen door het leven, aan wie Hij veel te danken had ? Ternauwernood dus, Gel.Chr, zal er eenige gods-vruchtoefening zijn gelijk deze, welke bij machte is, de genegenheid van den almachtigen en algoeden God over ons af te trekken, zijne liefde en genade te doen verwerven; welke liefde en genade toch de bron van allen goddelijken zegen is.
Behoeft dus de vereerder der H. Familie van den eenen kant niet bezorgd te zijn, dat God, de Gever van alle goeds, hem in de vele omstandigheden des levens genade, zegen of
â 37 -
hulp niet zal geven, van den anderen kant behoeft hij niet te vreezen, dat de Personen der H. Familie het hem aan voorspraak zullen doen ontbreken om te verkrijgen wat hij verlangt; â de godsvrucht tot de H. Familie is de beste waarborg, dat zijne gebeden verhoord, en hij genaden, bijstand en huli) verkrijgen zal. Wie zal het betwijfelen, of het vertrouwen op de H. Familie en Hare vereering beloond wordt? De macht om te helpen is daar zeker aanwezig. Gij meent misschien, slechts door een wonder van Gods Almacht geholpen te kunnen worden; welnu, wendt u tot de H. Familie : daar vindt gij den Almachtigen in de gedaante van een mensch: Jesus Christus, die als »de sterke Godquot; werd aangekondigd, »op wiens schouderen macht en heerschappij rustenquot; al reeds vóór Hij het H. Huisgezin betrad. (Isai. IX. 6.) Maakt gij bezwaar, u tot Hem te wenden, vraagt de H. Bernardus? Hij is uw broeder, mensch als gij, in alles beproefd, behalve in de zonde, opdat Hij barmhartig zou zijn. Maria is het, die u dezen broeder heeft geschonken. Misschien vreest gij in Hem nog de goddelijke Majesteit, omdat Hij, ofschoon mensch, toch God is gebleven. Gij wenscht dus eene voorsprekeres bij Hem te hebben. Neem dan uwen toevlucht tot Maria: bij Haar vindt gij de zuivere menschheid, zuiver niet alleen van eiken vlek, maaide reine menschelijke natuur. En ik verzeker u, leert de Heilige verder, gij zult, niettegenstaande uwe onwaardigheid verhoord worden. Zoo zal dus de Moeder door den Zoon verhoord worden en de Vader zal Zijn Zoon verhoeren. Ziedaar de geleidelijke opvolging waaraan wij zondaars ons moeten houden; dit is mijn grootste troost, al de reden van mijne hoop. Wat, broeders, verlangen wij meer? Laten wij genade vragen, doch die vragen door Maria, want wat zij vraagt, verkrijgt zij ook, en het is nooit zonder gevolg, dat zij vraagt. Bij deze schoone woorden van den H. Kerk-
- 38 â
leeraar, durf ik vragen: Zult gij, Christen, dan nog bezwaren maken, om u zonder voorbehoud, in het volste vertrouwen tot Maria te wenden, terwijl zij onvergelijkelijk is bevoorrecht, »verheven is boven de Koren der Engelen in hethemelsch gt; rijkquot;. Hebt gij behoefte aan een voorspreker bij Haar, welaan, ga niet buiten de H. Familie. Zij telt nog een ander lid, die over groote macht bij God en bij Maria beschikt: den H. Jozef. Van hem zingt de Kerk: »Gij hebt hem aangesteld, »o Heer, tot Heer van uw huis en tot vorst over al uwe »bezittingenquot;, en verder gebruikt zij de woorden van den Egyptischen koning, legt die den Allerhoogsten in den mond, en laat Hem zeggen tot hen, die hulp behoeven: »Ite ad »Josephquot;: »gaat tot Jozefquot;. (Schepp. XLI. 55.) Ja, Gel. Chr., gaat tot Jozef, als gij zegen, genade of hulp noodig hebt; hij is de schatmeester der goddelijke genade, de rentmeester van Gods eigendommen. Duld dat ik wederom de woorden van den H. Bernardus gebruike en u deze zijne woorden over de geheele H. Familie verklare: »dit is de »geleidelijke opvolging, aan welke wij zondaars, ons moeten ^houdenquot;: Jozef, de H. Bruidegom wordt verhoord door Maria zijne kuische Bruid, gelijk zij door den Zoon, en de Zoon zal verhoord worden door den Vader. Dit is mijn grootst vertrouwen, al de reden mijner hoop.
Zou er bij u eenigen twijfel kunnen bestaan omtrent den wil der H. Familie; of zij in alle omstandigheden des levens u zegen en hulp zou willen bezorgen? Zoo ja; dan hebt ge, Gel. Chr., toch zeker nooit gehoord wat de Verlosser, zoozeer genegen en bereid te helpen, allen hulpbehoevenden toeroept: »Komt tot mij gij allen, die belast en beladen »zijt, en ik zal u verkwikkenquot;. (Matt. XI. 28); dan hebt gij zeker nooit iets gehoord van al hetgeen de Heiligen over Maria's barmhartigheid gezegd en geschreven hebben; op de eerste plaats de H. Bernardus, die Haar aanspreekt:
- 39 -
gt;gedenkt, o goedertierendste Maagd Maria, dat het nooit »gehoord is, dat iemand met vertrouwen U heeft aangeroe-»pen en door U verlaten is.quot; En opdat zoo ook uw mistrouwen op de bereidwilligheid van den H. Jozef om u te helpen verdwijne, luister dan naar de lofspraak van de H. Theresia op den H. Jozef: Ik heb, schrijft deze Heilige den H. Jozef tot mijn beschermer en voorspreker bij God gekozen. Ik heb dikwijls mij aan Hem aanbevolen en ondervonden dat ik in alles, zoowel wanneer mijne eer als mijne eeuwige zaligheid in gevaar was, meer hulp van Hem
kreeg, dan ik kon verwachten..... Wie aan mijne woorden
geen geloof schenkt, dien verzoek ik, zelf de proef te nemen, en hij zal ondervinden, hoe voordeelig het is, zich aan dezen roemrijken Heilige aan te bevelen en godsvrucht jegens Hem te koesteren.
Gelooft gij nu. Gel. Chr. hetgeen ik beweerde, dat de godsvrucht tot de H. Familie rijk is aan zegen, dat gij daardoor aangenaam wordt aan den Allerhoogsten en het beste vooruitzicht hebt, genaden en hulp te verwerven, als gij die behoeft. Wijdt dus al uwen ijver en vertrouwen aan deze godsvrucht; en genaden en hulp zullen u ten deel worden, hetzij gij ze naar lichaam of ziel, voor uw tijdelijk of eeuwig welzijn noodig hebt.
Zietdaar, Gel. Chr. wat goeds ons van Nazareth is toegekomen. Alle heil en overvloedigen zegen! Hebben wij niet alle reden, om onze blikken vol vereering op hen te slaan en de godsvrucht tot de H. Familie met allen ijver te beoefenen ? Vreest niet, dat gij door deze godsvrucht, aan andere, uwe gewone of geliefkoosde, afbreuk zult doen. Ik beweer, en ik geloof zeker, dat gij het met mij eens zijt; de godsvrucht tot de H. Familie is min of meer het middenpunt van alle andere godsvruchtoefeningen ; de meest in zwang zijnde oefeningen zijn gegrond op- of vinden
â 40 â
haar toppunt in deze ; van daar dat deze al lichtelijk met anderen samengaat. Misschien koestert gij eene bijzondere godsvrucht tot Jesus' menschheid, en te recht: gij vindt die in de H. Familie te Nazareth, daar is zij met de goddelijke natuur in één goddelijken Persoon vereenigd. Gij vereert misschien op bijzondere wijze het lijden van Christus, Diens heilig Kruis of kostbaar bloed; voorzeker eene prijzenswaardige; maar dat teedere, tot lijden bekwaam lichaam en dat aanbiddelijk bloed is in den schoot van het H. Huisgezin volwassen. Misschien ook is de godsvrucht tot Jesus' H. Hart en daarmee tot het H. Sacrament des Altaars de godsvrucht van uw hart, waar echter was Gods Zoon tegenwoordig, vooraleer Hij den troon van het tabernakel besteeg, en waar heeft Zijn hart: het eerst en het meest voor u geklopt ? Waar, tenzij in het H. Huisgezin ?
Zoo is dus de godsvrucht tot de H. Familie eene dus danige, die alle godsvruchtoefeningen in zich besluit, en waarmede alle andere kunnen gepaard gaan en die bovendien over alle andere een nieuw en wondervol licht doet opgaan. Verdient zij dus niet boven alle andere aanbevolen en beoefend te worden ? Ja, moge zij voor u eene gods-vruchtoefening worden, welke gij liefhebt, beoefent en welke voor u rijk is aan zegen; moge zij u bijblijven gedurende geheel uw leven; moget gij in de armen der H. Familie, Jesus, Maria en Jozef en met hunne namen op de lippen sterven, dan zal deze godsvrucht u tot den grootsten zegen ter eeuwige gelukzaligheid zijn ! Amen.
i
_2/2_. Jgt;j*^F)C=^lt;L . _
...............................................................................
^ nk ^ ^
]y/f^ ^ //|^
r~~^^3Q^câ' c/jr
o
IV.
0r)cr ipaar^c pan f]et f}, Irmiscjcstn.
(boor 2lich.)
Kon est hnnnin esse hominem sohtm. Het is niet ffoed dat demensch aUeen is.
Schepi). II, 18.
ntegenzeggelijk is den menseh aangeboren zijne zncht naar gezelschap, zijn verlangen, om met | schepselen, die zijns gelijken zijn, om te gaan, zich met hen te onderhonden ; en deze wederzijdsche omgang is onbetwistbaar eene behoefte voor den mesch. Wat wonder! Heeft niet de Schepper zelve deze zucht in de menschelijke natuur gelegd, toen Hij in den beginne den mensch schiep als een maatschappelijk wezen ? »Het is niet »goed dat de mensch alleen is,quot; zeide Hij, toen Adam nog de eenige mensch was, die het paradijs bewoonde. Een nieuw bewijs Zijner Almacht gaf aan Eva het aanzijn, en de Heer voerde deze vrouw tot Adam. En verheugd riep Adam uit: »Dit is nu been van mijn gebeente, en vleesch van mijn vleesch. Zij zal mannin heeten, wijl zij van den »man genomen is.quot; (Schepp. II, 23.)
â 42 â
De geheele maatschappelijke orde eischt het verkeer der menschen onderling, de wederkeerige omgang vordert, dat zij elkander helpen, en dat allen samenwerken tot algemeen welzijn. »Niet allenquot;, schrijft de H. Paulns, »niet »allen zijn Apostelen, noch allen profeten, leeraars of won-»derdoenersquot; (I. Cor. XII. 29.); maar gelijk de pottebakker nit dezelfde klei verschillende voorwerpen vervaardigt, waarvan het eene sierlijk en het andere gering is (Rom. IX, 21), zoo heeft de Almachtige ook de menschen tot verschillende betrekkingen geroepen : den een om te gebieden, den anderen om te gehoorzamen ; dezen voor die, genen voor eene andere behoefte des levens. Daaruit volgt duidelijk, dat de eene mensch den anderen noodig heeft, en dat hij, die van het verkeer is afgesloten, veel moet ontberen.
Zoo zeggen wij dus te recht: »De Schepper zelf heeft den mensch het streven naar omgang met elkander ingeschapen, en met deze zucht rekening gehouden, toen Hij het gewichtig en beteekenisvol verbond instelde, dat de oorsprong en de grondslag der menschelijke samenleving moest zijn ; die invloedrijke vereeniging, waartoe Zijn Eengeboren Zoon in Diens aangenomen menschelijke natuur wilde be-hooren : het huisgezin. Het drukt de innigste vereeniging uit Vian personen, die door de natuur en door dringende noodzakelijkheid als gedwongen zijn met elkander te ver-keeren; het is de grondsteen, waarop de samenleving is opgetrokken. ~~
Het huisgezin nu, deze door God ingestelde vereeniging, deze kring van bij elkander behoorende personen, heeft bijzonder de opmerkzaamheid van onzen Vader Leo XIII getrokken. Van Petrus' rots af heeft hij, de door God aangestelde wachter, de ellende der volken, van dat groot menschen-gezin aanschouwd, en met onfeilbare zekerheid heeft hij het middel aangewezen, dat het kwaad in den
â 43 â
wortel aantasten en genezen zou, toen hij de vereeniging der Algemeene H. Familie in het leven riep, waarin alle christelijke huisgezinnen der aarde zouden bijeenkomen. Wie zal ontkennen, dat het huisgezin, bijzonder het clms-telijk huisgezin moet medewerken om verbetering te brengen in den ellendigen toestand der maatschappij en dat het daarom Avel verdient, een voorwerp van bijzondere zorg des Pausen te zijn ?
Welk eene wijze maatregel, en weldadig geneesmiddel tegen de maatschappelijke kwalen deze godsdienstige vereeniging der H. Familie is ; en hoe wij bijgevolg gaarne er lid van moeten worden en zijn; zullen wij het best inzien, als wij de groote beteekenis van het huisgezin begrijpen. Het huisgezin, vooral het christelijk huisgezin heeft groote beteekenis
I. voor i e d e r e n m e n s c h in het b ij z o n-d e r als
II. voor alle menschen te z a m e n, v o o r de m a a t s c h a p p ij.
De korte uitleg van deze tweevoudige beteekenis van het huisgezin zal het onderwerp dezer rede zijn.
Jesus van Nazareth, Koning der Joden ; Maria, Moeder en Maagd; Jozef, glorierijke Voedstervader van Jesus ; zegent ons pogen.
I.
Toen de Allerhoogste in Zijne wijsheid besloten had, het nieuw geschapen menschelijk geslacht in het leven te behouden en het voort te planten, stelde Hij het verbond in, dat tot heden bestaat en dat door eeen beter te ver-
O
vangen is ; Hij schiep op aarde den man, en gaf hem, ge-Hjk wij reeds zeiden, de vrouw tot gezellin. ;gt;Hebt gij niet
â 44 â
»gehoordquot;, vroeg Christus aan de Pharizeeën, dat Hij die »in den beginne den mensch schiep, hem als man en vrouw »heeft geschapenquot;? (Schepp. I, 28.) Zietdaar de oorsprong van het menschelijk geslacht; zietdaar het eerste huisgezin. Aan dit Huisgezin zijn alle menschen ontsproten, die dus te recht kinderen van Adam worden genoemd; â duizende en millioenen familiebetrekkingen onder het menschelijk geslacht, alle huisgezinnen op aarde tot aan het einde der eeuwen zijn naar deze familie gevormd.
Het Huisgezin verschijnt dus als eene door God zelf ingestelde stichting, als eene instelling, die onmiddelijk uit God is voortgekomen, als een verbond, dat door den Allerhoog-sten zelf is samengevoegd. Hoe nauw is die band. Gel. Chr, ? Zoo nauw, dat Hij zelf daarvan zegt: »daarom zal de gt;: mensch vader en moeder verlaten en zijne vrouw aanhan-»gen, en zij zullen twee zijn in één vleesch. Hetgeen aldus «God heeft verbonden, scheide geen menschquot;. (Matt. XIX, 5. 6.) Dit is de wezenlijke en zwaarwichtige reden, waarom de leden van eenzelfde huisgezin elkander zoo na bestaan en waarom men van de banden van bloedverwantschap onder elkander spreekt. Gelijk Adam bij den aanblik zijner vrouw Eva, zóó kunnen de leden van een huisgezin, om rede der bloedverwantschap van elkaar zeggen: »dit is nu »vleesch van mijn vleesch, gebeente van mijn gebeente, bloed van mijn bloed.quot;
Komen wij na deze leerzame uitweiding terug op het huisgezin. Het doet zich aan ons voor als de wettige inrichting, waaruit voor de aarde bewoners voortkomen, voor de Kerk geloovigen, voor den staat onderdanen, ja heiligen en zaligen voor den hemel, en die kan maken, dat het getal der uitverkorenen groot zal zijn. Daarin ligt zijne groote beteekenis voor ieder mensch op zich zeiven, als lid der samenleving. In en uit het huisgezin toch ontvangt de mensch
de hoofdvoorwaarde van zijn bestaan, zijn leven des lichaams en zijn natuurlijken aanleg zoowel van lichaam als van geest. Daar ontvangen wij de eerste hulj) en verpleging, daar ook de eerste geestesindnikken on het eerste onderricht, geneigdheid tot het goed of kwaad, tot rechtvaardigheid of onrechtvaardigheid; en men zal het niet overdreven achten, als ik zeg: de mensch krijgt in den schoot van het huisgezin, waaruit hij voortkomt, gewoonlijk een bijzonderen, eigen indruk; de leden van een huisgezin zijn in den regel A-an dien aard als het geheele huisgezin is. Gelijk de vader, zóó is de zoon, de dochter gelijkt op de moeder; de kinderen gelijken op de oudersquot; is men gewoon te zeggen; en, niet ten onrechte, leert de ondervinding. Van hoeveel gewicht en aanbelang is dit alles! Hoe vèr dragend zi jn dus de gevolgen, en hoe vèr reikend is de invloed, welke door het huisgezin uitgeoefend wordt op het geheele leven van den mensch, die naast God zijn bestaan er aan dankt.
De beteekenis van het huisgezin is gewichtiger, als het christelijk is. Dan is het niet alleen de schenker des levens, maar ook de oorsprong van het leven der genade ; dan bevat het eerste onderricht ook het onderwijs in de ware kennis van God; dan is het huisgezin eene school van geloof en deugd. Het kind, herboren in het water en den H. Geest, ontvankelijk gemaakt voor de christelijke waarheid, neemt m het christelijk huisgezin ongemerkt christelijke grondbeginselen en eene christelijke levenswijze aan. Als het, om zoo te spreken, maar christelijke lucht inademt en zich christelijke ideeën eigen maakt, leert het van zelfs den éénen waren God liefhebben en tot Hem bidden, de zonde en derzelver straffen vreezen en verfoeien; leert het hopen op, en streven naar de eeuwige gelukzaligheid. Zoo is het christelijk huisgezin als een zaaiveld, waarop het zaad van het christendom is uitgestrooid ; het ontkiemt in den vrucht-
- 46 -
baren bodem van het kinderhart, schiet op en ontwikkelt tot vrucht; en gelijk eene vrucht den aard van den grond of van den boom, waarvan zij gegroeid is, vertoont, zóó ook zijn de kinderen gewoonlijk van denzelfden aard als het huisgezin, waaruit zij zijn voortgekomen. Wel zegt het spreekwoord : men weet bij de wieg nog niet, wat uit een kind groeien zal; toch kan men dit zeggen : bij de wieg alreeds d. i. in de kinderjaren, als het kind nog in den schoot van het huisgezin toeft, wordt er veel aan toegebracht, wat eens zijn gedrag en dus zijne toekomst zijn zal, of het goed of slecht, godsdienstig of goddeloos meer nog : of het een kind voor den hemel of voor de hel zal zijn.
De beteekenis van het huisgezin voor iederen mensch op zich zeiven, bestaat niet alleen in de opvoeding en opleiding der kinderen, ofschoon moet gezegd worden, dat dit zijne voornaamste taak is. Het huisgezin is van gewicht voor alle leden, die er toe behooren ; eerst vooral voor de grondzuilen, de ouders of de beide echtgenooten. Volgens de leer van Christus stellen de twee slechts één lichaam voor. Gelijk zij één zijn naar het lichaam, zóó moeten zij ook één van geest zijn en dus maar één doel kennen, en dat gezamenlijk trachten te bereiken en wèl dit doel, hetgeen zij bij het sluiten van hun huwelijksverbond aan den voet des altaars zich hebben voorgenomen: »Man en vrouw »zullen elkander zóó beminnen, dat hunne harten immer »zuiverder en hun leven altijd heiliger worden, hunne goede »werken talrijker, hun ijver tot alle goeds vuriger, totdat »zij aan gene zijde des grafs de eeuwige zaligheid verwor-»ven hebben.quot; (Man. Dicec. Ratisb.)
Overweegt hier, Gel. Chr., van hoeveel belang voor echtgenooten het gemeenschappelijk leven is. Wanneer de eene echtgenoot den anderen vermaant, als zij voor elkander bidden ; elkander liefderijk verstaan en steunen, de
â 47 â
een den ander met een goed voorbeeld voorgaat, dan kan het niet anders of beiden worden gesticht, opgewekt en gaan hunne eeuwige bestemming te gemoet. Indien echter het tegendeel plaats heeft; als het goede voorbeeld van den eenen echtgenoot eene ergernis voor den anderen is, als, wel verre van tot deugd aan te sporen men elkander tot verkeerdheden verleidt; hoe verderfelijk moet dat werken ! Geeft hier wel acht op, christelijke echtelieden! Tracht daarom elkander te heiligen en uw gemeenschappelijk lever; aan God welgevallig en voor u zeiven nuttig te doen zijn. De groote beteekenis van het huisgezin â en dit kan niet genoeg gekend en gewaardeerd worden â strekt zich niet alleen uit tot hen, die door huwelijk of afstammming er deel van uitmaken, maar ook tot hen, die er zijn binnengeleid: ik bedoel, de dienstboden ; en met dit woord : knechten, dienstmaagden, gezellen, leerlingen enz. Het woord familie komt van het latijnsche woord : »famulusquot;, hetgeen dienstknecht of dienstmaagd beteekent. Familie beteekent dus eigenlijk niets anders als: dienstbaarheid, dienstpersoneel, en in ruimere beteekenis dat wat wij nu huisgezin noemen. Hieruit ziet men, hoe geheel verkeerd het is, als overheden slechts naar hunne dienstboden omzien om wille van het werk, dat zij verrichten, en hen verder als vreemden, die buiten het huisgezin staan, behandelen.
Men klaagt algemeen en steeds meer over gebrek aan goede dienstboden. Waaraan ligt dit? Waaraan anders als in de doorgaans slechte verhouding tot het huisgezin ? Zorgt daarom, dat de toestanden in het huisgezin veranderen, en ook de verhouding der dienstboden zal beter worden. Want het is een feit dat, als het huisgezin betert, ook de huisgenooten zich beteren. De Evangelist Joannes wijst er op, welke uitwerking het wonder had op den vader en het geheele huisgezin, toen Jesus den zoon van den
w
-
hofbeambte te Capharnaüm had genezen : gt;En hij geloofde gt;en met hem geheel zijn huisgezinquot; (Joan. IV, 53.) Dat die beambte tot Jesus ging, welke heilzame gevolgen had dit voor hem zelf, voor zijne kinderen en zijn huisgezin! Mochten daarom alle leden des gezins ; ouders of echtge-nooten, kinderen en onderdanen het belang daarvan wel beseffen ; mochten zij begrijpen, wat het een geluk is, tot een christelijk huisgezin te behooren ; mochten allen daartoe medewerken, opdat het huigezin een weldadigen invloed uitoefene op al zijne leden. Daardoor werkt gij tevens mede aan het welzijn der maatschappij, want grooter nog dan voor lederen mensch in het bijzonder is de waarde van het huisgezin voor de maatschappij.
II.
Paus Leo XIII begint zijne Encycliek (»Neminem f u g i t van 14 Juni 1892), waarin het nieuw werk zijner apostolische zorg, de vereeniging de H. Familie, wordt aanbevolen, met deze woorden: »Het is algemeen bekend, »hoezeer het heil van lederen mensch in het bijzonder en »evenzoo het openbaar welzijn afhangen van de levenswijs in het huisgezin. Hoe dieper de deugd wortel geschoten »heeft in het huisgezin; hoe beter de kinderen door het »woord en voorbeeld der ouders onderwezen zijn in den »godsdienst, des te rijker vruchten zullen zij dragen voor »het algemeen welzijn. Daarom is er alles aan gelegen, dat gt;het huisgezin niet slechts als op heiligen grondslag gevestigd zij, maar ook door heilige wetten bestuurd worde en »dat godsdienstzin en een christelijk leven met ijver en «voortdurend worden aangekweekt. Dit is de eenig ware «grondslag en daarom heeft do barmhartige God, toen Hij «besloten had het gedurende duizende jaren verhoopte
â 49 â
«Verlossingswerk uit te voeren, dit zoo geschikt en geor-»dend, dat het beginnen zou met het door God ingesteld - huisgezin, waarin dan alle menschen het volmaaktste toonbeeld van huiselijk leven en van alle deugd en heiligheid »zouden zien.quot; Uit deze lange aanhaling van de woorden des Opperpriesters blijkt overduidelijk wat wij in het kort reeds aangestipt hebben, dat het huisgezin, vooral als dat christelijk is, van het grootste gewicht is voor de geheele maatschappij.
Twee punten zijn er vooral, waardoor die groote invloed in het oog springt: eerstens, omdat het huisgezin de bron is en de oorsprong van nieuwe huisgezinnen en geslachten ; en ten andere, omdat de huisgezinnen altijd onder elkaar omgang hebben, en dus, willens of niet, invloed op elkander uitoefenen. Als gij, mijne hoorders of hoorderessen, de zoon of dochter uit een christelijk huisgezin zijt, gaat dan eens na, wat er met de aren en hare vruchten, de zaadkorrels gebeurt. Die aren zijn ontstaan uit een zaadkorrel, niet waar? En al reeds bevatten ze een groot getal korrels, waaruit vruchten kunnen voortkomen. Deze, wederom in de aarde gezaaid, ontkiemen en brengen wederom even zoovele aren voort, die ook weer met zaadkorrels gevuld zijn, en zoo voort tot in het oneindige; zoodat niet veel jaren noodig zijn, om met het zaad van eene aar een geheelen akker te bezaaien.
Beschouwt nu eens het huisgezin. Gel. dir., want daarop slaat deze vergelijking. Is het huisgezin niet als eene vruchtbare aar, die in haren schoot tallooze andere aren bergt? Ziet, uit het huisgezin ontspruiten kinderen : zonen en dochters groeien op: bij genoegzaam rijpen leeftijd gaan deze op hunne beurt huisgezinnen vestigen ; hier wederom dezelfde afstamming, en zoo wordt de oorspronkelijk kleine kring al grooter en grooter, zoodat men zich mot den
4
â 50 â
Profeet Isaias kan afvragen: »generationem ejus quis enar-»rabitquot;? Wie kan het geslacht tellenquot;? wie zal in staat zijn al de huisgezinnen en derzelver leden op te tellen, die na slechts weinig menschenlevens ontstaan zijn uit één enkel gezin? Uit de huisgezinnen nu ontstaan gemeenten, deze vereenigen zich weder in grooter of kleiner getal; en eindelijk vormen zich staten. En zoo kan men te recht zeggen dat het huisgezin een staat of eene maatschappij in het klein is. Wij weten reeds, dat de nakomelingen gewoonlijk van denzelfden aard zijn als het gezin, waaruit zij zijn voortgekomen ; zullen nu ook de gezinnen, die zij stichten, weer niet dezelfde zijn als het eerste? Zullen die nieuwe gezinnen weer niet, in hoofdzaak althans, denzelfden stempel dragen als het stamhuis? En zal dan ook de samenleving niet denzelfden stempel dragen als de huisgezinnen, waaruit zij is ontstaan? Hieruit kunt gij de groote beteekenis van één enkel huisgezin voor de maatschappij nagaan. Het is de bron en de oorsprong van het menschelijk geslacht, en zooals het huisgezin is, zoo zal ook voor langen tijd de maatschappij zijn. Wilt gij dit door voorbeelden uit de geschiedenis bewezen zien ? Welnu, het is een treurig maar waar feit, dat in den Pfalts en den Bovenpfalts van ons vaderland Beieren, zeer vele familien de protestantsche dwaling belijden 1) Vóór de rampzalige godsdienstscheuring der zestiende eeuw waren al die familien katholiek. Door zucht naar nieuwigheden namen hunne voorvaderen de dwaalleer aan en nu, na meer dan drie eeuwen, hangen hunne afstamelingen nog dezelfde dwaling aan, en nu nog is het einde daarvan niet te zien. Ziedaar wat het huisgezin vermag voor het verre nageslacht, voor een land, voor de geheele maatschappij.
1) Hetzelfde geldt voor ons vaderland. (Noot van den Vertaler.)
â 51 â
De goddelijke Zaligmaker vergelijkt de uitbreiding der Kerk bij zuurdeeg. »Het Eijk der hemelenquot;, leert Hij, »is »gelijk aan een zuurdesem, die eene vrouw onder drie maten »meel mengde, totdat het geheel doortrokken was.quot; (Matt. XIII, 33.) Het is eene bekende eigenschap van zuurdesem, dat deze in de gisting zich al meer uitzet en aan het deeg, dat veel grooter is, zijne eigen hoedanigheden zóó meedeelt, dat dit er als in omgezet wordt. Ik ben niet bang, dat ik aan eerbied jegens den Verlosser of Diens woorden te kort zal schieten, als ik deze gelijkenis toepas op het huisgezin.
Het ligt toch voor de hand, dat het eene huisgezin zoo lichtelijk inwerkt, invloed uitoefent op het andere; en het zijne eigenaardigheden, genegenheden en beschouwingen doet overnemen, ja het langzamerhand in zich doet opgaan. gt;Zeg mij met wien gij verkeert, en ik zal u zeggen wie gij zijtquot; luidt het spreekwoord over bijzondere personen. Zou dat in het algemeen ook niet waar zijn van de huisgezinnen bij hun verkeer met elkander ?
Misschien, Gel. Chr., hebt gij wel ooit er behagen in geschept, om steentjes in stilstaand water te werpen, en dan de kringetjes na te staren, welke in het eerst klein, al grooter en grooter werden. Het is slechts een klein punt, waar de steen de oppervlakte doorsnijdt en toch deelt zich die beweging al meer en meer aan het water mede. Schoon zinnebeeld van den grooten invloed, welke een huisgezin op eene groote omgeving, ja, op eene heele samenleving kan uitoefenen. Het huisgezin is een kleine kring: men spreekt dan ook van familie- of huiselijken kring; en toch maakt deze op zich zelve kleine kring al breeder en verder kringen ; en het kan niet zijn, dat een huisgezin in den omgang met andere geen invloed daarop uitoefent. Het huisgezin staat niet, en kan ook niet op zich zelve alleen staan; het
- 52 â
moet betrekkingen met andere hebben, zij het dan gedwongen door de verscheidene behoeften en verhoudingen in het leven, zij het dan uit vrije keuze. Door elkander te spreken, te bezoeken, hulp te verleenen en dergelijke zaken meer wordt zoo dikwijls het een, de leermeester van het andere en dit weer navolger van het eerste; zoo komen de huisgezinnen met elkander in aanraking en nemen dezelfde beginselen, beschouwingen en voorbeelden in zich op.
De kracht van het voorbeeld, zoowel ten goede als ten kwade, zal u toch niet onbekend zijn. Voorzeker neen! Het spreekwoord, op de ondervinding gegrond, is u bekend: »woorden wekken, voorbeelden trekkenquot;, en:»slechte gezelsschappen bederven goede zeden.quot; Goede huisgezinnen zullen dikwijls oorzaak zijn, dat slechten zich beteren; en omgekeerd : slechte huisgezinnen bederven dikwijls de goede. En deze invloed zal aanzienlijker zijn, naarmate de kring van omgang en verkeer grooter is, ja kan zich ten laatste uitstrekken tot een geheel gezelschap, tot een uitgebreiden kring, waarvan die huisgezinnen leden zijn; want de maatschappij is niets anders als de vereeniging van huisgezinnen.
Gij zult begrijpen. Gel. Chr. dat ik slechts noode eindig. Over dit onderwerp viel nog zooveel leerrijks en opwekkends te zeggen, doch ik durf niet; te wijdloopig worden. Met het weinige, wat ik gezegd heb, geloof ik toch mijn doel te hebben bereikt: u te hebben overtuigd, dat het huisgezin van zeer veel belang en waarde is èn voor den mensch op zich zeiven èn voor do samenleving of de maatschappij.
Het toonbeeld van een huisgezin wordt ons door de H. Schrift in dat van Tobias voorgesteld. Daar zien wij een
53 â
voortrefelijk, godsdienstig huisgezin, dat zijn lief en leed, zijn strijden en zorgen heeft; en tegelijk is het zoo leerzaam, dat het waarlijk, naast het leven der H. Familie te Nazareth, aan alle christenen ten voorbeeld kan gesteld worden. Toen de Aartsengel Kaphaël zich verbond, den jongen Tobias naar Rages te geleiden, en aan vader Tobias werd voorgesteld, toen toonde zich de liefde en zorg van den blinden vader. »Zeg mij eerst,quot; sprak hij, »uit welk huis en â »-van welken stam gij zijt?quot; (Tob. V, 15.) Bevestigt Tobias niet met deze enkele vraag, wat ik daar wijd en breed heb betoogd ? Hij onderzoekt niet, welke getuigschriften de reisgezel bij zich heeft, om zijn goeden naam te bewijzen ; noch ook vraagt hij, welke proeven van bekwaamheid hij heeft afgelegd, of welke reizen hij reeds gemaakt heeft. Een éénige zaak wil hij weten : »uit welk huis, en van wel-»ken stam zijt gij'' ? En als de Engel, zegt: »Ik ben Azarias, de zoon van den »beroemden Ananiasquot;, dan is het vaderhart gerust. Een zoon uit zulk huis, kon hij bij zich zeiven denken, is de geschikte gezel voor mijn zoon. Aanstonds dan ook gaf Tobias zijne toestemming en zijn zegen.
Laat mij Gel. Chr., u ook die vraag doen. Van welk huisgezin, van welken stam zijt gij. 't Is mij daarbij niet om den naam te doen, zooals gij begrijpt, doch om te weten of gij tot een christelijk of onchristelijk, tot een godsdienstig of ongodsdienstig huisgezin behoort, dat lid is van de vereeniging der H. Familie. De reden hiervan hebt gij zooven gehoord, omdat het huisgezin van evenveel belang is voor lederen mensch alleen, als voor allen samen, voor de maatschappij. Mogen daarom alle huisgezinnen medewerken, opdat onze huisgezinnen den naam van christelijk ten volle verdienen, en ook een waarlijk christelijken invloed
â 54 â
uitoefenen. Dan mogen wij ook de hoop koesteren, dat de menschen en de samenleving goed worden; en dat de verwachtingen van den H. Vader vervuld worden, die de Godsdienstige vereeniging der H. Familie op den grondslag van het huisgezin heeft opgericht. Gelukkig dan de Kerk, het groote strijdende Godsgezin op aarde; heil haar, zij zal weldra zegepralen in den hemel. Amen.
V.
Dan fcc instclliitg
rgt;an liet fiutsgcstn.
(^oor Kapelaan kronenberg.)
Et dixit Dms: Xnn est hnnum esse horninein solum; faciamus ei afljutorium simile, sihi.
Eu God sprak: Het is niet /joed, dat de menseh alleen is; laten wij hem eens hulpe maken aan hem gel ijk.
(Schopp. II, 18.)
e oudste, eerbiedwaardigste vereeniging, en voor 1 het menschdom van het hoogste gewicht, is het huisgezin. Het is de oorsprong der samenleving en de moeder der staten, maar ook de steun en de grondslag er van. Het huisgezin is de vruchtbare bodem, waarop zedelijke en burgelijke deugden tieren. Het verval der huisgezinnen heeft altijd het verval der staten ten gevolge gehad, en de verbastering der huisgezinnen de verbastering der maatschappij. Wij zien in de geschiedenis, hoe die volken, bij welke de veelwijverij geoorloofd en dus het huisgezin eene onmogelijkheid is, geestelijk en lichamelijk verzwakten, zedelijk en maatschappelijk verwilderden.
Het huisgezin, gelijk het door God is ingesteld, is aller aandacht overwaardig, verdient ten zeerste de belangstel-
â 56 â
ling van Kerk en Staat. Sinds de maatschappij christelijk is geworden, kan dan ook alleen sprake zijn van een christelijk huisgezin. Ongelukkig vindt het huisgezin niet meer die waardeering en bescherming, die het toekomt; het wordt veeltijds miskend, geminacht, misbruikt en niet op prijs gesteld; maar al te dikwijls wordt het aan bijoogmerken van staatkunde, of van geldelijke berekeningen, of nog erger, van zinnelijke lusten opgeofferd. Onverstand en hartstocht bestrijden het, trachten het ten ondergang te brengen.
Des te noodzakelijker is het, dat de hooge waarde van het huisgezin voor het godsdienstig, zedelijk en burgerlijk leven der menschen, dikwijls en met nadruk wordt voorgehouden, opdat allen, die in Christus het middelpunt der wereldgeschiedenis en den Eedder van het mensche-lijk geslacht erkennen, meewerken, om de groote beteekenis van het huisgezin overal te doen kennen, en het christelijk karakter er van te waarborgen. Daarom is het de wensch van onzen H. Vader Leo XIII, dat de vereeniging der H. Familie in alle parochiën ingevoerd, en de katholieke huisgezinnen uitgenoodigd worden, om er lid van te worden.
Tot datzelfde doel dient ook deze overweging. Wij willen ons bezighouden met de goddelijke instelling van het huisgezin, en aantoonen.
I. dat God den mensch, reeds b ij d e s c h e p-p i n g voor h e t h u i s g e z i n b e s t e m d h e e f t;
II. h o e God het huisgezin ge w ij d e n g e-h e i 1 i g d heeft;
III. en aan hetzelve z ij n doel heeft a a n-g e g e v e n.
I.
Nadat God de Heer den hemel, d. i. de onzichtbare wereld, de Engelen of zalige geesten geschapen had, gaf
- ⢠57 â
Hij aan de aarde, d. i. aan de stoffelijke wereld het aanzijn. Beide werelden vereenigde Hij in den mensch, die naar het lichaam tot de stoffelijke, maar naar de ziel tot do geestenwereld behoort. Al is ook het lichaam van den mensch op zich zelve reeds het schoonste gewrocht op aarde, waarin Gods Almacht en wijsheid heerlijk uitschijnen ; het is toch slechts een levenloos schepsel, 't is geen beeld en gelijkenis van God. Daarom blies God er de ziel in, en daardoor werd de mensch een levend wezen. Het leven van den mensch toont zich tweevoudig : naar het lichaam door ademing, beweging en gevoel: naar de ziel door geheugen, verstand en wil. Het beginsel van beider leven is de ziel, die van den eenen kant zelf denkt, wil, en onster-sterfelijk is ; van den anderen kant het beginsel is van het lichamelijk leven en dat voortdurend onderhoudt. De Drieëenige God sprak : »laat ons den mensch maken naar »ons beeld en gelijkenisquot; (Schepp. I, 26.) In niets is de mensch aan God gelijk, doch wel gelijkt hij op God, is Diens evenbeeld. Gelijk Gods natuur en wezen daarin bestaan, dat Hij een geest is, die denkt en een wil heeft en eeuwig leeft; zóó heeft Hij ook de ziel van den mensch geschapen, met verstand en vrijheid begiftigd, en tot onsterfelijkheid bestemd.
Door deze gelijkenis op God beantwoordt de mensch al aan het doel, waartoe God hem geschapen heeft, n.1. tot Diens verheerlijking. Dewijl nu God zijn evenbeeld in den mensch ziet, wijst Hij hem ook de plaats aan, die Hem toekomt. Gelijk God als Schepper de geheele wereld be-heerscht, zoo heeft Hij aan den mensch toegewezen, over de aarde te heerschen: »opdat hij heersche over de vis-»schen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over »de wilde dieren en over de geheele aarde, en over al het »kruipend gedierte, dat zich beweegt op aarde.quot; (Sch.1.26.)
De mensch moest ook een beeld zijn der heiligheid en rechtvaardigheid van God; daarom versierde God bij de schepping diens ziel met de heiligmakende genade, zoodat de mensch ook het bovennatuurlijk beeld van God in zich omdroeg. (Kerkv. v. Trente 5e Zitt, 1, 2 Can.) Waartoe nu, vraag ik, zou dat kleinood van liefde, waartoe zouden die bewijzen van Gods almacht en wijsheid dienen, als Adam was bestemd geweest, om de eenige mensch te blijven?
Nog één trek ontbrak aan de gelijkenis des menschen met God. God is wèl een éénig wezen, doch Hij is geen eenzaam Wezen, Hij is niet alleen. Wij bewonderen de verhevenheid van Zijn alleen- zijn; doch wij mogen van de Eenheid in Wezen de Drievuldigheid in Personen niet scheiden â- Zijne algeheele volmaaktheid. Het is den wil des scheppers, dat ook hierin de mensch op Hem gelijke. Adam was wel de koning der aarde, doch een eenzame koning. De schepselen, waarover hij heerschte, hadden verstand noch vrijheid. Zij konden niet denken of willen en waren zich niet bewust, dat zij aan den mensch ondergeschikt waren. Adam had geen gelijken, met wien hij zich kon vermaken, of onderhouden. Als hij op Gods bevel aan de dieren dc namen gaf, die hunnen aard uitdrukten, kwamen zij allen gepaard bij hem, hij vond echter geen schepsel, voor zich geschikt.
Daar God echter besloten had, hem den eerste van velen zijns-gelijken te doen zijn, uit hem het menschdom te doen voortspruiten, sprak Hij: »het is niet goed, dat de mensch alleen is. Laten wij hem eene hulpe maken, aan »hem gelijkquot;. (Schepp. II, 18.) En God vormde uit eene rib van Adam het lichaam der vrouw. In haar erkende Adam zijns gelijke, en heette haar, omdat zij van den man genomen was, mannin. Volgens het gedacht van vele H. Vaders
â 59 â
was de slaap van Adam een gezicht, waarin God hem deed zien, wat Hij met de schepping vóór had. Zeker heeft God hem bekend gemaakt met deze gebeurtenis en met het doel, waartoe Hij de vrouw schiep, alsmede met de verhouding, waarin zij tot Adam stond. Zoo geschiedde het, dat Adam, door God ingelicht sprak; dit is nu been van mijn gebeente en vleesch van mijn vleesch ; deze zal manninne genoemd worden, omdat zij uit den man genomen is. Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten, en zijne vrouw «aankleven, en zij zullen twee zijn in één vleesch.quot; (Schepp. II, 23, 24.) Hoewel Adam zelf geen vader of moeder heeft, kent hij toch deze verhouding : het kind zal zich van zijne ouders afscheiden, om andere betrekkingen aan te knoopen, om een huisgezin te vestigen.
Zoo heeft God zelf bij de schepping van den eersten mensch, en toen Hij hen bijeenvoegde, tot een menschenpaar, hem voor het huisgezin voorbereid, bestemd en geschikt gemaakt, en hem daarvan niet onkundig gelaten. Doch Hij heeft meer gedaan: na de schepping van den mensch heeft Hij het huisgezin bekrachtigd en gevestigd, aan hetzelve zijn doel voorgeschreven, en het gemaakt tot eene instelling, die door de natuur geeischt wordt.
II.
De H. Drievuldigheid doet zich aan ons voor als een huisgezin des hemels. In zekeren zin althans. Want als wij van de eeuwige, onmetelijke Godheid spreken, dan moeten wij alle opvolging van tijd, alle ondergeschiktheid aan elkander, alle onderscheid van geslacht daarbij weg denken. De almacht des Vaders, de wijsheid des Zoons en de heiligheid van den H. Geest zijn één en toch verscheiden, zijn het Wezen en het leven van God. Van eeuwigheid bracht de Vaderden
â 60 -
Zoon, aan Hem gelijk, voort; van eeuwigheid werd de Zoon geboren uit den schoot des Vaders; van eeuwigheid kwam de H. Geest van den Vader en den Zoon voort, die, zelf God, het onmetelijke der Godheid doorschouwt en de liefde is van God den Vader en God denZoon. Zietdaar de heiligste familie, het toonbeeld aller familien, de goddelijke familie in den hemel. Vergelijken wij nu hiermede de eerste familie op aarde, voor zooveel het aardsche met het goddelijke vergeleken kan worden. Hier is sprake van tijdsopvolging van ondergeschiktheid aan elkander, hetgeen voortkomt uit den oneindigen afstand tusschen den mensch en God. Het eerst doet zich aan ons voor Adam; Adam, de heer der redelooze schepping; Adam, die het natuurlijk wezen der dingen begrijpt, die deze naar zijnen wil leidt, die ze feitelijk bezit en er over heerscht; Adam, de stamvader van het toekomstig menschelijk geslacht, de stamvader van alle menschen-gezinnen.
Na hem treedt Eva op, niet geheel van hem gescheiden, noch in wezen van hem verschillend. Van Adam's lichaam wordt de stof voor haar lichaam genomen; zij is aan hem verwant door de banden van vleesch en van bloed, hetwelk uit hem genomen is; zij is zijne beheerscheresse niet, dewijl zij van hem is uitgegaan, van hem is gevormd; noch ook is zij zijne slavin, want zij is van nabij zijn hart afkomstig; zij is zijne hulpe, door God zelf daartoe bestemd.
Beiden, man en vrouw, Adam en Eva, zullen elkander onafscheidelijk toebehooren. Dat voelen, dat weten beide: Adam, door den H. Geest voorgelicht, spreekt het duidelijk uit: »daarom zal de man zijnen vader en zijne moeder »verlaten, en zijne vrouw aankleven, en zij zullen twee zijn in één vleesch.quot; (Schepp. III, 24.) Kan het zelfstandig verbond, en de innige levensgezelschap duidelijker uitgedrukt worden dan hier geschiedt?
â 61 â
De eerste familie op aarde, het gezin onzer stamouders brengt al bij zijne samenstelling het hoofdoel van alle geschapene wezens, de verheerlijking Gods, in vervulling, dewijl zij eene afbeelding is van de goddelijke familie in den hemel. Hierin weerkaatst Gods macht, die het alles onderhoudt; Gods wijsheid, die alles regelt en beschikt; Gods liefde, die leven en voedsel geeft. Het eerste gezin, hot voorbeeld ailer gezinnen der toekomst, moest weten, dat het van God afhankelijk was, het moest onderdanig zijn aan God, aan Hem gehoorzamen. Daarom gaf God aan onzen eersten vader een gebod: »eet van alle boomen in het paradijs. »Maar van den boom der kennis van goed en kwaad moogt »gij niet eten.quot; (Schepp. II, 16, 17.)
Doordat God nu eene daad van zelf beheer selling en versterving met die beoefening der gehoorzaamheid verbond, gaf hij aan het gezin eene deugd tot doel, dat de grondslag van zijn voortbestaan en geluk moest zijn. In do beoefening der zelfbch,eer selling behielden onze stamouders een breidel tegen alle willekeur, eerbied voor persoonlijke rechten, en zekerheid voor het behoud van den huise-lijken vrede. Door de beoefening der versterving, werd een sterke dam tegen de kracht der hartstochten opgeworpen. Al was het, dat verre van onze eerste ouders waren allo onvolmaaktheid, iedere neiging tot willekeur, elke liefdeloosheid, alle zinnelijke begeerte, zoolang namelijk zij in do heiligmakende genade volhardden, zoo had God toch, in zijne voorzienigheid en liefde aan hot gebod de zedelijke middelen toegevoegd, die hun, als zij soms het gebod overtraden, toch zouden bijblijven.
III.
Het geheel menschelijk geslacht zou dan afstammen van hot eerste menschenpaar; dit eerste gezin was do wortel, waaruit de boom van het monschdom zou opgroeien.
62 -
Daarom noemde Adam, dat doel voor oogen hebbend, zijne vrouw Eva, d. i. »moeder aller levenden.quot; (Schepp. 111,30.) Hij zelf had aan het gezin dat doel niet voorgeschreven; hij begreep dit echter en kende er de strekking van, daar God hem op bijzonderlijke wijze die had doen kennen. Gelijk God aan iedere plant zaad gegeven had, om hare soort voor de toekomst te vermeerderen ; en gelijk Hij aan de redelooze wezens, den dieren, de drift en de geschiktheid gegeven had om voort te telen en op aarde te blijven; zoo was het ook zijn uitdrukkelijke wil, dat het eerste men-schenpaar bleef bestaan en zich voortplantte. »En God ze-»gende hen en sprak : groeit en vermenigvuldigt u en ver: »vult de aarde en onderwerpt ze aan u.quot; (Schepp. I, 21.) Overwegen wij hier den zegen en het uitdrukkelijk gebod, dat de Schepper geeft. De zegen, dien een mensch geeft is slechts een wensch of bede, dat God aan hem, die gezegend wordt, ook het goede doe toekomen, dat die zegen inhoudt. De zegen van God echter is het schenken der gave die Hij den mensch geven wil. Hij geeft aan onze eerste ouders het bevel, te zorgen dat het menschelijk geslacht in stand blijve; dat wijst Hij hun aan als liet doel van hun verbond, Hij gelast hun de vereeniging, welke zij uitmaken tot een gezin uit te breiden, d. i. voor de toekomst te zorgen. Tegelijk geeft Hij hun geschiktheid en kracht om uit te voeren wat Hij hun gelast ; dat is : Hij zegent hen. En met deze taak, welke het huisgezin door God is aangewezen, wordt de gelijkenis van het gezin hier op aarde met dat in den hemel volkomen. Groot is de macht, die de Schepper aan den vader des huisgezins heeft geschonken â en zij is eene afbeelding van, zoo al niet eene deelneming aan de scheppingsdaad van den hemelschen Vader. En vergelijkt God zelf niet zijne liefde, waarmede Hij Israël, zijn uitverkoren volk beminde, bij de liefde eener moeder
â 63
voor hare kinderen ? De zorgvolle liefde echter, waarmede de ouders gewoonlijk hunne kinderen verplegen en opvoeden, geeft een jnist beeld van de liefdevolle voorzienigheid, waarmede God zorgt voor den mensch en hem nader tot zijn doel brengt.
Het eerste gezin was een heilig gezin, omdat God het zoo had ingesteld ; het zon heilig gebleven zijn en daarmede alle gezinnen, welke in de loop der eeuwen daaruit voortgekomen zijn, was niet de zonde tusschen beide gekomen. Doch wij willen nu niet spreken over de verwoestingen, welke de zonde in het huisgezin heeft aangericht. Wij willen liever onze blikken gevestigd houden op het schoon beeld van het eerste gezin, gelijk ons dat heden is voorgehouden, opdat wij ons er over verheugen, er in gesticht worden en het navolgen. Gelijk Gods barmhartigheid het in zonde gevallen menschdom wederom heeft hersteld en vernieuwd door de mensch wording en den Zoendood van het eeuwig Woord, zoo heeft ook de liefde der H. Drievuldigheid bij het begin van het Nieuw Verbond een ander H. Huisgezin ingesteld, dat tot aan het einde dei-eeuwen, tot aan de voltrekking van het Godsrijk op aarde, het toonbeeld voor ieder christelijk gezin, moet blijven. Moge dit hoogheilig gezin, dat God niet alleen tot insteller heeft, maar waarvan de Zoon Gods zelf deel heeft willen uitma-maken, eene rijke bron van genade en zegen worden voor alle christelijke huisgezinnen. Amen.
VI.
Dc bijson^crc insicbtcit van ben paus bij 5c invoering 5er go5rgt;rucl]tige Dcrccitigtug van 5c V}. familie.
(^oor 2licb.)
Bounm est vos 1de esse.
Het is ons yncd hier te zijn.
Matt. XVII, 4.
|| elen onzer herinneren zich nog, wat juichkreet | de geheele katholieke wereld in Februari 1878 || doorklonk, toen, nadat de H. Stoel door den dood IX had ledig gestaan, het bericht zich verspreidde dat Kardinaal Joachim Pecci onder den naam van Leo XIII den pauselijken Stoel had beklommen. Habemus Pontificem,quot; riep men allerwege uit: wij hebben weder een Paus, de Kerk heeft wederom een zichtbaar Opperhoofd, Christus een Plaatsbekleeder op aarde. Gretig greep men naar do oude bekende voorzeggingen over de Pausen van don lerschen Bisschop Malachias, en do vreugde klom tot begeestering, en men jubelde hot uit: »lumen de coolo,quot;' een licht van den hemel zou hij zijn. Want de nieuwe Paus voerde in zijn familiewapen eono ster; do golukspellende voorzegging scheen dus letterlijk vervuld. Maar ook in
â 65
hoogere, in geestelijke beteekenis, is onze roemrijk regee-rende H. Vader, die nu tot troost der Kerk en tot heil van het menschdom al negentien jaren liet roer van Petrus' scheepje houdt, een »licht van den hemel.quot; Zijn verheven ambt is van hemelschen oorsprong, maar ook zijne werkzaamheid is eene hemelsche. Zijne talrijke grootsche scheppingen voor de geheele Kerk en voor geheel het menschdom, zijne wijze en moeitevolle ondernemingen, zijne verlichte woorden, waarmede hij de menschen voor hunne vijanden waarschuwt en op den goeden weg tracht te krijgen, geven ons even zoovele bewijzen voor het feit, dat Leo XIII als een hemelsch licht voor ons is opgegaan, dat helder schijnt in onzen duisteren tijd, dat vriendelijk schijnt in onzen droeven tijd, dat troost in onzen benarden tijd aankondigt. Bij het licht dezer hoopvolle ster mogen wij wel zeggen gelijk Petrus deed op Thabor: »Bonum estnos hie esse.quot; »het is ons goed hier te zijn!quot; Welken dank Gel. dir., zijn wij God verschuldigd, dat Hij aan onzen tijd een zoo wijzen en grooten Paus geschonken heeft!
Terecht hebt gij een zegenrijken straal van dit schitterend, weldoend en hoopvol aankondigend licht erkend in het grootsche feit, dat Leo de geheele christenwereld oproept, om zich te vereenigen in de wereldomvattende Ver-eeniging der H. Familie te Nazareth. Wij hebben alreeds leeren kennen en waardeeren van hoe groot belang deze vereeniging is voor de leden en voor hot huisgezin ; en wij hebben ons overtuigd dat, als de huisgezinnen vernieuwd worden, dan ook de personen, ieder voor zich en allen samen, en daarmede do burgerlijke maatschappij, zal herboren worden. Daarom heeft dan ook de H. Vader zijn herderlijk oog op dit fundament der menschelijke samenleving laten vallen, om van het huisgezin uit, dat de grondslag is, invloed uit te oefenen op de menschen en op het
5
66 -
menschdom, en om verbetering aan te brengen in de ellendige toestanden, welke de maatschappij tot tijdelijken en eeuwigen ondergang dreigen te voeren. De geestelijke hergeboorte der wereld is het doel, dat H. de Vader door deze godsdienstige vereeniging tracht te bewerken. Wie betwijfelt het, dat dit plan niet waarlijk grootsch en wijs zij. Opdat echter dit doel bereikt worde, is het de plicht der christelijke huisgezinnen, naar de stem van hunnen alge-meenen Vader te luisteren en Diens wenken op te volgen.
Welke is nu de taak, die de H. Vader aan de christelijke huisgezinnen heeft aangewezen, om het verheven doel te bereiken ? Deze taak is omschreven in den Brief, waarin hij de vereeniging der H. Familie instelt en aanbeveelt.
De vernieuwing der wereld zal nagestreefd en ook bereikt worden, als de christelijke huisgezinnen.:
I. de H. Familie van Nazareth met b ij -z o n d e r e godsvrucht v e r e e r e n; e n
II. IJverig trachten, Haar na te v o 1 g e n.
Dit tweevoudig onderwerp zal ons heden bezighouden. Het gaat. Gel. dir., over de geestelijke wedergeboorte der wereld; welke gewichtige taak is ons dan opgelegd ! Wat zorgvuldige ijver is er noodig, om de juiste middelen te gebruiken. Moge de Heer ons verlichten, zegenen en met heiligen ijver voor deze verhevene taak vervullen.
Geen twijfel kan er bij ons bestaan, hoe vereerens-waardig de heiligste Personen, Jesus, Maria en Jozef zijn en hoe billijk dus de godsvrucht tot de H. Familie is. Ware dat al niet van den beginne zeker geweest, dan zouden de vorige onderrichtingen over de H. Familie ons daaromtrent overtuigd hebben. Deze algemeene vereering echter, welke ten allen tijde beoefend werd en wordt, is het niet zoozeer welke de H. Vader op het oog heeft, als hij zijne heilige
â 67 â
vereeniging overal wil ingevoerd of bevorderd zien. Het moet naar zijne bedoeling eene bijzondere en eigenaardige godsvrucht zijn, die niet slechts door bijzondere personen, maar die door huisgezinnen, en wel door allen te zamen beoefend wordt. Ook moet daarbij de wijze van vereering niet overgelaten aan de keuze der geloovigen, of aan de verkiezing der Bisschoppen, maar door den apostolischen Stoel als algemeenen regel voorgeschreven worden. De nieuwe vereeniging heeft dit eigenaardigs bij andere broederschappen of veieenigingen, dat zij hare leden niet zoekt bij afzonderlijke personen, maar bij vereenigingen van personen, die een huisgezin uitmaken; dat zij dus hare leden niet telt bij personen maar bij huisgezinnen, en dat zoo ook de verplichtingen, die zij oplegt, en do voordeelen, die zij verschaft, aan het gezamenlijk huisgezin ten goede komen. Personen dus, die op zich zelve staan, kunnen geen lid dezer vereeniging worden of aan derzelver voordeelen deelachtig worden. Dezulken kan men aanraden, lid te worden van een huishouden, dat in hetzelfde huis of in de nabijheid woont, en dan met dat huishouden de verplichtingen te vervullen, welke voorgeschreven zijn, om deel te hebben aan de voordeelen. Zonder twijfel kunnen zij op die wijze aan alle zegeningen der vereeniging deelachtig worden, gelijk de eigenlijke leden van het gezin.
De godsvrucht tot de H. Familie te Nazareth zal dus voortaan woordelijk en letterlijk eene godsvrucht zijn van christelijke huisgezinnen. Hoe moet dat gebeuren? De H. Vader wil, dat ieder christelijk huisgezin zich door het hoofd of door een medelid bij den eigen Pastoor of diens plaats-bekleeder doe aangeven om in de vereeniging aangenomen te worden. Dan moet dat huisgezin zich samen aan de H. Familie opdragen door het voorgeschreven gebed te verrichten, en deze opdracht moet jaarlijks op den eersten
68
zondag na Driekoningen, of op een ander plechtig feest naar verkiezing vernieuwd worden, gelijk dat ook bij andere broederschappen gebruikelijk is. Bovendien moeten de leden van het huisgezin dagelijks eenmaal bij een in huis zijnd beeld der H. Familie bij elkander komen en het voorgeschreven »dagelijksch gebedquot; verrichten. Dan nog wordt ieder lid aanbevolen, zich gewoon te maken, het bekende en met aflaten verrijkte schietgebed met den mond of met het hart te bidden: Jesus, Maria, Jozef! ik geef u mijn hart en mijne ziel: Jesus, Maria, Jozef; staat mij bij in mijnen doodstrijd. Jesus, Maria, Jozef; laat mijne ziel in vrede russten 1) Elk christelijk huishouden, dat deze vereischten volbrengt, is lid dezer vereeniging en heeft deel aan allo genaden en zegeningen.
Het kan misschien nuttig zijn, met oog op het belang dezer bepaling van den Paus, daar ze de kern en het wezen der vereeniging uitmaken, deze punten nog eens afzonderlijk te behandelen. Het eerste is de verplichting van zich aan te geven bij den pastoor, als zijnde deze de eigenlijke bestuurder der vereeniging, of wel bij den plaatsbekleeder des pastoors; deze opgave is noodzakelijk. Op de inschrijving volgt de opdracht volgens het gebed, door den H. Vader daartoe aangewezen, en zooals het voorkomt op do inschrij vings-brief j es.
Op den dag der opdracht kan men een vollen aflaat verdienen; waarom het allen, die ingeschreven worden, zeer aan te raden is dien dag de H. H. Sacramenten der Biecht en Communie te ontvangen. In tegenstelling met de beide eerste vereischten, legt het derde iets blijvends op: n. 1. dat dagelijks het geheele gezin voor eene afbeelding der H. Familie bijeenkomt en het »dagelijksch gebedquot; bidt. Einde-
1) 100 dagen aflaat voor iader dezer schietgebeden : 300 dagen als men het geheel bidt. Pins VII 28 April 1807.
69
lijk moeten de leden zich aanwennen, om dikwijls de drie schietgebeden te bidden.
Hieruit blijkt duidelijk, dat men kan zeggen, dat de H. Vader eene bijzondere godsvrucht tot de H. Familie heeft aanbevolen. Het huisgezin moet zich als een geheel, en op eene bijzondere wijze aan de H. Familie toewijden, aan Haar zich opofferen. Haar bijzonder vereeren, zich onder Hare bescherming stellen. Deze vereeniging is ook niet voor eenige streek beperkt, gelijk dat dikwijls bij andere broederschappen het geval is, maar zij moet alle christelijke huisgezinnen van de geheele werd bevatten.
Gelooft gij nu, dat de verwachting des Pausen hoog gespannen is, en dat hij van deze godsvruchtoefeningen tot de H. Familie bijzonderen zegen voor het menschdom verwacht? Wat schoone vruchten zijn aan het gebed toegezegd! gt; Die God met vreugde aanbidt, zal aangenomen worden, en »zijn gebed zal de wolken naderen. Het gebed van die zich
vernedert, zal door de wolken dringen..... en het zal niet
»weggaan, vóór de Allerhoogste er zijn oog op slaatquot;. (Fccli. XXXV, 20, 21.) Wat anders moet deze vereeniging uitwerken, dan dat de huisgezinnen zich vereenigen om te bidden, en dat godsdienstzin opgewekt wordt? »Het aanhoudend gebed van den rechtvaardige vermag veelquot;. (Jac V, 16.) Dit is het juist, wat de H. Vader wil bewerken: een aanhoudend gebed. Het geheele huisgezin moet dagelijks bijeenkomen om te bidden, en tevens moeten de geloovigen gewond worden, schietgebeden te doen. Het vereenigd gebed kan veel meer dan het gebed van afzonderlijke personen, iWaar twee of meer in mijnen naam vergaderd zijn, zegt de Zaligmaker, daar ben Ik in hun midden.quot; (Matt. XVII, 20.) Hierin ligt dan ook de kracht der vereeniging. Het geheele gezin bidt, en de tallooze christelijke huisgezinnen der geheele wereld bidden met, en voor elkander. Hoe zeer heeft
70
God de onschuldige kinderen lief! »Laat de kinderen tot »Mij komenquot;, zegt Hij, »en belet het hun niet: want hun »behoort het rijk der hemelenquot;. (Matt. XIX, 14.) hoe gaarne zal Hij dus hun gebed en smeeken aanhooren! »Uit den :gt;mond der kinderen en zuigelingen hebt gij U lof be-»reidquot;, lezen wij in het Evangelie (Matt. XIX, 16.) Met het huisgezin echter bidden ook de kinderen mee ; ook de kinderen heffen met de volwassenen hun handjes ten hemel. Wat heerlijk schouwspel voor den hemelschen Vader. Wat heerlijk schouwspel voor Engelen en Heiligen, Gel. Chr., als dagelijks honderduizende gezinnen op de knieën liggen, en één van hart en ziel, als liet ware met ééne stem roepen tot God! Bekend is het woord van Pius IX. z. g. »geef mij »een leger van bidders en ik zal de wereld redden.quot; Leo XIII heeft dit leger opgeeischt en ingericht tot eene vereeni-ging, die der H. Familie. Mochten toch alle christelijke huisgezinnen dit schouwspel bereiden aan den hemelschen Vader, mochten allen dit dagelijks aan den hemel doen zien, dat zij tot deze godsvruchtoefening dagelijks bijeenkomen. Dat is de bedoeling des Pausen, als hij de wereld oproept om in onzen tijd, waarin de geest des gebeds zoozeer afgenomen is, de H. Familie op bijzondere wijze te vereeren. En de christelijke gezinnen zullen niet nalaten de navolging bij de vereering te voegen. Hierover iets in het tweede punt.
II.
Overeenkomstig de leer zijner H. Kerk vereert de katholiek godsdienstige beelden, en bejegent die met eerbied, om wille van het gebruik in de Kerk, maar niet minder om den persoon, dien het beeld voorstelt. De christen wordt door het beeld, het zinnelijke en zinnebeeldige tot de er-
71
kenning en beschouwing van het bovenzinnelijke opgevoerd. Hieruit blijkt, hoe godsdienstige beelden aldus krachtig den godsdienstzin kunnen bevorderen. Paus Leo XIII heeft hiermede rekening gehouden, en den christen een beeld ter aanschouwing en overweging aangewezen, dat terecht de eerste plaats inneemt onder alle beelden : de afbeelding van de H. Familie van Nazareth, waarop de eerbiedwaardigste Personen : Jesus, Maria en Jozef zijn voorgesteld. Het is de wil des H. Vaders, gelijk wij al meer vernomen hebben, dat in ieder huisgezin eene voorstelling uit het leven der H. Familie moet aanwezig zijn. Vóór die afbeelding moeten de leden des huisgezins dagelijks bidden, dikwijls hunne oogen daarop slaan, om zóó indachtig te worden en te blijven de voorbeelden van deugd, welke de H. Familie ons geeft, en welke wij moeten navolgen. Dit is het hoofddoel, dat door deze nieuwe vereeniging moet bereikt worden : Als ons oog rust op de afbeeldsels moet het oog onzer ziel tot het bovenzinnelijke doordringen, do verheven voorbeelden overdenken, waardoor de H. Familie hier op aarde heeft uitgeblonken, en aldus tot navolging aangespoord worden.
