s?.-.
Dyquot;*-
t- a
wl
r-i*. *
^ - ,' !' -« ., /lt;*⢠Jt4
4 v â v;.. gt; 3 ^
r lt;f -' '
** x
/â '; r - !f Wv .vs-^ â rv ^\ -
/v'-vï ^%gt;44 c v'quot; ^
^ * -tj. lt; / . ⢠J' â V ^ ;â¢â¢- /â lv 1
â¢% ^ 5-h. ;T 44 A
4V^J :
* ^ ,0^ wtgt; quot;quot; *.ö^- quot;, Lii
â » t lt;* k*' r \ Hf . ^ -M
.'V , â¢-«â V ^/-V^
t- gt;.X'lt; v gt;
. % . Vu». 'V *gt; ^t' -£â */
â J\*' ^ ?c ^ .-n
- V L s *,14 â * \ W ^ ,-. W ^
\ J/x J ^Xn-r-quot; ; #1. â â .k
â f* l-f'i^-^TY â ft-'i. V^» ⢠*^'-/.i
:*£r* '.C r:^
^Vrl
^ K 'r
v # v'
â lt; o
V^S
â VhT lt;
â¦f j?ê
-â¢1^::;;' I - , â ilt;.gt;i(, .'quot; A ^ A ''f
------------- ~ ' quot; J * .'^ - â 1,.. ^V
i - -W. -V
, r/abïfc^
LEVEN VAN DE H. CATHABINA VAN SIENA.
fi. pATHARINA VAN SlENA. (ware afbeelding.)
GEBED VAN DE H. CATHARINA VAN SIENA.
Heilige Geest, kom in mijn luirt,
Uwe macht trekke liet tot \\ o God:
Schenk mij de vrees en de Heide.
O Christus, behoed mij tegen elke schuldige geduchte,
Ontvlam mij, ver wurm mij met 1'w zoetste Helde,
Opdat elke moeite mij licht toeschijne.
Ik bid om I'av bijstand en hulp in mijne behoeften.
O Christus, mijne liefde. lt;) Christus, mijne liefde.
In hot leven der II. Gatbarina van Siena wordt verhaald, dat deze serafijnschc Maagd, die nimmer do schrijlkunst geloerd had, na in een visioen deze gave ontvangen te hebben, het bovenstaand gebed in Italiaansche verzen, op hemolscho ingeving, hooit neergeschreven. Hot zijn do eerste woorden, die de Heilige schreef.
fd-'C aQ
HRT LEYEN
van de
N. CATHARINA ÃAN SIENA.
door
P. fr. E. .1. B. JANSEN O. P.
Kerkelijk goedgekeurd.
f.
. IC J?
Rotterdam, G. W. VAN BELLE. 1896.
^y9emene p
IMPRIMATUR.
Fr. JLUDOVICUS TIIEISSLING, Prior I'tuo.
Neomagi, 19 Jliiii 1890.
|
Sassekhkmii , die 23 Maii 1896. |
H. J. BOliGIIOLS, I.ihr. Cens. |
VOORWOORD.
In verschillende talen zijn reeds meer dan zestig levensbeschrijvingen der H. Catharina van Siena verschenen.
Nederland mist een uitgebreide levensbeschrijving van de Heilige.
Geen wonder, dat haar leven, zoo rijk aan deugden, genaden, werken en wonderen, hier in den lande betrekkelijk weinig gekend wordt.
En toch zijn er velen, die er belang bij hebben, die verlangend naar ecne meer uitvoerige levensgeschiedenis van deze groote Heilige uitzien.
Is zij niet de Patrones der Derde Orde van den H. Dominicus? Is zij niet een toonbeeld voor iedere godvruchtige maagd, die in het klooster leeft, hoe zij het beschouwende leven met het werkende leven vereenigen kan? Is zij niet een toonbeeld van kloosterlijke armoede, zuiverheid, gehoorzaamheid en zelfverloochening? Is zij niet een toonbeeld van toewijding aan de Katholieke Kerk en haar zichtbaar Opperhoofd, den Paus van Rome V
Wie kan ons beter leeren met woord en daad onze Moeder de H. Katholieke Kerk te beminnen, te verdedigen, hare wetten te onderhouden?
Het is waar, haar wondervol leven is een onafgebroken reeks van hemelsche gunstbewijzen. Toch is zij een zeer practisch voorbeeld niet alleen voor den kloosterling, maar ook voor den christen in de wereld, vooral voor de christen vrouw.
V(
In haar zijn al do trekken der sterke vrouw vereenigd, gelijk zij ons in de H. Schrift wordt geschilderd:
Zuiverheid van zeden, geduld, eenvoud, gehoorzaamheid, arbeidzaamheid, zelfverloochening, bescheidenheid, zachtzinnigheid, trouwe vervulling der geboden en plichten, voorzichtigheid en sterkte.
Dat zijn deugden, die voor alle standen en leeftijden passen.
Wij bieden dan vol vertrouwen deze levensbeschrijving van de H. Catharina van Siena aan het Katholieke volk van Nederland aan.
Wij hebben haar vooral uit de Legende van Catharina's biechtvader Raymundus van Capua en uit de akten der heiligverklaring geput. Daarbij hebben wij de Brieven der Heilige zeer dikwijls benuttigd. Zij zijn een onuitputtelijke goudmijn voor de geschiedenis van Catharina en van den tijd, waarin zij leefde.
Alleen die feiten, welke door vertrouwbare bewijzen en getuigen gewaarborgd zijn, hebben wij in deze levensbeschrijving opgenomen.
Moge onze eenvoudige, maar welgemeende arbeid strekken tot glorie van God, tot uitbreiding en verheffing der Heilige Katholieke Kerk en tot verheerlijking van de H. Catharina van Siena.
p. fr. E. J. B. JANSEN, Rotterdam, Ord. Praea.
op den feestdag van den H. Joseph,
19 Maart 1896.
LIJST DER VOORNAAMSTE BRONNEN.
1. Vita Seraphicae Sponsae Jesu Christi St. Catharinae
Senentis, auctore Raymundo a Capua.
2. Thomas Antonius Nacci Caffarmi, Legenda Minor.
3. Thomas Caftarini, Sujjplementum ad Legendam Sanctae
Catharinae.
4. Brieven van de H. Catharina.
5. Samenspraken van de H. Catharina.
6. Processus Contestationam super sanctitate et doctrina
B. Catharinae de Ãenis. Venetiis 1411.
7. Grotanelli, Brieven der leerlingen van de H. Catha
rina. 1868.
8. Corso Cronostatico della Vita da Santé Catharina de Siena
dal R. P. Fra Angiolo Maria Carapelli. O. P. .
9. Odericus Rainaldus, Annales Ecclesiastici.
10. Muratori, Italicarum Rerum Scriptores.
St. Antoninus, Chronicon.
. Martene et Durandus, Coll. Vet. ycript.
VIII
13. Acta Sanctorum.
14. E. (quot;artier, Vic et Oeuvres tie St. Catharine de Sienne.
15. A. Capecelatro, Histoire de St. Catherine de Sienne et
de la Papauté de son temps.
16. A. Th. Drane, The History of the Holy Catharine
of Siena.
17. Joyau, Sainte Catharine de Sienne.
18. R. Rommens, Geschiedenis van de Heilige Catharina
van Senen.
Over deze en andere bronnen kan men raadplegen; Acta Sanctorum, â Drane, The History, etc., â Capecelatro, Histoire, etc., â Cartier, Viet et Oeuvres, etc.
Overeenkomstig de Decreten van Paus Urbanus VIII, uitgevaardigd den 13. Maart 1625 en den 5. Juli 1034 verklaart de schrijver aan de verschijningen, wonderen, openbaringen en andere gebeurtenissen, in deze levensbeschiijving vermeld, geen ander gezag toe te kennen dan datgene, wat de H. Kerk daaraan toekent, en zich in alles aan de beslissingen van die H. Kerk in dezen te onderwerpen.
EERSTE BOEK.
VERBOBGEN LEVEN VAN DE H. CATHAE1NA.
1347â1372.
EERSTE HOOFDSTUK.
Afkomst en geboorte van de H. Catliarina.
De Heer bezat mij in het begin Zijner wegen.
Spreuk. 8 , 22.
O opperste en eeuwige goedheid Gods, Gij hebt mij bemind voor Gij door mij bemind werdt, U zij dank in eeuwigheid. Samenspr. c. 106.
1347â1352.
T
_Ln het midden vau het oude Toscane verrij'st Siena, na : Florence wellicht de schoonste en rijkste stad dezer zachte en bekoorlijke landstreek. Van den top eens schilder-achtigen heuvels, waarop zij zich omstreeks 1300 voet boven de zee verheft, beheerscht zij een bloeiende vlakte. Langs haar wallen schuurt de rivier dc Tressa. Haar torens baden zich in den lichten gloed en het diepe blauw van den Itali-aanschen hemel. De lucht is zuiver en frisch, de gesteldheid der jaargetijden gematigd, aan geen ploiselinge veranderingen onderhevig. Wel heeft het inwendige der stad aan schoonheid verloren, doch de omgeving veel gewonnen. Het oog zweeft over vruchtbare landouwen en sierlijke tuinen, want de inwoners van Siena zijn buitensporige liefhebbers van bloemen. Tusschen het donkere groen der olijven, tusschen goed onderhouden wijnbergen, tusschen cipressen en pijnboomen blinken u de witte muren van kloosters en buitenplaatsen tegen. Geen wonder, dat de bewoners van dit stuk hemel, hier op de aarde gevallen, geroemd worden om hun blijmoedigheid en schoonheid, om hun zachtmoedige , minzame, gezellige, wellevende manieren.
De stichting dezer stad ligt in liet duister. Reeds vroeg
4
ging het licht des Evangelies over haar op. In het begin der vierde eeuw bezat zij een bisschop. Ten tijde der heilige Catharina werd zij bestuurd door negen populani of volksmannen. De rechtspraak berustte bij een podestaat. Siena herinnert on? aan een Heiligen Bernardinus, aan den gelukzaligen Ambrosius Sansedonius, aan den gelukzaligen Colum-binus en andere Heiligen, die hun geboortestad door deugd en wetenschap verheerlijkten. Grootendeels heeft Siena zijn middeleeuwsch uiterlijk behouden. De storm der Renaissance verschoonde de torens van rooden baksteen, liet kerken en paleizen ongedeerd. Nog zijn de wallen niet geslecht, nog dragen de poorten haar oude namen, nog siert hen de eeuwenoude beeltenis der allerzuiverste Maagd Maria. De stad strekt zich uit over drie heuvels, wier kruinen met een kerk of met een ranken klokkentoren prijken. In het midden rijst de trotsche toren van het stadhuis omhoog.
Wij beklimmen de steile straat dell' Oca, die naar het klooster der Predikheeren leidt. Links ligt een nederig huisje, algemeen als de âFullonicaquot; bekend. Boven de deur staan de woorden: âSponsae Christi Catharinae Domus.quot; ') Voor vijf eeuwen was liet de woning der heilige Catharina, haar geboortehuis. Ieder vertrek, door hare tegenwoordigheid geheiligd, heeft de vereering der burgers van Siena in zijn oorspro nkel ij ken toestand bewaard. Treed binnen, en gij zult de werkplaats van haren vader zien, de trappen, die zij op hare knieën bestegen heeft, de keuken, waar zij haar huiswerk verrichtte, de kamer, welke zij als kapel gebruikte, en de kleine cel, die vele jaren getuige was van hare gebeden, haar oefeningen van boetvaardigheid en het wonder van haar dngelijksch verkeer met God. Aan de rechterzijde dezer woning verheft zich thans een kapel, waar de geloovigen ter bedevaart gaan. Treed ook hier binnen. Gij ziet, hoe de pelgrims er vol geloof en vertrouwen samenstroomen om de voorspraak van Catharina in te roepen. De muren zijn bedekt ' met exvoto's en geschenken, in allerlei vorm en gedaante, die de dankbaarheid voor verkregen weldaden daar opgehangen heeft.
Huis van Catharina, de Bruid van Christus.
5
De familie Beniucasa, waaruit Cutharina voortsproot, behoorde tot de partij der populani of van den arbeidenden middelstand, die toen liet bestuur van Siena in handen had. Jacobus Benincasa bekleedde zelfs een der hoogste waardigheden en zijn broeder Ambrosius, een goudsmid, was in de maanden September en October een der â Difensorequot; der republiek. Of de families Benincasa en Borghese van â eenen stam ontspruiten, is niet uitgemaakt, schoon verschillende schrijvers het beweren. De Benincasa's hebben zich nooit iets op die eer laten voorstaan. Zij behoorden tot den burgerstand, genoten een vrij groote welvaart en bezaten een buitenplaats in de nabijheid van Santa Maria a Pili. Jacobus was gehuwd met Lapa Puccio di Piagenti, voor wier vader men Mucio Piagenti, een middelmatig dichter, opgeeft. ') Jacobus had een zuster, Agnes geheeten en gehuwd met Chele di Duccio. Nadat zij weduwe geworden was, werd zij Zuster der Boetvaardigheid van den heiligen Dominicus. Op de slaapzaal van het Predikheerenklooster ziet men nog haar beeltenis met het opschrift: Beata Agnese Benincasa. Ook tusschen Lapa en de Dominicanerorde hestonden er betrekkingen. Volgens een oorkonde, door den Generaal-Pater Erveo onderteekeud, deelden Mucio Piagenti en zijne echtgenoote Cecca in de gebeden en goede werken der Broeders om hunne verknochtheid aan de Orde.
Jacobus Benincasa bereidde de kleuren voor het verven van wol. Daarom droeg hij den bijnaam van verver. Hij was een eenvoudig, oprecht, godvreezend man, verafschuwde het kwaad en zocht in alles de gerechtigheid. Zachtmoedigheid, zelfbeheersching en gematigdheid onderscheidden hem. Iedereen prees zijn rechtschapen en onberispelijken wandel. Nooit werd hij driftig. Wanneer iemand der zijnen zich tot gramschap verleiden liet, zei de hij schertsend tot hem : â Zoon, wind u niet op, opdat God u zegcne, en zeg niet, wat gij niet behoort te zeggen.quot; Behalve door zachtzinnigheid muntte Jacobus nog door kieschheid en fatsoen uit. Nimmer duldde hij minder eerbare gesprekken in zijn huis.
Lapa wordt om haar arbeidzaamheid, voorzichtigheid en
1'gurgieri, Tompe Sanesi, tit. 28.
huishoudelijkheid geprezen. Zij was een brave moeder, die het goed meende. Nochtans zocht zij uit een soort van vrouwelijke ijdelheid te vurig de glorie van haar huisgezin. Met eigenaardige welsprekendheid en bezielde bewoordingen wist zij haar zwakheden te verdedigen.
Jacobus en Lapa leefden vreedzaam met elkander. Zij zochten eerst het rijk Gods; het overige werd hun toegeworpen. Uit hun huwelijk sproten vijf en twintig kinderen voort.
De tijd, waarin de Heilige Catharina leefde, kenmerkte zich door den geest van onrust en verzet op ieder gebied. Alles woelde en kookte. De Kerk en Italië waren in een verschrikkelijke beroering. De tijdelijke macht wilde de geestelijke overheerschen , toen Filips IV van Frankrijk de Pausen in een vernederende ballingschap naar Avignon wegvoerde. Italië streed voor zijn vrijheid tegenover de overheersching dor Duitsche keizers; het volk streed niet den adel om hot bestuur. In die woelingen verschijnt Catharina als de onschuldige duif met den olijftak des vredes. Zij voert den Paus naar Rome terug en bluscht het vuur der partijschappen. Niet met het staal overwint zij, noch door goud of list, maar door de deugd, het gebed en de liefde. Door de genade was zij, wat zij was, de genade was in haar niet ij del.
Omstreeks het midden der veertiende eeuw woedde de zwarte pest in Europa en maakte inzonderheid Italië tot éen doodenakker. Men zegt, dat alleen in Siena en de omstreken tachtig duizend menschen stierven. âIn die dagen,quot; zoo verhaalt de kroniek van Andreas Dio, âbegon te Siena de grootste, de treurigste, de afgrijselijkste sterfelijkheid, die men zicli verbeelden kan; zij duurde tot het einde van October 1348. Zij was zoo geweldig, dat mannen en vrouwen schier plotseling stierven; er ontstond een buil en zij vielen midden in het gesprek dood neder. De vader wierp nauwelijks een blik op zijn kind, de broeder ontvluchtte zijn broeder, de vrouw verliet haren echtgenoot , want men zeide, dat deze verschrikkelijke ziekte door den adem en zelfs dooiden blik werd overgedragen. De dood hield zulk een on-barmhartigen oogst in de maanden Mei, Juni, Juli en Augustus, dat men zelfs niet voor goud iemand kon vinden om de lijken te begraven. Nocli broeders, noch verwanten.
7
noch vrienden, noch priesters volgden hen; men deed voor hen geen enkele godsdienstige plechtigheid. ')
Men mag dus aannemen, dat Catharina door een bijzondere beschikking der Voorzienigheid gespaard bleef. In het jaar 1347 aanschouwde zij met haar tweelingszuster Johanna het levenslicht. Volgens een overlevering in de Predikheerenorde was het juist op Palmzondag den 2ö Maart. Johanna stierf na weinige dagen. Aan Catharina schonk Lapa nu al hare moederlijke teederheid. Zij voedde haar op met haar eigen moedermelk als een kind, dat God toebehoort. Iedereen, die Catharina zag, beminde haar. Lapa kon haar slechts met moeite bij zich houden. De buren en de verwanten namen het kind mede om zijn onschuldig gekeuvel te hooren en het genot zijner tegenwoordigheid te smaken; zij vonden er zulk een troost in, dat zij het Euphrosina noemden, hetgeen vreugde of tevredenheid beteekent. De wijsheid en voorzichtigheid van Catharina's gesprekken wekten bij allen een heilige blijdschap. Er schuilde in haar woorden en haar verkeer een geheimzinnige kracht, die de ziel tot God opvoerde. Zoodra men zich met haar onderhield, week alle kommer en droefenis. Men genoot zulk een buitengewonen vrede, dat men aan het woord van den Thabor dacht: Het is goed hier te zijn. 2) Reeds als een klein kind kende zij geen grooter genoegen dan de kerken en de heilige plaatsen te bezoeken. Haar vurige gebeden drongen door de wolken. Zoo ver haar jeugdige krachten het toelieten, onttrok zij zich aan het aardsche.
Nauwelijks was zij vijf jaar of zonder ophouden herhaalde zij het Ave Maria. Wanneer zij de trap op- en afging, knielde zij op iedere trede neder en bad een Wees gegroet. :') Men zag dikwijls, hoe zij gedurende dit gebed van de aarde opgeheven en door de engelen gedragen werd.
Voor wij do bovennatuurlijke gebeurtenissen uit het leven dezer on vergelijke maagd verhalen, is het goed een enkel woord te zeggen over het wonderbare in de daden der Hei-
') Bij Muraturi, Script. Rerurn Ital.
-) Legend 1,2.
â¢,) Legend I, 2.
ligen. Met de vermindering van het geloof is niet alleen de bron van het goede, het ware en het schoone bij velen verdroogd, maar zij hebben ook de geschiktheid en den lust verloren om het in anderen te zien, te begrijpen, te bewonderen. Ware grootheid wordt miskend en in twijfel getrokken, alleen omdat zij met het licht van wonderen en bovennatuurlijke deugden omstraald is. Uit onverschilligheid in den godsdienst laat men den Heiligen geen recht wedervaren en eerbiedigt men hen niet als menschen van een hoogere orde. Men wroet te diep in de aarde om tot het hemelsche te kunnen opstijgen. Alles wil men voelen en tasten, met het ontleedmes uit elkander leggen. Die moeilijkheid, welke velen ondervinden om het wonderbare aan te nemen, ontstaat dus uit hun gewoonte van zich alleen met stoffelijke zaken bezig te houden, die onder het gebied der zintuigen vallen. Men begrijpt de wonderwerken der Heiligen niet, zegt men. Maar indien er in de natuur, in het leven der planten en der dieren, in de vorming der delfstoffen, in het verband tus-schen ziel en lichaam ontelbare geheimen zijn, waarop ons verstand zelfs geen lichtschemering kan werpen, hoe zullen wij dan doordringen tot de verborgen werkingen der genade ? Kunnen do natuurlijke krachten uitwerkselen voortbrengen, waarvan wij het bestaan niet betwijfelen, maar de wijze dei-wording ons verborgen is, zal dan de bovennatuurlijke kracht der genade in de Heiligen geen teekenen en deugden kunnen uitwerken, wier wording wij niet begrijpen? Wij zien niet hoe een bloem, een vrucht zich ontwikkelt, toch bestaan zij zonder twijfel. Al weten wij niet hoe de wondervolle daden der Heiligen geschieden, toch bestaan zij ontegenzeggelijk. Derhalve, als de feiten eenmaal zeker zijn en door geloofwaardige getuigen bewezen worden, dienen wij ons met eerbied en geloof te onderwerpen en met den koninklijken zanger te belijden: Gud is wonderbaar in zijn Heiligen. (Ps. 67.)
TWEEDE HOOFDSTUK. Catharina's wondervolle kindsheid.
Ik ben een bloem des velds en een lelie in de dalen.
IIoc^l. 2,1.
Heilige Geest, kom in mijn hart, trek het door mve kracht tot U. mijn God, en geef mij de vreest en de liefde. O Christus, bewaar mij tegen iedere slechte gedachte. Vader, sta mij bij in al mijn handelingen.
Gebed van de II. Catharina.
1353â1357.
atharina was ongeveer zes jaren oud, toen Lapa haar V en haren kleinen broeder Stephanus naar hun gehuwde zuster Bonaventura stuurde. Nadat zij hun boodschap verricht hadden, keerden de kinderen langs de helling van de Valle Piatta huiswaarts. Toevallig hief Catharina de oogen ten hemel en zag boven den gevel van de Dominicaner kerk Onzen Heer Jezus Christus op een schitterenden troon. Hij was gekleed in het hoogepriesterlijk gewaad en met een lichtglans omstraald. Zijn hoofd kroonde een tiaar. Aan Zijn zijde stonden de Apostelen Petrus en Paulus, de Evangelist Johannes en nog eenige mannen in witte kleederen. Catharina bleef opgetogen staan en beschouwde vol liefde Hom, die zich aldus openbaarde om haar hart meer en meer tot zich te trekken. De Zaligmaker sloeg op haar een blik vol majesteit, lachte haar minzaam toe, strekte Zijn hand uit en gaf haar don zegen in den vorm van een kruis. Die hemolsche gunst voerde haar in geestverrukking op tot Hem, dien zij beminde; zij vergat alles eu zag niemand der voorbijgangers. Terwijl zij zoo onbewegelijk Onzen Heer Jezus Christus beschouwde, ging haar broertje Stephanus door. Deze meende, dat zij hem volgde. Hij keert zich om, bemerkt hoe zijn zuster voortdurend naar den hemel ziet eu
10
roept haar uit al zijne krachten. Doch zij antwoordt niets. Hij gaat nu naar haar terug en roept haai steeds bij haren naam. Eindelijk grijpt hij haar bij de hand en zegt: âWat doet gij daar toch? Waarom komt gij niet?quot; Catharina schijnt uit een diepen slaap te ontwaken, beschouwt hem een wijle en antwoordt toen: âO, indien gij zaagt, wat ik zie, zoudt gij mij niet aan zulk een zoete verschijning ent-rukken.quot; Wederom zag zij naar den hemel, doch tot haar groote spijt was alles verdwenen. Zij weende lang en verweet zich, dat zij de oogen had ncdergeslagen ').
Bij hare tehuiskomst zeide zij aan vader noch moeder iets van hetgeen zij gezien had. Doch sedert dien dag ontwaakte er in haar een zekere bezorgdheid, een vrees en gewetensangst, een afschuw voor de zonde, gelijk men het bij een kind van haren leeftijd nauwelijks mogelijk zoude achten. Hoe ouder zij werd, des te meer nam die angstvalligheid toe, en zij dacht er dikwijls over na door welke middelen zij bewerken kon, dat zij God minder beleedigde. Voortdurend zocht zij alleen te zijn en zich aan het toezicht harer ouders te onttrekken om heimelijk haar gebed te verrichten â ).
Do plaats, waar het visioen plaats greep, werd in de straat Cortone door een geschilderde afbeelding en een opschrift nauwkeurig aangeduid. Het schilderstuk ging ver-verloren , doch het opschrift staat er nog;
Sanctae Catharinae Benincasiae adhuc sexenni Hinc cum Fratre puero Domum revertenti Christus in speciem majestatemque summi Pontificis.
Ipsi benedicentis Ex opposite Dorninicani templi culmine SS. Apostolis Petro, Paulo, et Johanne, astantibus Apparuit.
Aan de Heilige Catharina Benincasia, slechts zes jaren oud, verscheen, toen zij langs hier met haren kleinen broeder naar huis terugkeerde, Christus, in de gedaante en de majesteit van een Hoogepriester, die haar zegende, op de spits van de tegenover gelegen Dominicaner kerk, in tegenwoordig-
') Legend ,1,2.
-) Miraooli. 8 , 9.
11
heicl van do H.H. Apostelen Petrus, Paulus en Johannes.
Sedert bracht het hemelsch vuur der goddelijke liefde in haren wil een groote vurigheid, in haar verstand eet groote klaarheid voort. Al haar vermogens, zoowel die der ziel als van het lichaam, waren onderdanig aan de ingevingen van den Heiligen Geest. Aan allen, die haar gedragingen en haar woorden oplettend gadesloegen, scheen het toe, dat zij met Jezus Christus, haren Bruidegom en Heiland, volkomen overeenstemde. Zij begon een nieuwe levenswijze, onthield zich van alle spelen der kinderen, at minder en legde zich verschillende oefeningen van boetvaardigheid op. In een verborgen hoek van het huis placht zij zich zelve te kastijden met een geesel, dien zij uit touwen vervaardigd had. ') God moedigde haar aan door zichtbare gunsten. Ging zij de trap op, dan werd zij dikwijls plotseling omhoog gevoerd, zonder dat haar voeten de treden aanraakten, en wel met zulk een snelheid, dat haar moeder voor ongelukken vreesde. 2)
Later bekende Catharina zelve aan Raymnndus van Capna, haren biechtvader, dat do Heilige Geest haar, zonder tus-schenkomst van iemand, zonder eenige boeken, de levens der oud vaders uit de woestijn leerde kennen en haar de navolging van sommige Heiligen, vooral die van Sint Domini-cus, voorstelde. Zoo vurig begeerde zij hun voorbeelden te volgen, dat zij aan niets anders dacht. Deze gemoedstemming deed haar daden verrichten, die allen met verbazing vervulden.:1)
De innigste wensch van haar hart was nu een eenzaam oord in een woestijn te vinden, waar zij God op de wijze der kluizenaars kon .dienen. Zij besloot dan liet ouderlijk huis te verlaten en een woestijn te zoeken. Op een morgen voorzag zij zich voorzichtig van een brood en ging op weg in de richting van het huis barer getrouwde zuster, die bij de poort van St. Ansanus woonde. Hier werd de martelaar Ansanus in een ketel met kokende pek gedoopt. Nu staat er de kerk van den Heiligen Sebastianus. Catharina ging
') Legeml., 1, 2. '-) Ibid., I, 2. :') hegeiid., I, 2,
12
door de poort buiten de stad. Dit had zij nog nooit gedaan. Toen zij in het dal de huizen meer van elkander verwijderd zag, meende zij, dat zij dichter bij de woestijn kwam. Iets verder vond zij een grot met een overhangende rots, ging er vol blijdschap in, daar zij meende eindelijk de lang gewenschte eenzaamheid ontdekt te hebben, viel terstond op hare knieën, begon te bidden en dankte Hem, die haar verscheen en met zooveel goedheid zegende. God, die de heilige verlangens Zijner bruid aannam, doch haar voor een andere levenswijze bestemde, toonde haar, hoezeer hare vurigheid Hem behaagde. Nauwelijks was zij begonnen te bidden, of zij werd langzamerhand van den grond opgeheven tot aan het gewelf der grot. Daar bleef zij zweven tot drie uur in den namiddag. Zij dacht, dat het een list van den duivel was om haar te verstrooien en van besluit te doen veranderen. Daarom bad zij met nog meer vurigheid. Omstreeks den tijd, waarop Onze Goddelijke Zaligmaker aan het kruis stierf, daalde zij weder naar beneden. God openbaarde haar, dat het oogen-blik van haar oiïer nog niet was aangebroken, dat zij het huis van haren vader niet verlaten moest. Onverwijld gehoorzaamde Catharina. Buiten de grot zag zij , dat zij alleen was, en dacht aan den afstand, die haar van de stad scheidde. Zij werd bang en vreesde, dat haar ouders ongerust zouden zijn. Terstond begon zij weder te bidden en beval zich Gode aan. Eensklaps nam een wolkje haar op en droeg haar naar de poort der stad. Vlug keerde zij naar huis terug. Hare ouders meenden, dat zij den dag bij hare zuster had doorgebracht en wisten niets van hetgeen er gebeurd was. ')
De plaats van dit wonder heeft men niet juist kunnen bepalen. In den omtrek van Siena, vooral in het lagere gedeelte dei-vlakte , vindt men kleine spelonken in den witten zandsteen.
Daar Catharina begreep niet voor het kluizenaarsloven geroepen te zijn, besloot zij eindelijk het voorbeeld dier heilige maagden te volgen, die zich reeds in haar vroege jeugd door de belofte van zuiverheid aan God hadden toegewijd. De verschijning van Jezus Christus werkte machtig op het hart van dit onschuldige kind. Zij vernietigde alle kiemen der
') Legand. 1, 2.
13
liefde tot de wereld en ontvlamde het met de liefde voor Jezus Christus en Zijn Heilige Moeder, de glorierijke Maagd Maria. Overal zag Catharina ellende en bederf. Zij verlangde alleen met Onzen Goddelijken Verlosser vereenigd te worden. De Heilige Geest openbaarde haar, hoezeer de zuiverheid naar ziel en lichaam noodzakelijk is om aan God te behagen. Vurig begeerde zij dien schat der maagdelijke zuiverheid. De Moeder Gods had het eerst de waarde van dat kleinood gekend en het door een gelofte verkregen. Tot haar richtte zij dus vurige en aanhoudende gebeden. W el was zij slechts zeven jaar oud, doch zij dacht over haar voornemen na met al de bezadigdheid van een rijperen leeftijd. Zij vroeg aan de Koningin der Maagden voor haar van God die verlichting te verkrijgen, welke zij behoefde om te volbrengen, wat aan Zijn Goddelijke Majesteit het welgevalligste en voor het heil barer ziel het nuttigste was, daar zij hongerde en dorstte om reeds op aarde het leven der engelen te leiden. De liefde tot haren hemelschen Bruidegom wies bij den dag in het hart van dit bewonderenswaardige kind en versterkte bij voortduring haar innige vereeniging met God. De voorzichtigheid ried haar naar die inspraken der genade te luisteren. Op zekeren dag trok zij zich terug in een plaats, waar niemand haar kon hooren, wierp zich neder op de knieën en bad met heiligen aandrang tot de vlekkelooze Maagd Maria; â O zalige en allerheiligste Maagd, gij , die het eerst onder alle vrouwen uwe zuiverheid door een altijddurende gelofte aan God toegewijd en daardoor verdiend hebt de Moeder van Ziju Zoon te worden, ik smeek u, goedertieren Moeder, beschouw niet mijn onwaardigheid en geringheid, maar schenk niij Hem tot Bruidegom, naar wien ik uit al de krachten mijner ziel verlang, Jezus Christus, uwen hoogheiligen Zoon, mijn eenigen Leermeester en Heer. Ik beloof Hem en ik beloof u, dat ik nooit een anderen bruidegom zal nemen en naar mijn vermogen altijd zuiver en vlekkeloos zal leven.quot; ') Overwegen wij , hoe Catharina zich bij hare belofte gedroeg. Beraden en voorzichtig volbrengt zij haar besluit, waarvan zij de waarde, de voordeden, de verplichtingen wikt, eer zij
') Legend. ,1,3.
14
zich eeuwig bindt. Behalve door dit nadenken bereidde zij zicli voor door liet gebed. Tot wie wendde zij zich? Wat vroeg zij ? Hoe vroeg zij het ? Zij wendde zich tot haar, die God tot de uitdeelster Zijner genaden uitverkoren heeft, die niets kan weigeren, zelfs aan de zondaars niet, die niemand terugstoot, die aan alle behoeftigen bijstand verleent, die alle ongelukkigen helpt, die voor de wereld, een onuitputtelijke bron van zegeningen is. Wat vroeg zij ? Zij vroeg, wat Jezus haar leerde te vragen; zij zocht, wat Jezus haar leerde tc zoeken. Zou het haar geweigerd worden, daar de Eeuwige Waarheid zelve in het Evangelie zegt; Vraagt en gij zult verkrijgen, zoekt en gij zult vinden? Zoekt eerst het Rijk Gods en zijne geregtigheidf (Math. VII, 7; Luc. XII, 31). Zou Catharina, die Jezus Christus, het rijk en de gerechtigheid van God, met zulk een smachtend verlangen zocht, Hem niet gevonden hebben? Hoe vroeg zij? De gesteltenissen, waarmede zij bad, deden haar gebed door de wolken dringen. God immers vervult de hongerigen met goederen en zalig zijn zij, die dorsten naar de rechtvaardigheid, want zij zullen verzadigd worden.
De H. Geest had Catharina de maagdelijke zuiverheid geleerd; Hij wees haar ook de middelen aan om dezen schat, dien wij in broze vaten ronddragen, te bewaren; het vasten, de onthouding, het vluchten der gelegenheden, hot bewaken der zinnen, de kastijding van het lichaam en het gebed. Zij hield zich van nu af tot een volmaakt leven verplicht. Naar het voorbeeld van Jezus Christus kruisigde zij haar lichaam en besloot zich voortaan van iedere vleeschspijs te te onthouden. Diende men haar vleesch voor, dan gaf zij het aan haar broeder Stephanus of legde het ter zijde zonder dat iemand het bemerkte ').
Zielen voor God te winnen scheen haar het zuiverste geluk toe; daarom koesterde zij een bijzondere godsvrucht voor die Heiligen, welke het ijverigst aan het zieleheil gearbeid hebben. Voor Sint Dominicus, wiens apostolischen ijver God haar deed kennen, vatte zij een kinderlijke toegenegenheid op; hare vereering voor zijne orde was zoo groot, dat zij.
'j Legend. 1. 4-.
wanneer een Predikheer liet huis van haren vader voorbijging, do plaats onthield, waar hij geloopon had, om later zijne voetstappen te kussen. ')
In de vierde eeuw leefde er te Alexandrië, in Egypte, eene maagd, Euphrosina genaamd, schoon naar het lichaam, nog schooner naar de ziel. Om een huwelijk, waartoe haar vader haar wilde dwingen, te ontvluchten, verzweeg zij haren naam eu haar kunne en sloot zich op in een mannenklooster, waar zij een heilig leven leidde. Een eerbiedwaardig kluizenaar, door God verlicht, keurde haar buitengewone handelwijze goed. Dit voorbeeld nu bracht de maagd van Siena in geestdrift. Zij besloot deze Heilige na te volgen , haar geslacht te verzwijgen en in een klooster der Predik-heeren te gaan om de zielen, die verloren gingen, te redden. Ongetwijfeld had /.ij dit edele voornemen, waarin haar groote ziel uitblonk, ten uitvoer gelegd, doch haar zielsbestuurder hield haar terug. 1)
De ootmoed en de godsvrucht van dit kind ontwikkelden zich met den dag. Het geloof schonk haar helderder licht, de hoop versterkte hare krachten en de liefde stortte haar een wondervolle vurigheid in. Haar deugden en daden geboden eerbied aan allen, die ze aanschouwden. Haar ouders, bloedverwanten en vrienden verwonderden zich over de rijpheid van haar verstand, haar verbeeldingskracht, hare ernstige en wijze taal. :l) Ziehier een bewijs.
Catharina was nog geen tien jaar, toen Lapa haar zeide: ,, Ga naar de parochiekerk en verzoek onzen pastoor om een Mis ter eere van den Heiligen Antonius te lezen; offer op het altaar zooveel kaarsen en zooveel geld.quot; Het vrome kind volbracht met blijdschap, wat tot glorie van God strekte, ging ijlings naar de kerk en deed stipt de boodschap barer moeder bij den pastoor. Uit godsvrucht bleeft zij tot het einde der Mis in de kerk en keerde toen eerst huiswaarts. Lapa dacht, dat Catharina terstond weergekeerd zou zijn en vond dus haar afwezigheid te lang. Om te grommen zeide
1
) Ibid.
') Ibid.
16
zij; ,, Mogen alle tongen vervloekt zijn, die beweerden , dat gij niet terugkwaamt.quot; Dit was te Siena onder het volk een spreekwijze om iemand zijn langzaamheid te verwijten. Het kind antwoordde niets op de woorden zijner moeder. Doch eenige oogenblikken later zeide het met evenveel ernst als ootmoed; âGoede moeder, bega ik een fout of volbreng ik slecht uwe bevelen, straf mij; sla mij, als gij het verkiest, opdat ik een andermaal beter mijn plicht doe; maar ik bid u, vervloek niemand om mijnentwil; dit past niet aan uwe jaren en doet mij veel verdriet.quot; De moeder stond verbaasd over de les, welke haar kind haar gaf en bewonderde zijn wijsheid. Zij wilde er evenwel niets van laten blijken en zeide tot haar; âWaarom zijt gij zoo lang uitgebleven?quot; âIk heb de Mis gehoord,quot; antwoordde Catharina, âdie gij gevraagd hadt, daarna ben ik teruggekomen zonder mij ergens op te houden.quot; Lapa deelde alles aan haren man Jacobus mede; hij was zeer gesticht en dankte God. ')
Het voorbeeld van Catharina lokte verscheidene meisjes, die haar godvruchtige gesprekken wilden hooren en hare oefeningen navolgen. In een stille, afgelegen kamer van het huis vergaderden zij. Catharina onderwees haar in het godvruchtig leven en leerde haar de wijze van te bidden, van verstervingen en lijfskastijdingen. Door haar stichtende samenspraken en voorbeelden won zij de gemoederen dezer kinderen zoozeer, dat zij in deze school van volmaaktheid meer vermaak schepten dan in het spel. Te zamen baden zij het Gebed des Heeren, het Wees gegroet en andere gebeden, zoo dikwijls als Catharina het hun voorschreef. Naar haar voorbeeld tuchtigden zij hun teeder lichaam met roeden en koorden, ja, volgden de manieren, de houding en de kleederdracht der Heilige na. Voor iedereen werd zij een toonbeeld van zuiverheid en liefde. Nauwlijks het leven ingetreden, gloeide zij reeds van ijver voor liet zieleheil. Daardoor was zij later zoo gevoelig voor de rampen der Kerk, zoo liefdevol voor het lijden van ongelukkigen. 2)
*) Legend., I, 3.
-) Legend., I. 2.____
DERDE HOOFDSTUK. Beproeving van de H. Catharina.
De beproeving van uw geloof werkt het geduld uit, het geduld echter maakt het werk volkomen.
Jae.. I, 3â4.
T)e beproeving is liet teeken van de volmaaktheid der liefde in een ziel. die met eeu zacht geduld weet te lijden. Samenspr. c, 145.
1357â1360.
^ od laat somtijds eenige zwakheden zijner Heiligen toe, opdat zij zich des te dieper vernederen, met grooter vurigheid den weg der deugd bewandelen, met grooter voor-zichtigheid naar de volmaaktheid streven en des te schitterender overwinningen op de vijanden hunner zaligheid behalen. Een boom, die hoog opschiet, moet zijn wortels diep in den grond slaan, zal de storm hem niet neerwerpen. God laat u beproefd worden, zegt de H. Schrift, opdat (jij door duidelijke teekens zoudt toonen, of (jij Hem bemint of niet. (Dent. XIII, 3). Onze serafijnsche Maagd werd ook dooide beproeving gelouterd om te bewijzen, of hare liefde zuiver en getrouw was.
ioen Catharina den ouderdom van twaalf jaren bereikt had, ging zij volgens de gewoonte der ongehuwde jonge dochters van dien tijd niet meer uit. Met een soort van afschrik vermeed zij het gezelschap van mannen. Ontmoette zij toevallig een der knechten van haren vader, dan vluchtte zïj weg, als waren zij slangen. Nooit verscheen zij aan de deur of het venster om naar de voorbijgangers te kijken. Met de grootste angstvalligheid vermeed zij gezien te worden.
18
Haar kleederdracht was eenvoudig, ja, beneden haar stand ').
Catharina's ouders, die haar belofte van zuiverheid niet kenden, dachten er aan een passend huwelijk voor hun dochter tot stand te brengen. Er bestond toen een gebruik, dat de ouders hun kinderen reeds op jeugdigen leeftijd aan iemand ten huwelijk gaven. Dit huwelijk werd echter eerst later gesloten. Lapa droeg veel zorg om de bekoorlijkheid barer dochter te vermeerderen, haar hals en aangezicht op te smukken. Catharina toonde weinig bereidwilligheid voor de aanzoekingen barer moeder en zocht meer aan God dan aan de menschen te behagen ; nochtans deelde zij haar belofte van zuiverheid aan ba^e ouders niet mede 1).
Nauwelijks zag Lapa zich in haar verwachting bedrogen, of zij riep haar dochter Bonaventura te hulp. Zij kende immers al do teederbeid, welke Catharina voor deze zuster koesterde, en berekende, dat haar invloed niet vruchteloos zoude zijn. Bonaventura bewerkte door haar vriendelijke gesprekken cn voorbeelden, dat Catharina meer zorg aan hare kleeding, vooral aan den tooi van haar fraai, goudbruin haar besteedde. Nochtans stemde zij in geen enkele wereldsche of ij dele gedachte toe en bleef aan haar gebeden en verstervingen getrouw. Wel scheen haar vurigheid iets te verminderen :l).
Bonaventura's zegepraal was echter van korten duur. Catharina had over hare zwakheid berouw, zoodra zij tijd vond er over na te denken. Zij was vast overtuigd door haar gedrag God zwaar beleedigd te hebben. Nooit veranderde zij hierin van zienswijze en zocht voortdurend door een ootmoedige belijdenis zich van dien vlek te zuiveren. Wanneer zij in haar algemeene biechten, die zij dikwijls placht af te leggen, dit punt aanraakte, dan hield zij, gelijk pater Raymundus van Capua mededeelt, niet op met klagen en weenen. Zij scheen te gelooven, dat haar fout een eeuwige straf verdiende. Daarom vroeg hij haar eens, of zij misschien
1
) Ibid.
Legend. 1,4. â
Process. 1314.
19
in dien tijd liet voornemen gevormd had om haar belofte te breken. Nimmer, zoo antwoordde zij hem, was haar zoo iets voor den geest gekomen. â Hebt gij dan den wensch gekoesterdquot; vroeg hij verder, âdoor mannen bemind of bewonderd te worden?quot; Maar zij hernam, dat haar niets meer tegenstond dan te worden gezien. â Maar waarom zoo vroeg hij, âbeschouwt gij uw. fout zoo zwaar in Gods oog?quot; âOmdat ik bij die gelegenheidquot;, antwoordde zij wee-nend en zuchtend, âde liefde tot mijne zuster boven de liefde tot God gesteld en omdat ik, uit vrees een arm schepsel te beleedigen, de Goddelijke Majesteit van den eeuwigen Schepper en den zoeten Bruidegom mijner ziel, Jezus Christus, beleedigd heb.quot; Daarop zeide haar biechtvader, met het dool om haar te troosten: â Al hebt gij ook niet onder alle opzichten goed gehandeld, toch geloof ik, dat gij Gods gebod niet overtreden hebt; immers uw fout was onbeduidend en kwam niet voort uit een slechte bedoeling, maar uit een voorbijgaande zucht tot ij delheid.quot; Toen Catharina haren biechtvader zoo hoorde spreken, sloeg zij hare oogen ten hemel en riep met luider stem : â O Heer, mijn God , wat is dit voor een geestelijke vader, die mijne zonden verontschuldigt?quot;
Dan ging zij , zich wendende tot haren biechtvader, voort: âMijn vader, meent gij, dat een ellendig schepsel, hetwelk van zijn Schepper alleen door diens goedheid en zonder eenige persoonlijke verdienste vele genaden en gunsten ontvangen heeft, zonder zonde eenigen tijd den dienst van een zoo liefderijken en goedertieren Heer verlaten en een verachtelijk lichaam dienen kan?quot; Op die woorden, welke aan een van liefde gloeiend hart ontwelden, antwoordde hij niets, maar besloot uit dit voorval hoe zuiver een ziel moest wezen, die zich geen grootere zonde te verwijten had. ') Met zulk een zorgvuldigheid, zoo teekent Raymundus van Capua hier aan, vermeed zij de kleinste zonde, dat haar dagelijksche biechten nauwelijks eenige onvolmaaktheden behelsden. Hare biechtvaders en allen, die met haar omgingen, weten, dat zij nooit of bijna nooit door woorden gezondigd heeft. Al haren tijd wijdde zij toe aan het gebed, de overweging en
') Legend. 1, 4.
20
de liefde tot don naaste. Nauwelijks sliep zij een kwartier daags. Onder den maaltijd, zoo men ten minste het weinige voedsel, dat zij nam, een maaltijd mag noemen, bad zij en overwoog, wat Jezus Christus haar onderwezen had. Het was moelij ker voor haar eenig voedsel te gebruiken dan voor iemand, die van honger sterft, er van beroofd te worden. Eten was voor haar een der zwaarste en wreedste verstervingen. Hoe kon een ziel misdoen, die zich zoo onafgebroken met God bezighield? En toch beschuldigde zij zich met zooveel droefheid en vond zich aan zooveel onvolmaaktheden plichtig, dat een biechtvader, die haar leven niet kende, er door kon misleid worden en daar kwaad zien, waar niets dan goed was. ')
Schoon Catharina niet aan hare belofte verzaakte, hadden toch de pogingen van Bonaventura een verkoeling barer godsvrucht veroorzaakt. De natuurlijke genegenheid tusschen beide zusters, die de voornaamste aanleiding hiertoe scheen geweest te zijn, wilde God wegnemen en zoo Zijne bruid tot hare vroegere vurigheid terugvoeren. Weinig tijds later, in Augustus 1362, stierf Bonaventura aan een pijnlijke ziekte. In het vagevuur boette zij voor haren misslag en verwierf het geluk des hemels door de gebeden van hare zuster. God openbaarde dit aan Catharina. De dood van Bonaventura deed haar meer en meer de ij delheid der wereld begrijpen en met nieuwen moed sloeg zij de handen aan het werk. Catharina wierp zich, evenals Maria Magdalena, aan de voeten van haren Zaligmaker weenend neder en beleed hare ongetrouwheid. Zij smeekte om vergiffenis, ten einde dat zoete woord te hooren: âUwe zonden zijn u vergeven.quot; Van dezen tijd dagteekent hare vereering voor de Heilige Maria Magdalena. Zij vroeg haar een beryuw gelijk aan het hare. Voortdurend nam deze godsvrucht toe, ïot Christus en de gelukzalige Maagd Maria haar Magdalena tot patrones en moeder schonken â ).
Nieuwe beproevingen wachtten Catharina. Hare ouders wilden haar uithuwelijken aan een jongeling uit hun familie,
') Legend. Tbicl. Legend. 1, 4,
21
deels om de leemte aan te vullen, door den dood van Bona-ventura ontstaan, deels omdat Lapa gaarne kleinkinderen had en zich gouden bergen van deze verbintenis voorspiegelde. Doch Catharina wijdde zich met nieuwen ijver aan het gebed en de overweging, verdubbelde haar verstervingen, vermeed het gezelschap der menschen en gaf zonneklare bewijzen van haar onwrikbaar besluit om haar hart, dat den Koning des hemels toebehoorde, niet weg te schenken aan een mensch. ') Pater Thomas de la Fonte, een Dominicaan en verre bloedverwant van de Benincasa's, werd bij hen opgevoed en was de vriend des huizes gebleven. Catharina kende hem dus zeer goed. Tot hem namen haar ouders lum toevlucht om den tegenstand hunner dochter te overwinnen. Deze voorzichtige kloosterling stemde toe, meer met het doel om Catharina te beproeven en haar wijzen raad te geven dan om haar voor een huwelijk te winnen. Hij vermaande haar de strenge levenswijze, die zij begonnen had, de moeilijkheden der volharding, de lagen des duivels, de listen der wereld ernstig te overwegen en na te denken over de zwakheid van den mensch, over de schande, waarmede iemand zich overlaadt, die de hand aan den ploeg legt en terugziet. Doch toen hij bemerkte, dat Catharina standvastig bij haar besluit bleef, sprak hij tot haar: âDaar gij besloten zijt u aan God te wijden en uw huisgenooten zich tegen u verzetten, toon toch, dat uw voornemen onwrikbaar is. Snijd uw haren geheel af, misschien laten zij u dan ongemoeid.quot; Catharina ontving dezen raad, als kwam hij uit den hemel. Terstond nam zij een schaar en sneed haar fraaie haren af, die zij als de oorzaak van haar ijdelheid verfoeide. Vervolgens bedekte zij haar hoofd met een sluier of huif, tegen het gebruik der jonge dochters van haren tijd. Toen Lapa die muts bemerkte, vroeg zij naar de reden daarvan. Catharina durfde niet te liegen , noch de waarheid te zeggen en mompelde iets onverstaanbaars. Nu rukte Lapa den sluier af en zag het kaal geschoren hoofd. Dat gezicht vervulde de ijdele moeder met droefheid. âAch, mijne dochter,quot; riep zij uit, âwat hebt gij gedaan? Doch Catharina liet den sluier
') Legend., T , 4.
22
achter en vluchtte weg. Hnar vader en broeders snelden op het geschreeuw van Lapa toe en ontstaken in hevigen toorn, toen zij zagen, wat er gebeurd was ').
Dit voorval gaf aanleiding tot nieuwe vervolgingen, doch Catharina zegevierde wederom met de hulp des hemels. â Gij meent,quot; zoo voegde men haar toe, âdat gij onzen wil niet doen zult, nu gij uw haren hebt afgesneden. Uw haren zullen weer aangroeien. Gij kunt u verzetten, zoo veel gij wilt, toch moet gij eenen man nemen en geen rust zult gij hebben, voor gij aan ons verlangen gehoorzaamt.quot; Catharina wendde zich nu tot hare broeders en verzekerde hun, dat het haar onverschillig was, wat men met haar deed; zij wilde zich gaarne met water en brood vergenoegen, mits men haar slechts in vrede liet. Maar de trotschheid der broeders wilde van buigen noch toegeven weten. -) Men kwam dan overeen, dat haar eigenzinnigheid gebroken en hare levenswijze geheel en al veranderd moest worden. Daarom zou zij geen eigen kamer meer hebben en al het werk van het huis verrichten. Men zou haar geen tijd overlaten voor gebed en vrome overwegingen. Om haar des te meer te vernederen liet men haar de nederigste diensten verrichten. Onder het werk snauwde men haar harde en bijtende woorden en scherpe verwijten toe. Tevens stelde men haar een aanlokkelijk huwelijk voor en liet geen middel onbeproefd om haar inwilliging af te dwingen. :')
Doch Catharina's hart was zoozeer met de liefde tot Christus vervuld, dat zij geen anderen bruidegom verlangde. De pogingen harer bloedverwanten stuitten af op haar onverzettelijke getrouwheid. De bruid van Christus, die in alles den wil van God beschouwde, verdroeg de berooving van haar geliefkoosde eenzaamheid, den zwaarsten arbeid en de smade-lijkste beleedigingen met een wonderbare zachtmoedigheid en een onvergelijkelijk geduld. Zij was verheugd door lijden aan God hare liefde te kunnen toonen, in het lijden een onderpand zijner liefde te bezitten. Zij maakte zich gehard
^ Legend. I, 4. 2) Miracoli 5 p. 11. :l) Legend., I, 4.
28
tegen de beproeving en bewaarde den zielevredc in den storm.
Bij deze gelegenheid bracht de jeugdige maagd op ingeving van den H. Geest die merkwaardige levenswijze in beoefening, welke alle geestelijke schrijvers als een uitmuntend middel aanbevelen om in het midden der beslommeringen en verstrooiingen van de wereld het inwendige en beschouwende leven te beoefenen.
Zij maakte in het binnenste van haar hart een geestelijke cel en besloot zo nooit te verlaten ondanks haar verstrooiende bezigheden. Daar bleef zij zoo eenzaam, zoo ingekeerd, zoo vereenigd met God, alsof zij alleen op de wereld was. Zoo verbond zij het werkende leven van Martha met het beschouwende van Maria; zij werkte ijverig in de keukeu gelijk Martha en hield zich gelijktijdig inwendig met haren God-delijken Bruidegom bezig gelijk Maria; zij werkte aanhoudend, terwijl zij gedurig bad; zij bad gedurig, terwijl zij aanhoudend werkte. Zoo lang zij een eigen kamer had, moest zij ze dikwijls verlaten, doch uit deze inwendige eenzaamheid kon niemand haar verdrij ven. De Waarheid heeft gezegd, dat het Rijk van God in ons zeiven is (Luc. XLVI, 21), en de koninklijke profeet: Al do glorie der koningsdochter is inwendig (Ps. 44, 14). Catharina steunde op het woord van Jezus Christus, die gesproken heeft: Vertrouwt, Ik heb de wereld overwonnen (Joh. 1G, 33). Door Hem gesterkt bouwde zij haar geestelijke cel en was daarin onwrikbaar. Tot haren biechtvader placht zij te zeggen: Maak u een kamer in uw ziel en verlaat haar nooit ').
Ook leerde de H. Geest aan Catharina een middel om alle onrecht geduldig te dragen en de blijheid van ziel te behouden. Zij stelde zich voor, dat haar vader Jezus Christus vertegenwoordigde en hare moeder de plaats van de allerheiligste Maagd Maria innam. In hare broeders en overige verwanten zag zij de Apostelen en leerlingen des Zaligmakers. Met zulk een blijdschap en vurigheid diende zij allen, dat iedereen er over verbaasd stond. De keuken werd voor haar een heiligdom. Wanneer men aan tafel ging, meende zij, dat zij aan het gastmaal van haren hemelschen Bruidegom
') Legend. 1, 4.
24
aanzat. Daar men haar een afzonderlijke kamer weigerde en zij er dus een met een ander deelen moest, koos zij die van haren jeugdigen en ongehuwd en broeder Stephanas. Was hij afwezig overdag of sliep hij gedurende den nacht, dan gaf zij zich naar hartelust aan het gebed over. En voortdurend herhaalde zij met Sint Caecilia; Heer, mnge mijn hart en mijn lichaam altijd onbevlekt zijn. ')
Catharina's ingetogenheid en vast vertrouwen op God schonken haar zulk een kracht en zelf be heersching, dat haar blijdschap steeds toenam. Hare ouders en broeders zagen hare standvastigheid en zeiden tegen elkander: Wij zijn overwonnen. Jakob , haar vader, een welmeenend man, beter dan de anderen en minder tegen haar ingenomen, onderzocht in stilte haar gedrag eu begreep, dat zij den wil van God volbracht en een hoogere beschikking, niet eigenzinnige grillen volgde. In dit gevoelen versterkte hem het volgende voorval. Op zekeren dag bad Catharina met vurigheid in de kamer van haren broeder Stephanus. De deur stond open. Hare ouders hadden haar verboden ze te sluiten. Juist kwam Jakob binnen om een stuk gereedschap te halen. Hij zag zijne dochter, in een hoek neergeknield. Een kleine duif, blank als de sneeuw, rustte op haar hoofd. Bij zijne komst vloog zij weg en scheen door het venster te verdwijnen. Hij vroeg nu aan zijne dochter, wat dit voor een duif was. Doch zij antwoordde, dat zij duif noch vogel in de kamer gezien had. 2)
Meer en meer gevoelde Catharina het verlangen barer kindsheid bij zich toenemen om in de Orde van Sint Dominicus te treden. Onophoudelijk stortte zij vurige gebeden voor de vervulling van dezen wensch. Inniger en inniger hechtte zij zich aan den grooten Heilige, die zich voor het zielenheil had ojDgeofferd. Jezus Christus zag met welgevallen, hoe moedig Catharina streed om Hem te behagen. Niet langer wilde Hij haar teleurstellen. In een droomgezicht verschenen haar al de stichters der verschillende Orden en onder hen de H. Dominicus. Zij herkende hem aan de schitterende lelie,
') Legend. I. 4. -) Lesrend.. I, 5.
welke hij in de hand droeg. Allen noodigden haar uit om een orde te kiezen, ten einde daarin God volmaakter te dienen. Zij wendde zich tot Dominicus. Hij trad op haar toe en bood haar het habijt zijner Zusters van Boetvaardigheid met deze troostrijke woorden: âSchep moed, mijne dierbare dochter, on vrees geen hinderpaal, zeker zult gij eens dit habijt dragen, waarnaar gij verlangt.quot; Die belofte vervulde haar met vreugde. Zij dankte den Heiligen Dominicus zoo opgetogen, dat de tranen haar deden ontwaken. ')
Nog dienzelfden dag verzamelde Cathariua haren vader, haar moeder en hare broeders om zich en sprak hun op vasten en beslisten toon toe; â Sedert lang hebt gij beproefd mij uit te huwelijken. Gij weet, dat ik dit plan niet goedkeur; mijn gedrag heeft u hiervan moeten overtuigen. Nochtans heb ik mij niet verklaard uit eerbied voor mijn ouders. Doch ik mag niet linger zwijgen; ik moet mijn hart oprecht voor u openbaren. Daarom maak ik u een verbintenis bekend. Zij is niet nieuw, want ik heb ze in mijn kindsheid aangegaan. Weet dan, dat ik reeds lang belofte van zuiverheid heb afgelegd, niet lichtzinnig, maar met overleg en volle konnis. Ik heb aan Onzen Heer Jezus Christus en aan zijn glorierijke Moeder beloofd, dat ik nooit oen anderen bruidegom wil hebben dan Hem alleen. Nu ben ik ouder geworden en kan beter mijn handelingen beoordeelen; ik volhard met Gods genade bij mijn besluit. Gemakkelijker zal men een rots vermurwen dan mijn voornemen veranderen. Zegt dus daaraan vaarwel en verliest geen tijd meer om voor mij huwelijksplannen te maken. Op dit punt kan ik onmogelijk aan u voldoen , want men moet God meer gehoorzamen dan de menschen. Wilt gij mij als dienstbode in uw huis houden, dan zal ik u gaarne alle diensten bewijzen, die ik kan; doch wilt gij er mij uit verdrijven, weet dan, dat ik daardoor niet bewogen word. Mijn Bruidegom is rijk cn machtig; Hij zal niet toelaten, dat er mij iets ontbreekt; Hij zal mij het noodige verschaffen.quot;
Bij die woorden smolten allen in tranen weg; zij snikten
') Legend., 1, 5.
26
luide en konden niet antwoorden. Deze jeugdige maagd, tot nu toe schuchter en stilzwijgend, had kalm, doch beslist haar voornemen uitgesproken; zij was bereid het huis te verlaten liever dan aan haar besluit te verzaken; men mocht dus niet meer aan een huwelijk van hare zijde denken. Toen de ontroering een weinig bedaarde, nam Jacobus het woord op. Hij beminde zijne dochter teeder, vreesde God en dacht aan al liet wonderbare, dat hij in haar had opgemerkt. âGod verhoede, mijn dierbaar kind,quot; zoo zeide hij, â dat wij ons tegen het besluit zouden verzetten, hetwelk Hij u ingeeft. De ondervinding leert ons, en wij zien het thans duidelijk in, dat gij niet lichtzinnig gehandeld hebt , maar gedreven door de goddelijke genade. Vervul dan vrij uwe gelofte; doe alles, wat de Heilige Geest u bevelen zal; voortaan zullen wij u niet meer van uwe heilige oefeningen afhouden. Bid slechts voor ons, opdat wij de beloften van den Bruidegom waardig worden, die u op zulk een teederen leeftijd gekozen heeft.quot; Vervolgens zeide hij tot zijne vrouw en kinderen: âNiemand werke na mijn dierbaar kind tegen of zoeke het van besluit te doen veranderen. Laat zij haren Bruidegom dienen, gelijk zij wil; dat zij Hem gunstig voor ons stemme. Wij kunnen nooit een schooner verbintenis hebben ; geen sterfelijk mensch wordt aan ons vermaagschapt, maar de Godmensch, die nooit sterft.quot;
Sommigen weenden, vooral moeder Lapa, welke hare dochter een te zinnelijke liefde toedroeg. Doch Catharina verblijdde zich in den Heer en dankte Hem voor hare overwinning. Nederig betuigde zij ook hare erkentelijkheid aan hare ouders en besloot de haar geschonken vrijheid zoo nuttig mogelijk te besteden. ')
Legend. 1, 5.
VIERDE HOOFDSTUK.
Verstervingen van de H. Catharina.
Zij wordt in de Derde Orde van Boetvaardigheid opgenomen.
Ik kastijd mijn lichaam en breng het onder bedwang, opdat ik niet wellicht, na anderen te hebben gepredikt, zelf verwerpelijk worde. 1 Cor. 0, 27.
Zij willen veel lijden om den evenmenscli nuttig te zijn, om deugden te verkrijgen en te bewaren. Men ziet in hun geest en in hun lichaam de kracht en de wemden van den gekruisten Jezus schitteren.
Samenspr. c. 78.
1.361â1.3G2.
T
ot allen heeft Christus deze ernstige vermaning gericht: Indien iemand mijn leerling wil zijn, hij verloochene zich selven, mme zijn kruis dagelijks op zich en culge mij na (Luc. 9, 23). Heeft men niet altijd overgebleven straffen van dadelijke zonden te boeten, men heeft altijd ongeregelde driften te overwinnen. Daarom zegt de schrijver der Navolging van Christus: Houd u aan dit korte en alles htvat-tende woord: Verlaat alles en gij zult alles vinden, leg de hegeerlijkheid af, zoo vindt gij rust (B. Ill, H. 32). De boetvaardigheid is dus voor iedereen noodzakelijk. Deze redenen bewogen Catharina om de versterving uit alle krachten te beoefenen.
Volgens de belofte van haren vader kreeg zij haar stil kamertje terug. Het was een klein vertrek in het benedenste gedeelte van het huis, drie meter breed en vijf diep, met een venster; daarheen voerden eenige baksteenen treden, wier overblijfselen men nog heden zien kan. Men beweert, dat de Heilige dikwijls in den slaap met het hoofd op die treden
28
gerust heeft. Onmogelijk kan men al de gestrengheden beschrijven, waarmede zij haar lichaam kastijdde. De eenzame kamer van Catharina zag de boetplegingen der oude kluizenaars. Ondanks hare verstervingen behield zij een buitengewone lichaamskracht. Zonder moeit3 droeg zij zware lasten op hare schouders twee trappen hoog naar den zolder. Beschrijven wij eerst hare onthouding in spijs en drank. ')
Sedert hare kindsheid at Catharina zelden vleesch; na haar veertiende jaar gebruikte zij het volstrekt niei meer. Zoozeer was zij aan deze onthouding gewoon, dat zij later zelfs den reuk van het vleesch niet meer verdragen kon. Op zekeren dag vond Raymundus van Capua haar uiterst zwak, omdat zij geen versterkende middelen gebruikte. Hij liet in het water, dat zij dronk. een weinig suiker doen. Zoodra zij het bemerkte, zeide zij tot hem: â Ik zie wel, dat gij het weinigje leven, hetwelk mij overblijft, nog wilt uitdooven.quot; Hij vroeg haar de reden. Zij antwoordde: âIk ben er zoo aan gewoon smakelooze spijzen te gebruiken, dat alle suikerhoudende bestanddeelen mij ongesteld maken.quot; Den wijn mengde zij met zooveel water, dat hij allen smaak en geur verloor en nauwelijks iets van zijn vorige kleur behield. Op vijftienjarigen leeftijd schafte zij hem geheel af en dronk slechts zuiver water. lederen dag onttrok zij zich nieuwe spijzen en gebruikte eindelijk niets dan oen weinig brood en eenige rauwe kruiden. ;)
Haar lichaam werd gekweld door ondragelijke kwalen en vermoeienissen; haar maag weigerde te werken, en toch behield zij haar krachten. Haar bestaan was een voortdurend wonder; de wetenschap kon het niet verklaren, de genees-heeren hebben dit dikwijls bekend. â Al den tijd, dat ik het geluk had,quot; zoo schrijft haar biechtvader, âhaar levenswijze gade te slaan, nam zij spijs noch drank, die haar versterkten, en toch verdroeg zij blijmoedig buitengewone pijnen en vermoeienissen. Het is duidelijk, dat dit uit de vurigheid barer ziel voortvloeide, die haar krachten ondersteunde. De geest beheerschte gansch haar lichaam Wanneer haar geest
') Legend. ,1,6. 2) Ibidem, I, G.
29
zicli mot zijn liemelsch voedsel verkwikte, verdroeg haar lichaam gemakkelijk de kwelling des hongers.quot; ')
Catharina's legerstede bestond uit eenige planken zonder deksel, een blok hout was haar hoofdkussen. Zij zette er zich op neder om te overwegen, knielde er oj) om te bidden en strekte er zich op uit om te slapen. Zij ontkleedde zich niet. Hare kleederen waren van wol. Zij droeg een ruw, haren boetekleed. Daar zij echter de uitwendige zindelijkheid, die het beeld der inwendige zuiverheid is beminde, verwisselde zij dit kleed met een ijzeren keten van scherpe punten voorzien, die het lichaam zoo vast omgordde, dat zij in hot vleesch doordrong. Tegen het einde van haar leven nam hare zwakheid zeer toe. Zij werd door haren biechtvader verplicht, uit kracht der gehoorzaamheid, die keten af te leggen. Dit koste haar veel moeite. Doch al haar boetple-gingen gingen immer vergezeld van een diepen ootmoed, volkomen gehoorzaamheid cn volstrekte onderwerping van haren wil. ')
Gedeelten van het bovengenoemde haren hemd worden in de kapel der Fullonica bewaard. De ijzeren keten bevindt zich in de sacristij der Dominicuskerk. Zij had oorspronkelijk vier en twintig schakels. Sommige gaf men later aan andere Predikheerenkloosters. Zoo werden er in 1714 drie naar do Catharinakerk te Livorno gezonden. De geesel bestond uit ijzeren, met punten voorziene kettinkjes. Zij bevindt zich ook in de sacristij der Dominicuskerk. Volgens een bericht van pater Thomas zag hij er uit, alsof hij langen tijd in een bloedbad geweekt en daarna gedroogd was.
In het begin duurden de nachtwaken van Catharina tot aan het uur der metten. Later sliep zij nauwelijks een half uur om de twee dagen, en dan nog alleen, wanneer de zwakheid des lichaams haar noodzaakte. Zij bekende aan Ray-mundus van Capua, dat geen overwinning haar zooveel gekost had en dat zij een geweldigen strijd had moeten voeren om over den slaap te zegevieren. :1)
'J Legeml., I, G. â¢) Ibidem, I, 6. â¢'') Ibidem ,1,0.
30
Had zij iemand gevonden, in staat om haar te begrijpen, dan zou zij nacht en dag over God gesproken hebben zonder eenig voedsel te gebruiken. Nooit werd zij vermoeid. Hare gesprekken maakten haar sterker en blijmoediger. Dikwijls bekende zij aan Pater Raymuudus, dat de troost van haar leven was zich met God te onderhouden. Hij bemerkte, dat zij in bezieling ontgloeide en de kracht harer jeugd herwon, zoolang zij over heilige zaken sprak Doch zoodra zij ophield, werd zij weder zwak en stortte machteloos in. Dikwijls sprak zij tot haren biechtvader over God en ontvouwde voor hem op verheven wijze de diepste geheimen. In God verslonden, bemerkte zij somtijds niet, dat hij was ingesluimerd. ')
Om haren gelukzaligen Vader Dominicus na te volgen geeselde zij zich driemaal iederen dag met een ijzeren keten: eens voor zichzelve, eens voor de levenden, eens voor de dooden. Deze tuchtigingen duurden gewoonlijk anderhalf uur. Het bloed stroomde somtijds van hare schouders ter aarde. Zij hield deze kastijdingen vol, tot zij door ziekte verhinderd werd. Op zekeren dag werkte Lapa nabij de kamer harer dochter. Zij hoort de slagen der geeselroede, treedt fluks binnen, verliest bij het jammerlijk gezicht, dat zich aan haar vertoonde, alle zelf beheersching en begint luidkeels te schreeuwen. De buren snellen toe om te vragen, wat haar deert. Zij werden zoo de getuigen der strenge boetplegingen van Catharina. quot;)
Deze hoopte door haar verstervingen en gebeden meer en meer in zelfbeheersching toe te nemen en haar verwanten te overtuigen , dat zij nooit in een huwelijk zoude toestemmen. Doch de duivel begon haar opnieuw te bestrijden. Wederom bediende hij zich van Lapa. Wanneer zij de geeselslagen hoorde, riep zij schreiend uit: âMijne dochter, mijne dochter, gij maakt u zonder twijfel dood; ja, ik zie u reeds dood. Helaas, ik ga mijne dochter verliezen. Wat heb ik toch gedaan, om zoo ongelukkig te zijn?quot; De arme vrouw snikte wanhopend en trok zich de haren uit. De buren, op haar gejammer
') Legend., I, G. -) Ibidem, I, 6.
31
*
l) toegesneld, vroegen, welk ongeluk haar overkomen was.
3r Catharina, aan wie haar vader de volle vrijheid gaf om te
re doen, wat zij goed vond, die niets buitengewoons verrichtte
Is zonder haren zielsbestuorder te raadplegen, liet evenwel
ir hare oefeningen niet achter; zij nam alleen voorzorgen oai
vt ze meer in het geheim te verrichten. Vond Lapa hare
v; dochter op de harde planken uitgestrekt, dan dwong zij ze
;ij in haar eigen bed naast haar te slapen. Catharina knielde q. s dan voor hare moeder neder, bracht haar tot bedaren met
t- nederige en zachtmoedige woorden en beloofde haar aan
[j. hare zijde te zullen slapen. Zij legde zich ook werkelijk
xs naast hare moeder ter ruste, maar hield zich met vurige overwegingen bezig. Was hare moeder ingesluimerd, dan
m stond zij stil en voorzichtig op en begon hare heilige oefe-
i: ningen. Doch Lapa, wier moederhart altijd waakte, ontdekte
Ie spoedig de list van hare dochter en nam het haar zeer
r. kwalijk. Nu zocht Catharina een uitweg om èn hare moeder
e. èn zich zelve te voldoen. Zij schoof aan hare zijde in het
â d bed heimelijk twee planken onder het laken. Doch Lapa
er bemerkte het na weinige dagen en zeide tot hare dochter;
cs âMijne dochter, ik zie wel, dat het niets helpt. Mijne po-
ir ghigen zijn nutteloos; gij wilt niet van besluit veranderen,
u- Slaap in uw eigen kamer, wanneer en hoe gij het verkiest;
zorg slechts, dat ik het niet weet.quot; ')
in Catharina hervatte haar heilige oefeningen. Hoe meer men haar tegenwerkte, hoe meer zij haar vurigheid ver-
er dubbelde. Onophoudelijk bood zij God haar verzuchtingen
.n en tranen aan om het habijt, dat de H. Dominicus haar
a_ beloofd had, te ontvangen. Eerst wanneer zij daarmede
;n bekleed was, zoo geloofde zij , zou hare zuiverheid tegen de
;n vervolgingen harer verwanten beveiligd zijn, zou men er
ry niet meer aan denken haar uit te huwelijken, zou zij zich
s, ongehinderd aan haar oefeningen kunnen wijden. Voort-
m durend sprak zij er over tot hare ouders. Zij spoorde de
id Zusters der Derde Orde, die men âMantellatenquot; noemde,
er aan haar onder hun getal op te nemen. ~)
') Legend. I, C. s) Legend. I, 7.
J
La])a durfde hare dochter geen rechtstreeksche weigering geven, maar zij zocht tijd te winnen, hare gestrengheden te verzachten en hare zinnen door afleiding op iets anders te vestigen. Daarom sloeg zij Catharina voor haar naar de heete baden in de nabijheid van Siena te begeleiden. Daar vond men een grooten toeloop van gasten en keur van wereldsche vermakelijkheden. Catharina schikte zich naar den wensch harer moeder. Keiden gingen waarschijnlijk naar Vignone op den rechter oever der Orcia. Doch de bruid van Christus, die wel in de wereld, maar niet van de wereld was, werd door de vermaken en verstrooiingen volstrekt niet aangetrokken ; zij gebruikte de baden als een middel om zich te versterven. Onder voorwendsel van vrijer te zijn, vroeg zij hare moeder alleen te mogen baden, wanneer het volk reeds vertrokken was. Dan plaatste zij zich onder de buis, waaruit het sulferwater kookend heet iu de badkuip viel, en liet het ziedend over haar ontblooten rug stroomen. Zij leed aldus heviger pijnen, dan wanneer zij zich met de ijzeren keten geeselde. Toen Lapa ook deze list bemerkte, besloot zij naar huis terug te keeren. Evenwel kon zij niet nalaten Catharina om hare buitensporige verstervingen te berispen. Nooit twistte deze over dit punt met hare moeder, maar hoorde alles bescheiden en rustig aan. Na haren terugkeer uit de badplaats hield zij dikwijls de oogen gesloten, was alleen met God bezig en ongevoelig voor uitwendige indrukken. Raymundus van Capua vroeg haar, hoe zij zulke ondragelijke smarten had kunnen verduren zonder te sterven. Zij antwoordde met den eenvoud van een duif: âToen ik mij daar bevond, dacht ik dikwijls aan de pijnen van de hel en van het vagevuur. Ik bad mijnen Schepper, dien ik zoo zwaar beleedigd heb, alles wat ik nu vrijwillig leed, te willen aannemen voor alle folteringen, die ik verdiend had. De gedachte, dat Zijn goedertierenheid er in toestemde, vervulde mij met troost. Ik was gelukkig in het midden van mijn lijden.quot; ')
De smarten, die Catharina in het bad verduurde, hadden de vervulling van haar lang gekoesterden wensch ten gevolge.
') Legend., I,
33
â ei- Teruggekeerd te Siena hervatte zij al haar boetplegingen.
ge- Eiken dag smeekte zij hare moeder naar de Zusters der Derde
ng Orde te gaan en hun het dierbare habijt te vragen, waarnaar
na zij zoo vurig verlangde. Lapra stemde eindelijk toe. Doch
ma de Zusters antwoordden, dat het hun gewoonte niet was
;en het habijt aan jongedochters te geven, maar wel aan bejaarde
lite weduwen, die zich aan God wilden toewijden en van wie
ar- men verwachten kon, dat zij in al hun gedragingen de ver-;ia. - eischte waardigheid zouden toonen; dat zij niet gemeenschap-
xar pel ijk in een klooster leefden en dus bij het aannemen van
ioi- nieuwe leden voorzichtig te werk moesten gaan; dat ieder
als zuster zich zelve in haar eigen huis moest leiden en besturen,
'an Met dit bescheid, waarover Lapa zich inwendig verheugde,
jn, keerde zij huiswaarts. Catharina verloor den moed evenwel
zij niet, bleef op Gods belofte vertrouwen en haalde hare moe-
in der over een nieuw aanzoek bij de Zusters te wagen Deze
.â¢ug weigerden voor de tweede maal.
zij Te vergeefs poogt men de inzichten te verijdelen, die God
list met zijn uitverkorenen heeft. Somtijds laat hij toe, dat zij
A'el tegengewerkt en beproefd worden; doch wanneer de tijd ge-
,er. komen is, treedt Hij tusschenbeide en voert Zijn beschikkin-
,int Zen uit door gebeurtenissen en schijnbaar onbeduidende
itig omstandigheden, waaraan niemand gedacht heeft. âVestig
ijls uw geheele vertrouwen op God,quot; zegt de schrijver der
;lig Navolging van Christus, âHij zij het voorwerp uwer vrees
3eg en liefde. Hij zal voor u verantwoorden en alles wel be-
â¢er- schikken, zooals het best zal zijn..... Want wien God
)ud bijstaan, dien kan geen boosheid schaden. Weet gij
ijls te zwijgen en te lijden, dan zult gij ongetwijfeld 's Hee-
aad ren bijstand ontwaren. Hij weet den tijd en de wijze
,vat om u te verlossen , en daarom moet gij u aan Hem over-
rin- geven. Het komt God toe u te helpen en u van alle
ler- schande te bevrijden.quot; ') God laat om verschillende redenen
ivas toe, dat zijn uitverkorenen door tegenslag en lijden beproefd worden. In een harer samenspraken schrijft Catharina hier-
ien over; âGij zult weten, dat mijne Voorzienigheid ook over
jge. '1® volmaakten waakt om hunne volmaaktheid te zuiveren
') Lib. II, 1â2.
n
J
34
en te vermeerderen____ Opdat uwe vruchten iederen dag
toenemen, zuiver ik u door de wederwaardigheden, de be-leedigingen, de bespottingen, de vernederingen, door tegenspraak in woord en daden, door honger en dorst, zooals het Mijne goedertierenheid behaagt en in die mate, welke
voor iedereen dienstig is____ De wederwaardigheid is een
bewijs en een teeken, dat de liefde in een ziel, die gelaten en geduldig lijdt, volmaakt is. De kruisen en de be-leedigingen, die Ik toelaat, oefenen het geduld van Mijne dienaren. Het vuur eener teedere liefde ontgloeit in hun ziel door het medelijden, dat zij gevoelen voor hen, die hen
beleedigen____ Ik beproef Mijne dienaren door het lijden
gedurende dit leven, opdat zij overvloediger en kostelijker vruchten voor Mij zouden dragen, en Ik verblijd Mij over de geuren van hun geduld en hunne deugd. O hoe aangenaam en zoet zijn deze vruchten! Welk een troost en welk een voordeel trekt de ziel er uit, die lijdt zonder Mij te beleedigen! Indien men dit wist, indien men dit begreep, met welk een vreugde, met welk een vurigheid zou men dan wederwaardigheden willen verduren ! Om haar dien zoo weinig gekenden schat te verschaffen bezoekt Mijne vaderlijke Voorzienigheid de ziel met zooveel kruisen. Zij verhinderen, dat haar geduld insluimert en traag wordt. ')
Catharina was geroepen om in de wereld godvruchtig te leven, hoewel haar aard tot de eenzaamheid van het klooster overhelde. De Voorzienigheid had haar niet alleen tot persoonlijke heiligheid, maar ook tot de zaligheid van ontelbare zielen voorbeschikt en haar in de Derde Orde van Dominicus een schuilplaats bereid tegen de aanvallen van den duivel, de wereld en de begeerlijkheid. Van hier kon zij uitgaan tot haar apostolisch werk om zieken te bezoeken, bedrukten te vertroosten, onwetenden te onderwijzen, zondaars te be-keeren en de vijanden der Kerk te overwinnen. Zij was tot eenen staat voortbeschikt, waarin het beschouwende en het apostolische leven steeds gepaard zouden gaan.
Onvoorziens werden de beletselen weggeruimd, die Catha-rina's vurigsten wensch verhinderden. Door de pokken en
') Samenspr. c. 145.
35
felle koorts aangetast, waarschijnlijk ten gevolge van de heete baden, werd zij geheel afzichtelijk en onkenbaar. Het gezicht van haar hevige pijnen vervulde de ganschc familie en vooral Lapa met een geweldige droefheid, want zij beminde Catharina met een niet geringe voorliefde. De arme moeder wierp zich bij het krankenleger harer dochter neder en gaf haar alle denkbare geneesmiddelen en vertroostingen. Doch Catharina bleef ondanks haar lijden bij haar genomen besluit en benutte voorzichtig deze gunstige gelegenheid; Lapa kon haar immers nu niets weigeren. â Goede moeder,quot; zoo zeide zij met zachtheid, âwilt gij, dat ik mijn krachten en gezondheid terug erlang, bezorg mij dan het kleed der Zusters van Boetvaardigheid; ik ben overtuigd, dat God en Sint Dominicus, die mij roepen, mij van u zullen wegnemen, indien ik een ander habijt draag.quot; ')
Verschrikkelijke woorden voor een moederhart en geschikt om een vrouw, minder zachtaardig en liefhebbend dan Lapa te bewegen. Door angst en vrees geprangd, snelt de arme moeder naar de Zusters, valt hun jammerend te voet en smeekt met al de vurigheid harer ziel, dat zij het verzoek harer dochter toch zouden inwilligen, indien zij door een volstrekte weigering haar dood niet wilden bespoedigen. Zij bad nog meer door hare tranen dan door hare woorden. De Zusters, door de liefde tot Jezus Christus en door medelijden bewogen, stemden eindelijk toe en antwoordden: âIndien uwe dochter niet te schoon en te bevallig is, zullen wij haar aannemen; doch zoo zij te bekoorlijk en te lieftallig is, kunnen wij haar niet toelaten om den goeden naam uwer dochter en den onzen niet te schaden èn om moeilijkheden te vermijden, die de rust onzer godvruchtige vergadering zouden kunnen storen.quot; Lapa hernam: âKomt en ziet, dan kunt gij zelve oordeelen.quot; '-)
I
Bij het verhalen van dit feit teekent Raymundus van Capua over de schoonheid van Catharina alleen deze woorden aan: Speciolitas naturaliter in ea non inerat excessive, van nature was zij niet buitengewoon schoon. De kronijken
') Legend. X, 7. 2) Ibidem . 1, 7.
36
van dien tijd en nog meer de afbeeldingen van Catharina, door de beroemdste schilders ons nagelaten, geven een hoog denkbeeld van hare schoonheid. Deze werd nog verhoogd door hare bescheidenheid en een heiligen weemoed, de uitdrukking van het lijden barer ziel.
Drie of vier der verstandigste Zusters gingen nu met Lapa mede om Catharina te zien en hare roeping te onderzoeken. Zij vonden haar te bed en door de ziekte geheel mismaakt. God had dit zoo beschikt, opdat zij meer op de deugden dan op de uitwendige gedaante van Catharina zouden letten. De buitengewone kennis van het geestelijk leven, de diepe wijsheid en de goede gesteltenissen, die hare gesprekken verrieden, brachten de Zusters in opgetogenheid. Zij begrepen, dat de rijpheid des verstands en de vorderingen in de volmaaktheid Catharina's jeugd ruimschoots vergoedden en dat er weinig personen, zoo rijk in deugden voor God, gevonden werden.
Vol blijdschap en stichting keerden zij huiswaarts en deelden aan de andere Zusters mede, wat zij gehoord en gezien hadden. Vervolgens raadpleegden zij de Paters en namen Catharina met algemeene stemmen aan. Terstond deelden zij aan moeder en dochter den uitslag hunner beslissing mede met het verzoek, dat Catharina, zoodra zij hersteld was, naar de kerk der Predikheeren, waar de vergaderingen der Zusters gewoonlijk gehouden werden, zoude komen om er met de gebruikelijke plechtigheden het kleed van den H. Dominicus te ontvangen. Catharina, van vreugde weenend, dankte haren hemelschen Bruidegom en St. Dominicus, die eindelijk zijne belofte vervulde. Zij bad, dat zij spoedig zoude genezen, niet om haar lijden te doen ophouden, maar om den wensch baars harten eerder ten uitvoer te brengen. Binnen weinige dagen was zij dan ook volkomen hersteld. ')
Nog eens werd Catharina's standvastigheid beproefd. âOp zekeren dag, kort voor dat de heilige maagd het habijt van Sint Dominicus ontving,quot; zoo verhaalt ons P. Caffarini âbevond zij zich des avonds in hare kamer; volgens hare
') Legend. I, 7.
37
gewoonte bad zij vóór het kruisbeeld. Nu verscheen haar de booze geest in een meer bevallige dan afschrikkende gedaante. Hij had een menigte rijke kleederen van de fijnste zijdestoffen bij zich, die hij voor haar uitspreidde. Tevens poogde hij haar met vleiende woorden over te halen ze aan te nemen. Met verontwaardiging stiet Catharina den duivel terug en dreef hem naar buiten. Toen hij verdwenen was, voelde zij voor de eerste maal een vreemdsoortige bekoring in zich 'opkomen. Er ontstond in haar een onmatig verlangen om in het openbaar te verschijnen niet alleen in de lichte kleedij der jonge dochters van haren leeftijd, maar ook in de zijde kleederen, gelijk toen alleen gehuwde vrouwen plachten te dragen. Door deze bekoring gekweld, wendde zich Catharina weder tot het kruisbeeld met de woorden: ,, Zoete Heer, gij weet, dat ik nooit verlangd heb aan eenen sterfelijken man toe te behooren, help mij in deze bekoring. Ik vraag niet, dat zij van mij weggenomen worde, maar alleen, dat Gij mij de kracht schenkt om ze te overwinnen.quot; Gedurende dit gebed verscheen haar de allerzaligste Maagd Maria, toonde haar een kleed, schitterend van rijkdom, dat zij uit de doorboorde zijde van haren Goddelijken Zoon had genomen, bekleedde Catharina met dit kostbaar gewaad enzeide: âWeet mijne dochter, dat de kleederen, welke uit de zijde van mijnen Zoon getrokken worden, alle kleederen, door men-schenhanden gemaakt, in schoonheid verre overtreffen.quot; ')
Ook Lapa zocht na de genezing barer dochter nog voorwendsels om haar kleeding te verschuiven; doch zij moest zwichten voor Catharina's dringend verzoek om den blijden dag, die haar zoo groot een geluk zou verschaffen, niet langer uit te stellen. 2)
Het was Zondag, waarschijnlijk in het jaar des Heeren 1362. In de kapel âDelia Voltequot; van de Dominicuskerk te Siena, waar de leden der Derde Orde dagelijks gezamenlijk de H. Mis hoorden en hun vergaderingen hielden, waren al de Zusters, verschillende Paters en Lapa met haar familie vergaderd. Hadden de Zusters begrepen, wie zij gingen
') Supplem. I, 1. 3) Legend. I. 7.
38
aannemen, dan hadden zij elkander ongetwijfeld geluk ge-wenscht met de woorden uit het Boek der Openbaring:
âVerheugen en verblijden wij ons en geven wij glorie aan God; want het bruiloftsfeest des Lams is gekomen en Zijne bruid is bereid.quot; ') Hoe Lapa gestemd was, meldt de geschiedenis niet. Met een gelaat, schitterend van blijdschap, en met een engelachtige ingetogenheid trad Catharina de kapel binnen. Gelijk de lelie haren ongerepten kelk opent voor den morgendauw en het rijzend zonnelicht, zoo ging haar smetteloos hart open voor haren hemelschen Bruidegom. Hoe juichte haar geest, in bovenaarsche beschouwingen opgetogen: âO God, mijn God, vroeg ontwaak ik voor u; mijne ziel dorst naar u, allervurigst naar u mijn vleesch.quot; 1) Hoe juichte haar geest, toen de Bestuurder haar met de gewijde gebeden aan God toeheiligde en met het habijt der Orde bekleedde, dat de onschuld en de nederigheid door zij n witte en zwarte kleuren uitdrukt; â Ik verheug mij en juich in den Heer, en mijn ziel is opgetogen in mijn God, want Hij bekleedde mij met de kleederen des heils en omgordde mij met het gewaad der gerechtigheid, gelijk een bruidegom met de kroon versierd, gelijk een bruid met haar kleinodiën getooid ivordt.quot; :!) âMij dunkt,quot; zoo zegt Raymundus van Capua, âdat het habijt van geen enkele Orde zoo goed Catharina's wezen uitgedrukt zou hebben. Het zwart was een zinnebeeld van haar streven om over de zinnen te zegevieren en het natuurlijke venijn des hoogmoeds in haar te vernietigen; het wit was een getrouwe weerspiegeling harer reinheid naar ziel en lichaam, die zij zoo zorgvuldig bewaarde om aan haren Bruidegom te behagen en zich in Hem te hervormen, die het ware Licht is.quot; 2)
Catharina's naam vindt men tweemaal in de registers dei-Orde opgeteekend, eens als âKaterina Jacobi Benincasa,quot; eens als â Catharina di Lapa.quot; Van dezen dag af droeg zij, overeenkomstig hot gebruik der Zusters, steeds het witte
1
) Ps. 62, 2.
2
) Legend. T , 7.
39
kleed, den witten sluier en den zwarten mantel, waarnaar de Zusters door het volk de â Mantellatequot; genoemd werden. Juist deze âmantel der nederigheidquot; was Catharina zeer dierbaar. Haar secretaris Neri di Landoccio schrijft daarover aan Caffarini, dat zij den mantel, waarin zij liet eerst aan haren Bruidegom was toegewijd, zeer hoog schatte en zeer dikwijls verklaarde, dat deze haar nooit moest ontnomen worden. Was hij gescheurd, dan herstelde zij hem zelve en zeide: â Ik wensch , dat hij blijft, wanneer ik heengegaan ben.quot; Doch hoe sterk zij haren mantel ook beminde, eens ontdeed zij er zich van uit barmhartigheid. Stephanus Maconi schrijft in een der brieven, onder de akten opgenomen , aan Caffarini: â Op een wandeling met de Zusters ontmoette zij eenen arme, die haar met groote vrijpostigheid om een aalmoes lastig viel. Zij antwoordde: Ik verzeker n, dierbare broeder, dat ik geen geld heb. Hij echter zeide: Maar gij hebt toch een mantel, dien gij mij geven kunt. Dat is waar, hernam Catharina , en gaf hem den mantel. Hare gezellinnen konden den mantel slechts met moeite aflossen, daar de bedelaar een lioogen prijs vorderde. Toen men haar vroeg, hoe zij had durven besluiten om in het openbaar zonder haren ordemantel te verschijnen, antwoordde zij: âLiever wil ik zonder mantel dan zonder barmhartigheid zijn.quot; Op haar sterfbed vermaakte zij dezen mantel aan P. Thomas de la Fonte, haren eersten biechtvader, uit wiens handen zij hem waarschijnlijk ontvangen had. Deze liet hem bij zijn dood aan zijn nicht Catharina Cothi, ook een â Mantellata,quot; die hem als een heilige relikwie aan P. Thomas Caffarini schonk. Door hem werd hij naar Venetië gebracht. Vele godvruchtige personen verlangden bij hun intrede in de Derde Orde, dat hij voor hun inkleeding gebruikt werd. De Zusters van Boetvaardigheid te Venetië bewaarden hem in een schrijn van verguld hout. Hij bewerkte vele genezingen, zoowel naar ziel als naar lichaam.
Catharina was de eerste maagd, die te Siena onder de Zusters van Boetvaardigheid werd opgenomen. Niemand had vermoed, dat zij eenmaal de uitstekendste vrouw van haren tijd worden en een onsterflijke glorie aan de Dominicanerorde schenkeu zoude.
it! I !-!
li;
VIJFDE HOOFDSTUK. l)e waardige dochter van deu H. IKuniiiicus.
Betracht lietgeen hoven is, niet hetgeen op de aarde is. quot;Want gestorven zijt gij en mv leven is verborgen met Christus in God. Colossens. 3.
Uw Vader Dominicus heeft drie touwen aan zijn vaartuig 4! bevestigd, namelijk de zuiverheid, de gehoorzaamheid
cn de ware armoede..-.. Zijn orde is geheel grootsch. geheel blij, geheel vol geuren. Samenspr. 158.
1363.
'l i''
1 lli
111
p denzelfden dag,quot; verhaalt P. Caffarini, âwaarop g Cathariua het heilige kleed van boetvaardigheid ontvangen had, trok zij zich in hare kleine kamer terug en begon er over na te denken, hoe men het vreemde en treurige feit moest verklaren, dat de menschep de vergankelijke zaken dezer wereld beminnen cn ze najagen kunnen, ofschoon de stern Gods hen voortdurend uitnoodigt zijne vertroostingen te genieten. Terwijl zij in verpeinzingen verzonken was, verscheen voor de oogen barer ziel een prachtige boom, met de schoonste vruchten rijk beladen, doch met een heg van stekelige doornen omgeven. Deze maakte het zeer moeilijk tot hem door te dringen. Niet ver van den boom lag een heuvel, geheel met gouden korenaren overdekt. Doch de schijnbaar zoo schoone aren waren inwendig zwart en bedorven ; zij verdorden bij het aanraken. Velen kwamen, beschouwden den boom en bewonderden zijn schoonheid; bij het gezicht der scherpe doornen echter vreesden zij tot hem te naderen, wendden zich af en deden zich te goed aan de ledige korenaren, welke hen vergiftigden. die er van aten. i j || .| I
I II K '
I
ft:â ;
Us)
41
Anderen, moediger dan de eersten, drongen wel is waar dooide doornenhaag heen. Wanneer zij echter, aan den voet van den boom gekomen, bemerkten, hoe hoog de takken van den bodem verwijderd waren, verloren ook zij den moed en gingen op de verdorde aren at'. Slechts weinigen werden er gevonden, die, zonder vrees voor de puntige doornen en voor het lastige klonteren, op de hooge takken klommen, de kostelijke vruchten aten en, nadat zij ze eens geproefd hadden, allen smaak voor aardsche spijs verloren.quot; ')
Catharina begreep de beteekenis van dit visioen zeer goed en dra had zij haar keus gedaan. De bedriegelijke aren dei-zinnelijke genoegens bekoorden haar niet ondanks hun schittering; de scherpe doornen der boetvaardigheid en de last der volharding schrikten haar niet af. Zij ging nu volbrengen, wat God zelf haar geleerd had.
âLuister en overweeg met al de aandacht van uwen geest, wat Ik u ga zeggen. Om Mij volmaakt te beminnen zijn drie punten noodzakelijk. Gij moet vooreerst uwen wil van iedere aardsche en vleeschelijke liefde en gehechtheid verwijderen , losmaken en afscheiden, zoodat u in dit leven niets vergankelijks en voorbijgaands kan behagen, tenzij om mijnentwil....
â Zoodra gij dit eerste voorschrift vervuld hebt, kunt gij het tweede beoefenen, dat volmaakter is: al uw gedachten, al uw werken, al uw handelingen moeten uitsluitend Mijn eer en Mijn glorie ten doel hebben. Gij moet er u op toeleggen om Mij zonder ophouden te loven door uwe gebeden, uwe woorden, uwe voorbeelden. Gij moet het niet alleen doen, maar ook, in zoover gij kunt, anderen er toe overhalen , opdat allen Mij kennen, Mij beminnen en Mij alleen vereeren____
â Zoo gij nog het derde voorschrift kent, wees dan overtuigd , dat u niets zal ontbreken en gij tot de volmaakte rechtvaardigheid zult geraken. Ziehier, waarin het bestaat: Met een vurig verlangen moet gij er naar streven om zulk een gesteltenis te verkrijgen, dat Gij zoo met Mij zijt ver-eenigd en dat uw wil zoo zeer aan den Mijnen gelijk is, dat
' Supplom. I, iâ2.
42
gij niet alleen het kwaad niet wilt, maar ook het goede, dat Ik niet wil____
â Gij kunt tot deze volmaaktheid niet geraken dan door een volkomen en standvastige verzaking aan uwen eigen wil. Wie deze zelfverloochening in al zijne werken niet beoefent, bereikt juist daarom do ware volmaaktheid niet; doch wie
ze met vreugde beoefent, vervult volkomen mijnen wil----
â Het is zeker, dat alle geluk bestaat in de volmaakte verloochening van zichzelven. Ik zal u met Mijne genade vervullen , naarmate gij u van uwen eigen wil zult ontdoen----
âWilt gij dus deze volmaaktheid bereiken, dan moet gij met een diepen ootmoed, met een oprechte kennis van uw ellende en van uw armoede aan éen enkele zaak arbeiden en die zonder ophouden begeeren; aan Mij alleen te gehoorzamen en in alles Mijnen wil te volbrengen. Om dit te bereiken is het noodzakelijk, dat gij met behulp van uw verbeelding en van uw oordeel in uw binnenste voor u een cel bouwt, geheel en al gesloten door de voorschriften van Mijnen wil, om u daarin te verbergen en daarin onafgebroken te blijven. Waarheen gij u ook begeeft, verlaat ze nooit. Wat gij ook beschouwt, wendt er nooit de oogen af.
Dat al de bewegingen van uwen geest en van uw lichaam altijd naar Mijnen wil gericht zijn. Spreek niet, denk niet en handel niet dan om aan Mij te behagen en Mijnen wil te volbrengen. Op deze wijze zal de Heilige Geest in alles, wat gij doet, uw leermeester zijn.quot; ')
De Zusters der Derde Orde te Siena vormden een vrij bloeiende vereeniging van omstreeks negentig weduwen. Zij leefden in hun eigen huizen en deden geen geloften, maar achtten zich verplicht tot een onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de priorin, die zij zelve kozen. Zij woonden de H. Mis en de predikatie in de kerk der Predikheeren bij. Van hen hingen zij in alles af, door hen werden zij ook bestuurd. 1)
Bij hare intrede in de Orde legde dus Catharina niet dc
1
) Manuscript op perkament in de Dominicaner archieven te Siena , aangehaald door Burlamacchi.
43
dat drie groote kloosterbeloften af, maar zij vormde liet besluit ze volmaakt te onderhouden. Reeds vroeger had zij de belofte oor van zuiverheid gedaan. Stipt gehoorzaamde zij niet alleen vil. aan den Bestuurder der Zusters, maar ook aan hun Priorin.
Gedurende gansch haar leven bleef zij hieraan getrouw. Op iVie haar sterfbed kon zij tot haren biechtvader zeggen: â Ik herinner mij niet een enkele maal aan de gehoorzaamheid â er. ontbroken te hebben.''
rer. âIk weet,quot; zoo merkt hier Raymundus van Capua op, â dat lieden, op hare heiligheid jaloersch, het tegendeel durfden gij beweren; doch ik verklaar hier, om hun hatelijke leugens te uw beschamen, dat, bijaldien Catharina ook geen ander kruis leil had moeten dragen dan de onverstandige voorschriften harer ,or- bestuurders, toch haar geduld den naam van martelares ver-diend zou hebben. Want velen weigerden te gelooven aan de uw buitengewone genaden, die zij ontving en wilden haar langs
3en de gewone wegen leiden---- En toch, het is duidelijk, niet
ran alleen waren deze dingen bovennatuurlijk, maar haar geheele ,en leven was een wonder.quot;
ait. Catharina beoefende ook volmaakt de armoede. Nimmer wenschte zij iets of bezat zij iets overtolligs. Toen zij nog am in liet ouderlijk huis woonde en er overvloed heerschte, nam liet zy nooit iets voor zich zelve, maar gaf alles aan de armen, wil ^00 zeer beminde zij de armoede, dat zij volgens haar eigen es bekentenis ontroostbaar was, omdat zij ze niet in hare familie vond. Met vurigheid smeekte zij God, dat Hij haar ouders /rij vai1 'iun tijdelijke goederen berooven wilde. âHeer,quot; zoo Zij ze'lt;'e zij; ,) is het niet beter, dat ik voor mijn ouders en mijn aar broeders de eeuwige goederen vraag? Ik weet, dat de m. aardsche bezittingen van veel rampen en gevaren vergezeld do gaan- Ik wil er hen niet aan blootstellen.quot; God verhoorde bij haar gebed. Onvoorziene omstandigheden brachten haar )ok ouc^ersgt; boewei zonder schuld, tot de uiterste armoede. ')
Xa zulke grondslagen gelegd te hebben begon Catharina dc het gebouw barer volmaaktheid op te trekken. â Gij zijt nu kloosterling,'' zeide zij tot zich zelve, âgij moet niet leven, gelijk gij tot heden gedaan hebt. Het leven in de wereld is
g ') Legend. 1, 9.
44
]
voorbij, dat uwer professie begint. Gij moet het aan uwen regel gelijkvormig maken. Het blanke kleed, dat gij draagt, vermaant u onophoudelijk, dat gij in een vlekkelooze zuiverheid moet leven. Uw zwarte mantel zegt u, dat gij voor de wereld afgestorven zijt. Gedenk, dat gij voortaan den engen weg, dien weinigen bewandelen, moet volgen. ')
Catharina wrochtte nu wonderbare werken, wonderbaar wanneer wij ze in haar zelve beschouwen, wonderbaar vooral wanneer wij het beginsel onderzoeken, waaruit zij voortvloeiden. Dit beginsel is liefde tot God en liefde tot den even-mensch. Evenwel wordt het allen niet gegeven deugden, die zoo volmaakt, zoo strijdig met de neigingen der natuur zijn, te begeeren of te beoefenen. Daarom schrijft de Kerk ze aan bijzondere ingevingen of genaden van God toe. Wilt gij ze dus naar recht en billijkheid schatten, beoordeel dan niet alleen het uitwendige werk, maar dring door tot den geest, die het ingaf, dring door tot zijn bovennatuurlijk beginsel.
Catharina nam zich voor, om hare zuiverheid te bewaren, de diepste stilzwijgendheid en afzondering te onderhonden en tot niemand dan tot haren biechtvader te spreken. Gedurende drie jaren onderhield zij zeer stipt dit besluit, bleef altijd in hare cel en verliet ze niet dan om de kerk te bezoeken. De weinige kruiden welke zij, met hare tranen besproeid, at, bracht men haar. Pater Bartholomeus zeide bij de heiligverklaring: âZeer dikwijls heb ik Pater Thomas, den eersten biechtvader van Catharina, vergezeld, wanneer hij haar in het kleine kamertje, dat zij bij nr. nooit verliet, ging bezoeken. De deur en het venster waren altijd gesloten. Er was geen ander licht dan een lamp, die dag en nacht vóór de beelden van Onzen Heer, Onze Lieve Vrouw en andere Heiligen brandde. Al het huisraad bestond uit eenige planken, die tot bed dienden. Aan het hoofdeinde stond dit vers van David: Verlicht mijne oogen, opdat ik nici tot den dood inslape (Ps. XII, 4). -)
Zoo vond Catharina in haar huis een woestijn en een een-
') Legend. 1, 9.
-J Legend. 1, 0. Process, tol. 139, 140.
45
iWen Izaamheid midden in het gedruisch der stad. Letterlijk ver-agt vulde zij de vermaning van Christus: Indien gij bidt, treed zui- uwe kamer en bid den vader in het verborgene met ge-voor 'sloten deuren. ') Men moet altijd bidden en nimmer ophouden lt;le'1 O- üc kerk van den Heiligen Dominicus was dicht bij Catharina's woning. Zij kon in hare kamer het gelui der ])aai. klokken hooren, die de Broeders tot liet koorgebed riepen, joral Zij had haren tijd zoo ingedeeld, dat zij waakte, terwijl de loei- Broeders sliepen. Wanneer er de tweede maal voor de Metten ven- geklept werd, zeide zij tot haren hemelschen Bruidegom: ^en âHeer, mijne broeders, die U dienen, hebben tot nu toe tuur geslapen en ik heb voor hen in Uwe tegenwoordigheid ge-Cerk ? opdat gij hen tegen het kwaad en de hinderlagen van Wilt den vijand zoudt behoeden. Zij staan nu op om u te loven, dan Bescherm hen en sta mij toe een weinig te rusten.quot; Zij (jgH strekte zich op hare planken uit; een houten blok diende j.jjjj. haar tot hoofdkussen. 3)
Catharina's vereenigiag met God werd nu zoo volkomen
,ren, als ^et 0P aarde mogelijk is. Haar verstand was met Hem
n en yereenigd door de beschouwing Zijner volmaaktheden; haar
edu- geheugen door de herinnering aan Zijne weldaden, haar wil
bleef ^00r een zuivere liefde, haar werken door de overeenkomst
i be- 111 Zijne geboden, haar lichaam door een bovenaardsche
inen gesteltenis. Zij kon niet denken dan aan God, niet spreken
seide f0,11 van werken dan voor God, naar het woord
nas, ^1'1' Schrift: Ik leef, maar ik hen liet niet, die leeft;
neer jfesu$ Christus leeft in mij. 4) Ik behoor geheel aan mijn wel-
â¢liet, beminde, â¢r,) De visioenen en de mededeeling der hemelsclie
Dten. gunsten namen dagelijks toe. De innigste omgang tusschen
lacht ^vee vrienden kon niet vergeleken worden met hetgeen er
y en tusschen Catharina en haar goddelijken Bruidegom omging,
jnige |^00^ was zij van hem gescheiden, maar genoot altijd zijn
tond zoete tegenwoordigheid, hetzij zij bad of las, sliep of waakte.
nieim l-
I ') Math. VI, 6.
een- 2) Luc. xvm, 1.
I :') Legend. I, 9.
4) Galat. II. 20.
s 5) Cantic. II. 16.
46
De kerk, hare kleine kamer, de tuin van haren vader, waren vol van herinneringen aan dit bovenaardsch verkeer. Met volle recht vervulde zij hot voorschrift: Wandel voor God en wees volmaakt. ') Caffarini zegt; ,, Op hare lippen en in haar hart had zij niets dan Jezus; met Jezus ging zij op de straat, alleen op Jezus waren hare oogen gevestigd; nooit waren zij uit nieuwsgierigheid geopend om op andere zaken te letten, tenzij deze geschikt waren haar tot Jezus te voeren. Hierin ligt ook de reden van haar veelvuldige extasen. s) Dikwijls openbaarde Jezus zich aan haar, wanneer zij met iemand sprak, en onderhield zich met hare geest, terwijl hare lippen het begonnen gesprek voortzetten. Doch die toestand kon niet lang duren; hare ziel, opgevoerd tot haren Welbeminde , verliet de zinnen en kwam in verrukking. Deze bovennatuurlijke betrekkingen verklaren de wonderbare gunsten, die haar te beurt vielen, hare verbazende onthouding, haar bewonderenswaardige leer en hare wonderen; zij zijn de reden van hare daden en doen het wonderbare van haar bestaan begrijpen. :i) Deze vereeniging met God werd later door haar omgang met de menschen niet verminderd. Wanneer zij uitwendig tot iemand sprak, was haar hart inwendig op God gericht. Hierin ligt het geheim van den onweerstaanbaren invloed, die zij op allen uitoefende, welke haar naderden. Vleesch en bloed konden evenwel deze onafgebroken verdieping in hemelsche zaken niet doorstaan, zonder dat de lichamelijke vermogens en krachten verzwakten. Zoo werden deze bovennatuurlijke genaden de oorzaak van haar lichamelijk lijden en het begin van de ongeschiktheid om voedsel te gebruiken. Deze toestand maakte haar leven tot een dagelijksche martelie.
Jezus Christus moedigde Catharina door nieuwe zegeningen aan. Hij wilde haar niet zonder herder en zonder leermeester laten, Hij zelf wilde haar besturen. Zoodra zij zich in hare cel had opgesloten, verscheen haar Jezus Christus om haar te onderwijzen. âWees overtuigd, mijn vader,quot; zoo zeide zij tot
â â¢
|I : I r
lil I ;hl
') Genos. 17, 1.
:) Sup. Part. I, Text 2, 11.
3) Legend. 1, 9.
r' :â
li i
â r! â â ' '
Kaymundus van Capua, â dat mij niets van hetgeen betrekking heeft op den weg des eeuwigen levens, door de menschen geleerd is; mijn Heer en Meester, de Bruidegom mijner ziel, Onze Heer Jezus Christus heeft het mij door Zijne ingevingen geopenbaard. Hij sprak tot mij , gelijk ik nu tot u spreek.quot; Zij verklaarde tevens, dat deze verschijningen aanvankelijk slechts inwendig, doch later ook zinnelijk waarneembaar waren. Zij hoorde de stem met haar lichamelijke ooren. In het begin van hare visioenen vreesde zij door den duivel bedrogen te worden, die zich somtijdsin een engel des lichts veranderd. Dit mishaagde den Heer geenszins en Hij prees hare voorzichtigheid. â De reiziger,quot; zeide Hij tot haar, âmoet altijd op zijn hoede zijn, want er is geschreven: Gelukzalig de man, die altijd bevreesd is. ') Zoo gij wilt, zal Ik u leeren, hoe gij Mijne visioenen van die des vijands moet onderscheiden.quot; Catharina vroeg Hem nu dringend om deze gunst en de Heer vervolgde; âHet zou gemakkelijk zijn uwe ziel rechtstreeks te verlichten en haar oogenblikkelijk den oorsprong uwer visioenen te doen kennen, maar voor uw eigen nut en dat der anderen wil ik u zeggen, welke teekenen de leeraren, aan wie Ik de waarheid geopenbaard heb. aangeven. Mijne visioenen beginnen met schrik en eindigen in vrede; hun aanvang veroorzaakt een zekere bitterheid, die geleidelijk in zoetheid overgaat. Het tegenovergestelde geschiedt bij de visioenen van den boozen geest- zij geven eerst een zeker genot, maar op het einde veroorzaken zij altijd verwarring. Dit moet zoo zijn, want onze wegen zijn geheel verschillend. De weg der boetvaardigheid en Mijner geboden schijnt eerst hard en moeilijk , doch naarmate men voortgaat, wordt hij licht en gemakkelijk; op den weg van het kwaad daarentegen zijn de eerste oogen-blikken aangenaam, maar weldra ontmoet men moeielijk-heden en gevaren. Ik zal u nog een onfeilbaarder teeken opgeven. Ik ben de Waarheid; Mijne visioenen moeten bijgevolg aan de ziel de waarheid schenken. Het noodzakelijkste nu voor haar in de waarheid is Mij te kennen en zich zelve te kennen om door die dubbele kennis zich
') Spreuk. 28, 14.
48
zelve te verachten en Mij te eeren; daarin bestaat de nederigheid. Mijne visioenen maken dus de ziel ootmoediger en doen haar de waarheid van haar eigen niet begrijpen. Het tegenovergestelde geschiedt in de visioenen van den boozen geest. Daar hij de vader der leugen en de vorst des hoog-moeds is, kan hij slechts geven, wat hij heeft. Zijne visioenen brengen altijd een zekeren eigendunk in de ziel voort, die haar opblaast en met ijdelheid vervult. Onderzoek u dus zorgvuldig en gij kunt weten, of uw visioenen uit de waarheid dan wel uit de leugen voortkomen: de waarheid baart nederigheid, de leugen hoogmoed.quot; Catharina overwoog deze heilzame lessen leergierig in haar hart. ')
De Heilige deelde alle bovennatuurlijke gebeurtenissen oprecht aan haren biechtvader Raymundus van Capua mede. Deze, een voorzichtig man , vertrouwde niet spoedig datgene, waarvoor hij geen voldoende bewijzen had. Laten wij hem zelf verhalen;
âIn het begin onzer betrekkingen had ik zulke buitengewone zaken hooren vertellen, dat ik aarzelde ze te gelooven; God liet het toe voor een veel grooter goed. Door velerlei middelen zocht ik te onderkennen of deze verschijnselen van God dan wel van een ander kwamen, of zij waar dan wel valsch waren. Er zijn zoovele huichelaars en ik had er een menigte, vooral onder de vrouwen, ontmoet. Hun hoofd wordt licht duizelig. Zij zijn meer aan de verleidingen van den duivel blootgesteld. Sommige teekenen verontrustten mij en hielden mij in de grootste onzekerheid. Ik wilde er van bevrijd worden door Hem, die zich zeiven noch een ander bedriegen kan. Daar schoot mij eensklaps in de gedachte: Zoo ik van God, door de gebeden van Catharina, een inniger berouw over mijne zouden verwierf, dan ik placht te gevoelen, zou dit een zonneklaar teeken zijn, dat alles, wat haar te beurt viel, van den Heiligen Geest voortkwam. Want niemand kan zonder den Heiligen Geest berouw hebben. Ik zeide geen woord van de gedachten, die mij kwelden, ging Catharina bezoeken en vroeg haar dringend, dat zij voor mij de vergiffenis mijner zonden van God verwerven zoude. Met
') Legend. J, 9.
49
vreugde antwoordde zij mij, dat zij het gaarne zoude doen. Ik voegde er bij, dat ik een bul van kwijtschelding moest hebben, zooals men er te Rome gaf. Lachend vroeg zij , in welken vorm ik die bul verlangde. Ik antwoordde haar, dat deze bul, ten teeken van echtheid, een buitengewoon berouw over mijne zonden moest veroorzaken. Terstond verzekerde zij mij, dat zij liet voor mij zou verwerven. Het scheen mij toe, dat zij mijn gedachten raadde. Ik verliet haar omstreeks twee uur.
Den volgenden morgen was ik ziek en moest in bed blij ven. Frater Nikolaas, een religieus mijner orde, dien ik teeder liefhad, zat bij mij. Catharina wist dit. Eensklaps stond zij van hare legerstede op en zeide tot haar gezellin: â Laat ons Pater Raymundus gaan bezoeken, want hij is ziek.quot; Haar gezellin achtte dit niet noodig, daar zij zieker was dan hij. Doch zij haastte zich meer dan gewoonlijk. Toen zij bij mij binnenkwam, zeide zij: âWat scheelt u toch?quot; Met moeite antwoordde ik haar; âWaarom komt gij hier, zuster? Gij zijt zieker dan ik.' Terstond begon zij volgens haar gewoonte te spreken over God en over de ondankbaarheid, waarmede wij zijne goedheid beleedigen.
Terwijl zij sprak, ontving ik een duidelijk gezicht mijner zonden. Ik stond, ontbloot van alles, in tegenwoordigheid van den oppersten Rechter, en ik gevoelde, dat ik den dood verdiende. Ik zag ook de liefde en de goedertierenheid van mijn Rechter. Hij ontsloeg mij, ondanks mijn gruweldaden, niet enkel van de straf, maar hij bedekte ook mijne naaktheid met zijn eigen kleederen, ontving mij in zijn huis, sPÃzigde mij en nam mij in zijn dienst. Deze gedachten, of liever deze gezichten, vermurwden de hardheid van mijn gemoed. Ik weende stortvloeden van tranen over mijne zonden. Mijne droefheid was zoo groot, dat ik meende te zullen sterven. Catharina had haar doel bereikt. Zij bleef zwijgen en liet mij aan mijn geween en gesnik over. Eenige oogen-blikken later herinnerde ik mij mijn verzoek van den vorigen avond en de belofte, die zij mij gedaan had. Terstond vroeg ik haar; â Is dit niet de bul, die ik u gisteren gevraagd heb? ' âZonder twijfel,quot; hernam zij. Vervolgens stond zij op, raakte mijn schouder aan en zeide: âDenk aan de gc-
4
50
naden van God.quot;' Dan liet zij mij, overstelpt van blijdschap, met mijn gezel alleen en vertrok.
Ik ontving nog een ander bewijs van hare heiligheid. Zij liet mij zeggen, dat zij mij over sommige openbaringen wenschte te spreken. Ik kwam en ging naar haar bed. Ondanks de koorts begon zij over God te spreken en mij alles uit te leggen, wat haar gedurende dien dag geopenbaard werd. Het waren buitengewone zaken. Ik vergat, wat mij wedervaren was, en ik vroeg mij zei ven af; â Moet men gelooven, wat zij zegt?quot; Terwijl ik aldus aarzelde en haar aanstaarde, veranderde haar gelaat plotseling in dat van een gestreng man, die mij aanzag en met schrik vervulde. Zijn gestalte wees op de kracht des levens; zijn spichtige baard was korengeel; over zijn geheele voorkomen lag de majesteit Gods. Ik kon geen ander gezicht zien dan het zijne. Ik was met schrik geslagen en riep, de handen opheffend, uit; âW ie staart mij zoo aan?quot; Catharina antwoordde: âHij, die is.
Onmiddellijk verdween het visioen en ik zag weder duidelijk het gezicht van Catharina. Mijn verstand werd buitengewoon verlicht. Ik begreep het woord van den Zaligmaker, toen Hij aan zijn leerlingen de komst van den Heiligen Geest beloofde: âHij zal u verkondigen, wat er gebeuren moet.'' ') Mogelijk houdt men mij voor dwaas; daartegen verdedig ik mij niet, indien ongeloovigen het willen. Liever ga ik voor een dwaas door dan dat ik geen getuigenis voor de heiligheid van Catharina zou atleggeu. quot;)
Met hare intrede in de Derde Orde beoogde Catharina vooral zich zelve te heiligen. Doch de Voorzienigheid had daarbij nog andere inzichten: de redding der Kerk uit benarde omstandigheden door tusschenkomst van deze zwakke maagd. Daarvoor had zij een heldhaftige liefde tot Paus en Kerk, bovendien de deugd van zelfverloochening en sterkte noodig. De liefde voor Paus en Kerk verkreeg zij langs een twee-voudigen weg: door den omgang met de Predikheeren en door het lidmaatschap der Derde Orde. Door den omgang met de Predikheeren. Dominicus en zijn zonen ontleenden
') Joh. XVI, 13. r) Legend. 1, 9.
51
aan het doel hunner Orde, de verkondiging der waarheid en de bestrijding der ketterijen, hun liefde voor het Pausschap, hun verknochtheid aan de Kerk. Die liefde werd nog aangewakkerd door de voortdurende gunstbewijzen van Rome's Opperpriesters jegens hen. Geen wonder, dat de Predikheeren in de voorste gelederen stonden als kampioenen voor de rechten van den Paus, inzonderheid om hem uit de gevangenschap te Avignon terug te voeren. Zulke edelaardige gevoelens bleven niet zonder invloed op het hart van Catharina. Van hare prilste jeugd af zag zij de Dominicanen van Siena gemeenzaam in het ouderlijke huis verkeeren; van hare prilste jeugd af had zij een Dominicaan tot zielbestuurder. Onbewust putte zij uit' deze bron een ridderlijke liefde en een diepen eerbied voor het Opperhoofd der Kerk, een vurig verlangen om hem te Rome in zijn rijksgebied hersteld te zien. Door het lidmaatschap der Derde Orde. Hier doofde God door Zijne genade in Catharina iedere neiging tot een aardsche verbintenis eu alle belemmerende gehechtheid aan verwanten uit. Hij leerde haar armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid en maakte haar los van de aardsche goederen, die haar in hare toewijding konden tegenhouden. Daarenboven was de Derde Orde geen vereeniging van personen , die uitsluitend naar heiliging streefden. Evenals de Eerste Orde had zij de verdediging der Kerk en van den Paus ten doel. Zoo schreef Paus Gregorius IX uitdrukkelijk voor, dat de Broeders en Zusters der Boetvaardigheid met de wapenen des geloofs en der liefde ketters en ongeloovigen bestrijden moesten.
Niet louter liefde voor Kerk en Paus, maar ook zelfverloochening en sterkte waren voor Catharina noodzakelijk in haar toekomstige zending. De geschiedenis der Heilige gedurende haar verborgen leven vertoont twee zaken, die elkander schijnbaar uitsluiten, maar in werkelijkheid groote, sterke karakters vormen. Aan de eene zijde een hemelsch leven van visioenen, wonderen, geestvervoeringen en alle zaligheden, die er uit voortvloeien; van den anderen kant onafgebroken smarten, angsten, benauwdheden , worstelingen tegen de wereld, den duivel eu de drievoudige begeerlijkheid. Naarmate deze reine ziel zich naar den hemel verheft, naar-
mate zij haar adelaarsvlucht neemt tot God en in de Ongeschapen Zon van Waarheid staart, naar die mate ondervindt zij harder strijd en stort zij bitterder tranen. Ondoorgrondelijk geheim van een geest, die in God verslonden is en geslachtofferd wordt op aarde. In dien voortdurenden tweestrijd verwierf Catharina de deugd van zelfverloochemg en sterkte. Er is immers geen grooter overwinning dan zich zeiven te overwinnen; wie zich zclven overwint, behoeft voor geen moeilijkheden van buiten te vreezen. Met het volste recht mogen wij dus op Catharina de woorden van Sint Paulus toepassen: Dc Heer sprak tot mij: âMijne genade is voor u voldoende, want de kracht wordt in de zwakheid volmaakt Daarom wil ik gaarne in mijne zwakheden roemen, opdat de kracht van Christus in mij wone.... Want wanneer ik zwak ben, dan hen ik sterk.'' ')
n r
i
[i;vi!!
li i
') II Corinth. XII, 9â10.
li
|-.1'
| Ã
tl
I,
IjW
li,
li: 11
I I ;! :
ZESDE HOOFSTÃK.
Cat]iariua wordt wonderbaar door Jezus Christus onderricht. Haar strijd tegen den duivel.
Hoe heb ik uwe wet zoo lief, o Heer! Den geheelen dag is zij mijne overweging. Hoe zoet zijn uwe woorden voor mijn gehemelte, zij zijn zoeter dan honing voor mijn mond. Ps. 118.
De nederigheid met liet licht van het heilige geloof . zegeviert altijd over de hel. 149. Brief.
1.3G3.
ilt gij het gebouw der deugd eu heiligheid hoog i optrekken, schrijft St. Augustmus, vergeet dan niet eerst en voor alles de ootmoedigheid tot grondslag te loggen. Christus wilde Catharina van die waarheid doordringen, voor Hij haar tot hooger genaden opvoerde.
Op zekeren dag was Catharina naar gewoonte in het gebed verslonden. De Heer verscheen haar en sprak tot haar: âWeet gij, mijne dochter, wie gij zijt en wie Ik ben? Wanneer gij deze waarheid volmaakt erkent, dan zijt gij heilig. Luister dan aandachtig naar mijn woord. Gij zijt diegene , die niet is en Ik beu degene, die is. Zijt gij niet van niets gemaakt? Ieder schepsel is van niets gemaakt en kan niet bestaan dan door den almachtigen Schepper; aan zich zei ven overgelaten, zinkt liet in het niet terug. Is iemand hiervan geheel doordrongen, dat hij in waarheid niets is, hoe kan hij dan trotsch zijn? Hoe kan hij roem dragen op zich zei ven of op een zijner werken, wanneer hij weet, dat alleen onvolmaaktheid en zonde zijn eigendom zijn? Hij zou echter
54
moeten wanhopen, wanneer hij deze waarheid alleen overwoog. Daarom moet hij ook weten, dat Ik degene ben, die is. God alleen is uit zich zei ven. Hij alleen is onveranderlijk en aan geen vermindering onderworpen. Indien derhalve een schepsel inziet en erkent, dat het in zicli zei ven niets heeft en geen zaligheid in zich zeiven of in een ander schepsel vinden kan, dan wendt liet zich tot God en ziet in Hem den Schepper en Onderhouder van alle wezens, de eeuwige Fontein van alle goed, die alleen in staat is de verlangens van den mensch te bevredigen. Als het schepsel Hem op deze wijze beschouwt, dan begint het naar Hem te verzuchten en van liefde tot Hem te ontbranden. Een soort van heilige vrees grijpt den mensch aan. Deze wordt tot een â wachter zijner ziel. Zelfs aan de geringste neiging in zijn hart, die een zoo liefderijken en goedertieren Meester zou kunnen belcedigen , geeft hij niet toe en hij vindt in de barmhartige Voorzienigheid Gods zulk een rust, dat geen rampspoed zijn vrede schokken kan. Hij weet immers, dat de almachtige God dien alleen tot zijn heil toelaat; hij beseft, dat er in deze wereld geen pijnen of zorgen zijn kunnen, die doorliet loon, hetwelk het schepsel uit de hand van God te verwachten heeft, niet ruimschoots vergoed worden. ') ^
Dit onbezweken vertrouwen op de Goddelijke \ oorzienigheid werd Catharina nog bij een andere gelegenheid ingestort. Christus zeide tot haar; âDenk aan Mij, zoo zal Ik aan u denken.quot; Zij begreep deze woorden zoo, alsof Hij gezegd had; âMaak u geen bezwaren of zorgen om n zelve, hetzij voor uw ziel, hetzij voor uw lichaam, want Ik, die het beste weet, wat goed voor u is, zal aan alles denken en voor alles zorgen, wat gij noodig hebt. Zorg alleen daarvoor, dat gij steeds aan Mij denkt; want daarin bestaat uwe volmaaktheid en uwe gelukzaligheid.quot; Onbeschrijfelijk was de vreugde en het vertrouwen, dat Catharina in deze woorden vond; âIk zal aan u denken.quot; Zij werd niet moede daarover te spreken. Die woorden vormen den hoofdinhoud een er vei handeling over de Voorzienigheid, die zij later opgesteld heeft. Bemerkte zij, dat iemand door weder (vaardigheden ontmoedigd
') Lci^diid. I.
55
of terneergeslagen werd, dan placht zij te zeggen: âWat deert u toch? Geef alles aan God over. Gij beangstigt u bovenmate, de Voorzienigheid wendt de oogen niet van u af, maar zal voortdurend voor u zorgen.quot; ')
De leer van Catharina is wellicht het wonderbaarste in haar leven; daarom kunnen wij andere onderwijzingen niet stilzwijgend voorbijgaan. Dikwijls sprak zij tot haren biechtvader Raymundus van Capua over den toestand eener ziel, die haren Schepper bemint; âZulk een ziel,quot; zeide zij ,âziet
t of bemint noch zich zelve noch een ander schepsel, ja, zij | vergeet zich zelve cn de andere zaken. Een ziel, die haar
j eigen nietigheid kent of weet, dat haar hoogste goed in
r God bestaat, verlaat, zooveel zij kan, zich zelve en alle
3 andere schepselen en dompelt zich als het ware in God,
i zoodat zij al hare gedachten en neigingen alleen op Hem
3 richt. Buiten Hem wil zij niet zijn , daar zij in Hem alles
i gevonden heeft, wat het hart verblijden kan, alle schoonheid,
3 alle zoetheid, alle rust, allen vrede. Door het overwegen
i dezer liefde, die dagelijks bij haar aangroeit, wordt zij in
t zekeren zin in God veranderd. Zij kan niets denken, niets verstaan, niets beminnen, zich niets herinneren dan Hem. Zich zelve en alle andere schepselen ziet zij niet, gelijk een
l mensch, die geheel in de zee onderduikt cn onder water
;. zwemt, niets gevoelt, ziet of inademt dan wat in het water
.1 zich bevindt; voorwerpen buiten het water, â ziet hij slechts
1 in zoover, als hun beeld in het water weerspiegeld wordt,
ij Een ziel, op die wijze met God verbonden, wordt zoowel
e door liefde tot God als door een heiligen haat tegen haar
s eigen zinnelijkheid ontvlamd. Want uit de liefde tot God
ij volgt noodzakelijk de haat tegen de zonde, waardoor God
d beleedigd wordt. De ziel, welke erkent, dat de zinnelijkheid
n wortel en de oorsprong van iedere zonde is, ontbrandt
k van fle vurigste begeerte dezen wortel uit te roeien. 2)
i. Dagelijks beval Catharina haren leerlingen aan tegen de
g eigenliefde te strijden en herhaalde do uitspraak van den 3- H. Rernardus: .. Roei de eigenliefde uit en er zal geen hel d _
') Legend. 1. 10.
-) Legend. 1, 10.
I
56
meer zijn.quot; Wanneer zij in anderen gebreken bemerkte, had zij er medelijden mede en zeide: âZiedaar het werk der eigenliefde, den oorsprong des hoogmoeds en aller ondeugden. Spant toch al uwe krachten in om die eigenliefde uit uw hart te rukken en er dien heiligen haat te ontsteken, welke de veilige en de koninklijke weg is om zijn fouten te ver-beleren en de volmaaktheid te bereiken.quot; ') Dit is de korte inhoud van Catharina's leer, voortdurend komt zij in hare geschriften daarop terug. Zij sluit hare samenspraken met deze waarschuwing; â Er is geen toestand eener ziel, waarin het voor den mensch niet noodzakelijk is zijn eigenliefde te dooden.quot; quot;)
Wilt c/ij den dienst van God beginnen, bereid u dan voor op dc beproeving. Neem alles aan, imt u overkomt en volhard in het lijden en wees geduldig in ootmoed, want zilver en goud worden door het vuur beproefd, maar de vrienden Gods in den oven der vernedering quot; :') Deze woorden der Heilige Schrift gelden voor alle menschen en voor alle tijden. Hoe meer iemand in volmaaktheid stijgt, hoe meer hij ze ondervindt. Door dat louteringsvuur moest ook Catharina gaan. God gaf haar nu de gedachte in, dat zij om de deugd van sterkte zouden bidden. Zij deed het gedurende verscheidene dagen. God sprak tot haar; â Mijne dochter, wilt gij de sterkte bekomen , dan moet gij mij navolgen. Ik zou door mijn Goddelijke almacht de listen der duivels kunnen tegenhouden en hen door andere middelen bedwingen; maar ik heb u door mijne voorbeelden willen onderrichten en u willen leeren dooiden kruisweg te zegevieren. Wilt gij sterk worden tegen den vijand, neem dan het kruis tot uw zwaard. Heeft mijn Apostel u niet gezegd, dat ik met blijdschap in den wreeden en schandelijken dood van Calvarië was gegaan? Kies dan het lijden en de wederwaardigheden; draag ze niet alleen met geduld, maar omhels ze met vreugde. Het zijn waarachtige edelgesteenten. Want hoe meer gij voor mij lijdt, hoe meer gij aan mij gelijkvormig wordt: hoe meer gij aan mij gelijk
') Legend. 1, 10. 2) Samenspr. 56 ?) Ki rlesiast. i-. II.
57
ia(| zijt in het lijden, hoe meer gij aan mij gelijk zult zijn in
Jer de genade en in de glorie. Beschouw dan , mijn welbeminde
en- dochter, om mijnentwil het zoete evenals het bittere en het
L1W bittere evenals het zoete, en wees overtuigd, dat gij altijd
[ke sterk zult zijn.quot; ')
er. Catharina bracht deze les volmaakt in beoefening; alle rte kruisen omhelsde zij met blijds chap. Niéts kon haar troosten lre dan lijden en smarten. Het gemis van pijnen bedroefde haar.-) Nadat de Heer Zijne bruid aldus uitgerust en tot den rin kamp voorbereid had, liet Hij toe, dat zij op verschrikkelijke wijze door de booze geesten aangevochten werd. De duivels vielen haar van alle zijden aan en deden ongehoorde pogin-0p gen om haar te doen bezwijken. Zij begonnen met de be-in koringen des vleesches. Niet alleen verwarden zij hare ge-:Wl dachten of verstoorden haren slaap, maar zij toonden haar len ook wezenlijke schrikbeelden, die hare oogen of ooren bezoe-â¢ej. delden en haar op allerhande manieren kwelden. Huivering-n(j wekkend zijn die aanvechtingen. Catharina worstelde moedig )or ⢠tegen haar zelve, tuchtigde haar vleesch met een ijzeren keten, iar vergoot haar bloed met stroomen, vermeerderde hare nachten waken en onttrok zich bijna allen slaap. Doch hare vijanden ü(] weken niet. Zij verschene n nu in de gedaante van lieden, c0_ die haar beklaagden en haar goeden raad gaven. âWat kwelt le- .. i gij 11)quot; zeiden zij, âzoo nutteloos, arm schepsel? Waartoe en baten u die verstervingen? Meent gij ze te kunnen door-,or zetten? Doodt gij niet uw eigen lichaam en maakt gij u ,or niet aan een zelfmoord schuldig ? Gij moet die zotheden en vaarwel zeggen, vóór gij bezwijkt. Gij kunt nog van de [jn wereld genieten; gij zijt jong en uw lichaam zal dra zijn eil krachten herwinnen. Doe gelijk andere vrouwen, zoek een iln man. Dan krijgt gij kinderen, die voor de maatschappij iet , nuttig zullen zijn. Gij wilt God behagen. Maar zijn de heiligen dan niet getrouwd geweest? Waarom kiest gij een gt;er levenswijze, die gij nooit kunt volhouden?quot; â r) jk Tegenover al die redeneeringen stelde Catharina enkel liet
') Legend 1, 11.
-) Ibid.
â â â¢) Legend.. 1,11.
1
58
gebod. âIk vertrouw,quot; antwoordde zij, âop onzen Heer Jezus Christus en niet op mij zelve.quot; Meer kon de duivel haar niet ontlokken. Als algemeenen regel in de bekoringen stelde zij vast nooit met den vijand te onderhandelen, daar hij op zijn arglistige drogredenen bouwt om ons te overwinnen. Men moet zulke bekoringen naar vermogen vluchten en door het gebed tot God zijn toevlucht nemen.
De duivel liet nu de redeneeringen varen en begon op andere wijze den aanval. Hij bestormde haar met onzuivere voorstellingen en spookgestalten, die haar met luide kreten tot zonde wilden verleiden. Welk een marteling! Al sloot zij oogen en ooren, zij kon hot niet ontvluchten. Tot overmaat van foltering scheen haar Bruidegom, die haar zoo dikwijls bezocht en troostte , haar te verlaten. Geen druppel troost schonk Hij haar. Zij was in een zee van droefheid gedompeld. Toch liet zij hare lijfskastijdingen en gebeden niet na. Op ingeving van den Heiligen Geest nam zij een middel te baat, dat zij ons met klem aanbeveelt om de strikken van den duivel te ontgaan. âDikwijls gebeurt het,quot; zeide zij, â dat een ziel, die God bemint, hare vurigheid voelt verkoelen om de eene of andere fout of bekoring, die de Voorzienigheid toelaat. Die toestand voert haar bijna tot lauwheid. Wie nu niet op zijn hoede is, laat, wanneer hij zich van de gewone vertroostingen beroofd ziet, zijn geestelijke oefeningen, zijn gebeden, zijn overwegingen, zijn godvruchtige lezingen en verstervingen achter; daardoor verzwakt hij zicli en geeft den vijand voet, die niets anders beoogt, dan hem de wapenen van Jezus Christus, welke hem onverwinbaar maken, te ontrukken. Als de christen zijn ijver voslt ver-Hauwen, moet hij dus zijn geestelijke oefeningen volhouden, ja, verdubbelen, niet achterlaten of verminderen.quot; ')
Getrouw aan de inspraken van God, kweekte Catharina een heiligen haat tegen zich-zelve aan. ,, O allerellendigst schepsel,quot; zeide zij, verdient gij wel eenige vertroostingen? Herinnert gij u niet uwe zonden? Acht gij u zelve voor iets, ongelukkige ? Gij kunt blij wezen, indien gij , door deze pijnen en verlatenheden te verduren, de eeuwige ver-
') Logenrl., I, 11.
doemenis ontkomt. Waarom ontmoedigt en bedroeft gij u zelve? Zoo gij aan de hel ontsnapt, kan Jezus Christus u gedurende een gansche eeuwigheid vertroosten. Niet om thans zijne zoetheden te smaken, maar om hem in den hemel te bezitten, daarom hebt gij besloten Hem te dienen. Derhalve, moed gevat, verzuim geen enkele uwer oefeningen en prijs meer dan ooit uwen Schepper.quot; Zoo beschaamde zij door hare nederigheid den vorst des hoogmoeds. Hare cel scheen haar zoo vervuld met duivels, die haar onreine voorstellingen deden, dat zij ze dikwijls verliet. Den meesten tijd bracht zij in de kerk door, omdat zij er minder vervolgd werd. Langs dalen en heuvelen had zij willen vluchten om die schandelijkheden te ontvlieden. Nauwelijks was zij iu hare kamer teruggekeerd of drommen van duivels omzwermden haar. Dan riep zij tot God en de storm bedaarde.
