-ocr page 1-

Vak 119

-ocr page 2-

■gal Bureau DerdeOrd»

^EÊSquot; - BRUM MEN

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

EDEVAART

DER

J\lederlandscl]e T'ertiarisseq

3e. ORDE BIBLIOTHEEK

Leeuwenstraat 15,

R O TT ER DAM.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

oAan Zijne fdeiliqheid den glorierijk regeerenden Paus

Jj E O XIII,

den kerkeren BescKermKeer,

DEN pROOTEN ^ERSTELLER,

deq 'K^oninl^lijkeq, J^joogepriesterlijl^eq ^ader

vau fle 111° Orde van den H, Franciscns,

-ocr page 8-
-ocr page 9-

1

Aan Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid

Monseigneur

H. ji. E). ï 'GERMANS,

a/3isschop van Roermond,

deq Fsoo|er2 Beschern^er dei^ IIIe Oi^de

H. FRANCISOUS

in zijn Diocees,

i I

1

II

-ocr page 10-
-ocr page 11-

oAan den fö o og w a ar dig s ie n

Ê Hxoysius van Êarma,

MINISTER eENEKAAL

VAN DE

GEHEELE j3RDE DER yVllNDERBROEDERS.

oA an den JfêoogSerw aarden

I?. 33ENVENUTUS FRANSSEN, PROVINCIAAL

der Minderbroeders l^ecsllecten in Nederland.

Aan den HoogEerwaarden

33. tï'., IvUSTERS,

Pastoep der Rosalia-Keijk te Rottei^dan^,

wordt dit werk, „de Bedevacart der Tertiarissen naar ROME, ASSISIE, LORETO en PADUA,quot;

eerbiedig opgedragen.

-ocr page 12-
-ocr page 13-

/,V 3 ff i

Bedevaart

0'

I

DER

m

UIKUIIin MIliBISSÏI

NAAK

Ï^OME, H SSISIË, X- ORETO en I^ADUA,

DOOR

J. E. H. MENTEN,

üid der derde 0rde van den 3l ïiranciscus.

jrè® i-At-tA

,35.

Leey^instraatiS, |'r cït t e r d a m.

O E R JI O N D.

henri VAN DER marck. 1894.

i

Centraal Buraau DerdèOrd»

öF. SEESquot; - BRUMMEN

-ocr page 14-

9a. Ord» Bibliotheek

Afd. Franciscana Rotterdam.

/ 3.

Centraai Bureau Darde Orde

„DE REESquot; - BRUMMEN

-ocr page 15-

Pelgrimstocht

DER

Nederlandsche Tertiarissen

NAAR

Rome^ Assisië, Loreto en Padua,

BIJ GELEGENHEID VAN HET

jGrOUDEN jBlSSCHOPSFEEST

VAN

Z. H. PAUS LEO XIII.

rachtige feesten zag men te Rome bij gelegenheid van het gouden priesterfeest van Leo XIII. Eene luisterrijke tentoonstelling, eenig in haar ■ soort, ongeëvenaard in pracht, schitterend door de kostbaarste geschenken van alle gekroonde hoofden der wereld, die als om strijd de ondubbelzinnigste blijken van hoogachting en vereering gaven voor het hoofd der Katholieke Kerk, trok duizenden bezoekers.

Maar het was de Paus, dien men wilde huldigen. Pelgrim-scharen togen zonder ophouden naar het Vatikaan, om den gevangen Paus-Koning hunne liefde te betuigen. Het was een optrekken, waar geen einde aan scheen te komen. Elk land, elk volk wilde komen nederknielen aan de voeten van den

-ocr page 16-

4

grijzen Petrus onzer dagen, elk land, elk volk vaardigde zijn. honderden vertegenwoordigers af. Het was alsof het Vatikaan het levende middelpunt der wereld was geworden. De volkeren kruisten elkander in de straten bij het opgaan naar het paleis, bij het terugkeeren uit de Sint Pieter, van het Vatikaan. Veertig, vijftig, ja tachtig-duizend menschen woonden de Mis van het Jubiló bij, in den werelddom van den Prins der Apostelen. Men zou gezegd hebben dat er te Rorae een volkerendag gehouden werd.

De wereld aanschouwde een schouwspel, eenig in de jaarboeken der menschheid. Het was een luisterrijke triomf van de Kerk van Christus , en van Christus' stedehouder op aarde, de triomf van het geloof, en de vijanden der Kerk knarsetandden van verbeten woede. Dat was Zij alzoo, voor wie men het graf zoo lang gedolven had, die men begraven waande. Zij, zij straalde van eeuwige jeugd, als de adelaar, in ongekende pracht en heerlijkheid, in steeds nieuwe levensvolheid, altijd bestreden en altijd zegevierend, van eeuw tot eeuw.

En de Paus en het Pausschap ?

Wat een weergalooze verschijning dat Pausschap !

Zooals het kruis, de boom des levens, eens geplant te midden van het Paradijs, op den Kruisberg omhoog rees, met den voet rustend op de graven onzer eerste ouders, zoo gaat uit de katakomben der Sint-Pieterskerk, uit de graven der A poscel vorsten , die bijna negentienhonderd-jarige reuzenstam omhoog, die steeds nieuw leven put uit de onuitputtelijke bron. Breekt een tak onder den last der vruchten, een ander schiet in zijn plaats, in groenen dos en bloesempracht.

In ons Keizerrijk van Insulinde, dat zich als een smaragdgroene gordel slingert om den evenaar, gaan zoo vrucht en bloem, dood en leven, onafscheidbaar hand in hand.

En dat bijna onmogelijk schouwspel herhaalde zich.

-ocr page 17-

Het eeuwfeest van den H. Moysius zag acht duizend katholieke jongelingen opgaan tot den Paus.

Weder waren alle volkeren der aarde vertegenwoordigd, tot de Turken, Egyptenaren en Assyriërs toe. Het was een prachtige, bewegelijke, bonte mozaiek van kleedij, die zich bewoog door de onafzienbare gangen van Sint Pieter.

Onder al deze vrome pelgrims waren zeker duizenden Tertiarissen, die, naar het voorbeeld van hun serafijnschen Vader, wisten wat eerbied, liefde en toewijding zij aan het Opperhoofd der Kerk schuldig zijn.

Nieuwe feesten werden voorbereid. De 19 Februari van het jaar 1893 bracht het gouden jubelfeest van den Bisschop-Paus. Dan zou het vijftig jaar geleden zijn, dat Joachim Pecci in de franciskaansche kerk van den H. Laurentius in Panisperna, de bisschoppelijke wijding ontving.

Nog eens zou de Katholieke wereld zich naar Rome keeren, nog eens zich verdringen als om strijd, om den welbeminden Vader, wien zijn lange en harde beproevingen steeds met een schitterender aureool kroonden, voor wien men in het hart alle gevoelens van liefde en dankbaarheid steeds hooger voelt klimmen, naarmate zijn al omvattende zorgen voor het welzijn dei-volkeren, gepaard met zijn machtigen invloed, de weldaden in de wereld vermenigvuldigen.

De Orde van den H. Franciscus moest in deze omstandigheden openlijk getuigen van hare onvoorwaardelijke toewijding, van haar innigste liefde voor den Stedehouder van Jezus Christus, voor Leo XIII, den Verdediger, Beschermer, Hersteller van de 1 derde Orde. Had niet, bij den dood van kardinaal Simeoni, de Heilige Vader zelve, zich het beschermheerschap der Orde : voorbehouden ? Zoo dacht onze Hoog Eerwaarde Pater Oeneraal, Aloysius van Panna.

De Tertiarissen van de Congregatie van Ara Coeli werden met de regeling belast, en weldra verscheen een schrijven van

-ocr page 18-

6

den H. Ew. Pater Generaal, tot alle Tertiarissen gericht, die hen allen uitnoodigde tot een bedevaart, een grootsche betooging.

De maand April werd er voor bepaald; want de H. Vader had de innemende goedheid, den Generaal der Franciscanen, die Hem relikwieën aanbood van den gelukzaligen Leopoldus de Gaiches, te zeggen: „ik wacht in April den pelgrimstocht der Tertiarissen-Franciscanen.quot;

Wat een troost voor de leden der derde Orde, het liefdevol verlangen te vernemen van den grooten Leo.

Den 10 April voerden de treinen aanhoudend talrijke scharen van Tertiarissen aan. Het waren de vreedzame legioenen van het gebed en der boetvaardigheid, die aan hun verheven Beschermheer de hulde kwamen aanbieden van hun kinderlijke liefde en onderwerping.

Den 12 April zag men het heirleger der Tertiarissen, de keurbenden der Kerk, zooals de Paus hen noemt, optrekken door de straten der eeuwige stad, om hun grooten Aanvoerder en Beschermheer te gaan huldigen in de Koningsburcht, waarin hij ten troon zetelt. Een uur lang zag men ze, in groepen ingedeeld, de bronzen poorten binnentreden, om zich in de Sala Eegia en de Sala Ducale op te stellen, den rozenkrans biddend voor den grooten Leo, die met hetzelfde recht de Paus der Tertiarissen als de Paus van den Rozenkrans wordt genoemd. •

Toen verscheen de Paus; een heerlijk adres werd er gelezen en door Z. Heiligheid niet minder prachtig en treffend beantwoord.

Die audientie zal een der schoonste daden blijven van het glorievol Pontificaat van Leo XIII.

Gaarne hadden zich de Nederlandsche Tertiarissen aangesloten bij hun broeders en zusters van de derde Orde, maar de H. Vader liet hun door kardinaal Rampolla weten, dat, daar het gure seizoen hun, evenals den anderen veel talrijker

-ocr page 19-

Hollandsche bedevaartgangers, de reis te lastig maakte, hij hen in Mei zoude verwachten. Met de andere pelgrims konden de Tertiarissen niet gaan, daar zij zich juist in hun hoedanigheid van leden der derde Orde naar Rome begaven, om den Paus een geheel bizondere hulde te brengen, en te beantwoorden aan den uitdrukkelijken wensch van den Hoogen Beschermheer en Hersteller der derde Orde, welke in de heerlijke redevoering, waarmede Hij het adres der vijf duizend Tertiarissen beantwoordde, al de redenen opgaf van zijne voorliefde voor de derde Orde. „De teedere godsvrucht, welke wij van onze jeugd af aan voor den Serafijn van Assisië hebben gehad, onze inlijving in de derde Orde, de bedevaarten, welke wij dikwijls ondernamen naar zijne beroemde heiligdommen, de onuitsprekelijke zoetigheden, welke wij smaakten tot twee keeren toe, gedurende ons verblijf op den heiligen berg van Alverna, en eindelijk de genade, welke God ons verleende om de derde Orde te bevestigen en te verlevendigen, — zijn kostbare herinneringen, die onze ziel verheugen.quot;

Zoo werd dan het plan beraamd om van Nederland uit een pelgrimstocht te organiseeren, bestaande uit leden der derde Orde van den H. Franciscus. Enkele keeren werd er in de verschillende koeranten van gewag gemaaakt. Een vijftigtal gaf hunne namen op aan het comité, samengesteld zooals hierachter volgt, terwijl twee andere leden zich hadden aangemeld, met het plan, om zich te Rome bij de bedevaart te komen voegen, hetgeen dan ook bereidwillig was toegestaan.

-ocr page 20-

HET COMITÉ:

Eere-Directeur: Hoog Eerwaarde Pater Anselmus Ebben, Min.

Provinciaal der Minderbroeders Recollecten, Weert (Limburg).

1 Hoog Eerwaarde Pater Ant. Kusters, Oud-Provinciaal, Pastoor te Rotterdam, Weste Wagenstraat 55.

Zeer Eerwaarde Heer Van der Klokken , Eere Comité. ^ Pastoor te Ewijk (Gelderland).

Zeer Eerw. Zeer Geleerde Heer Dr. Van Osch,

Pastoor te Groningen.

Zeer Eerw. Heer Jac. Vrancken, Roermond. Zeer Eerw. Pater J. H. de Geest, Utrecht.

Directeur. Zeer Eerw. Zeer Geleerde Heer J. E. H. Menten,

Pastoor St. Mathias, Maastricht. Vice-Directeur. Zeer Eerw. Zeer Geleerde Pater Dr. Michael

Sleutjes, Minderbr. Klooster, Maastricht. President. Jacques Stallenberg, O. L. Vr. Plein, Maastricht. Vice-President. A. G. Florijn, Rotterdam.

Secretaris. G. M. Alberdingk, Keizersgracht 79, Amsterdam.

imax. Eickholïmax. Eickholï, Rotterdam.

G. J. Wilthagen, Korte Pooten, 's Hage.

J. B. Overman, Kruisstraat, Utrecht.

Schrönen, Delft.

Jaspers, Kattensingel, Gouda.

-ocr page 21-

I I

Vertrek.

ozendaal was de plaats, waar de pelgrims voor 't eerst elkander zouden ontmoeten. Hier zou kennis gemaakt worden.

Het ging zooals altijd. Oude vrienden, die elkander lang niet gezien hadden, die door 's levens gewone omstandigheden werden gescheiden, wisselden menigen har-telijken handdruk; met onbekenden en vreemden werden gesprekken aangeknoopt, de gewone vragen gesteld, beleefde diensten aangeboden, en tegen twee uur was de helft van de pelgrims reeds vertrouwelijk onder elkander aan het keuvelen, en de aankomst der Rotterdammers niet min het onderwerp van het algemeen gesprek.

Rotterdam bizonder was goed vertegenwoordigd, en de trein zou tegen goed twee uur aankomen. Bij de aankomst herhaalde zich natuurlijk het gezegde tooneel en werden de pelgrims met geestdrift begroet. Pastoor Kusters vooral vielen warme toejuichingen ten deel.

Hij heeft overal, waar zijn priesterlijke ijver een werkkring aangewezen kreeg, zoo bijzonder geijverd voor de derde Orde, dat men gerust kan zeggen, dat haar bloei dagteekent van den tijd, dat hij, gehoorgevend aan 's Pausen stem en verlangen, die heilige zaak ter hand nam.

TT

I i

-ocr page 22-

10

Weldra zegde men het vaderland vaarwel, en vroolijk gestemd, onder gebed en zang, ging het naar de belgische grenzen. De douanen oordeelden zeer juist, dat pelgrims geen smokkelaars zijn, en lieten ons zeer genadig door, - wij zouden | zeggen ongeschoren, — maar hier moeten wij het met „ongeopendquot; houden.

Tot Brussel bood de reis geen bizonderheden. Een voordeel was het, en een groot, dat wij overal coupé's vonden, voor ons gereserveerd en afgesloten, zoodat de bagage de minste onzer zorgen was. Zelfs te Loreto hadden wij dit voorrecht en wij vonden aan liet station alles veilig en on-betast weder.

En nu Brussel, dat wil zeggen het station en het diner, — want Brussel zou wel aangedaan worden, maar slechts voor een half uurtje, — en te 6,24 ging het op Zwitserland aan. In het vaderland had ons de warmte nog al geplaagd en tot Brussel ongeveer hield ze aan, maar hier reeds hadden wij er geen leed meer van, en opmerkelijk, hoe meer naar het Zuiden, hoe koeler, hoe frisscher. Vooralsnog kon de avond, die inviel, 1 de zaak verklaren, maar te Bettingen, een grensstation, was het j reeds koel, en nadat hier iedereen, niet zijn bagage had laten i onderzoeken, maar het een of ander gebruikt had, zoodat de visitatie noch voor het gemak der reizigers, noch voor het voordeel van den Staat scheen te zijn, maar wel degelijk in | het belang van den restaurateur, die dan ook zijn • best had gedaan, voor een luxemburgsch grensstadje, om i door uitstalling van luxemburgsche lekkernijen de hollandsche I magen te tantaliseeren. Maar ik zeg het eigenlijk niet goed, j want ik geloof niet dat iemand zich in de rol van Tantalus i verschanste, maar dat allen dapper toetastten, iets wat het diner i te Brussel, dat in zekeren zin „ii vol d'oiseauquot; genomen werd, licht verklaren kon.

in stilte holde de trein voort met het verplichte accompag-

-ocr page 23-

11

nement van fluiten, rommelen, schokken enz. Alles scheen in de rust te zijn, in werkelijke of schijnbare rust, want dien nacht hadden wij in het spoor door te brengen. Gelukkig was het de eerste, en waren wij frissche reizigers, zoodat wij 's morgens elkaar hartelijk en opgeruimd begroetten met een rondgaand „goeje morgen, goed geslapen?quot; zonder de minste j kwade luim. Het weer was dan ook als .gewenscht, zoofnsch, zoo opbeurend Een klein avontuurtje had er toch niet ontbroken. Twee der onzen waren eens even uitgewipt onder weg, - en de trein was ook weg, — maar tot aller geruststelling kwamen zij tien minuten na ons reeds aanzetten met een volgenden sneltrein, zoodat wij gezamenlijk het lange station van Basel binnenliepen, waar allen ruim de gelegenheid geboden werd, om aan het heerlijke brood, den niet minder heerlijken honing enz. zich te goed te doen. Dat is het woord, dat ons allen uit den mond viel, zoo scherpte het reizen en de zvvitsersche berglucht onzen eetlust.

Andere rijtuigen, en welke! ledereen kent de Zwitsersche spoorwegcoupé's; hoe practisch ingericht, hoe passend voor een bergland, gemak en genot vereenigend en voor ons ook nog de grootste gemoedelijkheid! Waarlijk, wij reisden als ééne familie! En de bemerking, die ons een reiziger maakte, verheugde waarlijk ons hart, — het was te Göschenen, in het midden der hooge Alpen, s'avonds voor het diner: „zoo heb ik nooit gereisd, het is waarlijk als ééne groote familie; zoo is de onderlinge omgang, de dienstvaardigheid, die broederlijke liefde, de voorkomendheid onder elkander.quot; Hoe gaarne deelde men mode wat men aan kleine provision had meegenomen , en waarmede de eene meer, de andere minder voorzien was. Dat ging nog zóó tot op onze terugreis, en het was een sterk stuk, — met sigaren nog wel, die men toch niet dan met alle kunst en vliegwerk zoo lang, en tot op den Brenner, had weten te sparen. Dat sparen had

-ocr page 24-

12

geen egoïstisch doel, want dan had men niet zoo vrijgevig rondgedeeld.

Maar het was zoo, en dat deed bepaald goed.

Hier, in deze nieuwe coupé's, kwam men elkander een visite maken en soms om inlichtingen vragen, omtrent alles wat de weg en het land opleverde, ook al wat men te Lucem te zien zou krijgen, want er waren enkelen onder on?, die meer dan eens de reis gemaakt hadden en zoo uitstekend op de hoogte waren.

Men genoot reeds bij voorbaat, en verliet zich zoo'n weinig op dezen, om op alles opmerkzaam gemaakt te worden.

Aller blikken zochten de eerste sneeuwtoppen.

Daar zijn ze! Aan den verren gezichteinder rezen de schoonste der bergkruinen in de blauwe lucht. De Jungfrau, de Eiger en de Mönch. Het is waar, niet dan gedeeltelijk waren zij zichtbaar. Maar die stille majesteit, waarmee zij tronen op die hoogte, in dien wolkenloozen hemel, maakt een verpletterenden indruk.

Ik weet niet, maar het was als voelde men de nabijheid Gods, als zag men de voetschabel des Eeuwigen. Voor een korte wijle was het stil geworden in het geheele gezelschap, aller blikken waren op die eerstelingen gevestigd. — Het herinnerde ons levendig aan hetgeen wij eens zagen op de boot van Thun naar Darligen. Wij kwamen van Bern en het had dagen lang de vreemdelingen „vastgeregend.quot; — Dien morgen was het weer overheerlijk. Een onafzienbare trein voerde ons naar Thun, en allen haastten zich om de boot te bereiken. Men stond opeen gepakt en het was een gedruisch, een drukte, een rumoer .. . toen op eens de wolken scheurden en de heerlijkste sneeuwtoppen opdoemden aan den hemel. Een kerk-stilte ging er over die honderden. Het had iets plechtigs.

Zoo was het ook nu, en zelden missen de bergen hunne uitwerking Tot de wuftste menschenkinderen, nog zoo tot het alledaagsche behoorende, ondergaan dien indruk.

-ocr page 25-

13

Maar na de bergen, de meeren. Daar is het eerste, het meer van Sempach, lang en 'smal; een tijd lang schiet de trein er langs heen. Het heeft reeds blauwe strepen en blauwe hoeken; het ware is het nog niet, dat geeft ons weldra de Koning der meeren, het schoonste der wereld, het meer van Lucern. Nottwyl brengt ons aan dit eerste meer, want Sempach is een half uur ver. Het is bijna overal hetzelfde. De stations liggen zoover van de plaatsen, dat gij ze te vergeefs met de oogen zoekt, en toch onwillekeurig de vraag bij u opkomt: heet het hier nu zoo of zoo , Sempach bijv., omdat men van Sempach niets ziet of bespeurt ? — „Tout comme chez nous ! — Juist als bij ons!quot;

De oogen zochten het kleine stadje. Hier was het immers, dat de dappere Zwitsers — dapper en Zwitser schijnen onafscheidbaar of gelijkluidend te zijn — hertog Leopold van Oostenrijk in 1386 een bloedige nederlaag toebrachten. Arnold van Winkelried heette de held, die de overwinning besliste. Het was een hachelijke strijd. De Zwitsers, met strijdbijl en zwaard en boog gewapend, stonden machteloos met hun leeuwenmoed tegenover den ijzeren muur van ridders en krijgsknechten , met pantsers en helmetten, in ijzer gestoken, een woud van acht tot negen voet lange lansen. Knarsetandend van woede zochten zij vergeefs een bres te slaan indien muur. Daar springt er een vooruit. Weg werpt hij zijn wapenen , met beide armen omvat hij zooveel lansenspitsen als hij kan, begraaft ze in zijn hart, roept: „landgenooten, zorgt voor vrouw en kinderen!quot; en zinkt voorover. De bres was gebroken, de Oostenrijkers werden overwonnen. De hertog vond er den dood met 263 zijner ridders, en de Zwitsers behaalden een luisterrijke zege. Het was den 9 Juni. Nog viert men den dag. Vier kruisen teekenen nog het slagveld, en een prachtig marmeren gedenkteeken, te Stanz aan de oevers van het meer der vier Kantons, vereeuwigt het heldenfeit.

-ocr page 26-

14

Het is treffend, maar in Zwitserland gaan godsdienst en vaderlandsliefde altijd samen. En het land was onverwinbaar. Ook hier heeft de hervorming haat en nijd gezaaid en de volkskracht gebroken. Een ware dwingelandij wordt er door de Protestantsche kantons over de Katholieke uitgeoefend. Ook „tout comme chez nous,quot; — zei een der reizigers.

Wij waren toen in uitgestrekte dennenbosschen — en Lucern was nabij. Rechts de sombere, gescheurde kruin van den Pilatus, links de groene Rigi, vóór ons, de Alpen. | Dat is Zwitserland in zijn geheele pracht, dat is de Alpenwereld ! Als een betooverd land strekte zij zich voor ons uit. Allen hielden in stilte de blikken op het zoo nieuwe en zoo schoone tafereel gevestigd.

Het was het heerlijkste weer; de gekruide berglucht kwam ons ' tegemoet en een frissche bries bracht ons zachte koelte aan. Daar is de Reuss, de groene Reuss, die door het meer van Lucern vloeit, waarin hij zich te Fluéleu stort. Nog is hij onstuimig in zijn vaart, de woeste zoon der bergen, die, meer hollend dan stroomend, door de machtige vallei van den Sint Gothard heenbruischt. De smaragdgroene golven, | wiegelend in den gloed der zon, boden een lieflijk beeld.

„Lucern! Lucern!quot; zoo klonk het uit de coupé's. Iedereen stond gereed, met zijn bagage in de hand.

„De Pilatus' Is dat de Pilatus? Wat een wondere berg, — wat naakte rotsen en flanken! Dat is het meer, — heerlijk wat een gezicht! Wat prachtig water! — het schijnt wel blauw.quot; Zoo ging het rond, zoo volgden de uitroepen elkander op. Maar eerst naar het hotel, dat was de zaak.

Nog volle drie uur de tijd, dat is een kansje! Het Grand hotel du Saint Gothard is een prachtige inrichting, die ons de beste herinneringen heeft gelaten. Trouwens wij mogen het wel eens voor altijd zeggen, en met oprechten dank in het hart. Alle hotels waren uitstekend; tot in Loreto toe ■

-ocr page 27-

15

hebben wij het inderdaad goed gehad, en alle reden om uiterst tevreden te zijn.

Maar wij hadden drie uur tijd en men volgde met het grootste genoegen en buitengewone opgewektheid onze leiders, die den weg insloegen naar de Kapellbrücke, die, evenals de molenbrug, schuin over de Reuss ligt. In het midden dei-rivier maakt ze een krommen hoek. Zij. is overdekt en beschilderd met tafereelen uit de geschiedenis van den H. Leo-degarus en den H. Mauritius, de patronen der stad, waaraan zich eenige voorstellingen uit de jaarboeken van Zwitserland aansluiten. Het is een eigenaardig gezicht, die kromme brug, op palen gebouwd, zich richtende naar den Wasserthurm op den oever. Een wandeling langs de kade, onder de lommerrijke platanen, zich overal uitstrekkend, met kastan-jeboomen afwisselend , die hunne pyramidale bont en rijk gestippelde bloemtuilen uit de ruischende groene waaiers hunner bladeren opsteken, langs het lichtgroen, kristalhelder water van het meer, met den Pilatus aan den rechter kant, een aaneenschakeling van bergen met de hoogste kruin den Titlis voor u, is een zelden genot. Het is een pracht, waaraan het oog zich nooit verzadigt. Dat is een waar vermeien, wat men doet.

Lucern, (men zegt van lucerna, lantaarn, omdat op den Wasserthurm vroeger een vuurbaak lichtte, den schippers ten gerief) is heerlijk gelegen, opklimmend tegen de bergen en i Ingesloten in een schilderachtg keurslijf van oude vestingmuren , met middeleeuwsche torens bekroond, uit de veertiende eeuw.

Grootsch en toch lieflijk teekenen zich muurkronen en torens af tegen de heldergroene bergen, met donkere dennenwouden omkranst. Er zijn weinig steden, waar men zich zoo thuis, zoo „heimischquot; voelt, waartoe het „gemüthlichequot; der i inwoners niet weinig bijdraagt.

Maar lang mochten wij niet blijven, onze reis eischte spoed.

-ocr page 28-

16

Meenemen wat wij konden, dat wilden wij, en onze eerste gang richtte zich naar den „Leeuw van Lucern.quot;

Het kostte een wandeling van eenige vijf minuten, en wij stonden voor het waarlijk treffend gedenkteeken. Voor ons, achter een vijver, met een prachtige fontein, verheft zich een hoog, breed rotsblok, loodrecht. In het midden vormt het een kleine holte, een even inbuigende nis. Hier ligt, naar een model van den grooten Zweed Thorwaldsen, in de rots gebeeldhouwd , een reusachtige leeuw, (8.7 M. lang), stervend, doorboord door een gebroken lans, met den klauw omvattend het fransche wapenschild, met leliën bezaaid.

Het is een aandoenlijk gezicht. Alles spreekt van onzeg-gelijke droefheid. Men zou zeggen, het laatste gebrul heeft hij uitgestooten; toen legde hij in wanhopige smart het zware hoofd neer om te sterven.

Het is het gedenkteeken van den moord, op de Zwitsers gepleegd, den 10 Augustus 1792. De Fransche revolutie was uitgebroken. De koning werd in de Tuileriën belegerd. Belegerd is het woord. Men zie toch in die omwenteling geen onbewuste uiting van volkswraak, volksellende, volks-razernij. Er waren leiders, behendige en schandelijk gemeene leiders. Het volk en zijn hartstochten werden kunstmatig, onnatuurlijk opgezweept. Het volk, dat naar vrijheid dorstte, diende slaafsch eenige menners, die niets zochten dan zich zeiven. Den 10 Augustus was het wachtwoord gegeven : „Op het paleis aan! en kan het. een eind maken aan het koningschap!quot;

Het zou de laatste dag der koningen zijn.

Frankrijks koningen hadden een lijfwacht van Zwitsers. Zwitsers en trouw-zijn, en sterven voor koning en plicht, was één. Geen enkele der Zwitsers heeft dan ook zijn plicht verzaakt. Toen het gepeupel het paleis bestormde, en de koning, altijd te zwak, te goed, verbood op het volk te schie-

-ocr page 29-

ten, mochten de Zwitsers en de edellieden niet dari zich verdedigen. Zij deden zulks trouw.

Zes-en-twintig officieren en 760 soldaten werden door het zoo genoemde volk lafhartig, op de wreedaardigste, vuigste wijze vermoord en de lijken onraenschelijk verminkt. Ongeloofe-lijke afschuwelijkheden gebeurden in dien nacht.

In 1821 werd dit monument, ter vrome herinnering, hun opgericht. Leest het opschrift: „Aan de trouw en de dapperheid der Zwitsers, den 10den Augustus, den 2dlt;!n en 83len September 1792.quot; Dit zijn de namen van hen, die, cm den eed der getrouwheid niet te breken, gevallen zijn, allerdapperst strijdend, — 26 officieren. 16 officieren werden gered door de toewijding hunner vrienden. In de kapel, vlak er bij, leest men onder de wapenschilden der gevallenen: „vrede den overwonnenen!quot;

In de onmiddellijke nabijheid vindt men den Gletschergarten, en die, letterlijk vertaald, de „ijsveldentuinquot; moet heeten. Twee-en-dertig trechters, de diepste van 8 meter doorsnede en 9,50 meter diepte, — gepolijste rotswanden, reusachtige kegels in de diepten, — moesten ons aanschouwelijk maken, hoe voor duizenden jaren de gletschers gewerkt hadden, — wel wat erg wetenschappelijk, hoewel de verklaringen de zaak licht begrijpelijk maakten.

Er wachtte ons echter wat anders, oneindig aantrekkelijker dan die dingen van voor den zondvloed.

Hier mogen wij niet een aardigheid voorbijgaan, die met aller goedkeuring gebeurde en ons niet weinig amuseerde.

Het plan had bestaan, om indien het weer gunstig was, den Rigi te beklimmen, met de beroemde Zahnradbahn, om alsdan het heerlijk vergezicht op de Zwitsersche bergen, vooral van het Berner Oberland, te genieten, na een opvaart, die onvergelijkelijk te noemen is. Langzaam klimt men, van Vitznau uit, een uur lang langs de wanden van den Vitznauer

2

-ocr page 30-

18

Stock (Dossen) altijd hooger, met altijd heerlijker gezichten, het meer, Lucern, de Alpen, de meeren omvattende.

Maar hoe zou het er boven uitzien?

Bij helder weer is het weergaloos schoon, doch bij nevel, — nu, dan is er niets te zien en is de geheele bergkruin als met een ondoordringbaar gordijn omhangen. De wil was goed, en te Brussel had iedereen aan tafel zijn instemming met het plan betuigd. Helaas! dat was niet genoeg, want de schippers schudden bedenkelijk het hoofd En op de vraag: „hoe ziet het er boven uit?quot; kwam altijd het antwoord „weiss nicht! — nicht viel zu sehn!quot; — en dan keken zij vragend naar den Pilatus. En de Pilatus is een thermometer voor de bewoners en de kenners. Zoo luidt het spreekwoord:

S'il a son cliapeau, lo temps sera beau,

A-t'il un collier, on peut se risquer S'il porto uno épeé, il vient uno ondóe.

Heeft hg een hoed, - dan is 't weer goed.

Draagt hy een baud, — waag u in 'tland,

Voert hij een degen, — dan komt er ook regen.

Mijnheer Pilatus scheen wel zeer beleefd, want, hoed droeg hij niet, maar hij was zeer oorlogszuchtig gestemd en dreigde aanhoudend met een reusachtigen degen.

Dus werd er .na rijp beraad van den Rigi afgezien. Onze leider wist echter van vroegere reizen, dat in het diorama een zonsopgang en ondergang werd voorgesteld, die bizonder schoon te noemen was, al had men, evenals hij, hetzelfde natuurtafereel van den Eigi aanschouwd, — en weldra waren wij gezeten ! Het mecanisme scheen ons onverklaarbaar. Het geheele landschap bewoog zich, — het ging als onder de oogen voorbij. Maar het was betooverend schoon. „Opgang der zon, van den Pilatus uit.quot; Wat een gezicht over het meer, van dezen top uit gezien. Wat een opeenvolging van tinten, totdat eindelijk de eerste zonnestralen, als onmetelijk gouden zwaarden, de duisternissen doorklieven, en neervallen in het doorschijnende staalblauw met

-ocr page 31-

|

quot; 1 i

1

19

purperen streepen, dat op het meer ligt. Dan rollen do kleuren als doorzichtige golven over bergen en dalen, van het lichtendste wit tot het vlammendste purper, dan schittert liet meer in de verschillendste tinten; een oogenblik dunkt het u een zilveren spiegel te zijn in een purperen lijst.

Maar de Rigi is aan de beurt.

De zon neigt ten ondergang.

Zachte schaduwen glijden over het landschap. De sneeuwvelden der verre Alpen schitteren aan eene zijde als gesmolten zilver, aan de andere als gepolijste platen. Een roode gloed stort zich over alles uit, — die weldra in purper overgaat — de diepten vullen zich met staalblauwe stroomen, het meer ligt aan uw voet, als ingeslapen onder do donzige sprei, — een

metalen ijsvlakte, — uit de dalen schijnen rooskleurige dampen op te klimmen, aie, hoe hooger zij stijgen, hoe glooiender zij worden. Donkerder wordt het allengskens rondom ons.

De avond daalt, de nacht gaat komen, op eens; — al de sneeuwtoppen vlammen in rood, purper en goud, — een koningsdiadeem ! Wat een kroon! wat een pracht!

Het is de afscheidsgroet van de dag vorstinne, — een koninklijk afscheid.

Het is maar een voorstelling, — maar in ademlooze stilte i zaten wij daar.

Het was een schadeloosstelling, welke wij volgaarne voor | lief namen, en toen 's avonds aan tafel de correspondentie j t voor „de Maasbodequot; werd voorgelezen, ontstond een algemeene vroolijkheid over „de aardigheidquot;, alsof wij den Kigi werkelijk beklommen hadden.

Welnu, een aardigheid was het ook en eene onschuldige, maar wij raden alle toeristen aan, die aardigheid te gaan zien. Het loont de moeite te over.

Wij zouden om half twee vertrekken van Lucern naar Fluélen.

---------

|

i i i

1

1

-ocr page 32-

3—

Ï)e parel der meeren.

at is het Vierwaldstiitter Meer.

Vier kantons bespoelen zijn blauwe wateren, Lucern, Uri, Schwytz en Unterwalden. Men mag het gerust het schoonste meer der wereld noemen. Geen vereenigt zooveel schoons, — zooveel schoons, eenig in zijn soort. Daar zacht golvende oevers, waarmede trotsche bergen den voet baden in de frissche golven, — ginds trotsche, hooge rotsen, bergen en bergwanden loodrecht afdalend in den blauwen vloed, — Lucern, bij het vertrek opstijgend langs de groene bergen, die een heerlijken achtergrond vormen voor zijn reeds geroemden krans van gekanteelde muren en torens, terwijl prachtige villa's mede opklimmen langs de bekoorlijke zijden, en de uitloopers der Alpen hier en daar bekronen.

De boot doorkliefde de blauwe golven. Het is in den middag. Hoog aan den hemel staat de zon, en teekent op het meelden weg, welken het schip neemt over de oppervlakte, met een gouden stroom, de zoogenaamde zonnebaan. Weder glinsteren de wateren als gouden en zilveren spiegels, met lichtgroen blauw omlijst, terwijl van de raderkasten vloeiend zilver schijnt te ontspringen.

Maar reeds ligt de stad in het verschiet, — links die sombere

-ocr page 33-

21

Pilatus, die aan het landschap zijn karakter geeft, beheerscht door de Berner Alpen. Wij moeten nu den voorsteven winnen. Van hier neemt men het best alles waar. Onze vrienden verwisselen later nog al dikwijls van plaats. In den beginne slaat de treffende „sceneriequot; iedereen met stomme verbazing. Het is de eerste kennismaking met de grootsche Alpennatunr.

Nu volgt links de villa Meggenhorn-Altstad, en opent zich het zoogenaamde meer van Küssnacht. Werp nu rechts een blik op den Pilatus, met golvende nevelen omstuwd, naakt en gescheurd tot in zijn grondvesten. Wat een verschil met dien groenen, lieflijken, lachenden Rigi, met tuinen omzoomd, met weilanden en fruitboomen bezet en bekroond, aan den voet van den berg des vloeks, het Alpnachter meer!

Het meer der vier kantons heeft den vorm van een kruis, en die meeren, zoo even opgegeven, vormen de armen.

Nu komen Hertenstein-Weggis, de groententuin van Lucern, de Rigi en aan zijn voet Vitznau, van waar het spoor naar den top, Rigikulm, opklimt. Het is een wonder gezicht, zulk een trein te zien voortkruipen langs de rotsen, en oneindig schooner nog met het opstijgende spoor het landschap aan uw voet zich steeds grootscher te zien uitbreiden, en toenemen aan meren, en toenemen aan bergtoppen en sneeuwvelden.

Wend nu uwe blikken rechts en Buochs en Beckenried gaan uwe oogen voorbij, die links weer Gersau, dan Brunnen ontmoeten. Ziet gij daar ginds die twee naakte toppen?— dat zijn de Mythen. Kondet gij die eens zien bij een zonsondergang, van Einsiedeln uit, dat zij koesteren in hun schoot. Twee reusachtige flambouwen schijnen het te zijn opvlammend in purper en goud , ontstoken onder den hemeldom.

Nu weer rechts Treib, „wo die Kaufmansschiffe landen,quot; zou Schiller zeggen, — en het wordt nu nog en met waarheid gezegd; — aan uw rechterhand, door het Teufelsmünster, woeste, wilde rotsen,— daarop door de twee neuzen in het Urner meer.

-ocr page 34-

22

Het meer wordt enger. Hooger, steil, duizenden voeten, duizelingwekkend in de hoogte klimmen de bergen; — rechts daalt reeds de sneeuw, als zilveren lokken, met breede streepen in do ravijnen, — een rotsklip, tachtig voet hoog, staat dicht bij den oever. Dat is de Mythenstein , het gedenkteeken, gewijd aan de nagedachtenis van Schiller. — Lees, indien gij goede oogen hebt: — ,,00111 Sanger Tells, Friedrich von Schiller; de vier kantons,quot; zeggen die kolossale ijzeren letters. Op den oever, nu een groene „matte,quot; dat is het „Rütli.quot; Hier zwoeren de „driequot; mannen, Zwitserland te bevrijden van de dwingelandij der landvoogden.

Links schieten de rotsen kaal en ruw in de hoogte ; die reuzengalerij door, dat is de Achsenweg, in de zijden van den berg gehouwen en op niet minder reuzenpijlers, gevaarten van rotsblokken, rustend.

Hier spreekt alles van Teil, den Zwitserschen vrijheidsheld, ilen schreef, volgens de historische volksoverlevering, het jaar 1307. Vreeselijk was het juk, dat de hardvochtige landvoogden deden drukken op het arme bergvolk. Overal bouwden zij burchten, om hun onderdrukking te bestendigen. Met onverdragelijke willekeur behandelden zij de inwoners, als waren ze in een vijandig land. De ossen dreven ze weg van den ploeg, zonder meer. Dat verdroot Melchthal, den zoon van een vrijen Zwitser. Hij sloeg den krijgsknecht neer en vluchtte in het gebergte. De landvoogd Wolfenschicssen greep toen den vader en stak hem de oogen uit. De maat was vol, en in den nacht van den 7aen op den 8sten November kwamen op het Rütli drie mannen bijeen, van nog een dertig gevolgd. Deze drie, Walther Fürst, Werner Stauffacher en Arnold van Melchthal, zwoeren plechtig, bij het oprijzen der zon hun vaderland te bevrijden. Het zou de dageraad der vrijheid zijn. Men wachtte slechts op de gelegenheid

Die kwam.

-ocr page 35-

Te Bürglen, anderhalf uur van Fluulen, waar wij straks aanlandden, leefde stil en vreedzaam, met vrouw en kinderen, Wilhelm Toll.

Wij spraken van de willekeur der landvoogden. Soms speelden zij met de weerlooze bevolking, zooals do tijger met zijne prooi.

Te Altdorf, in de weide, liet Gessier op een paal een hoed opstellen. Elke Zwitser, die er voorbij kwam, moest dien hoed eer bewijzen en groeten, als was het de landvoogd zelve. Ziet! daar komt Teil, de wakkerste der schutters uit het land der Zwitsers, met zijn zoontje aan, een lieven, opgewekten knaap. Niet zag hij den hoed en ging voorbij, zijn kind, dat er hem opmerkzaam op maakte, beloerend over het nut dor wouden, de natuurlijke borstwering tegen de sneeuwlawine. Hij had niet gegroet, hij werd vastgegrepen en met den kleine voor den vertoornden landvoogd gebracht, en — o! gruwel! veroordeeld om een appel te schieten van het hoofd van zijn kind. Hij smeekt en bidt. Niets kan baten, en men zag het afschuwelijk schouwspel, dat een vader aanleggen moest op het hart van zijn eigen kind.

Ademlooze, ijzingwekkende spanning

Teil schiet, en zijn knaapje werpt zich in zijne armen, den doorschoten appel triomfeerend in de hand zwaaiend.

..Teil,quot; sprak de landvoogd, „gij hebt een tweeden pijl in uw wambuis gestoken, ontken niet, ik heb het gezien.quot;

„Het is waar. Heer, een tweeden stak ik bij mij, en die,quot; — zijn stem werd wild,— „die was voor u bestemd, en waarlijk, ik had u getroffen.quot;

„Zoo,quot; grijnst de dwingeland, „dan zal ik u doen brengen, waar gij mij niet meer te zien krijgt. Dan ben ik verzekerd tegen uwe pijlen ''

Te Fluölen lag het schip, het Heerenschip, klaar om over te steken naar Küssnacht, aan het Küssnachter meer.

-ocr page 36-

24

Gebonden aan handen en voeten lag Teil in het schip, en boog en pijlkoker naast hem.

Een vreeselijke storm zwiepte hemelhoog de wateren van het meer. Tusschen die hooge, loodrechte rotsen raast soms met almachtige vlerk de orkaan, die van Italië den Sint-Gothard oversteekt, de Scirocco, hier Föhn genoemd. Het schip was verloren. De stuurman gaf het op. Het vaartuig verdween ieder oogenblik onder woedende stortvloeden.

„Heer, Heer!quot; riep de angstige bemanning, „wij zijn verloren! Teil alleen kan ons redden. Zijn hand bedwingt den storm, geene andere!quot;

„Welaan! het zij!quot; was het antwoord.

Teil werd bevrijd. Hij stond aan het roer, als de koning van het meer. De orkaan wierp zijn hoed in de schuimende golven en speelde met de zwarte lokken, maar het schip gehoorzaamde aan zijne machtige hand, langs die rotsen, — zooals wij thans, — onderbrak de verhaler zijne rede, daar . . . .

„Tell's Platte!quot; Tell's Platte!quot; riep de kapitein. — „Daar!quot; ging hij voort. Teil greep boog en pijlen, drukte het schip aan den ::otswand, — één sprong, één stoot—, het schip glijdt terug in de golven, met een kreet van ontzetting van de ijzende bemanning.

En Teil stond triomfeerend op die Platte, naar hem Tell's Platte genaamd, waar zich thans Tell's Kapelle verheft.

Ziet! op dien rotsvoorsprong staat de kapel, — met een ijzeren hekken van voren gesloten, geleund tegen de groene wanden van den Asenberg, en half verscholen onder het lommerrijke loover der boomen. De Zwitsers bewaren met ijverzuchtige zorg den schat hunner nationale traditiën. In het jaar 1880 herstelde men de kapel en de schilder Stückelman van Basel gaf in vier tamelijk groote en waarlijk schoone fresken de geschiedenis van Teil weer. Zij telt ook haren pelgrimsdag. Telken jare. Vrijdag na 's Heeren hemelvaart, ziet

-ocr page 37-

St :

1 i

1 i

25

gij geheele kleine vloten van bont be vlagde en met groene slingers omkranste booten en bootjes optrekken naar „de, Kapelquot;. Hier, waar het meer bij zevenhonderd voet diep is, leggen zij aan, zonder hunne vaartuigjes te verlaten. Inliet nationale, zoo schilderachtige kostuum, wonen zij vroom en ingetogen, kerkelijke liederen zingend, de H. Mis bij, die er door een Capucijn van Stanz gelezen wordt. ■ Dan treedt ook de vrome monnik vooruit, — ziet gij ? daar, op de Platte, voor de Kapel, —en houdt in begeesterende woorden, een patriottische preek tot de aandachtige menigte.

Het moet wel een onvergelijkelijk tooneel wezen, het penseel eens grooten schilders waardig, dat heerlijk meer, die machtige bergen, die bonte, wieggelende flotille, waartus-schen de vlaggen en wimpels, groene meien en slingers en gouden kruisen schitteren in het gouden zonnelicht; die groene achtergrond, die langgebaarde, en met den haarkrans gekroonde, in het priesterkleed gedoste gestalte van den Capucijn , en daarboven en daarachter de berg en altijd de berg; hooger op die groote reuzentunnel van den Axenstein, op drie honderd vijftig voeten hoog, en dan in de verte sneeuwtoppen en ijskrui-nen, — schooner kan het niet!

Wij waren reeds een eind op Fluélen aan, toen iemand vroeg:

„En Teil?quot;

Zie! wij hadden hem op „de Platte'' verlaten. Welnu! hij ijlde vooruit naar den bergpas van Küssnacht, „de hohle Gassequot; genoemd. Hier maakt zijn pijl een einde aan het leven van den dwingeland, en aan de dwingelandij temet, omdat een algemeene opstand de landvoogden verjoeg.

Evenals hier op Tell's Platte, zoo staat er ook te Küssnacht een kapel. Het is een gewoonte van het Zwitsersche volk, ter dankbare herinnering, voor eeuwige tijden. God den Heer een kerk of kapel te stichten. „Die kunnen den nazaat, van

-ocr page 38-

26

geslacht tot geslacht, getuigen van 's Heeren Voorzienigheid, i wakend over zijn volk.quot;

Edoch, daar is Fluélen! — Fiora in het italiaansch Wat

1

een perspectief! ziet eens! zullen wij daar wel doorheen kunnen? Ginds komt de Heuss, — maar de vallei schijnt gesloten door die ijspyramide, die met ijstrappen hoog in de blauwe lucht opklimt; — het is de Bristenstock. Door de twee-lingtoppen van den Uri-Rothstock, doet een prachtige gletscher zijn zilveren spiegel glanzen, — en links staan, als twee reuzenschildwachten van de hoogwacht des Almachtigen in de Alpen, de kleine en groote Windgiille.

Te Fluélen gingen wij aan land. Hier stond het spoor gereed en weldra ging het met den sneltrein over en door de ingewanden der aarde, de hooge Alpen in.

-ocr page 39-

De alpen in de „sint gothard bahn.-

1 was hefc maar alleen om Zwitserland te doorkruisen , het schoons meer te bevaren en door de vallei van de Heuss tot aan den Sint-Gothard tunnel, het trotschte en kunstigst gebouwde spoor der wereld, te bewonderen, dan ware zulk een reis meer dan voldoende beloond.

Maar dan nog zou zulk een rit door de hoogc Alpen ons | met stomme verbazing slaan. De bouw van deze lijn is zoo buitengewoon, zoo verheven trotsch, zoo huiveringwekkend schoon, dat men te voet of per rijtuig den vroegeren rijweg zou volgen, al ware het slechts om de spoorlijn te kunnen bezichtigen.

Was de rijweg reeds een meesterstuk in zijn slag, die algemeene verbazing wekte in vroeger jaren, met zijn krommingen en wendingen, zijn slingeringen en doorgangen, die hem tot den rechtmatigen trots der Zwitsersche Ingenieurs maakte,— wat te zeggen van de spoorlijn? Zij is een triomf van de moderne wetenschap, een triomf van het genie des menschen, een triomf ook van „de genie.quot; Wat een berekeningen, wat een overleg! Wat een voorzorgen bij den bouw der bruggen, over afgronden en dalen, rivieren en watervallen gelegd , honderden voeten hoog in de lucht, zoodat gij ijzend achter

-ocr page 40-

28

over leunt bij het uitzien in de vreeselijke diepte ! wat een boren in de aarde, door de aarde heen, tunnel op tunnel, die spiraal-tunnels vooral, dat keeren en wenden in de duistere ingewanden van den bodera, ora zoodoende de onbereikbare Alpen te bespringen als niet ijzeren sporen of onzichtbare vlerken! Het heeft zoo iets geheimzinnigs, iets wat de geesten dezer stille bergen schijnt te moeten doen opschrikken; die bergtoppen, door de schichtige gems bewoond in dood-sche eenzaamheid, weerkaatsen nu het schrille fluiten der locomotief, die in een tunnel verdwijnt. Het doet een wondere uitwerking op den reiziger, van het gezicht op hemelhooge, groene bergen, sneeuwvelden en ijstoppen, weilanden en masten, blauwe wateren en schuimende golven, vreedzame woningen, door het groen verspreid, alsof een kinderhand achteloos een speeldoos had uitgestort, — verrukkelijk schoon — soms ook huiveringwekkend schoone tooneelen en gezichten — zoo op eens in de duisternis gedompeld te worden, waaruit men weder op eens tot de heerlijkste, lichtende, met vloeiend goud overgoten, lachende landschappen overgaat; — een spel van nacht en duister, glanzig licht en zonnegloed.

Hoe gaarne buigt men, nadat men den eersten schrik overwonnen heeft, eens over om in het voorbijvliegen met het oog de peillooze diepten te peilen, en men denkt niet, dat men een oogenblik driehonderd voet hoog boven den afgrond /weeft.

Hoe verdringt men zich voor de raampjes of op de galerijen, waarheen elk oogenblik, dan links dan rechts u een bewonderend : „Ha!quot; of een uitroep van een uwer medereizigers roept, gevolgd van eenige: „ziet gij! ziet gij! daar, daar ginds! heerlijk ! he ? niet ?quot;

Zoo heerlijk is het, uit die reine berglucht de longen vol te pompen, en den koelen wind, die strijkt door de betrekkelijk enge, maar ook eenige vallei, te laten spelen om wang en hals; heerlijk is het van een beweeglijk balkon een

j i

-ocr page 41-

29

onmetelijk, ook bewegelijk panorama te kunnen overzien, — soms zoo diep aan uw voet en toch steeds zoo duizelingwekkend hoog boven uw hoofd. Heerlijk die Alpen wereld , als een betooverd land. zoo binnen te rijden, zich er van te laten omvatten, omvangen; zich zonder schroom aan zijn naïeve bewondering en uitroepen, over te geven, onbekommerd, of men voor een nieuweling wordt aangezien. Heerlijk is het, zijn gewaarwordingen mede te deelen en zich zoo geheel verpletterd te gevoelen door de grootsche schepping, dien schijnbaar oneindigen afdruk van 's Heeren almacht. Heerlijk de Heuss te zien heenstorten, schuimend, hortend, in regenbogen spattend, met de rotsen te zien worstelen in haar bed, ruischend hier, en daar donderend, voor een oogen-blik tot schijnbare kalmte gekomen in dat lachend dal, met de praatzieke molens en raderen, die soms door vloeiend, doch mat zilver schijnen bewogen te worden, om dan weer voort te hollen, met verdubbelde haast, als om den verloren tijd in te halen, en storten en stroomen, en rollen en springen, en stoomen en vliegen naar beneden, naar omlaag, naar hot blauwe meer, dat den wilden zoon der bergen roept en uit-noodigt, zich te komen rusten in zijn helderen schoot.