Als ik nu verder ga spreken over de navolgingswaardigheid der H. Familie, dan moet ik bekennen in verlegenheid te zijn, waar te beginnen en waar te eindigen ; of welk voorbeeld van deugd of welke heilige daad het eerst of het laatst te vermelden. Hij die aan hot strand der zee staat, kan niet aanduiden, welke daarin de eerste of laatste waterdruppel is, al weet hij ook, dat de heele zee uit druppels bestaat: en hij die door de zon beschenen wordt, is niet bij machte om de eerste of laatste, of ook slechts maar een éénige straal aan te wijzen, die hem beschijnt, al weet hij ook dat God iedere, ook de kleinste straal kent.
Zóó gaat het ook den verkondiger van het Woord
72
Gods, als hij voor het beeld der H. Familie staat. Vraagt gij mij naar eenige deugd, welke ook,, ik zeg u slechts: zie op tot de H. Familie. Maar met die ééne deugd komen tallooze anderen mij te gelijk voor den geest, en ik weet niet meer, of ik niet ieder daarvan even dringend ter navolging moet aanbevelen. En vraagt gij mij naar de hoogte van volmaaktheid dier deugd, dan kan ik wel zeggen, dat gij die bij haar in zoo groote volmaaktheid vindt, als bereikt kan worden ; maar op hetzelfde oogenblik schitteren mij alle anderen deugden in zoo onovertroffen glans tegen, dat ik niet meer weet, welke het meest verdient nagevolgd te worden. Kortaf zeg ik dus : Bij de H. Familie vindt gij alle deugden en heiligheid in de grootst mogelijke volmaaktheid vereenigd. Daarmede druk ik de volmaaktheid der H. Familie uit en toch vrees ik te weinig te zeggen, en uwe godsvrucht niet te voldoen. Begrijpt gij nu, hoezeer ik in verlegenheid ben, niet bij gebrek aan, maar door overvloed van voorbeelden van deugd ? Gelukkig heeft hij in die verlegenheid voorzien. Paus Leo, die dit voortreffelijk nieuw werk heeft uigedacht. Aanhooren wij eerbiedig-wat hij over de navolging der H. Familie zegt: Inderdaad, ; toen de barmhartige God besloten had het werk der Verlossing van den mensch uit te voeren, heeft Hij het zoo beschikt dat bij het begin daarvan aan de wereld werd vertoond het verheven toonbeeld van een huisgezin, door Hem zelf gevestigd, waarin alle mensehen het volmaaktste »voorbeeld van huiselijkheid en van alle deugd en heiligheid zouden vinden. Dusdanig was het Huisgezin van Nazareth, waarin de zon der gerechtigheid eenigen tijd »schuil ging alvorens alle volken met hare volle stralen »te beschijnen: n.1. Christus, onze Heer, God en Verlosser, met Zijne Moedermaagd en den H. Jozef, die ten opzichte van Jesus het ambt van vader waarnam. Het lijdt geen twij-
â 73
»fe] of al die lofwaardige deugden, welke zich toonen in »den huiselijken omgang, in de nakoming van den plicht »van liefde jegens elkander, in de heiliging der zeden, in »cle beoefening der godsdienstigheid, in de hoogste mate «aanwezig waren in dat Huisgezin, dat bestemd was, om »aan allo anderen ten voorbeeld te dienen. Gods voorzie-»nigheid schikte het aldus, dat alle christenen van weiken »stand of plaats ook, eene aanmaning en aansporing tot »elke deugd konden vinden in het beschouwen van dit »Gezin. Inderdaad hebben de vaders des huisgezins een «schitterend voorbeeld van vaderlijke waakzaamheid en »voorzichtigheid in Jozef; de huismoeders zien in Maria »een uitstekend toonbeeld van liefde, zedigheid, onderwerping en volmaakt geloof; de kinderen eindelijk vinden »in Jesus, die hun onderdanig was een goddelijk voorbeeld ter bewondering en navolging. De aanzienlijken kunnen van dit huisgezin van koninklijken bloede loeren, hoe in «voorspoed sober te zijn, en in tegenspoed waardig te blijven ; de rijken, hoe deugd meer te schatten is dan rijk-Klom. Do werklieden en zij, die in onzen tijd vooral, onder zorgen voor het huisgezin gebukt gaan, zullen meer »reden tot vreugde dan tot ontevredenheid vinden, als zij tot de heilige leden van dit Huisgezin opzien. Zij hebben immers met de H. Familie gemeen, dat zij werken moeten; gelijk deze hebben ook zij te zorgen voor het dagelijksch «onderhoud ; Jozef moest ook zoo van zijn loon in het onderhoud voorzien, ja de goddelijke hand van Jesus oefende zich in liet handwerk. Geen wonder dus, dat wijze men-»schen, die overvloed van rijkdom bezitten, daarvan af-»stand doen, en liever met Jesus, Maria en Jozef arm verkiezen te zijn.quot;
quot;Wat bij deze woorden van Gods Plaatsbekleeder te voegen ? wat anders dan de uitnoodiging, welke eens
74 â
Philippus tot den wijfelenden Nathanaël richtte : »veni et videquot; : »kom en zie.quot; (Joan. I, 47.)
Gij allen dan, huisgezinnen, welke ook, komt en ziet liet beeld, overdenkt de deugden der H. Familie, en beijvert ii om u aan dat voorbeeld gelijkvormig te maken. Gij, vaders des huisgezins, »gaat tot Jozef,quot; vereert hem en maakt zijn levenswandel tot den uwen! Gij moeders : »zietdaar Maria : ziet op tot Maria. Hare schitterende deugden moeten in uw leven uitblinken. En tot u, kinderen, zeg ik met Pilatus : »Ecce Homoquot; : ziet den mensch, den éénigen, den waarachtigen God-Mensch. Leert gehoorzaamheid van Hem, die zelf gehoorzaam was tot den dood des kruizes, komt gij, aanzienlijken en geringen, rijken en armen, komt gij alle huisgezinnen, en wordt zelve een heilig huisgezin, die »uw licht laat schijnen voor de menschen, opdat deze uwe »goede werken ziende, den Vader loven die in den Hemel »is.quot; (Matt. V, 16.) Komt en ziet en weest navolgers der H. Familie van Nazareth. Niets is aan God zoo aangenaam op aarde dan het evenbeeld der H. Familie; geen schooner sieraad in de kerk, geene nuttiger instelling in de maatschappij dan het huisgezin, als het heilig is.
Het vraagstuk, dat heden ten dage de wereld bezighoudt, en aan welker oplossing de grootste mannen van allerlei richting hun beste geesteskrachten wijden, is de sociale vraag, of dit gewichtig vraagstuk, hoe de misstanden, die in de maatschappij bestaan, te verhelpen en den dreigenden ondergang af te weren. Daarover zijn allen het eens, dat alle leden der menschheid aan eene verderfelijke kwaal lijden, en dat het noodig is, de wereld eenigermate uit den druk der bestaande ellende te verlossen. Bij dit alles is het ons niet goed meer hier te zijn, en te midden van de puinen der uit elkander vallende maatschappij te leven. Wie zal
genezing brengen aan de reeds zoo ver gevorderde ziekte V Wie licht aanbrengen in de duisternis van onzen tijd? Wij hebben het vernomen: In Leo XIII is aan den hemel een licht opgegaan; de vereeniging der H. Familie, door hem in het leven geroepen, is de oplossing der sociale vraag. Inderdaad, maakt alle huisgezinnen tot ijverige vereerders der H. Familie; maakt u allen tot afbeeldsels van Haar, weest navolgers Harer deugden en heiligheid en de kwalen zullen verdwijnen en de toestand der maatschappij zal een gezonde worden. Even als eenmaal de ster, die de Drie koningen tot de kribbe leidde, de H. Familie in haar geheel aanwees, zoo moet ook het »licht, de ster van den hemelquot; de maatschappij tot het H. Huisgezin van Nazareth leiden, en gelijk de eerste, zoo zal ook deze nieuwe verlossing der wereld van daar beginnen. Hij, die het woord van Christus' Plaatsbekleeder op prijs stelt, hij sluite zich aan bij den machtigen bond der christelijke huisgezinnen; hij sluite zich aan bij dezen gehadenrijken bond, die de wereld omvat; want de vereering en navolging der H. Familie bevat het eeheim om de wereld eelukkiff te maken. Amen.
___
é'r _ -- ^fS
Ngt;c/ Ngt;I6 C?lt;6 Cgt;O Cgt;O C;lt;6 Cgt;à Cgt;» C?O C)lt;6 C^O 0)^6 cgt;amp; c?» o?» cgt;» c?o cgt;s6 ^ A» JL JL X A x X X .1 X X J. X X X X X X X X X ' ^
c-J ^ ^ w~ ___â -_ _ â â ^ __L-W
â ^Kb^1 â¢~S«S!»)*
VIL
Vt tociPtj^ing aan be f7. familie: be vovm en bctccfcnis baaruan.
(£gt;oor ^licb.)
Eritis mild sandi, quia sanctun snni Et/o Dowhmn et separavi ros a ceteris
popnlis, ut essetis mei.
Gij zult heilig voor Mij zijn. omdat II;
lt;le Heer, heiliff hen eu n uitgekozen héb nit (indere volken, npdnt gij de niijiir zoudt zijn.
m. Mor. X.W 26.
e goede en barmhartige God heeft ons eon geschenk van onvergelijkelijke waarde geschonken, door ons te roepen tot de waarheid van het Katholiek Geloof. Zietquot;, zegt de H. ApostelJoannes,»welke liefde de Vader ons heeft betoond, dat wij kinderen Gods heeten en zijnquot;. (I. Joan. Ill, 1.) Ziet, Gel, Chr., zoo kan ik tot n zeggen, welke liefde de Vader ons heeft bewezen, door ons kinderen van het Katholiek Geloof te maken. Wie onzer is in staat, om deze genade naar waarde te schatten ? Het is geene overdrijving of zelfverheffing, maar eene wèl bewezen waarheid, als de Katholiek dankbaar roemt op zijn geloot en zich met de woorden van het Hooglied noemt: »electiis ; ex millibnsquot;: »iiit duizenden verkorenquot;. (Hoogi. V, 10.)
â 77
Aan een overzicht van de bevolking der aarde volgens de godsdiensten, welke beleden worden, ontleen ik, dat er slechts 230 millioen menschen den Katholieken godsdienst belijden van de 1500 millioen menschen, welke de aarde bewonen; dat dus slechts het zevende deel der menschen tot de ware, alleenzaligmakende Kerk behoort, en zes deelen in dwaling of ongeloof ronddolen: m. a. w., dat er zes niet-Katholieken tegen één Katholiek zijn. Welken dank Gel. Chr. zijn wij aan God schuldig, dat Hij ons boven zoovele anderen tot de waarheid des heils geroepen heeft. Groot voorzeker is de liefde, die de Vader ons bewezen heeft, door ons niet, gelijk zoovele millioenen, in de duisternis en de schaduwe des doods te laten. Want het is niet om onze verdiensten, dat wij kinderen der waarheid zijn, doch het is enkel het werk van Gods barmhartigheid: »niet gij hebt Mij verkozen, maar Ik heb u verkozenquot;. (Joan. XV, 16.) Wat is billijker en rechtvaardiger, dan dat wij alles geven, wat wij kunnen, om ons voor deze onverdiende uitverkiezing dankbaar te toonenV Moesten wij niet met vreugde iedere gelegenheid aangrijpen, om den Heer onze gehechtheid en trouw te bewijzen? Zeggen wij dan met een oprecht dankbaar hart den Psalmist na: »het is mij goed, God aan »te hangenquot;. (Ps. LXXII, 28.)
Eene schoone en gewenschte gelegenheid, om den allerhoogsten en allerbarmhartigsten God zijne dankbaarheid voor de roeping tot het ware Geloof te betuigen en volgens plicht Hem voortdurend trouw te zijn, wordt den christen heden geboden door de uitnoodiging en aanmaning der Kerk, om in de vrome vereeniging der H. Familie te treden. Evenals in het Oud Verbond, wil God in het nieuwe zijn »uitverkoren volkquot; hebben. Daarom roept Hij heden het christenvolk toe, gelijks eertijds Mozes aan het joodsche: gij zult heilig voor Mij zijn, omdat Ik de Heer, heilig ben
78 -
»en u uitgekozen heb boven andere volken, opdat gij de mijne zondt zijnquot;. Gelijk de Heer u heeft gekozen boven andere menschen, zoo moet ook gij Hem verkiezen en heilig voor Hem leven, gelijk de Apostel het wil: »gij zult voor »Mij zijn een uitverkoren geslacht, een heilig volk.quot; (I. Petr. II, 8.) Sluit u dan. Gel. Chr., bij die schare van een heilig volk aan; wijdt u met geheel uw gezin in de nieuwe ver-eeniging aan God toe; wijdt u aan Maria, als aan uwe Meesteres, aan den H. Jozef, als aan uwen bijzonderen beschermer en voorspreker.
Deze bijzondere toewijding aan de 11. Familie te Nazareth zal heden het onderwerp dezer loer- en stichtingsrede zijn. Daarin zullen wij twee zaakrijke vragen beantwoorden:
I. Hoe moet de t o e w ij d i n g aan de H. F a-m i 1 i e geschieden?
II. Wat heeft z ij te beteekenen?
Jesus van Nazareth, de Koning der Joden, zegene ons! En Maria bidde met haren kuischen Bruidegom voor ons, opdat wij allen een aangenaam en welgevallig offer worden voor den Heer.
I.
Als ik zooeven, gelijk gij gehoord hebt. Gel. Chr., van de vereeniging der H. Familie sprak als van eene veree-niging, alsof die in boeken en schriften als nieuw ingevoerd wordt voorgesteld, dan moet het goed verstaan worden; want dat wil niet zeggen, dat er tot dusver in de kerk nog geene vereeniging of broederschap ter eere der H. Familie van Nazareth bestond, nog minder, dat de vereering der H. Familie iets nieuws is. De Apostolische Brief, waarin over de vereeniging, hare invoering en vorming gehandeld wordt, toont dit duidelijk aan. De vereering
â 79 -
der H. Familie, zoo lezen wij, daar, is terecht van de vroegste tijden bij de katholieken in zwang geweest, en neemt van dag tot dag toe. Daarvan getuigen de broederschappen welke onder aanroeping der H. Familie opgericht zijn, gelijk ook de eerbewijzing, welke Haar steeds bewezen is. Ditzelfde toonen de voorrechten en gunsten, welke door onze voorgangers op den Stoel van Petrus geschonken z;jn, om deze godsvrucht te bevorderen. Deze godsvrucht bestond in de 17e eeuw alreeds in Italië, België en Frankrijk, en vond overal in Europa ingang; ja ook aan gene zijde van den Oceaan is zij inheemsch geworden. Zoo werd, vervolgt de Breve, te Lyon en later te Bologna eene godvruchtige vereeniging van de H. Familie opgericht, welke met Gods hulp rijken zegen doet verwachten. Daar Ons het heil der zielen ter harte gaat, en wij met vreugde ieder middel begroeten, dat dit bevorderen kan, zoo willen Wij deze vereeniging niet alleen aanbevelen, maar hebben die aangewezen als nuttig en heilzaam en als voor onzen tijd bijzonder geschikt. Xog hebben wij een gebedsformulier tot toewijding der christelijke huisgezinnen aan de H. Familie opgesteld, alsook een gebed, dat voor de beeltenis der H. Familie moet gebeden worden; en die beide aan alle Bisschoppen der wereld toegezonden. Opdat echter den ijver voor deze godsvrucht levendig blijve, hebben Wij regels laten bewerken, volgens welke alle vereenigingen slechts ééne katholieke wereldvereeniging der H. Familie zouden uitmaken, en één het hoofd daarvan zou zijn.
Hieruit is gemakkelijk op te maken, wat er ouds, en wat nieuws aan deze vereeniging is. De in de Kerk nooit onderbrokene godsvrucht jegens de H. Familie is van vroegeren oorsprong; zoo ook de broederschappen en vereenigingen onder den naam der H. Familie, die in
80
kleineren kring bestonden en waaruit die van Lyon en Bologna zijn ontstaan.
De uitbreiding der H. Familie over de geheele aarde is daarentegen iets nieuws; nieuw ook zijn het gebed ter toewijding aan de H. Familie en het dagelijksch gebed: nieuw is ook de vorm en de indeeling, gelijk ook do voorrechten en aflaten nieuw zijn. Zietdaar in hoofdzaak aangegeven, in hoever de vereeniging der H. Familie nieuw kan genoemd worden.
Zooals gij daareven hoordet, is het gebedsformulier nieuw, volgens hetwelk de christelijke huisgezinnen zich moeten toewijden aan de H. Familie. »Ook hebben wijquot; zegt de Paus. »een gebedsformulier opgesteld om de chris-gt;telijke huisgezinnen aan do H. Familie toe te wijdenquot; Wat nu is omtrent deze eigenlijke toewijding in acht te nemen? Hoe moet doze geschieden? Wij moeten, Gel. Chr., hierbij wel in hot oog houden, dat er sprake is van vele aflaten te verdienen. Wij weten dus, dat wij daartoe de voorschriften der Kerk nauwkeurig moeten nakomen. Laten wij ons dus stipt houden aan de gegeven regels en wetten! Het eerste, hierbij in acht te nomen is, dat de toewijding geschiede nadat het huisgezin zich hoeft aangegeven bij don bestuurder, d. i. bij don pastoor of diens plaatsvervanger. Die opgave moet gebeuren door hot hoofd van het gezin, d. i. door den vader, of bij gebreke van dien de moedor dos huisgozins; waar beide ouders ontbroken door den oudsten broer of zuster. De bestuurder schrijft de namen der huisgezinnen en hot getal dor daartoe behoorende personen in oen register, en zendt dit jaarlijks in de maand Mei naar den Bestuurder, die door den Bisschop over alle vereonigingen van zijn diocees is aangesteld.
Deze diocesaan-bestuurder geeft jaarlijks verslag aan hem, die door den Paus is aangesteld als bestuurder van
â 81
alle vereenigingen der geheele wereld, die den titel heeft van Kardinaal-beschermheer en te Kome zetelt. Ziet, Gel. Chr., welke schoone regeling. Als welgeordende draden komen alle over de aarde verspreide vereenigingen op één punt bijeen, op de zetelplaats van Christus' Stedehouder. Daaraan kan men al het werk van God erkennen, dat het één is, gelijk Zijne Kerk. Xa de opgave en inschrijving volgt nu de toewijding of opdracht aan Jesus, Maria en Jozef, het schoone, vreugdevolle, maar ook gewichtigste oogenblik der opneming. Alle leden van huisgezinnen komen in de kerk bijeen, of wel in huis voor de beeltenis der H. Familie, en spreken het voorgeschreven gebed der opdracht uit. Men kan dat allen te zamen luid op bidden, of ook één persoon kan het doen en allen het stil meebidden. Het formulier moet echter zijn dat, hetgeen de H. Vader heeft goedgekeurd, zooals liet op de inschrijvingsbriefjes, dooiden Bisschop goedgekeurd, voorkomt; een ander gebed mag men niet gebruiken. In de regels, die op last van den Paus zijn gemaakt, is dit gebed uitdrukkelijk voorgeschreven.
Tot meerdere duidelijkheid en om een gemakkelijk overzicht te hebben van de wijze, waarop de opdracht aan de H. Familie moet gebeuren, zeg ik nog eens :
I. Eerst moet men zich aangeven en doen i n s c h r ij ven;
II. De opdracht doen voor e e n e a f b e e 1-d i n g d e r H. Familie;
III. W a a r b ij alle leden des g e z i n s moeten tegenwoordig z ij n, e n
IV. Het voorgeschreven gebed ge b e d e n w orde n.
Wat nu dat gebed aangaat, moet ik zeggen, dat het de moeite wel waard is, om het hier woordelijk in te lasschen Heeft toch de Plaatsbekleeder van Christus op aarde het
6
]
i
â 82 â
zelf niet goedgekeurd en den leden der vereeniging aanbevolen, het dikwijls te bidden? Zoo moet het dus ook u niet te veel zijn, om het in het geheugen te prenten. En wijl wij heden het toewijdings-gebed na de preek samen zullen bidden, zal ik er de hoofdgedachten van aangeven. Het gebed bestaat in een drievoudig gebed: aan elk van de drie Personen der H. Familie.
O Jesus,quot; begint het gebed, s-onze beminnenswaardigste -Verlosser, die, uit den hemel gezonden, om de wereld door leer en voorbeeld te verlichten, het grootst gedeelte van uw sterfelijk leven, onderdanig aan Maria en Jozef, in het nederig huis van Nazareth hebt willen doorbrengen en die familie geheiligd hebt, welke aan alle christelijke huisgezinnen tot voorbeeld zou verstrekken ; neem dit ons huisgezin, hetwelk van nu af zich geheel aan u opdraagt, genadig aan. Bescherm en bewaar hetzelve en bevestig daarin, tegelijk met den vrede en de eendracht der christelijke liefde de heilige vreeze jegens U ; opdat hetzelve aan het goddelijk toonbeeld Uwer Familie gelijkvormig worde, en allen, waaruit het bestaat, tot één toe de eeuwige »zaligheid mogen verwervenquot;.
De tweede bede is tot Maria gericht: »o teerminnende Moeder van Jesus Christus en onze Moeder Maria; verkrijg »in uw mededoogen en goedertierenheid, dat Jesus deze »onze toewijding welwillend aanvaarde, en Zijne weldaden »en zegeningen aan ons verleene.quot;
In de derde aanroeping wendt zich het huisgezin tot den H. Jozef:
»0 Jozef, allerheiligste bewaarder van Jesus en Maria, ondersteun ons door uwe gebeden in alle behoeften naar ziel en lichaam ; opdat wij met U en de gelukzalige Maagd Maria den Goddelijken Verlosser Jesus Christus eeuwigen gt;: lof en dank mogen brengen.quot;
â 83 -
»Sic ergo orabitis.quot; »Zoo zult gij dus bidden.quot; (Matt. VI, 9.) Hoevele huisgezinnen hebben alreeds zóó gebeden! En hoe moet het hart van hem, die Nazareth als de stad van heil en zegen vereert, vervuld zijn van vreugde bij den aanblik der groote menigte, welke aldus bidt. Toeven wij een oogenblik bij liet liefelijk beeld, dat daar voor onze oogen staat. Is het het beeld van een enkel huisgezin slechts, 'tis toch een beeld, dat reine vreugd verschaft. Voor Jesus, Maria, Jozef knielen godsdienstige personen neer. Zooeven hebben zij het gebed der opdracht verricht en nu nog liggen zij geknield, getroffen door de heiligheid van dat oogenblik. Gelijk zij samen maar één huis bewonen, zóó u het ook maar één geest, die hen bezielt. Vandaag, den dag der opdracht hebben zij allen, voor zooveel zij konden, tie HH. Sacramenten ontvangen, om den vollen aflaat te verdienen; hunne harten zijn dus zuiver en met God ver-eenigd, door de goddelijke genade gesterkt, vol goeden wil on heilige voornemens. Zij gevoelen dat zij nu meer dan eerst der H. Familie toebehooren. De heilige beelden van Jesus, Maria en Jozef krijgen in hunne oogen leven en geest; zij gaan als met elkander om ; de opdracht stijgt aangenaam en liefelijk ten hemel, en den toeschouwer komen de woorden der H. Schrift in de gedachte : »haec »est generatio quaerentium Dominumquot; : dit is het geslacht »van hen die den Heer zoeken.quot; (Ps. XXIII, 6.) En op eene andere plaats: »Uwe Heiligen, o Heer, zullen bloeien als de leliën en zij zullen als de geur van balsem voor U zijn.quot; (Rom. Brev.) En in de harten dergenen, die zich toegewijd hebben, dalen hoop, zegen, moed en kracht neder, om als een reus den weg des levens te bewandelen. Ligt er. Gel. Chr., niet iets feestelijks en vreugdevols in deze opdracht; ernst ook voor de personen afzonderlijk, gelijk voor het geheele gezin ? Moge dat oogenblik voor allen onver-
- 82 â
zelf niet goedgekeurd en den leden der vereeniging aanbevolen, het dikwijls te bidden? Zoo moet het dus ook u niet te veel zijn, om het in het geheugen te prenten. En wijl wij heden het toewijdings-gebed na de preek samen zullen bidden, zal ik er de hoofdgedachten van aangeven. Het gebed bestaat in een drievoudig gebed: aan elk van de drie Personen der H. Familie.
»0 Jesus,quot; begint het gebed, gt;onze beminnenswaardigste »Verlosser, die, uit den hemel gezonden, om de wereld door leer en voorbeeld te verlichten, het grootst gedeelte »van uw sterfelijk leven, onderdanig aan Maria en Jozef, in het nederig huis van Nazareth hebt willen doorbrengen en die familie geheiligd hebt, welke aan alle christelijke huisgezinnen tot voorbeeld zou verstrekken ; neem dit ons »huisgezin, hetwelk van nu af zich geheel aan u opdraagt, genadig aan. Bescherm en bewaar hetzelve en bevestig daarin, tegelijk met den vrede en de eendracht der christelijke liefde de heilige vreeze jegens U ; opdat hetzelve aan het goddelijk toonbeeld Uwer Familie gelijkvormig worde, en allen, waaruit het bestaat, tot één toe de eeuwige »zaligheid mogen verwervenquot;.
De tweede bede is tot Maria gericht: »o teerminnende »Moeder van Jesus Christus en onze Moeder Maria; verkrijg »in uw mededoogen en goedertierenheid, dat Jesus deze â onze toewijding welwillend aanvaarde, en Zijne weldaden »en zegeningen aan ons verleene.quot;
In de derde aanroeping wendt zich het huisgezin tot den H. Jozef:
»0 Jozef, allerheiligste bewaarder van Jesus en Maria, ondersteun ons door uwe gebeden in alle behoeften naar ziel en lichaam ; opdat wij met U en de gelukzalige Maagd Maria den Goddelijken Verlosser Jesus Christus eeuwigen lof en dank mogen brengen.quot;
- 83 -
»Sic ergo orabitis.quot; gt;Zoo zult gij dus bidden/' (Matt. VI, 9.) Hoevele huisgezinnen hebben alreeds zóó gebeden! En hoe moet het hart van hem, die Nazareth als de stad van heil en zegen vereert, vervuld zijn van vreugde bij den aanblik der groote menigte, welke aldus bidt. Toeven wij een oogenblik bij het liefelijk beeld, dat daar voor onze oogen staat. Is het het beeld van een enkel huisgezin slechts, 'tis toch een beeld, dat reine vreugd verschaft. Voor Jesus, Maria, Jozef knielen godsdienstige personen neer. Zooeven hebben zij het gebed der opdracht verricht en nu nog liggen zij geknield, getroffen door de heiligheid van dat oogenblik. Gelijk zij samen maar één huis bewonen, zóó is het ook maar één geest, die hen bezielt. Vandaag, den dag der opdracht hebben zij allen, voor zooveel zij konden, de HH. Sacramenten ontvangen, om den vollen aflaat te verdienen; hunne harten zijn dus zuiver en met God ver-eenigd, door de goddelijke genade gesterkt, vol goeden wil on heilige voornemens. Zij gevoelen dat zij nu meer dan eerst der H. Familie toebehooren. De heilige beelden van Jesus, Maria en Jozef krijgen in hunne oogen leven en geest; zij gaan als met elkander om ; de opdracht stijgt aangenaam en liefelijk ten hemel, en den toeschouwer komen de woorden der H. Schrift in de gedachte : »haec »est generatio quaerentium Dominumquot; : dit is het geslacht »van hen die den Heer zoeken.quot; (Ps. XXIII, 6.) En op eene andere plaats : »Uwe Heiligen, o Heer, zullen bloeien als »de leliën en zij zullen als de geur van balsem voor U zijn.quot; (Rom. Brev.) En in de harten dergenen, die zich toegewijd hebben, dalen hoop, zegen, moed en kracht neder, om als een reus den weg des levens te bewandelen. Ligt er, Gel. Chr., niet iets feestelijks en vreugdevols in deze opdracht; ernst ook voor de personen afzonderlijk, gelijk voor het geheele gezin ? Moge dat oogenblik voor allen onver-
â 84 â
1
getelijk blijven ; moge het voor allen eene troostrijke herinnering zijn, om die dikwijls met het hart of met den mond te vernieuwen ; en mogen zij bij iedere vernieuwing gelijken vrede en troost ondervinden. Dit' zou het beste middel ook zijn, om te begrijpen en te waardeeren, wat die heilige handeling beteekent.
II.
»Dit is het doel der godsdienstige vereeniging, dat do »christelijke huisgezinnen zich aan de H. Familie van Naza- *
»reth toewijden, en zich voornemen die na te volgenquot; zoo zeggen het de regels, welke op last des Pauses zijn ontworpen en voor de nieuwe vereeniging goedgekeurd.
Waartoe nu dient deze bijzondere opdracht en wat beteekent die ? Is dan niet ieder christen door het Doopsel aan .God toegewijd? Zijn dat ook niet alle personen, die samen een christelijk gezin uitmaken ? En daarmee ook niet het huisgezin zelve? Ja zeker. Gel. dir., zoo is het! Ieder christen is in het Doopsel aan God toegewijd en die toewijding is van zooveel belang en zoo noodzakelijk, dat zonder deze, iedere andere toewijding nutteloos en zonder beteekenis is. Ik zal ook niet beweren, dat een christelijk huisgezin, als het dat werkelijk is, niet aangenaam is aan God, als het Hem buiten deze vereeniging dient. Daarom is het volstrekt mijne bedoeling niet, het u voor te stellen,
alsof het plicht ware tot deze vereeniging toe te treden.
Als ik dat deed, zou ik niet handelen naar den wil des H. Vaders, die aan do geloovigen vrijheid laat, om al of niet toe te treden. Het is geen bevel, slechts eene uitnoo-diging aan de christelijke huisgezinnen, om lid te worden der vereeniging. »Wij hebben,quot; zegt de H. Vader, gt;doze »vereeniging niet alleen willen aanbevelen, maar ze aange-
i
»wezen, als voor onzen tijd zeer nuttig en heilzaam,quot; ziet-daar Gel. Chr., de reden, waarom deze vereeniging en de haar eigene opdracht aan de H. Familie zoo dringend aan de christelijke huisgezinnen wordt aanbevolen, dewijl n.1. deze vereeniging bijzonder geschikt is, om in onzen tijd weldadig en zegenrijk te werken.
Op dit gezegde nu steun ik, als ik u, Gel. Chr., de be-teekenis der toewijding aan de H. Familie ga verklaren. Het woord: «toewijdenquot; is aan elk katholiek bekend. Naar de opvatting der Kerk beteekent het, iets van andere dingen afnemen, en dat tot den dienst van God bestemmen. Kerken en Kapellen beschouwen wij als gewijd. Het zijn gebouwen, van anderen onderscheiden en voor den godsdienst bestemd. Iedere steen aan zulk gebouw werkt mede tot dat doel en van eiken kan men zeggen: »domum tuam, Domine, decet »sanctitudoquot;: uw huis, o Heer betaamt heiligheid.quot; Als gewijde personen ziet het christenvolk zijne priesters aan. Het zijn menschen uit het volk en hebben ten taak, de eer van God te bevorderen en zich te wijden aan den dienst der onsterfelijke zielen: van daar de schoone namen van »zielzorgersquot;, »zielbestierdersquot;, die zij dragen.
Als nu een huisgezin zich aan de H. Familie toewijdt, wil dit niet anders zeggen, dan dat dit huisgezin zich meer dan andere toelegt op den dienst der heiligste Personen: Jesus, Maria en Jozef; dat hot zijne leden, dier godsvrucht, krachten en bekwaamheden aan Hetzelve toewijdt en opoffert en bij alles, wat in, of met het gezin gebeurt, dit bijzonder op het oog heeft. Van zulk gezin alleen en van alle dergelijke gezinnen te zamen geldt het woord des Hee-ren: »gij zult heilig voor Mij zijn, omdat Ik, de Heer, heilig - ben en u uitgekozen heb boven andere volken, opdat gij gt;de Mijne zoudt zijnquot;. »Opdat gij de Mijne zoudt zijnquot;: ja het bijzonder eigendom des Heeren en zijne bevoorrechte
86
gezinnen zullen die huisgezinnen zijn, welke zich toewijden aan de zaak dezer godvruchtige vereeniging.
Is dit niet in staat, om u, Gel. dir., met vreugde te vervullen ? Gij zult op bijzonder innige wijze Hem toebe-hooren, die de H. Familie van Nazareth heilig gemaakt heeft en die de heiligheid zelve is; gij zult het voorrecht hebben de dienaar en vriend dier Familie te zijn, waarvan die Personen deel uitmaken, wier heiligheid de Engelen des hemels overtreft; wier macht zoo groot is, dat die zalige Geesten op hunne wenken gehoorzamen: Eritis mihi Sanc-
»ti..... ut essetis mei: gij zult heilig voor Mij zijn..... opdat
gij de Mijne zoudt zijnquot;, dat is de woordelijke beteekenis van deze opdracht: de toewijding van geheel het huisgezin aan den dienst, aan de vereering en navolging der H. Familie. Volgens de aanwijzingen, welke de Brief van den Paus geeft, kan de beteekenis der opdracht aan de H. Familie noch nader verklaard worden: »De christelijke huisgezinnenquot;, heet het daar, -moeten door een bijzon-ïderen band van godsdienstigheid met de H. Familie verbonden worden, ja zich aan Haar als door belofte toewijden, 3-met het doel en met de meening, daardoor de bijzondere ïbescherming van Jesus, Maria en Jozef te verwerven.quot; Een nauwe band moet dus geslagen om de H. Familie en ieder christelijk huisgezin; eene innige betrekking, of gelijk de menschen onder elkander zeggen, een goeder trouwe, vriendschappelijke omgang en verkeer moet ontstaan tus-schen de Bewoners van het H. Huisje te Nazax*eth en tusschen de leden van een christelijk huisgezin. Wat kan eervoller zijn voor den christen en zegenrijker voor het christendom ? En welke band moet dit zijn ? »Nexus pieta-»tisquot; een band van godsdienstigheid, van innige vereering en godsvrucht, een heilige en genadenvolle band, geweven uit kinderlijke aanhankelijkheid en liefde, een band zegen-
87
rijk van beteekenis. Moge die band meer en meer alle huisgezinnen waarin christenen zijn, omslingeren; moge het een onverbreekbare band worden, die de geheele christenheid met Jesns, Maria en Jozef onafscheidelijk vereenigt voor tijd en eeuwigheid.
Meer nog! De christelijke huisgezinnen moeten zich als »door belofte aan de H. Familie verbindenquot;. Deze opdracht moet als eene plechtige belofte zijn, van altijd de heiligste Personen te zullen vereeren en hunne deugden na te volgen. Het is wel is waar geene belofte, die op zonde verplicht, doch wanneer zij gehouden wordt, zal dit aan God even aangenaam zijn, alsof het eene werkelijke belofte ware geweest. Wie zou kunnen betwijfelen, of de Heer niet met welgevallen do toewijding van gansch een gezin zou aannemen? Eenmaal nam Hij het offer van Anna, de moeder van Samuel aan, schonk haar den zoon, dien zij verzocht en verhief dien tot. profeet. Hoe zou Hij dan het offer kunnen versmaden, dat een christelijk gezin Hem brengt, als het zich belangeloos aan zijnen dienst wijdt en alle krachten en bekwaamheden tot zijne beschikking stelt? Voorwaar, verzekert de H. Vader, zulk huisgezin mag zich verheugen in de bijzondere bescherming der H. Familie. De Almachtige, wiens arm onverwinnelijk sterk, en wiens goedheid alle begrip en alle maat te boven gaat, zal hen beschermen. Op hen is toepasselijk wat koning David zingt van de menschen, die onder Gods hoede zijn: Die in de hulp des Allerhoogsten woont zal blijven onder de bescherming van den God des homels. Hij zal tot den Heer zoggen: Gij zijt mijn beschermer en mijne toevlucht, mijn God; op Hem zal ik hopen. Want Hij heeft mij verlost van don schrik der jagers en van harde woordenquot;. (Ps. XC, 1-3.)
Maria wordt door de geheele Kerk geprezen als »Onze
â 88
»Lieve Vrouw der overwinningquot;; Zij zal zich ook de overwinnende Helpster betoonen van hen, die zich aan Haren goddelijken Zoon en Haren Bruidegom hebben toegewijd. En Jozef, die eenmaal Jesus en Maria beschermde, en uit het grootst levensgevaar redde, hij zal ook de beschermer zijn van hen, die zich vol vertrouwen aan Hem aanbevelen. Zoo blijkt, dat de opdracht aan de H. Familie is eene daad, die geluk voorspelt, een werk waaraan de mildste zegeningen verbonden zijn.
Gel. Chr., »gij zult heilig voor Mij zijn, omdat Ik, de »Heer heilig ben, en u boven andere volken heb uitgekozen, opdat gij de mijne zoudt zijnquot;. Is het te gelooven, dat er menschen zijn, die tegen God samenspannen, die zich verbinden tot goddeloosheid, met andere woorden, die vijanden van God zijn. Opent oogen en ooren, Chr., en gij kunt u alle dagen overtuigen, dat het zoo is. Ja, het getal van hen die zich aan den duivel wijden is grooter dan het hoopje trouwe belijders van Christus. In dien zin klaagde David reeds: »waarom »razen de Heidenen, en zinnen de volken op ijdelheid? Aangerukt zijn de koningen der aarde, en samengespannen zijn »de vorsten tegen den Heer en tegen Zijnen Gezalfdequot;. (Ps. II, 1. 2.) Men zou meenen, dat deze woorden van den Psalmist geschreven zijn, niet voor 3000 jaren, maar door iemand, die onzen tijd kent: zóó juist geven zij den tegenwoordigen toestand weer. Of is niet een nieuw heidendom in aantocht ? En wie zijn zij, die zich tegen God en zijn Gezalfde verzetten'? Waarom langer hunne namen verzwegen ? Vrijmetselaars en logebroeders worden zij genoemd, en deze zijn het, welke in eene geheimzinnige vereeniging verbonden tegen God en Zijnen Plaatsbekleeder op aarde razen en woelen! Zij hebben het daarop gemunt, om geloof en godsdienst te ondermijnen, de geheele maatschappelijke orde. omver te werpen en bandelooze vrijheid in te voeren. Het
menschelijk geslacht is, sints liet door de afgunst des duivels ten val werd gebracht, in twee tegenovergestelde partijen verdeeld, waarvan het eene gedeelte strijdt voor waarheid en deugd, het andere voor wat hier tegenover staat.
Het zijn niet eenige afzonderlijke menschen, die de zaak van God bestrijden, maar het is eene groote partij, een goddelooze bond, die sluw alles aanwendt, wat het Rijk Gods hier op aards kan uitroeien. Moeten nu de aanhangers van Christus zich ook niet zoo vereenigen voor de goede zaak? Als gij, Gel. dir., wel eens laast of hoordet van het verderfelijk streven en werken der vrijmetselaars, hebt gij misschien wel eens gedacht: kon ik eens iets doen, om dien beruchten bond tegen te werken en de goede zaak bevorderlijk te zijn.
Zulke gedachte strekt uwen ijver tot eer. Ziet nu, wat gij doen moet. De wereld-vereeniging der H. Familie is een tegenwicht tegen de verderfelijke vrijmetselarij; en al het streven, waarop de huisgezinnen in deze vereeniging zich toeleggen, heeft 'geen ander doel dan een dam op te werpen, welke den vloed des ongeloofs Araii de maatschappij moet afhouden. Treedt dan in deze vereeniging, wijdt u aan dezen bond, die werkt tegen den bond van verderf. Werkt ook bij gelegenheid voor deze vereeniging; spreekt ten ge-schikten tijde en plaats een woord ten gunste van deze; dat is offervaardigheid, die met gouden letters in het boek des levens zal aangeschreven zijn. Bedenkt, met welken angst en vrees gij eens, als dit boek opengeslagen wordt, zult wachten, of uw naam en die uwer dierbaren daarin geschreven zijn. Draagt dan nu zorg dat uw naam en die uwer huisgenooten in het boek der christelijke huisgezinnen zijn geschreven, die zich aan de H. Familie toewijden. Wanneer die nu reeds onder de namen van Jesus, Maria en Jozef geschreven zijn, dan moogt gij met grond hopen, ze ook eens in het boek des levens te zullen vinden. Amen.
VIII.
Dc toewijding aan be I7. familie is ccn ipcrf pan liefde tot (5od eit deix naaste.
(boor 2Iicb.)
Invent, qnem diligit anima mea. Jl; hch hem gevonden, dien mijne ziel liefheeft.
Hooglied III, 4.
| et menschdom is, nadat het door do afgunst des »duivels verleid werd tot afval van God, den Schepper en Schenker aller hemelsche gaven, in twee vijandelijke tegenover elkander staande kampen verdeeld, waarvan een gedeelte met ijver en liefde strijdt »voor waarheid en deugd, het andere gedeelte voor het-gt;: geen het tegenovergestelde is. De eene partij maakt het Rijk
»Gods op aarde uit, de ware Kerk van Christus;..... het
ander kamp is het rijk des duivels, onder wiens macht zij zijn, die het slecht voorbeeld van hunnen aanvoerder en van onze eerste ouders navolgen en gehoorzaamheid wei-»geren aan de eeuwige wetten van God.quot; Met deze woorden begint Paus Leo XIII Zijne Encycliek Humanus genusquot; van den 20 April 1884, waarin hij de christelijke wereld voor het verderfelijk streven der vrijmetselarij waarschuwt.
91
Dezelfde gedachte behandelt ook de H. Ignatius van Loyola in zijn beroemd boek - De geestelijke oefeningen.quot; Twee aanvoerders staan tegenover elkander, twee banierdragers van tegenovergestelde geestesrichting : de vorst des hemels en die der hel, Christus en de duivel. Beiden treden op als wervers, om de zielen der menschen voor zich te winnen. Welke groote waarheid wordt hier verkondigd, dooide ondervinding van duizende jaren bevestigd. Sints in den hemel de strijd tusschen den Eeuwigen en Lucifer beslist werd, en de oude slang onder den oorlogskreet Mi-cha-elquot; : - wie is gelijk God,quot; in den afgrond werd neergeworpen, sints is de strijd tusschen God en Zijn helschen tegenstander naar de aarde verplaatst. Nauwelijks is het menschenkind op de wereld, of van den kant van God begint de heilige, van Satans kant de onheilige strijd en verleiding der ziel. Christus spreekt met Zijne zoete stem van goeden Herder: »volg Mij na.quot; (Joan. XXI, 19.) Maar ook satan rust niet. Ofschoon door Christus uitgeworpen, (Joan. XII, 31.) waagt hij het toch met zijne be-driegelijke voorstellen voor den dag te komen. Komt bij ons,quot; zegt hij tot zijne aanhangers, laat ons listig handelen om bloed te vergieten, laat ons den onnoozelen zonder reden lagen leggen. Laat ons, zooals het graf doet hem levend verslinden, ja geheel en gansch, gelijk die in den kuil nederdaalt.quot; (Prov. I, 11. 12.) O, die rampzalige prooi! Hoe zijn zij te beklagen, die den duivel toevallen ! Zij geraken in de ellendigste slavernij voor tijd en eeuwigheid.
Hoe dankbaar dus. Gel. Chr., moeten wij na God aan onze ouders zijn, die voor ons eene goede keus hebben gedaan, toen wij noch niet bij machte waren te onderscheiden, wat tot ons geluk dienstig was. Welke weldaad hebben onze peter en meter ons bewezen, toen zij ons bij de doopvont aan het katholiek geloof toewijdden en in onzen
naam de belofte aflegden, dat wij den duivel verzaakten en aan den drieëenigen God geloofden. Hadde onze ziel toen die heilvolle gebeurtenis erkend; voorzeker zij zou jubelend hebben uitgeroepen : »inveni quem diligit anima ineaquot; : Ik heb hem gevonden, dien mijne ziel liefheeft.quot; Hoe blijde en gelukkig ben ik, zou zij tot zich zeiven gezegd hebben, dat ik den helschen verleider verzaakt en den hemelschen vriend gekozen heb ! »Tenui eum nee di-»mittamquot; : »ik zal hem vasthouden en niet laten gaan.quot; (Hoogl. III, 4.)
Nu, Gel. Chr., zijt gij in staat, die eerste keuze te schatten en ze u waardig te betoonen. Zoo dikwijls toch hebt gij sints dien, gelegenheid gehad, zelf te beslissen. Want gij zult moeten erkennen, dat de keuze tusschen goed en kwaad, tusschen deugd en zonde hierop neerkomt, dat gij moest kiezen tusschen beide minnaars uwer ziel: Christus en Satan.
Hoe is daarbij uwe beslissing uitgevallen ? Hebt gij steeds uwe keus gemaakt, gelijk den eersten keer, of is uwe keus soms, of ook wel meestal anders geweest? »Ik »heb hem gevonden, dien mijne ziel liefheeftquot; geeft dit woord uw laatsten val te kennen ? Toen hebt gij gezegd : »ik heb hem gevonden, dien mijne ziel liefheeft,quot; en dat is de duivel. Hoe, Gel. Chr., hoe ? en dat is satan ? Neen, zegt gij, zóó heb ik niet gesproken, en zal ik ook nimmer spreken. Denk eens wel na, christelijke vriend. Nu het over woorden gaat, komt gij in verzet, maar toen het over daden ging, hebt gij toegestemd. Want toen gij het gebod des Heeren overtraadt, hebt gij door uwe daden gezegd : ik »heb hem gevonden dien mijne ziel liefheeft.quot; Wat kan die ontrouw herstellen ? Voor het heil uwer ziel hoop ik, dat gij niet tot nu gewacht, maar al reeds vroeger boete gedaan hebt en dat gij weder in waarheid tot den Heer kunt
zeggen ; »ik heb hem gevonden dien mijne ziel liefheeft,quot; en deze is geen ander en zal ook in eeuwigheid geen ander zijn, dan Jesus Christus, die de liefde mijner ziel is. Hem wil ik vasthouden en niet laten gaan. Als dit uwe gevoelens zijn, en als gij daarin wilt volharden, dan zijt gij juist in de stemming en gesteltenis, om u voor te nemen het uitstekend liefdewerk te beoefenen, waarover ik u heden wilde spreken. In naam des H. Vaders en in zijn persoon in naam der geheole Kerk kom ik alle christelijke huisgezinnen uitnoodigen, lid te worden van de godsdienstige vereeniging der H. Familie, en zich aan deze H. Personen van Nazareth ; Jesus, Maria en Jozef toe te wijden. Ik wil u heden aantoonen, dat de toewijding aan de H. Familie een werk van liefde, meer nog, de nakoming is van het groot tweevoudig gebod der liefde ; n.1.
I. een werk van liefde tot God;
II. e e n werk ook van liefde tot den naaste.
Wij danken U, o God, dat wij door uwe goedheid U hebben gevonden, voor wij IJ zochten. Neem onze toewijding genadig aan en bind ons al meer en meer aan U door den band der liefde.
I.
:gt;Gij zult den Heer uwen God liefhebben iiit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, uit geheel uw verstand en uit al uwe krachten.quot; (Matt. XXII, 37.) Gij vraagt, dunkt me, waarom ik mijne bewijsvoering met deze woorden begin. Ik antwoord u: omdat ik wil aantoonen, dat de toewijding aan de H. Familie bijzonder het werk der liefde is, en zich voordoet als het opvolgen van »het eerste en grootste gebod.
â 94 -
De ware liefde laat het niet bij woorden, maar toont zich door daden. »Verba sonant, facta loqnunturquot; : woorden zijn klanken, daden sprekenquot; is hier alleszins toepasselijk. Zulke liefde nu, die zich in daden uit, verlangt de Heer, als Hij het gebod geeft; gij zult den Heer uwen God -beminnen.quot; »Xiet ieder,quot; zegt hij woordelijk, gt;die tot Mij »zegt: Heer, Heer! zal ingaan in het rijk der hemelen, : maar die den wil mijns Vaders doet, die in de hemelen »is, die zal ingaan in het rijk der hemelen.quot; (Matt. VII,21.) En: »die mijne geboden heeft en ze onderhoudt, hij is het : die Mij bemint.quot; (Joan. XIV, 21.)
Gaan wij nu de daad van toewijding aan de H, Familie eens na, en onderzoeken wij of aan die daad niet werkelijk en terecht die beteekenis moet gegeven worden, welke ik haar gaf, dat zij n. 1. een uitmuntend werk van liefde tot God is. Zooals uit de regels der vereeniging blijkt, moet de toewijding of opdracht geschieden met de aangegeven woorden van liet voorgeschreven gebeds-formulier. Dit formulier is te vinden in de inschrijvingsbriefjes. Wij zullen, om tot ons doel te komen ten minste de hoofdgedachte van dit formulier aanhalen :
gt;0 Jesus, onze beminnenswaardige Verlosser.....Gij hebt
»het grootste deel van uw sterfelijk leven in het nederig »huis van Nazareth willen doorbrengen, en die Familie ge-»heiligd welke aan alle christelijke gezinnen tot voor-»beeld zon verstrekken; neem dit ons huisgezin, hetwelk van nu af zich aan U opdraagt, genadig aan. Bescherm
»en bewaar hetzelve, en geef..... dat het aan uwe Familie
»gelijkvormig worde en wij allen tot de eeuwige zaligheid mogen gerakenquot;.
»0 teerminnende Moeder Maria,..... verkrijg, dat Jesus
»deze onze toewijding welwillend aanvaarde..... O Jozef,
â 95 â
»allerheiligste bewaarder van Jesus en Maria, ondersteun »ons door uwe gebeden naar ziel en lichaamquot;.....
Schoone woorden! zegt gij misschien, Gel. dir., maar daarin komt geen woord over de liefde voor. Ik moet zeggen, dat gij gelijk hebt. Toch hoop ik, dat gij ook mij gelijk zult geven, als ik zeg: woorden van liefde kunnen gemist worden, waar de zin tot, en de daden der liefde aanwezig-zijn. Want niemand zal ontkennen, dat de aangehaalde woorden door de zuiverste liefde tot de H. Familie zijn ingegeven, en onwraakbaar getuigen, dat ze slechts uitgesproken kunnen worden door den mond van hem, wiens hart overvloeit van liefde. Ik wil echter noch verder aau-toonen, hoe de woorden van het formulier der opdracht vergezeld zijn van eene daad der liefde tot God, en hoe die daad daarin besloten is en zich uit.
Als onverdacht en in deze zaak deskundig getuige en rechter voer ik den H. Paulus aan. Deze Apostel, door God zoo verlicht en in de liefde beproefd, geeft in zijn Brief aan de Corinthiërs eene zoo voortreffelijke, ja ik mag zeggen onovertroffen beschrijving van de ware liefde. Zijne woorden geven ten allen tijd do maatstaf en de toetssteen aan, om te beoordeelen of, en in hoever bij alle gelegenheden de ware liefde aanwezig is. Laten wij aan zijne lange beschrijving in liet kort ontleenen, wat voor ons doel dienstig is. Nadat hij aangetoond heeft, dat de liefde noodzakelijk is, vervolgt hij: »de liefde is niet zelfzuchtig, zij verheugt zich »over de waarheid, zij gelooft alles, zij hoopt allesquot;. (I. Cor. V, 7.) Bij het licht dezer weinige woorden blijkt duidelijk, dat de toewijding aan de H. Familie een werk is van liefde tot God. »De liefde is niet zelfzuchtigquot;, schrijft de Apostel. «Integendeelquot;, wil hij zeggen. De ware liefde is vrijgevig, zij geeft weg wat zij bezit, ja zich zeiven. Daaraan, aan het weggeven, kunnen wij ook de liefde van God tot de menschen
96
kennen, volgens de woorden van het Evangelie; gt;Zoozeer »heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijnen Eenigen Zoon igafquot;. (Joan. Ill, 16.) Daaraan wil God ook de wederliefde der menschen erkennen: »mijn Zoon, geef mij uw hart.quot; (Prov. XXIII, 26.) d. i. uwe gedachte, uw wil, uwe verlangens en begeerten, uwe vrees en blijdschap; geef, schenk, wijd mij, draag mij dat alles op, opdat ik daarin erkenne, dat g ij Mij bemint. Wat nu is de toewijding of opdracht aan de H. Familie? Wat anders dan de toewijding, de opoffering van het geheele huisgezin aan God? »Neem gt;genadig dit huisgezin aan, dat zich aan u toewijdtquot;. Wat beteekenen deze woorden anders dan: neem, o Heer, de harten aan van allen, die hier voor de afbeelding der H. Familie geknield zijn; wij willen de Uwen zijn, o Jesus, en na U willen wij voor altijd toebehooren en toegewijd zij aan de door U meest beminde Personen: Maria en Jozef. Wij willen, U al onze gedachten en begeerten opofferen en U uit geheel ons hart,quot; geheel onze ziel en al onze krachten liefhebben. Is dit niet de zuivere taal der reinste liefde tot God, en ligt daarin niet tevens het bewijs dezer liefde? »Neem mij tot U en geef U aan mijquot;, baden de Heiligen, die van liefde gloeiden: gt;alles voor Jesus, Hem »alleen en Zijnen Naam zij eerquot;, zoo verzuchten ook nu nog de zielen, die door de liefde der Serafijnen ontstoken zijn, en ieder aanschouwt do liefdevlammen, die in hunne harten branden. Als wij nu ook zoo de opdracht van het christelijk huisgezin verrichten: gt;neem dit huis genadig aan, dat zich geheel aan u toewijdtquot;, dan mogen wij gerust daaruit besluiten: dat de toewijding aan de H. Familie een voortreffelijk werk is van liefde tot God.
»De liefde verheugt zich over de waarheid, zij gelooft »alles, zij hoopt allesquot;. In deze woorden teekent de Apostel de ware liefde. Stelt u. Gel. Chr., zulk huisgezin in den geest
- 97
voor, vol vertrouwen knielt het voor het de heilige beeltenis en blikt vreugdevol op tot de H. Personen, die de beeltenis voorstelt.
Let eens op de aangezichten, wat ze stralen van vreugde, alsof gloeiende vonken van liefde aan hun hart ontspringen. Men kan het hun, die daar geknield liggen aanzien, dat zij overtuigd zijn een goed werk gedaan té hebben, door zicli aan zulke handen te hebben toevertrouwd. »Neein dit ons shuisgezin, hetwelk van nu af zich geheel aan U opdraagt,
sgenadig aan. Bescherm en bewaar hetzelve..... en bevestig
daarin do heilige vreeze voor U.....quot; De plaatsbekleeder
van Christus, van wien gezegd is: die u hoort, hoort mijquot;. (Luc. X, 16.) laat hen zoo bidden en handelen; daarom zijn zij vol hoop en vertrouwen. »Rome heeft gesproken en de »zaak is voor hen uit,quot; daarom kennen zij geen wantrouwen jegens de zaak; die te onderzoeken of te beproeven is niet meer noodig.; zonder aarzelen zegt ieder: »tuus sum »egoquot;: »ik ben de uwe, o Heerquot;! en voegt er met den psalmist bij; salvum me facquot;: s maak mij zaligquot; (Ps. CXVIII, 94) en eenieder komen onwillekeurig do woorden van den H. Paulus op de lippen: :gt;als God met ons is, wie vermag »dan iets tegen onsquot;? Met deze beschouwingen houden zij zich bezig, die zich toewijden aan de H. Familie. Wat dunkt u. Gel. Chr? Is dit niet de uitdrukking van de vreugde welke de algeheele toewijding aan God meebrengt? »God »heeft hem, die gaarne geeft, liefquot;. {II. Cor. IX, 7.) zegt do H. Schrift. Volgens hetgeen God zelf verzekert bemint Hij die Hom beminnen, (Prov. VIII, 17.) Zoo is dus de blijde toewijding aan de H. Familie oene daad, die God als een liefdewerk beschouwt. â Moet gij. Gel. Chr., nu niet zeggen, dat de opdracht aan de H. Familie hetzelfde is als zich aan God toe te wijden? Is God, do Vader en Hoer van het menschelijk geslacht, ook niet de Heer en Vader der H.
7
â 98 â
Familie? Of zon de toewijding aan Maria en Jozef aan God minder aangenaam zijn, en aan de liefde jegens Hem afbreuk doen? Heeft Christus niet gezegd: »Hetgeen gij aan de minsten der Mijnen gedaan hebt, dat hebt gij aan Mij »gedaanquot;? En op wie kan dat meer toepasselijk zijn dan op Zijne Moeder en Zijnen Voedstervader, die in Zijne oogen toch zeker groot en eerbiedwaardig zijn? Neen, twijfelt er niet aan: de toewijding aan de H. Familie is de toewijding aan God zeiven.
Zoo blijkt de toewijding aan de H. Familie dus waarlijk een kostelijk werk van liefde, ja de vervulling van het gebod der liefde te zijn ; gij zult den Heer uwen God beminnenquot;. »Dit isquot; zegt het H. Evangelie, het eerste en grootste »gebodquot;. Het tweede echter is hieraan gelijk: »gij zult uwen »evennaaste beminnen gelijk u zeivenquot;! De toewijding nu aan de H. Familie van Nazareth is, zooals ik zal aantoonen, de vervulling van dit tweede gebod, is ook een werk van naastenliefde.
II.
Gij, zult uwen naaste beminnen gelijk u zeiven.quot; Ziet-daar het tweede gebod, dat aan het eerste gelijk is. Ik geloof niet tegenspraak te ontmoeten, als ik zeg, dat Paus Leo XIII voor alle kinderen, welke aan zijne hooge zorgen zijn toevertrouwd, een hart vol liefde heeft. Nauwelijks kan men een zijner Voorgangers op den Stoel van Petrus aanwijzen; die den eeretitel: »Heilige Vaderquot; en: »Vader der »christenheidquot; waardiger gedragen heeft dan hij. Wat heeft hij niet gedurende zijn lang opperherderschap alles in het werk gesteld, om liet tijdelijk en eeuwig welzijn der men-schen te bevorden.
Toen Christus de menigte aanschouwde, die zonder
99
voedsel Hem gevolgd was uit verlangen om zijn woord te hooren, sprak Hij vol medelijden: »misereor super tur-»bamquot; : Ik heb medelijden met de scharequot;. (Marc. VIII, 2.) Op het medelijden volgde de daad: Jesus voedde die duizenden op wonderbare wijze. Datzelfde woord van liefde en medelijden spreekt uit elke onderneming, uit iedere daad A'an Leo, den Stedehouder van Christus. Om alle andere onaangeroerd te laten, wat is de oprichting van de vereeniging der H. Familie anders dan eeiie vrucht van Zijn liefdevol vaderhart ? Inderdaad, het is een groot liefdewerk, door de liefde uitgedacht, door de liefde uitgevoerd.
Om u van die vaderlijke liefde nog eens te meer te overtuigen, luistert naar hetgeen het schrijven bevat, waarin de regels en de aflaten aan de nieuwe vereeniging worden geschonken. »Men zal vanzelf begrijpen,quot; schrijft de Paus, dat wij deze vereeniging met bijzondere welwillendheid en ijver bevorderen. Want niets ligt Ons nauwer aan het hart en niets wenschen wij meer, dan dat de christelijke deugd weder opbloeie en het daardoor mogelijk worde, dat de tegenwoordige kwalen geheeld en de dreigende gevaren afgewend worden.quot; Dit zijn de woorden van hem, die oorspronkelijk het geheele liefdewerk ontworpen heeft; woorden van oprechte liefde tot de menschen, van ware men-schen- en naastenliefde. Welk is dan het doel der vereenigins:,
O O'
en welke is de taak, die zij te vervullen heeft? Volgens de aangehaalde woorden kan dit niet twijfelachtig zijn. Onder de menschen moet deugdzaamheid herleven en dan zullen de kwalen en ellende, waaraan de wereld lijdt, geheeld, de dreigende gevaren afgewend worden; want de deugd is bij machte de kwalen te genezen, waaraan de maatschappij lijdende is, de gevaren te bezweren, die zij ducht. Dit is de gewichtige taak, welke deze vereeniging heeft te volbrengen. Wat is nu het lidmaatschap in deze vereeniging.
â 100 â
wat de toewijding aan de H. Familie ? Zij is niets anders dan deel te nemen aan dit groote liefdewerk ; meêhelpen aan de inzichten van den H. Vader, om de maatschappij voor rampen en ondergang te behoeden. Eéne omstandigheid moeten wij daarbij niet over het hoofd zien. Het gaat er niet over, dat de een of andere persoon zich ter eere van de H. Familie als lid der vereeniging laat inschrijven, maar het geheele gezin. Ieder lid wijdt zich met anderen en voor anderen toe ; een voor allen, en allen voor ieder. Want ieder persoon draagt zich zeiven niet alleen op, maar allen, die tot het huisgezin behooren, hij bidt voor allen, beveelt allen aan in de bescherming des hemels, wil voor allen eene aansporing en een voorbeeld ten goede zijn.
Zoo beschouwd, blijkt de intrede in de vereeniging alreeds een bewijs van liefde jegens zijne medemenschen te zijn.
Doch de liefde doet meer, ja kent geene grenzen. Vraagt eens aan hen die zich opdragen, welk inzicht zij daarmee hebben. En zij zullen u in waarheid antwoorden: wij willen het plan van den H. Vader helpen uitvoeren, wij willen door onze gebeden, door ons doen en laten, door een braaf en goed voorbeeld zien te bewerken, dat de deugd naar het voorbeeld der H. Familie van Nazareth weer overal beoefend wordt; wij willen in onze betrekkingen zooveel in ons is bijdragen, opdat de treurige verschijnselen van onzen tijd verdwijnen, en grootere ellende welke ons te wachten staat, voorkomen worde. Wij zien, zeggen zij, dat het zoo niet meer kan : het ongeloof treedt overal driest op, de deugd wordt gehoond en gelasterd ; en de openbare orde wordt in haar bestaan bedreigd; daarom willen wij ons toewijden aan de H. Familie en in die godsdienstige vereeniging bidden, dat de geest van geloof en orde in ons huisgezin en in dat van alle chris-
- 101
tenen terugkeere ; wij willen eindelijk den beleedigden God verbidden, dat hij de misdaden der vaderen niet straffe aan de kinderen tot in het vierde geslacht, gelijk Hij door Mozes dreigt (Exod. XX, 5.); maar dat Hij het christen volk zegene, gelijk Hij het volk van Israël door zijne priesters deed zegenen : »de Heer zegene en bescherme u ; de Heer toone u Zijn aangezicht en zij n gunstig ; de Heer »late zijn licht over n schijnen en geve u den vrede.quot; Num. VI, 25.) Kon de naastenliefde zich schooner uitdrukken of duidelijker spreken?
De H. Gregorius bemerkt zeer schoon : »Een tweevou-»dig gebod van liefde is ons gegeven ; het gebod van liefde gt;tot God en tot den naaste. De naastenliefde kan niet »bestaan als tusschen minstens twee personen. Van iemand »toch kan men niet zeggen, indien hij zich zelf bemint, dat »hij naastenliefde bezit; maar dan eerst is het naasten-»liefde als zij een ander tot voorwerp heeft.quot; (Brev. Rom.) Van dien aard is ook de liefde, waarover sprake is bij de toewijding aan de H. Familie. Zij is de trouwe naleving van het gebod van den H. Jacobus : »bidt voor elkander, »opdat gij zalig wordtquot;. (Jac. V, 16.) Zij is het volbrengen van den last, door den H. Paulus aan Timotheus opgelegd: »Ik vermaan u vooral, dat smeekingen, gebeden, vragen en »dankzeggingen gedaan worden voor alle menschen, voor »koningen en allen die in overheid gesteld zijn, opdat »wij een behagelijk en rustig leven leiden in alle gods-gt; vrucht en eerbaarheid: want dit is goed en aangenaam »aan God, onzen Zaligmaker.quot; (I Tim. 11, 1â3.) Moge de schare van hen, die zóó bidden, al grooter worden; mogen vele huisgezinnen zich aansluiten bij dit leger des heils, en mogen zóó vele weldoeners der maatschappij en bevorderaars van het algemeen welzijn opstaan.