Dagen reeds duurde die beproeving voort. Zij herinnerde zich , dat zij voor eenigen tijd om de gaaf van sterkte had gebeden en dat God haar het middel had gewezen om ze te verkrijgen. Terstond begreep zij de reden van deze bekoring en besloot ze met moed te verdragen, zoolang haar Bruidegom wilde. Toen zeide een der ergste duivels tegen haar; â Ellendige, wat wilt gij doen? Meent gij, dat gij geheel uw leven in dezen toestand kunt doorbrengen ? Wij zullen u folteren tot aan uwen dood, indien gij niet aan ons gehoorzaamt.quot; Catharina antwoordde: ,, Het lijden heb ik tot mijn troost verkoren. Het zal zoet voor mij zijn nog zwaardere kruisen te dragen uit liefde tot mijn Goddelijken Verlosser, zoolang Hij wil.quot; ')
Oogenblikkelijk stormden do duivels weg. Een zee van licht, uit den lusmei neerstralend, vervulde de gansche kamer. In het midden van die glansen verscheen Jezus Christus, zooals Hij aan het kruis hing. âMijne dochter Catharina,quot; zeide Hij, â zie, hoeveel Ik voor u geleden heb , en het zal u niet moeilijk vallen voor Mij te lijden.quot; Vervolgens nam Hij een minder smartelijke gedaante aan om Catharina te troosten en sprak haar over de zegepraal, die zij bevochten had. Maar zij riep met den H. Antonius uit; â Heer, waar
00
waart Gij dan. toen mijn hart door zulke onzuiverheden gefolterd werd?quot; â âIk was in uw hart.quot; â âJa, Heer, Gij zijt de Waarheid zelf en ik buig voor Uwe Majesteit; doch hoe kan ik gelooven , dat Gij in mijn hart waart, toen het met zulke afschuwelijke gedachten vervuld was?quot; â âVeroorzaakten die gedachten en bekoringen U vreugde of droefheid, blijdschap of weerzin?quot; â â Groote droefheid en grooten weerzin.quot; â âGij waart bedroefd en gij leedt, omdat Ik in het midden van uw hart verborgen was. Indien Ik afwezig was geweest, zouden deze gedachten u behaagd hebben, maar mijne tegenwoordigheid heeft ze ondragelijk voor u gemaakt; gij zoudt ze hebben willen verdrijven, omdat gij ze ver-afschuwdet en daar gij cr niet toe kondt komen, waart gij bedroefd. Ik werkte in u; Ik verdedigde uw hart tegen den vijand; Ik was in uw binnenste, en Ik liet de aanvallen van buiten slechts in zoover toe, als zij tot uw heil konden strekken. Toen de 'tijd, voor de beproeving door Mij bepaald, verstreken was , heb Ik mijne stralen uitgezonden en de duisternissen der hel zijn verdwenen, daar zij niet aan het licht kunnen weerstaan. Hel) Ik u niet doen begrijpen, dat deze beproevingen nuttig waren om de sterkte te verkrijgen, dat gij ze met blijdschap volgens Mijn welbehagen moest verduren? Wijl gij ze van ganscher harte hebt aangenomen, daarom zijt gij door de openbaring mijner tegenwoordigheid daarvan bevrijd gebleven. Niet het lijden zelf, maar de wil, die het met moed verduurt, verheugt Mij. Om u, hetgeen Ik zeg, duidelijker te maken, moet gij overwegen, wat er met mijn menschelijke natuur geschied is. Toen mijn Lichaam leed en stierf aan hot kruis, toen het rustte in het graf, wie zou toen geloofd hebben, dat het leven innig daarmede verbonden was? Niet alleen de vreemdelingen en de boosdoeners konden het gelooven, maar ook de Apostelen, die zoo lang bij Mij geweest zijn. Hoewel mijn Lichaam niet het leven, dat de ziel geeft, bezat, had hot zonder twijfel dat almachtige leven, hetwelk de schepselen levend maakt. Toen het oogen-blik gekomen was, vereenigde dit leven mijn ziel met mijn lichaam en schonk daaraan een hooger bestaan, onsterfelijkheid, onlijdelijkheid en andere eigenschappen, die het nog niet had. Dit leven der Godheid verborg zich in mijn
61
menschelijke natuur, doch wanneer liet wilde, openbaarde het zijne macht. Zoo is het ook met u, die Ik naar mijn beeld en gelijkenis geschapen en aan Mij gelijk gemaakt heb door uw natuur aan te nemen. Altijd maak Ik u aan Mij gelijk, wanneer gij geen beletselen stelt; wat Ik gedurende mijn leven gedaan heb, tracht Ik in uwe zielen te hernieuwen, zoolang uw pelgrimstocht duurt. Derhalve, mijne welbeminde dochter, niet door uwe kracht, maar door de mijne hebt gij zoo kloekmoedig gestreden en zulk een overvloedige genade verdiend; voortaan zal Ik u veelvuldiger en gemeenzamer dan ooit bezoeken.quot; ')
Het visioen verdween. Catharina was overstelpt van vreugde en zoetheid, die geen taal beschrij ven kan; haar hart was als dronken van die woorden, welke de Heer tot haar gericht had: Catharina, mijne dochter! Zij verhaalde haren biechtvader, welk genot zij toen gesmaakt had, en verzocht hem dezelfde uitdrukkingen te gebruiken om in hare ziel die onuitsprekelijke zoetheid te vernieuwen. '1)
Sedert bezocht Christus haar met een gemeenzaamheid, die ongeloofelijk schijnt, wanneer men niet weet, wat er voorafging. Maar de ziel, die door ondervinding weet, dat de goedheid Gods alles, wat de mensch zich kan voorstellen, overtreft, zal het zeer mogelijk en waarschijnlijk vinden. De lieer verscheen haar dikwijls en bleef langen tijd bij haar. Nu eens vergezelde Hem Zijne Heilige Moeder, dan Sint Dominicus, somtijds beiden; dan Sint Maria Magdalena, Sint Johannes de Evangelist, Siut Paulus en andere Heiligen, afzonderlijk of te zameu, zooals Christus goedvond. Gewoonlijk echter kwam Hij alleen en onderhield zich met Zijne bruid als een vriend met zijn vertrouwdsten vriend. Blozend verhaalde zij aan Raymundus van Capua, dat de Heer dikwijls psalmen met haar bad en met haar in de cel op en neer wandelde. Aan het einde der psalmen placht zij de woorden âGloria Patri et Filio et Spiritui Sancto'quot; te veranderen in; âGloria Patri et Tibi et Spiritui Sancto.quot; 2)
1
Ibid.
2
») Ibid.
62
Zoo wisselt do oneindige goedheid Gods hare gavcn af in ioderen Heilige; allen weerspiegelen zijne volmaaktheden met een onuitputtelijke verscheidenheid en de verrassendste schakeeringen.
In dezen tijd leerde Catharina met de goddelijke hulp lezen. Nooit had zij het geleerd, maar wilde het toch gaarne kennen om de kerkelijke uren te bidden en de getijden te volgen. Met een harer zusters studeerde zij vlijtig het alphabet. Weken wijdde zij te vergeefs aan dien arbeid. Daar valt haar in deze kunst van den hemel te vragen. Op een morgen zeide zij in het gebed tot God: âHeer, zoo het U behaagt, dat ik kan lezen om het officie te zeggen en uwen lof te kunnen zingen, leer mij het, daar ik het alleen niet kan. Indien Gij het niet wilt, moge Uw wil geschieden; zonder spijt zal ik onwetend blijven en blijmoedig zal ik den tijd, die Gij mij geeft, aan de overweging besteden.quot; Voor het einde van haar gebed was zij zoo goed onderricht, dat zij alle soorten van schrift zeer vlug en zeer volmaakt las. Spellen kon zij evenwel niet, want zij kende nauwelijks de letters. God liet het toe om Zijn wonder te schitterender te doen uitkomen. Catharina verschafte zich getijdeboeken en begon de psalmen en het kerkelijk officie te lezen. Vooral leerde zij het vers, waarmede ieder uur begint; â Deus in adjutorium meum intende; Domine, ad adjuvandum me fes-tina.quot; Zij vertaalde het en herhaalde het zonder ophouden. Den zin van het brevier overwoog zij met aandacht. Nooit was zij ledig, maar bad, las en zong ook wel voor uitspanning. Zoo verwierf zij spoedig een wondervolle kennis der H. Schrift, bijzonder van het Nieuwe Testament. Ook sprak zij gaarne over het leven van Jezus Christus. Eten en slapen vergat zij bij deze zoete gesprekken. ')
Tegen de bekoringen gebruikte Catharina vooral drie middelen: het gebed; de overweging van Christus' lijden en een onverschrokken moed. âHet gebedquot;, zeide zij , âis een schild, dat ons beschut en verdedigt in den strijd; het gebed staalt de ziel in het heetst der beproeving; het gebed is de spijs, die alleen geest, vreugde en veerkracht schenkt.quot; Nuttige
') Legend. 1, 11.
63
wenken geeft zij hierover in hare brieven. â Ik spoor n aan om uw hart en uw geest op den gekruisten Jezus te vestigen. Zoek Hem, denk aan Hem, laat het uw geluk wezen steeds bij God te zijn door ecu ootmoedig en volhardend gebed; die oefening beveel ik u boven alles aan. Besteed er allen tijd aan, dien gij kunt, want het gebed is een moeder, die in de liefde Gods alle ware deugden voortbrengt. In het gebed leert de ziel zich zelve van alles te ontdoen en zicli met Christus te bekleeden. Daardoor zult gij de geuren der onthouding genieten, gij zult een zoo groote sterkte verkrijgen, dat gij de aanvallen van den duivel niet meer vreest, noch de weerbarstigheden van het booze vleesch, noch de vleitaal der schepselen , die u van uw heilige besluiten willen afbrengen. Tegen al deze vijanden zult gij sterk zijn, standvastig en volhardend tot den dood. In liet gebed vindt gij de liefde tot het lijden, die u aan den gekruisten Jezus gelijkvormig zal maken; gij vindt er een bovennatuurlijk licht, dat u op den weg der waarheid voorlicht. ') Gij moet de beproeving doorstaan, want niemand kan er zich van bevrijden door het ongeduld, 't Is gemakkelijk te zeggen; Ik kan, ik wil niet lijden. Gij moet altijd lijden; de tegenstand maakt het kruis slechts zwaarder door den eigen wil. In dien wil ligt alle moeielijkheid. Deze is evenredig aan den wil; neem den wil weg en gij neemt de moeielijkheid weg. En hoe zult gij dien wil wegnemen? Door de gedachte aan het Bloed van den gekruisten Jezus. Dit Bloed is zoo bekoorlijk, dat alle bitterheid zoet wordt bij de herinnering aan dit Bloed, en iedere last licht. Immers in het Bloed van Christus zien wij de onuitsprekelijke liefde, die Hij voor ons gehad heeft; uit liefde heeft Hij ons het leven geschonken en de genade teruggegeven, die wij door de zonde verloren hadden. In dit Bloed zien wij de grootheid Zijner barmhartigheid, wij zien, dat God niets wil dan onze zaligheid. O aanbiddellijk Bloed, dat de ziel dronken maakt, dat ons het geduld schenkt en ons omgord met het bruiloftskleed, waarmede wij het eeuwig leven moeten ingaan. Dat is het gewaad der liefde, zonder hetwelk wij van het hoogtij des eeuwigen levens ver-
i) 32.'i Brief.
04
dreven worden. Ju, in de gedachte aan dit Bloed vinden wij de blijdschap en vertroosting in al onze moeielijkheden en wederwaardigheden, in de herinnering aan het Bloed van Christus wordt de zinnelijke wil vernietigd. ') Wij zijn op een slagveld en wij moeten altijd strijden, op alle uren en op alle plaatsen. Wij hebben vijanden, die de stad onzer ziel belegeren: het vleesch met zijn ongeregelde lusten, de wereld met haar eerbewijzingen en vermaken, de duivel met zijn boosheid. Maar wij, wij moeten als koene ridders de stad verdedigen en bewaken, wij moeten de poorten sluiten
voor de ongeregelde neigingen____ De duivel met zijn listen
en lagen, die hij legt om de zielen in het verderf te storten, zal door de deugd van een waarachtige nederigheid overwonnen worden____ Het beminnelijke en teedere Lam, het
menschgeworden Woord, is onze kracht, van Hem komt al onze hulp. Hij heeft ons hoofd willen zijn en met Zijn ontwapende hand, aan het kruis gehecht en geklonken, heeft Hij al onze vijanden verslagen. Zijn bloed kleurt het slagveld om ons aan te moedigen, dat wij als wakkere ridders strijden, kloek en zonder vrees. De duivel is machteloos geworden door het Bloed van het Lam: hij kan alleen, wat God toelaat, en God laat nooit toe, dat de last boven onze krachten is.quot; quot;)
') 324 Brief. 275 Brief.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Hoe Catharina voortgang iu de deugd maakte. Haar wondervolle geestvervoeringen.
Ik weet, dat zoodanige mensch (hetzij in het lichaam, hetzij buiten liet lichaam).... opgevoerd werd in
liet Paradijs en geheimvolle woorden hoorde____
Over den zoodanigen zal ik roemen, maar over mij zal ik niet roemen, tenzij op mijne zwakheden.
2. Cor. XXI. lt;gt; afgrond van liefde, hebt gij mij meer kunnen geven dan u zeiven. Samenspr. e. 167.
1364.
ij zullen in dit hoofdstuk nog verschillende buiten-T gewone gunsten van Catharina mededeelen. Eerst willen wij evenwel eenige voorafgaande opmerkingen ranken, opdat niemand het bovenaardsche leven van Catharina schouderophalend in twijfel trekke. Dat leven steunde op gewone, zeer degelijke grondslagen.
Het was voor haar regel over het leven des Zaligmakers na te denken. Zij voelde zich op zachte, doch krachtige wijze tot een hartstochtelijke liefde voor en tot medelijden met de smarten van Christus opgewekt. Bij droefheid vond zij in de overweging dier smarten troost en sterkte. Daarin lag ook ongetwijfeld het geheim van hare zegepraal over den duivel. Zij werd niet moede anderen de oefening van een onafgebroken gebed aan te raden. Men kan in waarheid zeggen, dat haar gebc'd onafgebroken voortduurde, want zij hielil geen oogenblik op aan God te denken. Hare overwe-
66
gingen ontvingen stof en voedsel uit liet le/.en van geestelijke geschriften. Gestadig las zij in de H. Schrift. ')
Ondanks de groote waarde, die zij aan de overweging toekende, verwaarloosde zij het mondgebed niet. Zij bad de getijden, maar placht ook dikwijls schietgebeden te doen. Een van de meest geliefkoosde waren de woorden : ,, Ik heb gezondigd. Heer, ontferm U mijner!quot; /ij sprak ze steeds aan het einde barer gebeden met gevouwen handen en gebogen hoofd uit. Deze gewoonte liet zij ook op haar sterfbed niet na, want meer dan zestigmaal riep zij die woorden uit. Zij bad niet veel tegelijk, maar zij placht bij liet bidden en bij het lezen ieder woord als liet ware te smaken, te wegen en er voedsel voor hare ziel uit te trekken. Op het laatst kon zij geen Onze Vader bidden, of zij geraakte in geestvervoering.';)
Hare gebeden waren hoewel verheven, toch eenvoudig en degelijk. Nooit verzuimde zij om de deugden van haar stand te bidden, vooral om de waarheid en een volmaakte liefde. Nu eens vroeg zij de standvastigheid, dan de zuiverheid des harten. Gedurende haar geheele leven beoefende zij het smeekgebed; zij vroeg dan voor zich en voor anderen bijzondere genaden en volhardde uren bij dezelfde beden. Met zuchten en weenen wendde zij zich tot den Heer en sprak met een kinderlijk vertrouwen: âHeer, ik wijk niet van Uwe voeten, tot Uwe genade mij geschonken heeft, wat ik vraag.quot; Nochtans zeide zij dikwijls, dat zij slechts dan op deze wijze waagde te bidden, wanneer zij uit onbedriegelijke teekenen kon afleiden, dat bet verlangde met den wil van God overeenstemde. :1)
Catharina's wasdom in de volmaaktheid ontwikkelde zich natuurlijk, geleidelijk, trapsgewijze. Niet in eens, niet zonder veel strijd, veel zelfverloochening, veel oefening besteeg zij den heiligen berg Sion. Zoo brengt de boom eerst bladeren, dan bloemen, dan vruchten voort. En daar de genade de natuur niet vernietigt, maar volmaakt, behield zij de natuurlijke neigingen en gevoelens van liefde, mededoogen, vriend-
â Supplem. Lj 1. â Process. 140.
â II, 3.
67
schap, opgeruimdheid of smart. De dagelijksche zelfverloochening sloot een zekere verheffing van gedachten, een zekere waardigheid, netheid en beminnelijkheid van persoon niet uit. Daarom mogen wij up haar de volgende trekken der H. Schrift toepassen: Schoon van gestalte zijt gij voor de kinderen der menschen, bevalligheid is uitgestort op uwe. lippen t) Uio woord zij altijd hermnnelijk, met zout gekruid, opdat gij weet, wat gij aan een ieder moet antwoorden. quot;) Trekt aan als uitverkorenen, heiligen en geliefden Gods een hartelijk medelijden, goedheid, ootmoed, zachtzinnigheid, geduld. :i)
Die geleidelijke ontwikkeling blijkt onder anderen uit het volgende verhaal. Op een feest van het Heilig Kruis voelde zij, terwijl zij de onmetelijke liefde overwoog, welke in het lijden van Jezus Christus zich openbaarde, hoe zij als ge-wasschen werd in Zijn dierbaar Bloed, voor onze verlossing door Hem vergoten. Nu verscheen haar de Heer met een gouden kruis, dat Hij haar met de woorden overreikte: âNeem dit kruis mijne dochter en volg Mij.quot; Na weinige schreden kwamen zij bij een hooger en grooter kruis. De Hoer beklom het en zeide: âBreng uwe lippen aan de wonde in mijne zijde.' Zij deed liet met een onbeschrijfelijk gevoel van troost. Toen nam Hij haar bij de hand en trok haar altijd hooger, tot haar gelaat op dat van haren Bruidegom rustte, leerde haar, dat deze drie trappen drie verschillende toestanden der ziel beteekenden , en besloot: âWanneer gij de derde en laatste trap bestegen hebt, dan zult gij mijne omhelzing met volle rust en zekerheid genieten, want op deze wijze maak Ik mijne uitverkorenen reeds zalig, voor Ik hen tot mijn rijk roep. Daar nu Catharina reeds in hare jeugd den eersten en den tweeden trap bestegen had, bereikte zij eindelijk den derden, of de hoogste vereeniging met God, welke in de Heilige Schrift onder het beeld van een omhelzing of een kus voorgesteld wordt. Dientengevolge ontving zij reeds in deze wereld een onveranderlijke rust en zekerheid. Ondanks menigvuldige ziekten, ondanks afschuwelijke laste-
') I's. 44, â â¢). quot;) Coloss. 4, G. :{) Coloss. 12.
(58
ringen, ondanks vele voor haar leeftijd en haar kunne te zware offers was zij nooit ontsteld. Zij verlangde niets dan van de kluisters des vleesches ontbonden en met haren Bruidegom vereenigd te worden. Maar Hij stelde dit nog eenigen tijd uit om zich in gewichtige aangelegenheden der Kerk van haar te bedienen. Het gevoel van matheid, dat haar somtijds overviel, verjoeg zij met het blijde vooruitzicht, dat zij weldra zoude sterven, en met een volkomen overgeving aan den wil van God. Daarom was zij ook zoo gaarne bij de begrafenissen der dooden tegenwoordig en verheugde zich bovenmate , wanneer zij vernam, hoe een heilige ziel in den vrede des Hoeren was ontslapen. ')
Schoon nu Catharina langs den gewonen weg, door de gewone oefeningen en gebeden tot de volmaaktheid is opgeklommen , was toch hare leer niet door eigen middelen verworven , maar door God ingestort. Hierop wordt uitdrukkelijk in de bul der heiligverklaring gewezen. Wanneer hare geestvervoeringen ophielden, sprak zij met zulk een wijsheid en kennis van de goddelijke zaken, dat zij alle geleerden overstraalde.
Door de schepselen klom Catharina op tot haren Schepper. Al het zichtbare diende om haar geest en haar hart met godvruchtige overdenkingen bezig te houden. Wat zij hoorde, wat zij zag, alle schepselen weerspiegelden voor haar de volmaaktheden des Scheppers, Zijne barmhartigheid. Zijne rechtvaardigheid en Zijne majesteit. Zij bewogen haar om Hem aanhoudend te loven en te beminnen. Een plant, een miertje was haar genoeg om Gods werken te bewonderen. âDeze diertjes,quot; zoo zeide zij , â zijn voortbrengselen van Gods heilige gedachte even als wij; om hun liet aanzijn te geven heeft hij zooveel zorg besteed als om de engelen te scheppen.quot; Zag zij weiden in den bloei, dan riep zij uit: â Zie en bewonder, hoe alles God verheerlijkt en Zijn lof verkondigt. De roode bloemen, die daar ontluiken, wijzen ons op de rooskleurige wonden van Jezus.quot; Dikwijls zag men haar peinzend staan bij bloemen. Na ze een poos beschouwd te hebben, richtte zij aangezicht en oogen hemelwaarts, drukt hare armen krui-
') Supplem. II, 3.
sclings tegen de borst en scheen don Schepper dezer planten te prijzen. In deze houding van aanbidding hoorde men haar dikwijls op vollen en wollnidenden toon lofzangen zingen, die haar door den Heiligen Geest schenen ingegeven te worden. Op die oogenblikken van zoete aandoening glinsterden hare oogen van een hemeLsche klaarheid en straalde haar gelaat van een hemelsch licht. Men kon haar dan niet zien, of men werd door de aantrekkelijkheid der goddelijke liefde, waarvan zij overstroomde, medegesleept.
Eens stond zij des nachts voor het venster en beschouwde de schoonheid Gods in het met sterren bezaaide azuren uitspansel. Plotseling hoort zij in het hoogste der hemelen een nieuwe en onuitsprekelijk welluidende muziek. Dat gezang streelde hare zintuigen en haar geestvermogens; zij scheen niet meer in de ellende dezer aarde te verwijlen, maar reeds tot de geneugten van liet eeuwig vredehof opgevoerd te zijn. Een ander maal bevond zij zich met eenc der zusters op een buitenplaais bij Siena. Zij geraakte in geestvervoering en men kon haar niet liet minste woord ontlokken. Toen zij tot haar zelve was gekomen, begon zij mot volle en doordringende stem te zingen. Hare gezellinnen smaakten ook de bovennatuurlijke vertroostingen , die zij voortdurend genoot. Deze vertroostingen verkwikten niet alleen hun ziel, maar ook hun lichaam, gedurende drie dagen dachten zij er niet aan om liet geringste voedsel te gebruiken. Zij keerden naar de stad terug en zongen onophoudelijk lofliederen, ondanks de stortbuien, die er vielen en de wegen onbegaanbaar maakten. ')
Catharina hield zeer veel van bloemen. Voor zij in het openbaar optrad, wekte de goddelijke liefde dikwijls een soort van heilige zwaarmoedigheid in haar op. Dan zocht zij , door aardsche bloemen omgeven , die de pijnen van haar hemel-schen Bruidegom vertegenwoordigden, vertroosting in het zingen van liederen. Met een bewonderenswaardige kunst en fijnen smaak maakte zij al zingend uit bloemen ruikers en kruisen, die zij uitdeelde om de liefde tot Jezus Christus in de harten te ontsteken. Uit alles wist zij gelijkenissen te
') Supplnm. I . 2.
7()
trekken, die zij op deugden of iets stichtends toepaste. Zij zag in de lelie het zinnebeeld der zuiverheid, in de roos de liefde, in de viooltjes den ootmoed. ')
Zoo leerde Catharlna het onzichtbare van God in de overweging van het zichtbare kennen. Zij scheen op den weg der beschouwing van Gods goedheid, schoonheid en heiligheid niet. te loopen, maar te vliegen. Geen wonder, dat zij zich meer en meer boven het geschapene verhief en geheel en al in de kennis en de liefde van haren Schepper verslonden was. Catharina bad altijd geknield zonder stoel of leunbank. Somtijds had zij hare handen gevouwen en een weinig opgeheven, somtijds de armen zoo hoog mogelijk hemelwaarts uitgestrekt, somtijds kruiselings tegen de borst gedrukt; nu eens waren de oogen neergeslagen en het hoofd voorovergebogen, dikwijls evenwel naar omhoog gericht. Dan staarde zij onbewegelijk, alsof zij den hemel open eu God op den troon Zijner majesteit zag. Gewoonlijk bleef zij in deze houding, wanneer zij van de aarde werd opgeheven. Bij voorkeur zocht zij een verborgen hoek op, zoo dicht mogelijk bij een altaar, om daar ongestoord te bidden.
Geen schepsel was in staat de zoetheid van haar verkeer met Christus te storen. Het vuur verheft zich van nature naar den hemel; hare ziel steeg door de kracht der genade op tot Jezus Christus in voortdurende geestvervoeringen. -) Deze vielen haar te beurt op alle plaatsen, op alle tijden, in hare kamer of in de kerk, wanneer zij door de straten van Sic na ging, buiten door do velden wandelde of ergens stilstond, als zij alleen was of in het bijzijn van anderen, dikwijls onder het gebed en na de H. Communie. Alle dagen gedurende lange jaren voelde zij zicli tegen den avond door een geheime kracht tot God getrokken; zij kon geen weerstand bieden aan het vuur van den H. Geest, dat haar ontvlamde. Nauwelijks begon zij te bidden en dacht zij aan haren hemelschen Bruidegom , of hare ziel maakte zich los van het aardsche. Die toestand duurde nu eens langer, dan
') Process. Dcpos. Fr. Thomae Cattarini no. 5.
â â ,, Bartholomaei de Siena no. 1.
-) Legend., II, '2.
71
korter, naar omstandigheden; soms twee, soms drie, gewoonlijk zes uren; soms dagen, ja, om zoo te spreken, hij hield niet op '). Dan onttrok haar geest zich zooveel mogelijk aan het aardsche. De zintuigen staakten hun werking. De uiteinden van het lichaam, do voeten en de handen, trokken zich samen en werden ongevoelig; de vingers omknelden krampachtig, wat zij konden vastgrijpen; eerder had men ze verbrijzeld dan losgemaakt. De oogen waren gesloten, de ledematen strak en onbuigzaam. Armen en hals verstijfden zoo zeer, dat men gevaar liep ze te breken, wanneer men ze aanraakte. Moeder Lapa, die niet veel van geestvervoeringen verstond, zag hare dochter eens in dien toestand en wilde haar hoofd, dat een weinig voorover helde, opbeuren. Doch zij bedacht zich, omdat de gezellin van Catharina haar waarschuwde hot niet te doen. Toen Catharina tot haar zelve gekomen was, had zij hevige pijn in den hals. Men scheen er met geweld op geslagen te hebben. Later verzekerde zij, dat Lapa haren hals zeker zoude gebroken hebben, wanneer zij nog eenigo pogingen had aangewend om hem recht te buigen. Catharina hoorde, zag, smaakte, rook of gevoelde niets, hoe sterk de aandoening ook was. Men kon haar aanraken, schudden, slaan, met naalden steken, zij gaf geen toeken van gevoel en verroerde zich niet. Zij kon niet spreken met de omstanders, maar onderhield zich nu luid, dan zacht met haren Bruidegom. Een ijzeren keten, dien zij om de lendenen droeg, was diep in het vleesch gedrongen. Een der Zusters nam haar dien af, doch zij voelde er niets van, ofschoon de pijn zeer groot moest wezen. Zoozeer verloor zij het gebruik der zinnen. Dikwijls baadde zij in een bloedig zweet, veranderde plotseling van kleur en werd nu eens wit als sneeuw, dan rood als vuur. Hi iar biechtvader vroeg haar eens bij zulk oen gelegenheid naar de oorzaak van die verandering. Zij wilde antwoorden, doch kon het niet, zij kon slechts weenen. Hij bemerkte, dat hare tranen met bloed gekleurd waren. Somtijds verhief zij zich in de lucht boven den grond zonder eenigen steun ,
') Legend. II, 21. â 11. 6. â Supplem. V. 12. â Process. Dcpos. Bartholom. de Siena u0. ó.
als wilde haar lichaam de smart en de richting harer ziel volgen, en hleef langer of korter zweven; dan weder zakte zij zachtjes ineen gelijk iemand, die in onmacht valt. In moeilijke omstandigheden beoefende hare ziel niet grooter inspanning het gebed en deed zulke geweldige pogingen om zich naar den hemel te verheffen, dat haar lichaam de aarde verliet ondanks de wetten der zwaartekracht. God had aan Zijn getrouwe bruid zulk een macht en zulk een innige gemeenschap met Hem geschonken , dat zij dikwijls in hare gebeden zeide; âIk wil liet.quot; En aanstonds scheen haar lichaam te gehoorzamen. Dit was evenwel te uitgeput en te verzwakt door de voortdurende inspanning en beschouwing, te verheven voor een aan het stof gekluisterd verstand, dat het als een vermolmd gebouw ineenstortte, zoodra de boven-aardsche kracht ophield te werken. ')
Tengevolge van deze geestvervoeringen verminderde hare krachten aanmerkelijk. Dikwijls kon zij nauwelijks gaan en moest het bed houden. Daar echter hare zwakte bovennatuurlijke en geheime oorzaken had, was zij somtijds plotseling hersteld en gevoelde die matheid niet, welke met de genezing gepaard pleegt te gaan. Hare lichamelijke ziekten verstoorden nooit haren vrede; men zag haar altijd opgeruimd en hare ziel was zoo kalm, alsof zij eene volmaakte gezondheid genoot. In hare veelvuldige kranktcn en bezwijmingen was zij vernuftig en vindingrijk om zich te verootmoedigen. Hadden de pijn en de koorts haar afgemat, dan zeide zij beschaamd tot haren biechtvader: âMijn vader, wat kunt gij met deze nuttelooze dienstmaagd beginnen, die niettemin met de kostbaarste gunsten van Christus, haren Bruidegom, overladen wordt? Help mij, ik bezweer het u, opdat ik aan zooveel liefde beantwoorde en Hum altijd voor Zijn onuitsprekelijke goedertierenheid danke.quot;
Zeker is het, dat deze ziekten bovennatuurlijke oorzaken hadden; de bewijzen daarvoor zijn zonneklaar. Vooreerst ontstonden hare flauwten en kwijningen uit het gewold, dat zij deed, wanneer God haar tot zich trok met al de ver-
*) Legend. 11, 2. â 11, 6. â Supplem. 11. 7. â V, 3â4. â V, 2. Process. J)epus. Stcpliani Msiconi. n®. 12.
mogens van haren geest en van haar lichaam. Slechts door een wonder doorstond zij dien gedwongen toestand, liet tweede bewijs is hare verbazende onthouding. Zij nam bijna geen voedsel, ja, gebruikte dikwijls volstrekt niets; zij wilde het zelfs niet proeven, al werd het haar door de gehoorzaamheid opgelegd. Eindelijk vond zij in gesprekken met anderen geen verlichting om uit te rusten van het onafgebroken verkeer met God. Wanneer haar biechtvader haar gebood hare afzondering te verlaten en het gezelschap van brave lieden niet te ontvluchten, gehoorzaamde zij onmiddellijk en bereidwillig; zij vond daarin evenwel geen uitspanning, maar last en vermoeienis. Haar eenigst verlangen was God. Wanneer zij haren biechtvader smeekte haar van die hinderlijke betrekkingen te verschoonen, placht zij hem te herinneren, dat Maria Magdalena, de welbeminde bruid van Christus, zelfs met de engelen niet wilde spreken en tot hen zeide; âBij uwen Schepper en den mijnen vindt het hart alleen de volmaakte vreugde, die het voldoen kan.quot; ')
Wie zal beschrijven, wat er tusschen Catharina en haren Schepper gedurende hare geestverrukkingen omging? Zij onderhield zich gemeenzaam met de Eeuwige Wijsheid, zegt Cafifarmi. -) Wij geven hier het woord aan Catharina zelve.
âW 'anneer de ziel met geestdrift naar de deugd streeft langs de brug der leer van den gekruisten Jezus en aan de goddelijke poort komt, verheft zij haren geest tot mij. baadt zich en drenkt zich in mijn Bloed; zij brandt van het vuur dei-liefde en geniet in mij de Godheid zelve. De ziel dompelt zich zoozeer in dezen onbewegelijken oceaan, dat zij slechts aan mij kan denken. Reeds in haar sterfelijk leven smaakt zij het gekdc der onsterfelijkheid en ondanks den last van haar lichaam ontvangt zij de geneugten des geestes.
Dikwijls wordt haar lichaam van de aarde opgeheven dooide volmaakte vereeniging der ziel met mij, alsof het lichaam reeds hemelsch was geworden. liet heeft zijn zwaartekracht niet verloren, doch daar de vereeniging der ziel met mij volmaakter is dan haar quot;ereeniging met het lichaam, beurt de
') Supplem. V, 7â8. quot;) Supplem. V, 12.
74
kracht vim den geest, die op mij gericht is, het gewicht van liet lichaam op van de aarde, en dit blijft onbewegelijk door de liefde der ziel.
Ik onderbreek voor eenigen tijd deze vereeniging der ziel met Mij en ik laat ze in de woning van haar lichaam terug-keeren; de zintuigen, die door het vuur der ziel ongevoelig waren geworden, hervatten bun levenswerkingen. Want de ziel wordt slechts door den dood volkomen van bet lichaam gescheiden; door de liefde, die haar met Mij vereenigt, verliest zij alleen hare krachten. Het geheugen bevat niets anders dan Mij; het verstand beschouwt geen ander voorwerp dan mijne waarheid, en de liefde, die bet verstand volgt, bemint, wat liet verstand ziet en vereenigt zich alleen daarmede. Al hare vermogens zijn verbonden, gedompeld en verslonden in Mij. Het lichaam verliest allo gevoel. Het oog ziende ziet niet, het oor boorende hoort niet, de tong sprekende spreekt niet.
De liefde van Paulus, gelijk die van mijne overige ware dienaren, was niet onvolmaakt, wat de genade en de toeder-heid betreft, onder dit opzicht was zij volmaakt, maar zij was onvolmaakt, omdat bij zijn liefde niet kon verzadigen. Dat was baar lijden. Indien hij zijn verlangen naar hetgeen hij beminde bad kunnen bevredigen, zou bij geen smart gehad hebben; maar hij leed, omdat de liefde, zoolang zij in een sterfelijk lichaam is, niet volkomen bezit, wat zij bemint.quot; ')
Ontelbare personen uit alle standen en plaatsen waren getuigen van deze geestvervoeringen, waaruit alleen do stem der gehoorzaamheid Catbarina tot het bewustzijn kon terugroepen. Allen werden vervuld met aanbidding voor God, met eerbied voor deze uitverkoren maagd, met liefde tot de deugd, met welriekende, zoete geuren, die dikwijls van Catharina uitstroomden. Raymundus van Capua verzekert, dat bij en de overige broeders baar wel duizendmaal in geestverrukking gezien hebben; ook bare andere leerlingen bevestigen dit. Dientengevolge werd zij aanhoudend door personen lastig gevallen, die, betzij uit nieuwsgierigheid, hetzij uit
Samcnspr. c. 71'.
godsvrucht haar gadesloegen. Velen verzochten haren biechtvader hun toegang tot hare kamer te verleenen, wanneer zij in geestverrukking was, of zochten hare omgeving over te halen Catharina onder voorwendsel van een werk van barmhartigheid naar een plaats te brengen, waar zij getuigen van het wonder konden zijn. Hare verlegenheid was daarom zoo groot, omdat zij mat in staat was te verhinderen, dat de werking van hare lichamelijke vermogens ophield. Want alleen de gedachte aan God kon dit bewerken midden in de geringste bezigheden. Gebeurde dit in het bijzijn van vreemden , dan geraakte zij in de grootste verwarring. Meermalen zeide zij tot haren biechtvader : â Gij ziet, vader, dat ik niet in staat ben mij met anderen te onderhouden: sta mij dus toe, ergens anders heen te gaan.quot; Weigerde hij dit, dan was zij nooit ongehoorzaam, maar neigde het hoofd en onderwierp zich gewillig. Een der zusters zag haar in geestverrukking. Zij naderde om hare armen aan te raken, maar zij voelde, dat zij stijf waren. De Heilige was opgeheven in de lucht en zij bleef in deze houding gedurende eenigen tijd zonder steun en zonder de aarde te raken, /ij sprak in hare vervoering met God, en hare woorden waren zoo zoet, dat de ziel der zuster met troost overstelpt werd. Ziende hoe Catharina weende te midden van deze hemelsche geneugten, kon zij zelve hare tranen niet weerhouden. Toen Catharina tot haar zelve kwam, baadde zij in hare tranen en in een koud zweet, door de verzwakking des lichaams veroorzaakt, hetwelk deze beschouwing, te verheven voor een verstand, aan het stof gekluisterd, niet kon verdragen. Pater Nicolaas de Cascina, kwam van Pisa naar Siena, kwansuis voor zaken, maar waarschijnlijk oin Catharina te bespieden. Hij haalde pater Thomas over hem in het huis van haren vader te brengen. Hij vond haar in geestverrukking. Zij scheen een standbeeld te zijn, waarvan alleen de menschelijke gedaante was overgebleven. Zij kon niet hooren noch met hen spreken. Plotseling zagen zij hoe zij zacht in de hoogte geheven en als door een onzichtbare hand vastgehouden werd. Nu vernamen zij de volgende verzuchtingen uit haren mond: âO onschatbare barmhartigheid, o eeuwige waarheid! Wanneer zal ik het geluk hebben iets voor Uwe glorie te lijden? Maar indien
76
Gij in dezen wensch eenige ijdelheid of eigenliefde vindt, verwoest hem, vernietig hem. ruk hem uit mijn hart.quot; Met eerbied en heiligen schroon luisterde pater Xicol aas naar deze woorden en raakte haar eerbiedig met een der vingers aan. Deze zachte aanraking deelde aan zijn hand een wonderbaren geur mede. Hot scheen hem toe, dat hem daardoor naar het lichaam en naar den geest een zekere kracht en rust ingestort werden.
Niet zelden ontvingen personen, van wie het zeker was, dat zij niet enkel uit nieuwsgierigheid handelden, van pater Thomas verlof zich te verbergen om Gatharina in verrukking te zien. Herhaaldelijk werden zulke personen door het gezicht der in het gebed verslonden Heilige zoo vermorzeld, dat zij volkomen van levenswandel veranderden. Nadat zij zich verwijderd hadden en Gatharina tot zich zelve gekomen was, vroeg zij haren biechtvader; âWie waren de personen, die gij zoo even hier gebracht hebt ? quot; Hij hernam ; â Hoe weet gij, dat ik iemand bij mij had?quot; Zij antwoordde met diepen ernst; ,, Die en die personen zijn met u hier geweest om mij in dezen toestand te zien.quot; ')
Volgens de getuigei.issen barer biechtvaders en van andere geloofwaardige personen, willen wij in het volgende hoofdstuk eenige visioenen van Gatharina mededeelen; zij verhaalde ze aan haren zielbestuurder, die ze iederen dag getrouw op-teekende.
') Snpplom. I, 2. â II, 3, 4. â IJL 3. ') Supplcm. 11; 1.
ACHTSTE HOOFDST UK.
Wonderbaar verkeer van Cathariua met Christus en de Heiligen. Beoordeeling liarer visioenen.
Die Mijne geboden heeft, en die onderhoudt, hij is
liet, die Mij liefheeft____ Ik zal hem liefhebben en
Mij zeiven aan hem openbaren. Joh. XIV, 21.
Ik heb ii gezegd , dat het teeken van Mijn bezoek was de vreugde, die Ik in de ziel achterlaat en de honger naar de deugd, dien zij gevoelt, de gevoelens van een oprechte nederigheid en het vuur der goddelijke liefde. Samenspr. c. IOC.
1364.
(i
\£/p zekeren dag was Catluirina in de kerk der Predik-hoeren. Nu verscheen haar de Heilige Dominicus en onderhield zicli gemeenzaam met haar. Vervolgens begeleidde hij haar van de kerk naar het huis haars vaders, troostte en bemoedigde haar met groote goedheid. Catharina was zoo gelukkig, dat zij wenschte te sterven om met Sint Dominicus naar het hemelsch vredehof te gaan. Een andermaal zag zij plotseling in dezelfde kerk gedurende het gebed Jezus Christus naast haar; uit Zijne borst straalde een verblindend licht, waarvan de glansen de ruimte der kerk vervulden. Dit gezicht overstroomde het hart der maagd met een onuitsprekelijke vertroosting. Dra verdween het licht en de Heer voerde haar in den geest naar den hemel en liet haar eenigen tijd de vreugde der gelukzaligen smaken. Dit vervroegde genot van hun geluk deed haar met spijt naaide ellende der wereld terugkeeren; doch haar welbeminde
Bruidegom antwoordde haar, dat Hij aan haar verlangen niet kon voldoen; zij moest zich tevreden stellen met Zijn zegen, dien Hij haar als een zeker onderpand Zijner Goddelijke halp gaf. Nadat zij hot gebruik harer zinnen terug ontvangen had, bevond zij zich alleen in de kerk. Terstond ging zij heen, want het gewone uur van huiswaarts koeren was reeds voorbij. Onderweg scheen zij dronken van de fontijn des eeuwigen levens en de vloeden der hemelsche geneugten. Zij zag niet waar zij liep, als werd zij door een bovennatuurlijke kracht geleid. ')
Eens bad zij geknield in hare kleine cel. Daar voelt zij plotseling een sterke drukking op haar hoofd. Hierover verbaasd, stond zij dadelijk op. Nu zag zij, hoe zij zich aan de linkerzijde van Jezus Christus bevond, die Sint Dominicus aan Zijn rechterzijde had. Haar hart werd in liefde ontstoken en zij begon zacht te zingen. De Heer en Sint Dominicus antwoordden op hare liederen en z oo zetten zij alle drie eeni-gen tijd dat hemelsch koor voort. De genaden, die de reine ziel van Catharina overstroo inden, deden haar naar hare ontbinding verlangen om het eeuwig geluk te genieten. Eens wandelde zij buiten de stad en dacht volgens hare gewoonte aan Grod. Nu bemerkte zij in het Goddelijk licht een lam, witter dan de sneeuw; alle gelukzalige geesten van het hemelsch Jeruzalem volgden, het en zongen blijde lofzangen van een ongekende welluidendheid. !)
Zij smeekte eens met meer vurigheid dan ooit om het bruiloftskleed der zuiverheid naar ziel en lichaam voor zich en voor twee andere zusters. Haar Bruidegom en Meester, de zoete Jezus, toefde niet haar te verhoeren; Hij verscheen haar, door Zijne glorierijke Moeder Maria en den Heiligen Vader Dominicus vergezeld. :!j
De engelen , die de gebeden der rechtvaardigen als geurigen wierook aan God opdragen, gaven aan Catharina door zichtbare teekenen te kennen, hoezeer de hare aan Grod behaagden. Terwijl zij bad, verscheen haar een engel; hij droeg
') Supplem. II, 1. â¢!) Supplcm. II , 'â ') Snpplem. II ,
79
uen frissehcu krans van welriekende leliën. Hij moest haar hoofd daarmede kronen als een belooning voor haar ongeschonden zuiverheid. Deze hemelsche leliën overtroffen de aardscho ver in geur en blankheid. De Heilige vond geen uitdrukkingen om hun schoonheid te schilderen. Zij behoefde slechts te denken aan dien kostelijken krans, om inwendig zulk een groote vreugde te gevoelen, dat zij in bezwijming viel en het gebruik barer zinnen verloor. ')
Een der gezellinnon van Catharina, die haar vertrouweling was, verhaalde aan haar eigen biechtvader, hoe zij haar eens bezocht en boe zij toen over de volmaaktheid en goedheid Gods begonnen te redekavelen. Midden onder dit vertrouwelijk gesprek stond Catharina op, liet hare vriendin alleen en ging in een hoek der kamer bidden. Weldra drukte haar gelaat een buitengewone blijdschap uit. Het werd bedekt met tranen. Hare medezuster hoorde haar zuchten en stond verbaasd over die verandering. Haar gezicht was niet meer kalm, maar geheel ontgloeid. Eindelijk herkreeg zij het gebruik der zintuigen. Hare gezellin was natuurlijk nieuwsgierig om te weten, wat er gedurende die plotselinge verrukking was voorgevallen. De Heilige wilde het niet zeggen en antwoordde, dat zij het alleen aan haren biechtvader zoude mededeelen. Deze teekende lederen dag op, wat haar wedervoer. Zij verklaarde nu aan haren biechtvader, dat hare blijdschap uit het onbeschrijfelijke geluk van haar hart voortsproot, toen zij Jezus Christus zag, die haar de wonde Zijner zijde toonde. âDeze zoetheid,quot; zeide zij, âkan het verstand niet begrijpen , tenzij een bijzondere genade van boven het verlichte, maar de taal der menschen kan ze niet uitdrukken.quot; Haar hart, niet in staat om zooveel vreugde te dragen, had hare verzuchtingen niet kunnen weerhouden. Nu trok Catharina zich in een hoek der Predikheerenkerk terug om beter te bidden, en ook daar overstroomden haar dezelfde geneugten, dezelfde vertroostingen. Meer en meer verdiepte zij zich in het gebed. Daar zakt zij eensklaps ineen. Men snelde toe om haar te helpen en vond haar in tranen badende. Zij kon geen woorden vinden om haren
,N) Supplem. II. fi.
biechtvader de zoetheden to schilderen, welke zij in die oogenblikken gesmaakt had. ')
Een andermaal ontving zij in hare kleino cel een bezoek van den Apostel .Tacobus den Meerdere, begeleid door Maria Magdalena. De eene bevond zich aan hare rechter-, de andere aan hare linkerzijde. Zij was gelukkig in dit heilig gezelschap. Maar toen zij Jezus Christus bij zich zag en zoo dicht, dat Hij haar scheen aan te raken, riep zij in haar geluk uit: âO, welk een oneindige liefde en teederheid heeft God ons getoond, die ons Zijn Woord, Zijn eenigen Zoon, heeft geschonken, welke Hij boven alles lief had! En Hij heeft Hem ons geschonken om ons te verlossen, terwijl Hij Hem niet heeft overgeleverd om de engelen te redden.quot; 2)
Daar zij onophoudelijk met God alleen wilde zijn, zeide zij dikwijls tot haren biechtvader: âGij ziet wel, mijn vader, dat ik niet met de menschen kan verkeeren, wanneer ik door Jezus, mijn Zaligmaker, geroepen word; ik bid u derhalve ootmoedig, geef mij nooit verlof om uit te gaan.quot; Zij vroeg om deze gunst, omdat hare gezellinnen haar nu en dan op plaatsen en bij personen brachten, waar zij hoopten, dat hare hemelsche wijsheid nuttig en voordeelig voor de toehoorders kon zijn. :i)
Op den vooravond van het feest van Sint Dominicus zag Catharina in een geestverrukking den Heiligen Patriarch met heerlijkheid omstraald. Een menigte dienaren Gods, welke de Predikheerenorde aan de Kerk en der. hemel had geschonken, scheen er uit zijn hart te komen. De H. Petrus martelaar en de H. Thomas overtroffen al de anderen in luister. Nog genoot zij het geluk dezer verschijning, toen zij een oogenblik verstrooid werd, daar zij hare oogen op iemand, die in de kerk kwam, liet vallen. Deze lichte fout betaalde zij duur. Terstond verdween de verschijning. Zij zeide haren biechtvader, dat hare welbeminde Moeder Maria haar streng over hare zwakheid berispt had. â Ik werd hierdoor zoo vernederd,quot; voegde zij er bij, âdat ik ver-
') Siipplera. II, 9â10. 2) Supplem. II, 11. :J) Supplem. II, II.
81
wonderd sta van schaamte en droefheid niet gestorven te zijn.quot; Zij was en bleef ontroostbaar, alsof een onherstelbaar ongeluk haar getroffen had. â Zie, eerwaarde vader,quot; sprak zij tot haren zielbestuurder, â hoe krank en ellendig ik ben. Ik was de schuld, dat dit visioen, hetwelk mijne ziel met eene onuitsprekelijke zoetheid vervulde, mij onttrokken is. Ach, ongelukkige! Was ik op dat oogenblik gestorven, mijne ziel zou het geluk niet gehad hebben God onmiddellijk te loven en te aanschouwen.quot; Dit leedwezen duurde de gansche maand Augustus voort. En alsof Jezus Christus zich over deze onachtzaamheid eenigszins beleedigd wilde toonen, verscheen Hij in deze maand niet meer aan haar. ')
In de kerk der Predikheeren overwoog Catharina in stilte de geheimen der Menschwording van Christus. Plotseling wordt zij door een hemelsch licht bestraald. Nu ziet zij in Jezus Christus iets noogers en verheveners dan alleen Zijne menschheid: Zij ziet in hem de volheid der liefde, der goedheid , der barmhartigheid, der zachtmoedigheid, der gelukzaligheid , een volheid zoo overvloedig, dat zij geen uitdrukkingen kon vinden om ze te schilderen. Dikwijls riep zij haren biechtvader te hulp om haar door zijne gebeden van God de genade te verwerven, dat zij aan hem en aan anderen de onmetelijkheid van het geluk, in Jezus Christus verborgen, kon verklaren. âIndien gij deze genade voor mij verkrijgt,quot; zeide zij, âverschaft gij mij een groot genot, want dan zal ik beter mijnen God kunnen loven. In dezen toestand kan mijn tong u niet zeggen, wat de Heer in het verborgene mijner ziel heeft uitgewerkt.quot; 'quot;)
Op zekeren dag verliet zij door een ingeving van boven het ouderlijk huis en wilde naar het klooster der Heilige Martelaren Abbonde en Abbondanze, meer dan een mijl van de stad gelegen, gaan. Twee barer dierbaarste vriendinnen begeleidden haar. De Heilige leed aan een verkoudheid. Hare zijden waren zeer opgezwollen. Die omstandigheid maakte den weg uiterst moeilijk. Doch de liefde dreef haar. Zij bereikte haar doel onder de klaarblijkelijke bescherming
') Supplem. IV. 11. -) Supplem. II. 1 â¢'!.
82
des hemels. Nauwelijks was zij buiten, of zij bemerkte op den weg den Apostel Paul us en Maria Magdalena, die haar te gemoet gingen om haar te ondersteunen. Hun tegenwoordigheid schonk haar dadelijk kracht en zij begon zoo snel te loopen, dat de twee anderen haar ter nauwernood konden volgen. Zij kwamen op een plaats, waar Jezus Christus op haar scheen te wachten. Hij toonde haar, als bewijs Zijner liefde, de bloedende wonde Zijner zijde. Catha-rina kreeg nieuwen moed bij dit gezicht; zij begon daarom te loopen tot groote verbazing van hare gezellinnen, die haar niet konden inhalen. Het overige gedeelte van den tocht, dat lang en moeielijk was, liep zij met gesloten oogen en open mond. Zoo bereikte zij het klooster. Ijlings ging zij de kerk binnen en wierp zich ootmoedig ter aarde om Jezus Christus te aanbidden.
De andere zusters hadden bedaard hunnen weg vervolgd, daar zij Catharina toch niet konden bijhouden. Zij kwamen aan het klooster en vonden haar in een diepe geestverrukking. Een wijle na hun aankomst stond Catharina op en vlammend van goddelijk liefdevuur wendde zij zich tot de aanwezende kloosterlingen en sprak hun met zulk een overtuiging, zulk een verhefling toe, dat allen sprakeloos stonden. Alle reli-gieusen snelden samen om naar haar te luisteren. ')
Catharina openbaarde aan haren biechtvader, dat zij de verheven gezangen der Heiligen in den hemel had gehoord. Die klanken waren zoo zoet en streelend, dat zij verrukt werd, maar de woorden van die hemelsche melodiën kon zij niet verstaan. âMeen niet,quot; zoo voegde zij er bij, âdat die gelukzalige geesten allen op denzelfden toon zingen. In den hemel zingen zij , die op aarde het hoogste goed het vurigst bemind hebben, bet schoonst en het luidst.quot; Zij noemde St. Maria Magdalena en St. Johannes den Evangelist op, die zich door hunne liefde voor hunnen Zaligmaker onderscheiden hadden; hun lied had haar ook het verhevenst toegeschenen. Zij bekende, dat zij nog niet volledig begreep, wat de Heiligen zingen; zij vatte alleen den algemeenen zin, doch besefte, dat al hun woorden éen doel hadden: te erkennen en
') Supplem. IJ, 14â15.
te belijden, dat zij uit louter genade en barmhartigheid tot het bezit van het eeuwig geluk waren toegelaten.
Terwijl zij dit zeide, greep haar een heilige geestdrift aan en riep zij tot CVod: âJa, Gij toont uwe barmhartigheid aan allen , die het Lam zingend volgen, die hun kronen afnemen en voor het Lam neerwerpen.'quot; Dan zeide zij tot haren biechtvader: âMijn vader, hoort gij nu niet deze stemmen? Hoort gij Maria Magdalena niet ? Hoe zuiver is hare stem en hoe wel klinkt zij in het koor der gelukzaligen?quot; En zij bleef onbeweeglijk luisteren naar die hemelsche akkoorden, alsof zij de ooren van haar lichaam troffen.
Tegen het vesperuur op den vooravond van het feest der Heilige Maagd en Martelares Lucia, gevoelde zij een groote vreugde. Zij was niet in geestverrukking en had het volle gebruik van alle zintuigen. Toch meende zij te zien, hoe gansch het paradijs de toebereidselen tot een hoog feest maakte; evenwel begreep zij de reden van al die drukte niet. Zij wenschte, dat de strijdende Kerk zich met de jubelzangen der zegevierende Kerk zoude vereenigen. Daarom snelde zij naar de kerk om uit alle macht te doen luiden. De Goddelijke Voorzienigheid wilde hare wenschen voldoen zonder opschudding onder het volk te verwekken. De lucht betrok onverwachts en wees op storm. Volgens een oud gebruik te Siena en omstreken luide men in dergelijke omstandigheden van alle kanten de klokken. Toen zij zwegen, meende Catha-rina in den hemel de plechtige vespers te hooren zingen. Er was een talrijk koor van maagden, voorafgegaan door een maagd van zeldzame majesteit en schoonheid. Allen bewezen haar eer. Deze bevoorrechte Heilige droeg op hare borst een gouden kleinood en andere sieraden van groote waarde. '')
Op zekeren dag sprak Catharina tot haren biechtvader over alles, wat God in hare ziel uitwerkte. Dan wilde zij heengaan, waar de liefde haar riep. Haar biechtvader gebood haar te blijven om hare gehoorzaamheid te beproeven. De nederige' maagd gehoorzaamde terstond zonder tegenspreken. Op hetzelfde oogenblik verscheen haar Maria Magdalena om haar te beloonen. Toen zij deze tot zich zag naderen,
2) Supplem. II. 19.
84
kon zij haar verzuchtingen niet bedwingen en hare oogen werden twee fonteinen van tranen. Zij was overstelpt van onbeschrijfelijke vertroostingen. â Het scheen haar onmogelijk toe,quot; zeide zij, âdaaraan te weerstaan.quot; Zij smeekte God daarom haar weldra van de wereld weg te nemen. ')
Eens had zich de Heilige in hare kleine kamer teruggetrokken. Zij smeekte Jezus Christus, dat Hij haar het middel zoude leeren nooit van Hem gescheiden te worden, maar Hem altijd in haren geest en in haar hart met zekerheid te bezitten. De Goddelijke Meester beloofde aan haar verlangens te voldoen en haar zonder ophouden te noodzaken ondanks de zwakheid en de loomheid der natuur die waarachtige goederen te zoeken, welke de vurigheid der heilige liefde en der ware godsvrucht bewaren. Deze samenspraken met Jezus Christus ontvlamden haar meer en meer en zij bad Hem opnieuw haar spoedig uit deze wereld weg te nemen, waar zij zoovele gelegenheden tot afdwaling en verslapping vond. Doch zij vernam dit antwoord: âHet is nog geen tijd; Ik heb het in mijn eeuwige raadsbesluiten anders beschikt'
God had haar bestemd om een menigte verdoolde zielen te redden; haar buitengewoon leven zou tot voorbeeld en aanmoediging dienen voor hen, die in de blindheid huns
harten afdwaalden. ;)
Zij verlangde alleen naar de geneugten en de rijkdommen des hemels en bekommerde zich niet om de goederen dezer aarde, maar verachtte ze als slijk. Gestadig verwonderde zij zich over de onwetendheid en de verblindheid van zoovele lieden, die zich vastklampen aan zulke schijnbeelden en aan het waarachtige geluk, dat men slechts in de eeuwige goederen vindt, geen waarde hechten. Onophoudelijk herhaalde zij ; â O onbekende God, o goede Jezus, waarom kennen de menschen u niet? Verblijdt u, verblijdt u, weest opgetogen in Jezus Christus, onzen Vader, die onze ware vertroosting is.quot; Vroeg haar iemand naar hare gezondheid, dan antwoordde zij opgeruimd; âUitstekend, door de genade van mijn Jezus.quot; Allen, die haar bezochten, vonden haar altijd
]) Supplem. II, 21. -quot;) Supplem. II . 4.
blijmoedig en kalm, onafgebroken zich toeleggende op heilige en nuttige bezigheden. Haar eerste biechtvader verzekert, dat hij deze gelukzalige maagd, telkens als hij haar bezocht, onbewegelijk in het gebed of de geestelijke lezing zag, soms haar hart verlichtende door een lied. Op hare lippen en in haar hart had zij niets dan Jezus; ging zij, dan ging zij met Jezus; hare oogen waren altijd op Jezus gevestigd en dwaalden niet af uit nieuwsgierigheid; zij behartigde alleen , wat haar tot Jezus kon voeren. ')
Catharina vroeg voortdurend aan God de christelijke deugden. Vooreerst vroeg zij de ware en oprechte liefde. Zij beoefende die met zulk een volmaaktheid, dat zij zich volgens do leer van Christus meer over het welzijn van anderen dan over haar eigen verheugde. Het leed van den naaste smartte haar meer dan haar eigen lijden. Zij vroeg voor anderen dezelfde genaden, welke God aan haar zelve schonk. De Heer verscheen haar in het gebod, groette haar en zeide: âMijne dochter Catharina, Ik schenk u bereidwillig de genaden , welke gij van Mij vraagt, omdat zij niet alleen voor u voordeelig zullen zijn, maar ook die personen tot nut zullen strekken, welke gij Mij aanbeveelt.quot; Zij had een hartstochtelijke liefde voor de zuiverheid; dikwijls zeide zij, dat zij zich aanhoudend tot de kinderen getrokken gevoelde, die, om de onschuld van hun leeftijd, niet tot bedrog of boosheid in staat zijn. â Indien de wellevendheid het toeliet,'' zeide zij eens, âzou ik ze voortdurend omhelzen.quot; s) Reeds lang had Catharina zich op het feest van Maria's Opneming ten hemel voorbereid. Eenige dagen te voren verscheen haar de Koningin der Engelen en toonde haar, hoe zij in liet rijk der hemelen op een luistervollen troon van glorie aan do rechterhand van haren Zoon gezeten was. Zij zag duidelijk tusschen den Zoon en de Moeder een bloedig kruis opgericht. Het feest brak eindelijk aan en Catharina verlangde vurig het bij te wonen. Ondanks hare ziekelijkheid begaf zij zich naar de kerk, doch moest onderweg bij een zieke medezuster blijven. Christus wilde haar evenwel
') Supplem. II, 7. '2) Supplem. 11. 8.
86
troosten en liet haar, zoodra de morgenschemering begon, de buitenmuren der groote kerk, die aan de Koningin der hemelen was toegewijd, zoo duidelijk zien, alsof zij er bijstond, hoewel zij er ver van verwijderd was. Op dit gezicht hief Catharina hare handen hemelwaarts en dankte den Heer, omdat Hij haar had willen troosten met haar de kerk te toonen, die zij niet kon bezoeken. Zij hoorde bovendien de plechtige gezangen der kerkelijke diensten, en toen de priester zong; El te in Assumptione hcatae Marine, wierd zij in geestverrukking opgetogen, en zag de allerheiligste Maagd, die zich eenigen tijd met haar onderhield.
Men bemerkte dikwijls met verwondering, dat de Heilige in hare samenspraken met God nu eens teekenen van groote blijdschap dan van diepe droefheid gaf. ') Terwijl de werkingen barer zintuigen geschorst waren, kon men nu en dan eenige woorden verstaan. Zij werden nauwkeurig door haren biechtvader, hare leerlingen of andere lieden, van wie sommigen uit louter nieuwsgierigheid, anderen uit godvruchtigen eerbied haar bezochten, opgeteekend. ')
Op zekeren dag hoorde eene barer gezellinnen; â O Bruidegom, Bruidegom van mijn ziel, wanneer zal het zijn, wanneer zal het zijn? Waarom nu niet, waarom nu niet? Wilt Gij mij nog niet vertroosten? Zoo ja, dat Uw wil dan geschiede en niet de mijne.quot; Catharina gaf den vrijen loop aan deze ontboezemingen, daar zij van begeerte brandde deze wereld te verlaten en altijd met haren Goddelijken Bruidegom in het hemelrijk vereenigd te zijn. 1)
Een ander maal begon zij te glimlachen en richtte teedere verwijten tot God: âHeer, mijne liefde, mijn Bruidegom, de Bruidegom mijner ziel, waarom bevrijdt Gij mij niet uit de slavernij van dit arme lichaam? Daar Gij mij niet toestaat te sterven, waarom ontsteekt Gij dan in mijn hart dat geweldig verlangen om U te zien, om U te beschouwen van aangezicht tot aangezicht gedurende de gansche eeuwigheid ? O, hoe onuitputtelijk zijn do stroomen Uwer zoetheden en
1
) Supplem. V. ].
87
barmhartigheden! Waarom richt Gij nu niet die zoete woorden tot mij, welke Gij zeidet, toen Gij uwe allerheiligste Moeder hebt uitgenoodigd om Uw koninkrijk te deelen?quot; Vervolgens begon zij te glimlachen en een groote inwendige vreugde te toonen. Tegelijk zuchtte zij uit het diepst harer ziel. Tusschen deze wisseling van blijdschap en tranen zeide zij: âWaarom roept Gij mij niet tot U? Waarom zegt Gij mij niet, wat Gij aan uw allerheiligste Moeder hebt gezegd? Ja, ja, de woorden Uwer wijsheid zijn zoeter voor hem, die ze smaakt, dan honing en honingraat.quot; ')
âHeer,quot; zoo riep zij eens uit, âik verwonder mij niet over de verblindheid der menschen; mijn hart hebt Gij met Uwe volmaakte liefde gewond. Gij hebt het behouden door zijne zuiverheid te bewaren. Ach, indien allen, die de zinnen en de genotzucht verblinden, de onuitsprekelijke zoetheid van Uwe heilige liefde gesmaakt hadden, zou het voor hen onmogelijk zijn aan de schandelijke vermaken van het vleesch niet terstond te verzaken; dorstend zouden zij zich gaan verkwikken aan de bronnen Uwer zoetheid. Helaas, waarom volgen zij niet het spoor van Uwe geuren!quot; Zij zweeg eenige oogenblikken, alsof zij het antwoord van haren Goddelijken Bruidegom afwachtte. Uit hetgeen Catharina zeide bleek, dat God volkomen aan haar wenschen voldeed. De Heilige hernam: âIk begrijp U, eeuwige Goedheid. Indien de menschen voortdurend de onmetelijke weldaden, waarmede Gij hen dagelijks zegent, overwogen en gedachten, zouden zij zich licht aan de bekoorlijkheid Uwer liefde overgeven en men zou hen opgetogen zien in de geneugten Uwer zoetheden.quot; ')
Vervolgens vroeg zij aan den Heer de opheldering van eenige moeilijkheden. âWaarom bewaren de onzinnige menschen,quot; zeide zij, âniet de geheugenis aan Uwe weldaden?quot; En na een oogenblik zwijgens: â Gij spreekt maar al te waar, eeuwige Waarheid; hun verstand is verduisterd, omdat zij verznimden hun Weldoener te kennen.quot; Dan barstte zij los in verzuchtingen en jammerklachten. â Ach, ongelukkige,
v) Snpplcm. V, 5. -) Snpplem. V, 12.
8S
zouilt gij het hoofd tegen God durven opsteken? De hel zou alleen zulk een misdrijf kunnen straffen.quot; ')
Toen begon zij zich te onderhouden met de Heilige Maria Magdalena en vroeg haar, of zij , na volledige kwijtschelding harer zonden gekregen te hebben, nog verlangd had naar hetgeen zij vroeger beminde. Maar eensklaps zeide zij, als berispte zij zich zelve: âO, wat zijt gij gelukkig zoo gehandeld te hebben!quot; Dit beteekende, dat Maria Magdalena nooit tot hare vroegere zondige neigingen was wedergekeerd. Dan richtte zij zicli tot God: âHeer. Gij doet duidelijk de dwaasheid kennen van hen, die den gemakkelijken en breedcn weg bewandelen en zoo tot de volkomen zuiverheid der ziel willen geraken, want Gij hebt het kruis omhelsd en Gij hebt niet willen gaan langs het pad der vergankelijke vertroostingen. Ik bid U, leer mij de deugd, waarmede Gij bij voorkeur Uwe getrouwe dienaars verrijkt. De Heer antwoordde: âIk vraag vooral van mijne getrouwe dienaren, dat zij zich zeiven haten en Mij volmaakt beminnen.quot; Catharina voegde ei bij: âMijn God, Uwe woorden zijn vol wijsheid. Gij wildet, toen Gij op aarde zijt nedergedaald, geen welstand, rijkdommen, vermaken kiezen, Gij hebt de genietingen der wereld geweigerd. Gij hebt den doornigen weg der droefheid en des lijdens gekozen, en Gij hebt hem gevolgd tot den schandelijken dood des kruises, tot de duisternis van Uw graf.quot; Vol goedheid onderbrak haar toen de Heer: âWerd dit alles niet aangekondigd in de Heilige Schriften?quot; -)
Op een anderen dag was zij in geestverrukking van de morgenschemering tot aan het uur van den Noen. Men hoorde, hoe zij God bedankte, omdat Hij haar de glorie had getoond, voor haar in het koninkrijk van het eeuwig geluk bereid. Die glorie was dezelfde, waartoe haar beminnelijke zuster, de heilige Agnes van Montepolitiano, verheven werd. Vervolgens herhaalde zij met St. Paulus: âWas mijne ziel op dit oogenblik met mijn lichaam vereenigd, of was zij er van gescheiden? Ik weet het niet en ik kan het niet onder-
') Snpplein. V, 13. ï) Supplcm. V. 14.
89
scheiden; doch Gij , Heer. Gij hebt mij misleid, want ik was overtuigd, dat Gij mij niet zoudt bevelen wederom in mijn lichaam terug te keeron.... Neen, Heer, zoo ik in mijn lichaam moet terugkeeren, wil ik voor mij geen kroon; ik wil verachtingen en smaadheden, die uw zachtmoedige Zoon verduurd heeft. Gij antwoordt mij, Heer, dat Gij thans mijn geroep niet verhooren, mijn wenschen niet inwilligen kunt; Gij evenwel stort mij die vurige verlangens in; Uwe genade wekt mij op om rot U te roepen. Gij hebt mij ook gezegd, dat Gij mij alles zoudt toestaan, wat ik zou begeeren. Ik zal dus iederen dag mijne stem tot à verheffen, ik zal roepen tot U. Hetzij Gij mij verhoort of niet, ik zal mij nooit van U scheiden; nooit zal ik ophouden Uwen heiligen wil te volbrengen.quot; ')
Eens had God haar in geestverrukking gebracht. Haar biechtvader was tegenwoordig met verscheidene andere personen. Men hoorde haar deze woorden uitspreken; ,, O eeuwig Oog, Gij zijt dat Oog, hetwelk alle zielen verlicht, die in de wereld zijn; Gij bestraalt alle Heiligen, allen, wier oog eenvoudig is. Heer, Gij maakt, dat ik in bezwijming val. Gisteren hebt Gij mij het gewaad van glorie getoond, voor mij bereid; Gij hebt mij daarmede omkleed en het scheen mij toe, dat ik tot het getal der Gelukzaligen was toegelaten. En toen ik er volstrekt niet aan dacht, hebt Gij alles teruggenomen. Wie zal mij van de slavernij verlossen? Ik bezweer U, wil mij eindelijk van ieder schepsel afscheiden en onthechten. O, hoe dikwijls en met welk vertrouwen heb ik deze bede voor U vernieuwd? Maar tot heden heeft het ü niet behaagd te doen, wat ik met zooveel vurigheid verlangde; en toch hebt Gij mij verklaard', toch hebt Gij mij verzekerd, dat Gij mij nooit de genaden zoudt weigeren, die ik U zou vragen en die ik hopen kan te zullen verkrijgen. Want Gij weet het wel, ik zal U nooit iets verzoeken, dan hetgeen Gij mij inwendig openbaart, wat met Uwen heiligen wil strookt. Ja, ik ben vast besloten U nooit iets in het gebed te vragen, vóór dat ik mij verzekerd heb door de middelen, die U eigen zijn.
') Supplcm. V, 18.
90
dat mijn wil met Uw welbehagen overeenkomt. Ik weet thans, Heer, dat Gij het te vurige verlangen mijner ziel om uit deze gevangenis des doods bevrijd te worden wilt verbeteren; dat mij geschiede naar Uw welbehagen. Laat mij dan leven altijd beproefd, altijd gekweld met ziekten en pijnen, opdat ik zoo sterk mogelijk het gewicht der smart in mijn lichaam gevoele. Ik lijd reeds veel in mijne zijde, maar ik bekommer mij niet om deze kwaal; ik ding naar zwaardere kwellingen, en ik wensch, dat mijn lichaam dagelijks heviger gefolterd worde.quot; ')
Zoo sprak zij, door de begeerte om te lijden bezield. Reeds sedert verscheidene jaren leed zij geweldig. Wie haar zag, gebukt onder de kwalen, werd door medelijden bewogen ; zij alleen verdroeg ze met een blij gelaat en een tevreden hart; ja, hoe meer zij leed, hoe gelukkiger zij scheen. 2)
De biechtvader der Heilige, door een anderen kloosterling vergezeld, kwam tegen den avond in haar huis. Hij vond haar als gewoonlijk in geestvervoering. Zij stonden stil om naar haar te luisteren en hoorden haar uitroepen: âO Vader, o eeuwige Waarheid! Gij doet Uwe stem hoo-ren boven mijn hoofd, deze stem, die een zoet vertrouwen inboezemt, deze stem, die Uwen welbeminden Paulus in zijne vrees geruststelde. Gij zeidet tot hem: In uwe noodwendigheden is mijne genade voor u voldoende en overvloedig. O Vader, waarom verandert Gij nu niet van taal? Waarom zegt Gij liever niet: Vat van ellende en misdaad, men zal u in den afgrond der hol werpen? O eeuwige Vader, eeuwige Liefde! Waarom spreekt Gij geen vonnis van vervloeking over mij uit, omdat ik met de meest schuldige ongehoorzaamheid Uwe geboden overtreden heb? Gij hebt mij bevolen geen ander voedsel te nemen dan wat Gij voor mij op hot kruis hebt bereid, en ik heb geen rekening gehouden met Uw bevel; ik heb het onwaardig overtreden. Het is niet te verwonderen, dat Gij Paulus troost, dien Gij een vat van uitverkiezing hebt genoemd, toen Gij hem de
') Supplem. V, 19. â ^) Supplem. V. 19.
91
belofte deedt, dat Uwe genade voor hom voldoende was, om alle kruisen te dragen, die hem martelden. Maar verwonderlijk is het, dat Gij diezelfde woorden voor mij hebt herhaald, dat Gij mij dezelfde beloften hebt gedaan, aan mij, die Uwe geboden veracht en zich tegen U verzet heb. Doch Uwe oneindige barmhartigheid stort Uwe genade over de schuldigen uit. Leer mij, o eeuwige Vader, wat Gij wilt, dat wij doen, opdat wij het stipt vervullen en nooit verzuimen aan Uwe genade en Uwe goedheid te beantwoorden.quot; ') Nu hield zij eenigen tijd stil en vatte dan dc samenspraak weder op. âGij wilt dus, zoo zegt Gij mij, dat wij het nooit vergeten, maar onophoudelijk overwegen; Uw almachtig oog doordringt en ziet alles, wat wij doen. Gij wilt, dat wij nooit een ongunstig oordeel vellen over eenig schepsel, hoe nietswaardig en schuldig het schijne; het is voor ons voldoende te oordeelen, dat alles geschiedt met de toelating van Uwen wil, waarvan wij de rechtvaardigheid niet kunnen begrijpen. Maar, o eeuwige Vader, indien het kwaad, de vervolgingen, de lasteringen ons kwellen volgens de beschikking van Uwen wil, indien Gij ons verbiedt hen ongunstig te beoordeelen, die ons onrechtvaardig beleedigen, dan zullen velen gelooven, dat Gij de bewerker van hun misslag zijt, en men zal U het kwaad toeschrijven, dat het schepsel doet. Ik erken wel, dat Gij niet de bewerker zijt van de slechte bedoeling in hem, die zondigt; maar Gij laat de handeling, toe, die, in zoover zij van U komt, niet slecht en bedorven in zich zelve is. Het zondige van deze uitwendige handeling komt van de schuldige ziel, die aan U niet denkt en volgens Uwe zeer rechtvaardige wetten niet handelt. 1)
Gij hebt mij geleerd, dat, zoo ik mij naar Uwen wil verlang te schikken, ik mij niet ergeren moet over de moeilijkheden , die mij wedervaren kunnen, daar Gij de boosheid der menschen laat begaan om Uwe almacht, die uit onze fouten de kostelijkste voordeelen kan trekken, te verheerlijken. Gij alleen kent de gedachten der menschen: Gij verbiedt uitdrukkelijk ze te beoordeelen, maar Gij gebiedt medelijden te
1
) Supplem. V. 21.
hebben met de zwakheid van hem, die zondigt en zijne bedoelingen ten goede uitteleggen, zoo het mogelijk is. Ongetwijfeld zijt Gij noch de oorzaak noch de bewerker van de kwaadwilligheid der menschen, maar Gij alleen kunt ze volkomen beoordeelen.quot; ')
Diezelfde biechtvader ging Catharina met een anderen kloosterling bezoeken. Deze zeide van God vele gunsten door de voorspraak van de Heilige verkregen te hebben. Bij haar gekomen, stelde deze religieus het doel van zijn bezoek voor en bracht het gesprek op de barmhartigheid en de goedheid van God. Terstond zag hij haar tot een hooge beschouwing opgevoerd worden en in de onmogelijkheid het aangevangen onderwerp door te zetten. Na eenigen tijd hield hare geestverrukking op. Zij begon met zulk een diepte over de grootheid van God, over Zijn liefde en Zijn glorie te spreken, dat haar biechtvader, de kloosterling, die hem vergezelde en de overige omstanders met vertroostingen overstelpt werden.
Zij placht de kerk der Predikheeren met een of meer Zusters harer Orde te bezoeken. Kens trok zij zich terug in een hoek der kerk en bleef verscheidene uren in geestvervoering. Zij behandelde de verhevenste onderwerpen, geschikt om ware en degelijke godsvrucht in te storten. Hare gezellinnen naderden om haar te zien. De overige toeschouwers, een zoo schoone en treffende leer hoorende, konden hun bijvalsbetuigingen niet bedwingen. Tot het gebruik barer zinnen teruggekeerd, vernam zij , wat haar overkomen was. Daarover geheel onthutst en beschaamd, verliet zij de kerk en keerde naar huis terug. :l)
Eens was zij alleen in hare kamer. In geestvervoering hoorde men haar uitroepen: â O Liefde, Gij trekt mij tot U, Gij trekt mijn hart. Gij weet wel, dat, zoo iemand zich in wederwaardigheden tot U wendt, Uwe genade en barmhartigheid niet toelaten, dat hij U verlaat zonder getroost te zijn, hoedanig zijn kruis ook zij.quot; Nu bad zij
') Supplem. V, 22. -) Supplem. V. 23. â¢r) Supplem. V, 24.
voor een persoon, die er om gevraagd had. De Heer antwoordde haar, dal die persoon Hein niet zocht. Catharina hernam: âHeer, Gij weet, hoe herhaaldelijk ik haar gewaarschuwd heb, dat alles, waarnaar zij met zulk een ongerustheid haakte, voor haar een gelegenheid van val zoude zijn.quot; Die persoon bekende later, dat zij op liet oogenblik , waarop Catharina bad, een bewonderenswaardige verandering in hare ziel gevoelig ondervonden had, dat de brandende begeerte, zoo tegenstrijdig niet haar geestelijke en tijdelijke belangen , toen bedaard was. ')
Dikwijls stortte Catharina overvloedige tranen, vroeg van God de bekeering der zondaren en riep dan vooral de drie goddelijke Personen der Allerheiligste Drievuldigheid aan. Zij beval hen God den Vader met deze woorden aan: â O eeuwige Vader, liet kan voor U niet verborgen wezen, dat deze ongelukkige zondaars Uwe schepselen zijn, dat zij U hun oppersten Meester, toebehooren.quot; Vervolgens richtte zij zich tot den Zoon; â O Zoon, o gezegende Koning, Gij kunt niet ontkennen , dat deze ongelukkigen U toebehooren, omdat Gij hen voor deu oneindigen prijs Uwer verlossing hebt vrijgekocht; hoor mij dus, o allergehoorzaamste Zoon, hoor mij en toon U gunstig voor mijne gebeden; immers, wanneer ik mij aan uwen Vader vertoon en de handen met Uw Bloed en Uw Lijden, gevuld heb, dan kan Hij mijne beden niet afwijzen.quot; Zij riep den Heiligen Geest aan in dezer voege: âSnel mij te hulp, Heilige Geest! Ondanks de afschuwelijke misdrijven, die deze ongelukkigen bezoedelen, behooren zij U toe; Gij zult hen winnen door hen aan Uwe goedheid deelachtig te maken.quot; Xa eenige oogenblikken stilzwijgens, gedacht zij dc rechtvaardigen om voor hen de noodige hulp en de genade der volharding te verkrijgen. '')
God zeide tot haar: âWaarom stiert gij aldus uwe gebeden tot den troon mijner aanbiddelijke Drieëenheid ? quot; Catharina antwoordde: â Heer, Gij weet, waarom ik met zulk een vertrouwen tot U roep, daar Gij mij het medelijden en de liefde inboezemt, die mij dwingen voor U neer te knielen;
') Snpplem. V, 25. £) Snpplem. V, 2«.
94
Uwe woorden zeiven geven mij de zekerheid, dat Gij genegen zijt mij te verhoeren. Wanneer Gij Uwe barmhartige blikken naar mij wendt, zie ik mijne geestelijke zonen en dochters, mijne broeders, mijne zusters met Uw licht bestraald, evenals allen, voor wie ik U dagelijks mijn verlangen openbaar, dat zij U getrouwelijk dienen. Ik richt mijn oog naar een andere zijde en ik zie zielen , door ontelbare zonden in het verderf gestort. Dat gezicht verbrijzelt of liever verruimt mijn hart. Ik word door medelijden overwonnen en ik moet hunne ellende bóweenen, als ware ik zelve in het slijk hunner ondeugden gezonken. Heer, Gij biedt mij een drank aan, die mij eerst bitter en walgelijk toeschijnt, wanneer Gij mij medelijden met. het lot dezer zondaars inboezemt, maar Gij versterkt mij weldra door de zoetheid van den honing Uwer vertroostingen. Geclur3nde uw sterfelijk leven droegt Gij het gewicht van twee kruisen, den looden last van onze zonden op Uwe schouders torsende; opdat ik aan U gelijkvormig worde, legt Gij ook mij het gewicht van twee kruisen op: het eene kromt mijn lichaam onder de ziekten en de smarten, het andere drukt op mijne ziel, klagend over de verblindheid van zooveel halstarrige zondaars.quot; ')
Bij een andere gelegenheid hoorde haar biechtvader slechts afgebroken woorden, die hij moeilijk kon verbinden. âWanneer, Heer, wanneer? Dat in alles en altijd Uw heilige wil geschiede.quot; Een wijle drukte zij zoo hare onderwerping aan de aanbiddelijke beschikkingen Gods uit. Later verklaarde zij den zin dezer woorden. God had haar verzekerd, dat hare ziel met kostelijke gunsten zoude verrijkt worden, doch onder voorwaarde, dat zij de voortreffelijkheid daarvan alleen door het voorbeeld en de heldhaftige beoefening der deugden zoude toonen.quot; 1)
Menigmaal bekende zij, dat de Heer hare gebeden met groote welwillendheid aanhoorde; bij iedere gelegenheid, in alle noodwendigheden werd zij verhoord; maar, zoo voegde zij er bij, nooit durfde zij gunsten of genaden vragen, die haar niet billijk of nuttig schenen, inzonderheid wanneer zij
1
) Supplem. V, 28.
95
klaarblijkelijke teekenen had, dat hare bede niet strookte met Gods welbehagen. Bad zij met klem voor zich of voor anderen, dan slaakte zij verzuchtingen en klachten tot God en zeide met een kinderlijk vertrouwen: âlieer, ik zal Uwe voeten, Uwe tegenwoordigheid niet verlaten, zoolang Uwe Goedheid mij niet toegestaan heeft, wat ik verlang, zoolang het U niet behaagt te doen, wat ik wil.quot; Dan schonk haaide Heer, wat zij met zulk een vurigheid, met zooveel verzuchtingen vroeg. ')
Haar biechtvader zeide eens tot Catharina, dat zij niet moest vergeten aan God een kloosterling aan te bevelen, die ongelukkig in een zware zonde was gevallen. â Gaarne,quot; antwoordde zij, âik zal uit geheel mijn ziel bidden.quot; En zonder tijd te verliezen begon zij, maar bemerkte in haren ijver de tegenwoordigheid niet van een barer gezellinnen. Eerst gaf zij teekenen van een groote inwendige droefheid; zij klaagde, zuchtte, weende; dan zeide zij snikkend: â Heer, kastijd mijn lichaam, veroordeel het om zooveel kwellingen en smarten te verdragen als in dit sterfelijk leven mogelijk is. Zie, ik ben bereid mijn lichaam te slachtofferen aan Uwe rechtvaardigheid, het prijs te geven aan alle folteringen, die de fouten van dezen armen religieus kunnen uitwisschen; maar ik wil, dat Gij hem vergeeft, dat Uwe genade hem tot U terugroepe en hem op den goeden weg terugleide, dien hij zoo dwaas verlaten heeft.quot; Aan het einde barer verrukking, was haar gezicht blank als de sneeuw. Zij gaf teekenen van groote blijdschap. âO liefde, o liefde,quot; riep zij uit, âik heb U overwonnen door Uwe liefde zelve; het is immers Uw wil. dat ik U met volharding vraag, wat Gij door een enkele daad Uwer goedheid kunt volbrengen.quot; De zondaar bekeerde zich plotseling. -)
Een ander maal opende zij in geestverrukking hare oogen en zeide; â O, allerbeminnelijkste Jezus, o menschgeworden Woord, wat hebt Gij gedaan? Ja, Heer, ik wil het. Wanneer Gij Uwen blik vol goedheid naar mij richt, dan wordt Uw beeld in mijne ziel afgedrukt. Gij gebiedt mij , gedeeltelijk
') Supplem. V, 29. 2) Supplem. V, .30.
9G
de menschen der wereld na te volgen. die des nachts linnne prachtige kleederen afleggen. Maar voor het overige wilt Gij niet, dat ik hen navolge; want des morgens tooien zij zich wederom raet deze gewaden, die hun ijdelheid streelen. Gij wilt niet, dat ik wederom de kleederen aantrekke, die ik des nachts afgelegd heb. Heer, Gij vraagt mij niet eeu voorbijgaand iets; Gij wilt, dat ik alle straffen drage, die mijne geestelijke kinderen verdienen, gelijk Gij alle straffen verduurd hebt, die wij zeiven verdiend hadden. Heer, Gij leert mij deze krachtige wijsheid, die de ziel dwingt met U verbonden te blijven. ')
Heer, dikwijls heb ik ü beloofd U altijd te zullen beminnen, maar ik kan U niet liefhebben, of ik wordt door Uwe liefde overtroffen, die zich jegens mij zoo edelmoedig toont. Met al de krachten van mijnen geest en mijne ziel zal ik er naar streven het weinige te doen, wat ik kan doen. Heer, ik dank U onuitsprekelijk, omdat ik van Uwe goedheid alles ontvangen heb, wat ik heb kunnen wenschen en vragen. Wie heeft U bewogen zoo goed jegens mij te zijn, mij zoovele gunsten toe te staan, alsof Gij niet wist, wat Gij deedt, alsof Gij haar niet kendet, die Gij met zoo groote weldaden overlaadt? Zoo Gij mij voorkomt met den overvloed Uwer gaven, dan is dit niet het uitwerksel van mijne verdiensten, maar van Uwe oneindige barmhartigheid. Ik belijd het, alles wat ik van U ontvangen heb, is een vrijwillige gave, want ik vind niets goeds in mij. Ik kan het geringste goed niet verrichten, als Gij mij niet eerst het noodige schenkt, indien Gij mij niet ontsteekt met den gloed Uwer heilige liefde.' quot;') Na dit ootmoedig en teeder onderhoud met Jezus Christus, begon zij te bidder, voor de omstanders: â Heer, duld niet, dat zij ledig en hongerig huiswaarts keeren; maar stort Uwe zegeningen in hunne zielen uit, voor zij heengaan. Heer, ik zal nooit zwijgen, nacht noch dag, voortdurend zal ik mijn stem tot U verheffen, en ik zal zeggen; Heer, geef ons de ware deugden. Ik zal mij niet bekommeren over mijn genegenheid voor hen, mits Gij in hunne harten, zoo-
') Siipplem. V, 31. 5) Supplem. V. .'ia.
97
lang zij op aarde zijn, de zoetheden stort, die Clij mij in Uwe samenspraken mededeelt; het is mij genoeg, dat Gij U aan hen schenkt. Ik heb niet vergeten, hoe Gij eens zeidot, dat niemand U kon bezitten zonder zich te versterven en aan zich zeiven te verzaken.quot; Na die woorden schitterde haar gelaat van opgetogenheid. âO Liefde, Liefde,quot; riep zij uit, âGij geeft ons een voorsmaak der goederen en der geneugten, waarmede wij hopen ons zonder einde te verzadigen in het eeuwige leven. O eeuwige Schoonheid, hoeveel eeuwen zijt Gij onbekend en verborgen gebleven! O eeuwige Liefde, o Barmhartigheid, ik wil u met al de kracht van mijn hart en van mijnen wil liefhebben; maar geef mij ook den troost, dat ik de harten van allen, die hier tegenwoordig zijn, door de macht Uwer heilige liefde overwonnen zie. Heer, ik beken, dat ik slecht ben en onwaardig zulke kostbare genaden te bekomen; ik zucht, beschaamd over mijne ellenden.quot; ')
Zoo zuchtte en weende Catharina gedurende twee uren. Nu eens scheen zij wit als de sneeuw, dan rood als het vuur. Dit schouwspel bracht vele gevoelens van godsvrucht in de zielen der omstanders voort. *)
Midden in een geestelijk gesprek met haren biechtvader zeide Catharina eensklaps: âMijn vader, bemerkt gij niet, in welken toestand ik mij bevind? âIn welken toestand zijt gij?quot; vroeg de Pater. âWeet,quot; antwoordde zij, âdat de Heer op dit oogenblik de wonde zijner zijde aan mijne lippen brengt; ik spreek geen onwaarheid, wanneer ik beweer, dat ik nu de onuitsprekelijke zoetheden der Godheid smaak.quot; En men hoorde in hare borst buitengewone kloppingen van haar hart. De Pater vroeg haar, of zij niets vreemds gevoelde. Zij antwoordde oprecht, dat God op dit oogenblik haar hart een zacht geweld aandeed; maar zij stond er niet over verbaasd, want zij gevoelde alle dagen op dat uur die kloppingen.3) Onder die verklaringen stortte zij een vloed van tranen, welke met bloed gekleurd schenen. Dan verborg zij zich in een hoek der kerk, waar zij weldra in verrukking geraakte.
') Supplem. V, .'i.'i. 2) Ibidem. .')4. i) Supplein. V. 'Jf).
ys
Haar gezicht was geheel ontvlamd, hare tanden klapperden tegen elkander; de menschelijke zwakheid scheen zulk een aanval niet te kunnen weerstaan. De verschrikte toeschouwers meenden, dat zij ging sterven. âMijn hart,quot; zoo bekende zij later, âgevoelde zich te eng en te zwak voor de hemelsche liefde, die het verruimde; het kon don overvloed der onbeschrijfelijke zoetheden niet ontvangen noch behouden, die als stortvloeden op mijne ziel neervielen, zoodat zij elk in-en uitwendig gevoel verslonden. Mijn geest was gedompeld in de bron van alle goed , in God. ')
Slechts door een voortdurend wonder kon Catharina de uitputting en verzwakking doorstaan, welke èn door hare steeds toenemende ziekten èn door het onafgebroken verkeer met God veroorzaakt werden. Niet zelden immers was zij geheele dagen van het gebruik der -zinnen beroofd. Dan bruiste en stormde het in haar binnenste; de gejaagdheid en de angst des harten persten een klam, roodachtig zweet uit haar lichaam. Hoe afgemat en gepijnigd ook, nam zij geen ander voedsel dan eenige ongekookte kruiden, waaruit zij het sap zoog. Haar maag kon geen spijzen inhouden, maar wierp alles uit. Nooit duldde zij geneesmiddelen of genees-heeren. Dikwijls herhaalde zij de schoone woorden van de Heilige Agatha; âMijn zoete Heer Jezus Christus, dien ik zoo innig met mijne ziel vereenigd houd, zal mij wel genezen. wanneer Hij wil; door een enkel gebod zijner almacht kan Hij, indien Hij het wil, mij de gezondheid geven.' Vroegen het de omstandigheden, dan was zij terstond hersteld. Eens leed zij aan verscheidene ziekten en koortsen. Jezus Christus kwam haar met de Heilige Maria Magdalena bezoeken en raakte haar aan. Zij was gezond, verliet haar schamel bed en hervatte haren arbeid. 1)
De visioenen , de openbaringen , de bovennatuurlijke betrekkingen van Catharina met een hoogere wereld zal men kortweg ontkennen of daarover glimlachend en spottend do schouders ophalen. Eenen ongeloovige, die zoo handelt, kan men eenvoudig antwoorden: Wat oordeelt gij over
1
) Logoiul. et Supplem. passim.
99
zaken, waarvan gij niets begrijpt'? Maar rechtzinnige Christenen en Katholieken kan zulk een oordeel geenszins verontschuldigen. Immers, wat is hun geheele bewijs, wanneer zij bovengenoemde verschijnselen en gebeurtenissen in twijfel trekken? Zij begrijpen het niet â het is niet de gewone loop van zaken. Maar als men niet begrijpt, hoe iets plaats vindt, kan men daaruit toch niet besluiten, dat het niet plaats vindt. Niemand voelt en tast, hoe de plant, de bloem en de vrucht uit het zaad zich ontwikkelen en toch geschiedt het, toch verwondert zich niemand over dat geheimzinnig verloop. Uit de redeneering; Het is niet de gewone loop van zaken , zoude volgen, dat men alles verwerpen moest, wat buiten den kring onzer omgeving en boven het peil onzer alledaagschheid ligt. Zou God zich niet op oneindig verscheiden manieren openbaren? Zou Hij niet met telkens afwisselende schakeeringen handelend optreden? Zouden de levensuitingen en daden eener hoogere wereld niet verschillen van die eener lagere? Hoe zullen wij de wetten van het rijk der genade en der glorie bepalen, wij, die vau de zichtbare natuur nauwelijks de oppervlakte doorgronden? Wat bewijst de opgevijzelde onbegrijpelijkheid en vreemdsoortigheid, waarmede men de visioenen en wonderen der Heiligen brandmerkt, anders dan de bekrompenheid en het matte licht van ons verstand? Men redeneert als iemand, die in het duister ronddoolt en het bestaan der hem omringende voorwerpen loochent, omdat hij ze niet ziet.
Daarenboven dragen de verschijningen en geestverrukkingen van Catharina die uit- en inwendige kenteekenen, welke hunne echtheid, rechtzinnigheid en geloofwaardigheid in het helderste licht plaatsen. Ontelbare geloofwaardige personen uit alle rangen hebben ze bijgewoond en bevestigd, de Kerk heeft ze onderzocht en goedgekeurd. Altijd vreesde Catharina voor begoochelingen des duivels; nooit heeft zij die boven-aardsche gunsten verlangd, maar steeds tot God gebeden, dat Hij haar langs den gewonen weg zoude leiden, dat Zijn heilige wil alleen in haar geschieden moge. De duivel pleegt te gebieden, dat men het geopenbaarde aan niemand verbale ; zij echter hoorde van de Heiligen, die haar verschenen, van
lOU
God, die met haar sprak, dat zij aan brave en geleerde lieden haren zielstoestand zoude bloot leggen en de wonderwerken der goddelijke barmhartigheid verhalen. Allerstipst gehoorzaamde zij aan haren biechtvader, hare ouders, hare wettige oversten. Na het gebed, na de visioenen nam zij toe in liefde tot God en tot do menschen, in ootmoed , in zachtzinnigheid en verdraagzaamheid. In haar verkeer met de menschen was zij de bescheidenheid, wellevendheid en dienstvaardigheid zelve: zij zocht enkel God, het goede, het welzijn van anderen. Blijmoedig verrichtte zij het nederigste huiswerk en stelde de plichten van haren staat boven eigenzinnige oefeningen van godsvrucht. Haar lichaam kastijdde zij met geeselriem en boetepij en verheugde zich over tegenheden, vervolgingen, ziekten en versmadingen. Hare vijanden en tegenstrevers beminde zij vurig en bewees hun edelmoedig vele weldaden. Dc hoogere wezens, met wie zij omging, brachten haar deze of geene onvolmaaktheid onder het oog; Catharina nam het gewillig aan en verbeterde het. Een hemelsche rust en opgeruimdheid vervulde hare ziel en weerspiegelde zich op haar gelaat. In al haar gedragingen, in haar gaan, staan, zitten en spreken was zij natuurlijk en ongedwongen. Hoewel zij niet van de wereld was en voortdurend in hoogere gewesten zweefde, kon niemand zich gemakkelijker in die wereld bewegen, toonde niemand meer praktischen zin, meer levenswijsheid, meer kennis der maatschappelijke toestanden, meer inschikkelijkheid voor en begrip van de menschelijke zwakheden en ellenden. Wie met haar omging, was gesticht en werd tot hoogere gevoelens opgewekt. De goede geur van Christus stroomde van haar uit. Verzocht men haar gebed bij God, dan verwierf zij, wat zij vroeg. Hare visioenen vielen meestal voor in het gebed of na de H. Communie. Zij eindigden altijd met een vlammende begeerte om voor God te lijden, om ontbonden te worden en met Christus te zijn. Alle wereldsche ij delheid verafschuwde zij en haakte naar de eenzaamheid; zij wilde niet gekend, voor niets geacht worden. In wel en wee was zij geduldig en droeg verheugt haar kruis. Daarom koos zij den doornenkrans des lijdens, niet de gouden kroon des genots. Nooit heeft
101
men in hare geestvervoeringen iets lakenawaardigs opgemerkt, iets, wat tegen de regels van geloof of zedenleer aandruischte.
Er is dus niets tegen de visioenen en het bovenaardsche leven van Catharina te gelooven. Wel is het billijk, dat men de christelijke voorzichtigheid beoefene, alleen die openbaringen aanneme, welke door degelijke getuigen gestaafd worden, en hun alleen dat gezag toekenne, wat hun in waarheid toekomt. Nooit mag dc godsvrucht van den rechtgeaarden Katholiek, door welke goede inzichten ook geleid, in strijd komen met het gezond verstand of een steen des aanstoots worden om haar lichtvaardigheid, Onge-loovigen kan men wijzen op de uitspraak van den Apostel Judas: Deze lasteren, wat zij niet verstaan. Wat zij echter van nature, [lelijk- de onredelijke dieren weten, wordt hun ten verderve. (Jnd. 10.)
Wij hebben in dit hoofdstuk slechts een greep gedaan in den overrijken oogst der bovennatuurlijke gebeurtenissen uit Catharina's leven. Om ze allen te verhalen zou ons, naar de getuigenis der Legende, eerder de tijd dan de stof ontbreken. Alleen pater Thomas de Fonte, de eerste biechtvader der Heilige, liet vier boeken hierover na. Waartoe is het dan nuttig ze bekend te maken? Hot volgende feit geeft ons het antwoord op deze vraag. Catharina beklaagde zich eens en zeide: âTwijfelt Gij, Heer, aan mijn vast go-loof? Waarom geeft Gij mij dagelijks nieuwe bewijzen der waarheid, alsof ik ongeloovig was?quot; Jezus antwoordde: âNiet voor u openbaar ik al die verschijningen, maar voor hen, die in het geloof versterkt moeten worden; door u wil ik dergelijke wonderen aan een menigte personen doen zien, die gij bemint en die Jk bemin, om hen meer en meer van de goddelijke waarheden te overtuigen.quot; Catharina hernam: â Indien Gij door deze hemelsche verschijningen en wonderen het geloof in mij niet vermeerdert, wakkert Gij evenwel Uwe liefde daardoor in mijn hart aan.quot; ')
') Legend.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Catharina's geduld in de vervolging. Hare verloving met Jezus Christus.
Ik verloof Mij met u voor eeuwig, en Ik verloof Mij met u door gereehtiglieid en oordeel, door genade en ontferming. Ik verloof Mij met u door trouw, en gij zult erkennen, dut Ik de Heer ben. Osee. 2. Door het licht des geloots verkrijg ik de wijsheid, de
kracht, den moed, de volharding, de hoop----
Bekleed mij, bekleed mij met nzelve, eeuwige Waarheid, opdat ik dit aurdsche leven doorloope met de waarachtige gehoorzaamheid en het licht van het heilig geloof.
1365.
den, zoo leerde onze goddelijke Verlosser, âzullen in ^ den laats ten dag zee/gen: Ileere, Heere, hebben wij in Uwen naam dan geen voorspellingen gedaan? Hebben wij in Uwen naam de duivelen niet uitgedreven en niet menigvuldige andere wonderen verricht? Dan zal Ik hun antwoorden: Ik heb u nooit gekend. Hij, die den wil mijns Vaders volbrengt, zal ingaan in het rijk der hemelen.quot; (Matth. VII, 22). Wil men dus dea graad van iemands heiligheid bepalen, dan moet men dien niet afmeten naar zijn visioenen en buitengewone voorrechten. Dit zijn louter gunsten der goddelijke goedheid, geen bewijs of vrucht van persoonlijke verdiensten. Immers, de dienaar des konings is achtenswaardig niet om den rok of het ordeteeken, die hij draagt, niet om de innige gemeenzaamheid, waarin hij met zijn vorst leett, maar om
103
de onwankelbare trouw, waarmede hij hem dient en zijne bevelen volbrengt, om de oprechte, zuivere meening, waarvan zijn hart voor hem klopt. Plichtsbetrachting en onwrikbaar geduld in de beproeving zijn de toetsteenen der ware deugd. De eeuwige Waarheid zegt zelve: â Wie met een cjocd en volmaakt hart mijn woord aanhooren en bewaren, brengen vruchten voort in lijdzaamheid.quot; (Luc. VII, 15). En de apostel Jacobus schrijft: âHet geduld maakt het werk volkomen.quot; (Jac. I, 4). Het geduld is niet de koningin der deugden, maar het merg en de pit, de onafscheidbare gezellin der liefde. De H. Paulus leert, dat de liefde goedifi en geduldig is, dat zij alles verdraagt, alles gelooft, alles hooj/l, alles duldt.''' (I Corinth. XIII, 4, 7). â Tn uwe geduldigheid zult gij uwe ziel bewarenquot; zegt Jezus Christus. (Luc. XXI, 19). Met andere woorden, door het geduld verwerft de heilige zijn glorie, gelijk de krijgsman in den strijd den palm. Niet op den Thabor, maar op den Calvarieberg heeft Christus den hemel verdiend. âMoest Christus dit niet lijden en zoo zijne heerlijkheid binnengaan?quot; (Lucas XXIV, 26).
De goederen, die de mensch hier kan bezitten, worden verdeeld in drie klassen het aangename, het nuttige en het eervolle. Wordt men van deze goederen beroofd, dan kan men het geduld beoefenen. Het aangename omvat de gezondheid, spijs en drank, de kleeding, het zingenot. Het nuttige behelst de rijkdommen, huizen, akkers, goud en zilver, bloedverwanten, dienaren. Het eervolle sluit alles in, wat ons achting en onderscheiding verwerft bij anderen: een grooten naam, aanzienlijke vrienden, wetenschap, beschaving, eerambten. Wij zullen zien, hoe Catharina van al deze goederen werd beroofd, maar steeds verstorvener het geduld beoefende. Tot een vollediger schildering moeten wij enkele punten van vroeger in het kort aanstippen.
Xa het visioen, waarin Christus aan Catharina verscheen boven den gevel der Predikheerenkerk, ontbrandde zij van zulk een volmaakte liefde, dat zij de gewoonten en uitspanningen der jeugd verliet en zich aan gebed en boetvaardigheid toewijdde. Zeven jaren oud, deed zij belofte van eeuwigdurende zuiverheid. De onthouding en versterving, zoo oordeelde zij zeer verstandig, konden alleen die lelie ongekrenkt
104
bewaren. Weldra ontzegde zij zich alle vleeschspijzen. De wijn, dien zij dronk, was met water verzadigd; op vijftienjarigen leeftijd gebruikte zij dien niet meer. Een weinig brood en eenige groenten waren haar voedsel; twintig jaren oud stelde zij zich tevreden met een handvol ongekookte kruiden; op vijf en twintigjarigen leeftijd nam zij niets meer.')
Van vele verwanten en vrienden ondervond Catharina voortdurend tegenkanting. Hare broeders en Lapa wilden haar dwingen in het huwelijk te treden; daarom joegen zij haar uit hare kamer en lieten haar het minste huiswerk verrichten. Nu kon zij noch bidden noch overwegen. Catharina bleef onwrikbaar bij haar besluit: zij verwaarloosde noch verminderde haar godvruchtige oefeningen, maar vermeerderde ze, tot zij zegevierde. De duivel wilde haar gestrengheden en lange nachtwaken beletten. Lapa, hare moeder, werkte haar tegen. Doch Catharina, met een onverstoorbaar geduld en bewonderenswaardige voorzichtigheid gewapend, zotte hare boetplegingen voort. De aanvechtingen des duivels overwon zij door hare vurige waakzaamheid, zijne listen door hare wijsheid, zijn trots door hare volharding, zijn macht door het gebed. Vleeschelijke bekoringen en huiveringwekkende schrikbeelden verdreef zij door het vertrouwen op God. De aanzoekingen harer schoonzuster konden haar slechts tot een lichte, vluchtige ijdelheid overhalen. Deze voorbijgaande zwakheid bevestigde haar in den ootmoed, het berouw en het mistrouwen van zich zelve. Men bracht haar in het gewoel der wereld, in de verstrooiingen eener weinig stichtende badplaats; Catharina gebruikt het ziedende solferwater om haar tenger lichaam te verschroeien. 1)
Een nieuwe vijand rees tegen haar op: afgunst, laster, kleingeestigheid en onverstand. Deze vervolging kwam meer uit het kortzichtige verstand en de geringe menschenkennis van sommige, overigens vrij achtenswaardige lieden dan uit de boosheid van hun hart voort. Doch gemakkelijker wint en bekeert men iemand, die uit hartstocht dan iemand, die uit
1
) Legend.. TIT, 7â10.
105
gewaande kennis dwaalt. Geen lijden was pijnlijker voor Catharina dan dit, want naar het oordeel van velen had het den schijn, alsof haar deugd en godsvrucht zich op het dwaalspoor bevond en talrijke gebreken bewimpelde. Iedereen immers was tegen haar, iedereen wierp op haar een steen , zij gedroeg zich niet als een ander mensch, telkens had zij moeilijkheden en geschillen; er moest dus wel iets verkeerds in haar schuilen en bij de algemeene afkeuring en ontevredenheid kon men haar alleen de schuld wijten. Maar ook geen lijden verwierf Catharina in zoo hoogen graad de deugd van geduld en sterkte, een der hoeksteenen. waarop de geestelijke volmaaktheid rust, de karaktervastheid, om altijd ondanks het geweld der stormen met vasten blik en vaste hand koers te houden naar den hemel, de overtuigingskracht, om altijd beslist en duidelijk hiiar levensregel te kennen en uit te voeren, de onthechting en inwendige vrijheid, om in het vervullen der plichten en de beoefening der deugden zich niet om het oordeel en de houding der menschen te bekommeren, de gehardheid, om voor geen moeilijkheden, geen otters terug te schrikken. Zoo zeide de H. Paulus; ,, Dit is onze roem, het getuigenis van om geweten, dat wij in eenvoud des harten en in oprechtheid voor God, niet in vleesche-lijke wijsheid, maar in de genade Gods in deze wereld en vooral bij u gewandeld hébhen.quot; (II Corinth. 1 , 12).
Sommige bestuurders van Catharina deden haar veel lijden. Zij verhinderden haar zoo dikwijls te biechten als zij wenschte en bemoeilijkien haar in die oefeningen van godsvrucht, welke zij het meest beminde. Men weet, wat den H. Macarius overkwam. Eenige monniken zagen met leede oogen zijn verstervingen aan. âIndien gij hem niet verwijdert,quot; zeiden zij tot den H. Pachomius, âzullen wij het klooster verlaten.quot;' Zoo ging het ook hier.
De vrome Zusters van Boetvaardigheid bemerkten, hoe de jeugdige Catharina zelfs de oudsten in gestrengheid, in onbe-rispelijken wandel, in vurig gebed en verheven beschouwing, in buitengewone gunsten, in achting en bewondering bij de menschen voorbijstreefde. Die doorn stak sommigen een
^ Legend., ITT. 6 , 10â11.
106
weinig en zij kondon het niet verduwen. Men begon haar gedragingen te bedillen, beuzelingen opeen te hoopen en haar bij de Predikheeren met vrouwelijke geslepenheid in een verkeerd licht te stollen. Een vlokje werd spoedig een sneeuwbal. Wanneer eenige goedgezinden hare deugden prezen en onwederlegbare feiten tot bewijs aanvoerden, dan wisten de kwaadwilligen wel een uitweg en beweerden, dat Catharina door den duivel werkte en met hem heulde. Zij brachten het eindelijk zoover, dat zij de oversten van het Dominicanerklooster misleidden. Deze wilden de Heilige niet ontvangen, weigerden haar de H. Communie, ja, ontnamen haar den gewonen biechtvader. ')
Stond men haar toe de H. Communie te ontvangen, dan eischte men, dat zij terstond hare gebeden eindigde en de kerk verliet. Dit was haar volstrekt onmogelijk, want zij ontving het Brood der Engelen met zulk een vurigheid, dat zij liet gebruik der zinnen verloor. Haar lichaam werd ongevoelig en zij bleef verscheidene uren in dezen toestand. Dan sloegen zij, die de Zusters misleid hadden, tot woede over. Terwijl de Heilige in geestvervoering was, namen zij haar op, sleepten haar weg en wierpen haar voor de deur dei-kerk. Daar lag zij, geroosterd door de brandende stralen der Italiaansche middagzon. Sommigen stompten haar als razend met den voet. Hare gezellinnen, wier hoofd koel en verstandig was gebleven, hielden nu bij haar de wacht tot zij het bewustzijn terugkreeg. Catharina verdroeg alles met een heldhaftige zelfbeheersching en zachtzinnigheid, (reen gemor, geen klacht, geen verwijt kwam er over hare lippen, geen wrok of haat nestelde zich in haar hart. Zij had slechts liefde, verontschuldigingen en gebed voor hare vijanden cn bad met Christus, haren verguisden Bruidegom; Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. 'quot;)
Maar hoe geduldiger Catharina was , des te strenger strafte Jezus Christus hare onbillijke vervolgers.
Een vrouw, die de Heilige uit verachting met den voet had geschopt, werd, huiswaarts kecrende, door hevige pijnen
*) Legend. 111, 6. 2) Legend., 111, 6.
107
overvallen en stierf plotseling zonder HH. Sacramenten. Een man gaf haar ook een schop, sleurde haar buiten de kerk, beleedigde haar ergerlijk, ja, wilde haar vermoorden. Weinige dagen later werd hij eensklaps razend en scheen vai; den duivel bezeten. Onophoudelijk schreeuwde hij; âHelp mij, ik bid u, daar is de beul; hij wil mij grijpen om mij het hoofd af te slaan.quot; Men wilde hem geruststellen, maar men bemerkte weldra uit zijne gebaren en woorden, dat hij waanzinnig was. Schoon men hem bewaakte, wist hij te ontsnappen en verhing zich. ')
âO geduld,quot; zoo schrijft Catharina, âwat zijt gij beminnelijk! O geduld, welk een hoop geeft gij aan hem, die u bezit! O geduld, wat zijt gij koningin en heerscheres,
hoe wordt gij nooit door den toorn medegesleept!____ Uw
kleed is de zon met het licht der ware kennis van God en met het vuur der goddelijke liefde. Hare stralen treffen hen, die U vervolgen, en ontsteken vurige kolen der liefde op hun hoofd : zij branden en verteeren den haat in hunne harten, â¢la, zoet geduld, op de liefde gegrond, gij draagt vruchten voor den naaste en brengt eer aan God; uw gewaad is bezaaid met de sterren van alle deugden, want het geduld kan niet
in een ziel wonen zonder er alle deugden te doen schitteren____
Hoe zouden wij dus geen hartstochtelijke liefde opvatten voor een geluk als het geduld? Hoe zouden wij niet gaarne voor den gekruisten Jezus lijden?____
Het geduld is innig met de liefde vereenigd, want het vertoont zich altijd omkleed met de liefde, nooit is het daarvan gescheiden, daar het geduld zonder de liefde geen deugd zoude zijn. Wanneer de waarachtige en volmaakte liefde in de ziel woont, toont zij het door de kwellingen, de schimpwoorden, de smaadheden, de beleedigingen, de bekoringen van den duivel, de aanvechtingen van het vleesch, het gemor der kwaadwilligen en de leugens van hen , wier hart en wier tong nooit overeenstemmen, te verduren; zij verdraagt alles met een heilig en waar geduld, met een vurig verlangen God en den naaste te dienen.quot; '-)
') Legend. Ill, C.
1.18 Brief.
lus
Catharina wist, dat zij tot een hoogere zending voorbeschikt was. Zij zweeg dus zachtzinnig en geduldig en stelde al hare hoop op Christus en Zijne liefde. In dat rustige vertrouwen op God, in die onafhankelijkheid van de oordeelen der menschen, in die onafgebroken zelfbedwinging verwierf zij een geestkracht, die haar voor ongeloofelijke daden geschikt maakte. Zij ging niet, maar vloog op het pad der deugd en begeerde vurig tot een zoo volmaakt geloof te geraken , dat niets haar zou kunnen scheiden van den Bruidegom, wien zij wilde behagen. Nu begon zij God te bidden, dat Hij haar geloof vermeerderen en haar zoo sterk zoude maken, dat geen vijand haar kon overweldigen. De Heer antwoordde haa r: â Ik zal Mij door het geloof met u verloven.quot; En telkens als Catharina haar gebed herhaalde, vernieuwde Christus zijne belofte. ')
Het was de laatste dag der Vastenavondfeesten van het jaar onzes Heeren 1265. !) Men gaf zich te Siena over aan luidruchtige vermaken, aan dischgenot, aan uitbundige dwaasheden. Catharina trok zich in hare cel terug om er te bidden en te vasten. Met meer vurigheid dan ooit lier-haalde zij haar gebed. De Heer antwoordde haar: âDaar gij de ijdelheden der wereld en de genoegens des vleesches ontvlucht zijt en op Mij alleen de verlangens van uw hart gesteld hebt, wil Ik, terwijl uw huisgenooten zich met maaltijden en wereldsche feesten verlustigen, het huwelijk met u sluiten, dat Mij met uwe ziel vereenigen zal. Volgens mijne belofte zal Ik Mij met u verloven door het geloof.quot;
Terwijl Jezus Christus nog sprak, verschenen de Heilige Maagd , Zijne glorierijke Moeder, St. Johannes de Evangelist, de Apostel Paulus, de H. Dominicus en koning David, die de welluidendste tonen aan zijn harp ontlokte. De Moeder Gods nam Catharina's rechterband om ze haren Zoon aan te bieden en vroeg Hem zich met haar door het geloof te verloven. De Zaligmaker stemde met liefde toe en bood Zijne Bruid een gouden ring aan , met vier
') Legend. I, 12.
'2) Ibid. â Caffariui. Supplcm. Legend. Ibidem.
lOU
edelgesteenten versierd; in hun midden schitterde 'jen prachtige diamant. Zelf deed Hij hem aan den vinger van Catharina en zeide: âZie, Ik, uw Schepper en uw Verlosser, verloof Mij met u door het geloof, gij zult het zuiver bewaren, tot wij in den hemel een eeuwige bruiloft vieren. Mijne dochter, handel voortaan met moed; volbreng zonder vrees de werken, die Mijne Voorzienigheid u opdragen zal; gij zijt met het geloof gewapend, gij zult overal uwe vijanden zegevieren.quot; Het visioen verdween en de ring bleef aan den vinger van Catharina. Zij zag hem, doch hij was onzichtbaar voor anderen. Beging zij eenig verzuim, dan hield deze gunst op. ')
Bewonderen wij do schoonheden van Catharina's ring en verklaren wij zijne beteekenis. Zij verlangde een sterk en onwrikbaar geloof. Wat is er sterker dan het diamant? Het biedt door zijn hardheid aar alles weerstand en dringt door vaste lichamen. Zoo zegeviert het geloovige hart over alle tegenheden. De vier edelgesteenten beduiden de vier soorten van zuiverheid in Catharina; Zuiverheid van meening, van gedachten, van woorden, van werken. Dit huwelijk was een bevestiging in de goddelijke genade; de ring was een zichtbaar bewijs voor haar, niet voor anderen. Midden op de golven der wereld moest zij tallooze zielen redden door haar vertrouwen op de hulp dos hemels, zonder voor zich schipbreuk in den storm te duchten. Catharina moest apostel zijn en vele zielen bekeeren; zij ontving een zichtbaar teeken der genade, om met meer moed het goddelijk werk te voltrekken , dat haar toevertrouwd was. 2)
De Kerk heeft aan de gansche Orde der Predikheeren toegestaan de gedachtenis van Catharina's geheimzinnig huwelijk jaarlijks op den Donderdag voor Vastenavond te vieren; hierbij heeft Pius IX naderhand het feest dor overbrenging van haar lichaam gevoegd.
Het stedelijk bestuur van Siena vaardigde later een besluit uit, waarbij het den gemaskerden verboden was, uit eerbied voor deze verloving, op den laatsten dag van het
^ Legend. 1 . 12. â Supplem. p. 55. 'J) Logend., 1, 12.
110
carnaval langs Fronte-Braude, het woonhuis der Heilige, te trekken. er 's avonds met brandende fakkels te verschijnen of er bals te geven.
De Karthuizer prior Stephanus Maconi kwam in het bezit van Catharina's ringvinger. Hij was geheel recht, reeds toen hij nog niet van het lichaam gescheiden was. Toen Stephanus het lichaam dor Heilige in de Minervakerk te Rome tentoonstelde, waren hare armen gekruist op de borst en al hare vingers gevouwen met uitzondering van dezen. ') Op wonderbare wijze schonk hij het gezicht aan Stephanus terug. Later ging hij over aan het Karthuizerklooster van Pontiniano bij Florence.
Het feit dezer heilige verloving van Catharina, door alle kroniekschrijvers geboekt, werd gedurende de middeleeuwen als de verhevenste gebeurtenis van haar leven beschouwd. Verschillende kunstenaars, van wie sommigen tot de orden van St. Dominicus en St. Franciscus behooren, hebben het geschilderd. In deze tafereelen ligt een zachte en boven-aardsche welsprekendheid , die minder uit de bekwaamheid des schilders of den rijkdom der kleuren voortvloeit dan uit den godsdienstzin, de godsvrucht en het zieleleven van den kunstenaar, die de gevoelens en de overtuiging zijner ziel op het doek overbrengt. Frater Bartolomeus del la Porta heeft de verloving der Heilige zoo bewonderenswaardig geschilderd , dat hij de kleinste bijzonderheden teruggeeft. Hij legt op het engelachtige gelaat van Catharina zulk een he-melsche tint, dat men zich de vrome en kuische schoonheid eener heilige maagd niet levendiger kan voorstellen. Op haar wezen straalt de zuiverheid barer gelukkige ziel. Haar gezicht is overdekt met een sluier om te toonen, hoe zij van iedere aardsche begeerte vrij was. De Moeder Gods zetelt op een troon en draagt op de armen haar goddelijk Kind, dat aan den vinger van Catharina, die godvruchtig neergeknield is, den ring der verloving steekt; engelen en heiligen, verbaasd en verrukt, bewonderen en aanbidden. Bij dit teeder schouwspel omhelzen St. Dominicus en St. Franciscus elkander met innigheid. Koning David viert met bemelsche melodiën
') Dop. ITom. Cattiirini, '2 : 14.
Ill
deze maagdelijke bruiloft. Wellicht wilde de schilder ons herinneren aan de wonderwerken van Catharina voor Paus en Kerk, toen hij op dit doek St. Petrus plaatste, die verrast en verblijd toeziet. Plet geheel is de uitdrukking van Paulus' woorden: 11c werk voor u met den ijver Gods. want ik heb u verloofd aan eenen man, .om- u als kuische maagd aan Christus voor te stellen.quot; (II Cor. 11, 2).
TIENDE HOOFDSTUK.
God roept Catharina tot het werkende leven.
l
Gij zult overal heengaan, waar Ik u zend, en alles zeggen, wat Ik u gebieden zal. Vrees niet voor hen, want Ik ben bij n ... Zie, Ik leg Mijne woorden in uwen mond. Jerem. 1.
Men moet de overweging met het mondgebed vereenigen evenals het werkende leven met het beschouwende. Samenspr. C. G6.
1366.
h zal haar in de eenzaamheid leiden en tot haar hart amp; spreken. (Osee, VII, 14). Een der volmaaktste afbeeldingen van dit woord der Schriftuur is de Heilige Catharina van Siena. Van haar eerste oogenblik af was zij met Maria neergezeten aan de voeten van haren goddelijken Meester, luisterde naar Zijn woord, luisterde naar het ééne noodzakelijke, terwijl hare huisgenooten zich met Martha om vele zaken bekommerden. Haar wandel was in den hemel.
Schoon zij somtijds verplicht werd hare uitwendige eenzaamheid te verlaten en zich met de noodwendigheden van den naaste bezig te houden, bleef zij aanhoudend ia God verslonden, hoe verstrooiend haar arbeid ook was. Het verdroot haar over aardsche dingen te hooren spreken. Dat zij aan den nooddruft des lichaams moest voldoen, was haar pijnlijker dan dwangarbeid. Zij leidde een leven geheel met Christus in God verborgen. (Colloss. III, 3). In die eenzaamheid en beschouwing juichten haar hart en haar vleesch in den levenden God. (Ps. 83, 3). Om ééne zaak heh ik den Heer yebeden, 'too bad zij, deze zal ik verlangen, dat
113
ik in het huis des Ileeren verhlijve al de dagen van mijn leven, dat ik de wellust des Heer en aanschomve, want in Zijne tent heeft Hij mij verborgen. (Ps. 26, 4â5). De Voorzienigheid had het evenwel anders besloten en riep haar tot het openbare leven.
Jezus Christus had Zijne bruid met alle zegeningen overladen, haar geoefend om te strijden en te overwinnen, haar wonderbaar onderricht, haar bovenaardsche krachten geschonken. Moest zoo schitterend een licht ouder de korenmaat verborgen blijven? Moest men de stad niet toonen, die op den berg gebouwd was? Catharina trad dan het openbare leven in. Doch, zoo bekende zij herhaaldelijk aan Raymundus van Capua, zoo dikwijls de Heer haar beval hare cel te verlaten en met de meuschen te verkeeren, zoo dikwijls gevoelde zij zulk een hevige smart, dat haar hart scheen te breken ')
Na de verloving met Catharina bracht God haar meer en meer in aanraking met de meuschen. Hij beroofde haar niet van Zijn hemelschen omgang, maar verdubbelde dien om haar tot een hoogere volmaaktheid te voeren. Nadat Hij haar in die verschijningen over zijn koninkrijk en diens geheimen had gesproken, nadat Hij met haar eenige psalmen of gebeden had gelezen, voegde Hij er dikwijls bij: âGa spoedig, want het uur voor den maaltijd heeft geslagen; uwe ouders gaan aan tafel, gij moet bij hen blijven en dan bij Mij terugkomen.quot; Bij die woorden brak Catharina in luid gesnik uit. âHelaas,' zeide zij, âwaarom jaagt mijn welbeminde Bruidegom mij uit zijne tegenwoordigheid? Indien ik Uwe Majesteit beleedig, ziehier mijn arm lichaam, straf het terstond; ik zal alles aannemen; doch spaar mij de smart mij van U te scheiden, ook zelfs voor een oogenblik, o mijn Welbeminde. Wat zal ik aan tafel doen? Gij weet immers, dat ik een voedsel gebruik, hetgeen zij niet kennen, die Gij zegt, dat ik moet bezoeken. Vindt dan de mensch alleen in het brood zijn kracht? Geven de woorden, die uit Uwen mond komen, niet beter het leven aan de ziel van den aardscheu pelgrim? Gij weet het beter dan ik, ik
') Legend. 11, I.
114
ben het gezelschap der menschen ontvlucht om U te vinden, U, die mijn Heer en mijn God zijt. En nu ik barmhartigheid verworven heb , nu ik Uwe genade ondanks mijne onwaardigheid bezit, moet ik dien onvergetelijken schat verlaten om mij in de zaken der wereld te mengen, om in mijne onwetendheid terug te zinken en wellicht van U afkeerig te worden? Neen, Heer, neen. Uwe oneindige goedheid zal nooit aan een ziel iets gebieden, dat haar van
U kan scheiden. ') . . ,
Het snikken verhinderde haar te spreken; zij wierp zich voor de voeten des Heeren neder. Christus antwoordde haar; âBedaar, Mijne welbeminde dochter, alle gerechtigheid moet vervuld worden en Mijne genade moet in u vruchten voortbrengen en in anderen. Ik wil Mij van u niet scheiden, integendeel, Ik wil Mij nauwer met u vereenigen door de liefde tot den naaste. Gij weet, dat dc liefde tot Mij twee geboden insluit: men moet Mij beminnen en den evenmensch. Dat is, volgens Mijne uitspraak, geheel de wet en de profeten. Ik wil, dat gij deze twee geboden onderhoudt; gij hebt twee voeten noodig om te gaan en twee vleugelen om naar den hemel te vliegen. Gij moet niet vergeten, dat de zielenijver, dien Ik in uw jeugd in uw hart ontstoken had, zoover ging, dat gij het denkbeeld hebt opgevat mannenkleederen te dragen, uw geboortegrond te verlaten en in de Predikheerenorde te treden om aan de bekeering van den naaste te arbeiden. Gij bebt naar het habijt, dat gij thans draagt, vurig begeerd om uwe bijzondere godsvrucht voor Mijn getrouwen dienaar Dominicus, die zijn orde voord voor het zieleheil gesticht heeft. Waarom verwondert en beklaagt gij u, dat Ik u daar breng, waarheen gij sedert uwe kindsheid verlangt te komen?quot; Catharina, een weinig bevredigd, antwoordde; âHoe zal dit geschieden?quot; En de Heer zeide tot haar: âZooals Mijne goedheid het zal willen en bevelen.-1 Toen riep de dienstmaagd des Heeren naar het voorbeeld van haren Meester uit; âHeer, dat Uw wil en niet de mijne in alles volbracht worde. Ik ben slechts duisternis en Gij zijt het licht; ik ben het niet en Gij zijt het zijn; ik ben
') Legend. II, 1,
115
de onwetendheid en Gij zijt de wijsheid des Vaders. Maar, Heer, veroorloof mij U te vragen, hoe ik Uw woord zal ten uitvoer brengen. Hoe kan ik, die zoo zwak en ellendig ben, nuttig zijn voor de zielen ? Mijn geslacht staat in den weg. Gij weet het, vrouwen hebben volstrekt geen overwicht op mannen; de welvoegelijklieid verbiedt haar een druk verkeer met hen.quot;
De Heer antwoordde, dat bij God niets onmogelijk is. âHeb ik niet,quot; zoo zeide Hij tot haar, â de wereld geschapen en man en vrouw gevormd? Waar ik wil, stort Ik mijne genade uit; voor Mij bestaat er geen verschil van kunne of stand. Het is voor Mij even gemakkelijk een engel te scheppen als een mier, een aardworm of nieuwe hemelen; er staat van Mij geschreven, dat Ik alles gemaakt heb, wat Ik gewild heb. (Ps. 113, 3). Niets van hetgeen het verstand kan uitdenken, is voor Mij onmogelijk. Waarom maakt gij u dus over de middelen ongerust? Zal Ik er niet altijd vinden om Mijnen wil te volbrengen? Ik weet het wel, niet de ongehoorzaamheid, maar de ootmoed doet u zoo spreken. De hoogmoed der menschen, vooral van hen, die zich wijs en geleerd wanen, is thans zoo toegenomen, dat Mijne gerechtigheid hen niet langer kan dulden en hen door een rechtvaardig oordeel zal verdelgen. Maar omdat Mijne barmhartigheid met al Mijne werken gepaard gaat, wil Ik hun eerst een heilzame beschaming overzenden, opdat zij zich zeiven erkennen en verootmoedigen gelijk de Joden en de Heidenen, toen Ik tot hen dwazen heb gezonden, die Ik met Mijne goddelijke wijsheid vervulde. Ja, Ik zal hun vrouwen geven, onwetend en zwak van natuur, maar wijs en machtig door Mijne genade, om hun trots te beschamen. Zoo zij zich zeiven erkennen , zoo zij zich verootmoedigen , zoo zij voordeel trekken uit de onderrichtingen, die Ik hun in die brooze, maar gezegende vaten zal aanbieden, dan zal Ik voor hen vol barmhartigheid zijn. Doch indien zij die heilzame bescherming minachten, zal Ik hun zoovele vernederingen overzenden, dat zij de geheele wereld tot spot zullen strekken. Ziedaar de rechtvaardige kastijding, waarmede Ik de hoogmoedigen sla: hoe hooger zij zich verheffen willen, hoe dieper Ik hen beneden hen zeiven verneder. Wat u
ll(j
belangt, aarzel niet Mij te gehoorzamen, want Ik wil, dat gij in het openbaar verschijnt. Ik zal u overal begeleiden, Ik zal voortgaan u te bezoeken en Ik zal u voorlichten in alles, wat gij doen moet.quot;
Catharina onderwierp zich met een kinderlijke gehoorzaamheid. Onmiddelijk verliet zij hare cel, zocht hare huis-genooten op en zette zich aan tafel, gelijk God het haar bevolen had.
Zij was nu wel met het lichaam bij de menschen, doch haar geest bleef altijd bij haren hemelschen Bruidegom. Wat zij zag en hoorde, was haar tot last. De kracht barer liefde maakte de uren, welke zij onder de menschen verkeerde, langer dan jaren. Zoo spoedig mogelijk keerde zij in hare cel terug om er Hem, dien hare ziel liefhad, terug te vinden. Dan omhelsde zij Hem met meer vurigheid dan ooit. Zij gevoelde een buitengewoon verlangen naar de Heilige Communie niet alleen om hare ziel met haren Bruidegom te vereenigen, maar ook haar lichaam met Zijn Goddelijk Lichaam. Het Brood der Engelen schenkt der ziel geestelijke genade en verbindt haar innig met den Zaligmaker; maar Zijn Heilig lichaam versterkt ook het lichaam van hem, die het ontvangt. Derhalve besloot zij, zoo dikwijls als zij kon, het Lichaam des Heeren te nuttigen. ')
Het is zonneklaar, dat Catharina in het boven beschreven visioen van God de zending ontving zich aan den dienst en het welzijn der geheele Kerk toe te wijden. Die overtuiging vervulde haar met den wonderbaren moed en de nog wonderbaarder liefde , waarvan zij zoovele bewijzen gaf. Zij schreef later:
âWij zijn uitverkoren om het woord Gods te verkondigen en den oogst der zielen te verzamelen. Iedereen verrichte zijn werk, dit heeft God aan ons opgedragen. Wij moeten er ons dus aan toewijden en het talent niet begraven, omdat wij dan een strenge kastijding zouden verdienen. Meu moet arbeiden ten allen tijde, op alle plaatsen, bij ieder schepsel. God staat niet stil bij plaats of schepselen, maar Hij ziet op de heilige en ware verlangens. Uit deze moet men
') Legend. 11, 1.
117
werken____ Ik ben hier gekomen om mij met de zielen te
voeden en ze aan de handen des duivels te ontwringen; daarvoor zou ik duizend levens opofferen, indien ik ze had. Ik zal derhalve gaan en ik zal handelen, gelijk de Heilige Geest mij ingeven zal.quot; ')
Eveneens wees zij in een brief aan hare moeder Lapa op het voorbeeld der Apostelen, die voor het welzijn der mensch-heid zich van hun Heilige Moeder Maria gescheiden hadden. Zoo was haar eenigste gedachte het zieleheil. â Gij weet wel, mijne lieve moeder, dat uwe arme dochter voor niets anders op de wereld is.quot; 2) Deze bewonderenswaardige maagd achtte zich tot de zwaarste en verhevenste werken voorbeschikt; toch meende zij die niet te kunnen volbrengen, tenzij zij zich van dit beginsel doordrong: het schepsel moet om groote dingen te kunnen volvoeren, erkennen, dat het niets is, en ann God alleen alles toeschrijven, wat het bezit. a) â De ziel, die zich zelve kentzoo schreef Catharina aan Paus Gregorius XI te Avignon, âvernedert zich, daar zij geen enkele reden ziet om zich te verhoovaardigen, en zij kweekt in zich zelve de goede vrucht eener vurige liefde aan, omdat zij er de oneindige goedheid Gods aanschouwt; zij erkent, dat zij niets is, eu het wezen, dat zij bezit, schrijft zij toe aan Hem, die is. Dan schijnt de ziel genoodzaakt te te beminnen, wat God bemint, en te verafschuwen, wat Hij verafschuwt. 4)
Catharina beschouwde hare eigen zonden als de oorzaak van de meeste rampen der Kerk. De grootste Heiligen hadden dit gevoel van nederigheid. Het gaat immers met de vruchten der deugd gelijk met die van het verstand. Bekrompen en zwakke geesten zijn altijd uiterst voldaan over hunnen arbeid. Doch waarlijk groote vernuften zijn nooit tevreden over hun werk; dit beantwoordt nooit aan hun breede en verheven opvatting. Menschen, die een gering denkbeeld van de deugd hebben, wanen, dat de beoefening
') 59 Brief.
2) 213 Hriol'
â r; 1 Brief. ') I Brief.
lis
daarvan gemakkelijk is, en zijn licht voldaan. Doch de opvatting der Heiligen is zoo verheven boven het gewone peil, dat zij nooit meenen ze te bezitten. Dit nederige gevoelen van zich zeiven vermindert evenwel hun kracht van handelen niet, maar versterkt ze, omdat het voortvloeit uit het hooge denkbeeld, dat zij van God en van de deugd hebben.
Het is zeker, dat Catharina de haar opgelegde taak niet zoo begreep, alsof zij onmiddelijk, volgens eigen keus, buitengewone zaken voor het heil der zielen moest verrichten. Zij wachtte tot haar door duidelijke teekenen kenbaar werd, wat de Heer van haar verlangde. Middelerwijl sprak zij , overeenkomstig den regel , dien zij zich zelve had voorgeschreven, zonder verlof van haren biechtvader met niemand behalve met hare huisgenooten.
Zij wilde echter niet ledig blijven en begon opnieuw hare ouders te dienen. ') Eerst verrichtte zij nederige bezigheden, wijdde zich vervolgens aan liefdewerken, verzuimde echter hare vurige gebeden en boetplegingen niet. Het minste en moeilijkste huiswerk nam zij op zich; het vegen, het reinigen van vaatwerk en het bereiden der spijzen. Des nachts, wanneer de anderen sliepen, stond zij op eu bezorgde de wasch. Eens was de dienstmaagd ziek. Catharina nam al haar werk over en verpleegde haar bovendien. Ondanks deze veelvuldige verstrooiingen bleef zij zoo innig met haren Bruidegom ver-eenigd, dat geen werk, geen vermoeienis de zoetheid hunner samenspraken kon verstoren. s)
Op zekeren dag zat Catharina bij het vuur om het vleesch te braden. Niettemin hield zij zich bezig met heilige beschouwingen en verzuchtingen en geraakte in geestvervoering. Het spit stond stil. Hare schoonzuster Lisa bemerkte het wel, doch daar dit niets ongewoons voor haar was, sloeg zij er geen acht op en draaide zelve het spit. Het vleesch was gebraden, de tijd voor het eten daar, doch de geestverrukking duurde nog voort. Lisa liet de Heilige ongemoeid, deed haar werk en bediende haren echtgenoot en hare kinderen.
') Legend. II, 1. -) Legend. II. 2.
119
Na het avondeten ging iedereen naar zijn kamer. Lisa wilde het einde der geestvervoering afwachten. Eindelijk ging zij naar de keuken. Daar lag Catharina uitgestrekt op de gloeiende kolen. Het vuur was geweldig, want het moest dienen om de verfstoffen te bereiden. âAch,quot; riep Lisa uit, Catharina is geheel verbrand.quot; En toesnellend trok zij haar van het walmende vuur. Haar lichaam en haar kleederen waren volkomen ongedeerd en droegen geen spoor of reuk van verbranding, zelfs hadden zij de asch niet eens geraakt. En toch had zij verscheidene uren op de gloeiende kolen gelegen. Het hemelsch vuur, dat haar binnenste doorgloeide, had de uitwerkselen van het aardsche vuur belet. ') Dit was niet de eerste keer, dat zij uit het vuur gered werd.
Eens leunde zij in de Predikheerenkerk met het hoofd tegen een kolom, waartegen zich heiligenbeelden bevonden. Een brandende waskaars viel onder het gebed op haren sluier en bleef voortsmeulen zonder dien te schaden. De was brandde op en het licht ging uit. alsof het op ijzer of marmer gelegen had. De duivel, razend van woede, wierp Catharina dikwijls in het vuur, terwijl zij anderen onderrichtte. De omstanders schreeuwden luid en poogden haar te helpen, maar zij stond glimlachend op. Hare kleederen waren zelfs niet geschroeid. âVreest niets,quot; zeide zij, ., het is het kwade beest.quot; Zoo noemde zij den duivel. Een ander maal lag zij ziek te bed. Naast hare legerstede stond een aarden pot met gloeiende kolen. De duivel slingerde haar met zulk een kracht in het vuur, dat haar hoofd den pot in vele stukken sloeg. Doch haar hoofd en haar sluier bekwamen geen letsel. Catharina stond lachend op, spotte met haren vijand en schold hem meermalen uit voor het kwade beest. 2) Met volle waarheid kon de Heilige dus getuigen: â Gij bevrijdt mij, o lieer, volgens de (/rootte der harmhartiglicid van Uiven una/».... uit de schadelijke vlam. die mij omgaf, zoodat ik midden in het vuur niet verbrandde.quot; (Ecclesiastic. 51, 4, 6).