Heerlijke tocht! en met vreugde zag men haar dan weer, die groene Reuss; als eene oude bekende begroette men haar, en zocht men haar steeds, zoodra de trein, uit een tunnel schietend, ons in het heldere, zonnige landschap, als met een toover-i slag verplaatste, terwijl eenige reuzen der bergen, de Bristenstock vooral, do monumentale reuzentreden opwaarts beuren in het blauwe ruim, als de weg ten hoogen Hemel.

Gij hebt zoo eenige bergen, die schijnen met u mede te reizen En nu dat aanhoudend, onmerkbaar klimmen! Wij beginnen met Altdorf, - waar Tell's standbeeld oprijst, - nu over den Schilchenbach, langs berg aan berg, — Erstfeld met zijn opvallend dal en de getande toppen der bergen. De vallei

-ocr page 42-

30

wordt smaller, en wij stijgen aan den rechterkant. Ziet — hier Amsteg; — die ruïnen daar gaan voor de puinhoopen door van Zwing-Uri, de burcht van G-essler, bloediger gedachtenis; — dan hebt gij tunnels op tunnels, bruggen volgen op bruggen , de eene nog hooger, nog trotscher dan de andere, beken en watervallen wisselen af links en rechts. Wij zijn te Gurtnellen, 740 meter hoog. Hier begint de beroemde Kehrtunnel, een drievoudige spiraal, een reuzenwenteltrap om de Alpen te bestijgen; — altijd ziet gij het dorp Wasen, met zijn kerkje op een berg, te midden van het landschap gelegen, — een paar keeren over de ontembare Meienreuss, altijd hooger! — excelsior ! zou men hier willen roepen — hooger, excelsior!

Daar schiet gij te Göschenen voor het groote station. Gij zijt 1109 meter hoog. Hooger klimt het spoor niet aan deze zijde van den Sint-Gothard.

Hier zouden wij overnachten.

I

Dat was een uitstekende gedachte geweest. Zij bood een dubbel voordeel: kortte den te langen rit van Rozendaal tot Milaan, en bood ons heerlijk natuurschoon. Wat een avond was zulks, in het uitstekende hotel „Göschenenquot;, met die vriendelijke gastvrouw en dien niet minder vriendelijken gastheer, die ons glimlachend te gemoet kwamen, toen wij opklauterden uit de diepte, waarin als in een kolk het station gelegen was.

Göschenen ligt als in een middelpunt van bergen, die zich, als een ster met vijf stralen, van hier uit naar alle richtingen verspreiden. Een prachtige gletscher, de Dammafirn, kroont de vallei van denzelfden naam. De bergen waren nog veelvuldig, naar alle zijden met sneeuw bedekt, en het ruischte en plaste en sprong van alle kanten van beekjes en beken en fonteinen en watervallen, dat men met alle recht geestig kon zeggen, dat de inwoners in eenen „immerwahrenden Eauschquot; leefden.

Weldra zaten wij allen in den tuin voor het huis gezellig bij elkander, en bespraken hetgeen wij tot nu toe gezien had

-ocr page 43-

31

den. Ten acht uur zou er gegeten worden. Alleraangenaamst sleten wij dat uurje, en menig Marialied klonk verre door de trotsche bergen. Het was zoo heerlijk, buiten onder de boomen en tusschen de bloemen te zitten, dat er velen van de onzen nog tot s' avonds laat een gemoedelijk praatje hielden. Men kon zich niet verzadigen van natuurschoon. De avond was gekomen, en langzaam daalde een plechtige stilte over het landschap neer, alleen door hot onophoudelijk ruischen der wateren onderbroken, om ze nog meer te doen uitkomen. Een sterrenhemel, die niet schooner kon zijn. welfde zich boven onze hoofden; duizenden lichten flikkerden en schitterden heinde en verre , terwijl die duizenden voeten hooge toppen en kruinen het firmament schenen te schragen. Veel spreken werd er niet gehoord; het was te plechtig, te grootsch. Maar al was men in den vreemde, het hart wilde zich door een vaderlandsch lied ook lucht geven, en het ne-derlandsche volkslied schalde statig door de stilte van den avond. Wij zochten onze kamers en weldra genoten allen een welverdiende rust.

Het prachtige weer lokte vroeg naar buiten en ter kerke, waar de priesters de H. Mis lazen, welke allen bijwoonden. terwijl eiken morgen enkelen tot de H. Communie gingen. Wij waren er getuigen van een begrafenis, met al hare, elk land eigen, bizonderheden en gebruiken. Zoo gingen allen bij de offerande om het altaar, met een lichtje in de hand, dat ze brandend voor zich hadden staan in hun kerkbank, en dat ze later uitdoofden. Maar aandachtig en ingetogen waren allen, en een vurig gebed — men zag het hen aan, — steeg uit hunne harten op. Het is een weldadig gevoel voor eiken katholiek, zich overal thuis te gevoelen, zoodra hij den voet zet in een katholieke kerk. Het is zijn huis, hier heeft hij een recht om te zijn, te knielen en te bidden; hier voelt hij zich onder broeders, hier vindt hij moed

-ocr page 44-

32

en troost, hoe verre hij ook van het vaderland verwijderd is. In zekeren zin is elke katholieke kerk voor hem een stuk van het vaderland, dat hij overal vindt, overal medeneeint.

Na het ontbijt zou er een excursie plaats hebben , in wat men noemt de „Hoogalpenquot;, door de wilde en woeste berg-engten, Schoellenen genaamd, tot aan de Teufelsbrücke en het Urnerloch.

Zelden heeft ooit iets in zulke mate de stoutste verwachtingen overtroffen. Dat is de naakte, wilde, trotsche natuur der bergen, wild en woest, bij het brutale af. Geen boomen groeien hier meer, geen dennen zelfs; — de voeten der bergen zijn met een spichtig gras bedekt, met alpenbloemen doorweven, dat, als wantrouwend met zijn kleine pootjes, hier en daar zich waagt tot aan de oevers van de wilde Reuss, hier zoo razend onstuimig en zoo onweerstaanbaar in haar vaart, dat men aan Stolberg's Felsenstrom denkt, met dien aanvang; „Unsterblicher Jüngling, wo eilst du hin?quot; want het is een springen, een jagen van rots tot rots, van steen tot steen, dan links, dan rechts langs de wanden van de bergen, die niet meer ruimte laten dan voor den weg, en de steeds met steenbrokken bezaaide oevers en bedding der Reuss.

Men denkt onwillekeurig, dat die woeste vallei tot hemel-hooge bedding heeft gediend van een Alpenstroom uit den voortijd, dat hij zich voor korte dagen heeft teruggetrokken, en zoo wild, zoo verwoest, zoo vernield, zoo met puin en steen bedekt, heeft achtergelaten die duizenden voeten hooge granietwanden, die bijna loodrecht oprijzen en beneden met grauw mos en lichen bedekt zijn. Het is een der grootste natuurtafereelen der Alpen. En dat duurt zoo een uur ruim, altijd klimmend, altijd door die evenwijdig loopende, hemel-hooge bergen, altijd langs de diepe bedding der schuimende rivier, altijd langs allerlei krommingen in zigzag naar de hoogte.

-ocr page 45-

33

Van Göschenen tot Anderraatt klimt men meer dan duizend voet.

De rijweg dien wij volgen, een toonbeeld van een rijweg,

werd gebouwd van 1820 — 1832, — een ware kunstweg. Maar zij, die vreesachtig van aard zijn, zullen het hier en daar te steil vinden, en aan duizelingen blootgesteld zijn. Ongelukken gebeuren er wel nooit. Wij hebben er bij vroegere gelegenheden rijtuigen bij tientallen gezien, die, of over den Sint-I Gothard, of naar den Furca of Rhönegletscher wilden. Wij zijn er minder aan gewoon, om van die steile wegen naar beneden te rennen. Maar wanneer men het iedereen en alleman ziet doen, dan leunt men gerust achterover in een gemakkelijk rijtuig, en denkt: het zal wel afloopen.

En het liep best af.

Met steeds klimmende bewondering ging het ook steeds hooger. Maar hoe komen wij over dien berg, zoo hemelhoog, die het dal en het landschap met een granieten reuzenmuur afsluit, — hoe daar over? En de weg klimt hooger en hooger, en dieper en dieper wordt het dal, en grootscher en grootscher het gozicht, en eenzamer en woester alles wat u omgeeft, — de menschelijke stem klinkt u hier wonderlijk in de ooren, --en toch is de hemel zoo blauw, de lucht zoo helder, de zon zoo goudsch en zoo vroolijk, de Reuss zoo helder groen, — maar de indruk is zoo groot, dat hij u onwillekeurig tot aandacht stemt.

Wat is dat?

Daar vliegt een sneeuwbal!

Ziet, een sneeuwbal, en meerdere gonzen door de lucht.

| Aan deze zijde van den weg ligt de sneeuw nog voeten hoog en het

i eigenaardige bombardement, dat ons zoo levendig aan onze jeugd

herinnert, nam weldra een aanvang. Maar daar wendt zich

i de weg rechts; wij snellen langs den berg de diepe ravijnen en

rotskloven voorbij, en de zoogenaamde galerij, die tot het

Urnerloch leidt, ligt voor ons.

__3

II I i

-ocr page 46-

34

Onder de uiteenspattende regenbogen van de Keuss door, die een prachtigen en machtigen waterval vormt, staan wij voor de duivelsbrug. Deze is de nieuwe; een dertig voet lager j ligt de oude, waarvan de Franschen in het jaar 1799 het ; metselwerk deden springen. Dat waren harde en bloedige dagen!

Eerst hadden zij de Oostenrijkers geslagen en teruggeworpen, ; hier, den 14 Augustus. Dezen vluchtten door Oberalp naar | Disentis. Maar een maand later stond het anders; de Russen hadden de Oostenrijkers vervangen en Suwarow was hun aanvoerder. Door het dal Tremola waren zij voortgedrongen. De Franschen werden altijd achtervolgd. Den 25 September namen de Russen den doortocht van het Urnerloch, 64 meter lang, en zij stonden hier voor de duivelsbrug, welke de Franschen heldhaftig verdedigden. Maar de Russen daalden met ware doodsverachting in de steile bedding der Reuss neer; onder het moorddadigste vuur beklommen zij den anderen oever, en dreven de Franschen terug tot aan het meer dei-vier kantons.

Het had groote offers gekost. Dagen lang rolde de Reuss bloedroode golven in haren schoot en lagen de lijken verspreid langs de rotsen van de bedding.

En het is hier toch zoo schoon; zoo treffend is de overgang, op eens in een lachend, groen dal. -- Daar ginds ligt Andermatt.

Eenigen onzer reisgezellen spoedden er zich heen, om in het Kurhaus eene verfrissching te nemen, — en de terugtocht werd aanvaard.

Hij was misschien nog schooner, omdat wij met één blik het groote dal konden overzien. Men raakte niet uitgepraat over dien tocht, — men kon geen woorden vinden om zijn bewondering uit te drukken, en die excursie bleef lang het onderwerp der gesprekken. Een puik middagmaal wachtte ons in het vroolijke, gastvrije hotel. Wij namen noode afscheid van de eigenaars en beloofden zoo gaarne terug te komen. Beloofden

-ocr page 47-

35

het met een zucht: — hoe gaarne zouden wij allen hier terug-keeren, hier nog verblijven, hier voor eenigen tijd onze tenten opslaan. Het was hier zoo goed zijn, wij waren hier zoo broederlijk onder elkander, wij genoten zoo onder elk opzicht. Maar het uur was gekomen. Een hartelijke handdruk met den gastheer gewisseld, en voort ging het naar beneden, naar het station, waar de trein gereed stond, en weldra spoorden wij den wereldberoeraden Sint-Gothard-tunnel in.

-ocr page 48-

X)E TUNNEL, DE INTREDE IN ITALIË.

p het Kerkhof van Göscheneu trekt een gedenk-teeken uw aandacht. Het is waarlijk schoon. Het grafschrift zegt, dat het opgericht is ter nagedachtenis van Louis Pavre. Het is het werk van den beeldhouwer Andreoletti.

Louis Favre is de naam van den ingenieur van den Sint-Gothard tunnel.

Hij viel er als een held op het slagveld, — in den tunnel. Een beslag had aan zijn leven een einde gemaakt, den 19 Juni 1879.

Hij mocht het einde van zijn grootsch werk niet aanschouwen. Den 29 Februari 1880 was de doorboring een feit. Door een opening in den rotswand staken de arbeiders elkander de hand toe ten groet.

De berekening van het punt, waar de onderaardsche galerijen, die én van Zwitsersche én van Italiaansche zijde tegelijkertijd ondernomen werden , elkander zouden ontmoeten, kwam allernauwkeurigst uit. Het was een triomfkreet, die in de duistere ingewanden der aarde rondklonk , de overwinning van den geest over het stof, een kreet van verbroedering tusschen twee landen, twee volkeren.

Want nog eens, het is een grootsch werk!

-ocr page 49-

( ■ 37

De tunnel heeft een lengte van li.912 meter, en is dus 2679 meter langer dan die van den Mont-Cenis. Hij klimt ; tot op een hoogte van 1154 meter en daalt naar beide zijden, naar Güschenen ongeveer 6quot;/0„, naar Airoio 20/00. Den 4 Juni 1872 begon men van Zwitsersche zijde, den 2 Juli van de Italiaansche. Het grootste getal werklieden, aan dat reuzenwerk gebezigd, beliep 8400; gemiddeld in die zeven en een half jaar 2500 per dag, en de kosten waren 56% millioen franken.

De galerij is 8 meter breed en 6,50 hoog ; — twee spoor-' lijnen liggen naast elkander in den geheel gemetselden gang.

Een uiterst doelmatige ventilatie heeft ten gevolge, dat men i van rook geen last en er steeds frissche lucht heeft. Hij loopt 1 onder den Kastelhorn op een diepte van 1852, en van 1082 ; meter onder het meer van Sella.

Een wonder gevoel bekruipt u, wanneer men, zijn reisgids j in de hand, al die bizonderheden lezend, daar heen spoort in j de diepte der aarde, — 1(5 minuten doet de sneltrein erover i en 25 de gewone, — onder de trotsche bergen en meeren door.

Men telt met het horloge in de hand.

Wij baden, en uit alle rijtuigen hoorde men de stem van hem die voorbad, gevolgd van het algemeen antwoord. Wij deden ons gebed regelmatig, geen enkelen rit uitgezonderd, en wanneer hij wat lang duurde, dan werd er wel meer dan i eens naar den rozenkrans gegrepen, en dat voorbeeld was aan-; stekelijk. Welnu, het was toch ook een bedevaart, en gebeden moest er worden. Nooit werden onze dierbaren in Nederland vergeten, nooit anders dan met een gebed voor den Paus I gesloten, en zelden was de conversatie zoo vroolijk en zoo opgewekt als wanneer men den rozenkrans in den zak stak.

Zoo vloog die nachtelijke rit door 'saardrijks duister snel voorbij en wel voor de imeesten. Doch niet zonder ernstige ; gedachten. Een ongeluk, nog zoo klein en ... . en wat een

-ocr page 50-

38

tooneel zou die donkere gang aanschouwd hebben. Maar wij vertrouwden op den grooten patroon der reizigers, den H. Jozef, dien wij trouw vereerden door ons gebed, en wachtten in groote spanning op onze intrede in het zonnige land Italië.

„Italië, das Land wo die Citronen blühnquot;, neuriede naast mij een begaafd en kunstminnend pelgrim, en met het lied van Mignon begroette hij het schoone land.

Daar! op eens! uit den diepsten nacht, in volle vaart, naar het stralendste licht!

Een algemeen Ha! werd er gehoord, en hoe zag men rond, verbaasd en gelukkig; hoe vlogen de raampjes open om de berglucht in te drinken. Wat is toch het licht! het leven,— kracht, — gloed, - schoonheid, — gevoel, — het alles gevende licht!

Wie dacht niet aan die heerlijke verzen, waarmede Jan van Beers, van zijn blindheid genezen, het daglicht begroette:

Hemelen , Aarde , wat is licht !

Meer menschlijk, meer uit het hart gegrepen zijn de woorden van den dichter van Teil, en daar wij nu eens in Zwitserland zijn, zoo willen wij zijn heerlijke woorden herhalen, waarmede de weenende zoon den blinden vader beklaagt, wien de hartelooze dwingeland met een spits ijzer de oogen heeft uitgestoken:

«O, eine edle Himmelsgabe ist

Das Licht des Auges, - Alle Wesen leben

Vom Lichte, jedes glückliche Goschöpf —

Die Pllanze selbst kehrt freudig sich zum Lichte.quot;

Sterben ist nichts — doch leben und nicht sehen, Das ist ein Unglück !

-ocr page 51-

I

39

Met deze heerlijke dichtregelen heeten wij de pelgrims welkom in het schoone land Italië, den tuin van Europa, het land der kunsten en wetenschappen, der bloemen en zonnen, van blauwe hemelen en blauwe golven, van heerlijke natuur-tafereelen, van niet minder heerlijke kunstgewrochten. In het land, eens zoo rijk, — thans zoo arm ; door God zoo kwistig bedeeld, — door de menschen zoo verarmd; eens zoo gelukkig door zijn trouw aan God en godsdienst, - thans zoo ongelukkig aan de ellende prijsgegeven, afgewend van 's Heeren dienst; vaneen volk van koningen, zooals zijn voorvaderen, —een volk van bedelaars geworden door eigen schuld ; het land van het heerlijkste verleden, de rijkste geschiedenis, — thans het land der armoede en der armste toekomst. Gaat 't zoo voort, dan is 1 het land tot een zekeren ondergang gedoemd. Wie onzer kan dat begrijpen? Is er een vruchtbaarder, rijker, gezegender : | land dan dit. Ziet Lombardije, ziet Toscane, ümbrië, de Campagna! in de vlekken, langs de hellingen, op de bergen,—

alles oogsten aan oogsten, en de inwoners vlijtig, taai, volhardend, — en in dat overrijke land. een overgroote ellende!

De staat, de provincie, de gemeente plunderen letterlijk de inwoners. Zij schudden ze uit. Wat helpt arbeid, werk, zegen, als gij alles moet afgeven?

Op de dorpen betaalt de landman 30 proc. van de opbrengst, | i in de steden bijna overal 50. Geen goud meer in omloop,

geen zilver; — vuil papier en vuil koper, — en van geen kanten krediet, en een reusachtig leger, en een groote vloot!

O! die schoone revolutie! o schoon en arm land ! — waar gaat gij heen? — Ten afgrond! Gij hebt de revolutie gewild, gevraagd, gezocht, geholpen en gemaakt. Gij hebt de duurste eeden van getrouwheid trouweloos gebroken, gij zijt de verrader bij uitstek, van al uwe vorsten, van den vorst dei-vorsten vooral — den Paus — en gij hebt het verdiende loon! „Al fundo!quot; tot in de uiterste diepte!

-ocr page 52-

40

Kan het erger ?

De particulieren in deze gewesten moeten munt slaan, om te kunnen handeldrijven, want het geld ontbreekt ten eenen male. En de regeering weet het en sluit de oogen. Zij is niet bij machte de zaak te verhelpen.

Arm, ongelukkig, misleid en bedrogen volk !

Arm echter, omdat het zich zei ven bedrogen heeft, vrijwillig, moedwillig.

Zij is en blijft waar de uitspraak der eeuwige waarheid:

„De gerechtigheid verheft de volkeren, de zonde maakt ze allerellendigst.quot;

De zonde heeft dit volk tot een allerellendigst volk gemaakt.

Maar dat zijn nu ook zoo ernstige gedachten bij het bin-nensporen van een zoo lachend land!

Te ernstig inderdaad.

Want alles lacht ons tegemoet. Al is het karakter des lands nog het hoog alpische, — al gaat de trein aanhoudend door grootsche bergstreken, door evenwijdige, hemelhooge rotsen, er ligt een andere tint over alles uitgespreid; — het groen schijnt lichter, het gras groener, de zon vroolijker, mag ik het zeggen, — zonniger, en de hemel blauwer.

Gij treedt de Leventina binnen, de bovenvallei van den Tessino. Zooals de Reuss aan gene zijde, zoo is de Tessino aan deze onze trouwe gezel.

Zooals wij reeds weten, dalen wij langzaam naar omlaag.

Er is iets dat over alles uitgegoten ligt, en aan die goudgele kleur herinnert, die men wel eens „vieil or,quot; oud goud, noemt. Het stroomt met de rivier, het huppelt in de watervallen, het wiegelt over de bladeren , het rust als een doorzichtig waas op het grasveld en schijnt neer te druppelen als vloeiend goud van de acacia's, met een zware bloemen-vracht van witte trossen beladen, die het geheele land met hun ietwat doordringende, maar. toch echt aromatische geuren

-ocr page 53-

I

41

vervullen, en gebogen staan in het goud der zon, die naar het westen nijgt.

De weg gaat in steile helling naar beneden, tunnel volgt op tunnel, de spiralen van Prato op die van Freggio, en wij dalen met spoed, en verdwijnen onverwachts in do ingewanden des bergs, om er even onverwachts uit te voorschijn te schieten, met het bekende dag- en nachteffect.

Maar wat een blik biedt u ten eerste de Monte Piottino, de vallei als doorbrekend, terwijl de Tessino verwinnend zich een weg gebroken heeft door den versperrenden berg, - een | ware strijd der elementen, een Titanen-strijd, — en als in triomf voortspringt van waterval tot waterval in de woeste bergengte. Dan over een brug van 45 meter lengte , die de rivier overspant, welke in de diepte ruischt en huilt, terwijl u een grootsch schouwspel wacht bij het verlaten van den tunnel in de „Schluchtquot; van Piottino. Nog eens een spiraalvormige tunnel, en de lieflijke vallei van Faido ligt voor u.

Dat is reeds geheel Italiö. — De overgang is gemaakt. Een weelderige, zuidelijke, Itaüaansche plantenwereld omringt u van alle zijden. Een groene zee, geschakeerd door allo kleuren en bloemen van de lente, in strepen en vlakken, daalt over de bergen en rolt door de vlakten, tot aan de oevers van den stroom, die hier en daar wegschuilt onder het loofgordijn, en de lucht is vol geuren.

Boomen en planten en bloemen verraden Italië. De wijnstokken bedekken als met prieeltjes groote weilanden. quot;Wel hebben zij geleden door den laatsten wintervorst, maar het leven breekt met geweld uit de bruine stokken, en de licht groene ranken omklemmen de donkere stutten.

Faido, de hoofdstad der Leventina, is een geheel Italiaansche stad, maar ziet er vroolijk en welvarend uit.

Wat een watervallen! Rechts van u de Plumogna, een dei-vele, die van de steile rotsen naar beneden glijden naar het

-ocr page 54-

42

da], naar de rivier, — dan in stralen, lang en dik, naast elkander ais om strijd, als doorzichtige, zilveren staven voortschietend ; — dan langzaam, in schijn naar omlaag wuivend, als groote buigzame zilveren sluiers met zilveren franje omhangen, als de groet der sneeuwtoppen dicht bij de wolken, aan de rivier diep beneden in het dal, zooals de Cribiasca, — dan weer in gepolijste vlakken, zilveren of gulden spiegels gelijk, naar dat de zonnestralen vallen in hunne golven.

Thans volgen de wouden.

Zwitserland en boven Italië is beroemd om zijn noten- en kastanjeboomen. Langs de oevers van het Vierwaldstatter-meer, te Beckenried vooral, kunt gij de prachtigste exemplaren bewonderen, en wat heerlijke uren hebben wij er vroeger doorgebracht in gezelschap van lieve, trouwe vrienden. Zien wij nu nog die éénig schoon gegroeide boomen hun zware dichte kruin uitstrekken langs den oever, dan treden de lieve beelden weer voor den geest, toen zij daar stonden aan onze zijde, met ons bewonderend, genietend, schertsend, — toen zij daar stonden aan den oever, ons wachtend na een kleine excursie, die wij alleen hadden gemaakt en de trouwe hand ons te gemoet stekend, en zwaaiend met den hoed, en ons ontvangende met het hartelijk: „wat zijn wij blij, dat gij weder hier zijt; - eerst weg van van morgen en hoe lang kwam ons die tijd voor!quot;

Hoe lang!

En hoe lang is het reeds, dat ik onder bittere tranen beiden, — den een een jaar na den anderen, begeleidde naar hun laatste woon, in het vaderland, wel is waar, maar toch naar het graf. Naar het graf, dat ik meermalen biddend bezocht, en dan stond aan mijn zijde, gesteund op mijn arm, een vrouw in diepen rouw, met zilverwit haar, die snikte en zacht weende, en niet weg wilde van de plek.

En die vrouw was de moeder van den jongsten hunner,

-ocr page 55-

43

en zij wilde zich niet troosten, die vrouwe, om zijn verlies, — want hij was haar eenig kind, en steeds snikte zij: „daar! daar!. . . alles!quot; met iets in de stem, dat u het harte brak.

En de andere? Nu, die had niemand, die om hem weende of voor hem bad, die was alleen in de wereld. En daarom ging ik telken jare er heen, naar dat eenzaam graf, onder de rozenstruiken, langs den oever der rivier. Ik wilde niet, dat men denken zou, dat hij geen vrienden gehad had, hij,, met zijn edel hart en grooten geest!

En zoo zie ik onder die noteboomen die twee vriendengestalten, en daarachter twee graven, en een moeder met sneeuwwit haar, in diepen rouw.

Daar heb ik mij toch wat ver en te lang laten medeslepen door mijn herinneringen, is het niet, lieve pelgrims? — maar gij duidt mij zulks niet euvel. En, elk menschenleven is zoo een wonder mengsel van vreugde en tranen, zoo'n wonder weefsel van rouw en geluk, dat elk menschenhart verstaat en begrijpt, wat er omgaat in een ander menschenhart naast hem.

.,Het zijn boeken van één bibliotheekquot;, zei eens een geestige Engelschman, „zij verraden zich door den band.quot;

Maar ziet, daar staat aan uw rechterhand een kastanjeboom, een ware pracht, - alleen als een koning, op den voorsprong van een berg, op een hoogte van een zestig voet misschien.

Het is een koepel, een kroon van ruischend groen, op een stam, niet al te hoog, met een overvloed van waaijervormige, vijfvoudig gedeelde bladeren aan lange groene stengels, terwijl de pyramidaal oprijzende bloemtuilen, met dubbel witte rozen prijkend, met goud en rood en bruin gespikkeld en besprenkeld, de kroon versieren.

De Duitschers noemen die bloemtuilen „Blumenkerzenquot;, als kaarsen oprijzend.

Ziet! daar vlamt op eens kroon en loover, bloem en koepel, in het goud der ondergaande zonne. Toen werden de bloem-

-ocr page 56-

44

ruikers, ware kaarsen. Zij schitterden en brandden als in lichtelaaie vlammen. Het was die onbeschrijfelijke kleur, die de Alpen hebben bij het „Alpenglühn en blühndat aan oud verguld zilver doet denken, aan zacht rozenrood.

„Heerlijke boomen! maar wat staat hij daar mooi!quot;

„Alsof men hem er geplant had voor een sieraad!quot;

„Een koning! vindt ge niet?quot;

„Een schildwacht! dunkt me, over het geheele land.quot;

Hoe het zij, schoon en zeer schoon was hij en dat is genoeg.

Het landschap verandert.

De watervallen vermeerderen en ruischen links en rechts. Groote rotsmassa's liggen daar verspreid tusschen de schoone boomen, zeiven gedeeltelijk met groen en heesters en wilde ! alpenbloemen begroeid. Het zijn steenen, waarvan men zeggen zou wat Göthe schreef van de Vulcanshöhle bei Eisenfei in de Eifel: „blokken alsof Titanen er mede gespeeld hadden.quot;

Door de engte der Biaschina holt schuimend en donderend de Tessino naar omlaag, met vreeselijk gedruisch neerstortend. Dan volgen twee spiraaltunnels, die van Piano en van Travi.

Wij zijn in de diepte van de vallei, en gaan verder ongeveer gelijkvloers.

Te midden van wijntuinen,schilderachtig gelegen, verheft zich Giornico, met zijn ruïne; dan gaan wij langs Bodio de breede vallei binnen, die men de Riviera heet. Armdikke wijnstokken die zich om de stutten of boomen slingeren als bruine slangen , kastanjes, noten, onzeggelijk groote moerbe-ziënboomen en vijgen zeggen het u: gij zijt voorgoed in Italië.

Door de breede, lachende, groene vallei van den Tessino, door vruchtbare vlakten, langs met weelderigen plantengroei bedekte bergen, sporen wij verder, langs eenige onbeduidende, steeds meer en meer karakteristiek Italiaansche stations, als op eens een machtige vesting, met drie kasteelen of forten

-ocr page 57-

45

bekroond, ons den weg schijnt te versperren. Het is Bellin-zona, de hoofdstad van het Kanton.

Hier woonden vroeger de drie baljuwen der drie Kantons, die het land regeerden, totdat de Franschen in 1798 aan dien toestand een einde maakten.

Daar gaat een beweging door de reizigers; — men ziet in de verte een blauw meer, een witte stad. Het schijnt wel een bedriegelijke luchtspiegeling te zijn, een soort, van Fata morgana. Neen! het is Lugano, het schoon gelegene. Met recht wordt een gedeelte er van II Paradiso, het Paradijs geheeten, want het is schoon als het Paradijs. De trein zet zich in beweging van het station uit, en het paradijsvisioen komt naderbij.

Links verheft zich de witte stad zeer dikwijls uit het groen der boomen, en spiegelt haar beeld in de blauwe golven. De oevers en do hellingen der bergen, welke het meer omlijsten, zijn met sierlijke villa's, ir: den lommer half verscholen, bezet, als de paarlen van een gebroken parelsnoer, — schoone bergen rondom; de Monte Salvatori, de Monte Brè, met prachtige gezichten, — en dan eindelijk de Monte Generoso, de Rigi van Boven-Italië, die ook een tandrad-spoor heeft, en een heerlijk vergezicht biedt van zijn toppen en raggen, met zoo'n wonderschoonen plantengroei en bloementooi bedekt.

De reizigers wisten, dat de visitatie der koffers moest plaats hebben te Chiasso, en nu luidde elk oogenblik de vraag: „zijn wij nog ver? is dat Chiasso?quot;

Eindelijk heette het: „Ja, dat is Chiasso! de douanen.quot;

Maar men had ons met een schrikbeeld angst aanjaagd, alsof de italiaansche grensbeambten allen ware monsters waren, alleen gelegenheid zoekende om iets te vinden, wat Italië niet binnen mag, zooals sigaren, om dan den ongelukkigen eigenaar der bewuste vondst te verslinden, niet huiveringwekkend misbaar.

Het viel ons allen zeer mee. Wij werden met zeer veel

-ocr page 58-

46

hoffelijkheid behandeld, niemand geplaagd. Weldra waren wij allen door de spitsroeden heen, zonder ongeval, en zaten wij welgemoed den schrik, dien wij niet gehad hadden, af te drinken in de wachtkamer, waar zich een buffet bevindt dat goed voorzien mocht heeten.

Ook dat voordeel hadden wij aan onzen President, Mijnheer Stallenberg, te danken , die met de beambten eenige vriendelijke woorden wisselde, en hier, zooals overal aan elk station, ons de reis zoo aangenaam en zoo gemakkelijk mogelijk maakte. Wij hadden nergens iets uit te staan met reisbilletten. Alles beheerde hij en overal stonden onze spoorlij tuigen afgesloten klaar, zoodat wij bij kleinere uitstapjes, zooals naar Loreto, niet alleen onze bagage niet behoefden mee te slepen, maar in alle gerustheid aan het station in de rijtuigen konden laten. En te Loreto, dat wilde nog wel iets zeggen, — vooral als wij ons herinneren, hoe bij vroegere gelegenheden, te Florence eensdaags iedereen, als een zakkendrager zoo bepakt de stad binnen moest trekken, en de rijtuigen ver te zoeken waren.

Met een verlicht gemoed gingen wij op Milaan af. De weg bracht ons eerst langs Como en zijn wereldberoemd meer. Wat iiadden wij gaarne die schoone stad aangedaan, het be-tooverend schoone meer bevaren, maar met een gezicht, dat ons wel kon tantaliseeren, moesten wij ons tevreden stel-l len Alles kou men niet zien, maar overschoen moet het i zijn. — En toen Milaan!

Het was den IT^11 Mei, 's avonds om 5.15.

-ocr page 59-

(Dilaan en de lombardij.

e Lombardij is een heerlijk, van God gezegend land. „La plus belle duché, c'est la duché de Milan,quot; was het spreekwoord, dat begon met ,.la plus belle comté, c'est la comté de Flandre.quot; —

Het scheen wel, dat in dien tijd alles vrouwelijk was.

Maar schoon is het, overschoen en vruchtbaar bij uitstek. Groene weilanden bestrijken de flanken der bergen, wijnstokken, bloeiende tuinen en moerbezieönboomen bedekken de heuvelen en de oevers der meeren, terwijl tarwe- en maïsvelden met weilanden afwisselen in de vlakten. Het schijnt wel één groote, vruchtbare tuin, wel één onmetelijke, met vruchtboomen rijk bezette boomgaard te zijn. Wel mag die grond onuitputtelijk heeten! In lange rijen staan de groene, glanzige moerbeziönboomen onafzienbaar door de velden, terwijl machtige druivenstokken in hun midden oprijzen en hunne groene ranken ophangen in slingers en trossen om de takken der boomen; — ruischende maïs, met gouden pluimen wuivend, vult het al zoover de oogen dragen.

Het is een onvergelijkelijk beeld van weelderige pracht, en overstelpende vruchtbaarheid, dat nog toeneemt in rijkdom en praal, wanneer gij de wijnstokken ziet, niet tevreden de armen

-ocr page 60-

te reiken aan de boomen, in wier rijen zij plaats nemen, doch ook nog hunne groenende takken uitsteken, midden over de velden heen, om zich tot een altijddurend loverhuttenfeest te smukken , met groene en purpere druiventrossen. Men zou zeggen, dat het een eeuwige triomfweg is, een „via triumphalis,quot; voor den Fleer, die alles schiep en onderhoudt, of wel dat Hij komen gaat. Hij, de Koning des heelals, die in dit Paradijs, het werk van zijn handen, moet rondgedragen worden, onder jubelklang en juichgezang, te midden zijner getrouwen, bij dien feestoptocht zijner liefde, in zijn H. Sakrament.

In dit schoone land regent het des zomers weinig of niet. Do warmste, droogste zomers geven de beste oogsten en een wonderlijk verschijnsel is, dat de oostewind gewoonlijk regen brengt. De Zee-Alpen en de Apenijnen drinken al den regen op, welke de westewinden zouden brengen.

Een kanalen systeem, eenig in Europa, voorziet in de besproeiing der velden. Let eens op. Die kanalen en kanaaltjes kruisen elkander in alle richtingen, loopen evenwijdig, net zoo goed als over elkander. Hier in de Lombardij bestaat een oud recht, dat kracht van wet heeft. Elk eigenaar kan het water, dat hem toebehoort, leiden naar zijn velden, over alles heen. Zoo is er water genoeg, en slechts een koude zomer geeft een slechten oogst, en toch, het gras groeit er welig, tot in den winter toe, en wordt niet zelden gemaaid twaalf maal in één jaar.

Vroeger dankte Milaan zijn rijkdom aan de wol-industrie, maar een klein diertje verdrong de tallooze kudden. De zijworm heeft het land rijk gemaakt, zoo rijk, dat men ; ten tijde der Oostenrijksche heerschappij zeide, dat het leger i en de beambten leefden van moerbeziënbladeren. Deze brachten zooveel op door den „pluk,quot; dat de inwoners er al hunne contribution mede betaalden. Niettemin is de veeteelt bloeiend, en is de bekende parmesaansche kaas een produkt van dit land.

Nu onze lezers het heerlijk stuk gezien en doorkruist heb-

-ocr page 61-

49

ben, zullen zij zich niet verwonderen, dat het eeuwen lang de twistappel en het slagveld van Europa was.

Wat België voor midden-Europa werd in de geschiedenis der volken, dat was de Lombardij voor het Zuiden, en lang streden Frankrijk, Duitschland en Spanje om „die parel aan hun kroon.quot; —

En Milaan is de hoofdstad.

En Milaan is ook een parel!

Barbarossa, de machtige Keizer, maakte ze na de inname met den bodem gelijk. Oaleas Visconti, — wij noemen dien naam, omdat hij den machtigen Dom bouwde, — droomde van een Koninkrijk van dienzelfden naam. Napoleon liet zich hier tot roomsch Koning kronen, met de zoogenoemde ijzeren Kroon, — en Napoleon III, de aartsschelm, die aan zijn eigen zonden te gronde ging, ontving de Lombardij van Oostenrijk, om ze aan Italië ten geschenke te geven. Zoo handelde en werkte hij in dienst van de Italiaansche Vrijmetselarij, wier Orsinibommen zijn leven bedreigden, en wier dolk hem inde lendenen zat.

Milano la grande!

„La grande,quot; de groote, de machtige, met haar bijna 400,000 inwoners, prachtige breede straten en pleinen , kerken en kunstschatten,* is gelegen op de oevers van een klein riviertje, de „Olonaquot;, door twee groote kanalen met de meeren van Boven-Italië verbonden. Het station is een waardig portaal van de groote, schoone stad, met schoone fresco's en niet minder schoone standbeelden, en een marmeren senaat, door beroemde Mila-neezen versierd. De intrede geeft u reeds dadelijk een uitstekend voordeelige gedachte der stad. Breede straten, met flinke trottoirs, groote, monumentale huizen, alle natuurlijk paleizen genoemd, hoewel het hier niet zoo erg is als in Rome en Napels; daar heet alles palazzo. Die Italianen zijn eeuwouder volk, dat zich licht tevreden stelt met een klinkenden, snoe-

4

-ocr page 62-

50

venden naam. Op de werkelijkheid komt het minder aan. Hielen in geheel Italië is alles, of ten minste veel, zuiver fantasie. Dat is iets zooals die bedelaars, die hun lompen dragen met de majesteit van een romeinsch Keizer.

Milaan komt er echter nog het best van af. Het heeft zoo weinig Italiaansch karakter, als het voor een Itahaansche stad denkbaar is.

Wij namen onzen intocht in het zoo prachtig als uitstekend „hotel de la Ville de Milanquot; , (') waar alles, kamers en tafel, eten en drinken en bediening, aan de stoutste verwachtingen beantwoordde.

Wij hadden den tijd voor het diner. Ook spoedden allen, volgens de opgave van onzen leider, naar het Domplein.

Men sloeg links in, en weldra stond men op het plein van „la scalaquot;, een der grootste schouwburgen van de wereld. Hier verheft zich, te midden van bloemen en groen en planten, het prachtig standbeeld van Leonardo da Vinei, den onster-felijken schepper van het „laatste avondmaalquot;, dat wij latei-in den vroegeren refter der Dominicanen zullen bewonderen.

Hier vindt gij den ingang of beter den uitgang, van de met recht beroemde „galeria Vittorio Emmanuelequot;, welker eigenlijke ingang op het Domplein te zoeken is.

Het is een pronkjuweel van bouwkunde, door Mengoni, die de geheele piazza maakte tot hetgeen zij thans is.

Hij bouwde ze van 1865 tot 1867, en in 1879 vond hij • den dood, door een val van de hoogte van den voorgevel. Wie denkt niet aan Jules Favre's neerstorting in den Sint-Gothard-tunnel?

Zij is 195 nieter lang, 15 breed en 26 hoog, terwijl de achthoekige koepel in het midden tot 50 meter oprijst.

( ) In do straat Alessandro Manzoni, met electrische verlichting, lift, verwarmingstoestel, bureelen voor post en telegraaf en spoorbilletten in huis.

-ocr page 63-

51

Fresco's en standbeelden (2-i) versieren het binnenste, dat 's avonds door 2000 gaspitten wordt verlicht. De gaskroon in den koepel wordt door eene kleine locomotief aangestoken. Het ziet er 's avonds uit als een tooverpaleis, en die drukke menigte, welke heen en weer wandelt, die schitterende winkels, die restauraties van alle zijden, die muziek, soms de zang, die er schalt van alle kanten, en dat bij die lauwe lucht daarbuiten, die flikkerende sterrenhemel, waarlijk schoon!

Onze bewondering steeg ten top, toen wij de piazza, het domplein, betraden.

Het is een trotsch plein, met trotsche paleizen omringd, — de schepping van Mengoni. Onze reisgids had gelijk.

Daar lag dan voor ons , als in blauwachtig zilverwaas gehuld , die prachtige dom , door de Milaneezen het achtste wonder der wereld genoemd. En niet ten onrechte. Zoo onder dien blauwen, doorschijnenden, met millioenen sterren bezaaiden hemel, met dien stillen glans, met die lichte schaduwen, opzwevend langs die beeldenwereld, langs die tallooze torentjes, langs dien machtigen, wit marmeren kolos, die den koepel kroont, spelend om al die hoeken dier konterforten; die bloe-mige bogen, als marmeren ranken oprijzend , het geheel als optillend van den grond, in die plechtige stilte, die ons omgaf ; — inderdaad een bovenaardsch visioen !

Dat bood ons de avond.

Een uitstekend maal vereenigde ons allen in de prachtige | zalen van het hotel, en in de opgeruimdste stemming bleven wij een uurtje bijeen. Niet te laat, — want 's morgens was het in den regel nog al tamelijk vroeg dag, - niet te vroeg. Een reiziger moet frisch zijn van hoofd, „uitgeslapenquot; in elke beteekenis, maar in den waren, eigenlijken zin vooral. Een afgetobd mensch kan slechts ten halve genieten.

Wij volgden goeden raad en bevonden er ons goed bij.

's Morgens om half acht werd voor de pelgrims de H. Mis

I

-ocr page 64-

gelezen in de zilveren kapel van den H. Carolus Borromeus, door den Hoog Eerwaarden Heer Pater Kusters, pastoor te Rotterdam, welke met stille ingetogenheid werd bijgewoond, : Na het ontbijt werd de Dom bezocht.

Wat een kerk ! Wat een gebouw !

Een wit marmeren berg, — veel meer, want alles is mar- : mer en nog wel van Carrarisch marmer; — marmer die meer i ; dan twee duizend beelden, die honderd torentjes, marmer het : dak, de bogen, de middentoren; marmer die geheele fa gade; | — en dan dat werk, die meesterstukken, die keurige bloemwerken en festoenen, die engelenkopjes, die vruchten, te zaam de smaakvolste arabesken vormend !

En het is iets onmetelijks, dat marmeren wonder, dat een oppervlakte beslaat van 11.700 meter vierkant, terwijl de pilaren en de muren er ongeveer 2000 bezetten. 40.000 men- . schen vinden er plaats. Bij een lengte van 148 m., heeft het 88 m. breedte en hoogte 48 m. De voorgevel heeft een breedte van 61.50 meter. De koepel rijst op tot een hoogte van 68 meter en de groote toren bereikt 108 meter. De kerk bevat de grootste gebrande glasramen der wereld. Zij stellen 350 onderwerpen voor van het Oude en Nieuwe Tes- I tament, meestal naar oude schilderijen.

Met verbazing blijft men staan op de trappen, het werk bewonderend tot in zijn minste bizonderheden. Hier heeft men met het marmer gespeeld; het schijnbaar gekneed als was. Wat | een heirleger van beeldhouwers en werklieden moet hier gewemeld hebben in dien tijd, wat een meesters waren hier bezig! En een hertog was het, welke dien reuzenbouw ondernam. Jan Graleas Visconti begon het werk in 1386. Zooals voor meer monumenten, die den menschengeest met verbazing slaan, wordt er vergeefs gezocht naar den bouwmeester, en dagen er meer mededingers op om die gloriekroon. De kerk is ge- | bouwd in gothieken stijl, en de vele namen van bouw- |

-ocr page 65-

53

meesters van „daitsche tongequot;, die genoemd worden met niet minder Italianen, doen n grif geloovcn, dat er gebouwd werd onder aanhoudend gekijf en gewrijf. En dan nog Italianen met de door hen zoo gehate Duitschers, Tudeschi. In het begin dezer eeuw bleef nog de voorgevel over. Napoleon I gaf het bevel, hem uit te voeren naar de plannen van Pelligrini. Zijn ! machtwoord was leven en kracht.

Het is een geheel, zoo indrukwekkend grootsch, prachtig, dat wij eigenlijk niet goed begrijpen kunnen, waarom in 1888 een prijsvraag werd uitgeschreven voor het plan eener nieuwe facade.

Maar wij willen binnentreden.

Dat geheimzinnig duister, „echt mysterieuse sombreurquot; zou de burggraaf Walsh zeggen, die u omvangt, doet u bij dein-1 trede eerbiedig stilstaan, en biedt u de gelegenheid om die twee kolonnen, monolithen, te bewonderen bij den ingang. Het zijn ware reuzen en zij komen uit de groeven van Baveno, aan het Lago maggiore. Aan uw voet geeft een koperen band, in het marmer ingelegd, den meridiaan aan.

Nu een tamelijk vlugge wandeling langs de muren. Wat gij hier ziet, is alles kunst en ware kunst. Milaan is meer dan elke stad de „klassieke stadquot; der beeldhouwkunst. Alles, ook brons en marmer. Hier, in den hoek, klimt men op den , ! toren. — —

„Gaat het?quot;

„Wel zeker!quot;

„Erg vermoeiend?quot;

„Dat hangt er van afquot;

„Wil u zoo goed zijn te wachten, tot dat wij terugkomen, ! straks?''

„Stellig! wij zullen dien tijd in aanbidding doorbrengen voor het Allerheiligst Sakrament, u wachten en ook nog voor u bidden.quot;

„Al/.oo dubbel profijt en veel genoegen.quot;

-ocr page 66-

54

Dat was in een oogenblik afgehandeld, en wij togen verder langs liet anatomisch schoon onthulde lichaam van den lï. Bar-tholomeus, met zijn huid op den arm. — maar schoon ? — neen, — volgens onze bescheiden meening wilden wij het wel naar Rembrandts snijkamer verwijzen.

Een omgang om het koor deed ons die prachtige glasvensters bewonderen, altaren, beeldhouwwerk, het alles overheerlijk.

Een oogenblik bleven wij staan bij den bronzen kandelaar met zeven armen, dien men lang voor een werk van Benvenuto Cellini heeft gehouden, den grootsten meester, nooit overtroffen in zijn vak. Wij bewonderden nog de deuren der sacristie, met hun schoon beeldhouwwerk , en begaven ons toen naaide zilveren kapel van den H. Carolus Borromeus.

De zilveren kapel verdient ten volle dien naam; de wanden en het gewelf, in zooverre het niet door een glazen koepeltje wordt ingenomen, zijn met zilveren of verguld gedreven platen bedekt, — meer rijkdom dan smaak.

Wij knielden neer en vereenigden ons in het gebed, in afwachting, dat ons het heilige lichaam zoude getoond worden. Een zilveren, met edelsteenen rijk bezette sarcophaag verborg den eigenlijken reliekschrijn voor onze blikken.

Daar trad de eerbiedwaardige figuur van den heiligen kerkvoogd voor onze blikken. Niet de groote, machtige en rijke graaf, uit aloud geslacht gesproten, — niet eens de hoogc bisschop en prins der Kerk, die zooveel groots voor zijn diocees, voor de geheele Kerk ook gedaan heeft, — niet eens de vader der armen, die alles weggaf, alles deelde met den arme, de armen in zijn paleis opnam, in zijn paleis zelve spijzigde, — neen ! Maar ziet! daar rijst hij op voor uw oog , daar staat hij, in een boetekleed gehuld, de koord om den hals, het kruisbeeld in de hand, de oogen vol tranen. Daar gaat hij, gevolgd van de overgeblevenen zijner priesterschap , — want zoovelen maaide de pest weg van het slagveld der liefde, waarop

-ocr page 67-

55

zij werkten en streden, — en bidt de psalmen der boetvaardigheid, roept biddend en zingend om barmhartigheid tot God, en biedt zich zei ven ten offer aan voor zijne kudde.

liet toonbeeld eens priesters, eens herders

De goede Herder geeft zijn leven voor zijne schapen.

Hij gaf het, — een goede herder was hij.

Daar, onder onze oogen, hadden zij hem ter ruste gelegd, toen hij zijn leven besloot.

Het zilveren deksel gaat langzaam omhoog en onder een bergkristallen , door goud en edelgesteenten rijk versierd schrijn verscheen het heilige lichaam, in bisschoppelijke kleedij. met kostbaresteenen bedekt, een weefsel eigenlijk van edelsteenen.

Don mijter op het hoofd, rustte hij daar. Het historische, karakteristieke hoofd, uitstekend te herkennen, scheen onge-schonden. De handen lagen gevouwen op de borst. Het was, als moest hij opstaan uit zijn gouden graf, om met luide stem te roepen: „De goede herder geeft zijn leven voor zijne I schapen!quot;

„Heilige Carolus Borromeus, bid voor ons!quot; zoo baden en antwoordden de pelgrims, en diep getroffen verlieten wij de kapel.

Wij zullen zulks meer ondervinden Wat een lessen stij-; gen luide tot ons op van uit de graven der heiligen! Lessen van de ijdelheid der wereld, van de eeuwigheid, van de waarde 1 der ziel, van God, die zijne dienaren beproefde en verheerlijkte!

Wij verlieten den Dom en begaven ons naar de oudste kerk van de groote stad.

San Ambrogio !

En daar stond voor ons een wel treffende groep. Een bis-i schop, een vorstelijke figuur; maar niet, toen hij met zijn ; bisschopsstaf den Cesar van dien tijd, den machtigsten der aarde, weerde uit het huis Gods, omdat hij droop van bloed, neen, de bisschop, de heilwateren des H. Doopsels uitgietend over het in ootmoed diep gebogen hoofd van een zwartgelokten

-ocr page 68-

56

man , met vurige oogen en gebruind gelaat, — terwijl een vrome vrouw, in tranen -wegsmeltend, knielde ter zijde.

Ambrosius, Augustinus, Monica.

De vader naar de ziel, de moeder naar ziel en lichaam, en de zoon, de groote leeraar der Kerk.

Wat vermogen niet het gebed, de tranen eener moeder op het hart van God. Hare tranen gaven hem voor den tweeden keer het leven, het leven der ziele.

Wat is zij groot, die heilige vrouw, die niet ophoudt de ziel van haar kind af te bidden van God!

Wat is zij oneindig grooter dan die heidensche moeder, gezonden om van haar zoon af te smeeken het heil des vaderlands, het opheffen van het beleg van Rome!

Coriolanus zeide: „Moeder, ik zal doen wat gij vraagt, maar uw zoon is verloren.quot;

Augustinus zeide: „Moeder, gij hebt verwonnen, uw zoon is gered voor tijd en eeuwigheid.quot; ...

Eerst ging een rit vooraf door de straten der stad.

Milaan beantwoordt in het algemeen aan de verwachting, en door schoone straten bereikten wij weldra de beroemde kerk. Het voorhof mag misschien wel een unicum zijn, evenals de gevel. Fresco's, het een of ander tamelijk goed bewaard, sarcophagen en opschriften sieren dit atrium of open plein, door zuilengangen ingesloten. Het geheel heeft voor iedereen, ook voor oningewijden, iets indrukwekkends. De kerk bouwde de H. Ambrosius in de 4d° eeuw, op de puinhoopen van een tempel van Bacchus. Dit gebouw echter dagteekent uit de 12de eeuw, is in romaanschen stijl opgetrokken en toont u vooral wondere gewelven. Hier, bij deze deur, weigerde de groote bisschop de intrede der kerk aan Keizer Theodosius in 389. Hier ook verzoende hij den Keizer met de Kerk, nadat hij boete gedaan had in oprechtheid des harten, hier reikte hij hem toen de H. Communie, en omhelsden Bisschop en Keizer

-ocr page 69-

57

elkander, te midden van het diepgetroffen, weenende en ook juichende volk. Hier werden de Keizers, evenals de lom-bardische Koningen, gekroond met de ijzeren kroon, aldus genoemd, omdat de gouden kroonband, met edelsteenen overladen, in zijn binnenste een ijzeren ring bevatte, die het hoofd raakte en uit een der nagels des Heeren gesmeed was. Twee slippen, als breede linten, een weefsel van parelen, vielen, evenals van een mijter, achter tot op de schouderen neer. Vóór hun kroning echter moesten die vorsten clen eed afleggen bij de oude kolom op het plein. Napoleon I, zooals bekend, trad gaarne als een Cesar, een romeinsch Keizer, op; zijn kroningskostuum was een mislukte copie van de keizerlijke kleedij. Hij wilde ook gekroond worden met de ijzeren Kroon, die te Monza bewaard wordt in de koninklijke schatkamers.