Nemen wij nu nog even den maatstaf ter hand, welke
â 102 â
ons de H. Paulus van de liefde geeft. Hetgeen wij verder daar lezen hangt samen met hetgeen wij reeds uitgelegd hebben : »de liefde is niet afgunstig, niet opgeblazen; zij is niet eer-»gierig, niet zelfzuchtig, niet toornend; zij denkt geen »kwaad ; zij verheugt zich niet over onrecht; zij verdraagt »alles, duldt alles.quot; (I Cor. XIII, 4.) Wanneer deze liefde onder de menschen heerschte, was dat niet eene groote weldaad en een milde zegen voor de wereld ? Zoo moesten toch de menschen voor, en met elkander leven: geduldig in den omgang met elkander, vriendelijk, zonder trots of afgunst, zonder eergierigheid of eigenbelang, zonder oneenigheid, argwaan of leedvermaak. Zóó nu wil de nieuwe vereeniging de menschen tot de beoefening der deugd terugbrengen ; dat is het middel om den ondergang der maatschappij tegen te houden, en dat is het ook wat alle huisgezinnen nastreven, die in de vereeniging treden.
Begrijpt gij nu, dat de toewijding aan de H. Familie een voortreffelijk werk van naastenliefde moet genoemd worden?
Wat zal ik u wel als het beste voor de eeuwigheid toewenschen, u, die heden hier bijeen zijt, om de opdracht aan de H. Familie van Nazareth voor den eersten keer te verrichten of die te vernieuwen? Voorzeker niets beters, dan dat gij eeuwig jubelen moogt: »inveni quem diligit »anima meaquot; : ik heb hem gevonden dien mijne ziel lief-»heeft.quot; Wij hebben God gevonden, en zullen Hem eeuwig vasthouden, want Zijne liefde is onze zaligheid. Mocht gij allen dat heden uit het binnenste uws harten zeggen : niemand zal het ooit berouwen, zich toegewijd te hebben aan eene zaak, zoo rijk aan zegen, aan een zoo groot liefdewerk. Doch, wat hoor ik ? Invenimus, quos diligunt animae nos-trae : Wij hebben hen gevonden die onze zielen liefhebben.
â 103 â
O, ik bedrieg mij niet, dat is uwe stem, o heiligste Personen van Nazareth ; dat is uwe stem, mijn aanbiddelijke Jesus ! dat is uwe stem, o gezegende Moeder Maria! dat is uwe stem, o hoogvereerde H. Jozef! Nog hoor ik: »ik »bemin die Mij beminnen.quot; Zoo spreekt gij, H. Jozef,groote uitdeeler der schatten van genade van het H. Huisje te Nazareth. Wat zijn wij gelukkig! Naar de aansporing onzer H. Kerk : »gaat tot Jozefquot;: »ite ad Joseph,quot; gaan wij ver-trouwvol tot U, aan U willen wij ons toewijden, immer uwe trouwe dienaars zijn. »Ik bemin die mij beminnenquot; Met deze verzekering maakt gij ons gelukkig, o Maria, bloeder der schoone liefde.quot; (Sir. XXIV, 24.) O vergeet deze uwe woorden niet en bid voor ons, opdat wij u immer trouw blijven : »Ik bemin, die mij beminnenquot; zoo gewaar-digt Gij, o Jesus, ons te troosten en te verblijden ; en Gij voegt er bij : »met eeuwige liefde heb Ik u bemind.quot; O neem dan ons huisgezin, dat zich eeuwig aan U toewijdt, genadig aan ; geef dat wij U altijd meer beminnen en nimmer van uwe liefde gescheiden worde.
Heilige, Serafijnsche Vader Franciscus, gij die altijd klaagdet: »de liefde wordt niet bemind; ach, de liefde »wordt niet bemindquot;; houdt op te klagen. Wij willen voortaan de liefde beminnen; bid voor ons, opdat wij die altijd en eeuwig blijven beminnen.
Laten wij nu aanstonds aan de liefelijke stem des Hee-ren en Zijner beide H. Huisgenooten gehoor geven, en met de reinste liefde in het hart, onzen blik op hot beeld der H. Familie gevestigd, aandachtig het formulier der opdracht uitspreken.......
______
0gt;0 Nici Ngt;t/ Cgt;lt;6 c?to C?à Cgt;lt;J C^O Cgt;0 0?O Cgt;0 C?0 C?amp; C^O C?^ C?^6 ügt;» cgt;o
I ffffffffff^ ll
IX.
De ^agcUjfsdic gcbcbcrt bci* Dcrccniging.
(boor 2licl].)
Benedictus Dominus quotidie.
Geprezen zij dagelijks de Heer.
Ps. LXVII. 20.
r zijn nog slechts vier jaren voorbij, sinds de godsvruchtige vereeniging der H. Familie werd opgericht. Ofschoon dus slechts een korten tijd, moet ieder, die deze zaak eenigermate met belangstelling-nagegaan heeft, bekennen, dat alreeds ontzaggelijk veel goeds door de vereeniging is gedaan, zoowel ter eere van den Allerhoogsten en der H. Familie van Nazareth als tot welzijn der christelijke maatschappij. Dank hare wijze en voortreffelijke inrichting is de vereeniging al over de geheele aarde verspreid. Honderde bisdommen en parochiën hebben zich bij haar aangesloten; duizende huisgezinnen hebben zich door een nieuwen band enger met den apostolischen Stoel, het middenpunt der christenheid verbonden; millioe-nen brave menschen hebben zich op bijzondere wijze aan de H. Familie opgedragen. De beeltenis van Jesus, Maria, Jozef is millioenen malen vervaardigd en prijkt in kerken
â 105 â
en huizen; treffende en stichtende feesten worden alom gevierd ; tallooze aflaten schenkt de godsdienstige vereeniging aan hare leden en zal zij blijven geven.
Waarin ligt nu eigenlijk de kracht dezer zegenrijke vereeniging? Wat maakt haar zoo werkdadig en rijk aan zegen? Deze vragen moeten zich noodzakelijk opdoen aan hem, die nagaat, welke groote gevolgen deze vereeniging in korten tijd heeft uitgewerkt. Ik stel mij voor, Gel. Chr., deze vragen naar mijne innige overtuiging te beantwoorden, als ik zeg: wat deze godvruchtige vereeniging zoo werkdadig maakt en zegenrijk; wat de kern er van uitmaakt is, de dagelijksche gods vruchtoefening der vereeniging. Als deze met ijver onderhouden wordt, dan is zij de zenuw, waarin de geheele kracht en beteekenis der vereeniging zit. Zij is de voortdurende aansporing tot vereering van het verheven voorwerp der vereeniging, en tevens de vernieuwing en oefening van den godsdienstigen geest, die alle medeleden moet bezielen.
De dagelijksche gebeden zullen dan ook heden het onderwerp onzer beschouwing in deze vergadering zijn. Opdat wij nu deze godsvruchtoefening ten allen tijd goed zouden beoefenen, zullen wij in het kort beschouwen:
I. De w ij ze van bidden dezer vereen i-ging;
II. De b ij z o n d e r e omstandigheden d a a r-v a n.
Jesus zegene ons, Maria bescherme ons, de Voedstervader van Jesus, Jozef, bidde voor ons.
I.
Ieder, die lid is van de vereeniging der H. Familie, weet, en ook hun, die geen lid zijn, zal het wel bekend zijn, dat in de regels der vereeniging, door den Pans
â 106 ~
goedgekeurd, ook eene dagelijksche godsvruchtoefening is voorgeschreven. De plaats desaangaande in den Pauselijken Brief luidt woordelijk aldus :
»Het beeld der H. Familie van Nazareth moet in ieder »huisgezin der leden aanwezig zijn, en de leden moeten «minstens ééns daags, zoo mogelijk des avonds voor hetzel-»ve bijeen komen om gezamenlijk te biddenquot;. Hiertoe wordt bijzonder aanbevolen het door den Paus goedgekeurde »dagelijksch gebedquot; en het veelvuldig gebruik der driebekende schietgebeden:
Jesus, Maria, Jozef! ik geef u mijn hart en mijne ziel.
Jesus, Maria, Jozef! staat mij bij in mijnen doodstrijd.
Jesus, Maria, Jozef! laat mijne ziel in vrede rusten.
Zooals uit deze woorden blijkt, heeft de Kerk in zake het dagelijksch gebed der vereeniging geene verplichting willen opleggen, opdat een grootere speelruimte aan ieders godsvrucht zou gelaten worden. Terwijl het formulier der opdracht verplichtend genoemd is, wordt van de godsvruchtoefening, die dagelijks moet verricht worden, slechts gezegd, dat de leden van het huisgezin dagelijks voor het beeld der H. Familie moeten bijeenkomen, om gezamenlijk te bidden. Het gebed, dat de Paus hiervoor bestemd heeft, is dan ook niet voorgeschreven, doch bijzonder aanbevolen. Men mag dus zeggen, dat aan het verlangen der Kerk ook door andere gebeden wordt voldaan b.v. door het bidden van het rozenhoedje of der Litanie van O. L. Vrouw van Loreto, of het Salve Regina, van het gebed tot den H. Jozef, dat in de maand October na den rozenkrans wordt gebeden. Ook het formulier der opdracht is tot dit doel zeer geschikt, daar het geheel overeenkomstig het verlangen der Kerk is, dat men dikwijls de opdracht vernieuwt en dewijl dit tevens eene zeer nuttige en heilzame oefening is. Het gebed echter, dat de H. Vader als dagelijksch gebed heeft aanbevolen en bij
â 107 â
de huisgezinnen algemeen gebruikt wordt, verdient de voorkeur boven andere, te meer, omdat het waardig is met aandacht te worden overwogen. Trachten wij dus ons te doordringen van den inhoud en den geest van dat gebed.
Gelijk het formulier der opdracht, zoo bestaat ook dit gebed uit drie deelen of aanroepingen: ieder der drie H. Personen roepen wij aan om bijstand in de gevaren, om hulp in den nood, om kracht en volharding in het goed. Doch gaan wij de woorden van het gebed na. Het eerste deel is gericht tot Jesus Christus, den Zoon Gods. »0 lief-»derijkste Jesus, die door uwe onuitsprekelijke deugden en »huiselijke voorbeelden de door U uitverkoren Familie op »aarde geheiligd hebt, zie goedgunstig neer op dit ons huis-»gezin, hetwelk, aan uwe voeten neergeknield, over zich »uwe erbarming afsmeekt. Gedenk, dat dit uw huisgezin is, »omdat het zich op eene bijzondere wijze aan U heeft toe-»gewijd en opgedragen. Bewaar hetzelve in uwe goedheid, »verlos het alle gevaren, ondersteun het in alle noodwen-»digheden, verleen aan hetzelve de kracht om steeds in de «navolging van uwe H. Familie te volharden, opdat het, «gedurende zijn sterfelijk leven in uwen dienst en liefde »getrouw blijvend, eenmaal in den hemel U voor eeuwig »moge lovenquot;. Wat kan de God-Mensch liever hebben en Hem meer aangenaam zijn, dan dat Zijne broeders, de men-schen, met eerbied Zijn verblijf op aarde indachtig zijn, die dagen, dat Hij zich gewaardigde onder ons te verblijven. En wat, vraag ik verder, kan Hem in de menschen meer behagen, dan dat zij zijne uitnoodiging om Hem na te volgen bereidwillig aannemen, en aan Hem gelijkvormig trachten te worden door de deugden der H. Familie na te volgen? Het gemeenschappelijk gebed om bescherming, zegen en hulp zal zeker zijne uitwerking niet missen.
De tweede bede is gericht tot de H. Moeder Gods:
â 108 â
»0 Maria, allerzoetste Moeder, wij smeeken mede uwen bij-»stand af; zeker als wij zijn, dat uwe goddelijke Eenig-»geboren Zoon uwe gebeden zal verhooren.quot; Het zijn weinige woorden, maar zij wijzen duidelijk op de macht en het aanzien van Maria, als Moeder Gods, gelijk ook op hare goedheid en goedertierenheid als Moeder der menschen. Hij die Maria's waardigheid kent en overweegt, hij heeft genoeg aan deze weinige woorden, om met het onwrikbaarste vertrouwen, vervuld te worden. Hoe zou ook de beste der Moeders haren invloed, welken zij bij het goddelijk Kind had in het Huisje van Nazareth, nu ook niet hebben in den hemel, en aanwenden ten gunste der huisgezinnen, die Haar zijn toegewijd.
Eindelijk het derde deel van het gebed is aan den H. Jozef, den Voedstervader van Christus gewijd. »Ookgij,al-»lerroemwaardigste Patriarch, H. Jozef, sta ons bij door »uwe machtige voorspraak, en leg onze wenschen ter ver-»dere aanbeveling aan Jesus Christus, in de handen van »Maria neerquot;. Wie zou het betwijfelen, dat Jesus en Maria de beden niet zouden aannemen van Hem, uit wiens handen zij op aarde eenmaal hun brood en onderhoud dankbaar aannamen? Uit deze korte verklaring ziet gij, dat het gebedsformulier, dat de Kerk voor alle dagen aanbiedt, wel kort en eenvoudig is in woorden, maar rijk en krachtig wat den inhoud aangaat. Geeft het al zekere kans op verhooring doordat het uit gehoorzaamheid aan de H. Kerk en door zoovele, ja tallooze huisgezinnen gemeenschappelijk gebeden wordt, die hoop vermeerdert nog door de krachtige en ook heil uitwerkende woorden van het gebed. Wie zou het dus niet gaarne bidden?
Gaan wij nu nog de bijzondere omstandigheden na, welke bij deze godsvruchtoefening der vereeniging zijn te onderhouden.
â 109 â
11.
De allereerste en noodzakelijkste hoedanigheid, die ieder gebed moet hebben, is, zooals ieder christen weet, de oplettendheid of de aandachtigheid. Het behoeft voorzeker geen betoog, dat deze ook aanwezig moet zijn bij de da-gelijksche oefening, waarover wij spreken. Moge hetgeen wij gezegd hebben over den geest en den inhoud van dit »dagelijksch gebedquot;, uitwerken, dat het steeds met aandacht geschiede, en nimmer tot een mondgebed verlaagd worde. Bijzondere omstandigheden moeten, volgens de regels, wel in acht genomen worden bij de dagelijksche gebeden, opdat de leden der vereeniging deelachtig worden aan de gunsten derzelve. De drie volgende punten gelden als dergelijke omstandigheden:
I. Het d a g e 1 ij k s c h gebed moet geregeld
alle dagen geschieden:
11. ge mee nsch appel ij k, d. i. zooveel m o g e-1 ij k moeten alle huisgenooten tegenwoordig z ij n; en dat wel III. voor de afbeelding der H. Familie.
1°. »De leden van het huisgezin moeten minstens een-»maal daags, zoo mogelijk des avonds, bijeenkomen, om »samen te biddenquot;. Volgens dit voorschrift moet dus geregeld alle dagen gebeden worden. Daardoor moet een tweevoudig doel bereikt worden: het welzijn van eiken persoon in 't bijzonder en van allen gelijkelijk. Hoe onbestendig is de mensch! Dikwijls begint hij goed, maar zijn ijver verflauwt weldra en zoo verliest hij alle verdiensten. Die onstandvastigheid is vooral een gebrek der menschen van onzen tijd. Deze godsdienstige vereeniging wil juist dat tegengaan. Daarom laat zij hare leden alle dagen zich oefenen. Zij legt niets moeielijks op; hetgeen zij wil eischt geen tijd; 't is
â 110 â
geen groot offer, waardoor Gods barmhartigheid gunstig voor ons moet gestemd worden: 't is eene korte en gemakkelijke godsvruchtoefening, welke zij voorschrijft. Maar deze moet geregeld geschieden, en daardoor moeten bestendig-digheid, standvastigheid, en trouw als aangeleerd worden. Tegelijk krijgt het gebed aldus eene eigenschap, welke het niet kan missen, wil hot iets uitwerken, n.1. dat het volhardend zij: men moet»altijd bidden en nooit ophoudenquot;. (Luc. XVIII, 1.) Hoe zeldzaam is dit bij den christen waar! »Het volhardend gebed van den rechtvaardige vermag veel »bij Godquot;, vermaant de Apostel Jacobus. (Jac. V, 16.) Hoe zelden vindt deze vermaning ingang bij de menschen. Welnu deze volharding in het gebed is het, welke de vereeni-ging wil bevorderen. Daarom wekte zij hare leden op, om dagelijks het groote hulpmiddel van het gebed te gebruiken.
Hoe spoedig zou hulp en redding voor de maatschappij dagen, als de huisgezinnen eenstemmig tot God bleven roepen! Hoe spoedig zou de Heer zijn oor vol medelijden tot ons neigen en zich haasten ons te helpen! De onstandvastigheid der menschen. Gel. dir., is het die mij zorg doet hebben omtrent het naleven van dit voorschrift der vereeni-ging. De ijver, die zoovele huisgezinnen van het begin af voor de goede zaak aan den dag hebben gelegd, verdient allen lof. Is die echter tot nu toe overal levendig gebleven ? En zal die dat in de toekomst blijven ? Men duide het mij niet ten kwade, als ik zoo met klem aandring, dat de godsvruchtoefening der vereeniging geregeld geschiede. Ieder, die lid is der vereeniging, make dus het voornemen, alle
krachten in te spannen, opdat het gebed geen enkelen dag
/
verzuimd worde. In ieder huisgezin moet de regel zijn, waarop geene uitzondering wordt geduld: gt;benedictus Dominus gt;die quotidiequot;: gt;gezegend zij dagelijks de Heerquot;.
2°. De kracht van het dagelijksch gebed der vereeni-
â Ill
ging wordt versterkt, doordat het gebed van ieder persoon met dat van alle huisgenooten vereenigd wordt; zoodat dus die dagelijksche godsvruchtoefening eigenlijk een gemeenschappelijk huis-gebed wordt. Christus, de Heer, zegt dat het gezamenlijk gebed Hem aangenaam is : »waar twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn, daar ben Ik in hun smidden.quot; (Matt. XVIII, 20.) Een meerstemmig gezang is altijd aangenamer dan een éénstemmig.
Zoudt gij niet denken. Gel. Chr., dat zoo ook het gebed van geheel een huisgezin, als een meerstemmig lied opstijgt tot het oor des Allerhoogsten ? En als dan de huisgezinnen zich tot een bond vereenigen, en allen eenstemmig en eensgezind bidden; zou dan Gods barmhartigheid zich van ons kunnen afwenden ? Zeer leerzaam en toepasselijk hierop is, hetgeen in het Boek Jonas te lezen staat. God had door den profeet Jonas aan de goddelooze stad Ninive haren ondergang laten aankondigen. Nog veertig dagen, en Ninive zal vergaan, luidde het vonnis des Heeren. Wat nu deden de Ninivieten ? »De bewoners van Ninive geloofden aan het woord van God, zij schreven een vaste uit en kleedden zich van de aanzienlijksten tot de geringsten in boetekleederen. Ook de koning hoorde dit woord: bijstond op van zijn troon, legde zijn koninglijk gewaad af, deed een boetekleed aan en bestrooide zijn hoofd met asch. In Ninive deed hij het volgend bevel afkondigen : menschen en dieren, runderen en schapen mogen niets nutten: zij mogen niet in de weide komen of water drinken ; menschen en dieren zullen boete doen en met geweld roepen tot den Heer. Dat elk terugkeere van den slechten weg en zich betere van de booze daden, die aan zijne handen kleven. Wie weet, of God niet vergeving schenkt, of Hij Zijn toorn niet afwendt, zoodat wij niet verdelgd worden. En welk was de uitwerking van dit algemeen bidden en smeeken ?
â 110 -
geen groot offer, waardoor Gods barmhartigheid gunstig voor ons moet gestemd worden: 't is eene korte en gemakkelijke godsvruchtoefening, welke zij voorschrijft. Maar deze moet geregeld geschieden, en daardoor moeten bestendig-digheid, standvastigheid, en trouw als aangeleerd worden. Tegelijk krijgt het gebed aldus eene eigenschap, welke het niet kan missen, wil het iets uitwerken, n.1. dat het volhardend zij: men moet »altijd bidden en nooit ophoudenquot;. (Luc. XVIII, 1.) Hoe zeldzaam is dit bij den christen waar! »Het volhardend gebed van den rechtvaardige vermag veel »bij Godquot;, vermaant de Apostel Jacobus. (Jac. V, 16.) Hoe zelden vindt deze vermaning ingang bij de menschen. quot;Welnu deze volharding in het gebed is het, welke de vereeni-ging wil bevorderen. Daarom wekte zij hare leden op, om dagelijks het groote hulpmiddel van het gebed te gebruiken.
Hoe spoedig zou hulp en redding voor de maatschappij dagen, als de huisgezinnen eenstemmig tot God bleven roepen! Hoe spoedig zou de Heer zijn oor vol medelijden tot ons neigen en zich haasten ons te helpen! De onstandvastigheid der menschen. Gel. Chr., is het die mij zorg doet hebben omtrent het naleven van dit voorschrift der vereeni-ging. De ijver, die zoovele huisgezinnen van het begin af voor de goede zaak aan den dag hebben gelegd, verdient allen lof. Is die echter tot nu toe overal levendig gebleven V En zal die dat in de toekomst blijven? Men duide het mij niet ten kwade, als ik zoo met klem aandring, dat de godsvruchtoefening der vereeniging geregeld geschiede. Ieder, die lid is der vereeniging, make dus het voornemen, alle krachten in te spannen, opdat het gebed geen enkelen dag verzuimd worde. In ieder huisgezin moet de regel zijn, waarop geene uitzondering wordt geduld: ^benedictus Dominus gt;die quotidiequot;: gt;gezegend zij dagelijks de Heerquot;.
2quot;. De kracht van het dagelijksch gebed der vereeni-
â Ill
ging wordt versterkt, doordat het gebed van ieder persoon met dat van alle huisgenooten vereenigd wordt; zoodat dns die dagelijksche godsvruchtoefening eigenlijk een gemeenschappelijk hnis-gebed wordt. Christus, de Heer, zegt dat het gezamenlijk gebed Hem aangenaam is : »waar twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn, daar ben Ik in hun : midden.quot; (Matt. XVIII, 20.) Een meerstemmig gezang is altijd aangenamer dan een éénstemmig.
Zoudt gij niet denken, Gel. Chr., dat zoo ook het gebed van geheel een huisgezin, als een meerstemmig lied opstijgt tot het oor des Allerhoogsten ? En als dan de huisgezinnen zich tot een bond vereenigen, en allen eenstemmig en eensgezind bidden; zou dan Gods barmhartigheid zich van ons kunnen afwenden ? Zeer leerzaam en toepasselijk hierop is, hetgeen in het Boek Jonas te lezen staat. God had door den profeet Jonas aan de goddelooze stad Ninive haren ondergang laten aankondigen. Nog veertig dagen, en Ninive zal vergaan, luidde het vonnis des Heeren. Wat nu deden de Ninivieten ? »De bewoners van Ninive geloofden aan het woord van God, zij schreven een vaste uit en kleedden zich van de aanzienlijksten tot de geringsten in boetekleederen. Ook de koning hoorde dit woord: bijstond op van zijn troon, legde zijn koninglijk gewaad af, deed een boetekleed aan en bestrooide zijn hoofd met asch. In Ninive deed hij het volgend bevel afkondigen : menschen en dieren, runderen en schapen mogen niets nntten: zij mogen niet in de weide komen of water drinken ; menschen en dieren zullen boete doen en met geweld roepen tot den Heer. Dat elk terugkeere van den slechten weg en zich betere van de booze daden, die aan zijne handen kleven. Wie weet, of God niet vergeving schenkt, of Hij Zijn toorn niet afwendt, zoodat wij niet verdelgd worden. En welk was de uitwerking van dit algemeen bidden en smeeken ?
â 112 â
God zag neer op hunne werken, dat zij zich bekeerden van hunne boosheden. En Hij ontfermde zich over hen en wendde de rampen af, waarmede Hij hen bedreigd had, en deed hun geen kwaad. (Jonas Hl.) De gemeenschappelijke boetedoening en het groot getal menschen, waren het welke de stad volgens Gods eeuwige raadsbesluiten genade deden vinden. gt;Hoe zou Ikquot; sprak God zelf tot Jonas, »mij niet erbarmen »over Ninive, de groote stad, waarin meer dan 120.000 »menschen zijn, die niet weten wat rechts of links is, (kin-»deren) en zoovele dierenquot;. (Jon. IV, 11.) Gelijkt de tegenwoordige wereld niet in vele opzichten op het goddelooze Ninive? Is de boosheid der wereld niet ten hemel gestegen, en roept zij niet om wraak ? Zijn niet genoeg teekenen, voorhanden, dat de maatschappij haren ondergang te ge-moet snelt ? Als nu echter de christen-gezinnen zich vereenigen, om samen hulp te roepen; wanneer algemeen boete wordt gepleegd en zoo machtige helpers worden aangeroepen als Jesus, Maria en Jozef; wie weet dan Gel. Chr., of Gods toorn niet bedaart en de rampen afwendt, welke over de wereld dreigen te komen? Gelijk eertijds te Ninive, zoo moeten nu ook allen opgeroepen worden, die tot heil der maatschappij iets kunnen bijbrengen: allen, van de kleinsten tot de grootsten moeten deelnemen aan deze groote zaak. Moge deze beschouwing velen, die nog geen lid der vereeniging zijn, aansporen, zich bij dit verdienstelijk werk aan te sluiten. Mogen zij, die reeds lid zijn, steeds ijverige en stipte leden blijven ; vooral moeten zij door steeds het dagelijksch gebed te verrichten zich vereenigen met alle huisgezinnen der wereld. Zoo wordt aan ieder afzonderlijk de gelegenheid gegeven, om veel voor het welzijn van het menschdom te doen.
3°. Noch een derde punt moeten wij behandelen, n.1. die godsvruchtoefening moet geschieden voor de beeltenis
- 114 -
der H. Familie van Nazareth. De mensch is een zinnelijk wezen, bestaande uit lichaam en ziel. Hoezeer heeft de mensch behoefte aan opwekking van buiten, om zicli tot God en tot heilige dingen te verheffen; en hoezeer behoeft hij dat in onzen tijd, die van God vervreemd en zoo arm is aan geloof.
Aan die behoefte komt de vereeniging te gemoet doordat zij hun, die bidden een liefelijk en leerzaam beeld voor houdt, dat de oogen trekt, maar de gedachten hooger doet vestigen op de H. Familie. Nazareth heeft aan de godsdienstige vereeniging het voorwerp harer vereering geschonken; vandaar ook haar naam. Nazareth moet God voor 021s barmhartig en genadig doen zijn. Nazareth moet dus ook het voorwerp onzer beschouwing zijn. Over de vervaardiging van de beeltenis is ir de regels niets voorgeschreven, als dat het eene voorstelling moet zijn van Jesus tijdens zijn leven met Maria en Jozef., en overigens in overeenstemming met de voorschriften over godsdienstige beelden.
Mogen overal waardige en stichtende beelden in de huizen worden geplaatst; mogen vooral die beelden van Jesus, Maria en Jozef spreken tot de harten der geloovigen en deze veranderd worden in heilige tempels van God. Terwijl de oogen des lichaams op het beeld van Jesus, Maria, Jozef gevestigd zijn, moet liet oog der ziel zich stichten aan de gebeden, het arbeiden, en de goede werken der H. Familie, aan het godvreezond leven, dat zij te Nazareth leidde ; en vandaar zal het oog der ziel doordringen tot, en zich verheffen ten hemel, waar nu Jesus met Maria en Jozef troont, en waar wij ook ons eeuwig hopen te verblijden. Niets voorzeker is meer geschikt, om eens met Jesus, Maria, Jozef en alle Heiligen te heerschen, als zich op aarde reeds gelijkvormig te maken aan die H. Personen en hunne verhevene voorbeelden steeds voor oogen te houden.
8
115 â
Het is zeker, Gel. Chr., dat de godvruchtige vereeniging der H. Familie uit haren aard bij machte is, veel goeds te doen. Hare kracht en werkdadigheid is vooral gelegen in de dagelijksche godsvruchtoefening. Daardoor kan de geest van gebed opgewekt en onderhouden worden. Grootere kracht heeft het gebed van afzonderlijke personen, als zij zich met de huisgenooten vereenigen. Het gebed bestrijdt de zinnelijkheid en onstandvastigheid van den mensch, die zooveel goeds beletten, en maakt het gemakkelijker zich tot God te verheffen. Onbeduidend en lichtelijk te volbrengen is hetgeen de vereeniging haren leden oplegt; maar dat geringe wordt van belang en van beteekenis, als het in een goeden geest wordt beoefend. Eendracht maakt machtquot;. Het vereenigd gebed, dat alle dagen uit duizenden en milli-oenen monden ten hemel stijgt, is in staat om Gods rechtvaardigheid te voldoen, het dreigend verderf af te wenden en het menschdom te redden. Wat voldoening ligt in deze gedachte voor ieder, die het goed met de maatschappij meent! Laten wij dus. Gel. Chr., altijd groot gewicht hechten aan het dagelijksch gebed. Het is inderdaad de kern en de zenuw der goede zaak. Benedictus Dominus die quotidie: de Heer worde dagelijks geprezen! Amen.
X.
fret bccI5 ^cr X). familie.
(^oor 2licb.)
Ciijns est imago haec et superscriptio? Wiens beeld en opschrift is dit?
Matt. XXII, 20.
oreto in Italië is zeker wel de meest bekende en drukst bezochte bedevaartplaats der wereld. Ieder katholiek weet, waarom deze plaats hem voor alle andere heilig en eerbiedwaardig moet zijn.
Loreto bezit een der kostbaarste gedachtenissen aan de Verlossing, het »Heilig Huisjequot;, de woonplaats, welke de H. Familie tijdens Haar leven op aarde bezat. Dit eerbiedwaardig gebouw, dat door zoovele verheven geheimen geheiligd is, heeft eene geschiedenis. Toen het H. Land in de handen der ongeloovigen was gevallen, werd het H. Huisje door de Engelen eerst naar Dalmatië, en later van daar â onder Paus Celestinus V. 1294 â naar Loreto in Italië overgebracht, waar het thans nog in de prachtige domkerk staat. Dat dit werkelijk het huisje van Nazareth is, waarin voor bijna 2000 jaren het Woord is Vleesch geworden, is zeker, niet alleen op het getuigenis en de navorschingen van aanzienlijke geleerden, maar ook doordat verscheidene Pausen het als dusdanig erkend hebben. Voortdurend wordt
115 â
Het is zeker, Gel. dir., dat de godvruchtige vereeniging der H. Familie uit haren aard bij machte is, veel goeds te doen. Hare kracht en werkdadigheid is vooral gelegen in de dagelijksche godsvruchtoefening. Daardoor kan de geest van gebed opgewekt en onderhouden worden. Grootere kracht heeft het gebed van afzonderlijke personen, als zij zich met de huisgenooten vereenigen. Het gebed bestrijdt de zinnelijkheid en onstandvastigheid van den mensch, die zooveel goeds beletten, en maakt het gemakkelijker zich tot God te verheffen. Onbeduidend en lichtelijk te volbrengen is hetgeen de vereeniging haren leden oplegt; maar dat geringe wordt van belang en van beteekenis, als het in een goeden geest wordt beoefend. »Eendracht maakt machtquot;. Het vereenigd gebed, dat alle dagen uit duizenden en milli-oenen monden ten hemel stijgt, is in staat om Gods rechtvaardigheid te voldoen, het dreigend verderf af te wenden en het menschdom te redden. Wat voldoening ligt in deze gedachte voor ieder, die het goed met de maatschappij meent! Laten wij dus. Gel. Chr., altijd groot gewicht hechten aan het dagelijksch gebed. Het is inderdaad de kern en de zenuw der goede zaak. Benedictus Dominus die quotidie: de Heer worde dagelijks geprezen! Amen.
X.
i7ct bcd£gt; ^cr X}- familie.
(tgt;oor 2licb.)
Cvjus est imago haec et, superscriptio? Wiens heehl en opschrift is dit?
Matt. XXII, 20.
oreto in Italië is zeker wel de meest bekende en drukst bezochte bedevaartplaats der wereld. Ieder katholiek weet, waarom deze plaats hem andere heilig en eerbiedwaardig moet zijn.
Loreto bezit een der kostbaarste gedachtenissen aan de Verlossing, het -Heilig Huisjequot;, de woonplaats, welke de H. Familie tijdens Haar leven op aarde bezat. Dit eerbiedwaardig gebouw, dat door zoovele verheven geheimen geheiligd is, heeft eene geschiedenis. Toen het H. Land in de handen der ongeloovigen was gevallen, werd het H. Huisje door de Engelen eerst naar Dalmatië, en later van daar â onder Paus Celestinus V. 1294 â naar Loreto in Italië overgebracht, waar het thans nog in de prachtige domkerk staat. Dat dit werkelijk het huisje van Nazareth is, waarin voor bijna 2000 jaren het Woord is Vleesch geworden, is zeker, niet alleen op het getuigenis en' de navorschingen van aanzienlijke geleerden, maar ook doordat verscheidene Pausen het als dusdanig erkend hebben. Voortdurend wordt
115 â
Het is zeker, Gel. dir., dat de godvruchtige vereeniging der H. Familie uit haren aard bij machte is, veel goeds te doen. Hare kracht en werkdadigheid is vooral gelegen in de dagelijksche godsvruchtoefening. Daardoor kan de geest van gebed opgewekt en onderhouden worden. Grootere kracht heeft het gebed van afzonderlijke personen, als zij zich met de huisgenooten vereenigen. Het gebed bestrijdt de zinnelijkheid en onstandvastigheid van den mensch, die zooveel goeds beletten, en maakt het gemakkelijker zich tot God te verheffen. Onbeduidend en lichtelijk te volbrengen is hetgeen de vereeniging haren leden oplegt; maar dat geringe wordt van belang en van beteekenis, als het in een goeden geest wordt beoefend. Eendracht maakt machtquot;. Het vereenigd gebed, dat alle dagen uit duizenden en milli-oenen monden ten hemel stijgt, is in staat om Gods rechtvaardigheid te voldoen, het dreigend verderf af te wenden en het menschdom te redden. Wat voldoening ligt in deze gedachte voor ieder, die het goed met de maatschappij meent! Laten wij dus. Gel. dir., altijd groot gewicht hechten aan het dagelijksch gebed. Het is inderdaad de kern en de zenuw der goede zaak. Benedictus Dominus die quotidie: de Heer worde dagelijks geprezen! Amen.
i
X.
Bet bccl^ £gt;cr f). familie.
{boov 2licb.)
Cv jus est imago liaee et superscriptio? Wiens beeld en opschrift is dit ?
Matt. XXII, 20.
oreto in Italië is zeker wel de meest bekende en drukst bezochte bedevaartplaats der wereld. Ieder katholiek weet, waarom deze plaats hem andere heilig en eerbiedwaardig moet zijn.
Loreto bezit een der kostbaarste gedachtenissen aan de Verlossing, het Heilig Huisjequot;, de woonplaats, welke de H. Familie tijdens Haar leven op aarde bezat. Dit eerbiedwaardig gebouw, dat door zoovele verheven geheimen geheiligd is, heeft eene geschiedenis. Toen het H. Land in de handen der ongeloovigen was gevallen, werd het H. Huisje door de Engelen eerst naar Dalmatië, en later van daar -â- onder Paus Celestinus V. 1294 â naar Loreto in Italië overgebracht, waar het thans nog in de prachtige domkerk staat. Dat dit werkelijk het huisje van Nazareth is, waarin voor bijna 2000 jaren het Woord is Vleesch geworden, is zeker, niet alleen op het getuigenis en' de navorschingen van aanzienlijke geleerden, maar ook doordat verscheidene Pausen het als dusdanig erkend hebben. Voortdurend wordt
â 117 -
dit nog bevestigd door de algemeene vereering in de ge-heele Kerk en door de vele wonderen, welke daar plaats grijpen.
Dagelijks verplaatst de vereeniging der H. Familie hare leden naar deze heilige, eerbiedwaardige stad, als zij hen do voorgeschrevene godsvruchtoefening voor eene afbeelding der H. Familie laat verrichten. De reden en de bedoeling van dit voorschrift zijn duidelijk. Beelden stemmen tot overweging en nadenken. De christelijke huisgezinnen moeten de beeltenis van Jesus, Maria en Jozef steeds voor oogen hebben en van deze H. Personen leeren. »quot;Wiens beeld »en opschrift is dit?quot; Dat moeten de huisgezinnen dikwijls vragen, en die vraag moet hun aanleiding geven, om zich zelve met dat volmaakt voorbeeld van heiligheid te vergelijken; want het beeld der H. Familie van Nazareth moet aan de christelijke huisgezinnen tot spiegel dienen, waarin zij zich bezien en waardoor zij aangespoord worden, om de H. Familie van Nazareth na te streven. Daartoe beveel ik u aan, een tweevoudigen blik bij het dagelijksch gebed op de II. Familie te werpen :
I. Een blik van bewondering op het H. H u i s g e z i n.
II. Een onderzoekenden blik op het eigen huisgezin.
Een huisgezin, dat deze twee oogslagen op de H. Familie niet verzuimt, zal uit de godsvruchtoefening rijken zegen trekken. Deze tweevoudige oogslag, gelijk hij ons door de regels der vereeniging wordt voorgehouden, zal het onderwerp dezer overweging zijn.
Moge de H. Familie van Nazareth, nu ten hemel verheven, met welgevallen op ons nederzien en onze overweging zegenen.
- 118 â
I.
»Wiens beeld en opschrift is ditquot; ? Gij weet, Gel. Chr., welk beeld ik bedoel. Dat n.L, waarbij alle huisgezinnen die lid zijn der vereeniging, alle dagen bijeenkomen en waarvoor zij hun gebed storten, het beeld der H. Familie, of liever â wijl een huis naar de bewoners genoemd wordt â het beeld van die drie Personen, wier heiligheid niet alleen het huisje van Nazareth tot een heilig huis, maar geheel Palestina tot een heilig land gemaakt heeft. Om de herinnering aan de overbrenging van het H. Huisje naar Loreto levendig te houden, viert de H. Kerk daarvan alle jaren een feest (10 Dec.) Bij dit feest maakt de Kerk eene vergelijking tusschen den tempel van het Oud-Verbond en het woonhuis van Jesus, Maria en Jozef. In den tempel op Sion heerschte ontzettende rijkdom en onbeschrijfelijke pracht, hier, in het Huisje van Nazareth, eenvoud, ja armoede. En toch, waaraan denkt gij, dat de Kerk, door den Geest Gods bestuurd, den voorrang toekent ? Volgens Haar verdwijnt alle luister van den tempel bij de geheimvolle heerlijkheid van dit Huisje. Toon Salomon den nieuw-gebouwden tempel, die schitterde van goud, inwijdde, bad hij : »Zoo mogen wij dan gelooven, dat God waarachtig op »aarde woont. Als de hemel, en de hemel der hemelen U ;niet kunnen bevatten, hoeveel te minder zal dan dit huis »zulks kunnen, dat ik voor u gebouwd heb.quot; (III Kon. VIII.) Als koning Salomon alreeds van heilige vreeze doordrongen, en onder den indruk was van de majesteit des tempels omdat hij de heerlijkheid Gods in een lichtende wolk boven de Ark des Verbonds had aanschouwd ; wat moet dan de christen gevoelen en wat moet hij uitroepen opzichtens het H. Huisje, waarin de volheid der Godheid woont. Is het te gelooven? quot;Wij hebben geene reden tot twijfelen. Gel. Chr.,
â 119 â
want het Evangelie zegt het ons duidelijk : »Verbum caro »factum est, et habitavit in nobisquot; : het eeuwig Woord heeft zich in menschengedaante gehuld en de God-Mensch, de Verlosser heeft binnen de muren van dat Huisje Zijne verblijfplaats op aarde gevestigd. »Ecce tabernaculum Dei »cum hominibus, et habitabit cum eis.quot; Zietdaar de woning »van God onder de menschen; hier zal Hij onder hen wo-»nen.quot; (Openb. XXI, 3.) Hij, die op aarde kwam, om alle menschen naar de woningen in het huis Zijns Vaders terug te brengen, gewaardigt zich eene armzalige woning, door menschenhanden gemaakt te betreden. Daar woont wel inderdaad de volheid der Godiieid. Want wie anders is dit als de eeuwige, drieëenige, alomtegenwoordige, alwetende en almachtige God ? Is Hij het niet, die hemel en aarde geschapen heeft, en Dien de Engelen aanbidden ?
Als de aarstvader Jacob op zijne reis naar Haran eene ladder aanschouwde, welke van de aarde tot den hemel reikte, riep hij vol heilige aandoening uit: «waarlijk, de »Heer is op deze plaats, en ik wist het niet. Hier is niets «anders als het huis van God en de poort des hemels.quot; Dan stond hij op, nam den steen, waarop hij gerust had, richtte dien tot een gedenkteeken op en goot er olie over De plaats zelve noemde hij: Bethel d. i. -huis Godsquot;. (Schepp. XXVHI, 16.) Is daar te Nazareth niet een Bethel: . »een huis Godsquot; in een veel verhevener en volkomener be-teekenis? Wat zijn alle heilige plaatsen, wat alle paleizen bij deze waarachtige woonstede des Allerhoogsten. Als gij dat ernstig overdenkt, Gel. dir., met welk ontzag en vertrouwen moet gij dan zien op de afbeelding van het H. Huisje !
Nadat wij aldus Jesus, den goddelijken bewoner beschouwd hebben, wenden wij nu ook onze blikken naar de twee andere H. Personen in het Huisje van Nazareth. Zij ook zijne onze achting en vereering overwaardig. De tempel
120 â
van het Oud-Verbond bestond uit drie afdeelingen: het heilig der heiligen; het heiligdom en den voorhof. In het heilig der heiligen was Gods majesteit in eene lichtkolom boven de ark des verbonds te zien, en hier mocht alleen de hoogepriester slechts éénmaal 's jaars binnentreden. Naast het heilig der heiligen, dicht daaraan grenzend was het heiligdom, waarin de priesters hunne gewone diensten verrichtten. Hierom heen bevond zich de voorhof. Dat was als de beschutting van het heiligdom en het heilige der heiligen, en daar kwam het volk bijeen. In het H. Huisje vinden w ij ook eene dergelijke, maar eene verhevener en geestelijke verdeeling in drie deelen. Het heilige der heiligen in dezen verheven tempel Gods is de Emmanuel: :gt;God met onsquot;, die ook in de gedaante van een slaaf toch de Eeuwige is, die woont in het onvergankelijk licht. Als een genadenvol heiligdom is dicht bij Hem geplaatst Maria, die Jesus in Haren zuiveren schoot heeft gedragen. En naast beiden, van Jesus wel eenigzins verwijderd, maar toch dicht genoeg om in zijn glans te deelen, verschijnt de H. Jozef, Jesus' Pleegen Voedstervader, de Beschermer en Bruidegom der allerheiligste Maagd Maria. Wilt gij nu, om hulp verlegen, dit drievoudig heiligdom binnentreden, ga dan tot den genaden-rijken voorhof; dat wil zeggen: »gaat tot Jozefquot;. Door zijne bemiddeling zult gij genade vinden bij Maria, en door Haar tot het geheimnisvolle heiligdom des Heeren, tot het heilig der heiligen: Vere locus iste sanctus estquot; mogen wij hier wel uitroepen: »waarlijk, deze plaats is heiligquot;. Ziet er dikwijls naar op met eerbied en vertrouwen; zulke blik brengt genade en zegen. Deze zegen bestaat voornamelijk daarin, dat het eigen huisgezin gelijkvormig wordt aan dat der H. Familie. Daartoe wekke de tweede blik op:
11.
»Wiens beeld en opschrift is ditquot;? moet ik nog eens vragen, daar ik u den blik op uw eigen huisgezin wil doen vestigen. Wiens beeld en opschrift is dit? Wat toont uw huisgezin te zijn en welke beteekenis heeft het? Ik weet wel, dat onder de huisgezinen dor menschen geen enkel is, dat een zuivere weerspiegeling is van het H. Huisgezin, en dat er zulk een nauwelijks zijn kan. Ik zal n met deze vraag maar niet ontmoedigen, doch, zeer goed de menschelijke zwakheid kennende, slechts zeggen: Het is de vurige wensch der H. Kerk, dat alle christelijke huisgezinnen naar bestvermogen trachten zich gelijkvormig te maken aan de H. Familie van Nazareth. Daarmede is aan ieder huisgezin eene groote en zegenrijke taak aangewezen, die niet moeielijk te volbrengen is. Ieder christelijk huisgezin moet een afbeelding zijn van de H. Familie, waaruit de zonde gebannen, en waar de deugd thuis is.
Het H. Huisje van Nazareth is de waarachtige woning-van Jesus Christus, den Zoon Gods. God echter duldt bij zich de zonde niet. De Psalmist getuigt van Hem, dat Hij »de gerechtigheid bemint en de ongerechtigheid haatquot;. (Ps. XLIV, 8.) Licht en duisternis, hemel en hel zouden elkander gemakkelijker verdragen dan God en de zonde. Daarom heeft Hij zoo heilige Personen tot zijne huisgenooten verkozen; eene geheel onbevlekte, smettelooze Moeder en een heiligen, boven anderen rechtvaardigen Voedstervader. Indien uw huis den naam van heilig wil hebben, dan moet daaruit boven alles de zonde verbannen zijn. Daarmede is dus aan alle bewoners van een christelijk huisgezin de plicht opgelegd, tegen de zonde te strijden. Wat zonde is moet onverbiddelijk van het huis en deszelfs bewoners geweerd worden: dat moet nimmer en onder geen voorwendsel er in geduld
worden. Heerscht misschien in het huis eenige zonde, dan moet zij er onverbiddelijk uit geweerd worden. Christelijke huisgenooten, vaders en moeders; 't is hier de plaats, om een ernstig woord te spreken. Gij herinnert u zeker, dat de Heer de onteerders van den tempel, de koopers en ver-koopers uitjoeg met de woorden: mijn huis is een huis des »gebeds, gij echter hebt er een róovershol van gemaaktquot;. Zijn soms uwe huizen geen rooversholen, waar zonde en ondeugd heerschen? Zij gij wel zeker, dat âom van u zeiven te zwijgen -- geene misdaden door uwe kinderen en ondergeschikten bedreven worden? Kunt gij voor God en uw geweten getuigen, dat gij doet wat gij kunt, om de zonde buiten uw huis te houden, of ze er uit te verdrijven? Als gij al eens fouten ziet of verschoonend te werk gaat jegens hen, die ze bedrijven, zijt toch nooit zorgeloos omtrent de zonden. Doet zij zich voor onder het schoonste kleed, tracht zij onder de onschuldigste voorwendsels binnen te sluipen; treed als hoofd van het huisgezin krachtig op. Geen erger kwaad in het huisgezin dan de zonde. Wijst haar de deur, opdat zij het huis niet onteere en de harten der bewoners bederve.
Ziet op naar het beeld der H. Familie. Tot dien heiligen Kring heeft de zonde geen oogenblik toegang: en zoo moet het ook met uw huis gaan. Het behoeft daarom nog niet zondeloos te zijn; genoeg dat het eene woonplaats der deugd zij.
De Zoon Gods heeft zich geen grootsch gebouw, geen koninglijk of keizerlijk paleis gekozen gedurende zijn verblijf op aarde, doch het onaanzienlijk huisje van Jozef den timmerman en van diens vrouw, de H. Maagd Maria. Hij schat een huis niet naar de grootte en de pracht van het gebouw, maar naar de deugdzaamheid der bewoners. Daar deze maatstaf bij God geldig is, heeft Hij zelf voorzeker eene beste keuze gedaan. Als er toch op aarde een huis kon zijn.
- 121 â
11.
»Wiens beeld en opschrift is ditquot;? moet ik nog eens vragen, daar ik u den blik op uw eigen huisgezin wil doen vestigen. Wiens beeld en opschrift is dit? Wat toont uw huisgezin te zijn en welke beteekenis heeft het? Ik weet wel, dat onder de huisgezinen der menschen geen enkel is, dat een zuivere weerspiegeling is van het H. Huisgezin, en dat er zulk een nauwelijks zijn kan. Ik zal u met deze vraag maar niet ontmoedigen, doch, zeer goed de menschelijke zwakheid kennende, slechts zeggen: Het is de vurige wensch der H. Kerk, dat alle christelijke huisgezinnen naar bestvermogen trachten zich gelijkvormig te maken aan de H. Familie van Nazareth. Daarmede is aan ieder huisgezin eene groote en zegenrijke taak aangewezen, die niet moeielijk te volbrengen is. Ieder christelijk huisgezin moet een afbeelding zijn van de H. Familie, waaruit de zonde gebannen, en waar de deugd thuis is.
Het H. Huisje van Nazareth is de waarachtige woning van Jesus Christus, den Zoon Gods. God echter duldt bij zich de zonde niet. De Psalmist getuigt van Hem, dat Hij »de gerechtigheid bemint en de ongerechtigheid haatquot;. (Ps. XLIV, 8.) Licht en duisternis, hemel en hel zouden elkander gemakkelijker verdragen dan God en de zonde. Daarom heeft Hij zoo heilige Personen tot zijne huisgenooten verkozen: eene geheel onbevlekte, smettelooze Moeder en een heiligen, boven anderen rechtvaardigen Voedstervader. Indien uw huis den naam van heilig wil hebben, dan moet daaruit boven alles de zonde verbannen zijn. Daarmede is dus aan alle bewoners van een christelijk huisgezin de plicht opgelegd, tegen de zonde te strijden. Wat zonde is moet onverbiddelijk van het huis en deszelfs bewoners geweerd worden: dat moet nimmer en onder geen voorwendsel er in geduld
â 122 â
worden. Heerscht misschien in het huis eenige zonde, dan moet zij er onverbiddelijk uit geweerd worden. Christelijke huisgenooten, vaders en moeders; 't is hier de plaats, om een ernstig woord te spreken. Gij herinnert u zeker, dat de Heer de onteerders van den tempel, de koopers en ver-koopers uitjoeg met de woorden: mijn huis is een huis des »gebeds, gij echter hebt er een roovershol van gemaaktquot;. Zijn soms uwe huizen geen rooversholen, waar zonde en ondeugd heerschen? Zij gij wel zeker, dat âom van u zeiven te zwijgen -- geene misdaden door uwe kinderen en ondergeschikten bedreven worden? Kunt gij voor God en uw geweten getuigen, dat gij doet wat gij kunt, om de zonde buiten uw huis te houden, of ze er uit te verdrijven? Als gij al eens fouten ziet of verschoonend te werk gaat jegens hen, die ze bedrijven, zijt toch nooit zorgeloos omtrent de zonden. Doet zij zich voor onder het schoonste kleed, tracht zij onder de onschuldigste voorwendsels binnen te sluipen; treed als hoofd van het huisgezin krachtig op. Geen erger kwaad in het huisgezin dan de zonde. Wijst haar de deur, opdat zij het huis niet onteere en de harten der bewoners bederve.
Ziet op naar het beeld der H. Familie. Tot dien heiligen Kring heeft de zonde geen oogenblik toegang: en zoo moet het ook met uw huis gaan. Het behoeft daarom nog niet zondeloos te zijn; genoeg dat het eene woonplaats der deugd zij.
De Zoon Gods heeft zich geen grootsch gebouw, geen koninglijk of keizerlijk paleis gekozen gedurende zijn verblijf op aarde, doch het onaanzienlijk huisje van Jozef den timmerman en van diens vrouw, de H. Maagd Maria. Hij schat een huis niet naar de grootte en de pracht van het gebouw, maar naar de deugdzaamheid der bewoners. Daar deze maatstaf bij God geldig is, heeft Hij zelf voorzeker eene beste keuze gedaan. Als er toch op aarde een huis kon zijn,
â 123
hetwelk waardig was, dat het eeuwig, goddelijk Woord er binnen trad, dan was het wel het huisje van Nazareth; want het was eene kweekschool van volmaakte deugd en heiligheid. Op de afbeelding van die Familie, die in dat Huisje woonde, en waarop Gods oog zoo dikwijls met welbehagen ruste, moet gij ook den blik met bewondering en verlangen vestigen. Vol bewondering, zeg ik; want zoo volmaakte deugd, als daar beoefend werd, heeft de wereld noch vroeger, noch later aanschouwd; vol verlangen; want ook in u moet heiligen ijver ontstoken worden, om de verhevene toonbeelden na te volgen. Het zijn geene groote daden, althans niet zooals de wereld dat begrijpt, die wij daar in dat huisje aanschouwen; integendeel: zeer gewoon, ja gering werk, en toch in de oogen van God groote daden. Leert hieruit, dat het er bij God niet op aankomt wat men doet, maar op de meening, waarmede men het doet. Verplaatsen wij ons eenige oogenblikken in den heiligen huise-lijken kring te Nazareth, 't Is juist tijd voor het gebed: Jesus Maria en Jozef verrichten dat gezamenlijk. O hoe godvruchtig, bovennatuurlijk, hemelseh! Onweersprekelijk, dat daar in huis godsvrucht en vroomheid heerscht. Hoe is het daarmee in uw huisgezin? Zijt gij misschien iemand, die niet veel hecht aan godsvrucht en vroomheid, die misschien dikwijls de schuld zijt, dat niet gebeden wordt, die steeds een voorwendsel zoekt, om niet mee te bidden? Beschouw de H. Familie aan het werk. 't Is harden arbeid, welke zij verrichten en bovendien duldt hunne armoede geene lange rust.
Men bespeurt echter niets van ongeduld of ontevredenheid. Men kan het hun aanzien, dat zij zoo naarstig zijn, omdat zij door hun werk en moeite God willen eeren. Maakt nu eens in het binnenste uws harten eene vergelijking tusschen dezen arbeid en dien, welken gij en uwe
â 124
huisgenooten verricht. Waar is uw geduld en goede meening bij het werk? â Beschouwen we nu ook het eten en drinken der H. Familie. Hunne armoede laat niet toe, dat de tafel rijk voorzien is. En toch wat tevredenheid en dankbaarheid jegens God! Bij u, christenen, zal do tafel niet zoo schraal zijn, en toch zijt gij niet tevreden. Gij hebt het beter dan de H. Familie, en misschien hebt gij geen woord van dank aan God over. Is dat »gelijk het behoort?quot; Luisteren wij eens naar de gesprekken, welke Jesus, Maria en Jozef voeren. Onder deze H. Personen wordt weinig gesproken, maar ieder woord stort een liefdegloed uit het hart des eenen in dat des anderen over. Wat goddelijk, wat heilig verkeer! In menig huis van christenen zijn de gesprekken dikwijls heel anders. Daar wordt nooit over godvruchtige of godsdienstige zaken gesproken; geen lid van het gezin durft ooit een godsdienstig gesprek beginnen uit vreeze van uitgelachen te worden. Daarentegen krijgt men nogal eens zaken te hooren, waarvan de Apostel zegt, dat zij niet genoemd mogen worden. O christelijke huisgezinnen, doet zooals de regels der vereeniging u voorschrijven en richt dikwijls dagelijks uwe blikken op de afbeelding der H. Familie en neemt les van haar. Uwe huizen moeten ook afbeeldingen van dat H. Huisje en woonsteden der deugd worden. Leert van Haar godsvrucht en vroomheid, werkzaamheid en boetvaardigheid, tevredenheid, godsdienstzin en omgang des harten met God. Wanneer gij u aan dit alles hebt gewoon gemaakt, dan zult gij dikwijler met een vreugdevol hart tot de heilige beelden opzien, en dan durf ik u de verzekering geven, dat Jesus, Maria en Jozef ook met welgevallen op u zullen nederzien.
»Wiens beeld en opschrift is ditquot; ? van beide beelden waarop u heden gewezen werd. Bij het eerste beeld kon ik
â 123
hetwelk waardig was, dat het eeuwig, goddelijk Woord er binnen trad, dan was het wel het huisje van Nazareth; want het was eene kweekschool van volmaakte deugd en heiligheid. Op de afbeelding van die Familie, die in dat Huisje woonde, en waarop Gods oog zoo dikwijls met welbehagen ruste, moet gij ook den blik met bewondering en verlangen vestigen. Vol bewondering, zeg ik; want zoo volmaakte deugd, als daar beoefend werd, heeft de wereld noch vroeger, noch later aanschouwd; vol verlangen; want ook in u moet heiligen ijver ontstoken worden, om de verhevene toonbeelden na te volgen. Het zijn geene groote daden, althans niet zooals de wereld dat begrijpt, die wij daar in dat huisje aanschouwen ; integendeel: zeer gewoon, ja gering werk, en toch in de oogen van God groote daden. Leert hieruit, dat het er bij God niet op aankomt wat men doet, maar op de meening, waarmede men het doet. Verplaatsen wij ons eenige oogenblikken in den heiligen huise-lijken kring te Nazareth, 't Is juist tijd voor het gebed: Jesus Maria en Jozef verrichten dat gezamenlijk. O hoe godvruchtig, bovennatuurlijk, hemelsch! Onweersprekelijk, dat daar in huis godsvrucht en vroomheid heerscht. Hoe is het daarmee in uw huisgezin? Zijt gij misschien iemand, die niet veel hecht aan godsvrucht en vroomheid, die misschien dikwijls de schuld zijt, dat niet gebeden wordt, die steeds een voorwendsel zoekt, om niet mee te bidden? Beschouw de H. Familie aan het werk. 't Is harden arbeid, welke zij verrichten en bovendien duldt hunne armoede geene lange rust.
Men bespeurt echter niets van ongeduld of ontevredenheid. Men kan het hun aanzien, dat zij zoo naarstig zijn, omdat zij door hun werk en moeite God willen eeren. Maakt nu eens in het binnenste uws harten eene vergelijking tusschen dezen arbeid en dien, welken gij en uwe
â 124 -
huisgenooten verricht. Waar is uw geduld en goede meening bij het werk? â Beschouwen we nu ook het eten en drinken der H. Familie. Hunne armoede laat niet toe, dat de tafel rijk voorzien is. En toch wat tevredenheid en dankbaarheid jegens God! Bij u, christenen, zal de tafel niet zoo schraal zijn, en toch zijt gij niet tevreden. Gij hebt het beter dan de H. Familie, en misschien hebt gij geen woord van dank aan God over. Is dat »golijk het behoort?quot; Luisteren wij eens naar de gesprekken, welke Jesus, Maria en Jozef voeren. Onder deze H. Personen wordt weinig gesproken, maar ieder woord stort een liefdegloed uit het hart des eenen in dat des anderen over. Wat goddelijk, wat heilig verkeer! In menig huis van christenen zijn de gesprekken dikwijls heel anders. Daar wordt nooit over godvruchtige of godsdienstige zaken gesproken; geen lid van het gezin durft ooit een godsdienstig gesprek beginnen uit vreeze van uitgelachen te worden. Daarentegen krijgt men nogal eens zaken te hooren, waarvan de Apostel zegt, dat zij niet genoemd mogen worden. O christelijke huisgezinnen, doet zooals de regels der vereeniging u voorschrijven en richt dikwijls dagelijks uwe blikken op de afbeelding der H. Familie en neemt les van haar. U we huizen moeten ook afbeeldingen van dat H. Huisje en woonsteden der deugd worden. Leert van Haar godsvrucht en vroomheid, werkzaamheid en boetvaardigheid, tevredenheid, godsdienstzin en omgang des harten met God. Wanneer gij u aan dit alles hebt gewoon gemaakt, dan zult gij dik wijier met een vreugdevol hart tot de heilige beelden opzien, en dan durf ik u de verzekering geven, dat Jesus, Maria en Jozef ook met welgevallen op n zullen nederzien.
»Wiens beeld en opschrift is ditquot; ? van beide beelden waarop u heden gewezen werd. Bij het eerste beeld kon ik
â 123
hetwelk waardig was, dat het eeuwig, goddelijk Woord er binnen trad, dan was het wel het huisje van Nazareth; want het was eene kweekschool van volmaakte deugd en heiligheid. Op de afbeelding van die Familie, die in dat Huisje woonde, en waarop Gods oog zoo dikwijls met welbehagen ruste, moet gij ook den blik met bewondering en verlangen vestigen. Vol bewondering, zeg ik; want zoo volmaakte deugd, als daar beoefend werd, heeft de wereld noch vroeger, noch later aanschouwd; vol verlangen; want ook in ii moet heiligen ijver ontstoken worden, om de verhevene toonbeelden na te volgen. Het zijn geene groote daden, althans niet zooals de wereld dat begrijpt, die wij daar in dat huisje aanschouwen ; integendeel: zeer gewoon, ja gering werk, en toch in de oogen van God groote daden. Leert hieruit, dat het er bij God niet op aankomt wat men doet, maar op de meening, waarmede men hot doet. Verplaatsen wij ons eenige oogenblikken in den heiligen huise-lijken kring te Nazareth, 't Is juist tijd voor het gebed: Jesus Maria en Jozef verrichten dat gezamenlijk. O hoe godvruchtig, bovennatuurlijk, hemelsch! Onweersprekelijk, dat daar in huis godsvrucht en vroomheid heerscht. Hoe is het daarmee in uw huisgezin? Zijt gij misschien iemand, die niet veel hecht aan godsvrucht en vroomheid, die misschien dikwijls de schuld zijt, dat niet gebeden wordt, die steeds een voorwendsel zoekt, om niet mee te bidden? Beschouw de H. Familie aan het werk. 't Is harden arbeid, welke zij verrichten en bovendien duldt hunne armoede geene lange rust.
Men bespeurt echter niets van ongeduld of ontevredenheid. Men kan het hun aanzien, dat zij zoo naarstig zijn, omdat zij door hun werk en moeite God willen eeren. Maakt nu eens in het binnenste uws harten eene vergelijking tusschen dezen arbeid en dien, welken gij en uwe
â 124
huisgenooten verricht. Waar is uw geduld en goede meening bij het werk? â Beschouwen we nu ook het eten en drinken der H. Familie. Hunne armoede laat niet toe, dat de tafel rijk voorzien is. En toch wat tevredenheid en dankbaarheid jegens God! Bij u, christenen, zal de tafel niet zoo schraal zijn, en toch zijt gij niet tevreden. Gij hebt het beter dan de H. Familie, en misschien hebt gij geen woord van dank aan God over. Is dat «gelijk het behoort?quot; Luisteren wij eens naar de gesprekken, welke Jesus, Maria en Jozef voeren. Onder deze H. Personen wordt weinig gesproken, maar ieder woord stort een liefdegloed uit het hart des eenen in dat des anderen over. Wat goddelijk, wat heilig verkeer! In menig huis van christenen zijn de gesprekken dikwijls heel anders. Daar wordt nooit over godvruchtige of godsdienstige zaken gesproken; geen lid van het gezin durft ooit een godsdienstig gesprek beginnen uit vreeze van uitgelachen te worden. Daarentegen krijgt men nog al eens zaken te hooren, waarvan de Apostel zegt, dat zij niet genoemd mogen worden. O christelijke huisgezinnen, doet zooals de regels der vereeniging u voorschrijven en richt dikwijls dagelijks uwe blikken op de afbeelding der H. Familie en neemt les van haar. ü we huizen moeten ook afbeeldingen van dat H. Huisje en woonsteden der deugd worden. Leert van Haar godsvrucht en vroomheid, werkzaamheid en boetvaardigheid, tevredenheid, godsdienstzin en omgang des harten met God. Wanneer gij u aan dit alles hebt gewoon gemaakt, dan zult gij dikwijler met een vreugdevol hart tot de heilige beelden opzien, en dan durf ik u de verzekering geven, dat Jesus, Maria en Jozef ook met welgevallen op u zullen nederzien.