') Legend. II, 2. J) Legend., II, 2.
ELFDE HOOFDSTUK. Catharina's liefde voor de armen.
Voorwaar, Ik zeg u, wat gij aan oenen dezer ^Mijner geringste broeders gedaan hebt, dat hebt gij aan Mij gedaan. Matth. 40.
Wij moeten ons loven geven voor het heil der zielen en geheel onze fortuin voor het welzijn en het leven van den naaste. 71 Brief.
1366.
Vjjfod, die de dochter van Benincasa tot zoo groot een zending van liefde voorbeschikte, maakte haar nuttig voor den naaste van hare kindsheid af. Reeds blinken hare liefdewerken nit, toen zij nog binnen de muren der ouderlijke woning verborgen was. Het eerste tijdvak van haar leven kenmerkte een algeraeene en dringende nood. Buiten-landsche oorlogen , burgertwisten , duurte der levensmiddelen, veelvuldige aardbevingen, moorddadige pestziekten sloegen allen met dood en verderf. Behalve andere rampen ontstond hieruit een nijpende armoede onder de werklieden. Zij drenkten de aarde met hun zweet, leefden allersoberst, maar konden honger en gebrek niet weeren. Catharina was vol medelijden voor die ongelukkigen.
â De deugden hebben hunnen grondslag in de liefde tot den naaste, omdat de liefde het leven aan alle deugden schenkt; men kan geen enkele deugd verkrijgen zonder de liefde tot Mij.
Zoodra een ziel mij bemint, bemint zij den naaste; zonder deze naastenliefde zou hare liefde niet waar zijn, want de liefde tot Mij en tot den naaste zijn een. Hoe meer een ziel Mij bemint, des te meer bemint zij den naaste, daar de liefde.
121
welke men voor hem koestert , uit Mijne liefde voortvloeit.
Ziedaar het middel, dat Ik u gegeven heb om in u de deugd te beoefenen en aan te kweeken. Uw deugd kan Mij niet nuttig zijn, maar zij moet den naaste voordeel aanbrengen.quot; ')
De werken van liefde nu zijn tweevoudig: geestelijke en lichamelijke. In de eerstvolgende hoofdstukken gaan wij die werken van Catharina verhalen, eu wel hare liefdewerken voor de armen, voor de zieken en voor het heil der zielen.
Daar Catharina krachtens hare kloostergeloften niets bezat, wilde zij over liet goed van anderen niet zonder hun toestemming beschikken. Zij vroeg dnn aan haren vader, of zij volgens geweten van de goederen, waarmee God hare familie zegende, het deel van de armen kon afnemen. Haar vader willigde dit gaarne in, daar hij duidelijk zag, dat zijne dochter op den rechten weg wandelde. Zijn toestemming maakte hij zelfs aan allen bekend. â Niemand,quot; zoo zeide hij, âverhindere mijne teergeliefde dochter aalmoezen te geven. Ik laat haar volle vrijheid; zij kan, indien zij wil, alles, wat in mijn huis is, weggeven.quot; Catharina maakte ruimschoots van dit verlof gebruik. Daar zij echter de gave des onderscheids bezat, bedeelde zij alleen hen, die het waarlijk noodig hadden , doch wachtte niet af, dat zij het eerst vroegen. In hare nabijheid kende zij huisgezinnen, die het nijpendste gebrek leden, doch zich schaamden een aalmoes te bedelen. Zij nu volgde de H. Nicolaas na. Zeer vroeg in den morgen bracht zij hun koren, wijn, olie en alles wat zij noodig hadden. Zij bezocht die ongelukkigen alleen. God opende voor haar de deur. Na haren voorraad in stilte te hebben neergelegd, sloop zij zonder gedruisch weg en sloot de deur. 2)
Op zekeren dag was Catharina ziek en had zooveel pijn, dat zij haar bed niet kon verlaten. Nu hoorde zij , dat een arme weduwe in de buurt aan alles gebrek leed en geen brood voor hare kinderen had. Zij treurde en vroeg aan Jezus Christus, dat Hij haar zou genezen om die ongelukkige te kunnen helpen. Vóór het morgenkrieken staat zij op,
Samenspr. c. 7. s) Legend. II. 3.
122
doorloopt het geheele huis, vult een kleinen zak met koren, neemt een groote flesch wijn, een kruik olie en alle voorhanden eetwaar. Dezen voorraad verzamelde zij in hare cel. Zij kon hem evenwel, zoo scheen het haar toe, niet in eens naar het huis der weduwe brengen. Zij laadt hem niettemin op, zoo goed het ging: iets op de schouders, iets aan den gordel, iets in iedere hand, en zoo gaat zij op weg, rekenend op de hulp van boven. Zij bedroog zich niet en kon gemakkelijk loepen. De last scheen haar licht toe, schoon hij waarschijnlijk wel honderd pond woog. Doch dicht bij het hutje der weduwe werd de voorraad eensklaps zoo zwaar, dat zij hem niet meer kon dragen. Catharina schreef het haren Bruidegom toe, die hare moeite vermeerderde om hare verdiensten te verhoogen. Zij bad met vurigheid en kwam eindelijk na een buitengewone krachtsinspanning aan het huisje der weduwe. De bovendeur was niet gesloten. Zij stak den arm naar binnen, opende de deur geheel en al en legde er hare milde aalmoes neer. Het gedruisch wekte de weduwe. Catharina wilde vluchten , doch de Heer hield haar tegen. Hij ontnam haar de kracht. Zij kon geen voet verzetten. Opgeruimd verdroeg zij dat beletsel. âMijn Welbeminde,quot; zelde zij, âwaarom hebt Gij mij zoo misleid? Waarom schept Gij er behagen in mij in verlegenheid te brengen ? Mijn dwaasheden zullen aan de huisgenooten bekend worden en alle voorbijgangers naar mij kijken. Vergeet de weldaden niet, die Gij aan mij, Uwe geringe dienstmaagd, bewezen hebt; geef mij. ik bid U, de kracht terug om huiswaarts te keeren.quot; Telkens beproefde zij te loopen en zeide tot haar lichaam; âVooruit, gij moet gaan, al moest gij sterven.quot; Zij verwijderde zich een weinig, meer kruipend dan loopend, doch niet zoo vlug, of de weduwe, die inmiddels opgestaan was, zag het habijt en herkende hare weldoenster. Nu gaf de Heer haar een weinig van hare krachten terug. Zij keerde met moeite huiswaarts, vóór het dag werd, en ging naar bed even lijdend als 'savonds te voren. Ondanks hare voortdurende ziekelijkheden herhaalde Catharina dikwijls die morgenbezoeken. ')
^ Legend.. II, 3.
123
Hare kwalen volgden den gewonen loop der natuur niet: God regelde ze volgens Zijn welbehagen. Moest er een arme of zieke geholpen worden, dan had zij telkens krachten genoeg, schoon zij krank te bed lag. Bovendien werden de liefdewerken dezer onvermoeide weldoenster zeer dikwijls door wonderdadige gebeurtenissen voorafgegaan, vergezeld of gevolgd. ')
Ziehier hoe zij de liefdadigheid van St. Martinus navolgde. Zij was in de kerk der Predikheeren te Siena. Een arme vroeg haar om de liefde Gods een aalmoes. Doch zij kon hem niets geven , daar zij nooit geld bij zich bad. Zij verzocht den arme met haar naar huis te gaan, dan zou zij zij hem geven, zooveel zij kon. Maar deze antwoordde kortweg : â Hebt gij mij iets te geven, doe het dan dadelijk, bid ik u , want ik kan niet wachten.quot; Catharina dacht na, hoe zij hem helpen kon. Nu vielen haar oogen op een klein zilveren kruis, dat aan haar bidsnoer hing. Terstond trok zij het koord stuk en bood den arme het kruisje aan. Deze ging verheugd heen. Den volgenden nacht bad Catharina volgens gewoonte. De Zaligmaker verscheen haar, hield het kleine kruis, met kostbare edelgesteenten rijk versierd, in de hand en zeide: âMijne dochter, herkent gij dit kruis?quot; âZeker herken ik het,quot; hernam Catharina, âmaar het was zoo schoon niet, toen het mij toebehoorde.quot; â Gisteren,quot; zeide de Heer, â heeft uw hart het met liefde aan Mij gegeven; die liefde duiden de kostbare steenen aan. Ik beloof u, dat Ik het u op den dag des oordeels in tegenwoordigheid van engelen en menschen zal teruggeven, zooals gij het nu ziet, opdat het uwe glorie worde. Op dat plechtig oogenblik, waarop Ik de barmhartigheid en de rechtvaardigheid van Mijnen Vader zal openbaren, zal Ik niet verbergen, wat gij voor Mij gedaan hebt.quot; 1)
Op zekeren dag had men de Tertiën gezegd. Allen verlieten de kerk; Catharina bleef alleen met een barer gezellinnen nabidden. Toen zij uit de kapel der Zusters kwam, verscheen haar de Zaligmaker in de gedaante van een zeer
1
) Legend., II, .3.
124
armoedig gekleeden jongeling. Hij leek een vreemdeling en ruim dertig jaren oud. Hij vroeg haar in den naam van God hem een kleedingstuk te geven. Catharina zeide: âWacht hier een oogenblik, vriend , tot ik terugkom uit de kapel, dan zal ik u het kleedingstuk geven, dat gij vraagt.quot; En naar de kapel teruggekeerd, trok zij met behulp harer gezellin een onderkleed zonder mouwen uit en gaf het verheugd aan den arme. Doch deze was er niet mede tevreden. âJongejuffrouw,quot; vroeg hij, âgij hebt mij een wollen kleed gegeven, maar kunt gij mij geen linnen hemd geven om mij te dekken?quot; âVolg mij,quot; antwoordde Catharina terstond, âen gij zult tevreden zijn.quot; De Bruidegom volgde zijne bruid zonder zich kenbaar te maken. Te huis gekomen liep Catharina naar de kast, waarin haar vader en broeders hun linnengoed bewaarden, nam eenige stukken en bracht ze bij den arme. Doch hij was nog niet voldaan. âMaar jongejuffrouw,quot; mompelde hij, âwat zal ik met dezen rok doen? Geef mij mouwen, en gij hebt mij geheel en al gekleed.quot; Die vraag maakte Catharina niet ontevreden. Zij doorsnuffelt het gansche huis naar mouwen. Eindelijk ziet zij een nieuw kleed der meid aan den muur hangen, neemt er de mouwen uit en geeft ze aan den arme. Maar nog hield hij aan en zeide: âKijk, jongejuffrouw, gij hebt mij goed gekleed, ik dank er u voor in naam van Hem, voor wien gij het gedaan bebt. Maar een mijner kameraden in het hospitaal heeft nog geen kleederen; zoudt gij mij niet iets kunnen geven, dan zal ik het hem in uwen naam brengen?quot; Catharina zocht een middel om den zieke in gasthuis te helpen. Al hare huisgenooten, behalve haar vader, jammerden over hare veelvoudige aalmoezen en sleten alles zorgvuldig weg. Reeds had zij de mouwen van de meid, die niet te rijk was, weggegeven; het heele kleed kon hij toch niet weghalen. Zij zeide nu tot den arme: âVriend, indien ik zonder kleed konde loopen, zoude ik het u gaarne schenken, maar ik kan het niet en vind op het oogenblik ook niets anders; duid het mij dus niet ten kwade. Indien ik kon, zou ik gelukkig zijn u alles te geven, wat gij vraagt.quot; De arme glimlachte en zeide: âJa, ik zie, dat gij mij van harte geeft, wat gij kunt geven; goeden dag.quot; Bij zijn
heengaan meende Cathariua liaron hemelschen Bruidegom aan zekere teekenen te erkennen. Haar hart werd verontrust, doch hare nederigheid zeide haar, dat zij zulk een gunst onwaardig was. ')
Den volgenden nacht was Catharina in het gebed verzonken. Jezus Christus verscheen haar in de gedaante van den arme. In de hand hield hij het kleedingstuk, dat zij Hem had gegeven, geheel omzoomd met parelen en schitterend van juweelen. â'Mijne welbeminde dochter,quot; zoo zeide Hij, âherkent gij dit gewaad?quot; En daar zij bevestigend antwoordde , voegde de Heer er bij: â Gisteren hebt gij Mij dit kleed met veel liefde geschonken; uwe liefde heeft Mijne naaktheid bekleed en Mij tegen de koude willen vrijwaren. Ik zal u thans een kleed geven, dat de menschen niet zien, maar dat gij zult gevoelen, omdat het uw lichaam en uw ziel tegen de koude zal beschermen, tot gij voor engelen en heiligen met glorie en eer bekleed zijt.quot; Terstond trok Hij uit de wonde Zijner zijde een gewaad, met Zijn Bloed gepurperd en stralend van licht. Hij bekleedde haar daarmede en zeide; â Ik geef u dit kleed als een zinnebeeld en onderpand van het gloriekleed, dat gij eens in den hemel zult bezitten.quot; Sedert dit visioen droeg Catharina, zoowel zomer als winter, slechts éen opperkleed. Nooit meer gevoelde zij koude â )
Een annderen keer vernam Catharina, dat een arme, die ter liefde Gods alles had weggegeven, op het punt was van honger te sterven. Zij wil Jezus Christus in dezen arme spijzigen en vult een linnen zak, dien zij voor dit doel onder haar kleed droeg, met eieren. Dicht bij de woning van den arme gaat zij een kerk binnen en geraakt weldra in een geestverrukking. Haar lichaam zakt ineen juist aan de zijde, waar de eieren hingen, en drukt zoo zwaar er op, dat een metalen vingerhoed, die ook in den zak was, in stukken sprong. Doch de eieren bleven heel en droegen verscheidene uren het lichaam van Catharina. 3)
') Legend. 11 . 2) Ibidem. :t [bidem.
126
Ziehier een ander wonder, waarvan meer dan twintig personen getuigen waren. Eens was een vat tafelwijn bedorven. Catharina, die altijd het beste weggaf, tapte goeden wijn uit een onaangebroken vat en deelde dien uit. Aan dit vat had men voor de geheele huishouding vijftien tot twintig dagen ruim genoeg. Eindelijk stak men ook dit vat op. Catharina verdubbelde hare wijnbedeelingen. Vijftien, twintig dagen, een maand ging voorbij, doch het vat verminderde niet. De broeders van Catharina en de dienstboden zeiden het aan haren vader. Allen verheugden zich uitermate. Niet alleen was er genoeg, maar niemand herinnerde zich ooit zulk een goeden en smakelijken wijn gedronken te hebben. Niets ontbrak er aan; de hoeveelheid was even wonderbaar als de hoedanigheid. Men maakte er gebruik van, doch kon het verschijnsel niet verklaren. Catharina tapte overvloedig en gaf aan alle armen, die zij kon vinden. De wijn stroomde voortdurend en zijn smaak veranderde niet. Zoo verliep een tweede, een derde maand. Eindelijk stond de wijnoogst voor de deur. Men reinigde de vaten om ze met nieuwen wijn te vullen. Ook het onuitputtelijke vat wilde men ledigen, maar alle beschikbare vaten zijn onvoldoende. Nu beval de meesterknecht aan de arbeiders, dat zij het vat zouden uitgieten. Zij antwoordden, dat zij er den vorigen avond nog een groote fleseh zeer goeden en zeer helderen wijn uit getapt hadden. Ongeduldig hernam hij: âGiet er allen wijn uit en maak het vat gereed voor den nieuwen wijn, want wij kunnen niet langer wachten.quot; Men opende het vat: het was kurkdroog. ')
Door zulke werken werd Catharina van hare kindsheid af de onvermoeide weldoenster van haren evenmensch. Nu zij de eenzaamheid verliet om in het openbare leven te verschijnen , werpt zij hare eerste blikken op hare geboortestad. Immers het Evangelie dooft de vaderlandsliefde niet uit, maar bekrachtigt en versterkt ze door een hooger, een bovennatuurlijk doel. Heeft Christus, hebben de Heiligen na Hem dit natuurlijke gevoel voor den geboortegrond niet door hun voorbeeld geheiligd? Ontvangen wij niet vele weldaden van
') Legend., II, 3.
het vaderland? Drukken zijn gesteltenis, geschiedenis, glorie, gewoonten en taal geen onuitwischbaren stempel in ons? Een ieder draagt in zich het zegel van tijd, plaats ca omstandigheden , waarin hij opgroeide. Zelfs de Heiligen dankten daaraan menige gunstige inwerking. Zoo grifte Siena reeds vroegtijdig in de ziel van Catharina de schilderachtigheid zijner ligging, de strenge schoonheid zijner tempels, de godsdienstige overleveringen der familie Benincasa, de versterving der Zusters van Boetvaardigheid, het woord der Predikheeren. De goddelijke ingeving, het habijt, dat zij droeg, hare vurige liefde, de droevige beroeringen van haren tijd, de toestand van Siena in 't bijzonder, riepen haar om een engel van barmhartigheid te worden, eerstens voor hare. geboortestad, dan voor de geheele Kerk. Voor dit doel kweekte zij de christelijke en maatschappelijke deugden in een heldhaftigen graad aan. De overweging van de Goddelijke volmaaktheden en de kennis van haar zelve waren haar dagelijksch voedsel en brachten haar tot een diepe, practische menschcnkennis, schonken haar ernst en voldoening, zoodat zij het genot van aardsche goederen niét begeerde. Van nature teeder en vurig, had zij al hare neigingen op God en den naaste gericht. Om haar leven of om smarten bekreunde zij zich niet. Zij was een levend en schitterend beeld van toewijding, zuiverheid, oprechtheid, alles voor allen, medelijdend voor de bedroefden, vrijgevig voor de armen, verschrikkelijk en barmhartig voor de boosdoeners, een sterke vrouw, die den adel des bloeds met den adel der deugd vereenigde.
-©A®)-
TWAALFDE HOOFDSTUK. Cathariua's liefde voor de ziekeu.
. Ken zuivere en vlekkelooze godsdienst bij God en den Vader is deze: Weduwen en wezen in hare wederwaardigheid bezoeken en zich onbesmet voor deze wereld te bewaren. Jac. I.
Uwe offers, door de kracht der liefde vruchtbaar gemaakt, zullen voor u en voor anderen voldoen en verdienen.... De gebeden en de vurige begeerten Mijner dienaren zullen voor hen bronnen van genade zijn. Samenspr. C. 4. 1367.
atharina weende met de treurenden en leed met de behoeftigen (Jol) XXX, 25). Hoe dikwijls heeft zij, wanneer zij door de straten van Siena ging en naar nieuwe gelegenheden tot weldoen zocht, gedacht aan het woord der H. Schrift: âIk was ziek, en gij hebt mij bezocht.'quot; (Math. 25, 36). Groot was hare liefde voor de armen, nog grooter die voor de zieken. Om hen te troosten en bij te staan verrichtte zij ongeloofelijke heldendaden. ') Men boude hier evenwel den algemeenen regel in liet oog; Sommige daden der Heiligen zijn te bewonderen, doch niet door iedereen na te volgen, omdat niet iedereen dezelfde hoogere inspraken van God ontvangt.
Er leefde te Siena een arme, zieke vrouw, Tecca genaamd.
') Legend. 11, 4.
6
129
Hare ellende was groot. Zij moest in een der vijftig gasthuizen der stad worden opgenomen. Dit was arm en verschafte haar nauwelijks het noodzakelijke. Haar ziekte verergerde zoo zeer, dat een soort van melaatschheid haar lichaam overdekte. Iedereen ontvluchtte haar. Niemand wilde haar verzorgen. Men stond op het punt haar volgens middel-eeuwsch gebruik buiten de stad te brengen. Catharina hoort dit, ijlt naar het gasthuis, bezoekt de melaatsche, omhelst haar, belooft in hare behoeften te voorzien en haar tot den dood te dienen. Wat zij beloofde, volbracht zij. lederen morgen en iederen avond ging zij zelve de zieke oppassen en haar het noodige brengen. In die arme melaatsche zag zij den Bruidegom barer ziel en stond haar bij met liefde en eerbied.
Deze deugd van Catharina wekte intusschen bij de zieke slechts hoogmoed en ondankbaarheid op. De nederige dienstvaardigheid van de Heilige maakten Tecca aanmatigend en driftig. Zij beschouwde Catharina's diensten als verschuldigde weldaden, morde en schold, wanneer niet alles naar haar zin was. Dikwijls verlengde de Heilige hare morgengebeden in de kerk en kwam een weinig later dan gewoonlijk in het gasthuis. Dan werd Tecca toornig en begon te spotten: âGoeden morgen, mevrouw de koningin van Fonte-Branda â in deze wijk woonde Catharina â uwe Majesteit schept er behagen in den ganschen dag in de kerk der Preekheeren te blijven; daar hebt gij den voormiddag verslenterd, schoone vrouw; kunt gij u dan niet verzadigen aan die monniken?quot; Catharina poogde haar te doen bedaren en antwoordde zachtzinnig als een kind: âGoede moeder, ter liefde Gods, wind u niet op, ik heb een weinig getalmd, doch ik zal fluks uw klein huishouden regelen.quot; En terstond stak zij het vuur aan, kookte water, maakte het eten gereed en was zoo vlug klaar, dat zelfs de spijtige oude groote oogen opzette.
Catharina bleef geduldig; een ieder bewonderde haar. Doch Lapa was niet tevreden en klaagde: âMijne dochter, gij wordt zelve nog melaatsch; ik wil niet, dat gij deze zieke verpleegt.quot; Maar Catharina vertrouwde op God en stelde hare moeder gerust. De Voorzienigheid had haar dit werk opgedragen; zij mocht het niet achterlaten. Hare liefde zegevierde over alle hindernissen. De vingers van Catharina, die
9
130
het lichaam van Tecca aanraakten, werden door de melaatsch-heid besmet. Wat bekommerde zij zich om haar lichaam? Tecca Btierf eindelijk en Catharina stond haar bij in den doodstrijd. Het lichaam der zieke was afschuwelijk om te zien. Catharina wiesch het met de meeste zorg, kleedde het, legde het af en wilde het zelve begraven. Na dit laatste werk van liefde verdween eensklaps de melaatschheid van hare handen; zij schenen blanker dan de overige lichaams-deelen. !)
Bewonderen wij hier in Catharina alle deugden. De liefde is de koningin; zij drijft haar aan om dit werk te beginnen en te voleinden. De ootmoedigheid vergezelt het; zij maakt haar onderdanig aan deze arme vrouw. Het geduld doet haar met blijdschap de ruwheden van haar karakter en haar afzichtelijke ziekte verdragen. Een levendig geloof toont haar in deze melaatsche haar welbeminden Bruidegom. De hoop begeeft haar geen oogenblik, daar zij tot het einde volhardt. Een schitterend wonder kroont hare deugden: Jezus Christus geneest plotseling hare handen.
ïe Siena woonde een zuster der Derde Orde, Palmerina geheeten. Zij wijdde zich zelve en haar vermogen aan liefdadige doeleinden. Toch overwon haar de duivel van nijd en hoogmoed. Zij voedde een diepen haat tegen Catharina. Niet alleen wilde zij haar niet zien, maar zelfs haar naam niet hooren uitspreken. In 't openbaar en in 't geheim stelde zij haar in een verkeerd licht en werd niet moede haar te lasteren en te beschimpen. Catharina gebruikte al hare zachtmoedigheid en nederigheid om haar te winnen, doch te vergeefs. Nu zond zij voor hare vijandin vurige gebeden ten hemel op en laadde brandende kolen op haar hoofd. God sloeg het lichaam van Palmerina met ziekte om hare ziel te genezen. De ziekte van Palmerina genas. Doch aanvankelijk groeide haar haat nog aan. Catharina beproefde alle middelen om haar te bevredigen. Zij hielp haar dikwijls, verootmoedigde zich voor haar, trooste haar en bewees haar alle mogelijke diensten. Maar zij joeg hare liefderijke verpleegster uit haar huis. Nu echter toonde zich de Goddelijke recht-
') Legend. U , 4.
131
T
vaardigheid. Palmerina stortte plotseling in en stond voor de poort des doods.
Catharina vernam dit. Terstond sloot zij zich in hare cel op en smeekte vurig tot haren hemelschen Bruidegom: â Heer, ' zou ik, arm schepsel, geboren zijn,'opdat zielen, naar Uw
beeld geschapen, om mijnentwil een prooi van het eeuwig vuur zouden worden ? Zult gij toelaten, dat ik de verdoemenis van een zuster bewerk, wier zaligheid ik vergemakkelijken moest? Neen, dit strijdt te zeer met de menigte Uwer barmhartigheden, met Uwe oneindige goedheid. Beter ware het niet geboren te zijn dan een ziel, door Uw Bloed vrijgekocht, in het verderf te storten. Ach, zijn dit de beloften, die Gij mij gedaan hebt, toen Gij mij mededeeldet, dat ik aan het heil van den naaste kon arbeiden ? Is dit het goed, dat Gij door mij uitwerkt? Mijne zuster zou verworpen zijn om mij? Neen, ik mag er niet aan twijfelen, mijne zonden hebben deze ramp veroorzaakt. Zou ik iets anders van mijne geringheid verwachten? Toch zal ik niet ophouden Uwe eeuwige barmhartigheid in te roepen, tot het kwaad, waarvan ik de oorzaak ben, ten goede keert en Gij de ziel mijner zuster uit den dood redt.quot; Terwijl Catharina aldus bad, deed God haar de zonden dezer ongelukkige kennen; Zijne rechtvaardigheid duldde niet, dat zulk een onverzoenlijke haat ongestraft bleef. Nu riep Catharina uit: âHeer, ik zal van hier niet heengaan, voor ik genade voor mijne zuster bekomen heb. Wreek hare zonde, waartoe ik de aanleiding was, op mij. Niet haar, maar mij moet Gij kastijden. In den naam van Uwe goedheid bezweer ik U, allerbarmhartigste Heiland, duld niet, dat do ziel mijner zuster het lichaam verlate, voor zij in Uwe vriendschap teruggekeerd is.quot;
Haar gebed was zoo krachtig, dat de zieke niet kon sterven; reeds drie dagen en drie nachten duurde haar doodstrijd. Allen stonden verbaasd. Catharina bleef bidden. Hare nederige tranen zegevierden over den Almachtige. Een straal van genade verlichtte de stervende. Zij erkende haar toestand. Catharina wist het door een openbaring en snelde naar het huis van Palmerina. Zoodra deze haar zag, gaf zij alle mogelijke teekenen van blijdschap en eerbied, bekende met luider stem hare verkeerdheid en stierf, nadat zij met blijk-
132
bare vermorzeling des harten de H. Sacramenten ontvangen had. Christus toonde de schoonheid dezer ziel aan Zijne bruid en zeide tot haar: ,, Ziehier, welbeminde dochter, deze verloren ziel, die gij voor Mij wederge vonden hebt. Schijnt zij u niet schoon en kostbaar toe? Wie zou niet alle pijnen willen verduren om zulk een volmaakt schepsel te winnen? Indien Ik, de hoogste schoonheid, waaruit alle schoonheid voortvloeit, door de schoonheid der zielen bekoord werd, zoodat Ik op aarde ben nedergedaald en Mijn Bloed vergoten heb om ze vrij te koopen, moet gij nog meer elkander bijstaan, opdat zij niet verloren gaan. Ik heb u deze ziel getoond, opdat gij met grooteren ijver aan het zieleheil van den naaste arbeiden en anderen daartoe opwekken zoudt overeenkomstig de genade, welke Ik u geschonken heb.quot; ')
Catharina dankte haren Bruidegom met vurigheid en smeekte Hem ootmoedig haar de schoonheid der zielen van hen te toonen, die met haar in betrekking stonden. De Heer verleende haar deze gunst en zeide: â Gij hebt het vleesch veracht en u geheel aan Mij , die de volmaakte geest ben, gehecht; gij hebt met geloof en volharding voor het heil dezer ziel gebeden, daarom geef Ik u een bovennatuurlijk licht, dat ii de schoonheid of de afzichtelijkheid van alle zielen, met wie gij in aanraking komt, zal toonen. Uwe inwendige zinnen zullen den staat der zielen waarnemen, gelijk uwe uitwendige zintuigen dien der lichamen. En dit zal niet alleen geschieden bij tegenwoordige personen. wier zieleheil het voorwerp van uwe liefde en gebeden zal uitmaken, maar ook als zij afwezig zijn en gij zc nooit gezien hebt.quot; Van dit oogenblik af zag Catharina meer de zielen dan de lichamen van hen, die tot haar naderden. Eens herinnerde haar Raymundus van Capua, hoe men haar verweet, dat zij hen, die bij haar kwamen, niet verhinderde de knie voor haar te buigen. Zij antwoordde: â God is mijn getuige ; dikwijls bemerk ik niets van alles, wat zij , die mij omringen, doen; ik bekommer mij alleen om hunne zielen en geef geen acht op hun lichamen.quot; Raymundus hernam; âZiet gij dan hunne zielen?quot; âMijn vader,quot; antwoordde
') Legend. II, 4.
133
zij, âmijn Zaligmaker heeft mij deze genade gtschonken, toen Hij mijne gebeden verhoorde en eene ziel aan de hel ontrukte, die zich door haar eigen schuld er in stortte. Hij heeft mij de schoonheid van deze ziel getoond, en sedert dien tijd zie ik zelden iemand of ik ken tevens zijn inwendige gesteltenis. O mijn vader, kondt gij de schoonheid van een ziel zien, dan zoudt gij honderdmaal uw leven opofferen om hare zaligheid te verzekeren. Neen, er is niets in deze stoffelijke wereld, wat men bij hare schoonheid vergelijken kan.quot; ')
Dikwijls ontmoette Catharina personen, deugdzaam in hun uitwendige manieren, maar bedorven van hart. De Heilige kende terstond hun binnenste en wilde hen niet aanzien, noch hun antwoorden, wanneer zij haar aanspraken. Hielden zij nochtans aan, dan riep zij hun toe: â Eerst moet gij u van uwe zonden zuiveren en de ketenen van den duivel afschudden; dan zullen wij over God spreken.quot; Weldra bleek het, dat zulke lieden den breeden weg der zonde bewandelden. Eens sprak haar een vrouw aan, die verkeerde betrekkingen onderhield. Niets verried evenwel hare zondige levenswijze. Catharina wendde zich af. â Hadt gij de vuilnis gezien,quot; zoo zeide zij tot Raymundus van Capua, â die ik bespeurd heb, toen zij tot mij sprak, dan had gij moeten braken.quot; 1)
Een zuster der Derde Orde, Andrea geheeten, was bedenkelijk ziek; de kanker vrat langzamerhand hare borst weg. Een verpestende reuk joeg iedereen van haar heen. Catharina ging de zieke bezoeken, trooste haar met een blij gelaat en bood hare diensten aan voor de gansche ziekte. Volgaarne nam de zuster dit aanbod aan.
De Heilige spaarde nu geen zorgen en was voortdurend bij de zieke. Zij wiesch de wonde uit, legde er nieuw linnen op en gaf niet het minste teeken van afkeer, hoe lang het verbinden ook duurde. Zij was altijd opgeruimd en lachte altijd. De zieke bewonderde zooveel standvastigheid en zooveel liefde. Op zekeren dag ontbloote Catharina de wonde. Er stegen bedwelmende dampen uit op. Zij viel bijna in
1
) Ibidem.
134
bezwijming. Maar terstond ontsteekt zij in een heiligen toorn tegen haar zelve en zegt: âHoe? Gij hebt een afschrik van uwe zuster, die met het Bloed van Jezus Christus vrijgekocht is? Kunt gij ook niet ziek worden evenals zij, ja, nog erger? Leve do Heer! Gij zult het duur betalen.quot; Terstond zet zij haren mond op de opening der verzwering en houdt hem zoo lang er tegen, totdat zij alle walging overwonnen heeft. De zieke riep haar toe: âLaat af, mijne dochter, mijn dierbaar kind; ik wil niet, dat gij u vergiftigt.quot; Maar Catharina hield niet op, voor zij over haren vijand had gezegevierd.
De duivel beproefde nu een andere list tegen Catharina. Hij wekte bij de zieke zulk een afkeer van haar diensten op, dat zij tot een diepen haat oversloeg. Haren ijver legde zij uit als ij delheid; ja, zij verdacht haar van zonden tegen de heilige deugd. Doch Catharina. door de goddelijke genade versterkt, zette hare liefdewerken met blijdschap voort en spotte met haren vijand, wiens listen zij kende.
De oude Andrea werd met den dag gramstoriger en lasterde Catharina op de laagste wijze. De Zusters hoorden deze beschuldigingen. Eenige der oudsten gingen naar de zieke. Nu braakte Andrea alles uit, wat de duivel haar inblies. De opgewonden Zusters riepen Catharina in 't verhoor, deden haar de scherpsts verwijten en vroegen haar, hoe zij zoo diep gezonken was. De ootmoedige en geduldige Heilige antwoordde : â Ik verzeker u, dierbare Zusters, dat ik door de genade van Jezus Christus altijd maagd ben.quot;
Catharina veranderde niet van gedrag. Zij leed veel door dien laster, maar diende toch de zieke met onverflauwde liefde. Zij zocht haren troost in het gebed en stortte haar gemoed op volgende wijze uit: âAlmachtige Heer, mijn dierbare Bruidegom , Gij weet, hoe teeder de goede naam eener maagd is, met welk eene zorgvuldigheid uwe bruiden dien vlekkeloos bewaren moeten. Daarom hebt Gij Uwe glorierijke Moeder aan den H. Joseph toevertrouwd. Gij kent de listen, die de vader der leugentaal gebruikt om mij af te brengen van hetgeen Gij mij hebt doen ondernemen. Help mij dus, mijn Heer en mijn God, daar Gij weet, dat ik onschuldig ben; duld niet, dat de oude slang, door Uw lijden overwonnen, tegen mij iets vermoge.quot; Nu verscheen
135
haar Christus. Hij hield in Zijn rechterhand een gouden kroon, met edelgesteenten omzet, en in Zijn linker een krans, uit doornen samengevlochten. âWelbeminde dochter,quot; zeide Hij tot haar, âweet , dat gij deze twee verschillende kronen beide moet dragen; kies degene, welke gij nu voortrekt. Indien gij den doornenkrans in dit leven neemt, zal Ik u de kostbare kroon voor het andere leven bewaren; doch neemt gij de kostbare kroon, dan moet gij den doornenkrans na uwen dood dragen.quot; â Ik heb, Heer,quot; hernam Catharina, â reeds lang aan mijnen wil verzaakt, en ik heb beloofd in alles den Uwen te volgen, dus blijft er mij geen keus over; ik wil aan Uw heilig lijden gelijkvormig worden; mijn geluk zal altijd zijn voor U te lijden.quot; Zij greep met beide handen de doornenkroon en drukte haar met zulk een geweld op haar hoofd, dat de doornen er van allo zijden indrongen. Na het visioen voelde zij nog de wonden. Toen zeide de Heer; âAlles is in Mijne macht; heb Ik den laster toegelaten , Ik kan hem ook in een oogwenk doen ophouden. Voltooi het werk, dat gij begonnen hebt; zwicht niet voor den duivel, die het beletten wil; Ik zal u een schitterende overwinning op hem verschaffen; alle slagen, die hij tegen u richt, zullen tot zijne schande en uwe glorie strekken.quot;
Lapa hoorde hoe Andrea de Heilige bij de Zusters gelasterd had. Overtuigd van de onschuld harer dochter, was zij woedend over Andrea's laster en zeide tot Catharina; âHoe dikwijls heb ik u niet gezegd, die oude veeg aan haar lot over te laten. Nu ziet gij, hoe zij uwe diensten beloont. Zij heeft u bij alle Zusters in kwaden reuk gebracht. Indien gij haar voortaan nog helpt, ja, indien gij er nog komt, zal ik u niet meer mijn dochter noemen.quot; Een nieuwe list van den duivel! Catharina bewaarde eenige oogenblikken het stilzwijgen; dan knielde zij voor hare moeder neder en zeide ootmoedig: ,, Dierbare moeder, verhindert de ondankbaarheid der meuschen God dagelijks Zijne barmhartigheid aan de zondaars te toonen? Heeft onze Zaligmaker aan het kruis de wereld niet verlost in weerwil van de beleedigingen die men Hem toevoegde? Gij weet wel, dat, zoo ik deze zieke verliet, niemand voor haar zoude zorgen en zij uit gebrek zoude sterven. Moeten wij nu de oorzaak van haar dood zijn? Zij werd door
136
den duivel misleid, maar God zal haar misschien verlichten, dan ziet zij haar misstap in.quot; Na deze woorden keerde zij naar de zieke terug en diende haar even blij, alsof zij niets van haar gezegd had. Andrea stond verbaasd en kwam tot inkeer.
Het scheen haar toe, toen Catharina haar bed naderde, dat een schitterend licht uit den hemel haar omstraalde. Zij meende niet meer Catharina, de dochter van Lapa, maar de majestueuze gestalte van een engel te aanschouwen. Het licht omgaf haar als een gewaad. Andrea deed zich zelve bittere verwijten, omdat zij een zoo heilige maagd gelasterd had. Weenend en snikkend vroeg zij Catharina om vergiffenis. Deze omhelsde de zieke terstond, troostte haar en verzekerde haar, dat zij er nooit aan gedacht had haar te verlaten en nooit den minsten wrok tegen haar gekoesterd had. â Moeder,quot; zeide zij, âik wist wel, dat de vijand onzer zaligheid dit bewerkt en n arglistig bedrogen had. Niet u, maar hem beschuldig ik. Ik dank u daarentegen voor de welwillendheid, waarmede gij voor mijne deugd bezorgd waart.quot;
Andrea herriep haren laster. Luide verkondigde zij, dat Catharina niet alleen onschuldig, maar een heilige, met den geest Gods vervuld, was. Dit getuigenis vermeerderde de achting voor Catharina bij het volk ongemeen. Doch de Heilige bleef even ootmoedig in de zegepraal als in de beproeving en zette haar liefdewerk voort.
Nog liet de duivel niet af. Op zekeren dag wilde Catharina Andrea's afzichtelijke verzwering reinigen. Een dikke walm steeg uit de wonde op en veroorzaakte haar een walging, die de duivel nog vermeerderde. Maar zij ontstak in een heiligen toorn en riep uit: âLeve God! leve de welbeminde Bruidegom mijner ziel! Gij zult inzwelgen, wat u zulk een afkeer inboezemt.quot; Terstond verzamelt zij den etter, die uit de wonde loopt, in een lepel, begeeft zich terzijde en drinkt hem op. âVader,quot; bekende zij later aan Ilayiuundus van Capua, ânooit in mijn leven heb ik iets zoo zoets en aangenaams gesmaakt.quot; Den volgenden nacht verscheen haar Jezus Christus. Hij toonde haar Zijne heilige wonden. âMijne welbeminde,quot; zoo sprak Hij haar toe, âgij hebt zware aanvechtingen voor Mij doorstaan. Met Mijne hulp hebt gij overwonnen. Nooit zijt gij mij dierbaarder geweest. Gisteren vooral hebt gij
137
Mijn hart bekoord. Niet alleen hebt gij de zinnelijke genoegens versmaad, de meening der menschen veracht en de bekoringen van den duivel overwonnen, maar gij hebt over de natuur gezegevierd door uit liefde tot mij zulk een afgrijselijken drank te drinken. Welnu, daar gij een daad verricht hebt, die boven de krachten der natuur ligt, wil Ik u een bovenaardschen drank laten proeven.quot; Hij legde nu Zijn rechterhand op den hals- van Catharina, bracht haar bij de wonde Zijner zijde en sprak: âDrink, mijne dochter, dezen drank, die uit Mijne zijde vloeit; hij zal uwe ziel van zoetheid dronken maken en ook uw lichaam met geneugten over-stroomen.quot; Catharina zette haren mond op de heilige wonde van haren Zaligmaker en dronk langen tijd met breeile teugen. Eindelijk gaf de Heer haar een teeken.
Bewonderen wij nogmaals de deugd van Catharina. Bewonderen wij hare liefde, die haar aandrijft om dit afzichtelijk en terugstootend werk te beginnen. Bewonderen wij den ijver, waarmede zij het doorzet tegen den afkeer der natuur. Bewonderen wij den moed, dien geen laster, geen ondankbaarheid kan tegenhouden. Bewonderen wij eene ziel, die haar kracht uit den Heer put, die geen lofprijzing trotsch maakt. Bewonderen wij de belooning. Sedert dezen tijd overstroomde de genade zoo overvloedig haar ziel, dat het lichaam de uitwerkselen gevoelde. Catharina kon het minste voedsel niet meer gebruiken. ')
') Legend. II, 4.
DERTIENDE HOOFDSTUK. Catharina's liefde voor de zondaars.
Wie den zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, redt diens ziel van den dood en bedekt de menigte der zonden. Jae. 5.
Zij loopt met vuur op den weg van den gekruisten Jezus. Zij laat zich door de beleedigingen en de vervolgingen niet terughouden, zij komt alles met kracht en volharding te boven. Zij verzadigt zich aan het zieleheil met een oprecht en volmaakt geduld.
Samenspr. c. TG.
1.367.
wee zijden van Catharina's naastenliefde hebben wij reeds in het licht gesteld: hare liefde tot de armen en hare liefde voor de zieken. Een derde blijft nog te schetsen over: hare liefde voor de zondaars.
Er leefde te Siena in 1367 een jongeling van twintig jaren , Andreas di Naddino de Bellanti genaamd. Hij was van goeden huize, overvloedig met tijdelijke, maar sober met geestelijke goederen gezegend en gaf zich aan alle driften over. Wegens zijn ergerlijk gedi-ag stond hij in een zeer kwaden reuk. Aan drank en spel was hij hartstochtelijk verslaafd. Zijn godsdienstplichten nam hij niet meer waar en bespotte hen, die tot de H. Sacramenten naderden. Men zeide van hem, dat hij ieder zijner schreden met een godslastering teekende; zoo sterk vloekte hij. Nadat hij een groote som in het spel verloren had, liep hij in dolle woede naar een kerk en doorstak herhaaldelijk een kruisbeeld met een dolk. In de maand September werd hij gevaarlijk ziek. Zijn toestand bleek weldra hopeloos. De pastoor dor parochie
139
vermaande hem zich door een oprechte biecht op den dood voor te bereiden. Doch hij sloeg dezen raad in den wind en wierp den geestelijke onder vloeken en tieren het huis uit. Zijne echtgenoote en kinderen wendden zich tot verscheidene vrome lieden om zijn verstoktheid te vermurwen. Maar noch de bedreiging met het eeuwige vuur der hel, noch de hoop op de goddelijke barmhartigheid hadden op hem invloed; men mocht in zijn tegenwoordigheid van geen biechten spreken. De pastoor was diep bedroefd. Vroeg in den morgen bezocht hij hem opnieuw en smeekte hem om zich te bekeeren. Doch de ongelukkige bleef koud als marmer.
Eindelijk op den 1 ö' December, het feest van dc H. Lucia, besloten zijne ouders P. Thomas della Fonte, Catharina's biechtvader, bij hem te roepen. Maar het gelukte hem evenmin het hart van dezen ongelukkigen zondaar te verteederen. Naar zijn klooster terugkeerend, trad hij het huis van Catha-rina binnen, klopte aan hare deur en vond haar als gewoonlijk in geestvervoering. Hij wilde haar niet storen en droeg daarom aan een harer gezellinnen op haar het doel zijner komst mede te deelen. Om vijf uur in den morgen eindigde Catharina's geestverrukking. De Zuster, die zich bij haar bevond, deelde haar terstond het bevel van haren biechtvader mede om voor de bekeering van Andreas di Naddino te bidden. Catharina, door medelijden bewogen, begon terstond vurig te bidden: ,, lieer laat geen ziel verloren gaan, die Gij met Uw Bloed hebt vrijgekocht.quot; De Heer antwoordde haar: âDe boosheid van dezen man en zijn afschuwelijke godslasteringen zijn ten hemel gestegen; niet alleen heeft hij beleedigingen tegen Mij en Mijne Heiligen uitgebracht, maar hij heeft ook een schilderstuk, waarop Mijn beeld en dat Mijner heilige Moeder stond, in het vuur geworpen. Is het niet rechtvaardig, dat hij in de eeuwige vlammen brandt? Spreek niet langer voor hem, mijne welbeminde dochter, want hij verdient duizendmaal den dood.quot; Catharina wierp zich voor de voeten van haren Goddelijken Bruidegom neder, besproeide ze met hare tranen en riep uit; â O allerbeminnelijkste Zaligmaker, wanneer (rij met onze schuld rekening houdt, wie kan er dan voor U bestaan? Waarom zijt Gij in de wereld gekomen? Waarom zijt Gij
140
vleesch geworden uit de onbevlekte Maagd Maria? Waarom zijt Gij een bitteren, smadelijken dood gestorven? Hebt Gij dit alles gedaan om de menschen voor hun zonden strenger te oordeelen dan wel om hun schulden kwijt te schelden en hen in genade aan te nemen ? O barmhartige Heer, waarom spreekt Gij mij van de zonden van een enkelen mensch, als ik zie, hoe Gij de zonden der gcheele menschheid op Uwe schouders genomen hebt, opdat niemand verloren zoude gaan? Verschijn ik voor Uwe Goddelijke Majesteit om dit ellendig schepsel als onschuldig voor te stellen of wel om te bekennen , dat het den eeuwigen dood verdient, dat er geen ander middel tot redding is dan Uwe oneindige ontferming aan te te roepen? Herinner U, o Heer, hoe Gij mij bevolen hebt uit te gaan om de zaligheid van vele zielen te bewerken. Gij weet wel, dat ik geen andere vreugde, geen anderen troost in dit leven heb, dan wanneer zondaars zich tot U bekeeren. Alleen om deze reden berust ik er in, dat ik het genot Uwer heilige tegenwoordigheid moet ontberen. Ontneemt Gij mij echter deze vreugde, wat moot mij dan in dit tranendal tot opbeuring strekken? O goedertieren Vader en God van allen troost, verwerp de bede Uwer dienstmaagd niet. Verwijs mij dezen keer niet van U, maar verleen mij de genade, dat het steenen hart mijns broeders verteederd worde en naar de stem der genade luistere.quot; Zoo worstelde, zoo bad Catharina tot den Heer en weende over de arme ziel van haren roeder. Eindelijk sprak de Heer tot haar: â Ik laat mij door uwe tranen verteederen; Ik kan u niet langer weerstaan ; gij hebt Mij het zwaard der gerechtigheid uit de hand genomen. Om uwentwil zal deze zondaar genade en ontferming vinden.quot;
In dienzelfden nacht had er in de kamer van den stervenden zondaar een eigenaardig tooneel plaats. Hij kon geen oog sluiten en woelde op zijn legerstede heen en weder. Op hetzelfde oogenblik, waarop Christus de bede Zijner Bruid verhoorde , verscheen Hij hem en zeide: âVriend, waarom wilt gij de zonden niet biechten, die gij tegen Mij bedreven hebt? Biecht ze en Ik ben bereid u volkomen vergiffenis te schenken.quot; Andreas riep nu zijn gade, die bij hem waakte, toe: âLaat terstond een priester halen, want ik wil biechten.quot;quot;
141
âHoe?quot; vroeg zijn echtgenoote, âwat verlangt gij?quot; Ik verlang een priester,quot; hernam hij en wees met de hand naar een hoek der kamer, â ziet gij in dien hoek Onzen Heer Jezus Christus niet, en naast Hem de Manteliate, welke Catharina genoemd wordt?quot; De priester kwam. Andreas biechtte oprecht zijn zonden, maakte zijn laatste tijdelijke beschikkingen en stierf als een boetvaardige. ')
Spoedig verspreidde zich het gerucht door de stad, dat Andreas di Naddino rouwmoedig gestorven was. Ook P. Thomas della Fonte vernam het nieuws. Terstond na de H. Mis ijlde hij naar Catharina. Deze antwoordde hem, dat zij volgens zijn bevel voor den zondaar gebeden, dat deze zijne zonden oprecht gebiecht had, dat hij de hel ontkomen was. âVan waar weet gij met zulk een zekerheid al de omstandigheden van zijne bekeering?quot; vroeg P. Thomas. Uit gehoorzaamheid verhaalde zij nu de geheele toedracht der zaak. Meenend, dat zij wellicht door hare verbeelding misleid was1 hernam P. Thomas: âHeeft zich Andreas werkelijk aan zulke afschuwelijke zonden schuldig gemaakt?quot; âJa,quot; antwoordde de Heilige. âWeet gij, hoe hij er uitzag?quot; vroeg de Pater verder, âals gij kunt, beschrijf hem mij dan.quot; Catharina was nooit ten huize van Andreas geweest, had hem nooit gezien of gesproken. Zij beschreef evenwel het gelaat en de gestalte van den doode, de grootte van de kamer, waarin hij gestorven was, het rijke meublement, ja, de kleur van de deken. â De Heer,quot; zeide zij , ,, heeft mij het uiterlijk van dien armen man, dien ik nooit van te voren gezien heb, getoond.quot; s)
Deze wondervolle bekeering baarde groot opzien te Siena en allen, die het hoorden, kregen een onbegrensd vertrouwen op Catharina's voorspraak bij God. Een ander voorval, dat weinige weken later plaats vond, versterkte de burgers vair Siena nog meer in deze gevoelens.
Te Siena werden twee beruchte misdadigers tot een afgrijselijken dood veroordeeld. Aan een paal op een kar vast-
') Legend. II, 7. Barthulomeus de Siena, in Process. Th. Caffarini, in processu et in supplem. II, 2.
=) L., C.
142
gebonden, voerde men hen naar de strafplaats. Onder weg scheurden hun de beulen met gloeiende tangen stukken vleesch uit het lichaam. In de gevangenis hadden zij geen enkel teeken van berouw of boetvaardigheid gegeven. Zelfs nu onder de hevigste folteringen lasterden zij God en zijne Heiligen. Clod echter wilde hen door middel van Catharina redden. Deze bevond zich dien dag juist bij Alessia, hare gezellin en geestelijke dochter. De treurige stoet trok voorbij Alessia's woning. Deze hoorde het gedruisch der menigte, liep naar het venster en zag het akelige schouwspel. Zij ünelde naar Catharina terug en riep: â O moeder, welk een afgrijselijk tooneel! Zie, twee veroordeelden worden juist weggevoerd en met tangen geplukt. Kom en zie!quot; Catharina ging, niet uit nieuwsgierigheid, maar uit medelijden naar het venster en zag de ongelukkigen. Doch zij trok zich onmiddelijk terug en hervatte haar gebed. Rondom de boosdoeners had zij een menigte duivels gezien, die hunne zielen vreeselijker folterden dan de beulen hun lichaam. Door medelijden bewogen, smeekte zij haren Bruidegom om erbarming voor die ellendelingen. â Ach Heer,quot; zeide zij, âGij zijt zoo goedertieren, zult Gij Uwe schepselen, die Gij naar Uw beeld geschapen en met Uw kostbaar Bloed vrijgekocht hebt, geheel en al verlaten? Hunne lichamen lijden zooveel! Duldt Gij dan, dat de duivels zich op hunne ziel werpen ? Ik weet het, ik geef het toe, dat zij rechtvaardig , overeenkomstig hunne misdrijven, gestraft worden. Zoo ook verdiende de struikroover, die aan Uwe zijde gekruisigd was. zijne straf. Maar omdat hij openlijk getuigenis voor U aflegde, hebt Gij hem genade geschonken en gezegd: â Nog heden zult gij met Mij zijn in het paradijs.quot; Zoo hebt Gij gesproken om de hoop op vergiffenis bij hen, die op hem zouden gelijken, te versterken. Gij hebt Petrus, die U verloochende , niet verlaten , maar een blik van ontferming op hem geworpen. Gij hebt Maria Magdalena met de banden der liefde tot U getrokken, ofschoon zij U door talrijke zonden had beleedigd. Hebt Gij den tollenaar Matheus, de Kananietische vrouw en den rijken Zachaeus verworpen? Integendeel , Gij hebt hen tot U geroepen. Ik beroep mij op Uwe oneindige barmhartigheid en ik smeek U deze zielen te
143
willen ledden.quot; Catharina verkreeg de genade der bekeering voor de twee ongelukkige zondaars. Zij ging intusschen voort met bidden en weenen, totdat de lieer haar bekend maakte , dat Hij hare gebeden had verhoord. De duivel werd nu woedend en zeide tot haar: â Indien gij ons niet laat begaan , zullen wij en de twee veroordeelden u zoodanig kwellen , alsof gij bezeten waart.' Catharina antwoordde; âIk wil alles, wat God wil; ik zal voor niets ter wereld ophouden te doen, wat ik begonnen heb.quot;
Toen de veroordeelden aan de stadspoort kwamen, verscheen hun de Zaligmaker. Zijn geheele lichaam was doorwond en met bloed overdekt. Hij spoorde hen tot bekeering aan en beloofde hun vergiffenis hunner zonden, indien zij met een rouwmoedig hart tot Hem wederkeerden. Terstond vroegen beiden naar een priester en legden een oprechte biecht af: openlijk beleden zij hunne misdaden en bedankten God voor Zijne barmhartigheid. Blijmoedig gingen zij ter strafplaats. Al de toeschouwers stonden over zulk een plotselinge verandering verbaasd; zelfs de beulen waren zichtbaar getroffen. De veroordeelden gaven den geest juist op het oogenblik, dat Catharina ophield te bidden. Weinige dagen later hoorden eenige gezellinnen der Heilige, hoe zij in het gebed zeide: ,, Heer, ik bedank U, omdat gij hen uit de tweede gevangenis bevrijd hebt.quot; Haar biechtvader vroeg haar, wat zij met die woorden bedoelde. Zij antwoordde, dat de twee boosdoeners naar het vagevuur gegaan waren, maar dat zij zonder ophouden voor hen gebeden, boetvaardigheid gedaan en hunne bevrijding verkregen had. ')
âMet mijn eigen oogen,quot; zegt Raymundus de Capua, âheb ik gezien, hoe verscheidene wonderen door deze heilige vrouw werden gewrocht, maar geen enkel wonder kan met het beschrevene vergeleken worden. Nooit heeft zich de macht van den Allerhoogste zoo duidelijk geopenbaard; nooit heeft Zijne genade zoo overvloedig gestroomdquot; ')
Wilden wij alles mededeelen, wat Jezus Christus door Zijne bruid voor de bekeering der zondaren uitwerkte, dan zouden
') Legend., II, 7. :) Legend., XI, 7.
144
wij lijvige boekdeelen kunnen vullen. Wie kan de ongeluk-kigen opnoemen, die zij aan de hel ontrukt, de verstokte harten, die zij verteederd, de wereldlingen, die zij veranderd, do bekoorden, die zij bijgestaan met hare gebeden, de uitverkorenen, die zij op den weg der deugd geleid heeft? Wie zal alle verloren schapen optellen, die zij uit de doornen ontward heeft? Hier zijn de woorden van den H. Hierony-mus over de H. Paula van toepassing- âIndien ik niet al de deelen van mijn lichaam kon spreken, dan kon ik onmogelijk de vruchten van bekeering opnoemen, die deze maagdelijke plant, door den hemelschen Vader gekweekt, heeft voortgebracht.quot; ') Zij scheen hare krachten te vermenigvuldigen om den naaste in zijn geestelijke en tijdelijke noodwendigheden bij te staan. Ofschoon zij voortdurend bad en in geestverrukking was, scheen zij zich uitsluitend met de zaligheid der zielen bezig te houden. Kende zij eenen zieke, zij stond hem bij; vond zij eenen zondaar, dan trachtte zij hem te bekeeren. Niets kon haar tegenhouden, wanneer de dienst van God of de zaligheid der zielen haar riepen; terstond sloeg zij de hand aan het werk. Zelfs wanneer de regen met stroomen neerviel, ging zij ongehinderd en droogvoets haren weg. Dit geschiedde menigmaal. Eens keerde zij uit de kerk der Pre-dikheeren naar huis terug, toen haar een stortregen overviel. Lapa zag haar van verre aankomen en riep haar toe; âMijne dochter, van waar komt gij in een weer, waarin niemand buiten durft komen?quot; âUit de kerk der Predikheeren,quot; antwoordde Catharina. Hoe groot was Lapa's verwondering, toen zij op Catharina's kleederen geen druppel water bespeurde. Een ander maal vernam de Heilige, dat een arme zieke op sterven lag. Het stortregende. Maar zij sloeg daarop geen acht, stond den stervende bij en keerde in den regen kurkdroog naar huis terug. Geloofwaardige getuigen hebben verklaard, dat zij bij hare liefdewerken dikwijls door een onzichtbare hand van de eene zijde der rivier naar de andere overgedragen werd, zonder dat er eenig nat of slijk aan hare kleederen of voeten te zien was.
Hoe toepasselijk zijn hier Catharina's woorden uit hare
') Legend. II, 7.
145
samenspraken. â Zoodra een ziel Mij bemint, bemint zij den naaste. Zonder dat zou hare liefde niet waarachtig zijn, want de liefde tot Mij en de liefde tot den naaste zijn een. Hoe meer een ziel Mij bemint. des te meer bemint zij den naaste, omdat de liefde tot den evenmensch uit de liefde tot Mij voortspruit.
Dit middel heb Ik u gegeven, om de deugd in u aan te kweeken en te oefenen. Uwe deugd kan voor Mij niet nuttig wezen, maar zij moet voordeelig zijn voor den naaste. Gij toont, dat gij Mijne genade bezit, wanneer gij Mij voor hem heilige gebeden en de vurige verlangens aanbiedt, die gij voor zijn geluk en het heil der zielen koestert. ')
') Samenspr. c. 7.
llgt;
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Catliarina's godsvrucht tot het H. Sacrament des Altaars. Hare veelvuldige Coiumuulën.
Wie Mijn vleescli eet on Mijn drinkt, blijtt in
Mij en Ik in hem. Joh. VI, 37.
De overmaat Mijner liefde heett u dit voedsel in dit leven, waar jrij ballingen en pelgrims zijt. willen schenken, opdat gij een troostmiddel zoudt hebben.
Samenspr. c. 112.
1369.
ülezus Christus had Catharina in het vuur des lijdens kJ beproefd en haar geleerd den duivel te overwinnen. Hij ging haar nu voor hare getrouwheid met hemelsche gunsten beloonen. Op zekeren dag bad zij in hare kleine kamer. De Heer verscheen haar en deelde haar een nieuw wonder mede, dat Hij in haar ging uitwerken. ,^\ eet, mijne welbeminde dochter, dat uw leven voortaan met verbazende wonderteekenen zal vervuld zijn; onwetende en zinnelijke men-schen zullen ze niet gelooven. Zelfs velen uwer vrienden-zullen er aan twijfelen en aan een begoocheling denken. Ik zal in uwe ziel een overvloed van genaden uitstorten; uw lichaam zal de uitwerkselen daarvan ondervinden en op een buitengewone wijze leven; uw hart zal zoo vurig slaan voor het heil van den naaste, dat gij uw geslacht en uwe minderheid zult vergeten; gij zult den omgang met menschen niet meer schuwen gelijk vroeger en gij zult u aan alle vermoeienissen blootstellen om hunne zielen te redden. A elen zullen zich aan uw gedrag ergeren; zij zullen u tegenspreken en u openlijk beschuldigen. Doch verontrust u niet en
147
vrees niets, Ik zal altijd met u zijn en Ik zal u tegen be-driegelijke tongen en tegen leugentaal beschermen. Volg dan met moed Mijne ingevingen. Door uwe tusschenkomst zal Ik vele zielen aan de hel ontrukken en naar het rijk der hemelen voeren. Catharina hoorde verscheidene malen deze woorden. Zoo dikwijls Christus zeide: âVrees niets, verontrust u niet,quot; antwoordde zij: â (xij zijt mijn Heer, en ik ben slechts Uwe arme dienstmaagd; dat Uwe wil altijd vervuld worde; denk echter aan mij en kom mij te hulp naar de grootheid Uwer barmhartigheid.quot; Het visioen verdween. Catharina dacht er over na, welke de verandering zoude zijn, die haar was aangekondigd. ')
Dagelijks vermeerderde in hare ziel de genade. Zij zelve stond verbaasd en jubelde met den profeet: âMijn lichaam en mijn ziel bezwijmen, God mijns harten, mijn deel en mijn God voor de eeuwigheid (Ps. LXII, 26). Ik heb aan mijn God gedacht; ik loerd overstelpt van vreugde, ik ging er onder gehukt en mijn geest bezweek.quot; (Ps. LXXVI, 4). De bruid van Christus kwijnde van liefde. Alleen hare tranen konden haar hart verlichten. God gaf haar in, dikwijls Zijne altaren te bezoeken en Hom zoo dikwijls mogelijk in de H. Communie te ontvangen. Was het haar niet geoorloofd Hem in het vaderland te bezitten, gelijk zij verlangde, zoo zou Hij toch door de H. Communie het geluk van haar ballingschap zijn. Dit werd een nieuwe bron van liefde voor haar. Haar levendig geloof wakkerde meer en meer de vlammen der liefde aan, waarmede de H. Geest hare ziel had ontstoken. Zij placht dan bijna iederen dag de H. Communie te ontvangen, behalve wanneer ziekte of liefdewerken haar verhinderden. Haar verlangen naar de veelvuldige Communie was zoo hevig, dat zij op het punt stond van te sterven, wanneer het niet voldaan werd. Haar lichaam, dat in de geneugten van haren geest deelde, gevoelde noodzakelijk den weerslag van die berooving. -)
Over de wonderbare vruchten der H. Communie schrijft Catharina: Ik heb voor u dit groote en zoo weinig gekende
') Legend., II. 5. 2) Legoncl. II, 5.
148
feestmaal bereid, liet Sacrament van het Lichaam en het Bloed van mijn Zoon. Voedt gij u daarmede, dan wordt gij veranderd en omgeschapen in Mij. Gelijk het brood eu de wijn, waarmede gij u voedt, in de zelfstandigheid van uw lichaam overgaan, evenzoo doordringt Mijn Zoon, die éen in wezen met Mij is, wanneer gij u met Hem voedt, uwe geestelijke zelfstandigheid onder den schijn van wijn en brood; gij wordt veranderd in Mij. Dit gaf Ik aan Mijn dienaar Augustinus te kennen, toen Ik tot hem zeide: Ik ben het voedsel der grooten. Geloof en eet, gij zult Mij niet in u veranderen, maar gij zult veranderd worden in Mij. ')
Zie, mijne beminde dochter, hoe voortreffelijk de ziel is, die dit Brood des levens, deze spijs der Engelen ontvangt, gelijk zij het moet ontvangen. Wanneer zij dit Sacrament ontvangt, is zij in Mij en Ik in haar; gelijk de visch is in de zee en de zee in de visch, zoo ben Ik in de ziel en is de ziel in Mij, den Oceaan des vredes. En in deze ziel woont de genade; zij heeft het Brood des levens in staat van genade ontvangen, en de genade blijft, wanneer de schijn van het brood is verdwenen.
Ik laat in haar den indruk der genade achter, zooals het zegel doet, dat men op warme was zet; wanneer men het zegel afneemt, blijft de indruk; zoo blijft de kracht van dit Sacrament in de ziel; zij bewaart het vuur Mijner Goddelijke liefde.quot; 'quot;)
Door het nuttigen van het Heilig Sacrament des Altaars wordt de geestelijke zoetigheid in haren oorsprong gesmaakt. Zoo ook werd Catharina door die bron van liefde en ten volle verzadigd èn steeds dorstiger om dit Heilig Sacrament dikwijlder te ontvangen. God wilde dit verlangen nog vermeerdereu. In een verschijning verlangde Hij de veelvuldige Communie van haar. En Catharina reikhalsde naar het Brood der Engelen gelijk iemand, die door honger verteerd wordt. Zoolang haar verlangen niet voldaan was, kwijnde zij als een zieke, die op het geneesmiddel wacht; had zij dit goddelijk voedsel ontvangen , dan was zij verlicht en hersteld.
^ Samenspr. c, 31. 2) Samensp. c, 112.
1-19
Op zekeren dag had zij honger, gelijk zij placht te zeggen. De duivel nu bekoorde haar door twijfel aan de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie. De Heilige nam volgens gewoonte haar toevlucht tot het gebed. Terstond kwamen twee engelen haar in den strijd versterken. Zij droegen het Lichaam des Heeren onder de sacramenteele gedaante in schitterend wit lijnwaad Zoodra zij het zag, veranderde het in een zoet en minzaam Kind, dat door zijn liefkozingen de ontsteltenis harer ziel in vreugde veranderde en haar kracht gaf om den hoozen geest te overwinnen.
Pater Bartholomeus, haar tweede biechtvader, die haar dikwijls de Communie bracht, zegt: âDe vurigheid van haar verlangen en hare liefde waren zoo groot, dat ik, wanneer ik haar de H. Communie gaf, de Heilige Hostie tus-schen mijne vingers voelde trillen en zij met een zekere drift aan mij ontglipte. In het begin was ik daarover ontsteld , daar ik vreesde, dat de Heilige Hostie op den grond zoude vallen. Maar zij ging op Catharina's tong rusten, als werd zij door een geheime kracht gedragen. Vele priesters hebben mij gezegd, dat zij hetzelfde ondervonden hebben.quot;
Menigmaal gebeurde het, dat God aan haar vurig verlangen om te communiceeren voldeed, wanneer liet haar door de menschen geweigerd werd. Eens woonde zij de Mis van haren biechtvader bij. Om haar te beproeven had hij haar verboden dien dag te communiceeren. Uit gehoorzaamheid deed zij zich geweld aan om haar brandend verlangen te matigen. Eensklaps zag zij, dat een engel, die de Pleilige Hostie op een gouden doek droeg, tot haar naderde. De Hostie veranderde nu in een allerliefelijkst kind, dat zij ontving en eenigen tijd in hare armen hield. Hare ziel werd overstelpt met onuitsprekelijke zoetheden. Terwijl de priester het Lichaam en Bloed des Heeren nuttigde en zij volgens hare gewoonte geestelijk communiceerde, zag zij een kind van een wonderbare schoonheid. Zij werd met troost vervuld.
Eens in een ziekte had zij een vurig verlangen naar de H. Communie, 's Morgens wilde zij opstaan; maar zij kou geen voet buiten hare kamer zetten. Zij gaf zich nu geheel aan de Goddelijke Voorzienigheid over en begon te bidden, alsof zij wezenlijk in de kerk was. Eensklaps geraakt zij in
150
geestverrukking. Zij bevindt zich in een bidkapel, waar een priester juist de H. Mis begint. Toen hij aan de nuttiging was, gaf hij haar een teeken om te naderen. Zij gaat en ontvangt niet een bijzondere godsvrucht het Ijichaam des Heeren. Later verklaarde zij haren biechtvader, dat deze H. Communie een schat van genade en zoetheid voor haar geweest was.
Acht dagen waren er verloopen sedert deze wonderbare Communie. Catharina gevoelde wederom een brandend verlangen naar haren hemelschen Bruidegom. Zij wilde zich oprichten, maar zonk machteloos ineen. Gelaten onderwierp zij zich aan deze pijnlijke berooving en zeide: âIndien het ü niet behaagt, o Heer, dat ik ter kerke ga, dan schik ik mijn verlangen om er heen te gaan naar Uwe Goddelijke Voorzienigheid.quot; Nauwelijks had zij haar gebed geëindigd, of zij wordt door een onzichtbare hand opgenomen en naaide kerk gedragen op het oogenblik, dat een priester zich aankleedt voor de H. Mis. De ootmoedige maagd vraagt eerst de absolutie. Vervolgens hoort zij de II. Mis en ontvangt de H. Communie. Daarna droeg dezelfde onzichtbare hand haar naar huis terug.
In diezelfde ziekte verlangde zij wederom vurig te commu-niccercn. God openbaarde haar, dat zij den volgenden dag die genade zou ontvangen. Nu smeekte zij den Heer hare ziel te zuiveren en waardig voor te bereiden. Daar voelt zij een regen van bloed en vuur in hare ziel nederdalen, die haar niet alleen van iederen vlek, maar ook van iedere verkeerde neiging zuiverde. Tegen den morgen verergerde hare ziekte. Maar vol vertrouwen op God stond zij eensklaps op en ging tot ieders verwondering naar de kerk.
Volgens een bevel van hare oversten mocht Catharina de II. Communie alleen onder de Mis van haren biechtvader ontvangen. Telkens moest deze eerst verwittigd worden. De Heilige knielde neer bij een altaar, waar zij niet gewoon was te zitten. Zij verlangde, dat haar biechtvader daar de H. Mis zou lezen. Deze had juist besloten dien dag geen Mis te lezen en wist ook niet, dat Catharina in de kerk was. Hij krijgt eensklaps een onweerstaanbare neiging om Mis te lezen, bereidt zich voor en gaat naar liet' altaar, waar Catharina
151
hem verwacht. Met verwonclering zag hij er zijne geestelijke dochter, die hij meende, dat bedlegerig was. Zij vraagt hem nederig, of zij mocht communiceeren. In dit alles zag hij een beschikking van God. Daarom gaf hij haar de H. Communie. Toen Catharina het altaar naderde, gloeide en. schitterde haar gelaat; tranen en zweetdruppels vloeiden over hare wangen; zij ontving het Brood der Engelen met meer dan gewone godsvrucht. Langen tijd bleef zij in God verslonden. Het was haar dien dag niet mogelijk een enkel woord te spreken. ')
Den volgenden dag vroeg haar biechtvader, waarom zij op het oogenblik der Communie zoo buitengewoon rood uitzag. â Ik weet niet, Eerwaarde vader,quot; antwoordde Catharina, âwat voor een kleur ik had, maar ik verzeker u, dat, toen ik de Communie uit uwe handen ontving, mijne oogen geen lichamelijke of gekleurde dingen zagen; mijne ziel echter aanschouwde een schoonheid en smaakte een zoetheid, die geen woorden kunnen uitdrukken. Wat ik zag, heeft mij zoodanig verrukt, dat alles, wat hier op aarde is, mij vuilnis toeschijnt. Alleen de gedachte daaraan doet mij walgen van de rijkdommen der wereld en de genoegens des lichaams. Ik vroeg God, dat Hij mij voor immer er van zoude berooven om in Hem alleen behagen te scheppen. Ik smeekte Hom, dat Hij mij mijnen wil zoude ontnemen en dien door den Zijnen vervangen. Hij antwoordde mij ; ,, Mijne dochter. Ik geef u Mijnen wil. Ziehier het bewijs. Voortaan zal u niets meer kunnen verontrusten of doen veranderen.quot; quot;)
Deze belofte van God is volkomen vervuld, gelijk allen, die Catharina kenden, getuigd hebben. Zij was en bleef even tevreden en vergenoegd, wat er ook voorviel of wat haar ook overkwam. :l)
Eens ging zij ter Communie en bad met den priester: âHeer, ik ben niet waardig, dat Gij tot mij komt.quot; Een stem antwoordde haar: âEn Ik, Ik ben waardig tot u te
') Legend., II, 6. -) Legend. II, 6. 3; Legend., II, 6.
komen.quot; Hare ziel scheen in Gud en God in hare ziel veranderd te zijn, evenals een visch in het water geheel en al door het water omgeven is. Met de grootste moeite bereikte zij hare kamer. Zij legde zich op de planken harer legerstede neder en lag langen tijd roerloos. Daarna werd haar lichaam opgeheven en bleef in tegenwoordigheid harer medezusters in de lucht hangen. Eindelijk zeeg zij langzaam op het bed neer en begon zacht te spreken. De omstanders waren diep getroffen en stortten tranen van aandoening. Vervolgens bad zij voor verschillende personen en noemde eenigen bij hunnen naam , onder anderen haren biechtvader, die op dat oogenblik in de kerk der Predikheeren bad. Hij was zeer koud en dor, maar bespeurde plotseling een wondervolle verandering. Hij gevoelde zulk eene vurigheid, dat hij zelf verbaasd stond. Terwijl hij over do oorzaak daarvan nadacht , kwam toevallig een van Catharina's gezellinnen, die alles gezien en gehoord had, bij hem en vertelde hem, dat Catharina veel voor hem had gebeden. Nu begreep hij de oorzaak van zijn buitengewone godsvrucht. Hij ondervroeg die zuster verder naar alles, wat zij gehoord en gezien had. Zij verhaalde hem, hoe Catharina in het gebed, dat zij voor hem en verscheidene andere personen verricht had, van God de belofte had afgesmeekt, dat hij hun de eeuwige zaligheid zoude schenken. Met uitgerekte armen had zij gezegd: â Beloof mij, dat Gij het Mij zult toestaan.quot; Terwijl zij de eene hand uitstak , scheen zij hevige pijn te lijden, want zij riep uit: âOnze Heer Jezus Christus zij geloofd.quot; Dit placht zij te zeggen, als zij geweldige pijnen leed.
Uit gehoorzaamheid deelde zij het geheele voorval aan haren biechtvader mede en voegde er bij; âToen ik om uwe eeuwige zaligheid bad, beloofde God het aan mij. Hoe vast ik ook op Zijne belofte vertrouwde, verlangde ik een teeken te bezitten. Daarom zeide ik tot Hem; Heer, geef mij een teeken , dat mij steeds aan Uwe belofte zal herinneren. Hij antwoordde mij: Ileik Mij uwe hand toe. Ik bood Hem mijne hand. Hij nam een nagel van zuiver goud, maar met een scherpe punt voorzien, zette hem in het midden van mijne hand en dreef hem met kracht er door. Ik gevoelde en gevoel daarin nog zulk een pijn. alsof
153
de nagel met een hamer er in geslagen was. God zij dus gedankt; ik heb nu Zijn heilige wonde in mijn rechterhand.quot; ')
Een ander maal verlangde zij vurig te communiceeren, maar de gedachte aan hare onwaardigheid hield haar terug. Eensklaps plaatst een onzichtbare hand haar over uit eenen hoek der kerk vóór het altaar. God wilde haar hierdoor te kennen geven . dat zij niet moest vreezen haren honger met dit hemelsch voedsel te stillen. Maar Catharina smeekte haren Bruidegom om een algemeene vergiffenis barer zonden. Nu daalde er een hemelsch vuur over haar neder en vervolgens een manna van onuitsprekelijke zoetheid om den brand harer ziel te matigen.
Getroost en gerustgesteld , riep zij uit; â O allerbeminnelijkste Bruidegom, mijn welbeminde, mijn zoete en goede Jezus! quot; Op hetzelfde oogenblik wierd haar geopenbaard, dat zij volkomen gezuiverd was in het Bloed van Jezus Christus en dat zelfs haar lichaam in de zoetheden van hare ziel deelde. Nadat zij de Communie ontvangen had, verspreidde haar lichaam een welriekenden geur. Eenige daar tegenwoordige zusters werden met vertroostingen vervuld. Eene harer gezellinnen zeide tot haar: âIk bid u, Catharina, gelief mij aan den Heer, uwen teederen Bruidegom, aan te bevelen, opdat ik mijn leven verbetere.quot; Catharina, door den Heiligen Geest verlicht, antwoordde haar; âIk verzeker u, dat de Heer u in Zijne barmhartigheid alle zonden vergeven heeft, die gij bedreven hebt. Maak het vaste besluit u steeds naaiden wil Gods te voegen. Geef mij de hand, zuster.quot; Zij nam hare hand vast en zeide: â In den naam der Goddelijke goedheid beloof ik u het eeuwige leven.quot;
Het was daags na het feest van Sint Laurentius. Catharina's biechtvader had haar aanbevolen om in de kerk haar verzuchtingen zooveel mogelijk te onderdrukken, uit vrees dat de priesters, die de H. Mis lazen, daardoor verstrooid zouden worden. De gehoorzame maagd trok zich terug en bad God om haren zielsbestuurder te openbaren, hoe moeilijk zij die uitingen harer liefde kon bedwingen. Nooit meer ontving zij zulke vermaningen van haren biechtvader. Ver van het altaar
') Legend. II, G.
gezeten., verzuchtte zij ; â Hoe gaarne zoude ik het Lichaam van Onzen lieer Jezus Christus ontvangen.quot; De Zaligmaker verscheen haar om aan haar verlangen te voldoen; Hij bracht de wonde Zijner zijde aan haren mond. Nu kou zij zich aan Zijn goddelijk Lichaam en Bloed verzadigen. De zoetheden , die zij toen smaakte, waren zoo onuitsprekelijk, dat zij meende te sterven. ')
â Herinner uzegt God tot Catharina, â dat Ik een ziel die Mij liefheeft, beproefd heb.
Deze persoon ging naar de kerk met een groot verlangen naar de H. Communie. Nederig vroeg zij aan den Bedienaar des altaars het Lichaam van den Godinensch. Men weigerde het haar. Doch de priester gevoelde veel gewetenswroeging en liet haar zeggen, dat hij haar gaarne het Lichaam van Jezus Christus zoude geven, zoo zij het ontvangen wilde. Mijne goedheid wilde aldus het verlangen van deze ziel bevredigen; de vonk van liefde en geloof, dien zij eerst had , werd zulk een brand, dat zij het leven ging verliezen, gelijk het haar toescheen. Ik had deze weigering alleen toegelaten om hare hoop te bevestigen en alle eigenliefde uit haar te verbannen.
Gij weet, dat er op den feestdag der Bekeering van Mijn Apostel Paulus in een kerk een ziel was, die van verlangen verteerd werd om de Heilige Communie te ontvangen. Bijna alle priesters, die de H. Mis gingen lezen, zeiden tot haar, dat zij niet kon communioeeren. Ik liet deze weigering toe om haar te toonen, dat zij niet door den Schepper zoude verlaten worden, al begaven haar alle menschen. Ik wachtte tot de laatste Mis en Ik gebruikte deze onschuldige list om haalbeter van Mijne Voorzienigheid te overtuigen. Zie hier hoe Ik haar misleidde. Zij had tot den misdienaar gezegd, dat zij wilde communioeeren, doch deze waarschuwde den priester niet. Daar zij geen weigerend antwoord ontvangen had, wachtte zij met vurigheid op de Heilige Communie. Toen zij zich op het einde der Mis in hare hoop bedrogen zag, gevoelde zij haar verlangen en haar honger naar het Brood der Engelen toenemen . maar haar diepe ootmoed fluisterde
'j Logend., II, 6.
155
haar in, dat zij onwaardig was. Zij verweet zich zolve, dat zij zoo groot een Sacrament had durven vragen.
Welnu, Ik, die er behagen in schep de ootmoedigen te verheffen. trok haar tot Mij en deed haar den afgrond der eeuwige Drievuldigheid kennen. Ik toonde aan het oog var; haar verstand de macht des Vaders, de wijsheid des Zoons, de zachtmoedigheid van den H. Geest, die slechts éen wezen uitmaken. En deze ziel werd tot zulk een hoogte van ver-ecniging opgevoerd, dat haar lichaam van de aarde was opgeheven; want gelijk Ik u gezegd heb, de ziel wordt inniger vereenigd met Mij door de liefde dan zij van nature met het lichaam verbonden is. Toen gaf Ik haar, om aan haar verlangen te voldoen, zelf de Heilige Communie. Als bewijs van deze gunst nam zij gedurende verscheidene dagen op onuitsprekelijke wijze den smaak en den geur van het Lichaam en Bloed van Mijn eenigen Zoon, den gekruisten Jezus, waar. Zij werd geheel en al vernieuwd en versterkt door het licht Mijner Voorzienigheid, die zij bij deze gelegenheid zoo aangenaam ondervonden had. De wereld kende deze genade niet, maar zij begreep ze duidelijk en zichtbaar.
Het tweede feit, dat Ik voor u wil aanhalen, had den priester, die aan het altaar las, tot getuige. Deze ziel had zoo vurig verlangd de Mis te hooren en te communiceeren, doch ziekte hield haar terug en eerst bij de Consecratie kon zij komen. De Mis werd bij het hoogaltaar in de koornis gelezen; zij bad aan het andere einde van de kerk, want men had haar dit bevolen. Onder tranen en godvruchtige verzuchtingen zeide zij: â Ongelukkige ziel, ziet gij de genade niet, welke God u heeft willen bewijzen, daar Hij u toestaat Zijne heilige kerk binnen te treden en den priester te beschouwen, die aan het altaar consecreert? Zoudt gij om uwe fouten niet veel eerder verdienen in de hel te liggen?quot; Doch terwijl zij zicli in de diepte harer geringheid vernederde, groeide haar verlangen in plaats van te verminderen steeds aan , daar zij vast op Mijne goedheid vertrouwde en den troost, waarop zij hoopte, van den H. Geest verwachtte.
Ik schonk haar dien op eene wijze, die zij niet kon voorzien noch vragen. Immers, op liet oogenblik , dat de priester volgens de voorschriften der Kerk de Hostie verdeelt. ver-
ISO
wijderde zich eea gedeelte dezer Hostie door Mijne almacht van het altaar en ging naar het andere einde der kerk tot de persoon, die daar bad en die aldus kon communiceeren. Eerst dacht zij, dat Ik de vurigheid van haar verlangen had bevredigd op een onzichtbare wijze, gelijk Ik het reeds meermalen gedaan had; doch de priester wist het tegendeel, want hij was diep bedroefd, daar hij dit gedeelte der Hostie niet terugvond, totdat de H. Geest hem openbaarde, wat er van geworden was; zijn onrust bedaarde eerst door de geruststelling van de persoon, die het ontvangen had. ')
Was Catharina in de tegenwoordigheid van het Allerheiligste Sacrament of als zij het ontving, dan ontstond er dikwijls zulk eene blijdschap in hare ziel, dat haar hart in haar lichaam opsjmmg en door luide kloppingen jaagde. De Zusters konden het duidelijk hooren. Pater Thomas della Fonte, haar eerste biechtvader, verklaart, dat dit geluid van ieder ander geheel en al verschilde en volkomen bovennatuurlijk was, gelijk het jubelen van een hart, dat van vreugde in den levenden God opspringt. Nooit naderde Catharina het altaar, of zij zag bovenaardsche dingen, vooral als zij de Heilige Communie ontving. Meestal nam zij dan zulk een kostelijken , zoeten, doordringenden geur waar, dat zij bijna in bezwijming viel. Dikwijls zag zij in de handen van den priester een jongeling, een schoon kind, een vuuroven, waarin de priester scheen te treden, wanneer bij het Allerheiligste opnam. Dan weer zag zij, hoe de Engelen het altaar, waaraan de H. Mis gelezen werd, omringden , in hunne handen een gouden sluier droegen of met do Heiligen God loofden en prezen. Of wel zij bemerkte drie aangezichten in één zelfstandigheid of het altaar en den priester in oen vuurzee gehuld. Een ander maal scheen er een wonderbaar heldere glans van het altaar uit te gaan. Zij erkende duidelijk , dat, wanneer de priester de Hostie doorbrak, in ielt;.ler gedeelte het geheel was bevat. De H. Drievuldigheid aanschouwde zij in verschillende gedaanten en teekencn. De H. Hostie verscheen haar onder de gedaante van Jezus Christus op verschillende leeftijden of onder de gedaante van
') Samensjtr. Cquot;. 142
157
vuur, vleesch of bloed. Herhaaldelijk aanschouwde zij boven het altaar de Koningin des hemels, die het H. Sacrament eerbiedig aanbad. Bij vele gelegenheden onderscheidde zij een geconsecreerde Hostie van een niet geconsecreerde. ')
Men vergete niet, dat Catharina al deze verschijningen niet met hare lichamelijke oogen, maar met haar bovennatuurlijk verlicht verstand aanschouwde. Zij kon hare oogen niet opslaan en het H. Sacrament aanbidden of zij geraakte in geestverrukking en werd van het gebruik barer zintuigen beroofd. Dikwijls zag zij het niet, wanneer de priester het Lichaam des Heeren ophief noch hoorde zij het gerinkel der bel, zoodat zij vaak de gewone teekenen van vereering wegliet. Velen verwonderden zich daarover en waren geërgerd. Anderen evenwel, die hare gestadige geestvervoeringen kenden, kusten de plaats, waar zij, meestal in een hoek der kerk, geknield had. 1)
De onweerstaanbare gevoelens van liefde en teederheid, welke in Catharina's hart door het aanschouwen van het Heilig Sacrament, dikwijls alleen door de nabijheid van het altaar of van het tabernakel, opgewekt werden, waren bij herhaling een aanleiding, dat zij berispt werd. De priesters, die de H. Mis lazen, beklaagden zich, dat haar overluid geween en gezucht hen hinderde. Men verzocht haar dan, dat zij die ontboezemingen zouden onderdrukken of van het altaar verwijderd blijven. Catharina gehoorzaamde zonder tegenspraak.
Niet allen echter ergerden zich over Catharina's ontboezemingen. Velen werden gesticht en tot geloof en godsvrucht opgewekt. Op een feestdag der Besnijdenis des Heeren woonde de Heilige in de kapel der Zusters de H. Mis bij. Zij was zoo zwak, dat zij zonder hulp niet knielen noch het hoofd opbeuren kon. Na de Communie bleef zij uren in God verslonden; eindelijk verliet zij de kapel. Aan de deur zag zij een schitterende verschijning van Hem, van wien haar hart nooit was gescheiden. Met een blik van onuitsprekelijke teederheid richtte Hij tot haar deze woorden: âKom tot
1
) Snpplem. p. II, 6.
158
Mij, geliefde dochter!quot; Tegelijk gaf Hij haar een kus. Verscheidene dagen lag er een buitengewone, voor iedereen zichtbare glans op haar gelaat.
Zoodra Catharina de H. Communie ontvangen had, geraakte zij in geestvervoering en verloor het gebruik van hare zintuigen. Hare ledematen werden zoo stijf, dat men ze eerder had kunnen breken dan buigen. Dit duurde zoo telkens drie of meer uren. Gedurende deze gevoelloosheid voor het uitwendige, placht zij met God te spreken, gebeden en diepzinnige overwegingen te verrichten. Alle omstanders konden haar verstaan en werden diep getroffen. Men schreef die gebeden dikwijls woordelijk op. Het waren woorden vol bovenaardsche wijsheid. De H. Geest sprak door haar. ')
Aan haar alleen was bekend, wat er in deze oogenblikken tusschen hare ziel en God omging. Ja, wanneer zij het haren biechtvader duidelijk wilde maken . dan ontbraken haaide woorden: âOp zekeren dag,quot; zoo verhaalt Raymundus van Capua, âwas zij wederom van hare zintuigen beroofd. Ik hoorde haar heel zacht spreken. Ik ging naar haar toe en hoorde, hoe zij in het Latijn zeide: âIk heb de geheimen van God gezien, Vidi arcana Dei.quot; Zij voegde er niets bij, maar herhaalde gestadig: Ik heb de geheimen van God gezien.quot; Toen zij later tot zich zelve gekomen was, zeide zij nog niets anders dan deze woorden: â Ik heb de geheimen van God gezien.quot; Ik wilde weten waarom. âMoeder,quot; zeide ik, âwaarom herhaalt gij altijd dezelfde woorden en verklaart gij ze ons niet gelijk gewoonlijk?quot; âHetis mij onmogelijk,quot; antwoordde zij, âiets anders te zeggen of op een andere wijze.quot; âMaar wat is de reden dan? Gij hebt de gewoonte ons te zeggen, wat God u geopenbaard heeft; waarom antwoordt gij mij nu niet, als ik het u vraag?quot; â Ik zou mij moeten beschuldigenantwoordde zij , â indien ik door ijdele woorden wilde weergeven, wat ik gezien heb; ik geloof, dat ik God lasteren en Hem door mijne woorden onteeren zou. Er ligt zulk een afstand tusschen alles, wat mijn geest beschouwd heeft, terwijl hij in God was opgetogen, en datgene, wat ik u kan zeggen; ik geloof, dat ik zou
Proc. 1346.
löil
liegen, wanneer ik er u over sprak. Ik moet er dus van afzien het u te verklaren. Ik kan u alleen zeggen, dal ik onuitsprekelijke dingen gezien heb.quot; ')
De visioenen en teekenen, Catharina aangaande dit H. Sacrament geschonken, vervulden haar met een heilige vrees Haar onwankelbaar geloof behoefde dien steun niet. â O Heer,quot; zoo zeide zij, âtwijfelt Gij aan de vastheid van mijn geloof? quot;Weet Gij niet, dat ik alles zonder den minsten twijfel geloof, wat Gij aan Uwe Heilige Kerk geopenbaard en door haar aan Uwe geloovige kinderen medegedeeld hebt, hoe onbegrijpelijk het ook zij ? Waartoe dienen dus dagelijks die herhaalde verzekeringen, als ware mijn geloof zwak en weifelend?quot; Doch Hij antwoordde om haar te troosten: â Niet om uwentwil, mijne bruid en dochter, leer Ik u door deze wonderbare teekenen de waarheid van het verheven geheim van Mijn Sacrament, maar om wille der anderen, opdat zij door uwe tusschenkomst in het geloof bevestigd worden.quot;
Uit deze woorden erkende Catharina, wat God van haar verlangde. Niets ging haar meer ter harte dan het geloof en de vereering voor het hoogheilig Sacrament des Altaars te verspreiden. Niet alleen met woorden, maar ook met daden werkte zij voor dit doel.
Nooit verzuimde zij de oefening der geestelijke Communie aan hare leerlingen aan te bevelen. Zij wist door ondervinding, welke onuitputtelijke genaden haar daardoor waren toegevloeid. Dikwijls had zij dit middel gebruikt om den honger harer ziel te stillen, wanneer zij verhinderd werd te commu-niceeren. Niet zelden waren deze geestelijke communiën met omstandigheden verbonden, niet minder wonderbaar dan de feiten, die de werkelijke communie vergezelden. Eens belette haar een te groote zwakte om de kerk te bezoeken. Onderworpen aan Gods wil, begon zij in hare cel te bidden. Nauwelijks echter was zij begonnen, of het scheen haar toe, dat zij in een prachtig kerkgebouw overgeplaatst was. Daar zag zij een groot aantal Heiligen vergaderd. Naar het scheen, woonden zij een plechtige godsdienstoefening bij. Het altaar schitterde van licht en sieraden. Een priester, in bisschoppe-
') Legend. II. (j.
160
lijk gewaad gekleed, droeg het offer op; een hemelsch gezang ruischte door de gewelven. Bij de Communie scheen het haar toe, dat de priester haar het Lichaam des Heeren uitreikte. Zij begreep, dat dit slechts een geestelijke Communie was. Toch gevoelde zij dezelfde inwendige zoetheid der genade als bij de werkelijke Communie.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK. Wonderbare onthoudiiig vau Catharina. Haar hemelscli geduld.
Ik heb een spijs te eten, die gij niet kent. Mijne spijs is, den wil te doen van Hem, die mij gezonden heeft, opdat ik zijn werk volbrenge. Johannes IV. Het geduld is een koningin, die op een onwankelbare rots zetelt; zij overwint altijd, maar wordt nooit overwonnen. Samenspr. c. 95.
1369.
Let den Apostel Paulus mocht Catharina getuigen; Ik hen vol van vertroosting en vloei over van vreugde in al mijne beproevingen (Cor. VII, 4). Steeds was zij vergenoegd. Haar gelaat verried dat duidelijk. Niet zelden werd haar hart met zulk een vreugde overstroomd, dat zij scheen te bezwijken. Zij kon met den koninklijken profeet uitroepen: Mijn lichaam en mijn hart bezwijken, o God van mijn hart, mijn aandeel, mijn God voor eeuwig (Ps. 72, 76.) Hare blijdschap had een bovenaardsche kracht om zich aan anderen mede te deelen. Hoe hevig het hart van menigeen door droefheid en kommer geprangd werd, het ging open, wanneer men in hare tegenwoordigheid was. Zoo wordt de bloemknop door de kilheid van den nacht gesloten, maar door de koesterende morgenzon geopend. Nooit heeft men , zoo zegt Raymundus van Capua, in hare woorden of manieren een teeken van misnoegen of ongeduld bemerkt. Wanneer zij tegenspraak of ongelijk te verdragen had, wanneer zij ziek ot gezond was, wanneer zij zondaars berispte of be-
ii
162
droefden vertroostte, altijd was zij even liefdevol als beleefd, altijd zweefde dezelfde vriendelijke glimlach om hare lippen. Elkeen ging van haar getroost en opgebeurd heen. '
De verklaring van dezen onverstoorbaren vrede geeft Catharina zelve; âDe ware deugden verschaffen ons een blijdschap, een zoetheid, die geen tong kan beschrijven. Niets kan een ziel bedroeven, die op de deugd steunt; niets kan haar de hoop op den hemel ontrukken, want zij is aan haren eigen wil gestorven, zoowel in het geestelijke als in het tijdelijke. Zij heeft hare zinnen niet gesteld op de boetvaardigheid, de vertroostingen of de openbaringen, maar op de volkomen zelfverloochening uit liefde tot den gekruisten Jezus en tot de deugd. Zij is ook geduldig en getrouw; zij vertrouwt op God en niet op zich zelve en hare werken. Zij is nederig en gehoorzaam en gelooft anderen meer dan zich zelve, want zij is niet verwaand. Zij werpt zich in de armen der Goddelijke barmhartigheid en verdrijft daarmede alles, wat haren geest kan verontrusten. In de duisternis en in den strijd laat zij de fakkel des geloofs stralen en worstelt moedig met een ware en diepe nederigheid. In den troost keert zij in zich zelve om haar hart niet aan een dwaze vreugde over te leveren. Zij is sterk en volhardend , omdat zij in zich den eigen wil heeft uitgeroeid, die haar zwak en onstandvastig maakte. ')
De hemelsche gunsten en vertroostingen overstelpten dan in zoo ruime mate de ziel van Catharina, dat zij om zoo te spreken op haar lichaam overvloeiden. De levenswerkingen waren bij haar zoo ingrijpend gewijzigd, dat zij geen voedsel meer noodig had en dat de spijzen haar groote pijnen veroorzaakten. Dwong men haar ze te gebruiken, dan ondervond zij grooten last daarvan. De spijs kon ze niet in zich houden. Het is onmogelijk te schetsen, wat ze hierdoor leed. In het begin scheen deze toestand aan iedereen ongeloofelijk toe, zelfs aan hare ouders en aan hare beste vrienden. Men noemde deze buitengewone gunst van God een bekoring, een misleiding van den duivel. Zelfs haar biechtvader beval haar iederen dag eenig voedsel te gebruiken en niet naar de
') 209 Blief.
163
visioenen te luisteren, die het tegendeel zouden zeggen. Of Catharina hem verzekerde, dat zij sterk en gezond 'vas, wanneer zij geen voedsel nam, maar zwak en ziek werd, als zij het wel deed, hij schreef haar altijd voor te eten. Zij gehoorzaamde uit deugd, zooveel zij kon, maar deze inspanning bracht haar in een toestand, dat men voor haar leven vreesde. Zij liet nu haren biechtvader ontbieden en zeide tot hem; âMijn vader, indien ik, door overdrijving van het vasten, in stervensgevaar kwam, zoudt gij mij dan niet verbieden te vasten, om te beletten dat ik mij zelve vermoordde?quot; âNatuurlijk,quot; antwoordde de biechtvader. âMaar,quot; hernam zij, â is het ook geen kwaad zich den dood te berokkenen door te eten evenals door te vasten? Zoo gij dan door de talrijke proeven, waarvan gij getuige zijt, ziet, dat ik mijzelve dood door voedsel te gebruiken, waarom verbiedt gij het mij dan niet, gelijk gij mij zoudt verbieden te vasten, zoo het vasten voor mij hetzelfde uitwerksel had?quot; Men kon niets tegen die redeneering inbrengen. De biechtvader, die het gevaar zag, waaraan hij haar had blootgesteld, zeide tot haar: â Handel voortaan overeenkomstig de ingevingen van den H. Geest, want ik erken, dat God groote dingen in u werkt.quot; ')
Schoon dus Catharina, door de goddelijke genade ondersteund, dikwijls volstrekt geen voedsel gebruikte, bezweek zij niet. Heeft Christus niet gezegd; De mensch leeft niet van brood alleen, maar van atle woord, dat uit Gods mond voortkomt? (Math. IV, 4.) Staat er niet geschreven; De rechtvaardige leeft uit het geloof? (Rom. I, 17.) Zij onderhield dit vasten voortdurend, nadat zij het enkele malen met groote tusschenpoozen had onderbroken. Haar lichaam vastte , doch hare ziel gebruikte overvloedig voedsel. Zoo dikwijls zij kon, naderde zij tot de H. Tafel. Daar putte zij telkens nieuwe kracht, nieuwe genaden. Hare organen hadden hun werkingen geschorst, maar de H. Geest schonk haar het leven naar ziel en lichaam. Geheel haar bestaan was bovennatuurlijk en wonderbaar. 1)
1
) Legend. 11, 5.
164
Dikwijls verviel haar uitgeput lichaam tot de uiterste zwakheid. Toch liep, werkte en zwoegde zij onvermoeid meer dan een gezonde. Haar biechtvader vroeg haar, toen zij haar vasten begon, of zij geen eetlust gevoelde. âGodquot;, antwoordde zij, âverzadigt mij zoo volkomen door de H. Eucharistie, dat ik geen stoffelijk voedsel meer kan begeereiv' âMaar hebt gij dan geen honger op de dagen, dat gij niet communiceert?quot; ging hij voort. âIndien ik de Heilige Hostie niet mag ontvangen,quot; hernam zij , â dan wordt ik door hare tegenwoordigheid eu haar gezicht verzadigd; ja, ik beken u , het is genoeg voor mij om gelukkig te zijn, dat ik een priester zie, die de H. Mis heeft gelezen.quot; ')
P. Thomas Caffarini, die dikwijls met haar het middagmaal gebruikte, zegt, dat zij zich zelve vaak gedwongen heeft een weinig groente door te slikken. Dit ging evenwel met veel pijn gepaard. Zij noemde het een marteling en kon het genotene niet inhouden. Franciscus Malevolti, die vier maanden met haar doorbracht, bericht juist hetzelfde. De onbekende opsteller van de âMiracoliquot; schrijft: âDeze heilige maagd heeft altijd twee of drie zusters bij zich, die dezelfde kleeding dragen en haar nooit verlaten. Met haar gaat zij lederen dag aan tafel. Hare gezellinnen gebruiken geen vleesch, maar kruiden, groenten, ooft, brood, wijn of andere gewone spijzen, deels gekookt, deels rauw. Zelve neemt zij iets der spijzen in den mond, een stukje brood, zoo groot als een noot, een blad salade, een amandel of iets dergelijks, altijd zeer weinig. Zij slikt niets door, maar spuwt het, wanneer zij het gekauwd heeft, in een kleine schaal uit en reinigt zich den mond met koud water j echter doet z j dit slechts eenmaal daags.quot; Stephanus Maconi stemt met deze getuigenis overeen en zegt, dat zij meestal wachtte tol. het einde van den maaltijd. Dan nam zij het karige voedsel en zeide op vroolijken toon; â Zoo, laten wij nu gaan en den armen zondaar zijn gerechtigheid geven.quot; Dikwijls volgde een hevige bloedspuwing op de inspanning om het gegetene uit te werpen. Al kwam er nog zoo weinig in haar maag, toch leed haar geheele lichaam, zij viel in bezwijming en
0 Lftffcncl. II. 5.
165
bleef als dood liggen, zoo lang zij niet gebraakt had. ')
Eens zeide Stephanus Maconi tot Catharina; âDierbare moeder, gij gebruikt zoo weinig voedsel en houdt het zoo kort in den maag, dat het nutteloos voor u is. Vervolgens geeft gij het met zooveel pijn terug; het is beter, dunkt mij , dat gij volstrekt niets eet.quot; Maar zij antwoordde met hare gewone verstandigheid; âMijn welbeminde zoon, ik heb verscheidene redenen om dit voedsel te gebruiken. Vooreerst ik heb aan God gevraagd, dat Hij mij in dit leven voor de zonde van gulzigheid straffe, en met vreugde neem ik dit lijden aan, dat Hij mij overzendt. Vervolgens doe ik mijn best om sommige lieden tevreden te stellen, die zich schijnen te ergeren, als ik niet eet. Zij zeggen, dat de duivel mij misleidt. en ik tracht te eten. Er is nog een andere reden; door deze pijnen wordt ik tot mijn natuurlijke vermogens teruggeroepen; anders zou mijn geest te zeer verslonden zijn en mijn lichaam zou mogelijk bezwijken.quot; 'quot;)
Op zekeren dag in de maand September beweende Catharina geknield hare zonden. De Heer verscheen haar, verbood haar te weenen, legde haar de hand op het hoofd en sprak de gewone absolutièformuul uit. Gedurende verscheidene dagen voelde zij nog do aanraking van Gods hand. Hare vreugde was onuitsprekelijk groot. Van dezen dag af tot aan 's Heeren Hemelvaart van het volgende jaar, dus bijna acht maanden lang, namen haar pijnen bij het gebruiken van voedsel voortdurend toe. Zij kon slechts een zeer geringe hoeveelheid inhouden. Van Aschwoensdag, die op den achtsten Maart viel, tot aan Passiezondag was haar ook dit onmogelijk; van Passiezondag tot Hemelvaart, een tijdruimte van vijf en vijftig dagen , kwam er hoegenaamd geen spijs over hare lippen. Zij leed ongeloofelijke smarten. Toch scheen de zwakte haar goede werken niet te verminderen. Wel verwachtte men ieder oogenblik haar einde, maar zij stond op en scheen onvermoeid in den arbeid voor God en den naaste.
Eenige dagen voor Hemelvaart werden hare pijnen ondra-
') Maconi 3: 17. â¢) Maconi 3: 19.
166
gelijk. Zij meende hot niet langer te kunnen uithouden en vroeg nu aan God: â Hoe lang wilt Gij , dat ik deze mar teling verdure?quot; Zij vernam, dat zij op den feestdag zoude ophouden. Gedurende de Kruisdagen werd zij door hare buitengewone zwakte verhinderd de kerk te bezoeken en de H. Communie, de eenige spijs, welke gedurende twee. maanden haar lichaam gevoed had, te ontvangen. De Heer had medelijden met haar en liet haar de H. Communie door een engel in een kostbaren sluier brengen. Dit bezielde haar met nieuw leven. Gedurende deze drie dagen sprak zij tot niemand een woord. âToen ik haar op den vooravond van het feest bezocht,quot; schrijft P. Bartholomaeus, âtwijfelde ik er aan, of zij den volgenden morgen zou beleven. De klokken luidden voor de Completen. Allen stonden op om heen te gaan. â O Moeder,quot; zeide ik tot haar, âwilt gij ons verlaten?quot; âIk weet het niet,quot; hernam zij, âof ik naar God ga, dan of ik op buitengewone wijze zal blijven leven, wanneer ik herstel.quot; Bij het morgenkrieken riep zij Alessia en verlangde hare schoenen en haren mantel. Alessia gaf ze haar. Beiden gingen naar de kerk. Catharina communiceerde met de andere Zusters en bleef in geestverrukking tot na den maaltijd der Paters, toen deze in het koor kwamen voor de dankzegging. Velen van hen begaven zich in het schip der kerk om eens naar Catharina te zien. Vriendelijk werden zij door haar ontvangen. ,, Heden,quot; zeide zij, ,, is het feest Onzes Heeren; Hij verlangt, geloof ik, dat ik heden met u eet om u te troosten.quot; Zes Paters gingen met haar eten. Vroolijk gebruikten zij te zamen het niet te rijke middagmaal. Velen kwamen Catharina bezoeken. Zij was wel gedwongen meermalen brood en wijn te gebruiken. ')
Er volgen nu feiten in de geschiedenis van Catharina, waarover men zich niet moet verwonderen, wanneer men menschenkennis en ondervinding heeft, wanneer men met nadenken de roerselen, de voor- of tegeningenomenheid van het menschelijk hart nagaat, wanneer men niet aan de oppervlakte blijft staan, maar tot den bodem doordringt, wanneer
') Legend. II, 5. â Caff. Suppl. â Bartholom. Process.
167
men onpartijdig aan de waarheid recht doet wedervaren. Men vindt die feiten in het leven van alle Heiligen, van alle groote mannen. Hun laatste verklaring ligt zoowel in de bekrompenheid als in de kwaadwilligheid der men-schen, in hun omgeving, in de zieke gesteltenis van hun lichaam. Geef iemand gestadig een aantrekkelijken arbeid, laat hem dagelijks de frissche lucht, laat hem zonnelicht en zonnegloed met volle teugen indrinken, laat hij zich weiden aan de heerlijkheden van Gods schepping, laat hij zwerven naar hartelust langs heuvel en dal, door bosch en beemd, ruk hem uit den kleinen kring, waarin hij leeft. Zijn hart zal zich verruimen en opengaan, een frisch, zuiver bloed zal met machtigen slag door zijn aderen bruisen, zijn gezichtskring zal zich verwijden, hij zal over den engen, alledaagschen horizont heenzien. en over 's menschen handel en wandel ruimere denkbeelden, grootschere gevoelens, diepere inzichten ontvangen. Maar is zijn omgeving klein en begrensd, dan zullen zijn oordeelvellingen ook klein en bekrompen wezen.
De feiten, die wij bedoelen, zijn de opspraak, de liefdeloosheden, de vijandelijkheden, de schimp- en spotwoorden, die de Heiligen om hun deugd verduren moesten. Het eigenaardige hiervan is, dat die afkeuringen schijnbaar gegrond en billijk waren.
Wat had Catharina niet te lijden van hare verwanten en vrienden! Zij beoordeelden hare woorden en daden niet in het licht des geloofs, maar in het licht der wereld; zij waren in het dal en wilden oordeelen over hetgeen op de kruin van den berg stond; zij kenden de beginselen niet en redeneerden over de gevolgtrekkingen; de schittering van het licht verblindde hen en verhinderde hen de kleuren naar waarde te schatten. Zonder grond maakten zij zich ongerust over de verblindende stralen van deze fonkelende ster; zij wilden degene leiden, wier lessen zij niet eens begrijpen konden. De nacht verweet aan den dag zijn luister. Zij beschuldigden haar in het geheim, lasterden haar onder den schijn van een heiligen ijver en dwongen haren biechtvader haar van den ingeslagen weg af te trekken. Catharina moest hierdoor veel lijden. Zij had van nature een zeer fijn gevoel en teeder gevormd gestel,
108
die door de genade nog veredeld waren. De verdenking, waaronder zij stond, die men openlijk uitsprak en bedekt liet doorschemeren, bereidde haar dus een onbeschrijfelijk leed, vooral nu haar biechtvader begon te wijfelen. ') Er is niets wat den rechtvaardige pijnlijker kwetst dan verdachtmaking. Op een morgen bemerkte Catharina, hoe Pater Thomas er nadenkend en bedrukt uitzag. Zij vroeg hem, wat hem deerde. Hij wilde een uitwijkend antwoord geven. Daar zij echter wel wist, wat er in zijn gemoed omging, hernam zij : â Zeg het mij onbevreesd, want ik weet juist, waarover het gaat.quot; Nu deelde hij haar alles mede, wat over dit punt in de stad werd gesproken en hoe hij zich zeiven niet in staat rekende een zoo moeielijke zaak billijk te behandelen of te beoordeelen , door welken geest zij geleid werd. Na een wijle antwoordde hem de Heilige met diepen ootmoed: âVader, laat mij bidden en God vragen, dat Hij mij openbare, of uwe leiding de rechte geweest is.quot; Dan vertelde zij hem zeer nauwkeurig, welke personen dien twijfel bij hem verwekt hadden, ofschoon zij die gezien noch gesproken had. Den volgenden nacht bad zij geknield met groote vurigheid. Ondanks de winterkoude was niet alleen haar lichaam, maar ook de vloer van het vertrek, waarin zij zich bevond, met zweet rijkelijk bevochtigd. Terwijl zij bad, bedaarden de gemoedsbezwaren van haren biechtvader. Hare ziel vervulde een wondervolle kalmte en zekerheid. Bij het morgenkrieken liet zij hem roepen en zeide: âDank God, dat Hij den twijfel van u genomen heeft. Toen ik zag, dat zelfs gij, die toch alle geheimen van mijn hart kent, begont te twijfelen aangaande den geest, die mij leidt, werd ook ik onzeker en beangst. Doch het heeft God in Zijn goedheid behaagd dezen nacht ons heiden gerust te stellen.quot; 1)
Velen klaagden dus over het vasten van Catharina. Sommigen verweten haar trotschheid. Zij wilde volmaakter zijn dan de allerzaligste Maagd Maria of de Apostelen, ja, dan Onzo Goddelijke Verlosser, van wie de Heilige Schrift uit-
1
) Caff. Snpplcm.
1(59
drukkelijk zegt, dat zij gegeten en gedronken hebben. Volgens anderen hadden alle Heiligen door woord en voorbeeld geleerd, dat iemands levenswijze nooit vreemd moest zijn. Anderen meenden, dat overdrij ving nooit goed was; men moest dit vermijden en den middelweg bewandelen. Eenigen erkenden haar goede meening, maar vermoedden, dat zij dt speelbal eener begoocheling was. Weer anderen bazuinden uit, dat het bedrog van haar was, om opgemerkt te worden; in werkelijkheid vastte zij niet, maar at en dronk goed in 't geheim. ').
Catharina vernam deze beschuldigingen. Doch zij zeide met hare gewone zachtmoedigheid en verdraagzaamheid; âHet is inderdaad waar, dat de Heer mijn leven zonder spijs onderhoudt, maar ik begrijp niet, waarom gij u daarover ergert. Waarlijk, ik zou gaarne eten, als ik maar kon Doch de almachtige God heeft mij om wille van mijne zonden deze zeldzame soort van ziekte opgelegd. Ik loop gevaar van te sterven, als ik eet. Bidt voor mij , dat het Hem behage moge mij mijne zonden te vergeven, want zij zijn de oorzaak van dit en van ieder ander kwaad.quot; !)
Toch verstomde het gebabbel der menschen niet. Een zekere Elbianes , die te Florence woonde en om zijn vroomheid geroemd word, schreef aan Catharina een brief, waarin hij hare buitengewone levenswijze scherp hekelde. De brief viel in handen van Pater Raymundus van Capua, haren biechtvader. Deze toonde hem aan Pater Bartholomeus van Siena. Terwijl zij hierover met elkander spraken, bemerkte Catharina hun onrust en vroeg naar de reden daarvan. Pater Raymundus las haar den brief voor. Zij hoorde alles rustig aan en berispte de beide paters vriendelijk over de verontwaardiging, die zij getoond hadden. âGij moest den schrijver van dezen brief danken. Ziet gij dan niet, dat hij mij een kostelijken raad geeft? Hij vreest, dat ik in de handen van den boozen vijand val en wil mij voor het gevaar waarschuwen. Ik moet zijn brief hebben en zal zeker aan hem schrijven om hem te bedanken.quot; Haar antwoord luidde:
') Legend. II, 5. '0 Legend. II. 5.
170
â Ik dank u, welbeminde vader, van ganscher harte voor den heiligen ijver en de bezorgdheid, die gij voor mijn ziel koestert. Het schijnt mij toe, dat gij zeer verbaasd zijt over hetgeen gij van mijn levenswijze hoort. Ik ben zeker, dat gij geen andere beweegreden hebt dan het verlangen naar de eer van God en naar mijn welzijn. Gij meent, dat het strikken en begoochelingen des duivels zijn. Mijn vader, uwe vrees over het voedsel verwondert mij niet; ik verzeker u, dat ik zelve sidder, zoozeer ducht ik de bedriegerijen van den duivel. Maar ik vertrouw mij aan de goedheid van God toe en ik waak over mij zelve, daar ik wel weet, dat ik van mij zelve niets kan verwachten. Gij vraagt mij, of ik meen, dat ik door den duivel bedrogen kan worden, en gij zegt mij, dat het, indien ik het niet geloof, een bewijs is, dat ik het ben. Ik antwoord u; Niet alleen aangaande dit feit, hetwelk de krachten der natuur overtreft, maar ook aangaande al mijn andere handelingen vervullen mijne zwakte en de boosheid des duivels mij altijd met vrees. Ik denk, dat ik misschien dwaal, want ik weet en zie, dat de duivel de gelukzaligheid, maar niet het verstand verloren heeft. Ik begrijp, dat hij mij met die hoogere vermogens zou kunnen bedriegen. Maar ik vlucht ook op den boom van het allerheiligste kruis van den gekruisten Jezus; ik steun daarop, ik hecht mij daaraan vast en ik ben overtuigd, dat, indien ik daaraan door de liefde en de nederigheid genageld blijf, alle duivels niets tegen mij zullen vermogen, niet door mijne verdiensten, maar door die van den gekruisten Jezus.
Gij schrijft mij ook, dat ik vooral aan God zou vragen om te kunnen eten. Ik antwoord u, mijn vader, en ik verzeker u voor God, dat ik alle middelen aangewend heb om het te doen en dat ik eens of tweemaal daags beproef voedsel te gebruiken. Ik heb God onophoudelijk gebeden, ik bid Hem en ik zal Hem bidden mij de genade te schenken van te leven gelijk alle anderen, indien het Zijn wil is, want dit is ook de mijne. Ik verzeker u, dat ik, na alle pogingen te hebben aangewend, deze ziekte dikwijls zorgvuldig onderzocht heb. Ik dacht, dat God in Zijne goedheid haar aan mij toezond om mij van de ondeugd van gulzigheid te zuiveren. Het spijt mij, dat ik de kracht niet heb gehad mij uit liefde
171
daarvan te beteren. Nu weet ik niet meer, welk geneesmiddel ik gebruiken moet. Bid tot de Eeuwige Waarheid, dat Zij mij de genade schenke, indien dit voor Hare eer en liet heil mijner ziel beter is, van mij spijs te laten gebruiken, indien het Haar behaagt. Ik ben zeker, dat de goede God uwe gebeden niet versmaden zal. Schrijf mij het geneesmiddel, als gij het kent. Mits het tot eer van God strekke, zal ik het volgaarne aanwenden. Tk verzoek u ook, beoordeel niet lichtzinnig, wat gij niet goed vóór God onderzocht hebt. Ik eindig. Blijf in de heilige en zoete liefde van God. Zoete Jezus, Jezus liefde. ')
De aanleiding tot de bittere, schampere oordeelvellingen en liefdelooze gesprekken over de Heilige was niet alleen hare onthouding, maar ook haar veelvuldig communiceeren.
Er werd daarover zeer veel gesproken. Zelfs de beste vrienden van Catharina keurden het af. Ook de Zusters waren verdeeld. Sommigen lieten den duivel van afgunst in hun hart binnen, begonnen haar gedrag te bedillen en haar bij de Paters aan te klagen. Waarom moesten de jongen den schijn aannemen, als waren zij heiliger dan de ouden? Wie was Catharina Benincasa dan wel, dat zij zich aanmatigde leerlingen om zich te verzamelen en te beweren een heilige te zijn? Deze afkeuring moet ons evenwel niet verwonderen, daar het veelvuldig communiceeren in de veertiende eeuw geen gebruik was.
Het duurde niet lang, of Paters en Zusters waren in twee partijen verdeeld. De eenen beweerden, dat de veelvuldige Communie een aanmatiging was en tot minachting leidde. De anderen trokken met ijver voor Catharina partij. Pater Thomas verdedigde zijn biechtkind met moed. Om de aantijgingen tegen haar te wederleggen, beriep hij zich op het gebruik der eerste Christenen en op het gezag van den H. Dionysius. Deze deelt mede, dat vrome Christenen in de eerste eeuwen der Kerk dagelijks communiceerden. De tegenstanders lieten, zicli hierop niet in, maar haalden Augustinus aan, die de dagelijksche Communie noch prijzen noch laken wilde. Volgens hare gewoonte gaf Catharina een
') 305 Brief.
172
schertsende wending aan de zaak en antwoordde zachtmoedig; â Als de Heilige Angustinus mij niet berispt, waarom zoudt gij het dan doen?quot; Toch legden haar eenige Zusters onder allerlei beuzelachtige voorwendsels vele moeilijkheden in den â weg. Als zij voor het ijzeren hek kwam om te communi-ceeren, drong men haar weg ten aanschouwe van het volk. Zij moest zich dan verlegen en beschaamd terugtrekken. Catharina verdroeg deze beproeving met onbezweken geduld. Geen klacht, geen zucht ontsnapte haar. Stampvoetend van woede liepen sommigen rond met den sleutelbos, wanneer zij na de H. Communie niet spoedig de kerk verliet. Gedurende hare geestvervoeringen ontstal men haar het geld, dat haar voor liefdadige doeleinden gegeven was. Catharina wist alles, doch nooit sprak zij er over, tenzij om hare beleedigers te verontschuldigen. Aan anderen verbood zij over het gebeurde te spreken of haar op eenige wijze te wreken. Zij bewaarde hare ziel in lijdzaamheid. Door het geduld behaalde zij eindelijk de overwinning. Dit is een der verhevenste bladzijden in de levensgeschiedenis der Heilige. Zij verdient den lof; Zalig zijn zij, die vervolging lijden om de rechtvaardigheid (Math. V, 10). Door schaamtelooze lieden uit de kerk gesleurd, in de felle middaghitte op het open kerkplein geworpen, gestompt door kleingeestige mannen, aangegrijnsd door nijdige vrouwen, bedild, gelasterd, onrechtvaardig behandeld, blijft zij altijd kalm, altijd zachtmoedig. ')
Glimlachend antwoordde zij aan Raymundus van Capua: âMijn vader, is het niet beter hier mijn zonden uit te boeten om in de eeuwigheid niet gestraft te worden? De oordeelen der mensehen zijn zeer voordeelig voor mij, want zij maken, dat ik door het kortstondig lijden voor eeuwige folteringen bewaard word. Inderdaad, ik moet de gerechtigheid van God niet ontvluchten. Hij schenkt mij een grootc genade, nu ik op de wereld aan haar kan voldoen.quot; Zij was overtuigd, dat zij een schuld aan de goddelijke rechtvaardigheid betaalde. Daarom zeide zij tot hare gezellinnen: â Komt, laat ons gerechtigheid oefenen aan een ellendige
') Legend. 111. fi.
173
zondares.quot; Op zekeren dag onderhield zich Raymundus van Capua met haar over de genade van God. Zij zeide toen: âIndien wij de genaden, die God ons geeft, wisten te go-bruiken, dan zouden wij uit alles, wat ons overkomt, voordeel trekken. Zeg altijd in voor- en in tegenspoed : Ik moet daarmee iets verdienen. Indien gij zoo handelt, zult gij weldra rijk zijn.
') Legend. II, 5. â III, C.
ZESTIENDE HOOFDSTUK. Overeenkomst vau Catharina met haren hemelscheu Bruidegom.
Stel mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm, want sterk als de clooci is de liefde.
Hoogl. 8.
Zou de bruid een grooter geluk hebben dan aan haren Bruidegom gelijkvormig te zijn en dezelfde teekenen te dragen? 198 Brief.
1370.
e liefde kan niets grooters voortbrengen dan de hervorming in Jezus Christus. Dit bedoelde de Apostel der volken, toen hij in geestverrukking uitriep: Ih leef, echter niet meer ik, maar in mij leeft Christus (Galat. II 20). Is een ziel tot dezen staat gekomen, Tl an vervult God haar verstand, zoodat zij aan Hem alleen denkt, haren wil, zoodat zij Hem alleen bemint, al haar vermogens, zoodat zij in niemand behagen heeft, in niemand voldoening en rust vindt dan in Hem alleen. De onvoldaanheid en veranderlijkheid van den mensch volgt uit de onvolmaaktheid en veranderlijkheid der aardsche goederen, die hij zoekt. Maar wanneer hij naar God alleen streeft, dan maakt de onveranderlijkheid van God, het hoogste goed, zijn wil onveranderlijk en schenkt hem dus een volkomen geluk, de rust der verlangens, waarvan de H. Augustinus spreekt.
âDe liefde is een vuur,quot; schrijft de H. Catharina, âdat alles in zich verandert en dat de ziel boven haar zelve verheft, Haar vereeniging met God is de extase der goddelijke liefde, is zoo groot, dat het lichaam, hetwelk haar omsluit,
175
alle gevoel verliest. Het ziet zonder te zien, het hoort zonder te hoeren, het spreekt zonder te spreken, het gaat zonder te gaan, het voelt zonder te voelen. Alle zintuigen van het lichaam schijnen geketend te zijn. Het schijnt, dat zij al hun kracht verloren hebben, omdat het waarnemingsvermogen te loor is gegaac in de vereeniging met God. God trekt door Zijn kracht en Zijn liefde alles tot zich. De gevoeligheid van het lichaam zelfs bestaat niet meer. De vereeniging der ziel met God is volmaakter dan die van de ziel met het lichaam. God trekt al de vermogens der ziel en al haar werkingen tot zich. Het geheugen is met de gedachtenis van Zijn weldaden en van Zijn onuitsprekelijke goedheid vervuld; het verstand beschouwt de leer, die de gekruiste Jezus ons uit liefde heeft geschonken, en de wil snelt met vurigheid vooruit om Hem te beminnen.
Dan zijn al de werkingen der ziel in Zijnen naam geregeld en verbonden. Zij smaakt de melk der goddelijke zoetheid; zij wordt dronken van Christus' Bloed en in hare dronkenschap wil zij zich alleen met smaadheden verzadigen; zij omhelst de verachtingen, de beleedigingen, de verongelijkingen , de koude, de warmte, den honger, den dorst, de vervolgingen der menschen en de aanvallen der duivels. Zij roemt altijd met den glorierijken Heiligen Paulus in den Christus, den zoeten Jezus. Zij stelt hare volmaaktheid niet in de geestelijke vertroostingen, in de openbaringen, in de versterving des lichaams, maar in den dood van den wil. Zij werpt hem ook edelmoedig in het fornuis der goddelijke liefde; dan moet hij wel verbranden en verteerd worden.quot; ')
Sommige feiten van dit hoofdstuk zullen aan velen ongeloofelij k toeschijnen. Zij zullen beweren, dat het wel frissche bloemen zijn, maar uit den legendengaard der Kerk geplukt. Wat is de reden van hun wantrouwen? Zij beschouwen de daden der Heiligen niet in het licht des geloofs, zelfs niet in het licht van het redelijk en billijk denkend verstand, dat aan de oppervlakte niet blijft zweven, maar tot den kern doordringt. Al is iets niet kenbaar of verklaarbaar voor ons , dan kan het toch ongetwijfeld kenbaar in zich zeiven en
') 3)9. Brief.
176
verklaarbaar voor een hooger verstand dan het onze zijn. Gij ziet iets niet. Dit bewijst of dat het er niet is, of dat er te weinig licht is, of dat uw waarnemingsvermogen niet dengt. Hoeveel feiten en zaken zijn er niet, die wij niet kunnen verklaren. En toch weten wij onomstootbaar zeker, dat zij bestaan. Welnu, gaat dit door voor de natuurlijke orde, hoeveel te meer voor de bovennatuurlijke. Alles wat daartoe behoort, is kenbaarder in zich zelve, omdat het volmaakter is, maar juist daarom niet kenbaarder voor ons, omdat ons verstand te zwak is. Strijdt het derhalve niet tegen de rede die geheimen van de natuur aan te nemen, hoe zou het dan tegen de reden kunnen zijn de geheimvolle feiten en waarheden van de bovennatuurlijke orde te gelooven? En indien God aan de Heiligen, aan sommigen ten minste, geen schitterender gunsten, geen hooger leven, ook naar het uitwendige, schonk dan wij dagelijks bij ons zeiven of bij anderen rondom ons waarnemen, waarin zouden zij dan uiterlijk van ons verschillen? Zouden wij dan wel met grooten eerbied en bewondering voor de werkingen der goddelijke genade vervuld zijn? Wij moeten dus de levens der Heiligen in het licht des geloofs beschouwen; in dat licht zullen wij ze anders beoordeelen en met de H. Schrift belijden: Streef niet naar hetgeen te hoog voor u is, en zoel niet te doorgronden, wat hoven uwe krachten is; want gij hebt niet noodig verborgen dingen met uwe oogen te zien. Wees niet nieuwsgierig in vele iverken van God, want veel is u geopenbaard geworden, wat het verstand des menschen overtreft. (Ecclesiastic. Ill, 22â25).
Catharina zelve schroomde somtijds over haar wonderbaar leven te spreken. Dikwijls herhaalde zij , dat het haar, indien zij het innige verkeer barer ziel met haren Schepper in woerden en beelden wilde wedergeven, toescheen, alsof zij aarde in plaats van goud gaf en een kostbaar edelgesteente in het slijk wierp. Het vuur der liefde, hetwelk haar ziel door-blaakte , was zoo geweldig, dat zij, volgens haar eigen getuigenis aan haar biechtvader, onmogelijk kon schilderen, wat zij gevoelde. ')
') Legend. II, C.
177
Op het feest van St. Alexius, â liet was de 18 quot; Juli 1370 â bad Catharina met den Profeet: â Mijn God, schep in mij een zuiver hart en vernieuw den rechten geest in mijn binnenste. (Ps. 50, 12). Heer, ontneem mij mijn eigen hart en mijn wil.quot; Het scheen haar nu toe, dat haar Bruidegom aan haar verscheen, hare linkerzijde opende en haar hart wegnam, zoodat zij het niet meer voelde kloppen. Zij verzekerde haren biechtvader, dat zij geen hart meer had. Haar biechtvader, begon te lachen en berispte haar, dat zij zulke dwaasheden vertelde. Maar zij verzekerde hem opnieuw: âInderdaad, mijn vader, voor zoover ik oordeelen kan over hetgeen ik in mijn lichaam gevoel, schijnt het mij toe, dat ik geen hart meer heb. De Heer is mij verschenen, heeft mijn linkerzijde geopend, mijn hart weggenomen en is heengegaan.quot; Haar biechtvader meende, dat zij onmogelijk zonder hart kon leven. Maar zij antwoordde, dat bij God niets onmogelijk was en dat zij geen hart meer had. Twee dagen later bevond zich Catharina met de andere Zusters in de kapel della Volte van de Predikheerenkerk te Siena. Nadat de Zusters zich verwijderd hadden, bleef zij alleen achter om te bidden. Juist wilde zij huiswaarts keeren, toen haar een schitterend licht omstraalde. In dat licht verscheen haar de Zaligmaker. Hij droeg in Zijn heilige handen een vuurrood en vlammend hart. Geheel ontroerd wierp zij zich ter aarde neder. De Heer naderde, opende opnieuw haar linkerzijde, plaatste er het hart in, dat Hij droeg, en zeide tot haar: âMijne welbeminde dochter, laatst heb Ik uw hart weggenomen; heden geef Ik u het Mijne, dat voortaan voor het uwe dienen zal.quot; Na deze woorden sloot Hij hare zijde, maar liet er tot bewijs van het wonder een lidteeken achter. De gezellinnen der Heilige hebben dit dikwijls gezien. Raymundus van Capua vroeg haar rechtstreeksch naar dit feit. Zij bekende, dat het waar was. Sedert dien tijd placht zij te zeggen: âMijn God, ik schenk U uw hart.quot; ')
Het hart, hetwelk Catharina terugontving, was hetzelfde, dat de Heer te voren uit haar lichaam genomen had, maar het was geheel veranderd. Hij had het door nieuwe hoeda-
') Lsgend. II, G.
12
176
verklaarbaar voor een hooger verstand dan het onze zijn. Gij ziet iets niet. Dit bewijst of dat het er niet is, of dat er te weinig licht is, of dat uw waarnemingsvermogen niet deugt. Hoeveel feiten en zaken zijn er niet, die wij niet kunnen verklaren. En toch weten wij onomstootbaar zeker, dat zij bestaan. Welnu, gaat dit door voor de natuurlijke orde, hoeveel te meer voor de bovennatuurlijke. Alles wat daartoe behoort, is kenbaarder in zich zelve, omdat het volmaakter is, maar juist daarom niet kenbaarder voor ons, omdat ons verstand te zwak is. Strijdt het derhalve niet tegen de rede die geheimen van de natuur aan te nemen, hoe zou het dan tegen de reden kunnen zijn de geheimvolle feiten en waarheden van de bovennatuurlijke orde te gelooven? En indien God aan de Heiligen, aan sommigen ten minste, geen schitterender gunsten, geen hooger leven, ook naar het uitwendige, schonk dan wij dagelijks bij ons zeiven of bij anderen rondom ons waarnemen, waarin zouden zij dan uiterlijk van ons verschillen? Zouden wij dan wel met grooten eerbied en bewondering voor de werkingen der goddelijke genade vervuld zijn? Wij moeten dus de levens der Heiligen in het licht des geloofs beschouwen; in dat licht zullen wij ze anders beoordeelen en met de H. Schrift belijden; Streef niet naar hetgeen te hoog voor u is, en zoek niet te doorgronden, loat boven uwe krachten is; want gij hebt niet noodig verborgen dingen met uwe oogen te zien. Wees niet nieuwsgierig in vele iverken van God, ivant veel is u geopenbaard geworden, wat het verstand des mensehen overtreft. (Ecclesiastic. Ill, 22â25).
Catharina zelve schroomde somtijds over haar wonderbaar leven te spreken. Dikwijls herhaalde zij , dat het haar, indien zij het innige verkeer harer ziel met haren Schepper in woorden en beelden wilde wedergeven, toescheen, alsof zij aarde in plaats van goud gaf en een kostbaar edelgesteente in het slijk wierp. Het vuur der liefde, hetwelk haar ziel door-blaakte , was zoo geweldig, dat zij, volgens haar eigen getuigenis aan haar biechtvader, onmogelijk kon schilderen, wat zij gevoelde. ')
') Legend. II, 6.
177
Op hot foost van St. Alexius, â het was de IS quot; Juli 1370 â bad Catharina met den Profeet: â Mijn God, schep in mij een zuiver hart en vernieuw den rechten geest in mijn binnenste. (Ps. 50, 12). Heer, ontneem mij mijn eigen hart en mijn wil.quot; Het scheen haar nu toe, dat haar Bruidegom aan haar verscheen, hare linkerzijde opende en haar hart wegnam, zoodat zij het niet meer voelde kloppen. Zij verzekerde haren biechtvader, dat zij geen hart meer had. Haar biechtvader, begon te lachen en berispte haar, dat zij zulke dwaasheden vertelde. Maar zij verzekerde hem opnieuw: âInderdaad, mijn vader, voor zoover ik oordeelen kan over hetgeen ik in mijn lichaam gevoel, schijnt het mij toe, dat ik geen hart meer heb. De Heer is mij verschenen, heeft mijn linkerzijde geopend, mijn hart weggenomen en is heengegaan.quot; Haar biechtvader meende , dat zij onmogelijk zonder hart kon leven. Maar zij antwoordde, dat bij God niets onmogelijk was en dat zij geen hart meer had. Twee dagen later bevond zich Catharina met de andere Zusters in de kapel della Volte van de Predikheerenkerk te Siena. Nadat de Zusters zich verwijderd hadden, bleef zij alleen achter om te bidden. Juist wilde zij huiswaarts keeren, toen haar een schitterend licht omstraalde. In dat licht verscheen haar de Zaligmaker. Hij droeg in Zijn heilige handen een vuurrood en vlammend hart. Geheel ontroerd wierp zij zich ter aarde neder. De Heer naderde, opende opnieuw haar linkerzijde, plaatste er het hart in, dat Hij droeg, en zeide tot haar: âMijne welbeminde dochter, laatst heb Ik uw hart weggenomen; heden geef Ik u het Mijne, dat voortaan voor het uwe dienen zal.quot; Na deze woorden sloot Hij hare zijde , maar liet er tot bewijs van het wonder een lidteeken achter. De gezellinnen der Heilige hebben dit dikwijls gezien. Raymundus van Capua vroeg haar rechtstreeksch naar dit feit. Zij bekende, dat het waar was. Sedert dien tijd placht zij te zeggen: âMijn God, ik schenk U uw hart.quot; ')
Het hart, hetwelk Catharina terugontving, was hetzelfde, dat de Heer te voren uit haar lichaam genomen had, maar het was geheel veranderd. Hij had het door nieuwe hoeda-
') Logend. II, G.
Vi
178
nigheden veredeld. In dien zin kon Catharina haar hart een nieuw hart, ja, het hart van Christus noemen, omdat Hij het vernieuwd en aan het Zijne gelijk gemaakt had. Het schoen Catharina toe, dat haar hart in de zijde des Hoeren geplaatst en met hot Zijne vereenigd en samengesmolten was. Van liefdevlammen doorgloeid, herhaalde zij de woorden: âMijn God, mijn God, Gij hebt mijn hart gewond, Gij hebt mijn hart gewond.quot; ')
Do Heilige Catharina was dus onder de eersten, aan wie de Heer de geheimen van Zijn goddelijk Hart openbaarde. Voor haar was het aan het kruis gehechte lichaam van Jezus Christus de geheimzinnige brug, waardoor de ziel met haren Schepper verbonden is. Op vele plaatsen spreekt zij in hare brieven on samenspraken over de wonderen van het Heilig Hart. 1)
Dit was niet het eenige visioen, waarin Catharina de liefde van Jezus' aanbiddelijk Hart leerde kennen. Eens bad zij in de Dominiouskerk te Siena, toen zij plotseling Jezus Christus aan hare zijde aanschouwde. Aan Zijn borst ontstroomde zulk een vloed van licht, dat de gansche kerk verlicht was. 2)
Na de wondervolle verandering van haar hart, scheen het Catharina toe, dat zij geheel anders was. âMijn vader,quot; zeide zij tot haren biechtvader, âziet gij niet, dat ik niet meer dezelfde beu? Ik ben volkomen veranderd. Och, zoo gij wist, hetgeen ik gevoel. Ja, indien men begreep, wat er in mij omgaat, zou geen hardnekkigheid of hoogmoed daaraan weerstand kunnen bieden. Al wat ik zeggen kan , beteekent niets in vergelijking met de werkelijkheid.quot; Toch poogde zij er een denkbeeld van te geven. âMijne ziel,quot; zeide zij, âis zoozeer dronken van blijdschap en geluk, dat ik verwonderd sta, hoe zij nog in mijn lichaam blijft. Hare vurigheid is zoo groot, dat het stoffelijk vuur daarbij niets beteekent; het schijnt mij toe, dat ik daarin een ver-frissching zoude vinden. Eu dat vuur verwekt in mij zulk
If
1
Samenspr. c. 26 cn c. 75. â 194 en .329 Brief.
2
) Snpplem. TH, 2.