De kerk bood de merkwaardigste zaken te zien. Het hoogaltaar, met zijn porphyron kolommen, en zijn gouden anti-pendiën, schitterend en stralend van kostbare edelsteenen en kunstvol email, een meesterstuk van byzantijnsche kunst uit de achtste eeuw; — de preekstoel, waarbij het doopsel plaats vond van den H. Augustinus, een opeenstapeling van rijk gebeeldhouwde gedeelten, uit verschillende tijden stammend; — en de absis, welke met de oudste (IX eeuw) mozaieken prijkt, die Christus den Heer, en de geschiedenis van den H. Am-brosius voorstellen.

Daarna ging het naar het „Cenacoloquot; of „het laatste avondmaalquot; van den grooten meester Leonardo da Vinei. Een blik op het bouwwerk van Bramante, — de kerk van Santa Maria delle Gracie, een opvallende koepelkerk, van buiten oneindig schooner dan van binnen, - en wij traden den voormaligen relter der Dominicanen binnen.

„Is het dat?quot;

„Is dat alles?quot;

-ocr page 70-

58

Zoo schijnen de blikken der binnentredenden te vragen. En waarlijk, de eerste indruk billijkte volmaakt die verwonderde oogen. Maar nadert, neemt plaats, ziet op, rustig, langzaam, gij moet u „einlebenzou de Duitsc'aer zeggen. In het midden zit de Heer; om Hem heen de twaalf, in vier groepen gedeeld. Vier groepen, en elke groep drukte op een andere wijze droevige verwondering en vragende smart uit. De gezichten zijn ontsteld, ontzet. Angst en schrik en verontwaardiging zeggen die oogen, die houdingen, die handen. Het wonder der liefde is geschied. Zij eten en drinken het vleesch en bloed des Heilands. Toen! — o gruwel! Zou dat mogelijk zijn? Neen! dat kan niet! — Een onzer? — onmogelijk!

En toch, de Heer heeft het gezegd: „voorwaar, voorwaar. Ik zeg het u, een uwer zal Mij verraden.quot;

Judas is niet lang te zoeken.

Maar, de Heer heeft den goddelijken blik neergeslagen in stilte. O! ziet eens in dat gelaat, langzaam, lang, nog langer, in die gesloten en toch open oogen, die hemelsche, goddelijke, onbesefbare droefheid, iets weemoedigs, dat u langzaam den krop doet opstijgen in de keel en de tranen naaide oogen drijft.

Zoo vol liefde, de oneindige, de menschgeworden liefde, en toch verraden! - Is dat uw loon, o Heer?

Het is opvallend, — geen enkel der copieën kan die uitdrukking weergeven, de photografieën evenmin, — en wat gij in niets terugvindt, dat is het wat uw oog altijd op het gelaat van den Heiland terugbrengt, alsof een onzichtbaar magneet u aantrekt.

Met diepen ernst vervuld, verlieten wij het „Cenacolo''.

Nog een rit door de stad. Wij moesten toch ook een alge-meene gedachte van de groote stad hebben, en zoo toerden wij langs het Marsveld, het oude paleis der Visconti's en der Stoza's naar den triomfboog des vredes „Arco della Pacequot;, een grootsche

-ocr page 71-

59

schepping. Door dezen reuzenboog liep de weg, die vroeger Italië met Zwitserland verbond. Een boog des vredes zou hij zijn; in vrede en eendracht zouden de volkeren de handen ineen strengelen, tot aller voorspoed, welvaart en geluk. Thans heet de triomfboog, „Arco del Sempione.quot;

Een omweg voerde ons door de stad naar het hotel terug, alwaar wij ons gereed maakten voor het vertrek naar Genua en Florence.

Laten wij nu voor alle zeggen, dat de tafel, op een of twee uitzonderingen na, uitstekend was en niets te wenschen overliet, iets wat wij aan de bijzonder goede zorgen van onzen President te danken hadden. Hem was het niet te wijten, dat Brussel, al was het goed, niet beter was, en dat Genua, waar wij straks aankomen, en alles goed geregeld was, niet beter aan onze verwachtingen beantwoordde.

Al het goede had ons ook wel iet wat verwend.

Aan de bemoeiingen van den President ook hadden wij het te danken, dat wij den kortsten weg naar Genua mochten nemen, en niet over Turijn moesten; het scheelde ons bijna twee uur. Maar het had ook moeite gekost.

-ocr page 72-

VAN MILAAN OVER GUNEA NAAR FLORENCE.

et land biedt weinig verschil met de Lomburdij, en weinig afwisseling ook. Wij zagen reikhalzend uit naar het gezicht op de stad, en waren in één spanning. Toen wij echter dichter naderden tot de kust, veranderde het tooneel. Wij hadden de bergen bereikt, die evenwijdig langs het strand der Middellandsche zee heen loopcn. Geen woeste, geen trotsche landschappen, maar lieflijke gezichten over een vruchtbaren bodem, zacht glooiende hellingen en vroolijke landhuizen, kleine en grootere dorpen van afstand tot afstand, hoewel de bevolking niet zoo dicht is als in het Milaneesche.

De lucht wordt koeler, frisscher. De zee is nabij; ook zijn er alle teekenen, dat wij een groote stad naderen.

Genua, de trotsche, de marmeren stad, de stad der paleizen, ook eens de Koningin der Middellandsche zee! Oprijzend uit den schoot der blauwe golven, onder een niet minder schoonen blauwen hemel, omhoogklimmend met zijn rijen paleizen, kerken en gedenkteekenen, langs de groene hellingen der bergen, die de stad als koesteren in hun schoot, met groote dammen als machtige armen de zee insluitend aan heur voet, om de tallooze schepen van alle natiën in een zekere haven te kunnen verwelkomen, biedt Genua van de zeezijde een verrukkelijk

-ocr page 73-

61

schoon gezicht aan. Een woud van masten, onder alle vlaggen der aarde, — een ontelbare vloot van trotsche handelsbodems ankeren achter de veilige en zware dammen, die de kracht breken der golven en de woede der stormen trotseeren. Hier | en te Napels is het letterlijk waar, spiegelt zich het beeld der stad weer in de lichtblauwe, zilvergerimpelde oppervlakte dei-wateren. Welk een spiegel en welk een beeld!

Het is waarlijk een tooverkring, die krans; anderhalf uur lang, geslingerd om den zeeboezem.

Men kan Genua niet betreden, zonder aan het groote geschiedkundig verleden te denken van de eens zoo machtige stad. Eeuwen lang duurde de strijd met Pisa om den scepter der Middellandsche zee. Pisa moest bukken voor de trotsche ko-ninginne der bergen, en smeekte om vrede. Overmoedig geworden door geluk en voorspoed, durfde Genua meer Het stond naar den scepter der zeeën, en de strijd ontbrandde met het machtige Venetië.

Twee Koninginnen waren het strijdperk der wateren ingetreden, beide machtig in groote vloten en rijk aan schatten. Genua bracht Venetië op den rand van den afgrond, om voor Venetië eindelijk te moeten onderdoen. Toen was het gedaan met de grootheid der Republiek, die, door binnenlandsche onlusten verscheurd, menigen keer den vreemdeling te hulp riep en binnen zijne muren zag.

Thans is het een bloeiende stad. Den naam van stad dei-paleizen verdient zij ten volle. Hare paleizen zijn inderdaad uiterst bezienswaardig, terwijl hare eenige ligging de vreemdelingen in haar „tooverkringquot; gevangen houdt.

Eene herinnering is met deze koningin der zee „verbonden.quot;

Ziet gij - daar, rechts, als in de tweede straat, dat paleis met dien wonderen hoek vorm?

Plet was in het jaar 1847, den 15 Mei. Het is nacht, twee uur in den morgen. Zoel is de lucht, rijk gekruid door dui-

-ocr page 74-

G2

zenden bloemen. Stil is het rondom, zelfs van de haven klinkt i niet het minste gedruisch omhoog en de golven klissen kabbelend de marmeren muren. In het aartbisschoppelijk paleis is licht en leven. De breede poorten openen zich. Een stille stoet van priesters treedt biddend door de eenzame straten. Een eerbiedwaardige gestalte sluit den stoet Onder een troonhemel draagt de 88 jarige priestergrijs het H. Sakrament.

Gaat een koning sterven?

Ja! lerlands koning, „Dan,quot; zooals men hem noemde, ler-lands vader, Daniel O'Connell, de grootste katholiek van zijn tijd, hij verlangde naar zijn God.

De priesterschaar treedt het paleis binnen, waar hij verblijft.

I

O' Gonnell gaat zijn God ontvangen. De H. Namen op de lippen, ligt hij daar, steeds biddend.

Zijn kinderen liggen geknield aan zijn legerstede en kussen weenend de magere handen. Afgebroken snikken komen van

1

achter de zware gordijnen; zijn dienaren beweenen den liefdevollen heer en meester. De aartsbisschop kan niet spreken. De tranen verstikken zijne stem.

Wat een tooneel! Daar ligt hij, in zijn God verslonden, de oogen gesloten, gereed om voor het oordeel des Heeren te verschijnen. Voor een laatsten keer opent hij de oogen.

Hoort! hij spreekt!

Het is zijn testament.

„Mijn lichaam naar Ierland . .. mijn hart naar Rome.....

mijn ziel naar den hemel.....

Jezus!... Maria!...

O' Gonnell was niet meer.

Wat een heerlijke dood!

lerland's bevrijder, lerland's grootste zoon , lerland's koning door toewijding, liefde en groote werken . . . was een zoon van den H. Pranciscus en lid der III Orde.

Maar de trein is reeds in beweging, onder Genua gaat het

-ocr page 75-

63

door , en weldra bereiken wij den oever van de Middelland-sche zee.

Dat was een schoone rit.

Wij hebben vroeger wel eens de prachtige Biviera van Nizza naar Genua bereisd, en veel genoten.

Deze oeverstreek heet ook ,,Rivieraquot;, maar van den Levant, en doet in het algemeen voor de eerste niet onder.

Een heerlijke plantengroei: schoone palmen , machtige aloe's, met hunne groene of bonte, lansvormige bladeren, olijfboomen en vruchtboomen, oranjes en citroenen, in vollen bloei tegen de beschermende rotsen geplant, in de tuinen van lieve, vroolijke landhuizen, meestal niet groot, onmiddellijk aan den oever gelegen.

Niet minder schoone bergen, met kleine dorpjes, tegen de hellingen als zwaluwnesten aangebouwd, enkele groote villa's, uit het glanzige loover , zoo schitterend wit, uitziende over dal en oever, enove.; de onmetelijke blauwe zee en den gouden, rozigen horizont. Hier en daar een groote, nijvere, welvarende plaats, waar, voor zoo ver het te bespeuren was, de zwarte fabrieksrook nog niet alles bedierf.

Tal van tunnels, — 80 wel, zooals wij meenen — stoomen wij door, en altijd die subiete overgang, altijd die treffende tegenstelling tusschen nacht en dag, goud glanzig licht en duisternis, dood en leven.

Chiavari, in den groenen schoot van een halven cirkel van schoone bergen gelegen, - La Spezia, in niet minder schoone ligging, met het onmetelijk groot arsenaal der italiaansche marine, — Sarzano, niet ver van de beroemde marmergroeven van Carrara, die 6000 arbeiders tellen, — Massa, met eveneens beroemde groeven, spooren wij voorbij

Pisa! de stad dor kunst, waar de architektuur triomfeert, met zijn Domplein, zoo overrijk in bouwkunstige pracht, — de Dom, de klokkentoren , de doopkapel en het Campo santo,

-ocr page 76-

64

door een zoo indrukwekkende stilte omgeven, - Pisa ligt op de beide oevers van de Arno.

Het is ondertusschen avond geworden. Bijna vermoeid van het zien, — haast ware het te veel geweest, — maakten wij het overige van den weg door de vruchtbare valleien van den Arno, en te middernacht waren wij te Florence.

-ocr page 77-

Xgt;E STAD DER BLOEMEN.

||Met „Grand hotel de Washington et Florencequot; had ruimte voor ons allen, en wij verlangden naai nietS C'an naar rns';- -^en ascenseur bracht ons Si naar boven en op goede kamers in een goed bed.

ITet hotel is langs de Arno gelegen en vlak bij een brug. Men had zooveel van de wonderschoone ligging van Florence gehoord, dat het ons volstrekt niet verwonderde, 's morgens vroeg, bij den eersten blik uit het venster, tal van pelgrims reeds op de kade te zien staan, de waarlijk heerlijke lucht met zichtbaar genoegen inademend, en de oogen latende gaan, in ware verrukking, over de bergen en de omstreken der stad.

Na de H. Mis ging het, zooals natuurlijk, naar den Dom. Het verwonderde ons ook niet, te hooren dat die Kathedraal ook al een bloemennaam droeg, en wel den hoogst dichterlijken van „bloemen-Koningin.quot; Santa Maria del Fiore, „Onze lieve Vrouw der bloemenquot;.—

Hij is in Italiaansch-gothischen stijl gebouwd.

Overweldigend is de aanblik der facade en van den klokkentoren. Zulk een pracht, zulk een overvloed van de kostbaarste marmersoorten, die van het geheel een ware mozaiek vormen, is nooit gezien. Verbaasd gaat dan ook de blik over van het eene

5

-ocr page 78-

vlak naar het andere, van die ingelegde torsades, de sierlijkste kolommen of kolonnetten , van de kapiteeltjes naar de goud- | mozaiek voorstellingen, welke de bovendeuren vullen. Men j kan zich niet losmaken van dien aanblik. Altijd keert het oog er op terug. Daarom beantwoordt ook het binnenste niet aan den eersten indruk. De kerk komt te laag voor, zelfs de overal heerschende somberheid verbetert dat effekt niet. De koepel alleen maakt een uitzondering. Maar het is ook een meesterstuk en de onsterfelijke gloriekroon van Philippo Brunelleschi.

De koningin der bloemen is ook een koningin der kunst. Geen wonder! Is niet God de Heer de maker der bloemen en de ongeschapen type van het eeuwig schoone, het onbereikbare ideaal, waartoe de warp kunst zooveel mogelijk tracht op te klimmen. Niet dan van verre vermag zij het te zien. De zondenval heeft een sluier geweven voor het eens zoo klaarziend oog, dat Gods heerlijkheid weerspiegelde in den spiegel der ziel, en het zijn als herinneringen uit het Paradijs, uit den hemel, die er zweven voor den geest.

De dichter wist en voelde het wel toen hij zeide;

//rilomme est un Dieu tombé, qui so souviont des cieux.quot;

z/De mensch, gevallen God, der hemelen gedenkend.quot;

Daarom is ook de waarheid de grondtrek van het schoone, en derhalve kan ook de godsdienst, de ware godsdienst alleen, de Katholieke, edele, groote kunstinspiraties geven, en is hij alleen in staat om geest en fantasie en kunst die vleugelen aan te schieten, welke den mensch hoog genoeg doen oprijzen boven het stof, totdat hij een sprankel van dat eeuwig | schoone opvat en weergeeft.

Daarom ook kon het Protestantisme niet dan ledige tempels, zonder schoonheidsvorm, voortbrengen. Het Protestantisme

-ocr page 79-

67

is een protest tegen de kunst, zoowel als tegen de waarheid. Het voelt zich niet op zijn gemak in de grootsche hallen der kerken, eens aan de Katholieken ontnomen.

Daarom ook kunnen wij geen andere overtuiging koesteren, dan dat het naturalisme in de kunst wel iets kunstigs, kunstvaardigs zijn kan, maar geen kunst.

Florence was het vaderland of de woonplaats van Italië's schoonste en grootste genieën : Cimabue en Giotto, Ghiberti en Donatello, Benvenuto Cellini, Leonardi da Vinci, Michel Angelo en Raphael, terwijl Fra Angelo van Fiesole en Fra Bartholomeo de waarheid van het bovengezegde ten volle bevestigen, die Dante Alighieri, de grootste dichter, boekstaafde in zijn onsterfelijke Divina Comoedia. Overweldigend werkt de koepel van de Kathedraal, met die van Sint Pieter te Rome en Sint Paul te Londen de grootste der wereld.

A'an enkele kunstwerken te gewagen valt niet in ons bestek, want geen kunstverhandeling moeten deze bladzijden wezen, en wij moeten ons beperken bij de herinneringen, welke onze bedevaart den meesten der pelgrims laten moet.

Evenzoo is het met het bezoek der monumenten gesteld. Te veel is altijd verkeerd. Men kan het niet te recht brengen, noch in zijn geest, noch in zijne herinnering. Men verteert het niet, het bezwaart, en eindelijk wordt het een verward dooreen, een eindelooze verwarring, welke ten gevolge heeft, dat men kerken met kerken, steden met steden, monumenten met monumenten verwisselt en dooreenwerkt.

Wat een tijd overigens zou er mee heengaan, — en onze beschikbare tijd was zoo afgemeten, — en Florence, alleen om het vluchtig, oppervlakkig te zien, zou weken verblijf noodzakelijk maken.

Wij verlieten de Kathedraal en stonden voor die bronzen deuren, waarvan Michel Angelo getuigde, dat ze waardig waren de deuren des hemels te zijn.

-ocr page 80-

68

Het is in hoofdzaak het werk van Lorenzo Ghiberti. Dona-tello en Michellozzo waren hem bij het gieten behulpzaam. De derde is de schoonste en zoo schoon, dat zelfs een leek in de kunst verbaasd stil staat, en de deur in elk harer bijzonderheden , tot in die allerkeurigst en allerfijnst „deli-kaatstquot; uitgevoerde arabesken, die de paneelen omlijsten, met verrukking bewondert. Tien bijbelsche tooneelen vullen die „meesterdeur.quot; Maar ook het Baptisterium zelve is een juweeltje van bouwkunst en pracht. Alles marmer natuurlijk. Daar moet men in dit gezegend land altijd mede beginnen. Overigens hier niets dan meesterstukken, tot de oostersche kolommen, die de nissen flankeeren toe, zijn eenig in hun soort, en dan die kostbare vloer in niello of zwart email, nu nog zoo bewonderenswaardig, die mozaïeken in het koor en in den koepel, — die koepel, eens het model van deu grooten koepel van Brunelleschi.

Het is de keur der kunstenaars, die hier samen hebben gewerkt, om de doopkapel tot een kristelijk museum temaken, zonder weerga.

Maar wij moeten verder. De tijd is er niet, om er zoo kwistig mee om te gaan.

Het plein der Signoria vormt het middelpunt van Florence. Hier werd menig bloedig drama, uit de zoo bewogen geschiedenis der heerlijke stad afgespeeld. Het palazzo Vecchio, dat oude paleis, is een soort van vesting, een versterkte burcht, die hier trotsch zijn rijk gekanteelde muurkroon en zijn machtigen toren doet oprijzen; een toren,zoo hoog, dat hij den schijn heeft (94 meter) om over Florence de wacht te houden, om Florence te bedwingen.

Die toren, in zijn machtige en toch schoone vormen, schijnt wel de groote Heer te zijn van de stad. Ook woonden de Heeren hier, toen Florence gebieders had, en die machtigen waren de Medici's, de rijke kooplieden, later de beheerschers der republiek,

I 1

I I

-ocr page 81-

69

die aan Frankrijk twee koninginnen, Catharina en Maria, aan de Kerk twee pausen schonken, Clemens VII en Leo X, en die van Florence de schitterendste hofstad maakten.

Hier in dit paleis verbleven zij in den beginne.

Leest dat éénige opschrift boven de poort:

//Josus Christus, Rex llorentini populi,

Senatns populique decreto, electus.',

„Jezus Christus, Koning gekozen van het Florentijnsche volk, door senaat en volk.quot;

Leest verder: „Eex regum et Dominus Dominahtiumquot;. „De Koning der Koningen en de Heerscher der Heerschers!quot; Cosmas I van Medici voegde dit laatste er bij.

Hoe armzalig staat daar links van den ingang die marmeren plaat, die het resultaat aangeeft van het plebisciet of der volkskeuze in 1868, toen door een eerlooze komedie de Loge dit schoone, bloeiende land aan de Bourbons ontstal, ten einde, na alle wettige vorsten en het machtige Oostenrijk uit Italië verdreven te hebben, des te gemakkelijker spel met den Paus te kunnen drijven.

Een roof moest een anderen helpen op touw zetten.

Het paleis, evenals vele andere , bevat in al die zalen de heerlijkste kunstschatten, onder anderen den beroemden David van Michel Angelo, dien wij later in brons zullen bewonderen.

Laat ons thans tot de loggia dei Lanzi overgaan, aldus genoemd naar de lansknechten van Cosmas I. Het is een soort van open galerij met drie spitsbogen en gothische gewelven, waaronder een aantal standbeelden, meestal meesterwerken in marmer en brons, zijn bijeengebracht.

Schilderijen en beelden, ook weer in de galerij degliufflcii in het paleis Pitti, met zijn opvallende, uit ruwe blokken zoo harmonisch opgetrokken facade.

-ocr page 82-

I

1

70

Daar rijden wij op het Kruisplein het overgroote standbeeld

van Dante voorbij, en treden in de kerk Santa Croce, het H. Kruis, binnen, het Saint Denis of het Pantheon van Italië, al draagt ; ook de gevel niet het snoevende par ijzer opschrift; „aux grands hommes, la patrie reconnaissante.quot; Die groote mannen zijn dan ook dikwijls van een suspekt slag, hier zoo als in Parijs, | waar men Voltaire er ook onder rekende.

Rossini, de toondichter van „Teilquot; en de „Barbier,quot; heeft ; ook hier zijn laatste rustplaats gevonden. Nog ontbreekt het | gedenkteeken; een krans op den vloer teekent het graf van j den meester „der Töne.quot; —

Nog twee kerken stonden op het program van dien morgen; j het waren San Marco en de Annunziata.

|

De „Annunziata,quot; zoo beroemd om de zilveren iloeder-Gods- | kapel, zoo uitermate rijk versierd door de Medici's, met zoo- j vele zilveren votieflampen prijkend, bevat een mirakeleusbeeld | : van de Moeder Gods. Zij spreekt zeer tot het hart, doet diep j de godsvrucht aan, en spoort aan tot een vroom gebod. Niet i minder heerlijk door de kunst zijn do fresco's van Andre i Sarto, — ook een meester, zelden geëvenaard, - welke het leven | van den H. Philippus Benitius en eenige tafereelen uit de bijbelsche geschiedenis weergeven.

Toen ging het naar San Marco. Een kerk en een klooster ^ dragen dien naam. De kerk is zeker bezienswaardig, maar het klooster is een museum geworden, waar alles spreekt van dat heilige genie der schilderkunst, Fra Angelico, „de engelachtigequot; broeder genoemd. — Er mogen fouten gevonden worden in zijne kunstgewrochten, — het mag zijn. Maar, zoo innig, zoo heilig, zoo godvruchtig als deze schildert, kent men niets. Het moet waar zijn, dat hij op de knieën schilderde. Het moet waar zijn, dat, toen hij aan zijn krooning van Maria werkte, hij biddend neerzeeg, God smeekend. Hij mocht hem de genade verleenen, waardig de glorie zijner

*

-ocr page 83-

71

I

H. Moeder weer te geven; dat hij toen, in verrukking opgetogen, een tijd lang als buiten zich-zelven bleef en het onvergelijkelijk tooneel klaar vond , toen hij weer als tot de aarde ! wederkeerde.

Zijn werken stemmen tot het gebed en zijn eigen portret doet u begrijpen, hoezeer hij aan de aarde moet onttogen geweest zijn; hij schijnt boven de aarde als in den hemel te leven. Van hem is die eigenaardige voorstelling van de bespotting des Heeren, die van zoo machtige werking is, dat zij u tot tranen toe aandoet.

Daar zit de Heer geblinddoekt, te midden zijner beulen, die hem hoonen en bespotten. Het „Ave Rex Judaeorumquot; weerschalt, met de slagen, door den rietstok den Koning der glorie toegebracht. — Hoort gij dat gelach? hoort gij? „indien Gij een profeet zijt, dan ziet (Jij toch, dan weet Gij, wie U geslagen heeft; zeg dan! wie heeft U geslagen?quot;

Maar de vrome schilder had den blinddoek doorzichtig ge-| teekend en zoo ziet gij altijd, als door een sluier, die groote, bloedige, zoo oneindig weemoedige oogen van den goddelijken i i Meester.

Het is zooals wij zeiden, men kan het niet aanzien.

Van de kerk treft u het meest de portiek en het plein. Ons bleef toen nog over, San Lorenzo te zien en Maria Novella.

Een werk der Medici's is de eerste dezer twee kerken, door Brunelleschi en Michel Angelo gebouwd, een basiliek van | den ouden vorm: drie schepen, in drie absiden eindigend, j en door een koepel bekroond. Ons liet de bezichtiging der : kerk tamelijk koel, hetgeen niet kon gezegd worden van Maria Novella.

Hier zou feest gevierd worden. Dat was klaar. Maar hoe zeer ze ook in Italië voor de groote gelegenheden de kerken sieren en drapeeren, zóó hadden wij het nooit gezien. Die pracht in gouden en zilveren draperiön sloeg ons met ver-

-ocr page 84-

72

wondering. Ei- was dan ook maar één woord, dat aller gevoelen weergaf, — koninklijk.

En dat was liet inderdaad. Waarlijk, dat hoogaltaar, stralend in goud en zilver en edelgesteenten, waarover van een verheven troonhemel goud en zilverlaken-drapericn uitgingen tot aan het trotsche gewelf, om af te dalen tot in de hoeken der kerk.

Het mocht wel een tref heeten, dat wij zulks konden zien; slechts eens in het jaar wordt al die pracht ten toon gesteld

Zoo was de morgen een ware, volle morgen geweest, en verlangde men naar het hotel, waar het ontbijt ons wachtte.

Wij hadden als regel aangenomen, dat men niet alles mocht trachten te zien, maar een keuze zou doen uit alles, en de natuur laten afwisselen met de kunst. Xu vermoeit de kunst niet weinig, wanneer zij ons uren en uren haar genot schenkt, en dan doet de frissche, steeds levende natuur herstellend goed. Hier is het woord waar: dat restaureert.

Ook togen wij nooit onmiddellijk na onze maaltijden uit. Om dezelfde reden. Het is niet gezond, en de Italianen doen het nooit en zij moeten het weten. Voor drie uur 's middags waren de rijtuigen niet voor.

Deze namiddag zou ons veel voldoening geven. Voort ging het over den Arno, naar de beroemde Bobolituinen, die achter het paleis oprijzen tot op de hoogte der heuvelen, en niet alleen prachtige lanen en beelden, fonteinen en waterwerken, heerlijke planten en bloemen, waaronder machtige aloë's en agaven, maar ook gezichten op de stad bieden, die van een zeldzame schoonheid zijn

Maar de indruk beantwoordde niet geheel aan de verwachting, hoe wereldberoemd die tuinen en bosschages ook mochten wezen. De tocht echter, nu naar de hoogte van San Miniato, overtrof alles. Het is een rit van een uurtje, altijd omhoog,

-ocr page 85-

73

steeds langs villa's, de eene nog schooner dan de andere, en langs tuinen, niet minder schoon.

Florence verdient ten volle den naam van „deKoningin dei-bloemen.quot; — Alles bloemen! bloeiende boomen, die met hun bloemtrossen wuiven boven uw hoofd, die hun bloemen strooien over uw weg, tot in het rijtuig; bloeiende heesters, die als in machtige schoven naast elkander staan, rozenhagen, rozenperken, rozengaarden, — rozen; in ranken opklimmend langs de boomen, in geurige festoenen opspringend van tak tot tak; — rozen in enkele struiken, ook één bouquet van rozen, een groote mozaiek van bewegelijke kleuren vormend,— rozen, golvend tot over de heggen, tot door de ijzeren hekkens, tot over de grasranden, — een rozenwereld in één woord. En daardoor en daaronder langzaam voortrijdend, genietend als door alle poriën, die rozenlucht indrinkend als een lafenis, uwe oogen betooverd door al die bloemenpracht, en steeds hooger en hooger, ook verder met den blik in breeder vlucht, den horizon omvattend.

En die blauwe hemel, die zich welfde boven onze hoofden, en die blauwe bergen in het verschiet, en die lauwe lucht, en dan hier de afwezigheid van menschen, — wij waren alleen, niemand stoor-de ons.

Gij moet bekennen, dat alles er toe bijdroeg om ons dien namiddag onvergetelijk te maken.

Die overheerlijke weg draagt den naam van „viale dei Colli.quot;

Hij brengt u tot op de Piazzale ilichel Angelo, waar het bronzen Davidsbeeld van den grooten meester staat. Eerst echter naar San Miniato, dan hier terug om dat gezicht te genieten. Want in de kerk is het vroeg duister en een regenbui was in aantocht.

Het is een ernstig gebouw in dien eigenaardigen pisaansch-tlorentijnschen stijl gebouwd, waarin wij nog alleen het baptisterium hebben; die periode gaat voor de gothische. Bemerkt

-ocr page 86-

dat ingelegde marmer, dat aan de facade een eigenaardig uitzicht geeft.

Gij weet, dat deze gehcele berg tot begraafplaats dient, en dat eigenlijk de kerk de kerkhofskapel moet zijn. De vloer, zwart niello, valt u dadelijk op, zoowel als de trappen, die reeds halfweg de kerk aan de twee zijden opgaan. Alles wit marmer, soms met goud ingelegd.

Hier heefc ook de beitel het marmer gekneed als was. Ziet! Voor u op het altaar, daar staat het krusiflx, dat den heiligen Joannes Gualbertus zijn goedkeuring toewenkte , toen hij den moordenaar zijns broeders veigilïenis cn het leven schonk, wat Christus beloonde met den Heilige tot het klooster te roepen. De vijf benedenvensters zijn met doorschijnende marmeren platen gesloten. Nu fonkelen ze in vlokken van gesmolten rooskleurig goud. Bewondert nu nog die kleine en groote kolommen, die sierlijkste aller kapiteeltjes Merkt ook op, dat die kransen, die den vloer in de kerk bedekken, aan de dooden herinneren, die hier rusten, en treedt dan naar buiten. Uit de doodenkerk in het overvolle leven.

De regen heeft opgehouden, de natuur is opgefrischt en de atmosfeer met nieuwe geuren gekruid. Opgetogen gingen onze blikken over het gezicht, dat ons de schoone vallei bood, en die slechts, ons inziens, door de Umbrische valleien en bergen, die Assisië dragen aan hun flanken, wordt overtroffen.

Rechts van ons klommen de hellingen, de uitloopers der Appenijnen, hooger en hooger aan den gezichteinder. Ginds, dat witte stedeke, tamelijk hoog in de bergen, scherp afstekend tegen het donkere groen, is Fiesole. In goud gedoopt, met goud overstroomd , lag daar het geheele landschap in stilte, als gedompeld. Een rust, een hoogere rust als van den „Tag des Herrnquot; lag over het groote dal, over de groote stad, over de stad met al die torens en koepels, de vallei en de bergen, met stedekens, en dorpen en villa's overal als bezaaid.

-ocr page 87-

75

Ik weet niet of het ii gaat zooals mij bij zulk een aanblik. Men heeft dat gevoel, dat uit een mengelirg van geluk en droefheid, van zoete herinneringen en onvoldane hoop, als van dingen, die nooit werkelijkheid kunnen worden, bestaat. Iets, dat u van de aarde, al is zij nog zoo schoon en belooft zij nog zooveel, onthecht en u hoogor opvoert naar boven, naar het hemelsch vaderland; onze bestemming, ons geluk, ons eeuwig geluk.

Met een diepen zucht verlaat gij die hoogte en het heerlijke gezicht, en daalt gij, als even onttogen aan het aardsche gewoel, weer in het leven, de werkelijkheid af.

Maar de overgang is nog al geleidelijk, en het blijft schoon, altijd schoon; ook die rit langs den anderen oever van de Arno is nog even schoon Florence trekt u wonderlijk aan , met magnetische kracht.

Maar voor ons was er een grooter, heiliger doel.

Naar Rome ! klinkt de kreet des harten.

Naar Rome, de hoofdstad der Kristenheid, de zetelstad van den Jubel paus.

Naar Rome ! waar Petrus stierf, de eerste Paus, waar Leo troont in het Vatikaan, koning, al is hij gevangen, — nieten nooit verwonnen, al heeft men hem beroofd.

Naar Rome! naar den Koning, dien tweehonderd millioen onderdanen huldigen, naar den Opperherder met het onfeilbaar woord! Naar den beminden Vader der Kristenheid, om, neergeknield aan zijn voeten, Hem onze liefde en trouw te betuigen.

Naar Rome, oin Hem te troosten door de tegenwoordigheid zijner trouwe kinderen, de leden der derde Orde in Nederland.

In deze gevoelens namen wij afscheid van Florence , in de aangenaamste stemming, en namen weder plaats in onze rijtuigen. Aanvankelijk bood ons de vallei van de Arno haar natuurschoon, maar langzamerhand daalden de nevelen als doorschijnende sluiers over het landschap neer en hulden

-ocr page 88-

I

i

76

het in een fantastisch, heen en weer zwevend en golvend kleed, dat, zich allengskens dichter wevend, de omstreken in het donker kleedde.

Zoo ging het langs Arezzo, Chiusi, Orvieto, Bolsena. Wij zullen den naam der laatste stad hooren in de loggiën van Raphael, bij het zien van de beroemde muurschildering, voorstellende „het wonder van Bolsena,'1 in 1264 alhier geschied, en op bevel van Urbanus IV door den grooten schilder van Urbino vereeuwigd.

Een boheemsch priester namelijk twijfelde in de II. Mis aan cle tegenwoordigheid van den Heiland in het II. Sakra-ment des Altaars, en ziet, druppels bloed parelden uit de H. Hostie en bleven vloeien , totdat het altaarlinnen met bloed doortrokken was. Beschaamd zonk cle ongelukkige op de knieën neer en durfde de H. Mis niet voortzetten Wie denkt niet aan het H. Bloed van Boxmeer, en menig vroom verhaal uit het verre vaderland ?

Te Orte dalen wij in de vallei van den Tiber neer; — Monte Kotondo ! en het Hollandsch hart klopt luider.

Hier — 3 November 1867 — werd Garribaldi, die wondere held der twee werelddeelen, door de pauselijke zouaven, waaronder 'honderden Hollanders, — de helden van Monte Rocondo en Monte Libreti genaamd, - geheel verslagen en nam hij schandelijk de vlucht Hij was een dier beruchte heldennaturen en heldenfiguren , die niet dan bij toeval en ongeluk kunnen gekwetst worden Van eervol vallen op het veld van eer kan voor dezulken geen sprake zijn, dat zijn voor hen onbekende landouwen.

Het eenigste wat hij werkelijk goed gedaan heeft in zijn leven, was zijn sterven, en hij koos daartoe een uitstekende plaats, een eiland, genoemd „het geiteneiland.quot;

Wij hadden veel gebeden gedurende den laatsten rit. Wij meenden biddend den heiligen bodem der heilige stad te moeten

-ocr page 89-

77

betreden. Uit enkele rijtuigen klonk het „Pius Nonusquot;, allen waren bereid, stonden gereed om uit te stappen.

„Rome! Rome!quot; klonk hot v;m alle zijden.

„Rome! Rome!quot; hoort gij uit elk rijtuig.

„Wij zijn er!quot; — volgt er op van alle kanten, alsof wij nergens moesten wezen dan juist in Rome alleen.

Daar ligt Rome voor u. Wel is het nacht geworden, — het was 12,25, maar er gaat iets om in uw hart, iets onbekends, iets onuitsprekelijks. Rome! — en een eerbiedig zwijgen daalt over u neer! Rome! — een heilig gevoel grijpt u aan, een hoogere wijding, die u zou doen bidden.

Rome! - en gij zoudt dadelijk naar Sint Pieter willen snellen, en uw oogen laten rusten op het hooge Vatikaan, waaide Paus-koning verblijft..... gevangen.

Eindelijk betreden wij den heiligen grond, eindelijk was dan het uur geslagen, waarnaar wij zoo gehaakt hadden.

De rijtuigen stonden gereed, en wij spoedden ons naar ons hotel, het „Anglo-Americain ', eengoedeenoudebekende voorons, dat ons de beste herinneringen van het jaar 1891, toen wij er bij gelegenheid van het Centenarium van den H. Aloysius vertoefden , en voor het eerst kennis maakten met zijn beminnens-waardigen gastheer, Signor Adolfo Silenzi, dien wij ons verheugden thans weer te zien.

Wij waren in het eerste rijtuig, en dachten in stilte na toen wij heenspoedden door de lange, stille straten.

„Gij zijt te Rome!quot; — en het kwam ons voor, als zagen wij de groote en machtige gestalten van de Apostelvorsten zegenend zweven boven de koninklijke stad der zeven heuvelen, zoo tiotsch gezeteld aan de Tiberboorden. Maar, ach, het is als de stad der verbanning geworden, neergezeten onder den last der vervloeking. Want wie kan Rome scheiden van den Paus?

-S~Kgt;S-S--

-ocr page 90-

O M E.

ij ons ontwaken kwam het ons allen vreemd voor. te Rome te zijn, en zeide men het half luid: „wij zijn te Romequot;. Goddank, te Rome! en wat een genot wacht ons vandaag!

Dat wisten wij; ons eerste bezoek zou voor Sint Pie ter zijn. De H Mis werd in de kerk van Andreadelle Frate gelezen, waar wij trouwens eiken dag te zaam kwamen tegen zeven uur. De kerk was ook in de nabijheid, en dat kwam ons goed gelegen.

Maar het geduld was niet groot dien morgen.

„Kaar Sint Pieter! Naar Sint Pieter!quot;

Dat was de algemeene roep.

Weldra waren dan ook de rijtuigen op weg. Menigeen wierp verwonderde blikken op enkele straten en huizen, en op den Tiber, met zijn geele golven, niet minder.

De hoofden der Engelenbrug waren afgebroken en wij moesten over een bepaald afschuwelijke ijzeren hangbrug over den stroom.

Zulke dingen passen in Rome in gmi omgeving hoegenaamd, zelfs niet in het akelige, zoogenaamde moderne Rome. Al het moderne overigens is in Rome akelig en stoot u tegen de borst

-ocr page 91-

79

Daar ligt de Engelenburcht.

Een massieve, zware, logge, ronde bouw.

De pracht van voorheen, zijn bekleeding met een mozaiek van de kostbaarste marmersoorten, zijn verjonging in altijd kostbaarder opbouw, zijn bekrooning met een krans van marmeren standbeelden, is verdwenen; deze laatsten werden door de Romeinen op de Gothen geworpen, welke den burcht bestormden.

Het reuzenstandbeeld van Carracella is van het trotsche voetstuk gevallen.

Een standbeeld van den Aartsengel Michael, den vorst der hemelsche legerscharen, heeft den heidenschen imperator vervangen.

Het was in de jaren 590. De pest woedde in Rome en eischte duizenden slachtoffers Paus Gregorius de Groote, hield plechtigen omgang en openbare gebeden, om den goddelijken toorn te verzoenen.

Men trok op den Tiber aan. Daar op eens blijft de Paus staan te midden van den vromen stoet.

Op de hoogste tinne van den Burcht staat de Aartsengel Michael, die het vlammende zwaard in de scheede stak.

De pest hield op van dit oogenblik, en het beeld des Engels vereeuwigde het visioen des Pausen.

Maar ziet gij daar boven, dat overdekt balkon? het schijnt bijna een galerij te zijn.

Daar stond eens, het is lang geleden, ook een grijsaard in het witte kleed der Pausen, verwonnen, verlaten, verraden. Eenige weinige getrouwen omgeven hem!

Hoort! triomfgezang, bazuingeschal, volksgejuich stijgen tot hem op. Door den tegenpaus is de keizer gekroond, de keizer, door Hem in den ban der Kerk gedaan, als vijand der Kerk.

Laat gerust uw blikken vallen op het Vaticaan, waar de doorluchtige gevangene verblijft, en vreest niet. Erger kon het

-ocr page 92-

80

niet! Het einde scheen nabij, en de Paus triomfeerde en werd machtiger dan ooit.

Wij reden steeds voort onder deze herinneringen, toen op eens het Sint Pietersplein, met zijn reusachtige zuilengangen,

zijn naaldzuil, zijn fonteinen en den voorgevel van Sint Pie- | ter door den koepel gekroond, voor ons lag.

Men bleef sprakeloos. De indruk is te machtig. Men moet dat alles eerst ontleden, stuk voor stuk opnemen en dan met een algemeenen blik overzien.

Het plein is 340 meter lang en 240 breed. Het is een grootsch gezicht. Die vier rijen kolommen, 2G4 in getal, met 88 pijlers met dien krans van 162 standbeelden. Een waardig voorplein voor de grootste kerk der wereld.

Aan onzen rechter kant verheft zich het paleis van het Vaticaan. De „bronzen poortenquot; onder de kolonnade verleenen toegang tot het binnenste, waar de wacht der Zwitsers heeft i j post gevat.

Wij treden binnen in het portaal, dat 71 m. lang en IS'/i m. breed is, bij een hoogte van 20 m. Links en rechts van de uiteinden staan de twee ruiterstandbeelden van de keizers Constantijn en Karei den Groote, de scheppers van de twee eerste keizerrijken, in het oosten en in het westen. Zij zijn als de keizerlijke wachters, aan de poorten van een kerk, die, als kerk, een soort van symbool van het Catholicisme is. Boven vindt gij de groote zaal, - waar de plechtige heiligverkla- | : ringen, plaats vinden, — die duizenden bevatten kan, en die ook toegang verleent tot het groote balkon, van waar ! vroeger de Pausen op bestemde dagen den zegen gaven aan de stad en aan de wereld, „urbi et orbi.quot;

Door 5 deuren, rechts do deur van het Jubilé, gaat men in de kerk binnen. Mag men er van buiten ook al iets op af te dingen hebben, niet zoo van binnen. Het is iets onmetelijks en toch zijn alle proporties zoo harmonisch, dat

-ocr page 93-

I

J_1_

i.i

1

het u in den eerste beginne niet zoo verplettert Langzaam raakt men als ingewijd in de reusachtige verhoudingen. Men begint te vergelijken, en dan eerst komt het onmetelijke uit. Het schoonste, — afgezien van den rijkdom in goud, marmer, brons en mozaiek, die alles overstelpt, — is die edele, grootsche bouw, die zoo breede en in zekeren zin zoo hooge, slanke bogen, die koepel van het Pantheon, in de lucht geworpen . rustend op vier pijlers van 71 meter omvang, die pijlernissen mat beelden van vijftien voet hoog, en dan die koepel zelve met dat opschrift, elke letter twee meter hoog, op een blauwen grond: „Tu es Petrus et super hanc petram aedificabo ecclesiam meam et tibi dabo claves regni coelorum.quot; Een triomflied, dat daar boven gezongen wordt voor alle eeuwen, boven het graf van den eersten paus, en dan gaat het hooger en hooger, en de blik, in verrukking, i verliest zich in dat gewelf, dat eindigt in de zooge-| noemde lantaarn, waarop het monumentale kruis zich I verheft, in de blauwe lucht, tot op een hoogte van 132,50 m.

Hier is alles even grootsch, en de proporties zijn zoo juist, : dat het indrukwekkende, het reusachtige u aangenaam aandoet.

Onder den koepel rijst een baldakijn omhoog van het heerlijkst brons, op vier gedraaide kolonnen. Het is overrijk, maar tamelijk min van smaak. Daaronder verheft zich op de confessie van Sint Petrus het altaar, waar de Paus alleen de H. Mis leest. Beneden, langs twee marmeren trappen, daalt gij omlaag. Hier rust de H. Petrus, achter prachtige bronzen deuren , waarvoor het standbeeld van Pius VI door Canova.

Negen-en-tachtig lampen zijn als een krans langs de balustrade aangebracht. Wij knielden neer en baden. Dat bidden op het graf van den eersten Paus, en denken aan zijn opvolger, daarnaast in zijn paleis, had iets aangrijpends.

Toen wij de confessie verlieten, troffen wij een hongaarschen Bisschop aan den ingang, die met buitengewone vriendelijkheid ____6

-ocr page 94-

82

ons vroeg, wie wij waren. Hij sprak Latijn, Fransch dat wilde niet vlotten. Onze leider onderhield zich geruimen tijd met hem, en wij ontvingen allen zijnen zegen.

Een treffend woord willen wij niet onder stilzwijgen voorbijgaan. Daar troffen wij elkander, de Nederlanders uit het Westen, de Hongaren van de grenzen van Turkije op het graf van den H. Petrus: „et unam, sanctam, catholicam et apostolicam ecclesiamquot; hoorden wij zeggen, „en ééne, heilige, katholieke en apostolieke kerk!quot;

„Onvergetelijkquot; zegden er velen onder ons.

Wat wij ook niet vergeten mogen, dat was, dat bij onze intrede, — het was de vigilie van Pinksteren,— de processie, de litanie van Allerheiligen zingend, juist de doopvont verliet en door die oneindige hallen optrok. De vloer was met bloemen en groen bestrooid en elke priester droeg een ruiker van meibloemen. Menig takje werd van den bodem ter herinnering opgelezen.

Toen begonnen wij onzen rondgang door de zijbeuken en kapellen. Hier is de Pièta van Michel Angelo. Allen staan stil. Dat begrijpt iedereen: die moeder en haar naam-looze smart, — maar wat hier ook iedereen begrijpt, dat is de i waarlijk hemelsche kunst. Aan den voet van het kruis gezeten, heeft de Moeder der smarten, het lichaam van haren goddelijken Zoon op den schoot, het hoofd rustend op haar arm. De hoogste smarte, die spreekt uit dat gelaat, heeft de maagdelijke ideale schoonheid niet verminderd, en de kruisdood niets weggenomen van de volmaaktheid der lichaamsvormen van den goddelijken Zoon.

Maar wij moeten verder, langs al die kolommen, pilasters, wanden, friezen, lijsten, kornissen van het keurigste en kleu-rigste marmer, — door een woud van beelden en grafmonumenten, en mozaiek schilderijen; onder overrijke gewelven, schitterend verguld, — door, altijd door, van de eene kapel in

-ocr page 95-

83

de andere, van liet eene altaar langs het andere, door de dwarsbeuk. Al die kapellen zijn groot als kerken op zich. Wij staan nu voor het altaar van den „Stoel van Petrus,quot; bewaakt door de kerkvaders van de Oostersche en Westersche Kerk, oprijzend tot aan het hooge gewelf. Dan hervatten wij onzen tocht, langs de linkerzijde, bewonderend, geen woorden kunnende vinden om onze gevoelens en onze meeningen uit te drukken ; opgetogen over zooveel rijkdom, zooveel kunst; j dan stil staande voor de leeuwen van Canova, dan voor de beelden van dood en leven, dan voor de mozaiek van Petrus' vischvangst; hier nederknielend voor de Madonna van Sint Lucas, om eindelijk in de koorkapel de H. Mis bij te wonen, en toen weder opnieuw rond te gaan, om meer te genieten in alle bijzonderheden.

Vermoeid, maar overvoldaan inderdaad, verlieten wij Sint Pieter.

Het was tijd ook, één uur.

Bij het gezellig ontbijt ging het maar altijd over Sint Pieter, en afgepraat werd het onderwerp niet.

De middag zou echter ook rijk aan genot wezen. Trastevere, of de wijk aan gene zijde van den Tiber, was het doel van de tweede helft van den dag, en wel zouden wij met Santa Maria een begin maken, om dan Santa Oaecilia en San Francesco al Ripa te bezoeken en te eindigen met den Kruisberg van den H. Petrus.

De weg naar Santa Maria en Trastevere leerde ons weder een gedeelte van Rome kennen, met nog al nauwe straten en hooge huizen, maar prachtige typen van menschen.

De kerk werd gebouwd op een door een wonder geteekende plaats. Op het oogenblik van de geboorte des Heeren borrelde hier een bron van olie op uit den grond, als ten teeken, dat de Verlosser de wonden van den gevallen mensch kwam heelen

-ocr page 96-

84

Een portiek strekt zich voor de geheele kerk uit en de facade is met heerlijke mozaieken uit verschillende eeuwen gesmukt. Twee en twintig kolommen, met allerhande vreemde zuilen, dragen de gewelven, en in het transept vindt gij de oliebron, de ,,fons oleiquot;.

Van hier naar Sancta Caecilia.

Kent gij de wonderschoone geschiedenis, van die lieflijke bloem, uit de heüigengaarde der Kerk?

Die „bedrijvige bij,quot; die God zoo ijverig diende, zoo bedacht was om zielen te winnen voor Christus, die haren bruidegom • Valerianus en zijn broeder Tiburtius won voor het geloof?

„Valerianus,quot; zoo sprak zij, „ik heb een machtigen bruidegom, die mij bewaakt en verdedigt. Wee u, indien gij mij niet eerbiedigt! engelen Gods heb ik, die met mij zijn.quot;

En toen hij gedoopt was, keerde hij weer tot het paleis der ro-meinsche maagd, en vond haar. God prijzende met spel en lied, terwijl een engel met uitgespreide vleugelen haar beschermde.

Zij zou sterven voor het geloof.

Vooreerst wil men haar levend verbranden in haar badkamer. En drie dagen wandelde zij in de vlammen, die haar niet deerden, rond, God lovende ten aanzien van de geheele stad.

Ziet gij, rechts in de kerk zult gij de badkamer vinden, — want deze kerk was haar paleis; zij had immers drie dagen uitstel gevraagd, om haar prachtige woning tot een kerk in te richten.

Toen betrad de beul haar paleis. Drie slagen troffen haar, zonder haar te dooden. Den derden dag s'morgens riep zij luid: „welaan!quot; soldaten van Christus! de ure is gekomen van den strijd, laat af van de werken der duisternis en omgordt u met de wapenen des lichts!quot;

Dat waren haar laatste woorden.

Begraven werd zij in de Katakoinben van Calixtus. In een droom verscheen zij Paus Paschaiis, en beval, dat haar maag-

-ocr page 97-

85

delijk lichaam naar Rome, in haar kerk zou overgebracht worden.

Men zocht op de aangewezen plaats, die op dat oogenblik onbekend was, en vond de maagd in liggende houding, een parelsnoer om den doorsneden hals, het hoofd met een doorzichtigen, met goud doorwerkten sluier omhuld. ')

Zoo sprekend traden wij de kerk binnen en richtten onze schreden naar het hoofdaltaar of de confessio. Daar lag, treffend schoon, het beeld der jeugdige „rnagetquot;, zooals de beeld houwer Maderno het uitvoerde bij de opening van het graf in het jaar 1599, naar de natuur.

Geen beeld treft u zoo in geheel Rome als dit en in Sint Sebastianus, bij de Katakomben, het eveneens liggende beeld van den Heilige van dien naam. Iets onbeschrijfelijk zedigs, liefelijks en vrooms ademt dit marmer, dat u de ideale omtrekken des lichaams te zien geeft, als door een doorzichtig marmer heen.

Nog een bezichtiging van de heerlijke oude mozaiek in de absis , en wij verlieten de kerk, om in het atrium, met zijn kolommen en antieke vaas, weer de rijtuigen te bestijgen, die ons naar San Francesco al Ripa brachten.

Hier heeft onze H. Vader Franciscus een tijd lang gewoond. Zijn cel is een kapel geworden, en boven het altaar troont zijn beeld. Door een kunstig mecanisme openen zich de muren, de kolommen, het altaar of mensa, en overal worden zeldzame en heilige relikwieën zichtbaar. De kapel is wel één relikwieschrijn. Wij zagen hier voor het eerst voor den geest de edele, heilige en zoo geestige figuur van den H Vader, die wij te Assisië zouden weervinden, en die ons een indruk zou maken, welke ons nooit meer zou verlaten.