»Wiens beeld en opschrift is ditquot; ? van beide beelden waarop u heden gewezen werd. Bij het eerste beeld kon ik
- 125 -
ii het antwoord geven ; het is het beeld van de heiligste Familie, een verheven, een onvergelijkelijk beeld. Vestigt dikwijls, ja dagelijks, bij de godsvruchtoefening der ver-eeniging daarop eerbiedige en bewonderende blikken. Heil en zegen gaan er van nit. Welk nu is het beeld van uw huisgezin en wat stelt het voor ? Is het een schoon of een leelijk beeld, verdient het een loffelijk of berispelijk onderschrift ? Dat Gel. Chr., kunt en moot gij weten. Ik kan u alleen zeggen, wat uw huis zijn moet volgens den wil van God en het verlangen der Kerk : het moet n.1. zoo getrouw mogelijk het beeld der H. Familie weergeven, het moet, voor zoover de menschelijke zwakheid het gedoogt, een afspiegeling zijn van het Huisje van Nazareth, en ieder lid moet zijn best doen, om op Jesus, Maria en Jozef te gelijken, Als dat het geval is, dan kan men van ieder christelijk huis zeggen, wat de aartsvader Jacob eens zeide aan den voet der hemelladder: »hier is waarlijk het huis van »God en de poort des hemels.quot; Dan znllen Jesus, Maria en Jozef in dat huis hun intrek nemen; dan zal het leven hier op aarde eene voorbereiding zijn tot het eeuwig leven; en de bewoners van het huis zullen zich eenmaal met geweld uit deze aarclsche woning loswringen om op te stijgen tot de hemelsche woning, tot het onvergankelijk, heerlijk gebouwde huis van den hemelschen Vader. Amen.
C^yêk^
aJ--! ................... -7- -__r-...__': i:_:\3
Cs®5Y(s®^
XI.
0pcr I^ct groot nut bcr èagdtjfscfyc gobspruc^tocfciüng.
(boor tlticl].)
Gcneraüo rectorvm henedicetnr. Het geslacht der braven zal gezegend worden
Ps. CXI. 2.
Hen zijn hot hierover eens, dat er tegenwoordig in de maatschappij vele verhoudingen zijn, welke terecht ontevredenheid wekken, en dat er werkelijk eene hervorming of vernieuwing noodig is. Maar als er sprake is van die hervorming aan te brengen, dan treedt de oneenigheid der verschillende partijen in het volle licht. De eenen zijn, zooals men dat noemt, te optimistisch gezind; zij zien de zaken al te schoon in en denken, dat de maatschappij van zelf wel zal hervormd en verjongd worden, dat de menschen daarbij niets te doen of mee te werken hebben. Zij leggen de handen rustig in den schoot en zien het aan, hoe de toestanden, in plaats van te beteren al slechter worden, zonder dat zij zich er iets van aantrekken. Anderen zijn pessimistisch. Zij wanhopen aan de tegenwoordige toestanden en meenen, dat de wereld thans zoo
â 127 â
bedorven is, dat er geene mogelijkheid is, dat betere toestanden geboren worden. De bestaande orde van zaken moest, volgens hen, omvergeworpen en eene nieuwe, geheel verschillend van de tegenwoordige geschapen worden. Hoe meer men het daarop aanlegt, hoe verdienstelijker men zich jegens de maatschappij maakt. Welke stelling moeten wij, katholieke christenen, nu innemen bij dit vraagstuk der vernieuwing en hervorming van de maatschappij ? Deze vraag is zeker van het grootste gewicht, ja zij is eene levenskwestie voor de maatschappij. Als katholieke christenen kunnen wij noch de eene, noch de andere der aangehaalde beschouwingen bijvallen. Beiden toch hebben ongelijk. De eene ziet de zaken te licht, de andere te duister in. Zooals overal ligt ook hier de waarheid in het midden.
Het moet gezegd, dat in de maatschappij misstanden bestaan en dat met alle geoorloofde middelen moet gewerkt worden, om daarin verbetering te brengen. Iedereen moet belang stellen in het wèl en wee der maatschappij ; niemand moet rustig toezien, want de maatschappij bestaat uit particuliere menschen. Daarbij moet echter de maatschappij op hare grondslagen gevestigd blijven. Deze orde dankt haar ontstaan niet aan de willekeur der menschen, noch aan den loop der tijden, maar zij is gegrondvest door God en duizende jaren behouden.
De algemeene omverwerping is dus een titanswerk, een aanval van het zwakke schepsel tegen de almacht en wijsheid van God en tevens een vermetele aanslag tegen de ervaring van duizende jaren.
Door deze gedachten werd zeker Paus Leo XHI geleid toen hij beval de vrome vereeniging der H. Familie in te voeren. Hem dacht, dat, hoe groot de kwalen ook zijn, waaraan het menschdom lijdt, ze toch te genezen zijn. Maar om die genezing te bewerken, moest de bijl aan den
â 128
wortel gelegd, en begonnen worden met den grondslag der maatschappij, het huisgezin, en aldus ieder persoon aan het werk gezet.
Hoe nu zal dit grootsch werk geslagen? Het opperhoofd der Kerk verwacht dat slagen van de verlevendiging van den geest des gebeds in de huisgezinnen. En terecht. Wanneer toch in de huisgezinnen de geest des gebeds herleeft, dan is de weg gebaand voor de hervorming der maatschappij, ja in hoofdzaak is dan die vernieuwing al voltrokken: »generatio rectorum benediceturquot; : »het geslacht »der braven zal gezegend wordenquot;. De dagelijksche gods-vruchtoefening nu, die aan de leden der vereeniging is voorgeschreven, zal, als zij door de huisgezinnen beoefend en onderhouden wordt, de liefde tot het gebed doen herleven. Bit is de zenuw en de kern van het grootsche werk. Aan de beoefening daarvan is alles gelegen. Deze overweging moge u eene nieuwe aansporing daartoe zijn: het groot nut van deze dagelijksche oefening zal het onderwerp er van zijn: want dat strekt zich niet alleen uit tot
I. het huisgezin; maar ook tot II. de maatschappij.
»6eneratio rectorum benediceturquot;: »het geslacht der »braven zal gezegend wordenquot;. Moge onze vergadering Gods hulp en zegen verkrijgen!
I.
De dagelijksche godsvruchtoefening, welke in de regels der vereeniging van de H. Familie is voorgeschreven, is een bijzonder en eigenaardig gebed. Den zegen, welke aan ieder gebed verbonden is, brengt dit gebed vooral aan. En waarin bestaat die zegen? Welk nut brengt dit gebed aan ieder bijzonder lid des huisgezins? Zonder weifelen
129 â
antwoord ik: De dagelijksche godsvruchtoefening der ver-eeniging brengt den huisgezinnen overvloedig nut aan naar lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid.
Mogen wij, christenen, kinderen van Christus' rijk, dat niet van deze wereld is, verhopen door het gebed, ook tijdelijke goederen van God te krijgen ? Ik vraag het tegenoverstelde: waarom zouden wij die niet van God verhopen? Heeft Christus, de Heer, zelf ons niet leeren bidden om ons dagelijksch brood? Heeft Hij niet, zonder eenige uitzondering te maken, gezegd: »petite et dabitir vobisquot;: »vraagt »en gij zult verkrijgenquot;? (Luc. XI, 9.) Heeft Christus persoonlijk niet om iets tijdelijks gebeden, toen Hij in den Olijfhof bad dat het lijden van Hem zou worden weggenomen? En heeft Hij niet hun, die er om baden, tijdelijke weldaden zonder getal geschonken? Dat Hij de duizenden spijsde, tallooze zieken genas, dooden tot het leven opwekte, wat zijn dit anders dan tijdelijke goederen. Na dit alles is het voorzeker onnoodig u te voeren naar eene der vele bedevaartplaatsen, waar duizende votief-steenen en geschenken luide getuigen, hoe krachtig het gebed is, om ook in tijdelijken nood hulp te verwerven.
Inderdaad: »multum valet deprecatio justi assiduaquot;: :gt;het volhardend gebed van den rechtvaardige vermag veelquot;. (Jac. V, 16.) Daar was b. v. eene moeder, die zeer ziek lag. Het geheele huisgezin leed onder die beproeving. Er werd vurig gebeden, eene bedevaart gedaan, en zie, zij werd genezen. Een vader was in ergen nood, dewijl hij geene verdiensten had. Men nam zijn toevlucht tot het gebed en dit bracht verdiensten. Ja, Gel. dir., een hartelijk en aanhoudend gebed is het beste middel, om zegen over zijn huis te trekken.
De H. Auxentius ging eens door eene straat van Con-stantinopel, waar meestal werklieden woonden. Een van hen stond voor zijn luiis en klaagde bitter, dat hij al verscheidene
â 130 â
weken geen werk had, en dat hij en zijn bedrijf ten gronde zouden gaan, als dit zoo voortduurde. Auxentius trad op hem toe en vroeg, of hij hem niet voor eenigen tijd in dienst wilde nemen als daglooner; hij zou dan alle dagen verscheidene uren bij hem werken, hij vorderde geen kost, en voor loon slechts drie penningen. De ambachtsman nam het voorstel van Auxentius aan, doch zeide, dat hij al in langen tijd geen werk had gehad. Auxentius trad dan de wanordelijke werkplaats binnen, boog ootmoedig in een hoek neder en verhief zijn hart in het gebed tot God. Niet lang [duurde het, of er kwamen verscheidene personen bestellingen doen; den volgenden dag kwamen er al meer en den derden dag zoovelen, dat de baas meer knechts in het werk moest nemen. Waaraan nu deze gunstige verandering-toe te schrijven? Aan niets anders als aan het betrouwvol gebed van den H. dienaar Gods. Bijzonder wordt het gebed der kinderen zeker verhoord. Te Moosburg, in Beieren brak een vreeselijke brand uit. Een kind van vier jaren, wiens ouderlijk huis alleen gespaard werd, terwijl alle naburige huizen verbrandden, riep weenend voor een kruisbeeld: O lieve Jesus: laat toch ons huis niet verbranden. Het kind bleef roepen â en dit huis bleef ongedeerd, terwijl allo anderen rondom in asch werden gelegd. Erkent dan en beseft, wat kracht het gebed heeft, om hulp in tijdelijken nood te brengen. Zijt gij in nood, Gel. dir., geeft u dan niet over aan nutteloos klagen en jammeren, grijpt het krachtigste van alle middelen aan : het gebed.
Grooteren zegen geeft het gebed aan de ziel en voor de eeuwigheid. Het geestelijk welzijn der menschen ligt onzen goddelijken Zaligmaker nader aan het hart dan hun lichamelijk belang. In het Evangelie zien we steeds, dat Hij gewoonlijk eerst de kwalen der ziel wegnam, alsvorens die des lichaams genas. Wij kennen het woord, dat Hij
9
â 131 -
zoo dikwijls deed hooren: »uwe zonden worden u vergevenquot;, »uw geloof heeft u gezond gemaaktquot;, »ga heen en zondig »niet meerquot;. De eerste zegen, welke dus de christen verwerft, die ijverig is in het gebed, bestaat in; geene zonden te bedrijven. Bovendien zullen zij, die dagelijks Jesus, Maria en Jozef vereeren en aanroepen, in hen machtige beschermers vinden. Het steeds voor oogen houden van het zuiverste leven dier heiligste Personen, kan niet anders dan zuiverend werken en de zonde verbannen. En zou deze ongelukker-wijze ergens aanwezig zijn; zij zal moeten wijken voor de kracht des gebeds. Altijd blijft waar, dat gebed en zonde het op den duur niet bij elkander kunnen uithouden.
Een ander voordeel, dat het gebed der ziel aanbrengt, is liefde tot de deugd. Hij, die den geest des gebeds bezit, beoefent gaarne de deugd en schuwt de moeilijkheden niet, welke uit den weg moeten geruimd worden ; met reuzenschreden gaat hij vooruit. Hij gelooft gaarne in God en zijn geloof is vast, onwrikbaar en algemeen. Hij is sterk in hoop op den Heer : vol vertrouwen verwacht hij de beloften, hem gedaan. Eindelijk, grootmoedig in liefde tot God, wil hij niets meer dan Hem behagen, tot Wien hij zoo vaak bidt. Welke zegen is weggelegd voor een huisgezin, dat ijverig bidt! »Hij,quot; zegt de H. Joannes Chrysostomus, »die met wijzen omgaat, neemt langzamerhand iets van hunne «levenswijsheid over ; wat dan zeggen van hem, die in het »gebed zich met God onderhoudtquot; ? Met welke wijsheid, »moed, kracht en bezadigdheid zal het gebed hem vervullen ?quot;
Waarachtig, roep ik uit, als het er op aankomt, om aan de huisgezinnen iets heilzaams en krachtigs aan te raden, dan kan ik geen beteren raad geven, dan dat men den geest des gebeds doe herleven door de beoefening der da-gelijksche godsvruchtoefening, die door de vereeniging der H. Familie is voorgeschreven. Hoevele behoeften, lichame-
â 132 â
lijke en geestelijke, treft men in de huisgezinnen aan ! En hoeveel hulp zou er verschaft worden, als gij allen u in een grooten kring om de H. Familie van Nazareth schaar-det en dagelijks in een vertrouwvol gebed uwe nooden aan God openbaardet. Gebeurt er in een gezin eenig ongeluk : men bidde ! »Indien iemand treurig is,quot; vermaant de Apostel Jacobus, hij bidde.quot; (Jac. V, 12.) Is er onder de familieleden een verstokte zondaar, o! als men hem aan de gebeden der H. Familie aanbeval, en hom overhaalde, om zelf te bidden ; hoe spoedig zou hij bekeerd zijn. Gij dan, christelijke huisgezinnen, die lid zijt van de groote veree-niging der H. Familie, bidt, kweekt in u den geest des ge-beds aan, door met ijver de dagelijksche godsvruchtoefening te verrichten; dit gebed zal geluk en vreugde aanbrengen, het lijden verminderen, den vrede vermeerderen.
»Verhoor, o Heer, het gebed, dat uw dienaar in uw »hiiis stort; verhoor de beden uwer dienaren en van uw »volk. Verhoor hem, die bidt op deze plaats, verhoor hem »van uit uwe woonstede, van uit den hemel, en wees hem »genadig.quot; (II Paral. VI, 21.) Zoo durf ik met Salomon zeggen, bij het aanschouwen der christelijke huisgezinnen, welke in een gezamenlijk gebed zich tot God wenden. Hun geestelijk en lichamelijk welzijn zal door dit gebed bevorderd worden. Die ijverige beoefening van het gebed der vereeniging wensch ik dan ook tot het welzijn dergeheele maatschappij, want de ijverige betrachting van de godsvruchtoefening der vereeniging strekt tot geluk en zegen van het algemeen.
II.
Het is eene schoone en verhevene gedachte, dat alle goed hetwelk in de Kerk geschiedt, niet alleen hun ten goede
â 133 -
komt, die het verrichten, maar aan alle leden der Kerk. Nemen wij een voorbeeld, dat voor de hand ligt: het H. Misoffer. Als dit Offer wordt opgedragen, dan heeft do priester, die het opdraagt, niet alléén voordeel daarvan, noch ook zij alleen, die het laten opdragen of zij die er bij tegenwoordig zijn; neen; de vruchten daarvan strekken zich veel verder uit; alle leden der Kerk, levenden en dooden deelen er in. Zoo is het ook met ieder godsdienstig werk, dus ook met het gebed, dat de christelijke huisgezinnen alle avonden ter eere der H. Familie verrichten. Deze gods-vruchtoefening zal een bron van zegen voor alle menschen worden. »Een brood, één lichaam zijn wij velen, wij allen, »die aan het ééne brood des altaars deelnemen.quot; zegt de H. Paulus. (I Cor. X, 17.) Zoo krijgen wij allen ook deel aan de zegening, die het gebed meebrengt. En dat moet bijzonder gezegd worden van het gebed en de godsvrucht-oefeningen, welk deze vereeniging voorschrijft; want dit is het hoofddoel der vereeniging: de vernieuwing der christelijke maatschappij. Daartoe nu werkt de dagelijksche godsvruchtoefening mede, doordat zij van den eenen kant de goddelijke gramschap verzoent en van den anderen kant de genade en zegen van God aftrekt.
We weten iiit de geschiedenis van het Oud-Verbond, hoezeer God genegen is, om ter wille van een enkelen voorspreker geheele steden en volken te sparen. Het is bekend, hoe God zich voor Sodoma en Gomorrha liet verbidden door Abraham, ofschoon Hij den ondergang dier steden besloten had. »Zult Gij dan,quot; sprak hij tot den Heer, »den rechtvaardigen met den goddeloozen verdelgen? Indien »er vijftig rechtvaardigen in de stad zijn, zullen deze mede »omkomen ? En zult Gij die plaats niet sparen, om wille
»der vijftig rechtvaardigen, indien zij er zijn......quot; En de
Heer zeide tot hem : »Indien ik te Sodoma vijftig recht-
â 134
gt;vaardigen vind binnen de stad, zal Ik de geheele plaats »sparen, om hunnentwil. En Abraham antwoordde en zeide; »Daar ik eens begonnen ben, zoo zal ik spreken tot mijnen »Heer, hoewel ik stof en asch ben. Wat, indien er vijf min-»der dan vijftig rechtvaardigen zijn? Zult gij om de vijf-»en veertig de gansche stad verdelgen ? En Hij sprak: Ik »zal ze niet verdelgen, als Ik er vijf en veertig daar vind. »En wederom sprak hij tot Hem: Maar indien ernuveer-gt;tig daar gevonden worden, wat zult Gij doen? Hij sprak: ^Ik zal ze niet verwoesten om wille der veertig. Ik bid U, »zeide hij, wordt niet vergramd. Heer, als ik zeg: Wat, in-gt;dien er daar dertig gevonden worden ? Hij antwoordde : »Ik zal het niet doen, als Ik er dertig daar vind. Omdat »ik eenmaal begonnen ben, zeide hij, zal ik spreken tot »mijnen Heer : Wat, indien er daar twintig gevonden worgden ? Hij sprak: Ik zal ze niet verdelgen om wille der »twintig.quot; Abraham waagde het, nog eene bede te doen : »Ik bid U, zeide hij, vertoorn IJ niet, o Heer, als ik nog »eenmaal zeg : Wat, indien er daar tien gevonden worden? »En Hij sprak : Ik zal ze niet verdelgen om wille der tien. »En de Heer ging henen, nadat Hij had opgehouden tot gt;Abraham te spreken.quot; (Schepp. XVIII, 23â33.) Wij weten verder, dat er in Sodoma geen tien rechtvaardigen waren, en dat de stad verwoest werd. Maar uit het geheele verhaal leeren wij, dat God de Heer genegen was, om op het gebed van Abraham en om de rechtvaardigheid van eenige weinigen de geheele stad te sparen. En zou Hij nu minder bereid zijn, om rampen en straffen van de maatschappij af te weren om wille en op de voorspraak van weinigen ? Heeft Hij niet eenmaal de Madianieten doen verslaan door eene kleine krijgsbende onder aanvoering van Gedeon ? Is Hij niet dezelfde God, die in de wereld het zwakke uitkiest, om het sterke te beschamen ? â Dit voorbeeld is
â 135 â
echter niet het eenige, dat de H. Schrift aangeeft. Het Joodsche volk zuchtte in de slavernij van Egypte. Het jammeren der verdrukten steeg op tot God ; en de Heer had medelijden met de kinderen Israels en leidde ze met krachtige hand en op wonderbare wijze uit het land hunner slavernij. In de woestijn werd God toornig op het ondankbare en wederspannig volk, en Hij besloot het uit te roeien. ^Laat Mij begaan,quot; sprak Hij tot Mozes, »dat Mijn
»toorn zich tegen hen ontsteke, en dat ik ze verdelge......
»Doch Mozes bad den Heer zijn God zeggende : Waarom, »o Heer, ontsteekt zich uw toorn tegen uw volk, hetwelk, »Gij uit het land van Egypte gevoerd hebt met groote kracht »en eene sterke hand. Ik bid U, laat niet toe, dat de Egyp-»tenaren zeggen: Hij heeft ze listiglijk uitgeleid om ze »te dooden in het gebergte en om ze uit te roeien van de
»aarde....... En de Heer liet zich verbidden, om het kwaad
»niet uit te voeren, hetwelk Hij tegen Zijn volk had uitge-»sproken.quot; (Uitg. XXXII, 10â12, 14.) Ten tijde van den profeet Elias heerschte er gedurende drie jaren droogte in Israël: geen dauw of regen viel er. Toen beklom deze H. man den top van den berg Carmel, boog zich diep ter aarde en bad, en korten tijd daarna werd de hemel verduisterd door de zware wolken, welke zich samenpakten, en er viel regen in overvloed. (III Kon. XVII, 18.) Toen de Machabeeën nauw door de vijanden waren ingesloten, »riepen zij den Heer aan, opdat Hij gunstig op zijn volk »zou neerzien, dat van alle kanten benauwd werd ; dat Hij ïgt;zich zou ontfermen over den tempel, die door de godde-»loozen werd ontheiligd, dat Hij zich zou erbarmen over jgt;de verwoeste stad, die op het punt stond, met den grond »gelijk gemaakt te worden, en dat Hij zou hooren naar sde stem des bloeds, dat tot Hem riep.quot; God verhoorde het gebed en het gelukte, Juda en de heilige stad te be-
136
houden. Uit alle deze en andere voorbeelden der H. Schrift blijkt duidelijk, dat het gebed van weinigen eene groote kracht bezit om hulp en redding te brengen in den nood van velen.
Groot zijn ook de rampen en ellenden, waaraan de maatschappij lijdt Wanhoopt echter niet! Veel ook vermag het godvruchtig gebed, dat alle dagen uit zoovele christelijke huisgezinnen ten hemel stijgt, om Gods toorn te bedaren en den uitgestrekten arm zijner straffende rechtvaardigheid tegen te houden. Sluiten wij ons bij dat zegenrijk werk aan! Wie weet, welke straffen het ontaarde menschdom boven het hoofd hangen. De algemeene toestand wordt immer dreigender. De wereld is geen dag zeker voor oproer of bloedvergieten. Wellicht zijn hongersnood en besmettelijke ziekten te wachten. Zij dus, die daartoe medewerken, dat Gods hand ter hulpe en bescherming op het menschdom dale, verwerven zich groote verdiensten. Welke krachtige beweegreden dus voor allen, om deel te nemen aan het zegenrijke werk der vereeniging van de H. Familie en zulks niet te verwaarloozen! Hiermede is echter uoq' niet aangre-
o o
geven de geheele heilzame kracht, welke van die dagelij kscho godsvruchtoefening uitgaat. Het dient hiertoe, om Gods genade en zegen over de maatschappij af te trekken. De zedelijke gebreken, de zonden en ongerechtigheden zijn do grootste en ergste beletselen, om verbetering in de maatschappelijke toestanden aan te brengen. Hoe deze beletselen uit den weg te ruimen? Voor het grootst gedeelte is dat de taak van het onderwijs en de prediking der christelijke leer. Doch men moet niet vergeten, dat zij, die het woord Gods het meest noodig hebben, in den regel het verst er zich van verwijderd houden; alsook dat de beste preek niets uitwerkt, als zij niet vruchtbaar gemaakt wordt door het gebed. Ook het goed voorbeeld moet hierin te hulp komen.
â 137 â
De wereld is zóó verdorven, dat zij hiervoor niet gevoelig is. In vele punten gelijkt zij op de hardnekkige Joden, van wie de Zaligmaker zeide: »Doch waarbij zal Ik dit »geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen, die op de »markt zitten, en die, roepende tot hunne gezellen, zeggen: »wij hebben voor u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet »gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen, en gij hebt »niet geweend. Want Joannes is gekomen, noch etende noch »drinkende, en zij zeggen: hij is bezeten! De Zoon des gt;:menschen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: »Zietdaar een mensch, een brasser en wijndrinker, een vriend »van tollenaars en zondaarsquot;. (Matt. XI, 16.) Inderdaad, zóó is de wereld. Zij is altijd achterdochtig, en heeft altijd wat te bedillen of te morren: de beste bedoeling wordt door haar verkleind of slecht gemaakt.
Hoe zou dan een goed woord of voorbeeld bij haar iets goeds kunnen doen ? De goddelijke genade alleen kan in zulke wereld nog iets teweegbrengen. Maar deze moet alweer afgebeden worden, en wel door dat gebed hetwelk bestemd is om genezing te brengen in de maatschappelijke misstanden,: het godsvruchtig gebed ter eere der H. Familie. God, die machtig is om iiit steenen kinderen van Abraham te verwekken, kan ook door de almacht Zijner genade de harten veranderen, de zondaars tot bekeering brengen, en de rechtvaardigen in de deugd doen volharden. De zondaar zelf is een beletsel voor den zegen van God. Hij bidde tot Jesus, Maria en Jozef; hij beginne boete te doen en hij zal geen beletsel voor de genade meer zijn. Die braaf is, zij niet tevreden met zelf een voorwerp van Gods welbehagen te zijn; hij oefene ook een christelijk apostolaat uit en »bid-»dequot; volgens de vermaning van den Apostel, »en smeeke» »vrage en zegge dank voor alle menschen, voor koningen »en voor allen, die in overheid zijn, opdat wij een rustig
- 138 â
»en behagelijk leven leiden in alle godsvrucht en eerbaar-»heid, want dit is goed en aangenaam voor God onzen »Zaligmaker.quot; (1. Tim. lij 1â3.) Wat een verdienstelijk werk, als allen tot dit verheven doel wilden medewerken! Als rijken en armen, aanzienlijken en geringen, sterken en zwakken in deze heilige vereeniging samenspanden, om door een gemeenschappelijk gebed de genade des Allerhoogster; over het menschdom af te bidden. Hoe zou dit gebed, dat alle voorrechten van het bijzonder en openbaar gebed heeft, krachtig werken, om het groote werk der vernieuwing van de wereld tot stand te brengen. Ik zeide, dat dit gebed aile voorrechten van het bijzonder en openbaar gebed in zich vereenigt. »Als gij bidtquot;, zegt immers de Zaligmaker, »ga »in uwe binnenkamer, en de deur gesloten hebbende, bid »uwen Vader in het verborgen: en uw Vader, die in het «verborgene ziet, zal het u vergelden.quot; (Matt. VI, 6.) Is nu de dagelijksche godsvruchtoefening niet een gebed »in het »verborgenequot; van den kleinen familiekring? Bovendien is het een openbaar gebed, daar het niet het gebed van den een of ander, maar van alle leden des huisgezins is. Dan nog staat elk gezin niet op zich zelve, maar is door den heiligen band der vereeniging met alle huisgezinnen verbonden. »Onmogelijk is het, zegt de H. Augustinus, dat het gebed »van velen niet verkrijgt wat het verlangtquot;.
»Generatio rectorum benediceturquot; : »het geslacht der bra-»ven zal gezegend wordenquot;. Doet uw huisgezin. Gel. Chr., wat het redelijker wijze kan doen, opdat dit gezegde bewaarheid worde? Als de dagelijksche godsvruchtoefening alle dagen geregeld en me t eerbied verricht wordt ,dan kunt gij deze vraag gerust bevestigend beantwoorden. Gebeurt dat niet, ja dan weet ik niet, hoe dat verzuim, dat groot nadeel aan uw huisgezin en aan de christelijke maatschap-
â 139 -
pij berokkent, te noemen of liever te beklagen! Doet blijmoedig wat gij kunt, Gel. dir., opdat deze godsvrucht in uw huisgezin ingevoerd worde, en waar zij alreeds beoefend wordt, doet uw best opdat de ijver niet verflauwe. Groot nut sticht deze godsvrucht zoowel voor tijd als eeuwigheid, zij is een rijke bron van zegen voor het huisgezin. Ja dit nut strekt zich uit tot de gansche maatschappij. Wordt dus, roep ik u toe, apostelen van gebed voor het menschdom! Dan moogt gij u met de zoete hoop vloeien, dat eens aan u zullen vervuld worden de beloften, welke de Zaligmaker aan Zijne Apostelen deed: «Voorwaar Ik zeg u, dat gij, die »Mij gevolgd zijt, bij de wedergeboorte, wanneer de Zoon »des menschen op den zetel zijner heerlijkheid zal gezeten »zijn, ook op twaalf zetels zult zitten, oordeelende de twaalf »stammen van Israël.quot; Amen.
XII.
Pe gcnabcn cn uoorrccbtcn 5cr vev centring pan be 13. familie.
(^oor Kapelaan IParboch.)
Ohservate cos, qui ita ambulant, simt
habetis formam nostram.
Ld, op hen, die zoo wandelen, gelijk (jij ons voorbeeld (van wandelen) kent.
Phillipp. Ill, 17.
e H. Familie werd al vroeg in de Katholieke Kerk geëerd; sinds twee honderd jaren echter breidde ! die vereering zich uit over Italië, Frankrijk en België. In 1861 heeft een ijverige Pater Jesuiet te Lyon eene vèreeniging der H. Familie opgericht, waarvan het voornaamste voorschrift is, dat allen gezamenlijk het avondgebed verrichten.
Deze vereeniging beantwoordde zoozeer aan de behoeften van onzen tijd, en droeg zoo schoone vruchten, dat onze H. Vader Paus Leo XIII besloot, die over de geheele aarde uit te breiden in eenigzins ge wijzigden vorm. In eene heerlijke Encykliek van 14 Juni 1892 roept hij do geloovigen der geheele aarde op, om zich aan te sluiten bij de godvruchtige vereeniging der christelijke huisgezinnen ter vereering der H. Familie Jesus, Maria en Jozef. »Letophen
â 141 â
: die zoo wandelen, gelijk gij ons voorbeeld kentquot;, vermaant de H. Paulus; maar welk voorbeeld zou heden meer bijbrengen tot geluk der huisgezinnen dan dit voorbeeld, het- ( welk aan de geheele wereld door de H. Familie gegeven is. Zullen wij dan niet gaarne aan den wensch des H. Vaders voldoen en ons bij die vereeniging aansluiten, ijverige leden daarvan worden, daar ons het lidmaatschap milden zegen en een schat van genaden aanbrengt. Ik wil dan heden de algemeene en bijzondere genaden dezer vereeniging aan u in het kort voorhouden, opdat zij, die reeds lid zijn aangespoord worden, om hunne plichten getrouw te vervullen en de anderen tot deelneming quot;bewogen worden. Dat de H. Geest ons met Zijne genade bijsta, opdat de vereering en navolging der H. Familie aan onze geheele gemeente ten zegen strekke.
I.
De ongeloovige richting van onze dagen heeft het daarop gemunt, om aan de christelijke huisgezinnen die kostbare goederen te ontrooven, welke alleen in staat zijn het tijdelijk en eeuwig geluk der menschen te verzekeren. Als wij nagaan, welke voordeelen der genade het lidmaatschap van de vereeniging der christelijke huisgezinnen verschaft, zullen wij bevinden dat alle goeds daardoor verkregen of gesteund wordt. Als de leden des huisgezins het voorbeeld der H. Familie beschouwen. Haar vereeren en aanroepen, dan zullen zij drie kostbare edelgesteenten krijgen, drie heerlijke goederen, welke hen ruimschoots zullen schadeloos stellen voor het gemis van aardsche goederen.
Het eerste kostbaar gesteente is : onderworpenheid aan de gestelde overheid, erkenning van het gezag. â De mensch is het meesterstuk der schepping, de kroon van Gods werk ; hij is het maaksel van Gods hand, dat de
- 142 â
Schepper zijne gelijkenis, zijn evenbeeld heeft ingeprent. Doch het is, als hadde eene schennende hand dit kunstwerk van Gods almacht beschadigd en ontredderd. Dooide eerste zonde in het paradijs stond de mensch op tegen God ; met de erfzonde is de ongeregelde drift ontstaan, die genegenheid tot opstand, tot miskenning der schoone deugd van gehoorzaamneid, die nu alle menschen erven. Wordt die ongehoorzaamheid bedwongen en beteugeld, dan keert althans eenigszins de vrede van hot paradijs terug. Hoe dikwijls zien wij echter, dat do mensch, gelijk zijne eerste ouders, opstaat tegen het hoogste gezag dat bestaat, tegen God zelf. Hij heeft gezegd : »lk ben de Heer, uw God; gij zult »Mij dienen.quot; Maar de mensch durft dezen Heer van hemel en aarde weerstreven en hem zeggen : ik dien u niet, ik laat mij niets gelegen liggen aan uwen wil of geboden. Wie nu het gezag van God niet aanneemt, zal zeker het gezag van geestelijke of wereldlijke overheidspersonen miskennen. Hoe geheel anders was het met de H. Familie gesteld ! Hun eenigst streven was. God te dienen. Hem te eeren ; hun geheel leven was een voortdurend dienen van God. Zij kwamen trouw de voorschriften van den godsdienst na. Ziet, hoe Maria zich onderwerpt aan de wet der zuivering, hoe het huisgezin zich opwaarts begeeft naaiden tempel, zooals de wet het eischte. Ziet, hoe de Verlosser zelf zich onderwierp aan alle wetten der joden, aan die der besnijdenis, der Sabbat-heiliging, enz ! Zij komen de voorschriften der overheid na ; Maria en Jozef schromen niet de verre reis naar Bethlehem te ondernemen, toen het bevel van den Romeinschen keizer dit vorderde. Jesus zelf leert: »Geef aan God wat Godes, en aan den keizer wat »des keizers is.quot; Als wij nu, Gel. dir., tot de H. Familie opzien, dan moeten wij hierin aan hen gelijkvormig trachten te worden. Dan zal het ons gemakkelijk vallen de ge-
â 143 â
boden van God en der Kerk blijmoedig te vervullen, ons in alle geoorloofde dingen aan de wereldlijke overheid te onderwerpen, ook al verzet zich misschien daartegen onze bedorven natuur.
Waar nu het gezag van God en Zijner plaatsbeklee-ders erkend wordt, daar zal ook gezag zijn in het huisge zin, zonder hetwelk geen waar geluk mogelijk is. Daarom hebben vele gezinnen vrede en vreugde, geluk en voorspoed verloren, omdat bij hen het gezag ontbreekt. Hoe dikwijls gebeurt het, dat in de huisgezinnen niet alleen de vrouw opstaat tegen het hoofd des gezins, maar dat zelfs de kinderen, die volgens het gebod van God en der natuur tot gehoorzaamheid verplicht zijn, opstaan tegen hunne ouders, hen brutaal behandelen, boos maken en beleedigen. Als zulke kinderen eens opzagen tot het beeld der H. Familie, zou het dan kunnen zijn, dat zij Gods plaatsbeklee-ders, hunne ouders zoo beleedigden, weigerden hun te gehoorzamen, ja zelfs wrevelig het ouderlijk huis verlieten om maar hunne ongezeggelijkheid en booze lusten te kunnen botvieren.
Welk voorbeeld van deugd zien wij in de H. Familie! Wat toonbeeld van huiselijken wandel alle dagen te Nazareth ; wat volmaakt toonbeeld van een geregeld en dus gelukkig familie-leven in deze plaats van heiligheid ! Daar heerschten eenvoud en zuiverheid van zeden, voortdurend eendracht; daar geene verstoring van orde of regelmaat, geen opstand tegen elkander; maar liefde, ootmoed, gehoorzaamheid en onderdanigheid. Ja, de Zoon Gods wilde onderdanig zijn aan menschen, om aan allen het schitterende voorbeeld van gehoorzaamheid te geven, opdat zij dat zouden bewonderen, eeren en navolgen. In den tegen-woordigen tijd is een teugelooze drang naar vrijheid in de wereld gevaren ; de vrijheid welke zij verkondigen, is ech-
ter eene valsche vrijheid, die de menschen, welke haar huldigen, in de smadelijkste boeien slaat. Want die vrij van alle gezag wil zijn, die de gehoorzaamheid jegens God en Diens plaatsbekleeders heeft opgezegd, wordt slaaf zijner hartstochten, die hem voor tijd en eeuwigheid ongelukkig maken. Integendeel; hij die ootmoedig en gehoorzaam is aan de door God gestelde machten, verwerft de ware christelijke vrijheid, die ons hier beneden welgevallig maakt aan God en daarboven Zijne eeuwig gelukkige kinderen in den hemel.
Het tweede kleinood, dat de vereering der H. Familie aan de christelijke huisgezinnen schenkt is, de tevredenheid met zijn staat en stand. Zoo menigeen, die do lasten en bezwaren van zijn beroep te groot acht, ze verwaarloost, ontevreden is met zijn lot, en verlangt naar de gelijke verdeeling van alle bezit! Hij denkt er niet aan dat alle menschen moeten werken tot straf der zonde, welke allen geërfd hebben. Want het vonnis van God na de zonde luidde: »in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten, totdat »gij terugkeert tot de aarde, waaruit gij gevormd zijtquot;. Niemand is van dit gebod uitgezonderd, ieder is verplicht volgens zijn stand te werken. Welke plaats men in het leven ook bekleedt, ieder voor zich gevoelt, wat hards er in het vonnis ligt: »in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood »etenquot;. Maar zoo herinnert ons het werken zelf aan Hem, die dat woord gesproken heeft. Wat grootere troost voor hem, die den geheelen dag moet werken, dan te denken aan God, die dat werk aanneemt tot delging van dè straffen der zonde, als wij het slechts ter Zijner eer verrichten? Als nu die enkele gedachte dit kan te weeg brengen, dat men met vreugde en tevredenheid werkt: als het werk veel beter van de hand gaat bij de verheffing van het hart tot God; hoe moet dan het werk niet eene hoogere wijding krijgen, als
â 145 â
men bedenkt, dat men door te werken zich gelijkvormig maakt aan de H. Familie, ja aan Gods Zoon zeiven? Het beeld der H. Familie stelt ons het werkzaam leven des Verlossers en Zijner H. Moedei', alsmede den stillen arbeid van den H. Jozef voor oogen. Zou het mogelijk zijn, dat do mensch, die bij het begin van zijn werk tot Jesns en Maria bidt, morde, als hij onder den last en de hitte van den dag zich het zweet van liet aangezicht wischt? Wat anders, moet hij tot zich zeiven zeggen, heeft den Verlosser bewogen, om aan Zijne ouders onderdanig te worden en hun in hunnen zwaren arbeid bij te staan dan Zijne liefde tot ons ? Zou ik dan ook niet gaarne uit liefde tot Hem de lasten en moeielijkheden van mijnen staat dragen?
Ja, Gel. Chr., als wij tot do H. Familie opzien, leeren wij ons lot blijmoedig dragen en daarover niet ongeduldig morren. Wij zijn aan de H. Familie verwant door denzelfden arbeid, door dezelfde zorg voor het dagelijksch brood; immers ook de H. Jozef moest met zijne handen den kost verdienen en de Verlosser zelf achtte het niet beneden zich handenarbeid te verrichten. Maar vergeten wij daarbij niet ons werk door het gebed te heiligen. Als Jesus, Maria en Jozef baden ; hoeveel te meer moeten wij dat dan doen ! Laten wij allen vóór het werk eerbiedig bidden, dagelijks eene goede meening maken om alle werk aan God op te dragen, en laten wij ons des avonds niet door moeheid of anderszins aftrekken van de goede gewoonte, ons dagwerk met gebed te eindigen. Uwe leuze zij die der H. Familie ; sbidt en werktquot;. Dat geeft waren vrede der ziel en blijheid des harten, de onafscheidelijke gezellen van een goed geweten. Het zal ons niet iets gerings toeschijnen, de plichten van ons beroep te volbrengen, dat zal ons niet lastig vallen, maar ons eene aangename en waardige taak zijn. Nog andere voordeelen komen hieruit voort; arbeid-
â 146 â
zaamheid, matigheid, vrede en eensgezindheid in het christelijk gezin; daar zal men zich niet laten medesleepen door den roep van gelijkheid, waarom zij schreeuwen, die vijanden zijn van God en godsdienst. Hij, die aan dit evangelie gelooft, die eischt dat de eene even als de andere moet werken, studeeren, onderwijzen enz, die is natuurlijk met zijn stand ontevreden. In een christelijken zin zijn wij allen gelijk bij God: de Koning en de werkman, de geleerde en ongeleerde, de grijsaard en het kind; want wij zullen alien kinderen Gods zijn en in eeuwigheid in Zijn geluk deelen. Maar gelijkheid is hier op aarde onmogelijk. God zelfheeft de ongelijkheid der zonde gewild, opdat ieder in zijn staat zalig worde. Hij let slechts op de vervulling onzer plichten van staat, en naar dat wij trouw en tevreden daarin geweest zijn, zullen wij beloond worden.
Nog een derde juweeltje brengt de vereering der H. Familie mede, n. 1. de liefde: die liefde, welke het voornaamste gebod van Christus, en de grondslag der goddelijke wet is. »Gij zult den Heer uwen God liefhebben en uwen »naaste als u zeiven.quot; De H. Familie volbracht dit gebod op de volmaakste wijze. Waar vindt men eene verhevener en offervaardiger liefde dan bij de H. Familie. Van hunne prilste jeugd tot aan hun zaligen dood gloeide in de harten van Maria en Jozef het vuur der goddelijke liefde, waardoor zij zich geheel aan den dienst van God toewijdden, alleen Zijne eer zochten en gaarne alle moeielijkheden en lijden van Hem aannamen. En zegt Jesus zelf niet; »Mijne »spijs is, den wil te volbrengen van Hem, die Mij gezonden »heeft.quot; O hoe gelukkig zouden vele huisgezinnen worden, indien zij dit gloeiend vuur der liefde tot God onderhielden. Als de liefde tot God ijverig beoefend werd, en deze liefde zich toonde door de nauwgezette nakoming van Gods wet; hoeveel zegen zou op zoo menig huis nederdalen! Want,
10
â 147 â
zegt Jesus, »die Mijne geboden heeft en ze onderhoudt, hij »is het die Mij bemint. Indien iemand Mij bemint, zal hij mijn »woord onderhouden, en mijn Vader zal hem beminnen, en »\vij zullen tot hem komen en onzen intrek bij hem nemen.quot; Waar de liefde tot God heerscht, daar is de liefde tot den naaste te vinden. Gebrek aan liefde tusschen elkander of ook onder de verschillende standen is eene bron van veel ellende. De mindergegoeden worden gekweld door nijd en afgunst en de gegoeden denken er dikwijls in hun welstand niet aan, dat menige medebroeder gebrek lijdt, dat zoovele tranen vloeien, die hij zoo gemakkelijk drogen kon. Als de liefdeloosheid, een gevolg der zonde, ter zijde kon gesteld worden, zouden de aarde weder een paradijs en alle menschen liefdevolle broeders zijn. Ziet nu, hoe Jesus, Maria en Jozef elkander oprecht beminnen! hoe Maria uit liefde naar hare bloedverwante gaat! Beschouwt het liefdevol Hart van Jesus, dat ons ten voorbeeld is gegeven. Welke eene liefde, dat de Zoon Gods aan ons gelijk werd, dat Hij drie jaren omwandelde, overal weldaden verspreidend, wonderen doende en opwekkende tot liefde. Overweegt, hoe Hij de volmaaktste liefde nog toont in Zijn grootste lijden aan het kruis, door vergeving af te bidden voor zijn vijanden. Als wij nu bij deze voorbeelden de liefde van den tegenwoor-digen tijd vergelijken, hoe moeten wij dan zuchten en hartelijk wenschen, dat toch de ware naastenliefde onder ons mocht terugkeeren, en allen mochten getroost worden, die innerlijk of uitwendig lijden van de felle wonden, welke de liefdèloosheid slaat! Zij die de bevordering der broederschap voorstaan, kunnen de ware liefde vinden bij het christendom, dat alle menschen als broeders en zusters en God als aller liefderijken Vader beschouwt.
Eene geheel andere, ware broederschap wordt den christen in de H. Familie voor oogen gehouden; die welke
i
T
- 148 â
. i ;
k|
: '
[ | j
4 â¢f!
quot; '
l â
alreeds in de eerste eeuwen der Kerk de Heidenen met bewondering voor de eerste christenen vervulde en hen deed uitroepen: Ziet, hoe zij elkander beminnen. Laten wij deze broederschap als een kostbaar gesteente bewaren; laten wij allen liefhebben, omdat allen het evenbeeld zijn van God, alook om de genade van God, die allen gelijkelijk met ons bezitten: dat geen nijd of afgunst, geen naijver of liefdeloosheid onder ons besta, daar deze de altijd vloeiende bronnen van zorgen en lijden zijn. Wachten wij ons er wel voor, onzen evennaaste te minachten, hem te krenken; zijn wij integendeel bereid, hem in den nood bij te staan, zooveel wij kunnen! De Heer wil het beschouwen als ware het het Hem bewezen, wat wij aldus uit liefde aan onzen even-mensch doen. Bedenken wij, dat wij slechts rentmeesters zijn van hetgeen wij bezitten, verantwoordelijke rentmeesters, die eens strenge rekenschap zullen moeten geven omtrent het vervullen van het gebod der liefde. Ja, christelijke huisgezinnen, houdt dit juweel der liefde in eere; en zijt gij nog niet in het bezit daarvan, tracht het dan te bekomen door een ijverig lidmaatschap van de vereeniging der H. Familie, daar dit u even als de beide andere rijk en gelukkig zal maken voor tijd en eeuwigheid.
11
t F â i
: V
II.
Behalve den zegen, welke de vereering der H. Familie in het algemeen aanbrengt, heeft de Kerk nog bijzondere genadegunsten aan hen geschonken, die lid worden van de vereeniging der H. Familie. Het is waarlijk een schat van aflaten, welke de Plaatsbekleeder van Christus in zijne liefde en zorg voor de geloovigen heeft toegestaan. Gij vindt die vermeld op uw inschrijvingsbriefje. De voornaamste wil ik in 't kort aangeven. De leden van de vereeniging
1}
M
' i? . ' 'f ii
â 149 â
der H. Familie kunnen op den dag, dat zij lid worden, een vollen aflaat verdienen, mits zij gebiecht en gecommuniceerd hebben, eene kerk bezoeken en daar eenigen tijd bidden volgens de intentie van den H. Vader. De Paus wenscht verder, dat een christelijk huisgezin op den dag der inschrijving het volgend gebed tot de H. Familie Jesus, Maria en Jozef stiere : »0 Jesus, onze beminnenswaardige «Verlosser, die, van den hemel gezonden, om de wereld »door leer en voorbeeld te verlichten, het grootste gedeelte »van uw sterfelijk leven, onderdanig aan Maria en Jozef, sin het nederig huisje van Nazareth hebt willen doorbren-»gen, en die Familie geheiligd hebt, welke aan alle chris-»telijke huisgezinnen tot voorbeeld zou verstrekken ; neem »dit ons huisgezin, hetwelk van nu af zich geheel aan U »opdraagt genadig aan. Bescherm en bewaar hetzelve, »en bevestig daarin, tegelijk met den vrede en de eendracht gt;gt;der christelijke liefde, de heilige vreeze jegens U, opdat »hetzelve aan het goddelijk toonbeeld uwer Familie gelijk-»vormig worde, en allen waaruit het bestaat, tot een toe, »de eeuwige zaligheid mogen verwerven.
»0 teerbeminnende Moeder van Jesus Christus en onze »Moeder, Maria, verkrijg in uw mededoogen en goedertie-gt;renheid, dat Jesus deze onze toewijding welwillend aan-»vaarde, en zijne weldaden en zegeningen aan ons verleene.
»0 Jozef, allerheiligste bewaarder van Jesus en Maria «ondersteun ons door uwe gebeden in alle behoeften naar »ziel en lichaam ; opdat wij met U en met de gelukzalige »Maagd Maria den goddelijken Verlosser Jesus Christus «eeuwigen lof en dank mogen brengen.quot;
Dan kan men nog volle aflaten verdienen op den dag dat de algemeene vergadering wordt gehouden ter vernieuwing van de opdracht aan de H. Familie (le Zondag na Driekoningen) ; op de voornaamste feesten des Heeren
â 150 â
en zijner H. Moeder, op den feestdag (19 Maart) en het Beschermfeest van den H. Jozef (3e Zondag na Paschen); op den feestdag der verloving van Maria en Jozef (23 Januari), alsook op het feest der H. Familie (3e Zondag na Driekoningen); bovendien op een dag naar vei'kiezing iedere maand als de leden al de dagen der maand de da-gelijksche godsvruchtoefening voor eene afbeelding der H. Familie verricht hebben. De stervenden kunnen deze aflaten toch verdienen al konden zij niet meer de HH. Sacramenten ontvangen, als zij n.1. een volmaakt berouw over hunne zonden hebben en den H. Naam Jesus met denmond of, als dit niet mogelijk is, met het hart aanroepen. Behalve deze volle aflaten zijn nog verscheidene gedeeltelijke verbonden aan gods vruchtoefeningen en goede werken, welke tot nut der vereeniging gedaan worden. En alle deze aflaten kunnen door de leden der vereeniging toegepast worden op de zielen des vagevuurs.
Tegenover dezen schat van aflaten staan de geringe verplichtingen, die men bij de inschrijving in de vereeniging op zich neemt, al is het niet op zonde. Een lid van het huisgezin, in den regel de huisvader, moet bij den pastoor aangifte doen, om in het register der vereeniging opgeschreven te worden. In ieder gezin, dat lid is, moet eene afbeelding der H. Familie zijn, waarvoor de huisge-nooten minstens eenmaal daags, liefst des avonds, geza-melijk bidden het avondgebed, den rozenkrans of rozenhoedje, eene Litanie, enz. Bijzonder wordt daartoe aanbevolen het door den Paus goedgekeurde gebed; »0 liefderijkste Jesus, die door uwe onuitsprekelijke deugden,quot; enz.
Eindelijk wordt vooral aangeraden de oefening der drie bekende schietgebeden : »Jesus, Maria, Jozef, ik geef gt;gt;U mijn hart en mijne ziel,quot; enz.
Christelijke ouders en kinderen ! Wijdt u toe aan de
â 151 â
H. Familie, tracht ijverige leden te zijn dezer vereeniging, die zoo rijk aan genade is. Houdt de H. Familie voor oogen, vereert en volgt Haar na, bidt dagelijks voor Haar beeld en volgt de heerlijke deugden op, waarvan zij het toonbeeld is. Weest trouwe leden dezer schoone vereeniging, die gelijk een reuzenboom hare takken over de gansche wereld verbreidt. Of zoudt gij dorre takken van dezen boom willen zijn ? Dat zoudt gij zijn, als gij u er toe bepaaldet, dat uwe namen ingeschreven zijn, zonder dat ge de H. Familie vereerdet en aanriept door gemeenschappelijk gebed, zooals is voorgeschreven; zonder dat gij u eenige moeite gaaft, om aan de H. Familie gelijkvormig te worden. Neen, zoolang wij leven zal de liefde tot de H. Familie in ons hart niet verkoelen; wij zullen ons onder Hare bescherming stellen, Haar steeds aanroepen, totdat wij van deze wereld scheiden met de zoete hoop, eeuwig Hare glorie in den hemel te deelen. Amen.
___ ____^
pC){OG)pG)(iX^(öG)(öG)(öG)(OQ(OQ(OG)pG)(OG)(DCi)pG)pG)(OQpG)(OG)(OC)(OC)(OC) I/
I |\.AAAAAAAAAAAAAAAAAAAA/i1
^Lj---------.........~.........m |__ - = j j rlllil
XIII.
fyi Buisje rgt;an Corcto.
(boor Kapelaan tDarbocb.)
Fwulnta est domus Domini supra verticem montium et exaltata est super omnes colles et venient ad ea»i omnes yentes.
Het huis des Heeren is gegrondvest op den top der hergen, het is verheven hoven alle heuvelen, en alle volken zidlen er naar toe komen.
(Off. transl. alm. domus 10 Dee.)
| et was een teeken van waarachtige vroomheid, dat de H. Apostelen en de eerste christenen al
1
De geschiedenis van het H. Huisje van Nazareth.
â 152 â
O goddelijke Verlosser, die zoolang dit huis in gehoorzaamheid en verborgenheid bewoond hebt, geef ons op de voorspraak van Maria en Jozef uwen zegen.
II.
In de eerste christen-eeuwen alreeds gingen de geloo-vigen ter bedevaart naar Nazareth, om in het H. Huisje, dat de H. Familie had bewoond, hun hart te sterken en heilige voornemens te maken. Toen de Kerk eindelijk na de vervolgingen den vrede herkreeg liet de godvruchtige Keizerin-moeder Helena, die in hoogen ouderdom nog Palestina bezocht, over het Huisje van Nazareth een prach-tigen tempel bouwen, en daarop het volgend opschrift plaatsen : »hier is het heiligdom, waarin de eerste grond-»slag is gelegd voor de Verlossing van den mensch.quot; Vervolgens werd deze tempel het vurig begeerde doel van duizende godvreezende pelgrims, die dikwijls van zeer verre kwamen en geene moeiten schroomden, om op deze heilige plaats te komen bidden. Men zegt dat een der laatste pelgrims was de door rang en waardigheid, maar niet minder door zijn heilig leven uitmuntende koning van Lo-dewijk IX van Frankrijk. Nauwelijks veertig jaren daarna kwam groot onheil over het heilig land en de heilige plaatsen. De wilde horden der Turken veroverden, plunderden en verwoestten het H. Land. Ook het heiligdom van Nazareth scheen niet te zullen ontkomen aan de ontheiligingen verwoesting der barbaren. Maar Gods voorzienigheid waakte over de woonplaats, waaruit gedurende zoovele jaren de liefelijke geur van deugd en heiligheid was ten hemel gestegen, en van deze heilige plaats werd niets ontteerd.
In Api'il 1291 werd Ptolomaïs, de laatste christelijke stad in het H. Land, door de Turken ingenomen, en den
â 153 â
9 Mei reeds was het H. Huisje eensklaps uit Nazareth verdwenen. Arme menschen die 's morgens vroeg hun vee naar de weide dreven, zagen op eene hoogte tusschen de steden Tersato en Fiume, op de kust van Dalmatië, een klein huisje van 32 voet lang, 13 breed en 8 hoog staan. Het stond zonder grondslagen plat op de groene weide ; het was gebouwd van rooden steen, die in Dalmatië onbekend was en stond op eene plaats, waar daags te voren geen spoor van een huis te zien was. Op het dak van het huisje stond behalve een schoorsteen ook een klokkentorentje hetgeen deed denken, dat het een kapelletje was. Spoedig was het nieuws van deze vondst verspreid, maar niemand der talrijke toegestroomde menigte kon het oplossen. Men ging het gebouwtje nu ook van binnen onderzoeken. Er was maar ééne deur in en ook bevond men maar één smal raam, waardoor het licht spaarzaam binnen kwam. De binnenmuren toonden sporen van schildering, aan de zoldering waren gouden sterren op een blauwen ondergrond te zien. Tegen den oostelijken dwarsmuur stond eene steenen altaartafel, waarboven op linnen een kruisbeeld was aangebracht. Aan den eenen kant van het altaar was eene nis in de muur, waarin een liefelijk beeld der H. Maagd stond, aan den anderen kant eene houten kast, waarin eenig aarden vaatwerk. Eensklaps drong tot aller verwondering de pastoor van Tersato door de menigte menschen heen, terwijl deze al drie jaren aan eene onge-neeselijke waterzucht ernstig ziek had gelegen. Met ontroering en dankbare vreugde verhaalde de wonderbaar ge-nezene, dat de H. Maagd in schitterende kleederen hem den laatsten nacht verschenen was. Zij had hem gezegd, dat het onbekende huis Haar Huisje van Nazareth was. Het kruisbeeld en het ander beeld waren door den H. Lucas uit cederhout gesneden. Ten bewijze van de waarheid der
â 154 â
verschijning en van Hare woorden had de koningin des hemels hem plotselinge genezing toegezegd van zijne langdurige ziekte. Een gejuich van vreugde en dankbaarheid ging op, en weenend van liefde en eerbied drongen allen op het Huisje aan, dat hun door God geschonken en dooide Engelen derwaarts gebracht was, om zooveel mogelijk hunnen eerbied te betuigen.
Tallooze godvruchtige pelgrims kwamen van daar en uit den omtrek naar deze heilige plaats. Er werd eene commissie van rechtsgeleerde en onbevooroordeelde mannen benoemd, om de echtheid van het H. Huisje te onderzoeken. Daartoe behoorde ook de pastoor. Zij scheepten zich dan in naar Nazareth, en daar bevonden zij werkelijk, dat het huisje der H. Maagd van de fundamenten, die nog goed te zien waren, was opgenomen en verwijderd. Het Huisje had met den achtermuur tegen eene rots gestaan, waarin nog eene kamer was, welke bij het huisje had behoord. Dit laatste is heden nog te zien. Ook de maat van het huisje, dat in Dalmatië te zien was, kwam overeen met die der fundamenten ; verder waren steenen en kalk van dezelfde soort als de fundamenten te Nazareth, terwijl in Dalmatië zulke steen en kalk niet bekend waren. Bovendien vernamen de leden der commissie van de christenen, die ontroostbaar waren over het verlies van het H. Huisje, dat het juist op denzelfden tijd verdwenen was, waarop het in Dalmatië werd gezien. Deze verrassende en glansrijke uitslag werkte de bedevaarten naar het Heiligdom zeer in de hand.
Doch de vreugde der Dahnatiërs was niet van langen duur. Den 10 Dec. 1294, dus drie jaren en zeven maanden daarna, droegen de Engelen het Huisje de zee over naar Italië en zetten het neder in eene landstreek, die naar eene laurier-heg, Lauretanum werd genoemd. Godvreezende herders, die 's nachts bij hunne kudden waakten, waren er
- 155 -
getuigen van. In den beginne werden zij om hun beweren uitgelachen. Toen echter bleek, dat zij de waarheid zeiden, doordat op die plaats nooit een huisje gestaan had, toen heerschte daar, gelijk in Dalmatië groote vreugde, en weldra was de plaats en het heiligdom een voorwerp van algemeene vereering. Het Huisje van Loreto, gelijk het nu nog genoemd wordt zag ook hier talrijke scharen van vrome pelgrims komen, vooral sinds eenige zieken, die vol vertrouwen derwaarts waren gekomen, de gezondheid hadden teruggekregen. Reizigers uit Dalmatië verzekerden, dat dit het Heiligdom van Nazareth was, wat door een nader onderzoek bevestigd werd. Terwijl het getal pelgrims al meer toenam, vestigden zich in die landstreek ook roovers, die hen uitplunderden, zoodat weldra niemand meer die heilige plaats durfde naderen. Na eenigen tijd werd het Huisje duizend schreden verder gedragen op een zacht glooienden heuvel, die aan twee brave broeders uit het naburige Recanati toebehoorde. Doch ook hier bleef het niet lang staan. Do beide broeders werden hebzuchtig, vergrepen zich aan de offers der pelgrims en geraakten onder elkander in oneenig-heid en strijd. Ten derde male nu binnen hetzelfde jaar, en dus ten vierde male, droegen de handen der Engelen het een eindje verder en zetten het den 7 Sept. 1295 neer midden op een ouden straatweg. Op deze plaats staat het H. Huisje heden nog na 600 jaren, zonder dat het een fundament of eenigen steun heeft. Het geheele Huisje is van alle kanten met kostbaar marmer bekleed en. over hetzelve verheft zich eene prachtige domkerk, welke door Pius V in 1566 werd begonnen. Hier staat dus het H. Huisje, waarin »het Woord gt;is vleesch gewordenquot;, waarin de Verlosser der wereld tot zijn dertigste jaar verbleef en aan de H. Maagd en Zijnen Voedstervader Jozef onderdanig was. Het is het eenige huis van allen, die ten tijde des Heeren bestonden, dat nog
â 156 --
overig is. De goddelijke Voorzienigheid heeft het door een wonder voor verwoesting behoed. Dit H. Huisje maakt Loreto eerbiedwaardig; daarom trekken sints 600 jaren zoo tallooze pelgrims uit alle streken der aarde naar de laurier-rijke stad op; thans zijn er jaarlijks 400 a 500.000, die daar gaan bidden, verhooring vinden voor hunne belangen en dikwijls op wonderbare wijze; vele genezingen van zieken hebben daar plaats, zooals de vele meest kostbare geschenken getuigen. Van de pelgrims willen wij alleen Paus Pius IX noemen, die aan ongeneeslijke vallende ziekte leed. Vol vertrouwen ging hij ter bedevaart naar Loreto, naar »de »behoudenis der krankenquot; en keerde geheel en voor altijd genezen terug. Toen hij op den Pauselijken troon verheven was, deed hij in Mei 1857 eene bedevaart naar Loreto en offerde ten teeken zijner dankbaarheid eene gouden lamp en een met edelgesteenten versierden kelk aan Zijne Helpster. Indien ooit iemand uwer het geluk heeft deze heilige plaats te bezoeken, dan is dat een benijdenswaardig voorrecht; dat hij dan niet nalate zijne belangen aan de H. Familie hartgrondig aan te bevelen, en van daar krachtvollen troost en rijke genaden voor zijn verder leven mede te brengen. Doch deze plaats van genaden geeft ons allen ook. belangrijke lessen, die van dubbel aanbelang zijn in onzen tijd.
II.
De H. Schrift meldt ons niet, welk leven de H. Familie verder te Nazareth geleid heeft. Zulks is ook niet noodig. Het waren de heiligste Personen, die daar een onbekend en ongezien, nederig en tevreden leven leidden, een leven, dat den hemel hoogst welgevallig was. Twee zaken behartigden zij getrouw; gebed en arbeid; zietdaar ook twee zaken, waartoe ieder christelijk huisgezin verplicht is. En dit nu
â 157 â
zij de les, welke de herinnering aan het H. Huisje te Loreto ons nalaat, dat alle leden van een huisgezin er op uit moeten zijn om het bekende spreekwoord in vervulling te doen gaan: »bidt en werktquot;.
Het gebed, eene degelijke godsdienstigheid en godsvrucht zijn het, welke aan een huisgezin altijd hulp en steun verzekert, wat zijne beteekenis en waarde bij God bepaalt. Hoe zouden Jesus, Maria en Jozef wel te Nazareth gebeden hebben ? Zeker hebben zij geen morgen nagelaten, hun hart in het gebed tot God te verheffen. Evenzoo zal men hen 's avonds hebben zien knielen om God te bedanken voor de genade en hulp, hun geschonken, en hen verdere hulp en bescherming gedurende den nacht hebben zien afbidden. Daarmede niet tevreden, verhieven zij dikwijls des daags hunne harten en oogen tot God en droegen al hun werk aan Hem op. Toen de Aartsengel Gabriël aan de H. Maagd de boodschap der Menschwording bracht, trof hij Maria in het gebed aan, en later, toen Haar goddelijke Zoon met Haar in het Huisje woonde, legde zij zich nog meer toe op het gebed. De zegen van God daalde dan ook in rijke mate over deze H. Personen neder. Welk een schoon voorbeeld voor alle christelijke huisgezinnen, een voorbeeld, dat navolging verdient en eischt. Zoo moet het ook een liefelijk schouwspel voor den hemel zijn, als in huis vader, moeder, kinderen en alle ondergeschikten 's morgens en 's avonds en aan tafel de handen vouwen, om te bidden tot den hemelschen Vader. Daar ook zal Gods zegen zijn, God zelf, dezelfde, die in de gedaante van een mensch te Nazareth woonde, en die gezegd heeft: »Waar twee of drie in Mijnen »Naam vergaderd zijn, daar ben in hun middenquot;. Daar ook heerscht, gelijk in de H. Familie te Nazareth, wederzij dsche liefde, liefelijke vrede en eendracht. Is er dus al eens een dag geweest, dat uwe ondernemingen niet slaagden
â 158 â
dat afgekeerdheid en twist onder n heerschten, onderzoekt u dan eens en gij zult gewoonlijk bevinden, dat gij dien morgen niet of slecht gebeden had. Misschien zegt gij: ik heb 's morgens geen tijd om te bidden, ik moet dadelijk aan het werk en de kinderen laten mij geen oogenblik met rust. O christenen, laat u toch niet misleiden door zulke voorwendsels. Is dan de tijd, die men aan het gebed besteedt, verloren ? En het is voldoende als gij maar eenige minuten aan een morgen- en avondgebed besteedt. Ik geloof wel, dat velen van u 's morgens vroeg aan het werk moeten, en dat gij in den laten avond vermoeid zijt; maar als gij dit gering offer van het gebed niet brengt, en daardoor uw werk niet met eene goede meening aan God opdraagt, wat nut zult gij dan nog hebben van al uw werk en moeiten ? Als door het gebed niet Gods zegen er over afgetrokken wordt, dan is al uw werk nutteloos voor de eeuwigheid. Daarom, ouders en kinderen en allen, die mij aanhoort, bidt alle dagen trouw en aandachtig. Daartoe heeft de H. Vader de vereeniging der H. Familie opgericht en zoo dringend aanbevolen, om de beoefening van het gebed, van dit in onze dagen zoo noodig genade-middel meer te bevorderen. En als gij trouwe, ijverige leden dezer vereeniging wilt zijn, laat dan nooit het gemeenschappelijk gebed voor het beeld der H. Familie achter. Arbeidzaamheid, trouwe vervulling der plichten van uwen staat moeten met het gebed hand in hand gaan. Het Huisje van Nazareth geeft ons het beeld van een genoege-lijken arbeid Jozef, de brave Voedstervader leefde met Jesus en Maria in een nederigen staat. Ofschoon hij van koninklijke afkomst was, ofschoon door God tot de grootste waardigheid verheven, schaamde hij zich niet, door dage-lijkschen arbeid in zijne werkplaats voor het onderhoud van het huisgezin te zorgen. Men zag hem den geheelen dag, met slechts eenig poozen rusteloos werken, en Jesus,
â 159 â
de Heer van hemel en aarde, hielp zijnen Voedstervader bij diens werk, om ons een voorbeeld te geven. En wat van Maria te zeggen ? Met alle naarstigheid volbracht zij trouw en onverdroten, stil en ootmoedig alle huiselijke bezigheden. En niemand van deze drie sprak een woord van klagen. Niemand morde, als het werk niet van de hand ging, elk droeg zijne moeiten en lasten aan God op. Gel. Chr., kunnen wij wel krachtiger aangespoord worden, om ook aldus Gods wil te volbrengen door ijverig te werken. Als gij de H. Familie wilt navolgen, tracht dan ook zoo ijverig te zijn, en neemt ook zoo met geduld en onderwerping de moeie-lijkheden van uwen staat aan. Gelijk de vogel tot vliegen, zoo is de mensch geboren om te werken. Werken moet ons leven in stand houden, en is het middel, om ons een eeuwig loon te doen verwerven. Want den navolger der H. Familie moet het niet genoeg zijn, dat hij tijdelijke goederen wint, noch ook moet dat het éénig doel zijner krachtsinspanning zijn; neen hij moet werken voor de eeuwigheid, om door God er voor beloond te worden. Het voorbeeld der H. Familie troost hem, geeft hem moed en kracht, als soms de last en de hitte van den dag hem neerdrukken; het boezemt hem opnieuw vertrouwen in als hij opziet naar het voorbeeld des Verlossers, die den arbeid geëerd en geheiligd heeft, doordat hij vele jaren in de werkplaats van een timmerman heeft doorgebracht. De ware christen moet onvermoeid werkzaam zijn, doch niet zoozeer geld en goed najagen, dat hij de zorg voor de zaligheid zijner ziel vergeet. En evenzeer moet hij zich er voor wachten van het verdiende loon slecht te gebruiken of in onmatigheid te verkwisten.