179
een zuiverheid en nederigheid, dat ik meen tot den leeftijd van vier jaren terug te keeren. In die mate groeit de liefde tot den naaste in mij aan, dat mijn grootste vreugde zoude zijn voor iemand te sterven.quot; Zij zeide dit in het geheim aan haren biechtvader, maar verborg het zooveel mogelijk voor anderen. ')
Korten tijd daarna verschenen haar Jezus Christus, Maria, Zijne Moeder en de Heilige Maria Magdalena om haar te troosten en te versterken. De Heer zeide tot haar: âWat wilt gij, Mijnen wil of den uwen?quot; Catharina begon te weenen en antwoordde ootmoedig; â Heer, Gij weet, wat ik wil; Gij weet, dat ik geen anderen wil heb dan den Uwen, en dat Uw hart mijn hart is.quot; Zij dacht nu, hoe Maria Magdalena zich geheel aan den Zaligmaker had geschonken, toen zij Zijne voeden met hare tranen besproeide. Daar zij de zoetheid en de liefde gevoelde, welke die Heilige toen smaakte,, bleven hare oogen op deze gevestigd. De Heer zeide tot haar: âMijne welbeminde dochter, zie, Ik geef u Maria Magdalena tot moeder om u bij te staan. Gij kunt u met vertrouwen tot haar wenden; Ik draag haar bijzonder de zorg voor u op.quot; Catharina dankte haren Bruidegom en beval zich vurig aan Maria Magdalena aan; zij smeekte nederig tot haar, dat zij voor hare zaligheid zoude waken, daar Gods Zoon haar aan hare bescherming had toevertrouwd. Van dezen tijd af koesterde zij een teedere godsvrucht voor Maria Magdalena en noemde haar altijd hare moeder. 1)
Catharina had dan het Hart van haren goddelijken Zaligmaker ontvangen, doch haar eigen hart was weggenomen. Deze zinnebeeldige handeling beteekende, dat haar de volmaakte liefde ingestort was. Immers zij beminde niets anders dan wat God beminde, zij wilde niets anders dan wat God wilde. Hierin bestaat de volmaakte liefde, gelijk Catharina hetzelve in hare zamenspraken verklaart:
â Leer, dat de zaligheid van Mijne dienaren en hun volmaaktheid alleen hierin bestaan, dat zij enkel Mijnen wil doen en hem alleen volbrengen, dat zij niemand dan Mij
1
) Ibiflom.
180
dienen, dat zij niemand dan Mij eeren, dat zij niets dan Mij zoeken al de oogenblikken van hun leven. Hoe meer zij zich daarop met ijver zullen toeleggen, hoe meer zij tot de volmaaktheid naderen, want des te meer verbinden zij zich met Mij, die de hoogste volmaaktheid hen, door teedere en sterke handen, des te meer hechten zij zich aan Mij vast.
Wat Ik u in deze weinige woorden zeg, zult gij duidelijker begrijpen, zoo gij Christus beschouwt, in wien Ik Mijn welbehagen gesteld heb. Hij heeft zich onder de gedaante van een slaaf vernietigd en Hij heeft zich met den schijn der zonde bekleed. Gij waart in dikke duisternissen gedompeld, gij waart van het pad der waarheid verdoold; Hij heeft u met den glans Zijner klaarheid verlicht en u door Zijn woord en Zijn voorbeeld op den rechten weg teruggevoerd. Hij is gehoorzaam geweest tot den dood, en deze standvastige gehoorzaamheid leert u, dat uwe zaligheid afhangt van het vaste voornemen alleen Mijnen wil te doen.
Wie het leven eu de leer van Mijnen Zoon zorgvuldig zal overwegen, zal duidelijk zien, dat de rechtvaardigheid en de volmaaktheid van den mensch enkel in een voortdurende en getrouwe gehoorzaamheid aan Mijnen wil bestaan. Dat heeft uw Hoofd zoo dikwijls herhaald. Heeft Hij niet gezegd; Niet hij, die roept: Heere, Heere! zal ingaan in het rijk der hemelen, maar hij, die den wil van Mijnen Vader doet. (Math. VII, 21).
Wilt gij dan het voorbeeld van uwen Zaligmaker navolgen en Mijnen wil, die alle goed behelst, vervullen, dan moet gij in alles aan uwen wil verzaken, uwen wil verachten en verloochenen. Hoe meer gij uzelven zult afsterven, hoe meer gij, wat het uwe is, zult verwerpen , hoe meer Ik u, wat het Mijne is, in overvloed zal geven.quot; ')
Het schijnt, dat Catharina de geheele maand Augustus van dit jaar in den staat van geestverrukking heeft doorgebracht. a)
Op den vooravond van St. Dominicus' dag bad zij in de kerk. Pater Bartholomeus van Siena kwam er toevallig.
!) Verhandel, v. cl. Volmaaktli. 9â14. 2) Proeoss. 1330.
181
Hij was de vriend van Catharina's biechtvader. Zij stelde veel vertrouwen in hem en biechtte bij hem, wanneer haar biechtvader alwezig was. Zij hoorde hem komen meer met den geest dan met het lichaam. Terstond stond zij op en zeide hem, dat zij hem iets moest mededeelcn. Zij trokken zich in een hoek der kerk terug. Catharina verhaalde hem nu, wat God haar over Sint Dominions geopenbaard had. âOp dit oogenblik,quot; zeide zij, âzie ik Sint Dominicus duidelijker en beter dan ik u zie. Hij staat veel waarachtiger vóór mij.quot; Terwijl zij nog sprak, ging haar broeder Bar-tholomeus voorbij. Dit trok een oogenblik Catharina's aandacht. Zij wierp een vluchtigcn blik op hem en hernam onmiddelijk hare vroegere houding. Eensklaps evenwel verhinderden haar tranen en verzuchtingen te spreken. De Pater wachtte een wijle, maar zij bleef snikken en weenen. Eindelijk kon zij met moeite deze woorden uitbrengen; âHelaas, ellendige, wie zal mijne boosheden wreken? Wie zal mij voor zoo groot een zonde straffen?quot; De Pater vroeg haar, welke zonde zij dan bedreven had. âHebt gij niet gezien,quot; hernam zij , â hoe schuldig ik ben, daar ik op het oogenblik, dat God mij Zijne wonderen toonde, hoofd en oogen heb afgewend om de voorbijgangers te zien?quot; âMaar gij hebt slechts even gekeken,quot; zeide de Pater, âik heb het zelfs niet bemerkt.quot; âZoo gij wist,quot; antwoordde zij, âwelke verwijten de Heilige Maagd mij daarover gedaan heeft, zoudt gij mijn zonde met mij beweenen.quot; Zij sprak niet verder van het visioen, biechtte en sloot zich op in hare cel. De H. Paulus verscheen haar en berispte haar gestreng over den tijd, dien zij verkwist had door het hoofd om te draaien. Later bekende zij , dat zij liever voor de gansche wereld met schaamte overdekt zou zijn geworden dan de schande te ondervinden, die het verwijt van den Apostel haar veroorzaakt had; ja, zij ware van beschaamdheid gestorven, indien zij niet voortdurend, terwijl de Apostel tot haar sprak, een sneeuwwit en zachtmoedig lam had aanschouwd. âVerbeeld u,'' zeide zij tot haren biechtvader, âwat de verwijten van Jezus Christus in het laatste oordeel zullen zijn, wanneer het verwijt van Zijn Apostel mij met zulk een schaamte overdekt heeft.quot; Deze onvolmaaktheid, die God toeliet, maakte
182
haar ootmoediger en voorzichtiger in het bewaren der genaden,
die zij ontving. :)
Bij deze gelegenheid zag Catharina God den Vader, toen Hij Zijnen Zoon, even oud als Hij, uit Zijnen mond voortbracht, gelijk deze was, toen Hij de menschelijke natuur aannam. Terwijl zij Hem beschouwde, zag zij den Heiligen Vader Dominicus, schitterend van licht, uit de borst van den hemelschen Vader voortkomen, en zij hoorde een stem, die zeide; âMijne welbeminde dochter, Ik heb twee zonen voortgebracht, den eenen van nature, den anderen door aanneming.quot; Catharina verwonderde zich, dat een heilige in zekeren zin met Jezus Christus werd gelijk gesteld. Nu ging God de Vader voort; âMijn Zoon, van nature uit alle eeuwigheid voortgebracht, heeft mij , nadat Hij de menschelijke natuur had aangenomen , in alles volkomen gehoorzaamd. Dominicus, Mijn zoon door aanneming heeft in alles van zijn geboorte af tot het laatste oogenblik van zijn leven Mijnen wil vervuld. Nooit heeft hij een Mijner geboden overtreden, nooit heeft hij de zuiverheid van zijne ziel of zijn lichaam geschonden; altijd heeft hij de genade des doopsels, waardoor hij herboren was, bewaard. Mijn Zoon van nature, die het Eeuwig Woord uit Mijnen mond is, heeftin het openbaar aan de wereld gepredikt, wat Ik Hem geboden had te zeggen, en Hij heeft voor de waarheid getuigenis afgelegd, gelijk Hij het zelf aan Pilatus gezegd heeft. Mijn aangenomen zoon Dominicus heeft ook de waarheid Mijner woorden aan de wereld verkondigd; hij heeft tot de ketters en tot de Katholieken gesproken niet alleen in persoon, maar ook door anderen. Zijne prediking duurt in zijne opvolgers voort; hij predikt nog en zal altijd prediken. Mijn Zoon van nature heeft Zijn leerlingen uitgezonden, Mijn zoon door aanneming zijn religieusen; mijn Zoon van nature is Mijn woord. Mijn zoon door aanneming is de heraut, de bedienaar van Mijn woord. Daarom heb ik de kennis en de getrouwe beoefening van Mijn woorden vooral aan hem en aan zijn kloosterlingen geschonken. Mijn Zoon van nature heeft alles gedaan om door Zijn onderrichtingen en Zijn
') Legend. II, 6,
183
voorbeelden het heil der zielen te bewerken; Dominicus, Mijn zoon door aanneming, heeft al zijn krachten ingespannen om de zielen aan do zonde en do dwaling te ontrukken, liet zieleheil was zijn hoofddoel bij de stichting en den opbouw zijner Orde. Ik heb hem ook met Mijnen Zoon van nature vergeleken, wiens leven hij nagevolgd heeft. Gij ziet, dat zijn lichaam zelfs met het heilig Lichaam van Mijn Zoon overeenkomt.quot; ')
Op het feest van Maria's Opneming ten hemel was Catharina ziek. Zij kon het bed niet verlaten. Het was toch een troost voor haar, dit zij do muren van de kathedraal, aan de Moeder Gods toegewijd, uit het venster van hare kamer kon zien. Terwijl zij in den geest aan de plechtigheden der kerk doel nam, hoorde zij de feestgezangen even duidelijk, alsof zij in de kerk tegenwoordig geweest was. Op het oogenblik, dat de priester in do praefatie de woorden zong: Et Tc in Assumptione Bealac Mariac, etc., aanschouwde zij de allerheiligste Maagd en voerde een zoet gesprek met haar.
Haar gezellinnen hoorden, hoe zij in zich zelve zeide; ,,Zeer zoete, zeer beminnelijke jongeling. Zoon van God.quot; Somtijds voegde zij er bij: en van de gelukzalige Maagd Maria. Haar hemelsche Bruidegom bezocht haar. Catharina, van liefdevuur blakend, zeide tot Hem: âO mijn welbeminde Meester, waarom berooft Gij mij altijd van Uw omhelzingen ter wille van dit ellendige lichaam? Helaas, in dit treurig leven kan mij niets behagen; ik zoek niemand dan U; want zoo ik iets bemin, dan is het altijd om U. Ik bezweer U, laat dit ellendige lichaam geen hinderpaal voor mijn geluk meer zijn. O beste der Meesters, verlos mijne ziel uit hare gevangenis en bevrijd mij van dit lichaam des doods.quot; De Heer antwoordde op deze woorden, die door snikken onderbroken waren: âWelbeminde dochter, toen Ik onder de menschcn rondwandelde, vervulde ik niet Mijn wil, maar dien van Mijnen Vader; Mijn leerlingen hebben dit getuigd. Ik had een groot verlangen met hen het Paaschlam te eten; toch heb Ik het oogenblik, door Mijnen vader vastgesteld, met geduld afgewacht. Dus moet ook gij, ondanks do vurige
') Legend. II, 6.
184
begeerte om u volkomen met Mij te vereenigen, met onderwerping Mijn uur afwachten.quot; Catharina antwoordde; âDaar Gij er niet in toestemt, geschiede Uw wil. Maar gewaardig U, ik bezweer U, een eenvoudige bede te verhooren. Hoe lang ook de duur van mijn leven is, die Gij bepaald hebt, verleen mij, dat ik in al de smarten deel, die Gij tot aan U wen dood verduurd hebt. Kan ik U thans niet toebehooren in den hemel, laat mij ten minste met Uw lijden vereenigd zijn op de aarde.quot; ')
God stond haar bede toe. Wat zij Hom gevraagd had, werd haar rijkelijk geschonken. Meer en meer begon zij in haar ziel en in haar lichaam al de smarten te gevoelen, die Jezus Christus gedurende Zijn leven heeft geleden. Dikwijls onderhield zij zich met Raymundus van Capua over het lijden van den Zaligmaker en verzekerde hem, dat Hij sedeit het oogenblik Zijner ontvangenis altijd het kruis in Zijn ziel had gedragen, omdat Hij van verlangen naar de zaligheid der menschen brandde. âHet is zeker,quot; zoo zeide zij, âdat Jezus Christus, de Middelaar tusschen God en de menschen, sedert het eerste oogenblik van Zijn ontvangenis de volheid dei-genade, der wijsheid en der liefde bezat; Hij kon daarin niet toenemen, omdat Hij sedert het begin volmaakt was. Hij beminde God en den naaste volkomen; Hij zag, hoe God van Zijn eer en do naaste van ziju einddoel beroofd was. Hij moest wreedaardig lijden tot Hij door dat lijden do eer van God en het geluk van den naaste hersteld had. En die kwelling der begeerte is zeer groot; wie het ondervonden hebben, weten het; dit is zeker het zwaarste kruis. Daarom zeide Hij gedurende het laatste Avondmaal tot Zijn leor-leerlingen; âMet verlangen heb Ik verlangd.quot; (Luc. 21, 15).
De smarten, door den Zoon Gods in Zijn lichaam geledon, zeide zij, waren voldoende om ieder ander duizendmaal don dood te berokkenen. De liefde des Zaligmakers was oneindig; de pijnen, welke de liefde Hem deed verdragon, waren ook oneindig en overtroffen ver al degene, welke de natuur en de boosheid der menschen Hem konden veroorzaken. De doornen van Ziju kroon drongen tot do hersens in hot hoofd
') Legend. II, fi.
185
door; al de ledematen waren ontwricht; de Schriftuur was vervuld, want men kon al Zijn beenderen tellen. (Ps. 21, 18). En toch was Zijn liefde zoo groot, dat Hij die smarten niet alleen verdroeg, maar zich nog verschrikkelijker pijnen berokkende om zich volmaakter aan ons te openbaren. Ja , dat was een der voornaamste oorzaken van Zijn lijden: Hij wilde ons de onmetelijkheid der liefde toonen, welke Hij voor ons koestert, en Hij kon het op geen treffender wijze doen. De liefde, niet de nagelen, hechtten Hem aan het kruis; de liefde, niet de menschen zegevierde. Hoe zouden zij de overhand gehad hebben, daar Hij hen met een enkel woord ter aarde had neergeworpen,? ')
Deze en andere overwegingen schijnen Catharina in de eerste dagen na Maria's Hemelvaart bezig gehouden te hebben. Op den 18quot; Augustus was zij weder in staat de kerk te bezoeken. Zij communiceerde. Toen de priester zeide; Heer, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt, hoorde zij een stem, die antwoordde: âIk ben waardig om in n te komen.quot; Het scheen haar toe, dat hare ziel in Goden God in hare ziel was, gelijk de visch in het water door het water doordrongen wordt. Zij was in baren Schepper verslonden. Nauwelijks kon zij naar haar cel terugkeeren. Zij legde zich neder op de planken van hare legerstede. Langen tijd bleef zij onbewegelijk. Haar lichaam verhief zich vervolgens omhoog en bleef zonder ondersteuning in de lucht zweven. Drie personen waren hiervan getuigen. Eindelijk daalde haar lichaam neder. Met zachte stem fluisterde zij zoete woorden. Hare gezellinnen konden de tranen niet weerhouden. Zij bad voor verscheidene personen en noemde er eenigen, onder anderen haren biechtvader. Deze bevond zich in de kerk der Predikheeren en dacht aan niets. Eensklaps bespeurde hij een wonderbare verandering in de ziel en gevoelde een buitengewone vurigheid, die hij nooit ondervonden had. Middelerwijl kwam een der gezellinnen van Catharina toevallig bij hem en zeide: âMijn vader, op dat en dat uur heeft Catharina veel voor u gebeden.quot; Nu begreep hij, waarom hij toen zulk een bijzondere godsvrucht had gevoeld. Hij
') I^egond. II. 6.
186
vernam, dat Catharina in haar gebed voor hem en voor anderen de verzekering van hun eeuwige zaligheid aan God gevraagd had. Zij had hare handen uitgestrekt en gezegd; âBeloof mij, dat Gij het zult toestaan.quot; Dan riep zij zuchtend uit; âGeloofd zij Onze Heer Jezus Christus!quot; Dat placht zij te zeggen, wanneer haar smarten het hevigst waren. Pater Thomas della Fonte bezocht haar en vroeg haar, dat zij het geheele visioen zoude verhalen. Zij was genoodzaakt te gehoorzamen. â Toen ik met aandrang om uwe eeuwige zaligheid vroeg,quot; zoo voegde zij er bij, âheeft God het mij beloofd. Ik twijfelde niet aan Zijn belofte, doch ik wilde een aandenken er van hebben. Daarom zeide ik tot Hem; ,, Heer, geef mij een teeken, dat Gij het doen zult. ' En Hij antwoordde mij; âStrek uwe hand naar mij uit.quot; Ik strekte de hand uit. Hij nam een nagel, zette de punt in het midden van mijn hand en drukte er sterk op. Mijn hand scheen doorboord te zijn. Ik gevoelde dezelfde smart, alsof men dien nagel met hamerslagen er in gedreven had. Door de genade van God heb ik nu Zijn heilige wondteekenen in mijn rechter hand; niemand ziet het, maar ik voel het wel en lijd er altijd door.quot; ')
Catharina zeide, dat zij een gedeelte van Jezus' smarten in haar lichaam geleden had, maar dat het onmogelijk was ze alle te verduren. De grootste foltering, die Jezus Christus aan het kruis doorstond, was de ontwrichting Zijner borst-beenderen. Zij meende dit, omdat al de andere pijnen, die Hij verduurde, voorbijgingen, maar deze bleven aanhouden. De pijnen in de zijde en in het hoofd, waardoor Hij iederen dag geplaagd werd, waren hevig, doch de pijnen in de borst overtroffen ze verre. Zij leed verscheidene dagen. Haar lichaamskrachten verminderden, maar het vuur barer liefde nam toe. Haar hart kon aan dien brand niet weerstaan; het scheurde letterlijk van boven tot beneden open; de ziel maakte zich los van de banden, die haar met het lichaam vereenigden. 1)
Het was op een Zondag, 's namiddags omstreeks drie uur.
1
) Legend, II, G.
187
De tijding verspreidde zich, dat Catharina op sterven lag. Vele Paters en een menigte andere personen snelden naar haar huis. Ook Pater Thomas de la Ponte verscheen er. vergezeld van Pater Thomas Caffarini. Zij vonden de Heilige oogenschijnlijk zieltogend. Alessia, Catharina Ghetti en eenige andere zusters stonden bij hare legerstede. Weenend begonnen zij de gebeden der stervenden. Later kwamen nog Pater Bartholomaeus Montucci, een leekebroeder, Johannes geheeten, en Pater Bartholomaeus Dominicus. Niet alleen het vertrek van Catharina, maar ook de straat was met menschen gevuld. Catharina gaf den geest. Allen begonnen luide te weenen. De droefheid van Broeder Johannes was zoo groot, dat er een ader in zijn borst sprong. Pater Thomas, overtuigd van Catharina's heiligheid, liet hem hare hand nemen en op de borst leggen. Terstond was hij genezen. Nu begonnen de geburen de wanhopige moeder te troosten. ') Na vier uren echter sloeg Catharina met een zucht de oogen op en zag verwonderd om zich heen. Zij leefde inderdaad. Pater Raymundus van Capua vroeg haar later hem naar waarheid de toedracht van dit feit te verhalen. Zij barstte uit in tranen en antwoordde hem; âMijn Vader, zoudt gij een ziel niet beklagen, die uit een donkeren kerker bevrijd is, maar opnieuw in de duisternis wordt geworpen, nadat zij het heerlijke licht heeft aanschouwd? Dat ongeluk is mij overkomen; de Voorzienigheid heeft het om mijne zonden gewild.quot; âIs dan uwe ziel werkelijk uit het lichaam gescheiden?quot; hernam Pater Raymundus. âJa,quot; antwoordde zij. âHet vuur der goddelijke liefde was zoo groot, het verlangen om mij met mijnen Bruidegom te vereenigen, zoo geweldig, dat geen hart, was het ook van steen of ijzer geweest, daaraan weerstand had kunnen bieden; niets was sterk genoeg om zulk een kracht te overwinnen. Ja, wees er zeker van, het hart in dit zwakke lichaam is door de liefde gebroken; nu nog meen ik te voelen, hoe het verdeeld werd. Bijgevolg heeft mijn ziel het lichaam verlaten. Ik heb de geheimen Gods gezien, die men op aarde onmogelijk kan uitdrukken, want het geheugen is te zwak en de taal
') Legend. II, 6.
188
te arm om 5!ulke verhevenheden te schilderen. Men zou altijd slijk voor goud geven. Hoor ik over dien toestand spreken, dan gevoel ik terstond een hevige smart. Ik heb slechts tranen en verzuchtingen om mijne droefheid uit te drukken.quot; ')
âMijne moeder,quot; hernam Raymundus van Capua, âik bezweer u, verberg dit geheim niet voor mij , maar verhaal mij deze buitengewone gebeurtenis geheel en al.quot; â Juist had ik,quot; zeide zij, âvele geestelijke en lichamelijke visioenen gehad; ik had onuitsprekelijke vertroostingen van den Heer ontvangen; ik moest het bed houden, zoozeer had het geweld der zuivere liefde mij verzwakt. Ik bad intusschen zonder ophouden en ik vroeg aan God, dat Hij mij uit dit lichaam des doods zoude bevrijden om mij met Hem inniger te kunnen vereenigen. Ik verkreeg deze genade niet, maar ik mocht ten minste, zooveel ik kon, aan de smarten van Zijn lijden deelnemen. Dit deelgenootschap deed mij de liefde van mijn Schepper voor mij duidelijker en volmaakter kennen; ik kwijnde weg; mijn ziel begeerde niets anders dan het lichaam te verlaten, zoozeer ontbrandde mijne liefde. Wat zal ik u zeggen? Mijn Verlosser wakkerde dagelijks het vuur, dat Hij ontstoken had, meer aan; mijn hart van vleesch bezweek; de liefde was sterk als de dood. Ja, mijn hart brak, mijn ziel wierp hare kluisters af; helaas, het was slechts van korten duur.quot; âMijne moeder,quot; vroeg Raymundus van Capua, âhoe lang is uw ziel buiten uw lichaam gebleven?quot; Zij antwoordde hem; â De lieden , die van mijnen dood getuigen waren, zeggen, dat ik eerst na vier uren tot mij zelve kwam. Vele buren kwamen mijn moeder en mijn familie troosten; maar mijn ziel was in de eeuwigheid en ik dacht aan den tijd niet meer.quot; âWat hebt gij toen gezien, mijne Moeder?quot; hernam Raymundus. âWaarom is uwe ziel in het lichaam teruggekeerd?quot; Zij antwoordde: âWeet mijn Vader, dat mijn ziel zich in een wereld bevond, die voor ons onbekend is, dat zij de glorie der rechtvaardigen en de straffen der zondaars gezien en begrepen heeft. Maar nog eens, het geheugen schiet te kort en de woorden zijn onvol-
') Logend., II, 6.
189
doende om zulke dingen uit te drukken. Noohthans zal ik u mededeelen, wat ik kan. Ik heb liet goddelijk Wezen gezien; daarom lijd ik zooveel, nu ik aan mijn lichaam blijf vastgeketend. Werd ik niet door de liefde tot God en de liefde tot den evenmenseh teruggehouden , voor wien ik tot het leven teruggeroepen ben, dan zou ik van droefheid sterven. Een groote troost is het voor mij te lijden, want ik weet, dat ik door te lijden God volmaakter zal aanschouwen. Daarom zijn de wederwaardigheden geen smart voor mijn ziel, maar een genot. Ik heb de folteringen der hel en die van het vagevuur gezien: geen woorden kunnen ze weergeven. Zoo wij , arme menschen, er het minste begrip van hadden, zouden wij liever duizendmaal den dood sterven dan de geringste pijn éen enkelen dag lijden. ') Mijn hemelsche Bruidegom sprak tot mij: Gij ziet, welke glorie zij, die mij beleedigen, verliezen, en welke kwellingen zij verduren. Keer dus terug tot het leven en toon hun den dwaalweg, waarop zij afdwalen, en het gevaar, dat hun dreigt. Het heil van vele zielen eischt dit; gij zult niet langer leven, gelijk gij tot heden geleefd hebt; voortaan moet gij uw cel verlaten en de stad doorkruisen om zielen te redden. Ik zal altijd met u zijn; Ik zal u geleiden en terugvoeren; Ik zal u de eer van Mijn Naam toevertrouwen; gij zult aan de kleinen en aan de grooten, aan leeken, aan priesters en religieusen Mijne leer onderwijzen. Ik zal u een wijsheid en een zeggingskracht geven, waaraan niemand weerstaan kan. Ik zal u voor de Opperpriesters en voor hen, die de Kerk en de volkeren besturen, doen verschijnen om daardoor den hoogmoed der sterken te beschamen.
Terwijl God tot mijne ziel sprak, was ik eensklaps met mijn lichaam weder vereenigd, zonder dat ik de wijze kon verklaren. Gedurende drie dagen en drie nachten stortte ik vloeden van tranen, zulk een hevige smart gevoelde ik. Het is te verwonderen, dat mijn hart niet opnieuw breekt, wanneer ik aan de glorie denk, die ik toen bezat. Het heil van den naaste is er de oorzaak van. Vurig bemin ik de zielen, wier bekeering God aan mij heeft ojDgedragen, omdat
') Legend. II . 6.
190
zij mij een duren prijs gekost hebben. Maar zij zullen ook mijn glorie, mijn kroon en mijn vreugde zijn. ')
De gedachtenis aan deze wonderbare gunsten wordt in de kerk der Predikheeren te Siena door vele gedenkteekenen levendig gehouden. Een plaat aan de zuil, waarop de kapel della Volte steunt, duidt de plaats aan, waar de geheimzinnige verwisseling der harten geschiedde, een andere de plaats, waartegen het hoofd van Catharina gedurende het gebed leunde. Het plaveisel der kapel is met een bodem overdekt; door een opening kan men de steenen zien, die Catharina's voet zoo dikwijls betreden heeft. Op alle muren vindt men beelden en fresco's, waarin de eerste kunstenaars van Siena de geheimzinnige feiten uit het leven van Catharina in he-melsche kleuren geschilderd hebben.
Biedt de Kerkelijke geschiedenis ons nog andere voorbeelden van zulk een volkomen gelijkvormigheid tusschen het schepsel en zijn hemelschen Bruidegom aan? De H. Franciscus van Assisi draagt de wondteekenen des Zaligmakers. Een serafijn doorboort met een vlammende schicht het hart der H. Theresia. De Gelukzalige Margaretha Maria Alacoque ontvangt de ver-trouwelijkste mededeeling van Jezus' aanbiddelijk Hart. Catharina van Siena vereenigt al deze bovennatuurlijke gunsten in zich; de doornenkroon, de wondteekenen , het deelgenootschap aan Christus' lijden, verwisseling van haar hart met dat van Jezus, de dood, door de kracht der liefde veroorzaakt, de verrijzenis voor de rechtvaardigmaking van velen.
^ Legend., II, G.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. Hoe Catharina hare ouders, bloedverwanten en Trienden liefhad.
quot;Witi den Heer vreest, eert zijn onders en dient him als zijnen gebieders, die hem voortgebracht hebben.
Ecclesiastic. 3.
De nederigheid is de voedster, die de liefde te hnlp komt en die de deugd van gehoorzaamheid met hare nidk onderhoudt. Samenspr. c. 54.
1370.
\M)atharina werd door God met wonderen en visioenen (^â¢voortdurend begunstigd. Hoewel in de wereld, was zij niet van de wereld. Haar wandel was in den hemel, haar leven met Christus in God verborgen. Toch was zij niet menschenschuw, niet onverdraagzaam in den omgang met anderen, niet zwaarmoedig, niet ongeschikt of onwillig om de plichten van haren staat te vervullen. Integendeel, zij muntte uit door arbeidzaamheid, opgeruimdheid, inschikkelijkheid , vriendelijkheid, dienstvaardigheid en liefde. Die liefde geloofde alles, hoopte alles, verduurde alles, verblijdde zich over het goed van anderen, dacht geen kwaad, was geduldig, oprecht, rechtvaardig en gaf iedereen, wat hem toekwam. Zij erkende in alles de waarheid, wilde de waarheid, handelde overeenkomstig de waarheid. De Heilige bezat de kenmerken van echte deugd: onderdanigheid aan het wettige gezag, liefde voor anderen, arbeid en plichtsbetrachting. Haar godsvrucht bestond niet alleen in gebeden, maar vooral in daden.
Altijd zag zij er vrolijk en opgeruimd uit. In hare woor-
192
den was zij voorzichtig en bescheiden, nooit gejaagd of driftig, altijd vriendelijk en spraakzaam, schoon ziekte of wederwaardigheden haar neerdrukten. Op zekeren dag zeide zij over hare wonden: âDit zijn mijne bloemen en rozen.quot; In den voorspoed herhaalde zij dikwijls; â Zulke gaven begeer ik niet voor mijn familie, maar ik geef aan het eeuwig loon des hemels de voorkeur.quot; Menigmaal schonk zij aan Pater Caf-farini een bloemruiker. Deze placht zij voor hare vrienden te maken. Haren biechtvader, Pater Thomas della Fonte, gaf zij wel eens brood, dat zij zelve bereid had. Zij zeide dan: â Ik houd het niet voor gering, wanneer gij dit brood eet.quot; Haar geesel, uit koorden gevlochten en van ijzeren punten voorzien, zag er uit, alsof hij in het bloed gedoopt en toen gedroogd was. Een hemelsche geur ging er van haar uit. Men bemerkte dien reeds, wanneer men hare cel naderde. Dagen lang schonk die geur een gevoel van onbeschrijfelijken troost en verwekte bij velen een diepe vermorzeling des harten. ')
Zoo leefde Catharina in den huiselijken kring. Haar vader een welgesteld burger, was trotsch op het groot getal kinderen en kleinkinderen, die zijn haard omgaven en hem in zijn zaken bijstonden. Lapa, een bedrijvige huisvrouw, hield van orde en zindelijkheid. Zij was nog dezelfde van vroeger en zweefde nog altijd tusschen een overdreven teederheid voor hare lievelingsdochter en een soort van vertwijfeling over de werken van barmhartigheid en boetvaardigheid, die zij verrichtte. Van Catharina's broeders weten wij weinig. Ben van hen, een wilde en onbezonnen knaap, verdroot het werken. Hij ging zijn geluk als soldaat beproeven. In het eerste treffen met den vijand werd hij zwaar gewond en als dood op het slagveld achtergelaten. Dit vernam Catharina door een openbaring op het oogenblik, dat hij viel. Zij weende bitter. Immers zij vreesde, dat het met zijn ziel niet te best gesteld was. Evenwel verzweeg zij alles voor hare moeder en nam den toevlucht tot het gebed. Men bracht den gewonde soldaat naar het huis zijner ouders. Moeder en zuster verpleegden hem zorgvuldig. Hij werd weder gezond. Eens
') Legend, pvssim.
192
lp
â
bad Catharina, bezorgd voor een barer broeders, in do kerk voor zijne bekeering en zeidc tot God: âO Heer, ik sta niet op, voor Gij mij deze gunst verleend hebt.quot; Zij ging naar huis en vond haren broeder weenend over zijne zonden. Zij trooste hem en bewoog hem terstond te biechten. Eén lid der familie was vooral aan Catharina gehecht; Lisa, hare zwagerin, de vertrouweling van hare kindsheid en hare vriendin en gezellin op rijperen leeftijd. Lisa's kinderen beminde Catharina met groote teederheid. Immers zij had een buitengewone voorliefde voor kinderen en, indien zij hare neiging gevolgd had, zoude zij Lisa's kinderen altijd bij zich gehouden hebben. âZoo het niet onvoegzaam was,quot; zeide zij, âzou ik niet ophouden ze te liefkoozen.quot; De geboorte barer kinderen bracht Lisa dikwijls in levensgevaar. Tweemaal dankten moeder en kind hun behoud aan de gebeden van Catharina. Na den dood van haren echtgenoot trad Lisa in de Derde Orde van den H. Dominicus en bleef tot haren dood Catha-rina's onafscheidelijke gezellin.
Verscheidene Paters uit het klooster der Predikheeren te Siena verkeerden in den huiselijken kring van Jacobus Benincasa, Pater Thomas CafFarini, Pater Thomas della Fonte, Pater Bartbolomaeus Dominicus waren er jaren huisvrienden en welkome gasten. Toen deze laatste voor de eerste maal de kleine cel van Catharina betrad, trof hem de gestrengheid en de ingetogenheid , die er heerschten. Deur en vensters waren altijd gesloten. Dag en nacht brandde er een lamp voor het kruis, voor het beeld der Moeder Gods en voor die van andere Heiligen. Daar stond het bed van ruwe planken, waarop zij gedurende den dag zat; daar waren de treden van baksteenen, waarop haar hoofd rustte; daar zag men de uitgemergelde gestalte eener maagd, wier schoonheid zoo ver verschilde van aardsche schoonheid, dat men terstond een door de boetvaardigheid gezuiverd en vergeestelijkt wezen in haar herkende. âToen ik haar het eerst bezochtverhaalt Pater Bartbolomaeus, âwas zij nog jeugdig; haar gezicht was altijd kalm en blij. Ook ik was toen nog jong, maar in haar bijzijn gevoelde ik nooit die beschroomdheid , welke ik in de tegenwoordigheid van andere vrouwen van haren leeftijd zoude ondervonden hebben. Integendeel, alle zinne-
13
ill
s
w
mm
lil.; |H9H| ⢠; â
Btljfo i
Ifei' v
194
lijke neigingen werden meer en meer in mij uitgedoofd, naarmate ik langer met haar omging. Ik heb er velen gekend, zoowel leeken als geestelijken, die hetzelfde waargenomen hebben. Over haar geheele uiterlijk lag een waas van reinheid; zij seheen meer een engel dan een menschelijk wezen te zijn.quot; ')
Behalve deze vrienden en de huisgenooten hadden ook sommige Mantellaten toegang tot de cel der Heilige. Menigmaal vlochten zij bloemkransen met Catharina, te zamen lofliederen zingend. Zij placht dan met haar over goddelijke dingen te spreken. Spoedig echter brak zij het gesprek met een zucht af: âHet ware beter,quot; zeide zij, âte zwijgen dan over zulke dingen op die wijze te spreken. Het is even smakeloos als een schotel vleesch zonder zout.quot; Langzamerhand bezochten haar meer Paters en luisterden met bewondering naar hare woorden. Dikwijls vermaande zij hen trouwe zonen van den H. Dominicus te zijn, in de cel der zelfkennis te wonen , zielen te spijzen of over de zondaars te weenen. Door hare vermaningen, gebeden en voorbeelden bloeide de regeltucht in het Predikheerenklooster te Siena.
Nu en dan verliet Catharina de stad om buiten de heerlijke natuur en de frissche lucht te genieten. Zij schuwde volstrekt niet den omgang der meuschen, maar, brandend van zuivere naastenliefde, ging zij al weldoende rond. Vooral voor de armen koesterde zij een kinderlijke liefde.
Jacobus Benincasa, een eenvoudig en goedaardig man, had de deugd zijner dochter begrepen en was met teederheid en ontzag voor haar vervuld. Ieder der huisgenooten drukte hij op het hart haar nooit tegen te werken, maar haar in alles te laten begaan. De wederzij dsche liefde tusschen vader en dochter nam dagelijks toe. Zonder ophouden bad Catharina voor het welzijn van haren vader. Jacobus verblijdde zich over de heiligheid zijner dochter en hoopte door hare verdiensten genade bij God te bekomen.
Die genade verkreeg hij. Een zware ziekte overviel hein. Catharina vroeg haren hernelschen Bruidegom, dat Hij hem, dien zij zoo vurig liefhad, zoude genezen. Christus ant-
') Process. 1.314.
195
woordde haar, dat Jacobus zijn einde zeer nabij was. Nu ging zij tot haren vader en vond hem volkomen bereid deze wereld te verlaten. Zij dankte God van ganscher harte. ') Opnieuw vroeg zij aan God, dat Hij haren vader niet alleen zijn zonden vergeven, maar hem ook van de pijnen des vagevuurs ontslaan zoude. Zij ontving ten antwoord, dat de rechtvaardigheid hare rechten heeft, dat een ziel volkomen zuiver moet zijn om de glorie des hemels te bezitten. âUw vader,quot; zeide de Heer tot haar, âheeft in het huwelijk goed geleefd; hij heeft vele goede werken verricht; vooral prijs ik in hem zijn gedrag jegens u. Maar Mijn gerechtigheid eischt, dat zijn ziel door het vuur gaat om van alle aardsche vlekken gezuiverd te worden.quot; âO mijn beminnelijke Zaligmaker,quot; antwoordde Catharina, âhoe zal ik het denkbeeld verdragen kunnen, dat hij door die verterende vlammen gefolterd wordt, dien Gij mij tot vader gegeven hebt, die mij gevoed en verzorgd heeft, die gedurende gansch zijn leven zoo goed voor mij geweest is? Ik smeek Uwe oneindige goedheid, laat zijn ziel het lichaam niet verlaten, voor zij volkomen gezuiverd is. Kan ik deze gunst niet verwerven zonder aan Uwe gerechtigheid te voldoen, wreek het dan op mij; ik ben bereid voor mijn vader alle pijnen te lijden, die Uwe goedheid mij zal overzenden.quot; De Heer antwoordde haar: âOm wille van Uwe liefde voor Mij neem Ik uw voorstel aan. Ik scheld uwen vader iedere voldoening kwijt; maar zoolang gij leeft zult gij de pijnen verduren, die voor hem bestemd waren.quot; Vol vreugde riep Catharina uit; âIk dank U, Heer, Uw wil geschiede.quot; 1)
Catharina keerde bij het ziekbed van haren vader terug. Zijn laatste oogenblik naderde. Zij sprak hem moed in en gaf hem de verzekering van zijn eeuwige zaligheid. Op het oogenblik, dat zijn ziel naar het hemelsch vredehof opsteeg, werd Catharina door hevige pijnen in de zijde aangetast. Zij behield ze tot haren dood. Nooit had zij een oogenblik verkwikking. Zij riep uit: â God zij geloofd! Vader, ik zou wel in uwe plaats willen zijn.quot; Onder de uitvaart toonde
1
) Ibidem.
196
zij een ongeveinsde blijdschap, terwijl allen weenden. Zelve wilde zij haven vader gaan begraven. Zij troostte hare moeder en alle familieleden. Immers, zij was overtuigd, dat haar vader in den hemel was. Jacobus Benincasa verscheen dikwijls aan zijne dochter, bedankte haar voor het geluk, dat zij hem had verschaft, openbaarde haar veel verborgen dingen, waarschuwde haar tegen de strikken des duivels en beschermde haar tegen alle gevaren. ')
Jacobus stierf den 22 quot; Augustus 1358. Op den avond van dienzelfden dag verrichtte Catharina hare gebeden. Lapa had zich in den donkersten schuilhoek van haar huis verborgen om aan hare smart den vrijen loop te laten. Een arme man klopt aan de huisdeur om een aalmoes. Niemand hoort hem. Catharina wist echter alles en had geen rust voor Lapa aan haar belofte, dat voortaan geen arme meer onbevredigd van haar .drempel zoude heengaan, voldaan had. °)
Lapa werd weinig door de onzichtbare goederen des hemels bekoord. Zij schrikte voor den dood terug. Na het overlijden van haren echtgenoot, werd zij zelve bedenkelijk ziek. Catharina begon volgens gewoonte te bidden en smeekte den Heer hare moeder te helpen.
De lieer antwoordde haar, dat Lapa zalig zoude wezen, indien zij nu stierf, en dat zij vele beproevingen, die haar wachtten, zoude ontgaan. Catharina ging naar hare moeder en trachtte haar zoo zacht mogelijk voor te bereiden en zich geduldig aan Crods wil te onderwerpen, als Hij haar tot Zich riep. Maar Lapa huiverde bij de gedachte, dat zij de wereld zou moeten verlaten; zij bezwoer hare dochter, dat zij tot God om hare genezing bidden en haar geen woord meer van sterven zoude spreken. :')
Zulke gesteltenissen deden Catharina pijnlijk aan. Zij smeekte God, dat hare moeder niet zonder een volkomen onderwerping aan Zijnen wil zoude sterven. God willigde het verzoek Zijner bruid in. De ziekte van Lapa verergerde, doch do dood verscheen niet. God sprak eindelijk tot Catha-
') Ijcgcnd., II, 7. â s) Supplem. II, 5. 3) Legend., II, 8.
Supplem. I, 2.
197
rina: â Deel aan uwe moeder, die nu niet wil sterven, mede, dat er een dag zal komen, waarop zij naar den dood reikhalzend , maar vruchteloos zal uitzien.quot; Die voorzegging werd letterlijk vervuld. Lapa bereikte den hoogen ouderdom van bijna negentig jaren. Voortdurend ging zij gebakt ouder het kruis des lijdens. Het leven verdroot haar. Door burgeroorlogen verviel hare familie tot armoede. Eenige harer kinderen moesten hun geboortestad verlaten en te Florence een schuilplaats zoeken. Dikwijls bad zij nu om verkorting van haar lijden. Dan placht zij te zeggen; â God heeft mijn ziel aan mijn lichaam vastgeklonken; zij kan er niet van scheiden. â Hoeveel kinderen en kleinkinderen heb ik reeds verloren! Ik alleen sterf niet; ik moet de pijnen eu den dood van alle anderen dragen.quot; ')
Lapa dacht er niet meer aan om voor haar ziel te zorgen. Zij stierf zonder gebiecht te hebben. Hare dochter riep, in tranen wegsmeltend, uit: âAch, Heer mijn God, zijn dat de beloften, die Gij mij gedaan hebt, toen Gij mij verzekerd hebt, dat niemand der mijnen verloren zou gaan? Heeft Uwe barmhartigheid zich niet verbonden om mijne moeder niet van deze wereld weg te halen, voor zij er in toegestemd had? En nu is zij gestorven zonder de Sacramenten der Kerk ontvangen te hebben! In den naam van Uwe oneindige goedheid, duld niet, dat mijne verwachtingen aldus teleurgesteld worden. Ik zal U niet verlaten, voor Gij mij mijne moeder terug gegeven hebt.quot; Drie vrouwen van Siena, Catharina Getti, Angelina Vannini en Lisa, schoonzuster van Catharina, hoorden deze woorden. Zij zagen Lapa den geest geven. Zij raakten haar lichaam aan, maar liet gaf geen enkel teeken van leven. Catharina bad voortdurend. Haar ootmoedige beden drongen door de wolken. Eensklaps begint het lichaam van Lapa zich te bewegen. Het leven keert terug. Zij hervat haar gewone bezigheden. Dit wonder geschiedde in October 1370. 2)
Catharina vergat niet, dat hare moeder ietwat kittelig en ongeduldig was. Daarom richtte zij vier brieven aan haar,
') Legend., II, 8. '-) Legend. II, 8.
198
waarin zij haar tot geduld en onderworpenheid aanspoort.
âIk schrijf u,quot; zoo zegt zij, âin het kostbaar Bloed van Jezus Christus en verlang in u de ware dienstmaagd van den gekruisten Jezus te zien, bevestigd in het ware geduld; want zonder het geduld kunnen wij aan God niet behagen. Door het geduld toonen wij liet verlangen naar de eer van God en het heil der zielen ; deze deugd bewijst ook, dat do ziel met den beminnelijken wil van God versterkt is. Zij verblijdt zich over alles en is tevreden met alles, wat haar wedervaart. Het schepsel, dat met dit heerlijke gewaad omkleed is, bezit steeds den vrede en verlustigt zich er in voor de glorie en den lof van Gods naam te lijden; het schenkt zich zeiven en zijn kinderen, zijn goederen, zijn leven voor de eer van God weg. Ik wil, dat gij zoo handelt, teergeliefde moeder; offer uwen wil en uwe onwaardige, uw ellendige dochter op voor den dienst en de eer van God, voor de zaligheid der zielen met een waar en oprecht geduld, clan zal u niets
moeielijk schijnen. Ontdoe u van de zinnelijke eigenliefde____
Ik wil, dat gij met het vuur der goddelijke liefde ontvlamd wordt en altijd de eer van God en de zaligheid der zielen zoekt; anders zult gij altijd in lijden en kommer zijn en gij zult mij zeer bedroeven. Gij weet wel, dierbare moeder, dat uwe ellendige dochter voor geen ander doel op de wereld is;
daarvoor heeft de schepper mij bestemd____ Ik bid u, wees
niet boos op mij, als ik langer wegblijf, dan gij zoudt willen____ God geve u allen zijnen zoeten en eeuwigen zegen____
Alleen hij is een goede ridder, die de beproeving op het slagveld doorstaan heeft. Zoo moet uwe ziel beproefd worden in den strijd der wederwaardigheden; zij moet bewijzen van geduld geven, uit ongeduld niet achteruitzien, zich niet ergeren aan hetgeen God toelaat. Dan kan zij zich verheugen en het eeuwige leven in vrede en blijdschap verwachten ; dan zal zij rusten op het kruis en zich versterken door de
smarten en de smaadheden van den gekruisten Jezus____ Ik
bid u derhalve, zooveel ik weet en zooveel ik kan, beijver u om het te verwerven , opdat gij de vrucht van uw lijden niet verliest.quot; ')
') IOC). 107 ca ICSstc Brief.
199
Tengevolge van staatkundige woelingen te Siena hadden Catharina's broeders veel schade geleden. Hun leven zelfs liep gevaar. Op zekeren dag zochten de overwinnaars hen te dooden. Een vriend van hen kwam ademloos toegesneld en zeide: âEen groote bende van uwe vijanden zal terstond hier verschijnen om u gevangen te nemen. Gaat terstond met mij; ik zal u in de nabijzijnde kerk van den H. Antonius brengen; daar hebben reeds eenige uwer vrienden een schuilplaats gevonden.quot; Catharina, die aanwezig was, zeide tot den vriend des huizes: â In geen geval moeten zij naar St. Antonius gaan;, ik ben voor hen, die er reeds zijn, zeer bevreesd.quot; Nu sloeg zij baren mantel om en zeide tot hare broeders; â Gaat met mij mede en vreest niets.quot; Zij bracht hen midden door de vijanden behouden naar het St. Maria-hospitaal. De opeengepakte menigte groette haar eerbiedig. âBlijft hier drie dagen verborgen,quot; zeide zij, âdan kunt gij ongedeerd naar buis terugkeeren.quot; De uitkomst bewees hare woorden. Nooit meer evenwel won do familie Benincasa hare vroegere welvarendheid terug. In 1370 trokken drie broeders van de Heilige naar Florence, waar zij het burgerrecht verkregen. Doch ook daar schijnt de tegenspoed hen achtervolgd te hebben. Lisa begeleidde haren echtgenoot naar Florence, Hare scheiding van Catharina werd door beiden smartelijk gevoeld. Van hare kindsheid af was de vriendschap met hare zwagerin voor Catharina een zoete troost. Geen ziel kan oprechter en standvastiger beminnen dan die van het aardsche onthecht is. Immers zulk een liefde komt voort uit de genade en heeft God tot doel. Zij steunt dus niet op veranderlijke , maar onveranderlijke beweegredenen. Zulk een liefde bezat Catharina. Zij was boven alles vatbaar voor de heiligste en teederste gevoelens in den mensch. Weder-keerig werd zij bemind, omdat zij zelve liefhad en alles voor allen werd.
Wij bezitten nog vier brieven, die Catharina, door de liefde gedreven, aan hare broeders te Florence schreef, een aan allen te zatnen en drie aan den oudsten Benincasa. âDierbare Broeders in Christus, den zoeten Jezus,quot; zoo schrijft zij, âgedenkt do oneindige liefde, die onze barmhartige Zaligmaker gehad heeft door zich aan den dood over
200
te leveren, om ons het leven der genade te schenken. Ik bid ii, ik , Catharina, de onwaardige , de ootmoedige dienares, stelt toch uwe hoop op God en vertrouwt niet op dit sterfelijke leven, dat zoo spoedig verdwijnt. Ik bezweer u, als vrijgekochte slavin, richt krachtig al nwe verlangens, al uwe genegenheid tot Jezus Christus, die u vrijgekocht heeft. Zegt met den Heiligen Petrus: âHij heeft ons niet vrijgekocht met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar en kostbaar Bloed. (Joh. I, 18).
Toont, dat gij God liefhebt door altijd de geboden van God te beminnen en te onderhouden. Herinnert u het woord dat Jezus Christus zeide : Wie zich verootmoedigt zal verheven worden. Gij, Benincasa, die de oudste zijt, gij moet de minste van allen wezen. Gij, Bartholomaeus, gij moet u beneden den geringste stellen. Eu gij , Stephanus, ik bid u , wees onderworpen aan uwe broeders, dan zult gij gelukkig in de volmaakte liefde leven. ')
') 252. Brief'.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Catharina bekeert de zondaars eu drijft de duivelen uit.
quot;Wanneer gij mij iets zult vragen in Mijnen naain, zal ik liet doen. Joh. XIV, 14.
De duivel heeft de macht, die hij over ons had, verloren ____ liet Bloed van het vlekkeloos Lam heeft
ons versterkt en ons van zijn slavernij verlost.
272 Brief.
1371.
T
,, I ndion ik,quot; zegt Raymundus van Capua, alles wilde verfhalen, wat God door zijne getrouwe Bruid heeft uitgewerkt voor de bekeering der zondaren, den geestelijken voortgang der deugdzaraen, de aanmoediging der zwakken, de vertroosting der bedrukten, de vermaning der zielen, die zich in gevaar bevonden, dan zou ik lijvige boekdoelen moeten vullen.
Dikwijls heb ik duizenden mannen en vrouwen van de kruin der bergen en uit de omliggende streken van Siena zien toesnellen, alsof een geheimzinnige bazuin hen riep. Zij kwamen haar zien en aauhooren. Haar woord was soms vruchteloos, doch haar tegenwoordigheid was voldoende om te bekeeren en het levendigste berouw op te wekken. Allen beweenden hunne zonden en kwamen ze aan den priester belijden. Dit gebeurde niet eens of tweemaal, maar zeer dikwijls.quot; ')
Een adellijke familie te Siena beroemde zich vele groote mannen aan den staat en aan de Orde van Sint Dominicus geschonken te hebben. Het hoofd was Franciscus Tholomaei,
') Legend., II, 7.
echtgenoot van donna Onerabile, in de wandeling gewoonlijk Rabes geheeten. Zij hadden verscheidene zonen en dochters. Allen beminden de wereld en haar ijdelheden. Jacobus, de oudste, was bedorven, hoovaardig en woest. Nog jeugdig, had hij een dubbelen moord begaan. Iedereen vreesde hem om zijn wreedheid. Zijne twee zusters Ghinocca en Francisca, opgeblazen van ijdelheid, zonnen slechts op schoone kleederen, sieraden en reukwerken. De vrome moeder vreesde voor hare kinderen. Zij ging nu naar Catharina en smeekte haar, dat zij hare dochters tot betere gedachten zouden stemmen. Catharina volgde de moeder naar haar prachtig paleis. Daar ontmoet zij de beide zusters op het oogenblik, dat zij door blanketsel en zalven hun ijdelheid streelden. Catharina verheft haar hart tot God, spreekt enkele woorden tot de twee zusters en slaagt er terstond in ze te bekeeren. Zij wierpen hun zalven en reukwerken weg, sneden hun fraaie haarvlechten af, namen het kleed van Sint Dominicus aan en leidden een voorbeeldig leven van boetvaardigheid. ')
Terwijl deze bekeering geschiedde, was Jacobus Tholomaci op zijn buitengoed. Zoodra hij het vernam, snelde hij woedend naar do stad terug, braakte de verschrikkelijkste bedreigingen uit en zwoer, dat hij zijne zusters het blanke kleed van Sint Dominicus van het lichaam zoude scheuren. Rabes kende de driftigheid van haren zoon en vreesde, het ergste. Zij deelde alles aan Catharina mede. Deze zeide tot Pater Thomas: âZoek den jongeling op en spreek met hem, ik zal voor hem tot God bidden.quot;
Op verzoek van Rabes gingen Pater Thomas en Pater Bartholomaeus naar Jacobus. Uren spraken zij met hem, doch het mocht niet baten. Door bovennatuurlijke open-baring wist Catharina alles, wat er gesproken werd. Zij bad vertrouwvol voor de bekeering van Jacobus. Reeds wilden de twee Paters het paleis verlaten, toen de jongeling, door de genade getroffen, plotseling verklaarde, dat hij de keuze zijner zusters goedkeurde, ja, dat hij verlangde een rouwmoedige belijdenis zijner zonden af te loggen. Nog dienzelfden dag biechtte hij met een vermorzeld hart. Later was hij
') Legend., II. 7.
208
een voorbeeld van plichtsbetrachting en zachtmoedigheid. ')
De twee Paters deelde Catharina het gebeurde mede. Zij zeide; âVaders, wij moeten onzen goeden Meester zeer danken, die nooit het gebed Zijner dienaars versmaadt en die de wenschen vervult, welke Hij hun zelf ingeeft. ;)
Er woonde te Siena een berucht man, Nanni geheeten. Verscheidene personen droeg hij een doodelijken haat toe. Wel beproefde men herhaaldelijk hem over te halen om zich met zijn vijanden te verzoenen, maar huichelend antwoordde hij telkens, dat de gehecle zaak hem niets aanging. Catharina wilde hem zijn verkeerdheden onder het oog brengen. Doch hij vermeed haar zorgvuldig. Een Augustijner monnik. Broeder Willem van Engeland genaamd, wist hem te bewegen, dat hij Catharina ging bezoeken, al weigerde hij ook te doen , wat zij hem zoude zeggen. Hij klopt dan aan de woning van Catharina aan. Deze was juist afwezig. Doch haar biechtvader, Raymundus van Capua, bevond zich ten harent. Blijde snelde deze naar de deur en overreedde den bezoeker een weinig te wachten. Om hem den tijd te korten liet hij hem de cel van Catharina zien. Xa eenige oogenblikken zeide Nanni: â Ik heb aan Broeder Wilhelmus beloofd om deze vrouw te gaan hooren; zij is afwezig; mijn bezigheden verhinderen mij langer te blijven; wees zoo goed mij te verontschuldigen; ik heb te veel te doen.quot; :')
Raymundus wilde hem nog terughouden, doch hij zeide: âZie, gij zijt priester en kloosterling, en deze vrouw staat in een hoogen roep van heiligheid; ik mag u niet voorliegen. Ik beken u dus gulweg en ik verklaar u, dat ik niets wil doen van hetgeen gij wilt hebben; ik verstoor wel den vrede, maar men moet het vergeven. Gaf ik mijne toestemming, dan zou alles geschikt worden; maar ik weiger ze. Gij behoeft mij hierover niet verder te spreken, want dit baat toch niets. Het is reeds veel, dat ik u zoo openhartig gezegd heb, wat ik voor anderen verborgen houd. Kwel mij dus niet langer.quot; Juist kwam Catharina binnen. Zij groette den
') Legend. II, 7.
2) Ibidem.
3) Ibidem.
204
vreemdeling, ging zitten en vroeg hem de reden zijner komst. Nanni herhaalde alles, wat hij reeds gezegd had. Met zachtheid, maar ook met kracht schilderde Catharina hem het gevaar, waarin hij verkeerde; doch de ongelukkige wilde van niets hooren. De Heilige begon vnrig te bidden. Na eenige oogenblikken zeide de arme zondaar; âUit beleefdheid wil ik u niet alles weigeren. Ik heb vier vijandschappen; degene, die gij wilt, zal ik opofferen.quot; Reeds ging hij heen, toen hij eensklaps uitriep: âMijn God, welk een troost gevoel ik in mijn ziel enkel om een woord van vrede, dat ik heb uitgesproken. Heer, mijn God, welk een kracht trekt mij terug en overwint mij. Ik kan niet weggaan en ik kan niets weigeren. Wie werkt met zulk een macht op mij ? Ja, ik beken het, ik ben overwonnen.quot; Weenend viel hij op de knieën en riep snikkend uit; â Heilige maagd, ik ben bereid alles te doen, wat gij zult gebieden. Ik zie nu, dat de duivel mij geketend hield. Voortaan zal ik uwe raadgevingen volgen. Bestuur mijne ziel en verlos haar uit de handen van haren vijand.quot; ')
Op dit oogenblik keerde Catharina uit een geestvervoering tot zich zelve terug. âDierbare broeder,quot; zeide zij, âGods barmhartigheid heeft u eindelijk uw gevaar doen kennen. Ik heb tot u gesproken en gij hebt niet naar mij geluisterd; ik heb mij tot God gewend en Hij heeft mijn gebed niet versmaad. Doe dan boetvaardigheid over uwe zonden, opdat u geen ongeluk overkome.quot; Terstond biechtte Nanni vol berouw bij Raymundus van Capua. Catharina verzoende hem met al zijne vijanden.
Weinige dagen na zijne bekeering werd Nanni gevangen genomen en in den kerker geworpen. Reeds liep het gerucht, dat hij zou onthoofd worden. Raymundus van Capua ging naar de Heilige en bezwoer haar, dat zij Nanni uit den kerker zoude verlossen. Maar Catharina antwoordde: âWaarom zijt gij hierover bevreesd? Gij moest u integendeel verheugen. Ziet gij nu niet zonneklaar, dat God hem de eeuwige straffen heeft kwijtgescholden, daar Hij hem tijdelijke straffen over zendt? Het woord vau Christus wordt bewaarheid: de wereld
2) Legend. II , 7.
205
beminde hem, die haar toebehoorde, maar nu hij de wereld heeft verlaten, veracht de wereld hem. God had eeuwige folteringen voor hem bestemd, maar Zijn barmhartigheid is voldaan, als hij in deze wereld gekastijd wordt. Vrees niet, dat hij zal wanhopen. Hij , die hem aan de hel heeft onttrokken , zal hem ock aan dit gevaar ontrukken.quot; ')
Zooals zij voorspeld had, geschiedde hot. Nanni werd in vrijheid gesteld, maar moest groote sommen betalen. Catha-rina, opgetogen van blijdschap, zeide: âGod ontneemt hem het venijn, dat hem vergiftigde.quot; Hij schonk aan Catharina een prachtig landgoed, twee mijlen van Siena gelegen. Op zijn verlangen en met bijzondere volmacht van Paus Gre-gorius XI stichtte Catharina er het klooster van de Heilige Maria, Koningin der Engelen. 1)
Tot hen, die de buitengewone levenswijze van Catharina laakten, behoorde vooral Pater Lazzarini, een Franciscaan van uitstekende begaafdheid, die in het klooster zijner Orde te Siena met glans de wijsbegeerte onderwees. Hij was een der bittersten en hekelde Catharina in het openbaar. Op den vooravond van het feest der Heilige Catharina martelares begaf hij zich met Pater Bartholomaeus Dominicus naar Catharina. Zij traden in de kleine cel. Lazzarini zette zich 023 een houten kist neder; Catharina ging volgens gewoonte op den grond zitten; Pater Bartholomaeus bleef staan. Na eenige oogenblikken begon Lazzarini: âIk heb van uwe heiligheid en van de kennis der Heilige Schrift, die God u geschonken heeft, veel hooren spreken. Nu kom ik tot u in de hoop iets stichtends en troostends uit uwen mond te vernemen.quot; Catharina antwoordde met haar gewone ootmoedigheid : â Ik ben blij over uwe komst. Ik dacht, dat de Heer u tot Mij zond om mij in de wetenschap, waarmede gij dagelijks talrijke leerlingen voedt, te doen deelen. Ik hoopte, dat de liefde u aandreef om mijn arme ziel te troosten, en ik verzoek u om het uit liefde tot Christus te doen.quot; Zoo ging het gesprek geruimen tijd voort. Inmiddels viel de avond. Lazzarini stond op om te vertrekken en
1
; Ibidem.
21)6
zeide: ,, Uc zie, dat het laat wordt, ik zal op een geschikter tijd terugkomen.quot; Catharina viel nu op hare knieën, vroeg om zijn zegen en beval zich in zijn gebeden aan. Meer uit wellevendheid dan uit godsvrucht verzocht hij haar weder-keerig ook voor hem te bidden. Zij beloofde het volgaarne. Hij ging nu heen en dacht, dat Catharina wel braaf kon zijn, maar volstrekt niet verdiende als iets bijzonders beschouwd te worden.
Des nachts stond Lazzarini op om zijn lessen van den volgenden dag voor te bereiden. Daar begint hij eensklaps te weencn. Hoe meer hij zijn tranen afdroogde, hoe overvloediger zij stroomden. Hij wist niet waarom, 's Morgens kon hij geen woord tot zijn leerlingen spreken; hij weende voortdurend. Zoo verliep de dag. Tegen den avond sliep hij uit vermoeidheid en verveling eenige oogcnblikken in, maar weldra ontwaakte hij weder. Opnieuw begonnen de tranen te vloeien. Hij onderzocht zijn geweten, of hij misschien een doodzonde bedreven had. Daar hoort hij een inwendige stem: ,, Hebt gij zoo spoedig vergeten, dat gij gisteren Mijn getrouwe dienares Catharina met trotschheid veroordeeld en dat gij enkel uit hoffelijkheid om hare gebeden verzocht hebt?quot;
Zoodra Lazzarini deze vermaning vernomen had, hielden zijn tranen op. Bij het eerste morgenlicht ijlde hij naar Catharina en viel voor haar neder. Deze wist alles. Zij hadden nu een lang en heilig onderhoud. Lazzarini bad haar hem op den weg der deugd te besturen. Zij antwoordde: âDe weg der zaligheid voor u is, dat gij de ijdelheid en de gunst der wereld veracht en dat gij ootmoedig, arm en onthecht wordt om Jezus Christus en uwen vader Sint Fran-ciscus te volgen.quot; Lazzarini beloofde het onder een vloed van tranen. Hij begreep, dat Catharina in zijn ziel had gelezen en werd een ware arme van geest. ')
De Zoon Gods, staat er geschreven, doorliep de steden en vlekken, deed goed aan iedereen, dreef de duivelen uit, genas de zieken en verwekte de dooden; want de kracht Gods icas in Hem. (Hand. X, 38). Wanneer wij de wonderbare gebeur-
') Proc. 1374.
207
tenissen ait het leven van Cathariua, die wij verhaald hebben, beschouwen, zien wij dan deze woorden niet duidelijk in haar bewaarheid? Christus had het aan Zijn volgelingen toegezegd: Voorwaar, voorwaar, Ik scy u, Hij, die in Mij gelooft, zal de werken, die Ik doe, zelf ook doen, ja, hij zal er nog grooiere doen dan Ik gedaan heb. (Joh. XIV, 12). Bij een andere gelegenheid wees Christus die werken aan: Zij, die zullen geloofd hebben, zullen in Mijnen naam de duivelen uitjagen, nieuwe talen spreken. Zij zullen den zieken de handen opleggen en deze zullen genezen zijn. (Marc. XVI, 17).
Zij zullen de duivelen uitdrijven. Tusschen Catharina en den grooten vijand der zielen was een voortdurende strijd. Catharina ontwrong hem zijn slachtoffers; hij trachtte haar te kwellen niet alleen in de ziel, maar ook in het lichaam. Soms werd zij onverhoeds omhoog geheven en in het vuur geslingerd, op hare reizen dikwijls van het paard geworpen. Zij echter stond ongedeerd op en zeide tot de omstanders: âWeest niet ongerust, het is maar een streek van Malataska.quot; Zoo placht zij een der booze geesten te noemen.
Toen de macht, welke zij over den duivel bezat, meer bekend werd, gingen do verwanten van bezetenen naar Catharina en verzochten haar de ongelukkigen te helpen. Uit beginsel van ootmoed zocht zij deze aanzoeken steeds te ontwijken; men moest het behendig aanleggen, als men hiervoor hare hulp wilde verkrijgen. Een enkel voorbeeld willen wij aanhalen.
Er leefde te Siena een man, heer Michaël de Minaldo ge-heeten. Hij was een bekwaam notaris. Reeds bejaard, besloot hij, met toestemming zijner vrouw, zich geheel aan den dienst van God te wijden en zijn kinderen aan Hem op te dragen. Zijn dochters gingen in het klooster van den Heiligen Johannes den Dooper. Hij schonk daaraan geheel zijn fortuin en betrok met zijn vrouw een woning buiten het slot om de tijdelijke zaken van het klooster te besturen. Daar wordt een der dochters, Laurentia genaamd, nauwelijks acht jaar oud, plotseling door den duivel bezeten. De zusters konden het kind zoo niet langer behouden en noodzaakten Michaël hut terug te nemen. De duivel sprak Latijn door haren mond, beantwoordde de moeilijkste vraagstukken en openbaarde do zonden en geheimen van vele personen. De
208
ouders waren radeloos. Zij beproefden alle middelen om het kind te helpen. Inzonderheid riepen zij de voorspraak van den Gelukzaligen Ambrosius van Siena in. Op raad van verscheidene personen gingen zij met de kleine Laurentia naar Catharina. Doch deze antwoordde : â Helaas, ik zelve word dagelijks door de duivels gekweld; hoe zal ik dan anderen van hen bevrijden?quot; Maar met moed en vertrouwen hielden de ouders van Laurentia bij de Heilige aan. Zij riepen de hulp van Pater Thomas in. Deze verzon een list en bracht de kleine Laurentia in Catharina's kamer. Toen zij tehuis kwam en de bedoeling van haren zielsbestierder doorschouwde, nam zij haren toevlucht tot het gebed en deed het kind neerknielen om met haar te bidden. Zoo brachten zij den nacht door. Vóór het morgenkrieken was de duivel overwonnen en verliet hij het kind. Hare ouders en Pater Thomas spoedden zich aanstonds naar Catharina en dankten haar met tranen van blijdschap. Nu wilden zij het kind medenemen. Doch de Heilige wist, wat er geschieden zoude, en zeide hun; â Laat dit kind nog eenige dagen bij ons , want dit is voor haar welzijn noodzakelijk.quot;
In dezen tusschentijd gaf Catharina aan Laurentia heilzame raadgevingen, leerde haar door woord en daad veel en vurig bidden en verbood haar uitdrukkelijk het huis van Alessia, waar zij vertoefde, te verlaten. Eens zeide zij plotseling tot hare gezellin: âKom spoedig, want de helsche wolf heeft zich wederom van het schaap, dat wij hem ontrukt hadden, meester gemaakt.quot; Terstond begaven zij zich op weg. Zij vonden Laurentia woedend. Haar gelaat was verwrongen en vuurrood. âVervloekte slang,quot; riep Catharina uit, âdurft gij op nieuw in dit onschuldige kind binnengaan? Maar ik geloof in Jezus Christus, mijn Zaligmaker en Bruidegom ; nog eens zult gij verdreven worden, dan zult gij niet meer terugkomen.quot; Na eenige oogenblikken bracht zij het kind volkomen gezond terug. Des morgens ontbood zij de ouders en zeide tot hen: âNu kunt gij uw dochter gerust terugnemen; zij zal voortaan niet meer gekweld worden.quot; De voorspelling werd letterlijk vervuld. ')
*) Legend. II, 9.
209
Catharina bevond zich eens op het kasteel La llocca. Een vrouw van dit kasteel was door den duivel bezeten. Hij kwelde haar vreeselijk. De slotvrouw Bianchina deed de bezetene in de tegenwoordigheid der Heilige brengen, opdat haar ellende het medelijden van deze zoude opwekken. Juist hield zij zieh bezig met de verzoening van twee verwoede vijanden. Zoodra zij de bezetene zag, drukte zij haar leedwezen aan Bianehina uit. âDat God het u vergeve, edele vrouwe,quot; zeide zij, âmaar wat hebt gij gedaan? Weet gij dan niet, dat ik zelve dikwijls door de duivels gekweld word? Hoe kunt gij mij aan hen prijs geven, door de bezetenen bij mij te brengen? Eu gij, vervloekeling, die deze verzoening Avildet beletten, leg uw hoofd hier neder en wacht op mij, tot ik terugkom.quot;
Op dit woord legde de bezetene haar hoofd op de borst van Pater Mathaeus, die om zijn voorbeeldig leven gewoonlijk de Heilige genoemd werd. Intusschen ging Catharina het goede werk, dat zij ondernomen had, voltooien. De duivel schreeuwde door den mond van de bezetene: âWaarom houdt gij mij hier terug ? Laat mij gaan, bid ik u, want ik word te wreed gefolterd.quot; De omstanders antwoordden: âWaarom gaat gij niet? De deur is open.quot; En de booze geest zeide: âIk kan niet; deze vervloekeling houdt mij geketend.quot; De aanwezigen wilden hem het schree uwen beletten en zeiden: âZwijg, daar komt Catharina.quot; Hij antwoordde: âZij komt nog niet; zij is op die plaats; zij doet iets , wat mij zeer mishaagt. Waarom houdt gij mij hier terug?quot; Middelerwijl keerde Catharina weder en zeide tot hem; âSta op, ellendeling , vertrek zoo spoedig mogelijk; laat dit schepsel van Jezus Christus in vrede en waag het nooit meer haar te kwellen.quot; De duivel verliet nu al de deelen van het lichaam behalve de keel, die hij op een afzichtelijke wijze deed zwellen. Toen legde Catharina hare hand er op, maakte het teeken des kruises en verdreef den duivel volkomen. Nog vele andere bezetenen werden door Catharina van den duivel verlost. ')
') Legend. 11, 9.
14
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Kouuis der geheimen en voorzeggingen van Catliarina.
Wij hebben dan, naar de ons gegeven genade, onderscheidene gaven, hetzij profetie naar de bepaling des geloofs. Kom. XII: G.
Hoe zoet is deze vereeniging voor de ziel, die haar geniet en die zoo mijne geheimen kent. Dikwijls doet de geest van profetie haar de toekomst kennen, liet is een gunst van Mijne goedheid, die de nederige ziel niet moet vragen. Samenspr. c. 89.
1371.
oei voorkomt hen, die Hij voorbeschikt heeft om aan de zaligheid der zielen te arbeiden , dikwijls met buitengewone gunsten. Aan een toch, zegt de Apostel Paulus, U'ordt door den Geesl gegeven het woord van wijsheid; aan een ander het ivoord van kennis, naar denzelfden Geest; aan een ander het geloof, in denzelfden Geest] aan een ander de genadegaven van genezingen, in den eenen Geest; aan een ander de werking van krachten, aan een ander de profetie, aan een ander de beoordeeling van geesten, aan een ander soorten van talen, aan een ander de uitlegging der talen. (I Cor. 12).
Deze bovennatuurlijke gaven zijn nochthans geen doorslaand bewijs van heiligheid; ja, een dergelijke gaaf maakt op zich zelve de ziel niet heilig en aangenaam aan God. Velen, zegt Christus, zullen Mij op dien dag zeggen: lleere, Heere, hebben wij in Uwen Naam dan geen toekomende dingen voorzegd, hebben wij in Uwen Naam de duivels niet uitgedreven en geen wonderen gedaan? En Ik zal hun zeggen: Ik ken uniet, gaat van Mij. (Matth. VII, 22).
211
Catharina had bijna alle bovengenoemde gaven van God ontvangen, ook den geest van profetie en de kennis der geheimen. Zij wist en kende niet alleen alles, wat haar zelve betrof, maar ook wat hen aanging, met wie zij in betrekking stond of die zich in tijdelijke en geestelijke belangen tot haar wendden. Wat men in hare afwezigheid deed of zeide, wist zij, alsof zij het gezien en gehoord had. Zij las in het hart van menigeen en deelde hem zijn geheimste gedaehten mede. â Ik verklaar en beken het tot hare meerdere glorie,quot; zegt Raymundus van Capua, âdat zij mij over zekere gedachten berispt heeft op het oogenblik, dat zij mijnen geest bezig hielden. Wanneer ik somtijds de eene of andere zaak voor haar verbergen wilde, zeide zij tot mij: Waarom zoudt gij verbergen, hetgeen ik veel duidelijker zie en weet dan gij, die het denkt? Terstond sprak zij mij over die zaak en gaf mij daaromtrent de heilzaamste raadgevingen. Dit is mij zeer dikwijls overkomen. Hij, die alles weet, is er getuige van.quot; ')
Stephanus Maconi, een der getrouwste leerlingen van de Heilige, verhaalt ons: â Dikwijls is het mij gebeurd, dat ik haar over inwendige ongerustheden ging spreken, maar dat ik, bij haar gekomen, het mij nimmer herinneren kon. Terstond begon zij mij dit alles beter uit te leggen dan dat ik het zelf doen kon. Zij zag beter de zielen dan wij de gedaanten des lichaams. Op zekeren dag zeide ik tot haar; Mijne moeder, het is inderdaad gevaarlijk bij u te zijn, want gij ziet al onze geheimen. Weet, mijn zoon, antwoordde zij, dat ik door een bijzondere genade des Heeren de minste smet en den schijn van een gebrek in de zielen bemerk, voornamelijk in die zielen, welke mij zijn toevertrouwd. En ik neem het beter waar dan ik uwen persoon hier voor mij aanschouw, zelfs in de zielen van personen, welke ik niet zie.quot; -) Op zekeren dag vroeg zij haren biechtvader met kinderlijk vertrouwen: ,, Met welke kommervolle gedachten houdt gij u thans bezig?quot; Hij antwoordde haar, dat zekere gedachten, die hij haar niet mededeelen mocht, hem kwelden. Zij her-
') Legend. II, 10. -) Maeoni .3: 15.
212
nam: âHpreek vrijmoedig, want ik weetalles.quot; Dan begon zij hem wijd en breed alles uit te leggen, wat er omtrent hare wonderbare onthouding verteld werd. Zij verhaalde hem nog vele zaken, die hij niet wist, noemde al de personen op, schoon zij ze niet kende en nooit gezien had, en wees hem aan, welke lieden met een goede en welke met een kwaade meening over haar spraken. â Zekere personenquot; zoo ging zij voort, âin schijn godvruchtig en deugdzaam, beweerden, dat gij mij niet wist te besturen en dat zij mijne en uwe handelwijze afkeurden. Ik heb mij willen overtuigen, ik heb tot God gebeden , opdat Hij u en mij zoude verlichten. De Heer heeft mij verzekerd, dat wij beiden volgens Zijn inzichten wandelen en volgens Zijn welbehagen al onze schreden gericht zijn.quot;
Een heilig en voorbeeldig Karthuizer werd door gewetensangsten geplaagd. Gaarne had hij met Catharina, de troosteres van bedrukte zielen, gesproken en haren raad ingewonnen, maar het strenge slot liet hem niet toe zijn klooster te verlaten. Door een openbaring kende de Heilige al de gemoedsbezwaren van dezen kloosterling. Zij bad voor hem en schreef hem een brief vol heilzame onderrichtingen. ')
Een vrouw te Florence verlangde vurig van Catharina, van wie zij zoo vele wonderen had hooren verhalen, raad te ontvangen in de twijfelingen, die de rust van haar geweten verstoorden. Catharina wist, wat zij verlangde. Op zekeren dag bad de vrouw om troost en verlichting in hare gewetensangsten. Daar verschijnt haar de Heilige , met een hemclsch licht omstraald. Zij stortte haar moed in , hoorde haar twijfelingen aan en zeide haar, wat zij doen moest om de rust van haar geweten te herwinnen en te behouden. 2)
Eens vroeg Catharina aan Pater Thomas, wat hij ten drie ure in den voorgaanden nacht gedaan had. âWat zou ik gedaan hebben?quot; hernam Pater Thomas. âIk zou moeten nadenken om het te weten.quot; âWaarom zoudt gij het voor mij verbergen?quot; antwoordde zij. âIk kan u juist vertellen, waarmede gij u op dat oogenblik bezig hield. Gij schreeft,
') Supplem VI, 5 '2) Ibidem, 4.
213
niet waar?quot; âSchrijven is wellicht het woord niet,quot; hernam de Pater. âInderdaad,quot; zoo ging Catharina voort, âgij schreeft niet, maar gij zeidet voor aan uwen metgezel, die voor n schreef.quot; De Paxer ondervroeg haar opnieuw: âGij beweert te weten, waaraan ik toen mijn tijd besteedde; zeg mij dan eens, wat wij op dat oogenblik oji het papier stelden.quot; Catharina antwoordde met eenigen schroom: â Gij hebt toen de buitengewone gunsten en genaden opgeteekend, welke God in Zijn oneindige barmhartigheid aan Zijn dienstmaagd schenkt.quot; Pater Thomas verklaarde, dat dit de zuivere waarheid was. ')
Duizenden menschen kwamen Catharina spreken: sommigen om haar te raadplegen over gewetenszaken, anderen om bij haar troost te zoeken in huiselijk verdriet of wederwaardigheden ; anderen om haar gebed te verzoeken; velen enkel uit nieuwsgierigheid om haar te zien. De Heilige las in het hart van elkeen de beweegreden van zijn bezoek. Zij legde aan allen de oorzaak van hun verdriet, van hun ongerustheid of hun kommer bloot. Niemand behoefde zijn toestand te vertellen. Zij onderrichte, vermaande, gaf moed, troost en raad overeenkomstig de behoeften van een ieder. Niemand verliet haar ongetroost. Verstokte zondaars, die haar uit louter nieuwsgierigheid kwamen zien, bewoog zij tot berouw en boetvaardigheid. De schaamte weerhield sommigen van hen om hun zonden oprecht te biechten. Dit noemden zij een onmogelijke zaak. âWat gij onmogelijk noemt,quot; zeide de Heilige, âzal ik gemakkelijk maken, indien gij liet mij toestaat.quot; Zij legde aan een ieder al hun zonden met getal en omstandigheden van tijd, plaats en persoon nauwkeurig uit. Daarna gingen zulke zondaars hun zonden eerlijk en rouwmoedig biechten.
Meermalen bedreef de een of andere broeder van Catharina buitenshuis een zonde. Bij hunne thuiskomst zeide zij hun, welk kwaad zij gedaan hadden en op welke plaats.
Haar zuster Lisa deed eens een generale biecht. Om niet gezien te worden trok zij zich in een hoek der kerk terug. Huiswaarts keerend, komt Catharina haar blijde te gemoet en roept haar toe: âWel, mijn lieve zuster, van daag zijt
') Supj)lem VI, 9.
211
gij waarlijk wijs geweest.quot; Lisa begreep er niets van en vroeg; âWaarom groet gij mij zoo vroolijk?quot; Uit het antwoord van Catharina zag zij , dat deze alles wist. ')
Te Siena woonde een adellijk jongeling, die een goddeloos leven leidde. Een zijner vrienden haalde hem over om ten minste nu en dan de onderrichtingen van Catharina bij te wonen. Hij deed het, maar daarna gaf hij zich telkens weder aan zijn zondige gewoonten over. Catharina wist het en zeide tot hem op zekeren dag: âGij komt dikwijls mijn raadgevingen aanhooren, maar terstond keert gij , als een roofvogel, tot uw ondeugden weder. Vlieg, zooveel gij wilt, er zal een tijd komen, dat ik ketenen om uwen hals zal leggen, die u wel zullen binden.quot; Deze voorspelling ging na Catharina's dood in vervulling. De jongeling deed boetvaardigheid en ging naar het klooster. Zijn bekeering schreef hij toe aan de Heilige, die ze voorzegd bad.
Een ridder te Siena, Nicolaas geheeten, trok zich uit den krijgsdienst terug om het overige van zijn leven aan den wellust en de vermaken te besteden. Zijn vrome echtgenoote en verwanten vermaanden hem tot boetvaardigheid en raadden hem aan eens met Catharina te spreken. Maar hij antwoordde met minachting: âWat heb ik met die goede vrouw uit te staan? Welken dienst zou zij mij kunnen bewijzen?quot;
Zijn vrouw deelde den toestand van haren gemaal aan de Heilige mede en verzocht haar voor hem te bidden.
Op zekeren nacht verscheen hem Catharina in een droomgezicht. Zij vermaande hem dringend om zich te bekeeren, indien hij de straften der hel wilde ontgaan. Des morgens gaf hij zijn verlangen te kennen om met Catharina te spreken. Dit geschiedde. Hij bekeerde zich oprecht en biechtte al zijn zonden. Dan ging hij naar Catharina en zeide met diepen eerbied: âIk heb alles gedaan, wat gij mij bevolen hebt, en ik heb al mijn zonden gebiecht.quot; Catharina antwoordde hem: âIk wensch u geluk met de zaligheid uwer ziel. Vlucht voortaan alle zonden , die gij voorheen bedreven hebt. Strijd voor Jezus Christus, gelijk gij tot heden voor de wereld gestreden hebt.quot; Dan drong zij tot driemaal bij
') Supplem VI, 8.
215
hem aan zijn geweten te onderzoeken, of hij alle zenden gebiecht had. Hij verzekerde, dat hij geen enkele zonde had verzwegen. Nu openbaarde zij hem een zware zonde die hij in het geheim bedreven had. Zij zeide ook waar en wanneer. De krijgsman bekende, dat hij vergeten had ze te biechten. ')
Verscheidene personen verlangden, misschien uit ijdele nieuwsgierigheid, om Catharina in hare extasen te zien. De eenen geloofden het, anderen spotten er mede, de meesten helden tot twijfel en kritiek over. Zij wendden zich tot haren biechtvader. Deze bracht hen bij de Heilige. Zij vonden haar in geestverrukking. Zoodra zij haar zagen, veranderden zij plotseling van gevoelen, waren tot tranen bewogen en verweten zich hun ongeloovigheid. Na hun vertrek vroeg de Heilige, tot zich zelve gekomen, aan haren biechtvader; âWie waren toch die personen, welke gij medegebracht hebt?quot; âHoe weet gij ,quot; hernam de Pater, âdat er iemand hier geweest is?quot; De Heilige antwoordde nederig: âDe Heer, die mij reeds dikwijls Zijn licht heeft geschonken om verwijderde zaken te zien, heeft zich gewaardigd mij de personen te doen kennen, die u vergezeld hebben, omdat zij mij in dezen staat wilden zien.quot; Zij noemde ze allen bij den naam. quot;)
Pater Thomas della Fonte keerde van een reis voor zaken te Siena terug. Catharina gaf hem het uur van zijn terugkomst aan en ook het uur, waarop hij de H. Mis had gelezen. Zij onderhield hem over geheime zaken, die zij alleen door een openbaring van God kon weten. Dikwijls zeide zij aan dienzelfden kloosterling, wat hij gedaan en zelfs wat hij gedacht had op die plaats , en die omstandigheid, over die zaak en die persoon, als ware zij tegenwoordig geweest. :l)
Zuster Francisca de Marco werd hevig door angsten gekweld. Zij nam haren toevlucht tot hare heilige meesteres. Nog voor zij een woord had gesproken, deelde deze haar duidelijk mede, wat zij leed en gevoelde. âDikwijls kan de vonk eener zwakke hartstochtzoo zeide de Heilige, âwelke
') Legend. II, 10. s) Supplera. VI. 3) Ibid. G.
216
niet bijtijds wordt uitgedoofd , in ons een geweldigen brand ontsteken, dien men moeilijk blusschen kan.quot; Zoo wees zij haar de jniste oorzaak van haar onrust aan. ')
Pater Thomas, biechtvader van Catharina, en Pater Geor-ghis Naddo gingen Raymundus van Capua bezoeken, die toen rector was der Zusters Dominicanessen te Montepulciano. Onderweg overvielen hen roovers, plunderden hen uit, voerden hen naar een groot bosch en besloten hen te vermoorden. In deze hachelijke omstandigheden begon Pater Thomas te bidden: âO mijne dierbare dochter Catharina,quot; zoo smeekte hij , ,, gij behoort geheel aan God toe , help mij in dit groote gevaar.quot;
Nauwelijks had hij die bede in stilte uitgesproken, of de strnikroover, die het dichtst bij hem was, zeide: âWaarom zouden wij deze goede kloosterlingen vermoorden, die ons nooit kwaad gedaan hebben? Laten wij hen in vrijheid stellen; het zijn goede lieden, die ons niet zullen verraden.quot; Zij lieten hen gaan en gaven hun al het geroofde terug.
Op hetzelfde oogenblik, dat Pater Thomas de hulp vau Catharina inriep, had deze tot hare gezellinnen gezegd: âMijn vader roept mij; ik weet, dat hij zich thans in een groot gevaar bevindt.quot; Terstond begon zij te bidden totdat de beide Paters in vrijheid gesteld waren. )
âIs het niet nuttig,quot; zoo besluit Raymundus van Capua dit verhaal, âwanneer men verbonden is met personen, die als de engelen zien en die met een goddelijke macht zijn bekleed om ons in onze gevaren bij te staan? Maar wat zal nu de Heilige Catharina in den hemel niet vermogen, zij , die reeds zoo machtig was op aarde.quot;
') Legend. II, 10.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK. Catharina, ecu toonbeeld vau heiliglieid.
Do wijsheid, die van boven is, is ten eerste zuiver, daarmi vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmharfigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordeelende, en ongeveinsd. En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid A-oor degenen, die vrede maken. Jacob. Ill, 17â18.
De zaligheid van Mijne dienaren en hun volmaaktheid bestaan alleen hierin, dat zij enkel Mijnen wil doen en dien altijd volbrengen, dat zij Mij alleen dienen. Mij alleen eeren. Mij alleen zoeken al de oogen-blikken van hun leven. Samenspr. 8, 9.
1371.
a
/41.an liet einde van het eerste boek van Catharina's geschiedenis willen wij nog een blik op haar verborgen leven werpen.
De grondslag was de kennis van zich zelve. Zij overwoog, dat zij uit zich zelve niets was, niets had, niets kon, dat God haar uit louter barmhartigheid geschapen had en voortdurend onderhield, dat zij dus van God volkomen afhing. Zij overwoog, dat Jezus Christus haar uit zuivere liefde zonder eenige verdienste van den mensch door Zijn lijden en zoendood verlost had. Zij overwoog , dat zij, ondanks de ontelbare genaden , die zij van Gud had ontvangen, zoo vele en zoo zware zonden bedreven en zich zoo ondank' -getoond had.
218
Uit deze overwegiugen, van hare schepping, van hare verlossing en van hare zonden ontstond in haar een groote haat tegen zich zelve. Zij verlangde niet meer haren eigen wil, maar alleen dtn wil van God te volbrengen. Ieder lijden, iedere bekoring, ieder offer was voor haar wellusten verrukking, niet alleen omdat God die kruisen wilde, maar ook omdat zij daarin een straf voor hare zonden erkende. Op twee wieken verhief zij zich ten hemel, door de reinheid en de eenvoudigheid. Zij zocht alleen God om Hem zeiven. Zij verliet alle begeerlijkheid en was zuiver van alle eigenliefde.
De voorzichtigheid, de rechtvaardigheid, de matigheid en de sterkte waren de vier hoeksteenen van het geestelijk gebouw barer volmaaktheid. De voorzichtigheid leerde haar in alle omstandigheden de juiste middelen om tot God, haar hoogste goed, te geraken, leerde haar eerst na rijp beraad en ootmoedig gebed een beslissing te nemen. Hoe verlicht zij ook was, mistrouwde zij zich zelve en won eerst den raad van verstandige lieden in. Door de rechtvaardigheid gaf zij in gedachten, woorden en werken aan iedereen, wat hem toekwam. Zij zocht de waarheid, wilde de waarheid, handelde overeenkomstig de waarheid, maar liet zich niet dooiden hartstocht of de kortzichtigheid van het menschelijke verstand misleiden. De matigheid voerde haar langs den waren weg der deugd, den gouden middelweg. Deze deugd maakte, dat zij als vorstin over hare driften heerschte en deze haar op haren wenk gehoorzaamden. Door de sterkte overwon zij alle moeilijkheden, deinsde voor geen offer terug en streefde met onveranderlijke standvastigheid naar haar doel.
Op deze grondslagen trok Catharina het gebouw harer volmaaktheid op, niet op zandgrond, maar op de rots. Zoo was het tegen de stormen bestand.
Door te volharden in een nederig, aanhoudend en getrouw gebed verkreeg Catharina alle deugden. ,, Schoon gansch het leven van deze maagd,quot; zegt Stephanus Maconi, â zoowel naar het uitwendige als naar het inwendige een ongehoord wonder was, hebben sommige dienaren Gods yan een beproefde deugd daarin ééne zaak opgemerkt, die op aarde waarlijk zeldzaam is. Bij alles namelijk, wat zij deed, zeide jf tiQorde, was hare ziel voortdurend in God verzonken eu
219
met Hem vereenigd. En daar de mond van den overvloed des harten spreekt, kon zij over niets anders spreken dan over God en over zaken, die op God betrekking hebben. Altijd en overal zocht zij Hem, vond Hem, bezat Hem door een werkdadige liefde. Wij allen waren getroost en gesticht, wij zouden, om naar haar te luisteren,, eten en drinken vergeten hebben; wij dachten niet meer aan onze behoeften en zorgen.quot; ')
Zoodra zij vrij was van verstrooiende bezigheden , steeg haar geest als door een aangeboren drift op tot God. Het was het vuur der liefde, dat de Zaligmaker op aarde kwam brengen.
Hare leerlingen vermaande zij onophoudelijk ijverig en godvruchtig te bidden. Zij maakte een onderscheid tusschen het mondgebed en het overwegend gebed. Het eerste moest men op vastgestelde uren beoefenen, het tweede altijd eu overal.
Somtijds, door een onbegrensd vertrouwen bezield, riep zij uit: âIk wil.quot; En God onderhield zich op de vurigste wijze met haar. Zoo gemeenzaam eu vertrouwelijk was haar omgang met haren hemelschen Bruidegom.
Niets is er teederder dan hare kinderlijke godsvrucht. Het allerheiligste Sacrament des altaars, de allerzuiverste Maagd en Moeder Gods Maria, de H. Maria Magdalena, den H. Vader Dominicus, den H. Paulus, den H. Thomas van Aquino-, den H. Petrus van Verona, den H. Johannes Evangelist, de H. Agnes van Montepulciano beminde en vereerde zij met een vurige liefde. In hare brieven en samenspraken noemt zij onzen Goddelijken Verlosser voortdurend: Het zachtmoedige en teedere Woord â het nederige, geslachtofferde Lam â den zoeten Jezus â Jezus liefde. Welk een vereering voor het H. Bloed! Zij wil zich geheel en al daarin dompelen, zij wil dronken worden door het Bloed van den Zoon Gods.
âMijn vader, ik heb honger; om Gods wil, geeft mij het voedsel mijner ziel.quot; Dat was de kreet van haar smachtend verlangen naar het Brood der Engelen, naar den Wijn, die maagden voortbrengt.
') Maconi.
220
â O Maria, Mariaroept zij uit, â tempel van de H. Drie-ëenheid, Maria, fornuis van het goddelijk vuur; Maria, Moeder van barmhartigheid, gij heht de vrucht des levens gedragen; gij hebt het menschelijk geslacht gered, want met mv vleesch heeft Christus ons vrijgekocht. Ja, Christus heeft ons vrijgekocht door Zijn lijden, en gij, door de smarten van uw ziel en uw lichaam. O Maria, kalme zee, bron van vrede. Gij zijt de nieuwe boom , welke ons die welriekende bloem heeft geschonken, dat Woord, dien eenigen Zoon van God, die u als een vruchtbare aarde heeft uitgekozen. Gij zijt de aarde en gij zijt de boom. O Maria, ik kom vrijmoedig tot u, want ik weet, dat u niets kan geweigerd worden. Wees gezegend onder alle vrouwen in de eeuwen der eeuwen.quot;
Ik ben de hoogste Reinheid; naar mate gij meer tot Mij nadert, zult gij in reinheid toenemen. ')
Catharina's wandel was in den hemel; dagelijks werd haar vcreeniging met God inniger en dus haar reinheid grooter. Zalig zijn de zuiveren van harte, want zij zullen God zien. (Matth. V). Tot hen behoorde onze Maagd. Zij bezat de rechtvaardigheid, de liefde en de andere deugden, die aan Gods eigenschappen zeer gelijk zijn; zij kende Hem dus met grooter volmaaktheid.
Hare ziel bewaarde altijd de onschuld en de vlekkeloosheid van liet Doopsel. Wij willen niet beweren, dat de Heilige geen enkele dagelijksche zonde bedreven heeft. Maar de kleine fouten, die wij in haar leven opmerken, die zij met bittere tranen onophoudelijk beweende, doen de teederheid en zuiverheid van haar geweten des te helderder uitkomen. Zij kastijdde haar lichaam en bracht het onder bedwang, opdat zij zelve niet zoude verworpen worden na aan het zieleheil van anderen gearbeid te hebben. De laatste twintig jaren van haar leven at zij bijna niets en dronk alleen een teug water. God onderhield haar door een voortdurend wonder en schonk op bovennatuurlijke wijze de levenskracht aan haar lichaam. Haar legerstede was een plank, haar onderkleed een ruw haren hemd, later een scherpe ijzeren keten.
V' Samenspr, c. 10.
221
Zij sliep zeer weinig en kort. Driemaal daags geeselde zij zich, eens voor haar eigen zonden, eens voor de zonden der levenden, eens voor de zonden der overledenen. Die bloedige kastijdingen duurden dikwijls ruim vier uren.
De diepste nederigheid omsluierde al de heldhaftige deugden en hemelsche gunsten van Catharina. Men leze hare schriften; overal vindt men de levendige en oprechte uitdrukking der nederige gevoelens, welke zij van zich zelve koestert. Zij beschouwt zich zelve âvol ellende en gebreken, ongeschikt voor de geringste zaak, oorzaak van het kwaad, dat er in de wereld bedreven wordt.quot; Catharina had geen zonden in hare biechten te belijden; zij beschuldigde zicli alleen, dat zij te weinig deugd bezat en de weldaden Gods niet genoeg erkende. Zij behandelde zich zelve als een onwaardige en ellendige, wier gedrag de oorzaak van al het kwaad was, hetwelk er op de wereld gebeurde. âO mijn vader,quot; zeide zij schreiend tot Bartholomaeus van Siena, âik zie wel, dat gij mijne ellendigheid niet kent. Helaas, ik heb zoo groote en zoo menigvuldige genaden van mijn Schepper ontvangen, dat, in mijne plaats, het ellendigste schepsel van de wereld in liefde tot God ontstoken zoude zijn. Zijn voor-beclden en zijn woorden zouden overal een vurig verlangen naar het hemelsch vaderland en de verachting van het tegenwoordige leven verwekt hebben. De menschen hadden niet meer gezondigd. Maar ik, die zooveel ontvangen heb, ik mag gerust zeggen, dat ik het ondankbaarste der schepselen en dat ik een oorzaak van verderf in de wereld ben, daar ik zoovele personen moest redden door hun met woord en daad voor te gaan; ik heb dus aan mijn plicht ontbroken en ik ben zeer schuldig.quot; ')
Met welk een zorgvuldigheid verbergt zij hare aalmoezen, liefdewerken en goddelijke gunsten! Met verrukking neemt zij het lijden van Christus' wonden aan, uit ootmoed weigert zij de eer om de teekenen daarvan te dragen. Uit liefde voor God en Kerk schrijft zij als iemand die gezag heeft, aan Pausen, Kardinalen, Vorsten, maar zij bidt ook, dat men âaan hare onwetendheid, stoutmoedigheid en hoogmoed ver-
') Bartholomaeus van Siena.
2^2
gevezij verontschuldigt zich â door de liefde en de smart, die haar dringen.quot; Hare heldenmoedige pogingen voor den bloei van geloof en goede zeden slagen; zij ontvlucht den lof der menschen. Nooit zocht zij zich zelve, alleen God, de Kerk, het zieleheil. De Opperpriester keert naar Rome terug, het is hanr werk, haar glorie; op den dag der zegepraal ontbreekt zij alleen.
Men is gehoorzaam, naarmate men nederig is en nederig naarmate men gehoorzaam is.
Deze les, welke Catharina ons in hare samenspraken geeft, heeft zij zelve eerst beoefend.
Onderworpen aan God, heeft zij geen anderen wil dan den Zijnen. Haar goddelijke Meester legt haar de zwaarste offers op; zij vliegt, waar Hij haar roept.
Onderworpen aan de plaatsbekleeders van God, vooral aan hare zielsbestierders, verzaakt zij aan haar eigen oordeel en haar dierbaarste neigingen voor de boetvaardigheid, wetend, dat gehoorzaamheid beter is dan slachtoffers.
Onderworpen aan de Kerk en den Plaatsbekleeder van Jezus Christus, onderhoudt zij alle geboden, ontziet geen laster, geen vervolging, geen gevaar om de Bruid van Christus te dienen, voor wie zij haar bloed wil storten.
Onderworpen aan haar ouders en bloedverwanten, voorkomt zij hun geringste wenschen en bewijst hun de nederigste diensten. Gedachtig, dat men God meer moet gehoorzamen dan de menschen, weerstaat zij hun slechts eenmaal: zij had haar hart aan een verhevener bruidegom weggeschonken.
Onderworpen aan hare gelijken, ja, aan hare minderen, geeft zij zelfs aan buitensporige en onredelijke eischen toe, vol minzaamheid en dienstvaardigheid ook voor den armste en geringste.
âO gehoorzaamheid,quot; roept zij uit, âaltijd verbonden met den vrede en de gehoorzaamheid van het Woord, gij zijt een koningin, met macht gekroond, gij draagt den schepter der volharding, uit u spruiten de bloemen der ware en degelijke deugden voort; gij doet de eeuwige goederen aan den sterfelijken mensch smaken, gij maakt hem een engel op aarde. O zoete gehoorzaamheid, gij verspreidt den geur van een oprechten ootmoed, gij eischt niets van uwen naaste
223
tegen den wil van God. Gij zijt recht zonder omwegen, want gij maakt het hart eenvoudig en liefderijk zonder voorbehoud noch voorzorg. Gij zijt als de dageraad, die het licht van de goddelijke genade aankondigt, als de zon, welke hem verwarmt, die u bezit, omdat het vuur der liefde u nooit verlaat. Gij behaagt aan iedereen, want uw gelaat wordt door geen storm benevelt. Gij zijt een kostbare , maar verborgen parel; velen miskennen u, de wereld treedt u met voeten. Maar als gij u zelve veracht en u klein maakt bij iedere gelegenheid, dan verheft gij de schepselen, die u bezitten, zeer hoog.quot;
De liefde vertoont zich in Catharina onder alle vormen: zij schenkt onuitputtelijke aalmoezen , dient armen en zieken, troost de bedrukten, staat gevangenen en ter dood veroordeelden bij, verzoenquot; vijanden met elkander, bekeert de zondaren , bidt voor het zieleheil der gansche wereld. Zij kroont deze schitterende deugden door haar liefde voor de Kerk , een liefde, tot heldenmoed, tot het martelaarschap, tot den dood doorgevoerd. De Heilige verlangde vurig naar den marteldood. Wanneer zij er van sprak, schitterde haar gelaat van vuur. Zij toonde haar blank gewaad en zeide: ,, O wat zoude dit kleed schoon zijn, wanneer het door het bloed gekleurd was!quot; ') God schonk haar dagelijks te sterven niet door het staal van den beul, maar door het vuur van het offer, gelijk de Apostel zegt: Wij drayen ten allen tijde het sterven van Jezus in ons lichaam om, opdat ook het leven van Jezus (/('openhaard worde in onze lichamen; want voortdurend worden wij, levende, in den dood overgeleverd om Jezus'' wil. Alzoo is de dood in ons werkzaam, maar het leven in u. (2 Cor. IV).
In hare liturgie getuigt de Kerk uitdrukkelijk, dat God de H. Catharina met het bijzondere voorrecht van het geduld heeft versierd. Geheel haar leven, zegt Raymundus van Capua, strekt tot bewijs.
Zonder het minste ongeduld verdraagt zij de vervolgingen barer verwanten in het ouderlijk huis. Verpleegt zij nijdige zieken, geen klacht komt er over hare lippen , zij schenkt
') Bartliulomaens van Siena.
â¢2-24
liefde voor laster en ondankbaarheid. Met een onverwinbaar geduld zegeviert zij over de aanvallen van den duivel. Kloosterlingen , jaloersch op hare deugden en vurige godsvrucht , behandelen haar onrechtvaardig en leggen haar duizend moeilijkheden in den weg; zij beminde hare vijanden, deed wel aan hen, die haar haatten, en bad. voor hen, die haar vervolgden en belasterden. (Matth. V). Het is onmogelijk, schrijft Eaymundus van Capua, te verhalen, alles, wat zij van de duivels te lijden had. Deze helsche vervolgingen bewijzen het geduld van Catharina gedurende haar aardschen pelgrimstocht ; zij maakten van deze maagd een waarachtige martelares.
Haar gansche leven is een onafgebroken ziekte. Noemen wij hier de kwalen op, die haar geduld op de proef stelden.
1°. Een zeer hevige pijn in de zijde, waardoor haar vader van het vagevuur bevrijd bleef.
2'. Sedert zij, vijfjaren voor haren dood, de wonden des Zaligmakers ontving, had zij pijn in hare handen, voeten en in haar hart, alsof deze voortdurend met een scherpen dolk doorstoken werden.
3\ Van dienzelfden dag af gevoelde zij een geweldige smart tusschen den linker schouder en het midden der borst. Deze smart kwam overeen met het lijden, dat Christus door de ontwrichting Zijner beenderen aan het kruis gevoelde.
4°. Sedert zij de doornenkroon ontving, kwelde haar een zenuwlijden, dat haar nooit verliet.
5\ Maagkwalen, die reeds in haar vroegste jeugd begonnen.
6°. Tegen het einde van haar leven overviel haar een koorts, die haar langzamerhand sloopte en van haar lichaam niets dan huid en beenderen overliet. Dezo koorts vergezelde een ondragelijke dorst en een brandend vuur, dat haar ingewanden doorblaakte.
7°. De duivels sloegen en geeselden haar dikwijls, hetzij bij dag, hetzij bij nacht.
8°. Van den eersten Januari 1380 tot den 29-'n April, haar sterfdag, namen al deze kwalen schrikbarend toe.
Behalve deze lichamelijke pijnen, leed zij er nog vele geestelijke. God deelde haar zulk een levendig besef van Zijn liefde en grootheid mede, dat zij als in een zee van
220
droefheid gedompeld werd, wanneer zij aan de beleedigingen dacht, waardoor God dagelijks vergramd wordt.
Maar zij verblijdde zich in het lijden en vulde het ontbrekende der verdrukkingen vein Christus (luh in liaciv vleeseh voor Zijn lichaam , hetwelk de Kerk is. (Coloss. 1, 24).
Raymundus van Capua mag dan met het volste recht ge tuigen; âIk verklaar in de tegenwoordigheid van de geheele Kerk, dat het geduld van de heilige maagd Catharina mij meer gesticht heeft dan alles, wat ik over haar zeden, daden en wonderen vernomen had. Gelijk aan een zuil, op de liefde door de kracht van den TI. Geest gegrondvest, kan geen storm haar doen wankelen. Men kan voorzeker op haar de uitspraak van den wijzen Man toepassen: Gelijk de grondslagen, op rotssteen gelegd, eeuwig zijn, zoo zijn de geboden Gods in het hart van een heilige vrouw. (Ecclesiastic. 26, 24). Ja, de ziel van Catharina was zoo onafscheidelijk aan Christus, de opperste steenrots, gehecht, dat zij de goddelijke geboden steeds trouw in haar hart bewaarde.quot;
De genade verwoest de natuur geenszins, maar verheft eu veredelt ze. Zij had ook bij Catharina, evenals bij alle Heiligen, de gevoelens van liefde, eerbied, dankbaarheid en hulpvaardigheid, welke zij van nature voor hare ouders, bloedverwanten en vrienden koesterde, veredeld en verheven.
Op zevenjarigen leeftijd belooft Catharina eeuwigdurende zuiverheid aan haren hemelschen Bruidegom. Zeventien jaar oud verlooft zij zich met Hem en ontvangt uit Zijne hand den ring der maagdelijke trouw. De bruid moet op den Bruidegom gelijken. Jezus wilde, dat Zijne bruid aan Hem volkomen gelijkvormig zoude zijn. Catharina mocht voor de geheele wereld belijden: Weest mijne navolgers, gelijk ook ik het van Christus ben. (I Cor. II).
Christus, de Vredevorst bij uitnemendheid, kwam op de wereld en boodschapte den vrede; Catharina, de engel des vredes, verzoent de vijandige partijen en families met elkander. Christus was zachtmoedig en ootmoedig van harte; Catharina bleef altijd ootmoedig en minzaam voor iedereen. Christus beminde Zijne Apostelen en verdroeg hunne gebreken; Catharina was door de banden der teederste vriendschap
15
226
met hare leerlingen verbonden. Christus droeg onze smarten, ging al weldoende rond en genas alle kwalen; Catharina was de hulp der armen, de verpleegster der zieken, de toevlucht der zondaren, de troost der bedroefden. Er ging van Christus een goddelijke kracht uit; het engelreine wezen van Catharina oefende een weldadigen invloed uit op allen, die tot haar naderden. Doorloop het gansche leven van Christus, gij vindt Hem altijd aan den voet van het kruis; Catharina werd door geestelijke en lichamelijke kwalen onafgebroken gekweld. Christus kwam een vuur op aarde zenden en wat wilde Hij anders dan dat het brandde? Catharina dorstte naar het heil der zielen. Christus heeft Zijne Kerk bemind en zich voor haar opgeofferd; Catharina verlangt niets vuriger dan haar laatsten druppel bloed voor Christus' Bruid te storten. Christus onderwerpt zich aan den wil van Zijn hemelschen Vader en zoekt alleen diens glorie; Catharina kent geen anderen wil dan dien van God; het doel van al haar lijden en strijden is Zijne verheerlijking. Men haat en vervolgt Christus; Catharina lijdt vervolging om hare rechtvaardigheid. Christus wordt gehoorzaam tot den dood des kruises; Catharina sterft den geestelijken dood der liefde en zelfverzaking.
âWanneer de ziel Christus heeft leeren kennen en smaken zegt de Heer tot Catharina, â dan snelt zij tot Mij door het vuur en dc drift van hare liefde zonder aan zich zelve te denken, zonder de geestelijke of tijdelijke vertroostingen te zoeken gelijk iemand, die volkomen aan zijn eigen wil verzaakt heeft. Door dit licht en deze kennis let zij op geen vermoeienis, van welke zijde zij ook kome. Zij verblijdv. zich integendeel over de smaadheden, de aanvallen van den duivel en de klachten der menschen, die zij lijdt; zij voedt zich met Mijne eer en met het heil der zielen aan de tafel van hut allerheiligste kruis. Zij vraagt geen enkele belooning noch van Mij noch van de schepselen, want zij heeft zich van de baatzuchtige liefde ontdaan, die Mij uit eigenbelang bemint. Zij heeft zich met het volmaakte licht omkleed en bemint Mij zonder aan iets anders te denken dan aan de glorie en den lof van Mijnen Naam; zij dient Mij, maar denkt niet aan liet geluk, dat zij daarin vindt noch aan
227
liet voordeel, dat de naaste haar verschaft; zij handelt uit zuivere liefde.quot; ')
âWij moeten Christus beminnenschrijft Cathamna niet uit vrees voor de straf, waarmede hij, die niet bemint, gekastijd wordt, noch om het nut en het genot, dat de ziel in de liefde vindt, maar alleen omdat het hoogste goed waardig is bemind te worden; wij moeten Hem beminnen, al zouden wij er volstrekt geen voordeel uit trekken, al zouden wij geen enkele straf te vreezen hebben, indien wij het niet deden. Wij moeten Hem beminnen gelijk Hij ons bemind heeft; Hij heeft ons bemind zonder door ons bemind te worden, zonder eenig voordeel van ons te verwachten , zonder te vreezen, dat Hij zich zeiven zoude schaden, indien Hij ons niet beminde; want Hij is onze God, die ons niet noodig heeft; ons geluk is voor Hem niet voordeelig, ons verlies voor Hem niet schadelijk. Hij bemint ons dus uit goedheid en wij moeten Hem op dezelfde wijze beminnen. Het goede, dat wij aan Hem niet bewijzen kunnen, moeten wij aan onzen evenmensch bewijzen; wij moeten hem beminnen enkel uit liefde; wij mogen onze liefde niet verminderen ter oorzake van zijn beleedigingen of ondankbaarheid; maar wij moeten bestendig en standvastig in de liefde tot God en tot den naaste zijn. Dat voorbeeld heeft ons het zachtmoedige en teedere Woord gegeven; Hij wilde niets anders dan de glorie van Zijn Vader en onze zaligheid. Hij snelde naar den schandelijken dood van het kruis en Hij liet zich door de ondankbaarheid van hen, die Zijn Bloed versmaadden , niet weerhouden, noch door de pijnen en de vernederingen, die Hem wachtten. Waarom? Omdat Hij ons beminde alleen voor de glorie van Zijn Vader en voor onze zaligheid.quot; T)
Catharina was gelijkvormig aan haren Bruidegom Jezus Christus; zij beminde daarom de Kerk en dorstte naar het heil der zielen.
Zij beminde de Kerk. âJa,quot; roept zij uit, ,,wij moeten van hartstochtelijke liefde voor de Heilige Kerk branden.
') Samenspr. c. 100. -) 120 Brief.
228
O zooto Bruid, door het Bloed van Christus vrijgekocht, gij zijt zoo volmaakt, dat een lid, van u afgescheiden, de goddelijke vrucht niet ontvangen noch smaken kan. Arme en ellendige, die ik ben! ik heb niets om haar te dienen, en zoo mijn bloed haar nuttig koude zijn, ik zou het met vreugde uit al de deelen van mijn lichaam vergieten. Ik zou haar het weinige geven, dat God mij voor haar geeft; ik kan haar slechts tranen, verzuchtingen, onafgebroken gebeden aanbieden. ')
Ik wil mijn leven eindigen voor de Heilige Kerk in tranen en nachtwaken, in een getrouw, nederig en volhardend gebed.-)
Ik werp mij neder en ik verwijt mij zelve met bitterheid, dat ik de Bruid van Christus met zulk een onwetendheid en verzuim gediend heb. O eeuwige God, aanvaard het offer van mijn leven voor het geheimzinnig lichaam der Heilige Kerk. Ik heb U niets anders te geven dan wat Gij mij zelf gegeven hebt; neem mijn hart en druk het op het gelaat van Uwe Bruid. Dank, dank aan den Allerhoogste, aan den Eeuwige, die ons op het slagveld heeft gevoerd om als wakkere ridders voor Zijne Bruid te kampen met het schild van het heilig geloof. Ons is de victorie door de macht, die den duivel, den heer van het menschelijk geslacht, verwonnen heeft. Hij is verwonnen, niet door de kracht van de mensch-heid, maar door die van de Godheid. Ja, de duivel zal verwonnen worden, niet door het lijden van onze lichamen, maar door het vuur van de goddelijke en onuitsprekelijke liefde.quot; ')
Catharina beminde de Kerk van Christus; zij dorstte ook naar het heil der zielen. God had haar zelf voorbereid om met vrucht in Zijn wijngaard te kunnen arbeiden. Zwak en van alle menschelijke hulp ontbloot, is zij een wonder der Goddelijke Voorzienigheid. Waarlijk, in haar heeft God het dwaze der wereld uitverkoren om de wijzen te beschamen en het zwakke der wereld, om het sterke te beschamen; en het onedele der wereld, en het vcrachte, en het niet zijnde om het zijnde te vernietigen. (I Cor. I).
') 42 Brief. '-) 21 Brief. 33 149 Brief.
229
Hij heeft haar tot kracht en tot leer de liefde Gods en de liefde tot den evenmensch ingestort en Hij zendt haar uit om het vuur dier liefde, waarvan zij gloeit, in de gar.sche Kerk te verspreiden. De werkzaamheid van de Heilige ontwikkelt zich als een brand. De wcy der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande .en lichtende tot den vollen dag toe (Spreuk. 4, 18).
De aantrekkelijkheid van Catharina's wezen, die haar reeds vroegtijdig met leerlingen omringde, vermeerderde met de jaren. Zij verspreidde den goeden geur der onschuld. Haar tegenwoordigheid schonk aan allen, die tot haar kwamen, de rust en de kalmte van een goed geweten. Zij bekeerde de zondaars door haar gebeden en raadgevingen; zij sprak op pleinen en straten en bracht ontelbaren, zoowel mannen als vrouwen, tot God terug. Haar gezicht alleen stemde tot boetvaardigheid. De groote wonde van Italië, haar vaderland, waren de erfelijke familieveeten. Catharina werd de engel der verzoening voor geheel Italië. Dat werk ontvlamde het meest haren ijver en hield haar onophoudelijk bezig. Zij had een wonderbare macht van God ontvangen om het uit te voeren. Do meest verwoede vijanden konden haar niet weerstaan. Door haar afkomst behoorde zij tot het volk; zij had ook vele vrienden en leerlingen onder de rijken. Doch in het belang van hare zending des vredes sloot zij zich bij geen enkele partij aan. Zij beminde niets dan de zielen en zocht alleen die te redden. âDaarvoor zoude ik,quot; zoo schrijft zij, âduizend levens offeren, indien ik ze had.quot; ')
Hoe verheven, maar ook hoe eenvoudig is de heiligheid van Catharina. Wij zijn verwonderd, wanneer wij haar hooren en gadeslaan. Welk een vuur bezielt hare woorden! Welk een zalving vergezelt ze! Zij drukt zich met een go-makkelijkheid uit, die door niets gestremd wordt, natuurlijk, eenvoudig, ongedwongen; wij ontvangen de verhevenste denkbeelden [over het Goddelijk Wezen, de grootheden van God, de geheimen van God, over Zijn barmhartigheden, over Zijn oordeelen, over de wegen Zijner Voorzienigheid, over Zijne inwendige mededeelingen en openbaringen. Dit
') 59 Brief.
230
is des te wonderbaarder, naarmate de persoon, die zulk een sublieme taal spreekt, slechts een eenvoudige, zwakke, tengere maagd is, de dochter van een werkman. In welke school is zij onderricht? Welke meesters heeft zij geraadpleegd? Welke boeken heeft zij gelezen? Gelukzalig de memch , dien Gij onderwijst, o Heer, en wien Gij moe wet leert. (Ps. 93).
God alleen is de leermeester van Catharina geweest. Zij heeft geen andere school gehad dan het gebed, waarin zij haar hart met ootmoed en kinderlijkheid voor God geopend heeft. Geen andere boeken had zij noodig dan een blik op het kruisbeeld, het opengeslagen boek der liefde, dan een voortdurende aandacht op Gods tegenwoordigheid, dan het godvruchtig vieren der Heilige Geheimen, dan het zoet verkeer met Jezus in het aanbiddelijk Sacrament des Altaars, dan de trouwe vervulling harer plichten, dan een volmaakte gelijkvormigheid met 's Heeren heiligen wil. Zoo werd zij door de genade gevormd, ontwikkelt, verlicht en verheven. Aan zulke zielen, eenvoudig als de duif en nederig als hot kind, aan die reine, oprechte, argelooze zielen schenkt God de volheid Zijner verlichting. Het is Zijn wellust met haar te verkeeren. Hij spreekt tot haar hart op duizend onbeschrijfelijke manieren; en die kennis des harten, die kennis van het leven, die kennis van de beproeving en de ondervinding, die Hij haar mededeelt, overtreft alle wetenschappen. De wijsheid voert den rechtvaardige langs rechte wegen, toont hem het rijk Gods, geeft hem de kennis der Hti-ligen, brengt hem tol eere, en verleent hem eeuwige glorie; zij opent den mond der stommen en maakt de tongen der kinderen welsprekend. (Wijsh. X).
Hoe verheven dus de heiligheid van Catharina ook is, zij heeft toch een zijde, die onder ons bereik valt. Catharina, de serafijnsche bruid van Jezus Christus, met do hoogste openbaringen begunstigd, aan den Zaligmaker to Siena verloofd , gestigmatiseerd te Pisa, door het Brood des levens gevoed, vredestichtster te Florence, gezante van Gregorius, raadgeefster van Urbanus, martelares voor den Heiligen Stoel, is voorwaar een persoonlijkheid, die ons door haar grootheid en haren luister overweldigt. Maar Catharina, de vriendin van God cu van de mcascheu, die haar wil in alles aan God
231
onderwierp, de teedere moeder van haar geestelijke kinderen, de hulp der armen, de verpleegster der zieken, de toevlucht der zondaren, de vredebode , zij, die haar vaderland hartstochtelijk beminde, de sterke vrouw, met haar fijn, door het goddelijk licht veredeld verstand, met haar takt, voorzichtigheid, doorzicht en beleid, met haar ruime, breede opvatting, met haar ijzeren wilskracht en onverwinbare standvastigheid in het uitvoeren van besluiten, die zij na rijp beraad voor Grod had genomen, do teedere maagd, met haar warme toegenegenheid voor alles, wat schoon, goed en edel is, met haar verstandige en vriendelijke woorden, met haar hemelschen glimlach en haar zachte, aantrekkelijke persoonlijkheid, is inderdaad een wezen, dat wij liefhebben en navolgen moeten; wij openen voor haar ons hart en brengen haar liet offer onzer innige liefde en onzen kinderlijken eerbied niet alleen aan de Heilige, maar ook aan onze moeder en vriendin.
Zij is bij uitstek dc sterke vrouw, gelijk het Boek der Spreuken ze ons schildert. Zij gordt hare lenden met kracht, en zij versterkt hare armen. Zij strekt hare hand uit tot groote dingen. Zij opent hare hand voor den arme, en zij strekt hare handen uit tot den nooddruftige. Sterkte en heerlijkheid zijn hare kleeding. Zij doet haren mond open met loijsheid en op hare tong is de wet der goeddadigheid. Zij beschouwt de gangen van haar huis en eet haar brood niet ledig. Vele dochters hebben zich rijkdommen verzameld; gij echter hebt ze allen overtroffen. Bedrieg elijk is de bevalligheid en ij del de schoonheid, een vrouw, die den Heer vreest, zal geprezen worden. (Spreuk. 31).
Do godsvrucht van Catharina, welke niets dan Gods welbehagen zocht, niet aan luimen, neigingen der natuur of opwellingen van een overdreven ijver gehoor gaf, was dus eenvoudig, zachtzinnig, beminnelijk, kalm en zeker in al haar handelingen. Zij ging argeloos door het leven als een kind aan de hand zijner moeder, dat zich leiden laat zonder zich te bekommeren om de plaats, waarheen liet gaat. Hare deugd was helder als het licht van den dageraad, dat allo nachtelijke onzekerheid voor den pelgrim oplost, als de eeuwige baan der sterren, die nooit afwijkt, als de bij op den bloesem, die den honing vindt en omhet gif niet denkt.
Zij aarzelt niet, zij vreest niet, zij voelt, wat des Heeren is, en doet, wat zij gevoelt, en wat zij doet is zegepraal in Christus. De plichten zijn voor haar geen last, geen doornen, maar geurige, frissche bloemen, die zij langs haar pelgrimsweg plukt en tot een krans vlecht voor de eeuwigheid. Haar kennen is licht, dat van den hemel stroomt, haar vreugde is de wellust der genade, haar verlangen niets dan God, die haar leidt. En waar God is, daar is vrede, dien de wereld niet geven kan, waar God is, daar is alles klaar en bestendig. Hare deugd is groot door de volmaaktheid in het kleine. Zich zelve blijft zij steeds gelijk. Zij kent slechts éen doel, namelijk God, maar heeft geen bijoogmerken of eigenbelang. Gelijk de werken der natuur, zoo waren de werken barer deugd. De natuur overlegt niet en dwingt niet; frisch en ongedwongen ontkiemt alles en schiet op en brengt bladeren, bloemen en vruchten voort; en alles is heerlijk en vol leven, en alles is éen en toch oneindig verscheiden.
Hoe maatschappelijk was de deugd van Catharina ondanks hare verborgenheid, verhevenheid en gestrengheid. Zij was niet van de wereld, maar toch midden in de wereld. Zij beminde haar en haatte haar; zij trok haar tot zich en ontvluchtte haar; zij veroordeelde haar en heiligde haar; zij bestreed haar en offerde zich voor haar op. De zeeman trekt zelfs van de tegenwinden partij; zoo gebruikte zij de vooroordeelen der wereld om haar beter te maken. Behendig taste zij de wereld in hare zwakheden aan om haar de leer des kruises te doen aannemen. Zoo was zij heilig en tevens beminnelijk. Terwijl zij hare tijdgenooten door haar hemelsch leven verbaasde, was zij geduldig jegens de gebreken barer huisgenooten, minzaam jegens hare leerlingen, medelijdend voor de armen, barmhartig voor de zondaars, eenvoudig met de eenvoudigen, vroolijk met de blijden, bedroefd met de bedrukten, inschikkelijk en goedig voor iedereen. Haar omgang heeft niets hitters en haar gezelschap niets terugstobtends, maar vreugde en lust. (Wijsh. 8.)
Wat is grootendeels de reden van Catharina's onmetelijken invloed op de Christelijke maatschappij van haren tijd? Hare engelachtige zachtmoedigheid, naar het woord des Zaligmakers: Zalig zijn de zachtmoedig en, want zij zullen de aarde
233
hezitlen (Matth. 5, 5). Evenals Christus, de Hoogepriester van het Nieuwe Verbond, wist zij medelijden te hebben met de zwakheden der menschen; zij liet de ongelukkigen naar ziel of lichaam niet aan hun lot over noch stiet hen hardvochtig terug, maar zij maakte het verloren schaap los uit de doornen, drukte het aan haar hart ca droeg het op hare schouders in den schaapstal terug. Door die zachtmoedige, voorkomende liefde won zij het vertrouwen en opende zich aller harten. Zij beminde, en de wereld behoorde haar toe.
Doorloopt haar gansche leven, gij vindt er geen dubbelhartig woord, geen berekening, geen gedwongenheid. Haar ziel is kristalhelder, haar hart open en argeloos. Haar houding en manieren verraden een hoffelijkheid en wellevendheid, die uit den overvloed der liefde voortvloeit. Geheel haar optreden is waardig en zelfstandig: zij daalt af tot haar minderen zonder zich te verlagen, zij stijgt op tot hare meerderen zonder ze vleien. Geen ijdel, nutteloos of berispelijk woord ontsnapt haren mond.
De welsprekendheid van Catharina was bewonderenswaardig. Onwetenden en geleerden zeiden: âVan waar heeft zij zulk een wetenschap, daar zij nooit gestudeerd heeft?quot; Haar woord verrukte de gansche wereld; hare tegenstrevers verkondigden overal haren lof, wanneer zij haar gehoord hadden. Zij sprak met zulk een gezag, overtuiging en bekoorlijkheid, dat zij de hoogste personen tot zich trok. ')
Haar uiterlijk was altijd blijmoedig en opgeruimd, nooit onrustig of gejaagd. De hevigste pijnen of de grievendste vervolgingen konden den hemelschen glimlach van verge-noegdheid van haar gelaat niet verdrijven quot;)
De beproevingen schenen haar gelukkig te maken. Wanneer nieuwe pijnen haar overvielen, noemde zij ze lachende hare rozen en bloemen. Toen zij op zekeren dag veel leed, zeide zij: âIndien men wist, hoe zoet de smarten zijn, die men voor God lijdt, men zou ze met grooter vreugde en dankbaarheid ontvangen dan al Zijn andere weldaden. :')
') Bartholomaeus van Siena. 2) Ibidem.
â ') Thomas Caftarini van Siena.
234
Bij de schildering van Catharina's deugden betaamt het haar portret te schetsen.
De tijdgenooten hebben de beeltenis der serafijnsche maagd niet geteekcnd. Doch uit het geheel van hun getuigenissen blijkt, dai hare gestalte meer dan middelmatig was, hare houding edel en waardig, hare ledematen wel gevormd. Men beweert, dat hare schoonheid meer in- dan uitwendig was, en men beroept zich voor dit gevoelen op de Zusters der Derde Orde te Siena, die zeiden, dat zij Catharina zouden aannemen, wanneer zij niet al te schoon was. Al haar leerlingen getuigen, dat haar reine, engelachtige ziel in geheel haar uiterlijk doorstraalde en een bovenaardschen, hciligmakenden invloed op iedereen uitoefende.
Het hoofd van Catharina, dat te Siena bewaard wordt, verschaft weinig nadere bijzonderheden en aanduidingen. Het is middelmatig groot en langwerpig rond. De oogcn zijn gesloten, do mond is half geopend. De samengetrokken lippen laten tanden van buitengewone blankheid zien. De uitdrukking is over het algemeen vol kalme majesteit en berusting. Men ziet er de sporen van haar wreede pijnen.
Boven het altaar der kapel van de Zusters in de Predik-heerenkerk te Siena bevindt zich een portret van de H. Catharina. Men zegt, dat haar leerling Andreas Vanni het tijdens haar leven schilderde. De heilige is staande voorgesteld. Zij houdt een lelie in de linkerhand. Met de rechterhand raakt zij de lippen aan van een jeugdige maagd, die vóór haar nedergeknield is. De gestalte is mager en lang, de uitdrukking zacht en rein.
Wij sluiten dit korte overzicht met een gebed van Catharina, het slot van haar samenspraken met God, waarin haar groote ziel en haar geestelijk leven helder weerspiegeld worden.
,, O Vader, ik dank u, dat Gij uw schepsel niet veracht hebt. Gij hebt Uw gelaat van mij niet afgewend, en Gij hebt mijne verlangens niet teruggestooten. Gij, het Licht, Gij hebt niet gelet op mijne duisternissen; Gij, liet Leven, Gij hebt U niet verwijderd van mij, die de dood ben; Gij, de opperste Geneesheer, Gij hebt op mijn groote zwakheid neergezien; Gij, de eeuwige Zuiverheid, Gij hebt U niet afgewend van mijne smetten en mijne ellenden; Gij, de
235
Oneindige, ik, het niet; Gij, de Wijsheid, ik, de dwaasheid. Ondanks de ontelbare fouten en gebreken, die er in mij zijn, hebt Gij mij niet versmaad; ja. Gij, de Wijsheid, de Barmhartigheid, de Goedertierenheid, Gij, liet opperste en oneindige Goed. In Uw licht heb ik het licht gevonden, in Uwe wijsheid de waarheid, in Uwe goedheid de liefde tot U en tot den naaste. Wie heeft U daartoe bewogen? Niet mijne deugden, maar alleen Uwe liefde. Do liefde heeft U bewogen om het oog van mijn verstand met het licht des geloofs te verlichten, om mij Uwe Waarheid, die zich aan mij openbaart, te doen kennen en begrijpen.
Geef, Heer, dat mijn geheugen Uwe weldaden kan onthouden; dat mijn wil door het vuur Uwer liefde ontstoken worde; dat dit vuur mij al mijn bloed doe vergieten en dat ik met dit bloed, vergoten uit liefde voor het Bloed, en met den sleutel der gehoorzaamheid de deur des hemels openen kan. Ik vraag u uit den grond van mijn hart deze genade voor alle redelijke schepselen in 't algemeen en in het bijzonder, en voor het mystieke lichaam der Kerk. Ik belijd en ik ontken het niet, dat Gij mij vóór mijne geboorte bemind hebt, en dat Gij mij bemint tot de dwaasheid der liefde.
O eeuwige Drieëenheid, o Godheid, die, door de vereeni-ging met Uwe Goddelijke natuur, zulk een groote waarde aan het Bloed van Uwen eenigen Zoon hebt gegeven, o eeuwige Drieëenheid, Gij zijt een diepe zee. Hoe dieper ik mij daarin dompel, hoe moer ik U vind, en hoe meer ik U vind, hoe meer ik U zoek. Gij zijt onuitputtelijk, en terwijl Gij de ziel in Uwe diepten verzadigt, bevredigt Gij haar nooit; zij hongert altijd naar U, o eeuwige Drieëenheid; zij verlangt U te zien door het licht in Uw licht.
Gelijk het hert smacht naar liet levende water der bronnen, zoo verlangt mijne ziel uit den duisteren kerker van haar lichaam te vertrekken om u in de waarachtigheid van Uw Wezen te aanschouwen. Hoe lang nog zal Uw aanschijn voor mijne blikken verborgen blijven, o eeuwige Drievuldigheid? Vuur en afgrond van liefde, verdrijf toch die wolk van mijn lichaam, want de kennis, die Gij mij over U zeiven in Uwe Waarheid geschonken hebt, doet mij geweldig verzuchten om don last van mijn lichaam af te loggen en miju
23B
leven te offeren voor de eer en de glorie van Uwen Naam. ')
O eeuwige God, Uw Zoon, getrouw aan Uwen wil, heeft Zijn kostbaar Bloed voor ons, ellendelingen, aan liet hout van het Heilig Kruis vergoten. Hoe zal ik U dank zeggen voor zoo groote weldaden , ik, ellendig schepsel, en Gij, de Wijsheid, de Macht, de Goedheid zelve. Gij zijt de Schoonheid zelve, en ik ben niets dan geringheid en verachtelijkheid. Gij zijt het eeuwige Leven, ik de dood; Gij bet Licht, ik de duisternis; Gij de Wijsheid, ik de dwaasheid; Gij de Oneindige, ik de broosheid zelve. Ieder oogenblik kan ik sterven, o Geneesheer, Gij ziet de kwalen, die mij neerdrukken. Ik heb mijn ziel en mijn leven verloren door U niet te beminnen, U, die ons voor U gemaakt hebt en die ons voortdurend door Uwe genade tot U trekt; U, die ons met U zoude vereenigen, indien wij er in toestemden, indien onze wil zich niet tegen Uwe heilige Majesteit verzette.
O allerhoogste en onuitsprekelijke God, ik heb gezondigd en ik ben niet waardig tot U te bidden, maar Gij kunt mij minder onwaardig maken. Straf, Heer, mijne zonden, en zie niet op mijne ellende. Ik heb van ü een lichaam ontvangen, dat ik U teruggeef en dat ik U opoffer. Zie hier mijn vleesch en mijn bloed; sla, verbrijzel, vergruizei mijn beenderen tot stof, maar geef mij , wat ik U vraag voor den Opperpriester, den eenigen Bruidegom van Uw eenige Bruid. Moge hij steeds Uwen wil kennen, hem beminnen en volgen, opdat wij niet vergaan. Schenk hem, o God, een nieuw hart; dat Uwe genade in hom steeds aangroeie. Moge hij onvermoeid den standaard van Uw heilig kruis dragen en de schatten Uwer barmhartigheid aan de ongeloovigen uitdeelen evenals aan ons , die deelgenoot zijn aan liet lijden en het Bloed van het vlekkelooze Lam, Uwen welbeminden Zoon. Ik heb gezondigd, o Heer, eeuwige God, ontferm U mijner!quot; quot;)
*) Samenspr. c. 1G7.
s) Gebed van de II. Cathariiia.
TWEEDE BOEK.
OPENBAAR LETEN TAN DE l CATHARINA.
1372â1380.
EERSTE HOOFDSTUK.
Aard van Catliarina's werkzaamheid. Zij begint hare zendiiig te Siena.
Deze is Mij een uitverkoren vat om Mijnen Naam te dragen voor de J [eidenen, en de koningen, en de kinderen Israels. Want Ik zal hem toonen, hoeveel hij lijden moet om Mijnen Naam. Handel. 9, 15.
Hij ontvangt en begrijpt deze leer, en omdat hij ze heeft begrepen, wijdt hij zich toe aan de eer van God en den dienst van den naaste. Vol ijver wordt hij een uitverkoren vat en is altijd bereid om liet woord van God te brengen en te verspreiden.
135. Brief.
1372â1374.
T
(gllgot nu toe hebben wij het verborgen leven van Catharina verhaald. Haar leven was echter meer dan een onafgebroken reeks van stille deugden en bovennatuurlijke genaden. Deze moesten niet louter voor haar zelve, maar ook voor anderen nuttig zijn. Zij was een uitverkoren vat om Gods Naam voor vorsten en volkeren te brengen. (Act. Ap. 9, 15).
Haar openbaar leven werd door het verborgene voorbereid. Zij verscheen als een apostel des vredes voor haar vaderland en voor de Kerk. Haar vaderland had zij hartstochtelijk lief en gaf het in hare brieven de teederste namen. Tevens hield zij aan den geest barer Orde vast, die in de eerste jaren van haar bestaan veelal geroepen was vrede tusschen vijandelijke partijen te stichten. In het midden der bloedige gt; oneenighedeu en oorlogen, die Italië en de Kerk verscheurden , trad de nederige Zuster van Dominicus kloekmoedig op als de engel des vredes en der verzoening. Terwijl zij niet ophield hare reine handen hemelwaarts te helfen en dn een-
240
heid tusschen de volkeren af te smeeken, begon zij manhaftig den krijgstocht om de verdeelde partijen te verzoenen. Wanneer alle menschelijke hulpmiddelen ontoereikend schijnen , wanneer er geen uitweg meer open ligt, dan geeft God op onmerkbare, doch krachtige wijze zulk een wonder-bare uitkomst, dat ook de verstandigen der wereld verstomd uitroepen; De vinger Gods is hier. Aan Catharina denkt niemand, zij is immers arm, onaanzienlijk, krank, ongeletterd , zij weet van de wereld niets en heeft haar niet eens gezien. Toch is zij voor God hot middel om het sterke te beschamen. Haar werkzaamheid kenmerkt zich door strenge plichtsbetrachting, maar ook door beminnelijken eenvoud, door mannelijke kracht, maar ook door moederlijke teederheid. Haar loopbaan is zeldzaam en voor een vrouw geheel ongewoon, doch zij handelt krachtens een hoogere roeping, een hoogere voorlichting, een hoogere genade.
Catharina, alhoewel dood voor de wereld, nam deel aan al de woelingen van haren tijd, gedreven door christelijke liefde om de kwalen der maatschappij te genezen. Zij hield niet op te zuchten, te weenen en om redding te smeeken. Zij moest een buitengewone zending vervullen; zij wist het; zij oordeelde, dat het uur geslagen was om de bijl aan den wortel te leggen. De kennis van haar verheven roeping vervulde haar met een levendig besef van haar eigen onvermogen, maar ook met een levendig vertrouwen op God. Het eerste maakte haar voorzichtig, het tweede standvastig. Met mannenmoed begon zij den reuzenarbeid om aan haar vaderland en aan de Kerk den vrede terug te schenken. Het was haar bede dag en nacht. Alles voor allen te worden om allen voor Christus te winnen beteekende niets voor een edelmoedige ziel, die voor de wereld gekruisigd was en door de liefde werd aangedreven. Zonder vrees of menschelijk opzicht richtte zij hare brieven aan bestuurders en onderhoorigen om beiden tot hun plicht terug te brengen. Alhoewel zij over tijdelijke of staatkundige zaken schreef, bracht zij ze altijd met den godsdienst of de zaligheid der zielen in verband. Aan iedereen zeide zij onbewimpeld, wat hij te doen en te laten had, wilde hij het eeuwig leven binnengaan. Hare menigvuldige brieven getuigen van de verhevenheid baars
241
harten on do wegslccpomlo kracht harer welsprekendheid.