') Eone hand toont mot één vinger, — oen f.od — en do andere met drie, de drie gnddeiyko Personen aan.

-ocr page 98-

Betrus' kruisberg.

nder de zeven heuvelen, waarop de eeuwige stad 'jPzöö trotsch gezeteld Is, neemt de Janiculus een eerste plaats in.

Thans voert hij een anderen naam.

„Goudberg,quot; de berg van het gouden zand, wordt hij thans genoemd. Dat is zijn kristelijke naam. De eerste was zijn heidensche.

San Pietro in Montorio.

„De Sint Pieter op de gouden zandbergen,quot; zoo zou de vertaling moeten luiden.

Daarheen ging toen onze weg. Wij klimmen altijd langs de zijden van den berg, steeds door tuinen heen, — links en rechts enkele schoone aloë's en zelfs palmen, maar weinige, — naar boven. Het gezicht wordt steeds breeder, steeds groot-scher, de bergen aan den gezichteinder blauwen in de verte, de hoogste vooral, de Monte Sorracte. Met de sierlijkste glooiingen gaan ze op en neer, en sluiten Eome met zijn heuvelen in een zacht oprij zenden krans van groene bergen.

De rijtuigen rollen op het plein voor de kerk. Een oogen-blik vergeet men de kerk en alles wat ons hier heen voert. De pelgrims bleven allen in hun rijtuigen zitten, om het heerlijke vergezicht over Home to genieten. liet is werkelijk

-ocr page 99-

87

betooverend schoon. Die nu een weinig in en met Rome bekend is, vindt zich dadelijk terug. Wat een uitgestrektheid meet hier het oog. Aan uw rechterhand, van af de plaats, waar gij den Tiber goudgeel, in de stralen der ondergaande zon als mat goud ziet liggen in zijn bedding, en de spoorbrug er over heen loopt, — gaat uw opgetogen blik over deze wereld van koepels en klokkentorens en paleizen en gedenk-teekenen, tot aan Sint Pieter, waarvan de machtige koningskoepel oprijst in den hoek aan uw linkerhand. Wat een stad nog! een reuzenstad, — die eeuwige stad! Hei moderne Rome, van piëmonteeschen oorsprong en piëmonteesch krediet, dat tal van vorstelijke huizen en vele anderen ruïneerde, en dat Rome ontsiert op een brutale wijze, — wat trouwens allen en alles doen en op dezelfde wijze, menschen en zaken, als het maar Piemonteesch heet ot is, — stoort hier niet uwe betrachtingen. Gij kunt u nog eens in den waan vermeien , dat dit Rome nog liet pauselijk Rome is.

Men kan niet weg van het plein. Maar het wordt avond, de eerste lichtschaduwen beginnen neer te strijken Dus eerst naar de kerk. Eigenaardig gebouwd, en sinds 1S49 sterk gerestaureerd , is zij nog al rijk aan kunstschatten; — in Rome zijn bijna alle kerken musea. Ferdinand en Isabella, de katholieke koningen, hebben ze doen bouwen in 1500 en ook het klooster gesticht er naast. Hier in den kloosterhof is de plaats, waar de H. Petrus gekruisigd werd. Een kleine tempel, „Tempiettoquot; genoemd, door zestien dorische kolommen geschraagd, verheft zich hier. Binnen ziet gij een beeld van den H. Petrus, en aan uw voet een tweede kapel. Daar ziet gij in den bodem de opening, met zilver ingevat, waarin het kruis van den eersten paus geplant werd. Hier alzoo leed hij den marteldood. Hier triomfeerde hij. Hij was de plaatsvervanger van een gekruisigden God; ook zijn troon zal een kruis wezen. Hier zal hij dien troon bestijgen. Van hier dat

-ocr page 100-

Rome verwinnen en beheerschen door zijn kruis, dat Rome, dat hij voor Christus veroverd heeft, en met hetwelk hij op eens de wereld veroverde voor het Kruis.

Hier, op deze heuvelkruin, stierf de eerste paus. Levendig trad het tooneel ons voor de oogeii. Wij zagen den treurigen stoet den berg bestijgen. De kuil was gegraven; daar naderen zij, de beulen, de slaven met het kruis, het volk in scharen, de held, het slachtoffer, de koning der martelaren. Petrus, de eerste paus.

Zij staan stil. Hoort gij die slagen? Bij iederen slag wankelen de grondslagen van het Heidendom. Daar rijst het kruis omhoog, — hier stond het, hier, in deze opening, — en in zijn diepe vernedering achtte hij zich niet waardig gekruisigd te worden als zijn goddelijke Meester, Dien hij verloochend had. Vreeselijk, verheven schouwspel!

Maar toen hij dat kruis besteeg, omvatte zijn blik het ge-heele Rome, het heidensche aan zijn voet. Daar is de Marmertijnsche gevangenis, daar . . . o! daar de plaats, waar hij, door de geloovigen gedwongen, vluchtte naar Ostia, alwaar de Heer hem ontmoette, die hem deed terugkeeren naar Rome.

Gaarne gaf hij zijn bloed voor zijn Heer en Koning , voor de bekeering der wereld.

Zoo stierf hier Petrus, biddend voor zijn beulen, en de stad heiligend en zegenend, die eens de hoofdstad der kristenheid moest worden.

Wij knielden neer en baden in stilte. Langzaam verlieten wij die plek. En welk een overgang bij het naar buiten treden op het plein!

De zon neigde ten ondergang.

Het is hier niet dat gloeiende schouwspel, dat gij van den Monte Pincio aanschouwt, bij den ondergang der zon. Maar het is steeds verrukkelijk , in zekeren zin schooner, van hier

-ocr page 101-

89

de stad te aanschouwen. Het geheelc, groote Rome ligt voor ii in het avondlicht, dat niet dan met gouden lijnen. hier smaller, daar breeder, het zilveren waas streept, dat langzaam, als een doorzichtige sluier, met purperén en gouden weerschijn , zijn vouwen uitrolt over het tooneel aan uw voeten.

Daar stonden wij, nog onder den indruk van hetgeen wij zagen en hoorden , op de plek waar de prins der Apostelen gekruisigd werd.

Rome, het heidensche Rome, door het kruis verwonnen, lag aan onze voeten.

Ziet gij daar dien ronden , machtigen, koepel, zoo laag , zoo schijnbaar platgedrukt ? Dat is het Pantheon van Agrippa. Hier had het Heidendom alle valsche goden der geheele wereld , zoover als de romeinsche adelaren hun zegevierende vlucht genomen hadden, bijeen gebracht; alle dwalingen, alle zonden.

En toen geschiedde het, dat eensdaags te Ostia , de haven der groote stad, een vreemdeling aan land stapte.

Hij kwam uit het verre oosten. Bruin geblakerd is zijn gelaat en vurig zijn oog. Een haarkrans kroont het edele hoofd. Eenvoudig is het bestoven kleed des reizigers. Hij had den weg naar Rome ingeslagen. Daar staat hij op de heuvelkling, welke de groote stad omkranst.

Voor hem strekt zich uit de Koninginne der wereld, trotsch gezeteld op haren troon van zeven heuvelen, gekroond door den vergulden koepel van het Kapitool, terwijl de goudgele golven van den Tiberstroom den rand van haar wijdschen koningsmantel omspoelen Een blauwe, wolkenlooze hemel, met den gloed der ondergaande zon overgoten , met purper en goud omzoomd, spant zich over haar uit.

Daar staat hij, in diepe gedachten verzonken, het hoofd op de borst geleund, de hand op den staf des reizigers. „Rome ! eindelijk !quot; meent men hem te hooren zeggen ; doch hij beurt

-ocr page 102-

hoofd en blik ten hemel en stapt niet vasten tred de poorten binnen. Naar de transtiberijnsche wijk gaat zijn weg. Daar bereikt hij den tempel van het Algodendom.

Als een Godsgezant nadert hij tot de bronzen poorten, met den reisstaf klopt hij aan. Neerstorten de afgodsbeelden van hun voetstukken, zooals weleer Dagon neerviel voor de Ark des verbonds.1)

Petrus was het , de eerste Paus.

Hier stierf hij den kruisdood.

Wij bleven staren op het prachtige panorama, diep onder ons. De Abruzzen begonnen zich in purperen nevelen te hullen. Rechts zaagt gij de bogen der Aqua Clandia zich in de Campagna verliezen, rechts ook de puinhoopen van Nero's gouden huis. Links Sint Pieter.

Toen Petrus den romeinschen bodem betrad, was Nero geboren en Claudius regeerde.

En thans?

Op het koninklijk graf van Petrus rijst een monument, dat zijn weerga niet vindt in de geheele wereld, en Nero's gouden paleis, bestemd om hem te vereeuwigen van geslacht tot geslacht, ligt in puin. Terwijl wij zoo dachten, klimmen er op eens zilveren klanken tot ons op.

Het was de ure van den Angelus.

De vooravond van Pinksteren.

Als ware het een teeken geweest , waarop alle klokken van Rome uit die honderden torens'en torentjes gewacht hadden, klonk het en beierde het, zilver en zwaar, in alle tonen, als een geweldige harmonie, van de stad omhoog.

Dat was aan uw voet een ruischen van klanken dooreen, als een zee van tonen en akkoorden, waaruit van tijd tot tijd, als een hoogere golfslag, een akkoord scheen op te springen, — om weer te verzinken in den zingenden vloed.

Ons kwam het voor als een triomflied, een victoriezang,

1

) Zoo do overlevering.

-ocr page 103-

91

opklimmend en rondgaande over de eeuwige stad, waar voor bijna twee duizend jaren Petrus met zijn kruis — Nero en zijn gouden paleis en zijn rijk overwon.

Hoort! dreunt daar niet van Sint Pieter uit de zware, donderende stern? luistert! het is de zang der obelisken, de zang, die er gebeiteld staat op de naaldzuil van het Sint Pietersplein :

«Cliristus vincit, Christus regriat,

Christus iraperat.quot;

Christus verwint, Christus regeert, Christus heerscht. En al de klokken juichen en jubelen het als in koor, op alle torens in alle klanken: „Christus verwint!quot;

En wat ook voor vervolgingen, wat voor stormen zullen losbreken tegen de Kerk, wat een zee van bloed er moge stroomen, — Christus regeert! En welke machtigen der aarde, koningen of keizers, haar ook bedreigen zullen, welk juk het zij, waaronder men de Bruid van Christus zal willen krommen, Christus heerscht!

De branding der wereldgeschiedenis breekt zich sinds twee duizend jaar tegen de rots van Petrus, doch de machten der helle zullen haar niet overweldigen, Christus verwint.

Zoo dachten wij, ontblootten het hoofd en knielden diep ontroerd.

„De engel des Heeren bracht Maria de boodschap.quot; En toen wij den berg verlieten langs den anderen kant, San Onofrio voorbij, waar Tasso stierf, toen zagen wij bezijden den weg een groepje van twee vrouwen en een man, die godvruchtig datzelfde gebed spraken.

„Christus regeert!quot; sprak een onder ons en hij had gelijk.

Ernstig waren de gedachten, die ons bezighielden bij onzen terugtocht naar het hotel. Maar veel hadden wij genoten, veel, zeer veel, — Santa Maria, Santa Caecilia, San Francesso

-ocr page 104-

92

al Ripa, Petrus' Kruisberg, — en dan de heerlijke natuur, die onvergelijkelijk schoone gezichten.

„Rome is toch een eenige stad,quot; zeiden wij en dat is ook zoo. Morgen is het Pinksteren.

PINKSTEREN.

Wij vergeten het niet, dat de groote Pinksterdag de dng is. van de nederdaling van den H. Geest over de Apostelen, de dag, dat de Kerk gesticht was geworden, — en er ging iets vreugdevols door ons hart, toen wij 's avonds bij het ter ruste gaan hoorden: „Morgen is het feest van Pinksteren; H. Mis en algemeene Communie in San Andrea delle Frate Hoogmis in Sint Pieter.quot;

Het was het programma van den voormiddag.

's Morgens was er iets feestelijks in de lucht, in de stad , in de straten , alsof overal het „alleluiaquot; had weerklonken , waarmede de Kerk dien dageraad begroet.

„Alleluia! de geest des Heeren heeft de wereld vervuld ! Komt, laten wij gaan aanbidden !quot;

In de kerk lazen onze priesters de H. Mis en naderden allen tot de H. Tafel. Met een „zalig Hoogtijquot; begroette men elkander bij het verlaten der kerk en het binnentreden in ons hotel.

Groot was het geduld niet na het ontbijt. Men trok op St. Pieter aan, en woonde de plechtige Mis van Pinksteren bij, die in, voor de meesten prachtige, muziek gezongen werd , waarbij zich vooral heerlijke kinder- en tenorstemmen onderscheidden.

Ook deed het ons goed , dat die morgen geheel aan God moest toegewijd zijn en blijven: Gebed en heilige diensten.

Iedereen volgde de godsvrucht zijns harten, waartoe over-

-ocr page 105-

93

vloedige gelegenheid en voldoening geboden werd , en menig gebed werd er gesproken voor de mirakeleuze beeltenis van de lieve Moeder Gods, door Sint Lucas geschilderd.

Om één uur bij het tweede ontbijt was er ook feest, en had onze buitengewoon vriendelijke gastheer er aan gedacht, dat het Pinksteren was. Dat verheugde ons zeer, wij gevoelden ons zoo geheel thuis.

PINKSTERMIDDAG.

In Rome waren wij niet gaarne op dezen dag geblever;. Al was het ook kerkbezoek wat wij deden, het kwam ons niet gepast voor, en er was daarom besloten, dat men de via Appia zou oprijden en de Katacomben van Sint Sebastianus bezoeken, met de basiliek van Sint Paulus en de Trefontane, een tamelijk ver uitstapje, waarmee de geheele middag wel zou voorbijgaan.

Wij waren dan ook weldra op weg en bereikten door de poort van San Sebastiano den Appiaanschen weg, den koning aller wegen.

Het eerst stapten wij uit om in de kleine kerk „Domine quo vadis,quot; „Heer! waar gaat gij heen?quot; binnen te treden.

Het was ten tijde der eerste kristenvervolgingen. Met een ware woede zette men de leerlingen na. Petrus was te Rome. De eerste Kristenen verkregen van den Paus, dat hij zich zou redden en uit Rome vluchten. Het is avond en Petrus stapt bij het licht der maan op den heirweg voort.

Hier gekomen, ziet hij op eens een man met een kruis hem voorbij en op Rome aantrekken. Getroffen zag hij op. Wie dat wel mocht zijn? En hij herkent den Heiland.

„Heer! Heer! waar gaat gij heen?quot; was de vraag van den ontstelden Apostel. - „Naar Rome, om mij nog eens te laten

-ocr page 106-

91

kruisigen.quot; — Petrus begreep, keerde naar Rome terug en stieif den kruisdood op den Janiculus.

Hier ziet gij een steen, die klaarblijkelijk den indruk van twee voeten draagt. En toch is dit een afdruksel. De „ware voetstappenquot; des Heeren zullen wij in de kerk van Sint Sebas-tiaan, in de eerste kapel rechts, vereeren, waar wij weldra zullen aankomen.

De kerk is zeker onder elk opzicht belangwekkend , maar ons trof vooral het schoone beeld van den Heilige, onder de confessie aangebracht, zooals de H. Caecilia in de kerk van dien naam, en dat wij bij die gelegenheid reeds bespraken.

Maar de Katakomben wenschten wij te zien, en weldra daalden wij, door een gids geleid, met een licht in de hand, in de onderaardsche gewelven neder. Het heeft iets roerends, vooral dan, wanneer uw gedachten, den loop der eeuwen teruggaande, dien tijd gedenken, dat deze doodenstad de lichamen der martelaren opnam in hare wanden, en er de heilige geheimen op hunne graven gevierd werden. Dan komt het u voor, in de verte de gewijde gezangen en de stappen der vrome bezoekers te hooren onder deze zwarte gewelven. Eenige opschriften uit de eerste Christentijden en het portret van een zwaardvechter troffen ons vooral, en meer dan in de Katakomben van Calixtus kwamen ons deze eindelooze gangen en kamers en hoeken, gewelven en bogen, als een ware doodenstad voor, al mogen de eerste voor de christelijke archeologie van meer belang zijn.

Met een wondergevoel zagen wij het daglicht weder, bij het terugkeeren in de kerk.

Naar Sint Paulus!

In een ware spanning verkeerden wij, toen wij de beroemde bazilika voor ons zagen liggen.

Het is een pracht- en een praalgebouw. De intrede en de eerste blik slaan u waarlijk met verbazing. Die grootte, die

-ocr page 107-

95

rijkdom, die vloer! Men ziet elkander aan, alsof men zeggen wilde, „wat nu, wat zegt gij nu?quot; —

De basiliek heeft 120 meter lengte, 60 breedte en 21 hoogte. De platte gewelven zijn, zooals in Sint Pieter, prachtig versierd, wit en goud. Zij telt vijf schepen, een machtige dwarsbeuk , en rust op 80 kolommen van graniet. In de midden-beuk, boven de zuilenrijen, ziet men in medaillons van vijf voet doorsnede, in mozaïek, al de portretten der Pausen, met Sint Petrus te beginnen, tot Leo XIII toe.

De confessie is een ciborie-altaar, op allerkostbaarste kolommen van egyptisch marmer rustend, terwijl de voetstukken rijk met malachiet zijn ingelegd. Het albast was een geschenk van den Onderkoning van Egypte, het malachiet van den Czaar van Rusland. Niet minder schoone mozaïeken smukken don triomfboog en de absis, en glanzen ver door de Campagna naar de Tiberzijde, boven het portiek. Wat vooral onze bewondering wekte, was die heerlijk stralende marmeren vloer, wel eenig in zijn soort; tenminste zoo hadden wij er nog geen ontmoet.

In de sacristie vereerden wij de ketenen van den grooten Apostel. En de groote figuur van den leeraar der volkeren rees voor ons op in al haar indrukwekkende majesteit. Wij zagen dien diepen, vlammenden blik, dat scherp geteekende gelaat als voor ons; en die ketenen droeg hij, zij boeiden zijn heilige handen, met deze ketenen beladen trok hij voort, met zijn beulen daarheen, daar ginds bij de Trefontane, om er onthoofd te worden. Daar gaat hij heen. het hoofd gebogen op de borst. Hij onderhoudt zich met dien Jezus, die hem riep op den weg naar Damascus, en die hem nu roept tot Zich, naar boven, naar den hemel, want hij heeft zijn loop volbracht, het geloof bewaard, en de kroon der gerechtigheid is voor hem weggelegd, door een rechtvaardigen rechter. Zoo schrijft hij ja zelve.

-ocr page 108-

96

Dien weg ook gaan wij op, den weg, dien Paulus ging ter dood.

Hij gaat door de Campagna. Links en rechts weilanden, roode aarde, heuvelen, ondiepten, stukken muren, kleine gebouwtjes, hier en daar enkele struiken; ook graanvelden, hoornen, — zoo van alles wat en toch zoo eentoonig, iets desolaats, iets weemoedigs. Reeds vroeg in den avond stijgen die lichte nevelsluiers op, die dan eens onbeweegelijk als een doorschijnend gordijn over de velden zijn gehangen, dan weer met zilveren glans golven in het licht der maan.

Stofl'erig is de weg wel bijna altijd. Iets viel ons bijzonder op in de Campagna en dat altijd, zoo dikwijls wij er min of meer groote uitstapjes maakten. Iets waarlijk schilderachtigs van lijnen en vormen, iets zoo harmonisch, zoo esthetisch schoon, zooals wij zelden zagen.

Reeds rijzen de boomen talrijker omhoog. Het zijn allen Eucalyptussen; — zij komen uit Australië, en zullen de koortsen verdrijven, welke hier levensgevaarlijk zijn.

En bij den snellen groei dezer boomen hebben zij werkelijk veel bijgedragen tot het gezond maken dier streek, — en toch, was het misschien verbeelding, wij weten het niet — maar de boomen met hunne lange, loshangende takken schijnen te treuren, als ballingen ver van het vaderland.

Binnen het half uur reden wij de poort der abdij binnen, en dadelijk was een pater Trappist, vriendelijk en dienstvaardig, ter onzer beschikking en leidde ons rond. Het eerste naar de kerk van de H. H. Vincentius en Anastasius, een oude basiliek, toen naar de tweede Sancta Maria Scala coeli, of de hemelladder, naar een visioen van den H. Bernardus, die hier de engelen een ladder zag op en afgaan ten hemel, — en eindelijk naar de derde, de beroemde en van allen bezochte Trefontane, „de drie fonteinen.quot;

Hier werd de H. Paulus onthoofd, en drie fonteinen duiden

-ocr page 109-

de plaatsen aan, waar het heilig hoofd, driemaal opspringend, den grond raakte. Zij borrelden onder drie altaren op, welke terrasvormig, steeds wat hooger, gelegen zijn.

Tot afscheid werd ook het klooster bezocht en een glaasje eucalyptine met smaak gedronken. Het is een pittige likeur, die uitstekend werkt tegen de moeraskoortsen.

Onder den terugtocht zagen wij vele karretjes, gesierd met rood en goud papieren takjes en boeketjes, en met zingende en biddende mannen, vrouwen en kinderen bezet; ook de paard-jes hadden hun deel aan den opsmuk. Het zag er zoo echt volkseigen uit. Vroolijk, en aan lachen geen gebrek, was 't hier, maar die vroolijkheid was een gepaste, en niets kon :,i onaangenaam aandoen.

De koetsiers wisten ons de verklaring wel te geven. Zij kwamen terug van een bedevaartplaats in de Campagna, alwaar de Madonna del divin amore werd vereerd.

En wij dachten aan het lieve Vaderland, ons dierbaar Nederland, en aan de processiën naar Kevelaar en Scherpen-heuvel, met hun eigenaardige gebruiken en gelukkige en vrome herinneringen en aandoeningen.

Door de nevelen heen had onze terugkomst in Rome waarlijk iets phantastisch in het zilveren maanlicht.

-ocr page 110-

ÖE AUDIENTIE.

' oudags morgens, toen men, uit Sint Pieter komende, elkander terugzag in ons gezellig hotel, toen ging de vreugdevolle tijding rond; „Morgén, morgen hebben wij onze audientie!quot;'

Hij, die ze ons mededeelde, was onze uitstekende President Mr. Stallenberg, wien wij geen dank genoeg kunnen zeggen, en die met Pater Dr. Sleutjes de noodige stappen had gedaan en met goed gevolg.

Dat was een blijdschap!

Zelfs den lieelen middag door, bij ons uitstapje in de Cam-pagna, dat ons zooveel te zien gaf, verliet ons die gedachte niet; „morgen, morgen zullen wij den H. Vader zien!quot;

's Maandags morgens was men vroeg op, en vroeg naar de kerk; vroeg werd er ontbeten en vroeg ook stonden allen klaar. De dames in het zwart met een zwarten sluier, de heeren in het zwart, volgens voorschrift en de hofétikette van het Vatikaan.

Dank aan de alles voorzienende zorgen van onzen President en Vice-President, was ook ditmaal weer alles uitstekend geregeld.

Tegen tien uur wachtten twaalf gesloten rijtuigen voor het hotel.

! I

-ocr page 111-

99

Wij wilden dezen keer, ter eere van den Paus, zoo goed mogelijk figuur maken. En de rijtuigen en de koetsiers legden daar het bewijs van af, — alles even keurig in orde.

Zoo reden wij op naar het Vatikaan, achter de Sint Pieterskerk om, tot de ijzeren poorten van de Zecea, welke de post Zwitsersche lijfwachten ons oogenblikkelijk openden , met heuschen groet, en stapten in de Cortile San Damaso uit, om onder de galerij het oogenblik van toelating af te wachten.

Met bijzondere voorkomendheid werden wij door de hooge hofbeambten , - leeken — welke aan den kommandant dei-Zwitsers en Gendarmen hunne bevelen gaven, behandeld Ons

i

werd geen kaart, geen enkel bewijs gevraagd.

Langs ons trokken de pelgrims van Malta, om zich in „de galerij der geographische kaartenquot; op te stellen, waar de troon voor de audientie prijkte. Zij waren ruim 600 in getal.

Toen naderde een der hoofdbeambten, en leidde ons met een beleefdheid, zoo groot dat ze ons allen aangenaam verwonderde, tot aan de tweede trap, waar een Prelaat des Pausen ons ontving en tot de galerij voerde.

Wij zouden de eersten zijn, welke dien dag den Paus zouden huldigen. Wij stonden de eersten bij de deur. Hier zou Z. H. binnentreden.

Het Comité werd door Mgr. Radini — Tedeschi en meer anderen met bijzondere onderscheiding behandeld en door den marchese Crispolti, namens den „ Moniteur de Romequot;, om inlich-| tingen nopens de bedevaart gevraagd.

De Malthezers stonden verder af. Een rij gendarmen scheidde ons van de overige pelgrims, terwijl de Zwitsers bij de deur hadden post gevat.

Daar komt de Paus, in een gesloten draagkoets gedragen. Kristal van alle zijden, in verguld hout gevat. Het was treffend, die witte gestalte ten voeten uit te kunnen zien. Hij moest door onze gelederen. Wij lagen op de knieën en wuifden

-ocr page 112-

100

hem toe en riepen: „Leve de Paus-Koning! Evviva!quot; — en met tranen in de stem.

En Hij? Hij gaf een teeken en men hield een oogenblik stil. Hij zegende ons zoo vaderlijk en hij wenkte en groette zoo vriendelijk; het was, alsof hij zeggen wilde; „kinderen, ik kom weldra tot u.quot;

De Malthezers ontvingen hem ook geestdriftig. Hij nam plaats op zijn troon en hoorde hun adres aan, dat Hij met heldere, op grooten afstand verstaanbare stem beantwoordde. Toen werd Hij in een open draagstoel langs de rijen der pelgrims gedragen.

Maar onze beurt was gekomen

De gendarmen hadden hunne rijen weer gesloten, en wij moesten die beurt afwachten. Maar niet lang werd ons geduld op de proef gesteld. De vreugdekreten der pelgrims kwamen altijd dichter bij en zie ! daar openen zich de rijen der lijfwacht, — zij vielen op de knieën en presenteerden de wapenen , en met uitbundig gejuich begroetten wij den H. quot;Vader in ons midden.

Toen trad onze directeur op den Paus toe en sprak: — voor het lezen van het adres was er geen tijd; dat vermoeide Hem overigens te zeer, —

„Heilige Vader ! zie hier voor uw Heiligheid nedergeknield, als een gezantschap van de Leden der Derde Orde uit Holland. Van het hooge verlof, door U toegestaan, hebben wij gebruik gemaakt, en nu zijn wij hier om den Stedehouder van Christus, den Grooten Leo XIII, onze bijzondere huldigingen te brengen, om Hem onze liefde te betuigen, onze trouwe te zweren, onze dankbaarheid aan te bieden aan Hem , den glorievollen Opvolger van den H. Petrus, den hoogen Hersteller, den grooten Verheffer, den roemvollen Beschermer der Derde Orde van den H. Franciscus.quot;

Met de grootste lieftalligheid hoorde de H. Vader die woor-

-ocr page 113-

101

den aan, en antwoordde glimlachend: ..Hollanders en Tertiarissen — dubbel dierbaar, doublement chers.quot;

En hij onderhield zich lang met onzen directeur en sprak van Holland, het Holland, zoo edelmoedig met zijn geld en zijn bloed, van Maastricht, dat Hij kende en dat Hij zich zeer goed herinnerde; zegende de stad, hare geestelijkheid, magistraten, arbeiders, armen, kinderen, zieken, alle ingezetenen, uit geheel zijn hart , de parochie van den H. Mathias en de nieuwe kerk, welke er gebouwd moest worden, en waarvan Hij den eersten steen zou zenden en zegenen. — Daarna sprak Hij van Pa'er Bernard, zaliger gedachtenis, zegende een kruisbeeld, dat met zijn vaderlijken zegen aau den Bisschop van Roermond moest aangeboden worden, en eindigde met alle Hem gevraagde gunsten goedgunstig toe te staan, herhaaldelijk den leider der Bedevaart zegenend.

„Ik zegen,quot; zeide Hij, onder meer, ..alle Tertiarissen van Nederland in het bijzonder, en gelast u, mijn zoon, dezen mijnen zegen allen en elkeen over te brengen.quot; —

Om toen eerst het comité en daarna eiken pelgrim, die hem met naam werd voorgesteld, met dezelfde liefde en vaderlijke goedheid te ontvangen, toe te spreken, hunne vragen en beden te verhooren, te zegenen, ja te lief kozen, zooals een liefderijke vader zijn kinderen liefkoost.

En hij had geen haast. Het scheen, dat Hij zich gelukkig vond in het midden van zijn Hollandsche kinderen; wanneer de dragers vooruitwilden, dan klonk het nog al gebiedend ; .,wacht een oogenblik.quot;

Uit de handen van den president ontving hij de aalmoes der Tertiarissen, met innigen dank en vriendelijke woorden.

In ons midden telden wij eene moeder en haar zoon. „Moeder en zoon,quot; zei de directeur, en met een bijzonder welgevallen legde Hij zijn bevende armen om beiden heen. Zoo ging het voort. Drie kwartier en eenige minuten had

-ocr page 114-

102

onze audiëntie geduurd. Hij ging ons verlaten, den draagstoel verwisselend voor de gesloten vergulden draagkoets.

Wij lagen allen opgetogen op de knieën. De prelaten van het hof, de Zwitsers, de gendarmen, de edelgarden, de paleisdienaars, allen in hun schitterende en schilderachtige kostumes, knielden met ons en tusschen ons; — het was een allerplechtigst en allertreffendst oogenblik. Op eens riep onze direkteur met luider stemme; „H. Vader, Uw zegen voor het Katholieke Nederland !quot; Plechtige stilte heerschte rondom.

Toen rekte zich de hooge gestalte in haar geheele lengte uit, oogen en handen hield hij biddend ten hemel geruimen tijd, en toen sprak hij met klare, volle, ietwat bevende stem den apostolischen zegen over ons uit.

„U zegene de almachtige God, de Vader, de Zoon en de H. Geest!quot;

De Gardes presenteerden de wapenen en wij, wij barstten in een uitbundig gejuich uit: „leve de Paus, leve de Paus-Koning, leve Leo XIII!quot; en wij riepen en wij wuifden hem toe en wij weenden. Zoo steeg hij langzaam in de draagkoets en hield niet op ons te zegenen, te wenken en toe te lachen, zoo lang hij nog in ons gezicht bleef. Het witte, bijna boven-aardsche visioen verdween.

En toen stonden wij daar, overgelukkig, en reikten elkander de hand, sprakeloos, wenschten elkander geluk. Het kwam ons als een zalige droom voor.

Langzaam verlieten wij het paleis, door de galerij der Gobelins, steeds onze indrukken wisselend. Weldra bestegen wij onze rijtuigen, en ging het terug naar het hotel.

Onvergetelijk zal dat uur blijven, — een uur was het juist, min drie minuten, — nooit zullen wij die oogenblikken vergeten, dat wij voor den Paus konden nederknielen, in die wonderzoete en diepe oogen blikken en zijn vaderhand op ons hoofd zoo zacht voelden rusten.

-ocr page 115-

103

Wat waren wij dankbaar.

's Avonds was er ook feest in het hotel Anglo-Americain. De hotelier had voor een puik diner gezorgd, iets extra, en het comité voor extra wijn. Dat hoort bij elkander.

In begeesterde en begeesterende woorden bracht onze Direk-teur diep bewogen een toast op den Paus uit. Het greep ons allen aan. En toen de kreten van „leve de Paus !quot; ophielden, werd het .,Wien Neerlands bloedquot; aangeheven en daarmede gesloten deze onvergelijkelijk schoone dag.

Op dien morgen zou een niet minder schoone namiddag volgen. Veel zouden wij te zien krijgen. Maar de keuze was zoo getroffen, dat zulks in betrekkelijk weinig tijds gebeuren kon.

Eerst dus naar de kerk der Jezuïeten, al Gèsu genaamd, een der rijkste en prachtigste kerken van Rome. In den linkerarm van de dwarsbeuk bewonderden wij het graf van den H. Ignatius, overrijk met lapis lazuli en goudbrons opgesmukt. Het geheel biedt u een keurigen aanblik, wel iets te rijk, te overladen met brons, schilderingen en marmer.

Een hooge trap leidt u naar de kamers, welke de H. Aloysius bewoonde en welke met groote godsvrucht bezocht werden, waarna wij ons naar de beroemde kerk op het Capitool spoedden, „Ara coeliquot; genaamd.

Zij is gebouwd op de plaats, „Area Capitolinaquot; genoemd, waar, volgens de sage, de stichter van Rome, Romulus, een toevluchtsoord opende. Hier is het raadhuis van Rome, en werden van de elfde eeuw af aan de burgerlijke zaken der stad behandeld, te midden der puinhoopen van het oude Rome; hier was ook het paleis van den senaat en de woning van den senator of burgemeester der stad. In die zalen werden de dichters gekroond, Petrarca bij leven, Torquato Tasso na zijn dood.

Drie opgangen leiden er heen; een nog al steile trap bracht ons naar boven, en wij begaven ons naar de beroemde kerk. Het is een opvallend gebouw. Twee-en-twintig antieke kolommen.

-ocr page 116-

104

van allerlei vorm, met allerhande kapiteelen, tot de wonderste toe, dragen het gewelf. Dat gewelf is rijk verguld geworden, ter herinnering aan de overwinning van Lepanto, met het toen op de Turken buit gemaakte goud.

Hier, aan den linkerkant, staat in de kerstdagen de krib met de „Sacro Bambino,quot; of het heilig kindje, een mirakeleus beeld van het kindje Jezus, dat wij straks in de Sacristie kunnen vereeren, rijk met edelsteenen bedekt.

Hier ook komen de kinderen van vijf tot tien jaar in de kerstdagen den lof verkondigen van het goddelijk Kind, te midden van het opgetogen volk. Nog troffen ons twee kostbare ambonen, heerlijk werk der gebroeders Cosmas, in de Heilige Kapel of de kapel van de H. Helena, wier heilige overblijfselen rusten in een groote porfieren vaas.

In het altaar is een onder-altaar gesloten, dat het opschrift draagt van; .,Ara primigeniti Deï.quot; Hier verscheen de Moeder Gods, met haar kind op den arm, aan keizer Augustus en dat is de reden waarom dit altaar den naam draagt van altaar des hemels, „Ara coeli.quot;

Bij het verlaten der kerk bewonderden wij nog het won-derschoone ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius, en toen wij door de tuinen langs een anderen weg het Capitool verlieten, de twee paardentemmers, ook wel Castor en Pollux genoemd, met hun steigerende rossen.

Nog een blik naar de zoo beroemde plaats, waar duizend jaar en meer zich de lotgevallen afspeelden van een volk, bestemd een koningenvolk te worden en de wereld te veroveren. Hier klommen zegedronken de romeinsche triomfators omhoog, hier leefde het volk en klopte het hart des volks, van hier, de keizerlijke burcht, strekte zich een onmetelijk plein uit over het Forum, vol van paleizen en tempels, een pracht, een heerlijkheid zonder weerga, de vergoding van het Heidendom; en dat alles heeft verwonnen dat Kind van Bethle-

-ocr page 117-

105

hem, tot wiens eer Augustus onbewust oprichtte het altaar van den Eerstgeborene Gods !

Aan den voet van het Capitool ziet men aan eene zijde velerlei stellaadjes, — werktuigen tot het ophijschen van bouwstoffen. .,Wat is datquot; ? vraagt iedereen.

Wel, dat moet het monument worden van den Rooverkoning, van Victor Emmanuel. — Wat? Zoo! en in 1888 was men zoover als in 1891, en toen zoover als in 1893, en —zegt het volk, — hij zal het Capitool nooit bestijgen, die heiligschenner ! want op hem rust de vloek Gods, op hem, die de hand dorst slaan aan den Gezalfde des Heeren en aan zijn heilig eigendom. Men vindt hier geen grond en de fundamenten verzinken altijd. Het lijkt wel de Italiaansche schatkist zonder bodem. Dat gat, daar, heeft al 20 millioen franken verzwolgen.

Wij stonden weldra voor den ingang van de Marmertijnsche gevangenis. Hier heeft de H. Petrus gevangen gezeten, hier verbleef hij tot aan zijn dood, van hier uit besteeg hij zijn kruis, hier bekeerde en doopte hij zijn gevangenbewaarder met water, dat op zijn bevel ontsprong uit de rots, hier gaf hij het licht der oogen weer aan de H. Petronilla, het dochtertje van zijn cipier.

Twee kelders zijn het boveneen, een huiveringwekkende plaats. Dat wisten de Romeinen ook wel, die hun grootste misdadigers en gevaarlijkste vijanden hier, in een kuil in den grond, — den tegenwoordige tweede kelder, — deden omkomen van honger en wanhoop. De saamgezworenen van Catilina, Jugurtha, Vercingetorix, vonden hier hunnen dood.

Wij knielden er neer in de gevangenis van den eersten Paus en baden voor Leo XHI, onzm Paus, gevangen zooals hij, verraden zooals hij, veroordeeld zooals hij, — maar, en dat was ons gebed, die weldra zal triomfeeren zooals hij.

Hier lagen de puinhoopen van het Forum voor ons, ook de puinhoopen van het overwonnen heidendom. Beter konden

-ocr page 118-

106

wij dus niet doen dan van hier ons te begeven naar het strijdperk, waar het Christendom borst aan borst gestreden en geworsteld heeft met het Heidendom. Het Heidendom viel in den strijd, en het kruis, dat verwonnen had, steeg glorievol met Constantijn op het Capitool. de burcht der keizers, en schitterde in de keizerskroon, op de spits van den scepter, die de wereld regeerde.

Het Coliseum lag voor ons.

Langs den triomfboog van Titus, opgericht na de verwoesting van Jeruzalem, de verdelging van het volk Gods, en de vervulling van de profetie des Heeren : - zijn volk zou niet meer zijn volk zijn, nooit meer, verworpen voor eeuwig'. — gingen wij voorbij. Wij hebben gisteren de Katakomben gezien.

Hier hebben de Katakomben het Christendom, het Heidendom, de Pausen, de keizers ontmoet.

Hier rijzen de grootsche puinhoopen van het flavische Amphitheater omhoog. Het klimt in een zich steeds verbreedenden kring van duizenden zitplaatsen, op bogenrijen zich verheffend, welke over 200,000 toeschouwers bevatten konden, tot op een hoogte van 50 m. Door een onmetelijk zijden zeil, werd het tegen zonnestralen beschut, en door kunstmatige fonteinen, welke reukwater uitwierpen, verfrischt en afgekoeld.

Dat is het Coliseum.

Beneden het strijdperk, dikwijls een renperk. Daar boven verhief zich de gulden troon des keizers; hier, achter zilveren hekkens, breidden zich de plaatsen der senatoren, daarnaast die der Ridders uit; - ziet gij, ginds waren de vestaalsche maagden gezeten.

Rondom het perk, — dat soms in een meer werd omgeschapen, voor een tweegevecht tusschen twee vloten , — openden zich de ijzeren traliedeuren, waarachter de monsters der woestijn hun gebrul deden hooren en met gloeiende blikken hun prooi, vaak een menschelijke, bijna altijd Christenen, beloerden. Dui-

-ocr page 119-

107

zenden martelaren hebben dezen bodem met hun bloed doorweekt. Hier vroeg eens een vorst den Paus om relikwiën. De Paus bukte zich, nam een handvol aarde en bood ze hem aan, zeggende; „deze aarde is heilig.quot;

Weet gij waaraan wij dachten, toen de pelgrims, deheoren, het ' hootd ontbloot, allen diep getroffen, om ons stonden, op de plaats waar eens het houten kruis stond te midden dei-veertien statiën van den kruisweg, — wat alles die rampzalige italiaansche regeering deed wegnemen?

De Ziener der Schrift, Ezechiël, stond eens voor den Heer.

Een onmetelijk lijkenveld, met gebleekte beenderen bezaaid, strekte zich voor hem uit. .,C4ebied!quot; zoo sprak de Heer, „en zij zullen leven!quot; Hij sprak en het werd weder een groot volk.

Ware het ons gegeven , hier dat levengevend woord te spreken ! Assche der martelaren, ontwaak ten leven! bouwt u weer op, puinhoopen van de heidensche keizerstad! volk van koningen, sta op uit het graf van het verleden! bevolk weder die duizenden zitplaatsen!

Daar zitten zij weer in hunne hoovaardij! Keizers in het gouden kleed, den scepter in de hand, — magistraten in purper gewaad, — krijgers met den vederbos op den fonkelenden helm, — vestaalsche maagden in blanke kleedij.

Een volk, een gewoel, als de golven der zee , wemelt en klimt tot in de wolken toe.

Verschijnt nu, heilige slachtoffers, kuische maagden, Christus' bruiden, edele jongelingen, eerbiedwaardige grijsaards, zedige matronen, ontelbare legioenen van martelaren. Ziet! zij treden langzaam binnen, door den opperpriester geleid, de Paus, de koning voorop. Een plechtige stilte begroet de intrede der heilige scharen.

Maar stil! hoort gij het brullen en huilen der leeuwen en tijgers? ziet gij ze met druipenden muil zich op die mensche-lijke prooi storten, welke hun een volk toewierp, welks ge-

-ocr page 120-

108

noegcn moorden is. Het, bloed stroomt bij beken. Ziet de toeschouwers, op dit gezicht buiten zich zeiven, als razend van bloeddorst opspringen! hoort gij die kreten van onmen-schelijke vreugde van dit volk, welks feestvieren bloed vergieten is.

Dat was het Coliseum voor bijna 2000 jaren.

En thans? wat een stilte omvangt den reiziger binnen deze reuzenmuren. De strijd is gestreden. Het kruis heeft verwonnen, al heeft men het weggenomen van hier.

De Katakomben verwonnen het Coliseum.

Ziet, zij ontsluiten hunne duistere toevluchtsoorden, dankliederen weergalmen, een ontelbare menigte stroomt toe, met talrijke priesters in hun midden, wierookwolken stijgen geurend omhoog, in zegevierenden optocht treedt men de eeuwige stad binnen , en trekt men door de breede straten.

Verheug u, o Rome, uw koning komt!

Daar ontsluit een prachtgebouw zijn bronzen poorten, en toont zijn gouden gewelven en trotsche zuilenrijen, en in de diepte van het Heiligdom knielt Constantijn en legt zijn keizerskroon neder op het altaar, het graf van den H. Petrus.

En boven in het blauwe luchtruim zweeft de onsterfelijke kruisbanier, door onzichtbare hand gedragen, en schitteren met den gloed van het zonnevuur de woorden boven het kruis en den naam van Christus: „in dit teeken zult gij overwinnen. In hoe signo vinces!quot;

Zoo dachten wij, en toen wij al die puinhoopen van macht en triumf verlieten, kwam het ons voor, alsof die steenen en bouwvallen, die triumfbogen en thermen en waterleidingen mede zongen in het lied der obelisken:

Christus verwint! Christus regeert! Christus heerscht!

Nu nog, eer wij naar den Pincio rijden, een bezoek aan de kerk, welke in 442 keizerin Eudoxia bouwde, om de ketenen van Petrus te bewaren. Zij is geheel modern geworden,

-ocr page 121-

109

maar een tweevoudige aantrekkingskracht oefent zij steeds op den pelgrim en toerist uit: gij kunt er de kostbare relikwieën vereeren en den Mozes van Michel Angelo bewonderen.

Wij knielden en verrichtten ons gebed bij de confessio of het hoofdaltaar, en vereerden die ketenen, welke eens de handen van den Prins der Apostelen omknelden, en door een wonder tot één geheel zijn samengesmolten. Een helft kwam van Jeruzalem, de andere was te Rome, en toen men beider gedeelten vergeleek, toen smolten zij tot één geheel in een.

Onze godsvrucht voldaan hebbende, ging het naar het graf van Paus Julius II, om het kolossale standbeeld van Mozes te bewonderen. Er zal veel op af Ie dingen zijn , wij gelooven het gaarne met de kunstkenners, en toch het is een eenig stuk. Men vergeet alles, proporties, draperieën, alles, om alleen dat hoofd te bewonderen, met die overmachtige uitdrukking, die bijna niet te beschrijven is. Welk is het oogen-blik, dat de groote kunstenaar heeft uitgekozen? — wie durft beweren het te kennen? — is het, toen hij de godvergeten Israëlieten, bij zijn nederdalen van don Sinaï bezig vond met de aanbidding van het gouden kalf? wie weet het? Welkeen storm kookt er achter die trekken! wat wil hij zeggen, die profetische mond?

Het is en blijft waar, — een machtigen indruk laat het na, dien iedereen ondergaat. Sprekend is liet beeld, al is het waar of niet, het woord, dat men den beeldhouwer toeschrijft, toen hij zijn werk had voltrokken: „wel! spreek nu!quot;

De Pincio, de geliefkoosde wandeling van den Romein, zou den schoonen dag sluiten. Het was eerst een wandelrit door Rome; toen op den berg, — maar helaas! het weer ging tot regen over, en toen wij op den Pincio eindelijk nog bijtijds aankwamen, was van de zon weinig te zien. Grauwe wolken bedekten den hemel en daar eenige droppels vielen, namen wij den terugtocht aan naar het hotel.

-ocr page 122-

110

Het gezicht op Rome is ook hier zeer schoon. Velen echter trekken voor, de eeuwige stad van San Piëtro in Montorio te zien, en dat genoegen hadden wij met volle teugen genoten ; wij konden dan met niet te veel spijt van het terras afscheid nemen van het eenige Rome, waar ons nog een vollen dag ten verblijf overbleef.

Een gezellige, vroolijke avond sloot een genoeglijken, gelukkigen en niet al te vermoeienden dag.

DINSDAGMIDDAG.

Nog eens, er is veel te zien in Rome, te veel!

Een keuze is dus noodzakelijk. Voor dezen middag zou de tocht beginnen met O. L. Vrouw de meerdere , Santa Maria Maggiore. Het is een der vijf patriarchale kerken, en heeft een zoogenoemde jubilé-deur. Het is de grootste en oudste j der tachtig kerken, welke Rome aan de Moeder Gods heeft gewijd. Zij wordt ook Onze Lieve Vrouw der kribbe genoemd , eveneens O. L. V. ter Sneeuw.

Onder de regeering van Paus Liberius, van 352 — 366, verscheen 's nachts de Moeder Gods aan den Paus en aan den vromen patriciër Joannes, die, zonder kinderen zijnde, gaarne een groot werk ter eere Gods willende doen, in zijn gebeden om licht van den hemel vroeg. Zij beval aan beiden, om op die plaats een kerk te bouwen, welke zij den volgenden morgen, 5 Augustus, met sneeuw zouden bedekt vinden.

Zij vonden dien morgen den platten grond der basiliek aangegeven op den Esquilijnschen berg , in en door den sneeuw. Zij bouwden de liberiaansche basiliek, welke Sixtus III verving door een tweede in 430. De middenbeuk, met haar prachtige antieke kolommen en mozaïeken , dagteekent uit dien tijd. Door pracht en kunst onderscheiden zich geheel bijzonder de heerlijke Sixtijnsche kapel rechts en de niet minder prachtige

-ocr page 123-

Ill

kapel Borghese links. Beide eindigen in een rijk vergulden koepel.

Men opende ons den toegang tot de confessie, waarboven een overrijk altaar met het kostbaarste lapis lazuli en brons-werk prijkt. Hier beneden, onder het hoogaltaar, rust de H. krib, de kribbe, waarin Jezus rustte bij zijn geboorte in den stal van Bethlehem. Dat was een bidden hier' Hoe levendig trad die kerstnacht voor onze blikken, — met zijn engelengezangen in den hoogen, zoeten vrede voorspellend,— met de herders op de knieën, hunne geschenken den kleinen koning te voeten leggend, — met die koninklijke pelgrims uit het land van den morgen, — dien gelukkigen leidsman en beschermer, Jozepli, Davids zoon, — met die teedere, lieflijke, maagdelijke Moeder, en die andere ster, die stond te stralen boven den stal.

Waarlijk, dat was recht, de moeder heeft het heiligste recht op de wieg van haar kind; hier behoorde de kribbe van Jezus te zijn, in het huis, Maria ter eere opgebouwd.

Toen brachten wij een kort bezoek aan de kerk van den H. Alphonsus. Wij waren Hollanders en gij vindt in het klooster der Redemptoristen altijd Hollandsche paters en dan is de vreugde der ontmoeting wederkeerig. Maar ook de kerk is mooi, vooral het hoogaltaar met de prachtige schildering van O. L. V. van Altijddurenden Bijstand, een genadebeeld dat oorspronkelijk van Creta hierheen is gekomen. Het is als een Hollandsche devotie, en het scheen ons alsof wij in Holland waren Dezelfde gevoelens overmeesterden ons, toen wij in de monumentale kerk der Paters Praniscanen Recollecten, San Antonio, kwamen, met hare grootsche portiek en trappenhal. Het is een nieuw gebouw, dat veel belooft. Hier voelden wij ons thuis, hier waren wij. Tertiarissen, als in ons eigen huis, hier was het goed zijn en goed bidden. Jammer dat Pater Generaal naar Jeruzalem vertrokken was; gaarne hadden wij zijn zegen ontvangen.

-ocr page 124-

112

De kerk van de H. Praxedis, die wij toen bezochten, bezit een grooten schat, de kolom der geeseling. Zij staat oogen-blikkelijk niet in de kapel van de kolom met haar heerlijke goudmozaieken, ook het paradijs genoemd, maar in een krocht, onder en achter het hoofdaltaar.

Men mag er van zeggen wat men wil, zulke aandoeningen zijn voor ons de kostbaarste. Met tranen in de oogen aanschouwden wij al biddend de marmeren afgeknotte zuil, zwart en donkergrijs geaderd, nog met bloedsporen bedekt.

Aldus, aan deze kolom, o Heere Jezus, hebt Gij U gekromd, hebt Gij gezucht, geweend en gekermd, gebloed en zoo bitter geleden ! Hier betaaldet Gij een gedeelte van den losprijs onzer zonden ! Om die kolom gingen de beulen spottend en sarrend, vloekend en slaande rond. Het vreeselijke tooneel in zijn bloedige werkelijkheid rees voor onzen geest, en menig hoofd zonk, tot schreiens toe bewogen, op de borst, en menige stem brak onder het bidden.

Eenige schreden verder en wij waren in Sint Pudentiana, Rome's oudste kerk, eens het paleis van den Senator Pudens, waar hij woonde met zijn twee dochters, Praxedis en Pudentiana, en den H. Petrus gastvrijheid verleende. Zij heeft wel mee de oudste mozaieken uit de vierde eeuw. In de linker beuk bevindt zich de kapel Gaetani, en in een altaar in de absis, de tafel, waarop de H. Petrus de Mis gelezen heeft.

De kerk was, toen wij ze betraden, rijk en bont met gouden en zilveren en hemelblauwe draperieën versierd. Het feest der Heilige was ophanden.

Daarna wierpen wij nog een blik in de schoone en rijke kerk van den H. Ignatius, om dan den terugtocht naar het hotel te aanvaarden, want het was een drukke dag geweest en het was reeds bij zeven. Toen eenigen vroegen, half bedeesd , als was het iets kwaads geweest, — „zouden wij niet langs het Quirinaal naar huis kunnen rijden?quot; — was het antwoord: „wel zeker!quot;

-ocr page 125-

113

Daar aldus woont de rooverkoning, in een gestolen paleis! Maar wat een pracht, wat heerlijke ligging en heerlijke tuinen! Het deed u pijn. Het paleis, waaraan eeuwen lang de Pausen gebouwd hebben, hun ontstolen, dient als residentie voor den dief!