Gel. Chr., laten wij heden het voornemen maken, van dikwijls met onze gedachten in het Huisje van Nazareth te verwijlen en ons voor den geest te brengen de drie H.
â 160 â
Personen, om van Hen te leeren, trouw te bidden, maar ook stipt onze plichten van staat te volbrengen; wij allen in welken staat of stand wij leven : ouders en kinderen, armen en rijken, arbeiders of ambachtslieden. Het H. Huisje is voor ieder christelijk gezin de beste wegwijzer, vooral in onzen tijd, waarin de meeste menschen er op uit zijn, om het leven zoo aangenaam mogelijk te maken, en het bidden en werken achter te laten, die toch de noodzakelijke voorwaarden zijn tot een ordelijk huiselijk leven. Weest daarom, christelijke ouders, hierop het meest bedacht, dat gij uwe kinderen in de vroegste jeugd reeds liefde tot het gebed inprent, en dat gij hun bezigheid verschaft overeenkomstig hun geslacht en leeftijd ; doch gaat zelve met een goed voorbeeld voor. En als gij dan allen des avonds na volbrachten arbeid te zamen komt bij het beeld der H. Familie om te bidden, dan zullen de hulp en genaden des hemels u ten deel vallen, totdat gij de aarde verlaat, om een eeuwig loon er voor te ontvangen in den hemel. Amen.
XIV.
Tgt;c steftc maatscbappij.
(boor
Est autem quidam homo iht. triginta et octo annos habens in infirmitate una.
Er wan daar een mensch. die. sedert acht en dertig jaren ziek was.
Joan. V, 5.
teeds heeft God in Zijne wijsheid zekere plaats-sen idtgekozen, waar Hij Zijne genaden en weldaden in ruimere mate uitdeelt en de gebeden als liever verhoort. Deze plaatsen werden dan ook door de geloovigen bezocht, met vertrouwen bezocht. Bij menigten trekken godvruchtige menschen, vooral die hulp of genezing van ziekten zoeken, derwaarts. Ten tijde van Christus, en ook nog, naar het schijnt, ten tijde dat de H. Joannes Zijn Evangelie schreef, bestond er ook te Jerusalem een dergelijk genade-oord. Althans de H. Joannes schrijft in Zijn Evangelie. (V. 1â9.) »Daarna was een feest »der Joden, en Jesus ging op naar Jerusalem. En in Jeru-»salem is een schaapsbad, in liet Hebreenwsch bijgenaamd Besaïda, hebbende vijf galerijen. In deze lag eene groote »menigte van zieken, blinden, kreupelen, verlamden, wach-»tende op de beweging des waters. Want een Engel des
11
â 162 -
»Heeren daalde bij tijden in het bad, en het water werd »bewogen. En de eerste, die na de beweging des waters, »in het bad nederkwam, werd gezond van welke ziekte »hij ook bevangen was. En daar was een mensch, die acht »en dertig jaren ziek was geweest. Als Jesus dezen zag liggen en wist, dat hij reeds langen tijd geleden had, sprak »Hij tot hem : Wilt gij gezond worden? De zieke antwoordde »Hem: Heer, ik heb geen mensch, die als het water bewo-»gen wordt, mij in het bad werpe, want terwijl ik kome, »is een ander voor mij ingegaan. Jesus sprak tot hem : »Sta op, neem uw bed op en wandel. Eu terstond werd »die mensch gezond, nam zijn bed op en wandelde.quot; Bij liet lezen van dit Evangelie zal ieder medelijdend hart waarachtige vreugde en tevredenheid er over gevoelen, dat de beklagenswaardige zieke genezen werd. Hoe gelukkig was die aan zich zelve overgelatene mensch, nu de Bron des heils tot hem toetrad en hij dus het heilzame bad niet meer nooodig had ; â nu de Almachtige gesproken had, van Wien alle genezing uitgaat, behoefde het water niet meer voor hem bewogen te worden, daar hij gezond henen ging. Lof en eer aan God, door Wiens almacht en barmhartigheid ook nu nog de blinden zien, de lammen gaan, de melaatschen gezuiverd worden ! Do tegenwoordige toestand der maatschappij kan het best vergeleken worden met iemand die vele jaren ziek is geweest, wiens toestand ernstige bezorgdheid inboezemt, en aan wiens beterschap gewanhoopt wordt, tenzij de hand van den almachtigen en algoeden God genezing bewerke. Ook het lichaam der maatschappij lijdt sinds lang aan gevaarlijke kwalen; met de jaren wordt de toestand hopeloozer en de meening wint al meer veld, dat in dien toestand geene verbetering meer te wachten is. Zij die aldus wanhopen kunnen gelijk hebben, als zij alleeen van menschelijke middelen hulp ver-
â 163 â
wachten; wanneer de menschen echter de hemelsche geneesmiddelen willen aanwenden, en als God Zijne vaderhand uitstrekt, dan zullen zeker betere tijden aanbreken. Bij iedere ziekte, en zeker bij een ernstigen toestand is het zeker van het grootst gewicht, dat het gevaar erkend wordt. Alleen dan wanneer het gevaar wordt ingezien, is het mogelijk de gepaste geneesmiddelen aan te wenden ; dan komt van zelf de goede wil om de voorgeschreven middelen te gebruiken ; en dan is er hoop op beterschap en genezing. Wijden wij heden eens eene bijzondere oplettendheid aan het maatschappelijk lichaam ; trachten wij eens de kwaal uit te vorschen, waaraan het lijdt, opdat het hulp ge worde, zoolang het mogelijk is. Te dien einde moeten we nagaan
I. de verse h ij n s e 1 e n der kwaal; e n II. de geneesmiddele n.
Moge God, de Schepper en Heer van het menschdom, de christelijke maatschappij gezond en krachtig laten zijn, opdat zij Hem met ijver en blijdschap diene!
I.
Een knappe dokter, wanneer hij een zware zieke in behandeling heeft, vestigt zijne aandacht op de verschijnselen der ziekte. Hij onderzoekt aan het lichaam de pijnlijke plaatsen, wint inlichtingen in omtrent den eetlust, de zwakte van den zieke, en op grond van dat onderzoek tracht hij een algemeenen indruk, een juist beeld van de ziekte zich te maken. Laten wij nu ook eens zulke diagnose maken van de zieke, waarover wij het heden hebben, van de christelijke maatschappij. Zij is ziek, en als de gegevens niet bedriegen, gevaarlijk ziek. Hoe is het lijden uitwendig te zien ? Heeft de in gevaar verkeerende wel goeden eetlust ?
â 164 â
Verlangt zij wel naar geschikte dingen, die heilzaam voor haar zijn en die zij kan verdragen? Want zieken moeten ook in eten en drinken, in uitspanning en genietingen de voorschriften van den dokter nakomen. Niet zelden toch gebeurt het, dat zij sterk verlangen naar dingen, welke hun door den dokter verboden zijn. Hoe moeten wij nu op deze punten onze zieke beoordeelen? De christelijke maatschappij heeft, doordat zij in Christus gelooft, de dubbele verplichting-van de eer Gods en het heil der zielen te bevorderen. Slechts dan, als dit het doel van aller streven is, kunnen wij zeggen dat de maatschappelijke toestanden gezond zijn. Al wat met dit streven in strijd is, moet niet gewild zijn. Hoe is het nu hiermede gesteld? Waarlijk, niet best! Waar worden de vragen gesteld, en waar krijgt men een bevredigend antwoord: wat dient ter eere Gods en wat vordert het heil der zielen ? Als ik kerken en kloosters uitzonder, dan worden ze nergens meer gehoord. En toch zijn de christenen leden van kerk en maatschappij, terwijl de kloosters slechts een klein deel dezer laatste zijn. Ik beschouw de rijken en volkeren, de provinciën en steden, de wetgevende lichamen en volksvertegenwoordiging. Wat is hun doel, hun streven? Altijd zie ik hen daarover bezig, om het volk een grooten naam te geven, om de rijkdommen des lands te vermeerderen, om het leger krijgshaftig te maken, om handel en nijverheid tot bloei te brengen; maar de eer van God en het heil der zielen maken nooit een punt van overweging uit. En als deze vraag al eens ooit ter sprake komt, dan stuit ze af op den onwil der vijanden van het goede. Ik richt mijn blik verder op vereenigingen en gezelschappen, op huisgezinnen en particuliere personen. Welk is hun doel en strekking? Het meest geldt wel de ij dele vraag: wat zullen wij eten, wat zullen wij drinken, waarmede zullen wij ons kleeden; ofschoon de Zaligmaker tot het tegen-
â 165
overgestelde aanmaant: weestniet bezorgd daarvoor; »zoekt »eerst het rijk Gods en zijne gerechtigheid!quot; Hierin dus toont de maatschappij duidelijk, dat zij aan eene kwaal lijdt. Want zij verlangt niet naar datgene, wat voor haar heilzaam is en wat zij kan verdragen, maar naar hetgeen voor haar nadeelig en schadelijk is. Zij is inderdaad ziek.
Zetten wij ons onderzoek voort! Is misschien het maatschappelijk lichaam op sommige plaatsen gevoelig en prikkelbaar? Wijst zijn gedrag niet aan, dat het pijn lijdt? De mensch moet volgens Gods beschikking de tegenspoeden on wederwaardigheden van het leven op aarde, als daar zijn: armoede, ziekten, ongelukken, met ovorgeving en geduld, ja zelfs met vreugde aannemen in hoop op eene eeuwige belooning, »Lijdt ten minste met overgeving, als gij het al niet »met vreugde kunt doenquot; zeide de Heer tot Zijnen dienaar, naar luid van Thomas a Kempis. Nog »leef Ik,quot; vervolgt hij, »en ben bereid u te helpen. Wees gerust van geest en »omgord u met grooter geduld.quot; Welke verschijnselen zijn nu heden bij de maatschappij op te merken? Ach, noem ik maar het woord: armoede, dan zidt ge moeten zeggen, dat ge u iets smartelijks te binnen hebt gebracht. Zij die rijkdommen bezitten, worden dadelijk bevreesd en geraken in verwarring; en zij die arm zijn, schijnen geen einde aan hun klagen te kunnen vinden. Van geduld en christelijke over-geving is geen sprake meer. Spreek eens tot de leden van de tegenwoordige maatschappij over lijden en beproeving; sidderen en beven overvalt hen; leidt bij hen het gesprek eens op de eeuwigheid, gij zult bevinden dat zij onrustig, radeloos worden en alles aanwenden om die lastige, bittere gedachten uit het hoofd te zetten. Ach, wie zal het ontkennen : de maatschappij is niet wél; zij is ziek, ernstig ziek.
Bij onze zieke valt nog een staat van noodlottige zwakte op te merken. De particuliere christen, gelijk ook
de christelijke maatschappij moet sterk zijn tegen het kwaad en in het goede. Het kwaad en die het kwaad veroorzaken: de drie vijanden, wereld, duivel het vleesch moeten onvermoeid en onophoudelijk door haar bestreden worden. In plaats daarvan behaalt de drievoudige vijand altijd de overwinning. De duivel, de vorst der hel, breidt zijn rijk en zijn invloed onder alle standen der maatschappij meer en meer uit: de goddelooze wereld krijgt immer meer aanhangers en het vleesch met zijne genietingen en verleidingen houdt de menschen in zijne rampzalige boeien gevangen. Evenzoo moest het goede; godsvrucht, deugd, gebed, zelfverloochening door particuliere personen en door de maatschappij worden gezocht en nagestreefd. Maar wat lichtzinnigheid en welke verzuim heerscht hierin! Hoe gering is de ijver, en hoe nietig en klein de vooruitgang! God heeft in zijne genademiddelen aan de maatschappij krachtige hulp geschonken; die middelen worden niet of ter nauwer-nood gebruikt, en kunnen dus geen sterkte of kracht geven. Deze zwakte is een ernstig verschijnsel. Het maatschappelijk lichaam is ziek, bedenkelijk ziek!
Welke is nu de algemeene indruk, die de zieke op ons maakt, welk beeld hebben wij van zijn toestand gevormd? Helaas! deze toestand vervult ons terecht met bezorgdheid. Alleen dan kan men zeggen, dat de maatschappelijke toestanden gezond zijn, als de door God gewilde orde overal doorgedrongen is en overal aangenomen wordt. Doch het is in de maatschappij zoover gekomen, dat men van God noch gebod iets meer weten wil. In de maatschappij dienden de beginselen van Christus en van het Evangelie te heerschen, maar onze tegenwoordige wereld heeft meestal het christelijk kenmerk verloren, doordat zij zaken toelaat en zelfs wettigt, welke meer aan het Heiden- en Jodendom passen dan aan het Christendom. Nooit wordt in eene gezonde
â 167 â
christelijke maatschappij het hoogste doel van den mensch uit het oog verloren; thans echter heeft men zich er aan gewend, de eeuwigheid te vergeten of ze geheel weg te cijferen, en vergoeding er voor te zoeken in de goederen dezer wereld. â Neen, men kan de gedachte niet van zich afzetten, dat de maatschappij zich in een ellendigen toestand bevindt; zij heeft alle teekenen van een gevaarlijken zieke. â Zou er nog hoop op redding zijn? Ja, redding is nog mogelijk, als de hemelsche geneesheer hulp biedt en als do noodzakelijke geneesmiddelen niet verwaarloosd worden.
II.
De diagnose, die wij instelden, heeft ons den treurigen toestand der maatschappij en de kwaal doen kennen uit de verschijnselen der ziekte. Do kwalen, die wij in de gelegenheid waren te ontdekken, zijn vele. Ik geloof echter niet te missen, als ik twee hoofdkwalen aanwijs, waarop allo andere berusten; en als ik zeg, dat mot de genezing van deze twee liet geheele lichaam der maatschappij gezond zal worden, en wel:
I. de algemeene zwakte in geloof; en
II. de w e r e 1 d z i n.
1. Als ik mij juist wilde uitdrukken, dan moest ik op de eerste plaats eigenlijk zeggen: het meest dreigend volslagen ongeloof en zwakte in geloof. Men kan onzen tijd het verwijt van bijna volslagen ongeloof niet besparen. Er zijn thans velen, niet Heidenen, Joden of Turken, maar Christenen, die in het geloof geheel schipbreuk geleden hebben, die aan niets meer gelooven, aan geen God, geeno schepping, noch aan verlossing of heiligmaking, aan geene Kerk, geeno eeuwigheid of vergelding. Voor zoover deze aangaat, moest ik eigenlijk zeggen: do maatschappij is niet
- 168 -
ziek, maar alreeds dood. Dit gedeelte kan dan ook slechts door een wonder van genade tot hot leven terugkeeren. Meent niet, Gel. dir., dat ik der christelijke maatschappij onrecht aandoe, als ik velen harer leden tot het volslagen ongeloof reken. Dat zij gedoopt zijn en den naam van christen willen dragen, zal ik laten gelden. Maar wat te zeggen van gedoopte christenen, die jaar in jaar iiit aan geen godsdienst meer doen, die gedurende jaren de H. Sacramenten niet meer ontvangen, die het Woord Gods minachten en met de heiligste zaken den spot drijven? Zijn zij niet erger dan ongeloovigen ? En zijn er zoo niet A'elen? Hoe groot echter hun getal is, toch maken zij niet de meerderheid uit. Wèl echter moet gezegd worden, dat het grootst getal christenen zwak is in het geloof. De meesten zijn christenen, die nog geloof bezitten en zouden terugschrikken voor geloofsafval; doch hun geloof is zwak. Het kan niet vergeleken worden bij eene helder opbrandende vlam, maar bij een flikkerende pit; niet bij knetterende vonken maar bij een kool vuur, die onder de asch smeult. De algemeen heerschende ongevoeligheid bij het gebed en het ontvangen der H. Sacramenten; de lichtzinnigheid, waarmede de geboden der Kerk omtrent het vieren der zon- en feestdagen, omtrent het onderhouden der vastendagen nageleefd worden; het ellendig menschelijk opzicht van bespot of uitgelachen te worden om wille van de Kerk of den godsdienst; â welke andere verklaring er van te geven; hoe is dit alles mogelijk, als het den christen niet ontbrak aan standvastigheid en kracht in zijn geloof? Eene der voornaamste kwalen dus, waaraan de maatschappij lijdt en waartegen alle voorzorgen moeten genomen worden is, de algemeene zwakheid van geloof. »De hemelsche geneesheer,quot; schrijft de H. Gregorius de Groote, »heeft in zijne leer voor elke kwaal het passend geneesmiddel aangegeven. Evenals in de genees-
169 â
»kunde hitte door koude en koude door hitte genezen »wordt, zoo heeft onze Heer ook voor de zonde tegenover-'gt;gestelde geneesmiddelen gegeven, en heeft Hij den wellus-»tigen onthouding, den hebzuchtigen mildheid, dan gram-»möedigen, zachtmoedigheid, den hoovaardigen nederigheid »voorgeschreven.quot; Welk is nu het belangrijk geneesmiddel, dat de lauwheid in het geloof moet genezen? Natuurlijk g'een ander dan een onwrikbaar geloof, steunend op overtuiging. De maatschappij moet weer doordrongen worden van het geloof in God en van Zijne Voorzienigheid; van 's menschen volledige afhankelijkheid van den Schepper en zijne verantwoordelijkheid aan den alwetendenRechter; dan, maar ook dan alleen is er hoop, dat er verbetering komt in de ongelukkige toestanden. Het doel nu en het streven van de vereeniging der H. Familie is, om dit geloof in de christelijke huisgezinnen te doen leven en te verbreiden. De huisgezinnen, die er lid van zijn, moeten het door gebed en door hun goed voorbeeld daarheen leiden, dat in plaats van een zwak een krachtig geloof trede, dat lafheid en lauwheid plaats maken voor een ijverig en vurig geloof.
2. De andere kwaal, waaraan de maatschappij lijdt, is wereldzin. De oorzaak van dien wereldzin is: ongeloof of zwak geloof. Waar het geloof niet levendig is, daar worden hart en geest in het aardsche verstrikt. Wijl deze wereldzin al grooter verhoudingen aanneemt en zoo noodlottige gevolgen heeft, dunkt het ons wel nuttig, dien eens verder na te gaan.
De wereldsche zin of de ongeregelde neiging des harten tot het aardsche is eene verkeerdheid. De mensch is voor de eeuwigheid en den hemel geschapen; wanneer hij echter slechts streeft en haakt naar het tijdelijke en aardsche, dan komt hij in botsing met zijne levenstaak en bestemming. De belangrijke regel, welke aan de verhouding
- 170 â
des menschen en dus ook aan het geheele menschdom do ware richting moet aangeven, ligt in de woorden van Christus : »Zoekt eerst het Rijk Gods en Zijne gerechtig-»heid.quot; (Matt. VI, 33.); en in de vermaning van den Apostel: »Zoekt wat daarboven is, waar Christus is en neerzit »aan de rechterhand Gods. Zint op hetgeen daarboven, »en niet op het aardsche.quot; (Col. Ill, 1, 2.) Bij welke menschen nu wordt deze regel nageleefd ? waar is hij nog in zwang ? Helaas ! de menschen, die »kinderen Godsquot; heetten, hebben dezen eeretitel weggeworpen en zijn «kinderen »der wereldquot; geworden. Zij putten hunne krachten uit in dezen onwaardigen dienst, als ware de aarde hunne blijvende woonplaats. Altijd jagen zij bijzaken na: rijkdom, eer, genot; en voor de hoofdzaak : het rijk Gods,gevoelen zij niets. »Zij hebben veel weg,quot; zegt de eerbiedwaardige Beda, »van de vogels, die allerlei glinsterende en'blinkende »en kostbare voorwerpen rooven, en die in hunne nesten »opeenhoopen, zonder er â iets mode te kunnen of willen doen. Zoo is hot ook bij wereldgozinde menschen : het bij elkaar schrapen is hun een genot; hebben en bezitten hun liefste werk, hun grootste vreugde. Zij zijn daarin zoo verblind, «dat zij bij hun overbloed gebrek lijden en bij een gevulde gt;kast meenen te verhongeren ; dat zij steen en been kla-»gen over gebrek en nood, de medemenschen ergeren en »God smadelijk lasteren, die hun heeft gezegend.quot; Inderdaad zóó zijn die menschen! Zij zijn dag en nacht bekommerd over het onnoodige ; en zij hebben geen zorg of tijd voor hetgeen noodzakelijk is. Is dat niet erg en een jammerlijke toestand ? Want men moet werkelijk niet langer wachten met het aanwenden van het passend geneesmiddel. Welk dit is ? De aarde heeft zich tegen den hemel gestold, zoo moot nu ook de aardsche gezindheid plaats maken, door zin tot het hemelsche aan te kweokon en dien te ver-
breiden. Wederom moet de overtuiging ingang vinden, dat al het aardsche ijdel en nietig en der moeiten niets waardig is, maar dat daarentegen het hemelsche kostbaar is en stand houdt, en verdient nagestreefd te worden. In het bijzonder en in het openbaar leven moet alles uitgaan van en geordend worden uit het beginsel dat er eene eeuwigheid bestaat, en alles aangewend worden, wat dat doel kan doen bereiken. Al wederom hoeft de vereeniging der H. Familie de eervolle taak deze genegenheid tot het bovennatuurlijke op te wekken, te voeden en te verbreiden. Zij brengt het huisgezin voor hot beeld der heiligste Personen, die in hun ncdorigen staat groot waren bij God ; die ofschoon op aarde levende, toch eerder een hemelsch dan oen aardsch leven leidden. Dit beeld doet duidelijk uitkomen, hoe nietig het aardsche, van hoeveel waarde daarentegen het geestelijk leven is. Moge dat overal begrepen en ter harte genomen worden !
Dit dan. Gel. Chr., is de ziektetoestand der tegenwoordige maatschagpij, en deze zijn de ware middelen, welke eerst eens gebruikt moeten worden, als men verbetering-wil erlangen. De kwaal is verouderd en gevaarlijk. Maar de geneesmiddelen zijn krachtig, zoodat gegronde hoop op redding bestaat, als zij nauwkeurig en voortdurend worden gebruikt. Voorzeker, als levendig geloof de harten bezielt, als de zin meer op het hemelsche wordt gezet, dan zal de goddelijke geneesheer ook zijne hulp niet weigeren, en zal de maatschappij langzamerhand herstellen van do kwalen, waaraan zij lijdt. Deze wonderdoende Geneesheer hoeft gedurende zijn sterfelijk leven aan zoovelon, die ernstig ziek waren, do gezondheid weergegeven. Bidden wij dan, dat Zijne wonderdoende hand ook de gezondheid teruggeve aan de zieke maatschappij, die er zoozeer behoefte
â 172 â
aan heeft. De godsdienstige vereeniging der H. Familie blijkt als eene bron te zijn, waaruit heilzame kracht over de maatschappij wordt uitgestort. Beminnen wij dan deze vereeniging, stellen wij haar op prijs en blijven wij er ijverige leden van. Als wij haar doel bevorderen, zullen wij veel hebben bijgedragen tot heil der maatschappij. Amen.
___
' xXjLJLjfjLjtjfjl '
XV.
Inurclijf, grondslag ^cr maatschappij.
(c*oor Kapelaan Croncnbcrg.)
Quamohrem rclinquet homo patrcm snnm et matrem et ndhaerebit uxori suae: et cnmt duo in cnme una.
Daarom zal de mensch zijn rader en moeder veriaten en zijne vrome aanhangen : en zij zullen twee zjn in één vleesch.
Schcpp. II, 24.
|| elijk iedere mensch als schepsel voor God bestaat zoo ook de vereeniging van alle menschen als één geheel, als de samenleving of maatschappij. De menschen zijn n.1. met elkander tot eene maatschappij verbonden door de gelijke natuur: lichaam en ziel; en door gelijke levensvoorwaarden. Allen komen op dezelfde wijze in de wereld, en verlaten ze op dezelfde wijze: geboren worden en sterven zijn de uiteinden van ieder menschen-leven. Hunne zelfde behoeften is een andere band, die hen te zamen houdt: lichamelijke, als : eten en drinken, werk en rust; â geestelijke, als : geloof en godsdienst. Eindelijk nog verbindt hen een zelfde streven: de zucht namelijk naar geluk, en de hooi) dat deze gelukzaligheid verder zal reiken dan het tijdelijk leven en in een ander leven eeuwig zal duren. Zoo moeten wij ons de vereeniging der menschen
â 174 â
voorstellen, welke ook wel, omdat God allen geschapen heeft, het Godsgezin kan genoemd worden.
De Schepper van het menschelijk geslacht heeft de instandhouding er van bezorgd door samenvoeging van eenige weinige personen, welke samenvoeging ordelijk opgezet en samengesteld, bij alle volken in meer of minder volmaakten vorm of ook wel in vervallen staat voorkomt. Wij kennen deze samenvoeging ; het is het huisgezin. God wilde het behoud van het menschelijk geslacht niet aan het toeval overlaten ; en daarom moet volgens Zijn Wil ook het huisgezin noch in zijn ontstaan, noch in zijn voortbestaan aan willekeur worden prijsgegeven. De Heer legde er dus een vasten, bepaalden en verzekerden grondslag van door de instelling van het huwelijk, waardoor man en vrouw verbonden worden tot een gemeenschappelijk leven. »Daarom zal de mensch vader en moeder verlaten en zijne »vrouw aanhangen, en zij zullen twee zijn in één vleesch.quot; (Schepp. II, 24.)
Gelijk nu God het eerste menschelijk gezin vestigde op het huwelijk, zoo gaf hij bij het begin van het Nieuw Verbond aan het eerste Huisgezin, waaruit de Verlosser der wereld zou voortkomen, ook het huwelijk ten grondslag. Daarom stel ik deze overweging over het huwelijk als grondslag van het huisgezin, onder bescherming der H. Familie ; en zal behandelen:
I. Het wezen, e n
H. De u i t w e r k s e 1 e n van het h u w e 1 ij k.
I. Het huwelijk is volgens den Roomschen Katechismus de verbinding van man en vrouw tot een onverbreekbaar gemeenschappelijk leven. God heeft het huwelijk oorspronkelijk ingesteld als een natuurlijk verbond: »Als man en »vrouw schiepHij hen.En God zegende hen en sprak: groeit en »vermenigvuldigt u.quot; (Schepp. I, 27, 28.) Het doel van deze
â 175 â
natuurlijke door God gewilde orde is dit, dat de voortplanting van het menschelijk geslacht door de vereeniging van man en vrouw mogelijk zij. Als echter de H. Schrift uitdrukkelijk vermeldt, dat de vrouw geschapen is om de hulpe van den man te zijn, dan wordt daardoor de menschelijk en zedelijke strekking van het huwelijk aangegeven, waardoor het van de enkel dierlijke is onderscheiden. Vandaar dat wij bij de menschen, behalve geslachtsdrift, kunnen waarnemen eene voortdurende liefde tusschen man en vrouw, hiervan onafhankelijk en er boven verheven; en evenzoo eene neiging tot onderwerping en opoffering van man en vrouw onderling, welke alle omstandigheden des levens voor hen gemeenschappelijk doet zijn. Zoo leidt het huwelijk tot het doel, dat God er meê vóór had, tot het huisgezin, waarin het jonge hulpelooze kind niet alleen lichamelijke verzorging krijgt, maar ook door middel van de spraak en de zeden, d. i. door de opvoeding, tot geestelijke volmaaktheid kan geraken.
2. Opdat echter dit doel werkelijk bereikt worde moet het huwelijk twee eigenschappen hebben, n. 1. eenheid en onverbreekbaarheid. De eenheid des huwelijks bestaat daarin, dat de verbintenis slechts tusschen één man en ééne vrouw worde aangegaan. Want de volmaakte liefde en onderwerping, welke tot het wezen des huwelijks behooren, zijn slechts mogelijk jegens een enkelen. De opvoeding ook eischt, dat vader en moeder samenwerken. Dat kan dan alleen gebeuren, als het huwelijk één is. Bovendien, de vrouw kan hare waardigheid als echtgenoote en moeder alleen dan hebben en behouden, als het huwelijk één is. De Schepper heeft dan ook de éénheid van het huwelijk ingesteld, toen Hij de menschen schiep als man en vrouw, en toen Hij deze aan gene tot hulpe gaf. En zoo heeft ook Adam deze verbintenis als één opgevat en er van getuigd: »daarom zal de
Ã
mensch vader en moeder verlaten en zijne vrouw aanhan-»gen, en zij zullen twee zijn in één vleesch.quot; Zou men hieraan nog twijfen, dan is toch zeker de uitspraak van Christus overtuigend, die zegt: dat Adam, op ingeving van God dit zeide, (Matt. XIX, 4, 5.) dat Adam, door God voorgelicht en onderwezen dit heeft gezegd. Bovendien wijst Christus op de innige gemeenschap van lijf en leven, die er tusschen man en vrouw bestaat, doordat Hij er bijvoegt: »zoo zijn »zij niet twee, maar één vleesch.quot; Het doel, dat ieder huisgezin voor zich en voor de maatschappij heeft na te streven, vooral de opvoeding eischt de onverbreekbaarheid van het huwelijk. Alleen de mensch heeft het echtelijk gevoel van liefde. Bij het aangaan van een huwelijk heeft elk de bedoeling, ernstig en on wederroepelij k zich in lief en leed te willen verbinden voor het leven; en dit is het wezen van de echtelijke liefde. Daarbij staat het huwelijk door zijne bestemmingen ook door de bedoeling dergenen, die het aangaan, zóó hoog, dat al het andere daarop zonder invloed is, of als een bijzaak schijnt en aan hartstocht onderworpen. Wat aldus do natuur van het huwelijk van zelfs meebrengt, dat moet God bij de instelling er van er aan hebben vastgehecht. Do goddelijke Verlosser zelf getuigt, dat God het huwelijk als onverbreekbaar heeft ingesteld. Toen namelijk de Pharizeëen, om Hem op proef te stellen. Hem vroegen dat Hij zijn gevoelen zou zeggen over de toenmaals opgeworpen vraag, of het den man geoorloofd was, zijne vrouw om iedere rede wes te zenden, antwoordde Jesus: »Wat God heeft verbon-
O '
»den, dat scheide geen mensch.quot; (Matt. XIX, 6.) Dan beriepen zij zich op Mozes, dat hij bevolen had aan de vrouw een scheidingbrief te geven. Waarop de Zaligmaker tot hen sprak: »Mozes heeft, om de hardheid uwer harten, u veroorloofd uwe vrouwen te verlaten, maar van den beginne »was het zoo niet.quot; (Matt. XIX, 8.) Hier hebt gij dus het
â 177 -
getuigenis van den Zoon Gods, dat God het huwelijk als onverbreekbaar heeft ingesteld.
3. Hebben wij tot nu toe het huwelijk van natuurlijk standpunt beschouwd, dan moet dat ons reeds overtuigd hebben van de hooge waarde, de noodzakelijkheid en het gewicht, die God aan het huwelijk hoeft gegeven. Christus erkent ook het natuurlijk huwelijk, zooals hot door God in het paradijs is ingesteld ; Hij gispt alleen de misbriiiken die er tijdens do oude wet zijn ingeslopen door de zwakheid der menscholijke natuur, of door don omgang dei-Joden met do Heidenen, of door do willekeurige verklaring welke de joodsche leeraars aan dozo eerbiedwaardige instelling gaven. Doch Hij was niet gekomen, zooals Hij zelf zoide, om do wet en do profeten op te heffen, maar om ze te vervullen: en zoo verzette Hij zich niet tegen het huwelijk der natuurwet, maar wilde er eeno hoogore wijding oneen zekeren waarborg aan verschaffen. Daarom verhief Hij hot tot een Sacrament dor Nieuwe Wet. Als de Zaligmaker op de bruiloft te Cana het huwelijk wilde eeren door Zijne tegenwoordigheid, dan liet Hij het hierbij niet, maar toonde door hetgeen Hij vorder deed, dat moor eerbied aan hot huwelijk toekomt. Want toon de voorraad wijn uitgeput was, voorzag Hij hot bruidspaar door een wonder van nieuwen en boteren wijn. In dit eigenaardig wonder moon ik eene vingerwijzing des Zaligmakers te bespeuren naar eene genadodaad. Hot echtverbond van deze bruidslieden werd gesloten in tegenwoordigheid van don God-Monsch, den Stichter van het Nieuw Verbond, on word daardoor op bijzondere wijze geheiligd, eene heiliging die van nu af aan allo huwelijken van hot N. Verbond zou geschonken worden. Uit het huwelijk onder het O. Testament kwamen kinderen in de orde dor wet voort; iiit dat van hot N. Testament zouden kinderen in de orde dor genade
12
178 â
voortspruiten. Daar nu Christus op de bruiloft te Cana water in wijn veranderde, mogen we het huwelijk van de Oude Wet bij het water; dat der N. Wet bij den wijn vergelijken. Zooveel edeler de natuur van wijn boven die van water is, zooveel waardiger is ook het huwelijk van het Nieuw, boven dat van het Oud Verbond. En hetgeen Christus met zijn eerste openbaar wonder heett beteekend, heeft Hij ook daadwerkelijk uitgevoerd. Want nadat Hij de Pharizeëen, waarover boven gesproken is, had terechtgewezen, gaf de Verlosser met betrekking tot het huwelijk Zijne wet, waarbij Hij met de beteekenisvolle woorden begint: maar Ik zeg uquot; (Matt. XIX, 9.) d. i. in het Verbond, onder de orde der wet was het anders, maar Ik ga u nu zeggen, hoe het in de orde der genade zal zijn.
De Apostel Paulus geeft in zijn Brief aan de Ephesiërs een volledig onderricht over het huwelijk. Daarin zegt hij, dat het een Sacrament is, geeft het uitwendig teeken er van aan, alsmede waarom het een Sacrament is, en onderwijst man en vrouw omtrent hunne plichten. Hij haalt ook de woorden aan, welke Adam in het paradijs uitsprak en welke Christus gebruikte: daarom zal de mensch vader en »moeder verlaten en zijne vrouw aanhangen, en zij zullen »twee zijn in één vleesch.quot; (Eph. V, 31.) De Apostel nu duidt als het uitwendig teeken van dit Sacrament aan, de innige vereeniging en de onherroepelijke overgave van lichaam en ziel. Ditquot; (d. i. deze innige vereeniging) »is een groot Sacrament, ik zeg: in Christus en in de Kerk.quot; (Eph. V, 33.) Het huwelijk is dus een zoo groot Sacrament, omdat die verbintenis eene afbeelding is van die verheven verbintenis, welke tusschen Christus en de Kerk bestaat. De Apostel vergelijkt dan ook den man bij Christus en de vrouw bij de Kerk. Gelijk Christus de Kerk niet verlaat en de Kerk nimmer van Christus afgaat, zoo moeten man en
- 179
vrouw ook door een onoplosbaren band verbonden zijn. Ook als de Apostel de wederzijdsche verplichtingen tusschen man en vrouw aangeeft, gebruikt hij daartoe ais maatstaf de verbintenis tusschen Christus en de Kerk. Want hij zegt: »de man is het hoofd van de vrouw, gelijk Christus
diet hoofd der Kerk is;..... gelijk de Kerk aan Christus
»onderworpen is, zoo moeten ook dé vrouwen in alles aan
»hare mannen onderdanig zijn..... Mannen, bemint uwe vrou-
»wen, gelijk Christus de Kerk bemint en zich voor haar «gegeven heeft.quot; (Eph. V, 23, 24, 25.)
Zeker is dus, dat het huwelijk een Sacrament is. Dat heeft de Kerk ook uitgesproken op de Kerkvergadering van Trente: Die zegt, dat het huwelijk niet waarachtig en eigenlijk is een der zeven Sacramenten van de Evange-
»lische Wet, dooi- Christus den Heer ingesteld..... die zij in
»den ban.quot; (Conc. Trid. sess. 24, Can. 1.) Dezelfde Kerkvergadering leert, dat in het huwelijk de door Christus »verdiende genade van het Sacrament de natuurlijke liefde volmaakt, de onverbreekbare eenheid bevestigt, en de echtgenooten heiligt.quot; (Con. v. Fred. ss. 24, in proem.)
II.
1. Als wij zien, dat ten tijde der natuurwet en ook nu nog bij natuurvolken het sluiten van een huwelijk met zekere feestelijkheden gepaard gaat, dan heeft dat alleen ten doel, het sluiten van het huwelijk te bevestigen en daarover in wereldsche vreugde uitdrukking te geven. In de wet van Mozes vinden wij geene bepalingen omtrent godsdienstige feesten bij het sluiten van een huwelijk. Christus echter heeft het huwelijk binnen het bereik van den godsdienst gebracht; Hij heeft er eene hoogere waardigheid, eene godsdienstige wijding aan gegeven door het tot een Sacra-
â 180
ment te verheffen; en daarom noemt de Apostel het:» hono-»rabile connubium,quot; »eene eerbiedwaardige verbintenis.quot; (Hebr. XIII, 4.) De eerbiedwaardigheid deelt het huwelijk mede aan het huisgezin en brengt dit aldus op godsdienstig terrein. De natuurlijke banden zijn bij 'smenschen verdorvenheid door de erfzonde niet sterk genoeg, om het geheele gezin bijeen te houden, zooals liet voorbeeld der Heidenen en Joden ons toont. Deze natuurlijke banden zijn niet sterk genoeg, om het bewustzijn van plicht stand te doen houden en die verplichtingen op den duur te doen nakomen. Maar het huisgezin, dat op den grond der Kerk gevestigd is, neemt deel aan haar leven der genade, staat onder toezicht der overheid en geniet alle steun en bescherming, welke de Kerk aan hare instellingen verleent.
Dewijl nu het huisgezin der Kerk behoort, beschouwen de echtgenooten zich als christelijke echtelieden, hunne verbintenis als heilig in Christus en in de Kerk, hunne huwelijksbelofte als een heiligen eed, dien zij voor Kerk hebben afgelegd en van welks naleving zij aan God als Rechter rekenschap moeten geven. Als christelijke echtelieden beschouwen zij hunne kinderen ook niet als natuurlijke gaven, of wel als dingen, waarover zij naar willekeur beschikken kunnen, maar als heilige panden, die God hun geschonken heeft maar die Hij ook uit hunne hand opvorderen zal. Omdat het huisgezin op christelijken bodem geplant is, heeft het recht, voor de kinderen eene christelijke opvoeding te vorderen; en de ouders zijn verplicht, door eene christelijke opvoeding aan hunne kinderen de eerste beginselen der christelijke leer in te prenten.
Dewijl het huisgezin op christelijken bodem staat, geniet het ook in de ruimste mate de bescherming der Kerk. Machtigen steun, krachtige hulp vindt het huisgezin in do bescherming der Kerk. De christelijke leer doet aan het.
â 181 -
huisgezin het middel aan de hand, om allo verhoudingen te regelen; zij vermaant de echtelieden tot opofferende liefde, tot onverbreekbare trouw, tot heilige schaamte ; zij houdt de kinderen voor: godsdienstigheid, bescheidenheid en gehoorzaamheid aan hunne ouders; zij eischt van de ouders, dat zij hunne kinderen naar lichaam en ziel opvoeden, over hunne zeden waken en hen aan verstandige tucht gewennen ; zij onderricht ouders en kinderen, wat inderdaad de tijdelijke goederen waard zijn, en hoe zij verplicht zijn te werken ; eindelijk : zij legt in den schoot des huisgezins de kiemen neer van alle huiselijke en burgerlijke deugden. Krachtige hulp wordt aan do huisgezinnen nog geschonken door de HH. Sacramenten der Kerk : het H. Doopsel maakt de kinderen des gezins tot vaten van heiligheid, tot tempels van God, tot levende ledematen van Christus' lichaam ; in het Vormsel worden diezelfde kinderen tot strijders van Christus gezalfd, en mot kracht en sterkte uit den Hooge toegerust, om den strijd gedurende den pelgrimstocht op aarde, dien de H. Man Job een »krijgsdienstquot; noemt, moedig en met een goeden uitslag te voeren. En wie zal zeggen, wat heerlijks in de huisgezinnen uitgewerkt wordt door het H. Sacrament der Biecht! En wie weet niet dat de band der liefde telkens nauwer wordt toegehaald, als de leden des gezins aanzitten aan de Tafel des Heeren ? Ja, dan zelfs, als de ziekte van één lid des gezins de harten van allen met droefheid vervult, dan putten nog allen troost en berusting iiit den troost en de overgeving, welke het H. Oliesel aan den zieke gebracht heeft. De Kerk heeft ten allen tijde het huisgezin steun verschaft en voor de rechten van hetzelve gestreden.
2. De katholieke Kerk heeft de overtuiging, dat het huisgezin met het huwelijk staat of valt. Daarom waakt zij met de grootste zorg over de heiligheid van het huwelijk.
- 182
beschouwt hen, die in echtbreuk openbaar leven als misdadigers, die zich aan de heiligheid van het huisgezin vergrijpen, laat hen niet toe tot het ontvangen der HH. Sacramenten en weigert hun, als zij onboetvaardig sterven, de eer der christelijke begrafenis. Eveneens behandelt zij hen, die burgerlijk gescheiden, op nieuw een huwelijk hebben aangegaan. Wanneer de Kerk soms, als verder samenleven der echtelieden onmogelijk is, scheiding van tafel en bed toestaat, dan wordt zulke scheiding nog slechts door den Bisschop uitgesproken, en niet dan na beproefd te hebben, of de verhoudingen niet kunnen verbeterd worden.
De Kerk beschermt het huwelijk niet alleen tegen minderen, maar ook tegen de aanzienlijken. Geene macht ter wereld heeft kunnen bewerken, dat de Kerk de scheiding van een geldig huwelijk toeliet, ook niet van een machtig vorst. De geschiedenis weet te verhalen van talrijke twisten tusschen de priesters en de wereldlijke macht: het ging gewoonlijk over de heiligheid en onverbreekbaarheid van het huwelijk. Vele vorsten, die eerst vrienden en begunstigers van Pausen en Bisschoppen waren, hebben in de Kerk onverzettelijken tegenstand ontmoet, als zij de éénheid, heiligheid of onverbreekbaarheid van het huwelijk aanrandden, en aldus het huisgezin in diens grondslagen aantastten. Vele namen zou ik kunnen noemen van af Lotharius, de Karolingische vorst in de 9e eeuw tot Napoleon I bij het begin der XIX eeuw.
Als er sprake was van het huwelijk, dus van het in-stand houden van het huisgezin, dan heeft de Kerk het niet gelaten bij enkel tegenstand of bij het toepassen barer straffen, neen; dan heeft zij vervolging en verdrukking onderstaan, ruw geweld over zich laten komen, ja het moeten aanzien, dat geheele rijken van Haar afvielen. Ik herinner slechts aan den afval van Engeland in de 16° eeuw.
â 183
aan den marteldood van Fisscher, den Bisschop van Londen, van den kanselier Thomas Morus en van zoovele Katholieken van Groot-Brittanië.
En nu, Gel. Chr., danken wij den almaehtigen God, dat Hij, nadat Hij alles uit het niet te voorschijn geroepen en den mensch naar Zijn beeld geschapen had, u ook met eene gezellin zoo onafscheidelijk vereenigd heeft, dat het lichaam der vrouw gevormd is uit liet wezen van den man, om beiden en ons allen te leeren, dat het niet geoorloofd is, te scheiden wat naar zijn Zijn wil en Zijne instelling van den beginne af één is geweest. 1) Amen.
1) Naar ccnc oude Pracfatic van de Mis voor Bruidegom en Bruid.
XVI.
(Dim* l^ct Dcrual van liet fyupdijf in ^cn tcgenipoor^igcn tij^.
(!gt;oor ^tich.)
Moyses ad dwitimn cordis vestri per-misit vohis dhmttcre it.rorcst vestros; ah initio autem non fuit sic.
Mozcs heeft. 0)n de hardheid weer harten, it veroorloofd, mee vrouwen te verlaten ; maar van den beginne was het zoo niet. Matt. XIX, 8.
ijjftv door God den almachtigen Schepper en wijzen
pl Bestierder aller dingen ingestelde huisgezin, en
de maatschappij, die daaruit bestaat en daarop rust, hebben hun grondslag en dus hun gewichtigsten steun en eerste begin in het huwelijk. Is van een gebouw het fundament goed, dan staat de bouw van zelfs stevig ; maar ook het sterkste gebouw kan op den duur niet staande blijven, als het fundament niet deugt.
Die aan de fundamenten raakt, doet het geheele gebouw-schudden, en die dit verwoesten wil, bereikt het zekerst zijn doel, als hij het fundament ondermijnt. Met het fundament staat of valt het geheele gebouw. Is nu, gelijk ik gezegd hebt het huwelijk het fundament, waarop het belangrijk gebouw van het huisgezin en der geheele maatschappij staat.
â 185 â
dan is het bij den eersten oogopslag duidelijk, van hoe groot gewicht het huwelijk is en hoe verderfelijk het is, aan dat fundament te tornen. Het mag dus gegrond en te recht beweerd worden dat, als het huwelijk in den heiligen staat, waarin God gewild heeft, behouden blijft, ook het huisgezin en de maatschappij in stand zullen blijven; maar dat met het verval van het huwelijk ook het huisgezin en de maatschappij hunnen ondergang te gemoet gaan. Het is daarom te begrijpen, dat de Allerhoogste deze verhouding van onoverzienbare draagwijdte, de huwelijksverbindtenis, niet aan de willekeur der menschen heeft overgelaten, maar dat Hij zelf deze zaak met goddelijke wijsheid geordend en geregeld heeft. Jesus, de goddelijke leermeester, verdedigde steeds met klem de oorspronkelijke instelling en heiligheid van het huwelijk tegen de dwalingen, welke zelfs bij het uitverkoren volk Gods waren ingeslopen Eens kwamen de Pharizeëen bij Jezus, om Hem, zooals zij dikwijls vruchteloos gedaan hadden, te beproeven en op een valsche leer te betrappen. Zij stelden Hoiji dan de vraag: gt;Is het een »man geoorloofd, zijne vrouw te verlaten, uit welke oorzaak »ook? Hij antwoordde en sprak tot hen: Hebt gij niet ge-dezen, dat Hij, die in den beginne den mensch heeft gescha-»pen, hen man en vrouw heeft gemaakt, en gezegd: hierom gt;gt;zal de man vader en moeder verlaten, en zijne vrouw »aanhangen, en de twee zullen in één vleesch zijn. Zoo zijn »zij niet meer twee, maar één vleesch. Daarom hetgeen God -heeft verbonden, scheide de mensch niet.quot; (Matt. XIX, 3â6.) Zij meenden er zich al over te mogen verheugen, dat zij Jesus in tegenspraak met Mozes hadden gebracht en daarom vroegen zij met heimelijk leedvermaak: »Waarom »heeft Mozes dan geboden, een scheldbrief te geven en haar »te verlaten?quot; Maar Jesus antwoordde hun ernstig en wijs: »Mozes heeft, om de hardheid uwer harten, u veroorloofd
â 186 â
»uwe vrouwen te verlaten; maar van beginne was het zoo »niet.quot; Ja, hartstocht en verhardheid des gemoeds drijven dikwijls een noodlottig en verderfelijk spel met de heilige zaak des huwelijks. Zóó was het ten tijde van Mozes en ook ten tijde van Christus; maar zoo is het vooral heden ten dage, dat de vijanden van geloof en der christelijke orde hunne aanvallen vooral daarop richten, om de heiligheid van het huwelijk te ondermijnen en het door God gelegde fundament van huisgezin en maatschappij te verwoesten. Het is dus van het meeste belang, dat de vrienden van geloof en orde tot tegenweer tegen deze aanvallen bereid zijn, en trachten te helpen en te verbeteren, waar zij slechts kunnen. Om een juist inzicht in deze zaak te hebben en dan ons zeiven op te wekken, van moedig en vastbesloten een goed voorbeeld te geven, willen we in deze beschouwing behandelen:
I. De veelvuldige o n t e e r i n g van het h u w e 1 ij k in onzen t ij d ; e n
II. De v reesel ij ke «gevolgen die r o n t h e i-1 i g i n g.
De Heiligste Personen, die ooit in een huwelijksverbintenis leefden: Jesus, Maria en Jozef, mogen onze overweging zegenen!
I.
Paus Leo XHI heeft den 10 Febr. 1880 eene Encycliek aan alle Bisschoppen der wereld gericht over het christelijk huwelijk, waar hij de leer der Kerk samenvat en het gewicht van het huwelijk voor de christelijke maatschappij en rijken uiteen zet. Over de instelling van het huwelijk schrijft hij: Het is algemeen bekend. Eerwaardige Broeders, welke de oorsprong van het huwelijk is. Ofschoon de vijan-
â 187 â
den van het christelijk geloof de leer der Kerk hierin niet erkennen willen, en ofschoon zij het er op toeleggen, om de herinnering daaraan van alle volken en alle eenwen nit te wisschen, zoo hebben zij toch niet de kracht, en het licht dor waarheid vermogen te benemen of te verzwakken. Wij herhalen slechts wat algemeen bekend en aan geen twijfel onderhevig is. Den zesden dag der Schepping maakte God den mensch van aarde en blies in zijn aangezicht den adem des levens. Dan wilde Hij hem eene hulpe geven, welke Hij op wonderbare wijze nit de zijde van den man vormde. Daarbij bestemde God in zijne Voorzienigheid dit echtpaar, opdat het de natuurlijke oorsprong van alle menschen zou worden; uit dit paar zou het menschelijk geslacht zich voortplanten en onafgebroken voor alle tijden voortspruiten. Opdat echter deze vereeniging van man en vrouw zou beantwoorden aan de bedoeling van God, heeft het van dien tijd af altijd twee bijzondere eigenschappen gehad n. 1. de eenheid en de onverbreekbaarheid.
Verder in den Brief heet het: wat God zelf omtrent het huwelijk heeft verordend, dat hebben de Apostelen, de verkondigers van Gods Wet, vollediger en duidelijker in woord en schrift overgeleverd. Reeds ten tijde der Apostelen was van kracht hetgeen de HH. Vaders, de Kerkvergaderingen en de overlevering der Kerken altijd geleerd hebben, namelijk dat Christus de Heer, het huwelijk tot do waardigheid van een Sacrament verheven, en tegelijk bewerkt heeft dat de echtgenooten, door de goddelijke genade gesterkt, heilig kunnen worden. Tevens heeft Christus Zijne geheimnisvolle verbintenis met de Kerk als voorbeeld gesteld aan de huwelijksverbintenis, de natuurlijke liefde volmaakt en de gemeenschap, die van nature niet bestaat, door den band der goddelijke liefde bevestigd.
Hot huwelijk vóór het christendom bezat dus alreeds
â 188 -
éénheid en onverbreekbaarheid; maar behalve dit heeft het christelijk huwelijk eene derde eigenschap, dat het n.1. een Sacrament is.
Voor katholieke toehoorders zal het niet eens noodig zijn te zeggen, dat wij over het christelijk huwelijk zullen spreken. Zij erkennen het huwelijk slechts, als het overeenkomstig de wet van Christus is aangegaan en geldig is voor de katholieke Kerk. Iedere andere verbintenis, men noeme haar dan zoo men wil, zij moge dan, ik weet niet op welke wijze tot stand zijn gekomen, is in de oogen van eiken geloovigen katholiek geen huwelijk.
De vijanden van geloof en orde hebben altijd hunne aanvallen gericht tegen deze drie eigenschappen, die van het christelijk huwelijk onafscheidelijk zijn ; tegen de eenheid, onverbreekbaarheid en tegen hot Sacramenteele. Vooral in onzen tijd heeft men het er op gemunt, het huwelijk te onteeren en het tot verval te brengen.
De Kerkvergadering van Trente leert, dat het huwelijk eene blijvende verbintenis is van éénen man en ééne vrouw, om samen te leven. De ééne, waarachtige God heeft het huwelijk ingesteld, en wel zóó, dat de vrouw van den man, beiden echter hun oorsprong aan God ontleenen, en dat zij zoo innig vereenigd zijn, dat zij niet twee, maar één vleesch zijn. Aldus treedt bij het huwelijk de éénheid op den voorgrond. Deze eenheid kan drievoudig zijn: eenheid van personen, van gevoelens en vooral van geloof.
Bovengenoemde Kerkvergadering van Trente leert: »indien iemand beweert, dat de christen tegelijker tijd »meer vrouwen mag hebben, en dat dit door geene god-»delijke wet verboden is, hij zij in den ban.quot; (Sess. 24, Can. 2.) Misschien vraagt iemand verwonderd: waartoe dient deze waarschuwing aan christenen ? Waarom moet daarop vooral heden ten dage zoo nadrukkelijk gewezen
- 189
worden? De christen toch gruwt van de veelwijverij, welke onder Heidenen en Mahomedanen bestond en nog bestaat, Hebt gij dan nooit iets er van gehoord dat men in kringen, die aan geloof en orde vijandig gezind zijn zooveel spreekt, van »de vrije liefdequot;, van de diefde naar vrije keus,quot; van sluiting des huwelijks, zonder dat een beambte daar tus-»schen komt?quot; Als ik eens naga wat deze verbloemde uitdrukkingen in hebben, als ik mij voorstel, dat deze gedachten eens werkelijkheid zijn, dan weet ik niet of ik niet de veelwijverij der Heidenen en Turken verkiezen zou boven deze idealen van den nieuweren tijd.
De eenheid van gevoelens is verder van het grootst gewicht voor het huwelijksverbond. Wie zal het ontkennen ? En toch, dit wordt dikwijls voorbijgezien. Men geeft acht op vermogen en lichamelijke schoonheid ; men gaat bij eigen blinden hartstocht te rade, alsof het slechts eene vereeniging van lichamen, en niet van harten gold : éénheid of overeenstemming van gevoelens wordt niet belet. Wat vreeselijke gevolgen moet het na zich slepen, dat men het huwelijk ontheiligt! Bijzonder is de éénheid in geloof van belang. Kinderen, naam, vermogen, huis en tafol zijn gemeengoed ; maar in het voornaamste, in geloof is men het niet eens ! Hoe noodlottig ! Wel heeft de Kerk dus gelijk, als zij de gemengde huwelijken, huwelijken tusschen katholieken afkeurt en tracht te beletten. Xiet lichtelijk, zegt de Paus, mogen huwelijken met andersdenkenden aangegaan worden. Want men kan niet verwachten, dat de gemoederen, die het oneens zijn in geloofszaken, eensgezind in andere dingen zullen zijn. Temeer moeten die verbintenissen vermeden worden, omdat zij gelegenheid geven tot ongeoorloofde gemeenschap in godsdienstzaken ; alsook omdat zij den katholieken godsdienstzin der eene partij en de opvoeding dei- kinderen in gevaar brengen, ofwel het
â 190 â
daarheen leiden dat alle verschil van belijdenis verdwijnt en men gewoon wordt alle godsdiensten als even goed te honden. Wie nu weet niet, dat heden maar al to weinig op deze éénheid van godsdienst gelet wordt bij huwelijken ? Uit tijdelijk belang en om nietige redenen wordt een gemengd huwelijk aangegaan, ja men durft zelfs de katholieke opvoeding der kinderen prijsgeven en bewilligen dat op niet-katholieke wijze getrouwd wordt, waardoor men toch zich uitsluit van de katholieke Kerk en het zielenheil der kinderen aan het grootste gevaar blootstelt. Voorwaar zij, die dit doen, zijn alles behalve overtuigd van de heiligheid des huwelijks.
Het christelijk huwelijk is onverbreekbaar. »Wat God »heeft verbonden, scheide de mensch nietquot; (Matt. XIX, 6.) zegt Christus, en op eene andere plaats: die zijne vrouw verlaat, tenzij om overspel, en eene andere huwt, doet »overspel; en die de verlatene huwt, doet overspel.quot; (Matth. XIX, 9.) De onverbreekbaarheid van een geldig gesloten huwelijk heeft de Katholieke Kerk altijd verdedigd zelfs tegen de verwoedste uitbarsting van blinden hartstocht. Koning Hendrik VIII van Engeland had zich door zijn optreden tegen de hervorming van Luther de grootste verdiensten jegens de Katholieke Kerk verworven, zoozeer, dat de Paus hem den titel van Vedediger des geloofsquot; schonk. Nu meende hij ook aanspraak te mogen maken, dat men hem ontzien zou, en daarom vroeg hij aan Paus Clemens VII, dat deze zijn huwelijk, dat hij vroeger met Catharina van Arragon had aangegaan, zou verbreken, opdat hij met de hofdame Anna Boleyn zou kunnen trouwen. Niettegenstaande hij alles aanwendde om den Paus gunstig te stemmen voor zijn voorstel, en terwijl de ongunstige tijdsomstandigheden de uiterste toegevendheid geboden, was de Paus toch niet te bewegen, om te scheiden wat God had verbonden. De
- 191
Koning brak nu alle betrekkingen met Rome af en dreigde het Protestantisme in zijne staten in te voeren. De Paus echter bleef standvastig en liet liever den Koning met zijn volk uit de Kerk treden, dan dat hij, tegen Gods wet, de scheiding des huwelijks zou uitgesproken hebben. Dit is en blijft ten allen tijde de onveranderlijke leer en handelwijze der Kerk. Hoe dikwijls echter wordt hiertegen misdaan! Ik zal niet ver er over uitwijden, hoe zondig het is, als echt-genooten in oneenigheid leven, wantrouwen jegens elkander koesteren, naijverig op elkaar zijn en tweedracht plaats geven in hun hart. Maar diep beklagenswaardig zijn die echtge-nooten, die, als de eerste roes van zinnelijke lusten voorbij is, zich zoozeer vergeten kunnen, dat zij er aan beginnen te denken, om den band te verbreken, welke volgens goddelijke en kerkelijk wetten onverbreekbaar is; dat zij eraan denken, om te hertrouwen, hetgeen toch onmogelijk is, en dan eene scheiding gaan zoeken en vragen waar zij nimmer gezocht of gevraagd mag worden: bij de wereldlijke macht, want het huwelijk is een Sacrament.
Het christelijk huwelijk is een Sacrament, zeg ik. Christus heeft het daartoe verheven; als dusdanig is het altijd beschouwd; Christus heeft gewild, dat het een Sacrament zou zijn. Het spreekt dus van zelf, dat de Kerk alleen rechter is in deze zaak, die tot haar behoort, daar zij alleen de uitdeelster der genaden en der Sacramenten is. Christus heeft, zegt Leo XIII in Zijne Encycliek, de handhaving van het huwelijk aan de Kerk in handen gegeven. Ten allen tijde heeft zij hare macht over de christelijke huwelijken gebruikt, en die uitgeoefend als hare macht, door God haar verleend, en niet als die haar door de menschen was gegeven. Het huwelijk van christenen is dus een Sacrament; daarom is het de taak der Kerk te beslissen, of een huwelijk geldig of geoorloofd is; matigt eenige tijdelijke macht
192 â
zich die beslissing aan, dan gaat zij hare bevoegdheid te buiten en grijpt in op een terrein, dat Christus aan Zijne Kerk heeft geschonken. Hot huwelijk is een Sacrament, en daarom is alleen de Kerk bevoegd, om te bepalen en voor te schrijven, op welke voorwaarden en op welke wijze het huwelijk moet worden aangegaan, om geldig te zijn. Hieruit is gemakkelijk te begrijpen, dat het zoogenaamd burgerlijk huwelijk, gelijk de huwelijksverklaring genoemd wordt welke volgens de wetten van verscheidene landen voor een burgerlijken ambtenaar moeten worden afgelegd, nietsvan een christelijk huwelijk heeft noch voor God noch voor de Kerk als den naam. Het burgerlijk huwelijk kan dus gelden voor de burgerlijke wet: voor God en de Kerk is het geen huwelijk. Of de ambtenaar van den burgerlijken stand al tot het bruidspaar zegt: gij zijt echtgenooten, voor God en de Kerk zijn zij dat niet. Aroor de Katholieken bestaat slechts één geldig huwelijk, dat, hetwelk God in hot paradijs ingesteld en Christus tot een Sacrament verheven hoeft. Ieder ge-loovig Katholiek kan hieruit opmaken, dat aan het burgerlijk huwelijk elke goddelijken grondslag ontbreekt, en dat do verlaging van het christelijk huwelijk tot eene weroldsche formaliteit, noodzakelijk de involging der zinnelijke lusten alleen tot gevolg moet hebben. Bovendien is eone wetgeving, welke het burgerlijk huwelijk alleen als wettig erkent, oen aanslag op hot heiligdom des Hoeren en een inval op het gebied der Kerk. Zou zulke ontheiliging van hot huwelijk goono verderfelijke gevolgen moeten hebben ?
II.
Door God gezegende toestanden kunnen slechts daar
O O
bestaan, waar de door God gewilde orde hoorscht. Waar deze orde gestoord wordt, daar komen van zelf wanorde-
lijkheden. Zoo ook kunnen er slechts gelukkige huisgezinnen en eene bloeiende samenleving bestaan, waar het christelijk huwelijk heilig beleefd wordt; waar echter de grondslag los of van zijne plaats gewerkt is, daar moet men ook de ergste gevolgen voor den bouw, welke er op staat, verwachten.
Het spoedigst zijn deze gevolgen te bemerken in den kléinen huiselijken Kring. Onmogelijk is het, alle misstanden en ellenden op te sommen, welke voortkomen uit ontaarding van het christelijk huwelijk, maar een bezoek in het eer; of ander huisgezin zal ons de voornaamste ellenden doen zien.
Treden wij het eerste huis het beste binnen. Wij ontmoeten daar eene vrouw, onder hartzeer gedrukt, wegterend van verdriet, hare roode oogen verraden haar voortdurend weenen. De man is niet dikwijls thuis; doch nu is hij er. Zijn uitzicht is ruw en wrevelig. Men kan aan alles zien, dat die vrouw slechts de slavin van haren man is, maar dat zijne zinnen op eene andere zijn gesteld. Ach hier treedt het afschuwelijke van echtbreuk ons tegemoet. De tranen der kommervolle vrouw getuigen het zwijgend, hoe de zonden tegen de eenheid van het huwelijk zicli in deze wereld wreken. Men vergeve het mij, dat ik uitvoeriger hierbij stilstond: Wat ellendig huiselijk leven !