De tegenstrevers van Catharina werden haar leerlingen en erkenden in haar de leiding der Voorzienigheid. De beroemdste geleerden bewonderden haar uitspraken. Pausen, kardinalen, bisschoppen, vorsten, edelen, krijgsoversten, staatslieden, leeraren, kloosterlingen uit alle orden, rijken, werklieden vroegen haar om raad. De verbitterdste vijanden konden haar niet weerstaan. En was haar wóórd krachteloos, dan zegevierde haar gebed over alle moeielijkheden. Wanneer zij om een bekeering bad, dan werden de verhardste zondaars verteederd.
In hare brieven, aan personen van iedercn stand en rang geschreven, leerde hun Catharina, hoe zij ieder de plichten van hunnen staat vervullen, tot liefde en vrede in huisgezin en maatschappij medewerken en de rechten der Kerk onder de gehoorzaamheid aan den wettigen Paus verdedigen moesten. Vorsten en overheden toonde zij aan, dat zij eerst zich zeiven zouden regeeren, wilden zij goed over anderen gebieden. â Het middel om anderen te besturen,'1 zoo schreef zij hun, âis zich zeiven wel te besturen. Hoe kan de eene blinde den anderen geleiden? Hoe kan een doode eenen doode begraven, de eene zieke den anderen verplegen, de eene arme den anderen helpen? Dit is immers onmogelijk. Ja, Heeren, wie zich door zijn driften laat medesleepen, wie zijn verstand door een zondig leven heeft verduisterd, kan noch zich zeiven noch God kennen. Voor hem is het onmogelijk de fouten zijner ouderhoorigen te zien, hoe zal hij ze dan kunnen verbeteren? En bijaldien hij ze zou willen verbeteren, zal hij het met dezelfde verblindheid en onvolmaaktheid doen, welke zijn eigen verbetering gebrekkig maken. En wat invloed zullen zijn woorden hebben, wanneer zij door zijn werken gelogenstraft worden?quot; ')
Met dezelfde vrijmoedigheid schreef zij aan de rechters van Siena: âWeest ware rechters en overheden in het ambt, waarin God u gesteld heeft; geeft aan den arme gelijk aan den rijke, wat hem toekomt volgens den eisch der heilige rechtvaardigheid, die altoos met een voorzichtig medelijden
!) G2. Brief.
16
242
moet gepaard gaan. Indien gij de rechtvaardigheid tot richtsnoer van uw gedrag neemt, dan zult gij in uwe ziel den vrede en tusschen uwe stadgenooten de eendracht en de rust bewaren. Indien gij rechtzinnig oordeelt, moet gij betreuren, dat er over ons zooveel rampen en onheilen zijn losgebarsten en nog dagelijks losbarsten, omdat de rechtvaardigheid geschonden wordt. Daarom wensch ik zoo vurig ze onder ons te zien heerschen; daarom bid en smeek ik ii alles in en volgens de rechtvaardigheid te oordeelen, uit te wijzen en te beslissen. ')
Catharina wees niet alleen de grondregels van een rechtvaardig bestuur aan, maar ook de wonden, die aan de maatschappij der veertiende eeuw geslagen waren. De wijsheid, waarmede zij aan een ieder volgens zijn ambt de oorzaken der rampen en do middelen ter genezing voorstelde, verraden haar edelaardige inborst, diepe kennis van het menschelijk hart en scherpzinnig verstand. In eenen brief aan een raadsheer van Siena spreekt zij aldus ; â De eeuwige Waarheid heeft allen voorgeschreven de heilige geboden te onderhouden; noch adel, noch rijkdom , noch macht, noch grootheid, in een woord, niets ter wereld kan of mag iemand beletten of verontschuldigen deze te volbrengen. Wees altoos een oprechte dienaar der rechtvaardigheid, vooreerst om u zeiven en dan om de anderen, opdat gij eens met een gerust geweten voor den allerrechtvaardigsten Rechter verschijnen moogt. Al wie voor zich zeiven niet rechtvaardig is, kan het ook voor anderen niet zijn, want iedere daad, zal zij rechtvaardig wezen, moet uit een rechtzinnig hart en een oprechte meening voortkomen. O mijn beminde broeder in Jezus Christus, volg het voorbeeld van het schuldeloos Lam, dat voor de zonden van anderen voldaan heeft door de rechtvaardigheid op zich toe te passen. Hebben wij niet duizendmaal meer ons zeiven volgens de rechtvaardigheid te behandelen om onze eigen zonden uit te boeten? Stel u dus voor den rechterstoel van uw geweten, ondervraag u zeiven en eisch van u zeiven rekenschap of van uw woorden, werken en gedachten, waaraan gij u voor God hebt pliehtig gemaakt;
') 212. Brief.
243
wek uwen wil op tot leedwezen over Je beleedigingen, den Schepper aangedaan, en vraag ootmoedig om vergiffenis. Wanneer wij de wetten der gerechtigheid alzoo eerst op ons zeiven toepassen, zullen wij allen goede bestuurders worden. ') Dergelijke brieven schreef zij aan de overheden en raadslieden van andere steden in Italië. Zij drukte hun op het hart, dat alle macht van God komt, met een heilige vrees, welgeregelde liefde en zonder willekeur uitgeoefend en met eerbied voor Hem, van wien men ze ontving, bewaard moet worden. quot;')
Door deze middelen poogde de Heilige het vuur der burgeroorlogen en staatsomwentelingen uit te dooven. Niet alleen door brieven, maar ook door daden wist zij vijandschappen of oneenigheden te vereffenen. Met dat doel doorliep zij bijna geheel Italië, van stad tot stad, van dorp tot dorp. Hare grenzenlooze liefde, ondersteund door de genade, maakte haar machtig genoeg om de moeielijkste verzoeningen te bewerken. Zij volbracht hare zending van liefde en vrede met onverschrokken moed, zelfs te midden van de woedendste oproeren en dreigendste gevaren.
Die zending der Heilige was drievoudig: zij strekte zich uit tot Siena, haar geboortestad, tot verschillende andere steden van Italië, vooral Florence, eindelijk tot de ge-heele Kerk.
Toen zij haar eenzaamheid verliet voor het openbare leven , wierp zij eerst een blik op Siena. Immers het Evangelie vernietigt de liefde tot het vaderland niet, maar versterkt ze en geeft haar een hooger doel en hooger kracht. Aan den grond, waarop wij het eerste levenslicht aanschouwden, zijn wij veel verschuldigd; zijn overleveringen, zijn grootheid, zijn gewoonten drukken een onuitwischbaren stempel in ons gemoed. Ieder onzer â quot;ertoont het merkteeken van den tijd waarin , en de plaats, waar hij geboren is. Schoon de Heiligen door de genade geworden zijn, wat zij waren, gevoelden zij toch den weldadigen invloed van hun geboortegrond. Zoo grifte Siena reeds vroegtijdig in de ziel van Catharina de
') 64 Brief. 2) 202 Brief.
244
sobere schoonheid zijner tempels, de godsdienstige overleveringen der familie Beuincasa, het beeld der Zusters van boetvaardigheid, den omgang met de Predikheeren en vele andere herinneringen.
Haat en liefde waren twee uitersten , welke, vooral in de Middeleeuwen, zeer scherp tegenover elkander stonden. Van het eene sloeg men over tot het andere; den middenweg kende men niet. Men werd van zondaar een voorbeeld der strengste boetvaardigheid. Beide hartstochten, zoowel de haat als de liefde, hadden toen iets geweldigs cn onuit-bluschbaars. Het overvloedige leven, dat in de aderen der maatschappij gloeide, openbaarde zich in wonderen van zelfverloochening en liefde , maar ook in die doodelijke vijandschappen, welke zelfs door het geloof met moeite gebreideld konden worden. De woeste, ongetemde kracht der heidensche voorvaderen werkte in de christen nazaten nog voort.
Door dien haat en dien naijver was de eeuw, waarin Catha-rina leefde, voor Italië een tijdperk van tweespalt, burgeroorlogen en broedertwisten. Twee partijen, de Welfen en de Gibellijnen, verscheurden het land cn verborgen onder een schoonklinkenden naam niets dan hebzucht, afgunst, wrok en haat. De verschillende steden en republieken gunden elkander het licht des hemels niet of zagen voortdurend met leede oogen, dat do eene door handel, nijverheid, kunst, wetenschap of macht de andere voorbijstreefde.- Kazend als verscheurende dieren wierpen burgers zich op burgers, bloedverwanten op bloedverwanten. Zij hadden geen rust, voor zij hun woede in het bloed gekoeld hadden.
Siena was de eerste bij deze vijandschappen. Het vuiig, bewegelijk karakter zijner inwoners, hun hooghartigheid en driestheid, de ij verzucht op andere steden van Italië, de gestadige veranderingen van het bestuur, alles werkte daar joe mede. Siena, te fier en ongedurig om een juk te dragen, was in meerdere partijen verscheurd. Nu eens dreven de Gibellijnen boven dan weder de Welfen. Onder de Welfen zoowel als onder de Gibellijnen hadden somtijds de edelen de bovenhand, somtijds de burgers, somtijds het volk. Het gezag ging niet van do eene hand in de andere over, ol de straten werden met burgerbloed gedrenkt.
245
Het jaar des Heeren 1368 en het volgende waren zeer ongelukkig voor Siena. Een bestuur uit het volk, de Twaalven geheeten, Avas aan het bewind. Haat tegen de edelen verteerde hen. Dezen, aan wier spits de machtige Salimbeni et Tholomei stonden, zwoeren heimelijk samen om zich schitterend te wreken. Doch het volk dreef hen na bloedige gevechten in hun kasteden terug en vormde een nieuw bestuur, uit vijftien leden bestaande.
In deze omstandigheden kwam Catharina haar geboortestad ter hulpe. Hoe teeder en moeilijk was de taak der nederige dochter van Benincasa. Door haar afkomst behoorde zij bij het volk; door liefdediensten had zij den adel aan zich verknocht; door het vredelievend karakter van haar zending stond zij boven alle partijen en zocht alleen zielen te redden, vrede en eensgezindheid aan huisgezin, maatschappij en Kerk terug te schenken. Maar vele moeielijkheden lagen op haar weg: de wijze waarop het regeerend bewind gevormd was, de feiten, die voorafgingen, een gezag, dat wankelde en wisselde, een adel, door partijzucht verdeeld, tallooze vastgewortclde vijandschappen, smeulende wrok over geleden nederlaag.
âIk heb gezocht en zoek zotider ophouden,quot; zoo schreef zij, â het heil uwer ziel en dat van uw lichaam; ik wijk voor geen vermoeienis terug en offer met een overvloed van tranen en verzuchtingen de vurigste wenschen aan God op, opdat de straffen der goddelijke rechtvaardigheid, door onze ongerechtigheden verdiend, niet op u terugvallen____ Ik bemin
u meer dan gij u zeiven bemint en ik verlang evenzeer als gij naar uwen vrede en. uw behoud. ')quot;
Daar Catharina overtuigd was, dat men vooral door de rechtvaardigheid de volkeren beter en gelukkiger maakt, trachtte zij deze deugd uit geheel haar vermogen in de harten van allen te planten. Een brief aan haar dierbaren leerling Andreas Vanni, die tot hoofd van het volk was benoemd, is hiervan een helder bewijs.
,, Ik zou niet weten, door welk middel wij anderen goed kunnen besturen, indien wij niet beginnen over ons zeiven te regeeren---- De rechtvaardigheid moet niet geschonden
') 201 Brief.
24 fi
of verzaakt worden noch door vrees voor lijden, noch-door die voor den lichamelijken dood, noch door bedreigingen, noch door vleierijen, noch uit gunst voor een schepsel, noch voor een goed dezer wereld. Zij moet met de eer en het leven der menschen voor geen goud handel drijven, gelijk zij doen, die onrechtvaardig leven zonder cenigen regel en zonder het licht der rede te volgen. De rechtvaardige geeft de rechtvaardigheid voor niets ter wereld prijs. Hij beoefent haar altijd uit al zijn krachten en zoekt daarin de eer van God, het heil van zijn ziel en het algemeen welzijn :) Wees waarachtig rechter en heer in het ambt, waarin God u gesteld heeft, en geef den arme zoowel als den rijke, wat hem toekomt, gelijk de heilige rechtvaardigheid dat vordert, die altijd van de barmhartigheid vergezeld moet gaan.quot; â )
Dezelfde vermaningen richtte de Heilige Catharina aan alle steden van Italië, hetzij zij onder een vorst of onder een meerledig bestuur stonden. Zoo schreef zij aan den magistraat van Bologna: âHet schijnt mij toe, dat gij het verlangen koestert den vooruitgang uwer stad te bestendigen en te vermeerderen, en dat dit verlangen u aangespoord heeft aan mij, een onwaardige, ellendige cn onvolmaakte, te schrijven... Indien gij rechtvaardig zijt, indien gij regeert overeenkomstig hetgeen wij vroeger gezegd hebben, niet met hartstocht, uit eigenliefde of eigenbelang, maar voor het algemeen welzijn gegrond op Christus, den zoeten Jezus, den levenden toetssteen; indien gij al uwe werken verricht en Hem vreest en aanroept, zult gij uwe macht, den vrede en de eendracht in uwe stad bewaren.quot; :l)
Door middel van deze verheven onderrichtingen poogde de Heilige te beletten, dat er nieuwe rampen over Italië en vóór alles over haar dierbaar Siena kwamen. Niet altijd waren zij toereikend om over de begeerlijkheid en de hebzucht te zegevieren, maar zij hielden die driften ten minste .n toom en verhinderden, dat zij tot een vernielenden brand uitsloegen. Wonderen van liefde volbracht zij om de vlammende hartstochten der Sieners te blusschen.
') 212 Brief.
'-) 208 Brief.
2OU Brief.
247
Een schitterend bewijs van den invloed, dien de liefde van de Heilige Catharina op de verstoktste gemoederen uitoefende, is de bekeering van Nicolaas Tuldo , een jeugdig en aanzienlijk burger van Peusa. Men bad hem beschuldigd, dat hij van Siena's stadbestuur kwaad gesproken en zijn vrienden aldaar had aangezet om tegen hun hatelijk bewind oproer te maken. Hij werd veroordeeld om onthoofd te worden. Toen men den fleren jongeling deze straf aankondigde, ontstak hij in woede. Verontwaardigd, dat hij in den bloei des levens moest sterven, begon hij vervloekingen en godslasteringen uit te braken. Te vergeefs bezochten hem verscheidene priesters; zijn hart was voor hen ontoegankelijk. Maar enkel op het hooren van Catharina's naam drong er een lichtstraal van geloof en hoop in zijn duistere ziel door. Men liet Catharina terstond roepen. Zij verhaalt ons zelve, hoe zij dien jongeling met God en met zijn vijanden verzoende.
â Ik ging Nicolaas Tuldo bezoeken. Dit gaf hem zulk een kracht en zulk een troost, dat hij in de volmaaktste stemming biechtte en mij deed beloven, dat ik uit liefde Gods bij hem zoude zijn, wanneer het verschrikkelijk oordeel der menschelijke gerechtigheid zou voltrokken worden. Ik heb het hem beloofd en ik heb het gedaan. In den morgen van dien dag ging ik naar hem toe, voor dat men de klok had geluid. Dit deed hem tot rust komen. Ik ging met hem de H Mis hooren. Hij ontving voor de eerste maal de Heilige Communie. Zijn wil was met den goddelijken wil vereenigd; hij vreesde alleen, dat hem op het laatste oogenblik de kracht ontbreken zou. Maar God schonk hem in Zijn oneindige goedheid zulk een liefde en zulk een verlangen naar Zijn tegenwoordigheid en Zijn bezit, dat hij zich haaste om tot Hem te gaan. Blijf bij mij , zeide hij, verlaat mij niet, en ik zal mij wel gevoelen, ik zal tevreden sterven. Dan legde hij zijn hoofd tegen mijn borst. Toen gevoelde ik een onbeschrijfelijke vreugde, ik bespeurde den geur van zijn bloed, vermengd met den geur van het mijne, dat ik voor den zoeten Jezus, mijn Bruidegom, verlang te vergieten. Dit verlangen nam toe in mijn hart, hetwelk in de vrees van het zijne deelde. Ik zeide tot hem: Schep moed, mijn teergeliefde broeder, want do eeuwige bruiloft is nabij; gij zult
248
u daar vertoonen, gedoopt in het Bloed van den Zoon Gods, terwijl gij den Zoeten Naam Jezus op uwe lippen draagt; ik wil niet, dat hij een oogenblik uit uw geheugen verdwijne. Ik zal u op de strafplaats opwachten. Zijn hart verloor toen alle vrees; zijn gelaat werd blij in plaats van gedrukt; hij trilde van vreugde en zeide: Va n waar geschiedt mij die buitengewone gunst, dat de zoetheid van mijn ziel mij op de heilige plaats der gerechtigheid afwacht? Gij ziet, welk een licht er in zijn ziel was opgegaan, omdat hij de strafplaats heilig noemde. Hij ging voort; Ja, vol moed en blijdschap zal ik gaan, cn als ik denk, dat gij er zijn zult, dan schijnt het mij toe, alsof ik nog duizend jaren te leven heb. Hij sprak nog vele andere zoete woorden , die getuigenis van Gods goedheid aflegden. Ik begaf mij dus naar de plaats der terechtstelling en ik wachtte hem op, terwijl ik zonder ophouden bad en do allerheiligste Maagd Maria en de Heilige Catharina maagd en martelares aanriep. Voor hij kwam, bukte ik mij neder en legde mijn hals op het blok, maar ik verkreeg niet, wat ik van ganscher harte wenschtc. Ik bad en smeekte met vurigheid tot Maria en ik zeide tot haar, dat ik op het laatste oogenblik deze dubbele genade verlangde; voor hein het licht en den vrede des harten en voor mij het geluk hem te zien wederkeeren tot zijn laatste einde, de eeuwige zaligheid. Mijn ziel was toen zoo overstelpt, dat ik niemand zag, ofschoon ik mij tusschen het volk bevond. Eindelijk kwam hij als een lam vol zachtmoedigheid, begon te glimlachen, toen hij mij zag, en vroeg, of ik het teeken des kruises over hem wilde maken. Ik deed het cn zeide tot hem: Ga, mijn dierbare broeder, naar de eeuwige bruiloft en geniet het leven, dat nooit eindigt. Dan strekte hij zich zeer zachtmoedig uit, ik ontbloote zijn hals, bukte mij tot hem neder en herinnerde hem aan het bloedig offer van het Goddelijk Lam. Zijn mond kon niets herhalen dan: Jezus, Catharina. Hij sprak dit uit tot ik zijn hoofd in mijn handen opving. Op dat oogenblik vestigde ik mijn blik op de schoonheid van God en zeide: Ik wil.quot; ')
Catharina verhaalt vervolgens, hoe zij de ziel van Tuldo
') 143 Brief.
249
naar het hcinelsch vredehof zag opstijgen, hoe deze daar met blijdschap werd ontvangen, waar de haat is uitgehluscht en enkel liefde woont.
Het gepeupel van Siena stond den raadsheer Vico de Mag-liano naar het leven. Catharina, door een heiligen vriendschapsband aan Monna Mitarella, zijn gade, verknocht, vernam dit en schreef hem een brief, waarin zij hem vol mannelijk geloof aanspoort in de beproevingen dezer wereld het hart tot don hemel te verheffen om eiken vonk van haat in zijn hart uit te dooven.
De liefde, waardoor deze godvruchtige maagd werd gedreven, maakte haar zoo machtig om deze moeilijke verzoeningen te bewerken, dat verschillende steden van Toscane spoedig hare hulp inriepen om de vijandschappen te beslechten. Daar zij zich om haar zelve niet bekommerde, als zij een goed werk kon verrichten, aarzelde zij niet met dit doel de omstreken van Siena in alle richtingen te doorkruisen.
Eens had zij zich naar Montepulciano begeven om de zonen van een zekeren Laurentius met elkander te verzoenen. Daar ontving zij Thomas Guelfaccio, een gezant van Siena's magistraten. Dezen smeekten haar, die uit heiligen ijver de liefdevolle moeder harer medeburgers was geworden, zoo spoedig mogelijk tot hen terug te keeren om een rampzalige vijandschap te beslechten. Zij moest het heilige en edele doel harer zending in aanmerking nemen, denken aan haar geboortegrond, zoo dikwijls door twisten verscheurd en door broederbloed geverfd, en haar bovenaardsche macht, die zij van God ontving, ten gunste der inwoners van Siena, wier gemoederen zij zoo wonderbaar kon leiden. gebruiken.
Zij antwoordde aan de magistraten der stad, bedankte hen voor hun verzoek, dat zij hare medeburgers met elkander zoude verzoenen, verzekerde hun , dat dit haar lievelingsdenkbeeld was en dat zij zich naar Siena zoude spoeden, zoodra zij de gemoederen te Montepulciano tot rust had gebracht. Zij voegde er bij, dat zij zich geheel onwaardig oordeelde machtig genoeg geschat te worden om den brand des haats te blusschen; dat zij volstrekt niets uit zich zelve vermocht, doch dat zij alles durfde ondernemen in den naam van God.
Een der schoonste overwinningen van Catharina was de
250
verzoening der Maconi met de Tholomei en Rinaldi, drie adellijke families van Siena. Onverzadigde wraakzucht verwijderde hen meer en meer van elkander. Aangemoedigd door zijn moeder Francisca Bandinelli, vormde Stephanns Maconi het besluit deze vijandige families met elkander te verzoenen. âIk ging,quot; zoo verhaalt hij zelf, âden raad van een edelman inwinnen, die door de tusschenkomst van Catha-rina een ingeroesten haat had afgelegd en haar vriend was geworden. Zoodra hij mij gehoord had, antwoordde hij mij: Wees er zeker van, dat gij niemand in de stad zult vinden, die meer in staat is deze verzoening te bewerken; stel het niet uit, ik zal u vergezellen. Zij ontving mij niet met de schroomvalligheid van een schuchtere maagd, zooals ik verwachtte . maar met de innige teederheid van een zuster, die haren broeder na een lange reis terugziet. Ik stond er verbaasd over. Gretig nam ik de heilige woorden aan, die zij mij toesprak om mij tot biechten en een christelijk leven over te halen. Dit is de vinger Gods, zeide ik in mij zeiven. Ik zette haar het doel mijner komst uiteen. Zij antwoordde mij onmiddellijk: Ga, mijn dierbare zoon, vertrouw op God, ik zal al mijn krachten inspannen om voor u een duurzamen vrede te verkrijgen; laat mij uwen last op mijne schouders nemen. Door hare bemiddeling bewerkten wij den vrede ondanks onze tegenstanders zeiven. De verzoening zoude in de kerk van Sint Christ ophorus plaats hebben. De dag was vastgesteld. Maar intusschen dedsn de Rinaldi en Tholomei hun woord niet gestand en vermeden iedere ontmoeting met Catharina of iemand der Maconi. Catharina vernam dit. Zij willen niet naar mij hooren, zeide zij, welnu, zij zullen naar God hooren. Zij begaf zich naar de kerk. Daar waren Stephanus Maconi, zijn vader Coenrad en zijn overige verwanten bijeeen. De engelachtige maagd knielt voor het hoogaltaar neder en stort vurige gebeden. Terwijl zij bidt en in geestvervoering is, komen zij, die iedere verzoening weigerden, de kerk in, zonder van elkander iets te weten. Zij zien de Heilige neergeknield en bemerken, hoe stralen van licht van haar gezicht uitgaan. Op hetzelfde oogenblik voelen zij zich overwonnen. Zij wenden zich'; tot Catharina un vragen haar, dat zij de voorwaarden van de verzoening
zoude regelen. Weldra schonken zij elkander vergiffenis.quot; ')
Later hield zij Stephanus Maconi van een samenzwering tegen het bestuur der stad terug. âO Stephanus, mijn welbeminde zoon/' zeide zij tot hem, âhoe gaat gij u zoo onvoorzichtig in die strikken verwikkelen, welke voor de ziel en voor het lichaam doodelijk zijn? Welken onzinnigen raad volgt gij? Wie hpeft hem u gegeven?quot; Die woorden waren voldoende om Stephanus Maconi voor altijd van samenzwering terug te houden en te bewegen, dat hij zijn verder leven aan deugd en goede werken wijdde.
Deze verzoeningen, door de dienstmaagd van God bewerkt, vermeerderden dagelijks den roep barer heiligheid en haren invloed op den gang der staatkunde. De magistraten riepen hare hulp in en noemden hare tegenwoordigheid te Siena onontbeerlijk. Eens waren zij bezorgd omtrent een langdurig verblijf van Catharina op het kasteel La Rocca bij de Salim-beni, die men niet zonder grond verdacht aan het bestuur dor stad vijandig gezind te zijn. Catharina schreef hun met een openhartigheid, die geen vrees bezit, en maakte zich over hun angstvalligheden vroolijk.
âMen heeft mij uw bezwaren en uw vermoedens medegedeeld; ik weet waarlijk niet, of men ze gelooven moet. Indien gij voor u zeiven evenzeer bezorgd waart als wij het zijn voor u, zij, die mij vergezellen en ik, dan zoudt gij zulke bedenkingen uit het hoofd zetten. AVij allen zoeken zonder ophouden uw welzijn, zoowel geestelijk als tijdelijk; wij ontzien geen vermoeienis; wij dragen onze vrome wen-schen, onze verzuchtingen en onze tranen aan God op om de goddelijke rechtvaardigheid te verhinderen, dat zij ons om onze zonden kastijdt, hetgeen wij verdienen. Ik bemin u meer dan gij u zeiven bemint, en ik wensch, evenals gij , uwen vrede en uw behoud. Het is schande voor burgers van Siena te gelooven of zelfs te denken, dat ik naar de Salimbini ben gegaan om samenzweringen te smeden. Zij vreezen de dienaren Gods en zij vreezen niet de boosdoeners! Zij spelen den waarzegger en kennen de waarheid niet.quot;
') Maconi.
2) 50 Brief.
252
Nu vroeg de magistraat van Siena dringend aan de Heilige naar hare geboortestad over te komen om een pas gerezen geschil te vereffenen. Zij antwoordde hun: â Dierbare broeders en heeren, ik dank u voor de liefde, welke ik u jegens uwe medeburgers zie betoonen, wier vrede gij zoekt, en jegens mij, die het niet waardig ben. Gij verlangt, dat ik terugkeer, en gij vraagt mij de middelen om den vrede te l)ewerken. Ik ben tot niets in staat, maar ik zal God laten handelen, en ik zal het hoofd buigen, naar gelang de Heilige Geest mij veroorloven zal aan uwe bevelen te gehoorzamen en te gaan, waar gij verkiest; want ik zal altijd den wil van God boven dien der menschen stellen. Zoodra God mij de genade schenkt, zal ik terugkeeren. Hebt geduld, gij en de anderen; het geduld blijft altijd overwinnaar, daardoor zullen wij zegevieren.quot; ')
Zoo stortte de engelreine Maagd van Siena in aller harten den balsem der goddelijke liefde en des vredes. Onmogelijk zou het zijn de bekeeringen op te tellen, die zij bewerkte , en de genadegaven. die zij voor anderen verwierf. Somtijds stroomden er op een dag meer dan duizend personen , mannen en vrouwen, tot haar samen van de omringende bergen en uit het grondgebied van Siena. De eenen voelden zich reeds medegesleept tot een heiliger leven, voor zij nog een woord uit haren mond hadden vernomen, zoodra zij slechts den glans van haar engelachtig gelaat hadden gezien; anderen vielen rouwmoenig voor het Allerheiligste neder, als zij had gesproken. De Predikheeren konden allen niet biechthooren, zoo groot was de menigte van hen, die door haar bliksemende welsprekendheid verpletterd,. den stoel van boetvaardigheid belegerden. Aan het vuur barer ziel ontleende zij zulk een kracht en zulk een teederheid van taal, dat zij geen woord kon spreken, of de bloemen der goddelijke genade ontloken in de harten der geloovigen. Zooveel wonderbare feiten bewogen Paus Gregorius XI haar een apostolaat toe te vertrouwen, waarvan men geen wedergade in de geschiedenis vindt. Hij stond haar toe het grondgebied van Siena te doorkruisen, vergezeld van drie
') 60. Brief.
258
kloosterlingen, met uitgestrekte volmachten voorzien. Een enkel feit, dat voor duizende geldt, willen wij hier aanhalen. Deze engelachtige maagd, wier wandel in den hemel was, wijdde al de krachten harer ziel aan de bekeering eener slechte vrouw en schreef haar een brief, waarin men niet weet, wat sterker is, of de grootheid harer ziel of de liefde, waarmede zulk een rein gemoed over de afschuwelijkste onteeringen spreekt.
âMijne dochter,quot; schreef zij aan deze vrouw, âik ween en ik zucht, omdat gij , naar het beeld en de gelijkenis van God geschapen, en uwe waardigheid èn den onschat-baren prijs vergeet, waarvoor gij zijt vrijgekocht. Denkt gij er dan niet aan, mijne dochter, hoe groot uwe slavernij is, hoe ellendig en ongelukkig gij zijt, daar gij reeds in dit leven de hel en het gezelschap der afschuwelijke duivels hebt? Ga binnen in de wonden van den Zoon Gods als dienstmaagd en als slavin, door Zijn Bloed verlost; gij zult er een liefdevuur vinden zoo brandend, dat het al uwe ellenden en al uwe gebreken zal verteren, en gij zult zien , dat Hij uit dit Blued voor u een bad heeft gemaakt om u van de melaatschheid der zoude te zuiveren. ')
In geheel de Kerkelijke Geschiedenis is er geen voorbeeld van een vrouw, die gezonden was om de zondaars in het openbaar te bekeeren, die door de hand Gods geleid werd om een gansche stad te heiligen, die deugd en plichtsbetrachting met het gezag van een apostel predikte en geheele staten daartoe aanspoorde. Dit vindt men alleen in het leven van de H. Catharina. De welsprekende woorden ontstroomden zoo krachtig, aan haar hart, dat zij de verstoktste gemoederen overmeesterde. Alleen beantwoordde zij aan al de eischen van haar apostolaat. Het moeilijkste verkoos zij boven alles en deinsde voor geen hindernis terug. Al hare brieven gloeien van hetzelfde liefdevuur voor God en de menschen. Zij verraden een ziel, die hongert en dorst naar de bekeering der zondaars. Zoo schreef zij eens aan een Jood van Padua, die te Siena woeker en bedrog pleegde. Haar doordringend en meesleepend woord won dien zoon van Israël voor de Katholieke Kerk 2)
') 373. Brief. 310. Brief.
â 254:
Zoo schreef zij op een Witten Donderdag aan al de gevangenen van Siena en wees hun op Christus' bitter lijden en kruisdood om hen tot geduld aan te sporen.
âO onuitsprekelijke liefde!quot; schrijft zij, âGij bidt niet alleen voor hen, die U kruisigen, maar Gij verontschuldigt hen door deze verheven woorden: Vergeef hun mijn Vader, want zij weten niet wat zij doen. O geduld boven alle geduld! Wie toch , geslagen , gegeeseld, gehoond en ter dood gebracht, heeft ooit aan zijn vervolgers vergeven en voor hen gebeden? Gij alleen, mijn Heer en God. Voor ons, zwakke en zieke kinderen, hebt Gij het bittere geneesmiddel genomen en Gij hebt ons het leven door Uwen dood geschonken en met de bitterheid hebt Gij ons de zoetheid gegeven.quot; ')
Nieuwe woelingen en vijandschappen verscheurden de burgers van Siena. Wij behoeven niet te zeggen, met welke oogen Catharina deze treurige gebeurtenissen beschouwde en welk deel zij er aan nam.
Nog was de grond van dat broederbloed doorweekt, toen een verschrikkelijke hongersnood en een moorddadige pest als de verderfengel der goddelijke wraak de burgers sloeg.
De sterfte was te Siena verschrikkelijk. Daar trof de geesel jonge lieden en grijsaards, vrouwen en kinderen. De pest drong door tot Lucca, Pisa en Florence.
De schrik, die zij overal verspreidde, was oorzaak van vele hardvochtigheden. Daar men zag, dat geen voorzorgsmaatregelen, geen menschelijke voorzichtigheid tegen deze ramp beveiligde, beschouwde men de vlucht als het eenige middel om zich te redden. Zoo stierven de meeste zieken geheel en al verlaten; niemand hunner ouders of vrienden bracht hun troost of verlichting. Bij deze algemeene ellende was Catharina de vertroostende engel van Siena. Bijgestaan door eenige Zusters van de Derde Orde, toonde zij, wat de liefde zelfs bij zwakke vrouwen vermag. Met gevaar van haar leven , dat zij gaarne voor Jezus Christus wilde slachtofferen, ging zij de ongelukkige pestkranken vertroosten. Zij vloog, waar de nood het grootste was. De stervenden hielp zij met woord en daad. De dooden begroef zij met eigen
') 310. Brief.
255
% handen. Zij werd alles voor allen. Gelukkig de zieken, aan wier stervenssponde zij lag neergeknield. Met onweerstaanbare liefde en zachtmoedigheid sprak zij hun van God en den hernel. Haar groote ziel deinsde voor geen gevaar terug. Allen spoorde zij tot boetvaardigheid aan. liet is niet mogelijk de teederheid en de kracht van haar woorden weer te geven. De eerbiedwaardige Raymundus van Capua, die de pestzieken niet verliet, was in verrukking over den vurigen ijver der engelachtige maagd. Hij verhaalt ons eenige wonderen , waarmede God haar naastenliefde zegende. Een rector van St. Maria ter Barmhartigheid, een heilig man, een godvruchtig kluizenaar, Santi genaamd, Frater Barthoiomaeus van Sint Dominicus uit Siena en Frater Raymundus zelf werden door de tusschenkomst der Heilige wonderdadig van de pest bevrijd. ')
â Op een morgenzoo verhaalt ons Raymundus van Capua, âging ik na de conventueele Mis uit om mijn zieken te bezoeken. Ik ging naar het gasthuis ter Barmhartigheid en vroeg, of er ook iemand door de pest was aangetast. Toen ik binnenkwam, zag ik, dat de Broeders vader Mattheus meer dood dan levend uit de kerk naar zijn kamer brachten. Zijn gelaat was bleek. De krachten hadden hem zoozeer begeven, dat hij niet meer kon spreken. Ik vroeg hem, of hij veel pijn had, maar hij kon mij niet meer antwoorden. Ik vroeg aan de omstanders, wat er met mijn vriend gebeurd was. Toen hij van nacht omstreeks elf uur bij een zieke waakte, zoo zeiden zij mij, voelde hij, dat hij door de pest werd aangetast; binnen weinige oogenblikken werd hij geheel zwak en mat. Ik zocht hem op en knielde bij zijn bed neder. Hij riep mij en biechtte, gelijk hij dikwijls placht te doen. De geneesheer verklaarde, dat zijn einde naderde.
Treurig ging ik heen en bad vurig tot God, dat Hij zulk een heilig en stichtend priester voor het hospitaal zoude bewaren. Middelerwijl had Catharina van vader Mathaeus' ziekte gehoord. Zij hield zeer veel van hem om zijn uitstekende deugden. Ijlings snelt zij nu naar hem heen. Nauwelijks is zij in de ziekenkamer gekoraen, of zij roept hein
') Legend. II, 8.
25(5
toe; Sta op, vader Matheus, sta op; liet is nu geen tijd om gemakkelijk in uw bed te liggen. Op hetzelfde oogeu-blik verdwenen de koorts en de pestbuilen; vader Mathaeus had geen pijn meer. De natuur gehoorzaamde aan haren Heer, die door den mond van Catharina sprak. De zieke stond verheugd op en dankte God voor de macht, die Hij aan Zijn dienstmaagd had geschonken. Hij zette zich aan tafel, at met de anderen mede, lachtte, schertste en praatte, alsof er niets gebeurd was. Uit nederigheid verwijderde Catharina zich. Ik kwam haar juist tegen , maar ik wist niet, wat er met mijn vriend voorgevallen was. Maar, Moeder, zoo riep ik haar toe, zult gij dan iemand, die ons zoo dierbaar en nuttig is, laten sterven? Wat praat gij toch? antwoordde zij mij, ben ik dan aan God gelijk, dat ik een mensch van den dood kan redden? Zeg dat, aan wien gij wilt, hernam ik, wat mij betreft, ik ken uw geheimen en ik weet, dat gij alles van God verkrijgt, wat gij Hem met vertrouwen vraagt. Nu boog zij het hoofd, begon te glimlachen, zag mij guitig aan en zei: Kom, goeden moed , hij zal nu niet sterven.quot; ')
In het gasthuis ter Barmhartigheid was een godvruchtige vrouw. Zij behoorde tot de Derde Orde van St. Dominic us. Vol bewondering voor de deugden van Catharina, wilde zij haar dienen, volgde leerzaam hare raadgevingen en koesterde een grenzenlooze vereering voor haar. Op zekeren dag was deze vrouw in hare kamer, toen de zolder inviel en haar in den val meesleepte. Geheel haar lichaam was met wonden overdekt. Half dood, trok men haar onder de puinen en balken te voorschijn. Zij weende en schreeuwde van de pijnen in al hare ledematen.
Catharina was diep bewogen, ging haar bezoeken en spoorde haar aan tot geduld. Dan begon zij , alsof zij de zieke verlichten wilde, de plaatsen te bevoelen, waarover zij klaagde. Terstond verdween de pijn, naarmate de maagdelijke hand van Catharina over het lichaam ging, tot de vrouw eindelijk geheel genezen was. 'quot;)
') Legend., II, 8. a) Ibidem.
Een lioilig kluizenaar in de nabijheid van Siena werd door de pest aangetast. Zoodra Catharina het vernam, liet zij hem naar het hospitaal ter Barmhartigheid overbrengen, bezocht hem met hare gezellinnen, en zorgde, dat hij alles ontving, wat hij noodig had. âVrees niet,quot; zoo sprak zij hem toe, âgij zult nu niet sterven.quot; Voor de omstanders nam zij evenwel den schijn aan van het tegendeel te gelooven. De ziekte verergerde snel en de krachten slonken weg. Doch Catharina fluisterde den zieke in het oor: âVrees niet, gij zult niet sterven.quot; Hij verstond dat woord en gevoelde zich wonderbaar opgebeurd. Reeds maakte men toebereidselen voor de begrafenis. Dagen verliepen er zonder eenige beterschap. Eindelijk kwam Catharina en zeide aan het oor van den zieke: âIk gebied u in den naam van Onzen Heer Jezus Christus niet te sterven.quot; De kluizenaar was genezen, stond op en vroeg te eten. ')
Raymundus van Capua had besloten zijn leven voor het heil der zielen te offeren. Terwijl allen vluchtten, bleef hij om de stervenden bij te staan en hun de troostmiddelen dei-Heilige Kerk te brengen. Catharina had hem geleerd de ziel van den evenmensch meer dan zijn eigen lichaam te beminnen. Hij was bijna de eenige priester in het groote Siena. Nauwelijks had hij tijd om een weinig te eten of te slapen. Op zekeren nacht wil hij opstaan om de getijden te bidden. Daar voelt hij een lievige pijn. Hij strekt er zijn hand naar uit en ontdekt een pestbuil. Weldra voegden zich koorts en hoofdpijn hierbij. Hij begon zich ernstig lot den dood voor te bereiden. Bij het aanbreken van den dag sleepte hij zich met zijn gezel naar de woning van Catharina. Doch deze was uitgegaan om een zieke te bezoeken. Afgemat wierp Raymundus zich op een bed neder. Toen Catharina nu terugkeerde, knielde zij bij hem neder, legde hare hand op zijn voorhoofd en begon in stilte te bidden. Dan geraakte zij in geestvervoering. Dit duurde een half uur ongeveer. Er ontstond toen in al zijn ledematen beweging. Uet was, alsof er iets met geweld uitging. Ieder oogenblik nam hij in
') Legend., II, 8. 3) Ibidem.
258
beterschap toe. Nadat Catharina tot haar zelve was gekomen, was hij geheel genezen. Wat zwakte alleen bleef er over. Zij bracht hem het gewone voedsel der zieken en beval hem een weinig te slapen. Bij zijn ontwaken zeide zij tot hem: â Ga thans aan het heil der zielen arbeiden en dank den Almachtige, die u uit dit gevaar gered heeft.quot; ')
Nog vele anderen genas Catharina, zooals Pater Bartho-lomaeus, die lang aan de pest ziek lag, en Zuster Gemmina, die in gevaar was aan een keelziekte te stikken. ,, Moeder, ik moet sterven, als gij mij niet helpt,quot; riep zij Catharina toe. Deze bracht haar hand aan de keel van de zieke. Zij was genezen. s)
Zoo vervulde Catharina het woord van den H. Jacobus: Een zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: weezen en weduwen in hun lijden te bezoeken en zich vlekkeloos van deze wereld te bewaren. (Jac. I, 27).
Nog heden bewaart men in de kamer van hot ouderlijke huis, dat zij bewoonde, de lantaarn, die zij gebruikte, wanneer zij naar de gasthuizen ging of hare aalmoezen rondbracht.
Op de pest volgde te Siena een bittere hongersnood. In dien tijd woonde Catharina, dikwijls verscheidene dagen, soms weken en maanden bij een jeugdige weduwe, Alessia geraamd. Deze had haar zoo lief, dat zij zonder haar niet meer kon leven. Het koren werd nu schaarsch. Vele burgers moesten graan koopen, dat door de vochtigheid bedorven was. Alessia deed hetzelfde. Later tegen den herfst bracht men nieuw en goed koren ter markt. Nu wilde Alessia het slechte meel wegwerpen en brood bakken van het nieuwe, dat zij gekocht had. Daarom zeide zij tot Catharina; â Moeder, dit meel geeft slecht brood, en daar God zich over ons ontfermd heeft, wil ik het weinige, dat er nog overblijft , wegwerpen.quot; Catharina antwoordde: âWaarom wilt gij wegwerpen, wat God tot spijs van den mensch heeft gemaakt ? Zoo gij dat brood niet wilt eten ,
') Legend., II, 8. 2) Ibidem.
259
geef het dan aan de armen, die niets hebben.quot; Maar Alessia zag er bezwaar in zulk slecht brood aan de armen te geven; het moest van goed meel zijn. Nu hernam Ca-tharina: âBreng water en hot meel. dat gij wilt wegwerpen; ik zal er zelve brood van maken voor de armen van Jezus Christus.quot;
Catharina bereidde nu het deeg en maakte broeden van het slechte meel, zoo spoedig en in zulk groot aantal, dat Alessia en hare dienstmaagd, die haar gadesloegen, stom van verbazing waren. Er was zeker vijfmaal meer meel noodig geweest. De brooden hadden volstrekt geen bedorven reuk. Catharina liet ze bakken en vervolgens opdienen. Allen vonden ze versch en zeer smakelijk. Frater Thomas, de biechtvader van Catharina, en andere godvruchtige en verstandige kloosterlingen kwamen het gebeurde onderzoeken. Zij waren opgetogen van bewondering. Oj) deze twee wonderen volgde nog een derde. Catharina liet de brooden uitdeden; men gaf er vele aan de armen, vele aan verschillende kloosters, en toch bleef er nog een groote hoeveelheid over. Zoo toonde God door de tusschenkomst van Zijne dienstmaagd op drie wijzen Zijn goddelijke almacht. Hij nam het bederf van het meel weg, vermeerderde het deeg en vermenigvuldigde do brooden. ')
Catharina gaf aan den eerbiedwaardigen Raymundus van Capua de volgende inlichtingen over dit feit: âIk verlangde vurig datgene, wat God ons gegeven had, niet weg te werpen. Ik had ook veel medelijden met de armen. Daarom ging ik met een groot vertrouwen naar de kist, waarin het meel was. Mijn zoete Koningin, de Maagd Maria, door heiligen en engelen omstuwd, verscheen mij; zij beval mij te doen , wat ik voornemens was. In hare goedertierenheid gewaar-digde zij zich zelve het meel te kneeden. De kracht van hare heilige handen heeft de brooden vermenigvuldigd. Had zij een brood klaar, dan gaf zij het aan mij en ik gaf het aan Alessia en aan hare dienstmaagd. Ik zeide tot haar: Mijne moeder, ik verwonder er mij niet meer over, dat deze brooden voor mij en voor allen, die er van gegeten
') Legend. II, 11.
260
hebben, zoo zoet waren, daar zij door de glorierijke handen van die groote Koningin waren gemaakt, in wier schoot de allerheiligste Drievuldigheid het brood hoeft gevormd, dat van den hemel nedergedaald is en aan alle geloovigen het loven schenkt.quot; ')
') Legend . II, 4.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Cathariua en de H. Agnes van Montepnlciano. De Heilige en Gregorius XI.
Hij was door God tot bekcerin^ van het volk bestemd,... hij verhief zijn hart tot den Heer en herstelde den godsdienst in de dagen der goddeloosheid.
Ecclesiastic. 49.
AVij zullen op onzen post blijven om kloekmoedig met de wapenen der deugd voor de zoete Bruid van Christus te strijden. Zoo wil ik mijn leven in tranen, offers, verzuchtingen eindigen, ja, mijn bloed en het merg mijner beenderen geven. 137 Brief.
1374.
fp;
\Q)atharma was door God geroepen om aan den voortgang
C 'der geheele Katholieke Kerk te arbeiden; haar ijver mocht zich dus niet hij de stad Siena bepalen. Dikwijls begaf zij zich naar naburige steden, vlekken, dorpen, kasteelen of kloosters. Deze reizen, die de rijkste vruchten afwierpen, verspreidden de faam van hare heiligheid, openbaarde den glans harer deugden aan allen en vervulden Italië met den roem harer wonderen.
De roep van Catharina's liefdewerken gedurende de pest te Siena had ook vele inwoners van Pisa, maar vooral de Zusters van een klooster aldaar met eerbied en bewondering vervuld. Zij verlangden vurig haar te zien en uit haar onderrichtingen voordeel te trokken. Zij verzochten haar dus naar Pisa over te komen. Doch het schijnt, dat de Zusters een heusche weigering ontvingen Daarom namen zij hun toevlucht tot
262
Petrus Gambacurta, hot hoofd der Republiek, i) Hij schreef een brief aan Catharina. Daarop antwoordde zij :
â Ik heb uw brief ontvangen; hij heeft mij zeer getroffen. Ik weet het wel, niet mijne deugd en voortreffelijkheid, want ik ben vol van ellende en zonden, maar uwe welwillendheid en die der vrome vrouwen heeft u aangezet om tot mij het nederig verzoek te richten bij u te komen. Ik wil volgaarne aan uw verlangen en het hare voldoen, maar voor het oogen-blik bid ik u mij te verontschuldigen. De staat mijner gezondheid laat het niet toe. Ook weet ik, dat het aanleiding tot gemor zou geven; doch ik hoop van Gods goedheid, dat ik, indien Zijn eer en het heil der zielen het vorderen, die reis in vrede zal kunnen doen zonder opschudding te verwekken. Dan ben ik bereid aan de hoogste Waarheid en aan uw bevel te gehoorzamen. Blijf in de heilige en zoete liefde van God. Dat Christus u met Zijn zoetste genaden zegene. Ik beveel mij met een teedere liefde aan die vrouwen aan. Mogen zij tot God voor mij bidden, opdat Hij mij ootmoedig en onderworpen aan mijn Schepper make. Amen. Geloofd zij de gekruiste Jezus.quot; ')
De toestand van de gezondheid der Heilige, welken zij als reden opgeeft, waarom zij niet naar Pisa kwam, was inderdaad veel slechter dan ooit te voren. Misschien had het veelvuldig en langdurig verplegen der pestkranken hare krachten uitgeput. Althans werd zij in Augustus 1374, op het feest van Maria's Hemelvaart, door een zware ziekte aangetast. Zij was den dood nabij, doch er vertoonden zich geen teekenen van pest bij haar. Zij zelve meende, dat zij ging sterven, en was opgetogen van blijdschap. Hare verrukking bij de gedachte, dat zij het eeuwige leven zoude binnengaan, was onbeschrijfelijk. Maar juist deze vreugde sterkte haar lichamelijke krachten zoozeer, dat het gevaar week. Hierover nu was zij zeer bedroefd. Zij bad allervurigt tot de allerheiligste Maagd Maria, dat zij toch dit ellendige leven mocht verlaten. Daarop verscheen haar de Koningin des hemels en sprak: ,) Catharina, mijne dochter, ziet gij de menigte van menschen
') Legend. II, 8. 2) 75 Brief.
263
achter mij? Nu dan, zie en kies. Mijn Goddelijke Zoon verlangt, dat gij nog langer leeft en Hij wil al deze zielen, behalve diegenen, welke Hij n reeds gegeven heeft, aan u overlaten, opdat gij ze tot het eeuwige leven brengt, mits uw dood tot later verschoven worde. Maar zoo gij liever thans wilt sterven, wil Hij ze niet aan u overgeven. Gij kunt dus kiezen.quot; Catharina antwoordde: âO zoete lieve Vrouwe, gij weet het, ik kan noch willen, noch niet willen, want ik heb geen eigen wil, daar ik hem aan uwen Zoon Jezus gegeven heb.quot; âWelnu,quot; hernam de Moeder Gods, âweet dan, dat mijn Zoon al de zielen, welke ik u getoond heb, aan u heeft overgelaten. Hij zal u later tot zich roepen , wanneer het Hem behaagt.quot; Na het verdwijnen der Moeder Gods voelde Catharina, dat ook de ziekte geweken was. Later verhaalde zij dit visioen aan iemand. Deze persoon vroeg haar, of zij ook eenige van die zielen kende. ,,Jaquot;, antwoordde Catharina. âals ik ze zie, zal ik ze alle kennen.quot; ')
De tweede beweegreden, die zij voor het uitstel van haar bezoek te Pisa aanhaalt â zij wilde hare medeburgers geen aanleiding tot klachten geven â is een voorbeeld van de moeilijkheden, die er bij iedere reis van Catharina rezen. In dit geval was liet de gespannen verhouding, die er tusschen Siena en Pisa bestond. De Heilige handelde dus verstandig, als zij alles vermeed, wat de reeds verhitte gemoederen nog meer kon prikkelen. Zij bleef het overige gedeelte van het jaar en het begin van het volgende te Siena.
Ongeveer tien uren ten Zuidwesten van Siena, niet ver van het meer van Trasimene, ligt het stadje Montepulciano. De Legende verhaalt ons breedvoerig, dat Catharina zich verscheidene malen in dezen tijd daarheen begaf om de overblijfselen van de Heilige Agnes te vereeren. Catharina had in een openbaring de verzekering ontvangen, dat zij in het rijk der hemelen dezelfde glorie als de Heilige Agnes zoude bezitten. Zij brandde nu van verlangen om haar lichaam te zien en te vereeren. 'quot;) Gehoorzaam vroeg zij eerst verlof aan hare beide biechtvaders. Met eenige Zusters
') Miracoli. 2) Lcgoud. II, 12.
204
der Derde Orde begaf zij zich op weg. Pater Raymundus en Pater Thomas volgden haar; zij wilden zien, of God niet een wonder deed bij de ontmoeting van deze twee hemelsche bruiden. Zoodra Cathaiina te Montepulciano was aangekomen, snelde zij met de Zusters van het Domicanessen-klooster en hare gezellinnen naar het lichaam van de Heilige Agnes. Zij knielde bij de voeten neder om ze eerbiedig te kussen. Daar heft Agnes ten aanschouwe van al de omstanders een der voeten omhoog, als wilde zij Catharina tegemoet komen. Deze was niet weinig ontsteld, bracht den voet op zijn plaats terug en bleef nog lang in het gebed verzonken. Dit voorval werd levendig in het klooster besproken. Sommige Zusters zeiden: âHet is de vinger Gods.quot; Anderen; âHet is het werk des duivels.quot; Als geestelijke vader der Zusters wilde Pater Raymundus de zaak nauwkeurig onderzoeken. Hij riep dan de communiteit bijeen en verlangde in naam der heilige gehoorzaamheid, dat iedere Zuster haar getuigenis zoude afleggen. Allen verklaaarden, dat zij hot gezien hadden. Een der Zusters toonde meer dan gewone tegenkanting. Daarom ondervroeg hij haar in het bijzonder, of dit gebeurd was gelijk men zeide. âJa,quot; antwoordde zij, â ik ontken het niet, maar ik zou durven volhouden, dat de Heilige Agnes niet bedoeld heeft, wat gij meent.quot; âGoede Zuster,quot; hernam hij, âwij vragen u niet naar de bedoelingen van de Heilige Agnes, daar wij wel weten, dat gij haar secretaris of vertrouweling niet zijt; wij vragen u alleen, of gij gezien hebt, dat de voet opgeheven werd.quot; Zij bevestigde het en hij legde haar een boete op. ')
Korten tijd later bezocht Catharina het klooster voor den tweeden maal. Zij bracht er twee nichten heen, die zich aan God wilden toewijden. De eene heette Eugenia, de naam van de andere is onbekend. Zoodra zij aangekomen was, ijlde zij weder met hare gezellinnen en eenige Zusters naar het lichaam van St. Agnes. Nu plaatste zij zich niet bij de voeten, maar bij het hoofd van de Heilige. Zij drukte haar aangezicht op den doek van zijde en goud, waarmede het
') Legend. II, 12.
265
gelaat omhuld was en bleef een lange wijle in deze bonding. Dan wendde zij zicb vriendelijk tot Lisa, de moeder van bare nicbten, en vroeg glimlacbend: âHoe? Ziet gij dan de gave niet, die de beiael ons zendt? Wees toch niet ondankbaar.quot; Lisa en de anderen sloegen hun oogen omhoog en zagen, boe een fijn, wit manna, gelijk aan een hemelschen dauw, niet alleen de heilige Agnes, .maar ook al de overigen zoo overvloedig bedekte, dat Lisa hare hand daarmede vulde. ')
â Ik bezweer u,quot; zoo schreef Catharina aan zuster Chris-topha, priorin in bet klooster van St. Agnes te Montepnlciano, â en ik wil, dat gij hare leer en baar voorbeelden navolgt. Gij weet wel, dat zij u altijd lessen en voorbeelden van de â ware nederigheid gegeven heeft. Deze deugd schitterde bet meest in haar uit, en ik verwonder mij niet, dat zij bezat, wat de bruid moet bezitten, die de nederigheid van haren Bruidegom wil navolgen. Zij bad die ongeschapen liefde, welke baar hart zonder ophouden ontvlamde en verteerde; zij had honger naar de zielen en verzadigde zicb daarmede; zij legde zicli altijd op bet waken en bet gebed toe. Er is geen ander middel om de deugd van nederigheid te verkrijgen, want er is geen nederigheid zonder liefde; de eene voedt de andere. quot;Weet gij, wat haar tot zulk een volmaakte deugd heeft opgevoerd? De vrijwillige onthechting. Deze deed haar verzaken aan zich zelve, aan de goederen der wereld en aan iedere bezittingquot; â )
Wij hebben nog een brief vol moederlijke teederheid, dien Catharina aan hare nicht Eugenia schreef. Daarin spoort zij haar aan, dat zij zich zoude voeden met de spijs der Engelen, dat is, het verlangen naar Grod en de onthechting aan de wereld. Zij waarschuwt haar tegen een te groote gemeenzaamheid zoowel met priesters en religieusen als met leeken. âIndien ik daar ooit van hoorde,quot; zoo schrijft zij, âdan zoude ik u, al was ik ook verder van u verwijderd dan ik nu ben, een boete opleggen, dat gij er geheel uw leven goedschiks kwaadschiks aan denken zoudt. Wees flink en voorzichtig voor u zelve; dien uwe medezusters met ijver en
') Legend. II, 12.
s) 158. Briof.
266
liefde, vooral haar, die iets uoodig hebben. Willen vreemde burgers u voor de tralies spreken, blijf dan bedaard, buig niet; laten zij aan de priorin zeggen, wat zij u vertellen willen. Als de priorin u gebiedt uit gehoorzaamheid bij hen te gaan, buig dan het hoofd, maar wees stekelig als een stekelvarken. Gebruik de middelen, welke de glorievolle en heilige maagd Agnes aan hare dochters voorschreef. Gaat gij biechten, belijd dan uwe zwakheden, ontvang de penitentie en ga heen. Verwonder u niet over mijne woorden, want de omgang met lieden, die dikwijls ten onrechte ais vroom beschouwd worden, bederft de zielen, de regels en de gebruiken van het kloosterleven. Wacht u dus uw hart aan iemand anders te hechten dan aan Jezus en dien gekruist.quot; ')
De sterke uitdrukkingen, welke Catharina hier gebruikt, zijn vooral gericht tegen de Fraticelli, een gevaarlijke en listige sekte, die er zich op toelegde in de spreekkamers der kloosters te komen, om er hunne verderfelijke leeringen onder de Zusters te verspreiden. Catharina had herhaaldelijk met hen te doen. Haar brieven zijn vol van zinspelingen daarover.
In het verhaal van Catharina's bezoek bij de overblijfselen van de H. Agnes wordt van haar zuster Lisa melding gemaakt. Deze had bij haar huwelijk een landgoed met wijnberg te San Rocco en Pili, dat aan de familie Benincasa toebehoorde, als bruidschat ontvangen. Catharina bezocht meermalen dit schilderachtig oord, ongeveer vijf mijlen van Siena aan den straatweg naar Grosseto gelegen. Bij een dezer bezoeken zou de Heilige, op de dringende uitnoodiging van Lisa, door het genot der frissche buitenlucht en de landelijke rust haar uitgeputte krachten herwinnen. Mas.r nauwelijks was zij op het buitengoed gekomen, of zij kreeg een hevige aanval van haar gewone pijnen in de zijde. Twee dagen kon zij het huis niet verlaten. Den volgenden morgen wenschte zij do Heilige Communie te ontvangen. Zij stond oi3 en ging naar de dicht bij gelegen parochiekerk. Daar valt haar in, hoe vermetel het wellicht was tot de Heilige Tafel te naderen zonder eerst te biechten. Zij vroeg dan
') 205. Blief.
2(57
den priester om de absolutie. Op het oogenblik, dat zij deze ontving, voelde zij opnieuw de pijn, geraakte in geestvervoering, ontving de Heilige Communie en bleef langen tijd vurig bidden voor haren biechtvader en hare leerlingen, terwijl zij ieder hij den naam noemde. Raymundus van Capua en een zijner gezellen bevonden zich toen in hun klooster te Siena. Beiden naman eensklaps duidelijk waar, dat hun de eer., of andere genade werd geschonken, en zeiden tot elkander: âCatharina bidt zeker op ditoogenblik voor ons.quot; Later werd dit bevestigd. ')
Nog van een andere plaats in de nabijheid van Siena, waar Catharina zich dikwijls terugtrok, moeten wij hier gewag maken. Het is het gasthuis St. Quiriceus te Osenna , aan de Dominicanen toebehoorend. Het lag ongeveer vier en twintig mijlen van Siena aan den straatweg naar Rome op een schoonen heuvel tusschen de Orcia en den Ombrone.
Uit dat stille rustoord schreef zij aan Pater Thomas della Foute. Zij begint zich zelve aan te klagen, dat zij zoo weinig doet om God te dienen en Zijn leer in beoefening te brengen. âIk moest leven, aan mijn eigen wil gestorven, maar dien wil heb ik niet met eerbied aan het juk der heilige gehoorzaamheid onderworpen, zooveel ik moest en kon. Helaas, wat is mijn ziel te beklagen! Ik heb niet geloopen om het kruis van mijn welbeminden Bruidegom , den gekruisten Jezus, grootmoedig te omhelzen, maar uit onwetendheid en verzuim heb ik mijn rust gezocht. Ik heb er berouw over en vraag aan God en aan u, mijn dierbare Vader, vergiffenis.quot; Dan behandelt zij de verandering der ziel in God, welke door de overeenstemming van onzen wil met dien van God voltrokken wordt. âO liefde, zoete liefde,quot; gaat zij voort, âverruim, verruim mijn gemoed om al de goedheid van God op te nemen, te bevatten en te begrijpen; want wanneer wij ze begrijpen, zullen wij ze beminnen, en wanneer wij ze beminnen, worden wij met haar vereenigd en, zoo in liefde herschapen, zullen wij door de deur van den gekruisten Jezus binnengaan volgens het woord, dat Hij tot Zijne leer-
') Cafl'arini, Supjilem. II, fi.
26S
lingen gesproken heeft: âIk zal komen en bij u wonen.quot; ') Veiligheidshalve moesten de Zusters te Montepnlciano hun klooster binnen de muren der stad verleggen. De noodige middelen ontbraken haar echter. Nu wendde zich Catharina tot den aartsbisschop van Florence, Angelus de Ricasoli. Deze had haar beloofd, dat hij haar de eerste aalmoes, welke zij van hem zou vragen, geven zou. â Om te beginnen zouden de Zusters zoo schreef zij , âvijftig gouden guldens noodig hebben ; de stad zou dan het overige geven. Ik schrijf u om u met deze behoefte bekend te maken, en ik verzoek u, ik smeek u te doen, wat gij kunt.quot; '1)
Het uur had geslagen, waarop Catharina in al haren luister schitteren en uitstekende diensten aan de Kerk bewijzen moest. De smarten hadden haar ziel gestaald; een vlammende liefde voor God en voor den evenmensch schonk haar een onweerstaanbare werkkracht; de gemoederen waren voorbereid op hare zending. Zij brandde van die grenzenlooze liefde, welke allen omvat en niemand uitsluit, van die liefde, waarvan zij schreef: â Ik zal er naar streven goed te doen voor de eer van God, het heil der zielen en het welzijn van onze stad. Hoewel ik het mogelijk met traagheid doe, verheug ik mij toch de voetstappen van mijn Schepper te drukken. Ik doe goed, en zij vergelden mij met kwaad; ik werk aan hun geluk, en zij beleedigen mij; ik wil hun leven, en zij willen mijn dood; maar die dood is ons leven, die beleediging onze glorie; de schande is alleen voor hem, die de misdaad bedrijft. Waar geen misdaad is, daar is ook geen schande en geen vrees voor straf. Ik vertrouw op onzen Heer Jezus Christus en niet op de menschen. Ik zal dus voortgaan; en als zij mij beleedigen en vervolgen, zal ik hun tranen en aanhoudende gebeden geven, zoolang God mij de genade schenkt. Dat de duivel het wille of niet, ik zal mijn gansche leven besteden voor de eer van God, voor het heil der zielen, voor de geheele wereld en inzonderheid voor mijn vaderland. Ik wil over den duivel zegevieren en hem de macht ontrukken , die hij door de doodzonde over den mensch
1
) 35. Brief.
269
gekregen heeft; ik wil den haat uit aller harten uitroeien en ze met den gekruisten Jezus verzoenen.quot; ')
De werkkring vim Catharina bepaalde zich dus niet bij Siena; hij strekte zich uit over geheel Italië en daarbuiten. Zij stond in gemeenschap met de voornaamste personen op kerkelijk en staatkundig gebied, met pausen, kardinalen, bisschoppen, prioren, abten, monniken, zusters, wereldgeestelijken, professoren, magistraten, koningen, vorstinnen, graven, hertogen, ridders, kooplieden, krijgslieden en werklieden. Florence, Genua, Pisa, Lucca, Volterra, Bologna, Rome, Napels, Foligno, Avignon ondervonden haren zegenrijken invloed. Daar was geen geestelijk of tijdelijk belang, waarvoor haar hart niet warm klopte. Boven alles echter straalde hare liefde en toewijding voor de Kerk, de Bruid van haren gekruisten Jezus , uit.
De Heilige Catharina had een bovennatuurlijke kennis van de rampen der Kerk. Zij teekende den Paus den weg voor, die men volgen moest om de Christelijke maatschappij te hervormen; Men moest de geestelijkheid verbeteren, een kruistocht tegen de ongeloovigen bewerken, de Pausen naar Rome doen terugkeeren. Aan deze drievoudige zending wijdde zij zelve al hare krachten; dat was haar levensdoel. 2) Heerlijk spreekt zij hierover in een brief aan Paus Gregorius XI.
â Allerheiligste, allerdierbaarste en allerbemindste Vader in Christus, ik, uwe onwaardige dochter Catharina, de dienstmaagd en de slavin der dienaren van Christus, ik schrijf u in Zijn kostbaar Bloed en verlang vurig in u de volheid der goddelijke genade te zien, zoodat gij door de hulp van deze genade het werktuig en het middel zijt om aan de gansche wereld den vrede terug te schenken. Ja, ik vraag het u, mijn welbeminde Vader, handel met ijver, met honger en dorst naar den vrede, de eer van God en het heil der zielen; maak gebruik van uwe macht en uwe deugd. Zoo gij mij zegt, mijn Vader: De wereld is in verwarring, hoe zullen wij haar den vrede teruggeven? dan zal ik u in naam
') 271. Brief. 5. Brief.
270
van den gekruisten Jezus antwoorden: Gij moet uwe macht vooral voor drie zaken gebruiken. Gij moet vooreerst uit den hof der Heilige Kerk de bloemen uitrukken, die de besmetting der onzuiverheid, der hebzucht en des hoogmoeds verspreiden, dat is, de slechte herders en bestuurders, die dezen hof vergiftigen en bederven. Plant in dezen hof welriekende bloemen, herders en bestuurders, die ware dienaren van Jezus Christus en vaders der armen zijn en niets dan de eer van God en het heil der zielen zoeken. Schep moed, mijn Vader, en vrees niets van hetgeen gebeurd is of gebeuren kan; God laat het toe om de Kerk tot de volmaaktheid terug te voeren, opdat Zijn hof met lammeren vervuld worde en niet met wolven, die Zijn eer rooven en voor zich nemen, wat Hem toebehoort. Heb vertrouwen in Christus, den zoeten Jezus; ik hoop, dat Zijne hulp, de volheid van de goddelijke genade en de bescherming van boven met u zijn mogen, wanneer gij doet, wat wij gezegd hebben. Van den oorlog zult gij tot een grooten vrede komen, van de vervolging tot een groote eenheid; en niet door de macht der menschen, maar door de heilige deugd zult gij over de zichtbare duivelen, de booze schepselen en de onzichtbare duivelen rondom ons , die nooit slapen, zegevieren.
Maar bedenk, mijn Vader, dat gij dit moeilijk zult bewerken, zoo gij niet de twee andere zaken volbrengt, uw terugkeer naar Rome en de afkondiging van den kruistocht. Laat u niet in uw heilige plannen tegenhouden door de ergernissen en de beroeringen der steden, welke gij ziet of waarvan gij hoort. Wees integendeel nog vuriger om ze te volvoeren. Geloof den duivel niet, die den ondergang kent, welke hem bedreigt, en die er naar tracht om u te verontrusten en te doen wankelen, opdat gij de liefde verliezen en niet naar Rome terugkeeren zoudt. Ik zeg het u, mijn Vader, in Christus Jezus, kom zeer spoedig, als een lam vol zachtmoedigheid; gehoorzaam aan den Heiligen Geest, die u roept. Ik zeg het u, kom, kom, kom; wacht niet op den tijd, die op u niet wacht. Dan zult gij doen evenals het zachtmoedige Lam, dat geslachtofferd is, wiens plaats gij bekleedt; Zijn ontwapende hand heeft onze vijanden gedood
271
on Hij heeft alleen de macht der liefde gebruikt; Hij heeft alleen aan de geestelijke zaken gedacht om het leven der genade aan den mensch terug te schenken, die het door de zonde verloren had.
Helaas, mijn goede Vader, met deze zachtmoedige hand zeg en bezweer ik u, kom onze vijanden in den naam van den gekruisten Jezus overwinnen. Ik herhaal het u, luister niet naar de raadgevingen van den duivel, die uw heilig en goed besluit wil vernietigen. Wees een man, kloekmoedig en zonder vrees; gehoorzaam aan God, die u roept om te wonen in de stad van den Heiligen Petrus, het glorievolle Opperhoofd, wiens opvolger gij zijt. Verhef dan den standaard van het Heilig kruis. Door het kruis, zegt de Heilige Paulus, zijn wij verlost geworden; door die beschermende banier van de Christenen zullen wij van den oorlog, van onze verdeeldheden, van onze misdrijven en de ongeloovigen van hunne dwalingen bevrijd worden. Op deze wijze zult gij goede herders in de Heilige Kerk verkrijgen en haar de kracht en den gloed der liefde terugschenken.quot; ')
Op verlangen van Filips den Schoone had Paus Clemens V in het jaar 1305 den zetel der Pausen van Rome naar Avignon verlegd. De gevolgen waren voor Italië en voor de Kerk in het algemeen hoogst verderfelijk, ürbanus V was de eerste, die het plan vormde naar Rome terug te keeren. Ondanks vele tegenkantingen verliet hij in Mei 1367 Avignon en kwam in October te Rome aan. Zijn reis was een ware triomftocht. Zij wekte de hoogste verwachtingen en een hartstochtelijke vreugde. Heeft Catharina op deze daad van quot;ürbanus V invloed uitgeoefend? Was zij , gelijk sommige schrijvers meenen , het gevolg van hare raadgevingen? Wel heeft zij daarmede van ganscher harte ingestemd en zich daarover verblijd. Dit blijkt uit geheel haar leven, uit haar verhouding tot Gregorius XI, uit een menigte van hare brieven. Voor het overige moeten wij op die vragen ontkennend antwoorden. Noch Raymundus van Capua, noch de andere gelijktijdige levensbeschrijvers, noch Catharina zelve reppen er een woord van of geven er eenig vermoeden toe.
') 5. Brief.
272
Urbanus V bleef drie jaren te Rome. Dan keerde hij naar Avignon terug. Hij stierf er twee maanden na zijn aankomst.
De tijden waren moeilijk, doch Grod waakte over Zijne Kerk. De kardinalen kozen eenstemmig als opvolger van Urbanus eenen man, doordrongen van de noodwendigheden der Kerk en voorbeschikt om een verheven en moeilijke zending te vervullen. Het was de Franschman Petrus Roger, zoon van graaf Willem de Beaufort. Slechts met weerzin aanvaardde hij een waardigheid, wier zware plichten hij kende.
De nieuwe Offerpriester noemde zich Gregorius XI. Hij was de oprechte vriend van de Heilige Catharina. Grregorius beminde de Heilige Catharina. Deze beschouwde hem als een man van beproefde deugden. Eéne zaak zou zij in hem nog gewenscht hebben: wat minder zwak voor verwanten , wat meer sterkte om de heerschende misbruiken te kastijden. Men staat verwonderd, wanneer men ziet, hoe zij den diepsten eerbied, aan den Plaatsbekleeder van Jezus Christus verschuldigd, weet te vêreenigen met een heilige vrijheid om hem te zeggen, wat God haar ingaf. De nederige maagd van Siena zou hem steunen en aanwakkeren in het moeilijke bestuur der Kerk; haar groote ziel zou in hem leven, handelen , zegevieren.
I-Iet eerste plan, dat Gregorius XI en de Heilige Catharina vormden, was een kruistocht. Beiden wilden de Christenen overhalen tot dien heiligen krijg om de Kerk en Europa te beschermen tegen de rampen , die hun dreigden, om den vrede en de eensgezindheid aan de christelijke maatschappij terug te geven, om het geloof aan de heidenen te brengen. Immers de Turken, verbonden met de woeste Tartarenhorden, drongen hoe langer hoe dichter op Midden-Europa aan. Bij de eerste gunstige gelegenheid zouden de bloeddorstige tijgers het christelijke Westen aanvallen om godsdienst en beschaving te vuur en te zwaard te vernietigen. Dan, Spanje , Portugal, Frankrijk, Engeland, Duitschland, doch vooral Italië waren voortdurend door broedertwisten en burgeroorlogen verdeeld. Overal ontvlamden haat, nijd en wraakzucht, bij de minste aanleiding en verspreidden zich met de snelheid des bliksems. Men moest de ongeloovigen niet alleen terugslaan, maar hen in hun eigen land aantasten. Men moest de verschil-
Ionilo staten van hot Worsten 3 dio elkander nu vorsclieurden, vereenigen tot éon gemeenschappelijke gedachte, tot een go-meenschappolijk doel. Men moest aan de onstuimige hartstochten een afleiding en een ander voorworp geven. Als do ridders en burgers, vorsten en onderdanen, inwoners en huurtroepen, die elkander verwoed bestreden, hun land verlieten, ten kruistocht togen, de Mahomedanen beoorloogden, dan zonden zij bun baat en vijandschap vergeten en door den haat tegen den algemeenen vijand en de liefde voor den gemeenschappelijken Meester, met elkander vereenigd en verzoend worden. Eindelijk kon do kruistocht een middel zijn om vele ongeloovigen tot het ware geloof te bekeeren.
Ziedaar de drie doeleinden, welke Catbarina zich bij den kruistocht voorstelde. â Heilige Vader,quot; antwoordde zij aan Gregorius XI, â er is geen beter middel om den vrede onder de Christenen te herstellen dan bet ondernemen van een kruistocht. Alle krijgszuchtige lieden, die de verdeeldheid onder de geloovigen aankweeken, zullen voor het heilige doel bereidwillig gaan strijden. Weinigen zullen weigeren God te dienen in den krijg, waarnaar zij reikhalzen. Dit zal een middel zijn om hun zonden uit te boeten. Dan zal hot vuur uitgedoofd worden bij gebrek aan voedsel. Gij zult, allerheiligste Vader, verschillende uitstekende voordeden tegelijk behalen; gij zult den vrede aan de Christenen, die hem vragen, schenken; gij zult groote misdadigers redden door hen te verwijderen. Indien zij eenige belangrijke overwinningen behalen, kunt gij stappen doen bij de christen vorsten; sneuvelen zij, dan znlt gij de zielen van ben, die zich in het verderf storten, gered hebben. Bovendien kunnen zich dan vele slaven bekeeren.quot; ')
Catbarina verlangde dus vurig naar den kruistocht. Nochtans was zij omtrent dit punt zeer gesloten, sprak van geen tijd en liet alles aan de Goddelijke Voorzienigheid over. God zou wel, zoo meende zij, een blik van barmhartigheid op Zijn volk werpen en vele geloovigen en ongeloovigen door dit middel zalig maken. 1)
1
) Ibidem.
iö
272
Urbanus V bleef drie jaren te Rome. Dan keerde hij naar Avignon terug. Hij stierf er twee maanden na zijn aankomst.
De tijden waren moeilijk, doch God waakte over Zijne Kerk. De kardinalen kozen eenstemmig als opvolger van Urbanus eenen man, doordrongen van de noodwendigheden der Kerk en voorbeschikt om een verheven en moeilijke zending td vervullen. Het was de Franschmau Petrus Roger, zoon van graaf Willem de Beaufort. Slechts met weerzin aanvaardde hij een waardigheid, wier zware plichten hij kende.
De nieuwe Opperpriester noemde zich Gregorius XI. Hij was dc oprechte vriend van de Heilige Catharina. Gregorius beminde de Heilige Catharina. Deze beschouwde hem als een man van beproefde deugden. Eéne zaak zou zij in hem nog gewenscht hebben: wat minder zwak voor verwanten, wat meer sterkte om de heerschende misbruiken te kastijden. Men staat verwonderd, wanneer men ziet, hoe zij den diepsten eerbied, aan den Plaatsbekleeder van Jezus Christus verschuldigd, weet te vêreenigen met een heilige vrijheid om hem te zeggen, wat God haar ingaf. De nederige maagd van Siena zou hem steunen en aanwakkeren in het moeilijke bestuur der Kerk; haar groote ziel zou in hem leven, handelen , zegevieren.
Het eerste plan, dat Gregorius XI en de Heilige Catharina vormden, was een kruistocht. Beiden wilden de Christenen overhalen tot dien heiligen krijg om de Kerk en Europa te beschermen tegen de rampen , die hun dreigden, om den vrede en de eensgezindheid aan de christelijke maatschappij terug te geven, om het geloof aan de heidenen to brengen. Immers de Turken, verbonden met de woeste Tartarenhorden, drongen hoe langer hoe dichter op Midden-Europa aan. Bij de eerste gunstige gelegenheid zouden de bloeddorstige tijgers het christelijke Westen aanvallen om godsdienst en beschaving te vuur en te zwaard te vernietigen. Dan, Spanje, Portugal, Frankrijk, Engeland, Duitschland, doch vooral Italië waren voortdurend door broedertwisten en burgeroorlogen verdeeld. Overal ontvlamden haat, nijd en wraakzucht, bij de minste aanleiding en verspreidden zich met de snelheid des bliksems. Men moest de ongeloovigen niet alleen terugslaan, maar hen in hun eigen land aantasten. Men moest de verschil-
londo staten van het Westen, die elkander nu verseheurden, vereenigen tot een gemeenschappelijke gedachte, tot een gemeenschappelijk doel. Men moest aan de onstuimige hartstochten een afleiding en een ander voorwerp geven. Als do ridders en burgers, vorsten en onderdanen, inwoners en huurtroepen, die elkander verwoed bestreden, hun land verlieten, ten kruistocht togen, de Mahomedanen beoorloogden, dan zouden zij hun haat en vijandschap vergeten en door den haat tegen den algemeenen vijand en de liefde voor den gemeenschappel ij ken Meester, met elkander vereenigd en verzoend worden. Eindelijk kon de kruistocht een middel zijn om vele ongeloovigen tot het ware geloof te bekeeren.
Ziedaar de drie doeleinden, welke Catharina zich bij den kruistocht voorstelde. â Heilige Vader,quot; antwoordde zij aan Gregorius XI, âer is geen beter middel om den vrede onder de Christenen te herstellen dan het ondernemen van een kruistocht. Alle krijgszuchtige lieden, die de verdeeldheid onder de geloovigen aankweeken, zullen voor het heilige doel bereidwillig gaan strijden. Weinigen zullen weigeren God te dienen in den krijg, waarnaar zij reikhalzen. Dit zal een middel zijn om hun zonden uit te boeten. Dan zal het vuur uitgedoofd worden bij gebrek aan voedsel. Gij zult, allerheiligste Vader, verschillende uitstekende voordeden tegelijk behalen; gij zult den vrede aan de Christenen, die hem vragen, schenken; gij zult groote misdadigers redden door hen te verwijderen. Indien zij eenige belangrijke overwinningen behalen, kunt gij stappen doen bij de christen vorsten; sneuvelen zij , dan zult gij de zielen van hen, die zich in het verderf storten, gered hebben. Bovendien kunnen zich dan vele slaven bekeeren.quot; ')
Catharina verlangde dus vurig naar den kruistocht. Nochtans was zij omtrent dit punt zeer gesloten, sprak van geen tijd en liet alles aan de Goddelijke Voorzienigheid over. God zou wel, zoo meende zij , een blik van barmhartigheid op Zijn volk werpen en vele geloovigen en ongeloovigen door dit middel zalig maken. 2)
') Legend. II, 10. '2) Ibidem.
274
Gregorius XI begon dan naar vermogen den kruistocht voor te bereiden. Hij schreef aan de voornaamste vorston van Europa, aan den koning van Engeland, aan Andreas Contarini, doge van Venetië, aan Lode wijk, graaf van Vlaanderen, in een taal, die hun ijver om de Kerk te verdedigen kon ontvlammen. Hij zond rondgaande brieven aan de ridders van St. Jan, in verschillende lauden verspreid. Hij gaf het vorstendom Smyrna, een hecht bolwerk tegen de Turken, aan Raymundus Berenger, grootmeester der ridders van Rhodus. Hij riep een algemeen congres van het Oosten en het Westen in Thebe samen. Hij verleende aflaten aan allen, die den standaard des kruises zouden volgen. Do Provinciaal der Predikheeren, die der Minderbroeders, en do eerbiedwaardige Raymundus van Capua zouden de kruisvaart in Italië en in andere landen prediken. ')
Met welk een ridderlijk vuur steunde Catharina de maatregelen van den Opperpriester! Met welk een klem wakkert zij hem aan, dringt hem onweerstaanbaar voort, sleept hem mede en roept hem in ieder barer brieven toe: â Heilige Vader, verhef den standaard van het Heilig Kruis.quot; De machtige geest van Petrus den kluizenaar en van den Heiligen Bernard us schijnt deze zwakke vrouw, ver boven haar kunne verheven, te bezielen. Zij wil, dat hare leerlingen Italië doorkruisen om met bazuinenklank het bevel van den Paus te vertolken. Zij zelve ontplooit een onvermoeide werkzaamheid, benut haar betrekkingen met hooggeplaatste en invloedrijke personen, schrijft brieven op brieven aan koningen, vorstinnen, prinsen, magistraten, geestelijken en legerhoofden. Dan bidt, dan smeekt, dan gebiedt zij, dan sleept zij mede door den onweerstaanbaren stroom vair haar bovenaardsche geestdrift.
Zoo ontstak de heldenmoedige maagd overal het heilige vuur der kruisvaart. Zelfs de vrouwen verlangden vurig hun leven voor Jezus Christus te offeren. AVel is waar wilde Catharina haar niet bij het leger der kruisridders voegen, maar zij besloot een pelgrimstocht der vrouwen naar het Heilige Land te vormen. In dien zin schreef zij aan een adel-
') 371. Brief.
lijke vrouwe te Fiesoli: âWanneer de vrede gesloten is, vormen wij allen een heilig leger en trekken naar de onge-loovigen.quot; Hindernissen wierp men van alle zijden op; Gregorius XI sloeg de angst om het hart; niets kon den on tembaren moed van Catharina doen buigen.
Nog een tweede allergewichtigste zaak vereischte al de zorgen der Heilige: de hervorming van de geestelijkheid. Dit woord moet niemand verbazen, noch ergeren. Christus heeft aan Zijne Kerk de onfeilbaarheid en de heiligheid geschonken, maar niet aan al hare bedienaren. De Sacramenten , die de vruchten der Verlossing aan de geloovigen mededeelen, verliezen niets van hun kracht, al gaan zij door onwaardige handen. In de veertiende eeuw was het bederf het heiligdom binnengeslopen; hebzucht, hoogmoed en genotzucht tierden er weelderig. De hoofdoorzaak was het verplaatsen van den Pauselijkcn Stoel van Rome naar Avignon.
De tranen , die Catharina schreide over de ongetrouwheden der priesters, haar verlangen naar de verbetering hunner zeden verminderden volstrekt haren eerbied niet. Wanneer wij in hare Samenspraken de heerlijke bladzijden lezen, waar zij over den eerbied, aan de priesters verschuldigd, spreekt, en over de beleediging. God aangedaan door hen, die aan Zijn gezalfden de hand slaan, dan zal men begrijpen, welken geest haren ijver bezielde.
In dezen zin moeten wij natuurlijk de pogingen verstaan, welke Catharina voor de hervorming der reguliere en seculiere geestelijkheid aanwendde. Zij wordt door een hoogere ingeving van God voorgelicht en geleid; zij veroordeelt de misbruiken, maar eerbiedigt de personen. De vreeselijke wonde, waaraan de priesterschap bloedde, lag open voor Catharina's oogen; zij had ze tot den bodem gepeild. Gedurende haar gansche leven was deze kennis een onafgebroken martelie voor haar.
Te Semignano , een dorp in den omtrek van Siena gelegen , leefden twee priesters in doodelijke vijandschap met elkander. Catharina werd geroepen om een einde aan deze ergernis te maken. Zij schreef aan een der priesters, Petrus geheeten , een brief, waaruit de metalen klank der profetentaal ons verpletterend tcgenklinkt.
27«
âO priester, dien het hoogwaardig Sacrament, dat gij moet toedienen, mij dierbaar maakt, ik, Catharina, de dienstmaagd en de slavin der dienaren van Jezus Christus, ik schrijf u in Zijn kostbaar Bloed en wensch in u een uitverkoren vat te zien, die den naam van gezalfde waardig draagt en met een vurige liefde u beijvert in vrede met uwen Schepper te leven en de schepselen met elkander te verzoenen. Dat is uw plicht en gij moet hem vervullen. Ik ben overtuigd, dat God u streng en gevoelig zal straffen,, als gij het niet doet. Wees, wees dus een spiegel van deugd en eerbiedig uwe waardigheid. God heeft u in Zijne barmhartigheid zoo hoog verheven, dat gij het vuur dei-goddelijke liefde moet toedienen, dat is, het Lichaam en Bloed van den gekruisten Jezus. Denk , denk, dat de natuur des engels deze eer niet bezit. Overweeg, dat Hij Zijn woord in uwe ziel als in een vaas heeft gelegd. Gij begrijpt wel, dat gij , den persoon van Christus vertegenwoordigende, de macht hebt zijn allerdierbaarst Sacrament te consacreeren. Derhalve moet gij uwe waardigheid met ecu brandende liefde, een groote zuiverheid van ziel en lichaam en een vredelievend hart dragen en allen haat en alle wraakzucht daaruit verbannen. Ik zeg u, dat gij , zoo gij in dezen haat en in uwe ondeugden volhardt, de goddelijke rechtvaardigheid die over u zal losbarsten, moet vreezen. Ja, ik zeg het u, nooit zulke boosheden meer. Hervorm uw leven en denk, dat gij moet sterven zonder te weten wanneer. Baad u in het Bloed van den gekruisten Jezus. Ik twijfel er niet aan, of gij zult uw hart en uw gemoed van deze ellende en vooral van dezen haat zuiveren, indien gij het Bloed van dit Lam beschouwt.quot; ')
') 47. Brief.
DERDE HOOFDSTUK.
Catliarina's verblijf te Pisa. Zij ontvangt de H. Wonden
van Christus.
198. Brief.
: I eeds hebben wij verhaald, dat Catharina eene reis naar
Christus zal groot gemaakt worden aan mijn lichaam , hetzij door leven, hetzij door dood. Want mij is het leven Christus, en het sterven gewin.
Philipp. I.
Daar de gekruiste Jezus gedurende Zijn leven niets anders dan het kruis en liet lijden gekozen heeft, waarmede Hij als met een kleed omhuld was, moet Zijne bruid haar geluk er in vinden hetzelfde gewaad
te dragen.
1375.
lt;j^tPisa om redenen van gezondheid en vrede afgeslagen had. Hare vrienden te Pisa hielden echter niet op en vernieuwden hun dringend verzoek. Zij nam nu haren toevlucht tot haren hemelschen Bruidegom en onderwierp zich nederig aan Zijne beslissing. Ook raadpleegde zij de Zusters. Eenige dagen later verscheen haar Christus en beval haar hot verzoek in te willigen. âMijn Naam,quot; zeide Hij, âzal door deze reis grootelijks verheerlijkt worden; de zielen zullen er veel vrucht uit trekken overeenkomstig de belofte, die Ik n gedaan heb, toen uwe ziel, van het lichaam afgescheiden, daarmede opnieuw werd vereenigd.quot; Catharina gehoorzaamde dus, daar ook Gregorius XI zijn uitdrukkelijk verlangen had te kennen 'gegeven. ')
') Legend. II, 8.
278
In Februari 1375 vertrok zij. Raymundus van Capua, Magister Stephanas III, Pater Thomas deha Fonte, vers.chei-dene andere Paters Dominicanen, die allen biechthooren moesten, Alessia, Lisa en Lapa vergezelden haar.
Catharina's faam was haar naar Pisa vooruitgesneld. De burgers verlangden vurig haar te zien en ontvingen haar op vorstelijke v, ij ze met uitbundige blijdschap. De aartsbisschop Franciscus Moricotti da Vico, Petrus Gambacurta, het hoofd der Republiek, met zijn dochter Tora, een meisje van dertien jaren, de Zisters der Derde Orde, een priester, Nino geheeten, de Carthuizers Johannes Opizzanchi, Franciscus Tebaldi en Bartholomaeus Serafini, verscheidene Paters Dominicanen, verscheidene kluizenaars en een breede schaar van burgers uit alle standen en rangen togen de Heilige te gemoet en leidden haar in triomf de stad binnen.
Zij nam haren intrek bij Gerardus Buonconti in een huis, dicht bij de kleine kerk van de Heilige Christina gelegen. Men toont nog heden de kamer, welke zij in dit huis bewoonde, en de madonna, voor welke zij placht te bidden. Gerardus en zijn drie broeders Thomas, Franciscus en Vanni waren reeds goede kennissen van de Heilige. De drie laat-sten hadden op haar verzoek het kruis aangenomen. Zij be. vestigde hen nu in hun besluit .
Weinige dagen na hare aankomst bracht haar gastheer een jongeling van omstreeks twintig jaren bij haar en verzocht haar voor hem te willen bidden. Reeds achttien maanden werd hij door felle koortsen gekweld; zij hadden zijn gezondheid volslagen ondermijnd. Allo middelen der genees-heeren bleven vruchteloos. Mager en bleek sleepte hij zich voort. Catharina vroeg hem. wanneer hij het laatst gebiecht had. âHet is reeds verscheidene jaren geleden,quot; antwoordde hij, âGod heeft u,quot; hernam zij, âdit kruis overgezonden, omdat gij zoo lang gewacht hebt om uw ziel in het Sacrament van Boetvaardigheid te zuiveren. Ga dus biechten, mijn dierbare zoon, zuiver u van het bederf der zonde, dat uw lichaam vergiftigt.quot; Zij liet toen Pater Thomas roepen om zijn biecht te hooren. Daarna keerde hij tot de Heilige terug. Deze legde hare hand op zijn schouder en zeide; âGa, mijn zoon, in den vrede van onzen Heer Jezus
279
Christus; ik wil niet, dat gij langer de koorts zult hebben.quot; Voor altijd was hij van de koorts genezen. ')
Een hoofdreden, waarom Catharina de reis naar Pisa had ondernomen, was om de steden Pisa en Lucea voor den Paus te behouden. De strijd tusschen de Republiek Florence en het hof van Avignon was reeds begonnen. De Florentijnen spanden al hun krachten in om de overige steden van Toscane tot een groot verbond tegen de Kerk te vereenigen. De eerste brief van Catharina aan Gregorius XI, welke kort na hare komst te Pisa schijnt geschreven te zijn, behandelt dit punt en den hachelijken toestand, waarin Pisa zich bevond. Zij schrijft: âIk bid u aan de inwoners van Lucca en Pisa die vaderlijke woorden te schrijven, welke God u zal ingeven; help hen, zooveel gij kunt , en zet hen aan standvastig en getrouw te blijven. Ik ben tot nu toe te Pisa en te Lucca gebleven en heb hen uit al mijn macht aangespoord om zich niet met de schuldigen, die tegen u zijn opgestaan, te verbinden. Maar zij zijn in een zwaren tweestrijd, omdat zij volstrekt geen onderstand van u bekomen en omdat zij van de andere zijde door uwe vijanden bewerkt en bedreigd worden; zij hebben evenwel nog niets beloofd. Ik verzoek u ook nog dringender aan heer Petrus te schrijven. Doe hei met welwillendheid en talm niet.quot; 1) De hier genoemde Petrus is niemand anders dan Petrus Gambacurta, het hoofd der Republiek Pisa. Een bondgenootschap met hem en zijn bijstand waren volstrekt noodzakelijk voor het gelukken van de kruisvaart. Pisa was in de Middeleeuwen een aanzienlijke zeehaven en bezat een niet te versmaden zeemacht. Zijn zonen stonden weleer aan de spits der kruislegers.
Uit alle kracht werkte de Heilige te Pisa voor het tot stand komen van de kruisvaart. Toevallig ontmoette zij er den gezant der koningin van Cyprus. Hij wachtte een gun-stigen wind af om zijn reis naar Avignon voort te zetten. Eleonora, de koningin van Cyprus, zond hem naar Paus Gregorius XI en verzocht om krachtdadigen bijstand, daar
1
) 1. Brief.
280
de Turken al dichter en dichter hot eiland bestookten. Meermalen had de gezant een onderhoud met Catharina. Hij legde den toestand voor haar bloot en deelde haar mede, dat zijn vorstin alleen van een algemeenen kruistocht redding verwachtte. Men kan zich voorstellen, hoe het hart der Heilige bij deze berichten in vuur en gloed ontbrandde. Zij moedigde den gezant aan en gaf hem hoop, dat de kruistocht eindelijk zoude slagen. Mot dit doel schreef zij , gedurende haar verblijf te Pisa, tal van brieven, aan vorsten en edelen. Hare brieven waren niet vruchteloos.
âDe kruistocht,quot; zoo schreef zij aan Johanna di Capo te Siena, ,, gaat steeds vooruit en de eer van God groeit met den dag aan. Dezer dagen is de gezant der koningin van Cyprus hier aangekomen. Hij heeft een onderhoud met mij gehad. Hij gaat naar den Heiligen Vader om hem tot den kruistocht aan te sporen. De Heilige Vader heeft ook iemand naar Genua gezonden om op dit punt aan te dringen.quot; ')
En aan Pater Willem Flete uit Engeland; âHet schijnt, dat de tijd nadert, want wij vinden overal mannen met de beste gesteltenissen. Gij weet, dat wij Broeder Jacobus naar den rechter van Aboré (in Sardinië) hadden gezonden met een brief over de kruisvaart. Hij heeft mij hoffelijk geantwoord, dat hij in persoon zou komen en gedurende tien jaren twee galeien, duizend ridders, drieduizend man voetvolk en zeshonderd boogschutters zou verschaffen. Ook deel ik u mede, dat gansch Genua in geestdrift is en dat allen hun geld en leven aanbieden. Wees dus overtuigd, dat dit alles tot Gods glorie strekken zal.quot; quot;)
En aan Nicolaas Soderini, een deugdzaam en invloedrijk Florentijn: âLaten wij niet meer op het rustbed der zorgeloosheid slapen. Ik noodig u dus uit tot het eeuwige bruiloftsmaal; ontsteek in u het verlangen om leven voor leven te geven en zooveel lieden als mogelijk is te werven, want men gaat niet alleen ter bruiloft en gij kunt niet omkeeren.quot; ) De gelukkige uitslag van deze kruisvaart, waarnaar Catha-
') 176. Urict'.
-) 125. Urief.
:) 216. Brief.
2S1
rina reikhalsde, hing voor een groot gedeelte van Johanna, koningin van Napels, af. Deze kon niet alleen met een land- en een zeemacht uittrekken, maar ook het regeerend vorstenhuis van Frankrijk, waaraan zij door familie- en vriendschapsbanden innig verknocht was, voor de goede zaak winnen. Maar Johanna was een lichtzinnige en wereldsche vrouw, op wier gedragingen wel iets viel af te dingen. Paus Clemens VI had haar het koninkrijk Napels, waarvan haar oom Lodewijk, koning van Hongarije, zich gewapenderhand had meester gemaakt, teruggeschonken; zij had den Paus beschermd en gesteund tegen Barnabas Visconti van Milaan. Er bestonden dus tusschen haar en den Opperpriester betrekkingen. Catharina nu wist het geringste goede zaadje, waar zij het ook vond, te benuttigen. Zij beschouwde in Johanna niet haar wereldschgezindheid, maar haar genegenheid voor den Paus; toch vreesde zij niet de ondeugden dezer vorstin bij gelegenheid streng te gispen. Zoo werkte zij langs een omweg behendig op het gemoed van Johanna zonder tot vlijerij te vervallen. Zij deelde haar mede, dat de Heilige Vader een bul aan den Provinciaal der Dominicanen, aan dien der Franciscanen en aan een anderen kloosterling had gezonden, opdat zij allen, die de ongeloovigen bestrijden en hun leven voor Jezus Christus wagen wilden, onder den standaard des kruises zouden vereenigen; dat zij haar deze gelukkige en goede tijding met groote blijdschap aankondigde ; dat zij haar in den naam van den gekruisten Jezus verzocht, ja, opriep, tot deze grootamp;che onderneming te willen bijdragen. ')
De koningin antwoordde haar, dat zij bereid was den wil van den Paus te volbrengen.
âWeet dan, eerbiedwaardige Moeder en Vorstin,quot; zoo schreef Catharina aan haar terug, âdat mijn ziel van vreugde opspringt, sedert ik uw brief ontvangen heb. Deze heeft mij met troost vervuld, omdat gij zoo goed gestemd schijnt om uw bloed en uw leven voor Jezus Christus te offeren. G-ij kunt Hem geen grootere liefde betoonen, dan wanneer gij gereed zijt om Hem dit hoogste offer te brengen, indien het
') 312. J5riof,
282
noodig is. O welk een zoetheid Hem bloed voor bloed weder te schenken. Moge het vuur van het heilige verlangen om aan het Bloed van Gods Zoon een dienst te bewijzen zoo zeer in u aangroeien, dat gij, die den titel van koningin van Jerusalem draagt, het hoofd en de ziel van deze onderneming zijt, die tot doelwit heeft de heilige plaatsen aan de ongeloovigen te ontrukken en in het bezit der Christenen te stellen. Weet, dat de Heilige Vader van verlangen daarnaar brandt; daarom zou ik gaarne zien, om dat verlangen nog te versterken, dat gij hem het heilige besluit mededeelt, hetwelk de goddelijke Bruidegom in uwe ziel heeft gestort. Moed dus, mijn welbeminde zuster, handel mannelijk; het is geen tijd meer om te slapen, want de tijd slaapt niet, maar vliedt heen als de wind. Verhef den standaard van het Heilig Kruis door de liefde in uw hart, want weldra zullen wij hem voor de geheele wereld moeten verheffen, daar het mij toeschijnt, dat de Heilige Vader op het punt staat den kruistocht tegen de Turken te verkondigen. Maak u dus gereed er aan deel te nemen, opdat wij een talrijke strijdmacht vormen, die voor den Christus in den dood gaat. Ik bid en bezweer u, in naam van den gekruisten God, help Zijne Bruid met uwe goederen, met uw persoon, met uw raad. Kortom, doe voor haar alles, wat noodig is om te toonen, dat gij een getrouwe dochter van Zijn welbeminde en Heilige Kerk zijt. ')
Eigenaardig is Catharina's poging om verschillende benden van avonturiers met hunne aanvoerders voor den heiligen krijg te werven. Ware haar dit plan gelukt, dan was het een meesterstuk van staatkunde geweest om door éen slag Italië van een verschrikkelijke plaag te bevrijden en een geduchte macht voor den kruistocht te winnen.
In het midden der veertiende eeuw nam de wijze van oorlogvoeren in Europa een keer. De vorsten namen huurtroepen tegen bepaalde soldij in dienst. Dit had een groote ramp tengevolge. Die huurtroepen (soldeniers) waren meestal het schuim en uitvaagsel der maatschappij. Uit don dienst â¢van een staat of republiek ontslagen, voerden zij krijg op
') 313â314. Briof.
2 S3
eigen hand, stroopten liet land af of legden zware brandschatting op. De voornaamste van allen was de Engelschman Johannes Hawkvvood. Zijn onverschrokken moed schrikte voor niets terug. Zijn soldaten waren jong, geoefend in den krijg, onverschillig voor hun eigen persoon en blindelings verknocht aan hun hoofdman.
Catharina haastte zich om brieven te schrijven aan de verschillende aanvoerders van die benden. Vóór alles echter wendde zij zich tot den Engelschman Johannes Hawkwood. Reeds Gregorius XI had een poging bij hem gewaagd, maar met weinig gevolg. Nu was hij met zijn bende in Toscane neergestreken. De Heilige zond Raymundus van Capua met een brief tot hem.
Catharina overreedde Johannes Hawkwood. Die man, gewoon om bloed te vergieten, beloofde, dat hij zich met zijn gansche strijdmacht bij den kruistocht zoud aansluiten.
De heldenmoedige maagd ging nog verder. Zie hier eenige namen van personen, aan wie zij schreef om hen tot den kruistocht over te halen:
Aan Thomas d'Alviano, een berucht legerhoofd, die in Toscane strijd voerde. ')
Aan den graaf van Monna Agnola en zijne ridders te Florence. -')
Aan heer Jacimo, geneesheer te Ascanio. :')
Aan Karei V, koning van Frankrijk. 1)
Aan Elisabeth van Polen, koningin-weduwe van Hongarije. Haar koninkrijk grensde aan Turkije; zij kon dus den vijand het eerst en het krachtigst het hoofd bieden. Catharina gebruikt hier al het vuur eener zachte, maar onnavolgbare welsprekendheid. r')
Aan Barnabas Visconti, heer van Milaan. De Heilige treedt hier op met al de stoutheid van een sterk geloof, dat voor niets terugschrikt. Vol onverschrokkenheid voor dien verschrikkelijken heer van Milaan, legt zij hem op ter
1
) 1SG. Brief.
f') 311. lïrief.
heilige kruisvaart op te trekken om voor zijne zonden te voldoen. ')
Wie in do kruistochten slechts haat tegen de ongeloovigen ziet, bedriegt zich. Niet haat, maar geloof en liefde waren de drijfveeren der Christenen; geloof, omdat het Heilige Land in de macht der Turken was, liefde, om de Mahomedanen tot het vrare geloof te hekeeren. Dit laatste doel vooral stelde Catharina zich bij den kruistocht voor. Ongelukkig bleven haar woorden en pogingen vruchteloos. Do Italianen namelijk streden tegen elkander en de Florentijnen begonnen de vreeselijke worsteling tegen den Paus, die gansch Italië in lichtelaaie zette. De kruisvaart werd daardoor onmogelijk. Catharina liet haar verheven plan voor een tijd rusten.
De Heilige was slechts voor eenige dagen naar Pisa gekomen. Maar op hot dringend verzoek van den bisschop der stad verlengde zij er haar verblijf. Middelerwijl begon de omwenteling in Toscane en in het gebied van den Paus zich stouter te verheffen. De eene stad na den andere viel van hem af. Op zekeren dag vernam Pater Raymundus van Capua den opstand te Perugia; hij was zoo bedroefd, dat hij het met tranen in de oogen aan Catharina mededeelde. Maar deze antwoordde: âWeen thans niet; gij zult later te veel moeten weenen; wat gij nu ziet, beteekent niets in vergelijking met hetgeen zal volgen.quot; âMaar,quot; zoo hernam Raymundus , â er is toch geen grooter ramp voor het christen volk dan verzet tegen de Kerk en verachting van den Pauselijken ban.quot; Doch Catharina antwoordde: âMijn Vader, dit zijn misdaden van leeken, maar gij zult weldra de geestelijken veel grootere zien bedrijven; zij zullen een algemeene ergernis in do gansche Kerk verwekken, wanneer deze hun slechte zeden zal willen hervormen; het zal juist geen ketterij , maar een scheuring in de gansche christenheid zijn; bereid u dus voor tot geduld, want met uw eigen oogen zult gij dit alles zien.quot; quot;')
Het verblijf der Heilige te Pisa was rijk aan hemelsche gunsten en deugden. Naar mate zij aan het welzijn van den
') 191. Brief. -) Legend. II. 10.
28 ó
evenmensch arbeidde, verhief zij zich hoogor en hooger in de beschouwing der goddelijke waarheden. Terwijl zij .-orsten en volkeren tot de kruisvaart aandreef, terwijl zij trachtte om de steden van Italië met den Paus te verzoenen of ze te verhinderen zich van hem los te scheuren, terwijl zij wijze raadgevingen voor het bestuur der Kerk aan den Opperpriester, de kardinalen of andere prelaten zond, leefde zij zelve een geestelijk, een bovenaardsch, een engelachtig leven in de innigste vereeniging met God. Gestadig was zij in geestverrukking, bleef gedurende verscheidene uren als dood en kon slechts gebroken woorden van vlammende liefde voor Jezus Christus uitspreken.
Wij willen hier het getuigenis van den Zaligen Johannes Dominicus over Catharina aanhalen. Hij schrijft aan zijne moeder, dat zij zich met een oprechte godsvrucht en een diep geloof aan de gelukzalige Catharina moet aanbevelen om van hare ziekte genezen te worden. Hij noemt verscheidene geloofwaardige getuigen op, door deugd en wetenschap uitmuntend, die hot leven en de tallooze wonderwerken van Catharina verhaald hebben. Vooral noemt hij Eaymundus van Capua; maar, zoo zegt hij met andere ooggetuigen, deze hooft nog veel te weinig van haar beschreven. Hij deelt twee gunsten mede, die hij door de voorspraak van de Heilige had verkregen: do gaaf van te kunnen spreken en de genezing van zijn voet. âIk heb haar,quot; zoo schrijft hij, âin 1375 te Pisa tot eenige zondaars hooren spreken. Hare woorden waren zoo diepzinnig, zoo vurig, zoo geweldig, dat zij deze besmeurde vaten terstond in zuiver kristal veranderde, zooals Jezus-Christus met Maria Magdalena deed.quot;
Zoo werden velen van hen, die Catharina bezochten, vermorzeld door haar vurige woorden. Zij beval hun dan gewoonlijk onverwijld te gaan biechten. En. daar de afwezigheid van een biechtvader een beletsel kon zijn, had zij er altijd een tot hare beschikking. Paus Gregorius XI had aan Raymuudus van Capua en aan twee zijner gezellen uit gestrekte volmachten verleend om allen te kunnen helpen, die Catharina bezochten en biechten wilden. ') Zij hoorden
Lejrend. II . 8.
286
groote zondaars, wier geweten door allerlei zonden bezoedeld was, die nooit of ten minste niet goed gebiecht hadden. Zij bleven somtijds tot 's avonds nuchter en konden allen niet helpen. Catharina staakte intusschen haar gebed niet, maar verblijdde zich, dat zij zooveel zielen voor God won; zij drukte hun, die haar vergezelden, op het hart, dat zij voor de drie biechtvaders zorg dragen moesten. Onmogelijk kan men de vreugde beschrijven, die haar overstelpte; zij was zoo groot en zoo zichtbaar, dat de biechtvaders al hun vermoeienissen vergaten. ')
Velen, die Catharina bezochten, vielen voor haar ter aarde neder en kusten haar de handen. Zoo wilde Johannes Gittalebraccia, een beroemd geneesheer te Pisa, bij een bezoek hare heiligheid op de proef stellen. Hij verscheen bij haar, begeleid door Petrus Albizi, een zeer kundig rechtsgeleerde. Heer Johannes begon aldus: âWij hebben veel van uw deugd en van uw kennis der H. Schrift gehoord en wij zijn dus gekomen om eenige onderrichting uit uwen mond te ontvangen. Ik zou namelijk wel eens willen weten, hoe gij deze plaats uitlegt: God heeft gesproken, toen Hij de wereld schiep? Hoe kon Hij spreken? Heeft Hij een mond of een tong?quot; Nog tal van andere soortgelijke vragen stelde hij aan Catharina. Deze hoorde hem kalm en zwijgend aan en antwoordde: ,, Ik bon verwonderd, dat gij, geroepen om anderen te leeren, durft zeggen, dat gij gekomen zijt om door een arme vrouw, wier onwetendheid gij moest verlichten, onderwezen te worden Daar gij echter wilt, dat ik spreek , zal ik u zeggen, wat God mij ingeeft. Er is weinig aan gelegen, hoe God, die een geest en geen stof is, bij de schepping der wereVl heeft gesproken; doch dit is voor mij en voor u van het grootste belang te weten, dat Jezus Christus, het quot;Woord Gods van eeuwigheid, vleesch geworden is en geleden heeft om ons te verlossen. Voor mij is het een noodzakelijkheid aan Hem te gelooven en over Hem te denken, opdat mijn hart vol van liefde worde tot Hem, die uit liefde tot mij gestorven is.quot; Zij sprak aldus geruimen tijd met zulk een warmte en geestdrift, dat Petrus
') Legend. II, 7.
287
Albizi zijn tranen niet kon bedwingen, voor haar voeten neerviel en haar om vergiffenis bad. Catharina knielde insgelijks neder en verzocht hem op te staan. Dan hadden zij een langdurig gesprek over geestelijke zaken met elkander. Hij verzocht haar ten slotte, of zij zijn nieuwgeboren dochter ten Heiligen Doop wilde houden. Zij beloofde het hem. Zoowel Petrus als Johannes waren voortaan hare ijverige leerlingen. ')
Aangaande de uitwendige bewijzen van achting en eerbied, welke men aan de Heilige betoonde, ontstond er eenige opspraak. Men strooide booswillige geruchten rond. Daarom zeide Pater Raymundus eens tot haar: âWaarom verbiedt gij den lieden, die u bezoeken, niet u de handen te kussen? De wereld meent, dat gij van die hulde houdt; zij is geërgerd. Zijt gij wel zeker, dat dit niet nu en dan een gevoel van hoogmoed bij u verwekt?quot; Met hare gewone vrijmoedigheid antwoordde hem Catharina: âWat het eerste gedeelte uwer vraag betreft. Vader, verzeker ik u, dat ik er nooit op let, wat de menschen doen; ik ben veel te veel met den inwen-digen toestand hunner zielen bezig. Ik bemin overigens zulke eerbewijzen volstrekt niet. Wat het tweede gedeelte aangaat, begrijp ik niet, dat een schepsel, hetwelk zich zeiven bewust is slechts een schepsel te zijn, in staat is tot hoogmoed verleid te worden.quot; 'â¢)
Een ander persoon schreef haar, waarom zij zich zulke eerbewijzen welgevallen liet. Hij herinnerde haar aan het voorbeeld van Christus en de Heiligen, spoorde haar aan om in de eenzaamheid te leven en zeide haar, dat de ware dienaren Gods voor alles de verborgenheid liefhebben, maar de huichelaars alleen de glorie zoeken. Deze brief werd aan Pater Raymundus van Capua ter hand gesteld. Zoodra de Heilige den inhoud had vernomen, vroeg zij naar den brief. âIndien gij hem mij weigert,quot; zeide zij, âmoet ik toch hooren, wat mij aangaat.quot; Pater Raymundus las haar nu den brief voor. â Gij moet hem,quot; zeide zij , â die dezen brief geschreven heeft, met mij danken. Ziet gij uiet, dat hij mij
-) Depositio Burtholomaoi de Sicua. -') Proe. Caffarini.
28M
kostelijke lessen voor mijn eeuwig hoi! geeft? Hij vreest, dat ik van Gods wegen zal afdoolen en hij wapent mij tegen de lagen van den vijand. Laten wij vol erkentelijkheid voor zijne liefde zijn. Ik wil dezen brief hebben en den schrijver er voor bedanken.quot;
Voor iemand, wiens ootmoed op minder vasten grond rustte, had dus de bewondering en liefde, welke Catharina te Pisa ondervond, gevaarlijk kunnen worden. Wanneer zij haar woning verliet, stroomden de mensehen rondom haar samen. Do Cistercienser abt Baronto di Slrvato was tijdens het eerste bezoek der Heilige te Pisa zestien jaar oud en novice in liet Dominicanerklooster Sint Catharina. Hij getuigt, dat hij de Heilige dikwijls in geestvervoering gezien heeft, zoowel in de kerk van de Heilige Christina als in die van de Heilige Catharina. Op zekeren dag wilde Catharina het plein voor deze kerk oversteken. Ben menigte mensehen, van iederen stand en rang, verdrongen zich rondom haar. Baronti wilde een oud grafteeken in de nabijheid beklimmen om haar ook te kunnen zien. Catharina kom hem noch zien, noch door hem gezien worden, maar zij verzocht de omstanders om den jeugdigen kloosterling te waarschuwen, daar de muur bouwvallig was. Hij verhaalt verder, dat hij aan een hardnekkige kwaal leed en de Heilige gesmeekt had hem daarvan te genezen. Maar zij antwoordde hem: â Mijn zoon, dit lijden zal voor u nuttig en een middel voor uw eeuwige zaligheid zijn. Indien gij er van verlost waart, zoudt gij in vele zonden vallen. Gij zult nooit genezen worden, maar de kwaal zal ook nooit zoo erg zijn, dat zij n het vervullen uwer kloosterlijke plichten belet.quot; Hare voorspelling kwam letterlijk uit. Hij ging bij vele geneesheeren te rade en gebruikte alle denkbare middelen, maar de kwaal, hoewel dragelijk, behield hij tot zijn dood. ')
Wij maken hier melding van twee vriendinnen der Heilige , welke beiden tot de Derde Orde van Sint Dominicus behooren.
De eerste was Tora Gambacurta. Geroepen om de hervorming barer Orde te beginnen, beantwoordde zij aan een
') Proc. fol. 210.
289
lang gekoesterdon hartewensch van Catharina. Gedurende dezer verblijf te Pisa ontstond er een innige vriendschap tus-schen haar en Tora. Zoodra deze, nog zeer jeugdig, weduwe werd, besloot zij zich geheel aan God te wijden. Catharina sterkte haar in dit voornemen. â Bestijg het schip van de heilige gehoorzaamheid,quot; schreef zij aan Tora, âdit is de veiligste weg, want dan roeit een ziel niet met haar eigen armen, maar met die van hare orde.quot; ')
In een anderen brief poogt zij Tora in haar edelmoedig besluit te bevestigen door haar te wijzen op de ijdelheid der wereld en op den rijkdom van goederen, die wij in God bezitten. 2)
Nog een andere Zuster der Derde Orde werd hier door Catharina voor het klooster gewonnen, de Zalige Maria Mancini. Zij was tweemaal gehuwd en leefde te Pisa zeer vroom, schoon door geen kloostergeloften gebonden. Tus-schen beide vrouwen ontstond spoedig een hartelijke vriendschap. Op Paaschdag baden zij te zamen in de kapel van â Annunciata,quot; die aan de Dominicanerkerk van de Heilige Catharina grensde. Eensklaps omhulde haar een heerlijke en schitterende wolk, waaruit een witte duif te voorschij n vloog.
Intusschen bevond zich Catharina nog in denzelfden zie-kelijken toestand, die haar het jaar te voren noodzaakte een uitnoodiging voor Pisa af te slaan. Nooit beantwoorden haren lichaamskrachten minder aan den gloed en de geestdrift harer ziel dan juist nu. âTerwijl zij te Pisa vertoefde,quot; verhaalt ons Raymundus van Capua, âoverviel haar ten gevolge van den langen duur eener geestverrukking zulk een zwakte, dat zij volgens onze meening haar einde nabij was. Uit vrees, dat zij ons te vroeg zou ontnomen worden, dacht ik er over na, hoe wij hare krachten eenigszins zouden versterken kunnen; want vleesch, eieren of wijn walgden haar zoo zeer, dat zij er zeker niets van zou gebruiken. Noch minder zou zij een versterkenden drank innemen. Ik vroeg haar nu, of ik een weinig suiker in het koude water zoude doen, dat zij placht te drinken. Fluks antwoordde zij: ,, Gij
') 322 Brief.
=3 323 ISrief.
II»
290
wilt zeker het beetje leven, dat ik nog in mijn lichaam heb, geheel uitdooven; gij weet immers wel, dat alle zoetigheden doodelijk voor mij zijn.quot;
Nu overlegden wij beiden, Gerard Buonconti en ik, welk middel wij tegen die zwakte konden aanwenden. Ik had wel eens gezien, dat zieken, wier polsen of slapen men met een rooden wijn van Venaccia inwreef, daardoor sterker werden. Terstond wilden wij dit middel beproeven. Gerardus zond een knecht naar een goeden vriend en buurman van hem om een kruik wijn van Vernaccia. âGaarne, vriend,quot; antwoordde deze, âzou ik het heele vat aan mijn buurman geven, maar er is sinds drie maanden geen droppel meer in. Opdat gij echter kunt getuigen, dat ik de waarheid spreek, kom en zie zelf.quot; Hij bracht den knecht nu naar den kelder. Deze zag, dat het vat leeg was. Ten overvloede opende de huisheer de kraan. En ziet, de heerlijkste wijn van Vernaccia stroomde er uit.
Buiten zich zeiven van verbazing sloot hij de kraan, riep de huisgenooten en vroeg hun, of iemand van hen ook wist, dat er wijn in het vat was gedaan. Doch allen bezworen hem, dat er sedert drie maanden geen wijn meer in was en dat ook niemand zonder hun weten het vat had kunnen vullen. Al de buren schreven dit feit aan een wonder toe. De knecht echter kwam vol bewondering en blijdschap met een kruik van dien wijn naar huis. ')
Weinige dagen later bezocht Gatharina den Apostolischen nuntius, die te Pisa was aangekomen. De geheele stad geraakte in opschudding. De werklieden verlieten hun werkplaatsen om haar te zien. âZiet,quot; riepen zij uit, âde vrouw, die zelve geen wijn drinkt en een ledig vat met wijn gevuld heeft quot; Zoodra Gatharina de oorzaak van die beweging kende, klaagde zij in haar hart tot God: â Heer, waarom wilt Gij het hart Uwer arme dienstmaagd zoo bedroeven en haar tot den speelbal van de gansche wereld maken? Alle Uw dienaren kunnen in vrede onder de menschen leven, uitgezonderd ik. Wie heeft dien wijn van Uwe goedheid gevraagd? Reeds lang ontzeg ik mij, op ingeving Uwer ge-
') Legend. II, 11.
291
nade, den wijn, en nu maakt de wijn mij bespottelijk. Ik smeek U bij Uwe barmhartigheid, doe dezen wijn terstond ophouden, opdat er een einde aan dit gepraat en deze drukte korae.quot; God deed nu een tweede, wellicht nog grooter wonder. Het vat was met voortreffelijken wijn gevuld; hij verminderde niet, ofschoon vele burgers uit godsvrucht er van gevraagd hadden. Maar eensklaps veranderde de wijn in een dikken droesem. Wat vroeger zoo heerlijk was, werd nu ondrinkbaar. Catharina was blij. Zij dankte haren Bruidegom , omdat Kij haar aan de aandacht der menschen onttrokken had. ')
Hoewel Catharina door de goede zorgen harer vrienden een oogenblik opleefde, was er geen middel om haar krankte te genezen. Zij stierf langzaam den marteldood der Belijders door het heilige vuur der goddelijke liefde. Daar na in haar wondervol leven het tijdstip was aangebroken, dat zij tot verhevener werken geroepen werd, wilde God haar door nieuwe hemelsche gunsten versterken. Keeds vroeger waren haar de verlovingsring, de doornenkroon, de verwisseling der harten en het gevoelen van Christus' lijden geschonken. Maar dit was niet voldoende om de gelijkvormigheid van de serafijnsche maagd met haren goddelijken Bruidegom volkomen te maken. Christus is een âBruidegom des bloeds,quot; de vijf wonden van Zijn aanbiddelijk lichaam zijn de vijf voorname bronnen, waaruit Zijn kostbaar Bloed gevloeid heeft. Deze gelijkenis mocht aan de bruid niet ontbreken. De Heer wilde haar voorbereiden.
Den 18 Augustus 1370 gevoelde Catharina een buitengewone vurigheid bij de Heilige Communie. Het scheen haar toe , dat hare ziel in God binnenging en in Hem verslonden bleef, gelijk de visch in den oceaan is gedompeld. Zij bereikte weder hare cel. Afgemat door het lijden en de ontroeringen, wierp zij zich op haar arrae legerstede en lag onbewegelijk in geestvervoering. Weldra wordt zij omhoog geheven, blijft langen tijd in dezen toestand en daalt dan weder langzaam oj) haar rustbed neder. Dan spreekt zij zulke zoete woorden uit, dat de omstanders in tranen wegsmelten; dan bidt zij
') Legend.. II, 11.
292
met name voor verschillende personen, onder wie ook haar biechtvader is. Een der Zusters van de Derde Orde roept hem; hij snelt toe, vindt Catharina opnieuw in geestvervoering, wacht het einde daarvan af en gebiedt aan zijn biechtkind hem rekenschap af te leggen. âVader,quot; zoo zeide zij nederig, âik vroeg voor u en voor eenige anderen de genade der eeuwige zaligheid, en daar do Heer het mij beloofde, voegde ik er bij,quot;niet uit ongeloovigheid, maar om de herinnering daaraan altijd levendig te houden: Welk bewijs van Uwe belofte geeft Gij mij? Strek uwe hand naar Mij uit, zeide de Zaligmaker tot mij. Ik gehoorzaamde. Hij nam een spijker, plaatste dien in den palm mijner hand en dreef hem met zooveel kracht er in, dat mijn hand geheel doorboord schoen. Geloofd zij Jezus Christus, omdat Hij eene Zijner wonden in mijn vleesch heeft gedrukt, schoon zij voor de menschen onzichtbaar is.quot;
Vijf jaren later vertoefde Catharina te Pisa. Het was de vierde Zondag in de Vasten. In de kleine kerk van Sint Christina las Raymundus van Capua de Heilige Mis en reikte haar de Heilige Communie uit. Volgens hare gewoonte bleef zij geruimen tijd in geestvervoering; hare ziel immers smachtte naar haren Schepper. Eensklaps verhief zij zich een weinig boven den grond, knielde dan weder neder en stak armen en handen uit. Haar gelaat was vuurrood; hare oogen waren gesloten. Langen tijd bleef zij onbewegelijk. Dan viel zij plotseling ineen, alsof zij doodelijk gewond was, en herkreeg het gebruik barer zinnen. Zij liet Raymundus roepen en zeide zacht tot hem; âVader, ik deel u mede, dat ik dooide barmhartigheid van onzen Heer Jezus Christus Zijne wonden in mijn lichaam draag.quot; Hij antwoordde haar, dat hij er reeds aan getwijfeld had, naar hetgeen in hare geestverrukking was voorgevallen. Hij vroeg haar dan, wat de Zaligmaker gedaan had. âIk heb,quot; hernam zij, âmijn Zaligmaker aan het kruis gezien; Hij daalde tot mij af, dooreen groot licht omschitterd; de inspanning mijner ziel om haren Schepper te gemoet te gaan dwong mijn lichaam om zich op te heffen. Dan zag ik, uit de vijf openingen der wonden van onzen Heer, vijf bloedige stralen naar mij toeschieten, die mijn handen, mijn voeten en mijn hart troffen. Ik be-
293
greep het geheim en riep uit: âO Heer, mijn God, ik bezweer U, laat de wonden niet uitwendig in mijn lichaam zichtbaar worden.quot; Terwijl ik sprak, begonnen de bloedige stralen te schitteren en bereikten in den vorm van licht vijf plaatsen van mijn lichaam, mijn handen, mijn voeten, mijn hart.quot; Ik vroeg haar nu: â Is er geen straal tot uw rechterzijde doorgedrongen?quot; Zij antwoordde mij: âNeen, tot mijn linkerzijde en wel rechtstreeks tot mijn hart. De lichtlijn, die van de rechterzijde kwam, trof mij niet schuins, maar recht.quot; âGevoelt gij zoo zeide ik tot haar, âop al die plaatsen een levendige smart ? quot; Zij antwoordde mij diep zuchtend : âIk voel op die vijf plaatsen cn vooral in het hart een geweldige pijn; hot schijnt mij toe, dat ik, zonder een nieuw wonder, onmogelijk in dezen toestand zou kunnen leven.quot;
Dit vervulde Raymundus met droefheid. Hij onderzocht, of hij eenige teekenen van haar hevige pijnen kon bespeuren. Daarna keerden zij naar het huis terug, waar zij woonde. Zij trok zich terstond in hare kamer terug en viel er bewusteloos neder. Verscheidene personen schaarden zicli rondom haar en weenden, omdat zij vreesden haar, â die zij in Christus liefhadden,quot; te verliezen. Noch nooit hadden zij haar in zulk een diepe onmacht gezien. Een wijle later kwam zij tot haar zelve en herhaalde, dat, zoo God haar niet hielp, zij spoedig zou sterven. Terstond vereenigde Raymundus al haar geestelijke kinderen en bezwoer hen weenend te zamen tot God te bidden, dat Hij hun nog eenigen tijd hunne moeder en meesteres zou laten behouden en hen midden in de stormen der wereld niet tot weezen zou maken, voor zij in de deugd bevestigd waren. Allen beloofden het gaarne. Smeltend in tranen, zeiden zij tot haar: âO gij, onze moeder, wij weten, dat gij naar Jezus Christus, uwen Bruidegom, verzucht; maar uw loon is zeker. Heb liever medelijden met ons; wij zijn nog te zwak om ons aan de woede der golven over te laten. Wij weten, dat uw welbeminde Bruidegom aan uw vurig gebed niets weigeren kan, en wij smeeken u om Hem te vragen, dat Hij ons nog niet van uwe tegenwoordigheid moge. bcroovcn, omdat wij verloren konden gaan, indien gij ons niet meer zoudt geleiden. Wij vragen het uit al onze krachten; maar helaas, wij gevoelen
294
wel, dat wij niet waardig zijn verhoord te worden. Gij, die zoozeer naar onze zaligheid verlangt, verwerf voor ons, wat wij niet kunnen verkrijgen.quot; Zij antwoordde op hun verzuchtingen in tranen; âReeds lang heb ik aan mijnen wil verzaakt; noch voor mij noch voor andoren wil ik iets dan wat God zelf wil. Van gfinscher harte verlang ik naar uwe zaligheid, maar ik weet, dat Hij, die de zaligheid van allen is , de uwe beter zal kunnen verzekeren dan welk schepsel ook. Moge Zijn heilige wil dus in alles geschieden. Toch zal ik gaarne vragen, dat Hij doe, wat het beste is.quot; Zij bleven zeer bedroefd. Doch de almachtige God versmaadde hunne tranen niet. Den volgenden Zaterdag liet Catharina Pater Raymun-dus roepen en zeide tot hem: âMij dunkt, dat God uw gebeden gaat verhooren; ik hoop, dat gij weldra tevreden zult zijn.quot; Het gebeurde, gelijk zij gezegd had.
Nadat zij Zondags daarop de Heilige Communie had ontvangen, geraakte zij weder in geestvervoering. Nu scheen haar lichaam zijn veerkracht te herwinnen. Hare gezellinnen stonden hierover verbaasd. Tot zich zelve gekomen, scheen zij zoo sterk, dat niemand er aan twijfelde, of hun gebed was verhoord. Pater Raymundus vroeg haar nu: â Moeder, voelt gij altijd dezelfde smarten in de wonden, die gij ontvangen hebt?quot; Zij antwoordde: âDe Heer heeft uwe gebeden verhoord tot groote spijt van mijn zie). Niet alleen veroorzaken mijn wonden geen pijn meer aan mijn lichaam, maar zij ondersteunen en versterken het. Ik gevoel het, wat mij terneder sloeg, vertroost mij nu.quot; ')
De Heilige had den leeftijd van acht en twintig jaren en zes dagen bereikt, toen zij de Heilige Wonden ontving. De plaats in de kerk van Sint Christina, waar deze wonderbare gebeurtenis voorviel, wordt door oen zuil en een opschrift aangeduid. Het kruisbeeld, waarvoor Catharina toen knielde, bracht men in 1563 met verlof van Pisa's kardinaal, aartsbisschop Angelus Niccolini, naar Siena over. Dc overbrenging moest des nachts en onder geleide van gewapenden geschieden , zoo groot was de vereering der inwoners van Pisa voor dit kruisbeeld.
') Legend. II, fi.
295
Later ontstond or een verschil van meening tusschen de religieusen van Sint Franciscus en die van Sint Dominicus. De eersten hielden staande, dat alleen de Heilige Franciscus de wonden had ontvangen; de laatsten beweerden, dat deze hemelsche gunst ook aan de Heilige Catharina werd geschonken. De Pausen mengden zich nu in het geschil. Clemens VIII droeg aan den Dominicaner pater Gregorius Lombardelli op het feit te onderzoeken. Deze stelde een lange verhandeling samen, waarin hij de echtheid van Catharina's wonder, onhestrijdbaar bewees. Hij haalt zeven en twintig geloofwaardige getuigen aan. Het feit werd bovendien door talrijke gedenkteekenen in steen, beeld en verzen vereeuwigd. Het Romeinsche brevier en dat der Predikheeren maakte er uitdrukkelijk melding van.
Zoo lang de Heilige leefde, bleven de wonden onzichtbaar. Niet zoo na haren dood. Op d'ên dag der begrafenis werden zij door velen gezien.
Benedictus XIII stond aan de Predikheerenorde toe de indrukking van de H. vijf wonden in het lichaam der H. Catharina van Siena jaarlijks op den 3 April te vieren.
VIERDE HOOFDSTUK.
Catharina's vriendschap met de Karthuizers. Haar verblijf te Lucca.
Hij was bij God en de mcnschon bemind, zijn gedachtenis is in zegening. Hij lieert hem als de heiligen verheerlijkt en liet op zijn woord de plagen ophouden.
Ecclesiastic. 45.
Als de ziel die liefde bezit, welke zij in Mij put en welke zij tot den naaste en tot het heil van de geheele wereld uitstrekt, beijvert zij zich aan de persoonlijke behoeften van hen, die haar omringen, te voldoen. Zij wil hare vrienden dienen door hun, overeenkomstig hun getal en hun maat, de genaden mede te deden, van welke ik haar de bewaarster en de uitdeelster gemaakt heb.
Samenspr. c. 7.
1375.
ngeveer zes mijlen ten oosten van Pisa lag in een ^ schoon dal, la Valle Graciosa geheeten, het beroemde Karthui'/.erklooster van Calci. In het midden der veertiende eeuw werd het gesticht. Door gebrek aan middelen was het nog niet voltooid tijdens Catharina's bezoek te Pisa. De prior van Calci was toon de Zalige Stephanus Spezzinghi, een van Catharina's leerlingen. Zij had voor de Karthuizers bij den P)isschop gesproken. Deze schonk hun duizend gouden guldens tot voltooiing van hun klooster. Meermalen bezocht zij Calci en richtte vurige vermaningen tot de Broeders. Twee opschriften te Calci zeggen, dat, door de bemiddeling van Catharina bij Gregorius XI, het geheele eiland Gorgona aan de Karthuizers werd afgestaan. Zij leefden er in een volmaakte regeltucht. Hun eerste prior was Don Hartholumaeus Cerafini.
297
Daar de tocht naar Gorgona zeer vermoeiend en Catharina aan de lasten eener zeereis niet gewoon was, vroeg Don Bar-tholomaens niet weinig, toen hij haar verzocht een dag bij hem en zijn Broeders op het eiland door te brengen. Meermalen moest hij zijn verzoek herhalen en de hulp van Pater Raymundus inroepen. Eindelijk willigde Catharina het in. De lezer kan zich voorstellen, hoe het kleine gezelschap, bestaande uit Catharina, Pater Raymundus, eenige Zusters en Broeders, ongeveer twintig personen, op een frisschen zomermorgen door de dichte en uitgestrekte dennenwouden reed, die zich tusschen Pisa en de zeekust bevinden. Eindelijk bereikte men Livorno. Hier aanschouwde Catharina voor dc eerste maal de zee. Nog nooit had zij aan haar oevers gestaan, nog nooit de golven zich schuimend zien breken aan hare voeten. Twee beelden, die telkens in hare schriften terugkeeren, werden4 hier diep in haar geheugen geprent; het woeste en rustelooze der zee, een treffend beeld van de onbestendige wereld, en haar onmetelijkheid, een beeld van God.
Gorgona is een hooge, schilderachtige rots, die uit de golven steil omhoog rijst. De reizigers bereikten zonder ongeval het eiland. Des avonds na de aankomst vonden zij, een mijl van het klooster verwijderd, een gastvrije herberg. Den volgenden morgen verscheen de prior met al zijn monniken bij Catharina en verzocht haar eenige woorden van stichting tot hen te spreken. Catharina verontschuldigde zich en meende, dat zij wegens haar onbekwaamheid, onwetendheid en kunne naar de woorden van Gods dienaren moest luisteren en niet in hunne tegenwoordigheid het woord mocht opvatten. Eindelijk overwonnen, sprak zij, wat de Heilige Geest haar ingaf over de bekoringen en misleidingen, waarmede de duivel kluizenaars kwelt, en over de middelen om een volkomen overwinning op hem te behalen. Allen waren opgetogen, zoo ordelijk, duidelijk, praktisch en degelijk had zij gesproken. Don Bartholomaeus zeide tot Pater Raymundus: â Dierbare Broeder Raymundus, ik verzeker u, dat deze Heilige niet juister en nuttiger tot hen had kunnen spreken; zij heeft geen enkele hunner noodwendigheden vergeten en geen enkel nutteloos woord gesproken. Het is zonneklaar.
298
dat zij de gaaf der voorspelling heeft en dat de Heilige Geest door haar spreekt.quot; ')
Toen de bezoekers het eiland verlieten, verzocht Don Bartholomaeus aan de Heilige hem haren mantel ter gedachtenis achter te laten. Zij deed dit en zeide tevens: ,, Pater Prior, bewaak uwe kudde zorgvuldig, want de vijand zal trachten een ergernis te verwekken; doch vrees niet, want het zal hem niet gelukken.quot;
Eenige monniken vergezelden haar tot Pisa en vroegen haren zegen, vóór zij terugkeerden. Zij gaf dien met de woorden: â Als u op weg iets overkomt, vreest dan niet, want God zal met u zijn.quot; Inderdaad, toen zij het eiland Gorgona weder naderden, stak er een storm op; het roer brak, het schip werd naar een gevaarlijke plaats meegesleept, op zij geworpen en met water gevuld. Een monnik werd door de golven weggespoeld. 'Doch hij en do andoren werden gered. Het schip kreeg vorder geen averij. quot;)
Weinige dagen later bracht een schipper uit Pisa, die hout voor hot eiland geladen had, aan een jeugdigen monnik slechte berichten van zijn moedor. Hij vroeg verlof om met het schip naar Pisa te gaan. Toen men hem dit weigerde, verviel hij tot diepe neerslachtigheid. De duivel bekoorde hem geweldig. Op zekeren dag stormde hij naar Don Bartholomaeus en vroeg geheel opgewonden om naar Pisa te mogen gaan. De prior weigerde het hem, maar beval aan een ouderen pater hem in het oog te houden. De jeugdige monnik liep naar zijn cel, nam een mes en wilde zich ombrengen. Doch de oude pater kon nog juist zijn hand terughouden en om hulp roepen. Don Bartholomaeus kwam ijlings toegeschoten en zocht den ongelukkige te bedaren met de belofte, dat hij zijn moeder mocht bezoeken. Doch hij hernam: âNeen, neen, ik wil niet gaan. De duivel bekoort mij. Nu wil hij mij overhalen om mij van den nok des kloosters neer te sterten.quot; Al de kloosterlingen waren hevig ontsteld. De prior liet den mantel van Catharina halen, legde hem op de armen van den monnik en zeide tot hem: âMijn zoon, beveel u zei ven
') Legend. II, 10.
2) Proc. TesMu. T). B;irth. v. Ravenna.
299
i
aan onze moeder Catharina aan.quot; Terstond was hij kalm en gerust en antwoordde; âZij heeft zeker voor mij gebeden, anders was ik verloren geweest.quot; ')
Na het vertrek van Catharina uit Pisa vroeg men aldaar aan een bezetene: â Is deze Heilige van Siena wel zoo heilig, als men meent?quot; âNog veel heiliger,quot; antwoordde de bezetene. Een ander vroeg haar, of Catharina haar van den duivel verlossen kon.quot; Zij zeidé: â Zij kan in alle geval meer doen dan gij, want al zijt gij een goede monnik, gij zijt toch niet zoo volmaakt.quot; -)
Catharina had een groote voorliefde voor de Karthuizer-orde. Met verschillende Karthuizers onderhield zij briefwisseling, zooals met Willem Rainaud, hun een en twintigsten Generaal, met de Karthuizers te Pontignano en Belriguardo bij Siena, met die te Milaan, te Napels, te Rome en te Bologna. Aan den Generaal schreef zij: âBeijver u de fouten te straffen , opdat een bedorven lidmaat de gezonde ledematen niet aansteke. Wees altijd rechtvaardig en barmhartig. Verontrust u niet te gauw, maar zoek de waarheid en doe haar zoeken door verlichte personen, mannen van geweten. Tracht steeds voorbeeldige religieusen bij u te hebben; en boven alles, bid ik u, beij ver u goede prioren te benoemen, deugd-zaraa personen, geschikt om anderen te besturen. Er zijn er velen, die voor zich zei ven goed zijn, maar die niet goed zijn om te regeeren. De orden gaan zoo te gronde; zij bloeien door de tegenovergestelde middelen. Vindt gij goede oversten, bewaar hen en wees niet bang, om de liefde van den gekruisten Jezus.quot; :l)
Een zekeren Don Stephanus, uit het klooster tc Rome, troost zij , omdat hij het vagevuur van den H. Patricius niet mocht bezoeken. Aan Franciscus Tebaldi te Gorgona zond zij een afschrift barer Samenspraken en noemde hem âmijn zoetsten, mijn dierbaarsten, mijn veelgeliefden broeder, dien ik als mijn eigen ziel bemin.quot; 4)
') l'ror. Testim. 1). Barth. v. Ravenna. 2) Ibidem.