„Het is me 'n politiek,quot; hoorde ik iemand zeggen en die iemand zal wel glimlachen als hij deze regels leest, maar die iemand had gelijk en daarmee waren wij het allen eens; daarop liep het geheele gesprek voor den avond uit, dien wij, zooals alle avonden, heel gezellig sloten.

WOENSDAG.

Woensdag morgen, was de algemeene vraag; „zouden wij dezen morgen niet voor onze inkoopen, bijzondere godsvrucht en enkele bezoeken kunnen gebruiken ?quot;

De vraag stellen was ze beantwoorden, want het was reeds bepaald en ieder ging zijns weegs. Het comité had gezorgd, dat men best wist, waar men de voorwerpen van godsvrucht in soliede en degelijke magazijnen kon koopen en weldra zag men dan ook alle pelgrims uitgevlogen. Natuurlijk had het magazijn der gebroeders Peruzzi grooten toeloop, welken dit min of meer deelde met andere op de Piazza di Spagna.

Om één uur waren allen tegenwoordig, rijk beladen met allerhande voorwerpen. De drukte der wederzijdsche mede-deelingen was niet gering en het ontbijt buitengewoon levendig.

Om drie uur zou de middagtocht beginnen met een bezoek te brengen aan San Lorenzo buiten de muren, waar de groote Pius IX zijn graf heeft.

Het is een heele rit en het was waarlijk warm dien dag. Maar wat allerheerlijkste hemel, een echte Italiaansche Mei-hemel en dat wil wat zeggen! Een voordeel had het plan, dat het niet van te voren was opgemaakt geworden, maar te Rome

8

-ocr page 126-

114

zelf; wij zagen de geheele stad in al haar wijken en konden ons dus een goede gedachte van het geheel vormen. Buiten de stad ging het over wegen tusschen muren door, tot dat wij de kerk bereikten, waarbij het Campo Santo of het Kerkhof van Rome gelegen is.

Een schoone portiek, met mozaieken gesierd, verleent toegang tot de baziliek, een der zeven voornaamste kerken der eeuwige stad, welke door de pelgrims steeds bezocht worden. Het is een drieschepige, met open dakstoel, die van binnen geschilderd is, met een koor in het midden, door allersierlijkste kolonnetjes van het kostbaarste werk, met goud ingelegd marmer, geschraagd. Dat alles in de nieuwere kerk; - de oude begint dan eerst, daalt diep naar beneden, en brengt ons naar het graf van den grooten Paus.

De kapel of grafplaats is prachtig met bont mozaiek op goud gesierd; de vloer niet minder rijk. De geheele wereld heeft er aan bijgedragen, - maar de sarkophaag, waarin hij rust, de groote vader, die zooveel geleden heeft, is zoo eenvoudig mogelijk.

Hier vond hij dan rust, de groote koning, de Paus dei-Onbevlekte Ontvangenis, de Paus der Jubiléën , de martelaar dei-Revolutie , de zoo lafhartig verradene, de zoo heldhaftig verdedigde, de zoo vurig gehate, de zoo teeder beminde, de onttroonde Koning en de zoo koninklijk gehuldigde, zegevierend in zijn nederlaag, heerschend in zijn gevangenis De Paus van Neer-lands heldenzonen, de groote Plus, rust hier.

Hoe vurig was ons gebed voor de rust van zijne ziel!

„God! wat een tijden beleven wij!quot; zuchtte iemand naast ons.

Wij gingen juist langs de bijna doorzichtige marmerplaat voorbij, waarop de rooster lag, die den H. Laurentius schroeide;

- wij namen zijn hand en legden ze er op, niets zeggende. „Ik begrijp u, — toen en nu, die Kerk, die heerlijke, is niet?quot;

- Ja! gij hebt mij begrepen.quot;

-ocr page 127-

115

Het Campo Santo bevat heerlijke gedeiikteekenen, maar wat wij zochten, wij Hollanders, dat was het grootsche monument door Pius IX opgericht ter eere der Zouaven, gevallen bij Men-tana, Monte Libretti, Monte Rotondo. Wij lazen die namen, een heldendicht, en bij die Hollandsche namen waren wij er trotsch op, Hollanders te zijn.

Het geheele Campo Santo, zoo schoon en belangwekkend in zijne bijzonderheden, ging voor ons.op in dit eenige monument.

En al bonsden onze harten van verontwaardiging bij het zien van het schaamteloos opschrift, dat de tegenwoordige regeering met ontheiligende hand heeft doen plaatsen onder de namen der helden, gevallen als martelaren voor de heiligste, edelste, verhevenste zaak, en waarin zij huurlingen werden genoemd, zij, de ridders der eer, de hoogste vertegenwoordigers der verhevenste belangeloosheid, zoo zeldzaam in onze egoïstische eeuw, — wij knielden eerbiedig neer en baden voor de rust hunner zielen.

Zeker wij waren diep overtuigd, dat God de Heer ze ontvangen had in liefde en barmhartigheid, maar het was een behoefte voor onze Nederlandsche harten, voor onze heldhaftige broederen te bidden.

God heeft ze gekroond, maar het gebed is ook een kroon!

Zij rusten in vrede.

Wij hadden vele en prachtige kerken gezien, maar „aller Moeder en Hoofdquot; nog niet.

Dat is de kerk van Sint Jan van Lateranen, welke dezen . naam verdiend heeft en „omnium urbis et orbis ecclesiarum mater et caputquot; genoemd wordt.

Ook zij is eene der zeven hoofdkerken van Rome en heeft vijf ingangspoorten met de jubilédeur, die gewoonlijk dicht gemetseld is.

Een majestueuze portiek strekt zich voor de kerk uit.

Het is een der schoonste facades van Rome en draagt een

-ocr page 128-

■ pauselijke loggia. Van hier gaven de Pausen ook aan de wereld en aan de stad hun hoogepriesterlijken zegen , waartoe het onmetelijke plein zich uitstekend eigende.

Zij is 130 meter lang en telt vijf schepen. Overrijk is de ingelegde vloer. Een ciborie-altaar in gothischen stijl, een soort van groot baldakijn, verheft zich boven de confessie, welke beneden een houten tafel bevat, die uit de kata-komben komt en waarop de H. Petrus de H. Mis gelezen heeft.

De twaalf kolommen, die oorspronkelijk het midden schip droegen, zijn thans in vierkante zware pijlers omgeschapen, waarin twaalf overgroote standbeelden der Apostelen zijn aangebracht. De indruk, over het algemeen genomen, is grootsch.

Ook hier een trans van kapellen, de eene al schooner dan de andere. Het is een treffende verschijning in de hoofdkerken van Rome, ja zelfs tot in minder groote, dat de eerste adellijke familiën, er een eer in stellen, hun naam en hun godsvrucht te vereeuwigen door den bouw van een kapel, die met de andere reeds bestaande moet wedijveren in rijkdom en pracht, en dat zonder de pretentie er een familiegraf in te plaatsen.

Hier schittert de kapel Torlonia boven alle andere uit, maaide heiligdommen, door de Corsini, Orsini en Massimi gesticht, verdienen niet minder een zorgvuldige bezichtiging. Ook de oude absis, die men verplaatste, toont u heerlijke oude fresco's, en aan marmer en stukadoorwerk ontbreekt het hier evenmin, als in de andere groote kerken van de eeuwige stad.

Het Baptisterium van Sint Jan is een eigenaardig gebouw, wel zoo wat de type van een doopvont der eerste eeuwen. Deze, zooals die van Ravenna, zijn wereldberoemd.

Deze is achtkantig.

Hier werd de eerste Kristenkeizer, Constantijn de Groote, gedoopt door den H. Paus Sylvester. Acht groote kolommen van kostbaar porfier, waarboven een antieke kroonlijst van

-ocr page 129-

117

marmer loopt, scheiden den omgang van de eigenlijke vont. Uit groen basalt gehouwen, verheft zich het doopbekken in het midden.

Een grootsche gedachte is het, te denken aan die gebeurtenis, die in zekeren zin het lot der wereld besliste. In Con-stantijn ontving het machtige rijk der Romeinen, - een volk van Koningen, — den heiligen doop. Van zijn zonden en smetten, van zijn schanden en gruwelen, was het gewassen | in een zee van bloed, het bloed van tien millioenen martelaren.

Dat was de voorbereiding.

Toen greep Constantijn met heldhaftige hand naar het Labarum, de Kruisbanier, en daalde met nederig gebogen hoofd, het eens j zoo verwaten trotsche, in de heiligende wateren om gereinigd, geadeld, gekerstend, in één woord, als uit een nieuwe schepping op te rijzen, herboren tot een nieuw leven, een nieuwe zending , nieuwe glorie!

Het was ons te moede als moest op de tinne van deze doopvont, de engel staan, met Constantijns banier, wapperend in den wind en haar vouwen ontplooiend met de profetie des hemels: „in dit teeken zult gij overwinnen.quot; !

Die woorden werden niet gelogenstraft. —

Van de doopvont naar de kapel van Sint Jan den Dooper, ' om het bronzen beeld van dien Heilige te bewonderen, toen ! een blik geworpen op de obelisk, die het groote plein versiert, en het ging naar de Santa Scala.

De H. Trap!

Men spreekt hier van het lijden onzes Heeren.

Bloedige herinneringen doemen voor u op.

Een oogenblik staat gij stil bij uw binnentreden, onwille- ; keurig, — links en rechts twee groepen.

Lafheid en verraad houden de wacht bij dezen lijdensweg | des Heeren.

Pilatus en Christus, — Judas en Christus.

-ocr page 130-

118

Beide voorstellingen zijn voor ons aangrijpende werkelijkheid. Beiden voeren n levendig voor den geest, dat treurspel met veel meer recht dan wat ook „aller treurspelen treurspelquot; genoemd.

Die trap daar voor u, acht en twintig treden in wit marmer, niet hout overdekt, is de Heer meermalen op en af gegaan, druipend van bloed, vóór zijn tentoonstelling aan het volk der Joden.

Ziet! Ziet!

Daalt daar niet die bloedige, goddelijke verschijning tot ons af met doornen gekroond en bevracht, met den spotmantel om de verscheurde schouderen, met doorploegde borst, met geknevelde handen, met het riet der bespotting?

Soldaten sleuren en trekken, stooten en mishandelen Hem onder ruwe vloeken en hoongelach.

„Kom tot den lafaard. Heer, die TJ overleveren zal! Kom, met valsch medelijden zal hij U ten toon stellen.quot;

Ziet! dat gebeurt daar boven op die trap.

O Lam Gods, met doornen gekroond, in den spotmantel gehuld, met het kruis beladen, ontferm U onzer! ontferm U onzer!

Op de knieën beklommen wij de lijdenstrap.

Zoo is het vrome gebruik.

Hoort! het gebed der pelgrims:

„Die voor ons gegeeseld is ... .

„Die voor ons met doornen is gekroond ....

„Die voor ons gekruisigd is ... .

Biddend en op de knieën ging het naar boven.

Hier en daar bogen alle hoofden, en kusten de bloedvlekken, die de Heer als bloedige sporen achterliet op het marmer.

Het was om ernstig gestemd te worden.

Maar aan de H. Trap zijn nog andere, ook treurige herinneringen verbonden.

Het was de vooravond van de inneming van Rome door de roovers der negentiende eeuw, de Piëmonteezen.

-ocr page 131-

HQ

Pius IX, de stedehouder des Gekruisigden, verliet voor liet laatst zijn paleis. Hier zegende Hij de versterkingen ter verdediging der stad aangelegd. Toen beklom ook hij op de knieën de H. Trap, welke de Godmensch, wiens plaatsvervanger hij was, op en af steeg, en teekende met zijn bloed.

liet was de laatste keer, dat hij het Vaticaan mocht verlaten. Toen besteeg ook hij zijn calvarieberg, om .... om er te sterven, na een lange kruisiging.

En onze gedachten keerden terug tot het graf' van den grooten Paus in San Lorenzo. —

Van hier zou de weg gaan naar het Pantheon.

Voorzichtigheid was voorschrift.

Wij dachten aan de schandelijke komedie, in 1S91 afgespeeld , toen men ook de hollandsche Pelgrims straffeloos mocht mishandelen.

Hier is immers het graf van Victor Emmanuel, den grooten snorrendrager en die het zoogenoemde ééne Italië list stichten.

Hij verdient den naam van den grooten snoever.

Het is jammer!

Het Pantheon is weergaloos schoon, en het eenigste geheel bewaarde monument der oudheid, wat muren en gewelf betreft. En welke muren! — van 6.70 meter dikte, en welk gewelf, — een koepel van -13.fO meter hoogte in doorsnede, gedragen door dubbele kolommen van het kostbaarste marmer en 9 meter hoog.

De ingang is waarlijk grootsch, monumentaal, in zijn slag-de imposantste. Heeft 83.50 M. lengte en 13 breedte — en vormt een portiek van zestien korintische kolommen van 12.50 M. hoogte, met een omvang van 4.60 M.

Voorheen was de geheele construktie van het gewelf uit verguld brons, terwijl het gewelf der kerk zelve uit blokken, met gouden platen ingelegd, bestond, en het dak uit koper

-ocr page 132-

120

on vergulde pannen, die later naar Constantinopel werden overgebracht.

Het geheel maakt een wonderen indruk, met het open middenstuk , waardoor het regent en sneeuwt, zooals het voorkomen kan.

De Romeinen noemden zulks het „impluvium.quot;

Het graf van Raphael hield ons een oogenblik staande:

lllc hie est Raphael, timuit qui sopite viuci Rerum magna parens, et moricnte raori.

Dit is die Raphael, zoolang hij leefde vreesde de natuur, aller dingen groote moeder, overwonnen te worden en toen hij stierf, te sterven.

Vele groote kunstenaars vormen als in hun graf het hof van den koning der schilders, zoovelen hebben hier hun rustplaats gevonden.

Maar er is nog een ander graf.

Eenige verslenste bloemen en kransen toonen het aan.

Wij spraken straks van een Judas, een Pilatus. Die hier rust heeft het dubbele masker, het dubbele karakter.

Het was een lafaard en een valschaard!

Victor Emmanuel de eerste heette hij, en hij was de eerste koning van het tot eenheid saamgekwanseld koninkrijk Italië.

„Genoeg, laten wij gaan !quot;

Dat was de algemeene wensch.

Het was overigens onze laatste avond in Rome.

Morgen het vertrek.

De inkoopen zijn gedaan — de koffers gepakt. Allen zijn gereed.

Morgen tusschen negen en tien zullen wij Rome verlaten.

-ocr page 133-

]3gt;scheid van rome.

et is Dinsdagmorgen.

Allen vroeg op en naar Sint Pieter.

Waar men begonnen was, wilde men ook eindigen.

En dan, er moest een laatsten blik geworpen worden op het Vatikaan.

Een onzer zeide zoo naicf en zoo schoon: „Ik moet nog afscheid nemen van den Paus.''

En dat was zoo.

Wij gingen langzaam de groote, brccde trappen op, die naaide voorhal van Sint Pieter leiden, langs de fonteinen en de obelisk, en verlustigden ons nog eenige oogenblikken in hot gezicht der machtige waterstralen, bij den heerlijken. zon-nigen dag als regenbogen gekleurd.

Onwillekeurig zochten wij het Vatikaan aan onze rechterhand .

„Laat ons gaan bidden voor don Paus! dat is het beste afscheid der kinderen van Rome, een gebed voor ons aller Vader!quot;

En wij traden de Sint Pieter binnen.

In het duister was de groote kerk gehuld, en dat duister verlengde nog de hallen en teekende de schaduwen nog dieper, nog sterker.

-ocr page 134-

122

De vensters van het booglicht waren door gordijnen gedekt, die een rooden gloed over het geheel wierpen, en op het hoogaltaar der Confessie, stond het Allerheiligste uitgesteld tusschen een krans van gouden kandelaren met brandende lichten.

Alles donker, alleen dat middelpunt stralend in lichtglans, liet Heilige Sakrament, het leven der Kerk, de bron des levens voor de geloovigen, het brood des levens der ziele, de kracht in den strijd, de troost in het lijden, het steeds levende, minnende, offerende middelpunt van den dienst des Heeren, van waar alles uitgaat, waartoe ook alles terugkeert.

Het scheen alsof die onmetelijke kerk zich samentrok om die stralende, blanke Hostie, — alsof zij alleen daarom gebouwd was, of zij geen beteekenis meer zou hebben, wanneer die stralende Zon uitging of uitgedoofd werd.

Als de ster die naar Bethlehem leidde, zoo trok ons die H. Hostie naar het hoogaltaar en op de knieën.

Eenige geloovigen waren in gebed verzonken en bogen om de Confessie op de knieën, — het vormde een dubbelen krans: eerst die lichtkroon, vlammend er omheen, dan die biddende harten.

Het was plechtig stil.

Ontzagwekkend was die indruk.

quot;W ij naderden in stilte tot voor het hoogaltaar en knielden aanbiddend neer.

„Laat ons bidden voor onzen Paus Leo XIII.quot;

„De Heer bescherme Hem, behoude Hem in het leven en levere Hem niet over aan den wil zijner vijanden!quot;

Xog lang smeekte ons gezamenlijk gebed tot den verborgen God in zijn H. Sakrament, voor zijn plaatsvervanger op aarde. Toen stonden wij op, wierpen een blik in de sakristie, bezochten de schatkamer om den grootsten topaas der wereld te bewonderen, en, na een laatste aanbidding ten afscheid, verlieten wij Sint Pieter en stonden op het plein.

-ocr page 135-

123

Aller blikken zagen op naar het Vatikaan, - een wenk, een afscheidswuiven met de hand als ten groet, naar boven gezonden , — en het groote visioen had een eind.

Vaarwel! vaarwel!

Voor het hotel stonden de rijtuigen gereed.

Men maakte spoed en weldra, bij het schoonste weer, ging het door de straten van Rome naar het station.

Onze beminnenswaardige gastheer deed ons uitgeleide en onderhield zich met ons tot op het oogenblik van vertrek, ons steeds met dezelfde edele en beschaafde dienstvaardigheid ter zijde staande, en zijne diensten ook nog verder ter beschikking stellend.

Wij zouden allen reizigers onvoorwaardelijk èn het hótel Anglo-Americain cu zijn gastheer dringend durven aanLevelen.

Maar het was tijd.

Na Rome, - Assisië 1

Na Leo XIII, — Franciscus!

Het afscheid van Rome heeft iets weemoedigs.

Het is zoo het vaderland, de vaderstad, het thuis aller katholieken. Daar is ons kinderen allen een verblijf geboden bij het hart van den Vader, hier hebben wij een heilig recht te zijn, te komen, te blijven.

Het is de groote haardstede van het katholieke leven.

Hier klopt als het hart der katholieke Kerk.

Maar het laatste oogenblik is gekomen.

Do trein zet zich in beweging, een laatste groet, eeu laatste handdruk, en Rome! — vaarwel!

„Vaarwel! Adio!quot;

Het kwam van vele lippen en er waren tranen in menig oog en stilte heerschte in alle coupe's een tijd lang.

-ocr page 136-

Xgt;AAR ASSISIE.

Hen onderhielden zich over Rome.

Men raakte niet uitgepraat. Men zou alles zoo goed onthouden, want wat zou men er niet van kunnen mededeelen. thuis aan den haard, in den familiekring.

„Dat moet ik dien of dien eens vertellen, dat zal hem interesseeren.quot;

Zoo duurde het een tijd lang.

Spoedig echter verdrongen nieuwe impressies de vroegere, en ook — wij gingen weldra de heerlijk schoone Umbrische vallei binnenstoomen.

En wij zouden genoeg te zien krijgen.

En binnen eenige uren Assisie, de vaderstad der Tertiarissen, na Rome de vaderstad aller katholieken.

Monte Rotondo!

En wij zagen onze Zona ven, in het vuur pal staande als levende muren, ten aanval opspringende als de leeuwen.

Hollands reinste glorie mede!

Mentana, het slagveld der Hollandsche overwinning van dien naam ligt een half uurtje verder.

Civita Castellana, met zijn schilderachtige omgeving.

Wij verlaten weldra de Tiber vallei bij Orte, en de getande bergtoppen van den Soracte verdwijnen uit het gezicht.

-ocr page 137-

125

De Umbrische vallei is nabij. Orte ligt daar als een nest op de hoogten; hier begint de lijn van Foligno, en daar het dal der Néra, met zijn zeldzaam schoone eikenwouden, gaat het over Narni en Terni, met zijn marmer cascade, op Spoleto aan, dan nog Trevi en wij bereiken Foligno.

Alle onze gedachten stonden nu op Assisië.

Wij verkeerden in een ware spanning.

Van Foligno uit verbreedt zich het landschap. De bergen worden hooger, de vallei uiterst vruchtbaar, de hellingen zijn met boomen, olijfboomen vooral, beplant en de velden, — wij zijn tegen het einde van Mei, — zien er prachtig uit.

Bloemengeuren kruiden de lucht.

Assisiö! Assisië!

Dat is het verlangen, de vurige wensch.

„Is dat Assisië?quot;

„Neen! dat is Spello quot;

„Spello? dat is niets!quot;

„Waarom ?quot;

„Wel, omdat het Assisië niet is.quot;

En men had gelijk. Voor ons, Tertiarissen, was er niets dat ons zoo kon aantrekken als Assisië.

En daarom ging er een warm vreugdegejuich op onder de pelgrims, toen het op eens klonk: „Assisië!quot;

„Wij zijn er!quot; was de algemoene uitroep.

-ocr page 138-

De heilige burcht.

|| nze blikken waren op Assisië gericht.

Daar boven ligt de H. Stad, de H. Burcht van ! den Serafijnschen Vader.

Maar aleer wij die steile bergen zouden bestijgen,

ging het, — de rijtuigen stonden gereed aan het station, — naar „Onze Lieve Vrouw der Engelenook de kerk van Portiuncula genaamd.

Met een heilig ontzag betraden wij de prachtige kerk, en richtten onze schreden naar „het kerkje in de kerkquot; — het kerkje van Portiuncula.

De stichting klimt tot in de hoogste oudheid op. Haar geschiedenis, een aaneenschakeling van wonderen, bewijst dat God zelve, er zijn behagen in stelde, om hier de wieg te bereiden der Serafijnsche Orde, welke de geheele wereld met haar zegeningen zou vervullen.

Verschillend zijn de verhalen over den oorsprong en de stichting van kerk en kerkjes, over den naam van Portiuncula. De naam van „Maria der engelen,quot; werd aan de kleine kapel gegeven, omdat de omliggende bewoners zoo dikwijls, | èn bij nacht èn bij dag, het gezang der engelen hoorden, boven het kleine heiligdom. Die van Portiuncula wordt op meer dan één wijze verklaard.

Eenigen meenen, dat het de ware naam is van het Heilig-

-ocr page 139-

127

dom van Hem, die niets wilde bezitten in de wereld, dan dit plekje gronds; — anderen wederom, dat dit kleine strookje gronds den H. Franciscus was gegeven als zijn erfdeel, - maar anderen, en deze is de waarschijnlijkste, dat in 351 vier vrome kluizenaars van Jeruzalem kwamen in deze landen, en hier hunne kluizen bouwden met een kleine kapel. Zij noemden ze Heiligdom der Moeder Gods van Josaphat, omdat Maria een kort oogenblik in die vallei .zoude gerust hebben na haar dood, en zij in het altaar een stukje - por tietje. por-tiuncula , - van het graf der Moeder Gods, hadden neergelegd. In 516 nam de H. Benedictus de Kapel in bezit en bracht er die breede deuren aan.

De verschijningen der engelen vermenigvuldigden zich steeds meer en meer en het visioen van den vromen monnik, die herhaaldelijk van de kapel uit, een geheimzinnige ladder zag oprijzen tot in den hemel, waarlangs de engelen op en af stegen, 's Heeren en 's Heeien heilige Moeder prijzende en lovende, is algemeen bekend

In 1075 werd het kleine Benedictijner klooster1 verlaten.

Toch werd het heiligdom trouw bezocht en de lieve Moeder Gods trouw vereerd.

Onder die bezoekers muntte de moeder uit van den H. Franciscus. Hier werden hare gebeden om een zoon verhoord, hier bracht zij haar zoon ten offer vóór zijn geboorte, hier gaf dus eigenlijk God den H. Franciscus aan de wereld.

Toen hij geboren was, verscheen een engel, als een pelgrim gekleed, bij zijn wieg, nam hem in zijn armen, als een andere Simeon, en voorspelde groote dingen van het wonderkind.

Hier bracht de vrome moeder van den H. Fransiscus dikwijls haai kind om met haar te bidden. Hier leerde hij eigenlijk Jesus en Maria beminnen en vereeren. Door de genade eindelijk verwonnen, verzaakt Franciscus aan de ijdelheden der wereld, en leidde hij een kluizenaarsleven, bij de kapel. In het

-ocr page 140-

De heilige burcht.

nze blikken waren op Assisië gericht.

Daar boven ligt de H. Stad, de H. Burcht van

F den Serafijnschen Vader.

'i

Maar aleer wij die steile bergen zouden bestijgen,

ging het, — de rijtuigen stonden gereed aan het station, --naar „Onze Lieve Vrouw der Engelen,quot; ook de kerk van Portiuncula genaamd.

Met een heilig ontzag betraden wij de prachtige kerk, en richtten onze schreden naar „het kerkje in de kerkquot; — het kerkje van Portiuncula.

De stichting klimt tot in de hoogste oudheid op. Haar geschiedenis, een aaneenschakeling van wonderen, bewijst dat God zelve, er zijn behagen in stelde, om hier de wieg te bereiden der Serafijnsche Orde, welke de geheele wereld met haar zegeningen zou vervullen.

Verschillend zijn de verhalen over den oorsprong en de stichting van kerk en kerkjes, over den naam van Portiuncula. De naam van „Maria der engelen,quot; werd aan de kleine kapel gegeven, omdat de omliggende bewoners zoo dikwijls, èn bij nacht èn bij dag, het gezang der engelen hoorden, boven het kleine heiligdom. Die van Portiuncula wordt op meer dan één wijze verklaard.

Eenigen meenen, dat het de ware naam is van het Heilig-

-ocr page 141-

127

dom van Hem, die niets wilde bezitten in de wereld, dan dit plekje gronds; — anderen wederom, dat dit kleine strookje gronds den H. Pranciscus was gegeven als zijn erfdeel, - maar anderen, en deze is de waarschijnlijkste, dat in 351 vier vrome kluizenaars van Jeruzalem kwamen in deze landen, en hier hunne kluizen bouwden met een kleine kapel. Zij noemden ze Heiligdom der Moeder Gods van Josaphat, omdat Maria een kort oogenblik in die vallei zoude gerust hebben na haar dood, en zij in het altaar een stukje - portietje. por-tiuncula , van het graf der Moeder Gods, hadden neergelegd. In 516 nam de H. Benedictus de Kapel in bezit en bracht er die breede deuren aan.

De verschijningen der engelen vermenigvuldigden zich steeds meer en meer en het visioen van den vromen monnik, die herhaaldelijk van de kapel uit, een geheimzinnige ladder zag oprijzen tot in den hemel, waarlangs de engelen op en af stegen, 's Heeren en 's Heeien heilige Moeder prijzende en lovende, is algemeen bekend

In 1075 werd het kleine Benedictijner klooster' verlaten.

Toch werd het heiligdom trouw bezocht en de lieve Moeder Gods trouw vereerd.

Onder die bezoekers muntte de moeder uit van den H. Fran-ciscus. Hier werden hare gebeden om een zoon verhoord, hier biacht zij haar zoon ten offer vóór zijn geboorte, hier gaf dus eigenlijk God den H. Franciscus aan de wereld.

Toen hij geboren was, verscheen een engel, als een pelgrim gekleed, bij zijn wieg, nam hem in zijn armen, als een andere Simeon, en voorspelde groote dingen van het wonderkind.

Hier bracht de vrome moeder van den H. Fransiscus dikwijls haar kind om met haar te bidden. Hier leerde hij eigenlijk Jesus en Maria beminnen en vereeren. Door de genade eindelijk verwonnen, verzaakt Franciscus aan de ijdelheden der wereld, en leidde hij een kluizenaarsleven, bij de kapel, In het

-ocr page 142-

128

klooster van den H. Damiaan, dat wij later zullen bezoeken, bad hij eens onder overvloedige tranen voor een kruisbeeld, toen hij eensklaps de woorden hoorde uit den mond des gekruisigden: „Franciscus, ga heen, herstel mijn huis, dat dreigt in te vallen.quot; Hij vatte zulks letterlijk op in zijne nedrigheid, en herstelde met eigen handen ook dit kleine Heiligdom.

Hier werkte hij bij voorkeur in een klein kluisje en bracht dagen en nachten door in het gebed, voor het tabernakel.

Hier ontving hij zijne heilige zending, hier was het hem, alsof de heilige armoede hem verscheen als zijn hemelsche bruid. Hier was de wieg van de H. Orde van Franciscus, hier was de wieg van den Derden Regel. Hier slaakte hij het eerst zijne kreten van liefde: „Mijn God en mijn al! mijn gekruisigde liefde!quot; Hier ontving hij de profetische verzekering van de groote uitbreiding der Orde. Hier ook schreef hij, onder de ingeving Gods, den eersten H. Regel, hier ook, het was te middernacht, en de kloosterlingen trokken haar te gemoet met brandende kaarsen, legde de H. Clara, de dochter des graven Sciffi, haar prachtgewaden af en werd zij door Franciscus gekleed in het kleed der boete, met een grove koord om de lendenen.

Hier, — maar laten wij de geschiedenis spreken. (') Het was in den nacht; Franciscus bad in zijn cel. Daar treden engelen aan en zeggen: „in de kapel wachten u Jesus en Maria.quot; Met den grootsten ootmoed begaf hij zich er heen en zag onzen Heer Jesus Christus en zijn Heilige Moeder, door een menigte engelen omgeven. Plat ter aarde wierp zich de dienaar Gods.

Toen sprak de Heer tot zijn knecht Franciscus: „Franciscus, vraag wat gij wilt voor het heil der zielen, omdat gij de wereld gegeven zijfc als een lichtende fakkel en der Kerk tot steun.quot;

„Allerheiligste Vader en Opperheer, antwooordde de Heilige, ik

') Bollandisten. 4 Octolier, Analecta Pars III.

-ocr page 143-

129

arme en ellendige zondaar, ik bid en smeek U, aan het raenschdom de volgende genade te geven: verleen aan elkeen, die in deze plaats zal komen en in deze kerk treden, vergiffenis en aflaat van al de zonden , welke hij aan een priester zal gebiecht hebben en waarvoor hem boete opgelegd zal zijn. Ik smeek de allerheiligste Maria, uwe Moeder, en de voorspreekster van het mensch-dom, om mijne vraag te steunen en voor mij gunstig te willen spreken tot uwe barmhartige Majesteit.quot; Toen gaf de Koningin der engelen genadig toe aan hot gebed van den gelukzaligen Fransiscus, en begon haren Zoon te smeekén: „Allerhoogste en Almachtige God, ik bid uwe Godheid, en ik vraag ootmoedig, dat uwe Majesteit hot gebed wille verhooren van broeder Franciscus, uwen knecht.quot; De Goddelijke Majesteit antwoordde: „wat gij vraagt, broeder Franciscus, is wel groot, maar gij zijt grooter gunsten waardig. Ik verhoor dus uw nederig smeekgebed. Gij moet echter mijn Stedehouder, Paus Honorius, te Perugia gaan vinden en hem den aflaat namens mij vragen.quot; —

Zooverre de geschiedenis, en op even wonderbare wijze werd de aflaat gegeven en verkondigd.

Maar vele herinneringen, men mag het zeggen, zijn aan de kleine kapel verbonden, en wel voor ons. Tertiarissen, de zoetste.

Hier werd het den Serafijnschen Vader ingegeven om de derde Orde in te stellen en werd het kleine Heiligdom de wieg van den derden Regel. Van hieruit verspreidde hij zich over de geheele wereld.

Hier ook stierf hij.

Op de treden van het H. Altaar op assche neergelegd, met assche bestrooid, gaf de H. Patriarch van Assisië zijn heilige ziel aan God weer. Op het altaar staat zijn beeltenis, zooals hij was bij zijn dood, de glorievolle wonden dragende van den gekruisigden Heiland. Toen was op eens zijn gelaat zoo blank en zoo schoon geworden, toen mocht men ook de nagels zien in handen en voeten, bewegelijk uit vleesch ge-

-ocr page 144-

130

vormd, de wonde ook van zijne zijde, die als een roos scheen te zijn, waaruit bloed druppelde.

De geheele kapel, met hare schilderingen, — de laatste van, Overbeck, — beelden, honderden ex voto's in zilver en goud, i haar tallooze lampen, als sterren flikkerend, - en daarbij zoo eenvoudig met hare ruwe granieten wanden, met hare herinneringen vooral, — blijft U onvergetelijk.

Zij is, wat zij genoemd wordt, volgons de woorden van den Heiligen Franciscus, die, in het marmer uitgebijteld, boven de deur stralen:

„Deze is de Poorte des eeuwigen levens.quot;

Maar wij haddden meer te zien. De bidkapel van den H. Franciscus, een weinig verder, en door de sakristie gaande „lo spinetoquot; of den rozenhof, een klein tuintje, alwaar sedert zeven eeuwen altijd rozen groeien zonder doornen, terwijl de bladeren met vele bloedplekken zijn geteekend. Hier, op den zoom van het bosch weleer, wentelde zich Franciscus in de bramen en doornen en wilde rozenranken, totdat het bloed overal uit het verscheurde lichaam stroomde. Het mocht wel een wondertuin heeten; verplant men de rozen, dan komen er weldra doornen aan en de bloedplekken verdwijnen. Daarna bezochten wij de cel van Franciscus, en keerden diep getroffen naaide kerk terug. Hier wachtte twee onzer, den President en den Directeur van den pelgrimstocht, eene roerende verrassing, een overrijke belooning.

Alle pelgrims waren in de Kapel vergaderd.

De Hoog Eerwaarde Heer Pater Kusters trad voor hen op. Het Heiligdom straalde in tal van lichten Het was een plechtig oogenblik.

In sierlijke, keurige woorden, diepgevoeld, bood hij den beiden Heeren de uitdrukking aller dankbaarheid aan. Hier, zoo sprak hij, hier, bij de wieg der derde Orde, eindigt eigenlijk onze bedevaart. Hier ook willen wij ons kwijten van

-ocr page 145-

131

een duren plicht, - maar daarbij bleef het niet, en zoo vernamen wij dat door een buitengewone, hoogst zeldzame gunst, de Hoog Eerwaarde Pater Generaal Aloysius van Parma, onze leiders had geaffilieerd aan de Otde van den H. Franciscus, en beiden deelachtig gemaakt aan alle verdiensten en goede werken, gebeden, offeranden en boetplegingen der drie Orden van den Heiligen Vader.

Het hart met dank vervuld, namen beiden de gelukwen-schen van alle pelgrims in ontvangst, die zich in en met hen verheugden over de geescelijke onderscheiding, welke hun te beurt viel. Toen trokken wij, lofliederen zingend: „o Franciscus vader der armenquot;, volgens het stichtende, oude gebruik om de kapel, verbleven nog een wijle in gebed, en weldra ging het omhoog naar den H. Burcht.

De H. Burcht, dat is AssisiS. Het allereerst ziet gij links dat machtig groot gebouw op die lange bovenrij gebouwd.

Hier was eens „het veld der helquot; het helleveld; hier, waar de galg stond en de ter dood veroordeelden werden begraven. hier wilde de Vader der armoede en der vernedering rusten.

Zulks was zijn uiterste wil.

Hier zou zijn roemrijk graf wezen: drie kerken, als een driekroon, een tiara van kerken, zich verheffend boven zijn graf, hier het grootste en beroemdste aller kloosters, het Sacro Convento. Langzaam klonterden de kleine doch vlugge paarden omhoog, vaster schroefden zich de hoeven in den harden, stellen i bodem. Steeds heerlijker breidde zich de Umrische vallei uit | achter ons, - een onvergelijkelijk schoon landschap, - overal witte dorpen of steden of stadjes, op de hellingen, in de bergkloven. - Daar rechts, dat is de berg van Alverna. Hier ont-I ving de H. Vader de wonden des Heeren in zijn menschelijk lichaam, van den ge vleugelden Serafijn, Jezus, den goddelijken Serafijn der liefde; — daar, in die klove, meer rechts, daar zijn de Carceri, gevangenissen of beter de spelonken waar de H.

-ocr page 146-

132

Vader zich terugtrok in geestelijke afzondering, tot meer boete nog dan gewoonlijk, — in de diepte rechts ligt San Damiano, het klooster van de H. Clara. Maar dat alles is voor morgen; van avond zullen wij alleen de onovertroffen gezichten genieten van Assisiö uit.

Het Hotel Subasio en de Dépendance waren voor ons bestemd. Om het hotel liep een balkon, en het mocht een genot heeten, daar te staan, de gekruide lucht in te drinken en over dat onmetelijke landschap de oogen te laten gaan , daar den ondergang der zon te volgen, te volgen in zijn verschillende overgangen , kleuren en tinten en schakeeringen. Dat was daar beneden een golven en rollen van goud en purper, dan donker, dan licht, dan in streepen, dan in stroomen. Van de overzijde begonnen de eerste schaduwen zich uit te breiden; donker en duister werd de diepte, het dal, maar de bergen vlamden en flikkerden in de laatste stralen der ondergaande zon. Het Sacro Convento scheen rooskleurig overgoten, en de vensters geleken gulden spiegels, oogverblindend schitterend.

Langzaam daalden, ook van Assisië uit, de schaduwen af als een donker, doch doorzichtig tapijt, om zich bij de basiliek van Portiuncula te vermengen en te versmelten met den donkeren stroom der overzijdsche bergen.

Talrijke klokken zonden hun zilveren avondgroet uit het dal omhoog , en het Angelus luiden der hoogte antwoordde op die stem. Hoort! dat kwam van Portiuncula; — dat is San Damiano; — links dat is Santa Chiara, en daartusschen door bromt de zware Domklok.

Het lied des avonds! —

Alsof de maan op die uitnoodiging gewacht had, trad ze vol en helder aan het uitspansel te voorschijn, en goot haar zilverwaas over het stille dal. Het was een betooverend schoon schouwspel. In stilte stonden wij op het balkon, en genoten het heerlijke gezicht.

I

-ocr page 147-

133

En het was alsof de gestalte, de verschijning van den grooten Heilige alies vervulde. Daar, langs die witte voetpaden, ging hij heen, de handen gekruist op de borst, de oogen ten hemel, zich onderhoudende met de bloemen en de vogelen. Hoe menigen keer klom hij van Portiuncula naar deze hoogte, en liet zijne bloedige voetstappen afgedrukt in het zand der wegen.

Beneden in het dal, voor u uit. ligt San Damiano, dat hij met eigen handen opbouwde en herstelde. Daar woonde de H Clara met hare vrome gezellinnen ; daar verjoeg zij, zoo ge-loovig heldhaftig, de Saracenen, de aartsvijanden van Christus' naam. Op de helling, recht voor u, staat een kapel. Hier zegende Franciscus voor het laatst zij n vaderstad, kort voor zijn dood. Alles spreekt u van hom, de straten en pleinen, de paleizen en hutten, de wegen en stegen, de kerken, vooral de kerken alle.

Het zou u niet verwonderen , zoo gij die uitgevaste gestalte, in het donkerbruine kleed, met die doorboorde handen en voeten, met dat gekroonde hoofd, ontmoettet. „De Heilige!quot; zoudt gij zeggen, terwijl gij stil op zij zoudt gaan, zooals de toenmalige bewoners der stad.

En hij zou u spreken van zijn gekruisigde Liefde, zijn God en Heer en Koning, en van zijn koninklijke bruid, de Armoede.

En weet gij wel waaraan wij dachten in de plechtige stilte van dien heerlijken avond? Aan het oratorio van Tinei, „Franciscusquot; en aan het lied „die Armuth.'' —

Tot morgen! Wij mogen niet te laat tor ruste gaan, want morgen is 't een drukke dag.

Allen zouden of in de Portiuncula-Kerk of op het graf van ,den Heiligequot; tot de H Communie gaan

Vroeg in den morgen waren verreweg de meesten bij het graf van den H. Franciscus neergeknield. De Directeur las de H. Mis, welke met de grootste stichting werd bijgewoond.

-ocr page 148-

134

Op het oogenblik van de H. Communie zag men van uit de duistere hoeken, waar ze op den grond knielden, de pelgrims aandachtig naderen tot de EL Tafel, plaats nemend om het altaar, om zich weer terug te trekken in de donkere schaduwen der machtige pijlers, welke de basilica dragen.

Dat was een treffende H. Communie, een geluk, een zaligheid, op het graf van den Serafijn der liefde den Koning der liefde te ontvangen in het hart, zich met Hem te onder-j houden in de vurigheid des harten, en Hem trouwe te beloven voor het leven.

Toen wij de Krocht verlieten, zagen wij die biddende ge- ! knielde gestalten, in het half-duister wegschuilende, verloren in hun God, in hun Jezus, en de tranen kwamen ons in de

:

oogen. Wij dachten, er is toch maar één weg tot het geluk, en dien weg heeft Hij ons gewezen, Hij, die gezegd heeft: „Ik ben de weg, de waarheid en het leven.quot;

Zulke gedachten hielden ons bezig, toen wij ons naar het Hotel begaven, alwaar de pelgrims, ook zij, die in Portiuncula waren geweest, weldra vergaderd waren.

Na het ontbijt zou de drievoudige kerk en Assisië verder bezichtigd worden, en Assisië, dat wil wat zeggen ! — na Rome } voor ons het gewichtigste.

Een voorhof, met kolommen omgeven, strekt zich uit voor de basilica, en diende vroeger voor de duizenden pelgrims, welke l het graf van onzen H. Vader bezochten.

Een rijk portaal brengt u in de kerk, alwaar aanstonds het heerlijke mausoleum der koningin van Cyprus u in het oog valt. Het is een wondere kerk, uit verschillende gedeelten saamgesteld. Ons troffen die machtige gewelven, gemaakt om een tweede kerk te dragen; — die heerlijke fresco's van Giotto, op de oorspronkelijkste wijze de kloostergeloften voorstellende; de gothieke kapellen rondom, en toen wij in de crypta afdaalden, verdween alles, kunst en rijkdom, bij de gedachte alleen: Onze II Vader

-ocr page 149-

Franciscus, de Serafijn der liefde, de Koning der armoede; — en wij hadden nog slechts behoefte aan bidden, en had men de pelgrims laten geworden, dat graf had al den tijd genomen en gehad.

Zoo kwam het, dat wij langzaam naar de bovenkerk opstegen, die niet meer in gebruik is.

De Italiaansche regeering is ook een allerdwaaste. Zij ontneemt eenvoudig aan de kloosterlingen 'een kerk; zij sluit ze en laat ze vervallen. Van dag tot dag armer, — de regeering meen ik, — zit zij met al die onvergelijkelijke monumenten en schatten in de maag, en kan niet eens fatsoenlijk, passend bewaren, wat eeuwen geloof hebben gebouwd en vergaderd. En waarom? Omdat zij den godsdienst haat.

Waarom de kloosterlingen weggejaagd? Ja, waarom? Zij stonden niemand in den weg.

Kan het gekker?

Toen de kloosterlingen weg waren, werd het grootste gedeelte der gebouwen ingericht voor een school en let wel, — een school voor kinderen van onderwijzers.

De Loge werkt overal op dezelfde wijze. Zij vergiftigt op groote schaal de jeugd, vormt atheïsten, goddeloozen, en dan meent zij wat gedaan te hebben.

Dwazen aller dwazen !

Hier sloeg men een dubbelen slag. Men vormde goddelooze onderwijzers, om een goddeloos geslacht te vormen.

Men vergiftigde de bronnen van het volksonderwijs

Maar de vruchten bleven niet uit.

De anarchisten zorgden voor het bloedige loon, en waarborgen de betaling voor de toekomst. De tijd zal komen, dat men op den verbrijzelden troon van den Roover-Koning zal kunnen schrijven: „de straffe Gods!quot; en dat er een hoofdstuk meer kan gevoegd worden bij de geschiedenis der kerkvervolgers, wier vreeselijke afstraffing een geheim van Gods oordeelen is.

quot;

-ocr page 150-

136

Wij dachten aan het Duitsche spreekwoord

Gottes Muhlen mahlen langsam,

Mahlen aber schrecklich fein

„Mijn is de wrake! en mijn is de tijd!quot; zegt de Heer, en Hij is geduldig, — hij is eeuwig !

In de bovenkerk, vinden wij de geheele geschiedenis van den H. Franciscus, in heerlijke fresco's van Giotto, die wel do i schilder is van den serafijnschen Vader, zooals Dante zijn zanger. Het vormt een ware galerij van schilderingen. Aan de andere zijde zijn de muurschilderingen van Cimabue, die langzaam gaan verdwijnen, door de zorgeloosheid der Italiaansche regeering.

Van die regeering zeggen wij nog eens: zij verstaat de kunst om de kunst te bederven, en het kunstgenot onmogelijk te maken.

Wij verlaten met een beklemd hart die schoone kerk, zoo naakt en leeggeplunderd. Ziet het ontbloote pauselijk altaar, dat eenzaam schijnt te treuren, zooals op Goeden Vrijdag !

Waarlijk, er zijn redenen te over om te weeklagen; een Jeremias warequot;' er noodig voor die moderne Nebuchodonosors. Andere en troostender tooneelen wachtten ons.

En dat was gelukkig.

Assisië, de H. Burcht, is zoo rijk aan aandoenlijke herinneringen.

Onze rijtuigen waren weldra bezet, en de kleine, moedige paardjes renden met ons de steile straten op. Wij konden ons een oordeel vormen over de stad en de omstreken. Aliijd even bekoorlijke gezichten!

Daar staan wij voor do kerk van de H. Clara, nadat wij eerst de „ Stab uloquot; of den stal, waarin Franciscus tusschen os en ezel, even als de Heiland der wereld, geboren is, bezochten.

Het is een kleine kapel geworden, en op den vloer, — beter gezegd op de altaartrede, — leest gij: „Hier in dezen stal, t us-

-ocr page 151-

137

schen os en ezel, is Franciscus geboren, der wereld spiegelquot;

„Hoe oratorium fuit bovis et asini stabulum In quo natus est Franciscus, mandi speculun.^',

Niet verre van den stal stond het ouderlijk huis van den Heiligen Patriarch, het is thans een kerk. Links toont men u nog een soort kelder, waarin zijn vader hem gevangen hield, in het begin, na zijn bekeering.

Franciscus en Clara hooren bij elkander bijna als broeder en zuster. Dat toont u ook de schoone kerk, die wij nu betreden, een mooie, gothische bouw uit 1253, door Fra Filippo di Campello gebouwd. In de overrijk met kostbaar marmer gesmukte crypta zagen wij op een gouden praalbed, rustend te midden van bloemen, het geheel bewaarde lichaam der groote Heilige, een kroon om het hoofd, dat de zoo zeer bekende trekken trouw had bewaard. Wij baden innig en viirig, hier, i en niet minder voor het wonderdadige kruisbeeld, dat tot Franciscus sprak: „ga en steun mijn huis dat invalt,quot; en dat van toen af aan het hoofd opgericht houdt.

Het kruisbeeld speelt een groote rol in het leven van dien door de liefde gekruisigden Held, dien Ridder der liefde, die zijn God gde gekruisigde Liefdequot; noemde.

Wie weet niet, dat hij het kruisbeeld zoo lief had ! O wie weet niet, hoe hij het lied der liefde wist te lezen in die bloedende bladzijden, de verscheurde handen des Heeren ! Hoe het kruis zijn boek was, zoo dat hij dan ook door den gekruisigden Serafijn met de wondteekenen zijns konings ge-teekend werd! Ach! dat zoete tooneel! toen hij, voor dit krucifix staande, verslonden in zijn liefde, met stralende blikken opzag tot den Koning des kruises, en Deze een nagel liet ontglippen uit zijn rechter, en „zijn Ridderquot; met den gekruisigden arm aan zijn hart trok.

Wat een oneindig zoete omarming, wat een versmelting

-ocr page 152-

138

der liefde! Hoort ge? Hij bidt: „O Heer! wil mijn hart en mijn ziel zoo ontsteken, doen branden en smelten door uwe allerzoetste liefde, dat ik sterve uit liefde tot U, zooals gij U gewaardigd hebt te willen sterven uit liefde tot mij.quot;

Maar wij hebben nog een gewichtig iets te bezoeken en te zien.

San Damiano !

Het klooster, waar de H. Clara woonde en stierf, dat Fran-ciscus gedeeltelijk opbouwde met eigen hand. Buiten Assisië daalt een prachtige weg, maar zeer steil, naar de vlakte tusschen bloeiende gaarden en boomen en akkers.

Het was een heerlijke dag. Den nacht te voren had het geregend, gestortregend, met stroomen. Buiten was het frisch, alhoewel warm, maar geen stof; de wegen, vooral do bergwegen, waren letterlijk gewasschen , en de velden bloeiden en groeiden in strijd met de olijfboomen en wilde rozen. Eenigen onder ons plukten de bloeiende olijftakken. Men ademde de heerlijkste lucht in.

Het ging steil naar beneden, doch weldra verklaarde de koetsier, dat hij niet verder reed. Een rijtuig, waarin vier dames wie de weg te voet moeielijk viel, ging iets verder, maar het laatste gedeelte moest te voet afgemaakt worden, hetgeen een algemeene vroolijkheid verwekte.

Zoo kwamen wij voor San Damiano aan.

Klein is het klooster, thans door paters bewoond, maar heerlijk gelegen, zoo in een hoekkom van den berg. De omgeving is allerliefst.

Allervriendelijkst ook werden wij ontvangen en nauwkeurig werd ons alles getoond. Door de kerk gingen wij binnen, en eerst was de oude refter, getuige van zoovele wonderen, het doel van ons bezoek. Hij is nog zooals toen de H. Franciscus on de H. Clara hier verbleven: dood-, treffend eenvoudig en arm, zeer arm. Zwart van ouderdom zijn die muren, die wanden, dat gewelf, — zwart de tafels. Ziet gij daar? daar was.

-ocr page 153-

_ f____—___

I I________

I

139

de H. Abdis gezeten, en deed zij zooveel wonderen. Hier • klonk dat bevel: „breng mij die kleine vaas eens waarinde

olie ontbrak , en die in het vervolg steeds gevuld bleef; hier hadden die vrome gesprekken met den H. Vader plaats, hier ook nam zij op het voorplein afscheid van het heilige lichaam van den serafijnschen Vader, zij en hare zusteren, en zag zij hoe de Girolamo, een machtige edelman, nederknielde en in de handen de stigmata onderzocht en bevond, dat het waren als nagels van vleesch in het vleesch, beweegbaar en volmaakt zichtbaar.

Nog iets bleef ons te zien, waarnaar wij toch groote begeerte hadden.

De H. Clara, zooals wij weten, sloeg eens de Sarracenen op de vlucht.

Als een troep wilde dieren waren ze op Assisiö aangevallen. San Damiano lag buiten de poorten, een prooi dus, licht te bespringen. Het is avond. De vrome zusteren zijn in het gebed om de vrome moeder vergaderd.

Ziet gij ? hier was het, in dit oratorium, uit baksteen opgetrokken ; daar is het altaar. Maar ziet gij naast het altaar dat kastje in den muur, met een ijzeren deurtje gesloten ? Daar werd het Allerheiligste bewaard.

Van buiten klinkt het geraas en het getier der Heidenen, „bezetenen gelijk,quot; zegt het verhaal. De zusters drongen zich saam om de moeder. Triomfkreten werden gehoord, de vijand is nabij, en de ladders staan tegen de muren. Zij zijn verloren.

Verloren?

Clara staat op, zij nadert tot het tabernakel, knielt neer, opent het, neemt de H. Ciborie in hare maagdelijke handen en bidt: „Heer, lever de zielen dezer uwe dienaressen niet in de handen der wilde dieren,quot; en door een stralenglans omgloord, ... .