Richten wij nu onze schreden naar een ander huisgezin. Hier schijnen geene echtgenooten, maar bittere vijanden samen te wonen. Van omgang of gesprek kan bij dit echtpaar geen spraak zijn. Slechts venijnige blikken worden tusschen elkander gewisseld, en bij de minste aanleiding volgen verwijtingen, twist en geschil. In die omgeving groeien de kinderen op en zitten al reeds vol hartstocht eer zij tot de jaren van verstand gekomen zijn. En wat is de rede, dat in dit gezin twist en tweedracht heerscht en er in blijft? Helaas: de beide echtgenooten verstaan elkander niet. Elk
13
â 194 â
blijft stijfhoofdig bij zijn gevoelen en weet niet toe te geven of zich te voegen. Eenheid ontbreekt hier en wel de eenstemmigheid van gevoelens. Een leven zonder vrede, maar vol ellenden zijn de gevolgen voor de echtgenooten; en voor de kinderen een reeds vroegtijdig verbitterd gemoed.
In een derde gezin schijnen geene slechte verhoudingen te bestaan. De man hangt de vrouw in trouwe liefde aan. Hij is ijverig in het vervullen zijner plichten en houdt vooral veel van de kinderen. Maar deze zijn het juist, die hem het hart met zorg en kommer vervullen. Door blinden hartstocht of door het geld vervoerd, heeft hij eene andersdenkende vrouw genomen, en tegen het verbod der Kerk, er in bewilligd, dat de kinderen in den godsdienst der moeder zouden opgevoed worden. Alle moeiten, welke hij zich geeft, om daarin nog verandering te brengen, blijven vruchteloos. En zoo moet hij het aanzien, dat aan zijn eigen vleesch en bloed de waarheid van het katholiek geloof wordt onthouden. Als hij zijne kinderen ziet, moet hij zeggen: Wee mij, ongelukkige: ik heb door eigen schuld deze panden, die mij door, den hemel waren toevertrouwd, aan de dwaling overgeleverd ! Ik ben de vader dezer kinderen en wellicht ook de moordenaar hunner zielen! Voorzeker een ontmoedigend verwijt, vooral voor een vader! Is er voor hem nog hulp of redding? Hij kan zijn best doen, om op dien ongelukki-gen stap terug te komen, en daardoor zijne ziel te redden; voor de zielen zijner kinderen kan hij slechts rouwmoedig en deemoedig tot God bidden. Wat ontbreekt in dit huisgezin? Gel. Chr., gij hebt het al geraden: het ontbreekt hier aan eenheid in het geloof. Welke vreeselijke gevolgen brengt het overtreden der kerkelijke wet mee. !
Laten wij nu bij een vierde gezin binnengaan! Hier treffen wij slechts de moeder met de kinderen in bedroevende omstandigheden aan. De echtgenoot en vader heeft hen
â 195 â
verstoeten, en heeft van de burgerlijke macht scheiding gekregen. Hij zelf beeft naar een ander huwelijk uitgezien, en dat ook aangegaan. Moeder en kinderen zijn bedrukt on lijden gebrek. Wat treurig beeld ! Waardoor is die ellende ontstaan? Alleen hierdoor, dat de onverbreekbaarheid van den huwelijksband miskend, en gewaagd is te scheiden, wat God heeft verbonden, en hen alsnog gebonden houdt.
Eindelijk nog een laatste bezoek aan een gezin, waarin het huwelijk niet als een Sacrament maar voor eene burgerlijke overeenkomst gehouden wordt. Als men oppervlakkig oordeelt, zou men zeggen, dat hier rijkdom en geluk heer-schen. En toch merken wij hier ontevredenheid en tweedracht, ongeduldig zuchten en klagen. Vanwaar dit ? O, hier ontbreekt de genade van het Sacrament, welke de echtgenooten met een sterken, geheimvollen band omvat, tot het goed aanzet, hen krachtig en opofferingsgezind maakt in de vele moeielijkheden welke het huwelijksleven met zich brengt. Bovendien heerscht in dit huisgezin de zonde met al hare treurige gevolgen, welke alle vreugde verjaagt, allen zegen beneemt en alle lasten en bezwaren verdubbelt. Hier leven christenen in een niet-christelijk huwelijk. Welke toestand!
Welken indruk nu. Gel. dir., hebben deze voorbeelden op u gemaakt? Zeker geen aangename. Doch wij moeten onzen blik verruimen en ons een juist beeld trachten te vormen van al die gezinnen, waar het zoo toegaat, als ik ii voorhield, en daaruit dan afleiden, welken invloed die op de geheele maatschappij uitoefenen. Om dat te doen, kan ik niet beter dan het woord geven aan onzen H. Vader, Paus Leo, die in zijne Encycliek uitvoerig en duidelijk deze zaak behandelt. »Door de ontheiliging van het huwelijk,quot; schrijft hij, :gt;gaat de bestendigheid van het gezin te loor, »verkoelt de wederzijdsche genegenheid en wordt der trou-»weloosheid in de hand gewerkt. Opvoeding en onderwijs
- 196 â
»lijden schade, de huiselijke band wordt losser, twist en »t\veedracht in de familiën gezaaid, de vrouw verliest »hare waardigheid, wordt verdrukt en loopt gevaar verlasten te worden. En daar niets meer bijdraagt, om de huis-»gezinnen en de Rijken te vernietigen dan het bederf der »zeden, zoo begrijpt eenieder, dan niets het welzijn der «huisgezinnen en Rijken zoozeer schaadt als de echtschei-»dingen, die uit het zedenbederf der volken voortkomen en, »volgens de ondervinding, de deur openzetten voor de »schandelijkste misbruiken in het bijzonder, en inhetopen-»baar levenquot;.... Hetgeen hier gezegd wordt is duidelijk; toch zal het door voorbeelden duidelijker worden. Zoodra de echtscheidingen door de wet ergens werden toegelaten, kwamen van alle kanten oneenigheid, afgunst, en geschillen opdagen. Dit had al dadelijk een zoo schandelijk leven ten gevolge, dat zij die de scheiding verdedigd hadden, groot berouw hadden over hun optreden. En ware de heillooze wet niet spoedig afgeschaft, dan ware de samenleving onmogelijk en haar einde spoedig nabij.
Van de oude Romeinen wordt verhaald, dat zij eerst de echtscheidingen afkeurden. Na korten tijd begon het schaamtegevoel bij hen minder te worden; de tucht, die teugel der hartstochten, begon te verslappen en de huwelijkstrouw werd zóó onbeschaamd geschonden, dat het zeer waarschijnlijk is wat van sommigen gezegd wordt, dat n. 1. de vrouwen niet rekenden naar de wisseling van Staats-opperhoofden, maar naar het getal mannen, dat zij gehad hadden. Zoo werd ook bij de Protestanten aanvankelijk bepaald, dat slechts om gewichtige redenen de echtscheiding geoorloofd was. Die redenen tot echtscheiding namen echter in Duitschland, Amerika en elders zoozeer toe, dat de goed-gezinden dat toenemend zedenbederf en de lichtvaardige wet ten zeerste beklaagden. In de katholieke landen was
â 197 â
het even zoo. Ook hier waren de misbruiken grooter dan de wetgever zich had voorgesteld, toen hij de echtscheiding-toeliet. De harten werden meestal tot elke boosheid en list verleid, en onder voorwendsel van mishandeling, onrechtmatige behandeling, echtbreuk, werden redenen gezocht om het echtverbond straffeloos te kunnen breken, als het wat zwaar viel. Dit alles werkte echter zoozeer de openbare zedeloosheid in de hand, dat men dadelijk tot de herziening der wetgeving moest besluiten.
Moet bij dit waar en ernstig woord van het Opperhoofd der Kerk nog iets gevoegd? Ik herhaal slechts de ernstige waarheid, welke uit elke der aangehaalde woorden ons tegen schittert: De ontheiliging van het huwelijk is de ondergang der huisgezinnen en staten, het begin der omverwerping van de maatschappij.
Wie zal het betwijfelen, of de toestanden, die wij in deze overweging hebben nagegaan, zijn aller aandacht over-waardig ? Ieder zal moeten zeggen, dat het van het allergrootst belang is, het huwelijk heilig te houden. Dat dan ook alle goedgezinden hieraan al hunne aandacht en belangstelling wijden! Bijzonder is het huwelijk eene zaak van belang voor de twee groote lichamen: Kerk en Staat. De heiliging van het huwelijk eischt een christelijk leven en van den anderen kant draagt het er veel toe bij om de toestanden bestendig en de verhoudingen gezond te doen zijn. Jesus Christus, de Stichter der Kerk, heeft een tweevoudige macht in het leven geroepen, de geestelijke en de wereldlijke. Zijn wil is het, dat beide machten van elkander gescheiden en ieder een vrijen en onbelemmerden werkking zou hebben, zóó echter, dat in die zaken die beider belang raken en waarbij de belangen van allen gemoeid zijn, zij beiden eensgezind en eenstemmig zouden zijn. Dit geldt van alle
â 198 â
gevallen, welke, hoe verschillend ook, aan beider rechtsmacht zijn onderworpen; en daarin moet die macht, welke over het tijdelijk welzijn der menschen te waken heeft, toeschietelijk zijn jegens, en zich voegen naar, en afhangen van die, wier zorgen zich uitstrekken tot het eeuwig welzijn. Deze orde, of liever deze schoone overeenstemming is do grondslag, niet alleen van de beste uitoefening der weder-zijdsche macht, maar ook van de beste wijze om de tijdelijke en eeuwige belangen der menschen te bevorderen. Moge dit in zake het huwelijk overal worden aangenomen! Moge ieder zooveel in hem is, al het mogelijke bijdragen om deze echt christelijke beschouwing te verspreiden in zijne omgeving, of er voor bidden, opdat God, de Vader des lichts, een einde maken aan de dwaalbegrippen en uitspattingen van onzen tijd. Ik sluit met de woorden des Pausen. gt;gt;De leer en de wetten omtrent het christelijk huwe-»lijk zijn van het grootst belang, zoowel tot instandhouding »der maatschappij, als voor het eeuwig geluk der menschen. »Geve God dat de harten der menschen gewillig zijn om te »gehoorzaamen. Laten wij daarom ootmoedig de hulp der »Onbevlekte Maagd inroepen, dat zij de menschen gehoor-»zaam aan het geloof make en zich daardoor hunne moeder »en helpster betoone. Laten wij zoo ook de Apostelen Pe-»trus en Paulas vurig bidden, hen, die de verwinnaars van »het ongeloof en de verkondigers der waarheid zijn geweest, »opdat zij het menschdom beschermen tegen den stijgenden »vloed van dwalingen.quot; Amen.
XVII.
Pc cfyristdijfe bruibstijb en {iet liutpclijf.
({?oor pastoor ijirts.)
Vocntus est Jcsns et discipuli ejus ad nuptias.
En Jesus xens ook met Zijne leerlingen ter bruiloft genoodigd.
jl e eenig ware grondslag voor het christelijk huisgezin is het voor God en de Kerk gesloten huwelijk. De echt is voor hot grootste deel der menschen de gemengde bron van lief en leed, zij is het gering zaadkorreltje, waaruit tijdelijk en eeuwig geluk of ongeluk ontspruit. Vandaar dat in den mond des volks de lotgevallen eener familie plegen en uitgedrukt te worden door: zij zijn goed, of zij zijn slecht getrouwd. Is het niet waar, christelijke jongeling of jonge dochter, als gij zoo al eens hoort van menschen die een ongelukkig huwelijk beleven, en als gij dan uwe eigen toekomst aanschouwt, dat dan onwillekeurig uit uw hart het gebed en de wensch opstijgt: O God, geef toch, dat ik tot een gelukkig huwelijk gerake.
Welnu, beste vrienden; ik wil u heden naar een stadje, naar Cana in Galilea voeren, en u doen zien, hoe daar een bruidegom en eene bruid een gelukkige bruiloft gehouden hebben, omdat:
200
I. Z ij Jesus Christus ter bruiloft g e-n o o d i g d hadden;
II. En deze na de bruiloft hun h u i s-vriend bleef.
Let nu eens wel op, Gel. dir., als gij van dit braaf bruidspaar de kunst wilt leeren, om een goed huwelijk aan te gaan.
I.
Het bruidspaar van Cana verzochten Jesus op de bruiloft.
Deze goede menschen wilden den goddelijken Zaligmaker, die de kinderen tot Zich zoude laten komen en zoiide zegenen, die de dooden tot het leven zoude verwekken, die bij de wieg en bij het graf tegenwoordig zoude zijn, zij wilden Hem ook bij hun huwelijksaltaar zien; zij wilden hun levensgeluk onder Zijne hoede plaatsen, en Jesus met Zijne Moeder en Apostelen ter bruiloft noodigen.
Als dan die Galileeërs, van wie we niet weten of zij wel in den Naam van Jesus gedoopt waren, geene bruiloft wilden houden zonder Hem ; wat moet gij dan doen, die Zijne leerlingen en navolgers zijn wilt? Hebt gij, beste vriend. Hem tot uwe bruiloft genoodigd? En gij, die er aan denkt, een huwelijk aan te gaan ; gij die misschien al eene bruid uitgekozen hebt, hebt gij er aan gedacht Hem ter bruiloft in uw huis te noodigen. Gij denkt aan uwe bloedverwanten, vergeet toch Hem niet, die uit barmhartigheid onze broeder geworden is en ons vleesch en bloed heeft aangenomen Gij denkt wel aan uwe vrienden ; ver-
â 201 â
geet dan ook den vriend niet, die uit liefde tot u gestorven is. Gij denkt er aan, enkele begunstigers te verzoeken, die u in den beginne kunnen bevoordeelen ; â maar kan wel iemand u meer voordeel aanbrengen dan Hij, lan Wien de Vader alle macht gegeven heeft in den hemel en op aarde ? Gij denkt aan uwe peter en meter; vergeet dan toch zeker Hem niet, van Wien gij den naam van christen ontvangen hebt; vergeet Hem niet van Wien gij het schoonste doopgeschenk, het erfdeel der kinderen Gods gekregen hebt. Schrijf dus boven aan de lijst uwer genoodigden Jesus Christus, dan zal ook op het plechtig oogenblik dat de ring van lief en leed twee harten omsluit, uw tijdelijk en eeuwig geluk bezegeld zijn.
Zal Jesus Christus wel aan de uitnoodieino' willen be-
o o
antwoorden en getuige en gast willen zijn op onze bruiloft?
Zeker, Hij die in Cana was, zal ongeziens, maar met Zijne liefde en genade naast u staan, als gij, even als het bruidspaar van het Evangelie, nu zijne tegenwoordigheid afbidt en u waardig maakt. ,
En waardoor heeft dit jonge paar die onderscheiding dan verdiend ? Van den eenen kant is het zeker, dat Jesus ,
met Zijne Moeder-Maagd, niet naar een huis zouden ge- i
gaan zijn, wier bewoners niet van te voren een voorbeel-dig leven leiden ; en van den anderen kant is het boven allen twijfel verheven dat Jesus Zijne komst op de bruiloft
.
heeft doen afhangen van de reinheid huns harten.
Eerstens dus : een rechtschapen levenswandel vóór het huwelijk. Hoe word ik droef te moede. Gel. Chr., als ik bedenk, hoe weinig werk de jeugd er heden van maakt, t om deze voorwaarde te vervullen. Al tientallen van jaren
heeft men zich schuldig gemaakt aan onnatuurlijke zonden; en waar op zulke wijze de goddelijke en natuurlijke wet wordt overtreden, daar zijn ook de zegen van God en
â 202 -
Diens hulp verbeurd; en nooit kan op zulken grondslag huiselijk geluk gebouwd worden, »want,quot; zegt de H. Schrift »als God de Heer de stad niet bouwt, dan werken de »bouwlieden te vergeefs.quot;
Dat dus de christelijke ouders toch ernstig en met onvermoeide zorg er op werken, dat hunne volwassenen zonen en dochters het kostbaar kleinood van een onbedorven hart bewaren ! Een zuiver hart moeten zij hebben, als zij willen dat Jesus Christus eenmaal hun gast zij op de huwelijksbruiloft. Want zij alleen zullen de mildste zegeningen en genaden van dit Sacrament verkrijgen, die door eene schuldelooze of door boetvaardigheid gereinigde ziel, zich de eer van Jesus' tegenwoordigheid hebben waardig gemaakt, daar Hij, de volmaakte zuiverheid, slechts met zuiveren van harte kan samenwonen.
Geluk dan, beste vriend, als gij zooals het bruidspaar van Cana, het waardig zijt, en Jesus Christus op uwe bruiloft genoodigd hebt!
Doch is het voldoende, dat de Heer eenige uren in uw midden doorbrengt ? Is het genoeg, dat gij aan het altaar tot Hem bidt, en gij dan Zijne heilzame tegenwoordigheid ontwaart? Neen, christelijke bruidslieden! Hij, die Jesus liefheeft en Diens tegenwoordigheid waardig is, wil niet, dat Hij één dag de gast, maar dat Hij voortdurend de vriend des huizes zij.
II.
Het bruidspaar van Cana kozen na de bruiloft Jesus Christus tot hun huisvriend. Hunne vriendschap voor Jesus eindigde dus niet met de bruiloft: ook later, verhaalt de legende, zouden zij den Verlosser steeds bewijzen van hartelijke toegenegenheid gegeven hebben. Hun huis was
- 203 -
voor Hem in Galilea, wat het huis van Lazarus in Judea was: eene plaats van stille stichting en heilige vriendschap. »0 christelijke echtlieden,quot; roept de H. Augustinus uit, »den hemel hebt gij op aarde, als gij zoo vriendschappelijk »met Jesus kunt omgaan en wonen!quot; Uw aangenaam tehuis zal in een Nazareth veranderen, uw huisgezin zal een beeld zijn van dat waarin Jesus, Maria en Jozef ons één van hart en ziel tegen schitteren; â uw hart zal zijn a]s dat van Maria, de Zuster van Martha, besloten, naar het woord en het gebod van Jesus te leven. En meent nu niet, dat zulke volmaakte christelijke levenswijze te moeielijk is voor uwe menschelijke zwakheid. Wat is dan eigenlijk de huwelijke staat ? Is het dan enkel eene overeenkomst, om twintig-of dertig jaren samen te leven â twintig of dertig jaren zich samen te verheugen in â of te treuren om brood, gezondheid en kinderen? Zijn voornaamste doel is, dat met Gods hulp de een den anderen trooste en voorthelpe op den weg der zaligheid naar het Jerusalem, dat daarboven is. Zijt gij aan deze uwe roeping getrouw, christelijke echtgenooten, dan zult gij nimmer met de godvergeten inwoners van Bethlehem zeggen: wij hebben geene plaats van u, Jesus, in onze herberg â geene plaats voor U bij ons dagelijksch werk, geene plaats voor U bij ons lief en leed, geene plaats voor U in ons leven noch bij ons sterven. Blijft gij getrouw aan uwe roeping, dan zult gij niet met zoovele wereldgezinde menschen de uitvlucht zoeken: »ik »heb eenen man, eene vrouw getrouwd,quot; en daarom kan ik gt;niet komen; â niet komen tot het gebed, tot den biechtstoel, tot de Tafel des Heeren, niet komen ook tot een christelijk leven, tot het rijk der hemelen. Christelijke jongeling, jongedochter, die nog eene keuze moet doen, kiest u toch geene bruid, geenen bruidegom, van wie gij kunt orderstellen, dat hij later in het huwelijk Jesus Christus,
â -
â 204 -â
onzen Verlosser, niet zal willen ontvangen en eeren als huisvriend. Het huwelijksleven is een gemeenschappelijke pelgrimstocht naar het eeuwig leven, zeiden wij. Wie zou nu voor zulke verre reis een kreupelen gezel zoeken? En ook moet gij niet alleen de reis ondernemen; maar gelijk Maria en Jozef hun goddelijken Zoon medenamen naar Jerusalem, zoo moet ook gij, christelijke echtgenooten uwe kinderen medenemen op uwen pelgrimstocht naar het he-melsch Jerusalem. Hoe gaarne toch neemt gij uwe kinderen mede op reis? en zoudt gij hen op deze heilige reis achter laten. Prent hun daarom vroegtijdig in: »ziet, wij gaan naar -Jerusalem!quot; Al komen wij arm daar; de Heer zal ons rijk maken; komen wij gewond daar, de Heer zal ons genezen. Komen wij in tranen daar. Hij zal ze afdroogen. Kinderen vragen dikwijls: vader, moeder, waar gaat gij naar toe; mogen wij medegaan ? O verwaarloost uwe lievelingen, uwe kinderen niet, maar leidt ze, vooral in onzen tijd zoo vol gevaren, en waarin zoovele wegen ten verderve zich aan ons voordoen, op den eenig goeden weg, die tot het eeuwig leven voert. Dit overgroot geluk, â begrijpt dit goed, christelijke echtgenooten, zal dan alleen voor u zijn weggelegd, als ge in uw huisgezin en in uw hart eene eere-plaats inruimt aan den goddelijken Verlosser, als gij zelf volgens zijne wet en geboden leeft. En zou misschien menig droevig uur u zijn beschoren: zoudt gij misschien arm zijn gelijk het bruidspaar van Cana, en dus voor u het zorgen ⢠al beginnen op de bruiloft; hoopt vast en onwrikbaar op Hem, die daar ook hulp bracht. Eerst liet Hij den gasten ; den wijn drinken, zoo goed en zoo kjvaad als de arme
menschen hem hadden; â maar dan stelde Hij tot vreugde aller genoodigden, Zijne almacht te werk. Hetzelfde zal Hij ook u doen te beurt vallen, wanneer gij waakt en bidt wanneer ook gij, gelijk het bruidspraar van Cana, Hem als uwen
i
â 205 â
hoogvereerden en teeder beminden huisvriend in uw midden behoudt.
»Jesus en Zijne leerüi!gen waren ter bruiloft gènoodigd.quot; Mochten deze woorden ten volste bewaarheid worden, zoo dikwijls in deze parochie een huwelijk wordt aangegaan ; â mocht de Heer ook in onze huizen met zijn zegen binnentreden, gelijk Hij deed in het huis, waar te Cana de bruiloft werd gehouden. Gij kent de voorwaarden daartoe: een rein hart vóór â en bij het huwelijk. Dikwijls wordt bij het aangaan van een huwelijk met de grootst mogelijke nauwkeurigheid nagegaan, welke beider tijdelijk vermogen is; â christelijke ouders, verzuimt toch niet, eens onderzoek te doen naar de braafheid en godsdienstigheid van den persoon, aan wie gij de eer van uwen naam en het geluk van uw kind gaat toevertrouwen. Dan komt de beurt aan den bruidegom en aan de bruid, van te bewerken, dat Jesus Christus met zijne deugden en volmaaktheden eene vaste woonplaats bij hen houde. Hierin reken ik vooral op het edele hart der vrouw en moeder! Haar is het bijzonder ten taak gesteld, de liefde en vriendschap van Jesus in den huiselijken kring te doen heerschen en toenemen. Zij, de christelijke moeder, neme dan ernstig die verheven maar vaak moeielijke taak op zich. Nooit zal Jesus, de goddelijke huisvriend, van een huis weggaan waar eene brave moeder is! Ja, met de brave bruidslieden van Cana bidden wij heden Jesus, dat Hij bij ons zijn intrek neme; wij van onzen kant, laten wij zijne leer en geboden in onze daden uitdrukken, zijne liefde in onze harten doen heerschen; dan zal Hij in het laatste uur ons ook uitnoodigen en roepen tot de hemel-sche bruiloft, waar wij eeuwig bij Hem zijn, en Hem loven zullen. Amen.
I
XVIII.
Bet toonbeeld van cctt t]iiisgc5tn.
(!?oor 3- P- ^runner, pastoor.)
Beati, qui habitant in domo tua, Do-mine! in saenda saeeulonim laudabunt te.
Znliff zij, die u-onen in uw huis, o Heer in de eeuwen der eeuwen zullen zij U loven.
Ps. LXXXIII, 5.
eestelijke en wereldlijke schrijvers zijn het daarover eens, dat de hoofdoorzaak van de treurige | toestanden in de maatschappij moet gezocht worden in het verval van het huiselijk leven. Willen de verhoudingen beter worden, zeggen zij, dan moet eerst het huisgezin verbetering ondergaan. En terecht, want de maatschappij bestaat uit huisgezinnen ; de samenleving kan niet goed, niet gelukkig zijn, als de wortel, het huisgezin niet in orde is, zooals God het gewild en tot ons welzijn verordend heeft.
Welke nu is die door God gewilde orde. Gel. Chr. ? Wij behoeven die met ons verstand niet lang te zoeken; de Zoon Gods is van den hemel gedaald, en heeft ze ons levendig voor oogen gesteld ; de Zoon Gods wilde dertig jaren in het Huisgezin van Nazareth vertoeven en daar alle huiselijke deugden beoefenen; opdat wij voor eens en voor altijd een toonbeeld zouden hebben, door de navolging
waarvan wij niet alleen ons eeuwig maar ook ons tijdelijk geluk kunnen bewerken. Ook aan tijdelijk geluk ontbreekt het in onzen tijd; 'tis daarom, dat de H. Vader er zoozeer den nadruk op legt, van toch op te zien tot de H. Familie en die na te volgen. Laten wij ons de gevoelens van Jesus Maria en Jozef eigen trachten te maken ; laten wij in den geest eens het Huisje van Nazareth binnen treden, en die deugden overnemen, welke daar beoefend worden :
I. Onderdanigheid aan de oversten;
II. Tevredenheid in werk e n n o o d.
Deze deugden zijn de steunpilaren van het maatschappelijk leven ; de nakoming daarvan brengt zegen en zaligheid, waarom dan ook in de getijden op het feest der II. Familie de woorden van den psalmist ter stichting en aanmoediging worden voorgelezen : »Zalig zij, die in uw huis »wonen, o Heer ; in de eeuwen der eeuwen zullen zij U »loven.quot;
I.
Het is niet overdreven, als wij de onderdanigheid een steunpilaar der maatschappij noemen. Ik weet niet. Gel. Chr., of gij er ooit over nagedacht hebt, welken onzin het is, en welke verwarring en eeuwigdurenden strijd er ontstaan zou, als alle menschen zeiden, en daarnaar leefden : »ik ben mijn eigen meester en heb niemand te ontzien. Noodzakelijk diende dan voorop gesteld te worden, dat God alle menschen gelijk had geschapen, met dezelfde bekwaamheden, dezelfde gevoelens en in dezelfde toestanden. Dit is echter niet zóó, en daarom blijft de eene mensch aan den anderen ondergeschikt en zelfs koningen en keizers kunnen zich daaraan niet geheel onttrekken. De eene kunnen zich spijzen toebereiden, andere kleederen en werktuigen maken, sommigen recht spreken.
â 208 -
Hoe dwaas, als een kind, een jongen tot den meester zou zeggen : ik zou gaarne iets leeren, maar ik ben mijn eigen baas, en trek me niets aan van hetgeen gij zegt! Hoe bespottelijk, als een huisvader tot een ambachtsman zou zeggen : ik moet dit of dat voorwerp hebben; doch ik ben mijn eigen baas, dus moet gij dat niet maken, zooals gij wilt, maar zooals ik dat wil hebben. Bespottelijk zou het zijn, als een zieke tot den dokter zou zeggen: ik zou gaarne genezen maar om niet den schijn te hebben van aan u ondergeschikt te zijn, trek ik mij vanuwe voorschriften niets aan. Het is dus duidelijk dat wij gedwongen zijn tot ondergeschiktheid door onze eigene ongenoegzaamheid, door de behoeften en moeielijkheden, die het leven meebrengt; en dat wij ons aan het oordeel, de sterkte, de kunst, de ondervinding moeten onderwerpen van iederen mensch, wiens hulp wij niet kunnen missen, al is die dan minder, en al staat hij misschien verre beneden ons. En opdat de noodzakelijkheid hiervan te beter zou uitkomen heeft God het zoo geschikt, dat de mensch niet in volle levenskracht, maalais een klein kind zou ter wereld komen, dat nog lange jaren de hulp zijner ouders en oversten noodig heeft.
Merkt wel op. Gel. dir., dat wij ook van dezen nood eene deugd kunnen maken, eene bron van veel zegen en verdiensten. Die ondergeschiktheid nu, waaraan niemand kan ontkomen, de gehoorzaamheid, welke ieder meer of minder moet beoefenen, moeten wij niet gedwongen maar gaarne en met opgeruimden geest beoefenen, omdat zij ons zooveel voordeel aanbrengt en omdat de liefde tot God en den naasten het eischt.
Ook in tijdelijke zaken strekt gehoorzaamheid tot ons voordeel; want zij bespaart ons verdriet, schande en onaangenaamheden, en ieder houdt veel van een gehoorzaam mensch, die zijne plichten stipt volbrengt. De liefde tct
â 209
den naaste eischt, dat wij onderdanig zijn ; want wij mogen onzen evenmensch niet het leven verbitteren door ons-e-hoorzaamheid, niemand mag door ongebondenheid onrust verwekken en de voornaamste voorwaarden tot een vreedzaam leven wegnemen. Eindelijk de liefde tot God legt gehoorzaamheid op, want Hij heeft dezen zijn wil zoo uitdrukkelijk te kennen gegeven in het vierde gebod : »eert »vader en moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde,quot; alsnog door den mond van den Apostel: »gij, knechten, gehoorzaamt in alles aan uwe tijdelijke heeren, niet als »oogendienaars en om de mensehen te behagen, maar in »eenvoud des harten uit vreeze Gods.quot; (Coloss. III, 22.) »Ieder mensch zij onderworpen aan de hoogere machten ; »want er is geene macht tenzij van God, en die machten »welke bestaan, zijn door God verordend.quot; (Rom. XIII,1.) Doch God heeft wel op de meest tastbare wijze zijnen wil omtrent de gehoorzaamheid getoond, toen Zijn Zoon, die aan de rechterhand des Vaders zit, niet alleen als kind, maar als jongeling en nog in den mannelijken leeftijd, tot Zijn dertigste jaar, onderdanig was aan eene arme Maagd van Nazareth en aan Jozef den timmerman. God, die niets uit willekeur of zonder reden doet, moet daarmede wel eene bijzondere bedoeling gehad hebben, en deze was geene andere dan ons te toonen, hoe noodzakelijk voor het huisgezin en meer nog voor de maatschappij de gehoorzaamheid is; maar tevens wilde Hij het gehoorzamen door zijn voorbeeld aan alle menschen gemakkelijk maken en tegelijk den ongehoorzamen alle voorwendsels of uitvluchten benemen.
Bedenkt eens; is er iets noodzakelijker in een huisgezin en in de maatschappij dan gehoorzaamheid, zooals de al-wijze God zelf, zoolang Hij van een huisgezin deel uitmaakte, heeft geleerd ; kan er iets beters zijn voor een huisgezin
14
dan gehoorzaamheid, zooals de liefderijke en goede God ze ons geleerd heeft? Hieruit, dat de H. Geest van het ge-heele leven van den Zoon Gods slechts dit vermeldt, dat Hij onderdanig was, blijkt dat gehoorzaamheid, onderdanigheid aan de overheid van het grootst belang is voor het huisgezin. Zoo is het ook ; en daarom is ieder weerspannige of ongehoorzame een vijand niet alleen van zich zeiven, maar van geheel de menschelijke samenleving. Daarom smeekt ons de H. Vader de Paus, van toch het toonbeeld der H. Familie van Nazareth voor oogen te houden en de onderdanigheid, die wij daar aanschouwen, na te volgen.
Mogen dan kinderen, dienstboden en alle ondergeschikten hun plicht en hun geluk zoeken in gehoorzaam te zijn uit liefde tot God en naar het voorbeeld van Zijnen Zoon. De schoone woorden van den H. Bernardus zijn op allen toepasselijk: Leer, o mensch, gehoorzaam zijn; leer, »o stof, u te onderwerpen. Over uwen Schepper sprekend »zegt de Evangelist: Hij was hun, namelijk aan Maria en »Jozef onderdanig. Trotsche stof, schaam u, God vernedert »Zich en gij wilt u verheffen. God onderwerpt zich aan men-schen en gij wilt in uwen trots u boven uwen Schepper stellen.quot; Bij deze heerlijke woorden van den grooten Kerkleeraar moet ik nog de vraag stellen: ongehoorzame mensch die door uwe wederspannigheid en het niet opvolgen van de bevelen uwer oversten u en anderen ongelukkig maakt, wat zult gij eenmaal aan uwen Rechter antwoorden, als Hij u rekenschap vraagt? Hij zal u wijzen op zijn voorbeeld van gehoorzaamheid, dat Hij de almachtige God op zoo schitterende en wonderbare wijze gegeven heeft. Dewijl de toekomende Rechter zelf het voorbeeld gegeven heeft, zal het vonnis voor den ongehoorzamen des te strenger zijn, daar aldus geene enkele reden diens ongehoorzaamheid kan verontschuldigen. Laten wij dat ernstig tot ons
â 211 â
eigen welzijn overwegen, en dat het feest der H. Familie ons aanspore, om toch niet dezen eenen steunpilaar van de maatschappij te ondermijnen, maar dien al vaster en steviger te maken : de gehoorzaamheid en onderdanigheid aan de overheid.
De tweede steunpilaar der menschelijke samenleving, waarop wij nu onze aandacht zullen vestigen is de tevredenheid in armoede en nood.
II.
Wat doen wij toch wondere ondervindingen op in onzen tijd, Gel. Chr.! We kunnen geen courant in de handen nemen, of er komen van een tot twee, drie zelfmoorden in voor. En wat zijn het voor menschen, die de hand aan zich zeiven slaan en den Heer van leven en dood daardoor zoozeer heleedigen. Het kleinste getal zijn armen, de meeste zijn menschen uit den aanzienlijken of gegoeden stand. Wat brengt hen er toch toe, den dood te zoeken ? Het is de innerlijke onrust en ontevredenheid des harten, gevolg van de zonde. Gebed en ernstige bezigheid, of zich zeiven overwinnen is hun onbekend en daarom missen zij alle zedelijke kracht, als er eens een oogenblik komt, dat hun de aarde als een tranendal doet zien. Maar de oorzaak van hunne ellende ligt dieper, meestal of altijd bij het huisgezin, waaruit zij zijn voortgekomen. Daar, in het huisgezin werden zij niet aan bidden, ernstigen arbeid, onthouding of overwinning over zich zeiven gewend, en zoo zijn zij niet bestand tegen de stormen en beproevingen, die over ieders leven gaan. Juist dat is het wat den H. Vader bewoog, de aanzienlijken en rijken te wijzen op het toonbeeld der H. Familie van Nazareth, opdat zij door de navolging daarvan gelukkig zouden zijn en tevreden. Aan
â 212 â
de navolging der H. Familie kan zich geene, zelfs niet de koninklijke familie onttrekken, want gebed, arbeid en ontbering, gelijk wij die bij Jesus, Maria en Jozef zien, zijn de grondslagen van een christelijk huiselijk leven en niet minder de voorwaarden tot tevredenheid. De grootste rijkdom van den mensch is in zijn hart, en is: de tevredenheid.
De H. Vader wijst er echter niet minder de armen op, het voorbeeld der H. Familie steeds voor oogen te honden, en de armen wel het meest, omdat zij mot moeite en in het zweet des aanschijns moeten strijden voor het dage-lijksch brood en het grootst getal menschen uitmaken. Omdat het getal der armen verreweg het grootst is, wilde Christus in Zijne vindingrijke liefde tot een arm huisgezin behooren en geheel zijn leven arm blijven, 't Is dus voor ons allen, die wel niet tot de grooten, aanzienlijken en rijken der aarde geteld kunnen worden, eene groote eer, en het maakt ons vertrouwen gaande, wijl wij daaruit zien, dat den grooten God de geringen en armen het meest aan het hart liggen. Van den anderen kant echter leggen deze liefde en vernedering van den Zoon Gods ons den plicht o]), tevreden te zijn met onzen geëerden stand, en ons voorbeeld, den Zoon Gods, in het H. Huisgezin na te volgen. Met Maria en Jozef leert Hij ons, hoe men ook in den behoeftigen en armoedigen stand tevreden kan zijn. In het huisje van Nazareth is alles arm: arm de vader, de moeder, de woning, de inrichting, arm ook de kleeding en de voeding. En toch was dit arm huisgezin het gelukkigste en tevredenste, dat op aarde bestond ; want de wil Gods was in dit armoedig gezin de hoogste wet; en de dagelij ksche taak, die volbracht werd, was : bidden, werken en ontberen ter liefde en om wille Gods.
Zoo moet ook in ons gezin Gods wil de hoogste wet zijn, en wat iedere dag ons ook brenge aan werken, lijden
- 213
en vreugde, dat moeten wij uit Gods hand en van Gods genaden aannemen. Wij ook, zoowel als de koning, zijn bij Gods genade; al is het dan niet heerscher, maar dan toch arbeiders van Gods genade ; kranken en hulpbehoevenden van Gods genade, als wij ten minste zelve niet de schuld zijn van ons lijden en zwakheid. Als deze gevoelens en deze overtuiging in alle huisgezinnen zijn doorgedrongen, dan heerschen in die gezinnen vrede en vreugde en zegen; en vele zulke huisgezinnen maken eene goede, christelijke gemeente, en vele zulke gemeenten eene goede, christelijke en gelukkige maatschappij uit.
Zulke christelijke en gelukkige maatschappij wil de H. Vader weer stichten. Hij zegt: Door de navolging der H. Familie van Nazareth heft gij u zeiven en de geheele men-schelijke samenleving het spoedigst en zekerst weer op.
Terecht zegt hij dit, want die H. Familie, waarvan God zich bediende, bm de christelijke maatschappij te vestigen, heeft ook do kracht, om ze wederom te herstellen. Kinderen, dienstboden en ondergeschikten moeten zich de gehoorzaam-
O O
heid van Jesus ten voorbeeld stellen; jonge meisjes, vrouwen en moeders trachten, den ootmoed, ijver in het gebed en de zuiverheid van Maria na te volgen; en de jongelingen en mannen in de voetstappen van werkzaamheid, geduld, eenvoud des H. Jozefs te treden; en allen moeten streven, om in werk en woord zich de tevredenheid van de H. Familie eigen te maken. De misstand moet ophouden, dat huisvaders en huismoeders aan het gebed en de openbare godsdienstoefeningen den rug toekeeren, en dat mannen, al zijn het ook hoeren en bazen, 's morgens, als ze moeten werken, in de herberg moeten gezocht worden, waar zij den halven nacht in drank en spel hebben doorgebracht. Zulke levenswijze voert niet tot geluk, maar tot ontevredenheid en ar-
â 214 â
moede. De H. Familie van Nazareth, die God ons ten toonbeeld gesteld heeft, geeft een geheel ander voorbeeld van gebed en arbeidzaamheid, van stichting en eerbaarheid en vreugde in God.
Dit voorbeeld, Gel. Chr., willen wij navolgen en onze huisgezinnen vol vertrouwen onder de bescherming der H. Familie stellen. Het zullen geene woorden zijn als wij bidden: 'Jesus, Maria, Jozef! ik schenk U mijn hart en mijne ziel. En op alle onze huisgezinnen zullen de woorden van den Psalmist passen: »Zalig zij, die in uw huis wonen, o »Heer! in de eeuwen der eeuwen zullen zij U loven.quot; Amen.
_0^5X5^5___
c?öc?lt;6c?ocgt;Sy^lt;a^iy^O cgt;oc^lt;ücgt;ocgt;lt;ücgt;oVoc?»o?Syi?oc?lt;^
/j\ JL JL JL JL ⢠JL JL JL JL JL JLJLJLJLJLJLJLJLj^JLJLJL \
el__- -_ .....- râ'.o
XIX.
De familie als voovheelb rgt;oor tebcr Cbrtstcltjf Buisacsiit.
(t'ooi- een Priester oan bet diocees 21Tiinster.)
Et descendit ann cis et venit Nazareth et ernt subditns illis.
En Hij vertrok met hen, kwam te Nazareth en was Imn onderdanig.
Luc. II, 51.
et Evangelie van lieden vestigt onze gedachten op Nazareth en op het armoedige huisje, dat de H. Familie daar bewoonde. :gt;Jesus vertrok met vwam te Nazareth en was hun onderdanig.» Dit is al wat de Evangelisten ons melden omtrent het grootste deel van Jesus' leven. De goddelijke Verlosser leefde dus stil en verborgen tot Zijn dertigste jaar in het arme huisje van het verachte Nazareth, gehoorzaam aan Maria en Jozef, die Hij hielp bij hun dagelijksch werk, terwijl de menschen hem hielden voor den Zoon van Jozef, den timmerman.
Wat, gel. dir., zou den Zaligmaker, die toch gekomen was om de menschen te leeren en te verlossen, bewogen hebben, om zoolang een verborgen leven te leiden ? Op ééne bedoeling, die Jesus daarmee had, wil ik u heden wijzen. Jesus wilde namelijk niet alleen door Zijn woord.
- 216 â
maar vooral door de daad, door Zijn voorbeeld leeren. In het arme huisje van Nazareth wilde Hij vooral den grondslag der menschelijke maatschappij, daar wilde Hij het huisgezin herstellen en heiligen, daar wilde Hij in het beeld der H. Familie te Nazareth ons toonen, hoe het christelijk huisgezin moet ingericht zijn. Beschouwen wij daarom:
de H. Familie van Nazareth als het voorbeeld van ieder C h r 1 s t e 1 ij k huisgezin.
Doen wij doze overweging onder aanroeping der H.H. Namen van Jesus, Maria en Jozef.
Het huisgezin, gel. Chr., is de grondslag der menschelijke samenleving. Van den geest, die in particuliere huisgezinnen heerscht, hangt het af, hoe het in de gemeente, in de stad, in het rijk gesteld zal zijn met godsdienst en deugd, en gevolgelijk met het eeuwig geluk of ongeluk dor menschon.
Zijn do huisgezinnen niet meer christelijk, geven zij niets om godsdienst of deugd, dan gaat do geheele maatschappij haar verderf to gemoet. En al maakt de staat do beste wetten, en al werkt de Kerk nog zoo hard, als do huisgezinnen niet goed zijn, is alle werk te vergeefsch: want do invloed van het huisgezin op den particulieren mensch is A'eel grooter dan die van Kerk, school of staat. Hieruit begrijpen wij, waarom de Zaligmaker tot Zijn dertigste jaar in het huisgezin van Nazareth leefde, en dit tot voorbeeld van alle christelijke gezinnen stelde.
Laten wij nu eons van meer nabij het leven van dit H. Huisgezin, van den H. Jozef, van de zuiverste Moedermaagd en van het goddelijk Kind beschouwen.
1. Het was een huis, waarin alles doordrongen was van, en geleid werd door den geest van godsvrucht en godsdienstigheid. De H. Familie beschouwde het als hare voornaamste taak hier op aarde. God te kennen. Hem te be-
â 217 â
minnen en te dienen. Zij leefden naar liet beginsel: zoekt eerst het Rijk Gods en Zijne gerechtigheid! Gods geboden waren in dit huis in hooge eer: overtreding of geringschatting van Gods wil kende men in de H. Familie niet. En dit is ook de eerste eisch, welken men aan ieder christelijk huisgezin moet stellen. Helaas! in vele huisgezinnen zijn godsdienst, geloof, Gods geboden bijzaken, en heerscht onverschilligheid voor alles wat godsdienst is. Ja menige huisgezinnen maken hunne woningen tot huizen van zonde: daar wordt gevloekt, gelasterd, daar worden slechte, ontuchtige gesprekken gehouden, daar bekreunt men zich niet om de geboden vastendagen. Waar dit plaats heeft, daar is in dat huisgezin toch zeker geen christelijke zin.
2. Het H. Huis van Nazareth was een huis des gebeds. Zien wij maar de drie H. Personen aan, uit wie het gezin bestaat: het Kind Jesus, dat »zijn moest in hetgeen Zijns Vaders wasquot;; â Maria, »die alle woorden bewaarde en »overwoog in haar hartquot;; â Jozef, den man naar Gods Hart; â en wij kunnen ons niet anders voorstellen, dan dat iedere dag geheiligd werd door gebed, maar dat de Sabbat- en feestdagen toch bijzonder dagen van gebed voor hen waren.
O! dat toch alle christelijke huisgezinnen daaraan een voorbeeld namen! Gelijk het lichaam behoefte heeft aan voedsel, zóó de , ziel aan gebed. In een huisgezin, waar niet gebeden wordt, ontbreekt het der ziel aan het noodzakelijke. 0, als alle huisvaders meer mannen van gebed waren; hoeveel beters zou het er in vele huisgezinnen uitzien. In een goed huisgezin komen op de eerste plaats het onderhouden van Gods geboden en het gebed: daarvoor ook is, zoowel als voor opstaan en slapengaan, voor eten en drinken alle dagen een tijd bepaald. De voornaamste plicht, welke op een vader des gezins rust is, er
â 218 â
de hand aanhouden, dat in zijn huishonden gebeden, en wel dat er gemeenschappelijk gebeden wordt. O, gel. Chr., onderhoudt toch de loffelijke gewoonte, van aan tafel en 's avonds te bidden, en verricht het morgengebed ook samen, als zulks iets kan. Bijzonderen zegen van God rust daarop. Want, gt;waar twee of meer in mijnen naam ver-»gaderd zijn,quot; zegt Christus, »daar ben Ik in hun midden.quot; Wanneer in uw huisgezin dit gebruik van samen te bidden niet bestaat; welaan, christelijke huisvaders, voer het dan in. Welken indruk maakt het op de kinderen, hoe nadeelig werkt het op hen, als zij vader en moeder bijna nooit zien bidden. Het is dus uw belang, christelijke huisvader, daarvoor te zorgen; gij zijt daarvoor verantwoording aan God schuldig; zorgt dus, dat in huis gezamenlijk gebeden wordt; het zal u ten zegen zijn.
3. Het H. Huis te Nazareth was een huis van arbeid. Jozef werkte in zijne werkplaats voor het onderhoud der H. Familie; Maria zorgde met vlijt voor het huishouden, en het goddelijk Kind verleende blijmoedig en gehoorzaam hulp, waar Het maar kon. Zoo hielden Zij hun hand aan het werk en hun hart bij God: hun werk werd geheiligd door eene goede meening. Zoo behooren tot de plichten van staat in ieder huisgezin werkzaamheid, ijver en spaarzaamheid. Het is de plicht van den vader des huisgezins, te zorgen voor het onderhoud en het dagelijksch brood der zijnen; de moeder moet zorgen voor het huishouden en het haren man in huis aangenaam maken; de kinderen zijn verplicht, de ouders bij te staan in hun werk en moeielijkheden.
Wat een ellende in een huisgezin, waar deze plichten van staat verwaarloosd worden: als de vader er meer op uit is, om sterken drank te krijgen dan om aan zijn gezin brood te verschaffen; als de moeder slordig is in haar huishouden en daardoor het huis door de huisgenooten
â 219 â
doet ontvluchten. Doch behalve dit; hoe verkeerd handelen nog die gezinnen, die altijd werken, doch uit onmatige zucht naar geld en goed, die bij hun werk God vergeten, meer ijver hebben voor hun werk dan voor het heil hunner ziel, of die hun werk niet heiligen door eene goede meening. Het christelijk huisgezin is een huis van werken, maar van werken ter eere Gods.
4. Het H, Huis van Nazareth was een huis van armoede en lijden. In Zijne almacht had Jesus de H. Familie voor allen nood en wederwaardigheden kunnen vrijwaren. Hij heeft dit echter niet gedaan. Hij heeft het Maria en Jozef niet gemakkelijk gemaakt in het tijdelijke; noch voor hen, noch voor Zich zocht Hij rijkdom of gemak. Daaruit volgt, dat armoede en lijden dus een grootere weldaad moet zijn dan rijkdom of een gemakkelijk, zorgeloos leven. Behalve dit, waren armoede en lijden voor de leden van het H. Huisgezin toch een grooter goed door het geduld, door het onwrikbaar vertrouwen op God, door de volkomen overgeving aan Gods H. Wil, waarmede zij het aannamen. O, indien alle huisgezinnen zich eens aan dit voorbeeld spiegelden! Geen enkel huisgezin blijft van wederwaardigheden verschoond; ieder huisje, zegt men, heeft zijn kruisje. En dat is goed ook; want als men alles zoo op zijn gemak en naar zijnen wil heeft, dan vergeet men daarbij zoo lichtelijk God. Mogen dus alle huisgezinnen van de H. Familie van Nazareth leeren, hun kruis met geduld, ter eere Gods en tot hun eigen voordeel te dragen.
5, Het H. quot;Huis van Nazareth was een huis van vrede. Ja, gel. Chr., welke vrede moet daar geheerscht hebben, waar de drie heiligste harten het zoo eens waren in de liefde tot God, waar zij alle drie slechts één doel hadden: God te dienen en zich zeiven meer en meer te volmaken;
waar zij eendrachtig samen werkten en elkander in den arbeid behulpzaam waren.
Hoe schoon ook in ieder christelijk huisgezin, als daar vrede woont! Maar ook, het huisgezin is een hel, als vader, moeder en kinderen elkander niet kunnen verstaan, als den ganschen dag daar twist en tweedracht heerschen. En hij, die de schuld daarvan is, zal zeker Gods straffen niet ontgaan, en hij maakt zich eene hel hier en hiernamaals. Wil er echter in een huisgezin vrede zijn, dan moet geduld geoefend en toegevendheid gebruikt worden tegenover de gebreken en zwakheden der ondergeschikten.
Ieder heeft zijne gebreken, en men kan liet niet aan iedereen naar den zin maken. Als meer menschen bij elkander wonen, dan moet dikwijls geduld geoefend en toegevendheid jegens zich zeiven en anderen gebruikt worden: daar moet het woord van den Apostel ter harte genomen worden: verdraagt elkander en vergeeft, als iemand reden tot klagen heeft jegens een ander: gelijk de Heer u vergeven heeft, zoo ook gij. Draagt elkanders lasten, en zoo zult gij de wet van Christus volbrengen.
6. Het H. Huis van Nazareth was eindelijk een huis van vreugde in den Heer. Zeker heeft de H. Familie ook wel hare genoegens en vreugden gehad. Uitspanning heeft ieder mensch noodig, om weer met nieuwe krachten en fris-schen moed aan het werk te gaan. Moge hieruit ieder christelijk huisgezin leeren zijne uitspanning zóó te nemen, dat God daarbij is; mogen zij hunne uitspanning in, en met God zoeken, en niet in herbergen, noch ook in gevaarlijke en ongeoorloofde genoegens of in den omgang met slechte menschen; neen ; vader, moeder en kinderen moeten in den huiselijken kring het liefst hun genoegen en uitspanning zoeken.
Aldus beschouwd. Gel. Chr., is het H. Huis van Nazareth
- 221 â
een schoon voorbeeld voor ieder christelijk huisgezin. Mochten toch alle christelijke huisgezinnen zich dit ten voorbeeld stellen. Daartoe is noodig, dat ieder lid des gezins, vader, moeder, zoon en dochter, op zijne manier doe wat hij kan. Eene zaak echter is er, die allen moeten doen; eene zaak, die ook die huisgezinnen, waarin de christelijke geest, of de vrede, enz. ontbreken, kan helpen en tot een echt christelijk gezin maken: n. 1. de gemeenschappelijke vereering van de H. Familie te Nazareth. Vooral heden is de vereering van de H. Familie van het grootste gewicht, nu zoovele huisgezinnen op allerlei wijze uit elkander gerukt zijn, nu zoovele omstandigheden een braaf en vreedzaam leven in den weg staan. Daarom heeft onze H. Vader voor eenigen tijd de Bisschoppen dor geheele wereld opgeroepen, om daarop te werken, dat de H. Familie van Nazareth weer meer zon vereerd worden, en dat alle christelijke huisgezinnen zich toch onder de bescherming dezer 11. Familie zouden stellen! Welaan dan, christelijke huisvaders, geeft gehoor aan dit verzoek dos H. Vaders, stelt u zeiven en geheel uw huisgezin onder de machtige bescherming van Jesus, Maria en Jozef; roept hen dagelijks bij het gemeenschappelijk gebed aan om hulp en bijstand. Dan zal Gods zegen niet uitblijven; dan moogt gij verhopen, dat gij u eens in eeuwigheid met geheel uw gezin vereenigd zult zien bij den troon van God. Amen.
XX.
Xict 6agircrf ^cr V}. ^amtltc.
Koinii' hie est faher? Nonnehic est fahri films? Xonne mater ejus dicüur Maria?
Is deze niet de timmerman? Is deze niet de zoon van den timmerman? Heet zijne moeder niet Maria?
Marc. VI, 3; Matt. XIII, 55.
e goddelijke Zaligmaker is in de wereld gekomen, om alle menschen te redden en zalig te maken. Deze grootsche taak had Hij te vervullen. En toch liet Hij de schoonste jaren voorbijgaan en wijdde slechts de drie laatste jaren aan zijn openbaar leven en werken, terwijl Hij dertig jaren in een verborgen leven te Nazareth doorbrengt! Wij kunnen niet aannemen, dat dit verborgen leven, dat het langst duurde, van geen belang was voor ons, zijne verlosten; hierin dus ook, gelijk in het geheele leven van Jesus moet eene gewichtige les zijn opgesloten. En welke is die les? Mij dunkt. Gel. Chr., dat de Zaligmaker ons wil toonen, dat wij geene buitengewone werken behoeven te doen, om heilig te worden, maar dat wij door ons dagelijksch werk, door onze gewone bezigheden in den schoot van het huisgezin naar deugd en volmaaktheid moeten streven. Een klein getal menschen slechts is
â 223 â
geroepen in het openbaar op te treden, of groote dingen te doen; de meesten zijn bestemd tot een nederig, werkzaam leven in het huisgezin. Daarom was het de bedoeling-van den Zaligmaker, ons in de H. Familie een voorbeeld te geven, hoe wij dagelijks ons zeiven kunnen heilig maken :
I. door arbeid
II. door g e b e d.
Overwegen wij dit godvruchtig, tot ons eigen heil en tot eer van Jesus, Maria en Jozef.
I.
Toen de Verlosser in het eerste jaar van zijn openbaar leven eens uit Judea naar Nazareth terugkeerde, leerde Hij daar in Synagoog als iemand, die gezag had; zóó dat de menschen over hun stadgenoot verwonderd waren, en zeiden: Is deze niet de timmerman? Is hij niet de zoon van den timmerman? Héét zijne moeder niet Maria? Vanwaar dan die wijsheid en wonderdoende macht?
Wij zien uit deze taal. Gel. dir., dat wij niet op vermoedens of veronderstellingen zijn afgegaan, toen wij zeiden, dat het Kind Jesus den H. Jozef bij diens werk behulpzaam was, maar dat de H. Schrift dit uitdrukkelijk vermeldt. De menschen toch wijzen Jesus niet alleen aan als den Zoon des timmermans, maar zij noemen Hem zeiven den timmerman. Hieruit kunnen wij dus opmaken, wat de dagtaak der H. Familie van Nazareth was: arbeid, en wel, handenarbeid. Jozef staat aan de schaafbank en werkt, zooals het zijn ambacht meebrengt. De H. Moeder Gods bezorgt als huisvrouw het huishouden: Zij kookt en wascht, naait, spint en schuurt, naar gelang het noodig is. En Jesus doet wat Hem door een van beiden wordt bevolen: helpt nu eens, als een flinke, brave gezel den H. Jozef; dan weer Zijne
â 224 â
moeder, als deze Zijn dienst noodig heeft. »Hij was hun »onderdanig.quot;
Welk onderscheid nu is er, Gel. dir., tusschen onze dagtaak en die der H. Familie van Nazareth ? Immers geen enkel; want ook ons wacht dagelijks tverk, en meestal handwerk.
Daaraan moeten wij wel denken, en trachten denzelfden geest, als de H. Familie had, ons eigen te maken, door met eene zuivere, aan God aangename meening te werken en zóó het werken als een middel ter eigen heiliging aan te wenden. Wanneer nu werken wij in den waren, aan God welgevalligen geest? Als wij overtuigd zijn en beseffen, dat werken, noodzakelijk is, dat wij ons over werken niet behoeven te schamen en dat wij moeten werken uit liefde Gods.
1. Onder de menschen heerscht veelal deze groote dwaling, dat zij het werken slechts beschouwen als een middel om hun dagelijksch brood te verdienen, en dat zij dus niet meer behoeven te werken, als zij rijk zijn. Dit is een zelfbedrog, dat het werken ons moeielijk en bitter doet zijn, en geheel bezijden de waarheid. Heeft het werken geen ander doel dan brood te verdienen, dan had de Zaligmaker niet behoeven te werken. Maar hij wilde werken, omdat dit ons tot straf voor de zonde is opgelegd, en wijl Hij gekomen was, om voor de zonde te boeten. Hieruit kunnen wij besluiten, hoe noodzakelijk voor ieder van ons de arbeid is. Rijken en armen, allen moeten werken, omdat God het wil, omdat Christus een zoo verheven voorbeeld van een werkzaam leven heeft gegeven, omdat ledigheid het beginsel van alle kwaad is. Vroomheid is alreeds verdacht, als zij traag is, en niet genegen tot werken; zij maakt weerspannig en onwillig. Ware godsvrucht heeft ook ijver voor, en schept vermaak in werken.
â 225 â
2. Om den waren geest van werken te hebben, moeten wij er wel van doordrongen zijn, dat wij ons nooit en nergens over werken te schamen hebben.
Bij de Heidenen was de arbeid veracht: Grieken en Romeinen drukken »werken» uit met een woord, dat ook beteekent: ellende en ongemak. Maar in het christendom is arbeid in eere, sinds de Zoon Gods dien in de werkplaats te Nazareth door Zijne handen en zweet geheiligd heeft. En dat geldt van iederen arbeid, ook van den geringsten. En ook, welken arbeid zou ons menschen nog kunnen vernederen, sinds de Zoon Gods Zich vernederd heeft tot eenvoudig werkman? Wat troost en vreugde biedt dit aan hen, die tot nederigen arbeid geroepen zijn, en die het grootste gedeelte huns levens moeten doorbrengen met nederigen, misschien verachten arbeid te verrichten. Bovendien biedt de volgende overweging nog grooteren troost: hoe geringer liet werk, hoe geringer ook de verantwoording en rekenschap.
3. Eindelijk, om in den waren geest te werken, moeten wij beseffen, dat wij ter liefde Gods moeten werken, en dus ook ter liefde Gods ons ambacht of werk moeten uitoefenen. Een arbeid, dien wij alleen voor ons gemak en pleizier ondernemen, dien wij verrichten met het éénig doel om ons te verrijken, alleen uit wereldsche inzichten, heeft op zich zeiven, noch voor ons waarde noch voor den hemel. Deze waarheid. Gel. Chr., kunnen wij niet genoeg ter harte nemen. Ons werk ontleent zijne waarde aan de bedoeling, waarmede wij het verrichten. De mensch let alleen op het uitwendige. God echter ziet naar het hart. Hebben wij bij ons werk geene andere dan tijdelijke inzichten, dan zullen wij ook op aarde ons loon daarvoor bekomen, maar hiernamaals er niets voor te verwachten hebben. Is uw doel door uw werk tijdelijk gewin of vreugde of genot te ver-
15
â 226 â
werven, dan hebt gij uw loon al ontvangen. God beloont slechts dat werk, hetwelk wij voor Hem, om Hem te behagen doen. Wat zondt gij uwen knecht antwoorden, die van u het loon vorderde, dat hij aan een werk voor uwen buur-buurman verdiend had ? Datzelfde antwoord zal ook God geven, als gij aanspraak wilt maken op belooning voor den arbeid, dien gij voor de wereld gedaan hebt.
Tot beter verstand herhaal ik : De H. Familie toont ons, hoe wij naar haar voorbeeld onze dagtaak, d. i. onze dagelijksche bezigheden moeten heiligen. De Zoon Gods heeft willen werken, opdat wij bij het aanschouwen daarvan, ook blijmoedig en ijverig aan het werk zouden gaan en den arbeid verrichten zóó als Hij dien in het Huisje van Nazareth verricht heeft: niet slechts om tijdelijk gewin, maar boven alles met het inzicht. God te behagen en den hemel te verdienen.
II.
Gij kent wel het spreekwoord : bid en werk, en God zal helpen. In het beleven dezer spreuk is de H. Familie van Nazareth ons voorgegaan. Wij kunnen ons dat H. Huis en die H. Personen niet denken zonder daarbij een voortdurend aanhoudend gebed ons voor te stellen. O van welken eerbied moeten Maria en Jozef wel altijd doordrongen zijn geweest voor den God, die bij hen verwijlde, en hoe moet iedere ademtocht des Verlossers de woorden herhaald hebben, welke de Profeet Hem bij Zijne intrede in de wereld op de lippen legt: »Zie, hemelsche Vader, Ik »ben gekomen, om uwen wil te volbrengen.quot; Geen twijfel dus, of de H. Familie volbracht gemeenschappelijk hare dagelijksche gebeden, gelijk brave huisgezinnen bij de Joden gewoon waren tc doen. En zouden Jesus, Maria en
â 227 â
Jozef niet eveneens de godsvruchtoefeningen, bijgewoond hebben, welke maandags, donderdags en zaturdags der week in de Synagoog gehouden werden ? Driemaal 's jaars op de voornaamste feesten gingen zij op naar Jerusalem, om daar in den tempel dat voorbeeld van ijver en godsvrucht te geven, dat de inwoners van Nazareth dagelijks voor oogenquot; hadden.
Wat schoon en schitterend voorbeeld wederom voor ons ! Die alleen maar werkt, volbrengt maar eene halve en vruchtelooze dagtaak. Gebed en arbeid moeten samengaan. Arbeid en gebed was de dagtaak der H. Familie; dat moet ook de dagtaak van iederen katholieken christen zijn.
Vergelijkt dan dikwijls den toestand in uw huis met dien der H. Familie, en vraagt u af, of Gods oog ook met welgevallen op uw huis kan rusten gelijk op dat van Nazareth. Wordt trouw en geregeld het morgen- en avondgebed gebeden? Ga zonder stok niet door de sneeuw, begeef ii zonder roer niet op zee, en ga niet uit uw huis zonder gebed en Gods Woord, luidt eene oude vermaning. De H. Vincentius a Paulo zegt zeer juist: van een mensch, die niet geregeld zijn morgen- en avondgebed doet, is niet veel te verwachten. Hoe is het gesteld met het bidden vóór, en na het eten, bij het luiden van den Engel des Heeren, met het dagelijks bidden van het rozenhoedje ? Vrome gebruiken in de huisgezinnen moeten onderhouden, zal het volk niet goddeloos worden ; maar onder die gebruiken neemt zeker de huiselijke godsdienstoefening de eerste plaats in. Daartoe behoort ook het lezen van het Evangelie en Epistel der Zondagen, van de Levens der Heiligen, het overhooren van den katechismus der kinderen; is hierin nu uw huis uwe kerk, vraag ik u met de woorden van den H. Joannes Chrysostomus. En gaat het even zoo met de openbare godsdienstoefeningen ; gaat gij daar ook met even-
â 228 â
veel ijver naai* toe ; zijt gij daar met denzelfclen eerbied tegenwoordig, als de H. Familie de godsdienstoefeningen in de Synagoog te Nazareth bijwoonde ? Waarom dan de slechte gewoonte van te laat te komen, of de kerk al uit te gaan, vóór de Mis geëindigd is. En als Maria en Jozef met zooveel eexquot;bied ter kerke gingen omdat de Zoon Gods bij hen was; waar is dan uw eerbied in de kerk, die, wegens de komst van Christus in de H. Hostie, wegens zijne blijvende tegenwoordigheid in het tabernakel en om zijne opoffering in de Mis tegelijk kan gezegd worden de grot van Bethlehem, het Huisje van Nazareth en de offer-plaats op Golgotha te zijn. En indien al ons doen en laten, al waar wij op zinnen en waarnaar wij streven een gebed moet zijn, een voortdurend lof- en dankoffer, dat ten hemel stijgt; maakt gij uw leven dan wel tot één gebed, doordat gij uwe daden heiligt, door tot God op te zien, door uw hart tot Hem te verheffen ? O, Gel. dir., leeren wij dit van de H. Familie, in wier voetstappen alle Heiligen getreden zijn, en die handelden naar de kernspreuk der H. Zitta: de hand bij het werk, het hart bij God! Het gebed verzoet den arbeid, het gebed maakt sterk tot den arbeid, het gebed brengt zegen over den arbeid, het gebed maakt, dat ons werk van de aarde tot den hemel reikt, en tijd en eeuwigheid, het vergankelijke en onvergankelijke met elkander verbonden worden.