53 Brief.
') 62 Brief.
m
lis
V:;:
300
Hot is zeker, dat Catharina's verblijf te Pisa minstens zes maanden geduurd heeft. De meest uiteenloopende zaken hielden haar bezig. Zij vernam, dat Paus Gregorius XI Pater Elias van Toulouse, Generaal der Predikheerenorde, tot kardinaal wilde verheffen. â Ik bid uzoo schreef zij hem, ,,om de liefde van den gekruisten Jezus, geef ons een goeden en deugdzamen vicaris. Onze Orde heeft hem noodig, want zij is zeer woest en onbebouwd. Gij kunt daarover beraadslagen met heer Nicolaas d'Osimo en den Aartsbisschop van Otrante.quot; ') In een brief aan Jacobus d'Ihi, Aartsbisschop van Otrante, zegt zij: â Ik hoor, dat onze Generaal tot kardinaal zal benoemd worden. Ik bezweer u nu, om de liefde van den gekruisten Jezus, de belangen der Orde te behartigen en den Stedehouder van Christus op aarde te verzoeken ons een goeden vicaris te geven. Ik zou wel willen, dat gij Pater Stephanus de]Ia Cumba voorsloegt; hij is tot heden Procurator der Orde geweest. Ik geloof dat het, zoo hij gekozen wordt, een groot voordeel voor do glorie van God en voor onze Orde zal zijn. Want liet schijnt mij toe, dat hij een man van deugd, van handelen en zonder vrees is. Wij hebben nu juist een geneesheer noodig, die niet bang is en die het mes van de heilige en onvervalschte rechtvaardigheid hanteert. Want men heeft tot nu toe zooveel zalven gebruikt, dat vele ledematen bedorven zijn. Kan Pater Raymundus u in deze zaak van dienst wezen, dan is hij geheel ter uwer beschikking.quot; 'quot;) In denzolfden geest schreef zij aan Nicolaas d'Osimo, Secretaris en Protonotarius van Gregorius XI. :quot;)
Uit dienzelfden tijd zijn er nog brieven , welke Catharina aan den markies Petrus del Monte schreef, die in 1875 te Siena senator was. Zij wijst hem op verschillende aangelegenheden en verlangt, dat een jonge man, die tegenover de Benedictijner Zusters van Sint Michaël de Vio in de nabijheid van Siena geweld had gepleegd, door een venster, dat hij had stuk geslagen, in het klooster was gedrongen
') 1 Brief. 'â â ) .'in Briof.
^) 4(1 Brief.
301
en gedreigd had het in brand te steken, voorbeeldig gestraft werd om de ergernis weg te nemen. ') Hieruit blijkt, dat Catharina goed op de hoogte bleef en de belangen harer vaderstad niet verwaarloosde. Daar intusscben wekte hare langdurige afwezigheid het ongeduld harer vrienden op en verleidde hen tot kleingeestige aanmerkingen. Zij meenden en vertelden, dat de Heilige zich weinig meer om ben bekommerde. Dat kinderachtig gepraat weerlegt zij in een schrijven aan beer Matthaeus, rector van het gasthuis ter Barmhartigheid te Siena. â Zie de Heiligen. Zij reisden of bleven te huis naar gelang de glorie van God het vorderde. En toch gingen er tallooze klachten op. Wanneer zij reisden, arbeidden zij niet minder aan de eer van God; bleven zij tehuis , dan verloren zij bet geduld en het licht des geloofs niet. Indien ik ga of indien ik blijf, ik doe het altijd door Gods wil en niet door dien der menschen. De ziekte van mijn lichaam heeft mij teruggehouden, maar vooral de wil van God heeft mij verhinderd weder te keeren. Wij zullen zoo spoedig mogelijk terugkomen, zoodra de Heilige Geest het ons toestaat. Moge ik geen hinderpaal zijn om de menigte mijner zonden, die u en de ganscbe wereld schaden. Bid tot God, ik bezweer het u, dat Hij mij het volle licht schenke, opdat ik op den weg der waarheid sterve.quot; 1) Uit een ander schrijven van Catharina aan Pater Thomas della Fonte zien wij , dat de Aartsbisschop van Pisa den Generaal der Orde had verzocht de Heilige nog eenige dagen te Pisa te laten. ::) Dit feit bewijst, dat de Zusters van de Derde Orde onder den Generaal stonden en dat Catharina zonder zijn verlof geen reizen mocht ondernemen.
Nadat Catharina al den tijd van haar verblijf te Pisa in het belang der Kerk had besteed, keerde zij in het begin van Augustus 1375 naar Siena terug. In hare eenvoudige cel bracht zij bijna den ganschen dag in het gebed door. Nu en dan zocht zij een verpoozing in liet beschouwen der heerlijkheid van Gods schepping. Wandelende door de akkers
1
) 42 Brief.
802
en wijnbergen buiten Siena, plukte zij leliën, rozen en viooltjes, welke zij in den vorm van kronen of kruisen samenvlocht voor den dienst des altaars. Wanneer zij de bloemen bewonderde, zeide zij met een zekere verrukking: âZiet gij niet, dat al deze zaken God verheerlijken en tot ons over Hem spreken? Vertoonen deze roode bloemen niet de wonden van Jezus Christus?quot; ') Geboren onder den zaehten hemel van Italië, _was zij voor de muziek zeer gevoelig en zong nu en dan met andere godvruchtige maagden welluidende liederen ter eere van Gods lieve Moeder. 1)
Toch belette liet verborgen leven Catharina niet zich met grootsche plannen bezig te houden. Hare liefde omvatte den godsdienst en de beschaving. Europa en Italië, het bijzonder belang van verscheidene naties en het algemeen belang der Christen maatschappij. Zij wilde den vrede aan Italië terugschenken , zij wilde de beschaving redden en het voortrukken der Turken tegenhouden, zij wilde den Paus naar Rome terugvoeren. Niemand had dit verheven denkbeeld zoo duidelijk opgevat dan de eenvoudige maagd van Siena, niemand heeft het zoo beslist en krachtdadig uitgevoerd. Zij droeg het merkteeken van een grooten geest: een breede opvatting van het verstand, een vurige liefde van den wil, een volhardende uitvoering van de daad.
De rust van Catharina duurde niet lang. Door hare bemiddeling was Pisa voor den Paus behouden; zij overlegde nu, hoe zij ook Lucca voor hem kon bewaren. Vooreerst richtte zij een krachtigen brief aan de magistraten der stad.
âGij denkt misschien,quot; schreef zij, âdat de Kerk haar kracht verloren heeft, dat zij op het punt is te bezwijken en noch zich zelve noch hare kinderen kan helpen. Gelooft dit niet, vertrouwt niet op den schijn, en gij zult in haar een macht zien, waarvoor geen vijand stand houden kan. Welk een dwaasheid is het, wanneer een lidmaat zich tegen zijn hoofd verheft, vooral wanneer het weet,- dat eerder hemel en aarde vergaan zullen dan de macht en de heerschappij van dat hoofd! Laat u niet door slaafsche vrees
1
) Proc. 1313.
803
leiden. Ik vermaan u dus, dierbare broeders, die allen kinderen der Heilige Kerk zijt, om standvastig en onveranderlijk in datgene te volharden, wat gij begonnen hebt. Laat li niet door duivels overreden of door menschen, die erger zijn dan de duivels, wier werken zij uitvoeren. Houdt u trouw aan uw Opperhoofd en aan Hem, die alleen machtig is, en hebt geen gemeenschap met die doode ledematen, welke zich van de bron van alle kracht losgescheurd hebben. Wacht u, ik zeg u, wacht u verbintenissen met hen aan te knoopen, verduurt liever al het andere dan dat. Vóór alles , vreest God te beleedigen, dan behoeft gij niets anders te vreezen. Wat mij betreft, ik tril van vreugde bij de gedachte , dat gij tot heden standvastig in de gehoorzaamheid aan de Kerk gebleven zijt. Ik zou van smart bezwijken, als ik het tegendeel moest hooren, en ik kom in den naam van Jezus, den Gekruiste, om u te zeggen, dat gij om geen prijs aan datgene moogt verzaken, wat gij begonnen hebt.quot; ') Catharina ging verder. Zij ontving van Gregorius XI liet uitdrukkelijk bevel, dat zij persoonlijk te Lucca moest werken. Zij was terstond bereid, ondanks het tegenstreven harer stadgenooten, aan den Paus te gehoorzamen en geen middelen onbeproefd te laten om de wankelende Lucaners te bevestigen. Dientengevolge vertrok zij in de maand September en deed onder weg Pisa even aan. De warme ontvangst, welke haar te Lucca te beurt viel, gaf haar de blijde hoop, dat haar reis niet te vergeefsch zoude wezen. Zij werd in het huis van een adellijk burger, Bartholomeus Balbani geheeten, opgenomen. Hij woonde op een villa buiten de stad. Donna Balbani, die een klein getal van godvruchtige vrouwen in haar huis vereenigd had, ontving haar met open armen. Allen waren begeerig de Heilige maagd van Siena te zien en te hooren. De namen van deze vrome lieden kennen wij nog uit de brieven, die Catharina na haar vertrek aan hen schreef. Pater Thomas Caffarini schildert ons levendig de geestdrift, welke de tegenwoordigheid van Catharina te Lucca verwekte. â Zij werd door den adel en de burgers met alle mogelijke eerbewijzen bejegend. Wanneer
') 286 Brief.
3U4
zij door cle straten ging, liepen haar allen na, die haar iets wilden vragen en anders geen gelegenheid hadden om haar te spreken, en verzamelden zich rondom haar. Lieden van iederen leeftijd, van ieder geslacht, van iederen stand verlangden haar te zien. Dit was ook niet te verwonderen. Immers de faam ging haar vooruit en allen in den omtrek spraken er over, hoe bewonderenswaardig, heilig en verstandig zij was eu welke onschatbare gunsten God aan deze jeugdige maagd had verleend, die, schoon eerst acht en twintig jaar oud, bestemd was om de gewichtigste zaken te behandelen. Bovendien gaf de Heer in St. Romanus, de kerk harer Orde, waar zij placht te bidden en te communiceeren, vele bewijzen van hare heiligheid. Men zag daar dikwijls, hoe haar lichaam, niet alleen na de II. Communie, wanneer zij onbewegelijk in geestvervoering was opgetogen, maar ook herhaaldelijk in het vuur van het gebed omhoog geheven werd.quot; 'lt;;)
Gedurende haar verblijf te Lucca werd Catharina ziek. Zij liet een priester vragen om haar de Heilige Communie te brengen. Van deze alleen verwachtte zij eenige lafenis. De priester maakte het onbezonnen voornemen bij deze gelegenheid te onderzoeken, of zij inderdaad geen andere spijs dan de Heilige Communie nuttigen kon. Hij bracht haar een ongeconsacreerde hostie en naderde daarmede hare legerstede. Ofschoon de omstanders als gewoonlijk nederknielden, gaf Catharina niet het minste teeken van geloof. De priester berispte haar hierover. Zij echter antwoordde hem met verontwaardiging: âSchaamt gij u niet, vader, mij een stuk gewoon brood, een ongeconsacreerde hostie te brengen en zoo deze lieden te misleiden? Al kan men hen ook niet van zonde beschuldigen , omdat zij niet wisten, wat gij gedaan hebt, zoo was ik toch niet te quot;erschoonen, daar God mij uw bedrog geopenbaard had.quot; Beschaamd trok zich de priester terug, had oprecht berouw over zijn misstap en bewaarde voor de Heilige een diepe vereering.
Catharina bezocht dikwijls de zieken, die niet bij haar konden komen, in hun huizen. Op zekeren dag hoorde zij van een arme vrouw, die op sterven lag, doch wier ziel
') Supplem. il. G.
:-!05
groot gevaar liep verloren te gaan. Hoewel de regen met stroomen neerviel, ijlde zij terstond naar de woning der zieke. Zij bleef bij haar, troostte haar en stond haar bij tot het laatste oogenblik. Nog altijd bleef het stortregenen en de straten liepen onder. Doch zij keerde huiswaarts zonder een druppel regen gevoeld te hebben. ')
Verschillende getuigen spraken bij het proces van Catha-rina:s heiligverklaring nog van andere wonderbare feiten, door haar te Lucca verricht.
De Heilige schijnt ongeveer drie maanden bij haar gastvrienden vertoefd te hebben en tegen het einde van het jaar naar Siena te zijn teruggekeerd. Donna Mellina, die een teedere genegenheid voor haar had opgevat, was over het vertrek van hare nieuwe vriendin bijna ontroostbaar. De eene omhelzing volgde op de andere. Immers, allen, die in nadere betrekking tot Catharina stonden, vonden bij haar zulk een troost en opbeuring, dat zij geloofden zonder haar niet te kunnen leven. Zoo dacht ook Donna Mellina. Zij en de kleine kring van hare vrome vrienden drukten hun droefheid uit in een brief, dien zij Catharina nazonden. Zij meenden, dat Catharina een groote leemte achterliet, welke niets kon aanvullen. Goedig gelijk altijd, schreef de Heilige vijf brieven tot troost van haar treurende vrienden. Zij schrijft aan Donna Mellina: âIk wil niet, dat gij eenige genegenheid voor mij of een ander schepsel koestert, tenzij in God. Ik zeg u dit. omdat ik zie, uit hetgeen gij mij schrijft, dat gij door mijn vertrek geleden hebt; maar ik wil, dat gij liet voorbeeld van de hoogste Waarheid volgt, die de liefde tot Zijn Moeder en tot Zijn leerlingen niet verhinderd heeft naar den schandelijken dood des kruises te snellen. Hij heeft Maria en Zijn leerlingen achtergelaten. En toch had Hij hen lief voor de glorie van God en het heil der schepselen. Handelt zoo, dat gij u over mij niet meer bedroeft. Ik heb medelijden met uw verdriet gehad en ik wijs u het geneesmiddel aan; bemint God onverdeeld en zoo gij mij ook wilt beminnen, mij, arme en ellendige, dan zal ik u zeggen, waar gij mij kunt vinden, opdat
') Supplom. 11, 1.
20
306
gij u nooit van de ware liefde verwijdert. Gaat naar het zoete, liet aanbiddelijke kruis met de goede en teedere Maria Magdalena. Daar zult gij het Lam vinden, gij zult er mij vinden, en gij zult al uwe wenschen kunnen bevredigen. Ziedaar de wijze, waarop gij mij en ieder schepsel moet zoeken. Ik zeg u, het was goed, dat ik van u heenging, opdat gij God in waarheid en onverdeeld zoudt zoeken. Ik schrijf u niet meer, omdat ik geen tijd heb. Ik richt dezen brief vooral aan u, Mellina, verder aan Catharina, aan Donna Clara, Donna Barthelemi, Donna Lagina en Donna Columba.quot; ')
Joseph Perotti, een arme leerlooier, en zijn vrouw Lippa hadden een bambino eigenhandig gekleed en tot gedachtenis aan Lucca der Heilige ten geschenke gegeven. Om hun voor hun eenvoud en oprechte, goede meening te danken schreef Catharina aan hen een hartelijken brief. Zij moesten er niet alleen aan denken, dat zij den kleinen bambino kleedden, maar dat zij zeiven met Jezus Christus omkleed waren. âIk dank u van ganscher harte voor uw geschenk en ik twijfel er niet aan, dat de gekruiste Jezus u met den nieuwen rnensch omkleeden zal, gelijk gij het Jezuskindje gekleed hebt. Ik bid, dat gij altijd in Zijn zoete liefde moogt blijven.quot; â ')
'J 348 Brief. -) 302 Brief.
VIJFDE HOOFDSTUK. Catharina te Florence.
Hij werd volmaakt en rechtvaardig bevonden en is ten tijde der gramschap een middel tot verzoening geworden. Ecclesiastic. 44. Zij leggen vurige kolen van liefde op het hoofd van hun naaste ; zij verdrijven den haat, die hun hart vermeesterd had, en de gramschap wordt eensklaps in welwillendheid veranderd. Samenspr. c. 8.
137G.
ij haar verzoeningswerk in de steden en republieken van Italië, zooals te Siena, Pisa, Lucca, Florence, beoogde Catharina vooral twee zaken door haar gebed en arbeid te verkrijgen: van de opstandelingen een onvoorwaardelijke onderwerping en van den Paus een vreedzame en verzoenende staatkunde. In hare brieven aan hare vrienden te Florence bewijst zij, dat de ledematen der Kerk, als zij van hun hoofd afgescheurd zijn, onvermijdelijk hun dood en verderf tegemoet ijlen, dat het geleden onrechl den kinderen geen recht geeft om tegen ium vader op te staan. In de brieven aan den Paus te Aviguon bidt zij steeds om vergiffenis voor het verledene eu een goed bestuur voor de toekomst. Al haar krachten spant zij in om Gre-gorius tot vredelievende mnatregelen te bewegen. Zij verwerpt de rechtvaardige klachten over de Florentijnen, welke hij aanvoeren kon, geenszins, 'maar zij blijft beweren, dat een grootmoedige staatkunde van vergiffenis het meest betaamt
308
aan den Stedehouder van Hem, die Zijn loven voor Zijn schapen opofferde. Welke verwachtingen zou men van de noodzakelijke hervormingen of van de kruisvaart kunnen koesteren, wanneer de Kerk met haar eigen kinderen oorlog voerde? Het ware veel beter hun billijke klachten te erkennen en goede en rechtvaardige stadhouders te benoemen. Dit is de hoofdinhoud van Catharina's bewijsvoering. Gestadig heihaalt zij de bede; âVrede, om des gekruisten Jezus wille, mijn zoete Vader, geen oorlog meer, maar vrede, vrede!quot;
Do Pausen, men weet het, hadden Italië in hot begin der veertiende eeuw verlaten. Zeventig jaren later, in 1376, verkeerde dit heerlijke land in geheel anderen toestand. Terwij zij in rust te Avignon leefden, verrezen er in Italië kleine republieken en vorstendommen, machtig en vijandig aan de Kerk. Bij hun vertrek kende men alleen het koninkrijk Napels; nu stond Gregorius tegenover de heeren van Este, van Modena, van Savooye, van Montferrat, vooral die van Milaan, de gevreesde Visconti. Daar heerschte in Italië een Iievigo gisting tegen den Heiligen Stoel. Het vuur des oproers smeulde. Er waren hiervoor verschillende oorzaken: De heerschzucht en strijdlust der verschillende kleine vorsten en bewindvoerders; de vrijheidsziekte en godsdienstloosheid in de lagere standen; liet verblijf dei-Pausen te Avignon; het ontstichtende voorbeeld van hooggeplaatste geestelijke en wereldlijke personen; de huurtroepen, welke het land onder hun eigen aanvoerders afstroopten; het onbekwaam bestuur der Pauselijke legaten en stadhouders.
Gedurende hun verblijf te Avignon hadden de Pausen legaten aangesteld om in hun naam de Kerkelijke Staten te besturen en hun gezag in de republieken van Italië te vertegenwoordigen. Zij werden algemeen door de bevolking gehaat, deels omdat zij vreemdelingen waren, deels omdat zij uit heersch- of hebzucht en trotschheid het volk uitzogen. De Heilige Antoninus en vele andere geschied-schrijvers varen verschrikkelijk tegen hen uit. ')
â De slechte herders en slechte bestuurders,quot; schrijft
') S. Antomn. Chronic, t. TIT. tit. XX1T. c. 151.
809
Catharina, âzijn de oorzaak van den opstand. ') Ik geef toe, dat de Florentijnen geen verontschuldiging voor hun gedrag hebben; maar zij wanen, dat zij niet anders kunnen handelen wegens de afpersingen en onrechtvaardigheden, die slechte herders en slechte bestuurders tegenover hen plegen.quot; 1)
Vooral de Florentijnen waren tegen den Paus verbitterd. De valsche geruchten, die men door gansch Europa verspreidde , dat de Pauselijke legaten en do Paus zich van Toscane meester maken wilden, en de aanhitsingen van sommige kwaadwilligen wakkerden de verdeeldheid aan en joegen de Florentijnen nog meer in het harnas. :,) Zij dreigden den Paus met een oorlog en verklaarden zich openlijk tegen hem. In korten tijd sloten zich tot zestig steden bij hen aan, deels uit persoonlijke ontevredenheid, deels door opruiingen aangezet.
Bij deze tijdingen was de goedige Gregorius XI geheel terneergeslagen. Daar hij hoopte de gemoederen met zachte woorden tot rust te brengen, richtte hij een zeer welwillend schrijven aan de Florentijnen. Hij zette zijn vroeger gedrag uiteen, weerlegde hun aantijgingen, verzekerde hun van zijn zuivere en belangelooze bedoelingen en noemde zich hun vader.
Van verre reeds had Catharina den storm zien opdringen. Door haar tegenwoordigheid en haar krachtig woord had zij Pisa, Siena en Lucca voor den Paus behouden. Daar zij nu vreesde, dat deze, billijk verontwaardigd, het erfdeel van Petrus met de wapenen zoude verdedigen, trachtte zij hen door alle mogelijke middelen van overreding tot vrede en barmhartigheid voor de Florentijnen te stemmen. Vervolgens richt zij zich tot den Paus als tot een vader en smeekt hem in naam der liefde om vergiffenis voor zijn kinderen. De zachtmoedigheid zal meer uitwerken dan de oorlog. Deze zou de zielen in het verderf storten. Zij raadt hem niet aan de rechten en de goederen der Kerk op te
1
) 3 Brief.
â¢2) Rayuald. 1372. XIII.
2
'_) 1 Brief.
310
geven. Doch de geestelijke goederen zijn kostbaarder. Wanneer hij deze door de barmhartigheid verkrijgt, zal hij ook de anderen terugvinden. Zij deinst noch voor den ernst, noch voor de moeilijkheid harer onderneming terug en bestrijdt bij Gregorius de voorwendsels, waardoor de Franschgezinde prelaten hem tot den oorlog dwingen en den weg der minnelijke schikking afsluiten wilden.
â Den vrede, God vraagt hem u; Hij wil, dat gij hem zoo spoedig mogelijk sluit. Al zijt gij gehouden de rijkdommen en de rechten, die de Kerk heeft verloren, terug te winnen en te bewaren, gij zijt veel meer gehouden zoovele schapen te herwinnen, die een schat voor de Kerk zijn. Zij zoude te arm worden, indien zij ze verloor. Het is beter de tijdelijke belangen dan de geestelijke te verwaarloozen. Gij zult de menschen eerder met de wapenen der zachtmoedigheid, dei-liefde en des vredes overwinnen dan met de gestrengheden van den oorlog.
Mijn ziel heeft in haar vereeniging met God een brandenden dorst naar de zaligheid, naar de hervorming der Heilige Kerk en naar het geluk van de ganseho wereld. Het schijnt mij toe, dat God mij geen ander middel dan den vrede openbaart; ik zie in Hem geen andere. De vrede, ja, do vrede ora de liefde tot den gekruisten Jezus. Laat de onwetendheid, de verblinding en de hoogmoed uwer kinderen u niet weerhouden. Door den vrede zult gij den oorlog overwinnen en den haat, die 'de harten verdeelt; gij zult ze vereenigen.
Vergeef mij, dat ik zoo tot u spreek; het is niet om u te onderrichten, maar de Waarheid zelve noodzaakt mij en het verlangen, dat ik heb om u, mijn zoete Vader, in vrede en rust naar ziel en lichaam te zien. Twee zaken hebben de Kerk en hare goederen te loor doen gaan: de oorlog en het gemis aan deugd. Daarom zeg ik u ook: wilt gij terugwinnen , wat gij verloren hebt, dan is het eenigste redmiddel de vrede en de deugd. ')
Ik verlang zoo vurig, dat gij een ware herder zijt en van Jezus, wiens plaats gij bekleedt, leert, dat Hij Zijn leven
') 2 Brief.
311
voor Zijn schapen gegeven heeft. Hij lette niet op onze ondankbaarheid, op de vervolgingen , beleedigingen, den smaad, de verwijten van hen, die Hij geschapen en met weldaden overladen had, maar Hij zette het werk onzer verlossing voort; het verlangen, waarvan Hij brandde, om Zijn Vader te eeren en ons te verlossen, belette Hem die verongelijkingen te zien. Door Zijn wijsheid. Zijn goedheid. Zijn vrede en Zijn zachtmoedigheid, zegevierde Hij over onze boosheid. Ik bid u, mijn zoete Vader, en ik zeg het u in naam van den gekruisten Jezus, doe hetzelfde, en door uw goedheid, uw geduld, uwen ootmoed, uwe zachtmoedigheid zult gij den trots en de kwaadwilligheid uwer kinderen overwinnen, die tegen u, hunnen Vader, zijn opgestaan. O Vader, de vrede om de liefde Gods, opdat zoovele zonen het erfdeel van het eeuwig leven niet verliezen. Gij zijt de ware Vader en Herder; gij ziet, dat het nu de tijd is uw loven voor die schapen, die den schaapstal verlaten hebben, te offeren; gij moet ze zoeken en terugwinnen door het geduld en door den oorlog tegen de ongeloovigen, als gij den standaard van het schitterende en zoete kruis verheft. Maar om hem te verheffen moet men niet slapen, men moet opstaan en hem met moed ontrollen.
Ik zie wel, mijn goede Vader, dat gij als het lam te midden der wolven zijt; maar schep moed, vrees niets, omdat de Voorzienigheid en de hulp van God u nooit ontbreken zullen. Voorwaarts, mijn Vader, verwezenlijk het plan van uw terugkeer en van de kruisvaart; wees bereid uw leven voor den Christus te geven. Christus heeft het gedaan en gij, Zijn plaatsbekleeder, moet Hem vertegenwoordigen. Is het geen gewoonte, dat de ondergeschikte het voetspoor en het voorbeeld van zijn hoofdman volgt? Kom dan, kom dan; draal niet langer, verklaar spoedig den oorlog aan de ongeloovigen; laat u niet door bedorven ledematen weerhouden, die tegen u zijn opgestaan. Ik bid het u, ik wil het, gebruik tegenover hen een heilige list en bezig de goedheid, zooals ik liet u gezegd heb. Zoo heeft onze zachtmoedige Zaligmaker gedaan. De vrede, de vrede, de vrede, mijn zoete Vader, en niet meer de oorlog... Moed, mijn Vader, moed, laat u niet door de droefheid terneerslaan. Stel u gerust met
312
de hoop, dat God u in uw moeilijkheden en noodwendigheden zal helpen... Ik eindig, want indien ik aan mij zelve toegaf, zou ik spreken, zoolang er nog een sprank leven in mij was. Vergeef mij mijne vrijheid. Moge de smart en de liefde die ik voor de eer van God en voor de verheffing der Heilige Kerk heb, mij bij uwe goedheid verontschuldigen. Ik zou u veel meer in persoon dan in een brief kunnen zeggen. Het schijnt mij toe, dat ik dan mijn gemoed zou verlichten. Nu kan ik niet meer. Heb medelijden met de teedere en liefdevolle wenschen, die voor u en voor de Heilige Kerk met tranen en onafgebroken gebeden opgedragen worden. Geen loomheid, maar arbeid met ijver. Volg met een mannelijk hart en zonder vrees het Lam, voor ons op het kruis geslachtofferd, en blijf in de heilige en zoete liefde Gods. Ik bid u, eerwaarde Vader, hoor den brenger van dezen brief aan, en zoo gij liet kunt. sta hem toe, wat hij u zeggen zal. Verleen hem gehoor, bid ik u, en geloof zijn woorden, want men kan alles in een brief niet zeggen. Indien gij mij geheimen wilt mededeelen, kunt gij ze hem veilig toevertrouwen. Wat mij betreft, als het noodig was, zou ik volgaarne mijn leven geven voor de eer van God en het heil der zielen.quot; ')
De brieven van de Heilige Catharina werden aan Gregorius XI gebracht door hare meest vertrouwde leerlingen. Zij verstrekte hun mondelings nauwkeurige en waarheidlievende inlichtingen over den toestand van Italië. Een dier boden was Neri de Landoccio, een aanzienlijk inwoner van Siena.
Het verhingen der Heilige naar den vrede werd iederen dag vuriger. Daar zij het einde der bloedige twisten niet voorzag, maar begreep, dat do wraakzucht bij de Florentijnen meer en meer aanwies, schreef zij brief op brief aan den Paus en verzuimde niets om hem te overreden. Overtuigd dat de hovelingen veel invloed hebben op hun vorsten, dacht zij er aan hen tot haar helpers te maken. Zij schreef dan met vuur aan eenigen hunner, zooals aan Nicolaas d'Osimo, secretaris van Gregorius XI, opdat hij dezen tot zachtheid en toegevendheid zou stemmen. '') Zij wendde zich ook nog
') 3. Brief. ^ 39 cn 4(i Brief.
01 O
oio
tot kardinaal Jacobus Orsini en tot een zekeren Petrus, een Portugeesch kardinaal. ') Haar liefde nam steeds hooger vlucht. In haar brieven aan Gregorius sprak zij niet alleen van den vrede en den kruistocht, maar ook van den terugkeer des Pausen naar Rome. Zeker, zij moest een buitengewoon krachtigen geest hebben om aan een schroomvailigen Paus, gelijk Gregorius, te vragen naar Italië terugtekeeren en zich met Florence te verzoenen, juist nu de ontevredenheid en liet verzet der Florentijnen het hoogst gestegen waren. Maar Catharina kon alles in God, die haar versterkte. Haar ziel was te groot om vrees te kennen. Haar wondervolle werkkracht werd door de moeilijkheden sterker en haar vlammende liefde voor God en den evenmensch schonk haar een heilige en bewonderenswaardige stoutheid, waaraan niets weerstand bieden kon. Opnieuw smeekt zij om erbarming voor de Florentijnen.
âIk zie, mijn zoete Vader, dat de wolf uw schapen weg-rooft en dat niemand zich er tegen verzet. Ik wend mij dan tot u, onze Vader en onze Herder, en ik bezweer u in naam van den gekruisten Jezus, leer van Hem met welk een liefdegloed Hij zich aan den smadelijken dood des kruises heeft overgeleverd om het verloren schaap van het men-schelijk geslacht uit de klauwen van den duivel te redden. De eeuwige en hoogste Wijsheid vond het zoetste en teederste middel, dat zij vinden kon; zij zag, dat niets zoo zeer over het hart van den mensch zegevierde als de liefde, want hij is uit liefde gemaakt en daarom is hij zoo geneigd om te beminnen. Het Woord heeft ons door de liefde gewonnen ; door de goedheid heeft het over onze boosheid gezegevierd en wel zoo, dat alle harten zich aan Hem moesten overgeven. O mijn allerzoetste en allerheiligste Vader, ik zie geen ander middel om uwe oproerige schapen terug te winnen. Daarom bid ik u in naam van den gekruisten Jezus, en ik wil, dat gij mij deze gunst toestaat: Overwin uw boosheid door uw goedheid. Barmhartigheid, o Vader, ik vraag ze voor hen; trek hen tot u door de bekoorlijkheid uwer liefde en goedheid, geef hun een zachte berisping. Ik verklaar
') 27. 28 en 29 Brief.
314
het u, gezalfde dezer aarde, in naam van den Gezalfde des hemels, wanneer gij aldus zonder list of gramschap handelt, zullen zij allen met berouw over hun misslag tot u komen, zij zullen hun hoofd in uwen schoot neerleggen. Dan zult gij u verblijden en wij zullen ons verblijden.
Indien gij wraak en gerechtigheid verlangt, sla mij dan, ellendige, en doe mij al de pijnen en folteringen tot den dood verduren. Ik geloof, dat de besmetting mijner zonden vele van deze rampen en twisten veroorzaakt heeft; kastijd dus uwe ellendige dienstmaagd naar welgevallen. Helaas, mijn Vader, ik sterf van smart en ik kan niet sterven. Kom, kom, weersta niet langer aan den wil van God, die u roept. Uwe hongerige schapen wachten, dat gij komt om de plaats van uwen voorganger en van uw hoofd, den Heiligen Apostel Petrus in te nemen. Uw eigenschap van plaatsbeklecder van Christus verplicht u op uw plaats te zetelen. Kom dan, kom en toef niet langer. Schep moed en vrees niets van hetgeen u overkomen kan, want God zal met u zijn. Ik vraag u ootmoedig uwen zegen voor mij en al mijn geestelijke kinderen. Ik bid u, vergeef mij mijne vermetelheid.quot; ')
Gregorius was diep bewogen door de van liefde gloeiende taal der Heilige. Zijn leger stond marschvaardig om te vertrekken. Hij hield liet terug en zond in het begin van 1376 afgevaardigden naar Florence om vredesvoorstellen te doen. Hij zou de ontvangen beleedigingen vergeten en twee Pauselijke steden, Perugia er. Citta di Castillo, vrij maken onder de eenige voorwaarde voor Florence, dat het de wapenen aflegde en Bologna niet opruide. Zulke voorstellen waren meer dan aannemelijk; het verstandige gedeelte der burgerij juichte ze toe. Maar sommige bewindvoerders begrepen, dat de vrede een einde aan hun bewind zou stellen. Zij bevalen heimelijk aan graaf Antonius de Bruscoli Bologna te overmeesteren en het volk op te hitsen. Dit laag verraad, brak iedere schikking af en vertoornde den Opperpriester. 2)
'J 4 Brief.
quot;j Scipio Ammirato, XIII. p. 695.â S. Antoninus, P. Ill, tit. XXII.â Chronic. Bologn. â Clij'onic. liimin.
315
Catharina, hoewel diep bedroefd, liet den moed niet zinken. Zij schreef aan verscheidene van hare leerlingen te Florence , die door hun stand en invloed op hun medeburgers kon inwerken. â Niet zonder redenzeide zij , â heeft God u in staat gesteld den vrede te bewerken en de eenheid met de Heilige Kerk te herstellen; het is om u te redden, u en geheel Toscane. Is er iets zoeters dan vrede? Dit is het zoete erfdeel, hetwelk Jezus Christus heeft achtergelaten. Ik wil dus, dat gij de bediening der engelen verricht, die zich beijveren vrede tusschen ons en God te bewerken. Doet, wat gij kunt. Meer zeg ik u niet, zoozeer drukt mij de kommer neer, dien mij het verlies van uwe zielen en lichamen veroorzaakt. Om liet te beletten zou ik duizendmaal mijn leven slachtofferen.quot; ;)
De invloed van Catharina zegevierde. De Florentijnen zonden Raymundus van Capua tot den Paus. Hij had tevens een brief van Catharina bij zich, waarin zij opnieuw om vergeving voor de opstandelingen smeekt. Gregorius stemde er in toe om den oorlog te schorsen; hij dagvaarde de Florentijnen voor zijn rechtbank om rekenschap van hun handelingen tegen den Heiligen Stoel te geven. Een maand uitstel werd hun toegestaan; op den 31 Maart (1376) zou de ban tegen hen uitgesproken worden, bijaldien zij niet versche-nen waren.
Om het volk niet te stooten, maar eenige voldoening te geven zond het bestuur van Florence drie afgevaardigden naar Avignon; Alexander d'Antella, Dominicus de Salvestro en Donatus Barbadori. De Paus ontving hen in het openbaar. Donatus Barbadori zette met een ongeloofelijke driestheid al de grieven van Florence uiteen en eindigde met een lange toespraak aan den Paus, wiens plicht het was de schaamtelooze hebzucht en de matelooze eerzucht zijner legaten , die oorzaak van al het kwaad waren, tegen te gaan.
Gregorius weerlegde met bondige redenen de meer schitterende dan degelijke redevoering van Barbadori. Reeds Catharina had ze beantwoord in een schrijven aan Nicolaas Soderini:
âWij moeten de ondeugden, die wij in de schepselen zien,
') 217 Briaf.
316
niet beminnen. Wij moeten het schepsel zeiven beminnen en het gezag eerbiedigen, dat God aan Zijn bedienaren toevertrouwd heeft, en aan Hem de zorg overlaten om hen te oordeelen en voor hun misdrijven te straffen; want God alleen is do opperste rechter, wiens oordeelen alle rechtvaardig zijn en die aan ieder overeenkomstig zijn werken vergeldt.quot; ')
Uit voorzichtigheid wilde de Paus het banvonnis niet terstond vellen, maar eerst de leden van het Heilig College raadplegen.
De Italiaansche kardinalen helden tot zachtheid over; maar de Fransohc, die veel talrijker waren, stemden voor den oorlog. De ban werd in het openbaar uitgesproken. Bar-badori keerde zich toen naar een kruisbeeld en riep met een donderende stem uit: âMijn God, ik beroep mij op U aangaande het vonnis van Uwen plaatsbekleeder; ik beroep mij op dien schrikwekkenden dag, waarop Gij de wereld zult oordeelen en geen onderscheid van personen zult maken. Verdedig, o Heer, intusschen onze republiek tegen den tweeden vloek, op haar neergeslingerd.quot; -)
De slag, die de Florentijnen trof, had volgens het recht van dien tijd vreeselijke gevolgen. Het interdict lag op de stad, de handel was gefnuikt, het vertrouwen was weg, de goederen der burgers werden in alle landen bedreigd, zij zeiven stonden gelijk met heidenen en ongeloovigen, hun handelsondernemingen waren gestremd, zij waren op hun meest wondbare plek getroffen. Een sombere stilte lag er over de ongelukkige stad.
Deels uit eigenbelang, deels uit ontzag voor een groot gedeelte der burgerij , dat den vrede wilde, was het bestuur van Florence weldra gedwongen de vredesonderhandelingen weder aan te knoopen. Maar wien zouden zij voor deze moeilijke zending kiezen? Florence had mannen genoeg, uitmuntend door stand. door geleerdheid, door heiligheid, door beleid en geschiktheid om de belangen der burgers bij den Paus te bepleiten. Doch hun blikken vestigen zich op een arme en
Scipio Amiiiirato, Ho. lib.
817
nederige maagd, de IT. Catharina van Siena. Zij was niet onbekend te Florence. Veel hadden zij van haar gehoord uit Siena en Pisa, zij hadden haar voor twee jaren, in 1874, binnen hun muren gezien, toen zij door den Generaal der Predikheerenorde naar het algemeen kapittel was gezonden. Haar tussehenkomst scheen hun het eenige hulpmiddel toe. Zij zonden dan afgevaardigden tot haar om haar uit te noodi-gen naar Florence te komen. Scipio Amruirato bericht daarover:
De Florentijnen wisten met zekerheid, dat zij verscheidene dagen zonder eenig ander voedsel dan het Heilig Sacrament had doorgebracht, schoon dit in de natuurlijke orde onmogelijk is. Zij wisten, dat zij bijna altijd in de strengste een-zaamheid had geleefd; zij waren er overtuigd van, dat zij niet zonder een bijzondere bestiering Gods van liet beschouwende leven tot het werkende was overgegaan. Daar zij zonder eenige kennis van het Latijn, de duisterste plaatsen der Heilige Schrift verklaarde, daar zij langs een bovenaard-schen weg had leeren lezen, hield men al haar woorden en al huar handelingen door een goddelijke openbaring ingegeven. Daarom verzocht men haar dikwijls vijanden met elkander te verzoenen, bezetenen te verlossen, bedroefden te troosten en hen te helpen. Dit deed zij met zulk een ijver en ootmoed , dat allen , hoewel er lieden waren, geneigd om haar te laken, zoowel mannen als vrouwen haar beschouwden als een oprechte dienares des ITeeren, dierbaar en welgevallig aan zijn hart. ')
Op den 1 April 1376 openbaarde God wonderbare dingen aan de Heilige en verklaarde haar het geheim der vervolgingen , welke de Kerk te verduren had. Het scheen haar toe, dat zij door den Heiligen Dominicus, den Heiligen Johannes en door velen van hare kinderen omringd was. En de Heer legde haar zijn kruis op de schouders en gaf haar een olijftak in de hand en beval haar dien aan het volk terug te brengen. âIk wil mij zelve geheel overleveren,quot; schrijft zij, âvoor de eer van God, het heil der zielen, de vernieuwing en verheffing van de Heilige Kerk; door de genade en de
') Seip. Amm. 1, c. lihv. XIV. p. Til.
818
kracht van den Heiligen Geest wil ik aldus volharden tot den dood. Dit verlangen doet mij met liefde en medelijden roepen tot onzen Gezalfde op aarde, tot onzen Vader en tot onze welbeminde kinderen. O God, mijn zoete liefde, vervul weldra de wenschen van uwe dienaren. Ik kwijn weg van verlangens en verwachting.quot; ')
De Heilige liet zich dus niet door de moeilijkheden afschrikken, maar stemde in het verzoek toe. Wel waren gebed en eenzaamheid haar boven alles dierbaar, wel was het pijnlijk voor haar zich midden in de woeling der burgertwisten te werpen, maar zij sprak niet alleen, zij deed ook, gaf haar eigen persoon voor het welzijn van Florence prijs en wijdde zich in den bloeitijd des levens aan een zending, die de Kerk nooit aan een vrouw toevertrouwd had.
Zij vertrok dan, door verscheidene leerlingen begeleid, onder anderen door Stephanus Maconi. De magistraat van Florence toog haar tegemoet, de aanzienlijksten bejegenden haar met alle teekenen van eerbied. Nicolaas Soderini was overgelukkig haar in zijn huis te mogen opnemen. Hij voorzag haar van al het noodige en maakte haar met allen bekend, die haar van dienst konden zijn. Door zijne tusschenkomst kwam zij in aanraking met het bestuur en met velen, die den brand des oproers onderhielden.
Drie omstandigheden maakten de zending van Catharina te Florence zeer moeilijk. Vooreerst de haat tegen de legaten van den Paus, ten tweede de inrichting van het bestuur te Florence. Dit bestond uit verscheidene overheidscolleges, een aanleiding tot gestadige verdeeldheid, partijschap en misverstand. Ten derde, Florence was, evenals alle Italiaansche republieken, door de vijandige partijen der Welfen en Ghibel-lijnen en door veelvuldige twisten van ijverzuchtige families verdeeld. Velen werkten Catharina tegen om, door den burgeroorlog begunstigd, hun eigen plannen door te voeren en aan hun eigen heerschzucht te voldoen.
Catharina wist niet tot wien zij zicli het eerst moest wenden. Niettemin aarzelde de heldenmoedige maagd niet de onderhandelingen te beginnen. Deze bewezen op schitterende
i) 87 Brief.
319
wijze het doorzicht van haren geest en de liefde van haar hart. Zij erkende de rechten van den Paus en liet zich door geen partijdigheid meesleepen. Enkel uit liefde voor den vrede en de deugd poogde zij den Vader met zijne kinderen te verzoenen. Niemand vleidde zij, maar richtte strenge verwijten aan hen , die de bewerkers van den oorlog waren, en betoogde voor hen hoe schuldig een strijd was, die de zielen in het verderf stortte.
Na korten tijd zond zij Raymundus van Capua en eenige harer vrienden en leerlingen met een brief aan Gre-gorius XI. Daarin prijst zij de vredelievende houding der Florentijnen en houdt nogmaals op drie hoofdpunten aan: vrede sluiten, naar Rome terugkeeren en den kruis-toclit verkondigen.
âKom, mijn Vader, aarzel niet meer, wapen u met een vurig verlangen en verbeid de hulp der Voorzienigheid, want het schijnt mij toe, dat de goddelijke goedheid de woedende wolven in lamineren gaat veranderen. Daarom beijver ik mij om hen verootmoedigd tot u terug te brengen. Gij, als Vader, ik ben er zeker van, gij zult hen ontvangen ondanks hun beleedigingen en hun vervolgingen; gij zult de zachtmoedigheid van den Allerhoogste navolgen, die ons zegt , dat de goede Herder, wanneer hij het verloren schaap teruggevonden heeft, het op zijn schouders legt en naar den schaapstal terugvoert. Gij zult hetzelfde doen, mijn Vader, omdat uw schaap teruggevonden is; gij zult het op de schouders der liefde leggen en gij zult hot naar den schaapstal der Heilige Kerk terug brengen. In den naam van Christus zeg ik u , Vader, kom en kom spoedig. Bedenk, dat gij de plaats van liet Goddelijk Lam bekleedt, wiens ongewapende hand al onze vijanden overweldigde. Hij gebruikte geen andere wapenen dan de wapenen der liefde. Kom, mijn Vader, met een hand zoo zacht als de Zijne; kom, ik bezweer u, en overwin al uwe vijanden in den naam van Jezus Christus, den Gekruiste. Luister niet naar hen, die u verhinderen willen; wees edelmoedig en zonder vrees.
Ontplooi de banier van het heilig kruis. Dit zal ons van
') G Brief.
820
oorlogen , scheuringen on ongerechtigheden bevrijden en tevens de ongeloovigen van hun dwalingen bekeeren.quot; ')
Deze brief laat de staatkunde van Catharina duidelijk doorschijnen. Zij wil den vrede om iederen prijs; zij wil de ergste ramp vermijden, een oorlog tusschen den vader en zijn kinderen; zij wil den terugkeer van den Paus in zijn eigen staten, opdat hij ze persoonlijk met wijsheid en goedertierenheid besturen en van de hebzucht en wreedheid zijner legaten bevrijden zou; zij wil de kruisvaart als redmiddel voor de Gillisten maatschappij , door tweespalt verscheurd, opdat allen zich vereenigen voor een gemeenschappelijk doel, namelijk de christenheid tegen de Turken te beschermen. Maar opvatting was niet de vrucht van droombeelden, maar beantwoordde in hooge mate aan de bestaande toestanden. Zij beminde haar vaderland en verafschuwde als echte Italiaansche vrouw de buitenlandsche huurtroepen, die het bloeiende Toscane afstroopten. Daarom schreef zij ook aan den Paus: âBehoud de troepen die gij geworven hebt, maar breng ze niet mede naar Italië; in stede van de moeilijkheden uit den weg te ruimen, zouden zij alles bederven. Kom als een dapper man, zonder vrees, doch om Gods wil niet aan de spits van een groote legermacht, maar kom met het kruis in de hand als het zachtmoedig Lam. Dan zult gij den wil van God volbrengen.quot; 5)
Catharina vertoefde nauwelijks een maand te Florence. In dezen korten tijd verwierf zij zich vele vrienden. Van Nico-laas Soderini hebben wij reeds gesproken. Wij noemen nog Petrus Camigiani, diens twee zonen Ristero en Barduccio, Don Johannes della Celle, den kluizen Kar van Vallombrosa, dien zij reeds te Pisa had leeren kennen en die haar bij haar onderhandelingen over den kruistocht krachtdadig ondersteund had, Bartolo Usimbarti, een aanzienlijk edelman en diens gade Monna Orsa, aan wien zij verscheidene brieven schreef, den kleermaker Franciscus di Pipino en diens vrouw Agnes. Eveneens werd zij innig bevriend met eenige kloosters in of bij Florence, inzonderheid met dat van St. Gaggio.
') 105. Brief. 2) G Brief.
321
Nci'.i, do abdis van dit klooster, won zoozeer de toegenegenheid van Catharina, dat deze haar na haren dood âmijn eigen dierbare Neraquot; placht te noemen. Zoo dikwijls de onderhandelingen met de burgerij of het stedelijk bestuur haaiden tijd lieten, bezocht zij de kerken en kloosters. Zoo zag haar de gelukzalige Johannes Dominieus verscheidene malen in de kerk van de Heilige Maria Novella.
Uit verknochtheid aan de Heilige ontstond er, na haar vertrek, een kleine twist onder hare vriendinnen en bekenden. Zij wilden Catharina tegen sommige kwaadsprekers verdedigen. Hun bedoeling was goed, maar de manier, waarop zij het aanlegden , niet verstandig.
âIk moet u berispen, mijn allerdierbaarste dochter,quot; schreef Catharina, â omdat gij vergeten hebt, wat ik u gezegd heb. Ik had u op het hart gedrukt, dat gij niets zoudt antwoorden aan hen, die over mij op een wijze zouden spreken, welke u niet gepast voorkwam. Ik bid u dit niet meer te doen, maar ik zal u zeggen, wat gij aan hen moet antwoorden, die met u over mijne fouten spreken. Zij zijn, helaas, zoo talrijk, dat ik ze niet alle kan biechten. Zegt hun, dat zij om God medelijden met mij hebben, zooals zij door hun woorden te kennen geven, en dat zij tot God voor mij bidden, opdat ik mijn leven verandere. Zegt hun ook, dat de opperste Rechter al mijn fouten zal straffen en al de lasten zal vergelden, die men uit liefde tot Hem gedragen heeft. Ik beken oprecht, dat ik niets goed in mij vind; maar ik hoop op mijn Schepper, die mij veranderen en verbeteren zal. Moed dus; kwel u zeiven niet; want wij zullen door het vuur der goddelijke liefde vereenigd zijn en wij zullen noch door den duivel noch door de schepselen gescheiden worden.quot; ')
In een anderen, aan drie matronen van Florence gerichten brief, geeft zij een zeer practische onderrichting over de dwaasheid van hen, die zich tot verschillende geestelijke bestierders wenden, maar niemands raad opvolgen. 2)
Eenige aanzienlijken van Florence, zooals Nicolaas Sode-
') 306 Brief.
-) .'JGT lirief.
21
822
rini en Buonacorso de Lapo, die tot do meer gematigde partij behoorden, begaven zich tot Catharina en verzochten haar met aandrang, dat zij zich persoonlijk naar Avignon begeven en hun belangen bij den Paus bepleiten zoude. Gelijk uit het vervolg blijkt, werden zij meer door vrees en eigenbelang dan door liefde voor het recht bewogen. Zij schenen berouw over hun misslag te hebben en zich voor den Paus te willen vernederen. De Heilige antwoordde hun: â Ziet, Heeren, indien gij den wil hebt n in waarheid te vernederen en indien gij wilt, dat ik u aan uwen Vader voorstel als kinderen, tot den dood onderdanig, indien gij daarin toestemt, dan zal ik geen vermoeienis vreezen; maar anders zal ik niet vertrekken.quot; ') Allen beloofden zicli te zullen onderwerpen en de billijke voorwaarden van den Paus aan te nemen.
Catharina verklaarde zich nu bereid. Vóór haar vertrek schreef zij aan Raymundus van Capua: â O zoete en goede Jezus, ik sterf en ik kan niet sterven; mijn hart breekt, en ik kan het niet geheel doen breken door het verlangen, dat ik heb naar de hervorming der Heilige Kerk, naar de eer van God en het heil van alle schepselen, door het verlangen, dat ik heb om u te zien, u en de anderen, omkleed met zuiverheid, doorgloeid en verteerd door de vlammen dei-liefde. Zeg aan den Gezalfde der aarde, dat ik kom en dat ik, wanneer ik hem zal zien, met den goeden grijsaard Simeon zal zingen: Laat Gij nu, o Heer, Uw dienaar gaan naar Uw woord in vrede. Bemint elkander, bemint elkander, bemint elkander.quot; '1)
1
) 88 Brief.
ZESDE HOOFDSTUK. De H. Catharina aan het Pauselijk hof te Avignon.
Gij dan, gord uwe lenden, en maak n op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal. En zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen; want Ik ben met u, spreekt de lieer, om u te helpen.
Jerem. I.
Hij, die sterk en volhardend is, toont het in zijn gedrag tegenover den naaste; wie dan bezwijkt, bewijst, dat zijn deugd niets beteekent.
Samenspr. e. 8.
137G.
Tu liet laatst van Mei of het begin van Juni begaf ^ Catharina zich op weg naar Avignon. Het kleine gezelschap bestond uit de Augustijner monniken Johannes Tantucci en Pelix de Marta, eenen broeder, Guido geheeten, de drie broeders Thomas, Gerardus en Franciscus Buonconti, edellieden uit Pisa, Neri de Pagliaresi, Mcoluas de Mino Cicerchi, Stephanus de Corrado Maconi, heeren uit Siena, Bartholomeus Dominions en eenige zusters. De weg, dien zij volgden, is niet met zekerheid aan te geven. Misschien gingen zij over zee tot Genua, verder over de Alpen; misschien reisden zij over land langs Bologna en andere Itali-aansche steden. Zeker is het, dat zij nergens lang vertoefd hebben. De reis was moeilijk en niet zonder gevaar.
Den 18 Juni 1376 deed de Heilige met twee en twintig leerlingen haar intrede in Avignon.
De stad Avignon behoorde niet tot het Fransche rijk. Clemens VI had haar voor 80.000 gulden van Johanna, koningin van Napels, gekocht. Een rotsachtige heuvel be-
heerscht de stad. ,Scliilderachtig gegroepeerd, lugoii daarop het fort, het kasteel en de kathedraal. Naast deze verrees het prachtige paleis des Pausen. Kerken en kloosters, paleizen en openbare gebouwen schenen uit den grond op te schieten. Het onophoudelijk luiden der vele klokken verwierf aan de stad den naam van de âluidende stad.quot; Prachtige, met negen en dertig torens versterkte muren omringden haar. Zij was het brandpunt der kunsten en eener verkwistende beschaving, van zangers, tooneelspelers en troebadoers.
Eigenaardig was de intocht der nederige maagd van Siena in die stad van weelde en genot. Zij en haar gezellen werden op bevel van Gregorius in een woning van Johannes de Reggio geherbergd, een fraai huis met een rijke kapel. In 1706 toonde men nog de kamer, waar de Heilige gewoond had.
Twee dagen na hare aankomst werd zij tot den Paus toegelaten. Gregorius zetelde op een kostbaren troon, omgeven door een rijken stoet van kardinalen en hovelingen. Het was een treffend oogenblik, toen de arme verversdochter deze vergadering van kerkvorsten binnentrad. Zij maakte op Gregorius een bijzonder gunstigen indruk. Hij gevoelde de overmacht dier groote ziel, welke een leerling van Catharina met deze woorden teekende: âMen kon haar niet aanzien zonder te sidderen.quot;
Catharina sprak enkel Toscaansch, hetgeen Raymundns van Capua in het Latijn vertaalde. Weldra won zij het volle vertrouwen van den Paus. Gelijk vroeger in hare brieven sprak zij nu mondelings over het sluiten van den vrede. De Paus legde alles in hare handen en antwoordde haar: âOm u duidelijk te bewijzen, dat ik den vrede en de eendracht wil, laat ik alles aan u over en beveel u alleen de eer en het welzijn der Heilige Kerk aan.quot;
Toch ontmoette Catharina, zoowel bij den Paus als bij de kardinalen , vooroordeelen. Het gansche Pauselijke hof verhief zich aanvankelijk tegen haar, maar dit veranderde spoedig. Zij, die haar eerst tegengestreefd hadden, werden later hare grootste weldoeners.
Ondanks deze tegenkanting legde de Heilige moedig de hand aan het werk. Zij onderhandelde nu eens met de kardinalen dan met andere personen van aanzien en invloed.
325
Zij haastte zich aan Sano de Maco te Siena te schrijven; âDoor de genade van onzen barmhartigen Zaligmaker zijn wij hier te Avignon voor zes en twintig dagen aangekomen. Ik heb met den Heiligen Vader, met eenige kardinalen en met andere heeren van hel hof gesproken; de genade van onzen Zaligmaker heeft veel voor de zaak, die ons hier heen voert, gedaan. Verheug u in onzen Heer Jezus Christus en wees vol vertrouwen.quot; ')
Do zending van Catharina zou volkomen geslaagd zijn, ware er geen nieuwe tegenwerking ontstaan. Vóór haar vertrek van Florence was men overeengekomen, dat de Flo-rentijnen, terstond na hare aankomst te Avignon, andere gezanten aan het Pauselijk hof zouden zenden om de vredesonderhandelingen onder hare voorlichting te voeren. Doch de eene week na de andere verliep. Er verschenen geen gezanten. Daarentegen verspreidde zich het gerucht, dat men nieuwe belastingen aan de geestelijken had opgelegd. Catharina gaf onbewimpeld hare afkeuring aan het bestuur van Florence te kennen: â Ik moet mij ten zeerste over u beklagen, als het waar is, wat men hier vertelt, dat gij belastingen aan do geestelijken hebt opgelegd. Dat zou om twee redenen een groote ramp zijn. Vooreerst, gij zoudt God beleedigen, want gij kunt het in geweten niet doen; ten andere, gij zoudt den vrede afbreuk doen, want de Heilige Vader zou zeer gramstorig op u zijn, als hij het hoorde. Ik heb met den Heiligen Vader gesproken ; dank aan de goedheid Gods en aan de zij ne, heeft hij minzaam naar mij geluisterd en zijn oprechte liefde voor den vrede betuigd. Mijn tong kan u de blijdschap niet uitdrukken, welke ik gevoeld heb. Als besluit van mijn langdurig onderhoud met hem, heeft hij mij gezegd, dat, zoo de zaken stonden, gelijk ik ze voor hem had uiteengezet, hij bereid was om u als zijn kinderen te ontvangen en te doen, wat ik het beste zou oordeelen. Mij dunkt, hij kon ons geen ander antwoord geven vóór de aankomst van uwe gezanten. Ik verwonder mij, dat ze nog niet hier zijn; ik zal er nog zijn, wanneer zij komen; ik zal met hen
') 244 Brief.
32G
spreken, ik zal met den Heiligen Vader spreken en dan zal ik u schrijven, hoe hij gestemd is. Maar ik ben bang, dat gij mijn goed zaad met uw belastingen en nieuwigheden gaat bederven. Gaat zoo niet voort, uit liefde tot den gekruisten Jezus en in uw eigen belang.quot; ')
De gezanten van Florence kwamen niet. De kardinalen , die voorstanders van den oorlog waren en alle vredesvoorstellen verwierpen, drongen op doortastende maatregelen aan. Catharina integendeel trachtte de Florentijnen door hare brieven te winnen en in het hart van den Paus het verlangen naar den vrede levendig te houden. Maar Gre-gorius vertrouwde de Florentijnen niet en zeide oj) zekeren dag tot de Heilige; âGeloof mij, de Florentijnen, die met hun Paus gespeeld hebben, zullen ook met u spelen; zij zullen geen gezantschap sturen, of, bijaldien zij er een sturen, zal het niets uithalen.quot; Later placht de Heilige te zeggen , dat de Paus als profeet had gesproken.
Eindelijk zag Avignon de gezanten der republiek, Pazzino Strozzi, Alexander dell' Antella en Michael Castellani, binnen zijn muren. Doch zij waren niet de vertegenwoordigers van Florence, noch van de gematigde partij aldaar, die den vrede zocht, maar enkel van de partij van den oorlog. Deze arglistige en sluwe lieden hadden den vrede wel op de lippen, maar niet in het hart. Zij zonden een gezantschap, ja, maar alleen om het volk zand in de oogen te strooien en de verdenking van zich te schuiven, dat zij den ooi-log wilden. -) De hoofden der republiek hadden dus Catharina onwaardig misleid. Door geestelijke middelen moest zij over hun listen zegevieren. Zij trad dan terstond in onderhandeling met de afgevaardigden. Zij zeide hun, dat de vrede weldra zou gesloten zijn, indien zij slechts een weinig goeden wil toonden; dat de Paus aan haar de onderhandelingen daarover had opgedragen; dat zij dus met haar de voorwaarden moesten aannemen gelijk haar te Florence beloofd was; dat zij aan de goedheid van Gregorius niet behoefden te twijfelen; dat het heil van Florence en van heel Italië in hun handen lag;
') 197 Brief.
Scip. Amm. Hist. Flu.i. lib. XIII, p. 699.
327
dat /.ij, zoo zij den Paus en de Fransche kardinalen mistrouwden, toch niet konden weigeren met haar te onderhandelen , die haar leven voor de Florentijnen gaarne zou opofferen. Doch de gezanten, die de plannen hunner lastgevers wel kenden, ontvingen haar koel en antwoordden haar, dat zij met haar nooit onderhandelen noch eenig vredesverdrag door hare tusschenkomst zouden sluiten; zij hadden alleen met den Paus te doen. En toen zij aanhield in naam der belofte, welke men te Florence plechtig aan haar gedaan had, ontving zij een onbeschaamde weigering. Zoo kon deze bewonderenswaardige maagd, die alleen op uitdrukkelijk verlangen van de Florentijnen naar Avignon was getogen, die den Paus zeer genegen voor den vrede had gevonden, niet eens over den vrede onderhandelen met diezelfde Florentijnen, welke haar uitgezonden hadden om hem te bewerken.
Een gewoon karakter zou zich na zulk een behandeling niet meer om do aangelegenheden der Florentijnen bekommerd hebben. Maar noch eigenbelang, noch eerzucht, enkel de zuivere, oprechte meening hadden Catharina tot deze onderneming bewogen. Vrij van hartstocht, oordeelde zij in alles overeenkomstig de waarheid, wilde zij in alles alleen de waarheid, handelde zij in alle omstandigheden overeenkomstig de waarheid zonder eenige nevenbedoeling. Een doode is niet ongevoeliger voor smart of lust dan zij voor de roerselen der eigenliefde was. Zij haakte naar den vrede, omdat zij in den oorlog een beleediging van God en liet verderf der zielen zag. Die beweegreden bleef dezelfde , zij kon dus ook niet veranderen. Zij doorschouwde de eerloosheid van de Florentijnen; zij zag in, hoe juist de voorspelling van den Heiligen Vader was. Toch brak zij haar voorstellen aan Gregorius niet af, maar ging voort te bepleiten, dat hij liever de toegevendheid van een vader dan de strengheid van een rechter moest toonen. ')
Maar de gezanten wilden met den Paus zeiven ook niet onderhandelen. Daarom schreef Catharina aan Buonacorso de Lapo te Florence; â Helaas, helaas, dierbare broeder.
Legend. III, 8.
328
ik beklaag mij over de middelen, die meu aanwendt om den vrede aan den Heiligen Vader te vragen; men wil dien meer in woorden dan in werken. Helaas, helaas, mijn dierbare broeders, gij hadt u moeten onderwerpen; dat was de weg, dien gij moest betreden, en de poort, waardoor gij moest binnengaan. Nu hebben wij den Heiligen Vader reden gegeven om zich nog meer te vertoornen. Daarom zeg ik u, dat uwe gezanten niet gehandeld hebben, zooals zij moesten handelen met de dienaren van God.quot; ')
In deze eenvoudige woorden ligt geen zweem van gekrenkte ij delheid. Catharina liet dan ook de zaak van het volk , hetwelk haar zoo onedel behandeld had, niet varen, maar hield bij Gregorius met klem aan. Zoo groot was de macht barer heiligheid, zoo sterk het gezag van haar woord, dat Gregorius zich bereid verklaarde nieuwe onderhandelingen met de Florentijnen aan te knoopen. Doch God wilde niet, dat de pogingen Zijner dienstmaagd zoo spoedig, als zij gehooj^t had. zouden slagen. Deze twist tusschen de Kerk en de Florentijnen was een der werk-dadigste middelen om den Paus naar Rome terug te voeren.
Intusschen wekte het verblijf van Catharina te Avignon een algemeene verbazing. Ieder stond verwonderd, dat deze arme en onbekende Zuster der Derde Orde uit Italië kwam om in naam van een vrij en iier volk met den Paus over den vrede te onderhandelen; men stond verwonderd over de hartelijke ontvangst, die haar te beurt was gevallen, over de hoogachting, waarmede de Paus en aanzienlijke personen haar bejegenden, over de vrijmoedigheid, waarmede zij heer-schende misbruiken afkeurde. Bij sommigen sloeg de verwondering tot een geheimen wrok en afkeer over. Anderen konden niet zien. dat een vrouw over het hart van Gregorius beschikte en met hem over het lot en de aangelegenheden der Kerk onderhandelde. De meesten evenwel bevroedden niet, dat er in haar een kracht was, waartegen alle menschelijke hartstochten te pletter zouden loopen, een kracht, steunend op de overtuiging van het goede geweten en het vertrouwen op God.
') 215. Brief.
329
Drie aanzienlijke prelaten aan het hof van Avignon, die in een roep van hooge geleerdheid stonden, wilden de vrijmoedige maagd van onwetendheid en gebrek aan deugd overtuigen. Zij waanden, dat zij, zoo hun toeleg gelukte, deze vrouw met schande overdekken en gemakkelijk verhinderen zouden, dat de Paus zicli door haar liet leiden. Eerst gingen zij dan naar Gregorius zeiven om hem over Catharina te polsen. Daar zij merkten, dat hij haar voor een heilige hield, vroegen zij hem verlof om haar een bezoek te brengen. Gregorius, niets kwaads vermoedend, antwoordde: âDoet het gerust; ik denk, dat zij u niet weinig zal stichten.quot; Tegen de nonen begaven zij zich naar hare woning. Stephanus Maconi opende de deur. âMeld aan Catharina,quot; zeide de eene, âdat wij haar wenschen te spreken.quot; Catharina, door Pater Johannes Tantucci en eenige kloosterlingen vergezeld, verscheen beneden. De drie prelaten verlangden, dat zij zou gaan zitten. Denkend, dat zij haar gemakkelijk door hooghartige en bijtende woorden zouden ontmoedigen, begannen zij op onbeschaamden toon:
âWij komen van wegen onzen Heer den Paus en wij wenschen uit uwen mond te vernemen, of gij door de Floren-tijnen hierheen zijt gezonden, gelijk men overal vertelt. Is dit zoo, dan moeten de Florentijnen wel gebrek hebben aan verdienstelijke mannen, daar zij er geen kunnen vinden om hem naar den Plaatsbekleeder van Jezus Christus af te vaardigen. Hebben zij u niet hierheen gezonden, dan staan wij niet weinig verbaasd, dat een vrouw zooals gij, in stede van zich met haar eigen zaken bezig te houden, zich aanmatigt over de hoogste belangen met onzen Heer vertrouwelijk te spreken.quot;
Catharina werd in liet minst niet verlegen en antwoordde hun zoo bescheiden, maar doorslaand, dat zij het wijs oordeelden dit punt niet verder aan te roeren. Zij legden haar nu de ingewikkeldste vragen over liet geestelijk leven voor, over hare extasen, over haar buitengewone levenswijze, over de misleidingen van den duivel, die zich zoo dikwijls in oen engel des lichts verandert. Dit duurde zoo tot in den nacht voort. Pater Johannes beproefde nu en dan voor haar te antwoorden. Doch zij scheepten hem kortweg af en
330
zeiden: âGij moest u schamen aldus in onze tegenwoordigheid te spreken; laat zij alleen antwoorden, want zij voldoet ons veel beter dan gij.quot; Een der prelaten, een professor uit de orde der Franciscanen, was niet voldaan. Maar de twee anderen riepen: âWat verlangt gij nog meer? Zij heeft al deze punten beter en vollediger verklaard dan wij het bij eenig geestelijken schrijver gevonden hebben.quot; Nu begonnen zij onder elkander te twisten. Eindelijk verlieten zij, geheel verslagen, Catharina en deelden aan den Paus mede, dat zij nog nooit zulk een ootmoedige en ver-lichte ziel hadden aangetroffen. Deze overwinning verhoogde de faam van de Heilige en schonk haar nieuwe kracht.
Eenige aanzienlijke dames van Avignon wilden Catharina door andere middelen verkleinen. Zij trachtten hare gunst door een geveinsde godsvrucht te winnen. Raymundus van Capua bespeurde de schelmerij van deze hofdames in het begin niet. Maar Catharina, die Haar hart doorgrondde, liet zich niet verschalken. Toen deze dames haar over deugd en ijver in den godsdienst spraken, las zij hun kort en bondig de les op en deed hun verstaan, dat zij zich moesten verbeteren.
Een dezer vrouwen, een nicht van Paus Gregorius, viel de deugd van de Heilige aan. Verhalen wij, hoe zij liet beproefde.
Een zuster van Paus Gregorius, Elise genaamd. die zeer godvruchtig leefde, had, na een enkel onderhoud met Catharina, een grooten eerbied en een groote genegenheid voor haar opgevat. Zij verzocht aan Pater Raymundus, of zij eens bij de communie van Catharina tegenwoordig mocht zijn. Hij liet haar op een Zondag door Stephanus Maconi in de huiskapel van Catharir.a's woning ontbieden. Zij ging er terstond heen met een deftig gevolg, waartoe ook Maria, de nicht van den Paus , behoorde. De Heilige 'droeg geen schoenen, maar sandalen uit eerbied voor het H. Sacrament. Terwijl zij het oogenblik der H. Communie afwachtte, geraakte zij als gewoonlijk in geestvervoering. De zuster van den Paus was zeer verheugd. Maar de nicht dacht, dat Catharina huichelde. Na de H. Mis knielde zij naast Catharina neder en veinsde uit godsvrucht haar voeten te kussen. Doch in wer-
331
kelijklieid stuk zij herhaaldelijk met ecu groote naald in haren voet. Catharina bleef onbewegelijk. Nadat de Heilige tot zich zelve was gekomen, gevoelde zij hevige pijnen en kon niet loopen. Dit feit werd spoedig in geheel Avignon bekend en deed het vertrouwen op Catharina in booge mate stijgen. ')
Gregorius noodigde de Heilige dikwijls uit om in het openbare Consistorie voor al de kardinalen te spreken. Vol bewondering riepen zij uit: âNooit heeft een menseh op zulk een wijze gesproken, het is geen vrouw, die spreekt, maar de Heilige Geest, die in haar woont. Catharina taste het kwaad in den wortel aan. Daarom ontwikkelde zij mondelings bij Gregorius, wat zij hem zelfs bij herhaling had geschreven. Hij moest de geestelijkheid hervormen, de kruisvaart tegen de ongeloovigen beginnen en naar Rome terugkeeren. Do kardinalen stonden verbaasd over zooveel beslistheid, over zulk een buitengewoon en stoutmoedig bestaan. Sommigen keurden het goed, anderen zouden liet gaarne gefnuikt hebben, had menschelijk opzicht hen niet weerhouden. Catharina zette intusschen het werk Gods mot kracht door. Dikwijls verweet zij aan de hoogste prelaten, dat zij den geur van heiligheid in hot huis des Hoeren niet verspreidden. Gregorius vroeg haar, hoe zij al de ondeugden van het hof in zulk een korten tijd kon kennen. Catharina richtte zich mot majesteit en waardigheid op, sloeg de oogcn ten hemel en antwoordde; âIn den glorierijken naam van don almachtigon God durf ik u zeggen, Heilige Vader, dat ik, toen ik te Florence was, de zonden van het hof van Avignon beter kende dan zij, die ze bedreven en nog dagelijks bedrijven.quot; :l)
Met ijver en voorzichtigheid ging Catharina voort. Zij kende do zachtheid van Gregorius, die in zwakheid en werkeloosheid ontaarde. Daarom spoorde zij hem tot handelen aan. Hiervoor riep zij de hulp van anderen in. Zoo schreef zij aan Gerardus de Puy, een Benedictijner monnik en abt van Marmontior, gezant des Pausen in Toscane:
') Jgt;ricf van Stcph. Maconi. Piuc. 1374. 2) Martenc, Proc. 1378.
:{) Legend. II, 3.
332
âIk heb, goede Vader, uwen brief met blijdschap en troost ontvangen; ik weet nu, dat gij zulk een nietswaardig en ellendig schepsel, als ik ben, niet vergeet. Wat onzen goeden Gezalfde der aarde betreft, geloof ik voor God, dat hij goed zoude doen, wanneer hij twee zaken hervormde, die de Bruid van Christus bederven. De eerste is de te groote genegenheid en zorg voor de bloedverwanten; dit misbruik moest geheel en overal ophouden. De tweede is een te groote zachtheid, voortvloeiend uit een overdreven toegevendheid. Helaas, helaas, dit is de oorzaak van het bederf der ledematen. Ik bezweer u, al moest het uw leven kosten, zeg aan den Heiligen Vader, dat hij de kwalen der Kerk geneest. Dit werk. Vader, heb ik u aanbevolen en beveel ik u aan.quot; ')
Het was een wijze ingeving van Catharina, toen zij den Paus aanried om de zucht naar oorlog en bloed, welke velen verteerde, tot redding van godsdienst en beschaving te leiden. Onvermoeid drong zij er op aan, dat hij dit denkbeeld, hetwelk zij reeds dikwijls geopperd had, gedurende haar verblijf in Provence, zou uitvoeren. Nooit schenen haar de omstandigheden gunstiger toe. En toen Gregorius bezwaren opwierp, alsof het oogenblik nog niet gekomen was, daar de geloo-vigen door twisten verdeeld werden . antwoordde zij : â Nooit is er een gunstiger tijd geweest; alleen dan, wanneer gij het kruis tegen den gemeenschappelijken vijand verheft, zullen de christenen hun wederzijdschen haat afleggen.quot; -) â Maar eerst moet de vrede tusschen de christenen hersteld zijn,quot; hernam Gregorius, âdan zullen wij ter kruisvaart gaan.quot; â Met uw welnemen. Heilige Vader,quot; antwoordde Catharina, âde verkondiging van den heiligen krijg zal het zekerste middel zijn om den vrede weder tusschen de christenen te herstellen. Al de onrustige krijgslieden, die den tweespalt onder de geloovigen aanvuren, zullen gewillig optrekken om voor de heilige zaak te strijden. Slechts weinigen zullen weigeren om overeenkomstig hun stand voor God te kampen. Het zal voor hen een middel zijn om hun zonden uit te boeten. Het vuur zal door gebrek aan brandstof van zei ven
') 41. Brief. 2) Legend. II, 10.
883
mtdoovcn. Daardoor zult gij, lluiligo Vader, vcrschilluudo voortreffelijke zaken tegelijk terecht brengen. Gij zult aan de christenen, die het noodig hebben, den vrede wedergeven en vele zondaars redden. Indien zij groote overwinningen behalen, dan zijt gij in staat met de vorsten te onderhandelen , maar zoo zij het onderspit delven, dan hebt gij ten minste hun zielen gered. Bovendien zult gij naar alle waarschijnlijkheid vele Sarracenen bekeeren.quot; ')
Zoodanig was de staatkunde van Catharina. Geen stroobreed week zij er van af. Het gold echter een aanvoer der te kiezen , geschikt om den kruistocht met doorzicht en moed te leiden. Ha ar keus viel op den hertog Lodewijk van Anjou , broeder van koning Karei V. Hij kwam naar Avignon om een geschil tusschen hem en den koning van Arragon en tevens om op last van koning Karei V Gregorius te weerhouden naar Home terug te keeren. Terstond besloot de Heilige den jeugdigen vorst aan Paus Gregorius als aanvoerder van het kruisleger voortestellen. Daar de Paus geen Italiaansch verstond, schreef Catharina hem verscheidene brieven, die zij door hare secretarissen in het Latijn liet overzetten. In een dier brieven zegt zij :
âIk meen, dat gij mij gezegd hebt, toen ik in tegenwoordigheid van uwe Heiligheid was, dat wij een vorst tot aanvoerder moesten hebben om te kunnen slagen. Ziehier den aanvoerder. Heilige Vader; de hertog van Anjou wil gaarne, uit toewijding aan het graf van Christus en uit ijver voor de Heilige Kerk, dien last op zich nemen, welke hem om zijn liefde voor het kruis licht en zoet toeschijnt, zoo gij. Heilige Vader, er slechts in toestemt. O God, zoete liefde, stel de uitvoering van uw verlangen , van uw zoete wenschen niet uit. Weet, weet partij te trekken van de schatten en gaven, die Christus u toezendt, daar gij den tijd daarvoor hebt.quot; -)
De hertog van Anjou, die zich eerst zeer terughoudend tegenover de Heilige getoond had, vatte spoedig een hooge achting voor haar op. Meermalen had hij een onderhoud
'â ) Legend. H, 14. 2) 'j. Blief.
334
over den kruistocht met haar. Hij verzocht haar hem op zijn slot Villeneuve te bezoeken, opdat hij haar aan zijn echtgenoote voorstellen en vrijer met haar spreken kon. Het was Catharina onverschillig, waarheen zij ging, als zij een ziel voor God winnen of iemand een dienst bewijzen kon. Zij ging dus met dezelfde bereidwilligheid en denzelfden eenvoud naar dit paleis als naar een gasthuis om een zieke te helpen. Villeneuve, een niet onbelangrijke grensvesting, lag op den westelijken oever der Rhone. Een brug van negentien bogen voerde van Avignon naar de overzijde. Catharina bleef drie dagen op het kasteel des hertogs. Deze schonk haar zijn volle vertrouwen. Na haren terugkeer te Avignon schreef zij hem;
â Ik hoop van de goddelijke goedheid, dat gij, blakend van liefde, het kruis zult aannemen. Gij zult al de beleedi-gingen, die gij tegen God begaan hebt, uitwisschen, en God zal vervolgens tot u zeggen: Kom, mijn welbeminde zoon, gij hebt u voor mij vermoeid, ik zal u vertroosten en ik zal u naar het bruiloftsmaal des eeuwigen levens voeren, waaide verzadiging zonder walging is, de honger zonder lijden en het genot zonder schande. Ja, mijn dierbare zoon in Christus, onzen zoeten Jezus, omhels het heilige kruis en gehoorzaam aan God, die u met dit kruis roept; zoo zult gij den wil Gods en mijn wensch vervullen. Maak, dat gij, vóór het vertrek van den Heiligen Vader, met hom een bepaald besluit hebt genomen aangaande den kruistocht; hoe eerder hoe beter voor het christen volk en voor de onge-loovigen. Geen gedraal, talm niet langer. Gedenk, heer, dat gij moet sterven en dat gij niet weet wanneer.quot; ')
Getroffen door deze ernstige taal, berichtte de hertog van Anjou aan Catharina, dat zij den Paus kon mededeelen, dat hij besloten had het kruis aan te nemen. Met vreugde aanvaardde zij deze opdracht. 'â )
De diepe vereering, welke de hertog voor Catharina koesterde, bewogen hem haar uit te noodigen om hem naar Parijs te volgen en zijn broeder Karei V, koning van Frankrijk,
') 190. Brief. -) 9. Brief.
8o5
met koning Eduard van Engeland te verzoenen. Maar Catharina wilde in deze omstandigheden Avignon niet verlaten. Zij richtte niettemin een heerlijken brief aan Karei V, waarin zij hem aanspoort Gods geboden te onderhouden, vrede te sluiten met Eduard van Engeland en tot den kruistocht mede te werken.
â Ik bid u inzonderheid, dat gij in uwen stand drie zaken doet uit liefde tot den gekruisten Jezus. Vooreerst veracht do wereld met al hare geneugten; veracht u zeiven en bezit uw rijk als iets, dat u toevertrouwd is, maar u niet toebehoort. Ten tweede handhaaf de ware en heilige rechtvaardigheid; laat haar nooit bederven door de eigenliefde, noch door de lofprijzingen, noch door de zucht om aan de men-schen te behagen. Ten derde, onderhoud de leer, welke de Meester u aan het kruis heeft gegeven. Dit verlangt mijn ziel het meest in u te zien: de liefde met uwen evenmensch, met wien gij reeds zoo lang oorlog voert.quot; ')
Catharina was nog niet tevreden. De verplaatsing van den Pauselijken zetel buiten Rome was voor haar een der voornaamste oorzaken der rampen, die de Kerk teisterden, en der bloedige twisten in Italië. Vol vertrouwen op God durfde zij het zware werk ondernemen om den Paus naar Rome terug te voeren. Alles was haar tegen, maar zij bezat een hemelsche kracht, die geen hindernis weerhield. Zij had besloten te zegevieren. Zij zegevierde.
*
') 180. Brief.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Paus Gregorius keert naar Rome weder. Catharina's terugreis naar Siena.
Hij brengt Zijn raadsbesluiten en Zijn leeringen ten
uitvoer en hij overweegt Zijne geheimnissen____ Zijn
aandenken sterft niet en zijn naam wordt van geslacht tot geslacht herhaald. Ecclesiast. c. 30.
O Go:l, geef, dat uw Plaatsbekleeder in alles Uwen wil volbrenge, dat hij niet luistere naar de raadgevingen van liet vleesch en van de eigenliefde, dat hij door geen vrees, door geen hindernis weerhouden worde. Gebed van de II. Catharina.
1376.
ij
1:1 et plan om den Paus naar Rome terug te voeren, ^ waarmede Catharina zich voortdurend bezig hield, was haar ingegeven door den treurigen staat van Rome, door den algemeenen wensch der Italianen, boven alles door de hooge gedachte, welke zij van de nauwe verbinding tusschen het Pausschap en de Eeuwige Stad koesterde. Zij bleef over dit onderwerp schrijven en streefde met ijzeren volharding naar dit doel.
Paus Gregorius luisterde wel naar haar voorstellen, maar deinsde terug voor de moeilijkheid der uitvoering. De geest was goed, maar het vleesch was zwak. God had de Heilige Catharina uitgekozen om hem te versterken. De omstandigheden waren echter zeer ongunstig. Dit kon wel een gewone ziel afschrikken, maar niet Catharina. Juist nu de stormen in Italië het felst woedden, wilde zij den Plaatsbekleeder van
387
Jezus Christus naar Rome terugvoeren, opdat hij ze door zijn tegenwoordigheid zoude bedaren. En daar menschelijke beweegredenen den Paus niet konden overhalen, omgordde zij hem met bovennatuurlijke kracht. Het gezag eener Heilige, die onverschrokken in den naam van God optrad, overwon 's Pausen weifelingen.
Reeds vóór haar reis naar Avignon had zij in verscheidene brieven met beleid getracht hem te overreden om zoo spoedig mogelijk naar Rome weder te keeren.
âKom,quot; had zij hem geschreven, âkom en weersta niet langer aan den wil van God, die u roept. Uw hongerige schapen wachten op u; kom dus en neem bezit van den zetel van Sint Petrus, uwen luisterrijken voorganger; want als plaatsbekleeder van Jezus Christus moet gij op uwe plaats zetelen. Kom dus, kom en toef niet langer; schep moed, vrees niets. God zal met u zijn.quot; ')
Nadat zij te Avignon was gekomen, zag zij de moeilijkheden schrikbarend aangroeien, maar zij gevoelde ook hare kracht door Gods genade toenemen. De terugkeer van den Paus werd dagelijks besproken De Heilige doorschouwde terstond, waar de hoofdmoeielijkheid lag. De zwakke en goedige Gregorius bleef besluiteloos tegenover de tegenkantingen zijner Pransche kardinalen. Dezen vormden verreweg de meerderheid. Hetzij uit vaderlandsliefde, hetzij uit vrees voor de woelingen in Italië, wilden zij niet vaarwel zeggen aan hun geboortegrond, aan hun maagschap, aan den zachten hemel van Provence, aan hun schitterende omgeveuing, aan alles, waaraan zij zich gehecht hadden. Zij wisten hun persoonlijke wenschen met verleidelijke drogredenen te omklee-den. Zij wezen Paus Gregorius op het voorbeeld van den deugdzamen Clemens IV. Deze placht.niets te doen zonder den raad van het Heilig College.
Catharina trachtte deze listen te verijdelen en sprak den Paus aldus toe:
âUit den brief, dien gij mij gezonden hebt, heb ik vernomen, dat de kardinalen u het gedrag van Clemens IV voorwerpen, die niets zonder den raad van hen wilde doen. Maar,
0 4 Brief.
338
helaas, Heiiige Vader, zij, ilie zoo hoog van Clemens IV ophalen, reppen niet van Urbanns V. In duidelijke en zekere gevallen â zooals nw terugkeer is, gij kunt er zeker van zijn â volgde hij zijn eigen zin zonder zich om kardinalen te bekommeren. Ik bid n , in den naam van den gekruisten Jezus, dat het uwe Heiligheid behage zich te haasten. Gebruik een heilige list, neem den schijn aan, alsof gij uw vertrek nog lang wilt verdagen, en vertrek dan geheel onverwachts. Hoe sneller gij het doet, des te minder pijn en moeite zal het u kosten. Mij dunkt, de kardinalen herinneren u aan het voorbeeld der wilde dieren, die niet meer in het net van den jager hervallen, wanneer zij er eenmaal aan ontglipt zijn. Gij zijt aan het net van hun raadgevingen ontsnapt, waarin zij u verstrikt hadden, toen zij u eens overhaalden om uw terugkeer uit te stellen.
Indien God met ons is, zal niemand tegen ons zijn. God doet u handelen, omdat Hij met u is. IJl spoedig naar uwe bruid, die u wacht, bleek en stervend; gij zult haar het leven terugschenken.quot; ')
De kardinalen verzonnen nieuwe listen om Gregorius af te schrikken. Telkens fluisterden zij hem in: âWat zult gij u midden in de stoimen van Italië wagen, nu gij u in de veilige haven van Provence bevindt? Dreigen u daar niet duizenderlei gevaren? Zullen uw vijanden \i niet vermoorden/ Is wellicht het gift niet reeds bereid, dat een einde aan uw leven moet maken Z Hoe vele vorsten is dit lol niet overkomen? quot;
Het scheen Catharina niet mogelijk toe, dat iemand iets vreesde , wanneer het heil der Kerk op het spel stond. Zij schreef dan ook aan Gregorius:
âIk bid tot den zoeten en goeden Jezus en ik zal tot Hem bidden, dat Hij u alle slaafsche vrees ontneme en u alleen een heilige vrees late. Ik zeg u in den naam van den gekruisten Jezus, zeer goede en zeer Heilige Vader, vrees niets; kom met volle gerustheid; vertrouw u zeiven aan Christus, den zoeten Jezus, toe. Indien gij doet, wat gij moot doen, zal God u beschermen en niemand zal iets tegen
') 7 Brief.
339
n vermogen. Moed dus, mijn Vader; want ik zeg u, gij moet niets vreezen. Gij moet komen, kom dus; kom met zachtmoedigheid zonder iets te duchten. Zoo iemand van hen, die u omgeven, het zoude willen beletten, antwoord hem vrij zooals Christus aan Petrus antwoordde: Ga weg van mij, satan, gij zijt voor mij een ergernis, omdat gij meer het belang van den niensch dan dat van God zoekt; gij wilt niet, dat ik den wil van mijnen Vader volbreng. Zeg tot u zeiven: Al moest ik duizendmaal mijn leven offeren, ik zal den wil van mijn Vader vervullen. Wapen u met hot heilig kruis, dat het heil en het leven der Christenen is; laat men zeggen, wat men wil, en wees standvastig in uw heilig besluit.quot; ')
Het woord en de mannelijke deugd van Catharina oefenden een krachtihen invloed op Gregorius uit. De kardinalen verzonnen een nieuwe list. Zij brachten den Paus een ondergeschoven brief van een man, die in den geur van heiligheid stond. Deze waarschuwde hem om niet naar Rome te gaan, want dan zou hij onmiddelijk vergiftigd worden.
Wat hiervan zij, Catharina hield dien brief voor valsch en een heilige geheel onwaardig. Zij weerlegde hem met de volgende redenen. De raadgevers van Gregorius zijn hongerige wolven, in een schapenvacht gestoken. De brief schijnt van een deugdzaam man te komen, maar is het werk van slechte menschen, door den duivel geleid, van vijanden der Christenen en der hervorming van de Heilige Kerk, van slaven der eigenliefde, die alleen hun persoonlijk belang zoeken. Het zijn niet de woorden van een dienaar Gods. Wie den brief geschreven heeft, is niet bekwaam ; hij moest naar de school terug, want hij weet minder dan een kind. Als een goede herder zal Gregorius meer de eer van God en het heil zijner schapen liefhebben clan zijn eigen leven. Men kan hem evengoed te Avignon vergiftigen, als men wil. Wat hij hem raadt, is vergif; want wanneer hij nu zijn woord niet houdt, zal hij aan de Kerk ergernis geven. Dienaren Gods spreken niet, zooals deze man. De brief is niet van hem, aan wien men hem toeschrijft en komt
') 8. Brief.
84Ã
ook niet van verre. In zijne omgeving is hij door knechten opgesteld. ')
Grregorius had Catharina verzocht, dat zij, vooral des morgens na de II. Communie, zou hidden, opdat hij den wil van God zou kennen en volbrengen. De Heilige voldeed aan dit verzoek. Wij bezitten nog liet gebed, dat zij toen in geestverrukking uitsprak.
âIk roep Uwe barmhartigheid in, die zonder grenzen is, en ik smeek U een blik van genade en medelijden te werpen op Uwe Kerk, Uwe eenige Bruid. Verlicht Uwen Plaats-bekleeder in deze wereld, opdat hij U niet beminne noch zich zeiven beminne om zich zeiven, maar dat hij zich zeiven beminne en dat hij ü beminne om U. O allerhoogste en onuitsprekelijke God, ik heb gezondigd en ik ben niet waardig tot U te bidden, maar gij kunt mij minder onwaardig maken. Straf, Heer, mijne zonden en zie niet op mijn ellende. Ik heb van U een lichaam ontvangen, dat ik U teruggeef en U aanbied. Ziellier mijn vleesch en mijn bloed. Sla, vernietig, vergruizei mijn heenderen tot stof, maar geef, wat ik u vraag voor den Opperpriester, den eenigen bruidegom van Uw eenige Bruid. Moge hij steeds uwen wil kennen , beminnen en volgen, opdat wij niet verloren gaan. Schenk hem, mijn God, een nieuw hart Moge Uwe genade steeds in hem toenemen. Dat hij onvermoeid de banier des kruises drage en dat hij de schatten van Uwe barmhartigheid uitdeele zoowel aan de ougeloovigen als aan ons, die ons over het Lijden en liet Bloed van het vlokkelooze Lam, Uwen welbeminden Zoon, verheugen. Ik heb gezondigd, o Heer, o eeuwige God, erbarm U over mij.quot;
Na deze woorden bleef zij met de armen over de borst gekruist ongeveer een uur lang zwijgend , stijf en bewusteloos. De omstanders besprenkelden haar aangezicht met wijwater en riepen den naam van Jezus aan. Toen begon zij weder te ademen en zeide met zachte stem: â God zij geloofd, nu en altijd.quot; Later stortte zij nog een vurig smeekgebed voorde priesters, de bedienaren der Kerk.
âIk heb reeds, en wel na de H. Communie, voor u ge-
^ 10. Brief.
341
bedenzoo schreef zij aan Gregorius, â ik heb noch dood, noch gevaar, noch rampen gezien, waarvan zij spreken, die ii raad geven. Geloof en vertrouw op Christus, den zoeten Jezus. Ik hoop, dat God zoovele gebeden niet versmaden zal, die met zulk een vurig verlangen, met tranen, met overvloedig zweet gestort zijn.quot; !)
De tegenstrevers van Paus Gregorius deden nu een laatste poging om hem te Avignon terug te honden. Zij spiegelden hem voor, dat hij er in het belang van den kruistocht moest blijven om Frankrijk en Engeland tegen de Turken te doen optrekken. Ook deze aanval werd door Catharina gelukkig afgeslagen.
Nog éene moeilijkheid was er te overwinnen; de overdreven gehechtheid van Gregorius aan zijn verwanten. quot;ij kon er niet van scheiden. Op zekeren dag liet hij Catharina roepen en vroeg haar, of hij in zijn besluit, dat zulk een tegenkanting ondervond, moest volharden. â Het past mij niet,quot; zoo antwoordde de Heilige , â mij, een arme en onbekende vrouw, om u in zulk een gewichtige zaak raad te geven.quot; âIk vraag u geen raad,quot; hernam Gregorius, âik vraag u alleen, dat gij mij den wil Gods doet kennen.quot; âWelnu,quot; zeide Catharina, âhoe kan de wil Gods voor u verborgen zijn, voor u, die reeds lang een gelofte hebt afgelegd, dat gij naar Rome zoudt wederkeeren?quot; Gregorius was onthutst over dit onverwachte antwoord. Hij erkende, dat de Heilige op een bijzondere wijze door God werd verlicht. Hij beval terstond de noodige toebereidselen voor de reis te maken. 2)
Catharina's zending te Avignon was nu volbracht. Zij verlangde naar hare cel te Siena. Maar Gregorius wilde haar nog niet laten gaan. Zij besloten, dat zij op denzelfden dag, maar niet langs denzelfden weg uit Avignon vertrekken zouden. :')
Die lang verbeidde dag was de 13 September 1376. Te paard reed Gregorius naar Marseille. Daar wachtte hem een
!) 8. Brief.
'-) Process. 1325.
:1) Process. 1337,
342
vloot van 22 galeien. Met de kardinalen â zes hieven er te Avignon â scheepte hij zich den 22 October in. Wij willen echter eerst de kleine schaar van Italiaansche pelgrims volgen, die op denzelfden dag als Gregorius Avignon verlieten en den weg naar Toulon insloegen. Voor de uitgaven der reis had Catharina honderd goudguldens van den Paus ontvangen. De hertog van Anjou had er nog honderd franken bijgevoegd.
Op haren weg naar Toulon lagen St. Maximinus en La Saint Baurae, de kerk van haar geliefde Heilige Maria Mag-dalena. Waarschijnlijk heeft zij een bezoek aan deze heiligdommen gebracht.
Tc Toulon vinden wij het spoor der reizigers terug. In de herberg der stad aaugeko men, trok zich Catharina volgens haar gewoonte terstond in haar kamer terug. Zij wenschte geheel onbekend te blijven en had aan haar begeleiders gezegd, dat zij hare tegenwoordigheid geheim zouden houden. Maar de steenen zelfs schenen haar komst te verkondigen. Eerst kwamen er scharen van vrouwen, dan van mannen naar haar woning en verlangden de Heilige te zien, die van het Pauselijk hof gekomen was. De vrouwen werden binnengelaten. Een van haar had een kind op den arm, dat erbarmelijk gezwollen was. Sommigen der omstanders verzochten Catharina het kind een oogenblik op den arm te nemen. Zij deed eindelijk uit medelijden, wat men van haar vroeg. Nauwelijks had men haar het kind in den arm gegeven, of het was volkomen genezen. De bisschop der stad, die dit voorval hoorde, gaf aan Raymundus van Capua den wensch te kennen om een onderhoud met den Heilige te hebben. ')
Van Toulon reisde Catharina met hare gezellen waarschijnlijk over land naar Genua. De weg, dien zij volgden, liep langs de Middellandsche Zee en was door hooge rotsen begrensd. Iedere kromming bood een nieuw en heerlijk vergezicht aan Tegen den voet der rotsen stieten de golven der zee zich te pletter en losten zich op in een regen van schuim en diamanten. Bloemenbosschen van oranje- en citroenenboomcn vervulden de lucht met frissche geuren. Te Bordighera zal zij gastvrij door de Broeders barer Orde ,
') Levend. II. 8.
343
die zich daar reeds lang gevestigd hadden, zijn ontvangen.
Den 7 October bereikten zij Voragine, een kleine kuststad, niet ver van Genua. Catharina wilde in de geboorteplaats van den gelukzaligen Jacobus bidden. Zijn ,, Gulden Legendequot; of levens der Heiligen was haar niet onbekend, want zij spreekt er van in verscheidene brieven.
Voragine was door de pest bijna geheel ontvolkt. Slechts weinige inwoners waren er gebleven. De huizen stonden verlaten. Op de straten wies liet gras. Toen de Heilige tegen den avond Voragine binnenging, zeide zij tot Pater R::y-raundus: â Zoo even heeft God mij geopenbaard, dat gij, na verloop van eenige jaren, op dezen dag, op den vooravond van het feest van den H. Franciscus, met uw eigen handen mijn lichaam uit liet eene graf naar het andere zult overbrengen.quot; Het vervolg heeft deze voorspelling bewaarheid.
Met moeite kon Catharina herberging vinden. Eindelijk ontmoette zij achter een huis een vrouw, Costa geheeten, die haar opnam en haar den droevigen toestand der stad vertelde. Getroffen door dit verhaal en door de verwoesting, die zij in den omtrek aanschouwde, en door medelijden bewogen , bad Catharina voor alle inwoners der stad en beval hun der Allerheiligste Drievuldigheid en der Gelukzalige Maagd Maria aan. Voor zij de stad verliet , zeide zij tot de lieden, die er gebleven waren, dat zij een kapel ter eere van de Heilige Drievuldigheid moesten bouwen. De stad zou voortaan niet meer door de pest geteisterd worden en, al zou er een pestzieke komen, hij zou de ziekte weer met zich medenemen. In den loop van den morgen kwam zij met Pater Raymundus nabij de kerk van Maria Boodschap. Beiden zeiden tot de boeren, die hen volgden, dat zij, daar Voragine de geboorteplaats van een zoo groot en verdienstelijk man als de gelukzalige Jacobus was, een klooster der Predikheeren moesten bouwen. Dit geschiedde eenige jaren later. De Heilige ging nu met haren biechtvader in de kerk bidden. Dan nam zij afscheid, dankte voor het gastvrij onthaal, zegende allen en sloeg den weg naar Genua in. ')
Process. Testim. Bartholom. Dom. Relaz. del Passagio di S. C'ath. in Voragine. M. S. Siena.
844
De stad Voragine stichtte een kapel ter eere van de allerheiligste Drievnldigheid en de gelukzalige Maagd Maria. Het is opmerkelijk dat, overeenkomstig de voorzegging van de Heilige, de stad nooit meer door pest bezocht werd. Inwoners uit naburige plaatsen, waar de smetziekte heerschte, vluchtten naar Voragine en stierven daar, doch niemand werd er door do pest aangetast. Men vermeldt voorbeelden van de buitengewone bescherming, die de stad genoot, uit de juren 1quot;)79, 1680 en 1706, ja, uit onze eeuw tijdens het woeden der cholera. De dankbaarheid der bevolking jegens haar machtige beschermster is dan ook grenzenloos. Een besluit van den magistraat verhief haar tot hoofdpatrones der stad en bepaalde, dat dagelijks een Heilige Mis ter barer eer in bovengenoemde kapel moest gelezen worden. Haar feest viert men met processies en andere plechtige oefeningen. De gansche omtrek neemt daaraan deel. De inwoners van Voragine gaan er groot op ware en trouwe vereerders van Catharina te zijn.
Te Genua verwijlde Catharina ruim een maand en woonde er in het huis van een aanzienlijke matrone, Orietta Slotta.
Na een stormachtige en zeer gevaarlijke zeereis kwam Paus Gregorius een paar dagen later te Genua, waar Catharina hem wachtte, de onverschrokken vrouw, door de Voorzienigheid voorbeschikt om hem tegen do steeds wassende beproevingen te versterken.
Gregorius had de hulp barer mannelijke deugd wel noodig gedurende de tien dagen, die hij te Genua quot;ertoefde. Van Rome en Florence gewerden hem de treurigste tijdingen. De sluwe kardinalen trokken van de ontsteltenis, welke deze berichten bij Gregorius veroorzaakten, partij en hitsten hem op om naar Avignon weder te keeren. Ware Catharina niet t isschenbeide gekomen, dan zouden zij geslaagd zijn. Reeds had de Paus tot den terugkeer naar Avignon besloten, reeds spraken de tegenstrevers van victorie, toen de moedige maagd van Siena toesnelde, zich alleen tegen dien stroom opwierp en Gregorius tot zijn vroeger besluit terugbracht. Deze gevoelde zich zeiven onmachtig om al de opdringende stormen te bezweren, maar hij had toch doorzicht genoeg om zich geheel eu al aan de leiding van Catharina over te geven.
345
Op een nacht ging Gregorius naar de woning van Catlia-rina om haren raad in te winnen. Hij ging gedurende den nacht om alle opspraak te voorkomen. Want van bet eerste morgenkrieken tot de avond viel belegerde een drom van menschen hare woning. Toen de Paus Catharina's kamer binnentrad, viel zij voor hem ter aarde neder. Hij hief haar terstond op en onderhield zich zeer minzaam en vertrouwelijk met haar. Do Heilige vervulde den plicht en de zending, door God haar opgelegd. Terwijl eigenbaatzuchtige hovelingen allerlei listen aanwendden om Gregorius voor zich t3 winnen, putte zij uit de liefde alleen een zoo overredende welsprekendheid, dat hij haar niet kon weerstaan. Meer dan ooit drong zij er op aan, dat hij den Stoel van Petrus voor goed te Rome herstellen zoude. Na een langdurig gesprek verzocht hij haar om de gunst, dat zij dagelijks voor hem zoude bidden. Zij beloofde het hem, doch niet zonder de vertrouwelijke opmerking, dat ook hij haar in de H. Mis niet zoude vergeten. )
Reeds had Catharina den hemel om standvastigheid voor Paus Gregorius gesmeekt. ,, O almachtige Vader,quot; zoo verzuchte zij, âzoete en onuitsprekelijke liefde, eeuwiga er, onbegrijpelijke God,... Gij zendt Uwen Plaatsbekleeder om Uwe kinderen te redden, die door hun opstand tegen de Heilige Kerk, Uwe eeuwige Bruid, te gronde gaan. Gij zendt hem in het midden der gevaren en der benauwdheden, gelijk Gij Uwen welbeminden Zoon, onzen Verlosser, gezonden hebt om Uwe kinderen te redden, die door de ongehoorzaamheid van Adam en door de zonde gestorven waren. Helaas, deze arme menschen, die Gij geschapen hebt, laten zich door den hoogmoed en de zinnelijkheid misleiden. De vijand bedreigt hen ert zij verzetten zich tegen Uwen heiligen wil, die hen zalig moet maken; zij houden den Opperpriester af van zijn voornemens , voor de Kerk zoo nuttig en zoo noodzakelijk. O eeuwige liefde, deze ongelukkigen vreezen den dood des lichaams en niet dien der ziel; zij luisteren naar hun zinnen en hun eigenliefde en niet naar de waarheid van Uw oor-deelen en de diepte van Uw oneindige wijsheid. Gij zijt
') Supplem. II, 1.
346
evenwel onze eenige regel, de weg, dien wij volgen moeten... Moge Uw Plaatsbeldeeder met blijdsehap Uwen wil en het voetspoor van Jezus Christus volgen, die Zijn allerheiligst Lichaam voor ons overgeleverd en geofferd heeft en die in Zijn liefde al Zijn Bloed heeft vergoten om ons van onze zonden te zuiveren en ons te verlossen. Ik smeek Uwe allerhoogste barmhartigheid voor hem af. Reinig zijn hart. Moge hij van verlangen branden om hen, die verdoold zij n, terug te voeren en door Uwe macht te redden. Zoo zijn talmen U mishaagt, o eeuwige liefde, straf het dan aan mijn lichaam, dat Uw toebehoort en dat ik U aanbied, opdat Gij het zoudt kastijden en vernietigen volgens Uw welbehagen. Heer, ik heb gezondigd, erbarm U over mij. O God, Gij zijt voor ons mensch geworden. Gij vereenigt U met ons en Gij hebt Uwen Plaatsbeldeeder aangesteld tot uitdeeler der genaden, die noodig zijn voor onze heiligmaking en voor de zaligheid van Uwe afgedwaalde kinderen; maak, ik bezweer het u, dat hij in alles Uwen heiligen wil volge, dat hij niet naar de influisteringen van het vleesch en van de eigenliefde luistere en dat hij door geen vrees, door geen hindernis weerhouden worde. Buitea U, o Heer, is alles onvolmaakt; zie daarom niet op mijne zonden, die ik U belijd, maar verhoor Uwe arme dienstmaagd, die op Uwe oneindige barmhartigheid hoopt. O God, ontvang voor allen mijn nederige dankzeggingen.quot;
Catharina's gebed werd verhoord. Den 28 Oct. vertrok Gregorius naar Livorno. Ziekte van haar gezellen hield haar zelve nog te Genua terug. Door hevige buikkrampen gekweld, kroop Neri de Landoccio op handen en voeten door de kamer. Door medelijden bewogen, zeide Catharina aan Pater Ray-mundus, dat hij geneesheeren zoude ontbieden. Dezen schreven een artsenij voor. Maar de kwaal werd eer erger dan beter. De dokters verklaarden dan ook, dat er geen hoop meer was. Nu snelde Stephanus Maconi naar de kamer van Catharina. Hij wierp zich voor haar neder en zeide: â Laat toch niet toe, dat mijn broeder en mijn gezel op de reis, die hij voor God en voor u ondernomen heeft, ver van zijn vaderland sterft en in een vreemde aarde begraven wordt.quot; Diep geroerd zeide Catharina tot hem; âMijn zoon, waarom
347
beangstigt en beklaagt gij u? Indien God uwen broeder Neri voor zijn werken wil beloonen, dan moet gij niet bedroefd zijn, maar gij moet n integendeel verheugen.quot; âGoede Moeder,quot; hernam Stephanus, âik bezweer u, verhoor mijn gebed, help hem ; ik weet immers, dat gij het kunt, zoo gij het wilt.quot; En Catharina zeide; âIk vermaande u alleen om u naar den wil van God te schikken, maar daar ik u zoo bedroefd zie, help mij dan uw verzoek onthouden, wanneer ik morgen naar de II. Mis ga -om te comtnuniceeren, en ik beloof u, dat ik God zal vragen, wat gij verlangt. Doch gij moet zelf ook bidden , opdat Hij mij verhoorc.quot; Den volgenden morgen knielde Stephanus blijde bij haar neder en zeide: âMoeder, vergeet mij niet.quot; Catharina communiceerde en bleef langen tijd in geestvervoering. Stephanus wachtte naast haar. Toen zij tot zich zelve was gekomen, zeide zij: âGij hebt de gunst verkregen, die gij vraagt.quot;
Stephanus zeide : â Moeder, zal Neri weer gezond worden ? quot; âZeker, zal hij gezond worden,quot; antwoordde zij, âwant de Heer wil hem aaa ons wedergeven.quot; Het geschiedde, gelijk Catharina beloofd had: Neri was spoedig beter. ')
Nu werd Stephanus Maconi, door vermoeienis en kommer uitgeput, zelf ziek. Catharina kwam hem onmiddellijk bezoeken en vroeg hem naar zijn ziekte. Hij gloeide van de koorts. Zij zeide met gezag tot hem: â Ik beveel u, uit kracht van de heilige gehoorzaamheid, dat gij deze koorts niet meer hebt.quot; De koorts was terstond geweken. ')
Op gelijke wijze genas zij later den eerbiedwaardigen Johannes da Vallombrosa. Zij liet hem door twee leerlingen, welke hij tot haar gezonden had, zeggen, dat hij niet langer ziek zijn moest en onverwijld bij haar zou komen. Hij deed het onmiddelijk. :l)
Daar onze reizigers zoo lang te Genua werden opgehouden, begonnen hun bloedverwanten en vrienden te Siena, die hen reeds lang terug verwacht hadden, ongeduldig te worden. Lapa althans beklaagde zich bitter en schreef, naar het
') Legend. II, 8, -) Ibidem.
:lt;) Epist. Stoph. Mac.
348
schijnt , geen malschen brief aan hare dochter. Deze antwoordde haar vriendelijk en kalm:
âDierbare Moeder in Christus, onzen zoeten Jezus, uwe onwaardige en ellendige dochter Catharina wenscht u troost in het kostbaar Bloed van den Zoon Gods toe. Ik heb van verlangen gesmacht om in u mijn ware moedor te zien niet alleen van mijn lichaam , maar ook van mijn ziel. Ik geloof, dat, zoo gij mijn ziel meer dan mijn lichaam bemindet, alle overdrew en teederheid in u sterven zou. Gij zoudt er zooveel niet meer onder lijden van mijn lichamelijke tegenwoordigheid beroofd te zijn. Gij zoudt er integendeel vermaak in scheppen. Voor de eer van God zoudt gij gaarne de pijn willen lijden, die ik u veroorzaak, overtuigd , dat het de eer van God geldt. Wanneer ik voor de eer van God arbeid, dan vermeerder ik de genade en de deugd mijner ziel. Het is dus zeker waar, goede Moeder, als gij mijn ziel meer bemint dan mijn lichaam, zult gij getroost in plaats van bedroefd zijn. Gij weet, dat ik den wil van God moet volgen, en ik weet, dat ook gij dit wilt. Zij n wil was, dat ik vertrok, en dit vertrek was niet zonder een geheime beschikking Zijner Voorzienigheid en zonder nuttige gevolgen. Ben ik gebleven, dan is het door Zijn wil en niet door den wil der menschen; wie het tegendeel beweert, vergist zich en is niet in de waarheid. Ik moet gaan en Zijn schreden volgen op de wijze en op het oogenblik , dat het aan Zijn onuitsprekelijke goedheid behaagt. En gij, mijn goede en teederc Moeder, gij moet tevreden zijn en er niet tegen hebben alle lasten voor de eer van God, voor uw zaligheid en voor de mijne te dragen. Denk er eens aan, wat gij voor de tijdelijke goederen gedaan hebt, toen uw kinderen van u heengingen om rijk-dommeu te verwerven. En nu het is om het eeuwig leven te verkrijgen, nu lijdt gij er zoo zeer door, dat gij gaat sterven, zegt gij , als ik u niet spoedig antwoord. Dat komt, omdat gij het deel van mijzelven, hetwelk ik van u heb, meer bemint dan dat, hetwelk ik van God heb ontvangen, dat is, het vleesch, waarmede gij mij bekleed hebt. Verhef, verhef dus een weinig uw hart en uwe liefde naar liet zoete en heilige kruis, hetwelk alle lijden verzacht. Verdraag gaarue een kleine voorbijgaande pijn om de oneindige pijn,
849
die onze zonden verdienen, te ontgaan. Versterk n in do liefde tot den gekruisten Jezus en geloof niet, dat gij van God of van mij zijt verlaten. Gij zult blij zijn , overvloedig blij. De smart is niet zoo groot afs de vreugde zal wezen. Met Gods hulp zullen wij terugkomenquot; i)
In dezen brief weerspiegelen zich zonneklaar de gesteltenissen van Catharina ten opzichte van de beschikkingen dei-goddelijke Voorzienigheid over haar en ten opzichte van haar ouders en bloedverwanten. Haar spijs was den wil van God te volbrengen. Zond Hij haar kruisen toe, het was goed ; overstelpte. Hij haar met vertroostingen, zij was niet minder tevreden. Als de leem in de hand van den vormer was zij in de hand van God. Doch die volmaakte liefde Gods en haar leven van versterving, boetvaardigheid en onthechting hadden in haar de natuurlijke gevoelens van liefde, dankbaarheid en teederheid voor haar ouders, verwanten en vrienden niet uitgedoofd, maar gezuiverd, verheven en versterkt. Al was haar wandel in den hemel, zij kon ook met de menschen op de aarde omgaan.
Niet alleen haar ongeduldige moeder, maar ook die van Stephanus Maconi, Donna Johanna, viel Catharina lastig. Slechts met weerzin had zij er in toegestemd , dat haar zoon naar Avignon medeging; maar nu de eene maand na de andere verliep en hij niet terugkeerde, begon zij ongeduldig te worden. Catharina schreef haar terug:
âGij moet voor uw kinderen zorgen, dat is, hen opvoeden in de vrees des Heeren en hen liever zien sterven dan hun Schepper beleedigen. Kreng, breng het oiler van u zeiven en van uw kinderen aan God; en zoo gij ziet, dat God hen roept, weersta dan niet aan Zijn zoeten wil. Indien Hij ze met éen hand neemt, geef gij ze Hem met twee als een ware en goede moeder, die hun zaligheid liefheeft. Kies zelve hun staat niet; dit zou een bewijs zijn, dat gij ze buiten God bemint; wees tevreden met dien staat, waartoe God hen roept. Schep dus moed, heb geduld en word niet verdrietig, dat ik uwen Stephanis te lang bij mij gehouden heb; ik heb goed voor hem gezorgd en over hem gewaakt,
') 169. Brief.
V.V
fs-
â
ii ir
m m
m
â â ij®
m -18
'quot;In
m â â i
W
;i6(J
want wij beiden zijn immers door de liefde een en uw belangen zijn ook de mijne. Ik geloof, dat gij zooveel niet geleden hebt; ik wil voor hem en voor u tot den dood alles doen, wat ik doen kan. Gij, zijne moeder, hebt hem eens gebaard; en ik wil u allen ter wereld brengen, hem, u en uw huisgezin in tranen eu weeën door mijne gebeden en verlangens naar uwe zaligheid onophoudelijk aan God op te dragen.quot; ')
Gedurende haar verblijf te Genua deed Catharina veel voor liet heil der zielen. Een groot getal van schrijvers, geleerden en magisters in de godgeleerdheid klopten bij haar aan om met haar te spreken. Allen, die haar met bewondering en eerbied aanhoorden, werden klaarblijkelijk door den geest Gods geleid. Wie echter minachtend en trotsch op haar neerzag, ontliep zijn billijke straf niet. Een geleerde, wiens naam klonk en wiens bespraaktheid geroemd werd, bespotte haar op onbeschaamde wijze en sprak met verachting over hare wijsheid. God sloeg hem dra met een plotselingen en schrikkelijken dood. Personen uit de hoogste standen, senatoren, rechtsgeleerden, geestelijke en wereldlijke schrijvers vroegen haar om raad. Men maakte dikwijls de opmerking, dat allen, die haar verlieten, een zekere gejaagheid en angst vertoonden, alsof hun iets buitengewoons wedervaren was. Allen vermaande zij met groote zachtmoedigheid tot boete. Zij won hun hoogachting door de heiligheid van haar leven. :)
De Heilige bleef te Genua in gezegend aandenken. De Genueezen gingen er groot op, dat behalve Siena en Roma geen stad meer herinneringen aan haar aanbood. De straat, waardoor zij gegaan is, de plaatsen waar zij geweest is, de kamers, die zij bewoond heeft, zijn nog alle bekend. Het huis van Orietta Scotta is nog in het bezit van hare afstammelingen. Men ziet er nog het vertrek , waar de Heilige hare godvruchtige oefeningen verrichtte. 3)
Eindelijk scheepten zich de reizigers in voor Toscane. Hun
') 355. Brief.
s) Caffaiini. Supplem. II, 1. â ') Vocaliilario Ciitcriuiiino p. 395.
851
reis schijnt niet zonder gevaar te zijn geweest, want waarschijnlijk overviel hen bij deze gelegenheid een geweldige storm. Het schip leed schipbreuk. Evenwel gelukte het Catharina en al hare gezellen ongedeerd de kust te bereiken. ') Nog eeu ander voorval schijnt gedurende deze reis te hebben plaats gehad. Catharina en hare gezellen bevonden zich aan boord van een schip, toen er een volkomen windstilte inviel. De stuurman werd beangst; zij waren in een zeer gevaarlijke zeeëngte. Pater Raymundus maakte Catharina op het gevaar opmerkzaam, doch zij antwoordde als gewoonlijk: âWat z;jt gij bang en wat gaat het u aan?quot; Bij iedere hachelijke omstandigheid placht zij zoo te spreken. Zij meende, dat een ziel, die haar gedachte op God heeft gericht, niet beangst mag worden, want God weet alles, Hij kari alles, Hij zal over hen, die aan Hem denken, waken en zorgen voor hetgeen zij noodig hebben. Daarom zeide zij dikwijls, wanneer haar gezellen of vrienden iets vreesden: ,,Wat gaat het u aan? Laat het aan God over; Zijn oog waakt over ons; Hij zal ons beschermen. â Laat de stuurman het roer wenden,quot; zeide Catharina, â en in Gods naam den wind volgen, dien Hij hem zenden zal.quot; Er verhief zich een gunstige wind, die hen in de veilige haven van Livorno bracht. Met blijde stem zongen zij Te Deum laudamus.
Hier vonden de reizigers moeder Lapa. Zij was hare dochter te getnoet gesneld. Stephanus Maconi en nog een reisgezel werden nu vooruitgezonden om eenige brieven en opdrachten naar Siena over te brengen. quot;)
Van Livorno reisde Catharina naar Pisa, waarschijnlijk om deze stad in de getrouwheid aan de Kerk te bevestigen. Er waren nieuwe inoeielijkheden gerezen, en Florence oefende voortdurend een machtigen invloed op de overige republieken uit. :')
Tegen het einde van December of in het begin van Januari 1377 waren de reizigers te Siena terug. Catharina was weer thuis in haar kleine, vurig beminde cel. Zij vergat evenwel
') 1'rocess. Testi mon Petr. Venturae.
2) Legend, passim, â Grotenolli, Epist. descrip. Cath.
5) Grotenelli, ibid.
352
Paus Gregorius niet. Deze bevond zich toen te Corneto.
Daar was hij den 5. December aangekomen. Voor hij deu I
13. Januari zijn reis naar Rome voortzette, ontving hij nog t
een brief van Catharina. Het is liet laatste woord van een t
moeder aan haren zoon, dien zij tot een glorievolle en moei- t
lijke onderneming uitgezonden heeft. c
âHeilige en eerbiedwaardige Vader in Christus, onzen ]
zoeten Jezusquot;, aldus spreekt zij hem toe, âuwe onwaardige c
en ellendige dochter beveelt zich u aan in ziju kostbaar Bloed ]
en wenscht, dat uw hart standvastig en onwrikbaar in het (
ware en volmaakte geduld moge zijn, daar een zwak, be- (
f
weeglijk en onstandvastig hart nooit de grooto werken Gods ] zal kunnen volbrengen. De mensch moet standvastig, ferm
en onveranderlijk in het geduld zijn; zonder dit zou hij de dienaar van Christus niet wezen.
Thans zijt gij de Plaatsbeklceder van Christus, die u uitgekozen heeft om te arbeiden en voor de eer van God, het heil der zielen en de hervorming der Heilige Kerk te strijden. Hoe zwaarder uw last is, hoe sterker, moediger en onver-schrokkener uw hart moet zijn voor alles, wat u overkomen kan. Gij weet wel, Heilige Vader, dat. toen gij de Heilige Kerk tot bruid hebt genomen, gij u verplicht hebt om tegenwinden , pijnen, kwellingen, die u om harentwil zullen beproeven, voor haar te lijden. Welnu, ga dan als een kloek man die stormen met kracht, geduld en volharding te gemoet; de moeilijkheid moet n nooit achteruit doen zien. Vrede, vrede. Heilige Vader; moge uwe Heiligheid uwe zonen, die hun Vader beleedigd hebben, weer aannemen; Uw goedheid zal hun boosheid en trots overwinnen. Het is geen schande af te dalen en een schuldig kind terug te voeren; het is integendeel een nuttige en glorierijke zaak voor God en voor de menschen. Ja, mijn Vader, geen oorlog meer Volg het geduld en de zachtmoedigheid van het vlek-kelooze Lam, van Christus, onzen zoeten Jezus, na, wiens plaats gij bekleedt. Schep moed. Gij zult hen met het lokaas der liefde tot u trekken. Reken op de gebeden der ware dienaren Gods.quot; ')
gt;) 11. Brief.
353
â 'm
vr â Ah
Zonder twijfel beoogde Catharina bij liet herstel van den Heiligen Stoel in de Eeuwige Stad minder het bijzonder belang van Rome en Italië dan dat van de geheele Christenheid. Catharina wilde dus, toen zij den Paus naar Rome terugvoerde, het beginsel, dat den herder aan zijn kudde en den vader aan zijn kinderen bindt, levend en werkend houden. Doch haar werk zou nog andore vruchten afwerpen, die haren doordringenden blik niet ontsnapt waren. Een groot aantal bisdommen zagen hun bisschoppen terug, want het verblijf der Pausen te Avignon diende hun tot voorwendsel om hun eigen kerken te verlaten. De zeden der geloovigen werden hervormd, nu zij goede herders ontvingen. De onafhankelijkheid van het Pausschap werd verzekerd, daar het van Frankrijks overheersching bevrijd was. Men belette, dat alle kardinalen Pranschen waren. Het Opperpriesterschap werd op de plaats hersteld, die getuige was van al zijn glorie. De voorbeelden der martelaren en heiligen, die te Rome gestreden hadden , zouden den Paus versterken. Ziedaar de bewonderenswaardige vruchten van Catharina's reuzenwerk.
Nauwelijks had de Heilige in hare eenzaamheid wat uitgerust, of er kwamen reeds boden van Florence haar verzoeken daarheen terug te keeren om nieuwe vredesonderhandelingen te beproeven. Doch Catharina begreep, dat zij in den storm niet kon zaaien. Daarom sloeg zij het verzoek wijselijk af. Evenwel moest zij aan het bestuur van Florence mededeelen, wat haar zending naar Avignon uitgewerkt had. Zij zond daarom Stephanus Maconi met de noodige volmachten naar Florence. Tegelijk met de drie gezanten verliet hij Siena in April of Mei 1377. Hij legde aan het bewind van Florence de voorwaarden van Paus Gregorius voor. Stephanus gebruikte al zijn welsprekendheid, maar hij droeg water in de zee. Men strooide bet gerucht in de stad uit, dat Catharina iemand had uitgezonden om het bestuur van Florence door list en vleierij tot overgave der Republiek aan Rome te verleiden. Er ontstond zulk een oproer, dat Stephanus ijlings naar Siena moest vluchten.
Voor het oogenblik was er dus geen kans om den vrede te bewerken. Catharina wijdde zich nu aan belangen van meer huiselijken aard.
liquot;
â il i||i|
;lir
..'rt
354
Eindelijk werd haar verlangen vervuld. Den 17 Januari 1377 toog Gregorius de poorten van Rome weer binnen.
Zijn intocht was boven alle beschrijving schitterend. Van alle zijden weerklonken de trompetten en golfden de banieren op den wind. De Paus, op een fier strijdros gezeten, trok in triumf voort. Geheel de stad Rome, van blijdschap dronken, stroomde uit hem te gemoet. De geestelijkheid, de kloosterlingen in hun bonte kleederdracht, de bisschoppen in vol ornaat, de raadsheeren, de edelen, allen stijf van zijde en goud, volgden den Opperpriester. De straten waren bezaaid met bloemen. Edelen en burgers verdrongen zich daar, door een gemeenschappelijke vreugde vervoerd. Maar niets evenaarde liet volk, juichend en jubelend en zingend; Leve de Heilige Vader, leve Gregorius! Allen wilden den Paus den jubel te kennen geven, waarvan hun ziel overvloeide. De eenen strekten hem de armen toe, anderen wierpen zich voor hem neder. Mannen en vrouwen weenden van geluk. Sommigen kleuterden op de daken van de kerken om den vader der geloovigen slechts éen oogenblik te zien. Tegen den avond trad de Paus diep ontroerd Sint Pieter binnen. Het plein daarvoor was met fakkels, de kerk zelve met achthonderd lampen verlicht. Nooit zag Rome zooveel jubel en geestdrift.
Aan dezen luisterrijken intocht in de Heilige Stad ontbrak zij alleen, wie men dat wonder verschuldigd was. De gezegende maagd, die den Opperpriester in zijn beproevingen nooit had verlaten, verborg zich in het uur der zegepraal in de arme woning van Siena. Daar bad zij met den koninklijken zanger: Niet aan ons, o Heer, niet aan ons, maar aan Uwen Naam geef de glorie (Ps. 113, 9). Daar 'dankte zij God met de heilige Maagd Maria; Hij heeft kracht gedaan door Zijnen arm; verstrooid heeft Hij, die hoogmoedig zijn, in den waan huns harten (Luc. 1, 51). Op het groote schilderstuk van de Sala regia in het Vaticaan en op her basreliëf van het graftoeken van Paus Gregorius in de kerk der H. Francisca Romana ziet men haar te voet naast zijn ros voortschrijden, terwijl hij in triomf door de straten trekt; een voorstelling, historisch valsch, maar waar in geestelijken zin.
355
Intusschen liet zich de toekomst niet rooskleurig aanzien. Schoon Siena tot nu trouw aan de zijde van Gregorius had gestaan, drukte liet interdict ook op deze stad om zijn nauwe verbinding met Florence. Men wilde echter te Siena met den Paus niet breken en daarom een gezantschap naar Rome zenden om zich met hem te verzoenen. Catharina keurde dit plan volkomen goed en gaf den gezanten een schrijven aan Paus Gregorius mede. Zij beveelt de afgevaardigden in de welwillendheid van den Paus aan en zegt;
â Schenk een waren en volkomen vrede aan hen, die uve onderdanen en uwe kinderen zijn en die onder het juk van de heilige gehoorzaamheid terugkeeren. Ik twijfel er ook niet aan, of gij zult de rust in gansch Italië herstellen. Ja, goedheid, mijn Vader, want ieder redelijk schepsel wordt meer door liefde en goedheid dan door iets anders gewonnen; dat geldt vooral voor onze Italianen uit deze gewesten. Zoo zult gij alles van hen verkrijgen, wat gij wilt. De gezanten van Siena zullen voor uwe Heiligheid verschijnen. Trek ze tot u door het lokaas der liefde. Hoor welwillend hun verontschuldigingen aan; zij hebben er berouw over. Ik beveel u de gezanten van Siena aan.quot; ')
Gregorius ontving de afgevaardigden zeer minzaam om wille van Catharina Benincasa. Om redenen, die ons niet bekend zijn, waren de bemoeiingen der gezanten vruchteloos.
iif 'til
m opfeil
De lezer zal zich herinneren, dat heer Nanni di Ser Vanni, die zich door de bemiddeling van Catharina met zijn vijanden verzoend had, haar uit dankbaarheid zijn slot Belcaro had geschonken om er een klooster te stichten. Catharina's veelvuldige reizen der laatste twee jaren hadden de uitvoering van dit plan verdaagd. Maar dat zij het niet vergat bewijzen talrijke zinspelingen in haar brieven van dien tijd. Zij had voor den bouw een dubbele goedkeuring noodig; de stichting van het klooster moest door den Paus, de gedeeltelijke afbreking en herbouwing van den sterken burcht door Siena's magistraat toegestaan worden. Gregorius had zijn toestemming reeds te Avignon gegeven. Den 25 Januari 1377 bood de Heilige haar verzoekschrift aan het stedelijk bestuur van Siena
iifwf i V-
illiS
as
k|Sw
'II -
') 14. Brief.
356
aan. In dit stuk verklaart â Catharina, de dochter van Monna Lapa, uit de straat Fonta Branda,quot; dat Nanni di Ser Vanni, toen hij vernam, dat zij voor de zaligheid van hare ziel een klooster wilde stichten, besloten had haar zijn slot Belcaro te geven; dat zij de noodige volmacht van den Paus had bekomen; dat zij den bouw niet wilde beginnen zonder de toestemming der gemeente. Zij herinnert de vroede heeren er aan, dat het verbod om versterkte plaatsen te veranderen niet op het bouwen van kerken en kloosters doelt, maar alleen moest verhinderen, dat er zich lieden in nestelden , die gevaarlijk voor den staat konden worden. Maar in dat klooster zouden arme zusters hun intrek nemen, die voor de stad en haar inwoners voortdurend bidden en hen aan hun goede werken deelachtig zouden maken. Haar verzoek werd met 333 tegen 65 stemmen aangenomen. )
Men begon nu den bouw van het klooster. Het lag ongeveer twee mijlen ten Noordwesten van Siena op een kleinen heuvel, te midden van dichte en schaduwrijke eikenwouden. Schilderachtige veldwegen voerden er uit de stad heen.
Catharina gaf aan hare nieuwe stichting den naam van Sint Maria ter Engelen. ,, Ik beveel u het klooster van Sint Maria ter Engelen aanschreef zij aan Sano de Milo. âVerwonder u niet, als ik er niet kom: goede zonen doen meer, wanneer hun moeder niet tegenwoordig is, dan wanneer zij aanwezig is, omd-it zij hunne liefde voor hun moeder willen toonen en meer door haar bemind willen worden.quot; â¢') Zij ging er toch heen en niet zelden.
Bij het begin van de stichting was zij met pater Raymundus en al hare geestelijke zonen en dochters tegenwoordig. De commissaris van den Paus was Frater Johannes di Gano di Orvieto, abt van het klooster van St. Anthimus, een leerling en groote vriend van Catharina )
Kwam iemand haar raadplegen over zijn roeping tot den religieusen staat, dan verwees zij hem naar Pater Johannes. âGaat naar den abt van St. Anthimus,quot; zegt zij in een barer
') Consigli delUi Campana, vol. 191 , p. 8â-9.
-) 245 Brief.
-') Legend. II, 7.
357
brieven, â hij is een engel op aarde.quot; Nu en clan biechtte zij bij hem. Het schijnt, dat zij herhaaldelijk over het stichten van een streng klooster met hem gesproken heeft.
âDe brenger van dezen brief,quot; schrijft zij aan den abt van St. Anthimus, ,, zal u over Donna Moranda, de echtge-noote van heer Franciscus de Montalcino, spreken. Bij haar bevindt zich esn jonge dochter, die zich aan God wil toewijden. Zij wilde haar naar een klooster brengen, dat mij niet bevalt. Ik zou wel willen, dat gij haar eens bezocht. Kunt gij het doen, zoek dan een geschikte plaats om een waarachtig en goed klooster te stichten. Ik geloof, dat dit tot meerdere eer van God zou strekken.quot; ') Deze woorden bevatten den kiem voor Sint Maria ter Engelen en verklaren tevens de keus van Pater Johannes tot Pauselijk commissaris.
De Heilige was dan bij het begin der stichting tegenwoordig. Vroeg in den morgen begaf zij zich op weg. Het gezelschap kwam aan de beek Tressa, die zeer gezwollen was. Op haar gewone wijze ging Catharina met gesloten oogen en neerhangende handen voort. Zij kwam over het water, doch hare begeleiders wisten eigenlijk niet hoe. In de nabijheid van Belcaro liep Petrus di Giovanni Ventura met nog eenige jonge lieden vooruit om het eerst over de gracht te springen en in den burcht te zijn. De drooge gracht was met struiken en doornen dicht begroeid. Petrus wondde zich aan een scherpen doorn, die hem in het oog drong. Hij schreeuwde het uit van pijii. Toen hij Catharina hoorde, riep hij luid: âO Mamma, â op deze vertrouwelijke manier werd zij door al hare leerlingen aangesproken â ik ben blind aan het eene oog.quot; Maar zij troostte hem lachende en raakte het oog met de hand aan. Terstond was hij genezen en kon weer zien. Vol vreugde en God lovend traden allen het slot binnen. Pater Willem Flete droeg de H. Mis op. Toen hij het Brood der Engelen aan Catharina uitreikte, zagen Pater Raymundus en Petrus Ventura, hoe de Heilige Hostie uit de hand des priesters in den mond van Catharina vloog ')
In liet begin van 1377 richtte Catharina van Belcaro uit
66. Brici£. 2) Proc. 313.
een brief aan Paus Gregorius, waaruit een diepe droefheid spreekt. De eene maand ua de andere verliep en geen vrede begon er te gloren.
â O Heilige Vader,quot; roept zij bem toe, â ik bezweer u om de liefde van den gekruisten Jezus, volg Zijn scbrcden. Helaas, vrede, vrede, ora de liefde Gods. Zie niet op onze ellende, onze ondankbaarbeid, onze onwetendheid noch op de vervolgingen van uw muitzieke kinderen. O herder en bewaarder van het Bloed des Lams, laat u niet tegenhouden door de moeilijkheid, de beleedigingen , de verwijten, die gij ontvangen kunt, noch door de slaafsche vrees en de slechte raadgevingen van den duivel, die niets dan den oorlog en de wanorde wil. Helaas, mijn Vader, mijn ziel is troosteloos, nu ik zie, dat mijne ongerechtigheden de oorzaak van al dat kwaad zijn. In het midden der doornen ontluikt de roos en in het midden der vervolgingen spruit de hervorming van de Heilige Kerk voort, het licht, dat de duisternissen der Christenen zal verjagen, het leven der ongeloovigen en de verheffing van het heilig kruis. Ik, ik kan niet meer; vergeef mij. Heilige Vader, mijn verwaandheid; de liefde en de smart mogen mij bij u verontschuldigen. Ik reikhals er naar om uwe Heiligheid te zien; ik zou u veel zaken moeten mededeelen , maar door vele aangelegenheden, goed en nuttig voor de Kerk, ben ik verhinderd. Vrede, vrede, uit liefde tot den gekruisten Jezus, geen oorlog; dat is het eenige redmiddel. Ik schrijf u uit het nieuwe klooster van Maria ter Engelen, dat gij mij hebt toegestaan. De gekruiste Jezus zij met u.quot; ')
Welke deze bijzondere aangelegenheden waren, waarvan .Catharina spreekt, is niet bekend. Raymundus van Capua zegt alleen, dat zij na haren terugkeer van Avignon te Siena verscheidene dienaren Gods in den omtrek heeft bezocht om zich met ben in den Heer te verblijden en dat zij op het feest van Sint Marcus in de stad was teruggekeerd.
Voor Catharina Avignon verliet, had Paus Gregorius haar verscheidene aanzienlijke gunsten verleend en door bescheiden , waarvan er nog bestaan, bekrachtigd.
') 12. Rriet'.
359
Een oorkonde verleende haar een kapel met een draagbaar altaar in haar huis te hebben, waar zij zich ook bevond. Daar mocht men, reeds voor het aanbreken van den dag, als het noodig was, de H. Mis lezen; daar mocht zij'de H. Communie ontvangen ; niemand kon het beletten; niemand behoefde zijn toestemming te geven. Deze gunst strekte zich uit tot allen, die de H. Mis bijwoonden. Zoo werden de vele moeilijkheden tegen de veelvuldige communiën der Heilige uit den weg geruimd. Zoo- kon Catharina haar godvruchtige oefeningen houden zonder iemand te hinderen of te storen. Te Avignon had Gregorius haar een bijzondere kapel aangewezen. Te huis teruggekeerd, richtte zij een kleine kamer tot bidkapel in en vervaardigde eigenhandig cie gewaden en benoodigdheden voor het altaar. Noch toont men in de Fullonica dit vertrek. ')
Van deze kapel wordt bij gelegenheid van de volgende gebeurtenis het eerst melding gemaakt. Catharina en Pater Raymundus hadden op den 25 April een bezoek in de buurt gemaakt. Toen zij huiswaarts keerden, was de tijd van de Tertiën reeds voorbij. Catharina zeidc nu tot Pater Raymundus; âO Vader, wist gij toch, hoe hongerig mijne ziel is.quot; Hij begreep wel, wat zij wilde, maar zeide: âDe tijd van Mis lezen is bijna voorbij; ik ben ook zoo vermoeid, dat ik bijna niet in staat ben om mij voor te bereiden.quot; Zij zweeg een oogenblik , doch zeide toen weder: âIk ben zeer hongerig.quot; Toen begaf hij zich naar hare kapel, hoorde hare biecht en las de H. Mis. Bij de Communie keerde hij zich om om haar de absolutie te geven. Haar gelaat schitterde en blonk als dat van een engel. In gedachten zeide hij : â Kom, Heer, tot uwe bruid.quot; Nu bewoog zich de hostie, zonder dat hij ze aangeraakt had, en daalde op de pateen neer, die hij in de hand hield.quot; â ')
!) P. Angiolo Canipclli, Succincto Ragguaglio, etc. Lucca 1713. Legend. II, 17.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Het bezoek van de II. Catharina op Rocca d'Orcia.
Ik heb aan allen mij dienstliaar gemaakt, opdat ik er meerderen mocht winnen. En alles doe ik om het Evangelie, opdat ik daaraan mededeelachtig worde.
I Cor. 9.
Wij zijn uitverkoren om het woord Gods te verspreiden
en de vrucht der zielen intezamelen____ I)it werk
heeft God ons toevertrouwd. 198. Blief.
n de bloedige burgertwisten van Italië trad Catharina
1377.
vp dikwijls krachtdadig op om ze bij te leggen en de vijandelijke partijen met elkander te verzoenen. Zoo ook verzoende zij de Salimbeni, een der machtigste geslachten van Toscane, met de Tolomei. Uit deze kennismaking met de Salimbeni ontstond dra een warme vriendschap tusschen hen en Catharina.