„Ziet gij! dien weg nam zij;quot; - en wij volgden onzen leider, die het historisch verhaal aan de pelgrims mededeelde.

-ocr page 154-

140

„Komt mede, hier langs, daar heen.quot; Wij stonden voor een dichtgemetseld venster; — „hier aan dit venster verscheen zij, en bad en hield de H. Ciborie als een schild vooruit.

Do Sarracenen vluchtten; met blindheid of dood geslagen stortten zij naar beneden : — de anderen namen ijlings de vlucht.

En God dankend , keerde de vrome schaar terug naar de bidkapel quot;

En wij eveneens naar de kerk, om er een gebed te doen en de relikwieën te bezichtigen, welke in een groote kast in den muur bewaard worden en waaronder vooral onze godvruchtige belangstelling wekte de zilveren ciborie, waarin de H. Clara het H. Sakrament droeg.

Ernstig gestemd traden wij weer naar buiten, in het heerlijk landschap en in de niet minder heerlijke lucht. Wij aanvaardden den steilen terugweg, te voet, een heel eind, tot waar het rijtuig gebleven was, dat zich het verst naar beneden gewaagd had, met een voorspan van vier witte ossen, prachtige dieren, — een konlngsspan. Wie dacht niet aan de Merovingische Koningen, op hun Meivelden op de karre, door vier prachtossen getrokken, zich vertoonend aan hun volk, — en vooruit ging het steeds hooger en hooger, totdat ook wij onze rijtuigen vonden en bestegen, om zoo in razende vaart de steile straten al en langzaam weder op te gaan, om in het hotel af te stappen.

„Uitblazenquot; heette het „voor het diner.quot;

En in de dépendance van het hotel ontdekte een stille liefhebber een zeer goedkoop en uitstekend glas wijn. Weldra waren de meesten bijeen gezeten en laafden den dorst, — want het was warm in de bergen, — aan den „koelen wijn.quot; Ook onze leider verscheen in ons midden en las ons het voor do Maasbode bestemd relaas, onder algemeen applaus voor. Maar het scheen, dat hier moest betaald worden, behalve door de betaling. Een onzer liet er een prachtigen stok staan, dien het onmogelijk scheen terug te krijgen. De tegenwoordige inwo-

-ocr page 155-

141

ners van Assisië zijn niet zoo onthecht van het aardsche als hun heilige Patroon, dien zij ook veel minder vereeren en navolgen dan vroeger, — en hebben veel overeenkomst met hun langvingerig goevernernent — En nu aan tafel!

Het was een vroolijk. door vriendelijken kout en scherts gekruid maal. Een onzer, die jarig was, een waarlijk gouden hart, - die als loon voor zijn braafheid en goedhartigheid een tweede trouwe hart gevonden heeft verleden jaar, — wilde ten eiken prijze de pelgrims onthalen.

En het ging als een kruisvuur heen en weer over de tafel.

De tijd vloog om. Het uur van vertrekken was gekomen.

Nog een blik van het balkon over het verrukkelijk schoon landschap. Dat wilden wij niet vergeten, met al zijn natuurschoon en met de duizenden zoete herinneringen aan onzen Heiligen Vader, die wij dan ook onuitwischbaar in het geheugen hadden geprent. En toen wij de plaats bereikten, waar Fran-ciscus zijn vaderstad zegende, kwam het ons voor, alsof hij ook ovei ons, zijn kinderen uit de verte, zijn zegenende handen uitstrekte en die woorden sprak, den zegen van den H. Pranciscus:

„De Heer zegene u en beware u! De Heer toone u zijn aanschijn en ontferme zich over u! De Heer wende zijne oogen tot u en verleene u vrede! Dat de Heer u zegene! Amen.

H. Vader Pranciscus, bid voor ons!

Vaarwel, Assisië, Vaarwel!

-ocr page 156-

Van den h. burcht naar de h. stede.

li moesten over Poligno naar Ancona.

Niet clan ongaarne scheidden wij van Assiaiö. Wij voelden hier wat ons in Rome door het hart ging. Weemoedig was de blik, die omhoog naar Assisië ging, een laatsten groet brengend aan de Heiligdommen van den H. Burcht.

Wij waren Tertiarissen en de H. Pranciscus is nu eenmaal als onze Koning.

Weer ging het door de Umbrische vallei, zoo onvergelijkelijk schoon. Niet zoo verrukkelijk, wel altijd schoon voor ous, was de weg, die ons over Fabriano naar Ancona bracht, maar zoolang wij langs de Adriatische zee heenspoorden, was het heerlijk; de zee was prachtig en de zeelucht deed ons waarlijk goed. Men ademde ze met gretigheid in, en de zee werd tegen den avond zoo schoon, dat wij het een tref mochten noemen. Wij bewonderden het zoogenaamd „lichtenquot; der zee, het huppelen van die duizenden kleine lichtjes, over de golven uitgegoten, en die alle bewegingen der baren medemaken. Maar eer de avond nederdaalde en onder dien blauwen hemel dat zeevuurwerk een aanvang nam, waren wij getuigen, gedeeltelijk van het rijtuig uit, dat ons voor het grand Hotel Victoria bracht, van een

-ocr page 157-

143

zonsondergang op zee, zoo grootsch als het zelden voorkomt.

Een rijtuig brak een rad in de rails van den tram, doch het belette niet ons genot, zoo werd onze oplettendheid in beslag genomen.

Aan den horizont steeg uit de golven de nevel als een purperen gouden muur op in den blauwen hemel, en van daar rolden over de golven paarsche stroomen. die langzaam een scharlaken tint aannamen, om eindelijk als purper en bloed naar het strand te spoelen. En dat bij de ligging van Ancona, tegen de bergen, met die schoone haven en die machtige dammen, die den golfslag breken, aan haar voet, en daarbij nog later dat wonderlichten der zee, — dan is dat schouwspel niet te vergeten.

Het deed u het grand Hotel Victoria vergeten, met de onaangename omstandigheid van het zoek raken van een koffer, die gelukkig ter elfder ure terecht kwam. Onze laatste herin nering aan Ancona trad ons voor den geest, toen wij van het plein uit een blik wierpen op de citadel der stad.

Ziet gij ? daarboven op de muren, staat een heldhaftige gestalte. Met een verrekijker gewapend, peilt zijn oog den blauwen horizont der Adriatische zee.

Ontmoedigd valt telkens de hand neer, om, als met nieuwe hoop bezield, in dezelfde richting te schouwen.

Wie is die held?

Wie 'tis?

Laraoricière, de held van Castelfldardo, de triumfeerende overwonnene, die zich met de laatst overblijvende troepen, zwichtend voor de overmacht en het verraad, in Ancona heeft geworpen.

Daar staat hij, daar boven. Tranen rollen in den grijzen baard.

Neen, Oostenrijk zal niet helpen. Oostenrijk ook zal den Paus verlaten, overleveren aan zijn lot. Pius JX, Plus de groote, Pius, de Koning, de held, zal moeten bukken en onderdoen.

-ocr page 158-

144

„Het recht wordt nooit overwonnen!quot; zei de held, toen hij voor een oogenblik zijn degen moest overgeven. Hij was krijgsgevangen.

Droevige herinneringen!

Het volk hier is het antipathiekst volk denkbaar. Het schijnen allen spionnen of bandieten te zijn. Foei! welke tronies! En toch is Ancona zeer interessant, met zijn twee triomfbogen op de zeekaden. Een van romeinschen oorsprong en een van roomschen; — een Paus bouwde hem. Beide verkondigen den triomf van den mensch over de macht der zee.

Den volgenden morgen om tien uur zouden wij naar Loreto vertrekken, de Heilige Stede.

Wij waren blijde, dat wij Ancona achter den rug hadden, en die opinie was zoo algemeen, dat wij vrijer ademden, toen wij steeds door de uitloopers der Appenijnen reden, die evenwijdig naar de zee afdalen, en links en rechts een opeenvolging van lachende dalen openen.

Het spoor begint te klimmen

Het gaat naar de H. Stede.

Loreto ! Loreto!

Het oog zocht den machtigen koepel, welke het H. Huisje over-I huift, en bracht, reeds hulde en groet. De rijtuigen stonden I gereed en wij mochten onze koffers in de coupé's laten, — de j stationschef bleet er met genoegen borg voor. — Hoe dankten wij onzen president, Mr. Stallenberg, voor zijn welgeslaagde be-i moeiingen.

Wij wisten zulks des te meer te schatten, wijl wij eens een aankomst te Loreto hadden meegemaakt, half in den nacht, met alle denkbare en ondenkbare, mogelijke en onmogelijke rijtuigen, karren, karretjes, wagentjes, met bijna alle mogelijke dieren bespannen. Zoo iets hebben wij van ons leven niet meer gezien. Het leek wel een uittocht van Israel uit Egypte.

Ondervinding leert.

-ocr page 159-

1

1 1 1

145

In Loreto zouden wij niet overnachten, alleen den dag doorbrengen, ten einde 's avonds te Bologna te kunnen zijn.

Langzaam klommen de rijtuigen en al heerlijker werd het gezicht over de vlakte ; tot aan zee gaat uw oog.

Maar nog hadden wij voor dit alles geen oogen. Het heiligdom der lieve Moeder Gods, de heilige kleine woning, trok ons te machtig aan.

Wij gunden ons geen rust. Onze leider zou om half twaalf de H. Mis opdragen, in de Santa Casa aan het genade-altaar, voor het wonderdadige beeld. Weldra waren allen in het Heilige Huisje vereenigd in innig gebed.

Het was zielroerend. Men hoorde niets dan het gaan der rozenkranzen door de vingers en het fluisteren van biddende lippen. Iedereen ontving hier denzelfden indruk. Italië 's groote en ongelukkige dichter, de zanger van het „verlost Jerusalem,quot; kwam ook hier ter bedevaart, en zong van „die heilige ster der zee,quot; zijn troost en zijn licht op de groote,

^ wijde zee, te midden der orkanen en stormwinden.

!

jrEcco fïa la tempeste, e i fiere venti Di quasto grande e spazioso mare,

0 Santa Stella, il tu splendor m'ha scorlo,

Ch'illustra e scalda pur l'humane menti '

Na het evangelie mochten wij een diep gevoeld woord, waarlijk uit het hart opstijgend, hooren van den Celebrans, een woord dat de tranen naar de oogen dreef. Hier alzoo is het groote geheim der menschwording voltrokken. Hier ontrolde zich die heilige, gouden keten van wonderen, die men het leven van Jezus noemt. Hier was Hij onderdanig, hier stond de bank, waarvoor Hij werkte met zijn voedstervader, onder het oog van zijne Moeder. Hier werkte Hij in het zweet zijns aan-schijns. Hier bereidde Hij zich voor tot zijn volgend leven.

Door dat venster zweefde de aartsengel binnen, de hemelbode van het groote geheim. Hier klonken de woorden: „wees

10

-ocr page 160-

14G

gegroet, Maria, vol van genade, de Heer is met U, gezegend zijt Gij onder alle vrouwen.quot; Die muren hebben ze gehoord.

Ook hoorden zij dat andere woord: „zie, Ik ben een dienstmaagd des Heeren, Mij geschiede naar zijn woord.quot;

Toen juichten Hemel en aarde!

Het menschdom was verlost.

En het quot;Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond.

Machtige, groote gedachten!

En de priester ging voort.

Wanneer zoo aanstonds bij de woorden der H. Consecratie Jezus nederdaalt, dan telt de H. Woon weer haar eerste bewoners. Bidt dus met vertrouwen, bidt tot de H. Familie voor uwe familie , voor uwe bloedverwanten in het lieve vaderland.

Enkelen naderden tot de H Tafel.

Zoo sloot de morgen.

Na ons tweede ontbijt, dat zeer goed was, in de Campa-nella. verreweg het beste hotel, werd ons medegedeeld, dat wij om twee uur in de Santa. Casa zouden bijeenkomen, om den rozenkrans te bidden voor onze dierbaren in Nederland, geheel bijzonder om een stichtend woord te hooien van den Z. E, Heer Pastoor Masker.

Wie Pastoor Masker kent, en hem in Sittard meer gehoord heeft, die weet wat een godvruchtig genot zij te wachten hebben, die het voorrecht genieten, onder zijn gehoor te mogen zijn. Zoo was het ook hier.

Verteederend door innige godsvrucht, waren zijn woorden gedragen door een levendig geloof en een vurige liefde, gesteund door een talent, dat nooit naar het woord behoeft te zoeken. Hij bewees een keer te meer, dat het hart alleen de ware welsprekendheid geeft.

Toen werd het H. Huisje in alle bijzonderheden onder zocht, en ik geloof dat wij het allen eens waren in één punt:

-ocr page 161-

147

die arme steenen, dat arm huisje van binnen, greep meer nog aan in de ziel, dan die heerlijke marmeren kapel, die het hult in een marmeren mantel, in weerwil van de meesterhand van alle bouwmeesters en beeldhouwers, tot Sansovino toe, in weerwil van de schoone bronzen deuren.

Wel troffen zij ons, die diepe gleuven in den marmeren rand , uitgehold door de knieën der geloovigen.

Het binnenste, al is het maar 4,20 hoog, 8.80 lang en 3.90 meter breed, bood ons, — met het cederhouten beeld der Moeder Gods door Sint Lucas, met juweelen overdekt, schitterend van ongekenden gloed in het licht der talrijke gouden en zilveren lampen, — zoo als het scheen, alle aantrekkelijkheden

De schatkamer, zeer rijk aan waarde, maar niet aan kunstwaarde , werd ook bezocht en met ontroerd gemoed een blik geworpen van het venster uit, op het roemvolle slagveld van Castelfidardo, alwaar verraden en verkocht, het pauselijk leger geslagen werd door Piëmonteezen.

Wij noemen hen, die daar gesneuveld zijn, de martelaren der 19' eeuw.

En dat zijn ze!

En wij hebben voor de rust hunner zielen gebeden. Het was plicht. Vele landgenooten waren onder hen. Hier in de kerk, onder dien trotschen koepel, voor dat H. Huisje, hier lagen de gekwetsten in lange rijen. Daar, aan het altaar der Annun-tiatie, werkten de dokters in een zee van bloed. Stervenden, doo-den, gekwetsten lagen naast elkander en Fransche liefdezusters schenen in stilte te zweven langs de droevige gelederen.

Hoort, daar heft opeens een krachtige stem het „de Profun-disquot; aan, en een zacht gemompel gaat door de kerk, dat luider wordt, naarmate het tot de Santa Casa nadert. Hier sleepten zich eenige zouaven, met stof en bloed bedekt, uitgeput en afgetobt, tot aan de twee deuren, om de H. Communie te mogen ontvangen.

-ocr page 162-

148

I

Treurige, glorievolle herinneringen! Bladzijden uit de geschiedenis mefc bloed beschreven, de namen der martelaren geboekt ter eeuwige glorie.

Maar voor ons werd het tijd, „de klok weder te luiden.' „Campanellaquot; beteekent klokje - een aardigheid van een Maastrichtenaar, die voorgaf dat de hongerklok luidde in zijn binnenstquot;

En het geluid der Campanella, ons hotel te Loreto, was buitengewoon, en wij waren zeer tevreden en verlieten in de aangenaamste stemming de H. Stede. Biddend echter, zooals het pelgrims past, den rozenkrans en vooral de litanie, de loretaansche van de lieve Moeder Gods. Tot Bologna toe bleef dat ons lievelingsgebed, en wij konden niet ophouden, die zoete lieve Moeder te loven en te prijzen.

Het ging langzaam terug naar het vaderland.

Elk heiligdom, dat wij verlieten, deed ons aan scheiden denken. Het was ook een scheiding, en iets, hoe voldaan wij ook waren , iets van een weemoedig gevoel maakte zich van ons meester.

Bleef ons nog Padua te zien en den grooten Heiligen Antonius te vereeren!

Bologna was echter eerst aan de beurt.

-ocr page 163-

Bologna.

jier zouden wij overnachten. Wij kwamen wel laat, — 12 uur, — maar altijd op de minuut aan. Rijtuigen waren aan liet station en om half een was alles in de rust, in de twee beste hotels, do Aquila Nera en de Pelligrino.

Bologna, de geleerde, met Avignon de tweede stad der Pausen , de vaderstad van de II. Catharina, de begraafplaats van den H. Dominicus, Bologna beloofde veel en de tijd was kort.

Vroeg waren do pelgrims bij de hand en natuurlijk op weg naar de kerk van de H. Catharina van Bologna, wier wonderlijk bewaard lichaam daar vereerd wordt.

liet was Zondag. De meesten naderden tot de H. Tafel. Na de H. Mis begaf men zich naar de kleine koepclkapel, waaide II. Catharina zetelt, beter prijkt op een troon. Donkerge-bruind is het gelaat der Heilige, het hoofd met een van edelgesteenten schitterende kroon gedekt, in goud laken gekleed, dat alleen de handen en voeten zichtbaar Iaat. De voeten onder glas gezet, om ze te beschermen tegen alle pogingen, relikwieën er van mede te nemen. De vingers der handen zijn met talrijke kostbare ringen bedekt, — onder anderen een van Pius IX, — door hare vereerders aangeboden.

Wonderbaar is God de Heer in zijne Heiligen! Zij, die door

-ocr page 164-

150

bovennatuurlijke heiligheid op bijzondere wijze hun lichaam aan alle bederf, zoo stoffelijk als geestelijk, hebben onttrokken, schijnen er een onbederflijkheid aan te hebben medegedeeld, tot lange eeuwen soms na hun dood.

Ecnige pelgrims wierpen een blik in de groote San Petronio — den Dom von Bologna, met zijn opvallenden, centonigen, maar zoo grootsch werkenden gevel, — anderen op de twee hangende torens, — weer anderen spoedden naar San Domi-nico om in de overheerlijke kapel van dien naam het allerkostbaarst praalgraaf van den groeten Ordestichter te bewonderen, met de twee engeltjes, links en rechts van het altaar geplaatst, die aan Michel-Angelo worden toegeschreven en die ook ware prachtstukjes zijn, de eene vooral, dienaar verre engelkoren schijnt te luisteren.

Een rit door de straten, naar het station, stelde ons voldoende in staat, ons een denkbeeld te vormen van de schoone en volkrijke stad.

-ocr page 165-

Oe stad van den heilige.

quot;w. ƒ-oor de geloovigen dezer streken en do bewoners mn Padua bestaat eigenlijk maar één Heilige, ,.il ■ Tm ■.,] santoquot; zooals zij hem noemen. ... san Antonio, de H Antonius.

Bij dien naam rijst een lieflijk beeld voor uw geest, onvergelijkelijk lief en aantrekkelijk. Verteederd, de spiegel van een allerreinste maagdèlijke ziel, iets lelieachtigs, staat hij daar, aan het stof onttogen, een engel in den vleesche, verloren in de aanschouwing van het kindeken Jezus, dat in dien Kerstnacht, — voor hem zoo treurig, daar hij, ver van kerk en altaar, zijn God niet kon ontvangen, — wilde komen tot zijn „lievelingquot; om hem te troosten, te rusten op zijn arm, te leunen aan zijn borst, hart aan hart met hem, terwijl de hemelkoren kerstliederen zongen, het „gloria in exelcis Deo!quot; en de aarde den vrede des hemels toejuichten, den menschen beloofd die van goeden wille waren.

Kent gij een lieflijker beeld?

Begrijpt gij, dat wij haast hadden, den dom te betreden? i Maar eerst moeten wij naar het hotel, de „Stella d'oro,quot; de Gouden Ster. Het verdient wel dien naam, maar deed ons dadelijk aan die andere ster denken, die opging aan dezen

-ocr page 166-

152

hemel, om er te schitteren met ongekenden luister, aan den H. Antonius.

Aan het station vonden wij een Hollandschen Pater, bij de basiliek wonende in het klooster. Innemend en vriendelijk vonden wij dien Pater, zooals overal waar wij ze leerden kennen in hunne dienstvaardige vriendschap.

In Rome dien uitstekenden en zoo fijn beschaafden Pater Bonaventura de Roubaix, te Assisie Pater Spee, onze gids in de Drie-kerk, en hier te Padua viel ons hetzelfde voorrecht ten deel.

Zoo ging het dan tegen drie uur naar den Dom. Wij mogen het hier wel zeggen, onder meer was ook aan de keuken gedacht. Onze Nederlandsche magen zouden met olie en andere Italiaansche lekkernijen slecht overweg gekunnen hebben, en or werd meer dan eens, vooral naar Assisië en Loreto, getelegrafeerd : „geen oliequot;, — en dat is noodig, hoogst noodig; wij weten zulks uit vroegere ervaringen, in genoemde plaatsen opgedaan.

Onze President had altijd aan alles gedacht, en wij konden met de grootste gerustheid alles afwachten

Met verwondering staarden wij op het Domplein de kerk aan, welke de godsvrucht der eeuwen voor „den Heiligequot; gebouwd heeft.

Het is een ware kolos in kruisvorm, met zeven koepels, waarvan de centrale 38 meter hoog is, en 306 meter omvang telt, terwijl talrijke torens tusschen de ronde daken opschieten. Het reusachtige gebouw, dat 115 meter lengte en 55 breedte meet, is thans geheel gewit van binnen, maar indrukwekkend bovenmate en in zijn bijzonderheden zeer rijk Te beginnen met de kapel van den H Antonius, bij de intrede aan de linkerhand. Zij mag wel een juweeltje genoemd worden , met dat gewelf zoo rijk en dat altaar, boven het graf van den H. Antonius opgericht, waarheen een tiental treden leiden.

-ocr page 167-

153

De wanden der kapel zelve zijn met meesterlijke marmer-reliefs van de beste meesters, de wonderen van den H. Antonius voorstellende, verrijkt; links en rechts van het altaar rijzen twee overgroote zilveren kandelaars op, door marmeren engelen gedragen, die op een voetstuk staan, dat ongelooflijk rijk is aan bloemen en ranken en takken en vruchten; — met verbazing schouwt men op zulk een werk.

Maar nu had de kunst haar deel gehad. De godsvrucht eischte het hare. Wij lagen geknield voor het altaar, dat de relikwieën van den Heilige bevat, in een sarcophaag van groen marmer, toen de stemmen der paters een kort Lof zongen ter eere van den H. Antonius, maar ook een weinig ter eere van de Ilollandsche pelgrims, hun broeders in de Derde Orde.

Eén gezang trof meer dan alle andere onze aandacht Men kent de geschiedenis. Toen den 8 April 1263 het graf geopend werd . waarin sedert twee en dertig jaar de heilige overblijfselen rustten, om ze naar de heerlijke Basiliek, ter zijner eere gebouwd , in plechtstatigen optocht over te brengen , vond men zijn tong nog als levend, rood en frisch. De H. Bonavcntura, de groote kerkleeraar, toen Generaal der Minderbroeders, woonde deze plechtigheid bij. Diep getroffen bij het zien van dit wonder, nam hij met den grootsten eerbied de gezegende tong in zijn handen en riep uit met tranen in do oogen; ,,o gezegende tong! welke steeds den Heer geprezen hebt en door anderen deed prijzen, hoe duidelijk ziet men nu, hoe groot uwe verdiensten waren bij God!quot;

Deze woorden hief men aan ter eere van den grooten Heilige van Padua.

Toen nam de hollandsche Pater het woord, om ons in treffende bewoordingen den lof van den H. Antonius te verkondigen en ons vertrouwen aan te wakkeren, waarna wij allen de schatkamer bezochten, die onnoemelijke schatten bevat.

-ocr page 168-

15-i

welker waarde, evenals te Lorette , meer in het kostbaar metaal dan in de kunst bestond.

Tot bijna zeven uur verbleven wij biddend voor het graf van onzen Heiligen Schutspatroon.

Toen werd de avond verder in gezellig samenzijn doorgebracht. Men telde de dagen, dat men nog bij elkander zou zijn, en men wilde er nog van genieten.

s Morgens vroeg vond men allen voor het altaar van den Heilige. Men naderde tot de H. Tafel, onder de H. Mis, welke de Hoogeerwaarde Pater Kusters, pastoor der Kosalia-kerk te Rotterdam, voor de pelgrims zou opdragen. Na het evangelie verraste de als redenaar zoo gunstig bekende Pastoor, ons met een keurige aanspraak. Hij zelve draagt den kloosternaam van Antonius; hij sprak dus voor en ter eere van zijn patroon, en uit het hart kwam dat indrukwekkende woord, dat dien held der liefde, den H. Antonius, gold, ons aller godsvrucht verlevendigde, ons vertrouwen sterkte, en onze gebeden des te vuriger ten hemel deed opstijgen. Toen werd ook de redenaar, die altijd met een zoo stichtende en innemende hartelijkheid in ons midden verkeerde, allen tot troost en voorbeeld.

Het was eigenlijk de laatste godvruchtige groote halte onzer bedevaart. Zij heette naar Rome, Assisië, Loreto en Padua. Padua was het laatste, en men scheen niet genoeg te kunnen bidden.

Te Padua stemt alles tot gebed. Wanneer gij de geloovi-gen der streek zaagt ommegaan om altaar en graftombe, om telkens te blijven stilstaan, de hand te leggen op het groene marmer, dat het kostbare lichaam insluit, en bidden, bidden, met hunne lippen den steen rakend, — dat ging u door de ziel.

In kinderlijke godsvrucht deden wij ook den ommegang en baden voor al onze dierbaren, voor onze vrienden en bekenden , en dachten aan het vaderland, waar de H. Antonius zoo zeer vereerd wordt, en dachten ook, wat een heiligen

-ocr page 169-

155

band het gebed toch strengelt tusschen de zielen, en met welk een macht die gulden keten de harten aaneen snoert, met zoet geweld. „Op! het is tijd7', klonk het achter ons, „ontbijten en vertrekken !quot;

Nog een gebed en wij verlieten de kerk van „den Heiligequot;, om ze waarschijnlijk nooit meer te betreden. Daarover dachten wij, en ook aan die groote bedevaart des levens, — een pelgrimstocht ook, — die aan het graf eindigt en ons in den hemel bij God en zijne zoete Heiligen doet aanlander.

In het hotel waren de meesten reeds aan tafel.

„Nu naar Venetiëquot;! klonk het ons tegemoet, en een der onzen zong ons ten groet:

J'ai vu les monts de l'IIelvétie Et Venise et ses gondeliers...

Weldra waren wij allen klaar en op weg naar het station, waar de trein ons opnam, om ons te brengen naar de stad dei-wonderen , de stad der lagunen, de Bruid der Adria.

-ocr page 170-

-De bruid der adria.

Tpsisps^l usschen rijke velden, schitterende tuinen, boschjes, bevolkt met gevederde zangers en marmeren be-weners, in bloemen en groen verborgen, onder een wolkenloozen hemel, spoedden wij heen. Het blijft altijd nieuw.

Ook hier dachten wij, de lucht wordt koel, de zee is nabij. Het scheen alsof onze trein zich in de golven ging werpen. Het was tegen elf uur 's morgens; de lucht was ongekend ^acht en zoet, door duizenden planten en bloemen gekruid, die alleen op Italiaanschen bodem ontluiken.

Mestre is het laatste station.

Daar rollen wij heen over een brug, die 222 bogen en 3600 meter lengte telt, midden door en over de golven der zee.

Venetië is op zich zelve een wereld. Zij gelijkt op geen enkele stad, — het is een idylle en een heldendicht.

Het is niet mogelijk, zich iets treffenders voor te stellen dan die stad, die op eens zich uit de zee verheft en op de golven schijnt te zwemmen. Van alle kanten paleizen, geheimzinnige verblijven, bruggen, hoog in de lucht geworpen, met duizenden bezet, — alles stil en doodsch, geen gedruisch, geen rijtuigen, geen paardengebriesch, — het regelmatig slaan dei-roeispanen in de wateren het geroep der gondeliers, een bijna

-ocr page 171-

157

aanhoudend harmonisch klokkengelui, 's Avonds zou men meenen, een nachtelijk feest, op onbekende oevers door een too-venaar bereid, bij te wonen.

Gij moet quot;Venetië 'savonds, bij nacht zien.

En wij zullen het 's nachts zien, in feërieke pracht.

Na aankomst in het hotel „Lunaquot; spoedden wij naar het wereldbekende Sint Marcusplein , het Venetiaansche forum.

Elke marmersteen van den vloer is een bladzijde uit de geschiedenis der republiek.

Bij den eersten aanblik staat men in waarheid verstomd. Het is zonder twijfel het schoonste plein der wereld, meteen lengte van 175 en een breedte van 57 meter, van paleizen omgeven, die gelijkvloers op onafzienbare zuilenrijen rusten, waar schitterende winkels en restauratiSn de diepten van bezitten. Bij slecht weer zijn ze de wandelplaats van het publiek. Her-heeft iets karakteristieks oostersch, iets eenigs, iets uit duizend en ééne nacht. Gij vindt het nergens weer. Onwillekeurig blijft gij staan, om uwe blikken over het geheel te laten gaan, te rusten op de vergulde koepels en frontons en gevels en ; torentjes van dien droom uit het oosten, zoo phantastisch en ietwat grillig: voor ons ligt de Sint Marcuskerk. Zoo iets hadt gij niet mogelijk gedacht, zoo iets kon uwe verbeelding u niet voorstellen. Gij denkt in den geest aan Constan-tinopel en de Aya Sophia.

Ziet gij die drie cedermasten op voetstukken zich verheffen? Zij staan daar als de zinnebeelden der drie koninkrijken Morea, Candia en Cyprus. Venetië, zelve een republiek, stelde er prijs op, zich de drie-koningrijken-republiek te noemen. Maar rechts om! de zee ? - Ja en neen. De zee, — maar een soort van binnenzee , op het eind der piazzetta ; — dit plein is het kleine; het groote is de piazza, waarvan wij reeds spraken. Links het paleis der Dogen, in koninklijke pracht; rechts de vroegere munt, thans koninklijk paleis, en weldra stonden

-ocr page 172-

ÜE BRUID DER ADRIA.

■^SSSS^j] usschen rijke velden, schitterende tuinen, boschjes, bevolkt met gevederde zangers en marmeren be-vvoners, in bloemen en groen verborgen, ouder een wolkenloozen hemel, spoedden wij heen. Het blijft altijd nieuw.

Ook hier dachten wij, de lucht wordt koel, de zee is nabij. Het scheen alsof onze trein zich in de golven ging werpen. Het was tegen elf uur 's morgens; de lucht was ongekend zacht en zoet, door duizenden planton en bloemen gekruid, die alleen op Italiaanschen bodem ontluiken.

Mestre is het laatste station.

Daar rollen wij heen over een brug, die 222 bogen cn 3600 meter lengte telt, midden door en over de golven der zee.

Venetië is op zich zelve een wereld. Zij gelijkt op geen enkele stad, — het is een idylle en een heldendicht.

Het is niet mogelijk, zich iets treffenders voor te stellen dan die stad, die op eens zich uit de zee verheft en op de golven schijnt te zwemmen. Van alle kanten paleizen, geheimzin-j nige verblijven, bruggen, hoog in de lucht geworpen, met duizenden bezet, — alles stil en doodsch, geen gedruisch, geen rijtuigen, geen paardengebriesch, — het regelmatig slaan dei-roeispanen in de wateren het geroep der gondeliers, een bijna

-ocr page 173-

157

aanhoudend harmonisch klokkengelui, 's Avonds zou men raeenen, een nachtelijk feest, op onbekende oevers door een too-venaar bereid, bij te wonen.

Gij moet Venetië 'savonds, bij nacht zien.

En wij zullen het 's nachts zien, in feërieke pracht.

Na aankomst in het hotel „Limaquot; spoedden wij naar het wereldbekende Sint Marcusplein , het Venetiaansche forum.

Elke marmersteen van den vloer is een bladzijde uit de geschiedenis der republiek.

Bij den eersten aanblik staat men in waarheid verstomd. Het is zonder twijfel het schoonste plein der wereld, meteen lengte van 175 en een breedte van 57 meter, van paleizen omgeven, die gelijkvloers op onafzienbare zuilenrijen rusten, waar schitterende winkels en restauratiën de diepten van bezitten. Bij slecht weer zijn ze de wandelplaats van het publiek. Het heeft iets karakteristieks oostersch, iets eenigs, iets uit duizend en ééne nacht. Gij vindt het nergens weer. Onwillekeurig blijft gij staan, om uwe blikken over het geheel te laten gaan, te rusten op de vergulde koepels en frontons en gevels en torentjes van dien droom uit het oosten, zoo phantastisch en ietwat grillig: voor ons ligt de Sint Marcuskerk. Zoo iets hadt gij niet mogelijk gedacht, zoo iets kon uwe verbeelding u niet voorstellen. Gij denkt in den geest aan Constan-tinopel en de Aya Sophia.

Ziet gij die drie cedermasten op voetstukken zich verheffen? Zij staan daar als de zinnebeelden der drie koninkrijken Morea, Candia en Cyprus. Venetië, zelve een republiek, stelde er prijs op, zich de drie-koningrijken-republiek te noemen. Maar rechts om! de zee? — Ja en neen. De zee,— maar een soort van binnenzee , op het eind der piazzetta; - dit plein is het kleine; het groote is de piazza, waarvan wij reeds spraken. Links het paleis der Dogen, in koninklijke pracht; rechts de vroegere munt, thans koninklijk paleis, en weldra stonden

-ocr page 174-

158

wij voor de blauwe wateren van de zee, en hadden een blik rechts in het groot kanaal, met zijn twee rijen prachtige paleizen.

Hier ook staan twee kolommen. De eene draagt een wit marmeren leeuw; de andere het beeld van den H. Theodoras, patroon der zeelieden. Sint Marcus, zooals wij weten, heeft een leeuw als zinnebeeld. Zoo vindt gij overal den leeuw, den leeuw van Venetië, en overal, waar hij zijn machtig gebrul heeft doen hooren , heeft hij ook gezegevierd.

Venetië was ook een volk van koningen, en koninklijke pracht ontvouwden de Venetiaansche edelen bij hun ongeëvenaarde feesten. Wat een paleizen langs het kanaal, wat een paleizen in de stad, wat een kwistige overvloed van bouwkunstige sieraden langs die fagaden, opgestapeld langs het Canal grande! Gij doorleeft eene geschiedenis, wanneer de gondelier de namen der paleizen als een gulden keten voor u ontrolt. Dan volgen de namen der edelste, der roemvolste geslachten: Dandolo, Contarini, Tiepolo, Foscari, Steno, Moncenigo, Cornaro , Giustiniani, Grimani. Van hier gingen die machtige vloten uit, welker ankers het machtige Byzantium deden beven. Gij ziet, ze staan, die zeehelden, allen - tot den tachtigjarigen Dandolo toe, die, alhoewel blind, het beleg van Constantinopel van de zeezijde leidde, en Boudewijn IX als Keizer van het Oosten kroonde - in de Sint Sophiakerk. Straks zult gij die gebeurtenissen meesterlijk afgeschilderd zien, in het Dogenpaleis, en daarboven, in het midden der glorievolle rijen dei-Dogen, is een plaats leeg. Wat gaapt zij akelig, die zwarte opening! — Hier is de plaats van Marino Faliero, onthoofd om zijn misdaden

Want er heeft veel bloed gestroomd in de geschiedenis dei-Republiek. Een brug verbindt de gevangenissen met de ge-gerechtshoven, de „brug der zuchtenquot; noemde men ze, en alle overdrijving op zij gelaten, slachtoffers genoeg zijn er over heen gegaan want he- was een geheimzinnige regeering.

-ocr page 175-

159

Zij sloeg en trof in het duister, en menig lijk bracht in stilte de zwarte gondel uit het kanaal Urfano naar de hooge zee.

Ook menige naamlooze aanklacht werd er gestoken in dien vraatzuchtigen muil, geopend bij het paleis, die ze te dikwijls in bloedstralen teruggaf.

Ons eerste bezoek gold de kerk van Sint Marcus.

Wij hadden Sint Pieter gezien en Rome's wonderwerken, den bloemendom van Florence, den marmeren dom van Milaan, en daarna nog staan wij voor den ingang, in de voorhallen, stil, met verbazing geslagen. Het is een andere wereld, die u omringt, - iets geheel nieuws, iets oostersch, iets van een ongeziene pracht!

Gij gelooft uw oogen niet! Die zuilen van kostbaar marmer overal, die gewelven en die gevels reeds, die met goudmozaiek bezet zijn, zoo frisch, zoo stralend als bij hun schepping , — want het is een kunstschepping van den eersten rang; — daarachter die vergulde koepels, waartegen de prachtige bronzen groep van Corinthe, de paarden van Lysippus, zich afteekenen.

Die kerk met haar oostersche pracht, op een oosterschen, zoeten, milden hemel berekend, een groep van koepels onder den blauwen doorzichtigen hemelkoepel, is voor het zonnelicht gemaakt; — zij moet voor u liggen, in het zonnegoud gebaad, overstroomd door een warmen stralenden gloed. Dan eerst komt zij tot haar recht, vooral op dit prachtige met wit marmer bevloerde plein.

Laten wij nu binnen treden. De indruk, dien gij ontvingt, wordt sterker. — Neen! zoo iets heb ik nog niet gezien, en al is men moe gezien na een reis als de onze, dit is nieuw, geheel nieuw; — het is het phantastieke in de kunst:-die doorzichtige koepels, met hun glanzend gouden velden, met heiligen bevolkt, afdalend in al hun pracht op die galerijen, langs die muren, tot aan den vloer, in de kostbaarste mar-mermozaiek, die het oog streelt en alle begrip te boven gaat.

-ocr page 176-

160

Hier is niets dat niet buitengewoon is. Ziet maar rond, leest dat gedicht in mozaiek en marmer. In de tiende eeuw ontstond de romaansche bouw, maar in de twaalfde ontving ze dat keizerlijk byzantijnsche kleed, uit goud en edelsteenen gemaakt, als het keizerkleed der byzantijnsche Cesars.

Wat harmonische vormen, die lengte van 76 en een halven meter, die breedte van bijna 62!

Meer dan 500 kolommen, van allerlei soorten kostbaarst marmer, met kapiteelen van alle stijlen versieren het binnenste; bijna alle komen uit het Oosten en de mozaieken beslaan een oppervlakte van 4240 vierkante meter, — een wereld in mozaiek.

Waar zou men zulk een overvloed van kostbaar marmer en brons vinden? En het is alles kunst en zeer veel Oostersche i kunst.

Ziet die twee ambones, ziet die rij van standbeelden, de Apostelen voorstellende; die machtige bronzen kandelaars, die baldakijnen, kleine en groote, overal, en nu, wat een hoogaltaar ! — baldakijn van verde antico met kolommen en I een aaneenschakeling van bas reliefs, — de pala d'oro of gouden plaat, een kunststuk in goud , email, niello , edelgesteenten en parelen, zonder weerga, veel rijker nog dan het gouden altaar van San Ambrogio te Milaan; dan die bronzen deuren van Sansovino, die albasten doorschijnende kolommen, volgens de overlevering uit den tempel van Salomon.

Half verblind door al die pracht, treedt men naar buiten in het waarlijk gouden zonnelicht. Hier, zoo hoorden wij, hier had eens een grootsche plechtigheid plaats. Hier | ziet gij twee prachtige optochten naderen tot de kerk: van den zeekant over de Piazetta een geestelijke stoet, van het plein uit een ridderlijk wereldlijke; waar gij nu staat ontmoetten ze elkander. Onder een troonhemel gedragen, nadert Alexander de derde, de grootste paus zijner eeuw; onder een

-ocr page 177-

161

troonhemel ook treedt de machtige gestalte aan van den grooten Keizer Prederik Barbarossa.

Groot ja! maar/iei grootst omdat hij zichzelven overwon, — zijn ongelijk kon erkennen, erkende en vergiffenis vroeg.

Hier viel hij den Paus te voet en wilde hem de voeten kussen, — die drie roocïe steenen dienen ter herinnering, — maar Alexander vatte hem op in zijne armen en gaf hem den kus des vredes, temidden van het jubelend volk, dat weende van I ontroering.

Paus en Keizer traden hand in hand in de prachtige basiliek

Dat waren grootsche tijden.

Denkt er aan, wij zullen dit grootsche tooneel door een grooten schilder afgebeeld zien in het paleis der Dogen. De verzoening, ook was het werk van den Doge Sabastiano Ziani. Van het paleis des Konings der Koningen, door de gebieders der Koninklijke republiek Hem ter eere gebouwd, gaan wij naar hun eigen paleis.

Die twee paleizen passen bij elkaar

Ook dit paleis werd vijfmaal vernield, en vijfmaal altijd prachtiger opgebouwd. Het laatst was het van 1424 tot 1442 in gothischen stijl, door Giovanni Bartholo Buon. De beide gevels zijn ongeveer 75 meterlang. Zuilenrijen verheffen zich | op zuilenrijen en omvatten de loggia of balkon, dat tusschen twee kolommen van rood marmer, kostbaar versierd, vooruit springt. Hier deed de Republiek haar doodvonnissen afkondigen. Hier de dood, ginds het bevel; - dat is de petra del Bando, een blok porfier, van waar de wetten aan het volk weiden meegedeeld. De kapiteelen der kolonnaden van het paleis, vormen de allerkurieuste collectie, mogelijk van motieven aan het Heidendom, het Christendom, tot aan het Jodendom toe, ontleend.

Heerlijk ook verheft zich de ingangspoort, de Porta della I Carta, zoo genoemd omdat de Regeering hier hare proclamaties

I 11

-ocr page 178-

1()2

aanplakte. Het binnenhof, min of meer onregelmatig, is een der schoonste der wereld. Maar wij staan voor de reuzen-trap, naar de groote standbeelden van Mars en Neptunus zoo genoemd. Op het bovenste bordes werden de Dogen gekroond. Nu beklimmen wij de gouden trap, scala d'oro, latei-de Censorentrap. Wat een zalen om er raad te houden ! — 52 m. breed is de zaal van den grooten raad, geheel beschilderd. Een schilderij, het grootste der wereld, stelt het Paradijs voor; al het overige zijn episodes uit de geschiedenis der Republiek. En nu volgen zalen op zalen, met altijd even kostbare zolderingen en een kwistigen overvloed van beeldhouw- en schilderwerk in goud. Nog een blik van het balkon over de zee tot ; aan de Lido en wij zouden het paleis verlaten, toen eenigen onzer, belust op het geheimzinnige uit Venetië's bloedig verleden, de gevangenissen wenschten te zien, waarin zoovele staatkundige gevangenen zuchtten, veroordeeld en onthoofd werden door gemaskerde rechters en beulen.

Het is eigenlijk niets meer dan een aardigheid.

Die gevangenissen met den aankleve van dien zijn vernietigd geworden in 1787 — maar later voor de liefhebbers van huiveren en kippenvel krijgen, geheel expresselijk zoo getrouw mogelijk hersteld.

Interessant blijft het altijd, en het werkt niet gering op de verbeelding. Het zijn de Piorabi, „de loodenquot;, omdat zij met lood gedekt waren en de Pozzi of de putten, omdat zij onder de oppervlakte der kanalen afdaalden.

Bij den uitgang wees men ons het venster der cel, waar de beroemde en ook al beruchte Silvio Pellico, — de dichter verdient zijn beroemdheid en de oproerling zijn beruchtheid, -die in zijn bekend werk „mijne gevangenissenquot; zeer veel onwaars, om niet te zeggen zeer veel leugens, opdischte, met het eenige doel om Oostenrijk gehaat te maken en daaibij o-evoelens huichelde, die een Oostenrijksch staatsman met recht

-ocr page 179-

163

deden zeggen; „het is een gebedenboek, dat den haat predikt.quot; —

Een blik links op de Torre dell' Orologio, met twee bronsen beelden van Vulcanus, die de uren op de klok slaande aangeven, dan over de piazzetta en de brug naar de kade der Slavoniers, waar de boot gereed ligt voor de Lido. Het is altijd een alleraangenaamst uitstapje, over de lagune naar de Lido en dan met den paardentram naar de Adria-tische zee.

!

Nauwelijks stiet de druk bezette boot van wal, of in een klein schuitje klonk de stem van een klein of jong goudeliertje, tamelijk poetsig gekleed en die zong als een krekel, terwijl de vader nog behendiger de soldi wist te snappen. Hij moest wel tevreden zijn, want vooral van ons Hollanders regende het stuivers en de kleine lachte en toonde zijn witte tanden en dankte met de handen en zong en trilde dat het een aard had.

De Lido is als de breede duinen, welke de zee scheiden van de lagune, die op hunne beurt ingedeeld worden in laguna moiia, die van ebbe en vloed onaangeroerd blijft, en de laguna viva.

Er was concert, en het vereenigde veelvuldig genot, daar op die planken, ver in zee gebouwd, te zitten, tamelijk goede muziek te hooren en dito koffie te drinken. De zee was goed geluimd, — een rimpelige azuren spiegel tot aan den verren horizont. De „Dux turbidus Adriaequot; van den dichter had goede luimen.

Maar het schouwspel trok ons toch sterk aan. Niet dan met tegenzin verlieten wij het heerlijke plaatsje en nu ging het op Venetië aan, en weer toonde zich die gouden zonne-baan, op de golven der lagune in het zog van het schip. Langzaam doemt Venetië op uit de golven. Wij dachten aan het heerlijke gezicht, dat de machtige handelsstad Rotterdam, de koningin der Maas, zoo schilderachtig gelegen op de oevers van den waarlijk koninklijken stroom, biedt, of bood veelmeer, toen men

-ocr page 180-

164

weleer er met de boot zoo majestueus heenstoomde; - ook aan die zinnebeeldige verloving, welke Venetië elk jaar hernieuwde met de Adriatische zee.

Dat was de groote, plechtige dag voor de Bruid der Zeen.

Daar glijdt het door de blauwe golven, het gulden schip, Bucentaurus genaamd. De vergulde roeispanen vallen rhyt-misch in het water. Tweehonderd onzichtbare roeiers brengen ze in beweging. Op het groote verdek , onder een troonhemel van purper fluweel staat de Doge in hertogelijk gewaad, naast hem de patriarch van Venetië in hoogepriesterlijke feestkleedij, omgeven van priesters en edelen en pagien en krijgsknechten. Schitterende bazuinen schallen over de wateren en beheerschen het gedruisch van honderden gondels, in de schitterendste kleuren en goud gedost, met de zware met goud en zilver doorwerkte tapijten behangen, onder troonhemels niet minder rijk , die als een ontelbare vloot wemelden rondom het Koningsschip. Aan Malamocco stevent men de zee binnen. Op eens een plechtig zwijgen: De patriarch zegent een gouden ring, op gouden schaal gelegd, door knielende priesters gehouden. De laatste klanken sterven weg. De Doge treedt vooruit en roept met luider stemme; „Zee, ik trouw u!quot; en de ring verdwijnt in de golven, de bazuinen en de zangers vallen in, en een triomflied weerklinkt verre over deAdria, en Venetië, de bruid, rekent op de trouwe van de Adria, van de haar onderworpen zee en zeën.

„Er hat die Treu gebrochen, das Ringlein sprang entzwei.quot; Gebroken is ring en trouw, en eenzaam zit de weduwe op het treurende strand, en de lagune zingt nooit meer na het triomflied der verloving, en schijnt veelmeer een stillen lijkzang te murmelen, die opstijgt uit de diepte, waar de golven spoelen over den gebroken ring, als was het een deel van Venetië's Nibilungenhort.

Wij stappen aan de kade uit. Met tegenzin zien wij het

-ocr page 181-

165

ruiterstandbeeld van den roover, van Victor Emmanuel. Wij j kunnen het niet helpen, — maar wanneer iets niet heldhaftig uitziet, dan is het, het vermetel steigerend beeld van dien snoever, dien praalhans, die niets groots of grootsch aan of in zich heeft dan zijn snorren Met de standbeelden der andere „heldenquot; is het niet veel beter gesteld; ze heeten Mazzini, Garribaldi enz., allen, — men yergeve ons de uitdrukking, — echte ploerten. De heele bende ziet er dan ook echt ploerterig uit.

Het is bijna etenstijd.

Eenigen der onzen beklimmen den klokkentoren campanile, meer dan driehonderd voet hoog, gekroond door een bronzen engel van vijftien voet. Een spiraalvormige weg, — geen trap, - leidt u allergemakkelijkst naar boven. Wanneer iets, dan loont dit gezicht de geringe moeite. Het is avond, en wolken van goud en purper overspannen als een onmetelijk baldakijn de stad der lagunen. Voor u ligt Venetië met zijn honderd zeventien eilandjes, zijn tallooze kanalen, zijn kerken, koepels en torens, en het „canal grandequot; dat den vorm van een S heeft, alsof een groote slang in de lagunen gelegen was, gereed om de wereld te bespringen; verder de Adriatische zee, de Alpen, als een breede blauwe ring, tot in de wolken oprijzend, i met hunne met sneeuw bedekte toppen. Zooals wij zeiden was de avond gekomen; het was de negen-en-twintigste Meidag. Het Angelus luidt aan onze zijde uit de torenklok , en alsof een too verstaf alle torens had geraakt, begint er een luiden, een klinken, een galmen, een schallen, een dreunen, i een schetteren, een rinkelen en rollen, van allo zijden, uit alle hoeken, van alle eilandjes. Een tonenwolk scheen boven de lagunenstad te zweven en op te klimmen tot u tot op de hoogte, op den roep der zware, prachtige Sint Marcusklok.

Weer te geven is het niet.

Maar het is een zwaarmoedig gevoel, dat zich van u meester maakt.

-ocr page 182-

166

Zij luiden als ten grave, die klokken. Zij zingen een treurig lied van vergane grootheid, vervlogen glorie, verloren rijkdom.

Alles is weg ! geen trotsche vloten, met de schatten van het Oosten rijk bevracht, naderen statig de juichende haven; geen twintigduizend werklieden wemelen in de reuzenzalen van het arsenaal, geen oorlogsbodems verlaten de groote dokken, — toen de grootsten der wereld, — om, den leeuw van Sint Marcus in top , dien leeuw te doen eerbiedigen alwaar hij verschijnt, want die koningsleeuw is de koning der zeen; — geen volkskreten als het rollen van den donder dreunen over de wateren.

Wie roept er nog „Venetië ! Venetië, de leeuw!quot; in Venetië?

Niemand.

Tot de poëzie toe is dood in Venetië, gestorven met de grootheid, den rijkdom, den roem.

De lagune is als de lijkwade over de stad van voorheen, de leeuw van Sint Marcus is opgestopt voor een museum, een panopticum.

Voor dat alles schijnt de Sint Marcus de doodsklok te luiden.

Voor een zaak echter niet!

Niet voor de verkleefdheid der bevolking aan het geloof en haar kinderlijke liefde voor de Madonna! Die is hun gebleven, gebleven met een naïeve godsvrucht, gebleven met de onwankelbare trouw aan het geloof hunner vaderen.

En dan wordt dat Angelus-luiden , een triomflied, dat hier zingt zoo als te Rome, hier klept zooals te Rome, maar dat altijd in zijn zilveren toonwolken van stad tot stad, van land tot land draagt het oude, steeds nieuwe lied: „Christus vincit, Chiistus regnat, Christus imperat.''

Maar dalen wij van die hoogte af, want het is bij zeven uur, het is etenstijd.

In de prachtig geschilderde eetzaal van de Luna met zijn ronde zoldering heerlijk verlicht, zag de lange tafel ver-

-ocr page 183-

167

lokkend genoeg uit. Maar behalve een best maal wachtte ons bij het dessert een alleraangenaamste surprise.

Onze leidsman stond op en zeide, dat de President, Mr. Stal-lenberg, den pelgrims om half negen een Venitiaanschen avond, een gondelvaart met muziek en zang, verlichting en bengaalsch vuur, aanbood.

Een storm van toejuichingen ging er op, en iedereen maakte zich zoo spoedig mogelijk gereed, want het was gezegd : om half negen afvaart van do kleine flotille, die aangelegd had voor de trappen van het hotel.

De avond was zoo zacht en koel als hij te Venitiö maar zijn kan, zoodat overjassen en wat dies meer zij heel overbodig waren. De lucht was helder en een donkerblauwe sterrenhemel, met duizenden sterren bezaaid, welfde zich boven onze hoofden.