Gebed en arbeid was, zagen wij, de dagtaak van de H. Familie van Nazareth. Bezien wij onzen toestand, dan is dezelfde taak ook ons aangewezen ; bidden en werken. De H. Schrift leert ons beiden: »in het zweet uws aan-»gezichts zult gij uw brood etenquot; en : »gij moet altijd bid-»den.quot; Gebed en arbeid mogen wij niet van elkander scheiden ; niet zóó, dat de man werkt en de vrouw en de kinderen bidden ; neen, gelijk elk moet werken, zoo moet ook
â 229 â
ieder bidden. Daarvan worden we overtuigd, als wij den Zoon Gods het grootste deel Zijns levens in de werkplaats van het Huisje van Nazareth zien doorbrengen, en arbeid en gebed beoefenen.
Dit Zijn voorbeeld moet voor ons een gebod zijn. Laten wij doen wat Hij gedaan heeft, dan zijn wij zeker op den goeden weg, en zullen ook wij met de jaren in wijsheid en behagelijkheid aan God toenemen ; â dan maken wij ons op die wijze heilig en zullen met de Heiligen ook ons loon krijgen: de rust des hemels na de moeiten van onze dagtaak hier op aarde, Amen.
«#(5^=»___!êS^G)4
â¢ViJ^ ^^(SJX3 *^2)
XXI.
CDi^cr ben buiscltjfcn rgt;rc5c.
(boor 2lich.)
Pacem habde inter vos.
Houdt vrede ouder elkander.
Marc. IX, 49.
Is eens de H. Kluizenaar Macarius in zijne cel bad, hoorde hij eene stem: Macarius, gij hebt nog niet zóó groote verdiensten verworven als die twee vrouwen in de stad. Den eersten morgen den beste stond Macarius op, nam zijn palmhouten stok en ging naar de stad. Daar aangekomen, en het huis der vrouwsn gevonden hebbend, vroeg hij binnengelaten te worden. Een der twee vrouwen kwam en stond hem te woord. Maar hij riep ze beide bij zich, en zeide: Ik heb om uwentwil veel moeiten gedaan; zeg mij nu eens: hoe leeft gij ? Zij antwoordden hem: Wij^konden elkander vroeger niet lijden; maar wij zijn nu de echtgenooten van twee broeders. Wij wonen nu al vijftien jaren in hetzelfde huis, en kunnen ons niet herinneren, nog ooit getwist of een kwaad woord met elkander gehad te hebben; integendeel: wij hebben al die jaren in vrede en eendracht geleefd. Eens wilden wij in een vrouwenklooster treden, doch onze mannen wilden zulks niet hebben. Toen deden wij eene belofte aan God, en spra-
â 231 â
ken wij af, dat tot onzen dood toe nimmer een woord uit onzen mond zou komen, dat niet gevallig was aan God. Toen de vrome kluizenaar dit vernomen had, keerde hij naar zijne cel terug, en erkende, wat aan God het aangenaamste is. Ook wij. Gel. Chr., leeren hieruit, wat aan God bijzonder aangenaam en welgevallig is onder de menschen, n. 1. de vrede. Hij, de Allerhoogste, die als den ^God des »vredesquot; door de Profeten werd aangekondigd, die ten tijde van algemeenen vrede in de wereld kwam, wiens geboorte door de Engelen in lof- en vredezangen werd aangekondigd, en die gewoon was bij zijne leerlingen te komen met een vredegroet, - Hij heeft niets zoo lief, niets is Hem aangenamer dan dat het woord wordt nagekomen, dat Hij zelf heeft gesproken; pacem habete inter vos: »houdt vrede »onder elkander.quot; Vrede is van het grootst gewicht voor volken en staten; maar ook van het hoogste belang voor afzonderlijke personen. Een vredebreuk heeft gewoonlijk ernstige gevolgen. Van bijzonder belang is echter de vrede daar, waar slechts eenige weinige personen bijeen wonen: in het huisgezin. Op uitmuntende wijze heeft de Zaligmaker dit zijnen leerlingen ingeprent: »in welk huis gij ook ingaat, »zegt eerst: vrede zij dezen huize! En indien aldaar een »zoon des vredes is, zal uw vrede op hem rusten; maar »indien niet, zal hij tot u wederkeereu.quot; (Luc. X, 5, 6.) Mochten toch in alle christelijke huisgezinnen enkel ware kinderen des vredes zich bevinden, opdat Gods zegen op hen ruste; mochten vooral die huisgezinnen, welke lid zijn van de godsdienstige vereeniging der H. Familie ware woon-en verblijfplaatsen van vrede zijn, welke dit kostbaar kleinood aan anderen meedeelden en verspreidden! Om deze groote weldaad wel te leeren op prijs stellen en bewaren; zullen wij heden over den vrede in het huisgezin, of den huiselijken vrede in het kort handelen, en aantoonen:
â 232 â
I. Hoe groote weldaad deze vrede is;
II. Hoe h ij goed bewaard b 1 ij f t.
Jesus, Deus pacis, miserere nobis: Jesus, God van vrede, ontferm u onzer!
I.
Als ik wil aantoonen, welke groote weldaad het licht is, dan is de beste manier, het te stellen tegenover de duis-tenis; zoo ook: als ik den lof wil verkondigen van den ootmoed, zal ik dat het zekerst bereiken, door deze deugd tegenover de hoovaardigheid te stellen. Op dezelfde wijze hoop ik u kort en bondig aan te toonen, wat groote weldaad de vrede is, door daar tegenover te stellen de ontevredenheid, gramschap en haat. Voorwaar een treurig, ellendig leven wordt daar geleid, waar onder echtgenooten, broeders, zusters, familieleden, dienstboden en huisgenooten twist en tweedracht heerscht. Waar men elkander scheldt, verwenscht, daar kan geen spraak zijn van eensgezindheid. Van zelfs dus is in zulk huis geene plaats voor gemoedsrust, tevredenheid, of voor eenstemmige godsdienstigheid en liefde; daar is geen lust tot gezamenlijke vervulling van godsdienst- of huiselijke plichten. Zij die elkander niet verdragen kunnen, maken het weinige zoet, dat het leven biedt, nog bitter, en verzwaren elkander de moeielijkheden des levens. Langzamerhand verliezen zij de zorg voor het huishouden, voor de welvaart van het huisgezin en verwaar-loozen do opvoeding der kinderen. Wijl zij in huis geen rust of genoegen vinden, zoeken zij die buiten het huis, verzuimen hun werk of ambacht, worden lui en liederlijk en geven zich over aan drank en spel; niet zelden worden de vrouwen ontrouw aan hare mannen en het einde van allen en alles is, verderf en ondergang. »Een grammoe-
â 233 â
»dig mensch,quot; zegt de wijze Sirach, »ver\vekt twist en een »slecht mensch brengt oneenigheid onder vrienden en sticht «vijandschap onder hen die in vrede leven.quot; (Eccli. XXVIII, 11.) Waarbij kan een huisgezin, dat in oneenigheid en tweedracht leeft, vergeleken worden ? Hij, die in zulk huisgezin zijn leven moet slijten, kan met het volste recht den H. Man Job nazeggen: »mijne ziel is verdrietig over mijn leven; »ik zal mij tegen mij zeiven uitspreken; ik zal spreken in »de bitterheid mijner ziel.quot; (Job. X, 1.) Zulk leven is het leven der hel »van het land van duisternis en ellende, waar »de schaduwen des doods zijn, waar geen orde heerscht, »waar eeuwigdurende verschrikking woont.quot;
Marchantius verhaalt, dat in een stad van het Belgische diocees Luik, een knaap uit het ouderlijk huis verdwaald was en nu weenend op straat stond. Er ontstond weldra een oploop van menschen rondom hem, die hem naar huis wilden brengen, en daarom vroegen, hoe zijn vader heette. »Satan,quot; antwoordde de knaap. De menschen vroegen het hem nog eens en herhaaldelijk, maar altijd kregen zij hetzelfde antwoord. Dan vroegen zij hem: hoe heet uwe moeder? Ook Satan, gaf de jongen ten antwoord. En hoe heet dan het huis, waar uwe ouders wonen? Het satanshuis. Afgrijzen en ontzetting maakte zich van de menigte meester bij het hooren dier woorden, toen iemand onder het volk den knaap herkende en het raadsel oploste. De jongen was een kind van ouders, die in twist en tweedracht een slecht leven leidden. Als 's avonds de man half- of heel beschonken thuis kwam, dan begon het krakeelen, en de vrouw riep hem dan toe: »gij zijt een echte satan.quot; Bij het uitkleeden van het arme kind, leerde zij hem: »uw »vader is een satan, en gij zijt een satanskind!quot; En wanneer dan toorn en haat ten toppunt gestegen waren, riepen allen als uit één mond: »quot;\Vat een afschuwelijk huis! Een
â 234 â
waar satanshuis!quot; Deze uitdrukkingen had het kind overgenomen, en vandaar zijne vreemde antwoorden, dewijl het niet beter wist.
Hoe dikwijls. Gel. Chr., komen deze en dergelijke too-neelen in de huisgezinnen voor! Doch wenden wij onze oogen af van die afschuwelijkheden: meer dan genoeg hebben wij die voorgehouden, om in te schitterender glans het liefelijk beeld van den huiselijken vrede te doen uitkomen.
»Hoe goed en hoe liefelijk is het,quot; zegt de H. Geest. »als broeders in eendracht samenwonen!quot; (Ps. CXXXII, 1.) Inderdaad, 't is schoon, wanneer in een huisgezin maar één hart en ééne ziel heerschen; als echtgenooten, kinderen en huisgenooten samen in vrede leven. Hoe gelukkig gevoelen zich allen, als er eendracht is in huis.
Dat is eene zaligheid, welke ook de armste menschen genieten kunnen, en waardoor hunne hut in een paleis wordt veranderd, en hun leven gelukkiger en vreugdevoller is dan het schitterend leven der rijken en aanzienlijken, die steeds in twist en ongenoegen hunne dagen slijten. Dit beeld. Gel. Chr., verdient meer van nabij bezien te worden. Gaan wij dan eens na de zegeningen, welke de vrede voor dit; en het ander leven aanbrengt. De zoete vrede is de blijvende gast in het huisgezin; deze leeft met de bewoners mede; 's morgens ontwaakt'hij met hen en sluit 's avonds hunne vermoeide oogen; hij zit aan bij hunne tafel en staat met hen op, deelt met hen vreugde en droefheid. De een tracht den ander het leven aangenaam te maken. Men bedroeft elkander niet door haat en wrok, door nijd en achterdocht, noch ook door elkander steeds tegen te spreken of altijd gelijk te willen hebben, noch zelfs door opvliegendheid of door zijne nukken in te volgen. Ieder doet bedaard het zijne, de een dient en helpt den ander zoo goed hij kan; zij zijn toegevend voor elkanders fouten, gebreken en zwak-
- 235 â
heden, want ieder voor zich is overtuigd, fouten te hebben, die een ander moet verdragen. Op dergelijke wijze genieten zij een waar geluk en den onschatbaren huiselijken vrede. Altijd ligt de glans van vergenoegdheid op hun gelaat; immer voeren zij onder elkander aangename gesprekken, zijn zij liefderijk in den omgang. Zij werken lustig samen en nemen na het werk vergenoegd hun een-voudigen maaltijd, die heerlijk smaakt, omdat die met vrede gekruid is. Allen zijn verheugd, als hunne ondernemingen slagen en Gods zegen er op neerdaalt. Dan ook, als ongelukken hen treffen, worden zij niet mismoedig, of doen zij elkander verwijten, maar zijn zij tevreden en geduldig bij de gedachte, dat allen samen lijden.
De eendracht, welke de harten verbindt, draagt ook gezegende vruchten voor het godsdienstig leven en tot eene zalige eeuwigheid. De leden van het huisgezin, waar vrede woont, zijn ook in het godsdienstige eensgezind, zij wekken elkander tot het goede op. Hoe hartelijk en innig bidden zij samen, zij die naar het voorbeeld der eerste christenen één van hart en ziel zijn. Gezamenlijk gaan zij ter kerke, wonen de godsdienstoefeningen bij en ontvangen van tijd tot tijd de H.H. Sacramenten. Bij de oefeningen van godsvrucht in huis, bij kruis en lijden is de een den ander ten voorbeeld, tracht de een den ander te overtreffen. In zulke huizen worden de plichten van staat door allen, door kleinen en grooten, door heer en dienstbode met meer nauwkeurigheid en ijver vervuld dan daar, waar de huis-genooten met elkander twisten, «elkander bijten en ver-»scheuren, alsof zij elkander wilden verslinden.quot; (Gal. V, 15.)
Gelijk de kinderen uit een twistziek gezin hatelijk en bitter van karakter worden; zóó worden de karakters van kinderen uit een vreedzaam gezin door het goede voorbeeld van hunne brave, goedaardige ouders en huisgenooten
-- 236 â
liefderijk en zachtzinnig gemaakt. Eensgezindheid in huis maakt den weg des levens aangenaam, maakt de lasten licht, de bitterheden zoet. Zij die door liefde en vrede met elkander verbonden zijn, zijn het best geschikt, om elkander in ziekten, zorgen, en ongelukken te troosten en te helpen.
De zwaarste slag, die hen treffen kan, is voorzeker de dood, welke hen van elkander scheidt, â toch troosten zij zich met een gelukkig wederzien, dat het geloof doet verhopen. â Wie zal ontkennen, dat vrede een kostbaar iets is. Zonder aarzelen zeg ik: Na de genade en den zegen Gods, kan een huisgezin geen kostbaarder kleinood bezitten dan de vrede in huis. Alle huisgenooten moeten dus alle krachten inspannen; er moet hun alles aan gelegen zijn, dezen te behouden.
Maar hoe dat te doen?
II.
De H. Nicephorus, Patriarch van Constantinopel zegt: »Alle menschen, als zij ook maar eenig verstand hebben, «beschouwen het als eene uitgemaakte zaak, dat er geen »grooter goed bestaat dan: vrede. Die den vrede stoort »of breekt, brengt onheil over de menschen.quot; »De vrede,quot; leert de H. Laurentius Justinianus, Patriarch van Venetië, »die uit wederzijdsche liefde voortkomt, is een zoo groot »goed, dat men op aarde niets aangenamers wenschen, en «niets nuttigers bezitten kan.quot; Terecht spreken aldus deze beide H. Patriarchen. Hoe echter kan dit kostbaar goed in het huisgezin bewaard worden? De vrede, antwoord ik daarop, zal in ieder huisgezin behouden blijven, waar een levendig geloof, passende gehoorzaamheid en gevoegzaam-heid jegens elkander heerschen.
De eerste voorwaarde tot den huiselijken vrede is een
â 237 â
\
levendig geloof. De H. Edmundus, Aartsbisschop van Can-terburg, vermaant zijne onderhoorige geloovigen aldus: »Gij, mijne kinderen, zijt verplicht, den vrede lief te hebben, »omdat God er de Schepper van is. Die ook dien aan ons »heeft aanbevolen. Die tot ons gekomen is, om den vrede -tusschen Hemel en aarde te herstellen, en omdat van »dezen vrede op aarde de eeuwige vrede afhangt.quot; Die een levendig geloof heeft, ziet nergens toeval of een blind noodlot, maar deze erkent altijd en overal de besturende hand van God. God is het, die het huisgezin heeft geschapen, gelijk het bestaat. Zijn H. Wil heeft de enkele personen tot leden van een huisgezin gemaakt, Zijne Wijsheid heeft de verhoudingen aangewezen. Hij, die een eenvoudig geloof bezit erkent geluk als een weldaad van God, en Ongeluk of tegensjioed als Gods beschikking en toelating. Moet op zulken grond niet welig vrede bloeien ? Mochten toch alle huisgezinnen levendig overtuigd zijn, dat alles wat geschiedt, volgens Gods wijze beschikking en toelating gebeurt; mochten allen er van doordrongen zijn, dat het alles geschiedt tot hun welzijn, en dat Gods wil en wet dus het richtsnoer moet zijn van het geheele huisgezin. Waarlijk, waar Gods wet onderhouden wordt, daar heerscht vrede, want Gods wet is vrede: »Pax multa diligentibus gt;legem tuam, roept de Profeet David uit: rijken vrede voor »hen, die uwe wet beminnen.quot; (Ps. CXVIH, 165.)
De tweede voorwaarde, om vrede in huis te hebben is passende gehoorzaamheid. Tot een huisgezin beboeren meer personen, die in verschillende betrekkingen tot elkander staan. Ouders, meesters en vrouwen zijn boven de anderen huisgenooten gesteld; kinderen en dienstboden staan tot hen in ondergeschikte verhouding. Maar voor allen volgen uit die wederzijdsche betrekking belangrijke rechten en heilige plichten.
De echtgenoot en vader is het hoofd van het gezin. Hij heeft het recht, aan het hoofd er van te staan, het voor te gaan en het te leiden; maar ook rust op hem de groote verplichting, op behoorlijke wijze en met alle zorg het voor te gaan en te bestieren. Op de mannen vooral zijn dus toepasselijk de woorden, welke de H. Paulus aan Timotheus schrijft: «indien iemand geene zorg heeft voor de zijnen »en vooral voor de dienstboden, heeft hij het geloof ver-»loochend en is erger dan een ongeloovige.quot; (I Tim. V, 8.) Welke verplichting hebben de mannen tegenover hunne vrouwen ?
Dezelfde Apostel beschrijft die in zijn Brief aan de Ephesiërs: »Mannen, bemint uwe echtgenooten, gelijk »Christus de Kerk bemind, en Zich voor Haar geleverd heeft... «Niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar hij »voedt en verpleegt het, gelijk Christus ook de Kerk.quot; (Eph. V, 25, 29.) En de Wijze Sirach geeft de verplichtingen aan, welke zij hebben jegens hunne kinderen ! »Hebt »gij zonen, onderricht hen en buig ze van hunne kindsch-»heid af. Hebt gij dochters, bewaar haar lichaam, maar toon »haar uw aangezicht niet, als 'tvroolijk is.quot; (Eccli VIL 25, 26.) Onthoudt eindelijk ten opzichte uwer dienstboden de vermaning van den H. Paulus: »Gij, heeren, behandelt uwe »dienaren naar hetgeen recht en billijk is, wetende, dat ook gij »een Heer hebt in den hemelquot; (Coloss. IV, 1.); onthoudt steeds dit ander woord van den Wijzen Man: »hebt gij »een getrouwen knecht, handel er mede gelijk met u zeiven, »ga met hem om als met uw broeder.quot; (Eccli XXXIII, quot;1)
De man moet dus wel toezien, hoe hij zich als hoofd des gezins passende gehoorzaamheid moet doen bewijzen, volgens hetgeen God, de Heer en het Hoofd van het geheele menschengezin, heeft bevolen.
Ter zijde van den man staat de echtgenoote, de vrouw.
Volgens de vermaning van den Apostel moet zij aan den man onderdanig zijn: »gelijk de Kerk aan Christus onder-»worpen is, zóó moeten ook de vrouwen in alles aan hare »mannen onderdanig zijn.quot; (Eph. V, 24.) Zij deelt echter met hem de ouderlijke macht en heeft dezelfde rechten en plichten jegens de kinderen en ondergeschikten als hij. De kinderen zijn verplicht, hunnen ouders eerbied, liefde, gehoorzaamheid en behulpzaamheid te bewijzen. In het vierde gebod is hun de regel van hun gedrag voorgeschreven: »eert vader en moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde.quot; »Eer uwen vader,quot; zegt de Wijze Man, opdat zijn zegen »over u kome, en opdat zijn zegen ten einde toe op u blij ve. »De zegen des vaders doet het huis der kinderen vaststaan, »maar de vloek der moeder werpt het tot de grondslagen »toe omver.quot; (Eccli. III, 9â11.) Dat toch alle kinderen, de hoop der huisgezinnen en der toekomst, die heilige woorden diep in hun geest prenten; dat zij allen gehoorzaamheid leeren naar het voorbeeld van Jesus van Nazareth, die aan menschen onderdanig wilde zijn, niettegenstaande Hij God was !
Niet minder dan de kinderen behooren tot het huisgezin de dienstboden. Hun naam reeds duidt aan, dat zij ondergeschikt moeten zijn aan hunne heeren en vrouwen. De Apostel der Heidenen leert hun; ^knechten, gehoorzaamt in gt;alles aan uwe tijdelijke heeren, niet naar de oogen dienende »en als aan de menschen behagende, maar in eenvoud des »harten en als God vreezenden. Al wat gij doet, doet dat »van harte, alsof gij het voor den Heer en niet voor men-»schen doet, wel wetende, dat gij van den Heer de beloo-gt;ning van het erfdeel (des hemels) zult ontvangen.quot; (Coloss, III, 22â24.) En Petrus, de vorst der Apostelen, vermaant insgelijks : »Knechten, weest met eerbiedige vreeze uwen »heeren onderdanig, niet alleen aan welwillende en billijke
â 240 -
gt;maar ook aan strenge.quot; (meesters). (I, Petr. II, 18.) Welke schoone orde heeft de Heer dus op de gehoorzaamheid in het huisgezin ingesteld en gegrondvest! Kinderen en ondergeschikten hebben dus aan ouders en oversten te gehoorzamen gelijk deze wederom aan God onderdanigheid en verantwoording schuldig zijn. Welke zijn nu de gevolgen, als deze orde onderhouden wordt. De schoonste eensgezindheid en de zoetste vrede zullen dan in het huisgezin heerschen. Mocht men dat steeds en overal goed inzien ! Mocht toch geen enkel lid nalatig zijn, om te doen, wat tot welzijn van het gezin kan strekken. Den mannen vooral roep ik dus toe : »estote viriquot; weest mannen, mannen van karakter, mannen van het woord, en van de daad; mannen die waardig zijn, aan het hoofd van een christelijk huisgezin te staan. Men verhaalt dat de Tartaren het woord »vrouwquot; niet gebruiken, maar in plaats daarvan ; zich van de schoone uitdrukking : »huismoederquot; bedienen. Moge zoo ook ten onzent de echtgenoote het sieraad des huizes, en den overschoonen naam van huismoeder werkelijk waardig zijn. Mogen toch de kinderen en alle huisgenooten nimmer vergeten, dat het aller taak is, den huiselijken vrede naar best vermogen te bewaren en te bevorderen.
Een derde middel, dat bekwaam is, krachtig den vrede in huis te bewaren, is wel, de weder zij dsche cjevoegzaam-heid of verdraagzaamheid Een huisgezin is niet eene ver-eeniging van onzondigbare menschen, maar van menschen met gebreken behebt. De braafste en rechtvaardigste mensch heeft toch zijne zwakheden en fouten, die onaangenaam zijn voor zijne omgeving. Geduld, verdraagzaamheid zijn dus noodzakelijk, om samen in vrede te leven. »Verdraagt »elkander,quot; vermaant daarom de H. Paulus, »en vergeeft el-»kander, als iemand over een ander te klagen heeft; gelijk »de Heer u vergeven heeft, zoo ook gij. Boven dit alles,
0
I
â 241 â
--
»beoefent de liefde, die de band der volmaaktheid is. »En de vrede van Christus heersche in uwe harten, tot »welke gij geroepen zijt in één lichaam.quot; (Coloss. III, 13â15.) Deze woorden moesten in gouden letters op de muren van ieder christelijk gezin onuitwischbaar geschreven staan; zij moesten den bewoners altijd voor oogen zweven; dit ware de beste waarborg, dat steeds de vrede behouden bleef. Ja, geduld is beter dan anderen terecht te wijzen; beter dan naar redenen zoeken, om anderen beschaamd te maken ; beter ook dan tranen van wanhoop te weenen. Als gij, christelijke ouders, mij vraagt, hot ge het best de onstuimigheid en trots uwer kinderen kunt tegengaan, dan antwoord ik: door geduld. Hoe zal de vrouw de vlagen van toorn haars mans afwenden? Door geduld Hoe moet eene dienstbode de booze luimen van haren meester bestrijden? Door geduld. »Geduld overwint alles.quot; gt;Geen beter middel, om lastige menschen te verdragen,quot; zegt de H. Joannes van het Kruis, »dan dat gij u voorstelt, gt;dat allen die met u samenleven, door God aangestelde gt;; dienaren zijn, die, eA'enals een beeldhouwer u moeten be-»werken en polijsten. De eenen moeten uw geduld oefenen »door woorden, anderen door werken; wederom anderen 3gt;door de oordeelvellingen, die zij van u vormen en aan »hunne medemenschen openbaren. Gelijk een stuk hout, »dat bestemd is om tot een beeld verwerkt te worden, el-»ken beitelhouw of penseelstreek van den beeldhouwer of «schilder in zich opneemt, zóó moet ook gij dat alles aan-»nemen. Als gij deze voorschriften niet opvolgt, zult gij uwe «zinnelijkheid niet overwinnen, noch ook op goeden voet »met uwen evenmensch leven kunnen ; gij zult den vrede »des H. Geestes niet genieten, noch zoovele gelegenheden »van in zonden te vallen, vermijden kunnen, en dus veel »nadeel in uwe geestelijke belangen lijden.quot; Inderdaad, het
16
â 242 â
%
geduld ontwapent alle aanvallen en verzekert voor immer den huiselijken vrede. Eén voorbeeld onder velen, wat zegen het geduld kan aanbrengen. Het katholieke Frankrijk maakt toebereidselen, om dit jaar het vierhonderd]arig feest te vieren van den Doop van Clovis, eersten koning der Franken, die door den H. Remigius op het Kerstfeest van het jaar 496 te Rheims gedoopt werd. Het plan bestond, dat Clothildis, de dochter van den Bourgondisohen koning Childerik, in het huwelijk zou treden met Clovis. Haar viel het hard, zoo nauw verbonden te worden aan hem die de afgoden diende. Zij gaf dan ook slechts hare toestemming toen haar voorgehouden werd, dat zij door den Hemel scheen uitgekozen, om een grooten koning en een groot volk voor het christendom te winnen. Aldra begon Clotildis haren gemaal over het christendom te spreken, en boezemde hem dan ook eene groote hoogachting in voor den chris-telijken godsdienst. Toen één zijner kinderen stierf, schreef Clovis dit toe aan den toorn zijner goden en de koningin moest vele verwijten van hem hooren. Zij onderstond alles met onverwinnelijk geduld. Toen ook het tweede zoontje gevaarlijk ziek werd, dreigde de koning reeds, alle christenen uit zijn rijk te verbannen, als de dood ook dit kind zou wegrukken. Clotildis onderstond wederom des konings toorn met alle geduld en bad inmiddels om genezing voor het kind. Het gevaar week en de gramschap des konings bedaarde. Clovis trok kort daarna ten oorlog tegen de Ale-mannen. Toen hij van de koningin afscheid nam, raadde zij hem aan, den God der christenen aan te roepen, als hij zeker wilde zijn van de overwinning. Als de koning op het slagveld in grooten nood begon te verkeeren, herinnerde hij zich, wat de koningin hem gezegd had, en riep hij werkelijk den God van Clotildis aan. Eensklaps nam het gevecht eene andere wending, de overwinning was
â 243 -
hem. Maar nu ook was Clovis overwonnen. De kracht dei-genade en van het geduld zijner brave vrouw brak allen tegenstand. Hij omhelsde het christendom en drie duizend zijner Franken volgden aanstonds zijn voorbeeld. Hieruit zien wij, hoe het geduld niet alleen aan een koning den vrede des harten, en aan een koninklijk gezin de éénheid in het geloof bracht, maar zelfs aan een geheel volk den vrede van het christendom. â Indien er onder ons meer geduld was, dan zou er ook meer vrede zijn.
Na deze beschouwing en overweging wat anders te doen. Gel. Chr., dan met den Profeet uit te roepen: »Veniat »pax»kome de vrede :hij ruste op zijne legerstede, die »gewandeld heeft in zijne rechtschapenheid.quot; (Isai. LVIÃ, 2.) Van- waar zal echter die gelukkig-makende vrede komen? Niemand bezit dozen vrede dan Christus, die tot zijne Apostelen zeide : »Ik laat u mijnen vrede. Ik geef u mijnen vrede; »niet gelijk de wereld dien geeft, geef ik hem aan u.quot; (Joann. XIV, 27.) Van Hem dus, den vorst de^vredes, moeten wij den waren vrede afbidden. Wat nu kan daartoe nuttiger zijn, dan dat de christelijke huisgezinnen, volgens de regels van de godvruchtige vereeniging der H. Familie, dagelijks voor het beeld van Jesus, Maria en Jozef, voor die beeltenis, welke vrede ademt, samenkomen, om te bidden en te overwegen. Geen ander beeld is zoo geschikt als dit, om vrede in de harten te storten. Voor dit beeld zongen eens de Engelen: »vrede op aarde aan de menschen, die »van goeden wil zijn :quot; moge deze vredewensch vernieuwd en werkelijkheid worden, zoo menigmaal de blikken der geloovigen dit beeld aanschouwen! Veniat pax: »kome de »vrede!quot; Vrede aan de aarde en hare bewoners; vrede den rijken en volken; vrede den provinciën en steden! »Geef »vrede, o Heer, in onze dagen, want er is geen ander, die
â 244 -
»voor ons strijdt dan Gij, onze God!quot; »God, van Wien »alle heilige verlangens, goede voornemens en rechtvaardige »werken komen; geef uwen dienaren dien vrede, dien de »wereld niet geven kan, opdat onze harten genegen zijn »uwe geboden te volbrengen, en wij, van de vrees voor onze »vijanden ontslagen, tijden beleven, die onder uwe bescher-»ming rustig zijn.quot; â Boven alles echter vrede den huisgezinnen ! Moge daar overal groeien en bloeien de olijftak, het zinnebeeld van den vrede, die zoo gaarne welig opschiet en vruchten voortbrengt, als hij geplant is op den bodem van levendig geloof, van gehoorzaamheid en geduld! Luisteren wij ten slotte naar de vermaning, welke de H. Otto, de Apostel van Pommeren, gat: »Ik beveel u den vrede aan, en kan dien niet genoeg aanbevelen. Onze Heer en Zaligmaker heeft hem, alvorens Hij ging lijden en sterven, als het eenigst en uitstekendst onderpand aan zijne leerlingen nagelaten, om aldus hen, die door hun vast geloof Hem aanhingen, deelachtig te maken aan zijne liefde dooiden vrede. Iigt; staat immers geschreven: »zalig zijn de vreed-»zamen, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.quot; Hij dus, die erfgenaam wil zijn van don hemelschen Vader, weigere niet eerst Diens kind te worden door den vrede to bewaren. Hij die der tweedracht plaats biedt, verbeurt zijn aandeel aan deze groote gave des Hemels. Zijt gij volijverig, om God te beminnen, jaagt dan buiten, en binnenshuis den vrede na. Gedraagt u jegens uwe huisgenooten zóó, als de geest van vrede en liefde het vordert. Hebt de vriendschap lief en beijvert u, het goede te doen, niet voor God alleen, maar ook voor alle menschen. »De genade en vrede van »God, en van onzen Heer Jesus Christus zij met u.quot; (II. Cor. I, 2.) Amen.
9^
XXII.
Pe B, familie pan XXasarctb ts ons poorbcclb in l]ct yebeb.
(J»oor ^licb.)
Petitis ct non accipitis eo qnod tnnla petatis.
Gij vraagt en verkrijgt niets, omdat gij niet i/oed vraaqt.
Jac. IV, 3.
llPa. is ongetwijfeld voor den mensch eene groote Pj 31eer en onderscheiding, dat hij in het gebed zich J met zijnen Heer mag onderhouden. De mannen
van het geestelijk leven noemen het gebed niet ten onrechte eene »aiidientie bij God.quot; Audientie of gehoor wordt gewoonlijk genoemd het onderhoud, dat iemand heeft met vorstelijke of hoog-geplaatste personen. Zulk onderhoud heeft meestal tot onderwerp het vragen van gunsten, wier inwilliging van die personen afhangt. Hieruit, dat het den mensch zoo gemakkelijk gemaakt is, zicli met God te onderhouden, blijkt, welke groote onderscheiding den mensch is te beurt gevallen. Wereldlijke vorsten verleenen slechts zelden gehoor. Hij die een gehoor bij den vorst wil hebben, moet zich vele moeiten getroosten en heel wat toebereidselen daartoe maken. Dan wordt er lang gewacht, eer hij toegelaten wordt, en krijgt hij
- 246 â
nog slechts korten tijd, om zijne belangen voor te dragen. Om echter met God te spreken, behoeft men niet vele toebereidselen te maken. Ten allen tijde en op elke plaats is God bereid ons gehoor te verleenen; en ook de armste en geringste kan vertrouwelijk en zoolang met Hem spreken, als hij zelf verkiest. Bovendien, zij die de aardsche macht iets hebben te vragen, doen dat dikwijls te vergeefs. Dan eens ontbreekt de macht, dan weder de goeden wil om te helpen. Met onzen Koning des hemels is het niet zóó gesteld. Aan Hem vraagt men niets te vergeefs. Hem ontbreekt het niet aan macht om te helpen, want hij is almachtig;»al wat den »Heer belieft heeft Hij gemaakt op de aarde, in de zee en »in alle afgronden.quot; (Ps. CXXXIV, 6.) Evenmin ontbreekt Hem goede wil: »Dit spreekt de Heer: Kan wel eene »vrouw haar kindeke vergeten, dat zij zich niet ontfermen »zou over den zoon van haren schoot. En al zou zij het »vergeten. Ik echter, Ik zal u niet vergeten.quot; (Isai. XLIX, 15.) Gaan wij deze uitspraak eens nader na: dit woord van goedheid en liefde is het overwaardig. Wie op aarde heeft zoo innig lief, wie is zoo opofferendgezind als eene moeder jegens haar kind. En toch zegt God: het zal lichter gebeuren, dat de orde der natuur omgekeerd wordt, en de moederliefde verkoelt, dan dat Ik de menschen zou vergeten. Wij hebben voorzeker geen sterker bewijs noodig om vol geloof en vreugde de verzekering van onzen Heer Jesus Christus aan te nemen: »voorwaar Ik zeg u, als gij den Vader in »mijnen naam iets vraagt, zal Hij het u geven. Tot nu toe »hebt gij nog niets in mijnen naam gevraagd. Vraagt en gij »zidt verkrijgen.quot; (Joann. XVI, 23, 24.) Als toch ons gebed niet verhoord wordt, ligt de schuld daarvan niet bij God, maar bij ons zeiven. Dat leert ook de H. Jacobus, als hij zegt: »gij bidt en verkrijgt niets, omdat gij niet goed bidt.quot; Wij berokkenen ons dus groot nadeel door niet goed te
â 247 â
bidden; en alle moeiten en pogingen moeten wij dus aanwenden, om in het gebed alle fouten te vermijden. Waar dan kunnen wij de kunst leeren, van goed te bidden ? zal het niet 't best zijn, bij de Heiligen ter school te gaan, die meesters en vrienden van het gebed waren ? Of zullen wij opstijgen ten Hemel, en van den H. Geest de kunst van bidden afsmeeken? Beide middelen zouden dienstig zijn, om de genade van bidden te verkrijgen: doch het doel dezer vergadering voert ons naar eene andere plaats, die in heiligheid voor den hemel nauwelijks behoeft onder te doen en die eene ware oefenschool van gebed genoemd moet worden, n. 1. naar Nazareth, naar dat H. Huisgezin, waar Jesus, Maria en Jozef vuriger dan de Engelen, vromer clan de Heiligen den Hemelsehen Vader loven en tot Hem hunne gebeden storteden.
Begeven wij ons derwaarts; daar zullen wij leeren, hoe wij volgens Gods wil en bedoeling moeten
I v e e 1; â e n
II g o e d b i d d e n.
»Domine, doce nos orarequot;: Heer, leer Gij ons bidden, opdat ons gebed steeds verhoord en door U gezegend worde.
I.
De klacht, eertijds aangeheven, is heden ten dage even gerechtvaardigd, dat de meeste menschen te weinig bidden. De algemeene rampspoed en allerlei ellende, waaronder thans de menschelijke samenleving gebukt gaat, moetgrooten-deels hieraan worden toegeschreven, dat men niet bidt. Waar geen zin tot bidden is, daar mist men ook Gods zegen. Dewijl het gebed bijna geheel uit het openbaar leven gebannen is, lijden alle standen in de maatschappij onder allerlei kwalen en nooden. Daarom verheffen de
â 248 â
geestelijken en allen, die het goed met de menschen meenen, hunne stem en roepen allen op tot het gebed.
Tranen en gebed, zietdaar de wapens der Kerk. Christenen, beijvert u dan, van die wapenen gebruik te maken, om de bestaande misstanden uit den weg te ruimen en de talrijke vijanden der maatschappij onschadelijk te maken.
Luid weerklonk over de geheele aarde de krachtige oproeping tot het gebed van Leo XIII, toen hij beval de godvruchtige vereeniging der H. Familie overal in te voeren; als hij aan de wereld ter navolging aanbeval het toonbeeld aller deugden, het H. Huisgezin van Jesus, Maria en Jozef. »Het valt niet te betwijfelen,quot; zegt de Opperherder, ;gt;of in dat huisgezin, hetwelk bestemd was om aan alle andere »tot voorbeeld te dienen, waren in den hoogsten graad »aanwezig die prijzenswaardige deugden, welke in het hui-»selijk verkeer, in de vervulling der plichten van liefde »jegens elkander, in het behouden van heilige zeden, in »daadwerkelijke godsvrucht beoefend worden.quot; Van de H. Familie nu kunnen en moeten wij vooral leeren, dat wij veel moeten bidden om Gods welbehagen en zegen over ons te doen nederdalen. Deze drie H. Personen leidden in den volsten zin een leven van gebed. Met voorbeeldeloozen ijver onderhielden zij de godsdienstoefeningen, welke geregeld alle dagen of weken, of ook jaarlijks gehouden werden; bovendien maakten zij al hun doen en laten tot een voortdurend gebed. Onder de gebeden, welke op vaste tijden gehouden werden, behoorden steeds de morgen- en avondgebeden, het gebed aan tafel en op de Sabbatdagen. De Joodsche priesters waren verplicht dagelijks 's morgens en 's avonds in den voorhof van de verbonds-tent (en latei-in dien des tempels) voor het volk een brandoffer op te dragen. In de quot;Wet was dit uitdrukkelijk voorgeschreven: gt; Dit is het,quot; gebood de Heer aan Mozes, toen Hij hem aan-
â 249 â
wees, hoe de tent te bouwen, »wat gij op het altaar op-»dragen moet: allo dagen twee lammeren van één jaar:
»één lam 's morgens, en één lam 's avonds...... Het is eene
«offerande, die den Heer voortdurend zal worden opge-»dragen door uwe geslachten bij den ingang van den taber-»nakel der getuigenis voor den Heer, waar Ik Mij stellen »zal om tot u te spreken.quot; (Exod. XXXIX, 38, 42.) De Sabbatdagen werden door de Joden gevierd in rust, door omgang met de Profeten, door heilige gesprekken en overwegingen. De onderhouding dier dagen had God hun streng bevolen, als Hij zeide: »gij zult den Sabbatdag vieren, en »dien heiligen, gelijk de Heer uw God bevolen heeft.quot;
Dat dubbel offer diende, om het volk er aan te herinneren, dat de mensch nimmer mocht aflaten, den Heer hulde en eer te bewijzen, maar dat vooral het begin en het einde van iederen dag, de morgen en de avond, moesten geheiligd worden. En de viering van den Sabbath moest onder het uitverkoren volk Gods het bewustzijn levendig houden, dat de God van Israël alleen do ware God, de Schepper en Heer van alles wat in de wereld is, om daardoor het gevaar voor afgoderij af te wenden. Driemaal in het jaar, namelijk: met Paschen, Pinksteren en op het Loofhuttenfeest, moesten de Joodsche mannen en jongelingen â van af 12 jaren oud â zich naar den tempel te Jerusalem begeven; hiertoe waren echter de vrouwen niet verplicht, doch deze vergezelden dikwijls vrijwillig hunne mannen. Zouden wij nu niet mogen aannemen, dat de H. Familie van Nazareth, die trouw de wetten van Mozes naleefde, toen voor de Joodsche, gelijk nu voor de christelijke huisgezinnen een voorbeeld was? Inderdaad, dat moeten wij wel aannemen, want geen enkele reden is er, om het niet te doen. De Joden achtten het morgengebed eene zaak van belang. Dat was hun ingeprent door het manna in de
â 250 â
woestijn. Zij moesten dit 's morgens vroeg, vóór den opgang der zon rapen, opdat het niet smolt. »Dit gebeurde aldus,quot; zegt het Boek der Wijsheid, »opdat eenieder zon weten, »dat men vóór de zon moet opstaan, om U te danken, en »dat men U aanbidden moet tegen het krieken van den dag.quot; (Wijsh. XVI, 21.) Daarom lezen wij ook van de brave ouders van Samuel, Elcana en Anna: »dat zij 's morgens opstonden »en den Heer aanbaden.quot; (I Kon. I, 19.) Zeker was de H. Familie wel het braafste van alle huisgezinnen, en legde zij zich meest toe op het gebed. Hoe zal Jesus, het goddelijk Kind, wiens Hart nooit sliep, des morgens steeds met nieuwe liefde en zelfopoffering herhaald hebben, wat de Profeet Hem bij Zijne komst in de wereld in den mond legde: »Zie, ik kom, om Uwen wil te volbrengen.quot; (Ps. XXXIX, 8.) Met welke overgeving aan Gods wil, zal Maria, de Moeder Gods, iederen morgen bij haar ontwaken gezegd hebben wat zij eens tot den Engel sprak: »Zie de dienst-»maagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord*quot; Hoe trouw en onophoudelijk zal eindelijk de H. Jozef, de Voedstervader, in zijn hart verzucht hebben met den Profeet Isaias: »Mijne ziel verlangde naar U des nachts; maar ook »met mijnen geest in mijn binnenste zie ik van den morgen »wakend naar U uit.quot; (Isai. XXVI, 9.) Met welken eerbied en vreugde zullen de Engelen deze eerste morgenverzuchtingen van de lippen der heiligste Personen tot voor den troon van God gedragen hebben, dit morgenoffer, den Heer veel aangenamer en dierbaarder dan het brandoffer in den tempel. â
Doch ziet, hoe snel de Engelen wederom van den hemel op aarde neerdalen, 't Is, omdat zij getuigen willen zijn van een verheven schouwspel: Jesus, Maria, Jozef gaan samen hun morgengebed verrichten. Ziet, hoe opeens het gelaat van den hemelschen Vader verheldert; de Engelen
â 251 â
onderbreken hunne lofzangen; al de hemelbewoners vestigen hunne aandacht op een klein plekje van Nazareth, waar de Zoon Gods met Maria en Jozef vol godsvrucht een gebed verricht, zooals in den hemel of op aarde nimmer werd vernomen.
»Heer, aanhoor mijne woorden, geef acht op mijn ge-»roep. Let op de stem van mijn gebed, mijn Koning en mijn »God. Want tot U zal ik bidden. Heer, 's morgens zult Gij »mijne stem verhooren. 's Morgens zal ik bij U staan en »beschouwen; want Gij zijt geen God, die ongerechtigheid -wilt. De kwaadwillige zal bij U niet wonen, noch ook »zullen de onrechtvaardigen blijven voor Uwe oogen. Gij »haat allen, die ongerechtigheid bedrijven. Gij zult allen, gt;die leugentaal spreken, verderven. De Heer gruwt van »den bloeddorstigen en bedrieger. Ik echter zal door Uwe »overgroote barmhartigheid ingaan in Uw huis; ik zal in »Uwe vreeze naar Uwen heiligen tempel (gericht,) U aanbidden.quot; (Ps. V, 2^8.) Kent ge, durf ik vragen, een gebed dat aan God aangenamer en de bewondering des hemels meer waardig is?
Een gelijk schouwspel genoten de verbaasde hemelingen van de H. Familie bij het gebruiken harer maaltijden en aan den avond van iederen dag. Deze H. Personen gebruikten hunne karige spijzen niet, noch ook stonden zij van tafel op, dan na eerst gebeden te hebben. Met wat verrukking zullen de Engelen het aanschouwd hebben, dat Hij aardsche spijzen nam, door Wien alle schepselen dei-aarde gevoed worden.
Dat de christelijke huisgezinnen hieruit leeren, hoe zij hunne maaltijden in tevredenheid en matigheid moeten gebruiken, maar vooral met dankbaarheid jegens God.
Hoe belangstellend en ongeduldig zullen de hemelsche geesten den avond verbeid hebben, om de vernieuwde hulde en dank voor den afgeloopen dag, en de bede der
â 252 â
H. Familie om Gods zegen over den nacht aan den hemel-schen Vader over te brengen; want nimmer werd de dag door de H. Familie geeindigd dan door een godvruchtig gebed.
Men beschuldige mij niet van overdrijving, als ik zeg, dat de Engelen des hemels hoopvol neerzien op ieder christelijk huisgezin; en nauwkeurig letten, of het voorbeeld van bidden, door de H. Familie gegeven, door hetzelve wordt nagevolgd. Des morgens zien de H. Engelbewaarders uit, of de eerste gedachten der huisgenooten tot God en naar boven gericht zijn; zij wachten met ongeduld af of er gezamenlijk gebeden wordt; en wederom zijn zij onzichtbare getuigen bij het eten en des avonds. Van hoeveel belang en hoe noodzakelijk is het dus, dat dagelijks in de huisgezinnen trouw en met zorg gebeden wordt. En al duurt nu iedere godsvruchtoefening op zich zelve niet lang, toch zal men moeten zeggen, dat, als die geregeld onderhouden worden, er toch in zulk gezin veel gebeden wordt.
Een vuur, al brandt het nog zoo hevig, zal niet opeens, maar langzamerhand verminderen, als niet voortdurend brandstof toegevoerd wordt; het gloeit en smeult stilletjes daarheen, houdt de kachel aan, maar wanneer er na eenigen tijd brandstof op geworpen wordt, brandt het weer krachtig op. Zóó is het ook gesteld met het vuur dei-liefde in het hart van den mensch, dat ook door het gebed moet gevoed worden. Dit vuur immers blijft nog na het gebed het hart verwarmen en doet het gloeien. Zielen, die waarlijk godvruchtig en aan God gewijd zijn, houden niet op te beminnen en te bidden, zij bidden altijd ; hun hart bidt nog, al heeft hun mond reeds opgehouden te bidden.
Ook hierin, in brandende liefde en in volhardend gebed is de H. Familie een allerschoonst voorbeeld. Geheel
â 253 â
hun doen en laten was bidden. »Ik en de Vader zijn één.' (Joan. X, 30.) zeide Jesus van zich zeiven. »Wat de Vader »doet, dat doet zoo ook de Zoon.quot; (Joann. V, 19.) Jesus, die één in wezen is met den Vader, is ook één met Hem, in liefde. »Maria bewaarde allo woorden, die van het god-»delijk Kind gesproken werden, en overwoog die in Haar hart.quot; (Luc. II, 19); Hare gedachten en verlangens waren altijd bij God. Jozef, de rechtvaardige, week evenmin ooit af van den weg des Heeren. Van Hem kan gezegd worden wat de Heer door den mond van den Profeet Ozee sprak: »Wie is wijs en zal dit verstaan? Wie is verstandig en zal dit erkennen ? dat des Heeren wegen recht zijn en recht-»vaardigen daarop wandelen.quot; (Osee XIV, 10.)
Zóó moeten ook de christelijke huisgezinnen het vuur der goddelijke liefde nimmer doen verkoelen. Voortdurend moeten zij dat onderhouden door een volhardend gebed : met andere woorden: zij moeten geheel hun dagelijksch werk tot één gebed maken. Al bidden uwe lippen niet meer al hebt ge de eerst gevouwen handen nu aan het werk gesteld ; uw hart moet onophoudelijk bezig blijven te bidden. De vlam der liefde brandt meer helder op, uw zin tot bidden wordt in het hart bewaard door herhaaldelijk op te zien tot God, door uwe goede meening te vernieuwen, door dikwijls u zeiven aan God op te dragen en schietgebeden te verrichten, welke als vuur-pijlen opstijgen tot den troon van God. Dit nu moet van veel bidden gezegd worden ; dit is aan de verwachting des Heeren beantwoorden, die verlangt, dat men altijd bidde, en nooit ophoude te bidden.
Trachten wij nu nog van de H. Familie te leeren, yocd te bidden.
â 254 â
II.
Niet alleen is het van het grootst belang, en uiterst noodzakelijk, dat wij veel bidden; wij moeten ook goed bidden. Het langdurigst gebed beteekent niets en is nutteloos, als het niet goed verricht wordt. Hoe moet nu de christen en ieder christelijk gezin bidden, om aan God aangenaam, en voor zich voordeelig te zijn? Juist gelijk de H. Familie gebeden heeft: met aandacht, ootmoedigheid, onderwerping, vertrouwen en volharding, want dit zijn de hoedanigheden, welke noodzakelijk zijn tot een goed gebed.
Het gebed moet geschieden met aandacht of godsvrucht. Een gebed, dat niet aandachtig verricht wordt, wordt door den Zaligmaker een mondgebed genoemd. »Dit volk eert »Mij met de lippen,quot; zeide Hij, »doch hun hart is verre van »Mij.quot; (Matt. XV, 8.) Die bidt moet dus zijn hart tot God verheffen. Waar nu was het Hart van Jesus, als Hij bad? Het was daar, waar Het altijd was, bij den hemelschen Vader. »Oculi mei semper ad Dominum.,' »Mijne oogen zijn »altijd op den Heer gevestigd.quot; (Ps. XXIV, 15.) Jesus verhief niet alleen Zijne lichamelijke oogen tot Zijnen Vader, maar meer nog verwijlde Hij bij Hem met het oog Zijns geestes. Maria's hart was steeds bij den Heer. Zij hield zich in den geest altijd bezig met hetgeen van haar goddelijk Kind gezegd werd. En over dat Kind was zooveel grootsch en wonderlijksch voor en na Zijne geboorte gezegd! Waarmede hielden Jozefs gedachten zich wel bezig onder het gebed ? De gedachten van een vader wijlen wel het meest en liefst bij zijn Kind en zijn gezin. Hoe treffend dus, dat de gedachte aan zijn kind en gezin juist zijn hart tot God verhief, want dit zijn pleegkind was de alleen ware God. Mochten wij leeren ook aldus te bidden! Het woord aandacht is afgeleid van er aan-
â 255 â
denken, en wijst ons dus op de verplichting van onder het gebed aan God te denken. De geest moet, om zoo te zeggen in God verslonden zijn. Helaas, hoever zijn wij daar van af! Verstrooiende en wereldsche gedachten bederven maar al te dikwijls de vruchten van ons gebed. Al lang reeds bidden wij, en misschien kunnen wij nog niet aandachtig bidden. De tijd van ons leven wordt al korter; meer en meer wordt het noodzakelijk alles te doen om goed te leeren bidden. »Zal mijn kortstondig leven niet weldra een einde »nemen,quot; moogt gij wel met Job uitroepen, »laat mij dan »toe, dat ik wat over mijne smart klaag, eer dat ik, zonder »\veer te keeren, vertrekke naar dat duister land, dat over-»dekt is met de schaduwe des doods.quot; (Job X, 20, 21.) Ja, betreurt den kostbaren tijd, welke gij in lauwheid en verstrooiing hebt doorgebracht, en beijvert u, met aandacht te bidden en kiest u daarin ten voorbeeld de H. Familie van Nazareth. Moge de godvruchtige vereeniging der H. Familie dit ééne uitwerken, dat de geest van aandacht bij het gebed verbeterd worde, dan heeft zij reeds onschatbaar goeds gesticht.
Een goed gebed moet ootmoedig zijn. »God weerstaat »den hoovaardigen, maar geeft den ootmoedigen zijne ge-»nade.quot; (I Petr. V, 5.) De drie Personen der H. Familie waren zeker de eerbiedwaardigste menschen der wereld, en toch waren zij de ootmoedigste. Van alle drie geldt wat Jesus van Zich alleen zeide: »leert van Mij, dat Ik zacht-»moedig en ootmoedig van harte ben.quot; (Matt. XI, 29.) Leeren wij nu van Hen, hoe wij ootmoedig moeten bidden. Joannes Gerson verhaalt van een dienaar Gods, die hem dikwijls had geschreven, hoe hij bad: Het zijn nu veertig jaren, dat »ik mij met allen ijver op het gebed toeleg. Ik kan echter »geene betere manier van bidden bedenken, dan dat ik mij »verbeeld een hulpeloos kind, of een arme blinde bedelaar
â 256
»te zijn, die van alle hulp verstoken is; of wel, dat ik mij 'gt;als een groot misdadiger voor God neerwerp.quot; De H. Catharina van Siena, die voortreffelijke leermeesteres in het gebed en de overweging, bad eens tot haren beminden goddelijken Bruidegom, dat Hij haar zou openbaren, welk gebed aan God den Heer het aangenaamst was. En welk was wel het antwoord? In het gebed vernam zij de stem des Heeren, die haar zeide: »weet, mijne dochter, dat die-»gene alle deugden kan verkrijgen, die volhardt in een ! ootmoedig gebod.quot; Leggen wij ons dus met grooten ijver toe, om met waren ootmoed des harten te bidden. Nederigheid behaagt altijd ten zeerste aan God. Wanneer wij bidden, zegt de H. Augustinus, komen wij als bedelaars bij God. Hierin heeft de H. Kerkleeraar wel gelijk: toch zou ik liever zeggen, dat wij nog veel minder zijn dan bedelaars, als wij biddend tot Hem gaan: wij zijn eigenlijk niets. »Ipse »fecit nos, et non ipsi nos: »Hij heeft ons gemaakt en niet »wij ons zelve.quot; (Ps. XCIX, 3.) Wanneer nu een bedelaar zich alreeds vernedert voor een rijke, met wien hij toch de menschelijke natuur en zijne rechten als mensch gemeen heeft; hoe moeten wij dan ons voor God vernederen, door Wien wij zijn, van Wien wij alles hebben, van Wien al wat wij kunnen, als ons doen en laten, afhangt.
Die goed wil bidden, moet zijne bede met onderwerping aanbieden, en de verhooring daarvan aan den goeden God overlaten. Die eigenzinnig meent en gelooft, dat God hem moet verhooren, en geven wat hij verlangt, alleen om deze rede, dat hij bidt, dezulke kent de ware manier van bidden niet. Hoe hebben de immer hooggeprezen Personen van Nazareth gebeden? Bestijg in den geest den Olijfberg, en luister naar het gebed, dat Jesus daar in Zijn bloedzweet uitspreekt. Hoe bidt Hij? Bidt hij aldus: »Vader, laat dezen »Kelk van Mij weggaan; al te ver toch is de boosheid der
257
»misdadige Joden gegaan; en duld dus niet, dat uw Eenig-»geboren Zoon nog aan grooter lijden wordt overgele-»verd ?quot; Denkt eens na, of het gebed des Heeren aldus luidde! O, gij weet het, het gebed des Verlossers luidde geheel anders: »Vader, als het mogelijk is, dat dan deze »Kelk van Mij wegga; doch niet Mijn wil, maar Uw wil »geschiede.quot; Zoo menigmaal sprak Jesus dit uit. dat het bijna niet van zijne lippen week: gt;Ik ben van den hemel »neergedaald, niet om Mijnen wil te doen, maar den wil »van Hem, die Mij gezonden heeft.quot; (Joann. VI, 36.) Mijne »spijze is, den wil te doen van Hem, die Mij gezonden »heeft, om Zijn werk te volbrengen.quot; (Joann. IV, 34.) Wilt gij nu ook een staaltje van Maria's nederig gebed? Verplaatst u in den geest in het kamertje, waar zij den gezant des hemels, den Aartsengel Gabriël ontving, en hare toestemming gaf, om Gods Moeder te worden: »Ecce ancilla »Domini, fiat mihi secundum verbum tuum;quot; zie de dienst-»maagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord.quot; (Luc. I, 38.) Beschouwt eindelijk den H. Jozef. In de H. Schrift wordt wel geen melding gemaakt van hetgeen hij gezegd heeft; doch zijne daden spreken des te luider. Met welke bereidwilligheid toch gaf hij gevolg aan de opdracht, welke hij ontving, om naar Egypte te vluchten; hoe bereidvaardig was hij, om naar Nazareth terug te keeren, en met hoeveel liefde volbracht hij immer zijne vermoeiende dagtaak. Hij ook zal wel dikwijls in zijn hart verlangd hebben naar betere dagen; uitgezien hebben, om spoedig naar zijn huis en de zijnen terug te keeren; toch bleef hij onderworpen tot het oogenblik, dat de Heer in Zijne wijsheid bepaald had, om verandering in zijn toestand te brengen. â En gij. Gel. Chr., kunt misschien niet het minst uw geduld oefenen; als gij begint te bidden, meent gij dadelijk, en volgens uw verlangen verhoord te moeten worden. Gebeurt
17
â 258 â
dat niet, dan vervalt gij dadelijk tot moedeloosheid en begint te weêklagen: in één woord: gij schijnt te meenen, dat de almachtige God, aanstonds tot hulp bereid moet zijn, als gij, de bedelaar, een niet, uwe wenschen hebt kenbaar gemaakt. Maar is dat niet onbillijk en ongehoord?
»Die bidt,quot; zegt de H. Jacobus, bidde met geloof en »t\vijfele niet; want hij die twijfelt, verwachte niet, dat hij »van den Heer iets zal verkrijgen.quot; (Jac. I, 6, 7.) Dat noemen wij: met vertrouwen bidden. Maar met welk geloof moet de christen bidden ? In het geloof aan Gods almacht en goedheid. God kan helpen, want Hij kan alles. Niets is Hem onmogelijk. Dan zal Hij Zijne almacht gebruiken volgens Zijne goedheid, en alles schikken tot ons welzijn. Zoo heeft Hij ook steeds, op Hare bede, met de H. Familie van Nazareth gehandeld. Begint gij dan ook. Gel. dir., uw gebed met het vertrouwen, dat Christus had, toen Hij tot den Vader sprak: »Vader, ik dank U, dat Gij Mij verhoord »hebt. Ik wist, dat Gij Mij altijd verhoort.quot; (Joann. XI, 41, 42.) En weest overtuigd, dat gij door uw gebed altijd dat zult verkrijgen, wat naar Gods alwetendheid en wijsheid het beste is.
Van het grootste belang eindelijk is, dat het gebed geschiede met volharding. Dit is wel het grootst gebrek, hetwelk aan ons gebed kleeft, dat Avij niet voortdurend, volhardend blijven bidden. En toch wordt in het Evangelie geen enkele eigenschap van het gebed zoo nadrukkelijk voorgehouden en ingeprent als de volharding. De Chananeesche vrouw verwierf eerst hulp in haren nood, toen zij bleef aanhouden te vragen; en de vriend, verhaalt de Zaligmaker in eene gelijkenis, die met geweld bleef kloppen, werd binnengelaten, en verkreeg wat hij verlangde. »En Ik zeg u,quot; besluit Jesus zijne gelijkenis, »bidt, en u zal gegeven worden; »zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal worden openge-
â 259 â
»daan.quot; (Luc. XI, 9.) gt;ZaI God dan Zijnen uitverkorenen »niet recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen?quot; (Luc. XVIII, 7.) Inderdaad: »het volhardend gebed van »den rechtvaardige vermag veel.quot; (Jac. V, 16.) Leeren wij dan van de H. Familie volharden en aanhouden in het gebed; â al uw doen en laten, uw waken en slapen, werken en rusten moet een voortdurend en aanhoudend gebed zijn tot God.
Om echter zeker verhoord te worden moet men boven alles bidden in den Naam van Jesus. Daaromtrent heeft de Zaligmaker zelf ons verzekerd: «Voorwaar, voorwaar, Ik »zeg u: indien gij den Vader iets in Mijnen Naam zult »vragen. Hij zal het u geven.quot; (Joann. XVL, 23.) Alvorens tot Zijnen Vader terug te keeren, zeide Hij tot Zijne leerlingen: »Tot nu toe hebt gij niets in Mijnen Naam gevraagd. »Vraagt, en gij zult verkrijgen.quot; Terecht spreekt Christus aldus: »gij hebt in Mijnen Naam nog niets gevraagd,quot; want waar zou men in den Naam van Jesus gebeden hebben? Mogelijk, of zelfs zeker slechts op eene plaats, ineen engen kring, in dien der H. Familie van Nazareth. Zij waren altijd bijeen, en baden in den Naam van Jesus, die zich in hun midden bevond. Daar werd deze H. Naam dikwijls genoemd, daar baden Maria en Jozef vertrouwelijk en samen met Jesus; daar is menigwerf hun gemeenschappelijk gebed ten hemel gestegen. Ik weet niet, of Jesus, de goddelijke leermeester, niet eerder aan Zijne dierbare ouders het »Onze Vaderquot; geleerd heeft dan aan Zijne Apostelen. Het »Onze Vaderquot; is bij uitstek het gebed, dat in den Naam van Jesus moet verricht worden. Zooveel is zeker dat Maria en Jozef wel wisten, wat het zeggen wil en welke kracht er in gelegen is, als wij bidden in dien Naam boven alle namen. A-oor welken alle knieën moeten buigen. Vereenigen
260 -
wij dan ook ons gebed met, en verrichten wij het steeds in den Naam Jesus. Aan dat gebed zijn schitterende beloften toegezegd; ^Deze teekenen zullen degenen, die gelooven, »volgen: in Mijnen Naam zullen zij duivelen uitdrijven; »nieuwe talen zullen zij spreken; slangen zullen zij opne-»men; en indien zij iets doodelijks zullen drinken, zal het »hun niet schaden; zieken zullen zij de handen opleggen, »en zij zullen gezond worden.quot; (Marc. XVI, 17.)
Laten wij aan hetgeen wij heden gehoord en ter harte genomen hebben ons gebed eens toetsen en de oorzaak eens uitvorschen waarom ons gebed dikwijls niets uitwerkte en onverhoord bleef. Het grootst gebrek zal wel zijn, dat te weinig gebeden wordt; ja misschien zijn er Avel eenige onder ons, die niet, of bijna niet bidden. Dit, Gel. Chr., moet toch zeker anders worden. Andere gebreken kleven misschien ons gebed aan; dat wij het niet verrichten met aandacht en ootmoed, of dat wij niet langmoedig, vertrouwvol en volhardend bidden; dat ons gebed, om alles in eens te zeggen, niet geschiedt in den Naam van Jesus. En ook dat moet verbeterd. Maar hoe? Door dikwijls de H. Familie van Nazareth te beschouwen en haren ijver in het gebed na te volgen. De godvruchtige vereeniging der H. Familie legt ons op, dikwijls tot de beeltenis der Heiligste Personen op te zien, en die steeds in ons hart te dragen. De leden van het huisgezin moeten dagelijks tot het gemeenschappelijk gebed bijeen komen, opdat daardoor in de harten liefde tot God, godsvrucht en de vreeze Gods zou gezaaid worden. Bovendien is dat een middel, om te zien, wat men doen moet om goed te bidden; namelijk, bidden gelijk de H. Familie gebeden heeft: met heiligen ijver en aandacht, met ware ootmoedigheid en overgeving aan Gods wil, met vertrouwen en volharding; zulk gebed alleen mag genoemd worden een
gebed, in Jesus Naam verricht, en dat dus alles kan verkrijgen. Dat dan alle christenen voortaan zóó bidden, opdat men hun niet meer behoeft te zeggen: »gij bidt, maar gij »verkrijgt niets, omdat gij niet goed bidt;quot; maar opdat aan hen ten volle bewaarheid worde : »petite et accipietis »vraagt en gij zult verkrijgen.quot; Amen.
XXIII.
De f). familie ons uoorbec^ bij bet wevf.
(boor IParboch, Kapelaan.)
Unusquisqne propriam mercedem ac-cipiet secundum mum laboreni.
Ieder zal zijn eigen loon volgens zijn arheid kriic/en.