Johannes Agnolinus Salimbeni stierf aan de gevolgen van een val van het paard. Hij liet een weduwe achter, gravin Bianchina, uit het huis der Trinoi, heeren van Foligno, en drie kinderen: Agnolinus, zijn opvolger, en twee dochters, Benedetta en Isa.
Aan gravin Bianchina schrijft de Heilige als aan een geliefde vriendin en leerlinge:
â Dierbare Moeder in Christus, onzen zoeten Jezus. ik, Catharina, de dienstmaagd en slavin der dienaren van Jezus Christus, ik schrijf u in zijn kostbaar Bloed en wensch u onthecht te zien van de liefde tot de wereld en tot u zelve... Onze Zaligmaker heeft immers gezegd : Niemand kan twee
361
heeren dienen; zoo hij den eenen dient, zal hij den anderen verachten. Wij moeten dus zorgen ons hart aan de wereld, dien dwingeland, te weigeren, maar wij moeten het vrij en zonder voorbehoud aan God schenken en Hem in waarheid beminnen, want Hij is onze God.quot; ')
De beide dochters, Isa en Benedetta, wenschten naar het klooster te gaan. Dit plan mishaagde hun broeder zeer. Catharina bracht hem tot betere gevoelens en bevestigde de zusters in hun heilige voornemens.
â Ik wensch u manhaftig te zien strijden ,quot; zoo roept zij Agnolinus toe, âen niet de slagen te vreezen als een ridder zonder hart. Mijn zoete zoon, wij zijn op een slagveld en wij moeten immer strijden, altijd en oreral. Wij hebben vijanden, die de stad onzer ziel belegeren; deze zijn het vleesch met zijn ongeregelde lusten, de wereld met haar eerambten en vermaken, de duivel met zijn boosheid. Maar wij, wij moeten als kloeke ridders de stad verdedigen en bewaken. Grijp het zwaard van den haat en der liefde, dat is, van den haat en den afschuw der ondeugd en der liefde tot de deugd. Het zoete en teedere Lam, het menschgeworden Woord, is onze kracht, want van Hom komt alle hulp. Hij heeft onze aanvoerder willen zijn. Met Zijn ongewapende hand, doorboord en vastgeklonken aan het kruis, heeft Hij al onze vijanden verslagen. Zijn Bloed is op het slagveld gebleven om ons aan te sporen dat wij als echte ridders zouden strijden, onversaagd en zonder vrees.
Erken de waarheid. Geloof de booze en bedorven men-schen niet, maar gehoorzaam aan den Heiligen Geest, die u roept. Ik weet, wat er gezegd is, en de gravin zal door de eenen zoowel als door de anderen lastig gevallen worden, omdat zij de dienstmaagd en de slavin der dienaren van Jezus Christus wil zijn. De boozen willen u vrees en spijt inboezemen om u en haar terug te houden. Och, sla den wil van God niet in den wind en laat u niet door de oor-deelen der wereld meesleepen. Sluit, sluit den mond van uwe vasallen. De duivel ziet, dat hij het verliest; daarom bekoort hij u zoo hevig door de schepselen. Maar moed ,
') 331. Brief.
362
veracht al de oordeelen der wereld. De gekruiste Jezus leve in u.quot; :)
Aan Isa schreef de Heilige: â Ik wensch, dat gij een standvastige en getrouwe bruid zijt en niet als het blad door den wind bewogen wordt. Dat de influisteringen der schepselen en hun slechte raadgevingen u nimmer van uw voornemen doen afzien. Ik herinner mij, dat gij in de wereld ontzag hebt ingeboezemd; gij hebt de voorstellen en de grillen der menschen met voeten getreden. Nu moet uwe deugd niet minder krachtig zijn. Ik wensch dus, dat gij Christus, uwen Bruidegom, volgt, dat gij met vuur en heiligen ijver in het nieuwe strijdperk treedt om er met volharding tot den dood te strijden; dat gij zegt: âIh kan alles door den 'gekruisten Jesus, die in mij is en die mij versterkt.'''' (Philipp. 4, 13). 2)
Hare aanmoediging schijnt niet vruchteloos te zijn geweest. Door een breve van den 29 Maart 13S0 verleent Paus Urbanus een vollen aflaat in het uur des doods aan vijftig Zusters uit de Derde Orde van den H. Dominicus. Bovenaan staat Isa, dochter van Johannes Agnolinus.
Wij bezitten nog twee brieven van de Heilige aan Benedetta. Het is een hartroerende verklaring van Salomon's ijdelheid der ijdelheden en alles is ijdelheid, behalve God te beminnen en Hem alleen te dienen.
,, Gaarne zag ik u de dienstmaagd en bruid van Jezus Christus , want ik weet, dat God te dienen niet is slaaf te zijn, maar te heerschen. Gij weet, mijn welbeminde en goede dochter, dat de ziel, die de schepselen en de rijkdommen buiten God dient, op het blad gelijkt, dat door den wind heen en weer geslingerd wordt. Ik wil niet, mijne dochter, dat gij u aan de schuldige slavernij der wereld overlevert, maar ik wil, dat gij een oprechte dienstmaagd van den gekruisten Jezus zijt, die u door Zijn kostbaar Bloed heeft vrijgekocht. Gij hebt er de ondervinding van opgedaan, want in weinig tijds heeft de wereld u met twee wreede slagen getroffen en de goedheid Gods heeft het toegelaten ,
') 267. Brief. 3) 232. Brief.
363
opdat gij de wereld vluchten en in Hem, uwen Vader en Bruidegom, een toevlucht zoudt zoeken. Gij hebt zelve ervaren , dat de wereld geen zekerheid aanbiedt. Beantwoord dus edelmoedig aan God, die u roept, en luister niet naar uwe moeder, uwe zuster, uwen broeder noch naar eenig schepsel, dat u zou willen tegenhouden. Ik zeg u, mijne dochter, dat gij, zoo gij de waarachtige bruid van uwen Schepper wilt zijn, het huis van uwen vader moet verlaten en u moet voorbereiden om te komen, wanneer de stichting voltooid is; men is reeds begonnen en men werkt er met kracht aan; liet is liet klooster van Sint Maria ter Engelen te Belcaro. God vcrvulle u met zijn zoete genade.quot; ')
Deze uittreksels kunnen volstaan om de betrekkingen tusschen Catharina en de familie Salimbeni toe te lichten. AVij gaan nu liet bezoek verhalen, dat zij in den herfst van 1377 op het sloquot; Rocca d'Orcia bracht.
Juist in dit jaar was er een twist tusschen Agnolinns en Cione Salimbeni, een verwant van hem, gerezen. Cione woonde te Castiglioncello del Trinoro, maar Agnolinus te Tentennato, nu Rocca d'Orcia. Clone's gemalin Stricca was eveneens met Catharina bevriend en stond in briefwisseling met haar. Daaruit kan men verklaren, dat de laatste op beide partijen invloed kon uitoefenen. Het schijnt, dat zij op verzoek van de beide echtgenooten op zich genomen bad de twistenden met elkander te verzoenen. De burchten der beide neven waren ongeveer tien mijlen van elkander verwijderd. Op gelijken afstand van beide lag Montepulciano. Daar nam Catharina haren intrek.
Het was niet de eerste maal, gelijk wij weten, dat zij Montepulciano bezocht. Een groot aantal van haar leerlingen vergezelden haar; Pater Raymundus van Capua, Pater Thomas della Fonte, Pater Bartholomaeus Dominico, Stephanus Maconi, Don Franciscus Malevolti, Pater Thomas Caffarini, Pater Mathaeus Tolomei, de eremyt Broeder Santi, Alessia, Lisa, Cella en anderen. De stilte en de vrede des kloosters schijnt haar hart bijzonder goed gedaan te hebben. Zij schrijft aan Donna Agnes Malevolti: âWeet gij, dat de
') 329â330. Bnef.
362
veracht al do oorcleelen der wereld. De gekruiste Jezus leve in u.quot; !)
Aan Isa schreef de Heilige: ,, Ik wensch, dat gij een standvastige en getrouwe bruid zijt en niet als het blad door den wind bewogen wordt. Dat de influisteringen der schepselen en hun slechte raadgevingen u nimmer van uw voornemen doen afzien. Ik herinner mij , dat gij in de wereld ontzag hebt ingeboezemd; gij hebt de voorstellen en de grillen der menschen met voeten getreden. Nu moet uwe deugd niet minder krachtig zijn. Ik wensch dus, dat gij Christus, uwen Bruidegom, volgt, dat gij met vuur en heiligen ijver in het nieuwe strijdperk treedt om er met volharding tot den dood te strijden; dat gij zegt: âIk kan alles door den 'gekndsten Jesus, die in mij is en die mij versterkt.''' (Philipp. 4, 13). 1)
Hare aanmoediging schijnt niet vruchteloos te zijn geweest. Door een breve van don 29 Maart 1380 verleent Paus Urbanus een vollen aflaat in het uur des doods aan vijftig Zusters uit de Derde Orde van den H. Dominicus. Bovenaan staat Isa, dochter van Johannes Agnolinus.
Wij bezitten nog twee brieven van do Heilige aan Benedetta. Het is een hartroerende verklaring van Salomon's ijdelheid der ijdelheden en alles is ijdelheid, behalve God te beminnen en Hem alleen te dienen.
â Gaarne zag ik u de dienstmaagd en bruid van Jezus Christus, want ik weet, dat God to dienen niet is slaaf te zijn, maar te heerschen. Gij weet, mijn welbeminde en goede dochter, dat de ziel, die de schepselen en de rijkdommen buiten God dient, op het blad gelijkt, dat door den wind heen en weer geslingerd wordt. Ik wil niet, mijne dochter, dat gij u aan de schuldige slavernij der wereld overlevert, maar ik wil, dat gij een oprechte dienstmaagd van den gekruisten Jezus zijt, die u door Zijn kostbaar Bloed heeft vrijgekocht. Gij hebt er de ondervinding van opgedaan, want in weinig tijds heeft de wereld u met twee wreede slagen getroffen en do goedheid Gods heeft liet toegelaten,
1
) 232. Brief.
â quot;gt;63
opdat gij de wereld vluchten en in ITem, uwen Vader en Bruidegom, een toevlucht zoudt zoeken. Gij hebt zelve ervaren , dat de wereld geen zekerheid aanbiedt. Beantwoord dus edelmoedig aan God, die u roept, en luister niet naar uwe moeder, uwe zuster, uwen broeder noch naar eenig schepsel, dat u zou willen tegenhouden. Ik zeg u, mijne dochter, dat gij, zoo gij do waarachtige bruid van uwen Schepper wilt zijn, het huis van uwen vader moet verlaten en u moet voorbereiden om te komen, wanneer de stichting voltooid :s; men is reeds begonnen en men werkt er met kracht aan; het is liet klooster van Sint Maria ter Engelen te Belcaro. God vervulle u met zijn zoete genade.quot; ')
Deze uittreksels kunnen volstaan om de betrekkingen tusschen Catharina en de familie Salimbeni toe te lichten. Wij gaan nu het bezoek verhalen, dat zij in den herfst van 1377 op hot slot, Rocca d'Orcia bracht.
Juist in dit jaar was er een twist tusschen Agnolinus en Cione Salimbeni, een verwant van hem, gerezen. Cione woonde te Castiglioncello del Trinoro, maar Agnolinus te Tentenuato, nu Rocca d'Orcia. Clone's gemalin Stricca was eveneens met Catharina bevriend en stond in briefwisseling met haar. Daaruit kan men verklaren, dat de laatste op beide partijen invloed kon uitoefenen. Het schijnt, dat zij op verzoek van de beide echtgenooten op zich genomen had de twistenden met elkander te verzoenen. De burchten der beide neven waren ongeveer tien mijlen van elkander verwijderd. Op gelijken afstand van beide lag Montepulciano. Daar nam Catharina haren intrek.
Het was niet de eerste maal, gelijk wij weten, dat zij Montepulciano bezocht. Een groot aantal van haar leerlingen vergezelden haar: Pater Raymundus van Capua, Pater Thomas della Fonte, Pater Bartholomaeus Dorainico, Stephanus Maconi, Don Franciscus Malevolti, Pater Thomas Caffarini, Pater Mathaeus Tolomei, de eremyt Broeder Santi, Alessia, Lisa, Cella en anderen. De stilte en de vrede des kloosters schijnt haar hart bijzonder goed gedaan te hebben. Zij schrijft aan Donna Agues Malevolti: âWeet gij, dat de
') .329â330. Brief.
364
lust mij bekruipt om u te zeggen: Laat ons hier drie tenten bouwen, want bij deze heilige religieusen te zijn schijnt mij een paradijs toe. Zij houden zooveel van ons , dat zij ons niet willen laten gaan en dat zij altijd klagen over ons vertrek. Cella is al een halve non, want zij begint al goed de getijden met de dienstmaagden van Jezus Christus te zingen.quot; ') Doch geheel andere plichten dan koorgebed en de rust van een beschouwend leven wachtten de Heilige. Haar eerste tocht was naar Castiglioncello. Cione Salimbeni ontving haar zeer goed en liet zich licht overhalen om de hand ter verzoening aan te bieden. Nu was de beurt aan Agnolinus. Daarom begaf zij zich op -weg naar den burcht Rocca d'Orcia. Deze lag op een steile rots boven liet dal, door de Orcia doorstroomd, ongeveer drie en twintig mijlen van Siena. De omstreken waren woest en onherbergzaam.
Gezeten op een kleinen ezel, omringd door hare leerlingen, besteeg zij op een Augustusavond het steile en hobbelige rotspad, dat naar het kasteel voerde. Agnolinus en zijn moeder, een vrouw van groote deugd, begaafdheid en verknochtheid aan Catharina, ontvingen haar zeer vriendelijk. Zij slaagde ook hier naar wensch en verzoende de beide verwanten met elkander. Zulk een voorbeeld ging voor de buren niet verloren. Ook andere edellieden brachten hun veten voor Catharina. Zoo werd zij meer dan vier maanden in deze streek opgehouden om twisten en oneenigheden tusschen verschillende families te beslechten. Reeds haar verschijning bracht de woeste driften tot bedaren. Haar heiligheid en welsprekendheid ondersteunden de wonderen, welke zij wrochtte.
Daar gravin Bianchina zulk een innige vereering voor do Heilige koesterde, was zij dag en nacht in Catharina's omgeving. Wijd en zijd ging de roep van hare deugd. Op zekeren dag brachten eenige lieden uit een naburig dorp eenen man, die met vele koorden op een paard gebonden en aan handen en voeten met ijzeren ketenen geboeid was, op den burcht. Hij raasde, tierde, vloekte en brulde als een duivel. Twee der begeleiders gingen naar gravin Bianchina, die
',) 183. Brief.
365
zich bij Catharina bevond. Heimelijk spraken zij met de gravin. Deze zeide tot Catharina: âMijn zoete Mamma, laat ons van hier gaan.quot; Catharina hernam ootmoedig : â Ik weet zeer goed, dat het nu niet de tijd is, waarop gij van hier wenscht te gaan; toch zal ik u gehoorzamen, als de tijd gekomen is.'' Zij wist juist, wat de gravin van haar verlangde. Eindelijk gingen zij naar het slotplein. Daar lag de bezetene nog altijd gebonden. Nauwelijks zag hij de Heilige, of hij stiet een afschuwelijk gebrul uit en wentelde zich op den grond. Catharina vroeg nu aan de gravin: âWat heeft deze arme man toch gedaan, dat men hem zoo geboeid heeft'? Zeg toch, dat men hem losmaakt, opdat hij niet langer gemarteld worde.quot; Dan wendde zij zich vriendelijk tot de mannen en sprak: âGoede broeders, laat dit schepsel Gods toch niet zoo lijden, er is immers volstrekt geen reden voor ; geeft hem om de liefde Gods een verfris-sching; laat hem in Jezus' naam los.quot; De man werd geheel rustig en legde zich als dood op den grond. Men ontdeed hem van boeien en ketenen. Hij bewoog zich evenwel niet. Daarop zeide de Heilige: â Beurt hem nu op en geeft hem iets te eten, want het is enkel zwakte. Wanneer hij door spijs versterkt is, zal hij een heel ander mensch zijn.quot; Men voldeed terstond aan haar verlangen. Hij kwam nu weer geheel tot zich zeiven en kon niet begrijpen, hoe hij op deze plaats gekomen was, noch zich iets herinneren van hetgeen er met hem geschied was. Hij beval zich vol ootmoed Catharina aan en keerde met de overigen huiswaarts, nadat zij het teeken des kruises over hem gemaakt had.
ijen ander maal bracht men op den burcht van Agnolinus een man, die door vele booze geesten bezeten was. Deze merkten, dat zij bij hun vijandin gebracht werden. Zoodra men het slot naderde, dwongen zij den man te schreeuwen en te huilen: âGij brengt mij tot mijn wreedsten vijand, die mij steeds vervolgt, waarheen ik mij ook wend. Maar ik beloof u, dat deze tocht aan ieder van u duur zal te staan komen. De gravin, Catharina en anderen bevonden zich in een vertrek van het kasteel. Men bracht den razenden en tierenden bezetene daarheen. Hij rukte zich los en plofte voor do voeten van Catharina neer, die naar gewoonte op
3(56
dun grond zat. Nu sprak hij geen woord meer, maar lag er als dood. Door medelijden bewogen, begon de Heilige te weenen , hief zijn hoofd op en legde het aan hare borst; dan sloeg zij de oogen ten hemel. Haar gelaat begon te blinken en te schitteren, terwijl zij in stilte bad. Dan sprak zij tot den armen lijder: âSta op, dierbare broeder, en schep moed; gij zult er geen schade bij hebben en alleen een kortstondige zwakte moeten verduren.quot; Zij liet nu brood en wijn komen en gaf het hom eigenhandig. God lovend, keerde hij huiswaarts.
Van Kocca d'Orcia ging de Heilige naar de abdij van St. Anthimns. De abt Pater Johannes di Ser Gano da Orvieto was haar boezemvriend en raadsman. St. Anthimus lag ongeveer vijf mijlen van het stadje Montalcino verwijderd. Dit behoorde vroeger tot het gebied van het klooster, maar was nu reeds lang in het bezit der Republiek Siena overgegaan. Ten tijde van Catharina erkenden de aartspriesters van Montalcino ook de geestelijke rechtsmacht der abten van St. Anthimus niet meer. Daaruit vloeiden onaangenaamheden voort. Deze schijnen grootendeels de aanleiding voor Catharina's reis naar St. Anthimus geweest te zijn. De abdij lag in een dal tusschen hooge bergen. Daar nam de Heilige haar intrek, vertoefde er verscheidene weken en schreef van daar een brief aan den magistraat van Siena. Wij zien daaruit, dat er in de stad tengevolge van hare reis reeds afkeurende stemmen opgingen.
â Uit de mededeeling van den aartspriester van Montalcino en van anderen, die hun fouten bedekken wilden, heb ik vernomen, dat gij over den abt van St. Anthimus, die een groot en volmaakt dienaar Gods is, ongunstig geoordeeld hebt. Reeds zeer lang is hij hier. Zoo gij hem een weinig gekend hadt, zoudt gij hem niet verdacht, maar zeer gewaardeerd hebben. Ik bid u dus, uit liefde tot den gekruisten Jezus, val hem niet lastig, maar help hem integendeel; ondersteun hem, als het noodig is.
Wat mijn terugkeer met mijn geestelijk huisgezin betreft, heeft men mij gezegd, dat er klachten en kwade vermoedens rijzen, maar ik weet niet, of ik het gelooven moet. Zoo gij er evenveel belang in steldet als wij, dan zoudt gij en alle inwoners van Siena zulke verdenkingen zonder grond ver-
drijven; gij zoudt de ooreu sluiten om het niet te hooreu. Wij allen en ik ook zoeken zonder ophouden uw geestelijk en tijdelijk welzijn; wij ontzien geen vermoeienis-; met tranen en verzuchtingen bieden wij God onze vrome wenschen aan om te voorkomen, dat de goddelijke rechtvaardigheid de kastijdingen, die onze boosheden verdienen, op u toep.asse. Ik heb zoo weinig deugd, dat ik niets dan onvolmaakt kan doen. De ondankbaarheid en de onwetendheid van mijn medeburgers zullen ons niet beletten aldus tot aan den dood voor uw welzijn te arbeiden. Wij zullen de les van den Heiligen Paulus volgen, die zeide: âDe wereld lastert o)U en wij zegenen; zij vervolgt ons en verjaagt ons en wij verdragen het met geduld.''' (I Cor. 4, 12). Wij zullen hetzelfde doen, wij zullen dezen weg volgen; de waarheid zal ons vrij maken. Ik bemin u meer dan gij u zeiven bemint en ik verlang evenals gij naar uwen vrede en uw behoud. Waant dus niet, dat ik of een van de mijnen zich er tegen verzetten zouden. Ik ben hier alleen gekomen om mij met zielen te voeden en ze aan de klauwen des duivels te ontrukken; daarvoor zou ik duizend levens willen opofferen, als ik ze had. Ik zal dus gaan en ik zal handelen, gelijk de Heilige Geest mij zal ingeven.quot; ') Catharina hield woord. Ondanks de kleingeestige ijverzucht en de geruchten, te Siena over haar verspreid , bleef zij nog eenige weken te St. Anthimus. Hare gebeden en vermaningen droegen rijke vruchten. Ongeloofelijk was volgens ooggetuigen de menigte van hen, die uit den ganschen omtrek samenstroomden om haar te zien en te hooren. Duizenden kwamen dagelijks over de bergen tot haar. Het was, alsof zij door een geheimzinnige bazuin werden opge-roepen. Haar tegenwoordigheid was voldoende om zielen te bekeeren en met berouw te vervullen. Zij weenden over hun zonden en snelden naar den biechtstoel om ze te belijden. Catharina bad onophoudelijk en was in verrukking over de vele zielen, die zij voor God won. Hare tegenwoordigheid vervulde de biechtvaders met troost en deed hun alle vermoeienis vergeten. quot;)
') 201. Brief.
-') Legend., II, 10.
368
Van St. Anthimns koerde zij naar Rocca d'Orcia tcriisr. Daar voegde zich Pater Thomas Callarini bij haar. De wonderen van St. Anthimus herhaalden zich hier. Zondaars, die veertig jaren en langer geen plichten hadden waargenomen, keerden als de verloren zoon naar hun vader terug. Vijanden verzoenden zich met elkander. Nooit had men zoo iets gezien.
Catharina's langdurige afwezigheid verwekte ook hij hare leerlingen, die te Siena gebleven waren, een ontevreden stemming. Zij schreef aan Catharina van quot;t hospitaal en aan Johanna di ('apo, twee van liaar meest vertrouwde leerlingen:
âWij moeten doen, wat de Heilige Apostelen deden, nadat zij den Heiligen Creest ontvangen hadden: zij scheidden zich van elkander en van hun zoete Moeder .Maria. Wij mogen gerust aannemen , dat hun grootste geluk was te zamen te wonen, en toch hebben zij aan dit geluk vaarwel gezegd ora de eer van God en het heil der zielen te zoeken; en toen Maria hen verliet, dachten zij er niet aan, dat hare liefde zou verminderen en dat zij door haar vergeten zouden worden. Dit is de regel, dien wij voor ons zeiven moeten nemen.
Ik weet, dat mijne tegenwoordigheid u veel troost verschaft; maar gij moet, om du ware gehoorzaamheid te beoefenen, voor de eer van God en het heil der zielen niet uw eigen troost zoeken en den duivel geen voet geven, die u inblaast, dat gij van do genegenheid en do liefde, welke ik voor uwe zielen on uw lichamen heb, beroofd zijt. Ik verzeker u, dat ik u alleen om God liefheb. Waarom zijt gij dus onredelijk verdrietig over zaken, die noodzakelijk moeten geschieden? O, hoe zullen wij dan doen in groote zaken, wanneer wij zoo zwak zijn in de kleine? God ver-eenigt ons en scheidt ons naar gelang hot oogonblik dit vordert. Onze zoete Zaligmaker wil en laat toe, dat wij voor Zijne glorie geschoidon worden. Gij zijt to Siena; Cella en Nonna zijn te Montepulciano; Pater Bartiiolomaous en Pater Matthaeus zijn bij u teruggekeerd en blijven hij u; Alessia en Zustor Bruno zijn te Montjore , achttien mijlen van Montepulciano; zij blijven hij do gravin on hij Donna Isa; Pator Raynnmdus, Thomas, Zustor Thomma, Lisa en ik, wij zijn te Rocca, midden tusscbon de roevers. Mood, dus, mijne
369
dochtors, bronst liut oiler van uwen 'ligen wil aan God. Weest door du tecdcro handen der liefde verbonden; dun zult gij toonen, dat gij mijne dochters zijt en anders niet. Wij zullen zoo spoedig mogelijk terugkomen naar liet welbehagen van God.quot; ')
God verlangde ook van Catharina een ofler. liaymandus van Capua werd door Gregoriua XI naar Rome ontboden en gedurende zijn verblijf voor de tweede maal tot prior van de Minerva gekozen. Dientengevolge kon hij tot de Heilige niet terugkeeren en zag haar nog slechts eenmaal gedurende tien dagen. Toch bleef hij in naam haar biechtvader en bestuurde schriftelijk haar geweten. Uit een brief aan Alessia te Montjore blijkt, wat er in haar ziel omging:
âliet schijnt, dat mijn zoete Bruidegom mij zoowel inwendig als uitwendig heeft willen beproeven. Ik wensch, dat smarten mijn voedsel, tranen mijn drank mogen zijn. Ik bid u, uit liefde tot den gekruisten Jezus, welbeminde dochter, blijf voor mij bidden; verdubbel uw gebeden voor mij, want ik heb ze noodig meer dan gij denkt. Verblijd u, verblijd u op het kruis met mij, want het kruis is een rustbed, waar de ziel uitrust, een disch, waar zij het voedsel geniet, de vrucht van het geduld in kalmte en vrede. Gods wil moge geschieden. Hij heeft mij op een eiland geplaatst, dat van alle zijden door de stormwinden omgierd wordt.quot; l)
Zwaarder kruis wachtte de Heilige: de vernieuwde klachten en verdachtmakingen barer stadgenooten, die de redenen van haar verblijf bij de familie Salimbeni in twijfel trokken. Lapa was naar hare dochter vertrokken, maar niet verder dan tot Montepulciano gekomen. Van daar zond zij bittere klachten aan Catharina. Deze schreef aan haar en aan Cella:
âGij weet wel, mijn dierbare Moeder, dat uw ellendige dochter voor niets anders op de wereld is dan voor de eer van God en het heil der zielen; daarvoor lieeft de Schepper mij bestemd. Ik weet, dat gij tevreden zijt, wanneer ik Hem gehoorzaam. Ik bid u, word niet verdrietig, als ik
') 175. Brief.
J) I 78. Brief.
24
370
langer blijf dan gij gaarne hebt, want ik kan niet anders. Ik ben overtuigd, dat gij zelve mij zoudt zeggen to blijven, zoo gij de zaak kendet.quot; ')
In een brief aan den goudsmid Salvi, een invloedrijk burger van Sieua, zegt zij;
âIk antwoord, dierbaren zoon, op de brieven, die gij aan mij gericht hebt, en die ik met een ware vreugde heb gelezen. Ik verklaar u, het is Gods wil, dat ik blijf. De Waarheid, die niet liegen kan, heeft haar dienstmaagd gerust gestold en zeide: Ga voort uw voedsel te nemen aan den disch, waaraan Ik u geplaatst heb. Ik hob u aan den disch van het kruis geplaatst, opdat gij te midden van hot lijden en het gemor do oer van God en het heil der zielen zoudt smaken en zoeken. Ik heb u op deze plaats zielen toevertrouwd, opdat zij uit de klauwen van den duivel zouden verlost worden , opdat zij zich met Mij en met den naaste zouden verzoenen. Voltooi dus, wat gij begonnen hebt. Om veel goeds te beletten doet de duivel veel kwaads ontstaan; maar ga voort en vrees niets. Ik zal voor u zijn. Mijn ziel werd gerust gesteld door deze woorden, welke God aan Zijn dienstmaagd zeide.
Ik zal mij dus beijveren het goede te doen voor de eer van God, het heil der zielen en liet voordeel van onze stad. Misschien doe ik het achteloos, maar ik verheug mij do schreden van mijn Schepper te volgen. Ik doe het goede, en zij vergelden mij met kwaad; ik werk voor hun eer, en zij beleedigen mij; ik wil hun leven, en zij willen mijn dood. Maar deze dood is ons leven, deze beleediging onze glorie, de schande is alleen voor hom, die hot kwaad bedrijft. Ik vertrouw op onzen Heer Jezus Christus en niet op de menschon. Ik zal dus voortgaan. Als zij mij boleedigingen en vervolgingen aandoen, zal ik hun tranen en onafgebroken gebeden schenken, zoolang God mij do genade daartoe verleent. De duivel moge liet willen of niet, ik zal gansch mijn leven wijdon aan de eer van God, het heil dor zielen, aan de geheele wereld en inzonderheid aan mij n vaderland. Wolk een schande voor de burgers van Siena to wanen en zich to
') 1G7. Brief.
871
verbedden, dat wij ons met staatkunde op het gebied der Salimbeni of elders bezighouden?
Zij wantrouwen de dienaren Gods en zij vreezen niets van de boozen; maar zij profeteeren, zonder dat zij liet merken. Zij doen als Caïphas, die voorspelde, dat er éen voor het volk moest sterven om het te redden. Hij wist niet, wat hij zeide; maav de Heilige Geest wist het wel en profeteerde door zijnen mond. Zoo wanen mijn medeburgers ook, dat ik en zij, die mij vergezellen, aanslagen smeden; zij zeggen de waarheid zonder ze te kennen , zij profeteeren. Want ik wil niets anders doen met hen, die bij mij zijn; ik wil triomfeeren over don duivel en hem de macht ontwringen , die hij door de doodzonde over den mensch gekregen heeft; ik wil den haat uit aller harten bannen en ze verzoenen mot den gekruisten Jezus en met den naaste. Dat zijn de aanslagen, die wij smeden, waartoe ik hen, die bij mij zijn, aandrijf. En u, mijn goede zoon, u en de anderen bezweer ik tot God voor mij te bidden, opdat ik vlamme van ijver voor dit werk en voor alles, wat tot de eer van God en het heil der zielen kan bijdragen. De leerling vair Christus is niet hij, die roept; Heer, Heer, maar die Zijn schreden volgt. De arme , gelasterde Pater Raymundus beveelt zich aan u aan, opdat gij van God voor hem verkrijgt, dat hij goed en geduldig zij.quot; ')
Dit was nog niet genoeg. Wij weten reeds, dat de Tolomei en de Salimbeni te Siena langen tijd als erfvijanden tegenover elkander stonden. Pater Mathaeus uit de Predikheerenorde, een zoon der Tolomei, had een bezoek bij Catharina te Rocca d'Orcia gebracht. Donna Itubes Tolomei, zijn moeder, schoon een edele, deugdzame vrouw en vriendin van de Heilige, eenigszins door vooringenomenheid tegen de Salimbeni be-heerscht, werd ongeduldig, dat haar zoon reeds vier maanden in het gebied van haar erfvijanden zich ophield. Zij schreef een brief aan Catharina. Deze antwoordde haar;
âUw zinnelijke liefde ontneemt u het licht der rede en maakt, dat gij de wereld en uw kinderen buitensporig bemint. Gij zegt mij, dat Pater Mathaeus terstond moet komen
372
ondnnks welk beletsel ook, en dat gij hom vervloeken zult, als hij niet komt. Maar ik zeg u, dat gij uw onzinnig ongeduld niet kunt verontschuldigen. Laat ons do zaak niet alleen volgens het geloof, maar eenvoudig volgens het gezond verstand beschouwcu. Hadt gij dit gehad, dan zoudt gij zoo niet gehandeld hebben. De drift maakte u dwaas. Uw ooren tuitten van het gemor.quot; ')
De eenvoud, en natuurlijkheid van de aangehaalde brieven springen in hot oog. Wij zien daaruit, dat de serafijnschc maagd zich niet enkel in de bovenaardsche gewesten der extasen en visioenen bewoog, maar ook hot gewone, alle-daagsche leven harer omgeving medeleefde en volkomen op de hoogte van haar tijd bleef. Zij was een vrouw met dezelfde natuur, dezelfde hartstochten en dezelfde gevoelens als de andere. Over haar groote ziel gleed hetzelfde licht en dezelfde schaduw als over do onze; vroolijkheid maakte plaats voor lijden. Toch duurde haar hemolsch verkeer met God onafgebroken voort, , toch werd zij dagelijks mot hemelsche gunsten overladen. Zoo dikwijls zij communiceerde, getuigden Franciscus Male vol ti en vele andere personen, was zij altijd in extase. Als do priester haar bet lichaam des Hoeren wilde reiken, vloog de H. Hostie als een pijl uit zijn hand in haar mond. Ontelbare malen werd zij gedurende haar gebed van de aarde omhoog geheven. Geen enkele spijs gebruikte zij en leefde alleen van de H. Communie. Geen ijdel woord kwam er over hare lippen.
Nog moeten wij van een gewichtige gebeurtenis gedurende haar verblijf te Rocca gewagen. Zij loerde er op wonderbare wijze schrijven. lïij een zekere gelegenheid viel haar een koker mot vermiljoen in handen. Ten gevolge van oen goddelijke ingeving ging zij zitten, nam de veder en schreef, schoon zij hot nooit geloerd had, de volgende verzen neder:
Heilige Geest, kom in mijn luirt.
Uwe macht trekke liet tot n , o God.
Schenk mij de vrees en de liefde.
Christus behoed mij tegen elke schuldige gedachte.
Ontvlam mij. verwarm mij met uw zoetste liefde,
') 344. Brief.
373
Opdat elke moeite mij licht toeschijne.
Ik bid om uw bijstand en uwe hulp in mijn behoeften.
Christus, mijn liefde, Christus mijn liefde. ')
m
â m
⢠' â : 1
â ii?:
li 'â «â
â Vi-,:,
â Wlv
Ifi
Catharina verhaalt zelve dit feit in een schrijven aan Ray-muudus van Capua;
âDeze brief en een andere, dien ik u gezonden heb, zijn door mij op het eiland Rocea, te midden van verzuchtingen en tranen, eigenhandig geschreven. Zij waren zoo overvloedig, dat mijn oogen niet meer zien konden. Maar ik bewonderde mij zelve en de goedheid Gods , terwijl ik Zijn barmhartigheid jegens de redelijke schepselen en de wonderen Zijner Voorzienigheid jegens mij beschouwde. Daar mijn onwetendheid mij van den troost beroofde mijn gemoed aan iemand te openbaren, heeft Hij mij geleerd te kunnen schrijven, opdat ik, wanneer de geestverrukking was geëindigd, mijn hart een weinig verlichten en verhinderen kon, dat hut brak.quot; â )
sj
is
CafFarini teekent hierbij aan; â Het wonderbare geschrift van Catharina werd als een relikwie aan Prater Hieronymus van Siena, uit de orde der Eremyten van Sint Augustinus, gegeven. Kort na den gelukzaligen dood van de Heilige predikte die goede kloosterling te Venetië en schonk het aan den priester Lêonardus l'isani, een vermaard predikant. Leonardus stond dit blad, door de handen van Catharina gewijd, edelmoedig aan mij af en ik gaf het, met nog andere overblijfselen vau den Heilige, aan de Zusters van Boetvaardigheid van St. Dominicus. Men moet niet gelooven, dat dit blad het eenigste handschrift van Catharina was en dat de kunst van te schrijven haar als een voorbijgaande, tijdelijke gunst varleend werd, zooals de Heilige Thomas het van de profetische visioenen zegt; zij werd haar gegeven als een blijvend en voortdurend vermogen, waarvan zij zich kon bedienen, als zij wilde. De eerbiedwaardige Stephanus Maconi, een barer talrijke secretarissen en een barer dierbaarste leerlingen, heeft mij verzekerd, dat de Heilige zelve aan hem een brief schreef, waarin zij hem zegt, dat
ml : l
r-*
') Supplera. I, 1. no. Brief.
â M â i
374
zij hem , als een bijzonder bewijs van hare moederlijke teeder-heid, den eersten brief van hare hand zendt. Stephanus Maconi heeft mij eveneens verzekert, dat hij haar niet alleen een groot getal brieven, maar bovendien vele bladzijden van het boek, dat zij in het Italiaanseh samenstelde, had zien schrijven.quot; ')
Zoo schreef zij ook na het vertrek van Pater Raymundus naar Rome eigenhandig aan hem twee brieven. -)
âHelaas, helaas, wat is mijn ziel ongelukkig. Ik zou slechts willen leven om mij voor de eer van God geslachtofferd te zien en om mijn bloed voor bet geheimzinnig lichaam van de Heilige Kerk te vergieten. Helaas, helaas, ik sterf en ik kan niet sterven. Gij hebt mij geschreven, dat ik mij moest verheugen, dat ik moest juichen, en gij hebt mij nieuws medegedeeld, dat mij groote blijdschap verschaft heeft. Tn den morgen na uw vertrek heeft de zoete en allerhoogste Waarheid voor mij willen doen, wat de vader voor zijn dochter doet en de bruidegom voor zijn bruid; hij kan niet dulden, dat zij het geringste verdriet heeft, maar hij vindt steeds nieuwe middelen om haar vreugde te verschaffen. Verbeeld u , mijn Vader, de eeuwige Waarheid heeft hetzelfde met mij gedaan. De Goddelijke Majesteit heeft mij met zooveel vreugde overstroomd, dat de ledematen van mijn lichaam schenen op te lossen en te smelten als het was in het vuur.
Ik ging, gelijk men langs een weg gaat, en liet scheen, dat dit de weg tot de hoogste Majesteit, tot de eeuwige Drieëenheid, was, waar men een onuitsprekelijk licht en een onuitsprekelijke kennis van de goedheid Gods ontvangt. Ik zag de toekomende dingen, ik ging en verkeerde met de uitverkorenen van den Gezalfde op aarde, en ik zag den vrede en redenen tot groote blijdschap doorschemeren. Ik hoorde de zoete stem van de allerhoogste Waa.'heid, die tot mij zeide: Mijne dochter, ik versmaad de heilige en ware verlangens niet; ik bevredig ze integendeel. Moed dus, word een goed werktuig om de waarheid
') Supplem. 1. c. 2) 89 en 90. Brief.
375
grootmoedig te verkondigen; Ik zal altijd met u zijn. ') Waarschijnlijk in het begin van Januari 13'8 keerde Catharina naar Siona terug. Immers uit haar brief aan Alessia blijkt, dat zij den ganschen Advent te Rocca d'Orcia doorbracht. Zij genoot evenwel niet lang rust. De omstandigheden bereidden reeds haar tweede zending naar Florence voor.
') 89 Brief.
NEGENDE HOOFDSTUK. Catharina's tweede zending naar Florence.
Ik wenschte zelf verbannen te zijn van Christus voor mijne broeders. quot;Rom. IX.
Gij allen zijt verplicht aan den Pans tot den dood te gehoorzamen. Wanneer iemand zich van de gehoorzaamheid aan hem losmaakt, is liij zonder twijfel in staat van verdoemenis, tenzij hij zich voor zijn dood bekeere. Samenspr. c. 154.
1378.
\JJratharina begreep, dat de terugkeer des Pausen naar Italië voor Rome en du Heilige Kerk niet voldoende was, tenzij de misbruiken in de Kerk weggenomen en de vrede met Florence gesloten werden. Daarom streefde zij uit al haar macht naar dit doel. Voor het sluiten van den vrede tusschen Florence en Rome bood zich weldra dc gelegenheid aan.
Alvorens Raymundus van Capua van Rocca d'Orcia naaide Eeuwige Siad vertrok, had hij te Siena een onderhoud met Nicolaas Soderini, een trouwen dienaar der Kerk en vriend van Catharina. âGij kunt er verzekerd van zijn,quot; zoo zeide deze tot Raymundus, âliet volk van Florence en alle goedgezinde burgers willen den vrede; alleen eenige heethoofden en gelukzoekers, die voor het oogenblik het bewind in handen hebben en slechts aan hun eigenbelang denken, willen hem niet en werken hem tegen. Waren er maar vier of zes uit hun ambt verwijderd, dan zoude alles een keer nemen.quot; Raymundus deelde dit aan Paus Gregorius mede.
Reeds was hij eenige maanden prior van het Minerva-
377
A's
klooster en verkondigde met jeugdigen lust het woord Gods. Daar werd hij op een Zondagmorgen geroepen om bij niemand minder dan den Paus het ontbijt te gebruiken. âEr is mij geschreven,quot; sprak Gregorius tot hem, ,,dat ik, als Catharina van Siena naar Florence gaat, den vrede bekomen zal. Ik gelo f niet, dat men haar kwaad zal doen, deels wijl zij een vrouw is, deels wijl men te Florence grooten eerbied voor haar heeft. Deel mij nu terstond schriftelijk mede, welke volmachten zij voor deze zending noodig heeft. Raymundus voldeed aan dit verlangen. De lastgeving zoowel als de volmachten werden aan Catharina gezonden. ') Zoo droeg de Opperpriester aan de Heilige opnieuw de meest ingewikkelde onderhandeling op; zoo nam hij tot scheidsrechter van vrede en oorlog een maagd, die de staatkundige listen en bedrie-gelijke trekken der wereld niet kende; zoo hoopte hij deze hachelijke onderneming tot een gelukkig einde te vojren alleen door de kracht eener alles verwinnende liefde.
Het schijnt evenwel, dat Paus Gregorius in zijn schrijven de Heilige eenigszins berispt heeft. Daar deze brief verloren is gegaan, kennen wij den grond van die ontevredenheid niet. Wij bezitten echter het antwoord van Catharina. Heeft men dit gelezen, dan kan men de diepte van haar gevoel en den hoogen graad van hare ootmoedigheid eenigermate beseffen. Zij richt haar brief niet aan den Paus zeiven, maar aan Raymundus van Capua:
I
M.. .-quot;i,
-Kl-v i/-
' ;|S«: quot; $$ â
W-
H;
M
m
ii
S'
m S
-f'x â¢
;fe; li;
I;
I â if
i
4\
â fïj s 'li;
1 ti
ti
A
â¢â¢^â¢3 \
âIk heb vernomen, dat gij grooten strijd hebt ondervonden. Schep moed, God waakt over u , Zijn voorzienigheid zal u niet begeven. Zorg, dat gij in alle omstandigheden tot Maria uwen toevlucht neemt en het heilig kruis omhelst. Laat u niet bang maken; steek deze stormachtige zee op het schip der goddelijke barmhartigheid over. Ik weet, dat kloosterlingen en leeken u vervolgen; ik weet, dat gij onaangenaamheden hebt gehad; ik weet, dat de Plaatsbekleeder van Jezus Christus u berispt heeft. Gij hebt voor u zeiven en voor mij van heel de wereld te lijden gehad. Ga er niet tegen in, maar verdraag alles met geduld. \\ at gij doet, doe dit met voorzichtigheid en hel.) God altijd voor oogeu;...
') Legend. Ill, l.
S. Antoiiin. Chronicon.. tit. XXIII. lib. XVI.
374
zij hem , als eeu bijzonder bewijs van hare moederlijke teeder-heid, den eersten brief van hare hand zendt. Stephanns Maconi heeft mij eveneens verzekert, dat hij haar niet alleen een groot getal brieven, maar bovendien vele bladzijden van het boek, dat zij in het Italiaansch samenstelde, had zien schrijven.quot; ')
Zoo schreef zij ook na het vertrek van Pater Raymundus naar Rome eigenhandig aan hem twee brieven. 1)
âHelaas, helaas, wat is mijn ziel ongelukkig. Ik zou slechts willen leven om mij voor de eer van God geslachtofferd te zien en om mijn bloed voor bet geheimzinnig lichaam van de Heilige Kerk te vergieten. Helaas, helaas, ik sterf en ik kan niet sterven. Gij hebt mij geschreven, dat ik mij moest verheugen, dat ik moest juichen, en gij hebt mij nieuws medegedeeld, dat mij groote blijdschap verschaft heeft. In den morgen na uw vertrek heeft do zoete en allerhoogste Waarheid voor mij willen doen, wat de vader voor zijn dochter doet en de bruidegom voor zijn bruid; hij kan niet dulden, dat zij het geringste verdriet heeft, maaibij vindt steeds nieuwe middelen om haar vreugde te verschaffen. Verbeeld u, mijn Vader, de eeuwige Waarheid heeft hetzelfde met mij gedaan. De Goddelijke Majesteit heeft mij met zooveel vreugde overstroomd, dat de ledematen van mijn lichaam schenen op te lossen en te smelten als het was in het vuur.
Ik ging, gelijk men langs een weg gaat, en het scheen, dat dit de weg tot de hoogste Majesteit, tot de eeuwige Drieëenheid, was, waar men een onuitsprekelijk licht en een onuitsprekelijke kennis van de goedheid Gods ontvangt. Ik zag de toekomende dingen, ik ging en verkeerde met de uitverkorenen van den Gezalfde op aarde, en ik zag den vrede en redenen tot groote blijdschap doorschemeren. Ik hoorde de zoete stem van de allerhoogste Waarheid, die tot mij zeide: Mijne dochter, ik versmaad de heilige en ware verlangens niet; ik bevredig ze integendeel. Moed dus, word een goed werktuig om de waarheid
1
) 89 en 90. Brief.
NEGENDE HOOFDSTUK. Catharina's tweede zeudiug naar Florence.
Ik wenschte zelf verbannen te zijn van Christus voor mijne broeders. Rom. IX.
Gij allen zijt verplicht aan den Paus tot den dood te gehoorzamen. quot;Wanneer iemand zich van de gehoorzaamheid aan hem losmaakt, is hij zonder twijfel in staat van verdoemenis, tenzij hij zich voor zijn dood bekeere. Samenspr. c. 154.
1378.
(5
\JjFatharina begreep, dat de terugkeer des Pausen naar Italië voor Rome en de Heilige Kerk niet voldoende was, tenzij de misbruiken in de Kerk weggenomen en de vrede met Florence gesloten werden. Daarom streefde zij uit al haar macht naar dit doel. Voor het sluiten van den vrede tusschen Florence en Rome bood zich weldra de gelegenheid aan.
Alvorens Raymundus van Capua van Rocca d'Orcia naar de Eeuwige Stad vertrok, had hij te Siena een onderhoud met Nicolaas Soderini, een trouwen dienaar der Kerk en vriend van Catharina. â Grij kunt er verzekerd van zijn,quot; zoo zeide deze tot Raymundus, âhet volk van Florence en alle goedgezinde burgers willen den vrede; alleen eenige heethoofden en gelukzoekers, die voor het oogenblik het bewind in hr.nden hebben en slechts aan hun eigenbelang denken, willen hem niet en werken hem tegen. Waren er maar vier of zes uit hun ambt verwijderd, dan zoude alles een keer nemeu.quot; Raymundus deelde dit aan Paus Gregorius mede.
Reeds was hij cenige maanden prior vau het Minerva-
klooster en verkondigde met jeugdigen lust het woord Gods. Daar werd hij op een Zondagmorgen geroepen om bij niemand minder dan den Paus het ontbijt te gebruiken. âEr is mij geschreven,quot; sprak Gregorius tot hem, âdat ik, als Catharina van Siena naar Florence gaat, den vrede hekomen zal. Ik gelo f niet, dat men haar kwaad zal doen, deels wijl zij een vrouw is, deels wijl men te Florence grooten eerbied voor haar heeft. Deel mij nu terstond schriftelijk mede, welke volmachten zij voor deze zending noodig heeft.' Raymunius voldeed aan dk verlangen. De lastgeving zoowel als de volmachten werden aan Catharina gezonden. ') Zoo droeg de Opperpriester aan de Heilige opnieuw de meest ingewikkelde onderhandeling op; zoo nam hij tot scheidsrechter van vrede en oorlog een maagd, die de staatkundige listen en bedrie-gelijke trekken der wereld niet kende; zoo hoopte hij deze hachelijke onderneming tot een gelukkig einde te voaren alleen door de kracht eener alles verwinnende liefde.
Het schijnt evenwel, dat Paus Gregorius in zijn schrijven de Heilige eenigszins berispt heeft. Daar deze brief verloren is gegaan, kennen wij den grond van die ontevredenheid niet. Wij bezitten' echter het antwoord van Catharina. Heeft men dit gelezen, dan kan men de diepte van haar gevoel en den hoogen graad van hare ootmoedigheid eenigermate beseffen. Zij richt haar brief niet aan den Paus zalven, maar aan Raymundus van Capua:
âIk heb vernomen, dat gij grooten strijd hebt ondervonden. Schep moed. God waakt over u. Zijn voorzienigheid zal u niet begeven. Zorg, dat gij in alle omstandigheden tot Maria uwen toevlucht neemt en het heilig kruis omhelst. Laat u niet bang maken; steek deze stormachtige zee op het schip der goddelijke barmhartigheid over. Ik weet, dat kloosterlingen en leeken u vervolgen; ik weet, dat gij onaangenaamheden hebt gehad; ik weet, «lat de Plaatsbekleeder van Jezus Christus u berispt heeft. Gij hebt voor u zelven en voor mij van heel de wereld te lijden gehad. Ga er niet tegen in, maar verdraag alles niet geduld. Wat gij doet, doe dit met voorzichtigheid en heb God altijd voor oogen;...
') Legeud. III. 1. â S. Autonin. Chronicon., lit. XXIII. lib. XVI,
378
In de heilige oefening van het gebed zult gij den Heiligen Geest tot meester en leeraar hebben....
Zoo gij, mijn dierbare Vader, bij zijne Heiligheid komt, beveel mij dan ootmoedig aan hem aan; vraag hem vergiffenis voor zoovele fouten, die ik tegen God uit onwetendheid en verzuim heb bedreven, Ik ben ongehoorzaan aan mijn Schepper geweest, die mij uitnoodigde om tot Hem door mijn verlangens en gebeden te roepen en mij persoonlijk tot Zijn Plaatsbekleeder te wenden. Deze ontelbare fouten zijn, naar ik geloof, de oorzaak der vervolgingen, die hij doorstaan heeft. Men kan de rampen der Heilige Kerk aan mijne boosheden wijten. Hij heeft wel reden om zich over mij te beklagen en mij voor mijn fouten te straffen; maar zeg hem, dat ik al mijne krachten zal inspannen om mij te verbeteren en hem stipter te gehoorzamen. Ik hoop van de goedheid Gods, dat Hij een blik van barmhartigheid zal worpen op de Bruid van Christus, op Zijn Plaatsbekleeder en ook op mij; Hij zal mij mijn gebreken en mijn onwetendheid ontnemen. Hij zal den troost van den vrede aan Zijn Bruid schenken; Hij zal haar vernieuwen te midden der smarten, want men kan niet zonder pijn de doornen en de misbruiken uitroeien, die alles in den hof der Heilige Kerk verstikken.
Wat den Heiligen Vader betreft, God zal hem de genade geven om moediger te zijn en niet om te zien voor geen enkele moeilijkheid, geen enkele vervolging, die zijn schuldige kinderen hem berokken. Als een lam zal hij zich midden tusschen de wolven werpen, hongerend naar de eer van
God en het heil der zielen____ Het lam zal de heer der
wolven en de wolven zullen lamineren worden en wij zullen de glorie en de eer van God, het welzijn en den vrede der Heilige Kerk zien. Niet met den oorlog, maar met den vrede, de zachtmoedigheid en de geestelijke straffen moet de vader zijn zoon kastijden....
God vraagt van hem, dat hij aan de hervorming van de Heilige Kerk arbeidt door do misbruiken te straffen en goede herders te kiezen. Laat hij vrede sluiten mot zijn schuldige kinderen en dan deze krachten tegen de ongoloovigcn gebruiken. Hij moet iedereen straften, niet gelijk hij verdient, maar gelijk de zieke verdragen kan.
379
s i
Al deze ongelukken eu al uw moeielijkhedcn komen van mij, ellendige, van mijn geringe deugd en van mijn talrijke ongehoorzaamheden. Heilige Vader, zie bij het licht der rede en der waarheid, wat gij mij te verwijten hebt, niet om mij te straffen, maar om mij te beklagen. Tot wien zal ik mij wenden, zoo gij mij verlaat? Wie zal mij helpen, vie zal mijn toevlucht wezen, zoo gij mij verjaagt? Mijn vervolgers zetten mij achterna en ik vlucht naar u en naar do overige dienaren en kinderen van God; en indien gij mij verlaat door u tegen mij te verbitteren en te vertoornen, dan zal ik mij in de wonden van den gekruisten Jezus verbergen, wiens plaatsbekleeder gij zijt. Ik weet, dat Hij mij ontvangen zal, omdat Hij den dood des zondaars niet wil. Wanneer Hij mij ontvangen heeft, zult gij mij niet verjagen; wij zullen op onzen post blijven om mot do wapenen der deugd kloek voor de zoete Bruid van Christus te kampen. Daar wil ik mijn leven in tranen, in zweet, in verzuchtingen eindigenen mijn bloed en het merg mijner beenderen geven. En als de heele wereld mij verjaagt, dan zal ik weenend en lijdend aan de borst van de zoete Bruid uitrusten.
En gij, dierbare Vader, sta aan de zijde van zijn Heiligheid vol moed, zonder ongerustheid en zonder slaafsche vrees. Maar vóór alles, wees getrouw aan uw plichten in tegenwoordigheid van Maria en van liet Heilig kruis, getrouw aan het ootmoedig en heilig gebed en de ware kennis van u zeiven. Heb een levendig geloof en een vasten wil om te lijden; en dan, ga gerust voort en doe alles, wat gij kunt doen voorde eer van God en het heil der zielen tot den dood.quot; ')
Ãs
0 IS
'Sf:
iW '|
H ji
ts.t !i
.hif l
li
M j â ® :i fi 1
|l fel
i m;
ï
Eer Catharina Siena verliet, begon zij de onderhandelingen met een schrijven aan de heeren van Florence. Daarin ontvouwt zij breedvoerig al de redenen voor den vrede met den Paus en de onderwerping aan diens wettig gezag. Evenals Christus van verlangen brandde om hot Paschen met Zijn leerlingen te houden en hun den vrede, de eendracht en het gebod der liefde als testament achterliet, zoo verlangt zij met de Florentijnen Paschen te houden, het Paschen des vredes met den Opperpriester van Rome en der liefde tot
91. Brief.
, M â
li M i
380
elkander. Christus is voor ons gestorven en heeft ons een voorbeeld van gehoorzaamheid gegeven. Zijn bloed is het bad, waarin wij van onze krankten gezuiverd worden, Zijn nagelen zijn de sleutels, die ons den hemel geopend hebben. Daarvoor moeten wij dankbaar zijn. De G-ezalfde op aarde is de Plaatsbekleeder van Christus; hot is dus plicht, dat wij ons aan hem onderwerpen evenals aan Christus zeiven. Wie tegen de Heilige Kerk en den Heiligen Vader opstaat, staat tegen Christus op en vervalt tot den dood, verliest de hulp van God en arbeidt te vergeefs. Al zouden de herders dei-Kerk en de Paus levende duivels zijn, toch moet gij hun gehoorzamen om God, dien zij vertegenwoordigen. Nooit mag een zoon zicli verzetten tégen zijn vader, van wien bij de grootste weldaad, het leven ontvangen heeft. Strijdt niet als christenen tegen christenen, maar strijdt tegen de ongeloo-vigen. âHelaas, helaas, mijne kinderen,quot; zoo gaat zij voort, â ik zeg het u schreiende en ik bezweer u in naam van den gekruisten Jezus, verzoent u met elkander, sluit den vrede met den Paus; wacht niet tot de toorn van God over u losbarstte. Vlucht onder de vleugelen der liefde en der vreeze des Heeren, vernedert u en spant al uw krachten in om den vrede en de eendracht met uwen Vader terug te winnen. Opent de oogen van uw verstand en wandelt niet langer in die verblindheid; want wij zijn geen Joden of Sarracenen, maar wij zijn Christenen, gedoopt en vrijgekocht door het Bloed van Christus. Verrijst en werpt u in de armen van uwen Vader, die u vol goedheid ontvangen zal. Dan zult gij den vrede, de geestelijke en do tijdelijke rust genieten en met u gansch Toscane. De oorlog zal tegen de ongeloovigen gericht worden en allen zullen do banier van het Heilig kruis volgen. Onder den voorspoed is de roede van Gods machtige hand verborgen. De ziel, die zich vernedert, zal verheven, maar die zich verheft, zal vernederd worden. God is nu bereid om u barmhartigheid te bewijzen.... Vjrgeoft mij mijne stoutheid; gij moot het aan de liefde toeschrijven, die ik voor het welzijn van uw ziel en uw lichaam koester, en aan de droefheid, dio de geestelijke en do tijdelijke schade, welke gij lijdt, mij veroorzaakt. Liever sprak ik mondelings met u dan door een brief. Zoo ik iets voor de eer van God
:wt 'Ah'-', ih -
881 f
â 'I;
on iiw vcrzooninjr met de Heiligo Kork 'loon knn, bon ik gt;fi
bereid om mijn leven te geven, indien het noodig is.'' !)
Catbavioa vertrok naar Florence ongeveer in het begin van 1378. Onder meerderen begeleidden haar Stephanus Mticoni,
Cbristophamis di Gano, Johannes di Capo . en hare moeder !.||i
Lapa. Zij vonden de stad in een troosteloozen toestand.
Reeds zeventien maanden drukte bet interdict loodzwaar op y
haar. De handel, bot leven van Florence, was vernietigd; een onbeschrijfelijke armoede on verwoesting waren in de plaats getreden; het godsdienstig en kerkelijk leven kwijlde ^
weg. De iloiligo begreep, boe moeilijk bet voor haar zijn Kil
zoude don vrede te midden van zooveel ellende en gisting to gpj
bewerken. Tot overmaat van ramp hadden do bewindvoerders 'w!
van Florence een besluit uitgevaardigd, waardoor stad en iiflii
land onder zware boeten verplicht werden zich om de kerke- ,«!
lijke straffen niet te bekreunen, maar de godsdienstoefeningen :»||
vrij te houden.
Catharina nam baren intrek niet bij Xicolaas Soderini,
maar in oen klein, net huisje, aan den voet van den St. Georgo-heuvel. |||t jj
Eerst trachtte Catharina de Florontijnen tot erkenning van bet interdict te brengen. Zoo lang men de rechtmatige be- li|
velen van den Paus onbeschaamd in den wind sloeg, kon er niet aan gedaebt worden de vredesonderhandolinsren met
r â â ..
hem aan te knoopen. Zij verloor dan ook geen tijd. Reeds IS'
op den dag barer aankomst te Florence had zij een samenkomst
mot de boofden der Republiek in de hallen van het paleis
Vechio. Daar hield zij drie verschillende redevoeringen. De quot;lt; Hi
uitslag was, dat de magistraat terstond het interdict erkende
en eerbiedigde. â i| |
Stepbanus Maconi deelt ons dit mede. Hij stond aan de
zijde van Catharina, toon zij, de zwakke vrouw, onbevreesd
tot de boofden der revolutie sprak. Twee brieven van
Catharina laten doorschemeren, welken indruk haar woorden
maakten. Aan Pater William Fleto bericht zij : âMij dunkt,
het eerste licht van het morgenrood begint door te breken. ®l
'1® i
Onze Verlosser heeft dit volk verlicht om bet van deze Iffil
____m\
i if.!-'
Sï; ï|;!
:â â â â } ||
mi
â
!) 198. Brief.
M i l?:; â fSl
882
verblindheid te genezen, waarin het gezonken was, toen het de heilige geheimen met geweld deed vieren. Thans, Gode zij dank, onderhonden zij het interdict en keeren tot de gehoorzaamheid aan hunnen Vader terug. Daarom bezweer ik u uit liefde tot den gekruisten Jezus, n, Broeder Antonius, Magister Tantucci, lïroedcr Felix en de anderen, bidt toch vurig en noodzaakt de Goddelijke Goedheid de zon van barmhartigheid te doen schijnen, opdat het vrede worde.quot; ')
Aan Alesia schrijft zij in denzelfden geest; âHerhaalt zonder ophouden, gij en de overige getrouwe bruiden en dienaressen van den gekruisten Jezus, uwe verzuchtingen voor de eer van God, het heil der zielen en de hervorming van de Heilige Kerk. Nu is het tijd u zeiven teng te trekken tot de kennis van u zeiven, tot waken en gebed , want de zon zal dra opgaan, daar het morgenrood reeds begint te gloren. Het morgenrood is aangebroken, toen de duisternissen der doodzonden van hen, die de kerkelijke godsdienstoefeningen in het openbaar hielden en bij woonden, verstrooid werden. Hot interdict wordt onderhouden in weerwil van hen. die het beletten wilden. Dank, dank aan onzen zoeten Zaligmaker, die de ootmoedige gebeden, de tranen en de vurige wenschen van Zijn dienaren niet versmaadt. Bidt en laat tot de Goddelijke Goedheid bidden , dat zij ons spoedig den vrede geve. Dan zal God verheerlijkt worden, het kwaad ophouden en wij zullen vereenigd de wonderbare werken van God loven. Laat bijzondere gebeden houden in de kloosters en zeg aan onze Priorin (Zuster Nera di Gano te Siena), dat zij al hare dochters voor den vrede laat bidden, opdat God ons barmhartigheid bewijze en ik niet eerder terugkome. Laat zij ook voor mij , ellendige dochter bidden, opdat God mij de genade schenke, altijd de waarheid te beminnen cn te verkondigen , voor de waarheid te sterven.quot; '1)
Twee omstandigheden werkten mede, dat de pogingen van Catharina zoo voorspoedig slaagden. Niet de gansche burgerij van Florence, maar slechts een klein gedeelte, dat door eenige
1
) 181. Brief.
883
belhamels, de acht van den oorlog, geregeerd werd, bekreunde zich niet om de voorschriften en straffen van den Paus en wilde van vrede niets hooren. Verreweg de meesten waren goedgezind en bleven het gezag van Rome erkennen. Deze werden in hun onderdanigheid gesteund en bemoedigd door een groot aantal leerlingen en vrienden var; Catharina, die te Florence woonden. Van don eenen kant zorgden zij de godsvrucht onder het volk levendig te houden; van de andere zijde verhinderden zij, dat het volk de verboden godsdienstoefeningen bijwoonde. Mannen, vrouwen, jongelingen , kinderen vereenigden zich om processies te houden, litanieën en lofliederen te zingen en andere gebeden ter eere G-ods te verrichten. Wij bezitten nog een bundel van deze liederen. Zij werden door Gianozzo Sacchetti, een trouw aanhanger van Catharina en vriend van Nico laas Soderini, vervaardigd. Men vindt daarin de leer terug, die hij uit Catharina's mond had vernomen. Er bestaat een verrassende overeenkomst van gedachten en uitdrukking tusschen deze liederen en Catharina's Samenspraken.
Nu legde de Heilige zich met de borst er op toe den \rrede te bewerken. Hier ontmoette zij echter grooter moeilijkheden. Maar Catharina liet zich daardoor niet ontmoedigen. Zij kon alles in God, die haar versterkte In den storm groeide hare kracht aan. Onbevreesd zegt zij de waarheid. Het is schandelijk voor een christelijke Republiek de wapenen tegen de Kerk en den Paus te voeren. Zij, die de verdeeldheid tusschen den vader en zijne kinderen onderhielden, moesten uit hun ambt verwijderd worden. Zij waren eerder verwoesters dan bevorderaars van het algemeen welzijn. De vrede was niet alleen voor het behoud der tijdelijke welvaart, maar ook voor de zaligheid der zielen noodzakelijk. Het verval en de achteruitgang van hun eertijds zoo bloeiende stad konden zij aan hun verzet tegen Rome wijten. Zij hadden de Kerk van onbetwistbare rechten en goederen beroofd. Voor God en hun geweten waren zij verplicht dit te herstellen. ')
Bij een groot aantal burgers vielen deze vermaningen op vruchtbaren bodem. Vrijmoedig eischten zij van de bewiud-
') Legeud. Ill, G.
384
vonrders der stad. dat zij zno Bpoedig mogelijk vrede zonden sluiten. Doch weldra bewezen zij, dat zij niet dooi- verlangen naar den vrede, maar door eigenbelang en persoonlijke wraakzucht geleid werden. Zij gebruikten den naam van Catharina om hun eigen haat te dekken. Zij verkondigden op de pleinen, in de kerken en op alle openbare plaatsen, dat alles, wat er gebeurde, aan Catharina moest toegeschreven worden. ')
De gansche stad geraakte in opschudding en woede. Aller gemoederen kookten van verbittering. Catharina trachtte den storm te bezweren. Doch de haat en de heerschzucht dei-verschillende partijen worstelden tegen haar goede bedoelingen. Uit haar geheele gedrag, uit de uitdrukkelijke getuigenissen van Raymundus van Capua, van Stephanus Maconi en van Scipio Ammirato blijkt zonneklaar, dat de Welfen geheel en al tegen de Heilige in hebben gehandeld, dat zij hun maatregelen volstrekt afkeurde. Dit gaf zij hun onbeschroomd te kennen.
Zij spoorden hen aan om hun persoonlijke driften te bedwingen , zich niet tegen den vrede, die voor allen zoo noodzakelijk was, te verzetten, en wel te bedenken, dat God hun eenmaal rekenschap zou afvragen.
De woorden van Catharina waren voor allen niet zonder vrucht. Ondanks het koken der hartstochten behield zij door haar schitterende heiligheid de heerschappij over de menigte. Een oogenblik zelfs schenen de Florentijnen tot den vrede over te hellen, toen zij besloten te Sarzano een congres voor den vrede van Italië te houden. Reeds liepen de onderhandelingen tot een gunstig einde, toen de onverwachte dood van Gregorius XI alles in duigen wierp.
Een storm van nieuwe rampen viel op Florence neer. Een vreeselijke opstand zette de gansche stad in lichtelaaie. Eenieder zon op niets dan om zijn eigen haat en bloeddorst te koelen. Het volk werd opgeruid. Het sloeg tot bandelooze vernielzucht en woeste buitensporigheden over. Het begon te plunderen en te moorden. De razernij van het laagste gepeupel kende geen maat meer. De oproerlingen beschuldigden
') Legend, lil, 0.
Scipio Ainminito, lib. XIII.
de maagd, welke zij weinige dagen tevoren als een heilige vereerd hadden. Catharina was de oorzaak van alle onheilen, schreeuwde het gemeen. Die laster ging van mond tot mond. Velen begonnen het te gelooven, want de haat verduisterde het verstand. Had Catharina dan niet ten aanhoore van geheel Florence de onrechtvaardige maatregelen der W'elfen gelaakt? Had zij niet bij herhaling luide verklaard, dat zij niets anders dan de onderwerping aan den Paus beoogde? Had zij niet zonder ophouden verkondigd, dat de zoo vurig verbeide vrede, de voorspoed van Florence, het welzijn van Italië alleen uit de eendracht der burgers, niet uit den haat der partijen kon geboren worden? Niets baatte. De gemoederen kookten van woede. Men zon op wraak. ,, Grijpt en verbrandt dat booze wijf!quot; kreet het gepeupel, âhakt haar in stukken.quot; Zij, die Catharina in hun huis hadden opgenomen, waren voor het woedende volk bevreesd en zonden haar met al hare gezellen heen. Catharina van hare onschuld overtuigd, leed alles met blijdschap voor de rechten der Kerk en verloor niets van hare gewone kalmte. Zij was gelukkig en moedigde de haren aan. Nadat zij hun een hartelijk woord van troost had toegesproken, trok zij zich naar het voorbeeld van haren Bruidegom in een tuin terug en begon te bidden. Vurig smeekte zij tot God , dat de stad, waarheen 1 Lij haar als bode des vredes had gezonden, niet met het bloed van haar eigen kinderen bezoedeld zou worden; dat Hij hun hunne zonden zoude vergeven, daar zij racer uit verblindheid dan uit boosheid misdreven; dat Hij Zijne barmhartigheid en vaderlijke liefile, ook hare tranen en gebeden gedachtig zou zijn; dat Hij , zoo er bloed moest vloeien, aan Zijn dienstmaagd de genade wilde schenken van te mogen sterven, een genade , waarnaar zij zoo vurig verlangde.
Aldus bad zij in den hof voor hare vijanden. Eensklaps stormen deze, met zwaarden en knuppels gewapend, razend op haar los en tieren; âWaar is dat vervloekte wijf? Waar is zij?quot; Catharina hoort hen en bereidt zich op den marteldood als op een vorstelijk feestmaal voor. Zij gaat een der woestelingen te gemoet. Met een zwaard gewapend, schreeuwt hij luider dan de anderen: âWaar is Catharina?quot; Zij knielt blijde voor hem neder en zegt: âIk ben Catharina; doe met
25
386
mij al wat God wil; maar in naam van den Almachtige gebied ik u, raak een der mijnen niet aan.quot;' Dat woord is als een dolk, die hem liet hart doorboort. Geheel ontsteld en verschrikt, roept hij de Heilige toe: âGa weg van mij.quot; Doch deze, naar den marteldood dorstend, antwoordt: â Ik ben hier; waar moet ik nu heengaan? Ik ben bereid voor God en voor de Kerk te lijden; dit is mijn vurigste wensch. Waarom zou ik nu vluchten, daar ik gevonden heb, wat ik zocht? Ik bied mij als een levend offer aan mijnen Bruidegom aan; zijt gij belast om mij te dooden, doe het zonder vrees, ik zal niet vluchten; maar doe geen letsel aan hen, die bij mij zijiv' God beschermde zichtbaar Zijn dienstmaagd. De man vlucht beschaamd met zijn handlangers heen. De geestelijke kinderen van Catharina omringen haar nu en wenschen haar geluk. Doch zij is treurig en zegt weenend: âWat ben ik ongelukkig! Ik dacht heden, dat de Almachtige mijn geluk ten top zou voeren. Hij heeft mij, in Zijn barmhartigheid, de blanke roos der zuiverheid willen schenken, en ik had gehoopt, dat Hij er de roode roos van het martelaarschap zoude bijvoegen. Maar, helaas, ik hen in mijn verwachting bedrogen; mijn tallooze zonden hebben mij van zoo groot een genade beroofd. O, wat zou mijn ziel gelukkig geweest zijn, als ik mijn bloed uit liefde tot Hem had kunnen vergieten, die mij met den prijs van het Zijne heeft vrijgekocht!quot; ')
De storm ging voor het oogenblik liggen. Toch waren Catharina en hare gezellen volstrekt niet buiten gevaar. Niemand wilde haar in zijn huis opnemen. Hare vrienden raadden haar aan, dat zij naar Siena zoude teragkeeren. Maar zij antwoordde, dat zij het gebied van Floronce niet zou verlaten, voor dat de vrede tusschen den vader en de kinderen hersteld was, daar zij het bevel daartoe van den Heer ontvangen had. Men vond nu een deugdzaam man, die haar in zijn huis verborg. Het was waarschijnlijk de kleermaker Franciscus Pepin. Aan hem heeft de Heilige verscheidene brieven geschreven. Na eenige dagen echter verliet Catharina met hare gezellen de stad, doch niet het
') Legend. Hl, 0. â ÃIC. P.nef. â Scipin Ammirato, lit). XIV.
88/
w f
i;t
gebied van Florence, en trok zieli in een eenzaam oord, door kluizenaars bewoond , terug. ')
Dit oord was Vallombrosa. Zij had er vele vrienden. Bij haar vertrek daarheen werd Zuster Johanna di Capo zeer ongesteld. De eene voet was zeer gezwollen. Zij had een hevige koorts en kon zicli niet bewegen. Catharina wilde haar niet ïdleen achterlaten en nam tot het gebed haren toevlucht. Weldra viel de zieke in een rustigen slaap. Toen zij na korten tijd ontwaakte, gevoelde zij zich zeer wel en kon met de overigen vertrekken.
Het schijnt dat Catharina, van Vallombrosa uit, al het gebeurde aan Pater Raymundus mededeelde:
â Dierbare Vader in Christus, den zoeten Jezus, ik, Catharina , de dienstmaagd en de slavin der dienaren van Jezus Christus, ik schrijf u in Zijn kostbaar Bloed en wensch in u een dienaar en trouwen Bruidegom van de Waarheid en van de Zoete Maria te zien. Ja, laat ons nooit het hóófd omkeeren ondanks de hindernissen en de vervolgingen dei-wereld ; maar vertrouwen wij vast op het licht van het heilig geloof om met moed en volharding deze stormachtige zee over te steken. Roemen wij in het lijden zonder onze glorie te zoeken, maar de glorie van God en het heil der zielen, gelijk de glorierijke martelaren het deden, die bereid waren folteringen en dood voor de waarheid te verduren. Met het bloed, vergoten uit liefde voor het Bloed, hebben zij de muren van de Heilige Kerk opgebouwd. O kostelijk Bloed, dat de dooden opwekt; o Bloed, gij schenkt het leven, gij verdrijft de duisternissen uit de verhlinde geesten van de redelijke schepselen en gij geeft hun het licht. O kostelijk Bloed, gij vereenigt hen, die gescheiden zijn, gij bekleedt hen, die naakt zijn, gij verzadigt de hongerigen en gij lescht den dorst van hen, die naar het Bloed versmachten: met de melk van uwe zoetheid voedt gij de kleinen, hen, die klein zijn door een oprechten ootmoed en onschuldig door een ware zuiverheid. O Bloed, wie wordt niet dronken van u? Zij, die zich zeiven beminnen, omdat zij uwen geur niet waarnemen.
Ja, mijn dierbare en zoete Vader, schudden wij ons zei ven
') Legend. 111. G
' -
Mi;
é li
-vil:
m ii
% ' *' gt;
â m â fe; â¢H-'
w
m
m i m
i i I
I
w â ih
â¢iï:l
t
ê
388
af on bekleeden wij ons met de waarheid; dan zullen wij getrouwe bruidegoiumen zijn. Ik deel u mede, dat ik heden een nieuw leven wil aanvangen, opdat mijn zonden mij niet nogmaals van hot geluk berooven voor den gekruisten Jezus te sterven, want ik zie wel, dat het mijne schuld is, wanneer ik er tot nog toe van beroofd ben. Mijn verlangen was meer en meer ontvlamd en ik brandde om te lijden zonder het verdiend te hebben voor de eer van God en het heil der zielen, voor de hervorming en het welzijn van de Heilige Kerk, Mijn hart brak van liefde en verlangen om mijn leven op te offeren. Dat verlangen was zoet en pijnlijk voor mij ; het was zoet, omdat ik met de Waarheid vereenigd was, pijnlijk, omdat mijn hart ineenkromp, als ik de beleedi-ging van God zag en de menigte van duivelen, die de gansche stad verduisterden en de geesten verblindden; het scheen, dat God hen uit rechtvaardigheid en wraak liet begaan. Ik kwijnde weg van verzuchtingen, ik vreesde het ongeluk , dat dreigde en het sluiten van den vrede kon verhinderen. Maar God, die den wensch van Zijn dienaren niet versmaadt, beschermde ons, evenals de zoete Maria, onze Moeder, wier naam mot tranen, met angst en verlangen was aangeroepen. Bij dit oproer en deze muiterij was er geen andere ramp dan de dood van hen, die de gerechtigheid trof.
Zoo werd mijn verlangen vervuld om te zien, dat God aan de duivels de macht ontnam en hen belette al het kwaad te doen , dat zij wilden doen. Maar mijn verlangen om mijn leven te offeren voor de Waarheid en de zoete Bruid van Christus werd niet verhoord. De eeuwige Bruidegom van mijn ziel heeft mij wrel misleid, zooals Christophorus het u mondelings verhalen zal. Daarom ween ik, omdat de menigte mijner zonden zoo groot is, dat ik niet heb kunnen verdienen, dat mijn bloed het leven en het licht aan die arme verblinden schonk. Mijn bloed heeft den zoon niet met den vader verzoend; mijn bloed heeft den steen niet vast-gemetseld in het geheimzinnig lichaam der Heilige Kerk. Het schijnt, dat de handen van hem, die mij treffen wilde, gebonden waren. Ik zeide; Ik ben het, grijp mij, maar laat hen, die mij vergezellen, ongedeerd. Hot waren dolksteken, die hem het hart doorboorden. O mijn Vader, juich ,
389
want nooit heb ik zuike geheimen met zooveel vertroosting genoten. Het was de zoetheid der waarheid, de dronkenschap van een vrij en zuiver geweten, het was de geur van de zoete Voorzienigheid Gods; het was de verrukking der nieuwe martelaren, aangekondigd, gij weet het, door de waarheid. De tong kan liet geluk niet schilderen , dat mijn ziel smaakte. Ik gevoelde zoo goed, wat ik aan mijn Schepper verschuldigd was, dat, zoo ik mijn lichaam aan de vlammen had kunnen overleveren, ik niet genoegzaam de genaden erkend zou hebben, die wij ontvangen hadden, ik, mijne zonen en mijne dochters. Ik zeg u dit alles, niet opdat gij u zoudt bedroeven, maar opdat gij er een zoete en heilige vreugde over zoudt gevoelen, opdat gij en ik ons beklagen over mijn onvolmaaktheid; want mijne zondigheid heeft mij van zoo groot een gunst beroofd. O wat zou mijn ziel gelukkig zijn geweest, indien ik mijn bloed had gegeven voor de zoete Bruid, uit liefde tot het Bloed en voor de zaligheid der zielen. Ja, juichen wij en laat ons getrouwe bruidegommen zijn.
a
1*.
:Ã;
m â :'hf
fif 1 I
I
Ml
â¢i
|
à Ãr
Ik wil u alleen zeggen; verzoek toch den Gezalfde op aarde . dat hij den vrede niet verdage om hetgeen er voorgevallen is, maar integendeel bespoedige, ojxlat hij zich met zijn grootsche plannen voor de eer van God en de hervorming van de Heilige Kerk kan bezighouden, want deze gebeurtenis heeft r.iets veranderd en thans is de stad volkomen rustig. Smeek hem, dat hij zich haaste; ik vraag het in naam van de Barmhartigheid, want dit is het middel om de tallooze beleedigingen tegen te houden , die tegen God bedreven worden. Zeg hem, dat hij zich over die zielen erbarme , die in de duisternis zijn; zeg hem, dat hij mij spoedig uit de gevangenis verlosse, want zoo de vrede niet gesloten is, schijnt hot mij onmogelijk toe heen te gaan, en toch wilde ik het bloed der martelaren smaken, Zijne Heiligheid bezoeken en weer bij u zijn om u de wonderen te verhalen, welke God in den laatsten tijd heeft verricht om onzen geest te verblijden, ons hart dronken te maken en onze hoop op het licht van het Heilig geloof te versterken.quot; )
1 06. Brief.
390
Waarschijnlijk heeft Catharina uit de eenzaamheid van Vallombrosa nog drie andere brieven geschreven. Nicolaas Soderini en Christophanus hadden haar in haar schuilplaats vergezeld. De eerste keerde naar Florence terug, doch vond zijn huis geplunderd en afgebrand. Catharina troostte hem; âHet schijnt mij toe, dat de onuitsprekelijke goedheid van God u wederom een bijzonder bewijs van Zijn liefde gegeven heeft, want Hij liet u de leer en daden der heiligen navolgen, Hij heeft u waardig gemaakt voor de glorie en de eer van Zijn naam te lijden om u in den hemel te beloonen en niet in dit leven. Lijd dus met geduld, veracht de zinnelijkheid, de wereld en al haar geneugten, gij kent immers den korten duur en de veranderlijkheid daarvan. Verblijd u in de wederwaardigheden in plaats van ze te vluchten, opdat gij op Hem moogt gelijken , die zooveel voor ons heeft geleden. Versterk vrouwe Constantia en wijs haar op den gekruisten Jezus; laat zij bedenken, wie het meest geleden heeft; dan zal zij zien , dat God ons door den storm tot de rust brengt.quot; ')
Van soortgelijken inhoud waren hare brieven aan Petrus Canigiani en zijn zoon Ristoro 2)
Zoodra de rust hersteld was, verliet Catharina hare eenzaamheid. De stad Florence zag met blijdschap de onschuldige maagd, die zij had willen dooden, binnen hare muren terug. Catharina trok voordeel uit deze gesteltenis en verkondigde te luider den vrede. De angsten des doods hadden haren ijver niet verkoeld, maar nog grooter veerkracht aan haren geest geschonken om haar stout bestaan door tc zetten. Zoo de geschiedenis ons zelden zooveel standvastigheid in het hart eener vrouw toont, zij toont ons nog zeldzamer die zachtheid zonder grenzen en die onverstoorbare lijdzaamheid te midden van zooveel haat, woede en vijandschap. Al haar geschriften, al haar daden verraden ons die onwrikbare wilskracht, die taaiheid van besluit, waardoor haar onverschrokken ziel nooit aarzelde, nooit aan de voortreffelijkheid van haar doel, nooit aan die der middelen twijfelde, nooit voor moeilijkheden terugdeinsde.
') 218. Brief.
a} 2.,i2 Brief.
391
Middelerwijl was Bartholomous Prignano, aartsbisschop van Bari, Gregorius XE opgevolgd. Hij noemde zich Urbanus IV. Hij leerde Catharina to Avignon kennen en was haar zeer genegen.
âGod lieefi ons de genade geschonken.quot; zegt Catharina aan Pater Willem Flete van Engeland, ,, een goeden en heiligen herder aan Zijn heilige Kerk te schenken. Hij heeft de dienaren van God lief, trekt hen tot zich en beijvert zich, zonder eenige vrees voor de menschen, om de ondeugden uit te rukken en deugden te doen ontspruiten; hij handelt als een rechtvaardig en moedig man.quot; ')
Maar zijn optreden tegen de misbruiken ging te voortvarend, zijn ijver hield te weinig rekening met de toestanden en de hartstochten, zijn karakter was te onbuigzaam en te barsch, zijn doortasten te onberekend en te streng. De toestand der Kerk, de bedorvenheid van velen, de ontvangen beleedigingen droegen er veel toe bij om hem in die onverzettelijke rechtlievendheid te bevestigen.
Uit Florence schreef Catharina in Juni 1378 een brief aan Paus Urbanus. Zij had reeds van zijn hervormingsplannen gehoord, wellicht ook, dat zijn ijver hier en daar te overdreven was. Bescheiden, maar toch duidelijk wijst zij hem hierop.
,. Ik wenscli u bevestigd te zien in de ware en volmaakte liefde, opdat gij als de goede Herder uw leven voor uw kudde geeft. Niets verkoelt het vuur van zijn heiligen ijver, niets ontneemt hem de kostbare parel der rechtvaardigheid, die hij op de borst draagt, schitterend en vereenigd met de barmhartig!leid. Want zoo de rechtvaardigheid zonder barmhartigheid was, zou zij in de duisternissen der wreedheid zijn. Maar de vereeniging van rechtvaardigheid en barmhartigheid geeft het leven aan den overste, die ze bezit, en de gedweeheid aan den ondergeschikte, zoo hij niet reeds een lidmaat van den duivel is. Hervorm, als een echt ridder en goede herder, met moed, ruk de ondeugd uit, plant de deugd en wees bereid uw leven te offeren, als liet noodig is.
Heilige Vader, ik zie geen ander middel om te slagen dan
') 127 Brief.
392
wanneer gij u djor een groot aantal van heilige personen omringt, in wie gij deugd vindt en die den dood niet vreezen. Zie niet op de geboorte... vorm een college van goede kardinalen, die standvastig zijn als zuilen, om met u, door Gods hulp gesterkt, den last uwer zorgen te dragen.
Ik beveel u, uit liefde tot den gekruisten Jezus, de schapen aan, die zich buiten den schaapsstal bevinden, ongetwijfeld om mijne zonden. Ontvang hen toch, uit liefde tot het Bloed, waarvan gij de bedienaar zijt, met barmhartigheid en goedheid.... Indien zij liet u niet met eene oprechte nederigheid vragen, kom dan aan hunne zwakheid tegemoet en eisch van den kranke niet meer dan hij kan geven. Helaas, helaas, heb medelijden met zoovele zielen, die verloren gaan. Nu zijn uw kinderen rustig en vragen de olie der barmhartigheid van u---- Weiger het hun niet; deze kinderen
zullen later beter dan de anderen zijn ... Helaas, mijn Vader, ik zou niet langer hier willen blijven, docli doe met mij, wat gij wilt. Verleen mij slechts deze gunst, die ik u vraag, aan mij, arme en ellendige. Weiger mij deze zoetheid niet, welke ik voor uwe kinderen afsmeek. Dan kunt gij den standaard van liet heilig kruis verheffen.
Dan zult gij uwe kinderen met zachtmoedigheid en met de roede der rechtvaardigheid terugvoeren, voor zoover zij het verdragen kunnen, maar nooit meer. Daarom wenschte ik u in de ware en volmaakte liefde bevestigd te zien, niet dat gij ze niet hebt, maar wij, pelgrims en reizigers in dit leven,
kunnen er altijd in toenemen____ Ik zal u altijd dienen tot
den dood; ik zal bidden en doen alles, wat ik kan voor de eer van God, voor uwen vrede en voor dien van uwe kinderen. \ ergeef mij. Heilige Vader, mijne driestheid, maar liefde en smart verschoonen mij bij uwe Heiligheid.quot; ')
Florence was destijds de hoofdzetel van de ketterse!, e secte der Fraticelli of kleine Broeders. Reeds meermalen had Catharina hare leerlingen tegen hun dwalingen gewaarschuwd. Onder liet masker van vroomheid verborgen zij een zedeloos leven, misleidden velen door den schijn van buitengewone deugden, overdreven de christelijke armoede, leerden, dat
5. Urief.
393
Christus en zijne Apostelen nooit iets bezeten hadden, doch waren opgeblazen van hoogmoed. Luide verhief de lieilige hare stem tegen deze hetters, hield herhaaldelijk redet wisten met hen en sloeg hen zegevierend af. ')
De vrede, dien Catharina zoo vurig afgesmeekt, waarvoor zij zulke zware offers gebracht had, kwam eindelijk tot stand. In het begin van Juli 1378 werden de voorwaarden tusschen Florence en Rome vastgesteld. De stad Florence zou löO.OOO goud-guldens aan den Paus betalen In het laatst van Juli werd dit vredesverdrag onderteekend en den Isteu October te Rome bekrachtigd. Een gelukkig gevolg was de ophefling van het interdict. De Paus zond Simon, bisschop van Vol-terra, en Franciscus Orvieto, eremyt van Sint Augustinus, om do plechtige absolutie van het interdict te geven.
Onbeschrijfelijk was de vreugde en de dankbaarheid van Catharina. Zij deelt die blijde boodschap terstond aan hare kinderen te Siëna mede en stort haar hart in een brief aan Sano di Maco lit;
âO, dierbare Zonen, God hoeft de stem en de kreten zijner dienaren verhoord, die reeds zoo lang voor Zijn aanschijn weenen en zuchten over hen, die dood waren. Nu zijn zij verrezen; van den dood zijn zij tot hot leven teruggekeerd, van de duisternis tot het licht. Mijn dierbare Zonen, de kreupelen gaan, de dooven hooren, de blinden zien en de stommen spreken; zij roepen uit al hun krachten; Vrede! vrede! Ja, vrede! Welk een vreugde, nu wij de kinderen onder de gehoorzaamheid van hunnen vader zien wederkeeren, nu zij zijne vriendschap herkrijgen en hun gemoed lot rust gekomen is. Als lieden, die beginnen te zien, zeggen zij ; Dank zij u, o Heer, dat Gij ons met onzen Heiligen Vader verzoend hebt. Men noemt thans heilig het zoete Lam, den Gezalfde der aarde, dien men nog kort geleden voor ketter en scheurmaker schold. Men geeft hem den naam van Vader, dien men hem weigerde. Ik verwonder mij er niet over, want do wolken zijn verdreven, de hemel is helder geworden. Juicht, juicht, mijn welbeminde Zonen; weent van blijdschap en dankbaarheid voor den eeuwigen en
') Nieolaas Mancrbio. Aantcekcningcn bij rln Legende.
394
oppersten Vader; maar weest nog niet tevreden en vraagt, dat de banier van het heilig kruis spoedig ontrold worde. Verblijdt u in Christus, den zoeten Jezus; dat uwe harten het uitjubelen, nu gij do grootheid van Gods oneindige goedheid ziet. Thans is de vrede gesloten tot spijt van hen , die het verhinderen wilden; de helsche duivel is overwonnen. Zaterdag avond is de olijftak des vredes verschenen des nachts ten een ure en heden om Vespertijd is alles beslecht.... Ik zend u den olijftak des vredes.quot; ')
Tot hare gezellen te Florence zeide do Heilige: âNu kunnen wij de stad Florence verlaten, daar ik met de genade quot;an onzen Heer Jezus Christus Zijne geboden en die van Zijnen Plaatsbekleeder volbracht heb. Hen , die ik als oproerlingen tegen de Heilige Kerk vond, laat ik achter, onderworpen aan die goede en teedere moeder. Gaan wij nu naar Siöna terug.quot; 2)
In het laatst van Juli of het begin van Augustus vinden wij Catharina in hare geboortestad weder. Zij had een nieuwen leerling uit Florence medegenomen. Hij bleef tot haren dood bij haar. Het was Barduccio Canigiani, een jongere broeder van Ilistero. De Heilige had den engelreinen en vromen jongeling zeer lief.
Wie bewondert hier niet het volmaakte geduld, de diepe wijsheid en het onwrikbare vertrouwen van Catharina! Zonder ophouden klopte zij aan do poort van den Koning des vredes, tot de blijde vredezon aan den Toscaanschen hemel opging. Aan weinige vrouwen is het beschoren een razenden en bloeddorstigen volkstroep rustig en blijde te gemoet te treden, moer bereid het leven voor de zaak van God en der Kerk te offeren dan zij om het te nemen. Tot hare; diepe smart werd haar de âroode roosquot; van liet martelaarschap ontzegd; docli alleen die des lichaams, niet die der ziel en des verlangens. En om die roos was do palm des vredes en de lauwer der zegepraal gevlochten. Sterk nis de dou'l is de liefde; vele wateren hunnen de liefde niet uithlusschen en de stroornen sleepen hnar niet mede. (Hoogl. c. S.)
') 24G. Brief.
'i) Legend. UI. 6. _
If
â¢wf,-
t' tquot;'t'gt;'â t'quot;t '-f t t' -^L- gt;i- -i- v- ^ ^ ^ ^ 4 ⦠;
11
V . [ V'a' /'â¢â 1 1
s|: ril ii
lt;â â ï
TIENDE H0lt; )FDSTUK. I)i geschriften van de 11. Ciitliarina.
Ik oordeelde niet iets te weten onder u dun Jezny Christus en Dien gekruisigd. Hetgeen wij ook spreken niet iu \\'oorden . van mensdielijke wij^lr id geleerd, maar in leering des (leestes, liet geestelijke met het gèëstelijke samenvoegende. T. (Or. 1. liet behaagde aan de goedheid en de liefde van (iod zich aan mij te openbaren en Zijne geheimen voor mij te onrsluieren. De tong is te zwak om het te zeggen: het verstand w verrukt bij het beschouwen en het verlangen ontbrandt zoo zeer, dat alle krachten der ziel te zamen vragen om de aarde te verlaten. 13G. Brief.
1:378.
Tl
14fe glorierijke vrouw, door God geroepen om het licht â *iamp; harer eeuw te zijn, om ijverzuclitige steden en families door hiiar zachte welsprekendheid met elkander te verzoenen , om aan vorsten en bestuurders onverschrokken de waarheid te zeggen, om de scherpzinnigste godgeleerden te beschamen, om met een onweerstaanbaar gezag voor Pausen en kardinalen te sproken, om de geslependstc staatkundigen door haar liefde voor den evenmensch te beschamen, om hemelschen troost in het lijdende hart van armen, zieken en zondaars te storten, die glorierijke vrouw moest de eereplaats onder de mystieke schrijvers innemen en door haar goddelijke leer een veiligen weg ter volmaaktheid aanwijzen.
Vóór wij de levensgeschiedenis der Heilige voortzetten , vordert de tijdsorde, dat wij haar geschriften, haar leer en
'â Mi li
li S
:I;'X
Si i
i |
iil M 'i Ãi
'- i ml
rm W: 'iö'i i i
p
â i 1 1
396
de vruchten, welke zij in de Christenheid voortgebracht hebben, nader beschouwen.
De kennis der goddelijke dingen kan men op twee wijzen verkrijgen; door eigen studie en door de openbaring van God. De studie brengt eerst na veel waken en zwoegen de volle schoven in de voorraadschuren van onzen geest. Maar God kan ook eenvoudiger zijn licht aan het verstand mededeelen. Somtijds openbaart Hij zich eensklaps aan de ziel. In het gebed ontsluit Hij Zijn geheimen voor de zuiveren van harte. Wat het verstand der verstandigen niet ziet, dat leert een eenvoudig en onschuldig gemoed. Gebed en liefde verkrijgen meer dan studie en talent. God verlicht het verstand en ontvlamt het hart; de ziel kent in éen oogenblik van liefde meer dan allo aardsche wijzen haar kunnen leeren. Wanneer het den hoogsten Heer behaagt, dan vervult Hij hem met den geest des verstands. Dan doet Hij de tdUpralm Zijner wijsheid als regen uitstroomen en prijst in zijn gebed den Hier. (Ecclesiastic. 39).
Uit die heilige bron is de leer der Heilige Catharina van Siena voortgevloeid. Onze Heer Jezus Christus was de eenige leermeester van haar, die Hij zich tot bruid had verkoren. Niet alleen leerde Hij haar op wonderbare wijze lezen en schrijven, maar Hij deelde haar ook alle wetenschap mede, noodig voor het apostolaat, waartoe Hij haar riep. In bet licht der extase putte zij een kennis, die de nitstekendste godgeleerden bewonderd hebben en waarvan de Kerk verklaard heeft; âHaar leer is niet verworven, maar ingestort.quot;
Er was voor die ziel geen andere leermeester dan God en Zijn geest; er was voor haar geen andere school dan het gebed, waarin zij aan God met ootmoed en eenvoud hare schuld beleed en Zijn zegen afsmeekte; er waren voor haar geen andere boeken dan een blik vol liefde op het kruis, dan de kennis van zich zelve, dan de gedachte aan Gods tegenwoordigheid, dan liet veelvuldig en waardig ontvangen van de Heilige Sacramenten, dan de stipte volbrenging barer plichten, dan een volmaakte overeenkomst met Gods wil, dan een brandend verlangen om hem in alles en overal te vervullen. Daardoor werd zij gevormd aan den voet van het kruis en van liet altaar.
Mut hare ziel, eenvoudig als do duif en nederig als een kind, een ziel, zoo blank, zoo oprecht, zoo'rechtseliapen, placht God op de innigste en vertrouw elijkste wijze te ver-keeren. Hij sprak tot haar hart, en die kennis van het hart, die kennis van het gevoel, die kennis des lijdens en der beproeving, die kennis der ondervinding gaat alle begrip te boven. Twee of drie woorden van haar zeggen meer dan gansche redevoeringen van geleerden, volgens de uitspraak van den koninklijken profeet: Gelukhiy zij, aan wie Gij zelf Uw wegen leert, o mijn God! (Ps. 93). Al hebben zij geen natuurlijke talenten. God maakt hun tongen bespraakt en welsprekend. (Sap. 10). Catharina behoorde niet tot de wijzen dezer wereld, voor wie de Hemelsche Vader, volgens de uitspraak van Gods Zoon, zijn aanbiddelijke geheimen verbergt, maar tot de kleinen; aan wie Hij ze openbaart, die Hij tot zich roept, aan wh Hij het rijk der hemelen belooft. Zij naderde tot God, vervuld met hetzelfde gevoel als de profeet Jeremias: Waartoe hen ik in staat, lieer, en wat ben ik? Ik hen slechts een kind en nauwelijks kan ik een lettergreep uitspreken. En de Heer zeide tot haar: Ze;/ niet, ik hen een kind; want (jij zult overal heengaan, waarheen ik u zend en alles zeggen, wat ik u gehieden zal. En de Heer strekte zijne hand uit en raakte haren mond aan en sprak tot haar: Zie, ik leg mijne woorden in uwen mond. (Jerem. 1, 6â9).
De leer van Catharina is neergelegd in een boek, dat eerst tot titel droeg: Ore.r de goddelijke leer, maar later genoemd werd: De Srunen-tprank van de serafjtiseJie Maagd Catharina. !) Dit werk, een schatkamer van hemelsche onderrichtingen, kan men beschouwen als een verhandeling van mystische godgeleerdheid, daar liet over de geestelijke volmaaktheid handelt. Schoon dit het voornaamste werk van de Heilige is, is het niet het eeuige, dat onze waardeeringen overweging waardig is. Haar uitgestrekte briefwisseling met Pausen, prinsen, staatslieden, religieusen, ministers, menschen in de wereld uit de verschillende rangen dor maatschappij opende haar den weg om aan alle standen de levenswijsheid te doen toestroomen, welke zij uit hemelsche bronnen
:) Process, lol. 12.
898
geput had. Deze biindisl van rlriehonderd drie; en zeventig brieven, die gedrukt zijn, vormt een lijvige verhandeling van bet geestelijk leven, zoowel voor de algemeene beginselen als de praktische toepassingen. Wij bezitten verder nog een verhandeling over do volmaaktheid, die met veel grond aan haar wordt toegeschreven; eenige korte onderrichtingen over de volmaaktheid aan Wilhelmus Flete van Engeland; de toespraak tot hare leerlingen kort voor haren dood, en zes en twintig gebeden, door haar leerlingen verzameld, i)
Wij willen do twee hoofdwerken van Catliarina, de âSamenspraakquot; en de âBrieven, nader toelichten.
Over de âSamenspraakquot; bericht ons Raymundus van Capua; âZoodra de vrede tusscben Urbanus VI en de Fleren tij nen gesloten was, keerde Catharina naar huis terug. Zij was ijverig in do weer om een boek samen te s'.ollen, dat zij op ingeving van den Heilige Geest in haar eigen taal dicteerde. Zij had aan haar secretarissen op het hart gedrukt, dat zij gedurende haar extasen tegenwoordig zouden zijn, op alles nauwkeurig acht zouden geven en zorgvuldig zouden opschrijven, wat zij dan dicteerde. Zij deden het stipt en vormden een boek vol verhevene en nuttige waarheden, door God aan haar geopenbaard en door haar woordelijk in de landstaal overgebracht. Zij dicte erde dit boek, terwijl zij, van het gebruik dor zinnen beroofd, in dien toestand van extase noch zien, noch hooron, noch voelen, noch smaken kon en baar lichaam volkomen ongevoelig was. God wilde ons daardoor te kennen geven , dat dit book niet het werk van menschen, maar van den Heiligen Geest zeiven was. Ik bon er van overtuigd, dat, alwie dit boek met aandacht leest, er evenzoo over oordoelen zal.quot; 1)
Bijna woordelijk hetzelfde bericht ons de H. Antoninus. Ook hij zegt, dat zij het boek , volgens de openbaring van God, aan hare schrijvers in de volkstaal van Toscane dicteerde. 2) Het is te begrijpen, dat men gaarne iets meer over het
1
) Legeiul. Til, 1.
2
:,) S. Antonius. Hist S. III. Art. 23. ('. Xl\. pnr. 17.
#-
399 W
ontstaan van dit wonderbare bock wi) weten. Waar werd .-''i
..'tj;;
het gedicteerd/ Wie waren de schrijvers? Heeft Catharina
misschien eeuisre bladzijden eigenhandig sreschrcvon? Hoe |iJc
^
wordt hot verdeeld? Welke is de inhoud? Hoe is het tot ons gekomen ?
Uit het proces der heiligverklaring blijkt, dat de Samenspraak op verschillende tijden en verschillende plaatsen opge- jii schreven is. Met volkomen zekerheid kunnen wij intusschen
ü'
de plaats aangeven, waar het grootste gedeelte geschreven en waar zij in ieder geval voltooid is. Men zal zich nog wel Broeder Santi, den eerbiedwaardigen kluizenaar, herinneien dien de Heilige eens te Siena en eens te Rocca d'Orcia gezond jgg
maakte en die aldaar l)ij de bezwering van de bezeten vrouw
tegenwoordig was. Broeder Santi bewoonde een kluis, waar- jȟ
.. . fe'
aan een kleine kapel verbonden was, in de nabijheid van jpi
Siena. Uit het gewoel en gedruisch der stad trok zich Catha- IKI
rina gaarne in die eenzaamheid terug en bezocht met ver- â ||||
scheidene leerlingen Broeder Santi. Nu ging zij, juist van Juli tot October 1378 , toen zij van Florence was wedergekeerd, door eenige Zusters en een secretaris vergezeld , dikwijls daarheen. Hier werd een groot gedeelte van de Samenspraak geschreven en zij den 13° October 1 â !7S voltooid. Pater Thomas Cattarini verhaalt ons dit als ooggetuige en zegt, dat hij iMjl
dikwijls gezien heeft, hoe zij in de eenzaamheid van deze plaats gedurende het gebed in geestvervoering geraakte en Ma
zich met God als in een samenspraak onderhield. ') .|l||
De schrijvers, welke naar het dictaat der Heilige de Samen- j|amp;|
spraak opteekenden , waren Xeri Landoccio, Stephanus Maconi .Bil
en Barduccio Canigiani; soms werd ook Christophanus di Gano aangesproken. ;|||
In het getuigenverhoor bij de heiligverklaring heeft Pater
is Calfarini nauwkeurig aangeduid, hoe Catharina zich ixyi
bij het dicteereu gedroeg. Somtijds drukte zij hare handen ;|||j
gevouwen aan de borst; dan wandelde zij door de kamer of
knielde een korten tijd neder; maar altijd waren haar oogen
naar deu hemel gericht. Gingen er door toevallige omstandig- ®
heden eenige dagen voorbij , zonder dat zij iets kon dicteeren,
â -H â¢v' â - i
- i
. S i 1
M: :
â¢quot;v.quot; .
m
Supplcin. III.
400
dan nam zij den draad daar weer op, waar zij ^oi'indigd had, alsof haar alles nog levendig voor den geest stond. 1)
Dezelfde Pater Thomas Caffarini bericht: â Stephanus Maconi heeft mij gezegd, dat hij gezien heeft, hoe zij, behalve eenige gewichtige brieven, ook vele bladzijden van het boek, door haar in de volkstaal opgesteld, eigenhandig geschreven heeft. Eenige van die bladzijden verzamelde hij uit eeerbied en liefde en gaf ze ter bewaring aan het Karthuizerklooster te Pontignano, twee mijlen van Hiena.quot;' 2)
Waar deze antograpten der Heilige gebleven zijn, weten wij niet. Maar wij bezitten nog een oorspronkelijk afschrift van de Samenspraak, waarschijnlijk door Stephanus Maconi vervaardigd. Het komt nauwkeurig met de Latijnsche vertalingen overeen en werd in de huiskapel van Signor Silvio Gori Pannellini te Siena bewaard. Het handschrift is op perkament geschreven. Op den rand zijn eenige Latijnsche kantteekeningen van de leerlingen, aan wie Catharina dicteerde. De tekst gaat zonder onderbreking door. Later schijnt er een indeeling in hoofdstukken op den kant aan toegevoegd te zijn.
Catharina had nu den leeftijd van een en dertig jaar bereikt. ,, Het sterfelijk leven van de gelukzalige Catharina,quot; zoo zegt Raymundus van Capua, ânaderde zijn einde en de Heer openbaarde door verschillende wonderteekenen, hoezeer de glorie, waarmede Hij het lijden van Zijne bruid in den hemel zoude beloonen, do schatten evenaarde, waarmede Zijne genade baar op aarde overstelpt bad Zij verzuchtte uit al haar krachten naar het oogenblik, dat haar met Jezus Christus zou vereenigen , om in het vaderland van aanschijn tot aanschijn de waarheid te beschouwen, waarvan/ij slechts den weerschijn gedurende haar pelgrimschap gezien had. Dat verlangen wies in haar hart aan, naarmate het eeuwige licht haar verstand verlichtte. Twee jaren vóór haren dood bestraalde de Waarheid haar met zulke glans-en, dat zij genoodzaakt was ze naar buiten te verspreiden en dat zij haar secretarissen verzocht alles, wat zij in hare extaseu zoude
^ Process. Canon iz. -) Supplem. 1, 1.
â 401
'p
!{;â lt;
4*
â sfr A
zeggen aan te hooren en op te schrijven. Zoo werd in korten tijd een boek opgesteld, hetwelk een samenspraak tusschen de ziel en God bevat. !;
De âDialoogquot; werd door Christophanus di Gano in het Latijn vertaald. De Heilige had hem bekeerd. Toen zij stierf, verliet hij de wereld en zijn notarisambt om de armen van Jezus Christus in het beroemde hospitaal van de Scaia te dienen. De archieven van dit gasthuis bewaren een klein boekdeel, door zijne hand geschreven. Hij spreekt daarin over de âSamenspraakquot; en verhaalt hoe zij ontstond.
âDeze maagd van Christus,quot; zoo zegt hij, âheeft een merkwaardig boek, ongeveer zoo groot als een misboek, samengesteld. Zij heeft het in den toestand van geestverrukking voltooid, terwijl zij van al hare zintuigen, behalve van de tong, beroofd was. God de Vader sprak tot haar en zij antwoordde Hem en stelde van haren kant vragen aan Hem. Al Zijn woorden en ook de hare herhaalde zij dan en wel alle in de volkstaal. Zij dicteerde en een ander schreef, nu eens Barduccio, dan eens Don Stephanus, dan weer Neri de Landoccio. Het is misschien moeilijk te gelooven; hem echter, die het zelf hoorde en schreef, scheen het anders toe, en ik was een van hen.
Toen nu het boek in de volkstaal voltooid was, maar de geleerden en ontwikkelden zulke zaken liever in liet Latijn lezen, heb ik het ten gerieve van mij en van anderen nauwkeurig naar den grondtekst en zonder eenige bijvoeging in het Latijn overgezet. Ik deed het zoo goed als ik het kon en besteedde daaraan verscheidene jaren, terwijl ik nu eens aan dit, dan weder aan een ander gedeelte arbeidde enkel bij wijze van uitspanning. Toen het met Gods hulp voltooid was, zond ik het aan Don Stephanus, die zich te Pontignano bevond, opdat hij, die het grootste gedeelte naar het dictaat van Catharina geschreven had , het zou nazien en, zoo noodig, verbeteren. Nadat dit geschied was, liet ik het door een bekwamen schrijver overschrijven en binden. Er kwam nu een Fransche bisschop, een Dominicaan, die Catharina te Avignon had gesproken , met Magister Raymundus , den toen-
') Luycud. UI, 3. â Dcpositio Barthulomaci Ferrariensis. Process, utc.
ae
'K
â Jl
â m
i â . t
; ^ lt;:} '
ilé i 1
if
i (;Æâ
\m'
m
ii:
;
n i'
ij
â¢if
llv fei
I %
i
i IÃ
:tp:
s
â
ia®
400
(Ian nam zij don draaiI daar weer op, waar zij geëindigd had, alsof haar alles nog levendig voor den geest stond. !)
Dezelfde Pater Thomas Caffarini bericht: ,, Stephanus Maconi heeft mij gezegd, dat hij gezien heeft, hoe zij, behalve eenige gewichtige brieven, ook vele bladzijden van het boek, door haar in de volkstaal opgesteld, eigenhandig geschreven heeft. Eenige van die bladzijden verzamelde hij uit eeerbied en liefde en gaf ze ter bewaring aan liet Karthuizerklooster te Pontignano, twee mijlen van Siena.quot; 2)
Waar deze autograpten der Heilige gebleven zijn, weten wij niet. Maar wij bezitten nog een oorspronkelijk afschrift van de Samenspraak, waarschijnlijk door Stephanus Maconi vervaardigd. Het komt nauwkeurig met de Latijnsche vertalingen overeen en werd in de huiskapel van Signer Silvio Grori Pannellini te Siena bewaard. Het handschrift is op perkament geschreven. Op den rand zijn eenige Latijnsche kantteekeningen van de leerlingen, aan wie Catharina dicteerde. De tekst gaat zonder onderbreking door. Later schijnt er een indeeling in hoofdstukken op den kant aan toegevoegd te zijn.
Catharina had nu den leeftijd van een en dertig jaar bereikt. âHet sterfelijk loven van de gelukzalige Catharina,quot; zoo zegt Raymundus van Capua, ânaderde zijn einde en de Heer openbaarde door verschillende wonderteekenen, hoezeer de glorie , waarmede Hij het lijden van Zijne bruid in den hemel zoude beloonen, de schatten evenaarde, waarmede Zijne genade haar op aarde overstelpt had. Zij verzuchtte uit al haar krachten naar het oogenblik, dat haar met Jezus Christus zou vereenigen , om in het vaderland van aanschijn tot aanschijn de waarheid te beschouwen, waarvan zij slechts den weerschijn gedurende haar pelgrimschap gezien had. Dat verlangen wies in haar hart aan, naarmate het eeuwige licht haar verstand verlichtte. Twee jaren vóór haren dood bestraalde de Waarheid haar met zulke glansen, dat zij genoodzaakt was ze naar buiten te verspreiden en dat zij haar secretarissen verzocht alles, wat zij in hare extasen zoude
') Process. Canoniz. -) Supplem. 1, 1.
i
â 101
zeggen aan te liooren en op te schrijven. Zoo werd in korten tijd een boek opgesteld, hetwelk een samenspraak tusschen de ziel en God bevat, i)
De âDialoogquot; werd door Christophanus di Gano in het Latijn vertaald. Do Heilige had hera bekeerd. Toen zij stierf, verliet hij de wereld en zijn notarisambt om de armen van Jezus Christus in het beroemde hospitaal van de Scala te dienen. De archieven van dit gasthuis bewaren een kiein boekdoel, door zijne hand geschreven. Hij spreekt daarin over de â Samenspraakquot; en verhaalt hoe zij ontstond.
âDeze maagd van Christus,quot; zoo zegt hij, âheeft een merkwaardig boek, ongeveer zoo groot als een misboek, samengesteld. Zij heeft het in den toestand van geestverrukking voltooid, terwijl zij van al hare zintuigen, behalve van de tong, beroofd was. God de Vader sprak tot haar en zij antwoordde Hem en stolde van haren kant vragen aan Hem. Al Zijn woorden en ook de hare herhaalde zij dan en wel alle in de volkstaal. Zij dicteerde en een ander schreef, nu eens Barduccio, dan eens Don Stephanus, dan weer Neri de Landoccio. Het is misschien moeilijk te gelooven; hera echter, die het zelf hoorde en schroef, scheen het anders toe, en ik was een van hen.
Toen nu het boek in de volkstaal voltooid was, maar de geleerden en ontwikkelden zulke zaken liever in hot Latijn lezen, heb ik het ten gerieve van mij en van anderen nauwkeurig naar den grondtekst on zonder eenige bijvoeging in het Latijn overgezet. Ik dood het zoo goed als ik liet kon en besteedde daaraan verscheidene jaren, terwijl ik nu eens aan dit, dan weder aan eeu ander gedeelte arbeidde enkel bij wijze van uitspanning. Toen het met Gods hulp voltooid was, zond ik het aan Don Stephanus, die zich te Pontignano bevond, opdat hij, die hot grootste gedeelte naar het dictaat van Catharina geschreven had , hot zou nazien en, zoo noodig, verbeteren. Nadat dit geschied was, liet ik het door een bekwamen schrijver overschrijven en binden. Er kwam nu een Fransche bisschop, een Dominicaan, die Catharina te Avignon had gesproken . mot Magister Raymundus , don toen-
') Lugcud. IH, 3. â Dopasitii) Bartholomiici Ferrariensis. Process, utc.
2C
; Ui'
-
: ;'-s;
:t mi
Mi li.;'
i
%
1 lil::
jii !iS'
ipi| %'!
II®:!
'r. Hv !lt;«â ;
il:'
ï'ü» I
M Bi
'ü! :i!|
â :v:5? 'I
ii
li i 1
: 1
â '*0 5
I
amp; I
; vU
, quot; i
I ^ j
402
maligen Generaal rler Orde, naar Siena. Hoewel ik liet nog maar eenen nacht in huis had gehad, bracht ik liet toch terstond bij den bisschop, wien het zoozeer beviel, dat hij het niet meer teruggeven wilde. Ãp zijn verzoek liet ik het hem houden.quot;
De leerlingen van Catharina vervaardigden verschillende afschriften en overzettingen van den Dialoog. Behalve door Christophonus di Gano werd zij ook door Stephanas Maconi en door Raymundus van Capua in het Latijn vertaald. Raymundus van Capua klaagt, dat hij slechts met de grootste moeite de verhevenheid van Catharina's stijl en de diepte van haar gedachten kon weergeven. !)
Het boek heeft in den beginne verschillende titels gedragen. De indeeling is niet van de Heilige Catharina. De titels der hoofdstukken zijn naar de aanteekeningen gemaakt, welke de leerlingen op den rand van hun handschrift geplaatst hadden. De oorspronkelijke tekst liep geregeld zonder onderbreking door.
De Dialoog werd in vier verhandelingen verdeeld: Over de onderscheiding â over het gebed â over de voorzienigheid â over de gehoorzaamheid. De Heilige had namelijk vier vragen aan God gedaan. De eerste vraag luidde: Door welk middel kan een schepsel tot de kennis van de waarheid komen? Du tweede vraag: Moge God aan Zijn Heilige Kerk barmhartigheid bewijzen door haar zeden te hervormen? De derde vraag was voor de gansche wereld, vooral om de zaligheid en den vrede voor die Christenen te verkrijgen, welke tegen de Kerk opstaan. In de vierde vraag smeekte zij de hulp der Goddelijke Voorzienigheid af voor alle menschen. '2)
De verschillende geschriften van St. Catharina, vooral haar âSamenspraak,quot; behooren tot de mystiek, welke met de scholastiek de geheele godgeleerdheid van de Middeneeuwen uitmaakt. Wie nu de werken van Sint Catharina, hun belang voor den tijd, waarin zij geschreven werden, en de
Cf. Epist. Kteijli. Mac. â Legend, iu Piolog. â Depos. Tliura. Caffirini in Process. â etc.
-) Cf. Dialog, c. I. â Legciul. III, .3.
â 403
vruchten, die zij afgeworpen hebben, naar recht wil waar-deeren, moet ongetwijfeld den toestand en den aard der godgeleerdheid in de veertiende eeuw kennen en begrijpen.
God kan zich op twee manieren aan den mensen openbaren: aan het verstand, dat kent, aan den wil, die bemint. Openbaart zich God aan den wil, dan is de grondslag van onze kennis een neiging tot God, ons hoogste goed, voortgebracht door de bovennatuurlijke kennis van het geloof. Deze kennis van God noemt men de mystieke godgeleerdheid. Openbaart zich God aan ons verstand, dan is de grondslag van onze kennis niet alleen een gevoel van God, ons hoogste goed, door de bovennatuurlijke kennis van het geloof voortgebracht , maar op de eerste plaats het denkbeeld van God , door de rede voortgebracht. Dit noemt men de scholastieke godgeleerdheid.
De scholastieke godgeleerdheid beschouwt God dus als de hoogste waarheid, om Hem te kennen, de mystieke godgeleerdheid beschouwt God als het hoogste goed om Hem te beminnen. Onder de mystieke schrijvers der veertiende eeuw schittert Catharina van Siena op de eerste plaats. Inhoud en vorm van haar geschriften zijn ontweid aan een hart vol liefde, uit het geloof voortgevloeid. Willen wij dus de vruchten meten, die zij voor de Kerk hebben afgeworpen, dan moeten wij ze niet enkel in zich zeiven, maar ook in hun betrekking tot de scholastieke godgeleerdheid beschouwen. De âDialoog,quot; geschreven in een tijd, waarin deze wetenschap verdoolde en dor werd, heeft zeer veel bijgedragen om haar in het rechte spoor te leiden, om haar een nieuw leven, een nieuwe veerkracht te schenken. De ijskoude bespiegelingen der scholastieken heeft Catharina van Siena ontgloeid met het vuur der bovennatuurlijke liefde. Zij hadden geen geloof, geen hart, geen liefde meer; Catharina heeft hun die teruggegeven. Do nederige maagd heeft door haar mannelijke en werkdadige deugd in al de behoeften van haren tijd voorzien. Zij heeft ook het gebrek vermeden, waartoe sommige mystieken vervallen zijn. Dezen beoordeelden de waarheid alleen naar het gevoel en niet naar het geloof en de rede. Geloof en rede zijn do grondslag van haar liefde en gevoel. Die liefde is de ziel en het leven van al hare woorden. Het
404
eigenaardig karakter van haar Dialoogquot; is dan ook een onweerstaanbare teederheid van gedachte en gevoel, in vurige uitdrukkingen en beelden weergegeven. Dikwijls drukt zij de verhevenste denkbeelden met die krachtige beknoptheid en kortheid uit, welke het kenmerk van het sublieme is. Dit is nochtans niet de hoofdzaak in haar geschriften. Haar gevoelige en zachte natuur, haar leven, overstelpt met de zoetheden der genade, haar rijke, levendige, vrouwelijke verbeelding deden haar meer tot het teedere en zachte overhellen. Haar welsprekende taal is uit de hartstocht der liefde geboren. En wat zegt een hart niet, dat bemint? Haar taal is altijd die eener vrouw, welke bemint met den gloed, maar den zachten gloed van het vrouwelijke hart. Het is niet een spel, waarvan de tonen breed en onweerstaanbaar heenbruisen als de bergstroom, die alles in zijn vaart meesleurt, maar het zijn zachte en liefelijke akkoorden, die het hart doen trillen, die de ziel verteederen, die een gemoed van ijs doen smelten. Haar taal en stijl zijn van een weer-galooze zuiverheid en helderheid. Zij bekleedt, zoowel om den inhoud als den vorm van haar geschriften, een eerste plaats in de Italiaansche letterkunde.
Een groot aantal schrijvers van den eersten rang hebben den âDialoogquot; tot de wolken verheven om de verhevenheid der denkbeelden, de zuiverheid der leer, de bekoorlijkheid en sierlijkheid der taal, de innigheid van gevoel. Zij prijzen hem als een der voortreffelijkste voortbrengselen van de veertiende eeuw.
Verscheidene beroemde academies hebben verklaard: âDe taal van Catharina is vol van bewonderenswaardige uitdrukkingen , die men in de Toscaansche woordenboeken niet vindt en die als de tafelen der wet in de meest beschaafde taal beschouwd worden.quot;
Niet minder wonderbaar en niet minder nuttig voor de zielen zijn de brieven van de Heilige Catharina. Zij vormen een volmaakte verhandeling over liet geestelijk leven, zijn plichten, deugden, gebreken en middelen. Vele werden in extase geschreven. Franciscus Malevolti verhaalt ons dit; âIk heb dikwijls gezien,quot; zoo zegt hij, âdat zij tegelijk aan meerdere schrijvers dicteerde, ea wel aan drie tegelijk. Dit
405
gebeurde niet eens, maar ontelbare malen, en gedurende vele jaren. Wanneer zij aldus te werk ging, was bet nooit noodig bare dictaten ie verbeteren , er iets bij te voegen of iets uit te scbrappen, tenzij wij zeiven een fout gemaakt hadden. Toen wij eens alle drie tegelijk scbreven, 'vas de eene met een brief aan Gregorius XI, de andere met een brief aan beer Barnabas Visconti, de dorde met een brief aan een aanzienlijk persoon, wier naam mij niet invalt, bezig. Zij dicteerde nu aan den eene, dan aan den andere, nu eens liet gelaat met de hand bedekkend, dan met gevouwen handen ten hemel ziende, dikwijls ook in extase, maar altijd verder dicteerend. Hot gebeurde ook wel, dat wij dezelfde woorden, welke zij aan een van ons gezegd had, alle neer-scbreven, daar dan oen ieder meende, dat die woorden tot hem gericht waren. Toen wij baar nu vraagden, tot wien van ons zij deze woorden gesproken bad, antwoordde zij vriendelijk: âBekommert u daarom niet, gij hebt u niet vergist; als de brieven af zijn, zult gij zien, dat de woorden voor het doel van ieder passen. Schoon nu de brieven over do moest verschillende onderwerpen liepen en aan verschillende personen gericht waren, vonden wij toch bij het doorlezen, dat de woorden altijd op de juiste plaats stonden en de zinnen zonder ben niet verstaanbaar waren geweest.quot; i)
De brieven van Catbarina zijn driehonderd drie-on-zevontig in getal, aan personen uit allo standen en rangen gericht, en bandelen over aangelegenheden deols uit bot bijzondere, deels uit bot openbare, zoowel kerkelijke als staatkundige leven. Sommige zijn door haar eigenhandig geschreven, de meeste echter door baar aan haar secretarissen gedicteerd. Zij werden door eon van baar leerlingen of door een ander vertrouwd persoon naar hunne bestemming overgebracht. Alle beginnen met deze woorden; âIn den naam van don go-kruisten Jezus en van do zoete Maria.quot; Zij eindigen: âZoete Jezus, Jezus liefde.quot; Slechts enkele dragen eene dagteeke-ning. Zij volgen allen eenzelfde plan, hetzij de Heilige schrijft aan de vorsten der aarde of aan den armsten leerling. Zij uit eon wonsch voor de persoon, aan wie zij schrijft;
') Dep. Franc. Malev. C. VII.
400!
dan ontwikkelt zij een waarheid, bijv. over het nut van het lijden, over Je ijdelheid der wereld, en trekt daaruit haar gevolgtrekkingen overeenkomstig het doel van haar schrijven.
Door de vele brieven van Catharina, die wij hetzij gedeeltelijk hetzij volledig in haar levensgeschiedenis hebben ingelascht, kan de lozer zich reeds een duidelijk denkbeeld over den inhoud vormen. Evenwel kunnen wij alleen door een langdurige en aandachtige studie dier brieven, verbonden met een nauwkeurige kennis van omstandigheden en personen, een juisten blik in Catharina's geest en hart verkrijgen. Zij hebben een onschatbare waarde als geestelijke onderrichtingen, maar ook voor de kerkelijke en ongewijde geschiedenis der veertiende eeuw, vooral voor de geschiedenis van het Pausschap uit dien tijd. De degelijkheid en de practische zin der leer, de ordelijkheid van ontwikkeling, de duidelijkheid van stijl, de frischheid der beelden, de kracht dei-taal schenken er een onvergelijkelijke schoonheid aan.
â Hare brieven ,quot; zoo zegt Cartier, â toonen ons de grootheid van haar verstand en de volmaaktheid van hare liefde. Op iedere bladzijde ziet men, hoe hare liefde met grootsche verlangens tot God opstijgt, om als een stortvloed op de Kerk, den naaste, haar leerlingen en haar verwanten neer te dalen. Al de neigingen van het hart zijn er vergeestelijkt, gezuiverd, vergoddelijkt. De brieven, welke de overige heiligen ons nagelaten hebben, deelen ons ook wel het licht des hemels mede; maar dit licht gaat door een middenstof en wordt met haar bijzonderen aard gekleurd. Hieronymus bewaart een letterkundigen vorm, die aan de Romeinsche maatschappij herinnert. St. Augustinus spreekt de taal van zijn vrienden en verwijt zich zeiven, dat hij te veel van Cicero houdt. St. Bernardus weerspiegelt in zijn briefwisseling ook zijn tijd; hij gebruikt oratorische middelen om te overreden en versmaadt de scholastieke methode niet. Dikwijls vergist hij zich, wanneer hij prijst of laakt en velt hij tegenovergestelde oordeelen over personen. Niets van dut alles vindt men in de brieven van de Heilige Catharina; zij is, om zoo te spreken, niet van haar land noch van haar tijd. God heeft haar niet door middel van menschen onderricht; Hij zelf heeft haar willen onderwijzen, en Zijn leerzame leer-
407
linge weerspiegelt het goddelijk licht in al zijn zuiverheid.
Deze schoonheid van den vorm, zonder bijzonder karakter, is de schoonheid bij uitstek; het is de welsprekendheid boven alle welsprekendheid. Terwijl God den stijl der Heilige Schrift en de grootsche beelden der Profeten op de lippen van den H. Brigitta legde, legde Hij op die der Heilige Catharina de zoetheid van de melk en den honing, die uit het Evangelie voortvloeit. De mond vloeit over van de volheid des harten, en het hart van de Heilige Catharina was dat van den Heer. Zoo St. Catharina thans uit den hemel schreef, zou zij het niet anders doen dan zij het op aarde gedaan heeft; haar brieven schijnen uit de eeuwigheid te dagteekenen.
Wij behoeven de letterkundige verdiensten der brieven van St. Catharina niet te doen uitkomen. Do goddelijke ingeving heeft den vorm zoo verheven, dat zij de glorie van Italië zijn. St. Catharina heeft buigzaamheid en welluidendheid aan de taal van Dante en Petrarca gegeven Haar stijl is haar ziel waardig. Hij ontwelt aan haar hart als een helder en zuiver water, door zonneglans doorstraald. Door niets wordt haar stijl gewrongen; altijd voegt hij zich naar de gedachte, altijd'is hij rijk aan uitdrukkingen van een verrassende oorspronkelijkheid.quot; i)
Wij besluiten dan ook dit hoofdstuk met de woorden van denzelfden schrij ver: â Ondanks alle zorg, welke wij aan deze overzetting besteed hebben, gevoelen wij, hoe onvolkomen wij die zoete en schoone taal hebben weergegeven; wij vragen daarom aan de Heilige Catharina de onvolmaaktheid van onzen arbeid door een bijzondere genade voor onze lezers te willen aanvullen.''-)
') E. Curtier, Lettres, etc. Turn. I. p. 135â136. -) Ibidem.
ELFDE HOOFDSTUK. Cathariiia en hare leerlingen.
Wordt mijne medenavolgers, broeders, en slaat acht op degenen, die zoo wandelen, gelijk gij ons voorbeeld
hebt---- Zoo dan, mijn geliefde cn zeer gewenschte
broeders, mijne blijdschap en mijne kroon, staat aldus in den Heer, geliefden. riiilip. IllâIV.
Ik ontvang n met een teedere liefde. Ik verbind mij voor God om voor u te verantwoorden voor alle fouten, die gij bedreven hebt en bedrijft Maar ik bezweer u, voldoet aan mijn verlangen, wordt gelijkvormig aan den gekruisten Jezus en maakt u geheel los van de wereld. 280 Brief.
isrs.
elukkig waren do zielen met wie de Heilige Catharina «yi9 briefwisseling hield, nog gelukkiger zij , die onmiddellijk van haar den honing der leer en het brood der waarheid inzamelden. Want deze nederige dochter van den werkman, die slechts door een wonder lezen en schrijven kon, had, zonder het ooit gezocht te hebben, een school, een geestelijke familie, bloeiender dan er wellicht ooit eene om een leeraar der Kerk was verzameld. In de Kerk van Christus heeft de vrouw geen zending om in het openbaar te onderwijzen en toch behaagde het aan God, dat Catharina de leermeesteres van hare zielsbestierders werd. Ravmundus van Capua, Thomas della Fonte en Bartholomaeus de Dominico waren alle drie beurtelings haar biechtvader en ontvingen de hoogste leeringen over de christelijke volmaaktheid uit haren mond.
409
Er was toen in een woud nabij Siena een klooster der Eremvten van Sint Augustinus, Lecceto genaamd. Daar leefde een broeder, Willem van Engeland gebeeten, wiens heiligheid deze kluis beroemd beeft gemaakt. Ãrer; en uren bracht bij door in bet woud en koerde eerst des avonds naar het klooster terug. Een engelachtige zuiverheid, dooreen groote gestrengheid beschut, maakte hem bij God en bij de menscben bemind. Hij bad zulk een eerbied voor Catharma, dat bij zelfs hare kleederen niet durfde aanraken. Hij vertelde aan iedereen, dat men haar niet genoegzaam kende en dat de Paus zelf bet als een gunst des hemels moest beschouwen een van bare zonen te zijn , want de Heilige Geest woonde in baar. Van Catharina leerde bij den weg der volmaaktheid. Do Heilige richtte zes brieven aan hem. Zij was volstrekt niet blind voor zijn fouten. Het schijnt, dat bij de liefde tot de eenzaamheid eenigszins overdreef. Althans Catharina schrijft hem:
âIk zeg u, in naam van den gekruisten Jezus, dat gij meer dan eens in de weck in het klooster do H. Mis moet lezen, zooals de prior bet wil; en ik voeg er bij, dat gij ze iedcren dag moet lezen, als gij ziet, dat bet zijn verlangen is. Al mist gij de vertroostingen, gij mist toch niet de genade, integendeel, gij zult ze verkrijgen, naarmate gij uw eigen wil zult afsterven.quot; l)
In de verborgenheid van bet Eremytenklooster te Lecceto waren nog vele andere leerlingen van Catharina:
Broeder Antonius de Nice, de trouwe gezel van Broeder Willem van Engeland. De Heilige richtte twee brieven aan hem.
Broeder Johannes Tantucci, een edelman uit Siena, was eerst vijandig aan Catharina gezind, doch later werd hij baar trouwste leerling. Hij was een der drie biechtvaders, die onze Heilige met buitengewone volmachten vergezelden. In haren brief aan Tantucci toont Catharina hem aan, dat God het hoogste goed en de zonde het grootste kwaad is, dat niets buiten de zonde kwaad kan genoemd worden. Dan gaat zij voort: âGij schrijft mij. dat een zoon de melk zijner
128. Brief.
410
moeder niet kan ontberen; zoo gij er naar verlangt, kom dan terstond.quot;
Broeder Felix de Matta, die Catharina naar Avignon begeleidde. In extase schreef de Heilige een brief aan hem over de nederigheid en de liefde, die wij door de kennis van onze eigen nietigheid en van de goedheid Gods jegens ons moeten verkrijgen. âLaat de waarheid steeds uw vreugde zijn,quot; zoo besluit zij, âlaat zij op uwe lippen wezen en, wanneer het noodig is, zeg haar liefderijk aan iedereen, vooral aan die personen, welke gij niet een bijzondere liefde bemint, doch altijd met zachtmoedigheid, terwijl gij ook aan i1 zeiven al de gebreken van anderen toekent.quot; 2)
W ij hebben reeds over de grijze abdij van Sint Anthimus en over haar wakkeren abt Joannes de Gano d'Orvieto gesproken. De Heilige heeft hem twee brieven geschreven. Hij diende haar de laatste Heilige Sacramenten loe en was een der getuigen bij het proces der heiligverklaring te Venetië. âIk weet nog niet, wanneer ik komen znlschreef zij hem eens, âen ik kan nog niet bepalen, hoe lang ik zal blijven. Ik zal zoo spoedig mogelijk vertrekken. Wat het komen en gaan betreft, zal ik altijd naar den zoeten wil van God eu niet naar dien der menschen luisteren. Ik zeg aan u en aan allen, die zich over mij zoovele bezwaren in het hoofd halen, dat, zoo ik altijd reis en mij afmat ondanks mijn kwalen, God er mij toe noodzaakt voor Zijn eer en het heil der zielen. Indien de zwakken in het goede kwaad willen zoeken, kan ik het hun niet beletten, maar ik moet niet omzien en den ploeg verlaten. Mij dunkt, liet onkruid zou het goede koren verstikken, als wij op de meeningen der menschen acht sloegen.quot;
Tot de orde van den H. Johannes Gualbertus behoorde de reeds genoemde Don Johannes delle Celle da Vallombrosa. Tot lof van de Heilige schreef hij zeven brieven en list ook een beschrijving van haar reizen na. Hij verhaalde aan Barduccio Canigiani, zijn medeleering in de serafijnsche school
') 123. Brief. â O 133. Brief. 3) 6S. Briut
411
van Catharina, dat hem do glorie geopenbaard was, die zij in den hemel genoot. !) Zij heeft hem twee brieven geschreven. Do meeste volgelingen van Johannes waren tevens leerlingen van Catharina.
Toen Catharina na haar eerste bezoek te Florence van daar vertrok, verzocht zij Don Johannes voor hen, cHe aan hun beiden zoo dierbaar waren, tocli goed zorg te dragen. âIk bid u, waak over hen, die uwe kinderen en do mijne zijn, volgons de behoefte van een ieder. Voed hen en maak hen volmaakt, zooveel gij kunt. Ik sterf en ik kan niet sterven, als ik mijn Heer en Schepper hoor en zie beloedigen. Daarom vraag ik u de aalmoes uwer gebeden voor mij en voor de anderen.quot; 1) Een tweede brief aan do jongelieden zei ven had zij er bij ingesloten. Hij draagt tot opschrift: Aan eonigo jongelieden van Florence, de aangenomen zonen van Don Johannes. Het is alsof zij haar om raad gevraagd hadden bij do keuzo van oen levensstaat. â Een der beste vrienden der ziel,quot; antwoordt zij hun, âis de waarachtige gehoorzaamheid; men is nederig in zooverre men gehoorzaam is en de heilige geboden van God onderhoudt. Do ziel ontbrandt in hartstochtelijke liefde voor deze gehoorzaamheid, die in het doodon en het vernietigen van don eigen wil gelegen is. Om haar beter te beoefenen wil zij de raden van Jezus Christus naleven en hot juk dor heilige gehoorzaamheid in een goedgekeurde Orde op zich nemen. Hot is zeker, mijne kinderen, dat dit do veiligste partij is. Wij kunnen wel wijzen op tuchteloozo religiousen, die hun regel niet onderhouden, maar de regel is toch altijd goed, omdat hij door den Heiligen Geest samengesteld en gegeven is.quot; 2)
Hoe zoor Don Johannes Catharina liefhad en vereerde, blijkt zoowel uit do gulheid en welgemeendheid, waarmede hij zijn aangenomen zonen toestond zich bij haar leerlingen aan te sluiten als ook uit do uitdrukkingen, die hij mondelings en schriftelijk voor en na haren dood van haar gebruikte. Toch poogden hatelijke tongen een breuk tusschen
1
) 70. Blief.
2
s) 308. Blief.
412
beiden te bewerken. Het gerucht ging rond, dat bij baar afgevallen was. Toen bet gerucbt bet klooster van Lecceto bereikte, werd Pater Wilbelmus Fleto boven alle anderen over deze beleediging van zijn dierbare moeder vuur en vlam en zond geen maïsolie strafpredikatie aan den kluizenaar van Vallombrosa. Maar Don Jobannes was niet minder verstoord, dat iemand bem in staat achtte oen woord van afkeuring over Catbarina te uiten. Hij zond nu aan Pator Wilhelmus Flete twee ellenlange brieven om zich te rechtvaardigen.