Het was niet het volle zilverlicht der maan, maar het was dat zilverwaas, dat een geheimzinnigen sluier weeft en hangt over do vorstelijke gevels der paleizen, en er het vervallene van wegneemt. Zoo moet men een tocht maken door het Canal grande. Zoo en niet anders.

In ons midden hadden wij een groote barca, met bonte lampions omhangen , die het kleine orkest en koor voerde; voorop ging een gondel, waarop de bengaalschc vlammen en stukken vuurwerk werden afgestoken.

In het begin was onze flotille alleen, maar allengs groeide ze tot een vloot aan, en alle vensters en balkons werden bezet met toeschouwers.

Voor ons lag San Giorgio maggiore, eiland en kerk. Daarop hielden wij koers, — hier is het kanaal het breedst. Weldra straalden eiland en kerk en gebouwen en lagune in het heerlijkst rood.

Het was een fantastisch gezicht. Onze gondeliers stonden op de achterstevens hunner gondels, en zagen er uit als in pur-

-ocr page 184-

168

peren livrei, om dien avond nog al dikwijls van kleeding te verwisselen. Verder ging het tot naar Santa Maria Delia Salute , een votiefkerk, door het dankbare Venetië, van de pest bevrijd gebouwd , en de koepels lagen daar voor ons met groen goud overgoten. Eu zoo verder langs de rijen der paleizen, , afwisselend in bengaalsch licht gehuld. En ondertusschen zingt het koor en ruischt de muziek over de golven; prachtige stemmen gaven heerlijke liederen, wel wat modern, ten beste En wij gleden verder in stilte over de kabbelende wateren, als in een droom. Op eens is het geheele kanaal, de llotille vooral door elektrisch licht verlicht '). Men kent die blauwe, zilverachtige tint, — liet water was met mat zilveren vlakken ; en strepen en kringen bezaaid. Zelfs de zangers zwegen voor een oogenblik. Niets treffender dan die gevelrijen van paleizen, links en rechts in dat licht gebaad. Men kon zich niet verzadigen met rond te zien naar alle zijden.

Het had zoo iets tooverachtigs over zich, en telken male dat de lichtgloed over de golven heenstroomde, herhaalde zich hetzelfde effekt.

Fuseën en raketten gingen op in bonte kleuren.

Tot aan de Rialtobrug ging het zoo voort. Hier, onder

!

den zwaren wit marmeren boog werd halt gemaakt. Zangers en gondeliers ontdekten hunne hoofden en het koor zong met enhusiasme het bekende „Venezia benedetta!quot; gezegend Venetië !

Het moest het slotnummer zijn.

De pelgrims zeiden , „nu alquot;. Men had zoo gaarne nog lang gedobberd op de golven bij al dat schoon, — al dat genot.

Zij gaven het niet dan noode op. Maar de zangers naar het scheen nog minder, en weldra volgde de geheele vloot

') Hot was een hoffelijkheid van een Oostenryksch oorlogöschip, de //Archi-ducliesse Charlottequot;, den Hollanders ter eere bewezen.

-ocr page 185-

169

de musiceerende barca, welke langzaam den terugweg aannam, ons steeds op nieuwe liederen vergastend. Zij boog stil in het kleine zijkanaal dat tusschen de Giardino reale en het hötcl tot aan de trappen leidde. Wij volgden, en nu werd het een serenade tot twaalf uur, — van Venetie konden wij niet genoeg bekomen, — welke wij aanhoorden van de balkons en do vensters der zalen, welke tot onze.beschikking werden gesteld.

Menig gl;.s werd er geledigd, en menigen keer den President hulde en dank gebracht, èn voor den onvergetelijken avond, èn voor de heerlijke reis.

Het laatste nummer der zangers riep ons ten derde male „tot weerzienquot; toe, de laatste klanken stierven weg, de laatste bonte lichten werden uitgedoofd, — en het feest had zijn eind.

Een beeld van Venetië's grootheid en val! —

Ook in het hotel werd het stil, Iedereen zocht zijn kamer op, en weldra lag alles in de diepste rust.

Wij hadden oen kamer, die op het kanaal uit zag. Lang stonden wij in het open raam. Galeien en wachtschepen, gulden gondels en bonte barca's, triomfeerende intochten, krijgszuchtige uittochten, feestelijke optochten , duizenden wimpels en banieren, schitterende fakkellichten, gestalten in fluweel en zij , oorlogsfanfaren , een liefelijke muziek uit de diepte dor schitterend verlichte paleizen, gemaskerde beulen en Othello's en Shylocks er bij, — dit alles ging in bonte mengeling aan ons oog voorbij. Licht en schaduw, vreugde en leed, rijkdom en armoede, roem en overwinning, ondergang en verval, het weleer en het thans!

Venezia benedetta! goede nacht!

TT

-ocr page 186-

Van de stad der wateren naar de

stad der bergen.

es 's morgens was men reeds in alle vroegte op het Sint Marcusplein en in de kerk om te beginnen , nog eens even rond te gaan om de piazetta en de piazza, nog een blik te werpen op de Lido, en wij daalden de trappen af voor de Luna in onze gondels.

Avanti gondolieri!

Vooruit! gondeliers!

De tocht naar het station, die ons door eenige zijkanalen bracht, gaf ons ook nog inniger de overtuiging van het vreese-lijk verval der eens zoo machtige stad. Aan het station stonden, zooals overal, onze rijtuigen, met alle gewenschte gemakken gereed en nu ging het door de vlakte der Lombardij, ons reeds bekend en beschreven. Eene uitzondering was er, dat wij namelijk velden te zien kregen, die als een steeds voortloopend prieel uitzagen door de groene en weelderige ranken van den wijnstok, die zich in alle richtingen uitstrekten en guirlandes en festoenen ophingen van boom tot boom, van tak tot tak. „Daaronder zou ik wel willen wandelen,quot; zei een der onzen — „dat moet een genot zijn!quot;

Het is waar, het zag er echt prettig uit.

-ocr page 187-

171

Van Verona, dat een halte voor ons vormde en gelegenheid bood om ons tweede ontbijt te nemen, — zagen wij niets dan het station.

„Programmassig.quot;

Maar wat wij bij die gelegenheid, aan tafel, van Verona leerden kennen, deed ons van de oude stad der Romeinen, de vesting van de Etsch, de oninneembare van den beroemden vierhoek, met haar goed bewaard romeinsch amphitheater , en de zoo oorspronkelijke kerk van den H. Zeno, — wel een nog al materieele, maar gunstige meening opvatten. De restaurateur was allervriendelijkst, en zijn tafel uitstekend. Men vond geen woorden genoeg om te prijzen , toen de heerlijke en frisch geplukte kersen het dessert kwamen opluisteren.

Maar de tijd eischte kort bestek.

Wij gingen Italië verlaten.

Langzaam beklommen wij reeds de bergen.

Op den rechter oever van de Etsch, het dorpje en de kleine hoogvlakte van Rivoli, dat de generaal Massena meermalen stormenderhand nam, in 1796 en 1797, — een der schoonste bladeren aan de lauwerkroon van Napoleon I. — Dan door den bergpas van Verona, het „Veroneesche slotquot; genoemd, Chiusa di Verona, met vestingwerken van allerlei aard , die millioenen verslonden hebben bij honderden, — en soldatenlevens bij duizenden en alles eigenlijk om niets. Wij gaan steeds hooger. — Ala ligt voor ons, de Oostenrijksche douane. Maar zooals wij Italië binnentraden, zouden wij het ook verlaten. De Oostenrijksche beambten waren niet alleen fatsoenlijk en inschikkelijk , maar bepaald vriendelijk te noemen; wij hadden trouwens niets, wat eigenlijk aan ingaande rechten onderworpen was.

Het regende geducht onder die inspektie, maar het was een van die regenbuien, aan het bergland eigen. Want het

-ocr page 188-

172

bergland trad steeds meer op den voorgrond en hoewel het karakter van het landschap nog meer Italiaansch was, verandering was er reeds te bespeuren, al was het nog niet zeer veel.

Mori heet het station, dat onwillekeurig aan het bekoorlijke Riva en het „tintelendequot; meer van Garda doet denken; — dan door het dal Lagarina, het breede Etschdal, terwijl witte landhuizen uit het donkere groen kijken en enkele watervallen langs dc rotsen huppelen en glijden, — niets echter van die grootsche pracht, die wij bewonderden bij onzen intocht in het schoone land

Zoo gaat het voort; lieve dorpjes, uit de verte gezien, nu eens op de voorsprongen der bergen rondom een witten klokkentoren en kerk met roode daken, schilderachtig gegroepeerd, — dan weer hangend aan de flanken der bergen, — dan opklimmend langs alle kanten, als een verstrooide kudde, - dan met wijnbergen en tuinen en druivenstokken afwisselend in bonte mengeling.

Een klein meertje voor de verandering, wel een vijver, en dan een prachtige waterval, de Fersina , ook wel de eenige groote. maar die gerust mag tellen voor twee.

„Trente!quot; — roept de kondukteur.

„Het Concilie?quot; vraagt een stem.

.,Ja! het Concilie!quot; klonk het antwoord.

Het is inderdaad de beroemde zetelstad van het nog beroemder Concilie van Trente, dat principieel het protestantisme versloeg. Hoe wonderbaar en aanbiddingswaardig is de leiding der Kerk van Christus door de goddelijke Voorzienigheid. Hoe weet zij uit het kwade het goede te doen spruiten, — hoe leidt elke ketterij tot het beter, het onfeilbare bepalen der leerstellingen van ons H. Geloof! Hoe glansrijk gaat, triom-feerend, de Bruid van Christus uit al die beproevingen te voorschijn ! Na het Concilie van Trente, het Concilie van het Vaticaan

-ocr page 189-

173

en ter neer liggen alle dwaalleeringen van onzen tijd, gedoemd om te sterven.

Heerlijk gelegen is de oude stad in den groenen krans der bergen, — hier zijn namelijk de bergen en bergkruinen inderdaad lieflijk groen, en steken de witte steden scherp bij die omgeving af. Schoone, groote kerken rijzen hoog boven de huizen op; één toren moet wel de Maria Maggiore aanwijzen, waar het Concilie vergaderde.

Na Trente volgen eenige kleine plaatsjes, alle gelegen om te stelen, met ruïnes van oude kasteelen of nieuw gerestaureerde burchten, op de groene vooruitspringende heuvelkruinen,— met den Eisack en zijn licht groene wateren, dan links dan rechts, — met de wijnbergen, in terrrassen en verdiepingen opgebouwd, — met de bloeiende boomgaarden van het hier zoo geroemde fruit, — groote rozeroode boeketten in de dalen, tegen de bergen als geprikt in groene lijst, en zoo gaat het voort tot Bozen, d.i. Bolzano, de groote stapelplaats en handelsstad der middeleeuwen, toen van Venetië uit, door den Brennerpas, Midden Europa met Oostersche waren voorzien werd. Bozen, is een bij uitstek katholieke stad, met zoo „ urgemüthlichequot; bewoners, die door het vreemdelingen verkeer, echter min of meer verliezen.

Het is jammer en betreurenswaard, dat, naar gelang de tegenwoordige beschaving veld wint, bijna in dezelfde verhouding braafheid en goede zeden achteruitgaan, hetgeen niet te zeer pleit voor het zoogenoemde „vernis.quot; Tot de hotels toe hebben een absoluut „modernen Anstrichquot; en ook een heel modernen „ Anschnitt.quot;

Wij, gelukvogels, hadden het echter in het hotel Victoria, dat vlak bij het station ligt, zeer goed getroffen.

Bozen is te bekend om zijn bekoorlijke ligging op de oevers van een klein riviertje, de Talfer, dat zich in de Eisack werpt, dan dat men nog eens die ligging zou willen schilderen.

Het ligt in een breede kom bij de uittrede van het Sarnthal

-ocr page 190-

en is door een krans van hemelhooge bergen, (6000 voet) ingesloten. De vlakte is buitengewoon vruchtbaar en met fruit-boomen geheel bezet. Bloemen waren er in overvloed, en de „stad der bergenquot; teelt rozen overal. Maar het schoonste was toch het gezicht der witte en roode, in vollen bloei staande fruitboomen. Geheele strepen, lanen, groepen van appel- en perenboomen, zaagt ge aan alle zijden

Hier voeldet gij u weer thuis, onder katholieken, vrij en onbelemmerd in uw bewegingen. Vriendelijk bejegende eenieder u op straat. De katholieke groet klinkt u nog dikwijls te gemoet: „Gelobt sei Jesus Christus!quot; „In Ewigkeit, Amenquot;, antwoordden wij. Het was een broedergroet in waarheid.

„Ik ben waarlijk blij, dat ik hier ben, ik adem hier vrij, — goddank dat wij van de bewoners van dat schoone Italië verlost zijn,quot; zei een der onzen tamelijk sarkastisch.

Hij had het erg tegen de Italianen, en dikwijls uitte hij, — anders de edelmoedigste en de hartelijkste man der wereld, met den heldersten geest, — deze meening, er altijd bijvoegende, „alles wel, maar ik zal blij zijn als wij hier uit zijn.quot;

Iets waars was er in.

Aan het diner — het scheen dat, hoe dichter men naderde tot het einde der reis, men zich ook enger aan elkander aansloot , ook echt broederlijk, — werden er wel wat plannen gemaakt, door enkelen, voor een tocht door de bergen, — maar dat moest om vier uur 's morgens beginnen en dat was wat al te vroeg. Wij gelooven dat de kamers der heeren dichtbij de eetzaal waren en dat hun bed het gehoord had.

Eenige leden van het bestuur schonken dien avond allen een extra glas goeden wijn , en in vroolijke stemming bleef men nog een uurtje bij elkander zitten.

's Morgens gingen allen naar de kerk, een waarlijk schoone kerk, met een Moeder Gods kapel en een mirakeleus beeld.

-ocr page 191-

Wat trof ons de godsvrucht, wat stichtte ons het gebed en de houding der talrijke geloovigen.

„Had ik niet gelijkquot;? hervatte de anti-Italiaan van den avond te voren, — „kijk eens, dat is een ander volk.quot; — En nu had hij volmaakt gelijk. ')

De reisgids, die volgens aller meening in de perfektie was opgesteld, meldde dat het vertrek naar Innsprück zou plaats hebben om 8.37 uur.

En zoo geschiedde.

Met edelweiss en alpenrozen aan den hoed en in het knoopsgat , de dames met kleine en groote ruikers in de hand, zeiden wij Bozen vaarwel, neen, tot weerziens! — want wie zou zich de kans ontzeggen, die lieve plaats niet eens weer te zien.

De Brennerbaan !

„Neen! ik vind dien Brenner mooier. Het is grootscher, wilder, romantischer.quot;

„Och! gij zijt den Sint Gothard vergeten! Dat was me wat anders! Wat gij hier bij uitzondering hebt, ziet gij daar altijd, zonder ophouden.quot;

„Kom aan, kan het dan mooier? wel!quot;

„Hoor eens dat is nieuw, en gij hebt het andere vergeten. Ja! Ja! mij dunkt dat ik het u nog hoor zeggen; daar kan niets grootschers, niets heerlijkers gevonden worden dan de Sint Gothard, — en nu dweept gij met dien Brenner.quot;

„Dweept met beidequot; sprak een tamelijk diepe basstem, „beide verdienen het, bewonderd en met elkander vergeleken te worden.quot;

') Wu noemden de kerk schoon; een portaal, dat veel van lombardische ktirkpoitalen heelt, zuilen die op rood marmeren leeuwen rusten, en een prachtige toren met doorbroken steenan spits waten beiden opmerkenswaardig, evenals het rijke monument, dat de stad gebouwd heeft voor den groeten dichter, die hier het levenslicht aanschouwde.

-ocr page 192-

176

En zoo is het inderdaad.

Vergelijken en bewonderen te gelijk.

Het gunt u geen oogenblik verpozing.

Het is eene aanhoudende verandering en verwisseling van een grootsche en steeds eigenaardige scènerie, de prachtigste mogelijk.

Tunnels volgens op tunnels, meestal niet zeer lang; en daarbuiten vergezelt u de Eisack, die gij elk oogenblik ontwaart, die met u mede reist naar opwaarts. Men zou aan de onstuimige rivier in haar staalblauwe bedding willen zeggen: — „waar gij heen spoedt, komen wij vandaan, — waar gij vandaan komt spoeden wij heen. Zeg ons, rustelooze stroom, hoe is het op de hoogte waar gij geboren werd, — duurt hij nog lang, de weg, dien wij dienen te maken, wij omhoog, gij omlaag, doch altijd dezelfde, — en nooit dezelfde.quot;

Bergen links, — rechts, hooger, trotscher bergen, maar eeuwig groen, in een eeuwige lente; ook hier met enkele woningen en hutten bezaaid. Ook hier nog heerscht overal de wijnstok. Hij baadt zijn voet in de licht grauwe golven, hij klimt koen op langs de hellingen. Beken en bergstroomen hollen springend van rots tot rots naar de rivier aan uw voet.

Daar is Klausen, in een lange straat tusschen rotswanden besloten, — en voor u ligt Brixen, ook een juweel in de kroon van Tyrol, die er drie telt, zoo onvergelijkelijk schoon; Bozen, Meran, Brixen. De oogen kunnen zich hier niet verzadigen.

Is er wel lieflijker ligging mogelijk dan in die breede groene kom, door steeds hooger klimmende, terrasvormige bergen omzoomd? Wij konden onze oogen niet van het schouwspel afwenden, en kreten van bewondering, die uit alle rijtuigen opstegen, getuigden dat het algemeen gevoel ook het onze was.

Maar hooger!

De plantengroei verliest het zuidelijk, italiaansch karakter. In

-ocr page 193-

177

een bergengte schijnt een vreeselijke sterkte, den geheelen toegang met dood en vernieling uit de zwarte schietgaten te bedreigen, en de vallei dwars af te sluiteir Het is de on-inneembare Franzensfeste, welke den ingang van Tyrol verdedigt. Zij bestrijkt de bergpassen naar alle zijden Hier komt gij zelden voorbij, of soldaten en officieren verlaten of bestijgen den trein; ook thans weer, maar zij waren zeer vriendelijk en voorkomend.

Het friesche kapsel, met de schitterende diamanten op de gouden platen, van een onzer dames, wekte hier zooals overal de grootste nieuwsgierigheid, en lokte vele vragen uit.

Hooger, hooger!

Hoort ge?

„Dat is zooals op de SintGothardlijn. Wacht eens, hoe heette zulks ook weer?quot;

„ Wasen!quot;

„Juist, Wasen. Hoe heet het hier?quot;

„Sterzing!quot;

„Dit is mooier.quot;

„Geduld! geduld! het komt nog beter.quot;

En het spoor gaat de spiraal na in het hart der bergen.

„Kijk! kijk! daar ligt het weer! prachtig!quot;

Alle reizigers verdrongen zich naar die eene zijde.

Nog hooger!

„Nog eens?quot;

„Zie! en voor den laatsten keer; gij weet immers, in den Sint-Gothard was het ook drie keeren,''

Wij schieten voor den derden keer uit de duisternis in het volle licht.

Daar onder in de diepte, in een duizelingwekkende diepte, ligt Sterzing, met dat eigenaardig groen gouden licht overgoten, in deze bergen zoo gewoon. Het scheen een driemaal op grooter schaal heihaald gezicht uit een diorama te zijn.

12

-ocr page 194-

178

Geene uitroepen meer hoordet gij, — inen blikt in stilte naar beneden, op het stadje, op de vallei, de bergen, den horizont, om niets te verliezen.

De voorstelling is uit. Nog eenige minuten tijd, het hoogste punt is bereikt. „Brenner! ' roepen de kondukteurs, „tien minuten!quot;

Allen stapten uit.

„Brrr! hoe koud! mijn overjas, mijn mantel!quot; -

Zoo ging het, — en het op een drafje loopen langs den trein begon op zijn best.

Wij waren 4000 voet hoog en het was inderdaad koud, zoodat de flesschen en fleschjes met verwarmenden geestrijken inhoud nog al aangesproken werden

Brenner is de waterlinie tusschen de zwarte zee en de Adria-tische. Wij namen afscheid van den stouten bergknaap, den Eisack, die in de Etsch valt, om kennis te maken met de Sihl, die naar Innsprück springt en die gezworen heeft nooit den Eisack te zullen ontmoeten.

De „Engtequot; is waarlijk eng en het uitzicht bekrompen; rotswanden staan overal in den weg. Er is dus niet veel te zien en na de bewuste tien minuten, begon het afdalen naar Innsprück.

Het weer was buiig en grijze wolken rolden langs en om de toppen der bergen, — doch niet aanhoudend; soms scheurde op eens het zwerk en viel de zon op het landschap met groote, gouden strepen, altijd met dat geelgroen goud, dat ons aan het Lago maggiore herinnerde.

Maar wij dalen, wij worden het aan den trein zeiven gewaar. Ook weer door den eenen tunnel na den anderen, ook met niet minder schoone dalen, bergen; hier ook sneeuwtoppen, en de Sihl, steeds vooruitstroomende, naar de diepte. Wij willen niet eens meer weten hoe de plaatsen heeten. „Dat meertje alleen, met dat licht groene water, wat is dat?quot;

„Het Brenner meer!quot;

-ocr page 195-

179

I

„Zoo Nu geen namen meer, slechts zien en altijd zien.quot; „En ook eens denken aan den Sint Gothard! wel?quot;

„Ja! ook, wees maar gerust.quot;

En wij gaan sneller en sneller, en spoediger en spoediger naar beneden, in duizelende vaart, langs ravijnen en afgronden en stroomen, langs rotsen en wouden en lachende bergen , al lager en lager, — nu over een brug, die zich vier en twintig meter hoog over de Sihl spant, dan, ziet! dat was de vlakte. — Waar? Gij hebt ze maar even kunnen zien; daar! let op! dat was ze!

Ook schoon, dat inrijden van de bergen af, in dat breede dal! Het was mooi inderdaad, vooral daar de hemel ophelderde, de zon de wolken verjoeg en wolkenloos het blauwe uitspansel zich welfde boven Innsprück, de schoone hoofdplaats van Tyrol. „Let op! een tunnel gaat onder den Iselberg door.quot; „De Iselberg, o wat moet die?quot; Nu! dat is er ook een! Gij zanger! gij die dweept met Duitsche liederen:

„Der Tod den ich so manches Mal Vom Iselberg geschickt in 's Thai,

lu 's treue Land Tyrol!

In 's treue Land Tyrol.quot;

En het was klaar en Andreas Hofer met zijn patriottische en heldhaftige geschiedenis werd besproken, en van het verraad gewaagd, dat hem aan de Franschen overleverde, of beter gezegd, verkocht.

Hij had ze zoo dikwijls geslagen, van dien Iselberg uit, dat men hem te Mantua dood schoot. Franz Joseph liet voor hem , in de Hofkirche te Innsprück, een prachtig grafmonument plaatsen , met het opschrift; „sein dankbarer Kaiser.quot; In dezelfde kerk, waar die 28 groote goudbronzen beelden oprijzen, de voorouders van het Huis Habsburg voorstellend, door Peter Fischer, en dat eenige monument van Maximiliaan van Oosten-

-ocr page 196-

180

rijk, den laatsten ridder en zijn kuische gemalin, Maria van Bourgondië, met dat heerlijke, verheven beeldwerk, het leven 1 des keizers weergevend, door Collin, den grooten Vlaamschen : kunstenaar van Brugge.

Te Innsprück moesten wij ontbijten. Twee telegrammen, van Bozen en Brenner uit, hadden er voor gezorgd èn voor j gereserveerde plaatsen èn voor de tafel.

Het kon niet beter. Maar ook van dat station hadden wij minder aangename herinneringen van vroeger, bij een vorige reis. Voorzorgen waren dus niet overbodig. Maar het oponthoud duurde niet lang. Spoedig heette het, „einsteigenquot; en met een tamelijk zwaarmoedig;

„Leb wohl, mein Land Tyrol!quot;

verlieten wij Innsprück en ook Tyrol. Het ging over Kufstein naar München. Een tijd langschoone bergen, de krans, waarin Innsprück zelve gelegen was, droeg overal sneeuw op de kruinen der bergreuzen. Wat een schoon land is het toch! Bij ons vertrek werd ons de richting gewezen, waar de beroemde „Martinswandquot; gelegen is.

„De Martinswand?quot; riepen vele stemmen.

Ja! de plaats ■jvaar keizer Maximiliaan, die het liefst in Tyrol en vooral in deze stad verbleef, eens bij een gemzen-jacht in het hooggebergte op terecht kwam, toen hij van een hooger gelegen rots afgleed en er bijna twee dagen moest i verblijven op een rotsvlakte, geen meter in het vierkant, duizenden voeten hoog boven den afgrond, waarin de minste beweging hem kon doen neerstorten. Geheel Tyrol stroomde naar Innsprück; — er werd een altaar opgericht en de H. Mis opgedragen voor den keizer en toen, bij de H. Consecratie, het volk zag dat de keizer met levensgevaar zich op een knie neder liet, was aan het jammeren en bidden van het zoo trouwe, zoo Katholieke volk, — inderdaad aan God en Koning

-ocr page 197-

181

trouw, wat steeds saam gaat, — geen einde. De vorst ontving de H. Absolutie en den zegen met het Allerheiligste van het altaar af en de groote stem des volks klonk tot op de eenzame rots: „Heilige Maria, moeder Gods, hertoginne van Tyrol, geef ons onzen hertog weer!quot;

„Enquot; — onderbrak een ongeduldige ons verhaal, — „moest de keizer daar sterven?''

Noen! hij werd door twee onverschrokken Tyrolers uit het Zillerthal, - hier bij de stad — gered, met groote moeite, maar gered en de vreugde des volks was onbeschrijfelijk. Toen hij door het volk heen naar het paleis werd gedragen, — want gaan kon hij niet meer, — toen verdrong men zich rondom hem, om zijn kleederen of zijn handen te kussen. Het was een triumftocht, en het volk dankte de lieve Moeder Gods, de hertoginne van Tyrol, voor de redding van den Keizer, welken men dien dag van tijd tot tijd aan het volk moest toonen, — want het twijfelde aan zijn leven.

Nu staat er een reusachtig groot crucifix met de Moeder Gods en Sint Jan op de plaats, die voor iedereen is toegankelijk gemaakt en vanwaar men uit de hoogte blikt op de Inn en het land Tyrol, — en de schippers op de rivier hebben de vrome 1 gewoonte, bij het voorbijvaren langs de kruisgroep, het hoofd i te ontblooten en te bidden voor de zielerust van .... den Keizer.quot;

Maar wij werden weldra gewaar, dat het naar de vlakte ging, en niet lang duurde het, of Kufstein was in zicht. Hier is do beiersche douane. De beambten zijn bekend om hun hoffelijkheid, en hun wit-blauwe uniformen; zij waren meer dan beleefd.

In Kufstein ligt een Nederlanders, meer bijzonder een Limburgsche vermaardheid begraven, de Beiersche ruiterijaanvoerder Jan van Weert, geboortig uit de stad, waarvan hij den naam draagt.

-ocr page 198-

182

Wij zouden thans rust houden te München, het moderne Athene, de stad der kunsten, de „schoone stadquot; ook wel genoemd.

Tegen zes uur stapten wij uit en in het Domhotel af, dat vlak bij de beroemde Mariën-Kirche gelegen is. Aanvankelijk zouden wij in München niet dan logeeren, maar het was de dag van de H Sacramentsprocessie, die hier met buitengewonen luister gehouden wordt en waaraan het geheele hof deel neemt.

De gelegenheid was te gunstig.

Het bestuur besloot dan ook, om aan de wenschen der Pelgrims gehoor te geven, een dag te München over te blijven, om 's avonds 7.20 met den nachttrein naar Mainz te vertrekken, van waar uit wij 's morgens om 9 uur met een der prachtige Rijnbooten de terugreis zouden aanvaarden.

En waarlijk, men berouwde het niet.

's Avonds werd de stad in oogenschouw genomen en wij door kruisten de voornaamsta straten. Het café Luitpold werd nog al beknibbeld, niet om zijn uitstekende eigenschap, op een kostelijke wijze den dorst te kunnen lesschen, maar zijn pretentie een der schoonste en misschien het schoonste dei-wereld te zijn.

Men maakte vergelijkingen met dergelijke inrichtingen in Holland, en die vielen niet ten voordeele van den „Prins Regentquot; uit.

Het weer was heerlijk en wij geloovcn , dat allen zich ter ruste begaven, met den stillen wensch : „moge het morgen toch mooi weer zijn!quot; — want bij slecht weer geen processie, en dat zou te erg zijn.

's Morgens was de eerste zaak den hemel te beschouwen en de eerste vraag: „hoe is het weer?quot; Het leek twijfelachtig Hier scheen men zich om de kans, wat regen te krijgen, weinig te bekommeren.

De straten waren overal versierd met groene meiën; hooge berkenboomen waren langs de huizen geplant en sierden

-ocr page 199-

183

tot de omgangen der torens. Het zag er recht feestelijk , I — neen, wij zullen het beter zeggen — geloovig uit, en dat was de indruk. Do straten waren met een planken vloer | belegd, — let wel, alle straten, waardoor de stoet trekken moest. Overal werden bloemen en groen gestrooid op den triomfweg van den Koning der Koningen. De huizen rolden uit de ramen rood en geele of wit en blauwe tapijten, velo rijk geborduurd met goud of zilver. Men zag minder vlaggen, dat is hier niet zoo gebruikelijk.

Honderdduizenden vreemdelingen wemelden door de straten reeds vroeg in den morgen. Aan de deuren der kerken en op do straten overal stonden bloemenmeisjes, die kleine groene ruikertjes verkochten, voor een paar pfenninge cn waarmede iedereen zich smukte; de kaarsen, die de priesters droegen, waren zelfs met zulk een ruikertje gesierd. Iedereen scheen er op te staan. Een eigenaardigheid, die aan palm-

:

Zondag deed denken. Het was dan ook dezelfde Heer en Heiland Jezus Christus, hooggebenedijd in eeuwigheid, die in triomf zou rond gedragen worden door de straten der Beiersche hoofdstad, midden door hot Beiersche volk. Weldra wilden allen die kleine groene tuiltjes, met een enkele bloem soms, als een palmtak dragen, bij dit feestelijk Hosiannah, den Zone Davids toegezongen Het had iets treffends.

De lucht had dien gekruiden geur, die u zoo levendig aan de dennebosschen herinnert, en u als op eens een vracht van herinneringen voor den geest voert. In een oogwenk waren door de vreemden, veel dorpbewoners, in hun schilderachtige cn zoo verschillende costumes, waar zwart fluweel en rood een hoofdrol spelen, de korven met bloemen geplunderd.

Het is zeven uur.

Om acht uur zal de processie uittrekken. Uittrekken zal ze Hoort! daar schetteren fanfares door de lucht en het

-ocr page 200-

184

eene regiment na het andere trekt op, om de straten af te zetten, „mit klingendem Spiel.quot; Het scheen een Moeder Gods-feest, zoo veel wit en blauw zaagt ge. Het zijn de Beiersche kleuren, — in ruiten bezetten ze het wapen, waarop als op het veld, de Moeder Gods prijkte, de koninginne van Beieren. Het zag er mooi uit, deze wit en blauwe rijen langs de breede straten. Een prins van het Koninklijke Huis, de in München zoo populaire prins Alphons, voerde het bevel over de troepen en een schitterende staf omgaf hem.

Onze gastheer had zijn geheele huis tot onze beschikking gesteld, opdat wij op ons gemak alles konden opnemen. De processie moest langs eene zijde van het hotel uit- en langs de andere binnentrekken. Beter kon het niet. De rijtuigen rollen naar den Dom. Zij waren niet te tellen de prachtige livreien, alle blauw-fluweel en zilver, en de rijtuigen zelve niet minder rijk ; — de zit van den koetsier met zware dra-periöa stijf van het zilver omhangen. Aan het portaal stond de aartsbisschop met het Domkapittel, om den Prins te ontvangen en hem naar zijne plaats op het hooge koor, in plech-tigen optocht te geleiden , waarna oogenblikkelijk de hoogdienst een aanvang nam. De muziek had iets eigenaardigs en weid verschillend beoordeeld, maar de stemmen waren schoon.

Ondertusschen was de menigte onafzienbaar geworden, maar wachtte in stilte den uittocht af. In stilte. Dit trof ons zeer. Eaar zou Limburg een voorbeeld aan kunnen nemen, en zijn hoofdstad ook. Zoo ingetogen stonden hier de honderdduizenden te wachten. Geen schreeuwen, geen kreten, geen lachen!

Een onzer pelgrims riep, toen de processie later lang op zich liet wachten, een ander toe, een paar woorden die allen verbaasd deden opzien.

Dat was men hier zoo niet gewend. Dat was klaar.

De groote, zware klokken raken in beweging en met deze die den toon aangeven, alle klokken der stad.

-ocr page 201-

Door de in het oneindige voortloopende witte en blauwe rijen der in gelederen opgestelde soldaten, trok de enorme stoet.

Kruisen zonder tal schitterden in het zonnelicht; zilveren tot gouden toe, — vaandels, rijk gestikt, met heiligenbeelden prijkende banieren, niequot; op te sommen, maar steeds alle met de Beiersche kleuren gewimpeld. — Groote crucifixen, met bloemen en draperiën omhuifd, zilveren draagaltaren, met Heiligenbeelden, eveneens in massief zilver gesmukt, - Heiligenbeelden op zich zeiven gedragen, vormden een onafzienbaren optocht, die zich langzaam door de versierde straten, te midden eener eerbiedig zwijgende menigte bewoog.

Om elk kruis, vaandel of banier. Heiligenbeeld of altaar of crucifix zag men een groep van koorknapen en dienaren, bruidjes , kinderen in het wit, meer dan duizend in getal, - en „Pilgerschaften.quot;

Deze laatsten troffen ons ten zeerste. Hetzelfde kostuum als dat van den pelgrim ten tijde der kruistochten vooral, waaraan de groote hoed en het dito manteltje, met schelpen bezet, — ten teeken van hun reis over zee, „naar de landen van Overzee,quot; — het historisch karakter geven, en waarvan de antieke pelgrimsstaf, met welken zij voortschrijden, het „Pilgernquot; aanduidt.

Hun kostuum was in snede en vorm steeds hetzelfde, maar de kleur verschilde telkens, en dat gaf een afwisseling, die niet weinig tot het schilderachtige van de processie bijdroeg.

Om hun vaandel of kruis of banier geschaard trokken zij biddend voort, en de ontbloote, zwaar gebaarde hoofden, opvallender wij ze weinig aan de bekende Münchener zwaarlijvigheid herinnerend, de sandalen aan hun voeten, voerden „den afgeloopen tijd aan mijnen geest weerom.quot;

Thans zijn het broederschappen, die alleen nog bij do Processie de feesten opluisteren door hun kostuum.

Maar zij waren niet de eenige broederschappen. Zeer vele anderen wisselden af, om vaandels en banieren geschaard, van

-ocr page 202-

186

allerlei aard. In hun midden koren van zangers, priesters in roket en stola, weeskinderen, bewoners van liefdadigheidsgestichten , allen in de vaderlandsche kleuren; koorknapen bij groepen, dezen in het rood, genen in het blauw.

Maar steeds trekken de vrome rijen biddend voort, en er schijnt geen eind te zullen komen; wij beginnen te begrijpen , waarom zoo vroeg reeds de stoet zich in beweging stelde.

liet zou toch twaalf uur worden.

Maar ziet! wat een pracht!

Bazuinblazers in blauw fluweel en zilver, alles rijk gebor duurd, aan de bazuinen kleine , prachtige vaantjes met het Beiersche wapen, hoeden met een ware vederenvracht. —

Verder tamboers, een klein korps, even rijk gekleed, en voor wie ouderwetsche trommels werden gedragen, die met het zwaarst mogelijk gouden borduursel omhangen waren, het werk der Beiersche Prinsessen.

Links en rechts van den stoet, die nu aantreedt, gaan de Ilartchieren der koninklijke lijfwacht. Zulk eene uniform, ook uit vervlogen tijd, zoo rijk, hadden wij nooit gezien. Gestreept met blauw fluweel en zilver, blauw met zilver, zilver met blauw gestikt, een zilveren helm, door een gouden, staan-don leeuw gekroond.

De piiesters in kostbare gewaden: kasuifels, dalmatieken, koorkappen, - alle kloosterordens, vertegenwoordigd door enkelen hunner leden Abten met myter en staf, — daar worden myter en staf van den Aartsb:sschop gedragen. Dan door wolkon wierook heen, en, mogen wij het zeggen, onzichtbare wolken van gebeden, onder een gouden troonhemel, hoog opgehouden, — de Aartsbisschop, die in een allerkostbaarste Monstrans, het H. Sakrament droeg.

O! knielt neer, geloovige scharen, uw Koning komt, uw Koning nadert! Knielt neder en aanbidt den Koning der

-ocr page 203-

187

koningen, den Heer der Ileerscliers! den Koning der eeuwen. Dien onsterfelijken Koning der eeuwen, den eenigen God zij eer en roem van eeuw tot eeuw, in het Sakrament zijner liefde, het allerheiligste Sakrament des altaars! eer en glorie, hulde en dank, trouw en liefde! —

Maar die uitnoodiging was overbodig voor de tallooze scharen. Op do knieën lagen allen, aandachtig aanbiddend hun God en Heer, onder broodsgedaante. Eerbiedig bogen zij het hoofd, als om den zegen des Heeren te ontvangen, op zijn doortocht door de dichte gelederen der zijnen.

Op de markt voor het raadhuis, tegen het gedenkteeken, dat de stad München eens oprichtte ter eere dor onbevlekt ontvangen moeder .Gods, stond het rustaltaar, alwaar de zegen zou gegeven worden.

Dat was een gezicht!

De trottoirs zwart van de menschen, de geheele oppervlakte der markt afgezet met soldaten, de processie gerangschikt en gegroepeerd over de markt en voor het rustaltaar, al die pracht, al die glans en rijkdom als bijeengevat. Klaar en helder klonk de stem van den aartsbisschop over het plein, en toen,— de kanonnen bulderden, de bazuinen schetterden een triomf-marsch, de trommen sloegen hun roffels, de soldaten presenteerden de wapens, de stemmen der bevelhebbers schalden door de eerbiedige stilte en de zegen des Allerhoogste daalde neer; de zon brak door de wolken en in haar licht schitterde de monstrans als een zon, en schoten de edelstsenen, waarmede zij prijkte, stralen naar alle zijden.

„Heerlijk! — onvergetelijk!quot; klonk het naast ons, uit den mond van een der onzen; — „maar nu moet ik ook een ruikertje hebben als gedachtenis van München.quot;

Maar nog was de voorbijtocht niet ten einde.

Achter den hemel trad het eerst aan Z. K. H. do Prins-Regent, - den helm in de eene, den rozekrans in de andere

-ocr page 204-

188

hand, — volgden rijen van adjudanten en pagen, — dan de prinsen met hun hof in lange rijen en allen blauw en zilver, een ware pracht, — daarna volgden ongeveer vier honderd, — wij hebben ze geteld, — officieren van alle wapenen en rangen, — de hooge gerechtshoven in roode en zwarte tabbaarden, enz. enz. Eenige stadsdienaren vormden de achterhoede van dat gedeelte van den stoet, en de geheele processie sloot met veel volk, — rijen op rijen, scharen op scharen, van volk, dat zoo vroom en zoo stichtend bad, — dat wij het voor het schoonste gedeelte van den stoet hielden.

En met recht.

Die pracht moge verblinden, maar dit was troostend en opbeurend, stichtend en sterkend in het, geloof.

Do Liebfrauenkirche is een prachtige kerk, niet de Hofkerk, noch de parochiekerk van het Hof, — dat is die van Sint Cajétan.

Aan schoone kerken is München rijk, overrijk, evenals aan schoono straten.

Het is een stad, aangelegd om een monument te wezen.

Drie koningen hebben er aan gebouwd.

Ludwig I is toch de eigenlijke bouwmeester.

De Ludwigsstrasse, naar hem genoemd, is dan ook een straat zoo breed en zoo lang, wel een doorloopend plein — afgesloten aan eene zijde door de Feldherren-galerij, die aan Florence deed denken, en den grootschen triomfboog met de Bavaria in top, in een zegekar getrokken door vier reusachtige leeuwen.

Wat een vlucht nemen die paleizen en die kerken aan weerszijden ! — en op die andere straat die kunstpaleizen Pinako-theken. Glyptotheken! Die straten hebben een afsluiting, uitsluitend voor het monumenteele gebouwd: — kolonnaden voor het gezicht, en omdat alles uit den tijd der onafhankelijkheids verklaring van Griekenland dagteekent, alwaar een beiersche prins Otto de eerste Koning werd, heeft ook alles,

-ocr page 205-

189

gedenkteekenen en paleizen, doorgaans een grootsch klassiek karakter.

Dorisch, ionisch , korinlisch was de stijl der groote gebouwen, tot dat later ook het gothieke zijn deel kreeg.

Wij spraken van kerken. De Kathedraal bezit een krans van kapellen, die ieder een altaar hebben, schoon genoeg om het hoofdaltaar eener Kathedraal te zijn; — de Basilika met open dakstoel, fresco's, het leven van den H. Bonifacius voorstellende, met vier rijen van marmeren kolommen, alle uit één stuk, acht en tachtig in getal; — de Allerh. Heiligen Hof-kirche, die met het paleis der Koningen gemeenschap heeft, en die zoo mysterieus in zachten lichtgloed verlicht is, ofschoon gij van boven geen vensters kunt ontdekken.

Alle pracht- en pronkstukken.

Maar wij gaan te gauw.

Op de processie volgde in het hotel een vroolijk bijeenzijn.

„En van middag?quot; was de vraag.

„Van middag? Wel München.quot;'

„Per rijtuig?quot;

„Natuurlijk, de stad is zeer groot.quot;

Om drie uur verlieten wij ons hotel.

Aan dat koninklijk paleis voorbij, door de Maximiliaans-strasse, — de Münchener Champs Elysées; aan beide zijden paleizen en museums, squares en tuinen, met standbeelden bevolkt, een ruiter standbeeld, van groepen omgeven, alle van buitengewone verhoudingen, het Maximilianeum op de hoogte in 't verschiet, over de brug van de Isar, door het stadspark naar den Hofbraukeller in de Au. Hier werd halt gemaakt en in de tuinen plaats genomen, om zich op zijn echt Beiersch, „solied en likiedquot; te verfrisschen onder alge-meene vroolijkheid

Wij waren nu maar als toeristen uit. Maar als gij dat bidden hoordet in den trein, dat trouwe kerkbezoek in alle

-ocr page 206-

190

vroegte, dat zorgvuldig houden aan alle oefeningen van godsvrucht, dan waren en bleven het pelgrims in den waren zin des woords, en Tertiarissen ook in den vollen zin des woords.

Dat verheugde ons dubbel.

Zijn niet harten, in vrede met God, gelukkige, tevreden, opgeruimde, vroolijke harten ?

En moet het niet zoo zijn?

Velen hadden van de Bavaria gehoord, een bronzen standbeeld, waarin men in kon klimmen.

Dat wekte de nieuwsgierigheid.

Dus naar de Bavaria en de Ruhmeshalle !

Wij reden er langzaam aan voorbij, en dat was ook meer dan voldoende.

Niemand had lust om er in te stijgen, en was goedge-loovig genoeg, om aan te nemen, wat er ons van gezegd werd.

Wij zouden met de Basilica van den H. Bonifacius, die wij reeds bespraken, sluiten.

Maar dat had voor velen onder ons haast en groote haast, en die velen waren wat blij, eindelijk voor het schoone portiek der kerk te kunnen uitstappen, doch voor die portiek voelden zij aanvankelijk volstrekt geen belangstelling.

Met deze kerk, waar de rozekrans zoo devoot gebeden werd, dat wij allen besloten mede te bidden en de geheele plechtigheid mede te maken, werd de bezichtiging van Beierens hoofdstad besloten.

Wij zeiden reeds, dat wij ons steeds enger aan elkander sloten.

Het was als zagen wij tegen de scheiding op.

Soms hoordet gij de bemerking: „nog maar een paar dagen, en dan is het voorbij!quot;

Waarop een diepe zucht volgde.

Het maal in het Domhotel verdiende aller lof, en de gastheer had zich naar de gemaakte bemerkingen zoo geschikt, dat

-ocr page 207-

191

wij hem in gemoede aan alle reizigers mogen aanbevelen.

Hetgeen wij doen bij deze.

's Avonds weg.

Op tijd stonden allen gereed, op tijd aan't station, en onze, wij mogen wel zeggen onze rijtuigen, wij hadden zoo lang dezelfde, waren ook gereed.

„Slapen !quot; dat was de leuze.

Voor de meesten mocht het lukken in her begin.

Maar toen het begon „te daghen in den Oosten,quot; toen werd het op eens zoo vinnig koud, dat de een na den anderen opsprong, om zich in te hullen, zoo goed als het ging, om warm te krijgen.

Het was een sneltrein gelukkig, — want die rit over de hoogvlakte tusschen München en Mainz in dit seizoen is dikwijls van zeer spoedige, onverwachte veranderingen van temperatuur vergezeld.

Aan elk station was het een „trampelenquot;. op het perron, dat het een aard had.

Maar daar klinkt het „Mainz!quot; „Mainz!quot;

Mainz heeft twee stations.

Aan het tweede, het centralstation, waarbij het central hotel, waar wij zijn moesten, gelegen is, zou er uitgestapt worden, om met den tram naar de boot gebracht te worden.

Een paai onzer priesters, die de H. Mis wilden lezen, stapten wat al haastig uit, aan het eerste, maar zij kwamen terecht, en stonden ons reeds af te wachten aan de boot.

-ocr page 208-

X)e rijn

e Rijn is altijd schoon.

Ook als gij van Zwitserland komt ?

Ook als gij den Brenner gezien hebt ?

Ook als gij de heerlijke natuurtafereelen van Tyrol aanschouwd hebt?

Ja! Ook na dat alles !

Ja! zelfs de breeds, vlakke oevers bij het „gulden Mainzquot; zijn schoon.

Achter u klimt het „rijkbetorendequot; — mogen wij het zoo zeggen — op, langs een kleinen heuvel, en spoedig hebt gij aan uw linkerzijde de lichte glooiingen, die u tot den Leniaberg voeren, Eltville schuin tegenover. Biebrich — ja! een rood Kasteel en dat is ook alles wat men er met recht van zeggen kan.

Maar waar zijn de Pelgrims? zullen de Pelgrims vragen, bij het lezen dezer herinneringen.

Waar?

Op het oogenblik bij kleine groepjes, keuvelend en ietwat moede.

Nu, die reis gaat ten einde!

„Jammer, inderdaad!quot;

Zegt? Hebt gij ook aan iets gedacht, toen wij in Mainz

-ocr page 209-

193

aan den nieuw gerestaureerden toren van den Dom, voorbij reden? dat het voor ons een hollandsche herinnering is, — ja, ja! een soort van souvenir.

Zoo?

Ziet gij ? De Dom te Mainz is een der drie groote kerken, die in het oosten en westen een hoogkoor hebben niet trappen-bouw, in rijke vormen. Dat noemt men nu een volkskoor, in tegenstelling met het priesterkoor.

!

Dat moest gerestaureerd worden, en een wedstrijd werd uitgeschreven.

Het was een prijsvraag tegelijk, en een zeer moeilijke ook.

Alle architekten der wereld mochten aan den wereldberoem-den bouw medewerken , — een der drie , die de romaansche trilogie van den Rijn vormen, Mainz namelijk, Speier en Worms, zooals Keulen, Freiburg en Straatsburg de gothische trilogie,— en er werden vele plannen ingeleverd.

„Een Hollander?quot;

Ja! en wie anders, dan onze groote meester Dr. P. Cuijpers? Dat deed algemeen genoegen, en aller blikken staarden nog even naar de torens, die aan den horizont nog zichtbaar waren. Maar wij gingen langzaam den Rijn af.

Daar was Eltville met zijn schoenen toren, uit een soort rooden hardsteen eigenaardig opgebouwd, met galerijen en torentjes omkranst.

Ziet gij nu rechts, daar midden in dit schoone land, de Rheingau genoemd, op dat hooger gelegen plateau, de geheele streek beheerschend, een uur van den Rijn zoo wat?

Alle binokles waren op eens naar dien kant gericht. — Dat is Johannisberg! -

Wie klapt daar met de tong? — Algemeen gelach, want inderdaad , iemand liet dat geluid hooren , dat aan fljnproe-ven zoo eigen is. Johannisberg was vroeger een Bene-diktijner klooster en thans een lustslot van den prins van

13

-ocr page 210-

194

Metternich en in de wijntuinen, op terrassen gelegen, groeit de allerkostbaarste Rijnwijn.

Rüdesheim!

Waar is de Germania? waar?

Geduld! zij zal weldra verschijnen. Zij staat op den Nie-derwald; en is met een tandradspoor te bereiken. Ziet! daar gaat hij door dc Küdesheimer wijnbergen, prachtige gezichten van daar boven, dat kunt gij denken! - en de Germania verscheen.

Jammer dat het monument, op die hoogte, van onder gezien, nog te klein is, hetgeen ook wel aan het gemis van een goeden achtergrond te wijten is.

Toch mooi, niet?

Neemt nu den linker kant eens op, Bingen. Ziet, boven, dat is de overal bekende Rochus' kapel, nieuw opgebouwd en reeds ingewijd door den Bisschop van Mainz, — en die toren daar heet de „Muizentoren.quot; Volgens de sage, is daar een door zijn gierigheid beruchte landheer van Mainz, Bisschop Hatto, door de muizen opgegeten geworden, die in ontelbare menigte uit de puinhoopen van zijn korenschuren kwamen, waarin hij zijn granen had geborgen ten tijde van een dreigenden hongersnood.

Links en rechts volgen nu ruïnes of burchten, met villa's afwisselend, - dan eens dorpen, dan weder stadjes. Dit is Bacharach met de ruïne van een kerkkoor, — hooger de burcht Stahleck.

In het midden van den stroom verheft zich thans op eenige rotsen een eigenaardig gebouw, de Pfalz genoemd ot het paleis, — want paleis komt van palatium.

Dat plaatsje daar is Oberwesel.

Wij zouden het niet eens noemen, maar ziet gij die vooruitspringende rots? Dat is de Loreley. Allerlei sagen zijn er aan verbonden. Ziet gij de rots in proflei, dan heeft zij

-ocr page 211-

195

groote overeenkomst met het profiel van Napoleon I. Nu is zij beroemd door een heerlijken echo, een vijfvoudigen en . . .

„Ich weiss uicht was soil es bedeutenquot;

stemde iemand aan.

En, — ging de verteller voort, — en door een lied, zeer treurig, dat de Duitschers altijd zingen, als zij vroolijk zijn. —

„Dass ich so traurig bin.quot;

Aan gelach was geen gebrek.

Het is eigenlijk een volksidee, die ons het spreekwoord verduidelijkt: dat die het gevaar bemint er in vergaat. De oudste dichters, tot Homerus toe met zijn sirenen, geven zulke gevallen aan.

Rechts die kleine stad met die twee schoone kerken is Sanct Goar, - daar boven, hoog, was eens de vesting Rheinfbls , in 1797 door de Franschen vernield en die twee ruines daar heeten de twee broeders of LieDenstein en Sternberg en die kerk is de beroemdste bedevaartplaats aan den Rijn, Born-hofen, met Onze Lieve Vrouw der zeven weeën. Voor den Kuituurkamp waren er Redemptoristen Paters.

I Nu weer links Boppard, heerlijk gelegen op een landtong, aan drie zijden door bergen ingesloten, bergen en kleine | vlakten, met heerlijke villas bezet. Die machtige burcht op ; den anderen oever, boven Braubach hoog in de lucht, is de i Marksburg.