I Cor. III. 8.
e mensch is geschapen om te werken. De natuur ! zelve heeft den mensch daartoe bestemd. Hoeveel arbeid wordt alreeds gevorderd door het
i
leven en zijne behoeften! Het brood, dat wij eten;deklee-dingstukken, die ons bedekken ; hoeveel werk wordt daartoe al gevorderd ! Als wij echter in de wereld rondzien, dan treffen wij er velen en zeer velen aan, die niet dan met weerzin het juk van den arbeid dragen, en het trachten af te werpen. Hoe menigeen, die dag aan dag hard moet werken, mort en klaagt, dat hij moet werken ; slechts onwillig en tegenstrevend niet dan uit harden nood volbrengt hij de plichten van zijn beroep. Hoevele onchristelijke werklieden trachten bovendien nog hunne lotgenooten tot ontevredenheid op te wekken ; en helaas zoovelen, die naaide stem dier volksmenners gaarne luisteren, die zeggen het volk gelukkig te zullen maken, zonder dat veel behoeft gewerkt te worden. Er zouden niet zoovele ontevredenen zijn;
263
niet zoovelen zouden zicli van anderen laten opruien ; als zij opzagen tot de H. Familie. In het Huisje van Nazareth vinden wij het voorbeeld van den arbeidsstand; een toonbeeld zoo verheven en heilig, dat het noodzakelijk tot navolging opwekt, om ook zóó het overgroot loon te verkrijgen, hetwelk God aan den trouwen arbeider heef): toegezegd. »Ieder zal zijn eigen loon naar eigen werk ontvangenquot; zegt de Apostel: zijn loon voor goed werk ; maar ook zijne straf, als hij niet gewerkt heeft, zooals het aan God wel-behagelijk is. Willen wij dan als ware christenen, in welken staat of stand wij ook geplaatst zijn. God dienen door te werken, en daarvoor ons loon ontvangen ; dan moeten wij ook ons werk verrichten naar het voorbeeld der H. Familie:
I. o r d e 1 ij k ; e n
II. met e e n e goede m e e n i n g.
Laten wij heden deze twee punten onder aanroeping der H. Familie Jesus, Maria en Jozef overwegen.
I.
De II. Familie geeft ons een voorbeeld van de schoonste orde bij haar werk. Jozef, ofschoon hij gesproten was uit het koninklijk huis van David, moest voor zich, voor zijne H. Bruid Maria en voor zijn goddelijk voedsterkind met zijne handen het dagelijksch brood verdienen. De H. Schrift vermeldt uitdrukkelijk, dat hij timmerman was in het stadje Nazareth. Hoe nu werkte hij ? Zouden wij durven veronderstellen, dat hij traag was, en morrende en met weerzin aan het werk ging ? of dat hij zijn ambacht slechts uitoefende, als de nood aan den man kwam ? Voorzeker neen ; hij beoefende zijn vak uit plichtsbesef, en daarom ijverig en blijmoedig van den vroegen morgen tot den laten avond. Lustig volbracht hij zijn werk, zonder dat
â 264 â
ooit een rimpel van ontevredenheid op zijn voorhoofd te zien was ; veel minder kwam een woord van ontevredenheid over zijne lippen, ja zelfs geene verdrietigheid kwam ooit over den drempel zijner werkplaats. Trouw werd hij bij zijn werk geholpen door het goddelijk Kind Jesus. Wat heerlijk schouwspel, den eerbiedwaardigen Man en diens gehoorzamen pleegzoon Jesus in dien nederigen werkwinkel om het hardst te zien werken. Hun ambacht had niets voornaams of buitengewoons, gelijk ijdelheid en trots dat gaarne hebben. Zaag, hamer en bijl zijn hunne werktuigen; balken en planken zijn de stof, welke zij verwerken. Ook Maria, de Moeder des Allerhoogsten werkt; beleidvol werkt zij voor voeding en kleeding harer huisgenooten: Zij werkt onvermoeid en zorgvuldig. Nooit is zij op straat te zien, lichtvaardige of liefdelooze gesprekken voeren met hare buren ; wie zou zoo iets van haar kunnenen denken? Stil en bescheiden verkeert zij in den huiselijken kring; maar als de Sabbat daagt, houdt alle werk op, om volgens de wet den Allerhoogste te huldigen.
Op de dagen des Heeren, begaf zich de H. Familie naar het Huis van God, den tempel, om God te eeren en te aanbidden. Maar ook eiken dag was hun voornaamste zorg zich met God bezig te houden door het gebed voor en na- en onder het werk ; geen werk kon zoo dringend zijn, dat zij dit verzuimden.
Zoo vertoont het geheele leven en al den arbeid dei' H. Familie een beeld der schoonste en bewonderingswaar-digste orde. Zij hadden hun werk ordelijk verdeeld: Jozef zorgt als hoofd van het gezin voor het onderhoud der zijnen; en Jesus is daarbij Zijnen Voedstervader behulpzaam, terwijl Maria het huishouden bezorgt.
Welnu, Gel. Chr. als gij uw werk aan God aangenaam wilt doen zijn, werkt dan ordelijk. Zonder ordelijk te leven
- 265
en te werken kunt gij God niet dienen : Orde leidt tot God. En toch, hoe dikwijls ontbreekt deze noodzakelijke orde. Zijn er niet vele ambachtslieden, die de orde omkeeren?
Gelijk de H. Jozef moesten zij als hoofden van gezinnen een schitterend voorbeeld van plichtsvervulling geven; letten op de gezellen en leerlingen in de werkplaats ; â en in plaats daarvan bekommeren zij zich om dezen in het geheel niet; malen zelfs niet om hun eigen gezin, en gaan hunne uitspanning zoeken in herbergen en andere gelegenheden tot vermakelijkheden. Zoo wordt uwe lust en geschiktheid tot den arbeid altijd minder ; de zegen Gods blijft uit en niet zelden is die onordelijke levenswijze oorzaak van uwen tijdelijken ondergang. Ja, er zijn huisvaders â maar dezen naam zijn zij niet meer waardig â die den kostbaren tijd huns levens verkwisten en het rustig kunnen aanzien, dat hunne brave vrouwen rusteloos zwoegen en slaven, om voor de kinderen den kost te verdienen, en die dan nog de zuur verdiende penningen aan hunnen hartstocht opofferen.
Op gelijke wijze komt ook soms de vrouw te kort aan hare plichten. Terwijl de man een voorbeeld is van vlijt en spaarzaamheid, gevoelt zij maar geen lust om stil en bescheiden orde op haar huishouden te hebben. Nergens echter wordt zij gemist, waar genot te smaken is of visites gehouden worden, of waar sprake is van beuzelarij en opschik. Het huis wordt maar aan de dienstboden overgelaten, die zoo lichtelijk dat verwaarloozen, of tot oneerlijkheid geraken, doordat er geen opzicht over hen is. En wat komt er van de kinderen ? Beklagenswaardige kinderen, waar is toch uwe moeder, die u de handjes vouwen en leeren moet, te bidden tot den goeden God in den hemel ? Waar is uwe moeder, die u door haar voorbeeld moet voorgaan en uwe kwade neigingen moet beteugelen? Waar is uwe moeder,
â 266 â
die ii met de grootste zorgvuldigheid door het aardsche leven tot den hemel moet geleiden ? Ach, zij is wellicht van u vervreemd, en wanneer zij in opgewektheid van al hare genietingen thuis komt, gaat dan voor haar uit den weg, want gij zijt haar tot last, en zij heeft geen tijd voor u ! â Zulke jammerlijke tooneelen uit het leven in onzen tijd, zijn niet zoo zeldzaam. Gel. Chr. gaat het bij u ook zoo of op dergelijke wijze ? O, keert dan terug tot een ordelijk leven, tot die heilige orde, welke God aan ieder lid van een huisgezin heeft opgelegd ; tot die orde, waarvan gij het heerlijkste voorbeeld in het Huisje van Nazareth aanschouwt. Vervult dan trouw uwe plichten van den staat en stand, waarin Gods voorzienigheid u geplaatst heeft, werkt in de betrekking en het beroep, dat gij u gekozen hebt; maar zijt ordelijk in uw werk.
Ordelijk was ook de tijd, welke de H. Familie aan den ai'beid besteedde. Alle dagen waren de drie H. Personen reeds 's morgens vroeg aan het werk : daar werd aan geen schafttijd gedacht; eerst 's avonds rustten zij van het werk.
De sabbat schonk nieuwe kracht voor de volgende week aan de vermoeide ledematen, terwijl het hart zich op dien dag meer dan ooit met God bezig hield. â Zoo gaat het heden ten dage overal niet. Halve, soms heele dagen vlieden heen, zonder dat de hand zich vlijtig rept; menigeen, kwaad geluimd en ontevreden, dat hij werken moet, begint zijn werk eerst als anderen al heel wat gewerkt hebben. En iedere gelegenheid is welkom, waarbij men zijn gereedschap kan ter zijde leggen, 's Zaterdags echter moet tot laat in den nacht gewerkt, en aldus ingehaald worden wat men 'smaandags of op andere dagen heeft verzuimd; terwijl niet zelden zelfs de dag des Heeren door werken wordt ontheiligd. De ergste kwalen van onzen tijd, zijn, het werken op, en het ontheiligen van de zondagen, hetgeen
-â 267 -
Gods straffen over de wereld afroept. Begrijpt toch, Gel. Chr. hoe gelukkig gij zult zijn ; hoe tevreden gij uw hootd ter eeuwige rust zult nederleggen, als gij dan kunt zeggen : »0 God, ik heb den kostbaren tijd des levens, dien Gij mij ge-»geven hebt, alle dagen nuttig gebruikt; ik heb, volgens uwen »H. Wil, vroeg en laat gewerkt; maar ook uwen dag gehei-gt;ligd en dien niet door slafelijken arbeid onteerd. Schenk »gij mij nu ook, als een trouwen dienaar mijn hemelsch loonquot;. O laten wij allen toch op deze wijze werken, dat wij's maandags frisch en blijmoedig het werk beginnen en alle dagen benutten, opdat wij nimmer spijt gevoelen over den verwaarloosden tijd. Vooral, Gel. Chr. wacht u er voor, zondags te werken, daar dit zoo vreeselijke gevolgen na zich sleept. Als gij alle dagen vroegtijdig aan het werk gaat, zult gij de waarheid ondervinden van het spreekwoord: de morgen-»stond heeft goud in den mond en dan zult gij geen reden hebben, om ook op de zondagen te werken.
Eindelijk moet er ook orde zijn bij uwe wijze van werken. Ziet al wederom op tot de H. Familie. Hoe gelukkigen tevreden zijn zij, of al hitte of koude hen deerden; geen kwaad woord wordt daar gehoord bij alle moeielijkheden van het werk.
Daar werd eerlijk gewerkt: voor leugen of bedrog was was daar geen plaats, evenmin werd de besteller daar overvraagd. Vergelijken wij nu daarmede de arbeid van vele menschen. Geen blijmoedige plichtsvervulling, maar harde noodzakelijkheid zet hen tot werken aan, maar daarom gaat het dikwijls met tegenzin ; do moeielijkheid van het werk voert tot verdrietelijkheden en deze uiten zich in woorden van ontevredenheid, in schimpen en vloeken Iedere kleinigheid wekt de gramschap op, die dan op schuldelooze personen of levenlooze voorwerpen gekoeld wordt. In sommige werkplaatsen weerklinken vroolijke liederen; in andere daaren-
â 268 â
tegen wordt de onschuld ten val gebracht door zedelooze gespreken of liederen. Christelijke meesters, het is uw zware plicht, hierop wél toe te zien, wanneer gij niet eens eene allerstrengste verantwoording voor Gods rechterstoel wilt afleggen ; verwijdert daarom uit uw huis alle personen, die, op welke wijze ook, door gesprekken of liederen de zedelijkheid aanranden. Even groote zorg moet gij hiervoor hebben, dat in het werk, dat gij aflevert, niet eenig bedrog zij. Bij de zucht om geld te verdienen, maken velen er heden geene gewetenszaak van, om zich meer winst te verschaffen door oneerlijkheid en bedriegerij in hun werk. »Dat is han-»delquot;, of »zoo'n geld zoo'n waarquot;, of alsnog: »men moet »toch door de wereld komenquot; zijn zoo van die gezegden waarmede men zijn bedrog â want dat is het â tracht te verontschuldigen. Denkt echter wel aan de waarheid van de woorden der H. Schrift: »Een bedrieger zal geen winst »makenquot;, zooals ook het spreekwoord leert: »onrechtvaar-gt;dig goed gedijt nietquot;. Inderdaad, hetgeen gij op oneerlijke wijze door uw werk verdiénd hebt, brengt noch u, noch uwen nakomelingen zegen aan, maar veeleer vloek. Arbeidt dan steeds eerlijk, en mocht het loon, dat gij daarvoor trekt, ook al gering zijn. God zal dat eerlijk verdiende loon zegenen, zoodat dit u tot grooter voordeel zal zijn, dan dat gij een dubbel of drievoudig oneerlijk verworven loon ontvingt.
Houdt aldus bij al uw werk stipte ordemaar bovendien, als gij Gods wil volbrengen wilt, verricht het dan ook met eene goede meening.
II.
Wat is wel bij den arbeid uwe bedoeling? Natuurlijk antwoordt gij, werk ik om met de mijnen te kunnen leven, om geld te verdienen en om voor de toekomst van mijn
â 269
huisgezin te zorgen. Dit is goed ; doch zouden uwe zorgen en moeiten, uw rusteloos zwoegen en werken u geen beter loon kunnen bezorgen ? Moet gij uw werk alleen voor tijdelijk loon doen, of hoopt gij eenmaal daarvoor door God beloond te worden, gelijk de H. Familie? Wij lezen van den H. Jozef niet, dat hij zich groote verdiensten verzameld heeft door als Apostel het Evangelie te prediken, of door als martelaar zijn leven voor God te geven. Neen ; dit heeft hem de kroon des hemels niet bezorgd, maar de goede meening, waarmede hij de plichten van zijnen staat volbracht, heeft dit veeleer gedaan. Zoo moet ook de goede bedoeling xi bij al uw werk vergezellen. En welke moet die bedoeling zijn ? Alles ter eerc Gods en tot zaligheid uwer ziel.
Alles ter eere Gods-, dat moet onze goede meening zijn bij al ons werk. Want dat is onze taak hierbeneden, dal wij door al onze handelingen, door het volbrengen der plichten van onzen staat. God verheerlijken. God immers heeft de wereld geschapen tot Zijne eigene verheerlijking en tot geluk zijner schepselen ; vandaar dat alle met verstand begaafde schepselen door al hun doen en laten God moeten eeren, hoe en waar zij kunnen, en aldus het doel moeten bereiken, waartoe zij geschapen zijn. Daarom geeft de Apostel der Heidenen, die zich eerst niet schaamde, door handenarbeid in zijn onderhoud te voorzien, de vermaning: :alles »wat gij doet in woord of werk, doet alles in den Naam »van Onzen Heer Jesus Christus.quot; Deze uitspraak van den grooten Apostel is onze aandacht overwaardig; hij spoort ons aan, door onze goede meening alles verheven en heilig te maken; hij zondert daarvan niets uit; noch woord, noch werk; hij daalt zoover in bijzonderheden af, dat hij tot zelfs de geringste daden aanhaalt: »hetzij gij eet, hetzij gij »drinkt, of iets anders doet, verricht alles ter eere Gods.quot; Als dan aldus de geringste handelingen bij God waarde
â 270
«mi verdienste hebben door de goede meening, waarmede men die verricht, hoe zal deze dan heilig doen zijn de handelingen, die men doet uit plicht van staat, die toch reeds zoo aangenaam zijn aan God. God toch, ziet veelmeer op de goede meening, dan de grootheid der daad. Een bankbillet is slechts een klein stukje papier, en toch heeft het groote waarde, terwijl een stuk papier, zoo groot, dat men er eene tafel mee kan bedekken, slechts enkele centen waard is. Zoo gaat het ook met het verrichten van het geringste werk, het vervullen van een nietigen plicht van staat; als het geschiedt met eene goede meening, heeft onvergelijkelijk meer waarde dan een langdurig gebed of dan eene rijke gift voor een goed doel, als hierbij de goede meening ontbreekt.
En gij. Gel. Chr, gij hebt zooveel te doen alle dagen wat uw staat of stand u oplegt. Zullen nu uwe zorgen, moeiten of bezwaarlijkheden verergeren, als gij ze aan God opoffert? Wordt gij dan voor uw werk op den winkel, of voor wat uw werk ook zij, minder betaald ? Immers, dat is niet het geval. Wanneer gij 's avonds na volbrachten arbeid u ter ruste begeeft en u iemand vroeg: waarom zijt gij ledig en werkt gij niet meer; dan zoudt gij antwoorden: o, ik ben blij, dat het avond is, want ik heb van daag genoeg gewerkt. Zeker, gij doet goed door u ter ruste te begeven, om 's morgens weer met nieuwe krachten uwen arbeid te kunnen hervatten. Als gij echter uw dagwerk slechts volbracht hebt, om in het onderhoud van u en der uwen te voorzien; of om uwen stand op te houden; dan zijt gij te beklagen; want dan hebt gij u den ganschen dag-ingespannen alleen voor deze aarde, zonder dat gij het minste nut door uwen arbeid voor den hemel gedaan hebt. Hebt gij daarentegen des morgens uw werk van den dag door eene goede meening aan God opgeofferd, dan hebt
â 271 -
gij benevens uw tijdelijk loon, ook nog een overgroot loon voor de eeuwigheid verdiend. Gij kent misschien de geschiedenis van Koning Mydas. Deze had, voigens de fabel, van de goden de gunst gekregen, dat alles wat hij aanraakte in goud veranderde. Dit is, zooals ik zeide, slechts eene fabel; doch gij. Gel. Chr., hebt van den goeden God in den hemel die onschatbare gave werkelijk ontvangen. Alles wat gij den geheelen dag doet, kunt gij door uwen wil, door uwe goede meening, die gij 's morgens maakt, in goud veranderen, wel niet in aardsch goud, maar gij kunt er een hemelschen schat van maken, dien gij nooit kunt verliezen. Legt u dus hierop toch toe, dat gij bij alle uwe goede, ja onverschillige werken, maar vooral bij uwen da-gelijkschen arbeid eene goede meening maakt. Maakt die goede meening iederen morgen, wanneer gij, naar het voorbeeld der H. Familie, uw werk met gebed begint; denkt of zegt dan: Mijn Heer en mijn God; alles wat ik van daag denk, zeg of doe, al wat ik ga of sta; alle goeds of kwaads wat mij overkomt, offer ik aan U op, ter uwer liefde, lof en eer. Deze goede meening zal dan den geheelen dag blijven en op al uw doen en laten invloed uitoefenen; als gij althans ze niet door eenige zonde intrekt. Hoevele verdiensten kunt gij aldus op één enkelen dag verzamelen; maar hoevele gedurende geheel uw leven! Dan zal op u toepasselijk worden het woord des Heeren: »gij zijt mijn jgt;dienaar, omdat Ik door u word verheerlijkt,quot; en wij zullen dan het heil onzer onsterfelijke ziel verwerven, doordat wij veel ter eere Gods gedaan hebben. Dit tweede doel, waarom wij werken moeten, is alreeds in het eerste besloten. Het natuurlijk leven van den mensch eischt, dat hij werken moet; maar de oorzaak daarvan is het niet. Neen; als wij onze eenige, onsterfelijke ziel willen zalig maken, dan is het volstrekt noodzakelijk, dat wij de plichten van onzen staat
272 -
stipt volbrengen. Ledigheid is altijd het begin van zonde en misdaad geweest. Denkt slechts aan den val van David! Hij viel in zonde, niet toen hij zich tegen zijne vijanden moest verdedigen, niet toen hij bezig was met het bestnnr van zijn rijk, maar toen hij in ledigheid op het dak van zijn paleis vertoefde. Daarom is de arbeid dan ook voor ons eene genade, die de kracht bezit van ons te heiligen en voor onze zonden te voldoen. De arbeid heeft de kracht, om ons met God te verzoenen. De moeiten en vele bezwaren van den arbeid kenden onze eerste ouders in het paradijs niet. Doch na hunnen val in de zonde sprak God het vonnis uit: »gij zijt stof en tot stof znlt gij wederkeeren:quot; totdat dit echter plaats hebbe zult gij werken: »in het zweet »uws aanschijns uw brood eten.quot; Het is dus de wil van God, uwen Schepper en vader, dat ook gij de straf van den arbeid ondergaat, omdat gij in Adam gezondigd hebt. Wanneer gij u dus aan den arbeid, en aan de daarmede gepaard gaande zwarigheden onderwerpt, dan kunt gij boetvaardigheid doen voor uwe zonden en de straffen der zonden ; dan toomt gij uwe slechte driften in, dan behoedt gij u voor bekoringen, of verwerft minstens de kracht om ze te overwinnen.
De arbeid heeft ook de kracht om ons heilig te maken. Alle Heiligen hebben gewerkt: hadden zij dit niet gedaan dan zouden zij zeker niet gezegepraald, noch ook zouden zij heilig zijn geworden of den hemel hebben verdiend. Aanhoudend werken van den morgen tot den avond verwerft ons veel verdienste en maakt ons voortdurend heiliger. De zweetdroppels op het voorhoofd en het eelt in de hand brengen ons op den weg tot heiligheid en geven ons aanspraak op de eeuwige vreugden. Vandaar, dat meer Heiligen aangetroffen worden onder den werkenden stand dan op koningstronen, want werken maakt deugdzaam,
ootmoedig, geduldig en versterkt liet vertrouwen op God. De Heiligen worden afgebeeld met zinnebeelden, die ons er op wijzen op datgene, waardoor zij heilig geworden zijn. Zoo zien wij den H. Jozef afgebeeld met een winkelhaak en zaag; den H. Laurentius met een rooster; Paulus met een zwaard ; Andreas met een kruis. Wat nu zal ons zinnebeeld zijn ? Ons gereedschap, waarmede wij den hemel willen veroveren ; of dit dan naald en schaar, of hamer en beitel of els of iets anders zij !
Ten slotte wijs ik u op het spreekwoord : handwerk (en alle werk) geeft goud in den zak.
Het is een waar spreekwoord. Goud toch wordt in den grond niet zuiver aangetroffen, zoodat liet al dadelijk tot munt kan geslagen worden, neen ; het moest eerst van het vuil gezuiverd, dan in het vuur beproefd, en vervolgens gemunt worden. Laten wij zoo ook ons werk tot goud maken ; zuiveren wij het ook van alle onreinheid. Weg met alle onreine bestanddeelen vóór het werk : verrichten wij ons werk, zuiver van zonde, in staat van genade en met eene goede meening: weg daarmee onder don arbeid: geen vuil van vloeken, slechte taal, ongeduld of weder-spannigheid ! schuldeloos en geoorloofd vermaak en uitspanning moeten wij zoeken ; maar geono zondige gezelschappen of verlustigingen ; verkwisting zij verre van ons; beoefenen wij daarentegen de spaarzaamheid. Bovendien geeft aan den arbeid den waren stempel, d. i. verricht dien in staat van genade, ter eere Gods, tot heil uwer ziel en in navolging van de H. Familie, die een leven van werken leidde, omdat en zooals het Gods wil was. Als wij aldus geheel ons leven door, blijmoedig gewerkt hebben, dan zal ons eenmaal, als onze handen verstijven en de dagtaak
18
â 274 â
onzes levens ten einde loopt levendige vreugde ons vervullen op het gezicht van den hemel; en als wij voor Gods rechterstoel verschijnen, mogen wij verhopen de blijde woorden te zullen hooren; .gt;gij goede en getrouwe knecht, dewijl gij »getrouw zijt geweest over weinig, zal ik u over veel stel-»len: (ja binnen in de vreugde uws Heer en.quot; Amen.
i
XXIV.
rgt;c V). familie cn bc jcug^.
(boor IParbocb, Kapelaan.)
Exemplum dedi vobis, nt qucmndmo-diivi ego feci, it a et vos fad at is.
11; het) u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijk Ik it gedaan heb, gij ook alzoo doet.
Joann. XIII, 1.
iize roemrijk regeerende Paus, die, gelijk geen ander, de kwalen en geneesmiddelen van onzen tijd kent, heeft de geheele wereld uitgenoodigd, zich aan te sluiten bij de vereeniging der christelijke huisgezinnen ter eere van de H. Familie van Nazareth. Het doel dezer vereeniging is, de christelijke huisgezinnen en de leden des gezins aan de H. Familie, Jesus, Maria en Jozef toe te wijden, hen tot bijzondere vereering daarvan, maar vooral tot navolging dier schitterende deugden aan te sporen, waarin de H. Familie alle christelijke staten en standen, maar bijzonder toch den ambachts- en werkmansstand is voorgegaan. Ook voor u, geliefde jongelieden, is de vereering en navolging der H. Familie van het grootst belang. Gij toch hebt, om deugdzaam te leven, een voorbeeld noodig, alsmede eene goede moeder, die u lief heeft en voor u bezorgd is ; eindelijk, een trouwe beschermer, die u bij de gevaren, welke der jeugd bedreigen, onder
276
zijne hoede neemt. Dat alles nu vindt gij in de H Familie:
I. J e s u s is u ton voorbeeld;
II. M aria is uwe Moeder;
III. J o z e f uw B e s c h e r m e r.
Laten wij deze drie punten eens overwegen onder aanroeping van de voorbede der H. Familie, om er ons nut mede te doen.
Jesus is uiv voorbeeld. De Zaligmaker is van den hemel nedergedaald, heeft op aarde geleefd en gewerkt, eerst als kind, vervolgens als jongeling en man om aan alle leeftijden en standen een voorbeeld te geven, en daardoor den waren weg naar den hemel aan alle menschen te wijzen. De Zaligmaker is echter vooral het voorbeeld voor de jeugd. Zeer kort is het Evangelie van den H. Lucas, waarin hij de geschiedenis der jeugd van Jesus verhaalt; 'tis als het ware slechts een enkele blik, welke de H. Schrift ons doet werpen in de jeugd des Heeren, dit alléén : dat Hij twaalf jaren oud zijnde met Zijne ouders opwaarts ging naar den tempel van Jerusalem. Dit Evangelie kan men terecht noemen het Evangelie der jeugd, uw Evangelie, het Evangelie der christelijke jongelieden! Het is kort, doch het bevat alles, wat Jesus aan de jeugd heeft willen leeren wat zij moet doen, moet beoefenen, moet nakomen. Op dit Evangelie past dus vooral het woord des Heeren : »Ik heb »u een voorbeeld gegeven, opdat zooals ik gedaan heb, »gij ook alzoo doet.quot; Moge dan dit voorbeeld, door Jesus u gegeven, diep geprent worden en blijven in uwen geest en in uw hart! Gaan wij daarom eens enkele punten meer in het bijzonder na van dit zoo rijk en zoo schoon Evangelie.
Eene deugd is er, welke in de jeugd van Jesus bijzonder in het oog valt, welke betrekking heeft op God, en welke de jeugd dus op do eerste plaats van Jesus moet
277 -
leeren : Zijne innige godsdienstigheid, Zijne liefde voorliet huis Gods, en tot het gebed. Overweegt eens, hoe Hij aan de zijde van den H. Jozef in den tempel staat, biddend, godvruchtig de handen opheffend tot zijn hemelschen Vader. O, met welke aandacht en ingetogenheid bad Hij ! Met welk innig welbehagen zal de Vader met Zijne Engelen neergezien hebben op dit gebed van Zijn beminden Zoon ! En gelijk Jesus in den tempel bad, zóó heeft Hij het gedurende geheel Zijn leven gedaan : in het Hinsje van Nazareth, tijdens Zijne prediking, in Zijn lijden zelfs. Maar ook geeft Jesns u, jongelieden, een voorbeeld van werkzaamheid. Hij begon den dag met te bidden, en hielp dan zijne Moeder Maria en Zijnen Voedstervader Jozef in alle dingen liet huishouden of het ambacht betreffende, en oefende met Jozef het zware ambacht van timmerman uit. Het was een moeitevol leven, dat Jesus te Nazareth leidde! Wij zien Hem daar tot Zijn dertigste jaar werken. Zijne ouders hij-staan, en met hen het noodige levensonderhoud verdienen. Ziet, de Zóón Gods werkt trouw en naarstig, voelt en getroost zich alle ongemakken van harden arbeid ! Ja, arm ben ik, kan Jesus zeggen, en aan ongemakken gewoon van mijne jeugd af. Wie herkent hier den Eengeborenen des Vaders, de vreugde der Engelenkoren, den beloofden zoon van David, de grooten koning van Israël.
Beseft dan, geliefde jongelieden, hoe Jesus u een schitterend voorbeeld geeft van: vbidt en tv er kV' godsdiensten arbeid zijn de grondslag van het handwerk, zegt Kolping, de verdienstelijke stichter der gezellenvereenigingen. Ja, christen jongeling, bid. Gij moet bidden, trouw en voortdurend bidden, alle dagen, des morgens en des avonds, aan tafel; overal, altijd, ook dan als gij bij andersdenkenden in huis zijt. quot;Weest ijverig in het vervullen uwer godsdienstige plichten; laat u toch nooit van het bijwonen der godsdienst-
â 278 â
oefeningen door lichtzinnige kameraden afhouden, Het zij n, gelijk het voor Jesns was ; eene vreugde, in het hnis uws hemelschen Vaders te vertoeven. In het huis Gods moet gij kracht opdoen, om tegen het kwaad te strijden, om de plichten van nwen staat naar behooren te vervullen. En als gij herhaaldelijk uwe ziel zuivert en ze voedt door het ontvangen der H.H. Sacramenten, dan blijft de schoone tijd uwer jeugd, de lente uws levens, onbevlekt van zonden, en nog op uw sterfbed zal u dat een oorzaak van grooten troost zijn. â Werk! Het is Gods wijze beschikking en Zijn wil, dat ieder de plichten van zijnen staat naar bestvermogen volbrengt en door passenden arbeid hier beneden het eeuwig loon des hemels verdiene. En als ooit in het leven, dan toch zeker is men in zijne jeugd verplicht te werken. â Bidt en werkt \ Uw werken moet tevens bidden zijn. En hoe zal het dan zijn ? Door de goede meening, doordat gij alle dagen uw werk van den dag aan God opdraagt. Verzuimt daarom geen enkelen morgen deze goede meening te maken, van alles te doen ter eere van God, opdat aldus uw geheele leven en al uw werken een voordurend dienen van God zij. Een werkman, die geen godsdienst heeft is slechts een werktuig om geld te verdienen.
Nog ééne deugd moet gij van den Verlosser leeren. Er staat van Hem geschreven: »En Hij vertrok met hen en »kwam te Nazareth ; en Hij was hun onderdanig.quot; Jesus, de Eengeborene des Vaders en zelf God, Hij gehoorzaamt: de schepper is onderdanig aan zijne schepselen : Maria en Jozef, die, hoe heilig en rein ook, toch slechts menschen waren, oneindig ver beneden Hem. Hij is gehoorzaam in alles, wat Hem opgelegd wordt, tot zelfs in de nietigste dingen en dat wel op de volmaakste mogelijke wijze. Welk een voorbeeld wederom voor u, jongelieden! God heeft u in het vierde gebod den plicht, en wel de verplichting op
- 279 â
zware zonde opgelegd, gehoorzaam te zijn aan uwe ouders, onderdanig ook aan alle overheden. Beoefent deze aan God zoo bijzonder aangename deugd van gehoorzaamheid in huis, in de werkplaats jegens uwe meesters zoo stipt, zoo bereidvaardig en zoo welgemoed als uw goddelijk voorbeeld. Slechts dan, wanneer men u iets ongeoorloofds zou gebieden b. v. van Zondags te werken, dan moet gij meer aan God dan aan de menschen gehoorzamen.
11.
Jesus is dus uw schoonste voorbeeld, maar bovendien hebt gij eene liefdevolle Moeder noodig, en deze is, Maria. â De Allerheiligste Maagd was de moeder van den eersten christelijken leerling en gezel, van den goddelijken Verlosser der wereld. Ofschoon Hij God was en dus alles wist en kende, wilde Hij zich toch als een werkman voordoen, die eenigen tijd als leerling en gezel in het huis van Zijn Voedstervader doorbracht. Hoezeer beminde Maria baren goddelijken Zoon, en waakte Zij over Hem. Hoe hard viel het aan hare liefde, dat zij bij Zijne geboorte Hem slechts eene kribbe kon geven; hoe smartelijk ook viel haar de vlucht naar Egypte. Hoe zocht zij Hem met droefheid gedurende drie dagen, toen zij Hem op reis naar Jerusalem verloren hadden! Met welke liefde heeft zij voor Hem gezorgd. Hem verzorgd! Zij ontmoette Hem op den Kruisweg ; maar ook onder het Kruis bleef zij staan; zij wilde toch zoo dicht mogelijk bij Hem zijn, al was het ook, dat zij geen hulp kon brengen. En waarom doorboorde haar hart een zevenvoudig zwaard van droefheid? Was het niet uit overgroote liefde tot haren goddelijken Zoon? Gij nu, christelijke jongelieden, zijt broeders, teerbeminde broeders van Jesus Clmstus, door Zijn kostbaar bloed vrijgekocht.
280 -
Zou Maria u dus ook niet van geheeler harte beminnen, u, die met Haar goddelijken Zoon het lot van werken, van ongemakken en lasten gemeen hebt? Ja zeker, christelijke jongelieden, draagt Maria u in haar moederhart. Zonder twijfel bemint zij u met al de liefde waartoe dat moederhart in staat is; zeker waakt zij over u, zorgt zij voor u, bidt zij voor u bij den troon van haren goddelijken Zoon. Maar gij moet ook Haar liefhebben, gelijk Jesus Haar bemind heeft. Haar beminnen tot in den dood als de beste aller moeders. En als misschien uwe aardsche moeder alreeds ten grave is gedaald, zoodat gij aan deze uwe liefde niet meer wijden kunt; de goede zorgen uwer hemelsche Moeder Maria zullen u nooit ontbreken. Zij waakt over u, zij beschermt u in de gevaren, als gij mischien in den vreemde de bescherming en de waarschuwingen uwer tijdelijke moeder niet kunt hebben. Vereert daarom Maria als uwe bezorgde Moeder, roept Haar vol vertrouwen aan in alle behoeften en gevaren naar lichaam en ziel; vereert Haar zonder ophouden. Bidt gaarne tot Haar, dag aan dag, gelijk gij het op den schoot uwer moeder reeds geleerd hebt; beveelt u zeiven en uw werk aan hare moederlijke bezorgdheid aan; en geeft Haar dikwijls eenig blijk uwer kinderlijke gehechtheid aan Haar. Hoe aangenaam moet het aan Haar moederhart zijn, als zij een christenlijken jongeling aanschouwt, die 's avonds zijne handen, welke hij des daags rusteloos tot den arbeid gebruikt heeft, eerbiedig vouwt, en die Haar ter eere het rozenhoedje bidt of eenig ander gebed verricht. Wanneer gij Maria niet verlaat zal zij ook u niet verlaten, noch bij het leven noch bij uwen dood.
Hl.
De H. Jozef, christelijke jongelieden, is uw Beschermer' christelijke jeugd: de vijanden uwer zaligheid hebben het
281 ~
op u gemunt, die machtige vijanden zijn er voortdurend op uit om u te verleiden, om u voor hier, en hiernamaals ongelukkig te maken. Daarbij komt uwe eigen geneigdheid tot het kwaad, die u bekoort en prikkelt, die u het vervullen uwer plichten als nietswaardig, het involgen uwer drif-teu als een geluk voorspiegelt. Dan nog de wereldquot;, die u onder allerlei vormen tracht te verleiden, die u als met honderd armen wenkt, om haar te volgen; de bedorven wereld met hare vreugden en genietingen; de menschen in de wereld, lichtzinnige kameraden ; hebt gij hare verleidende stemmen nog niet gehoord? Gij moet strijden tegen slechte woorden en werken; gij moet bestand zijn tegen de beginselen der wereld; als: b. v. »men is maar eens jong, en men moet toch wat mee doenquot; Hoe dwaas, als gij naar deze bekoring luistert. Een enkelen keer mee doen! maar dan is het gedaan met de onschuld uwer jeugd; dan is uw geheel verder leven vergiftigd; Men is slechts eenmaal jong â doch daarom juist moet gij u voor alle zonden behoeden, omdat gij de zonden uwer jeugd niet ongedaan kunt maken. En moet men meedoen, als anderen lichtzinnig uw levensgeluk verwoesten en u de vreugden des hemels doen verliezen ? Bovendien moet gij op uwe hoede zijn voor de bekoringen des duivels, die rondloopt als een brieschen-de leeuw, zoekende wien hij zal verslinden, en die vooral de onbedreven jeugd in zijne strikken tracht te vangen. Hebt gij nu tegen al deze sterke vijanden geen machtigen beschermer noodig? Dusdanigen zult gij vinden in den H. Jozef. Gelijk hij zijn Pleegkind beschermde, zoo zal hij ook in alle gevaren naar ziel en lichaam u bijstaan. Hij is de Beschermer der Katholieke Kerk; als gij dus een trouwe Zoon dier Kerk, als gij in alles een ware christen zijt, kunt gij ook van zijne bescherming verzekerd zijn. Hij is ook de Beschermer der werklieden : gij hebt met hem het werken
â 282 â
gemeen; hij kent uwe gevaren, uwe lasten bij ondervinding en zal dus gaarne uw voorspreker zijn bij den troon van God. Hij heeft het goddelijk Kind voor Herodes wreedheid gered; en zoo zal Hij ook u redden van de vervolgingen van den helschen Herodes, van den vorst der duisternis, als gij Hem als uwen liefderijken Beschermer vereert en aanroept. Eens echter, hetzij dan vroeg of laat, naakt voor ons allen, het bittere uur des doods. In dien nood, als de booze vijand nog eens alle krachten zal inspannen, om ons in het verderf te storten, hebben wij in den H. Jozef een machtigen Beschermer, want Hij is de Patroon voor een zaligen dood. Hoe zoet en zalig was zijn verscheiden van deze wereld. Het verlaten der wereld kon hem niet zwaar vallen, daar Hij nooit voor de wereld, maar altijd voor God en de eeuwigheid geleefd en gewerkt had. Aan zijn sterfbed knielden Maria, zijne heilige vrouw, en Jezus, zijn goddelijk Voedsterkind, in wier armen hij in heiligen vrede ontsliep. Inderdaad, boven alles «kostbaar is in de oogen des Heeren »de dood der rechtvaardigen.quot; Maar hoe zoet zal ook onze dood zijn, als wij gelijk Jozef, braaf geleefd, naarstig gewerkt, moedig gestreden hebben gedurende ons leven hier op' aarde. Jozef, de Beschermer in den dood, zal ons ook in dien laatsten strijd niet verlaten; Hij zal dan ook ons begeleiden tot voor den rechterstoel van God, zijn god-delijken Pleegzoon. Maakt u deze groote genade waardig door dezen uwen H. Patroon steeds ijverig te vereeren en aan te roepen, gelijk zoo vele christenen ten allen tijde gedaan hebben, opdat gij in den tijd en in eeuwigheid gelukkig moogt zijn.
Christelijke jongelieden! In de H. Familie vindt gij alles, wat gij voor het heil uwer ziel behoeft: in Jesus een schitterend voorbeeld ; in Maria eene liefdevolle Moeder en
in Jozef een trouwen Beschermer. Vereert dns uw leven lang, de H. Familie, vooral nu gedurende uwe jeugd, opdat gij niet van den goeden weg afdwalet en geraket op den weg, die ten verderve voert. Zegt dikwijls met hart en mond : Jesus, Maria, Jozef, ik schenk u mijn hart en mijne ziel; staat mij bij in den doodstrijd; laat mijne ziel met u in vrede gaan. Amen.
{; -' J ' _ _ _IS
!,t C',^'.......* ^-y^y^j1'/^ quot;^quot;
XXV.
0i?er ^cn ^oo^ rgt;au ^en X7. Ooscf.
(^oor p. Scbdcbl.)
Pretiosa in conspectu Domini mors sanctornm ejus.
Kostbaar is in de oogen des Heeren de dood Zijner Heiligen.
Psalm. CXV, 15.
â e H. Bernardus verheerlijkt den H. Jozef in de | volgende woorden: »0 gelukzalige Man, wien het vergund was Hem te zien, Dien zoovele koningen en profeten wenschten te zien, en Dien zij niet aanschouwd hebben ; Hem te hooren, Dien zij zoo verlangden te hooren en het niet vermochten; en Hem niet slechts te zien en te hooren, maar zelfs te dragen, te begeleiden, te omarmen, te kussen, te voeden en te beschermen.quot; De H. Kerkleeraar zegt in deze lofspraak niet te veel. Als de Engel Gabriël Maria begroette als de gezegendste onder de vrouwen, omdat zij tot Moeder van God was uitgekozen, dan mogen wij den H. Jozef wel begroeten als den gezegende onder de mannen, omdat hij bestemd was, de Voedstervader van Jesus te zijn. Hoe beangst was de H. Jozef als hij het geheim der Menschwording in Maria's schoot aanschouwde, maar niet kende en daarom het besluit nam Haar heimelijk te verlaten. Hoe groot was zijne droefheid.
â 285 -
als hij in Bethlehem geene herberg vond, bij de dieren zijn intrek moest nemen, en het goddelijk Kind, van alles verstoken wat een kind bij zijne geboorte noodig heeft, in de koude kribbe neerleggen moest! Doch al deze angst en droefheid zijn voorbij, de dood maakte aan dit kommervol leven een einde ; hij scheidde hem wel voor eenigen tijd van Jesus en Maria, die hij met geheel zijn hai't innig liefhad ; maar hij voerde hem ook de eeuwigheid binnen, waar zijn geluk ongestoord en eeuwigdurend is. En zoo is het arme Huisje van Nazareth voor hem veranderd is het paleis des hemels, waar hij met Jesus en Maria voor eeuwig woont in een zee van zaligheid en geneugten, door Engelen en Heiligen geprezen en verheerlijkt. O, als de H. Bernardus hem zalig prijst om het leven, dat hij hier heeft gesleten, hoe moeten wij dan don H. Jozef zalig prijzen om het leven en do glorie, welke hij thans geniet in den hemel! Daarmede is echter de H. Jozef niet tevreden ; â wij ook zullen eenmaal sterven, en gelijk Jesus en Maria bij den dood van den H. Jozef tegenwoordig waren, zullen wij ook menigeen met wie wij door liefde of vriendschap verbonden zijn, zien sterven. Be dood van den H. Jozef moet dus voor ons een leermeester zijn, die ons aanwijst, hoe ons te gedragen
I. B ij onzen eigen d o o d,
II. E n 1) ij den dood onzer dierbare b e-trekking e n.
Dat de H. Jozef ons bijsta, opdat deze onderrichting vruchten in ons voortbrenge.
I.
gt;Zalig zijn de dooden die in den Hoer sterven.quot; Tot deze zaligen behoort toch zeker de H. Jozef; want hij is in den Heer gestorven, omdat hij in den Heer geleefd hoeft. Dit
â 286
is wel de eerste les, die hij ons omtrent onzen dood geeft; wij moeten in den Heer leven, om ons daardoor tot den dood voor te bereiden. Het Evangelie noemt den H. Jozef een rechtvaardig man; dat is de eenige maar ook hoogste lof, die het hem geeft; want die lofprijzing bevat alle volmaaktheid, welke God van den mensch verlangt. Als rechtvaardig man heeft Jozef zijne plichten jegens God, jegens den naaste en zich zeiven trouw vervuld en zich daardoor den weg naar den hemel gebaand ; de H. Wil van God was hem de hoogste wet, volgens welke hij zijn leven inrichtte. Hij was arm, hij verdroeg alle onaangenaamheden van den kant zijner medemenschen; hij vluchtte naar Egypte, bleef daar en keerde van daar terug; als timmerman werkte hij in het zweet des aanschijns; hij leefde en stierf omdat God het wilde. Zijn dood was de weerklank van zijn leven en de zalige eeuwigheid is de belooning voor zijn heiligen dood. »Een heilig leven,quot; zegt de H. Ambrosius, »is de weg tot een heiligen dood, en een :gt;zalige dood is de weg tot het waarachtig leven, tot het »eeuwig en gelukkig leven.quot; Voor ons ook is geen anderen weg naar den hemel: wij ook moeten »in den Heerquot; leven om »in den Heerquot; te kunnen sterven ; gelijk de H. Jozef moeten ook wij ons leven inrichten naar Gods wil. Niets echter strijdt zoozeer tegen den wil van God als de zonde; niets is dus zoo noodig tot een goeden dood, als het vermijden der zonde. Het geloof leert ons, dat de dagelijksche zonde ons alreeds zoolang van den hemel uitsluit, tot wij dooide straffen des vagevuurs gezuiverd zijn; de doodzonde echter sluit ons voor eeuwig uit den hemel en verdoemt ons voor eeuwig in de hel; in staat van doodzonde levende is het dus onmogelijk »in den Heerquot; te sterven. Als wij dus, al is het slechts eene enkele doodzonde op ons geweten hebben, moeten wij eene goede biecht spreken, om
â 287 -
daarvan vrijgesproken te worden, en weer in staat van genade te geraken. Dit is het éénig middel, om ons voor de hel te vrijwaren. De hemel echter is een loon, en een loon moet verdiend worden. God nu is rechtvaardig; gevolgelijk geeft Hij den hemel slechts aan hen tot loon, die hem verdiend hebben. Als de H. Schrift de dooden zalig prijst, die in den Heer sterven, voegt zij er bij : Mvant van nu »af rusten zij uit van hun lijden, en hunne werken volgen »henquot; ! Zoo is het ook met den H. Jozef gegaan ; maar daarom juist moet zijn dood ons leeren, dat het niet genoeg is, zich van zonde te onthouden, maar dat wij ook, gelijk de Apostel ons vermaant, onze uitverkiezing moeten verzekeren door goede werken te doen. Getuigt het zelf. Gel. Chr., hoe kunnen de goede werken ons volgen, als wij die niet beoefend hebben ? Hoe kunnen wij uitrusten van ons lijden, als wij dat niet onderstaan hebben ? Hoe kan God alle tranen in den hemel droogen, gelijk de H. Schrift verzekert, dat wij geene tranen van boete en berouw over onze zonden geweend hebben ? En als de H. Paulus zegt, dat hij alléén gekroond wordt, die wetig gestreden heeft; wat reden hebben wij om op die hemelsche kroon te rekenen, als wij niet strijden tegen duivel, wereld en vleesch ; als wij niet standvastig in een christelijk leven volharden ?
Dit leven »in den Heerquot; moeten wij dus blijven leiden. Wij weten niet, hoe oud de H. Jozef geworden is, evenmin of hij, na korter of langer ziek te zijn geweest, dan wel of hij plotselings gestorven is. Maar dit alles weten wij evenmin van ons zelve. Eéne zaak is zeker, dat wij eenmaal, en ook slechts een eenigen keer zullen sterven; maar onzeker is het, hoe of wanneer of waar wij zullen sterven. De Heer kan tot ons komen op een uur, dat wij het niet vermoeden ; wij kunnen plotselings sterven. Opvallend is het, dat in onzen tijd zoovele plotselinge sterfgevallen
â 288 -
plaats hebben en rampen gebeuren, waarbij zoovele men-schen, soms honderden tegelijk een onverwachten dood sterven. Het is dus noodzakelijk, dat wij altijd op onzen dood voorbereid zijn, om »in den Heerquot; te kunnen sterven.
De voorbereiding tot den dood, die wij tot hiertoe uit het leven van den H. Jozef overwogen en geleerd hebben, is de verwijderde, maar hij leert ons ook van nabij tot den dood ons voor te bereiden. De dood van den H. Jozef wordt gewoonlijk in beeld zóó voorgesteld, dat hij rust in de armen van Jesus, terwijl Maria aan zijne zijde geknield ligt. Do Heilige Jozef is dan ook werkelijk nn den Heerquot;, in ver-eeniging met Jesus gestorven; en inderdaad was Maria zijne beschermster bij den dood. Hoe rustig, blijgemoed en vol vertrouwen kon hij uit deze wereld scheiden! Daardoor wordt ons geleerd, dat wij bij het begin van een gevaarlijke ziekte niet moeten verzuimen de H.H. Sacramenten dei-stervenden te ontvangen en de H. Maagd vurig moeten bidden, ons met hare machtige hulp bij te staan, vooral gt;in het uur des doodsquot;. Dit toch is voor ons het gewichtigst oogenblik, dat over onze eeuwigheid beslist. Eene bijzondere genade van God is daartoe noodig, om dit uur gelukkig te doorleven, en die genade zal ons gegeven worden door de H.H. Sacramenten der stervenden. Dit is dus het voornaamste van onze naaste voorbereiding tot den dood. Daardoor zal ons leven, bij zijn einde nog, verdienstelijk worden. Een christen echter, die zorg heeft voor de zaligheid zijner ziel, moet alreeds in zijne gezonde dagen een algemeene Biecht spreken ! zou hij dit niet gedaan hebben, dan moet hij het toch zeker in zijne ziekte doen, om aldus zeker te zijn, dat zijn geweten in orde is, doordat hij vergiffenis van zijne zonden gekregen heeft. Want weldra misschien zal hij hooren : ^geef rekenschap van uw rentmees-»terschapquot; ! Hoe noodig is het dus, dat men bij volle ken-
â 289 -
nis zijn leven nagaat en doorvorscht, om zich met zijn Heer en God te verzoenen. In de H. Communie ontvangt hij Hem als zijn Verlosser en Zaligmaker, en Jesus komt tot hem, om hem te zoeken en zalig te maken, om hem vergeving te schenken en de genaden mede te deelen, welke noodig zijn, om een goeden dood testerven. En sinds Maria gestaan heeft bij het sterfbed van haren goddeliiken zoon, bij het kruis op Golgotha, wil zij tegenwoordig zijn bij het sterven van elk harer kinderen, en ze in hare moederarmen sluiten. De stervende christen heeft echter nog eene andere moeder, de Katholieke Kerk ; deze zendt hem haren bedienaar, den priester, opdat hij »over hem bidde, en hem met »olie zalve in den naam des Heeren ; en het gebed des ge-»loofs zal ten heil zijn aan den zieke. De Heer zal hem op-»beuren, en indien hij in zonden is, zullen ze hem vergeven »wordenquot;. (Jac. V, 14, 15.) Bij het H. Oliesel voegt de H. Kerk de algemeene absolutie, opdat de zieke ook van alle straffen der zonden worde vrijgesproken. Door deze genademiddelen gesterkt zal de christen van zelf de smarten der ziekte met geduld en tot boeting zijner zonden aannemen en verdragen en zich bij zijn sterven geheel en vol vertrouwen overgeven aan den goddelijken wil. Ja, met het kruisje van den doodstrijd in de hand, den Naam Jesus op de lippen, de liefde van God in het hart, kan de christen »in den Heerquot; sterven. Gelukkig hij, die zulk sterven van den H. Jozef geleerd heeft! Overwegen wij nu nog, wat zijn dood ons leert over den dood onzer dierbare betrekkingen.
II.
Jesus en Maria waren met niemand zoo door liefde verbonden als met den H. Jozef; hij was dan ook de Voed-
19
â 290
stervader van Jesus en de man van Maria. Waar liefde is, daar ontstaat ook smart bij het verlies des geliefden ; de mensch kan zijn natuurlijk gevoel niet afleggen. Mogen wij nu aannemen dat de dood van Jozef de harten van Jesus en Maria met droefheid vervulde ? Maria toch had een zoo gevoelig hart, zooals blijkt uit de bruiloft te Cana, waar zij innig begaan was met de jeugdige echtelieden, en om wille der gasten aan haren goddelijken zoon haren nood klaagde: »zij hebben geen wijn meer.quot; Onuitsprekelijk groot was hare droefheid bij den dood van haren Zoon, waarbij zij tegenwoordig was : o, zeker Maria 's hart gevoelde angst en leed, en welke droefheid moet zij dus onderstaan hebben, toen de dood Haar haren beminden echtgenoot ontnam.
Het Evangelie verhaalt van Jesus, dat Hij innig medelijden gevoelde toen Hij de weduwe van Naïm zoo bedroefd zag over den dood van haren zoon, dat Hij haar troostte den doode tot het leven opwekte en aan haar wedergaf. Hoe zou Hij dan ook niet droefheid gevoeld hebben, toen Hij zijne eigene moeder zag weenen bij den dood van Jozef! Zelf weende Hij bij het graf van Lazarus, toen Hij de treurende zusters en de volksmenigte zag, hetgeen den Joden deed zeggen : »Ziet, hoezeer Hij hem liefhadquot;. Zou Hij nu niet meer gehouden hebben van zijn Voedstervader dan van Lazarus, en zou Hij niet geweend hebben toen Hij Jozef dood in zijne armen hield? Do dood van den H. Jozef leert ons dus dat wij vrij mogen treuren over den dood onzer dierbare betrekkingen. De aarde is door de zonde een dal van tranen geworden. Alles, wat pijn doet, is een gevolg der zonde ; waren er geene zonden, dan waren er ook geen smarten; zij is het, die den mensch de eerste tranen heeft doen storten, en de gave van tranen te storten als een treurig erfstuk aan alle menschen heeft nagelaten : de mensch alleen kan weenen; buiten hem geen
291
enkel schepsel. De dood nu is in de wereld do voortdurende en tegelijk de smartelijkste en meest beschamende straf, zoo dat de H. Schrift zelve uitroept: O dood, hoe bitter is uw »aandenkenquot; ! Als het al bitter is aan den dood te denken, hoe smartelijk is het, als hij werkelijk komt en ons onze dierbaarste betrekkingen ontrukt. Ja, het is billijk, dat dan geweend wordt, dat tranen van liefde en dankbaarheid gestort worden, oprechte tranen van hartelijk medelijden en innige deelneming.
De tranen echter, die de dood ons om wille onze geliefden doet storten, moeten daarom niet mateloos en de uiting van wanhoop zijn, maar zij moeten door hot geloof gematigd worden. Het geloof nu wijst ons op den allerheiligsten wil van God, die alles ten beste geschikt heeft van hen, die wij liefhebben, die alles liefderijk geregeld en zelfs de haren van ons hoofd geteld heeft. Hij is het, die het zware offer van ons verlangt, dat wij onze dierbare betrekkingen dooiden dood moeten verliezen. Hij, die de Heer is van leven en dood; Hij is het ook, die het beste weet, waarom Hij dit offer nu, en niet vroeger of later verlangt; Hij is het nog, die bet best de wond kan heelen, die ons door het verlies dier geliefde personen geslagen is. God is ons geene reken-schap schuldig, waarom Hij zóó en niet anders gehandeld heeft, want dit moeten wij vast gelooven, dat God verder ziet, en beter weet dan wij, wat tot onze eeuwige zaligheid noodig is. Het woord, dat God tot den Profeet gesproken heeft, moet onze smart matigen en ons waren troost aanbrengen : »Mijne gedachtenquot;, spreekt de Heer, zijn niet uwe gedachten, en uwe wegen zijn niet Mijne wegen. God heeft het gedaan, zijn allerheiligste wil zij geprezen !
Als de H. Elisabeth vernam, dat haar man in een veldslag was gesneuveld, zeide zij: Heer, gij weet, dat mij na U in de wereld niets zoo dierbaar was als mijn man ; doch
- 292
als ik hem voor een enkel haai' van mijn hoofd levend kon maken, zon ik het niet doen, als het uw wil niet was. Zietdaar, Gel. Chr. echte godsvrucht, christelijke volmaaktheid, waartoe het geloof ons opvoert. Want het gelooof leert ons toch, dat de dood ons niet voor eeuwig scheidt van hen, die wij liefhebben â wij zullen hen immers wederzien. Ook Jesus, Maria en Jozef, voor een wijle van elkander gescheiden, zijn nu eeuwig gelukkig bij elkander in den hemel. »Er zal geen dood meer zijn.quot; Jesus Christus heeft door zijn dood en verrijzenis voor ons den dood overwonnen, en een eeuwig zalig leven naar lichaam en ziel voor ons verdiend, zoodat de Apostel Paulus in het besef dezer geloofswaarheid uitriep: »Waar is nu, o dood, uwe overwinning; »waar is nu uw prikkel? De dood is in de overwinning-onder gegaanquot;. De christen, die in het geloof aan Christus en in zijne liefde uit deze wereld scheidt, sterft eigenlijk niet; maar hij begint dan een hooger, oneindig gelukkiger leven, dan hij verlaten heeft. Hij kan zijne betrekkingen, die weenend zijn sterfbed omringen, troosten met de woorden, welke de Zaligmaker in zijne afscheidsrede tot de Apostelen sprak : »gij zijt nu wel bedroefd; doch ik zal »u wederzien, en uw hart zal u verheugen en niemand zal »u uwe vreugde kunnen ontnemenquot;. Deze troost van een blij wederzien, die het geloof ons geeft, maakt zelfs den schrikwekkenden jongsten dag, den dag des oordeels, tot een dag van vreugde en jubel. Dat leert ons de Apostel Paulus, als hij het volgende schrijft aan de christenen van zijnen tijd, die in groote droefheid waren over hunne afgestorvenen : »Wij willen u, broedersquot;, schrijft hij aan de geloovigen van Thessalonika, gt;niet in onwetendheid laten »omtrent de ontslapenen; opdat gij niet bedroefd zoudt »zijn gelijk de overigen, (Heidenen), die geene hoop hebben. »Wij gelooven toch, dat Jesus gestorven en verrezen is ;
»zóó zal God ook hen, die in Jesus gestorven zijn, met »Hem opvoeren,... de dooden, die in Christus (gestorven) gt;zijn, zullen eerst opstaan. Vervolgens wij, die leven, die «overgebleven zijn, zullen met hen in de wolken Christus »te gemoet gevoerd worden in de lucht; en zóó zullen wij »allen bij den Heer zijnquot;. En de Apostel besluit deze heerlijke troostwoorden met de aanmaning : »troost elkander »dan met deze woordenquot; ! Deze redenen van troost hebben nog heden hunne volle waarde behouden; zijn ook nu nog geschikt, onze droefheid te bedaren bij den dood onzer dierbare betrekkingen.
Om echter te kunnen hopen op een gelukkig wederzien moeten wij zelve niet alleen »in den Heerquot; sterven , maar ook ons best doen, opdat ook zij, die ons dierbaar zijn, goed voorbereid uit de wereld scheiden, »in Christus ont-»slapenquot;. Daartoe is noodig, dat zij bijtijds en als zij nog bij volle kennis zijn de HH Sacramenten der stervenden ontvangen, vooral wanneer zij nog geene algemeene biecht gesproken hebben. Als de ziekte gevaar voor sterven doet vreezen, dan is het eene gruwelijke wreedheid, der naast-bestaanden, dat zij den zieken onbewust laten van zijn gevaarlijken toestand; en uitstellen met het laten toedienen der HH. Sacramenten tot het bijna of geheel te laat is. Dit kan voor den zieke het begin eener ellendige eeuwigheid worden,en zeker is, dat de nabestaanden zich aan groote zonde schuldig maken. Wanneer wij dus onze betrekkingen waarlijk beminnen, dan moeten wij toch zeker alle zorg hebben voor het heil zijner ziel en maken, dat hij »in den Heerquot; sterft. Zoo menige zieke, die op het zeggen zijner huisgenooten zijn te gevaarlijken toestand inzag en zich liet overhalen, de HH. Sacramenten te ontvangen, dankte hen later innig daarvoor, en zal liet hun eeuwig danken. Ook kan het geval zich voordoen, dat wij een zieke, vooral een bloed- of aan-
- 294
verwant, opmerkzaam moeten maken van orde te stollen op zijne tijdelijke belangen, opdat later alle oneenigheden en onaangenaamheden vermeden worden. Want de ondervinding leert, welke schromelijke gevolgen het verzuim hiervan soms na zich sleept. Als de ziekte langen tijd duurt en smartelijk is, moeten wij den zieke vol medelijden troosten en hem voorhouden zijne pijnen aan God op te dragen, tot boete zijner bedrevene zonden, ze te vereenigen met het lijden van zijn Verlosser, en ze te lijden op hoop van eeuwig loon. Zoo zal ook Jesus, die een zoo gevoelig en medelijdend Hart bezat. Zijnen H. Voedstervader getroost hebben met hem te wijzen op de eeuwige zaligheid des hemels.
De dood van den H. Jozef is dus voor ons rijk aan lessen; voor ons zelve vermaant hij ons, van altijd »in »den Heerquot; te loven, van bijtijds de H.H. Sacramenten te ontvangen, om ook »in den Heerquot; te kunnen sterven. Omtrent den dood onzer dierbare betrekkingen leert hij ons, de droefheid over het scheiden uit liefde tot God aan te nemen en die te matigen door de hoop op een zalig wederzien, en dit mogelijk te maken, door te zorgen, dat de zieke bijtijds de HH. Sacramenten ontvange. Wij allen. Gel. Chr., moeten sterven. Hieraan valt niets te veranderen; doch zorgen wij goed te sterven. Al het overige beteek ent niets ; met een goeden dood is alles gewonnen, gewonnen voor de geheele eeuwigheid. Wanneer wij dan met den H. Paulus kunnen zeggen: »Christus is mijn leven,quot; dan moeten wij hem ook durven nazeggen: »sterven is mij een »gewin,quot; want de dood voert mij tot Jesus, Maria en Jozef en maakt mij ledemaat van de gelukzalige H.. Familie in het hemelsch Nazareth. Amen.
INHOUD.
Bliidz,
Voorwoord...............5
I. Over do vrome vereeniging der H. Familie
J. M. J. door Warboch, Kapelaan .... 7 II. De Personen der H. Familie, door Aich . . 17
III. De godsvrucht tot de H. Familie van Nazareth door Aich............28
IV. Over de waarde van het H. Huisgezin door Aich.................41
V. Van de goddelijke instelling van het huisgezin door Kapelaan Cronenbery......55
VI. De bijzondere inzichten van den Paus bij de invoering der godvruchtige Vereeniging van
de H. Familie door Aich........64
VII. De toewijding aan de H. Familie: de vorm
en beteekenis daarvan door Aich.....76
VIII. De toewijding aan de H. Familie is een werk
van liefde tot God en den naaste door Aich. 90 IX. De dagelijksche gebeden dor Vereeniging
door Aich..............104
X. Het beeld der H. Familie door Aich. . . . 116 XI. Over het groot nut der dagelijksche gods-
vruchtoefening door Aich........126
i
XII. Do genaden en voorrechten der vereeniging
van de H. Familie door Kapelaan Warboch. 140
XIII. Het H. Huisje van Loreto door Kapelaan Warboch...............152
XIV. De ziekte der maatschappij door Aicli. . . 161 XV. Het huwelijk, de grondslag der maatschappij
door Kapelaan Cronenberg.......173
XVI. Over het verval van het huwelijk in den
tegenwoordigen tijd door Aich......184
XVII. De christelijke bruidstijd en het huwelijk
door pastoor Hirts...........199
XVIII. Het toonbeeld van eeu huisgezin door J. P.
Brunner, Pastoor...........206
XIX. De H. Familie als voorbeeld voor ieder christelijk huisgezin door een Priester van het
diocees Munster............215
XX. Het dagwerk der H. Familie.......222
XXI. Over den huiselijken vrede door Aich. . . 230 XXII. De H. Familie van Nazareth is ons voorbeeld
in het gebed door Aich.........245
XXIII. De H. Familie ons voorbeeld bij het werk door Warboch, Kapelaan........262
XXIV. De H. Familie en de jeugd door Warboch, Kapelaan..............275
XXV. Over den dood van don H. Jozef door P.
Scheichl................284
I M P U I M A T U R.
Buscoduci, 1H Dcc. 18!(().
J. J. VERSTERKEN, liedor. ad hoe tlclcgntus.
m .«-j
Zi'^ :/.,. i j ,'^,1. '4^'?'. ⢠^
i%* k â -c
'MO .4. ^ ^11
, ^ v ^-i
' f â ^AjcK
/. t i^., i vU'rv^^':
K.. vh i.t- fv,.» -^«rfw â¢gt; â - ^,r - j. 1
4f ^ â i^^'^'-.i^i^Ji
nfc' ,i â¢gt;⢠iC^ .** tl.r- ' t- Ir â¢â * ^ i- â¢y-fc â gt; **â
â¦- .â !iCi ' ' t; ^ *â â Vi' tj' 4 '
^ u v I ^ i * * *â â â â '
.,, ⢠â¢
-gt;
../ -
t - '-'^k A;
|/^T â 'V ^ amp;gt;*.; I -^; ' i
r \.,' v I .a^ n ^ quot;lt;* rV- V ⢠^'j.' gt; ^ v^ *
r^ri X f-\ j , 'â¢gt;,' ^'V i;%
â¦vf,. â â M -f-'\ ^ .. * lt;£'**:x^ t*%£;
â . xf -vi. ⢠-.-/ 'quot;â¢
*â â *- *, ^ ^.jgf -tf. #?â ,⢠r
v 'A .-^ j'- ' - *'� .i . ^ ^ y
f â 4k,, ? :/gt; U''^-rö ' ' v'
nsHbS4- quot;'^' â '^'â ,n«!' , v-
.â gt; :.y 3\ _: l. Z.'. -~ -