âWat Catbarina betreft,quot; zegt bij, âzoo wil ik u mode-deelen, wat ik in het binnenste van mijn hart voor haar gevoel. Ik zie in baar den engel, die de zesde bazuin laat schallen. Ik zeg u dit alles, opdat gij zoudt weten, hoezeer ik haar liefheb en onder alle opzichten prijs; daarom verzoek ik u ook mij tot uw zoon aan te nemen, want ik weet, dat uw wil haar wil is en omgekeerd. Bovendien wil ik u een geheim medodeelen. Toen zij te Florence was, i) bevond zij zich eens in extase en werd door een jong meisje gezien. Buiten zich zelve van verwondering kwam dit meisje aangesprongen, sneed een haarlok der Heilige af en rolde ze in een stukje zijde. Ik kwam toen voor zaken te Florence en ontving van het meisje, dat mijn groote vereering voor Catbarina bemerkt had, een deel van bet haar ten geschenke. Ik was bovenmate blij mot dezen schat, kuste hom, als kwam bij uit bet paradijs, on legde hom bij mijn schoonste reliquioën.quot;
In de eenzaamheid van Lecceto schuilde een verrader. Het was zekere Johannes da Salerus, die zijn tong en pon gebruikte om Catbarina in minachting te brongen. Don Jobannes dolle Cello boort dit en terstond zet hij zich neder om in een uitvoerig schrijven zijn geliefde moeder te verdedigen.
Jobannes dolla Cello word tweemaal door Catbarina van een gevaarlijke ziekte genezen. Hij zelf beeft aan Stopbanus Maconi de omstandigbodon zijner-genezing verhaald, toon hij in de abdij van Passignani nabij bet meer van Thrasimene op sterven lag. Do Heilige Catbarina bezocht de abdij dikwijls en had onder do kluizenaars vele leerlingen; inzonderheid met den abt Don Martinus, oen vriend van Johannes dolle
') By hare eerste zending.
Cclle, stond zij in briefwisseling. Do levenswijze der monniken verschilde niet van die der Karthuizers. Ieder had zijn eigen cel met een tuintje, dat hij zei ven bebouwde. Daarom ontleende Catharina in hare brieven aan den abt hare beeldspraak heel eigenaardig aan tuinbouw en bloem-kweekerij. Zij sprak over de beste wijze om den hof der ziel te bebouwen, den grond om te spitten, onkruid en doornen uit te wieden, deugden te planten, bloemen te kweeken en vruchten te trekken. Zij schrijft als iemand, wie de woud-eenzaamheid van Vallombrosa en Passignani door en door bekend is. Zij had immers zoo dikwijls het diepe, schaduwrijke dal gezien, onder wiens loverdaken de Ellero voi.rt-ruischt. Zij heeft onder donkere dennen gewandeld, de frissche sterkende lucht ingeademd en geluisterd naar de muziek van den wind, die door de takken speelde en de kruinen deed wiegelen. Zij zag de bergen, tot den top met zware beuken begroeid, overdekt met een zacht tapijt van dorrend lover en mos. Zij zag de landouwen en weilanden, met bloemen doorvlochten, van beken doorsneden, die langs dicht, bloemrijk en wuivend gras voortkabbelden. Zij zag de zwijgende, maar opgeruimde monniken, die, gebed en handenarbeid afwisselend, hun kleinen hof bearbeidden.
De kluis van den II. Johannes Grualbertus werd door een breeden beuk overschaduwd. Deze beuk stond reeds in het volle groen voor de andere boomen in den omtrek en behield zijn bladerendos het langst. De goede monniken plachten uit du takken kleine kruisjes te snijden en die als voorwerpen van godsvrucht uit te deelen. Nu had de abt Martinus zulk een kruis aan Catharina gezonden. Zij dankt hem daarvoor aldus: â Gij hebt mij , eerwaarde Vader, een kruis gezonden, dat mij dierbaarder is dan alles wat ik heb. Ik ben getroffen over het denkbeeld , dat u bewogen heeft het mij te sturen. Gij stelt aan de oogen van mijn lichaam voor, wat altijd voor de oogen mijner ziel moest staan. Ellendige, die ik ben. Ik doe het nooit. Ik verzoek u dringend, vraag aan onzen zoeten Zaligmaker, dat ik moge veranderen. Ik wil u echter kruis voor kruis geven en noodig u uit, draag het kruis van het heilig verlangen en van de lichamelijke pijnen uit liefde tot God en voor het heil der zielen met
414
geduld.quot; i) Eenen zeer schoonen brief schreef zij ook aan de monniken van Passignano met de vermaning hunnen regel streng te onderhouden.
In het jaar 1319 hadden de gelukzalige Bernardus Tolomei eu Ambrosius Piccolomini een nieuwe kloostervereeniging met den regel van den den II. Benedictus gesticht. Zij bezaten in het Toscaansche verscheidene kloosters. Het moederhuis was op den Monte di Accona, later Olijfberg geheeten, ongeveer zestien mijlen van Siena , waarnaar de nieuwe congregatie de broederschap van den Olijfberg werd genoemd. Wij bezitten nog twaalf brieven, welke Catharina aan den generaal der nieuwe orde, aan verschillende prioren, paters en novicen geschreven heeft. Verscheidene van deze laatsten schijnen door bemiddeling van Catharina in de orde van den Olijfberg getreden te zijn. ., Ik zend u,quot; zoo schrijft zij aan den Prior van het klooster St. Benedictus voor de poort Tuft van Siena, âik zend u nog twee andere schapen; geef hun de rust uwer cellen en studeerkamers. Het zijn twee schapen. wier opvoeding u geen moeite zal kosten en die u veel vreugde en troost zullen bereiden.quot; -) Onder hen, die door Catharina in de Broederschap van den Olijfberg traden, behoorde ook een zekere Nicolaas Vanni, waarschijnlijk een zoon van den vriend der Heilige Nanni di Guida, een beroemd geneesheer uit Siena, die een leerling van Catharina geweest was. 3) De brieven aan al deze religieusen handelen over de plichten van den kloosterlijken staat, vooral weidt de Heilige breedvoerig over de gehoorzaamheid uit.
Aangelokt door de hemelsche wetenschap, die in de scliriften en in de woorden der ootmoedige maagd van Siena schitterde, hadden zich dus een menigte uitverkoren leerlingen rondom haar verzameld om hunnen dorst met de frisschc wateren harer bovenaardsche wijsheid te lesschen. Wellicht heeft de Kerk nooit zulk een school aanschouwd, die de wetenschap Gods bij een maagd gingen leeren en als het ware aan hare lippen hingen. Er was schier geen klooster
') G8. Rrief. 2) 72 Brief.
75 en 74. Brief.
1
41ó
tc Sicna of in Toscane, dat geen leerlingen tot haar zond. Tot hen behoorden vooral de monniken uit de verschillende Karthuizerkloosters in den omtrek van Siena. Dom Bartho-lomaeus Seraphinus, prior der Karthuizers ojt het eiland Gorgona, de Gelukzalige Johannes Oppizenehi, Karthuizer te Pisa , vele Camaldulensers, do abt en de religieusen van den Olijfberg b:j Siena, verscheidene eremyten van Monte-Luco bij Spoleto, en vele anderen, zoowel regulieren als seculieren , zaten aan hare voeten en luisterden leergierig naar het, éene noodzakelijke. Niemand hunner zou iets gewichtigs zonder haren raad ondernomen hebben. Ook vele leeken, brandend van het edele verlangen om de wetenschap met de godsvrucht te verbinden, schaarden zich rondom Catharina. Burgers van Siena, van Pisa, van Florence, van Lucca, van andere steden gingen er groot op door haar geleid en voorgelicht te worden. Tegenover de rationalistische richting in de wetenschap van hunnen tijd zochten zij de eerste bron van kennis niet in de rede, maar in het geloof, de liefde tot God en tot de men-schen en het gebed. Al waren allen geen uitstekende geleerden , zij waren toch uitstekende christenen.
Catharina stelde zich niet tevreden hare nederige zonen op het pad van den plicht te leiden, maar verspreidde overal met ijver het hemelsch licht barer onderwijzingen. De talrijke brieven, die zij aan personen uit alle rangen en standen schreef, handelen niet enkel over de aangelegenheden van de Kerk, maar bevatten altijd een overvloed van geestelijke leeringen. De ziel der Heilige maagd, brandend naar de liefde Gods , leeft in deze geschriften. Schoon spreekt zij over de christelijke deugden, past ze op de meest uiteenloopende omstandigheden van het leven toe en wijst iedereen met zekerheid den weg, dien hij moet volgen. Nog verrukkelijker is liet schouwspel, dat de geleerden en de machtigen der aarde hun hoofd buigen voor deze eenvoudige maagd en zich door de kracht der deugd alleen laten overwinnen. Inzonderheid de vrouwen, die bijna uitsluitend van gevoelens leven en daarom van nature tot de mystieke leer van Catharina overhelden, de vrouwen, wie de toegang tot de universiteiten ontzegd was, kwamen het eerst uit deze heldere bron putten. Tallooze moeders en dochters, verscheidene
â i
. â 9, j
J-j g
1 Mi;
'ê:
:ÃÃ
1
M ¥i 1
m â¢y
t
p;i !.'*â¢. 1
: 0 ]
i
:J| I
f 11
: n 1
t-i' ii I
n
tr
!
;
: : â gt;; â¢
i
-tit)
koninginnen, adellijke dames, prinsessen, de zusters der Derde Orde van den H. Dominicus, priorinnen en andere religieusen, allen wedijverden in liefde, eerbied en verknochtheid voor de Heilige. Doch de getrouwste van hare gezellinnen was wellicht Alessia, van Siena. Voor haar had de Heilige een grenzenlooze achting; aan haar deelde zij gansch haar leven de geheimste gunsten mede, die zij van den hemel ontving; aan haar vertrouwde zij stervende hare geestelijke kinderen toe.
Er werd niemand in geheel Toscane gevonden, die zich op een hoogere volmaaktheid toelegde en zich niet blindelings door deze arme maagd liet leiden, wier geboorte zoo nederig, wier levenswandel nog nederiger was. Velen had zij tot een leven van zelfverloochening bewogen, velen, na langdurige afdwalingen, op den weg der deugd teruggevoerd. Uit ver verwijderde streken kwamen aanzienlijke personen tot haar alleen om het geluk te smaken haar te zien, haar te hooren, haar te bewonderen.
Met welk een hemelsche liefde Catharina hare kinderen liefhad, blijkt uit het volgende gebed, dat zij voor hen stortte :
â Ik bid U, inzonderheid voor allen, die Gij mij gegeven hebt, die ik met een bijzondere teederheid bemin en die Gij met mij vereenzelvigd hebt. Want zij zullen mijn troost zijn , tot eer en glorie van Uwen naam, wanneer ik hen zie loopen op den engen weg, gestorven aan den eigen wil, gestorven aan de eigenliefde, vrij van alle oordeel, ergernis en klacht tegen den naaste. Ik smeek U, teedere Liefde, dat de duivel niemand hunner aan mijn handen ontrukke, maar dat allen komen tot U, o Vader, tot U. hun eeuwisr doel.quot;
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Catharina strijdt voor Paus eu Kerk tegeu de Westersclie scheuring.
Ik bid ii, broeders, bij den naam onzes Ileeren Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt, en dat er niet onder u scheuringen zijn, maar gij volmaakt zijt in denzelfden zin en in hetzelfde gevoelen.
I Cor. 1.
lieer, werp de blikken Uwer barmhartigheid op Uw volk en o)gt; het geheimzinnig lichaam van de II. Kerk. Ik bezweer TT, onuitsprekelijke liefde, wreek U op mij en heb erbarmen met Uw volk.
Samenspr. c. 13.
1378.
M
Tl aar aanleiding der pauskeuze van Urbanus VI ontstond
JY heillooze scheuring in liet Westen. De 'oorzaken lagen evenwel veel dieper. Catharina stelde in deze keuze zeer veel belang, daar het lot der Kerk en van Italië er van afhing. Of de Paus Franschman dan wel Italiaan was, daarom bekommerde zij zich weinig; zij verlangde alleen, dat hij deugd, voorzichtigheid en karaktervastheid bezat om den Heiligen Stoel te bevestigen en aan de hervorming der zeden ernstig te arbeiden. De kardinalen kenden deze gevoelens van Catharina zeer goed.
Hoe Catharina over Paus Urbanus VI dacht, hoe zacht, maar beslist zij hem den weg van liefde en voorzichtigheid aanwees, hebben wij reeds gehoord. In een brief aan kardinaal Petrus de Lima spoort zij dezen aan den Paus in de hervorming der Kerk te ondersteunen, doch tevens te over-
418
reden met gematigdheid en berekening voort te gaan. ') Voor het overige stelde zij al hare hoop op den nieuwen Paus, droeg hem een oprechten eerbied toe, beminde hem en verdedigde hem uit al hare krachten. Zij erkende zijn deugden, maar was niet blind voor zijn fouten, noemde hem een man, rechtvaardig en vol ijver voor de eer van God, maar vermaant hem ook met eerbied zijn driftige natuur te bedwingen, de scherpe kanten van zijn inborst af te slijpen en zijn ingeboren barsehheid met de olie der liefde te verzachten. Zij schreef hem tamelijk duidelijk: âDoe alles met orde en maat, want zonder orde en zonder maat bederft men meer dan men opbouwt; handel met welwillendheid en een rustig gemoed. Breidel een weinig, uit liefde tot den ge-kruisten Jezus, de al te voortvarende neigingen uwer natuur. -) De wijze woorden van de Heilige konden de driftige en harde natuur van Urban us niet verzachten. Spoedig waren de gemoederen der kardinalen door zijn openlijke berispingen en strenge maatregelen van hem vervreemd, hem vijandig. Onder voorwendsel, dat de zomerhitte te Rome ondragelijk was , gingen zij naar Tondi in het koninkrijk Napels en kozen er na verschillende kuiperijen eenen tegenpaus den 20. Sept. 1378 onder de bescherming van den graaf Horatius Gaëtano en koningin Johanna van Napels. Het was kardinaal Robert, graaf van Geneve, bisschop van Cambray, verwant of bevriend met de meeste Europeesche vorsten, eerzuchtig en pracht-lievend, een man met een zeer ruim geweten, die beter de strijdkolf dan den kromstaf kon hanteeren.
Deze heiligschendende keuze was het begin der rampspoedige Westersche scheuring. De oorzaken waren echter dieper, veelvuldiger, meer verwijderd. Catharina geeft ze duidelijk op verschillende plaatsen in haar brieven aan. De scheuring volgde uit het verblijf der Pausen te Avignon. Deze ballingschap was de ondergang van Italië. De invloed en de waardigheid der Kerk en van hare bedienaren hadden daardoor geleden. De meeste kardinalen waren Franschen; zij wilden liet verkregen overwicht zooveel mogelijk behouden.
') 25. Brief. 21. Bi-iel'.
419
Zij zochten een paus, die hun de zoetheden van hun vaderland teruggaf. Daarbij kwam het streven der Fransche koningen, vooral van Filips den Schoone, om het Pausschap van zich afhankelijk te maken. Voeg daarbij de persoonlijke hartstochten der afvallige kardinalen, hoogmoed, hebzucht, zinnelijkheid, die door den rechtzinnigen Urbanus zich diep gekrenkt en vernederd gevoelden, dit niet konden verduwen, geen schuld wilden bekennen, zich niet wilden verbeteren. Alwie kwaad doet, haat het licht, en komt niet tot het licht, opdat zijne werken niet gestraft worden. (Joh. III),
Catharina had reeds de eerste geschillen tusschen den Paus en zijn kardinalen vernomen; zij zag de scheuring dreigend naderen. Den 18 Sept. 1378 schreef zij aan Paus Urbanus om hem in den strijd te versterken: âDe kommer dien gij lijdt, zal voor u zeer zoet en kostelijk worden. Den last, die u loodzwaar neerdrukt, zal de liefde u licht maken. O heilige en zoete Vader, ik bid u, grijp het staal van den haat der ondeugd en der liefde tot de deugd; het oogenblik is gekomen om het uit de schede te trekken. Helaas, helaas, helaas, mijn zoete Vader, in lijden, in smart, in bitterheid, in wee schrijf ik u dit. Waarheen ik mij ook wend, ik weet niet, waar mijn hoofd zal uitrusten. Laat op uwe borst de parel van de heilige rechtvaardigheid schitteren zonder eenige vrees en met een hart van een man.... Indien Grod voor ons is , zal niemand tegen ons zijn. Ik zou niet meer willen spreken, maar op het slagveld zijn, alle lasten willen dragen en strijden met u tot den dood, voor de waarheid, voor de glorie, voor de eer van God en de hervorming van de Heilige Kerk.quot; 1)
De voorzichtige maagd meende, dat het krachtigste middel om de verdeeldheden en de dreigende scheuring weg te nemen was den ijver voor den kruistocht te verlevendigen. In dien geest schreef zij aan de kardinalen Jacobus Orsini en Petrus Corsini van Florence,
âIk wensch, dat gij een vaste en onschokbare zuil zijt,in den hof der Heilige Kerk geplaatst, om aan de tegenwinden te weerstaan, die van alle zijden waaien. Beijvert u, zooveel
1
, 17. Brief.
420
gij kunt. met uwen beminden Gezalfde op aarde om goede herders en goede leermeesters aan te stellen. Bidt hein. dat hij zich haaste om den standaard van het heilig kruis te verheffen. Vreest geen oorlog, geen opstand, maar handelt met moed, want dit zal het middel zijn om tot den vrede te komen.quot; !)
â Strijd met een onverwinbare vasthoudendheid in het lichaam van de Heilige Kerk tot den dood, verkondig en zeg altijd de waarheid door uwe raadgevingen en door alle middelen, welke in uwe macht zijn, zonder eenige vrees, en zoek alleen de eer van God en de verheffing van de Heilige Kerk als de waarachtige en welbeminde zoon van deze zoete moeder.quot; -)
Vervolgens wendde zich Catharina tot kardinaal Petrus de Luna.
âMij dunkt, ik heb hoor en zeggen, dat cr verdeeldheid tusschen den Gezalfde op aarde en zijn leerlingen gerezen is. Ik gevoel daarover een onuitsprekelijke smart enkel uit vrees voor de dwaling. Ik vrees, dat zij komt ter oorzake mijner zonden, en ik bezweer u bij liet glorievolle en kostbare Bloed, dat met zulk een vurige liefde vergoten is, verlaat nooit de deugd noch uw Opperhoofd. Helaas, wat is mijn ziel te beklagen! Al liet andere, oorlog, schande eu wederwaardigheden, schijnen mij slechts kaf en schaduw toe in vergelijking met deze scheuring. Ik, ik verzeker u, ik sidder enkel bij deze gedachte, vooral sedert dat iemand mij medegedeeld heeft, dat deze zaak ernstiger en gevaarlijker was dan de oorlog zelf. Ik zeg u, dat liet haar toescheen, alsof het hart en het leven haar begaven. Zij riep de goddelijke barmhartigheid aan en smeekte tot haar, dat zij zoovele rampen zoude voorkomen, en zij wenschte, dat haar lichaam zijn bloed zoude storten door het geweld van haar heilig verlangen; het scheen haar toe, dat een gewoon zweet niet voldoende was; zij had een zweet van bloed gewild en zij was tevreden geweest, wanneer zij haar lichaam verbrijzeld had gezien.quot; 3)
0 28 Brief. -) 29. Brief. 2G. Brief.
421
Maar hoewel Catharina de kardinalen aanwakkerde om Urbanus trouw te blijven, hoewel zij hen door de overweging van de eeuwige waarheden hoven de ijdelheid der aardsche goederen en onwettig verkregen waardigheden trachtte te verheffen, hoewel zij poogde hen te overtuigen, dat het opper-priesterschap voor de heiligmaking der gansche Christenheid, niet voor de eerzucht en willekeur van enkelen is ingesteld, bekreunden zij zich niet om haar zuivere bedoelingen en sloegen haar ernstige waarschuwingen in den wind. Wel benoemde Urbanus op den 18 September, twee dagen voor de keuze van den tegenpaus Clemens, zes en twintig nieuwe kardinalen, doch de nieuwgekozenen waren machteloos en de meesten van hen gingen spoedig gelijk hun voorgangers den doolweg op. Van daar schreef Catharina aan Urbanus; âDe oude planten waren vergrijsd in de ondeugden, maar de nieuwe plantan, welke deze ondeugden door hun deugd moesten beschamen, beginnen zich te ontwikkelen en dezelfde verschijnselen te vertoonen.quot; ^
De Heilige had drie jaren te voren een openbaring van de scheuring ontvangen. Zij overviel haar dus niet. Toch gevoelde zij een onbeschrijfelijke smart, toen zij te Siena de benoeming van den tegenpaus Clemens vernam. Zij doorzag de rampen, welke over de Kerk zouden komen, maar liet zicli niet ontmoedigen. Haar groote ziel, wars van alle vrees, geoefend voor deu strijd, wist zich boven iederen rampspoed te verheffen. Zonder tijdverlies schreef zij ö Oct. 1378 aan Paus Urbanus om hem op te beuren en aan te moedigen;
âSchep moed on word gelijk aan uw hoofd, den zoeten Jezus, die altijd sedert het begin der wereld tot het einde gewild heeft en zal willen, dat er niets groots tot stand komt zonder veel lijden. Werp u dus zonder vrees in het midden der doornen met liet machtige kleed der liefde. Hel; las, helaas, laat u door de moeilijkheid niet terughouden , bekommer u niet over het leven des lichaams, vrees niet het te zullen verliezen, want God is voor u; en zoo het nuttig is ons leven te offeren, moeten wij het met blijdschap doen. ik belijd en ik loochen het niet, dat gij de Plaatsbekleeder
') 21. Biief,
422
van Christus zijt, dat gij de sleutels draagt van de voorraadkamer der Heilige Kerk, waar zich het Bloed van het Lam zonder vlek bevindt, en dat gij er de bedienaar van zijt, ondanks hen, die het tegendeel beweren en tot schande der leugenaars, die God door de zoete waarheid , welke voor uw zoete Bruid is, zal beschamen.
Ik, de slavin, door liet Bloed van den Christus vrijgekocht , ik en allen, die God mij gegeven heeft om hen te beminnen on die Hij mij heeft toevertrouwd, wij zijn allen bereid ons leven voor de waarheid te offeren; wij zijn allen bereid aan uwe Heiligheid te gehoorzamen en voor haar te lijden tot den dood door u met het heilige wapen des gebeds te helpen, door de waarheid te verspreiden en te verkondigen overal, waar het de zoete wil van God en van uwe Heiligheid zal verlangen.
Allerheiligste Vader, behalve de hoop, welke gij op uwen Schepper gesteld hebt en op Hem stellen zult, vraag ik u, voor zoover ik het weet en ik het kan, laat uw persoon goed bewaken, want wij moeten zoo handelen, dat wij God niet beproeven en tevens niets verzuimen van hetgeen wij doen moeten. Ik wil, dat gij alle mogelijke veiligheidsmaatregelen neemt voor uw behoud, want ik weet, dat booze lieden, die de wereld en zich zeiven beminnen, niet slapen, en dat zij zoeken u strikken te spannen om u van het leven te berooven. Maar de zoete en onuitsprekelijke goedheid Gods heeft hunne boosheid voorkomen en zal ze voorkomen; Hij zal over de noodwendigheden van Zijne Bruid waken. Ik zal niet gerust zijn, tot ik persoonlijk met u kan spreken , tot ik in tegenwoordigheid van uwe Heiligheid zal zijn; ik wil mijn bloed, mijn leven geven, ik wil het merg mijner beenderen doen smelten voor de Heilige Kerk, schoon ik het, ik beken het, onwaardig ben.quot; !)
Van den eenen kant moedigde Catharina Paus ürbanus aan om onverschrokken den naderenden strijd te gemoet te trekken, en van de andere zijde arbeidde zij uit al haar vermogen om hen, die do scheuring ondersteunden, te bestrijden. Zij wist, dat zij vóór alles den steun der vorsten aan de
') 18. Brief.
423
so.heuring moest onttrekken ; daarom trachtte zij hen voor de gehoorzaamheid aan den wettigen Paus te winnen. Hadden sommige vorsten (van Frankrijk, Duitschland, Napels) niet uit eigenbelang de scheuring met geld, met troepen, met hun gezag en invloed gesteund , zij zoude spoedig opgehouden hebben. De voornaamste van hen was Johanna, koningin van Napels. Catharina schreef haar den 7 October 1378 uit Siena een uitvoerigen brief om haar tot de gehoorzaamheid aan den wettigen Paus terug te brengen. !)
Terwijl Catharina deze brieven schreef, ontving zij van Paus Urbanus het bevel om naar Rome te komen. Ray-mundus van Capna, de trouwe verdediger des Pausen, bracht het haar over. Urbanus had haar te Avignon leeren kennen en achtte hare wijsheid cn deugd zeer hoog om hem te steunen en een einde aan de scheuring te maken. Catharina antwoordde met hare gewone voorzichtigheid; âVader, vele lieden te Siena en zelfs sommige van de Zusters vinden, dat ik te veel reis. Zij zijn daarover geërgerd en zeggen, dat een religieuse niet altijd langs de straat moet loopen. Ik geloof, dat ik mij over deze verwijten niet ongerust behoef te maken, want ik heb inderdaad nooit een reis ondernomen zonder hut bevel van God of van zijn Plaatsbekleeder en dan nog alleen voor het heil der zielen. Om evenwel iedere ergernis te vermijden , was mijn plan mijn geboortestad niet meer te verlaten. Wenscht het echter de Plaatsbekleeder van Christus , dan moet zijn wil geschieden. In dit geval verzoek ik u alleen mij een schriftelijk bevel te sturen; dan kunnen zij , die klagen , zien en voelen, dat ik deze reis niet uit eigen beweging ondernomen heb.quot; -)
Raymundus deelde dit antwoord nederig aan den Paus mede. Deze droeg hem op Catharina in naam der heilige gehoorzaamheid te gebieden naar Rome te komen. Zij deed dit terstond.
Men ziet het bij alle gelegenheden: Catharina verlaat hare eenzaamheid alleen uit gehoorzaamheid, wanneer de wil van God of van Zijn Plaatsbekleeder bet vordert. Gehoorzaamheid was haar beter dan oflerhande.
') 315. Brief. â ) Legend. Ill, I.
DERTIENDE HOOFDSTUK. Cathariua komt te Home.
Ook waren alle de geloovigen vereenigd en luidden alles gemeenschappelijk. Zij namen spijze in verheuging en blijdschap des harten, te zamen God lovende j en genade hebbende bij al het volk.
Handel. II.
Hij, die alles verlaten heeft voor Mij, vindt alles in Mij terug. De nederigheid , die hem doet dienen , is de oorzaak van zijn macht. Een sterke hoop, een levendig geloof hechten hem aan Mij.
Samenspr. c. 141.
1378.
T
I n de tweede helft van November begaf Catbarina zich
C^op weg naar Rome. liet laatst vaarwel aan haar eigen huis, aan haar geliefde geboortestad, toen zij met haar klein gezelschap de Porta Roinana uittrad, zal Laar wel een traan gekost hebben. Haar weg liep over Asciano, langs het groote klooster van den Olijfberg, waar zij onder de Broeders zoovele leerlingen telde, door het dal van de Orcia, hetwelk duizende troostrijke en dierbare herinneringen in haar moest opwekken. Is zij wellicht op de steile helling van den Radi-cofani blijven stilstaan om een laatsten afscheidsblik op het ver verwijderde Siona te werpen? Zij, die weten, hoe alle edele, teederc en natuurlijke gevoelens in de harten der Heiligen wonen, zullen hieraan niet twijfelen. Zij kunnen begrijpen, wat het vrouwelijk gemoed van Catbarina gevoelde, toen zij met volkomen zelfbeheersching en ofï'crwil-ligheid baren weg vervolgde.
Zij bereikte haar bestemming op don eersten Zondag van den Advent, den 28 November. Haar gezelschap bestond uit vijf en twintig personen. Onder ben behoorden Lisa, Alessia, Cella en drie andere Zusters, Johannes dï Capo en als secretaris Ser Neri di Landoccio en Barduggio Canigiani. Stephanus Maconi werd door familiezaken te Siena teruggehouden. Moeder Lapa kwam uit Florence over en sloot zich te Rome bij hare dochter aan. Catharina woonde eerst in de Rione di Colonna. Vandaar nam zij haar intrek in een huis tusschen de kerk della Minerva en het Campo di Fiore, in de Via di Papa gelegen. !)
De Heilige en hare gezellen schijnen gemeenschappelijk van aalmoezen geleefd te hebben. Zij maakten zich vrijwillig tot armen der goddelijke Voorzienigheid en wilden liever met de Heilige aalmoezen vragen dan in overvloed te huis te leven, maar van haar vromen en aangenamen omgang verstoken te zijn. 1)
Laudo Ungaro, een burger van Siena, door het bestuur der Republiek in dezen tijd naar Rome gezonden, schrijft: â Monna Lapa's Catharina is hier aangekomen, en onze Heer, de Paus, heeft haar gezien en gesprokén; ik kan niet zeggen, wat hij met haar verhandeld heeft, maar ik weet, dat hij zich zeer verheugd heeft haar te zien. '
Zij werd inderdaad terstond na hare aankomst bij den Heiligen Vader ontboden. Hij was zeer blijde haar te zien en wilde, dat zij een welgemeend woord tot de kardinalen , vooral over de opkomende scheuring, zoude spreken. Zij deed het grondig en uitvoerig, vermaande ieder van ben tot kracht en standvastigheid , toonde aan , dat de \ oorzienigheid over allen waakt, maar vooral over hen, die voor de Kerk lijden, en besloot, dat de scheuring niemand moest ontmoedigen , maar dat zij Gods wil volbrengen en niemand vreezen moesten. Nalat zij geëindigd had, vatte de Paus hare woorden nogmaals samen en zeide tot de kardinalen : ., Deze zwakke vrouw beschaamt ons. Ik noem haar een zwakke vrouw, niet uit verachting, maar om haar kunne; zij moest vreezen
1
) Legend. Ill, 1.
426
ook dan, wanneer wij gerust zouden zijn. En toch, waar wij vreezen , is zij gerust en moedigt ons aan. Is dit voor ons niet een groote reden tot beschaming?quot;
Urbauus beval Catharina in de bescherming van God aan en schonk haar en de haren vele geestelijke gunsten, i)
Bij de raadgevingen, welke Catharina in deze omstandigheden aan den Paus gaf, bleef zij steeds aan de beginselen getrouw, welke zij in liet geschil met Florence onveranderlijk verdedigd had. Evenals Gregorius, zoo zocht zij ook Urbanus te overtuigen, dat de Stedehouder van Jezus Christus door geen andere wapenen over zijn vijanden moet zegevieren dan door het geduld en de liefde. Hare bewondering voor de zuivere meening van den Paus, voor zijn onomkoopbaarheid en belangeloosheid, haar overeenstemming met zijn streven om de bestaande misbruiken uit te roeien maakten haar evenwel niet blind voor de scherpe en hoekige kanten van zijn karakter, die dikwijls zijn ijverigste pogingen verijdelden. Zij had bemerkt, dat de zachte wenken, welke zij hem had gegeven, zonder uitwerking bleven. Nu nam zij een beminnelijk middel te baat om hem te overtuigen, dat hij de bitterheid van zijn ijver eenigszins verzoeten moest. In den Kersttijd namelijk zond zij hem een kleine versnapering en wel vijf oranjeappelen , eigenhandig door haar in suiker ge-confijt en verguld. Zij voegde er een brief bij. -) Zij wilde te kennen geven: Door liet confijten wordt de bitterheid van den oranjeappel weggenomen. Zoo moet de Paus de scherpheid van zijn karakter door liefde en ged.üd verzachten.
\ast overtuigd, dat het bestuur der Kerk in dit beslissend oogenblik voor alles den raad en den steun van alle ware dienaren Grods noodig had, sloeg Catharina aan Urbanus voor om een aantal mannen van onberispelijke vroomheid en deugd naar Rome te ontbieden. Door hun wijsheid en voorbeeld zouden zij de Kerk steunen en voorlichten. De Paus willigde dit voorstel in. Bij breve van den 13 December t 1318 ontbood hij verscheidene beproefde en voorzichtige
Legend. Ill, 1.
2) 19. Brief.
mannen naar Rome i) Catharina ondersteunde de nitnoo-diging van den Paus met eenige brieven en vorderde van deze voortreffelijke mannen, dat zij , naar hot voorbeeld der oude kluizenaars, hun vrederijke eenzaamheid opoü'eren en de lijdende Kerk te hulp snellen zouden.
Zij vond juist daar tegenstand, waar men hem het minst verwacht zoude hebben. Pater Willem Flete en Broeder Antonius, hare twee leerlingen van Lecceto, weigerden hun eenzaamheid te verlaten. Terstond schreef Catharina twee brieven om hen van besluit te doen veranderen. Hare bemoeiingen waren niet vruchteloos.
Het schijnt ons vreemd toe op doze wijze de scheuring te bestrijden. Maar Catharina wilde vooral door de hulp van God en door do deugd overwinnen en geen andere middelen gebruiken. Niet alleen steunde zij in dezen op de dienaren Gods, die zij naar Rome riep, maar zij schreef ook aan hare geestelijke dochters en aan de Zusters van verschillende kloosters en verzocht haar de waarheid, die zij door hnre daden niet konden verdedigen, door hare gebeden te beschermen.
âWij moeten altijd bidden,quot; zeide zij aan Zuster Daniëla van Orviëto, âmaar gij noch iemand anders hebt ooit een tijd gezien, waarop dit meer noodzakelijk is. O mijne dochter, beschouw met smart en kommer de duisternissen, die over de Heilige Kerk zijn neergevallen. Menschelijke hulp schijnt ons te ontbreken ; gij en de andere dienaren en dienaressen van God, gij moet dus Zijne hulp afsmeeken. Het is tijd om te waken en niet om te slapen, om de vijanden uiteen te slaan door nachtwaken , door tranen, door zweet, door smartelijke en teedere verzuchtingen, door een ootmoedig en aanhoudend gebed.quot; 2)
Datzelfde schreef zij aan Joannes van Capua en aan Fran-cisca 3) en aan Catharina della Spedaluccio. -t)
Onmogelijk kunnen wij weergeven, wat er in de vurige
') 54, 71 , 127, 130, 135. Brief.
'*) 1()4 Brief.
â¢') 172. Brief.
â¦) 174. Brief.
426
ook clan, wanneer wij gerust zouden zijn. En toch, waar wij vreezen , is zij gerust en moedigt ons aan. Is dit voor ons niet een groote reden tot beschaming?quot;
Urbanus beval Catharina in de bescherming van God aan en schonk haar en de haren vele geestelijke gunsten. !)
liij de raadgevingen, welke Catharina in deze omstandigheden aar. den Paus gaf, bleef zij steeds aan de beginselen getrouw, welke zij in het geschil met Florence onveranderlijk verdedigd had. Evenals Gregorius, zoo zocht zij ook Urbanus te overtuigen, dat de Stedehouder van Jezus Christus door geen andere wapenen over zijn vijanden moet zegevieren dan door liet geduld en de liefde. Plare bewondering voor de zuivere meening van den Paus, voor zijn onomkoopbaarheid en belangeloosheid, haar overeenstemming met zijn streven om de bestaande misbruiken uit te roeien maakten haar evenwel niet blind voor de scherpe en hoekige kanten van zijn karakter, die dikwijls zijn ijverigste pogingen verijdelden. Zij had bemerkt, dat de zachte wenken, welke zij hem had gegeven, zonder uitwerking bleven. Nu nam zij een beminnelijk middel te baat om hem te overtuigen, dat hij de bitterheid van zijn ijver eenigszins verzoeten moest. In den Kersttijd namelijk zond zij hem een kleine versnapering en wel vijf oranjeappelen , eigenhandig door haar in suiker gekonfijt en verguld. Zij voegde er een brief bij. -) Zij wilde te kennen geven: Door het confijten wordt do bitterheid van den oranjeappel weggenomen. Zoo moet de Paus de scherpheid van zijn karakter door liefde en geduld verzachten.
\ast overtuigd, dat het bestuur der Kerk in dit beslissend oogenblik voor alles den raad en den steun van alle ware dienaren Gods noodig had, sloeg Catharina aan Urbanus voor om een aantal mannen van onberispelijke vroomheid en deugd naar Rome te ontbieden. Door hun wijsheid en voorbeeld zouden zij de Kerk steunen en voorlichten. De Paus willigde dit voorstel in. Bij breve van den 13 December _ 137S ontbood hij verscheidene beproefde en voorzichtige
O Legend. UI, 1. 2) 19. Brief.
427
mannen naar Rome. !) Catharina ondersteunde de uitnoo-diging van den Paus met eenige brieven en vorderde van deze voortreffelijke mannen, dat zij , naar liet voorbeeld der oude kluizenaars, hun vrederijke eenzaamheid opofferen en de lijdende Kerk te hulp snellen zouden.
Zij vond juist daar tegenstand, waar men hem het minst verwacht zoude hebben. Pater Willem Flete en Broeder Antonius, hare twee leerlingen van Lecceto, weigerden hun eenzaamheid te verlaten. Terstond schreef Catharina twee brieven om hen van besluit te doen veranderen. Hare bemoeiingen waren niet vruchteloos.
Het schijnt ons vreemd toe op deze wijze de scheuring te bestrijden. Maar Catharina wilde vooral door de hulp van God en door de deugd overwinnen en geen andere middelen gebruiken. Xiet alleen steunde zij in dezen op de dienaren Gods, ilie zij naar Rome riep , maar zij schreef ook aan hare geestelijke dochters en aan de Zusters van verschillende kloosters en verzocht haar de waarheid, die zij door hare daden niet konden verdedigen, door hare gebeden te beschermen.
âWij moeten altijd biddenzeide zij aan Zuster Daniëla van Orviëto, âmaar gij noch iemand anders hebt ooit een tijd gezien, waarop dit meer noodzakelijk is. O mijne dochter, beschouw met smart en kommer de duisternissen, die over de Heilige Kerk zijn neergevallen. Menschelijke hulp schijnt ons te ontbreken ; gij en de andere dienaren en dienaressen van God, gij moet dus Zijne hulp afsmeeken. Het is tijd om te waken en niet om te slapen, om de vijanden uiteen te slaan door nachtwaken, door tranen, door zweet, door smartelijke en teedere verzuchtingen, door een ootmoedig en aanhoudend gebed.quot; -)
Datzelfde schreef zij aan Joannes van Capua en aan Fran-cisca 1) en aan Catharina della Spedaluccio. -t)
Onmogelijk kunnen wij weergeven, wat er in de vurige
1
17-2. Brief.
4) 174. Brief.
428
ziel van Catharhia omging, toen zij zich in de Eeuwige Stad be-» ond, waar iedere steen tot hart en geest spreekt, waar iedere schrede op de herinnering aan wonderbare feiten stuit, waar alles de glorie van liet Christendom getuigt. âHet bloed van de glorierijke martelaren schreef zij aan Stephanus Maconi, âwier lichamen hier, te Rome, rusten, die met zooveel vuur hun bloed en hun leven hebben geofferd, dit bloed kookt nog om u uit te noodigen, u en al de anderen, om naar dezen heiligen bodem te komen.quot; 1)
le Rome schitterde de deugd van Catharina mot nieuwen glans. Zij leefde er wel is waar zeer sober en verborgen; toch ging de faam barer heiligheid en wonderen door de ganscbe stad. Zij en hare leerlingen moesten een levend getuigenis van de christelijke volmaaktheid zijn en een welsprekend verwijt \ooi hen, die zich door hun driften lieten beheerschen. Niet alleen zij zelve, maar .allen, die haar gevolgd waren, gaven bet ongekende voorbeeld van zich volkomen door de vrijwillige armoede aan de goddelijke Voorzienigheid over te geven. Zij wilden liever mot de ootmoedige maagd gaan bedelen dan ver van haar in weelde en rijkdom zich baden. Raynmndus van Capua bericht ons hierover:
âIn den tijd, toen zij te Rome in de Rione di Colonna woonde, had zij een groot aantal van haar geestelijke zonen en dochters bij zich. Dezen waren haar uit Toscane bijna tegen haren wil gevolgd, deels om een bedevaart te doen en de heilige plaatsen te bezoeken, deels om van den Heiligen \ ader geestelijke gunsten te vragen, allen echter om de zoetheid des omgangs met Catharina te genieten. Bovendien had de Heilige Vader op haren raad een groot getal andere dienaren van God naai Rome ontboden, die zij allen, uit groote neiging tot gastvrijheid, in haar huis opnam. Want zij was altijd bereid zoowel honderd als eenen pelgrim op te nemen, schoon zij noch grondbezit, noch goud, noch zilver bezat en met de haren van dagelijksche aalmoezen leefde, uitsluitend door het volle vertrouwen op God, dat Zijne vrijgevigheid zonder twijfel voor al het noodige zorgen zoude. Het kleinste getal van hen, die destijds in haar huis woonden, was
') 2C2. Brief.
429
zestien mannen en acht vrouwen; soms klom hun aantal tot dertig en zelfs tot veertig. Zij had in hare huishouding ingevoerd, dat iedere Zuster op de beurt gedurende een week de huishouding moest waarnemen, terwijl de anderen verlof hadden de godsdienstoefeningen bij te wonen of hun bedevaart te doen of voor andere zaken te zorgen, waarvoor zij naar Eome gekomen waren, i)
Het gebeurde nu, dat deze verplichting op Johanna van Capua rustte. Catharina had bepaald, dat de Zuster, welke de beurt had, haar daags te voren zou waarschuwen, als het noodige brood niet voorhanden was, opdat zij , Catharina, dan iemand uitsturen of zelve gaan kon om het in te zamelen. Maar Johanna vergat deze bepaling en op het uur van den maaltijd was er slechts voor vier personen brood in huis. Johanna ijlde beschaamd en treurig naar Catharina en deelde hare verlegenheid mede. God moge u vergeven, antwoordde deze, dat gij ons in deze verlegenheid gebracht hebt ondanks de door mij genomen maatregelen. Gij ziet, dat ons gansche huisgezin honger hoeft, want het is reeds laat. Waar zullen wij nu brood krijgen voor hen allen? Laat de dienaren van God aan tafel gaan; laat zij met het weinige beginnen, God zal voor het overige zorgen. Na deze woorden begon zij te bidden.
Johanna deed, gelijk haar bevolen was, en verdeelde het weinige brood onder de gasten. Door het lange vasten, wat de meesten van hen onderhielden, zeer hongerig geworden , vonden zij het hun toegeschoven deel zeer klein en onvoldoende. Maar met welk een gezonden eetlust zij ook aten, er bleef altijd nog iets op de tafel. Allen waren zeer verwonderd en vroegen aan elkander, wat Catharina toch deed. Toen zij echter hoorden, dat zij bad, zeiden de zestien personen , die aan tafel waren, eenstemmig: Haar gebed heeft ons brood van den hemel gebracht; wij zijn allen verzadigd, en het weinige, dat ons voorgezet werd, is eerder vermeerderd dan verminderd. Xa den maaltijd bleef er nog brood genoeg over om alle Zusters, die in huis waren, te verzadigen en rijkelijk onder de armen te verdeden.quot; -)
') Legend. 11, U. Ibidem.
430
Lisa on Johanna van Capua, die getuigen van dit wonder waren , verhaalden aan Raymundus van Capua, dat de Heilige in de lente van hetzelfde jaar 1379 een soortgelijk wonder verrichtte. !)
') Legend. 1. c.
i 1
'yA
VEERTIENDE HOOFDSTUK. Cathariua, een zuil der Kerk.
Alles, wat uit God geboren is. ovonvint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, ons geloof. I. Joh. V.
Ik l.id ii, wees een znil in de Heilige Kerk om deze Bruid vsm God te ondersteunen. 85. Brief.
1378â1379.
â¢j
y.:» %
r;:
11
,t4!| jï:-
lli'
â iij
et denkbeeld der Heilige om door de liefde over de scheuring te zegevieren was edel en grootsch. Tegenover den haat en het eigenbelang der scheurmakers stelde zij de liefde en de offervaardigheid der Katholieken. Ongelukkig ondervond zij, wat alle groote geesten ondervonden hebben: zij was te ver boven haren tijd verheven; de grootheid van hare denkbeelden en gevoelens werd door hare kleingeestige tegenstanders deels uit onwetendheid, deels uit hartstocht niet begrepen.
\\ anneer de Heilige in de moeilijkste omstandigheden haren raad gaf, had zij altijd die vastheid van oordeel, zonder welke men niet waarlijk groot kan zijn. De macht om groote dingen te volvoeren vloeit deels uit de bovennatuurlijke hulp van God, deels uit de diep gewortelde overtuiging voort, dat het werk, waaraan men zich wijdt, goed is. Zoo Catharina een onderneming rijpelijk overwoog, voor zij zich daarover uitsprak, zij beminde ze hartstochtelijk en verdedigde ze onverschrokken, zoodra zij van do deugdelijkheid en de waarheid barer zaak zeker was. Met haar doordringend verstand en energiek gemoed kon zij niet in twijfelingen en
11
â g.l
11
ï: i
:Ãquot; I
1
. ï'v
432
onzekerheden, die de kracht van handelen ontnemen, wegkwijnen. Wat nu de scheuring betreft, zij was ten volle overtuigd, dat de keuze van Urbanus geldig en die van Clemens onwettig was. Daarom was de eerste voor haar de wettige Paus, maar de laatste niets dan een antichrist. Nooit rees er daarover bij haar eenigen twijfel; nooit dacht zij aan schipperen tusschen de twee tegenstanders. En die onwrikbare vastheid rustte op degelijke grondslagen. Wij spreken hier niet van hetgeen zij door bovennatuurlijke openbaring wist; zij had door eigen waarneming en onderzoek zekere bewijzen, dat Urbanus de ware Paus was. Onverwinbaar door de wondervolle kracht van hare ziel, begon zij dezen Opperpriester met al de hulpmiddelen van haren geest te verdedigen. Er moest zonder dralen gehandeld worden. Haar vurige ijver kwam. niet alleen uit hare brandende liefde tot God voort, maar ook uit het doorzicht en de wijsheid, waarmede zij de toekomst doorschouwde.
Gedurende haar verblijf in de Eeuwige Stad leefde de Heilige dus niet enkel van gebed en beschouwing. Met voorzichtigheid onderzocht zij den toestand der Kerk en trachtte spoedig redmiddelen tegen de voortwoekerende kwalen aan te brengen. Onophoudelijk hield zij Urbanus voor, dat hij minder om Clemens en zijn kardinalen dan wel om Johanna, koningin van Napels, en Karei, koning van Frankrijk, bezorgd moest zijn. Zij nam het wijze besluit zich rechtstreeks tot de voornaamste beschermers van de scheuring te wenden en spande al haar krachten in om hen tot de gehoorzaamheid aan den waren Paus terug te brengen. Persoonlijk wilde zij zich tot koningin Johanna begeven. Urbanus keurde dit plan goed. Een andere Heilige, Catha-rina van Zweden, dochter van de Heilige Brigitta, zoude haar begeleiden. Maar de meer schroomvallige Catharina van Zweden durfde zulk een stout bestaan niet en weigerde beslist. Raymundus van Capua was tegen het voornemen van Catharina van Siena. Hij ging dan tot Paus Urbanus en deelde hem zijn bedenkingen, maar tevens de volkomen onderwerping der beide Heiligen mede. Na een kort nadenken antwoordde Urbanus: âGij hebt gelijk, het is beter dat zij niet gaan.quot;
Catharina gehoorzaamde aan den Paus. Zij antwoordde evenwel aan Pater Raymundus ⢠â Indien St. Agnes en St. Margaretha en vele andere maagden zoo gedacht hadden, zouden zij den palm van liet martelaarschap nooit verworven hebben. Hebben wij dan geen Bruidegom, die ons uit de handen der boozen kan bevrijden en onze maagden kan beschermen zelfs te midden van een hoop lieden zonder schaamte? Volgens mijn oordeel komen deze dingen meer uit gebrek aan geloof dan uit waarachtige voorzichtigheid voort.quot; i) Terstond voert zij schriftelijk uit, wat zij mondelings niet had kunnen doen. De brief, welken zij aan de koningin richtte, openbaart ons al de gevoelens, die haar vervulden. Van de eene zijde gevoelde zij een lievige droefheid over de scheuring en haar rampspoedige gevolgen; van den anderen kant zag zij de koningin, die zich aan de gehoorzaamheid van Christus' Plaatsbekleeder onttrok, in groot gevaar. Terwijl zij aan Johanna de onverzettelijke bewijzen voor Urbanus' rechten ontvouwde , verheft zij zich tot de edelste beschouwingen over de volmaaktheid. Van die hoogte geeselt zij met onverbiddelijke gestrengheid de hebzucht, de eerzucht en vooral de buitensporige eigenliefde. Maar hare droefheid wordt nog welsprekender, wanneer zij zicli de wreede rampen voorstelt, welke de Kerk door de scheuring teisteren. Dan uit zij zich tegenover de koningin in de krachtigste en gestrengste bewoordingen. -)
Er trad nu een ander gezantschap op den voorgrond. Toen Raymundus van Capua en Catharina elkander te Rome wederzagen, herinnerde Raymundus haar aan de voorspellingen over de rampen der Kerk, die zij eenige jaren geleden te Pisa aan hem gedaan had. âIk heb u toen gezegd,quot; antwoordde zij, âdat, hetgeen wij in dien tijd te lijden hadden, melk en honig was; ik kan u nu zeggen, dat, hetgeen gij thans ziet, slechts kinderspel is in vergelijking met datgene, wat in naburige landen zal geschieden.quot; âMaar, goede Moeder,quot; vroeg Raymundus haar, âzeg mij, bid ik u, wat zal er na deze rampen in de Kerk gebeuren?quot; Zij
') Legend. Ill , 1.
-) 316. Brief.
2S
434
hernam; â xVlri deze wederwaardigheden en beproevingen voorbij zijn, dan zal God de Heilige Kerk zuiveren door middelen, aan de menschen onbekend; Hij zal Zijn uitverkorenen opwekken en de hervorming van de Heilige Kerk zal zoo schoon zijn, de vernieuwing barer bedienaren zoo volmaakt, dat mijne ziel juicht in don Heer, wanneer zij er aan denkt. Ik heb u dikwijls over de wonden van Christus' Bruid gesproken; maar dan zal zij schitteren van schoonheid, overdekt met kostbare edelgesteenten en gekroond met een diadeem van deugden. De christen volkeren zullen zich verblijden, dat zij zulke heilige herders hebben, en de onge-loovigen, door den goeden geur van Jezus Christus aangelokt, zullen naar den schaapstal terugkeeren en zich aan het Hoofd eri den Bisschop hunner zielen onderwerpen. Laten wij derhalve God danken voor die groote rust, welke Hij na dezen storm aan Zijne Kerk wil schenken.quot; !)
Dit onderhoud was een der laatste tusschcn Raymundus van Capua en zijn heilig biechtkind. Veertien dagen na hare aankomst te Rome verliet hij de Eeuwige Stad.
Paus Urbanus zond hem tot Karei V van Frankrijk om dezen vorst van de geldigheid zijner pauskeuze te overtuigen en meer beslist voor hom te winnen.
De waardige kloosterling begaf zicli terstond tot de Heilige om door haren raad voorgelicht en gesterkt te worden. Catharinn gevoelde een hevige smart over liet vertrek van Pater Raymundus, van den man Gods, op wien zij al haar vertrouwen stelde. Maar zij was gewoon om haar dierbaarste en onschuldigste neigingen voor het welzijn der Kerk op te offeren. Daarom drong zij er op aan, dat Pater Raymundus terstond het verzoek van Paus Urbanus zoude inwilligen. âWees er zeker van, mijn Vader,quot; zeide zij, âdat hij in waarheid de wettige Plaatsbekleeder van Jezus Christus is ; ik wil derhalve ook, dat gij uzelven opoffert om hem bij te staan, gelijk gij uzelven moet opofferen om het Katholieke geloof te verdedigen.quot; Eenige dagen voor het vertrek onderhielden zich Catharina en Raymundus vele uren met elkander over de openbaringen en vertroostingen, welke zij van
') Legend. II, 10.
43ö
God ontvangen had. Dan zeide zij tot hem: â Ga thans , waarheen God n roept. Ik geloof, dat wij in dit leven niet meer met elkander zullen spreken, gelijk wij liet nu gedaan hebben.quot; Dit werd letterlijk vervuld. Raymundus vertrok, zij bleef, maar voor zijn terugkeer was zij reeds naar het hemelsch vredehof heengegaan. Alsof zij hem een laatst vaarwel wilde zeggen, verscheen zij op het oogenblik, dat hij het schip besteeg, aan het strand. Terwijl de galei zich langzaam verwijderde, knielde zij neder, bad, weende eu maakte het teekeu des kruises over de schepelingen, als wilde zij zeggen; âGa, mijn zoon, onbevreesd, onder de schutse van dit heilig teeken, maar in dit leven zult gij uwe moeder niet meer zien.quot; !)
Dit vertrek greep in de eerste dagen van December 1378 plaats. Raymundus vertoefde een wijle te Pisa. Daar ontving hij een brief vol moed en opwekking van zijn geestelijke dochter. -)
Drie Italiaansche kardinalen. Petrus Corsini van Florence, Simon de Borzano van Milaan en Jacobus Orsini van Rome, hadden zich van de scheurmakers afgescheiden, vol spijt, dat zij aan hun leugenachtige beloften geloof hadden geslagen. Zij begaven zich naar Tagliacozzo, een leengoed van het huis Orsini, namen een onzijdige houding tegenover de twee pausen aan en wachtten de gebeurtenissen af. Catharina besloot van hun onzekerheid en weifeling partij te trekken om hen voor Urbanus te winnen. Zij schreef hun een brief en gebruikte daarin dezelfde bewijsvoering als tegenover koningin Johanna.
Zij wenscht hun verlicht te zien met het licht, dat de waarheid is, opdat zij de duisternis verlaten, waarin zij gezonken zijn. Zij, die door de hemelsche klaarheid beschenen worden, blijven aan Urbanus, den waren Opperpriester, gehoorzaam. Catharina verlangt vurig naar hun bekeering. Hun afval heeft haar ziel met het zwaard van droefheid doorvlijmd. Niet liefde voor Italië, hun vaderland, maar liefde voor hen zeiven was hun drijfveer. Wachten wij niet
') Legend. Ill, 1. 2) 09 -100. Brief.
436
up dc roede der gerechtigheid, maar werpen wij ons in de armen der barmhartigheid. Catharina zal bij God voor hen bidden en weenen en met hen boetvaardigheid doen. !)
Bijzonder lag het Catharina aan het hart graaf Honorius Gaetano da Fondi terug te winnen voor Urbanus VI. Zijn overgang tot den tegenpaus berustte alleen op spijten wrok, dat zijn persoonlijke belangen geschonden waren. Schoon Catharina hem ernstige verwijten deed, zeide zij hem toch de liefderijkste vergiffenis toe, als hij tot zijn plicht terugkeerde. âWij weten,quot; roept zij hem toe, âdat Urbanus VI de ware paus is, en was hij ook de wreedste Vader en had hij ons van het eene einde der wereld naar liet andere gejaagd, dan zouden wij de waarheid niet mogen vergeten noch vervolgen. Ik bezweer u derhalve om wille van het Bloed, dat ook voor u vergoten is, keer tot uwen Vader terug, die u met open armen ontvangen zal, want waarlijk, hij verlangt niets vuriger dan gratie te verleenen aan u en aan allen, die ze zoeken.quot; 2)
Alle pogingen van Catharina bij de koningin van Napels, bij de Italiaansche kardinalen en bij Honorius Gaetano waren vruchteloos. Gelukkiger was zij om de steden Florence, Siena, Bologna, Perugia en Venetië voor den Paus te behouden. Brieven vol gloed en onweerstaanbare bewijskracht schreef zij aan het bestuur dier steden. Terwijl zij in de eerste maanden van 1379 met bovenraenschelijke inspanning voor Urbanus werkzaam was, smeekte zij in haren vrijen tijd met vurige gebeden tot God, dat Ilij Zijne Kerk van de vreeselijke ramp, die haar teisterde, zoude verlossen. Wij bezitten nog vele van die gebeden, tintelend van liefdegloed.
Middelerwijl verzamelde Clemens VII een sterke troepenmacht om daarmede Rome te overvallen. Urbanus had een leger van 8000 soldaten onder aanvoering van graaf Albericus da Balbiano, een bekwaam veldoverste. Op den 29. April 1379 deed hij een uitval uit de stad en versloeg de scheurmakers. Deze dubbele overwinning vervulde de Romeinen met vreugde; zij schreven haar aan de gebeden van de
') 31. Brief. â ) 192 liriaf.
437
Heilige Catharina toe. Deze zag in de zegepraal een middel om het volk tot God te verheffen, het in de gevoelens van trouw voor Zijn Plaatsbekleeder te bevestigen en aan God een buitengewone eereboete te brengen voor de vele beleedigingen, waarmede Zijn Heilige Naam onteerd was. Zij gaf derhalve aan Urbanus den raad een plechtigen danken biddag uit te schrijven en-persoonlijk en openlijk daaraan deel te nemen. Urbanus woonde nog in Santa Maria in Trastevere. Catharina sloeg hem nu voor om van daar, in plechtige processie, barrevoets, door geestelijken en leeken begeleid, naar de kerk van den Heiligen Petrus te trekken. Zij gaf in een brief van den 30. Mei aan Urbanus aan haar vreugde over deze roerende plechtigheid uitdrukking.
âLaten wij aan God de eer geven en Hem onze dankbaarheid bewijzen. Inderdaad, ik was met vreugde vervuld bij liet gezicht der processie. Nooit heeft er een soortgelijke sedert de vroegste tijden plaats gevonden. Ik verheug mij, dat onze Moeder Maria en de Heilige Petrus, de Vorst der Apostelen, u naar uwe woning, die u rechtens toekwam, teruggebracht hebben.quot; i)
In denzelfden geest schreef zij den 6. Mei aan het stedelijk bestuur van Rome:
Onze Heilige Vader Paus Urbanus VI heeft ons liet voorbeeld gegeven en hij heeft zijn dankbaarheid aan God getoond door een akt van ootmoed, die sedert lang niet gebeurd is; hij heeft de processie blootvoets willen volgen. Laten wij, die zijne kinderen zijn, het spoor van onzen Vader volgen en erkennen, dat deze weldaden van God komen en niet van ons. Ik wil ook, dat gij dankbaar zijt jegens de legerschaar, wier ledematen de werktuigen van Christus zijn geworden. Helpt hen in hun noodwendigheden, vooral de arme gewonden.quot; -)
Tevens richtte zij op den 6. Mei een hartelijk woord tot den aanvoerder der helden, graaf Albericus da Balbiano. Zij spoort de krijgsoversten aan om getrouw te zijn in den dienst der Kerk en van Urbanus VI; zij wekt hen op tot bid-
') 20. Brief. 2) IPC. Blief.
438
den , tot de Biecht en de godsvrucht voor de H. Maagd Maria,
Behalve deze brieven schreef Catharina op dien dag nog twee andere: een aan koningin Johanna en een aan koning Karei V van Frankrijk. Dit laatste schrijven is een der merkwaardigste van hare brieven. De reis van Pater Raymundus van Capua was niet zeer voorspoedig. Hij kon niet verder dan Genua komen. Zee en land waren, op last van Clemens VII en koningin Johanna, met spionnen en krijgslieden overdekt om hem den weg naar Frankrijk af te snijden. Uit Genua richtte Raymundus een brief aan Catharina en deelde haar zijn avonturen mede. Het antwoord van de Heilige was juist geen gelukwensch. Zij zou gewenscht hebben, dat hij zijn reis zonder vrees voor zijn vijanden had doorgezet, altijd moedig, al verkeerde zijn leven in gevaar. 2)
Catharina besloot nu zich in persoon naar Karei V te begeven en hem mondelings aan te toonen, aan welke zijde de rechtvaardigheid en waarheid in deze scheuring stonden. De gevaren, die haar onderweg dreigden, bekoorden haar meer dan zij haar afschrikten. De mogelijkheid, dat zij haar lelieblank gewaad in haar martelbloed kon doopen, was voor haar een onbeschrijfelijk geluk.
Zij stelde zich derhalve aan den Paus ter beschikking. Maar wij weten niet om welke redenen zij haar stout bestaan niet mocht uitvoeren. Catharina onderwierp zich met haar gewone zelfverloochening en besloot nu schriftelijk te doen , wat haar mondelings ontzegd was. De vrouw, die haar gevoelen onbeschroomd aan twee Pausen had gezegd, vreesde niet vrij tot een koning te spreken. De brief is zeer lang; wij willen den inhoud mededeelen.
Zij tast liet kwaad in den wortel aan en verklaart aan den koning, dat de eigenliefde de oorzaak van alles is, de oorzaak van iedere dwaling en iederen hartstocht. Dan betreurt zij het, dat hij zich laat medesleepen door dweepers en verblinde lieden, die hem omringen, en verwondert zich, dat een machtige en wijze koning zich als een kind laat verlei-
') 219. Brief.
-J KU. Brief.
den. Daarnaar zet zij met een treffende welsprekendheid de bewijsgronden uiteen, die voor Urbanus pleiten. De scheurmakers zijn duivels, die leugen en verdeeldheid in de wereld zaaien en haar aan den duivel overleveren. Als de koning hen wil kennen, dan moet hij hun leven en gedragingen onderzoeken; hun misdaden zijn de tolken van hun begeerlijkheid. Zij zegt deze dingen, niet om hen, maar om hun slecht gedrag en de scheuring te veroordeelen. Zij weerlegt het verzinsel, dat Urbanus door allen verlaten wordt. De koning moet zich niet door den hartstocht laten leiden, niet het eigenbelang en de liefde tot het vaderland vooropstellen, maar God en de waarheid voor oogen houden, i)
Door de streken van Urbanus' vijanden kwam deze brief waarschijnlijk nooit in handen van Karei V.
Urbanus zocht thans steun bij de overige christen vorsten en vond dien in Lodewijk, koning van Hongarije en Polen, en in Karei Durazzo. Beiden, zoowel Lodewijk van Hongarije als Karei Durazzo, noodigde hij \üt naar Italië te komen en de Kerk te verdedigen. Ook Catharina schreef aan beide vorsten. -)
Johanna van Napels trad intusschen openlijk als beschermster der scheuring op.
Het volk echter deelde de gezindheid zijner vorstin niet, erkende Urbanus als den wettigen Paus, sloeg tot oproer over en maakte zich in weinige uren van Napels meester.
In dezen benarden toestand wendde Johanna zich tot Catharina. Herhaaldelijk schreef zij haar brieven en betuigde plechtig, dat de woorden der Heilige bij haar niet tusschen de doornen waren gevallen, en dat zij nu duidelijk inzag, dat Urbanus de wettige Paus was. Catharina ontving deze schuldbekentenis met groote vreugde. â Het hart van Pharao,quot; schreef zij aan verscheidene leerlingen, âis eindelijk ver-teederd geworden en God heeft hier wonderen gedaan. Dank, dank zij onzen Verlosser, die haar hart heeft verlicht, hetzij door kracht, hetzij door liefde.quot; 1) Tevens zond zij den abt
1
) 337. Brief.
410
Lisoio en Neri di Landuccio, twee van hare meest vertrouwde leerlingen, naar Napels tot de koningin om haar in hare goede voornemens te versterken. Het schijnt, dat deze in Augustus 1379 daar aangekomen zijn.
Spoedig echter zag men, dat Johanna's onderwerping gehuicheld was. Zij had hare onderdanen en den Paus bedrogen. Zij verklaarde zich onbewimpeld voor Clemens VII.
Catharina was diep bedroefd. Zij erkende, dat zij de ongelukkige koningin niet van den ondergang kon terugtrekken , dien zij te gemoet snelde, maar toch wilde zij nog een woord van liefde tot haar spreken. In dezen heerlijken brief openbaart zich Catharina's hart zonneklaar. Zij treedt niet alleen voor de ziel der koningin, maar ook voor die van hare onderdanen op. In den ganschen brief vindt men geen bitter woord, geen verwijt; nog geeft zij haar den zoeten naam van moeder en herinnert zij haar aan de vele jaren , gedurende welke zij haar volk met wijsheid regeerde. Moeilijk is het te beslissen, of men in hare overige brieven teederder of vuriger woorden kan vinden; doch zeker is het, dat men hare liefde voor de Kerk en haar medelijden met de koningin niet treffender kan uitdrukken. 1)
De ban werd feitelijk eerst in het begin van 1380, kort voor Catharina's dood, over Johanna uitgesproken, nadat zij het leven van Urbanus bedreigd en ongehoorde wreedheden aan zijn onschuldige onderdanen gepleegd had. Velen van de mishandelden, verhaalt Uaymundus van Capua, werden op wonderbare wijze bevrijd, nadat zij de hulp van Catharina hadden ingeroepen.
Het schijnt, dat de Heilige om dezen tijd ook een schrijven richtte tot Richard II, koning van Engeland, en dat haar brief veel heeft bijgedragen om dit rijk in de trouw aan den Heiligen Stoel te bevestigen.
.318. Brief.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK. Laatste ziekte van Catharina.
Ik verblijde mij in degenen, die tot mij zeggen; TVij zullen in het huis des lleeren gaan.... Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken; Vrede zij in u. Ps. 121.
Mijn getrouwe dienaren kennen de vrees en de angst van den dood niet. Zij hebben de liefde tut zich zeiven vernietigd en overwonnen en verlangen uit liel'de tot Mij te sterven. Zij zeggen: Ik verlang van mijn lichaam bevrijd te worden om met Christus te zijn. Samenspr. c. 84.
1380.
edert Catharina op last van Urbanus VI naar Rome ^ gekomen was, hadden haar vurige gebeden, haar redevoeringen en brieven haar tot beschermengel der Eeuwige Stad, tot steun van den Pauselijken troon en tot zuil van de geheele Kerk gemaakt. Het jaar 1380 opende een nieuw tijdperk in haar wondervol leven.
Op het feest der Besnijdenis des Heeren richtte zij een teeder gebed tot den hemel, opdat God de vijanden van den Heiligen Stoel zoude vernederen. In liefdevervoering riep zij uit; âO opperste Goedheid, ziehier mijn lichaam, ik lever het aan U over als een aanbeeld, waarop de zonden der boosdoeners verbrijzeld moeten worden. Ik offer U mijn leven thans of wanneer het U behaagt.quot;
God vervulde haren wensch. Gedurende vier maanden was haar lichaam als een aanbeeld, waarop de slagen der goddelijke gramschap nederdaalden.
Wel hadden de Pauselijke troepen bij Marino over de
scheurmakers gezegevierd, maar de vrede was te Rome niet wedergekeerd. In 't geheim smeulde liet vuur der onlusten. De aanhangers van Clemens VII, zoowel als de handlangers der Fiansehen, smeedden een samenzwering tegen Ãrbanus VI en bewerkten een opstand onder het Ronieinsche volk. Men wilde den Paus vergeven.
Catharina wist dit, misschien door geruchten, die in de stad rondgingen, misschien door een openbaring Gods.
In den geest zag zij Rome vol van duivels, die het volk ophitsten. Tegen haar stieten zij de schrikkelijkste bedreigingen uit; âVervloekte, gij wilt ons tegenwerken, maar wij zullen u een vreesclijken dood bereiden.quot; Zij antwoordde hun niets, maar bad steeds vuriger, dat God de listen van den boozen vijand verijdelen, den Opperherder beschermen en zulk een gruwelijke misdaad van het volk niet toelaten zou. âO barmhartige God,quot; zoo smeekte zij steeds vuriger, âGij weet, hoe tegen Uwe Bruid over de gansche wereld gezondigd wordt, hoe weinigen zij heeft, die haar verdedigen en hoe hare belagers zoeken haar te vernederen en Uwen Stedehouder op aarde te dooden. Indien deze misdaad voltrokken werd, zoude niet alleen Rome, maar ook alle geloovigen daardoor geweldig lijden. Matig Uwen toorn, o Heer, en verwerp Uw volk niet, dat Gij voor zulk een duren prijs gekocht hebt.quot;
Meerdere dagen en nachten duurde haar strijd met haren Goddelijken Bruidegom. Had deze haar niet ondersteund, zij zoude bezweken zijn, zoo uitgeput was zij door zwakte en pijnen. âO Heer,quot; riep zij uit, âindien er aan Uwe gerechtigheid voldaan moet worden, laat dan mijn lichaam de straffen', die uw volk verdient, ondergaan; voor de eer van Uwen Naam en van de Heilige Kerk, wil ik gaarne den kelk des lijdeds en des doods ledigen; want Uwe Waarheid kan getuigen, dat dit altijd mijn vurigste wensch geweest is en dat Uwe genade deze wensch in mijne ziel ontstoken heeft.quot; !)
Zij erkende, dat God hare bede verhoord had. Terstond waarschuwde zij Paus Urbanus tegen liet hem dreigende gevaar. â Ik bid u, let er wel op, dat gij uw persoon goed
') Legend. III, 2.
4 k;
laat bewaken.quot; !) Nog een anderen raad gaf zij hem, waaruit haar bovenaardsch beleid en doorzicht zonneklaar blijken. Hij moest meer met goedheid en zachtheid dan met gestrengheid te werk gaan, het volk niet onnoodig verbitteren , maar innemen, de voornaamsten uit het volk en de burgerij tot een algemeene vergadering samenroepen, hun gevoelen hooren en dit, zoo het aannemelijk was, waardeercn en billijken en niet te veel aan het volk beloven. âIk wilde u daarom raden, de grootste voorzichtigheid te gebruiken. Sta mij toe zooveel te zeggen; uwe goedheid en uw ootmoed zullen dezen raad niet afwijzen, al komt hij uit den mond van een arme vrouw. Want een nederige ziel let er niet op, wie iets zegt, maar wat de eer van God vordert.quot; 2)
De reeds lang dreigende opstand te Rome brak uit. Hot razende volk drong in het Vaticaan door tot in de vertrekken des Pausen. Maar de majesteit van den Opperpriester, gezeten op zijn troon, deed het gepeupel verschrikt terugwijken en vluchten. Spoedig was de rust hersteld. Zelfs geschiedschrijvers, die weinig ingenomenheid met de maagd van Siena toonen, schrijven dit aan hare gebeden en vermaningen bij de oproerlingen toe.
Catharina had zicli als slachtoffer voor het volk en de Heilige Kerk aangeboden. Van nu af hadden de machten der hel verlof haar maagdelijk lichaam te martelen. Zij koelden hun woede en spijt met een wreedheid, waarvan men zich geen denkbeeld kan vormen. Dit verzekeren zij, die hiervan getuigen zijn geweest.
Dagelijks namen hare smarten toe. De huid scheen onmiddellijk aan haar beenderen te kleven. Haar lichaam was niets meer dan een geraamte. Zij geleek eerder een schim dan een levend wezen. Hare levenswijze moest zij geheel veranderen. Het weinige voedsel, dat zij nog nam, veroorzaakte haar zulke pijnen, dat zij het niet meer zien kon. Alhoewel zij door dorst verteerd en door een inwendigen brand verschroeid werd , kon zij geen druppel water doorhalen.
') IS. Brief. â¢) 22. Brief.
444
De duivels schreeuwden haar toe: âGij, vermaledijde, hebt ons altijd vervolgd en nog steeds vervolgt gij ons; thans zullen wij aan u wraak nemen. Gij zoudt ons willen dwingen op de vlucht te gaan, maar eerst zullen wij u het leven ontnemen.quot; Doch ondanks hare smarten en uitputting verloor zij niets van haren moed, ijver en opgewektheid. Onophoudelijk bad en werkte zij. Haar gelaat vertoonde de gewone opgeruimdheid en blijdschap, l)
Catharina deelde de edelaardige gevoelens van den koninklijken zanger: De Heer is mijn licht en mijn heil, voor wicn zou ik vreezen? de Heer is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn ? Schoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vreezen; schoon een oorlog tegen mij opstond, zoo vertrouw ik hierop. Een ding heb ik van den hemel begeerd, dat zal ik zoeken, dat ik al de dagen mijns levens mocht iconen in het huis des Heer en om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijnen tempel. (Ps. 26.)
âVan den Zondag Septuagesima (22 Januari) tot den laat-sten April, waarop zij dit leven verliet,quot; deelt Raymundus van Capua ons mede , â namen hare smarten voortdurend toe. Tot nu toe placht zij nooit de H. Mis voor den tijd der Tertiën te hooren wegens hare pijnen en krankten, doch gedurende dit geheele voorjaar ging zij iederen morgen naar St. Pieter, hoorde daar de H. Mis, bad lang na en keerde eerst tegen Vespertijd huiswaarts. Wie ze dan op haar legerstede uitgestrekt had zien liggen, geloofde niet, dat zij ze ooit weer zou verlaten hebben. Maar zoodra hot licht werd, stond zij op en ging ijlings van hare woning in de Via del Papa tusschen de Minerva en het Campo de Piore naar St. Pieter, een weg, die zelfs een gezonde vermoeid zou hebben.quot;-) Hier greep op Zondag Sexagesima (29 Januari), toen zij omtrent Vespertijd bad, een geheimzinnig voorval plaats. Het bracht de Heilige in zulk een doodsangst, dat zij niet meer van de gevolgen opkwam. Zij ontving, naar bet schijnt, in St. Pieter een visioen of aanzegging van haar nabijzijnden dood en diens oorzaak. Zij zag niet alleen, maar voelde ook,
') Legend. III, 2. â¢â Brief vim Barduccio Canigiani. â¢) Legend. 111. 2.
445
hou liet schip der kerk op haar schouders neerdaalde. Door dezen last neergedrukt, viel zij in onmacht op den grond. Zij erkende, dat zij haar leven als offer voor de H. Kerk geven moest. Van dit oogenblik namen haar lichamelijke krachten zichtbaar af. !) In den nacht van den volgenden Maandag had zij zulk een hevigen aanval, dat haar leerlingen haar rds dood beweenden. Langen tijd gaf zij geen teeken van leven. Dan stond zij plotseling op. Het scheen, dat zij niets geleden had. -)
In bare laatste brieven aan Raymundus van Capua verhaalt de Heilige zelve deze wonderbare gebeurtenissen.
âO mijn dierbaarste Vader, voor u wil ik de geheimenissen van God niet verbergen. Ik weet niet, wat de goede God over mij besloten heeft: of ik nog blijf dan wel of ik van hier geroepen word. Mijn Vader, mijn Vader, mijn geliefde Zoon. God heeft sedert het feest der Besnijdenis tot heden wonderbare dingen uitgewerkt; het is mij onmogelijk ze weer te geven. Nooit is mij iets dergelijks overkomen. De angst van mijn hart was zoo groot, dat mijne kleederen scheurden. Ik viel, mij draaiend, in de kapel op den grond, alsof ik stuiptrekkingen had. Indien iemand mij weerhouden had, dan ware het mijn dood geweest. Maandagavond kon ik niet verder schrijven, zoo hevig leed ik in mijn lichaam. Een weinig later begonnen vreeselijke aanvallen van de bonze geesten, die mij op den grond wierpen. Zij zijn woedend tegen mij, alsof ik, arme aardworm, bun uit de klauwen had gerukt, wat zij in de Kerk reeds lang bezaten. Mijn schrik was in verband met mijn overige pijnen zoo groot, dat ik uit mijn cel vluchten en in do kapel gaan wilde, alsof de cel de oorzaak mijner kwalen ware geweest.
Ik stond dus op en leunde, daar ik niet loopen kon, op mijn zoon Barduccio, maar onmiddellijk daarna werd ik weer op den grond geworpen. Zoo op den grond liggend, dacht ik, dat mijn ziel bet lichaam verliet, doch niet op die wijze als het vroeger geschiedde; want toen smaakte ik de wellust der zaligen en verheugde mij met hen in den
') Legend. Min. p. 156. Prot. 1299â-1.300. -) Brief vun Burduccio.
â¢146
almachtigen God; nu echter scheen ik mij zelve een geheel afgezonderd wezen toe. liet maakte den indruk op mij , dat mijn lichaam aan een ander toebehoorde. Ik kon mijn tong niet bewegen, evenmin een ander lidmaat, evenals of mijn lichaam volkomen levenloos ware. Ik bekommerde mij niet langer om mijn lichaam en vestigde mijnen geest op den afgrond der Drievuldigheid. Ik dacht ook aan den nood van de Heilige Kerk en van hot christen volk. Ik riep tot God en bad Hem vertrouwvol om hulp , terwijl ik mijne wenschen voor Hem bloot legde en Hem daardoor een heilig geweld wilde aandoen, dat ik Hem het Bloed van het Lam opofferde en liet lijden, dat Hij verduurd heeft. Ik gevoelde bepaald, dat Hij mijn gebed niet verwerpen zou, zoo vurig smeekte ik; ik bad ook voor u allen en bezwoer Hem, dat Hij in u Zijnen wil en mijne wenschen vervullen zou. Vervolgens vroeg ik Hem, dat Hij mij voor de eeuwige verdoemenis behoeden zou. Het gansche huisgezin beweende mij als dood, zoolang bleef ik in dien toestand.
De bedrukking van den kant der booze geesten was middelerwijl eenigszins verminderd. Het ootmoedige Lam openbaarde zich aan mijne ziel en sprak; Wees verzekerd, dat Ik uwe wenschen vervullen zal evenals die mijner overige dienaren; gij zult zien, dat Ik een goede meester ben. Ik handel als de pottebakker; hij breekt zijn vaatwerk en vormt het opnieuw, gelijk het hem behaagt.... Mijn lichaam begon nu langzaam te ademen en gaf op deze wijze te kennen, dat de ziel daarin teruggekeerd was. Ik was overdekt met wonden; een smart, die ik nog gevoel, bleef in mijn hart achter. Alle vreugde, alle troost, alle kracht schenen mij ontnomen te zijn. Nadat men mij in een hooger gelegen vertrek gebracht had, kwam het mij voor, dat het vol met duivels was. Zij begonnen mij erger dan ooit te kwellen en wilden mij doen gelooven , dat niet ik, maar een onreine geest zich in mijn lichaam bevond. Maar ik smeekte met de innigste teederheid de goddelijke hulp af en herhaalde zonder verder lijden te weigeren; God, kom mij te hulp; Heer, haast U om mij te helpen.
Gedurende deze aanvechtingen verliepen twee dagen en twee nachten; mijn zin en mijn verlangen onderging geen
447
iS
I
.t.
i
verandering en mijn ziel bleef steeds op haar voorwerp gevestigd. Op het feest van Maria-Zuivering wenschte ik een H. Mis te hooren. Alle geheimenissen werden nu vernieuwd. God liet mij het groote gevaar zien, dat de stad dreigde en intusschen verwezenlijkt is, want Rome stond op het punt tot oproer over te slaan____ Dagelijks ging ik bij het morgenkrieken naar de H. Mis. Op natuurlijke wijze was dit voor mij niet mogelijk____ liet verlangen om hem te gehoorzamen is mij zoozeer in vleesch en bloed overgegaan, dtvt ik geen andere gedachte en geen anderen wil meer heb.... In deze en dergelijke gevoelens is mijn leven voor den zoeten Bruidegom verteerd en geofferd. Ik bid tot de goddelijke Barmhartigheid, dat zij mij verleene dit volk bevrijd te zien.
Als het uur der Tertiën slaat, verlaat ik de Mis. Aan een doode gelijk, ga ik dan naar St. Pieter, om in het schip
der kerk opnieuw te arbeiden. Daar blijf ik tot de Vesper____
Mijn lichaam blijft volkomen zonder voedsel; ik neem zelfs geen druppel water. Zijn zoete smarten zijn zoo groot, dat ik nooit in mijn leven iets dergelijks gevoeld heb. Mijn leven hangt om zoo te zeggen aan een draad. Het schijnt mij bijna toe, alsof ik een nieuwe soort van martelaarskroon ontvangen zal. Ik bid, dat Zijn genade in mij Zijn wil volbrenge en u en de andere weezen niet verlate.
Verzamel het boek en de andere schriften, waarmede ik u beziggehouden heb. Doe er mede, gelijk gij het voor de eur van God het beste oordeelt. Ik beveel u ook dit huisgezin aan en verzoek u, zoover het mogelijk is, zijn herder, bestuurder en vader te wezen. Houd hen vereenigd door de banden der liefde en volkomen eendracht. Ik hoop voor hen na mijnen dood nuttiger te zijn dan in mijn leven. Ik bid tot de Eeuwige Waarheid, dat zij de volheid der gaven en genaden, welke zij aan mij geschonken heeft, over u allen uitstorte. Bid tot den Eeuwigen Bruidegom, dat Hij mij verleene Zijne geboden met mannenmoed te volbrengen, dat Hij mij de menigte mijner zonden vergeve. Vergeef gij zelf, ik bid u, aan mij iedere ongehoorzaamheid, ieder gemis van eerbied, iedere ondankbaarheid, waaraan ik mij jegens u pliebtig gemaakt heb, zoo ook iedere smart en iedere onaangenaamheid, die ik u veroorzaakt heb. Schenk mij uwen
ï.
1 j;
1'
I
II
448
zegen, dien ik ootmoedig verzoek. Bid vurig voor mij en beweeg ook anderen , dat zij om de liefde van Jezus voor mij bidden. Heb ik ooii iets geschreven, dat u gehinderd heeft, vergeef het mij dan. Ik doe dit alles niet om u lastig te vallen, maar om mijn plicht te vervullen, daar ik niet weet en in twijfel ben, wat de barmhartigheid Gods met mij doen zal. !)
Ik werd voortdurend door een brandend verlangen gekweld , dat zich onlangs in de tegenwoordigheid Gods van mij heeft meester gemaakt, toen het oog van mijnen geest op de eeuwige Drievuldigheid gericht was. En ik erkende in dezen afgrond de waardigheid van liet redelijk schepsel, de ellende, die de mensch door de doodzonde zich berokkent, en de noodzakelijkheid van de H. Kerk, welke God mij in Zijn Hart toonde. Het smart mij , dat niemand thans de Kerk dient; zij is integendeel door allen verlaten.
Mijne smart en mijn verlangen namen steeds toe en ik riep tot God: O onuitsprekelijke liefde, wat kan ik doen? En Zijne barmhartigheid antwoordde: Offer nogmaals uw leven op en gun uzelve geen rust. Om deze reden heb ik u uitgekozen en ook allen, die u volgen en die u later volgen zullen.
Maar de tong kan de geheimen niet beschrijven, die ik in mijn gezicht aanschouwde en in mijn hart gevoelde. Den geheelen dag bracht ik in de extase door. Toen de avond daalde, was ik zoo door het geweld der liefde, waaraan ik niet weerstaan kon, medegesleept, dat ik mij niet naar de plaats des gebeds begeven kon. In het besef, dat mijn stervensuur naderde, deed ik mij zelve bittere verwijten, dat ik de Bruid van Christus uit nalatigheid zoo slecht gediend had en de oorzaak was geweest, dat ook anderen haar even slecht gediend hadden. Ma ar alles ging op in der., steeds toenemenden brand der liefde. Ik dacht aan niets anders meer dan hoe ik mij aan God voor de Heilige Kerk opofferen en de onwetendheid en nalatigheid van hen, die God aan mij toevertrouwd had, wegnemen kon. Daarna werden de booze geesten tegen mij losgelaten. Zij zochten
'J 102. Brief.
449
mij tegen te liouden en den gloed mijns verlangens door hun schrikbeelden te verminderen. Zij geeselden het arme hulsel van mijn lichaam, maar mijn ziel ontvlamde iu hooger gloed. Ik riep: O eeuwige God, neem het oft'er van mijn leven voor het geheimzinnige lichaam Uwer Heilige Kerk aan. Ik heb niets te geven dan wat Gij zelf mij gegeven hebt. Neem dus mijn hart en per.s het uit voor liet aanschijn Uwer Bruid.
Do eeuwige God zag mij nu met een oog vol genade aan, nam mijn hart en perste liet over de Heilige Kerk uit. Hij nam het evenwel met zulk een kracht, dat ik terstond had moeten sterven, tenzij Hij, mijn lichaam niet willende verwoesten , mij versterkt had. Toen tierden de booze geesten met steeds feller woede, alsof zij zei ven een ondragelijke smart verduurden. Zij beproefden liet uiterste om mij te verschrikken en dreigden een middel uit te vinden, dat alles, wat ik gedaan had, vergeefsch was. Daar echter de machten der hel aan het geloof, met ootmoed verbonden, niet weerstaan kunnen, streed ik. hoe meer zij mij aanvochten, des te vuriger als met gloeiende wapenen. Tevens hoorde ik uit den mond der Goddelijke Majesteit woorden zoo zoet, zoo teeder, en zulke blijde beloften, dat ik ze waarlijk niet kan uitspreken. Daarna zeide ik: Dank, dank den Allerhoogste, den Eeuwige, die ons als ridders naar het slagveld gevoerd heeft, opdat wij, gedekt met het schild des geloofs, voor Zijn Bruid strijden. Ons is het slagveld, ons de zegepraal. Dank aan de dapperheid en de macht, welke den duivel, den dwingeland van het menschelijk geslacht, overwonnen heeft. Hij is echter verslagen, niet door menscheu, maar door God. Ja, de vijand is overwonnen, niet door het lijden van ons lichaam, maar door de brandende, onschatbare liefde Gods.quot; â 'â )
Tot nadere verklaring laten wij hier het gebed volgen, hetwelk Catharina gedurende bovengenoemde extase op den 15. Februari 1380 uitgesproken heeft:
âO eeuwige God, mijn Heer en Meester, Gij, die het lichaam van Uw schepsel uit het slijk der aarde gemaakt
I U-'t. Uriet'.
2«
450
hebt, o zoete Liefde, o welk een ellendig schepsel hebt Gij gemaakt, eu toch hebt Gij zulk een grooten schat in hetzelve verborgen, namelijk de ziel, die naar Uw beeld geschapen is. O eeuwige God, Gij, barmhartige Meester, mijn zoete Liefde, Gij zijt de Heer, Gij zijt, die breekt en wederom nieuw maakt, Gij zijt het, die dit vat breekt en naar Uw welgevallen weder herstelt. U, eeuwige Vader, bied ik, ellendige , opnieuw mijn leven aan voor Uwe zoete Bruid. Zoo dikwijls het aan Uwe barmhartigheid behaagt, moogt Gij het aan mijn lichaam ontnemen en weder aan hetzelve teruggeven, de smart steeds meer verdubbelend, om Uwe zoete Bruid, de li. Kerk, te herstellen. O eeuwige God, U beveel ik Uwe Bruid aan.
Ik beveel U eveneens mijne dierbare kinderen -aan en ik bid U, den allerhoogsten en hemelschen Vader, neem mij , wanneer het U behaagt, zonder terugkeer uit mijn leven weg, bezoek hen met Uwe genade en wek hen, als zij gestorven zijn, op tot het loven in het ware, volmaakte licht. Verbind hen onder elkander met de banden der zoete liefde opdat zij, in gloeiende liefde voor Uwe zoete Bruid ontvlamd, niet sterven. En ik smeek U, dat niemand van hen uit Uwe hand gerukt worde, maar dat Gij hun al hun ongerechtigheden vergeeft. Vergeef mij ook alle onwetendheid en nalatigheid, waaraan ik mij tegenover Uwe Heilige Kerk plichtig gemaakt heb, dat ik niet alles, wat ik kon en moest doen, voor haar gedaan heb. Ik heb gezondigd. Heer, erbarm U mijner.
Ik offer U op en beveel U aan mijne dierbare kinderen, die als het ware mijne ziel zijn. En indien het aan Uwe genade behaagt, dat ik nog langer in deze woning blij ve , versterk Gij dan, o Heer, dit gebouw, opdat hét niet instorte. O eeuwige Vader, geef ons Uwen zoeten zegen.quot;
ZESTIENDE IIOOFDSTUK. Zalige (loolt;l van de 11. Catliarina.
Ik ben niet meer in de wereld , maar dezen zij» in de wereld; en ik kom tot l', Heilige Vader, bewaar hen in Uwen naam, die Gij aan mij gegeven hebt, opdat zij een zijn, gelijk wij liet zijn. Joh. 17. lt;» mijne welbeminde dochter, welk een glorie voor deze ziel, die van de stormachtige zee der wereld tot M ij, den Oceaan van vrede, is gegaan, om daar, in de afgronden van Mijne Godheid. haar hart te vervullen. Samenspr. c. 89. 138U.
gt;â gt; â â j anneer wij nadenken over alles, wat voorafgaat,quot; zoo li/quot;J'VG-gt; merkt Raymundus van Capua op, â dan zullen wij zien, hoe vurig Catharina verlangde te sterven en zich met Jezus Christus te vereenigen, omdat zij wist en begreep, vooral in dezen tijd, dat het beter is bij Jezus Christus, het einddoel en de volkomenheid van alle goed, te zijn. Daar haar verlangen steeds aangroeide, verwierf zij eindelijk, wat zij wenschte: haar ziel verliet het lichaam om het eeuwig hoogtij te vieren.quot; i)
Van de tweede week in de Vasten af was Catharina zoo zeer verslonden in de overweging, dat hare gansche omgeving over de menigte harer godvruchtige verzuchtingen en tranen verbaasd stond. Het vuur van haar gebed verteerde meer en meer de kracht van haar broos lichaam. Op uitdrukkelijk bevel van God hoorde zij iederen morgen, reeds bij het eerste
') Legend. IJl, y.
452
gloren van den dag, de H. Mis en ontving dan de H. Communie. Na de dankzegging moest men haar als dood van den grond opbeuren en op haar legerstede neerleggen. En toch ging zij, tegen negen uur, door eenige leerlingen vergezeld , te voet naar St. Pieter, een afstand van een groot kwartier. Tegen Vespertijd keerde zij meer dood dan levend huiswaarts. Tot groote verwondering van haar geestelijke kinderen verdroeg zij de uitputting blij en vroolijk en ontving allen, die haar bezochten om haren raad in te winnen, zachtmoedig, vriendelijk en hoffelijk.
Zoo was hare levenswijze tot den 26. Februari, den derden Zondag in de Vasten. Toen bezweek zij onder den last der smarten , die haar lichaam uitmergelden, en de angsten, die haar ziel folterden , bij de gedachte aan de zonden, waardoor God wordt beleedigd, en aan de gevaren, die de Kerk dreigden. In- en uitwendig was zij niets dan lijden. Zoo lag zij acht weken. Zij had geen kracht om haar hoofd op te beuren. Gedurende deze martelie herhaalde zij dikwijls: âDeze smarten zijn lichamelijk, maar niet natuurlijk; God laat toe, dat de duivels mij aldus kwellen.quot; Het is onmogelijk haar geduld te beschrijven. Altijd opgeruimd, altijd glimlachend, scheen zij een engel des hemels. Bij iedere pijn verhief zij hart en oogen tot God en bad: ,, Dank zij U, mijn eeuwig beminde Bruidegom, Gij, die voortdurend niet nieuwe bewijzen uwer genade Uwe arme en ellendige dienstmaagd kroont.quot; Zij was niet meer dan een geraamte, met een doorschijnende huid overtrokken, en zoo zwak, dat zij zich niet van de eene zijde naar de andere omdraaien kon. i)
In dezen toestand vond haar Pater Bartholomaeus, prior van St. Dominicus te Siena, den 24 Maart op Paasch-Zater-dag. Zi jn Provinciaal had hem voor zaken naar Rome gestuurd.
âIk vond haar,quot; zoo verhaalt hij ons, âuitgestrekt op planken, door andere planken omgeven; zij lag, als het ware, in een doodkist. Ik naderde tot haar, hopend met haar volgens gewoonte te kunnen spreken. Haar lichaam was zoo verzwakt, dat men de beenderen gemakkelijk tellen kon. Het zag er uit, als of het in de stralen der zon uitgedroogd
^ Barduccio. - Caftjirini, Supplem. IX.
463
was. Zijn vroegere schoonheid was geheel verdwenen. Mijn hart brak op dat gezicht en weenend vroeg ik haar; Moeder, hoe gaat het u? Toen zij mij zag, wilde zij mij hare blijdschap te kennen geven, maar zij kon niet spreken. Ik moest mijn oor aan haren mond brengen om haar antwoord te verstaan. Het gaat goed, fluisterde zij, door de genade van onzen Zaligmaker. Lk deelde haar de rede van mijn reis mede en voegde er bij: Moeder, morgen is het Paschen; ik wil het hier vieren om u de H. Communie te geven, aan u en aan uwe geestelijke kinderen. Zij hernam: O mocht onze goede Zaligmaker mij toestaan te communiceeren.
Den volgenden morgen ging ik tot haar on; hare biecht te hooren. Niemand dacht, dat zij zon kunnen commnni-ceeron; want sedert verscheidene dagen kon zij de minste beweging niet maken. Voor penitentie legde ik haar op, dat zij aan God zoude vragen te mogen communiceeren tot troost van haar en van ons. Ik begon de H. AI is aan liet altaar, dat dicht bij hare legerstede stond. Catharina bleef onbewegelijk tot aan de Nuttiging. Zoodra ik deze voltooid had, richtte zij zich eensklaps op, tot groote verbazing der omstanders, die tranen van vreugde schreiden, ging zonder iemands hulp naar het altaar, knielde daar neder met gesloten oogen en gevouwen handen en bleef in deze houding tot zij de 1£. Hostie ontvangen had. Vervolgens geraakte zij in hare gewone extase. Nadat zij tot haar zelve gekomen was, moest men haar op hare legerstede neerleggen. Zij bleef er onbewegelijk gelijk vroeger. Gedurende de weinige dagen van mijn verblijf te Rome kon ik met haar spreken. Zij deelde mij toen de ongeloovige kwellingen mede, die zij van de booze geesten verduren moest. Vurig bad zij voor den vrede der Kerk en vroeg aan God, dat Hij haar de straf zoude opleggen voor de zonde van hen, die de geloovigen van hun waren opperherder, Urbanns gescheiden hielden. Wees overtuigd zeide zij, dat, als ik sterf, de eenige oorzaak van mijn dood is de gloeiende ijver voor de H. Kerk, die mij verteert. Ik lijd gaarne voor haar en ben bereid, als het noodig is, voor haar te sterven.quot;' 1)
1 j Pioceós.
4o4
Pater Bartholomaeus had zijn zaken afgedaan. Het kostte hem echter moeite van Catharina te scheiden. Zij zeide tot hem; âMijn zoon, gij weet, welk een troost ik smaak, wanneer ik hen zie, die God mij gegeven heeft en die ik in de waarheid liefheb. Het zou een groote vreugde voor mij zijn, wanneer Gi-od mij toestond, dat Pater Raymundus en gij bij mij waart; maar Hij wil, dat ik er van beroofd ben. Zijn wil geschiedde, niet de mijne. Gij moet dus vertrekken. Gij weet, dat men weldra te Bologna liet kapittel van uwe Orde houden moet om een Generaal te kiezen. Men zal pater Raymundus benoemen. Ik wil, dat gij bij hein zijt en dat gij altijd aan hem gehoorzaamt. Ik beveel het u, zoover dit in mijne macht is.quot;
Den volgenden morgen kwam Pater Bartholomaeus afscheid van haar nemen. Hij vond haar kalm en tevreden. Eensklaps strekte zij hare armen naar hem uit en omhelsde hem met teederheid. !)
Catharina koesterde een groote toegenegenheid voor Magister Thomas Petra, geheim secretaris van den Paus. Dezen braven en trouwe man noemde zij haren vader. Weinige weken voor haren dood vond hij haar in den tuin eener aanzienlijke Romeinsche matrone, waar hare gezellen haar gebracht hadden om haar eenige verfrissching te verschaffen. âMoeder,quot; zoo sprak hij haar aan, âmij dunkt, du Bruidegom staat op het punt u uit dit leven te roepen. Hebt gij de noodige beschikkingen gemaakt?quot; âWat voor beschikkingen ?quot; hernam zij; âkan een arme vrouw, als ik ben, dan maken?quot; Hij antwoordde: âHet zou een wonderbare uiterste wilsbeschikking zijn, indien gij aan ieder uwer leerlingen bekend wildet maken, wat hij na uwen dood te doen heeft. Jk bid u om Gods wil, doe dit; ik ben overtuigd, dat allen, evenals ik, u gewillig gehoorzamen zullen.quot; Zij zeide: âGaarne wil ik dit met de genade Gods doen.quot; ,, Ik heb nog een andere gunst van u te vragen,quot; hernam hij : âvraag voor mij van uwen goddelijken Bruidegom, dat ik den toestand uwer ziel na den dood verneme.quot; âDit,quot; antwoordde zij , âschijnt mij onmogelijk; want of wel een ziel is gered en dan vergeet zij
') Proccss.
4ö5
om de zaligheid, die zij geniet, al de ellende dezer wereld; of wel zij is verloren, en dan beletten de folteringen, die zij lijdt, het toestaan van zulk een gunst.Zij beloofde evenwel dezen wensch te vervullen, als God het wilde.
De tijdingen, welke de vrienden der Heilige omtrent haar ontvingen, verontrustten hen in hooge mate. Moeder Lapa had zich reeds tot hare dochter begeven. Ook Stephanus Maconi ijlde naar Rome. Telkens klonken hem de woorden uit een barer laatste brieven in de ooren; âWanneer zult gij komen, Stephanus? Och, kom spoedig.quot; In een nacht bad bij duidelijk een stem vernomen: ,, Ga naar Rome, baast u, liet scheiden uwer moeder is nabij.quot; â Eindelijk zijt gij gekomen, mijn zoon,quot; zeide Catharina tot hem, âgij hebt naar de stem van God geluisterd; Hij zal niet nalaten u Zijnen wil bekend te maken. Ga dus en biecht uwe zonden en bereid u voor met uwe vrienden uw leven voor uwen Opperherder Urbanus VI te offeren. Mijn zoon Stephanus, schrijf naar Siena aan Pater Bartbolomaeus en zeg hem, dat God Zijne genade in mij toono. Laat bij en de overige Broeders van St. Dominions mijnen Bruidegom Jezus vragen, dat ik mijn leven moge geven tot het vergieten van mijn bloed ten aanschouwe der Kerk voor Zijne eer.quot;
Het oogenblik naderde, waarop Catharina uit dit aardsche tranendal naar het hemelsch vredehof ging opstijgen. Zij kon echter bare geestelijke kinderen, hare vreugde en hare kroon, niet vergeten, niet als wezen achterlaten. Allen riep zij dan aan hare legerstede cn richtte tot hen hare laatste vermaningen, het testament eener teedere moeder.
Daar stonden zij rondom bare legerstede. Alleen bet gesnik en geween onderbrak de plechtige stilte.
Als grondslag van alle heiligheid gaf zij bun aan do volkomen onthechting aan zich zelvon en aan de schepselen. Men kan liet hart niet geheel aan God geven, wanneer bot niet vrij en onverdeeld is. Zoo te handelen en God op den weg des lijdens te zoeken was altijd haar streven geweest.
Door het licht des geloofs bad zij altijd aangenomen, dat alles, wat baar of anderen wedervoer van God kwam. Om deze reden verlangde zij steeds alle geboden van God en van hare oversten terstond, stipt en blij te volbrengen, want zij
456
gaan van God uit on hebben de zaligheid der ziel en den voortgang en de deugd ten doel. âVoor mijn zoeten Schepper kan ik verzekeren,quot; zeide zij, ,, dat ik met Zijne genade nooit tegen dit punt gezondigd heb.quot;
Niemand kan tot de volmaaktheid geraken of ware deugd verwerven dan door een ootmoedig, godvruchtig en volhardend gebed. Er zijn twee soorten van gebed; het inwendige gebed en het mondgebed. Plet eerste moet men altijd, het tweede op vastgestelde tijden verrichten.
Om de zuiverheid des harten te verkrijgen moet men zich onthouden van alle ijdele oordeelvellingen over den naaste, den wil Gods in Zijn schejDselen erkennen en de handelingen van den evenmensch goed uitleggen, al zijn zij oogenschijnlijk zondig. Altijd had zij hen, die haar vervolgden, lasterden of beleedigden, in den geest van liefde verontschuldigd.
Steeds had zij een vast vertrouwen op de Goddelijke Voorzienigheid gekoesterd. â Gij zeiven voegde zij er bij , â hebt liet gezien en ondervonden, en wel in zulke mate, dat onze harten harder dan steen moesten zijn, wanneer onze zonde en hardheid daardoor niet vertecderd werden. Hebt dus een groote liefde voor deze zoete Voorzienigheid. Zij zal hem niet verlaten, die oj) haar vertrouwt, maar u vooral zal zij niet ontbreken.quot;
Vooral drukte zij hare leerlingen op het hart het testament, dat de Heiland aan Zijn Apostelen achterliet, te houden, namelijk dat wij elkander beminnen moeten. Telkens en telkens zeide zij: âHebt elkander lief, mijne kinderen, hebt elkander lief, want daardoor zult gij toonen, dat gij mij tot uwe moeder hebt willen hebben. En ik wil u behouden als mijne kinderen en gij zult mijne vreugde en mijne kroon zijn, wanneer gij standvastig blijft in de deugd. En ik zal tot de goddelijke Barmhartigheid smeeken, dat zij de volheid des levens en alle genaden, die zij in mijne ziel heeft uitgestort, ook aan ieder van u mededeele.quot;
âMijne kinderen,quot; ging zij voort, âlaat uw verlangen naar de vernieuwing en het welzijn der Kerk nooit verflauwen , maar olfcrt steeds heetc tranen met een ootmoedig en volhardend gebed voor de zoete Bruid en voor Paus Urbanus, den Pluatsbekleedor van Christus, voor Gods aan-
schijn. Reeds lang heb ik dien brandenden wensch gekoesterd, doch sedert zeven jaren schijnt het mij toe, alsof God zelf hem in mijn hart geplant heeft. En sedert dien tijd is er geen dag voorbijgegaan, waarop ik mij zelve niet met een zoet en smartelijk verlangen aan Hem aangeboden heb. En toen heeft het aan Gods goedertierenheid behaagd met zoovele smarten en ziekten dit zwakke lichaam te bezoeken. Inzonderheid schijnt mijn zoete Schepper mij thans behandeld te hebben, gelijk Hij Job behandeld heeft, daar Hij aan de booze geesten heeft toegestaan mij naar lam willekeur te kwellen en te vervolgen. Want ik herinner mij niet vroeger ooit zulke folteringen doorstaan te hebben zooals nu. Dank zij aan Zijne grenzelooze barmhartigheid, dat Hij mij waardig geoordeeld heeft voor de eer en de glorie van Zijnen Naam en voor Zijne zoete Bruid, de Kerk, te lijden. Thans wil mijn geliefde Bruidegom, zoo schijnt het mij toe, dat mijn ziel, na zulk een lang, oprecht en smachtend verlangen en zoovele lichamelijke pijnen, uit dezen duisteren kerker scheide en tot haar einddoel opstijge. Ik zeg niet, dat ik Zijn wil met volle zekerheid erken, maar het komt mij zoo voor. Weest hiervan evenwel verzekerd, mijne teedere en dierbare kinderen, dat ik, wanneer ik nu dit lichaam verlaat, mijn leven in dc Kerk en voor de Kerk doorgebracht en opgeofferd heb; ik beschouw dit als een geheel bijzondere genade.
Dierbare kinderen, weest niet bedroefd hierover, maar verheugt u integendeel en jubelt. Denkt, dat ik een oord van bittere smarten verlaat en dat ik ga rusten in de vrederijke zee, in den eeuwigen God, dat ik met mijnen schoonen en liefdevollen Bruidegom voor immer vereenigd word. En ik beloof u, dat ik daarboven beter en volmaakter met u zijn en voor u zorgen zal dan dat dit hier ooit mogelijk geweest is, daar ik de duisternis verlaat om in het ware en eeuwige Licht in te gaan.
Beide, leven en dood, geef ik aan mijn Schepper over. Oordeelt Hij, dat mijn blijven hier iemand tot nut kan strekken, dan weiger ik niet te arbeiden, te lijden en kwellingen te verduren; ik ben veeleer bereid uit liefde tot Hem en voor de zaligheid van den eveninensch duizendmaal
458
iederen dag en, zoo dit mogelijk is, met steeds grooter lijden mijn lichaam op te offeren.quot;
Xa deze woorden riep zij hare kinderen ieder afzonderlijk met name bij zicli en gaf aan ieder een opdracht, die zij na haren dood uitvoeren moesten. Allen ontvingen nederig en eerbiedig hare bevelen. Dan vroeg zij allen om vergiffenis , wanneer zij hun niet de ware leer verkondigd of geen goed voorbeeld gegeven , of niet voldoende door hare gebeden geholpen, of niet voor hun tijdelijk onderhoud gezorgd, of hun ecnige smart en eenigen kommer veroorzaakt had. âWat ik misdaan heb,quot; zeide zij, âis uit onwetendheid geschied. Ik verklaar echter voor God, dat ik een gloeiend verlangen naar uwe volmaaktheid en naar uw welzijn niet alleen gekoesterd heb , maar ook nu nog koester, dat het mijn roem eu mijne kroon zal zijn , wanneer beide u ten deel valt.quot; Eindelijk gaf zij aan ieder afzonderlijk, terwijl zij voortdurend in stilte weenden, haren zegen, gelijk zij dit placht te doen.
Zij wees Alessia aan om haar als moeder en overste dei-Zusters van de Boetvaardigheid op te volgen. Haar geestelijke zonen beval zij in de goede zorgen van Pater liaymundus van Capua aan; zij moesten hem als hunnen vader beschouwen en aan hem gehoorzamen. Zij zond een boodschap aan Pater Willem Plete met het verzoek hare kinderen niet te vergeten, en aan Neri di Landoccio met de mededeeling, dat hij geroepen was om eremyt te worden. Tot Stephanas Maconi zeide zij: âWat u betreft, zoo spreek ik in den naam van God en krachtens de gehoorzaamheid den wensch uit, dat gij in de Orde der Karthuizers treedt; want her, is de wil van God, dat gij daar zijt ; daarheen heeft Hij u geroepen.quot;
Nog andere lessen gaf zij aan hare leerlingen, vooral over de eigenliefde, den wortel van alle kwaad. Eens werd zij, zoo deelde zij hun ook mede, door een hevig verlangen naar de eenzaamheid aangegrepen. Zij had toen gewenscht ver van alle menschelijke samenleving, eenzaam in een hol of in het woud te leven. Zij had tot God gebeden, dat hij haar deze gunst zoude toestaan, maar in haar binnenste het antwoord vernomen: âVelen leven met het lichaam in hun
459
cel, met him neigingen ochtor in de wereld. Ik wil, dat de kennis van uzelve en van uwe zwakheden uwe cel zij. Bouw deze cel in uw hart en woon met vermorseling daarin. Wie zoo handelt, zal de volmaaktheid bereiken; want hij zal, waarheen hij ook gaat en met wien hij zich ook onderhoudt, eenzaam en afgezonderd blijven.quot;
Het was Zondag voor 's Heeren Hemelvaart, 29 April 1880. In den nacht voor dezen Zondag, twee uren voor het morgenkrieken, kreeg Catharina een hevigen aanval harer ziekte. Men meende, dat haar laatste oogenblik gekomen was. Zij riep geheel haar huigezin bij zich en gaf nederig door toekeneu te kennen, dat zij de absolutie van hare fouten wenschte te ontvangen. Pater Johannes uit de Orde van den H. Augus-tinu gaf haar de absolutie. Een zwak en pijnlijk ademhalen was het eenigste teeken van leven, dat men bij haar bespeuren kon. Men oordeelde het noodig haar liet H. Sacrament des Oliesels toe te dienen. Pater Johannes di Gano, abt van Anthimus, deed dit, want zij schoen reeds buiten kennis te zijn. Dit Sakrament bracht eenige verandering. Hare bewegingen , woorden en het trekken van haar gelaat schenen aan te duiden, dat de duivels haar bekoorden. Zij antwoordde, zwoeg of glimlachte beurtelings. Soms scheen zij te verwerpen, wat zij hoorde; soms logde zij verontwaardiging aan den dag. Eensklaps hoorde men haar uitroepen: âNeen. nooit de ijdele glorie, maar altijd do ware glorie en de eer van God.quot; âDe Voorzienigheid wilde,quot; merkt Raymundus van Capua op, âdat zij deze woorden met luider stem uitsprak, om de verwaandheid van sommigen te beschamen, die beweerden, dat de nederige maagd zocht geprezen te worden, of ton minste daarin behagen schepte, en daarom gaarne in 't openbaar verscheen.quot; Do worsteling met do hel duurde anderhalf uur. Mot de oogen en het hoofd gaf zij toekonen. Na oonigon tijd van stilzwijgen begon zij te zeggen: âIk heb gezondigd. Hoer, ontferm U mijner.quot; Deze woorden herhaalde zij meer dan zestig maal. Telkens hief zij de rechterhand op en liet ze weer op het bed vallen. Dan zeido zij bij herhaling, maar zonder de armen te bewegen: âHeilige God, erbarm U mijner en wees mijner gedachtig.quot; Of: â O Heer, haast U, haast U mij te helpen.quot; Nog andere
46(1
woorden, die hare nederigheid en godsvrucht uitdrukten, sprak zij uit. Daarna veranderde haar gelaat eensklaps; het schitterde als dat van een engel. Hare oogen, eerst door de tranen verduisterd, straalden van blijdschap. Zij scheen als uit een diepen afgrond op te stijgen. Dit gezicht verzachtte de droefheid van hare kinderen . die weenend om hare stervenssponde stonden.
Op dit oogenblik rustte zij op de borst van Zuster Alessia. Zij beproefde op te staan en met een weinig hulp gelukte het haar overeind te gaan zitten, altijd nog oj) Alessia leunend. Hare leerlingen hadden een kleine tafel met relikwieën en heiligenbeelden bij haar gezet. Terstond vestigde zij hare oogen op het in het midden staande kruisbeeld, begon het te aanbidden en hare schuld te belijden.
âJa, het is mijne schuld,quot; zoo bad zij, âo eeuwige Drievuldigheid, zoo ik U ongelukkig door mijne nalatendheid, ongehoorzaamheid en ondankbaarheid beleedigd heb. Helaas, ellendige, ik heb de algemeene en bijzondere geboden, die Uwe goedheid mij gegeven heeft, niet volbracht.quot; Zij klopte meermalen op hare borst. â Ach,quot; ging zij voort, â ik heb Uw bevel altijd Uwe glorie en liet heil van den naaste te zoeken in den wind geslagen; ik heb mijne eer gezocht en de vermoeienis gevlucht, toen ik anderen moest bijstaan. Zonder ophouden hebt ('rij mij uitgenoodigd mijzelve met u te vereenigen door een vurig verlangen, door nederige tranen en door een volhardend gebed voor de zaligheid der wereld en de hervorming der Kerk. En ik, ongelukkige, ik heb volstrekt niet aan Uw wenschen gehoorzaamd en ik ben in mijne onverschilligheid ingesluimerd. Gij hadt mij zielen toevertrouwd, Gij had mij kinderen gegeven om ze met oen bijzondere liefde te beminnen en op den weg des levens tot U te brengen. Ik heb te weinig zorg voor hen gedragen; ik heb hen niet door een volhardend gebed tot U geholpen; ik heb verzuimd hun goede voorbeelden en nuttige lessen te geven. Ongelukkige! met hoe weinig eerbied heb ik de ontelbare genaden en de schatten van lijden, die Gij mij geschonken hebt, ontvangen. Helaas, mijne liefde. Uwe goedheid heeft mij sedert mijn prilste jeugd tot bruid uitverkoren, maar ik ben niet getrouw genoeg geweest, want ik heb mijn
461
geheugen niet gebruikt om aan Uw weldaden te denken, mijn verstand om ze te beseffen, mijn wil om ze te beminnen met al de krachten mijner ziel.quot;quot;
Zoo beschuldigde zich die reine duif voor God. Dan zeide zij, zich tot den priester wendend: âUit liefde tot den ge-kruisten Jezus, vergeef mij de zonden, die ik nu beleden heb evenals alle andere, die ik mij niet herinner.quot; Hij voldeed aan haar verlangen. Nu vroeg zij den vollen aflaat, dien Gregorius IX en Urbanus VI haar in het uur des doods verleend hadden. Opnieuw begon zij te bidden en verheven dingen te zeggen. De smart verhinderde hare leerlingen dikwijls die te verstaan. Zij moesten liet oor aan hare lippen leggen om eenige woorden te vatten. Dan richtte zij het woord tot eenige van hare kinderen, die bij hare afscheidsrede niet tegenwoordig waren geweest, en vroeg allen om vergiftenis.
Herhaaldel jk verzocht en ontving zij den zegen van hare diepbedroefde moeder. Maar Lapa beval zich aan hare dochter aan en vroeg haar bij God voor haar te bidden, dat zij Hem in haar lijden niet beleedigde. Dit schouwspel van weder-zijdsche nederigheid en liefde tusschen moeder en dochter ontlokte aller oogen overvloedige tranen. Niets evenwel kon die heilige ziel in haar vurig gebed verstooren. Hoe dichter de dood naderde, des te meer bad zij voor de Heilige Katholieke Kerk en offerde haar leven voor haar op. Zij bad ook voor Paus Urbanus VI, verklaarde, dat hij waarachtig de wettige Opperherder was en spoorde allen aan hiervoor te sterven, wanneer liet noodig was. Zij bad ook nog voor allen, die do Heer haar gegeven had en die zij met een bijzondere teederheid beminde. Zij bediende zich daarbij van de woorden, waarmede Jezus, na het laatste Avondmaal, Zijn leerlingen aan Zijn hemelschen Vader aanbeval. Vervolgens maakte zij liet teeken des kruises, zegende haar ge-heele huisgezin en zeide: âVader, zij zijn de Uwen en Gij hebt hen mij gegeven en ik geef hen aan U terug. Eeuwige Vader, neem hen en bewaar hen; ik bid U, dat niemand hunner aan Uwe hand ontrukt worde.quot; Nog eens maakte zij het kruisteeken over alle omstanders en zegende allen, die niet aanwezig waren. Dan zeide zij: âHeer, Gij
4(52
roept mij, dat ik kom, en ik ga tot U; ik kom niet om wille mijner verdiensten, maar alleen om wille van Uwe barmhartigheid; en die barmhartigheid vraag ik U in. naam van Uw kostbaar liloed.quot; Zij riep verscheidene malen: âO Bloed, o Bloed!quot; Naar het voorbeeld van onzen goddelijken Zaligmaker zeide zij; âVader, in Uwe handen beveel ik mijnen geest.quot; Dan neigde zij het hoofd en gaf haar reine ziel aan haren Schepper terug.
Het was Zondag de 29 April 1380, op liet feest van St. Petrus martelaar, omtrent het uur der Tertiën. !)
Zij was heengegaan tot haren hemelschen Bruidegom. De strijd was volstreden. Drie en dertig jaren van arbeid en lijden voor de H. Katholieke Kerk, een volmaakte liefde door een volmaakte zelfopoffering, ontvingen een eeuwige belooning in het hemelsch Jerusalem, Weenend en klagend stonden hare kinderen om hare heilige overblijfselen. Zij beweenden een allerteederste moeder. Zij deden al het mogelijke om haren dood voor het volk geheim te houden, deels om zich ongestoord aan hun smart te kunnen overgeven, deels om het gedrang en de opschudding onder het volk te voorkomen, deels om vrij en ongehinderd met elkander hare uitvaart te bespreken.
De begrafenis schijnt men bijzonder aan Stephanus Maconi opgedragen te hebben. Den volgenden morgen bracht men het lichaam der Heilige Catharina naar de kerk van de Minerva over. In een oogwenk was de tijding van haar dood door de stad verspreid. In dichte drommen stormde het volk naar de kerk en drong onstuimig naar voren om de voeten der Heilige te kussen of ten minste hare kleederen aan te raken. Om deze stormachtige en geweldige vereering der menigte vreesden de kloosterlingen, dat men het lichaam van Catharina zoude verdeden. Daarom plaatsten zij het achter het ijzeren hek der kapel van St. Dominions. Daar bleef het twee dagen ten toon gesteld, geheel frisch en ongeschonden , een heerlijken geur uitwasemende. De armen, de hals, de beenen waren zacht en buigzaam. Het gezicht onderging geen verandering. De toevloed van menschen
') Brief van Bartluccio aan zijn zuster. â Legend, ril , 4. Suppl. c. XI.
4 üo
nam steeds toe. Kardinalen, prelaten, edelen, kunsteiifttivs verdrongen zich in eerbiedige vereering om het eerbiedwaardige lichaam eu wedijverden in lof over de deugden dei-Heilige. Vele meesters in do godgeleerdheid en beroemde predikers verkondigden hare glorie van den kansel. Een der vermaardste van Rome kon zich door het gedruisch van het volk niet doen verstaan. Hij stelde zich te vreden met te zeggen: âDeze maagd heeft onze lofspraken niet noodig; zij spreekt genoeg door zich zelve.quot;
De wonderen vermenigvuldigden zicli van uur tot uur. Men bracht zieken aan; zij herkregen de gezondheid. Een tertiaire van St. Franciscus streek haren sluier aan de kostbare overblijfselen aan en logde hem op haren zieken arm. Zij was terstond genezen. Men bracht een kind van vier jaar bij Catharina. De halsspieren waren zoo samengetrokken, dat het hoofd op den schouder hing. Zoodra men do hand der overledene op bet zieke gedeelte gelegd had, hernam het hoofd zijn natuurlijke houding.
Een jonge dochter, door een verschrikkelijke melaatschheid aangetast, was geheel hersteld, nadat zij de kostbare overblijfselen hatl aangeraakt.
Doze on vele andere wonderen vermeerderden den glorie van haar, die men reeds tijdons haar leven de Heilige van Siena noemde.
Eindelijk bracht men op den dorden dag, Dinsdag den 1. Mei, omtrent het uur der Completen, hot lichaam dor Sorafijnsche maagd met grooten eerbied naar het kerkhof bij de kerk. Volgens haar eigen woorden was Jezus het bloembed, waaróp hare ziel uitrustte. !)
â Supplem. c. XI.
') 105. Brief. â Legend. Ill, 5.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. Tei-lieerlijking van St. Catliariua.
Gij liebt op zijn lioufd een kroon v;in edelgesteenten gezet. Leven heeft hij van 1quot; begeerd, en Gij ga;ift hem de lengte der dagen eeuwiglijk en altoos. Groot is zijne eer door l'w heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij hem toegevoegd. Ps. 20.
De voornaame oorzaak der gelukzaligheid van mijne dienaren is Mij te zien en -Mij te kennen. Bit aanschouwen en deze kennis verzadigen den wil met datgene, waarnaar hij verlangt; hij is dus gelukkig. Mij te zien, Mij te kennen en te beminnen geeft een volmaakt geluk. Samenspr. c. 45.
1 .sso.
f^lp haar ziekbed had Catharina inzonderheid aan Pater Raymundus van Capua, haren geestelijken Vader, gedacht. Aan hem verscheen zij liet eerst om hem van hare bescherming in den hemel te verzekeren. Juist was hij op reis van Genua, waar hij den kruistocht tegen do scheuring predikte, naar Bologna om aan de keuze van een nieuwen Generaal zijner Orde deel te nemen.
Op den morgen, dat Catharina in den Heer stiert, maakte hij na het lezen der H. Mis zijn toebereidselen voor de reis. Voorbij een beeld der H. Maagd op de slaapzaal gaan( o, stond hij een oogenblik stil en bad volgens het gebruik ( m Wees gegroet. Daar hoort hij een geheimzinnige stem, die tot hem zegt; âVrees niets, ik ben hier voor u; ik zal u beschermen, ik zal u verdedigen; ik ben in den hemel voor u.quot; Door deze inwendige openbaring ontsteld, zocht hij naar
465
de oorzaak en de beteekenis. Hij kon haar aan niemand anders dan aan de ]I. Maagd toeschrijven. !)
Op hetzelfde uur had te Rome een andere openbaring van Catharina's hemelsche glorie plaats.
Een godvruchtige weduwe, Semia genaamd, vriendin van de Heilige, zag een schoon en jeugdig kind, dat tot haar met een vriendelijken glimlach zeide: âIk wil niet, dat gij opstaat , voor gij gezien hebt wat ik u ga toonen.quot; Het kind wees haar een groote ruimte, die den vorm van een kerk had. Aan liet uiteinde stond een zilveren en prachtig, maar zorgvuldig gesloten tabernakel. Er verscheen nu een ander kind, gelijk aan het eerste. Dit kind opende de deur van het tabernakel met een gouden sleutel. Daarbinnen zag Semia een jeugdige maagd van weergalooze schoonheid. Zij droeg een kleed van schitterende blankheid, met edelgesteenten versierd. Op haar hoofd prijkten drie kronen. De onderste wras van zilver en wit als sneeuw; de tweede van goud en zilver scheen een weefsel van goud en purper te zijn; de derde, van zuiver goud gemaakt, schitterde van paarlen en diamanten. De godvruchtige weduwe meende Catharina te herkennen, ,, De gestalte is wel die van Catha-rina van Siena,quot; zeide zij, âmaar niet de leeftijd.quot; De maagd naderde tot haar en vroeg: â Semia, herkent gij mij niet? Ik ben Catharina van Siena; mijn gelaatstrekken moeten u overtuigen.quot; âHoe,quot; riep Semia uit, âzijt gij Catharina, mijne moeder?quot; âJa zeker,quot; antwoordde Catharina, ââ maar let goed op, wat gij ziet en wat gij gaat zien.quot; Bij deze woorden werd zij door zes kinderen op een kostbaar rustbed naar den hemel gedragen. Daar zag Semia een troon en op dien troon een koning, met een diadeem gekroond; in zijn hand hield hij een geopend boek. De jeugdige maagd wierp zich voor de voeten van den Vorst om hem te aanbidden. De koning zeide tot haar: âWees welkom, mijn gslliefde bruid, mijn dochter Catharina.quot; Nu naderde de k. ningin met een luisterrijken stoet van maagden, nam haar bij de hand en groette haar: âWees welkom, Catharina, mijn geliefde dochter.quot; Zij omhelsde haar en gaf haar den
') Legend. 111. 4.
30
4tifi
kus des vredes. Zoo deden ook al de overige maagden.
Den volgenden morgen ging Semia naar de kerk der Pre-dikhceren. Zij verneemt er het overlijden van Catharina. âZegt mij,quot; roept zij uit, âop welk uur zij gestorven is.quot; âGisteren, omtrent het uur der Tertiën.quot; En Semia herneemt; .,Ik heb haar gezien, ik hel) haar gezien, mijn welbeminde moeder; de engelen hebben haar in mijne tegenwoor-digheid naar den hemel opgevoerd. O mijne moeder, mijne moeder! waarom heb ik toch niet begrepen gedurende de verschijning, dat gij de aarde verliet?quot; 1)
Acht dagen na het overlijden van Catharina klopt er zeer vroeg in den morgen een zekere Johannes van Pisa aan de deur van Thomas Petra, den leerling der Heilige, van wien wij reeds gesproken hebben. ,, Catharina van Siena komt,quot; boodschapt hij, âgij zult haar zien.quot; Gedurende dertig dagen ontving hij dagelijks diezelfde tijding. Eindelijk, â het was op een Zondag bij het morgenkrieken â zag hij aan den helderen hemel een schaar van gelukzalige geesten in het wit gekleed in processie voorttrekken. Koorsgewijze zongen zij heilige liederen. Een engel zeide tot hem: âWij voeren de ziel van Catharina van Siena in de tegenwoordigheid der Goddelijke Majesteit.quot; Nu vormden de engelen een grooten kring. In het midden stond Catharina in lelieblank gewaad. In hare hand droeg zij palmtakken. Zij hief haar hoofd op en zag Thomas met een hcmelschen glimlach aan. 2)
Tal van schitterende wonderen bevestigden deze openbaringen van Catharina's heiligheid en eeuwige glorie.
Johannes Neri, een burger van Rome, bidt met zijn ziek kind op het graf van Catharina. Het is terstond genezen.
Maria, een Romeinsche matrone, leed aan hevige hoofdpijn. Catharina verscheen aan hare dienstmaagd: âLaat uwe meesteres iederen morgen de H. Mis bijwonen.quot; Maria gehoorzaamde; de pijnen waren geweken.
De zoon van Joanna Seperini, een kennis der Heilige, viel van het hooge terras der ouderlijke woning. De moeder
') Legend. III, 4.
a) Testimonium van 1'. Havtliolomiifius Dominirus.
467
ziet hot en roept uit: âHeilige Catharina van 8ieua, ik beveel u mijnen zoon aan.quot; Het kind ontving niet het minste letsel. !)
Een arme vrouw, Buona Giovanni geheeten, wiesch op zekeren dag aan den oever van den Tiber het linnengoed. Een sprei valt in het water; /.[] wil haar grijpen, helt te veel voorover, valt in de rivier en wordt door den stroom medegesleept. In dien uitersten nood bidt zij luide: âHeilige Catharina van Siena, help mij.quot; Terstond wordt zij uit het water opgeheven en bereikt ongedeerd met de sprei den oever.
Raymundus van Capua verhaalde voor een talrijk gehoor, hoe een jongeling door aanraking met een tand der Heilige volslagen genezen was. En toen ging er uit de vergadering een stem op: âIk ben, mijn vader, het voorwerp van die gunst geweest; ik bevestig dus, dat gij de waarheid spreekt.quot;1) âBij de wonderen, die ik reeds verhaald heb,quot; zegt Raymundus van Capua, âzou ik vele andere moeten voegen, die men niet geboekt heeft, maar waarvan de ex-voto's uit was, in grooten getale bij haar graf neergelegd, getuigenis afleggen. Wat mij betreft , ik belijd in de tegenwoordigheid van God, van de Engelen en van alle geloovigen, dat vele personen mij bezocht hebben om mij de wonderbare gunsten, die zij door tusschenkomst van de Gelukzalige Catharina bekomen hadden, mede te deelen.quot; 2)
Vele inwoners van Rome werden door de soldaten van koningin Johanna van Napels gevangengenomen en in boeien geklonken. Zij riepen Catharina aan, de ketenen vielen ter aarde en zij keerden uit het vijandelijke kamp ongehinderd naar Rome terug.quot; )
Vijf jaren na Catharina's dood was Raymundus van Capua te Siena. Daar liet hij het hoofd der Heilige plechtig ter vereering uitstellen en noodigde tevens haar trouwste dienaren op een feestmaal in het klooster. Op het uur van
1
â¢i) Ibid.
2
' Tbid.
468
den maaltijd is er geen brood genoog voor de gasten. De prior zendt een paar paters uit om brood te halen. Deze keeren niet terug. Hij verzoekt nu de gasten aan tafel te gaan en niet hut weinige, dat er is, te beginnen. En ziet, door de tusschenkomst van Catharina worden de broeden wonderbaar vermenigvuldigd. Vijftig personen werden verzadigd met datgene, wat nauwelijks voor vijf voldoende was. !)
Spoedig na den dood van Catharina verkondigde men luide de schitterende wonderen, op haar graf en door hare voorspraak geschied. Jaarlijks vierden haar geestelijke kinderen hare gedachtenis en onderhielden zich met elkander over hare deugden en wijze lessen. Stephanus Maconi liet te Siena, Venetië en elders vrome allegorische voorstellingen opvoeren, die de voornaamste feiten uit het leven der wondervolle maagd weergaven. Hij schreef een korte levensgeschiedenis van haar en zond ze aan vele vorsten van Europa. Van lieverlede predikte men in de kloosters der Predikheerenorde op den Zondag na den 29. April over hare leer, deugden en wonderen en stelde haar aan de christelijke maagden ter navolging voor. Venetië, waarin Catharna nooit een voet gezet had, streefde alle feestvierende steden voorbij. De kerk van St. Johannes en St. Paulus der Paters Predikheeren was op bovengenoemden dag in feestdos; een plechtige hoogdienst, plechtige vespers en een feestpredikatie werden gehouden. Men besloot het feest met een gezelligen maaltijd, waaraan vele hooge prelaten der Kerk, edelen, werklieden, kloosterlingen van verschillende orden en studenten deelnamen. Daar las men het leven de:- Heilige, zong lofliederen en sprak over hare deugden en wonderwerken. Men wedijverden, wie de meeste vruchten, bloemen of geschenken zoude aanbrengen.
Zoo hadden de Dominicanen te Venetië zestien jaar de gedachtenis der Heilige gevierd. Op verlangen van Franciscus Bembo, bisschop van Venetië en Pauselijk legaat, stelden pater Bartholomaeus van Ferrara, inquisiteur van het geloof, pater Thomas Cadarini, prior van het Dominicanenklooster te Venetië, en vele andere geloofwaardige personen , leerlingen
1 Legend, ill
469
der Heilige, te boek, wat zij van haar leer en heiligheid wisten. De verzameling van deze authentieke bescheiden vormt het proces van Venetië. De notaris Franciscus de Viviano maakte de akten op. De bisschop keurde de stukkeu goed. Het proces-verbaal werd den 5 Januari 1413 door Franciscus de Viviano en de getuigen geteekend.
Van alle zijden gingen er nu stemmen op voor de heiligverklaring van Catharina. Tal van verzoekschriften werden ingediend bij Bonifacius IX, Innocentius VII en Gregorius XII. Deze laatste begon het proces der heiligverklaring en hoorde vele getuigen.
Het was aan Silvio Piccolomini of Paus Pius II, uit Siena geboortig, voorbehouden Catharina in de rij der Heiligen op te nemen. Den 29 Juni 1461 had deze plechtigheid in de basiliek van St. Pieter plaats. Voor het volk en de geestelijkheid hield de Paus een welsprekende rede over het leven en de wonderen van Catharina. Dan vierde hij de Heilige Geheimen. Daarna liet hij van een hooge en prachtige tribune de bul der heiligverklaring afkondigen.
Dit uitvoerige stuk zet eerst de weldaden van God voor den mensch en do ondankbaarheid van den mensch jegens God uiteen, geeft dan een zaakrijk overzicht van Catharina's leven en sluit aldus;
,,Tor eere van den almachtigen en eeuwigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, tot verheffing van het Katholiek geloof en tot uitbreiding van den Christelijken godsdienst, krachtens het gezag van Onzen Heer Jezus Christus, van de Gelukzalige Apostelen Petrus en Paulus en van het onze, voorgelicht door Onze broeders, do kardinalen, verklaren Wij , dat Catharina van Siena, de maagd, wier naam luistervol en onsterfelijk is, wier lichaam rust te Rome in de kerk van de Predikheeren, welke de Minerva genoemd wordt, reeds opgenomen en met glorie gekroond is in het hemelsch Jeruzalem, midden in het koor der Engelen, tot den rang, die hare deugd, door de goddelijke genade ondersteund, haar verworven heeft. Wij besluiten en stellen vast, dat zij als heilige vereerd zal worden, zoowel in het openbaar als in het particulier, en Wij bevelen, dat haar naam op do lijst der heilige maagden, die de Roomscbe Kerk vereert, ge-
470
schreven worde. Wij bepalen, dat haar feestdag door do gansche Kerk jaarlijks op den eersten Zondag van Mei gevierd zal worden, en dat men haar die eer bewijze, welke men aan de andere maagden pleegt te geven. Bovendien verleenen W ij voor altijd aan allen, die haar graf op haar feest zullen bezoeken, een aflaat van zeven jaren en zeven quadragenen, in den vorm door de Kerk aangenomen. Dat niemand zich veroorlove in deze bepaling iets te veranderen, noch in alles, wat zij behelst, mededeelt, beveelt en vaststelt; dat niemand haar vermetel aanvalle. Indien iemand zich aldus plichtig zoude maken, hij wete, dat hij den toorn van den almachtigen God en van de Heilige Apostelen Petrus en Paulus inloopt.quot;
Gegeven te Rome bij St. Pieter, het jaar der Menschwor-ding 1461, den 29 Juni, hot derde jaar van Ons Pontificaat.
Een breve van Urbanus VIII van den 16 Februari 1630 stelt het feest van de H. Catharina op den 30 April.
INHOUD.
Biz
Voorwoord............................................v
Lijst der voornaamste bronnen...............VII
Eerste Boek. Verborgen leven van de H. Catharina. 1347â1372
Hoofdstuk. ulz.
I. Afkomst en geboorte van de II. Catharina.......
II. Catharina''s wondervolle kindsheid....................9
III. Beproeving van de II. Catharina......................17
IV. Versterving van de II. Catharina..........27
V. De waardige dochter van den II. Dominicus......40
VI. Catharina wordt wonderbaar door Jezus Christus onderricht.
Haar strijd tegen den duivel...........53
VII. Hoe Catharina voortgang in de deugd maakte. Haar wondervolle geestvervoeringen..........................05
VIII. Wonderbaar verkeer van Catharina met Christus cn de Heiligen. Beoordeeling harer visioenen........77
IX. Catharina's geduld in de vervolging. Hare verloving met
Jezus Christus................102
X. God roept Catharina tot het werkende leven......112
XI. CatharinaV liefde voor de armen...........120
XII. Catharina's liefde voor de zieken...........128
XIII. Catharina's liefde voor de zondaars..........1.38
XIV. Catharina's godsvrucht tot het H. Sacrament des Altaars.
Hare veelvuldige Communiën...........140
XV Wonderbare onthouding van Catharina.........101
XVI. Overeenkomst van Catharina met haren hemelschen Bruidegom 174
XVII. Hoe Catharina hare ouders, bloedverwanten en vrienden liefhad 191
XVIII. Catharina bekeert de zondaars en drijft de duivelen uit . . 201
XIX. Kennis der geheimen en voorzeggingen van Catharina . . . 210
XX. Catharina, een toonbeeld van heiligheid........217
472
Tweede Boek. Openhaar leven van de II. Catharina. 1372â1380.
Hoofdstuk. BIz. 1. Aard van Catliarimfs werkzaamheid. Zij begint haar zending
te Siena..................2.39
11. Catharina (ni de II. Agnes van Montepulciano. De Heilige
en Gregorius XI...............2G1
III. Catharina's verblijf te Pisa. Zij ontvangt de II. Wonden
van Christus.................277
IV. Catharina's vriendschap met de Karthuizers. Haar verblijf
te Lucca..................29G
V. Catharina te Florence..............305
VI. De II. ( atharina aan het Pauselijk hof te Avignon .... 323 VII. Paus Gregorius keert naar Rome weder. Catharina's terugreis
naar Siena.................336
VIII. Het bezoek van de II. Catharina op Rocca d'Orcia .... 3G0
IX. Catharina's tweede zending naar Florence.......370
X. De geschriften van de II. Catharina.........395
XI. Catharina en hare leerlingen............408
XII. Catharina strijdt voor Paus en Kerk tegen de quot;Westersche
scheuring..................417
XIII. Catharina komt te Rome. . ,...........424
XIV. Catharina, een zuil der Kerk............431
XV. Laatste ziekte van Catharina............441
XVI. Zalige dood van de II. Catharina..........451
XVII. Verheerlijking van St. Catharina. . . ,.......404
f â 1 'quot;W:1 â , - â -
â
'
â L/
i 'l amp;X L'ïSX' â â , A:J
1 dnf
P% Mrquot;
l .*4gt;14^?-5;lrtiP:'.-' y
UVW- 4.- ^r. ^lF%u ' \-M ..lt;. -i^'^
t \ll3;- - w' .^u ⢠f ^V'V^fv 4 ^ rV. ^ ^ - vV7W-' - 'S 4^ ^ ^' ^fJr^
s'lt;l fï v.'V i^c.'.^v-*^' -iKi v
?.,' v. lt; ö. x rv-quot; ⢠gt;i«k!r - «.* a .^St' gt;* 'j
Kgt; -^ ,# â IF*#* quot;\: A,, ^ , fci1
f ./t 1'iivT
s-^pypy. \%h?/
vvgt; ^
JZamp;lu Ejvj» gt;.. ,1
....../|
Tamp;p-: ^ lt; 2**%,^
/ïtës;
^ vlt;7â« 7 -r.^^ i
*\ Q
quot;â ⢠*i -7 â¢
1^p#CV7
mmk