Wat gij niet voorbij moet zien is een achthoekig gebouw, de i Königstuhl genoemd, wereldbekend. Hier hielden de keur-1 vorsten vergaderingen. — Waar Coblentz gaat komen, — opge-| let op die gothische torentjes en kanteelen; daar rechts, dat is Stolzevfels, éénig schoon gelegen aan de Lahn. — Die vestin-genberg is Ehrenbreitstein ; dat is een uitgestrekt vesting-j werk, dat de hellingen en den kam van dien berg bedekt en omklemt, met de plaats van dienzelfden naam aan zijn voet, en de steentjes, en schelpenkerk „Rothe Hahnquot; op den hoek.

-ocr page 212-

196

Langzaam, statig dreef de boot naar de landingsplaats aan de schoone Castorkerk voorbij.

Het was etenstijd. De scheepsklok riep ons en scheen te antwoorden op die innerlijke stem, die evenals te Loreto, de hongerklok luidde. Het spreekwoord „Eijnluchtquot; hongert, is inderdaad geen fabel.

En toen na tafel de beide rijnoevers aanmerkelijk weinig bezienswaardigs aanboden, — Andernach uitgezonderd, met zijn heerlijke romaansche kerk, — juist de Maria Munsterkerk van Roermond, — zag men langzaam velen der reisgenooten deser-teeren van het verdek, die links, die rechts; — de natuur deed haar rechten gelden en teekende soms hoorbaar protest aan tegen den laatsten nacht in spoor doorgebraoht, nachtrust die wij geofferd hadden voor de processie in München.

En niemand had spijt van het offer.

Op het verdek ook dunden de rijen der toehoorders en dan hier en daar dook een hoofd naar omlaag, op hand of arm, en . .

,le combat cessa faute de combattants.quot;

Waar niemand luisterde, was verhalen zonder doel.

In de kajuit echter , waar gerookt mocht worden , was de trouwe tafelronde nog bijeen, in gezelligen kout. Aan het vaderland, het thuis, de dierbaren werd er gedacht en veel gesproken van de thuiskomst.

Overmorgen zijn wij thuis. Dat was het thema.

„Waar zijn wij thans?quot;

„Bonn ongeveer.quot;

„Dus op het verdek! Het Zevengebergte wil ik nog eens zien.quot;

En alsof de stem van den schipper, „Bonn, Bonn!quot; magnetische kracht op slapers en slaapsters uitoefende, weldra waren allen op het verdek en stonden bij elkander.

Iets wilde men nog weten. Dat was de sage van den Drachenfels, Rolandseick en Nonnenwerth, het eiland in den Rijn, tusschen beide genoemde en zoo bekende ruïnes ingelegen.

-ocr page 213-

I j

___Li

____________i_i

197

Het was ten tijde der invoering van het Kdstendom in deiie landen.

Aan den voet onder den geweldigen berg, thans Drachenfels, de drakenrots genoemd, — huisde een afschuwelijk monster, een draak.

De bewoners hadden in een gevecht met naburige stammen een Kristen maagd, van buitengewone schoonheid, gevangen genomen.

Er werd besloten dat zij den draak, die met menschenoö'ers gevoed werd, zou ten prooi geworpen worden. Op korten afstand van het hol, waar het monster verbleef, werd zij vastgebonden aan een boom.

In het wit gekleed, stond de jeugdige Kristinne onvervaard, en wachtte op de komst van het vreeselijke dier.

Ziet, het verlaat zijn hol, vuile dampen uitstootend, die de lucht verpesten. De heidensche priesters zingen en tieren, de heidenen houden in angstigen eerbied de oogen op het slachtoffer gevestigd.

Wat schittert in hare hand, zoo tenger?

Een wonderlijk teeken is het, - het schijnt wel van goud, zoo straalt het in de zonnestralen, — twee balken, dwars over elkander gelegd, — een kruis.

Onverschrokken houdt zij het monster, dat den vreeselijkcn muil openspalkt, het kruisteeken te gemoet.

Ziet! ziet!

Verschrikt, als ten doode geslagen, kromt het ijselijke dier ineen, terug, achteruit, — en bonst langs de spitse rotswanden naar beneden, in de diepte.

Het zwarte bloed kleurde de steenen en het verpletterde lichaam verdween in de hoog opbruischende golven van den Kijn, terwijl de bliksemschichten schoten om de kruin en de donder ontzachelijk ratelde door het Zevengebergte.

„En toen?quot;

.

I

-ocr page 214-

198

Zoo vroegen meerdere stemmen.

Wel! en toen bekeerde zich de volksstam, en de aanvoerder huwde de Kristen mn.agd, en een machtig geslacht heerschte er op den burcht der draken.

„En wat heeft Nonnenwerth daarmede te maken?quot;

„Geduld, Dit was niet dan een voorspel.quot;

Hoe lang het hier heerschte, het machtige geslacht, kan ik | u niet zeggen. Daarover zwijgt de geschiedenis.

Maar wij zijn eenige eeuwen later.

Waar gij die ruïne, een soort van poort, ziet, te midden der ; wijnbergen, hier rechts woonde ridder Roland. Hoog op den Drakenburcht zetelde sinds eeuwen hetzelfde machtige geslacht. De slotheer toenmaals bezat een eenige dochter, een | toonbeeld van schoonheid en deugd. Vele ridders stonden naar haar hand en.... den Drakenburcht; Ridder Roland was j de gelukkige bruidegom.

Op aarde echter is het geluk niet standvastig.

Luistert:

Het was avond: donker de wolken, donker dc hemel, donker de Rijn.

De Drakenburcht verdween in het duister en niet gehoord werden de hoornsignalen van den torenwachter, wakend op de hooge tinnen en kanteelen.

Maar wat is dat?

Een rosse gloed stijgt van de bergkruin op en oorlogskreten worden gehoord.

En een bootje schiet over de schuimende golven van den Rijn. Een bode ijlt de hoogte op :

„Heer Roland ! Heer Roland ! op! De Drakenburcht is overrompeld. Men rooft uw bruid en uw toekomstig erve quot;

„Te wapen! te wapen!quot; zoo gaat het door den Rolandsburcht en weldra zag men den ridder met zijn getrouwen en dienstmannen den Rijn oversteken, en de hoogte oprennen in aller ijl.

-ocr page 215-

199

Open stonden de poorten; do laatste mannen van Drachen-fels verdedigden zich in den grooten toren.

„Heer Roland ! Heer Roland !quot;

Zoo klinkt het van alle zijden, zoo schetteren de horens, zoo roepen de krijgers.

Zoo juichen de ontzetten, — zoo vloeken de aanvallers.

„Waar is zij — de bruid? — de dochter?quot;

„Waar is de Burchtheer?quot;

„Zij? zij vluchtten den toren op langs den Rijn, — ik zag het witte kleed schemeren in de duisternis.

Heer Roland vloog de trappen op.

„Ha! roover van mijn bruid! Ha! roover van mijn erf!''

Hij ziet in het duister het blanke kleed, en zijn bruid worstelend tegen een ridder, met. gesloten visier, in ratelend pantser.

Hij grijpt den roover aan en werpt hem over den toren rand, in de gapende diepte.

De vijand nam de vlucht, de stilte keerde weer, en de rust heerschte op den burcht.

Maar, o ontsteltenis ! o schrik en vertwijfeling '

O, jammerlijk bestaan !

Het was de vader, de dierbare vader der bruid geweest, dien hij in het noodlottige duister, ten gewissen doud had neergeploft in de diepte.

Dooddroef verliet de zegsvierende ridder den geredden burcht.

Het was uit met zijn levensgeluk.

Daar, op het eiland, te midden der groene golven van den Rijn, bouwde Hildegard het stille toevluchtsoord. Hier, te midden van gebed en goede werken, leefde zij alleen voor God, zocht zij heeling voor het arme hart.

Op den Rolandsburcht leefde stil en eenzaam heer Roland, afgezonderd van de wereld.

Uren zat hij daar, en blikte van dien hoek, — Rolandseck, uit naar den trotschen burcht der Draken, die langzaam viel in

-ocr page 216-

200

puin, — naar het eiland en liet stille klooster, in het groene lommer der boomen.

Eensdaags openden zich de kloosterpoorten, en een lange stoet van vrome zusteren trok biddend uit. Ten grave begeleidden zij het sterfelijk hulsel der vrome stichteres.

Ten grave gingen de vrome gezangen, klepte de kleine kloosterklok.

Van dien dag af aan zag men niet meer het bleeke gelaat aan het venster op den Rolandburcht.

„De ridder was dood.quot; — —

„Coin in Sicht!quot; klonk het op eens.

Keulen in zicht.

En de gewone ontijdige, gejaagde bedrijvigheid bleef niet uit.

„Maar weest toch gerust, gij hebt nog een schat van tijd.quot;

Het mocht niet baten.

Men rende en men zocht, en weldra stonden allen gepakt en gezakt bij de plaats naast den raderkast, waar aangelegd moest worden.

Langzaam kwam Keulen nader.

Het is een schoon „stadsbeeld'', een schoone verschijning, met die kroon van torens, die zoo hoog schijnt te zweven in de lucht.

-ocr page 217-

OOLONIA SANCTA.

Het heilige keulen.

laatste halte.

Waarlijk jammer, de laatste halte.

En menige zucht volgde weer.

Zoo werd het Heilige Keulen begroet.

„Geschieden muss sein.quot;

Zoo is het immers altijd; het heele leven is niet meer dan een komen en gaan, — een ontmoeten en scheiden, totdat het laatste stervensuur slaat.

Voorshands echter blijven wij nog bij elkander, ten minste tot morgen middag, en te Keulen zal het eigenlijk voorgoed zijn.

Nu naar 't hotel.

Het „Domhotelquot;, daar hoorden de pelgrims thuis, vlak bij den Dom, den Keulschen Dom, ook een soort van achtste wonder der wereld.

Het was zoowat half zeven en er was bepaald om acht mute eten. Maar men had behoefte zich wat op te frisschen.

Daartoe was dan ook volop gelegenheid.

Heerlijk, prachtig hotel, vriendelijke bediening en goede behandeling. Alles splinternieuw en met de grootste luxe ingericht bijna te mooi.

-ocr page 218-

202

„Prachtige kamers, vindt gij niet?''

„Nu! dat zou ik meenen.quot;

Aan tafel werd een afscheidsfeest gehouden. Een paar der pelgrims moesten 's morgens om tien uur weg

Dat deed ons leed.

Menige toost werd er gesproken, in diep bewogen taal.

Men voelde behoefte een hartelijk woord van dank uit te spreken, eer men de handen drukte bij het afscheid nemen.

De President dankte namens het Comité, in welgekozen woorden, voor de bereidwilligheid, de inschikkelijkheid en volgzaamheid, door alle pelgrims steeds betoond. Hij deed bijzonder uitkomen , dat het slagen der bedevaart aan dien uitmuntenden geest te danken was, welke van allen één hart en éene ziel had gemaakt, allen als ééne familie steeds had doen zijn en onder elkander omgaan.

„Het einde onzer reis is ophanden, de scheidingsure gaat slaan, maar dat allen hun zoete herinneringen, waar men nog lang op kan teren, mede naar huis nemen, dat is hun eigen werk, dat is uw verdienste. Daarvoor onzen dank. Gij hebt de taak van een Comité, toch steeds een zware en soms een ondankbare, licht gemaakt Wij bevelen ons in uw aandenken aan. uwer zullen wij nimmer vergeten Onze Directeur zal onze reisherinneringen neerschrijven, en dan zal het zijn of wij die reis nog eens maakten en zullen wij ons allen weerzien in den geest en verheugen in het hart.quot;

Het was een waar woord , maar er klonk wel iets weemoedigs in door.

De tolk der pelgrims was de Zeer Eerwaarde Heer Pastoor Masker.

„De ure van scheiden is daar. Morgen middag om 12 uur zal ik niet meer aanzitten aan het eigenlijk afscheidsmaal. Dat spijt mij innig, maar het kan niet anders.

„Mag ik dan onzer aller dank van ganscher harte brengen

-ocr page 219-

203

aan de Ileeren van liet Comité. Hoogst verdiend is die dank; aan betere zorgen konden wij niet toevertrouwd worden, dan aan die van onzen hooggeachten President, — neen! betere leiding niet dan die van onzen Direkteur, wien Pater Dokter zoo menigwerf zoo trouw ter zijde stond.

Mijne heeren, zoo sloot de diep geroerde spreker, ons aller dank en den mijnen geheel in liet bijzonder.

liet waren voor ons allen onvergelijkelijke dagen van het edelste, het reinste genot, van edele beleering en treffende gevoelens.

De herinnering aan deze bedevaart zal allen steeds bijblijven, als de herinnering aan waarlijk schoone, gelukkige dagen. Nogmaals onzen dank.quot;

Mr. Florijn uit Rotterdam deed in niet minder welgekozen en hartelijke woorden de verdiensten van eenige comité-leden uitkomen, — en vergat in edele bescheidenheid zijn eigen persoon en verdiensten.

De Hoog Eerwaarde heer Kusters, Oud-provinciaal der Minderbroeders Rekollekten in Nederland, sloot de rij der sprekers met een korte en treffende toespraak.

„Onze bedevaart loopt ten einde. Woorden van afscheid worden er gehoord. Onze reis was een bedevaart, een pelgrimstocht. Wij hebben gebeden , veel gebeden, gced gebeden. Wij hebben elkander onderling niet vergeten.

Het leven is ook een groote reis. De reizigers treffen elkander en verlaten elkander weder

Wij scheiden voor het oogenblik, zonder te weten of wij elkander zullen weerzien, ooit.

Hebben wij elkander leeren kennen, liefhebben en hoogachten, zoo blijve het gebed het beste bewijs, het beste blijk van de oprechtheid onzer vriendschappelijke gevoelens. Het blijve de band, de gulden keten, die de Tertiarissen der Nederlandsche Bedevaart trouw blijve vereenigen.

-ocr page 220-

204

Dat is kristelijk, dat is broederlijk.

Zoo zij het!quot;

Daarmee liep de avond af.

's Morgens vroeg spoedden de meesten naar den Dom, die reeds 's avonds te voren zoozeer de belangstelling had opgewekt.

Nu die éénige Dom verdient dan ook wel alle belangstelling en alle bewondering

En nu genoten wij van den Rijn, na al het reeds genoten natuurschoon ; — wij genoten in den Dom , na al het gesmaakt kunstschoon.

Daar lag hij voor ons, de ontzaggelijke bouw met zijn twee torens, de hoogstender wereld, die zoo slank opschieten ten hemel.

Wat een wereld van torentjes en fialen en bloemen en bladeren, groote en kleine, beelden en beeldjes; wat een hemel van Heiligen, welke die drie machtige ingangspoorten bevolkt en bezet!

Da omgang is vrij en een woud van bogen en konterforten, van stutpijlers van allerlei aard biedt u de Koorabside, van de Ilijnzijde uit. Op tamelijken afstand moet gij den gothischen Kolos opnemen en bewonderen . dan hebt gij de Koorronding voor u liggen. De torenzijde, hoe vrij ook, is nog te klein. Gij moet er te zeer tegen opzien. Hij beheerscht u, hij verplettert u niet alleen, hij ligt op u, te zwaar.

Maar heerlijk toch is dat woud van omhoogjager.de spitsen van allerlei aard, waarin, als kanten zoo fijn, het beeldhouwwerk is opgehangen, — heerlijk vooral in de ondergaande zonnestralen, wanneer de doorbroken spitsen met hun reusachtige zes en twintig voet hooge kruisbloemen met goud doorwerkt schijnen en de laatste lichtbundels huppelen van spits tot spits, van toren tot toren, van dak tot dak.

Wij hebben den Dom eens zien vlammen in bengaalschen lichtgloed, van den Rijn uit; — dat was zeer schoon, maar omvatte niet genoeg het geheele gebouw.

-ocr page 221-

* 205

Een wandeling om het groolsche bouwwerk zal u de beste opvatting van het geheel aan de hand geven. Gaat eerst dien tuin eens even door achter den Dom. Ziet daar de stukken van torentjes, bladeren, bloemen, welke schilderachtig door het groen verspreid liggen, en uit die details krijgt gij de beste gedachte van het heele.

Dan begrijpt gij de hoogte van het kunstgewrocht: dat de torens een hoogte hebben van 500 voet en meer, dat de binnenhoogte tv.sschen vloer en gewelf 180 voet meet, dat de zoogenaamde dakruiter of het torentje op de viering 150 voet hoog oprijst boven den nok van het dak.

Die bijna onmetelijke verhoudingen worden u toch het best klaar, wanneer gij achter het hoogaltaar op de open galerij, - 90 voet hoog, — triforium geheeten, staat en van daar de kerk overziet. Kiest gij daarvoor een helder, zonne-brandig avonduur, dat de ondergaande zon het hooge toren-raam in duizend verwen ontsteekt, die hun lichtende, doorschijnende kleuronbundels als bonte strepen verre werpen in de groote hallen, dan komt er over u een begrip van oneindigheid, een gevoel van de Majesteits Gods, Wien ter eere dit zijn huis gebouwd werd, — een bewustzijn van den verborgen God, die er in woont, dat gij onwillekeurig op uw knieën zoudt vallen en aanbidden.

Dat is dan ook de ware indruk, dien een gothieke kerk, waarvan alle lijnen u ten hemel voeren, die als een groote hemellader opklimt, u moet maken; zij moet u aan de aarde ontvoeren.

Het in steen gegoten duitsche woud, opgaande in zijn stammen, kolommen of pijlerbundels, zich vertakkend in het slanke gewelf met graten en twijgen, met zijn geheimzinnig schemerduister door de vensters, met bloemen en ranken volge-schilderd, als door het loof en lommerwerk der bladeren grillig schietend, — kan en moet dien indruk maken.

-ocr page 222-

206

En die Dom heeft een geheele geschiedenis.

Hij, die de eerste gedachte opvatte van een overgroot Godshuis te bouwen aan den Rijn, — een zinnebeeld der éénheid der duitsche volkeren, waaraan het geheele rijk zou bouwen, was een Heilige, de H. Engelbrecht, de Bisschopmartelaar van Soest.

i

In zijn machtig brein, - hij was een groot man, — ontsprong het groote idéé; een soort votieftempel moest het worden.

Conrad van Hochstaden legde den grondsteen in 1248. Geslacht op geslacht bouwde er aan voort, eeuw aan eeuw, tot 1437.

Toch stokte het werk, ook eeuwen lang.

In 1827 werd het weder opgevat.

Een Keulsche burger, Sulpiz Boisserée, was de groote strijder, schrijver, werker voor den Dom. Hij was de Ridder van dit werk.

Men streed en streelde vooruit.

In 1863 viel de binnenmuur, welke het binnenste der kerk afsloot. De groote Kardinaal von Geissel voltrok de inwijding. Koningen en vorsten waren tegenwoordig.

Maar het groote feest was het voltrekkingsfeest van 1880.

Dat feest evenwel was niet zonder schaduwzijden.

De aartsbisschoppelijke zetel was verweesd, de aartsbisschop in ballingschap. De wijbisschop Baudry begroette Keizer en Keizerin en het Keizerlijk hof, bijna voltallig verschenen.

Het groote werk was voltrokken.

De Keulsche Dom stond in zijn majesteit en grootheid, een kunstgewrocht zonder weerga, — een zinnebeeld van het duitsche rijk en volk, — de glorie van den Rijn, de kroon van Keulen en de trots der bevolking.

Er is maar één Dom, zeggen de Keulenaars en dat zeiden wij ook éénparig.

Er is veel te zien in Keulen, maar wij waren verzadigd, dat is het woord.

-ocr page 223-

207

Eenigen begaven zich naar Sanct Marien im Capitol of deden Gross Sanct Martin aan ; anderen wandelden of reden door de stad.

Beide genoemde kerken , de eerste een kruisvormige ro-nieinsche Basilica, evenals de tweede met haar oorspronkelijke!! toren, zijn prachtig, en rijk beschilderd en bevloerd, en bevatten tal van bezienswaardige bijzonderheden.

Maar „na zooveel kerkenquot;' heette het, en men had gelijk. Om twaalf uur waren wij voor het laatst aan den gastvrijen disch bijeen. Om twee uur zou men vertrekken. Nogmaals werden hartelijke woorden gewisseld bij den afscheidsdronk, vele geloften gedaan, waarvan er reeds vele ook gehouden werden. Het Comité verhoogde de vreugde door een maatregel van gulheid, die de algeraeene goedkeuring wegdroeg. Men klonk en dror;k en - „geschieden muss seinquot;'... men verliet het hotel en langs den Dom ging het naar het station.

Vaarwel, o heilige stad, vaarwel! ook, o groene Rijn! vaarwel, o land der Alpen en zonnig Italië !

Het gaat op huis aan.

Door de eentoonige vlakte van Keulen tot Venloo viel er niets op te merken. De reis kon dus gezegd worden te Keulen gesloten te zijn.

Te Venloo echter splitste zich het gezelschap. Het grootste gedeelte reisde verder in de richting van Rotterdam , terwijl eenigen, waaronder de President, de Directeur, Vice President met de Maastrichtenaren over Roermond zich naar de stad van Sint Servaas begaven.

In aller ijl, er waren maar een paar minuten tijd, drukte men elkaar de hand, riep men vaarwel, vaarwel! wenkte en wuifde, velen met tranen in de oogen, ten afscheid; de treinen zetten zich in beweging, en de bedevaart had uit.

Het afscheid was niet zonder droefheid voor velen, en het werd gezegd en geneuried, door meer dan een :

-ocr page 224-

208

„Und es fiillt ja so scliwer Aus einander zu gehn,

Worm die Hoffnuug nicht wilr'

Uns eiiist wieder zu sehn.quot;

En die hoop is reeds voor meer dan een verwezenlijkt i geworden. Velen hebben hun beloften gehouden, voor menigeen zal het nog gebeuren. En het samenzijn was zoo gelukkig en gaf zooveel voldoening, dat het wederzien voor allen niets dan vreugde kan geven en zoete herinneringen hernieuwen.

Dat is, wij twijfelen er niet aan, de meening aller Pelgrims over de bedevaart der Nederlandsche Tertiarissen naar Rome, Assisiö, Loreto, en Padua, bij gelegenheid van het gouden bisschopsfeest van Paus Leo XIII.

En daarvoor zij Gode gedankt.

-ocr page 225-

Slotwoord

DIERBARE PELGRIMS.

oo hebben wij dan onze belofte vervuld en de reisherinneringen onzer bedevaart neergeschreven, trouwblijvend aan de waarheid en de werkelijkheid. Al dadelijk moeten wij u om verschooning vragen, dat wij zoo lang op die vervulling hebben laten wachten ; was de wil goed, zelfs het verlangen vurig, om èn u èn ons zeiven de voldoening te bereiden, onze reis nog eens in den geest te kunnen maken, ïangs den weg der herinnering,— de zorgen eener al te groote parochie, de vele beslommeringen van allerlei aard, arbeid veel en velerlei opgehoopt, hebben ons zoo menigwerf verplicht, het werk voor dagen te laten rusten.

Duidt het mij niet ten kwade, — nog eens, de wil was goed, de uitvoering soms onmogelijk.

God zij gedankt !

Het werk is af. Wij danken God voor de ons toegestane krachten om het gegeven woord te kunnen houdefi, en zien dankbaar op, tot den Gever van alle goed, die ons, op de voorbede van den grooten Stichter der III Orde, den serafljnschen vader Franciscus zoo gunstig leidde op de wegen onzer bedevaart , die Hem ter verheerlijking ondernomen werd , ter eere van den glorierijk regeerenden paus Leo XIII.

Onze bedevaart is zeer gelukkig geweest.

14

-ocr page 226-

210

Wij mogen zulks wel zeggen met oprechten dank in het hart.

Wij hebben veel gezien, veel genoten, maar wat voor een bedevaart een hoofdzaak is, wij hebben veel gebeden en onze godsvrucht dikwijls ten volle kunnen voldoen in de Heiligdommen, den Tertiarissen zoo dierbaar.

Zeker hebben wij veel genoegen gehad, zeer veel, maar het was een bedevaart in werkelijkheid, en dat moest zij ook zijn.

Zij kenteekende zich door buitengewone innigheid in den omgang, door broederlijke hartelijkheid, christelijke dienstvaardigheid en volgzaamheid.

Wij zijn overtuigd, dat het voor elkeen der pelgrims steeds een groot genoegen zal wezen, zijn reisgezellen weer te ontmoeten op de verdere reis des levens; met ware voldoening zal hij terugzien op de dagen, te zamen doorgebracht, en zich al het schoone, heerlijke, genoten op elk gebied, met verrukking te binnen brengen.

Wij danken allen voor de steeds aan den dag gelegde sympathie, voor al de bewijzen van achting en eerbied, den priester zoo ruimschoots gegeven, voor de volgzaamheid, den directeur overal betoond. Het maakte onze taak zoo aangenaam en zal voor ons een der zoetste herinneringen blijven.

Mogen den pelgrims nog vele gelukkige jaren toegekend worden, om van hunne herinneringen te genieten, en moge dit ons boek daartoe steeds de welkome gelegenheid bieden. En is het ons geoorloofd, ootmoedig een verzoek te mogen doen , zoo laat het diepgevoelde woord over het gebed , ons allen toegesproken, ook voor ons waar worden. Waar zal het zijn, zoo gij onzer in uwe gebeden wilt gedenken.

Ten afscheid, eer wij de pen, ter eere der Derde Orde opgevat, als een „Ex votoquot; neerleggen aan de doorboorde voeten van onzen Serafijnschen Vader, bieden wij u allen den christelijken groet!

Geloofd zij Jezus Christus !

De zegen van onzen H. Va,der Franciscus kome over U allen !

-ocr page 227-

J ET ADRES.

-

ALLERHEILIGSTE VADER.

it het verre JSTederland treden voor den tweeden keer, het hart vol liefde en toewijding, de pelgrims voor Uw verheven troon.

Op onze beurt komen wij, de leden der Derde Orde van den H Franciscus, neerknielen aan Uw voeten, om aan den Vader der Kristenheid de hulde onzer kinderlijke liefde,— den onfeilbaren Leeraar, de verzekering der trouwste gehoorzaamheid en onderwerping, — den Paus-Koning het plechtigste protest tegen de overweldiging zijner Staten, — den grooten en roemvollen Beschermheer der Orde van den H. Franciscus, den onsterfelijken Hersteller van de Derde Orde, onze geheel ootmoedige en diepgevoelde dankbaarheid aan te bieden.

De rots van Petrus, waarop Uw verheven troon, door de heiligste wettigheid van weldra twee duizend jaar bekroond, gezeteld is, is de onoverwinbare burcht geworden, van recht en gerechtigheid, door de heldhaftige, bewonderenswaardige standvastigheid, waarop de Paus-Koning zijne nooit verjaar-bare rechten heeft verdedigd in een strijd, altijd zoo roemrijk, zonder voorbeeld . in de toch zoo glorievolle jaarboeken der Kerk.

Ti

-ocr page 228-

212

De Rots van Petrus is de vuurbaak der onfeilbare waarheid geworden, der waarheid, ingegeven door den Geest Gods.

Evenals de zon, oprijzend over de wereld, zóó heeft ieder Uwer Encyklieken, onvergankelijke gedenkteekenen voor de toekomstige eeuwen, de duisternissen der dwaling verstrooid en het licht der waarheid uitgegoten over de geheele wereld, en de gelukkige volkeren luisteren opgetogen naar de machtige stem van Petrus, die voor allen woorden des levens heeft.

De rots van Petrus is het toevluchtsoord der ongelukkigen geworden, de onverwinlijke borstwering van het recht, de haven des heils voor allen, die den vrede des geestes en des harten zoeken, de hoop der maatschappij en der wereld.

Van de rots van Petrus ging voor ons, leden van de Derde Orde van den H. Vader Franciscus, een nieuwe bron van leven gevende wateren uit, welke de Orde herstelde in hooge eere, haar bloei en vooruitgang verzekerde, en de gelederen der „heilige legioenen van het gebed en der boetvaardigheidquot; vertienvoudigde — tot een heirleger, dat de geheele wereld overdekt.

ALLERHEILIGSTE VADER.

En wij. Uwe getrouwe en liefdevolle kinderen, wij verheugen ons over al die triomfen, al dien roem, al die gloriekroonen, die stralen om Uwe slapen. Wij verheugen ons,

i

de Keizers en de Koningen te zien neerknielen voor Uw troon, ! de volkeren te zien samenstroomen naar de eeuwige stad, die zich niet verzadigen kunnen in het gezicht van hun welbeminden Vader, rijk door zijn gelukbrengende zegeningen.

ALLERHEILIGSTE VADER.

Wil U gewaardigen , o Paus-Koning, onfeilbare Leeraar, Vader welbemind, de huldigingen der dankbaarheid, — de betuigingen van liefde en geloof, zoo vurig als getrouw, te aanvaarden, van de leden der Derde Orde van Nederland.

-ocr page 229-

213

Gewaardig U, aan hen en aan alle Tertiarissen van Nederland Uwen apostolischen, zegen to schenken.

Dat is de kinderlijke bede, die, neergeknield aau de voeten van uw troon, wij tot Uwe Heiligheid richten.

FR. ANTONIUS, O I. Francisci.

Fr. Dr. MICHAEL SLEUTJENS, O. I. Francisci.

J. E. H. MENTEN, Directeur.

J H. STALLENBERG, President.

A. G. FLORIJN.

A. JASPERS.

-ocr page 230-
-ocr page 231-

REISGIDS

VOOR DEN

Pelgrimstocht

DER

NEDERLANDSCHE TERTIARISSEN

NAAR

^ome, /Assisië, L'oreto en :' udua. Van 15 gt;1 liJI tot 3 .J LTINI 1893.

-ocr page 232-

Reisplan en dagorde

HEENREIS.

Maandag 15 Mei.

i.jeenkomst Tiozendaal, waar de pelgrims het rond-jft reisbiljet zullen ontvangen. Ieder zorge dus tijdig

l|s [Ipjll aanwezig te zijn.

Vertrek van Rozendxtal 3,25 's nam., Esschen aankomst 3,34, Belgische douane. Vertrek van daar 3,57, aankomst Brussel 5,29. Diner aan het station. Vertrek van Brussel 6,24 's avonds over Luxemburg (11,48), Metz (1,07), Straatsburg (4,00) naar Bazel.

Dinsdag s6 Mei.

Aankomst Bazel 6,10 's morgens. Ontbijt aan het station. Vertrek van Bazel 7,00, aankomst Luzern 9,10, waar de alpen-wereld met al haar betoovcrende tooneelen ons ontvangt. Omstreeks middag Tweede ontbijt of Déjeuner a la four-chetts, in het hotel St. Gothard, in de nabijheid van het station. Veitrek van Luzern 1,35 's nam., per boot over het Vierwaldstattermeer, het schoonste van Zwitserland, naarFlnelen. Bij het vertrek biedt Luzern zelf met zijn krans van torens

-ocr page 233-

217

een heerlijk gezicht; rechts verheft de Pilatus-berg zijne verscheurde rotstoppen. Dan volgen de heerlijkste gezichten voortdurend elkander op : Hertenstein en Weggis links, Alpnacht en Buochs rechts. Daarna Vitznau aan den voet van den Rigi; vervolgens aan de linkerzijde de beroemde Achsen-weg, in, door en onder de hernelhooge rotsen gehouwen, langs de oevers van het meer; reusachtige galerijen, op rotspilaren gebouwd, Brunnen, Treib, het Rutli; de kleine Mythenstein, Tell's Platte, Tels Kapalle, en eindelijk Fluelen aan het einde van het meer. Aankomst te Fluelen 4,10, vertrek per trein 4,15. Hier begint de bergtocht over de St. Gothard-baan. Een korten tijd holt de trein door de bloeiende vlakte, maar weldra begint hij te klimmen. Door tal van tunnels, die zich soms als wenteltrappen door de bergen kronkelen, draait de lijn klimmend om zich zelve; driemaal vertoont zich het prachtige landschap met het dorp Wassen, steeds meer en meer uit de hoogte, zoodat de derde maal het dorp aan onze voeten ligt. Bijna onophoudelijk ziet men de Reuss hortend en schuimend naar beneden storten, dan eens tusïchen hernelhooge rotsen, dan weer langs liefelijke dorpjes door lachend groene dalen. Aankomst te Göschenen 6,15 's nam. Te 7 diner en logies in het hotel Göschenen in de onmiddellijke nabijheid van het station.

Woensdag 17 Mei.

Te 6 H. Mis en daarna Ontbijt. Excursie naar de Teufels-brücke en het Uuner-Loch. Tegen 11 uren tweede ontbijt. Vertrek 11,55 's voorin, naar Milaan-, terstond de groote St. Gothardtunnel; de doortocht in volle vaart duurt 16 minuten. Gedurende den doortocht sluite men de raampjes, om geen last te hébhen van rook en roet; dit onderhoude men op reis steeds bij de vele tunnels. Van Airoio daalt de spoorbaan voortdurend door tunnels, over bruggen en langs afgronden, het bed volgend

-ocr page 234-

218

van de rivier Tessino, met verschillende watervallen. Na drie spiraaltunnels te zijn doorgestoomd, passeert men Bel-linzona (1,49). Heerlijke natuur: op de omliggende bergen ziet men de ruïnen der kasteelen der kantons Uri, Schwytz en Unterwalden. Daarna Lugano (2,40); heerlijk gezicht over de stad en het meer van dien naam, in de diepte gelegen en omringd door hooge bergen, die bezaaid zijn met villa's en hotels. Aankomst te Chiasso 3,15 (klok van Bern). Ita-liaansche douane; omstreeks 20 minuten oponthoud. Vertrek (klok van Kome) 3,55. Bij Como het beroemde meer van dien naam, met heerlijke omgeving: schilderachtige dorpen, kerken, kloosters en kapellen, prachtige villa's met betoo-veronde tuinen, die als een paarlensnoer langs den oever liggen Aankomst te Milaan 5,15. Met de omnibussen naar het Grand Hotel de Milan. Diner en Logies. In den avond bezoek van de Passage Vittore Emmanuele, de grootste en rijkste van Europa, welke 's avonds straalt in electrisch licht, waarbij het Domplein, met blauwachtig zilverwaas overgoten, ons de Domkerk toont als een bovenaardsch gezicht.

Donderdag 18 Mei.

Te 7 uren ontbijt ; vervolgens de H. Mis in de Domkerk, een dor prachtigste kerken der wereld. Deze kerk, waarin het lichaam van den H. Carolus Borromeus rust, prijkt met meer dan 4500 marmeren standbeelden en met 106 gothische torentjes. Na de H. Mis bezichtiging van de kerk met de zilveren kapel van den H. Carolus Borromeus en de allerrijkste schatkamer. Vervolgens bezoek der kerk van den H. Ambrosius, uit de vierde eeuw, met het gouden altaar, stralend in edelsteenen en kunstvol email. Daarna, indien de tijd het toelaat, bezichtiging van andere bijzondere merkwaardigheden der stad. Diner tegen 1 uur. Vertrek 2,55 's nam. naar Florence, over de lijn Pa via (3,30) — Novi (4,44) —. Genua

-ocr page 235-

219

(6,04), waar souper aan het station. Genua breidt zich als een halve cirkel uit om de oevers van de blauwe zee. Langs de havens kiimt de stad omhoog langs de hellingen der bergen, die haar van alle zijden insluiten en verdedigen. Een betooverend, overprachtig gezicht. Vertrek te 6,35. Prachtige route, eerst door een tunnel onder de stad door, verder langs den oever der Middellandsche Zee, de zoogenaamde rivier a minor e, heerlijk schoon, over Chiavarie (7,45) en Spezia (,9,01) tot Pisa (10,48) en van daar landwaarts naar Florence-, aankomst aldaar 12,40 's nachts. Met da omnibussen naar het Grand Hotel de Florence et Washington. Logies.

Vrijdag 19 Mei.

Te 8 uren ontbijt ; daarna de H. Mis. Na de H. Mis bezichtiging van de prachtige Kathedraal met het Baptisterium of doopkapel, van de kerken Santa Croce, Annunziata, San Lorenzo, Santa Maria Novella. Tegen 12 uren tweede ontbijt. Na den middag een rijtoer naar „San Miniatoquot;, van waar een prachtig gezicht op de stad en omstreken. Te 5 uren diner. Tegen 6,30 's nam. vertrek met de omnibussen naar het station, van waar te 7 uren vertrek naar Rome, aankomst 12,25 's nachts. Met de omnibussen naar het hotel.

VERBLIJF TE ROME.

1. Het verblijf te Rome duurt tot Donderdag 25 Mei tegen den middag Er wordt gelogeerd in het Hotel Anglo-Amerlcain, dat volgens de zekerste inlichtingen boven het hotel „La Minervaquot; te verkiezen is.

-ocr page 236-

220

2. Gedurende dit verblijf is de algemeene dagorde als volgt; Te 7 uur ontbijt, waarna de H. Mis. Na de Mis bezoek der merkwaardigheden. Te 1 uur tweede ontbijt. 's Namiddags tot omstreeks 7 uur andermaal bezoek der merkwaardigheden. Te 7 uren diner. Wanneer van deze dagorde moet worden afgeweken, zal het 's avonds te voren bij het diner worden bekerd gemaakt.

3. De bezoeken der merkwaardigheden — welke, zooals j gezegd is, gemeenschappelijk geschieden onder leiding van het Comité, — zullen aldus geregeld worden, dat het grootst mogelijk aantal met de minst mogelijke vermoeienis bezocht wordt. Bij die bezoeken zal gebruik gemaakt worden van rijtuigen. De prijs der rijtuigen te Rome is aldus geregeld, dat, wanneer men in gezelschap van drie (voor één paard) of van vijf personen (voor twee paarden) een geheelen dag een rijtuig gebruikt, de uitgave 3 a 4 franken per persoon bedraagt.

4. De voornaamste merkwaardigheden, welke te Rome zullen bezocht worden, zijn: Vooreerst de zeven patriarchale kerken: St. Pietcr met het Vatikaan, het Vatikaansche museum met bibliotheek enz.; St. Jan van Lateranen met de Scala Santa, 20 trappen in wit marmer, met hout bekleed, door den Zaligmaker beklommen en met Zijn bloed besproeid. (Deze trap wordt altijd door de pelgrims op de knieön beklommen) ; Sta Croce: deze kerk bezit voorname relikwieën o. a. het opschrift van het kruis, twee doornen van de kroon en een nagel, waarmede de Zaligmaker aan het kruis werd gehecht; Sta Maria Maggiore, met het afbeeldsel der H Maagd, door den H. Lucas geschilderd, de kribbe des Zaligmakers enz. San Sebastiano (buiten Rome), onderweg de kapel „Domine que vadis,quot; waarin de steen met den ingeprenten voetstap des Zaligmakers bij de ontmoeting met den H. Petrus, en de catecomben van Calixtus (de voornaamste);

-ocr page 237-

OO I ^ Ci 1

|

San Paolo (buiten Rome) en verder Trefontana (plaats der onthoofding van den H. Paulus); San Lorenzo (buiten Rome), alwaar het graf van Pius IX en het kerkhof te Rome.

Vervolgens de andere voorname kerken; San Pitro in Vincoli,

met de ketenen van den H. Petrus. San Clemente, Santa

'

Praxede, met de kolom der geeseling, Santa Pudentiana, S. Maria ad Martyres of het Panthéon, Santa Agnese, Santa Maria in Araceli met het Santo Bambino, San Pietro in Montorio (de plaats der kruisiging van den H. Petrus), prachtig uitzicht over geheel Rome; Santa Maiia in Trastevere, Santa Caecilia; alsmede San Fraficesco a Ripa, met de cel, door den H. Vader bewoond, en vele relikwieën, de Gesu met de kamers van den H Ignatius, Sant' Ignazio met de kamers van den H. Aloysius en den H. Joannes Berchmans.

Voorts de mamertijnsche gevangenis, waarin de H. H. Petrus en Paulus waren opgesloten, en het Coliseum, gedrenkt met het bloed der martelaren.

Zoo mogelijk tegen den avond de Pincio, om van daar het verrukkelijk schouwspel der ondergaande zon te bewonderen.

Op de verschillende tochten door de stad de voornaamste pleinen, fonteinen en paleizen, de Romeinsche oudheden, zooals de triomfbogen, de paleizen der Caesars, de forums, waterleidingen enz.

De bezoeken van deze en andere merkwaardigheden zullen geschieden volgens een door het Comité vooraf vastgesteld plan.

5. Op een dag der audiëntie bij Zijne Heiligheid - dag en uur der audiëntie zal te Rome worden bekend gemaakt -met rijtuigen uit het hotel naar het Vatikaan, ingang rechts van het St. Pieter plein, door de bronzen poort bij den wachtpost der Zwitsersche lijfgarde, verder over de prachtige Scala Regia naar de binnenzalen van het Vatikaan. Wij koesteren

-ocr page 238-

222

de gegronde hoop, dat bij de audiëntie elk der pelgrims, — aangezien ons getal beperkt is, — tot den voetkus zal worden toegelaten.

TERUGREIS.

Donderdag 25 Mei.

Te 7 uren ontbijt , daarna de H. Mis. Vervolgens make ieder zich gereed tot het vertrek. Omstreeks 10.30 tweede ontbijt; onmiddellijk daarna vertrek met de omnibussen naar het station, en van daar te 11.55 vertrek naar Assisië. Aankomst Foligno 4.00, vertrek 4.07. Aankomst ylssmè' 4.30 's nam. Bezoek der basiliek van Portiuncula met hare heiligdommen, op eenige minuten afstands van het station gelegen, en van daar met de omnibussen naar assisië. Te 7 uren diner en logies in het hotel Subasis.

Vrijdag 26 Mei

Te 6.30 de H. Mis aan het graf van den Serafijnschen Vader Frandscus. Daarna bezichtiging der grootsche basiliek met hare beroemde schilderingen en vereering der heilige relikwieën, aldaar bewaard. Omstreeks 8.30 ontbijt. Daarna bezoek der overige heiligdommen, welke zijn: de stal, waarin de H. Vader Franciscus werd geboren, de Chiesa Nuova, gebouwd op de plaats van het ouderlijk huis van onzen H. Vader, de basiliek van de H. Clara met het graf dier heilige Maagd, de kerk van den H. Damianus (buiten Assisië) met het klooster, door de H. Clara bewoond, de Kathedraal met de vont, waarin de H. Franciscus werd gedoopt. Omstreeks 1.30 tweede ontbijt en daarna vertrek met de omnibussen

-ocr page 239-

223

naar het station; vertrek 3.06 over Poligno (aankomst 3.33, vertrek 4.45) naar Ancona; aankomst aldaar 7.40 's avonds. Met de omnibussen naar het Grand Hotel Royal Victoria.

diner eil logies.

Zaterdag 27 Mei.

Te 7.30 ontbijt; een weinig na 8.30 vertrek met de omnibussen naar het station, en van daar te 9 10 vertrek naar Loreto; aankomst 10.07. Met de omnibussen naar het hotel Campanella. Te 11 de H. Mis in het H. Huisje van Nazareth, daarna bezichtiging der basiliek. Omstreeks middag tweede ontbijt. Te 2 uur lot en bezoek van de Santa Casa en van de Kapel der kostbaarheden. Te 5 diner en omstreeks 6 uren vertrek met de omnibussen naar het station, en van daar te 6.28 vertrek ever Ancona (aankomst 7.00 — vertrek 7.20) naar Bologna; aankomst aldaar 12 uren 's nachts. Met de omnibussen naar de Hotels réunis Aigle noir et Paix. logies.

Zondag 28 Mei.

Te 7.30 ontbijt ; daarna de H. Mis in de kerk van de H. Catharina van Bologna; vereering van het nog onbedorven lichaam dier heilige Maagd uit de Tweede Orde. Te .10 uren 's voorm. vertrek met de omnibussen naar het station, en van daar te 10.35 vertrek naar Padua; aankomst 1.07 's nam. Met de omnibussen naar het hotel Ëtoile d'or, alwaar te 2 uren tweede ontbijt. Omstreeks 3 uren bezoek der prachtige basiliek van den H. Antonius en vereeiing der relikwieën van den H. Antonius enz. Daarna bezoek van het prachtig kerkje „Madonna dell' Arenaquot; met fresco's van den beroemden Giotto. Te 7 uren diner, logies.

Maandag 29 Mei.

Te 7 uren de H. Mis op het graf van den H. Antonius; daarna ontbijt. Omstreeks 9 uren 's voorm. vertrek met de

1 i

hl

-ocr page 240-

224

omnibussen naar het station, vanwaar vertrek te 9.4:4 naar Vene tie, aankomst te 11 uren 's voorm. Met de gondels naaide hotels La Luna en Victoria. Te 12 uren twkede ontbijt. Omstreeks 1 uur bezoek der merkwaardigheden, welker voornaamste zijn: de basiliek van den H. Marcus met schatkamer, de kerk van San Giovanni e Paolo met prachtige graf- en gedenksteenen, het paleis der Dogen en de gevangenis „Piombi.quot; ' Vervolgens met de boot naar „Lidoquot; en de Adriatische zee, en eindelijk met gondels een tochtje over het groote kanaal. Te 7 uren diner. Daarna nog een bezoek van het St. Marcus-plein, dat 's avonds, prachtig verlicht, een verrukkend gezicht aanbiedt, logies.

Dinsdag 30 Mei.

Te 7 uren ontbijt, daarna de H. Mis. Omstreeks 8.30 I 's voorm. met de gondels naar het station, te negen uren vertrek naar Bozen. Aankomst Verona 11.16. tweede ontbijt aan het station, vertrek 12.10. Aankomst te Ala 2.44 (tijd van Rome), oostenkijksche douane , omstreeks 25 minuten oponthoud; vertrek 3.20 (tijd van Praag.) aankomst Bozen | 7.32 's nam. Bij aankomst diner en logies in het hotel ; Victoria, nabij het station gelegen.

Woensdag 31 Mei

Te 7 uren ontbijt en daarna de H. Mis. Te 8.37 vertrek naar München. tweede ontbijt onderweg. Te- Sterzing (10.47) begint de „Brenner Bahn;quot; de spoorbaan klimt steeds tot | Brenner (1130), hoogste punt, dat 4000 voeten boven de oppervlakte der zee ligt; van hier daalt de lijn bijna tot Innsbrück (12.42.) Opklimmende en afdalende heerlijk natuur-j schoon en de verrukkendste gezichten Te 2.40 aankomst Kufstein. duitsohe douane. Vertrek te 3 uren, aankomst Munch en te 5.13. Met de omnibussen naar het Dom-Hotel; te 7 diner en logies.

-ocr page 241-

225

Donderdag I Juni.

Te 6.30 ontbijt, daarna de H. Mis. Omstreeks 8 's voorm. vertrek met de omnibussen naar het station, van daar vertrek te 8.35 over Würzburg (1.58), naar Mainz; tweede ontbijt onderweg. Aankomst te Mainz; 5 uren 's nam. Met de omnibussen naar het Central Hotel. Te 7 uur dikke, logies.

Vrijdag 2 Juni.

Te 7 uur ontbijt, daarna de H. Mis. Omstreeks 9 uur 's voorm. vertrek met de omnibussen naar de boot Te 9.30 (Rijn-reis met het prachtigst natuurschoon en de verrukkendste gezichten) naar Keulen, tweede ontbijt onderweg op de boot. Te Coblenz omstreeks 1.30 uur, aankomst Keulen 5 uren 's nam. Met de omnibussen naar het Dom Hotel. Bezoek van den Dom en van de schatkamer. Te 7 uur diner, logies.

Zaterdag 3 Juni.

Ontbijt. Vertrek naar het vaderland. De tijd, wanneer men kan vertrekken, wordt 's avonds te voren opgegeven.

-ocr page 242-
-ocr page 243-

/ 7)J ^ A ifé{•'lt;gt; ^

fW;

^S VÜjll 1

I#)

f5- 1V1 SËM'M: ft - -7^

^r--^ tamp;y£ ^ v f^/r

Lijst der Pelgrims-Tertiarissen.

Z.Eerw.Z.Gel. Heer J. E. H. IIenten, Directeur. Z.Eeiw.Z.Gel. Hoer Pater Dr. Michael Öleütjeks, Vice-Direct. Jacijues Stallenbero, President.

G. J. W. Timmermans.

Jos. Spronken.

Jlej. Jos. Leenaeks.

Mej. Cath. Clerx.

Jlej. JIarie Godwald.

Jlej. Christine Bouman.

Mej. Marie Stockman.

Mej. Lisette Stolkman.

Mej. Josepha Hdismans.

Mej. Cecilia Oostermeijek.

WEd. Heer Arnold Coeken.

WEd. Heer J. F. Antoine Dohmen.

Mej. Maria Elisabeth Colaris.

Mej. Helena van Schaik.

WEd. Heer A. Jaspers.

Mevr. A. Jaspers.

WEd Heer J. F. Jaspers.

Z.Eerw. Heer H. Wieqink, Pastoor.

Z.Eorw. Heer P. P. Masker, Pastoor.

Z.Eerw. Heer M. L. H. Uuchelmans, Pastoor. Mej. Eijkelhof.

Mej. Groenewegen.

} Maastricht.

Amsterdam. Bolsward.

Roermond.

Woerden. Gouda.

Losser.

Zevenaar.

Broek-Sittard.

Den Haag.

-ocr page 244-

228

HoogEerw. Heer A. Kusthrs, O.-Provinciaal.

quot;VVEd. Hoer A. G. Florijn, Vice President.

Mevrouw Flokijn — Bots.

Mej. Maria keulema^s.

Mej. Cato Keulemans.

WEd. Heer B. Kruijtwaoen.

Mevrouw Kruijtwaoen —Roest.

WEd. Heer P. Smits.

Mevrouw Smits.

quot;VVEd. Heer Johan Middendorp Zn.

Mevrouw A. Middendorp.

Mej. C. van Langenveld.

Mej. Cato Block.

Mej. G. Schaap.

Mej. A. Spruijt.

WEd. Heer J. G. van der Linden. WEd. Heer Theod. Klumper.

WEd. Heer Godefridcs Nelissen. Mej. Anna Willemse.

WEd. Heer G. D. den Hazelaar. WEd. Hoor Henricus Broekman. WEd. Heer J. L. Wolf.

-ocr page 245-

Bladwijzer.

I. Inleiding........................................3

II. Vertrek........................................9

III. De Parel der Meeren...............20

IV. De Alpen en de Sankt Gothard Balin.........27

V. De Tunnel en de Intrede in Italië..........3^

VI. Milac-n en de Lombardij..............47

VII. Van Milaan over Genua naar Florence.........6°

VIII. De Stad der Bloemen....... .......65

IX. Rome..................: . . 78

X. Petrus' Kruisberg................86

Pinksteren en Pinkstermiddag............

XI. De Audiëntie........ .........98

Het Kapitool, de Mamertijnsche Gevangenis.......

Het coliseum................

H. Maria de Meerdere...............

H. Praxedis..................

H. Pudentiana..................

San Lorenzo, de Grafkapel van Puis IX. Het campa Santo .

Sint Jan van Lateranen..............

Het Pantheon..................

XII. Afscheid van Rome................121

XIII. Naar AssisiL'..... ............124

XIV. De H. Burcht..................126

XV. Van den H. Burcht naar de H. Stede.........142

XVI. Bologna....................149

XVII. De Stad van „den Heiligequot;.............151

XVIII. De bruid der Adria................156

-ocr page 246-

k $ -v £gt; ƒ - hf

___M_

JSLAUWIJZEK.

XIX. Van de stad der wateren naar de stad der bergen.....170

De „Brennerbahnquot;...........• .

De Triumf des Konings.............

De Stad der Kunst................

XX. De Rijn....................192

XXI. Colonia Sancta.................201

Vertrek. Afscheid................

XXII. Nawoord...................209

XXIII. Adres der Pelgrims-Tertiarissen aan Z. II. Paus Leo XIII. . 211

XXIV. Reisgids....................216

XXV. Lijst der Pelgrims................227

-ocr page 247-
-ocr page 248-
-ocr page 249-
-ocr page 250-
-ocr page 251-
-ocr page 252-